. \' .J - ^\'M
. \' J\'- .
\' ^ J
à > 1 -,
^ , t
\' . Jt ^
^ s. , V -^»VT». c ^
-il
... â . » - . ⢠\' \'
c
r , > A\' ^
, Jt 1 I- " r» > ⢠,
^ fu" I , X r
. r , > **
, \' i- ^ , \' 1 \' \'
|
/J | |
|
> |
: \'-Im?-:
I k »
tM /
Iff \'\'-ft..
J «i
x\'- â - -v
/
A \'
- . 1
t \' ^
â fc.-
V
\'5 v^
- â i;-1 &
i
1 , \' i Ã-
1 \' ^
h--
1
/
\\ B n ; L ; r ri 5 C A )
.....
ijlj
^ ^ :: :------------1 b ...
Mm
m
W\'-
â ï â -V
%
c
Si S\'
\' \' â
- ,
-
. i
m-. \' â
i
â. /
ALLE DE
i
4i
M
mmi
werken
VAN
flavius joseph us.
ITLEGGING
DER
titel-prent.
TAE vreeflèlykfte ftraf, gevolgd op zwaare zonden,
JL^ Word door den J o o d s c h e n S t a a t , hier als een Maa^d verbeel4
In ketenen geboeït ^ it
Een vuurbaak voor elks hert dat zich door hoogmoed ftreelL
q:>e Wreedheid dreigt haar met veelÃagen te ^verpletten-,
Zy weent, en ziet haar Staat en Tempel in den brandy
Haar Burger- "Plechtige- en haar Zedelyke wetten
Gefchonden en yertféên. Dat heet Gods fterke hand
In \'t wreeken, en zyn gunft in \'t weldoen, (reeds te hoöilen.
Wat wond\'ren heeft hy tot haar welftand niet verricht!
Hy fchiep deeze Aarde op dat zy hier geruft zou woonen;
Ja hy bcfcheen haar met zyn vriend\'lyk aangezicht j
Hy het dé Vaereld doqr eeW Ãondvloed overftrodmen,
Terv^yl ly Noach bergde in de Ark, waar iiit het zaad
Van\'Vaddr Abraham eens möëft te voorfchyn komen 3
Zyn uitverkooren volk. Dus heeft hy (leeds haar\' ftaat
Geveilifft en befchermt. Maar ach! het misvertrouwen,
Verzeld met derf Ie luft, heeft haar van \'t fpoor verleid.
Hy liet in \'t open veld zyn\' TakefHakel hm\'^^p ^
Waar in hy eene fchets van zyne heerlykheid
Vertoonde, om haaren nek, waar \'t mogelyk, te buigen:
Maar neen, die was verftyft en harder dan een fteen;
Hy nam zelf hemelen en aarde tot gerllgen,
iBoë\'hyâ¬Ã¶br ^génirigi kaftyding engebeèrt r / -
Hiar heeft l^tragk in top vaii gfori verte ,
Hy \'gaf haar die haar^ rykstroon ftelde in kracMj
Toen hy den Jebupet verwon door \'t Alvermogen,
En Salem ftichtte , ^t oog van \'t Ooften vol van pragt j
- Hy heeft haar dien Vredevorft, gefchonken,
\' Wiens wysheid was berucht by\'t onbefnedendom;
Door wiens beftier zy heeft zo heerlyk uitgeblonken ^
Dat ieder voor haar praal ftond van verwond\'ring itom.
Maar fterke beenen zyn \'t die weelde kunnen dragen,
Waar door de krachtigfte wel tuimelt op den grond.
En \'t allerfcherpft vernuft, door haar bedekte laagen,
Bezwykt en duizeld als het wykt van Gods verbond:
Want toen zy met dien Prins tot blinde afgoderye ^
Verviel, verzonk haar zon van voorfpoed in een nacht
Van Aftiirs wreede woede en Babels ilavernye:
En fchoon haar overfchot weêr wierd in ftand gebragt
Door overmaat van gunft > \'t was niets: haar euveldaaden
Vermeerderden allengs en fteegen tot de lucht.
Hartnekkigheid, die zich door reden nooit laat raaden,
" VermeeiWe de deugd; \'t vermaanen deed geen vrucht
Toen gaf de Almagrige zyn flagtbyl, fcherp gefleepen.
Aan Titus die haar boom en wortel deed vergaan
Door eenen flagi een ftraf vol doodelyke neepen.
Zo viel die fchoone ftar, om nooit weêr op te ftaan,
Elk fpieg\'le zich, en leer\'dan uit JOSEPHUS Schriften,
Hoe \'s Hemels ftrenge wraak op wolle zooien tjeed,
Om \'t onbekeerlyk hert, verflaaft aan fnoode driften,
Te domp\'len in een\' poel van onherftelbaar leed.
Wee hem die door bedrog zyn ziel in flaap laat wiegen I
De Godheid laat zich nooit befpotten of be4negen,
c^. B R ü I
I
û
- A
-s: : .
ALLE DE
werken
VAN
Flavius Josephus,
Behelzende twintig boeken van de
joodsche ou d h e d e n,
Het Verhaal van zyn eygetiLEEVEN, De Histori van den Oorlóg der
J O O D E N TEGEN DE R O M E Y N E N,
De twee Boeken tegen A PIO N, en de Befchryvinge van den
marteldoodt DER machabeen.
Waarby komt het gezantschap vaa
PHILO aan den Keyzer KALIGULA.
Voor deezen vólgens de Overzettinge van den Heere d\'ANDILLY v Nederduytfch overgebragt door
W. S E W E Lj
Maar nu naar het oorfprongkelyk Grieks overzien, op zeer veele plaatfen verbeeterd,
en vermeerderd met het voorheen onvertaalde
geschrift VAN philo TEGEN flakkus,
ONDER \'T OPZIGT EN DOOR
SIGEBERT HAVERKAMP,
Hoogleeraar in de Hiftonèn, Welfpreekendheyd en Griekfche Taaie, in de Hooge Schoole te Leyden,
Nóg zyn daarby gevoegd
DE VYF BOEKEN van EGESIPPUS
Van de joodsche oorlogen, endeVERwoESTiNGE vanjERusALEM,
Vnciert met Konfi^laaten, \'van jan^\'wkasparluiken,
f A M S T E R "D A M,
By MARTEN SCHAGEN, Boekverkooper, 173z.
Met Trivilegie van de Ed. Gr. Mag. Heeren Staaten van Holland en WeÃvriesland.
\\J
-- , >⢠"iv\'.; v
.
â v-
rr^T\' ,
r.\'k
i ji-
;\'4
X-- -
â «
VOO
i g t.
Goedgunflige Leez^er.
Anncer de Uytgeever en Drukker van deeze vernieuwde Uytgaavc vän alle de Werken
des vermaarden Joodfchen Hiftorifchryvers Jofephus, zyne gedachten liet gaan om niec
alleen dezelve met geen minder luyfter dan eenige der voorige tc voorichyn te doen
komen -, neen, maar ook zorge te draagen, dat boven al zyne Uytgaave de voorigen
zouden overtreffen , in een naader naavolging en uytdrukking van den oorfprongely-
ken zin en bewoording van den voornoemden Hiftorifchryver oordeelde hy wel te kunnen behouden
de beruchte en bekende overzetting van SE WEL , waar van hy, benevens de Voorrechten aan
dat werk in zodanigen ruymte als by aflchrift der Privilegie blyken kan verknocht , door openbaare
opveyling en koop meefter was geworden j maar dat men dezelve veel zoude kunnen verbeeteren,
wanneer men een naauwkeurige vergelyking van dezelve Overzetting maakte met de jongft uytgegec-
ve Werken van Jofcphus in zyne oorfprongelyke Griekfche Taaie. En waarlyk niet ten on-
recht. Want hem was niet onbewuft , dat deez Overzetting van SE WEL niet was gewrocht
naar de oorfprongelyke Griekfche Jofèphus , maar naar zekere Franfche Overzetting , uyt wel-
ke hy dezelve in onze moedertaale had overgegooten. Waar uyt dan noodzaakelyk volgen nloeft,
dat niet alleen de gebrekkelykhedcn welke die Franfche Vertaaling aankleefden, ook in SEW£LS ge-
vonden wierden, maar dat dezelve insgelyks door hem , die niet in ftaat was, om met de oorfpronr
gelyke taal te raade te gaan, in getal en hoedanigheyd vermeerderd wierden, naar maate , dat hy zy-
ne voorligtende Vertaalinge min ofte meer volgde. Het is toch met de Vertaalingen gelyk met fy-
ne vochten, die meermaalen overgegooten zynde meer en meer van haare kragt verhezen. Wat nu
\'die Frankheen door Sii WEL gevolgde Vertaaling aanbelangd, omtrent dezelve zyn tweezaaken, een
algemeene en eene byzondere, in acht te neemen. Wat de algemeene aanbetreft, men weet wat.
ruymte dat zoort van Vertaalers zich zeiven geeven, wel zoo verre, dat ze zomtyds zelve eenHifto-
ri fchynen te befchryven , en niet zoo eene die reeds door een ander befchreeven is over te zetten ,
waar van ik ook deezen Franfchen Vertaalder niet geheel zoude durven vryfpreken j veele reegelen
zomtyds naa zyn zinnelykheydoverflaande , inzonderheyd als hy daar niet wel door zag te komen,
en de zinnen naa zyn willekeurig oordeel buygende. Hoewel ik doorgaans noch meer in den zei-
ven een ongeletterdheyd en onkunde heb befpeurd van de algemeene en byzondere gefchiedeniffen der
vólkeren , verdeeling en benaaming der landfchappen en fteden, naamgeeving van zaaken en perzoo-
nen, maar boven al een onkunde der Joodfche, Griekfche en Romeynfche Oudheden. Van alle
deeze zoude het niet zwaar vallen een grooten bundel by een te vergaderen , en dezelve onder ze-
kere afdeelingen haare plaats te geeven, zoo men niet oordeelde dat zulks zoude verveelen, en zich genoeg
vertoonen aan een iegelyk die maar de moeite zal willen neemen om eenige bladen van deezen
Nieuwen Druk by de voorgaande te vergelyken. Edoch een zeer groote reeks van allerley zoort van
fèylen zoude ook niet billyk op reekening van den Franfchen Vertaalder gezet kunnen worden 5 alle
Zodaanige naamelyk die (gelyk ik boven heb aangeroerd) als een byzondere zaak moeten overwoo-
l^en worden.
Hy kon zyn Vertaaling naa geen anderen Druk ofte voorfchrift rigten dan het geen voorhanden
Was. Maar naauwlyks heefc men eenig Grieks Hiftorifchryver ontmoet , die in dien tyd , wanneer
de voornoemde Franfche Vertaaling voor den dag gekomen is, jammerlyker bedorven en meer on-
gehavend was dan Jofephus j alzo een fchroomelyk getal van Geletterde Mannen, die hunne vlyt he-
fteed hadden in denzelven tc verbeeteren en op te helderen, midden in hunnen arbeyd door de dood
^yn weg gerukt geworden, ofte verraft eerze hun werk aan het lichc konden brengen. Zedert heefc
^ie Schryver een geheel ander aanzien gekreegen, na dat men Engeland en Holland luyfterrykc
inrukken heeft vervaardigd , in welke die groote Schryver van een onnoemelyk getal ingelloope fey-
len in de Grondtaale gezuyverd , en naa de belle Handfchrifcen van vermaarde Boekeryen is verbe-
terd geworden.
Dees was dan de reden die den Boekverkooper M a r t e n Schagen bewoog , oni
in \'t herdrukken van deeze voortreffelyke Hiilorifchryver , niet blindeling de Overzetting van SE-
W E L j zoo als ze was, te volgen , maar dezelve door zodaanige Mannen, die hy dat werk be-
t
trouw-
VOORBERI G T
trouwde , naauwkeurig haa te laaten zien, en te doen vergelyken met de laatfte Uytgaave die van de
Werken van Jöfephus voorhanden is-, niet t\'onrecht oordeelende daar door het werk zelve veel te zul-
len verbeeteren, en den Leezer geen onaangenaamen dienft te zullen doen.
Men was al een goed eynde wegs met het drukken van dit werk gevorderd , wanneer de voor-
noemde Schagen door Leyde trekkende, by die gelegenheyd my berigt gaf van het geene hy
onder handen had, en met een verzogt om mede myn oog daar over te wil en laaten gaan, en
daar eenise duyftere plaatzen voorkwamen aan die het werk van nazigt en vergelyking op zich geno-
men hadclen, hen over dezelve myn goeddunken te willen mede deelen, en ook zelve eenige voornaame
deelen van het zelve naar te zien en te vergelyken. Hoewel ik thans behalven myne daage-
lykfche bezigheden, in\'tbyzondergroote cn zwaare werken op de pars hadde en noch verder vervaar-
digde , raakende de Aloude Penning-kunde cn merkelyke en ongeziene ophelderingen daar dc^r aan
Griekfche en Romeynfche Hiftorifchryvers toe te brengen , konde ik echter met van my verkrygen
om niet mede myn hand tot deze Nieuwe Uytgaave te leenen. Jaa , wyl by my de^ gedagteniffe
van dien Grooten Man zoo in Oorlogs-en-Staatszaaken , als in Oordeelkunde en mKprekenheyd,
fteeds in eerbied is geweeft , hebbc ik ook wel de moeite willen neemen oni zelve een goed gedeelte
van dat werk naar te zien en te vergelyken, en wel inzonderheyd het Tweede deel ofte de Boeken die den
Toodfchen Oorlog behelsden enz. Ookhebikmy niet onttrokken om die merkwaardige vermeerdering,
Velke men vind in het XIV. Boek * der Joodfche Oudheden uyt de meergemelde laatfte drukken, te
vertaaien en op zyn plaats in te voegen. Dat zelve ftuk vervat in zich de Raads-eir Volks-befluyten
van veele voornaame fteden van Afie ten voordeele der Jooden, om hunne Godsdienit ongeftoord
te mogen waarneemen , cn volgens hunne wetten te kunnen leeven. Ten tyde van den Hoogen-
priefter en Landvorft Hyrkanus had Julius C^far aan de Jooden op hun verzoek toegedaan, dat ze
niet meer tot den krygsdienft mogten gedwongen worden, wyl ze daar door belet wierden hunne
fpyzen op eygene wyze volgens hunne wetten en gewoonten klaar te maaken , en dikmaal genoot-
zaakt wierden op den Sabbath reystochten te doen. Die grootmoedige Keyzer inmiddels moorddaa-
dia omgebragt zynde , deed Antonius , die\'t hooft van die geenc was , die\'t met C^far gehouden
hadden al ? geen door wylen hem beflooten was, ter uytvoer brengen en bekragtigen. Onder dee-
ze zaaken was ook dat Raadsbefluyt door den voornoemden ten voordeele der Jooden genomen De
Burs-ermeefters Dolabella en Antonius zonden alomme aan de voornaamfte fteden van Afie affchrif-
ten van dat Raadsbefluyt, en uytdrukkelyk bcvd om het zelve ter uytvoering te brengen, het geenc
ook, hoewel niet zonder tegenftribbelmg van eenige weynige, die den Jooden met zeer gunftig
waaren, gefchiedde en doorgong. Naa maate ook dat die fteden voordeden van de mwoonende Joo-
den genofen ofte denzelven toegedaan waren, wierden die gunften breeder in de Raadsbefluyten van
de Magiftraat en \'t vólk der fteden uytgebreyd ; zoo dat de Jooden niet al een vrydom kreegen en
ontflas van dien moeijelyken en voor hun haatelyken krygsdienft , en vryheyd om hunne Sabba-
then te onderhouden, geld ten offer te verzaamelcn, en volgens hunne gewoontens zondereenig hin-
der te mogen leeven: maar zommige fteden ftelden fwaare boeten op alle die hen daarin zouden dur-
ven ftooren; andere ftonden hen by Raadsbefluyt toe Gebedeplaatzen by de zee te mogen bouwen j andere,
dat men een byzondere en bekwaame plaats hunner ftad verkiezen zoude, om aldaar de Jooden veylig tâ¬
doen woonen , en alle eetwaaren en nootwendigheden voor hun geld door de Marktmeefters te bezorgen;
eelvk men zien kan in \'t geene de fteden Halikarnafl^us en Sardis in hun opzigt beflooten hebben.
Ookwordenze vandievan Pergamus genoemd oude vrienden van den tyd af van Abram de Vader aller
Hebreen. En dewyl Antiochus , Koning van Kommagene, afkomftig uyt de oude Komngen van
Svrie de Tooden al vry wat omtrent het haverecht en veele andere dingen fcheen benadeeld te hebben j
liet de Roomfche Raad, een fcherp Raadsbefluyt aan hem afgaan, dat hy alles wat hy den Jooden had
afgenomen hen weder ter hand zoude ftellen, zyne ingelegde bezitting uyt Joppe trekken en mets
uvt de havens der Toodfche fteden zou doen komen, tenzy hy daar van den behoorlyken tol deed betaalen.
Van alle deeze Raads-en-Volksbefluyten zoo voordeelig als roemrugtig voor de Jooden, vind men
alhier de oorfpronkelyke affchriften, die niet weynig de gefchiedeni^ffen dier tyden ophelderen
In den v^gaanden Nederduytfchen druk had men een werkje van Philo die geleerde en zeet
^elfpreekende Alexandrynfche Jood, gevoegd agter de werken van Jofephus Hetzelve raakt de Jood-
fche Gerchiedeniffen ^ wyl in^t zelve verhandeld word het gezantfchap door de Jooden van Alexandrye
t Pag. 35^"
I
1 I
i 1
van s. haverkamp.
naar Rome gezonden j van welk gezantfchap de voornoemde Philo het hoofd was, om , was het mo.
gelyk , den Keyzer Kajus Kaligula te beweegen, dat de Jooden weder het gebruyk hunner Gcbcde,
plaatzen mogten verkrygen dewelke hen ten ongebruyke gemaakt waren, doordien het gemeen e
volk van Alexandrye , \'t geen den Jooden zeer vyandig was, des Keyzers beeltenillèn in dezelve ge-
plaatft had , niet onbewuft zynde van de dulle drift diens Keyzers, die alonime by de Grieken als
een God gediend en aangebeden wilde zyn. Dit woeden der Alexandryners tegens de Joodenen hun
Godsdienft, had zyn aanvang genomen niet lange van te vooren, in de laatfte jaaren in welke Flak-
kus Stede voogd van Alexandrye en Landvoogd van Egypte geweeft was. Wyl nu dezelve Philo de
rampen die den Jooden te Alexandrye reeds te vooren onder dien Flakkus waren overgekomen, en
het rampzalig eynde van dien ongelukkigen, die namaals in\'s Keyzers ongunft verviel, zeer uytvoerig
en met een zonderlinge hem aangeboorne welfprekentheyd befchreeven heeft; heb ik noodig geoor-
deeld tot opheldering der Joodfche zaaken , dat ook dit Schrift van Philo tegens Flakkus (zoo hy \'c
zelve noemd) in deeze Nieuwe Uytgaave zyn plaats zoude vinden 5 ten welken eynde ik het uyt de
oorfprongelyke Griekfche taal overgezet, en gevoegd heb achter\'t Gezantfchap van Philo, \'tgeen niet
lang na dit geval van Flakkus is voorgevallen. ^
Hoedanig een Man de Schryver Jofèphus geweefl is, en zyn welverdiende lof flaat my niet te mel-
den. Hy heeft zelf daar van een uytvoerig berigt gegeeven > waar mede hy zyne boeken van de
Joodfche Oudheden beüoot, \'t geene nochtans doorgaans door de Uytgeevers als waareVeen Boek op
zich zelve is aangemerkt geworden.
Wyl ik gedreeven door behaagen in zyn zuyvere ftyl en net en omflandig verhaal van zaakenook
niet zonder opgelegde nootzaakelykheyd, den gemelden Schryver meermaal heb doorleezen, zyn my
in denzelven twee voornaame zaaken in aanmerkinge gekomen. Vooreerft, heb ik alle de merktee«
kenen van een oprecht verhaal van zaaken in denzelven befpeurd, met de uycterfle naauwkeurigheyd
omtrent derzelver omftandigheden j ten anderen ftraalt in alle zyne werken (niet zonder merk-
teekenen van een groot vernuft) een ongemeene zugt door, om roem en eere wegens dit zyn fchry-
ven by de naakomelingen te erlangen. Het zeggen van den Roomfchen Redenaar is bekend ; Dat ook
die Wysgeeren, die ter njerfmaading en <vefagting \'van roem en eere fchryven, met hunnen naam daar "voor
te zetten y toonen datze roem en eere -zoeken in \'t geene %e fchynen te geragt en en te "verÃnaaden.
Te deezer oorzaake en uyt dit hoofdbegin meen ik, dat\'er veele zaaken in de Boeken van Jofè-
phus worden gevonden, die de berisping van zommige niet hebben kunnen ontgaan, nopens de
wyze van het verhaal, terwyl andere in hem vitten het geene men niet by hem vind als waare \'t mee
voorbedagten raad overgeflaagen. Een Hiflorifchry ver, die zyn werk wil vereeuwigen, en van veele ge-
leezen worden, moet zich van de driften tot zyn Vaderland, deszelfs gewoontens, en meer dierge-
lyke ontdoen, en zyne hertstogten nooit meefter over de reden en waarheyd laaten zyn. Hierom
nieen ik, dat Jofephus, trachtende niet alleen by de Jooden, maar ook byde Heydenen, Grieken en
Romeynen, jaa zelf by de Chriftenen met achting geleezen te worden, zich zeer zorgvuldig heeft ge-
wagt om iets van de Joodfche Godsdienft te zeggen, \'t geen ter verfhiaading der Griekfche en Ro-
nieynfche dienen zoude, en eenige woorden te gebruyken door welke de Godsdienf!; der Heydenen
opentlyk befchimpt en gehoond zoude worden. Wat nu de Chriftenen aanbelangt , die ten zynen
tyde reeds zo zeer alomme vermenigvuldigd waren, dat ook zelf onder de nabeftaande van den Key-
zer Domitiaan mannen en vrouwen geweeft zyn, die bekend ftaan by Romeynfche Schryvers van den
Chriftelyken Godsdienft geweeft te zyn5 zo meen ik, dat het geene men by dien Hiftorifchryver
vind aangaande het getuygenis van Jesus, waarlyk uyt zyn pen gevloeid is. Daar is over de echdieyd
van dat ftuk w^el veel gefchreeven, maar daar is echter niets opgeworpen, \'tgeen niet grondig en
uytvoerig door de Geletterden reeds ter overtuyging, myns oordeels, weerlegt is geworden. Trou-
wens Jolèphus moeft immers eenig gewag maaken van een zoo zonderlinge omftandigheyd in het Jood-
fche Gemeenebeft, en daar hy van Joannes den Dooper, Jakobus Jefïis broeder, beyde van min-
der aanzien en omftandighed\'en in zyne Hiftori , ge^ag gemaakt had, moeft hy of die beyde
Verfweegen hebben, of ook ten minften iets zeggen van hun meefter en hoofd Jefus. Van Jefus ge-
wag maakende, moeft hy dat doen volgens den grondregel die hy in zyn fchryven zich zeiven
had voorgefchreeven, dat is, zonder iemand in zyn gevoelen omtrent de wyze van God te dienen, te
hoonen ofte te beleedigen. Gevolgelyk konde hy niet anders van Jefus dan met lof fpreeken. Im-
kers wy moeten de verftandige onder de Jooden van dien tyd niet afmeeten naar de hedendaagfche
t t ge-
â F
VOO RBERIGT
eeftelteniffe van dat hoe langs hoe meêt verharde en verbitterde volk. Veele der Tooden hebben
fen tyde van Jofephus, en v^n, al een groot ontzag voor de wonderdaad,ge leere van Jefus
.rehad, en veel prikkelinge daarover in hun gewiffe gevoeld, riiec minder dan die voortreffelyke Ko-
ning Agrippa, dien de kragt der waarheyd, uyt Paulus mond voortkomende, m weerwil van zyne
poogingen, bynaa dwong een Chriften te Worden. Wat Jofephus aanbelangt, fchoon men al wat hy
gefchteeven heeft, op hef zorgvuldigfte nagaa, zal men nergens het mmfte woord vmden het geen
tot hoon van het Chnftelyke |eloovS kan verftrekken, wyl hy ook van die g^ «zen wilde zyn, en
mop-eivK als een doorziend man, gelykhywas, wel voorzag, dat deeze geeltelyke ^joasdienlt meer
en meL in de waereld zou doorbreeken, en over het bygeloof van \'t veelgodendienend Heydendom
de overhand krysen. ^ , - i i 11 u i
My is niet onbekend, hoe zommige meenen dat Jofephus verfweegen zouc^e hebben het wonder-
werk der geneezincre, gefchied in de woeftyne, door \'t aanfchouwen van de Kopere Hang, t geene
Joannes in zyn Evangeli zoo kragtig op Jefus de MelTias te huys brengt , om dat hy t zelve met
als zoo een voorbeeld van de Chriftus met Joannes wilde erkennen Maar om nix met te fpreeken
van de tyd op welke Toannes zyn Evangeli heeft gefchreeven en of Jofephus het ze vc toen ai gelee-
zen had, ik meen dat Jofephus voorbedagtelyk volgens zyn hiftorifchen grondregel het zelve verfwee-
«ren heeft Erkende hy het als een voorbeeld van de Chriftus zoo zoude hy er Jefus in erkend heb-
ben, hy zou een Chriften geweeft zyn, en opgehouden hebben zich een Jood te noemen. Spak hy van
die opgeregte Kopere flang als een Jood, zoo zoude hy den Grieken fchyn gegeeven hebben van
^syptifche afeoderye by de voorvaderen der Jooden in de woeftyne gepleegd. Deeze aanmerr.ng
meen ik dat beveftigd v/ord, door het verfwygen van dien fchandelyken val der Ifraeliten m de woe-
ftyne, wanneer zylieden afgoderye met het goude Kalf bedreeven.. Dit kon immers hem met ori-
bekend zyn, of niet in zyn geheugen geveftigd, en hy had daar van moeten fpreeken in de Oud-
heden ter zyner plaatze. Maar om die zelfde reden heeft hy het verfweegen, ten einde de Ifraeliten
niet moeten fchynen de Godsdienft der ^gyptenaaren toegedaangeweefttezyn. Het is omgeen andere
reden, dat hy fteeds in \'t yerhaalen der bovennatuurlykexi\'onderwerken door God ten behoeve van lirael
gewroet, fpreektmet de uytterfte omzigtigheyd; dat hy\'t dusinde Heylip Boeken befchreeven heeft
levonSen, dat hy aan een ieder vrylaat daar van te gelooven en te oordeelen zoo hem goeddunkt, en
meer diereelyke. Men zie maar eens hoe Wy fpte^kt ten opzigt van den doortogt van Ilraei door de
Roodezee1 ; van de Verfchyninge Gods op den berg Sinaï, en het gefprek Gods met Mofe t;
van het wonderwerk aan Jona ; van het gene voorgevallen is omtrent Nebukadnezars hervorming
en de Gefchiedenis van Daniël en zyne Landsgenooten ,. , , , ,,
Uyt deeze weynige voorbeelden, die geene van de minfte zyn, kan men hchtelyk van al het ove-
rise dat ten dien eynde in zyne Schriften voorkomt, oordeelen, wylhy zich fteeds het gezegde doel-
wit \'in zyn fchryven heeft voorgefteld. En wat aanbelangd die byzonderheden, m welke hy van
de Heylige Boeken zomwylen afwykt, of iets verhaald "t geene in dezelve niet word gevonden, diend
men te leeten, dat hy als een Jood. die meerendeels de Pharifeefche gevoelens was toegedaan, ook
veel zich heeft gerigt naa de Overleveringen der Vaderen, waar mede men weet dat de Jooden m dia
tyd zoo veel ophadden. i j o-. , , ta-
Een ding echter loopt zeer in\'t oogi\'dathy naamelyk geen woord rept van de affchuuwelyke Kin-
dermoorddoor Herodes tot Bethlehem begaan, in \'t breede te leezen by M«th. II: .Æ. Ik zoude
hier op kunnen antwoorden, dat de overige daaden van dien ontmenfchten Tyran zodanige geweeft
zvn en als zodanige door Jofephus befchreeven worden, dat dit doen, hoe wreed ook, een K-n-
derfpel most gerekend worden by\'tombrengen van zyn Vrouws en Koningins Marjamnes moederly-
ken grootvader de Hoogepriefter Hyrkanus, een man van tachtig jaarenj vanAnftobulus, Mariamnes
broeler, door hem zelf tot Hoogepriefter verheeven, in de bloei vanachtien jaaren; van zyn fchoon-
moeder Alexandra, jaa van Mariamne zelve, tot welke hy nochtans met zoo dulle liefdensdnft
was ingenomen, dat hyzena haar dood tot zich liet roepen als ofee ^^fde; en behalven een
oneindig getal groote en kleyne, zyne twee eygene zoonen Alexander en-Ariftobulus. wegens ha.arOT
moeder Mariamne rechte erfgenaamen der Kroon enz. Waarom Auguftus plag te zeggen, dat hy
Ik\'ver Berodes -varken dan xm ^m -wilde %jn. Men zou ook kunnen zegpi, dat onder zo groote
reeks van zaaken deze Kindermoord den Schryver niet te binnen was gefchooten, en dus overgellaa-
gety
s.
I 1
tl i
; l\'M
Uih
I il\'i
i : \' I
i-\' I
1 Pag. 57. Pag- «3-" * P^S- 8
y a n S. H A V E R K A M
ïTctl. Maar ik meent dat dit wederom door hem met voordagt gefchied is > eh dat hy daäfiii
al weder zynen hiftorifcheii grondregel gevolgd heefc. Zoo Jofephus van deeze Kmdermoord g^fpro-
ken had, zou hyze volgens zyne fchryfwyze ómftandig benevens deszelfs oorfprong verhaald en ver-
handeld hebben. Maar was niet de oor^rong daar van de vrees die Herodes had, dat hem de ryksflaf
ontwrongen zoude worden door zoo een die te Bethlehem zou gebooren worden ? Want de grootfle oor-
zaak van zyn wreedheyd en onverbiddelykheyd was, dat hy weetende dat hy een Kroon bezat, die
hem niet toekwam, op het minfte vermoeden fchuldigc en onfchuldige liet ombrengen, liever den
onlchuldigen uyt een onregtvaerdig vermoeden willende doen omkomen, als oorzaak geeven door
zyn goedheyd dat mogelyk een (chuldige ontfnapte. Jofephus nu heeft zeer wel geweeten dat
Bedilehem Ephrata die ftad was, uyt welke de Koning der Jooden zou gebooren worden, en voort,
zoude komen zo een die een Heerfcher zyn zoude in ifól, volgens de godfpraak van Micha V. vs. r.
Edoch deeze aanmerking diende Jofephus geheel niet tot zyn oogwit , ten opzicht van zyn werk,
en de daar door te verkrygene roem , dat het zelve in de Roomfche en Griekfche Boekeiyen
geplaatft mogte worden, \'t geen hy ook met veel lof heeft verkreegen, alzoo Titus daar toe naamaals
laft >egeeven , en ten dien eynde zyn eygen handfchrift onder de werken van Jofephus gezet heeft,
gelyk ons zulks blyken kan uyt het Leeven van Jofephus , bladz. Dit zoude niet gefchied zyn,
zoo hy zyne Woorden herroepen had, van hem voorheen tot Vespafianus gefprooken. Hy toch had
de godfpraaken van denMeffias op Vespafiaafi gepaft, en gevangen voor hem gebragt zynde, gezegd,
dat hy van Gods wege hooger zaaken en van meer gewigt aan hem te boodfchappen had, dat hy hem,
daaróm vry in ketenen en banden mögt bewaaren tot die tyd toe dat hy als Keyzer hem zoude doen ont-
kluifteren, wyl hy toch niet alleen over hem Jofephus, maar eerlange over de geheele waereld het
oppergezag ftond te voeren 5 zoo als men bynaa diergelyke bewoordingen , door hem zelve opgefteld
befchreeven vind in het III. Boek van de Joodfche Oorlogen Hoofdft. XXVII. en in het VI. Boek
XXXI. Hoofdft. Hier van is\'t dat Suetonius in\'t Leeven van Vespfiaan Hoofdftuk V. verhaald, dat
Jofephus, een der edelÃe gehangene onder de Jooden, njuanneer hy geboeid merd, n)olfiandig had verze-
hr d, dat het niet lange xoü aankopen dat VespaÃaan, ah Keyzer, ïem iveder itou laatën omhinden. Jaa,
daar \'mts te dier tyd een algemeen gerucht, V geene \'t geheele OoÃen ^ermld had-^ dat de Godfpraak \'voor-
zegd hady dat uyt het Joodfche tand ten %ehen dage ie "voorfchyn hamen -zou die anjer alle zoude heerfchen.
Welke eygene woorden men vinden kan by Suetonius in \'t Leeven van Vespafiaan Hoofdft. IV. By
wien EÃe in fatis y ut eo tempore Judaa profeUi verum potirentur, een overzetting in zich bevatten van
de woorden die men in de beruchte godsfpraak van Micha vind; Waar door wy als met de hand gelcyd
worden om aan te merken, dat Jofephus die eygene woorden van Micha op Vespafiaan en Titus ne-
vens Domitiaan heeft toegepaft en daarom geen het minfte gewag van de Kindermoord te Beth-
lehem door den Kroonyverzugtigen Herodes begaan, heeft mllen of kunnen maaken.
f Pag. 6^1:
SI GEBERT HAVERKAMP.
â Heyden denzo. XHcemher ^llü
N A-
N A B E R I G T
D E S
B O E K V E R K O O P E E S-
Geëerde Lezer,
pt deez myn nieuwe Vml der Werken JOSEPHU-S n^ooruil: leeft de
rig⬠Drukken , ten opzigte van de g^hvorm^éi me$ hei: mfirm^Jyhe , hm men uk ht
Yooihm^t wan den Hooggeherden Ueere HAVERKAMP merhn , en zulten ^y eer-
lang, door eenlyzonderBoehken, rümrin^yde\'voBnmmfie^^^
met de fiukhen toonen. Niets ws my hehahen dit te zeggen, zoo ih met te rade ms geerden ten
opzigte der Platen en des Reders eenige verandering te mahn. Ik hé dm , ^ot meev fluifier des mds,
alle de Platen welk man m flordige hmd gemaeht mm , \'er mtgenmeti, en \'^r andere mn
en Kaspar Luiken , {wertoe ik eene gekkkige gelegenhek vondtten getale van -74.
ingevoegt voorts heh ii dezulke y nj^elke 4e voren vati dm verrm^dm Lm d^mm, dp^h
zigtvjareny naér de eerfle enhejle drukken, op het aflernamkeMrigJle, door een zeer h^uame hand, laten
mrnieu^en , mlh w met meer ds .Pktm vm mdm Makers m^Ueven ^n, Met Megifierj
dat voorheen erlarmelyk en vervjart vjas , en door SE WEL niet kan o^gefield^yn, H ik met niet
minig moeite vm ^aék m zaé nagegaen , m op myne mj^ mrhurd: ook \'héb ik het grê&^e ge-
deelte der Profvm f^m het Mrk^ ^^\'ve naffzm, geleden, en hexle^n^ en dus in all^s ^ vm W
afhing of kon ^hangen, geene moeite noch kèfien mtéen , om dezen vo&rtre^elyhen E^^^ g^nen
minderen luipr jm teJoe^ ds T^yw fmg^gers m hm?^ J^ru^en : zelfs fihm ^^^ ^Mek
in dezen tot mynen Regter te kiezen. Vaer ^elyGeeerde Lezer, en hegunjig mynen handel^^ meS ZOQ
veel genegenheit als ik m dezen iever gehad hehhe, om u dienj te doen.
m a R t \'h A-G \'e n^
Hl
l\'l,
! !
I
1 ii:
V O O R-
!
l i; :
lüii:
O O
y .A N DEN HEER E
A r n A 17 l d d\' a n d i l L Y.
^E tytel alleen van deeze Hiftori pryft haar meet aan dan eenige Voorfeede^^oü konneri
.doen : want als men izegt dat zy begint van dcfcheppinge d^r werreld, dat-zy zich uyt-
ftrekt tót aan de regeering van Nero, trn dat eenizecr groot gedeëlre daarvan uyt de
boeken des Ouden Teftaments getrokken is, dan toont mtn dat geen andere in oud«
heyd, in langheyd van tyd y en in adhtbaairheyd tegen haar kan ophaalen*
Maar \'t gene dat haar daarenboven naaftde Heylige^Schrift%oven alle andere Hiftoriën fklt, is,
dat daar die .niet anders dan de hedryven der menfchen verhandekn , deeze aan ons de daaden van
Gód zeiven vertoont. Overal ziet men\'er zyne almagtigheyd , beleyd , goedheyd , en gerechtig-
heyd uytblinken. Zyne Almagtigheyd opent de zrën ^ cn deelt de-rivieren, ohi\'er ganfche heiren
droogs voets door te doen gaan , .en doet de mnuren der ifterkfte-fïeden ronder flag óf ftoot vallen.
Zyn Beleyd beftiert alles , en geeft wetten welke men de bfon kan noemen , waamyt alle de wys-
heyd die men in de wqrreld vindt, gefchept is, Eyne Goedh^eyd doet-van den hemel vallen, ennyt:
de rótfen te voorfcbyn komen , fpys en drarlk om een zeer groot vólk in de woéllyne te voeden en
te laaven. En alle de hodfdftófFen zyn ds uytvoerilers der-vonniffen , -door 2:yne Gerechtighey
uytgelprooken ; het water doet door eenen zondvloed de veroordeélde\'Iheuvelen /het vuur verteert:
hen j de lucht flaat \'hen door haare werveWinden en de aarde t>pérïfziGh \'<Dm %en in te flokken.
Zyne Profeeten bekrachtigen alles wajc ze voorzeggen doór^wonderwerkert : -^e Sevé^
heiren onderneemen niets dat zy niet iiytvoeren : \'En de Leydiliedcn -zyns^vólks \'Welke hy met zynen
Geeft vervulde,, handelden meer gelyk Engelen,, daii ils rnenföhen.
Mofes alleen kan tót ,een bewys daaraf ftrékken\': Nieinand landers hëcft croit zö veele iiymiönten-
de hoedaanigheden te ^elyk bezeten .; en Gód heeft â nüoit^aan eenig mrfche onder de
federd den val van den eetften merrfch ^, .zo^Ãrachtig getoond tik welk een
dat hy met zynegenadenovèrftorténM, kan\'komen. Oven^idsmendaii^eggerikéi, dat^eengrc!^
deelte deezqr Hiftorie éenigermaate:het werk is van dien dnvergeiy^ doordièn het
van hem ondeend en genomen is, ro ⢠behoort;men %-et Tiiét iiiet a -maar ook tnec
eerbiedigheyd te leez^h j en het vervólg tót aan ^t eynde van 1t gene i^at in den ^Bybel v^^ ver-
dient .zulks niet mindet", dewyl het voorgezegd is door dien zélfden *GéeR G-óds die de pen van Mo-
.fesbeftiqrde, toen hy ^e Vyf eerfte boeken der Heylige Hiftörie befchttéf. .
Wat zou men ©ok niet\'können zeggen van die VöortréfFeiykë Ató^y^^
en Jakob; van\'David dien groöten ïComng én Sröfeet te gelyk; die deezcti ohgénteenen föf verdiend
heeft 5 dat hy een man was naar Góds hart 5 van Jonathan Hi^i Voli^äMtctt PHrts ,-^^^^^^^ witn de
Schrift zegt dat zyne izrd ónaffchtydèlyk: ^aan^ie van tleczeri heyligen K^ftitig Mtëfle :-\'van die^ door-
luchtige Machabeeri l^\'^lker ;gódvr^^ â¬nÃeMedf|ieyd\\le^perma^ ^^ruyc een Vór^
â¢TL___\'k^^n-iit- nrV hncrf^nr^flvIrt» wvTie m-pr -wof \' â¢
rie-
volïiiaak
Helieh der
\'rieydenfche\' a^üoüdheyd\'nietspdaanftebben ÃVergele^kcn kan^^^w % deézé^Hélden- van Góds
_ \'11 ______fi^^-. ___\'l ____ . r.-Jsl.--.^ .«-KOI-I f lA-tl , , , , <
l3an een m^Mchelytó^ÃaatJïhad^en w dp anrien dér ^fe^d^^erkoà öm-op zyn
Tbevél te ftiyden%\'"tóet\'^htioii^^ . iil^ège dat^hct-voorb^ld van
pebora ons toóiit , \'jdit \'zelfs ,èenè vrouw in een- üogehBlik een groot\'HWbvtrfte worden.- â
Maar indien de ^genaden wSir\'nleê <5ód .dé ^yhen bègmiftigt ^ de g^otfte Monarthen ibéhöoren
te bewee^en ,, .pm op niets,dan .zyne byted té\'betrouwtn , de fchrikk^yké ftrafFeri we&e hy brencrE
\\)ver zodaar^igen die op\'hunne eygene magtfteiinen , ver|ffigten hei^^ rè^èdderen^ tn äe-verw^in^
yan Saul, en zo vede andere magdge Yórften , is-ais ren Icevendige^fchiMery ,
t 4 beeld-.
r
V O O R B
,«ia(el van hunnen val aan hen voo.aelWe , hen G6d doe. vUcden, on. . ve..yden da. .y
niet in diergelyke onheylen vallen. v^rftinnen die in dit boek voorbeelden vinden om te
, Zyn met alleen Vórften V^ ,tn fchnkkelyk ftaal van gódloosheyd en
vlieden, en om naa te volgen If^J âonbeeld ^^
:an ftraffe , en de Koningrn Hefter daare"tegen -n ^n heylige VÃrftinne
en van alle belooningen , die ons over de deugd en net gei g
können doen verwonderd ftaan. vinden om hen tót hetfchuuwen van ondeugd.
Indien de Grooten aldaar zulke groote voorbee den vmto om l^n ^^^^ ^^ ^ ^^^
zyn, indien men \'er geen voordeel \' Ji^ heylig ontzag niet zouden bewoogen
En hoe zoud het können Leezen, dat de Ctaltene ^ » vermaarde Overwinnaars,
worden , nademaal deeze zelfde Hifton °Xdi naïs nS -rbiedigheyd te
Cyrus, Darius -^^^^^l^tTM die eene affchaduwing was dier
XTn, WÃ ..et men ook bekennen dat niemand
4lyk nu deeze Hifton zeer trefFelyk «^^zelve is zo mo ^ tydgenooten als
andersgeweeft is om die - ^^ d-hy^
voor de naakomehngen befchreeven ^ hebben vair alle de dienftple^
Jooden onderrecht zyn , dan .en Jood ^ Vie kon den uytflag van zo veele oorlogeit
ien en vjaarneemingen der We ^on de zaaken beter begrypen , en er ver-
beter verhaalen , dan ^^\'g^^\'f- ^ en van een groote ftaat-
ftandiger aanmerkingen op ««^en. dan een ^ ^^ bootte; hy was
kunde% Alle ho^\'^^\'^tr j d^^«^
niet alleenlyk een Priefter maar was uyt de eerste de^^R ^ Afmoneekhe Koningen zv-
der zyne landaard den eerften rang hielden^ zelà by de Romeynen gemaakt: en aU
ne groote daaden in den "-^«S^^^\'Vj^⢠heeft , liaten niet toe dat meu
Ie fie voornaame bedieningen^waarm^^^ S door hemze! ven befchreeven ,
aan zyne S^« geeven zulks genoeg te kennen.
en zvne Hifton van den Ooüog aer jooaeu i g, , ^ / i- , vermids dit werk de-
En ^langende zyne manier \'nltóX te ^ boek . alwaar hy \'t bedryf
,elve overval zeer (choon ve^
hy ILTmet één.M geloof^a.^ dL^aan,
oL\'er zulk een gevoelen van te hebben als ^ hem bel e^ aVRomlynen fchryvende , (gelyk men
omdat hy deeze Hiftori J^fS-re^f
W -^S\'t\'hX ir^ien hy de waarheyd der zaaken, d.
ffi-\'J! l? «Ão^en i. .i« hem in die plaat(ën;
D^Wt reden hem ook daartoe bewoogen hebbe, Dat boek alleen
âóK and«, da^^y met der^^a n.t ^ zonder gevaarte
is de gódly^bron d,r gtene^.^ Ditdc.
1 open - bf-^^^^ dfp^rvan eenen ie|e!yken zo te doen , om met genoegen , ea
Lder «vaangheyd deeze fchoone Hiftori - kon"e^ lee^ ^^^^^ ^^^^^ ^ ^^^^ ..
Ik wil ook de verdeedi^ng met op ^^^^^ van andere byzondere gevoelens, welke
fcheydenetley foorten van Regeeringen fpieeU , noch ook v<i a ^^^^^
E R I G T
niemand gehouden is te vólgen, nóchte my ook in eenige ftóffe van woordenzifteiy beo-eeven, laa-
tende die twifl: over aan zulke die in zodaanig een oefening bedreeven zyn. ^
Belangende de gefchiedeniffen deezes werks, men vindt die in den korten inhoud der Hoofdftukken
zo beknoptelyk atgefchetft, dat men de Tafels van alle de Hoofdrukken maar behoeft tc doorloopen ,
om een kort uyttrekfel van dit ganfche boek te zien.
Byaldien men op fommige plaatfen , als onder andere in de befchryvinge van den Tabernakel
en den Tafel der toonbrooden , eenig verfchil tuffchen deeze vertaaling en \'t Grieks moet vinden \'
dat is omdat die plaatfen in den Griekfchen text zo bedurven zyn,, dat men het niet ^evoealyket
heeft weeten uyt te drukken ^
>Jóg fraat alhier te zeggen , dat de eerfte reys alwaar in dit werk van eenig perfoon Wordt
gefprooken, de naam aldaar met een curjyf lettcic uytgedrukt ftaat , zynde een teken dat\'er te voo^
re nog van hem niet gemeld is ; zo dat als men eenigen naam eens perfoons met een Romeynfchen
letter gedrukt ziet , zulks een blyk is dat men\'er te voore al van gefprooken heeft ; en als men dan
te rug zoekt tót dat men dien naam in\'t curfyf Vmà t, zal men \'er doorgaans, zyne hoedaanigheyd
en ftaat by gemeld vinden. 0 / 0 ;
My is nu alleenlyk nóg overig den Leezer te verzoeken, dat hy de misflagen, die hem ergens mo^
ten voorkomen, gelieve te verfchoonen ; dewyl de achteloosheyd hier geen plaats gehad he?ft, nia?r
alle moogelyke vlyt aangewend is, om deeze overzetting zo getrouw en bevallig in\'t lichtte doen ko-
men, als eemgfms doenlyk was, zo door zich aan den zin en-meenig des Schry vers te houden als
door na hedendaagfche fpreekwyzen te zoeken, die veeltydsop een verfcheelende wyze de bevallighe-
den uytdrukken welke men in de Griekfche taal ontmoet , die zeer cierlyk en ryk is , en menig-
maal woorden heeft van verfcheydenerley betékeniffe j 20 dat er dan veel aangelegen is om wel te
kiezen wat beft paft op die zaak waarvan gefprooken wordt, en wat meeft met de meeninR des
riiitoriicnryvers overeenkomt.
VAN
y.
A. D\' A N D I L L
? Dit heefc in deezen Druk geen plaats, die naar de Nieuwfte uytgifie v^ den Griekfchêiï Jofefus verbeeterd is^
A A N
aan den
leezer.
wonderheden, "[^\'^^tZ fchZt d7aLt7ut diydelyi te bhken va» hoedaanig een ge-
stZige hebbei hem-voor eenen Effener, andere» voor
^ïndheyd Zen dÃfcipel %an Joannes den \'Dooper, en eenige voor geenen
g eenen^artfeer , etlykev die £emeend hebben dat hy ee» heymelyke aanban^
van d,e r Ãudheden , in V IV. Hoofdftuk een kort ge-
eer vanChriftus was, omdat .de klemmende rédenen van T. Faber daar te-
%ygenis wegens CMftus gevonden wordt^ ^^^ ^^^^^ Jood aanmerken, voor echt en on-
gen, nóg evenwel by fimmgen \' ^«J % fchoon een Jood, heel wel zo fchryven konde â want
%ervalfcht gehouden wordt, omda tzy menen ^"^Jf J ^ , y dat wy^e^ aan de magt
dat i/Werken van Jefus de waarheyd onderrecht w.lden zyn, ach-
etés \'Duyvels toefchreeven: Dat Vorphyrius , hoewel hy de Chriftenen
ten dat Jofifhus ook zeer ^^ > TJÃnfgodvruchtig wal f ook fryft de Jood Trnhon by
laakt, nógtans van Chrillenen. Belangende de woorden , Deeze was de Chriftus , die
Juflmns kartyr het vroom dan dat hy deftickter van de gezindheyd der Chr.fl.nen
fchynen daar ter plaatfe met me r ipafroditus en de Heydenen , d,e Jefus hy
Vas : want j\'-\'Mf/f "f "fr « 4 Vltl Hoofdft. van /./XX. hoek zegt hy insgelyh , dat Ja-
den naam Chriftus " \'J\'J^JJd wierdt Chr.ftus. \'Dat hy door bevél van PUatus eekruyfigd
kohus de ^"oeder was van Jefus , ^ moogelyk geleezen had) te verftaan â . En dat hjtj
was, geeft ook TacUus , {ée wel virhaald hebben niet als zyn eypn geloof, maayls
derden dage weder l^^Jf "\'»\'S v^f" \' ^^^^^^ hebben-, want in den hr^efvan \'PHatus
dat der Chriftenen: Tm.///«« , en Oroftus te vinden is , wordt gezegd dat
\'enCelfus getuygt ook dat Chr,ftns naa zynen dood aan zyne
naavólgeren verfcheenen was. , rj j,Men, het blykt klaar genoeg dat hy niet heel naauw
Mai wat ook Jofephus wegens f r\'^" « Vespaftanusin \'tSyzonder, dien hy in het
gezét van rel.giewas : want hoe dat vó gens de morzegginge der H. Schrift
Icxxi. Hoofdft^ , MeTrfec/fprak vaniemand
tât het gebied over de ganjcloe werrej -v j â ^ â ~ ^ verklaard wierdt te zien op eenen van
uyt hetßcheland-, en fchoon da d or ^^ntVespafianus wierdt \'er door be-
hunnepgene landaard , no^ -^f^/ \' jjéawas. T>it heeft fomrn,ge doen denken df Jofephus,
tekend, doordien hy Keyzer ^ / ^ verlaat en had , Fespaftanus m \'t eerft voor
omdat hy hier en daar m zyne Hiflorte zegt , dat G.rf ^ fpreekende invoert : * Hoe
hellfden UeftU^ 4 - \'c Roo-fche Ryk
kont gy u vleijen met \' ? ^Åfj "i^i^ers ziet men dat hy over de dingen de Joodfche
tót z5fc -eel meer Heydelfch dan Joodfch is ; want de
Godsdienft betreffende, f Temtels , betrekt hy op de vier élementen , en de zeven armen
vierderley koleuren van het ^""^^\'g^jzjv^j^^^^^^ Wat zal men denken van de wonder-
van den gouden kandelaar wil -terufalems gebeurden ? Men ziet dat hy daarin eveneens doet
tékenen welke hy zegt dat voor de J\'fLj Livius. Zyne ver haaien van \'de appelen Sodoms, de
dsde Roomfche Hifhriffryvers^ mzonderhed ^ ^^^^ geloof s gevonden hebben ,
rivier Sabbat,kus , en de wortel Baar as , fM^f ^ZderZet dît MinutiusFelix hem voor eenen lio-
dan by ons. -Dit a ies -^f^^f \' ^^rlC/^t . fcripta eorum relege , vel fi Roman,s ma-
meyn aanzag , gelyk uyt deeze zy^J^^o^^^^^^ . wegens de Jooden onder-
gis gaudes , Flayu Jofephi, vel Anranu J»^\' ^ je Romeynen hebt, verneem dan na de
recht wilt zyn , lees hunne f<:hriften o Felix daarin gem,ft heeft,
boeken van ïlavius Jofephus , of van y ^ ^^^^^^^ ^
nógtans is het ^fP^r^ Grieken IXe nen tefchoeijen. Vn wanneer hy eenige zaak verhaalt,
dTr Jooden op den do RoZyZ zou gevmden hibbeni fpreekt hy \'er twyfelachtig van , enftelt
die moogeljk geen geloof onaer ae ivomeynen & ^ doortogt van de Roode zee hefchry-
, Tet in idertkeuhm daar G.V. ïe.H gefcMedde ja dal mL
^ende , fihm te twyfe en, I Zak dm naa ^^^^^ de Macedontërs gebeurde , toen onder ^tgeleyde van J^
-, ky zegt dat diergelyk een zaak daarna aan ae ^ j ^^^ ieje.s vryheyd , ora daar-
fexander de TamfiUfche .ee doortrMen^ ^ZoZ ^aTnel hy L Uatfte Hoofdftuk des lllhoeks van de
v.n te oordeelen zo als \'t hem goeddunkt. , \'vo^gt hy \'er by : Nógtans Uat ik elk
£»er "zo In f^ajfch , in van kbukadnezars_
Joodfche Oorlogen II. Boek 28. Hoodfdft.
I li
â fe
I \' 1
lüiii;
â â â ti
AAN DEN L E E Z Ã R.
<uerfloots?ig van de menfihen, worden insgelyks ?net eene foort van twyfelachtigheyd hy hem verBaaU^ en de
oj)neemmgen van Enoch en Ehas ten hemel, gaat hy 7ne⬠fiïlzwygen voorby. Wegens de befnydenis leeft hy
ergens te verÃaan dat men Gód zonder die dienen kan; en hy fielt het \'m twyfd óf de Egiptenaars dezef
ve van de Jooden , dm óf de Jo&den tmr van de Egiptmaars ontleend hebhen. Wmmyt gerne f blykt, dat
hy ten aanftm der Joodfche cejemomen^ vry ruym van gemoed was , inzonderheyd toen hy zyne boeken der
Joodfche OudK)eden fchreef, \'t welk was onder de regeeringe van Domitianus , ly wlen hy zo wel m mnÃe
was, als te voor e by Titus, en Vespaftanus, die mi geÃurven zynde, zeker lyt hem niet langer in twyfel kon
laaten , of hy de Mejfias ook geweefl waare. Hierom hebben fommige gemeend, dat hoewel hy geen Chrifien
was , hy echter hunne godsdtenft wel eenige geneegenheyd kon toegedraagen , ^^ uyt dien hoofde \'t gene men
tn zyne HtÃone wegem ChriÃus gemeld vindt, gefchreeven hebbm. Immers ziet men dat hy de Effeners
boven de andere Joodfche Qezmdheden pryÃ-, en deeze waarm , die ten aanzien van hunne vroomheyd en
leevensmamer nader aan de Chrifknen fchynen gepaald te hebben , dm eenige andere JoÃden j ook vindt men
met dat Chrifius, hoewel hy de Tharifeen en Sadduceen dikwih fcherpelyk beÃrafte y ooit de Effeners tegen-
gefprooken heeft. "Datm Jofephus den Chrifienen geen haat toegedraagen heeft, zou men eemgfins komen
afleyden uyt het gene hy in s^yn XX. Boek noopende den Apofld zegt, naamelyk dat het ter dood brengen
van hem , allen dm tnwoonderen van Jerufalem , die eemgfins godvruchtig waaien , mishmzde. Al het
welke dan aangemerkt zynde , eenige geleerde mannen heeft doen gekoven, dat het gene men m zyne Hifto-
rie aangaande Chrifius gemeld -vindt ^ heel wel uyt zyne penne kon gevloeid zyn , te meer omdat hy in zyne
befchryvmge der Joodfche Oorlogen , welke hy ten tyde van Vespafianus had tzamengefleld, niet alleen van
Chrifius, maar ook van Joannes den T>ooper , en den ApeÃel Jakahus, met een woord gerept had, als zynde
toen nóg zo vry in zyne gedachtefP niet, als naderhand toen hy de Joodfche Oudheden befchreef.
T>us veel van Jofephus gezegd hebbende, zal V niet ongevoeglyk zyn ook iets te melden wegens Ezefippus
Men heeft deezen doorgaans mor eenen anderen Schryver gehouden dan Jofephus hoewel\'ir ook zyn die \'t
met onwaarfchynelykgeacht hebben, dat Egefippus een verdurvene bfnaaming is van Tofephus , en dat zulks
eenigfins daaruyt zou komen afgeleyd worden, dat de broeder van Her odes den Grooten, en ook zyn zw a^
ger, die beydegeheeten waaren, by deezen Egefippus den naam voeren van lofippus , welke bema-
mmg men zou mogen denken, dat met der tyd gemaklyk in Egefippus heeft können veranderd worden.
En als men \'t wel aanmerkt, wat is deeze Egefippus anders dan een ruyme vertaalins- der zeven boeken
van Jofephus wegens de Oorlogen der Jooden. Y Is waar in het XII. Hoofdfiub des Tweeden boeks , en eU
ders, fpreekt hy met alleenlyk als óf hy een ander Schryver was dan Jofephus , maar ook als een Chrifien.
"Doch hoe menigmaal fchynt hy ztchzeiven te vergeeten, wanneer hy noopende de Joodfche plegtigheden even^
eens fpreekt als een Jood, of liever als Jofephus zelf? Ja in V vólgende Hoofdfiuk (gelyk ook op andere
plaatfen) zegt hy , fpreekende van de aaloude Jooden , Onze Vaders. Maar het fchynt dat deeze ruyme
vertaaler, welke Ludovtcus Vives geacht heeft Ambrofius den Bijfch&p van Milanengeweefi te zyn , geoor^
deeld heeft dat deeze Hifiori ender de Chrifienen van meerder mnzien zoude \'weezen, indien ze niet Z0
duydelyk bleek uyt de penne \'van eenen Jood <uoortgekomen te zyn : *t en waare men vermoedde dat \'er nader
hand zulke invoegfels, die den Schryver als eenen Chrifien voorfiellen , benevens de Voorreede en V Naabê^
richt, door iemand anders mogten by gedaan zyn , en dat aldus allengskens den naam van Jofippus tegen dien
van Egefippus verruyld ts. Tióch wat daarvan zy , wy geeven dit niet hooger uyt dan voor bedenkingen ,
waar ontrent ieder de vryheyd heeft om te Qordeelen zo ah \'t hm belieft 5 en zullen daarop deeze Voor-
reede hiermede befiuyten.
naa-
N A A M E N
! I\'
der
R y v e r e n,
JOSEPHUS aangehaald
s c h
Van
Agätharcides van Gnidus.
Akufilaus Argtvus.
Alexander Tolyhifior.
Anaxagoras.
Andreas.
Antiochus.
Apion de LetterkonÃenaar.
Apollodorus.
Apollonius Molo.
Ariphanes.
Arifleus.
AriÃoteles.
Berofus de Chalde\'ér.
Cafar.
Cheremon.
Cherilts de Trichter.
Demetrius Thalereu^.
Diagoras.
Diokles.
Dius de HiÃorifchrfver.
*Drako.
Bphorus.
Eflius.
M
Euhemerus.
i; â¢
Hekateus de Abderiter.
Hellanikus.
Hermippus.
Hermogenes.
HeroUotus de Hahkarnapr.
Herodes.
HeÃodus.
Hieronymus de Egiptenaar.
Homerus.
Hyperochides.
IÃdorus.
Julius Archelaus.
Kadmus de Mileziër.
KaÃor de Kronyhfchryver.
Kallias.
Kleanthes.
Konon de HiÃorifchryver,
LyÃmachus.
Malchus.
Manethon.
MegaÃenes.
Menander de Efezter.^
Menander , die de Sidonifche
Kronyk , uyt de Femcifche
fpraak heeft overgezet.
Mnafeus van Damaskus,
Mochus.
J^ikolaits van Damaskus,
^herecides de Syrier»
ThiliÃus.
^hilo d\'Oude,
^hiloflratus.
Tlato.
^olybius de MegalopoUtaner.
"Polykrates.
Tofidonius.
^ythagoras.
H Schrift.
Sokrates.
Strabo.
Sybille.
Thaies,
Theodektes de Toeet,
Theodotus.
Theophilus.
Theopompus.
Theophraflus,
Thucydides.
Timeus.
Timagenes.
Titus Livius,
Zopyrion.
NAAMEN der MAANDEN
VAN DE
hebreen, macedoniers, atheniensers
latynen, en duytschen,
Naar het getal en de órde welke J OS EP HU S vólgt.
Hebrcewfche.
Nifan oiAbib.
Har.
Sivan.
Thamus.
Ab.
Elul.
Thifri.
Marhefiiam.
EiÃeu.
Tebeth.
Sebat.
Adar,
i 1 ,
\' li
Orde.
De cerfte,
Tweede,
Derde,
Vierde,
Vyfde,
Zesde,
Zevende,
Achtfte,
Negende,
Tiende,
Elfde,
Twaalfde,
i i
it
(1
\'â \'I i
; !
Macedonifche,
Xanthikus.
Artemifius.
Deutius^DeÃus.
^anemus.
Lous.
Gorpigus.
Hyperbereteus,
Dius.
Audyneus.
Teritius.
DyÃrus.
Atheenfche.
Thargelion.
Skirrbophorion.
Hekatombeon.
Metagitneon.
Boedromion.
Memakterion.
TyanepÃon.
Antheflerion,
Tofidion.
Gamelion.
Elaphebolion,
1 Munychion-
Latynfchc.
Aprilis.
Majus.
Junius.
Julius.
AuguÃus.
September.
O Bob er.
JSLovember.
<qyecember.
Januarius.
Februarius.
Martius.
Duytfche,
Grasmaand.
Bloeimaand.
Zomermaand.
Hooimaand.
Qogftmaand.
Herfftmaand.
Wynmaand.
Slagtmaand.
Wintermaand.
Louwmaand.
Sprokkelmaand.
Lentemaand.
T A-
eapittele
In de
JOODS CHE
Vervat.
EERSTE BOEK.
Eer Ãe hoofdfl. Schepping der wereld. Adam cn Eva Zyn
Góds gebód ongehoorzaam, en worden van hem uyc
het aardfch Paradys gedreven. pag. 5
2, Kaïn doodt zynen broeder Abel. Gód verdryft hem.
Zyne naakomelingen 20 quaad als hy. Deugden van
Seth Adams anderen zoon. 6
Van Adams naakomelingen tót aan den Zondvloed ,
waarvoor Gód Noach door de Arke bewaarde 5 en
hem beloofde de menfchen niet meer door eenen
zondvloed te ftraffen. 7
Nemrod achterneef van Noach bouwt den Toren
van Babel, en Gód om hem teverbyfleren, en\'t werk
te llooren, zendt de verwarring der taaien. 10
Hoe Noachs afkómeliugen zich in verfcheydene dee-
len der wereld verfpreydden. 11
^ Noachs afkómelingen tót aan Jakob. Verfcheydene
landen door hen ingenomen. ï .
7 Abiaiiam gccuc Kiujcicn hebbende neemt Loth zy-
nen neef tót zoon aan, verlaat Ghaldéa, en gaat in
Kanaan woonen. i ^
8 Een groote hongersnood noodzaakt Abraham na
Egipte te gaan. De Koning Pharao wordt verliefd
op Sara. Gód bewaart haar. Abraham komt weder
in Kanaan, en maakt eene deeling met Loth zynen
neef.
9 De Aflyriërs flaan in eenen veldflag die van Sodom,
voeren vpp\'f» gevangene weg , en onder andere
Loth. \' j -
10 Abraham vervólgt de AlTyriërs, jaagt hen op de
vlugE, en verlóft Loth nevens de andere gevange-
nen. De Koning van Sodom en Melchifedek Ko-
ning van Jerufalem bewyzen hem groote eere. Gód
belooft hem dat hy by Sara eenen zoon zal teelen.
Geboorte van Ifmaël, den zoon van Abraham en Ha-
gar. Befnydenis van Gód bevolen. 15
11 Een Engel voorzegt Sara dat zy eenen zoon zal
krygen. Twee andere Engelen komen te Sodom.
Gód verdelgt die flad. Loth alleen bergt zich met
twee dóchters en zyn wyf, die in een zout-pilaar ver-
anderd word. De geboorte van Moab en Ammon.
Gód verhindert den Koning Abimelech zyn quaad
vöorneemen ootrent Sara uyt te voeren. Geboorte
van Ifaak. 17
3 2. Sara verpl igt Abraham Hagar en haaren zoon If-
maël weg IC zenden. Een Engel vertrooft Hagar. If-
Kiaëls naakomelingen. 19
13 Abraham om Góds bevel te gehoorzamen, Ãffert
hem zynen zoon Ifaak op ; en Gód om zyne ge-
trouwheyd te vergelden, bekrachtigt alle zyne be-
lóften, 20
14 De dood van Sara Abrahams huysvrouv/.
ï 5 Abraham naa Saras doodt trouwt Ghetura. Wat kin-
deren hy by haar kreeg , cn derzelver naakomelin-
gen, Hy huuwelyks zyocn ^oon Ifaak uyt aan Rg-
bekka, dóchter van Bathuel en zuftcr van Laban. 21
Abrahams dood.
3
5
17 Rebekka baart Efau en Jakob. Een groote hon-
gersnood doet Ifaak uyt het land Kanaan trekken: en
hy woont eenigen tyd ingeland van den Koning Abi-
melech. Efaus huuwelyk. Ifaak door Jakob bedroo-
gen geeft hem zynen zegen, meenende dat hy dien
aan Efau gaf. Jakob begeeft zich na Mefopotamië
om zyns broeders gramfchap te ontwyken. 25
18 Jakobs gezigt in \'t land Kanaan, alwaar Gód hem
allerley geluk voor hem en zyne naakomelingen be-
looft. Hy trouwt in Mefopotamië met Lea en Ra-
chel Labans dóchters. Hy vertrekt heynielyk om we-
der na zyn land te keeren. Laban vervólgt hem,
maarhy wordt van Gód befchermd. Hy worftelc
met eenen Engel , verzoent zich met zynen broe-
der Efau. De zoon des Konings van Sichemfchendc
Dina Jakobs dóchter. Simeon en Levi haare broeders
doen alles in de ftad Sichern door \'t zwaard fneuve-
len. Rachel baart Benjainin en fterft. Jakobs kin-
deren.
lp Ifaaksdood. 30
TWEED Eâ¢B O E K.
EerÃe hoofdft. Deeling tuflchen Efau en Jakob. 30
2 Jofèphs droomen. De nyd zyner broederen : Hun
befluyt om hem te dooden. 3 i
3 Jofeph door zyne broeders aandelfmaëliten verkófr,
die hem weder in Egipte verkoopen : Zyne kuys-
heyd veroorzaakt dat hy in de gevangenis gezét wordt.
Hy legt daar twee droomen uyt 5 en ver vólgens twee
andere aan den Koning Pharao j dié hem tót Land"
voogd van Egipte aanileld. Een hongersnood doec
zyne broeders tweemaal derwaards trekken : in de
ecrfte reyze houdt Jofeph Simeon vaft , en in de
tweede Benjamin. Eyndelyk maakt hy zich aan hen
bekend , en zendt hen om zynen vader te halen. 3 £
4 Jakob komt met zyn geheel huysgezin in Egipte.
Jofephs zonderling beleyd geduürende én naa dea\'
dieren tyd. Jakobseti Jolephus dood. 44
5 De Egiptenaars ftandeleo de Ifraëliten wreedelyk.
Voorzegging d^^r de geboorte en wonderdaadige be-
houdenis van_Mofes vervuld. De dóchter des Ko-
nings van E^g\'pte doet hem opvoeden, en neemt hemi
voor hasren zoon aan. Hy gebied het heir van Egip-
te teg^^ ae Ethiopiërs. De Egiptenaars willen hem
docden. Hy neemt de vlugc, en trouwt de dóchter
van Kaguëlby genaamdJethro. Gód verfchynt hem
een brandende doornbofch op de berg Sinai, eil
beveelt hem zyn vólk uyt hunne llaaverny te verlóflen.
Hy doet veele wonderwerken voor Pharao. God
flaat Egipte raeï veele plaagen , Mofes leydt de If-
raëliten uyt. ^^
6 De Egiptenaars jaagen de Ifraëh\'ten naa met een groot
heir , en achterhaalen hen aan den oever van de zee.
Mofesfmeektc in deezen nood om Góds byfknd. 5 i
^ 7 Da
7 De Ifraëliten gaan droogs voets doorderoode zee,
waarin \'c heir der Egiptenaaren hen naajaagende
verdrinkt. 5 <J
" DERDE BOEK!
hoofdfi. De Ifraeliten door derft vcrfmacht willen
Mofes lleenigen, G<5d doet quakkeien en Manna neer-
vallen, en water uyt eene róts komen. 57
2 De Amalekiten vangen eenen oorlóg aan met dê
Hebreen, die een groote zeege op hen behaalen
onder \\ geleyde van Jofua, vólgens de bevélen door
Mofes gegeeven , en door de kracht zyner gebéden.
Zy komen by den berg Sinaï, ^o
3 Raguël Mofes fchoonvader komt by hem, en geeft
hem goeden raad. 62
4 Mofes fpreektmet Gód opdenberg Sinaï, en brengt
den vóike de tien Geboden , welke Gód hen ook
uyt zyn eygen mond doet verilaan. Mofes keert
weder na den berg, vanwaar hy de twee Tafelen
der Wet te rug brengt, cn den vólke van Góds we-
ge beveelt eenen Tabernakel te bouwen.
5 Eefchryving des Tabernakels. <>5
6 Befchry ving van de Arke die in den Tabernakel was.
66
7 Befchry ving van den gouden Tafel, en de Kande-
laar , en van de Altaaren die in den Tabernakel
Honden. , ^
8 Van de kleedingen en cieraaden der gemcene Prie-
fieren j en van die des Hoogenpriefters. ó\'S
P Gód fielt Aaron aan tót Hoogenpriefter. 69
10 Wetten wegens de Olïeranden, de Priefters, de
Feeften, en veele andere zo burgerlyke als Staats-
zaaken. ^
11 Telling des vólks. Manier van Legering en op-
breekinge, en órde van optógt. 7 5
ïi \'c Gemor des vólks tegen Mofes, en de ftraffe die
Gód daarover deed. 75
33 Mofes zendt verfpieders na\'t land Kanaan. Gemor
en oproer des vólks over het bericht dat hen deswege
gedaan wierdt. Jofua en Kaleb fpreeken openhar-
lig tót hen. Mofes verkondigt hen uyt Góds naam,
dat zy tót ftraiïe hunner zonde niet in dat land,
het welk hy hen bclootd bad , zouden komen , maar
dat hunne kinderen het zouden bezitten. Mofes
lóf, en \'m wat achtinge hy akoos is gehouden ge-
weeft. 76
VIERDE BOEK.
BerÃe hoofdfi. Genaor der Ifraëliten tegen Mofes. Zy be-
vechten deKanaaniten buyten zyn bevél, en zonder
met Gód geraadpleegd te hebben j weshalve zy met
een groot verlies op de vlugt geflagen worden j en
daarop weder beginnen te murmureren. 7B
Chore en twee honderd vyftig der voornaamfte If-
raëliten die met hem aanfpanden beroeren het vólk
zo tegen Mofes en Aaron, dat zy gedreygd wier-
den gerteenigd te worden, Mofes fpreekt hen met
zo veel kracht aan dat hy den oproer flik. 79
3 Schrikkelyke ftraffe over Chore, Dathan, en Abi-
ron, en die van hunnen aanhang. ^ 80
^ Nieuw gemor der Ifraëliten tegen Mofes. Gódbe-
!
Jl!
veftigt Aaron ten derden maale in het Opperprie-
llerfchap door het bloei jen van zynen ftaf. Steden den
Lcvitentoegefchikt. Verfcheydene wetten door Mo-
fes ingefteld. De Koning van Idutïiéa weygert den
Ifraëliten de doortogt. Dood van Mirjam Mofes zuf-
ter, en van Aaron zynen broeder, die van zynen zoon
Eleazar in \'t ampt van Hoogenpriefter gevólgd
wordt. De Koning der Amoriten weygert den If-
raëliten de doortógt.
5 De Ifraëliten verflaan de Amoriten , en daarnaa den
Koning Og die hen te hulpe quam. Mofes trekt na
den Jordaan.
^ De Profeet Balaamgaat, op\'t verzoek der Madiani-
ten en van Balak den Koning der Moabiten, de Ifraëli-
ten vervloeken : maar Gód dwingt hem hen te zé-
genen. Verfcheydene onder de Ifraëliten , inzon-
derheyd Z^imbri 3 door de Uefds der Madiaöitifehe
-
I
f !
I
1
dóchteren verrukt, verkate.1 Gód , en ófFeren aan-
de Afgoden. Schrikkelyke ftralFe welke Gód daar
over doet, en in\'tbyzonder over Zambri. 84
7 De Hebreen overwinnen de Madianiten, envermee-
fteren hun ganfche land. Mofes beveftigt Jofua om
den Leydsman des vólks te zyn. Steden gebouwd.
Vryfteden aangefteld 89
8 Voortreffelyke aanfpraak van Mofes tót het vólk.
Wetten welke hy hen geeft.
VYFDE BOEK.
EerÃe hoofdfi. Jofua pafTeert met zyn heir den Jordaan
door een mirakel, en neemt Jericho in, alwaar Ra-
hab met de- haare alleen behouden v^ordt. De ïlraëli-
ten worden geflagen door die van Ain wegens de zon-
de van Achan ,en veróveren die ftad naa dat hy geftraft
was. Lift der Gabaoniten om een verbond niet de
Hebreen aan te gaan , dewelke hen te hulpe ko-
men tegen den Koning van Jerufalem , en vyf an-
dere Koningen die alle gedood woorden. Jofua ver-
flaat veele andere Knningen , rprht den Tabernakel
te Silo op, verdeelt het land Kanaan onder de flam-
men , en zendt die van Ruben, Gad, en de halve
ftam van Manaflë te rugge. Deeze flammen weder,
over den Jordaan getrokken zynde rechten eenen nh
taar op, \'t welk eenen oorlóg fcheen te zullen ver-
oorzaaken. De dood van Jofua, cn den Hoogen-
priefter Eleazar.
i De flammen van Juda en Simeon verflaan den Koning
Adonibezek, en neemen veele fleden in. De ande-
ren vergenoegen zich met de Kanaaniten cynsbaar
te maaken. 107
3 De Koning der Aflyriërs brengt de Ifraëliten on-
der. III
4 Kenez verlóft de Ifraëliten van de dienflbaarheyd
onder de Aflyriërs. 112,
5 Egion Koning der Moabiten maakt de Ifraëliten
dicnftbaar, en Ehud verlóft hen. 112,
ö Jabin Koning der Kanaaniten maakt de Ifraëliten aaa
zich onderworpen : en Debora en Barach verlóflèn
hen. 115,
7 De Madianiten bygeftaan van de Amalekiten en Ara-«
biers maaken. de Ifraëliten dienftbaar. 114.
8 Gedeon verlöit het vólk Iflaëls uyt de dienflbaarheyd
der Madianiten. 114
9 Wreedheden en dood van Abimclech, Gideons ba-
flaardzoon. De Ammoniten en Philiflynen brengen
de Ifraëliten onder. Jephta verlóft hen , en flraft de
flam Ephraims. Apfan, Helon, en Abdon regeeren
\'t vólk Ifraëls naa Jephtas dood. 11 <5
10 De Philiftynen overwinnen dc ïfraUlittu, cu maa-
ken hen cynsbaar. Wonderlyke geboorte van Sam-
fon. Zyne byfter groote flerkte. Hy doet den Phili-
flynen veel quaads. Zyn dood. iip
11 Hiflori van Ruth huysvrouw van Boos, overgroot-
vader van David. Geboorte van Samuël. De Philifly-
nen overwinnen de Ifraëliten , en neemen de Arke
des verbonds weg. De zoonen van Eli den Hoogen-
priefter in den flryd gedood. 124
iz Eli de Hoogepriefter flerfc van droefheyd over
\'t verlies der Arke. Dood van Phineës huysvrouw 5 en
geboorte van Joachab. 12«?
B O E K.
ZESDE
Eerjlehoofdjl. De Arke des verbonds veroorzaakt onder
de Philiflynen, die dezelve genomen hadden , zulke
zwaare plaagen , dat zy genoodzaakt worden haar
te rugge te zenden. 127
1 Blydfchap der Ifraëliten over de wederkomfl der Ar-«
ke. Samuël vermaant hen om hunne vryheyd te her-
winnen. Wonderdaadige overwinning door hen op
de Philiftynen behaald, welke zy verder beoorloo-
gcn. 128
3 bamuël Iaat de regcering aan zyne zoolieh over, die
zich tót allerley ondeugden overgeeven. 130
4 De Ifraëliten niet konnende het quaad gedrag van
Samuëls xooaen iafcfeikken, dringen hem aan om
hen
Tafel der Kapittelen\'
In de Joodfche
Lcn eenen Koning te geeven^ Dit verzoek ver-
oorzaakt hem een groot verdriet , Gód verErood
hem, en beveelt hem hunne begeerte te voldoen. 130
5 Saul over\'t vólk Ifraëls tót Koning aangefteld. Hoe
hy zich genoodzaakt vondt die van Jabes, welke
door Nahas Koning der Amiponiten belegerd waa-
ren, tehulpetekomen. 150
⬠Groote overwinning door den Koning Saul op Na-
has Koning der Ammoniten behaald. Samuel zalft
Saul ten tweeden maale tót Koning , enbeftrafthet
vólk nóg eens dapper, dat zy hunne wyze van re-
geering veranderd hadden. 133
7 Saul óffert zonder Samuel te verwachten , en haak
alzo Góds gramfchap op zich. Groote overwin-
ning op de Philiitynen door Jonathas behaald. Saul
wil hem dooden , om den eed dien hy gedaan had,
naa te komen. Al het vólk kant zich daar tegen.
Sauls kinderen , en zyne groote magt. 134
8 Saul verflaat door Góds bevél de Amalekitenj doch
behoudt hunnen Koning tegen het verbód in \'t lee-
ven , en zyne fóldaten zyn heet op den roof. Sa-
muel verklaart hem dat hy Góds gramfchap op zich
gehaald had. 136-
? bamuël voorzegt Saul dat Gód zyn Koningryk in een
ander geflacht zal doen overgaan. Hy doodt Agag
den Koning der Amalekicen , en zalft David tót Ko-
ning. Saul door den boozen geeft gedreeven doet
David haaien om muzyk voor hem te fpeelen. 138
ïo De Philiftynen komen om de Ifraeliten te beftry-
den. Een reus onder hen geheeten Goliath , doet
een voorflag van dien kryg door een\'enkel gevecht
eens Ifraeiyts tegen hem te beflechten : en dewyl
niemand op die uytdaaging antwoordt, neemt Da-
vid dezelve aan. i. q
11 David doodt Goliath, \'t Ganfclie heir der Phili-
Itynen neemt de vlugt, en Saul doet \'er een groote
llagtmg onder. Hy benydt David , en om zich van
nem te ontflaan belooft hem Michol zyne dóchter
ten huuwelg tnids dat Hy hem de hoofden van
zeshonderd Philiftynen bragt. David neemt de voor-
waarde aan , en voerc lictuyc. j^q
\\z Saul geeft zyne dóchter Michol aan David ten wy-
ve , en befluyt ter zelfder tyd hem te doen dooden.\'
Jonathas geeft\'er David kundfchap van, die daar op
ae vlugt neemt.
ï3 JoDathas fpreekt Saul zo fterk wesens David aan,
hy hem in gunfte herftelt. 141
14 David verflaat de Philiftynen. Zyn roem vermeer-
dert Sauls argwaan j hy fehiet met een fchicht na
iiem om hem te dooden. David vlugt, en Michol
zyne vrouw redt zyn leeven. Hy komt by Samuel.
Saul gaat om hem te dooden , en verlieft zyn ver-
ftand voor een etmaal lang. Jonathas maakt een
naauwe vrindfchap met David , en fpreekt voor hem
by Saul, die hem zelf wil dooden. Hy verv/ittigt
\'er David van , die na Geth , een ftad der Philifty-
nen 5 vlugt, en in \'t doortrekken eenige onderftand
van Abimelech den Hoogen priefter ontvangt. Te
Geth gekend zynde , gelaat hy zich zinneloos te
weezen, en wykt na de ftam Juda , alwaar hy vier-
honderd mannen byeenbrengt; voorts trekt hy na
^n Koning der Moabiten , en komt daarnaa weder
in die ftam. Saul doet Abimelech en alle de Prie-
fters, waarvan Abjatharalleen\'tontkomt, ombren-
gen. Saul beftaat verfcheydemaal te vergeefs Da-
vid te vangen en te dooden : maar David daaren-
tegen gelegenheyd hebbende , om Saul het leeven
te beneemen , eerft in eene fpelonk , en daarna in
zyn bed midden in \'t leger , vergenoegt zich met
«eni blyken te geeven dat zulks in zyne magt was
geweeft. Samuels dood. Door wat toeval David
"\'^\'^^ï^igaïl Nabals weduwe trouwt: hy komt we-
der by Achis den Philiftyn , Koningvan Geth, die
hem inwikkelt in den oorlógtegen de Ifraeliten. 142,
ï 5 Saul zich in den oológ regen de Philiftynen van
Gód verlaaten ziende , vraagt door eene tovereflc
de fchim van Samuel om raad , welke hem vooi-
HiÃorz i\'irvêf,
zegt dat hy den lla\'g verliezen , en met zyne zcroneil
gedood worden zal. Achis één van de Koningen der
Philiftynen neemt David met zich ten ftryde j maar
de andere Vórften willen dat hy weer na Zikelcg
gezonden wierd. Daar komende bevindt hy dat de
Amalekiten die plaats geplonderd en verbrand had-
den. Hy vervólgt en verflaat hen. Saul verheft den
flag ; Jonathas en twee andere zyner zoonen worden
daar gedood, en hy zelf zwaar gequetft. Hy doet
Zich door eenen Amalekiter dooden. Treffelyke
daad van Jabes in Galaad , om de lyken dierPrinfen
ï5i
te bekomen.
Z E V E N D E B O E K.
EerÃehoofdÃ. Davids groote droefheyd over den dood van
Saul en Jonathas. David door de ftam Juda voor Ko-
ning erkend. Abner doet Isbofeth Sauls zoon door alle
de andere ftammen voor Koning uytroepen, en trekt
tegen David op. Joab Davids Veldheer verflaat hem ,
en Abner vlugtendc dood Azahel Joabs broeder.
Abnèr door Isbofeth beleedigd gaat rót David over ^
doet alle de andere ftammen zyn voorbeeld volgen,
cn brengt hem zyne vrouw Michol weder. Joab
vermoordt Abner, David daarover bedroefd , doer
zyner gedachteniïTe eere aan. 15 J
% Banaoth en Than vermoorden den Koning Isbofeth,
en brengen zyn hoofd by David , die in plaats van
vergeldmge, hem doet dooden. Alle de ftammen er-
kennen hem voor Koning. Hy verzamelt zyne krygs-
magt, en neemt Jerufalem in. Joab klimt op den
muur. 158
3 David neemt %yn vèrblyf te Jerufalem , en verciert
die ftad. De Koning van Tyrus zoekt een verbondt:
met hem aan te gaan. Vrouwen en kinderen van
David. 160
4 David behaalt twee groote overwinningen op de Phi-
liftynen en hunne bondgenooten j en doet de Arke
des Heeren met groote ftaatfi binnen Jerufalern bren-
gen. Oza fterfi: opftaandevoec omdat hy béftaan
had dezelve aan te raaken. Michol belacht David
^dat hy voor de Arke geïsongen en gedanft had.
Hy wil eenen Tempel bouwen , maar Gód beveelt
hem dat werk voor Salomon over te laaten. 1
5 Groote overwinningen door David op de Philifty-
nen, de Moabiten, en den Koning der Sophoniërs
behaald.
⬠David verflaat in eenen veldflag Adiid Koning van
Damaskus en Syrië : De Koning der Amathiten
zoekt met hem in een verboiid të treedèn. David
brengt de Idumeers onder 5 draagt zórg voor Me-
phibofeth Jonathas zoon j en zegt Hanon Kon in
der Ammoniten , die zyne Gezanten fchandelvk
mishandeld had , den oorlóg aan.
7 Joab Davids Veldheer verflaat vier Koningen die Ha-
non Koning der Ammoniten te hulpegekomen waa-
ren. _ David behaalt een groote overwinning op den
Koning der Syriers : hy verlieft op Bethfabë, doet
haar haaien , en is oorzaak van deii dood van Ãi \'i
haaren man. Hy trouwt Bethfabë. Gód beftrafthem
over zyne zonde door den Profeet Nathan â hv
toont berouw daarover Amoion Davids oudfte zoon
fchendt zyne zufter Thamar, en Abfalom haar broe-
der doodt hem. j^j
8 Abfalom vlugt na^GeiTur. Drie jaareri daarnaa ver^
werft Joab van David dat hy mögt wedèrkeeren.
uJ des vólks j gaat naa He-
. Li lln uytgeroepen , en Achi-
topbel kieft^yi^e zyde. David Verlaar Jerufalem om
aan gene zydé van den Jordaantewykeh. Getrouw-
Chufaien deHoogepriefters. Boosheyd
Schrikkelyke moedwil van Simei Abft-
raS ^^^^^ ^^^ ^"ood fchelmftuk door Achitophels
9 Achitophel geeft Abfalom eenen raad die David
t eenemaal ten bederve zou gebrägt hebben. Chufaï
geeft hem eenen anderen daar tegen aanloopende,
welke gevolgd wordt, en hy deed \'er David de weec
^^ 2 nü.
van. Acbitophcl verhangt zich uyt wanhoop. Da-
vid haaft zich om den jordaan over te trekken. Ab-
falora ftek Amaza lót zynen Veldoverfte aan, en
gaat den Koniög zynen vader bevechten : dóch hy
verlieildenilag, en wordt van Joabgedood. 170
10 David een groote rouw over Abfaloms dood be-
dryvende, laat zich door Joabs aanfpraak trooften.
Hy vergeeft Simeï, en geeft Mephibofeth de helft
zyner goederen weêr. Alle dc ftarnmen keeren we-
der onder zyne gehoorzaamheyd : en die van Juda
hem tegemoet gegaan zynde, worden de andere ja-
loers daarover , en flaan aan \'t muyten, op \'t aan-
raaden van Seba, David beveelt Amaza zynen Veld-
overfte eenige krygsmagt te verzamelen , en hem
tegen te trekken. Maar die vertoevende , zendt hy
Joab rnet de troepen die hy by zich had. Joab Ama-
za ontmoetende, doodt hem verraaderlyk, vervólgt
Seba, en brengt zyn hoofd by David. Groote hon-
gersnood door Gód gezonden wegens \'t quaad ont-
haal van Saul den Gabaoniten aangedaan. David
voldoet hen, en de hongersnood houdt op. Hy be-
geeft zich zo diep in den ftryd, dat een reus hem
gedood zoud hebben, \'t en waare Abifai hem te
huipe gekomen was. Naa de Philiftynen dikwils
overwonnen te hebben, geniet hy een groote vree-
de : en ftek verfcheydene werken op tót Góds lóf,
Ongeroeene dappere daaden van Davids Helden,
Gód zendt hem een zwaare peil, om hem te ftraf-
fen over het tellen der weerbaare mannen. Om die
te doen ophouden bouwt David eenen altaar. Gód
belooft hem dat zyn zoon Salomon den Tempel zal
bouwen. Hy vergaadert de noodige bouwltóffea
daartoe. \'172,
11 David beveelt Salomon den tempel te bouwen.
Adonias wil zich tót Koning opwerpen : maar Da-
vid zich voor Salomon verklaard hebbende , verlaat
elk Adonias, en hy zelf onderwerpt zich aan Salo-
mon. Verfcheidene inzettingen van David, Hy doec
een aanfpraak tot de voornaamfte zyns vólks j en tót
Salomon, dien hy ten tweeden maaie doet zalven» 178
12 David geeft zyne laatfte onderrechtin gen aan Sa-
lomon , en flerft. Salomon doet hem mee een onge-
meene pracht begraven. 181
ri .
A G H S TE BOEK.
Ber^e hoofdfi. Salomon doet Adonias , Joab , cn Si-
mei dooden, ontneemt Abiathar het Hoogepriefter-
ampt, en neenit de dóchter des Konings van Egipte
ten wyve. 183
a Salomon ontvangt van Gód de gaave der wysheyd.
Vonnis door hem uytgefprooken ontrent twee vrou-
wen, welker ééne een dood kind had. Naamen der
Landvoogden. Hy doet den Tempel bouwen , en
\'er de Arke des Verbonds in zetten. Gód voorzegt
hem het geluk of het ongeluk dat hem en zynen
vólke zoud overkomen als zy zyne geboden onder-
hielden of overtraden. Salomon bouwt een prach-
tig Paleys, verfterkt Jerufalem, en fticht verfchey-
dene fteden. Vanwaar het komt dat alle de Konin\'
gen van Egipte Pharao genaamd worden. Salomon
ixiaakt de overige Kanaaniten cynsbaar. Hy ruft een
groote vloot uyc. De Koningin van Egipte en E-
thiopië komt hem bezoeken. Overgroote rykdom
van dien Vórft. Zyne ongeregelde liefde jegens de
vrouwen doet hem tót afgodery vervallen. Gód doet
hem boodfchappen op wat wyze hy geftraft zal wor-
den. Ader flaat tegen hem op. en Gód doet Jero-
boam door eenen Profeet aanzeggen dat hy over de
tien ftammen regeeren zal. 184
3 Salomons dood. Roboam zyil Zoon maakt het vólk
misnoegd. Tien ftammen fcheuren zich van hem
af, en neemen Jeroboam tót hunnen Koning , die
ora hen te beletten na den Tempel te Jerufalem te
gaan, hen tót afgodery ver leydt, en zelfs het Hooge-
priefters ampt wil bedienen. De Profeet Jadon be-
ftraft hem, en doet een groot wonderwerk. Een
valfch Profeet bedriegt dien waaren Profeet 5 en is
l! 1
f^â-
de oorzaak zyns doods. Hy bedriegt Jeroboam ook,
die zich tót alle gódloosheden begeeft. Roboam ver-
laat Gód desgelyks. i
4 Sufak Koning van Egipte belegert de ftad Jerufa-
lem, welke Roboam lathartiglykaan hem overgeeft.
Hy plondert den Tempel en alle de fchatten door Sa-
lomon naagelaaten. Roboams dood. Abia zyn zoon
vólgt hem in de rcgeeringe. Jeroboam zendt zyn wyf
om den Profeet Achia raad te vragen wegens de
ziekte van Obimes zynen zoon. Zyn antwoord isdat
hy fterven zoude : voorts voorzegt hy den onder-
gang van hem en zyn ganfche geilacht ter oorzaalte
zyner gódloosheyd. 2,or
5 Groote overwinning door Abia Koning van Juda op
Jeroboam Koning van Ifraël bevochten. Abia fterft.
zyn zoon Afa vólgt hem in ^t ryk. Jeroboams dood.
Nadab zyn zoon komt naa hein in de regeeringe.
Ba\'äza vermoord hem , en brengt al Jeroboams ge-
flacht om. zoz
6 Deugden van Afa Koning van Juda en zoon van
Abia. Merkwaerdige overwinning door hem opZa-
ba Koning der Ethiopiërs behaald. De Koning van
Damaskus ftaat hem by tegen Baäza Koning vaa
Ifraël, die door Kreon vermoord wordt 5 en Ela
zyn zoon, die hem vólgt, wordt door Zamar ver-
moord. 203
Het heir van Ela Koning van Ifraël, die door Za-
mar vermoord was, kieft Amri tot Koning j en
Zamar verbrandt zich zeiven. Achab vólgt Amri zy-
nen vader in ryk Ifraëls. Zyne byftere gódloos-
heyd. Strafiè waarmede Gód hem dreygt door den
Profeet Elia, die zich na de woeftyne begeeft, al-
waar hy door de ravens gefpysd wordt, en daarnaa
te Sarepta komt by eene weduwe alwaar hy groote
mirakelen doet. Hy doet een groot wonderwerk in
tegenwoordigheyd van Achab en al het vólk , en
doer, vierhondert valfche Profeeten dooden. Jefabel
ftaat hem na \'t leven ; waarop hy de vlugt neemt.
Gód beveelt hem Jehu tot Koning van Ifraël, en
Azaël tot Koning van Syrië te zalven, en Ãliféus
tót.eenen Profeet aan te ftellen. Jefabel doet Na-
both fteenigen , om Achab in \'t bezit van zynen
-wynberg te ftellen. Gód Zendt Elia om hem te be-
ftrafFen, en hy toont berouw over zyne zonde. 204
Adad Koning van Syrië en Damaskus , van twêën-
dertig andere Koningen bygeftaan , belegert Achab
Koning van Ifraël in Samarië. Hy wordt door een
wonderwerk geflagen en gedwongen het belég op
te breeken. Hy hervat den oorlog het volgende jaar,
verlieft een grooten veldflag , cn ter naauwer nood
ontkomen zynde neemt zyne toevlugt tót Achabs
goedertierenheyd , die hem gunftiglyk bejegent,
en weder na zyn land laat trekken. Gód daardoor
getergd, dreygt hem door den Profeet Micha met
205»
Itraife.
p Groote gód vrucht igheyd van Jofaphat Koning van
Juda. Zyn geluk ; zyne krygsmagt. Hy huuwt zy-
nen zoon Joram uyt aan eene dóchter van Achab
Koning van Ifraël, en voegd zich by hem om Adad
Koning van Syrië te beoorlogen ; maar hy begeert
eerft met de Profeeten raad te pleegen. 210
lö De valfche Profeeten Achabs j ea voornaïnelyk
Zedechia, verzeekeren hem «Jat hy den Koning van
Syrië overwinnen zal : Maar de Profeet Michéas
voorzegt hem het tegendeel. De flag worde gele-
verd , en Achab fneuvelt. Ochias zyn zoon vólgt
hem in\'t ryk. ^n
NEGENDE BOEK.
Eerfie hoofdfi. De Profeet Jehu berifpt Jofaphat Koning
van Juda, omdat hy zyne wapenen by die van Achab
Koning van Ifraël gevoegd had. Hy erkent zynen mif-
öag, en Gód vergeeft het hetn.Zyn zonderling beleyd.
Wonderdaadige overwinning welke hy op de Moa-
bitcn, de Ammoniteti, endeArabiers behaalt. Gód-
loosheyd en dood ,van Ochofias Koning van Ifraël 5
gelyk de^ Profeet Elia voorzegd had. Joram zyn
broe^^
in de Joodfche
broeder vólgt hem in dc regeeringe., Elia opgeno-
men. Joram door Jofaphat en den Koning van idu-
ttiea bygeftaan , behaalt een gróte overwinning op
Mift Koning der Moabiten. Dood van\'Jofaphat Ko-
ning van Juda. 2x3
2 Joram zoon van Jofaphat vólgt hem in \'t ryk. Oli
eener weduwe wondérdaadiglyk door Elifeus ver-
menigvuldigd. Adad Koning van Syrië eenig vólk
zendende om hem te vangen , zo verwerft hy van
Gód hen met blindheyd te flaan , en brengt hen te
Samarië. Adad belegert aldaar Joram Koning van
Ifraël. \'c Beleg wondérdaadiglyk vólgens Elifeus
voortegging opgebroken» Adad verfmoord door
Azaël , die zich "t ryk van Syrië en Damaskus aan-
maatigt. Schrikkelyke gódloosheyd en afgodery van
Joram Koning van j uda. Zonderlinge ftraffe waarmee
God hem dreygt. 21 <5
3 Schrikkelyke dood van Joram Koning van Juda.
Ochofias zyn zoon vólgt hem in \'t ryk. 210
Joram Koning van Ifrael belegert Ramath , wordt
gequetft , wykt na Azar om zich te laaten verbin-
den , en laat zynen Veldheer Jehu het belég voort-
zetten. De Profeet Elifeus gezonden om Jehu tot
Koning van Ifrael te zalven , met bevél van Gód
om \'t ganfche geflacht Achabs uyt te roeijen. Jehu
trekt op Azar aan , alwaar Joram , en Ochofias Ko-
ning van Juda gekomen waaren, 220
4 Jehu doodt met zynehandt Joram Koning van Ifrael;,
en Ochofias Koning van Juda. 221
5 Jehu Koning van Ifraël doet Jefabel , de zeventig
zoonen Achabs , alle de maagen van dien Vórft,
twêënveertig bloedvrinden van Ochofias Koning van
Juda , en voorts alle de Priefters van Baal, voor
Wien Achab eenen Tempel had doen bouwen , om-
brengen. 221
6 Gotholia Jorams weduwe wil Davids ganfche geflacht
uytroeijen. Joada de Hoogepriefter behoedt Joas den
zoon van Ochofias, zet hem op den troon , en doet
223
Gotholia dooden.
7 Dood van Jehu Koning van Ifrael. Joazas zyn zoon
volgt hem in \'t rylc. Joas l-Coning van Juda dóet den
Tempel van Jerufalem vermaaken. Dood van Joada
den Hoogepriefter. Joas vergeet Gód , en begeeft
zich tót allerley gódloosheyd. Hy doet Zacharias
den Hoogenpriefter en zoon van Joada fteenigen.
Azaël Koning van Syrië belegert Jerufalem. Joas
geeft hem alle zyne fchatten , opdat hy \'t belég op-
breeke , en wordt door de vrinden van Zacharias ge-
dood. zz,^
8 Amafias vólgt Joas zynen vader in\'t ryk van Juda.
Joazas Koning van Ifrael vindende zich byna ten on-
dergang gebragt door Azaël Koning van Syrië,
neemt zyne toevlugt tót Gód , en wort van den
Heere bygeflaan. Joas zyn zoon vólgt hem in\'t ryk.
De dood van den Profeet Eliféus , die hem voor-
zegt dat hy de Syriërs overwinnen zal. Het lyk van
dien Profeet maakt eenen dooden weder levendig.
Dood van Azaël Koning van Syrië. Adad zyn zoon
vólgt hem in de regeering. 225
c) Amafias Koning van Juda door Gód bygeftaan ver-
flaat de Amalekiten , de Idumeers, en de Gabalita-
nen. Hy vergeet.Gód , en Ãffert den afgóden; tót
flraflè van welke zonde hy overwonnen en gevan-
gen genomen wordt door Joas Koning van Iffael, aan
"Wien hy gedwongen wordt Jerufalem over te gee-
ven. Hy wordt door de zynen vermoord , en van
zynen zoon Ofias in \'t ryk gevólgd. 226
10 De Profeet Jonas voorzegt Jeroboam Koning van
ïfraël dat hy de Syriërs overwinnen zal. Gefchie-
denis van dien Profeet , van Gód na Ninive .ge-
Zonden om den ondergang van het ryk van Aflyrië
te voorzeggen. Jeroboams dood. Zacharias zyn zoon
vólgt hem in de regeeringe. Trefiëlyke hoedaanig-
heden van Ofias Koning van Ifrael. Hy verovert vee-
le plaatfen , en verflerkt Jerufalem. Maar zyne voor-
fpoed doet hem Gód vergeeten j waarom de Heere
hem fchrikkelyk ftrafc. Joatham zyn zoon vólgt hem
HiÃör\'t vervaL
in \'t ryk. Seilum vernfoordt Zacharis Koning-vdil
Ifrael , en maatigt zich de kroon aan. Manahem
dood Seilum , en regeert tien jaaren. Phakeïa zyn
zoon vólgt hem. Phake vermoordt denzelven en re-
ê\'ï/^.!" plaats. Teglat Phalazar Koning van
Auyne voert, eenen zwaaren oorlóg tegen hem.
Deugden van Joatham Koning van Juda. De Pro-
feet Nahum voorzegt de verdelging van\'t ryk van Af-
^ 22^
11 Dood van Joatham Koning van Juda. Achas zyn
gódlooze zoon^volgt hem in \'t ryk. Razin Koning
van Syrië en Phake Koning van- Ifrael beoorlogen
hem. Dóch naa dat die twee Koningen gefcheyden
waaren, voert hy kvyg tegen Phake, en wordt van
hem in eenen veldflag overwonnen. De Profcec
Obel beweegt de Ifraeliten de gevangenen tc rugge re
Zenden. 230
12 Achas Koning van Juda verzoekt de byfland van
Teglat Phalafar Koning van Aflyrië , â die \'Syrië ver-
woefl, Razin Koning van Damaskus doodt, en Da-
maskus inneemt. Schrikkelyke gódloosheyd van
Achas. "Zyn dood. Ezechias zyn zoon vólgt hem in
de regaeringe. Phake Koning, van Ifrael vermoord
door Ofea , die het ryk na z.ch neemt, en door
baimanaUer Koning van Aflyrië overwonnen wordt.
Ezechias herftelt de Godsdienft , overwint de Phili-
flynen , en veracht de dreygementen des Konin^s
van Aflyrië , ^^o
13 Salmanaflèr Koning van Aflyrië neemt Samarië in,
verdelgt het ryk van Iflael t\'eenemaal , voert den
Koning Oféa en al ,zyn,vólk,gevangen , en zendt
een goed getal van Chuteers om \'c Koningryk van If-
rael te bewoonen. ^ ^
T I E N D E B O E K.
EerÃe hoofdfi. Sennacherib Koning van Aflyriëkoint met
eengroot heir in \'t Koningryk van Juda, en houdt den
Koning Ezechias , die hem een groote fommegelds
gegeeven. had opdat hy vertrekken zoude , geen
woord. Hy ooriógt in Egipte , en laat Jcrufaieol
door zynen Veldheer Rapfikes belegeren. De Pro-
leet Elaia verzekert Ezechias van Gód byfland.
bennachenb komt van Egipte te rugge Ãonder al-
daar iets gevórderd te hebben. i 3 j
2 Door eene pefl van Gód gezonden flerven op éénen
nacht honderd vyfentachcig-duyzend menfchen van
het heir van Sennacherib die Jerufalem belegerde :
c welk hem noodzaakt het belég op te breeken,
en weder na zyn land te keeren , alwaar twee zyner
zoonen hem vermoorden. ^^^
3 Ezechias Koning van Juda zwaarlyk krank zynde,
bidt Gód hem eenen zoon te geeven , en zyn leven
te verlengen. Gód bewilligt in zyne bede , en de
Profeet Eiaia geeft\'er hem een teken van , doende
de fchaduw der zonne tien graaden te rugge eaan
Balad Koning der Babiloniers zendt gezanten aan
Ezechias om een verbond met hem te maaken. Hy
toont hem alle zyne kóftelykheden , \'c welk den Hee-
re zo mishaagde dat hy hem door den Profeet doet
zeggen , dat alle zyne fchatren en kinderen eens na
Babiion zullen gevoerd worden. De Koning
hej
5 Manafle Koning van vervloeit tót allerley
gódloosheden. God dreygt hem door zyneProfée-
leo , maar by üaat er geen acht op. Eeh heir des
Konings va" iiabflon verwoeft zyn ganfche land, en
r^y ^°evlugt tót
God «eemende wordt weder in vryheyd oefleld \'
wa.rnaa hy tót het eynd® zyns leevens toe Gód ^e-
uouwlyk dient. Zyn dood. Amon zyn zol\' v^t
ta m t ryk j Hy wordt vermoord j en Jofias z^ia
zoon komt in zyne plaats.
<5 Groote deugden en uitmuntende gódvruChtigheyd
van Jofias Koning van Juda. Hy fchaft de aflódc-
ry t eenemaal af in zyn ryk cn herftelt den Góds-
dienft. , ^
7 Jofias Konilïg van Juda beléc den dooitógt aan Het
atel, äer
hcir van Nekaon Koning van Egipte die 3en Me-
den en Babiloniërs ging beoorlogen. Hy wordt door
eenen pyl gequetft , waarvan hy fterft. Zyn zoon
vólgt hein in \'t ryk, en was zeer gódloos. De Ko-
ning van Egipte voert hem gevangklyk na Egipte,
alwaar gefturven zynde , ftelt hy zynen oudften
broeder Eliakim tót Koning aan in zyne plaats, noe-
mende hem Joakim. 238
8 Nabuchodonofor Koning van Babilonië verflaat
in eenen grooten veldflag Nekaon Koning van
Egipte, en maakt Joakim Koning van Juda zynen
tülpligtige. De Profeet Jeremias voorzegt Joakim
de onheylen die hem befchooren waaren 5 waarom de
Koning hem na \'t leeven ftaat. 2 3 8
p Joakim Koning van Juda laat Nabuchodonofor bin-
nen Jerufalem komen, dóch die geen woord hou-
dende, doet hem nevens veele andere ombrengen;
en voert drieduyzend der voornaamfteJooden,onder
welke ook Ezechiëi was, gevangen. Joachim wordt
tót Koning van Juda in de plaats van Joakim zynen
vader aangefteld.
ÃO NabuGhodonofor heeft berouw dat hy Joachim
lót Koning aangefteld heeft. Hy doet hem met zy-
ne moeder, zyne voornaamfte vrinden, en een
groot getal inwoonderen van Jerufalem gevangen
wegvoeren. 239
II Nabuchodonofor ftelt Zcdekias rót Koning van Ju-
da aan in plaats van Joachim. Zedekias gaat een ver-
bond met den Komng van Egipte tegen hem aan.
Nabuchodonofor belegert tern in Jerufalem. De
Koning van Egipte komt hem te hulpe. Nabucho-
donofor breekt het beleg op om hem flagte léveren,
Haat hem-, en komt daarnaa het belég weder voort-
zetten. De E^rofeet Jeremias voorzegt al hetnaafcend
euvel: worde daarom in de gevangenis, en daarnaa
m eenen put gezét om hem te doen fterven. Zede-
kias doet \'er hem uyitrekkenj en vraagt hem wat
hy doen moet: Zyn raad is Jerufalem over te geeven;
dóch Zedekias kan\'er niet toe befluyten. 239
i 2- Nabuchodonofbrs heir neemt Jerufalem in, plon-
dert den Tempel, verbrandt denzelven en\'c koning-
Jyk Paleys, en verdelgt de ftad. Nabuchodonoior
doet Sarea den Hoogenpriefter en veele andere doo-
den j doet den Koning Zedekias de oogen uytgraa-
ven, voert hem gevangen na Babiion, midsgaders
ccn groote menigte van Jooden. Zedekias fterft.
"Volgreeks der Hoogepriefteren. Godolias van Na-
buchodonofor aangefteld om over de Hebreen in
Judéa gebleeven te gebieden Ifmaël vermoort hem.
Hy voert eenige gevangen. Johannes en zyne vrin-
den jaagen hem naa, verlóflên hen, en vlugten na
Egipte tegen den raad van den Profeet Jeremias,
Nabuchodonofor den Koning van Egipte overwon-
nen hebbende, voert hem gevangen na Babiion.
Doet de kinderen der Jooden die van grooten ftaat
waaren wel opvoeden: Danielen drie zyner mede-
gezellen, alle vier maagen van den Koning Zedeki-
as, waaren van dat getal. Daniël die toen Bakha-
zar genoemd wierdt, legt den Koning eenen droom
uyt, en wordt nevens zyne medegezellen in de
voornaamfte ryksampten gefteld. De drie medege-
zellen van Daniël, Sidrach, Mifach, en Abdenago
weygeren het beeld dat Nabuchodonofor had doen
oprechten, te aanbidden; en worden daarom in eenen
gloeijenden oven geworpen. Gód bewaart hen. Na-
buchodonofor heeft weder eenen droom die hem
door Daniël verklaard wordt, waarnaa hy zeven]aa-
ïcn in de woeftyne onder de beeften verkeert j dóch
eyndelyk weder tót zynen voorigen ftaat komt. Z.yn
dood; en prachtige gebouwen door hem te Babiion
geflieht. j
Dood van Nabuchodonofor van Babilonië. Evil-
merodach zyn zoon volgc hem in \'t ryk, en ftek
Jechonias Koning van Juda in vryheyd- Volgreeks
der Koningen van Babiion tót op den Koning Bal-
thazan Cyrus Koning van Perfië, cn Darius Koning
der Meden belegeren hem in Babiion. Zyn gezigt,
Kapïtteim
waaraf Daniël hem de uitlegging geeft; Cyius
neemt Babiion in , en den Koning Bakhazar gevan-
gen. Darius voert Daniël na Medië , en verheft
hem tót grooten ftaat. De afgunft der Grooren te-
gen hem IS oorzaak dat hy in den leeuv/cn-kuyl ge-
worpen wordt. Gód bewaart hem , en hy woidc
magtiger dan te vooren. Zyne Profecyen en zvn
lóf.
247
ELFDE BOEK.
Eerfle hoofdÃ. Cyrus Koning van Perfië Iaat de Jooden
weder na hun landkeeren, en Jerufalem en den Tem-
pel herbouwen. 26 z
z De Jooden beginnen Jerufalem en den Tempel te
herbouwen. Maar naa den dood van Cyrus fchryven
de Samaritaanen en andere omleggende vólken aan
den Koning Kambyfes zynen zoon\'om dat werk te
doen ftilflaan. \'
3 Kambyfes Koning van Perfië verbiedt den Jooden
het verder opbouwen van Jerufalem en den Tempel,
Hy fterft op zyne te rug-reyze na Egipte. De Wy-
zen regeeren het ryk. een jaar. Darius tót Koning
verkooren. 2.6^
4 De Koning Darius ftelt aan Zorobabel Vórft der
Jooden en twee anderen vraagen voor : en door Zo-
robabel daarop voldaan zynde ftaat hy hem tót ver-
geldinge het herbouwen van de ftad Jerufdem cn
den Tempel toe. Een groot getal Jooden keert we-
der na Jerufalem onder \'t geleyde van Zorobabel,
en arbeydt aan dat werk. De Samaritaanen en andere,
vólken fchryven aan Darius om \'t hen te bekteen.
Maar die Vórft doet het tegendeel. ^ó\'^
5 Xerxes vólgt Darius zynen zoon in \\ Perfifche ryk.
Hy laat Efdras den Priefter met een groot <Jetal Joo-
den weder na Jerufalem keeren , en ftaat hem alles
toe wat hy Degeert, Efdras beveelt den genen die
vreemde vrouwen getrouwd hadden, haar wederom
te zenden. Zyn lóf, en zyn dood. Nehemias ver-
werft van Xerxes verlóf om de muuren van Jerufi-
lem weder op te bouwen, en brengt dat groot weiV
ten eynde.
6 Artaxerxes vólgt zynen vader, Xerxes in \'t lyk van
Perfië. Hy verftoot de Koningin Vafthi, en trouwe
met Efther Mardochéus nicht. Haman raadt Ar-
taxerxes alle de Jooden uyt te roeijen, en meent
. Mardochéus te doen ophangen, dóch wordt zelfop-
geknoopt, en Mardochéus in zyne plaats tót grooten
ftaat verheven. ^^^
7 Joannes de Hoogepriefter doodt Jefus zynen broe-
der in den Tempel. Manaflès broeder van Jaddus
den Hoogenpriefter trouwt met de dóchter vän Sa-
naballeth Landvoogd van Samarië. ^ycj
8 Alexander de Groote Koning van Macedonië trekt
uyt Europa na Afië, vernietigt het ryk der Perfen
en toen men meende dat hy de ftad Jerufalem ver-
delgen zoude , verleent hy haar genade, en bejegent
den Jooden gunftiglyk. 27^
TWAALFDE BOEK.
Eerfie hoofdfi. De Veldóverften van Alexander den Groo-
ten deelen zyn ryksgebied naa zynen dood. Ptolo-
méuséén van hen vermeeftert Jerufalem dooroverrom-
pelinge : Zendt veele vólkplantingcn van Jooden na
Egipte, en vertrouwt zich op hen. Geftadige oorlógen
tuflchen die van jerufalem en de Samaritaanen. 282
2 Pcoloméus Philadelphus Koning van Egipte zendt
honderd twintigduyzend Jooden die in zyn ryk ge-
vangen waren weder te rugge. Doet tweënzeven-
tig mannen uyt Judéa komen öm de Joodfche v/ét-
ten in \'t Grieks\'te verraaien ^ zendt kóftelyke ae-
fchenken na den Tempel , en onthaalt de afeezSn-
denen koninglyk. 282
3 Gunften door de Jooden van de Koningen van Afië
ontvangen. Antiochus de Groote gaat een verbond
aan met Ptoloméus Koning van Egipte , en geeft
hem Kleopatre zyne dóchter ten huuwelyk , ne-
vens verfeheydene landfchappen , v/aar onder ook
Jü-
ïn de Joodfche
Tudéa was. Onias de Hoogenpriefler vertoornt den
Koning van Egipte door zyne weygeruig van de
fchatcing te bkalen welke hy hem fchuldig
4 jófephiis neef van den Hoogepriefter Onias^verwerft
van Ptoloméus Koning van Ãg^te, vergifFems voor
zynen oom, komt by dien Vorft in gunfte, en
geraakt tóe ftaat. Hyrkanus zoon van Jolephus
komt desgelyks by Ptoiomeus in aanzien. Joiephus
fterft " 2ÃO
5 Brief van Arius Koning van Lacedemonië aan Oni-
as den Hoogenpriefter om een verbondt met de Joo-
den aan te gaan , dewyl de Lacedemoniers zo wel
als zy van Abraham afkomftig waren. Hyrkanus
bouwt een prachtig paleys, en brengt zichzelven om,
uit vreeze van in handen des Konings Antiochus te
vervallen, 2,5)1
5 Onias toégenaamd Menelaüs ziende zich van\'t Hoo-
gepriefterfchap verfteeken , vlugt na den Koning
Antiochus, enverlaatden Godsdienft zyner vaderen.
Antiochus komt in Egipte , en wordt wanneer hy
gereed ftondt het te bemagtigen, door de Romeynen
, in de ftad Jerufalern geko-
men zynde verdelgt haar ganfchelyk , plondert den
Tempel , bouwteer een fterkte en vernietigt de
Gódsdienft. De Jooden verlaaten hunne religie.
De Samaritaanen verlooghenen de Jooden , en wyen
hunnen Tempel van Garizim aan den Gnekfchen
Jupiter.
8 Mattathias en zyne zoonen dooden de genen welke
de Koning Antiochus gezonden had óm hen tot het
doen van verfoeijelyke offeranden te dwingen 5 en
vlugten in de woeftyne. Zy worden van veele ge-
vólgd j en een grote menigte wordt in de holen
verftikt , omdat zy zich op den Sabbath met wil-
den verweeren. Mattathias fchaft dat by geloof af, en
vermaant zyne zoonen ora hun vaderland van flaa-
verny te verlóffen. - ^ ^95
^ Dood van Matthathias. Judas Machabéus één zyner
zoonen aanvaardt het bewind derzaakeni verloltzyn
vaderland , en zuyvert het van de gruuwelen aldaar
gepleegd.
10 Judas Machabéus verflaat Apollonius Landvoogd
van Samarië, eh Seron Landvoogd van Neder Sy-
rië ,
i i Judas Machabéus verflaat een groot heir , t welk
de Koning Antiochus den Jooden tegengezonden
had. Lyfias komt het vólgende jaar met een nog
orooter heir te velde. Judas verflaat vy fdüyzend man -
nen van zyn vólk , en doet hem wyken. Hy zuy-
vert en herftelt den Tempel te JeruHilem. Zyne an-
dere groote krygsdaaden.
ix Bedryven van Sióion broeder van Judas Machabéus
in Galiléa , en overwinning door Judas en Jona-
thas op de Ammoniten behaald. Andere daaden van
Tudas - ^^^
12 De Koning Antiochus Epïfanes fterft van fpyt
dat hy gedwongen was \'t belég dër ftad Elymais in
PerfiCj alwaar hy eenen tempel van Diana wilde pion-
deren, fchandelyk op te breeken. 300
14 Antiochus Eupator vólgt zynen vader Antiochus
Epifanes in \'t ryk. Ju^as Machabéus belegert den
burg van Jerufaletó. Antiochus trekt hem met een
groft heistegen , en belegert Bethfura. Beyde
Sen zy \'clelég op , en komen tót eenen ve d-
flag. Zonderlinge kloekmoedigheyd en dood van
Ekazar éénen van Judas broeder^ Antiochus neemt
Bethfura in , en belegert den Tempel van Jerufa-
lem Maar t\'oen de Jooden tót het uyterfte gebragt
Waaren , verlaat hy \'t béleg op de tydiog dat l^ihp-
pus zich voor Koning van Perfië had doen uytroe-
15^De Koning Antiochus Eupator maakt vreede met
â De Jooden,^n dóet tegen zyn woord den muur die
den Tempel omringde at breeken. Hy doet Onias
Ãên Hoogenpriefter toegenaaiïid Mènelaus het hooid
afflaan , en geeft zyn ampt aan Akimus, Gmas
neef van Menelaüs begeeft zich na Egipte , alwaar
de Koning en de Koningin Kleopatre hem toelaaie«
te Heliopolis eenen tempel gelyk dien van Jeruüüem
te bouwen. 3° 5
Demetrius zoon van Seleukus vlugt uyt Rome,,
komt in Syrië , doet zich tót Koning kroonen , en
laat den Koning Antiochus en Lyfias ombrengen.
Hy zendt Bacchides met een licir in Judéa om Ju-
das Machabéus en zyn ganfchc land onder te bren-
gen , draagt het gezag op aan den Hoogenpriefler
Alcimus, die groote wreedhedenbediyft. Maar Ja-
das noodzaakt hem na Demetrius te vlugten. 305
17 De Koning Demetrius zendt op \'t aandringen van
Alcimus , IMikanor met een groot heir tegen Juaas
Machabéus om hem te overrompeien. Zy komen lot
een gevecht; Waarin Nikanor fneuvelt. Dood van
Alcimus^oor een fchrikkelyke ftrafte Gods. Juuas
tót Hoogepriefter in zyne plaats aangefteld, gaat een
verbond met de Romeynen aan.
18 De Koning Demetrius zendt Bacchides met em
verfch heir tegen Judas Machabéiis, die hoewel hy
maar achthonderd mannen tót zynendienft had, ech-
ter befloot hem te beftryden. 30-)
15? Judas Machabéus ftrydt met achthonderd mannen
tegen \'t ganfche heir van den Koning Demetrius^
en fneuvelt naa het verrichten van ongemeens dapper-
re daaden. Zyn lóf. 3®)
D E R T I E N D ,E B O E K.
EvrÃe hovfdÃ. Na den dood van judas Machabéus wordt
zyn broeder Jonathas door de Jooden tót hunnen Veld-
overfte verkooren. Bacchides Veldheer van Deme-
trius meent hem verraaderlyk te doen dooden , dóch
dat niet gelukkende , beftrydt hyhem. Wakker ge-
vecht , en fraaije aftógt van Jonathas. De zoonen
van Amar dooden zynen broeder Joannes : Hy
wreekt zulks. Bacchides belegert hem en zynen broe;
der Simon in Bethalagj maar Wordt genoodzaakt het
beleg op te breeken. ,
2 Jonathas maakt vreede met Bacchides. , 307
3 Alexander Bällez zoon van den Koning Antiochus
Epifanes komt tegen Syrië in de wapenen. De be-
zetting van Ptolomaïs opent hem de poorten , ter
oorzaake van den haat tegen den Koning Demetrius,
die zich ten oorlóg bereydde. ^ 30^
4 De Koning Demetrius zoekt een verbond mfet Jo-
nathas aan te gaan j die zich van deeze gelegenheyd
bedient om de veftingen van Jerufalem te her-
bouwen. .
5 De Koning Alexander Ballez zoekt Joiiathas om zy-
ne vrindfchap aan , en geeft hem het ampt van Hoo-
penpiielcer \'t welk openftond , door den dood vail
Judas Machabéus zynen broeder. De Koning De-
metrius doet hem en zynen landslieden nóg gtootec
aanbiedinge. Die twee Koningen komea tót éeneii
veldflag, waarin Demetrius\'t leven verlieft. 308
6 Onias zoon van Onias den Hoogenpriefter boüwt in
Egipte eenen Tempel van \'t feifde taifoen ais die te
Jerufalem Twift tuflchen de Jooden eh de Satnari-
\'taanen voor Ptoiomeus Philometor Koning van
Egipte wegens den Tempel van Jerufaleö en dien
vanGarizlra. Saparitaanen verliezen de fjleyt. ? \\ ö
7 Alexander B^^l^ez vindende zich in een vreedzaam be-
zit van hec ryk van Syrië door den dood van Deme-
trius , neemt de dóchter van Ptoiomeus Philometor
Koning van Egipte ten wyve. Alexander dóet Jona-
thiis den Hoogenpriefter groote eere aan. 311
8 Demetrius Nikanor zoon van den Koning Deme-
trius komt met een heir in Cilicië. De Koning
Alexander Ballez geeft Het gebied ovii" h zyne äari
Apollonius , die Jonathas den Hoogenpriefter Ise-
ftrydt : Dóch deez flaat hem , neemt Azote inj eö
verbrandt Dagons Tempel. Ptoloméus Philometor
Koning van Egipte , komt den Koning Alesandefc
Zynen fchooiizoon te hulpe , die hem door
niiiS laagen doet leggen. Ptoiomeus oïitnee,rn^
# A hèö
Hifiori vermt.
hem zyne dóchEer, geeft haar aan Demetrius ten
-huuwelyk, en maakt dat de inwoonders van Antiochië
hem aanneemen, cn Alexander verjaagen, die met
een heir wederkomt. Ptolomeus en Demetrius be-
vechten en overwinnen hem : maar Ptolomeus ont-
vangt zo veeJe wonden dan hy \'er yan fterft / naa
alvoorens het hoofd van Alexander gezien te heb-
ben, \'t welk hem van eenen Arabifchen Vórft toe-
gezonden wierdt. Jonathas belegert den borgt van
jerufalem , en bevreedigt den Koning Demetrius
door gefchenken , die den Jooden nieuwe gunften
bewyit. Deeze Vórft zich in vrèede ziende dankt
zyne oude fóldaaten af. 311
9 Tryfon beftaat Antiochus, zoon vnn Alexander Bai-
lez, in ryk van Syrië te herüellen. Jonathas bele-
gert den burg van Jerufalem, en zendt den Koning
Demetrius Nikanor byftand, die door dat middel de
inwooners van Antiochië, welke hem in zyn paleys
belegerd hadden, beteugelt. Zyne ondankbaarheyd
jegens Jonathas. Hy wordt overwonnen door den
jongen Antiochus, en vlugt na Gilicië. Antiochus
doet Jonathas groote eere aan , eh wordt van hèth
bygeftaan tegen Demetrius. Héerlyke overwinning
door Jonathas op \'t heir van DemeLrius behaald. Hy
vernieuwt het verbond met de Romeynen en Lace-
demoniërs. De Sekten der Pharireen, Sadduccen,
cn EÃeners, Een ander heir van Demetrius durft
Jonathas niet beftryden, Jonathas begint Jerufalem
IC verfterken. Demetrius overwonnen cn door Arfa-
ces koning der Farthen, gevangen genomen. 314
ïo Tryfon ziende Demetrius verflagen. wordt te raadc
2!ch van Antiochus te ontflaan , om zelf in zyne
plpts te regeeren, en Jonathas ook in \'t verderf te
Itor^en^ v/aarop hy hem bedriegelyk om den tuyn
ieycit, duyzendc mannen van zyn volk te Ptolemaïs
doet ombrengen, en hem gevangen houdt. 3 17
11 De Jooden kiezen Simon Machabéus tót hun Op-
perhoofd in plaats van Jonathas zynen broeder , die
gevangen gehouden wierdt door Tryfon , welke
honderd talenten en twee zyner zoenen te pande
ontvangen hebbende , om hem in vryheyd te fiel-
len, zyn woord niet houdt , maar hem doet om-
brengen. Simon recht hem , cn zynen vader, en
andere broederen een prachtige tombe op. Hy
"wordt tót Vórfl; en Hoogenpriefter der Jooden aan-
gefteld. Zyn treffelyk beleyd. Hy verlóft zyn
vólk van de dienflbaaiheyd derMacedoniërsj neemt
. den burg van Jerufalem ftórmenderhand in , doet
hem flechten , alsmede den berg waarop hy gele-
gen was.
2 2 Tryfon doodt Antiochus zoon van Alexander Ballez,
en wordt voor Koning aangenomen, Zyne on-
deugden maaken hem zo gehaat by zyne fóldaaten,
dat zy in dienft van Kleopatre Demetrius weduwe,
overgaan. Zy trouwt met Antiochus Soter, broeder
van Demetrius, en doet hem tót Koning kroonen.
Tryfon wordt door hem overwonnen, en vlugt na
Dora , en vandaar na Apama, alwaar hy gedood
wordt. Antiochus zoekt vrindfchap met Simon den
Hoogenpriefter. ,
13 Ondankbaarbe}?d van Antiochus Soter jegens Si-
mon Machabéus , waaruyt een oorlog ontflaat.
Simon behoudt fteeds de overhandc, en vernieuwt
het verbondt mee de Romeynen. 3 15?
14 Simon Machabéus Wordt verraadcrlyk gedood
door zynen fchoonzoon Ptolomeus j die Ook zyne
Weduwe en twee zoonen gevangen neemt. 319
15 Hyrkanus zoon van Simon belegert Ptolomeus
binnen Dagon ; maar zyne liefde tót zyne moeder
en broeders, die van Ptolomeus met den dood ge-
dreygd wierden indien hy de plaats beftórmde , be-
Jette hem die in te neemen 5 alhoewel Ptolomeus
«iet naliet hen te dooden toen \'c beleg opgebroo-
keo \\^as. 31 ^
j6 De Koning Antiochus Soter belegert Hyrkanus
in Jerufalem, en ftaakt eyndelyk \'t bel% naa\'t aan-
gaan van een verbond. Hyrkanus verzelt hem in
eenen oorlog tegen de Parthen , alwaar Antiochus
fneuvelt, en Demetrius zyn broeder, die door A r-
faces Koning der Parthen in vryheyd gefield Was,
bemachtigt het ryk van Syrië. -210
17 Hyrkanus naa Antiochus dood herneemt eenioe
plaatfen in Syne, en vernieuwt het verbond mee
de Romeynen. De Koning Demetrius wordt vah
Alexander Zebina overwonnen , en vervolgens te
Tyrus gevangen , alwaar hy jammerlyk ftcrft. An-
tiochus Cyzicenus zyn moederlyke broeder, zoon
van Antiochus Soter , doet hem den oorlóg aan: en
Hyrkanus geniet ondertuflche vreede in Judéa. \'3 21
18 Hyrkanus neemt Samarië in , en verdelgt h\'et. De
Hoogenpriefter van den Hemel begunftigt, verlaat
de fekte der Pharifêen , en gaat over tót die der
Sadduceen. Zyn gelukzalige dood. ,22,
ip Ariftobulus oudfte zoon van Hyrkanus, Vórft der
Jooden, doet zich tot Koning kroonen > neemt Anti«
gonus zynen - broeder tót medegenoot der regêerin-
ge aan 5 zet de andere, midsgaderszyne moeder, in
de gevangenis , alwaar hyze van honger laat fterven.
Hy vat een mistrouwen op tégen Antigonus, waar»
op hy hem doet om \'t leeven brengen 5 en daarnaa
van verdriet Ãerft. ^
20 Salome weduwe van den Koning Ariftobulus
ontflaat zynen broeder Janneus toegenaamd Alexan-
der uyt de gevangenis, en maakt hem Koning. Hy
doet eenen zyner broederen ombrengen , en bele-
gert Ptolemaïs. De Koning Ptolomeus Lathur, die
door zyne moeder Kleopatre uyt Egipte verjaagd
was, komt in Cyprus om die van Ptolemaïs te hel-
pen. Zy weygeren hem den ingang. Alexander breekt
het belég op , en handelt opentlyk met Ptolomeus,
en heymelyk met Kleopatre. 325-
21 Groote overwinning door Ptolomeus Lathur op
Alexander Koning der Jooden behaald , en Zya
fchrikkelyke wreedheyd. Kleopatre moeder van
Ptolomeus komt de Jooden tegen hem te hulpe^
en hy tracht te vergeefs zich meefter van Egipte te
maaken. Alexander neemt Gaza in , en pleegt\'er
poote wreedheyd. Verfcheydene oorlogen wegens
\'c ryk van Syrië. Zonderlinge haat van de meefte
Jooden tegen Alexander hunnen Koning. Zy ont-
bieden Demetrius Eucérus t\'hunner hulpe. 3 zS
22 Demetrius Eucerus Koning van Syrië komt den
Jooden tegen Alexander hunnen Koning te hulpé,
flaat hem in eenen veldflag , en wykt te rugge.
De Jooden beoorlogen hem evenwel: Hy ovcrwmt
hen in verfcheydene gevechten , en doet hen aan
kruyfen nagelen. Demetrius belegert zynen broeder
Filippus bmnen Beroë. Mithridates Synaces Konirig
der Parthen zendt een heir tegen hem, \'t welk hem
gevangen neemt. Hy fterft kort däarnaa. 3 28
23 Verfcheydene oorlogen der Koningen van Syrië
Alexander Koning der Jooden neemt etlyke plaatfen
m. Hy fterft, hebbende de Koningin Alexandra
zyne Gemalin geraaden de Pharifeen op haare zyde
te trekken, om zich alzo bemind te maaken. 330
24 De Koning Alexander laat twee zoonen naa, Hyr-
kanus die Hoogepriefter wierdt, en Ariftobulu^.
De Koningin Alexandra hunne moeder wint de o-e-
neegenhéyd des vólks door middel van de Pha-
rifeen , aan welken zy een groot gezag overlaat.
Zy doet door hunnen raad de getrouwüe dienaafs
Van den Koning haaren gemaal ombrengen 3 en
geeft aan andere om hen te bevreedigen de bewaa-
ring der fterkfte plaatfen. Inval van Tigranes Ko-
ning vatt Armenië in Syrië. Ariftobulus wil zich
tot Koning opwerpen. De Koningin Alexandra
fterft.
33ï
Veertiende BOEK.
hoofdjf. Naa den dood der Koninginne Alexandra
komen Hyrkanu5 en Ariftobulus haare twee zoonen
tót een gevecht, waarin Ariftobulus de overhand be-
houdt : zy gaan daarnaa een verdrag aan , vólgens
\'t welk de kroon op Ariftobulus komt, hoewel hyde
jongfte is, en Hyrkanus houdt sich te vreede m\'et een
ampteloos leyen, 3 3 3
^vAnti-
\' \'ifläe Joodfche
2 Antipater een Idutneër raad Hyrkanus te vlugten,
en zich na Aretas Koning der Arabiers te begeeven,
die hem belooft in \'t ryk van Judea te herftellen. 3 3 3
3 Ariftobulus wordt genoodzaakt zich bmnen de
veiling van Jerufalem te begeeven. De Koning Are-
tas belegert hem. Onias, een rechtvaerdig man,
wordt dooT eenige Jooden gefteenigd. Góds ftraffe
daarover, , j a
4 Scaurus door Pompejus gezonden en door Arifto-
bulus op zyne zyde getrokken j noodzaakt den Ko-
ning Aretas het belég van Jerufalem op te breeken.
Ariftobulus\'wint eenen veldflag tegen Aretas en
5 rSnpe^us komt in neder Syrië. Ariftobulus 2endt
hem een koftelyk gefchenk. Antipater komt by hem.
Pompejus hoort de twee broeders, en ftelt de uyt-
fpraak over hun gefchil uyt, naa dat hy de Naba-
theers tot hunnen pligt zoude gebragt hebben. Ari-
ftobulus zonder daarnaa te wachten , begeeft zich
na Judéa. - , ,
6 Pompejus verftoord over Ariftobulus vertrek , trekt
tegen hem op. Verfcheydene tzamenkomftenvrugte-
7 ArTftobulus°bcróuw van zyh bedryf, komt
by Pompejus , en handelt met hem : maar zyn
krygsvólk geweygerd hebbende het beloofde geld te
geeven , en de Romeynen binnen Jerufalem te ont-
vangen , houdt Pompejus hem gevangen , en bele-
gert den Tempel, waarin die van Ariftobulus aan-
hang ge weeken waaren. 33*^
S Pompejus neemt na een belég van drie maanden,
den Tempel van Jerufalem ftormenderhand in ,
zonder hem te pionderen. Hy befnoeit de magt der
Jooden. Laat het gebied van zyn heir aan Scaurus
over : Voert Ariftobulus met zyne twee zoonen
Alexander en Antigonus , nevens zyne twee dóch-
ters, gevangen na Rome. Alexander ontvlugt uyt
de gevangenis. _ 3 3*^
9 Antipater doet Scaurus goeden dienft in Arabie. 33 7
10 Alexander zoon van Ariftobulus maakt kry^roe-
ruftingen in Judéa cn verfterkt de plaatfen. Gabi-
nius flaat hem in eenen veldflag , en belegert hem
in het kafteel Alexandrien , \'t welk Alexander ne-
vens andere plaatfen aan hem overgeeft. Gabinius
beveftigt Hyrkanus in zyn Hoogepriefterfchap , en
brengt Judéa onder eene regeering der voornaam-
ften. 338
ïi Ariftobulus te Rome. gevangen, ontvlugt met
Antigonus eenen zyner zoonen en komt injuaea.
De Romeynen overwinnen hem in een gevecht.
Hy wykt na Alexandrion, alwaar hy belegerd, en
gevangen genomen wordt. Gabinius zendt hem na
Rome, verflaat Alexander Ariftobulus zoon in eenen
veldflag, keert weder na Rome, en laat Krafilis
in zyne plaats.
iz Kraflus plondert den Tempel van Jerufalem, en
wordt met zyn ganfche heir door de Parthen gefla-
gen. Kaflius wykt na Syrië, en befchermt het tegen
de Parthen. Antipaters groot aanzien , zyn imuwe-
lyk en kinderen. a -aV^
I i Pompejus doet Alexander den zoon van Ariftobu-
liis onthoofden. Filippion zoon van Ptoloméus Men-
neus Vórft van Chalcis trouwt met Alexandra, Ari-
ftobulus dóchter. Ptoloméus zyn vader doet hem
ombrengen, en neemt die Prinfes ten wyve. _ 3 40
14 Antipater ftaat Ca:far in den oorlog van ïigipte op
Hyrkanus bevél by ^ cn toont zyne dapperhcyd. 3 40
ï 5 Antipater verkrygt eenen grooten naam in den oor-
lóg van Ãsipte. Csefar komt in Syne, beveftigt
Hyrkanus in het ampt van Hoogenpriefter, en doet
Antipater groote eere aan 5 onaangezien ae lUagten
van Antigonus, zoon van Ariftobulus,
ïö C^far llaat Hyrkanus toe de muuren van Jerufa-
lem te herbouv^en. Eere aan Hyrkanus beweezen
door die van Athene. Antipater doet de muuren van
Jerufalem weder opbouwen. 3 41
17 Antipater krygt groot aanzien door iyne deugd.
Phafaël zyn oudfte zoon wordt Stadvoogd van Jerufa-
Hift&n vefvüL . ^ , . , â¢
lem, en Herodes zyn tweede feoon Landvoogd vaii
Galiléa. Herodes doet veele roovers ombrengen.
Argwaan van eenige Grooten tegen Antipater eti
zyne kinderen. Zy dringen Hyrkanus om Herodes
in rechte te betrekken over die lieden welke hy had
doen fterven. Hy verfchynt voor \'c recht, en gaat
daarnaa weer heene. Hy komt Jerufalem belegeren\',
en zoüd het ingenomen hebben, indien Hyrkanus
en Phafaël hem daarvan niet afgewend hadden. Hyr-
kanus vernieuwt het verbond met ^e Romeynen.
Blyken van achtinge en fcoegeneegenheyd der Ro-
meynen jegens Hyrkanus en de Jooden. C^far in
\'tKapitolium doorBrutus en Kaflius vermoord. 34^
18 Kaffius komt in Syrië , haalt zeshonderd talenten
zilvers\'uyt Judéa. Herodeswint zyne geneegenheyd.
Malichus ondankbaarheyd jegens Antipater.
ro Kaffius eh Markus uyt Syrië vertrekkende geeven
aan Herodes het gebied over\'t heir dat zy verzameld
hadden, en belooven te zullen maaken dat hy Ko-
ning wordt. Malichus doet Antipater vergeeven.
Herodes veynft ontrent hem. 34^
zo Kaflius op verzoek van Herddes zendt aan de
Krygsóverften laft om den dooè van Antipater te
wreeken : die daarop Malichus het keven beneemen»
Felix, die over de Roomfche bezetting in Jerufa-
lem geboodt, befpringt Phafaël, dóch die vermee-
ftert hem. .V 347
21 Antigonus Ariftobulus zoon verzamelt een heir.
Herodes verflaat hem, komt zeegepraalend te Jeru-
falem , en Hyrkanus belooft hem Mariamtie zyne
dóchters dochter ten huuwelyk. 34^
22 Naa Kaflius nederlaag by Filippis komt Antigo-
nus in Afië. Herodes geraakt in Zyne vrindfchap
door groote gefchenken. Bevél-brieven van Anti-
gonus tót begunftiginge van Hyrkanus en de Joo-
den. . , . : . 34^
23 Begin derminnerye tuflchen Antoniüs en Kleopatre.
Hy toont zich ftreng tegen de Jooden die gekomen
waren om Herodes en Phafaël by hem te beichuldi-
gen. Antigonus Ariftobulüs zoon öiaakt Vrindfchap
met de Parthen. 349
24 Antigonus door de t\'arthen bygeftaan belegerÃ
Phafaël en Herodes in het paleys van Jeruialem tc
vergeefs. Hyrkanus en Phafaël laaten zich overreeden
om by Barzafarnes te gaan. ⢠35®
25 BarMarnes houdt Hyrkanus eü Phafaël gevangen.
Zendt na Jerufalem om Herodes in verzekering te
neemen : maar hy ontvlugt by nacht met zyn vólk
én vrinden. Hy wordtonderwege aangevallen, dóch
flaat \'er telkens door heene. Ondankbaarheyd van
den Koning der Arabiers jegens Herodes , die na
Rome gaat. ^ 3 51
z6 Herodes wordt door middel van Antoüiüs en met
byftand van Auguftus tót Koning van Judèa ver-
klaard. Antigonus belegert Maflada , verdcedigÃ
door Jofephus Herodes broeder. 35 3
27 Hérodes van Rome te rug gekomen zynde, neemt
eenige plaatfen in, en belegert Jerufalem, maar kan
het niet bemagtigen. Hy flaat zyne vyandén in een
t&waar gevecht : Bedient zich van eene lift , om
veele Jooden van Antigonus party ^ die in holen ge-
weeken Waaren te dwingen. Hy trelct met eenige
^ync â â â¢-0-\' âj------------âr â
in den ftry^ gelneuveld, v/ordt door laft van An-
tigonus het hoofd afgehoüwen. Hoe Hcrodcs die
dood wreekt. Hy belegert Jerufalem , alwaar Sofius\'
met een Roemfch heir bykomt. Geduurende dat be-
Jég trouwt Herodes mét Mariamne. 35-4
28 Herodes bygeftaan van Sofius Roomfcli Veldheer
\' neernt Jerufalem met geweld in, en koopt de
plondering af. Sofius neemt Antigonus gevangen J
en voert hém öa Antonius. 357
__ ^Y F T I E N _
hoofdfi. Antonius doet Antigonus Koning det
Jooden\'t hoofd afflaan. \' /359,
1 Fraätes Koning- der Parihsn m Hyrkanus zyn
" van-
vangen weder na Judéa keeren^ Herodes, die zich
van hem wilde verzekeren, helpt daartoe, cn geeft
het Hoogepriefterfchap aan een perfoon van geen
aanzien. Alexandra fchoonmoeder van Herodes, en
moeder van Ariftobulus, fchryft aan Kleopatre om
door middel van Antonius dat ampt voor haaren zoon
te bekomen. Herodes zulks gewaar wordende geeft
het aan hem, en veynft zich met Alexandra te ver-
zoenen.
5 Herodes beneemt Ananel het Hoogepriefter-ampt,
en geeft het aan Ariftobulus. Hy doet Alexandra
en Ariftoljulus in verzeekeringe neemen , wanneer
ze na Kleopatre meenden te vlugten : Gelaat zich
met hen verzoend te zyn. Doet Ariftobulus daarnaa
verdrinken , en ftelt een prachtige lykftaat^i voor
hem aan. ^
4 Herodes moet by Antonius komen om zich wegens
Ariftobulus dood te verantwoorden : Hy krygt hem
door gefchenken op zyne zyde. Hy had voor zyn
vertrék aan Jofephus zynen ichoonbroeder bevolen,
dat indien Antonius hem ter dood veroordeelde,
hy Mariamne zou doen ombrengen. Jofephusvertelt
dit onvoorzigtiglyk aan die Vórftin j en Herodes
op hem en haar jaloers zynde doet hem dooden. On-
verzaadelyke gierigheyd en ongemetene ftaatzucht
van Kleopatre. 363
5: Kleopatre gaat na Judéa , en doet te vergeefs alles
wat zy kan om Herodes op haar te doen verlieven.
Antonius Armenië veroverd hebbende , biedt haar
groote gcfchenken aan.
6 Herodes wil Antonius tegen Auguftus byftaan 5
maar Antonius raad hem de Arabiërs te beoorlogen â¢
dies trekt hy in hun land , levert hen eenen veldflag
d^en by wmt : dóch krygt, ten tweeden maaletóc
een gevecht komende, de nederlaag. , 6<
7 Groote aardbeeving in Judéa. De Arabiërs grypen
de Jooden aan en dooden hunne afgezanten , die
quamen om vreede te verzoeken.
8 Aanfpraak van Herodes aan zyne fóldaaten, waar-
door zy zo gcmoedigd worden dat ze een groote
overwinning op de Arabiërs bevechten, en hen nood-
zaaken Herodes tót hunnen befchermer aan te nee-
men. 36<y
5> Antonius door Auguftus in den flag by Aktium
geflagen. Herodes doet Hyrkanus ombrengen , en
onder wat voorwendfel. Hy neemt voor na Auguflus
te gaan , en flelt órde op zyne zaaken voor zyn ver-
\' 3(J8
10 Herodes fpreekt Auguflus zo deftig aan , dat hy
zyne gunfl verwerft : waarop hy hem na Egipte
verzeit, en hem te Ptolemaïs met zulk een pracht
ontvangt, dat hy daardoor de achting van alle de
Romeynen verkrygt. 370
11 Mariamne onthaalt Herodes op zyne wederkomft
zo koel, dat dit gevoegd by de lafteringen zyner
moeder en zufter, hem toen al tót haaren dood zoud
hebben doen befluyten : maar hy is genoodzaakt
weder na Auguftus te keeren i dóch doet haar op
zyne wederkomft fterven. Laf hartigheyd van Alexan-
dra Mariamncs moeder. Wanhoop van Herodes naa
Mariamncs dood. Hy valt in een zware ziekte.
Alexandra poogt de twee ftcrkten van Jerufalem in
haare magt te krygen : waarop hy haar nevens Kof-
tobarus en eenige andere doet ombrengen. Hy ftelt
fchouvv\'fpelcn aan ter cere van Auguftus, waardoor
hy de mecfte Jooden zo vertoornt, dat tien van
hen onderneemen om hem te dooden. Maar hy doet
hen fterven j bouwt eenige veftingen , en flicht op
de puyn van Samarië een fchoone en fterke ftad,
welke hy Sebafte noemt. 371
12 Judéa door veele rampen , en inzonderheyd een
felle pefl en zwaare hongersnood gedrukt. Groote
zórgdraagendheyd en miidheyd van Herodes om daar-
in te voorzien : waardoor hy de geneeo-enheyd des
vólks weder bekomt, en denovervloedweêr invoert.
Hy bouwt een prachtig paleys te Jerufalem : en
trouwt met de dochter van Simon , dien hy tót
Hoogenpriefter aanftelt. Hy flicht een aanzienlyk
kafteel ter plaatfe danr hy eertyds de Jooden over..
Wonnen had. ^
13 Herodes doet ter eere van Auguflus een prach?iL
ftad bouwen , welke hy Cefarea noemt. Hy zendc
hem zyne twee zoonen Alexanderen Ariftobulus,
welke hy by Mariamne geteeld had. Auguftus flaac
hem daarop nóg ngiwe gunflen toe. Oorzaak waar-
om Herodes de Efieerrers zo wel bejegent. 378
14 Herodes herbouwt den Tempel van Jerufalem
heellyk om hem cierlyker te maaken. - gg
ZESTIENDE BOEK.
EerÃe hoofdfi. De Koning Herodes maakt eene wet, waar-
door hy als een Tiranaangemerkt wordt. Hy gaat na
Rome en haalt zyne zoonen Alexander en Ariftobu-
lus van daar. Salome zyne zufler met haaren aanhant^
poogen hen haatelyk by hem te maaken. 385
z Herodes huuwelykt zyne zoonen Alexander cn Ari-
ftobulus uyt 5 en ontvangt Agrippa prachtiglyk in
gnryk. 3B5
3 Herodes komt by Agrippa in Pontus met eene vloot,
waarmede hy zyn heir verflerkt , en een gedeelte
van den weg met hem wederkeerende , bewyft hy
groote gunfl aan etlyke fleden. \' 383
4 Klagten in \'t byzyn van Herodes aan Agrippa ge-
daan door de.Jooden , die in lonië woonden , en
van de Grieken in \'t genót hunner voorrechten ge-
floord wierden.
5 \'Agrippa flaat den Jooden hun verzoek toe. En He-
rodes weder in zyn Ryk gekomen zynde fcheldt zy-
nen onderdaanen \'t vierde deel van\'t gene zy aan hera
betaalden quyt. 38(5"
6 Salome Herodes zufler poogt hem tegen zyne Zoo-
nen Alexander en Ariftobulus op te hitfen. Hy zendc
Antipater, zoon van zyn eerfte huuwelyk , na
Rome.
7 Antipater hitft zynen vader zo tegen Alexander en
Ariftobulus op , dat Herodes hen na Rome voert,
en by Auguftus aanklaagt dat zy eenen aanflag op
zyn Jeeven hadden. ^87
8 Alexander verantwoordt zich en zynen broeder Ari-
ftobulus zo wel wegens de misdaad die hen te lafte
gelegd wierdt , dat Auguftus hen onfchuldig oor-
deelt , en hen met hunnen vader verzoent. Hero-
des keert met zyne drie zoonen weder na Judéa. 3 8S
9 Herodes de ftad Cefarea volbouwd hebbende, wydc
haar in ter eere van Auguftus , en doet aldaar
fchouwfpelen met groote pracht voor \'c vólkvertoo-
nen. Hy bouwt ook andere fleden, en doet ver-
fcheydene gefliehten maaken. Zyne groote miid-
heyd jegens vreemdeliDgen , en z-yne fiiTiughcyd je-
gens zyne onderdaanen.
10 Blyken van de toegeneegenheyd der Roomfche
Keyzeren tót de Jooden. ^ ^ 2,
11 Herodes doet Davids graf openen om \'er geld uyc
te haaien , en wordt van Gód geftraft. Tweedragc
en onluft in zyn huys. Zyne wreedheden veroor-
zaakt door zyn mistrouwen en de quaadaardigheyd
van Antipater. Hy doet zynen zoon Alexander in dc
gevangenis zetten. ^ p j
12 Archelaüs Koning van Kappadocië verzoent zynen ^
fchoonzoon Alexander weder met Herodes zynen^
vader.
13 Herodes gaat eenen oorlóg aan tegen de Arabiërs
omdat zy de Trachonitifche roovers befcherm-
. 35^8
14 Sylleus wil mets van \'r gene Auguftus Landvoog-
den bevolen hadden naakomen , maar gaat na Ro-
me. Herodes vak gewapenderhand in Arabië , cq
neemt het flótin, waarop de Trachonitifche roovers
zich onthielden. .
15 Sylleus hitft Auguftus 20 tegen Herodes op , dac
hy weygert zyne gezanten te ontvangen , én ook
niet luyfteren wil naar die van Aretas Koning der
Arabiërs, welke gevólgd was op Obodas, dienSyL-
leus door venyn had doeo ombrengen , om meefter
van \'t ryk te worden. Herodes zerjdt een derde ge-
zantfchap aan Auguftug, 3
Her©"
i6 Herodes meer dan ooit vertoornd op zyne zoo-
nen Alexander en Ariftobulus , door de laftermgen
tegen hem ingebragt, doet hen in de gevanpis
zeiten. Auguftus verftaat de boosheyd van Sylleus,
veroordeelt hem ter dood j beveftigt Aretasm tryk
van Arable, heeft berouw over zyne vergramdheyd
op Herodes; en beveelt hem eene vergadermg te
Beryte te beleggen, om zyne
ZEVENTIENDEBOE K.
Merfie hoofdj}. Antipater poogt den dood van den Koning
Herodes zynen vader te verhaaften , om in zyne plaats
te regeeren. Kinderen welke Herodes by zyne ne-
gen vrouwen had. 4^7
^ Van eenen Jood genaamd Zamaris , zynde een zeer
dapper man.
3 t\'Zamenrótting van Antipater , Pheroras, en zyne
huysvrouw tegen Herodes. Salomé geeft\'er hem
kennis van. Hy doet de Pharifeen , die van dien aan-
hang waaren , ombrengen i en poogt Pheroras tot
het verftooten zyner vrouwe te beweegen 5 maar
die kan \'er niet toe befluy ten. 4°^
4 Herodes zendt Antipater na Auguftus met zyne uy-
terfte wille, waardoor hy hem tót zynen naazaat
aanftelt. Sylleus koopt eenen van Herodes lyf-
wacht om , om hem te dooden > maar de toeleg
wordt ontdekt.
De dood van Pheroras Herodes broeder. 410
Herodes ontdekt den toeleg van zynen zoon Anti-
pater , om hem door vergift om, \'t leeven te bren-
gen. ^ 410
7 Antipater weder van Rome in Judéa gekomen
zynde , wordt in tegenwoordigheyd van Varus
Landvoogd van Syrië overtuygd dat hy den Koning
zynen vader had willen vergeeven. Herodes doet
hem in de gevangenis zetten, en fchryft daarover aan
Auguftus. 411
De goude ai\'cnd, dien Herodes boven de poort
des Tempels had doen zetten, afgerukt Strenge
ftrafFe daarover. Zyne yslyke ziekte , en wreede
bevélen welke hy aan Salomé en haaren man
geeft. 4^^
Auguftus ftelt het aan Herodes om met Antipater te
handelen zo als hy wil. Herodes door felle pynen
aangetaft wil zich dooden : Achïab één zyner kinds-
kinderen , belét het hem : het gerucht loopt dat hy
ïefturven was. Antipater poogc te vergeefs zynen
bewaarder om te koopen. Herodes dit verftaan heb-
sendedoet hem dooden. 418
. Herodes verandert zyn teftament , en verklaart
Archelaüs tót zynen naazaat. Hy fterft vyf dagen
na Antipater. Archelaüs vereert Herodes met een
prachtige lykftaatfi. Groote toejuyghingen des vólks
ter eere van Archelaüs. 4\' 9
II Eenige Jooden die wraak begeerden over een
dood van Judas, Matthias, en andere , welke He-
rodes had doen verbranden, om het afrukken van
<3en gouden arend boven de poort des Tempels,
verwekken eenen oproer, in welken drieduyzend
van hen omeebragt worden. Archelaüs trekt na
Rome om zich in \'t ryk door Auguftus te laaten
beveftigen 5 en Antipas zyn broeder , die ook na
de kroon ftondt, gaat \'er desgelyks: hunne zaak
wordt voor Auguftus bepleyt. . 4^®
Groote opftand in Judéa terwyl Archelaüs te R^o-
me was. Varus Landvoogd van Syrie dempt de-
zelve. Füippus Archelaüs broeder gaat ook na Ro-
me , op hoope van een gedeelte van \'t ryk te ver-
krygen. De Jooden zenden gezanten aan Auguftus,
om van hem te verzoeken dat hy hen van \'t ge-
hoorzaamen der Koningen wilde ontflaan , en met
Syrië vereenigen : voorts fpreeken zy ^^^ naadeel
Van Archelaüs en Herodei 3
zoonen
^^ ^^ ______ _____^ waarover
hy\'op nieuwsl?gïn hem geklaagd had , terecht
te feilen. ^ \' ^ ^ .f^
17 Herodes klaagt zyne zoonen Alexander en Arilto-
bulus in een groote vergadering te Beryte aan, doet
hen veroordelen, en ombrengen. 4^4
8
10
A G H T i E N D E BOEK.
EerÃe hoofdÃ. Judas en Sadok neemen ter oorzaake van de
opfchryving in Judéa gelegenheyd om een vierde fek-
te in te voeren , en verwekken eenen zwaaren m-
landfchen oorlóg. , 4^9
j Van de vier fekten die\'er onder de Jooden waaf
ren. , 4^9
3 Dood van Salomé Herodes zufier , en van Augu-
ftus die van Tiberius in \'t ryk gevólgd wordt. He^
rodes de Viervórft fticht ter eere van Tiberius de ftad
Tiberias. Beroerte onder de Part^hen en in Arme-
nië. Beroerten in "tryk van Komagene. Germani-
kus wordt van Rome na \'c Collen gezonden , oni
aldaar het gezag van \'t Keyzerryk te veftigen , en
wordt door Pifo ver geeven. 430
^ De Jooden toonen zich zo misnoegd op Pilatus 5
omdat hy vaandels met \'s Keyzers bceldtenis in-
gevoerd had , dat hyze laat wegbrengen. Kortver-
haal wegens fefta Chriflus. Gruuwelyke moedwil
door de Priefters der godinne Ifis aan eene Room-
fche juiFrouw gepleegd : ftrafFe door Tiberius daar-
over gedaan. 43^
5- Tiberius verdryftde Jooden uyt Rome. Pilatus ftraft
de Samaritaanen die in de wapenen gekomen waaren.
Zy befchuldigen hem by Vitellius Landvoogd van
Syrië , die hem noodzaakt na Rome te gaan ora
zich te verantw^oordcn. 43 3
6 Vitellius geeft de bewaaring van het Hoogepriefter-
lyk gewaad weder aan de Jooden over. Hy handelt
uyt den naam van Tiberius met Artabanus Koning
der Parthen. De oorzaak van zynen haat jegens
Herodes denYiervórft. Filippus Viervórft van Tracho-
nitis, Gaulanitis , enBathanéaj fterft zonder kinderen
zyne landen worden met Syrië vereenigd. 434
7 Oorlog tuflchen Aretas Koning van Petra , en He-
rodes den Viervórft, die met zyne dóchter getrouwd
zynde haar wilde verftooten , om met Herodias
dóchter van Ariftobulus, en huysvrouw van zynen
broeder Herodes te trouwen. Het heir van Hero-
des verflagen , \'t welke de Jooden toefchreeven aars
zyne gevangenzetting van Joannes den Dooper. Af-
komelingen van Herodes den Grooten, ^^^
8 Door welke toevallen Agrippa toegenaamd de Groo-
te , zoon van Ariftobulus , en zoons zoon van He-
rodes en Mariamne , tót Koning der Jooden aange->
fteld wierdt door den Keyzer Kajus Kaligula. 437
9 Herodias gemaal in van den Viervórft Herodes , de
zufter van den Koning Agrippa , niet konnende de
voorfpoed haars broeders infchikken, dwingt haaren
man na Rome te gaan, om ook eene laoon te verzoe-
ken ; maar Agrippa tegen hem aan den Keyzer Ka-
jus gefchrceven hebbende , zendt die hem met zyn
gemaalin na U^^f i" ballingfchap. ,, , . ^ 44z
Twift tuflchen de Jooden en Grieken van Alexan-
10
drie; zy^o^i^ eene bezending aan den Keyzer Kajus 5
zynde F^üo het hoofd van het gezantfchap der joo-
den._ : . _ 443;
11 Kajus beveelt Petronius den Landvoogd van Syric
de Jooden door de wapenen te dwingen dat zy zyn
b\'eeld in den Tempel ontvangen : Maar Petronius
door hunne gebeden bewoogen fchryft voor hen aan
den Keyzer. ^ 443;
12 Twee Jooden , Afineus en Anileus, gebroeders J
en van geringen ftaat , maaken zich zo magtig by
die van Babilonië , dat zy den Parthen werk gee-
ven. Hun bedryfj en dood, Dè Grieken en Synërs
in de Joodfche Bifi&rl vefvat.
13 Auguftus bekrachtigt het Teflament van Herodes"5
en fchenkt aan zyne kinderen \'t gene hem zelveii
gemaakt was.
14 Een bedrieger geeft zich uyt voor Alexander , zoon
van Herodes. Auguftus ontdekt zyn bedróg , en
zendt hem na de galeyen. 4^7
IJ Archelaüs trouwt met Glafyra weduwe van zyneti
broeder Alexander. Auguftus verzendt hem , op de
klagten der Jooden , na Vienne in Gallic in balling-
fchap , en vereenigt de landen die hy bezat met Syrië.
Glaiyrasdood.
Tafel der Kapittelen in ü
in Selcucie woonende, fpanncn tegen dc Jooden aan,
en brengen \'er vyftigduyzend van om , wanneer zy
niets mistrouwden. ^^^
NEGENTIENDE BOEK.
JEerJ^e hoofdfi. Wreedheden en zótternyen van den Kcy-
zerKajusKaligula. Verfcheydene tzamenzweeringen
tegen hem. Chereas van andere gehülpen, brengt hem
om \'t keven. De Duytfche lyfwacht van dien Vórft
doodt eenige Raadshceren. Dc Raad doemt zyne
gedachtenis. 45-0
2 Het krygsvólk is in ovcrkg 0111 aan Klaudius, oom
van Kajus, het Ryk op te draagen, Vertoog van
Saturnious in den Raad voor de vryheyd. Chereas
zendt iemand om Ca^fonia, gemaalin van Kajus, cn
zyne dóchter te dooden. Goede en quaade hoedaa-
Migheden van Kajus. \'t Krygsvólk befluyt Klaudius
Keyzer te maakcn » en brengt hem na \'t leger. De
Raad zendt aan hem om te verzoeken dat hy die
Waardigheyd niet aenneeme. ^jg
3 De Koning Agrippa flerkt Klaudius in het befluyt
om het Keyzerryk aan te neemen. Het krygsvólk
dat het met den Raad gehouden had verlaat hen,
cn voegt zich by de genen die den eed aan Klaudius
afgelegd hadden , hoewel Chereas zulks poogde te
beletten. Aldus blyft Klaudius meefter , en doemt
Chereas ter dood , die denzelven met een groote
ilandvaftigheyd lydt. En Sabinus één der voornaam-
Iteeedverwanten doodt zich zeiven.
4 De Keyzer Klaudius beveftigt Agrippa in zyn Koning-
ryk en voegt \'er Judéa en Samarië by. Hy geeft het ryk
van Chalcis aan Herodes Agrippas broeder: en begun-
ftigt de Jooden door opentlyke bevélfchriften.
5 De Koning Agrippa gaat na zyn Ryk , en brengt de
iïetting, die een teken zyner gevangenifle was, inden
1 empel te Jerufalem. Hy verzórgt het Hoogeprie-
fterfchap , en kan de moedwil der Doriten , die een
beeld des Keyzers in de Synagoge der Jooden op-
gerecht hadden, nietverdraagen.
6 Brief van Petroniiis Landvoogd ran Syrië aan die van
Doïis , omdat zy \'t beeld des Keyzers in de Syna-
goge der Jooden gezet hadden. De Koning Agrippa
geeft het Hoogeprieiterfchap aan Matthias. Marfiis
wordt Landvoogd van Syrië. 450-
7 De Groote onvoorzigtigheyd van Silas Agrippas
Veldheer beweegt dien Vórllom hem te doen gevan-
gen zetten. Hy verfterkt Jerufalem 5 maar de Keyzer
Klaudius verbiedt hem daarmee voort te vaaren. Zyne
trefFelykehoedaanigheden , en prachtige gebouwen.
Oorzaak zyner afkeerigheyd van Marfus Landvoogd
van Syrië. Hy geeft het Hoogepriefterfchap aan Eho-
neus. Hy fterft op een yflyke wyze. Laat zynen zoon
Agrippa tót naazaat, nevens zyne drie dóchters.
Schrikkelyke ondankbaarheyd van die vanCefareaen
Sebafte jegens zyne gedachteniflè. De Keyzer Klau-
dius zendt Fadus tót Landvoogd na Judéa ter oorzaake
van Agrippas jongheyd. ^^^
TWINTIGSTE BOEK.
hoofdfi. De Keyzer Klaudius beneemt Marfus de
LandvoogdyyauSyrië,engeeftzeaanLonginus.Fadus
Landvoogd vanjudéa doet de oproej-igen,ea de roovers
8
Joodfche Hifiori vervat.
- die\'t ganfche land beroerden, ftraffèn , en beveelr
den Jooden het HoogepriefterJyk gewaad weder m
de veftmg Antonia te brengen. Maar de Keyzer op
c verzoek van den jongen Agrippa, die toen te Ro-
me was, ftaat hen de bewaaring daarvan toe. A^n
z Ifates Koning der Adiabeners en zyne Moeder Hek-
na bcgeeven zich tót het Joodendom. Hunne oód-
vruchrigheyd en de groote daaden van dien \\ódi
welke van Gód befchermd wordt. Fadus Landvoogd
van Judéa ftraft eenen bedrieger des vólks, en dk vaa
Zynen aanhang. .
3 Tiberius Alexander vólgt Fadus in de Landvooedy
van Judéa ; cn Alexander wordt van KumanusV-
vóigd. Dood van Herodes Koning van Chakisj
ne kinderen. De Keyzer Klaudius geeft zyn Vór-
ftendom aan Agrippa.
4 Schrikkelyke baldaadigheyd van eenen fóldaat de^
Roomfche beoden veroorzaakt tejerufakm dendood
van twintigduyzcnd Jooden. Andere moedwil eens
fóldaats,
5 Groote twift tuflchen de Jooden van Galiléa en dc
bamaruaanen die Kumanus den Landvoogd van Judc.t
omkoopen. Quadratus Landvoogd van Syrië zend c
hem met Ananias den Hoogenpriefter , en veele
andere, na Rome, om zich voor den Keyzer te ver-
antwoorden ; en doet eenige om \'t keven brengen
De Keyzer veroordeelt de Samaritaanen i vcrzendc
Kuraanus in baliingfchap , en voorziet Felix met de
landvoogdy van Judéa : voorts geeft by aan
Agrippa het Viervórftendom \'e welk Fiiippus beze-
ten had, nevens Bathanéa, Trachonitis, cn Abila,
en beneemt hem Chalcis. Huuwelyk van Agrippas
zufters. Dood van den Keyzer Klaudius. Nerovólgc
hem in de regeeringe. Hy geeft het kkyn Armenia
^n Ariftobulus, zoon van Herodes Koning van
Chalcis , en aan Agrippa een gedeelte van Galiléa ^
liberias, Tarichea, en Julias.
> Felix Landvoogd van Judéa doet den Hoogenprie-
fter Jonathas vermoorden 3 en zyne moordenaars
begaan nóg andere moorden in den Tempel. Roo-
vers en valfche Profeeten geftraft. Groot krakkeel
tuflchen de Jooden en de andere inwooners van Ce-
farea. De Koning Agrippa ftek Ifmaël tot Hoogen-«
priefter aan. Geweldpleegingen der Overpriefte-
Feftus vólgt Felix in de Land voogdymjudea. De
jnwooners van Cefarea verwerven van den Keyzee
Nero dat het burgerrecht den Jooden dier ftad ont-
nomen wordt. De Koning Agrippa doet een ver-
trek bouwen , alwaar men alles kon zien wat \'er
ontrent den Tempel gefchiedde. Die van Jerufalem
maaken eenen hoogpn luuui uui zulks ic beletten 47S
Albinus
volgt Feftus in de Landvoogdy van Judéa
en de Koning Agrippa begeeft het Hoogepriefter-
ampt verfcheydenmaal. Ananus de Hoogepriefter
doet den Apoftel Jakobus ombrengen. Agrippa ver-
ciert de ftad Cefarea Filippi, cn nocmtze Neronias.
Gunften den Leyiten toegeftaan. Volgreeks der
Hoogepriefteren van Aaron af. 4,79
Florus volgt Albinus in de landvoogdy van Judéa,
en zyne gierigheyd en wreedheyd zyn oorzaak van
f^ ^cEynde
:it I
tafel
D E R
hoofd s t u k k e n
I N 0 E
HISTORI VAN DEN OORLOG DER
joodentegen de romeynen
V E R V A T.
EERSTE BOEK.
Eerfie hoofdfi. Antiochus Epifanes Koning van Syrië ver-
meeftert Jerufalem, en vernietigt de Godsdienft. Mat-
thias Machabéus en zyne zoonen overwinnen de Syriers.
Dood van Judas Machabéus Vórft der jooden , en van
Joannes , beyde zoonen van Matthias , die lang te voore
gelturven was. 511
Jonathas en Simon Machabéus vólgen hunnen broeder Ju-
nac tn rlf> J ____ Tr^^n.«« ___ci
Hyr-
das
mon ^ _____________________ ^^^
zynen fchoonzoon Ptoloméus verraaderlyk gedood,
^nus één zyne^ zoonen vólgt hem in \'t bewind. 512
$ JJe dood van Hyrkanus. Ariftobulus zyn oudfte zoon
neemt den Koninglyken tytel aan: doet zyne moeder en
zynen broeder Antigonus ombrengen, en fterft zelf van
hartzeer. Alexander één Zyner broederen vólgt hem in de
regecring. Zwaare oOrlogen, zo binnen als buytenlandfche
door dien Vórft gevoerd. Zyn wreed bedryf. 514
^ Verfcheydene oorlógen gevoerd door Alexander Koning
" Jooden. . Zyn dood. Hy laat twee zoonen Hyrkanus
en Ariftobulus naa, hebbende de Koningin Alexandra zyne
gemalin tót Ryksvoogdelfe aangefteld. Zy geeft den Pha-
rifeen al te veel gezags. Ariftobulus ontweldigt zynen
oudften broeder Hyrkanus het ryk. 510
â 5 Antipater beweegt Aretas Koning der Arabiërs om Hyr-
kanus by te ftaan en in zyn ryk te herftellen. Aretas ver-
flaat Ariftobulus in een gevecht, en belegert Jerufalem.
Skaurus Roomfch Veldheer door Ariftobulus op zyne zyde
gewonnen, noodzaakt hem \'tbelég op te breeken, en Arifto-
bulus behaair een groot voordeel op - de Arabiërs. Hyrka-
nus en Ariftobulus handelt met hem, maar dewyl hy zyne
beloften niet kon naakomen, houdt Pompejus hem gevan-
gen, belegert Jerufalem, en voert Ariftobulus met zyne
kinderen gevangklyk na Rome. Akxander de oudfte zy-
ner zoonen ontkomt het onderwege. I17
6 Alexander zoon van Ariftobulus verzamelt vólk in Judéa,
maar wordt door Gabinius Roomfch Veldheer verflagen.
Ariftobulus ontvlugt uyt Rome. Gabinius beoorlogt E-
gipte.\' Alexander brengt een groote krygsmagt byeen.
Gabinius weder gekomen zynde, levert hemvftag, en blyft
overwinnaar. Kraffus vólgt Gabinius in \'de Lcndvoogdy
van Syrië, plondert den Tempel, en word^ door de Par-
then verflagen. KaiTms komt in Judéa. Antipaters vrou-
wen en kinderen.
7 Csfar zich meefter van Rome gemaakt hebbende, ftek
Ariftobulus in vryheyd, en zendt hem na Syrië. Hy
wordt door de aanhangers van Pompejus vergeven j en
â in de hoedaanigheyd van Vórften der Jooden ; en"Si-
)n verloft Judéa van de Macedoniërs. fîy wordt door
Pompejus laat Alexander zynen zoon onthoofden. Naa
. Pompejus dood bewyft Antipater aan Cagfar groote dienften,
die hem daarop met groote eere vergeldt. 521
8 Antigoiius Ariftobulus zoon klaagt over Hyrkanus en An-
tipater by Caefar, die in plaats van \'er naar te luyfteren, hec
Hoogepriefterfchap aan Hyrkanus , en de- regeering van
Judéa aan Antipater geeft, die daarnaa te wege brengt dat- de
beftiering van Jerufalem aan Zynen oudften zoon Phafaël,
en die van Galiléa aan Herodes zynen tweeden zoon gegee-
ven wordt. Herodes doet veele roovers met de dood ftraf-
fen ; en moet deswege voor \'t Gerecht verfchynen om zich
te verantwoorden; dóch toen hy op \'t punt ftondt van ver-
oordeeld te worden, maakt hy zich wegj en komt \'om
Jerufalem te belegeren; maar wordt door Antipater-en Pha-
faël daarin verhindert. ^^^
p Csfar word door Brutus en KaGTiUs op \'t Kapitolium ver-
moord. Kaffius komt in Syrië, en Herodes komt by hem
in gunft. Malichus doet Antipater , die hem zyn ke-
ven geréd had, door vergift ombrengen. Herodes wreekt
Zulks, doende Malichus door de Roomfche Bevelhebbers
dooden.
10 Fehx, dk over \'t Roomfch krygsvólk geboodt, grypt
Phafaël te Jerufalem aan, maar wordt afgekeerd. Herodes
verflaat Antigonus Ariftobulus zoon, en verlooft zich met
Mariamne, Hy verkygt de vrindfchap van Antonius, die
de Afgezondenen van Jerufalem , welke over, hem en zy-
nen broeder Phafaël komen klaagen , zeer, quaalyk bgC
. S2<
11 Antigonus door de Parthen bygeftaan, belegert Phafaël en
Herodes te vergeefs in \'t Paleys van Jerufalem. Hyrkanus
en Phafaël laaten zich bepraatén dat zy na Barzafames Vdd-
heer der Parthen gaan, die hen gevangen houdt; en andere
na Jerufalem zendt om Herodes te vatten, welke \'s nachts
doorgaat; en Onderwege aangerand wordt, dóch kr zich
doorftaat. Phafaël doodt zichzelven. Ondankbaarheyd van
den Koning der Arabers jegens Herodes, die na Rome
gaat, alwaar hy tot IS^omng van Judéa verklaard wordt.
iz Antigonus faekgert de fterkte Malfada. Herodes van Rof
me te rug komende doet het belég opbreeken, en bekeert
Jerufdemte.vergeefs. Hy verflaat een groote menigte van
Roovers m een gevecht. Zyne lift om de genen die ia de
holen geweeken waaren te dwingen. Hy gaat met eeniee
troepen na Antonius dk de Parthen beoorlogt 529
.15 Jo^hüs Herodes broeder in een gevecht gedood, en zyn
hoofd door Antigonus afgehouwen. Herodes wreekt dien
dood. Hy ontkomt twee groote gevaaren. Hy belegert
Jerufalem,, wordende door ^ Sofms met een Roomfch heir
* * hjge-
bygeftaan^ en hy trouwt onder dat belég toet Mariamne.
Hy neemt Jerufalem in, en laat de plondering afkoop en,
Sofius voert Antigonus gevangen na Antonius , die hem
laat onthoofden. Kleopatra veÃrygt van Antonius cên ge-
deelte der landen van Judéa, werwaards zy zich begeeft,
en aldaar prachtig door Herodes ontvangen wordt. 551
;i4 Herodes wil Antomm tegen Auguftus te hulpe komen^^
maar Kleopatra brenjgt te wege dat hy dê Arabiers gaat
beoorlogen. Hy wïodt eenen veldflag tegen hen , mssr
verlieft eenen anderen. Zwaare aärdbeeving in Judéa maakt
hen 20 ftout dat zy de Gezanten der Jooden doodeo. He-
rodes ziende de zyne vertzaagd, fpreekt hen zulkenmoed
in , dat zy de Arabiers overwinnen > en hen dwingen
hem tót hunnen Schutsheer aan te neenien. 534
5 Antonius door Auguftus in den ^ag by Aktiuin over-
wonnen zynde, gaat Herodes na Aii^uftus , en fpreekt
hem 20 grootmoediglyk aan, dat hy \'er zyne vrindfchap
door wint , en hem dairnaä Zo trefrelyk in zyn land ont-
vangt, dat Auguftus zyn Koningryk daarom vergroot. 5 5 (J
2(5 Zeer veele prachtige gebouwen door Herodes geflieht,
20 binnen als buyten zyn ryk , waaronder het herbouwen
Van den Tempel te Jerufalem en de ftad Cefarea* Zyne
uytfteekende mildheyd. Zyne begaafdheden van de na-
tuur en van\'t geluk. 557
17 Door welke verfcheydene beweegingen van ftaatzucht ,
jaloezy , en wantrouw de Koning Herodes de Groote,
overftemd door de raadflagen en lafteringen van Antipater,
Pheroras , en Salome » den Hoogenpriefter Hyrkanus,
wien het ryk van Judéa toebehoorde , Ariftobulus Ma-
riamnes broeder , zyne gemaalin Mariamne, en haare zoo-
nen Alexander en Ariftobulus deed ombrengen. 539
lö Antipater van ieder gehaat. Herodes betuygt groote
zórg voor de kinderen van Alexander en Ariftobulüs te
willen draagen : huuwelykén tót dien eynde door hem
Vöorgefteld. Zyn kinderen by negen vróuwen behalve die
welke hy by Mariamne geteeld had. Antipater doet hem
van voorneemen ontrent die huuwelylcen veranderen.
Groote verdeeldheyd in Herodes Hóf. Antipater maakt
idat men hem na Rome Zend , werwaards Silleus zich ook
begeeft,- en men ontdekt zynen toeleg om Herodes \'tle-
ven te beneemen. ^49
[lp Herodes verjaagt zynen broeder Pheroräs väti *t Hóf,
omdat hy zyne gemaalin niet verftooten wilde : waarnaa
hy in zyn Viervórftendom ftérft. Herodes verneemt dat
hy hem op \'t aandringen van Antipater had willen ver-
geeven , en fchrabt daarop uyt zyn Teftament zynen
zoon Herodes, om dat deszelfs moeder Mariamne, dóch-
ter van den Hoogenpriefter Simon , deel aan die tzamen-
2weering had. ^ ^ i
ao Andere bewyzÃn van Antipaters misdaadeti. Hy komt
van Rome weder in Judéa. Herodes befchuldigt hem in
tegenwoordighey^ van Varus Landvoogd van Syrië, en
laat hem gevangen zetten j wordt Zelf ziek, verandert zyn
teftament, en verklaart Archelaüs tót zynen Naazaat in \'t
ryk , omdat de moeder van Antipas, voor wien hy zich
te voore verklaard had > inede in de tzamenzweeringe vän
Antipater gewikkeld was. ^^^
21 De Goude arend, dien Herodes boven dc poort des Tem-
pels had doen zetten , wOrdt afgerukt. Strenge ftraffe
daarover. Yslyke ziekte en quaal van dien Vórft , en
.wreede bevélen welke hy aan Salome en haaren man geeft.
Auguftus ftelt het aan hem bm mét Antipater naar zyn
goedvinden te doen. Zyne pynen toeneemende wil hy
2ichzelven dooden; en verftaande dat Antipater op\'t ge-
rucht van zynen dood zyne wachters poogde om te koopen,
doet hy hem \'t leeven beneemen. Hy verandert zyn tefta-
ment, en verklaart Archelaüs tót zyneii naazäat. Hy fterft
vyf dagen na Antipater. Zyne prachtige lykftaatfi. 5 5 <5
tweede BOEK.
Berfie Hoodfl. Archelaüs den uytvaart van den Koning He-
rodes gevierd hebbende , gaat naa den Tempel , alWaar
hy met groote toejuyghingen ontvangen wordt , en den
vólke hun verzoek toeftaat. ^^^
a Eenige Jooden, die wraak begeerden over dén dood van
fi
Judas Matthias , en andere welke Herodes wegens deri
W, die boven de poort des Tempels afgerukt was,had
doen fterven, verwekken eenen oproer; waardoor Arche-
laüs drieduyzend van hen doet dooden en daarnaa een
reyze na Rome doct.
3 Sabinus Beftierder van Syrië gaat na Jerufalem , om zich
van de fchatten door Herodes naagelaaten , nevens de ves-
tingen, te verzékeren.
4 Antipas één van Herodes zoonen gaat ook na Rome om
Archelaüs \\ ryk te betwiften.
5 Groote beroerte te Jerufalem ontftaan door het quaad be-
leyd van Sabinus terwyl Archelaüs te Rome was.
6 Andere groote beroerten in Judéa geduurende het afwee-
zen van Archelaüs omftaan.
7 Varus Landvoogd van Syrië dempt den cpft^d en beroer-
ten in Judéa. ^
8 De Jooden zenden gizanten aan Auguftus, om te verzoe-
ken dat zy onder geene Koningen mogen ftaan , maaf
met Syrië vereenigd worden. Zy fpreeken tót naadeel van
Archelaüs en den overleeden Herodes.
P Auguftus bekrachtigt de uyterfte wille van Herodes , en
IcheJdt zynen kinderen quyt het gene hem gemaakt was. <<^4
10 Een bedrieger, die zich voor Alexander, zoon van He-
rodes den Grooten uytgaf , wordt door Auguftus op de
galeyefi gebannen. ^-
11 Auguftus verzendt Archelaüs , op de klagten der Tooden
tegen hem, na Vienne in Gallië, en verklaart alle zyne goe-
deren verbeurd. De dood van dePrinféffe Glafyra, Archelaüs
gernaalin, die te voore aan Akxander den Zoon van Herodes
en Mariamne was gehuüwd geweeft. Hunne droomen. 555
11 Judas de Galileer ftelt een vierde fekte onder de jooden
in. Befchryving der andere drie fekten, ifizonderheyd der
Effeners. <65
15 Dood van Salomé züfter van Hef odes den Grooten. Dood
van Auguftus. Tiberius vólgt hem in de regeeringe <58
14 De Jooden zyn zo verftoord dat Pilatus Landvoogd vafi
Judea de vaandels , waarop des Keyzers beeldtenis ftond
in Judéa had doen brengen , dat hyze weer wegzendt
Andere oproer der Jooden door hem geftraft.
15 Tiberius doet Agrippa den zoon van Ariftobulus, zoon
van Herodes den Grooten in de gévaiigenis Zetten , alwaar
hy tót den dood diens Keyzers blyft. ^gg
ï6 De Kyzer Kajus Kaligula geeft aan Agrippa hetV^ier-
vórftendom dat Filippus wel eer gehad had , en ftelt hem
tót Koning aan. Herodes de Viervórft gaat na Rome, om
desgelyks tót Koning verklaard fe worden; maar in plaats
daarvan geeft Kajus zyn Viervórftendom aan Agrippa. 5
17 De Keyzer Kajus Kaligula beveelt aan Petronius Land-
voogd van Syrië , de Jooden door de wapenen te dwin-
gen dat zy zyn beeld in den Tempel ontvangen. Maar Pe-
tronius door hunne bede bewoogen, fchryft aan den Key-
zer t\'hunner begunftiginge, \'t welk hem \'t leeven gekoft
zoud hebben , indien die Vórft niet kort daarnaa geftur-
ven waare.
18 De Keyzer Kajus vermoord zynde wil de Raad het ge-
^g weder aan zich neemen; maar het krygsvólk verklaart
Klaudius tót Keyzer, en de Raad is genoodzaakt daarvoor
te wyken. Klaudius beveftigt den Koning Agrippa in \'t
Ryk van Judéa, voegt \'er nóg andere landen by, en geeft
aan deszelfs broeder Herodes het ryk van Chalcis. 571
ï9 Dood van den Koning Agrippa toegenaamd de Groote.
Zyne af komelingen: Om de jongheyd van zyn zoon A-
gnppa maakt de Keyzer Klaudius Judéa tót een Winge»
weft , waarover hy tót Landvoc^d ftek Kuspius Fadus,
en naa hem Tiberius Alexander.
20 De Keyzer Klaudius geeft aan Agrippa , zoon van den
Koning Agrippa den Grooten, het ryk van Chalcis , *t
welk zyn oóm Herodes te voore bezeten had. De moed-
wil van een Roomfchen fóldaat veroorzaakt te Jerufalem
den dood van een groote menigte van Jooden. Andere bal-
daadigheyd eens fóldaats. ^
zi Groote onluft tulfchen de Jooden van Galiléa en de Sa-
maritaanen , die door Kumanus Landvoogd van Syrië be*
pnftigd worden. Quadratus Landvoogd van Syrië zendt
Jiém iBct veele andere na Rome , om zich voor den
Key-
TA FE L der Hoofdflukken in de Hifiori van den
Oo-rlag dér^^ Jo&deh tégen de Romeinen\' enz. vervat.
Keyzer Klaüfc te rersntwmi:dm,iea doeà eemge fteryen.
Be Keyxer verzend Kumamis in balHngrchap , verzórgt
Fetix met de Landvoogdy van Tüdéa, en geeft aan Agrip-
pa , in plaats van het ryk van Chakis , het Viervorftm-
dom dat Filippus gehad had, nevens andere, landen. Klau-
dius fterft, en wordt van Nero in de regeeringe gevólgd.
.57?
li Schrikkelfke wreedheden en fpoorlooze bedryven van den
Keyzer Nero. Felix Landvoogd van Judéa beoorlógt de
roovers die\'t land verwoeften. ^ 575
23 Eene menigte van moorden te Jerufalem bedreèven door
-Zulke die men S/carü noemde. Roovers en valfche Profee-
ten door Felix Landvoogd van Judéa geftraft. Groote twift
tuflchen de Jooden en andere inwooners van Cefarea. Fef-
tus vólgt Felix in de Landvoogdy van Judéa. 574
24 Albinus vólgt Feftus ia de Landvoogdy van Judéa, en
handelt de Jo^en zeer ftreng. Florus vólgt naa hem, en
maakt het nóg erger. De Grieken van Cefarea winnen hun
geding voor Nero tègeii de Jooden, die in die ftad woo-
nen. 5^5
Groot krakkeel tufFehen de Grieken ea de Jooden van
Cefarea. Zy komen tót de wapenen , en de jooden zyn
genoodzaakt de ftad te ruymen. Florus Landvoogd vaa\'
Judéa, in plaats van hen recht te doen, bejeegent heiv lee-
lyk. De Jooden van Jerufalem worden daardoor zo Ont-
roerd, dat eenige vaa hen fcheldwoorden tegen Florus uyt-
braaken, Hy gaat daarop na Jerufalem , en doet etlyke
Jooden die rnet de hoedaanigheyd vaa Roomfche Ridders
vereerd waaren, geelTclen en kruyfigen, 575
26 De Koniagia Berenice zufter van dea Koning Agrippa,
willende Florus zyiié-wreedheyd ontraaden , loopt zelve
leevensgevaar. 577
17 Florus beveelt de inwooners vaa Jerufalem de Roomfche
troepen , welke hy van Cefarea oatboodt , te gemoet te
gaan , en belaft aan die troepen op de Jooden aan te val-
len , in plaats van hen te groeten. Maar het vólk ftelt
ïich ter weer : en Florus niet\' konnende zyn voorneemsn
van den heyligen fehat \'te plondereri, uytvoeren , begeeft
. zich na Cefarea. 578
a8 Florus klaagt aan Ceftius Landvoogd van Syrië dat de
Jooden oproerig geworden waaren 5 ⢠en zy daarcittegea be-
Tchuldigen Florus by ^kém. Ceftius doet na de waarheyd
der zaaken verneemen. . De Koning Agrippa komt te Je-
rufalem , en vindt\' het vólk geaeegea om de wapenen op
te neemen , zo men hen ten aanzien vaa Florus geen recht
doet. Groot vertoog waardoor hy hen daarvan poogt af
te wenden , houdende- hen voor hoedaanig de magt der
Romeynen: was. â 578
19 Agrippa het vólk door zyrie aanfpraak tót bedaaren ge-
jbragt hebbende, vermaant hen om Florus te gehoorzaamen,
tótdat de\' Keyzei" eenen arideren Landvoogd zoud aange-
fteld hebbea; dóch hierdoor worden zy zo toornig , dat
ze hem met fcheldwoordénter ftad uytjaagen. 5^3
50 De oproerige overrompelen Maffada, brengen de Room-
fche bezetting om den hals : en Eleazar zoon van dcn Prie-
fter Ananias , belét de ófFerandea van vreemden , waar-
onder ook de Keyzer begreepen was, aan te neemen. 583
31 De voornaamfte van Jerufalem poogeade den oproer te
ftillen, zeaden na Florus en den Koning Agrippa om krygs-
vólk. Florus die maar na eea beroerte verlangde , zendt
hea geen ; maar Agrippa fchikt hea drieduyzend matinen
toe. Deeze raaken handgemeen, met de muyters die fter-
ker in getal zynde, hen noodzaaken na \'t Hof te wyken;
en daarop de Kancelery neveas het pakys vaft Agrippa en
Berenicc \'m de braad- fteeken, en \'t Hof belegeren. 5 8 4
Manahem werpt- zich op tót Hoofd der oproengen ;
vervólgt het belég van \'t opper-Hóf, en noodzaakt ^de
belegerden na de koninglyke torens te wyken. Manahe-
mus , die zich als Koning droeg , wordt opentlyk met
de dood geftraft : en die zich tegen hem aangekant had-
den zetten het belég voort; bemagtigen de torens met ver-
drag; houden den RomÃyaen geen woord; en dooden hen
alle uytgsnomen hunnea Qverfte. ⢠⢠j ^ j
53 De inwooners van Cefarea brengen twintigduyzend
Jooden die ia hunne ftad woonden , om \'t leeven. De
andere Jooden om zich daarover te wreeken rechten een
groote verwoefting aan, en de Syriërs niet miader. Jam-
merlyke toeftaad rm Syrië. 5 8.4
54 Schrikkelyk verraad , waardoor die van Scythóoolis der-
tien duyzend Joodea in hüane ftad vermoordden: Dap^
perheyd van r Simon Saulus zoon , en zyn jammerlyke
Qood. 58<J
55 Wreedheden tegen de Tooden in verfcheydene aadére fte-
den, en inzoaderheyd door Varus gepleegd. 5,84
36 De oude iawooners van Alexandrië dooden vyfti gduy-
zend Jooden , die daar van langen tyd af gewoond., en
van Caefar het burgerrecht ontvangen hadden. 588
37 Ceftius Gallus Landvoogd van Syrië komt met eeri groot
heir van Romeynefl ia Judéa , vernielt aldaar veele. plaat-
fen. , en maakt \'er groote verwoeftirjge : maar Jerufalem
genaderd zynde , wordt hy door de jooden genoodzaakt
te wyken. : . 5^9
3 8 De Koning Agrippa 2endt twee van de zyneri aan de
oproerigen , om hen hunaen pligt voor te houden : maar
zy dooden dea éénen-. ea quetfen den anderen , zonder
naar hea te willen luyfterén. Het vólk wraakt dit bedryf.
i 5:90
39 Ceftms belegert den Tempel v^n Jerufalem, ea zoud hem
ingenomen hebben, indien hy niet onbedachtelyk het be-
lég opgebroken hadde, 590
40 De Joodea jaagen Ceftius ia zynen afrógt aaa , dooden
veek van zyn vólk , en noodzaaken hem tó: iift om zich
te reddea. , 591
41 Ceftiüs wyt Florus dea quaaden uytflag van zyaeaftógt.
Die van Damaskus dooden verraaderlyk tienduyzead Joo-
den die in hunae ftad woonden. \'591
42 De Joodea beaoemen Krygsoverften om \'t bewind des
oorlóg tegen de Rompynen op zich te neemen , onder
welke ook was Jofephus de Schryver dcezer tliftorie,
wien zy het beftier vaa opper en neder Galiléa opdraag-;!!.
Sti\'enge tucht en goede bevélen door hem ingevoerd. <; 92-
43 Aanflag tegen Jofephus door Joannes van Giskala > een
zeer qusm meöfch. Groote gevaaren waarin Jofephus ver-
valten hoe hy \'§r zich uyt\'red , noodzaakende [oaiines
zich. hinnen Giskala te houden, waarvan die te wege bréngt
dat de vooraa.amfte van Jerufalem krygsvóïk en vier per-
fooaen van aanzien zenden om Jofephus van zya ampt af
te zetten; Jofephws neemt die afgezoadenen gevangen , en
zendt hen na Jerufalem, alwaar \'t vólk hea wil ombreagen.
Lift van Jofephus om Tiberias , dat tegea hem opgeftaan
was, weer tót gehoorzaamheyd te breagea. 595
44 De Joodea bereydea zich ten oorlóg tegen de Romeynea.
Rooveryea \'en verwoeftingen door Simon Gioräszoon, ^
D E R D E B O E K.
EerÃe haofdÃ. De Keyzer Nero geeft aan Vespafianus het ge-
bied over zyn krygsheir in Syrië om de Jooden te beoor-
logen. 5*97
1 De Jooden willende de ftad Askalon , waario eea Room-
fche bezettiag lag, aantaftea , verliezen in twee gevechten
achtien duyzend mannen nevens Joannes en Silas, twee hun-
ner Overften, terwyVNiger, die de derde was, het won-
dérdaadiglyk ontkomt. _ ^97
5 Vespafiauus komt in Syrië , en de iawooaers van Seforis,
de voornaamfte ftad van Galiléa, die "t met de R.om -ynen,
tegen die. van haare eygen\'landaard, gehouden had, neemen
eenè bezetdag. van hem in. ^
4 Befchryviag van Gaklea, Judéa , en eenige andere omleg-
gende geweften. ^ 598
5 Vespafianus en zya zoon Titus komea te Ptolemaïs met
een heir van zend mannea. 599
6 Van de K/ygstucht der Romeynen. eoo
7 Placidus één der Overftea vaa Vespafiaaus heir wil de ftad
Jotapata aantaft^eti , maar de Jooden hiDodzaakea hem die
onderneeming fchandelyk te verlaaten. - 01
8 Vespafianus trekt zelf in perfoon na Galiléa. Orde van den
optógt van zyn heir. 6oz
"» Het gerucht alleea van Vespafiarius komfté verbaaft de joo-
den zodaaflig > dat Jofephus zich bykans geheel verlaaten
vindende, na Tiberias..wykt. â¢\'-oi
^ z 10 Jo-
50 Jofephus zendt aan de voornaamften van Jerufalem bericht
van den toeftand van zaaken. 602
J1 Vespafianus belegert [otapata waarin Jofephus zich befloo-
ten had. Verfcheydene vergeeffche ftórmen daarop. 605
12 Befchryving van [otapata. VespafianUs doet een groöte
flórfnfchans maaken om de ftad te-beuken : en de Jooden
poogen dat werk te vertraagen. ^05
13 Jofephus doet eenen muur maken die hooger is dan de
ftórmfchans der Romeynen. De belegerden hebben gebrék
van water. Vespafianus wil de ftad uythongeren ; maar
door zékere lift .van Jofephus verandert hy van voorneemen,
en keert weder tót geweld. <^04
14 fofcphus geqn hoope ziende van ]otapata te behouden,
wil vandaar vlugften , maar de wanhoop der inwoonderen
deswege doet, hem blyven. \' Verwoede uytvalleii der be-
legerden. \'
15 De Romeynen beuken den muur der ftad met den ram.
Befchryving van dat ftómituyg. De jooden verbranden de
fl:órmgevaarten en werken der Romeynen. 606
\'I6 Ongemeene dappere daaden van eenige der belegerden in
Jotapata. Vespafianus wordt door eenen pyl gequetft. De Ro-
meynen daardoor verbitterd doen eenen feilen ftórm. 606
\'I7 Zonderlinge uyt werking van \'t gefchut der Romeynen;
zwaare aanval in den nacht. De belegerden vullen de brefle
met eenen onvermoeiden arbeyd. 607
18 Een hevige ftórm op Jotapata, alwaar de Romeynen naa
een vinnige wederftand eyndelyk voet op den muur zetten.
<^07
15) De belegerden begieten de Romeynen met ziedende oli,
en dwingen het ftórmen te ftaaken. 608
ao Vespafianus doet zyne ftórmfchanfen nóg hooger maaken,
en \'er torens op zetten. <^09
21 Trajanus door Vespafianus na Jafa gezonden ,\' welke ftad
vervóigêns door Titus ingenomen wordt. 609
z z Cerealis door Vespafianus tegen de Samaritaanen gezonden
verftaat over de elfduyzend van hen op den berg Gari-
zim. <509
23 Vespafianus door eenen Overlooper van den flaat der bele-
gerden in Jotapata verwittigd , overvalt hen met het krie-
ken van den dag , wanneer zy fchier alle in flaap waaren.
Yslyke moord. Vespafianus doet de ftad vernielen , en de
veftingen in de brand fteeken. 610
24 Jofephus bergt zich in eene fpelonk alwaar hy veertig van
de zyne vindt. Hy wordt ontdekt door eene vrouw. Ves-
pafianus zendt iemand zyner vrinden om hem verzekering
van zyn keven te doen ; waarop hy beftuyt zich over te
geeven. _ 11
2 5 Jofephus zich aan de Romeynen willende overgeeven,
ontmoet een zonderling verwyt van die welke in \'t hól
waaren : zy vermaanen hem om \'t zelfde beftuyt te nee-
men als zy , om zichzelven te dooden : Zyne aanfpraak
aan hen om hen daarvan af te wenden. 611
26 Jofephus niet konnende zyne medgezellen afwenden van
\'t beftuyt dat zy genomen hadden om zichzelven te doo-
den, overreedt hen dat zy\'t lót werpen om\'zich door hun-
ne makkers te laaten dooden , en de hand niet aan zich-
zelven te leggen. Hy blyft alleen met nóg iemand in \'t
leeven, en geeft zich aan de Romeynen over. Hy wordt
by Vespafianus gebragt, en van Titus begunftigd. 613
27 Vespafianus willende Jofephus gevangen aan Nero zenden,
wordt daarvan door Jofephus afgewend , dewyl hy hem
voorzegt dat hy Keyzer zoude worden, en zyn zoon Ti-
tus naa hem. _ \' _ ^14
28 Vespafianus legt een-gedeelte zyner benden in de winter-
légeringe binnen Cefarea en Scythópolis. <^14
De ftad Joppe door de Romeynen ingenomen, en op be-
vél van Vespafianus verdelgd. Een fchrikkelyke ftórm
doet alle de inwooners die in hunne fchepen gevlugt waa-
ren vergaan. 614
50 De valfche tyding dat Jofephus binnen Jotapata gedood
was veroorzaakt te Jerufalem groote droefheid; welke ech-
ter-in haat verandert toen men verftondt dat hy by de Ro-
meynen gevangen, en wel onthaalt wierdt. (Si 5
31 De Koning Agrippa noodigt Vespafianus om met zyn
heir zich in zyn ryk te komen ververfchen: en Vespafianus
beftuyt Tiberias en Tarichéa, welke van dien Vórft af^e->
vallen waaren, weder onder zyne gehoorzaamheyd te bren-
gen. Hy zendt eenen Hoofdman aan die van Tarichéa om
hen daartoe te vermaanen ; Maar Jefus \'t Hoofd der op-
róerigen dwingt hem te vertrekken. 615
3 2 De Voornaamfte inwooners van Tiberias bidden Vespafia-
nus om genade , en hy verleent hen vergiffenis ter belie-
vinqe van den Koning Agrippa. Jefus Tobias zoon vlugt
van Tiberias na Tarichéa. Vespafianus wordt te Tiberias
Ontvangen en belegert daarnaa Tarichéa. 616
3 3 Titus beftuyt met zeshonderd paerden een groot getal van
Jooden, uyt Tarichéa getrokken , aan te taften. Zyne
aanfpraak om de zynen tót een gevecht te moedigen. 6i j
34 Tkus verftaat een groote menigte van jooden , en be-
magtigt daarop Tarichéa. (S17
35 Befchryving van \'t meir van Gennezaret, de vruchtbaar-
heyd der omleggende landsdouwe , ên de oorfpi-ong des
Jordaans.
36 Scheepsftryd waarin Vespafianus op \'t meir Gennezaret
alle de gevlugte uyt Tarichéa verftaat. 61^
\\riERDE BOEK. ~ ,
^erÃe hoofdfi. Steden van Galiléa en Gaulanitis die nóg tegen de
R omeynen waaren. Oorfprong van den kleynen Jordaan. 610
2, Stand en fterkte der ftad Gamala. Vespafianus belegert
het. De Koning willende de belegerden tót de overgaave
vermaanen wordt door eenen fteen gequeft. jq
3 De Romeynen neemen Gamala ftórmenderhand in , en
worden daarnaa gedwongen met groot verlies weder daar-
uyt te wyken. 6zi
4 Ongemeene dapperheyd van Vespafianus in \'t gevaar waar-
in hy zich in Gamala bevondt.
5 Aanfpraak van Vespafianus aan zyn krygsvólk om hen over
den quaaden uytftag van hun beftaan te trooften. 621-
6 Veele Jooden zich op den berg Itaburion verfterkt heb-
bende , worden door Placidus , die van Vespafianus ge-
zonden was, vandaar gedreeven. (jj ^
7 Dè ftad Gamala eyndelyk door de Romeynen ingenomen,
Titus is de eerfte die \'er intrekt. Groote moord aldaar!
<523;
8 Vespafianus zendt zynen zoon Titus om Giskaïa, alwaar
Joannes Leviszoon , uyt die ftad geboortig , het hoofd
der oproerigen was, te belegeren.
p Titus wordt binnen Giskaïa ontvangen, vanwaar Joannes,
naa dat hy hem bedrOogen had , b^y nacht de vlugt had
genomen na Jerufalem.
10 Joannes van Giskaïa te Jerufalem gekomen zynde bedriegt
het vólk , door hen den ftaat der zaaken valfchelyk voor
te ftellen. Verdeeldheyd onder \'de Jooden j en elenden
van Judéa. ^25
11 De Jooden die langs \'t land rooven, komen in Jerufalem,
Hunne fchrikkelyke wreedheden en gódloosheden. De Hoo-
gepriefter Ananus maakt het vólk tegen hen gaande.
12 De Yveraars willen de órde ontrent de keur der Hooge-
priefteren veranderen. Ananus Hoogepriefter , en andere
der voornaamfte Priefteren moedigen \'t vólk tegen hen
aan.
15 Vertoog van den Hoogenpriefter Ananus aan \'t vólk,
waardoor het zo aangemoedigd wordt, dat het beftuyt de
wapenen tegen de Yveraars op te neemen. 6xj
14 Gevecht tuffchen het vólk en de Yveraars » die ge-
dwongen worden den eerften omvang des Tempels tever-
laaten , en na \'t binnen-deel te wyken , alwaar zy door
Ananus belegerd worden. 628
ï 5 Joannes van Giskaïa , die zich gelaat van de party des
vólks te zyn, verraadt hen, en gaat tót de Yveraars over,
welken hy raadt de Idumeërs te hulpe te roepen. <^29
16 De Idumeërs komen de Yveraars te hulpe: Ananus wey-
gert hen den ingang van Jerufalem. Vertoog dat Jefus,
één der Priefleren, tót hen doet van eenen toren; en hun
<^50
antwoord.
IJ De Yveraars in den Tempel belegerd doen onder eenen
zwaaren ftórm eenen uytval , en openen de poorten der
ftad voor de Idumeërs, die de wachten der inwoonderen,
welke den Tempel bezet hielden , verflagen hebbende,
de
TAFEL der Hoofdfl^kken in de HiÃorle vm den
ïS^De Idumeërs laaten niet af hunne wreedheden bintien Je-
rufakm té pleegen, voornaamelyk tegens de Priefters Zy
dooden Ananus den Hoogenpriefter en Jefus eenen anderen
Priefter. Lóf dier twee perfoonen. 654
ip Vervólg van de fchrikkelyke wreedheden door de Idu-
meërs enYveraars binnen Jerufalem gepkegd: ftandvaftrg-
heyd der o-sner die zulks lyden. De Yveraars dooden
⢠g
Zacharias in den Tempel. ,
20 DeJdumeërs verwittigd van de boosheyd der Yveraars
hebben eenen affchrik van .hunne wreedheden, en wyken
weder na hun land; terwyï de Yveraars .hunne wreedheyd
verdubbelen. , 655
De Bevélhebbers der Roomfche Kiygsbenden dringen
Vespafianus om Jerufalem, aan te taften, terwyl de Jooden
onder malkanderen verdeeld waaren. . Zyn wys antwoord,
toonende dat de voorzigtigheyd vereyfchte zulks nóg wat
uyt te ftellen. 6 5
ii Veek Jooden geeven zich aan de Romeynen over om de
woede der Yveraaren te ontgaan. Vervólg van derzelver
wreedheyd en gódloosheyd. , ,,
Toannes van Giskak ftaat na dwingland^, en de Yveraars
fcheuren in twee partyen, van welker eene hy het hoofd
blyft. Ã57
De Moordpriemers maaken zich meefter van \'t kafteel
Malfada, en gaan op vrybuyt. 558
2 5 De ftad Gadara geeft zich vrywillig aan Vespafianus over;
en Placidus door hem uytgezonden tegen de Jooden die ten
platten lande ftroopten, doodt\'er een groot getal van. 558
26 Vindex, ftaat in Gallië tegen den Keyzer Nero op. Ves-
pafianus verfcheydene plaatfen van Judéa en Iduméa ver-
woeft hebbende begeeft zich na Jericho, alwaar hy zonder
\' tegenftand intrekt. 659
27 Befchryving van Jericho; van een zonderlinge fonteyn
daar dicht by, de groöte vruchtbaarheyd van\'t omleggende
land; het meir Asfaltites; en \'t yslyk \'overfchót der ver-
brandinge van Sodoma en Gomorra. \' 040
2 8 Vefpafianus begint Jerufalem , door \'t bezetten der toe-
gangen, te befluyten. <^41
29 De dood der Keyzeren Nero en Galba doet Vespafianus
het belég van Jerufalem opfchorten. 641
30 Simon Gioräs zoon werpt zich op tót Hoofd van een
tróp roovers, en verzamelt een groote magt byeen. De
Yveraars vallen op hem aan, en hy verflaat hen. Hy levert
â den Idumeërs flag, en de overwinning hangt in twyfel.
Hy keert weder tegen hen met grooter magt, en hun gan-
fche heir wordt door de verraadery van een hunner O verften
verftrooid. ^ ^
Jï Van de oudheyd der ftad Chebron in Iduméa. <^45
32 Gruuwelyke verwoefting door Simon in Iduméa aange-
recht. De Yveraars neemen zyne huysvrouw gevangen.
Hy komt met zyn heir tót voor de poorten van Jerufa-
km, alwaar hy zo veele wreedheden en dreygementen ge-
bruykt, dat men genoodzaakt wórdt het aan hem over te
geeven. ^â¢45
3 3 Het heir van Otho door dat van Vitellius overwonnen
zynde doodt hy zkhzelven. Vespafianus trekt met zyn
heir na Jerufalem en neemt onderwege eenige plaatfen in;
terwyl Cerealis, één zyner voornaamfte Krygsbevélheb-
beren, etlyke andere bemagtigt. ^45
34 Simon keert zyne woede tegen de Idumeërs, en vervólgt
de vlugtenden tót voor de poorten van Jerufalem. Yslyke
wreedheden en gruuwelen der Galikers die zich by Joan-
nes van Giskala onthielden. De Idumeérs die ziclx by
. hem vervoegd hadden ftaan tegen hem op, pionderen t
. paleys dat hy ingenomen had, en dwingen hem m den
Tempel te wyken; waarnaa zy en het vólk Simon te hul-
pe roepen, en hem belégeren. <^44
3 5 Wanorde te Rome ontftaan door de vreemde troepen
welke Vitellius daar gebragt had. <^4 5
Vefpafianus door zyn heir tót Keyzer verklaard. ^^45
37 Vefpafianus verzekert zich van Akxandrië en Egipte?
waarvan Tiberius Akxander Landvoogd was. Befchryving
van dat landfchap, en van de haven in Akxandrië. 6^6
38 Groote blydfchap der landfehappen van Alle overde ver-^
kiezinge van Vespafianus tóe Keyzer. Hy ftek Jofephus
op een zeer eerlyke wyze in vryheyd. <?47
39 Vespafianus zendt Mudänus met een heir na Rome. <^48
40 Antonius-Primus-Landvoogd van Moefie trekt ten dienfte
van Vespafianus tegen Vitellius op., Vitellius zendt hem
Ce^inna tegen met dertigduyzend mannen.. Ce^inna over-
reedt zyn. heir óm tót Primus over te gaart : dóch zyn
krygsvólk daarnaa berouw daarvan hebbende .wil hem doo-
den, maar Primus valt \'er op äan, en verflaat hen. <^48
41 Sabinus broeder van V.espafiajms^ neemt het Kapitolium in, .
alwaar het krygsvólk van ^VitelUus hem\' overweldigt, en
hem vervolgens by Vitellius brengt, die hem doet dooden.
Domitianus zoon van Vespafianus ontkomt het. Primus te
Rome komende verflaat het geheel heir van Vitellius, die
zelf daarnaa omgebra8;t wordt. Mutianus komt daar ook »
en brengt alks in ftilftand, zo dat Vespafianus van ieder"
voor Keyzer erkend wordt. <^48
41 Vespafianus ftek te Akxandrië órde op alles, maakt zich
gereed om tegens de lente na Italië te trekken; en. zendt Titus
na Judéa om Jerufalem in te neemen en te verwoeften. ö\'49i
â â .. ..................- "â \' \'â â¢" - â â .. I ...... r I .11 - â « ............., .........1 ....... .. , »III« I, â m.~\\ ,
V Y F D E BOEK.
EerÃe Hoofdfi, Titus verzamelt zyn krygsvólk te Cefarea
om na Jerufalem te trekken. De aanhang van Joannes van
Giskala verdeek zich in twêën ; en Ekazar hoofd van deeze
nkuweparty, neemt het opperdeel des Tempels in. Simon
Gioräs zoon ondertulfchen aan een andere kant van de ftad
meefter zynde, zo waaren\'er op één.en den zelfden tyd drie
partyen te Jerufalem die malkanderen beoorlógden, ö\'49
2 De Schryver beklaagt Jerufalems ongeluk. <^50
3 Hoedaanig de drie partyen binnen Jerufalem malkanderea
beftreeden. Groote menigte van koorn verbrand, waar-
door een hongers-nood ontftaat, welke \'t verhes der ftad
veroorzaakte. ^\'^o
4 Beklaagelyke ftaat van Jerufalem, door de yslyke wreed-
heyd der oproerigen. . 6\'50
5 Joannes gebruykt het hout dat tót den Tempel gefchikt
was, tót het maaken van torens.
^ Titus zyn heir byeen verzameld hebbende, trekt op na
Jerufalem. <?5r
7 Titus gaat Jerufalem befpieden. Sterke uytval op hem ge^
daan ; wordt door zyne dapperheyd uyt het gevaar ge^.
réd.
8 Titus doet zyn heir Jerufalem naderen. 6fi
9 De verfcheydene partyen binnen Jerufalem vereenigen zich
om tegen de Romeynen te ftryden , en doen zulken fter-
ken uytval op de tiende keurbende, dat zy haar uyt haa-
re legerplaats dry ven; maar Tkus te hulpe komende, rédt
haar. . 5
10 Andere uytval der Jooden , waardoor zy, indien het door
Titus dapperheyd niet verhinderd geweeft waare, een ge-
deelte zyner troepen verflagen zouden hebben.
11 Joannes maakt zich door .overrompeling meefter van het
binnenfte gedeeke des Tempels , _\'t welk Ekazar ingeno-
men had; en aldus worden de drk Partyen binnen Jeru-
falem tót twee gebragt. 654
12 Titus doet de grond tót aan de muuren van Jerufalem
effen maaken. De oproerige veynzende als óf zy zich aaq
de Romeynen wilde" overgeeven , wikkekn veek fóldaa-
ten roekelooslyk ià ^^^ gevecht. Titus vergeeft hen dien
misflag : en fchikt de Legerwyken om het belég te be-
ginnen. 1 rt , V
13 Befchryving der ftad Jerufalem.
14 Befchryving des Tempels van Jerufalem. 6*57
15 Van den Hoogenpriefter, en zyne kkedinge; alsmede van
den burg Antonia. (^59
16 Het getal der gener die \'t met Simon en Joannes hiel-
den. De verdeeldheyd der Jooden de oorzaak van Jerufa-
kms Ondergang. 660
Ã7 Titus befchouwt Jerufalem offi te zien waar hy het beft
zal beftórmen. Nikanor één zynervrinden willende de Joo-
den tot vreede vermaanen wordt door eenen pyl geo^uetfl.
# % 3 Ti"?
Oorlóg der Jooden tegen de Romeynen enz, vervat,
éê ganfche ftad vermeefteren, en fchrikkelyke wreedheden
Ml
Titus (ipet dé voor fteden afhreeken; en de zyne beginnen
hunne werken. ö^^o
18 Groot geweld van het fchietg^evaarte der Romeynen: en
wakkere pooging der Jooden om den voortgang hunner
; werken te vertraagen. 66\\
ip Tittis fielt de rammen op de ftórmfchanfen. Groote te-
|;enfland der belegerden. Zy doen eenen verwoeden uyt-
. val tót in \'t leger der Romeinen , en zouden hunne flórm-
; tuygen verbrand hebben , indien Titus door zyne dap-
perheyd het niet belet badde.
Ontfteltenis in \'t-Roomfche leger door den val van ee-
nen toren die Titus op de ftórmfchanfen had doen Oprech-
, ten. Men bémagtigt den eerften muur. (j^i
21 Titus beftórmt den tweeden muur van Jerufalem. Groo-
te dapperheyd der beleggers en der belegerden. 66^
Treffelyke daad van eenen Roomfchen Ridder genaamd
. I^onginus. Roekeloosheyd dér Jooden. Titus zórgdraa-
^ gendheyd voor \'t leeven zyner foldaat^i.
De Romeynen ftooten met hun ftórmtuyg eenen twee-
I den muur om verre. Lift van eenen Jood genoemd Kaf-
tor om Titus te bedriegen.
24 Tittis bémagtigt den tweeden muur en de nieuwe ftad.
De Jooden dryven \'er hem weer uyt : dóch vier dagen
daarna wint hyze weder. 664
Titus om de belegerden te verbaazen monftert zyn . heir
in hun gezigt ; hy maakt daarnaa toeftel om den derden
, muur op twee plaatfen aan te taften t en zendt Jofephus,
den Schryver deezer Hiftorië , om de oproerigen tót
vreede aan te maanen. <£6^5
26: Vertoog van Jofephus aan de belegerde Jooden om hen
, tót overgave te vermaanen. De oproerige worden \'er niet
door bewoogen ; maar het vólk neemt het zo ter harte,
dat veele tot de Romeynen komen overloopen. Joannes
en Simon ftellen wacht aan de poorten om zulks te belet-
ten. <5^5
Schrikkelyke hongersnood binnen Jerufalem j cn yslyke
wreedheyd der oproerigen. . 66p
?8 Veele der vlugtende uyt de ftad zich tegen de Romey-
nen ter weer ftellende worden gevangen, en in \'t aanzien
van die van binnen gekruyfigd, \'t welk de oproerigen nóg
baldaadiger maakt. gyo
2p Antiochus zoon des Konings van Komagene > die in \'t
Roomfche heir over eene bende jonge Macedonicrs ge-
boodt, gaat roekelooslyk ten ftórm, en wordt met groot
verlies afgcftagen. 671
50 Joannes vernielt door eene myn de ftórmfchans der Ro-
meynen, en Simon fteekt de rammen, waarmeê de muur
welke hy befchermde gebeukt wierdt in de brand : en
bevecht de Romeynen in hun leger. Titus komt hen te
hulpe, en dry ft de Jooden op de vlugt. gy i
51 Titus doet Jerufalem met eenen muur, die in drie dagen
gemaakt wordt, rondom befluyten. 672,
3 2 Yslyke elende binnen Jerufalem , en onbuygelyke hard-
, nekkigheyd der oproerigen. Titus doet vier nieuwe ftórm-
fchanftn maaken. _ <575
3 5 Simon doet den Priefter Matthias , door wiens toedoen
hy binnen Jerufalem ontvangen was , op een valfche aan-
klagte fterven. Zyne fchrikkelyke onmenfchelykheden.
Hy doet nóg zeventien andere perfoonen van aanzien om-
brengen, en de moeder van Jofephus, den fchryver deezer
. Hiftorië, gevangen zetten. 674
54 Judas, die \'t gebied op éépen van de torens der ftadhad,
, wil die aan de Romeynen overleveren: dóch Simon zulks
ontdekkende doet hem dooden. 674
55 Jofephus het vólk vermaanende den Romeynen getrouw
te blyven wordt door \'t werpen van eenen fleen befcha-
. digd; en te Jerufalem gemeend dat hy dood was , alhoe-
, wel zulks naderhand bleek onwaar te zyn. 675
36 Schrikkelyke wreedh?yd der Arabiërs en Syriers in \'t
heir van Titus, en zelfs van eenige der Romeynen , die
den Jooden uyt Jerufalem gevlugt , den buyk opfnyden
cm na ingeflokt goud te zoeken. Dóch Titus verfoeit dit
bedryf.
Tempelroof door Joannes begaan. ^yg
: \'j
Z E S D E â B O E K.
EerÃe hocfdfl. Schrikkelyke elanden vän Jerufalem , en jami
merlyke verwoefting van \'t omkggende land. ; De Ro-
meynen voltooijen hunne nieuwe ftórmfchanfen binnen
éénentwintig dagen, ^ 6^6
2 Joannes doet eenen uytväl om de nieuwe ftórmwallett in -dt
brand te fteeken; maar wordt met verlies te rug gefïa^en.
De toren, waar onder hy eerie myn gemaakt had, door
de rammen .der Ronieynen geftooten, vak in. ^jy
3 De Romeynen bevinden dat de Jooden achter den geval-
len muur nóg eenen anderen gemaakt hadden. 6yS
4 Aanfpraak van Titus om zyne fóldaaten aan te ffiöedigeti
tót het beklimmen van den rnuur over den puynhoop des
ingeftorten muurs. \' 6jB
5 Ongemeene dapperheyd van eenén Syriër geheeten Sabinusjdie
alleen boven op4en muur klimt, enaldaar gedood wordt. 679
6 De Romeynen vermeefteren den Burg Antonia , en zou-
den den Tempel ook bemagtigd hebben, indien de Jooden
zulks door een hardnekkig gevecht van tien uuren niet be^
lét hadden. gg®
7 Ongemeene dapperheyd van een Roomfqh Hoofdman ge-
naamd ju fiantis.
8 Titus doet de grondveften van het flót Antonia afbree-
ken ; en Jofephus fpreekt op zyn bevél Joannes en de zy-
nen aan om hen tot vrede te beweegen: maarte vergeefs, 681
p Verfcheydene voornaame perfoonen door het vertoog van
Jofephus bewoogen vlugten uyt Jerufalem , en gaan tót
Titus over, die hen gunftiglyk ontvangt. 683,
10 Titus niet kunnende befluyten om den Tempel, waarvan
Joannes en die van zynen aanhang zich als van een kafted
bedienden, te verbranden, fpreekt hen zelf aan , om hen
tót de overgaave te bewegen : maar te vergeefs. gg^
11 Titus geeft bevél op de wacht der Jooden, die den Tem-
pel befchermen, aan te vallen.
I z Aanval op de wacht des Tempels, duurende het gevecht
acht uuren zonder dat men zeggen kon na welke zyde de
Overwinning neygde.
15 Titus doet den burg Antonia afbreeken, endaar op zyne
keurbenden aankomen,die vier ftórmfchanfen oprechten. 685
14 Eenige Roomfche ruyters hunne paerden door achiteloos-
heyd verliezende, wordt zulks van Titus door een ibrenge
ftrafFe belét.
15 De Jooden komen de Romeynen in hun leger bevechten,
en worden niet te rug gedreeven dan ma een bloedig ge-
vecht. Dappere daad vän een Roomfchen ruytar genaamd
Pedanius. ^g^
1 6 De Jooden fteeken zelve de gallery des Tempels aan de
zyde van \'t flót Antonia in den brand. 684
17 Een tweegevecht tuffchen eenen Jood genaamd Jonathas ^
en eenen Roomfchen ruyter geheeten Pudens. eg^
18 De Romeynen zich onbedachtelyk gewikkeld hebbende
in \'t beftórmen van ééne der galleryen des Tempels, welke
de Jooden opzettelyk met hout,zwavel, enz. gevuld had-
den , worden veele van hen verbrand. \' Droefheyd van Ti-
tus omdat hy hen niet te hulpe kon komen. <585
lp Eenige byzonderhedèn in den voorgemelden aanval ge-
beurd. De Romeynen fteeken een andere gallery des Tem-
pels in de brand. <^85
io Gruuwelyke onheylen door het toeneemen van den hon-
gersnood binnen Jerufalem. <?8f
2 ^ Schrikkelyke gefchiedenis eener moeder binnen Jerufalem^
die haar eygen kind doodde , e" opa« ⢠Titus zelf yf| \'er
, van. â¢
2 2 De Romeynen niet konnende den muur des Tempels
breeken , fchogn zy \'er al zes dagen op gerammeyd had-
den, beklimmen hem met ladders, dóch worden metverl
Hes van vólk en vaandels afgeflagen. Titus doet de galle-
ryen in de brand fteeken.
23. Twee van Simons lyfwachten komen tót Titus over. De
Romeynen fteeken de poorten des Tempels in de br^d,
die daarop tot aan de galleryen voortflaat. <^87
24 Titus beraadflaagtófmen den Tempel verdelo\'en óf behoud
den zal: en veele zyn van gevoelen dat men hem behoort te
.verbrandenj maar hy verzét\'zieh daartegen. <^87
2$ De
TAV EL der HoofdÃukken in de Hiflori^van den
ÃQflég iet ie.
à y- Ãe Jooden. doeii zulkén hevjgea üyttdl pp eene waekt tan
: dc belegeraars , dat de Romeynsn^zoadea hebben-moeten
wyken, indien Titüs hen nist tg b;i#e gekomen wgare.
\'nen
^ Ã Y E H Ã) E BOEK;
De oproerige doen wederom eenen liylval De Róme^-
^ nen dryven hen te rag tót aan dett tTempelv ea ^en^^fó
daat fteekt \'er de« brand in: TitnS ,do«!t. al wat hy \'kan om
die te bluffchen ; maar te va-gecfs, Schrikkelyke flagting.
⢠Titus - komt in HeyHgdom j en yeri^ ändert zich qver de
- pracht des Tempels. ^ 588
17 De Tempel in dezelfde maand » eA deri Zeifden dag
vertH-änd , op welken hy voormaals door Nabuchodonofor
: verdelgd was. .^85)
18 Yslyke mOord in den Tempel. Schrikkelyke Q|)ioo.p, i>e
Oproerige dryven de Romeynen te rug,, en wyken in de
ftad. \' ^89
15) Ãenige Priefters begeeven zich bovetit óp den rtuiur des
\' Tempels. De Roitieyneri fteefeen de huyZen rondom in
de brand , en verbranden ook de fchatkamer die vol van
groote kóftelykheden was; <590
30 Een bedrieger die Zich vooreen Profeet uytgaf veróorsiaakt
dat zesduyzend mehfchen in den Tempel oitiquanïen. 690
31 Tekenen en voorzeggingen van onheylen den Jooden Over-
gekomen , waaraan zy geen geloof gaven. 690
51 Titus doe«-het heir totverkkard.
3 5 De Priefters die zich op den muur des Tempels begeeven
hadden worden door honger gedwongen zich over te gee-
vm j naa dat zy vyf dagen aldaar overgebragt hadden; en
Titus doet hen ter dood brengen. 6pi
34 Simon en Joannes tót den uyterften nood gebragt ver-
zoeken met Titus te fpreeken: die hen daarop ftrengeTyk
afinfpreekt. 691
3 5 Titus vertoornd over \'t antwoord der oproerigen, geeft
de ftad aan zyne fóldaaten-ten. roof, en laat. hen toe die te
verbranden: waarop zy\'er de vlam in fteeken. 695
35 De! zoQöen en broeders van den. Koning. iGites geeven zich,
nevens veele andere perfoonen van aanzien aan" Titus óver.\'
37 De oproerigen wyken na\'t paleys> Jaagen\'er de Romey-
nen uyt, pionderen het, en dooderi achtduyzend eh vier-"
honderd menfchen die aldaar gevlugt waaren. 595
38 De Romeynen jaagen de oproerigen uyt de beneden ftad,
fteeken \'er den brand in. Jofephus doet weder alles wat hy
kan om de oproerigen tot reden te brengén, m.aar te ver-
geefs: zo dat zy in hutine wreedheden voortgaan. 594
39 Wat hoope de oproerige nóg over hadden, enhoedaanige
wreedheden zy pleegden. ^94
40 Titus doet ftórmkatten oprechten óm de boven-ftad aan te
taften. De Idumëers zenden eenige om met hem in onder-
jhandelinge te treden. Simon zulks gewaar wordende doet
eenige van hen dooden, terwyl de óverige het ontvlugten.
De Romeynen verkoopen veele van\'t geringe vólk.. Titus
ftaat aan veertigduyzend toe om te gaan werwaards zy wil-
len. ^ <S94
41 Een Priefter en de fchatbewaarder leveren aan Titus veele
kóftelykheden over,die nóg in den Tempel waaren.
42 Naa dat de Romeynen hunne ftórmwallen opgerecht,
met de rammen een ftuk uyt den muur geftooten , m aan
eenige toorens een breuk gemaakt hadden, worden Simon,
Joannes y en de andere oproerige zp bevreesd, dat zy zich
na de torens Hippikos , Fafaëlus , en Mariamne, die niet
dan door uythongeringe te winnen waaren, begeeven. De
\' Romeynen alstoen meefters van de ftad_ zWe, begaan een
fehrikkeiyken moord, en fteeken alles m de brand. «Ty 5
45 Titus Binften de ftad komende verwondert zich voornaa-
melyk over den veftingbouw, en de torens HippiKOS 1 Fa-
faëlus, en Mariamne , welke hy beveelt ongefchonden te
laaten, doende al\'t óverige vernielen.
44 Wat de Romeynen met de gevangenen deedeiï.
45 \'t Getal der Jooden geduurende den óorlóg gevangen
onder \'t beleg gefneuveld.
46 Simon en Joannes, de twee Hoofden der öpröerigen, ge-
vangen. A ^^^
47 Hoe menigmaa^ Jéruralem is ingenomen geweeft en ho:-
lang het geftaan heefé. ^97
, en
6p6
Eerfle hmfdfi. Titüs doet .de ftad Jerüülem tÃt de grond toé
vernielerï , uytgetiortïen een ftuk van den muur, öm tót
Åne legerplaats te dienen, en de drie fterke toreiis. <^97
i Titus ge^ aan het heir zyn- gmoegep te âennen over den
dienft m den oorlog beweezen. ,
S Titt^, piyft ôpenîlyk^die weik^ déftigft gedueeien
hadden, geeft hen à elfbelDoningen.,.,é&rt ófenden,
, en recht gaftmaalçn aan voor zyn.heir.:>:-\\
4 Titus va^ Jerufalem Vertrekkende gaat m Cefà reà ^v-dat
aan de zee legt , en la^t zyne gevangenen en roof à lciaar.
$ De Keyzer, VespafiftnUlii-ekt j terwyl Jerufalem belegerd
was^ . vâo Alexandisë,^^^^ - v ; ^98
6: Titus gaat van Cefarea dat aan de Zee legt, nà Cefârea Fi-
lippi:^ en yèrmaà kt; het-volk\'aldaar met fchöuwfpelén ^ die
aan veele Jooden het\'keven .kóften. â ^98
7 Simon Giorâs Zoon , ^\'n . van de Oteerhoofden der oproe-
ngen gevangen genomen , en tót de Triomf bewaard. <590
8 Titus viert te eeftrèa eri te-Beryte de geboorte-dagen van
zynen broeder en van zynen vader den Keyzer: en geeft
den.YÃlke .fchouwfpelen in welke veele Jooden omgebragt
worden. ^99
9 Zwaar onheyl den^ooden teAntiochië overgekomen door
dehooâieyd van éénea van hen genaamd Antiochus., 700
lö Aankomft van Vespafianus te Rome, en groote bly d-
Tchap vari den Raad\'i het vólk \',- en de krygslieden des-
, , 700
it Een gedeelte van Duytfchland wordt afvallig; döch Pe-
tilius^ Cerèalis en Domitiaan Zoon van Vespafianus 3 maa-
ken\'t weder onderdaanigi j. yoj
tz Schielyke inval der Scyten in Mcefië terftond doOr\'tbe-
⢠leyd van Vespafianus geftuyt. , ^
Vati. de rivier Sabhatikà Sf - - - - â \' - 70X
14 Titus weygert dien van Antlochië de Jooden uyt hunne
,flad teverjaagen^ en, hunne voorrechten te vernietigen 703
ï5^Titto komt weder te Jerufalem , en beklaagt deszelfs
deerlyken toeftand. ^
ï <5 Titus komt te Rome , en wordt daar met ongemeene
vreugde ontvangen. Hy en zyn vader zeegepraalen t\'za-
men. ,\'t Be_gin yan hunne triomf. 702,
17" Vervólg der zeegepraal-ftaatfie van Vespafianus en Titu?^
18 Simqn, één van de; Opperhoofden der oproerigen binnen
. Jerufalem in de zeegeprMl onder de gevangenen omgevoerd
zynde, wordt opentlyk gedood^. Bet "beiïuyt der triomf.
19 Vespafianus ftlcht . den Tempel der Vreede , doet hem
zeer prachtig maaken, en \'er den gouden tafel, kandelaar ^
en andéren roof uyt den Tempel van Jerufalem in brengen.
Dóch de Wet der Jooden , en de yoorhangfels van \'t
Heyligdöm- bewaart hy in zyn paleys. -704
zo Lucilius Baflus, Overfte der Roomfche Krygsbenden in
Judéa, neemt het kafteel Hcrodion met verdrag in en
befluyt iat van Macheron aan te taften. _
De ftand van het ftót Macheron, niet minder fterk door
; de ipti^ur als door konft\' 704
ZZ Van een ongemeen Wynruyt-gewas binnen \'t ftót Ma--
. cheron. : , - 704
Van de zonderlinge kracht der plante Baaras , groeijendé
in éénè der d^len van Macheron. 704
i4 Van eenigé bronnen van byzondere hoedaanigheden. 70 c
25 Balfus belegert Maeheron, en vermeeftert die plaats dooï
een ^onderling geval. ; 7^ ^
z6 Baffus doet drieduyzend Jooden, die:uyt Maclierón ge-
vlugt", én m een bofch geweeken Waaren ^ neérhouwen*
à ? Be Keyzer doet de Ãanderyen van Judéa verkoopen , en
legt alle de Jooden een jaarl^rkfcHe Tchatting van twee
Drachmen op om aan \'t Kapitolium te betaalen. j.oè
â¢28 Cefennius :Petus: tandvöogd va» Syrië befchuldigt An*
tiochus Koning van Komagene dat hy de party der Ro^
* * 4 msy?«-
meynen verlasten heeft , en vervólgt hem daarop t\'on-
recht. Maar Vespafianus handelt hem en zyne zoonen
beleefdelyk. 706
£9 Inval der Alanen in Medië en Armenië. jo6
-30 Sylva, die na BalTus dood het gebied in Judéa had, be-
fluyt Mäffada aan te grypen , alwaar Eleazar hoofd der
moordenaaren gèweeken was. Schrikkelyke wreedheden
door dat gefpuyïï en door Joannes , Simon , en de Idü-
meërs begaan. 7^7
^31; Sylva óhderrteeifit het belég van Malfada. Befchry ving
⢠\' Van den ftarid en dê fterkte dier plaatfe. 708
5\'ï\' Groote menigte van krygs^weer en overvloed van leef-
â \' tógt binnen MalTada opgelegd wat Herodes- den
⢠Grooten daaStoe bewoogen had. â \' â \' 708
3 3 Sylva begint Malfada te beftórmen. De belegerden maa-
ken een tweeden muur, met balken en aarde\' tuflchen bey-
de, welke de Romeynen verbranden, en zich ten ftórmbe-
reyden. \' _ . ; 709
34 Eleazar ziende dat Maffada noodzaakelyk in de magt
der Romeynen zou moeten vervallen , vermaant de zyne
den brand daarin te fteeken, en zichzelven te dooden om
de flaaverny te ontgaan. 709
35 Alle die binnen Maffada waaren door \'t vertoog van E-
leazar gehard , dooden malkanderen met hunne yroü^ö
en kinderen , en die de laatfte overblyft fteekt de plaats
in de brand eer hy zich doodt. . 711
3(5 De Jooden die te Alexandrië woonden ziende dat de\'
Moordpriemers hoe langer hoe ftouter in hunne muytery
worden , léveren deeze die in hun land geweeken waaren
aan de Romeynen over. Groote hardvochtigheyd van dat
vólk in \'t uytftaan van pynen. De Tempel door Onias
in Egipte gefticht , wordt door bevél van Vespafianus ge-
flooten, zonder dat het den Jooden toegelaaten wordt al-
daar Gódsdienft te pléegen. 715
37 Nóg andere Moordpriemers Ontrent Cyrene gevangen;
dóch de meefte dooden zichzelven. 714,
3 8 Schandelyké boosheyd van Katulus Landvoogd van het
Pentapolitaanfche Lybië , die om zich met de goederen
der Jooden te verryken , hen valfchelyk doet befchuldi-
gen, en onder anderen ook Jofephus den Schryver deezer
Hiftorië , door Jonathas Overfte van de moordpriemers,
als óf die hem tót zyn beftaan bewoogen had. Maar Ves-
pafianus de zaak onderzócht hebbende, doet Jonathas lee-
vendig verbranden ; dóch Katulus door hem verfchoond
fterft yslyk. Befluyt deezer Hiftorië. 714
TAFEL der Hoofdflukken in dê BiÃorie van den Oorlog en&.
bladwyzer der hoofdstukken
Van het ANTWOORD van JOSEPHUS op \'t gene
A P
I O N
Tegen zyne Hiftori der Jooden wegens de oudhcYd hunner afkomft gefchreven had,
E E RS t E B Ã EK
Eerfie ^öo/^^. Dat de Griekfche Hiftorifchryvers wegens de
kennis der aloudheyd minft t^\'gelooven zyn , en dat de
Grieken niet dan laat in de letteren en weetenfchappCn zyn
onderweezen. _ - 715
z Dat de Egiptenaars en Babiloniërs altoos zeer zórgvuldig
ontrent het befchryven der Hiftorië geweeft zyn: En dat
niemand zulks naaukeuriger en met meerder waarheyd ge-
daan heeft dan de Jooden. 7i(?
3 Dat zy, die van den oorióg der Jooden tegen de Romey-
nen hebben gefchreeven, uyt henZelven geen kennis daar-
van gehad hebben: en dat Jofephus daar en tegen vólko-
men bericht daaraf had, en getracht heefi: niets dan \'t ge-
ne waar was te verhaalen. 717
4 Antwoord op \'t gene dat men, om te toonen dat de Joód-
fche landaard niét oud is > zegt dat de Griekfche Hiftori-
fchryvers daar niet van fpreeken. \'
5 Getuygeniflen der Egiptenaaren en Feniciërs wegens de
oudheyd des joodfchen vólks. / 718
6 Getuygenis der Chaldeefche Hiftonfchryveren , wegens
de oudheyd des Joodfchen vólks. 7^^
7 Getuygenis der Fenicifche Schryveren > wegens de oud-
heyd des Joodfchen vólks. 722
8 Getuygeniffen van Griekfche Hiftorifchryvers, die msge-
lyks de oudheyd des Joodfchen vólks aamvyzen. 72 2
P Oorzaak van den haat der Egiptenaaren tegen de Jobden.
Bewys dat Manethon , een Egiptifche Schryver , de
waarheyd gezegd heeft ten opzigte van de oudheyd der
â Jooden ; en dat al het ander dat hy tegen hen zegt ver-
dichtfelen zyn. 725
10 Wederlegging van\'t gene Manethon wegens Mofes zegt,7 2 8
ïi Wederlegging van Cheremon , een ander Egiptifch
Schryver. 7^8
12 Wederlegging van eenen anderen Schryver genaamd Ly-
fimachus. . 72^
TWEEDE BOEK.
Eerfie hoofdfi. Antwoord op het gene Apion zeyde dat Mo-
fes een Egiptenaar was , en op \'t gene hy wegens den
uyttógt der Jooden uyt Egipte zegt. 730
2 Antwoord op \'t gene Apion tót naadeel der Jooden noo-
pende de ftad Alexandrië gezegd heeft, alsmede op \'t ge-
ne hy zegt om te^ doen gelooven dat hy vandaar afkomftig
is ; en op zyne verfchooning van de Koningin Kleopatre.
73^
3 Antwoord op \'t zeggen van Apion dat de verfcheyden-
heyd van Gódsdienften oorzaak der ontftaane oproeren te
Alexandrië geweeft was en dat hy de Jooden befchul-
digt dat zy niet, gelyk andere vólken, beelden der Key-
zeren hadden. 7?4
4 Antwoord op \'t gene ^pion uyt het verhaal van Poflido-
nius en Apollonius Molon , zegt, dat de Jooden in hun-
ne gewyde fchatkift een gouden ezelskop hadden ; en
jaarlyks in den Tempel eenen Griek mefteden, om geóf-
ferd te worden ; nevens nóg een ander fprookje van eenen
Friefter van Apollo. 734
5 Antwoord op \'t gene Apion zegx , dat de Jooden zweeren
dat zy den vreemdelingen , en inzonderheyd den Grie-
ken, nooit goed gullen doen: dat hunne wetten niet goed
zyn, omdat zy onder andere ftaan: dat zy geene mannen ge-
had hebben die in konften en weetenfchappen uytmunteden ;
en dat het ongerymd is dat zy geen verkensvleefch eeten
en zich laaten befnyden.
6 Antwoord op \'t gene Lyfimachus,, Apollonius Molon,
en eenige andere tegen Mofes gezegd hebben. Jofephus
toont hoe verre die Wetgeever. al e andere té boven ge-
gaan heeft , en dat nooit eenige andere wetten zo góds-
dienftiglyk zyn onderhouders geweeft dan de zyne. 738
7 Vervólg van \'t voorgaande Hoofdftuk wegens de gevoe-
lens
lens
het onderl^ouden hunner wetten geleeden hebben. 740
è Dat, niets belachlyker is dan die veelvuldigheyd vari de
Goden der Heydenen, welke zy zelve bekennen dat ook
aan groote ondeugden onderhevig zyn. Dat de Poëeten
en Redenaars voornaamelyk dat valfch geloof in de ge-
moederen der menfchen ingeprent hebben : dóch dat de
wysfte onder dé Filofoofen het hebben vefworpeni 745
p Dat de Jooden verpligt zyn hunne wetten boven alle an-
dere te achten ; en dat veeje vólken die hebben goedge-»
keurd j en naagevólgd. 744
10 Befluyt van dit vertoog /^ het welk beveftigt hét gene
tót "voordeel van Mofes, en tót lóf der Joodfche Wetten
gezegd is, .. ; " \' 74$
Oorlóg der jooden tegen de Rómefnen enz. vefvdf.
der Tooden van Góds grootheyd , ^ en wat zy om
tafel der h o o f d s t u k k en
, VAN DEN MA-RTELDÃOD DEH
m a c h a be en
ïnkydhg. Behelzende een vertoog om aan te wyzen dat de
Reden over de driften heerfcht. 747
Eerfle hoofdft. Simon, hoewel een Jood , is oorzaak dat Se-
leukus Nikanor , Koning van Afië , Apollomus Land-
voogd van Syrië en Fenicië , heene zendt. Om de fchat-
ten uyt den Tempel van Jerufalem te haaien. Eenige En-
gelen verfchynen Apollonius, waardoor hy half dood ne-
dervak; dóch wordt op \'t gebéd der Priefteren herfteld.
Antiochus vólgt zynen vader Seleukus in \'t ryk , ftek
Jafon , een gódloos nienfch, tót Hoogenpriefter San en
gebruykt hem om de Jooden tót het verlaaten van hunne
Gódsdienft te dwingen. 748
a De marteldood van den Priefter Eleazar. 749
Dë moeder der Machabeen met haare zoonen wordt voor
Antiochus gebragt. Hy bewoogen door \'t zien deezër ze-
ven broederen, alle zo wel gemaakt van lyf en leden,doet
al wat hy kan om hen tót eeten van verkensvleefch te
overreeden j tót welken eynde hy al het pynigtuyg doet
aanbrengen om hen vervaerd te maaken* Hunrie zonder-
linge grootmoedigheydt. . y^i
5
4 De Marteldood yan denEerften der zeven broederen. 75 a
5 De Marteldood Van den Tweeden der zeven broederen. 7? 2
6 De Marteldood van den Derden der zeven broederen. 7? ?
7 De Marteldood van den Vierden der zeven broederen. j< \\
8 De Marteldood van denVyfden der zeven broedetén. 754
9 De Marteldood van den Zesden der zeven broederen. 754
ló De Marteldood van den laatften der zeven broaderen,. 745
Hoe deeze zeven broeders malkanderen in hun martel^
dom vermaanden. 745 B
De Lóf deezer Zeven broederen.
15 Lóf van de Moeder deezer Martelaarert , en hoe zy hen
in hun voorrieemen om hun ieeven voor de befcherming
Van Góds wet op te zetten, ver fterkte. 7456
14 De Marteldood van de moeder der Machabeen; haar lóf,
en die van haare zeven zoonen, en van Eleazar» 748 B
II
12
tafel der hoofdstukken
VAN \'r GEZANTSCHAP Van
philo aan kaligula
Vborreede, Wegens de verbliiidheyd der nienfchen en de on-
begrypelyke grootheyd Góds. 751 B
Eerfte hoofdft. Hoe gelukkig de eerfte zeven maanden der re-
geeringe van den Keyzer Kajus Kaligula waaren. 752 B
a De Keyzer Kajus nóg maar zeven maanden geregeerd heb-
bende vak in een groote ziekte. Zonderlinge droefheyd
van alle de landfehappen deswege; en hunne groote vreug-
de over zyne wederopkomft. 75^ B
3 De Keyzer K.ajus geeft zich tót allerley ongebondenheden
en gruuwelen over, en noodzaakt, door een fchrikkelyke
ondankbaarheyd en wreedheyd, den jongen Tiberius s zoons-
zoon van den Keyzer Tiberius, zichzelven te dooden. 75 5IB
4 Kajus doet Makro, Overfte der lyfwacht,aan wienhy zyn
leeven en \'t Keyzerryk verfchuldigd was, fterven. 755 B
5 Kajus doet zynen fchoonvader Markus Syllanus ombren-
gen , omdat hy hem goeden raad gaf ; waarnaa deeze
moord nóg van veele andere gevólgd wordt. 75 5
Kajus wil als een halve Gód geëerd zyn.
7 Kajus dwaasheyd vermeerdert zo , dar hy als een God
geëerd wil zyn , en Merkurius , Apollo , en Mars naa-
bootft. .757
8 Kajus wordt vertoornd op de Jooden, omdat zy met, ge-
lyk andere, vólken, hem gódlyke eere willen bewyZen. 75 8
9 De oude inwooners van Alexandrië bedienen zich van Ka-
jus gramfchap tegen de Jooden , om hen alle bedenkelyke
wrakheden en geweld aan te doen. Zy vermelen hunne
meefte bedehuyzen , en rechten \'er de beelden van dierl
Vórft óp i, alhoewel men ten tyde van Auguftus en Tiberius
nooit iers diergelyks beftaan had. Lóf vah AuguftuSi 758
10 Kajus reeds tegen de Jooden van Alexandrië verbitterd
zynde, wordt door eenen Egiptenaar, genaamd Helikon,
die ftaaf geweeft zynde m grootè gunft by hem was, nó®
meer opgehitft. yg^
11 De Jooden van Alexandrië doen eene bezending aan Ka-
jus , om hunne wederwaardigheden aan hem te vertoonen
en Philo is het Hoofd Van dat Gezantfchap. Kajus ont*
vangt hen gunftig zo \'t fcheen ; maar Philo bemerkt wel
dat men zich daarop niet betrouwen mogti 7<5z
II Philo en zyne Amptgenooten verftaan dat Kajus laft ge-
geven had aan Peti^nuis , Landvoogd van Syrië , zyn
beeld in den Tempel van Jerufalem op te rechten. 7^^
13 Groote bekommerdheyd van Petronius ontrent de uyt-
voeringe van l^t bevél doOr Kajus hem gegeeven om zyn
beeld in den Tempel van Jerufakm op te rechten; dewyl
hy de quaade gevolgen daarvan voorzag.
14 Petronius doet aan het beeld werken doch langzaamlykT
Hy poogt te vergeefs de voornaamftè jooden te^beweegeii
dat Zy \'t ontvängen. Alk komen Zy uyt de ftederl en van
t land tot hem orïi hem te bidden dat hy dk bev^ , \'c
Welk hen ondraagelyker was dan de dood, niet wilde uyt^
voeren, maar hen toelaatcn dat zy Gezanten äan den Key-
ier zonden^ yg^
45 Pi-
en
15 Petroiiius door de redenen der Jooden bewoogen ,
achtende dat men hen niet tót \\7anh00p behoorde te bren-
gen , fehryft aan Kajus , öm daardoor tyd te winnen.
Deeze Vórft wordt hierover vertóÃrtïd , mäar ontvtynft
Zulks in zyn antwoord aan Petröfiiusi j66
16 De Koning Agrippa komt te Rome , en uy;t Kajus ey-
gen mond verftaan hebbende dat hy zyn beeld in den
Tempel van Jerufalem wil doen oprechten, valt in zwym;
dóch weder bekomen zynde , fchryfc hy daarover aan
dien Vórft. ^ ^ 7Ã7
Mi
fiiïi!
17 Kajus door Agripp^s: brief bew<»gen , beveelc Petrohius
niets in den Tempel; te Jerufalem te veranderen : maar dit
berouwt hem haaft , zo dat hy te Rome een beeld laac
maaken , om het heymelyk na Jerufalem\' te zenden als hy
na Akxandrië ging:, alwaar hy zich vo(^r eenen Gód wil-
de uytgeeven. Zyne onbillykheden en wreedheden. 771
18 Hoe verwoedelyk Kajus Philo en^ de andere Joodfche Ge-
zanten van Alexandrië bejegent, zonder naar hunne réde-
nen te willen luyfteren. yya,
TAFEL der HoofdÃukhn van^ Thilo enz.
tafel der hoofdstukken
VAN \'T GESCHRIFT VAN
phil o tegen f l a k k u s
I
^erÃe Hoofdfl. Sejanus vyand der Jpoden, Flakkus volgd
hein in dien haat op. Komt in aanzien by den Keyzet Ti-
berius; wordt Landvoogd van Egipte eft \'s Keyzers Ste-
dehouder te Alexandrië. Zyn lóf ên groote bequaamheden.
Hy leyd veel eere met zyne Landvoogdye in. Is echter een
booswicht. Draagd zich wel zo lang Tib^ius leefd, Zyn
rouwe over de dood van Tiberius. Hy is bedugt voor
Kajus. Verlaat zich vruchteloos op den, jongen Tiberius
en Makro. Kajus brengt den jongen Tiberius orn \'t ke-
ven en ontdoet zich van Makro. 775
a Flakkus veranderd zyn wyze van doen. Oorzaak daarvan.
Egiptenaars zyn vän natuur zeer oproerig. Flakkus neemt
zyne vinden tot zyné raadsüeden, die hem het net over\'t
hoofd haaien. Naamen der voomaarafte. Hun aanfpraak. tot
hem, waardoor zy hembeweegenomdejoodentebeleedigen.
Hy geeft hen gehoor > en draagt zich vyandig tegen de
Jooden. 776
\'3 Toeval door \'t welke Flakkus tegen de Jooden verbitterd
word. Agrippa word door Kajus tot Koning^verheeven.
Reyft na zyn Ryk over Alexandrië. Zyn gróoté pracht
cn ftaatfi. Nydigheyd van Flakkus daarover. Booze men-
fchen ftooken hem op. Qjiaade imborft dêr Alê^c^dry-^
ners ; die Agrippa met vuyle woorden in vaersjes hoonen
en befchimpen; \'t geen Flakkus ongeftraft toelaat. 777
4 Karabas, een zót te Alexandrië, zyn Wyze van doen j de
Alexandryners takelèh henü bêlachgelyk als eén Koning toe;
befpótten daar mede Agrippa. Flakkus bedwingt deeze
fpoorloosheden niet. Boos opzet van\'t graaüw tegen de,
Jooden; zy verzoeken aan den Landvoogd dat \'s Keyzers\'
beelden in de Gebedehuyzen der Jooden mogen worden op-
gerecht , \'t geen hy toeftaat. Ongerymdheyd van dié zaak.
778
5 Klagte van Philo over ^t afheemender Gèbedehnyzen. Flak-1
leus beroofd den Jooden van \'t burgerrecht; laat toe dat dc |
vyanden der Jooden hen op allerley wyze vervólgen. Ver-
oöden uyt de geheele
oodeH hüyZen worden
Wreedheden tegens
deeling dér ftadt Alexandtië. De /
ftadt na één hoek gejaagd. Der
beroofd; hunne wiükels geplonder.
de Jooden begaan. Veele fterven Vm honger. Andere
worden op onmenfchêlykê wyzeii gehandeld\'en ter dood
gebracht. \' yy^
.6 Raad^en overheyd der Jooden door Auguftus te Ale^n-
â drië ingefteld. Veele voornaame, lieden dezelve worden
door Flakkus gegeelfeld en vuylaardig behandeld. Byzon-
dere gewwate te Alexandrië omtrent de Burgers óf vreem-
de tt geeflèlen. Kleynagting, den Joodfche Overheden
gedaan.^ Dit alles gefchied qp .de Beeftdagen-vaa\'s ; Key-
zers geboorte. Gunftj gewoonlyk op die Feeftdageaibe-
weezen. Wreedheyd van Flakkus. De Jooden-op den
Schouburg mishandeld. 781
.7 Flakkus zoekt ook de Roomfche bezetting, tegens de Joo-
⢠den op te hitfen. Geeft voqr datze wapenen irt hunne
huyzen verborgen, houden. Laat de hoofdman; Kafl^us m^
> zyne bende daar, huyszoeking naar doen. Hy vind nkts.
: Diergelyke huyszoeking wel meer te Alexandrië gedaan ea
; by welke gekgenheyd. Joodfche vrouwen mishaïiddd.
Raadsbefluyt der Jooden ter eere van den Keyzer. Flakkus
beloofd het te zulkn verzenden, maar houd het by zich^
Zyn quaade toeleg daar mede. Koning Agrippa verzendt
het en befchuldigd Flakkus , die in \'s Keyzers ongenade
vak. ^
8 BafTus door den Keyzer na Alexandrië gezonden; komt
fpoedig over; gaat by den duyfter aan land; hoordt dat
Fkkkus by Stefanio te gaft is; bezet het huys, en neemt
hem gevangen. Vreugde der Jooden daarover. Op wat
jaartyd dit gefchied zy. De Jooden hoopen op een goede
uytkomft hunner zaaken.
9 Flakkus word in de winter na Italië vervoerd; daar geko-
⢠men 2,ynde word hy door Lampron en Ifidorus aange»
klaagd. Befchryving van die twee, hoedaanige fieltea zy
geweeft zyn. Flakkus word veroordeeld ; zyn rykdom.,
koftelyk huyscieraat en keurlykheyd van bedienden. Dit
alles word hem ontnomen, 785
10 Flakkus word in. ballingfchap vervoerd na \'t eyland An^
drus. Daar hy naa veel fukkelens en. wederwaerdigheden
aankomt. Zyn treurigheyd. Hy word aldaar gekaten.
Hoe hy zich gedraagd. Beklaagt zich over zyn voorig
geluk; en laakt zyne vervolging tegen de Jooden. Zyn
ongelukkig leeven aldaar. Wreeden inborft van Kajus.
Geeft iaft om alle de voornaame ballingen om te brengen;
zet Flakkus boven aan op de lyft. Zyn dood en byzon-
derheden daarvan. Befluyt van die werk. 7S7
PRI.
privileg!
D^ Staaten van Holland en Weftv^s^^ t^^^hyà ^ÃSLI^S W^^Ã
WYK, Burger en Boekverkoper te Amfterdam, M befihreve^ Lr Flavius fofi^huH
ter Mortier hadde gekogt,feker ,genaamt ^^ vergunt, benevens den ge^
met het regt van Copie en ^^^^^^^ fo^s uyt^de geih^^^^^ was blyken\'de , en dewyle het fel-
heden meuwen druk ^^^^^^^^^^^ Boek ter fake van de voorfz. Privilegie en regt
ve Privilegie als nu ten eynde was g^ W" wel eenige baatfugtige tnenfcben tot des Suppliams
van Copie tot een extraordmaire prys foo keerie hy Sup^pliant hem tot Ons verfoekende,
tnerkelyke prae udicie ende fchade het ielve moge Komen na te g ^^^^ vernieuwt, voor den tyd van vyvtien
dat het bo\'vengem. Odroy Xc^LTn^^^^^^^ en fonder plaaten\'alleen te morgen druken,
cerftkomende jaaren , omme het voorii. in üe ü^nt goed foude vinden , het felve Boek uyt te geven,
doen drucken, en verkoopen, m foodanigc ^^^^^ Boek in de Nederduytfche taaie na te drucken , doen dmcken ofte
met expres verbod aan allen en een ygeiyK , deele, \'t 2.y onder pretext van vermeerderinge, verbéteringe, andere
uyt te geven in \'t groot ofte klyn, ^" /J^i^l^ook het felve in\'tNederduytfch elders nagedruckt fynde, binnen defen Lande
vertaalinge,verandermgenvan^ verbeurte van alle de nagedruckte , ingebragte, verhandelde , ofF ver-
te brengen, te verhandelen ofte te verKoope , y ^ ^^ overtreders van Onfe Odroyen en Pri-
kogte Ãxemplaren , en voorts op alfu ke ve^^ â S O O IS \'T, dat Wy de faake ende \'t vookz. verfoek
vilegien tot verhoedmgen van fchade gewo^ den SuppLt, uyt Onfe regte ietenfchap, Souveraine Magt en-
overgemerkt hebbende ende genegen welendet^^^^^^ geoftroyeert hebben , confenteren , accorderen en
de Authoriteyt, den f f v?n vyvtiereerft fgtereenvolgende Jaren het voorfz. Boek genaamt
oaroyeren hem by deefen, alleenfal mogen drucken, doen druc-
Ef tytteÃe S^/e^f tSdl^^^^^^^^ eenen ygelycken het felve Boek, & \'t grOot of kleyn, in \'t
ken, uytgeve. enae vcriwopcii, yt , i . ^^^^ naardrucken , te verhandelen ofte verkoopen \'t zy onder pre-
geheel o& ten deele te drucken, naar ^^^ verandering van naem of titul , ofte elders nagedmckt binnen
text van vermeerderinge, verbeteringe,^^ verkoopen, op verbeurte van aUe Ie nagedruckte,
Siceln eirS^ P^^^ voor den l)fficier die de Calange doett fal, een derde part voor den Armen der plaatfe da^ het
^piiceren een üerae part vooi uc ^ voor den Suppl ant, ende dit telkens foo menigmaal defelve füllen
SoedSS van fyne ^^^^^^ nadrucken van het voorfz. Boek, d^r door in gemgen deele verftaan den inhouden
van dien tf authoS^e advoueren ende ved min ^ SÃÃThtS^^^^^^
Sn Onfen Oa^ ftellen,ciaar van geene geabrevieerde ofte gecontraheerde mentie zal mo-
genmaken, nemaar gehouden wefen het felve Odroye in\'t geheel en fonder eenige omiffie daar voor te drucken, ofte te
doen drucken, ende dat hy gehouden fal fyn een Exemplaer van het voorfz. Boek , gebonden en wel geconditioneert, te
brengen in de Bibliotheecq van Onfe Univerfiteyt tot Leyden, ende daar van behoorlyck te doen blyckenj alles op poene van
het IfFea van defen te verliefen, endeten eynde denSup^iant defen Onfen confente, eftde Oftroye moge genoten als n^
behooren, laften Wy aUen ende eenen ygelyken dien het aangaan mag , dat fy den Suppliant van den mho^en yan defen,
doen, laaten ende gedoogen, ruftelyck, vreedelyck, ende volkomentlyck genieten ende gebruyken, cefTere^e alle belet ter
contrarie. Gegeven in
den Hage , onder Onfen Grooten Zegele hier aen doen hangen op den ieven en twmtigiten ju-
ny in \'t Jaar onfes Heeren ende Saiigmakers duyfend fevenhonderd en een en twmag.
W. V. wassenaar, vt.
Ter Ordonnantie van de Staaten
SIMON VAN BEAUMONT.
Schagen, Boekverkooper in Amfterdam.
joannss Oosterwyk.
, j." -
.â I ;
H
FLAVIUS
F L A V
L. 5 .
V O
E
Des
schryver
.welfpreekendkyd te toonen, en zich eenen naam te verwerven; andere doen het om degenen^
--__l welker daaden zy verhaalen ^ teverpltgten, en zy ontzien geen maeiteom hen te hehaagen: daar
zyn V ook die hiertoe treeden, omdat zy zelve deel gehad hebbende aan de gevallen welke zy bekhrU
ven ^ gaern uvdlen dat het gemeen daaraf kenmp hebbe : â eyndelyk zyn \'er.eemge die zich ddafmeè.
beezig honden, vermids zy met lyden konnen dat zaaken die waerdig zyn om van \'alle de werreld ge^-
weeten te^ worden ^ in Jiilzwygendheyd zouden, begraaven klyven. Deeze twee laatjie rUenen zyn\'t
die my tót fchryven hebben be^^oogen z \'want nademaal ik dtèl gehad hebbe aan den oorlóg teoen deRo
meynen.^-datik getnyge geweefi Len van dtbedrjven dte\'erzyn voorgevallen, en dat ikweefthoedumi^
de verfcheydene uytkornften geweeft. zyn, heb tk my verpikten ds gedrongen gevonden eene Htflon daat
geeven, om te doen blyken.dat zy, die voor my hebben gejchreeven, ter quaader trouwe\'^e^
handeld,^ en de waarheyd verduy/ierd hebben. Het tegenwoordig werk aangaande, tk ondernam het ver^
trouwende dat de Grieken daarin hehaagen zouden neemen, omdat zy aldaar uyt het Hebreews in hunne
eygene taaie zullen overgezet zteneen verhaal van de oudheyd onzer landaard, en de gedaante onzer Ge-
meynteftaat. Toen ik aan de Hifiori van den oorlóg begon te^rbeyden, was myn voorneemen te fpreeken van
den oorfprmg der Jooden , van hunne, verfcheydene voorvdlen, van den uytmuntenden IVetgeevr die
hert mgodvruchtigheyd en andere-deugden onderwees, van hunne oorlogen dt.e zo veele eeuwengedmrd
hebben , en eyndelyk van den laatften dien zy tót hun verdriet genoodzaakt zyn geweeft tegen de Ro-
meynen tè voeren. Maar doordien diefióffe al te groot en te wyd uytgefirekt was om ter loop verhan-
deld te worden , \'vond ik het goed een by zonder werk daaraf te maakert, en nam vervólgeus de pen in
de hand.
\' Eenigen-tyd daarnaa, gelyk het doorgaans gebeurt aan ztdke die zeer moeijelyke zaaken onderneèmen
vèrviel ik â in een zekere traagheyd, waardoor ik naauwlyks befiuyten kon zo een lange Hifiori m een
\'vreemde taal te verhandelen. Maar veele genoopt door eene begeerte om zulke merkwaardige zaaken te
*is)eèten , mamden my tót deez^en arbeyd aan, én voornamelyk Epaphroditus , die uyt een groote Uefde
" \' \' " \' \' \' "\' \' A.p l^iRori iny.onAprhi>\\A hemint \'I \' wanTnain/w zich
WÃ
â ÃHBI
rjy zelfwigtige ampien mamia, en gevallen der förtuym
beproefd \'heeft. Vdêr beneven\' kanmen tk zynen Jóf zeggen, dat hy daarin zulk eengroote edelheyd van
gemoed, m zo een onbezweekenheyd van geefi betoond herft, dat niet^ magtig geweeft is zyne dettgdm
dllerminfie te verwrikken. Om dan deeze groote perfonaadje, d^ niet moede wordt van zodaanioen
te begunfiigen welk mittelykvoor \'t gemeen konnen arbeyden , te gehoorzaamen, en uyt fchaamte van
een lafhartige leedtgheyd hoven zulk een pryfiykebeezigheydte/lellen, heb tk dit werk weder opgevat met
tegrooter blydfihap i omdat ikweete dat onze voorvaders nooit zwaartgheyd gemaakt hebben om diergelyke
zaaken aan vreemdelingen gulhartig mede te deelen, en dat de voornaamfte onder de Grieken vuurtgl?k heb-
ben gewen fcht te weeten wat "er onder ons voorgsvallen is. IVmt Ttolomeus Koning van Egipte, de\'tweede
van dien 7iaam, die zulk ten groote zucht had tót de-weetenfchappen, en tót boeken, dat hy die met oyiyreloof-
lyke kóften uyt alle plaatfen der werreld verzamelde, deed met groote vlyt onze wetten, gewoonten en mL
nier van leeven tn \'t Grieks vertaaien: en Eleazar onze Hoogepriefter, die in deugdvoor memand onzer
Hoogepnefteren wykt, vondt het met geraaden deeze voldoening aan dien Vórft te weygeren^ gelyk hy
A buy-
büjun twyfd zoude gedaan hebben^ indien wy mn onze vaders nitt geleerd hadden goede enUJïyke zaa-
ken voor g eenen menjche te verbergen. Ik heb dan geoordeeld met te kormen misdoen met de goedheyd en edel-
moedigheydvan dien Hoogenpne/ier naa te.volgen; en ik twyfel met óf veele zullen nu ter tyd mg met die
zelfde begeerte aangedaan zyn, als voormaals die groote Koning: die evenwel met deganfche heylige Schrif
tuur j maar alleenlyk de Wet \\of vyf Boeken vm Mofes] omfng door de vertaling der genen die ten dten eyn-
de naa Alexandrüngezonden waaren. Nogtms vervattsn deeze Heyltge Schriften ontelbaare zaaken,
omdat ze eene Hifiort begrypen van vyfduy zend jaaren, waarin men eene menigte van ongemeene voor-
vallen^ verfcheydenerley omwentelingen, veele zwaare oorlogen^ en een groot getal van doorluchtige be-
dryven door trejfelyke krygsoverftm uytgevoerd, befchreven ziet.
Maar "t-gene men voornaamelykuyt het leezen van dezelve kan aanmerken , is dat alles den genen,
die aan Góds befiiermge zich onderwerpende al wat hy beveeltgódsdienjiiglyk onderhouden , veel beter
gelukt dan men zou konnengelooven; en dat zy de opperfe gelukzaligheyd tót hunne laatjiebeloonmge te
verwachten hebben: gelyk daarentegen zulke die zwe geboden, met gehoor zaamen ^ in plaats van in hm-
ne voorneemens ^ hoe rechtmaatig zy ook moogen Jchynen, voorjpoedtg te weezen, m allerleye rampen, en
in eene elende zonder uytkomfl ^ vervallen. Ik vermaan dan allen die dit boek zullen leezen , dat zy
zich naar Góds wille fchikken ^ en bezien of Mofes, onze voortrejfelyken Wetgeever ^ met betaamelyk
van Góds natuur gefprooken heeft; of hy hem met altoos werken toefchryft die met zyne deugden overeen-
komen ^ en of het ganfche verhaal dat hy \'er van doet , niet zuyver ^ en van zulke fMen ^ als
men in andere Htftonen vindt ^ verre afgefcheyden is. De oudheyd van de zyne alleen bevrydt
hem van den argwaan dim men zou moogen hebben , dat hy iets dat fMachtig was onder zyne
Jchnften gemengd heeft; want hy leefde meer dan tweeduyzend jaaren geleden :^ en alzo eenige eeuwen
voor den opkomft van alle de verdichtfelen der Poeeten, die de geboorte hunner Goden ^ en nóg mmder
de bedryven hunner Helden, en de bevélen hunner IVetg éveren, van zo hoog af nooit hebben durven
n-hh^/i /i! óT/i \'Ayf ^ yi /I / /^-f/xi yi a \'"Xx*/-*/» jrtl i nt* wfly»-» I ^^yt 1L L n! I^^L j. « i y«^ L ____/_ ⢠7 t / t
byna alle die dingen afhangen van de kenmffe welke Mofes door zyne wysheyd daaraf gehad heeft, ben tk ver-
phgt eerfi iets van hem te zeggen, opdat niemand zich verwondere te zien dat ikm eene Hiflori, alwaar\'t
zou moogen fchynen dat tk niet dan gebeurde daaden en zeedelyke geboden behoorde te verhaalen, zovee^
ie zaaken menge die de kennife der natuure betreffen. Men moet dan aanmerken, dat deeze groote man
geloojde, dat iemand die vroom wilde leeven, en wetten aan anderen voor fchryven, beginnen mofl met Gód
te kennen, en dan alle zyne werken aandacljtelyk overwoogen hebbende^ zo veel als \'themmoogelykwas
dat volmaakt voorbeeld trachten te vólgen. iVant hoe zoud anderfins èen wetgeever zodaamg zyn als
hy behoorde te weezen ? en hoe zoud hy degenen die zyne fchriften lazen tót een goed leeven können^
aanleyden, indkn hy hen niet eerfi inprentte dat Gód de Vader en Heer van alle dmgen ts, dat hy alles
aanfchouwt, dat hy degenen die hem dienen gelukzalig, en zulke die den weg der deugd met bewande*
len ten hoogfien ongelukkig maakt ? Aldus heeft Mofes, om het vólk, waar over hy V befiier had, te onder^^
wyzen , met begonnen gelyk andere, met hen wetten naar zyn goedvinden te geeven ; maar hy voer de
hunnen geefi op tót de kenmffe van Gód; hy onderrechte hen op uvat uvyzeHydewerreldgefchapenhadr
W/ï ty> njtj* W ^ jtyt/» nm^ f ^ ^ . ^ ^ ^ . ____/7-. . 1 /~à J . 1 ^ _ t . . T
wtc cj^cuen, m ityam aiza ae menjcfoen, me van zelfs reeas quaaa
zyn tót het begaan van allerley misdaaden. Maar onze Wetgeever, naa alvoorensgetoondte hebben dat
Gód alle deugden in de opperfie zuyverheyd bezit, wyfi aan dat de menfchen met alle magt moeten poogen
hem eemger maate naa te vólgen; en fpreekt met een wondermare kracht tegen de onvoorzigtigheyd der ge-
ner die zulke heylige onderwyzingen met met een diepe eerbiedigheyd aanneemen.
VAgens dit voorfchnft verzoek tk myne Lezers dat ze dit myriWerk toetfen : en dan ben ik verzekerd
dat men "er niets in vinden zal dat niet zeer rédelyk, en ten hoogfien betaamelyk voor Góds Majefieyt en zyne
liefde jegens de menfchen zy. Want alles is met de uyter(ie naauwkeurigheyd gefchikt naarvereyfch der
Stoffe: naamelyk eenige dingen zyn op V fpoor des Wetgeevers naar behooren ingewikkeld, andere onder
eene agtbaare verbloeming uytgedrukt, en zulke die nuttig waaren uytdrukkelykvoorgefieldtew&rdenin\'t
breede en m zyn geheel opengelegt. Byaldten nu iemand de redenen van die verfcheelende manieren van
jchryven zou begeeren te weeten, zoud \'er een diepe befpiegelmg noodig zyn om hem daar ontrent verklaa-
ring te geeven: en zo Gód my V leeven fpaart, zal ik f eemger tyd trachten zulks te doen. Nu tegenwoor-
I/K. (f ^./i\'Pi J Al»/* yf^ tlt rxit/t A Ij^rïi/* . n n nm.\\ J1 J\' _ . . "f # -m M- J^ ^ ^^
ii
m-
JOODSCHE OUDHEDEN
Of
histori
Der
o o
E
Door
flavius josephus.
EERSTE BOElt.
EERSTE HOOFDSTUK.
Schepping dct werreld. Adam cb Eva zyn Góds gebód ongehoór-
zaam, en worden van hem uyt het aardfch Paradysgedreyeni
N den beginne fchiep Gód den He-
mel en de aarde j de aarde was niet
zigtbaar, maar met een dikke duy-
fternis bedekt j en de Geeft zweefde
daarover. Hy beval vervólgens dat liet licht
wierd , en het licht verfcheen terftond. Naa
dat Gód deeze klomp befchouwd had,
fcheydde hy het lieht van de duyfternis j hy
noemde de duyfternis nacht, en het licht dag5
hy gaf aan het begin van den dag den naam
van mórgen , en aan het eynde van dien zelf-
den dag den naam van avond : Dit was de
eerfte dag, welke Mofès deii eenen dag noemt ^
en niet den eerften, waarvan ik de reden zou
konnen geeven : maar dewyl ik beloofd hebbe
van alle die zaaken een byzonder boek te
fchryven, zal ik zulks tot dien tyd toe be-
ipaaren.
Op den tweeden dag maakte Gód den He-
mel, fcheydde hem van\'t óverige af, plaatfte
hem om hoog als het edelfte , omrmgde
hem met kriftal, en maatigde hem door eene
vochtigheyd , bequaam om regens te verwek-
ken , die de aarde zoetelyk befproeijeij prn
h^ar vruchtbaai te makken,
Ben derden dag fteldehydeaardèvaft, om-
ringde haar met de zee , en deed haar plan-^
ten met haare zaaden voortbrengen.
Den vierden dag fchiep hy de Zon , dê
Maan , en de andere Geftarnten; hyplaatfteze
aan den Hemel om tót het voornaamfte cie-
raad daarVaü te dienen , en hy fchifete huiind
bc\'-
m
A 2
, FLAVIUS
bewecgingén en loop zodaanig, dat zy duy-
delyk de faizoenen en den omloop des jaars
aanwyzen.
Den vyfden dag fcliiep hy de vogelen en
vnTchen^ doende deeze in de diepte zwemmen,
cn die in de lucht vliegen , willende dat zy zich
zouden paaren, om voort te teelen en zich elk
naa zyne foort te vermenigvuldigen.
fil
JOSEPHUS
Den zefden dagfcïiiep Gód de dieren der aar-r
de, onderfcheydde hen in verfclieelende o-e^
flachten van mannetje en wyfje : en dien
zelfden dag fchiep hy ook den Menfch:
mvoege dat de Heere , vólgens \'t verhaal van
Mofes, in zes dagen de Werreld , en alles
wat \'er in is, gefchapen heeft.
Den zevenden dag ruftte Gód , en hieldt
op van arbeyden aan het groot werk van de
fcheppinge der werreld : en \'t is om deeze re-
den dat wy op dien dag niet werken , en hem
den naam van Sabbath geeven , \'t welk in de
Kebreewfche taal ruft betekent.
2. Mofes fpreekt nóg byzonderlyker van de
tiai. a fchepping des, menfchen : Hy zegt dat Gód
bei: Itóf der aarde nam , en eenen menfch
daaraf vórmde , en dat hy hem den geeft
i
en de ziele inblies. Hy voegt \'er by dat
die menfch Adam genoemd wierdt , hec
welk in \\ Hebreews J^ood betekent , om
dat hy uyt een zagte roode aarde gevórmd
wierdt j want zodaanig is de waare en maag-
delyke aarde.
Gód deed de dieren, zo mannetjes als wvf-
jes, voor Adam komen} en deeze eerft:emenlcli
gaf hen naamen, welke zy nóg ten huydigen
dage behouden.
Gód ziende dat Adam alleen was , cn
verwondert üont dat de andere dieren
ieder eene gezellin hadden , ontnam hem
terwyl hy fliep , ééne zyner ribben,
van
JOODSCHE
van welke hy ecnc vrouw maakte; en zo dra
Adam haar zag, bemerkte hy dat zy uyt hem
voortgekomen, en dat ze een gedeelte van hem-
zelven was. De Hebreers noemen eene vrouw
W^i en deeze die de eerfte van alle was, wierdt
Eva genaamd, \'t welk te zeggen is. Moeder
aller leevende. \'
!â ⢠Mofes verhaalt daarenboven dat Gód na de
kant van \'t Ooften eenen Lufthóf plantte,
welke hy met allerley gewaflen vervulde, en dat
in dien Hóf twee boomen waaren, welker één
de boom des leevens was, en de ander die der
kenniftè om\'t goed van\'t quaad te onderfchey-
den. In deezen Hóf ftelde hy Adam en Eva,
en beval hen de planten waar te neemen: de Hóf
wierdt bewaterd door een groote rivier die
het ganfche landt omvloeyde, en zich in vier an-
dere vloeden verdeelde. De eerfte genoemd
Phifon, ^t welk volheyd betekent, en die van
de Grieken Ganges geheeten wordt, neemt zy-
nen loop na Indië, en ontlaft zich aldaar in de
zee. De tweede genoemd de Euphrates, en
in onze taal Phora, \\ welk verftrooijing óf
bloem betekent; en de derde dien men den
Tigris óf Diglath noemt, het welk eng en fnel
betekent, ondaften zich beyde in de Roode
PcrfifSe ^ ^^ ^^ ykrdQ geheeten Gihon, betékenen-
Zceboe-de dat hy van \'t Ooften komt, en den wel-
zem- ken de Grieken Nilus [óf den Nyl] noemen,
loopt door Egipte.
5. Gód beval dan aan Adam en Eva van alle de
HISTORI. ^
andere vruchten te eeten; maar zich vaii die
der kenniftè te onthouden, zeggende hen dat
zy fterven zouden ^ zozy die maar aanraakten.
Daar was toen een volmaakte eendragt tuf-
fchen alle de dieren, * en de flang was zeer ge-
meenzaam met Adam en Eva. Dewyl nu zy- ïrc
ne quaadaardigheyd hem het geluk deed beny-"^^\'\'"^"^\'^^
den, dat zy ftonden te genieten indien ze hk^^JS"-
gebód Góds onderhielden 5 en dat hy in tC\'-^-efp-aak.
gendeel geloofde dat zy in allerley rampen
zouden vallen zo zy het niet gehoorzaamden,
oven-eedde hy Eva, om van de verboodene
vruclit te eeten. Hy zeyde haar, opdat hy
haar daartoe zou doen befluyten, dat\'er een
verborgene kracht in was die de kennis van
goed en quaad had, en dat indien zy en haar
man daaraf aten, zy zo gelukzalig zouden
weezen als Gód zelf. Aldus bedroog hy de
vrouw, zy verachtte het gebpd van haaren
Gód , at van de vrucht, en zich daarvan ver-
luftigd hebbende , bepraatte zy Adam om \'er
ook af te eeten. Gelyk \'t nu waar was dat
deeze vrucht een zeer groote onderfcheyding
gaf , zo bemerkten zy aanftonds dat ze
naakt waaren , en zy fchaamden zich daar-
over. \' Zy namen dan bladeren van eenen vy-
geboom om zich te bedekken, en zy geloofden
zich gelukkiger te zyn dan te vooren\', omdat
zy wiften \'t gene zy tót dien tyd toe niet ge-
weeten hadden.
Völ-
Gód quam in den Hóf; en Adam die voot
zyne zonde gemeenzamelyk met hem verkeerd
had 3 -durfde zich toen niet vertoonen ter oor-
zaake van \'t misdryf dat hy begaan had. Gód
vraagde hem , waarom hy , in plaats van te
vooren inet zulk een vermaak tót hem te nade-
ren , wegvloodt, en zich verbergde. Hy
niet weetendewat hy antwoorden zoude, om-
dat hyizich fchuldig kende , zo zeyde Gód
tót hem : â Ik Had u verzórgd , Van alles wat
gy zöudt hebben konnen begeeren, om een
ar keven van alle zórgen bevryd , en \'t welk
zeer lang en gelukkig zoude geweeft zyn , ,,
zonder arbeyd en met vermaak te leyden.
Maar gy hebt u tegen myn voorneemxn aan- â
gekant > gy hebt myn gebód verfmaad ; en
\'t is niet uyt eerbiedigheid dat gy zwytrt,
maar \'t is omdat uv/ geweeten u befchuidi^t
Adam bragt alles by wat hy kon om zich "te
verlchoonen , hybadt Gódt het hem tevero-ee-
ven, en wierp defchuld op zyne vrouw, zeo-Sen-
de dat die hem verieid had, en deoorzaSfzy-
ner zonde was. Zy van haar kant zeyde dat
het de flang was die haar bedroogen had. Waar-
op
5?
53
6 FLAVIÃS
op Gód om Adam te ftrafFen voor dat hy zich
zo had laaten overrompelen , verklaarde dat
de aarde niet meer vruchten voortbrengen zou-
de 5 dan voor degénen die haar in \'t zweet
huns aanfchyns bouwden , ja dat ze niet
zoud uytléveren alles wat men van haar zou
â¢moogen eyfchen. Hy ftrafte Eva ook , en be-
val dat zy , hebbendezich door de flang laaten
JOSEPHÃS
bedriegen, en zo veele onheylen over hlarea
man gehaald , niet dan met fmarte baaren zou-
de. En om de flang over zyne boofaardigheyd
te ftrafFen , benam hy hem\'t gebruyk der Ipraa-
ke > maakte zyne tong venynig , veroordeel-
de hem om niet langer voeten te hebben , maar
op de aarde te kruypen 5 en verklaarde dat hy
een vyand van den menfch zoude zyn. Thans
beval hy Adam hcni op den kóp tc tree-
den 5 omdat uyt zynen kóp al het quaad den
menfche overgekomen was , en dat dit deel \'t
zwakft aan hem zynde," minft bequaam was om
zich te verweeren. Naa dat Gód hen alle al-
dus hunne ftraffen had opgelegd , drééf hy
4dam en Eva uyt den Lullhóf.
II. H O O F D S T Ã K.
Ksïn doocltzynen broeder Abel.\' Gód ycrdryfthsm. Zyne naakome-
lingen zo guaad als hy. Deugden van Sedi Adaitis anderen zoon.
Dam en Eva kree^en twee zoonen ,\'\'ook
6.
Gen
\'O
dóchters. De cerile deezer zoonen was
li â
vA
Kaïn genoemd, het welk verkryginge, en de
twQcdc Abel, \'t welk droefheyd bete&nt Dee-
ze twee broeders waaren van twee zeer ftry-
digeittborllen : wantAbeU de jongfte, die een
herder was van vee, wasrechtvaerdig ; hy aan-
merkte Gód als tegenwoordig by alle zyne daa-
den , en betrachtte niet dan hem te behaagen.
Kaïn daarentegen, welke de eerfte was die de
aarde beploegde , was zeer quaadaardig : Hy
zócht niet dan zyn eygén nut en voordeel, en
zyne fchrikkelyke gódloosheyd voerde hem
tót die Ipoorelooze woede , dat hy zynen ey-
gen broeder doodde j en dat om deeze oorzaak.
Zy hadden beyde voorgenomen Gode e^e
! »
G-M.Ip-.j^f S.
JOODSCHE
offerände te doen, Kaïn ófferde hem de vruch-
ten van zynen arbeyd, en Abel meik en de eer-
ftelingen zyner Kudde.God betiiy gde dat de offer-
ande van Abel, dieeen vry voorcbrengfel der Na-
tuure was, hem aangenaaraer was dan die welke
Kaïns gierigheyd als door geweld haar hadafge-
pcrlL De hoogmoed van Kaïn kon niet dulden
dat Gód zynen broeder boven hem gefteld had j
dies doodde hy hem, en verbergde zyn Lighaam,
hoopende daardoor dat niemand kennis van zy-
ne misdaad krygen zoude. God, voor wiens
oogen niets verborgen is, vraagde hem, waar
zyn broeder was, dat hy hem federd eenige da-1 nieuwe. Men zag onder hen niet dan rnoorden
gen niet gezien had, daar zy te vooren altoos ! en rooveryen^ en die hunne handen niet in \'c
tzamen waaren. Kaïn met weetende watbloed doopten, waaren vol van hoogmoed en gie-
te antwoorden, zeyde dat hy ook verwonderd ! righeyd.
was hem niet meer te zien j en vermids Gód j Adam de eerfl:e en uyt de aarde gevormde
hem aandrong, antwoordde hy verwaandelyk, j menfch, (want van hem is\'er nóch iets te zeggen)
dat hy de hoeder nóch bewaarder zyns broe- ziende Abel gedood, en Kaïn gevlucht, wenfchte
zeer naa andere kinderen. Hy was nu tweehon-
derd dertig jaaren oud, en naa nóch zevenhonderd
jaaren geleefd te hebben ftierf hy ; hebbende
nóch verfcheydene kinderen geteeld, en onder
die Seth.
\'t Zoud al te wydloopig vallen indien ik on-
dername van alle die kinderen van Adam te
fpreeken ^ dies zal ik my vergenoegen met alleen-
lyk iets te zeggen van Seths nakomelingen. Deez
by zynen vader opgetrokken, begaf zich met ernft
tot de deugd. Hy liet kmderen naadie hem gelyk
waaren, en in hun vaderland bleeven woonen,
alwaar zy gelukkiglyk en in een volkómene een-
dragt leefden. Het is aan hun vernuft en hunnen
arbeyd dat men de kennis der ftarreloop verfchul-
digt is: en omdat zy van Adam verftaan hadden,
dat de werreld eens door water en eens door vuur
vergaan zoude, maakten zy, uyt vieeze dat die
weetenfchap verlooren mogt worden eer de men-
fchen v.?el daar in onderrecht waaren, tweezuy-
len, de ééne van gebakken fteen, en de andere
van hardfteen, op welken zy hunne verkreegene
kundigheyd graveerden j opdat byaldien een
watervloed de zuyl van gebakken fteen verdelg-
de, de hardfteene in ftand bleeve om de geheu-
genis van \'t gene \'er opgefchreeven ftondt voor
de naakomelingen te bewaaren. Deeze laatfte
zuyl wordt nóch hedendaags in Syrië gezien.
fll
4tl
9\'
IH. HOOFDSTUK.
Van Adams naakomelingen tót aan den Zondvlued, waarvoor Gód
Noach door de Arke bewaarde j en hem beloofde de menklicn
niet meer door eene Zondvloed te ftraffen.
MEn volhardde tót in\'t zevende geflacht in
de oefening der deugd, en in den dienft
van den waaren God, die voor den eenigften
Heer van \'t heelal erkend wierdt, te leeven.
Maar de ge^ie die daarop vólgden, wandelden
de zeedert hunner vaderen niet naa: zy gaven
Gode de eere niet die hem toekomt, en oefen-
den geen gerechtigheyd jegens de menfchen:
maar wierden met een fterker drift tót het be-
dryven van allerhande misdaaden gevoerd, dan
hunne voorouders tót het oeffenen van allerley
deugden aangedreeven waaren, halende al-
dus den toorn Góds op zich} want vele der
Engelen Góds, zich met vrouwen vermengende,
brag-
10.
mk
ders was , nóch de zórg van \'t gene hem
betrof op zich genomen had. Maar God beftrafte
Kaïn hier op aanftonds over zynen broedermoord,
en vroeg hem hoe hy zeggen durfde, dat hy niet
wift wat van zynen broeder geworden was,
naardien hy hem zelfs gedood hadde. Evenwel,
dewyl Kaïn een ófïerande ófferde en uyt kragt der-
zelve fmeekte, ora de ftillinge van Góds toorn, zo
ftrafte de Heere hem niet met een flrafFe die zyn
misdaad verdiende ^ maar hy ftelde hem tot een
vloek, dreygde zyne naakomelingen tot in \'t ze-
vende geflacht te ftraffen, en verdreef hem met
zyn wyf. Maar vermids Kaïn vreesde dat hy
dus omzwervende door de wilde beeften ver-
Honden zoude worden , verzekerde Gód hem
daarvoor i hy gaf hem een merkteken waar aan
men hem kon kennen, en beval hem heene te gaan.
N aa dan verfcheydene landen doorgetrokken te
hebben, zette hy zich met der woon neêr in eene
plaats genaamd Naïs : alwaar hy veele kinderen
teelde. Maar \'t was \'er zo verre af dat zyne ftraffe
hem eenigfms beter maakte, dat hy in tegendeel
nóg erger wierdt: Hy gaf zich over aan allerley
welluften, en pleegde ook geweld: hy roofde, om
zichte verryken, eens anders goed 3 hy verzamel-
de booswichten en fchelmen, waarover hy zich
tot hoofd ftelde j en hy voerde hen aan om aller-
hande misdaaden en gódloosheden te bedryven.
Hy veranderde die onnozele manier van leeven
welke men in \'t begin onderhieldt, vondt gewig-
ten en maaten uyt, doende de konftgreepen en
bedriegery vólgen op die gulhartigheyd en op^
regrigheyd, welke plaats had toen men van deze
dingen niet wift. Hy was de eerfte die paaien
ftelde om de landeryen te onderfcheiden, en die
eene ftad bouwde, welke hy naar de naam zyns
â¢Andere oudften zoons, Enos * noemde, en voorts met
^»rttth nij^im-en omringde, en met inwooners bevólkte.
EüosteeldeyW, Malaleel, MalaleëlAT^-
thtifda, en Mathufala Lamech, die by zyn twee
vrouwen Sella en Jda zevenenzeventig kinderen
kreeg, waarvan één genaamd Jokl, zoon van
Ada, in hutten en tenten woonde, en een
herders leeven leydde. Jubal zyn broeder was
de uytvinder van muzyk, fnaarenfpel, en de
luyt. Thohel zoon van Sella overtrof alle de
andere in dapperheyd en kracht, en was een
groot krygsmanj waardoor hy zich verryk-
HISTORI.
welluftig van zynen rykdom
7
te , cn welluitig van zynen rykdom leefde»
Hy vondt het eerfl de konfl van fmeeden uytâ
Lamech had ook ééne dochter geheeten Naama :
en alzo hy in goddelyke zaaken onderweezen
was, begreep hy gemaklyk dat hy de llrafFe van
de moord, door Kaïn aan Abel begaan, zou moe-
ten dragen ^ en hy gaf zulks zyne twee vrouwen
te verftaan.
Voor\'t overige dompelden Kaïns naakomelin-
gen zich terwyl Adam nog leefde in allerhande
misdaaden: zy vergenoegden zich niet met die van
hunne vaderen naa te vólgen, maar zy bedagten
Iii
8 FLAVIUS
bragten een verwaand geflacht voort, hetwelk
op zyne krachten vertrouwende, in\'t vertreeden
der gerechtigheyd roem ftelde, en \'t welk dier-
gelyfc daaden Indreef, als de Grieken van de
Reuzen vertellen.
Noach getroffen van fmarte dat zy zich dus
in ondeugd dompelden, vermaande hen van
leeven te veranderen : maar toen hy zag dat
zy , in plaats van zynen raad te vólgen, nóg
boozer wierden , trok hy , uyt vreeze dat zy
hem en zyn huysgezin dooden zouden ^ uyt
II.
JOSEPHUS
dat land. Gód, die hem om zyne vroomheyd
bemmde, wierdt zo getergd door de boosheyd
en verdurvenheyd der óverige menfchen dat
hy beftoot niet alleenlyk hen te ftraffen/maar
hun ganfchelyk te verdelgen , en de\'aarde
met andere menfchen , die in züyverheyd en
onnozelheyd leefden, weder te bevolken.
Dies verkortte hy hunnen leevenstyd, dien
hy op honderd twintig jaaren bragt j \' voorts
] overftroomde hy het aardryk zodaanig , dat
1 het naar eene zee geleek^ en deed het ganfche
geflacht in de wateren fneuvelen^ iiytgenomen
Noach, om wien te behouden, beval hy hem eene
Arke van vier verdiepingen, drie honderd elleboo-
gen lang, vyftig breed, en dertig hoog, te bou-
wen 3 zich met zyne huysvrouw, zyne drie zoo-
nen, en hunne drie wyven, daarin te begeven,
en \'er alle noodige dingen re doen inbrengen tót
onderhoud van hen , en van de dieren van
allerley foorte, welke hy nevens hen daar deed
ingaan, om hun geflacht te behouden, tewee-
ten een paar van elks, mannetje en wyfje, en
van fommige foorten zeven paaren. Het dak
en de zyden deezer Arke waaren zo fterk, dat
zy t geweld der baaren en winden wederftond,
en Noach met zyn huysgezin voor die algemee-
no overftrooming welke alle de andere menfchen
deed vergaan, behoedde. Hy was de tiende af-
komeling van Adam van man tót man ^ want hy
was de zoon van Lamecb; Lamech was de zoon
van Mamujalai Mathufala de zoon van Emch ;
Enoch dQ zoon v^n jared, Jared de zoon van
Mdde-ely die nevens zyne zufteren nyt
gefprooten was^ Kaïnan was de zoon
Enos de zoon van Seth; en Seth de zoon van
Adam.
Noach was zeshonderd jaaren oud toen de zond-
vloedquam 3 dit gefchiedde in de tweede maand,
welke de Macedoniers Dius, en de Hebreen Ma-
resvan noemen: ^want de Egiptenaars hebben het
jaar alzo verdeeld Dóch Mofes hccü in \'t aan-
wy zen van den tyd onzer Feeften, de eerfte plaats
gegeeven aan de maand genaamd Nifan die de
li
fij
12.
Xantikus is, omdat het in die was dat hy de
Hebreen uyt het land van Egipte leyddej en
om die zelfde reden begint hy met die maand
de dingen die de Gódsdienft betreffen aan te
wyzen. Maar belangende alle burgerlyke Zaaken.
en \'t koopen, verkoopen, en diergelyke, daarin
tott hy geen verandermg inde maanden gemaakt.
Hy geeft te verftaan dat de algemeene regen, die
I deezen zondvloed veroorzaakte, op den zeven-
I entwintigften dag der tweede maand, in het
tweeduyzend tweehonderd zes en vyftigfte jaar
naa dat Adam gefchapen was, begon te val-
len. De H. Schrift maakt \'er eene uytréke-
ning van, en wyft zeer naaukeuriglyk de ge-
boorte en den dood der groote perfonaadjen van
dien tyd aan.
Adam leefde 930 jaaren , en was 230 oud Deeze
toen zyn zoon Seth gebooren wierdt. PSnJ\'
Seth leefde 912 jaaren, en was 205 oud«laai be-
toen zyn zoon Enos gebooren wierdc. fekï
Enos leefde 90^ jaaren, en was 190
toen zyn zoon Kaïnan gebooren wierdt. gJJ.\'\'®
Kaïnan leefde 910 jaaren, en was 170 qud
toen zyn zoon Malaleël gebooren wierdt. Jr?"
Malaieël leefde 895 jaaren, en was 165 oud
toen zyn zoon Jared gebooren wierdt.
Jared leefde 962 jaaren, en was 162 oud
toen zyn zoon Enoch gebooren wierdt.
Enoch leefde 365 jaaren, en was 165 oud
toen zyn zoon Mathufala gebooren wierdt.
In deezen ouderdom van 365\' jaa-
ren wierd hy van Gód opgenomen , waar-
om
â rv.
-Ai
\'H
#
j O OB sc H E
niemand heeft iets van zynen dood gefchreeven.
Mathufala leefde jaaren, en was 187 oud
toen zyn zoon Lamech gebooren wierdt.
Lamech leefde 777 jaaren , en was 182 oud
toen zyn zoon Noach gebooren Wierdt, die
O jaaren leefde.
Alle deeze jaaren [gevoegd by de 600 v/el-
ke hy oud was toen de zondvloed quani_
maaken den bovengemelden tyd uyt;
Het pafte beter om deeze rèkéiiing te maa-
ken, de geboorte-tyd der eerfte menfchen te ver-
haaien, gelyk ik gedaan heb, dan den tyd van
hunnen dood, omdat hun leeven zo lailg Was
dat het tót hunne naaneeven uytftrekte,
15. Gód dan het teken gegeeven, en aan de wa-
Gcn.y, teren den lofTen toom gelaaten hebbende om
* de aarde te overftroomen ^ verhefff-n ^y ai^li,
door eenen geftadigen fegen van veertig dagen,
vyftien elleboogen lengte boven de hoogftè ber-
gen, en lieten alzo geen plaats over daar men
vlugten óf zich bergen kon. Naa dat de regen
opgehouden was, verliepen\'er honderd vyftig
dagen eer de wateren te rugge weeken j en dén
zeventwinti^ften dap; der zevende maand bleef
de Arke op den tóp eens bergs in Armenië Itil-
ftaan. Als toen opende Noach een venfter, ert
hebbende een weynig lands rondom de Arke be-
ipeurd, begon hy zich te trooften en beter hoo-
pe te fcheppen. Eenige dagen daarnaa deed hy
eenen raven uytvliegen, om te weèten óf\'er ook
anderé plaatfen ontbloot van\'t water waaren, en
óf hy veylig zou konnen uytgaan. Maar de
raven al het land nóg onder water vindende^
keerde weder in de Arke. Naa verloop van
zeven dagen deed Noach eene duyfuytvliegen,
en zy quam weêr met beflykte pooten, en eenen
olyftak in haaren bek. Aldus bemerkte hy
dat de zondvloed opgehouden was j en naa nóg
zeven dagen gewacht te hebben, deed hy alle de
dieren uytgaan die in de Arke waaren, hy tradt
\'er zelf met zyne vrouw en kinderen uyt, óf-
ferde Gode eene ófferande tót dankzegginge, en â¢
hield een gaftmaal met zyn huysgezin. De Ar-
meniërs hebben die plaats Aftred óf Uytgang
genoemd, en de inwooners toonen nóg heden
ten dage eenige overblyfièlen van de Arke.
Alle die de Barbaarifche Hiftoriën gefchreeven
hebben, fpreeken van den zondvloed en de Arke,
en ondere andere BerofLis de Kaldeër j die aldus
zegt: Men zegt dat \'er nóg eenige overblyffelen der
Arke op den berg der Kór diers in Armenië te zien
zyn : en fommige brengen vandaar brókkenjooden-
lym waarmee ze beflreeken was, en gebruyken
het tót een tegengift. Hieronymus de Egipte-
naar die van de oudheden der Pheniciërs ge-
fchreven heeft, Mnafeas, en verfcheydene an-
dere fpreeken\'er ook af : en Nikolaus van Da-
maskus in \'t XCVF\' boek zyner Hiftorië fchryft
\'er met deeze woorden van: In Armenië in V land-
fchap van Miniade ü een hooge berggenoemd Bark^
alwaar men zegt dat veele gedurende de zondvloed,
hun leeven bergden s en dat eene Arke, welker over-
blyffelen veele jaaren lang in weezen zyn geblee-
\'ven, en waarin een man zich beflooten had, op den
tóp van dien berg bleefÃilÃaan. Is waarfchyne-
Ijk dat deeze man die géweefi ü waarvan Mo-
Ãs de Wetgeever der Jooden gefprooken heeft.
HÃSTOkl §
Noach uyt vreeze dat God voorgekomen bad 14.
het aardrykallejaaren door eenen \\4oed te over-
ftrobmen , en alzo \'t menfchelyk geflacht te
verdelgen, ófferde hem flagtóffers , om hem
te bidden dat hy de órde , welke hy eerft vaft
gefteld had, niet wilde veranderen, en niet meer
eenige ftrengheyd gebruyken , die alle leevendi-
ge fchepfelen deed fneuvelen 5 maar dathy zich
wilde vergenoegen met de boezen geftraft te
hebben zo als hunne misdaaden verdienden ^
en de onfchuldigen, welker leeven hy had wil-
len behouden , te vetfchoonen j nademaal zy
anders ongelukkiger zouden zyn dan degene
die in de wateren begraaven waaren j indien
zy zulk een yflyke verwoefting met fidderinge
aanc^ezien hebbende , bewaa^H wier den om
iu tcii anaere diergeiyke te vergaan. Dac
hy hem derhalve badt zyne ólfetande voor
aangenaam te houden , en de aarde niet mefer
met een oog van gramfchap te aanfchouwen i
opdat hy en zyne afkomelingen haar zonder
fchroom zouden moogen bebouwen , fteden
ftichten, alle de goederen welke zy voor den
zondvloed bezaten genieten, en zulk een lang
en gelukkig leeven, als dat hunner vaderen ge-
weeft was, voortaan leyden.
Overmids Noach een rechtvaardig man was|
wierd Gód door zyn gebéd 20 bewoogen, dat
hy hem zyn verzoek toeftond, én tót hem zeyde:
,5 Dat hy de oorzaak niet geweeft was van\'t ver-
derf der gener die door den zondvloed gefneu- 3,
veld waaren j maar dat zy de ftrafFe welke zy
ontvangen hadden hen zeiven mogten wy-
ten i want dat hy hen niet zoud hebben doen
gebooren worden, indien hy hen had willen
verderven j naardien het ligter was hen het lee-
ven niet te geeven, dan het hen te beneemen,
naa dat het hen gegeeven was. Dat zy derhalve
hunne ftrafFe alleenlyk aan hunne misdaaden
moften tocfchryvenj en dat hy nógtans^ uyt
aanmerkinge van zyn gebéd, zo ft-reng in het
toekomende niet jegens hen zoude zyn. Invoe-
ge dat waneer\'er buytengewoone ftórmen en
onweederen quamen te ontftaan ^ hy iióchté
zyne afkomelingen geen nieuwen zondvloed
behoefden te vreezen, omdat hy dc wateren
niet meer zou toelaaten de aarde te overftroo-
men. Maar dat hy hem en alle de zyne verboodt
hunne handen met bloed te bezoedelen, en
hen beval doodflagen ftrengelyk te ftraffen.
Dat hy hen volkómene meefters van de dieren
maakte, om\'er zich van te bedienen zo als zy
wilden, uytgenomen hun bloed, \'t welk zy niet
gelyk het óverige zouden moogen gebruyken,
omdat in het bloed het leeven beftaat. En
myne boog, vervólgde hy, (oogendeopden
regenboog, want die word voor Góds boog ââ¢
gehouden ) zal het merk en tekdh der belófte
zyn, welke ik u doe." Als Gód Noach dit o^e-
zegtenbeloofthad, deedhy [hem] heen gaaS
, Noach leefde naa den zondvloed driehonderd
vyftig jaaren m alle voorfpoed, en ftierf in deri
ouderdom van negenhonderd en vyftig jaaren
Hoe groot nu ook het verfchil zy tuflfhen den
53
3J
53
t
3)
35
35
33
55
35
33
33
33
33
33
si
35
33
3>
33
J3
3i
33
33
3S
35
33
leevenstyd der menfchen hedensdaags, en de
langleevendheyd der gener daar ik nu af ^refproo-
kenhebi echter behoort het gene ikver^aalniet
lO
voor ongelóoflyk geliouden te worden. Want
behalve dat onze oude vaders in \'t byzonder
van Gód geliefd, en gelyk als het werkftuk zy-
ner eygene handen waaren,en dat de ipyzen wel-
ke zy gebruykten bequaamer waaren om het lee-
ven te behouden ^ zo verlengde Gód het hunne
zo ter oorzaake hunner deugd, als om hen een
middel te geeven tót het voltooij en van de meet-
kunde en kenniliè des ftarreloops j \'t welk zy
niet zouden können gedaan hebben , indien zy
minder dan zeshonderd jaaren geleefd hadden,
omdat het groot jaar niet dan naa verloop van zes
eeuwen voleyndigd wordt. Alle die Hiftoriën
gefchreeven hebben, zo Grieken als die van een
andere landaard, geeven getuygenis van \'t gene
ik zeg. W^i»^ M^neton, die de Hiftori der
Egiptenaaren gefchreeven heett, öeronis w cikt
ons die der Kaldeën heeft naagelaaten, Mochus
HeftiïEiis, en Hieronymus de Egiptenaar, wel-
ke die der Feniciërs gefchreeven hebben, zeg-
gen \'t zelfde. En Heilodus, Hekatéus, Aku-
ïilaus, Hellanikus, Ephoms, en Nikolaus ver-
haaien dat de oude duyzend jaaren leefden. Ik
IV. HOOFDSTUK.
Ncmrod achterneef van Noach bouwt den Toren van Babel, en Gód
om hem te verbyftercn, CB \'i werk te ftooren , zendt de verwat-
ring der taaien.
â PJ E drie zoonen van Noach, Sem, Japhet,
en Cham, die honderd j aaren voor den zond-
vloed waaren gebooren, waaren de eerfte die
de bergen verlieten, om in de vlakte te woonen j
en die andere welke om den zondvloed zeer voor
de vlakte vreesden , en de hoogte niet durf-
den verlaten, aanmoedigden om hen re vol-
ten. Zy gaven den naam van Senaär aan de
andftreek daar zy zich eerft neêrfloegen.
heval hen vólkplantingen in andere plaat-
fen aan te ftellen , opdat zy zich vermenigvul-
digende en verder uytbreydende , meer lands
zouden können bebouwen, grooter overvloed
van vruchten daarvan trekken, en de krakkee-
len, die\'er anders tuftchenhen zouden moogen
ontftaan 5 beter vermyden.
FLAVIÃS JOSEPHUS
laat ondertuflchen hen die dit zullen leezen y zülfe
een oordeel daarover vellen als \'then belieft.
Maar deeze riiuwe en onleerzaame menfchen
gehoorzaamden hem niet, en wier den om hunne
zonden geftraft door de rampen die henoverqua-
men. Gód ziende dat hun getal fteeds aangroei-
de , beval hen ten tweeden maale volkplantingen
elders te fchikken: dóch deeze ondankbaare, die
vergeeten hadden dat ze alle hunne goederen aan
hem verfchuldigd waaren, fchreevendie hen zei-
ven toe, en gingen voort met hem ongehoorzaam
te zyn 5 voegende by hunne ongehoorzaamheyd
nóg deeze gódloosheyd, dat zy zich inbeeldden
dat het een llrik was die hy hen Ipande, ten eynde
zy, als ze verdeeld waaren, gemaklyker zouden
konnen verdelgt worden. Nemrod zoons zoon
van Cham eenen van Noachs zoonen, was degéne
die hen aanvoerde om Gód zo te verachten. Dee-
ze man met te min dapper dan ftout, maakte hen
wys dat zyalleenlyk aan hunne dapperheyd, en
niet aan Gód, al hun goed geluk hadden te wy ten.
En vermids hy na dwinglandy haakte , cn hen
poogde te beweegen dat zy hem tót hunnen op-
perften verkooren, en Gód verlieten , bood hy
zich aan om hen tegen den Heere te befchermen,
bvaldien hy de aarde met eenen nieuwen zond-
vloed dreigde 3 en om tót dien eynde zulken hoo-
gp toren te bouwen,datnietalleenlyk de wateren
zich niet daar boven zouden konnen verheffen,
maar dathy ook den dood hunner vaderen wree-
ken zoude. Dit onbezonnen vólk liet zich vervoe-
ren door deeze dwaaze meening,dat het hen eeiie
fchande zoud weezen voor Gód te zwichten ⢠en
men arbeydde met eenen ongeloofiyken y ver aan
dat werk. De menigte en de heete drift der
werklieden bragt te wege dat de toren binnen
weynigtydsveelhoogeropgeliaaldwierdalsnien
zoud hebben durven hoopen : niaar zyne over
groote dikte maakte dat hy minder hoög fcheen.
Zy bouwden hem Van gebakken fteen, metjoo«
den-
J O O D S G H Ã
denlym gem^tfeld, opdat hy te hechter zon zytt.
God vertoornd over hunne uytzinmgheyd , wil-
de hen echter niet uytroeijen gelyk hy hunne
vaderengedaanhad, wellcer voorbeeld hen met
verbeterS had : maar hy zondè eene verdeeld-
heyd onder hen, en maakte dat daar zy te voo-
ren maar ééne taal fpraken , deeze taal zich
zo vermenigvuldigde j dat zy malkanderen niet
langer verftonden> en deeze verwarring deed
aan de plaats alwaar de toren gebouwd wierd,
den naam van Babiion geeven j want Babel
in \'t Hebreews betekent Verwarring. De Si-
bille fpreekt van deeze groote gebeurtenis aldus:
Dewyl aUe de menfchen toen niet dan ééne taal
hadden , bouwden zy zulk eenen hoogen toren,
dat het fcheen als ófhy zich tót aan den hemel ver-
hef te : maar de Goden verwekten zo een zwaar
onweder tegens den zeiven., dat hy^er door omge-
fio&ten wierdt; en zy maakten dat de bouwers in
een oogenbltk verfcheydene taaien fpraken : \'van
welk geval de fiad \'Babiion haaren naam heeft.
Hefti^us fpreekt van het veld Senaar daar Ba-
biion ftaat aldus : De "Priefters welke uyt die
groote beroerte ontquamen , zyn met de heylig-
dommen, ten dtenjie van Jupiter den Overwin-
naar gefchiktin Senaar by Babiion gekomen.
V. HOOFDSTUK.
Hoe Noachs afkómelingcn ikh ia verfcheydene deelen der werreld
vetfpreydden.
ï7. 1p\\Eeze verfcheydenheyd van taaien nood-
Gen. 10.zaakte die bykans onëyndige menigte des
vólks zich in verfcheydene vólkplantingen te
verfpreyden, naar dat Gód hen door zyne voor-
zienigheyd geleyden zoude. Aldus wierdt niet
alleenlyk het midden der aarde, maar ook de
oevers der zee met inwooners bevólkt: infge-
lyks waaren \'er die op fchepen na de eylanden
overftaken. Sommige deezer landaarden be-
houden nóg de naamen, welke degénevan wien
2y gefprooten zyn haar gaven j eenige hebben
die veranderd j en etlyke hebben zodaa-
nige naamen aangenomen, als zy , die zich
in hun land quamen neêrzetten, hen gaven
in plaats van de benaamingen welke ze te voo-
ren hadden. De Grieken zyn de voornaamfte
aanleyders deezer veranderingen geweeft:
want in laater tyden zich meefters van alle die
landen gemaakt hebbende , gaven zy aan de
vólken welke ze ondergebragt hadden , zulke
naamen en wetten als zy zelve wilden 5 om
daar door den roem te bekomen van hunne
ftichters geweeft te zyn.
VI. hoofd S T U K.
Noachs afkómelingcn tót aan Jakob. Verfcheydene landen door
hen ingenomen.
, 8 T^E zoonen der kinderen Noachs om hunne
Gen.\'10. ^ gedachtenis in eere te doen blyven , ga-
ven hunne naamen aan die landen alwaar zy
zich neêrfloegen. Aldus gaven de zeven zoo-
nen vanjaphet, die zich in Afiëvan de bergen
Taurus en Am^nus tót aan de rivier Tanais, en
in Europe tót aan Gades uytftrekten, hunne
naamen aan de landen welke zy inbezitnarnen,
en die nóg onbevólkt waaren. Gomor ftelde de
HÃSTORÃ: 3Ã
vólkplanting der Gomoritcn aan, welke de
Grieken nu ter tyd Galaten noemen : Magog
ftelde die der Magogianen. aan, welke zy Scy-
then noemen: Javan gaf den naam aan lonië
en \'t pnfche geflacht der Grieken: Mado was
de ftichter der Madeërs , welke de Grieken
Meden noemen. Thobel gaf zynén naam aan
de Thobeliërs, die men tegenwoordig Iberiërs * x
* noemt: Mefcho gaf den zynen aan de Mefchi^ de sp?ir
niers (want die van Kapadociërs, welken zy jaatden.
nu voeren, is nieuw,} cn nóg op deezen tyd
voert ééne van hunne fteden den naam van Ma-
fakaj \'t welk voor de kenners een bewys is dat
die landaard eertyds zo genoemd wierdt.
Thyres gaf zynen naam aan de Tyriërs, welker
Vórft hy was, en die van de Grieken Thra-
ciërs genoemd wierden. Alle die landaarden
zyn uyt JapliGts zeven zoonen gelprootem
Gomor die de oudfte van Japhets kinderen
was, had drie zoonen : Afchana^es die zynen
naam aan de Afchanaxiërs gaf, wellce de Grie-
ken Reginenzers noemen : Riphat die zynen
naam gaf aan de Riphateërs, welke de Grieken
Paphlagoniërs noemen : en Thy gr amme s di&zj-
nen naam aan de Thygrammeërs gaf, die van
de Grieken Phrygiërs genoemd worden.
Javan een andere zoon van Japhet teelde drie
zoonen : Alyfas die zynen naam aan de Alifi^
ërs gaf, welk menhedensdaags Eoliërs noemt:
Tharfus die zynen naam gaf aan de Tharfiërs,
welke tegenwoordig de Ciliciërs zyn , wier
voornaamfte ftad nu nóg Tarilis -^geheeten
wordt: en Cbetim die \'t eyland^ het welk men
nu ter tyd Cyprus noemt, innam, en aan \'t zel-
ve zynen naam gaf ^ vanwaar het komt dat de
Hebreen alle de eylanden en zeeplaatfen Che^^
tim noemen j en nóg ten huydigen dage wordt
ééne der fteden van \'t eyland Cyprus Citiunl
genoemd (\'t welk weynig van Chetim ver-
fcheelt) door zulke die aan alles Griekfche
naamen geeven. Deeze zyn de landaarden
welke uyt de kinderen en neeven Japhets ge-
fprooten zyn. Alëer ik den draad myner ree-
de hervatte, zal ik\'er nóg ééne zaak by voe-
gen j die de Grieken moogelyk niet weeten ^
en deeze is, dat zy om de uydpraak bevalliger
te maaken de Naamen wel veranderen 3 maar
wy niet j alzoo wy alle naamen den zelvenuyt-
gang geeven : Adamos , [by voorbèeldj blyft
byons in alledeuytgangen, Adam.
De kinderen van Cham namen Syrië in, en
al het land van de bergen Amanus en Libanon tót
aan de groote zee, \'aan \'t welk zy naamen ga-
ven die nu óf t\'eenemaal onbekend zyn, óf zo
verbafterd dat men ze naauwlyks bekennen kan.
\'t Zyn alleenlyk de Ethiopiërs, vatï welke Chus
één der vier zoonen van Cham Vórft was, die
altoos hunnen naam behouden hebben ^ en niet
alleen in dat land, maar zelfs in geheel Afië 5
noemt men hen hedensdaags nóg Chufeërs.
De Mefreërs voortgekomen van Mefré hebben
ook hunnen naam nóg behouden, want wy
noemen Egipte, Mefree, en de Egiptenaars
Mefteërs. Thute bevolkte Lybie j en noem-
de die vólken naar zynen naam Phute-
ërs. Daar is nu ter tyd in Mauritanië nóg
eene rivier welke dien naam voert 3 en verfchey-
i B 2 de-
dene Griekfche Hiftorifchryvers fpreeken\'er
van 5 gelyk ook van \'t nabuurig land het welk
zyPhute noemen, maar het heeft federd zynen
naam veranderd naar eenen zoon van Mefré ge-
naamd Z/^/i- i en ik zal in \'t vervólg zeggen
waarom men \'er de naam van Afrika aan ge-
geeven heeft. Chanan, vierde zoon van Cham,
zette zich neer in Judéa, gelyk het nu genoemd
wordt, \'t welk hy naar zynen naam Kanaan
noemde.
Chus die de oudfte van Chams zoonen was
kreeg zes zoonen > van wien de Sabeërs j
Evtlas van wien deEvileërs, welke men tegen-
woordig Gethuliërs noemt 3 Jk^/«?^ van wien de
Sabatheërs, welke de Grieken Aftabariërs noe-
men j Sabakta wien de Sabakteërsj Romm
van wien de R-omeërs gefprooten zyn : deez
had twee zoonen welker één Judad genaamd,
zynen naam gaf aan de Judadeërs, een volk dat
onder de wefterfche Ethiopiërs woont j en de
ander geheeten Sabeus gaf zynen naam aan de
Sabeërs. Noopende Nemrod , zesde zoon i
van Chus , hy woonde onder de Babiloniërs,
en maakte zich meefter van hen, gelyk ik hier i
vooren gezegd heb. \' 1
Mefré was vader van acht zoonen, die al i
het land dat \'er tuflchen Gaza en Egipte legt ;
innamen, maar van deeze acht was \'er niet meer
dan één die Thiltftinus geheeten was,wiens naam
gafj ganfchelyk niet, omdat de fteden, welke
zy bouwden, door de Ethiopiërs verwoeft zyn,
gelyk wy op zyne plaats ^ zullen zeggen. * i« \'t
Chanaan had elf zoonen, Sydonim die in Sin
Phenicië eene ftad bouwde aan welke hy zynen
naam pf, en die van de Grieken Sydon ge-^^^^f
noemd wordt > Amath die de ftad Amath fticht- Ouchc-
te, welke men nóg hedensdaags ziet, en die
dien naam onder haare inwooners behoudt,
alhoewel de Macedoniërs haar den naam van
j Epiphanië geeven naar éénen van haare Vór-
ften ; Arudem die \'t eyland Arude tót zyn deel
kreeg 5 en Armem die de ftad Arce , op den
berg Libanon gelegen , bezat. Noopende dc
zeven andere broeders , genaamd Evern, Che-
tem, Jebufem , Eudeus , Sinem y Samareus,
en Gorgefeus , daar is niets van hen dan hun-
ne naamen in de heylige Schrift overgeblee-
ven, doordien de Hebreen hunne fteden ver-
woeft hebben, om eene oorzaak die ik zal ver-
haaien.
Gen 9. Toen de aarde naa den zondvloed in haaren
voorigen ftaat herfteld was , bebouwde Noach
die als te vooren , hy plantte wyngaarden, en
zamelde op haar tyd de rypgeworde vrugt van
dezelve in > welke tot wyn bekwaam zynde,
zoo verluftigde hy zich , naa gedaane ólferan-
de met den wyn. Maar door den zei ven dron-
ken geworden , raakte hy in flaap , en leggen-
de wat meer ontbloot dan dewelvoegelykheyd
toeliet 5 zag Cham , de jongfte zyner zoo-
nen , hem in dien ftaat, en toonde hem al
fpóttende aan zyne broederen. Maar zy daar-
entegen bedekten zyne naaktheyd met zodaa-
mg een eerbiedigheyd als zyhemfchuldig waa-
ren. Noach verftaan hebbende wat \'er voor-
gevallen was , gaf hen zynen zegen ^ en uyt een
vaderlyke tederheyd Cham verfchoonende,
vergenoegde hy zich met zyne afkomelin-
gen te vervloeken ^ welke aldus om de
zonde van hunnen vader geftraft wierden ge-
lyk wv in \'t ver vóls zullen zien.
JOODSCHE
ien. bouwde de ftad Nineve, en gaf den
jiaam van Aflyriërs aan zyne onderdaanen, die
zeer ryk en magtig waaren. Arphaxad heeft
zynen naam gegeeven aan de vólkeren welke
tegenwoordig Chaldeengenoemt worden, welks
Vórft hy was. Van Aram zyn de Arameërs
gekomen, welke de Grieken Syriërs noemenj
en van Lüde zyn de Ludeërs gekomen, welke
men hedendaags Lydiërs noemt. Aram teelde
vier zoonen, waarvan C7>, Trachonitis en Da-
maskus dat tuflchen Paleftina, en Syrië dat Cce-
lo bygenaamd wordt, gelegen is, geftigtheeft:
GehjkOtrus, Armeniëj G\'^\'/>&^r,deBaktrianeni
en Mi/eas de Mezaniërs, welker land tegenwoor-
dig het dal van Pasin genoemd wordt.
Arphaxad was vader van Saks, en Sales vader
v^n Hekr, naar welken naam de Jooden van
begin af aan Hebreers genoemd zyn. Deeze
Heber had tót zoonen ^nThahg^ die
gebooren wierdt toen men de landen deelde,
want Phaleg in \'t Hebreews betekent deelino-e.
Juktan had dertien zoonen : Elmodat, Saleph ^
Azermoth, Ifrdès, Edoram, Uzal, T>aël, E-
baly Abemdél^ Sapham ^ OpkirEvilas, en
Jobel, die zich van den vloed Kophen die in
Indië IS, tót aan Aflyrië uytftrekten.
Naa dus van Sems afkomelingen gefproo-
ken te hebben, ftaat ons nu van de Hebreen,
^komftig van Heber, te fpreeken. Phaleg
Hebers zoon teelde Ragau ; Ragau teelde Se-
Tug; SerugAT^rW, en Nachor den va-
der van Abraham , die aldus de tiende van
Noach was, en 292 jaaren naa den zondvloed
gebooren wierdt. Want Thare was 70 jaaren
hïstorï xi
oud toen hy Abraham kreeg j Nachor 120 toen
hy Thare gewan j Serug had ontrent 132 jaaren
toenhy Nachor teelde; Ragau had\'er 130
toen hy Serug kreeg 5 Phaleg had den zelfden
ouderdom toen hy Ragau gewan j Heber had
134 jaaren toen hy Phaleg kreeg, Salé 130 toen
hy Heber kreeg. Arphaxad 13 y toen hy Sales
teelde, en deeze Arphaxad zoon van Sem, en
zoonszoon van Noach 3 wierdt twee * jaaren
naa den zondvloed gebooren.
Abraham had twee broeders Nachor en Aran ⢠^
Deeze laatfte ftierf in de ftad Ur in Chaldéa ^
alwaar men nu nóg zyn graf ziet, en hy liet
eenen zoon naa geheeten Loth .^ en twee dóch-^
ters genaamd Sara en Melcha. Abraham trouw-
de Sara, en Nachor nam Melcha ten wy ve.
Thare Abrahams vader een afkeer van Chal-
déagekreegen hebbende, omdat hy zynen zoon
Aran aldaar verlooren had^ verliet het zelve
en toog met zyn huysgezin na Karra in Mefo-
potamie, alwaar hy ftierfin den ouderdom van
tweehonderd en vyf jaaren, want het leeven
der menfchen begon toen allengskens zich te
verkorten. Het verminderde fteeds tót op Mo-
fes toe, en toen ftelde Gód het op honderd
twintig jaaren, zynde de tyd dien deeze groo-
te en voortreftfelyke Wetgeever leefde. Nachor
kreeg by zyne vrouw Melcha acht zoonen,
Ux, Baux, Manuel, Zacham, Azam, Thaleg,
ladelph en Bathuël en by Rama zyn bywyf
Thab, Gadam, Thavan,Qn Macham s Bathuel
een van Nachors zoonen geteeltby zyne vrouw
Melcha] : teelde eenen zoon genaamd Laban,
en eene dóchter geheeten Rebekka,
VIL HOOFDSTUK.
Abraham gecnc kinderen hebbende neemt Loth zynen neef tót ioon
aan , verlaat Chaldc\'a , cn gaat in Kanaan woonen.
en^ii A geene kinderen hebbende nam
Loth , zoon van zynen broeder A-
ran , en broeder van Sara zyne huys-
vrouw , tót zoon aan j en om
% van Gód ontvangen had ..
zaamen , verliet hy Chaldéa in den^ouder
dom van vyfenzeventig jaaren , en mng
woonen m \'t land Kanaan \'t welk hy zynen
naakomehngen naagelaten heeft, Hy was
Gen
B ^ ee«\'
\'t bevél dat!
te gehoor-
Ã
FLAVIUS JOSEPH US
rJaXXVXKJo]
een zeer wys, voorzigtig ^en verftandig man, en
zo welfpreekend dat hy alles wat hy wilde kon
aanraaden. Naardien niemand hem in begrip
en deugd gelyk was , gaf hy aan de menfchen
een volmaakter kennifiè van Góds grootheyd
dan zy te vooren hadden gehad : want hy was
de eerfte die zeggen durfde dat \'er maar één
Gód was, de Maakcr van alle dingen , en dat
het alleenlyk aan zyne goedheyd en niet
aan ons eygen vermoogen is , dat wy al ons
geluk hebben toe te fchryven. \'t Gene hem
ieydde om dus te fpreeken , was dat hy aan-
dachtiglyk aangemerkt hebbende alles wat \'er
op de aarde en de zee gefchiedde, midsga-
ders den loop der zonne > der maane , en der
ftarren , daaruyt geoordeeld had , dat \'er eene
oppermagt moft zyn die alle die beweegingen
beftierde , en dat zonder zulks alle dingen in
verwarring en w^anórde zouden vervallen : dat
zy uyt hen zeiven geen vermoogen hadden om
ons het voordeel dat wy \'er Uyt trekken , te
wege te brengen ; maar dat zy \'t zelve ontvin-
gen van die oppermagt waaraan zy volftrekte-
lyk onderworpen zyn 3 welke degéne is die
ons verpligt hem alleen te eeren , en door ge-
ftadige dankzeggingen te erkennen wat wy hem
fchuldig zyn. ^De Chaldeërs en andere vólken
van Mefopotamië niet konnende deeze reden
van Abraham infchikken ftonden tegen hem
op : weshalve hy door \'t bevél en met de by-
lland Góds uyt dat land trok om in\'t land Ka-
naan te woonen , alwaar hy eenen altaar bouw-
de , en \'er Góde eene ófeande op ófferde.
Berofus fpreekt van deeze onzen Vader Abraham
zonder hem te noemen, aldus: In de tiende eeuw
naa den zondvloed was \'er onder de Chaldeen een
zeer rechtvaerdig man^ die groot v erfland had in
de flarrekunde. Hekatéus {preekt \'er niet Hechts
in \'t voorbygaan van, maar hy heeft een geheel
boek wegens hem gefchreeven. En in \'t vierde
boek der Hiftorie van Nikolaüs van Damaskus
leeft men deeze woorden: Abraham toog met een
(rroöte bende uyt het land der Chaldeen \'t welk boven
Babiion legt, hy regeerde te Damaskus, vanwaar
hy eenigen tyd daarnaa met al zyn vólk vertrok,
e\'n zich in \'t land van Kanaan, \'t welk nu Judéa
genoemdwordt i neerzette i alwaar zyne naakome-
lingen zich op eenongelooflyke wyze vermenigvul-
digden , gelykik op een ander plaats omflandiglyker
zal zeggen. De naam van Abraham is heden ten
dage nog zeer vermaard , en in groote eere ge-
houden in \'t land van Damaskus, en men toont
daar eenenburgt die n^zheniAbrahams fVoonmg
lil
Deeze redenwifleUng maakte zyne deugd\'be-
en verwierf hem een zeer groote ach-
want deeze Wyzen van Egipte van
verfcheelende gevoelens zynde, en deeze ver-
fcheydenheyd een zeer groote verdeeldheyd on-
der hen maakende , deed hy hen zo klaarlyk
zien dat zy alle verre van de waarheyd af waa-
ren , dat zy eenpaariglyk over de grootheyt
van zyn verftand verfteld ftonden, en zich
over de gaven welke hy had om te overree-
den , niet genoeg konden verwonderen. Hy
onderwees hen ook in de Telkonft en de
Starrekunde , die hen onbekend waaren 3 en\'t
is door hem dat die weetenfchappen van d®
Chaldeen tót de Egiptenaars , en van de E-
giptenaars tót de Grieken zyn overgegaan.
Abraham Nveder in Kanaan gekomen zynde,
deelde hec land met Loth zynen neef Want
de gelcyders hunner kudden in krakkeel ge-
raakt zynde over de weyden , gaf hy \'er Loth
de keur van , behieldt voor hem. zeiven \'tgene
de ander niet begeerde, en vergenoegde zich
met de landeryen die aan den voet van \'t ge-
bergte lagen. Vervólgens nam hy zyne woo-
ning in de ftad Hebron , die zeven jaaren ou-
der is dan Tanis in Egipte. Belangende Loth,
hy koos de vlakten langs de rivier den Jordaan
en dicht by de ftad Sodom 3 die toen in een
zeer
â
1
kend ,
tinge
1
Gen
13
3-
. Il
genoemt wordt
V i II. H O O I D S T U K.
Een groore hongersnood noodzaakt Abraham na Egipte te gaan.
üe Koning Pnarao wordt verlidd op Sara. Gód bewaart haar.
Abraham komt wedci\' in Kanaan j en maakt eene deeling met Loth
zynen neef.
"O Et land Kanaan wierdt zeer gedrukt door
eenen hongersnood j en Abraham verftaan
hebbende dat \'er in Egipte te dien tyde groote
overvloed wasj befloot te eerder om\'derwaards
te gaan , doordien hy geneegen was de gevoe^
lens der Priefteren van dat land wegens de Gód-
heyd te verneemen, opdat byaldien zy beter,
danhy , onderrecht waaren , hy zich naar hun
^geloof mogt fchikken > óf indien hy beter on^
der weezen was , dat hy hen dan van zyne ken-
niftè deelachtig mogt maaken. Vermids Sara
zyne huysvrouw zeer fchoon was , en dat hy
de onmaatigheyd der Egiptenaaren kende, deed
de vreeze dat hun Koning op haar zoude ver-
lieven i en hem doen dooden , liem veynzen
dat zy zyne zufter was 3 en hy onderrechtte
haar hoe zy zich zou gedraagen om dat gevaar
te ontwyken. \'t Gene hy voorzien had , ge-
beurde 3 want het gerucht van Sar^s fchoonheyd
zich met der haaft verfpreyd hebbende, wilde
de Koning haar zien 3 en hy had haar zo dra
niet gezien, óf hy begeerde haar in zyne magt
te hebben. Maar Gód verhinderde de uytwer-
king van zyn quaad voorneemen , doordepeft
waarmede hy zyn ryk bezócht, en door den
opftand zyner onderdaanen. Deeze Vórft daar-
over met zyne Priefters geraadpleegd hebben-
de , om te weeten hoe men den toorn Góds zou
konnen ftillen , antwoordden zy hem dat het
geweld, het welk hy der huysvrouwe eens vreem-
dehngs had willen aandoen , oorzaak daaraf
was. Pharao verbaafd over dit antwoord, vraagt
de wie die vrouw , en wie deeze vreemdeling
was. Naa dat hy zulks verftaan had , deedhy
zyne verontfchuldiging by Abraham , en zey-
de hem dat hy gemeend had dat ze zyne zuf-
ter , en niet dat zy zyne vrouw was 3 en dat
hy in plaats van hem te verongelyken, geen
ander voorneemen had gehad dan verwantfchap
met hem aan te gaan. v oorts gaf hy hem een
groote fomme gelds , en liet hem toe ingefprék
te treeden met de geleerdfte mannen zyns ryks.
zeer bloeij enden ftaat was , en tegenwoordig
door Góds rechtvaerdige Wraak t\'eenemaal ver-
delgd is , zonder dat\'er het minfte fpoor van
is overgebleeven , gelyk wy in \'t vervólg zul-
len zeggen.
ix. h o o f d s t u k.
De Aflytiërs flaan in eenen veldflag die van Sodom, voeren vele ge-
vangene weg, en onder andere Loth.
leJ.14. T) ^ heerfchappy van Afië was toen in han-
\' den der Aflyriers, en \'t land van Sodom
was zeer bevólkt en ryk. Het wierdt geregeerd
door vyf Koningen: Ãa^of, Bareas, Senabar,
Symobar , en de Koning van Bale, Dè Afly-
riërs vielen met een magtig heir, \'twelk zy m
vier partyen deelden , onder \'t bevél van vier
Overften op hen aan ; en naa een bloedig ge-
vechtoverwinnaars gebleeven zynde, noodzaak-
ten zy hen fchatting te betaalen. Deeze tól
gaven zy twaalf jaaren lang j maar in het der-
tiende jaar floegen zy aan \'t muyten. De Afly-
riërs om zich daarover te wreeken, quamen ten
tweeden maale onder \'t geleyde van Marphed,
Ariochf ChodoUogomir, en Thargal, pionderden
ganfch Syrië, temden de afkomelingen der reu-
zen, en quamen in \'t land van Sodom, alwaar
zy zich legerden in het dal dat den naam van
de lymputten voerde, wegens de groeve van
jooaenlym welk alstoen daar was, maar federd
de verdelging van Sodom in een meir veranderd
is, \'t welk men Afphaltis noemt, omdat het
joodenlym daar geftadiglyk op borrelt. Zy
quamen aldaar tót een groot gevecht het welk
zeer hardnekkig was j veele van de Sodomiten
wierden\'er gedood, en veele gevangen geno-
lïien, onder welke Loth, die t\'hunner hulpe
gekomen was, zich mede bevondt.
hoofdstuk.
Abraham vervólgt dc Aflyriers, jaagt hen op de vlugt, en vcrióft
Loth nevens de andere\' gevangenen. Dc Koning van Sodem en
Melchifedceh Koaing van Jerufalem bewyzen hem groote eere.
x.
Gód belooft liem dat hy by Sara eenen xoon zal teelen. Gebooris
van Ifmaël , den zöon van Abraham en Hagar. Befnydenis van
Gód bevolen.
A Braham wierdt zo getroffen door de neder- iö,
â¢^^laag der Sodomiten, die zyne gebuuren^^"\'-
en Vrinden waaren, en door den gevangklyken
ftaat van Loth zynen neef, dat hy befloot hen
te hulpe te trekken j en zonder eenigfms te
draalen vervólgde hy de Aflyriërs, achterhaal-
de hen den vyfden nagt by Dan , één van
de oorfprongen des Jordaans , overviel hen
terwyl zy van den wyn en den flaap bevan-
gen waaren , doodde een groot gedeelte
daarvan, dreef de óverige op de vlugt, en ver-
vólgde hen deri geheelen vólgeiiden dag tót aan
Soba in \'t land van Damaskus. Deeze voor-
fpoedige uytflag toonde dat de overwinning
niet van de menigte, maarvan de kloekmoedig-
heyd der ftrydende afhangt: want Abraham had
niet meer dan driehonderd achttien mannen
van zyn vólk, en drie zyner vrinden by zich ,
toen hy dat groot heir verfloeg, en de Weynige
Aflyriërs die\'er overbleeven bergden zich in
hun land, overftelpt van fchaamte en fchande.
Aldus verlófte Abraham Loth en alle de andere
gevangenen , en keerde geheel zeeghaftig te
re.
rug;
e Koning van Sodom quam hem te gemoet 2
by de plaats die men \'t koninglyk veld noemt,
alwaar de Koning van Solyme , bet welk te-
genwoordig Jerufalem is, hem ook met groote
betuygingen van achtinge en vrindfchap ont-
ving. Deeze V órft Was genaamd Melchifedech ^
dat is rechtvaerdige Koning j en hy was zulks
waarlyk, doordien zyne deugd zodaanig was^
dat hy door een algemeene toeftemming tót
Priefter des allerhoogften Góds was aangefteld.
Hy vergenoegde zich niet met Abraham Wel
te onthaalen 5 maar hy onthaalde ook alle de zy-
nen : hy gaf hem onder het gaftmaal den lóf
die zyner kloekmoedigheyd en deugd toequam i
en deed aan Gód openbaare dankzeggingen voor
zulk een heerlyke overwinningen Abraham van
2ynâ¬
m
F L A V I tr S J O S E P H Ã |
ïé
zyne kant bopdt Melcliifedech het tiende deel
behaald had; en deeze Vórft ham \'t zelve aan.
van denbuytaan, weiken hy op zyne vyanden Noopende den Koning van Sodom,
Abraham een gedeelte van deezen roof aanboodt,
hy kon zwaarlyk befluyten zulks aan te neemen,
â¬11 vergenoegde zich met zyne onderdaanen,
die uyt de flaaverny verlófl: waaren, wederge-
kreegen te hebben : Maar Abraham verpligtte
hem daartoe, en behieldt alleenlyk eenigeleef-
tógt voor zyn vólk, en een gedeelte van de buyt
voor zyne drie vrienden Efchal, Enner en
Mambre, die hem op dit voorval verzeld had-
den.
Deeze edelmoedigheyd van Abraham was zo
28. ---------^^^^^^^^^^^^^ r ciii Wito AU
Gen. 15- aangenaam in Góds oogen, dat hy hem verzeker-
de dat zeniet onvergolden zoude blyven : waar-
op Abraham antwoordde : â Hoe konnen uwe
â weldaaden^ Heere, my verheugen, vermids ik
â niemand zal naalaaten om die te genieten en
3, bezitten.^" want hy had toen nóg geene kin-
deren. Daar op beloofde Gód hem dat hy hem
eenen zoon zoude geeven, en dat zyne naakome-
hngfchap zo groot zou zyn, dat zehetgetalder
Itarren evenaaren zoude. Thans beval hy hem
eene offerande te ófferen, \'t welk aldus gefchied-
de : Hy nam\' een driejaarige varre, eene geyt,
cn eenen ram van den zelfden ouderdom, welke
hy aan fl:ukken fneedt, en eene tortelduyf en
eene duyfj welke hy geheel ófferde, zonder die
door te fnyden. Eer hy nóg den altaar opgerecht
had , toen de vogelen rondom de flagtóffers
vloogen om op hun bloed te aazen, hoorde
hy ^ne ftem uyt den hemel, die hem voorzey-
de dat zyne afkomelingen vierhonderd jaaren
lang een groote vervolging in Egipte zou-
den lyden , maar dat zy eynddyk over hunne
vyanden zouden teegcpraalen , de Kanani-
derzelver 1
^ \' . O X---_7 --- -^»â¢Â«Â»â¦-«.xctAl.Xâ
G.U. i^, ten overwinnen, en derzelver land vermeefte-
ren.
Abraham woonde te dien tyde in eene plaats
genaamd de Eyke van Ãgis, dicht by de ff-j
Hebron , in \'t land Kanaan. En vermicï Ke>r
hem geftadig quelde te zien dat zyne huvs«
wouw onvruchtbaar was, hieldt hy niet op van
God te bidden dathy hem eenen zoon wildecree-
ven : en Gód beveiligde hem niet alleenlyk de â
belofte welke hy hem daarvan gedaan had, maar
verzekerde hem ook van alle de andere goederen
welke hy hem beloofd had toenhy hemverpho-t-
te Mefopotamië te verlaaten. ^
SarjivdoorGóds bevel, gaf thans aan Abra- .
to eene van haare dienftmaagden genaamd \'
Hagar, eene Egiptifche, opdat hy\'er kinderen
by verwekken zoude. Maar toen deeze dienft-
maagd zich zwanger gevoelde, verachtte zy haa-
re meeftereflè, en vleydde zich met de inbeel-
ding dat haare kinderen Abrahams erfgenaamen
zouden zyn. Deeze rechtvaerdige man had
een atfchuuwen van haare ondankbaarheyd, en
Itelde het aan Sards goedvinden om haar te ftraf- "
fen 20 ais \'t haar beliefde. Hagar van droef-
heyd bevangen vlugtte in de woeftyne, en
badt Godt zich haarer te ontfermen. Tn dien
Itaat beval een Engel haar weder te keeren naa
iiaaremeeftereflè, op de verzékering van be-
tere ontmoeting, mids zy zich zedig ge-
«foeg, daar de kaftyding die zy ontvan-
gen had een rechtvaerdige ftraffe over haa-
re ondankbaarheyd en trótsheyd was. Voorts
dat zy, indien ze tegen Góds bevél verder
wegging , jammerlyk omkomen zoude 5 maac
zo zy zich aan zyne wille onderwierp, dat
zy moeder van eenen zoon zoud worden, die
eens in dat landfchap regeeren zoude. 2v o-e-
hoorzaamdeverzócht vergiffenis van haare
vrouw, verwierf die, en baarde kort daarnaa
eenen zoon ^ oie wierdt, \'c welk
be-»
betekent Verhoord, omdat Gód de gebeden
van zyne moeder verhoord had.
Abraham was zesentachtig jaaren óud toen
Ifinaël gebooren wierdt, en negenennegentig
wanneer God hém verfcheèn, én tót hem zey-
de dat Sara éenen zoon baaien zoude ^ wèike
Ifaak genoemd zou Worden , wiens naakomehn-
gen zeer talryk zouden Zyn, en uyt wien Ko-
ningen voortkomen zóudén , die \'t ganfche
land Kanaan van Sidon tót aan Egipte door
hunne wapenen zouden onderbrengen. En om
zyn geflacht van andere vólken te onderfchey-
den, beval hy hem alle de mannelyke kinderen
op den achtften dag naa hunne geboorte te be-
fnydeh j van \'t welk ik elders nóg een andere re-
den zal geeven. En op \'t gene Abraham Gód
vraagde, óf Ifmaël in ^t leeven zoude bly ven,
antwoordde hy hem, dat hy zeer lang zou lee-
ven, en dat zyne naakomelingfchap zeergroot
zyn zoude. Abraham dankte Gód voor deeze
gunften, en deed zich aanftonds met zyri ge-
heel huysgezin befnyden , zynde Ifmaël reeds
dertien jaaren oud.
3z.
Gen, 18.
cn 15.
xi. hoofdstuk.
Een EBge] voorzegt Sara dat zy eenen zoon zal krygen. Twee an-
dere Engelen komen te Sodom. Gód verdelgt dic ftad. Loth al-
een bergt zich met twee dóchters en zyn wyf die in een zout pi-
Jaar veranderd wordt. De geboorte van Moab en Ammon. Gód
verhuiderd deu ÃConing Abimelech zyn quaad voornemen ontrent
Sara uyt te voeren. Geboorte van Ifaak.
J^E inwooners van Sodom opgeblaazen over
hunnen overvloed en grooten rykdom, ver-
^^ weldaaden die zy Van Gód ontvangen
hadden, en waaren niet minderweerbarftigte-
gens hem , dan moedwillig tegens de men-
fchen. Zyhaateden de vreemdelingen, en dom-
pelden zich in zeer affchuuwelyke luften. Gód
getergd door hunne mifdaaden befloot hen te
ftraffen, hunne ftad zodanig te verdelgen dat
\'tr niet het minfté teken van overbleeve, en
hun land zo te verwoeften 3, dat het nooit be-
qüaam zou zyn om eenige vrucht óf plant voort
té brengen.
Als Gód dit tegen de Sodomiten beflótén had ^
zag Abraham, aan de deur zyner wooningeby
de eylfe van Mambre gezeten , drie Engelen
voor hem. Hy hen voor vreemdelingen aanzien-
de, ftondt op om hen te groeten, enboodthen
zyn wooning aan. Deeze Engelen zyne noodi-
ging aanneemende, deed Abraham een kalf door
den, het welk gebraaden voor hen opgedifcht
wierdt, met koeken van meel-bloem. Zy zette-
den zich aan tafel onder de eyke, en \'t fcheen
als óf zy aten. Zy vraagden Abraham waar Sara
zyne huysvrouw was j hy antwoordde ,dat ze
binnen was : zy zéyden daarop dat ze naa eeni-
gen tyd zouden wederkomen,\' en dat zy haar
dan reeds moeder geworden j zouden vindeii.
die^ehoortheb-
Op deeze woorden begön zy;
bende,] telachgen, omdat zy, zelvenegent^
en haar man honderd jaaren öud zynde, zulks
onmoogelyk achtte. De Engelen toen, zonder
zich langer te verbergen, verklaardén dat zy En-
gelen waaren van Gód gezonden , de
één om
en aan te kondigen dat zy eenen zoon zouden
hebben > en de twee andere om Sodom uyt te
roeijen. Abraham ontfteld van droefheyd over
den ondergang van dit rampzalig vólk ^ ftondt
op, en badt Gód dat hy de önfchuldige niét inét
de fchuldige wilde ombrengen. Gód antwoord-
de hem, dat niemand van hen onfchuldigwas.
en dat zo\'er maar tien zulke onder gevonden
wierden, hy \'tallé de andere vergeevèn zoude.
Naa dit antwoord durfde Abraham niet meef
voor hen fpreeken. - "\'
34. De Engelen te Sodom aangekomen ^yiide,
badt Loth, die op \'t voorbeeldt van Abraham
zeer liefdaadig jegens de vreemdelingen was,
hen dat zy by hem ter herberge wilden komen.
pe inwooners deezer verfoeijelyke ftad ziende
hen zo fchoon en welgemaakt, \'drongen Loth,
by wïen zy hunnen inkeer genomen hadden, hen
m hunne handen te ftellen om hen temishande-
C len..
jg F L A V I U S J
len. Deeze rgditvserdigemamvef^ócfethenmeer
bêzadigheyd te toonen, ea hem deii hoon niet
te doen van yreemdeiingen, diezyoê pten waa^
ren , te beleedigen > enin hunneperlboiieflheG
recht van gaftvryheyd te fchemdea j waas-
by hy nóg voegde , dat indien die rédenen hen
ttiet voldeêden , hy zyne ey gene dóchters liever
aan hén wilde overgeéven; Maar ook dirwas
niet magtig hen te weêfhouden. Gód^-maa*
fchóii#oe met een oog van gramfchapdeftout-
lieyd dêezer boofwichten , üoeg hen met zulk
een blindhéyd dat zy den ingang van Loths
huys niet vinden konden , enbeilootaldat ver-
foéijelyk vólk te verdelgen. Maar Loth, door
hem hier van verwittigt, vertrok met zyne
vróuw en twee ongehuuwde dóchters j terwyl
degénen aan welke zy verloofd waaren, ver-
maant om mede te gaan, de (pót dreeven met ^
deezen raad, en die ééne van Loths gewoonlyke |
mymeringen noemden. Als toen fchoot Gód de
pylen zyner gramfchap en wraake uyt den hemel
tegen die mifdaadige ftad i zulks dat ze terftond }
met alle haar inwooners tót affche verteerd !
wierd, én die zelfde brand vernielde al het land
daaromlieene, gelyk ik in myne Hiftori Van de
Joodfche oorlogen verhaald heb. _
Loths vrouw die met hem üytging, .en tegen
35\'
1\'
O S E P H U S
Qods verbód dikwils omkeek na de ftad om
dien fchrikkelykeabrand te zien, wierdin eenen
zoutpilaar veranderd > en alzo over haare nieuws-
gierigheyd geftraft. Ik heb elders van deezen
zuyl > dicnmen ten huydigen dage.nóg ziet, ge-
Iproöken. Dóch Loth met zyne twee dóchters
week na eenen hoek lands, welke deeenigftewas
van de eantfche landftreek die van \'t vuur ver^
fchoond wierdt , en tót op deezen ftond den
naam van Zoar voert, het welk zo veel als eng
te zeggen is. Hy bleef daar eenigen tyd met
veel ongemaks , zo omdat zy alleen waaren,
als wegens de fchaarsheyd van fpyze. Zyne
twee dóchters gelooveiide dat het geheel mcn-
fchelyk geflacht vergaan was , beeldden zich in
dat het haar geoorlófd was , om \'t zelve te be-
houden , haaren vader tebedriegen. Dies kreeg
de oudfte door by hem te leggen, eenen zoon
genaamd Moaè , \'twelk betekent myn vader 5
en de jongite kreeg \'er eenen geheeten
Ammon , dat is , zoon van myn geflächt.
Van den eerften zyn de Moabiten voortge-
komen , die nóg heden een magtig vólk zyn 5
van den tweeden zyn de Ammoniten afge-
daald , en beyde bewoonen zy Coelofynë.
Aldus was het dat Loth de brand van Sodoma
ontquam.
Belangende Abraham, hy begaf zich na Cerar
Gel 10 in Paleftina, en de vreeze die hy voor den Ko-
â â ning Abimdech had, deed hem ten tweeden maa-
le veynzen dat Sara zyne zufter was. Deeze V orit
wierdtverliefd ophaar. Maar Gód belette hem
Zyn quaad voorneemen te volvoeren, door een
groote ziekte welke hy hem toezondtj en toen
liy van de Geneesmeefters verlaaten was, waar-
fchouwde de Heere hem in eenen droom Sara
geen leed te doen, omdat zy de huysvrouw van
dienvreemdehng, en niet zyne zufter was. Abi-
mèlech op zy ne ontwaakinge zich wat beter be-
vindendé, vertelde zynen droom aan degénen
die by hem waaren, en deed op hunnen raad A-
braham haaien^ totwiênhy zeyd© ,3 Dathy voor
zyne huysvrouw niet behoefde bekommerd te
weezen j dat Gód zich tót haaren befchermer
gefteld had, en dathy hem zo wel als haar tót
getuyge nam dat hy haar zuyverin zyne han-
den ftelde : dat indien hy geweeten had dat zy
zyne huysvrouw was, hyze hem met ontno-
men zoud hebben : maar dat hy gemeend heb-
bende dat zy zyne zufter was , niet geloofd
had dat hy hem eenigflns verongelykte : dat
hy hem derhalve badt geen wrók daarover te
behouden, maar Hever Gód te bidden dat
hy hem genadig beliefde te zyn. Voor\'t óve-
rige 5 dat zo hy in zyn landsgebied begeerde
te blyven, hy allerley goed onthaal Van hem
ontyangea zoude ^ en dat zo hy vertrekken
⢠" ⢠wil-
33
33
33
33
33
>5
33
35
35
S?
53
35
55
53
35
J3
-f
\'â i
1! . S.
\'i \'
ïr
\'\'I rj
lU
J
; 1. \'
â -^â â nst^-
1 1
ï;
.t :
O
»!
i
â i
-m.
wilde, hy hem Zou doen geleyden, èn hem
alles geeven wat hy in zyn land was komen
zoeken. Abrkham antwoordde hem âDat hy
met zyne huysvrouw zyne zufter te noemen,
â niets tegen de waarheyd gefprooken had,
â naardien zy zyns broeders dochter was j en
â dat hy zulks alleenlyk had gedaan uyt vreeze
â van \'t gevaar waarin zy vervallen mögt: dat
â het hem moeide oorzaak van zyne ziekte ge-
â weeft te zyn > dat hy van ganfcher harte zyne
,, o-ezondheyd wenfchte, en gaern in zyn land
â wilde blyven. Op dit antwoord gaf Abime-
lech hem land en geld, ging een verbond met
hem aan, en beveiligde zulks met eede by den
put dien men nu nog Berfabé noemt, dat is,
de put des eeds.
37. Eenigen tyd daarnaa kreeg Abraham by zyne
\' â¢^««â¢"â¢huysvrouwe Sara, vólgens de belófte hem van
Gód gedaan, eenen zoon, welken hy Ifaak
noemde, betékenende een lach, om dat Sara ge-
lachgen had, toen Gód haar, die reeds zo hoog
bejaard was , zeyde dat zy eenen zoon zoude
- baaren. Want zy was negentig, en Abraham
hondert jaaren oudt. Ifaäk wierdt den achtften
dag befneeden, vólgens de gewoonte die nóg
by de Jooden onderhouden wordt. Maar in
plaats dat zy de befnydenis op den achtften dag
naa de geboorte der kinderen verrichten, doen
de Ara&rs zulks niet voor dat2e dertien jaaren
oud zyn, om dat Ifmaël, uyt wien zy gelproo-
ten zyn, en van welken ik nu gaa fpreefcn, niet
eer dan in dien ouderdom befneeden wierdt.
xii. h o o f d stijkt"
Sara verpligt Abraham Hagar en haaren zoon Ifmacl weg tc aeaden.
£en Engel yertrooft Hagar. Ifmaëls naakomelingen.
CAra beminde Ifmaël in eerft als óf hy
^ haar eygen zoon geweeft waare, doordien ^e».
zy hem aanmerkte als eenen die Abrahams erf-
genaam zoude zyn: maar toen zy zich moedér
van Ifaäk zag, oordeelde zy \'t niet geraadeii
hen beyde tzamen op te voeden , omdat If-
maël veel ouder zynde , zich gemaklyk naa
den ^dood van Abraham zoud hebben konnen
meefter maaken. Dies raadde zy Abraham
hem met zyne moeder v/eg te zenden dóch
hy kon \'er naauwlyks toe belluyten, omdat heü
hem eenigfms onmenfchelyk toefcheen , een
kind dat nóg zo jong was, en eene vrouw die
van alles gebrék had, dus weg te jaagen. Maar
Gód gaf hem te verftaan, dat hy die voldoe-
ning aan Sara nioft geeven: en vermids Ifmaèl
nóg niet bequaam was om zichzelven té beftie^
ren, ftelde liy hem in handen van zyne moe-
der , welke hy beval weg te gaan, geevendë
haar eenige brooden en een leddere flefch vol
waters. Naa dat dit brood en water verbruykt
was , vondt Ifmaël zich zo van dorft ver-
fmacht, dat hy op \'t punt was van den geeft
te geeven; en Hagar niet konnende hem voor
haare oogen zien fterven, leyde hem neêr aan
den voet eens dennebooms, en ging heene.
Daarop verfcheen haar een Engel, toonde
haar eene bron die \'er dicht by was, en beval
haar wel zórg voor de opvoeding van haaren .
zoon te draagen, dewyl zy uyt Ifmaëls behou-
denis een zeer groot geluk te wagten hadt.
Zulk een onverwachte trooft deed haar moed
fcheppen} zy verv^ólgde haaren weg, en ont-
moette eenige herders, die haar in dien groo"
ten nood te hulpe quamen.
Toen Ifmaël tót eenen huuwbaarcn ouder-
dom gekomen was, gaf Hagar hem eene Egipti-
fche ten wy ve, om dat zy zelve in Egipte geboo-
ren was. Hy teelde d\'er twaalf zoonen by, Na-
beth, Cedary Abde\'èl, Edumas, Maffm, Me-
masi MafmeSf Kodm^ Thmmi Q^tnr^ Na-
phes en Chalmas, die al het land dat ailTchen den
Eufraat en de Roode zee is j innamen, en het
Nabathéa noemden. Van hen zyn de Arabiërs
voortgekomen, en hunne afkomehngenhebben
den naam van Nabatheërs behouden, wegens
hunne dapperheyd en Abrajbams befaamdheyd.
Ca xm
F L Ã V I U S
xiir. hoofdstuk.
offert hem zyrten zoon
ïigc alirz^ne bSolr ^^ ⢠^ekrach-
J^E tedere neyging, die Abraham zynen zoon
, ilaak toedroeg, was zo groot als ze weezen
kon, zo omdat hy een eenig kind was, als om-
dat God hem \'t zelve in zynen ouderdom ge-
geeven had. En lümk van zyne kant queet
zich zo yverig in allerley deugden , diende
Gód zo getrouwlyk , en bewees zynen vader
zulke groote dienften, dat hy hem dagelyks
nieuwe oorzaaken gaf om hem te bemmnen.
Abraham dacht dan nergens meer öp dan op
zyn fterven, en zyn eenigfte wenfch was zo-
daanigen zoon tót zynen erfgenaam naa te laa-
ten. Gód fl-ondt hem zyne begeerte toe, maar
wilde eerft zyne getrouwheyd beproeven. Hy
verfcheen hem dan, en naa hem de byzondere
genaden waarmede hy hem fteeds begunftigd
had, de overwinningen welke hy hem op zy-
ne vyanden had doen behaalen , en de voor-
ipoed die hy hem t\'elkens verleende , voorge-
houden te hebben, beval hy hem zynen zoon
op \'t gebergte Moria op te ófteren, en door die
gehoorzaamheyd tebetuygen, dathy des Hee-
ren Wille boven alles ftelde dat hem lief en
waard in de werreld was. Nademaal Abraham
overtuygd was dat geenerley aanmerking hem
ontflaan kon van Gode te gehoorzaanien, aan
Wien alle fchepfelen hun weezen verfchuldigd
zyn , fprak hy nóch tót zyne huysvrouw ,
nóch tót iemand van de zyne, van het bevél
dat hy ontvangen, en van zyn befluyt dat
hy genomen had om het uyt te voeren, uyt
vreeze dat zy zouden poogen hem daar van af
te wenden. Hy deed alles dat tót zodaanig
een vernchtinge noodig was op eenen ezel
laadcH, en trok na dien berg, nemende Ifaak
en twee dienaaren mede, die hem twee dac^-
reyzens verzelden. Aan den derden dao- za-
gen zy de plaats welke God hem aangewzen
had: thans Het hy Zyne twee knechts aan den
voet van den berg, klom met Ifaak op den
tóp, alwaar de Koning David naderhand ..den
Gen. iz.
Tempel deed bouwen, en zy bragten daar alles
wat tot eene óftèrhande noodig was, uytgeno-
men het flagtóffer. Ifaak was toen vyfentwin-
tig jaaren oud: hy ftelde den altaar toe, maar
ziende geen flagtóffer, vraagde hy zynen va-
der wat hy dan ófferen wilde. Abraham ant-
woordde hem, âDat Gód, die aan de men-â
Ichen alles kan geeven wat hen ontbreekt, en â
hen \'t gene ontneemen dat zy hebben, hen
een flagtóffer zoude befchikken indien hun- â
ne offerande-hem behaagde.
Naa dat het hout op den altaar g-eleo-d was,
%ak Abraham Ifiak aldus aan: â i%n^oon
ik heo u van Gód begeerd met krachtige ge-
beden : ik heb geen zórg ontrent u gefpaard
federd dat gy ter werreld gekomen zytj en ik
heb het als het toppunt myner wenfchen aan-
gemerkt, u tót eenen volwafl:èn ouderdom
gekomen te zien, en u, als ik fterve, tót erf-
genaam van alles wat ik bezit naa te laaten. ^^
Maar vermids Gód, naa u aan my gegeeven
te hebben, tegenwoordig wil dat ik u verhe- "
ze, lyd dan edelmoediglyk dat ik u aan hem
tot eene ófferande opdraage. Laat ons hem,
mynzoon, die gehoorzaamheyd cn eere o-ee-
ven, om hem onze dankbaaHievd te betuv-
gen voor de gunften v/elke hy ons in de vree-
de beweezen, en voor de byftand dien hv
ons in den oorlóg verleend heeft. Naardien
gy niet gebooren zyt dan om te fterven, wat
eynde kan \'er heerlyker voor u zyn , dan â
door uwen vader opgeófferd te worden aan \'
den Opperheer van \'t heelal, die in plaats \'\'
van uw leeven door ziekte op een bed, of \'
door eene wonde in den oorlóg, óf door ee-
mg ander toeval waaraan de menfchen on-
derworpen zyn, te eyndigen, u waerdicr ge-
acht heeft, uwe ziel in zyne handen weder
te geeven in ^t midden der gebeden en óffer-
anden, mn voor altoos met hemvereenigd
te zjn? Dus ^doende zult gy mynen ouder-
dom vegrooften , door voor my Góds by-
Itand te verwerven, m plaats van die welke â
ik van u behoorde te ontvangen, naa u zo â
zorgvuldig opgevoed te-hebben.
5>
35
3>
55
3?
35
35
31
35
35
y
J O O D S C H
Ifaäk als een waerdige zoon van zulken voor-
treffelyken vader, Hoorde dit gefprék niet al-
leenlyk zonder verbaafdheyd, maar met blyd-
fciiap aan, en antwoordde hem: Dat hy on-
â waerdig zou geweeft zyn gebooren te wor-
â den, indien hy weygerde zyne wille te ge-
â hoorzaamen> inzonderheyd wanneer dezelve
â met die van Gód overeenquam. Dit gezegde
hebbende ftrekte hy zich op\'t altaar uyt om ge-
ófferd te worden ^ en deeze groote offerande
zou volbragt geweeft zyn, indien Gód het niet
verhinderd hadde. Hy riep Abraham by zyiien
naamj verboodt hem zynen zoon tc dooden,
cn zeyde, â Dat het gene hy bevolen had Dm
hem te ófferen , niet was om hem den jónge-
hng te ontneemen naa hem denzelven gegee-
â ven te hebben, óf omdat hy in \'t vergieten
3, van menfchen bloed behaagen nam 3 maar al-;
â leenelyk om zyne gehoorzaamheyd tebeproe-
â ven. Dat , nu hy zag met welk een y vee en ;
getrouwheyd hy hem gehoorzaamd had, hy
zyne óff^erande aannam, cn tot vergeldinge
daarvan beloofde , dat hy nooit in gebreke
â zou blyven van hem en zyn ganfche geflacht
3, by te ftaan: dat deeze zoon dien hy hem op-
3, geófferd had, en welken hy hem wedergaf,
â gelukkiglyk en zeer lang zoude leeven j dat
â zyne naakomelingfchap doorluchtig zoude
3, zyn door een lange reeks van dappere en
3, vroome mannen : dat zy door hunne wape-
â nen het geheele land van Kanaan zouden on-
3, derbrengenj en dat hunne faam onfterflyk,
3, hunne rykdorn zo groot, en hun geluk zo
3, ongemeen zou zyn, dat zy van alle de an-
3, dere vólken benyd zouden weezen.
Naa deeze voorzegging deed Gód eenen
ram te voorfchyn komen, oni tót een flagt-
óffer geófferd te worden. Deeze getrouwe va-
der, en deeze wyze en gelukkige zoon, ver-
rukt van blydfchap over de grootheyd deezer
belófte, omhelfden eikanderen, volbragten de
óff^erande, keerden weder na Sara j -en Gód al-
le hunne voorneemens wel doende uytvallen,
bekroonde hen met gelukzaligheyd al \'t óveri-
ge van hun leeven.
xiv. h o o F D S T U li.
De dood van Sara Abrahams huysvrouw.
40. TJEnigen tyd daarnaa ftierf Sara, oud zynde
Gcn.zj.X-ijiQnderd zevenentwintig jaaren, en wierdt
te Hebron ter aarde gebragt, alwaar de Ka-
naaniten haar de begraavenis hadden aange-
booden3 maar Abraham wilde liever tót dien
eynde zelf zich van een ftuk lands voorzien,
"twelk hy van eenen inwooner van Hebron ge-
naamd Ephrem voor vierhonderd fikelen.kóFt,
en alwaar hy en zyne naakomelingen veele graf-
fteden maakten.
xv. hoofdstuk.
Abraham naa Saräs dood trouwt Chetura. Wat kinderen hy by haar
en derzelver naakomelingen. Hy huuwelykt zynen zoon
Ifaäk uy: aan Rebekka, dóchter van Bathuël en zufter van Laban.
41. à Braham trouwde naa Saräs dood met Che-
en kreeg\'er zes zoonen by , alle on-
vermoeid in den arbeyd, en zeer kloekzinnig.
Hunne naamen waaren Z^^^rö«, Ma-
äan9 Madmi Lufukk^xk Susf
5?
35
53
E H Ã S TO RI 2i
Sus teelde twee zoonenAte, t\'i\\T>adm,
Welke LatuÃm, Jfur en Ltiom gewon. Ma-
dian had vyf zoonen, Ephas, Ãphres, Ajtoch ^
Ebïdas, en Eldas. Abraham raadde hen alle
zich in andere landen neêr te flaan j v/^arop zy
Troglotide, en al dat gedeelte van gelukkig A-
rabië \'twelk zich tót aan de roode zee uytftrekt,
innamen. Men meent ook dat Oplires, waar-
van zo even gemeld is, door de wapènen Ly-
bië bemagtigde, en dat zyne naakomelingen
zich daar neêrzetteden, en \'t naar zynen naam
Afrika noemden, \'t welk Alexander Polyhiftor
met deeze woordcïi beyéftigt : fPropheet
Kleodemtis toegenaamd Makhus, die op \'t voor-
beeld van den ffetg0ver Mofis eene Hifiori der
Jooden heeft gefchreeven y zegt dat Abrahmn by
Chetura veele kinderen geteeld heeft. fVaar van
hy^ \'erÃrie poemt y Aphräm, Sur en JÃphram ;
willende dat Sm den nmm aan Syrie y Aphram
aan deÃad Aphra^ m Japljram aan Afrika ge-
geeven heeft i en ddt zy infLybïè tegen Antheus
onder- tgeieyde van HerkuksÃreedm. Hy voegt
\'er by , dat Herkules met de dóchter van A-
phram trouwde, en dat hy eenen zoon by haar
teelde genaamd Dedor, die vader was van So-
plio, -van wien de Sophaces iiuniicii naam ont-
leend hebben. .,â
_ Toeiilikak den ouderdom van ontrent veer-^
tig jaaren bereykt had, wierdt Abraham teraa-
de hem uyt te huuwelyken , en liet tót dien
eynde zyne gedachte gaan op Rebekka, de
dochter van Bathuèl zyns broeders Nachors
zoon. Om haar dan ten huuwelyk te verzoe-
ken, koos hy den oudften zyner dienaar en
welken hy door eede verpligtte, doende hem
de hand onder zyne heup leggen, dat hy zou-
de naakonien \'t gene hy. hem beval: en hy gaf
hem zulke raare gefclienkeii\' mede, dat ze niet
anders als geacht konden zyn in een land daar
men nóg nooit iets diergely ks gezien had. Deeze
getrouwe dienaar was lang onderwege eer liy in
de ftad Karran quam, omdat liy Mefopotamiè"
moft doortrekken, alwaar men niet alleenlyk
veele roovers ontmoet, maar \'s \\vinters zeer
quaade wegen heefc , en des zomers door dé
fchaarsheyd van water zeer veel moet lyden.
Wanneer hy in de voorftad gekomen was,
zag hy veele dóchters die na eenen put gingen
om water te haaien: daarop badt hy Gód, dat
indien \'t zyne wil was dat Rebekka met zyns
meefters zoon zoude trouwen, zy onder die
dóchters mögt gevonden worden 3 en dat de
andere weygerende hem water te geeven, hy
haar zou moogen kennén aan de beieefdheyd
met welke zy hem \'t zelve aanbood. Thans\'
quam hy by den put, en verzócht die dóchters
hem wat waters te willen geeven. Alle de an-
dere antwoordden hem dat het rnoeijelyk te
fcheppen Was, en dat zy voor haar zelve zo
veel van noode hadden, dat zy\'er hem niet van
geeven konden. Rebekka hoorende haar dus
fpreeken, zeyde haar dat zy zeer onbeleefd
waaren, dat ze zulks eenen vreemdeling wey-
gerden, en daarop boodt zy \'t hem zeer goed-
aardiglyk aan. Zulk een gunftig begin deed dee-
zen verftandigen dienaar hoopen dat de uytflag
Ym ^jm KCjZQ gelukkig zoude zyai. Hy be-
C i \' dank"
dankte haar, cn om zieh nóg meer in 2;yncgii-
fing te verzékeren 5 verzócht hy van haar ce
weeten wie degéne waaren, die \'t geluk had-
den van haar tót eene dóchter te hebben. Waar-
by hy voegde, dat hy wenfchte dat Gód haar
de genade bewees van eenen man aan te treffen
die haarer waerdig was, en by wien zy kinde-
ren kreeg die haare deugden erfden. Deeze
wyze dóchter antwoordde hem met dezelfde
beleefdheyd : â Rebekka , zey zy , is myn
naam, die van myn vader was Bathuël , die
â reets geftorven is : federt zyn dood heeft
â Laban myn Broeder, die met myne moeder
â het huysgezin beftiert, voor my zorg ge-
â dragen. â Deeze man toen met groote blyd-
fchap ziende dat liy niec langer behoefde te
twyfelen óf Gód hem in zyn voorneemen ook
byilond , boodt Rebekka eenen halsketen aan,
nevens eenige andere vercierfelen tót optooi-
jinge van dóchters pafïènde, en badt hpr die
CU ontvangen tót een teken van erkenteniffe der
gunfte, welke zy alleen onder alle haare gezel-
linnen de goedheyd gehad hadde van hem te
bewyzen. Vervólgens verzócht hy haar dat
zy hem by haare bloedvrinden wilde brengen,
omdat de nacht ophande was , en dat hy ju-
weelen van groote waarde by zich hebbende,
die nergens veyliger geloofde te koiinen ber-
gen dan by haar : waarby hy voegde, dat hy
nyt haare deugd van die haarer näbeftaande
oordeelende, niet twyfelde óf zy zouden hem
ontvangen j en dat hy niet voorhad t\'hunnen
latte te weezen, maar dat hy alle zyne kóften
wilde betaalen. Zy antwoordde hem, dat hy
geen ongelyk had een goed gevoelen van haa-
re maagen te hebben j maar dat hy \'er niet
gunftig genoeg van oordeelde, indien hy dacht
dat ze iets voor hem te herbergen zouden be-
geeren : dat zy de gaftvryheyd veel beter on-
derhielden : dat zy zou gaan om \'er haaren
broeder van te verwittigen, en dat zy hem ver-
vólgens zou komen haaien. Thans ging zy
heenen, en volbragt het gene dat zy hem be-.
loofd had, Laban beval daarop zynen knech- i
ten de kameelcn tc bezorgen > en noodigde zy-
nen gaft ten avondmaaL Toen zy van den ta-
fel opgeftaan waaren j zeyde Abrahams dienaar
tót hem en tót de moeder van Rebekka: â A- â
braham, zoon vanThare is uw bloedverwant 3 â
Nachor, grootvader deezer kinderen, waar- ,,
van gy ó Mevrouwe , moeder zyt, was A-
brahams eygen broeder. Deeze Abraham is
myn meefter, en heeft my tót ulieden gezon-
den om deeze dóchter ten huuwelyk te ver-
zoeken voor zynen eenigften zoon en eeni-
gen erfgenaam van alle zyne goederen. . Hy
had wel eene van de rykfte vrouwen zyns
lands voor hem konnen verkiezen 3 maar hy
achtte dat hy deeze eerbiedigheyd aan die
van zyn geflacht behoorde te bewyzen, dat
hy zich niet aan een vreemd huys vermaag-
fchapte. Begunftigt zo \'t u belieft zyne be-
geerte, en bewilligt \'er met blydfchap toe
omdat ze buyten irwyfel met Gods wille over-
eenkomt, naardien hy boven den byftand â
dien hy my op myne reyze verleend heeft, â
my deeze deugdzaame dóchter en uw huys â
20 gelukkiglyk heeft doen aantreffen. Want â
hebbende toen ilc by de ftad quam verfchey- â
dene dóchters gezien, die gingen om water â
te putten, wenfchte ik dat zy ééne van\'t ge- 55
tal waare, en dat ik haar mogt komen te
kennen 3 het welk alzo ook quam uyt te val- â
len. Naa dat dan Gód ulieden heeft doen â
zien dat dit huuwelyk hem aangenaam is, â
zoo wilt het niet weygeren, maar het ver- ,,
zoek, dat Abraham u door my doet, toe- â
ftaan Zulk een voordeelige voorflag, van
welken Laban en haare moeder niet konden
twyfelen óf\'t zou Gode zeer aangenaam zyn,
wierdt met zodaanig een genoegen als men
zich verbeelden kan, van hen aangenomen.
Zy zonden Rebekka heene, en Ifaak trouwde
met haar, zynde reeds in \'t bezit van al zyns
vaders goed, vermids de kinderen welke Abra-
ham by Chetura geteeld had, zich in andere
landfehappen hadde» ijeérgezét.
HOOFD-.
55
33
33
33
>3
35
55
35
35
35
35
35
3 35
XVL HOOFDSTUK.
Abrahams dood.
A Braham overkedt kort na IlHks ^^^
â¢A,vas uytmuntend in allerley deugden , en,
om zyneiytftekendegódsvrugt, «peenbyzon-
dere lyze van Gód geliefd en begunftigd , Hy
leefde Lnderd vyfenzeventig jaaren : enlfeak
en Ifmaël zyne zoonen begroeven hem te He-
bron by zyne huysvrouw Sara.
xvii. h o o F D s T U K.
Rebekka baart Efau en Jakob. Een groote hongersnood doet Ifaäk
uvt het land Kanaan trekken : en hy woont eenigen tyd in \'t land
van den Koning Abimelech. Efaus huuwelyk. Ifaakdoor Jakob
bedrooaen geeft hem zyne» zegen , meenende dat hy dien aan
Efau gaf. Jakob begeeft zich na Mefopatamie om zyns broeders
gramfchap te ontwyken.
44 "D Ebekka was zwanger toen Abraham ftierf.
Gen? Z5. en dat op zulk een ongemeene wyze , dat
Ifaäk voor haar beducht zynde , van Gód ver-
zócht te weeten hoedaanig de uytflag dier be-
zwangerheyd zyn zoude. Gód antwoordde
hem dat zy twee zoonen zoude baaren , uyt
welke twee vólken , die hunnen naam zouden
voeren, voortkomen zouden, maar dat de jong-
fte magtiger zou zyn dan zyn broeder. Men
zag kort daarnaa de uytkomft dier voorzeggin-
ge , Rebekka beviel van tweelingen ^ welker
oudfte ganfch haairig was , en de jongfte had
hem by de hiel gevat toen hy ter werreldquam.
De oudfte wierdt wegens de haairighey d , waar-
ften noemde men , en Rebekka beminde
hem veel meer dan haaren oudften.
4p. Het land Kanaan wierdt ter zelfder tyd door
C3en. eeii\' grooten hongersnood gedrukt, en in Egyp-
te daarentegen was een groote overvloed: wef
halve Haak befloot derwaards te gaan : maar
Gód beval hem te Gerar teblyven. Overmids
\'er groote vrindfchap tuflchen den Koning Abi-
melech en Abraham geweeft was , betoonde
die Vórft hem in \'t eerft ook veel toegeneegen-
heyd. Maar toen hy zag dat Gód hem in alles
beo-unftigde, wierdt hy\'er nydigom, endeed
hem vertrekken. Hy ging dan na eene plaats
genaamd Pharan, betékenende een dal, ^twelk
dicht by Gerar lag ^ aldaar wilde hy eenen put
eraaven j maar Abimelechs veehoeders quamen
Sewapender hand om zulks te beletten : en de-
wyl hy niet gezind was zich tegen hen ter wee-
re te ftellen, liet hy de plaats aan hen over,
waardoor zy zichzelven vleyden dat zy hem
met geweld daartoe gedwongen hadden, fchoon
hy vrywilligen afftand had gedaan. Hy begon
daarnaa eenen anderen put te delven, en wierdt
daarm weder door andere herders verhinderd.
Ziende zich dus den voet dwarsgeze , be^
hy zeer voorzigtiglyk een gunftiger gelegenheyd
af te wachten , en die tyd quam Wel haaft
want Abimelech gaf\'er hem verlóf toe, en daar-
op groef hy \'er eenen dien hy Rohobotli noem-
de , dat is groot en wyd. Noopende de twee
andere welke hy begonnen had , den eenen
noemde hy Hefek , dat is krakkeel, enden an-
deren Sithnath , dat is vyandfchap.
Terwyl nu Gód dagelyk§ nieuwe zégemngen
^eii. ij
Als nu deeze zo rechtvaerdige man, reeds af- 47. ^
gemat was van ouderdom, en daar beneven zyn
gezigt verlooren had, deed hy Efau by zich
komen , en zeyde tót hem, ,3 Dat hy niet lan-
ger de klaarheyd van den dag konnende zien, ,,
nóchte Gód zo naauwkeuriglyk dienen als hy
gewoon was , hem eer hy ftierf zynen zegen
wilde geeven : dat hy derhalve ter jagt zoude
gaanjcn hem \'t gene hy ving ten eeten brengen :
dat hy daarop Gód bidden zoud altoos zynen
befchermer te willen zyn, vermids hy den kley-
nen tyd, die hem nóg overig was te leeven, met ,3
beter konbefteeden, dan den Heere hem gu n- jji
fticr te maaken. Efau vertrok aanftonds om dit
bevél uyt te voeren. Maar Rebekka , welke
wenfchte dat Góds zegen op zynen broeder j en
niet op hem, mogte vallen, alhoewel zulks het
oop-merk van hunnen vader niet was, bèval Ja-
kob een geytje te dooden, en het gereed te maa-
ken om\'er hen van te laaten eeten. Hy gehoor-
zaamde 3 en toen het avondmaal bereyd was/
bedekte hy zyne armen en handen met het gey-
ten-vel, op dat Ifaäk hem aanraakende ^ mee-
nen zoude dat hy Efau was j want dewyl zy twee-
lingen waaren , geleken zy in al \'t óverige naar
eikanderen. Vervólgens ^ boodt hy hem aait
\'t c^ene hy gereed gemaakt had , maar \'t was
nie^ zonder groote vreeze, dat indien het bedróg
uytlekte , hy hem zynen vloek zoude geeven in
plaats van den zegen: want Ifaäk tót hem fpree-
cende , bemerkte in zyn antwood eenig otider-
fcheyd tuflchen zyne ftem en die van zynen
broeder. Weshalve Jakob Zynen arm uytftrek-
te , en Ifaäk denzelven aangeraakt hebbende
zeyde tot hem: â Uwe ftem ^ myn zoon|
fchynt my die van Jakob te weezen, maar het ji
haair dat ik op uwe armen voel, doet my ge-\'
looven dat gy Efauzyt. Ifaäk aldus geen mis-\'
trouwen meer hebbende > deed thans zyn gebéd
^ " ..........
over Ifaäk uytftortte, deeden zyne voorfpoed
en rykdom Abimelech vreezen , dat deoorzaa-
ken welke hy had om zich over hem te beklaa-
gen , dieper indruk op zyn gemoed zouden maa-
ken , dan de gedachtenis der vrindfchap welke
hy hem in den beginne betuygd had, en dathy
daardoor mögt aangeleyd worden om zich te
wreeken. Om hem derhalve niet tót vyand te
hebben , quam hy by hem verzeld met éénen
der voornaamften van zyn Hóf , Phikol ge-
noemt , om hun verbond te vernieuwen, \'t V iel
hem niet zwaar tót zyn oogmerk te komen, oni
dat Ifaaks goedaardigheyd, uyt herdenken van
de oude vrindfchap diens Vórfts jegens hemen
zynen vader Abraham , hem gemaklyk alle de
quaade bejégeningen deeden vergeeten.
Efau veertig jaaren oud geworden zynde
trouwde met Ada dóchter van Helm, en Altbame
dóchtervznEfebeon, beyde Vórften der Kanaa-
niten. Hy had van zynen vader geen verlóf
tót dat huuwelyk verzócht, want die zoud het
hem nooit toegeftaan hebben, omdat hy \'tniet
goedkeurde , zich met de inwoonders van dat
land te vermaagfchappen. Niettemin liet hy
het toe zonder daar tegen te fpreeken , omdat
hy zynen zoon niet wilde voor \'t hoofd ftooten
door hem het te rug zenden zyner twee vrou^
wen te beveelen.
f L A VIXJÃ JOSEPHUS
had dat zyn vader millioegd was over de vcr-
maagichappmge welke hy met de Kanaaniten
had aangegaan, h^d toen Bafemmatby Ifmaëls
dóchter, getrouwd, en beminde haar meer dan
eenige van de andere zyner wy ven.
XVIII H O O F D S T U K.
Jakobs p^igt in \'c land ^naan , alwaar God hem aHerley Peluk
voor hem en zyne iiaakomelinocn belooft. Hv trouwr in M r
poram.ë niet Le/en Rachel Labans dóchters Hy^4nXh vS
om weder na zyn land te kcercn. Laban vervólgt "m nla S
worde van (^dbefchcrmd. Hy worftdc rnet c^en cn
verzoent z.ch met zyne.1 broeder Efau. De zoon des Konmgsvah
Sichern fchendt Duia Jakobs dóchter. Simeon en Levi haär broe-
ders doen alles in de ftad Sichern door \'c zwaerd fncuveien. Ra-
chel baart Benjamin cn fterft. Jakobs knideren.
JAkob dan , met het goedvinden zyns vaders, 40
door zyne moeder na xMefopotamiê eezon-«^â¢^ ^\'
den zynde , om met eene dóchter van zynen
oom Laban te trouwen , reysde door het land
der Ivanaaniten : maar omdat die landaard by
hem gehaat was, ging hy in niet één van haare
miyzen. Hy lag op \'t veld , en had tót zvne
üootdpeiiluw met dan fteenen. Terwylhy fli\'ep
had hy m eenen droom diisdaanig een gezio-t â¢
Het fcheen hem toe dat hy eenen ladderzat die
van de aarde tót aan den hemel reykte , en dat
eenige doorluchtige en meer dan menfchelyke
perfoonen langs dien ladder afklommen > en dat
Gód endelyk daar boven verfcheen , hem by
zynen naam riep , en tótheïnzeyde. â Jakob,
nademaal gy een\' treftelyken man tót eenen â
vader hebt, en dat uw grootvader zich door â
zyne deugd vermaard gemaakt heeft, waar- â
om zytgy dan dus neêrflagtig door droeflieyd ? "
vat beter hoope op > u hangen groote o-oedè-
ren over\'t hoofd j en ik zal u nooit Wrlaa-
ten. Toen Abraham uyt Mefopotamië ver-
dreeven wierdt deed ik herxi hier komen ⢠u-
wen vader heb ik gelukkig aemaakt, en ey \'\'
zult het metmmderzyndanliy. Scliepmoed, ,,
vervólg uwen weg , en vrees niet onder myn â
geleyde. Uw huuwelyk zal uytvallen zo als â
gy begeert : gy zult veele kinderen hébben, â
en dier kinderen zuUcn ontelbaar zyn. Ik â
33 zal
tó (ieczervoege: ,, Eeuwige Gód van wien alle
â fcliepfelen liun weezen ontvangen hebben, gy
j, hebt mynen vader overvloed van goederen ver-
â leend : ik ben aan u verfchuldigd voor alle dee-
3, ze welke ik bezit j en gy hebt beloofd myne
53 naakomehngen nóg gelukkiger te maaken. Be-
55 kragtig, Heere, door de uytwerkinge de waar-
\' heyd uwer woordenden verfmaad de z wakheyd
niet in welke ik my bevmde, naardienzemy
uwen byftand nóg meer doet van noode hebben
Wees, zo\'tu belieft, debefchermervandee-
â zen knaap dien ik u aanbiede j bewaar hem voor
allegevaaren, doe hem een geruft leeven ley-
den 3 ftort met volle handen op hem uyt de
goederen waaraf gy meefter zyt; maak hem
ontzaglyk voor zyne vyanden^ en geeft dat
zyne vrinden hem beminnen en eeren.
Naauwlyks had Ifaäk dit gebéd uytgefproo-
ken , óf Efau, voor wien hy \'t meende gedaan
te hebben , quam te rugge van de jagL Hy
bemerkte alstoen zyne dwaahng en zeyd het
hem , maar zonder zich daarover teontftellen.
Efau badt hem dat hy ten minften \'t zelfde ge-
béd voor hem tót Gód wilde doen , \'t welkhy
voor zynen broeder gedaan had. Hy antwoord-
de hem dat hy zulks niet doen kon , omdathy
ter gunfte van Jakob alles gedaan had wat van
hem afhing. Efau moeijelyk van droefheyd
dat hy zich dus bedroogen zag, kon zyne traa-
nen niet inhouden ^ en zyn vader Wierdt\'er zo
door geraakt , dat hy hem eenen anderen zegen
gaf, zeggende, â Dat hy en zyne af komehngen
â in de oefening der jagt, m de konft des oorlógs,
33 en in alle andere bedryven van kracht en dap-
33 perheyd zouden uy tmunten, en een altoosduu-
33 renden roem bezitten: doch dat zy Jakob en zy-
33 nenaakomeiingfchapzouden dienftbaar zyn.
Kebekka om Jakob te redden van \'t jrevaar
dat de wraakzucht van zynen broeder Efau haar
deed vreezen, overreedde Ifaäk hem na Mefo-
potamie te zenden , om daar eene vrouw uyt
zyn geflacht teneemen : en Efau, die bemerL
3i
3)
53
S3
35
33
3?
2.8.
,33
33
35
zal dit land onderworpen maaken aan henen
5, hunne naakomelingen , die zich zo zullen
â vermenigvuldigen , dat alle landen en zêën,
welke de zon befchynt, daarvan bevolkt zul-
len zyn. Laat u dan door geen arbeyd nóch
gevaaren verfchrikken : van nu af aan draag
ikzórg voor u en zalin het toekomende nóg
55 rneer voor u zórgen.
50. Zulk een gunfbig gezigt vervulde Jakob met
v^rtrooJdinge en. blydrchap j hy zuyverde den
fteen op welken hy met zyn hoofd gelegen had
toen hem zulk een groot geluk voorzegd wierdt,
en hy deed eene gelófte, dat indien hy gelukkig
wederkeerde , hy ter zelfdcr plaatfè Gode een
ófferande opófferen , en dat hy hem het tiende
van allezyne goederen geven zoude , \'t welk hy
daarnaa getrouwelyk volbragt. Hy gaf ook, om
die plaats vermaard temaken, aan haar den naam
van Bethel, dat is, \'t huys Góds. Thans ver-
vólgde Iiy zyne reyze na Mefopotamië, en quam
Cen.i^, eyndelyk te Karran aan. Hy ontmoette in de
voorftad eenige herders , jonge knaapen en
dóchters, zittende op den rand van eenen put 5
dies verzócht hy hen óf zy heffl eens te drinken
wilden geeven 5 en met hen aan de praat gekomen
zynde , vraagde hy. hen óf zy niet eenen man
kenden geheeten Laban , en óf die nóg in\'t lee-
ven was. Zy antwoordden datze hem alle zeer
wel kenden, en dat hy een man van al te veel aan-
ziens was om niet bekend te zyn j dat hy eene
dóchter had die doorgaans met hen na \'t veld
ging 3 dat ze zich verwonderden dat zy reeds
-niet al gekomen w^as 3 en dat hy van haar alles
izou konnen verneemen wat hy begeerde te wee-
ten. Terwyl zy dus\' tzamen fpraken quam de
dóchter, genaamd verzeld met haare her-
ders , aangetreeden. Daarop toonden ze haar
Jakob , en zeyden haar dat die vreemdeling hen
naar de gezondheydhaars vaders gevraagd had.
Zy nóg jong en zeer gulhartig zynde betuygde
blyde te weezen dat zy Jakob zag , vraagde
hem wie hy was ^ vanwaar hy quam, en wat
de oorzaak zyner komfte was 3 waarby zy voeg-
de dat ze wenfchte dat haare ouders hem alles
wat hy van hen begeerde mogten geeven. Zulk
een groote goedaardigheyd, endatzejakobzo
na beftondt, trof hem geweldig, maar nóg meer
wierdt hy door haare fchoonheyd bevangen ,
die zo ongemeen was dat hy \'er oVer verfteld
ftondt. 5, Nademaal gy, zeyd hy, de dóchter
van Laban zyt, kan ik zeggen dat de verwant-
fchap die\'er tuffchen ons is, ouder is, dan onze
geboorte. Want Thare had Abraham , Na-
chor , en Arran tot zoonen. Bathuël uw groot-^
vader was de zoon van Nachor 3 en Ifaak die
5, myn vader is , is de zoon van Abraham en Sa-
55 ra Arrans dóchter. Maar Wy beftaan elkande-
55 ren nóch nader 3 want Rebekka myne moeder
55 is de eygene zufter van Labanuweiivaderj zo
55 dat wy volle nichten en neeven zyn. Ik kom
35 u heden dan bezoeken om myne pligt by u af te
leggen , en zulk een namaagfchap te vérnieu-
â wen. Rachel die haaren vader zo dikwijs had
hooren fpreeken van Rebekka , en van de be -
geerte die hy had om eenige tyding van haar te
verftaan , was zo verrukt van blydfchap over
dit befcheyd , dat zy Jakob al weenende om-
helfde, en hem zeyde, âDat haar vader cn
55
55
55
55:
55
33
33
33
35
\'t gantfchehuysgezin ZO geftadig aan Rebekka ,3
dachten , dat zy \'er t\'elkens van fprakeii 3 en ïy
dat dewyl hy hen niet meer zou konnen ver- 53
pligten , dan met hen bericht te gèeven aan-
gaande eene perfoon die hen zo liefen waard ,3
was, zy hem verzócht haar te vólgen, om ,5
hen dat vermaak niet een oogenblik te onthóu- â
den. Daarop bragt zy hem by Laban, dié zy-
nen neef ziende toen hy hem\'t minft verwacht-
te, geen minder blydfchap had, danjakobgé-
voelde door zich in veyligheyd by hem te be-
vinden. Eenige dagen daarnaa vraagde Laban
hem hoe hy had konnen befluyten zynen vadei-
en moeder te verlaaten, in eenen ouderdom dat
hy hunne byftand nóg zo zeer vah nöode had:
en ter zelfder tyd deed hy hem aanbieding van
alles wat in zyn vermoogen was. Jakob om zy-
ne begeerte te voldoen , vertelde hem al wat\'er
in hun huysgezin was voorgevallen. Hy zeydé
hem dat hy en zyn broeder tweelingen waaren,
en dat Rebekka haare moeder he\'m meer bemin-
nende dan Efau haaren oudften, door haare be-
hendigheyd te wege had gebragt, dat hun va-
der hem zynen zegen gegeeven had met alle de
voordeelcn daar nevens gaande , in plaats van
dien aan zynen broeder te geeven : Dat Efau,
uyt wraakzucht alle middelen zoekende om
hem te dooden, zyne moeder hem bevolen had
zyne toevlugt te neemen by hem als zynen naa-
ften bloedverwant van haare zyde 3 en dat hy al-
dus in den ftaat waartoe liy zich gebragt zag,
alleenlyk op Gód en hem vertrouwde.
Laban door dit gefprék bcwoógèii, belooft
hem alle byftand, zo uyt aanmerkinge van hun
verwantfchap, als om aan hem te betuygen de
vrindfchap, welke hy jegens zyne zuilerichoort
zo lang en verre afvveezende, behouden had/
Hy zeyde hem dat hy hem een volkomen gezag
over alle zyne veehoeders wilde geeven 3 en da^t
wanneer hy weder na zyn land keerde, hy door
de gefchenken wélke hy alsdan van hem ftond
te ontvangen, zyne dankbaarliéyd eh vrind-
fchap bemerken zoude. . Dewyl Jakob reeds
een zeer groote geneegenheyd tot Rachel had,
antwoordde hy hem, dat \'er geen arbeyd zou
zyn die hem met ligt zoude fchyneii in zynen
dienft-, en dat hy zulk een groote achting had
voor Rachels deugd en haare goedheyd waar-
door zv hem t\'zynen huyze gebragt had , dac
hy geen andere belooning zyner dienften
eyfchte , dan haar ten huuwelyk te moogen
hebben. Laban aanhoorde dien voorflag met
blydfchap , en betuygde hem dat hy niemand
liever tót fchoonzoon begeeren Zoud©: maar
dat hy dan eenigen tyd by hem zou moeten bly-
ven, omdat hy niet befluyten kon zyne dóch-
ter na\'Kanaan te zenden, en dat het hem zelfs
moeide dat hy zyne zufter na zulk een vér afge-
legen land had laaten vertrekken. Jakob nani
de voorwaarde aan j en beloofde hem zeven
jaaren te zullen dienen, zeggende dat liy bly cl
was een gelegenheyd gevonden te hebben, om
hem door zyne vlyt en dienften tebetoonen dat
hy der vermaagfchappinge iiiet hem niet on-
waerdig was.
Toen de zeven jaaren verftreeken waaren,
en Laban zich verpligt vondt zyile belóftert
naa te komen, rechte hy een exDote bruylóft
O \' " aani
brengen, deed hy\'er haare oudfte zufter,
die ganfch niet bevallig van weezen was, hey-
melyk in leggen. De duyfternis en de wyn
maakten dat Jakob niet A^oor \'s anderen daags
den bedriegelyken trek, dien men hem gelpeeld
had, bemerkte. Hy klaagde daarover aanLa-
han, die zich verontfchuldigde, omdat hy
daartoe was gedwongen geweeft door dé ge-
woonte des lands, die niet toeliet dé jongfte
voor de oudfte uyt te huuwelyken > doch dat
«^agen dit hém niet verhinderen zoude Rachel ook te
SÃt\' trouwen, vermids hy bereyd was haar aan hem
hy Laban té ^eeven, zo hy hem nóg zeven jaaren dienen
wilde. Jakob ziende dat men hem Verraft had,
én dat\'er geen verhelpen aan was, Wierdt door
zyne zucht tót Rachel bewoogen dien voor-
flag, hoewel onbillyk , aan te neemen. Dies
diende hy Laban nóg zeven andere jaaren, en
trouwde haar toen.
Deeze twee zufters hadden by haar twee dóch-
ters genaamd Zelpha en Bala, welke Laban haar
^ gegeeven had,\'niet in de hoedaanigheyd van
dienftmaagden , maar om haar gezelfchap te
houden, en haar nógtans onderdaanig te zyn.
Lea, die \'t Ondertufichen fmartte te zien dat
Jakob met Rachels liefde alleen ingenomen was,
geloofde dat hy haar ook wel beminnen zoude,
indien \'t Gode beliefde haar kinderen te gee-
ven > dies badt zy hem geftadiglyk haar die
gunft te willen bewyzen, en verwierf zulks
eyndelyk van zyn goedheyd. Zy baarde eenen
zoon dien zy den naam van Ruben gaf, om te
kennen te geeven dat zy denzelven van hem
Gen, 29. ontvangen had. Zy kreeg \'er daarnaa nóg drie,
den éénen noemde zj Simeon, betékenende dat
Gód haar gunftig gév/eeft was j den anderen Le-
vi, dat is, fteun der vrindfchap> en den vol-
genden zynde zo veel als dankzegging.
Deeze vruchtbaarheyd van Lea maakte inder-
daad dat Jakob haar meer beminde: en de vree-
ze die Rachel had, dat deeze geneegenheyd tót
haare zufter die welke hy haar toedroeg zou
verminderen, deed haar befluyten Bala aan Ja-
kob over te geeven, die twee zoonen by dezel-
ve teelde, welker oudften zy Dan noemde,
dat is te zeggen Góds oordeel, en den jongften
Nephtali, dat is kloekzinnig, omdat zy door
behendigheyd de vruchtbaarheyd haarer zufter
beftreeden had. Maar Lea bediende zich van
dezelfde lift, en ftelde Zelpha in haaré plaats,
by wie Jakob ook twee zoonen kreeg, den éé-
nen genaamdGad, dat is, by geval gekomen,
en den anderen geheeten .^//^r, dat is weldoen-
de, om dat Lea voordeel daarvan trok.
Terwyl deeze twee zufters dus tzamen leef-
den, bragt Ruben Leas oudfte zoon zyne moe-
der eens eenige appelen van Mandragora. Ra-
chel kreeg een uytfteekende luft om \'er van te
eeten, en verzócht haare zufter dat zy \'er haar
eenige van geeven wilde. Lea weygerde zulks,
en zeyde dat zy zich behoorde te vergenoegen
met het gene zy van Jakobs geneegenheyd bo-
ven haar vooruyt had : maar Rachel om haar
te bepraaten, boodt haar aan dat zy Jakob dien
nacht aan haar wilde overlaaten. Zy nam de
voorflag aan, en wierdt zwanger van Ifafchar,
dat IS, gebooren uyt vergeldingej en vervól-
gens van ^ä/ö», dat is, pand der vrindfchap^
en van eene dóchter geheeten Dina. Eynde-
lyk had Rachel ook het vermaak van op haare
beurt zwanger te worden, en zy baarde eenen
Zoon ói^Jofeph genaamd wierdt, dat is te zeg-
gen, vermeerdering.
Dc
Schrift
zegt dat
Jacob
Rachel
ten eynde
van zeven
dan nöc
zeeven
jaaren
zoude
dienen.
Twintig jaaren verliepen \'er aldus 3 geduu- 5 Tâ¢
rende welken tyd Jakob altoos het opzigt over^"^\'^^\'
Labans kudden had. Naa zulkèn langen dienft
verzócht hy verlóf van hem Om Weder na
zyn land te keeren, en zyne twee vrouwen met
zich te neemen. Maar Laban hein zulks ge-
wèygerd hebbende, befloot hy heymeïyk weg
te trekken j en Lea en Rachel ftonden zulks
toe. Dus vertrok hy met haar, medeneemende
Zelpha, Bala, alle zyne kinderen, huysraad,
en de helft van Labans vee. Rachel nam ook
de beelden van de Goden haares vaders méde.
Zy (van Jakob onderwezen dat men zoodani-
gen dienft der Goden moet verachten} dééd dit
alleen, om daar door vryheyd te bekomen, in-
dien haar vader, hen in hunne vlugt agterhaalde.
Laban had hun vertrék zo dra niet verftaan,
óf hy zette hen naa met véél vólks, en achter-
haalde hen den zevenden dag, daar zy zich op
eenen heuvel neêrgeflagen hadden. Maar toen
hy fliep verfcheen Gód hem in eenen droom,
verboodt hem zich door zynen töorn te laaten
vervoeren om iets tegen Jakob en zyne dóch-
ters te onderneemen j en beval zich met zynen
fchoonzoon te verzoenen, zonder zich op de
ongelykheyd van beyder magt te verlaateii 5
vermids zo hy hem beftond aan te grypen , hy
zelf voor hem ftryden, en zyn befchermer
weezen zoude.
3Ã FLAVIÃSJOSEPHUS
aan : maar in plaats van Rachel in \'t bed te
De dag was zo dra niet gekomen, óf Laban,
om Góds bevél te gehoorzaamen, deed Jakob
de weet van zynen droom, en verzócht dat hy
by hem komen wilde. Hy ging derwaards
zonder iets te vreezen, en Laban begon hem
een groot verwyt te doen : â Gy kont nóch â
niet vérgeeten hebben, zeydhy, in hoedaa-â
nig een ftaat gy waart toen gy eerft by my â
quaamt j hoe ik u ontving j met wat een müd- \'
heyd ik u een gedeelte van myne goederen
bygezét, en met welk een goedheyd iku my-
ne dóchters ten huuwelyk gegeeven hebbe.
Wie zou niet gedacht hebben dat zo veele
gunften u voor altoos met een onverbreekely-
ke toegeneegenheyd aan my zouden hebben
verbonden,^ Maar nóch de namaagfchap die
ons vereenigt, nóch de aanmerking dat uwe
moeder myne zufter is, dat uwe vrouwen aan
my haar leeven verfchuldigd, en dat uwe kin- â
deren de myne zyn, hebben u konnen belet- â
ten my te handelen als óf ik uw vyand waare.
Gy ontvoert my myn goed j gy hebt myne
dóchters genoodzaakt my te verlaaten om
met u de vlugt te neemen j en gy beroofdmy
van \'t gene by myne voorouderen altoos inde
grootfte eere en waarde is geweeft, omdat het â
heylige en gewyde dingen zyn. Moet ik dan â
van den zoon myner zufter, van mynen,,
fchoonzoon, van mynen gaft, ja van iemand â
die wegens zo veele weldaaden zeer aan my â
verpligt is , alle hoon en beleediging ontvan- â
gen, die een onverzoenelyke vyand my zou,.
5>
35
35
35
55
35
35
35
55
35
35
55
35
h-
tonen aahdoéfl?
54. Jakob om zicli te verdeedigen , antwoordde
hem : b Dat hy de eenigfte niet was in wiens
hart eene liefd.etót zyn vaderland , cn eene
begeerte om naa zulk een lang afweezen we-
der derwaards ce keeren, ingeprent w^s. Dat
noopende zyne befchuldigmg van hem beftoo-
len te hebben, een ieder billyk menfch oordee-
len zou dat dit verwyt op hemzelven te rug
keeren zoude , omdat in plaats van\'t hem
dank te weeten dat hy zyne goederen niet al-
leenlyk bewaard , maar ook zeer vermeerderd
had 5 hy \'t zich beklaagde dat hy een kleyn
gedeelte daaraf met zich name. En belangen-
de zyne dóchters, \'t was iets vreemds dat hy \'t
5, quaalyk zoude neemen dat vrouwen haaren
55 man vólgden , en dat de moeders haare kin-
33 deren niet verheten. Jakob zich aldus verant-
woord hebbende, voegde daar nóg by, om zich
te bedienen van de zelfde rédenen welke Laban
tegen hem bygebragt had , â Dat hy zyn oom
â en fchoonvader zynde , hem niet behoord
55
3}
55
35
had zo ruuw tc bejégcncn 5 gelyk hy ewmtig
jaaren lang had gedaan j naardien hy , zon-
der te fpreeken Van \'t gene hy geleeden had
om Rachel te verwerven , vermids zyne ge-,,
neegenheyd tót haar zulks draagelyk yoorljem
gemaakt had , federd zodaanig met hem had ,3
gehandeld , dat men \'t niet erger van eenen â
vyand had konnen verwachten. Ãn buyten
twyfel had Jakob groote oorzaak om over La-
bans onbillykheid te klaagen : want deez zien^
de dat Gód hem in alles begunftigde , beloof*
de hem den éénen tyd , dat hy hem uyt deii
aanwas van \'t vee alle de jongen die wit, eh
den anderen tyd alle die zwart geworpen wier-
den i zoude geeven. Maar als hy dan zag dat
Jakobs deel\'t grootft was, hieldthy zyn woord
niet 3 en ftelde hem tót het vólgende jaar uyt^
op hoope dat het dan anders zoud uytvallen i
en gelyk hy daarin fteeds bedroogfin Was^
zo liet hy ook niet naa Jakob géftadig te
bedriegen.
Toen Rachel vèrftondt datjakob , om haars
vaders klagten wegens zyne a%oden, hem toe-
geftaan had die te zoeken , verftak zyze in
den zadel des kameels waarop zy reedt, en
ging\'er op zitten, brengende tót verfchoonin-
ge by 3 om niet op te ftaan, dat zy vólgens de
gewoonlyke wyze der vrouwen onpalTelyk was.
Dies zócht Laban\'er niet verder ni , omdat
hy geloofde datzvne dóchter in dien ftaat niet
tót die dingen , Welke by hem voor heylig ge-
houden wierden, zoud hebben willen genaaken.
Voorts beloofde hy Jakob met eede , dat hy
niet alleenlyk al het gepaftèerde zou vergeeten,
maar dat hy zynen dóchteren dezelfde genee-
genheyd als te vooren toedraagen zoude. _ En
tót een teken van dit hun verbond ^ rechte-
den zy eenen zuyl op als een altaar , op eenen
berg 5 die daar van den naam van Galaad draagt,
en aan *t land daar om heene zynen naam ge-
geven heeft, yervólgen^ bieldeu zj een groot
waarnaa Laban hen verliet ^ om we-
3er na huys te keeren.
Thans vervólgde Jakob zyne reyze na Ka- ^f.
naan, en had op den weg gezigten die hem zulk
een groote hoope deeden fcheppen , dat hy de
plaats daar ze hem verfcheenen, Góds lecrer-
plaats noemde. Maar dewyl hy fteeds voor Efaus
wrók beducht was, zondt hy eenige van de zy-
nen uyt om bericht van hem te bekomen 3 en hy
beval hen dat zy hem aldus zouden aanlpreeken i
De eerbiedigheyd welke Jakob uw broeder u ,3
toedraagt,hem hebbende doen geloovendat hy
zich niet voor u moft vertoonen toen gy tegen
hem vertoornd waart, heeft hem dit land doen
verlaaten, om zich na een verr\' afgelegen land-
fchap te begeeven^ Maar tegenwoordig nühy
hoopt dat de tyd het misnoegen uyt uw ge-
moed zal uytgewifcht hebben j komt hy met
zyne vrouwen 3 kinderen, en\'t gene hy door
zynen arbeyd yerkreëgen heeft j wederom«
â " " \' fis örtl
gaftmaal
28
5, om alles wat hy bezit in uye Handen tè Ãc}-
â len 5 doordien niets hem meer blydfèhap kaïi
5, geeven, dan de goederen ^ waarmede\'tGóde
3, beliefd heeft hem te verry kén, u aan te bieden.
FLAVIUS JfOSEPHUS
Efau wierdt zo gétroften door deeze woor-
den , dat hy zich aanftonds met vierhonderd
iliannen op weg begaf om zynen broeder te ont-
moeten. Jakob wierdt door dit groot getal be-
vreefd 5 maar echter flelde hy zyn vertrouwen
op Gód , cn fchikte alles om in ftaat te zyn van
wederiland te bieden, . byaldien zyn broeder
met een voorneemen quame om hem geweld aan
tc doen. Hy verdeelde tót dien eynde zyn gan
Iche gezelfchap in verfcheydene tróppen
die
kort op malkander en vólgdch, opdat iiidien dé
vooffte aangegreepen wierden , zy na de andere
zouden konnen wyken. Voorts deed hy eeni-
ge yan dé Zyne Vöoruyt trekken j en om \'t ge-
moéd zyns bfoédérs te verzoeten, indien hy nóo-
tegens hém verbitterd waare , geboodt hy hen
dat zy hem van zynent wege eenige dieren van
verfcheydenérley \'foorte , die om hunne zeldl-
zaamheyd hem aangenaam mogten zyn, zouden
aanbieden. Hy bèlaftte hen ook zich wat van
één te fcheydén, opdat zy aldus verdeeld voort-
gaande meerder in getal mogten fchynen j enhy
beval hen voor al met de grootfle eerbiedigheyd
tót Efau tc fpreeken.
Naa dat hy dus den dag met alles te befchikken
befleed had V begon hy tegens den nacht voort
te trekken en toen hy de beek Jobach overge-
toogen was , verfcheen hem eene fchim die met
hem in ftryd raakte. Dóch Jakob defterkflein
dcezc worfteling zynde, fprak de geeft hem al-
dus aan: â Verblyd ujakob, en laat u voortaan
door mets verbaazen: want het is geen menfch â
dien gy overwonnen hebt, maar \'t is een En-"
gel Góds. Jakob van verwondering verfteld
ftaande.,
ftaande , badt dëe^en liemelfchen Geeft hem tê
oïiderrechten van \'t gene hem te gebeuren
ftond j waarop dezelve antwoordde : â Aan-
jj merk het gene u nu wedervaaren is ^ als een
35 voorteken niet alleen van de groote goederen
i, die gy te verwachten hebt , maar van de al-
33 tydduurendheyd uws geflachts , en van het
33 vertrouwen dat gy hebben moogt dat het on-
3j verwinnelyk zyn zal. Vervólgens beval de
Engel hem den naam van Ifraél aan te nee-
men 3 \\ welk in \'t Hebreews betekent iemand
die eenen Engel wederftaan heeft : en daarop
verdween hy. Jakob opgetoogen van blyd-
fchap noemde die plaats Phanuël, dat is 3 Góds
aangezigt. En omdat hy in die worfteling aan
zékere plaats van zyne heup verftuykt was,
at hy federd nooit van dat gedeelte van ee-
nig dier 5 en \'t is ons ook niet geoorlófd daar
van te eeten.
Toen Jakob verftondt dat zyn broeder na-
derde, deed hy zynen vrouwen aanzeggen dat
zy voortgaan zouden 3 dóch van malkandereii
gefcheyden , elk met haare dienftmaagden by
zich , om van verre het gevecht aan te zien j
byaldien hy genoodzaakt waare tót handgemeen-
fchap te komen. Toen hy nu dicht by zynen
broeder gekomen was 3 en bemerkte dat die met
een vreedzaam gemoed quam 3 wierp hy zich
voor hem neêr. Efau om lelsde hem, en vraagt
de wat dat voor een tróp van vrouwen en kin-
deren was : en naa deswege onderrecht te zyn ^
boodt hy zich aan die zelf na hunnen vader
Ifaäk te geleyden. Jakob bedankte hem , ert
verzócht dat hy hem daarvan wilde verfchoo^
nen, vermids zyn ganfchegevólg zo vermoeid
was Van zulken langen weg , dat het hen noo-
dig Was te ruften. Aldus keerde Efau weder
na Seïr , /t welk zyn gewoonlyk verblyf wasi
en van hem dien naam ontv^ingen had, betéken
nende zo veel als haairig.
Gen. 33
9
WÃIf
Jakob daarentegen trok na eene plaats ge-
noemd de Tenten , welke nóg heden dien
naam behoudt 3 en vandaar na Sichem eene ftad
der Kanaaniten. \'t Gebeurde dat daar toen een
feeft gehouden wierdt: en Dina Jakobs eeni^-
fte dóchter ging derwaards , om te zien hoe de
vrouwen van dat land zich optooiden. Sichern
zoon van den Koning Hemor wijrdt met haare
fchoonheyd zo ingenomen , dat hy haar fchaak-
te, en beftiep 5 en dewyl hybyfter op haar ver-
liefd w as , badt hy den Koning zynen vader
met haar te moogen trouwen. Deeze Vórft
ftemde zulks toe, en ging zelf na Jakob , om
haar ten huuwelyk te verzoeken. Jakob vondt
2ich verlegen , zo omdat hy niet wift hoe hy
zyne dóchter aan eens Konings zoon zou kon-
nen weygeren , als omdat hy oordeeldehaar ge-
moedshalve aan eenen vreemdeling niet te kon-
nen geeven. Hy eyfchte derhalve van Hemor
eenigen tyd om zich te beraaden, en de Koning
keerde weder met een vertrouwen dat het huu-
welyk zynen voortgang zoud hebben, Jakob
verhaalde daarop aan zyne zoonen alles wat\'er
voorgevallen was > en zeyde hen dat men over-
leggen moft wat\'er te doen ftond. De meefte
wiften niet wat zy \'er op zeggen zouden: maar
Simeon dn Levi 3 volle broeders van Dina, na-
men een beftuyt 3 en zonder iets tegens Jakob
te zeggen , koozen zy tót uytvoeringe van hun
voornemen den dag van een groot feeft dat te
Sichem gehouden, en met vreugde engaftmaa-
len doorgebragt wierdt. Zy quamen \'s nachts
voor de poorten van Sichem i vonden de wacht
flaapende , en bragten die om. Thans
trokken zy ter ftad in, ftoegen alle de rnannen
ja zelfs den Koning en zynen zoon , met dd
fcherpte des zwaérds , dóch verfchoondén de
vrouwen 3 en bragten hunne zufter wedér vän-
daar Jakob ten hoogften verbaafd over zulk
een bloedige daad, wierdt zeer op hén vertoornd:
maar Gód beval hem, in een gezigt, zich té troo-
ften , zyne tenten en paveljoenen te zuyveren j
en de ófferande , waartoe hy zich verbondert
had foen hy km in eefien drooia op ^nct^^
jy § " . ^
58.
Gen. 34
30 FLAVIÃS
ze van Mefopotamië verfcheen 5 hem te óffe-
ren.
Toen hy dit bevél uytvoerde , vondt hy La-
bans afgoden , welke Rachel mede genomen
had zonder iets daarvan tót hem te fpreeken:
en hy begroefze te Sichern onder eenen eyke--
boom , en ófferde te Bethel ter zelfder plaatfe
daar hy \'t gezigt had , waaraf zoerengefproo"
BeSe\'\' ^^^^^^^^ vertrok hy na Efrata, alwaar
hcm.^\' Rachel eenen zoon baarde , en in den arbeyd
ftierf Zy wierdt daar ter plaatfe begraaven,
en was de eenigfte van zyn geflacht , die niet
te Hebron in \'t graf zyner voorouderen gelegd
wierdt. Deeze dood trof Jakob met een ge-
weldige droefheyd , en hy noemde\'t kind
jamin , omdat het de oorzaak van de pyn was
geweeft die zyner moeder \'t leeven gekófthad.
Aldus had Jakob ééne dóchter en twaalf zoonen,
waarvan acht echte waaren , teweeten zes van
JÃSEPHÃS IL BOEK
Lea en twee van Rachel t belangende de Vier
andere, twee waaren ^er van Bala , en twee
van Zelpha. Eyndelyk quam hy te Hebron in
\'t land Kanaan , alwaar Ifaäk zyn vader woon-
de 3 maar hy verloor hem kort daarnaa.
XÃX. HOOFDSTUK.
Ifaaks dood.
JAkob had de trooft niet van zyne moeder
Rebekka nóg leevende te vinden 5 en Ifaak
leefde niet lang na zyne wederkomft. Efau en
was. Deeze man was van Gódt zeer geliefd;
ook droeg de Heere geen minder zórg voor
hem j dan hy voor zynen vader Abraham ge-
daan had. Hy beklom eenen hoogen ouder-
dom , want na dat hy honderd vyfentachtig
jaaren met alle deugdgeleefthad, ontftiep hy.
joodsche
S T O R I
TWEEDE
BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
DeeÃiig tuiTchen Efau en Jakob.
^ f ^ \' ^ Aa Ifaaks dood deelden zyne twee zoonen
Gen. 3 j. zyne naalaatenfchap , en geen van beyde
bleef ter plaatfe welke hy te vooren tót zyn ver-
Gen. 36. ^lyf verkooren had. Efau liet Hebron aan Ja-
kob over, en ging te Seir woonen: voorts nam
hy Idumea in bezit, en gaf aan \'t zelve zynen
naam, want hy was Edm toegenaamd geweeft
wegens \'t vólgende voorval: Toen hy nóg jong
was quam hy eens t\'huys van de jagt zeer ver-
moeid , en flaauw van grooten honger i en vondt
zynen broeder beezig met linzen voor zyn mid-
dagmaal te kooken : zy fcheenen hem zo rood
en zo goed te zyn, dat de groote luft die hy
had om \'er van te eeten , hem deed verzoeken
om \'er wat van te hebben. Maar Jakob ziende
de P-roote begeerte die hy\'er toe had , zeydedat
hy % hem met van geeven zónde , tenwaaij
dat hy hem zyn eerftgeboorte-recht afftond.
Efau bewiUigde daarin , en beloofde t hem met
eede De iSngelingen van Mnnen ouderdom
lachten om Efaus flechtheyd, en gaven hete om
die- roode koleur der Inzen den naam van Edom,
\'t welk in \'t Mebreews rood betekent, en het
land heeft ièderd die benaaming behouden.
Maar dewyl de Grieken de naamen verzachten
omzeaangenaamer te maaken, hebben zy \'C Idu-
méa genoemd .
Efau kreeg vyf zoonen by drie vrouwen, te
Gen. 36. weeten by Ada dóchter van Helon , by
Alibama dóchter van Efebeon ^aüs, JolaM i en
Kore ; en by Bazemath Ifmaèls dóchter y Ra-
guél.
Rliphas had vyf echte zoonen, Tbeman, O-
mer-i Op her ^ Jotam^ cnKenez: wantdezefde
genaamd Amaiech teelde hy by Thefma zynby-
wyf Zy bewoonden dat gedeelte van Iduméa
\'t welk Gobolitis genoemd wordt, midsgaders
het land Amalekite dat den naam van Amaiech
voert} want de benaaming van Iduméa ftrekte
zich eertyds zeer verre uyt, en de verfcheyde-
ne deelen van dat groot land hebben de naamen
der gener, die \'er de eerfte bewooners van waa-
ren 5 behouden.
II. H O O F D S T U K. \'
Jo(èphs (Jroofnen. Dc nyd zynct broederen : Hun befluyt om hem
te dooden.
^ X^E voorfpoed waarmeê Gód Jakob begun-
JL\' ftigde was zo groot , dat niemand anders
in zyn ganfche landftreek in rykdom tegen hem
opmogt; en de voortreffelyke hoedaanigheden
zyner kinderen, maakten hem niet alleenlyk ge-
lukkig , maar ook aanzienlyk by al de wer-
reld. Zy waaren van verl^and , wysheyd, en
dapperheyd voorzien , en hen ontbrak niets dat
hen geactit kon maaken. Gód droeg ook zulk
een zórg voor dien getrouwen dienaar , en deel-
de zyne gunften zo mildelyk aan hem uyt, dat
zelfs die dingen welke hem \'t meeft fcheenen
tegen te loopen , t\'zynen voordeele uytvielen>
en hy begon al van toen af aan door hem en de
zynen eenen weg voor onze vaderen te openen
om uyt Egipte te trekken ^ en dat op deeze
Jofeph , dien Jakob by Rachel geteeld had,
was degéne welken hy \'t meeft van zynekinde-^^"\'^^\'
ren beminde , zo wegens zyiiverftand en wel-
gemaaktheyd van lighaam , als de groote wys-
heyd waarin hy boven de andere uytmuntte.
Deeze geneegenheyd, welke zyn vader niet ver-
bergen kon, wekte in zyne broeders eene afgunft
en haat tegen hem op, die toenam door de droo-
men welke hy gehad hadde , en hen in \'t by-
\\yeezen zyns vaders verhaalde , en die hem zulk
een ongemee^i geluk voorlpelden , dat het be-
quaam Was om nyd te verwekken , zelfs tuf-
fchen de naafte vrinden. En dit ging aldus toe.
Jakob hem met zyne broeders gezonden heb-
bende om in den oogft te arbeyden, had hy des
nachts eenen droom welken men niet als de ge-
meene droomen kon .aanmerken : toen hy wak-
ker geworden was vertelde hy dien zynen broe-
deren , opdat zy hem denzelven zouden uyt-
leggen : \'t Had hem toegefcheenen dat zyne
fchoof overënd op \'t veld ftondt, en datde hun--
ne zich voor dezelve neêrboogen en haar aan-
baden. Zy konden gemaklyk oordeelen dat die
droom betekende dat zyn geluk zeer groot zou
zyn,- en dat zy hem onderworpen zouden wee-
zen i maar zy ontveynsden dat zy \'er iets van
begreepen , cn vatteden nóg grooter weerzin
tegen hem op dan te vooren. Gód om hunne
afgunft tebefchaamen , zondt Jofeph eenen an-
deren droom toe die yeel aanmerkelyker was dan
de eerfte. Hem dacht dat hy de zon, de maan,
en elf ft arren van den hemel op de aarde zag
nederdaalen, en dat zy zich voor hem neérftrek-
ten. Hy verhaalde dien droom aan zynen va-
der in de tegenwoordigheyd zyner broederen op
welken hy geen quaad vermoeden had, en ver-
zócht hem denxelyen uyt te leggen, Jakob
was
Mt,
F L A V I U S J
was \'er over Verheugd , naardien hy wel begreep
dat dit Jofeph een zeer groot geluic voorfpelde,
en dat \'er een tyd zou icomen dat zyn vader en
moeder , en zyne broeders genoodzaakt zouden
zyn hem eenonderdaanige eerbewyzing te loen:
want de zon en de maan betekenden zynen va-
der en zyne moeder, vermids de één de gedaan-
te en kracht aan alle dingen geeft, en de ande-
re hen voedt en doet waffen 5 en de elf ftarren
betcKenden zyne elf broeders , die alle hunne
kracht van hunne vader en moeder trokken, ge-
lyk de flarren de hunne van de zon en de maan
ontleenen.
Dit was de uydegging die Jakob van dien
droom gaf, en dat zeer wyflyk : maar deeze
voorfpelhng bedroefde Jofephs broederen 5 en
hoewel zy hem dus na beftaande , zo wel deel
aan zyn geluk moften hebben als hy zelf, ech-
ter benydden zy hem daarom niet minder dan
ofhy hen t\'eenemaal vreemd geweeft waare. Zy
beftooten dan hem te dooden , en tót dien eyn-
de bragten zy hunne kudden , toen de oogft
OSEPHVS II. Boek,
voorby was , , na Sidiem , daar overvloed van
weyland was zonder iets daarvan tót hunnen
vader te zeggen. Hun vertrék bragt Jakob in
bekommennge , vyesjialve hy , om tydmg van
hen te hebben , Jofeph uytzondt om naar hen
te verneemen. » .
III. H O O F D S T ü K. â¢
Jo^ do^ ^yne broeders aan de innaëiiten verkófi ; die hem we-
Jr ,n Egipre verkoopen. Zyne kuysheyd veroorzaak d^hWn
d gevangenis gezdt wordt. % legt kar^wee droomen n
vervolgens twee andere aan den Koning Pharao , diehemrólund
twe?m Een hongersnood doet zyöe b oVdl"
= -.^--rfte reyze ho.dljofeph s"
u ï , " Benjamin. Eyndelyk ïmaakt hv zich
Jaan hen bekend , en zendt hen o!n zynen vader te hTaïn. ^
Oiephs broeders zagen hem aankomen met
vermaak , met omdat hy van hunnen vader Gen. 37.
quam j maar omdat zy hem als hunne vyand
Wenfe^\'\' verheugden hem in hLne
dat ze de gelegenheyd om zich van hem te ont-
flaan , verhezen zouden , dat zy hemopftaan-
devoet Wilden om den hals breno-en
Maar Ruben, de oudfte van alle, kon dusdaa-
nig een onmenfchelykheyd niet goedkeuren: dies
ftelde hy hen voor oogen, â de grootheyd van de
â misdaad die zy begaan wilden, den haat dien
â zy daardoor op zich haaien zouden s endatin-
55 dien een enkele doodflag eenen fchrik by Gód
â¢Â»j en de menfchen baarde, de broedermoord by
hen een gruuwel was. Dat zy eenen vader en
â moeder, die behalve de liefde welke zy Jofeph
â om zyne goedaardigheyd toedroegen, eenby-
5, zondere geneegenheyd tót hem hadden, om-
â dat hy de jongfte hunner kinderen was, ineen
groote droefheyd zouden ftorten. Dat hy hen
» derhalve badt de wraak Góds, die hun wreed
voorneemen reeds in hunne harten zag, te vree-
,, zeiij alhoewel hy\'t hen vergeeven zoude, zo
,, zy er berouw en leedweezen van hadden j maar
â dat hy hen ftrengelyk zou ftraftèn , indien zy
â \'tuytvoerdcn. Dat zy zouden naadenken dat
â afles voor hem tegenwoordig wasi datdedaa-
den die in de woeftyne verricht wierden voor â
{^^"^^ie^verborgenerkondenzyn,dandiewei- â
ke in de fteden voorvielen 5 en dat zo zy zich in ,,
zulk een wreede daad wikkelden,hun eygen ge- â
weeten hen tót eenen beul verftrekken zoude. â
Hy voegde daar by, dat indien \'t nooit toege- â
laaten was eenenbroeder, zelfs wanner hy ons â
beleedigd heeft, tedoodenj en dat het daar-
entegen altoos pryflyk was , zyne vrienden,,,
wanneer zy misdaan hadden, te vergeeven^ â
hoe veel te meer waaren zy dan verpligt geen ,,
quaad te doen aan eenen broeder van wien zy
nooit iets zulks ontvangen hadden. Datflechts "
de aanmerking van zynejongheydhenniet al- "
leenlyk behoorde te beweegen om\'er medely-
den meê te hebben, rnaar ook om hem by te
ftaan en te befchermen. Dat de oorzaak waar- Z
om zy dus op hem gebeeten waaren, hen nóg â
veelfchuldigermaakte,vermidszyinplaatsvan â
afgunft op te vatten over\'t geluk dat hem be- â
fchoo-
35 fcHooren was , en over de voordeelen waar-
33 mede het Gode behefde hem te begunftigen,
35 zy \'er zich over behoorden te verblyden , en
33 \'t zelve aan te merken als hun eygen 3 ge-
33 merkt zy hem zo n^ bellaande 3 daaraan
33 deel zouden konnen hebben. En eyndelyk
3, dat zy zich voor oogen zouden ftellen, hoedaa-
nig Góds toorn en verbólgenheyd tegen hen
zoude zyn 3 indien zy 3 doodende den genen
dien hy waerdig geoordeeld had om zo veele
weldaa\'den van zyne hand te ontvangen 3 be-
ftaan durfden den Heere \'t middel te beneemen
om hem met zyne genaden te begunftigen.
Toen Ruben zag dat zyne broeders 3 in plaats
van door deeze woorden bewoogen te worden,
zich meer en meer in hun doodelyk befluyt ver-
fterkten 3 ftelde hy hen voor 3 dat zy dan een
53
53
53
zachter middel wilden verkiezen om zulks uyt
te voeren 3 ten eynde hun misdryf eenigfms min-
der haatelyk mogte zyn. En daarop zeyde hy
dat mdien zy zynen raad wilden vólgen, zy
zich zouden vergenoegen met Jofeph in eenen
put, die daar dicht by was, te fteeken, en hem
daar te laaten fterven , zonder hunne handen
met zyn bloed te bezoedelen. Zy keurden dee-
zen raad goed, en Ruben liet hem met eene koord
mdenput, die byna droog was, neêrdaalen,en
ging vervolgens weyde zoeken voor zyne
kudde.
Naauwlyks was hy v/eg gegaan , of Judas, Gen. 37.
een ander van Jakobs zoonen 3 zag eenige Ara-
bifche kooplieden 3 af komftig van Ifmaël, de
welke van Galaäd quamen om reukwerk en"\'an-
dere waaren na Egipte te brengen.
Hy riedt daarop zynen broederen dat zy Jo-
feph aan hen verkoopen zouden, opdat hy door
dat middel in een afgelegen land mogt fterven,
en zy niet befchuldigd konden worden van hem
het leeven benomen te hebben. Zy vonden dien
voorflag goed, trokken Jofeph, die toen zeven-
tien jaaren oud was, uyt den put 3 enverkóften
hem voor twintig zilverlingen aan die Ifmaëlicen.
Toen \'t nacht geworden was 3 ging Ruben3
die Jofeph meende te redden, heymelyk na den
put 3 en riep hem verfcheydene maaien j maar
hoorende hem niet antwoorden, geloofde hy
dat zyne broeders hem gedood hadden , en hy
deed hen daarover een fcherp verwyt. Dies waa-
ren zy genoodzaakt hem te zeg^n wat zy gedaan
hadden 3 waardoor zyne droef heyd eenweynig
verzacht wierdt. Thans overleyden zyne broe-
ders , wat zy doen zouden om hunnen vader
\'t vermoeden van hun misdryf te beneemen^ en zy
vonden geen beter middel, dan den rók dien zy
Jofeph 3 eer ze hem in den put lieten , ontno-
men hadden , te fcheuren, als dan den zeiven
met het bloed van een bokje te befprengen \' en
alzo by Jakob te brengen 3 om hem te doen ge-
loovendat de wilde beeften zynen zoon verflon-
den hadden. Daar op gingen zy na hunnen va-
der 3 die reeds al verftaan had dat Jofeph eenig
ongeluk overgekomen was 3 en zeyden dat zy
hem niet gezien hadden , maar dat zy dat kleed
geheel bebloed en verfcheurd hadden gevonden,
en dat zo \'t het zelfde was dat hy aangehad had-
de 3 toen hy van huys ging , zy reden hadden te
vreezen dat hy door \'t wild gedierte verflonden
was.
lies zo I
gebeeL
weggevoerd, was 3 twyteide met meer aan zynen
dood zo dra hy dat gewaad zag 3 omdat hy wift
dat hy \'t aanhad toen hem had uyteezonden
om na zyne broeders te verneemen.^ Daarop
wierdt hy van zulk een hevige droefheyd bevan-
gen 3 dat alwaar \'t dat hy ge^ne andere zoonen
nad gehad 3 hy hem met meer beweend konde
hebben : voorts bekleedde hy zich met eenen
zak 3 en wilde naar geen trooft, die zyne ande-
re kinderen hem poogden te geeven, luvftercn.
foen de Ifmaciitifche kooplieden / die lo-
lepii geicoh hadden, in Egipte aangekomen w4a- Gen. 3 ^
Hofmeefter3 die hem m eere hield 3 en m goe-
de wetenfchappen deed onderwvzen3 hem be-
ter voedzel ais doorgaans de flaaVen gebruyken
â E ver-«
fJ-.AVlU3j
vergundé, én hem \'t opzigt over zyn huys gaf.
Hy queet zich daarin tót volkomen genoegen
zyns meefters : dóch deeze verandering van zy-
nen ftaat deed zyne deugd geenfins veranderen 3
maar hy deed blyken dat als iemand waarlyk wys
is, hy zich dan, zo wel in voorlpoedals in te-
genfpoed, altoos voorzigtig weet te draagen.
De huysvrouw vanPotipnar wierdt door zyn
Verftand en fchoonheyd zo bekoord, datzy\'er
byfter op verliefd wierd; en dewyl zy van hem
oordeelae meer naar den ftaat waartoe het ge-
Val hem gebragt had, dan naar zyne edelmoe-
digheyd en deugd, dacht zy dat hy, als een
flaaf, zich gelukkig zoud achten van zyne mee-
ftereffe bemind te zyn, en zy maakte geen z waa-
righeyd een befluyt te neemen van hem hakre
drift te ontdekken. Maar Jofeph merkende het
als een groote mifdaad aan, zynen meefter, van
wien hy zo veele gunften ontvangen had, zulk
een ongelyk aan te doen, badt haar geen zaak
van hem te begeeren, die hy haar nooyt kon
nóch zoud toeftaan, hebbende by zich zeiven
vaft-gefteld, liever alles te lyden, dan haar in dit
geval te gehoorzaamen, JDeeze weygering deed
niet anders dan haare liefde te meer ontvonken >
zy vleyde zich met de hoope dat Jofeph niet al-
toos onbuy gelyk zou zyn, en zy befloot een an-
der middel te beproeven. Zy koos tót dien eyn-
de den dag van een groot feeft, op \'t w4k de
vrouv/en gewoon waaren te verfchynen; en zy
veynfde zich ziek te zyn, om een voorwendfel
te liebben van niet uyt te gaan, en dan diegele-
genheyd te neemen om Jofeph te zoeken. Be-
vindende zich dan aldus in volkómene vryheyd
om tot hem te fpreeken, en hem aan te preflen 3
zeyde zy tot hem : â Gy zoudt beter gedaan heb-
â ben dat gy u terftond aan myn verzoek hadt
5, overgegeeven, en dat gy "t gene ik van u be-
5, geerde, toegeftaan hadt aan myne hoedaanig-
heyd en het geweld myner liefde ^^ die my, hoe-
5, wei ik uwe meeftereflè ben, dwingt zo verre
,, my te vernederen, dat ik,uheb willen bidden.
Maar zo gy wys zyt, verbetert dien mifllag
dien gy begaan hebt. U is geen verontfchul-
diging meer overig, want naardien gy gewacht
hebt dat ik u ten tweeden maale zoud aanzoe-
ken, zo doe ik het nu met te grooter zucht,
maar ik heb geveynfd dat ik ziek was, en ik
heb de begeerte omu te zien boven\'t vermaak
gefteld van op dit groot feeft te verfchynen.
Byaldien gy eenige wantrouw hebt gehad, dat
het gene ik u zeyde eene lift mogt geweeft zyn
om u eens te beproeven, myne volharding
laat u niet toe langer te twyfelen óf myne ge-
neegenheyd waarachtig zy. Kies dan, óf de
gunft, welke ik u aanbied, te aanvaarden,
door myne liefde te beantwoorden, en in \'t
toekomende van my nóg grooter gunften te
verwachten, óf de uytwerkingen van myne
haat en wraak te proeven, indien gy zékeren
waan van kuysheyd boven de eere ftelt die ik
u aandoe, w ant beeld u niet in, zo dat ge-
â beurt, dat iets magtig zal zyn u te behouden:
5, ik zal u by mynen man befchuldigen dat gy
â myne eere hebt willen fchenden > en wat gy
â ook daar tegen zoudt moogen zeggen, hy
zal meer geloof flaan aan myne woorden, dan
aan uwe verdeediging.
?5
5J
55
53
55
ï>
55
55
55
5J 6
55
55
55
55
55
n. B
Deeze vrouw, naa aldus gcfprooken te heb-
ben , voegde haare traanen by haare fmeekingen:
maar nóch haaré vleijcryen^ nóch haare drey-
gementen, waaren magtig Jofeph van zynen
pligt te doen wyken, hy wilde zich liever voor
alle gevaar bloot ftellen , dan zich tót een mif-
daadige Welluft laaten vervoeren : en hy geloof-
de dat\'er geen ftraftè was die hy niet zoude ver-
dienen , byaldien hy zulk een misdryf beging om
eene vrouw te behaagen. Hy hieldthaar voor,
wat zy haaren man fchuldig was, dat de wet- â
tige vermaakelykhëden , die men in \'t huu- â
welyk geniet, te achten zyn boven zulke die â
uyt een ongeregelde drift ontftaan, en dat de â
laatfte niet zo dra voorby zyn , óf zy veroor- ,,
zaaken te vergeefs een berouw ; dat men \'er â
geftadig om in vreeze is van ontdekt te wor-,,
den, maar dat men in de echte trouw niet â
zulks te vreezen heeft. Dat men een goed ge- â
wiflè voor Gód ende menfchen houden moft. â
Dat indien zy kuyfch bleef , zy ^t gezag dat
zy had om over liem te gebieden, behouden
zou , in plaats dat zy die achtbaarheyt zoude
verliezen, als zy met hem eene mifdaad beging
welke hy haar altoos zou konnen verwyten.
En eyndelyk dat een gemoed het welk zich
aan niets fchuldig kent, zeer verre te achten â
is boven de ongeruftheyd der gener die de
fchandelyke zonden welke zy begaan hebben ,,
poogen te bedekken. " Deeze en andere dierge-
lyke woorden, waarmede Jofeph de drift deezer
vrouwe poogde te maatigen, en haar tót haaren
oligt te doen keeren, deeden niet anders dan
haar meer te ontfteeken, zo dat zy de handen
aan hem floeg en hem wilde dwingen aan haar
toe te ftaan \'t gene zy niet zonder mifdaad van
hem kon begeeren. Hy dan zulk een groote
fchaamteloosheyd niet langer konnende dulden,
ontfloeg zich van haar, liet zynen mantel in
haare handen, en nam de vlugt.
Dit wyf door zyne weygering getergd, en
vreezende dat hy haar by haaren man mogt be-
fchuldigen, befloot hem voor te komen, en zich
te wreeken. In de vervoerdheyd dan waarin ze
was omdat ze haare geyle luft niet had konnen
boeten, quam haar man tliuys, en verwonderd
dat hy haar in dien ftaat zag, vraagde hy wat \'er
de oorzaak van was ? waarop zy antwoordde:
â Gy verdient niet te leeven indien gy dien â
trouvvloozen en verfoeijelyken knecht niet
naar verdienfte ftraft, dewyl hy zynen elendi-
3J
5.5
5}
5J
55
55
55
55
55
55
55
35
5}
zen hebt, vergeetende, in plaats van zyne er-
kentelykheyd tebetoonen, de ftoutheyd gehad
heeft van myne eere te beftryden, en u alzo den
grootften hoon, dien gy ooit zoudt konnen
ontvangen, te willen aandoen. Hy heeft om
zyn voorneemen te moogen uytvoeren, de gele-
genheyd van eenen feeftdag, en van u afweezen
vreeze geweeft is die hy voor u heeft. De eere
die gy hem gedaan hebt zonder dat hy\'t ver-
diende, en welke hy niet zoud hebben durven â
verhoopen , heeft hem tót die fchrikkelyke â
moedwil aangedreeven. Hy heeft zich inge- â
beeld, dat vermids hem al uw goed aanver- â
trouwd, 3,
FLAVIUS t O S E F H U S
OEK.
33
53
35 trouwd, en een volkomen gezag over alle u\\ve
andere dienaaren, fchoon veel ouder danhy,
â gegeeven was, het hem vry ftond zyne gedach-
5, ten zelfs tót op uwe huysvrouw te laaten gaan.
Naa dat zy aldus gefprooken had, toonde
zy hem Jofephs mantel, en zeyde dat die on-
der den wederftand dien zy gebooden had, in
haare handen gebleeven was.
Potiphar door deeze rédenen en haare traanen
ontroerd, en aan de liefde die hy haar toedroeg;
meer plaats geevende danhy behoorde, kon zich
met weerhouden geloof te flaan aan \'t gene hy
hoorde en zag : dies prees hy haare wysheyd
zeer, en zondfer de waarheyd der zaake nader
te onderzoeken, twyfelde hy niet óf Jofeph was
fchuldig. Hy deed hem dan in een naauwe o-e-
vangenis leggen, en gevoelde een heymel^lce
blydfchap wegens de deugd zyner huysvrouwe,
waaraan hy meende niet te moeten twyfelen,
naa zulk een groot bewys als zy\'er hem in dat
voorval van gegeeven had.
Terwyl deeze Egiptenaar zich aldus liet be-
<58.
ouuiuyKc ucjegcxuiig, uc recntvaeraigmg zyner
ontfchuld in Góds handen. Hy wilde zich niet
verdeedigen, nóch zeggen op wat wyze de zaak
zich toegedragen had: maar lydende banden en
verdriet met ftilzwygen, vertrouwde hy op Gód
voor wien niets verborgen kan zyn, die de oor-
zaak zyner ongunfte wift, en al zo magtig was,
als deeze die hem \'t lyden aandeeden onbillyk
waaren. Hy ondervondt ook wei haaft de uyt-
Werkingen zyner gódlyke voorzienigheyd: want
de ftókwaarder, ziende met welke een vlyt en
getrouwheyd hy alles deed wat men hem belaft-
te, en bewoogen door de deftigheyd die \'er in
zyn gelaat fpeelde, ontboeide hem , gaf hem be-
ter fpyze dan de andere gevangenen, en maakte
Gen. 40. zyne gevangenis alzo draagelyker; Dewyl in de
uuren dat het den gevangenen toegelaaten was
eenige rufte te neemen, zy malkanderen door-
gaans hunne ongelukken vertelden, had Jofeph
vrindfchap gemaakt met eenen Schenker des Ko-
nings, die van den Vprft zeer wass bemind ge-
weeft, maar dien liy, om eenig misnoegen dat
hy tegen hem had opgevat, had doen geWngen
zetten. Deeze man Jofephs bequaamheyd ken-
nende , verhaalde hem eenen droom dien hy ge-
had had, en badt hem denzelven uyt telec^cren:
waarby hy voegde dat hy ongelukkig was f om-
dat hy niet alleenlyk in de ongenade zyns Hee-
ren gevallen, maar ook met droomen, welke hy
geloofde van den Hemel te komen, gcqueld was.
35 My dacht, vervólgde hy, datikdrie wyn-â
gaard-ranken zag met eene menigte van druyf-
rróffen gelaaden, en dat de druy ven ryp zyn-
de ik die uytdrukte, om \'er den wyn te doen
uytkomen in eenen beker dien de Koning by ^^
zich had > en dat ik hem vervólgens dien wyn "
aanbood, welken hy goedgunftig aannam.
Jofeph hem aldus hebbende hooren fpreeken,
beval hem goeds moeds te zyn, vermids zyn
droom betekende dat hy binnen drie dagen door
\'sKonmgs bevél uyt de gevangeniszóudegaan,
en weder in zyne gunft komen. â Want, voeg- â
de hy \'er by. Gód heeft aan de vrucht des
wynftóks veeie treffelyke. gebruyken , en een
groote deugd gegeeven: zy is dienftiff q^
ófferanden te doen , om de vrindfchap tuf-
fchen de menfchen te bekrachtigen, hen hun- "
ne vyandfchappen te döen vergeeten , en hun- "
ne droefheyd in blydfchap te veranderen. Ge- "
lyk dan dit vocht, dat uwe handen uytgedrukt "
hebben, gunftiglyk van den Koning ontvan- "
^en wierdt, zo twyfel niet of deeze droom-\'
betekent dat: gy uyt de elende Waarin jry zyt, "
binnen zo veele dagen zult gaan, als\'fu toe-
gefcheenen heeft wyngaardranken te zien
Maar wanneer de uytkomft u zal toonen dat
myne voorzegging waar geweeft is, ver-eet
dan m de vryheyd die gy genieten zult den
genen met welken gy in de kétenen gelaaten
Kebt, en wees m ui geluk myns ongW\' te
TZ^t^, omdat het oL geenWdaad :
IS dat Ik hier mgeraakt ben, maar omdat ik â
Phgtshalve en uyt een deugdelyke neyglnge,
de eere myns meeffc dien ik diende bo-L
ven een misdaadige weUuft eefteld hebbe. ,,
Eï. " \'rZöu
J ö O D S C H E H I s T O R I.
FLAVIUS J O S E P H U S
\'t Zou tc vergeefs weezen te zeggen wat een
blydfchap, deeze gunftige verklaaring des
drooms aan dien Schenker gaf, en met welk een
IL Boek,
ongeduld hy\'er de uytwerking van verwachtte.
Maar daar viel ook iets voor van een geheel
anderen aardt
Een Opper-bakker des Konings , die met
den Schenker gevangen, en by dit gefprék tegen-
woordig was , hoopte dat een andere droom,
dien hy had gehad, hemookzovoordeeligzou
moogen zyn : dies vertelde hy dien aan Jofeph,
en verzócht hem denzelven te willen uytleg-
gen. âMydachtj zeydhy, datikdriekórveii
3, op myn hoofd droeg 5 waarvan twee met broo-
â den, en de derde met verfcheydene foOrten van
j, Ipyzen, welke men den-Koningen voordient,
â gevuld waaren , en dat de vógelen die alle
5, wegnamen zonder dat ik zulks verhinderen
â kon. Jofeph aandachtiglyktoegelu]^ert heb-
bende , zeyde tót hem âDat hy wel gewenfcht
â had hem een gelukkige uytlegging van dien
1, droom te konnen geeven j maar dat hy om hem
â niet te bedriegen , genoodzaakt was te zeg-
3, gen 5 dat de twee eer& kór ven betekenden dat
â hem maar twee dagen overig waaren om te lee-
3, ven , en dc derde , dat hy den derden dag
3, zoud opgehangen , en voorts van de vógelen
33 gegeeten worden.
70. \'t Gene Jofeph voorzegd had mifte niet te
gebeuren ; want drie dagen daarnaa beval de
Koning op een groot gaftmaal , \'t welk hy op
zynen geboorte-dag gaf, dat men den Bakker
zoud ophangen 5 en den Schenker uyt de ge-
vangenis laaten om hem in zyn ampt te herftel-
len. Dóch de ondankbaarheyd van deezen
laatften hem zyne belófte hebbende doen ver-
geeten 3 moft Jofeph nóg twee jaaren de inoei-
jelykheden, die van eene gevangenisomffchey-
\'delyk zyn j verdraagen. Maar Gód , die de
zyne nooit verlaat 3-bediende zich van het
vólgende middel 3 om hem te verlóftèn.
De Koning had op éénen nacht twee droo-
men, waarvan de betékenis die hem ter zelfder
tyd gegeeven was, hem uyt de geheugeriilfe was
gegaan. Dewyl ze hem nu eenig onheylfcbee-^
nen te voorfpéllen 3 wierdt hy bekommerd, en
daarom ontboodt hy den vólgenden mórgen met
het aanbrceken van den dag de wyfte onder de
Egiptenaaren, en beval hen dat zy hem dezel-
ve zouden verklaaren : maar zy zeyden dat ze
zulks niet konden doen , en vermeerderden al-
zo zyne bv^kommerdheyd. Dit voorval deed
den Schenker aan Jofeph , en zyne kennis om
droomen uyt te leggen, denken : dies fprak hy
\'er tót den Koning van , en verhaalde hoe hy
hem zynen di\'oom, en dien van den Opper-bak-
ker verklaard had j hoe de uy tkomft de waarheyd
zyner woorden had bekrachtigd j datPotiphar,
wiens knecht hy was, hem had doen gevangen
zetten ; dat hy een Hebreër van landaard , en
naar zyn zeggen van doorluchtigen huyze was
Dat derhalve , indien \'t den Vórft beliefde
om hem te zenden , en niet vanhemteoordee-
len naar den elendigen ftaat waarin hy zich be-
vondt, hy uyt hem zou konnen verftaan wat
die droomen betekenden. Op dit bericht deed
de Koning Jofeph aanftonds haaien j en hem by
de hand gevat hebbende 3 zeyde tót hem. â Een
vanmyneamptenaaren óJongeling ! heeftop
zulk een voordeelige wyze van u tót my ge-
iprooken 3 dat het gevoelen \'t welk ik van uwe
wysheyd heb 3 my doet wenfchen datgymy ,,
myne droomen verklaart 3 gelyk gy hemden j,
zynen verklaard hebt: zonder dat gy uyt vree-
ze mn my moeijelyk te niaaken , óf uyt eene â
begeerte om my te behaagen , iets van de ,,
waarheyd bewimpelt, \'t Scheen my tm dat 3,
ik langs de rivier wandelende , zeven , heel j,
groote en vette koeijen uyt derelv^ aan den ,5
oever zag opkomen 3 en dat zeven andö-e lee-3,
lyke en magere haar tégenquamen , cn ver- ,^
ftonden, zonder daardoor haaren hon^r te â
ftillen. Ik.^twaakte in ^ii groote bScom-33
mering wat die droom dóch betekende j maar 3,
weder m ^p g^allen zyjide, hadik eorón ^,
and^enr di^ ajóg .gjiooter angeriift^ieyd â
bragt. Mf daeht dat ik zevèn koom-aairen 3,
2agi uyt één^n wortel voojtkomende , alleâ-
5>
JOODSCHE HISTORI.
^ ----- - ------ w ..
5, zo ryp en wel gevoed, dat de zwaarte der Ie koorn-aairen , die de zeven fchoone ver- â
graanen haar nederwaards deeden buygen ; flonden , en my in die verbaafdhevd lieten, â
en dirhr rlarjrhvyeven andere dorre en fchraa- daar ik «A^ i____ "
II. Boek.
lanen naar neaerwaarut. uccucu uuygen ; noiiuen, en my m die verbaafdhe
dicht daarby zeven andere dorre en fchraa- daar ik tegenwoordig nóg in ben. â
35
55 en
Naa dat de Koning aldus gefprooken had,
zeyde Jofeph tót hem: â De twee droomen, ó
sj Vórll 5 betékenen maar ééne zaak : want de
35 zeven magere koeijen, en de zeven dorre
35 koorn-aairen, die de andere vette koeijen, en
â de welgegroeide koorn-aairen verflonden, be-
â tékenen de onvruchtbaarheyd en hongersnood
â die geduurende zeven jaaren Egipte zullen o-
â verkomen, en alle de vruchtbaarheyd en over-
â vloed der zeven voorgaande jaaren verteeren:
3, en \'t fchynt zwaar te zyn zulk een groot quaad
33 te verhelpen, omdat de m^ere koeijen, die
3, de andere opflokten, daardoor niet verzaad
33 wierden. Dóch Gód voorfpélt den menfchen
3, zulke dingen niet, om hen zo te vertzaagen,
â dat zy door verdriet den moed t\'eenemaalzou-
â den opgeeven 3 maar veel eer opdat zy door
â een wyze voorzigtigheyd het gevaar dat hen
5, dreygt zouden trachten te vermyden. Indien
5, \'t u derhalve belieft de graanen, welke die
â vruchtbaare jaaren zullen voortbrengen, te
5, bewaaren, om die als men\'tvannoodeheeft,
uyt te deelen, dan zal Egipte de onvrucht-
baarheyd van de andere niet gevoelen.
De Koning ftond verfteld over Jofephs ver-
ftand en wysheyd, en vraagde hem op wat svyze
men in die jaaren van overvloed zou te werk
gaan, om de onvruchtbaarheyd van de andere
draagelyk te maaken. Hy antwoordde dat mén
\'t koornizodaanig moft bezuynigen, dat men\'er
niet meerman vérteerde dannoodigwasj en dat"
men heè c^erige^mbft bewaaren om den nood
des toekomenden tyds te hulpe te komen : waar-
by hy nóg voegde, dat men den akkerlieden
het koorn in fchuuren moft doen opleggen, en
niet me:er geeven als tot onderhoud noodig was.
Pharao alstoen niet minder voldaan over Jo-
fe-phs wysheyd, dan over de uytlegging zyner
droomen, oordeelde dat hy niemand bequaamer
dan hemzelven-^zou konnen kiezen 5 om zulk
een wyzen raad uyt te voeren. Dies gaf hy hem
volle magt om alles, wat hy tót zynen dienfte,
en ten befte zyner onderdaanen noodicr achtte
te beveelen. Hy, met dit gezag van den Ko-
ning vereerd, en ten blyk daarvan begunfticrt,
om zynen zegelring te gebruyken, en zicli\'^in
\'t purper te Sleeden 5 en op eenen fkonincrly-
ken] wagen door \'t geheele land om^evoS-d.
deed alle de graanen opleggen, en liet den ak-
kerlieden maar zo veel als noodig was om te
zaaijenen tot onderhoud te gebruyken, zonder
IJ zeggen waarom hy zulks deed. Hy was toen
dertig jaaren oud, en de Koning noemde hem
1 fontomphaneches wegens zyne overo-roote
wysheyd; want dat woord betekent zoveel als
een doorgronder van verborgene dingen.
33
33
Hy deed hem ook trouwen met eene dóchter
van grooten ftaat, genaamt Afanethe, wier va-
der , geheeten Potiphar, een Priefter van Heli-
ópolis was. Hy teelde twee zoonen by haar eer
de onvruchtbaare jaaren quaamen, waarvan hy
den eerften Manajfe noemde, dat is vergeetin-
5e, omdat de voorfpoed waarin hy toen was
hem zyn verleeden verdriet deed vergeeten j en
den tweeden noemde hy Ephraïm, dat is her-
ftelhng, omdat hy in de vryheyd zyner voor-
ouderen herfteld was.
Naa dat de zeven jaaren van overvloed, wel-
ke Jofeph voorzegd had voorby waaren, beran
de hongersnood zo groot te worden , dat
ganfch Egipte m die onverwachte ramp zyne
toevlugt tot den Koning nam. Dies deelde\'ïo-
feph, uyt laft van dien Vórft, koorn aan Ln
uyt, en verkreeg door zyn wys beleyd zulk
een algeme^ene toegeneegenheyd, datV yii
a le de behouder des vólks genoemd Jkrdt
Want hy verkóft niet alleenlyk graanenlfn de
vreemdelingen,
omdat hy achtte dat alle menfchen door^zul!
Ken naauwen band vereenigd waaren, dat dc
eene
7Z.
73\'
gene die overvloed hadden, anderen in hunne
behoeftigheyd behoorden te hulpe te komen.
74- "t Was Egipte alleen niet dat door den hon-
gersnood gedrukt wierdt, maar dat quaad ftrek-
te zich in veele andere landfchappen uyt, on-
der welke ook Kanaan was. jakob verftaan
hebbende dat \'er in Egipte koorn te koop was,
zondt alle zyne zoonen derwaards om graanen
te koopen , uytgenomen Benjamin , zoon van
Rachel , en Jofephs volle broeder , welken
hy by zich hieldt.
Deeze tien broeders in Egipte gekomen zyn-
de gingen ftraks na Jofeph toe , om van hem te
l erzoeken dat hy hen eenig koorn wilde ver-
koopen j want hy was in zulk een groot aan-
zien , dat men zonder hem groote eere te bewy-
zen te vergeefs in des Konings gunft poogde te
komen. Hy kende zyne broeders terftond j
maar zy kenden hem niet , omdat hy nóg zo
jong zynde toen zy hem verkóften , zyn gelaat
nu zeer veranderd was , en zy zich nooit had-
den konnen inbeelden hem in zulken hoogen
ftaat te zien. Hy wierdt te raade hen eens op de
proef te ftellen 3 en naa hen het koorn dat zy ver-
zócht hadden gewegerd te hebben , zeyde hy
dat zy buyten twyfel verlpieders waaren , die
tzamen tegen des Konings dienft waaren aange-
Ipannen , en die veynfden broeders te zyn,
ichoon zy van verfcheydene plaatfe by een geko-
men waren j dewyl \'tniet waarfchynelyk was dat
één man zo veele zoonen , alle zo wel gemaakt ,
zoude hebben , doordien dat zulk een zeld-
zaam geluk was , dat het zelfs den Koningen
niet gebeuren mogt. Hy fprak aldus tót hen,
om daardoor iets te verneemen van hunnen va-
der , van den toeftand zyner zaaken federd zyn
afweezen , en van zynen broeder Benjamin,
\'r
dien hy vreefde dat zy mogten gedood hebben
door dezelfde afgunft waaraf hy de uytwerkino-
gevoeld had. Deeze woorden verbaafdenhent
en om zich van zulk een zwaare befchuldiging
te zuyveren , antwoordden zy hem door\'den
mond van Ruben , hunnen oudften, aldus:
53 Niet is minder in onze gedachten dan hier te â
komen als verfpieders : maar de hongersnood â
die in ons land is heeft ons gedwongen onze â
toevlugt tót u te neemen, omdat wy verftaan â
hebben , dat uwe goedheyd zich niet verge- â
noegende met alleenlyk denonderdaanendes
Konings te hulpe te komen , zich ook uyt- â
ftrekt om den nood der vreemden te verlig- â
ten , door hen toe te laaten graanen te komen â
koopen. Belangende \'t gene dat wy gezegd â
hebben dat we broedersrzyn, men behoeft,,
maar na onze aangezigten te zien , om uyt de â
overeenkomft van gelaat te bemerken datwy â
de waarheyd gefprooken hebben. Onze va- â
der , die eenHebreer is , is Jakob genaamd j
hy heeft by vier vrouwen twaalf zoonen ge- â
teeld 3 en wy waaren gelukkig, zo lang wy alle â
m \'t leeven waaren. Maar federd den dood â
van éénen van ons geheeten Jofeph , zyn alle â
dmgen ons tegengeloopenj onze vader is over
zyn verlies niet te trooften , en zyn groot â
verdriet baart ons geen minder droefheyd, â
dan toen wy den dood van onzen broeder â
verftonden. De oorzaak dan die ons hier â
dryft is niet anders dan om koorn te koopen: â
wy hebben den jongften onzer broederen, ,,
genaamd Benjamin, by onzen vader gelaaten ,
om [den ouden man} op te paftènendezaa- ,"*
ken van het huys waar te nemen j en indien
tu behett daar na te laaten verneemen, gy zult
bevinden dat wy oprcchtelyktót ufpreeken.
n
Uyt deeze reede verftondt Jofeph dat hy
voor zynen vader en broeder niet bekommerd
behoefde te zyn: niettemin beval hy dat men
hen alle zou gevangen zetten, om hen ter ge-
legener tyd nader te ondervraagen. ,Drie dagen
daarnaa de^ hy hen voor zich komen, en zeyde
tót hen:Om my te verzékeren dat gy waarlyk
diier met geen quaad oogmerk tegen des Ko-,,
nings dienft zyt^.gekomeni en ^iat gy alle â
broeders^ en kmderen van éénen vader zvt,
begeer ik datgy my hier éénenvan ulieden laat, â
die by my i« verzékering zal blyven j en dat.â
als gyby uwen vader met het koorn, \'cwelk â
gy verzoekti ^"Itgekomen zyn > gy weder tóe â
3>
my komt met uwen jongden broeder dien gy
â naar uw zeggen by hem gelaaten hebt. Dit
bevél ontflelde hen indiervoege, dat zy hun on-
geluk beklaageiide, bekenden dat God hen met
recht ftrafte over hunne onmenfchelykheyd je-
gens Jofeph. Waarop Ruben hen met een ver-
wyt zeyde, dat dit leedweezen nu onnut v/as,
en dat zy de ftrafte die zy verdiend hadden kloek-
moediglyk moften draagen. Zy ftonden dit toe,
en wierden door zulk een geVoelige fmart getrof-
fen , dat zy hunne misdaad niet minder wraak-
ten , dan óf zy die niet begaan hadden. Terwyl
zy dus in \'t Hebreews fpraken, meenende dat nie-
mand van degénen die \'er tegenwoordig waaren
hen verftond, wierdt J ofeph zo ontroerd, zien-
de hen byna tót wanhoop gcbragt, dat hy zy-
ne traanen niet konnende verkróppen, en zich
echter nóg niet willende bekend maaken, van
hen wegging; en zynde kort daarnaa weder ge-
keerd , hieldt hy Simeon tót eenen gyzelaar ,
ter tyd toe dat zy hem hunnen jongften broeder
gebragt zouden hebben j en daarop liet hy hen
toe koorn te koopen en te vertrekken: maarhy
beval dat men het geld dat zy \'er voor betaal-
den, heymelyk weêr in hunne zakken zou ftee-
ken j \'t welk ook zo gedaan wierdt.
Naa dat zy weder m Kanaan gekomen waa-
ren , verhaalden zy hunnen vader alles wat hen
wedervaaren was ^ hoe dat men hen voor ver-
fpieders gehouden hadde, en dat zy gezegd heb-
bende dat ze alle broeders waaren, en nóg éé-
nen hadden die jonger zynde by hunnen vader
gebleeven was , de Landvoogd hen niet had
willen gelooven, maar Simeon in gyzeling ge-
houden had, tótdat zy dien jonglïen by hem
gebragt zouden hebben : Dat zy hem derhalve
taden, hunnen broeder Benjamin met hen te
willen zenden, dewyl hy niets voor hem behoef-
de te vreezen. Jakob, die reeds zeer bedroefd
was dat Simeon achter was gebleeven, en wien
de dood niet zo zwaar fcheen dan zich in gevaar
te ftellen van Benjamin te verliezen, weygerde
hem te laaten mede^^aan : en hoewel Ruben
hem aanboodtzyne kinderen in zyne handen te
zullen ftellen, om \'er mee te handelen zo als
\'t hem beliefde, ingevalle Benjamin eenig quaad
75-
overquame, echter kon hy \'er niet toe befiuy-
ten. Deeze wederftand van zynen vader ftel-
de hem en alle zyne broeders in een ongeloofly-
ke bekommering, die nóg veel vermeerderde,
toen zy het geld dat zy voor \'t koorn gegee-
ven hadden in hunne zakken vonden. Onder- Gen.
tuffchen bleef de hongersnood duuren , zulks dat
wanneerde graanen, welke zy in Egipte gekóft
hadden, byna op waaren, Jakob door nood
gepérft befloot by zich zelf Benjamin te zenden,
naardien zyne broeders zonder hem niet durf-
den wederkeeren. Als nu de nood toenam, en
zyne zoonen hun verzoek verdubbelden, was
\'er niet anders te doen. Judas ook, die ftout en
hevig van aardt was, nam de vrymoedigheyd
van hem te zeggen: â Dat zyne ongeruilheyd
wegens Benjamin al te overdaadig was , ver-
mids hem, \'tzy dat hy by hem bleef, óf van
hem afging, niets tegen Góds wille kon over-
komen : Dat die overtóllige en onnutte zórg â
zyn eygen leeven en dat van allé de zynen in
gevaar zoude ftellen, dewyl zy niet beftaan
konden zonder de onderftand die zy uyt Egip-
te zouden trekken. Dat hy behoorde te over-
denken dat hun lang uytblyvendeEgiptenaa-
ren zou konnen beweegen om Simeon te doo- â
den. Dat zyne gódvruchtigheyd medebragt
dat hy de behoudenis van Benjamin Gode ver- 5,
trouwde: En eyndelyk dat hy hem beloofde â
denzelven in gezondheyd weder te brengen, â
óf met hem te fterven. " Jakok gaf hen dan
Benjamin over, en dubbeld geld voor\'tkoorn,
mitsgaders gefchenken voor J ofeph, uyt de vrug-
ten van Kanaan, namelyk : balzem, myrrhej
terpentyn en honing. Hierop namen zy affcheyd
van hunnen vader, onder \'t ftorten van weder-
zydtfche tranen, dewyl hy voor de behoudenis
zyner kinderen bedugt, en zy bezorgt waren ,
dat hunne vader van droefheyd over hun afzyil
mögt fterven:duurende deeze droevige affcheyd-
neming eenen geheelen dag. Zy lieten dan [en*
delyk] den ouden man t\'huys en trokken naEgip-
te, pogende de tegenwoordige droefheyd door
een beter hoop te verzagten.
Zo dra zy in Egipte aangekomen waaren ,
gingen zy na Jofephs Paleys 5 en uyt vreeze
5)
55
35
35
35
40 F I A V I U S J
van befchuldigd te worden dat zy \'t geld voor
\'t gekófte koorn medegenomen hadden , ver-
ontfchuldigden zy zich deswege by zynen Hóf-
meefter, en Zeyden hem dat zy \'in \'hun land
wedergekomen zynde, met verbaafdheyd dat
geld in hunne zakken hadden gevonden, \'twelk
zy hem nu wederbragten. Hy gehet zich als
óf hy niets daaraf wift 5 en zy fchepten nóg
meer moed toen zy Simeon in vryheyd gefteld
zagen. Weynig tyds daarnaa quam Jofeph,
die by den Koning geweeft was, en zy bobden
hem de gefchenken aan welke hun vader hem
zondt. Hy vraagde na zyne gezondheyd , en
zy zeyden dat die in eenen goeden ftaat was.
O S E P H tr s
11 Boek.
nende zich niet langer bedwingen van traanen
te ftórten, ging hy weg om zich niet bekend
ie maaken. Hy gaf hen dien zelfden dag een
avondmaal, en fchikte hen in dezelfde orde
aan tafel, die zy gewoon waaren by hunnen
vader te houden. Voorts onthaalde hy hen
treffelyk, en deed voor Benjamin een dubbeld
deel opdiffchen.
77. Na het avondmaal, als zy ftiepenbelaftehy,
Gen,44-dat meii hen zo veel koorns als zy begeerden,
zoude geeven, en dat men , het geld dat ze
betaald hackien weder in hunne zakken zou
cioen, daarenboven dat men in dien van Ben-
jamin den beker, waarvan hy zich doorgaans
bediende, fteeken zoude. Door dit middel
was het, dat hy eens onderftaan wilde hoedaa-
nig de gefteltenis zyner broederen jegens Ben-
jamin waare j óf zy, wanneer hy met diedieve-
ry befchuldigd wierd, hem zouden byft\'aan,
dan óf ze hem verlaaten zouden, zonder zich
zyns verlies te bekreunen. Zyn bevél dan uyt-
gevoerd zynde, vertrokken zy met het krieken
van den dag , ten hoogften verblyd dat zy hun-
nen broeder Simeon weder bekomen hadden,
en dat zy zich van hunne belóften by hunnen
vader zouden konnen quyten, door hem Ben-
jamin weer te brengen. Maar zy wierden zeer
verbaafd toen zy zich omringd zagen van een
tróp vólks te paerde, onder welke ook die van
Jofephs dienaaren was, welke den beker in éé-
nen der zakken verborgen had. Zy vraagden
deeze lieden waarom zy hen, die van hunnen
meefter zo beleefdelyk onthaald waaren , dus
vervólgden ? Deeze Egiptenaars antwoordden
hen ; Dat die goedheyd van Jofeph ^ welke
zy zo prcezen, hunne ondankbaarheyd nóg â
meer toonde, en hen nóg fchuldigermaaktej,,
naardien zy in plaats van de ontvaneene gun-
ften te erkennen , geen zwaarigheyd ge- â
maakt hadden hem dien beker, waarvan hy â
zich bediend had om hen op een gaftmaal té- â
kenen zyner toegeneegenheyd te geeven, te â
ontfteelen ; en dat zy zulken fchandelyken â
diefftal meer hadden geacht dan de eere zy- â
ner gunfte, en \'t gevaar dat hen dreygde zo â
\'tfeyt ontdekt wierd. Dat het niet mifïèn â
kon óf zy zouden geftraft worden gelyk zy â
verdienden j omdat fchoon zy den ampte- â
naar, die dien beker bewaarde, vooreenen,,
tyd hadden konnen bedriegen, zy echter â
Gód niet bedriegen konden, die hunne die- â
very ontdekt, en niet toegelaaten had dat zy
\'er eenig voordeel uyt trekken zouden. Dat
zy te vergeefs veynfden de oorzaak niet te
weeten die hen daar gebragt had, dewyl de
ftrafte die zy ontvangen zouden hen zulks ge- â
noeg zou bekend maaken.\'\' Deeze amptenaar
voegde nóg een menigte van verwytingen daar-
byj maar vermids zy zich onfchuldig kenden,
lachten zy\'er om, en verwonderden zich over
de dwaasheyd van luyden w^egens diefftal tebe-
fqhuldigen, die\'r geld van \'t gekófte koorn in
hun-
33
W
33
hunne zakken gevonden hebbende,het ter goeder
trouwe hadden wedergebragt, fchoon niemand
kennis van die zaak had, het welk een gedrag was
dat regelrecht aanliep tegen de misdaad waarvan
men hen betichtte. En omdat een onderzoek
maakte het vertrouwen dat zy op huiinc on-
fchuld hadden hen zo vrymoedig 3 dat zy den
Egiptenaaren aanpreften om hunne zakken të
betaften, met byvoeginge, dat indien één van
hen Ichuldig bevonden wierd , zy zich onder-
ken beter kon verdeedigen dan hunne woorden,\' wierpen om alle geftraft te worden.
De Egiptenaars waaren met dit Voorftel väii
een onderzoek te doen te vreede , en zelfs op
gunftiger voorwaarde, beloovende hen zich te
zullen vergenoegen met dien alleen te behouden
in wiens zak de beker gevonden wierdt. De
amptenaar bevoelde dan alle hunne zakken, cn
begon voordachtelyk met die van den oudften,
om dien van Benjamin tót op \\ laaft tebefpaa-
ren j niet omdat hy niet wift dat de beker in zy-
nen zak was 3 maar opdat het fchynen mop-t dat
hy zich naauwkeuriglyk van zynen laft queet.
Wanneer dan de tien eerfte niet meervoorzich
te vreezen hadden , en niet geloofden dat\'er
voor Benjamin iets te duchten was , begonden
zy reeds over hunne vervólgers , en over de
vertoeving welk zulk een onbillyk onderzoek
hen veroorzaakte , te klaagen. Maar toen
Benjamins zak geopend wierdt, en dat men
daar den beker vondt, trofdeverbaafdheydvan
zich in zulk een ongeluk vervallen te zien,
toen zy meenden buyten gevaar te weezen, hen
met zulk een gevoelige droefheyd, dat zy hun-
ne kleederen fcheurden , en hunne toevlugt tót
j ammeren en geklag namen. Want zy erinner-
den zich ter zelfder tyd de onvermydelyke
ftraffe van Benjamin, de plegtige belofte welke
zy hunnen vader gedaan hadden van hem ge-
zond weder te brengen, en \'t gene hun verdriet
vermeerderde, zy kenden zich alle fchuldig aan
de ramp die hen trof, omdat het hunne drin-
gendebegeerte en overlaftige aanzoeken geweeft
waaren , die Jakob hadden doen befluyten Ben-
jamin met hen te zenden.
Maar deeze ruyters , zonder zich hunner
klagten te bekreunen , voerden Benjamin na Jo-
feph 3 en zyne broeders vólgden hem. Jofeph
ziende Benjamin m de handen zyneramptenaa«
ren, fprak zynebroederën, dievartdroèfheyd
beklemd waaren , aldus aan : ,, Gy eerlooze
menfchen , ontziet gy dan Góds voorzienig- ,,
heyd zo weynig , en zyt gy ongevoelig voor ,3
de goedheyd die ik ulieden bewéezen hebbe,,,
dat gy zulk een fnood ftuk hebt durven begaan â
tegens eenen weldoener, van wien gy zo veele ,3
gunften ontvangen hebt!" Deeze weynige
woorden maakten hen zo ontfteld , dat al-
les wat zy antwoorden konden , was zichzel-^
ven aan te bieden om hem tc verlóflèn, en in
plaats van hem geftraft te worden. Zy zeyden
tót malkanderen , dat Jofeph gelukkig was,
overmids hy dood zynde van de elenden van dit
leeven bevryd wasj en dat indien hy nóg leef-
de , het overheerlyk voor hem was dat Gód heni
waerdig oordeelde hen om zynent wille z\\ilk een
ftrenge tuchtiging te doen lyden. Zy bekenden
ook dat men niet fchuldiger kon w eezcn, dan
^Y jegeiis hunnen vader waaren, dewyl zy dit
nieuw verdriet gevoegd hadden by \'t gene hy
reeds wegens Jofephs verlies leed, en daarop
vervólgde Ruben met li^n de misdaad te Verwy-
ten die zy tegen hunnen broeder begaan hadden.
Thans zeyde Joieph tót hen â Dat vermids
hy aan hunne onlchuldniettwyfelde, hy hen â
verlóf gaf na huys te keeren , cn dat hy zich â
vergenoegde met deezen te ftraffen die mis- ,3
daan had : maar dat het niet billyk was eenen
fchuldigen in vryheyd te ftellen, om den ge- â
nen die \'t niet waaren eenen dienft te doeii^ 3,
gelyk het ook niet billyk zoude weezen de on-
Ichuldigen te doen lyden voor de overtreedinp- â
des fchuldigen. Dat zy overzulks mógten ,3
vertrekken als zy wilden, en dat hy hen alle â
zekerheyd beloofde." Deeze wóórden door-
griefden hen\'t hart zodaanig, dat alle 3 uytge-
"" nonijen
K
!⢠f
te verkenen : cn wy zoudeh den dood met cre-
duld lyd en, indien onze eerwaerdige vader
zich over dat verhes kon trooften. Maar hoe- "
welwynógjongzyn, en de geneugten van dit
leeven maar eerft beginnen te finaaken 5 ech-
ter gevoelen wy zyne ramp meer dan onze "
eygene ; en wy bidden u niet zo zeer voor ons
zelven als voor hem , die niet alleenlyk door â
ouderdom, maar ook door droefheyd overlaa-
den is. Wy konnen met waarheyd zeggen dat,,
hyeenmanisvaneenuytmuntendedeugdj dat"
hy niets verzuymd heeft om ons aan te porren ,,
dat wy hem zouden naavólgen 5 en dat hy â
zeer ongelukkig zou zyn indien wy hem een ,,
oorzaak van verdriet waaren. Ons afweezen â
quelt hem reeds zodaanig, dathy zonder fter-
ven de tyding en oorzaak van onzen dood niet â
zou konnen verftaan 3 dc fchande waarmede ,,
die verzeld zoude zyn , zou buyten twyfel ,,
zyne dagen verkorten 3 en om debefchaamd- ^^
heyd daarover te ontwyken , zoud hy uyt de
werreld wenfchen te gaan eer het gerucht daar- ,\'
van zich verfpreydde. Alhoewel dan uwe â
gramfchap zeer billyk zy , laat nógtans uw
medelyden jegens onzen vader meer vermoo-"
gen op uw gemoedhebben, dan hetmisnoegen \'\'
over onzen misflag. Staadiegunftaanzylen
ouderdom toe, omdat hy niet zou konnen be-
fluyten ons te overleeven j ftaa dezelve toe aan
de hoedaanigheyd van vader , om den uwen ,
in zyn perfoon te eeren, en daar beneven u zel-
ven , nademaal Gód u die hoedaanigheyd ook "
gegeeven heeft. Gód, die de vader van alle "
mcnfchenis, zal u gelukkig m uw huysgezin "
maaken, mdien gy doet blyken dat gy eenen
naam eert die u met hem gemeen is, door u tót
ontferminge te laaten beweegen jegens eenen
vader, die \'t verlies van zyne kinderen niet
zou konnen uytftaan. Ons leeven is in uwe
hand 5 gelyk gy \'t ons met recht kont ontnee-
men, zo kont gy ^t ons ook door genade be-
houden : en \'t zal te heerlyker voor u zyn.
Góds goedheyd, die\'t ons gegeeven heeft\'
daardoor naa te vólgen, omdat het niet aan
éénen alleen , maar aan veelen zal weezen dat
gy het behoudt. Want als gy \'t aan onzen
broeder geeft, fchenkt gy \'t ons allen, naardien
wy met zouden konnen befluyten hem te over-
leeven, nóch zonder hem weder tót onzen
vader te keeren; en dat wy alles dat hem over-
quam met hem gemeen zouden hebben. Invoe-
ge dat zo gy ons deeze gunft weygert, wy u
om geen andere bidden, dan dat gy ons dezelf-
de ftrafte doet lyden waartoe gy onzen broder
zult veroordeelenj omdat alhoewel wy geen
fchuld aan zyne misdaad hebben, wy echter
liever voor medepligtig daaraan willen geacht
weezen , en met hem ter dood gedoemd wor-
den , dan door droefheyd gedwongen zyn ons
zelven het leeven te beneemen. Ik zal u niet
voorhouden, Mynheer, datdewyihynó<rjono-^ â
on aan zwakheden van zynen ouderdom 01?-
nomen Judas j zich buyten ftaat bevonden om
te Iconnen antwoorden. Maar hy grootmoedig
zynde, en zynen vader krachtig beloofd heb-
bende dat hy hem Benjamin weder brengen zou-
de, befloot zich zeiven te waagen om hem te
redden, en fprak daarop aldus tót Jofeph :
3, Wy bekennen. Heer Landvoogd, datdebe-
â leediging die gy ontvangen hebt zo groot is,dat
,, zy niet te ftreng geftraft kan worden: en daar-
3, om hoewel de misdaad maar door éénen al-
3, leen, en dat nóg den jongften van ons, be-
â gaan is, echter zyn wy alle gewillig de ftrafte
â daarvoor te lyden : en fchoon het fchynt dat
3, wy niets voor hem te hoopen hebben, nóg-
â tans laaten wy niet naa op uwe goedertieren-
3, heyd te vertrouwen j en wy durven ons beloo-
â ven dat gy in dit geval liever de gevoelens wel-
ke u daardoor ingeboezemd worden, zult vól-
33 gen, dan die van uwe rechtvaerdige gram-
ichapj nademaalhet aan groote zielen 3 gelyk
de uwe, eygen is, de hartstógten, waar van
5, gemeene lieden zich laaten overwinnen, te
3, boven te komen. Overweeg eens, zo\'tube-
â lieft, óPtwel betaamelyk voor u zoude zyn,
perfoonen te doen fterven die hun leeven van
uwe goedheyd alleen begeeren te houden:
\'t \'Zou de eerite reys niet weezen dat gy \'t ons
behouden hebt, vermids wy \'t al lang gdeedcn
zouden verlooren gehad hebben, indien gy
55 ons niet toegelaaten hadt koorn te koopen.
Lyd dan niet dat zulk een groote weldaad waar-
over wy aan u verpligt zyn, onnut bly ve j maar
begunftig ons met een tweede, die niet min-
der zal zyn dan de eerfte j want het is éénen
dezelfde gunft op tweederley manieren bewee-
zen, als men den genen die van honger zouden
moeten fterven het leeven behoudt, en zoo-
_ daanigen die den dood verdiend hebben het
,5 zelve niet wegneemt. Gy hebt ons behouden
door ons voedfel te geeven, doe ons die gunft
nu ook genieten door eene edelmoediglieyd
die u betaamt. Wees jaloers over uwe eygene
gaaven, en vernoeg u niet met ons éénmaal het
leeven behouden te hebben. En zeker, ik o-e-
loof dat Gód het toegelaaten heeft dat wyin
een ongeluk geftórt zyn, om uwe deugd te meer
tedoenuytfchitteren, wanneer gy vergeeveA-
deden genen dieumisdaan hebben, daardoor
zult doen blyken dat uwe goedheyd zich
niet alleenlyk uytftrekt over de onfchuldigen
die uwe byftand van doen hebben, maar ook
over de fchuldigen voor welken uwe genade
hoognoodig is. Want gelyk "t een zeer loflyke
â zaak is den verdrukten te hulpe te komen, zo
â is \'t voor iemand van een hoogverheven ftaat
35 niet minder betaamelyk, het byzonder leed dat
,3 hem aangedaan is te vergeeten : en indien het
35 roemv/aerdig is geringe misflagen te vergee-
.35 ven, zo is \'teene naavólging van de Gódheyd,
als men \'t leeven geeft aan zulken die verdiend
hebben het te verliezen. Indien Jofephs dood
my niee getoond had hoeverre de uytneemen-
de liefde van onzen ouden vader jegens zyne
kinderen gaat, ik zou zo krachtig by u niet
55 aanhouden voor de behoudenis van eenen zoon
,5 die hem zo dierbaaris ^ óf indien ik het deed 3
35 het zoud alleenlyk weezen om iets toe te bren-
5j gen tótdc eere ciie\'tu zyn zal hem vergiffenis
35
53
.33
33
53
55
55
35
55
33
35
35
55
5>
55
55
33
35
35
35
55
35
35
35
55
35
35
3>
35
55
55
35
35
35
35
35
35
53-
55
33
33
35
53
33
35
53
55
53
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
35
53
33
33
33
55
33
33
derhevigis, aemenfchelykheydu fchynt te ver- â
phgten hem vergiffenis te verkenen . enikzal â
verfcheydene andere zaaken met voordacht â
zwygen , opdat indien gy door onze gebeden â
met bewoogen wordt, men het my wyte, dat ik â
mynen broeder niet beter feeb weeten te verdee-
3>
digen
, en dat in \'t tegendeel indien gy \'t hem
j, vergeeft , het fchynen mag dat wy daarover
â alleenlyk verpligt zyn aan uwe goedertieren-
5, hevd , en aan de doordringendneyd van uw
,, veriland, die beter dan wy zelve, de rédenen
die t\'onzer verdeediginge dienen , g;eweeten
5, aigen 3
î)
hebt. Maar indien wy zo gelukkig niet zyn,
33
en dat gy hem ftrafFen wilt, danisdeecnigile
gunft welke ik van u verzoek,dat gy my in plaats ,,
van hem de ftralFe, waartoe gy hem vcroordee- â
lenxult, doet lyden, en dat gy hem toelaat we- â
der na onzen vader te keeren: ofzo uwvoor- ,,
neemen is hem voor flaaf te houden, gy ziet â
dat ik bequaamer ben, dan hy - om u te dienen. â
7S. Judas aldus gefprooken , enbetuygd hebben-
de dat hy gereed was met blydfchap zich voor
alle rampen bloot te ftellen, om zynen broeder
te redden, wierp zich aan Jofephs voeten neder,
om niets achterv/ege te laaten van alles dat hem
zou konnen buygen , en tót genade beweegen.
Zyne broeders deeden \'t zelfde, en daar was
\'er niet één die zich niet aanboodt om in plaats
van Benjamin geftraft te worden. Zo veele
Gen blyken van een waare broederlyke hefde maak-
ten \'t hart van Jofeph zo week , dat hy niet
langer konnende veynzen vertoornd te zyn,
aan de omftanders beval uyt de zaal te gaan >
en toen hy met zyne broeders alleen was, maak-
te hy zicli aan hen bekend , en fprak hen ver-
vólgens aldus aan: â Vermids de wyze op welke
gylieden my voor deezen bejegend hebt, my
oorzaak gegeeven heeft omu aan quaadaardig-
heyd fchuldig te achten , zo is alles wat ik tót
hier toe gedaan hebbe voordachtelyk gefchied
om u te beproeven. Maar de liefde welke gy-
lieden voor Benj amin betoond hebt, verpligt
my van gevoelen te veranderen, en zelfs te ge-
looven, dat Gód het gene gebeurd is toegelaa-
ten heeft, om \'er het goed uyt te trekken dat
33 gylieden tegenwoordig geniet,en \'t welk ik van
33 zyne genade verhoope dat in \'t toekomende
53 nóg grooter zyn zal. Nademaal dan myn vader
â welvaarender is dan ik my had durven beloo-
â ven, en dat ik uwe geneegenheyd voor Benja-
min befpeure, zo wil ik aan \'t veiieedene niet
,5 meerdenken, dan om\'t zelve aan Góds goed-
3, heyd toe te fchryven, en om ulieden in dat ge-
â val als dienaars zyner voorzienigheyd aan te
n merken. Maar gelyk ik het vergeet 3 zo wil ik
33
33
33
33
33
33
33
33
dat gylieden het infgeiyks vergeeten zult > en â
dat een gelukkige uytkomft vaneenen ongeluk-
kigen raadflag, u de fchaamte van uw misdry f
doe vergeeten, zonder dat u eenig verdriet des-
wege overblyve, naardien het zonder gevólg
geweeft is. Want waarom zoud het berouv/
van \'t zelve begaan te hebben ulieden tegen-
woordig moeijelykheyd baaren ? Verblydt ü ,,
liever over liet gene Gode beliefd heeft onzent-
halve te doenjcn vertrekt fpoedig om \'er mynen
vader kennifie van te geeven, uyt vreeze dat de
bekomrnerdheyd , waarin hy om uweiit v/ille
is, hem niet doe fterven, zonder dat ik de trooft
hebbe van hem te zien 3 vermids de grootfte
blydfchap welke myn geluk my zou konnen
verfchatfen, is hem deelachtig te maaken van â
de goederen welke ik van Góds mildheyd ont- â
vangen heb. Laat ook niet naa u-we wy veii^kin- â
deren, en nabeftaaiide met u te brengen, op~ â
dat gy alle aan myn voorfpoed moogt deel heb- ,,
ben> \'t welk ik te meer begetT, omdat deeze
diere tyd die ons praamt, nógvyfjaarenlantr
zal duuren." Jofeph aldus tót zyne broedl^rs
o-efprooken hebbende, omhelfde hen alle: waar-
op zy in traanen^ fmoiten^ en dewyl zy niet kon-
den twyfelen óf de tedere toegenegenheyd wel-
ke hy hen betuygde, was oprecht, en de vergif-
fenis die hy hen verleende, waarachtig, wierdt
hen het hart door droefheyd beklemd, en zy kon-
den \'t zichzelven niet vergeeven dat ze hem zo
X)nmenfchelyk bejegend hadden. Dóch naa ee-
ne menigte van traanen geftort te hebben, wierdt
die dag met een groot gafoiiaal beflooten.
De Koning middelerwyl, die de komft van
Jofephs broeders verftaanhad , betoonde geen
F % min-
33
33
33
33
33
35
33
33
53
FLAVIUS JOSEPH US
II Boek,
Jakob , door zulken gunftigen droom in zyne
hoope verfterkt, vervólgde met vreugde zyne
reyze met zyne zoonen en kindskinderen, mel-
ker getal zeventig uytmaakte ^ waarvan ik de naa-
men , die ruuw en zwaar om uyt te Ipreeken zyn 5
alhier niet zou verhaalen , t\'en waare fommige
wilden doen gelooven dat wy uyt Egipte, en niet
uytMefopotamié,oorfprongklyk gefprooten zyn.
Jakob had twaalf zoonen , van welke Jofeph
te flaan aan de verzékering die zy hem gaven dat
die zoon, welken hy zo lang beweend had, niet
afleenlyk nóg volkomen in /t leeven was, maar
zich ook tót zulk een groot gezag verheven be-
vondt , dat hy ganfch Egipte naaft aan den Ko-
ning regeerde j omdat die getrouwe dienaar
Góds zo veele blyken zyner onëyndelyke goed-
heyd ontvangen had, dat hy \'er niet aan twyfelen
kon, fchoon de uyt werkingen daar van eenigen
tyd als opgefchort waaren geweeft. Aldus maak-
te hy dan geen zwaarigheyd van aanftonds te
vertrekken , om aan Jolèph te geeven , en ter
zelfder tyd van hem te ontvangen, de grootfte
van alle vertrooftingen welke zy de één den ande-
ren in dit leeven konden toewenfchen.
IV. HOOFDSTUK.
Jakob komt met zyn geheel huysgezin in Egipte. Jofephs zonder-
ling beleyd geduurende en naa den dieren tyd. Jakobs cn Jofephs
dood.
T^Oen Jakob aan den put, genaamd de put
des eeds , gekomen was , ófferde hy Gode
eene ófferande op, en zyn geeft was alstoen door
verfcheydene gedachten ontroerd : want aan de
ééne kant vreesde hy, dat de overvloed van Egip-
te zynen kinderen eene begeerte om daar te bly-
ven mogt inboezemen, en hen de luft om weder
te keeren na \'t land Kanaan, waarvan Gód hen
\'t bezit beloofd had , doen verliezen j en dat zy
alzo zyne gramfchap op hen haaien zouden, om
dat zy beftaan hadden van land te veranderen,
zonder hem raad te vraagen. En aan de andere
kant was hy bezórgd dat hy fterven zoude eer hy
de trooft had gehad van Jofeph te zien. In dee-
ze bekommerdheyd viel hy in flaap, en Gód ver-
fcheen hem in eenen droom , noemende hem
tweemaal by zynen naam. Jakob vraagde hem
wie liywas > en God antwoordde : âHoe! Ja-
â kob, kent gy uwen Gód niet meer, die u en uwe
â voorvaderen zo dikwils bygeftaan heeft Ben
ik het niet die tegen het voorneemen van uwen
vader Ilaäk u tót hoofd van uw huys gefteld
, hebbe ? Ben ik het niet, die toen gy alleen na
> Mefopotamië gingt, u aldaar een voordeelig
huuwelyk deed aantreffen , u daar vader van
veele kinderen maakte, enu met goederen wel
, voorzien vandaar te rugge bragt P Ben ik het
niet die uw huysgezin bewaard heb, en die,
^ toen gy meende Jofeph verlooren te hebben,
â hem tót zulken hoogen trap van moogendheyd
â heb yerheeven , dat zyn ftaat dien van den
Koning van Egipte bykans evenaart Dies
kom ik u nu tót eenen leydsman ftrekken op u-
we reyze, en u aanzeggen dat gV in Jofephs ar-
â men uwen geeft zult geeven; \'datuwenaako-
â mdingen zeer magtig zullen zyn veele eeuwen
â lang, cn dat zy \'t land, van \'t welk ik ude
â heerfchappy beloofd heb > bezitten zullen.
8 O.
Gen.
31
55
33
33
55
35
35
33
33
33
na hun land j en \'t viel Jakob niet zwaar, geloof reeds in Egipte woonde. Wat de overiLe die
hem volgden enhunne kinderen aangaat:
Ruben had vier zoonen, Henoch\\Thale ^Ef"
filon, ewCharmü.
Simeon had zes zoonen , Jemuel, Jamin,
Tuthody Jachen, Zoar, enSadr,
Levi had drie zoonen , Geifern , Kaath , en
Mar art.
Judas had drie zoonen, Sala-^ Thares ,eYiZa-
ra : enPhareshad \'er twee , Efron en Amyr.
Ifaflchar had vier zoonen , Tola , Thrufas,
Job, enSatnaron.
Zabulon had drie zoonen, Sorad, Elon, en
Janel.
Alle deeze kinderen had Jakob by Lea geteeld,
die haare dóchter Dina ook met zich bragt, en
deeze altzamen maakten een getal van drieën-
dertig perfoonen uyt.
Jakob had daarenboven by Rachel, Jofeph
reets gemeld] en Benjamin.
^ ofeph had twee zoonen, Manajfe en Ephraïm.
Benjamin had\'er tien, Bolojfus , Baccharis,
Azabel, Gela, Noman, Ifes, Ar os, Nomphthis,
Oprais, en Sar od: en deeze veertien perfoonen
gevoegd by de drieëndertig andere maakten het
getal van zevenënveertig uyt; welke kinderen
waaren van Jakobs echte vrouwen. Daarenbo-
ven had hy by Bala Rachels dienftmaagd ge-
teeld, T>anenNephtali.
Dan had maar éénen zoon genaamd UÃs.
Nephtali had \'ervier, Ehm, Gutnes, Sares*
en Helim. Deeze gevoegd by de bovenftaande
maaken vierenvyftig perfoonen uyt.
Voorts had Jabob by Zelpha Leaas dienft-
maagd, GadenAffer.
Gad had zeven zoonen , Zophonias , ügis,
Sumis, Zabron, Erines, Erodes, cn Ariel.
After had eéne dóchter en zes zoonen , Jom-
nes, Ejfus, Jubes, Baris, jlbar, enMelmi\'él,
Deeze zeftien perfoonen gevoegd by de vieren-
vyftig andere maaken, als men \'er Jakob niet on-
der begrypt, het voorgemelde getal van zeven-
tig uyt.
Judas ging vooruyt om Jofeph te ver v/ittigen 8 2.
dat hun vader naderde : weshalve hy terftond
vertrok om hem tegen te gaan, enhyontmoet-
tehem in de ft-ad Heroön.
Jakobs blydfchap was zo groot dat ze hem
in leevensgevaar bragt, en die van Jofeph was
niet veel minder. Hy verzócht hem dat hy
maar met kleynedagreyzen wilde voorttrekken,
en ging zelf met vyf zyner broederen heene
om den Konmp van de komft zyns vaders en
deszelfs geheel huysgezin kennis te geeven.
Deeze Vórft betuygde zeer verblyd daarover te
zyn, en vraagde in wat beezigheyd Jakob en
zyne kinderen \'t meefte vermaak naamen. Hy
antwoordde dat zy zeer ervaaren waaren in de
konft van vee aan te fóldcen , en dat het zelve
hun-
44
minder blydfcliap daarover, dan óf liem een zon-
derling geluk bejegend waare : hy deed hen wa-
gens met koorn gelaaden, en een groote fomme
van goud en zilver geeven , om hunnen vader
re brengen. J ofeph ftelde hen defgelyks groote
gefchenken ter hand 5 om hem dievanzynent-
wege aan te bieden , en gaf hen andere voor hen
altzamen, behalve die welke voor Benjamin in
\'t byzonder waaren. Daarop keerden zy weder
JOODSCHE HISTORI
II. Boek.
B
liunne voornaamfte oefening was. Dit zeyde
hy eensdeels opdat Jakob niet gefcheyden wier-
de van zyne kinderen, welker byftand hem om
zynen hoogen ouderdom zeer noodig wasj en
andersdeels om te vermyden dat de Egiptenaars
hen met geen nydig oog mogten aanzien in de
eygenfte handteeringen waarmee zy zelve zich
beezig hielden; daar zy in tegendeel hen geen
afgunft zouden toedraagen in het weyden van
vee , omdat zulks hun ongeoorloft was.
Gen. 47.Thans ging Jakob den Koning begroeten, en
wierdt van hem zynen ouderdom gevraagd:
hy antwoordde dat hy honderd cn dertig jaa-
ren had, en ziende dat de Vórft zich daarover
verwonderde, zeyde hy dat dit geen lang lee-
ven kon geacht worden in vergelykinge van dat
zyner voorouderen. Pharao hem dus wel ont-
vangen hebbende , beval dat hy met zyne kin-
deren te Heliópolis , alwaar zyne eygene vee-
hoeders zich onthielden, zyn verblyf zou gaan
neemen.
8 3. Ondertuftchen nam de hongersnood in Egip-
te fteeds toej en dit quaad was zonder hulp-
middel , omdat behalve dat de Nyl niet naar
zyne gewoonte overliep, en dat\'er geen regen
van den hemel viel, die onvruchtbaarheyd zo
onverwacht was gekomen , dat het vólk niets
in voorraad opgelegd had. Jofeph gaf hen ook
geen koorn zondergeld, en toen dat hen be-
gon te ontbreeken, nam hy hun vee en hunne
ftaaven in betaalmge aan, en die landeryen
hadden gaven die voor voedzel. Als hy nu
hier door, alle hunne goederen onder de magt
van den Vórft had gebragt, wierd hen allen
Cuytgenomen de Priefters, die hunne goede-
ren behielden) belaft elders heen te wyken,
opdat de Koning in \'t bezit van hun land te
meer beveftigd wierde. De honger deed hen
endelyk hunne vryheyd verliezen en allerley
middelen in \'t werk ftellen om leevens onder-
houd te verkrygen. Toen nu eyndelyk de Nyl
naa deezen grooten nood weder begon over te
vloeijen, en de aarde vruchtbaar te maaken 5
ging Jofeph in alle de fteden, deed het vólk
aldaar byeenkomen , gaf hen de landeryen,
welke zy aan den Koning afgeftaan hadden,
wederom, op voorwaarde nógtans dat zy \'er
\'t vruchtgebruyk maar van zouden trekken;
vermaande hen dat zy die bebouwen zouden
als óf ze hen in eygendom toebehoorden,
en verklaarde hen dat de Koning zich met het
vyfde deel van \'t gewas vergenoegen zoude.
Zy namen deeze gunft met blydfchap aan om-
dat zy zich zulks niet toegelegd hadden, en
ai-beydeden met alle hunne magt aan den land-
bouw. Aldus verkreeg Jofeph hoe langer hoe
meer de achting der Egiptenaaren, en de toe-
geneegenheyd des Konings, wiens bezit hyzo
vergroot had; en de Koningen zyne naazaaten
genieten nóg ten huydigen dage dat vyfde deel
van de vruchten des lands.
Jakob leefde nóg zeventien jaaren in Egipte, §4.
en ftierf in eenen hoogen ouderdom in de armen Gen. 48,
zyner kinderen, naa hen allerley voorljDoed toe-
gewenfcht te hebben. Hy voorzeyde door ee-
nen profeetifchen geeft, dat ieder van hen een
gedeelte van \'t land Kanaan bezitten zoude,
het welk in \'t vervólg van tyd ook quam te ge-
beuren. Hy prees Jofeph ongemeen, omdat
in plaats van zich gevoelig te toonen over dc
bejegening die hem van zyne broeders weder-
hy beval hen dat zy Ephraim en Manaflè zyne
kinderen by hun getal zouden voegen, om met
hen het land Kanaan te deelen , gelyk wy op
zyne plaats zullen zeggen , en hy gaf hen te
verftaan dat hy te Hebron begeerde begraaven
te worden. Hy leefde honderd zevenenveer-
tig jaaren, en dewyl hy niemand zyner voor-
ouderen m gódvruchtigheid week , verleende
uoa nem, zo wel als hen , zyne gunfte tót
vergeldmge zyner deugd. Jofeph deed met
verlot des Konings zyn lyk na Hebron voeren,
en vergat met om hem met groote pracht te
bcgraaven, De vreeze die zyne broeders had-
^ Z ^ den
den dat liy. ? nn niet langer Weerhouden door
de aanmerking van hunnen vader, zich op hen
wreeken zoude, deed\' hen fcliroomen om weder
na Egipte te komen : maar hy fprak hen moed
in, bragt hen, met zich te rugge, gaf hen veele
landeryen, en verpligtte hen fteeds meteen on-
geiooflyke goedheyd,;:\' Hy overleedt eyndelyk
toen hy hoii^erd en tien jaaren oud was,, zynde
een. man geweeft van een uytmuntende deugd,
van een verwonderlyke wysheyd, en die zyne
magt met zo veel gemaatigdlieyd gebruykte,
dat hoewel hy een vreemdeling vv^as, en door
de vrouw van zynen eerft-en meefter als eerloos
was uytgekreeten geweeft, zyn geluk hem ech-
ter van de Egiptenaaren niet benydt wierdt,
Zyne broeders ftierveii insgelyks in Egipte naa
aldaar gelukkig geleefd te hebben. Hunne kin-
deren en kmdsknideren voerden hunne lyken
na Hebron in de grafftede hunner voorouderen 3
en toen de Hebreen uyt Egipte toogen, bragten
zy \'er Jofephs beenderen ook, gelyk hy hen had
bevolen, en zich zulks met eede doen belooven.
Maar omdat ik genoodzaakt ben in \'t vervólg
deezer Hiftorië alle de moeiielykheden te ver-
haaien welke dit vólk geleeden, en alle de oor-
logen die het tót onderbrenginge der Kanaani-
ten 2-evoerd heeft, zal ik eerft van de oorzaak
V. H O O F D S T ü K.
Dc Egiptenaars handelen rle Ifraëliren wreedelyk. Voorzeggins^door
de geboorte en wonderdaad ige behoudenis van Mofes vervuld. De
dóchter des Konings van Egipfe doet hem opvoeden, en ncemc
hem voor haaren zoon aan. Hy gebied het beir van Egipte tegen
de Ethiopiërs. De Egiptenaars wiilen hem dooden. Hy neSnc
devJugi, en trouivt de dóchter van Raguëi, bygenaamd Jechró.
Gód verfchynt hem in een farandetide doornbofch op den berg Si-
naï , cn beveelt hem xyn vólk uyt hunne flaaverny te verlolTen.
Hy doet veele v/ondervverkcn voor Pharao, Gód flaat Egipte met
veele pJaagen. Mofes léyd de Ifraëlitea uyt.
/^Vermids de Egiptenaars van natuure luy g.
^^ en welluftig zyn, en niet dan op hun ver-Exoi.i.
maak en voordeel denken, zagen zy de voor-
fpoed der Hebreen , en den rykdom welke, zy
door hunnen arbeyd verkreegen , met afgunit
aan, ja wier den zelfs bevreem voor den aanwas
van hun getal. De langheyd des tyds dan de
geheugenis der weldaaden , waarover geheel
Egipte aan Jofeph verpligt was , uytgewifcht
hebbende , en de koninglyke regeering in een
ander ftamhuys overgegaan zynde , begonden
zy de Ifraëliten quaalyk te handelen , ^en hen
door moeijelyken arbeyd te overlaaden. Zy ge-
bruykten hen om dyken te maaken tót ft-uytin-
ge van de wateren des Nyls, en graften om de-
zelve te leyden.
F L A V I U S J O S E P H U S II. Boek.
fpreeken die hen dwong Egipte te verlaaten.
Zy déeden hen ook werken aan \'t maaken
van muuren om de fteden te befluyten , en aan
\'t oprechten van Pyramiden van een byftere
hoogte 3 en noodzaakten hen verfcheydene
handwerken en ambachten niet moeite te lee-
^ Het ren. ^ Vierhonderd jaaren verliepen \'er al-
pJi\'j^^dus, terwyl de Egiptenaars fteeds trachteden
maar van onze landaard te verdelgen, en zy daar en teegen
ten zwaarigheden poogden te boven te komen,
wdk het ^ ï^it quaad wierd gevólgd van een ander ,
gemeen V welk de begeerte der Egiptenaaren om ons te
ïr Raby- vernielen nóg vermeerderde. Eén van de Lee-
jjcn is. raars hunner wet, aan wien zy den naam van
gewyde fchryvers geeven , en die by hen voor
groote Frofeeten geacht zyn, zeyde tegens den
Koning dat\'er in dien tyd iemand onder de
Hebreen zoude geboren worden, die, tótman-
nelyke jaaren gekomen, de luyfter zyner land-
aard zou verheffen, die Egipten zou vernéde-
ren, diens deugd boven alle zoud uytmunten,
en wiens achting onfterflyk zoude weezen. De
Konincr vpm-jncrl Ae^f^Tc. \'vnarrecTcrkn^
uicidKLc ccn gcDoa, voigcuo v.i\'v.u.Actd.u ucs genen
die hem dit bericht gaf, door \'t welk hy beval,
dat men alle de mannelyke kinderen die voor-
taan onder de Hebreen gebooren wierden zou
verdrinken j en hy belaftte de Egiptifche vroed-
vrouwen naauwkeuriglyk op het baaren hunner
vrouwen te letten, vermids hy zich op de vroed-
vrouwen van hunne landaard niet betrouwde.
Dit gebód bragt ook mede, dat indien iemand
zo ftout was dat hy éénen van die kinderen in
-\'t lee-
II. ÃöÃK. JOODSCH
\'tieeven behield en opvoedde, hy nefFens zyn
ganfche huysgezin met den dood geftraft zoude
worden.
Zulk een wreed bevél overftelpte de Ifraeli-
ten met droeflieyd, omdat zy zich genood-
zaakt vonden zelve de moordenaars hunner kin-
deren te zyn, cn dewyl zy hen maar eenige
jaaren konden overleeven, fcheen de ganfche
verdelging van hun geflacht onvermydelyk te
Weezen. Maar te vergeefs wendende menfchen
hunne poogingen aan Góds wille tewederftree-
ven. Dit kind, het welk voorzegd was,
quam ter werreld, wierdt heymelyk, niettegen-
ftaande des Konings verbód, opgevoed , en
alle de voorzeggingen wegens het zelve ge-
daan wierden vèrvuldj en wel dus:
Een Hebreer genaamd Amram, aanzienlyk
onder de zyne , ziende dat zyne huysvrouw
zwanger was, was zeer ontroerd over dit bevél
\\ welk ftrekte om zyne landaard t\'eenemaal te
verdelgen: dies nam hy zyne toevlugt tót Gód,
en badt hem medelyden te hebben met een vólk
dat hem altoos had aangebeden , en dat hy die
vervólging, welke hen met de uytterfte onder-
gang dreygde , wilde doen ophouden. Gód
door zyn gebéd bewoogen, verfcheen hem in
eenen droom, en beval h^m goedé\' moeds te
feyn, zeggende, â Dathy hunner gódvruchtig-
5, heyd en die van hunne vaderen gedachtig was j
â dat hy hen daarvoor vergelden zoude, gelyk
3, hy de anderen defwege vergolden had 3 dat
3, het uyt die aanmerkinge was dathy hen zo had
3, doen vermenigvuldigen. Dat toen Abraham
â alleen uyt Mefopotamie na \'tland Kanaan ge-
â gaan was j.hy hem met goederen had voorzien,
â en zyne huysvrouw vruchtbaar gemaakt: dat
â hy aan zyne erfgenaamen geheele landfchap-
â pen, Ajabië aan Ifmaël, Trogloditis aan de
â kinderen van Ketura, en\'t land Kanaan aan
â Ifaak gegeeven hadde. Dat zy zonder ondank-
â baarheyd, ja zonder ongódvruchtigheydniet
â konden verg-eeten den gelukkigen uytflag dien
â zy door zyne byftand in den oorlóg gehad had-
â den. Dat de naam van Jakob vermaard gewor-
3, den was, zo wegens het geluk waarin hy had
3, geleefd, als door \'t gene hy zynen afkome-
,, Engen als door erfrecht naagelaaten had j en
3, ook omdat hy in Egipte maar met zeventig per-
foonen gekomen zynde , zyne naakomeling-
fchap ten getale van zeshonderd duyzend men-
fchen vermenigvuldigd was. Dat hy zich der-
halve mögt verzekerd houden dat hy zórg voor
hen in \'t algemeen, en voor hem in \'t byzonder
zoude draagen. Dat de zoon van wien zyne
huysvrouw zwanger ging , dat kind was voor
welks geboorte de Egiptenaars zo bevreefd
33 waaren, dat zy om defzelfs wille alle de zoont-
33 jes der Ifraeliten deeden fterven : maar dat
33 het echter gelukkig ter werreld zou komen,
â zonder te konnen ontdekt worden door degé-
â nen wien dat wreed onderzoek aanbevolen
5, was. Dathy tegen alle hoope opgevoed, zyn
vólk van de flaaverny zou verlóflên , en dat
zulk een groote daad zyne gedachtenis niet al-
leenlyk onder de Hebreen, maar ook onder al-
3, Ie vólken der aarde, vereeuwigen zoude. Dat
3, zyn broeder van zoo grooten verdienfte zou
53 weezen dathy tót Hoogenprieftqrzouverhee-
53
53
53
53
E H I S T ö R L
ven , en dat alle zyne af komelingen mei" die
waardigheyd vereerd zouden worden.
Amram verhaalde dit gezigt aan zyne huys-
vrouw geheeten Jochabeden hoewel \'t zelve
hen zo gunftig was , echter was hunne bèkom-
merdheyd niet te minder, omdat zy niet konden
laaten fteeds voor hun kindt beducht te zyn 3
en dat zulk een groot geluk , als het zelve hen
beloofde, henongelooflyktoefcheen. Maar het
baaren van Jochabed deed wel haaft de Waarheyd
van deeze gódfpraak zien ; want zy was zo
fpoedig en gelukkig , en haare weén waaren zo
hgt, dat de Egiptilche vroedvrouwen geen ken-
nifl^ daarvan konden bekomen. Zy voédeden dit
kind heymelyk op , den tyd van driemaanden 5
maar Amram alstoen vreezende dat zo het ont-
dekt wierd , de Koning Jiem en zynen zoon
zou doen dooden , en dat alzo \'t gene hem
voorzegd Was niet zoude gebeuren , .Oordeelde
dat hy aan Góds voorzienigheyd de\' ïbehoude\'^
nis van een kind, dat hem zo lief en waard was ^
moft overlaaten , denkende dat fchoon hy \'t al-
tyd had konnen verbergen , het een verdrietig
leeven zoude weezen zich m een geftadig ge-;
vaar, zo voor hemzelven, als voor zynen
zoon, te zien 3 in plaats dat hy hem in Góds han-
den ftellende, vaftelyk geloofde dat hy door de
uytwerkinge de waarheyd zyner belóften be-
krachtigen zoud^. Naa dan dit befluyt genomen
te hebben, maakten hy en zyne huysvrouw, naar
de groote van \'t kind , een kiftje met biezen
doorvlochten 3 en opdat\'er het water niet door-
dringen zou, beftreeken zy\'tmetlym , leyden
\'er \'t kindje in , zetteden \'t kiftje in de rivier,
en bevalen het aan de gódlyke voorzienigheyd.
Mirjam, des kinds zufter, ging op des moeders
bevél langs de andere kant van den vloed , oni;
te zien waar het belanden zoude. Gód gaf toen
duydelyk te kennen , dat alle zaaken niet naar
de raadflagen der menfchelyke wysheyd, maar
vólgens het Voorneemen van zyn aanbiddelyk
beleyd uytvallen ; en dat hoe zórgvuldig zul-
ke die anderen willen verderven ook Voor hun
eygen nut , óf hunne byzondere veyligheyd
moogen zyn , zy echter dikwils in hunne hoo-
pe bedrooc^en worden : maar dat daarentegen
degéne die op hem alleen vertrouwen , voor
de grootfte gevaaren tegen allen fchyn bewaard
worden, gelyk het met dit kind ging.
Want terwyl dit biezen-kiftje ter genade van
\'t water dreef, beval Thermutis , des Konings
dóchter , die langs de rivier wandelende \'t zel-^
ve gezien had , aan eenige van de haare zich in
\'t water te begeeven om het te haaien. Deeze
bragten \'t daarop by haar, en zy wierdf zo be-
woogen door de fchoonheyd yan^t kind , dat
zy niet moede kon worden van \'t aan te kyken,
en een befluyt nam van het te doen opvoeden.
Invoege dat het door een geheel ongëmeené
gunfte Góds opgetrokken wierdt zelfs door die
genen , welke om defzelfs wille zyne landaard
wilden verdelgen.
Deeze Prinfés beval terftond dat men eene
voedfter zoud opzoeken : men bragt\'er haar
ééne, maar \'t kind woud\'er niet aan zuygen,
nóch ook aan iemand van de andere welke
men by haar bragt. Mirjam hierop zich gelaa-
tende als óf zy by geval daar aanquam , zeyde-
tót
FLAVIUS J O S E P H U S
II. Boik.
48
tót de Prinfés: â\'tiste vergeefs, MevröüW,
â dat gy alle die voedftefs doet liaalen, wantzy
â zyn niet van dezelfde landaard als dat kind:
maar indien gy \'er ééne uyt de Hebreen naamt,
moogelyk zoud\'er het kind geen afkeer Van
hebben. Thermutis keurde dien raad goed, en
â zeyde dat zy\'er eene zoude gaan zoeken." Zy
ging terftond heene, en haalde Jochabed , die
van niemand voor moeder van \'c kind bekend
was i en ^t zoog daadelyk aan haar, zo dat de
Prinfés haar beval het zeer zórgvuldiglyk op
te voeden. Zy noemde het Moyfes , dat is te
zeggen, uyt het water behouden; want be-
tekent in de Egiptifche taal water , cnyfes be-
houden. Góds voorzegging wierdt t\'eenemaal
in hem bewaarheyd : hy wierdt de grootfte per-
foonaadje die \'er ooit onder de Hebreen geweeft
is , cn hy was de zevende van Abraham : want
Amram zyn vader was dc zoon van Kathi,
Kathi was die van Levi, Levi was de zoon
van Jakob, Jakob de zoon van Ifaak, en Ifaak
die van Abraham.
33
33
>3
Naa dat Moyfes begon op te grocijen be-
toonde hy meer verftands dan zyn ouderdom
medebragtj ja zelfs onder \'t Ipeelen gaf hy té-
kenen dat\'er iets groots en ongemeens van hem
te verwachten ftond. Toen hy drie jaaren oud
was, deed Gód op zyn gelaat Zulk een byzon-
dere fchoonheyd uytblinken , dat zelfs de
ftuurfchfte menfchen daardoor verrukt wier-
den. Hy trok de oogen van alle die ontrent
hem quamen op Zich , en hoe groot hunne
haaft ook was, zy moften ftil ftaan om hem te
bekyken, en zich over hem te verwonderen.
Tlxcr^
Tliermutis ziende hem zo vol van bevallig-
heden 5 en zelve geene kinderen hebbende^. .be-
floot hem tót haaren zoon aan te neemen. Dies
bragt zy hem by haaren vader , en naa een ver-
haal van zyne fchoonheyd, en \'t verftand dat
hy reeds deedblyken, gedaan te hebben , zey-
de zy tót hem : â Dit is een gefchenk \'t welk
â de Nyl my op een wonderlyke wyze gegeeven
â heeft: ik heb dit knaapje uyt zyne armen ont-
55 vangen, ik heb voorgenomen het tót myn kind
55 aan te neemen , en ik bied het u aan tót eenen
â erfgenaam , omdat gygeene zoonen hebt. Dit
gezegd hebbende , gat\' zy *t kind in zyne han-
den 3 enïde Koning nam het met vermaak aan, en
om zyne dóchter te verpligten, drukte hy het
tegen zynen borft , en zette zyne kroon op def-
zelfs hoofd. Moles als een kind dat fpeelt,
namze af, wierpze ter aarde , en tradt \'er op.
Dit bedryf wierdt aangemerkt als een zeer
quaad voortéken > cn dc Wetgeleerde, die voor-
zegd had dat zyne geboorte doodelyk voor
Egipte zoude zyn, wierdt\'ér zo door ontfteld,
dat hy begeerde dat men hem opftaandevoet
dooden zoude. âDit is. Heer Koning, zeyde
3, hy,dat kind, wegens \'t welk Gód ons te kennen
â gegeeven heeft j dat zyn dood onze rufte zou-
3, de verzékeren. Gy ziet reeds dat de uytwer-
3, king myne voorzegging bekrachtigt, vermits
3, het naauwlyks gebooren is , óf hetverfmaadt
uwe grootheyd, en treedt uwe kroon met voe-
35 ten: maar als gy het doet fterven, zult gy den
3, Hebreen de hoope die zy\'er op ftellen doen
33 verliezen, en gy zult uw vólk van vreeze ver^
33 lóflèn. Thermutis hem dus hoorende jfpree-
ken 3 nam het kind weg , zonder dat de Koning
zich daar tegen verzette , omdat Gód hem de
gedachte benam van het te doen dooden. In-
middels wierdt het knaapje met groote zórg-
vuldigheyd door de Prinfës opgetrokken j en
gelyk de Hebreen zich daarover verblydden ,
zo baarde het by den Egiptenaaren argwaan.
Maar doordien zy niemand zagen van degénen
op welke de kroon kon komen te vervallen, van
wien zy een gelukkiger regeering konden ver-
hoopen , al waare \'t dat\'er Mofes niet was,
lieten zy de gedachten van hem te dooden 3 vaa-
ren.
Zo dra deeze knaap 3 aldus gebooren en opge-
bragt 3 tót eenen ouderdom gekomen was om
blyken van zynen moed te konnen geeven , ver-
richtte hy daaden van dapperheyd , dieniet
toelieten te twyfelen aan het gene wegens hem
voorzegd was, dathy den roem zyner landaard
zoude verheffen , en de Egiptenaars vernéderen j
en dat by deeze gelegenheyd. De grenzen van
Egipte wierden door de Ethiopiërs , die \'er
dicht aan woonen , geplonderd ; waarop de
Egiptenaars hen met een krygsheir tegen trok-
ken , maar zy wierden in e^jnen flag overwon-
nen, en moften met fchande wyken. De Ethio-
piërs opgeblaazen door deeze zeege , oordeel-
den dat het eene lafhartigheyd zou geweeft zyn
zich niet van hun geluk te bedienen , en vley-
den zich met den waan van ganfch Egipte te
zullen bemagtigen. Zy trokken\'er dan van
verfcheydene kanten in, en de groote buyt die
zy maakten , zonder eenige wederftand te ont-
moeten 3 vermeerderde hunne hoope van hun-
nen toeleg uyt te voeren- Dus toogen zy tót
aan Memphis ,, en tót aan de zee. De Egipte-
naars zich te zwak bevindende om zulk "een
groote magt te ftuyten , zonden na \'t Orakel
om raad , en kreegen door een heymelyk be-
vél Góds tót antwoord , dat zy eenen Hebreer
te hulpe moften neemen. De Koning kon uyt
die woorden gemaklyk befluyten , dat Mofes de
man was dien de Hemel gefchikt had om Egip-
te te behouden , en hy verzócht hem van zyne
dóchter , om hem tót Veldoverfte vanzynheir
aan te ftellen. Zy ftondt zulks toe, en zeyde dat
zy achtte hem daardoor eenen grooten dienft
te doen ; maar zy noodzaakte hem ook zich
met eede te verbinden , dat men hem geen leed
doen zoude : en terwyl zy haare groote genee-
88.
^ -O X â V^li.
met verwyt te vraagen , óf zy zich niet fchaam-
den dat ze iemand;?, wiens by|]:andzygedwon-
gen waaren te verzoeken , als eenen vyand had-
den willen handelen , en hem het leeven benee-
men.
Men kan ligt denken dat Mofes de bevélen
des Konings en der Prinfefle , die zo roemrvk
voor hem waaren , met vermaak gehoorzaam-
dej en de Schriftgeleerden der beyde vólken waa-
ren \'er gelykelyk over verheugd om verfcheelen-
de rédenen 5 de Egiptenaars hoopten dat als zy
hunne vyanden onder \'t beleyd van Moiès over^
wonnen hadden , zy gemakkelyk gelegenheyd
zouden vinden om hem verraaderlyk te dooden;
en de Hebreen lieten zich voorftaan dat zy on-
der zyn geleyde uyt Egipte zouden konnen
trekken , en zich van de flaaverny bevryden.
Inmiddels was deez uytmuntende Veidheer
niet zo dra aan \'t hoofd van \'t heir gefteld, óf
hy maakte dat men zich over zyne voorzisti«^-
heyd verwonderde : want in plaats van langs
den Nyl te trekken , toog hy midden door het
land , om alzo de vyanden te verraflen , die
geenfms dachten dat hy hen zoud hebben kon-
nen bykomen door zulken gevaarlyken weg,-
wegens de menigte van veelerley flangen die
zich daar onthouden 5 want daar zyn\'er die
nergens anders gevonden worden , en ciie niet
alleen vreefiyk zyn wegens hun venyn 3 maar
ook fchrikkelyk om aan te fchouwen j omdat
zy vleugels hebbende, de menfchen op de aar-
de aanvallen , en zich ook in de lucht verhef-
fen om op hen neêr te fchieten. Mofes om
zich daarvoor te behoeden, deed in kouwen van
ried gemaakt, zékere vogels zetten genoemd
Ibis 3 die heel mak ontrent de menfciien zyn,
maar doodvyanden van de flangen 3 welke
niet minder voor hen yreezen dan voor de her-
ten. Dóch ik behoef van deeze vos-elen met
meer te zeggen , omdat zy den Grieken niet
onbekend zyn.
1 ^^^ ^^ gevaar-
lyke landftreek gekomen was , liet hy deeze
vopls los 3 toog door dat middel zonder perv-
kel voort, overviel de Ethiopiërs , beftreedt
hen , dreef hen op de vlugt, en deed hen de
hoope van Egipte te overmeefteren, verliezen^
Zo een groote overwinning ftelde zyn voornee-
men geene paaien , maar hy trok in hun land,
nam veek van hiinne fteden in , pionderdeze,
G» \'en
I.
t
FLAVIUS JOSEPHUS
Il Boek>
50 â
en deed \'er een groote flagting. Zulk een
heerlyke voorlpoed deed den moed der Egip-
tenaaren zo aanwaÃen , dat zy geloofien
alles te konnen uytvoeren onder \'t geleyde van
zulken uytmuntenden Hoofdman: en de Ethiö-
piërs daarentegen , hadden niet dan het beeld
der flaavernye en des doods voor oogen. Dee-
ze uytmuntende Veldheer dreef hen tót binnen
Saba , hoofdftadvan Ethiopië , welke Kamby-
fes Koning der Perfen naderhand Meroë naar
den naam zyner zufter noemde. Aldaar bele-
gerde hy hen , alhoewel die plaats voor onwin-
baar kon geacht worden, omdat zy behalve haa-
re fterke veftingen van drie rivieren , den Nyl,
Aftapus 5 en Aftobora, waarvan de overtógt zeer
moeij elyk is, omringd was : zulks dat zy op een
eyland \'leggende niet minder befchut wierdt
door het water \'t welk haar van alle kanten be-
iloot, als door de kracht van haare muuren en
bolwerken j en de dyken die haar voor deover-
ftrooming dier rivieren befchermden , ftrekten
delgelyks tót een befchutfel, wanneerde vyan-
dén het water al gepafleerd waaren.
Terwyl Mofes \'t verdriet had van te zien dat
zo veele moeij elykheden tzamen het veró veren
d er ftad fchier onmoogelyk maakten, en dat het
zyn heir fpeet dat de vyanden niet meer tót
handgemeenfehap durfden komen , gebeurde
het dat Tharbis, dóchter des Konings van Ethio-
pië , hebbende hem van de muuren in een aan-
val ongemeene daaden van kloekmoedigheyd
en beleyd zien doen , in zulk een verwonde-
ring viel over zyne dapperheyd , die het ge-
luk van Egipte had verheven, en Ethiopië, te
vooren zeeghaftig, doenfidderen , dat zy haar
hart door liefde tót hem verwond gevoelde j en
dewyl haare verliefde zucht fteeds aangroeide,
zondt zy iemand om haarzelve hem ten huu-
w^elyk aan te bieden. Hy nam dien voorflag
aan , mids dat zy de plaats in zyne handen zou-
de léveren, en hy bekrachtigde zyne belófte
met eenen eed. En na dat hy de Ethiopiërs
verwonnen , die Prinfes getroud , en Gód
voor zo veele günften, hem beweezen , ge-
dankt had , bragt hy de overwinnende Egipte-
naars weder in hun land.
Maar deeze ondankbaare, in plaats van zich
voor hunne behoudenis , die zy aan hem ver-
fchuldigd waaren , erkentelyk te toonen , Ver-
meerderden hunnen haat tegens hem, enpooo--
den meer dan ooit hem te verderven : want zy
vreefden dat de roem, dien hy verkreegen had,
hem zo opgeblaazen zou doen worden , dat
hy zich meefter van Egipte zou trachten te maa-
ken. Zy raadden den Koning hem te doen
dooden j en die Vórft leende een oor naar die
praat, omdat Mofès groote achting hem arg-
waan gaf, en dat hy begon te vreezen, dathy
zich boven hem verheften zoude j waarin hy
yeftyfd wierdt door zyne Priefters , die om
lem te meer daartoe aan te porren , hem on~
ophoudelyk zyn gevaar voorftelden. Aldus gaf
hy zyne ftemtót Mofes dood, die onvermydelyk
zóu geweeft zyn , indien hy niet des Konings
voorneemen ontdekt, en daarop zich aanftonds
weggemaakt had. Hy vluchtte in de Woefty-
ne , en dat alleen was zyne behoudenis, omdat
zyne vyanden zich niet konden inbeelden dat
hy dien weg genomen had. Vermids hy daar
niets te eeten vondt, wierdt hy van grooten
honger gequeld , maar hyleedt het met geduld j Exod.t.
en naa dat hy lang gegaan had , quam hy eyn-
delyk ontrent den middag by de ftad Madian,
gelegen aan den oever van de roode zee, en alzo
genoemd naar éénen van de zoonen die Abra-
lam by Kétura geteeld had. Dewyl hy zeer
vermoeid was , ging hy by eenen put zitten
ruften 5 en kreeg by dat voorval gelegenheyd
om zyne dapperheyd te toonen , en zich daar-
door eenen weg tót beter ftaat te baanen > en
dat in deezer voege. Een Priefter genaamd
RaguU, óf anders Jethro, zeer aanzienlyk on-
der de zynen , had zeven dóchters , die vól-
gens de gewoonte der Trogloditifche vrou-
wen ,
11. Boek. J O O D S C H
wen , het vee van haaren vader hoededen.
Dewyl nu het zoet water fchaars in dat land
was, haafteden de herders en herderinnen zich
om het te gaan putten , en \'er hunne heeften
mee te drenken. Aldus gebeurde het dat dee-
ze zufters dien dag de eerfte by de put qua-
men , waaterdaaruytfchepten, en\'er den bak-
ken mee vulden , om haare kudde te drenken.
E H I S T O R r. fi
Maar eenige herders daar bykomende jaagden
haar weg , en namen het water, \'c welk zy niet
zonder moeite geput hadden. Mofes dit tróts
geweld ziende , oordeelde het eene fchande
voor hem te zyn zulks te dulden : dies dreef hy
die moedwillige quanten weg, en verleende aan
deeze dóchteren de byftand wtike de billyk-
heyd van hem vereyfchte.
â¢Zy verhaalden aan haaren vader wat hy
haarenthalve gedaan had , en verzóchten hem
dat hy zyne erkentelykheyd aan dien vreem-
deling voor den dienft , welken zy van
hem genooten hadden , wilde betoonen.
Raguël prees haare dankbaarheyd , deed
Mofes haaien , en vergenoegde zich niet met
hem voor zo een edelmoedige daad te be-
danken , maar gaf hem Sephora, ééne zy-
ner dóchteren , ten huuwelyk, en daaren-
boven het opzigt .over zyn vee , waarin te
dieif tyde de rykdom dier landaard beliondt.
Terwyl Mofes dan by zynen fchoonvader ^o,
woonde , en zyne kudde hoedde , dreef hyze
eens ter weyde op den berg Sinaï , die de
hoogfte is van dat ganfche landfchap , cn daar
beneven zeer weelig van weyland was, zo om
zyne natuurlyke vruchtbaarheyd , als omdat de
andere herders daar niet quamen ter oorzaake
van de heyligheyd dier plaatfè , alwaar men
zeydc .dat Gód woonde. Daar was liet dat hy
een wonderbaar gezigt had:
y
H
FLAVIUS JOSEPHUS
II. Boek,
weêr uyt waarnaa zy terftond weder tót haare
VoOrige gedaante keerde. Voorts belafté hy
hem water in een nabygelégene plaats te fchep-
pen ; hy deed zulks , en \'t veranderde zich in
3loed. Gód ziende dat deeze wonderwerken
hem verbaafden , beval hem moed te grypen ^
met verzékeringe van zyne byftand, belooven-
de hem dat hy zyne zending door diergelykö
wonderwerken bekrachtigen zoude. Thans
geboodt hy hem aanftonds te vertrekken, en
dag en nacht voort te reyzen, om zyn vólk tè
verlóftèn, vermids hy niet dulden kon dat hec
langer onder zulk een zwaare- dienftbaarheyd
verzuchtte. Mofes dus veel gezien en gehoord
hebbende, kon niet langer aan de uytwerkinge
van Góds belóften twyfelen 5 dies badt hy,
dat hy hem dezelfde magt om wonderwerken
te doen, waarmede hy hem nu begunftigde,
ook in Egipte beliefde te verleenen, en dat hy
by de genade van hem zyne ftem te hebben doen
hooren, ook die van hem zynen naam te zeg-
gen , wilde voegen j opdathy hem te beter zou
konnen aanroepen , wanneer hy hem eêne óf-
ferande opófferde. Gód ftondt hem die gunft
toe 3 \'t welk hy nooit aan eenig menfch op aar-
de gedaan had : maar \'t is my niet geoorlófd
dien naam te melden.
Mofes, verzékerd van Góds hulpe en magt ^
welke hy hem verleenen zoude omwondei\'wer-
ken te doen telkens als hy \'tnoodig oordeelde,
fchepte groote hoope om de Hebreen te ter-
lóftèn 3 en de Egiptenaars te vernéderen : en
hy verftondc ter zelfder tyd dat Pharao , onder
wiens regeeringe hy uyt Egipte was gevlugt,
gefturven was. Derhalve verzócht hy vanRa-
guèl zynen fchoonvader verlóf om derwaards
te keeren om de welftand zyner landaard 5 en
\'t viel hem niet zwaar zyne toeftemming te be-
komen. Daarop begaf hy zich op weg met zy-
ne huysvrouw, nevens Gerfon en Eleazar zyne
twee zoonen, waarvan de naam des eerften
Pelgrim, en die des anderen Góds hulpe bete-
kent, vermids het de gódlyke hulpe was die
hem voor de laagen der Egiptenaaren behoed
had. Aaron zyn broeder hem op Góds gebód
op de grenzen van Egipte te gemoet gegaan
zynde, verhaalde hy hem alles wat hem op den
berg wedervaaren was, en de bevélen welke
Gód hem gegeeven had. De voornaamfte der
Ifraèhten quamen ook tót hem 5 en om hen te
verpligten dat zy zynen woorden geloof gaven,
gebruykte hy in hunne tegenwoordigheyd de
magt welke hy had om wonderwerken te doen.
Hunne verbaafdheyd deswege ftrekte hen tót
verzékeringe, en zy begonden alles van Góds
byftand te verhoopen.
Mofes aldus ziende dat de vuurige begeerte pg.
welke de Hebreen hadden om van de cfienft-Exod. 5.
baarheyd ontflagen te zyn, hen bewoog om
hem een volkomene gehoorzaamheyd te be-
wyzen , ging na den nieuwen Koning toe,
ftelde hem de dienften voor , welke hy den
Koning zynen voorzaat tegen de Ethiopiërs
had beweezen , waarvoor men hem met on-
dankbaarheyd vergolden had: verhaalde wat
Gód op den berg Sinaï tót hem gezegd, en
de wonderwerken welke hy gedaan had, om
Iiejn geloof aan zyne belóften te doen flaan j
en
Hy zag een* brandenden doornbofch j welke
indiervoege van de vlamme omringd was,
dat het fcheen als óf hy \'er van verteerd zoud
worden , zonder^ dat nógtans deszelfs blade-
ren , bloemen, óf takken in \'t minfte daardoor
befchaadigd wierden. Dit wonderwerk ver-
baafde hem; maar nooit was iemands fchrik
grooter dan de zyrte, toen hy uyt het midden
van den doornbofch eene ftem hoorde , die
hem by zynen naam riep, hem vraagde â wie
â hem zo ftout gemaakt had van op een heylige
â plaats te komen, die niemand anders nóg ooit
â had durven genaaken j en hem voorts beval
â van die vlam te wyken zonder zyne nieuws-
â gierigheyd verder Uyt te ftrekken> maar zich
,, te vergenoegen dat hy verdiend had dezelve
â te zien, als zynde een waardige naavólger van
de deugd zyner vaderen. Deeze ftem voor-
zeyde hem ook de heerlykheyd die hem naa-
â kende was, en dat de byftand welke hy van
â Gód zóudontvangen, hem vermaard onder de
â menfchen niaaken zoude i en zy beval herrion-
â befchroomd weder na Egipte te keeren, om
â de Hebreen uyt hunne wreede â üaavernye te
5, verloflèn : want, voegde die zelfde ftem daar-
â by, zy zullen zich meefters maaken van dat
â vruchtbaar en overvloedig land , het welk
â Abraham, de oorlprongvanuwgeflacht, be-
,, woond heeft, én ze zullen dat groot geluk
aan uw wys beleyd verfchuldigd zyn. Maar
naa dat gy hen aldus uyt Egipte zult geleyd
3, hebben, zo verzuym niét ter zelfder plaatfe
â eene ófferande te óffeten.
^r. Molès nóg verbaafder over \'t gene hy hoor-
de dan over \'t gene hy gezien had , zeyde :
â Groote Gód, wiens almagtigheyd ik aanbid,
3, welke gy zo menigmaal ter gunfte myner
voorouderen hebt doen blyken : ik zou zon-
der de uyterfte dwaasheyd uwe bevélen niet
3, ongehoorzaam konnen zyn. Maar dewyl ik
3, maar een gemeen perfoon zonder gezag ben,
3, vrees ik dat ik dit vólk niet zal konnen over-
reeden , een land daar zy zo lang gewoond
hebben te verlaaten, om my te vólgen daar ik
hen zou willen leyden. En wanneer ik hen
daartoe al kon doen befluyten, hoe zoud ik
den Koning konnen dwingen hen te laaten ver-
trekken , naardien Egipte het geluk dat het
geniet aan hunnen arbeyd verfchuldigd is.^
Hy aldus gefprooken hebbende, beval Gód
hem op zyne byftand te vertrouwen, verzeker-
de hem dat hy hem in die onderneeminge niet
verlaaten zoude, en beloofde hem zyn woord
in zynen mond te leggen wanneer hy reeden zou
moeten gebruyken, en hem met zyne kracht
aan te doen als\'t op eenig werk aanquame. Oni
hem nu een blyk daaraf te geeven, bqval hy
hem eenen ftaf, dien hy in zyne hand had, ter
aarde te werpen. Mofes gehoorzaamt, en de-
zelve veranderdein eene flang die op haaren buyk
kroop 3 verfcheydene kronkels met llaaren
ftaert maakte, en haaren kóp opbeurde als om
zichte verweeren, byaldien men haar zoud heb-
ben willen aantaften; en ftraks daarop was \'er
geen flang meer te zien, maar de ftaf vertoon-
de zich als te vooren. Vervólgens beval Gód
Mofes zyne hand in zynen boezem te fteeken:
hY deed lictj en haaldeze zo wit als kalk daar
3J
3}
33
33
33
33
33
33
33
?3
35
33
33
33
3»
3S
33
33
35
Ã>
â en badt hem dat hy door zyn ongeloofde wille
â van dien Oppermeefter der Konmgen niet
Exod. 7. â mogt wederftaan." Pharao fpótte met deeze
reéden ; weshalve Mofes in zyne tegenwoor-
digheyd dezelfde wondertékenen deed welke
hy op den berg Sinaï gedaan had. Deeze
Vórft , in plaats van \'er door bewoogen te wor^
den 5 wierdt toornig , en zeyd hem dathy een
booswicht was, die Weleer gevlugt zynde om de
llaaverny te ontgaan, zich in de zwarte konft had
doen onderwyzen, om door zyne beguyghelin-
gen te bedriegen : dat hyPriefters van zyne wet
had die \'t zelfde konden doen ; dat hy daarom
zich niet had te beroemen als óf hy de eenigfte
was aan wien Gód die genade bewees, en alzo het
flechte vólk te mifteyden door hen wys te maa-
ken dat\'er iets gódlyks in hem was. Vervól-
gens ontboodt hy zyne Priefters ; deeze geko-
men zynde wierpen hunne ftaven op de grond,
en ze wierden in Hangen veranderd. Mofes,
zonder zich eens daarover te verwonderen,
antwoordde: âIk veracht geenfms. Heer Ko-
â ning, de weetenfchap der Egiptenaaren t maar
â \'tgene ik doe is zo verre boven hunne kennifte
3, entoverkonft, als de gódlyke zaaken de men-
3, fchelyke te boven gaan ; ik zal duydelyktoo-
â nen dat de wonderwerken die ik doe, niet >
â gelyk de hunne , maar een ydele fchyn van
â waarheyd hebben, om flechteen ligtgeloovi-
â ge menfchen te bedriegen ; maar dat ze uyt
â Góds kracht en vermoogen voortkomen." Dit
gezegd hebbende wierp hy zynen ftafter aarde,
en beval hem zich in eene flang te veranderen: dit
fefchiedde,en dezelve verflondt alle de ftaven der
vgiptenaaren , Welke ook flangen geleeken,
waarnaa tót zyne voorige gedaante wederge-
keerd zynde 3 vatte Mofes hem met zyne hand
weer op.
De Koning in plaats van zich over zulk een
groote wonderdaad te verwonderen, wierdt
meer en meer in toorn ontfteeken ; en naa tót
Mofes gezegd te hebben, dat zyne weetenfchap
en konften hem onnut zouden zyn, beval hy
den genen die \'t opzigt had over de werken
welke men den Ifraëliten opleyde , dat men
die nóg verzwaaren zoude. Hierop onthieldt
die amptenaar hen \'t ftroo , dat hy gewoon
was hen tót het maaken van tichgelfteenen te
verfchaften 5 invoege dat zy , naa den gan-
fchen dag gewerkt te hebben , des nachts
ftroo moften gaan zoeken j \'t welk hunnen ar-
beyd verdubbelde.
Mofes zonder zich over de dreygementen des
Konings te ontzetten , óf door de geftadige
klagten der Hebreen , die zeyden dat aUezyne
poogineen nergens anders toe dienden dan om
hun lylen te vergrooten , bewoogen te wor-
den, bleefpalin\'tbevórderenvanzynentoelegj
en dewyl hy zulks ondernomen had alleenlyk
üyt een brandende begeerte tót hürtne vryheyd,
befloot hy die te wege te brengen m weerwil
van den Koning en hen zelven. Hy quam dan
weder by den Vórft , om van hem te verzoeken
dat hy den Hebreen wilde toelaaten na den berg
Sinaï te gaan om Gode eene ófferande te óffe-
ren, gelyk hy bevolen had: wyders hieldt
hy hem voor âdat hy de wille des He-
mels niet behoorde te wederftreeven, maar
dat terwyl Gódhem nóg gunftig was, zyn ey- â
gen belang hem verpligtte aan dit vólk de,,
vryheyd toe te ftaan welke hy voor hen ver- â
zócht. Dat indien hy dit weygerde , hy me- â
mand dan zichzelven de oorzaak van zyn on- â
geluk zou konnen wyten , wanneer hy door
zyne ongehoorzaamheyd allerley ftraffe bp
zich zoude haaien j dat hy zich kinderloos zou
zien, dat de lucht, de aarde, en alle de an-
dere hoofdftóffen hem tegen zouden zyn, en
dienaars der gódlyke wraake worden. Voorts
dat de Hebreen, fchoon hy \'tniet wflde toe-
laaten , evenwel uyt zyn Ryk zouden trekken 5
maar dat de Egiptenaars de ftraffe hunner ver- ,,
ftóktheyd niet zouden konnen ontwyken."
Dit vertoog van Mofes maakte geenén indruk
op \'s Konings gemoed, en de Egiptenaars Wier-
den door aUerley plaagen gedrukt: Ik zal die
ieder byzonder verhaalen , zo om haare on-
gemeenheyd , als om de waarheyd van \'t gene
Mofès voorzegd had te toonen , en om den
menfchen met ééne aan te wyzen hoeveel\'er hen
aangelegen is Gód niet te vertoornen, die hun-
ne zonden zo fchrikkelyk kan ftraffen.
Het water van den Nyl veranderde in Bloed ^
en dewyl ^ Egipte aan bronnen ontbreekt, wier-
den die vólken gewaar dat de dorft één van de
grootfte ongemakken is : vvant het water van die
rivier had niet alleenlyk de koleur van bloed,
maar men kon \'t niet drinken zonder hevige py-
nen te voelen ; en voor de Ifraëliten Was \'t zo
zoet en goed als van te vooren. De Koning ^
door dit wonderteken verbaafd, en voor zyne
onderdaanenbekommerd, ftondt den Hèbreen
toe te vertrekken : maar zo dra was dit euvel
niet opgehouden j óf hy keerde weêr tót zyil
voorig opzet, en trok het verlóf, dathy eerft
gegeeven had , wederom in. Gód om hem te
ftraffen , dat hy de genade , welke hy hem be-
weezen had , door hem van zulk een geeffel te
verlóflèn , zo quaalyk erkende , floeg Egipte
met een andere plaag. \\
Een ontelbaare menigte van kikvórfchenbe-Exod.f.
dekte de aarde, zo dat zy alles wat dezelve voor- ^\'\'\'
bragt afaten: de Nyl wierdt \'er met der haaft ook
van vervuld , en een gedeelte dat in\'t water van
die rivier ftierf, befmette het zélve indiervoege,
dat men het niet drinken kon. Men zag het flyk
op \'t veld insgelyks eene menigte van zulk ge-
dierte voortbrengen, waaruyt een andere flym
ontftondt die nóg vuylder Was dan de eerfte.
Deéze vórfchen quamen ook in de huyzen , in
de ketels , en in de fchotels , bedurven alle de
fpyzen, fprongen tót in de bedden , envercrifJ
tigden de lucht door himnenftank. DeKonino-,
ziende zyn landjin zulk eenelende, bevalMo-\'
fes met al zyn vólk te gaan Waar hy wilde:
Terftond vefdweenen de kikvórfchen, en het
aardryk en de rivieren wierden in haaren voori-
gen ftaat hetfteld. Maar deeze Vórft vergat toen
het onheyl dat hem zulk een vreeze had aan-
gejaagd, -en gelyk als óf hy nóg grooter op
zich wflde haaien ^ herriep hy \'t verlóf dat hy
tegens dank verleend had. Dóch Gód ftraf-
te hem over dit verbreekén van 5;yn Woord ^
\'t welk éénen Vórft geenfins betaamde. De Egip-
tenaars vonden zich overftelpt met zulk een
menigte van luyzen, dat zy \'er jammerlyk door
G a \' ge-
3J
35
33
35
55
55
55
H\'
geplaagd wierden zonder eëriig hulpmiddel
tc konnen vinden. Deeze groote en fchande-
lyke quaal maakte den Koning zo bevreefd,
dat hy de Hebreen toeftondt heene te gaan:
maar zo dra was ze niet opgehouden , ófhy be-
val dat hunne wyven en kinderen te pande zou-
den bly ven.
Gód ziende dat deeze Vórft zich inbeeldde
dat hy den ftórm , die gereed was om zyn Ryk
t\'eenemaal te verdelgen , altoos zo zou konnen
afkeeren , even als óf het Mofes , en niet hy
Zelf was, die hem en zyn vólk ftrafte, over de
wreede vervólging welke zy tegen de Hebreen
pleegden , zondt zulk een overgroote menigte
van vGrfcheydenerley ongedierte , tót dien tyd
toe onbekend , dat de aarde zo zeer daarmeé
bedekt wierdt, dat men die onmoogelyk kon
bebouwen. Veele perfoonen ftierven \'er van, â¢
en die in \'t leeven bleeven wierden befmet van
het venyn , \'t welk zo veele zieken en lyken
maakte. Maar zelfs dit was niet magtig den
Koning te beweegen om Góds wille ganfche-
lyk te gehoorzaamen : want hy gaf verlóf dat
de vrouwen met haare mannen zouden hee-
ne trekken , maar beval dat hunne kinderen
blyven zouden.
Zulk een groote hardnekkigheyd van deezen
Vórft om Góds bevél te wederftaan , haalde
over zyne onderdaanen , om zynent wille, nóg
grooter plaagen dan die zy reeds geleeden had-
den. Zy wierden alle met zweeren bedekt, en
veele ftierven\'er j ammerlyk van.
Deeze fchrikkelyke geeflel niet magtig zyn-
de om Pharaos hart te beweegen, zo floeg Gód
Egipte met eene plaag die het nóg nooit geproefd
had: Hy deed eenen dichten hagel, van zulk een
byftere grootte neèrvallen, dat men in de Noord-
fche landen die daaraan meeft onderhevig zyn,
niet gewoon is iets diergelyks te zien 5 en men was
nógtans al vry diep in de lente. Alle de vruch-
ten wierden hierdoor bedurven 5 en daar quam
als eene wolk van fprinkhaanen , die alles wat
\'er nóg overgebleeven was verteerden j zulks
dat de Egiptenaars alle hoope verlooren van
iets te zullen inöogften. Indien \'t den Koning
alleenlyk aan verftand gefcheeld had , echter
zouden alle die plaagen tzamen hem tót een
inkeer moeten gebragt hebben om dezelve
voor te komen : maar hoewel hy de oorzaak
daarvan genoeg be|5reep, nógtans was zyne boos-
heyd zo groot, dat hy fteeds in \'t Avederftree-
ven van Góds wille volhardde, evenals óf\'tin
zyne magt geweeft waare hem te wederftaan,
en dat geen aanmerking van de welvaart zyns
vólks , \'t welk hy voor zyne oogen zag ver-,
gaan , magtig was hem te ftuyten. Hierom
ftondt hy aan Mofes toe , dat hy de Ifraeliten
met hunne wyven en kinderen zouduytleyden,
mids dat.zy alle hunne goederen voor de Egip-
tenaaren zouden laaten , tót vergel dinge van
\'t gene ze verlooren hadden. Molês hieldt
hem voor dat die voorflag niet billyk was, de-
wyl de Hebreen daardoor buyten vermoogen
gefteld wierden om Gode ófteranden .te óffe-
ren.
Terwyl de tyd dus met twift verliep , wierden
de Egiptenaars met zulk een dikke duyfternis
omringd f dat zy niet het nünfte licht konden^
zien om\'er hunheh gang naar te richten, waar-
door veele fneuveldeni en andere vreefden in
diergelyk een ongeluk te zullen vervallen. Dee-
ze duyfternis duurde drie dagen en drie nach-
ten , zonder dat Pharao befluyten kon de If-
raeliten te laaten trekken : Naa dat zy ver-
dweenen w^as , quam Mofes by hem, en zeyde
tót hem : âHoe lang zult gy Góds wille we- â
derftreeven ? Hy beveelt u de Hebreen te â
laaten gaan j en daar is geen ander middel â
overig om u te bevryden van zo veele plaagen â
die u drukken." Deeze Vórft door toorn ver-
voerd , dreygde hem \'t hoofd te doen afhou-
wen , indien hy ooit meer zoude beftaan dier-
gelyk een taal te voeren. Mofes antwoordde
hem dat hy \'er dan niet meer van fpreeken zou-
de : maar dat hy verzekerd was , dat hy zelf
en de meefte Grooten van zyn land, hem-zou-
den bidden met alle de Ifraeliten te willen ver-
trekken.
Exod.
jo, n,
â fi.
m
pi
Gód getergd door Pharaós tegenftand , be-
floot de Egiptenaaren nóg met éénen geeflel
te flaan , die hen dwingen zou zyn vólk gaan
te laaten. Hy geboodt Mofes den Ifraeliten
te beveelen , dat zy een óffer zouden berey-
den op den tienden tegen den veertienden
der maand, welke de Egiptenaars Pharmuth,
de Hebreen Nifan, en de Macedoniéis Xan-
tikus noemen ; dat zy zich gereed zouden hou-
den tót hun vertrék , en dat-zy alle hunne goe-
deren met zich zöuden neemen. Mofès cre-
hoorzaamde , en hy verzamelde hen alle, ver-
deelde hen in benden en gezelfchappèn, en
als de veertiende dag der maand, welke Gód
.daartoe benoemd had, aanquam , ófferden
zy hem eene ófferande ,, zuyverden hunne
huyzen , door die met bloed met een bondel-
ken yfoop te befprengkelen , en naa de maal-
tyd gehouden te hebben , verbrandden zy al
het vleefch dat \'er nóg overig was , als zynde
gereed om te vertrekken. Wy onderhouden
deeze gewoonte nóg , en noemen datfeeft Pa-
fcha, datisDoortógt, omdathetin dien nacht
was dat Gód door de Ifraeliten heene gaande,
zonder hen eenig quaad te doen , den Egipte-
naaren met zulk een zwaare plaag iloeg , dat
alle de eerftgeboorene daarvan ftierven , zulks
dat vele der genen die omtrent het Paleys des
Konings woonden , tót Pharao quaanien om
hem te bidden dat hy de Hebreen wilde laaten
trpkken.
Hy zulks niet langer konnende wederftaan,
^af \'er Mofes bevél toe, meenende dat de He-
jreen niet zo dra vertrokken zouden zyn , óf
men zou de rampen die Egipte drukten, zien op-,
houden.De Egiptenaars gaven hen zelfs, gefchen»
ken, fommige uyt verlangft om hen te zien weg
trekken , en andere wegens den ommegang dien
zy met hen gehad hadden j ook betuygden zy
door hunne traanen het leedweezen dat ze had-
den van hen zo quaalyk gehandeld te hebben.
De Ifraeliten namen liunnen weg door de ftad
Letopolis , die toen woeft lag , en alwaar
Kambyfes federd, wanneer hy Egipte pionder-
de, eene andere ftad, genaamd Babiion, ge-
fticht heeft 5, en zy trokken zo fpoedig voort,
dat zy den derden dag teBeëlfephon , aan den
oeyer van \'t rpQdemeir gelegen, aanquamen.
Dewyl
ft
\\ : r
\\ ⢠--
f
rn
i â
m
» 1\')
. ⢠â 1 . -
â¢iiil
Dewyl het daar tér plaatfe zo onbewoond was,
dat men\'er niets te eeten vondt, kneedden zy
meel met waater , leyden het te rooften, en
fpyScien\'erzichdertig dagen mede, maar toen
begon \'t hen te ontbreeken, fchoon zy het zeer
bezuynigd hadden. Ter gedachtenilfe van dit
hun gebrék is het dat wy nóg hedensdaags een
feeft van agt dagen vieren, \'twelk wy het feeft
der ongehévelde brooden noemen. De menigte
deezes vólks nu Was fchier ontelbaar, vermids
\'er behalve de vrouwen en kinderen zeshonderd
duyzend weerbaare mannen onder waaren.
vi. h o o f d s t ü k.
Dc Egiptenaars jaagen de Ifraëliten naa met ceti groot heir, en ach-
tcrhaalen hen aan den oever van de zee. Mofes fmeekte in deezen
nood om Góds byftand.
De Ifraëliten toogen uyt Egipte inde maand
Xantikus óf Nifan , den vyftienden-der
4, ⢠maane, vierhonderd dertig jaaren naa dat onze
\'vader Abraham in\'t land Kanaan gekomen was,
* \'t Ar- én * tweehonderd vyftien jaaren federd datja-
kob voet in Egipte had gezét. Mofes was toen
ïaaW.°°\' tachtig jaaren oud, en Aaron zyn broeder drie-
ëntachtig. Zy namen Jofephs gebeente met zich,
gelyk hy zynen kindéren bevolen had.
Naauwlyks waaren de Hebreen vertrokken j
óf \'t berouwde den Egiptenaaren dat zy hen
"hadden laaten gaan: maar den Koning fpéet
het meer dan iémand anders, omdat hy Mofes
aanmerkte lls eenen tovenaar^ en geloofde dat
alle de plaagen waarmede Egipe was geflagen
geweeft, nietdaneen uytwerlfelzynerbezwee-
ringe waaren. Dies beval hy dat men zich zou
Gapenen omhen naa te jaagen, enhentedwin-
15en weder te keeren indien men hen achterto-
len kon. Want behalve dat hy zich inbeeldde
dat zulks geen wederftreeving van Góds wille
zoude zyn , doordien die naagekomén was
door \'t verlóf dat hy hen gegeeven had om te
vertrekken, liet hy zich ook voorftaan dat hét
niet zwaar zoude vallen , menfchen die ver-
vloeid en niet gewapend waaren, te overwinnen,
Daarop jaagden de Egiptenaars hén naa langs
die ruuwe en moeijelyke wegen, welke Molès
met voordacht gekoozen had, zo opdat zy
ftraffe zouden lyden voor \'t fchenden van hun-
ne trouw, byaldien ze uyt berouw van hen té
hebben laaten trekken hen vervólgden > als om
voor te komen dat de Philiftynen, naabuuren
van Egipte en vyanden der Hebreen, kennis
van hunne tógt kreegen: ook wilde hy, met
den gewoonlyken weg na Paleftina te verlaa-
ten , dien van de Woeftyne neemen, alhoewel
dezelve zeer moeijelyk was, om alzo Gode
eene ófferande op den berg Sinaï, volgens \'t
bevél van hem ontvangen, te ófferen, en daar-
naa het land Kanaan in te neemen.
Wanneer nu de Hebreen aan dén oever van
de roode zee gekomen waren , bevonden zy
zich van alle kanten omringd van \'t heir der
Egiptenaaren,- beftaande uyt zeshondei\'d krygs-
wagenen, vyftig duyzend ruyters, en tweehon-
derd duyzend welgewapende mannen te voet.
Hier was geen weg van uytkomft, omdat zy
aan de ééne kant de zee voor zich hadden, en
aan de andere kant beftooten Waaren door een
ontoegangklyk gebergte , én rótfen dié zich
tót aan den oever uytftrekten. Ook was\'er
geen kans om tót een gevecht te komen, ver-
mids zy geen geweer hadden > nóch om een be-
lég uyt te ftaan ^ omdat hunne lecftógt op was 5
zo dat\'er geen ander middel om hun leeven té
behouden voor hen overig was, dan zich op
de genade hunner vyanden over te geeven. Dit
uyterfte gevaar deed hen alle de wondertéke^
nen, welke Gód t\'hunner verlóflinge gedaan
had, vergeeten, za dat zy Mofes over hutiné
dende befchuldigden j en hunohbefcheyd ging
zo verre, dat toen hy hen van. Góds^bef^ér-
minp wilde verzekeren , zy gereed Waren om
hem te Jeenigen^ en vry willig weder in hunne
oude fl^aayerny te keereni Waiit behalve hun^
ne eygene vreeze ^ wièrden zy ook bewoogen
doot de traanen en *t gekryt hunner vrouwen
en kinderen, die door droefheyd van zich in
zul-
zulken uyterften nood te zien, tót wanhoop
gebragt.waaren. : -
c^cj. Mofes, zonder zich over de vergramdheyd
deezer groote menigte te ontzetten , bleef vaft
in zyn voorneemen om zynen toeleg uyt te
voeren. Hy kon zich niet verbeelden dat Gód,
naa zo veele v/onderwerken gedaan te hebben
om hunne vryheyd te wege te brengen, zou
toelaaten dat zy Vergingen, óf weder in de
handen hunner vyanden vervielen. Om hen
derhalve een hart onder den riem te fteeken,
35
55
en hunne hoope te doen herleeven ^ fprak hy
hen aldus aan : â Indien \'t maar een menfch
was die ulieden tót hiertoe op zulkeen won-
derbaare wyze begeleyd had, Zoudt gy aan
\'t vervólg zyner byftand wel kohneh twyfe-
len ^ Maar nu Gód zelf uw leyd&an heeft
5, willen weezen 5 welk een dwaasheyd is het
â da^ gy u op zyne befcherminge«in \'t toeko-
53 mende niet zoudt betrouwen. Buyten tWy-
â fel heeft hy niet toegelaatèn dat gyheden u
â tót deezen ftaat gebragt zoudt zien, dan op-
55 dat, wanneer gy u zei ven verlooren acht,
,5 en uwe vyanden meenen dat gy hen ïiiet ont-
5, komen kont, de byftand welke hy ulieden
â verkenen zal, aan al de werreld niet alleen-
â lyk zyne onwederftaanbaare magt, maar ook
â de geneegenheyd die hy u toedraagt, klaar
â doe blyken. Want het is voornamelyk in
,, zodaanige gelegenheden, dat het hem be-
3, heft te doen zien dat hy degénen helpt die
55 op hem vertrouv/en. Zyt dan niet langer be-
â vreesd, nademaal hy , die het kleyne kan
3, groot maaken, en dat zwak is verlterken,
â uw befchermer wil zyn. Laat hun heir, hoe
3, vreeilyk \'t ook zy, ulieden niet verfchrik-
3, ken j en fchoon gy aan de ééne kant door\'t
35 gebergte, en aan de andere door de zee be-
â Ãooten zyt, wacht.u echter yan den moMite
3, verliezeni omdat Gód als \'them belieft, de
â zeën droog, en de bergen vlak en eften kan
maaken.
O SEPHUS II. Boek.
vil hoofdstuk.
De Ifraeliten gaan droogs voet door dè foodc zee, waarin \'their der
Egiprenaaren hen naajaagende verdrinkt.
mac"
l^Aa dat Mofes aldus gefprooken had leydde loo.
hy de Ifraeliten na de zee, in\'t aanzien der
Egiptenaaren, die vermoeid van den weg dien
zy hadden afgelegd , tot\'s anderen daags uyt-
ftel genomen hadden om hen te bevechten.
Toen hy op den oever gekomen was, hebben-
de den ftaf, met welken hy zo veele wonderen
gedaanhad, in zyne hand, riep hy Gód om
hulpe aan, en deed dit vUurig gebed : â Gy
ziet, Heere, dat het menfchelyker wyze on- â
moogelyk is, \'t zy door kracht, óf door â
behendigheyd , dit groot gevaar waarin wy ,,
ons bevinden te ontkomen. Gy alleen kont â
dit vólk, dat niet uyt Egipte gegaan is dan,,
om u te gehoorzaamen, behouden. Onze,,
eenigfte hoope beftaat in uwe byftand : gy â
alleen zyt onze toevlugt in deezen nood. Gy â
kont ons, zo gy wilt, tegen de woede der ,,
Egiptenapen befchermen. Haaft u dan,,,
6-almagtige Gód, om uwen arm t\'onzer be- â
gunftiginge uytteftrekkenj en doe den moed â
en de hoope uws vólks in hunne flaau\\vhar- â
tigheyd en wanhoop opwakkeren. Deeze zee â
en de rótfen die ons befluyten, en zich te-â
gen onze doortógt aankanten, zyn de wer- â
ken uwer handen. Gebied hen flechts, â
Heere , zy zullen uwe ftemme gelioorzaa- â
men. Ja gy kont, indien gy wilt, ons ,,
dwars door de lucht doen ontkoomen. "
d eeze uytmuntende Leydsman van Góds
vólk zyn gebéd geëyndigd hebbende, floeg de
zee met dien wonderdaadigen ftafy en aan-
ftonds verdeelde zy zich en week weg, om den
Hebreen een vrye doortógt te laaten, en hen
een middel te geeven om haar droogs voets,
gelyk als óf zy op \'t vafte land gegaan^hadden\',
over te trekken. Mofes deeze uytwerking van
Góds hulpe ziende tradt\'er eerft in, en beval
den Iftaëhten hem in den weg, welken de Al-
magtige tegen de órdre der Natuure voor hen
gebaand had, te volgen, en den Heere yverig
te danken, omdat het middel waarvan hy zich
bediende om hen uyt zulk een groot gevaar te
trekken, ongelooflyk fcheen. De Hebreen
konnende toen niet langer aan Góds blykbaare
byftand twyfelen, fpoeiden zich om Mofes
te vólgen. De Egiptenaars daarentegen meen-
den in \'t eerft dat de vreeze hen \'t verftand be-
neveld , en hen vervoerd had, om zich in zulk
een oogenfchynelyk gevaar, en in eenen onver-
mydelyken dood te ftorten. Maar toen zy hen
reeds verre voortgegaan zagen, zondereenigen
hinderpaal ontmoet te hebben, óf door eenig
quaad beleedigd te zyn, jaagden zy hen haaftig
naa, meenende dat die nieuwe weg niet minder
veylig voor hen zoude zyn, dan voor degénen
welke zy dus zonder vreeze zagen voortrekken.
De ruytery ging dan vooruyt, en al het óve-
rige heir vólgde j en dewyl zy veel tyds befteeds
hadden, om zich vaerdig te maaken , en de
W^apenen op te neemen , waaren de Ifraëliten
reeds aan den anderen oever gekomen, eer zy
hen achterhaalen konden 5 \'t welk hen vaftelyk
deed vertrouwen, datze zowel als zy, invey-
ligheyd daar belanden zouden. Dóch zy waa-
ren bedroogen , en wiften niet dat Gód dien
weg maar voor zyn vólk bereyd had, en niet
voor hunne vervólgers, die hen alleenlyk naa-
jaagden om hen te verdelgen.
Wanneer dan alle de Egiptenaars in deeze
dro^e ruymte der zee getreeden waaren, ver-
éenigden de wateren zich in een oogénblik, en
overftelpten hen. De winden voegden zich by
de baaren, om eenen ftórm te verwekken j een
zwaare régen viel neêr uyt den hemel 3 de blik-
fenis mengden zich onder \'t geklater des don-
ders; dé donderflagen vólgden op den blikfem;
en op dat\'er niets van alle de tekenen der ftreng-
fte ftraffen, waarmeê Gód in zynen toorn de
menfchen tuchtigt, zoud ontbreeken, bedek-
te een donkere en yflyke nacht hét vlak der zee;
invoege dat\'er van dit geweldig heir niet een
eenig menfch overbleef om de tyding van dit
fchrikkelyk ongeval in Egipte te brengen.
Wie zou konnen begrypen hoedaanig de
blydfchap der Ifraëliten was, dat zy zich aldus
tegen alle fchyn , door de almagtige byftand
Góds behouden, en hunne vryheyd, door den
verbaazenden dood der gener die hen weder in
een nieuwe flaaverny meenden te wikkelen, ver-
zekerd zagen.? Zy bragten den ganfchen nacht
in vreugde door, en Mofes maakte eene lófzang
om Gode onëyndelyke dankzeggingen voor de£
ze zo ongemeene gunft te geeven.
Dit alles heb ik verhaald zo als ik het in de
heylige boeken befchreeven gevonden heb; eri
niemand behoort het als een onmoogelyke zaak
aan te merken, dat menfchen die in de onnozel-
heyd en eenvoudigheyd der eerfte tyden leefden,
eenen doorgang t\'hunner bèhoudenifteindezee
gevonden hebben, \'t zy dat ze zichzelve open-
de, óf dat zulks door Góds wille gefchiedde;
nademaal diergelyk een zaak lang daarnaa den
Macedoniërs gebeurd is, toen zy de Pamfili-
fche zee onder \'t geleyde van Alèxander door-
trokken, wanneer Gód zich van dat vólk be-
diende om \'t ryk der Perfenteverniélen, gelyk
alle de Hiftorifchryvers, die \'t leeven van dien
Vórft befchreeven hebben, verhaalen. Niette-
min laat ik het in ieders vryheyd om daarvan
te oordeelen zo als \'t hem goeddunkt.
Den vólgenden dag naa dit gedenk Waerdig ïoi
voorval, dreeven de winden en de gól vén dé Wi-
penen der Egiptenaaren aan den oever daar de
Ifraëliten gelegerd waaren. Mofès fchreef dit
toe aan een byzondere beftieringe Góds, die
hen aldus een middel verleende öm zich van
gewéer te voorzien. Hy deelde daarop alle
die wapenen aan hen uyt, en om Gódsbével te
gehoorzaamen, leydde hy hén na den berg Si-
naï , öm tót erkentèniflè van dat hy hen zo
wonderdaadiglyk geréd had , hem eéne óft^e-
rande van gefchenken op te ófferen.
lOI.
j o o d s c h e
H I S T O R L
DERDE BOEK.
eerste H o o f d s t u k.
Ce Ifraëliten door dorft verfmacht willen Mofes fteenigen. Gód doet
Quakkelen cti Manna necrvalleu, cn water uyt eene róts komen.
T^E blydfchap die de Ifraëliten gevoelden
van zich aldus, toén.zy zulks\'t mmft ver-
wachteden, door Góds aimagtigehulpëverlóft
te zien, wierd geftoord door de byftere onge-
makken welke zy aantroffen óp den weg na den
berg Sinaï: want die landftreek was zo woeft,
en de aarde zo dor en onvruchtbaar door gebrék
van water, dat niet alleen de menfchén, maar
Ook de heeften geen voedfel daar vonden. Wan-
neer zy derhalve het water \'twelk zy door Mo-
fes bevél hadden medegenomen, verbruykt had-
den , wierden zy genoodzaakt met grooten ar-
beyd , wegens de hardigheyd van de o-rond,
putten te delven : n^^^^^^et water dat zy\'er von-
den was zo weynig , dat het voor hen niet ge-
noeg kon weezen, behalve dat het zulk een
bittere en quaade firiaak laad dat zy \'t niet drin-
ken konden.
103.
Naa dat zy een lange wyl voortgegaan waa- 104.
ren, quamen zy tegens den avond by eene plaats
geheet^ Mara, wegens de bitterlieyd des wa-
ters. Dewyl zy nu zeer verriioéid waaren, ehExod.i^.
hen leeftógt ontbrak , hielden zy daar ftil â¢
want zy vonden\'er eénen put, dié alhoe-
wel met genoegzaam voor zulk een groote me-
nigte, hen echter eenige onderftand\'\'^ hunnen
H
m
nood deed hoopen, en hen te meer trooftte,
omdat men hen gezegd had dat/er geene put-
ten op hunnen ganfchen weg te vinden waaren.
Maar dit water was zo bitter , dat nóch men-
fciien 5 nóch paerden , nóch andere dieren het
konden drinken. Dit moeijelyk voorval maak-
te al het vólk zeer mismoedig , en Mofes ten
hoogften bekommerd, omdat de vy\'anden dié
men daar te beftryden vondt, niet zulke waaren
welke men door een edelmoedige wederftand
kon afkeeren ; maar dat het honger en dorft
was, waardoor die groote menigte van mannen,
vrouwen , en kinderen tót den uyterften nood
gebragt waaren. Hy wift derhalve niet wathy
doen zoude , en hy gevoelde de ongeneugten
der andere niet min als óf\'t zyne eygene waaren j
want ieder keerde zich tót hem j de moeders
baden hem zich over haare kinderen te ontfer-
men 3 dc mannen dat hy medelyden met hunne
vrouwen wilde hebben , en elk verzócht hem
eenig hulpmiddel voor zulk een groot quaad
te zoeken. In deezen dringenden nood wendde
hy zich tót Gód om van zyne goedheyd te ver-
werven dat hy dit bitter water zoet maakte: en
Gód gaf hem te verftaan dat hy hem die gunft
inwilhgde. Daarop nam hy een ftuk houts,
\'t welk^hy in tween fpleet, en naa dat hy \'t in
den put had geworpen , zeyde hy tót het vólk
dat Gód zyn gebéd verhoord had , en dat hy
dat water al het quaad dat het had beneemen
zoude, mids dat zy deeden \'t gene hy hen be-
val. Zy vraagden hem wat \'er dan voor hen te
doen ftond en hy zeyde dat de fterkfte onder
hen een groote party waters uyt den put moften
fcheppen , en dat het óverige dan goed zoude
zyn om te drinken. Zy gehoorzaamden , en
dus wierd het water door het gedurig roeren zuy-
ver, en bequaam om te drinken.
Thans braken zy uyt die legerplaats op , en
auanien aan eenen oord genoemd Elim, welke
hen van verre , vry voordeelig had toegefchee-
nen , omdat zy \'er dadelboomen zagen; dóch
zy vonden \'er maar zeventig i en dienógkleyn
cn met weynig vrucht voorzien, wegens de on-
vruchtbaarheyd der aarde. Daar waaren ook
twaalf bronnen , maar zo flaauw , dat ze in
plaats van vloeijen , maar lekten. Zy maakten
\'er dan eenige kleyne groeven om water te beko-
men j dóch zy vonden in \'t graaven byna geen
water, en zoo zy al iets in de hand vingen was het
" zandip- en beroert. De groote dorft die dit vólk
lecdt gevoegd by \'t gebrék van eet waaren, ver-
mids die welke zy hadden medegebragt in dertig
dagen opgeraakt waaren, bragt hen tót zulk een
vert wyfeldheyd, dat zy alle dc gunften, van Gód
genooten , en de byftand welke zy van Mofes
ontvaiij^en hadden, ganfchelyk vergaten: jazy
befchumigden hem meteen groot gefchreeuw>
dat hy de oorzaak van alle hunne wederwaardig-
heden was , en zy namen fteenen op om\'er hem
mcê te gooijen.
Deeze voortreffelyke man, wiens geweeten
hem niets te lafte leyde , ontzette zich niet dat
hy hen dus verbitterd tegens hem zag j maar
vertrouwende op Gód , vertoonde hy zich aan
hen met een gelaat welks deftigheyd ontzag
baarde , en zeyde met zyne gewoonelyke ma-
nier van fpreeken die bequaam was om te over-
lo;.
£xod,
in. Boek.
FLAVIUS JOSEPHUS
te
reeden: â Dat \'de ongemakken welke zy leeden,
hen de weldaaden die zy van Gód genooten
hadden niet behoorden te doen vergeeten:
maar dat zy de genaden en gunften , welke hy
hen beweezen had toen zy zich zulks in \'t
rninft niet durfden belooven, nóch ook de vol-
harding zyner byftand van zyne goedheyd
verhoopen , zich moften voor oogen ftellen.
Dat \'er zelfs reden was om te gelooven ^ dat
hy hen tót zulk een uyterfte niet had laaten
komen , dan om hun geduld en dankbaar-
heyd eens te beproeven , en te zien welk van
beyde den grootften indruk op hun gemoed
maakte , óf het gevoel der tegenwoordige
onheylen , óf het geheugen der verleedene
weldaaden. Dat zy niet uyt Egipte getrok-
ken zynde dan op Góds bevél, ook hadden
zórg te draagen dat zy door hunne onërkent-
lykheyd en hun gemor , zich zyner hulpe
niet onwaerdig maakten : Dat zy niet ont-
gaan konden in die zonden te vervallen , in-
dien zy zyne bevélen , en den dienaar zyner
willé, verfmaadeden : Dat zy daarin te fchul-
diger zouden zyn , omdat ze geen oorzaak
hadden van te klaagen dat hy hen bedrooo-en
had i vermids hy niets had gedaan dan ffip-
telyk naa te komen \'t gene hem bevolen was.
Vervólgens ftelde hy hen voor de plaagen
waarmeê Gód de Egiptenaars had geflagen,
toen zy hen tegen zyne wille poogden te hou-
den : hoe dat hy de wateren des Nyls ten
aanzien van hunne vyanden in bloed veran-
derd , en zobedurven had dat zyze niet drin-
ken konden , hebbende voor hen derzelver
gewoonlyke goedheyd behouden : hoedaanig
de zee zieh in tween gefcheyden hebbende
om hun vertrék tebegunftigen, zyin veylig-
heyd aan de andere zyde des oevers gekomen
waaren; terwyl hunne vyanden, die hen lano-s
den zelfden weg naajaagden , in de wateren
hun graf gevonden hadden : hoe zy zich
zonder wapenen bevindende , Gód hen over-
vloediglyk daarvan had voorzien : en eynde-
lyk door hoevcclerlcy wonderwerken hy hen
zo menigmaal uyt dc armen des doodsgerukt
had. Dat zy derhalve , naardien hy nooit
ophoudt almagtig te zyn , wegens zyne by-
ftand niet moften wanhoopen j maar alles wat
hy over-hen liet gebeuren , geduldiglyk ver-
draagen , en zyne hulp niet aanmerken als al
te langzaam , omdat ze juyft zo dra niet
quam als zy \'t gaern hadden. Dat zy zich
ook niet moften inbeelden , dat Gód hen in
den ftaat waarin zy zich bevonden, verlaaten
had 5 maar liever denken dathy hunne ftand-
vaftigheyd , en hunne liefde tót de vryheyd
eens op de toets wille ftellen , en zien óf zy
ze genoeg waardeerden om haar door honger
en dorft te verkrygen j danóf zy \'t juk eener
fchandelyke dienftbaarheyd, die hen onder-
wierp aan Meefters , welke hen maar als hee-
ften ipyfden , om dienft van hen te trekken,
hooger achteden. Dat wat hemzelven aan-
ging, hy niet voor zyn perfoon vreesde, ver-
mids een dood dien hy t\'onrecht leedt liem
niet naadeelig kon wezen 3 maar dathy voor
hen beducht was , omdat zy hem \'t leeven
niet beneemen konden , zonder Góds beleyd
55 te veroordeeleni eüzyne bevélen te verfmaa-
35 den.
Deeze aanfpraak bragt hen tót eenen inkeer\';
de fteenen vielen hen uyt de handen; zy had-
den berouw van de mifdaad welke zy begaan
vvilden ; en Moles achtende dat het niet zon-
der oorzaak was dat dit vólk zich zo ontfteld
had 3 maar dat de nood waarin zy waaren hen
daartoe had gebragt, oordeelde het zynen pligt
te weezen Góds byftand voor hen te verzoe-
ken. Dies begaf hy zich op eenen heuvel, om
hem te bidden dat hy medelyden met zyn vólk,
\'t welk van niemand dan hem alleen hulp kon
verwachten, wilde hebben, en hen de miftlag,
die de menfchelyke zwakheyd hen in zulk een
hoogen nood had doen begaan , vergeeven.
Gód beloofde hem dat hy zórg voor hen draa-
gen , en hen een fpoedige hulp verleenen zou-
de. Naa zulk een gunftig antwoord ontvangen
te hebben quam Mofes weêr by \'t vólk, het welk
uyt de vrolykheyd van zyn gelaat oordeelende
dat Gód zyn gebéd verhoord had, eens loefs
van droefheyd tót blydfchap overging. Hy zey-
de tót hen, dat hy hen van Góds wege de ver-
lofting van hunne wederwaardigheden aankon-
digde : en kort daarnaa quam \'er een groote me-
nigte vanquakkelen, een gevogelte dat zeer ge-
meen is ontrent de Arabifdie Zeeboezem, die
zee-engte overdryven, en moede van vMegenin
\'t leger der Hebreen nedervallen. Elk greep
deeze vogels aan als eene fpyze die hen in zul-
ken dringenden nood van Gód gezonden was;
en Mofes dankte hem dat hy zo fpoediglyk zy-
ne belófte vervuld hadde.
ic6.
Maar deeze genade was de eenigfte niet; zy-
ne onëyndelyke goedheyd voegde eene tweede
daarby : want Mofes met opgehévene handen
biddende, viel\'er eene dauw uyt den hemel,
die hy onder \'t nedervallen gevoelde te ftrem-
men, \'t welk hem deed vermoeden dat het wel
een andere fpyze mogt zyn, die Gód hen ook
toezondt; weshalve hy het proefde, en \'t zeer
goed bevondt te Weezen. Keerende zich dan
tót het vólk, \'t welk zich inbeeldde dat het
fneeuw was, want het was toen^t faizoendaar-
van, zeyde hy tót hen, dat het geen gewoon-
lyke dauw wa«, maar een nieuwe fpyze die van
Góds anilde hand voortquam. VerVólgens at
hy\'er af voor hunne oogen 3 om hefi te beter van
\'t gene hy zeyde te ovcrtuygen. Thans begon-
den zy\'er ook van te eeten, en bevonden dat
het de fmaak had van honig , de gedaante van
eene gom genoemd bdellion, die van eenen
boom naar een\' olyfboom gelykendc voortkom.t,
en dat het van grootte was als koriander zaad.
Dies repte elk zich om het op te raapen, maar
Mofes beval hen uytdrukkelyk, datzy\'erd
iyks niet meer van verzamelen zouden dan een
zékere maat genoemd Gomer. Hy verzekerde
hen ter zelfder tyd dat die fpyze hen nooit ont-
breeken zoude 3 en wilde doordat verbód de gie-
ngheyd der fterkfte ftuyten, dewyl die anders
de zwakfte zouden belet hebben zo veel daar-
van te vergaderen als zy van noode hadden. En
inderdaad wanneer het gebeurde dat iemand
meer van\'t zelve opraapte dan hem volgens die
order geoorlófd was, zyne moeite was te ver-
geefs; want hy had doch niet meer als een Go-
mer , en indien hy iets daaraf tót \'s anderendaags
bewaarde, dan wierdt het bitter, geheel bedur-
ven , en vol van wormen5 waaruyt waarlyk bleek
â¢ge-
nocua^^xi^aeya, datdecréne diezeaten
uaar zo lekk^ bevonden, dat z> geen andere
begeerden Daar valt nóg hedensdaags in dat
l^id eene dauw gelykende\'naar diewelke\'tGo-
De\'Sr^
onze tan^.? ^«f^^endezelve Man, \'t welk in
onze taal een zékere manier van vraao-^nis .h
Ma^ina^ Zy ontvmgen \'t dan met grooteblyd"
fehap als iets dat uyt den hemel quam, enwfer-
w^l? S^^^^^^^ï^de veertig jaaren die zy in de
woeftyne waaren meê gefpyid.
Het leger trok vervólgens^ voort na Raphi-
H 2 \'
dim, alwaar zy een geweldige dörft leeden, om
dat zy\' die laildftreek nóg Hechter van water
voorzien: vonden, dan de plaats vanwaar zy
quamen. Daarop begonden zy tegens Mofes te
morren j maar hy ging weg om die eerfte woe-
de te ontvvyken , en nam zyne toevlugt weder
tót Gód , om hem te bidden dat gelyk hy dit
vólk fpyze om den honger te paaijen gegeeven
had j het hem ook believen mogte hen te voor-
zien met het gene tót leflchinge van hunne dorft
kon dienen, nademaal het één zonder \'t ander
onnut was. Gód vertoefde niet met zyn gebéd
te verhooren ; maar beloofde hem dat hy hen
een overvloeijende fpringader geeven zoude,
en die doen voortftroomen uyt eene plaats daar
zy \'t minft zulks zouden verwachten. Thans
beval hy hem eene fteenróts die voor hem ftondt
met zynen ftaf in hunne tegenwoordigheyd te
en beloofde dat hy \'er aanftonds water
uyt zou;doen komen, dewyl hy \'t zelve aan \'t
vólk wilde geeven, zonder dat het hen de minfte
moeite zou kóften om het te gaan zoeken. Mo-
fes door deeze belófte verzekerd ging na het
vólk, \'t w^eik hem zag afkomen van die verhe-
vene plaats alwaar hy zyn gebéd gedaan had.
en hem met ongeduld verwachtte. Hy zeyde
tót hen dat Gód hen , tegen hunne verwachtinge,
uy t dien nood, waarin zywai-en, wilde helpen j
en tót dien eynde eene fpringader uyt die róts
zou doen te voorfchyn komen. Deeze woor-
den verbaafdcn hen, omdat zy meenden dat ze
die fteenróts zouden moeten doorhouwen, en
de dorft en vermoeidheyd van de weg had hen
reeds zo afgemat, dat zy zich naauwlyks op
de been konden houden. Dóch Mofes floeg
de róts met zynen ftaf, waarop ze aanftonds
open fpleet, en een groote ftroom van zee»
klaar water u)7^tleverde.
III. BOEÃC
FLAVIUS JOSEPHUS
Hunne verwondering was niet minder dan
hunne blydfchap, zy dronken\'er met vermaak
van, en bevonden dat het een aangenaame zoet-
heyd had, als zynde een wonderdaadig watef,
en een gefchenk\'t welk zy van Góds hand ont-
vingen. Zy óft^erden hem voor die groote wel-
daad ófferanden en dankzeggingen, en wierden
niet eene eerbiedigheyd jegens Mofes ingeno-
men, ziende hem zo van Gód gelief koofd. De
heylige Schrift geeft getuygenis van deeze be-
lofte die Gód aan Mofes deed, dat\'er water uyt
eene fteenróts zoude vloeijen.
ir. H O O F D S T U K.
De Amalekiten vangen eeneH oorlóg aan, met dc Hebreen , die
een groote zeege op hen behaalcn onder \'t geleyde van Jofua, vól-
gens de be\\é;en door Mofes gegeeven , cn door de kracht zyner
gebeden. Zy komen by den berg Sinai.
De naam en\'t gerucht der Hebreen dat zich
üxoa.17. aan alle kanten verfpreydde, floeg de na-
buurige vólken met fchrik. Zy vermaanden
malkanderen om heii tegen te trekken, enzo\'t
doenlvk was , hen t\'eenemaal uyt te roeijen.
Gelyk nu de Aaulekiten die Edom, en de ftad
Petra , onder de regeeringe van verfcheydene
Koningen bewoonden , de dapperfle van alle
waaren, zo waaren zy ook de yverigfte tót
deezen oorlóg j en zonden daarom Gezanten
aan de naaftbygelégene vólken om hen daartoe
aan te raaden, ftellende hen voor, â Dat hoe-
wel die vreemdelingen welke hun land
met zulk een groot getal naderden, vlugte- 3,
lingen waaren, die zich uyt Egipte wegge- â
maakt hadden om van dienftbaarheydbevryd â
te zyn , men hen echter niet verachten, maar ,,
beftryden moft , eer zy zich meer ver- â
fterkten , en opgeblaazen door verwaand- â
heyd omdat men hen met vreede liet , zelve â
eerft begonden den oorlóg tegens lien te ver- â
klaaren. Dat de voorzigtigheyd verëyfchte â
dat men zich fpoedig tegen zulk een aan- â
groeijende magt verzettede , en hen in de â
Woeftyne .aangreepe , zonder te wachten â
tótdat zy zich door \'t inneemen van eenige â
ryke en inagtige fteden ontzaglyker maakten j â
nademaal het gemaklyker was het gevaar â
door een wyze voorzigtigheyd te vermyden, â
âdan
III. BoEk. J O O D S G H E
dan \'er-zich iiy\'t te redden wanneer men \'er
jj eens in gevallen was". Deezc rédenen von-
den zo veel ingangs dat zy beÃooten tegen
den Ifraëhten gezamentlyk op te trekken.
Mofes die op niets minder verdacht was dan zo
een\' zwaaren oorlóg op den hals te krygen, zien-
de de zyne door zulk ccn onverwacht gevaar
Â¥crfchrikt, en echter genoodzaakt om vyanden
ten kryg afgerecht, cn van alles voorzien j te
bevechten, terwyl zy zelve van alles onvoor-
zien waaren , vermaande hen ^^ op Gód te ver-
â trouwen , dewyl het door zyn bevél ^ en met
,, zyne byftand was j dat zy dc vryheyd boven
j, de flaaverny geacht hadden , en alles wat
â zich tegen hun vertrék had aangekant, te
â boven gekomen waaren. Voorts zeyde hy,
â dat zy alléenlyk op dé \'oycrwinning moeften
â denken j zonder zich in te beelden dat de
3, overvloedige voorraad , welke dc vyanden
,, hadden van alles wat ten oorlóg noodig was,
3j aan dezelve eenig voordeel ojp hen zoude
â geeven j omdat zy Gód op hunne zyde heb-
â bende, niet hadden te twyfeleii óf ze zouden
,, in alles de overhand op hen hebben , haar-
3, dien zy de onvcrwinnelyke magt zyner hul-
â pe ia veel gcvaarlyker voorvallen dän den
5, oorlóg zelfs beproefd hadden : vermids men
3, in den oorlóg maar tegen menfchen té ttry-
3, den had 5 in plaats dat Wanneer zy zich door
3, de zee en \'t gebergte beflooten hadden ge-
â zien , en op \'t punt geweeft waaren om van
3, honger en dorft re fterven , Gód hen eeneii
3, weg dwars door de watereil gebaand ^ en
3, door verfcheydene Wonderwerken uyt deri
V, grooten nood^ waarin zy waaren geréd had.
Tót een befluyt voegde hy \'er by^ j, dat zy tc
dapperder moeften ftryden. Omdat indien èe
3, de overwinning verkreegen ^ zy zich dail iri
â eenen gelukkigen overvloed van allerley goc-
â deren zouden bevinden. Naa dat hy hen door
deeze woorden aldus had aangemoedigd, ver-
zamelde hy alle de opperftc én voornaamfte der
Ifraëliten j fprak tót hen in \'t algemeen en in \'t
byzonder, beval de jonge den ouden te gehoor-
zaamen , en aan deeze dat zy ftiptelyk de bevé^
len des Veldoverften moften naakomen. Dee-
ze deftige Leydsman hebbende hen aldus met
hoope van eenen gelukkigen uytflag vervuld, en
hen \'t gevecht doen aanmerken als iets dat een
eynde van alle hunne moeijelykheden zoude
maaken , zo kreegen zy zulk een verlangft om
handgemeen tc worden ^ dat zy hem drongen
bm hen tegen hunne vyanden aan te voeren j
op dat hunne hitte niet verflaauwen mogt door
eene yertocving die niet anders als naadeehg
voor hen weezen kon. Hy koos dan uyt al die
groote menigte degénen welke hy »t bequaamfte
tót den ftryd oordeelde ^ en ftelde tót Veldheer
over hen aan Jofua zoon van Nun^ uyt de ftam
Ephraimsi eenen man van groote verdienfte:
>^ant behalve dat hy niet minder verftandig dan
^^pper 3 welfpreekend , en onvermoeid in den
arbeyd was j muntte hy door zyne gódvi;uch-
^^gheyd, in welke Mofes hem opgetrokken
had, boven alle andere uyt. Mofes ftelde
daar beneven eenige benden om de vyanden te
beletten dat zy zyn heir \'t water affneeden j cn
aan een grooter getal beval hy de bewaaring van
H I S T O R f. él
\'t leger j de vrouwen j kinderen j \'en pakkaadjèi
Toen hy alles aldus gefchikt had ^ bragtén dè
Ifraëliten den nacht in de wapenen door, «ri
wachteden maar na het teken van hunnen Veld-
heer , en \'t bevel van himoen Hoofdman , oitt
op dc vyanden aan te vallen. Mofes was on-
derwyle bcezig met Jofua van alles dat hy op
dien grooten dag te doen had te onderrechten:
cn toen \'t hcht geworden was , vermaande hy
hem om door zyne daaden de verwachting die
men van hem had tc beantwoorden , en door
eenen gelukkigen uytflag de achting en toege^
neegenhcyd des krygsvólks te verkrygen. Ook
fprak hy in \'t byzonder tót dc voornaamfte
hoofden, en in \'t algemeen tót het ganfche heir,
om hen tot hunnen pligt op tc wekken. En
naa hen alle deeze bevélen gegeeven te hebben 5
beval hy hen Gode en \'t geleyde van Jofua ^ en
begaf zich toen na den berg.
Aanftonds gingen de heiren niet een groote
dapperheyd van weerzyde op eikanderen lós 3
en vermids de Overften m«s achterwege licteii
om hen aan te moedigen ^ was het gevecht zeer
hardnekkig. Mofes van zyne kant ftreedt door
gebéden i cn hebbende bemerkt dat Wanneet
zyne handen ten hemel opgeheven waaren, dé
zyne de overhand hadden , en dat in tegen-
deel als hyze door vermoeidheyd liet zakken^
de Amalekiten voordeel kreegen i Verzócht hy
Aaron" zynen broeder den éénen ^ en Uron zy-
nen fchoonbroeder 3 die aan Mirjam zyne zus-
ter getrouwd was ^ den anderen arm tc onder-
ftcunen. Aldüs blccvcn de Ifraëliten t\'eenemaal
overwin naars i Cïi daar zou niet één van de Ama-
lekiten overg;eblceVen zyn j indien niét de opko-
mende nacht \'aan een gedeelte geicgcnheyd ge-
geeven hadde om het onder begunftigingc der
duyftcrnilfe te ontkomen.
/ Nooit hebben onze voorouders eert vér maar-
der i nóch voordecligcr zeege behaald ^ omdat
behalve den roem van zulke magtigc vyanden
overwonnen , en eenen fchrik in de harten dct
nabuurige vólken gebragt te hebben , zy \'t le-
ger^ der Amalekiten vermeefterden ^ en zo wel
in t algemeen als in \'t byzonder zulk een ryken
buyt daar afbragten ^ dat zy uyt het gebrék dat
zc van alles hadden, tót een uytfteekende
overvloed van goederen overtraden : want ZÂ¥
kreegen een groote menigte van goud en zilver
van allerhande kópere vaten , van geweer en
alles wat men in den oorlóg zö tót cieraad als
tót gerief gebruykt, van paerden 3 en voorts
van alles wat men in een krygsheir van lioode
heeft.
Dusdaanig was de Uytkomft vän déezen -
grooten flag> en de Ifraeliten wierden \'er zo
door gemoedigd ^ dat zy geloofden dat toor-
taan mets hen onmoogelyk zoude vallen. Des
anderen daags beval Mofes de dooden uyt te
fchudden , en dc wapenen der gcvlugtcn op te
raapen, voorb deelde hy vergeldingen uyt aan
degenen dic zich wel gequeetcn hadden 4 en
iZ dapperheyd cn \'t beleyd vao
j olua 3 die ter zelfder tyd door toejuyghinRea
van t ganfche heir een heerlyk getuigenis zy-
ner deugt^ontymg.. Maar dat iets zonderlings
in deeze doorluchtige overwinninge was, zy
koltte met eenen van de Ifraëliten httkcvm,
\' H| . . ai!
U li\' L A V I U S
aihocwcl de flagting die zy onder hunne vyan-
den deeden zo groot was , dat men alle de doo-
den niet teilen kon. Daarop rechtte Mofes
eenen altaar op met dit opfchrift, AAN
GODE DEN OVERWINNAAR, óf-
ferde offeranden op denzelven, en voorzcyde
dat de landaard der Amalekiten geheellyk
zoud uitgeroeid worden , omdat zy , fchoon
van dc Hebreen nooit beleedigd , zo onbillyk
cn onbeleefd waaren geweeft ^ dat zy in eene
woeftyne3 daar alles hen ontbrak, op hen aan-
gevallen waaren. Vervólgcns rechtte hy een
gaftmaal aan, om de blydfchap welke by we-
gens deeze overwin ninge had te betuygcn. On^
dertuffchen weêrgalmde \'t ganfche leger van lof-
zangen tót Góds eere, en daar verliepen aldus
eenige dagen met vermaak cn vreugde.
J
O S E P H U S III. Boeïv-;
Naa dat de Hebreen door deeze rufte nieuwfë
kragten gefchept hadden , trók het heir in een;
zeer goede órde Voort, vertoonende zich veel
fraaijer dan het tót nóg toe gedaan had , om dat
dc wapenen, welke zy van hunne vyandenbeko^
men hadden, aan zulke die \'er geene hadden
gegeeven zynde , daar veel meer gewapende
waaren dan tc vooren- Aldus quamen ze , drie
maanden naa dat zy uyt Egipte getrokken waa-
ren , aan den berg Sinaï, op welken Mofes zo
veele wondcrlyke dingen by den brandenden
doornbofch gezien had.
ÃIL HOOFDSTUK.
Räguci Mofes fchoonvader komt by hem , cn geeft hem goede®
t> Aguëi j Mofes fchoottlrader 9 den gcïukkig-
â¢"gcn uytflag van dit gevecht verftaan heb-
bende, quam hem bezoeken om nevens hem Gód
daarover te looven. Mofes die met hem Se^
phora zyne vrouw en haare kinderen ontfingwas
over deeze komft 20 verblyd, dat hy Gode eene
ófferande ófterde, en aan al \'t vólk een gaft-
maal gaf, dicht by den doornbofch welken hy ge-
heel in de brand had gezien zonder dat die door
\'c vuur verteerd wierdt. Aaron en Raguël ne-
vens die groote menigte zongen eendragtiglyk
op dit vreugdemaai lófzangen ter eere Góds,
dien zy als den veroorzaaker van hunne vry-
heyd en behoudenis dankten. Zy verzweegen
ook Mofes lóf niet, dien zy hem naaft Gód er-
kenden fchuldig tc zyn voor zo veele roemwaer-
dige en gelukkige uytkoraften j en Raguèl ver-
breydde door lófzangen den roem die \'t heir^
en Mofes , aan wiens wys beleyd het verpligt
was 5 verdiend hadden.
Raguël bemerkte \'s anderendaags met welk
een menigte van zaaken Mofes vcrkrópt was,
omdat alle zich by hem vervoegden om hunne
gefchillen te beflechten, vermids zy hem be-
quaamer daartoe oordeelden dan eenig ander
menfch ; en dat ze van zyne onzydigheyd ^ en
zyne liefde tót de gerechtigheyd , zo wel over-
tuygd waaren ^ dat 2elfs degéne dien de üyt"
fpraak tegenviel, zulks zonder morren verdroe-
gen. Hy woud\'er hem toen niet meer van
fpreeken j uyt vreeze van de blydfchap des vólks^
dat ze door hunnen Leydsman zelven gevon-
nisd wierden, te ftooren. Maar naa dat
I hy hem alleen gevonden had, raadde hy
hem eenige perfoonen , op wien hy zich ver-
trouwen kon, te kiezen , om hen van zaakea
die van geen groot belang waaren kennis te laa-
ten neemen 5 en zulke waaraan de welvaart des
vólks hing | die door hem alleen onderfchraagd
kon worden, voor zichzelven te behouden,
j Daarom, vervólgde hy, dewyl u niet onbe- ,3
\' kend is met hoedaanige genaden Gód u heeft â
willen begunftigen ^ en dat hy zich van u be-
diend heeft om dit vólk uyt zo veele gevaa-
ren te redden , zo laat aan andere de moeite
over van gefchillen tuffchen byzondere per-
foonen te beflechten, en verleedig u zel-
ven t\'eenemaal om Gód tc dienen, opdat
hy u nóg bequaamer maake om deeze groote
meenigte in hunne gcwigtigfte en drin-
gendfte aangelegenheden by te ftaan. Ik
zou \'t ook geraaden achten , dat gy alle uwe
benden overzaagt, haar in hoopen van
tienduyzend mannen verdeelder, en äan ieder
iii.
Exod,ï8
35
3>
3»
3S
33
3>
33
3?
33
33
33
vm
31
î !
J)e ^^et ^eevj ii^ of ^^ ^ii Bei-^- Sinal
â fc-
f
F\' "J r\'-
⢠jC-
t:
F\'
!,â 1
L
I ,
k
\'i
t s
,, van die eenen overften gaaft; en dat dielioo-
â pen weder verdeeld wierden in regimenten
â van duyzend, en van vyfhonderd mannen,
â en deeze in rótten van honderd, en van vyt-
3, tig mannen, en deeze rótten in troppen van
dS-tig, van twintig, envanti^n mannen, alle
onder\'t gebied van bevélhebbers die eenen
naam draagen naar\'t getal der gener die on-
der htm opzigt ftaan. Belangende de Rech-
ters, die behoorde men uyt de vroomfte en
deugdzaamfte mannen te kiezen, om door
hen de gemeene gefchillen te beflechten; en
zo\'er eenige zaaken van meerder belang waa-
ren, die zou men voor de voornaamften des
vólks konnen brengen: en zo\'er eenige mog-
ten voorkomen, daar zy geen uytfpraak
over weeten te doen , behoud de kennisnee-
,, ming daarvan voor u zelven. Door dit mid-
â del zal aan elk recht gefchieden , mets zal
â u verhinderen om geftadiglyk Góds byltand
,, te verzoeken, en gy zult hem meer en meer
â gunftig jegens uw heir maaken.
Mofe^ keurde deezen raad van Raguël met
alleenlyk goed, maar zeyd in een volle verga-
dering dat hy\'er de uytvinder van was, en gaf
\'er hem al den roem van. Hy heeft het zelf
aldus-inde heylige Boeken verhaald, zo verre
was hy\'er vandaan dat hy anderen de eere die
hen toequam zoud hebben willen onthouden,
en zo verre was zyne deugd boven de gewoon-
lyke misflagen der menfchen verheven; gelyk
wy\'er elders verfcheydene blyken van zullen
zien. Hy deed dan al \'t vólk byeenkomen ,
om hen bekend te maaken dat hy met Gód op
den berg zou gaan fpreeken, zeggende dat hy
hoopte hen nieuwe getuygeniften van zyne uyt-
fteekende goedheyd jegens hen te brengen; en
beval hen hun leger zo na aan den berg neêr te
flaan als zy konden, om alzo dier opperftema-
jefteyt, aan wie zy al hun geluk verfchuldigd
waaren, te naader te weezen.
iiz,
Exod.19
IV. HOOFDSTUK.
Mofes fpreekt Gód op den berg Sinaï, en brengt den vólke de tien
Geboden, welke Gód hen ook uyt zyn eygen mojid deed verftaan.
Mofes keert weder na den berg, vanwaar hy dc twee Tafelen der
Wet te rug brengt, en den vólke van Gods wege beveelt eenen Ta-
bernakel te bouwen.
De berg Sinaï, die in hoogte alle de ande-
re van dat landfchap overtreft, is aan alle
kanten zo vol van fteyle rótfen, dat men hem
niet alleenlyk naauwlyks beklimmen, maar ook
zonder daarvoor te yzen niet wel aanzien kan.
En dewyl \'t gemeen geloof is dat Gód daar
woont 5 fchynt de plaats vreeftyk en ontoe-
g-angklyk te zyn. Naa dat Mofes derwaards
begaan was, bleeven de Hebreen nietingebre-
fe van vólgens \'t ontvangen bevél met hun le-
ger den voet des bergs te naderen ; en zy waa-
ren alle ingenomen met deverwachtingevande
gunften, welke hy beloofd had voor hen van
Gód te zullen verwerven. Terwyl zy dan zyne
wederkomft verwachtende waaren, onderüiel-
den zy \'t bevél dat hy hen gegeeven
zich derzelver waerdig te maaken : zy
in groote maatigheyd, onthielden zich drie da-
gen van hunne vrouwen; kleedden zich met de-
zelve en met hunne kinderen beter dan zy door-
gaans deeden , en bragten twee dagen in
55
tevens ge-
35
55
35
55
35
3?
55
55
55
53
55
35
35
35
35
55
35
eene
feeften en maaltyden door , doend
ftadige gebeden tót Gód , dat het hembelietde
Mofes wel te ontvangen , en hen de gunften
welke zy verhoopten , door hem te zenden.
Den derden dag \'s mórgens voor zonnen-op-
gang zag men iets dat men toen nóg nooit gë-
zien had : de hemel was t\'eenemaal klaar en hel-
der , en men befpeurde eene wólk die \'t gan-
fche leger der Ifraëhten bedekte ; een onttuy-
mige wind verzeld met eenen zwaaren regen ver-
oorzaakte eenen grooten ftórm ; de biikfems
vólgden zo dicht daarop dat zy niet alleen de
oogen verblindeden , maar de harten met fclirik
floeo-en ; en de donder, die met een zonderling
geluyd neêrviel, gaf Góds tegenwoordigheyd te
kennen. Ik laat degénen die dit leezen daar-
van oordeelen zo als zy willen, maar ik heb my
verphcht geacht dit te verhaalen , zo als ik \'t
in de heylige Boeken befchreeven vmde. Zulk
een ongemeen onweer, en zulk een vreeflyk ge-
raas , gevoegd by het gemeen\'\'geloof dat Gód
dien berg bewoonde , verbaafde de Hebreen zo
geweldig , dat zy niet uyt lumne tenten durfden
gaan. Zy geloofden dat Gód in zynen toprii
Mofes gedood had , en dat hy met hen even-
eens zoude handelen : dóch terwyl zy in die
vreeze waaren, zagen zy Mofes vervuld van ma-
jefteyt, en fchittereiide van lieerlykheyd, aan-
komen. Zyne tegenwoordigheyd deed liunne
droefheyd verdwynen , en hen beter lioope
fcheppen : want zy verdreef niet alleenlyk de
benéveling hunner gemoederen , maar ook de
wolk die de lucht te vooren verduyfterde , zo
dat zy tót haare voorige helderheyd wederkeer-
de 5 en deeze groote Profeet, naa dathy al het
vólk had doen tzamenkomen , om het te 011-^
derrechten van de bevélen welke hy van Gód
ontvangen had, koos een verhévene plaats van-
waar ieder hem kon hoeren, en fprak tót hen
in deezer voege : â Gód heeft zich met ver-
genoegd met my te ontvangen op zodaanig â
een wyze als zyner onëyndige goedheyd be- ,,
taamt, maar hy heeft Uw leger ook met zy- â
ne tegenwoordigheyd willen eeren , en ulie- â
den door myne bemiddeling de gelukkigfte â
manier van leeven , die men bedenken kan , â
voorfchryven. Ik bid ulieden dan om zy- â
nent wille , en om de wonderbaare werken
welke hy uwenthalve gedaan heeft, dat gy â
met zulk een eerbiedigheyd als gy hem,,
fchuldig zyt, luyftert naar\'t gene hymy be-
volen heeft u te zeggen. Denkt niet dat het
maar een menfch is die tót ulieden fpreekt,
maar laat uwe gedachten liever gaan op de
voordeden die gy ontvangen zult, door \'t on-
derhouden der geboden welke ik u van Góds
wege brenge; en ontziet de majefteyt van
hem, die niet verfmaad heeft zich van my te
bedienen om u zo groot een geluk te bezorgen.
Want het is niet Mofes, de zoon van Amram
en Jochabed, die ulieden deeze treffelyke ge-
boden zal geeven ; maar \'t is de almagtige
Gód , die om u van de gevangenfchap te be-
vryden de wateren des Nyls in bloed veran-
derde : die de hoogmoed der Egiptenaaren
heeft vernederd door hen met verfcheydene
plaagen te flaan; die ulieden eenen weg door ..
de zee heeft gebaand; die uwen honger door â
35
3, eene fpyze uyt den hemel neérdaalende heeft
3, verzaad , en uwe dorft door \'t water dat hy uyt
5, eene róts deed komen , gelefcht. \'tishy die
â Adam in \'t bezit ftelde van alles wat de aar-
5, de en de zee kan voortbrengen : die Noach
>5 in \'t midden van de wateren der zondvloed
35 heeft bewaard: die Abraham onzen aartsvader,
35 wanneer hy een vreemdeling en zwerver was,
3) het land Kanaan gaf: die Ifaak deed geboo-
3, ren worden van eenen vader en eene moeder
5, die niet meer in eenen bequaamen ouderdom
â waaren om kinderen te teelen : die aan Jakob
5, twaalf uytmuntende en voortreffelyke zoo-
,5 nen gaf 5 die de regeering van geheel Egipte
â in Jofephs handen ftelde. En eyndelyk \'t is
3, hy die uheden de gunft bewyft van u door
,5 my zyne geboden te geeven : welke zo gy-
5, lieden dezelve gódsdienftiglyk onderhoudt3
5, en dezelve ftelt boven de liefde die gy uwe vrou-
,5 wen en kinderen toedraagt, dan zal \'er niets
â aan uw geluk ontbreeken. De aarde zal al-
5, toos vruchtbaar voor ulieden zyn, en de zee
â fteeds ftil en bedaard : gy zult ryk van kin-
â deren Weezen , en ontzaglyk voor uwe vyan-
den. Ik zeg u dit met eene verzekerheyd;
want ik ben zo gelukkig geweeft dat ik Gód
gezien hebbe : ik heb zyne onfterflyke ftem
gehoord j en gylieden behoeft \'er niet aan te
twyfelen dat hy u bemint , en dat hy zórg
V oor uwe naakómelingen draagen zal.
Naa dat dit vertoog geëyndigd was, deed
Mofes al het vólk met hunne vrouwen en kin-
deren aankomen , om zelve Góds ftem te hoo-
ren , en uyt zynen eygen mond zyne bevélen te
verftaan , opdat het niet tót krenkinge van
derzelver achtbaarheyd mogteftrekken, indien
zyze maar door de bediening eens menfchen
ontvingen. Daarop hoorden zy alle eene ftem
uyt den hemel, die zeeronderfcheydentlyk tót
hen fprak, en zy verftonden de geboden welke
Mofès hen federd in de twee tafelen der Wet
gefchreeven gaf: \'t is my niet geoorlófd de ey-
genfte woorden te verhaalen , maar den inhoud
daar af zal ik neêrzetten.
I. GeM. Dat \'er maar één Gód is, en dat
hy alleen aangebeden moetzyn.
II. Dat men geen gelykenis van eenig dier
aanbidden moet.
HL Dat men niet ydelyk by Góds naam
moet zweeren.
IV. Dat men de heyligheyd en ruftevan den
zevenden dag door geen werk moet ontheyli-
gen.
V. Dat men zynen vader en moeder eeren
moet.
VI. Dat men geenen doodflag moet begaan.
VII. Dat men geen overlpel bedryven moet.
VIII. Dat men niet moet fteelen.
IX. Dat men geen valfch getuygenis geeven
moet.
X. Dat men geen ding \'t welk eens anders is
moet begeeren.
Het vólk deeze geboden aldus uyt Góds mond
gehoord hebbende , gelyk Mofes tót hen ge-
zegd had , ging met blydfchap heene. De
vólgende dagen quamen zy dikwils by Mofes
in zyne tent om hem te verzoeken dat hy hen
wetten van Góds wege befchikken wilde om
?J
35
35
33
113.
Exoü, zü,
tót de regeering der Gemeynteftaat te dienen,
Hy beloofde hen zulks , en bragt het ook eCni-
gen tyd daarnaa te wege, gelyk ik elders zal
zeggen, hebbende voorgenomen een byzonder
boek daarvan te fchryven.
Eenige tyd daarnaa keerde ^ofes weder na ^H*
den berg , en klom \'er op in \'t aanzien vail al
het vólk : Hy bleef aldaar veertig dagen , en
dit vertoeven bragt hen in grootC bekoiiimcrin-
ge , waaraf de vreeze dat hem eenig quaad mögt
wedervaaren zyn , de voornaamfte oorzaak
was. Elk fprak\'er verfcheydentlyk van : die
hem niet beminden zeyden dat het wild gedièr^
te hem verftonden had j andere beClddén zich in
dat Gód hem tót zkh had genomen : en de
wyfte dóbberden tuflchen die twee meeningen,
merkende in de ééne het ongeluk aan daf alle
menfchen kan overkomen j en vertroofténde
zich in de overweeginge van de andere, omdat
die hen meer overeenkomende met Mofes deugd
fcheen te zyn. Maar dewyl zy geloofden datze
nooit weder zodaanig een Hoofd, en zulkeri
magtigen befchermer zouden konnén Vinden,
zo was hunne droefheyd uyt dermaate, omdat
zy geen hoope zagen die dezelve verzachtte.
En zy durfden hun leger niet opbreeken 5 ver-
mids Mofes hen bevolen had daar ter plaatfè tc
wachten, Hy quam eyndelyk weer naa verloop
vari veertig dagen , zonder dat hy ai dien tyd
door eenig menfchelyk voedfel was onderhou-
den i en zyné tegënwoordigheyd vervulde al het
vólk met blydfchap. Hy verzekerde hen van dc
zórg die Gód fteeds voor hen draagen zoude-
onderrechtte hen van \'t gene de Heere hem be-
volen had hen te doen weeten, noopende de ma-
nier vólgens welke zy zich gedraagen moften
om in een volkomen geluk te leeven; en hy
zeyde tót hen dat zy eenen Tabernakel mofteii
maaken , in Welken Gód fomtyds zoude neder-
daalen, en dat zy dien mét zich voêren zouden,
om niet genóodzaakt te zyn hem altoos op den
berg Sinaï raad te vraagen ; omdat als hy
dien Tabernakel met zyne tegenwoordigheyd
vervulde , hy aldaar op hunne gebeden zou
konnen acht geeven, en die ontvangen. Hy gaf
hen ook te verftaan , vólgens \'t gene Gód z^clf
hem getoond had , hoedaanig de Tabernakel,
die als een draagbaare Tempel was , gebouwd
moft zyn j en hy vermaande hen geenen tyd te
verhezen om daaraan te arbeyden. Vervól-
gens boodt hy hen twee Tafelen aan, in welke
Gód met zyn eygene hand de tien Geboden,
waarvan hier boven gemeld is, gegraveerd had j
ftaande vyf daaraf op eiken tafel.
Deeze reede gevoegd by hunne blydfchap
over Mofes wederkomft, maakte hen alle zo Exod.j^
verheugd , dat ieder zich fpoeidde om tót het
bouwen des Tabernakels iets toe te brengen j
léverende tót dien eynde goud , zilver, koper >
onverderflyk hout, geitenhaair, fchaapsvellen,
waarvan fommige wit, en andere blaauw , pur-
per , óf fcharlaken rood waaren , misdgaders
wol van dezelfde koleuren , en zeer fyn vlas:
ook gaven zy kóftelyke gefteenten die men in
goud zet 5 en waarmeê men zich oppronkt,
benevens een menigte van voortreffelyke reuk-
werken-
Naa dat elk dus onj ftryd had aangebragt al
was
\'Sri
Joodsche histori
III. BOEK.
wat hy geeven kon , ja fommige meer dan zy
miffen konden, nam Moies vólgens Góds bevél
eenige perfoonen , die zo bequaam waaren om
aan dat werk te arbeyden ^ dat indien de keur
daarvan aan \'t vólk gcftaan hadde, zy de oo-
gen op geen behendiger mannen zouden hebben
Exod.36. bonnen werpen. Wy vinden hunne naamen
nóg in de heylige Schrift, te weeten Bezakel
uyt de ftam van Juda^ zoon van Uri, zoon van
Mirjam Mofes zufter j en zoon van Ifamach
uyt de ftam van Dan. Het volk betoonde z-ulk
een yver tot dit werk , en boodt zynen arbeyd
en goederen zo blydelyk daartoe aan , dat Mo-
fes genoodzaakt was , zelfs op \'t aanraaden der
gener die \'er het beftier van hadden , met trom-
petten-gefchal af te kondigen dat men niet lan-
ger behoefde iets aan te brengen j omdat\'er nieC
meer van noode was^
â Men begon derhalve aan\'twerk-te gaan, vól- ^^ noodige cieraaden om Góds lóf met
gens de Ichets en liet toonbeeld dat Gód zelf pracht en praal te verbreyden.
daaraf aan Mofes gegeeven had, jdie ook een op- ^^_
ftel had van het getal der heylige vaaten, welke |
in den Tabernakel ten dienfte der offeranden |
moften gebruykt worden. Gelyk nu de mannen
hunne miidheyd in dit geval betoonden, zo lie-
ten de vrouwen de haare niet minder blyken in A Lies aldus bereyd, en de goude, zilvcre en
zy gaven tót het gewaad der Priefteren, ^ ^kópere vaten, de verfcheydene cieraaden .
hoofdstuk.
Befchryving des Tabernakels.
iï6.
t gern
cn
A
F L A V ru S J O S E P H U S
éó
III. Boe K.
en de priefterlyke kleedinge vokooid zynde,
deed Mofes , naa alyoorens bekend gemaakt te
hebben dat men dien dag vieren zoude , cn dat
ieder naar zyn vermoogen Gode eene ófferande
zoud ófferen, den Tabernakel in deezer voege
tzameniléllen. Ecrftelyk ordineerde hy den
Voorhof, in \'t midden yan welken de Taberna-
kel zoud opgerecht xyorden , en maakte dien
van honderd elleboogen in de lengte, en vyf-
tig in dccbreedte. Ter wederzyde waaren twin-
tig kópère- zuyien in de lengte, en tien aan
\'t achterilé end in de breedte, zynde ieder vyf-
clleboogsléngtcn hoog : aan ieder derzelve wa-
ren ringen; hunne kapiteelen waaren van zilver;
de voetirallen , die van verguld kóper waaren,
hadden yan onderen fpitfe kópere punten als die
der pieken, om diep in de grond te konnen geflo-
ken wordeji.;. - Aan de-ringen wierdénfnoerenge-
hegt , ivelke aan \'t-opperfie van kópere nagels,
van een el Ie lang / en in den grond geftoken, vafl-
gehegt, ieder\'zuyl ftevig deeden ftaan, en den Ta-
bernakehegen \'t geweld der winden fterkte. Een
groot behangfel van fyn-linnen rondom van de
! kapiteelen tót aan de voetftallen gefpannen, be-
floot ieder omvang dier drie zy den als een wand.
Dusdaanig waaren detwee zyden en het achter-
end : belangende het voorfte end en als de gevel
van deezen omvang, het was van Vyfrigelleboo-
gen, en,\'t had eene opening van twintig 3 om
tót eenen ingang te dienen. Ter weder zyde van
die opening was een dubbelde zuyl van gepolyft
zilver, uytgenomen de voet die van kóper was j
die zuyl was binnen den omvang verzeld van
drie andere zuyien 3 die ter weder zyde op een
rechte lyn en een evenmaatige afftand ftonden, om
een pórtaal van vyf elleboogen diep te maaken,
\'t welk desgelyks gelyk hét\'óverige meteen fyn lin-
nen behangfel omvangen was. Een voorhang-
fel van twintig elleboogen lang, en vyf hoog,
hing voor den ingang , en befloot denzelven: liet
was geweêyen van fyn linnen, fcharlaken purper
en hemelsblaauw garen , en vercierd met ver-
fcheydene gedaanten , maar met geen van eenig
dier. Binnen den ingang was een groot vat van
kóper op eene voet van \'t zelfde metaal 3 waar-
uyt de Priefters water namen cm hunne handen
te waffchen , en hunne voeten meê te befpren-
gen. Dus was de geheele toeftel van bityten.
Mofes. deedv den Tabernakel in [t ihidden op-
rechten I enrflieïde den ingang na h ooftcn, op dat
de opgabdé zon hem met haare eerfte ft raaien be-
fchynen zoude: hy was dertig elleboogen lang j
*Taaaïf,Gn tien * breed; de ééne 2yde wasrna \'t 2uyden,
Indcrt andere na\'t noorden, en \'t achte^en| na\'t
maarten weften gekeerd: zyne hoogte quam met de breed-
Szo\'SS fe overeen. Ieder zyde beftond uyt tWiiitigvier-
niet wel kantige houte pïankeri ovcrciid ftaande , elk an-
ïSn. derhalve èllébÃOg- breed , \' én vier vingerên ditc:
zy waaren alle met goudene plaaten zo wel van bin-
nen als Van buyten bekleed. Aan ieder plank wa-
ren twee pinnen of devels, om dus in twee bazi-
menten of voeten van zilver daar toe gemaakt, ge-
zet te können worden. De Zyde na \'t weften,
welke \'t achter-end des Tabernakels was, beftondt
uyt zes houte planken, van binnen en van buyten
metgoude plaaten bekleed, en zo dicht tzamenge-
voegd dat het maar één ftuk fcheen. Men ziet uyt
het getal der ftukken die de zyden befloegen , dat
ze gezamentlyk de lengte van dertig elleboogen
uytmaakten, wantdaar waaren\'er twintig, en elk
was anderhalve elleboog breed en vier vingeren
dik, recht tegen pver eikanderen ftaande: maar
noopende het achter-end des Tabernakels, de zes
ftukken van welke gefprooken is, quamen maar
op negen elleboogen uyt, des voegde men\'er ter
wederzyde op de hoeken een by van een halve elle
breed, dóch van dezelve hoogte als de andere. In
\'t midden van ieder dier ftukken was een vergulde
bout met een oog van goud gemaakt, en alle die
bouten waaren op een rechte lyn geplaatft, zo dat
alle de oogen recht op malkanderen zagen en alle
buyten uytftaken: voorts waaren \'er vergulde roe-
den óf richels ieder vyf elleboogen lang, die door
de oogen gingen, allé die planken tzamenvoegden,
en konftiglyk met moerfchroeven op malkander
paften. Noopende het achter-end van \'t gebouw,
dat wierd ftevig gemaakt door eenen richel, die
even als de andere door zo veele ringen heene ging
als \'er ftukken houts waaren: de enden van die
richel waaren in waards gekeept op dat die welke de
zyden ftevig hielden, en wier enden op de hoeken
van\'t gebouw uytquaamen en uytftaaken als man-
netjes fchrceven, in deeze wyfjes-óf moerfchroe-
ven zouden infchroeven en fluycen; dus hieldenze
denTabernakel van alle kanten zo vaft,dat hy door
\'t geweld der winden niet kon verwrikt worden.
De lengte des Tabernakels van binnen was in
drie deelen , ieder tien elleboogen lang , afge-
fchüt j en voor \'t achterfte vertrék ftonden vier
zuyien van dezelfde flóffe en fatfbeh als de an-
dere 3 met even diergeiyke voetftallert als degé-
ne waaraf reeds gefprooken is i : ftaande op een
gelyke afftand van malkandèrert. De Priefters
mogten overa44n 4â¬n Tabernakei..kGmen 3 uyt-
gezeyd in \'t vertrek dat door de vier zuyien af-
gefchooten was, want \'t zelve was voor hen een
ontoegangklyke plaats daar zy niet mogten bin-
nen treeden. Deeze verdeeling des Taberna-
kels in driën Was eene affchaduwing van de wer-
reld; want het binnenfte vertrék was als de He-
mel alwaar God woont, en de andere, die voor
den Priefleren alleen openftonden, verbeeldden
de zee en de aarde. Aan den ingang ftonden
vyf goudene zuyien op kópere voeten en men
fpande over den Tabernakel dek-kleeden van
purper, hemelsblaauw, fcharlaken en fyngetwynd
linnen ^ Het eerfte deézer tapy ten was van tien el-
leboogen in \'t vierkant, en bedekte de zuyien
die deeze heylige plaats van \'t óverigCi affchey-
deden, om alzo den menfchen \'t gezigt daar-
van te beneemen. Deeze ganfche Tempel had
Wél den naam van Heylig, maar het ruym dat tuf-
fchen de vier zuyien béfloot^n* was wierdt het
HEYLIGE DER E Y H G E NExod.se^
genoemd. Op het-rcedsgemelde kleed waaren
allcTTé\'y blöcmfn-, \'Ifen .^idere dBraadên, maar
geen gedierte afgebeeld. Het tweede was het
eerfte , zo in fatzoen, als in grootte, maakfel,
en koleuren gelyk : en boven met haaken vaft-
gemaakt zynde , daalde het neêr en bedekte de
vyf zuyien, alwaar de ingang voor de Priefters
was , ten halve. Boven dit kleed was een ander
met ringen, door welke een fnoer ging, om het
te konnen openfchuyven, voornaamelyk op feeft-
dagen , opdat het vólk het eerfte tapyt, het
welk vol van verfcheydene afbeeldfels was,
zou
.III. BOEK. JOODSCHE
zou moogen zien. Op de andere dagen , en
voornamelyk als \'t geen mooi weder was , lag
liet tweede kleed , het welk van eene ftóffe was
die den regen wederftaan kon^ over\'tander hee-
ne om het re bewaaren: en men heeft federd het
bouwen van den Tempel nóg onderhouden dier-
gelyk een voorhangfel aan den ingang te hangen.
Behalve dit waaren\'er nóg tientapyten, ieder
achtentwmtig elleboogen lang, en vier breed5
zynde met goudene moerfchroeven zo net aan één
gehecht, dat het fcheen als óf \'t maar één ftuk
waSi het welk over den Tabernakel gelegd, het
opperfte , en alle de zyden daarvan tót op een
elle na van de grond bedekte. Daar waaren
nóg elf andere ftukken van dezelfde breedte,
maar langer , hebbende ieder de lengte van der-
tig elleboogen j deeze waaren van haair zo kón-
ftig geweeven als dc andere van wolle , en wier-
den van buyten over de andere tapyten , die het
bmnenfte vercierden, heene gefpannen ^ en bo-
ven aan malkanderen gehecht zynde , hingen
zy tót op de grond , en maakten als een foort
van paveljoenen: dóch het elfde deezer ftukken
diende om den ingang te bedekken. Dit ganfche
geftél was met geytevellen bedekt om het voorden
regen en de groote hitte der zonne te befchutten;
en als men het ontdekte, kon men het van verre niet
zonder verwondering aanfchouwen , omdat de
glans van zo veele verfcheidene verwen zo afftak,
dat men zich verbeeldde den hemel te zien. Voor
\'t óverige, de haairen-kleederen en de t\'zaamge-
naaide velledekfels ftrekten, gelyk het tapyt aan
den ingang, tot afweering van de hitte en regen.
Aldus was het geftel van den Tabernakel.
VI. HOOFDSTUK.
Befchryving van de Arke die in den Tabernakel Was.
ÃI7.
£xod.37.
E Tabernakel aldus opgerecht zynde, maak-
te men ook een Arke die Gode toegewyd was:
zy was van een onvcrderfbaar hout, het welk de
Hebreen Aroona noemen , en was vyf fpannen
lang, drie hoog^ en zo veel breed, zynde van binnen
en buyten geheellyk met goude plaaten bekleed, zo
dat \'er nergens hout aan te zien was. Hetdekfel
* Kram. was \'ct ZO liecht en net met goudene pinnen ^ aan
"^"ngfeï^ vaftgemaakt, dat het fcheen ais oft maar één ftuk
voi|ens\' was. Aan de twcC grootfte zyden waarcn groote
andere. gQyj^e^e ringeu die dwars door\'t hout heene gin-
gen , en door dezelve wierden vergulde handboo-
men geftoken om de Arke te draagen als\'t noodig
was 5 want men gebruykte geene laftbeeften daar-
toe > maar de Leviten en Priefters droegenze
zelve op hunne fchouderen. Boven op het dek-
fel waaren twee gevleugelde beeltemflen (van
de Hebreen Cherubin genoemt) hoedaanige
nooit van menfchen gezien waaren : dóch
Mofes had ze gemaakt naar die beelteniflen we^
ke hy voor Góds troon zag. In deeze Arke
leyde hy de, twee Tafelen waarop de tien ge-
boden gefchreeven ftonden , van welke ieder
vyf behelsde, te weeten op elke kolom twee en een
balve: en hy plaatfte de Arke in\'t Heyligdom.
VII. H O O F D S T U K.
Bcfchvyving^van den:^<Mideii Tafel, en den Kandelaar, en via de
Aluarcn die in detj Tabs.makd ftonden. -
n 8. \'^Ofes ftelde ook in den Tabernakel eenen Ta-
-"-^-^^fel , niet ongelyk die van Delfos i zynde twee
HISTORI 67
elleboogen lang, ééne breed,en drie fpannen hoog:
de voeten die hem onderfchraagden waaren van
boven tót op de helft vierkant, maar van daar tót
beneden gelyk die der Dorifcheruftbanken. De
Tafel had een rand van vier vingeren breed j des-
zelfs zyden warenuytgehóld, enmeteencierlyke
ly ft, die boven en onder uytftak, omvangen. Aan
ieder dier voeten waaren zo veeleringen, die op-
waarts naar het blad van de Tafel ftonden, en aan
\'t zelve vaft gehecht waaren, daar handboomen,
van vaft hout gemaakt, inftaken, die men\'er ge-
makkelyk konde uytnemen 5 alzo die ringen niet
eenvoudig rond toeliepen, maar met het eene end
in \'t opperfte van den tafel, en met het andere in
den voet quamen, en dicht by de Tafel aan het bo-
veneynde koomcnde, een toeloopenderonderinf»-
maakten, daar men de handboomen door heenen
ftak. Met deeze handboomen wert de Tafel over
weg gedraagen.\' Men ftelde hem doorgaans in den
Tabei-nakel aan de noordzydejj dicht by het Hev-
ligdom, en men zette twaalf ongehevelde brooden
daarop j ter wederzyde zes op eenen ftapel, zynde
van zuyvere meelblom gemaakt j tót ieder van die
brooden gingen twee gomers,\'t welk een Hebreew-
fche maat was houdende zeven Attifche kotilas.
Boven op die brooden wierden twee goudene
fchaalen met wierook gezét. Alle zeven dagen, op
den dag dien wy den Sabbath noemen , nam
men die twaalf brooden af ^ en ftelde andere m
derzelver plaatfe. De reedert waarom wy ieder
zevende dag Sabbath noemen zal ik elders zeggen.
Tegen over dien Tafel aan de zuydzyde ftondt
een gouden kandelaar j niet dicht, maar hól van
binnen, weegende hondert minas, dic géwigt noe-
men de Hebreen Kinchares, de Grieken zouden \'t
een talent noemen. Deeze kandelaar was verciérd
met rondeknópjes^ leeliën, granaatappelen, en
fchaaltjes ten getale van zeventig, die van den mid-
delftam af opgjngen tót boven aan dezeven takken
waaruyt hy beftondt, en welker getal dat der ze-
ven planeeten evenaarde. Deeze zeven armen fton-
den tegen over malkanderen, en boven op elk was
eenen lamp na \'t getal der planeeten, alle welke
lampen na \'t ooften en zuyden zagen > de kande-
laar fchuyns gezet zynde.
Tuflchen den tafel en den kandelaar, die over-
dwars ftondt, was eene Altaar op welken men Gode ^
reukwerk ófferde. Deeze altaar, d ie een elleboog ÃSd\'.sI
in\'t vierkant, en twee elleboogen hoog was, was
van on verderf baar hout, en met dikke goude plaa-
ten bekleed: boven op was \'er een gouden komfoor
hebbende aan alle kanten goudene kroontjes ^ door
welke \'t zelve rondom omringd wierdt. Voorts
waaren \'er groote ringen aan den Altaar, door wel-
ke ftókken ftaken, oni dan alzo van de Priefters te
konnen gedragen worden. Aan den ingang des
Tabernakels ftondt een andere Altaar die met kó-
per overtrokken, vyf elleboogen in \'t vierkant, drie
hoog en insgelyks met goud vercierd was. In plaats
dat op den anderen een komfoor was, lag op deezen
f" ^^s een net, en komsgewyze uvtse-
hold, door welken de kooien en de aifche néer-
vielen, om dat \'er geen voetftal onder was.
Ãy deezen altaar lagen trechters, fchaalen, reuk-
vaten, bekers, en andere noodige gereedfchap-
pen tót de Gódsdienft , zynde alle van louteren
goudej maar al het óverig óftergereedfchap was van
koper. Dus was de Tabernakel en zyne toeftel.
13 VUL
FLAVIUS J
Vlll. HOOFDSTUK.
Van de kleedingen en deradet der gemeene X^rieftersn, en van die
dfs Hoogenprieftc-rs.
ï I ^ ^^^ ^^ fpreeken van de kleedinge zo
der gemeene Priefteren , welke de Hebreen
Chaneas noemen , ais des Hoogen priefters die
Anarabachen (\'r geen zo veel als Opperpriefter be-
tekend,) van lien geheeten wordt : en wy zullen
met de gemeene Priefters een begin maaken. Hy
die den dienft zoude waarneemenj moft vólgens de
wet zuy ver en kuyfch zyn, en bekleed met een ge-
waad genoemd Manachaz, dat is, dicht fluytende,
zynde een foort van onderbroek van getwynd ga-
ren, die men om de lendenen toebondt: daarover
trok hy eenen rók van dubbeld fyn lynwaad, wel-
ken men Chetomene noemde, omdat het vlas by
ons Cheton heet : deeze hing neêr tót aan deen-
klaauwen, floot dicht om \'t lyf, en had ook naau-
we mouwen om de armen te bedekken: men górd-
de hem om de borft, een weynig onder de óxelen
met een górdel van vier vingeren breed, die zo lós
geweeven was, dat hy naareeneflangenhuydge-
leek 5 dit kleed was met verfcheydene bloemen
van fcharlaken, purper, hemelsblaauw en fyn hn-
nen beftikt. De górdel ging tweemaal om \'t
lyf van boven van de borft af aan ^ en was van
vooren geknoopt, hangende de enden neêr tót
op de voeten , om deri Priefter te eerwaardiger
voor \'t vólk te maaken als hy niet ófterde :
maar als hy ófterde flingerde hy den górdel
over den flinker fchouder, om zynen dienft
onbelemmerder re konnen verrichten. Mofes
noemde dien górdel Abaneth, en wy noemen
hem hedendaags Emian , \'t welk een naam is
dien wy van de Babiloniërs ontleent hebben.
Deeze rók was zonder plooijen , en had om den
hals een groote opening, die voor en achter met
ftrikjes toegeftrikt wierdt : en men noemde den
zelven Maflabazan. Hy droeg een zékere muts
die weynig meer dan \'t halve hoofd bedekte ,
en welken men nu nóg Mafnaampthes noemt j
zy gelykt wel naar eene wrongkroon, en is van
linnen gemaakt, maar zeer dik wegens de veele
windfels: men zette daarover een kap van heel
fyn linnen, die \'t ganfche hoofd bedekte, en tóe
op het voorhoofd quam , verbergende de naa-
den en windfels der wrong : en men maakteze
heel zórgvuldig vaft , opdat ze onder \'t ófte-
ren niet quame af te vallen. Dusdaanig was de
kleeding der gemeene Priefteren.
Belangende nu den Hoogenpriefter , die Was
boven \'t gene ik alhier verhaald heb , nóg be-
kleed met eenen hemelsblaauw^en rók, die hem tót
op dc enklaauwen hing, en Meeir genoemd
wordt : deeze wierdt met diergelyken górdel als
de andere, behalve dat hy met goud door-
vlochten was , gegórd. Het onderfte van den
rók was bezet van franjen , met goude granaat-
appeltjes en klókjes overhands vercierd. Deeze
rók uyt één ftuk en zonder naad zynde, was
niet geheel open , maar alleenlyk achter van
boven tót beneden de fchouders, en van vooren
tót halfwege de borft, zynde tót cieraad van de
opening een boordfel daaraan gezét, gelyk me-
de aan de fplitten van de mouwen. Boven over
den rok quam nóg een derde gewaad genaamd
Ephod, gelykende eenigfms naar den Griekfchen
68
O S E P H U S lïL Boèic.
fchoudermantel, en aldus gemaakt: hy was van
een elleboogs lengte, met mouwen voorzien^
en van fatfoen als een gekort rokje : dit gewaad
was van verfcheydene koleuren doorweeven, en
met goud geftikt, hebbende op\'t midden van dc
borft eene opening van vier vingeren breed in \'t
vierkant. Deeze opening was bedekt met een ftuk
ftóf gelyk dat van den Ephod , Eflen genoemt,
dat is in \'t Grieks Logion, betékende een Ora-
kel óf gódiyk antwoord. Deeze lap , die eene
fpan breed was, wierdt met goudene ringetjes, die
met eenen hemelsblaauwen band, gaande door die
ringetjes, tzamen geftrikt wierden, aan de goude-
ne ringetjes van den rók vaft gehecht; en opdat \'er
geen opening tuflchen die ringetjes zoo gezien
worden, was de naad door een hemelsblaauw lint
bedekt. Deeze Opperpriefter had op ieder zyner
fchouderen een fardonix m goud gezét; en die twee
gefteenten ftrekten tót haaken om den Ephod
te flayten: op deeze twee fteenen waaren dc
naamen van Jakobs twaalf zoonen in \'t He-
breeuws gefneeden , teweeten op dien van den
rechter fchouder de zes oudtfte, en op dien van
den flinker de zes jongfte. Op deeze borft-
lap waaren twaalf édele gefteenten, van een on-
waardeerlyken prys, zynde in vier ryen ge-
plaatft , teweeten drie op eene ry, en door
kleyne goudene kroontjes gefcheyden, opdat zy
niet zouden uytvallen. Op de eerfte ry ftonden
een fardonix ^ topaz, en fmaragd; op de twee-
de een robyn , jafpis j en fafiier ; op de derde
een hyacinth, amathift, en agaat; en op de vier-
de een chryfoly t, onyx j en beril Op ieder deezer
fteenen was de naam gefneeden van éénen der zoo-
nen Jakobs, welke wy als de hoofden onzer ftam-
men aanmerken; en deeze naamen ftonden vólgens
de órde hunner geboorte. Dewyl nu de gezegde
goude ringetjes al te zwak waaren om het gewigt
deezer gefteenten te konnen draagen, zo waaren
\'er twee andere ringen die fterker waaren, aan den
rand des borftlaps dicht by den hals gehecht, en
door dezelve gingen twee goudene kettingkjes, die
aan de enden der fchouderen uy tquamen en aldaar
vaft geftrikt wierden. De boven enden deezer ket-
tingkjes, die tót achter op de rugreykten, wier-
I den aan eenen ring vaft gemaakt die achter aan \'t
I boordfel van den Ephod was; en daardoor wierdt
de lap voornaamelyk van afvallen weerhouden.
Een riem van verfcheydene koleuren, en met goud
doorvlochten, was aan die borftlap vaft genaaid,
en wierdt rondom dezelve toegeftrikt, hangende
de enden daarvan nederwaards: voorts waaren alle
de franjen heel net aan haare uyterftc eynden in
goudene neftelingen of pypjes rondom fom niet
uyt te raaftèlen) vervangen.
De hoed des Hoogenpriefters geleek eenigflns
naar de muts der gemeene Priefteren, maar was met
nóg een andere foort van muts van een hemels-
blaau we koleur bedekt. Voorts was het hoofd van
den Hoogenpriefter omgeeven met een goudene
kroon , die met drie randen gewerkt en bezet
was met zékere knópjes gelyk men aan de plant
ziet welke de Hebreen Dacchar , en de Grieken
Hyofciamos noemen, [en nu geméenlyk bil-
zenkruyd geheeten wordt.] En byaldien ie-
mand het met mogt kennen, omdat hy \'er nooit
van gehoord had , zal ik het alhier befchryven:
Dit gewas groeit doorgaans ontrent drie fpannen
hoog,
III Boek. <
hooo-de woftel geiykt wel jiaar eener aap, efi
de bladeren naar rakét : \'het Hqeft een Velletje
\'t welk afValt als de vrucht ryp as : - uyr ^yi^
takjes komen knóppen voort van grootte als
^t hd des kleynen vingers, engelykende eenig-
fnis naar een kelkje. Ik zal tót beter verftand
der crener die dit gewas met kennen , nóg daar
byvoecren, dat het van onderen is als een halt
klootje , \'t welk na boven ftnaller wordende,
zich daarnaa weer uytbreydt, en als een bek-
kentje maakt, gelykende naar \'thart vaneenen
doorgeftieeden granaatappel, boven op \'t welk
een rond dekfeltje is , zo net gemaakt gelyk als
óf men \'t rond gedraaid had , zynde gekarteld
gelyk het binnenfte der granaatappelen. En
boven op het dekfeltje deezer knópjes groeit de
vrucht welke geiykt naar het graan van \'t
kruyd Sideritis, en deszelfs bloem is als die
van maankóp.
Deeze gekroonde hoed óf muts bedekte het
achterhoofd , en de twee flaapen 5 dóch de
kroontjes raakten het voorhoofd met, maar t
zelve wierdt omringd door een breede ftrook
van goud , op welke Góds naam met gewyde
letteren gefchreeven ftondt.
Dusdaanig was het gewaad des Opperprie-
fters : en ik kan my niet genoeg verwonderen
over de onbillykheyd der gener die onshaaten,
en als gódloozen uytkryten , omdat wy de
Gódheden, welke zy aanbidden , verachten:
want indien zy het gebouw des Tabernakels, de
Priefterlyke kleeding , en de vaten waarvan
men zich bedient om Gode te ófferen, eens
naauwkeuriglyk willen aanmerken , ^ zy zullen
bevinden dat onze Wetseever een gódlyk man
Was, en dat men ons valifchelyk befchuldigt j na-
demaal uyt alle die dingen, welke ik befchree-
ven heb, gemaklyk te zien is, datzyeenigfins
de ganfche werreld betékenen. Want van de
drie afdeelingen des Tabernakels verbeeldende
twee, waarin de Priefters mogten ingaan als in
een ongewyde plaats, de aarde en de zee, die
voor alle menfchen openftaan : en het derde
vertrék, \'t welk ontoeganklyk voor hen is , is
als een hemel voor Gód alleen bewaard, omdat
de Hemel zyne woonplaats is. De twaalf toon-
brooden betékenen de twaalf maanden des j aars.
De Kandelaar , uyt zeventig ftukken beftaan-
de, verbeeldt de zeventig zetels of kragten
der planeeten, en de zeven lampen vertoo-
nen die zeven planeeten. De tapyten van vier-
derley koleuren geweeven betékenen de vier
hoofdftóffen : want het linnen heeft opzigt op
de aarde , uyt welke het vlas voortkomt 3 het
purper verbeeldt de zee , omdat het geverwd
word met het bloed van zékeren vifch i hethe-
melsblaauw is een téken van de lucht ^ en het
fcharlaken beeldt het vuur uyt. De rok van den
blaauw datna\'tazuurtrektverbeeldtdenhemel,
de granaatappelen den bükfem j en t gemnK
der klokjes den donder. De Ephod van yer
koleuren geweeven is defgelyks een atbceiaiei
der ganfche natuure j en ik acht dat het goud
daarby gevoegd is om het licht te verbeeld^v
De Bbrftlap die in \'t midden is verbeeldt de
aarde , die het middelpunt der werreld is : en de
riem die dezelve omringt, heeft opzigt op de
zee die röndom de aarde loopt. De twee far-
donixen, die tót haakCn dienen, betékenen de
zon en de maan } eh de twaalf andere kóftelyke
fteenen liaan op^ma^nden,óf de twaalf hemels-
tëkenert validen Zodiakr De Prieperlyke hoed
beeldt deïS hemeliiy t, afezynde van een hemels-
blaauwe koleur ," en zou zonder dat niet waerdig
zyn dat\'er Góds naam op gefchreeven ftondt. En
de driedubbelde kroon verbeeldt door haare
glans zyne heerlykheyd en opperfte Maje-
fteyt. In deezer voege heb ik geacht dat men
alle die dingen behoort te verklaaren , ten
eynde zo hier als elders geen gelegenheyd
mogt verlooren gaani, om de groote wys-
heyd van onzen uytmuntenden Wetgeever te
toonen.
IX. HOOFDSTUK.
Gód ftelt Aarön aan tót Hoogenpriefter.
1X7 Anneer alles aldus befchikt, en dat \'er niets i to,
W overig was, dan den Tabernakel in te wyen, Exod. is,
verfcheen Gód aan Mofes, ^:n.beval hem Aaron ^^\'
zynen broeder tót Oppcrpriefter aaii tc ftellen,
omdat hy waardiger tót dat , ampt waë dan ie-
mand anders. Mofes deed het vólk byeenko-
men , en vertoonde aan \'t zelve Aarohs deug-
den , en zyne zucht tót de algeméehc welftand 5
die hem menigmaal zyn leeven daarvoor had
doen waagen. Elk kende dit voorneemen goed,
en toonde zich verheugd over die keur. Daar-
op Ving Mofès aan aldus te fpreeken: â Gy ziet,
mannen, dat alle de werken , welke X^ód ons
aanbevolen heeft, vólgens zyne vèreyfching
en ons vermoogen voltooid zyn. Gelyk gy-
lieden nu weet dat hy deezen Tabernakel met â
zyne tegenwoordigheyd v/il eeren, en dat â
\'er voor alle dingen tót Hoogenpriefter zo- â
daanig een moet aangefteld worden, ; die \'t â
bequaamft is om zich wel in dat arnpt te
quyten , opdat hy zórg draagè ontrent alles
wat den dienft Góds betreft, en dat hy uwe
begeerten en gebeden ^an hem voordraage,
zo beken ik dat indien de keur aan my ge- â
ftaan hadde , ik nd die eere zoud hebben
moogen ftaan , zo omdat alle menfchen na- â
tuurlyk geneygd zyn zulks te begeeren , als â
ter oorzaake dat ulieden niet onbekend is â
wat moeite ikl^oor \'t gemeenebeftuytgeftaan â
hebbe Maar,Gód zelf, die al van overlang
Aaron,als den rechtvaerdigften onder ulieden, â
en den waardigften Om geëerd te worden,
tót dien heyligen dienft gefchikt had , heeft
hem zyne ftem gegeeven, en t\'zyner gunfte
uytfpraak gedaan. Derhalve zal Aaron voor-
taan uwe gebeden en wenfchingen aan hem op-,,
ófferen j en de Heere zalze te gunftigér aan-
hooren, omdat hy ulieden niet alleenlyk be-
mint, maar dat ze hem aangebooden worden
door den gehen dien hy verkooren heeft om
uwen voorfpraak by hem te weezen."
Deeze reCde was den yólke zeer aangènaamjen j ^ i,
zy alle keurden door hunne toeftemming de ver-
kiezing w^lke Gód gedaan had voor goed: want
buyten ~t\\\'i^yfel was Aaron de perfoon die voor-
naamelyk tót die groote waardigheyd behoorde
^verheven te worden, zo wigens zyneafkomff>
als om de gaven der profecye welke hy ontvan-^
gen had ^ en de uytmuntende deugd van zy-
I 3 nen
J3
35
33
33
39
33
3>
33
3>
3>
3>
3S
nen broeder Mofes. Hy had toen vier zoonen,
Nadab, Abïhu, Eleazar en Ithamar.
Mofes beval dat men het óverige \'t welk tót het
bouwen des Tabernakels gegeeven was, zoude
gebruyken omdat gene van te maaken \'t welk
tót het bedekken defzelfs nóg noodig was, als-
mede tót het bedekken van den gouden kande-
laar, den gouden altaar des reukóffers , en an-
dere vaten j opdat wanneer men dezelve over\'t
velddroege, zy door den regen, óf\'tflóf, óf
eenige andere toevallen der lucht, niet mogten
bedurven worden. Thans deed hy \'t vólk tza-
menkomen, en beval hen dat elk hoofd voor
hoofd nóg een halven fikel zoude geeven, zyn-
de een Hebreewfche munt, die ontrent vier At-
tifche drachmen bedraagt. Zy quamen dit be-
vél aanftonds naa; en men bevond dat\'er zes-
honderd-vyfduyzend vyfhonderd vyftig man-
nen waaren die deeze uytgaave deeden, zynde
alle vrye perfoonen, en van twintig tót vyftig
jaaren oud. Dit geld wierdt daarop ten dien-
fle des Tabernakels gebruykt.
Alstoen zuyverde Mofes den Tabernakel en
de Priefters op deeze wyze : hynamhetgewigc
van vyfhonderd fikelen uytgeleezene mirrhe, zo
veel lifch , en half zo veel kaneel en balfem :
dit deed hy tzamen flämpen ineenhinvanolyf-
oly , zynde een maat die twee AtdCchc koës
houdt; en daarvan maakte hy een zeer welrie^
kende balfem , waarmede hy den Tabernakel
cn de Priefters zalfde , en hen alzo reynigde.
Daarnaa ófterde hy op den gouden altaar een
groote menigte van voortreffelyk reukwerk,
van \'t welk ik , om den Leezer niet verdrietig
te vallen, geen byzonder verhaal zal doen ; en
federd bleef men nooit in gebreke tweemaal \'s
daags, teweeten voor den opgang der zonne
en als zy onderging , reuk-óffers te branden.
Men bewaarde ook gezuyverde oh om\'er
de lampen van den gouden kandelaar mede te
voorzien , van welke drie over dag brandeden,
en de andere \'s avonds aangeftoken wierden.
Bezaleël en Eliab bragten zeven maanden toe
aan \'t maaken van de werken waarvan ik ge-
fprooken heb , en dus liep het eerfte jaar federd
den uyttógt van Egipte ten eynde. Deeze twee
werklieden, dóch inzonderheyd Bezaleël, waa-
ren ongemeen konftig, en bedachten uyt hen
zelve veele dingen.
Met den beginne des vólgenden jaars , in
iïod.4o.de maand welke de Hebreen Nifan , en de
Macedoniërs Xantikus noemen , met de nieu-
we maan, wierdt de Tabernakel, en alle de va-
ten die \'er in waaren , gewyd. Gód deed toen
zien dat het niet te vergeefs was dat zyn vólk
aan zulk een heerlyk werk gearbeyd had : want
om te betoonen hoe aangenaam het hem was,
wilde hy daarin woonen , en het met zyne te-
genwoordigheyd eeren : \'t welk in deezer voe-
ge gefchiedde. Terwyl de hemel overalhelder
en klaar was , zag men eene wolk alleenlyk bo-
^f Tabernakel verfchynen , niet zo dik
als de winterwolken gemeenlykzyn, maarech-
ter dik genoeg om \'er niet te können doorzien;
en daar ^el een kleyne dauw , die te kennen
gaf aan degenen die geloof hadden , dat Gód
Hunne gebeden verhoorde, en die doorzyne te-
genwoordigheyd begunftigde.
Naa dat Mofes alle de werklieden , ieder
naar zyne verdienfte beloond had , ófterde hy
offerai^en aan den ingang des Tabernakels,
gelyk Gód hem bevolen had , teweeten eenen
ftier, een ram, en eenen bók voor de zonden.
W anneer ik van de ófteranden fpreeke , zal ik
zeggen hoe dieplegtigheden toegingen , en zal
alsdan verhaalen welke flagtóffers , die ten
brandoffer geófferd wierden , men geheellyk
verbrandde, en van welke het vólgens de wet
toegelaaten was te eeten.
Mofes befprengde met het bloed der geóf- 12^
terde beeften de kleederen van Aaron en zynei-«i:.$
zoonen , en zuyverdeze met fonteynwater en
den balfem van welken ik gefprooken heb, op-
dat zy Priefters des Heeren zouden worden,
en hy deed zulks zeven dagen achteréén. Hv
heyligde ook den Tabernakel en alle de vaten\'
met dien balfem en het bloed der ftieren, ram-
men en bokken, waarvan \'er dagelyks één van
elks gedood wierdt. Vervólgens beval hy den Lcv-t
achtften dag te vieren, en geboodt dat elk naar
zyn vermoogen óftèren zoude. Zy gehoor-
zaamden met blydfchap, enóft-erden fla|tóftbrs
elk om ftryd, welke niet zo dra op den altaar
gelegd waaren , óf een vuur, dat in de tegen-
woordigheyd des vólks als een bhkfem daamyt
voortquam, verteerde dezelve.
Kort hier op leedt Aaron het grootfte hart-
zeer dat eenen vader zou konnen overkomen :
maar dewyl hy een verhévene ziel had, en oor-
deelde dat het Gode beliefd had zulks toe te
\'^^\'\'fSf\'y\'f^grootmoediglyk. Teweten,
NadabenAbihu zyne twee oudftezoonen, an-
dere^ flagtoftèrs geófferd hebbende dan die welke
Mofes hen bevolen had t\'ófferen , fchoot de
vlam met zulk een geweld op hen, dat ze hunne
ganfche borft en aangezigt zo deerlyk brandde ,
dat zy\'er van ftierven, zonder dat men hen red-
den kon. Mofes beval hunnen vader en broe-
deren de lyken buyten \'t leger te brengen omze
aldaar eerlyk te begraaven. En hoewel al het
volk deezen fchielyken en onverwachten dood
beweende, echter verboodt hy hen daarover
rouw te draagen , ten eynde zy deeden blyken
dat zy met de waardigheyd des Priefterampts
geëerd zynde, Góds eere meer ter harte na-
men, dan hun byzonder verdriet.
Deeze heylige en voortreffelyke Wetgeever j^g
weygerde alle de eere welk het vólk hem wilde
aandoen , om zich alleenlyk ten dienfte Góds
te verleedigen. Hy ging nu niet meer op den
berg Sinaï om hem raad te vraagen , maar tradt
in den Tabernakel, om door den Heere onder-
recht te worden van alles wat hem te doen
ftond : en hy behieldt fteeds uyt zeedigheyd
het zelfde gewaad, en droeg zich zoodaanio-in
\'t overige , dat hy niet anders dan een onfaeampt
perfoon leefde, zonder van andere onderfchey-
den te zyn dan door de zórg welke hy voor\'t ge-
meenebeft droeg. Hy gaf hen in gefchrifte wet-
ten en régelen, die zy onderhouden moften om
m eendragt en vreede te leeven, en zich Gode
aangenaam te maaken. Maar hy deed in dat
alles niet dan volgens de bevélen welke hy van
hem ontvangen had.
Ik zal van deeze wetten op haare plaats
en iK moet alhier nóg iets by voegen
dat
izp
123-
124.
\'â Pli::
^ SI
UI. BOEK. JOODSCH
dat ik overgeflageii heb by dc befchryving van
de kleedinge des Hoogenpriefters,;t welk iS,
dat Gód, om te beletten dat degene die dit
hevliee en heerlyk gewaad droegen , anderé
menfchen onder den dekmantel van de gaave
der profecye zouden verongelyken, hunne óf-
feranden nooitmet zyne tegenwoordigheyd eer-
de , zonder een zigtbaar blyk daaraf te geeven
niet alleenlyk aan zyn vólk , maar ook aan de
vreemdelingen die\'er quamen. Want wanneer
^t hem beliefde hen die gunfte te doen , dan
flikkerde één van de twee Sardonixen, (van wel-
ker natuur het noodeloos zou zyn iets alhier
te zeggen, dewyl zy by ieder genoeg bekend
zyn) die op den rechter fchouder des Opper-
priefters was, met zulk een glans, dat men \'t
van verre zien kon > het welk niet natuurlyk
zynde, en buyten zulke voorvallen met gebeu-
rende,verwondering moet baaren by zodaamgen
die met trachten wys te fchynen, door de^ver-
achting welke zy ontrent onze Godsdienft be-
toonen. Maar daar is een andere zaak die nog
wonderlyker is, naamelyk dat Gód zich door-
gaans van de twaalf édele gefteenten, welke de
Hoogenpriefter op zynen borftlap droeg, be-
diende, om de overwinning vooraf te betéke-
nen. Want eer men met het leger opbrak,
quam\'er zulk een helder licht uyt voort, dat
al het vólk daardoor bemerkte dat Góds maje-
fteyt tegenwoordig, en gereed was om hen by
te ftaan. Hierom is het dat die gene onder de
Grieken, welke geen afkeer van onze gehey-
meniflen hebben^ die Borftlap Logion óf Ora-
kel noemen. Maar daar zyn, nuik dit fchryi",
al \'tweehonderd jaaren verloopen, dat die lar-
donix en borftlap zulk een glans en hcht niet
meer gegeeveja hebben; doordien Gód om onze
zónden tegen ons vertoornd is, gelyk ik elders
zeggen zal; zullende nu den draad ,van myn
verhaal vervólgen.
Toen nu de Tabernakel gewyd , en alles
dat den gódlyken dienft betrof voltooid was,
verheugde het vólk zich, ziende dat Gód zich
gewaardigde in hun leger, en onder hen te woo-
nen; zulks dat het niet dan lófzangen t\' zyner
eere zong, en hem ófteranden ófferde, gelyk
als óf hen niets quaads te vreezen ftond, maar
dat alles hen in het toekomende naar wenfch
crelukken zoude. De ftammen in \'t algemeen,
en elk in \'t byzonder ófferden ^efche _
zyne aanbiddelyke Majefteyt. De twaalf Hoof-
den en Vórften deezer ftammen ófferden zes
wagens elk van twee óffen getrokken, om den
Tabernakel te vervoeren; en ieder van hen óf-
ferde eene fchaal weegende zeventig fikelen,
een bekken van honderd ^^^^g/f
wierookvat houdende tien df ikos , t welk men
met verfcheydene reukwerken vulde ; enae
fchaal\' en \'t bekken dienden om er m^el met
oli gemengd in te doen, waarvan men zi^^^^^p
\'t altaar in de ófteranden bediende; ennien or-
ferde ten brandóffer een kalf, een fchaap, een-
iaarige lammeren , en een bók, tót ve^^fj^\'^"
ge der zonden. Ieder deezer Vórften ófterde
nóg andere flagtóffers welke hëylzaame genoemd
E H IST O RL
Mofes gelyk ik gezegd heb ging nu niet
meer op den berg Sinaï ^ maar in den Taberna-
kel, om Gód raad te vraagen , en van hem te
verftaan welke wetten hy ingefteld wilde heb-
ben : zy waaren zo voortrefl\'elyk, dat de wyl ze
niemand anders dan Gode toegefchreeven kon-
nen worden , onze voorouders haar eenige
eeuwen lang zo gódsdienftiglyk onderhouden
hebben , dat zy niet geloofden dat de vermaa-
kelykheden der vreede , noch de noodwendig-
heden des oorlógs hen verfchoonen konden, in-
dien zyze overtraden. Maar ik zal in een by-
zondere verhandeling daarvan fpreeken.
X. HO O F D S T U K.
Wetten wegens de OfFetanden , de Priefters , de Feeften , en veele
andere zó burgerlyke als Staats-zaaken.
IK zal alhier van eenige der wetten , die de j \' j.
zuy veringen en ófteranden betreffen, een ver-
haal doen , omdat wy tegenwoordig op die
ftóffe vervallen zyn. Daar zyn tweederley of-
feranden , de ééne byzondere , en de andere
algemeene ; en die gefchieden op twee ver-
fcheydene wyzen : want het llagtóifer wordt
óf ganfchelyk door het vuur verteerd , waar-
door liet den naam van brandóffer krygt; óf het
wordt tót dankzegginge geófferd , en alzo ge-
geeten door degénen die het ófferen. Ik zal
van het eerfte eerft fpreeken. Als een enkeld Lev.i.
perfoon een brandóffer óffert, biedt hy eenen
ós, een lam , en een bokje aan ; welke twee
laatfte maar een jaar oud moeten zyn , dóch
de ós mag wel ouder weezen ; maar zy moeten
mannetjes zyn , en geheellyk verbrand worden.
Wann-eer men de beeften keelt, beiprengkelen
de Priefters den altaar met hun bloed, en naa dat
zyze wel gewaffchen hebben, fnyden ze hen aan
ftukken, werpen \'er zout op , en leggen ze op
\'t altaar, waarvan het hout reeds aangeftooken
is. Vervólgens waflHien zy de voeten cn inge-
wanden der dieren, en werpenze nevens \'t an-
dere in \'t vuur. Maar de huyden behooren
hen toe. Dit is \'t gene ontrent de brandóffe-
ren waargenomen wordt.
In de ófteranden die tót dankzegginge gedaan lev. |.
worden flagt men beeften van gelyke lborte;
maar zy moeten zonder eenig letfel, en meer
dan een jaar oud zyn; en moogen zo wehvyfjes
als mannetjes weezen. Naa dat ze geflagt zyn
befprengen de Priefters den altaar met hun bloed,
thans leggen zyde nieren, een gedeelte van den
lever, en al het vet met de ftaert van \'t lam
daarop. De borft en de rechter dy behooren
den Priefteren toe , en die het óffer ge-
ófferd hebben moogen van het overfchót twee
dagen lang eeten , maar dan moeten zy de reft
verbranden. Het zelfde wordt in de offeran-Ley
den , die Voor de zonden geófferd worden,
waargenomen. Maar die de middelen niet
hebben om deeze dieren te ófterdn 5 moogen
volftaan met tWee duyven , .óf een paar tortel-
düy ven , waarvan de ééne ten brandoffer gegee-
ven wordt, eri de andere is voor de Priefters,
gelyk ik Zulks breeder in de verhtódeliiig die ik
vari de ófferanden meen uyt te geeven ^ zal ver-
klaaren.
Iemand die onWeeténd gezondigd heeft óffert
een ooilam cn een geTtje van zodaanig een ou-
der-
7Ã
FLAVIUS JOSEPHUS
!IL Boek
-â 7 \'
i "
derdom als reeds gemeld is.: maar de Priefters
befprengen met hun bloed alleenlyk de hoor-
nen van den altaar , in plaats dat zy \'t anders
den ganfchen altaar doen: en zy leggen op den-
zei ven de nieren , met een gedeelte van den le-
ver 5 en al het vet, behoudende voor zich het
vel, en al het vleefch , \'t welk zy dien zelfden
dag in den Tabernakel eeten 3 want de wet ver-
biedt iets daaaf tót \'s anderen daags te bewaa-
ren;
Iemand die willens , dóch heymelyk gezon-
digd heeft, óffert een ram , gelyk de Wet
beveelt 3 en de Priefters eeten \'er infgelyks den
zelfden dag van in den Tabernakel.
Wanneer de Hoofden der ftammen voor de
zonden ófferen , dan ófferen zy even als \'tge-
meene vólk j alleenlyk met dit onderfcheyd,
dat de ós en \'t bokje beyde mannetjes moeten
zyn.
icv. i. De Wet gebiedt ook datmen in de ófferanden,
zo wel byzondere als gemeene, met een lam
de maat van een gomer meelbloeme , met een
fchaap twee gomers , en met eenen ós drie go-
mers brenge. Infgelyks beveelt zy dat men met
eenen ós een halve hin oh, \'t welk een aaloude
maat der Hebreen is, houdende twee Atheen-
fche Choës 3 met een fchaap het derde deel
van die maat, en met een lam het vierde deel
daarvan óffere. Men was ^ daarenboven ge-
houden even veel wyns teóiferen, welken men
rondom den altaar goot. Byaldien iemand om
zyne gelóften te volbrengen niet anders dan meel-
bloeme óffert, die werpt\'er een handvol van op
den altaar, en de Priefkrs neemen het óverige
om te eeten , \'t zy dat zy \'t in oh kooken , óf
"er koeken van bakken. Maar alles wat de
Priefter óffert , moet verbrand worden 3 en de
Wet verbiedt het jong van eenig dier , met de
moer te ófferen , \'t en zy het ten minfte acht da-
gen oud zy.
Men óffert infgelyks nóg andere ófferanden
\'t zy- tót wederkryginge der gezondheyd , óf
om andere oorzaaken 3 en men eet koeken met
het vleefch der dieren , waarvan de Priefters
hun deel hebben , moogende niet van \'t zelve
tót \'s anderendaags bewaaren.
Mum. is. De Wet beveelt ook dagelys des mórgens
vroeg , en tegens den avond een lam op gemee-
ne kóften te ófferen , en twee op den Sabbath
op dezelfde wyze ; en als \'t nieuwe maan is
óifert men , behalve de gewoonlyke flagtóffers,
twee óflèn, zeven eenj aarige lammeren , en één
ram. En indien \'er iets verzuymd was , óffer-
de men een bok voor de zonde: en in de zeven-
de maand , welke de Macedoniers Hyperbe-
retheon noemden , ófferde men daarenboven
eenen ós , een ram , zeven lammeren, en een
bok voor de zonde.
Op den tienden dag der maane van die zelf-
de maand vaftte men tót \'s avonds , en men óf-
ferde eenen ós , een ram , zeven lammeren,
en een bok voor de zonde, benevens nóg twee
andere bokken, waarvan men den éénen lee-
vendig buyten het leger voerde , opdat de ftraf-
fe welke het vólk voor hunne zonde verdiend
had, op zynen kóp zoude vallen 3 en de ande-
re bok wierdt in het voorleger , op een zuy-
vere plaats, gebragt, en aldaar met huyd met al
19
verbrand , zonder iets daaraf over te houden.
Men verbrandde ook éénen ós , die niet door
\'t vólk , maar door den Hoogenpriefter gegee-
ven wierdt , v/elke naa dat het bloed Van
dien ós en dat vandenbok binnen gebragt was,
zynen vinger daarin doopte , eii ^er zeven-
maal het dekfel en den vloer des Tabernakels mee
befprengde , midfgaders het binnenfté des Ta-
bernakels , het buytenfte vari den gouden al-
taar , en den grooten altaar , dié aan den in-
gang des Tabernakels onbedekt ftondt. Ver-
vólgens bragt men den afval dier beeft en , de
nieren , een gedeelte van den lever , en al
het vet op den altaar , en de Opperprieftèr
deed \'er van \'t zyne nóg een ram by ^ dat
Gode ten brandóffer opgeófferd wierdt.
Den vyftienden van die maand , terwyl de 132.
winter naderde , v/ierdt aan al het vólk bevolen 33«
dat zy elk voor zyn gezin tenten en hutten zou-
den oprichten en vaft maken op dat ze tegen den
wind, de koude, en andere ongelegénhécien van
dat moeilyk faizoen, zouden konnen ftand hou-
den : en dat wanneer zy in het land, dat Gód
hen beloofd had , zouden gekomen zyn , zy
zich in de hoofdftad daar van zouden begee ven,
omdat de Tempel daar zoude gebou v/d Worden 3
dat zy daar geduurende acht dagen een feeft zou-
den vieren;dat zy \'er Gode flagtóffers zouden óf-
feren , fommige ten brandóffer en andere tó t
dankzegginge 5 en dat zy takken van mirtus,
wilge , en palmboomen , waaraan men citroe-
nen zoud hechten , in hunne handen draaien
zouden. De ófferande die op den eerften fier
acht dagen geófferd wordt is een brandóffer,
i)eftaande uyt dertien óften, veertien lammeren,
twee rammen , en een bok tót verzoening voor
de zonden. De vólgende dagen gèfchiedt hét
zelfde , uytgezeyd dat men dagelyks van \'t ge-
tal eenen ós afneemt, tótdat het op zeven ge-
komen is. Dc achtfte dag is een dag van rufte,
die gevierd wordt zonder eeni> werk te
doen , en men óffert dan een kalr , een ram
zeven lammeren , en een bok voor de zonde.
Dit zyn de plegtigheden van het Loofhutten-
feeft , het welk federd altoos by ons vólk is on-
derhouden geweeft.
Inde maand Xantikus , by ons Nifan t^^,
genoemd , waarin het jaar begint, op dcntev.zj.
veertienden der maane , als de zon in het te- JJ"â¢\'
ken van den Ram is, zynde de tyd dat onze
voorvaders uit Egipte , en met-eene uyt hun-
ne dienftbaarheyd toogen , verpligt de Wet ons
om die zelfde óferande, welke zy toen deeden,
en die den naam van Paafche gekreegen heeft,
te vernieuwen : en wy vieren dat Feeft vólgens
onze ftammen, zonder iets van het geófferde
te bewaaren voor den vólgenden da
ö 5 Zynde
den vyftienden der maand, en den eerften van
\'t feeft der ongezuurde brooden , \\ welk aan-
ftonds op dat van Paafche vólgt, en zeven da-
gen duurt, in welken tyd men geen ander dan
ongedeeffemd brood eet , en ieder dag twee
ftieren, éénen ram 3 en zeven lammeren flagt, en
ten brandóffer óffert 3 by \'t welk voor de zon-
den een geyt geófferd wordt waarvan de Prie-
fters eeten.
Den zeftienden dag der maand , die den
tweeden van \'t Feeft der ongedceffemde broo-
den
den is , begint men van de nieuwe graanen die
nóg niet aengeroerd zyn te eeten. En vermids
het billyk is zyne erkendykheyd Gode te be-
tuygen voor de weldaaden die men van hem ont-
vangt , zo óffert men hem de eerff ehngen der
garft op deeze wyze. Men droogt eene fchoof
met aairen^by \'t vuur, en doet \'er het graan uyt,
iiet welk gezuyverd zynde , óffert men \'er een
gomer van , laatende een handvol daaraf op
\'t altaar blyven , en \'t óverige is voor de Priefters.
AlsdanftaathetaanaPtvólkvry denoogft, het
zy in \'t algemeen 5 óf in\'t byzonder, te begin-
nen : en ten tyde dier eerftelingen óffert men
Gode een lam ten brandóffer.
Zeven weeken naa\'t Feeft van Paafche, wel-
⢠keftegenenveertig dagen uytmaaken, óffert men
Gode op den vyftigften dag , diende Hebreen
Afartha, dat is volheyd van genaden , en de
Grieken Pentekofte [óf Pingfter] noemen, een
brood van twee gomers tarwemeel dat gedeef-
femd is , en men flagt twee lammeren , \'t welk
den Priefteren tót een avondmaal dient, zonder
dat zy \'er iets tót den vólgenden dag van moo-
gen bewaaren. En tót brandófferen óffert men
voor de zonde drie kalveren, twee rammen,
veertien lammeren , en twee bokken.
Daeris geen feeft waarop men geen brandóf-
feren óffert, en van werken niet aflaat: want
dat zyn twee zaaken , welke de Wet onvermy-
delyk beveelt te onderhouden ; en naa de óffe-
rande eet men \'t gene geófferd is. Ook geeft
men ten kófte van \'t gemeen vierentwintig
gomers tarwemeel , waarvah men ongehé-
velde brooden maakt , welke men \'s daags
voor den Sabbath twee aan twee bakt, en \'s mór-
gens op den Sabbathdag zet men \'er twaalf van
op den gewyden tafel, zes aan de ééne en zes
aan de andere zyde tegen malkanderen over:
cn daar blyven ze met twee fchotelen wierooks
tót den vólgenden Sabbath ftaan , Wanneer
menze aan de Priefteren geeft om te eeten,
naa alvoorens andere in hunne plaats gezét te
hebben. En de wierook wordt verbrand in
\'t heylig vuur het welk de brandóffers ver-
teert , en men zet wéér andere op met de broo-
den. De Opperpriefter óffert van \'t zyne
tweemaal \'s daags een gomer van zuyver meel
met oü gekneed , en een weynig gebakken,
waarvan hy \'s mórgens de ééne helft, en \'s a-
vonds de andere in \'t vuur werpt. Maar van dit
alles zal ik elders breeder handelen, des agtik het
crenoeg dit by voorraad gezegt te hebben.
^ Naa"dat Mofes de ftam van Levi van de an-
dere afgezonderd had omze Gode toe te wyen,
zuvverde hy die met fonteynwater , en óffer-
de eene ófferande : vervólgens beval hy aan de-
zelve de bewaaring des Tabernakels , en der
heylige vaten ; en belaftte hen zich vlytig m
dien heyhgen dienft te quyten , volgens t gene
de Priefters hen zouden gebieden. Aldus De-
gonden die van deeze ftam toen aangemerkt te
worden als Gode toegewyd te zyn. Moles
verklaarde ter zelfder tyd welke dieren reyn en
geoorlófd om te eeten waaren , en welke men,
omdat ze onreyn waaren , niet eeten mogt.
Wy zullen de reden daarvan zeggen wanneer
zich eene gelegenheyd daartoe voordoet. Be-
lancrende het bloed , dat verboodt hy volftrek:
134.
â¢Lev. 13
13
Nam. 3.
I-ey.
7.17
telyk te nuttigen , omdat hy geloofde dat de
ziel en \'t leeven der dieren in hun bloed befloo-
ten was : ook verboodt hy het vleefch der bee-
ften die van zelfs gefturven waaren, alsmede het
vetdergeyten, fchaapen, en óflèn te eeten.
Hy beval dat de melaatfchen , en die met 137.
een zaadvloed gequeld waaren , van de an-
dere zouden afgezonderd worden. Dat dc
vrouwen niet dan zeven daagen naa dat haare
zuyveringen voorby waaren met de mannen
zouden moogen omgaan. Dat iemand die een
lyk begraaven had , niet reyn zou geacht wor-
den dan zeven dagen daarnaa. Dat iemand die
meer dan zeven dagen met een zaadvlöed ge-
queld was , twee ooüammeren zoud ófferen,
waarvan het ééne voor \'t altaar, en\'t andere
voor de Priefters zoude zyn. Dat degéne dieii
by nacht eene bevlekking overgekomen wasj
zich met koud Water moften walfchesi om zich
te reynigeii, gelyk de mannen opk moften doen
als zy met hunne vrouwen te doen gehad had-
den. Dat de melaatfchen altoos van de anderen
moften afgefcheyden zyn , en als doode men-
fchen aangemerkt worden : en dat byaldien
Gód op de gebeden van iemand van hen hem
zyne gezondheyd wedergaf , en het door een
leevendige koleur bleek dat hy van de quaal
geneezen was , hy dan door verfclieydeneóffe-
randen , waarvan wy elders zullen Ipreeken,
zich erkentelyk daarvoor moft toonen. Het
welk dan toont hoe belachgelyk het verdichtfel
is der gener die zeggen dat Mofes uyt Egipte
gevlooden was , alleenlyk omdat hyde melaats-
heyd had ; eh dat alle de Hebreen daamieê be-
vangen zynde gelyk hy , daarom door hem na
\'t land Kanaan geleyd wierden. Want indieri
zulks waarachtig waare , immers zoud hy
fchaamtshalve ZMaanig een wet niet hebben
willen beveftigen; ja zoud hy\'er zich niet te-
gen aan gekant hebben indien een ander zulks
voorgefteld hadde, gemerkt dat\'er veele vól-
ken zyn , daar de melaatfchen niet alleenlyk
niet veracht, en van andere afgefcheyden,
maar zelfs tót eerampten verheeven, en in kry^s-
bedieningen, ampten van ftaat, ja ook tót den
Tempeldienft aangefteld worden? Indien Mo-
fes dan met 4ie quaal befmét geweeft Waare,
wie zoud hem konnen belét hebben den vólke
wetten te geeven, die hen eerder voordeelig
dan naadeelig zouden geweeft zyn.? Dies blykt
het dan klaarlyk, dat zulks eene zaak is die men
uyt loutere quaadaardigheyd tegen onze lan-
daard verzierd heeft: en\'t is ganfchelyk waar,
dat Mofes van die quaal vry zynde , en ook
het vólk waarmede hy verkeerde , die wet ter
eere Góds ingefteld heeft voor zulke die \'er
mede gequeld waaren. Niettemin laat ik aan
elk de vryheyd om daarvan te oordeelen zo als
\'t hem goed dunkt,
Mofes verboodt ook den kraamvrouwen in 158.
den Tabernakel te komen, en den gódlyken Lev.ia.
dienft by te woonen voor den veertigften dag
naa haare verlóffingc indien zy eenen zoon
baard hadden, en den tachtigften dag, zo zy van
eene dóchter gelegen waaren: en naa verloop
van dien tyd waaren zy gehouden ófteranden te
ófferen,waaraf een gedeelte Gode toegewyd Was,
en het óverige den Priefteren toequam.
K â By- â¢
FLAVIUSJOSEPHUS
IIL Böek,
74
Byaldien een man zyne vrouw van overij3el
verdacht hieldt , ófferde hy een gomer
o-arllennleels , waarvan hy een handtje vol op
den altaar wierp , en het óverige was voor de
Priefters : vervólgens ftelde één van hen de
vrouw aan de deur die tegen over den Taber-
nakel was , nam haar den ftuyer af die zy op
\'t hoofd had , fchreef Góds naam op een par-
kement, deed haar met eede verklaaren datzy
haare echte trouw niet gefchonden had, en
voegde deeze vloekwenfch daarby , dat indien
zy haare trouw te buyten gegaan , en eenen val-
fchen eed gedaan had , alsdan haare rechter
heup mogt verftuyken , haar buykbarften , en
zy alzo jammerlyk fterven. Maar in tegen-
deel , indien haar man alleenlyk uyt jaloezy 5 en
door eene overmaat van liefde , haar t\'onrecht
verdacht gehouden had , het Gode mogt belie-
ven haar naa tien maanden eenen zoon te geeven.
Naa dien eed doopte dc Priefter het parkement,
waarop Góds naam gefchreeven ftondt , in
\'t water , en als die ganfchelyk daardoor
uytgewifcht, en als in \'t water verfniolten was,
mengde hy ^er eenig ftóf van den vloer des Ta-
bernakels onder , en deed de vrouw dien drank
indrinken. Indien zy dan t\'onrecht befchuldigd
was 5 wierd ze zwanger , en baarde gelukkig-
lyk : dóch zo zy fchuldig zynde , dooreenen
valfchen eed en door onkuysheyd , haare trouw
jegens Gód en haaren man gefchonden had,
ftierf zy op zulk een fchandelyke wyze, gelyk
gezegd is.
Dusdaanig waaren de wetten welke Mofes
den vólke wegens die ófteranden en zuyverin-
gcn gaf 3 voorts ftelde hy nóg andere in. Hy
verboodt het overlpel t\'eenemaal, doordien hy
geloofde dat het geluk des huuwelyks in de
kuysheyd en getrouwheyd , welke de man aan
zyne vrouw, en cle vrouw haaren man fchuldig
is , ganfchelyk beftondt, en dat\'er het gemee-
nebeft aan gelegen was dat de kinderen wettig
waaren.
Hv doemde als een, afgryflyke misdaad de
bloedfchande met zyne moeder, óf ftiefmoeder,
óf moey zo van \'s vaders als moeders zyde, óf
zufter, óffchoon dochter begaan: Hy verboodt
de bywooninge met zyne vrouw als zy haare
maandftonden had : en hy doemde als een ver-
foeijelyk feyt zich met beeften óf jongens te ver-
mengen , en ftelde op zodaanige gruuwelen de
ftraftb des doods.
139.
Num. 5.
140.
141.
lev. iS,
zo,11,
Belangende de Priefters , hy wilde dat die
veel kuyfcher zouden zyn dan andere ; wanthy
verbondt hen niet alleenlyk om dezelfde wet-
ten te onderhouden , maar hy verboodt hen
ook met eene vrouw , die te vooren verlaaten
was , óf eene flaavin , óf waardin , óf die om
eenigerhande oorzaak verftootcn was , te trou-
wen. Waarby hy ten aanzien van den Hoogen-
priefter nóg voegde , dat hy niet gelyk de an-
de Priefters eene weduw ten wyve zou moogen
neemen,maar dathy met eene maagd zou moeten
trouwen , en die behouden : hy verboodt hem
ook eenig dood lighaam te naderen , alhoewel
het de andere Priefters vryftondt by die van hun-
ne moeders , broeders , en kinderen te komen 5
hy beval ook dat aan hunne hghamen geen ge-
brek óf letfel zoude zyn. Indien \'t nu onder de
Priefters gebeurde dat iemand eenig letfel aan
zyn lighaam had , dien was \'t wel geoorlófd
nevens de andere zyn deel te hebben, maarniet
tót den altaar te naderen , óf in den Tempel te
gaan. Zy waaren gehouden zuy ver en onberifpe-
lyk te zyn niet alleenlyk wanneer zyden gódly-
ken dienft verrichteden, maar ook in al het óve-
rige van hun leeven, Ei^ wanneer zy het heylig
gewaad, by hunnen dienft paffende, aanhadden,
waaren zy , behalve de züyverheyd waarin ze
altoos moften leeven , tót zulk een maatigheyd
verpligt 3 dat het hen verbooden was wyn te drin-
ken j en de dieren welke zyófferd en moften
gaaf en zonder eenig aebrék weezen. Deeze
waaren de wetten die Mofes in de woeftyne gaf,
en welke hy zo lang hy leefde deed onderhou-
den. Hy ftelde ook nóg anderein , om waar-
genomen r -^-.
te worden als het vólk in \'t bezit
van
143. Hy beval dat men alle zeven jaaren het land
i-ev. X, 5. een jaar zou laaten braak leggen, zonder het te
bebouwen óf bezaaijen , even gelyk als hy be-
volen had dat men op den zevenden dag het
werken moft ftaaken. Waarby hy voegde, dat
alles wat de aarde in dat jaar van rufte van zelfs
voortbragt, voor allen gemeen zoude zyn, zelfs
voor vreemdelingen , en dat het niemiand zou
vryftaan iets daaraf voor zich alleen te behou-
den. Hy wilde ook dat men het zelfde zoude
waarneemen naa zevenmaal zeven jaaren, en dat
in het vólgende jaar, \'t v/elk het vyftigfte, en
het Jubeljaar der Hebreen is , den fchuldenaa-
ren alle hunne fchuld quytgefcholden , en de
lyfeygene in vryheyd gefteld moften worden 3
\'t welk zag op zulke die te vooren vry geweeft
zynde , in plaats van de ftraffe des doods we-
gens \\ overtreeden van eenige wetten , tót
flaaverny gedoemd waaren. Ook moften, vól-
gens deeze wet, de landen weder tót hunne eer-
fte bezitters keeren , "t welk op deeze wyze toe-
ging : Als het Jubeljaar naby was rekenden de
verkooper en de kooper van het land tzamen
op , hoeveel de inkomft daarvan beliep , en
wat kóften daarop geloopen waaren : en indien
de inkomft meer bedroeg dan de onkóften , zo
nam de verkooper zyn land weder aan ; dóch
zo de onkóften hooger liepen , dan keerde de
verkooper zo veel uyt, en het landt wierdt we-
der zyn eygen. Maar indien de inkomften en
de onkóften gelyk waaren , nam de oude bezit-
ter zyn land weder na zich. Het zelfde wierdt
ook waargenomen ontrent huyzen die in vlek-
ken ftonden ; doch ten aanzien van zulke die
in de fteden en de bemuurde burgten Waaren,
de verkooper mögt zyn huys weêr benaderen,
wanneer hy den prys van den verkoop weder uyt-
keerde eer het jaar om was : maar indien hy
\'t jaar liet verloopen zonder het geld weêr te
geeven , dan was de kooper vaft in zyn bezit.
Mofes ontving alle deeze wetten van Gód zeiven
op den berg Sinaï, om die den vólke over te lé-
veren toen het aan den voet van dienbêrg gele-
gerd was j en hy deedze befchryven , om door
de naakomehngen onderhouden te worden.
~XI. HÃ O F D S T U K.
Telling des vólks. Manier van Lc\'geringe cn opbreekinge eu órde
van optógt.
144. y| Ofes aldus zórg gedraagen hebbende voor
Num. I. lYl\'t gene de Gódsdienft en de burgerlyke
regeering betrof, liet zyne gedachten ook gaan
op de krygszaaken , omdat hy voorzag dat zyn
vólk zwaare oorlogen zou moeten voeren: en
daarop beval hy den Vórften en Hoofden der
Stammen, uytgenomen die van Levi, een nette
telling te doen van alle diebequaam waaren om
geweer te draagen: want vermids de Leviten
ten dienfte Góds toegewyd waaren, zo waaren
ze van al \'t óverige bevryd. Naa dat deeze
heirfchouwing gefchied was , bevondtmeneen
getal van zesmaal honderd duyzend,drie duyzend
zes honderd en vyftig mannen van twintig tot
vyftig jaaren oud : en in plaats van de ftam Levi
bragt hy onder \'t getal der Vórften de ftam van
Manaffe Jofephs zoon j en ftelde Ephraim m fte-
de van Jofeph zynen vader, vólgens \'t gene reeds
gemeld is 5 dat Jakob van Jofeph verzócht had
hem zyne twee zoonen te geeven om die voor
de zyne te neemen.
Men ftelde den Tabernakel in \'t midden van
het leger , en drie Stammen wierden aan alle de
zyden met groote ruymten tuflchen ieder ge-
plaatft. Voorts perkte men een groote plaats af
tót eene markt, alwaar men allerley waaren en
koopmanfchappen verkóft ^ en de kooplieden
en konftenaars wairen met zulk een gevoeglyke
órde in hunne winkels geplaatft, dat het fcheen
als óPt eene ftad was. De Priefters, en naa hen
de Leviten , befloegen de plaatfen dienaaftaan
den Tabernakel waaren. Men deed eene telling Num. 9.
van de Leviten by zonder, en bevondt hun getal
te zyn driëntwintig-duyzend achthonderd tach-
tig zielen van dertig dagen en daar boven oud.
Zo lang als de wolk, waarvan wy gefprooken
hebben, den Tabernakel bedekte, bleef het leger t o.
op zyne plaats ftaan j maar wanneer de wolk
voortging dan brak men op. Moiès bedacht een
zékere zil vere trompét , die aldus gemaakt was 5
zy was bykans eene elleboog lang , haare pyp
was ontrent zo dik als eene fluyt, en daar was
geen andere opening dan aan het end dat men in
den mond moft fteeken , en aan het wydeend,
het welk was gelyk een gemeene trompet : wor-
dende deefe foort by de Hebreen Afofra ge-
noemd. Mofes deed \'er twee zulke maaken, waar-
van de ééne diende om het vólk te doen tzamen-
komen , en de anderen om de Overften byeen te
roepen , als \'er iets wegens de zaaken van \'t Ge-
meenebeft te overleggen was: maar als \'er op bey-
de te gelyk geblaazen wierdt, dan moft de gan-
fche menigte byeenkomen.
Wanneer de Tabernakel van plaats verander-
de , dan hieldt men deeze órde : op het eerfte
gefchal der trompette braken de drie ftammen
die na \'t Ooften gelegerd waaren op 5 op het
tweede geluyd der trompette braken de drie
ftammen op die na \'t zuydenlagenj alsdan brak
men den Tabernakel af, die tuffchen de zes
ftammen welke vooruyt trokken , en de zes an-
dere die naa moften komen , geplaatft wierdt 5
en de Leviten waaren rondom den Tabernakel.
Op het derde geklank der trompette trokken de
drie ftammen op die na \'t weften ftonden j en
op het vierde trompette-gefchal vólgden de drie
die na \'t noorden lagen. Men bediende zich
van deeze trompetten ook in de ófferanden zo
op den Sabbath als op andere dagen : en men
vierde toen met ófferanden en plegtigheden het
eerfte Paafche dat onze voorvaders federd hun-
ne uyttógt uyt Egipte hielden.
147.
XII. H O O F D S T U K,
â¢t Gemor des vólks tegen Mofes , cn de ftrafFe die Gód daarover
deed.
Aa dat het leger van den berg Sinaï opge- 148.
broken , en eenige dagen voortgetrokken
was, quam het aan eene plaats genaamd Ifere-
moth. Aldaar begon het vólk op nieuws te
morren , en alle de oorzaak van hunne ram-
Den op Mofes te fchuyven , zeggende dat
iet op zyn aanraden was dat zy één van dc
vruchtbaarfte landen der werreld verlaaten had-
den , en dat in plaats van geluk \'t welk hyhen
had doen hoopen , zy zich door allerley elen-
den gepraamd vonden : dat zy niet alleenlyk
K 2 geen
III. BOEK. JOODSCH E H I S T O R L
van het land Kanaan zoude gekomen zyn.
/ö F L A V I U S J
geen water hadden om hunne dorft te leflchen,
maar dat zy van honger zouden moeten ver-
gaan indien het Manna quam op te houden. Zy
voegden nóg veele andere zeer vinnige verwy-
tingen tegen Mofes hierby : waarop één van
hen aan deeze menigte voorhieldt, dat zy de wel-
daaden van hem genooten niet alzo behoorden
te vergeeten , nóch Góds byftand te miftrou-
wen. Maar die woorden , in plaats van hen te
ftillen , verbitterden hen te meer , en deeden
hun gemor toeneemen. Mofes zonder zich des
te bekreunen , zeyde tót hen : âDat fchoon zy
5, groot ongelyk hadden dat ze hem aldus be-
5, j egenden, hy echter hen beloofde, overvloed
van vleefch voor hen van Gód te zullen ver-
35 werven, niet alleenlyk voor éénen dag, maar
â voor veele dagen. En vermids zy \'t niet ge-
looven wilden , en dat één van hen vraagde hoe
hy voor die groote menigte ipyze zou konnen
geeven , antw_oordde hy : â Gy zult haaft zien
5, dat nóch Gód , nóch ik , fchoon zo weynig
â by uHeden geacht, zullen ophouden u by te
,, ftaan" Naauwlyks had hy deeze woorden ge-
fprooken , ó f het gan fche leger wierdt met quak-
kelen bedekt, waarvan elk zo veel nam als hy
wilde. Maar Gód vertoefde niet lang met hen
over hunne baldaadigheyd jegens hem, en het
fchelden tegen zynen dienaar, te ftraftèn: zulks
dat \'et veelen het leeven kóftte , waarom die
plaats den naam kreeg , dien zy nóg heden
voert, van Ghibrathaba , dat is de graven der
begeerlykheyd.
XIII. HOOFDSTUK.
53
O S E P H U S
deren het zouden bezitten,
toos is gehouden geweeft.
^Ofes leyde het vólk toen op de grenzen j.g,
der Kanaaniten , aan een plaats genaamd Num.
Pharan , alwaar het moeijelyk te woonen was\'
en aldaar Iprak hy het vólk aldus aan : â Gód
heeft ulieden , door zyne groote goedheyd,,,
de vryheyd , en een land dat van alles goeds
overvloeit, beloofd : het ééne geniet gylie-
den reeds , en \'t ander zult gy ook haaft ge^
nieten : want wy zyn nu op de grenzen der
Kanaaniten gekomen; en nóch hunne Konin-
gen , nóch hunne fteden , nóch alle hunne
krygsmagt tzamengevoegd , zullen ons kon-
nen beletten de uytwerking zyner belóften te
zien. Bereydt u dan om kloekmoediglyk te
ftryden , omdat het zonder vechten niet zal
toegaan dat zy u dit kóftelyk land zullen in-
ruymen. Maar wy zullen \'t in fpyt van hen
bezitten; naa dat wy hen overwonnen hebben.
Dóch wy moeten eerft eenige vooraf op kond-
fchap uytzenden , om te verneemen na de
vruchtbaarheyd des lands , en de magt der
mwoonderen ; en vooral moeten wy ons meer â
dan ooit tzamen vereenigen , en Gode deee-
re geeven die wy hem fchuldig zyn , ten eyn-
de hy onze befchermer en byftand zy."
Het vólk prees deezen voorflag, en koos
twaalf van de aanzienlykfte onder hen , éénen
uyt elke ftam, om het land der Kanaaniten te
gaan belpieden, beginnende van de kant die na
Egipte ftrekt, en vervólgende tót aan de ftad
Amath en den berg Libanon. Zy bragten veer-
tig dagen met die reyze door j en naa den aardt
des lands wel befchouwd, en van deleevensma-
nier der ingezétenen in \'t byzonder kennis ge-
nomen te hebben, deeden zy verftag van \'t ge-
ne zy gezien hadden, en bragten van de vruch-
ten des lands mede , welke zo groot en fchoon
III. Boek.
Mofes lüf, cn in wat achtinge hy al
3)
>3
39
3)
3i
3)
33
33
33
33
33
31
33
33
33
waaren , dat het vólk daardoor aangemoedigd
wierdt om het te gaan bemagtigen. Maar
alle deeze afgezondene , uytgenomen twee,
fchrikten hen daarvan af door de moeijelykheyd
der onderneeminge, zeggende â Dat men groo-
te en diepe rivieren moft paflèeren, bykans â
ontoegangklyke bergen overtrekken , fterke â
en magtige fteden beftórmen , reuzen welke â
zy in Hebron gezien hadden bevechten,,
en eyndelyk, dat zy nóg niets zo vreeflyk ge- â
33 zien
UI. Boek.
â zien hadden federd zy uyt Egipte getoogen
â waaren." Aldus ging de fchrik deezer afge-
zondenen van hen in\'t gemoed des vólks overj
zo dat zy wanhoopende van zulk een moeije-
lyken toeleg te konnen uytvoeren , weder in
hunne tenten keerden om daar hun ongeluk met
hunne wyven en kinderen te beweenen: en hun-
ne droefheyd en flaauwhartigheyd deed hen zeg-
gen, datGód hen belóften genoeg deed, maar
dat zy \'er de uytwerking niet van zagen. Thans
vatten zy \'t tegen Mofes op , en deeden den
«ranfchen nacht niet dan fchelden tegen hemen
Aaron. Zo dra het dag geworden was, qua-
men zy oproeriglyk tzamen om hen te fteeni-
gen, en dan weder na Egipte te keeren. Jofua
zoon van Nave, uyt de framme Ephraims, en
Kaleb uyt de flamme Juda, welke twee van de
twaalf verfpieders waaren, ziende deeze wan-
orde , en duchtende voor een quaad gevólg,
zeyden tót hen 5 â Dat zy aldus den moed met
â moflen verlooren geven, óf Gód als onge-
â trouw in zyne belóften befchuldigen, en ge-
â loof liaan aan den ydelen fchrik dien men hen
â aanjoeg, door hen de zaaken heel anders te
5, vertoonen als ze in der daad waaren. Maar
â dat zy liever behoorden hen te gelooven, en
â hen te vólgen om zulk een vruchtbaar land
â te veroveren. Dat zy zich aanbooden om
â hen tót leydslieden in zulk een roemruchti-
â ge onderneeminge te dienen. Dat\'er zoveel
â zwaarigheyd niet in flak als men hen poogde
â diets te maaken: dat die bergen zo hoog,
5, nóch de rivieren zo diep niet waaren, dat ze
5, luyden vanmoed en dapperheyd konden weer-
â houden : en dat zy niets te vreezen hadden,
3, naardien Gód zich voor hen verklaarde, en
3, voor hen flryden wilde. Trekt dan zonder
â fchroom voort, vervólgden ze, in een ver-
5, trouwen op zyne byftand, en vólgt ons die
3, gereed zyn om u aan te voeren."
Terwyl deeze twee oprechte en edelmoedige
Ifraeliten aldus fpraken, om de ontroerde me-
nigte te ftillen, waaren Mofes ën Aaron ter aar-
de gevallen, en baden Gód, niet opdat hy hen
voor de woede des vólks befchutten zoude, maar
dat hy zich over hunne dwaasheyd wilde ont-
fermen, en hunne gemoederen, die door den te-
fenwoordigen nood , en eenydele vreeze voor
et toekomende, ontroerd waaren, doen be-
daaren. Hun gebéd wierdtterftondverhoord :
en men zag eene wólk den Tabernakel bedek-
ken, om te kennen te geeven dat Gód denzel-
ven met zyne tegenwoordigheyd vervulde. ^ Mo-
fès alstoen vol van vertrouwen, naderde tót het
vólk, en zeyde tót hen, ,, Dat Gód beflooten
â had hen te ftrafFen, niet zo zwaar als zy wel
verdienden, maar gelyk een goede vader zyne
kinderen kaftydt. Want, vervolgde hy m
â den Tabernakel gegaan zynde om hem met
â traanen te bidden dat hy ulieden met wilde
â uytroeijen, heeft hy my de weldaaden waar-
â medehy u begunftigd heeft, uwe groote on-
â dankbaarheyd, en den hoon dien gy hem aan-
â gedaan hebt, door meer geloofs te flaan aan
3, valfche berichten 5 dan aan zyne belóften,
â omftandiglyk vertoond. Niettemin heeft hy
â my verzekerd, dat vermids hy ulieden onder
alle landaarden verkooren heeft om zyn volk
te zyn, hy u niet ganfchelyk verdelgen zal\':
maar dat gy tót flraffe uwer zonde het land
Kanaan niet bezitten, nóch de zoetigheyd en ,,
overvloed van deszelfs vruchten fmaaken,,,
maar veertig jaaren in de woeflyne omzwer-,,
ven zult, zonder huyzen óffteden te hebben;,,
\'twelk hem nógtans niet verhinderen zal uwe
kinderen in de bezittinge te ftellen van het
land en de goederen welke hy ulieden beloofd
heeft, en waarvan gy u door uw gemor en on-
gehoorzaamheyd onwaerdig gemaakt hebt."
Deeze reede floeg al het vólk met fchrik cn
groote droefheyd: zy baden Mofes dat hy hun-
ne voorfpraak by Gód wilde weezen, ten eynde
het hem believen mogte hunnen misflag te ver-
geeten, en zyne belóften te volbrengen. Dóch
hy antwoordde hen; â Dat zy niet te verwach- â
ten haddendat zyne opperfte Majefteyt zich
door Iiunne gebeden zou laaten beweegen;
omdat het niet door eenige oploopendheyd,
óf om een geringe oorzaak was, gelyk als,,
onder de menfchen, maar door eene bewee- â
ginge van gerechtigheyd, eneenwelberaade- â
ne wille, dat hy dat vonnis tegen hen uyt- â
gefprooken had."
Alhoewel \'t nu ongelooflyk mogt fchynen 150*
dat één man alleen een bykans ontelbaare menig-
te van menfchen in de grootfte hitte van hunne
oproerigheyd zoude konnen ftillen , echter be-
hoeft men zich hier daarover niet te verwonde-
doordien Gód, die Mofes altoos by ftondt,
ren.
hun hart bereyd had om zich door woorden te
laaten overreeden , en dat zy reeds yerfchey-
demaal door de ongelukken, waarin zy ver-
vallen waaren, de ftraff\'e wegens hun ongeloof
enongehoorzaamheyd, beproefd hadden. Maar
wat grooter blyk van de uytmuntende deugd
deezes voortrenelyken Wetgeevers, en van de
wonderbaare aehtbaarheyd welke hy verkreeg,
zou men konnen begeeren, dan te zien dat niet
alleen degéne die ten zynen tyde leefden, maar
zelfs alle de naakomehngen, hem zodaanig in
eere gehouden hebben, dat \'er nóg hedensdaags
niemand onder de Hebreen is, die zich niet
verpligt acht alle zyne inzettingen zo naauw-
keuriglyk naa te komen als ófhy nóch zelve te-^
genwoordig was, en gereed om de overtreeders
daarvan te ftraffen. Onder veele andere bewy-
zen van deeze meer dan menfchelyke aehtbaar-
heyd welke hy verkreeg, fchynt dit vólgende
my zeer aanmerkelyk te zyn. Wanneer eenige
lieden uyt de landfchappen aan gene zyde van
den Eufraat gekomen waaren om onzen Tempel
te bezoeken, en aldaar ófferanden te ófferen,
hebbende vier maanden lang met groot gevaar,
groote kóften, en veel moeijelykheyd gereyfd,
lebben ze geen deel mogen hebben aan de óffe-
randen, dewyl Mofes zulks den genen die in
onze zeden niet onderwezen zyn, en met ons
niet naa de vaderlyke wyze verkeeren, verbo-
den heeft: dus hebben eenige geen verlóf kon-
nen krygen om te ófferen; andere zyn genood-
zaakt geweeft hunne ófferanden ten halve te laa-
ten fteeken; en andere hebben geen vryheyd kon-
nen verwerven om in den Tempel te gaan, zon-
der dat zy echter daarom zyn verftoord geweeft »
óf eenige de minfte klagte gedaan hebben; wil-
lende Hever de wetten door die groote perfonaad-
K 3 ie
JOODSCHE HISTORL
33
3i
3Ã
3)
33
33
33
"S F L A V I U S J
je gemaakt gehoorzaamen, dan hmine begeerte
involgen, alhoewel niets hen tót zulk een onder-
werping bewoog , dan hunne verwondering over
zyne deugd 5 vermids men door te gelooven dat
hy die wetten van Gód zeiven ontvangen had,
hem als iets meerder dan een menfch aanmerkt.
En\'tis nóg niets lang geleden, zynde kort voor
den Joodlclien oorlog, onder de regeering van
den Keyzer Klaudius, toen Ifniaël Hoogepriefter
was, dat Judéa van zulk een dieren tyd gedrukt
zynde dat een gomer meels vier drachmen goldt,
men echter op het feeft der ongedeeflemde broo-
den zeventig Kor, zynde eenendertig Siciliaan-
fche, en eenenveertig Attifche Medimnen óffer-
de, zonder dat iemand der Priefteren , fchoon
l\'
O S E P H U S
IV. Boek.
van honger gepraamd, hetzelve durfdeaanraa-
ken cm\'er van te eeten > zo zeer vreefdenze de
wetteovertreeden, en Góds toorn, die zelfs de
verborgene zonden zo ftreng ftraft, over hen te
haaien. WiezalïichdanveiwondercndatMo-
fes zulke ongcmecne dingen deed, dewyl men
nu nóg Zo veelcccuwen daarnaa ziet, dathet ge-
ne hy bygefchrifte naagelaaten heeft van zodaa-
nig een achtbaarheyd is, dat zelfs onze vyanden
genoodzaakt zyn te bekennen , dat het Gód is
die den menfchen zulk een volmaakte leevens-
manier door hem gegeeven ^ en zich van zyn uy t-
muntend beleyd om hen die te doen aanneemen,
bediend heeft? Nógtans laat ik elk daarvan
oordeelen zo als \'t hem belieft.
JOODSCHE
VIERDE BOEK.
EERSTE H O O F D S T U K.
Gsmor der Ifcaëlireii regen Mofes. Zy bevechten de Kanaaniten
buyten zyn beve!, eii zonder rast Gód geraadpleegd te hebben;
\\veshalve iy met een groot verlies op de vlugt geflagen worden;
eu daarop viredsr beginnen te murmureren.
Oe groot ook de moeijelykheden waaren
welke de Ifraëliten in de woeftyne uyt-
ftonden, echter fpeet niets hen zo zeer dan dat
Gód hen niet toeliet de Kanaaniten te bevech-
ten. Zy wilden het bevél dat Mofes hen gaf
van in rufte te blyven, niet gehoorzaamen 3 maar
zichzelven wysmaakende dat zy zyne byftand
niet van noode hadden om hunne vyanden te
overwinnen, befchuldigdcn zy hem dat hyhen
altoos in die elende laaten wilde , opdat zy
zich zonder hem niet zouden konnen behelpen.
Derhalve beflooten zy dien\' oorlóg aan te gaan,
geloovende dat het niet was uyt aanmerkinge
van Mofes dat Gód hen begunftigde, maar
omdat hy zich verklaard had hunnen befchermer
te zyn, gelyk hy die van hunne voorvaderen
was geweeft : dat vermids hy hen om hunne
deugd van de dienftbaarheyd bevryd had, hy
hen de overwinning zoude geeven, indien zy
dapper ftreeden : dat zy uyt hen zeiven fterk
genoeg waaren om hunne vyanden te overwin-
nen, al waare \'t dat Mofes beletten wilde dat
Gód hen gunftigwas : dat het hen voordecligcr
zoude zyn zich naar hun eygen goedvinden te
beftieren, dan Mofes blindelings te gehoorzaam
men, en hem tót eenen dwingeland te hebben
naa dat men hetjuk der Egiptenaaren afgefchud
had : dat zy zich al te lang door zyne konft-
greepen hadden laaten bedriegen, wanneer hy
zich beroemd had van gemeenzaame tzamen-
fpraaken met Gód te houden, en door hem van
alles onderrecht te zyn , gelyk als óf door een
byzóndere genade hy de eenigfle was die het
toekomende wift , en zy niet zo wel als hy van
Abrahams afkomft waaren : dat de voorzigtig-
heyd medebragt de hoogmoed eens menfchen
te verachten, en zich op Gód te verlaaten, om
een land te veroveren waarvan hyhen\'t bezit be-
loofdhad ; en eyndelyk datzyzichdoorMofes,
onder voorgeeven van Góds bevélen, niet bc^
hoorden te laaten misleyden. Alle deeze aan-
merkingen,gevoegd by den grooten nood waarin
zy zich in die woefte en onvruchtbaare plaat-
fen bevonden,, deeden hen dit befluyt neemen,
om tegen de Kanaaniten optrekken. Dit vólk ,
zonder zich te verbaazen dat zy hen in zulk
een groote menigte zo ftoutelyk op hen zagen
aankomen, ontving hen zo wakker, datfz^\'er
veele van op de plaats doodden, de andere op
de: vlugt joegen, en hen tót in hun leger ver-
vólgden. Dit verHes drukte de Ifraëliten té
meer, doordien zy zich met de hoope van een
gelukkigen uytflag gevleyd hebbende, bemerk-
ten dat Gód op hen vertoornd was, omdat zy
zonder zyn bevel zich in dien oorlóo- o-ewik-
keld hadden, en dat zy derhalve oorzaak had-
den om nóg iets ergers in het toekomende te
vreezen.
IJl.
Num. 14
Mofes hen zo bedrukt ziende , en vreezende
dat de vyanden opgeblaazen door hunne over-
winninge , die verder zouden trachten voort te
zetten, leydde het leger dieper in de woeftyne
te rugge, naa dat zy alle beloofd hadden hem
te zullen gehoorzaamen , zonder iets buyten
zynen raad te doen, óf met de Kanaaniten te
ftryden, voor dat zy bevél daartoe van Gód
ontvangen hadden. Maar gelyk groote heiren
niet dan bezwaarlyk hunne Overften gehoor-
zaamen , voornaamelyk wanneer zy veel onge-
maks lyden, zo begonden de Ifraëliten, wel-
ker getal uyt zeshonderd-duyzend ftrydbaare
mannen beftondt, die zelfs in hunne voorlj^oed
vry onbuygzaam waaren , nu door veele we-
derwaardigheden gedrukt weder te murmuree-
en keerden alle hunne gramfchap teeren
ÃJ2,
ren
Mofes. Deeze muytery liep zo .voort, datvvy
niet vinden dat \'er ooit een zo groot onder de
Grieken, ja zelfs niet onder de Barbaaren ge-
weeft zy : en zy zou den ganfchen ondergang
des vólks veroorzaakt hebben, indien Mofes,
zonder eens aan te merken de ondankbaarheyd
die hen dreef om hem te willen fteenigen, niet
t\'hunner hulpe gekomen waare, en indien Gód
hen
IV. Boek.
hen niet door eene uytwerkinge zyner ongemee-
ne goedheyd bewaard hadde, fchoon zy niet al-
leenlyk hunnen Wetgeever , maar hem zelven
⢠door \'t verfmaaden zyner bevélen , gehoond
hadden. Ik zal nu gaan verhaalen wat de oor-
zaak van deezen oproer was , en hoe Mofes
zich droeg naa dathy dien geftild had._
II. H O 0~F D S T U lï^
Chore cn twee honderd vyftig der voornaamfte Ifraëliten die met
hem aanbanden beroeren het vólk zo tegen Mofes en Aaron ,
dat zy gedreygd wierden gefteenigd te worden. Mofes fpreekt hen
met zo veel kracht aan dat hy den oproer ftilc.
eHore, die zo van wege zyne af komft als
door zynen rykdom zeer aanzienlyk was on-
der de Hebreen, en wiens reeden zo krachtig
waaren dat zy een zeer grooten indruk op de
gemoederen des vólks maakten, vatte zulk een
jaloezy op, doordien Mofes tót zo een groot
gezag verheven, en boven hem gefteld was,
Ichoon hy van dezelfde ftamme zynde hem in
rykdom overtrof, dat hy \'er opentlyk tegens
alle de Leviten , en inzonderheyd zyne nabe-
ftaande , over klaagde, zeggende, â Dat het een
â ondraagelyke zaak was , dat Mofes door zy-
5, ne ftaatzucht en liften , onder voorwendiel
3, van niet Gód te raade te gaan, niet dan zyne
â eygene eere zócht, tót naadeel van alle an-
â dere, en dat hy daarom tegen alle reden, en
â zonder de ftem des vólks daarover in te nee-
â men , Aaron zynen broeder tót Hoogen-
priefter had aangefteld, en de andere eeramp-
ten door een tirannifche dwingelandy aan
â zodaanige als \'t hem beliefde had begee-
â ven. Dat het ongelyk \'t welk hy hen aan-
deed te grooter en gevaarlyker was , dewyl
het heymelyk zynde, en niet gewelddaadig
fchynènde , hunne vryheyd onderdrukt was
eer zy \'t konden gewaar worden ; omdat
gelyk degéne welke men waerdig acht om
te gebieden , tót die eere verheven worden
door de toeftemminge van alle; zulke daar-
â entegen die buyten hoope zyn van door eer-
5, lyke en geoorlófde middelen daertoe te zul-
â len komen, en die geen geweld durven ge-
bruyken , uyt vreeze van de achtinge van
vroomheyd, welke zy poogen te verkrygen,
te verliezen , allerley quaade wegen inllaan
om daartoe te geraaken : Dat derhalve de
voorzigtigheyd hen verpligtte zulk een beftaan
te ftraffen , aleer de aanleyders van \'t zelve
creloofden dat ze ontdekt waaren, zonder te
wachten tót dat zy zich meer verfterkt heb-
bende, voor openbaare vyanden aangezien
,, wierden. Want wat reden, vervólgde hy,
kan Mofes bybrengen dat hy de waardigheyd
van Hoogenpriefter aan Aaron en zyne zoo-
.. nen voor alle andere opgedraagen heeft ^nade-
maal men, zo Gód gewild had dat de ftam
Levi tót die eere zoude verheven worden;
men my boven Aaron moft gefteld hebben, ver-
â mids ik van dezelfde ftam, en ryker en ou-
der ben. En ten tegendeele, indien de oud-
heyd der ftammen in aanmerkinge behoorde
te komen, dan had men die eere aan de Ru-
â beniten moeten opdraagen , en dezelve aan
"Dathauy Abiron.en\'Phala, de oudfte en ryk-
fte dier ftammen, gegeeven hebben.
Chore fprak aldus onder fchyn van genee-
genheyd tót het gemeene beft, maar inderdaad
Num.
33
33
33
33
33
53
33
33
33
33
33
53
53
33
33
79
om het vólk op te ruyen ^ en daardoor het
Hoogenpriefterfchap te bekomen. Deeze klag-
ten verfpreyddenzich niet alleenlyk in de ftam-
me Levi, maar floegen haaft tót de andere over
met verzwaaringe der zaake, vermids elk iets
van \'t zyne daarby voegde: en naa dat het gan-
fche leger aldus daarmeê vervuld was, liepen
de dingen zo veiTe dat tweehonderd vyftig der
voornaamfte met Chore aanfpanden, om Aaron
het Opperpriefterdom te ontneemen, en Mo-
fes te ontëeren. Inmiddels wierdt het vólk zo
oproerig dat het fteenen opraapte om hen te
fteenigen, en by menigte met een fchrikkelyk
getier voor den Tabernakel quam aanftuy ven,
roepende dat men , om zich van flaaverny te
ontflaan , dien dwingeland moft dooden , die
hen ondraagelyke dingen beval, onder fchyn
van Gode te gehoorzaamen , welke indien liy
zelve eenen Hoogenpriefter had v/illen kiezen,
Aaron niet tót die waardigheit Zoud aengefleld
hebben , naardien \'er zo veele andere veeTwaer-
diger waaren om die plaatste bekleeden 5 en dat
indien hy \'t hem had willen geeven , zulks niet
door den dienft van Mofes, maar door de fteni-
men van al het vólk zoude gefchied zyn.
Mofes , hoev/el hem de lafteringen van Cho-
re bekend waaren , cn dat hy zag met welk een
woede het vólk ingenomen was , ontzette zich
niet eens daarover , doordien hy op de zuyver-
heyd van zyn geweeten ftemide , en wift
dat het niet hy , maar Gód zelf was , die Aa-
ron met het Hoogeprieftcrfchap vereerd had.
Dies vertoonde hy zich vrymoediglyk voor dee^
ze vertoornde menigte > en in plaats van al liet
vólk aan te fpreeken , wendde liy zich tót Cho-
re , en wyzende met zyne hand op die tweehon-
derd vyftig perfoonen van aanzien welke hciii
verzelden, verhief liy zyne ftem , en fprak al-
dus : â Ik ftaa toe dat gy, cn deeze die zich
by u gevoegd hebben , zeer aanzienlyk zyt,
en ik verfmaad niemand onder \'t ganfche
vólk fchoon zy minder in rykdom en ande-
re zaaken zyn. Maar dat Aaron tót Hoogen-
priefter aangeft-eld is, is niet géfchied om zy-
nen rykdom, want gy zyt veel ryker dan hy en
ik tzamen : \'t is niet om de edelheyd zyner
afkomfte , vermids Gód ons alle uyt één
ftamhuys heefc doen gebooren worden , en â
dat wy éénen en den zelfden overgrootvader â
hebben : \'t is ook geen broederlyke geneegen- â
heyd geweeft die my aangedreeven heefc om â
hem in dat ampt te ftellen; vermids ik ^ zo ik
iets anders beoogd hadde dan Gód , en de
gehoorzaamheyd welke ik hem fchuldig ben,,
die eere liever voor my zelven genomen\'^ dan
hem gegeeven mogt hebben , alzo niemand
my nader was_ dan myn eygen zelf Want
waartoe zoud ik my door onrechtin eenig ge- â
vaar gewikkeld , en al het voordeel daarvan â
aan eenen anderen overgelaaten hebben ? â
Dóch ik ben zeer onfchuldig aan die misdaad,
en Gód zou niet toegelaaten hebben dat ik
hem dus veracht hadde , en gylieden onkun-
dig gebleeven waart van \'t gene u te doen
ftond om hem te behaagen. Alhoewel \'t nu de
Heere zeifis , en niet ik , die Aaron met dat â
ampt geëert hebbe, nógtans is hy gereed om â
het af te ftaan aan dengenen die\'erdooruv/e â
â ftem-
JOODSCHE H I S T O R L
\'54-
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3?
33
33
33
33
33
53
33
33
ftenigeevilige toe beroepen zal worden, zon-
der tót zyn voordeel te neemen dathy \'er zich
waardiglyk in gequeeten heeft; want al is \'t
dat hy met uheder goedkeuringe daarin ge-
treeden is 5 echter is hy zo weynig met ftaat-
zucht behebt, dat hy \'t liever wil neêrleggen,
dan oorzaak tót zulk een groote onruft gee-
5, ven. Hebben Wy dan de eerbiedenis, welke
wy Gode fchuldig zyn , te buyten gegaan,
,, dat wy aangenomen hebben \'t gene hem be-
â liefde aan ons op te draagen > óf zouden wy
3, in tegendeel zulks zonder ongódvruchtigheyd
â konnen geweygerd hebben Maar gelyk het
â den geever toekomt zyne gifte te beveftigen,
â zo ftaat het ook aan Gód zich op nieuws te
verklaaren , van wien hem beheft zich te
bedienen om uwe ófteranden te ontvangen,
en de gódsdienft voor ulieden te doen ver-
richten. En zou Choi-\'e zo verwaand zyn,
dat hy , uyt eene zucht om zich tót die eere
te verheiFen , zou durven beftaan Gode de
magt om daarvan te befchikken , te ontwel-
digen > Laat af dan van zulk een grooten op-
â roer te verwekken ; de dag van mórgen zal
â dit gefchil beflechten. Dat een ieder van u-
3, lieden mÃTgen ochtend kome met een wie-
â rookvat in de hand , en met vunr en reuk-
werk. En gy j Chore , fchaam u niet voor
Gód te wyken , en zyn oordeel af te wach-,
ten, zonder u boven hem te willen verheften.
Vergenoeg u dat gy u ftelt onder den ry der
â gener die nd die waardXgheyd ftaan , waarvan
â ik niet kan zien waarom Aaron meer zoud
uytgeftooten zyn dan gy, naardien hy van
\'t zelfde geflacht is , en dat men hem niet be-
fchuldigen kan dat hy in \'c bedienen van dat
ampt zich ergens in vergreepen heeft. Wan-
neer gylieden dan zult byeengekomen zyn,
zult gy alle , in tegenwoordigheyd des gan-
fchenvólks, Góde reukwerk ófferen 3 ende-
géne wiens óffer hem het aaogenaamft zal
zyn , zal tót Hoogenpriefter aangefteld wor-
5, den , zonder dat men my zal moogen be-
â fchuldigen dat ik uyt eygene beweeginge die
â eere aan mynen broeder opgedraagen hebbe,
â indien Gód zich voor hem verklaart." Dee-
ze woorden van Mofes hadden zo veel kracht,
dat zy den oproer , en \'t quaad vermoeden dat
men tegen hem opgevat had , t\'eenemaal ftrem-
den : en \'t vólk keurde niet alleenlyk zyn voor-
ftel goed, maar prees het als iets dat voordee-
lig voor \'t Gemeenebeft moft zyn j en daarop
fchcydde de vergadering.
lp
i
33
33
55
33
33
53
33
I :
155.
Num. j
III. hoofdstuk. >
SJirikkdyke ftraffe over Chore, Datbao, cn Abiron, cn die van
hunnen aanhang.
\'pjEs anderen daags quam al het vólk wedèr
j. XJ\' tzamen, om te zien wat oordeel Gód naa
de ófferanden zoud uytfpreeken wegens degé-
nen die na \'t Hoogepriefter-ampt ftonden. De
verwachting na dien uytflag kon niet wel zonder
eenige beroerte toegaan; want behalve dat de me-
nigte natuurlyktót nieuwigheden, en tót tegen-
fpreekinge van zyne Overften geneegen is, waa-
ren de gemoederen verdeeld ; fommige wenfch-
ten dat Mofes opentlyk van quaadaardigheyd
mogt overtuygd worden; en andere, diev/yzer
3J
35
5,3
IV. BOEK,
Waaren, verlangden een eynde van den oproer
te zien , vermids die niet kon duuren zonder
den ondergang van de goede order te veroorzaa-
ken. Mofes deed Dathan en Abiron ontbieden,
om de ófferande , gelyk\'t afgefprooken was,
by te woonen. Zy v/eygerden zulks, zeggen-
de niet te konnen dulden dat Mofes zich aldus
een opper gezag over hen ;ianmaatigen zoude.
Op dit antwoord nam Mofes eenige aanzienlyke
perfoonen by zich, en fchoon hy van Gód ge-
fteld was om over alle te gebieden, echter ont-
zag hy zich niet naa die oproerigen toe te gaan.
Dathan en die van zynen aanhang verflnaandc
dat hy dus verzeld aanquam, gingen met hun-
ne vrouwen en kinderen uyt hunne teilten, om
hem te verwachten, en namen ook eenig vólk
met zich , om hem wederftand te bieden j by-
aldien hy iets wilde onderneemen. Dóch Mo-
fes genaderd zynde hefte zyne handen ten he-
mel , en zeyde zo luyd dat ieder hem hooren
kon: â Opperheer van \'t heelal, die uyt mede-
lycfen jegens uv/e vólk, het uyt zo veele ge- â
vaaren geréd hebt, gy die één getrouw ge- â
tuyge van alle myne daaden zyt, gy weet, â
Heere, dat ik niets zonder uw bevél gedaan â
hebbe. Verhoor derhalve myn gebéd , en â
gelyk gy tót in de heymelykfte gedachten ,5
der menfchen , cn de verbórgenfte overleg- â
gingen des harten doordringt, zo veront- â
waardigd u niet, ó Gód, de waarheyd te doen â
blyken, en de ondankbaarheyd der gener die
my zo onbiflyk befchuldigen, te fchande te â
maaken. Gy weet, Heere, alles wat\'er in â
de eerfte jaaren myns leevens voorgevallen â
is, gy x^^eet het niet uyt hooren zeggen,,,
maar omdat gy \'er tegenwoordi g geweeft ,,
zyt. Gy Vv^eet ook wat my federd overgeko- ,,
men is, en dit vólk is \'er niet onkundig van;
maar omdat het myn gedrag ten quaade
duydt, geefgy, óGód> z©\'t u belieft, ge-
tuygenis myner onfchuld. Waart gy het
niet, Heere, die toen ik door uwe byftand,
door mynen arbey^i, en door de geneegen-
heyd welke myn fchoon vader my toedroeg, â
een ftil en gelukkig leeven leydde, my nood- â
zaakte het te verlaaten, om tót de w^el-â
vaart deezes vólks, en voornaamelykomhen â
uyt de dienftbaarheyd te verlóflên, my zei- â
ven in zo veele moeijelykheden te wikkelen ? â
en nógtans naa dat zy uyt zo veele rampen door â
myn beleyd geréd zyn, ben ik het voorwerp â
hunner haat geworden. Gy dan , Heere, â
die aan my verfcheenen zyt in \'t midden der ,3
vlammen op den berg Sinaï, om my daar uwe â
ftem te doen hooren, enmyaanfchouwervan ,,
zo veele wonderen te maaken ; die my uwe
bevélen den Koning van Egipte deedt aan-
zeggen ; die uwen arm op zyn ryk gedrukt
hebt, om ons een middel te verleenen van â
uyt de flaaverny te gaan, en zyne hoogmoed â
en magt voor ons vernederd hebt: die toen ,,
wy niet langer wiften waar heene ons te kee-,,
ren, ons eenen wonderdaadigen weg midden â
door de zee gebaand, en de Egiptenaars die â
ons naajaagden, onder de gólven begraaven â
hebt: die ons wapenen gaaft toen wy wapen-,,
loós waaren; die de bittere wateren om onzent ,3
wille ZQCt ^.^^kts > die water uyt een.en rót- â
jjfteea
FLAVIUS J OSE P H U S
33
33
33
33
33
3.3
33
33
33
53
IV. Bo^k. JOODSCHE
\' . fteen deedtkoomen om onzen dorft teleftchen:
die ons fpyze uyt de zee befchikte, wanneer
, wy\'er -eene op de aarde vonden: dieonsuyt
den hemel een voedfel toezondt datdenmen-
fchen te vooren onbekend was : en eyndelyk
â die al ons gedrag door voortreffelyke en hey-
âliee wetten geregeld hebt: Kom, oalmagtige
â Gód , en oordeel onze zaak, dewyl gy een
â rechter en te gelyk een oprechte getuyge zyt.
â Doe Ln al \'t vólk blyken dat ik nooit ge-
fchenken aangenomen hebbe om onrecht te
doen , nóch de ryken voor de armengefteld,
â óf iets naadeehgs voor \'t gemeenebeft be-
â gaan hebbe : maar dat ik in tegendeel altoos
getracht hebbe het naar myn termoogen te
â dienen. En nu men my befchuldigt dat ik
5, Aaron tót Hoogenpriefter aangefteld heb ,
,, niet om u te gehoorzaamen, maar uyt gunfte,
â en door een byzondere neyginge , zo toon
â dat ik niets dan door uw bevél gedaan lieb-
â be , en doe blyken hoedaanig een zorg lietu
beheft voor ons re draagen, door Dathan en
â Abiron \'naar verdienfte te ftraffen , dewyl zy
u durven befchuldigen van ongevoelig te zyn,
â en dat gyu door myne konftenaaryen hebt laa-
Z ten bedrijen. En opdat de ftraffe, welke
zemd hadden , tót een gelieel ander gevoelen\'
overftappende , in plaats van hen te beklaagen ,
zieh over hun ongeluk verheugden , en Góds
rechtvaerdig oordeel met gejuygh preezen, roe-
pende dat zy verdienden als algemeene peften
verfoeid te worden.
Mofes deed daarnaa degenen j die Aaron het
ampt van Oppcrpriefter betwifteden ^ aanko-
men , om het aan hem , wiens ófferande Gód
verklaaren zoude hem aangenaam te zyn 3 als-
dan op te draagen. Dit getal beftondt Uyt twee-
honderd vyftig , die alle in groote aehtinge by
den vólke waaren , zo wegens de deugden hun-
ner voorouderen , als om hunne eygene. Aa-
ron en Chore vertoonden zich eerft , en toen
zy alle met het wierookvat iri de hand voorden
Tabernakel gekomen waaren , brandeden zy
L
IJû;
zich beweegen gelyic ae Daaren ae. . ^
winden in eenen zwaaren ftorm. Al het volk
wierdt met vreeze bevangen, en daarop open-
d a?rde zich met een
verftondt die oproetigen met ^unnc huysgezm
nen , tenten, en alle hunne haave , en üoot
zich daarnaa weder zodicht toe, dat etg^"^^^
geen teken van dit wonderdaadig geval te dc-
fpeurenwas. ^ r ^t, ^n
Dit was \'t eynde deezer rampzaligen > en
aldus deed Gód zyne gerechtigheyd en niagt
kennen. En deeze hunne ftraffe was te jam-
Syker , om dat zelfs hunne n^beftaandeeens-
llaags van de geygelens welke zj hen ingeboe-
Isi
HIST O R I.
gy over deeze ontheyligers uwer eere zult
doen, aanal de werreld bekend zy, zo doe â
hen, zo\'tubelieft, nietmeteenengemeenen,,
dood fterven j maar laat de aarde , welke zy
onwaerdig zyn te betreeden, zich ópenen,
om hen met hunne huysgezinnen en alle hun- â
ne haave op te flokken. En dat zulk een â
merkelyke uytwerking uwer oppermagt een â
exempel zy om al de werreld de eerbiedig-
heyd , welke men uwe opperfte Majefteyt â
fchuldiE is , te leeraaren , en een bewys dat â
ik in den dienft waarmede gymy geëerd hebt, â
niets gedaan hebbe dan uwe bevélen naa te â
komen Dóch zo de misdaaden , waarmeê â
men my beticht, waar zyn, bewaar dan degé- â
nen die my befchuldigen , en doe op my al- â
leen de uytwerking myner vlocKwenfchingen â
ncêrvallen. Maar, Heere, naa dat gy de,,
verftoorders iiws vólks aldus zult geftraft â
hebben, zo bid ik u dat gy de óverige meen- â
dragt, vreede, en de onderhoüdmge uwer â
heylige wetten bewaart i nademaal het eene â
beleediging uwer gerechtigheyd zoude zyn, â
te gelooven dat zy de ftraffe , die defchuldi- j,
ge alleen verdiend hebben, op de onfchuldi- ,5
een zou doen neêrdaalen/^
35
53
reukwerk ter eere Góds. Maar men zag aan-
ftonds zulk een groot en fehrikkelyk vuur ver-
fchynen , dat men nooit iets diergelyks gezien
heeft, zelfs niet wanneer de bergen vol zwavels
^ uyt hunne brandende kólken vlammende wer-
velwinden uytbraaken , en dat de boflchen in
de brand gevloogen door de kracht der winden
tót aflche verteerd worden. Men bemerkte dat
Gód alleen magtig was zulken vuurigen gloed
te ontfteeken > waarvan \'t geweld die tweehon-
derd vyftig mannen, en Choré met hen, indier-
voege verteerde , dat \'er niet het minfte teken
van hunne lighaamen overbleef Aaron alleen
bleef van deeze bovennatuurlyke vlammen on-
â gefchend , ten eynde men niet behoefde de twy-
felen dat het de uytwerking van Góds almag-
tigheyd was. Mofes om . den naakomehngen
een gedenkteken deezer merkwaerdige ftraffe
naa te laaten , en de gódloozen , die zich in-
beelden dat Gód door de quaadaardigheyd der
menfchen kan bedroogen worden , te doenfid-
deren , beval aan Eleazar Aarons zoon alle de
wierookvaten deezer heylloozen die dus fchrik-
kelyk gefneuveld waaren , aan den kóperen al-
taar te hechten.
V1. H O O F D S T U K.
Nieuw gemor der Ifraëliten tegen Mofès. Gód beveftigt Aaron ten
derden maale in het Opperpriefterfchap door het bloeijen van zynen
flaf. Steden den Leviten toegefchikt. Verfcheydene wetten door
Mofes ingefteld. De Koning van Idumea weygert den Ifraëliten
de doortogt. Dood van Mirjam Mofes zufter , en van Aaron
\'zynen broeder die van zynen zoon Eleazar in \'t ampt van HO0-
genpriefter gevólgd wordt. De Koning der Amoticen weygert
den Ifraëliten de doortogt.
157. ^^TAa dat ieder door zulk een openbaar blyk
Num. 17. -lM gezien had,dat het niet Mofes maar Gód zelf
v/as 5 die Aaron en zyne kinderen in \'t Hoo-
geprieftcrfchap beveftigd had , durfde niemand
hem \'t zelve betwiften : maar het vólk liet daar-
om niet naa eenen nieuwen oproer, die ter oor-
zaake van zyne oorfprong nóg gevaarlyker en
hardnekkiger was dan de eerfte, te verwekken.
Want hoewel zy toen overtuygd waaren dat
alles wat \'er was gebeurd, door \'t bevél en de
IV. Boek.
wille Góds gefchied was , echter beelden zy
zich in dat het alleenlyk was om Mofes te be-
gunftigen ; en zy floegen uyt dat hy \'t door
zyne dringende verzoeken verwurven had;
even als óf Gód geen ander oogmerk had gehad
dan hem te verpligten, en niet degénen die hem
zo zeer beleedigd hadden te ftraffen. Aldus kon-
den zy niet infchikken dat zy voor hunne oo-
gen zulk een groot getal perfoonen van aanzien
hadden zien fterven , welke zy zeyden geen an-
dere misdaad begaan te hebben , dan dat zy
al te yverig voor den dienft Góds waaren ge-
weeft , en dat Mofes zieh daarvan had bediend,
beveftigende zynen broeder in een ampt, na
\'t welk voortaen nooit iemand zou durven
ftaan, nademaal zy die zulks beftaan had-
den , aldus geftraft waaren. Daarenboven hit-
ften de maagen der gefturvene dit vólk ook op\'
vermaanden het om de al te verwaande ma^c
van Mofes te bepaalen, en hielden hen voor
dat hunne eygene veyligheyd hen daartoe ver-
pligtte. Zo dra Mofes des verwittigd was, deed
de vreeze voor eenen oproer , die zeergevaar-
lyk zou konnen zyn , hem het vólk vergaderen ;
en zonder zich te verdédigen tegen hunne Idag-
ten , uyt vreeze van hen nóg meer te ver-
toornen , beval hy aan de Overften der ftam-
men , dat zy elk eenen ftaf zouden brengen,
op welken de naam hunner ftamme gefchreeven
ftondt, en verklaarde tót hen dat het Opper-
priefterfchap zoude gegeeven worden aan dc
ftam welke Gód zou te kennen geven dat boven
de andere moft gefteld worden. Deeze voor-
flag geviel hen , dies bragten zy die ftaven aan,
ende naam der ftamme Levi wierdt op dien van
Aaron gefchreeven. Mofes leyde hen alle in den
Tabernakel, en haaldeze \'s anderendaags daar
weder uyt. Ieder van de Vórften der ftam-
men kende den zynen ; en \'t vólk kende ze ook
aan eenige merken die zy \'er op gemaakt had-
den. Dóch terwyl alle de anderein dezelfde
ftaat waaren als \'s daags te vooren , zag men
dat die van Aaron niet alleenlyk botten had ge-
FLAVIUS JOSEÃ^HUS
iV.BoEK. JÃÃ DSCH
fchöoten, maar \'twelk veel vreemder was, dat
hv rype amandelen droeg, want deeze ftaf was
van aniandelboomen hout. Zulk een groot
wonderwerk verbaafde het vólk zodaanig , dat
hunne haat jegens Aaron en Mofes in verwon-
dering , over \'t oordeel dat God thunner be-
^unftfginge uytfprak, veranderde. Uyt vree-
ze dan van hem nóg meer te wederftreeven,
ftonden zy toe dat Aaron voortaan dat groot
ampt vreedzaamlyk bezitten zoude. Aldus
was het dat hy, naa dat Gód hem ten derden
maale beveftigd had, in \'t bezit daarvan bleef,
zonder dat iemand zich meer daar tegen durf-
de aankanten : en naa zoo Veel gemors en oproers
bleef het vólk eyndelyk in rufte;
,58. Mofes bekommerd dat de ftam Levi, ziende
Num.i\'s,zich bevryd van ten oorloge te gaan, zich
moft beezig houden met nä leevens nooddruft
te zoeken: en daardoor den dienft Góds ver-
zuymen, beval dat als men het land Kanaan
zoude veroverd hebben , men aan die ftam
achtenveertig van de befte fteden zoude gee-
ven, met al het land dat\'er niet boven tweeduy-
zend treeden aflag; en dat het vólk aanbenen
de Priefteren jaarïyks de tienden zoude betaa-
len van de vruchten die men inzaamelde: \'t welk
federd altoos onfchendelyk is onderhouden ge-
weeft.
Nu ftaat ons van de Priefters te fpreeken.
Mofes beval dat van deeze achtenveertig fte-
den aan de Leviten toegeftaan , zy\'er hen der-
tien zouden geeven, mitsgaders het tiende deel
der tienden.
Infgeiyks beval hy dat het vólk Gode de
eerftelingen van alle de vruchten der aarde zoud
ófferen, en aan den Priefteren het eerftgeboo-
rene der dieren dieófferbaar waaren j opdat zy
\'er eenflagtóffer vanmaakende, hetvleefehvan
dat geófferde beeft in de heylige ftad met hun
ganlche huysgezin mogten eeten. Noopende
zodaanige die door de wet verbooden waaren te
eeten, men zoud in plaats van \'t eerftgebooren
anderhalven fikel ófferen 5 en ieder menfch zou
voor den eerftgeboorenen zyner kinderen vyffi-
kelen ten óffer brengen.
De eerftelingen der vliezen van de fchaa-
pen quamen den Priefteren ook toe : en die
jrood bakten, nioften hen eenige koeken geeven.
Wanneer degéne welke men Nazareers noem"
de omdat zy eene gelófte deeden Vän hun haair
te laaten groeijen, en geenen wyn te drinken,
den tyd hunner gelófte vervuld hadden, en zich
voor den tempel \'quamen vertoonen om hun
haair te laaten fcheeren, behoorden de beeften
welke zy ófferden den Priefteren toe En belan-
gende liin die ziehzelve Gode tenKorban Cdat
woordt betekent een Godegaaf of Gifte aan
Gód) haddentoegéwyd,alszy vrywilhd^^^
dienft, waartoe zf zich verbonden had Jen, op-
zeyden, moften zy, een man vyttig, en eene
vrouw dertig fikelen, aan de Priefteren geeven;
en die de middelen niét haddên om zo veel te be-
taalen, ftelden\'t aan hunne befcheydenheyd.
Degéne die beeften flagteden j niet om Gode
te ófferen, maar omze t\'huys te eeten, waaren
gehouden den vetten darm, de borft» ^^ de
rechter fchouder daarvan den Priefteren te gee-
ven. Dit was \'t gene Mofes tot onderhoudt der
3y.
Lev.i^,
Nam. 6.
E H ï S T O R i.
Priefteren beval, behalve het g«ac hea quam
uit de zondófferen des vólks , gelyk wy in \'t
voorgaande boek gezegd hebben, cn hy wilde
dat hunne vrouwen, dóchters, en dienftknech-
ten deèl aan alles zouden hebben, uytgenomen
aan het gene dat voor de zonden geófferd wierdt,
waarvan alleenlyk de mannen, die den gódly-
ken dienft verrichteden, mogten eeteu, en dat
in den Tabernakel, en op den dag dat deüagt-
óffers geófferd waaren.
Na^ dat Mofes, federd het ftillen van den 15^-
oproer, alle die dingen bevolen had, deed hy
het leo-er tot op de grenzen der Idumeërs voort-
trekkSi en zondt gezanten aan hunnen Koning
om den\'doortógt té verzoeken mids verzéke-
rino- geevende dat men zyn land geen fchaade\'
zoSd aandoen, en voor alles wat men genoot
betaalen, ja zelfs voor\'t water zo hy\'t begeer-
de. Deeze Vórft weygerde zulks, en trok den
Ifraeliten gewapend tegen, om ^ich tegen hun»
nen doortógt aan te kanten, byaldien zy met
kracht zulks wilden beftaan. Mofes vraagde
Gód om raad, en die verboodt hem den oorlóg
eerft te beginnen, maar beval weder aehterwaards
na de woeftyne te keeren.
Ter zelfder tyd op de nieuwe maan der maand
Xantikus, juyft veertig jaaren naa den uyttógt
van Egipte, ftierf Mirjam Mofes zufter: en mén
begroef haar met groote ftaatft op eenen berg
genaamd Sin. De rouw die men \'er over be-
dreef duurde dertig dagen, en toen die geëyn-
digd waaren zuyverde Mofes het vólk in deezer
voege. De Hoogepriefter flagtte dicht by \'t Ie-
ger op een zuy vere plaats een roode jonge koe,
die nóg nooit een juk gedraagen had, doopte
zynen vinger in haar bloed, befprengde den
Tabernakel zevenmaal daarmeé, en deed toen
die geheele vaarze met huyd en ingewand in \'t
vuur leggen, werpende eenen tak van céderen-
hout met yzoop, en feharlaken-verwige wol-
Ie daarby. Daarnaa vergaderde een zuyver èn
kuyfch man de affche , welke hy op een reyné
plaats leyde; en alle die gereynigd mofteri
worden, om dat ze door \'t aanraaken van ee-
nen dooden zich verontreynigd hadden, wier-
pen een weynig van die afïche in fonteynwa-
ter, in\'t welk zy een takje yzoop doopten ^
waarmeê zy zich den derden en den zevenden
das befproeiden , en alsdan voor geréynigd
gehouden wierden. Mofes beval dat men deeze
plegtigheyd onderhouden zou, wanneer men
in \'t beloofde land zoude gekomen weezën.
Dit voortreffelyk Opperhoofd leyde het heir Ut,
vervólgens dwars door de \\yoeftyne na Arabie
en toen zy omtrent der Arabieren hoofdftad, eer-
tyds Arce , en nu Petra genoemd, gekomen
waren i beval hy Aaron op eerién hoogen berg i
die als tót eene landfeheyding dient, te klim-
men , vermids dat de plaats was daar hy zyri
leeven ftondt te eyndigen. Hy klom \'\'er óp,
trok zyn Priefterlyk gewaad in \'t gezigt des
ganfchen vólks uyt, bekleedde Eleazar zynen
oudften zoon en naazaat daarmede, en ftierf iri
den ouderdom van honderd drieëntwintig jaa-
ren, op den eerften dag der maaiid welke de A-
theners Hekatombèon, de Macedoniërs Lousi
en de Hebreen Ab noemen. Aldus verloor
MQfcs in één en \'t zelfde jaar zyne zufter en
Li
xo.
150.
v. hoofdstuk.
Dc Ifraëliten verilaan dc Amoriten, en daarnaa den Koning Og die
hen te hülpe quam. Mofes trekt naa den Jordaan.
1(^3. "j^Oles achtte dat hy die bitfe wcygering
van den Koning der Amoriten nier behoef-
de te verdraagen : en bemerkende daarenboven
dat het vólk waarover hy \'t beftier had, zo on-
leerzaam en wrókkachtig was, dat de leedig-
hey d en \'t gebrek waarin zy zich bevonden, hen
ligtelyk tót een nieuwe muytery zou konnen
verwekken, tót welke hy hen de gelegenheyd
liefft wilde beneemen, ging hy met Gód te-raa-
de om tc weeten ófhy zich eenen weg met ge-
weld zoude baanen. En de Heere gaf hem niet
alleenlyk verlóf daartoe , maar beloofde hem
ook de overwinninge. Aldus ving hy den oor-
lóg aan meteen vaft vertrouwen, en vervulde
zyne krygsbenden met hoope en kïoekmoedig-
heyd, zeggende tót hen, â dat de tyd nu ge-
â komen was om hunne begeerte ten ftryde te
â voldoen, nademaal Gód zelf hen daartoe
â aanvoerde." Zo dra hadden zy dit verlóf
niet bekomen, óf zy naamen de wapenen met
blydfchap op, fteldenzichinftagórde, entrok-
ken den vyanden tegen. De Amoriten ziende
hen met zulk een kloekmoedigheyd aankomen,
wierden zo met vreeze bevangen, datzy hunne
ftoutheyd vergaaten : want naauwlyks ftonden
zy den eerften aanval uyt óf zy namen de vlugt 5
doch de Hebreen vólgden hen zo kort op de
hielen, dat zy hen geen tyd geevende om zich
teherzamelen, hen in deuyterfteverbaafdheyd
bragten : zulks dat zy in wanórde na hunne fte-
den vlooden om daar hunne veyligheyd te zoe-
ken. Maar vermids de Hebreen niet konden
dulden dat hunne overwinning onvolkomen é;ou-
de zyn, en dat zy zeer behendig op ftingers,
en ander geweer om van verre të vechten, afge-
recht waaren, zynde daarbeneven zeer fnel, en
ligtgewapend , zo achterhaalden zyde vlugten-
de, óftroftènze met ftingers, pylen, enfchich-
ten , als zy\'er niet by konden komen. Deïlag-
ting was zeer groot, voornaamelyk by de ri-
vier, doordien degéne die vlooden, niet minder
door dorft , vermids het in den zomer was, dan
door de pyne hunner wonden afgemat, met groo-
te tróppen daarnatoe loopende, terftond omcin-
gelt en neêrgemaekt wierden. Sehon hun Ko-
ning w ierdt onder de dooden gevonden > en de-
wyl de dapperfte in den ftryd gedood waaren, en
de overwinnaars alzo geen tegenftand vonden.
S^ F L A V I U S J
broeder j en al het vólk beweende Aaron der-
tig dagen.
162. Mofes trók vandaar mét het leger voort na
Num. 11. vloed Arnon, dié zynen oorlprong uyt het
gebergte van Arabië neemt, en naa de ganfche
woeftyne doorkruyft te hebben, in het nieir
Alphaltites uydoopt, en de Moabiten van de A-^
moriten fcheydt. Dit land is zo vruchtbaar dat
het zyne inwoonders kan voeden, fchoon die
zeer talryk zyn. Mofes zondt gezanten na Sehofi
Koning der Amoriten, om van hem den door-
tógt te verzoeken op dezelfde voorwaarden,
als men den Koning van Iduméa aangeboden
had. Maar die Vórft weygerde zulks ook, en
vergaderde een groot heir, om den Ifraëliten
zo zy ondernamen de rivier over te trekken,
het hoofd te bieden.
IV. Boek.
namen zy zeer veele gevangen, fchuddedende
dooden uyt, en maakten eenen grooten buy t, tc
meer om dat het veld met een menigte van goede-
ren bezaait was, doordien men nóg niet geoogft
had.
Dusdanigen een nederlaag trof den Amoriten,
die onvoorzigtig inhun gedrag, en lafhartig in
\'t gevecht Waaren. De Hebreen vermeefterden
hun land , het welk als een eyland ingeftooten is
tuftchen drie rivieren, teweeten na \'t zuyden van
den Arnon, na\'t noorden van den Jobach, die
in den Jordaan vloeijende daar zynen naam ver-
heft 5 en na \'t weften van den Jordaan.
Staande de zaaken aldus , verftondt Og Ko-
nmg van Galaad en Gaulanites, die Sehon zynen
bondgenoot en vrind te hulpe quam, dathy den
flag verlooren had. Maar dewyl hy zeer ftout
was wilde hy daarom niet laaten met de Ifraëhten
tót een gevecht te komen , vleyende zich met
de hoope van overwinninge. Dóch zy ver-
ftoegen hem met zyn ganfche heir, en hy zelf
fneuvelde in den ftryd. Naa deeze zeege trok
Mofes over de rivier j obach , quam in \'t ryk van
Og , en maakte zich meefter van alle de fteden,
welke inwooners, die zeer ryk waaren, hydeed
dooden. Deeze Koning was van ongemeenc
grootte en fchoonheyd , zyne dapperheyd en
fterkte was niet minder. Van zyne kragten en
groote geftalte kon mén oordeelen uyt zyne bed-
ftede, inRabatha, de Koninglyke ftad der Am-
moniten , gevonden: zy was van yzer, vier el-
leboogen breed en negen lang. Zynen dood brao-t
den Hebreen niet alleenlyk veel voordeels toe,
maar baande hen ook eenen weg tót de grootfte
veróveringen : want zy namen zeftig fterke en
welbeniuurde fteden in , en daar was niet één
van hen , tót de minfte krygsknecht toe, die
zich niet verrykte.
Mofes geleydde daarnaar het leger na den
Jordaan in een groot veld dat vol van dadel-
boomen en balièm was , recht tegen over le-
richo , een ryke en magtigc ftad j en delraeli-
ten waaren nu zo moedig op hunne overwin-
ninge 5 dat zy niet dan na oorlóg haakten. Mo-
fes eenige dagen Gode ófferanden van dankzeg-
ginge geófferd, en al het vólk wel onthaald
lebbende, zondt een gedeelte van zyn heir
om \'t land der Madianiten te pionderen, cn
hunne fteden te bemagtigen. Dies ftaat nu te
verhaalen hoedaanig de oorfprong van dien
oorlóg was.
HOOF D S t U K.
op \'c verzoek der Madianiten en van Balak den
vi.
De Profeet Balaam gaat . ^ _______________
Koning der Moabiten , de Ifraëliten vervloeken : maar God dwingt
hem hen te zoenen. Verfcheydene \' " ^
â .........................dndër de Ifraëiitén , i^zon-
derheyd Zambri , door de liefde dér MattianiMfche dóchteren ver-
rukt , verlaaten Gód , ea ófferen aan de Afgoden. Schrikkelyke
ftraiTe welke Gód daar over doet , en m t byzonder over Zambri.
B
Alak Koning der Moabiten , die cfoor
vrindfchap en een oud verbond aan de Ma-Num. 11,
dianiten verknócht was, ziendeden voortgang^J> =-4-
der Hebreen , begOn voor hem zeiven te vree-
zeri : want hy wift niet dat Ciód hen verbOoden
had eenige landen dan dat van Kanaan te Ver-
óveren. GedTceven dan door eenen quaadénraad
befloot hy hen wederft:and te bieden: Eïi dewyl
hy een vólk , dat ftout en moedig door zyne
overwinningen geworden was, niet durfde aan-
grypen.
FLAVIUS I O S E P H ü S
grypen , waaren zyne gedachten alleenlyk om
hen te beletten dat zy zich grooter maakten.
Hy zondt tót dien eynde gezanten aan de Ma-
dianiten , om met hen te overleggen wat men
doen zoude. De Madianiten zonden die zelf-
de gezanten met eenige hunner voornaamften
Balaam, die een vermaard Waarzegger, en
hun vrind was, woonende dicht by den Eufrates,
om hem te verzoeken dathy wilde afkomen om
de Ifraëliten te vloeken. Hy ontving deeze ge-
zanten heel wel, en vraagde Gód wat hy hen
antwoorden zoude : waarop de Heere hem ver-
boodt te doen \'t gene zy begeerden. Balaam
antwoordde hen derhalve, dat hy gewenfcht had
hem zyne geneegenheyd te konnen betuygen j
maar dat Gód , die hem vermaard gemaakt had
door waare dingen te laten voorzeggen, hem ver-
boodt zich daarmede te bemoeijen, omdat hy dat
vólk \'t welk zy wilden gevloekt hebben beulinde:
en dat hy hen daarom riedt vreede met hen te
maaken. De gezanten met dit antwoord weder-
gekeerd zynde , zonden de Madianiten , door
aandringen ran den Koning Balak, hen ten twec-
demaalena Balaäm. Deez begeerig om hen te be-
haagen vraagde Gód nóchmaal om raad j die
hierom op hem verftoord , hem beval tc doen
\'t gene de gezanten begeerden. Balaäm niet be-
merkende dat Gód dus tót hem Iprak in zy-
nen toorn, omdat hy zyn bevel niet gevólgd
had , ging met de gezanten heene. In zy-
nen weg vondt hy een padt tuffchen twee muu-
ren , zo eng dat \'er maar even plaats was om
door te gaan j en aldaar ontmoette hem een En-
gel Góds. Zo dra de ezelin , op welke Bala-
äm reedt, den zeiven zag , keerde zy ter zy-
de j en knelde haaren meefter zo dicht tegen
één van de muuren, dat hy zich kncufHc, zon-
der dat de flagen welke hy haar gaf om de pyn
die hy leedt, haar konden doen voortgaan. Als
nu de Engel pal ftaan bleef, en de ezelinnc op
nieuw geflagen wierdt, viel zy op haare koten
neder, en beftrafte Balaam door den wille Góds,
met eene menfchelyke ftemme , zeggende j
Dat, dewyl zy nooit te vooren als hyhaarbe-
â reedt, hem te loor gefteld had, het vreemd
â was dat hy haar nu floeg, cn niet zag dat Qód
â niet goedkeurde dat hy deede wat degéne
3, na welke hy toeging van hem vercyfchten."
Door dit wonderwerk verfchrikt, vertoonde de
Engel zelve zich aan hem, en beftrafte hem
fcherpelyk, dat hy zyne ezelin aldus zonder
oorzaak floeg i daar hy zelf ftrafte verdiende,
door de wille Góds te wederftreeven. Peeze
woorden vermeerderden Balaams verbaafd-
heyd 5 invoege dat hy te rug keeren wilde :
maar Gód beval hem zynen weg te vervólgen,
en niets te zeggen dan \'t gene hy hem ingeeven
zoude. Aldus quam hy d^n by den Koning
Balak 5 die hem met blydfchap ontving = en hy
verzócht dien Vórft hem op eenen berg te doen
brengen, van waar hy leger der Ifraëliten zien
kon. Balak verzeld met verfcheydene van zyn
Hóf leydde hem op eenen berg, die niet boven
zeftig ftadiën van \'t leger af lag. Balaam het
zelve wel aanfchouwd hebbende, beval den Ko-
ning aldaar zeven altaaren te doen oprechten^
om\'er Gode zeven ófïèn en zeven rammen op te
ófferen. Dit gefchiedde, en wierden dieflaat-
óffers ten brandóffer geófferd, om te weeten na
welke zyde de overwinning zoud overflaan
Thans richtte Balaam zyn woord na \'t heir der
Ifraëliten, cn fpr^ aldus : â Gelukzalio-vólk,
wiens Leydsman Gód zelf wil zyn ^ \'t welk hy ,,
met weldaaden wft vervullen, en geftadiglyk 3^
voor deszelfs welftand waaken. Geenandere â
landaard zal m liefde tót de deugd u evenaa-
ren, en die uyt ü zullen voortkomen zullen u "
nóg overtreffen 3 doordien Gód 3 die u bemint, "
als zynde zyn vólk, udegelukkigfte wilmaa- H
Ken van alle menfehen welke de zon met haare ^
ftraalen befchynt. Gy zult dat koftelyk land \' â
bezitten \'t welk hy u beloofd heeft, uwe kin-
deren zullen\'er naau^tbezit van hebben, en â
de aarde en zee zullen van\'t geruchtuws naams
La\' weêr-
Ã
weèrgalmen, cn zich over de glans uwer heer-
lykheyd verwonderen. Uwe naakomehngen
â zullen zich zo vermenigvuldigen, dat\'er geen
55 plaats in de werreld zal weezen daar zy niet
âzyn. Gelukkig heirle^er 5 dat hoe groot gy
53 ook zyt, uyt afkómehngen van eenen eeni-
35 gen man beftaat! Het land Kanaan zal tegen-
3, woordig groot genoeg voor u zyn , maar de
ganfche werreld zal eens niet ruym genoeg
weezen om u te konnen bevatten. Uw getal
zal dat der ftarren gelyk zyn. Gy zult niet
alleenlyk het vafte land, maar ook de eylan-
den bevolken. Gód zal u in vreedestyd
overvloed van alles soeds
verzorgen.
en u in den oorlóg zeeghaftig maaken. Al-
dus hebben wy te wenfchen dat onze vyan-
den en hunne naakomehngen beftaan moo-
gen u te beftryden, omdat zy \'t niet zonder
hun geheel verderf zullen konnen doen; zo
zeer zyt gy van Gód, die de néderige ver-
hoogt , en de hoogmoedige vernedert, be-
mind en begunftigd."
Naa dat Balaam deeze profecy niet uyt zich-
zelven , maar door de beweeging van Góds
Geeft uytgefprooken had, zeyde de Koning
|5alak, gram van droefheyd, tót hem, dat dit
het gene niet was dat hy beloofd had, en hy
raf hem een bits verwyt, dat hy voor de groote
gefchenken welke hy ontvangen had om de If-
raëhten te vloeken, hen in tegendeel met duy-
zend zégeningen begroette. Balaam antwoord-
de hem : â Gelooft gy dan 6 Balak als Góds
â Geeft ons aandoet, dat het aan ons ftaat om
â te zeggen, óftezwygen, Vat wy willen.^ \'tis
Gód die ons fpreeken doet zo als \'t hem belieft,
zonder dat wy \'er eenig deel in hebben. Ik
heb het verzoek dat de Madianiten my ge-
daan hebben niet vergeeten. Ik ben gekomen
met een voorneemen om hen te vergenoegen,
en ik had niets minder in den zin dan den lóf
der Hebreen te verkondigen , en van de gun-
ften te fpreeken waarmede Gód voorheeft
hen te vervullen. Maar hy is magtiger ge-
weeft dan ik , die beflooten had tegen zyne
wille de menfchen te behaagen. Want alshy
in ons hart ingaat maakt hy\'er zich meefter
â van : en vermids hy \'t geluk deezer landaard
â wil te wege brengen, enhaarenroemonfterf-
â lyk maaken 5 heeft hy de woorden, welke ik
gefprooken heb , in mynen mond gelegd.
Niettemin om dat uw verzoek en dat der Ma-
dianiten , van al te grooten belang by my is
om niet alles te doen wat in myn vermoogen
â ftaat 5 zo is myn raad dat men andere altaa-
â ren oprechte , cn andere ófferanden doe, om
â te zien óf wy Gód door ons gébed konnen
beweegen. Balak keurde deezen voorflag
goed. De ófferanden wierden vernieuwd j maar
Balaam kon van Gód geen verlóf verwerven om
de Ifraeliten te vloeken. Ten tegendeele voor-
zeyde hy , ter aarde neêrgeftrekt, de ongeluk-
ken die den Koningen en fteden , welke zich
tegen hen zouden verzetten, ftonden over te ko-
men: onder die fteden wierden eenige genoemd
die nóg niet gebouwd zyn maar *t gene reeds
gebeurd is omtrent die , welke zo op \'t vafte
\'and als op de eylanden bekend zyn, doet ons
3J
53
33
3-3
met
33
33
55
33
33
35
55
55
33
53
33
33
f
:
gelooven dat het óverige van dit örakel ook eens
zal vervuld worden.
Balak zeer verftoord dat hy zich in zyne
hoope bedroogen zag , zondt Balaam te rugi^"â¢\'
ge, zonder hem eenige eere aan te doen. Deez
dicht by den Eufraat gekomen zynde, verzócht
den Koning en de voornaamfte der Madia-
niten tc zien , tót welke hy aldus fprak; â Na-
dempl gy, 6 Koning , en gyheden , 6 Ma-
dianiten , begeert dat ik ulieden op uw ver-
zoek iets toeftaa tegen Góds wille , zo is dit
alles wat ik u zeggen kan. Hoopt niet dat
het geflacht der Ifraeliten, nóch door de wa-
penen , nóch door peft, nóch door hongers-
nood , nóch door eenig ander toeval ooit zal
uytfterven > overmids Gód, die hen in zyne
befcherminge genonien heeft, hen voor alle
die onheylen zal behoeden s en dat fchoon zy
in eenigen ramp vervallen , zy \'er zich met
meerder roem uyt opbeuren zullen, als zynde
wyzer door die ftraffe geworden. Maar in-
dien gylieden voor eenigen tyd over hen wilt
zeegepraalen , zal ik \'er u een middel toe aan-
wyzen. Zendt na hun leger de fchoonfte
uwer dóchteren, wel opgetooid; beveelt haar
dat zy niets verzuymen om de jonge en dap-
perfte mannen verliefd op haar te maaken:
en zegt haar , dat als zy hen in liefde t\'haar- â
waards ontfteeken zien , zy zich dan ge- 5^
laaten als óf ze weg wilden gaan; en dat wan- ,,
neer de andere haar verzoeken te blyven , zy â
dan antwoorden dat ze zulks niet konnen doen,,,
\'t en zy ze hen plegtiglyk belooven van de â
wetten hunnes lands en hunne Gódsdienft af- â
ftand te zullen doen, om de Goden der Ma- â
dianiten en Moabiten tc aanbidden. Dit is â
het eenigfte middel dat \'er voor ulieden ove- â
rig is om Gód in toorn tegen hen te doen ont-
fteeken." Dit gezegd hebbende ging hy hee- ,,
ne. De Madianiten middelerwyl lieten niet
naa , in gevólge van deezen raad, hunne dóch-
ters te zenden , en haar te onderrechten
van \'t gene haar te doen ftondt. De jong-
mans onder de Hebreen door haare groo-
te fchoonheyd verrukt , wierden met een
brandende zucht tót haar ingenomen , \'t welk
zy haar te kennen gaven , en zy wierden door
het antwoord dat zy van haarkreegen nóg meer
ontfteeken. Toen deeze dóchters ben zo he-
vig verliefd zagen, veynfden zy te willen weg
gaan ; maar de andere baden hen met traanen
dat zy dóch blyven zouden , en beloofden haar
te zullen trouwen , neemende Gód tót getuyge
van den eed dien zy daarop deeden j en zeg-
gende dat zy haar niet alleenlyk als hunne huys-
vrouwen zouden beminnen , maar dat zy haar
volftrektelyk voogdeftèn van hen zeiven en alle
hunne goederen maakten. â Ons mangelen ,
antwoordden zy, geene goederen, nóch iets
van\'t gene ons gelukkig kan maaken, zynde
van onze maagen zo zeer gehefkoofd als wy
zouden konnen wenfchen: en wy zyn hier
niet gekomen om onze fchoonheyd te koop
te brengen; maar uheden aanmerkende als
vreemdelingen welken wy een groote achtin-
ge toedraagen, hebben wy u deeze beleefde
leyd Wüllen bcwyzcn, D^ch nu gy betuygt
35
3S
33
»
33
33
»3
33
33
3i
33
33
33
33
33
3»
33
33
33
>3
33
33
33
J>
33
3.3
35
I V. Boek,
FLAVIUS J Ã S E P tl U S
M
Zo
â zo veel geneegenhe^rd voor ons tc hebben,
53 en dat ons vertrék u zo veel verdriers zoud
35 aandoen, vinden wy ons door uwe gebeden
55 bewoogen. Indien gylieden derhalve , ge-
55 lyk gy zegt 5 ons trouv/belóften wilt geeven;
55 \'t welke de eenigfte voorwaarde is om ons te
55 houden, zullen wy blyven, en al ons leeven
55 by u verflyten. Maar wy vreezen dat als gy-
55 lieden onzer moede zult zyn, gy ons fchan-
55 delyk weder te rugge zenden zult; en gy
5, behoort ons zulk een rechtmaatige vreeze
â ten goede te houden." Deeze verliefde min-
naars booden haar aan, zodaanige verzékering
van haare trouw te geeven als zy zelve begeer-
den : waarop zy antwoordden : â Nademaal
35 gylieden dus gezind zyt, en dat gy eenige ge-
53 woonten hebt van alle andere vólken ver-
53 fcheelende, gelyk als van zékere fpyze niet
3, te eeten , en zékeren drank niet te drinken,
55 moet gy , zo gy met ons trouwen wilt, on-
55 ze Goden aanbidden: anders konnen wy niet
gelooven dat de liefde , welke gy ons zegt
toe te draagen, waar en oprecht zy: en wie
zou \'t vreemd konnen vinden, of ulieden
laaken, dat gy de Goden des lands alwaar
komt, en welke alle andere vólken aan____
den, ook eert; naardien uw Gód van ulieden
alleen maar aangebeden wordt, ende wetten
welke gy onderhoudt t\'eenemaal iets byzon-
35 ders zyn. Dies ftaat het dan in uwe keur,
om te leeven gelyk als andere menfchen, óf er-
gens een andere werreld te zoeken, daar gy
leeven kont zo als\'t u belieft.
Deeze rampzahge door hunne dierlyke en
bhnde drift vervoerd, namen deeze voorwaar-
den aan, verlieten het geloof hunner vaderen,
aanbaden veele goden, óft\'erden ófteranden op
de wyze der Madianiten, aten zonder onder-
fcheyd allerley fpyzen, en fchroomden niet,
opdat ze deeze dóchteren, die nu hunne wy ven
geworden waaren, mogten behaagen, de gebo-
den des waaren Góds te fchenden. Het ganfche
leger wierdt terftond ran het vergift Æ dat door
deeze jongelingen veripreyd was, â befmét; men
zag de oude Godsdienft gevaar loopen, en een
nieuwe muytery, gevaarlyker dan de voorgaan-
de, begon reeds uyt te barften. Want deeze
jonge maats eens de zoetighe}\'d deezer uytheem-
fche wetten, waardoor zy onbedwongen naar
hunnen zin mogten leeven, gefmaakt hebben-
de 5 lieten \'er zich zonder weêrhoudinge door
verrukken 5 en bedurven door hun voorbeeld,
niet alleenlyk het gemeen vólk , maar ook de
aanzienlykfte. Zambri Hoofd der ftamme Si-
meons , trouAvde met CkofM dóchter van Zur
eenen der Vórften van Madian, en ófterde, om
haar te behaagen, vóh^ens \'t gebruyk haars lands,
tegen \'t bevel van Gods wet. Mofes zulk eeA
vreemde wanorde ziende, ende gevolgen daar-
van vreezende , deed het vólk tzamenkomen;
en zonder iemand in \'t byzonder te befchuldi-
gen, opdat hy degénen, die meenende dat hun
mifdryf bedekt was nóg bequaam waaren om
weder tót hunnen pligt te keeren, niet tót wan-
hoop mogt brengen , zeyde tót hen: Dat
het eene zaak was welke hunne deugd en
die hunner vaderen geenfms betaamde, de wel-
luft boven de Gódsdienft te ftellen. Dat zy
tót eenen inkeer moften komen terwyl ze nóg
tyd hadden ; en dat zy de kracht huns ge-,,
moeds moften betoonen, niet door de gódlyke ,,
en heylige wetten te verachten , maar door y,
hunne drift te beteugelen. Dat het iets zon- â
derlings was, dat zy wys in de woeftyne ge-,,
weeft zynde 5 zich in dit fchoon land tót zulk â
een uyterftc dwaasheyd lieten vervoeren, en â
dat zy den welftand dienÃy door hunne behoef- â
tigheyd verkreegen hadden, nu door overvloed â
gingen verliezen."
33
33
33
35
33
33
Toen Mofes door dit gefprék deeze onbe-
dachte tót bemerkinge van hunne misdaad poog-
de te brengen, fprakZambri hem aldus aan:
33 Leef gy, Mofes, zo als \'t u goed dimkt, vol- â
gens de wetten welke^y gemaakt hebt, en ,,
die door een lang gebruyk bekrachtigd zyn,,,
zonder\'t welk gy al over lang ftrafté gélee-
den
FLAVIUS
88
3?
33
33
33
33
den) en tót uwe fchaade geleerd zoudt heb-
ben , dat gy ons zo niet behoorde te bedrie-
5, gen. Wat my aangaat, gy moogt vry wee-
5, ten, dat ik uwe tirannifche bevelen niet lan-
55 ger gehoorzaamen wil y omdat ik al te wel
55 zie dat gy onder den dekmantel van gód-
55 vruchtighyd, en dat ge ons wetten van Góds
55 wege geeft, u zeiven de heerfchappy door
uwe liften aangemaatigd , en ons in dienft-
baarheyd gebragt hebt,, door onsdevermaa-
kelykheden te verbieden, en ons de vryheyd,
welke alle vrygeboorene menfchen toekomt,
te beneemen. Was\'er in onze flaaverny van
Egipte wel iets zo zwaar, als de magt die gy
5, u toeëygent om ons naar uw believen te ftraf-
fen vólgens de wetten welke gy zelf ingefteld
hebt 5 in plaats dat gy het zyt die verdiend
geftraft te worden, omdat gy de inzettingen
van alle andere vólken verwerpende, begeert
dat de uwe alleen zullen onderhouden wor-
den, ftellende alzo uw eygen oordeel boven
dat van alle andere menfchen ? Gelyk ik dan
geloof zeer wel gedaan te hebben in \'t gene
dat ik gedaan heb , en dat my vry ftondt te
doen, zo fchroom ik niet voor deeze ganfche
JOSEPHUS IV. Boek.
vergadering tc verklaaren ^ dat ik eene uyt- â
heemfche vrouw getrouwd hebbe j maar be- â
geer dat gy\'tuyt mynen eygen mond verftaat, â
en dat vry al de werreld het weetc: Het is ,,
ook waar , dat ik de Goden, welke door u â
verbooden zyn , óffere, doordien ik meen â
niet gehouden te weezen my aan zulk een
dwingelandyc te onderwerpen , dat ik van ,,
niemand dan u alleen zou moogen leeren\'t ge- â
ne de Gódsdienft betreft: en ik acht dit voor â
geen weldaad dat men, gelyk gy doet, â
zich meer gezags over my wil aanmaatigen,,,
dan ik zelf neeme."
Zarnbri aldus zo voor zich zei ven, als
voor die welke van zyn gevoelen waaren , ge-
Iprooken hebbende , ftondt het vólk met vree-
ze en in ftilte te wachten na den uytflag van
dit groot gefchil. Maar Mofes wilde niet
meer twiften, om de moedwil van Zambri
niet meer gaande te maaken , en opdat ande-
re op zyn voorbeeld de onruft niet vermeer-
derden. Dies fcheydde de vergadering, en dit
euvel zou van een vervaarlyker gevólg geweeft
zyn, zonder den dood van Zambri, die aldus
voorviel.
Thineas, die buyten tegenfpraak voor éénen
der voornaamfte van zyne jaaren gehouden
wierdt, zo offl zyne treffelyke hoedaanigheden,
als omdat hy zoon was van den Hoogenprie-
fter Eleazar, en achterneef van Mofes, konde
ftoutheyd van Zambri niet verdraagen i en vree-
zende datzy, zo ze ongeftraft bleef, tótverach-
tinge der wetten zoud aangroeijen, befloot hy
dien grooten hoon Gode aangedaan te wreeken.
Gelyk\'er dan niets was dat hy niet bequaam
was om uyt te voeren, doordien hy niet minder
kloekmoedigheyd dan yver had, ging hynade
tent van Zambri, en doodde hem en zyn wyf
te gelyk met éénen fteek. Verfcheydene ande-
re jongmans , door dien zelfden geeft als Phi-
neas gedreeven, en door zyne koelheyd en voor-
beeld gemoedigd, vielen op degénen aan die
aan dezelfde zonde als Zambri fchuldig waa-
ren , en doodden\'er een groote menigte van.
Voorts wierdt \'er eene peft van Gód gezonden
die niet alleenlyk alle de andere wegrukte,
maar ook die van hunne nabeftaande, welke in
plaats van hen te beftraffen, en in ^t begaan van
zulk een zwaare zonde te ftuyten, hen daartoe
aangepord hadden : en\'tgetal der gener die al-
dus ftierven was veertieiiduyzend menfchen.
Mofes ter zelfder tyd op de Madianiten ver- 167,
ftoord , deed het heir optrekken om hen gan-
fchelyk te verdelgen , gelyk ik verhaalen
zal, naa alvoorens iets tót zynen lóf te ver-Num, 31,
melden, \'t v/elk ik niet behoorde over te flaan.
Teweeten, dat hoewel Balaam op \'t verzoek
dier landaard gekomen was om de Hebreen te
vervloeken, en dat hy, naavanGód daarin be-
lét te zyn, dien verfoeijelyken raad, gdyk ge-
zegd is3 gegeven had, om al^o de Gódsdienft
onzex
168.
gangen
magt, ^
men in hun land kon intrekken. Daarop vólg-
de een veldflag, waarin de Madianiten over-
wonnen wierden; en de Hebreen verfloegen
zulk een menigte van hen, dat men de dooden
naauwlyks tellen kon: onder dezelve bevonden
zich alle hunne Koningen, naamelyk Och, Zur,
Reha, Evy, en Re kern , die den naam gegee-
ven heeft aan de hoofdftad van Arabië d^ien
zy heden ten dage nóg voert, en die van de
Grieken Petra genoemd wordt. De Hebreen
pionderden \'t ganfche land j en in gevolge van
het bevél \'t welk Molès aan Phineas gegeeven
had, floegen zy alle de mannen en wy ven dood,
verfchoonendealleenlyk de dóchters, waarvan
zy\'er omtrent tweeëndertig duyzend medebrag-
ten, benevens een buyt van tweeënvyftigduy-
zend zevenenzeftig ófïèn, zeftigduyzend ezels,
en een overgroote menigte van goudene en zilvere
vaten, waarvan de Madianiten, door hunne on-
gemeene pracht, zich gewoonlyk bedienden.
Phineas aldus zeeghaftig, zonder eenig ver-
lies, wiedergfekeerd zynde , deelde Mofes alle
den roof uyt, en gaf\'er een vyftigfte deel van
aan Eleazar en de Priefteren, een ander vyftig-
fte deel aan de Leviten, en verdeelde hetóveri-
o-e onder \'t vólk , het welk zich daardoor in
ftaat bevondt om in grooter overvloed te leeven,
en den rykdom door hunne dapperheyd verkree-
gen in rufte te genieten.
Mofes nu tót eenen hoogen ouderdom geko-
lÃ\'p.
ï^um. 17. komen, ftelde , door Góds bevel, Jofua tót
3 ⢠zvnen naazaat aan, ZO m hetprofeetifch ampt,
als in het oppergebied over \'t heir, waartoe hy
zeer beqnaam was, zynde in de kenmflè der
Gódlyke en menfchelyke wetten door deonder-
wyzingen van Mofes zeer ervaren.
170. Ten zelfden tyde verzóchten de ftammen van
Num. 31. Gad en Ruben, en de halve ftam van Manaffe,
die zeer ryk in vee en alle andere goederen waa-
ren , van Mofes dat hy hen het land der Amo-
riten, eenigen tyd te vooren bemagtigd, wilde
geeven , vermids het zeer fchoone weylanden
had. Dit verzoek deed hem denken, dat zy on-
der dien dekmantel zich van het bevechten der
waardoor
HISTORL 8<?
Kanaaniten zóchten te bevryden : dies zeyd hy
tót hen dat het maar uyt lafhartigheyd was dat
zy zulks begeerden, om alzo in een land, dat
door de wapenen des ganfchen vólks veroverd
was, in rufte te leeven, en zich niet by \'t heir
te voegen , om het land over den Jordaan
in te neemen, van \'t welk Gód hen het bezii:
beloofd had als zy de vólken, welke hy hen be-
val als vyanden te handelen, zouden overwon-
nen hebben. Zy antwoordden hem dat het\'er
zo verre vandaan was dat zy \'t gevaar vermy-
den wilden, dat zy in tegendeel van voornee-
men waaren door dat middel hunne vrouwen,
kinderen, en goederen in veyligheyd te ftellen,
om alzo t\'allen tyde gereed te zyn het heir te
vólgen, waar men\'took leyden wilde. Mofes
met deeze reeden voldaan, ftondt hen hun be-
geeren toe in tegenwoordigheyd van Eleazar
en Jofua, en de voornaamfte Hoofden welke hy
tót dien eynde had doen tzamenkómen, op voor-
waarde dat deeze ftammen nevens de andere te-
gen de vyanden zouden optrekken , tótdat de
oorlóg t\'eenemaal geëyndigd was. Aldus na-
men zy dat land in bezittinge , bouwden\'er
fterke fteden, en bragten\'er hunne vrouwen,
kinderen, en alle hunne haave in, om de wape-
nen te vryer te konnen opneemen, en zich van
hunne belófte te quyten.
Mofes ftichtte ook tien fteden , als een ge-Num. ij.
deelte van de achtenveertig waaraf wy gefproo-f*^"\'"^\'
ken hebben, en maakte drie van die tien tótjof.io.
vryfteden, voor degénen die eenen onbedachteii
doodflag quamen te begaan : en hy beval dat
hunne baliingfchap zoude duureii zo lang als
de Hoogepriefter, onder wiens bedieninge de
doodflag begaan was, leefde : maar dat zy naa
zynen dood weer in hun land zouden moogen
keeren j en dat zo zy binnen dien tyd door^ie-
mand van de maagen des ontlyfden buyten die
vryfteden gevonden wierden , hy hen Vryelyk
mogt dooden. De naamen deezer drie fteden
zyn Bozar op de grenzen van Arabië, Ariman
in\'t land Galaad, en Golan in Batanea. Mofes
beval ook dat men naa de veróvering van het
land Kanaan , nóg drie van die fteden welke
den Leviten toebehoorden, tótvryplaatfenaan-
ftellen zoude.
Zalphat één van de voornaamfte der ftamme
van Manaflè in dien tyd gefturven zynde , en
niet dan dóchters naagelaaten hebbende, qua-
men eenige der aanzienlykfte uyt die ftam by
Mofes, en vraagden óf deeze dóchters van hun-
nen vader erven zouden. Hierop antwoordde
hy van ja, byaldien zy met iemand van die
zelfde ftam trouwden j maar niet zo zy in een
andere huuwelykten : om alzo door dat mid-
del in elke ftam de goederen der gener die\'er
toe behoorden te bewaaren.
I ^I. H O 0~F D STUK.
VoortrefFcIyke aanfpraak van Mofes tót het vólk. Wetten welke hy
hen geeft.
^^ veertig jaaren naa den uyttógt uyt i f t,
Egipte op dertig dagen ni verftreeken Deut.4.\'
waaren , deed Mofes al het vólk byeenkomen
aan den oever van de Jordaan, ter plaatfe daar
tegenwoordig i de ftad Abila ftaat, zynde een
landftreek daar de dadelboomen zeer weehg
groeiden s en hy fprak tót hen aldus : â Med-
M gezel--
IV. BOEK. J O O D C H E
onzer vaderen te vèrnietigen, Mofes hem nóg-
tans de eere gedaan heeft van zyne profcey te
befchryven, fchoon\'t hem gemaklyk zoude ge-
vallen hebben die zichzelven toe te eygenen,
zonder dat iemand hem deswege zoud hebben
konnen berilpen > waardoor hy dan aan alle de
naakomehngen een gunftig getuygenis t\'zyner
gedachteniflè naagelaaten heeft. Ik laat echter
een iegelyk daarvan oordeelen naar zyn goed-
vinden, en keer weder tót myn verhaal. Mo-
fes zondt maar twaalfduyzend mannen tegen de
Madianiten, hebbende duyzend uyt elke ftam
genomen, en ftelde Phineas , die den roem
der wetten verheven , en de misdaad welke
Zambri door\'t fchenden derzelver beging, ge-
wroken had, tót Opperhoofd daarvan aan.
VII. HOOFDSTUK.
De Hebreen overwinnen de Madianiten > en vermeefteren hun gan-
fche land. Mofes beveftigt Jofiia om de Leydsman des vólks te
zyn. Steden gebouwd. Vryfteden aangefteld.
TOen de Madianiten de Hebreen zagen aan-
komen, herzamelden zy alle hunne krygs-
en verfterkten de toei
Ii
po I7 1-./XVJ.VJL»J
â gezellen en deelgcnooten eener langduuri-
â ge zukkeling : Nademaal ik nu den ou-
â derdom van honderd en twintig jaaren be-
â reykt hebbe, is het tyd dat ik de werreld
â verlaate. En dewyl Gód niet wil dat ik
â ulieden byftaa in de oorlógen , welke gy
3, zult moeten voeren naa dat gy den Jordaan
55 overgetrokken zyt , wil ik dit weynig lee-
55 vens dat my nóg overig is 5 tót bevelliginge
55 van uw geluk 5 door alles wat van my afhangt,
5, aanwenden , om ulieden teverpligtendatgy
55 myner gedachteniflê altoos een goede genee-
5, genheyd toedraagt : en ik zal myne dagen
5, met blydfchap eyndigen , wanneer ik u zal
5, te kennen gegeeven hebben , waarin gy u
5, waar geluk moet ftellen, en door welke mid-
55 delen o-y zulks voor uwe kinderen zult kon-
55 nen te wege brengen. Waarom doch zoudt
â gylieden geen geloof aan myne reeden flaan 5
^5 naardien \'er geen getuygenis is dat ik niet
55 getracht heb u van myne zucht tót uwen wel-
55 ftand te geeyen; en dat gy weet dat de be-
55 zellingen onzer ziele nooit zuy verder zyn,
â dan wanneer zy gereed ftaat om dit ligliaam
te verlaaten ? Gy kinderen Ifraëls, prent het
II diep in uw hart, dat de eenigfte waare ge-
,5 lukzaligheyd daarin beftaat , dat men van
Gód begunftigd worde; hy alleen kan die
geeven aan degénen die door hunne gód-
vruchtigheyd zich des waerdig maaken > en
\'t is te vergeefs dat de gódloozen zich
55 vleyen met een hoope van dezelve te zul-
55 len verkrygen. Indien gylieden u dan zo-
55 daanig draagt gelyk hy begeert, en ik u ver-
5, maan, zult gy altoos gelukkig zyn, uwe voor-
5, fpoed zal van alle vólken der werreld benyd
â weezen , gy zult t\'allen tyde bezitten \'t gene
55 gy reeds verkreegen hebt, en gy zult haaft
â in \'t bezit geraaken van \'t gene u nógteover-
,5 winnen ftaat. Draagt alleenlyk zórg dat gy
â Gode een getrouwe gehoorzaamheyd be-
55 wyft : ftelt nooit andere wetten boven die
55 welke ik u van zynent wege gegeeven hebj
.5 onderhoudt ze vlytig j en wacht u voor al
35 van door een ftrafbaare verfmaadinge iets
55 dat de Gódsdienft betreft te veranderen.
Overmids alles moogelyk is voor den genen
welken Gód byftaat 5 zo zult gylieden u zei-
ven de ontzaglykfte van alle menlchen maaken,
indien gy deezen raad vólgt, gy zult alle uwe
. vyanden te boven komen , en zult de groot-
fte vergeldingen, welke de deugd geeven kan,
â geduurende uw leeven ontvangen. De deugd
â zelve zal \'er de voornaamfte van zyn, omdat
55 het door haar is dat men aüe de andere ver-
55 krygt , dat zy alleen ulieden gelukzahg kan
,5 maaken , en u eenen onfterfelyken naam en
â roem onder de uytheemfche vólken doen ver-
5, werven. Dit is \'t gene dat gylieden te hoopen
33 hebt, zo gy de Wétten , welke gy door my-
3j ne tuifchenfpraak van Gód hebt ontvangen,
,, gódsdienftiglyk onderhoudt , en haar on-
â ophoudel3rk overdenkt, zonder ooit te dul-
5, den dat menze fchendt. Ik verlaat de wer-
55 reld met deeze trooft, dat ik ulieden in een
â groote voorfpoed laate ; en ik beveel u aan
55 het wys beleyd uwer Opperhoofden en
Overheden , die niet in gebreeke zullen bly-
Ii i\', i\'?^-
â 5)
3>
3J
33
33
33
33
33
â :./ 1
1.1\'
IV. BOEIC
ven goede toezigt op u te neemen. Gód
ook , aan wien gy ^lle de w^eldaaden welke
gy tót hier toe genooten hebt, verfchuldigd
zyt, zal zyne voorzórge niet van u aftrek-
ken , neen hy zal niet ophouden u te be-
fchermen , zo gy niet naalaat hem te eeren,
en al uw vertrouwen op zyne byftand te
ftellen. \'t Zal ulieden niet ontbreeken aan
perfoonen die u treffelyke onderwyzingen
zullen geeven , als daar zyn de Hooge-
priefter Eleazar , Jofua , de Raad, en
de Hoofden uwer ftammen. Maar het moet
met gewilligheyd zyn dat gy hen gehoor-
zaamt , denkende dat zulke die wel hebben
konnen gehoorzamen , wel zullen konnen
gebieden wanneer zy tót ampten en waardig-
heden verheven worden. Beeldt u derhalve
niet in , gelyk gylieden totnogtoe gedaan
hebt, dat de vryheyd beftaat in ongehoor-
zaam te zyn jegens uwe Overften ; want dat
is een groote misflag, walken gy voor al moet
verbéteren. Wacht u ook van u door toorn
tegen hen te laaten vervoeren , gelyk gy dik-
wils tegen my gedaan hebt > want het kan
ulieden nóg niet vergeeten zyn , dat gy my
menigmaal in grooter gevaar van myn leeven
gebragt hebt , dan onze vyanden ooit ge-
daan hebben. Ik zeg u dit niet verwytender
wyze ; want waarom zoud ik in eenen tyd dat
ik op het punt ftaa om van u te fcheyden , u
door het herdenken van \'t gene eertyds voor-
gevallen is bedroeven; naardien ik niet de
minfte belgzucht betoonde zelfs toen wan-
neer het gebeurde : maar ik zeg het u ten
eynde gylieden wyzer in \'t toekomende
moogt zyn, en omdat men u niet genoeg voor
oogen kan ftellen , hoeveel \'er u aangelegen
is niet tegen uwe Opperhoofden te murmu-
reeren , wanneer gy den Jordaan gepafleerd
zynde , en u van het land Kanaan meefters
gemaakt hebbende , u zeiven met allerley
goederen over ftort zult vinden. Want zo
gylieden het ontzag \'t welk gy Gode fchul-
dig zyt verlieft , en de deugd verlaat, dan
zal hy u ook verlaaten ; hy zal uw vyand
worden; gy zult het land, dat gy door zyne
byftand veroverd hebt, met fchande door uwe
ongehoorzaamheyd quyt raaken ; gy zult na
alle geweften der werreld in flaaverny ver-
voerd worden; en daar zullen geene landen
nóch zêën zyn daar men geene blyken van
uwe dienftbaarheyd befpeuren zal. \'tZal dan
geen tyd weezen van\'t u te beklaagen dat gy
deeze heyhge wetten niet onderhouden hebt.
Om derhalve niet in dit ongeluk re vervallen,
zo fchenkt niet éénen van uwe vyanden 5 naa
dat gylieden hen overwonnen hebt, het lee-
ven : maar acht het als eene zaak van de
uyterfte aangelegenheyd te zyn , dat gy hen
alle doodet, zonder éénen van hen te ver-
fchoonen; omdat gy anders door gemeen-
fchap met hen te houden, u tót afgodery
zoudt konnen laaten trekken, en alzo de wet-
ten uwer vaderen verlaaten. Ik beveel ulie-
den ook het vuur en het zwaerd te gebruy-
ken, om alle de tempelen, altaaren, en bof-
fchen, aan de valfche gódheden toegewyd,
zodaanig te verdelgen, dat \'er niet het minfte
33 fpoor
FLAVIUS T O S E P H U S
1 Si:
E H I S 1: ö R ï.
JOODSCH
fpoor van overblyft. Dit is het eenigfte
Sel om in \'t bezit der goederen welke gy
Genieten zult te blyven. En opdar niemand
4 ulieden zich door omvetendheyd tot
het quaadlaate verlókken, heb \\door Gods
bevél de wetten befchreeven welke gy naa-
komen moet, en de leevens-mamer welke gy
behoort te vólgen, zo m de algemeene als
m byzondere zaaken : En zo gylieden die
onfchendelyk onderhoudt, zult gy de ge-
lukkigfte van alle menfchen weezen.
Mofes aldus tót alle de Kraëliten gefprooken
\' hebbende , gaf hen een boek in \'t welk alle die
wetten, en de manier van leeven welke zy hou-
den moften, gefchreeven waaren. Dewyl zy nu
alle hem als reeds gefturven aanmerkten deed
het herdenken van de gevaaren, en den aroeyd,
welke hy om hunnent wille uytgeftaan jiad,
hen m traanen uytbarften, en hunne droefheyd
vermeerderde, doordien H ^cnot
onmoogelyk zoude zyn ooxt ^j^^gf^X^^^
nerhoofdweêr aan te treft^en, en dat by gebrek
U hem tót voorfpraak te hebben, God hen
nooit meer zo gmiftig zoude weezen Deeze
zelfde gedachten verwekten in hen zulk een be-
rouw over hunne woede tegens hem in de woefty-
ne dat zy zich niet konden trooften. Maar hy
badt hen dat ze hunne traanen zouden ftaaken,
cn alleenlyk op een getrouwe onderhoudinge
van Góds wetten denken. En daarop fcheyd-
de de byeenkomft. ^ ,.
Eer ik verder gaa, acht ik het noodig te
zecrgen welke die wetten waaren, opdat de
leezer bemerke hoe overeenkomende zy zyn
met de deugd van zulken grooten Wetgee-
ver als Mofes was , en dat hy zie welke de
crewoonten zyn die wy federd zo .vejle eeu-
wen onderhouden hebben. Ik zal die dan ver-
haalon zoo als deeze deftige Man dezelve ge-
geeven heeft, zonder eenig optooifel daar by
te voeo-eni en ik zal alleenlyk de fchikking ver-
anderen , vermids Mofes haar op verichey-
dene tyden , naar dat Gód l;iem zulks beval,
heeft voorgedraagen, \'t welk /k vcrp igt ben
te melden, opdatmdien deeze Hiftorit eenigen
tyde in de handen van iemand onzer landaard
quame te vallen, hy my met wegens niangel van
Jprechtigheyd mogt befchuldigen. Ik zal dan
<Taan fpreeken van de wetten die op de burger-
Ivke regeeringe opzigt hebben, maar aangaan-
de die welke onze onderlmge verhandehngen
bLelfen , daarvan zal ik gewag maaken m
een boek \'t welk ik wegens onze zeedenen ma-
ntren \' en de rédenen dier wetten , hoop^te
bSyven. Nu keer ik tót de eerfte, welke
dusdaanig ^J^\' , i ^ land Kanaan veroverd,
Naa dat gY i^den net ^^^^
en aldaar ftede^gebouwd zu^ ^^^ ^^^
gy m zekerheyd de vruc^^^^^^^^
ge genieten, euuw
zaam zyn, mids dat gy u Gode aangciii"
door de vólgende zaaken te onderhouden^
In deftad welkeGódzelfindatland.
10. era. bequaamen en vruchtbaaren ftand, »i^ \'
fr-^- en^ie deheyhge ^ad zal genoemd worden ^^^^^^^
»eut.iö. men eenen eenigen Tempel bouwen \'
altaar daarin oprechten van ^f f
houwen zyn, maar met zo veel vlyt opgezocnt,
iv. boek.
dat zy tzamen gevoegd en gepleyfterd zynde,
niet laaten een aangenaam gezigt te geeven.
Men zal tót dien altaar met geene trappen moo-
gen opklimmen, maar langs een fchuyns opgaan-
de grond. En in geen andere ftad zal een Tempel
óf altaar weezen, om dat\'er maar één Godis,
en niet meer dan ééne Hebreeuwfche landaard.
Die Gód gelafterd zal hebben , zal geftee-Exód.i
nigd, en eenen dag gehangen hebbende, hey-
melyk met fchande begraaven worden.
Alle de Hebreen, in wat land van de werreld
zy ook woonen, zullen zich driemaal \'s jaars
in de heyUge ftad en den Tempel begeeven, om
Gód aldaar voor zyne weldaaden te danken , en
om zyne byftand voor het toekomende te fmee-
ken i alsmede om de vrindfchap door gaftmaa-
len en bezoeken onder malkanderen te onder-
houden : dewyl \'t billyk is dat zy die maar één
vólk zyn , en ééne en dezelfde wetten heb-
ben , onderling kennis houden; waartoe mets zo
, bequaam is dan zodaanige byeehkomften , die
door het gezigt en de tzamenfpraaken der per-
foonen , de geheugenis daarvan in \'t gemoed
prenten , in plaats dat degéne die nooit gezien
worden, voor vreemdehngen by andere door-
gaan. Daarom zult gylieden behalve detienden
die den Priefteren en Leviten toekomen, ande-
re tienden verzamelen , welke gy ieder in zyne
ftam verkoopen zult, én het geld daarvan zult
gy in de heylige ftad aan gaftmaalen , welke
gy op die Feeftdagen houden zult, befteedens
vermids het billyk is, ter eere Góds verheugd
te zyn, over \'t gene de landeryen, welke wy van
zynemildheydontvangenhebben,voortbrengen.
â Men zal niets ten ófter brengen dat voort-Dcut.
komt uyt de winft eener ontuchtige vrouwe:
want het gene door quaade middelen en eenen
onkuyfchen handel gewonnen wordt, is Góde
niet aangenaam. Om die zelfde reden is \'t ook
niet geoorlófd te ófferen van \'t gene men ont-
vangen heeft voor \'t uytleenen van jagt-óf her-
ders honden, om\'er een teelt van te bekomen.
Men zal de Goden welke andere vólken ee-
ren niet lafteren óf vloeken v men zal hunne
Tempelen niet berooven ^ en men zal mets van
\'t gene aan eenige Gódheyd geófferd is wegnee-
men. â
Niemand zal zich met ftof van linnen en
wollen onder een gemengd kleeden , doordien
dat den Priefteren alleen overgelaaten is.
Wanneer de menigte ieder zeven jaar in
de heylige ftad zal tzamenkomen om het Loof-
hutten-] feeft te vieren , zal de Hoogepriefter
op een verhévene plaats khmmen , A^anwaar hy
de wet opentlyk en overluyd zal leezen, dat ie-
der het verftaan kan , zonder dat men de vrou-
wen , kinderen , ja zelfs de flaaven zal moogen
verhinderen daar by te komen 5 omdat het goed
is dezelve hen zo in \'t hart te prenten, dat zy
nooit uyt hunne geheugenis kan uytgewifcht
worden, om hen alzo de verontfchuldiging van
door onkunde gezondigd te hebben, te benee-
men. Want die heylige wetten zullen buyten
twyfel een fterker indruk op hunne gemoede-
ren maaken r wanneer zy zelve hoor en welke
de ftraffen zyn waarmeê de oveftreeders ge-
dreygd wordeij.
Voor alles moet men bezórgen dat dekinde-
M 2 â ^
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
â¢iiï
ps
ren die wetten leeren , vermids nkts hen L
nuttelyk kan weezen : tweemaals \'s daags "des
morgens en des avonds, zal men de Ie daa-
den, waarvoor wyaan Gód verpIi?rzTO en
hem vo^/h \'""f\' teneynSe\'W
^nL f gunften danken , en
andere m t toekomende van hem trachten te
verwerven.
\' .. ^^ ^^^i-y^-en , en ook
aan tiiooM en om den armgedenkce
gen, van de voornaamfte zaaken welke ^uu vooj
ons gedaan heeft, en die tót groote blyken zy-
ner goedheyd en magt ftrekken 5 om ons de ge-
neugenis daarvan geftadiglyk te vernieuwen.
Men moet tót Magiftraaten in elke ftad ze-
ven mannen van bekende deugd , en bequaam
om het recht te bedienen, kiezen 5 ieder twee
dienaars uyt de ftam van Levi toevoegen, en hen
ftimlW i\'Tï ^ ookniemandde
ftoutheyd hebbe om eenig fpytig woord in
hunne tegenwoordigheyd t% fpVccL 3 opdat
de eei-biedigneyd welke zy zic^h gewen^enVan
menlchen te bewyzen , hen aanleyde om Gód
te eeren. Dè vonniflen die deeze Overheden
zullen uytfpreeken , zal men uytvoeren , zo zy
niet door gcfchenken omgekóft zyn , óf het
klaar blyke dat zy quaalyk geoordeeld hebben â¢
want dewyl de gerechtigheyd boven aHes te
aauen IS, moet men 3ie\'zonder eytnbl!
1 ang en gunft oefenen, naardien men Gód al
ueis veracnt, en hy zwakker zou fchynen dan
dc menfchcn , byaldien de bekommerdheyd
van ryke en aan zienlyke perfoonen teftooren,
meerder vermoogen op het gemoed der Rech-
wïlf ^ / de vreeze van het recht, het
welk Gods magt is , te fchenden. Indien nu
de Rechters zich verlegen vinden om eenige
^aaken te beflechten, geïyk het dikwils gebebt
dan moeten zy ze m haar geheel, zonder een\'-
ge uytfpraak daarover te doen , na de heylige
ftad brengen, om aldaar door den Hoo^enpril
fter , den Profeet > en den Raad gevoSnild te
worden , zo als zy in gemoede zuilen achten
fchuldig te zyn.
Men zal aan éénen getuyge geen geloof flaan
maar daar moetender drie, óften minften twee
ke^nSven^ ^at perfoonen van een onbefproo^
De vrouwen zullen om de wispeltuurigheyd
van haar geflacht, en omdat zy al te ftSut in
à met tót getuygeLangenomen
Men zal ookgeene dienftknechten tot getuy-
gen neemen, omdat de geringheyd van hunnen
Itaat hen den nioed beneemt, en dat de vreeze óf
eemg voordeel hen zou konnen zwaaij en om te-
gen ae waarheyd te getuygen
valfcr\'"^ ff overtuygd morden dathy een
SÃ^ den aangeklaagden, in-
dat -en geenve^rred^nttt^;^^^^^^^^^
het uvt haat óf \'^m^nd die
vius josephus iv. boek.
genen die den daader weet aan te wyzen Fn
zo de perfoon niet ontdekt v/ordt, ziSVif.
geerders der gebuur-fteden van df
om te verneemen welke ftad naaft ain nw\'
egt daar men het lighaam van in oS.?
J""ge Koe koopen , welke men in een ^âr
en onvruchtbaar dal, daar geen graaneTnoch
deSrri\' ^ aldaar" uilen
den Sfzulk/f"^" \' zy \'c beeft
handefove \'feefi r ft" \'
bef; S z/vr beb-
zynen toorn te willen ftaaken , ^en ntt oft"
laaten dat \'er ooit diergelyk een ongeluk wedS
op die plaats gebeure.
de voornaamfte aan
dat zy het ge^a^ b"yteâ t^yfel goed , om-
andere meefters te hebben dnn^ \' °â¢geene
Gód ulieden trpefr ^^etten welke
â , geett, omdat het u <^enoeg be.
hoort te zyn dathv uw r ...... ^
uwe landaard , die de gerechtigheyd en Sein
dere deugden bemint. Maar hoe tequatmTv"
ook zy, hy behoort zich mee- on pA^ 7
Slrénrtate-
houden , ten éynde hy daardoor niet ïl/
fmaadmge der 4tten 4rvoerd wordf F "
ven zyn, moet gylieden toezien dathy niet Ia!
Men moet de landpaalen zo van zyn eycren
dat\'v tS\' veranderen,\'ot"
mVlvZn\'l "\'^^^^^ ^^^ ^^^^de dienen,
maar zy moeten altoos vaft en onbeweeoelyk
blyven , gelyk als óf Gód zelf die <.efteldhad^
kZf groote tSu
it! l ^^^ \' ^^ dat degéne welker
Dck.I^
geerlykheyd paaien ftelt, ligte
^^m\' wordln
zi^e^r Ta r \' byzonder gebruyk niet bee-,
zigen , noch ook aan Gód opóffere^ de eerft.
flogen der vruchten, welke de boomen voor
vierdejaar naa dat ze geplant zyn voortbren
pn , omdat menze als ontydige vruchten
hoort aan te merken > en dat alles \'t we^k
de wetten der Natuure ftryd t, niet w ^
is Gode geófferd te worden j
de menihen te fpyzen. Maarbeh^
yuchten welke de ^omen in \'t vi?rde lÃÃ
heyhge ftad brengen om
ii
i»;
i:ïi i
li-,
!, \'I\';
I \' I\'
we-
IV. Boek. JOODSCHE
weduwen en Weesen te eeten. Dóch in het
vólgende jaar, \'t welk het vyfde is, zal hy \'er
zulk een gebruvk van maaken als hem o-oed-
dunkt. " \' ^
Men moet niets by eenen wyngaard zaaijen,
omdat het genoeg is dat de aarde hem voede,
zonder dat men haaren boezem nóo- met het
yzer ópene. ^
Men moet de aarde met óHen beploec^en,
zonder andere dieren daarby in te fpanncn-
nóchte zal men verfcheelende foorten voor
éénen ploeg moogen zetten
Men zal de zaaden welke men in de aarde
werpt met moogen menden, en twee óf drie
loorten te gelyk daarin zaaijen: wantdenatuure
heelt geen behaagen in zulk een mengfel Men
moet ook nooit beeften van verfcheydene foor-
ten malkanderen laaten beipringen, opdat de
menfchen door zodaanig een voorbeeld zich
met tót een verfoeijelyke vermenginge gewen-
nen : want het gebeurd ligtelyk dat het gene
\'t welk in\'t eerft van kleyn belang fcheen^, in
hetgevólg zeer gevaarlyke uytwerkingen vöort-
gebragt heeft. Om die oorzaak moet men
naauw toezien dat men niets toelaate, welks
naavólging de goede zeeden zou konnen be-
derven : hierom is het dat de wetten zelfs de
Bimfte zaaken bepaalen , om ieder in zynen
pli^t te houden.
De maaijers moeten dekoornhalmennietalte
zuynig mzamelen, maar eenige garven voor de
armen overlaaten. Insgelyks moet men ook ee-
nige druyyen aan den wynftók, en eenige oly-
yen aan de olyfboomen laaten blyven : waiit
het IS klaar dat zulk een gelukkige achteloos-
heyd zoveel fchaade niet toebrengt aan den ge-
nen dieze pleegt, als den armen wel voor-
deel uyt die liefdaadigheyd trekt j en God
maakt de aarde te vruchtbaarder voor degé-
nen die zich niet zo verre aan eygenbaat over-
geeven, dat zy eens anders voedzel niet be-
trachten.
Wanneer de ólFen het graan uyttreeden,
moet men hen niet muylbandenj omdat het niet
meer als rédelyk is dat zy eenig voordeel uyt
hunnen arbeyd trekken.
Zo moet men ook eenen reyziger, \'t zy in-
boorling óf vreemdeling , niet beletten dat hy
eenig ooft neeme en eete als het ryp is ⢠niaar
men behoort hem het liever uyt goeder harte te
geeven, zonder dat het hem echter zal vry
ftaan iets daarvan weg te draagen. Insgelyks
behoort men degénen die in\'t voorbygaan by
de wynperfing komen, niet te verhinderen dat
zy van de druyven proeven 5 nademaal \'t maar
billyk is dat men anderen iets mededeelt van de
goederen welke \'t Gode belieft ons te verlee-
nen > en datdit faifoen, \'t welk het vruchtbaar-
fte van \'t gelieelejaar is, maar eenen korten tyd
duurt. En indien iemand befchroomd mogt
weezen die druyven aan te roeren , dien moet
men daartoe aanporren > want byaldien zodani-
ge lieden Ifraëliten zyn , behoort de vermaag-
fchapping dieser tuftchen ons is, hen niet
alleen deelachtig , maar voogd te maaken vah
\'t gene wy bezitten i en zo zy vreemdelingen
zyn , behooren wy gaftvryheyd jegens hen te
oefenen^ zonder te denken dat wy door zo een
histörl
Stin^^\'^^\' ^t welk wy hen doen van de
Ajucnten die wy van Góds mildheyd genieten
^^^ alll^nilfvei-
rykt, maar ook aan anderevólken, door\'t ee-
ne wy hen van onze goederen med Jdee^^,fy.
ne grootdaadgieyd jegens ons wil te kermen
geejn. Byaldien nu xemand dit bevél Xe^
treedt, dien zal men negenendertig geeffX-
gen geeven, enhemmetzulk eenfla"a&he ftraf
kaftyden, omdat hy vry zynde zich eenen ftaaf
van het goed gemaakt, en zichzelven alzo
onteerd heeft. Want watis\'er rédelyker, dan
dat wy die zo veel in Egipte en m4 woefty-
ne geleeden heoben, ons over eens andere elen
de en gebrék ontfermen zouden > en dat wy zo
vee van Góds onëyndige goedheyd ontvaien
hebbende, een gedeelte daaraf aan degénen dfe
behoeftig zyn uytdeelen.
Behalve dc twee tienden welke men jaarlvk.
aan de Leviten, en voor de gewyde gaftmaafei
moet geeven moet\'er ook ieder de^X aar^
der^e betaald worden, ten behoeve dJr arme
weduwen en weezen.
. Men moet de eerftehngen van alle vruchten n
m den Tempel brengen3"en naa Gód Skt
hebtn"
hebben, voor dat hy ons zulk een vïuchtbaar
land gegeeven hteft, moet men die eerftehn-
iendtf Iâ die de ttee
tienden, de eene aan de Leviten, en deandem
ten gebruyke der heylige gaftmaalen, zal
taald hebben, zal zich , eer hy weder na huvs
f des Tempels vervoe^en^
en Gode danken voor dat het hem beliefdfcfr
ons van de Egiptifche dienftbaarheyd te S
fen, en ^ulk eenvruditbaarenoverLSiÃ
en cT/r^T ^^^^ heef^
en God bidden dat hy ons altoos gunftic zy\'
ons by de goederen welke hy ons gegleven he^
behoude, en\'er ook nog andere bvvoele
V/annpr de mannen houwbaar <r^orden
zyn, zuilen zy met dóchters van eenen vryen
Itaat, en van eerlyke ouders, trouwen; en die
dusdaanig een huuwlyk zal verfmaaden, om met
eens andërs vrouw, welke hy door zyne liften
bekoord heeft, te huuwen, \'zal zulks nietVe»-
moogen te doen, opdat hy haaren eerften nâ¢
niet bedroeve.
Al is\'t dat vrye mannen op ftaavinnen verltV
ven, echter zullen zy haamlet moocren rmf
wenj maar moeten hunne drift beteuÃn
dat deeerbaarheydenwelvoeglykheydhendaï^\'
toe verpligt. j ^ u^ar-
Een vrouwmenfch dat zich tót ontucht he-ft
âgeeven zal met moogen trouwen om!
deóW A f^T hebbende , Gód
de offeranden die hem door zulke hmiwelyken
gedaan worden met aanneemt: behalv^ da^
kinderen van deugdzaame ouders geuren
eenedeler inborft hebben, en meertófdoW
geneegen zyn, dan zulke die uyt eL ftÃ
ge jemeenl^hap en onkuyft^ l^d^^
te hebben doorging, meent reden
dt . t l! ^^ dat zy^t niet was,
Che zal haar voor\'tRecht daagen, en de bewy,
M zen
J
!i!l\' ]
5,4. FLAVIÃSJ
zen van zyn vermoeden toonen : daarop zal de
vader óf de broeder , óf by gebrék van diende
naade bloedverwant van de dóchter, vóórhaar
pieyten ; en zo zy onfehuldig verklaard word,
zal de man haar moeten houden, zonder dathy
ooit zal vermoogen haar weerom te zenden,
\'t en waare om een groote oorzaak die niet we-
derfprooken kan worden ; en tót ftraffe zyner
lafteringe en des hoons dien hy haarer onfch^d
aangedaan heeft, zal hy negenendertig geeüel-
fta^^en ontvangen , en vyftig fikelen aan den
vader der dóchter geeven. Maar mdien zy
fchuldig bevonden wordt , en uyt iemand van
de gemeene foort voortgekomen is , zal zy g^
fteenigd , dóch zo ze van Priefterlyke afkomft
is, leevendig verbrand worden. ^
zi. Indien een man die twee vrouwen getrouwd
heeft, de ééne , \'t zy om haare fchoonheyd,
óf om eenige andere reden, meer geneegenheyd
toedraagt dan de andere ; en dat als de zoon
der fcne welke hy minft bemint, hoewel hy
iono-er zy dan de zoon van haar welke hy niinft
iieflieefc , by hem aanhoud om het eerftge-
boorteregt, opdat hy ^ólg^^J ^e wetten,
die ik u gegeeven heb , een dubbeld erfdeel
hebbe , zo moet men hem zulks niet toe-
ftaan ; omdat het niet billyk is dat het ongeluk
der moeder van minft van haaren man bemind te
zyn, het eerftgeboorte recht, dat haaren zoon
van natuure toekomt, zoudebenaadeelen.
Indien iemand eene dóchter, die aan eenen an-
deren verloofd is, zal ontèerd hebben, en dat
het met haare bewillinge gefchied is, zullen zy
beyde geftraft worden, als zynde fchuldig, de
man omdat hy haar bepraat heeft om een eer-
loos vermaak boven een wettig huuwelyk te
ftellen ; en zy omdat ze óf door gewinzucht,
óf uyt een fchandelyke luft , zich aldus tót
ontucht overgegeeven heeft.
Die eene dóchter fchendt welke hy alleen
aantreft, zo dat niemand haar tehulpekonko-
men, zal met den dood geftraft worden.
Die eene onverloofde dóchter beflaapt, zal
gehouden zyn haar te trouwen , ot vyttig fi-
kelen aan haaren vader te betaalen , zo hy haar
aan hem niet ten huuwelyk geeven wil-
Iemand die zich om eenige oorzaak van zyne
vrouw wil fcheyden , gelyk zulks dikwils ge-
beurt , zal haar by gefchrifte belooven dat hy
haar nooit zal weder eyfchen , opdat zy vry-
heyd hebbe te hertrouwen ; en men zal op gee-
ne andere voorwaarde eene echtfcheyding toe-
ftaan. En indienzy daarnaa aan eenen anderen
cretrouwd zynde , die tweede man haar quaalyK
handelt, óf komt te fterven , en dat de eerfte
haar weêr wil neemen, zal zulks echter met
moogen gefchieden. a t
Dait. .5- Indien een man zonder kinderen fterft, zal
zyn broeder de weduwe moeten trouwen; en
zo hy eenen zoon by haar krygt, zal hy hem
d en naam des overleedenen geeven , en hem als
deszelfs erfgenaam aanmerken : Want het is
dienftig voor \'t Gemeenebeft dat het goed door
dat middel in de geflachten bewaard worde,
en \'t zal der weduwe eene trooft zyn , met ee-,
nen perfoon , die haaren man 20 na beftondt
te leeven. Byaldien nu de broeder des over-
leedenen haar weygert te trouwen, zal zyvoor
Deut,
Dcvit,
iV. Boek.
den Raad gaan verklaaren dat het aan haar niet
geftaan heeft , dat zy niet inhaars mans ge-
flacht gebleeven is , en kinderen aan \'t zelve ge-
geeven heeft; maar dat haar zwager , met wien
zy gewillig was te trouwen , der gedachteniffe
zyns broedersdie fmaad aangedaan heeft van haar
niet te begeeren. En wanneer de Raad hem
ontbooden , en de réden daaraf gevraagd zal
hebben , en dat hy \'er een geeft, \'t zy dat die
goed óf quaad is , zal zy éénen van deezen
fchoonbroeders fchoenen uyttrekken , en hem
in \'t aanzigt fpuuwen, zeggende dat hy die fchan-
de verdient, omdat hy der gedachteniflê zyns
broeders zulken grooten hoon aangedaan heeft.
Aldus zal hy met deeze kladde , die hem al
zyn leeven zal aanhangen , uyt hetRaadhuys
gaan ; en de vrouw zal moogen trouwen met
wien \'t haar goed dunkt.
Indien iemand in den oorlóg een dóchter, Deut. at.
maagd óf getrouwde , genomen heeft, en met
haar een huuwelyk wil aangaan, moet men haar
eerfl: het haair affcheeren, en zy een rouwkleed
aantrekken, om haare vrinden en maagen, die
in \'t gevecht gefneuveld zyn, te beweenen; ten
eynde zy haare droefheyd voldaan hebbende,
re onbelemmerder van geeft kan zyn op haar
bruylófts feeft. Want het is billyk dat iemand
die eene vrouw neemt om\'er kinderen bytè tee-
len , eenige toegeeflykheyd ontrent haare recht-
maatige Zucht betoone , en zich niet zo door
zyn vermaak laate vervoeren , dat hy daar niet
eens op denkt. Dóch naa eene rouw van der-
tig dagen, \'t welk een genoegzaame tyd is voor
wyze lieden, om hunne nabeftaande en vrinden
te beweenen , zal \'t geoorlóft zyn bruylóft te
houden. En indien die man, naa zyne luft ge-
boet te hebben , die vrouw komt te verachten,
zo zal \'t hem niet vry ftaan haar voor flaavin tc
houden; maar zy zal vry en vrank zyn, om te
gaan waar zy wil.
Indien \'t gebeurt dat \'er kinderen zyn die hun- Deut. 17.
nen ouderen geen behoorlyke eere geeven, maar
hen verachten en moedwilliglyk bejégenen, dan
zullen die ouders , welke de natuur tót rechters
over hen gefteld heeft, zodaanig eenen voor-
houden : â Dat toen zy trouwden , zy zulks â
niet deeden uyt welluft , óf uyt eene begeer- â
te om hunne goederen te vermeerderen, maar,,
om kinderen te teelen die hen in hunnen ou- â
derdom zouden konnen by ft aan : DatGód,,
hen die gegeeven hebbende , zyze metblyd- â
fchap en dankzegginge ontvangen , en hen â
met alle vlyt opgevoed hadden , zonder ee-
nige kóften t\'hunner onderwyzinge te fpaa- ,,
ren j waarby zy deeze woorden konnen voe- â
gen: Maar dewyl men de jongheyd een wey- â
nieje moet toegeeven, zo laet het u genoeg â
zyn, myn zoon, datgy^tothiertoezoquaa- â
lyk in uwen pligt gequeeten hebt: kom tót een â
inkeer, word wyzer, en gedenk dat Gód het â
leed , dat den genen aangedaan wordt van â
wien men\'t leeven ontvangen heeft, aanmerkt â
als óf\'t hem zeiven bejegend waare , omdat â
hy de algemeene vader van alle menfchen â
is ; en dat de wet een onvergeeflyke ftraffe â
daarop ftelt j AVelke my j animeren zoud indien â
ze u te beurt quame te vallen." Indien de zoon
naa zodaanig een vermaaning zich betert, moet
men
O S E P H U S
9S
dubbeld , dóch zo hy die boete niet opbrengen
kan , zal hy voor flaaf moeten dienen.
Indien een Hebreer aan eenen anderen He-
breer verkóft is , zal hy zes jaaren in zynen
dienft blyven, maar in het zevende jaar in vry-
heyd gefteld worden. Indien hy in \'t huys van
zynen meefter woonende met eene flaavin ge-
trouwd is, en\'er kinderen by geteeld heeft, en
dat hy uyt eene geneegenheyd tót dezelve liever
met hen in flaaverny wil blyven , zal hv in
\'tjubeljaar, datishetvyftigfte, met zyne vróuw
en kinderen in vryheyd gefteld worden.
Indien iemand eenig goud óf zilver op den Deut. tu
weg gevonden heeft, zal hy door een uytroe-
per de plaats daar hy \'t heeft gevonden, doen
bekend maaken, om het te konnen wedergeeven
aan den geenen die\'t verlooren heeft, doordien
men uyt eens anders fchaade zyn voordeel niet
trekken moet. Het zelfde zal men ook doen, zo
men eenig vee in de woeftyne verdwaald gevon-
den heeft 3 en zo men niet kante weeten komen
wie\'er de eygenaar van zy , zal men \'t moogen
behouden, naa Gód tót getuyge genomen te heb-
ben dat men ganfch geen voorneemen gehad
heeft zich eens anders goed toe te eygenen.
Wanneer men eenig laftbeeft , dat in de flyk
blyft fteeken , ergens aantreft, moet men het
daar uy thelpen, als óf\'t zyn eygen waare.
In plaats van iemand die verdwaald isrebe-
Ipótten , en zich over zyn ongeval te verheu-
gen , moet men hem weder op den rechten weg
&engen.
Men moet nooit quaad fpreeken van eenen
dooven , óf van iemand die afweezend is.
Indien iemand in een krakkeel eenen anderen
flaat, zonder eenig fcherp geweer daartoe te
gebruyken , zal hy geftraft worden met zo veel
flagen als hy gegeeven heeft: Dóch zo de ge-
quetfte eenen langen tyd naa dat hy de wonde ont-
vangen heeft komt te fterven, zal hy niet als een
doodflager geftraft worden : en indien hy \'er
van opkomt, zal degéne die hem gequetft heeft
alle de kóften en \'t meefterloon moeten betaa-
len.
Zo iemand eene zwangere vrouw met devoet
fchopt , en dat zy een mif kraam krygt, zalhy
eene geldboete aan haar, en een andere aan haa-
ren man, moeten uytkeeren, omdat hy daardoor
het o:etal des vólks verminderd heeft, beletten-
de een\' menfch ter werreld te komen. Dóch
zo de vrouw van den ftoot fterft, zal hy met
den dood geftraft worden , doordien de wet
vereyfcht dat die eenen anderen het leeven be-
neemt het zyne verlieze.
Al wie bevonden zal worden vergift by zich
te, hebben, zal met den dood geftraft worden j
omdat het billyk is dat hy het quaad lyde , het
welke hy eenen anderen wilde aandoen.
Indien iemand eenen anderen van zyn gezigt
berooft, zal men hem de oogen uytfteeken,
vermids het rechmaatig is dat hy gehandeld
worde gelyk hy gehandeld heeft, \'t en waare de
blinde liever met geld wilde voldaan zyn , het
W\'elk de wet t\'zyner keure ftelt.
De meefter van eenen ós die ftootfch is , is
verpligt hem te dooden. Indien de ós iemand
ftoot dat hy\'er van fterft, zalhy aanftonds met
vyf- fteenen dood gegooid worden, en men zal van
\' zyn
JOODSCHE HISTORL
IV. Boek.
men hem de mifllagen , welke hy eer uyt on-
kunde dan uyt quaadaardigheyd begaan heeft,
vergeeven ; en men zal aldus de wysheyd des
Wetgeevers pryzen , en de vaders zullen ge-
lukkig zyn dat zy hunne kinderen de ftraffe,
welke de wetten beveelen , niet zien lyden.
Maar indien deeze wyze berifping te vergeefs
is , indien de jongeling in zyn ongehoorzaam-
heyd volhardt, en door moedwil tegens zyne
ouderen voortgaat met de wetten te overtree-
dan, dan zal men hem buyten de ftad leyden, al-
waar men hem in \'t gezigt van al het vólk zal
fteenigen > en naa dat zyn lighaam den gan-
fchen dag in \'t openbaar ten toon zal gelegen
hebben, zal men het des nachts begraaven.
Dcut. 13. Het zelfde zal men ook in acht neemen on-
trent alle die ter dood verweezen worden : en
men zal zelfs onze vyanden begraaven j want
geen doode behoort zonder begraavinge te bly-
ven , omdat zulks een al te ruyme uytftrek-
king der ftraffe zoude zyn.
\'t Zal geenen Ifraëlyt geoorlófd zyn eenig
geld, óf fpyze , óf drank op woeker uyt te
leenen , omdat het niet billyk is uyt de armoe-
den der gener die van onze landaard zyn , ons
voordeel te zoeken j maar men moet het voor
een geluk achten hen by te ftaan , verwachten-
de belooning daarvoor van Gód. Dóch die
geld , óf vruchten , \'t zy drooge óf vochtige,
te leen ontvangen hebben, behooren, wanneer
Gód hen de genade van een goed gewas ver-
leent, dezelve weder te geeven, en dat met ge-
lyke blymoedigheyd als toen zy die ontvingen j
omdat zulks de weg is om weêr gehulpen te
worden , als men andermaal tot gebrék ver-"
valt.
Deat, M\' Byaldien nu de fchuldenaar zich niet fchaamt
zyne fchuld onbetaald te laaten , zo mag de
fchuldëyfcher daarom niet t\'zynen huyze gaan
om pand tót verzékeringe te neemen j niaarhy
moet wachten, tótdat het Gerecht zulks be-
veelt ; en dan mag hy \'t gaan eyfchen, zonder
nógtans in zyn huys te treeden: en de fchulde-
naar zal gehouden zyn het hem terftond te gee-
ven , omdat het niet geoorlófd is zich tegen
iemand , die met de byftand der wetten gewa-
pend komt, aan te kanten. Indien dan de fchul-
denaar in een goede gelegenheyd is, zal de
fchuldheer het pand moogen behouden tót dat
het geleende aan hem voldaan zal zyn : maar
indien hy arm is , moet men \'t hem wedergee-
ven eer de zon ondergaat, voornaamelyk zo
\'t een kleed zy , opdat hy \'er zich\'s nachts meê
dekken kan j want Gód heeft medelyden met
de armen. Dóch men zal geenen meulenfteen,
nóch iets dat tót eenen meulen behoort, te
pande moosen neemen , opdat men de elende
der armen niet verzwaare , door hen het middel
hunner kóftwinninge te beneemen.
Iemand die eenen menfche fteelt, zal met
den dood geftraft worden. En die goud óf
zilver fteelt, zal het dubbeld moeten weder-
geeven.
Die eenen huysdief, óf eenen die door den
muur van zyn huys inbreekt om te fteelen, dood
flaat, zal niet geftraft worden.
Die eene beeft fteelt zal de waarde daarvan
vierdubbeld betaalen, en zo \'t een ós is ,
US lOSÃPHUS
doodflagers der kinderen zyn welke zy mog-
ten geteeld hebben, zo hebben zy die daad niet
konnen begaan , zonder alvoorens de zuyver-
heyd huns gemoeds bezoedeld te hebben ; de-
wyl het buyten twyfel is , dat indien het niet
verwyfd geweeft waare, zy hun lighaam niet in
zulk een ftaat zouden gefteld hebben dat men
^n niet hooger als vrouwen aanmerken kon.
Omdat men derhalve alles wat tegen de natuur
IS als een wanfchepfel moet verwerpen , zo
moet men geen menfch nóch beeft van eenig te-
ken zyner kunne berooven.
3, Deeze zyn de wetten v/elke gylieden ver- â 172.
phgt zult zyn geduurende de vre?de te onder- "
houden, opdat Gód u gunftig zy , en niets ,T
die zou moogen ftooren : en ik bid hem dat â
ny nooit toelaate dat menze affchafFe om an-
dere in haare plaats te ftellen. Maar omdat "
het onmoogelyk is dat\'er zelfs in de allerge- "
regeldfte Staaten geene beroerten ontftaan,
en dat de menfchen niet onverhoeds óf vry- "
wilhg in eenig ongeluk vervallen, is het noo-
dig dat ik uheden eenigen raad daarvoor â
geeve ; ten eynde gy door zulke voorvallen â
met overrompeld wordt, maar bereyd zyt,
tot het gene u te doen ftaat. Ik wenlbh dat
als gyheden door Góds byftand en uwen ar- â
beyd , het land dat hy voor u gefchikt heeft â
zult verkreegen hebben, gy het in vreedeen â
volkómene rufte bezitten\'moogt j dat gy \'ér â
nóch door de poogingen uwer vyanden,
nóch door inlandfche verdeeldheden gé-"
lloord moogt worden j en dat in plaats van
de wetten en den wandel uwer vaderen te â
verlaaten , om andere die \'er tegen ftrydig "
zyn te omhelzen, gy onverzettelyk in deon- â
derhoudinge der gener welke Gód u gegee- â
ven heeft , blyven moogt. Maar indien gy- â
lieden óf uwe naakómehngen u genoodzaakt
vindt^om kryg te voeren , dan wenfch ik van
ganfcher harte dat het nooit in uw eygen,,
land zy : en in zulk een gevalle moet uw â
eerfte begin weezen , krygsbooden aan uwe â Da,t. .0
vyanden te zenden , om te verklaaren dat â
hoewel gy fterk zyt zo in ruytery als voet- â
volk , en dat gy Gód tót uwen befchermer, â
en tót aanleyder uwer krygsheiren hebt, o-y
echter liever niet genoodzaakt woudt zyn â
om tót de wapenen te komen, omdat gy
ganfch geen begeerte hebt om iets daardoor â
te winnen. Indien zodaanig een aanfpraak â
hen overreedt om in vreede met ulieden te
blyven, is het beter die niet te breeken
maar indien zy zulks verfmaaden , en niet,,
fchroomen u eenen onrechtvaerdigen oorlóo-
aan te doen, trekt dankloekmoediglyktegeS
hen op , neemende Gód tót uwen Veldóver-
ften, en den wyften en eervaarenften uwer
Hoofdheden om te gebieden onder hem: want
demeerderheyd van Hoofden die een gelyk o-e-
zag hebben , is in plaats van voordeelig ,
veeltyds fchaadelykj door de vertraaging die
zulks in \'t uytvoeren der aanflagen veroor
zaakt. Belangende de fóldaaten , nien be
hoort de dapperfte en fterkfte uyt te kiezen
zonder dat men\'er de bloode onder menge
dewyl die in plaats van u nuttelyk te zyn
zulks aan uwe vyanden zouden weezen
door
9Ã, F L A V I U S J
zyn vlcefch niet eeten : en indien het blykt dat
de meefter de quaadaardigheyd van zynen ós
geweeten, en \'er geen zórg voor gedraagen
iieeft 5 zal hy met den dood geftraft worden,
omdat hy de oorzaak is dat zyn ós iemand ge-
dood heeft. Dóch indien de gedoode een flaaf
IS 5 zal de ós wel gefteenigd worden , maar zyn
meefter zal met dertig flkelen aan den heer van
den flaaf te betaalen vry weezen. Zo\'t gebeurt
dat de ééne ós den anderen doodt, zullen zy
beyde verkóft, en de prys daarvan onder hun-
ne meefters verdeeld worden.
Iemand die eenen put óf groeve graaft, moet
wel zórg draagen dat hy die bedekke , niet
om iemand de vryheyd van water te fcheppen
te beneemen , maar om te beletten dat men \'er
invalle : en indien door gebrék van zulks
bevolen te hebben , eenig beeft daar invalt en
fterft, zal hy gehouden zyn den prys aan den
eygenaar daarvan te betaalen : Ook moet men
leuningen rondom de daken van de huyzen
maaken , opdat niemand daar afvalle.
Degéne dien iets te bewaaren gegeeven is,
zal het als een geheyligde zaak onder zich hon-
den 5 en \'t aan geenen menfche moogen geeven,
wat men \'er hem ook voor zou moogen aanbie-
den : want al was \'er geen getuyge van , nóg-
tans behoort hy op \'t getuygenis alleen van zyn
geweeten acht te hebben, en te denken dat Gód
door de boosheyd en liften der menfchen niet
bedroogen kan worden. Dóch indien de be-
waarder het vertrouwde buyten zyne fchuld
verheft, zal hy by de zeven Rechters (hier
vooren gemeld} gaan , en in hunne tegenwoor-
digheyd Gód met eede tót getuyge neemen,
dat hy geen hand in die dievery gehad , nóch
een gebruyk van eenig gedeelte van \'t aanver-
trouwde gemaakt heeft 3 cn alzo zal hy vry zyn:
Maar zo hy \'er flechts iets van gebruykt heeft,
zal hy \'t geheel moeten wedergeeven.
Men moet zeer ftipt Z}m in\'t betaalen van het
dagloon dat een arbeyder in \'t zweet zyns aan-
fchyns heeft verdiend , denkende dat Gód aan
de armen, in plaats van landeryen, leden geo-ee-
ven heeft om hunne kóft tewinneii: en daarom
moet men de betaaling niet tót den vólgenden
dag uy tftellen, maar hen die den zelfden dag gee-
ven, omdat Gód niet wil dat zy, door mangel
van hun verdiende geld te ontvangen, gebrék
Zouden lyden.
Men moet de kinderen niet ftraffen om de
monden hunner vaderen, omdat indien ze vroom
zyn , zj waerdig zyn beklaagd te worden dat
ze van ondeugende ouders gebooren zyn , en
geenfins om derzelver ondeugden behooren ge-
haat te worden. Infgeiyks moet men den vade-
ren \'t gebrék hunner kinderen niet wyten, maar
zulks hever toefchryvenaanhunnenquaadenin-
borft 3 die hen de goede onderwyzingen, wel-
ke zy hen gegeeven hebben, heeft doen ver-
achten en verwerpen.
Men moet een affchuuwen hebben van zo-
IV. Boek.
ïêf\'
B,
i m
j\'-e?. 6.
i-: i
ll-il
53
33
33
33
33
33
33
33
1:1«
ili\'.
daanige die zich vry wilhg hebben laaten fnyden,
cn daardoor het middel \'t welk Gód hen tót
voortteehngeder menfchen gegeeven heeft, ver-
looren hebben; want behalve dat zy zo veel als in
hun vermoogen was getracht hebben het getal
daarvan te verminderen , en dat zy eenigfins de
33
33
I3 33
\'3 33
33
5 33
IV. BOEK. JOODSCHE
5, door te vlugtcn als \'t op een vechten gaat.
â Men zal degénen die een huys gebouwd
hebben niet noodzaaken ten oorlóg te gaan,
voor dat zy\'er een jaar in hebben gewoond j
nóch zulke die eenen wyngaard geplant heb-
ben , voor dat zy\'er vruchten van hebben be-
â komen j nóch ook de nieuwgetrouwde man-
â nen, opdat de begeerte van zich te behoe-
den , om \'t gene hen lief en waard is te
genieten, hen niet al te zórgvuldig voor hun
leeven maake.
âOnderhoudt in uwe legers eennaauwkeuri-
ge krygstucht, en als gy heden eene plaats zult
belégeren, en hout van ooode hebt tót ftórm-
gereedfchappen , zo wacht u van vruchtboo-
â men om verre te houwen , omdat Gód die
â tót nut der menfchen gefchapen heeft, en
j, dat zy, zo ze konden fpreeken en van plaats
3, veranderen, over het leed dat gy hen zonder
,3 oorzaak aandoet, klaagen , en zich elders
â verplanten zouden.
â Wanneer gy lieden overwinnende zyt,doodt
5, dan degénen die u in het gevecht wederftand
â bieden 3 maar verfchoont de andere om hen
â cynsbaar te maaken , uytgenomen de Kanaa-
â niten, welke gy ganfchelyk uytroeijen zult.
22. 35 wel toe , vooral in den oorlóg , dat
j, geene vrouw zich als een man, óf geen man
,, zich als eene vrouw kleede."
Deeze zyn de wetten welke Mofes onzer
landaard naagelaaten heeft} ook gaf hy haar
die welke hy veertig jaaren te vooren gefchree-
ven had , en waarvan wy elders zullen fpree-
ken.
174. Deeze ujtmuntendc man deed het vólk op de
Dcuc. 30, vólgende dageninfgelyksby een komen, verzócht
^^\'met yverige gebeden van Gód dat hy hen be-
liefde by te flaan, indien ze zyne heylige wetten
onderhielden, en fprak eenen vloek uyt over zo-
daanige die daarin naalaatig zouden zyn. Voorts
las hy hen eene lófzang voor , welke hy in zes-
voetige vaerzen had tzamengefleld, waarin hy
de zaaken die hen befchooren waaren , voor-
zeyde , van welke een gedeelte reeds vervuld
is , en de refl wordt nóg vervuld , zonder dat
men\'er iets , dat niet met de waarheyd over-
eenkomende is , in kan befpeuren. Dit heylig
boek , midsgaders de Arke , in welke de twee
tafelen der wet waaren , gaf hy den Priefteren
in bewaaringe , en beval hen de zórg des Ta-
bernakels.
175. Hy beval den vólke dat wanneer zy in be-
zittinge van het land Kanaan zouden gekomen
zyn, zy des ongelyks , dat dé Amale&en hen
hadden aangedaan, zouden indachtig weezen,
en hen den oorlóg aandoen, om hen te ftraf-
fen, gelyk zy verdienden, voor hetfmaadelyk
gedrag waarmede zy hen in de woeftyne be-
jegend hadden.
Deut. 27, Hy belafttc hen ook , dat naa dat zy \'t ge-
melde land zouden veroverd , en alle de inge-
zétenen aan \'t zwaerd opgeófferd hebben , zy
dicht by de ftad Sichem eenen altaar na \'t Ooi-
ten , hebbende de bergen Garifim ter rechter,
en Gibal ter flinkerhand , zouden oprechten :
dat men vervólgens het ganfche leger in twêën
zou deelen 5 dat men zes ftammen öp den
«énen berg 3 en zes op den anderen zou doen
H I S t O R 1.
gaan ; en dat de Priefters en Le viten zich ins-
gelyks eenpaariglyk op die twee bergen verdee-
en zouden. Dat dan degéne die op den bero-
Garifim waaren , Gód zouden bidden dat hy
zodaanige, die de wetten, welke hen door Ivlo-
fes waaren gegeeven
hielden, wilde
3>
3ï
))
gódvruchtiglyk onder-
^ , , Zégenen. Dat degéne die op
den berg Gibal waaren , dat verzoek door hun
gejuygh zouden bekrachtigen , en op hunne
Deurt dezelfde zégeningen uytfpreeken 5 waar-
op de andere door diergelyk een geroep van
blydfchap zouden antwoorden. En eyndelyk
dat zy de ééne naa de andere in dezelfde órde
allerley vervloekingen tegen de fchenders van
Góds wet uytfpreeken zouden. Mofes deed alle
die zegens en vloeken opfchryven, en omze te
beter in geheugeniflè te houden , op de twee
zyden van dien altaar graveeren , en liet den
vólke toe alleenlyk dien dag tót denzelven te
naderen , en \'er brandóffers Pp te ófferen
\'c welk anders vólgens de wet verbooden was!
Deeze waaren de inzettingen die Mofes deii
Hebreen gaf, en welke zy nóg hedensdaags
onderhouden. ^
Den vólgenden dag deed hy al \'het vólk tza-
men komen , begeerende dat ook de vrouwen Deut. \'25.
en kinderen, ja zelfs de ftaaven , zich daar
zouden laaten vinden j en hy deed hen alle
zweeren , dat zy onfchendelyk , en vólgens
Góds wille , alle de wetten welke hy hen van
zynent wege gegeeven had, zouden onderhou-
den , zonder ter oorzaake van vermaagfchap-
pinge , nóch door gunfte nóch door vreeze,
nóch uiyt èenig ander inzigt ^ die te oVer-
treeden : en indien etlyke hunner maagen , óf
eenige fteden , zouden beftaan iets daar tegen
te doen, zy alle gezamentlyk dezelve met
kracht zouden handhaaven, en dat zy , als zé
die gódloozen overwonnen hadden , de fteden
tót den grond toe zouden uytroeijen , zonder
dat\'er eenig fpoor van overbleef Maar byal-
dien zy niet fterk genoeg waaren om hen te
overweldigen en te ftraffen, dat zetenminfteri
zouden betuygen eenen affchrik van hunne gód-
loosheyd te hebben. Hierop beloofde al \'t
vólk met eede dit alles tc zullen onderhouden.
Daarnaa onderrechtte Mofes hen op wat wy-
ze zy hunne ófferanden moften doen , opdat
ze Gode te aangenaamer mogten zyn 5 en hy
beval hen dat zy zich in geenen oorlóg zouden
wikkelen , voor dat zy uyt de buytengewoone
glans der gefteenten op den borftlap des Hoo-
genpriefters zouden bemerkt hebbeii dat Gód
hunne onderneeming goedvond.
Alstoen voorzeyde Jofua door den geeft- der 177
profecye, tferwyl Mofes nóg leefde , en zélfs
in zyne tegenwoordigheyd , alles Y/at hy tót
nut des vólks zoude doen , ^t zy in den oorlóg;
door de w^nen, óf in vreede door\'tinftellen
van goede en heylzaame wetten : hy vermaan-
de hen zórgvuldiglyk de manier van leeven die
hen^olen was naa te komen ; en zeyde dat
Gód hem geopenbaard had, dat indien zy van
de gódvruchtigheyd %nner viderenafweeken,
zy in allerley ongelukf en zoiiden ftorten ⢠dat
hun land uydieemft:he vólken ten roof zoude
worden; dat hunne wanden hunrie fteden zou-
den verdelgen , hunnen Tempel verbranden,
N hm
3 b
35
3>
3)
33
33
-m
FLAVIUS JOSEPHUS
IV. Boek.
5)S
hen in flaaverny voeren j en dat zy onder een
jammerlyke dienftbaarheyd zouden zuchten,
vermids zy onmeèdoogende menft:hen tót mee-
fters hebben zouden : dat zy dan, maar al te
laat, berouw van hunne ongehoorzaamheyden
ondankbaarheyd zouden hebben: dóch dat de
onëyndige goedheyd Góds nógtans niet laaten
zoude de fteden aan hunne oude inwoonderen,
en dien Tempel aan zyn vólk weder te geeven 3
"t welk niet alleenlyk eens, maar verfcheyden-
maal zou gebeuren
178. Mofes beval toen aan Jofua dat hy het heir
Deut. 31. {.gggj^ de Kanaaniten zoud aanleyden, verze-
\'"\'^\'^^â¢kerde hem dat Gód hem in die onderneemmge
zoude byftaan, wenfchte het vólk alle geluk
en voorfpoed, en fprak\'t aldus aan: â Nade-
maal Gód beflooten heeft heden myn leeven
te eyndigeii, en dat ik tót myne vaderen gaa,
is het billyk dat eer ik fterve, ik hem in ulie-
der tegenwoordigheyd danke voor de ÃÃrg
â welke hy voor u gedraagen heeft, verlóflende
ulieden niet alleenlyk van zo veele onheylen,
maar u met veele goederen overftortende: als-
mede dat hy altoos in de moeijelykheden,
welke ik t\'uwen voordeele heb uytgeftaan,
myn byftand geweeft is. Want hy alleen is \'t
aan wien gy het begin en de volëyndiging van
uw geluk verfchuldigd zyt: ik ben\'er maar
de bedienaar van geweeft, en heb flechts zy-
ne bevélen uytgevocrd j en \'t zyn de uytwer-
kingen zyner almagtigheyd, waarvoor ik
,, hem niet genoeg kan danken, en bidden dat
âhy daarmede volharde. Ik quyt my dan
â van deeze pligt, en bid ulieden dat gy zulk
â een diepe eerbiedigheyd jegens Gód, en zulk
j, een ontzag voor zyne wetten in uwe geheu-
â genis prentet, dat gy die altoos aanmerkt als
â de grootfte van alle gunften welke hy u reeds
3, beweezen heeft, óf die gy ooit van hem zoudt
â konnen ontvangen. Byaldien een Wetgeever,
5, fchoon maar een menfch zynde, niet dulden
kan dat men de wetten j diehy mgefteld heeft.
ÃÃ
3Ã
5>
Ã3
53
33
33
33
33
33
33
33
33
5:3
â vcrwaarlooft, maar zodaanig een verachting
â met alle zyne magt wreekt j oordeelt dan eens
3, hoedaanig de toorn en verbólgcnheyd Góds
33 zal weezen, indien gy naalaat de zyne. te
â onderhouden: Maar ik bid hem van ganfcher
,, harte niet toe te laaten dat u \'t ongeluk over-
â kome van zulks te beproeven.
Naa dat Mofes aldus gefprooken had, voor- ^79\'
zeyde hy aan een iegelyke ftam wat haar ftondt
te wedervaaren, en wenfchte haar duyzend ze-
geningen. Alle deeze groete menigte kon haa-
re traanen niet langer inhouden j mannen, vrou-
wen, groot, enfleyn, betuygdengclykcrhand
hunne droefheyd om het verliezen van zulk een
uytneemend Opperhoofd j ja zelfs de kinderen
fmolten in traanen , dewyl zyne uytmuntende
deugd zelfs by dien téderen ouderdom niet on-
bekend kon zyn. Belangende degénen die tót
hun behoorlyk verftand gekomen waaren, fom-
mige beweenden de grootheyd van hun verlies
voor het toekomende , en andere beklaagden
zich dat zy niet genoeg begreepen hadden
wat een geluk het voor hen was zodaanigen
Leydsman te hebben, en dat zy \'ervan beroofd
wierden nu zy \'t begonden te kennen. Maar
niets gaf een krachtiger blyk van hunne droef-
heyd , dan \'t gene dien grooten Wetgeever
zeiven wedervoer : want hoewel hem genoeg
bewuft was datmen het uur des doods niet moft
beweenen , omdat die niet dan door Góds wil-
le , en vólgeas de onvermydelyke wet der Na-
tuure komt, echter wierdt hy door de traanen
Van al het vólk zo ontroerd, dat hy zelf zich
van weenen niet bedwingen kon. Thans ging Dcut.^.
hy na de plaats daar hy zyn leeven ftondt te
eyndigen , en de ganfche menigte vólgde hem
met gezucht. Hy wenkte de verfte met zyne
hand dat zy zouden ftaan blyven, en verzócht
degénen die dichtft by hem waaren datzy hem
niet meer zouden bedroeven , door hem met
zulke klemmende blyken van toegeneegenheyd
te vólgen. Om hem dan te gehoorzaamen hiel-
I
i ;
den
IV. Boek. JOaDSGHE
den zy^ ftil, en beklaagden gezamentlyk hun
ongeluk wegens zulk len groot en algemeen
verlies. De Raadsheeren , Eleazar de Hoo-
gepriefter, enjoftia de Veldoverfte, waaren de
?enigfte die hem verzelden Toen hy op den
berg Abar, die tegen over Jericho legt, en zo
hoog is dat men vandaar het gf^^^^^e land Ka-
naan ziet, gekomen was^, gafhy affcheyd aan
den Raad, omhelfde Eleazar en Joftia, en
zeyde hen vaarwel: en terwyl hy nog Tprak
oiiingde hem eene wolk, waardoor hy m een
dal o-evoerd wierdt. De Heylige boeken wel-
ke hy ons naagelaaten heeft, zeggen dat hy
ftierf- want hy vreesde dat men gelooven mogt
dathy wegens de uytmuntendheyd zyner deug-
den leevendig in den Hemel opgenomen was.
Op ééne maand n4 heeft hy van de honderd
twintig jaaren , welke hy geleefd herft, veer-
tig in de regeeringe van dit groot volk , waar-
over Gód hem het beftier gegeeven had, door-
crebragt : en hy overleedt op den eerften dag
der laatfte maand van \'t jaar ,-^welke de M
d^niërs Dyftros, ende Hebreen Adar noe-
"^^Nooit heeft eenig menfch in wysheyd dien
doorluchtigen Wetgeever konnen opweegenj
HIST0RI. ^^
nooit heeft iemand zo wel als hy geweeten ^al-
toos het befl:e beftuyt te neemen , _en\'t zelve
uyt te voeren ^ en nooit is iemand in den om-
megang met eenig vólk , zo om het te regee-
ren , als om het door klem van woorden te
overreeden , by hem te vergelyken geweeft.
Hy was altoos zodaanig meefter yan zyne
hartstógten , dat het fchèen als óf hy \'er vry
van was, en\'er geen andere kennis van had dan
door de uyt werkinge welke hy daarvan in an-
dere befpeurde. Zyne krygskunde ^n hem
ftellen onder den rang der grootfte Oorlogs-
helden ,- en niemand anders heeft de gaave^der
profecye in zulk een hoogen graad gehad:
want zyne woorden waaren als orakelen , en
\'t fcheen als óf Gód zelf door zynen mond
fprak Het vólk beweende hem dertig dagen,
^ nooit had Wg verlies hen f
van "hem te kennen 5 maar ook vai^i zodaanige
die de uytfteekende wetten ,-^welke-^hy ons naa-
gelaaten heeft, gezien hebben, omdat de hey-
ligheyd , die men\'er in befpeurt , niet toelaat
aan de uytmuntende deugd diens Wetgeevers
eenigen twyfel te flaan. I
JOODSCHE
h i s t o r \'i.
V Y F D E BOEK. ./ ;
eerste hoofdstuk.
Jofua palTeett met zyti heir den Jordaan door een mirakel; cn neemt
Jericho in, alwaar Rahab met dc haare aUeen behouden wordt.
De Ifraëliten worden geÃagen door die yan Am wegens de zonde
van Achan , en ver6vercn die ftad naa dat hy geftraft was. Lût
der Gabaoniten om een verbond met dc Hebreen aan te gaan, de-
welke hen te hulpe komçn tegen den Koning van Jerufalem , cn
vyf andere Koningen die al e gedood worden. Jofua verflaat
veele andere Köningen, recht den Tabernakel te Silo op , verdeelt
het land Kanaan onder de ftammen , eû zendt jdie va^Ruben,
Gad , en de halve ftam van Manaffc tc .ugge. Dcczc ft.mmcn
weder over den Jordaan getrokken zynde rechten eenen aUaar op
Twelk eenen oorlóg fcheen te zullen veroorzaaken. De dood
van Jofua\', en aen Hoogenpriefter Eleazar.
WY hebben in het voorgaande boek gezien
hoedaanig Mofes uyt het gezelfchap der
menfchen weggenomen wierdt : Naa dat men
W nu de laStfte pligten beweezenhad, enc^e:
t^der rouwe voorby was , beval Joftia aan ak
Ve Ve troepen zich gereed te houden , ^zondt
cen^c on/jerieho, en de geftdtenis der^.
woonderen te verfpjeden, en trok met het heiL
voort om den Jotdaan te paffeeren^ Verm^^^
j n. van Ruben, Oad , en de
men aan de ftammefl van der Amoriten , het
halve van Manaue net lan" " . ^ â _
welk een zevende deel van dat van
géseeven had , vertoonde hy
óferften-de zórg die Mofes tótaanzynendo^
nen > ,als om het alÃi^eene nuts
vondt hen zo bereyd , dat zy vyftigduyzenü
ï^n vcrlchafteii PaaropW hyv^nAbi-
la zeftig ftadiën vóórt nx jlcn Jordaan. Al-
hier quamen die , wéfehy-o? kundfchap uyt-
gezondenhad, hem béfeheyd brengen, dat de
Kanaaniten niets wankouwden , cn hen voor
vreemdehngen , die \'^t nieuwsgierigheyd in
hun land waaren gekomen-, \'aangeziejï|iadden;
dat zy dé:ftadophun:gêitiak., zjmdéf vanie-
%and belë6%^©fde^HraEddenbefa en
i8o.
Jof. I.
aangemerkt waar de muuren fterkft , en waar
ze zwakft waaren j en welke poorten men \'t
semaklykft zou\'konnen Jnneemenj^
?ich t4ens den avondin eene herberg dicht
hv dè ftadswal, alwaar, zy, reeds geweeft waa-
bej^ei^ f^^ toen zy naa \'t
avondmaS ^^eh gereed^naakten om t^
ken , men den Koning aangediend had dat \'er
mannen door d^ :HebEeeïi iiytgezonden waaren
om de ftad te iefpiedeh, en dat ze tót Rahabs
int^egaan waaren met voorneemen om zich hey-
mS^ weg te maaken. ^at die Vórft daarop
eenig vólk, gezonden had om hen te vangen,
en ter fcherpe vtaage te brengen óm hen te
doen klappen, - maar dat Rahab hen onder de
vlasbosjes , welke zy langs de muur te droogen
l^de , verfchoolen, en tót degénen die van
den Koning gezonden waaren gezegd had, dat
^et wel waar was dat eenige vreemdelingen,
welke zy nógtans niet kende , tót haarent ge-
geeten hadden V ^^^ zy een weynig voor\'c
ondergaan der zonne vertrokken waaren j en
dat indien men vreesde, dat zy met, eenig oog-
merk 3 \'t wtlk fchaadeiyk voor de fl^d en den
N \\ Ko-
loo f l a v ï XJ- s
Koning mogt zyn j gekomen waareti > men htn
gemaklyk zou konnen achterhaalen en te rügge
brengen. Dat deeze per&onen dus door die
vrouw bedroogen 5 in plaats van htiyszoekingte
doen 3 die wegen waaren opgeflagèn welke zy
meenden dat de vreemdelingen genomen hadden,
voornaamelyk die zich na de rivier llrektenj eij
dat zy verre voortgegaan zynde, eyndelyk we-
dergekeerd waaren zonder iets vernomen te heb-
ben. Dat toen dit gerucht weêr tót eenen M-
itand gekomen was , Rahab hen voorgehouden
had het gevaar waarin zy ^ich met haar huysgezin
ge^ileld had om hen te behoeden , zeggende dat
Gód haar bekend gemaakt had datzy \'t ganfche
land Kanian zouden vermeefteren j en dat zy
haar daarom met eede moften belooven , dat
ze Jericho ingenomen , en alle deszelfs inwoo-
ners , vólgens hun beflUyt, gedood hebbende,
haar én alk de haare het leeven .zouden behour
den, gelykerwys zy het hunne geréd had.
ÃÃSEFHÃS V^ BOEK.
â Dat zy daarop, näa haar alvoorens bedankt
â fe hebben, geantwoord hadden, dat wanneer
zy de ftad op \'t punt zag van ingenomen te
worden , zy alle haare nabeftaande i ëii al haar
goed in haar huys zoude brengen, en een roo-
de lap laken joor haare deur hangen : vermids
zy hen verzekerden dat tót vergeldinge van
den dienft welken zy hen gedaan had, hun
Veldoverfte een uytdrukkelyk verbód van tót
haarent in te gaan, en haar eenig leed te doen,
zou doen afkondigen : Maar dat indien iemand
van haare maagen in het gevecht gedood wierdt,
zulks hemzelven, en niet hen te wyten, nóch-
te zy aan eedbreuk Ichuldig zouden zyn : En
eyndelyk, dat die vrouw hen met een touw by
de ftadsmuuren neêrgelaaten had. Jofua ver-
wittigde Eleazar den Hoogenpriefter, enden
Raad, van dit bericht, en zy keurden den eed
goed, en bekrachtigden de belófte aan Rahab
Naardien Jerichó over den Jofdaaiï lag , en
dat men om ""t zelv^ aan-te grypen , noodzaar
kelyk met het heir dén vloed , die toen juyft
door de regens zeer gez-wolleii Was^^, mOft over-
trekken , vondt Jofua-zich zeer ijèk-ommerd,
vermids hy geene fchiiyten hadom eénebrug te
ftaan, en dat zohy%ralgéhadhaddé, dèvyan-
den hen zulks belet zouden hebbeen. In dee^^
ze groote verlegenheyd- beloofde Gód <\'heni de
rivier doorwaadbaar te maaken. - Q|es wacht^
te hy twee dagén, en trok^etoen indéézer voe^
ge over. De Priefters gingen voófut^^met de\'
Arke , de Leviten vólgden hen ërt\'droegeiï
den Tabernakel met alle de geheyiigde v#en: at
\'t overig heir toog voort ieder volgens den rang
zyner ftamme, en de vrouwen en kinderen gin-
gen in \'t midden , om dOor den fnellen loop d^r
niet weggevoerd te wordeii: Toen de
Priefters daar ingetreeden waaren, Bevonden zy
dat het water niet meer beroerd, maar dat het
o:ezonken , en de grond vaft, en alzo waad-^
was. Up deeze uytwerking van Góds
ö
belófte trokken alle de óverige onbefchroomd
voort : de Priefters bleeven in \'t midden der
riviere ftaan tótdat ze alle overgetoogen Waa-
ren , en zy waaren zelve nkt zo dra aan de o ver-
zyde g^imn, óf water hernam zynen ou-
Jdén loop, en zwol weêr zo hoog als te voo-
ren. Het heir trok twen, ontrent vyftig ftadiën
voort 5 en floeg zich tien ftadiën van Jericho
neêr.
Jofua deed toen eenen altaar oprechten van 182 .
twaalf fteenen ,:. welke de Vórften der twaalf 4-\'5.
ftammen op zyn bevél uyt den Jordaaii opge-
; nomen hadden, tót-een.gedenteken van Góds
byftand , die om zyns vólks wille het geweld en
: de onftuymigheyd yan dien vioéd gelfeythad.
^ Op deezen altaar óifexde hy eene ófferande,
voorts vierde hf alckarhet Faafchfeeft,. en zyn
heii: bevondt zich in eene ovecyloed di^ met
minder groot was , als deszelfs get^rék te vpo-
Ken. was geweeft: xj^aja^ behalve de menigte van
buyt waarméf zy zich verrykten , maaiden zy
het rype koOm af ^ . waarmeê. de veidcn;\'bedekt
fton-
iHf.
foi: 5.
V. BOEK J O O D S C H
ftonden ; en het Manna, *t welk hen veertig
jaaren gelpyfd had j hieldt toen op.
183. Joftia zich meefter van veld ziende, door-
dien de fchrik alle de Kanaaniten in hunne fte-
den beflooten hieldt, wierdt te raade hen al-
daar aan te taften. Op den eerften dag dan van
het Feeft trokken de Priefters, verzeld van den
Raad, najericho, in\'t midden der krygsben-
den , draagende eenige de Arke op hunne fchou-
deren, en blaazende andere op zeven hoornen
om de benden aan te moedigen. Naa dat zy in
deeze órde rondom de ftad getrokken waaren,
keerden zy weêr na \'t leger 3 en deeden zes dagen
achter één even \'t zelfde. Den zevenden dag
vergaderde jofua het ganfcheheir en al het vólk,
en zeyde tót hen, dat Gód, eer de zon onder-
ging, Jericho in hunne handen zou léveren,
zonder dat zy eenig geweld zouden behoeven
E H I s T O k i: loi
te doen om *er zich meefter van te maaken,
doordien de muuren van zelfs zouden neder-
vallen, om hen den ingang open te ftellen. Hy
beval hen vervólgens niet alleen alle de inwoo-
ners, maar al wat leeven had, te dooden, zon-
der zich door mededoogen. Ãf door eene be-
geerte tót den roof, óf door vermoeidheyd te
laaten weerhouden: endatzy, zonder iets van
\'tgene dat ze krygen konden, voor hen zeiven
te bewaaren, al het goud en zilver dat ze von-
den, byeen zouden brengen, om aan Gode, tót
dankzegginge voor zyne byftand, als eerfte-
lingen op te ófferen den buy t van de eerfte ftad
die in hunne handen viel; en niemand van dat
algemeen bevél uyt te zonderen dan alleen
Rahab en haar maagfchap, ter oorzaake van
den eed die de verfpieders haar gezwooren
hadden.
i^Ji
1 i]
Naa dat hy deeze bevélen gegeeven had, deed
hy het heir na de ftad trekken : het deed zeven-
maal eenen keer rondom dezelve , terwyl de
Priefters voor de Arke gingen en op de hoornen
bliezen, gelyk \'s daags te vooren, om de krygs-
knechten aan te moedigen; en als zy dus zeven-
maal de ftad omgetrokken waaren vielen de muu-
ren van zelfs neêr. Zulk een wonderdaadig voor-
val verfchrikte de inwooners indiervoege, dat
zy den moed ten eenemaal verlooren geevende,
de Hebreen van alle kanten zonder tegenftand
lieten inkomen. Hierop deeden deeze een
fchrikkel^^ke flagting, en fpaarden vrouwen nóg
kinderen : voorts ftaken zy de ftad in de brand,
en leyden alle de huyzen ten platten lande in de
a^chê. Alleen Rahab met haare vrinden, welke
zich in haar huys geborgen hadden, bleef van
die algemeene verwoeftinge bevrydt, en wierdt
tót Jofua gebragt, die haar bedankte voor dat
zy de mannen, door hem gezonden , geréd
had, beloovende haar zulks te zullen vergelden;
irelyk hy ook daarnaa haar landeryen gaf, en
\'laar fteeds gunftiglyk bejegende. Inmiddels
wierdt te Jericho alles wat het vuur ver-
fchoond had door het zwaerd vernield, en te-
gen degénen die beftaan zouden deeze ftad we-.
der op te bouwen, den vloek uytgefprooken3
want men badt Gód dat de eerfte die\'er de
grondveften van leyde, den oudften zyner kin-
deren met het begin van \'t werk, en den jongften
als \'t voltooid was, mogte verliezen. En dee-
ze vloek is niet krachteloos en zonder uytwer-^-
kinge geweeft, gelyk wy te zyner plaatfe zul-
len zeggen. Men vondt in deeze magtige ftad
een groote menigte van goud, zilver, en ko-
per, zonder dat iemand iets daarvan durfde na
zichneèmen, ter oorzaake van het verbód des-
wege gedaan ; en Jofua deed alle die rykdom
den Priefteren ter hand ftellen, omze in de fchat-
kill te bewaaren.
Maar zoon vanZebedias, uytdeftam-
me Juda, die des Konings wapenrók, geheel Jof.yt\'
van goud geweeven, en eengoud-ftaaf van twee-
honderd fikelen gewigts, genomen had , liet
zich voorftaan dat het met biflyk was, dat hy
Zich voor \'t gevaar bloot gefteld hebbende,
met eemg voordeel daaruyt trekken zoude;
en meende dat het niet noodig was iets \'t welk
hem te ftade kon komen, aan Gode, die des
niet behoefde, op te ófferen : dies begroef hy
N 3 den
dien buyt in zyne tcnte, beeidende zieh in dat hy
Gód bedriegen kon , gelyk hy de menfchen
bedroogen had. Te dien tyde was het heir ge-
legerd op eene plaats welke de Hebreen Galga-
la noemden, dat is te zeggen, Vryheyd, om-
dat zy van de flaaverny der Egiptenaaren be-
vryd , en van alle die rampen, welke zy in de
Woeftyne geleeden hadden, verlóft zynde, ge-
loofden dat ze nu niets meer te vreezen hadden.
Weynig dagen naa de verdelging van J ericho,
zondt Jofua drieduyzend mannen tegen de ftad
Ain, boven Jericho gelegen , welke met de vy-
anden in gevecht raakende geflagen wierden, zo
dat \'er zesendertig van het leeven lieten. De ty-
ding van dit ongeluk bedroefde het heir veel meer
dan het verhes groot was, alhoewel de gefneuvel-
de perfoonen van verdienfte waaren j want in
plaats dat zy zich verbeeld hadden reeds meefters
van het ganfche land te zyn, en dat zy vólgens
Góds belófte altoos overwinnaars zouden wee-
zen , zagen zy dat deeze uytflag hunne vyan-
den moedig maakte. Zy bedekten zich derhal-
ve met zakken, en gaven zich zodaanig aan de
droefheyd over , dat zy dien geheelen dag in
iarnmer en geklag doorbragten , zonder te wil-
len eeten. Jofua ziende hen zo mismoedig en
neerflagtig, nam zyn toevlugt tót Gód, wierp
zich op zyn aangezigt ter aarde en fprak hem met
vertrouwen aldus aan ^ â Het is niet door
roekeloofheyd geweeft , 6 Heer , dat wy
ondernomen hebben dit land te veróveren:
\' Uw dienftknecht Mofes heeft\'er ons toe aan-
gemaand in gevólge van de belófte welke gy
hem gedaan , en door verfcheydene wonder-
werken bekrachtigd hebt, dat gy\'er ons mee--
, fters van maaken, en ons altoos de zeege
\' over onze vyanden geeven zoudt. Wy heb-
ben \'er ook op verfcheydenen voorvallen de
blyken van gezien : maar dit onverwacht
verlies geeft ons oorzaak om\'er aan te twyfe-
len , en niets goeds voor het toekomende te
â hoopen. Niettemin , 6 God , nademaal gy
â almagtig zyt, is het ligt voor u ons te hel-
3, pen, en onze droefheyd in blydlchap, onze
3, moedeloofheyd in vertrouwen te veranderen,
en ons de overwinning te geeven."
J ofua aldus gebeden hebbende, zeyde God tot
hem dathy zoud opftaan, en het heir zuy veren,
dewyl het bezoedeld was door den diefftal van
iets dat men hem moft toegewyd hebben, \'t welk
de oorzaak v/as van de ramp hen overgekomen:
maar dat zy naa \'t ftraffen van die groote mis-
daad zeeghaftig zouden zyn. Joftia verhaalde
dit orakel den vólke , en wierp het lót, in te-
genwoordigheyd van den Hoogenpriefter Elea-
zar en de Overheyd : het zelve vief op de ftam
fuda j thans wierp hy het op de geflachten
dier ftamme , en \'t viel op dat van Zacharias}
eyndelyk wierp hy het op alle de mannen van
dat geflacht , en het viel op Achan i die
ziende dat het hem onmoogelyk was te verber-
gen \'tgene Gód ontdekken wilde, zynen dief-
ftal bekende , en voor het vólk te voorfchyn
bragt: weshalve hy aanftonds met de dood ge-
fl:i-aft, en tót een teken van fchande by nacht
be«-raaven wierdt , gelyk men gewoon is te
doen ontrent zodaanige die door het Gerecht ter
dood gebragt worden.
3?
55
53
im
Naa dat Jofua het heir gereynigd had, leyd-
de hy het aan tegen die van Ain, leggende
\'s nachts eenig vólk in eene hinderlaage, dicht by
de ftad ^ waarnaa hy vroeg in den mórgenftond.
eene fchermutfeling aanving. Vermids de over-
winning, welke de vyanden behaald hadden,
hen koen maakte, vielen zy ftoutelyk aan j ende
Hebreen om hen van de ftad af te trekken, ge-
lieten zich de vlugt te neemen. Maar eensloefs
omkeerende booden zy hen \'t hoofd, en gaven
een teken aan degénen die in de hinderlaage
waaren, welke gezamentlyk na de ftad trok-
ken , en haar vermeefterden zonder eenige
moeite , doordien dc ingezétenen zich zo ver-
zekerd van de zeege hielden, dat een gedeelte
op de muuren, en een ander gedeelte na buy ten
gegaan was, om het gevecht te aanfchouwen.
De Hebreen floegen alle die in hunne handen
vielen dood, zonder iemand te verfchoonen.
Aan de andere kant verfloeg Jofua de benden
die hem tegengetrokken waaren j en zo als zy
zich in de ftad meenden te bergen, zagen zy
dat die ingenomen was, en in de brand ftondt:
waarom zy buyten hoope van eenige hulpe ten
platten lande vlooden daar zy beft konden.
Men kreeg in die ftad een groote menigte van
vrouwen, kinderen, flaaven, vee, veelziker-
geld, en in \'t kort gezegd, eenen overvloedigen
buyt, welken Jofua onder zyn heir uytdeelde,
dat nóg te Galgala gelegerd was.
Toen de Gabaoniten, die niet verre van Je- jSj
rufalcm afleggen, verftaan hadden wat Jericho
en Ain wedervaaren was, twyfelden zy niet
óf Jofua zoud hen ook bykomen , en zy oor-
deelden \'t vergeefs te zyn hem door hunne ge-
beden te willen buygen , v/eetende dat hy ee-
nen doodelyken oorlóg tegen de Kanaaniten
verklaard had. Dies achteden zy dathetruym
zo geraaden zoude weezen, een verbond met de
Hebreen aan te gaan , en zy bewogen de Ke-
pheriten en de Kathieremiten hunne gebuuren,
defgelyks te doen, dewyl dit het eenigile middel
was om zich voor het gevaar dathendreygdete
behoeden. Zy koozen daarop edyke der be-
quaamfte onder hen, en zonden die aan Jofua^
Deeze Gezanten oordeelden dat zy, om hun
voorneemen wel te doen flaagen , zich wach-
ten moften van te zeggen dat ze Kanaaniten
waaren : maar in tegendeel dat zymoften doen
gelooven dat hun land verre daarvandaan
lag, en dat zy geen gemcenfchap met hen had-
den i maar dat het gerucht van de deugd der
Hebreen hen bewoogen had om hunne vrind-
fchap te verzoeken. En om dit bedróg eenen
fchyn te geeven, deeden zy oude kleederén
aan , om alzo te doen gelooven dat ze door de
langheyd des wegs verfteeten waaren : en naa
dat zy zich in dien ftaat in de vergadering van de
voornaamfte der Ifraëliten vertoond hadden,
zeyden zy âDat de inwooners van hmihe ftad,,
Gabaon, en die dernaabuurigefteden, wee-,,
tende dat Gód delftaëhten zo begunftigde dat â
hy hen meefters van \'tj ganfche land Kanaan ,,
wilde maaken 3 i^^n gezonden hadden- om ,,
een verbond met hen aan te gaan, èn te ver- 35
zoeken dat zy hen als hunne landsg; enooten â
wilden handelen, zonder hen echter te nood- â
zaaken hunne aaloude gewooiiteh en leevens- jj
« ma-
V, B oà e:
F LA VlUSJOSEPHUS
55 manier te veranderen : en tót een teken van
55 de lengte des wegs dien zy afgelegt hadden,
55 toonden zy hen hunne kleederen. Jofua aan
hunne woorden geloof flaande ftondt hun ver-
zoek toe; Eleazar de Hoogepriefter en de Raad
beloofden hen met eede 5 dat zy hen als vrinden
cn bondgenooten handelen zouden; en het vólk
bekrachtigde dat verbond, Dus door bedróg
hunne begeerte verkreegen hebbende, keerden
zy weder tot de hunne.
Joftia toog vervólgens met het heir in \'t land
Kanaan na\'t gebergte, alwaar hy verftondt dat
de Gabaoniten, Kanaaniten en gebuuren van
Jerufalem v^^-aaren. Hy ontboodt daarop de voor-
naamfte van hen , en klaagde over \'t bedróg
dat ze gepleegd hadden: Zy antwoordden dat
zy daartoe genoodzaakt waaren geweeft, door-
dien ze geen ander middel zagen om zich
te redden. Jofua deed hierom den Hoogen-
priefter en Raad tzamenkomen : en men be-
floot de gegeevene trouw, die met eede be-
veftigd was, niet te fchenden> maar dat zy
echter zouden gehouden zyn dienftbaar te wee-
zen, en aan dé gemeene werken te arbeyden.
Aldus ontquam dit vólk het gevaar dat hen
dreygde.
Dit bedryf der Gabaoniten vertoornde den
Koning van Jerufalern zodaanig, dat hy vier
nabuurige Koningen tót zich trók, om hen ge-
zamentlyk te bevechten. De Gabaoniten zien-
de hen dicht by eene fonteyn met verre van
hunne ftad gelegerd, en dat zy zich gereed
maakten om op hen aan te vallen, namen hun-
ne toevlugt tót Jofua, Aldus geviel \'t, het
welk iets zonderlings is, dat in eenen tjd wan-
neer zy alles van hunne eygene landslieden te
vreezen hadden, de eenigfte hoope van hunne
behoudenis in de byftand der gener beftondt die
gekomen waaren om hen te verdelgen., Jo-
fua brak dan terftond op met zyn ganfche heir
trok nacht en dag voort, greep de vyanden
vroeg in den mórgenftond aan > zo als zy gereed
Jof. lo.
V. Boek.
Waaren om de ftad te beftórmen, joeg hen op
de vlugt, en vervólgde hen langs de heuvelen
tót aan het dal van Bethoron.
Nooit heeft men duydelyker, dan in dit ge-
vecht gezien , dat Gód zyn vólk byftond â¢
want behalve den donder, den blikfem, en een
ongemeenen hagel, zag men door een vreemd
wonderwerk dat de dag tegen de órde der Na-
tuure verlengd v/ierdt, om te beletten dat de
duyfternis der nacht den Hebreen een gedeelte
hunner overwinninge ontrukte. Aldus wierden
deeze vyf Koningen y die hunne veyligheyd
meenden te vinden in een hól dicht by Ãvïacne-
da, waarin zy geweeken waaren, door Joftia
gevangen, en alle door zyn bevél gedood.
Noopende \'t gene dat die dag langer was dan
een gemeene dag, men vindt zulks in de heyli-
ge boeken die in den Tempel bewaard worden.
Naa deezen gelukkigen uytflag leydde Jofua
het heir naa het gebergte van Kanaan, en naa
aldaar een groote flagting onder de landzaaten
gedaan te hebben, veróverde hy een zeer groo-
ten buyt, en bragt dien te Galgala.
Het gerucht van de overwinningen der He^ 187;
breen, en dat zy niemand van hunne vyanden Jo^"-
verfchoonden, maar alle die in hunne handen
vielen doodfloegen, deed de Koningen omtrent
den Libanus, die ook van\'t geflacht der Ka-
naaniten waaren welke de velden bewoonden,
met de PhiUftynen zamenfpannen en tegen de
Hebreen uyttrekken. Aldus quamen zy altzamen
met driehonderd-duy zend mannen te voet, tien-
duyzend te paerde, en twintigduyzend wagens i
zich dicht by Berothy ftad van Galiléa , niet
verre van een andere deszei ven lands, genaamd
het hooge Kades, légeren. Zulk een vreeflyk
heir verbaafde de Ifraëliten en Jofua zelven in-
diervoege, dat het fcheen als; óf het hart hen
t\'eenemaal ontzonk. Dóch Gód hen over hun-
ne vreeze beftraft hebbende, en nóg meer dat zy
op zyne byftand niet vertrouwden, beloofde hen
II.
"wederom\'
de overwinnincre, Voorts beval hy
hen
103
JOODSCHE HISTORI.
104 /P h A V I U S J O S E P H U S
V. Boek.
hen allen den paerden , die zy zouden bekomen,
de knieboogen te kerven, en alle de wagens te
verbranden. Daarop greepen zy moed, trok-
ken ftoutelyk op de vyanden aan, achterhaal-
den hen den vyfden dag, en leverden hen flag.
Het gevecht was zeer hardnekkig , en de flag-
ting onder de vyanden fchier ongelooflyk : vee-
le wierden al vlugtende gedood , weynige ont-
quamen \'t, en niemand van de Koningen bragt
^er het leeVen af Naa\'dat men dus met de men-
fchen gehandeld had, /paarde men de paerden
ook niet, en alle de wagens wierden verbrand.
Dc overwinnaars pionderden het ganfche land,
zonder dat iemand zich daar tegen durfde ver-
zetten , zy overweldigden de fteden, en dee-
den alle die in hunne handen vielen door de
fcherpte des zwaerds fneuvelen.
188. Dus waaren\'er ten eynde van vyf jaaren,
welke deeze oorlóg duurde, van alle deKanaa-
niten geene overig dan een kleyn getal, die ln
zeer fterke plaatfen geweeken waaren. J ofua van
Galgala vertrekkende bragt het heir in \'t geberg-
joCis. tc, en zette den heyligen Tabernakel in de ftad
Silo, welks ftand hem heel fraai toefcheen, om
aldaar te blyven tót dat zich een gunftige gele-
genheyd zoud aanbieden om eenen Tempel te
bouwen. Thans begaf hy zich met al het vólk
na Sichem, alwaar hy vólgens het bevél door
Mofes gegeeven het heir in twêën deelde, ftel-
lende een gedeelte daarvan op den berg Gari-
zim, en \'t ander op den berg Gibal, daar hy
eenen altaar bouwde. Aldaar óftèrden de Prie-
fters en Leviten Gode ófferanden, ipraken de
vloeken , hiervooren gemeld , uyt, graveer-
den die op den altaar ^ en keerden toen wéér
na Silo. â
189. Jofua, die reeds tót hooge jaaren gekomen
was, ziende dat de fteden, welke de Kanaaniten
nóg bezaten, byna onwinbaar waaren, zo door
haaren ftand,als omdat de ingezétenen, weetende
dat de Hebreen uyt Egipte getoogen waaren met
voorneemen om zich meefos van hun land te
maaken, al den tyd die\'er federd verloopen
Avas befteed hadden om die plaatfen in zulken
ftaat tc ftellen dat ze niet bcmagtigd konden
worden, deed al\'t vólk te Silo byeenkomen>
vertoonde aan \'t zelve den gelukkigen uytflag
waarmede Gód hén tót dien tyd toe had be-
gunftigd, omdat zy zyne wetten onderhouden
hadden: â voorts, dat zy eenendertig Konin- ,,
gen, die hen hadden durven Wederftand bic- â
den , verflagen, hunne heiren , waarvan â
naauwlyks iemand hunne zeeghaftige wape- â
nen ontkomen was, "in ftukken gehouwen, â
en de meefte van hunne fteden ingenomen â
hadden : maar dat die welke nóg overfchoo-,,
ten, zo fterk waaren, en de hardnekkigheyd
haarer verweerd eren zo groot, dat\'er lang- â
duurige belégeringen toe vereyfcht wier-,,
den om ze te bemagtigen. Dat hy derhalve â Jof.ig.
achtte dat men de ftammen die aan gene zyde â
van den Jordaan woonden, dóch mede over,,
dien vloed getrokken waaren , om nevens â
hen in de gevaaren van deezen oorlógdeel te â
neemen, daarvoor zou bedanken, cn hen te â
rugge zenden : voorts dat men uyt de óveri-
ge ftammen eenige vroome mannen zoude kie-
zen , die men naauwkeurige kundfchap zou ,,
laaten neemen van de grootte en goedheyd â
van het ganfche land Kanaan, om\'er een ge- â
trouw bericht van te konnen geeven." Deezc
voorflag wierdt in \'t algemeen goedgekeurd,
en Jofua zondt tien mannen met eenige bc-
quaame Landmeeters , om al het land te mec-
ten , en \'t zelve , naar dat het min óf meer
vruchtbaar v/as, te waardeeren. Want de na-
tuur van \'t land Kanaan is zodaanig , dat
fchoon \'er groote velden zyn die overvloed
van vruchten voortbrengen , de landsdouw
echter niet vruchtbaar kan ge^cjit worden als
menze vergelykt by die van Jericho en Jeru-
falem , mceftendeels tuftchen \'t gebergte ge-
leégen , en zich niet wyd uytftrekkenJe,
maar echter vruchten uytléverende , welke
om haare overvloed en fchoonheyd die van
alle andere landen overtreft^n. En daarom
^vas het dat Jofua Wilde dat men den overflag
meer naar de Waarde dan naar de grootte der
ak-»
33
33
m\'
i
V. BOEK. J O ODS C H
akkeren maakèn zoude , omdat het dikwils
gebeurt dat één mórgenlands meer waard is dan
veele andere. Deeze tien afgezondenen zeven
maanden aan dien arbeyd toegebragt hebben-
de , quamen weder te Silo, alwaar, gelyk ik reeds
Jof. IJ. gezegd heb , de Tabernakel toen was. Daar-
JJ Y\' op deed Jofua den Hoogenpriefter Eleazar,
ïsli?\' den Raad , en de Vórften der ftammen tza-
monkomen, en maakte met hen eene verdeeling
van het ganfche land tuflchen de negen en een
halve ftam j naar maate van \'t getal der man-
nen die in elke ftam waaren.
De ftam van Juda kreeg tót haar deel het
opper Judéa , welks lengte zich tót aan Jeru-
falem , en de breedte tót aan \'tmeirvan Sodom
uytftrekt, zynde de fteden van Askalonen Ga-
za daar onder begreepen.
De ftam Simeons kreeg een gedeelte van
Iduméa \'t welk aan Egipte en Arabië grenft.
De ftam Benjamins kreeg het land dat zich
in de lengte tót aan de rivier den Jordaan, en in
de breedte van Jerufalem tót aan Bethel uyt-
ftrekt; zynde dit maar een kleyn befték, we-
gens de vruchtbaarbeyd der landeryen ; want
Jerufalem en Jericho zyn\'er onder begree-
pen.
De ftam Ephraims kreeg het land dat zich
in de leÃgte van den Jordaan tót aan Gadara,
en in de breedte van Bethel tót aan het groote
velt uytftrekt.
De halve ftam van Manaflè kreeg de land-
ftreek, welker lengte zich van den Jordaan tót
aan de ftad Dora, en de breedte tót aan dé ftad
Bethlan , die men heden Scytopolis noemt,
uytftrekt.
De ftam van Ifafl!char kreeg het gene begree-
pen is van den Jordaan af tót aan den berg
Karmel toe , en welks breedte aan den berg
ïthabarim eyndigt.
De ftam van Zabulon kreeg het land dat door
den berg Karmel en de zee bepaald wordt, en
zich tót aan \'t meir Gennefareth uytftrekt.
De ftam van Afer kreeg die vlakte met ber-
gen omringd welke achter den berg Karmel
legt tegen over Sidon , alwaar de ftad Arce,
anders Adipus genoemd , zich vertoont.
De ftam van Nephtali kreeg het opper Gali-
léa , en het land het welk zich van *t ooften
uytftrekt tót aan de ftad Damaskus , den berg
Libanon, enden oorfprong des Jordaans , die
uyt dien berg ontftaat aan de zyde welke aan
de ftad Arce na \'t Noorden paalt.
Pe ftam van Dan kreeg de valleyen die na
\'t weften ftrekken, welker landpaalen zyn Azote
en Doris , alwaar de fteden Jamnia en Gittha
geleo-en zyn j ganfche landflreek die te
Acharon begint, en by het gebergte eyndigt,
daar het gedeelte der ftamme Juda zyn begm
nam. ^
Aldus verdeelde Jofua onder de negen ftam-
men en de halve van Manaffe de zes landfchap-
pen , welke de zes zoonen van Kanaan naar hun-
ne naamen genoemd hadden : en het zevende,
zynde dat der Amoriten , had Mofes aan de
ftammen van Ruben en Gad , en aan de andere
helft der ftamme van Manaffe gegeeven,gelyk wy
reeds gezien hebben. Maar de landen der Si-
doniërs > Arufeers , Amatheërs , \'en AritheërS
E. H I S T O R I.
waaren onder die verdeeling niet begreepen.
Vermids Jofiia wegens zynen ouderdom zy- i^o.
ne onderneemingen niet langer zelf kon uyt-
voeren , en dat hy zag dat degéne welken hy
zulks belaftte , verzuymelyk daar ontrent te
werk gingen , vermaande hy de ftammen om
elk in \'t land dat hen ten deel gevallen was,
kloekmoediglyk tót uytroeijinge der óverige
Kanaaniten te arbeyden 5 houdende hen voor,
dat zulks niet alleenlyk tót hunne veyligheyd,
maar tót verzékeringe van hunne Gódsdienft en
wetten diende; waarby hy voegde, dat zy mof-
ten denken aan\'t gene Mofes hen gezegd had,
te meer dewyl zy zulks door eervaarenheyd be-
vonden hadden. Hy beval hen ook, dat zy in i«-
handen der Leviten zouden ftellen de achten-
dertig fteden die hen nóg ontbraken om \'t ge-
tal van achtenveertig vol te maaken ; vermids
de tien andere hen aan de andere zyde van den
Jordaan in \'t land der Amoriten gegeeven waa-
ren ; en hy ftelde drie van die achtëndertig fte-
den tót vryplaatfen aan > dewyl hy niets meer
behartigde aan ftiptelyk naa te komen alles wat
Mofes bevolen had. Deeze drie fteden waaren
Hebron in de ftam Juda, Sichem in de ftam
Ephraims, en Kades in opper Galiléa in de
ftam Nephtali. Daarnaa deelde hy het óveri-
ge van den buy t, die zo groot was, zo in goud,
als kleedinge , en allerley huysraad, dat het
Gemeenebeft , en ieder in \'tbyzonder , daar
door verrykt wierdt: voorts waaren de paer-
den en het vee ontelbaar.
Jofua vergaderde daarnaa het ganfche heir, i^jri
en fprak tót de vyftig duyzend flrydbaare Jo^^^i.
mannen welke aan gene zyde des Jordaans hun
lot gekreegen en zich by die van de andere ftam-
men in hnnne krygyoeringe gevoegd hadden,
aldus, â Nademaal het Gode , die niet al- â
leenlyk de Heer , maar ook de Vader onzer â
landaard is, beliefd heeft ons dit ryk land te â
geeven, met belófte van het altoos te bezitten; â
en dat gylieden vólgens zyn bevél u zo edel-
moediglyk by ons in deezen oorlóg gevoegd
hebt, is het billyk dat nu\'er niets moeij elyks
meer uyt te voeren is, gy weder na huys keert â
om eenige rufte te genieten. Gelyk wy dan niet,,
konnen twyfelen óf gylieden zoudt, als wy
uwe hulpe weder van noode hadden, gewil-
lig weezen, om ons by te komen j zo willen wy
ook uwe goedwilligheyd niet misbruyken,
maar liever u bedanken voor dat gy u in de
gevaaren nevens ons tóthiertoe begeeven
hebt. Wy verzoeken dan alleenlyk van ulie-
den, dat gy ons altoos dezelfde geneegen-
heyd wilt toedraagen, en indachtig weezen
dat gelyk wy naaft Góds befcherminge\'t ge-
luk dat wy genieten aan uwe byftand ver- â
fchuldigd zyn , gy ook alzo aan de onze,,
\'t gene gy bezit hebt toe te fchryven. Gylie-
den hebt zo wel als W]^:de vergeldinge van
de moeijelykheden, welke wy tzamen in dee-
zen oorlóg uytgeftaan hebben , genooten ^
naardien gy »er mede door verrykt zyt ^ en
dat behalve de menigte van goud, zilver,
en andere buyt welken gy hebt behaald, gy
nóg ééne zaak verkreegen hebt die ulieden
veel aanmerkelyker behoort te zyn, en dat is
de dank die wy \'t u weeten , en welke wy al-
â â O " « tOQS
5>
5>
J>>
>5
)}
J3
3>
3>
55
}>
3>
3>
3?
SS
3>
33
3>
33
33
33
3?
FLAVIÃS JOSEPHUS
V. BOEK,
io6
55 toos gereed zullen zyn u te betuygen.
Want gelyk bet waar is dat gy lieden na
den dood van Moles de bevélen , welke hy
33 gegeeven had, mét geen minder Vaerdigheyel
,5 én gewiilighéyd hebt riaagekomen 3 alstoen
hy ïïóg ki leeven Was ^ Zo kan men ook
â niets by dé erkenténiifè voëgèn wélke wy u
5, déswegé föêdraagén. Wy laaten uliéden
5, dan met blydfchap Wédér na huy^ keeren,
j, en bidden u dat gy dé liefde , Wêlké onvér-
â bj-éekelyk tuffchen ons behoort te zyri,
â nooit bepaalt ; en dat dé rivier die ons
â fcheydt , ü niet belette ons altoos aan te
â mérken als Hébréen i Want fchoon wy ter
jj wédérzyde van haare oevers woonen , ech-
â ter zyn wy daarom niet minder alle van
â Abrahams geflacht j én vOor Zo véél dézelf-
â de Gód hét lèëvéri aan onzé én üwé voorou-
3, deren gegeeven hééft, zyn wy eénpaariglyk
â verpligt , zo in dé Gódsdiénfl als in ons
ganfche gedrag , de wettén welke wy van
hem door Mofes ontvangen hebben, te on-
der houden , én te gelooyeri dat als wy\'er
nooit van afwykén Æ Gód altoos ónze be-
fchérriiéi^ zyri 3 en aaii h hoofd onzer héirle-
geren fïfyderi zal 5 in pMats -dat zo wy de ge-
bruykélykheden van andere vólken omhël-
3, zén , hy zich niet alléenlyk van ons zal vér-
,5 wy déren , imaar ons t\'eenêmaal verlaaten."
N aa dat J ofua aldus géf^roöken had j n^m hy
2ffchéyd van de Hoofden dier flammén dié weg-
«rincren , in \'t byzonder j en van alle hunné
feylsbéridëri in \'t algemeen : waarnaa alle de
Hebreen, die by hem blyven zonden, hen
verzeldén -y eri htmné trà anen gaven te kennen
hoe fmartelyk dié fcheyding hen viel.
Toen nu de flammen van Ruben, Gad, en
de halve van Manaflè den Jordaan overgetoo-
gen waaren, rechteden zy éenén altaar aan dén
oever der rivieré op j om den naakóméiiiigen te
dienen tót één téken van hunne nà à uWever-
bindténis met die van hunne landaard welke de
andere zyde béwoonden. De andere ftammen
zulks vérnOmèn hébbendé , en dé oorzaak
daaraf niét weeténde , beeldden zich in dat
zy dié gedaan hadden om een heyllooze aan-
bidding aan vïèeriidé gódheden te bewyzen^
cn öp dit valféh veritioedéri dat zy de Góds-
dienft hurifter vadérén vêrlaatéri haddén , ver-
voerde hunné yvéf hen tót hét ^neenién der
wâpenen ofii zulk èèn grooté misdaad te ftraf-
fen . Zy oordèéldéii dat dé eëré Góds hen veel
aanméirkéïyker behoorde tè zyn , dan \'t bloed-
verwantfehap én dé hôédaânigheyd dér gener
die zulk een gódloosheyd begaan hadden : én
in dié oplöojïèndé drift wilden zy aanftonds
tecren héri optrekkéri. Maar Jofua y Eléazar
de^HoOgépriëftef j én de Raad wéderhielden
hen , éii fteldén liéri Vóór , dat eer men tót de
waperiéri quaiti, mèri wéétrën riioft ^atdébeoo-
ging dier ftammen was j éri iüdién riien de zaak
2;ödaanï^ bé vondt gelyk \'t vèrmoéd wierdt,
men alsdan ïieri mét geWèld mógt tegéntrék-
ken. Daatbp wiérdt Phineës Eieazars zoonj
verzéld mét titn andèrè âanziénlyké gezanten ,
afo-ezóndén y om té vérneémén wat hén bewoo-
gen hadde dién altaar aan den oever derrivieré
te bouwen ; en toen zy daar gekomen waaren
fprak Phineës hen in een volle vergadering
aious aan â ,, Het misdryf dat gylieden begaan
hebt is te groot om alleenlyk met woorden
geftraft te worden: niettemin heeft de aan- â
merking van het bloedverwantfchap , waar-
door wy zo ni vereenigd zyn, en de hoope
die\'er by ons is dat het u berouwen zal zulks
gedaan te hebben , ons belet aanft^iads de
wapenen op te neemén om u te ftraften. En
om alle befchulding te vermyden als óf wy ons
al te ligt in zodaanigen oorlóg gewikkeld
hadden, zyn wy tót ulieden afgezonden, om
té Wéeten wat u tót her oprechten van dee-
zen altaar aan den oever dér riviere bewoo-
gen heeft 5 opdat indien gy \'er goede reden
Voor hebt, wy geen oorzaak moogen heb-
ben van u te laaken ; en zo gy fchuldig zyt,
Wy zulk een wraak daarover neemeft-, als zo
een groote misdaad, van in uwen féhuldigen
pligt jegens Gód te kort te komen , ver-
éyfcht. Wy konnen naauwlyks gelooyen
dat gylieden , die zo veel kenniflè hebt van
zyne wille , én die zelve zyne wetten door
den mond van Mofes hebt hooren uytfpree-
ken 3 ons niet zo dra zoudt verlaaten heb-
ben 5 om weder na het land te keeren\'t welk
gy Vari zyrie goedheyd ontvangen hebt, óf
gy zoudt, alle de weldaaden, waarmee hy u
vervuld heeft , Vö-geetende , zynen Taber-
nakel , de Arke zyns verbonds , en zynen
altaar Verlaaten , om tót de gódloosheyd
déf Kanaaniten over te gaan ^ èªn hunne 5,
valfche Goden te ófferen. Dés ^niet tegeiv â
ft^ande, indien gylieden zo ongelukkig ge-
weeft zyt van tót zulken misflag te vervallen,
vergeévén Wy \'t u , bchoudèns dat gy\'er niet
in voortgaat, niaar tót de Gódsdienft onzer
vaderen wedétkeert. Dóch indien gylieden,
hardnekkig in uwe zonden blyft, zal\'er niets
zyn dat Wy niét doen zullen om dié inZèttin-
gén voör té ftaan, en gy zult ons, gewapend
met den y vér voor Góds eere, weêr overden
Jordaan zien komen, om ü op dezelfde \\Vy-
ze te handelen gelyk wy de Kanaaniten ge-
handeld hébbén. Want bèeidtu niét in, dat
gylieden , omdat een groot té rivier ons van u
affcheydt, daardoor buyten de paaien van
Góds magt zyt: zy ftrékt Zich Overal uyt, en
hét is onmoogelyk ^ich Vóör zyne oordeelen
en gerechtigheyd te véffdiüyléri. Ãnrty aldien â
het landfchap dat gyliêdéft bewoont een hin- â
derpaal voor uWén wélftand is , béhoort gy â
hét te Vérlaatén, hoé vruéhthaar \'t ook zy, ^^
én liever een nieuwe VéfdéeJirig te maakén. ,,
Maar gy zult Véel beter deen van uwe dwaa-
hn^ af te ftaan, gelyk wy u bidden om de
liéme wélke gy nwe vrouwen én kinderen â
toedraagt; tén eynde vi^y ï^iët genoodzaakt â
worden ulieden onze vyanden te verklaaren:
want om u zelve en altes wat u lief en waard is ,
te behouden , moet gylieden één van déeze â
twee kiezen , óf « door Onze rédenen te laa- ,>
ten overftemmén 3 óf tóteénèn oorlóg té ko- j,
men."
33
33
33
33
192.
Jcf. 21.
Phiriéës aldus géfprooken hebbendé, wierdt
Vari de voorriaamfté der vergaderinge aldus be-
antwoord : ,3 NoOit hebben wy gedacht de â
eéndragt die ons zo naauw tzamen ver- â
3, knoopt
33
33
33
33
53
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3)
33
33
33
33
:»3
33
3>
35
3>
35
3>
3>
3>
33
V. Bot J O O D S G H E
5, knoopt te vefbreeken j óf van de Gódsdienft
j, onzer vaderen af te wyken ; maar wy willen
\'er altoos in volharden. Wy erkennen gee-
nen anderen dan den eenigen Gód , die de
gemeene vader is van alle de Hebreen j en
wy willen nooit ergens ófferen , dan op den
kóperen altaar die aan den ingang van zy-
nen Tabernakel ftaat. Want wat aangaat
deezen dien wy aan den oever des Jordaans
opgerecht hebben , en waarover gy zulk een
argwaan tegen ons hebt opgevat, \'t is niet
met oogmerk geweeft om daar flagtóffers te
ófferen , maar enkelyk om den naakomelin-
gen tót een teken te dienen van het verwant-
fchap dat \'er tuffchen ons is, en van de ver-
pligting welke wy hebben om vaft in één en
\'t zelfde geloof te blyven. Gód is getuyge
33
?)
3)
33
33
33
ij
33
33
33
>3
33
3>
â H- I S T O R t
3i
\'33
is
39
van
t gene wy tót ulieden zeggetti O ver-
zulks behoort gy , in plaats van ons te be-
khuldigen, een beter gevoelen in\'t toeko"
mende van ons te hebben , dan dat gy ons
zoudt verdenken van eene misdaad , waaraan
niemand van Abrahams gcflacht kan fchul-
dig zyn zonder den dood verdiend te hebben. ^
Phmeés was Zo Voldaan over dit antwoord^
dat hy hen deswege prees , en weder by Jofua
gekomen zynde deed hy verflag van zyn gezant-
fchap in de tegenwoordigheyd des ganfchen
vólks. Dit veroorzaakte een algemeene blyd^
fchap 3 dat zy niet gehouden waaren de wapenen
op te neemen om het bloed hunner broederen te
vergieten: dies dankten zy Gód door ófteranden ^
waarnaa ieder weêr na huys keerde , en Jofua
nam zyn verblyf te Sichem^
Naa Veïlöop vah twirttig jaaren deed dit
voortreffelyk Opperhoofd der Ifraëliten , zien-
de zich door eenen hoogen ouderdom verzwakt,
den Raad , de Vórften der ftammen, de Over-
heden , de voornaamfte der fteden , en de aan-
zienlykfte uyt het vólk byeenkomen , en ftelde
hen voor ,, door welk een geftadig vervólg
van weldaaden Gód hen uyt de elende waar-
in zy geweeft waaren , tót een groote voor-
fpoed en heerlykheyd had doen overgaan:
voorts vermaande hy hen , zyne geboden
gódsdienftiglyk te onderhouden , opdat hy
hen altoos mogt gunftig weezen ; zeggende
wyders , dat hy nu dit leeven ftondt te ver-
laaten en hen daarom deeze vermaning naa-,
liet , die hy wenfchte datze nooit verga-
ten". Naa hen dus vermaant te hebben
ftierf hy, zynde honderd en tien jaaren
oitd, vaa welke hy \'er veertig onder Mofes
beftieringe doorgebragt, en federt zynen dood
het vólk vyfentwintig jaaren geregeerd had.
Hy was een man zo, voorzigtig , zo welfpree-
kend 3 zo wys in zyne raadflagen , zo kloek-
moedig in \'t uytvoeren der zelvcr., en zo be-
quaam in de wigtigfte bedryven van Vreede en
oorlóg, dat niemand zyner, tydgenooten zulk
een uytfteekend krygsman ^ en te gelyk zo een
33
3J
33
33
33
33
33
33
33
55
deftig beftierder van efen gtoOt vólk géwécll
is. Men begroef hem te Thamna, eene ftad in
de ftamme Ephraims. Eleazar de Hoogepriefter
overleedt ontrent dien zelfden tyd , - en Phineës
zyn zoon vólgde hem in \'t ampt: zyne graffliedc
wordt nóg hedensdaags in de ftad Gabatha gezien.
Het volk raadpleegde daarnaa met deezen
nieuwèn Opperpriefter, om te weeten wat
Góds wille was wegens de verkiezinge van ie-
mand tót hun Opperhoofd tegen de Kanaani-
ten j en kreeg tót antwoord, dat men het
beftier van dien oorlóg aan de ftamme Juda
moft overlaaten. Dies wierdt het aan haar op-
gedraagen, en zy verpligtte die van Simeon
om haar by te ftaan j onder beding dat als men
de Kanaaniten , die nóg in hun landftreek waa-
ren , zoud uytgeroeid hebben , zy dan aan die
van Simeon dezelfde byftand zouden doen , om
de vyanden die onder hén nóg over gebleeven
waaren ook uyt te roeijen.
~~~iir~iro^o F D s T~irK~ ^
De Stammen van Juda en Simeon verflaan den Koning Adonibezek,
en neemen veele fteden in. De anderen yergenoégen iich met dè
Kanaaniten cynsbaar te maaken.
^^Aaïdien de Kanaaniten toen nóg vry mag-- ..
tig waaren , deed de dood van Jofua
hoopen dat zy de Ifraëliten zouden können i, \'
\' \' O 2 " . oyer-
195,
Jof. 14.
jo8 FLAVIUS
overwinnen , en zy verzamelden tót dien eyn-
de een magtig hek by de ftad Bezek , onder
\'t geleyde van den Koning Adonibezek, dat
is Heer van Bezek 3 want Adoni betekent in
JOSEPHUS V. Boeic.
\'t Hebreeuws Heer. Maar de ftammen van Ju-
da en Simeon beftreeden deeze vyanden zo
dapper , dat zy \'er meer als tienduyzend van
ombragten , alle de óverige op de vlugt floegen.
Adonibezek gevangen namen , en hem de
handen en voeten afkapten : waarin hy bekende
de uytwerking te befpeuren van Góds rechtvaer-
dige wraak, die toeliet dat hy zo gehandeld
wierdt gelyk hy twéënzeventig andere konin-
gen gehandeld had. In deezen ftaat bragten
zy hem dicht by Jerufalem , alwaar hy ftierf,
cn begraaven wierdt. Vervólgens namen zy
veele fteden in, belegerden Jerufalem , en ver-
meefterden de beneden-ftad , waarvan zy alle
de inwooners doodfloegen. Maar de boven-
ftad was zo fterk , zo wegens haare ftand , als
door haare veftingen , dat zy genoodzaakt waa-
ren het belég op te breeken. Thans befpron-
gen zy de ftad Hcbron, namenze ftórmen-
derhand in , en bragten alle de inwooners omj
onder deeze waaren eenige van \'t geflacht der
reuzen , zynde menfchen zo byfter groot, zo
vrceflyk van gelaat, en met zulk een fchrikke-
lyke ftem , dat het fchier ongelooflyk is 3 en
men ziet tót op deezen tyd hun gebeente nóg.
Dewyl die ftad zeer aanzienlyk was , gaf men
haar aan de Leviten, met tweeduyzend
elleboogen lands daar om heene vólgens Mofes
bevél 5 het óverige van die landftreek wierdt
aan Kaleb , éénen der gener die gezonden waa-
ren om het land te befpieden , gegeeven. Men
droeg ook zórg om de afkómelingen van Je-
thro den Madianiter, Mofes fchoonvader, tc
beloonen i vermids zy hun vaderland verlaaten
hadden om Góds vólk te vólgen , zynde dcel-^
genooten geweeft aan de ongemakken welke zy
in de Woeftyne geleeden hadden.
Deeze zelfde ftammen van Juda en Simeon,
naa dat zy de fteden op het gebergte bemagtigd
hadden , quaamen neer in de vlakte , ftrekten
zich na de zee uyt, en ontnamen den Kanaa-
niten de flneden Askalon en Azoter.maar die van
Gaza en Akaton. konden zy niet Vermeefteren,
omdat ze op \'t vlakke land gelegen waaren , èii
dat de belegerden door \'t groot getal hunner
wagenen hen beletteden naby te komen ^ en
hen dwongen met verlies te wyken. Aldus
keerden deeze twee ftammen weder ^ om den
buyt dien zy gekreegen hadden in rufte te ge-
nieten.
De ,ftam van Benjamin j onder Wiens deel
Jerufalem behoorde , gaf aan de inwooneren
dier groote ftad de vreede j en vergenoegde
zich met hen eene fchatting op te leggen.
Terwyl men dan van de ééne kant den kryg
I ftaakte, en van de andere kant geen gevaar liep,
begaven zy zich tót het bebouwen van hunne
landeryen j en de andere ftammen hun voor-
I beeld vólgende, lieten de Kanaaniten ook in
i rufte en hielden zich te vreede met hen tólplig-
\' tig gemaakt te hebben.
! De ftam Ephraims eenen langen tyd de ftad
\' Bethel belegerd hebbende , zonder die te kön-
nen inneemcn , liet daarom niet naa het belég
voort te zetten : en eyndelyk één der inge-
zétenen , die \'er leeftógt na toe bragt, in hun-
ne handen gevallen zynde, beloofden zy hem
met eede dat zy hem en zyn huysgezin in \'t lee-
ven zouden behouden, indien hy hen in de
plaats bragt. Hy liet zich beleezen , en door
middel van hem wierden zy \'^r meefters van^
dies hielden zy hem hun woord, en dooden alle
de óverige.
â De Ifraèliren hielden toen op met kryg te
voeren , cn dachten nergens meer op dan om Rec{u.z.
in vreede en met vermaak de goederen ^ waar-
meê zy zichvoorzien zagen y te genieten. Dóch
hunne overvloed en rykdom vervoerde hen
tót weelde en welluft, zo dat zy zich met de
onderhoudinge der oude tucht i\'iet meer be-
kommerden , en voor Góds ftemme cn die zy*
ner heylige wetten doof wierden. Aldus haal^
den
\'er een tyd zou komen dat ze voor deeze
zachtheyd , waarmee zy hen bejegenden, hun-
ne wreedheyd beproeven zouden. Dit orakel
vêrfchrikte hen , maar echter kon ^t hen niet
doen befluyten den oorlóg weder aan te van-
gen , zo om de fchattingen welke zy van die
vólken trokken , als omdat de weelde hen zo-
verwyfd gemaakt had , dat de arbeyd hen on-
draagelyk geworden was. Men zag geen be-
hoorlyke gedaante van een Gemeynteftaat meer
onder hen j de Overheyd had geen gezag;
men onderhieldt niet langer het oud gebruyk
van Raaden te verkiezen ; niemand bekommer^
de zich met het gemeen; en elk dacht maar op
zyn eygen belang en voordeel. In \'t midden
van zodaanig een wanórde viel ""er een by zon-
der krakkeel voor , \'t welk eenen bloedigen in^
landfchen oorlóg veroorzaakte, die aldus zynen
oorfprong had.
Zeker Levyt, woonende in \'t land dat der
j ftamme Ephraims ten deel gevallen was,
RechJip. trouwde een wyf uyt de ft\'ad Bethleëm in de
ftamme Juda > Vermids hy nu haar ter oor-
zaake van haare fchoonheyd zeer beminde j en
zy hem daarentegen ganfch niet lief had , ver-
weet hy haar zulks onophoudelyk. Zy moe-
de wordende van dit te verdraagen, verliet
hem naa verloop van vier maanden , en keerde
weder na haare ouders. Déeze man door ge-
weldige liefde gedreevert , toog der waards om
haar te zoeken , en wierdt minnelyk van haare
maagen ontvangen , die haar weder met hem
verzoenden : en naa dat hy daar vier dagen ge-
weeft was, befloot hy haar weder meé na huys
te neemen. Maar dewyl de oude lieden zwaar-
lyk van haare dóchter konden fcheyden, kon hy
niet eer dan tegens deii avond vertrekken.
Zyne vrouw was op eene ézehn gezeten, en zy
hadden eenen dienaar tót gezelfchap. Toen zy
zen om by iemand zyner landaard te gaan.
Aldus quam hy heel laat in de ftad Gaba , ^ leg-
gende in de ftam Benjamins. Zy leeven eeni-
gen tyd op het pleyn j zonder dat iemand hen
huysvlfting aanbVdt. Eyndelyk quam er een
oud man van
dc ftamme Ephraims, doen m
die ftad woonachtig ^ van \'t veld , en vondt
hen in dien ftaat. Hy vraagde den Levyt wie
hy was, en waarom hy zo laat na eene herberg
zócht. De ander antwoordde dat hy van de
ftamme Levi was, en zyne vrouw van haare
ouders gehaald had, omze na \'t land Ephramis,
alwaar hy woonde , te brengen. Elier door
verftondt de oude man dat zy zyne ftamgenoo-
ten waaren , en bragt hen daarop in zyn huys.
ze ^ ---------
ten aldus met voeten traden. Maar zy dree-
ven de fpót met dit zeggen j en dreygdeii
hem te dooden ^ indien hy hen langer tc-
genftond. Deeze goede man, willende als^
toen , het kóftte war het Wou, zyne gaften van
zulk een gruuwelyken overlaft bövryden , boodt
deeze ontzinden zyne eygene dóchter aan , om
liever haar, dan het recht der gaft vry heyd te
fchenden. Maar niets kon hen voldoen , dan
deeze vrouw in hun geweld te hebben j dies
fchaakten zy haar , en naa dat zy den ganfchen
nacht hunne beeftelyke drift met haar voldaan
hadden , lieten zyze met het krieken van den
dag heene gaan.
V. Boek. J O O D S C H Ã\' H I S T Ã R Ã. ^
den zy zich zvflcn toorn op den hals j en hy Eenige jonge maats van die ftad ; Welke hërt op
gaf hen te verftaan dat het tegen zyn bevél was \'t pleyn gezien , en zich aan de khoonheyd .
dat zy de Kanaaniten verfchoonden 5 maar dat van die vrouwe vergaapt hadden ^ ziende dat
\' \' zy by deezen gryzaard, die niet krachts
genqeg had om haar te befchermen , t\'huys ge^
gaan waaren, quamen aan de deur kloppen^
en zeyden tót hem dat hy die vrouw aan hen
overléveren moft. Hy badt hen dat zy dóch
vertrekken , en hem zulk een leed niet aandoen
zouden. En dewyl zy bleeven aanhouden,
zeyde hy dat ze van zyn maagfchap , en eens
Leviten vrouw was j zo dat zy overzulks
een - zwaare misdaad zouden begaan , indien
om hunne geyle luft te boeten, de wet-
Zy vol Van fpyt over zulk een gruuwelyk
leed , en ten uyterftén befchaamd over \'t gene
haar wedervaaren was, durfde haaren man, die
dus in haar perfoon gehoond v/as , niet onder
de oogen komen, en zeeg alzo dood néér.
Hy haar aldus ziende , meende dat ze maar in
zwym gevallen was ^ dies poogde hy haar v/e-
der te doen bekomen , en te trooften , Zeggen-
de dat hoewel de fmaad haar aangedaan niet
grooter nóch fnooder weezen kon, zy zich
daarom niet dus aan de wanhoop moft overgee-
ven , omdat het t\' eenemaal tegen haar dank
was ,
dat zy dit allergruuwelykfte geweld ge
xxauuen eenen u.c.... .u. ^ jeeden had. Maar tocn hy dus gefprooke^n
derticT ftadiën wegs afgelegt hadden , bevonden | hebbende bemerkte dat zy dood was , gevoel-
zy zich dicht by Jerufalem ; cn de dienaar ricdt; de hy zich door eene overmaat van droefheyd
hk niet verd^ voort te trekken , omdat de i getroftbn ^ do^ gedroeg zich echter ^or^-
donker begon te vallen , en men by nacht alles i tig genoeg na de grootheyd des ^»I^T^f «
te vreezen^ad , al wa/\'t dat men zich by zyne | nam ftüzwygcnds het hghaam , leidde het
r ä^ne^^a^ wardâ 1 ^ ^ft ftä^ f
kZdc^cn rJad niet gid , vermids de Kanaa-1 ftim één zondt, en haar verwittigde van \'t ge^
niten meefters van jïrufalem zynde, hy niet ne\'er gebeurd was. ^ . ,
befluvten kon by vrcemdehngen te vernachten, Zo een ongehoorde en yflyke vertoomng
en liever nóg twintig ftadiën verder wilde rey- bragt hen tót zulk een gramfchap, dat zy alle
en liever & . t, , , , ^ ^^ ^^^ Tabernakel byeenquamen, en
beflooten opftaandevoet Gaba te
. -- gaan aan-
taften. Maar de Raad hieldt hen voor âdatzy
niet zo ligt den oorlóg aan die van hunne
landaard moeften aankondigen, zonder alvoo-
rens omftandiglyk yan de misdaad onder-
recht te zyn 3 omdat de wet verbiedt anders
te handelen zelfs ontrent vreemdelingen j en
dat men daarom gezanten aan hen moft zen-
den om voldoening te eyfchen. Dat het der-
halve billyk was eene bezending aan de Ga-
baoniten te doen , en hen aan te maanen ,,
dat zy de fchuldigen ftrengelyk ftraften; â
\'t welk zo zy deeden , moft men daarmede â
genoegen neemen , dóch indien zy \'t weyger- â
}}
3)
3i
55
3?
35
33
33
den
O 3
lïO
5, den 5 dan koYi \'men
F L à V I ü S J
\'t feyt door de wapenen
O S E P H U S V, Boek.
den 3 en vielen alle gezamentlyk met een groot
gefchreeuw op hunne vyanden aan. Alstoen
bemerkten de Benjaminiten dat het met ben ge-
daan v\\\'as j dies wierpen zy zich in een dal 3 al->
waarze van afle kanten omringd , en alle met
fchichten en pylen gedood wierden , uytgeno-
men zeshonderd die met het zwaerd in de vuyft
ccne opening dwars door hunne vyanden maak-
ten , en de vlugt op eenen berg namen, om al-
zo hun leeven te redden : invoege dat \'er byna
vyfentwintigduyzend mannen op de plaats het
leeven heten. Inmiddels ftaken de ifraëliten
Gaba in de brand, alwaar zy, zonder ouderdom
óf kunne te ontzien , alles tót vrouwen en kin-
deren toe om \'t leeven bragten ^ en met de aa-
dere fteden der ftamme Benjamins even eens han-
delden 3 ja hunne wraak zo verre uytftrekten,
dat zy , omdat de ftad Jabes in Galaäd gewey-
gerd had hen in dien oorlóg by te ftaan, twaalf-
duyzend uytgeleezene mannen derwaards zon-
den 3 die dezelve innamen, de
3, wreeken". Dit vertoog overreedde iicn , en
men zonde eenige na de Gabaoniten , om
over dit grtiuwelftuk der jonge quanten , die
door \'t iehenden der vrouwe de wet Góds
gefchonden iiadden , tc klaagen, en te eyfchen
dat men hen met den dood , dien zy rechtvacr-
diglyk verdiend hadden , ftrafte. Dit volk,
dat zich inbeeldde in kracht en meed voor
niemand te wyken , achtte dat het eene fchan-
de zou zyn 3 zulk een voldoening te geeven
uyt vreeze voor oorlóg : derhalven bereydden
zy zich daartoe , en met hen alle de óverige
van de ftamme Benjamins. Deeze weygering
van recht te doen vertoornde alle de andere
ftammen indiervoege, dat zy zich met eede
verbonden , nooit eene van hunne dóchters aan
iemand van die ftam ten huuwelyk te geeven,
«n hen een bloediger oorlóg aan te doen dan
die welken hunne voorvaders tegen de Kanaa-
niten gevoerd hadden. Daarop trokken zy
met vierhonderd-duyzend mannen tc velde om
hen te beftryden. Die van de ftamme Benja-
⢠mins hadden maar vyfentwintigduyzcnd zes-
honderd mannen , onder welke vyfhonderd zo
afgerecht waaren , dat zy zich gelykelyk van
beyde de handen bedienden , werpende uyt
een ftinger met de flinker, en vechtende met de
andere. De flag gefchiedde by Gaba j dóch de
Benjaminiten kreegen de overwinning, dooden-
de twêëntwintigduyzend van de IfraëHtcn , cn
zy zouden \'er miflchien nóg meer gedood
hebben, indien de nacht hen niet gefcheyden
had. Aldus keerden zy zeegenpraalende we-
der na hunne ftad , en de Ifraëliten na hun le-
ger , zeer bedeefd cn verflagen over hun ver-
hes. Des anderen daags wierdt het gevecht
hervat j de Benjaminiten waaren ander-
maals overwinnaars , cn floegen achttienduy-
zend mannen dood van de Ifraëliten , die hier-
over zo ontzet waaren, dat zy hun leger
opbraken , en na Bethel, dat \'er niet verre
af lag 3 zich begaven. Zy vaftcdcn den gan-
fchen vólgenden dag, en baden Gód, door tuf-
fchenfpraak van den Opperpriefter Phineës 3
dat hy zyne gramfchap wilde laaten vaaren,
zich met het verlies dat zy tweemaal geleeden
hadden , vergenoegen ^ en hen voortaan gun-
ftig zyn. Gód verhoorde hun gebéd 3 en beloof-
de hen zyne byftand. Thans greepen zy we-
der moed 3 deelden hun heir in twêên , leyden
des nachts de helft daarvan in eene hinderlaage
dicht by de ftad, en trokken met het ander ge-
deelte voort. Dc Benjaminiten toogen hen
ftoutelyk tegen, vaftelyk vertrouwende een der-
de overwinning te zullen behaalen. Daarop
weeleen de Ifraëliten achterwaards om hen ver-
der van de ftad te trekken ^ en deeze fchyn van
vluchten maakte de Benjaminiten zo opgeblaa-
zen 3 dat zelfs die welke door hunne ouder-
dom van den krygsdienft vry waaren , en daar-
om het gevecht van de muuren der ftad flechts
aanfchouwden , niede uyttrokken om deel aan
den buyt te hebben die zy geloofden dat hen
niet ontgaan kon. Maar toen de Ifraëhten
zagen dat zy hun verre genoeg afgetrokken had-
den , keerden zy om, gaven de leuze aan die
mannen ,
vrouwen 3 en kinderen doodfloegen, en alleen-
lyk vierhonderd maagden in \'t leeven behiel-
den : zo fcherp was hunne wraakzucht gewét
door de mishandehng van \'t wyf des Levyts,
en het verlies dat zy in de twee tegenfpoedige
gevechten geleeden hadden. Maar toen hun-
ne woede wat tót bedaaren quam , wierden ze
met medelyden over het verderf hunner broe-
deren bewoogen ⢠zulks dat fchoon de ftraffe
welke zy hen hadden doen lyden 3 rechtvaer-.
dig was 3 zy eenen vaften aanftelden , en na de \'
zeshonderd mannen 3 die hun leeven door de
vlugt gebergd hadden 3 eenige afzonden om
hen te doen wederkeeren : ^ men vondt hen in
de woeftyne by eene rots genoemd Rhoas. Dee-
ze afgezondene verklaarden hén dat de andere
ftammen deel in hun ongeluk namen maar dat
dewyl het niet te verhelpen was, zy het met
geduld moeften verdraagen . en zig met de
overige van hun geftacht vereenigen, om den ge-
heelen ondergang van hunne ftam voor te ko-
men j en dat men hen tót dien eynde alle hun-
ne landeryen en hun vee zoude wedergeeveni
Zy namen deeze aanbieding in dank aan 3 be-
kenden dat Gód hen rechtvaerdiglyk geftraft
had , en keerden weder na hun land. Voorts
gaven de Ifraëliten hen die vierhonderd dóch-
ters 3 welke zy uyt Jabes weggenomen had-
den , tót wy ven 3 en omdat zy voor den oor-
lóg gezwooren hadden , hen geene van de hun-
ne ten huuwelyk te zullen geeven , overleyden
ze wat hen te doen ftond ten aanzien van de
tweehonderd die\'er nóg ontbraken om het ge-
tal te evenaaren. Eenige waaren van gevoed-
len 3 dat men zich niet behoefde te binfden aan
eenen eed die roekeloos en uyt gramfchap ge-
daan was j dat het Góde niet onaangenaam zou-
de zyn \'t gene men deed om eene ftam, die ge-
vaar liep van ganfchelyk uyt te fterven, in wee-
zen te houden j en dat gelyk het een groote
misdaad was eenen eed te breeken uyt een quaad
oogmerk , het zulks niet geacht kon worden,
wanneer men door den nood gedwongen den
zelven niet hieldt. De Raad daarentegen be-
tuygde dat de naam alleen van meyneedigheyd
eenen affchrik baarde. En terwyl de gevoelens
dus verdeeld waaren, zeyde iem^and uyt de by-
ftan-
welke zich in de hinderlaage gelegd had-
V.BO.K; JOODSCHE
flanders, dat hy een middel wift oin vrouwen
aan de Beniaminiten te geeven, zonder dat men
den ^edaanen eed overtradt. Men beval hem
zulks voor te ftellen, enhy deed het ni deezer
voege: â Naardien wy , zeyd hy r gehou-
â d?n zyn ons driemaaFs jaars na de ftad Silo
te begeeven, om aldaar onze groote feeften
\' te vieren, en dat wy onze vrouwen en kin-
deren met ons derwaards neemen, zomoe-
\' ten we den Benjaminiten toelaaten, die van
onze dóchters , welke zy zonder ons toe-
til
indien de\'raders kla^tig daarover vallen, en ,3
recht eyft:hen, heeft men hen maar te ant- â
woorden, dat zy \'t hen zei ven moogen wy- â
ten dat ze haar niet beter bewaard hebben j
en dat men zich niet door toorn moet laaten ,,
vervoeren tegen degénen , die men\'er reeds â
al te veele blyken van gegeeven heeft.". Dee-
ze raad \\vierdt goed gekeurd, en men befloot
den Beniaminiten toe te ftaan dat zy zich door
dat middel van wyven yoor zagen.
Hl S T O R ï
dc^n krygen konnen , vry . te fthaaken.
Het feeft dan gekomen zynde, verbergden
de tweehonderd, die geene vrouwen hadden,
zich buyten de ftad in de wyngaarden en kreii-
pelbofl4en, en toen de dóchters al fprmgende
endanfendebuytenquamen, zonderletstemis-
trouwen, fchaakten zy\'er \'t getal van dat hen
ontbrak, trouwden\'er meé , en begaven zich
heel vlytig tót den akkerbouw , om de lande-
ryen h laSren voorigen ftaat te herftellen. Al-
dus werdt deeze ftam, die op \'t punt van haa-
ren ondergang ftondt, door devoorzigtigh^d
der Iftaëliten behouden, en nam zo wel m ge-
ral als rvkdom haaft weder toe.
O^rLt dien zelfden tyd was de ftam van
..B. DanVg gelukkiger dan d^^^^^^^
Reek. 8. ^.âtde Kanaaniten ziende dat de Hebreen zien
Iheel ontwenden ten oorlóg teg^^n, cnzhtm-
WkXh^^^ op zich te verryken , begonden
h?n te vLachten, en beflooten hunne krygs-
ncn te vci^ , , met uyt eenige vreeze
magt te vergaderen, n y ^^^^ ^^^^
voor hen, maar
te brengen dat zein hettoeK
Ichrik zouden konnen aanjaagen,
den inneemen. Aldus quamen ZJ dan te velde
met eengroot getal voetvólks en wagens, troK-
ken de &den Askalon en Akaron, die vaa de
ftamme Juda waaren, op hunne zyde, nevens
veele andere die in de vlakten gebouwd waaren,
en noodzaakten die van de ftamme Dans n
crebergte te vlieden. Maar vermids zy
niet lands genoeg, vonden om zich te voeden,
cn datze niet fterk genoeg waaren om door ae
wapenen te herwinnen\'t gene zy verboren had--
den, zonden zy vyf mannen landY>^aard in ver-
der van de zee af, om te zien óf zy daar bouw^
landen konden vinden om die te bewoonen. Naa
dat zy nu eenen ganfchen dag gegaan, en\'t groot
veld van Sidon overgetoogen waaren, vonden zy
dicht by den berg Libanon en den oorlprofig van
den kleynen Jordaan, een zeer vruchtbaar land.
Hiervan bragten zy befcheyd , en dit kleyn
heir begaf zich aanftonds derwaards. Voorts
bouwden zy aldaar eene ftad , welke zy Dan
noemden, naar den naam van éénen van Jakobs
zoonen, zynde insgelyks den naam hunner ftam^
me. Middelerwyl verliep het met de zaaken
der Iftaëliten hoe langer hoe meer, omdat zy,
in plaats van zich in den arbeyd te oefenen, en
Gód te dienen en te eeren, zich tót de ondeug-
den der Kanaaniten overgaven , en elk naar
zyn eygen zin leefden, zonder eenige beteuge-
ling , en buyten alle tucht.
III. H O O F t) S T U K.
Dc Koning der Aflyriërs brengt dc ifraëliten onder.
GOd wierdt ZO getergd , ziende zyn vólk
, tót allerley zonden overgegeeven , dat hy Recht.j.
hen desgelyks overgaf 5 en de weelde en wel-
luft deeden hen haaft het geluk, dat zy met zo
veel moeite verkreegen hadden , verliezen.
CimfartéS Koning der Aflyriërs deed hen den
oorlóg aan, doodde veele van hen in verfchey-
dene gevechten, bemagtigdeeen gedeelte hun-
ner fteden, terwyl andere met verdrag aan hem
over-
door allerley rampen gedrukt; dóch eyndelyk
op de vólgende wyzê daarvan verloft.
IV. H O O F D S T U K.
Othniël verlóft dc Ifraclitcn van de dienftbaarheyd onder dc Aflyricts.
^^thnï\'èly zoon van Kenezvan de ftamme Ju-
^-\'da, die zeer eervaaren en dapper was,
wierdt in een gezigt bevolen 3 dat hy niet moft
gedoogen dat zyne landslieden in zulkeen elen-
de gebragt wierden, maar dat hy liever alles moft
onderneemen om hen te verlóflên. Hy koos tót
zyne byftand in zulken grooten aanflag dat kleyn
getal van mannen, welke hy wift dat edelmoedig
genoeg waaren om geen gevaar te ontzien, als
\'t \'er op aanquam om een ondraagelyk juk van
den halze te fchudden. Zy maakten een begin
met xie Aflyrifche bezetting om den hals te
brengen: en het gerucht van zulken gelukki-
gen uytflag zieh verfpreyd hebbende, groei-
den hunne krygsbenden in weynig tydszoaan,
datzymetde Aflyriërsin getal byna gelyk waa-
ren. Daarop leverden zy hen flag, overwon-
nen hen , joegen hen op de vlugt, dwon-
gen hen zich over den Eufraat te begee-
ven , en kreegen alzo roemruchtiglyk hun-
ne vryheyd weder. Het vólk om Othniël
voor dien grooten dienft te vergelden, maakte
hem tót hun Opperhoofd, en gaf hem den
naam van Rechter, wegens het gezag dat aan
hem opgedraagen wierdt om te vonniuèn. \' Hy
overleedt in dat ampt naa dat hy het veertig
jaaren bcdknd had.
200.
Recht. 3.
V. Boek.
v. hoofdstuk.
CU
Eglon Koning der Moabiten maakt dc Iftaèlitc» dienftbaar ,
Ehud vetlóft hen.
^^Aa den dood van dien wyzen en edelmoe- 201.
^ digen Regeerder, vonden de Hebreen zich i <
in een erger ftaat dan te vooren, zo omdat zy
zonder Hocfd waaren, als doordien zy Gode zy-
ne fchuldige eere onthielden, en aan de wetten
geen beho^relyke gehoorzaamheyd beweezen.
Eglon Koning der Moabiten verklaarde den oor-
lóg tegen hen, overwon hen in verfcheydene ge-
vechten, en maakte hen cynsbaar: voorts ftelde
hy te Jericho den zetel zyner heerfchappye, en
drukte hen met allerley rampen. In deezen
ftaat waaren zy achttien jaaren : maar Gód eyn-
delyk j uyt ontferminge over hunne verdrukkin-
ge, door hunne gebeden bewoogen, befloot
hen te verlóflen. Ehud zoon van Gera uyt de
ftamme Benjamins, zynde jong, fttrk, kloek-
moedig, en beyde flinks en rechts, zo dat hy
tót alles bequaam was, woonde toen tejericho; en
vondt een middel door gefchenken om zich in
Eglons goede gunft in te boezemen, zulks dathy
eenen vryen toegang in zyn paleys kreeg, \'t Ge^
beurde eens op eenen zékeren dag in den zomer
ontrent den middag, dat hy eenen ponjaard nam,
dien hy onder zyne kleederen aan de rechter
zyde verborg, en dus met twee zyner dienaa*
ren vergezelfchapt na den Vorft ging om hem
een geichenk te brengen. De lyfwacht was
toen van de hand, \'t zy ze door het middao-inaal
\'t zy ze door de hitte te achteloozer wa^ Hy
leverde ondertuflchen zyn gefchenk over aan
Eglon 5 die zich toen in een koel vertrék be-
112 FLAVIUSJOSEPHüS
overgingen, cn ïey^de hen allen zwaare fchat-
tingen op. Aldus wierden zy acht jaaren lang
geeven had, en met hem begon te kouten > alzo ze
alleenwaren, hebbendede V órft den knegten be-
volen buyten te gaan. Ehud vreezende zynen
fteek te zullen miflèn, doordien Eglon op zynen
troon gezeten was , verzócht hem op te ftaan,
dewylhyhemeenendroom, dien Gódhemtoe-
gezonden had, vertellen zoude. De Vórft uyt ee-
ne begeerte om zulks te verftaan, reesoverend,
en Ehud duwwae hem aanftonds zynen dólk in
\'t lyf, liet denzelven m de wonde fteeken,
gmg ter kamer uyt, en haalde de deur na zich
toe. De amptenaars des Konings dachten dat
hy hem flaa^ende gelaatenhad , en Ehud
der tyd te verhezen, ging den Ifraëhten in de
ftad heymelyk zeggen wat hy gedaanhad, en
vermaande hen dat zy zouden trachten hun-
ne vryheyd weder te krygen. Zy greependaar»
op terftond de Wapenen aan, en deeden door
\'tgan-
\'t ganfche land op den hoorn blaazen, om
die van hunne landaard te doen byeenkomen.
Inmiddels verliep\'er vry veel tyd eer Eglons
Bedienden eenig mistrouwen kreegen > maar
toen zy den avond zagen vallen , deed de vrees
dat hem iets mogt overgekomen zyn , hen in
zyne kamer gaan , alwaar zy hem dood von-
den leggen. Hunne verbaafdheyd was zo
groot, dat zy niet weetende wat te doen, daar-
door aan de Ifraëliten tyd gaven om hen op
\'t lyf te komen, eer zy in ftaat waaren van zich
te verweeren : zulks dat \'er een gedeelte van
hen gedood wierdt, terwyl de óverige ten ge-
tale van ontrent tienduyzend de vlugt namen
na hun land. Maar de Ifraëliten, die de door-
fangen na den Jórdaan bezét hadden , floegen
en op den weg dood , voornamelyk by de
veeren j invoege dat niet één van hen het ont-
quam. De Hebreen aldus van de dienftbaar-
heyd der Moabiten ontflagen zynde , koozen
met gemeene toeftemminge Ehud tót hun
Hoofd en Vórft , als zynde hunne vryheyd
aan hem verfchuldigd. Hy was een man van
groote verdienfle, en ten hoogften pryswaer-
digi en bediende dat ampt tachtig jaaren.
Sanager zoon van Anath vólgde hem in de re-
geeringe , en ftierf eer\'t jaar om was.
VI. HOOFDSTUK.
Jabin Koning der Kanaaniten maakt de Ifraeliten aan zich onder-
worpen : cn Debora en Barak verlólTen hen.
/^Vermids de Ifraëliten zich ^ door hunne
Recht. 4. V-/^e^iej-waardigheden niet verbeterd had-
den , vervielen zy weder tót hunne gódloosheyd
en verachtinge der wetten : weshalve zy het
juk der Moabiten naauwlyks afgefchud heb-
bende , door Jabin Koning der Kanaaniten
overwonnen en ondergebragt wierden. Hy
hieldt zyn Hóf in de ftad Azor gelegen aan het
meir Samachon, houdende doorgaans op de
been driehonderd-duyzend mannen te voet,
tienduyzend te paerde , en drieduyzend wa-
gens. Zyn Veldóverfte Sifara ftcmdtjsyjiemin
⢠ftryd
groote gunfte, doordien hy de Ifraeliten in veele
gevechten overwonnen had, en het voornaa-
melyk aan zyn beleyd en dapperheyd toe te
fchryven was, dat zy cynfbaar geworden waa-
ren. In deeze ftrenge dienftbaarheyd, die met
veel wederfpoed verzeld was, bragten zy
twintig jaaren door, dewyl Gód zulks tót ftraf-
fe hunner hoogmoed en ondankbaarheyd ge-
doogde. Maar naa verloop van dien tyd be-
kenden zy dat de verachting zyner heylige wet-
ten de oorzaak van alle hunne rampen was.
Zy wendden zich derhalve tót eene Profetefl^è
genaamd3 \'t welk in\'t Hebreews eene
Bye betekent, en verzóchten haar, Gód te bid-
den dat hy zich over hunne elenden wilde ont-
fermen. Dies badt zy Gód voor hen , en hy
verhoorde haar gebéd, beloovende dat hy hen
verlóflTen zoude onder \'t geleyde van. Barak y
welke naam in onze taal Blikfem betekent,
zynde een man uyt de ftamme Nephtali. De-
bora uyt krachte van deeze gódfpraak beval
Barak tienduyzend mannen te verzamelen, en
de vyanden daarmede aan te grypen, alzo dit
kleyn getal genoeg was , doordien Gód hem
de overwinning beloofde. Barak hierop ant-
woordende dat hy dien laft niet kon aanvaar-
den , \'t en waare zy nevens hem met het heir
optrok , herzeyde zy , eenigfins verftoord:
â Schaamt gy u niet dé eere, waarmeê Gódu â
gewaardigt, aan eene vrouwe te willen afftaan ,,
Dóch ik zal daarom niet weygeren die aan te â
neemen." Daarop bragten zy tienduyzend
mannen byeen , en gingen zich op den berg
Tiiabor légeren. Sifara door bevél van den
Koning zynen meefter trok infgelyks op , en
floeg zyn leger dicht by \'t hunne neer. Ba-
rak en de zyne door de menigte hunner vyan-
den vertfaagd, wilden wyken, en zich verder van
hen af begeeven > maar Debora weêrhieldt hen
en beval hen dien zelfden dag flag te leeveren
zonder dat groot heir te vreezen , naadien de
overwinning van Gód alleen afhing, en zy zich
van zyne iyftand verzékeren konden. De
firydgingdanaan , en daar ontftondt een zwaa-
re regen vermengd met hagel, dien de wind
met zulk een geweld den Kanaaniten in \'t aan-
zigt dreef, dat hunne boogfchutters en flinge-
raars hunne boogen en flingers niet gebruyken
konden, nóchte konden degéne die zwaarder
gewapend waaren zich van hunne zwaerden
bedienen, zo zeer had de koude hunne handen
verftyfd. De Ifraëliten daarentegen hebbende
dien ftórm flechts van achteren, wierden\'er niet
alleenlyk weynig door belemmerd, maar gevoel-
den hunnen moed door zulk een blykbaar te-
ken van Góds byftand verdubbeld. Aldus
boorden zy door de vyanden heene, verfloe-
geii\'ereen groote menigte van, en van degé-
nen die overbleeven fneuvelde een groot ge-
deelte onder de voeten der paerden en de wie-
len der wagenen van hun eygen heir, het welk
geheel in wanórde de vlugt nam. Sifara zien-
de alles verlooren, tradt van zynen wagen, en
ging in \'t huys eener Kenitilche vrotiwe gehee-
tpn Jaeli welke hy badt hem te wiÃen ver-
fchuylen, en eene teug drinken te geeven. Zy
gaf hem zuure melk, waarvan hy zeer hartig
dronk , doordien hy grooten dórft had , en
hy viel daarnaa in flaap. Deeze vrouw hem
in dien ftaat ziende, dreef hem met eenen ha-
mer eenen grooten fpyker door den flaap van\'t
hoofd : en Baraks vólk aankomende, toonde
zy hen zyn dood lighaam. Invoege dat vól-
gens Deboras voorzegging de eere deezer groo-
te zeege aan eene vrouwe toequam . Thans toog
Barak na de ftad Azor, alwaar hy den Ko-
ning Jabin, die hem met een heir tegenquam,
floeg en doodde, de ftad tót de grond toe
flechtte, en Góds vólk veertig jaaren regeerde.
VII. H O O F D S T U K.
â¢De Madianiren bygeftaan van de Araakkiten en Arabiërs maaken de
liraciiceii dienftbaar.
203.
rccik.
Aa de dood van Barak en Debora, die
bykans op éénen tyd ftierven, deeden de
Madianiten , bygeftaan van de Amalekiten en
Arabiërs, den Ifraëliten den oorlóg aan, over-
wonnen hen in eenen grooten veldflag, pionder-
den hun land, en fleepten\'er eenen grooten buyt
vandaan. In deezer voege drukten zy hen ze-
Ven jaaren, en dwongen hen eyndelyk al het
vlakke land te verlaaten, en in\' \'t gebergte te
wyken. Aldaar groeven zy onderaardfche ho-
len om\'er in te woonen, en alles wat zy van
\'t platte land konden mede neemen te bergen:
want de Madianiten ftonden hen toe de akkers
geduurende den winter te bouwen, om dan zel-
ve ten tyde des oogfts het genót van hunnen
arbeyd te trekken. Aldus was hunne elende
zeer groot j en in dien jammerlyken ftaat namen
zy hunne toevlugt tót Gód, en baden hem
om byftand.
~ VIII. H O O F D S T U K.
Gedeon verlóft het vólk Ifraëls uyt de dienftbaarheyd der Madianiten.
pEns op zékeren tyd ^2.1 Gedeon zoon van ^^
â¢*-<Joas , uyt de ftamme van Manaflè, ee-Rech?k
nige koornfchooven heymelyk op zyne wyn-
pérs dorfchte, dewyl hy \\ piet opentlyk op
den dorfchvloer , uyt vreeze voor de vyan-
den , durfde doen , verfcheen hem een En-
gel onder de gedaante eens jongehngs , en
zeyde hem dat hy gelukkig en van Gód bemind
was. \'t Is \'er een fchoon bewys van, antwoord-
de Gedeon , dat ik genoodzaakt ben my van
eene wynpérs in plaats van den dorfchvloer te
bedienen. Dóch de Engel vermaande hem den
moed niet verlooren te geeven , maar iets tót
verlóflinge des vólks te beftaan. De ander
voegde hemdaaroptoe, dat dit voorftel een on-
moogelyke zaak behelfde, zo omdat zyne ftam
de zwakfte van alle in getal van vólk was , als
doordien hy zich zelven nóg jong en onbequaam
tót zulken grooten aanflag bevondt. âGód,
â hernam de Engel, zal alles vergoeden , en
â den Ifi-aëliten de overwinning geeven als
âzy u tót Veldoverfte hebben." Gedeon
verhaalde dit gezigt aan eenige perfoonen
van zyne jaaren, die van gevoelen waaren dat
men
J O O DSC HE HI ST OR L
V. Boek.
zich van dienftbaarheyd te bevryden, tzamen-
Rcclit. 7,, bragten. Gód verfcheen daarnaa Gedeon in
eenen droom, en zeyde hem dat dewyl demen-
fthen zo verydeld waaren, dat ze op hun ey-
gen vermoogen fteunende hunnej overwinnin-
ge liever aan hen zei ven, dan aan zyne huLpe
wilden toefchryven, hy hen wilde toonen dat
het aan hem alleen was datzy zulks verfchuldigd
waaren. Dat hy hem derhalve beval zyn heir op
\'theetft van den dag aan den oever van den Jor-
daan te leyden, en geen andere voor dappere
mannen te houden, dan zulke die voorover buk-
ten om op hun gemak te drinken j en de andere
daarentegen die onórdentelyk en met grooten
haaft het water fchepten, maar als bloodaards
aan te zien, vermids zulk haaftig drinken een
teken van bevreefdheyd gaf Gedeon gehoor-
zaamde , en hy bevondt dat \'er maar driehon-
derd waaren die \'t water met hunne handen
fchepten, en alzo zonder eenige haaft aan den
mond bragten. Met dit kleyn getal beval Gód
hem des nachts op de vyanden aan te vallen :
en bemerkende de ontroerdheyd van zyn ge-
moed, belaftte hy hem, opdat hy moed mogt
vatten, zich alleen met éénen van de zyne m
.ftilte na \'t leger der Madianiten te begeeven,
om te zien wat daar omging; Hy quam dit
bevél naa, en toen hy dicht by hunne tenten
gekomen was, hoorde hy dat een foldaat aan
zynen makker eenen droom dien hy gehad had
vertelde. âIk heb, zeydhy, gedroomd, dat
5, ik eenen klomp deegs van garftenmeel, die
naauwlyks opraapens waerdig was , door \'t
ganfche leger zag rollen,, en dat hy.\'eerft des
Konings tent, endaar na alle de andere om-
3, verre wierp. Deeze droom , antwoordde
« zyn kaïjieraad, voorfpelt de ganfche verdel-
men aan die toezfegginge behoorde geloof te
ilaan; en daarom aanftonds tienduyzend man-;
die gewilhg waaren alles te beftaan om
ging van ons heir, en dat om deeze reden.,.
E>e garft is het geringfte van alle graanen j ,,
en dewyl\'er tegenwoordig geen verachter,,
volk m geheel Afië is, dan de Iftaëliten,V,,
kan men hen by de garft vergelyken. Nu ,,
weet gy dat zy eenige krygsbenden verza-â
meld, en onder\'t geleyde van Gedeon eenen â
aanftag voorgenomen hebben. Hierom vrees â
ik zeer dat deeze deegklomp, welke gy alle
onze tenten hebt zien omróllen, een teken
zy dat Gedeon over ons zal zeegepraalen.
Dit gefprék vervulde Gedeon met hoope j iiy
verhaalde het den zynen, en beval hen zich te
wapenen: zy deeden \'t met blydfchap, dewyl
"er niets was dat zy op zulk een gelukkige yoor-
fpelhng niet zouden ondernomen hebben. On-
trent de vierde nachtwaake deelde Gedeon zy-
ne bende in drie tróppen ieder van honderd
mannen j en om de vyanden te overrompelen
beval hy dat zy elk in <ie flinkerhand eene flefch
met eenen brandenden fakkel daarin, en in de
rechterhand eenen ramshoorri in plaats van eene
bazuyn zouden neemen. Het leger der vyan-
den ftrekte zich zeer verre uyt, ter oorzaake
van de menigte hunner kameelen > en hoewel
elke foort van landaard byzonder lag, echter
waaren zy alle in éénen omtrek beflooten. Toen
de Iftaëliten dicht by hen gekomen waaren,
bliezen zy-alle te gelyk op hunne ramshoornen,
vólgens Gedeonsbevél, floegen hunne flefl:chen
aan ftukken , en quamen ónder een groot ge-
fchreeuw, elk met zynen fakkel in de hand, in
\'t vyandlyk leger, met een vaft vertrouwen dat
Gód hén de overwinning geeven zoude. De
duyfterheyd der nacht gevoegd by de flaape-
ngheyd der vyanden , dóch voornaamelyk de
byftand Góds, bragt hen in zulk een fchrik en
yerwarnnge, dat\'er veel meer door hen zeiven
dan door de Iftaëliten gedood wierden j dooiv
dien dit groot heir uyt vólken die verfcheydene
nen
35
33
33
taaien fpraakèn beftondf , eh zy uyt verbaasd-
lieyd malkanderen voor vyanden aanzagen, en
alzo ombragtèri. Zo drä de-ändere Iftaëliten
de \'tyding deezer uytfteekende overwinninge
kreegen , namen zy dc wapenen op omdevyan-
V \' en zy achterhaalden hen ter
plaatl| daar de doorgang hen.door eenige bee-
ken afgefnceden was > alwaar zy een groote flag-
Ps \' ting
FLAVIUS JOSEPHUS
en ondraagelyk maakte. Op zékeren dag dat
men te Sichem een groot feeft vierde, op welk
een i^enigte van vólk tzamengekomen was,
verhief Jothan zyne ftem zo luyd van den tóp
des bergs Garizim , die dicht by de ftad legt,
dat al het vólk hem hoorde , en ftil zweeg om
naar hem te luyfteren. Hy verzócht hunne
aandacht, en zeyde: âDat de boomen eens
tzamengekomen zynde , en fpreekende gelyk
de menfchen , den vygeboom gebeden had-
den hunnen Koning te willen zyn j maar dat,,
die zulks weygerende, gezegd had dat hy
zich vergenoegde met de eere die zy hem ten
aanzien van de goedheyd zyner vruchten
aandeeden , en dat hy niets meer begeerde.
Dat zy daarop die eere den wynftók aanboo-
den , maar dat die dezelve ook verwierp:
dat zy ze toen aan den olyfboom opdroe-
gen , dóch dat die niet mhider befcheyden-
leyd toonde dan de andere. En eyndelyk
dat zy zich tót den braambofch keerden,
wiens hout nergens toe goed is dan om te
verbranden i en dat die hen aldus antwc>ordde:
Indien \'t u ernft is my tót uwen Koning aan
te neemen, ruft dan onder myne fchaduwej
dóch zo \'t maar uyt boertery gefchiedt en
om my wat wys te maaken, dat dan een vuur
van my uytgaa, en u alle vertcere. Ik ver-
tel ulieden dit niet, zeyde Jothan, ais een
fprookje om u te doen lachgen j maar ik zeg â
het omdat gy , die verpligt zyt aan Gedeon
wegens zo veele weldaaden , toelaat dat â
Abimelech j wiens aardt is gelyk het vuur,
uw dwingeland geworden is, naa dathy zyne
broeders zo wreedelyk om den hals gebragt â
heeft." Deeze woorden gefprooken hebbende
ging hy weg, en hieldt zich drie jaaren in\'t ge-
bergte verfchoolen 3 om Abimeleehs woede te
ontwyken. Eenigen tyd daarnaa berouwde het
dien van Sichem dat zy\'t bloed van Gedeons
kinderen dus hadden laaten vergieten j dies dree-
ven zy Abimelech uyt hunne ftad en uyt hun-
ne ganfche ftam : maar toen de tyd des druy-
venoogfts gekomen was, veroorzaakte de vree-
ze voor zyne wraakzucht dat zy niet durfden
buyten de ftad gaan. Een man van aanzien ge-
naamd Gaa^ quam te dier tyd met een groot ge-
tal krygsvólks,, en eenige zyner maagen, te Si-
chern : dies verzóchten zy hem dat hyhen wil-
de befchermen, opdat ze hunne vruchten mog-
ten inoogften. Hy dit verzoek hen toegeft^n
hebbende, waaren zy buyten vreeze , zodat
zy opentlyk tegen Abimelech fpraken , en alle
de zyne, die m hunne haiidén vielen , dood-
üie ADimeiecnsnuyswaara gcw^v^ - 3 iicut
weeten dat Gaal \'t vólk tegen hem opruyde,
en dat het derhalve raadzaam voor hem was eene
hinderlaage buyten de ftad te leggen, in welke
hy hem beloofde den anderen te zullen leyden:
waardoor hy zich op zynen vyand zou konnen
wreeken , en dat hy hem daarnaa met het vólk
wel weêr bevreedigen zoude. Abimelech bleef
niet lil gebreke van ^ynen raad te vólgen, nóch
Zebul van naa te komen \'t gene hy hem beloofd
had Zebul en Gail dan in de Voorftad geko-
men zynde j Ns^aè GaSl,, die niets miftrouwdc,
zeer
V. Boek,
il6
tiiicr deeden. De Koningen Oreè en Zei^ waa-
ren^nder \'c getal der dooden 5 maar de Konin-
KecKt. 8. genZeMm Hezerbun * ontquamen \'t metacht-
, " ^^ tieiiduyzend mannen, en legerden zich zo ver-
re van de Ifraeliten af als zy konden. Gedeon,
die niet moede wierdt van Qóds eere en den
roem zyns lands te verbreyden , trok fpoedig
na hen toe , hieuw alle hunne troepen m ftuk-
ken, nam hen gevangen, en de Madianiten en
Arabiers, die t\'hunner hulpe gekomen waaren,
verlooren byna honderd-twintig-duyzend man-
nen in die twee gevechten. De liraäiten kreegen
eenen overgrooten buyt van goud , zilver , en
-andere kóil?lykheden , benevens eene menigte
van kameelen en paerden; en Gedeon weder te
Ephraim, zyne geboorte-enwoon-plaats geko-
men zynde , deed de twee Koningen der Ma-
dianiten , welke hy gevangen genomen had,
dooden. Zyne eygene ftam toen jaloers over
de eere welke hy ingelegd had , en zulks niet
konnende dulden , befloot hem te bevechten,
onder den dekmantel dat hy zich, zonder hen
kennis van zyn voorneemen te geeven, m den
oorlóg gewikkeld had. Maar hy met minder
wys als dapper zynde , antwoordde met groo-
3i
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3S
33
33
33
i»
33
33
33
en dat dit echter niet verhinderen zoude , dat
zy niet zo wel als hy deel aan de overwinmnge
zouden hebben. Aldus bragt hy hen tót be-
daaren , en deed aan \'t Gemenebeft^door zyne
voorzigtigheyd geen minderen dienft , dan hy
door de gewonnen veldflagen gedaan had, om-
dat hy daardooreenen burgerlykenoorlógvoor-
quam. Dóch deeze ftam wierdt naderhand
over haare hoogmoed geftraft, gelyk wy te
zvner plaatfe zullen zeggen.
\'De befcheydenheydvandeezen uytmuntenden
perfoon was zo ongemeen groot, dat hy zich
van het hoog gezag ontflaan wUde : maar men
dwong hem^\'t zelve te behouden , zo dat hy
\'t veerag jaaren bezat. Hy bediende het recht,
cn befleiÃe de gefchillen met een on^^^
di^^heyd , bequaamh^d, en wysheyd, dat het
vólk altoos divonniifen door hem uytgefproo-
ken bekrachtigde , omdat ze volkomen billyk
waaren. Hy Weedt in eenenhoogen ouder-
dom , en wierdt in zyn vaderland begraaven.
33
33
>3
IX. H Q O F D S T U K.
Wreedheden en dood v^n Abimelech, Gideons baftaaidzoon.
Ammoniten cn Philiftynen biengen delftaëlite^nondet. Jephtaver-
!óft hen, en ftrafc dc ftam Ephrams. Ap&n, Helen, cn Ab-
don tegeeren \'t vólk Ifraëls naa Jephtls dood.
De
aon tegeeren t vont iiiacia i,.«--
GEdeon had by verfcheydene vrouwen zeven-
tig echte zoonengetceld,
2.0 jr.
Kccht. 9.
ze byzit eenen baftaard geheeten
Deez naa den dood zyns vaders ging na Sichem
vanwaar zyne moeder geboortig was. Zyne
bloedvrienden aldaar verzórgden hem met geld,
cn hy daarmede eene bende van de fnoodfte
quanten die hy vinden kon byeengebragt heb-
bende , keerde met dat vólk na zyns vaders
huys, doodde alle zyne broeders, uytgenomen
Jothan die \'t ontvlugtte, maatigde zich de
lieerfchappy met geweld aan, en alle wetten
met voeten treedende, pleegde zulk een tiran-
nv , dat hy zich by alle eerlyke lieden gehaat
:feer verwonderd, dat hy krygsvóïk op hem
aankomen zag , en hy riep Zebul toe: ^le
â daar vyanden die op ons afkomen, t /.yn
3, maar fchaduwen van de rótfen , antwoord-
â de Zebul. Geenfms, hernam Gaal, die hen
â toen dichter by zag, \'t is zekerlyk krygs-
â vólk. Hoe, zeyde Zebul, gy die Abimelech
,, zynelafhartigheydverwyt, wat belét utegen-
â woordig uwe dapperheyd te toonen, en hem
â te bevechten.?" Gaal geheel ontroerd ftondt
den eerften aanval uyt, en naa eenige van de
zyne verlooren te hebben, keerde met de óve-
ri<Te weder in de ftad. Zebul befchuldigde hem
toen van blooheyd in die ontmoetinge, en was
de oorzaak dat men hem wegjaagde. De in-
wooners daarnaa weder uytgaande om hunnen
oogft voort te zetten, leydde Abimelech het
derde deel van zyn vólk in een laage rondom
de ftad, met bevél van de poorten te bemagti-
gen om hen het wederkeeren te beletten j enhy
met de óverige zyner benden op degénen dic^
\'cveld verftrooid waaren aangevallen zynde,
maakte zich meefter van de ftad, flechtte die
tót op de grond 5 en bezaaide ze met zout.
Degéne die zyn geweld ontkomen waaren,
zich herzameld hebbende , namen eene róts.
in, welke door haaren ftand zeer fterk was,
en wierden te raade die met eenen muur te om-
ringen : maar Abimelech gaf\'èr hen geen tyd
toe } want hy ging met al zyn krygsvóïk dat
hy by zich had, nam een drooge takkebos,
belaftte alle de zynen desgelyks te doen, en
naa aldus als in een oogenbhk een groote me-
ni<Tte houts rondom de róts byeengebragt tc
hebben, deed hy\'er de brand m fteeken, en
nócr andere brandbaare ftofte daarop wer-
peS, al\'t welke zulk een groote vlam verwek-
te, dat niet één van die arme vlugtelmgen
het ontquam, en vyftienhonderd mannen be-
halve de vrouwen en kinderen verbmnd wier-
den. Dus jammerlyk fneuvelden de Sicae-
miten, die deernifté waerdig ^^^^
zvn , indien zy door hunne ondankbaarheyd
tLcns eenen man, van wien zo groote by-
ftSid hadden genoOten , geen ftrafte verdiend
hadden.
JudiciaTt-lX-^-M- \' â -
^dtr de Galaditer uyt de ftamme van Manaf- 2o5.
fe reo-eerde daarnaa het vólk Iftaëls. Hy was ^\'^ht. lo.
crelukkig in alles , maar voornaamelyk in kin-
deren: want hy had dertig zoonen, alle dap-
pere en braave mannen , die de eerfte rang in
\\ landfchap Galaad hielden. Naa dat hy dit
aanzienlyk ampt tweeëntwintig jaaren bediend
had, overleedt hy, en wierd met groote ftaatfi
te Kamon , ééne der fteden yan dat landfchap i
begraaven.
De verachting die de Ifraëliten alstoen on- ^^^^
trent Góds wetten betoonden, deed hen weder-
om vallen in eenen ftaat nóg ongelukkiger dan
de voorgaande: want de Ammonitm en Phili-
ftynen quamen met een magtig heir in hun land,
pionderden het ganfchelyk , vermeefterden de
plaatfen aan gene zyde des Jordaans, en wilden
die rivier overtrekken om alle de andere ook
in te neemen. De Ifraëliten door deeze ftrafte
tót naadenken komende, namen hunne toevlugt^ \'
P 3 tót
De verdelging deezer elendige ftad beving
de Ifraëliten met zulken fchrik, dat zy niet twy-
felden of Abimelech zou zyn geluk vervólgen,
en zyner ftaatzucht geene paaien zetten voor
dat hyhen alle ondergebragt had. Ondertuf-
fchen toog hy zonder tydverlies na de ftad 1 lie-
bes bemagtigde haar ftórmenderhand, en be-
leg^de eenen grooten toren op welken het vólk
gevlugt was. Dóch zo als hy by de poort
quam, wierp eene vrouw een ftuk van ec^en meu-
Lftein vaS boven neêr op zvn ^^^^
door hy ter aarde viel: en voelende dat hydoo-
delyk gewond was, beval hy zynen khild-
knaap hem te dooden, om de fchande niet te
hebben dat hy door de hand eener vrouwe ge-
fturven was. Hy wierdt gehoorzaamd, ^^
aldus i vólgens Jothans voorzegginge , ftratte
voor zynen broedermoord, en zyne wreedneya
jegens de ingezétenen van Sichem. Zyn krygs-
vóïk verliep aanftonds naa zynen dood.
F L A VIV S J O S E P H U S
1.18
Vi Rók K.
tót God, öaieekten om zyne byftand, ófterden
iieni ófl-eranden , en baden hem dat indien hy
zynen toorn niet ganfchelyk wilde ftillen , het
hem ten minften belie venmogtedien temaatigen.
Hy liet zich door hmine gebeden beweegen, en
beloofde hen zyne byftand. Dies trokken zy
te velde tegen de Ammoniten, die in het land-
fchap Galaad gevallen waaren : maar vermids
\'t hen aan een Hoofd ontbrak, en dat Jephta,
zo om de dapperheyd zyns yaders , als omdat
hy zelf eenige krygsbenden in dienft hieldt,
in grQote achtinge was , zonden zy eenige aan
hem om te verzoeken óf hy \'t gebied over hen
aanvaarden wilde, beloovende dat zy geduuren-
de zyn leeven geenen anderen Veldoverfte zou-
den aanneemen. Hy verwierp hun aanbód in
\'t eerft, omdat zy hem niet bygeftaan hadden
tegens zyne broeders , die hem onv/aerdiglyk
hadden bejegend, en naa zyns vaders dood ver-
dreeven , onder voorgeeven dat zyne moeder
eene uy theemfche was, welke zyn vader uyt lief-
de ten wyve genomen had 5 en \'t was om zich
over deezen hoon te wreeken, dat hy na Galaad
gevlugt zynde, een ieder die dienft onder hem
wilde neemen in zyne bezóldinge aannam. Maar
eyndelyk niet konnende hun krachtig aanzoek
langer wederftaan , voegde hy zyne benden by
de hunne, en zy leyden den eed af dat ze hem
als hunnen Veldheer gehoorzaamen zouden.
Naa dat hy met veel voorzigtigheyd alles wat
noodig was verzórgd , en zyn heir in de ftad
Mafpha getrokken had, zondt hy gezanten aan
den Koning der Ammoniten, om over zyne in-
fógt in een land dat hem niet toebehoorde te
klaagen. Deeze Vórft antwoordde hem door
andere gezanten, dat hy zelf oorzaak had om te
klaagen , dat de Ifraëliten , na hunne uyttógt
uyt Egipte, dat land zynen voorzaaten, die
\'er de wettigeiieeren van waaren , ontnomen-
hadden. Hierop zeyde Jephta âdathunMee- â
fter het niet vreemd moft vinden dat deâ
Ifraëliten het land der Amoriten bezaten: â
maar dat hy\'t hen dank mogt weeten dat zyâ
hem dat van Ammon gelaaten hadden,,,
\'t welk ook in Mofes magt was geweeft te â
veroveren. Voorts dat zy niet gezind waa- â
ren hem een land over te laaten \'t welk ze op â
Góds bevél ingenomen, en al driehonderd â
jaaren bezeten hadden : zulks dat dit ver-,,
fchil dan niet anders als door de wapenen te â
beflechten was."
Jephta deeze gezanten aldus afgevaerdigd
nebbende, deed Gode eene gelófte , dat indien
hy hem de overwinning gave , hy alsdan het
eerfte leevendig fchepfel , dat hem op zyne
t\'huyskomfte ontmoette , aan hem opófferen
zoude. Vervólgens leverde hy de vyanden
flag, overwon hen, jaagde hen naa tót aan de
ftad Maniath, trok in het land der Ammoniten,
verdelgde aldaar veele plaatfen, welke hy door
zyne fóldaaten liet pionderen , en verlófte zyn
vólk alzo roemruchtiglyk van de dienftbaar-
heyd waar onder het achttien jaaren gezucht had.
Maar zo gelukkig als hy in deezen oorlóg was,
en zo veel eere als hy \'er meê inleyde, \'t welk
hem door opendyke erkenteniflè betuygd
wierdt, zo ongelukkig was hy in zyn eygen
perfoon: want de eerfte die hem, weder t\'huys
komende, tegenquam, was zyne eenigfte dóch-
ter die hem te gemoet ging , en nog maagd
was. Zyn hart van droefheyd doorgriefd
deed hem een diepe zucht flaaken, en met ge-
klag uytbarften over het doodelyk getuygenis
dat zy hem van haar toegeneegenheyd gaf 5 en
hy vraagde haar door wat ongelukkig toeval zy
juyft het flagtóffèr moft zyn , dat hy gehou-
den was Góde op te ófferen.
Deeze edelmoedige dóchter , ia ,plaats van
zich over die woorden te omzetten, antwoordde
hem met een wonderbaare ftandvaftigheyd:
,, Dat een dood door de zeegc haars vaders en
de vryheyd haars vaderlands veroorzaakt, haar â
niet anders ds aangenaam kon zyn j en dat de â.
eenigfte gunft welke zy yan hem verzócht, was â
JJ5 dat
V. BOEK. JOODSCHE
â dat hy haar twee maanden tyd wilde geeven
â om zich met haare gezellinnen te beklaagen,
5, dat zy nóg zo jong zynde van haar ftondt
â afgefcheyden te worden. Deeze rampzalige
vader vondt geen zwaarigheyd haar die kleyne
gunft toe te ftaan > en naa verloop van dien tyd
ófferde hy dat onfchuldig ftagtófïer , \'t welk
Gód niet van hem vereyfchte, en waartoe geen
wet hem verpligten kon 5 maar hy wilde zyne
gelófte voldoen , zonder zich te laaten weer-
houden door \'t oordeel dat de menfchen daar-
over zouden moogen vellen.
208. De ftam Ephraïms verklaarde daarnaa den
Recht. II. oorlóg tegen hem, onder voorgee ven dat hy
om den roem van den kryg dien hy gevoerd had
alleen te draagen, en buyt van de vyanden te
bekomen , denzelven zonder hen ondernomen
had. Hy antwoordde hen in \'t eerft met zoe-
tigheyd , dat hy eerder reden had om te klaa-
gen, dat zy hunne landslieden in zulken zwaa-
ren oorlóg gewikkeld ziende, naagelaaten had-
den hen hulpe aan te bieden. Voorts verweet
hy hen , dat zy tegen hunnen gemeenen vyand
niet hebbende durven ten ftryde komen, het
maar een flecht aanzien had zich nu tegen hun-
ne eygene broeders quanfuys dapper te toonen.
En eyndelyk dreygde hymet Gó^ byftand hen
te zullen ftraffen , indien zy in hunne dwaas-
heyd voortgingen. Toen hy zag dat zy in
plaats van zich door die rédenen te laaten be-
weegen , met een groot heir , welk zy van
Galaad byeengetrokken hadden, in aantógt
waaren , toog hy hen tegen , leverde hen flag,
overwon hen , dreef hen op de vlugt, zondt
krygsvólk om zich van de veeren des Jordaans,
alwaar zy \'t konden ontvlugten , te verzéke-
ren , cn bragt alzo te wege dat \'er twêënveer-
tig-duyzend van hen gedood wierden. Deeze
grootmoedige Overfte der Ifraëliten overleedt
naa dat hy dit groot ampt zes jaaren bediend
had , en wierdt m de ftad Sebeï in \'t landfchap
van Galaad, alwaar hy geboortig was, begraa-
ven.
, uyt de ftad Bethlehem in de ftam-
me Juda , vólgde Jephta in het opper gebied,
en regeerde zeven jaaren zonder iets merk-
waerdïgs uytgerecht te hebben. Hy had der-
tig zoonen en zo veele dóchters alle getrouwd,
en ftierf hoogbejaard , wordende in zyn land
besraaven. ^ , ,
TJelon , uyt de ftamme Zabulons , was zyn
naazaat, en rechtte infgelyks niet merkelyks
uyt geduurende tien jaaren dat hy dat amptbe-
^^^"^bdm zoon van Eliël, uyt de ftamme
Ephraïms , vólgde op Helon , en de Ifraëliten
hadden zulk een volkómene vreede^onder zy-
ne regeering , dat \'er geen gelegenheyd vo^-
viel om iets merkwaerdigs te verrichten. De
eenigfte ongemeene zaak die men in zyn leeven
zou konnen aanmerken, is dat hy op zyn ner-
ven veertig zoonen , en dertig zoonszoonen,
alle leevende , en welgemaakte dappere man-
nen, naaliet. Hy ftierf in eenen hoogen ouder-
dom , en wierdt met groote ftaatfi te Pharathon
zynegebooJ^tC\'plaats, begraaven.
20^.
zio.
211.
Ã19
x. hoofdstuk.
Dc Philiftynen overwinnen dc Ifraëliten , cn maaken ben cynsbaar.
Wonderlyke geboorte van Samfon. Zyne byfter gtootc fterkte.
Hy doet den Philiftynen veel quaads. Zyn dood.
Aa den dood van Abdon overwonnen de 212.
Phihftynen de Ifraëliten, en maakten hen
tólpligtig aan zich veertig jaaren lang : maar
eyndelyk fchuddeden zy hun juk af op de vól-
gende wyze.
Manoa , die zonder tegenfpreeken voor éé-
nen van de voornaamfte onder die van de ftam-
me Dans gehouden wierdt, was een man van
groote deugd, getrouwd aan eene vrouw, die
in fchoonheyd alle de andere van haar land
overtrof, en met zulk een overgroote liefde
van hem bemind wierdt, dat\'er zelfs jaloezy on-
der liep. Dewyl zy geene kinderen hadden, en
zeer verlangden om \'er te hebben, baden zy
Gód geftadig daarom , en byzonderlyk wan-
neer zy op zékere hófftede waaren welke zy
dicht by de ftad hadden. Eens op eenen dag dat
deeze vrouw daar alleen was , verfcheen haar
een Engel onder de gedaante eens jongelings
van een ongemeene fchoonheyd en grootte, en
zeyde tót haar: â Dat hy haar van Góds wege â
quam boodfchappen , dat zy moeder ftondt â
te worden van eenen fchoonen zoon, wiens,,
fterkte zo ongemeen zou zyn , dat hy zo ,,
dra niet in de kracht zyner jeugd zoude ge- â
komen weezen , óf hy zou de Philiftynen â
vernéderen : maar dat Gód haar \'t affchee- â
ren van zyn haair verboodt, en haar beval â
hem geen fterken drank, maar alleen water te â
laaten drinken." Zy verhaalde dit haaren man,
en vertelde hem zo veel van des jongelings
fchoonheyd en bevalligheyd , dat die lof zyn
minnenyd vermeerderde. Zy dit bemerkende,
en niet minder kuyfch dan fchoon zynde, badt
Gód dat hy , om haaren man dit onbillyk ver-
moeden te beneemen, zynen Engel nóg eens be-
liefde te zenden, opdat hy hem zelf zien mogt.
Haar gebéd wierdt verhoord , zulks dat de En-
gel , wanneer zy beyde op de hóffteê waaren,
weder tót haar verfcheen. Zy badt hem te wil-
len wachten tót dat zy haaren man zoude gehaald
hebben , \'t welk hy haar toeftondt, en daarop
quam zy ftraks met hem aan. Manoa toen
met zyne eygene oogen deezen Gezant Góds
ziende , was daarom evenwel nóg van zyne
jaloezy niet bevryd : dies verzócht hy hem an-
dermaal te willen zeggen \'tge^hy reeds tót
zyne huysvrouw gezegd had : Wlarop de En-
gel antwoordende dat het genoeg was dat zy
het wift , badt hy hem dan te willen zeggen
wie hy was, opdatwanneerhyeenenzoonzou-
de bekomen hebben , hy hem dan zou konnen
bedanken en gefchenken aanbieden. De En-
gel gaf te verftaan dat hy geene gefchenken
van noode had , nóch hem zulk een goede ty-
ding had gebragt om \'er voor hemzelven ee-
nig voordeel uyt te trekken. De ander ver-
zócht derhalve zo fterk dat hy hem dan als ee-
nen gaft eenig onthaal mogt aandoen, dat hy
van hem verkreeg een weynig te zullen vertoe-
ven. Terftond flagtte Manoa een bokje , en
gaf het zyne huysvrouw om te kooken : zodra
als \'t gereed was, zeyde de Engel datzy, zon-
der
HISTORL
n
cn zyne huysvrouw zagen den Engel ten he-
mel opvaaren in \'t midden van den rook des
vuurs 3 die hem als tót eenen wagen verftrekte.
Dit gódiyk gezigt bragt Manoa in groote be-
kommerdheyd j maar zyne huysvrouw ver-
maande hem niet te vreezen, en verzekerde
hem dat het hen niet anders dan voordeelig kon
zyn. Kort daarnaa wierdt zy zwanger, en
verzuymde niets van \'t gene haar bevolen was,
en eyndelyk baarde zy eenen zoon, dien zy Sam-
fin noemde , \'t welk fterk betekent. Dit kind
Recht, opgroeijende , gaf door zyne foberheyd en
14-5 lang haair wel haaft blyken van \'t gene wegens
hem was voorzegd. Toen hy tót volwaflène
jaaren gekomen was, quam hy met zyne ouders
eens in eene ftad der Philiftynen genaamd
Thamna, alwaar een groote tzamenkomft van
vólk was. Aldaar verliefde hy op eene dóch-
ter van dat land , en verzócht zyne ouders dat
zy hem wilden toelaaten met haar te trouwen.
Zy zeyden hem dat zulks niet weezen mogt,
omdat ze een vreemde was, en dat de Wet
zodaanige huuwelyken verboodt. Maar hy
hieldt \'er zo fterk om aan , doordien Gód het
om de welftand zyns vólks zo toeliet, dat zy
\'er eyndelyk toe bewilligden , en de dóchter
der \\ in eenen fcliotel te doen , het maar met vleefch en brood met eene roede aan die hy in
brood op zékeren fteen zoude leggen. Zy zyne hand had ^ en fluks ontftondt\'er eene vlam
zulks gedaan hebbende 3 roerde de Engel het ; die \'t zelve t\'eenemaal verteerde , en Manoa
V. Boeic. JOODSCHE
vaerdheyd te toonen, by de keel, verfcheurde
hem, en wierp hem in eene haage ter zyde van
den weg. Eenige dagen daarnaa dien zelfden
weg weder langs komende, zag hy eenen zwerm
byen die honig maakten in\'tlyf van dien leeuw j
dies nam hy\'er drie honigraaten uyt, welke hy
nevens andere gefchenken zyne bruyd bragt.
Zulk een ongemeene fterkte maakte de verwan-
ten deezer dóchter , welke hy ter bruylóft ge-
noodigdhad, zo bevreefd, datzy, als tót een
teken van eere , dertig jongmans van zynen
ouderdom koozen , onder voorgeeven van
hem te vergezelfchappen , maar inderdaad
om op hem te pallen , byaldien hy iets zoud
willen beftaan. In \'t midden van de vrolyk-
heyd op de bruylóft zeyde Samfon tót zyne ge-
zellen: â Ik zal ulieden een raadfel uytgeeven,
â en zo gy \'t my binnen zeven dagen uytlegt,
â zal ik elk van u eenen fluyer en eenen rók
â verëeren.\'\' En daarop zeyd hy: âSpyzequam
â voort van den verflinder , en zoetigheyd van
â den wreeden." Zy bragten drie dagen toe
met nd de uytlegging daarvan te zoeken , dóch
te vergeefs > dies baden zy Samfons vrouw dat
zy hem de verklaaring zoud afvergen , en die
hen dan te verftaan geeven. Zy floeg zulks
afj maar wierdt toen met verbranden gedreygdj
weshalve zy haaren man badt dathy haar\'t raad-
fel verklaaren wilde. Hy weygerde zulks in
\'t eerft , dóch eyndelyk overwonnen door haare
traanen, en de klagten die zy deed over de
kleyne geneegenheyd welke hy haar toedroeg,
en daarenboven niets mistrouwende , verhaal-
de hy haar hoe hy eenen leeuw gedood , en
daarnaa de drie honigraaten , welke hy haar
had gebragt, in zyn lyf gevonden had. De
jongmans door haar van het geheym verwittigd,
quamen den zevenden dag eer dc zon onder
was by hem , en zeyden tót hem : â Daar is
â niet gruuwzaamer dan een leeuw , en niets
3, zoeter dan honig." Voegt\'er vryby, âant-
3, woordde Samfon, en niets gevaarlyker dan
5, eene vrouw , naardien de myne my verraa-
H I S T O R I Ã2I
den , en ulieden myn geheym geöpenbaird
heeft." Alhoewel hy nu dus bedroogen w^as,
echter wilde hy hen zyn woord houden, en
om \'t zelve naa te komen , beroofde hy eenige
Afkaloniten welke hy op den weg ontmoette.
Maar hy kon niet befluyten zyn wyf deezen
trek te goede te houden j dies verliet hy haar >
en zy zich verfmaad ziende, trouwde met éé-
nen van Samfons vrinden , die de bemiddelaar
van hun huuwelyk geweeft was. Dit fpeet
hem zo, dat hy befloot zich op haar en al haar
vólk te wreeken. Dies nam hy, toen de oogft
op handen was , driehonderd vóflèn, aan wel-
ker ftaerten hy brandende fakkels vaftmaakte,
en hen alzo in \'t koorn het loopen , waardoor
het geheel verbrandde. De Phihftynen over
dit groot verlies verftoord, zonden eenige hun-
ner voornaamfte na de ftad Thamna, om na
de oorzaak daarvan te verneemen > en zulks
verfl:aan hebbende , deeden zy Samfons vrouw
en haare maagen leevendig verbranden. Samfon
ondertuflch floeg alle de Phihftynen dood
die hem voorquamen , en week toen op eene
róts die ftérk door haaren ftand was, zynde ge-
legen in eene plaats genaamd Etam in de ftam-
me Juda. De Philiftynen om zich daarover te
wreeken , vielen op die ganfche ftam aan. Eii
wanneer deeze hen voorhielden , dat zy hunl-
ne vereyfchte fchatting betaalende , en on-l
fchuldig zynde aan \'t gene Samfon gedaan had,
het onbillyk was dat zy om zynent wille zou-
den moeten lyden, wierdt hen geantwoord,
dat het eenigfte middel om zich daaraf te bevry-
den , w^as dat zy hem in hunne handen overlever-
den. Hierop gingen drieduyzend mannen van
die ftam gewapend na die róts , en deeden
groote klagten tegen Samfon , dat hy de Phi-
hftynen zo tergde , daar zy zulks op de gan-
fche landaard konden wreeken : en zeyden hem
dat om zo groot een quaad te weeren , zy ge-
komen waaren om hem te vangen , en aan de
Philiftynen over te léveren 5 dat zy hem daar-
om verzóchten \'t zelve te willen toeftaan , op
toezeggiiige dat zy hem anders geen leed .zou-
den doen. Hy quam dan af, en zy bonden hem
met twee touwen, en leyden hem heene. De
Philiftynen des verwittigd gingen hem met
een groot geroep van blydfchap te gemoet.
Maar wanneer zy quamen ter plaatfe die nu
nóg den naam van Kinnebak voert, ter oor-
zaake van \'t gene daar toen voorviel, zynde
dicht by hun leger , rukte Samfon zyne tou-
v/en aan ftukken, nam een ezels kinnebakken
\'t welk hy daar by geval vondt, viel op hen
aan, fioeg duyzend van hen dood, en dreef de
óverige op de vlugt. Zulk een ongemcene
daad , die t\'eenemaal zonder voorbeeld was,
maakte hem zo opgeblaazen , dat hy vergee-
tende dat zulks Gode dank geweeten moft wor-
den , \'t zelve aan zyne krachten toefchreef:
Maar het duurde niet lang óf hy wierdt over
zyne ondankbaarheyd geftraft, en inet zulk
een hevigen dorft bevangen, dathy t\'eenemaal
bez wykende, genoodzaakt was te bekennen dat
alle de kracht der menfchen maar zwakheyd
was. Hy keerde zich dan tót Gód, en badt
dat hy hem niet aan zyne vyanden wilde over-
leveren, fchoon hy \'t wel verdiend had, maar
hem in dien grooten nood byft\'aan. Gód door
zyn gebéd bewoogen, deed terftond eene fon-
teyn uyt de ft eenróts komen, en Samfon gaf
dk plaats den naam van Kinnebak, ter gedachte-
niffè van \'t wonderwerk dat Gód beliefd had
aldaar te doen. Sederd dien tyd achtte hy de
Phihftynen zo weynig, dat liy niet fchroomde
na Gaza te gaan, en aldaar in een openbaare
herberght\'huys te leggen. Zo dra de Over-
heyd kennis daaraf had , ftelde zy Vv-achten
aan de poorten om hem liet ontvlugten te be-
letten. Samfon dit verftaan hebbende ftondt
ter middernacht op , rukte de poortdeuren
open, leydeze met haare hengfels en grendels
op zyne fchouderen, en droegze op eenen berg
by Hebron. Maar in plaats van zo veele gun-
ft en diehy van Gód genoot te erkennen, en de
heylige wetten, welke hy aan zyne voorouderen
gegeeven had, te onderhouden, gaf hy zich aan
de ongerégelde zeeden der uytheemfchenover,
en was alzo zelf de oorzaak Van alle zyne ram-
pen j want hy wierdt verliefd op eene Phili-
ilynfch^ï hoer geheeten gelild. Zo dra de voor-
naamfte deezer landaard dit wiften , quamen"
zy deeze vrouw bezoekeri, en verkreegen door
groote beloften van haar, dat zy zou trachten
van hem te weeten té komen waarin deeze
wonderdaadige fterkte, die hem zo onverwin-
nelyk maakte, eygentlyk beftond. Delila, om
tc doen \'t gene zy begeerden , gebruykte onder
de goede cieralle de lief koozingen en vleycryen
waarvan zulk flach van vrouwen zich wéét
te bedienen om liefde te verwekken : en terwyl
zj tót hem met verwondering van zyne,groote
daaden fprak, nam zy daaruyt oorzaak om, hem
te vraagen, vanwaar die byfter groote ft:erkte
ontftondt. Hy kon wel begrypen uyt wat
oogmerk zy hem zulk een vraag deed, en ant-
woordde daarom , om haar te bedriegen in
3laats dat zy hem bedroog , dat indien men
lem met zeven wyngaard-ranken bond, hy
niet fterker zou zyn dan een ander. Zy dit
geloovende verhaalde het aan de Overheyd,
en die zondt eenig krygsvóïk , \'t welk naa
dat hy door dén wyn bevangen was, hem zo
bondt als gezegd is. Dclila wekte hem toen
op , zeggende dat\'er Waaren die hem te lyf
wilden. Maar hy ftondt op, verbrak zyne
banden , en maakte zich vaerdig om hen we-
derftand te bieden. Daarop verweet zy hem,
dat hy haar zo weynig, vertrouwde, dat hy
weygerde haar eene zaak te zeggen welke zy
:Zo gaern wilde weeten, even als óf zy niet ge-
Itrouw genoeg was om een geheym te bewaaren
dat van zulk een groot belang voor hem was.
iHy antwoordde, dat als men hem met zeven
;touwen bondt, hy dan krachteloos zoude zyn.
^Men nam\'er een proef van , en zy bevondt
dat hy haar anderm^aal bedroogen had. Zy
liet niet af hem laftig te vallen, en hy bedroog
haar ten derden maale, zeggende; dat men
zyn
zyn haair met garen doorvlechteh moft. Maar
eyndelyk hieldt zy zo fterk by hem aan, en
fmeekte hem op zo veelerley wyzen , dat hy,
willende haar behaagen, cn niet konnende
zyn ongeluk ontgaan, tót haar ;:zeyde:
3, Het is waar^ dat het Gode beliefd heeft
3, een ganfch byzondere zórg voor my te draa-
5, gen , en gelyk het door eene uytwerking zy-
ner voorzienigheyd geweeft is dat ik ter vver-
39
reld gekomen ben , zo is het ook door zyn ,,
bevé dat ik myn haair laat waflen , want hy
heeft my verbooden het af te fnyden ^ en
\'t is daarin dat alle myne fterkte beftaat.
Dit heylloos wyf had hem deeze bekentenis zo
dra niet afgeperft, óf zy fchoor hem terwyl
hy fliep zyn haair af, en leve de hem over aan
de Philiftynen^ welken hy nu niet langer weder-
ftaan kon.
Dies groeven zy hem de oogeri uyt, ____
den hem , cn voerden hem weg. Eenigen tyd
daarnaa j wanneer de Grooten en voornaamlte
van dat vólk op eenen feeftdag een groot gaft-
maal hielden in een zeer ruyme plaats, welks
dak maar op twee zuylen fteunde , deeden zy
Samfon haaien, om hen tót ceri kortswylig
fchouwfpel te verftrekketi. Zyn haair was toen
weder gegroeid ^ en deeze grootmoedige man,
merkende het aan als het grootfte vail alle
rampen , dus fmaadelyk bejegend tc wor-
den en zich niet te konnen wreeken , geliet
zich heel zwak te zyn, en zeyde tót den gei-
nen die hem by de hand leydde , dat hy hem
by de Pylaaren brengen zoude om \'er aan te leu-
nen. Dit gefchiedde ^ en toen hy \'er byge-
komen was , â fchudde hy dezelve met zulk een
kracht dat hy ze om verre haalde j waardoor
het dak van dit groote gebouw inftortte. Dit
koftte drieduyzend menfchen het leeven , cn
hy zelfs fneuvelde insgelyks onder den bouw-
val.
Dusdaanig was het eynde van Samfon ^ die
het vólk Ifraèls twintig jaaren regeerde. Nooit
is \'er iemand hem gelyk geweeft , zo in kloek»
moedighcyd, als in die bovennatuurlyke kracht
welke in \'t laatfte oogenbhk zyns leevens z(
doodelyk voor zyne vyanden was. Dat hy
zich dus door eene vrouw liet bedriegen i was
cenc uytwerking der menfchelyke zwakheydj
die aan diergelyke misflagen onderhevig is:
voor \'t óverige kan men zich niet genoeg over
hem verwonderen. Zyne vrienden quamen zyn
lyk weg haaien , en begroeven het tc Sarafa in
\'t graf zyner voorouderen.
3
ZO
Hïftorie ran Ruth huyèvroüw van Boos, overgrootvader van David
Geboorte van Samuel. De Philiftynen overwinnen de Ilbèliren °
en neemen de Arke des verbonds weg. De zoonen vao Eii den
Hoogenprjefter in den ftryd gedood.
XL HOOFDSTUK.
"^Aa Samfons dood regeerde Ek de Hooge- jir
priefter het vólk Ifraëls , en daar was by Ruthfi.
zynen tyd een groOte hongersnood. :AbtrMtecb, h.
een inwooner der ftad Bethlehem in de ftamme
Juda , onmagtig om in die dierte te konnen hem eh-
beftaan j begaf zich met zyne huysvrouw
Noemi 3 en zyne twee zoonen Chdwn en Maha-
Ion na\'t land der Moabiten , alwaar alles Jiem
naar wenfch gaande ^ huuwclykte hy zynen
oudften zoon uyt aan eene dóchter genaamd
Orpha^ en den jongften aan eene andere gehee«
ten Ruth. Tien jaaren daarnaa ftierven de va-
der en dc Zoonen. Noemi vol van droefheyd
befloot weder na haar land te keeren, \'twelk
toen in beter ftaat was dan wanneer zy het ver-
liet. Haare twee fchoondóchters wilden haat
vólgen : maar dewyl zy haar tè hef had om toe
te laaten dat ze aan haar ongeluk deel zouden
hebben , verzócht zy haar te blyven , en badt
God dat hy haar meer geluk in een tweede huu-
wilde toevoegen dan zy in haar eerfte
gehad hadden» Orpha vólgde haare begecr-
D l ^^^^ ^^ geneegenheyd welke
Kuth haar toedroeg^ maakte dat zy haar niet ver-
laaten, en zich in tegenfpoed van haar begeeven
kon. Aldus^ gingen zy dan na Bethlehem , al-
wzatBooz, dieeen neef van Abimelech was, haar,
gelyk wy m [t vervólg zullen zien, met veel
Q^ 2 vrind-
ILÃVIÃS J GSEPHU-S
V. Bóek;
m.
^rmdïckp ontfing r tA Noemi zeyde tót de-
genen die haar by haaren naam noemden : Gy
moogc my liever iVlara hectcn, \'t weik droefheyd
Jbetékent, dan Noemi ^ \'c wdk zo vfel is als
geluk.
Dé tydt van den oogft gekomen zynde ^ ging
Ruth, met verlóf van haare fchoonmoeder, om
koornäaircn op te leczcn tót haar onderhoud,
en quam by geval op eenen akker die Boöz toe-
behoorde. Hy quam \'er kort daarnaa ^ eii
Vroeg zynen landmat! wie dié jonge vrouw was j
deez zeyd het hem, en gaf hem alles wat hy
van haar wift te verftaan , zo als hy \'t uyt haar
zelve gehoord had. Boöz prees de zucht die
zy haare fchoonmoeder cn der gedachtcnifle
haars mans toedroeg ^ en haar veel geluks wen-
fchcnde , beval hy dat men haar zou toelaaten
niet alleenlyk naaleezing te doen , maar ook
mede te neemen \'t gene zy wilde ^ en dat men
haar daarenboven tc eeten cn te drinken zoude
geeven gelyk de maaijers. Dóch Ruth bewaar-
de de fpyze voor haare fchoonmoeder, en bragt
haar die tegens den avond met het i ene zy op-
gezameld had. Noemi had haar desgelyks een
gedeelte bewaard van \'t gene haare gebuuren
haar tér middagmaal gebragt hadden :
Ruth haar wedervaaren aan haar verhaald had,
zeyde Noemi tót haar dat Boöz haar in maag-
fchap bcftond , en zulk een fraai man was,
dat hy , gelyk men hoopen mogt, zorg voor
haar draagen zoude. Daarnaa gmg Ruth we-R^,^, ^^
der in zyn veld om koornaairen op tc zamelen.
Eenige dagen naa dat de garft geheel uytgc-
dorfcht was , quam Boöz op zyne landhoeve ^
en ftiep op zynen dorfchvlocr. Noemi dit ver-
ftaan hebbende , ^ oordeelde dat het haar voor-
deelig zou konnen weezen indien Ruth aan zy-
ne voeten ging ftaapen ^ en beval haar tót dien
eynde te doen alles wat zy zoude konnen. Ruth
durfde haar niet ongehoorzaam zyn ^ en ver-
voeg-
voegde zich daarop zachtelyk aan Boöz voe-
ten. Hy wierdt zulks ten eerften niet gewaar,
omdat hy vaft in flaap was j maar ter midder-
nacht ontwaakende voelde hy dat\'er iemand
aan zyne voeten lag , en vraagde wie het was.
Ruth\'antwoordde : âIk ben Ruth uwe die-
â naareflè en ik bid u my toe te laaten dat ik
â hier rufte." Hy vroeg niet meer , en het
haar flaapen : maar\'s mórgens by tyds wekte hy
haar op, eer zyn vólk nóg opgeftaan was, en
zeyde haar dat zy zo veel garft mogt medenee-
men als zy begeerde, en voorts weder na haa-
re ft:hoonmoeder keeren, eer iemand gewaar
wierdt dat zy dien nacht aldaar zo dicht by hem
overgebragt had , doordien men voorzigtelyk
alle praatery moft vermyden, voornaamelyk in
eene zaak van zulk een belang j waarby hy voeg-
de : â Ik raad u den genen die u nader be-
â ftaat dan ik, te verzoeken óf hy u ten wyve
,3 wil neemen : en zo hy \'er toe bewilligt,
â moogt gy hem trouwen 3 dóch zo niet, zal
â ik een huuwelyk met u aangaan , gelyk de
3, wet my verpligt." Ruth verhaalde dit ge-
fprék aan haare fchoonmoeder, en zy fchepten
toen beyde vafte hoope dat Boöz haar niet ver-
laaten zoude. Tegens den middag quam hy in
de ftad, deed de Overheyd byeenkomen, en
ontboodt Ruth nevens haaren bloedverwant,
tot welken hy zeyde : ,, Bezit gy het landgoed
â van Abimelech en zyne zoonen niet > Ja, ant-
3, woordde hy , ik bezit het uyt krachte van het
3, recht dat de wet my geeft, als zynde zyn
â naafte bloedvrind. Het is niet genoeg, her-
â nam Boöz , een gedeelte van de wet naa te
3, komen, maar men moet die in \'ü geheel vol-
â brengen : indien gy derhalve het goed wilt
â behouden, dan moet gy deeze weduw van
â Mahalon, welke gy hier tegenwoordig ziet,
35 trouwen." Hierop antwoordde deeze man,
55 dat hy reeds getrouwd zynde, en kinderen
35 hebbende, liever het goed en de vrouw aan
33 hem wilde afftaan." Boöz nam de Overheyd
tót getuygen van die verklaaring, en zeyde te-
gens Ruth dat zy dien bloedvriend éénen zyner
* .^K^erj, fchoenen zoud uyttrekken, * en\'er hem eenen
"aan\'J:.\'" ^^^ ^P ^^ gccveu, gelyk de wet beval.
2igt fpu- Zy deed zulks, en trouwde toen met Boöz.
Naa verloop van eeh jaar bragt zy eenen zoon
ter werreld, welken Noemi opvoedde, en hem
Ohd noemde, op hoope dat hy haar tót eenen
fteun in haaren ouderdom zoude ftrekken, want
Obed betékent in \'t Hebreews byftand. Deeze
Obed was de vader Y^LnJeJfe vader van den Ko-
ning wiens kinderen tót op het éénen-
twintigfte geflacht het Joodfche vólk geregeerd
hebben. Ik heb my genoodzaakt geacht dee-
ze gefchiedenis te verhaalen, om aan te toonen
dat Gód zoodaanige als \'t hem belieft tót de op-
permagt verheft gelykimen in den perfoon
van David gezien heeft, die aldus zynen oor-
fprong had.
I sam. X. De zaaken der Hebreen waaren toen in eenen
flechten ftaat, en zy raakten met de Philifty-
nen in oorlóg door \'t vólgende toeval. Ophni
tn Th\'meës, zoonen van den Hoogenpriefter
Eh, waaren niet minder onbeleefd tegens de
menfchen, dan verwaand jegens Gód 5 en daar
Iwas geen onbiflykheyd die zy niet begingen :
want zy vergenoegden zich niet met het gene
te ontvangen dat hen toequam , maar namen
ook dat hen niet toebehoorde , en verleyd-
den de vrouwen, die uyt gódsdienftigheyd in
den Tempel quamen, door gefchenken, óf be-
laagden haar kuysheyd door geweld, en pleeg-
den alzo een openbaare tiranny. Deeze menig-
vuldige misdaaden maakten hen gehaat by \'t
vólk, en zelfs by hunnen vader. En dewyl Gód
hem zo wel als Samuel, die toen nóg maar een
kind was, had bekent gemaakt, dat zy zyne
rechtvaerdige wraak niet ontkomen zouden,
zo verwachtte hy alle uuren de uytwerking daar-
van , en beweende hen reeds als gefturven.
Maar aleer ik verhaal hoe zy, en alle de Ifraë-
liten om hunnent wille, geftraft wierden, zal
ik van dit kind fpreeken, \'t welk naderhand een
groot Profeet wierdt.
Helkanay die uyt de ftamme Levi was , en te 214.
Ramath in de ftamme Ephraim^ woonde, had ^
twee vrouwen, te weeten Ama en Thenenna :
by de laatfte had hy kinderen gekreegen, maar
niet by Anna, welke hy zeer beminde. Eens
dat hy met zyn huysgezin te Silo was, alwaar
de heylige Tabernakel ftondt j gebeurde het dat
Anna, ziende Phenennas kinderen by hunne
moeder aan tafel gezeten, en Helkana de fpyze
die van de ófferande overgefchooten was, on-
der hen en zyne twee vrouwen uytdeelen, zo
van droefheyd , omdat zy onvruchtbaar was,
bevangen wierdt, dat de traanen haar langs de
wangen biggelden, en haar man te vergeefs zyn
beft deed om haar te trooften. Zy ging daar-
naa in den Tabei-nakel, badt Gódt yVerig haar
bly de moeder te willen maaken, en deed eene
gelófte dat, indien hy haar eenen zoon gaf, zy
hem t\'zynen dienfte zoude wyen. Dewyl zy
niet afliet fteeds het zelfde te bidden, meende
Eh de Opperpriefter, die voor den Taberna-
kel gezeten was, dat zy te veel wyns gedron-
ken had, en beval haar weg te gaan. Zy ant-
woordde hem dat zy nooit anders dan water
dronk j maar dat zy uyt^roefheyd omdat ze kin-
derloos was 5 Gód gebeden had haar kinderen te
willen verleenen. Hierop zeyde Eh tót haar^
dat zy zich niet zou bedroeven, vermids Gód
haar eenen zoon geeven zoude. Op die hoope
quam zy weder by haaren man, en at met blyd-
fchap y en weder na hun land keerende, wierdt
zy zwanger, en baarde eenen zoon, dien zy
Samml noemde , \'t welk zo veel is als van Gód
gebeden. Zy quamen daarnaa weder te Silo,
om door ófteranden dankzegging te doen , en
tienden te betaalen. Anna om haare gelófte te
volbrengen, wydde \'t kind Gode toe, en lever- "
de het over in handen van EU - dies liet men
zyn haair groeijen , hy dronk niet als water,,
. eh wierdt in den Tempel opgetrokken. Sederd
kreeg-Helkana by Anna n<% andere zoonen,
en drie dóchters.
Toen Samuël twaalf jaaren oud was y beo-on
hy te profeteeren 5 want op eenen nacht terwyl t Lm\' 3.
hy fliep , riep Gód hem by zynen naam. Hy
meende dat het Eh was die hem geroepen had,
en ging terftond na hem toe : maar die zeyde
dat hy geene gedachten had gehad van hem te
roepen, \'t Zelfde gebeurde tót driemaal ach-
ter één. Eli alstoen wel begrvpende wat het
a 3 \' ^y«
zyii mogtc } zeyde tót hem : â Myn zoon,
3, ik heb u deeze reys zo min geroepen dan de
â voorige: maar \'t is Gód die u geroepen heeft.
3, Antwoord derhalve dat gy gereed zyt hem
â te gehoorzaamen." Gód riep daarnaa Samuël
nóg eens , en hy antwoordde , â Zie hier ben
ik 3 Heer, wat belieft u dat ik doe.? ikbenge-
5, reed om u te gehoorz\'aamen." Daarop fprak
Gód hem aldus aan : â Weet dat de Ifraëliten
â in een zeer zwaare ramp zullen vallen , dat
,, Elis twee zoonen op éénen dag fterven zul-
5, len 5 en dat het Hoogepriefterfchap uyt zyn
â geflacht in dat van Eleazar overgaan zal,
omdat hy mynen vloek op zyne kinderen ge-
haald heeft, door hen meer liefde toe te draa-
â gen dan my." De vreez welke Samuël had
dat hy Eh door \'t verhaal van dit orakel bedroe-
ven zoude , maakte dat hy \'t niet befluyten kon
zulks te doen : maar Eh drong\'er hem toe 5
en deeze ongelukkige vader twyfelde toen niet
aan \'t verlies zyner kinderen. Ondertufl^èhen
wies Samuël meer en meer op ingenadc j en al-
les wat hy profeteerde , quam zo te gebeuren.
21 «j. Kort daarna toogen de Philiftynen te velde om
I Sam, Ifraëliten te beftryden , légerende zich dicht
by de ftad Amphek^en dewyl niemand hen tegen-
ft-ondt quamen zy nóg nader. Eyndelyk quam
het tót een gevecht, waarin de Ilraèhten over-
wonnen wierden > en naa ontrent vierduyzend
mannen verlooren te hebben weeken zy in Wan-
orde weder na hun leger. Hunne vreeze van
t\'eenemaal verflagen te zullen worden , was zo
groot, dat zy eenige na den Raad enden Hoo-
génpriefter affchikten , om te verzoeken dat
men hen dc. Arke des verbonds wilde toezen-
den , alz\'o zy niet twyfelden óf zy zouden met-
die t3yftand de overwinning verkrygen j niet
aanmerkende dat Gód , die het vonnis hunner
ftrafte uytgefprooken had , magtiger was dan
de Arke, welke men niet eerde, en die ook geen
eerbiedigheyd verdiende, dan alleenlyk om Zy-
nent wille. Men zondt dan de Arke naa \'t le-
ger , verzelt met twee zoonen van Eh , van wel-
ke Phineës reets het Priefterampt bediende, ter
oorzaake van den hoogen ouderdom zyn\'s vaders»
die in deezen tot zyne zoonen zeyde, dat indien
het gebeurde, datze genomen wierdt, enzyzo
lafhartig waaren dat zy zulk een verlies nóg over-
leefden, zy nooit onder zyne oogen behoefden
te komen. De aankomft van de Arke verwekte
zulk een vreugde onder de Ifraëliten, dat zy zich
reeds overwinnaars geloofden te zyn > en de Phi-
liftynen wierden \'er met fchrik door bevangen.
Maar beyde waaren zy bedroogen > het verlies
dat de Philiftynen vrcefden viel op hunne vyan-
den, en het vertrouwen \'t welk de Ifra^ëhten op
de Arke gefteld hadden was ydel j want met den
eerften aanval wierden zy op de vlugt geflagen,
verliezende dertigduyzend mannen, onder weK
ke ook de twee zoonen van Eh waaren , en de Ar-
ke zelve viel in de magt der Philiftynen.
33
33
VII. HOOFDSTUK.
EH <3e Hoogepriefter fterft van droefheyd over \'t verlies der Aikcf
Dood van Phineës huysvrouw ; en geboorte van Joacbab.
pEn man uyt de ftamme Benjamins die ter 217.
^ naauwer nood uyt den flag ontkomen was, 1 saci.
bragt te Silo de tyding van de-eze grootencder-
laag , en \'t verlies der Arke. Opftaandevoet:
weergalmde alles van gekryt en geklag y en d®
Hoogepriefter Eh , ;ian de ftadspoort op
eenen hoogen ftoel gezeten , dit gerucht
hoorende , kon ligtelyk daaruyt befluyten dat
\'er eenig groot ongeluk gebeurd was : dies deed
hy dien man haaien , en verftondt uyt hem het
verlies des veldflags , en den dood zyner twee
zoonen, met een onbezweeken gemoed, door-
dien Gód hem daartoe bereyd had , en dat de
voorziene onheylen veel minder raaken , dan
die welke onverwachi: komen. Maar toen hy
hoorde dat de Arke zelfs door de vyanden geno-
men was, trof dit onvoorzien onheyl hem met
zulk een droefheyd, dat hy van zynen ftoel neêr-
viel, en den geeft gaf in den ouderdom van acht-
ennegentig jaaren , naa dat hy het vólk veertig
jaaren geregeerd had. Phineës huysvrouw,
die
die zwanger was , wierdt zo ontfteld door den
dood haars man, dat zy ook ftierf, brengende
met de zeven maanden eenen zoon ter werreld,
die in \'t leeven bleef , en JoaM genoemd
wierdt, betékenende fchande en oneer , ter
oorzaake van de fmaad die de kinderen Iftaèls
op dien doodelyken dag geleeden hadden.
EU , van wien wy gefprooken hebben, was
de eerfte der afkómelingen van Ithamar den
tweeden zoon van Aaron i die het Hoogeprie-
fterdom bediende: want te vooren w^as het altoos
gebleeven en overgegaan van vader tót zoon in
\'t geflacht van Eleazar die het aan Phineës naa-
gelaaten had i van wien het op Abiëzer , ver-
vólgens op Bochi, en van hem op Ozi was ge-
komen , naa wien Eli gevólgd was , in wdens
geflacht het bleef tót den tyd van Salomon,
wanneer het weder in dat van Eleazar keerde.
JOODSCHE
I S T O R I
ZESDE BOEK.
E E R S T E HOOFD S T U K.
I>c Atke des veirbonds veroorzaakt \'önder dc PhUiftynen , die de
zelve genomen hadden , zulke zwaare plaagen , dat zy genood-
zaakt worden dezelve te rug te zenden.
lïS. l^Aa dat de Phihftynen de Ifraëliten over-
⢠S\' i-^ wonnen , en de Arke des verbonds geno-
men hadden , voerden zy haar in triomf na
de ftad Azot, en bragtenze in den tempel van
ï Sam
hunnen Gód Dagon, met deri anderen roof wel-
ken zy aan hem ófferden. Des anderen daags
\'s mórgens wanneer zy quamen om deezen afgód
eere te bewyzen , zagen zy met geen minder
verdriet dan verbaafdheyd , dat zyn beeld van
den voetftal, waarop het ftondt, was neerge-
vallen , leggende voor de Arke ter aarde. Zy
ftelden ^t wel wéér op zyne plaats 5 maar dit
zelfde gebeurde verfcheydene reyzen , en zy
vonden t\'elkens dat beeld voor de Arke neerge-
vallen, als om haar te aanbidden. Dóch Gód
vergenoegde zich met met hen in die verflagen-
heyd te zien , maar bezócht de ftad en \'t gan-
fche land met zulk een fcherpe roode loop,
dat ze den menfchen het ingewand doorknaag-
de , en zy van onlydelyke fmarten ftierven.
Voorts wierdt het geheele land met muyzen
vervuld, die alles af aten, en nóch het koorn,
nóch eenige andere vruchten verfchoonden.
De ingezétenen van Azot ziende zich tót zul-
ken elendigen ftaat gebragt, bemerkten eynde-
lyk dat het de Arke was die hunne overwinning
zo doodelyk maakfc. Om zich derhalve van
i
die rampen te bevryden, verzóchten zy aan die
van Askalon, te willen toeftaan dat men de Ar-
ke in haare ftad bragt. Deeze bewilligden
gaern hiertoe i maar zo dra was zy \'er niet ge-
komen , óf die inwooners wierden met dezelf-
de qüaalen geflagen , omdat ze oVeral Góds
ferbólgenheyd tegen degénen die niet waer-
dig waaren haar te ontvangen , met zich bragt.
De Af kaloniten , om van dit euvel ontflagen
te weezen , zonden de Arke na een andere ftad^,
maar daar kon ze ook niet bly ven ^ omdat zy
\'er geen minder quaad veroorzaakte dan in de
andere plaatfèii. Dus quam 2;ê invyfverfchey-
deiiê fteden van Faleftina , en vórderde van
elk 5 als eefte feort fm tól, de ftrafte welke zy
ver«
FLAVIUSJOSEPHUS
:28
VI BOEK.
verdienden, door den kerkroof die met het hou-
den van iets dat Gode toegewyd was , begaan
wierdt.
I Sam. é. Dit vólk vermoeid van alle deeze rampen,
en andere, doof hun voorbeeld geleerd , voor
\'t zelfde ongeluk vreezendeoordeelden dat de
befte weg dien zy konden inflaan, was de Arke
niet langer te houden , en de voornaamfte van
de fteden Geth, Akaron , Askalon , Gaza,
en Azot, vergaderden tzamen om te overleg-
gen op wat wyze men zich daarin gedraagen
moft. Sommige ftelden voor van dezelve den
Ifraëliten weder toe te zenden, nademaal Gód
degénen die haar in hunne fteden ontvangen
hadden met zo veele geeftels quelde, om zyne
gramfchap over het neemen daarvan te
toonen , en \'er wraake over te oefenen. Etly-
ke waaren van een geheel ander gevoelen, zeg-
gende , dat men die plaagen niet aan\'t neemen
der Arke had toe te fchryven, omdat indien zy
van zulk een groote kracht geweeft, óf zo van
Gód bemind waare, hy haar niet in hunne han-
den zoud hebben laaten vallen , vermids zy
van een verfcheelende gódsdienft waaren.
Maar dat men deeze rampen met geduld moft
verdraagen, enze alleenlyk aan de Natuur toe-
fchryven , die door de omwenteling der tyden
zodaanige veranderingen in de lighaamen, het
aardryk, de gewaftén, en alles waarover haare
magt zich uytftrekt, voortbragt. Andere die
wyzer en verftandiger waaren , floegen eenen
middelweg voor , ftrekkende om de Arke niet
te rug te zenden, en ook niet te houden: maar
aan Gód, uyt den naam der vyf fteden, vyf gou-
dene beelden te óftèren, om hem te danken
voor de genade welke hy hen beweezen had,
door hen van die yflyke quaal , waartoe de
menfchelyke geneesmiddelen niets hadden kon-
nen doen, te verlóflen : en hem ook eene ófte-
rande aan te bieden van vyf goudene muyzen ,
te loopen Zy namen de Arke en het kift-
te, zetteden dezelve op eenen fteen, óffer-
den de koeijen en den wagen Gode ten brand-
van fatlben als die welke hun land verwoeft had-
den j en alles gezamentlyk in een kiftje gedaan
zynde, in de Arke te leggen3 en de Arke als-
dan op eenen nieuw-gemaakten wagen te zetten,
voor welken men twee koeij en, die eer ft gekalfd
hadden , zoud inlpannen, en de kalven on-
dertuflx:hen opfluyten, opdat de koeij en daar-
door niet mogten verhinderd worden , maar
zich te meer Ipoeden 3 om te eerder weer
by haare jongen te komen: voorts dat men de
koeij en dus voor den wagen geipannen, op eenen
kruysweg zoude brengen, en zodaanig een weg
laaten inflaan, als zy zelve wilden > en indien
zy van zelfs deh weg na de Ifraëliten koozen,
dat men dan reden zoud hebben om te denken
dat de Arke de oorzaak van alle hunne onhey-
len was geweeft 3 maar indien ze eenen anderen
weg infloegen, men dan bemerken zou dat\'er
in de Arke geen kracht geweeft was, Ieder keur-
de deezen raad goed, en men ftelde hem aan-
ftonds in \'t werk. Naa dat dan alles vervaerdigd
was, bragt men den wagen met de koeij en daar
voor op \'t midden van eenen kruysweg.
II. H 0 0 F D S T U K.
Blydfchap der Ifraëliten over de wederkomft der Arke. Satr uèl ver-
maant hen om hunne vryheyd te herwinnen. Wotiderdaadigeover-
winning door hen op de Philiftynen behaald, welke zy verder be-
oorloogen.
Tp^E koeijen gingen alstoen den weg op naa de
Ifraëliten, gelyk als óf men haar derwaards ^
gemend had 3 en de voornaamfte der Philiftynen
vólgden, om te zien waar zy zouden ftaan bly-
ven. Toen zy aan een vlek der ftamme Juda,
genaamd Bethfames gekomen waaren, ftonden
zy ftil, fchoon\'er een fraaije en groote vlakte
voor haar lag. Het was toen in den tyd des
oogfts, en elk was beezig met zyn koorn in
te zamelen : maar zo dra de inwooners van het
vlek de Arke gewaar wierden, deed hunne blyd-
fchap hen alles verlaaten, om naa den wagen toe
óffer 3 en betoonden door openbaare gaft-
maalen hunne vreugde, van \'t welk de Phi-
liftynen, zo even gemeldi toekykers waaren,
en
en de de tyding daarvan aan de andere bragten.
Maar deeze Bethfamiten gevoelden de uytwer-
king van Góds gramfchap j want zeventig van
hen IHerven , omdat zy geene Priefters zynde
de Arke hadden durven aanraaken : en hunne
droefheyd was te grooter, doordien deeze dood
geen tól was die zy aan de Natuur betaalden,
maar eene ftrafte welke zy ontvingen. Bemer-
kende dan dat zy niet waerdig waaren zulk een
heylig en kóftelyk pand by zich te houden,
deeden zy aan alle de ftammen weeten , dat de
Philiftynen de Arke wedergezonden hadden.
Daarop wierdt bevél gegeeven haar na Cha-
riathiarim , een ftadt dicht by Bethfames , te
brengen. Men zetteze in by eenen Levyt ge-
naamd Abinadab , die wegens zyne gódvruch-
# tigheyd vermaard was , dewyl men oordeelde
dat het huys van zulken eerlyken man een
bequaame plaats was om haar te ontvangen.
Deeze heylige man beval de zórg daarvan aan
zyne zoonen , die "er twintig jaaren lang met
de grootfte vlyt op paften : want zo lang bleef
ze te Chariathiarim, als zy vier maanden by de
Phihftynen was geweeft.
220. Geduurende die twintig j aaren dat de Arke te
isam.7. Chariathiarim bleef, leefden de Ifraeliten góds-
dienftiglyk , en ófferden Gode zeer yverig óf-
feranden en gebeden. Dies oordeelde de Pro-
feet Samuél dat het toen een bequaame tyd was
om hunne vryheyd weder te bekomen , en alzo
de vruchten daarvan te genieten : en om zich
eenigfins naa hen te fchikken , iprak hy hen
aldus aan.
â Nademaal onze vyanden niet ophouden
ons te onderdrukken , en dat Gód betoont
dat hy ons gunftig is, zo is \'t niet genoeg, ge-
beden voor onze vryheyd te doen, maar men
moet alles beftaan om die weder te kry-
â gen. Dóch ziet toe dat gylieden door de
verdurvenheyd uwer zeeden u des niet on-
â waerdig maakt: maar hebt de gerechtigheyd
â lief, haat de zonde, en bekeert u tót Gód
â met zulk een zuyverheyd van gemoed , dat
â niets u ooit belette hem de eere te geeven
â die gy hem fchuldig zyt. Indien gy lieden
u dus draagt, dan is\'er geen geluk dat gy u
niet moogt toeleggen 3 want gy zult u zei-
ven van de dienftbaarheyd bevryaen, en over
uwe vyanden zeegepraalen > omdat het van
Gód alleen is , en niet van de fterkte , dap-
perheyd , en menigte der ftrydende, dat men
die voordeden erlangen kan j en dat hy de-
zelve niet geeft, dan aan de vroomheyd en
^^ geregtigheyd. Stelt dan al uw vertrouwen
â op hem, en ik beloof u dat hy uwe hoope
33 niet bedriegen zal. Deeze woorden moe-
digden het vólk zo aan , dat zy hunne blyd-
fchap door hun gejuygh betoonden , zeggende
dat zy gereed waaren te doen \'t gene Gód hen
beval. Thans belaftte Samuël hen byeen te ko-
men in de ftad genaamd Mafpha, dat is, zigt-
baar. Aldaar fchepten zy water, ófferden Go-
de ófferanden, vafteden eenen ganfchen dag, en
deeden opentlyk gebeden. De Philiftynen van
deeze by eenkomft verwittigd, qua^nen terftond
met een magtig heir aantrekken, mbenendehen
daar te overrompelen, en gemaklyk inftukken
te Zullen houwen. De Ifraeliten door de groot-
heyd van dit gevaar verfchrikt, namen hunne
toevlugt tót Samuël, en zeyden hem, âDatzy
fchroomden tegen zulke magtige vyanden ten â
ftryde te gaan: dat het wel waar was dat zy daar â
vergaderd waaren om gebeden en ófferanden â
te doen , en zich met eede tót het aangaan â
van eenen oorlóg te verbinden : maar dat, â
aangezien de Phihftynen hen op den hals qua- â
men, eer zy tyd hadden om de wapenen op te
neemen, en zich tóthetafweerenvan hunnen
aanval te bereyden , hen ganfch geen hoope
overig was, zo niet Gód, door hunne gebe-
den bewoogen, zich hunnen befchermer ver- ,,
klaarde." De Profeet vermaande hen niets te
vreezen, en verzekerde hen van Góds byftand:
ver vólgens ófferde hy hem uyt den naam des
ganfchen vólks een zuyglam, en badt hem de-
génen die op hem alleen vertrouwden niet te
verlaaten , óf te gedoogen dat zy in de magt
hunner vyanden vervielen. Dit^ flagtóffer was
Gode zo aangenaam , dat hy beloofde voor hen
te zullen ftryden , en hen de overwinning te
geeven. Eer de ófferande volbragt, en geheel
door \'t heylig vuur verteerd was , waaren de
Philiftynen reeds uyt hun leger getrokken om
den ftryd te beginnen 5 en vermids zyde Ifrae-
liten verraft hadden , zonder hen tyd te geeven
om zich in ftaat van tegenweer te ftellen, twy-
felden zy niet aan eenen goeden uytflag: maar die
was zodaanig , dat zy \'t niet zouden hebben
konnen gelooven indien men \'t hen voorzegd
had. Want door eene uytwerking van Góds
almagtighyed , voelden zy de aarde zo on-
der hunne voeten beeven , dat zy naauwlyks
overend konden ftaan blyven : ja op fbmmio-e
plaatfen zagen zy dezelve zich openen , en
degénen die \'er ontrent waaren inflokken.
Voorts quam \'er een vreeflyke donder , met
zulke brandende blikfemen verzeld , dat hun
gezigt daardoor verblind , en hunne handen
verzengd wordende, zy hun geweer niet langer
konden houden. Aldus waaren zy genood-
zaakt hunne wapenen neêr te werpen , en hun-
ne behoudenis in de vlugt te zoeken. DeIftaë-
liten verfloegen daarop een groot getal van hen,
en jaagden hen naa tót aan eene plaats genaamd
Chore, alwaar Samuël eenen fteen deed Zetten,
tót een teken zyner overwinninge, noemen-
de dienden Sterken, tót een blyk dat het vólk
alle hunne kracht in dien vermaarden ftryd aan
Gód alleen verfchuldigd was. Dit overwon-
derlyk geval floeg de Phihftynen met zulken
fchrik , dat zy de Ifraêliten niet meer durfden
aangrypen, en de koenheyd welke zy te voo-
ren betoond hadden , ging door een zonderlin-
ge verandering in \'t hart der over winnaaren over.
Samuël zette derhalve den oorlóg tegen hen
voort, verfloeg veele van hen in verfcheydene
gevechten , temde hunne hoogmoed , en her-
won het. land tuflchen de fteden Geth en Akka-
ron , dat zy van de Ifraeliten , die geduurende
deezen oorlóg met de Kanaaniten in vreede
leefden, door de wapenen veroverd hadden.
33
33
33
33
35
33
53
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
R
HL HOOFD-
igo
III. HOOFDSTUK.
Samuel laat de regeering aan zyne zoonen over , die ïich tót aller-
ley ondeugden overgeeven.
211. ""^TAa dat Samuël de zaaken zyns vólks zo
heerlykherfteld had, benoemde hy eenige
fteden om alle gefchillcn aldaar te beüechten,
gaande zelf tweemaal \'s jaars derwaards om recht-
dag te houden. En dewyl hem niets meer ter
harte ging, dan het Gemeenebeft , vólgens de
wetten welk het van Gód ontvangen had, te
beftieren, onderhieldt hy dit eenen langen tyd.
Maar zyn ouderdom hem eyndelyk onbequaam
maakende om dien arbeyd uyt te ftaan > gaf hy
de regeering over aan zyne zoonen, welker
oudfte en de jongfte geheeten was.
: Sam. s. Hy bcval den éénen te Bethel, en den anderen
te Berfabe te blyven, om elk over een gedeel-
te des vólks rechter te zyn. Dóch de onder-
vinding toonde toen dat de kinderen niet al-
toos naar hunne vaders aarden j maar dat fom-
tyds quaade menfchen fraaije , en vroo-
me daarentegen quaade kinderen voortteelen.
Want deeze, in plaats van huns vaders voetftap-
pen na^ te wandelen , floegen een geheel ver-
keerde weg in 5 invoege dat zy gcfchenken
namen, het recht fchandelyk verkóften, de hey-
lige wetten met voeten traden, en zich in aller-
ley weliuften dompelden , zonder eenige vree-
ze dat zy Gód vertoornen, en hunnen vader,
die zo hartelyk wenfchte datzy zich wel in hun-
nen pligt mogten quyten, mishaagen zouden.
IV. H O O F D S T U K.
De Ifraëliten niet kennende het quaad gedrag van Samuëls zoonen
infcbikken , dringen hem aan om hen eenen Koning te geeven.
Dil; verzoek veroorzaakt hena een groot verdriet; Gód vertrooft
hem , en beveelt lietn hunne begeerte te voldoen.
2 2S. T^E Ifraëliten ziende dat de órde die Samuël
zo wyflyk had ingefteld , door de ongeré-
geldheyd en ondeugden Zyner kinderen gan-
iclielyk omvèrre geftooten was , begaven zich
na hem toe in de ftad Ramath, alwaar hy woon-
de, ftelden hem de groote onórdentlykheyd zy-
ner zoonen voor, en_ baden hem , dat naardien
zyn ouderdom hen niet langer toeliet te regee-
ren , hy hem eenen Koning wilde geeven , om
hen te gebieden , en den overlaft dien zy van
de Philiftynen leeden te wreeken. Dit gefprék
trof den Profeet zeer gevöcliglyk, doordien hy
de gerechtigheyd ten hoogften beminnende,
van liet Koningdom geen liefhebber was , en
zich vaftelyk verbeeldde dat eene Kegeeringdie
door de voornaamfte des vólks bèftierd wordt,
de befte en gelut kigftc v n alle was. Zyne droef-
heyd ging zo va re , dat hem de luft tót eeten,
drinken, cn flaapen \\ cigtng: en zyn geeft door
verfcheydenerlev gedachten zo ontroerd zyn-
de , dat hy den ganfchen nacht flaapeloosover-
bragt, verfcheen Gód hem om hem te trooften,
en zeyde tót hem: « Het verzoek dat dit vólk
â ugedaan heeft, beleedigt u zo veel niet als
55 my j omdat zy daardoor betoonen dat ze
5, my niet langer tót Koning willen hebben:
,, en \'t is nu niet eerft dat zy dus gezind zyn:
â zy kreegen die gedachten al, zo dra ik hen uyt
â Egipte geleyd had. \'t Zal hen berouwen,
â maar al te laat, wanneer hun euvel onver-
helpelyk zal zyn , en zy zelve hunne on-
Ir â
t si-\'
VI. Boek,
dankbaarheyd jegens my , en u , zullen be- ,,
klaagen. Ondertufl^chen beveel ik u nu, dat
gy hen den genen, dien ik u zal toonen, tót
Koning geeven zult, naa hen alvoorens we- â
gens de onheylen , die hen ftaan over tc ko- â
men, gewaarfchouwd, en dat het tegen uwen ,,
dank is , dat gy die verandering , welke zy â
zo driftig begeeren , onder hen maakt, be- â
tuygd te hebben." Den vólgenden dag ver-
gaderde Samuël al het vólk , en beloofde hen
dat hy hen eenen Koning geeven zoude , naa
dat hy hen eerft verklaard had wat zy onder
eenen Koning te lyden zouden hebben. ,, Weet
dan voor eerft , zeyde hy, dat de Koningen â
uwe zoonen zullen neemen , om hen tót al- â
lerley dienften te gebruyken 5 fommige in â
den oorlóg, \'c zy tót gemeene fóldaaten, óf â
als Bevélhebbers, andere omhen op te wach- â
ten , en in alles ten dienfte te ftaan; en ande- â
re om den landbouw waar te neemen, als flaa-
ven welke men voor geld gekóft heeft: Dat
zy ook uwe dóchters na zich neemen zul- _
len , om haar tót verfcheyde^erley keuken-
werk te gebruyken , even als dienftmeyden â
die uyt vreeze voor ftraffe tót den arbeyd ge- â
dwongen worden : Dat zy uwe landeryen â
en vee zullen neemen, om dezelve aan hun- â
ne gefneedenen en huysdienaaren te geeven. â
En eyndelyk , dat gy lieden en uwe kinderen â
niet alleen aan den Koning , maar ook aan ,,
zyne knechten onderworpen zult zyn. Als- ,,
dan zult gy denken aan \'t gene ik u heden
voorzegge , en door naaberouw over uwen "
misflag getrofièn, zult gy in de droefheyd
uwsharten om Góds byftand fmeeken, opdat
hy uheden van zulk een flaaverny verlóflè;
dóch hy zal uwe gebeden niet verhooren, â
maar u de ftrafte uwer onvoorzigtigheyd en â
ondankbaarheyd laaten lyden."
Het vólk had ganfch geen ooren om naar de
waarfchouwinge van den Profeet te luyfteren:
maar drong des te ft erker op hun verzoek, om-
dat zy , zonder het toekomende eens in over-
weeginge te neemen , nergens op dachten dan
om eenen Koning te hebben , die hun heir ten
ftryde aanvoerde, om zich op hunne vyanden
te wreeken. En vermids alle de nabuurige vól-
ken onder Koningen ftonden, fcheen niets hen
billyker te zyn , dan diergelyk een foort van re-
geeringe aan te neemen. Samuël ziende hen zo
hardnekkig in hun befluyt, en dat alles wathy
voor ftelde te vergeefs was, zeyde tót hen dat
zy vertrekken zouden , en dat als het tyd was,
hy hen weder zou doen byeenkomen > om hen
te verklaaren wie het was die Gód lien tót Ko-
ning geeven wilde.
I
i
V. H O O F P S T U K.
Saul over \'t vólk Ifraëls tót Koning annpfteld. Hoe by zich ge-
noodzaakt vondt die van Jabes , wefke door Nahas Koning der
Ammoniten belegerd waaren , te hulpe w konjen.
T^/i" 5 een vroom man van de ftamme Benja- ^
mins, had eenen zoon genaamd Saul, die i sam.\'
zo groot, zo braaf van leeft , en zo verftandig
en dapper van gemoed was , dat hy voor een
ongemeen man kon doorgaan. Zyn vader die
in \'t aanfókken van ezels vermaak nam , eens
eenige fchoone ezelinnen miflènde, beval hem
me£
FLAVIUS JOSEPHUS
55
5»
5>
55
55
55
55
35
VI. Boek.
met éénen zyner knechten die te gaan zoe-
ken. Hy ging heene , en haar , zo in zyne ,
als in de andere ftammen , te vergeefs gezocht
hebbende, befloot weder na zynen vader te kee-
ren , die hy vreesde dat zynent halve zeer be-
kommerd zoude zyn. Toen hy dicht by Ra-
math gekomen was, zeyde zyn knecht tót hem
dat\'er in de ftad een Profeet woonde , die al-
toos waar zeyde j en dat men derhalve hem eens
moft aanfpreeken om te verneemen wat van de
ezelinnen geworden was. Saul antwoordde
hem dat hy niets had om hem te geeven , om-
dat hy al zyn geld op de reyze reeds befteed had.
De knecht feyde dat hy nóg het vierde deel van
eenen fikel had, \'t welk men den Profeet zou
geeven konhen ; Want zy wiften niet dat hy
nooit eenig loon van iemand nam. Toen zy
aan de ftadspoorten gekomen waaren, quamen
hen eenige jongvrouwen te gemoet die na de ft)n-
teyn gingen : Saul vraagde haar waar de Pro-
feet woonde 5 zy weezen \'t hem , en zeyden
dat indien hy den zeiven wilde ipreeken , hy
zich wat haaften moft , om by hem te komen
eer hy aan tafel ging , dewyl hy veele perfoo-
nen te gaft genood had. Maar \'t was om de-
zelfde oorzaak dat Samuel een gaftmaal had aan-
gefteld: want hebbende den geheelen voorgaan-
den dag in den gebede doorgebragt, om van
Gód te weeten wie het was dien hy tót Koning
gefchikt had , was hem van den Heere geant-
woord , dat hy hem \'s andereii daags ter zelfder
uure eenen jongman uyt de ftamme Benjamins
zoude toezenden. Aldus in zyn huys gezeten
verwachtte hy het uur dat Gód gezegd had.
JOODSCHE HISTORL
om dan, als die man gekomen zoude Zyn , ter
maaltyd te gaan. Toen Saul aanquam\', open-
baarde Gód aan Samuël dat hy het was dien hy
verkooren had. Saul groette hem, en verzócht
hem te willen zeggen waar de Profeet woon-
de , doordien hy een vreemdehng zynde zulks
niet wift. Samuël antwoorde dat lïy \'t was ,
en hem daarop ter maaltyd leydende , zeyde
hy hem dat hy niet alleen de ezelinnen,
welke hy zo lang gezócht had , zou wedervin-
den j mkr dat hy regeeren , en alzo van aller-
ley goederen voorzien zyn zoude. â Gy boert â
metmy, antwoordde Saul, en ik kan my zulks 3,
geenfins toeleggen: want de ftam waaruyt ik â
ben is niet aanzienlyk genoeg om Koningen â
voort te brengen en het geflacht myns va- â
ders is één van de minfte myner ftamme.
Toen hy in de zaal gekomen was , deed Sa^
muël hem by alle de andere gaften , die zeven-
tig in getal waaren , aanzitten , ^ ftellende hem
bovenaan, met zynen knecht naaft hem, en be-
val den genen die ter tafel dienden , Saul een
koninglyk gerecht voor te diffchen. Het uur
van fcheyden gekomen zynde , gingen alle de
gaften weder na huys j maar de Profeet behieldt
Saul by zich om hem tót zynent te flaapen te
houden. Den vólgenden mórgen v/ekte Sa-iSam.io.
muël hem vroeg op , bragt hem buyten de ftad,
en beval hem zynen knecht wat vooruyt te zen-
den , omdat hy hem iets alleen te zeggen had.
Saul deed zulks > en daarop goot Samuël hem
oli, welke hy in eene kruyk met zich genomen
had , op het hoofd , thans omhelsde hy hem,
en zeyde: â Gód ftelt u tót Koning aan over zyn
â vólk j om hun leed op de Philiftynen te wree-
â ken : en tót een teken dat het waar is \'t gene
â ik u van zynent wege verklaar , zult gy van
â hier vertrekkende drie mannen op den weg
â ontmoeten, die na Bethel gaan om Gód te
â aanbidden , waarvan de eerife drie brooden,
â de tweede een bokje , en de derde een flefch
â wyns zal draagen j zy zullen u beleefdelyk
5, groeten j en twee brooden aanbieden, welke
gy moet aanneemen. Vandaar zult gy na j,
Rachels graf gaan ⢠en een man zal u teo-en
komen , die u zeggen zal dat uwe ezelinnen
gevonden zyn. En wanneer gy by de ftad Ga-
bath zult gekomen weezen , zal u een gezel-
fchap van Profeeten ontmoeten : alsdan zal
Gód u met zynen geeft x^ervullen, ey zult ne-
vens hen profeteeren, en alle die he^t zien zul-
len met verwondering zeggen: Vanwaar komt â
R 2 5, den
53
F L A V I U S JOS EP H ü S
VI. Boek^
â den zoone van Kis dit groot geluk. Als dit
â alles aldus zal gefcliied zyn, dan behoeft gy
3, niet te twyfelen óf Gód is met u > groet daii
â uwen vader, en alle uwe maagen, en kom te
â Galgala weder by my, opdat wy Góde óf-
,, feranden van dankzegginge moogen ófferen."
Samuel aldus tót Saul gefprooken hebbende
liet hem heene gaan 3 en alles wat hy hem voor-
gezegd had quam zo te gebeuren. Wanneer hy
nu weder t\'huys gekomen was, vraagde hem
zyn bloedvrind Abner, dien hy meer dan ie-
mand anders beminde, hoe zyne reyze afge-
loopen was : Hierop deed hy hem een verhaal
van alles , uytgenomen dat gene \'t welk zyne
koninglyke waardigheyd betrof, waarvan hy
niettóthemwildefpreeken, \'tzydathy vreesde
dat mer/er geen geloof aan liaan, of dat het
hem aff^unft verwekken zoude : want hoewel
hy zynl^loed ver want en vrind was, echter oor-
deelde hy dat het beft zou weezen de zaak ge-
heym te houden 3 nademaal de menfchelyke
zwakheyd zo groot is, dat maar weynige be-
ftendigin hunne vrindfchap zyn , en bequaam
om de voorfpoed van andere, zelfs die van hun-
ne nabeftaanden en vrinden, zonder nyd aan
te zien, fchoon zy weeten dat zulks hen door
een byzondere genade Góds te beurte valt.
Thans deed Samuël het vólk te Mafpha tza-
menkomen , en fprak tót het zelve in deezer
voege : ,, Dit is het gene de Heere my bevo-
â len heeft ulieden van zynent wege te zeggen.
,5 Toen gy onder \'t juk der Egiptenaaren ge-
â drukt waart, lieb ik uvaA flaaverny bevryd,
â en u federd van de tiranny der nabuurige Ko-
â ningen , die u zo menigmaal overwonnen
â hebben , verlóft. De erkentenis die gylie-
â den my tegenwoordig toor deeze weldaa-
â den betoont, is dat gy my niet langer tót
â Koning hebben wilt. Gy wilt u niet lan-
â eer laaten regeeren door den genen die al-
leen oneyndelyke goed zynde , alleen onder
zyne beftieringe u gelukzalig maaken kan.
" Gylieden verlaat uwen Gód , om een\'
^^ menfch op den troon te verheffen, die de
Z magt welke gy hem geeft, gebruyken zal om u
als beeften , vólgens zyne driften en zinne-
\'\' lykheyd, te handelen. Want hoe konnen de
^^ menfchen zo veel liefde jegens de menfchen
hebben , als ik wiens maakfel zy zyn " Ver-
vólgens liet Samuël zich aldus hooren : â Na-
5, demaal gy lieden het dan zo begeert, en niet
fchroomt Gód dus te beleedigen , fchikt u
â dan vólgens uwe ftammen en geflachten , en
Z werpt het lót." Dit wierdt gedaan , en het
viel op de ftamme Benjamins. Men nam toen
de naamen op van
alle de geflachten dier ftam-
me , men deedze in eene bus, en het lót viel op
dat van Metri: eyndelyk wierp men het op de
mannen van dat geflacht 3 en het lót viel op
Saul. Hy was niet in de byeenkomft , omdat
hy weetende wat\'er ftond te gefchieden , zich
daar niet wilde laaten vinden , ten eynde het
blecke dat hy met geen ftaatzucht ingenomen
was om Koning te weezen ? waarin hy zeker
veel befcheydenheyd toonde, doordien hy, in
plaats dat andere hunne blydfchap niet konnen
verbergen warneer hen eenig gunftig toeval?
fchoon maar middelmaatig , bejegent, niet al-
leenlyk geen vreugde liet blyken dat hy zich
tót Koning, over een groot vólk aangefteld zag,
maar zich zo verfchuylde dat menhemniet vin-
den kon. In deeze bekommeringe badt Samuel
Gód dat hy hem beliefde bekend te maaken,
waar Saul Was 3 \'t welk verwurven hebbende,
deed hy hem haaien , en den vólke voorftellen.
Ieder kon hem gemaklyk zien , omdat hy in
lengte bovenalle andere uytmuntte, endat \'erin
de geftalte zyns hghaams en in zyn Weezen een
koninglyke majefteyt uytblonk. Alstoen zey-
de Samuël tót hen: â Zie daar de man dien Gód â
ulieden tót Koning geeft 3 zie hoe hy in ,,
grootte boven u alle uytfteekt, en waerdig â
is om over u te gebieden." Daarop riep al
het vólk : Leeve de Koning. En Samuel be-
fchreef alles wat hy voorzegd had dat hen on-
der de heerfchappy der Koningen overkomen
zoude , en leyde dat boek in den Tabernakel,
om den naakomehngen tót een getuy^genis van
de waarheyd zyner voorzeggingen te dienen.
Thans keerde hy weder na Ramath , en Saul
begaf zich na Gabath zyne geboorte-plaats:
alwaar veele deugdzaame perfoonen hem vólg-
den , om hem de eere , welke zy hem als hun-
nen Koning fchuldig waaren , te bewyzen.
Maar veele quaadaardigedaarenteegen dreeven
den fpót met hen , verachteden dien nieuwen
Koning , booden hem geene gefchenken aan,
en lieten \'er zich niet aangelegen zyn om hem
te behagen.
224.
5)
Een maand naa dat Saul aldus tót de ko-
ninglyke waerdigheyd verheven was, verkreeg i
hy door den oorlóg, waarin hy tegen Nahas
Koning der Ammonicen gewikkeld wierdt, een
zeer grooten naam. Deeze Vórft, die den Ifraë-
liten , welke aan geene zyde van den Jordaan
woonden, al te vooren groot quaad gedaan had ,
was toen met een magtig heir in hun land ge-
vallen, en had hunne fteden bemagtigd 3 en om
hen alle hoop van opftand te beneemen, had hy
hen alle , \'t zy dat hy hen had gevangen geno-
men , óf dat zy zich vry willig aan hem overo-e-
geeven hadden , het rechter oog doen uytftee-
ken : want vermids zy in \'t vechten met hunne
fchilden \'t flinker oog bedekten , konden zy in
dien ftaat zich niet meer van hun geweer bedie-
nen , en waaren alzo onbequaam om kryg te voe-
ren : Naa dat hy aldus de Ifraëliten aan gene zy-
de van den Jordaan gehandeld had, trok hy met
zyn heir na \'t landfchap Galaäd , legerde zich
dicht by Jabes de hoofftad daarvan, cn deed
den ingezétenen aanzeggen , dat zy zich zou-
den hebben over te geeven op voorwaarde dat
men hen het rechter oog zoud uy tfteeken gelyk
alle de andere, óf dat hy, zozy zulks weyget-
den , niet éénen van hen het leeven fchenken,
en hunne ftad ingenomen hebbende , die t\'ee-
nemaal verdelgen zoude : dat het derhalve in
hunne keur ftond , óf een kleyn gedeelte van
hun hghaam , óf het geheel te verliezen.
Deeze voorflag verfchrikte de inwooners in dier-
voege , dat zy niei^ weetende v/at te befluyten,
dien Vórft verzóchten dat hy hen zeven dagen
tyds wilde geeven, om byftand van hunne lands-
genooten te verzoeken, beloovende dat zo zy die
niet verkreegen , zy zich op zodaanige voor-
waarden , als \'t hem beliefde, zouden overgee-
ven.
Sara. II.
VI. BOEK. JOODSCHE H I S T O R I.
vert Nahas ftondt hen dit verzoek toe, zo
3J
ningen.
Eer deeze algemeene vergadering fcheydde, 116.
fprak Samuël haar aldus aan: â Ik bezweer â ^ Sam.n,
ulieden in de tegenwoordigheyd des almag- â
tigen Góds, die om onze voorvaders uyt de â
flaaverny van Egipte te verlóflên hen datdef- â
tig paar broederen , Mofes en Aarón , toe- ,,
zondt , dat gylieden vryelyk en onbe- ,,
fchroomd , zonder dat eenig inzigt u weer- â
houde , zegt óf ik ooit door eygen belang óf â
gunft iets tegen de gerechtigheyd gedaan heb- â
be, óf ik ooit van iemand van u een kalf, óf â
fchaap , óf iets anders ontvangen hebbe j al- â
hoewel het geoorlófd fchynt zodaanige din- â
gen , die men dagelyks tót \'s leevens onder- â
houd gebruykt, aan te neemen, wanneer de-,,
géne dieze ófferen dezelve vry willig geeven j,,
en óf ik my ooit van iemands laftbeeften, zy- â
nes ondanks, bediend hebbe, óf van iets an- â
ders dat u toebehoort. Spreekt ronduyt, zeg,,
ik u nóg eens in de tegenwoordigheyd van â
uwen Koning." Daarop riepen zy alle dat hy
nooit iets diergelyks gedaan , maar hen recht-
vaerdig en heyliglyk geregeerd had. Alstoen ver-
vólgde de Profeet aldus : ,> Nademaal gylie- â
den toeftaat, dat\'er niets op myn gedrag te
zeggen valt, zo laat my u onbefchroomdelyk Z
emmeren, dat gy geenen Koning hebt konnen â
begeeren, zonder een groote misdaad tegen
Gód te begaan. Want behoort gy niet te her-
denken , dat onze vader Jakob wd eer door
hongersnood alleenlyk met zeventig perfoonen
3J
3?
na
R 3
35
zeer verachtte hy de Ifraëhten : en daarop zon-
den zy eenige aan alle de fteden om hen den uy t-
terften nood, waartoe zy gebragt waaren , be-
kend te maaken. Deeze tyding verbaasde en
bedroefde hen zodaanig , dat zy, in plaats van
zich in ftaat te ftellen om de hunne te hulpe te
komen, zich ophielden met hun ongeluk te be-
klaagen : en de inwooners van Gabath, alwaar
Saul woonde, waaren niet minderontftelddan
de andere. Deeze nieuwe Koning was.toen op
\'t veld met den landbouw beezig j en hen op
zyne wederkomft in zulk een groote verflagen-
heyd gevonden hebbende , had hy *er niet zo
dra de oorzaak van verftaan, óf door eenen gód-
lyken geeft gedreeven, fchikte hy deeze afge-
zondene , van welke hy flechts eenige by zich
behieldt om hem tót weg wyzers te dienen, we-
der te rugge , om die van Jabes te verzékeren
dat hy hen binnen drie dagen zou te hulpe ko-
men 5 en de vyanden verflaan eer de zon op-
ging , opdat wanneer ze de weereld met haare
ftraalen befchcen, zy de Ammoniten vernederd
en hen van vreeze verlóft mogt zien.
VI. HOOFDSTUK.
Groote overwinning door den Koning Saul op Nahas Koning der
Amm-oniten behaald. Samuël zalft Saul ten tweeden maale tót
Koning, en beftraft het vólk nóg eens dapper, dat zy hunne wy-
ze van regeering veranderd hadden.
CAul willende het vólk door vreeze voor
^ ftrafte noodzaaken om aanftonds de wape-
nen op te neemen en den oorlóg te beginnen
fneedt zynen óflèn die van den landbouw qua-
men de knie-zenuwen aan ftukken, en dreygde
dus te doen ontrent alle , die zich niet \'s ande-
rendaags by den Jordaan in \'tgeweer lieten vin-
den , om Samuël en hem te vólgen daar zy hen
leyden zouden. Dit had zulk een uytwerking
dat elk hem gehoorzaamde > en by de ftad Bala
wépenfchouwing gehouden zynde bevondt men
dat\'erzevenhonderd-duyzend mannen waaren,
behalve de ftam Juda, die alleen zeventig duy-
zend\'uytleverde. Saul toog dan den Jordaan
over, trok den ganfchen nacht voort, quam
voort \'t opgaan der zonne dicht by \'t leger der
vyanden, deelde zyn heir in driën, en viel op
hen aan toen zy \'er minft op verdacht waaren.
Een zeer groot getal van hen wierdt verflagen,
en Nahas hun Koning ook onder de dooden ge-
vonden. Door deeze overwinning verkreeg
Saul niet alleenlyk eenen grooten naam onder
de Ifraeliten, die verwonderd over zyne dapper-
heyd zynen lóf alomme verkondigden > maar
men zao-, door een fchielykeverandering, dat
zy die ïiem te vooren veracht hadden , toen
de voorfte waaren om hem eere te be wyzen, en
opentlyk te zessen dat niemand by hem te ver-
gelyken was. Hy oordeelde echter dat^hetmet
genoeg was die van Jabes behouden te hebben ^
maar trok voort in \'t land der Ammoniten, pion-
derde het ganfchelyk , verrykte zyn heir , en
keerde toen weder na Gabath , niet minder van
roem , dan met den roof zyner vyanden belaa-
den.
Het vólk opgetoogen van blydfchap over
deeze groote daad , was ongemeen wel in zyn
fchik dat het zulk eenen Koning verkregen had:
en vraagde niet alleen fpótswyze waar degene
Ã35
nu waaren , die geacht hadden dat hy onnut
en onbequaam zou zyn j maar riep ook dat
zy anderen ten voorbedde behoorden geftraft
te worden , en wilde met kracht en geweld
dat men eenige zou doen fterven : zo bal-
daadig is de menigte in voorfpoed, enzoligte-
lyk laat ze zich vervoeren tegen zodaanige die
haar wederfpreeken. Saul prees hunne geneegen-
heyd maar hy betuygde met eede , â Dat â
hy niet dulden zou dat de blydfchap van dien
dag door de lyfftraftè van iemand van hen ge-
ftoord wierd j dewyl het geen fchyn van ee-
nige billykheyd had, dat men eene zeege, â
welke zy aan Gód verfchuldigd waaren, met,,
het bloed hunner broederen bezoedelen zou- â
de : dóch dathet ved beter was alle vyand- â
fchap te ftaaken, op dat niets hunne algemee- â
ne vreugde verhmderde." Daarnaa quam al
\'t vólk , door Samuels bevél, te Galgala tza~
men om Sauls verkiezing te beve^ftigen , en de
Profeet zalfde hem ten tweeden maale tót Ko-
ning , ftortende eene kruyk met heylige oli op
zyn hoofd uyt.
In deezer voege was het dat de Gemeynte ftaat
in een Koningryk veranderd wierdt j want ge-
duurende de regeering van Mofes , en zynen
naäzaat Jofua den Veldheer, beftondt de Re-
geering uyt de voornaamften des vólks: en naa
Jofuas doodt wierdt de oppermagt aan niemand
opgedraagen, zo dat\'er achttien jaaren zonder
Overheyd verliepen. Thans keerde men we-
der tót de eerfte wyze van regeeringe, en droeg
het hoog gezag onder den naam van Rechter op
aan den genen , die door zyne dapperheyd en ,
kennis in den oorlóg zich dier eere meeft waer-
dig maakte: en op die Rechters vólgden de Ko-
FLAVIUS JOSEPHUS
VI. Boek.
â na Egiptë getoogen, en zyne naakomelin-
5? gen 3 tót een overgroot getal vermenigvul-
33 digd 5 onder een wreede flaaverny aldaar ver-
33 vallen zynde , Gód door de gebeden zyns
53 vólks bewoogen zich niet van eenen Koning
33 bediende om hen uyt die elende te verlóflèn >
33 maar hen Mofes en Aaron zondt, die henna
,3 het land, het welk gylieden tegenwoordig be-
,3 zit, geleydden. En dat wanneer gy , tót
,3 ftraffe uwer zonde en ondankbaarheyd, over-
33 wonnen en ondergebragt zyt geweeft door
33 verfcheydene vólken , het ook niet door Ko-
33 ningen geweeft is dat hyu verlóft heeft, maar
3, door het beleyd van Jephta en Gedeon , on-
,3 der welke gy door wonderdaadige gevechten
â over de Aflyriërs , Ammoniten, Moabiten,
âen Philiftynen gezeegepraald hebt. Wat
33 dwaasheyd heeft ulieden dan aangedreeven
3, tót affchuddinge van hetjuk Góds, omu aan
33 dat van een menfch te onderwerpen ? Ik heb
53 u nógtans in uwe afwykinge ingevólgd , en
33 bekend gemaakt wie het was dien Gód ver-
kooren had om over u te heerfchen. Dóch
opdat gylieden \'er niet aan zoudt twyfelen
dat deeze verandering hem zeer onaangenaam
en hy zwaarlyk tegen u vertoornd zy , zal ik
\'er u een openbaar bewys van geeven , door
hem te verzoeken dat hy op deezen ftond zul-
ken ftórm zende , dat men diergelyk een hier
te lande in \'t midden van den zomer nooit
j, gezien heeft." Naauwlyks had hy deeze woor-
den gefprooken, óf Gód bekrachtigde de waar-
heyd derzelver door zulken zwaaren donder,
geweldigen bhkfem, en grooten haagel, dat het
vólk door zo groot een wonderwerk verfchrikt,
zich ganfchelyk verlooren achtte , en fchuld
bekennende den Profeet badt, dathy door zyn
vaderlyke toegeneegenheyd God wilde bidden
dat hy hen deezen misflag, die door onweetend-
heyd begaan was, beliefde te vergeeven, gelyk
hy hen zo veele andere vergeeven had. Samuël
beloofde hem zulks, en vermaande hen met éé-
ne in gódvruchtigheyd en gerechtigheyd te lee-
ven j aan het quaad dat hen overgekomen was
wanneer zy daar van afweken te denken; de ge-
heugenis van alle de wonderen, welke Gód om
hunnent wille gedaan had, niet te verliezen; en
altoos de wetten die hy hen door Mofes gegee-
ven hadjom die getrouwlyk te onderhouden,voor
oogen te hebben > dewyl dat het eenigfte middel
was om hen gelukkig te maaken, en zynen zegen
over hunne Koningen te haaien : maar dat Gód,
zo zy daarin te kort quamen , een fchrikkelyke
wraak over hen zoud oefenen. Naa dat Samuël
aldus ten tweeden maale Saul van de Koninglyke
regeeringe verzekerd en den Hebreen deze din-
gen voorzegt had, fcheydde de vergadering.
^I. H O OTDTt U K"
Saul óffert zonder Samuël te verwachten , en haalt alzo Góds gram-
fcliap op zich. Groote overwinning op de Philiftynen door Jo-
nathas behaald. Saul wil hem doodeu , om den eed dien hy ge-
daan had , naa te komen. Al het viiJs kant zich daar tegen.
Sauls kinderen , en zyne groote magt.
1%JAa dat Saul weder te Bethel gekomen was,
.nam hy drieduyzend mannen in dienft,
van welke hy tweeduyzend tót zyne lyfwacht
behieldt, en Jonathas zynen zoon met de óve-
rige na Gaba zondt. De zaaken der Ifraëliten
waaren dat pas aldaar in eenen flechtcn ftaatjwant
35
35
227-
1 Sam.ï\'j
de Philiftynen hen overwonnen hebbende, had-
den zich niet vergenoegd met henteohtv^^enenj
en eene bezetting in de vafte plaatfen te leggen j
maar hen ook \'t gebruyk van yzer verbooden,
zulks dat zy genoodzaakt waaren al het gereed-
fchap tót den landbouw van hen te eyfchen.
Jonathas was zo dra niet daar aangekomen, óf
hy nam een kafteel dicht by Gaba in, hetwelk
de Phihftynen zo vertoornde , dat zy om zich
daarover te wreeken, met driehonderd-duyzend
mannen te voet, dertig duyzend wagens , en
* zesduyzend ruyters te velde quamen , en zich ^J\'r
dicht by Machna legerden. Toen Saul de ty- tigdu^-\'
ding daaraf kreeg 3 trok hy uyt Galgala, endecd^«^-
over al in zyn ryk weeten, dat indien men zyne
vryheyd wilde behouden , men de wapenen
moft opneemen , en de Phihftynen beftryden.
Maar in plaats van te zeggen hoe groot hunne
krygsmagt was, gaf hy te verftaan dat hun heir
zo groot niet was dat men het behoefde te vree-
zen. Het vólk niettemin vernam de waarheyd
der zaake , en wierdt \'er zo door verfchrikt,
dat fommige zich in fpelonken verbergden, en
andere over den Jordaan trokken , om in de
ftammen van Ruben en Gad hunne veyligheyd
te zoeken. Saul hen zo bevreesd ziende, deed
Samuël verzoelcen te willen komen , en «reza-
mentlyk te overleggen wat men doen zoude.
De Profeet beval hem te wachten ter plaatfe
daar hy was , en flagtóftèrs te bereyden ^ met
toezegginge dat hy den zevenden dag by hem
zou komen , om Gode op den Sabbath ófferan-
den te ófferen, en daarna eenen veldflag te léve-
ren. Saul gehoorzaamde hem voor een gedeelte,
maar ,niet in alles : want hy wachtte zo veele
dagen als de Profeet bevolen had; maar ziende
dat hy niet quam , en dat zyn krygsvóïk hem
verliet, ófferde hy het óffer: en verftaande dat
de profeet aanquam , ging hy hem te gemoet.
Maar Samuël zeyde hem, ,, dat hy quaalyk
gedaan had met de ófferanden3 die men voor de
welftands des vólks Gode moft doen, te óf-
feren 3 zonder na hem te wachten." Saul om
zich te verontfchuldigen3 antwoordde daarop,
33 Dat hy zo veele dagen , als hem gezegd
was , gewacht had 5 maar dat zyn krygsvóïk
verloopende, op \'t gerucht dat de vyanden van
Machma na Galgala in aantógt waaren , hy
zich genoodzaakt gevonden had te ófteren.
Indien gy, antwoordde de Profeet, gedaan
hadt het gene ik u had bevolen , en de bevé-
len welke ik u van\' Góds wege had gegeeven â
niet zo weynig in acht genomen hadt, gy ,,
zoudt de kroon voor veele jaaren op uw hoofd, 3^
en op uwe naazaaten beveftigd gehad heb-,,
ben." Naa dat hy aldus gefprooken had, keer-
de hy tc rug , ganfch onvoldaan over \'t bedryf
van dien Vórft. Saul verzeld van Jonathas en
Ahia den Hoogenpriefter, éénen der afkóme-
lingcn van Eli, benevens zeshonderd mannen,
waarvan de meefte ongewapend waaren , omdat
de Phihftynen hen de middelen daartoe beno-
men hadden, ging na Gabaon, vanwaar hy op
eenen heuvel met overgroote droefheyd aan-
fchouwde dat de vyanden het ganfche land, al-
waar zy van drie verfcheydene plaatfen ingeko-
men waaren, verwoefteden, zonder dat hy
zulks
35
55
35
55
5,
35
35
3,
35
J5
1X\\
JOODSCHE HISTORI.
VI. Boek.
d
i
zulks , ter oorzaake van het kleyn getal zyns
vólks 5 beletten konde.
229. Terwyl hy zich in dit verdriet bevondt,
\'^^«^M-beftondt Jonathas , door een ongemeene groot-
moedigheyd, den ftoutften aanflag dien men zou
konnen bedenken. Hy nam alleen zynen
fchildknaap met zich , en hebbende hem doen
belooven dat hy hem niet verlaaten zoude, be-
floot hy heymelyk in \'t leger der vyanden te
gaan , om aldaar eenige wanórde te veroorzaa-
ken , en klom tót dien eynde den heuvel af.
Dóch hun leger was zeer moeijelyk om te ge-
naaken 5 om dat het beflooten lag in eenen drie-
hoek , omringd van rótfen die tót bólwerken
verfl:rekten 5 weshalve men niet zonder groot
gevaar daarby kon opklimmen , óf het leger
eenigfms naderen: maar deeze natuurlyke fl:erk-
te maakte de vyanden te achteloozer op hunne
wacht. Jonathas verzuymde niets om zynen
fchildknaap moed in te fpreeken , en zeyde tót
hem : âIndien de vyanden , als zy ons gewaar
â worden , ons beveelen af te komen , zal het
â een teken zyn dat onze toeleg gelukken zal:
35 maar zo zy niet tót ons zeggen , zullen wy
â weder te rugge keeren." Zy quamen dan by
het leger met het krieken van den dag : en de
Philiftynen hen ziende , zeyden , zie daar de
Ifraëliten, die uyt hunne holen en fchuylhoe-
ken te voorfchyn komen ; vervólgens riepen zy
Tonathas en zynen fchildknaap toe : Komt af
om de ftrafte uwer roekeloofheyd te ontvan-
gen. Jonathas hoorde die woorden met blyd-
fchap;\' als een zeker voorteken to God z^^^
ne anderneeming begunftigde. Th^^ gj^g
hy weg na een andere plaats, alwaar de rots zo
zwaar te beklimmen was , dat men \'er geen
wacht hieldt. Hy en zyn fchildknaap klauw-
terden daarby op met een ongelooftyke moeite j
en vindende de vyanden in flaap, bragten zy
\'er twintig van om \'t leeven: en dewyl niemand
zich kon inbeelden dat twee mannen alleen
zulken ftouten aanflag zouden hebben durven
beftaan? wierdt het ganfche leger met zo groot
een fchrik bevangen, dat fommige hun gewetr
wegwierpen om zich te bergen , etlyke mal-
kanderen als vyanden doodfloegen, omdat het
heir uyt verfcheydenerley vólken beftondt; en
andere in \'t vlugten malkanderen zo drongen,
dat zy de fteylten aftuymxlden. Saul door
zyne verfpieders verkundlchapt dat\'er een groo-
te oproer in\'t leger der Philiftynen was, vraag-
de óf \'er ook iemand van de zynen was uytge-
trokken: en verftaan hebbende dat Jonathas en
zyn ft:hildknaap yermift wierden , verzócht hy
den Hoogepriefter zich met den Ephod te be-
kleeden, om van Gód te verneemen wat\'er naa-
kende was. Hy deed zulks, en zeyde vervólgens
dat Gód hem de overwinning geeven zoude. Saul
vertrok daarop terftond met dat weynig vólks
\'t welk hy by zich had, om in die wanórde op
de vyanden aan te vallen j en deeze maare zich
veripreydende quamen veele Ifraëliten , die
zich in Ipelonken verfchoolenhadden, byhem.
Aldus vondt hy zich binnen eenen korten ftond
van byna tienduyzend mannen verzeld, met
welke hy de Philiftynen, die aan alle kanten ver-
ftrooid waaren , naajaagde. Maar \'t zy door
onvoorzigtigheyd, óf dat hy zyne byfter groo-
te blydfchap niet maatigen kon, hy beging eenen
grooten misflag : want willende zich ganfche-
lyk op zyne vyanden wreeken , vervloekte hy
en ófferde aan den dood op den genen die naa-
laatende zoude de vyanden te vervólgen en te
dooden , en dies iets zoud eeten eer het avond
Kort daarnaa quam hy met de zyne in
was.
een bofch der ftamme Ephraïms , alwaar veele
honigbyen waaren. Jonathas , die niets wift
van deezen vloek door zynen vader uytgefproo-
ken , en van de toeftemming die al het vólk
daarop gegeeven had , at van een honigraat 5
maar zo dra had hy \'tniet verftaan 5 óf hy hieldt
op met eeten , en zeyde alleenlyk dat de Ko-
ning beter gedaan zóud hebben zulk een ver-
bód niet te doen , omdat men door \'t eetert
meer kracht zoude gehad hebben om de vyan-
den te vervólgen, cn\'er alzo veel meer zoud
heb-
r ^i:.
FLAVIUS JOSEPHÃS
VL Boek.
136
hebben koman neêrmaaken. Naa dat men een
groote flagting gedaan had 3 keerde men te-
gens den avond weder, om het leger te pion-
deren i en dewyl men onder den buyc een groote
menigte van vee vondt 3 floegen de overwin-
naars veel daarvan dood , en aten \'t vleefch
met het bloed. De Wetgeleerden verwittig-
den den Koning terftond van de zonde die het
vólk beging , door tegen Góds gebód bloedig
vleefch te eeten. Dies beval hy eenen grooten
fteen in \'t midden van het leger te wentelen,
de beeften daarop te flagten , enze fchoon te
laaten uytbloeden , opdat het vleefch zuyver
mogt zyn, en men Gód door bloed te eeten
niet vertoornde. Ieder gehoorzaamde 3 en
Saul deed eenen altaar oprechten 3 op welken
men Gode brandófters ófferde 3 zynde de eerfte
altaar welken hy deed maaken. De Vórft wil-
lende toen het leger der vyanden pionderen 3
zonder te wachten tótdat het dag was 3 en het
krygsvólk zulks mee geen minder drift begee-
rende, beval hy den Priefter Achitob, Gód om
raad te vraagen óf hem zulks aangenaam zou-
de zyn : Achitob deed het, en berichtte hem
dat Gód niet antwoordde. â Dit ftilzwygen,
3, zeyde Saul , ontftaat buyten twyfel uyt een
voornaame oorzaak 3 want Gód is altoos ge-
woon ons te verftaan te geeven wat wy doen
,5 moeten, zelfs eer wy met hem geraadpleegd
â hebben, en daar moet eenigeheymelykezon-
de weezen die hem doet ftilzwygen. Maar
ik zweer by hemzelven , alwaar \'t ook Jo-
nathas die zulks begaan had , dat ik hem niet
3, meer verfchoonen zal dan den geringften des
3, vólks , en dat het hem om Góds gramfchap
35 te ftillen, zyn leeven zal kóften." Elk riep
uyt dat den Koning zyn beftuyt moft naako-
meni Daarop tradt hy met Jonathas ter zyde,
cn deed het lót werpen, om te weeten wie het
was die gezondigd had > en het lót viel op Jo-
nathas. Saul zeer verbaafd , vraagde hem wat
misdaad hy dan begaan had > en hy antwoord-
de dat hy zich nergens aan fchuldig kende,
uytgezeyd dat hy onkundig van het verbód,
een weynig honigs gegeeten had toen hy de
vyanden naajaagde. Alstoen zwoer Saul dat
hy hem zou doen fterven, liever dan zynen eed
breeken welks onderhouding hy boven zyn
eygen bloed en alle natuurlyke banden achtte,
jonathas , zonder zich in \'t minfte daarover te
ontzetten, zeyde tót hemmeteenonbezwceke-
ne grootmoedigheyd: â Ik bid u, Vader , geen-
3, fms om myn leeven, maar zal den dood met
,5 blydfchap lyden , opdat gy uwen eed moogt
naakomen 5 enikkan my niet ongeluVddg ach-
ten , nu ik Góds vólk de opgeblaazenheyd
der Philiftynen door zulk een uytmuntende
â en heerlyke zeege heb zien temmen.
Het vólk wierdt door deeze ongemeene edel-
moedigheyd zo bewoogen , dat zy alle met
eede verklaarden , niet te zullen dulden dat
men hem, aan wien zy den gelukkigen uytflag
van dien ftryd verfchuldigd waaren , zou doo-
den. Alzo rukten zy Jonathas uyt de handen
van den Koning zynen vader , en baden Gód
hem den mifllag dien hy begaan had te wiUen
vergeeven.
Naa deeze groote Igrygstógt, in welke by-
kans zeftigduyzend mannen der vyanden ge-
fneuveld waaren , regeerde Saul gelukkiglyk,
en behaalde groote voordeden op de Ammo-
niten , Moabiten , PhiUftynen , Idumeërs ,
Amalekiten , en den Koning Zoba. Hy had
drie zoonen Jofua, ^nMelchifa, en
33
33
3J
33
3J
^îi.
hl\'
ij lij
1}
5»
250.
twee dóchters Merob en \'Mkhol. Hy gaf het
ampt van Overfte zyns krygsheirs aan Abner
zoon van Ner zynen oom, die broeder was van
Kis , beyde zoonen van Abiël. Behalve de
menigte van voetvólk dat hy onderhieldt, was
hy fterk in ruytery, had zeer veele wagens, en
koos de fterkfte en behendigfte mannen tót zyne
lyfwacht. De overwinning verzelde hem in
alle zyne onderneemingen, en hy bragt de zaa-
ken der Ifraëliten tót zulk een voorfpoed en
magt, dat zy ontzien wierden van de nabuuri-
ge vólken.
VHI. H 0 0 F D S T U K.
Saul verflaat door Gods beve\'! de Amalekiten ; dóch behoudt hun-
nen Koning tegen het verbód in \'t keven , en zyne fóldaaten zyn
heet op den roof. Samuël verklaart hera dat hy Góds gram-
fchap op zich gehaald had.
QAmuël quam tót Saul, en zeyde hem,
33 Dat nademaal Gód hem voor alle an- ^^^Sam.i;
dere tót Koning verkooren had , hy gehou- â
den was hem te gehoorzaamen 5 want zo hoog â
als hy boven zyne onderdaanen was verhe-
ven, was Gód boven hem en alles wat \'er in ,,
den Hemel en op de aarde was 5 dathy hem
derhalve dit van zynent wege aanzeyde: Ver-
mids de Amalekiten myn vólk in de woefty- â
ne , naa dat het uyt Egipte getrokken na het
land ging dat het nu bezit, zo veel quaads ge-
daan hebben , vereyfcht de gerechtigheyd
dat zy over die groote ónbeleefdheyd geftraft
worden. Daarom beveel ik ulieden dat gy
hen den oorlóg aanzegt, en hen overwonnen ,,
hebbende , hen ganfchelyk uytroeit, zonder â
ouderdom óf kunne te verfchoonen, om hen \'
alzo te ftraffen over \'t gene zy uwen voorva- ""
deren hebben aangedaan. Ik wil ook niet dat
men eenig beeft in \'t leeven fpaare, óf iets
van den roof behoude : maar alles moet my
ten brandófter opgeófterd , en zelf^ de naam ,,
der Amalekiten zodaanig uytgeroeid wor- â
den, gelyk Mofes bevolen heeft, dat\'er niet â
het minfte fpoor van overblyve."
Saul beloofde getrouwlyk te zullen naako-
men \'t gene Gód hem beval 5 en om door een
fpoedige uyt voering zyne gehoorzaamheyd te
betoonen , bragt hy terftond alle zyne krygs-
magt byeen , en bevondt by de heirfchouwing
dat die vierhonderd-duyzend mannen uyt,
maakte, zonder de ftam Juda, die afleen der-
tig duyzend leverde , daar onder te begrypen.
Met dit heir trok hy in \'t land der Amalekiten j
en om lift by zyne magt te voegen , leyde hy
verfcheydene hinderlaagen langs de beeke, om
hen alzo te overrompelen, en van alle kanten
te befluyten. Vervólgens leverde hy hen flao-,
overwon hen, dreef hen op de vlugt, en hieldt
niet op van hen naa tejaagen, tótdat hy hen c^an-
fchelyk verflagen had. Naa dat het becrin\'^zy-
ner onderneeminge hem vólgens Gódsvoorzeg-
ginge , zo wel gelukt was , belegerde hy hun-
ne plaatfen 3 en maakte zich meefter daarvan.
Som-
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
VI böeÃ. J O O DSC H E
»
Sommige nam hj in door ftórmtuyg, etlyke
door ondermyninge, andere door aarde wallen
welke hy van buyten opwierp, eenige door uyt-
hongeringe, andere door gebrék van water, en
andere door andere middelen. Voorts ver-
ichoonde hy nóch vrouwen nóch kinderen, en
kon echter niet voor onmenfchelyk óf wreed aan-
gezien worden, omdathy, behalve dat het zy-
ne vyanden waaren , daarin Gód gehoorzaam-
de , die men zonder misdaad geen gehoor-
zaamheyd weygeren kan. Maar toen hy Agag
hunnen Koning gevangen had genomen, wierdt
liy door de ongemeenelyfsftal en fchoonheyd,
en het aanzienlyk gelaat van dien Vórft zo be-
woogen , dat hy zich liet voorftaan dat men
hem behoorde tc verfchoonen : enlaatendezich
dtis door zyne neyging vervoeren , gebruykte
hy ongelukkiglyk, in plaats van Góds bevél
naa te komen , eene goedertierenheyd die hem
niet geoorlófd was : want Gód haatte de Amale-
kiten zodaanig , dat hy niet wilde dat men zelfs
hunne kinderen verfchoonen zoude, hoewel
hunne zwakheyd, door een natuurlyk inzigt
hen der ontferminge waerdig maakte j dóch hun
Koning was niet alleenlyk zyn vyand , maar
had zynen vólke groot quaad gedaan. De Ifrae-
liten nu vólgden hunnen Koning in zyne zon-
de naa, verachtende even als hy het bevél Góds j
want in plaats van alle de paerden en het vee te
dooden , bewaarden zy dezelve, namen al het
zilver dat zy vonden , en pionderden door-
gaans alles wat van eenige waardy was. In dee-
zer voege verwoeftte ^aul het ganfche land van
de ftad Pelufion af tót aan de roode zee toe,
uytgenomen die van Sichem in\'t landfchap Ma-
dian , welke hy willende behouden, ter oor-
zaake van Raguël Mofes fchoonvader , hen
voor den oorlóg had doen waerfchouwen zich
met de Amalekiten niet in te wikkelen.
Saul keerde thans weder, zo wel vergenoegd
en Zo roemzuchtig op zyne zeege, gelyk alsóf
hy naauwkeuriglyk alles wat hem van Samuël
bevolen was naagekomen hadde. Maar Gód
was in tegendeel vertoornd, omdathy tegen zyn
verbód den Koning Agag had in \'t leeven be-
houden, endat Sauls krygsbenden op zyn voor-
beeld zyne bevélen verfmaad hadden : welke
misdaad te minder verfchoonelyk was , door-
dien zy hunne overwinning aan hem verfchul-
digd waaren , en dat \'er geen Koning is , die
hoewel maar een menfch zynde, zulk een groo-
ten hoon , als zy hem , die Opperkoning van
alle Koningen is , aangedaan hadden , zoud
willen dulden. Hierom zeyde Gód tót Samuël,
dat het hem berouwde Saul op den troon gefteld
te hebben , naardien hy, om zyneeygene wil-
le te vólo-en , zyne geboden met voeten tradt.
Deeze afkeer welke Gód van Saul had, trof den
Profeet met zulk een gevoelige droef heyd, dat
hy den ganfchen nacht badt dat het hem mogt
vergeeven worden j maar hy kon zulks niet ver-
werven, omdat de Heere het niet billyk vondt,
op iemands voorbiddinge voor zulk een groote
misdaad vergift\'enis te verleenen j en dat degéne
die door eenen ydelen roem van goedertieren-
heyd de overtreedingen ongeftraft laaten , de
oorzaak zyn dat ze te menigvuldiger begaan
worden. . : . -
Samuël aldus ziende dat hy Gód dóór zyne
gebeden niet buygen kon, ging \'s mórgens vroeg
na Saul te Galgala. De Koning tradt hem te
gemoet, omhelsde hem, en zeyde: â Ik dank
Gód voor de zeege welke\'t hem beliefd heeft â
my te geeven > en ik heb alles gedaan wathv
my bevolen heeft. Wat is dan, zeyde de
Profeet, dit geluyd van kleen en groot,,
vee, dat ik in uw leger hoor Het is ee- â
nig vee, antwoordde Saul, welk het vólk â
genomen en bewaard heeft om Gode te â
ófferen: maar ik heb de Amalekiten ganfche- â
lyk uytgeroeid, gelyk gy my van zynent â
wege bevolen hebt, uytgenomen alleen hun-
nen Koning Agag met welken wy doen
zullen \'t gene u belieft. \'tZjn geene flagt-
óffers, hernam Samuël, die Gode behaage-
lyk zyn : maar rechtvaerdige menfchen die
zyne v^dlle gehoorzaamen , en niets achten
wel gedaan tc weezen dan \'t gene hy beveelt.
Want men kan fondcr hem tb verfmaaden
het ófferen van ófferanden wel naalaaten j
maar men zoud hem niet konnen ongehoor-
zaam zyn zonder hem te verachten : en die
hem niet gehoorzaamen , konnen hem geen â
aangenaame ófferanden opóflèren. Hoe vet
de ófferbeeften, en hoe zuyver en kóftelyk
de ófferanden, die zy hem aldus aanbieden,
in ziehzelve ook zyn , hy vcrwerptze , en
heeft\'er een afkeer van^ door dien ze veel
eer eene uytwerking hunner geveynsdheyd,
dan een teken hunner gódvruchtigheyd zyn.
Maar in tegendeel aanfchouwt hy niet een
gunftig oog zodaanige die geen andere be-
geerte hebben dan om hem re behaagen, en â
die liever willen fterven, dan in \'t minfte ,3
ontrent zyne bevélen in gebreke blyven. â
Hy eyfcht van hen geene flagtófters ; en als
zyze hem al ófferen, hoe gering ze ook zyn,
zo zal hyze met beter genoegen aanneemen,
dan alles wat de ryke hem zouden moogen â
aanbieden. Weet dan dat gy den toorn en â
verbólgenheyd Góds op u gehaald hebt, door â
\'t verachten zyner bevélen. En met hoedaa- â
nige oogen meent gy , zal hy eene ófferande â
aanfchouwen > welke gy hem doet van din-
gen die hy ten verderve gefchikt heeft ? Is
\'t wel moogelyk datgy u zoudt inbeelden dat
\'er geen onderfcheyd zy tuftbhen uytroeijen
en ófferen Het verfchil daarvan is zo groot, â
dat gy om de ftraffe te lyden voor \'t verzuy- ,,
men van Góds bevél, u wel bereyden moogt
om de kroon , welke hy u op \'t hoofd gezét
heeft, te verliezen."
Saul verbaasd over deeze v/oorden des Pro-
feets , antwoordde hem , dat hoewel hy het
krygsvólk in hunne plonderdrift niet had kon-
nen weerhouden , hy nógtans bekende fchuld
te hebben j maar dat hy hem om vergiffenis
badt, en zyne voorbede by Gód verzócht, op
de verzékering die hy hem gaf van niet weêr tót
diergelyken misflag te vervallen. Hy fmeekte
hem^vervólgens een weynig te willen blyven
om oóde een flagtóffer , tót verzoeninp-e zy-
ner gramfchap , te ófferen. Maar dewyl de
Profeet wel wift dat Gód geen welgevallen
daaraan zoud hebben, wilde hy niet vertoeven.
\'S\' â IX, HOOFD-\'
5?
5Ã
35
33
3,
33
33
53
33
33
53
53
33
232,
53
53
53
53
I Fl
33
53
:
il,il il
I
PSlS\'il,
158
IX. HOOFDSTUK.
Samuel voorzegt Saul dat Gé\'1 zyn Koningryk in een ander geflacht
zal doen overgaan. Hy doodt Agag den Koning der Amalekiten,
en zalft David tót Koning. Saul door den boozen geeft gedree-
ven doet David haaien om rüuzyk voor hem te fpeelen.
O Aul greep Samuël by zynen mantel om hem
alzo het weggaan te beletten , en hy zich
daartegen aanzettende , fcheurde dezelve;
waarop de Profeet tót hem zeyde : â Alzo
3, zal uw Koningrykvanuafgefcheurd worden,
3, en op een\' vroomen man overgaan: want Gód
,, is niet gelyk de menfchen ; hy is onverander-
â lyk in zyne befluyten." Saul bekende nóg
eens dat hy gezondigd had; maar zeydedatde-
Vï. BoEk;
wyl \'t gene gedaan was niet ontdaan kon worden,
hy hem badt ten minften nevens hem in de te-
genwoordigheyd des ganfchen vólks Gód tc
willen aanbidden. Samuël ftondt hem zyn ver-
zoek toe ; en daarop bragt men den Koning
Agag tót hem. Deeze Vórft riep wel over-
luyd, dat de dood dien men hem wilde aandoen
wreed was. Dóch de Profeet zeyde tót hem :
33 Nademaal gy zo veele moeders onder delf-,,
raëliten den dood haarer kinderen hebt doen â
beweenen , is \'t niet meer als billyk dat uwe ,,
moeder uwen dood ook befchreye." En al-
dus gefprooken hebbende deed hy hem te Gal-
gala dooden, en keerde weder na Ramath.
FLAVIUS JOSEPHUS
\'.M
Ir-\'î
T\'
234. Alstoen opende Saul zyne oogen, enbemerk-
te in wat een ongeluk hy geftort was door Gód
vertoornd te he&en : dies keerde hy na zyn
koninglyk huys te Gaba> \'twelk een heuvel be-
tekent 3 en zag Samuël naa dien dag nooit we-
sam.is. der. Deeze Profeet konondertuftchen niet laa-
ten om zynent wille bedroefd te zyn en te zuch-
ten. Maar Gód beval hem goedsmoeds te wee-
zen, en de heylige oli te neemen, waarmede hy
na Bethlehem zoude gaan in \'t huys van yeffe,
zoon van Obed , om dien van zyne zoonen,
welken hy hem toonen zou, tót Koning te zal-
ven. Hierop antwoordde Samuël dat indien
Saul zulks gewaar wierdt, hy hem zou doo-
den : maar Gód beval hem niets te vreczen.
Dies ging hy na Bethlehem, alwaar hy met
groote blydfc] iiap ontvangen wierdt j en vermids
elk hem na de oorzaak zyner komfte vraagde,
antwoordde hy dat het was om eene ófferande
te doen. Toen hy geófferd had verzócht hy
Jeffe met hem maaltyd te komen houden , en
zyne zoonen meé te brengen. Hy quam daar-
op met de oudften genaamd Eliab , die groot
van geftalte en Van een braave gedaante was.
Samuël hem ziende , geloofde dat hy het was
dien Gód tót Koning wilde aanftellen j maar
hy begreep zyne meening quaalyk : want hem
gevraagd hebbende ófhy op dien jongeling, die
hem zo waerdig fcheen om \\ ryk te gebieden,
de heyhge oli zoud uytftorten , antwoordde
de Heere: â Ik oordeel niet gelyk de men- 3^
fchen : doordien gy ziet dat hy fchoon van 3,
gedaante is, acht gy hem waerdig om te heer- ,,
Ichen 3 maar \'t is niet de fchoonheyd des hg- 3,
haams die ik aanmerk in \'t fchenken eener ,,
kroone ; ik zie alleenlyk op het gemoed,,,
welks cieraaden zyn gódvruchtigheyd , ge- â
rechtigheyd, edelmoedigheyd, en gehoor-,,
zaamheyd." De Profeet dit antwoord ont-
vangen hebbende , zeyde tót Jeffe dat hy alle
zyne zoonen zou doen komen. Terftond qua-
men \'er vyf andere te voorfchyn , genaamd
Amtnadab, Samma., Nathanaël, Raét, enAfam,
die niet minder fraai van geftalte waaren dan
de oudfte. Samuël vraagde den Heere toen^
wien van die hy tót Koning zalven zoude ; en
\'t antwoord was : Niemand vän deeze. Dies
vraagde hy Jeffe , of hy dan geen meêr zoonen
had. Ik heb \'er nóg éénen , zeyd hy , g-ehee-
ten David, die myn vee hoedt. Laat hem dan
haaien, hernam Samuël, want het is niet meer
als rédelyk dat hy^zo wel als zyne broeders deel
aan dit gaftmaal hebbe. Hy quam dan, zyn-
de eenigfms ros , daarbenéven fchoon en Wel
gemaakt Van leeft , en in zyn gelaat fpeelde iets
dat heldhaftig was. De Profeet hem ziende,
zeyde
Jï\'ii
E HISTORI.
fchouder droeg j en \'t yzer alleen wooe zes-
honderd flkelen. Deeze fchrikkelyke reuf, ge-
gevolgd van een groote tróp, vertoonde zich
m deeze toeruftinge in het dal dat tuflbhen de
twee heirlegers lag , en riep met luyder ftem-
me , om van Saul en alle de zyne te konnen ge-
hoord worden: 33 Wat behoeft men tót eene£â
veldflag te komen.? Kieft éénen uyt de uwe
met wien ik dit gefchil beflechte 5 en laat de
party des genen die overwonnen wordt gehou-
den zyn zich aan den overwinnaar te onder-
werpen. Want is \'t niet beter alleen éénen "
man voor \'t gevaar bloot te ftellen j dan een "
ganfch heir te waagen " Den vólgenden dae
quam hy ter zelfder plaatfe weér het zelfde
zeggen , en deed aldus veertig dagen lang dier-
gelyk een uy tdaaging. Saul en de zyne nie? wee-
tende wat zy hierop antwoorden zouden , ver-
genoegden zich met in flagord^e te bly veh ftaan
zonder dat het tót een treftèn quam DaxnJ
was toen niet in \'t leger, doordien Saul hem na
zynen vader gezondenhad s om het hoeden der
kudde weer waar te neemen, houdende drie zy-
ner broederen by zich. Maar Jeflè ziende dat
die oorlog lang uytgerekt wierdt, zondt Da-
vid na zyne broeders om hen eenige dineren te
brengen , en met ééne te verneemen ho?\'t\'er
gefchapen ftondt. Goliath quam naar Zyne ge-
woonte, maar verwaander dan ooit te voorSi
en deed den Ifraëhten duyzend verwvtineen\'
dat niemand yan hen \'t hart had om tegen lieni
te ftryden. David die toen tegens zyne broe-
ders fprak van \'t gene zyn vader hem belaft had
wierdt zo ontroerd van den reus dus te hooren
fpreeken 3 dat hy tót hen zeyde dat hy eereed
was om hem tebevechten. Eliab de oudfte van
hen, wierdt toornig, bekeef hem vinnig dathy
door oneervaarenheyd zich zo roekeloos tooil
de, en beval hem weêr na huys te gaan , en
zyns vaders vee te hoeden. David antwoordde
zynen broeder niet 3 uyt ontzag dat hy hem
toedroeg, maar zeyde tót eenige andere Ws-
lieden dat hy de uytdaaging van dien reus wel
zou durven aanneemen. Dit wierdt Saul ge-
boodfchapt 3 die hem daarop deed haaien , en
hem vraagde 3 óf het waar was dat hy zulks ge-
zegd had. 3) J^ > Heer Koning, antwoordde
hy5 ik vrees dien Philiftyn niet 5 en indien\'t
u belieft my verlóf te geeven , ik zal niet al- ^^
leenlyk zyne ftoutheyd beteugelen j maar zal
hem zo verachtelyk maaken als hy teeen
woordig fchrikkelyk fchynt 5 en de roem die
door u en uw heir daarvan behaald zal wor-
den , zal te grooter weezen , omdat hy niet "
door eenen eervaaren oorlógsman, maardoor
eenen jongen aankomehng geveld zy.» Saul
prees zyne koenheyd wel, maar durfde zulk een
wigtig bedryf aan iemand van zö jonge jaarën
met betrouwen, voornaamelyk dewyl \'er een man
van zulk een byftere fterkte en beproefde d/n
perheyd te bevechten was. David zvne T
dachten uyt zyn plaat bef^^^^^^^^ J ge-
nem . ^^ durf u onbefchroomdelvk A
Koning , beWen , ^dat ik met olds by-
ftand, welke ik op andere voorvallen genoo-
I kt/. ^yn : want toemk
de kudde myns Vaders weydde , en één my-
^^^ lammeren door eenen ièeuw weggenomen â
S 2 wierdt ^
VI BOEK. J O Ã D S C H
zeyde Mietjes. Deez is \'t dien Gód tót Ko-
ning verkooren heeft. Thans deed hy hem
aan zyne zyde zitten , naaft hem den vader,
en vervólgens zyne broeders : daarnaa goot hy
de oli op zyn hoofd , en luyfterde hem in
\'t oor, â dat Gód hem verkooren had om Ko-
ning te zyn 5 dat hy de gerechtigheyd moft
â beminnen, en zyne geboden gódsdienftig-
3,^yk onderhouden i dat alsdan zyn ryk lang
3, duuren 3 en zyne naakomelingfchap door-
33 luchtig zyn zoude : dat hy niet alleenlyk de
â Phihftynen, maar alle andere vólken, waar-
,3 mede hy in oorlóg quame , zoud overwin-
3, nen , en dat zyne gedachtenis onfterflyk
3, zoud weezen."
Naa dat Samuël aldus tót hem gefprooken
had, keerde hy weêr na huys, endegeeftGóds
. gmg van Saul over in David , zo dat hy begon
te profeteeren ^ Saul daarentegen wierdt van
eenen boozen geeft bezeeten, die hem t\'elkens
fcheen te willen verftikken. De Artfen wiften
voor deeze quaal geen ander hulpmiddel te be-
denken , dan dat men, eenen künftigen muzi-
kant eenige heylige gezangen onder \'t geluyd
der harpe by hem zou laaten zingen, wanneer
de booze geeft hem plaagde. Hy beval derhalve
dat men hem zodaanig eenen opzoeken zoude.
En dewyl men hem zeyde dat \'er niemand zo
bequaam toe was dan zékere zoon van Jeflè, ge-
naamd David, dieniet alleenlyk zeer eervaaren
in de muzyk was, maar ook fchoon van geftal-
te , en bequaam om hem in den oorlóg te die-
nen j deed hy zynen vader aanzeggen dathy hem
van \'t vee-hoeden hadde te ontflaan , en aan
den Koning te zenden , die zo veel goeds van
hem gehoord had, dat hy hem begeerde te zien.
Jeflè zondt hem terftond met gefchenken j en
Saul ontving hem zeer wel, maakte hem tót
zynen wapendraager, en bejegende hem gun-
Itiglyk m alles. Want behalve dat hy hem zeer
aangenaam was, kon hy alleen, door de liede-
ren welke hy op de harp fpeelde , hem weder
tot bedaaren brengen : dies verzócht hy van
zynen vader hem te moogen houden, doordien
hy zeer wel met hem voldaan was.
13t)
35
}}
33
23 ï
X. HOOFDSTUK.
Dc Philiftynen komen om de Ifraëliten te beftryden. Een reus on-
der ben geheeten Goliath , doet een voorflag van dien kryg door
een enkel gevecht eens Ifraëlyts tegen hem te beflechten : en de-
wyl niemand op die uytdaaging antwoordt, neemt David dezelve
aan.
TJ Enigen tyd daarnaa quamen de Phfliftynen
isam. -t^met een groot heir om de Ifraëhten te be-
ftryden 3 en legerden zich tuflbhen de fteden
Socho en Afeka. Saul trok hen terftond te-
gen , en hebbende zékere hoogte ingenomen,
noodzaakte hy hen te wyken , om zich op een
andere, die daar tegen Overlag 5 te légeren. In
hun heir was een reus geheeten Goliath, zynde
van Geth j deez was vier ellen en een handbreed
lang 5 zyne fterkte quam met zyne groote over-
een , zulks dat hy naar maate van dezelve ge-
W^P^nd was i want zyn harnas woog vyfduy-
zend hkelen , zyn helm was niet minder fterk,
en zyne dyeftukken, die van koper waaren,
hadden overeenkomft met al \'t andere : zyne
fpies was zo zwaar, dat hy , in plaats van
die in de hand te draagen 5 haar op zynen
Mï \'lil
33
33
39
lil
tft
140 F JL A V I ü S J
wierdt, liep ik hem naa , en rukte het hem
uyt ^yne tanden , *t welk hem zo verwoed
maakte , dat hy op my aanviel 5 maar ik greep
hem by de ftaert, wierp hem ter aarde , en
â doodde hem. Even ,zo deed ik met eenen
â beer, die myne kudde befprong ; en ik ge-
3, loof niet dat deeze Philiftyn vreeflyker is
â dan leeuwen óf beeren. Dóch \'t gene my
5, nóg meer verfterkt, is dat ik niet gelooven
âkan dat Gód de lafteringen welke hy tegen
â hem uytbraakt, en den hoon dien hy u en
â uw ganfche heir aandoet, langer verdraagen
zal : dies durf ik my verzékeren dat hy my
de genade zal verleenen van zyne hoogmoed
â te temmen en hem te overwinnen/\' Zulk een
ongemeene koenheyd deed Saul hoopen dat de
uy tfla? voorfpoedig zoude zyn. Hy badt Gód,
gaf David verlóf tót den ftryd , zette hem zy-
ne eygene wapenen by, en deed hem zyn helni,
harnas, en zwaerd zelf aan. MaarDavld, diè
niet gewoon was wapenen te draagen, vondt
\'er zich zo meé belemmerd , dat hy zeyde:
â Deeze wapenen , Heer Koning, paffenu,
â die \'er zich zo wel van weet te bedienen,
maar niet my : en daarom bid ik umy de vry-
â heyd te laaten van te ftryden naar mynen eygen
, zin." Saul ftondt hem zulks toe, daaropleyde
hy de wapenen af, nam alleenlyk zynen ftók,
ftinger , en vyf fteenen , welke hy uyt de beek
had opgeraapt, en in zyne tafch ftak. Aldus
^ing hy na Goliath toe , die hem zo verachte-
yk aanzag , dat hy hem al fpóttende vraagde,
55
Ã)
3Ã
35
O S^ E P H u:s
óf hy hem voor eenen hond hield, dat hyhem
dus met fteenen gewapend tegenquam. Ja nóg
erger dan een hond, antwoordde David. Deeze
woorden maakten den reus zo verbólgen, dat
hy by zyne goden zwoer , dat hy zyn lighaam
aan ftukken zoude fcheuren , en het den bee-
ften en vógelen te eeten geeven. Hierop zey-
de David : â Gy verlaat u op uwe fpies,
harnas, en zwaerd -, en ik vertrouw op de â
kracht van den almagtigen Gód , die zich â
van mynen arm wil bedienen om u ter aarde â
te vellen, en uw ganfche heir te verftrooijen. â
Ik zal u heden uwen kóp afhouwen , en uw â
lighaam zal ik den honden , dien gy door â
uwe raazerny gelyk zyt, te eeten gee- â
ven. Alsdan zal al de werreld weeten dat de â
Gód der Ifraëliten hen befchermt, dat zyne ,,
voorzienigheyd hen geleydt, dat zyne hul- ,,
pe hen onwinbaar maakt, en dat geen krygs- â
magt en wapenen degénen welke hy verlaat â
beletten kan te fneuvelen." De trótfe reus
ziende hem zo j ong en ongewapend, aanhoorde
die woorden met een nieuwe verfmaadinge, en
tradt langzaam na hem toe , omdat het gewigt
zyner wapenen hem niet toeliet fnel te gaan.
XI. HOOFDSTUK.
David doodt Goliath, \'t Ganfche heir der Philiftynen neemt dc
vlugt , en Saul doet\'er een groote flagtina onder. Hy benydt
David , en om zich van hem te ontflaan belooft hem Michol
zyne dochter ten huuv^elyk , tnids dat hy hem de hoofden van
zeshonderd Philiftynen bragt. David neemt de voorwaatdc aan
cn voert het uyt.
VI. Boek.
jn
11
if
T^Avid , voor wien Gód op een onzigtely-
ke wyze ftreedt, ging Goliath kloekmoe-
diglyktegen, nam eenen fteen uyt zyne tafch,
leyde dien in zynen ftinger, en wderp hem met
zulk een kracht, dat dezelve zyn voorhoofd
treffende daarin neêrzonk, en den reus voor-
over dood ter aarde deed vallen. Aanftonds
liep deeze roemryke overwinnaar na hem toe}
en zelf geen zwaerd hebbende , bediende hy
237.
zich van Goliaths om hem het hoofd af te hou-
Dezelfde flag die deezen verwaanden
wen.
Philiftyn het leeven deed verhezen, floeg alle
de andere met zulk een fchrik, datzy niet dur-
vende eenen veldflag waagen, naa dat ze den
genen op wien zy al hun vertrouwen ftelden^
Voor hunne oogen hadden zien neêrvallen,
de vlugt namen. De Ifraëliten jaagden hen
met een vrolyk gekryfdi naa tót aan de grenzen
van Geth , en tót voor de poorten van Af ka-
lon 5 en naa xiat zy dertigduyzend van hen ge-
dood , en nóg eens zo veel gequeft hadden,
keerden ZJ weder en plondei:den hnn leger,
waar-
I sam. waarnaa zy \'t zelve in de brand ftaken. Voorts
bragt David Goliaths hoofd met zich, enwyd-
de zyn zwaerd Gode toe.
18.
Toen Saul zeegepraalend wederkeerde, qua- ^38,
men de vrouwen en dóchters hem met trom-
melen en cimbalen te gemoet, om haare vreug-
de over die groote overwinning te betoonen-,
en dewyl de vrouwen zongen dat Saul meer dan
duyzend , en de dóchters dat David over de
tienduyzend gedood had , verwekten deeze
woorden in Saul zulkeen nyd, dat hy oordeel-
de dat hem by dien roemryken lóf niet anders
ontbrak dan de naam van Koning. Dies be-
gon hy van toen af zich te verbeelden, dat het
niet veylig was David langer by zich te hou-
den. Onder fchyn dan van hem te verplig-
ten, maar inderdaad om hem van de hand te
zenden en te doen omkomen, gaf hy hem
*t gebied over duyzend mannen, achtende dat
niet wel zou konnen miflèn, óf hy zoud in
een krygsbediening , die hem voor zoo veele
gevaaren bloot ftelde, moeten feuvelen. Maar
dewyl Gód David nooit verliet, gelukten al-
le zyne onderneemingen hem zowel, dathy
door zyne ongemeene dapperheyd een alge-
\' meene achting verkreeg; en Michol, ééne
van Saul dóchters, die nóg ongetrouwd was,
wierdt zo verliefd op hem, dat zy haare zucht
zelfs voor den Koning haaren vader met ver-
bergen kon. Saul verheugde zich daarover,
hoopende dat hem tót een middel zou die-
ner om David aan kant te helpen : en ant-
woordde daarom den genen die\'er tegeiis
hem van fpraken, dat hy hem die Pnnfes
gaern ten Luwelyk Wilde geeven , want hy
redeneerde aldus : âIk zal hem voorftellen
â dat hy om die eere te verwerven, my de
âhoofden van zeshonderd Phihftynen moet
â brengen j en ik houd my verzekerd dat
â hy, zynde niet minder dapper dan edel-
â moedig , die voorwaarde met blydlcnap
â zal aanneemen, omdat hoe ze gevaarlyker
is j zy hem des te grooter roem zal aan-
â brengen 5 en dat hy alzo geene gevaaren
â ontziende , ik my van hem zal konnen ont-
5, flaan, zonder my zeiven eenige blaam daar-
door op den halze te haaien." Naadat hy dit
befluyt genomen had, gaf hy bevél dat men
Davids neyging ontrent dit huuwelyk eens on-
dertaften zoude. Weshalve zy die deezen laft
ontvangen hadden tót David zeyden , dat de
koning hem zulk een groote geneegenheyd
toedroeg, en met zo veel genoegen de gunft
des vólks aanfchouwde, dat hy hem de Prinfés
zyne dóchter ten huuwelyk wilde geeven. â In- â
dien gylieden niet begrypt, antwoordde hy, â
wat een eere het zy \'s Konings fchoonzoon â
te weezen , dan zyt gy van een geheel ander â
verftand als ikj want ik acht dat\'er een over- â
groot onderfcheyd is tuflêhen zulk een ver- ,,
heven ftaat, en myne laage afkomft.*\' Dit
bericht wierdt Saul aangediend j en hy deed
hem door die perfoonen wederom boodfchap-
pen j â Dat hy zich niet had te bekommeren â
omdat hy niet ryk was, en geen groote ge- â
fchenkenaan zyne dóchter doen kon, door- â
dien hy niet voorhad haar aan hem te verkoo- â
pen, maarze hem te] geeven : Dat het hem â
genoeg was in eenen fchoonzoon een onge- â
meene dapperheyd met andere deugden,
welke hy in hem befpeurd had , verzeld te
zien : dat hy daarom niet anders van hem
begeerde, dan den Philiftynen eenen doode-
lyken oorlóg aan te doeft, en hem zeshon- â
derd hoofden van hen te brengen : dat dit â
het grootfte en aangenaamfte gefchenk was ^^
dat hy hem zou konnen doen, en ook zyne â
dóchter, die ongeneegen tot de gewoonlyke i,
gaaven, geen beter keur doen kon, dan ie-
mand die over de vyanden van haaren vader ,,
en vaderland sezeegepraald had ^ ten man te â
neemen." Nademaal nu David geloofde dat
Saul oprechtelyk handelde, bekommerde hy
zich niet eens over de moeijelykheyd Van den
aanflag, maar nam de voorwaarcfe met blydfchap
aan 5 en om door zvne diènften zulk een groo^
⢠fi
V!
s
. FLAVIUS
te eere te verwerven , viel hy aanftonds met zyn
krygsvolk op de vyanden aan. Gode ftondt
hem m die gelegenheyd by, gelyk in alle de an-
dere, zulks dat hy een groot getal Philiftynen
verfloeg, aan den Koning de zeshonderd hoof-
den, welke hy geëyfehthad, bragt, en hem
verzocht zyne belófte na te komen.
Im!!:
Ii
I t I
I. J
j
1 i..
11.
iii
xii. hoofdstuk.
Saul geeft zyne Dóchter Michol aan David ten wy vc, cn befluyt ter
zelfder tyd hem te doen dooden. Jonathas geeft\'er David kund-
fchap van, die daarop de vlugt neemt.
CAul niet konnende zyne dóchter aan David
1 sam.iy. O weygeren, omdat het eene fchande zoude
geweeft zyn hem geen woord te houden, en
aan al de werreld te doen zien dat hy geen an-
dere toeleg hadde gehad dan hem te bedriegen,
en in zulk een hachlyke onderneemingetedoen
\' fneuvelen, was genoodzaakt dit huuwelyk zy-
nen gang te laaten gaan. Maar hy veranderde
daarom niet van gevoelen j want dewyl David
meer en meer van Gód en de menfchcn bemind
wierdt, quam hy hem zo ontzaglyk te vooren,
dat hy zich verbeeldde niet van zyn leeven en
kroon te konnen verzekerd zyn, dan door Da-
vids dood. Om derhalve het één zo wel als \'t
ander te redden , verkoor hy Jonathas zynen
zoon, en eenige zyner getrouwfte dienaaren
om dat voorneemen uyt te voeren. Tonathas ^
die David ter oorzaake van zyne déu^d zeer be-
minde, was zeer verwonderd te zien dat zyn
vader, door zulk een zonderlinge verandering,
zo eens loefs van die groote gencegenheyd, wel-
ke hy aan David betuygd had, overftapte tot
een befluyt om hem te dooden. Weshalve hy
verre van den uytvoerder van dit önrechtvaer-
dig en wreed bedryf te willen zyn, hem daar-
af verwittigde, raadendehem aanftonds te vlug-
ten, met toezegginge dat hy na gelegenheyd
zou trachten om den Koning te Ipreeken, en
de oorzaak van zynen haat uyt te vórfchen; én
hem dan met ééne neêr te zetten, én hem
voor te houden dat\'er geen reden was oni ie-
mand , die zo veel aan hemen zyn ryk verdiend
had, om te brengen; ja dat fchoon hy al eeni-
gen misflag begaan hadde , de grootheyd zyner
dienften hem tótvergiffèniftè behoorde te doen
overhellen. Voorts beloofde hy hem kennis te
zullen geeven van den uytflag van dit gefprék,
en in hoedaanig een gefteltenis hy zynen vader
\'gelaaten had. David vólgde daarop zynen raad-,
en maakte zich uyt den weg.
33
33
5,
33
iil: \'i
w
ïiif
xiii. hoofdstuk.
Jonathas fpreekt Saul zo fterk wegens David aan, dat hy hem in
gunfte heiftelt.
240. TOnathas des anderen daags Saul in eenen goe-
J dm luym vindende, fprak hem aldus aan :
Wat groote misdaad, myn vader, heeft Da-
vid dóch begaan, die u bewoogen heeft om
bcm te doen fterven , hem die u zulke uyt-
" ^"^fende dienften heeft gedaan, die u op
oe Phihftynen heeft gewrooken, die hunne
,, trótsheyd heeft vernederd, die de eere onzer
â¢â landaard heeft opgeheven , die den hoon
3, neett doen ophouden welke ons veertig da-
â genlang aangedaan wierdt, toen wy niemand
â konden vinden die den reus, welken hy zo
roemruchtig verflagen heeft, durfde be-
JOSEPHUS VI. BOE«.
vechten, hem, zeg ik, dien gy de eere ge-
daan hebt van uwe dóchter ten huuwelyk"
te geeven , naa dat hy , om zich des wa4- "
dig te maaken, u hetgeëyfchtegetal vanPhi-
hftyns hoofden gebragthad.^ Hebtdóch, zo
t u belieft, de goedheyd van eens te over-
denken wat een droefheyd zyn dood ons \'
zoude veroorzaaken, niet alleenlyk om zyne
deugd, maar om die vermaagfchapping en "
floedaanig het verdriet myner zufter loude \'\'
zyn , zich bykans zo dra weduwe als ge- "
ook wilterm- \'
neren , datdiy u gemoed tót bedaaren ge-
bragt heeft mdie ontroerdheden welke uzyn
overgekomen, gy zult buyten twyfel bevin-
den dat die dienften zo groot zyn, dat ze
nooit vergeeten behooren te worden gy zult
gunftiger gevoelens voor hem kry^eïï^- en
door eenen man yan zodanig een v?rdiénle
te behouden, zult gy hem voor u zeiven
en voor uw ganfche huys , ^t welk zo hoog-\'\'
lyk aan hem verpligt is, bewaaren." Deeze
redenen van Jonathas waaren van zo veel
kracht, dat zy de gramfchap en vreeze 7an
Saul overwonnen : zulks dat hy met eede be-
loofde David geen quaad te zullen doen. Det
ze edelmoedige Pi-ms ging hem aanftonds daar-
af kennis geeven en bragt hem weêr by denKo-
nmg, alwaar hy zyne voorige bedieninge we
derom waarnam. & ^
n^En zelfden tyde begonden de Philiftynen
^ den oorlog wederom , en David wierdt ^ "
met een heir hen tegen gezonden : waarop hy
hen beftreedt, en een groote menigte van hen
gedood hebbende, zeeghaftig weSer by Saul
quam. Maar hy wierdt van hem niet omvan-
gen gelyk hy hoopte, en gelyk zulk een groo-
te aienlt vereyfchte, omdat zyn roem by hem
verdacht zynde, hy in plaats van zich over
zyne voorfpoed teverblyden , dezelve gevaar
lyk oordeelde, en niet dan met verdriet
vernam. Eens wanneer hem zyne oude quel-
Img van den boozen geeft weäer overquam,
beval hy David voor hem op de harp fe fpee-
len : En erwyl deez zulks Seed, wierp Ll
eene fchicht, diehy « ^ ^and had, met al-
le magt na hem toe enzoud hem gedood heb-
TH \' \'T r^h,^ ontweeken hadde.
Thans vlugtte hy na huys , en ging dien gan-
fchen dag nwc uyt, | ^ewokn
xiv. hoof d s t u k.
wil Sooden » \' voor hem by Saul j dic hem zelf
Ier verwittigt\'er David van, "die na Geth, éen ftad
AbiS \' en in \'t doortrekken eenige onderftand vau
Abimelech den Hoogenpriefter ontvangt. Te Geth aefef.r.ti ,
Mhcbfendc, ââsaul het fc«cr,e £ eemT S «fSâ¢\'
fFOnk, en daarnaa in zyn bed midden in
Ws weduwe trouwt: hy kömt weder by Achis den S lht
35
>3
3>
55
33
33
33
VLBótK. JOODSCH
was zondt Saul eene wacht om zyn huys te Om-
ringen, dat hy\'tniet zou konnen ontkomen,
omdat hy voorhad hem door \'t Gerecht ter
dood te doen veroordeelen. Michol Davids
huysvrouw kreeg daarvan bericht, en dewyl
haare liefde jegens eenen man van zulk een uyt-
muntende verdienfte haar den dood mmder deed
achten dan het hartzeer van hem te verliezen,
trincT zy terftond byhem, en zeyde j â Zo de
Z zon u mórgen ochtend nóg hier vindt, zal ik
â u nooit meer leevendig zien. Vlugt dan ter-
wyl de nacht het utoelaat, welkenikwenfch
dat Gód langer wil maaken dan naar gewoon-
te, opdat hy u te gunftiger zy: want de Ko-
â ning heeft beflooten u te doen fterven ^ en dit
â wreed voorneemen niet uyt te ftellen." Naa
dat zy aldus gefprooken had , maakte zy een
53
33
à HIStORI;
touw aan \'t venfter vaft, en liet hem neder.
Vervólgens fchikte zy zyn bed gelyk als voor
een zieke, en leyde clen lever van een verfch
geflagte geyte onder het dek. Des mórgens
vroeg zondt Saul eenige om David gevangen te
neemen: doch Michól zeyde tot hen dat hy
den ganfchen nacht ziek was geweeft, en de
górdynen van \'t bed opfchuyvende deed de le-
ver , die nóg warm was en zich beweegde, het
dek ook beweegen 3 waardoor zy niet twyfel-
den óf David lag in \'t bed, en was ziek. Wes-
halve zy zulks aan den Koning verhaalden, die
hen beval hem te haaien, in hoedanig een ftaat
hy ook waare, naardien hy dóch fterven moft.
Zy keerden dan terftondt weder, floegen het
dek op, en bevonden , dat de Prinfés hen be-
droogen had. Saul bekeef zyne dóchter vin-
nig dat zy zynen vyand dus had laaten ontko-
men : dóch zy verfchoonde zich met te zeg^
gen âDat hy gedreygd had haar te doo-
â den, indien zy weygerde hem in dien nood
â by te ftaan : dat zy overzulks daartoe was
â gedwongen geweeft, en niettwyfelde, naar-
â dien zy de eere had van zyne dóchter te
zyn, óf zyne liefde tót haar zou fterker wee-
\' zen dan zyn haat tegens David." Saul door
deeze redenen bewoogen, verleende haar ver-
^^^avtd het gevaar aldus ontkomen zynde
cring na den Profeet Samuël te Ramath , ver-
Fiaalde hem hoe Saul na zyn leeven ftondt, zo
dat het byna niet gefchee d had of hy had hem
met eeni fchicht gedood : en dat i-hoon hy
hem nooit beleedigd, maar m alle zyne oorlo-
gen door Góds byftand met groot voordeed ge-
diend had , hy in plaats van geneegenheyd,
niet dan afgunft daardoor op zich had gehaald.
Samuël door deeze onbillykheyd van Saul ont-
roerd, trok uyt Ramath, en bragt David te Gal-
baathj alwaar hy eenigen tyd met hem woonde.
Zo dra Saul bericht daaraf bekomen hadt, zondt
hy eenig krygsvólk om hem te haaien. Dee-
ze vonden Samuël in \'t midden van een gezel-
fchap Profeeten , cn wordende, terftond mee
dien zelfden geeft vervuld , begonden zy ne-
vens hem te profeteeren. Saul zondt daarop
andere met een gelyken laft om David te vangen 5
en hen wedervoer de zelfde zaak. Toen zondt
hy nÃ2 eens andere, en zy profeteerden insge-
lyks Hierover vervid hy tót zulk een gram-
fchap, dathy zelf heene ging , eneerhy nóg
Samuël genaderd was 3 begon hy ook te pro-
feteeren : maar by hem gekomen zynde verloor
hy zyn verftand t\'eenemaal, wierp zyne klee-
deren weg en bleef een ganfche nagt en dag
dus naakt voor Samuël en David op de aarde
leggen. ⢠j t t
Thans ging David na Jonathas om hem zyn 245.
beklag te doen ^ dat hoewel hy nooit oorzaak isam.tó.
aan den Koning gegeeven had om misnoegd op
hem te zyn, hy\'er echter fteeds over uyt was
om hem \'t leeven te beneemen. Jonathas badt
hem zulke gedachten niet te Willen hebben 3
nóch al te ligt geloof te geeven aan degénen
die hem zulks verhaalden ; maar zich op zyn
woord verzekerd te houden dat de Koning zyn
vader niets diergelyks in deh zin had, dewyl
hy, indien zulks zo waare 3 het hem wel bekend
gemaakt zoude hebben, vermids hy niet ge-
wooiï
SU
l \'I
O S E P H U S
bidde u te willen byftaan , gelyk hy tót hier- â
toegedaan heeft j en met welk een vertrou-;
wen ik wenfche dat hy u nooit verlaate, fchoon â
myn vader en ik zelf uwe vyanden wierden.
Wees van uwe kant deeze myne betuyaincre \'
indachtig i en indien gy my overlceix"^ ?o "
betoon my uwe erkentelykheyd door zóro- â
voor myne kinderen te draaien." Maa dee
zen eed zeyde Jonathas tót David dat hv hem
wachten zoud m het veld daar men gewomiw-s
Wf \'\' â T te oefenen , en dat hy niet
laaten zoude ook aldaar met eenen ftaationo-en
d". w \' ^^^^ ontdekthebbenl^)e-
aaanig de Koning zyn vader gezind was : dat
zoude fchieten, enmdiendes Komngsneyriii..
bevelen zou dezelve op teraapen en hem toeroe»
pen, datze voor hem lagen, dóchzo zeheSte
genwas, dathy dan het tegendeel tót den
zepn zoude. Maar dat hoedaanig dezaate
ook waaren , hy met alle magt zoud arbeyden
heJd J^ J ^T"^ "^ff twyfelde aan de waar-
heyd van Jonathas belóften, bleefhy niet in ge-
breke ter befcheydener plaatfe te komen. Den
volgenden dag , zynde die der nieuwe maane
quam de Koning , naa dat hy zich vólo-ens V
gebruyk gezuyverd had, aan tafel om \'t^vond
maal te houden. Jonathas zette zich dlZt
aanzynerechterenAbner, de Veldoverfte aan
zyne ftmkerhand Saul ziende dTu^
plaats leedig bleef , meende dat hv zich nS
gereynigd had , dóch zeyde niets : maar \'s an-
derendaags hem weêr niet ziende , vraacrde hv
J onathas, waarom David in die twee dao-en nn
een plegtig gaftmaal niet verfcheenen was Tn
nathas antwoorde , dat hy na Bethlehem tl"
gaan was om een feeft van zyne ftam bv te vvoo-
nen, naa alvoorens van hem verlófdaaVtoe ver-
zocht te hebben: âEnhybadtmyook, Cdls
^^^^ ^^^^ te wiL k^iien ::
ZlenZV^ \' ^^ ^^ ^ derwaards
meen te gaan, want gy weet hoe zeer ik hem â
bemmne." Alstoen bemerkte Jonathas hoe
p-oot zyns vaders haattegens David was: want
baul met konnende den zeiven langer ontvevn-
zen, Itoof van gramfchap tegen hem op, verweet
nem dat hy zyn vyand geworden was om Da^
vids vrind te zyn, en vraagde hem â ófhy
zich met fchaamde dus zyn eyc^enen vader
te verlaaten , om aan te fpannen met iemand
die hem de haatelykfté van alle menfchen be-
loorde te weezen j dewyl men wel begry-
pen kon dat zo lang hy in \'t leeven was, peen "
van beyde veylig zou konnen regeeren \'\' Naa
aldus gefprooken te hebben, beval hy Tonathas
David tót 1-m te brengen opdat h^zy!
ne verdiende ftraffe deede lyden. Deeze edei-
r\'KTeJrfn ? \' misdaad
David dan bepan had die des doods waerdig
was , zo bleef Sauls woede niet langer binnel
de paaien van een enkel verwyt, maarhy quam
tot fcheldwoorden , en van fcheldwoorden tót
dua-
Hf F L A V I U S J
woon was iets te doen , zonder tót hem daar-
van te fpreeken : en dat hy zelf dan niet gelaa-
ten zoud hebben hem kennis daaraf te gee-
verzekerde hem daarentegen met
eede, dat het gene hy zeyde waarachtig was,
en badt hem daaraan niet te willen twyfelen,
maar geloovende het gene hy zeyde, hem eer-
der behulpzaam te zyn om zyn leeven te red-
den , dan te wachten tótdat zyn dood hem met
leedweezen deed zien dat hy hem t\'onrecht ge-
loof geweygerd had. Hy voegde daarby, dat
hy zich met behoefde te verwonderen dat de
Koning zyn vader, weetende de naauwe vrind-
Ichap die\'er tuifchen hen was, hem niets van
zyn voorneemen gezegd had. Jonathas hier-
door overreed, toonde zich bedroefd daarover,
en vraagde waarin hy hem zou konnen dienft
doen. 5, Naardien ik my verzekerd houde,
5, antwoordde David, dat\'er niets is \'t welk
ik van uwe vrindfchap niet verwachten mag,
zo is dk het gene dat my in den zin fchiet.
â \\ ermids het mórgen nieuwe maan is, en dat
â de Koning op dien dag een groot gaftmaal
5, houdt, waarby ik gewoon ben my te laaten
5, vinden, zal ik u, zo gy \'t goed vindt, buy-
â ten de ftad verv/achten , zonder dat iemand
35 dan gy het -weet: en als de Koning vraagt
â waar ik ben, moogt gy hem, zo \'t ubdieft,
â antwoorden, dat ik na Bethlehem ^eraan
â v\' ^^et feeft myner ftamme by te woo-
â oen naa u alvoorens verlóf daartoe ver-
â zocht te hebben. Byaldien de Koning dan
antwoordt, gelyk men gewoon is te doen als
men iemand bemint: Ik wenfch hem een goe-
de reyze , zo zal \'t zelve een teken zyn
dat hy my geen quaade wille toedraagt.
Maar indien hy op een andere wyze ant-
woordt , zal het een blyk van het tegendeel
weezen, en gy zult my eenen dienft doen,
my daaraf te verwittigen. Deeze daad , in
dit myn ongeluk , zal met uwe edelmoedig-
heyd , en de vrindfchap , wdke gy my zo
- pl\'egtiglyk ,beloofd hebt , overeenkomen.
5, Dóch indien gy bevindt datik die niet ver-
â diene , en zo gy gelooft dat ik den Konincr
â misdaan hebbe, wacht dan niet tótdat hy
â my doe fterven , maar voorkom hem door
â my het ieeven te beneemen." Deeze laatfte
woorden doorgriefden het hart van Jonathas :
hy beloofde David alles wat hem moogelyk was
te doen om de meening van den Koning zynen
vader te doorgronden , en hem een getrouw
verhaal te doen van ^t gene hy deswege zoud
ontdekken. Hy deed nóg meer , want om hem
\'li
VI Boek.
â¢liSli
5?
W
})
55
55
55
55
55
55
55
55
55
iiii-
te meer verzékeringe te geeven , bragt hy hem
buyten , floeg zyne oogen op na den hemel,
en bekrachtigde zyne belófte door eenen eed,
en dat met deeze woorden : âIk neem tót ge-
55 tuyge van het verbond dat ik met u aangaa
55 den eeuwigen Gód, die alles aanfchouwt,
,5 die overal tegenwoordig is^ en die myne ge-
55 dachten weet, zelfs eer myne tongdievoort-
55 brengt, dat ik niet ophouden zal des Ko-
35 nings gemoed te doorgronden, tót dat ik wee-
â te wat hy ten uwen opzigte in den zin heeft-
â en dat ik u aanftonds het goed óf het quaad
- ^^^ verneeme zal doeS verftaan. Gód
weet met hoe groot een geneegenheyd ik hem
55
55
55
5*
55
5P
JOODSCHE HI ST O lil
VI Boek. \'
Hf
^daaden : want hy greep eene fchicht om zynen
zoon te dooden, en hy zou dien fehrikkeiyken
moord ook begaan hebben, indien hy niet be-
lét was geweeft door degénen die\'er by waaren.
Jonathas kon toen niet langer twyfelen aan \'t
gene David hem van Sauls doodelyken haat ge-
zegd had, dewyl hy zag dat deeze zyne vrind-
fchap hemzelven het leeven bykans gekóft had.
^y ghig dan van de maaltyd zonder eeten, en
bragt den ganfchen nagt in droefheyd over,
dewyl hy nu door zyn eygen gevaar geleerd
had hoe groot dat van zynen vrind was.
Des mórgens vroeg ging hy onder fchyn van
zich in \'t fchieten te oefenen , ter plaatfe al-
waar David hem verwachtte, deed gelyk afge-
fproken was , en zondt zynen ftaatjongen te
rugge , om alzoo met David alleen te konnen
Ipreeken. David wierp zich neêr voor zyne
voeten , en zeyde dat hy zyn leeven aan hem
verfchuldigd was : dóch Jonathas beurde hem
op , en kufte hem. Dus bleeven zy eenen lan-
gen tyd in elkanders armen , beweenende hun
ongeluk , dewyl deeze fcheyding hen zwaarder
2oude vallen dan dc dood , en zy den anderen
niet verlaaten konden : maar eyndelyk moft
het weezen , hoe zeer moeijelyk het hen
ook viel} en \'t gefchiedde niet zonder el-
kander de betuygingen van hunne onver-
breekelyke vrindfchap , met eede beveftigt,
te vernieuwen.
244* David om de vervólginge van Saul te ont-
iSam.ii.vlieden ging na de ftad Nob by den Hoogen-
priefter Abimelech, die verwonderd van hem dus
alleen te zien, naar de oorzaak daarvan vraagde.
David antwoordde hem dat hy een bevél des
Konings, waartoe hy niemand van noode had ,
ging uytvoeren; dat hy zyn vólk befcheyden
had om op zékere plaats by hem te komen > en
dat hy hem verzócht het gene hy tót dit reysje
noodig had te willen geeven, nevens eenig ge-
weer. Abimelech verzórgde hem ; maar ten
opzigt van geweer, zeyde hy niet anders te
hebben dan het zwaerd van Goliath, hetwelk
hy zelf Gode toegewyd had: echter boodt hy
\'t hem aan, en David nam het met zich : maar
een Syriër geheeten "Doeg , die \'t opzigt over
Sauls muylezels had , was daar by geval tegen-
woordig. E)avid ging van daarna Geth, eene
ftad der Philiftynen alwaar de Koning Achis zyn
Hóf hieldt: aldaar wierdt hy gekend , en men
zeyde terftond rót dien Vórft , dat David de
Hebreer, die zo veel Philiftynen gedood had,
in die ftad was. David zulks verftaande , eii
ziende zich in geen minder gevaar dan \'t gene
hy had willen ontvlugten , befloot te veynzen,
en zich zinneloos aan te ftellen j \'t welk hem zo
wel gelukte , dat Achis toornig wierdt op zyn
vólk dat ze hem. eenen gek gebragt hadden ,
en beval dat zy hem wegjaagen zouden.
David aldus vry geraakt, ging na de ftam 24 f .
Juda , alwaar hy zich in een hól, dicht by de \' Sam.i®;
ftadAdullam? verbergde, en zulks zynen broe-
deren liet weeten. Zy quamen hem met alle
hunne maagen bezoeken , en veele andere ver-
voegden zich ook by hem , \'t zy ter oorzaake
van den flechten toeftand hunner dingen , óf
uyt vreeze die zy voor Saul hadden : en huii
getal groeide eyndelyk tót vierhonderd aai), zo
dat David toen niets meer vreesde. . Thans
ging hy na den Koning der Moabiten , en ver-
zocht hem te willen toeftaan dat hy en det^ene
die hem verzelden, in zyn land mogten blyven,
ter tyd toe dat zyne zaaken eenen keer namen\'
Deeze Vórft bewilligde in dat verzoek, en be^
jegende hem en zyn ganfche gezelfchap zeer
wel, geduurende dien tyd dat hy in zyne Staa-
ten bleef 5 het welk was tót dat de Profeet Sa-
muel hem beval de woeftyne te verlaaten
en weder na zyne ftam te keeren j. waarop hv
vertrok, en zieh in de ftad Sarim ophieldt.
Saul dit verftaande , en hoorende dat hy een
goed getal gewapende mannen by zich had,
wierdt \'er over ontroerd, omdat hy wift dat
zyne dapperh\'eyd en beleyd hem bequaam maak-
T të
li
tc om alles tc beftaan. \'In deeze bekommermg
deed hy in het paleys der koninglyke ftad Ga-
ba , die op eenen heuvel genaamd Arnon gelegen
is, alle zyne vrindenalle de Overften van zyn
lieir 5 en zyne ganfche ftam byeenkomen j en
van zyne lyfwacht en deamptenaarenzynshuys
verzeld, fprak hy hen van zynen troon indee-
ier voe^e aan: ,, Nademaal ik niet gelooven
33 kan dit de weldaaden waardoor ik. uheden
verrykt, en de eere tót welke ik u verhoogd
heb , by u vergeeten zyn , zo wenfchte ik
wel te wecten óf gy hoope hebt van nóggroo-
53 ter van David te ontvangen: want my is niet
j, onbekend hoedaanig een geneegenheyd gy
â hem alle toedraagt , en dat myn eygen zoon
ulieden zulks ingeboezemd heelt. Ik weet
33 dat Jonathas en hy buyten myne toeftemmmg
een zeer naauw verbond mxt eikanderen aan-
" o-ecraan, ja dat zy \'t met eede bekrachtigd
hebben 3 en dat Jonathas met al zyn vermoo-
ren David tegen my byftaat. Gylieden on-
dertuftchen laat \'er u niet aan gelegen zyn,
33 maar wacht geruftelyk af wat uytflag het nee-
men zal." Op deeze reede des Konmgs volg-
de een ftilzwygen , \'t welk Doëg eyndelyk
brak, en aldus aanhief: âIk heb David te
,3 Nob zien komen by den Hoogenpriefter Abi-
53 melech , die hem voörzeyde wat hem we-
33 dervaaren zou 3 hem het zwaerdVan Goliath
â gaf 3 en hem ver-zói-gde met het gene ly tot
,3 zyne reyze noodig had. " Saul ontbóodtter-
ftondt Abimelech en alle zyné maagen, en Iprak
hem aldus aan : ,5 W^at
^oorzaak hebt gy om |
,3 op my t\'onvreede te zyn , \'dat gy David, \'
5, daar hy myn vyand is 3 en tcgCnmynen dienft
,5 aanfpant 3 zó wel onthaald 3 en hem geweer
3, gegeeven , ja hem voorzegd hebt wat hem
â befchooren is ? Kan het u wel onbekend wee-
53 zen dat hy vlugtig is ter oorzaake van den
33 doodelyken haat dien hy my en het koning-
33 lyk hüys toedraagt ?" Abimelech ontkende
niet dat hy de byftgjid, waarover jjien Jiem be-
fchtildigdc, aan DavM verleend had: maar om
te toonen dat het niet zo zeer ten zynen op-
zigte , als uyt aanmerkinge van den Koning
was , antwoordde hy aldus: ,, Ik heb hem,
Heer Koning 3 niet ontvangen, als uwen
vyand , maar als uwen getrouwen dienaar 3
als éénen der voornaamfte Bevélsluyden van
uw heir , en als éénen die de eere had van
uwen fchoonzoon te zyn. Want hoe kon ik
my verbeelden dat iemand die wegens zo vee- â
Ie gunften aan u verpligt is , uw vyand en
niet veel eer ten hoogften tót uwen dienft ge- 3.,
neegen zoude weezen ? Belangende dat hy 3
met my wegens de gódlyke wille geraad- i
pleegd 5 en daarop een antwoord van my ont-
vangen heeft, daarin heb ik niet anders ge-
daan dan ik gewoon was. En noopende \'t
gene ik hem gegeeven hebbe tót voortzettin-,
ge van zyne reyze , dewyl hy zeyde om een
zeer gewigtige zaak vaa « uytgezonden te ,9
zyn j ik dacht dat ik met hem zulks te wey ,,
geren , u beleedigd zoude hebben. Over-
zulks hebt gy niet te denken, dat hoedaanig
een quaad voorneemen David ook zou moo- â
gen gehad hebben, ik hem tót uw nadeel 3,
zoud hebben willen begunftigen." Sauls arg-
waan ging zoo ver dat hy geen geloof floeg aafi
deze opregte verontfchuldigingen 5 maar beval
zyne lyfwacht dat ze hem met alle zyne näbe-
ftaanden dooden zouden.
55
^lï:
33
5)
35
55
ijfé
â \'iiir
En vermids zy weygerden dit fchelmftuk te be-
gaan , omdat Góds wet hen niet toeliet zodaa-
ni\'g een gehoorzaamheyd te bewyzen , gaf hy
den laft daarvan aan dien heylloozen Doëg ,,
die met hulpe van diergelyke fchelmen als
hy zelf was, Abimelech en alle die van zyrt
maagfchapS welker getal driehonderd vyfen-
tachtig was , vermoordde- De yflyke woede
van Saul was hiermede nóg niet geftild , want
hy zondt deeze booswichten na Nob, een
woonftede der Priefteren , en andere bedip-
n^ren vaii <ióds wet, alwaar zy alles wat ze
vonden
3.\'»
53
39
33
Â¥1. Boek.
vi. Bóek. JOODSCHE
vonden j zonder zelfs vrouwen óf kinderen te
i^erfchoonen, ombragten , en de ftad in bi^nd
ftaken, zo dat Abiathar, één van Ahimdtchs
zoonen, de eenigfte was die dit wreed .en af-
gryftyk bloedbad ontquam > waardoof vervuld
wierät het gene Gód den Hoogenpriefter Eli
voorzegd had, dat zyne naakomelingen, ter
oorzaake zyner twee zoonen, zouden verdelgd
worden. Dit verfoeijelyk bedryfvan Saul, die
door het gruuwelykfte van alle fnoodheden
zich niet ontzag het bloed van het ganfch prie-
fterlyk geflacht, zonder verfchooning van oud
óf jong, te plengen, en eene .ftad, die Gód
zelf tot het verblyf zyner Priefteren en Profee-
ten verkooren had, in de aflche te leggen, gaf
klaare blyken hoe verre de verdurvenheyd van
\'t gemoed der menfchen kan uytfpatten. Zo
lang hunne laage ftaat hen belét het quaad te
doen , waartoe hunne neyging hen aanport,
fchynen zy zachtzinnig en befcheyden te zyn,
betuygen liefde tót de gerechtigheyd te heb-
ben, ja zelfs gódvruchtig te weezen , en fchy-
nen te gelooven dat Gód, die overal tegen-
woordig is , onze daaden aanfchouwt, en al-
le onze gedachten doordringt. Maar wanneer
zy tót gezag en magt verhoogd -zyn, toonen
ze dat zulke gevoelens hen niet ter harte gaanj
en gelyk de Tooneelfpeelers, die zich van klee-
ding veranderd hebbende weder op het tooneel
komen om een andere perfonaadje te verbeel-
den, verfchynen zy in hunnen rechten aardt,
-worden ftout en verwaand, en verachten Gód
en de menfchen. En hoewel de grootheyd van
hunnen ftaat, die zelfs hunne geringfte bedry-
ven voor \'t oog van al de werreld bloot ftelt,
hen onoplpraakelyk in hunne verrichtinge be-
hoorde te doen zyn > echter willen zy, even als
óf Gód de oogen voor alles floot, óf voor hen
vreesde, dathy goed keure, ófdat de menfchen
billyk achten, alles wat hunne vreeze^ óf haat
en onvoorzigtigheyd hen inblaaft , zonder \'t
zich te bekreunen wat hen zou mogen weder-
vaaren. Invoege dat wanneer zy groote dien-
ften door aanzienlyke eere beloond hebben, zy
zich niet vergenoegen met degénen die \'t zelve
met recht hebben verdiend, op valfche berich-
ten en lafteringen daarvan te berooven ; maar
zy beneemen hen zelfs het leeven ^ en maaken
alzo geen wettig gebruik van hunne magt, door
de fchuldigen te ftraffen , maar begaan daaden
van ongerechtigheyd en wreedheyd, door de
onnózelen, die hunne mindere zynde zich te-
gen hun geweld niet befchermen konnen, te
verdrukken. Hiervan ftrekt Saul, de zoon van
Kisj gelyk wy zien, tót een zonderling voor-
beeld. Want kan\'er wel iets wonderlyker zyn,
dan dat hy, die naa de Regeering van de voor-
naamften des vólks, en die der Rechteren, de
eerfte was welke over Góds vólk tót Koning
aangefteld wierdt, op een bloot vermoeden te-
gen Abimelech opgevat, meer dan driehonderd
Priefters en Profeeten deed ombrengen, hunne
ftad verbranden, en hen onder haarepuynhoo-
pen begraaven , zulks dat het aan hem niet
fchortte, datier geen bedienaar van Góds wil-
le meer overbleef, en dat zyn Huys niet ganfche-
lyk verlaaten wierdt 5 dewyl zyne woede hem
HISTORI
vervoerde om niet alleenlyk de perfoonen tót den
dienft gefchikt uyt te roeijen, maar
ook de plaats welke hén tót een verblyf gegee-
ven was, tót de grond toe te verdelgen.
Abiathar alleen deeze yflyke moord ontko-
men zynde ging na David toe, en verhaalde
hem hoe de zaak gefchied was. Hy verwon-
derde zich daar niet over, om dat Doeg\'er by
geweeft zynde toen hy met Abimelech fprak,
hy wel gedacht had dat hy die gelegenheyd
niet zou laaten voorbygaan om dien Hoogen-
3riefter te bclaftercn : maar echter moeyde het
lem ten hoogften dat hy\'er aanleyding toe ge-
gegeeven had , en hy ^ verzócht Abiathar by
hem te blyven j vermids hy nergens veyliger
kón wèezen. .
Hy verftondt ter zelfder tyd dat de Phili- 24^.
ftynen in de landftreek van Keila gevallen waa-^Sam.x^
ren, en daar een groote verwoefting aanrech-
teden : dies befloot hy hen aan te taften,\' maar
ging eerft by Samuël te raade dm te weeten óf
iet Gode aangenaam zoude zyn : en de Profeet
verzekerde hem dat Gód hem de overwinnincy
geeven zoude. Aanftonds viel hy op de vyan^
den aan, doodde veele van hen, maakte eeneii
grooten buyt, en toog binnen Keila, om de in-
wooners te befchutten tótdat zy al hun koorn
in de ftad zouden gebragt hebben. Vermids
een groote daad niet verborgen kan blyven,
verfpreydde het gerucht van deeze zich aan al-
le kanten , en quam den Koning Saul ook ter
ooren : die zich verheugde toen hy hoorde dat
David zich in eene plaats beflooten had, ach-
tende dat het een téken was dat Gódhem in
zyne handen wilde léveren. Dies beval hy zyn
krygsvólk die ftad te belégeren, en \'t belécr
niet op te breekenVoor dat men dezelve incre^
nomen, en David gevangen en gedood had.
Maar Gód openbaarSe aan David dat liet met
hem verlooren zóu zyn , indien hy zich niet
fpoediglyk vandaar begaf, doordien de inwoo-
ners van Keila, om hunne vreede te koopen,
hem in handen des Konings zouden léveren.
Daarop toog hy met zyne vierhonderd mannen
na de woeftyne op eenen heuvel genaamd Ha-
chila j en Saul mifte zynen aanflag. Thans trok
David vandaar na de landftreek van Ziph in eené
plaats geheeten Ken. Jonathas aldaar by hem
gekomen zynde om hem te omhelzen en met
hem te fpreeken, vermaande hem, onaangeziert
zyne tegenwoordige wederwaardigheden, goeds
moeds te zyn j verzekerde hem dat hy over al
het vólk regeeren zoudey en zeyde hem dathy
zich niet verwonderen moft , dat om tót dien
tóp van eere te geraaken, hy veele nioeijelyk-
heden zou moeten uytftaan. Zy vernieuwden
daarnaa met eede de betuygingen hunner vrind-
fchap , en Gód tót getuyge neemende, ver-
vloekten zy den genen die daarin te kort zoude
komen i en Jonathas aan David deeze trooft in
zyne ongelukken gegeeven hebbende , keerde^
weder na huys. De inwooners van Ziph om
Saul eenen dienft te doen, lieten nietoaa\'hem
kennis te geeven dat David zich niet verre van
hunne ftad onthieldt; en beloofden den Ko-
ning alles te zullen doen wat zy konden om hem
in zyne handen te léveren ^ \'t welk gemaklyk
T 2 koii
H7
FLAVIUS JOSEPHUS
VI. Boek.
kon uy tgevoerd worden, indien hy eenige door-
gangen deed bezetten, en zelf met zyne ben-
den quam aantrekken. Saul prees hunne ge-
trouwheyd, betuygde dat hy \'t hen grootelyks
dank wift 3 en beloofde hen dat hy deezen dienft
erkennen zoude. Thans zondt hy hen krygs-
vólk om David in de verbórgenfte plaatfen der
woeftyne te zoeken, en verzekerde hen dat hy
zelf in perfoon haaft vólgen zoude. DeZiphi-
ten dienden zynen troepen voor wegwyzers,
en lieten niets achterwege om Saul te behaa-
gen : en deeze fchelmfche menfchen, die zich
maar ftil behoefden gehouden te hebben, om
eenen onfchuldigen en zeer vroomen inan te
redden, deeden door eygen belang en vleijery
alles wat zy konden, om hem aan zynen vyand
over te léveren, en te doen fterven. Maar God
gedoogde niet dat hune quaade wftle gelukte :
want David des verwittigd, en dat de Komng
naderde, verliet de engten waarin hy gewee-
ken was, en ging na de groote róts die in de
vó\' cn woeftyne van * Simon is. Saul hem vervólgen-
IXeUde, quam aan de andere zyde van de róts, deed
fchriftcn jjje y^n alle kanten omringen, en zoudze in-
<Tenomen hebben, indien hy geen tydmg ont-
?ano-en had dat de Philiftynen m zyn land ge-
vallen waaren. Dies oordeelde hy \'t noodiger
die algemeene en vreeflyke vyanden te verdry-
ven, dan zyn ryk hen ten roof over te laaten,
door eenen byzonderen vyand, dien hy zo veel
niet behoefde te vreezen, naa te jaagen. Dgor
dit middel ontquam David een byna onvermy-
delyk gevaar, en week na de engte van E^i-
gaddi.
Betcr
Maon,
Saul kreeg\'er bericht van, en had dê Phili- 247.
ftynen niet zo draverdreeven, óf hy nam drie-fsam.a4.
duyzend uytgeleezene mannen uyt alle zyne
benden, en trok na die plaats toe : daar geko-
men zynde begaf hy zich, door nood gedwon-
gen, in een heel wyd en diep hól, alwaar Da-
vid zich met alle de zyne verborgen had. Eén
van zyn vólk kende den Koning, en zeyde tot
David dat Gód hem nu de fchoonfte gelegen-
heyd van de werreld aanboodt om zich op zy-
nen vyand te wreeken, en zich voor altoos van
zyne onrechtvaerdige vervólgingen te ontflaan,
door hem het leeVen te beneemen. David in
plaats van dien raad te vólgen, oordeelde door
een gódvruchtigeneyginge, dathy zonder Gód
te vertoornen, den genen dien hy tót Koning
aangefteld had, en welke indiehoedaanigheyd
zyn Heer en meefter was , geenfms kon doo-
deng omdat hoe boos onze vyanden ook zyn,
en wat zy ook mogen doen om ons te vernie-
len , men nooit quaad met quaad vergelden
moet. Hy vergenoegde zich daarom met eene
:!\':â i
\\m
h\'M;
II\'\'!\'
Hip uyt Sauls mantel te fnyden , en toen hy
uyt het hól ging vólgde hy hem , en nep hem
toe. Saul kende zyne ftem , en keerde zich
om. David alstoen vólgens de gewoonte voor
hem neervallende , zeyde tót hem : â Is het
â billyk, ó Koning ? dat gy geloof flaat aan
3, \'t zeggen der lafteraaren die u bedriegen, en
â dat gy den genen mistrouwt die u \'t meeft
5, toegedaan, en uwe getrouwfte vrinden zyn.^
5, en behoort gy niet veel eer van hen te oor-
55 deelen vólgens hunne daaden Woorden
,5 konnen bedriegen ; maar de daaden toonen
55 wat men in \'t binnenfte van zyn hart heeft,
Aan de uytwerkingen kont gy de boofaardig-
heyd der gener kennen, die my onophoude-
lyk by u befchuldigen van zulke quaade voor-
neemens waaraan ik nooit gedacht heb, en
welke ik niet zou können uytvoeren al waar
\'t dat ik die hadde. Ondertuifchen hebben
ze u aangepord om alle middelen tót myn
verderf in \'t werk te ftellen. Maar naardien
gy ziet, 6 Koning , hoe quaalyk gegrond
iet geloof is als óf ik iets tegen u wen perfoon
zou^ ondernomen hebben , zo bid ik u te
overweegen óf gy, zonder Góds gramfchap
op u te haaien, kont voortgaan om den dood
3>
3i
33
33
33
33
33
33
3i
33
33
33
33
te
! i"
Ir
iS\' \'
Pil\'
E HISTORL 1^9
goed niet mogt neemen, \'t en waare men Góds
geboden overtreeden wildeden dat men dus doen-
de eenen vroomen man , die waerdig was dat
men hem verphgtte, eenen behaagelyken dienft
doen zoude. Maar Nabal was een onbefchóft
menfch, van een norfen en zeerquaadenaardt.
Zyne huysvrouw daarentegen, genaamd AbigaïU
was zeer beleefd, welgemanierd, deugdzaam,
en ongemeen fchoon. Op eenen tyd dat Na-
bal zyne fchaapen liet feheeren , zondt David
tien mannen van zyn tólk om hem van zynent
wege te begroeten , hem allerley voorfpoed
geduurende veele jaaren te wenfchen , en hem
te verzoeken dat hy hem iets tót onderhoud
voor zyne bende wilde byzetten : naardien liy
zelf uyt zyne veehoeders verftaan kon , dat fe-
derd dien langen tyd dat hy in die woeftyne
geweeft was, hy nóch hem nóch de zynen ooit
in \'t minft beleedigd , maar hem daarentegen
behoed had 5 en dat zo hy hem eeftige weldaad
beweeze , hy \'t aan geenen ondankbaaren zou-
de gedaan hebben. Maar Nabal, in plaats van
hen een befcheyden antwoord te geeven, vraag-
de wie die David was. Zy zeyden hem dat hy
een zoon was van Jeffe. âHoe, riephy, een,,
vlugteling , die zich verbergt uyt vreeze ,,
van in zyns meefters handen te vallen, fpeelt jj
die dus ftoutelyk den baas!" Deeze bitfe woor-
den David aangediend zynde maakten hem zo
vertoornd , dat hy zwoer dat eer de nacht
voorby zou zyn , hy Nabal met zyn ganfche
huysgezin verdelgen , zyn huys vernielen , en
alle zyne goederen verwoeften zoude; door-
dien hy zich niet alleenlyk ondankbaar voor de
genootene weldaad toonde, maar deftoutheyd
had gehad van hem zo een fchimpig verwyt te
doen. Hy liet van de zeshonderd mannen,
welke hy toen by zich had , tweehonderd tót
bewaaringe van de pakkaadje , en trok met de
óverige heene om zyn voorneemen uyt te voe-
ren. Eén van Nabals herders ondertuflchen,
die by dit geiprék zyns meefters tegenwoor^
dig was geweeft, verwittigde zyne meeftrefle
daarvan, ftelde haar hetgevólg voor oogen, en
verklaarde dat David nóch de zyne hunne kud-
de niet in \'t allerminfte ooit beleedigd hadden.
Aanftonds deed Abigaïl een goede voorraad op
ézelen laaden, en zonder iets tót haaren man,
die zich by zyns gelyken vroJyk maakte , te
zeggen , ging zy David te gemoet. Zy quam
hem tegen in een dal, en zo dra zy hem zag,
fteeg zy af, viel ter aarde voor hem neêr , en
badt hem geen acht te willen ftaan op het gene
haar man gezegd had, doordien zyn naam van
Nabal, \'t welk in \'t Hebreews eenen dwaas be-
tekent, niet dan ake wel op hem pafte. Voorts
zeyde zy , dat zy \'er niet tegenwoordig was ge^
weeft toen zyn vólk by hem gekomen was , en
vervólgde aldus: â Ik bid u dat gy \'t ons ver- â
geeft, en dat gy aanmerkt wat reden gy hebt â
om Gód te danken dat gy uwe handen niet â
met bloed bezoedeld hebt j want dezelve reyn
bewaarende zult gy hem verpligten om uwe
vyanden te ftraffen , en op hunnen kóp het â
onheyl neêr te ftorten, \'t welk gereed was â
om op dien van Nabal te vallen. Ik beken â
dat uw toorn tegen hem rechvaerdig is; ,5
T ma^R
VL BOEK. JOODSCH
â te bevorderen van iemand , die heden u heb-
â bende konnen het leeven beneemen , die ge-
legenheyd om zich te wreeken, en zyne vey-
ligheyd te bewerken, niet zou verwaarlooft
hebben, indien hy uw vyand geweeft waare.
Want immers zoud het my al zo gemaklyk
gevallen hebbenu te dooden, als deeze flip,
weike gy in myne handen ziet, uyt uwen
mantel te ftiyden. Maar hoe rechtmaatig
myn misnoegen ook zoude moogen weezen,
ik heb het beteugeld 5 in plaats dat gy u
door uwen onrechtvaerdigen haat laat ver-
voeren. Dóch Gód zal onzer beyder rech-
â ter zyn, endenfchuldigenveroordeelen.\'*
Saul verbaafti over het gevaar dat hy geloo-
pen had , en niet konnende zich genoeg over
Davids deugd en edelmoedigheyd verwonde-
ren , flaakte een diepe zucht} en deeze zucht
perfte David de traanen uyt de oogen. Saul
door zulk een ongemeene goedaardigheyd ont-
roerd. âMy voegt het, zeyde hy, teweenen,
â en niet u , vermids ik, naa zo veele dienften
\'â van u ontvangen te hebben, u evenwel zo
â wreedelyk heb vervólgd. Gy hebt heden
â getoond dat gy een waerdige naavólger van
de deugden onzer voorvaderen zyt, die in
?>
35
35
35
55
35
35
55
95
35
35
35
â plaats van hunne vyanden, wanneer zyze in
â hun geweld hadden, het leeven te beneemen,
â \'t zich eenen roem rekenden hen te ver-
â ft:hoonen. Ik twyfel derhalve niet óf Gód
â zal u de kroon op \'t hoofd zetten, om u over
3, zyn vólk te doen regeeren : en ik verzoek u
â my met eede te willen belooven , dat gy, in
plaats van alsdan myn geflacht te verdelgen,
â zórg wilt draagen om het te behouden, zon-
â der te denken aan het quaad dat ik u gedaan
3, hebbe." David beloofde het hem met eede;
en daarop fcheydden zy , keerende Saul weder
na zyn ryk , terwyl David na de engte der
Mafticiërs ging.
Ontrent dien tyd quam de Profeet Samuël
I sam.ij.^g fterven; en dewyl al het vólk hem , wegens
zyne uytmuntende deugd in zeer groote eere
gehouden had , waaren de betooningen van
toegeneegenheyd aan zyne gedachtenifle niet
minder. Want naa dat zy hem te Ramath,
zyne geboorteplaats , met groote pracht be-
graaven hadden, beweenden zy hem eenen lan-
gen tyd 5 en \'t was niet alleen een algemeene
rouw , maar elk betreurde hem in \'t byzonder,
o-elyk als óf hy zyn bloedvrind was geweeft j
omdat behalve zyne liefde tót de gerechtig-
heyd , zjne vroomheyd zo ongemeen was ge-
weeft , dat hy zich ten hoogften bemind ge-
maakt had by Gód. Hy had naa den dood van
Eli den Hoogenpriefter het vólk twaalf jaaren
alleen geregeerd , en nóg achtien jaaren onder
Sauls reeeeringe geleefd. â. , . ,
a49. Zeker man uyt het land der Ziphiten gehee-
% Ande- ten woonde te dien tyde m de ftad * Ma-
re »mma. on, en was zo ryk, voornaamelyk in vee, dat hy
drieduyzend fchaapen , en duyzend geyten
had. David verboodt zyn vólk iets van het
gene deezen toebehoorde aan te taften , hoe
zeer zy \'t ook mogten van noode hebben , óf
onder hoedaanig een voorwendfel het ook mog-
te weezen 3 omdat hy wift dat men eens anders
ïi
! > Ã
55
55
r ^ i
FLAVIUS JOSEPHUS
IfO
VI. B
OEK,
maar maatig denzei ven, zo \'t ii belieft, om
55 mynent wille, die aan zyn misdryf geen deel
hebbe 5 want goedheyd en zachtzinnigheyd
zyn deugden eenen man paffende dien Gód
tót de ryksregeeringe gefchikt heeft; en heb
55 de goedheyd van deeze kleyne gcfchenken,
3) welke ik u aanbied, voor aangenaam te hou-
55 den." David nam de gcfchenken aan 5 en ant-
woordde haar > 55 \'t Is Gód die u hier geleyd
35-heeft5 gy zoudt anders den dag van mórgen
55 niet gezien hebben : want ik had gezwooren
55 deezen nacht Nabal en zyn ganfche huysge-
55 zin te zullen verdelgen, om hem over zyne
55 ondankbaarheyd , en den hoon my aange-
,5 daan, te ftraffen. Evenwel vergeef ik \'t hem
om uwent wille, naardien Gód u ingegeeven
heeft dat gy door uwe gebeden mynen toorn
geftuyt hebt: doch hy zal daarin de ftraffe
die hy verdient niet ontvlieden, maar door
eenig ander middel omkomen.
Abigaïl keerde zeer getrooft door zulk een
gunftig antwoord weer te rugge, en vondt
haaren man zo dronken, dat zy hem toen niets
zeggen kon : maar \'s anderen daags verhaalde zy
hem alles wat\'er voorgevallen was. De groot-
heyd van \'t gevaar dat hy geloopen had, ver-
fchrikte en ontftelde hem indier voege, dathy
beroerd over zyn ganfche lyf wierdt , en tien
dagen daarnaa ftierf David zulks verftaande
zeyde dat hy zynen verdienden loon ontvangen
had j en hy dankte Gód dat hy hem niet had
toegelaaten zyne handen met bloed te bezoede-
len 5 leerende door dat exempel dat de oogen
des. Heeren over alle de bedryven der menfchen
gaan , en dathy de boozen ftraft, en de goe-
den beloont. De deugd en wysheyd van Abi-
pil gevoegd by haare groote fchoonheyd,
hadden David zulk een achting en geneeo-en-
heyd voor haar ingeboezemd , dat hy , ziende
dat zy weduwe was, haar liet weeten dat hy
gezmcf was haar ten wyve te neemen. Zy ant-
woordde 5 dat ze niet waerdig was zyne voeten
55
3Ã
55
53
55
55
55
55
te kuften j echter trok zy met een aanzienlyk
gevolg na hem toe, en trouwde met hem. Hy
hadreeds eene andere vrouw genaamdMmoam,
van de ftad Abizar : en belangende Michol,
Saul had haar aan Thaltïèl zoon van Laïs, uyt
de ftad * Jefraèl, ten huuwelyk gegeeven. «
Niet lang daarnaa wierdt Saul door eenige
Ziphiten verwittigd dat David weder in hmi^""^"^\'
land gekomen was. Hierop toog de Koning i V.
aanltonds te velde met drieduyzend krygsknech-
ten , en l«gerde zich dien zelfden dag te Sied-
le. David van deeze tógt bericht gekreegen
hebbende, zondt eenige kondlchappers uyt,
die hem recht befcheyd bragten. Daarop
begaf hy zich ^s nachts op weg, vcrgezelfchapt
alleenlyk van Abifa\'i de zoon van zyne zufter
Zeruja, en den Ghetteër , en quam
m Sauls leger, alwaar hy al het krygsvóïk , ia
zelf Abner hnnen Veldóverfte ftaapende vondt.
Hy ging dan in de tent des Konings, die ook
ftiep , en nam zyne fchicht van zyne hoofdpeu-
luw weg. Abifaï wilde hem dooden j maar Da-
vid weêrhieldt zynen arm , en belette zulks ,
zeggende dat hoe ondeugend Saul ook waare,
men echter zonder misdaad eenen Koning van
Gód ingefteld het leeven niet beneemen konj
en dat het Gode zeiven toequam hem te
ftraffen wanneer hy het oordeelde tyd te zyn.
Aldus vergenoegde hy zich met zyne fchicht,
en eene kruyk die by hem ftondt, weg tedraa-
gen , opdat Saul niet zou behoeven te twyfe-
len óf het in Davids magt geftaan hadde hem
het leeven te beneemen: en verlaaten de zich op
de duy fterheyd van den nacht, en op zyne kloek-
moedigheyd , ging hy uyt het leger gelyk hy ^
\'er ingekomen was , zonder dat iemand het
gewaar wierdt. Naa dat hy de beeke gepaf-
feerd was , klom hy op den berg , vanwaar
Sauls ganfche leger hem kon hooren en riep
Abnermetzull<eenluydeftemtoe, dathyenalle
de fóldaaten daardoor ontwaakt wierden. Ab-
55 IS.
vi^ âuutw^a^u wierden. a
ner vraagde wiehet was die hem riep. â Het
1.1
It <
is, antwoordde David, de zoon van Jefle,
" dien gy verjaagt. Maar hoe komt het dat
" ay, die zo dapper, en in het grootfte aan-
\' ?ien by den Komng zyt, zo weynig zórge
â draast om hem te bewaaren , dat gy flaapt
â in plaats van voor de behondemflb van zyn
âperfoon te waaken? En kont gy looghenen
5, dat gy niet aan eene hoofd-misdaad fchuldig
â zyt, dewyl ge zo achteloos zyt geweeft, dat
â ey niet gewaar geworden zyt dat eenige van
\' de myne in uw leger , ja tót in des Konings
tent gekomen zyn ? Zie hier zyn fchicht en
T-t- A-f i-TTT
35
ISam.
tent gcis^uiiivii . ------j
zyne kruyk, en oordeel daaruyt of gy goede
â wacht gehouden hebt." Saul kende Davids
ftem, en ziende dat het door de achteloosheyd
der zynen gemaklyk voor hen zoude geweeft
zyn hem te dooden, bekende hy dat hy z^n
leeven aan hem verfchuldigd was, en zeyde tot
hem, 5, dat hy hem toeftondt weder in alle ze-
kerheyd na zyn huys te keeren, dewyl hy niet
L\'langer aan zyne geneegenheyd en getrouw-
â heyd twyfelen kon, vermids hy hem ver-
fcheydenmaal het leeven behouden had, wan-
\' neer hy \'t hem had konnen beneemen, om
\'/ich te wreeken over dat hy, in plaats van
" zvne dienften te erkennen , hem uytgeban-
" âL van \'t gezelfchap en de trooft zyner
" nLeftaande beroofd, en door vervólgm^em
SenuYterften nood gebragt had.- David het
terftond weeten dat men des Konings fchicht en
Sdän?;ÃKechtervanhu^^^
behieldt David ten tweeden
maale Sauls leeven: en dewyl hy met längerem
dat land wilde blyven, uyt vreeze dathy eynde-
lyk in zyne handen zoude vervallen > beiioot
hy, met toeftemminge van alledieby hem^waa-
xen, na het land der Phihftynen te gaan. Acftis
Koning van Geth, ééne der vyf fteden van die
landaard j ontvinghem gunftiglyk met cte zynen j
en Saul dacht niet meeriet? tegen hem te
neemen, ziende hoe quaalyk alles hem gelukt
VI. Boeïc.
was, en hoe groot een gevaar hy zelf geloopen
had. David niet willende zich in eene ftad be-
ftuyten , uyt vreeze van den inwoonderen tot
eenen laft te zyn, verzócht den koning Achi^
dat hy hem eene plaats op \'t land wilde gee-
ven : deez gaf hem daarop een vlek genoemd
ZikeW, \'t welk hy zo bezinde, dat hy nader^
hand ioning geworden zynde het koft, om het
in eyeendomtfhebben. Hy woonde daar vier
maaii\'äenen twhitig dagen, en ftroopte geduu-
rende dien tyd heymelyk op de landen der Geru-
fiërs, Gerfiërs, en Amalekiten, die nabuurige
vólken der Philiftynen waaren , en ontvoerde
hen veele paerden, kameelen, en,vee. Maar
hy nam niemand gevangen, opdat de Koning
niet bemerken zoude van wien hy dien buyt,
van welken hy hem een gedeelte toezondt, ge-
haald had. En wanneer Achis vraagde vanwaar
hy dien roof kreeg, antwoordde David dat het^
was uyt de vlakte van Judéa , na de kant van
\'t Zuyden ⢠\'t welk deeze Vórft te eer geloofde ^
omdat hy wenfchte dat zulks waar was^ door-
Ln David die van zyn eygen land als vyanden
handdende, zich daardoor buyten ftaat ftelde om
ooit weder daar te durven komen y en hy alzo
hoopte dat hy hem altoos by zich zou können
behouden, en tót zyn voordeel zich van hem
bedienem .
Ontrent dien zelfden tyd beflooten de Phir zfz.
hftynen den Ifraëliten den oprlóg aan te doen : iSam.j
en de Koning Achis fchikte de ftad Rengam
tót eene zamelplaats yan alle zyne krygsbenden y
doende David aanzeggen dat hy zich met zyne
zeshonderd mannen ook aldaar zou laaten vin-
den. David antwoordde dat hy hem met blyd-
fchap zoude gehoorzaamen , oni hem zyne
dankbaarheyd voor de genootene weldaaden té
betoonen : en de Koning beloofde hem dat in-
dien hy overwinnaar bleef, hy zyne dienften
door groote eerampten zoude vergelden, eri
hem Hoofdman zyner lyffchutbenden maaken,
/ \' %y.HOOFD^
J: aO P s: C HhE H I S T O R\'L
F L ^ V lià S Æ Ã S à P H U S
xv. hoofdstuk.
Of^\'óg tegen de Philiftynen van Gód verlaaten
ziende , vraagt door eene toverelTe dc Ichim van Samuel om I
raad , welke hem voorlegt dat hy den flag verliezen , en met ,
zal worden, Achis e\'2n van ic Koningen \'
der Phihftynen neemt David met zich ten ftryde j maar de ande- i
re Vórften wi! en dat hy weer na Zikeleg gezonden wierd. i
Daar komende bevindt hy dat de Amalekiten die plaats geplon-
detd cn verbrand hadden. Hy vervólgt en verflaat hen Saul !
verleeft den flag : Jonarhas en twee andere zyner zoonen worden I
daar gedood , cn hy zelf zwaar gequetft. _ Hy doet zich door ee-
Dtn Atnalekiter dooden TrefFelyke daad van Jahes in Galaad,
öm de lykcn dier Ptinfen te bekomen.
-n- QAul verftaan hebbeiidc dat de Philiftynen
tót aan Sunam genaderd waaren , trok hen
tegen met zyn heir , en legerde zich tegen over
het hunne dicht by den berg Gelboë : maar toen
hy zag dat zy onvergelykelyk veel fterker waa-
ren dan hy, gevoelde hy dat zyn hart bezweek;
en hy verzócht de Profeeten dat zy Gód om
raad zouden vraagen , om te weeten hoedaanig
de uytftag des oorlógs zoude zyn. Maar Gód
antwoordde niet, en dit ftilzwygen verdubbel-
de zyne vreeze : want hy gelooide dat hy van
hem verlaaten was , zyn moed ontzonk hem,
en hy befloot in die ontroerdheyd zyne toevlugt
tót tovery te neemen. Maar hy \'had alle de
zwarte konftenaars , toveraars , en zulke die
2;ich met waarzeggery behielpen , uyt zyn ryk
verjaagd 5 en dewyl hy derhalve niet wift waar
ïft
VI. BoEïf,
zodaanig eenen te vinden, bevai hy te verneemeii
of \'er niet één overgebleeven was van det^ë-
nén die door hunne bezweeringen de zielen der
dooden deeden opkomen , om haar te vraagen
en toekomende zaaken van haar te verftaan. lin
eén van de zyne zeyde hem , dat ^er in de ftad
lindor eene vrouw woonde die zyne bet^eerte
zou konnen voldoen. Aanftonds zonder tót
iemand jets te zeggen , gmg hy verkleed , en
alleenlyk met twee perfoonen verzeld , na die
vrouw toe , verzócht haar hem te voorzecr-
gen wat hem wedervaaren zoude , en tót dien
eynde de ziel eens verfturvenen , dien hy haar
zou noemen: te doen opkomen. Zy anwoord-
de hem dat zy zulks niet mogt doen, omdat de
Koning een ftreng verbód tegen zodaanige waar-
zeggeryen had laaten uytgaan, en dat zy hem
derhalve badt, dewyl zy hem nooit ergens in
misdaan had , dat hy haar geenen ftrik wilde
Ipannen, om haar in eenen mifflag te doen val-
len die haar het leeven zou koften. Saul beloof-
de haar met eede dat geen menfch\'er van wee-
ten, róch zy deswege eenig gevaar loopen zou-
^^ vatte zy moed j en hy beval haar
den geeft van Samuël te doen opkomen. Zvnief
righeyd hem te gehoorzaamen r maar toen zy
zyne iclum zag verfchynen,
en daarin ik weet
m
-Hl
m
\'Till â¢
! \'[f
1-1
«iet wat gódlyks bcfpeurde, Avierd zy verbaafd
en ontroerd; en keerende zich tót Saul, zeyde
zy tót hem : â Zyt gy de Koning Saul met.?
(want zy had zulks uyt het fpook verftaan.
Hy antwoordde, âdathy\'twas, enbevalhaar
â te zeggen , waaruyt die groote ontroerd-
â heyd, waarin hy haarzag, ontftondt, ^tls,
hernam zy, omdat ik eenen man zie opko-
men die t\'eenemaal gódlyk fchynt. Hoe
is hy, vraagde Saul, en hoe gekleed.^
,, tij ichynt een eerwaerdisje gryzaarcl te wee-
â zen, antwoordde zy, en^heeft een priefter-
â lyk gewaad aan. » Alstoen twyfelde Saul niet
of het was Samuel, en hy vki ^^or hem neêr
op de grond. De fchim vraagde hem, waar-
om hy hem noodzaakte uyt d? andere werreld
tekomen. â De nood, zeydeSaul, heefteer,,
my toe gedrongen; want door een magtia ^
heft gepraamd zynde, vind ik my verlaaten
van Góds hulpe , die nóch door zyne Pro- "
feeten, nóch door droomen, my wil onder-
rechten van \'t gene my naakende is : over- "
zulks was my mets anders óverig, dan tot u\' "
die my altoos zulk een geneegenheyd toe^e^\'I
draagen hebt, myne toevlugt te neemen "
Samuël weetende dat de tyd vat Sauls doTd ge-
komen ^ tót hem : â Naardien gy^,
weet dat God u verbaten heeft, het te ver- â
i^geefs
ll:
iii!!^
t
r\'f
li!
VII. Boek.
3, geefs van mf te verneemen wat u gebeuren
â zal : dóch dewyl gy \'t enkelyk verftaan wilt:
â Weet dan dat David regeeren zal, dat hy
â deezen oorlóg gelukkiglyk zal eyndigen : en
â dat tót ftrafte dat gy de bevélen, welke
â ik u van Góds wege gegeeven had, naa het
â overwinnen der Amalekiten met naageko-
â men hebt, uw heir mórgen verflagen zal
â worden , en in dien flag zult gy dc kroon,
â het leeven, en uwe zoonen verliezen." Dee-
ze woorden maakten Saul yskoud om zyn hart,
cn hy viel in eene flaauwte, \'t zy door eene over-
maat van droefheyd, óf omdat hy byna in twee
dagen niet gegeeten had. Deeze vrouw ver-
zócht hem iets te willen nuttigen , tót herftel-
linge zyner krachten, en om weder na zyn heir
te konnen keeren. Hy weygerde zulks j maar
zy drong hem te meer daartoe aan , zeggende
dat zy geen andere vergelding van hemeyfchte
voor \'t waacren van haar leeven om te doen \'t
^ene hy begeerd had , aleer zy eens wift dat ze
leen gevaa? zoude loopen , vermids hetdeKo-
nim zelf was die haar zulks beval. Saul haar
ernftig verzoek niet langer konnende afflaan,
zeyde tót haar , dat hy dan iets eeten zoude.
Daarop flagtte zy een kalf, \'t welk alles was
wat zy had , maakte het gereed , diende het
hem en den zynen voor > en Saul keerde dien
zelfden nacht weêr na zyn heir. Ik acht dat
men de goedhartigheyd deezer vrouwe met ge-
noeg zou konnen pryzen : want hoewel zyden
Koning nooit te vooren gezien had , en eenen
wrók óp hem mogt gehad hebben omdat hy haar
tót zulk een groote armoede gebragt\'had, door
het verbód van die kon ft te oefenen waarmede
zy anders haare kóft kon winnen, echter had zy
zulk een meêdoogen met zyn ongeluk, dat zy
hem niet alleenlyk trooftte, maar hem alles gaf
wat ze had , zonder eenige vergelding daar-
voor te eyfchen, óf iets voor \'t zelve te konnen
verwachten , dewyl zy wift dat hy den vólgen-
den dag fterven zoude. En dit iste pryflyker
omdat de menfchen natuurlyk niet geney^d
zyn o-oed te doen, dan aan degénen van welke
zy zulks weder konnen ontvangen. Aldus
heeft zy ons een fraai voorbeeld gegeeven om
zodaanio-e die onze hulpe van noode hebben,
zonder belang by te ftaan 3 dewyl zulk een
edelmoedigheyd Gode zo aangenaam is , dat
niets hem meer kan neygen om ons gunftiglyk
t« handelen. Ik moet alhier nóg een andere
aanmerking byvoegen , die voor al de werreld,
dóch inzonderheyd voor Koningen, Vórften,
Grooten, Overheden, ófandereperfoonen die
in aanzienlyke bedieningen zyn , en voor alle
zulke die in wat ftaat het ook zy een groot en
verheven gemoedhebben, dienftig kan weezen
om hen zSdaanig tót de liefde der deugd te
ontvonken, dat zy geen arbeyd, noch gevaar ,
ja zelf den doodniet ontzien, om eenen onltert-
lyken naam te verkrygen , door hun leeven ten
dienfte des vaderlands op te ófteren. Dit zien
wy dat Saul deed j want hoewel hem door Sa-
muél aangezegd was dat hy met zyne zoonen
in den ftryd zoude fneuvelen, wilde hy echter
liever zyn leeven verliezen , dan om het te
behouden eene daad doen die onbetaamelyk was
voor eenen Koning , naamelyk zyn heir te ver-
laaten , \'t welk zo veel zou geweeft zyn als
het
in de handen zyner vyanden over te lee-
veren. Hynam het derhalve niet eens in be-
raad , óf hy zich en zyne kinderen aan eenen
gewiflèn dood zoude bloot ftellen j maar oor^
deelde het veel heerlyker te zyn , dat zy
nevens hem roemruchtig hun leeven eyndigden,
ftrydende voor de welftand vanden Staat , om
alzo altoos in degeheugenis der naakómelingen
te blyven, dan dat ze hun ongeluk overleefden,
en alzo geen achting nóch aanzien in de wer-
reld hadden. Ik kan dan deezen Vórft niet an-
ders aanmerken, dan dat hy daarin zeer recht-
vaerdig , wys , en edelmoedig geweeft is : en
indien eenige andere voor óf naa hem \'t zelfde
gedaan hebben, óf zouden moogen doen , zo
IS \'er geen lóffpraak die zy niet waerdig zyn.
Want al is het dat dégene die oorlóg voeren op
hoope van over winnaars weder te keeren, daar-
door verdienen dat de Hiftorifchryvers hunne
groote en merkwaerdige daaden pryzen , ech-
ter dunkt my dat zulke hen nóg in dapperheyd
overtreftèn , die op \'t voorbeeld van Saul hun-
ne eere indiervoege boven hun leeven ftellen^
dat zy de zékere en onvermydelyke gevaaren
verachten. Niets is gemeener als dat men zich
wikkelt in zaaken welker uytflag r^^yfelachtig
is , en waarvan men , zo \'t geluk ons dient,
groote voordeden kan behaalen : Maar zich
zeiven niets tc konnen toeleggen dan\'t gene
doodelyk is , ja verzekerd te zyn dat men
\'t leeven in den ftryd verliezen zal , en echter
met onverfchrikten moede den dood uyt te tar-
ten, dit is iets dat men eene overmaat van edel-
moedigheyd en dapperheyd noemen kan. Dit
is \'t gene dat Saul zeer treftelyk deed ; het kan
tót een voorbeeld dienen voor alle die hun-
ne gedachtenis voor den roem hunner daaden
poogen te vereeuwigen ; dóch voornaamelyk
voor Koningen, welkende verheevenheydvan
hunnen ftaat niet alleenlyk niet toelaat de zórg
voor hun vólk te verlaaten , maar hen ook be-
rispenswaerdig maakt, indien zy \'t zelve maar
flaauw beminnen. Ik zou nóg veel meer tót
lóf van Saul konnen zeggen, \'ten waare ik,
om niet al te langwylig te weezen , den draad
myner reede moft hervatten.
\'Naa dat dan de Koningen en Vórften der
Philiftynen , gelyk wy gezien hebben , alle
hunne krygsmagt verzameld hadden , quam
Achis Koning Van Geth de laatfte met zyn
vólk aan , verzeld van David en zyne zeshon-
derd mannen. De andere Vórften vraagden
Achis wie die zeshonderd Ifraeliten medege-
bragt had. Hy antwoordde dat het David
was , die om Sauls gramfchap te ontwyken by
hem was gekomen , en die om zyne dankbaar-
heyd te toonen voor dat hy hem in zyn land
ontvangen had, en met ééne om zich op Saul
te wreeken , zich aangebooden had om hem in
dien oorlóg te dienen. M£ar deeze Vórften
konden niet goedvinden zich te vertrouwen op
iemand wiens getrouwigheyd hen verdacht
moft zyn , en die om zich met Saul te verzoe-
nen , by die gelegenheyd zyne wapenen tegen
hen zou konnen wenden , en hen ved quaads\'
U doen,
j O O D S C H E H IS TORI
m
FLAVIUS JOSEPHUS VI. Boek.
te fteenigen. Maar David weder tót bedaa-
ren gekomen zynde hefte zyn gemoed op tót
Gód, en verzócht Abiathar den Floos;enprie-
fter dat hy zich met den Ephod wilde^beklee-
den 5 om den Heere raad te vraagen, ófhy dc
Amalekiten zou konnen achterhaalen , en in
zulken gevalle van Gód bygeftaan worden, om
zich op hen te wreeken , en de vrouwen en kin-
deren , welke zy weggevoerd hadden , weder
te bekomen. Abiathar gedaan hebbende wat
hy van hem begeerde , bcval hem van Gods wc-
ge de vyanden naa te jaagen. David liet daar-
op geen tyd verlooren gaan, en wanneer hv
aan de beek van Bezor gekomen was , vondt
hy eenen Egiptenaar die zo zwak was dat hy
niet voort kon, omdat hy in drie dagen niet o-e-
geeten had. Hy deed hem derhalvelets te ee&n
geeven , en vraagde hem , naa dat hy zyne
krachten weder bekomen had , vanwaar hy was.
Hy antwoordde dat hy een Egiptenaar wasj
en dat zyn meefter hem achtergelaaten had,
omdat hy flaauw zynde hem niet vólgen konin
het te rug trekken der Amalekiten, naa dat zy
Zikeleg geplonderd en in den brand geftoken
hadden. David nam deezen man daii tót zy-
nen wegwyzer, en achterhaalde alzo de vyaii
den : want dewyl zy niets wantrouwden , cn
verheugd waaren over hunnen grooten buyt,
vondt hy hen onder der drank goede cier maa-
kende 5 fommige lagen reeds dronken ter aarde
neêr geftrekt 5 andere ftonden op \'t punt om
. , 1 ru , â hen te vólgen, en andere hadden den beker
deren, engoed, dat zyde fchuld van hun oiige- nóg m de hand. Zy aldus mét in ftaat zvn-
luK op hem werpende, gereed waaren om hem de om zich te verweeren , en die \'er ró-
doen , gelyk hy reeds gedaan had 3 dewyl het
dezelfde David was, van wien de Hcbreewfche
dóchters in haare reyen hadden gezongen dat
hy zulk een menigte van Phihftynen verfla-
gen had : weshalve zy van gevoelen waaren dat
het beft was hem te rugge te zenden. Achis
zich daaraan onderwerpende ontboodt David,
en zeyde tót hem : â De kennis die ik van uwe
â dapperheyd en getrouwheyd heb , lieeft my
5, bewoogen om u in deezen oorlóg te gebruy-
5, ken i maar de andere Vórften en Hoofden
â yan \'t heir keuren zulks niet goed. Hierom
â is het , dat alhoewel ik u niet mistrouwe,
â en dat ik" u fteeds dezelfde geneegenheyd
5, toedraage , ik nógtans verzoek dat gy we-
,, derkeert na de plaats die ik u gegeeven heb,
â om alzo de ftrooperyen , welke de vyanden
â van dien kant zouden maagen doen, tebelet-
â ten j waarmeê ^y my geen geringer dienft
,, zult doen, dan óf gy hier nevens ons ftreedt."
David gehoorzaamde , en vondt op zyne we-
derkomft dat de Amalekiten , om zich van het
afweezen des Konings Achis te bedienen , Zi-
keleg ingenomen en verbrand , en alle de vrou-
wen en kinderen , midsgaders den buyt dien zy
daar en in \'t omleggende land hadden beko-
men , met zich weggevoerd hadden. Deeze
groote en zwaare ramp trof David zo gevöc-
liglyk, dathyzynekleederenlcheurde, e?i zich
aan de droefheyd t\'eenemaal overgaf Zyne
krygsheden wierden ook zo tót wanhoop ver-
voerd over \'t verlies van hunne vrouwen . kin-
bequaam toe waaren door de Iftaèliten overrom-
peld Wordende, wierdt \'er zuik een groote me-
nigte van hen gedood, dat\'er naauwlyks vier-
iioncierd mannen, die op keniclen vlooden, het
- Grieks ontquamen 3 deeze flagting nu duurde ^ van
den mor|en tót aan den av^d.
Toen David en de zyne naa deezen gelukki-
gen uyi-flag, waardoor zy niet alleenlyk hunne
:
vrouwen,en kinderen, maar al denbii
de Amalekiten hadden weggevoerd,, weer be-
komen hadden , wederom ter plaatfe waaren
gekeerd alwaar zy tweehonderd van de hunne
tót bewaaringe der pakkaadje haddens^elaaten,
weygerdende vierhonderd, dis David op dee-
zen tógt verzeld hadden, hen eenicr deel in dep
buyt te geeven, en wilden dat zv zich met het
sy t welken
VI. Boek. JOODS O H
wederkrygen van hunne vrouwen èn kinderen
vergenoegen zouden , zeggende dat het eene
iafiiartiglieyd was die hen had doen achter bly-
ven. Ãóch David beftrafte hunne onbillyk-
heyd , en zeyde , naardien Gód hen dit voor-
deel had doen behaalen, dat degéne die zich by
den ftryd niet konden laaten vinden, omdat de
bewaaring der pakkaadje hen aanbevolen was,
gelykelyk nevens hen behoorden te deelen : en
dit rechtmaatig oordeel is federd by ons als eene
wet geacht, die men altoos onderhouden heeft.
Naa dat David dan aldus weder te Zikeleo- cre-
I 1 ö t>
zondt
aan zyne maagen en
vrinden in de ftamme Juda een gedeelte van
den roof
155. Ondertuftchen gefchiedde de flag tuflchen de
iSam.ji.Jft-aëliten en de Phihftynen , en het gevecht
was hardnekkig ter weder zyde : maar eynde-
lyk neygde de overwinning aan de zyde der
hy
komen was
E H I S T O R ï.
ISS
Philiftynen: en Saul en zyne zopneit, die zich
diepft in den ftryd begèeven hadden , zien-
de geen hoope van de overhand te verkrygen,
beflooten roemruchtiglyk te fterven : dies dee-
den zy zulke ongemeenè daaden van dapper-
heyd, dat zy alle de magt der vyanden na heh
toe trokken i en naa datzy een groot getal van
hen gedood hadden , wierden zy eyndelyk
door hunne menigte overweldigd. Jonathas
met zyne twee broeders Aminadab en Melchi-
fa fneuvelde onder \'t vechten , en hunne dood
deed den Ifraëhten t\'eenemaal den moed ver-
verliezen , zo dat zy dé vlugt namen; waarop dc
Philiftynen eenen gröoten moord onder hen
deeden. Saul vlugtte in een gOede órde met een
tróp van de zyne j dóch de vyanden zonden
hen een groot getal boogfchutters naa, die hen
byna alle met fchichten en pylen ombragten,
cn Saul zelf, naa alles gedaan te hebben wat-
=
de dapperheid iemand inboezemen kan, vondt
zich zo van wonden doorboord i dat hy wil-
lende fterven niet magt genoeg had om zich-
zelven te dooden. Hy beval derhalve zynen
fchildknaap dat hy hem met zyn zwaerd door-
ftooten zoude , om alzo niet leevendig in de
handen der vyanden te vervallen. Maar zien-
de dat die daartoe niet befluyten kon j zette
hy de punt van zyn zWaerd tegen zynen borft
om \'er alzo in te vallen j dóch zyne zWakheyd
Was zo groot dat zyne poogingen te vergeefs
^vaaren. Ziende toen eenen jongman dicht by
, vraagde hy hem , wie hy Was j en deez
geantwoord hebbende , een Amalekiter, badt
hy hem door zyne hand te moogen fterven,
dewyl \'c hem aan kracht ontbrak om zichzel-
ven te dooden. De jongman gehoorzaamde
hem, ontnam hem daarnaa zyne goudene arm-
ringen en koninglyke kroon, en vlugtte zo fnel
als hy kon. Toen Sauls fchildknaap zynen
Heer dood zag , doodde hy zichzelven ,, en
alle de krygsknechten van zyne ganfche lyf^
Wacht wierden by den berg Gelbx>ë gedood.
De Ifraëliten , die in het dal aan géne Zyde
van den Jordaan woonden, het verlies van deezen
veldflag ,^en den dood van Saulenzynezoonen
verftaan hebbende\', weeken na de vafte plaatfen,
en verlieten de \'fteden die zy in de vlakte be-
woonden , Waardoor de. Philiftynen dezel
ve
innamen.
⢠⢠⢠V\'
Des anderen daags naa deezengtooten ftryd,
fchyddeden de over winnaars der dooden uyti
en vonden onder de lyken diê van Saul en zyne
zoonen; daarop hieuwen, zy hen \'t hoofd af en
naa dat zy hunnen dood in hun ganfche land
ruchtbaar gemaakti en hunne wapenen aan den
tempel van hunnen afgód Aftaroth toegewyd
naddeni hmgen zy hunne, lighaamen aan mik-
ken op de muuren van Bethian , welke ftadnu
bcytóopohs genoemd wordt. Die van labes
in Galaad betoonden by dat , voorval hunne
groote kloekmoedigheyd ^ Want ziende dat
men die groote Pnnfen iiet aUeen de eere der
oi^f ckmaar hunne lyken zo
fchandelyk handelde , quam dit hen zo onbe-
taamlyk te vooren, dat zy den ganfchen nacht
V Z VOÃfÃ
Ué,
ifó FLAVIUS J
voort trekkende, deligliaamen in \'t gezigt der
vyan\'den losmaakten, en wegdroegen, zónder
dat iemand de ftoutheyd had van zich daar te-
eren te verzetten. De ganfche ftad deed hen een
zeer eerlyke begraavenis, en alle de burgers met
hunne wyven en kinderen beweenden hen zeven
dagen lang door een openbaare rouw met vaften
en traanen , uyt overgroote droefheyd door \'t
verlies van hunnen Koning en zyne zoonen.
à S E P H U S
VII. Boek.
In deezer voege eyndigde Saul, vólgens Sa-
muels voorzegginge, zyn leeven , omdat hy
Góds bevél wegens de Amalekiten overtreeden,
den Hoogenpriefter Abimelech met het geheel
Priefterlyk geflacht gedood, en de ftad, die hen
van Gód tót eene woonplaats was toegefchikt,
verbrand had. Hy had achttien jaaren geduu-
, rende \'t leeven van dien Profeet, en twintig
\' jaaren naa zynen dood geregeerd.
joo dsche
H I S T O R I
ZEVENDE BOEK.
E E iR S T E hoofdstuk:
i "
Davids groote Jroefhcyd over den dood van Saul en Jonathas. Da-
vid door de ftam Juda vooi Koning erkend. Abner doet Ifbofeth
Sauls zoon door alle d= andere, ftammen voor Konin« uytroepen,
cn trekt tegen ;David op. Joab Davids Veldheer vcrHaat hern en
Abner vlugteade doodt Azahel Joabs broeder. Abner door U boleth
beleedigd"^gaät tóe David over, doet alle de andere ftammen zyn
voorbeeld vqigen ; en brengt hem zyiie vrouw Michol wéder.
Joab verraoc^dt Abner; David daarover bedroefd, doet zyner ge-
dachteniffe eèfe aan.
-57- T^E veldflag waarvan wy gemeld hebben,
Sam I. ^ viel voor op den zelfden tyd dat David
de Amalekiten vérfloeg-j op den derden dag
naa zyne \\yederkomft te Zike eg, quam de geen
die Saul gedood had en dié uyt het gevecht ont-
komen was, met gefcheurde kleederen, en alfche
op \'t hoofd geftrooid, zich voor Davids voeten
nederwerpen. David vraagde hem Vanwaar hy
quamj en,hy antwoordde uyt het leger, endat
\'ér één vclditaggehpudcn was^ dat de Ifraeliten
die verlooren haddëti,, - dat \'er eeilgrobte menig^-
te verfla2;enr wis ; eU dat de Koning Saul en zy-
ne zoonen oiïder - aftdere gefneuveld waaren.
Voorts dat hy/t gene hy verliaalde niet al-
leenlyk mb:-^n-e -^gene oogüir gezien had,
maar dat :hy den Kpning aangetroften hebbende
zo verzwakt door de\'mehigte zynex wonden dat
hy zichzelven.niet dooden kon-» fehoon hy al-
le zyne krachten daartoe infpande, om niet lee-
vendig in de imagt -zyner vyanden te vallei,,
hem op zyn bfevél \'vanihet leeven/beroofd; hadvj
en dat tót een bewys van de waarheyd zyns zegr
. gens, hy zyne goudene; -armb anden "en- kroon,
welke hy héni -.hadr afgenomen met zich .ge-
bragt : had, David> iriei konnende. naa dusda-
nige blyken aän deeze dóodelyke maare:
len, feheurde zyne kleederen » en fmolt in traa-
nen , brengende, het óverige - van den dag roet
heyd was hem de gövofeUgfte, dathy zich door
Jonathas dood beroofd zag van den waardften
vrind dien hy in de werreld had, en aan wiens
toegeneegenheyd eii\'edelhioedigheyd hy meer
dan ééne reys zyir leeven verfchuldigd was.
Men moet bekennen dat zyne deugd ten aan-
zien van Saul niet genoeg gepreezen kan wor-
den , want hoewel die Vórft alles had aange-
wend om hem het leeven te beneemen, echter
trof zyn dood hem niet alleen zeer gevoeliglyk,
maar hy deed dien rampzaligen, die hem om-
gebragt had, op zyn eygen zeggen, dat de Ko-
ning door hem gedood , cn hy een\'s Amaleki-
ten zoon was, ook met den dood ftraffen. Da-
vid maakte daarnaa ter eere van Saul en Jona-
thas graffchriften en lófdichten, die nóg heden
ten dage gezien worden.
Naa dat hy aldus alle moogelyke eere aan
de gedachteniflê deezer Prinfenbeweezen had,isam.\'i
en dat de tyd der róuwe verftreeken was, liet
hy Gód door den Profeet vraagen, in wat ftad
vän de ftaminejüda het hem beliefde dathy zou-
de woonen : èn wanneer de Heere antwoordde,
dat het Hebron was; ging hy met zyne twee
vrouwen en zyn krygsvólk derwaards. Zo dra
het gerucht zyner aankomfte zich verfpreyd had,
begaf de ganfche ftam zich daar na toe, en ver-
klaarde hem met eettdragtigc tocftemminge tót
Koning. Paar ter plaatfe verftondt hy de edel-
moedige daad van die van Jabes, om hunne ach-
ting en,liefde jegens Saul en de Prinfen zyne
zoonen te betuygen : Hy prees hen grootelyks
deswege , en zondt eenige om hen uyt zynen
naam daarvoor te bedanken, en hen met ééne
bekend te maaken dat de ftam van Juda hem
voor Koning erkend had.
Naa den dood van Saul en zyne drie zoonen
â die in den flag^gefneuveld waaren, bergde Ab-
ner xoon van, Ner, die\'t oppergebied over \'t
heir had ^ IÃofeth, den eenigften die van Sauls
zoonen overgebleeven was j met deezen trok
hy over den; Jordaan., deed hem door aUe de
andere ftammen voor Koning uytroepen , en
maakte dat hy zyn verblyf te Mahanaïm nam,
\'t welk twee veldlegers betekent. Deeze Veld-
heer, die een zeer kloekmoedig man, en tót
groote onderneemingen bequaam was, kon niet
dulden dar die van de ftamme Juda David tót
Koning verkooren hadden j dies trok hy met
zyne befte benden hen tegen: en Joab zoon
van ^iur en Seruja Davids zufter, vergezelfchapt
vm Abifaï -^zahl zyne twee broeders,
toog hem. met alle Davids krygsmagt te gemoet.
Dé tx^ee legers elkanderen by Gabaon gena-
derd zynde , ftelde Abner voor, dat men, eer
het
net iUL ctiii-iA vv-xu^ii".^ ------ - O. - ^
van eenige der twee partyen wel eens mogt be-
proeven.^ Joab nam\\lien voorflag aan, en men
Los ter wederzyde twaalf mannen D^f ^^et
.eveeht eerft met het werpen van fchichten be-
ginnende , raakten vervólgens handgemeen,
fhans greep elk zynen vyand by \'t haair, en zon-
der lós te laaten, gaven zy malkanderen zo vee-
le fteeken met hunne zwaerden, dat ze alle op
de plaats het, leeven heten. Daarop leverde
menflao-, het gevecht was zwaar, en\'theirvan
David behieldtde overhand. Abner wierdt ge-
noodzaakt met de zyne te vlugten, en Joab en
zyne broeders vermaanden hun krygsvólk dat
ze niet ophouden moften van hen naa te jaagen.
Azahel, die in \'t loopen niet alleen de men-
fchen, maar de fnelfte paerden voorby rende ,
liep Abner ongemeen fnel naa, zonder zxi
met iemand anders op te houden. Abner zich
dus gepraamd ziende , beloofde hem,^indien
hv zvn vefvóken wilde ftaaken , dat hy hem
dlâ¢olkóSeneruftxng zoude geeven : maar
Ziende dat Azahel met afliet van voort te loo-
pen , badt hy hem nóg eens dat hy hem doch
niet wilde dwingen hem te dooden, en zich
daardoor Joab zynen broeder tót eenen onver-
zoenelyken vyand -te maaken. Azahel even-
wel niet ophoudende hem kort op de hielen te
vóken, wierp hy eyndelyk zyne fpies na hem
met zulken vinnigen fcheut, dat hy hem dood
ter aarde deed vallen. Die van zyne party
welke naa hem quamen hielden ftil, om zyn
lighaam te aanfchouwen : maar Joab en Abiiai,
brandende van begeerte om zynen dood te wree-
ken, renden voorby , en jaagden de vyanden
met nÃ2 grooter drift naa dan te vooren , tot
dat de zon ondergegaan was, en tót aan eene
plaats geheeten Amon , dat is, waterleyding.
Alstoen riep Abner tót Joab , dat men dege-
nen die van éénen en den zelfden bloede waaren
al te hard drong , en tót een gevecht op nieuws
noodzaakte; en dat hy daarin te grooter onge-
lyk had , om dat Azahel zyn broeder door zy-
ne hardnekkigheyd om hem naa te jaagen, hoe
zeerhT hem ook gebeden had zulks te ftaaken,
zelfde oorzaak van zynen dood was geweeft,
en-hem gedwongen had dien doodelyken fcheut
te doen welke hem \'t leeven gekóft had. Joab
deed daarop den aftógt blaazen, en floeg zyn
Wer ter zelfder plaatfe neêr : maar Abner zon-
der ftil te houden trok den ganfchen nacht
TLt, pafléerde den Jordaan, en quam by den
K oning Ifbofeth. \'s Anderendaags deed Joab
de dooien begraaven, waarvan het getal opge-
tmen zynde\'drie honderd zeftig beliep aande
zyde van Abner , en maar twmtig aan Joabs
z^de, Azahel daar onder g^^f^^^^^^^^^
hy na Bethlehem het poeren , en xn te
zyner voorouderen begraaven, j
der by David te Hebron quam.
Dusdaanig wasde oorfprong desburgerlvto
oorlógs onder de Iftaëhten, die al vrj jang
duurde: maar Davids party wierdt van tya tot
tyd fterker, en die van\'ifbofeth verzwakte
daarentegen.
David had zes zoonen by zyne zes vrouwen,
teweeten by Adiinom^Jnrnon , die. de otiülte
JOODSCHE HISTORL
VIL BOEK. j ^ ^ â _ , , ,
. ^ .Uil.rr nn^m de dapperhevd i was by Abigaïl"D/ïW/^/, die dc tweede was ;by
het tót eenen veldflag J dóehter van T.tei" Koning van Geflbr
Maacha dóchter van Tötei Koning van Geffur
Abjalom ^ die de derde was; by Agith, Adonias,
die de vierde was; by Abithal Saphat, die de
vyfde was; en by Egla Jet braam ^ die de zes-
de was.
Geduurende deezen burgerlyken oorlóg tuf-
fchen de twee Koningen, en in de verfcheyde-
ne gevechten die\'er voorvielen, beftondt de
voornaamfte magt van ïfbofeth in de dapper-
heyd en voorzigtigheyd van zynen Veldheer
Abner, die door zyn wys beleyd het volk lang
aan zyne zyde hieldt. Maar dewyl deeze Vorft
op hem vertoorndwierdt, omdatmen hemver-
hLldhad dat hyi?^^;^\'« dochter van Sibat, die
van den Koning Saul zynen vader was bemind
P-eweeft, onderhieldt, toonde Abner zich zo
levoelig daarover, dat hy zyne dienften qualyk
Lalden achtende, dreygde tot David over
te laan, en aan al de werreld te doen zien dat
ïfbofeth de kroon aan zyne geneegenheyd, aan
zvne eervarenheyd in krygszaaken, en aan zy-
ne getrouwheyd verfchuldigd was. Op deeze
dreys;ementen vólgde de daad: want hy deed
aan David voorftellen, dat hy al het vólk zoud
overreeden om hem voor Koning te erkennen, en
ïfbofeth te verlaaten , mids dat men hem met
eede beloofde dat hy in\'t getal zyner voornaam-
fte vrinden ontvangen , en met zyn byzonder
vertrouwen geëerd zoud worden^ David nam
deeze aanbieding met blydfchap" aan, en om
deeze onderhandeling te meer te beveftigen,
verzócht hy dat men hem Michol zyne vrouw,
welke hy met gevaar van zyn leeven verkree-
had , door de hoofden van zeshonderd
r6i,
Ten iiau , »j^u^i --- ---------
Philiftynen aan Saul te keveren om haar te ver-
dienen, wilde te rugge zenden. Abner om Da-
vids begeerte te voldoen, ontnam deeze Prin-
fës haaren man Phaltiël, en zondtze weder met
bewilUginge van ïfbofeth, aan wien David des-
wege ook gefchreeven had.
Abner deed vervólgens de Hoofden van \'t
heir, en de voornaamften des vólks tzamenko-
men , en vertoonde hén dat toen zy ïfbofeth
wilden verlaaten om David te vólgen , hy hen
zulks belét had j maar dat hy het nu in hunne
vryheyd liet, omdat hy verftaan had, dat
cIa David tót Koning over al zyn volk door
de handen van Samuël had doen zalven, en dat
W torzegd haddedat de roena om de Phüi-
ftynen onler te brengen voor hem alleen be^
waard was. Dit géfprek van Abner , \'t welk
genoeg te verftaan gaf hoe. «aanig zyn gevoelen
was, maakte zulken indruk op hunne gemoe-
deren , dat zy zich opentlyk voor David ver-
klaarden. Maar nu bleef nóg overig, de ftam
Beniamins, waaruyt Ifbofeths ganfche lyfwacht
beftondt, om te zetten. Abner hieldt hen de
zelfde rédenen voor, en overreedde hen zo wei-
als de andere. Naa dat hy aldus zyne belófte
voldaan had, quam hy verzeld van twintig
perfoonen by David, om hem verflag te doen
van \'t gene hy gedaan had , en de verdere be-
krachtiging van zyn gegeeven woord te beko-
men. David ontving hem met alle betuygin-
gen van toegeneegenheyd die hy had konnen
wenfchen, en onthaalde hem eenige dagen
V ^^ prach-
a.Sam. J
^ad .elyk het niet l^i;^^
en t fchenden van den eed was. Hvbeva! rhr
men opentlyk rouw over Abner zoude Sten
en deed zulk een plegcige uytvaart aanK,\'
dat die_van den grootften ftaat met eenen zak op
t hoofd, en met gefcheurde kleederen ,
lyk verzelden V ja hy zelf ontzag zich nie del
W droevige ftaatfi by te woonen. Maar z7ne
zuchten en traanen deeden nóg bet bly^ên
fchéLlr. i A fnoode en
hem te hI \'"^de. Hy deed
tLfJ tót zynen lóf op houwen
voorts gmg hy op zyn graf weenen, en elk
volgde zyn voorbeeld, zonder dat het moo^e
lyk was hem tebeweeeen, dathvdipn^i ^
zonnen-ondergang eeiigeVSSy^^^
veele bljjen van Davidsgereehtigheyl e^\'
vtuchtigheyd , deeden Ãem de|eneSevd
van a, het ^óik , en voornaamelyk^ergCSe
li^dden/verkrylen Zv
nen dood ht
gfgeeven hadr^ftrSlfed;
vrind, eu n^bloedverwant geweeft -waare Tâ
plaats dan dat die voorval Davids achting zou
vermmderdhebben, vermeerderde het haa?. en
daar was memand dien de verwonderirgVer
zu k een groote goedheyd niet deed hoo^
dat wanneer de gelegenheyd zich daartS^
de . ook bleef\'er met het minfte vermoeden
over dat hy eenigfins eene hand in deez?â haa-
telyken moord gehad hadde. Maar dewvl hv
niets Wilde naakaten van alles dat zyne J^rjl
heyd over Abners dood kon doen blyken
de hy by zo veele andere tékehe^dic vf;
reeds van gegeeven had, nóg dit, dat hy
gtoote memgtedes vólks, diebydebegraaTent
icbe landaard heeft een zeer groot verlies »e-
leeden door\'tmiflèn vanAbner, eenen
ten krygsman, en daar beneven bequaam om
de wigtigfte zaaken te beftieren. MaarGód, â
wiens voorzienigheyd de werreld regeert
ongeftraft laaten : Toab â
en Abifai zullen de uytwerkingen zyner ge- â
\' « ik Seemlem fót
fSdl^V^ \'J« belét hen naar
dSilT is dat zy magtiger zyn
IL H O O F P S T UK.
Banaoth cn Than vcrmooraen Jen Koning If bofech en kâ
hoofd by David, die in pJaats van vergeldinge hen p
AlJc de ftammen erkennen hem voor dooden.
ne krygsmagt i en neemt Jerufalem in. Joab khL\'\'«"^\'\'\'^^^
j «O Kiimt op de muur.
bloede ,iaar had hetlrLt^trwee""\'â¢\'^\'
«H dat hy zynen yad« op den tto^n
was;
fï-A VIUS JOSEPHUS VII
daad , P-elvk her niet _______ ^
lif:^
iiii
I
-ti^ujiwi vcnur verzoent
om weder te keeren, en \'t heyrvanlfbofetlitót
irrSlT\' \'\' \' % alleen over
llraei regeeren mogte.
^^Naauwlyks was hy uyt Hebron getrokken,
ot joab quam daar aan, en verftondt wat \'er
voorgevaliqi was. De verdienfte van Abner,
dien hy tvift een groot krygsman te zyn, en de
merKeiyke dienft welken hy David gedaan had,
deeden hem vreezen dat hy den eerften rang by
denzelven zoude verkrygen , en daar beneven
tot zyn nadeel het gebied over \'t heir bekomen
Om derhalve deezen flag te fchutten , poogde
hy David te bepraaten dat hy aan Abners be-
loften geen geloof floeg, doordien hy zekerlyk
wift dat hy al zyne krachten zoud infpannL
om dc kroon op \'t hoofd van Ifbofeth vaft te
ptten j voegende daarby dat alles wat hy met
hem gehandeld had, maar eene lift was om hem
te bedriegen j en dat hy zeer verheugd weder-
gebeerd was , omdat zyn toeleg hem zo wel
was o;dukt. Maar toen hy zag dat dit gefprék
\'Ifji;\'^
li::
geen vat haci op \'t gemoed van deezenVzen
V or t, nam hy een verfoeijelyk befluyt 5 en om
t zdve uyt te voeren , zondt hy met groote
, Jpoed iemand Abner achter naa , om hem van
Dayids wege te zeggen dat hy fluks moft we-
. derkomen , dewyl hy vergeeten had over een
zaak van groot belang met hem te fpreeken
Men vondt Abnerm eeneplaatsgeheeten Befl^
ra 3 maar twmtig ftadiën van He%rongelegen:
cn aewyl hy met miftrouwde , keerdl hyter-
itond te rug. Joab verzeld van Abifaï zynen
üroeder, gmg hem te gemoet met zeer groote
betuygmgen van vrindfchap, gelyk zy die eenio-
quaad oogmerk hebben gewoon zyn te doen^
trok hem ter zyde by eene poort, onder fchyn
van m t heymelyk over eene zaak van bdancr
met hem te willen fpreeken: en zonder hem tyd
te geeven om zyn zwaerd te trekken , duuwde
hy hem het zyne dwars door \'t lyf Hy bragt
tót verfchooninge van deeze lafhartigeen fchan-
delyke daad, het ombrengen van Azahel zynen
broeder by, alhoéwd de vreeze alleen van zyn
ampt te verhezen , en in kleyn aanzien by Da-
vid te komen, hem daartoe had aangedreven
Uyt dit geval kan men zien , dat \'er niets is
waartoe eygen bdang, ftaatzucht, en argwaan
niet magtig zyn de menfchen te vervoeren. Zy
gebruyken allerley quaade middden om hunne
tortuyn te veftigen , en zich tót eerampten te
verheftenj en als zy\'er toe gekomen zyn, maa-
ken ze geen zwaarigheyd hunne toevlugt tót
de grootfte misdaaden te neemen , om zkh in
nun bezit te houden 5 omdat zy het onver-
moogen om die voordeden, wdke alle hun ge-
luk uytmaaken , te verkrygen, als een minder
quaad aanmerkende, dan die naa het bekomen \'
te verhezen, haar het kofte wat het wil poogen
te bewaaren. ^ °
De droefheyd die David over deezen eerloo-
wasongemeen: hy betuyg-
th\'ven^^/ -met zyne handen ten hemd of-
nóch
ïenvK
rSlSSn^? den handdaadigen en zyne
uedepligtigen , en tegen zyn ganfche huysj
It,.
li"!
il.
1,1 .
5>
J3
35
äiii"\'\'
li (li i,
I I
VII. Boek. J
was 1 dóch hy overleefde hem niet lang :
want Banaoth en Than zoonen van Hieremon,
twee der voornaamfte uyt de ftamme Benja-
mins, vermoordden hem in zyn bedde, mee-
nende dat zy David daardoor verphgten , en
zichzelven den weg tót hoogen ftaat baanen
zouden. Zy namen daartoe den tyd dat hy
wes-ens de hitte op den middag te flaapen lag,
terwyl zyne lyfwacht ook fliep -, en hem het
hoofd afgehouwen hebbende gingen zy met
zulken grooten haaft op weg , gelyk als of
men hen vervólgde, om het David te brengen 3
dien zy verhaalden wat ze gedaan, enhoe groo-
ten dienft zy hem beweezen hadden, door den
genen die hem het ryk betwiftte om den hals
te brengen. Maar in plaats van de vergeldin-
ge, die zy zich toegelegd hadden , ontvingen
zy dit fchrikkelyk en toornig antwoord > â Gy
â fnoode booswichten , die haaft vólgens de
â eroothevd van uwe misdaad zult geftraft
worden , wift gy niet hoe ik met den man
die Saul gedood had , en niy zyne kroon
bragt, gehandeld hebbe, fchoon hy die
daad maar verricht had om hem te gehoor-
â zaamen , en opdat hy niet leevendig in de
â magt zyner vyanden vervallen zoude > Of
â meent gylieden dat ik zo van natuure veran-
â derd ben, dat ik nu de fchelmen bemmne,
â en dat ik den moord tegen uwen Heer be-
â gaan , zoud aanzien als een groote weldaad
waarmede gy my verpligt hebt? Lafhartige
â en ondankbaare als gy zyt, fchrikt gy\'er met
â van dat gy eenen Vórft , die nooit iemand
,, quaad , en u zo veel goeds gedaan had , in
â zyn bedde hebt durven vermoorden. Maar
ik zal ulieden ftraften over uwe trouwloos-
heyd en over den hoon die gy my aangedaan
â hebt, door u in te beelden dat ik zulk een
â verfoeijelyk bedryf zou konnen goedkeuren,
â en my daarover verheugen." Naa dat Da-
vid aldus tót hen gefprooken had, beval hy dat
men henzenen wreeden dood zoud aandoen, hy
vierde ^uytvaart van Ifbofeth prachtig, en
deed zyn hoofd in Abners graf leggen.
Kort daarnaa quamen alle de voornaamfte
der Iftaeliten, en de bevélhebbers van \'t heir
by dien edelmoedigen Vórft te Hebron, om
hem als hunnen Koning getrouwheyd te beloo-
ven. Zy hielden hem voor , wat dienften zy
hem zelfs by \'t leeven van Saul gedaan, en met
welk een eerbiedigheyd zy hem gehoorzaamd
hadden toen hy over een gedeelte van het hen-
van dien Vórft geboodt : en zy voegden er by
dat zv wel wiften dat Gód al overlang door den
Profeet Samuël verklaard had , dat hy en zyne
kinderen naa hem over hen regeeren, ^ dat
hy de Philiftvneil onderbrengen zoude. David
bLonde i Jot cenoegen over hunne goedwil-
ligheyd , "vermaande hen daarin voorttegaan,
cn verzekerde hen dat zy ^t zich nooit zouden
behoeven te beklaagen. Voorts deed hy een
groote maaltyd voor hen aanrechten , en naa
hen zo veele tékenen van geneegenheyd, als zy
zouden hebben konnen wenfchen, gegeeven te
hebben, zondt hy hen te rugge, mctbevddat
zy hem uyt ieder ftam alle die gewapend en in
ftaat waaren om hem te dienen, te Hebron zou-
den brengen.
33
33
33
33
33
a Sam. 5
iS9
Vólgens deezen laft zag men te Hebron aan-
komen zesduyzend achthonderd mannen uyt dc
ftamme Juda, gewapend met ipie fen cn fchil-\'
den, die de party van Ifbofeth gevólgd hadden,
en niet van het getal der gener uyt die ftam waa-
ren die David tót Koning verkooren hadden.
Uyt de ftam Simeons zevenduyzend en honderd
mannen. Uyt de ftam Levi vierduy zend ze ven-
hoiïderd mannen begeley d door Jodan, by wel-
ke zich Zadok de Hoogepriefter en tweêëntwini
tig zyner bloedvrinden gevoegd hadden. Uyt
de ftam Benjamins maar vierduyzend mannen,
vermids zy in hoope bleeven dat\'er iemand van
Sauls geflacht regeeren zoude. Uyt de ftam
Ephraims twintigduyzend achthonderd zeer
fterke en dappere mannen. Uyt de halve ftarÃ
van Manaftè achttienduyzend mannen. Uyt
de ftam van IfaftHiar twintigduyzend mannen,
en daar beneven tweehonderd die toekomende
dino-en voorwiften. Uyt de fta,m Zabulons vyf-
tigcfuyzend mannen , alle uytgeleezen vólk :
want die ftam was de eenigfte die geheel tot Da-
vid overquam; enzy waaren op dezelve wyze
gewapend als die van de ftamme Gad. Uyt de
ftam van Nephtah duyzend uytgeleezene man-
nen, alle met fchilden en fchichten gewapend,
en van een overgroote menigte van geringer
krygsknechten gevólgd. Uyt de ftam vanDan
zevenentwintig duyzend zeshonderd uytgelee-
zene mannen. Uyt de ftam van Aflèr veertig-
duyzend mannen. En uyt de ftammen van Ru-
ben en Gad , en de andere halve ftam van Jvla-
naife, die aan gene zyde van den Jordaan woon-
den, honderd-twintig-duyzeiid mannen, alle
gewapend met helmen , fchilden , fpeeren en
zwaerden , met welke laatfte de andere ftam-
men gewapend waaren.
Dit waaren de benden die by David te Hebron
aanquamen, en voorraad van kry gsbehoéften en
leeftógt met zich bragten : Deeze alle verklaar-
den hem eendragtiglyk tot Koning, En naa dat
men drie dagen met vreugde en openbaare gaft-
maalendoorgebragt had, trok hy met alle zynd
krygsmagt na Jerufalem. De Jebufiten die dee-
ze ftad bewoonden, en van de afkomft der Ka-
naaniten waaren, ziende dit heir aankomen,
ftooten dc poorten, en om hunne verachting van
\'t zelve te betoonen , deeden zy op de muuren
geene andere dan blinden, kreupelen, en Ver-
minkten komen, zeggende dat zy zich op dé
fterkte van hunne ftad zo verheten, dat deeze
bequaam genoeg waaren om die te befchermen.
David door deeze verwaandheyd getergd, be-
floot hen met wakkeren moede aan te taften ^
om door \'t veróveren dier plaatfe eenen fchrik tc
brengen in alle de andere die hem tegenftand zou-
den willen bieden. Hy maakte zich haaft mee-
fter van de benedenftad; maar de grootfte zwaa-
righeyd was om den burg in te neemen. Om de
zynen dan tót een rechtfchapene dapperheyd
aan te moedigen, beloofde hy aan \'t krygsvóïk
dat zich kloekmoediglyk zou quyten, groote
vergelding en eere, en het ampt van Opperveld-
heer aan den genen die allereerft den muur be-
klimmen zoude. De begeerte om zulk een groo-
te eere te verkrygen, maakte dat elk om ftryd
poogde die te verdienen^ Maar Joab voorquairi
heÃ.
OODSCHE Hl S T Ã Rl
2ö\'4.
I Kron.
i \' I
sa
flavius jose p h u s
weeten hoedaanig de uytflag van dien oorlóg
zoude zyn : en Gód antwoordde dat zyn vólk
de overhand zou behouden. David trok ter-
ftond tegen de vyanden op, overrompelde hen,
verfloeg\'er een groote menigte van, en jaacr-
de de óverige op de vlugt. Niemand verbeelde
zich echter, omdat hy deeze groote overwin-
geniaklyk behaalde, dat dit heir der
rhihftynen zwak, óf niet ten oorlóg afgerecht
was i v^^ant zy hadden t\'hunner byftand beko-
men geheel Syrië en Fenicië , welke ftrydbaa-
re volken zyn, gelyk zy ook deeden blyken,
vermids zy , m plaats van den moed naa zulk
jn nededaag te verhezen, de Ifraëliten met
dne magtige heirlegers quamen beftryden, en
zich ter zelfder plaats legerden daar zy te voo-
ren den flag verlooren hadden. David ver-
zocht den Hoogenpriefter andermaal God om
raad te vraagen5 \'t welk hy deed, en hem van
zynent wege beval dat hy zich met zyn heir in
het bofch, \'t weik den naam van Geween heeft,
zou houden , en\'er niet uyttrekken om flac^ te
léveren, voor dathy zag dat de takken der boo-
er wind aan de lucht was, bewee^rden. Da-
gd|ehoorzaamde dit be\'vél ftxptelyk 3 en toen
God door dit wonderwerk toonde dat hv hem
met zyne tegenwoordigheyd begunftigde; trok
iiy op met een volkómene verzekerdheyd van de
overwmning te zullen behaalen. De vyanden
konden den eerften aanval niet wederftaan ⢠mant\'
zetteden\'taanftonds op\'tloopen, waardoor de
Ilraehten hen zonder veel moeite ombragten,
jaagende hen naa tót aan Gefer op de grenzen
der twee konmgryken j waarnaa zy wederkeer-
den om hun leger te pionderen, alwaar zy groo-
te fchatten vonden, benevens de afgoden, wel-
ke zy aan ftukken braken.
Naa twee zulke voorfpoedige veldflaeen bp
val David, met raad der Oudften, Ryksc^ror ^
ten , en Opperften van zyn heir , aan afie de
voornaamfte krygsmagt van Juda , dat zy de
Prieftp en Leviten na Kariathiarim zouden
geleyden, om de Arke des Heeren vandaar af
te haaien , en na Jerufalem te brengen : want
die ftad was gefchikt om daar in het toekomen-
de alle de ófteranden, plegtigheden, en tem-
peldienften ter eere Góds te verrichten : en in-
dien Saul een naauwkerige onderhouder van de
Gódsdienft geweeft was, hy zou niet in die ram-
pen gevallen zyn, welke hem de kroon met het
leeven deeden verliezen. Toen alles vervaer-
digd was, wilde David deeze plegtige ftaatfi
zelf in perfoon bywdonen. \' De Priefters haal-
den de Arke uyt het huys van Aminadab, enzet-
teden haar op eenen nieuwen wagen, door óüèn
getrokken, die door zyne broeders en zoonen
gemend wierden. De Koning gmg y^^j. ^^^
en al het vólk vólgde, zingende pfalnien en
lófzangen , onder \'t gefchal ya^ bazuyAen
cimbalen, en ander fpeeltuig. Toen men aan
epie plaats gekomen was, genoemd de dorfch-
vloer Chidons , traden de óftèn een weynige
buyten\'t fpoor, waardoor de Arke dreyJe te
omze te ftutten, doch hy viel aanftonds dood
ter aarde , door eene uytwerking der gódlyke
gram-
\'\'li?\'
\'Ifi!
160
Vil Boek.
hen die, cn eyfchte toen met luyder ftemme van
aen /vomng het naakomen zyner belófte.
M\'
III. HOOFDSTUK.
David neemt zyn verblyf te Jerufalem, en vercim die ftad. De Ko-
ü.ng van Fyrus zöckt een verbondt met hem aan te gaan. Vrou-
v^\'ca en kinderen van David. b *
2<J<5. >^ Aa dat David Jerufalem aldus increnomen
had ^ dreef hy\'er alle de Jebufiten uyt,
deed de muuren vernieuwen, noemde die ftad
naa zynen naam, ftelde zynen rykszetel daar,
cn hieldt\'er zyn verblyf geduurende den gan-
fchen tyd zyner regeeringe > hebbende te He-
bron zevenen een half jaar gewoond, en toen
alleenlyk over de ftam Juda geregeerd. Sederd
ciien tyd wierden zyne zaaken door Góds by-
ftand fteeds voorfpoediger, en hy vercierdeJe-
rufalem zodaanig, dat hy\'er een zeer vermaar-
de ftad van maakte.
tsy. Biram Koning van Tyrus zondt Gezanten
aan hem om zyn verbond en vrindfchap te ver-
zoeken, en céderen houten bequaamewerkhe-
den van zynent wege aan te bieden ^ om een
paleys voor hem-te bouwen. David voegde de
ftad en den burg aan één, gaf aan Joab laft om-
ze in een zelfde vefting te befluyten , en veran-
derde den naam dier ftad : want ten tyde van
Abraham, dien wy als den ftichter van ons o-e-
ilachtaanmerken, noemde men haar Salem^óf
Solyme j en daar zyn\'er die willen dat Home-
rus haar ook zo genoemd heeft 5 want men
noemt den Tempel zo in \'t Hebreews , welke
benaaming zekerheyd óf vefting ^ betekent.
Daar waaren nu vyfhonderd vyftien jaaren, fe-
derd dat Jofua de landen van de Kanaaniten
veroverd en verdeeld had, tót op den tyd dat
David Jerufalem innam, verloopen , zonder
dat de Ifl-aëliten ooit de Jebuftten hadden kon-
nen uytdryven.
Ik moet niet vergeeten te zeggen dat Da^
vid het leeven en de goederen van éénen der
rykfte inwoonderen van Jerufalem , genaamd
Orphona, bergde, zo om de geneegenheyd die
hy den Ifraëliten betoond, ais om den dienft
welken hy David zelven gedaan had.
David trouwde daarnaa nóg andere vrouwen
by welke hy negen "zoonen kreeg, teweeten\'
Amna, Emna, Eban , NathaUy Salomoriyje^
baty Eliël, "Phana, Ennaphen, en ééne dóch-
ter geheeten Thamar, die de volle zufter van
Abfalom was : daarenboven had hy nóg twee
onechte zoonen, genoemd Jenaé en EUphas.
IV. hoofdstuk.
David bebaalt tvcee groote overwinningen op de Philiftynen en hun-
ne bondgenooten i en doet de Arke dts Hceren met groote ftaatfi
binnen Jerufalem brengen. Oza fterft opftaande voet omdat hy
bdban had dezelve aan te raaken. MicKol belacht David omdat
hy voor ds Arke gezongen en gedaoft bad. Hy wil eenen Tem-
XS^"" ^^ Phihftynen verftaan hadden dat
tót Koning over ganfch Ifraël aan-
^vi.eia was, verzamelden zy een groot heir,
â n e^d^f ^rJ^^^^^l^fn légeren,
.n een dal genoemd het Reuzen dal. David,
die nooit iets ondernam zonder Gode raad te
vraagen , verz^ocht den Hoogenpriefter dat hy
zich met den Ephod wüde bekleeden , om te
m
Sam. <3.
ijiii»"\'
«li- â â
11!
l-i\'\' â \'V
ir
m
iiiif!
lil\'
It,-
I
li
f
JOODSCHE HISTORL
VIL Boek.
l6i
u
gïatófchap, doordien hy geen Priefter zynde
de ftoutheyd had gehad om haar aan te raaken:
en die plaats heeft federd den naam gedraagen
van Ozas ftraffe. David door dit wonderwerk
verfchrikt, vreefde dat hem het zelfde weder-
vaaren zoude, indien hy de Arke in de ftad bragt,
doordien Oza zo ftrengelyk geftraft was alleen-
lyk om dat hyze aangeraakt had: hydeedze der-
halve in een landhuys brengen van zékéf en man
genaamd Obedamt die van het geflacht der Le-
viten was. Aldaar bleef zy drie maanden, en
bragt hem en zyn huysgezin groot geluk en ze-
gen aan. David ziende dat deeze man, die te
vooren arm was, ryk wierdt, en dat elk die om-
trent hem woonde óf van hem hoorde zyn geluk
roemde, had niet langer vreeze dat hem eenig
onheyl zoud overkomen, indien hy de Arke na
Jerufalem deed voeren: weshalve hy zulks op
deeze wyze volvoerde. De Priefters vergezel-
fchapt van zeven zangreyen droegen haar op
hunne fchouderen, en hy zelf ging vooruyt,
danfende en fpeelende op de harp. Dit bedryf
fcheen Michol zyne vrouw zo verre beneden
zynen ftaat te weezen, dat zy\'er meê fpótte.
Toen nu de Arke in de ftad gekomen was,
wierdt ze in eenen Tabernakel gezét, welke
David tót dien eynde had doen bouwen. Hy deed
zeer veele en aanzienelyke ófferanden by deeze
plegtigheyd ^ en hy gaf aan al het vólk eenen
maaltyd, deelende aan een ieder, zo wel mannen
als vrouwen en kinderen, een ftuk vleefchmet
eenbólbroodsenpannekoeken. Toenelkweder
na zyn huys, en David in zyn paleys gekeerd
was, quam Michol hem tegen, en naa hem ge-
luk en voorfpoed gewenfcht te hebben, gat zy
hem te verftaan dat het haar zeer vreemd dacht,
dat zulk een Vórft, alshy, zo in\'t aanzien van
iedereen gedanft, en door een onbetaamelyke
ontblooting ganfch geen teken van een koning-
lyke deiftigheyd in zyn gewaad betoond had.
Maar David antwoordde haar, â Dat het hem
5, niet berouwde, omdat hy wift dat dit bedryf
Gode aangenaam was , die hem boven haa-
ren vader en veele andere verkooren had; en â
dat niets hem zou konnen beletten om op an- â
dere diergelyke voorvallen eveneens te doen, "
Deeze Prinfés kreeg geene kinderen by hem,
maar had\'er vyf by Phaltiël, gelyk wy te zyner
plaatlè zullen zeggen.
David ziende dat alles hem door Góds by- 270.
ftand naar wenfch ging, oordeelde dathy zon-^^^«" ^
der hem te vertoornen niet kon woonen in een
prachtig paleys van céderenhout gebouwd , en
met allerley koftelyke cieraaden opgepronkt j
terwyl hy toeliet dat de Arke des verbonds haar
verblyf Hechts in eenen tabernakel had. Dies
befloot hy ter eere Góds eenen prachtigen Tem-
pel te bouwen, vólgens \'t gene Mofes voor-
zegd had, dat t\'eenigen tyde gefchieden zoude.
Hy fprak \'er tegens de Profeet Nathan van, die
van gevoelen was dat zulks Gode aangenaam
zou zyn, en dat hy hem in die onderneeminge
byftaan zoude. Dit bekrachtigde David nóg
meer in zyn voorneemen 5 maar den vólgenden
nacht verfcheen Gód Nathan in eenen droom,
en beval hem David te zeggen, â dat hoe-
wel zyn
toeleg pryftyk Vas, als die het eerfte
voorgenomen had hem eenen Tempel tefti^-
ten, hy echter niet wilde dat hy \'er meé voort-
vaaren zoud, om dat zyne handen zo menig-
maal met het bloed zyner vyanden waaren ge-
verwd geweeft : maar dat wanneer hy zyn lee-
ven in eenen gelukkigen ouderdom zou ge-
ëyndigd hebben, Salomon zyn zoon en naa-
zaat dat heylig werk onderneemen en volvoe-
ren zoude : Dat hy geen minder zórg voor â
dien Vórft zou draagen, dan een vader voor â
zynen zoon draagt: dat hy zyne kinderen â
iiaa hem zou doen regeeren j en dat indien \'
hy hem vertoornde, cfe ftraffe waarmedp hy
geftraft zoud worden , niet hoogér zoude â
gaan dan ziekte en hongersnood.\'\' David al-
dus met groote blydfchap vail den Profeet ver-
ftaan hebbende dat het Konihgryk tót zyne kin-
\' \' \' â X dctcä
}>
33
3i
3i
33
33
33
33
33
33
n
VII Boe
aUe zynen naam voerden gelyk de Ttoiomem in
Egtptey tót aan het tiende gefacht, endie zynen
roein met minder bezaten dan zyne kroon: "De
derde van hen die de doorluchtigÃe was ^ willende
het verlies zyns grootvaders wreeken, beÃreedt de
joodenmder de regeeringe van den Koning Achab
en verwoefite het ganfche land rondom Samarii
in deezer voege fpreekt die Hiftorifchry ver daar-
Ai ^^^ ^^^^ waarheyd > want deeze is dic
Adad welke ten tyde als Achab over Ifraël re
geerde het omleggende land van Samarië ver-
woeltte, gelyk wy te zyner plaatfe zuflen zeggen
iNaa dat David door zyne overwinnende
wapenen het ryk van Damaskus en al \'t óveri-
ge van Syrië ondergebragt, fterke bezettingen m
de noodige plaatfen gelegd , en al het vólk
tolphgtig gemaakt had, keerde hy zeeshafticr
weder na Jerufalem. Aldaar wydde hv God?
de goudene pylkokersen andere wapenen der K f
Ichutbenden van den Koning Adad: maar tden
naderhandt Suzak Koning van Egipte Ro-
boam Salomons zoon overv/on, en Jerufalem
mnani, voerde hy dezelve met andere geroof-
S^^yk omftandiglyker in
t gevolg deezer Hiftorië zullen zegâ¢
ten, willende zich verder van de bfftand, wel-
Kcny van God ontving, bedienen, belegerde
de twee voornaamfte fteden van den Koninp-
Adrazar, genoemd Betha en Mafkon , nam
haar in , plonderdeze , en vondt \'er behalve
eene menigte van goud en zilver, eene foort
van koper, dat hooger gewaardeerd wordt dan
goud, en van ;t welk Salomon , toen hy den
Tempel bouwde, veele bekkens liet maaken,
misgaders dat groot watervat het welk men de
gegootene zee noemde.
ff
!
VI. HOOFDSTUK.
David vetflaat in eenen veldflag Adad Koning van Damaskus en
Syrië , de Koning der Amathiten zoekt met hem in een verbond
te treeden. David brengt de Idumeërs onder; draagt zórg voor
Miphibofeth Jonathan zoon ; en zegt Hanen Koning der Arnmo-
niren, die zyne Gezanten fchandelyk mishandeld had , den oor-
lóg aan.
dad Koning van Damaskus en Syrië , een
^ groot vrind van Adrazar, verftaan hebben-
de dat David hem beoorlógde, toog hem met
een groot heir te hulpe. De veldflag wierdt ge-
houden dicht by den Eufrates ; Adad kreeg de
nederlaag, en verloor twintigduyzend mannen,
terwyl de óverige het met de vlugt ontquamen.
De Hiftorifchry ver Nikolaüs Ipreekt in \'t vier-
de boek zyner Hiftorië van deezen Koning al-
dus : Lang daarnaa regeerde de magtigfle van al-
le de Vórften van dat land, genaan^ Adad, te
\'harnaskm en over geheel Syrtè, uytgenomen Fe-
nicïé. Hy raakte in oorlóg met T>avid Koning der
Jooden , en wierdt naa verfcheydene gevechten
door hem overwonnen in eenen grooten veldÃagy
die by den Eufraat voorviel, alwaar hy daaden
deed eenen grooten krygsman en dapperen Koning
betaamende. Die zelfde Schryver Ipreekt ook
van de naakómelingen van dien Vórft, welke
naa hem regeerden, en van zyne dapperheyd niet
minder dan van zyn ryk, erfgenaamen waaren.
Aldus luyden zyne woorden : Raa den dood van
deezen Vorjty regeerden zyne afkomelingen y die
CJ
a\'
«
ï i\' \'i;
1 ïr- "
272.
I
274^.
zar
ö ~~ »^V\'tu vree-
zen, dathet geluk hem niet gunftiger zoude
zyn, zoi^t hy den Prins Adoram zfnen^ol
tot den Koning David, om hem wege^^T
overwinninge op hunnen gemeenen vyand hl
Iiaald, geluk te wenfchen,^en voortsL ver-
bond met hem te verzoeken, met aanbiedinge
van kóftelyke vaten van goud, zilver, en ko-
per, zeer raar gewrÃDht. David bewees dien
Prmfe alle eere die men aan den ftaat zyns va-
ders en den zynen fchuldigwas, tradtmethem
m een verbond gelyk verzócht wierdt, ont-
ving de gcfchenken en wydde die Gode roe,
nevens het goud dat hy in de veroverde fteden
gevonden had : want zyne gódvruchtigheyd
deed hem bezeffen dathy deg&lyke Ma^fteyt:
met genoeg kon danken , dewyl zy hem niet al-
leenlyk overwinnaar had gemaakt, wanneer hv
zelt in perfoon aan \'t hoofd van zyn heir op-
trok , maar ook wanneer hy door zyne Stede-
houders den oorlóg voerde } geJyk gebleeken
was m dien welken hy tegen de iduSeërs had
ondernomen onder t beftier van Abifaï Toabs
broeder, die hen tiiet alleenlyk naa het ver-
ftaan van achttienduyzend menfchen, on-
dergebragt^ynsbaar g^ maar hmeen
zeker hoofdgeld opgelegd had.
De hefde welke deeze Koning natuurlyk der
gerechtigheyd toedroeg, was zo groot, dathy
geene
ïö^ F L A V I à S JOSE P H U
deren zoud overgaan 5 en dat zyne naakómelin-
gen doorluchtig zouden zyn, ging zich aan-
llronds voor de Arke neêrwerpen om Gód te aan-
bidden , en hem te danken voor dat hy hem niet
alleenlyk van eenen geringen herder tót zulk een
groote waardigheyd verhoogd had > maar dat
hy die ook tót zyne naazaaten wilde doen over-
gaan j en dat zyne voorzienigheyd daarenboven
niet laaten zoude voor de welftand zyns vólks
te waaken , om het die vryheyd te doen genie-
ten, welke hy, door \'t zelve van de dienftbaar-
heyd te verlóftèn, voor hen verwurven had.
IC,
t
H
I
i
I\'\'
i:
V. H O O F D S T U K.
Groote overwinningen door David op de Philiftynen, de Moabiten,
en den Koning der Sophonicts behaald.
-sair/s P^uigen tyd daarnaa befloot David, die
\' " " \' â¢â â\' zyn leeven niet in leedigheyd wilde door-
brengen 5 maar zyn ryk doorrechtmaatige oor-
lógen vergrooten , en het zo magtig maaken
dat zyne kinderen \'t zelve in vreede zouden
konnen bezitten, gelyk Gód hem voorzegd
had, de Philiftynen te beoorlogen. Om dit te
doen, verzamelde hy alle zyne krygsbenden by
Jerufalem, trok hen tegen, overwon hen in ee-
nen grooten veldflag, en veróvërde een gedeel-
te van hun land , \' het welk hy aan zyn ryk
hechtte. Hy voerde ook kryg tegen de Moa-
biten, waarvan hy een groot getal verfloeg, en
den óverigen, die zich aan hem overgaven,
eene fchatting opleyde. Daarnaa beftreedt hy
de Sophoniërs, overwon in eenen veldflag by
den Eufrates Adrazar zoon van Araeh, hun-
nen Koning , verfloeg van zyn vólk twintig-
* Andere duyzend mannen te voet, en * vyfduyzend te
jjr paerde, en nam duyzend wagens , waaraf hy
\'er maar honderd behieldt, en de óverige ver-
brandde.
VII. BOEK. JOODSCH
P-eene vonnifTeH uytfprak, die niet rechtmaa-
ticr en billyk waaren. Hy had tót Veldoverfte
loab; tót bewaarder der gemeene gedenk-
fchnhtn Jofaphat zoon van Achil; tótgeheym-
ft:hryver zyner bevélen Sifan ; tot Hootdman
zyner lyfwacht, onder welke ook de oudfte
zyner eygene zoonen waaren, Banata zoon\\2.n
lóiada; en by Abiathar voegde hy in\'t Hooge-
priefterampt Sadok, wien hy een byzondere
zucht toedroeg, en die van \'tgeflacht vanPni-
neës was. . , , , t i
Naa dat hy alles aldus in orde gebragt had,
dacht hy aan\'t verbond met Jonathas gemaakt,
\' en de veele blyken welke hy van zyne vrind-
fchap ontvangen had; want onder andere on-
gemeene hoedaanighedenwas hy zeer dankbaar
van aardt: en daarom vernam hy of\'er niet
nóg iemand van zyne zoonen in \'t leeven was,
aan wien hy zich wegens de genootene weldaa-
den erkentelyk toonen konde. Men bragt hem
eenen van Sauls vrygelaatene geheeten
uyt welken hy vèrftondt dat\'er nog een der
zoonen van dien Prins, genaamd Mtphtbojeth,
óverig wasj dóch kreupel, vermids zyne voed-
fter, hem op de tyding van de nederlaag en
dood van Saul en Jonathas fchielyk willende
wegneemen , had laaten vallen. David deed
met groote vlyt verneemen waar hy zich ont-
hield, en verftaan hebbende dat Machir in de
ftad Labath hem opvoedde, beval hy hem te
haaien. Miphibofeth by hem gekomen zynde
viel voor hem neêr, en David beval hem goeds
moeds te zyn, beloovende hem een gunftig ont-
haal , met toezegginge dat hy hem in \'t bezit
zoude ftellen van alles wat zynen vader, en den
Koning Saul zynen grootvader , toêbehoord
had; voorts belaftte hy hem dagelyks aan zynen
tafel te komen eeten. Miphibofeth verblyd over
zo veele gunften, viel nóg eens aan\'sKonings
voeten , om hem daarvoor te bedanken : en Da-
vid beval aan Ziba de landeryen, welke hyaan
dien Prins wedergaf, te doen bebouwen, hem
jaarlyks de inkomften daaraf te Jerufalem te
brengen, en hem met zyne vyftien zoonen en
twintig ienaars te dienen. Aldus handelde hy
Jonathas zoon gelyk als óf hy zyn eygen zoon
o-eweeft waare, gaf den naam van Micha aan
eenen zoon die Miphibofeth kreeg , en droeg
daarenboven een byzondere zórg Voor de ande-
re bloedvrinden van Saul en Jonathas.
Nahas Koning der Ammoniten, vrind en
i Sam.io. bondgenoot van David, ftierf ontrent dien tyd,
en Hanon zyn zoon vólgde hem in de regee-
ringe : dies zondt David Gezanten om hem het
deel dat hyin zyne droefheyd nam te betuy-
gen, en hem van het vervólg der vrindfchap,
welke hy met den Koning zynen vader onder^
houdenhad, te verzékeren. Maar Hanons voor-
naamfte hovehngen lieten zich, door een ver^
keerd wantrouwen op David, voorftaan dat
dit gezantfchap niet was dan een voorwendfel
om den ftaat hunner krygsmagt te befpieden;
en zeyden daarom tót hunnen nieuwen Konii^ i
dat hy aan de Woorden van den Koning der
Ifraëliten geen geloof konde flaan, zonder zich
in groot gevaar te ftellen. De Vórft laatende
zich door dien quaaden raad leyden, deeddee-
E H I S T O R I. 1^3
zen Gezanten den baardhalf affcheeren, en hun-
ne kleederen tót op de helfte afliiyden ; en dit
fchimpig bedryf was het eenigfte antwoord dat
hy hen gaf David door dusdaanigen hoon,
waardoor zelfs het recht der vólkeren gefchon-
den wierdt, ten hoogften getergd, verklaarde
opentlyk dat hy die fmaad door de wapenen
wreeken zoude. De Ammoniten ondertuffcheri
zulks reeds te gemoet ziende, rufteden zich
ten oorlóg toe: hun Koning zondt Gezanten
aan Syrus Koning van Mefopotamië met duy-
zend talenten, om hemt\'zyner byftand te ver-
zoeken; de Koning voegde zich by henii
en deeze twee Vórften tzamen bragten twintig-
duyzend voetknechten byeen: twee andere
Koningen, de één van \'t land Micha , en de
ander genaamd Isboth, quamen insgelyk met
tweeëntwintig-duyzend mannen aan.
VII. HOOFDSTAK.
Joab Davids veldheer verflaat vier Koningen die Hanon Koning der
Ammoniten te hulpe gekomen waaren. David behaalt een groote
overwinning op den Koning der Syriers : hy verlieft op Bethfabë,
doet haar haaien, cn is oorzaak van den dood van Uiia haaren
man. Hy trouwt Bethfabé. Gód befttaft hem over zyne zonde
door den Profeet Nathan : hy toont berouw daarover. Aniinon
Davids oudfte zoon fchendc zyne zufter Thamar, en Abfalora
haar broeder doodt hem.
T^Eeze groote toebereydfelen der Ammoni-
ten, en de tzamenkomft zo veeier Konin-
gen verbaafden David niet, omdat de oorlóg,
dien hy ondernam om dien grooten hoon te
wreeken, zeer rechtvaerdig was. Hy zondt
zyne befte krygsbenden tegen hen onder \'t ge-
leyde van Joab, die zonder tyd te fpillen de
hoofdftad hunnes lands genoemd Rabath ging
belégeren. Daarop toogen de vyanden ter
ftad uyt om hem te bevechten, en deelden hun
heir in twêën. De hulptroepen ftelden zich
in flagórde in eene vlakte ; en de Ammoniten
legerden zich dicht by hunne muuren recht te-
gen over de Ifraëliten. Joab deelde toen zyn
heir ook in twêën, trok met zyne uytgeleezene
benden tegen de Koningen die Hanon ter hul-
pe gekomen waaren, en gaf de andere aan het
gebied van Abifaï over om den Ammoniten
\'t hoofd te bieden , met bevél van hem by te
ftaan indien hy quame te wyken, gelyk hyhem
byfpringen zoude indien de Ammoniten hen
te fterk waaren : voorts vermaande hy hem zo
dapper te ftryden dat men hem niet konde ver-
wyten geaerzeld te hebben. De vreemde Ko-
ningen wederftonden den eerften aanval vah
Joab met groote kloekmoedigheyd; maar eyn-
delyk zeer veele van de hunne verlooren heb-
bende , namen zy de vlugt. De Ammoniten
zulks ziende durfden met Abifaï niet tót hand-
gemeenfchap komen , dies keerden ze weder
in hunne ftad, en Joab toog zeeghaftig te rug-
ge na zynen Koning te Jerufalem.
Alhoewel dit verlies dèn Ammoniten hunne
zwakheyd had doen zien, echter wierden zy\'er
niet wyzer door, nóehre konden zy beftuyten
zich ftft te houden : i^^ar zonden eenige aan
Ghalama Koning der Syriërs, die aan gene zyde
van den Eufrates woonen, om zyne krygsben-
den in hunne fóldy over te neemen. Hy zondt
hen daarop tachtigduyzend voetknechten en
tienduyzend paerden , onder het bevél van Sd-
\' X 2
F L A V I U S
bak zynen Veldliêer. David ziende zyne vyan-
den zo fterk, wilde den oorlóg niet langer door
zyne Veldoverften voeren , maar befloot zelf
in perfoon op te trekken j dies toog hy over
den Jordaan na hen toe, leverde hen flag, over-
won hen, verfloeg op de plaats veertigduyzend
mannen te voeten zevenduyzend te paerde j en
Sobak de Veldoverfte van den koning Chalama
ontving eene wonde waaraan hy ftierf. Zulk
een roemryke overwinning vernederde den hoog-
JOSEPHUS
VII. Boek.
moed der Mefopotamiërs, zo dat zy gezanten
aan David zonden met gefchenken om de vreede
van hem te verzoeken. Dewyl nu de winter op
handen quam , keerde hy weder na Jeruialemj
dóch zo dra de lente gekomen was zondt hy
Joab om den kryg tegen de Ammoniten te ver-
vólgen : deez verwoeftte hun ganfche land j en
belegerde ten anderen maale Rabath hunne
hoofóftad.
Inmiddels gebeurde het dat deeze zo recht^
vaerdige en gódvruchtige Koning, die zo yverig
was in de onderhoudinge van de wetten zyner
vaderen, in een gropte zonde verviel: want des
avonds vólgens zyne gewoonte op een hooge
gallery van zyn paleys wandelende, zag hy in
een nabygelégene huyzinge eene vrouw gehee-
tcn Bethfabé die zich baadde, en zo uytftee-
kend fchoon was, dat hy zyne zucht tót haar
niet kon beteugelen. Hy ontboodt haar der-
halve en befliephaar: zy eenigen tyd daarnaa
bemerkende dat ze. zwanger was, verzócht
hem op een middel bedacht te weezen om haar
van den dood, \'die door Góds wet tegen de over-
Ipeelereflèn ingefteld was, te redden. David
om dit in \'t werk te ftellen, deed Joab bood-
fchappen dat hy hem XJria Bethfabes man zou
zenden : en wanneer die gekomen was, on-
dervraagde hy hem omftandiglyk naar den ftaat
des belegs i en kreeg tót antwoord dat alles
zeer wel ging. Hierop zondt David hem tót
zyn avondmaal eenige gerechten van zynen ta-
fel, en liet hem zeggen] dat hy t\'huys zou
gaan flaapen. Maar Uria in plaats van te ge-
hoorzaamen bragt den nacht by de lyfwachten
over. David dit verftaan hebbende, vraagde
hem waarom hy naa zo een lang afweezen
zyne huysvrouw niet was gaan bezoeken de-
wyl niemand van de reyze t\'huys komende ge-
woon was anders te doen. Dóch hy antwoord-
de , dat vermids zyn Veldheer en zyne fpits-
broeders in het leger op \'t veld fliepen , hy
niet geacht had dat het hem voegen zoude zyn
gemak te neemen , en zich met zyne vrouw te
vermaaken. David beval hem derhalve dien
dag te blyven, dewyl hy hem niet voor s\'ande-
rendaags weêr heene kon zenden, en tegens
den avond noodde hy hem by zich ter maaltyd ,
en deed hem luilig infchenken, opdat hy door
den drank vrolyker dan gewoonte, luft zoude
krygen om by zyne vrouw te flaapen. Maar
hy bragt dien nacht al weder voor de deur van
\'s Konings kamer by de lyfwacht over. David
moeilyk dat hy niets op hem had konnen win-
nen , fchreef aan Joab dat, om hem over zé-
kere misdaad die hy begaan had te ftraftèn, hy
hem aan eene poft zoude ftellen alwaar het
grootfte gevaar was, en dan bevél geeven dat
elk hem verliet^, opdat hy alleen blyvende
\\ niet :z;ou konnen ontkomen. Deezen brief
geflooten en met zyn zegel verzegeld, ftelde
hy Uria ter hand 5 en Joab had hem zo dra niet
ontvangen, éf hy beval Uria met eenige zyner
dapperfte krygsmannen eenen aanval te doen
op eene plaats die hy wift ééne der ge vaarlykftc
te zyn > en hy verzekerde hem dat zo dra hy
eenige ópening op de muur zou gemaakt heb-
ben, hy hem met het ganfche heir zoude vol-
gen om\'er door te breekenj vermaanende hem
voorts door zyne kloekmoedigheyd de achting
die de Koning voor hem had^ enden goeden
naam door hem reeds verwurven j te beantwoor-
den. Uria nam dien hachlyken laft met blyd-
fchap aanj en Joab beval heymelyk dengenen
die
27I).
X- Sam.
] 1.
E HISTORI. löf
eenen droom dat hy hem fcherpelyk deswege
beftraftèn zoude. Dewyl deeze Frofeet een
zeer wys man was, en wel wift dat de Konin-
gen , als hunne driften de overhand hebben,
het recht weynig gade flaan, achtte hy dat om
\'s Konings luym te ondertaften , het beft waa-
re zachtelyk tót hem te Ipreeken , eer hy tót
de bedreygingen quam welke Gód hem bevolen
had te doenj dies fprak hy hem aldus aan:
In zékere ftad waaren twee inwooners, welker â
één zeer ryk was, en veel vees bezat j de an-, â
der daarentegen was zo arm dat alle zyne ,,
haave in een eenig fchaapje beftondt, het â
welk hy zo lief had , dat hy \'t niet minder â
dan éénen zyner kinderen bezórgde met dat
weynigje broods \'t welk hy had. \'t Gebeur-
de eens dat deezen ryken een gaft overquam
maar in plaats van hem iets van zyn eygen vee â
voor te zetten, deed hy \'t fchaap van dien
armen man met geweld neemeri en flagten,
en onthaalde hem alzo op eens anders kóften.
David door deeze groote onbillikheyd bewoo-
gen , zeyde dat die man een fnood menfch was,
en dat hy \'t geroofde vierdubbel d behoorde te
vergoeden, en daarenboven, met de dood ge-
ftraft te worden. ,, Gy hebt u zeiven, hernam
de Profeet, veroordeeld, en een rechtmaa-â
tig vonnis geftreeken over een ftrafwaerdige
misdaad die gy zelf begaan hebt. Voorts
ftelde hy hem voor oogen, hoehy den toorn
en verbólgenheyd van dien Gód op zich ge-
haald had , die door een ongemeene gunft
hem tót Koning over zyn vólk aangefleld,
hem overwinnaar veeier vólken gemaakt, zy-
ne heerfchappy verre uytgeftrekt, en hem
voor alle de belaagingen van Saul behoed had.
Dat het een gruuwelyke zaak was j dat hy,
die veele vrouwen bezat, zich tót zulk een
wreed en gódloos geweld had laaten vervoe-â
ren, dat hy eens anders huysvrouw na zich â
nam, en haaren man deed ombrengen door hem ,,
aan zyne vyanden over te léveren. Maar dat â
Gód een rechtvaerdige wraak over hem oe- ,5
fenen, en toelaaten zoude dat één zyner ey- â
gene zoonen zyne vrouwen in \'t gezigt van â
al de werreld zou misbruyken, en de wape- â
nen tegen hem opneemen, om hem opentlyk â
te ftraffen voor de misdaad die hy in \'t hey-
melyk begaan had. Waarby hy nóg voegde, â
dat hy \'t verdriet zoud hebben van het kind, â
de rampzahge vrucht zyns overfpels , te â
zien fterven." David door deeze dreygemen-
ten verfchrikt, borft uyt in traanen , en zyn
hart van droefheyd doorgriefde bekende en be-
leedt de grootheyd zyner zonde: want hy was
een rechtvaerdig man, die uytgenomen deeze
misdaad geene andere misdreeven had. Gód
door zyn groot berouw bewoogen, beloof-
de hem in \'t leeven en in Y bezit zyns Konino--
ryks te bewaaren, en zyne zonde te vergeeten
naa dat hy \'er boete over gedaan zoud hebben.
Maar vólgens \'t gene de Profeet hem voorzegd
had, bezócht de Heere\'t kind dat hy by Bethfa-
bé had geteeld, met een zwaare ziekte. De over-
groote liefde welke David der moeder toedroeg,
trof hem met zulk een fmartelyke droefheyd,
dat hy zeven dagen zonder eeten in rouwe door-
X 3 bragt^,
die hem vergezelfchapten, dat zy hem verlaa-
ten en wyken zouden, zo dra zy zagen dat de
vyanden op hem aanvielen. De Ammoniten
zich dus aangetaft ziende, en Voor \'t gevólg
beducht, deeden met hunne dapperfte mannen
eenen grooten uytval: maar Ãrids makkers
hielden geen lland, uytgenomen eenige wey-
nige die van \'t geheym niet wiften. Uria als-
toen hen door zyn voorbeeld toonende dat den
dood boven de vlugt te ftellen was, bleef pal
ftaan, wederftondt het geweld der vyanden,
doodde veele van hen; en naa alles gedaan te
hebben wat men van eenen der dapperfte krygs-
lieden verwachten kon, vondt hy zich eynde-
lyk van alle kanten omringd en met wonden
doorboord, en ftierf aldus eenen roemruchti-
gen dood met die weynige welke zyne dap-
perheyd en deugd naavólgden. Joab zondt aan-
ftonds iemand om den Koning te boodfchappen,
dat dewyl het lang belég hem begonnen had te
verdrieten, hy het raadzaam geoordeeld had
eenen zwaaren ftórm te doen> maar dat zulks hem
niet gelukt was, doordien de vyanden denzel-
ven zo wakker afgeflagen hadden, dat hy met
groot verlies der zynen had moeten wyken:
voorts belaftte hy den boode , dat indien de
Koning zich gram toonde over den quaaden
uytflag , hy hem dan verder verhaalen zoude
dat Uria één van die was geweeft weke in
den aanval gefneuveld waaren. \'t Gebeurde
zo gelyk hy ftaat gemaakt had: want David
zeyde geheel verftoord dat Joab eenen grooten
misflag begaan had, met eenen aanval te bevee-
len aleer hy het ftórmtuyg gebruykt had om
eene brefte te maaken: dat hy behoorde gedacht
te hebben aan Abimelech Gedeons zoon , die
alhoewel een ftrydbaar man, zyn leeven op een
fchandelyke wyze verloor, wordende door eene
vrouw gedood, omdat hy roekelooslyk den
toren van Thebes met geweld had willen be-
magtigen: en dat men zich quaalyk aan ande-
re krygshelden fpiegelde, wanneer men dezelf-
de feylen beging die zy begaan hadden j in
plaats van die daaden naa te vólgen waarin zy
voorzigtigheyd en een goed beleyd betoond
hadden. Joabs boode den Koning aldus heb-
bende hooren fpreeken, begon te vertellen dat
Uria in \'t gevecht gefneuveld was. Ter-
ftond ftilde des Konings gramfchap, zo dathy
van taal veranderende, beval aan Joab te zeggen,
dat men zich over den quaaden uytflag in den
oorlóg niet moft verwonderen, maar zulks aan
\'t lót der wapenen , dat juyft niet altoos gun-
ftig is, toefchryven; en dat hy dit ongeluk tót
eene waarfchouwinge neemende, het belég met
meer zekerheyd móft voortzetten , door het
opwerpen van fchaiifen , en \'t gebruyken van
ftórmgereedfchap , om zich alzo meefter van
de plaats te maaken j en dat hy die ingenomen
hebbende, haar zoude uytroeijen, en de in-
wooners verdelgen.
Bethfabé beweende middelerwyle haaren man
eenige dagen j en toen de tyd der rouwe ver-
ftreeken was, nam David haar ten wyve ? cnzy
verlófte niet lang daarnaa van eenen zoon.
Gód aanfchouwde dit bedryf van David met
een oog van gramfchap, en beval Nathan in
5)
5 ïs
55
55
55
55
3)
ÃJ
3Ã
35
JJ
»
J3
»
35
}3
280.
\'i. Sam.
II.
l
l\' tl
i.
FLA VlUS J OSE PH U S
ïóö
Vil Boek.
bragti zieh met eenen zak bekleedde, ter aar-
de néêrgeftrekt bleef leggen, en onophoudelyk
om de wederopkomft deezes kinds Gód badt.
Maar zyn gebéd wierdt niet verhoord , en het
kind ftierf den zevenden dag. Niemand der
zynen durfde hem deeze tyding brengen, uyt
vreeze dathy, die reeds zo bedroefd was, nóg
hardnekkiger het nuttigen van fpyze zoude wey-
geren , en de zórg zyns hghaams t\'eenemaal
verwaarloozen; naardien men reden had te ge-
looven , dat dewyl de ziekte van dit kind hem zo
veel droefheyd veroorzaakt had, deszelfs dood
hem nóg veel meer ter harte gaan zoude. Da-
vid bemerkte uyt de ontroerdheyd van hun ge-
laat, het gene dat zy voor hem poogden te ver-
bergen i en vermoedende wat \'er van de zaak
Vv\'as , vraagde hy \'er iemand na, en vèrftondt
aldus den dood des kinds Aanftonds rees hy
o verend, waft:hte en verkleedde zich, en beval
dat men hem fpyze voorzetten zoude. Zyne
vrinden en dienftbooden over zulk een fchiely-
ke verandering verwonderd, verzóchten dathy
hen de reden daarvan wilde zeggen. â Kont
5, gy niet begrypen, zeyd hy, dat zo lang het
â kind in \'t leeven was, de hoope van zyne
â behoudenis van Gód te verwerven, my alle
3, poogingen deed aanwenden om hem te be-
,, weegen ? dóch nu het gefturven is, zouden
â myne droefheyd en klagten onnut weezen."
Dit verftandig antwoord maakte dat men lóftyk
van zyne wysheyd fprak, en Bethfabé baarde
eenen tweeden zoon, die Salomon genoemd
wierdt.
Ondertuftchen zette Joab het belég van Ra-
bath voort, verbrak de waterleydingen, en be-
lette dat \'er eenige leeftógt in de ftad gebragt
wierd : Aldus vonden de inwooners zich zeer
van honger en dorft gepraamd , omdat hen
niet dan één put was overgebleeven , die hen
op verre ni niet waters genoeg kon uytléveren.
joab fchreef toen aan den Koning, en verzócht
\'hem met zyn heir te komen, om zelf de eere
van het inneemen en veró veren der ftad te heb-
ben. David prees zyne zucht en getrouwheyd,
toog met verfche benden na \'t belég toe , be-
magtigde de plaats met geweld, en gafze aan
zyn krygsvólk ten roof De buyt was zeer groot,
en hy vergenoegde zich met voor zyn deel te
neemen de goudene kroon des Konings der Am-
moniten , die een talent woog , en met veele
kóftelyke gefteenten, onder welke een Sardo-
nix van zeer groote waarde uytmuntte , ver-
cierd was. Voorts deed hy alle de inwooners,
zonder iemand te verfchoonen, door verfchey-
denerley pynigingenombrengenj en handelde de
andere fteden van dat land, welke hy ook ftór-
menderhand innam, niet zachter.
z8i.
Toen hy naa zulk een roemruchtige verove-
ringe weder te Jerufalem gekomen was , we- ^
dervoerd hem een zwaar ongeval, waaraf de
oorzaak aldus was. De Prinfès Thamar zvne
dóchter overtrof in fchoonheyd alle de andere
dóchters en vrouwen van haaren tyd: en Am-
mon Davids oudfte zoon wierdt zo fmoorlvk
op haar verliefd, dat hy zyne drift niet kon-
nende voldoen, omdat zy zeer naauw bewaard
wierdt, in zulk een quyning verviel, dat hy ge-
heel uytteerde, en naauwlyks meer kenbaar was.
Jonathas zyn neef en byzondere vrind , was
doorzigtig genoeg om te oordeelen dat die quaal
uyt diergelyk een oorzaak Iproot, des drong hy
hem te zeggen wat \'er van de zaak was. Am-
mon bekende voor hem de liefde welke hy
zyner zufter toedroeg5 en Jonathas, gaf hem
eenen raad welken hy in \'t werk ftelde. Hy
veynsde zich heel krank te zyn, leyde zich te
bedde, en verzócht den Koning zynen vader,
toen die hem quam bezoeken, dat hy hem zy-
ne zufter Thamar wilde zenden. Zo dra zy
gekomen was, badt hy haar dat zy eenige koe-
ken voor hem wilde bakken, zeggende dat hy
die van haar handen toebereyd veel hever zou
de eeten. Zy deed het opftaandevoet, en brao\'t-
ze hem 3 toen verzócht hy haar dat zyz^ \'m zyn
282.
Sara.15.
ver-
m BOEK. JOODSGHE
Vertrék wilde brengen, omdat hy zich wilde|
te üaapen leggen , ,en bevai daarop al zyn vólk j
ter kamer uyt te gaan. Thans ftondt hy op^ j
ging na \'t vertrék alwaar Thamar alleen was,
ontdekte \'haar zyne minnedrift , en beftondt
haar kracht en geweld te doen. Straks zette
zy\'top het fchreeuwen, en zeyd hem alles wat zy
kon, om hem van dit fnood bedryf, zo fcha n-
delyk voor \'t koninkiyk geflacht, af te wenden;
en ziende dat alle haare rédenen niets op hem
vermogten , badt zy hem dat indien hy zyne
geyle drift niet kon overwinnen , hy haar dan
ten minften van den Koning zynen vader ten
huuwelyk zoude verzoeken. Dóch Ammon ^
reeds door de dulle woede zyner minne Ver-1
voerd , had geene ooren om naar haar te luy-
fteren , maar verkrachtte haar, onaangezien al-
le tegenweer die zy deed: en door de zeldzaam-
fte verandering waarvan men nooit gehoord j
heeft, tradt hy in een oogenblik daarnaa uyt die j
brandende zucht welke hy tót haar had, over in \'
zulk een grooten haat , dat hy haar met fcheld-
woorden bejegende, en beval te Vertrekken\'.
Zy verzócht te wachten tót dat het avond ge- |
worden was , om de fchande te ontvlieden van |
by klaaren dag voor de oogen van al de werreld |
te verfchynen, naa het bitterfte leed dat \'er wee-1
zen kon, uytgeftaan te hebben. Maar hy wey- |
gerde haar zulks toe te ftaan , en deed haar ter j
deure uytftooten. Deeze Prinfés van droef-
Andere heyd overftclpt, nam haaren * fluyer, die vól-
gens \'t gebruyk van \'s Konings dóchteren op
de aarde fleepte, fcheurde hem aan flarden,:
ftrooide aflche op haar hoofd , en ging alzo
midden door de ftad , maakende door huyien
en kryten het geweld dar haar aangedaan was |
ruchtbaar. Abfalom, wiens volle zufter zy was, \\
haar in deezen ftaat ontmoet, en de oorzaak j
van haare wanhoop verftaan hebbende , deed |
al wat hy kon om haar te trooften , en zy bleef j
eenen langen tyd by hem woonen zonder te trou-
wen. Deeze verfoeijelyke daad tróf David zeer
gevoeliglyk maar vermids hy Ammon , omdat
hy zyn oudfte zoon was , een groote liefde toe-
droeg , kon hy niet befluyten hem te ftraften
gelyk het feyt verdiende. Abfalom ontveyns-
de zyne wraakzucht, en behieldt eenen wrók
in zyn hart ter tyd toe dat hy zich naar de groot-
heyd der misdaad zou konnen v/reeken. Aldus
verliep \'er een jaar, en wanneer hy toen na Bel-
zephon in de ftamme Ephraims ftondt te gaan ^
om zyne fchaapen te doen fcheeren , noodigde
hy den Koning zynen vader en alle zyne broe-
ders op een gaftmaal dat hy voor hen wilde aan-
rechten. Dóch dewyl David deeze noodiging
affloeg\' en niet wilde dat hy ^zulk een groo-
te kofte doen zoude, verzócht Abfalom dat
hy hem dan ten minfte de gunft wil^ doen
van \'er alle zyne broeders te zenden. De Ko-
ning ftondt hem dit toe ; waarop zy daar qua-
men , en toen Ammon door den drank begon
vrolyk te worden, deed Abfalom hem vermoor-
den.
k
Rok
VUL H Ã O F D S T U K.
Abfalom yluct na Gefur. Drie jaaren daarnaa verwerft Joab van
David dat by mogt wederkeeren, Hy wint de geneegenheyd des
HISTORI. iéy
voiks } gaar naa Hebron, wordt voor Koning uytgeroepen, en
Achifophei kieft zyne zyde. David verlaat ferufalem om aan ge-
ne zvde Van den Jordaan tc wyken. Getrouwhevd van Chufaien
de Hoogepriefters. Boosheyd van Ziba. Schrikkelyke moedwil
van Sitnci. Abfäiom begaat een fnood fchelmïluk door Achito-
phels raad.
Eeze moord van Ammon verbaasde alle de
andere van Davids zoonen zo geweldig,
dat zy te paerde fteegen , en met lóffen toom
na den Koning -hunnen vader renden. Dóch
zy waaren de eerfte niet die hem deeze tyding
bragten j een ander had meer fpoed gemaakt 3
en hem gezegd dat Abfalom alle Zyne broeders
had doen dooden. Het verlies van zo veele
kinderen , en dat door zulk een gruuwelyke
misdaad , gepleegd door éénen van hen , door-
boorde Davids hart, en ftortte hem in zulk een
bittere rouwe , dat hy , zonder nader bevefti-
ging dier maare af te wachten , zich t\'eenemaal
aan de droefheyd overgaf, zyne kleederen
fcheurde , zich ter aarde wie^p , in een heevig
gekryc uytborft, in traanen fmolt, en niet alleen-
lyk zyne doode zoonen beweende, maar ook hem
die hen omgebragt hadde. Jonathas zyn neef,
zoon van Samma , zeyde om hem te trooften 3
Dat fchoon hy reden had om te gelooven dat
Abfalom zich tót die daad had laaten bewee-
gen uyt een gevoel van den hoon zyner zufter
aangedaan; daar echter weynig fchyns w^as dat
hy zyne handen met het bloed zyner andere
broederen zoude bezoedeld hebten". Onder
dit fpreeken hoorde men een groot gedruys van
mannen te paerde , en daarop zag men Davids
zoonen verfchynen. Deeze bedrukte vader zien-
de tegen zyne hoppe dat die welke hy meende
dood te zyn nóg leefden , liep toe om hen te
omhelzen, mengde zyne traanen met de hunne,
en Zyne droefheyd over \'t verlies van éénen zy-
ner zoonen, met hunne droefheyd over \'tmiflèn
van éénen hunner broederen. Middelerwyl was
Abfalom na Gefur geweeken by zynen moeder-
lyken grootvader, die Heer van die plaats was5
en hy woonde aldaar drie jaaren.
3»
}»
3i
})
33
I I
II
â ji-i
üi:!
: I
: I
!
Toen Joab naa\'t verloop van dien tyd zag dat ^^
des Konings toorn bedaard was , en dat hy ge- 14.
maklyk te^ beweegen zou zyi? om Abfalom te
doen wederkomen , bediende hy zich van dee-
zen lift om hem daartoe te overreeden. Hy zondt
aan den Koning eene oude vrouw , die zig ge-
liet zeer bedrukt te weezen, en tot hem zeyde.
Dat haare twee zoonen tzamen op het veld in
krakkeel geraakt zynde , het zo. hoog geloo-
pen was dat van woorden tót flagen komen-
de , de één den anderen had gedood, en dat
de daader door \'t gerecht vervólgd wierdt,
om hem ook te doen fterven. Dat zy zich
J3
9>
»}
3S
33
33
3»
33
lie-
33
derhalve op \'t punt zag van beroofd te wor-
den van den eenigften fteun, die haar in haa-
ren ouderdom nóg óverig was ^ en dat zy in
dien nood geen andere uytvlugt hebbende
dan de goedertierenheyd zyner majefteyt, hem
\' badt haaren zoon vergiftenis te verleenen. ^^
David beloofde haar zulks , en daarop vervólg-
de zy aldus ; â Ik ben ten hoogften, Heer â
Koning, aan u verpligt voor dit groot mede- â
lyden met mynen hoogen ouderdom, en den â
ftaat waartoe ik gebragt waare, indien ik\'t
eenigfte kind, dat my nóg óverig is zoude ver-
X4
FLAVIUS JOSEPHUS.
VII Boek,
i68
liezen. Maar indien gy wilt dat ik aan de uyt-
werking u wér goedheyd niet twyfele, dan moet
gy, zo \'t 11 beheft, eerft uwe gramfchap te
gen den Prins uwen zoon laaten vaaren , en
hem in genade aanneemen. Want hoe kan
ik my verzekerd houden dat gy mynen zoon
zyne misdaad vergeeven zult ^ indien gy den
3, uwen diergelyk een misdryf niet vergeeft?
En zoud het eene zaak zyn met uwe wys-
heyd beftaanlyk , vrywillig het verlies van
éénen uwer kinderen te voegen by het fmar-
telyk j dóch onvergoedelyk verlies van eenen
_ anderen zoon ?" Dit vertoog deed den Ko-
ning oordeelen dat deeze vrouw van Joab uyt-
gemaakt was j en hy vraagde haar óf zulks niet
alzo waare. Zy antwoordde ja j en daarop ont-
boodt hy Joab, cn zeyde tót hem, dat hy zyn
verzoek inwilligde , en Abfalom zyne misdaad
vergaf, zo dat hy vry mogt wederkeeren. Joab
viel voor hem neêr, cn aanftonds vertrekken-
de, bragt hy Abfalom weêr te Jerufalem. Dóch
de Koning deed hem weeten dat hy zich niet
voor hem zoud hebben te vertoonen , dewyl hy
nóg niet in ftaat was om hem te zien. Weshalve
hy, om dit bevél te gehoorzaamen, twee jaaren
op zichzelven als een ampteloos man leefde,
zonder dat het verdriet van zich niet vólgens zy-
ne hooge geboorte gehandeld te zien , iets van
zyn goed gelaat verminderde 3 want hy was zo
fchoon en welgemaakt van leeft, en zo groot van
geftalte, dat niemand hem gelyk was. Hy had
ook zulk een hoofd vol haairs, dat wanneer men
«Andere\'t hem om dc acht * maanden affchoor, het
hkelen, dat is vyf t ponden,
Mnas. woog. Twcc jaatcu leefde hy dus te Jerufalem
en kreeg in dien tyd drie zoonen en eene dóch-
ter. Dóch daarnaa niet langer konnende dul-
den uyt \'s Konings tegenwoordigheyd gebannen
te zyn, deed hy Joab verzoeken dat hy een goed
woord voor hem wilde doen om zynen vader te
moogen zien : dóch geen antwoord ontvangen-
de ftak hy de brand m zékere hoeve die hem toe-
behoorde. Joab ging terftond na hem toe om té
vraagen wat hem daartoe bewoogen hadde 3 en
hy antwoordde, dat het was om hem te nood^
zaaken dat hy tót hem quame^ vermids hy\'t niet
anders had konnen te wege brengen , en dathy
hem badt zyne verzoening by den Koning tc wil-
len uytwerkcn 5 naardien zyne ballingfehap hem
draagelykcr viel, dan \\ verdriet van zich al-
toos m zyne ongenade te zien. Joab wierdt door
zyne droefheyd zo bewoogen , en ftelde dic op
zulk een bewecglyke wyze aan David voor, dat
hy laft kreeg om Abfalom te haaien. Decz ge-
komen zynde viel zynen vader te voet, cn badt
hem om vergiffenis. David ftondt hem die toe
en beurde hem op. Naa dat de pays aldus rc- \'
maakt was, begon hy terftondt eenen groofen
Itaat te voeren : en behalven de paerden cn wa-
gens welke hy hieldt, beftondt zyne lyfwacht
uyt vyftig perfoonen. Nademaal zyne ftaat-
zucht geene paaien had, ontwierp hy eenen toe-^
leg om den Koning zynen vader den voet te hg-
ten , en zichzelven ten rykstroon in te drino-en:
en om hiertoe te komen , lief hy niet naa zich
alle mórgens in\'t paleys te laaten vinden, alwaar
hy degénen die hunne rechtzaak verlooren had-
den trooftte, en tót hen zeyde, dat zulks tcwy-
ten was aan de quaade raatslieden des Konings 3
cn ook aan hemzelven , dewyl hy zich in zyn
oordeel bedroog. Eyndelyk wanneer hy zich
van de geneegenheyd des vólks verzekerd hieldt,
verzócht hy in \'t vierde jaar na zyne verzoening^
verlóf van den Koning om na Hebron te gaan
tót het volbrengen eener gelofte die hy geduuren-
de zyne ballingfchap gedaan had. Daar gekomen
zynde deed hy zulks het ganfche land door wee-
ten 5 waarop men van alle kanten tót hem quam.
Achitophel, die van Gilon en één van Davids
Raaden was , quam \'er ook, nevens tweehon-
derd inwooners van Jerufalem , die echter niet
anders beoogden dan dat feeft by te woonen. Al-
dus gelukte Abfaloms toeleg hem naar wenfch,
want hy wierdt van alle tót Koning verkooren.
David
i)>
33
Si
33
33
33
33
33
33
33
VII. Boek.
David ontroerd, gelyk men denken kan, over
de ftoutheyd en gódloosheyd van zynen zoon,
die naa de vergiftenis hem van z^ne groote mis-
daad toegeftaan, zynen vader nóg het leeven,
en \'t Ryk dat Gód zelf hem verleend had, wil-
de beneemen, befloot zich na de vafte plaatfen
aan gene zyde van den Jordaan te begeeven, en
\'t oordeel zyner zaake Gode te beveelen. Hy
liet derhalve de bewaaringe van zyn paleys aan
tien zyner by wy ven, en vertrok uyt J erufalem,
gevólgd van een groote menigte van menfchen
die niet befluyten konden hem te verlaaten, en
van die zeshonderd mannen , welke toen Saul
hem vervólgde , hem altoos by geblee ven waa-
ren. Sadok en Abiathar Hoogepriefters , en
alle de Leviten wilden insgelyks met hem gaan,
en de Arke medeneemen: maar hy riedt hen te
blyven , op hoope dat Gód niet laaten zoude
zonder die hulpe zórg voor hem te draagen 5 en
hy verzócht alleenlyk van hen, dat zy door ge-
trouwe perfoonen hem heymelyk bericht wilden
geeven van \'t gene\'er omging. Jonathas zoon
van Abiathar, en Achimas Sadoks zoon, bewee-
zen hunne getrouwheyd ook op dat voorval 5
en Etheïde Ghethiter betoonde hem zulk een ge-
neegenheyd , dat hoewel de Koning hem beval
te blyven, hy \'er echter niet toe verftaan wilde.
Toen deeze Vórft met bloote voeten den
Olyf berg beklom, en dat aüe die hem verzelden
traanen ftorteden, wierdt hem verhaald dat A-
chitophel, door een fchrikkelyke trouwloos-
heyd, tót Abfalom overgegaan was. Ditflnart-
te hem meer dan iets anders , omdat hy Achi-
tophels groote bequaamheyd kende; en hy badt
Gód niet te willen gedoogen dat Abfalom ge-
loof aan hem floeg , en zynen raad vólgde.
Toen hy boven op den berg gekomen was, be-
fchouwdehy Jerufalem, en ftortte eenen vloed
van traanen, doordien hy \'t verlies van zyn Ko-
ningryk , en \'t vertrék uyt deeze voornaame
plaats dieser de hoofftad van was , even ge-
lyk fchatte. Chufaï\'i één zyner getrouwfte cEe-
naaren , quam met gefcheurde Meederen , en
aflche op zyn hoofd, byhem. David poogde
hem nóg te trooften > cn zeyde hem dat de
grootfte dienft dien hy hem nu kon doen , was
tót Abfalom te gaan, onder fchyn van zyne zy-
de te willen kiezen, om alzo zyne voornee-
mens te doorgronden, en Achitophels raadfla-
oen te wederftaan. Chufaï derhalve om hem
te gehoorzaamen begaf zich na Jerufalem , al-
waar Abfalom kort daarnaa ook aanquam.
David wat voortgetrokken zynde, quamZi-
ba , dien hy Mephibofeth toegevoegd had om
zórg voor zyn landgoed te draagen , by hem,
met twee ezels gelaaden met eetwaaren , welke
hy hem aanboodt. De Koning vraagde hem
waar Zyn meefter was i en hy antwoordde dat
hy te Jerufalem was gebleeven , op hoope dat
in zulk een groote verandering de gedachtenis
van den Koning zynen grootvader hem tót Ko-
ning mogte doen verkiezen. Dit valfch bericht
vertoornde David dermaate, dathy dien fchelm-
fchen menfche al Mephibofeths goed gaf, zeg-
gende dat hy de bezitting daarvan beter ver-
diende dan de ander. ^
Toen David dicht by de plaats genoemd Ba-
chor * gekomen was, ontmoette hem Simety zoon *
van Gera, Sauls bloedverwant, die hem niet
afleenlyk metfcheldwoorden te keerging, maar
ook met fteenen gooide. En ziende dat zy di@
by den Koning waaren, hem voor zyn wer-
pen poogden te befchutten, vermeerderde zy-
ne woede indiervoege, dat hy uyt al zvne magt
riep 5 â Dat David een bloedhond , en oor- â
zaak van zeer veel quaads was : dat hy Gód
dankte, omdat hy toegelaaten had dat zyn
eygen zoon hem ftrafte over de misdaaden â
welken hy tegen Saul zynen Koning en Heer â
had begaan. Gaa, Zeydhy, gaa uyt dit land,,,
gy booswicht en vervloekte als gy zyt.\'\' Abi*
faï deeze fchrikkelyke moetwil niet konnende
dulden, wilde hem dooden. Maar David weêr-
hieldt hem , zeggende , âdat detegenwoor- â
dige onheylen hen genoeg behoorden te zyn, ,,
zonder aanleyding tót nieuwe te geeven. ,,
Hierom is \'t, vervólgde hy, dat ikmy \'t ge-
zég deezes mans niet bekreune. Ik merk
hem maar aan als eenen dullen hond , en ik ^^
ftaa gelaaten in Góds wille, die hem gezoh- â
den heeft om my te vloeken. Want wat be- â
hoeft men zich te verwonderen dat hy my â
fcheldt, daar myn eygen zoon zich opent-,,
lyk mynen doodvyand durft verklaaren â
Maar Gód is te goedertieren dat hy my niet,,
eyndelyk met een oog van ontferminge zoud â
aanfchouwen , en te rechtvaerdig om de ,,
aanflagen der gener die myn verderf zoeken ,,
niet te verydelen." Deeze deugdzaame Ko-
ning aldus fpreekende vervólgde zynen weg,
zonder zich aan Simeis fcheldwoorden te laaten
gelegen zyn : en die heyllooze menfch ging na
de andere zyde van den berg, om zyn fchelden te
hervatten. Eyndelyk quam David aan den oever
des Jordaans , en liet zyn vólk , van die lange
reyze vermoeid, zich aldaar wat ververfchen.
iSana.
16.
Abfalom ondertuflchen van Achitophel, op iS j.
wien hy al zyn vertrouwen ftelde, vergezel-
fchapt, quam te Jerufalem, en Chufaï, Davids
getrouwe vrind , viel nevens andere voor hem
neêr, en wenfchte hem een lange en gelukkige
regeering. Abfalom vraagde hem hoe hy, die
tóthiertoe zyns vaders befte vrind geweefl:
was, hem had konnen verlaaten, om zyne par-
ty aan te neemen. âDewyl ik zag, antwoord-,,
de Chufaï, dat ieder eeti met een algemeene â
toeftemminge zich aan u onderwerpt, heb ik â
gevreesd dat het eéne wéderftreeving van â
Góds wflle zoude geweeft zyn , indien ik \'er â
my ook niet naar fchikte, geloovendedathy â
het is die u den troon heeft doen beklimmen. â
En indien gy de genade bewyft van my on- ^
der \'t getal der gener, welke gy met uwe toe-
geneegenheyd vereert, te ontvangen, zal ik â
u met dezelfde getrouwheyd en yver dienen j â
als ik den Koning uWen vader gediend hebbe j â
doordien ik my verbeelde dat \'er geen oor- â
zaak is om ovér de verandering te klaagen, "
vermids de Kroon niet uyt het ééne huys in "
\'t ander is overgegaan , maar dat ze onder
\'tkoninglyk geflacht blyft, dewyl de zoon,
den vader vólgt." Abfalom deeze woorden ge-
loof geevende , liet alle miftrouwen we^-ens hem
vaaren. ^
y Dc
JOODSCHE H rs T O R L
jj
iJ
3>
35
33
3)
3»
3>
ijo F L A V I U S J
De hieuwen Koning dan met Achitophel te
raade gaande hoe hy zich zoude gedraagen om
zyne heerfchappy vaft te zetten, wierdt hem
van dien booswicht geraaden zyns vaders by-
wyven in \'t aanzien van al de werreld te mis-
bruyken; ten eynde dat ieder daardoor ziende,
dat \'er geen verzoening tuflchen hen kon ko-
men 5 maar dat het noodzaakelyk tót eenen
Moedigen oorlóg moft uytbarften , deeze die
zyne zyde gekoozen hadden , onft:heydelyken
daaraan gehecht mogten blyven, Deeze jonge
Vórft vólgde dien heylloozen en fchandelyken
raad, en befliep die bywyven in \'t aanzien.van
al het vólk onder eene tente , welke hy op het
paleys deed fpannen. Aldus zag men vervul-
len \'t gene de Profeet Nathan David voorzegd
had.
2S7.
a Sam.
17-
3)
>y
3>
5>
3>
3>
35
IX. HOOFDSTUK.
Athitophel geeft Abfalom eenen raad die David t\'eenemaal ten be-
derve zou gebragt hebben. Chufaï geeft hem eenen anderen daar
tegen aanloopende , welke gevólgd wordt , en hy deed \'cr David
de weet van. Achitophel\'verhangt zich uyc wanhoop. David
haaft: zich om den Jatdaan over te trekken. Abfalom ftelt Ama-
fa tót zynen Veldoverfte aan , en gaat den Koning zynen vader
bevechten: dóch hy verlieft den (lag , en wordt van joab gedood.
ABfalom daarnaa Achitophel raad vraagende
hoe hy zich in deezen oorlóg zoude draa-
gen j kreeg tót antwoord, dat de dood van den
Koning zynen vader het eenigfte middel was
om zich van de kroon te verzékeren , en hen,
aan welke hy deswege verfchuldigd was , te
behouden. âIndiengymy, zeydhy, tienduy-
â zend uytgeleezene mannen uyt uwe krygs-
â magt wilt geeven , ik zal u deezen dienft
â doen." Deeze raad geviel Abfalom 5 maarhy
begeerde het gevoelen van Chufaï, dien hy al-
toos zyns vaders befte vrind noemde, ook te wee-
ten : en daarom verhaalde hy hem Achitophels
raad , en vraagde hem ora den zynen. Chufaï
achtende dat David een verlooren man waare,
indien men Achitophels raad vólgde, gaf\'er
hem eenen die \'er regelrecht tegen aanliep, en
fprak tót hem in deezer voege : Gy kent,
Heer Koning , de groote dapperheyd uws
vaders en der gener die by hem zyn, waarvan
men geen ander be wys hoeft, dan dat hy altoos
overwinnaar gebleeven is in alle de oorlo-
, O-en door hem ondernomen. Buyten twyfel
â Seeft hy zich tegenwoordig ergens gelegerd j
5, en dewyl niemand beter op de konft des oor-
,, lógs afgerecht is , zyn \'er geene krygsliften
5, die hy niet gebruyken zal. Hy zal by nacht
5, een gedeelte zyner benden in eenig dal, óf
â achter eenen róts leggen ï en als de onze de-
â génen welke hy te voorfchyn brengt beftry-
â den, zullen zy wyken tótdat ze ons in hun-
â ne laage gelókt hebben j vanwaar zy daarnaa te
â gelyk op ons zullen aanvallen ; en de tegen-
woordigheyd van den Koning uwen vader,
die \'er ongetwyfeld zelf in perfoon zal by
5 5 weezen , zal hen den moed ontvonken, en
5, dien der onzen beneemen. Hierom acht ik,
â dat zonder zich met Achitophels raad op te
,, houden , de Koning alle zyne krygsmagt
5, fpoedig moet byeen verzamelen , en \'er zelf
het gebied over neemen , zonder zich op
,, eenen anderen te betrouwen : want door dat
O S E P H U S
middel zal uw vader , zö hy u durft afwaclv â
ten , zich zo zwak , in vergelykinge van u, 5,
bevinden , dat h^t u gemaklyk zal vallen
hem te overwinnen met het groot getal ben- â
den , die brandende van yver u hunne ge- â
neegentheyd in den beginne uwer regeeringe â
zullen trachten te betoonen. En indien hy â
zich in eenige ftad befluyt, zult gy die ge- â
maklyk door ftórmtuyg en ondergraavinge â
konnen inneemen." Abfalom achtte deezen
raad beter dan dien van Achitophel, dewyl
Gód het zo fchikte: en Chufaï deed \'er den
Hoogepriefteren Sadok en Abiathar aanftonds
de weet van hebben, ten eynde zy David zou-
den raaden fpoedig den Jordaan over te trek-
ken , opdat niet Abfalom van opzét verande-
rende , hem byquame eer zulks gefchied waa-
re. Deeze Opperpriefters fchikten zonder tyd
verhes eene trouwe dienft maagd aan hunne
zoonen die zich buyten de ftad verborgen hiel-
den , met bevél van aanftonds te vertrekken,
en David van den toeftand der zaaken te ver-
wittigen. Zy begaven zich ftraks op weg,
en hadden naauwlyks twee ftadiën afgelegd,
óf eenige ruyters die hen gezien hadden ? gin-
gen \'er Abfalom bericht van geeven. Daarop
zondt hy vólk uyt om hen te achterhaalen 5
maar dewyl zy op \'t zien der ruyteren reeds
argwaan opgevat hadden , waaren zy van den
gemeenen weg afgeweeken na een dórp ge-
noemd Bochur onder \'t gebied van Jerufalem,
alwaar zy zékere vrouw baden hen te willen
verfchuylen : zy deed zo, laatende hen neêr in
eenen put, waaraf zy den mond met vellen be-
dekte. Deeze die hen naagezonden waaren in
het dórp gekomen zynde, vraagden haar óf
zy niet twee jongmans gezien hadde 5 zy ant-
woordde ja , en dat zy hen te drinken gegee-
ven had, waarnaa ze weêr vertrokken waaren j
dóch dat zy, zo ze zich haafteden, hen gemaklyk
achterhaalen konden. Zy zulks geloovende,
jaagden hen eenen langen tyd te vergeefs naa.
Toen deeze vrouw zag dat\'er niets meer te
vreezen was, trok zy die twee jongelingen uyt
den put i waarop zy hunne reyze met groote
Ipoed vervólgden, by David quamen, en hun-
ne boodfchap aan hem deeden. Deeze wyze
Vórft liet niet naa zich van dien goeden raad
te bedienen : want hoewel \'t reeds avond ge-
worden was, nógtans trók hy opftaandevoet
met al zyn vólk dat hy by zich had , den Jor-
daan,over.
Achitophel ziende dat Chufaïs raad boven
den zynen gefteld was, fteeg te paerde ,
reedt na Gelmon , zyne geboorteplaats, deed
alle zyne vrinden en maagen aldaar byeenko-
men , en verhaalde hen Abfalom
gegeeven had, maar dat die hem liiet had wil-
len gelooven ; dat hy overzulks een verlooren
man was , doordien David de overhand zou
krygen, en weder op <ien troon komen. Waar-\'
by hy voegde ? ^^t wat hemzelven aanging^
hy liever als een kloekmoedig man wilde fter^
ven, dan door beuls handen omgebragt worden j
omdat hy David verlaaten en zieh by Abfa-
lom vervoegd had. Dus gefprooken hebbende
gaat
VII. BOEIC
VII. BOEK. J O O D S C
gaat hy na een afgelegen hoek in zyn huys,
verhangt zich , en eyndigt alzo zyn leeven
op zulk een wyze als hy oordeelde verdiend te
hebben: waarnaa zyne vrinden hem begroeven.
David middelerwyl den Jordaan overgetrok-
ken zynde ging na Mahanaïm, de fchoonfte en
fterkfte ftad van dat landfchap. Alle de Grooten
des lands ontvingen hem met een groote toege-
neegenheyd, fommige uyt medelyden met zyn
ongeluk, en andere uyt eerbiedigheyd j egens zy-
nen voorigen ftaat en luyfter j De voornaamfte
waaren BerfeUaïde Gileaditer, Sephar Oveti^Q
der Ammoniten enMachir een derGrooten van \'t
landfchap Galaad: deeze verzórgden hem en de
zynen rykelyk met alles wat zy tót hun onder-
houd en verkwikking van noode hadden.
Naa dat Abfalom een groot heir verzameld,
en tót Veldheer, in plaats van Joab, aangefteld
had Antdfa zynen bloedverwant, (want hy was
zoon van Jothar en Abigaï zufter van Seruia
Joabs moeder , beyde zufters van David,^
toog hy over den Jordaan , en legerde Zich
dicht by Mathanaïm. Alhoewel David maar
vierduyzend krygslieden by zich had , wilde
hy echter niet waehten tótdat Abfalom hem
<juam aangrypen , maar befloot hem te voor-
komen . Hy verdeelde zyn heir in drie hoopen,
ftellende over den eerften Joab, over den twee-
den Abifaï , en over den derden Ethai, dien
hy zeer beminde , en volkomenlyk vertrouwde
fchoon hy van Geth af komftig was. En hoewel
hy zelf gaern het gevecht had bygewoond, echter
weêrhielden hem de overften zyner benden, en
zyne getrouwfte dienaars, en ftelden hem voor-
zigtiglyk voor, dat \'er voor hem, indien hy den
flag verloor , en \'er zelf tegenwoordig was,
geen toevlugt overbleef j in plaats dat als hy\'er
niet was , degéne die \'t ontquamen, zich by
hem vervoegen, en hem gelegenheyd geeven
28p.
zSam.
11.
E a I S T Ã R I. 171
konden om een verfche magtbyeeh te zamelen:
behalve dat zyn afweezen den vyanden zou doen
gelooven, dat hy een gedeelte zyner troepen ach-
tergehouden had. David gaf aan hunne rédenen
gehoor ï bleef te Mahanaïm, en vermaande hen
dat zy in dien ftryd hunne getrouwheyd, alsmede
hunne erkentelykheyd wegens zyne weldaadeir,
zouden toonen : waarby hy voegde dat indien
Gód hen de zeege gaf, hyhen beval voor de be-
houdenis van Abfaloms leeven zo veel zórg te
draagen, als óPt voor zyn eygen waare: voorts
wenÃhte hy hen eenen gelukkigen uytflag.
Daarop ftelden de heiren zich in flagórdeop
een groote vlakte, en Joab had achter zich een
woud. Het gevecht was zeer bloedig , en ter
wederzyde wierden daaden van groote dapper-
heyd verricht: want daar waaren geene gevaa-
ren , welke deeze die David getrouw geblee-
ven waaren niet verachteden, om hem zyn Ryk
te doen herwinnen , en geene poogingen die
degéne welke Abfaloms zyde gekoozen hadden
niet deeden, om hem de kroon te doen behou-
den , en hem voor de ftraffe, welke hy, door haar
zynen vader te ontweldigen, verdiend had j te
behoeden : waarby nóg quam dat zy onverge-
lykelyk fterker zynde dan hunne vyanden j het
eene fchande zou geweeft zyn zich te laaten over-
winnen . Daarentegen verdubbelde deeze oi^e-
lykheyd van magt de kloekmoedigheyd van Da-
vids krygsknechten , vermids die hunne over-
winning te roemryker maakte. En dewyl zy al-
le oude en zeer dappere fóldaaten waaren, boor-
den zy door de vyandlyke benden heene, ver-
brakenze , dreeven dezelve op de vlugt, jaag-
denze naa in de boflchen en vafte plaatfen daar zy
zich meenden te bergen, namen fommigenge-
vangen , en floegen andere dood, zo dat\'er meer
in den vlugt, dan in den ftryd, het leeven lieten,
zynde het getal der gefneuvelden byna twintig
duyzend. Naardien Abfaloms groote lyfsgeftalte
hem zeer kenbaar maakte, waaren \'er veele die \'t
op hem gemunt hadden 5 en de vreea^e van leeven-
dig ift hunne handen te Vèrvallen, deed hem met
lóflèn toom op eenen fnellen muyl vlugten. Maar
dewyl de wind ÃB zyn lang haauTpeelde, raakte
het
LAVIUS JOSEPHUS
F
David was toen aan de ftadspoorte , om eenig
nieuws te verneemen van iemand die in den
ftryd was geweeft. Een fchildwacht ziende
Achimas aankomen, en hem niet kennende om-
dat hy nóg verre was , zeyde dat hy iemand
zag die heel fnel quam loopen. De Koning
nam deze gróote haaft voor een goed teken >
en een weynig daarnaa zeyd hy dat hy\'er nóg
éénen zag komen, \'t welk dien Vórft nóg meer
in zyn goed gevoelen verfterkte. Toen Achimas
naby gekomen was, kende de wachter hem, en
riep den Koning toe dat het Achimas den zoon
des Hoogepriefters was, David twyfelde toen
niet óf hy bragt goede tyding j en Achimas zich
voor zyne voeten neêrgeworpen hebbende, ver-
haalde hem dat zyn heir de zeege behaald hadde.
David zonder iets anders te fpreeken, vraagde
hoe het met Abfalom ftond. Hy antwoordde dat
hy hem geen bericht daaraf geeven kon, omdat
Joab hem terftond naa dat de flag gewonnen was,
had heene gezonden om\'er hem de maare van te
brengen, en dathy alleenlyk wift dat een groot
getal krygsvólks hem met grooten yver naazet-
tede. Chufaï quam thans ook aan, wierp zich
infgelyks voor den Koning neêr , en beveftig-
de de tyding van het winnen van den flag. Da-
vid liet niet naa hem ook met naadruk wegens
Abfalom te vraagen: en hy antwoordde, â Ik â
wenfch , Heer Koning , dat het gene Abfa- â
lom wedervaaren is, allen uwen vyanden we- â
dervaare." Deeze woorden wifchten alle de
blydfchap, die David over de zeege gevoelde,
uyt zyn hart, en zyne overdaadige droefheyd
ontroerde alle zyne dienaars. Hy ging op de
hoogfte plaats der ftad , en beweende daar zy-
nen zoon , floeg op zyne borft , rukte zyn
haair uyt, en zyner rouwe geene paaien ftellen-
de , riep hy met luyder ftemme 5 â Abfalom â
myn zoon , myn zoon Abfalom ! gave Gód â
dat ik met u gefturven waare!" Want behalve
dat hy van een zeer lievenden aardt was , be-
minde hy deezen zoon boven alle zyne andere x.Sam.
kinderen. De krygslieden hebbende dc groote^\'*
droefheyd des Konings verftaan , oordeelden
\'t wanvoegelyk te zyn dat zy in eenen zeege-
praalenden ftaat voor hem verfchynen zouden:
dies quamen zy al fchreyende , met neêrgefta-
gene oogen, ter ftad in, als óf zy overwonnen
waaren. Maar Joab ziende dat de Koning zyn
hoofd bedekt hieldt, en niet afliet zynen zoon
bitterlyk te beweenen , fprak hem aldus aan:
â Weet gy wel, 6 Koning, wat gy doet, en
in hoedaanig een gevaar gy u ftelt ? Schynt
het niet als óf gy degénen haat die alles voor
uwen dienft gewaagd hebben ? ja dat gy u
zelven en \'t ganfche koninglyk geflacht
haat, nademaal gy u bedroeft over den dood
van éénen uwer doodelykftevyandenWant
indien Abfalom de overhand gekreegen , en
zyne rechtvaerdige heerlchappy beveftigd
hadde , zoud\'er iemand van ons geweeft ..
zyn, dien hy n^^^^oud hebben doen fterven, â
en zoud hy niet met u en uwe kinderen een â
begin daaraf gemaakt hebben ? In plaats â
van U en ons te beweenen gelyk gy hem be-,,
weent, zoud hy niet alleenlyk verheugd ge- â
weeft: zyn ? ^^^lar hy zou degénen die mede- â
jj lyden
het in dc takken van eenen dichten boom zo ver-
ward en vaft gekhtft, dat de muyl voortren-
nende , hj uyt den zadel gehgt wierdt, en al-
zo tuftchen hemel en aarde aan zyn hoofdhaair
hangen bleef. Zeeker krygsknecht verwittig-
de Joab aanftonds daaraf, en deez beval hem
i\\bfalom te dooden , beloovende hem vyftig
fikelen daarvoor. âHoe, zeyd die fóldaat,
â den zoon myns Konings dooden , daar ny
ons zo zeer bevolen heeft hem \'t leeven te
fpaaren ! Ik zal \'t niet doen, al woudtgymy
âtweeduyzend fikelen geeven." Daarop het
ioab zich ter plaatfe brengen daar hyhing, en
\'doodde hem toen met eene fpies die hy hem
door \'t hart ftiet. Joabs fchildknaapen maak-
ten het hghaam van den boom los, ^lerpjn het
in een dSnkere en diepe groeve, en bedekten
\'t met fteenen , zo dat het eemger maate naar
eene tombe geleek. Joab deed daarnaa den at-
tógt blaazen, zeggende dat zy \'t bloed hunner
broederen fpaaren moften.
Abfalom had in het Konmgs-dal, twee fta-
diën van jerufalem af, een marmere zuyl op-
crerecht, inet zeker opfchrift, opdat indien zyn
geftacht uytftierf, zyn naam daarom met laa-
ten mogt in de geheugenifte der menfchen te
blyven. Hy had drie zoonen, en een Ichoone
dóchter geheeten Thamar, die naderhand met
den Koning Roboam, Davids zoons zoon,
trouwde, by welke hy Abia teelde, die zynen
vader in \'t ryk vólgde, en van wien wy breeder
t zyner plaatfe fullen fpreeken.
---- X HOOFDSTUK.
I5avid een eroote rouw over Abfaloms dood bcdryvcnde, Iaat zich
door Joabi aanfpraak trooften. Hy vergeeft Simei, cn geelt Me-
phibofeth de helft zyner goederen weêr Alle de ftammen keeren
-weder onder zyne gehoorzaamheyd : en die van Juda hem tc ge-
moet gegaan zynde, worden de andere jaloers daarover , en flaau
aan\'tmuyten, op\'taanraaden van Seba, David bevedtAmazazy-
nen Veldoverfte eenige krygsmagt re verzamelen, en hem tegen te
trekken. Maar die vertoevende, zendt by Joab met de troepcn dic
iiy by zich bad. Joab Amafaonrmoctciide , doodt hem vettaader-
ïyk , vervólgt Seba , en brcn-t zyn hoofd by David. Groote hon-
eersuood door Gód j^ezonden wegens \'t quaad onthaal van Saul den
\'Gabaoniten aangedaan Dav,d voldoet hen , en de hongersnood
Iioudt op. Hy begeeft zich zo diep ni den ftryd, dat een reus hem
oedood zoad hebben, ^ten waare dat Abifaï hem te hulpe gekomen
was Naa de Philiftynen dikwils overwonnen te hebben , geniet
Tjy een proote vreede : en ftdt verfcheydene werken op tót Góds lóf.
Onsemeene dappere daaden van Davids helden ; God zendt hem
een zwaare peft , om hem te ftraffen over bet tellen der wcerbaare
mannen Om die te doen ophouden bouwt Oavid eenen altaar.
Gód belooft hem dat zyn zoon Salomon den Tempel zal bouwen.
Hy vergadert de noodigc bouwftoften daartoe.
Aa Abfaloms doodt wierdt zyn aanhang
t\'eenemaal verftrooid. Achimas, zoon
van Sadok den Hoogenpriefter, verzócht Joab
dat hy hem aan David zenden wilde met de
tyding van den flag, en hoe Gód hem daarin
bygeftaan hadde. "^Maar Joab antwoordde,
dat dewyl men den Koning tótnógtoe mets
dan \'t gene aangenaam was geboodfchapt had,
hy \'t niet kon goedvinden hem zulk een droe-
vicre maare, als die van Abfaloms dood, te
brengen : dat hy daarom Chufaï gezonden had
om hem verflag te doen van \'t gene \'er voorgeval-
len was. Achimas badt hem toen dat hy dan
ten minften mogt heene gaan om van het win-
nen des veldflags tyding te brengen zonder iets
van Abfalom tc melden > \'t welk Joab hem toe-
ft;ondt. Hy vertrok dan opftaande voet, ende-
v/yl hy eenen korteren weg wift dan dien welken
Chufaï genomen had, quam hy\'er eer dan hy.
5»
3>
J>
J5
5>
3>
55
)y
35
33
JOODSCHE H I S t O R Ã;
hy de eerfte was die hem zyn berouw quam too^
nen, en dat hy derhalve dóch met hem geen be-
gin wilde maaken van zyne raagt tót ftraffinge
der misdaaders te gcbrUykcn. Abifaï hem al-
dus hoorende fpreeken: â Meent gy, zeydhy,
dat dit genoeg is om de ftrafte te ontgaan die â
gy door \'t laftcren van eenen Koning , dien â
Gód ons zelf gegeevenheeft, verdiend hebt.?"
Maar David het woord ncemendc zeyde tót
Abifaï: â Eylieve laat ons de blydfchap van
deezen dag niet ftooren : ik merk denzelven â
aan als den eerften myner regeeringe, en wil
daarom aan allen vergiftenis verkenen." Ver-
vólgens zeyde hy tót Simeï: â Vrees niet ^ uw â
leeven is in zekerheyd." Simeï wierp zich
daarop ter aarde, en ging toen voor hem heene.
Mephibofeth Jonathas zoon vólgde naa de 25,3.
andere , zeer jammerlyk gekleed > zyn haair
en baard waaren ganfch ongehavend , omdat
des Konings verdriet hem zo gevöcliglyk ge-
troff^en had, dat hy zich federd\' zyne vlugt uyt
Jerufalem niet had willen laaten fcheeren:
voorts was hy in al \'t óverige ontrent zyn lig-
haam haaveloos geweeft , zo verre was \'t \'er
van daan dat Zibds befchuldiging tegen hem
waar was. David van deezen Prins , die niet
minder goed dan ongelukkig was , begroet
zynde , A^raagde hem waarom hy hem in zyne
vlugt niet vcrgezelfchapt had. â Ziba , ant-,,
woordde , hy is \'er de eenigfte oorzaak van ,,
geweeft > want wanneer ik hem belaft had om â
my met het gene tót die reyze noodig was te â
verzórgen, heeft hy zulks niet alleenlyk niet â
gedaan, maar my met de uyterfte verachtinge â
bejegend ; en dat zou my echter niet belét ,,
: hebben te vertrekken, indien ik wel ter been
geweeft waare. Hy heeft nóg meer gedaan,
Heer Koning, want zich niet vergenoegende
met my te ver fteeken van de middelen waar-
door ik my van mynen pligt mogt quyten, en
u niyne zucht en getrouwheyd betoonen, â
heeft hy my valfchelyk by u beticht. . Maar ik â
ken uwe voorzigtigheyd , gerechtigheyd,,,
gódvruchtigheyd, en liefde tót de waarheyd â
al te wel, om te vreezen dat gy zyne lafterin- â
gen geloof zoudt geeven. Ik weet dat toen het â
in uwe mac^t ftondt om u te wreeken over de â
vervólging? welke u onder de regeeringe,,
myns grootvaders aangedaan wierdt, gy â
zulks niet wildct doen. En ik zal nooit die wel- â
daad vergeeten, dat het u belieft heeft, wan-,,
neer gy ten rykstroon verheven waart, my in â
\'t getal uwer vrinden aan te neemen, enmy te ,,
handelen als éénen uwer naafte en lieffte â
bloedverwanten , doende my dagelyks aan â
uwen tafel eeten." Naa dat David hem aldus had
hooren fpreeken, wilde hy hem niet gelooven
fchuldig te zyn , nóch ook voor waar aannee-
men dat Ziba hem gelaftert had : maar hy ver-
genoegde zich met te zeggen, dat hy Ziba
beveelen zoude hem de helft van zyne goede-
ren , die hem toegeweczen waaren j wederom
te geeven. Waarop Miphibofeth antwoord-
de : â Laat hem vry alles behouden , Heer â
Koning , \'t is my genoeg u met roem in u â
ryk herfteld te zien."
Berfellaï van Galaad , die een bequaam cii
Y 3 fraai-
Ã73
VIÃ. Boek.
â lyden met ons ongelyk gehad hadden,
ftraft hebben. Schaamt gy u dan niet
Koning, uwen grootften vyand, die tegód-
loozer geweeft is , omdat hy \'t leeven van u
ge-
6
3)
3»
3, ontvangen hebbende , u alle eere en ontzag
fchuldigwas, aldus te beklaagen.? Houd op,
zo \'t\'u belieft, van u zelvcn te quellen om
â eenen perfoon die\'tzo weynig verdient: ver-
â toon u aan uw krygsvóïk 5 en betuyg hen
â dat gy \'t hen dank weet, dat zy ten kófte
â van hun bloed u zulk een gewigtige over-
â winning verkregen hebben. En byaldien
â cry \'t niet doet, maar in zulk een onrédelyke
]] 5roefheyd voortgaat , verklaar ik u dat ik
â deezen dag de kroon op \'t hoofd van eenen
â anderen zetten zal j en dan zult gy een waa-
â re oorzaak hebben om te weenen." Deeze
woorden bragten David tót bedaaren , en dee-
den hem de zórg , die hy als Koning voor zy-
nen ftaat moft draagen, weder op zich nee-
men. Hy trok andere kleederen aan om zyne
krygsknechten te verblyden, gmg uyt zyn ver-
trek , toonde zich aan hen , en elk quam hem
zynen pligt bewyzen. ^
Die van Abfaloms heir nog overgebleeven
waaren zonden booden na alle fteden, om haar
voor te houden wat weldaaden zy van David
hadden genooten ; dat zy door de overwinnin-
gen , die hy in zo veele oorlógen had behaald,
hunne vryheyd wedergekreegen hadden dat
zy bekennen moften dat ze ongelyk gehad had-
den tegen hem te muyten, en dat nu Abfalom
dood was , zy David om vergiffenis moften
bidden , en hem verzoeken de beftiering van
\'t ryk weder aan te neemen. David hiervan
verwittigd , fchreef aan de Hoogepriefters
Sadok en Abiathar dat zy aan de Overften der
ftamme Juda zouden voordraagen , dat naar-
dien de Koning uyt hunne ftam was, het fchan-
delyk voor hen zoude zyn de laatfte te wee-
zen om hem hunne blydfchap over zyne her-
ftellinge te betuygen : dat zy \'t zelve ook tót
Amafa zouden zeggen, en \'er byvoegen dat
dewyl hy \'t voordeel had van\'s Konings neeftc
zyn, hy van zyne goedheyd niet alleenlyk ver-
giffenis van tegen hem in de wapenen opge-
ftaan te hebben, maar ook eene beveftiging in
\'t ampt van Veldheer, dat Abfalom hem gegee-
ven had , mogt hoopen. Sadok en Abiathar
ciueeten zich zo wel van deezen laft, dat de
zaak gelukte gelyk David gewenfcht had.
Want alle de ftammen deeden op \'t aanraaden
van Amafa eene bezending aan hem , om hem
te verzoeken wederom te Jerufalem te komen.
Maar die van Juda muntte daarin boven de an-
dere uyt , want zy ging hem te gemoet tót
mannen uft zVftam , en Ziba het\'er zich met
zyne vyftien zoonen en twintig dienaars mede
vinden. Toen zy aan de rivier gekomen
ren , maakten zy eene fchipbrug, pm den Ko-
ning en den zynen de overtógt te gemaklyker
te maaken : en wanneer hy den oever genaderd
was > groette de ganfche ftam van Juda hem.
Simeï viel hem op de brug te voet, badt om ver-
giffenis j en verzócht hem aan te merken dat
53
5)
3S
55
§1
I \'
li
174.
fraai man was j en David in zyne tegenfpoed
bygeftaan had, geleydde hem tót aan den Jor-
daan : Weshalve David hem aanmaande om
mede na Jerufalem te gaan, beloovende dathy
Iiem zo veel gunfte en eere bewyzen zoude als
ófhy zyn eygen vader geweeft waare. Ber-
fellai bedankte hem daarvoor, maar verzócht
verlóf om te rug te keeren, alzo \'er voor hem niet
anders te doen was dan zich tót fterven te be-
reyden, dewyl hy reeds tachtig jaaren oud zyn-
de, geen fmaak meer vondt in de vermaakelyk-
heden der werreld, in kóftelyke Ipy zen en dran-
ken , in de melodie der muzikale inftrumencen
en andere dingen, waarmede plegen onthaald te
worden degénen die met de Koningen leven.
David ziende dat hy niet te beweegen was om
?net hem te gaan, verzócht dat hyhem dan ten
minften zynen zoon Jchimas wilde geeven, op-
dat hyaan denzelven in \'s vaders plaatfe vrind-
fchap zou konnen bewyzen. Aldus keerde Ber-
fellaï, naa dat hy zich voor den Vórft neder-
geworpen , en hem alle heyl en voorfpoed ge-
wenfcht had, weder na huys.
Toen David te Gilgal aangekomen was, qua-
men de eanfthe ftam Juda, en bykans de helft
van alle de andere by hem. Dóch de voornaam-
fte des lands i, verzeld van een groot getal inge-
zétenen , deeden hun beklag datdie van Juda den
Koning te gemoet gegaan waaren, zonder hen
daarvan verwittigd te hebben dewyl zy, zo ze
\'tgeweeten hadden, niet in gebreke zouden ge-
bleeven zyn van zich ook aldaar te hebben laaten
vinden. De Vórften der ftamme antwoordden,
dat zy geen reden hadden zich dat te beigen,
vermids zy van dezelfde ftamme zynde als de
Koning, meer dan andere verpligt waaren hem
die byzondere eerbiedenis te bewyzen j en dat
^y \'er geen ander voordeel in beoogden, dan dat
zy zich van hunnen pligt wilden quyten. Maar
dewyl deeze verfchooning den Vórften der an-
dere ftammen niet voldeed, gaven zy daarop dit
antwoord: â Wy konnen ons niet genoeg ver-
wonderen, ó broeders, dat gylieden u verbeeldt
dat de Koning u nader zy dan ons, nademaal
Gód hem aan ons allen gegeeven hebbende,
uwe ftam deswege boven de andere niets voor-
uyt kan hebben: zo dat gylieden overzulks on- _
gelyk hebt, te denken dat het utoequamden
Koning te gaan ontmoeten, zonder ons ken- â iSam.
nis daaraf te geeven." Terwyl nu deeze twift hoe
langer hoe meer ontftak, begon Seba zoon van
Bochori uyt de ftamme Benjamins, zynde een
oproerig en boosaardig menfch, uyt al zyne magt
te roepen ; â \\Vy hebben met David niet te â
doen, en wy kennen geenen zoon van Jeffe." En
daarop deed hy de bazuin blaazen j om door dat
téken te kennen te geeven , dat hy hem den
oorlóg aankondigde. Terftond verlieten alle
de ftammen David, uytgenomen die van Juda,
welke hem na Jerufalem geleydde.
hemook aantrof; opdathy niets zomenhemtyd hen alzo meer werks maakte. Joab met zy-
gave, zichvan eenige fterke plaats meefter, en nenpanfier gewapend j en Van 2ynen broeder
ver-
Daar gekomen zynde deed hy zyne bywy-
ven , die van Abfalom misbruykt waaren, uyt
zyn paleys gaan , en in een huys brengen al-
waar zy met onderhoud verzórgd wierden,
zonder dat hy haar federd ooit meer zag.
Hy gaf aan Amafa , vólgens zyne belófte, ^07
het ampt van Veldoverfte , het welk Joab te
voore bediend had , en beval hem zo veel
krygsvólk, als hy kon uyt de ftamme Juda by-
een te verzamelen , en binnen drie dagen by
hem te brengen, om Seba fpoedig tegen te trek-
ken. De derde dag verftreeken, en Amafa niet
te rug gekomen zynde, wilde David niet langer
wachten, uyt vreeze dat Seba zich verfterken, en
hem meer gevaars dan Abfalom veroorzaaken
mogte. Dies beval hy Joab alle de krygsmagt die
hyby zich had, nevens zyne bende van zeshon-
derd mannen te neemen , en verzelt van zynen
broeder Abifaï met der fpoed Seba tegen te trek-
ken , en hem te bevechten in wat plaats óf ftaat hy
FLAVIUS JOSEPHUS
VIL Boek.
55
J3
55
ï>
5>
3J
Ã
VILBobk. JOODSCHE
verzeld , vertrok opftaandevoet met de ^^^^^^^^
de van zeshonderd mannen , die David al-
toos gevólgd was , en alle de andere troepen
die \'erbinnen Jerufalem waaren. Joab by het
vlek Gabaon /leggende veertigftadienvan Je-
rufalem , gekomen zynde , ontmoet e Amafa
met een g?oote menigte van krygsvólk. Hy
naderde tót hem , en hebbende met voordacht
zyn zwaerd uyt de fcheede laaten vallen, raap-
te hy het op , en aldus het zwaerd als zonder
aehterdócht in de hand houdende , vatte hy
Amafa by den baard , onder fchyn van hem te
willen omhelzen, en doodde hem met eenen
fteek dwars door \'t lyf. Hoe fnood ook het
bedryf van Joab was , toen hy Abner ver-
moordde , dit laatfte was nóg veel verfoeijely-
kerj want het eerfte kon voor een gedeelte toe-
s-efchreeven worden aan zyn groot hartzeer
over den dood van Azahel zynen broeder;
daar dit alleenlyk uyt nydigheyd ontfto^t;
want ziende datde Koning aan Amafa het ampt
van Veldheer eegeeven, en hem een groote ge-
n^Jclhc^^ blt^ond had, liet hy zich daar-
door beweegen om zyne handen te waftchen in
\'t bloed van eenen man van verdienfte en van
aroote hoope , die hem nooit eenig leed ge-
daanhad , en die daarenboven zynbloedverwant
was Naahet begaan van dat feyt toog hy voort
tecren Seba , en liet by \'t lyk eenen man ftaan
met bevél van overluyd te roepen, tot alle de
benden welke met Amafa gekomen waaren,
dat hy naar verdienfte geftraft was , en dat in-
dien zy hunne geneegenheyd-tot den Koning
wilden toonen , zy zynen Veldoverfte Jmb en
defzelfs broeder Abifaï moften vólgen. Deeze
man volbragt zynen laft , en wanneer elk met
verbaafdheyd by het doode hghaam ftaan bleef,
deed hy het met eenen mantel dekken , en na
eene plaats die van den weg af lag draagen.
HISTORI.
Alle deeze benden vólgden daarop Joab, die
Seba lang vervólgd hebbende eyndelyk verftondt
dat hy zich binnen Abelmacha, een fterke ftad,
beflooten hieldt. Hy toog daarop heene om
hem daar te vattemj maar de inwooners wey-
serden hem den ingang ter ftad. Dit vertoorn-^
de hem dermaate, dat hy hen belegerde ; met:
opzét om niet éénen van hen te verfchoonen,
maar de ftad ganfchelyk te verdelgen. Zékere
verftandicre vrouw, ziende het gevaar waarin
zy zich door hunne onvoorzigtigheyd gewik-
kdd hadden , en door liefde tot haar vaderland
gedreeven, klom op den muur, enriepdevoor-
Lcht der belegeraaren toe , dat zy hunnen
Veldheer Joab begeerde te fpreeken. Joab
quam daaip te voorfchyn , en zy zeyde tot
hem: â Gód heeft de Konmg over de volken â
gkld\'om hen voor ^unne vya^^^^^^^^ .
hoeden , en hen een g^^f
doen genieten. Maar gy daarentegen wilt
\'^Koning wapenen gebruyken\'om eene zy-
ner voornaamfteftedente verdelgen , fchoon ^^
wy hem nooit beleedigd hebben." Joab ant-
woordde , dat verre van zodaanig een voor-
neemen te hebben , hy hen alle geluk en voor-
fpoed toewenfehte , en alleenlyk begeerde dat
menhem Seba den zoon van Bochori, dietegen
den Koning opgeftaan was , in handen geeven,
en dat hy dan \'t belég aanftonds opbreeken zou-
de Deeze vrouw verzócht hem een weynig
cedulds te hebben, zeggende dat rnen hem ge-
noegen zou geeven. Thans deed zy de in-
wooners tzamenkomen , en zeyde tot hen :
â Hebt gylieden dan voorgenomen met uwe â
vrouwen en kinderen te fneuvelen , en dat â
om een ondeugend menfch dien gy met kent, â
en hem te belchermen tegen den Konmg, â
die u zo veele weldaaden beweezen heeft.?" en â
beeldt gy u in fterk genoeg te zyn om zo â
I7f
5J
33
33
33
^,oot een heir te wederftaan" Deeze woor-
def overftemden hen, zo dat zy Seba\'t hoofd
afhieuwen , en het over de muuren in JoaDS le-
ger wierpen , die terftond het belég opbrak,
en weder na Jerufalem keerde. Deeze groote
dienft verpligtte David hem in het ampt. van
Veld-
FLAVIUS JOSEPHUS
VH. Boek.
176
Veldoverfte te beveftigen : daarnaa maakte hy
Banaia Hoofdman van zyne lyfwacht en zyne
bende tan zeshonderd mannen. Hy ftelde Ado-
ram aan tót ontvanger der fchattingen> gaf het
opzigt over \'slands gedenk-fchriften zznSabathes
en Achiléus j maakte Sufa fchryver; en behieldt
Sadok en Abiathar in \'t Hoogepriefter-ampt.
Eenigen tyd daarnaa wierdt het ganfche ryk
door eenen zwaaren hongersnood gepraamd.
David nam zyne toevlugt tót Gód, en badt
hem zich zyns vólks te ontfermen , en niet al-
leenlyk de oorzaak van dat onheyl, maar ook
het hulpmiddel daar tegen bekend te maaken.
De Profeeten gaven hem tót antwoord, dat die
hongersnood duuren zoude tótdat de Gabao-
niten gewrooken waaren over het ongelyk hen
van Saul aangedaan , die veele van hen had
doen ombrengen tegen den inhoud van het ver-
bond .dat Jofua met hen aangegaan , en
\'t welk hy en de Raad plegtiglyk bezwooren
hadden : Invoege dat dan het eenigfte middel
om Góds gramfchap te ftillen, en de diere-tyd
te doen ophouden , was aan dat vólk zodaanig
èen voldoening te geeven , als het zelf begeer-
de. Op dit antwoord ontboodt David aan-
ftonds de voornaamften der Gabaoniten j ötti
hen te vraagen wat zyeyfchten. Zygäven daar-
op te verftaan, datzy zeven perfoonen van Sauls
geflacht begeerden om hen op te hangen. Men
wilhgde het verzoek in , en leverde het ge-
eyfchte getal aan hen over , zonder echter Mi-
phibolethi, welken David behouden wilde om-
dat hy Jonathas zoon was, aan te roeren. Naa
dat de Gabaoniten aldus voldaan waaren, deed
Gód eenen gunftigen regen op het aardryk ne-
derdaalen , waardoor het tót zynen voorigen
ftaat herfteld , en weder vruchtbaar wierdt,
zulks dat de Ifraëliten wederom overvloed ge-
nooten als voormaals.
Nademaal David het belang van zynen ftaat
boven zyne rufte ftelde , viel hy op de Phili-
ftynen aan., en overwon hen in een zwaar ge-
vecht : maar nooit had hy grooter gevaar ge-
loopen 5 want door den yver, waarmeê hyhen
naajaagde, zo verre vooruyt geraakt zynde dat
hy zich alleen bevondt, endoorvermoeidheyd
flaauw en magteloos was, wierdt een Philiftyn
van\'t reuzen geflacht, genaamd Achmon, zoon
van Arapha , zynde gewapend met eenmahën-
kólder, een zwaerd , en eene Ipies weegende
drie honderd fikelen , hem gewaar , quam op
hem aan , wierp hem ter aarde , en zoud hem
gedood hebben , \'t en waare Abifaï, t\'zyner
hulpe toegefchoöten , dien vreeflyken reus het
leeven benomen hadde. Het geheele heir wierdt
zo bewoogen door \'t gevaar waarin de Koning
geweeft was , dat de Overften niet konnende
dulden dat zyne groote kloekmoedigheyd hen
nóg eens in perykel zoude ftellen van den aller-
beften Vórft , in wiens wys beleyd al hun heyl
beftondt, te verliezen , hem met eede deeden
belooven dat hy zich nooit meer in veldflagen
begeeven zoude. Naa dit gevecht verzamel-
den de Phüiftynen zich in de ftad Gaza , en
David dit verftaan hebbende , beval terftond
met een fterkheirhentegentetrekken. Onder
de dapperfte zyner krygflieden was een Cheti-
ter geheeten Sobach , die zich treffelyk in dien
oorlóg queet , en ééne der voornaamfte oor-
zaaken van de overwinninge was, dewyl hy
veele der gener ombragt die zich beroemden van
het geflacht der reuzen te zyn , en door hunne
groote fterkte ftout en verwaand waaren.
29p.
äSani.
SE.
500.
Zulk een groot verlies deed echter den Phi-
liftynen den moet niet ontzinken : zy dan den
kryg hervattende , zondt David tegen hen zy-
nen bloedverwant Nephan, die \'er eenen groo-
ten naam door kreeg > want hy alleen ftreedt
tegen den fterkften en dapperften der Philifty-
nen , en doodde hem , waardoor de andere zo
vertfaagd wierden dat zy de vlugt namen , en
die dag kóftte veelen dier ftrydbaare vyanden
het leeven.
Eenigen tyd daarnaa quamen zy weder te
velde , en legerden zich dicht by de grenzen
der Ifraëliten. Jonathas, zoon van Samma Da-
vids neef, doodde éénen van hen, die een fchrik-
kelyke reus was van zes elleboogs lengte,
hebbende zes vingers en zo veele toonen aan
elke hand en voet. Gelyk dit gevecht tót groo-
ten roem van dien dapperen Ifraëlyt gedeeg,
zo was het ook niet minder tót voordeel zyner
landaard, doordien de Phfliftynen naa dien tyd
haar den oorlóg niet meer durfden aandoen.
Toen David, na zo veele gevaarenuytge- ^^^
ftaan, en zo veele veldflagen gewonnen te heb- iSam/
ben, zich in een volkomene vreede zag, maak-^^-
te hy tót Góds lóf veele liederen en gezangen,
op verfcheydenerley maatj want fommige waa-
ren drie, en andere vyfvoetigevaerzenj welke
hy den Leviten beval op de Sabbath en andere
feeft-dagen te zingen op verfcheydene fpeeltuy-
gen , die hy tót dien eynde had laaten maaken,
onder welke vedels * waaren met tien fnaaren, * Grieks
waarop men met eenen ftrykftók fpeelde fnaar- cUmya.
tuygen f met twaalf toonen, die met den vinger ^
geroerd wierden 5 en groote kopere cimbalen: mhu.
\'t welk genoeg gezegd zy, om niet t\'eenemaal
onweetende van deeze fpeeltuygen te weezen.
Deeze Vórft hield ook fteeds eenige man-
nen van ongemeene dapperheyd byzich, waansam.\'
onder achtendertig boven anderen uy tmunteden> ^^ â¢
dóch ik zal maar van vyf fpreeken , om te
toonen hoe groot hunne heldenmoed was , die
hen bequaam maakte om ganfche vólken te o-
ver winnen.
De eerfte was JeJfen zoon van Achen , die
verfcheydenmaal de vyandlyke flagórdeningen
brak, en negenhonderd mannen in éénen ftryd
neérvelde.
De tweede was Eleazar zoon van Dodi, die
toen de Ifraëliten, verfchrikt door het groot
getal der Phihftynen , de vlugt namen in den
flag van Azaram, alwaar hy zich met David be-
vondt, alleen bleef, de vyanden ftuytte , en
zulk een groote flagting onder hen deed , dat
het bloed waarmeê zy" zwaerd geverwd wierdt,
het zelve aan zyne hand deed vaft kleevenj
\'t welk den zynen zulken moed byzettede, dat
zy niet alleenlyk omkeerden, maar op de vyan-
den, die reeds aan\'tdeynzen waaren, invielen,
en die vermaarde overwinning behaalden,
waarin een gedeelte van \'t krygsvólk werks ge-
noeg had om de dooden , die onder den blixe-
men-
VII. Boek.
menden arm van
fchudden.
De derde was Sebas zoon van 111, die toen de
tiebreen, verhaald over de aannadermg der
Phihftynen ^ welke zich op het veld genoemd
A. Jt ^ ^ JL AX. Aö A
de Kinnebak in flagórde gefteld hadden, begon-
den te wyken, zich alleen tegen zo veele vyan«
den ftelde, en zulke ongcmeene daaden van
dapperheyd bedreef, dat hy hen in wanórde
bragt j opde vlugt floeg j cn naajaagde.
OODSCHE HISTORI
Eleazar neervielen, uyt te
Ji9
perfte onder de Moabiten gehouden , te gelyk
aangevallen zynde, hen beyde doodde: cn
daarnaa. ongewapend van eenen byfter grooten
Egiptenaar ^ die wel gewapend was , aange-
greepen , hem met zynen eygen heirbyl, dien
hy hem ontweldigde, ombragt. Nóch iets van
zyne kloekmoedigheyd moet ik hier byvoegen.
Op zeekeren tyd als het fneeuwde was \'er een
leeuw in eenen kuyl gevallen, en dewyl de ope-
ning deszelfs eng was ftondt het \'er naa dat die
door den fneeuw geftopt zoud worden, des
begon het beeft fchrikkelyk te brullen. Benaia
daar voorby komende, hoorde het, klom in den
kuyl, en verfloeg den leeuw met zynen Itok. ^
De overige drieëndertig [van Davids helden]
waaren van gene mindere dapperheyd. â¢
David willende het getal weeten van de weer- ^^^^
baare mannen die in zyn Ryk waaren , en niet i Sam.
denkende aan \'t gene Mofes bevolen had, dat ^^
t\'elkens als men zulk een telling deed, men
Gode voor ieder hoöfd eenen halven ftkel moft
geeven , beval Joab zulks in \'t werk te ftellen.
Maar als deeze zich verfchoonde ^ met te zeg-
gen dat het niet noodig was , geboodt David
hem volftrektelyk dat hy \'t doen zoude. Hy
vertrok dan, en naa dat hy met de Overften der
ftammen en de fchryvers negen maanden en
twintig dagen daarmee toegebragt had , quam
hy weder te Jerufalem j en men bevondt vól-
gens de lyften, die hy \'et van overleverde, dat
het getal der gener die bequaam waaren om wa-
penen te draagen, negenhonderd-duyzend man-
nen beliep zonder de ftam Juda, die alleen vier-
honderd-duyzend kon uytléveren, nóch de ftam-
men van Benjamin en Levi, daar onder te begry-
pen j omdat de Koning hem bevoolen had dat
werk te ftaaken , vermids hei^ bekend gemaakt
Z ^^^
Ik zal nóg een andere daad deezer drie hel-
den verhaalen.^ Toen de Phihftynen met een
groot heir wederquamen, en in het dal, \'t welk
tót aan Bethlehem reykt, en niet boven twintig
ftadiën van Jerufalem is, zieh legerden, gebeur-
de het dat David , die toen te Jerufalem was,
op den burg geklommen zynde om Gód naar den
uytflag diens krygs te vraagen, zich deeze woor-
den liet ontvallen : â O wat een fchoon water
drinkt men in myn vaderland, en voornamelyk
« dat van den put die dicht by Bethlehems poort
a, is. Waarlyk zo iemand het my kon brengen,
5, dat gefchenk zou my veel aangenaamer zyn,
5, dan een groote fómme gelds". Deeze drie
dappere mannen hoorende hem aldus fpreeken,
gingen terftond dwars door het leger der vyan-
den na Bethlehem toe , fchcpten water uyt dien
put j keerden langs den zelfden weg weder, en
Loden \'t den Koning aan ^ zonder dat iemand
der Philiftynen hen den doortógt poogde te be-
letten zo omdat zy over hunne byftere koen-
heyd verbaafd ftonden, als doordien ze wegens
hun klevn getal niet voor hen behoefden te vree-
zen ïsiaar David vergenoegde zich met dit wa-
ter van hunne hand te ontvangen Tf
van tedrinken, â omdat, zeydhy,
â vaar waarin dië mannen zich gefield hebben
â om het te haaien , \'t zelve al te dier maakt
Stortende het aldus in Góds tegenwoordiglieyü
uyt, óftbrde hy \'t hem op, cn dankte hem voor
de behoudeniflè der gener die \'t hem gebragt
hadden. t i k
De vierde deezer helden was Abifai Joaos broe-
der, die alleen in een gevecht zeshonderd vyan-
den op eenen dag gedood had. ^ ^
De vyfde was Banaia van priefterlyken at-
komfte 3 die door twee broeders, voor de dap-
neemen der ftad in \'t leeven behouden had , als
ik ^^ voorheen gezegt heb. Hy ging dan na hem *vii.
toe, en vond hem beezig met het koorn op zy-
nen dorfchvloer te dorfchen. Oron ziende den daar hy"
Koning met de zyne hem naaderen , liep hem
tegen , , viel voor hem neêr , vraagde hem hoe noemt,
\'t quam dat hy zynen dienaar de eere van Zyn
bezoek gaf. Hy antwoordde â Dat hy zynen
dorfchvloer wilde koopen cm \'er eenen altaar
te bouwen, en Gode eene ófferande te ófferen.
De dorfchvloer , herman Oron , de ploeg,
de óffen, en alle de dieren tót eene ófferande
noodig 3 zyn tót \'s Koninks dienfte > ik fchenk-
ze hem uyt goeder harte ^ en bid Gód die óf-
ferande voor lief en aangenaam te houden.
De Koning prees zyne mildheyd en gulhartig-
heyd , en bedankte hem deswege , maar wilde
zyne aanbieding niet aanneemen , zeggende dac
men Gode geen ófferande moft doen van iets dat
men te geef ontfangen had. Hy kóft derhalve
zynen dorfchvloer voor vyftig fikelen , en deed
\'er eenen altaar oprechten, waarop hy den Hee-
re brandóffers en zoenóffers ófferde. Deeze
dorfchvloer ftondt op de zelfde plaats , daar
Abraham eertyds Ifaäk bragt om hem Gode op
te ófferen, en alwaar, naa dat hy zynen arm op-
geheven had om den flag te doen , by \'t altaar
een ram zich vertoonde dien hy in plaats van zy-
nen zoon flagtte en ófferde. David ziende dat
Gód zyne ófferande beaangenaamd had , noem-
de die plaats den ALTAAR VAN AL HET
VOLK, en befloot aldaar eenen tempel te boü-
wen. Dit behaagde den Heere zo wel 3 dat hy
hem door den Profeet liet weeten dat zyn zoon
en naazaat dat voorneemen uytvoeren zoude.
Naa deeze voorzegging deed hy de vreem-
dehngen , die in zyn Ryk met der woon geko-
men waaren , tellen , en men bevondt dat hun
getal honderd en tachtig duyzend uytmaakte,
waarvan hy tachtigduyzend aan \'t houwen van
waaren met de dooden te begraaven , zeegen
néér en hadden de begraavenis zelve van noode.
Deeze befmettelyke ziekte had reeds op éé-
nen mórgen zeven tigduyzend menfchen ge-
dood ., en de verdelgende Engel had zynen arm
^reeds opgeheven, om Jerufalem dezelfde uyt-
werking van de gramfchap des Hemels te doen
gevoelen. David die zich met eenen zak be-
kleed , en zyn hoofd met affche bedekt had,
zynde ter aarde neérgevallen om Gód te bidden
dat hy zich met dat groot getal dooden wilde
vergenoegen, en zynen toorn ftillen, wierdt in
de lucht dien Engel met een bloot zwaerd in de
hand gewaar^ en riep alstoen overluyd tót Gód,
dat nademaal hy alleen fchuldig ^ en zyn vólk
onfchuldig was , hy hem derhalve badt hen te
fpaaren , en hem en zyn ganfche huys aan te
taiten. Gód door zyn gebédt bewoogen deed
deeze fchrikkelyke quaal óphouden , en hem
door den Profeet Gad zeggen , dat hy eenen al-
taar op den dorfchvloer van Oron zoude bou-
wen , en hem daar eene ófteraiide ófferen. Dee-
ze Oron was een Jebuziter, voor wien David zo
middelen verdraagen , bliezen den laatften adem fteenen ftelde j den óverigen beval hy de ande-
onder de handen der artfen uyt j eenige ver-1 re bouwftóffen aan te brengen , hebbende drie-
looren in een oogenbhk hun gezigt, en ver-; duyzend vyf honderd uyt hen verkooren, om
ftikten terftond; en andere terwyl zy beezig i opzigt over de werklieden te neemen. Voorts
vergaderde hy veel yzers en kopers, en een groo-
te menigte van céderen-hout, het welk de Ty-
riërs en Sidoniërs hem op zyn fchryven befchik-
ten : en hy zeyde tót zyne vrinden dat hy alle
die toebereydfelen maakte om zynen zoone,
die nog jong was, deeze moeite te befpaaren, en
hem gelegenheyd te geeven om den Tempel te
gemaklyker te bouwen.
XI. HOOFDSTUK.
Davïd beveeld Salomon den tempel te bouwen. Adonias wil zkh
tót Koning opwerpen: maar David 7.ich voor Saloiijon verklaard
hebbende, verlaat elk Adonias, en Jiy zells onderwerpt zich aan
Salomon. Verfcheydene inzettingen vau Uavid. Hy doet een aan-
fpraak tót de voornaamfte zyos volks , en tól: Salomon, dien by
ten tweeden maale doet zalven.
dat David dit verricht had ontboodt
hy Salomon by zich, en fprak aldus tót
hem: â De eerfte zaak, myn zoon, welke ik â
u beveel, wanneer gy ^y in de regeering ,,
zult gevolgd zyn , is eenen Tempel ter eere
Góds te bouwen. Het is een werk dat ik â
zelfs gaern had uytgevoerd-5 maar de Heere â
L A V I U S JÃSEPHÃS VIL Boek,
zich daarin bezondigde. Deeze j veel geneegenheyd had, dat hy hem naa het in-
was dat hy
Vórft uyt Gods Profeeten verftaande dat hy
[om deeze tellinge] op hem vertoornt was, badt
hem om vergiffenis, en de Heere beval hem ,
door zynen Profeet Gad ^ uyt drie ft raffen, wel-
ke hy hem voorftelde, te kiezen die hy liefft had,
teweeten óf eenen hongersnood van zeven jaa-
ren , ,óf eenen oorlóg van drie maanden in wel-
ken hy altoos zoud overwonnen worden j óf een
zwaare peft die drie dagen duuren zoude. Da-
vid was zo ontroerd over ditvoorftel, dathy ge-
heel verflagen, niet wift welke van de drie hy kie-
zen zoude. Maar vermids de Profeet hem aan-
drong om tót een befluyt te komen > opdat hy
den Heere befcheyd mogte brengen, dacht hy by
zichzelven dat indien hy den hongersnood koos,
het fchynen zoude als óf hy zyne behoudenis
boven die zyner onderdaanen ftelde , naardien
\'t hem aan geen brood mangelen zoud , alwaar
\'t dat zy het moften miffen ; en dat indien hy
den oorlóg verkoor, zulks niet gevaarlyker voor
hem zyn zoude , vermids hy &rke veftingen ,
en veele krygsbenden had om voor zyne veylig-
heyd te waaken; maar dat indien hy de peft koos,
hy daardoor zou te kennen geeven dat hy niet op
zyn eygen belang zag , omdat de ziekte de Ko-
ningen niet meer ontziet, dan het geringe vólk.
Hierom befloot hy die quaal te kiezen, achten-
de dat het beter voor hem zoude weezen, in de
handen Góds, dan in die der menfchen te vallen.
De Profeet had dit den Heere niet zo dra ge-
boodfchapt, óf men zag dien fchrikkelyken geef-
fel door\'t ganfche ryk woeden , zonder dat men
uyt de verfcheydene toevallen dier vinnige ziek-
te iets bekennen konde. Het fcheen in \'t alge-
meen wel dat het een zwaare Peft was, maar zy
rukte de menfchen op verfcheydenerley wyzen
weg. De quaal van fommige wierdt niet be-
fpeurd , en deed hen echter fchielyk fterven;
andere gaven den geeft in\'t midden van zeer hé-
vige pynen j etlyke niet konnende de genees-
53
33
35
3J
33
39
33
heeft
33
VII. BOEIC JOODSCH
â heeft het my door zynen Profeet verbooden ,
omdat myne handen met bloed geverwd
waaren in de oorlogen welke ik heb moeten
voeren : en hy deed my voorzeggen dat hy
" tót uytvoeringé van dat voornamen mynen
jongften zoon , wiens naam ^l^mon zou
zyn 5 verkooren had 3 dat hy dit kind een
" vaderlyke liefde zou toedraaien , en dat
onze landaard zo gelukkig, onder ^ne regee-
ringe zou zyn , dat ze alles goeds genieten
zoiSle in eene vr^de die nooit d^ruyt^em-
fchen óf bintienlattdfehen oorlog geftoord
" zoud worden. Nademaal gy dan eer gy
gebooren waart, van Qód tót Koning voor-^.
fchikt zyt geweeft , zo tracht door gód-
vruchtigheyd , kloekmoedigheyd, en liefde
tót de gerechtigheyd, u zo groot een eere
waerdig te maaken. Onderhoud góds-
dienftiglyk de geboden welke hy ons door
Mofes gegeeven heeft, en laat nooit toe dat
andere die fchenden. Aanmerk als een groo-
55
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
53
33
33
33
55
53
33
35
33
33
305.
te weldaad de genade welke hy u bewylt van
u den Tempel te laaten bouwen, en werk er
met yver aan , zonder dat de grootheyd dier
onderneeminge u affchrikke. Ik zal eer ik
fterve alles wat daartoe noodig is doen be-
reyden j en ik heb reeds tót dien eynde ver-
zameld tienduyzend talenten gouds , hon-
derdduyzend talenten zilvers , een byftere
â menigte van yzer, koper, hout, engefteen-
â ten 5 en ik heb een overgroot getal van Ime-
den , metfelaars , en timmerlieden verga-
derd. Indien u echter nóg iets ontbreekt,
dat moogt gy verzórgen i en gy zult u zel-
ven daardoor Gode aangenaam maaken. Hy
zal uw befchermer zyn , en zyne almagtige
hulpe zal u in ftaat ftellenvannietstevreezen.
Naa dat deeze groote Vórft aldus tót Salo-
mon gefprooken had , vermaande hy de Over-
ften der ftammen zynen zoone in \'t bouwen van
den Tempel by te ftaan , Gód getrouwlyk te
dienen , en zich verzekerd te houden dat tót
vergeldinge hunner gódvruchtigheyd niets mag-
tig zoude weezen de vreede en voorfpoed, diê
hy hen zou doen genieten, te ftooren. Voorts
beval hy dat als de Tempel zou voltooid
weezen , de Arke des verbonds daarin zoude
sezet worden met alle de gewyde vaten , die
\'er al voor langen tyd in behoorden geweeft te
7vn ⢠zynde zulks naagelaaten door onagtzaam-
hLdonzervaderenomtrent Gódsbevelen, om
zXs te doen zo dra zy in het bezit van \'t be-
loofde land zouden gekomen zyn.
< Deeze uytmuntende Koning was toen nog
.lo^n^;. maar zeventig t
bcTd dien hv eeduurende zyn ganfcheleeven
Dcya , aien ny ^ zodaanig ver-
had uytgeftaan \' ^^^^^^^^^^^ warmt? meer
zwakt, dat hem geen natuuiiyi^\'^ nm
overig was, en llles wat men gebruykte om
hem te dekken, kon hem die niet geeven. Het
wierdt derhalve geoordeeld dat het befte mid-
del daartoe zou zyn eene jonge maagd by hem
te doen leggen om hem te koefteren 5 dies zoent
men tót dien eynde de fchoonfte jonge dochter
van\'tland, geheeten, waarvanhiernaa
meer ftaat gefprooken te worden.
Adonias Davids vierde zoon, welken hy ge-
een kóftelyk
gaftmaal , en noodigde alle zyne broeders,
uytgenomen Salomon, daarop : ook had hy
Joab, Abiathar i en de voornaamften der ftam-
me Juda genoodigd j maar Sadok , Nathan ^
Banaia en die voor Salomon waaren, niet. Na-
than verwittigde Bethfabé Salomons moeder
van \'t gene \'er omging , en zeyde tót haar dat
het eenigfte middel om de behoudenis van haar
en haaren zoon te verzékeren , was tót den
Koning te gaan , en hem te zeggen , dat on-
aangezien hy haar met eede beloofd had , dat
Salomon hem in de regeeringe vólgen zoude,
Adonias echter zich reeds in het bezit van \'t
ryk ftelde : onder welk gefprék hy zou komen
intreeden , om te beveftigen \'c gene zy ge-
zegd had. Bethfabé vólgde zynen raad , zy
ging na den Koning , viel voor hem neêr , en
naa verlóf verzócht te hebben om over een
gewigtige zaak met hem te fpreeken, zeyde zy
tót hem, â dat Adonias een groot gaftmaal â
hield waarop hy alle zyne broeders genoo-
digd hadde uytgenomen Salomon 5 dat hy â
\'er Abiathar , Joab , en zyne voornaamfte â
vrinden ook op genood had: dat al het vólk, â
ziende deeze groote byeenkomft in yerlan- â
gen was wie het weezen zoude voor wien hy ,,
zich zou believen te verklaaren : dat zy â
hem badt zyner plegtige belófte aan haar ge-
daan van Salomon tót zynen naazaat te ver- â
kiezen , te willen indachtig zyn j en te den- â
ken dat indien Adonias naa zyn over lyden â
quame te regeeren, zy en haar zoon eenen ,,
wiften dood te verwachten hadden." Ter-
wyl zy aldus fprak wierdt den Koning aange-
diend dat Nathan gekomen was om hem te be-
zoeken : waarop bevél gegeeven zynde dat hy
binnen zou treeden , vraagde de Profeet hem 5
â ófzyn voorneemen was dat Adonias naa hem ,,
regeeren zoude j en óf hy zulks verklaard â
hadde j naardien die Prins een groot gaft-
maal hieldt, op \'t welk hy alle zyne broe- â
ders, behalve Salomon 3 genood , en Joab â
midsgaders veele andere ook daartoe verzócht
had : en dat onder de goede cier en vrolyk-
heyd alle de gaften hem een lange en geluk-
kige regeerin
dat Adonias hem
E HISTORI. 175^
geteeld had by Agith ééné zyner vróuwen, was
een groote en zeer fchoone Prins, en niet min- ^ \'
der ftaatzuchtig dan Abfalom: weshalve hy be-
ftoot zich tót Koning op te werpen , en maak-
te daarop zyn voorneemen aan alle zyne vrin-
den bekend. Thans voorzag hy zich van wa-
gens en paerden , en nam vyftig mannen tót
zyne lyfwacht. Dewyl dit in \'t gezigt van al
de werreld gefchiede , kon het voor den Ko-
nincT zynen vader niet verborgen blyven , en
echter fprak hy hem niet eens daarover aan.
Toab de Veldheer , en Abiathar de Hoogeprie-
fter wikkelden zich in \'t belang van Adoniasj
maar Sadok desgelyks Hoogepriefter, de Pro-
feet Nathan , Banaia Hoofdman der lyfwacht,
Simeï, Davids vriend , en die bende dappére
mannen waaraf hieïvoore gefprooken is, blee-
Yen in d&belangen van Salomon. Adomasbe-
reydde in de voorftad van Jerufalem , by de
fonteyn van \'s Konings tuyn , een kóftelvk
3i
55
35
33
nóch Ba- â
,,, haiä
gewenfcht hadden. Voorts
nóch Sadok,
Z 2
Naa dat de Profeet aldus gefprooken had,
beval David dat Bethfabé , die ter kamer uyt-
ge treeden was toen Nathan \'er inquam, weder
binnen zoude komen \'t welk gefchied zynde
zeyde hy tót haar : â Ik zweer u by den eeu-
wigen en almagtigen Gód, dat Salomon uw
zoon op mynen troon zal zitten , en dat hy
nóg deezen dag regeeren zal." Bethfabé viel
op deeze woorden voor hem neêr , en wenfch-
te hem een lang leeven. David ontboodtdaar-
op Sadok en Banaia , en zeyde tót hen , dat
om aan al het vólk te doen weeten dat hy Salo-
mon tót zynen naazaat verkooren had, hy wil-
de dat zy en de Profeet , verzeld van zyne ge-
heele lyffchutbende , Salomon op des Konings
muyl zouden doen ftygen , en hem na de fon-
teyn Gion geleyden: d^at Sadok en Nathan hem
aldaar tót Koning van Ifraèl zouden zalven,
en de gewyde oli op zyn hoofd uytftorten j en
dat zy hem daarnaa door de ganlche ftad zou-
den doen ryden , en voor hem onder \'t bazuy-
ne-gefchal laaten uytroepen, âDe Koning
â Salomon leeve , en zy eeuwig op den
â koninglyken troon van Juda gezeeten!"
Daarnaa deed hy Salomon by zich komen, en
gaf hem bevélen om wel, heyliglyk, en in ge-
rechtigheyd tc regeeren , niet alleenlyk over de
ftamme Jiida , maar Ook over alle de andere.
Banaia Gód gebeden hebbende dathy Salomon
beliefde te begunftigen , ging met de andere
heene, zettede hem op \'s Konings muylezel,
leydde hem dwars door de ftad na de fonteyn
Gion, alwaar hy tót Koning gezalfd wierdt,
en voerde hem den zelfden weg te rugge. De-
wyl zulk een openbaare daad niet toeliet te twy-
felen, óf het Salomon was dien David onder al-
le zyne kinderen verkooren had om zynen Naa-
zaat te weezen , riep elk : â Leeve de Ko-
â ning, en Gód geeve dat hy veele jaaren ge-
â lukkiglyk regeere : en toen zy in het Paleys
gekomen waaren, deeden zy hem op den troon
van den Koning zynen vader zitten. De blyd-
fchap des vólks was zo ongemeen, dat men ter-
ftond door de ganfche ftad niet zag dan o-aft-
maaien en vreugdetékenen j en het geluy<f der
ftuyten, harpen, en ander Ipeeltuyg waszo
groot, dat te gelyk de lucht en aarde daarvan
weergalmden. Adonias en zyne gaften wierden
hierdoor ontroerd i en Joab gaf te verftaan dat
het gefchal van al dat fpeeltuyg hem niet be-
haagde. Terwyl zy alle aldus bekommerd waa-
ren , en niet aten , zag men Jonathas , zoon.
van Abiathar , met groote haaft aankomen.
Adonias verblydde zich in \'t eerft , hoopende\'
dat hy goede tyding bragt: maar toen hy ver-
ftondt wat \'er voorgevallen was , en hoe de Ko-
ning zich voor Salomon verklaard had , ftondt
elk van tafel op , en ging weg. De vreeze die
Adonias voor Davids gramfchap had , deed
hem zyne toevlugt aan den voet des Altaars
zoeken , vanwaar hy iemand aan den nieuwen
Koning Salomon zondt,\' om vergiftènis van
\'t gene hy gedaan had, en verzékering van zyn
leeven te verzoeken. Hy die niet minder goed-
aardig dan wys was , ftondt hem zulks toe:
maar op voorwaarde van niet meer in diergely-
ken miftlag te vervallen, dewyl hy \'t zichzel-
ven te wyten zoud hebben, indien hem uyt ge-
brék van zynen pligt waar te neemen eenig quaad
overquame. Thans deed hy hem van \'t altaar
haaien , en naadat Adonias zich voor zyne Voe-
ten neêrgeworpen had , beval hy hem na huys
te gaan zonder iets te vreezen , en nooit ta
vergeeten hoeveel \'er hem aangelegen was als
een eerlyk man te leeven.
3)
33
i8o
David om de kroon nóg meer voor Salomon
te verzékeren , wilde hem door al het vólk
voor Koning doen erkennen j ontbiedende tót
dien eynde tót Jerufalem de voornaamften der
ftammen , midsgaders de Prieftersen Leviten,
weU
3.08.
VIL Boek-
FLAVIUS jOSÃtH ü S
â naia niet genoodigd had : en dathy derhalve, wille wift, hem badt die te willen bekend
â de wyl\'t noodig was dat een ieders\'s Konings maaken.
welker getal van zulke die over de dertig tot vyf-
tig jaaren oud waaren achtendertig-duyzend be-
liep. Uyt deèze koos hy zesduyzend om het vólk
te rechten, en voor fchryvers te dienen j drie-
èntwintig-duyzend om op den Tempelbouw toe
te zien , vierduyzend om \'er deurwachters van
te weezen , en de óverige om Ãederen en lóf-
zangen ter eere Góds , op verfcheydenerley
fpeeltuygen , welke hy had doen maaken , en
waarvan hier voore gefprooken is , te zingen.
Hy gebruykte hen tót die verfcheydene dien-
ften vólgens hunne geflachten j en naa dat hy
die der Priefteren van de anderen afgefcheyden
had 5 bevondt men dat \'er vierentwintig van
waaren , teweeten zeftien afkomftig van Elea-
zar , en acht van Ithamar. Hy beval dat die
geflachten by beurten zouden dienen , elk een
week van den éénen Sabbath tót den anderen:
en het lót in tegenwoordigheyd van hem en
de Hoogepriefters Sadok en Abiathar , en alle
de Opperften der ftammen geworpen zynde,
wierden zy alle de één naa den anderen , naar
dat het lót viel, opgefchrceven5 en deeze órde
wordt nóg ten huydigen dage onderhouden.
Naa dat deeze Vórft de geflachten der Priefte-
ren aldus verdeeld had , verdeelde hy die der
Leviten desgelyks in vierentwintig klafl^en, om
even als de andere van week tót week te die-
nen , en hy bewees een byzondere eere aan de
afkomelingen van Mofes , beveelende hen de
bewaaring van den fchat des Heeren, en de
gefchenken welke de Koningen hem zouden óf-
feren i en hy beval dat de ganfche ftam Levi,
zo Priefters als andere, dag en nacht den dienft
Góds zouden waarneemen, gelyk Mofes geboo-
den had.
Daarnaa verdeelde hy al zyn krygsvóïk m
twaalf hoopen, ieder van vierentwintig-duy-
zend mannen , onder \'t gebied van éénen O-
verfte, die Kolonellen en Hópmannen onder
zich had : hy beval dat ieder deezer benden by
beurten eene maand lang de wacht voor Salo-
mons paleys zou houden , en hy gaf geen dee-
zer ampten dan aan perfoonen van verdienfte
en vroomheyd. Hy ftelde ook eenige aan om
opzigt te hebben over de fchatten , buurten,
akkers , en alles wat \'s lands inkomften betrof,
\'t welk ik onnoodig acht breeder te melden.
Als deeze Koning dit alles aldus zeer wyflyk
befchikt had^ deed hy alle de Vórften der ftam-
men, en alle zyne voornaamfte Amptenaars by-
eenkomen } en fprak hen, naa dathy op zynen
troon gezeten was , aldus aan. â Myne mede-
broeders en landsluiden, ik acht my verpligt
ulieden bekent te maaken , dat ik voorgeno-
â men hebbende eenen Tempel ter eere Góds
te bouwen , en tót dien eynde veel * gouds
SLÃa^:, » en Zilvers Verzameld hebbende , de Heere
â my \'t uytvoeren van dat voorneemen door
t^n"\' » den Profeet Nathan verbooden heeft, om-
De Oude:,, dat myne handen bezoedeld waaren door
het bloed der vyanden, die ik m de oorlo-
gen , welke het gemeen welweezen en \'t be-
lang van den Staat my noodzaakten te voe-
ren , overwonnen hebbe : en my wierdt ter
zelfder tyd aangezegd dat myn zoon, die naa
my den troon zou betreedeh, dat werk begin-
nen en voltooijen zoude. Nademaal gylieden
dan weet, dat hoewel onze vader Jakob twaalf , j
zoonen had , Judas echter met algemeene,,
toeftemminge tót Vórft over alle de andere
aangefteld wierd, en dat fchoon ik zes broe-
ders had, Gód my echter boven hen uytver-
kooren heeft om my tót de koninglyke waar-
digheyd te verheffen , zonder dat zy eenig
misnoegen deswege hebben laaten blyken : ,,
zo begeer ik ook dat alle myne andere kinde- â
ren zonder morren dulden , dat Salomon ,3
over hen gebiede , vermids Gód hem ver- â
kooren heeft om hem ten rykstroon te ver-
heffen. Want byaldien wy gehouden zyn,
wanneer hy wil dat wy ons aan vreemden zul-
len onderwerpen, zulks met geduld te draa- â
gen i hebben wy dan geen oorzaak om ons
te verblyden , dat het één onzer broederen
is aan wien hy die eere bewyft , naardien de
bloédverwantfchap ons daa:^aan mededeel-
achtig maaktIk bid Gód van ganfcher harte,
dathy de belófte, welke hymy gedaan heeft,
van dit Koningryk zeer gelukkig onder de
regeeringe van deezen nieuwen Koning te ,,
maaken , vervulle, en dat dit geluk duur- â
zaam zy. Dit zal buyten twyfel gefchieden, ,5
myn zoon, zeyd hy, keèrendezich tót Salo- â
mon , indien gy de gódvruchtigheyd en ge-
rechtigheyd bemint, en indien gy de wet-,,
ten , welke Gód aan onze vaderen gegeeven ,,
heeft, onfchendelyk onderhoudt. Maar in- ,,
dien gy daarin te kort komt, zyn *er geene â
rampen welke gy niet te verwachten hebt."
Naa dat hy zyne reede aldus geëyndigd had j
ftelde hy Salomon de fchets, en een omftandi-
ge befchryving op wat wyze de Tempel moft
gebouwd worden , terhandej alsmede een op^
ftel van alle de goudene en zilvere vaten die tót
de Gódsdienft noodig waaren , benevens het
gewigt derzelver. Vervólgens beval hy zynen
zoone , met groote vlyt en naauwkeurigheyd
aan dat werk te arbeyden , en vermaande de
Vórften der ftammen, dóch inzonderheyd die
van Levi, de behulpzaame hand daartoe te bie-
den , zo ter oorzaake van zyns zoons jongheyd,
als omdat Gód hem tót hunnen Koning , eri
tót uytvoeringc van dat groot werk yerkooreri
haddl Hy zeyde hen ook dat het niet zwaar
zoude vallen zulks te volbrengen , vermids hy
hengoud, zilver, hout, fmaragden, en ande-
re kóftelyke gefteenten , en voorts alle noodi-
ge werklieden 4aartoe naaliet 5 en dat ïiy daar-
by uyt zyne eygene fchatkift nóg zoude voegen
drieduyzend talenten van \'t fynfte goud, om te
gebruyken tót de cieraaden van het allerhey-
ligfte , en het binnenfte des Tempels , en tót
de Cherubynen, die op de Arke, welke als
Góds wagen was, zouden ftaan , en haar met
hunne vleugelen bedekken.
Deeze aanfpraak van dien grooten Koning
wierdt mét zulk een blydfchap van de Vórften
der ftammen, de Priefters, en de Leviten, aan-
genomen , dat zy beloofden vrywilliglyk tót
dit heylig werk te zullen geeven vyfduyzend
talenten gouds, tienduyzend Staters, honderd-
duyzcnd talenten zilvers, en eengróotemenig-
te yzers ^ en zo iemand veele kóftelyke fteenen
ss
53
Ã5
53
ÃÃ
33
33
33
33
33
33
Ã5
33
\'op.
|I0.
33
33
33
â 33
Honderd-
duizend "
Tälenten. â
I Kron.
XXII.14. "
Honderd- ,,
dwjzend
1jde7îten
foud en â
dnyzend-
^aul du^^zend TaUnùn zllvtr
i8ï FLAVIÃS
had, die bragtze ook by de fchatten, waarover
Jailus, één van Molès af komehngen, tót be-
waarder gefteld was. Al het vólk, maar David
voornaamelyk, was zeer bewoogen door dee-
zen yver dien de voornaamfte des ryks betoon-
den. Deeze Vórft dankte met luyder ftemme
Gód daarvoor, noemende hem Vader en fchep-
^ per van \'t heelal, Koning der Engelen en der
menfchen, befchermer der Hebreen, en ftich-
ter van de groote gelukzaligheyd van dat vólk,
waarvan hy hem de regeering in handen gegee-
ven had. Hy eyndigde met een vuurig gebéd,
dat het hem believen mogte hen fteeds met zy-
ne gunften te overftorten, en Salomons hart en
gemoed met alle deugden te vervullen. Voorts
beval hy hen Gód te looven: en aanftonds viel
elk ter aarde om zyne eeuwige Majefteyt te aan-
bidden : en dit bedryfeyndigde met eene betuy-
ginge van allen, dat zy erkentelyk waaren van
het geluk dat ze onder Davids regeeringe genoo-
ten hadden. \'s Anderendaags wierden \'er groo-
te ófferanden gedaan , en duyzend fchaapen,
duyzend rammen , duyzend kalveren , en een
groote menigte van óftervee Gode ten zoen-
offer opgeóftérd. Het óverige van den dag
bragt David met al het vólk in hoogtyd en
blydfchap door , en Salomon wierdt ten twee-
den maale door Sadok den Hoogenpriefter ge-
zalfd , en in het Paleys gebragt, alwaar men
hem op den troon van den Koning zynen va-
der zette , zonder dat ooit iemand federd dien
dag in gebreke bleef van hem te gehoorzaamen.
XII. H O O F D S T U K.
David geeft zyne laatfte onderrechtingc aan Salomon , en fterft,
Salomon doet hem met een ongemeene pracht begraaven.
II. T^Avid niet lang daarnaa gevoelende dat hy
)H, i, -Bâ\'t\'eenemaal begon te bezwyken , oordeel-
de dat zyn eynde op handen was : dies ont-
boodt hy Salomon , en fprak hem aldus aan:
â Myn zoon , ik ftaa nu op het punt om den
tól dien wy alle aan de Natuüre fchuldig zyn
te betaalen, en tót myne vaderen te gaan,
3, \'t Is een weg die ieder één betreeden moet,
â en van welken men nooit in deeze werreld
5, wederkeert. Hierom is het datik dit weynig
âleeven, dat my nóg overfchiet, gebruyke om
â ü nóg eens aan te beveelen dat gy rechtvaer-
â dig jegens uwe onderdaanen, en gódvruch-
â tig jegens Gód zyt die u op den troon ver-
3, heven heeft, en dat gy de geboden, welke
hy ons door Mofes heeft gegeeven , wel on-
derhoudt 5 zonder door gunft, vleyery, drift,
nóch uyt eenig ander inzigt, ooit daarvan
af te wyken j want gy zoud anders zyne gun-
fte miffen : maar byaldien gyu zo getrouwlyk
5, van dien pligt quyt als gy fchuldig zyt , en
3, ikuvermaane , dan zal hy den fcepter in ons
â Huys beveftigen , en nooit iemand anders
â over de Hebreen regeeren. Wees indach-
35 tig der misdaaden door Joab begaan , toen
3, hy door belgzucht gedreeven, de twee vroo-
â me en dappere Veldóverften Abner de zoon
â yan Ner , en Amafa de zoon van Jether,
verraaderlyk beftondt te doodeng wreek hun-
nen dood op zodaanig een wyze als gy \'t ge-
voeglykft oordeelt ^ want ik heb het met kon-
JOSEPHUS VIL Boek.
nen doen om dat hy magtiger was dan ik. â
Ik beveel u de kinderen van Berfellai den Ga- ,,
laditer: betoon hen om mynent wille een by- â
zondere geneegenheyd, houd hen by u in ,,
groote eere , en aanmerk het goed onthaal,,
dat gy hen doet, niet als eene weldaad, maar ,,
als eene erkentenis van \'t gene ik van hunnen j,
vader genooten hebbe , die toen ik in balling-
fchap was , my met een gadelooze edelmoe- â
digheyd byftondt, cn ons alzo aan hem ver- ,
pligt heeft. Belangende Simeï, de zoon van
Gera, de Benjamiet, diemymet eenmenig- â
te van fcheldwoorden hoonde, toen ik ge-j,
noodzaakt was uyt Jerufalem te trekken , om
een veyiige wyk aan gene zyde van den Jor-
daan te zoeken , en wien ik nógtans het lee-
ven fchonk wanneer hy op myne wederkom-
fte my tc gemoet quam > laat hem , zo hy
u oorzaak geeft, niet ongeftraft blyven."
Naa dat David aldus tót Salomon gefrrooxen
had , gaf hy den geeft in den ouderdom van ze-
ventig jaaren, van welke hy zeven en een half
te Hebron over de ftam van Juda , en drieën-
dertig te Jerufalem over de geheele Hebreew-
fche landaard geregeerd had. Hy was een
33
33
33
33
312.
Vórft van groote gódvruchtigheyd , en die alle
de hoedaanigheden bezat welke\'eenen Koning
noodig zyn om de rufte en \'t geluk van een
^root vólk te bewerken. Nooit heeft iemand
lem in dapperheyd voorbygeftreefd j altoos
was hy de voorfte om zich tót heyl zyner on-
derdaanen , en tót roem van den Staat, aan
\'t gevaar bloot te ftellen ; en hy verpHgtte de
zynen veel eer door zyn voorbeeld , dan door
zyn gezag, om dappere daaden te verrichten.
Hy was zeer wys in zyne raadftagen, zeer werk-
zaam op tegenwoordige voorvallen , voorzig-
tig ontrent het toekom.ende , maatig , zacht-
zinnig , mededoogend , rechtvaerdig , en be-
leeft i deugden waarlyk eenen grooten Vórft be-
taamende. Nooit heeft hy die oppermao-t,
waartoe hy zich verheven zag, misbruykt, uyt-
genomen in \'t geval van Uriasvrouw^ en nooit
heeft eenig ander Koning , \'t zy van de He-
breen , óf van eenig ander vólk , zulke groote
fchatten naagelaaten.
De Koning Salomon zyn zoon deed hem te
Jerufalem begraaven met zulk een groote
pracht, dat hy behalve de plegtigheden ter
lykftaatfie van Koningen gebruykelyk , onge-
looftyke fchatten in zyn graf deed zetten j ge-
lyk men gemaklyk uyt het vólgende kan af-
leyden. Toen Antiochus bygenaamd de Gód-
vruchtige , en zoon van Demetrius , dertien-
honderd jaaren daarnaa Jerufalem belegerd had,
en Hyrkanus de Hoogepriefter hem met geld
tót het opbreeken van \'t belég wilde verplig-
ten , deed hy een vertrek van Dayidsgraf, de-
wyl hy elders geen geld wift te vinden , ope-
nen , en haalde drieduyzend talenten daaruyt,
waaraf hy dien Vórft een gedeelte gaf En lan-
gen tyd daarnaa haalde de Koning Herodes een
zeer groote fomme uyt een ander vertrek van dat
graf, zonder nógtans de kiften aan te roeren
waarin de koninglyke affche beflooten lag, de-
wyl die zo konftig onder de aarde verborgen
waaren dat menze niet vinden kon.
JOOD.
r Koh,
33
33
,33
33
33
33
33
33
JOODSCHE HISTORL
0 0 dsc h e
j o
H I S T O R I.
A C H S T E BOE K.
titste hoofdstuk.
. 1 ⢠pn Simei dooden 1 ontneeint Abia-
van Egipte ten wyve.
WY hebben in \'t voorgaande boek gezien
welke deugden David bezat , wat wel-
\' daaden hy onzen landaard beweezen heeft, en
hoe hy naa veele overwinningen behaald te heb-
ben , in eenen gelukkigen ouderdom ftierh ba-
lomon zyn zoon, dien hy nóg by zyn leeven
door Góds bevel tót Koning had aangefteld,
vólede hem in \'t ryk nóg heel jong , en al het
väk 4nfchte heL naa^r gewoonte met groote
loejuyghinge allerley voorfpoed en een lange
\'"\'^SnS die by \'t leeven van den Koning zy-
nen vader , gelyk wy gezien hebben , zich het
Köninck wilde aanmaatigen, gmg de Ko-
ningin Bethfabé Salomons moeder bezoeken:
en zy hem vraagende , óf hy haarer van noode
hadde, enzeggende dat ze hem gaern wiMe die-
nen , antwoordde hy , â dat haer wel bekend
â was dat het Ryk hem toebehoorde , zo om
,, dat hy de oudfte was , als door de toeftem-
â ming , die al het vólk daarop gegeeven had :
dóch dat hy des niettegenftaande , dewyl
" Gód Salomon verkooren had , zich gewillig
" aan hem onderwierp , en zich met zynen te-
genwoordigenftaatvergenoegde: maardathy
â haar badt van den Koning voor hem te willen
â verzoeken , dat Abifag , die jnen wift nog
3, maagd te zyn, doordien de Koning zyn va-
5, der haar alleenlyk genomen had om zich te
âverwarmen, toen zyne natuurlyke kracht
â door den ouderdom bezweek, hem ten wy-
â ve mogt gegeeven worden. - Bethfabe be-
loofde hëm lien dienft te doen, en beval hem
goeds moeds te zyn, zo om de geneegenheyd
die de Koning hem toedroeg , als ter oorzaake
van de béde Ãe zy voor hem doen zoude, en
dus verliet hy haar wel gemoed , en vol hoope
CD dat huuwelyk. Zy ging daarop terftond na
SL Koning, en hy haar te gemoet treedendeen
fmhSe leyde haar in de zaal alwaar zyn
? «S t en^deed haar aan zyne rechterhand
zitten, Lj zeyuc ^ ^ ^
âu, myn zoon, en ma ^y
â flaat. Hy antwoordde ^
â les voor eene moeder ^enooruc
â zich verwonderde haar aldus
â ken, even als óf zy,twyfelde dat hy haar niet
â alles wat zy begeerde bly delyk toeftaan zoude.
â Hierop verzócht zy hem dan goed te vmden
â dat zyn broeder Adonias met Abifag trouw-
â de." Dit verzoek quam hem zeer onver wacüt
Toor, en vertoornde hem dermaate, dathy naar
onverrichter zaake heene liet gaan , zeggende,
â Dat Adonias, als zynde ouder dan hy, zyne
âkroon ook wel mogt geëyfehthebben : dat
het klaar bleek dat hy dat huuwelyk niet ver-,,
zócht dan uyt een quaadmzigt j en dat ieder â
een wel wift dat Joab de Veldoverfte en Abia- â
thar de Hoogepriefter, in zyne belangen ge- â
treeden waaren." Voorts beval hy Banaia den
Hoofdman zyner lyfwacht, heene te gaan en
Adonias te dooden. xj
Hy ontboodt daarnaa Abiathar den Hoogen-
prieto en zeyde tót hem , â Gy hebt den â
Lod wel verdiend , maar dewyl gy veele â
moeilykheden met den Koning mynen vader ,,
uytgeftaan , en nevens hem \'tot het over- â
breSgen van de Arke des verbonds gehuipcn â
hebt, leg ik u geen andere ftraffe op dan dat â
gy vanhier wykt, en nooit weder onder my- â
ne oogen komt. Gaa na uw vaderland , en â
woon aldaar buyten op \'t land zo lang gy â
leeft, want gy hebt u des ampts dat gy be- â
dient onwaerdiggemaakt.\'\' _
In deezer voege week het Hoogepriefterlchap
uyt het huys van Ithamar , gelyk Gód aan Eli
Abiathars grootvader voorzegd had , en gmg
over in dat van Phineës , op den perfoon van
Sadok. Geduurende dien tyd dat dit ampt in
het huys van Ithamar was gebleeven , federd
Eh , die het de eerfte van dat geflacht had be-
diend , hadden die van Phineës een ampteloos
leeven geleyd, teweeten .Ãöm zoon van Jofeph
den Hoogenpriefter, Joatharnzoonym Bócci,
Mareoth zoon van Joatham , Jroph zoon van
Mareoth, en Achitob zoon van Aroph en vader
van Sadok , die tót Hoogenpriefter aangefteld
wierdt onder de regeeringe van David.
Toen Joab den dood van Adoilias verftaan
had, ontzette hy Zich niet weynig, en dewyl hy
zich voor hem had verklaard, was hy met zon-
der reedenbedugt, dathemhetze fdelotz^ude
te benrte vallen : hy vJugttc derhalve na den al-
arhoo;e dat\'de
Sngs hem ontzag aan die heyhge ph^^^^
toedraagen. Maar Salomon deed hem door Ba-
naia beveelen voor \'t gerecht te verfchynen om
zich te verdeedigen. Hierop antwoordde hy^
dat hy vandaar niet meende te gaan, en dat als
hy dóch fterven moft j hy liever wilde dat het in
\'t Heyligdom gefchiedde dan elders. Dit aan
Salomon geboodfchapt zynde, beval hy Banaia
hem het hoofd af te flaan , en zyn hghaam te
doen begraaven, om hem alzo wegens de twee
groote misdaaden, welken hy in \'t vermoorden
van Abner en Amafa begaan had , te ftraffen,
ten eynde dat hy en zyne naakomelingen daar-
voor boetende, ieder mogt bemerken dat de Ko-
ning zyn vader en hy t\'eenemaal onfchuldig daar-
aan waaren. Banaia volvoerde dien laft, en
vólgde Joab in \'t Veldheers ampt. Belangende
dat van Hoogenpriefter, het ging geheel over al-
leen op den perfoon yan Sadok, dewyl de Ko-
ning j Abjathar daarvan beroofdcv
314.
ï Kon.;
3»5
317.
â
iS4
51S. Salomon gebood Simeï ten zelfden tyde te
Jerufalem een huys te bouwen , om aldaar te
woonen, verbiedende hem op peene des doods
ooit over dc beek Kedron te komen j met bevél
dat hy dit met eede belooven moft. Simeï be-
dankte den Koning voor deeze gunft , en zey-
de by \'t afleggen van den eed, dat hy \'er van gan-
fcher harte toe bereyd was. Hy verliet dan
zyn vaderland, en quam zich te Jerufalem met
der woon neêrzetten. Drie jaaren daarnaa ge-
beurde het dat twee zyner flaven van hem ge-
vlugt en na Geth ge weeken zynde, hy derwaards
ging en hen vandaar te rugge bragt. Salomon
vertoornd omdat hy niet alleenlyk zyn bevél ver-
acht, maar ook den eed, in Góds tegenwoor-
digheyd gedaan, gefchonden had , ontboodt
hem, en fprak hem aldus aan. â Gy booswicht,
,5 hebt gy niet met eede beloofd nooit uyt Jeru-
,, falem te zullen gaan j en hebt gy niet ge-
3, fchroomd de meyneedigheyd te voegen by de
moedwil eertyds in \'t hoonen van wylen den
Koning mynen vader begaan, toen Abfaloms
muytery hem noodzaakte de hoofdftad zyns
â ryks te verlaaten ? Bereyd u om de ftraffe te ly-
â den welke ^y verdient, en die aan al de werreld
5, zal doen zien dat de vertraaging van de ftraffe
3, der boozen, maar dient om die teftrengerte
â maaken." Naa dit gefprek kreeg Banaia laft
Simeï te dooden, zo als hy ook volbragt.
3>
S3
53
3 rp. Toen Salomon zich aldus van zyne vyanden
ontflagen, en daardoor zyne heerfchappy be-
veftigd had, nam hy de dóchter van Pharao Ko-
ning van Egipte ten wyve, en hebbende Jerufa-
ialems muuren veel hooger en fterker gemaakt,
alszc voorheenen waaren, regeerde hy\'^\'t gemee-
nebeft federd in een volkómene vreede 5 want
len zynes ftervenden vaders voor oogen te hou-
den : maar hy behandelde afles met de hoogfte
voorzigtigheyd en het doordringenfte oord?el,
niet anders, als of hy een man van jaaren en be-
proefde ervarenheyd waare geweeft.
II. HOOF D S T U K.
Salomon öncvan|>t van Gód de gaave der wysbevd. Vonnis dcot
hem uytgefprooken ontrent twee vrouwen > welk er ééne ccn dood
kind had. Naamen der Laedvoogden. Hy doet den Tempel bou-
wen, en\'er dc Arke des verbonds in zetten. Gód voorzegt hem
hec geluk of het ongeluk dat hem cn zynen vólke zoud overko-
men als zy zyne getjoden onderhielden óf overtraden. Salomon
bouwreen prachtig Paleys, verfterkt Jerufalem, en ftichc verfchey-
dene fteden. Van waar het komt dat alle de Koningen van Egipte
Pharao genaamd worden. Salonnöa maakt de overige Kanaaniten
cynsbaar._ Hy ruft een groote vloot uyt. De Koningin van Egip-
te en Ethiopië komt hem bezoeken. Overgroote rykdom van die«
Vócft. Zyne\'ongeregelde liefde jegens de vrouwen doet hem tót\'
afgodery vervafièn. Gód doet hem boodfchappen opwat vvyzehy
geftraft z.al worden. Ader ftaat tegen hem öp. En Gód doet Je-
roboam door eenen Profeet aanzeggen dat hy over dc tien ftam-
men regeeren zal.
pén van Salomons eerfte werken was na * He-
bron te gaan, en Gode duyzend flagtóffers
ten brandóftér op te ófferen op den kóperen al-rKon.V
taar dien Mofes had doen maaken, en dit was«"
den Heere zo aangenaam, dathy hem \'snachtSGf««\'^\'
in eenen droom verfcheen , en tót hem zeyde dat hebben
hy tót vergeldinge zyner gódvruchtigheyd hem
zodaanig een gaave toeftond als hy zelf zou ten, ca
begeeren. Deeze Vórft, hoewel jong, het zich
niet verrukken door begeerte tót rykdom óf JoJgeiyfc.
andere dingen , die alleen den meeften zo aan-Gabaon j
genaam toefchynen : maar hy wenfchte van
Gód , het fchoonfte en grootfte, dat de Hee-
re liefft den menfchen als hen het allernutftc
seeft. â Heere, zey hy, ik bid u, myden
* Gihm
olgei
geeft van wysheyd en verftand te geeven, op- â
dat ik myn ryk wyslyk en in gerechtigheyd â
regeeren mag." Deeze eyfch behaagde Gode
zodaanig â dat hy hem eene wysheyd beloof- â
de zo ongemeen, dat nóch Vorft, nóch on-,,
derdaan , ooit te vooren diergelyke bezeten
had 5 en hy zeyde tót hem , dat hy hem niet,,
aUeenlyk zyne begeerte toeftondt, maar dat â
hy \'er rykdom 3 ^^^^ 3 overwinning zyner â
vyanden , en \'t bezit zyns koningryks voor â
zyne naakomehngen zou byvoegen , mids â
dat hy op hem vertrouv/de , in gerechtig- j,
heyd volhardde , en de andere deugden van â
zynen vader Vmd naavólgde. Salomon â
tradt
tradt op deeze woorden uyt zyn bedde, aan-
badtGód, en keerde weder na Jerufalem, al-
waar hy voor zynen heyhgen Tabernakel een
groot getal van llagtólfers opófferde, en aan al
"c vólk een gaftmaal gaf
Deeze jonge en voortreffelyke Vórft fprak
ter zelfder tyd een vonnis uyt over zulk een
moeilyke zaak, dat ik het gevoeglyk geacht
heb die alhier te verhaalen, opdat men mdier-
<Telyken gevalle zich van zyn voorbeeld zou
konnen bedienen om de waarheyd naa te vór-
fchen. Twee vrouwen van een ontuchtig lee-
ven quamen by hem, waarvan de ééne, ont-
roerd zo \'t fcheen door het ongeluk dat men haar
gedaan had, tót hem zeyde j â Deeze vrouw,
â Heer Koning, en ik woonen tzamen in ééne
â kamer, en zyn beyde te gelyk op éénen tyd
â elk van eenen zoon bevallen. Drie dagen
â daarnaa is \'t gebeurd , dat zy haar kind by
[lt.
i>
3J
zich hebbende, het in den flaap dood lag en _
verftiktej en dewyl ik toen fliep, namzyhet y,
myne uyt mynen arm , en leyde het haare â
dat dood was, in zyne plaats. Toen ik ont- â
waakte, en myn kind, het welk ik zeer wel â
kende , de borft wilde geven , vond ik dit â
doode kind by my : Daarop eyfchte ik my- â
nen zoon wederom j maar zy heeft Ijem my
geenzins willen wedergeevcn, en bl^ evea â
hardnekkig om htm tc houden, omdat ik me-,,
mand hebbe die my byftaat om\'er haar toe â
te dwingen. Dit heeft my, 6 Koning, ge-,,
noodzaakt, om myne toevlugt tót uwe ge-â
rechtit^heyd te neemen." Naa dat deeze vrouw
aldus Sefprooken had , vraagde de Koning de
andere, wat zy daarop had té antwoorden.
â Zy hieldt ftoutelyk ftaande dat het kind
het welk nóg leefde het haare was , en dat
het doode t&t van haare tegendingfter was
Niemand van degénen die \'er tegenwoordig
waaren kon gelooven dat men zulk een duyfte-
re zaak zou konnen ontwarren, om\'er de waar-
heyd van naa te fpooren j en de Koning alleen
vondt het middel daartoe uyt: te weeten hy
deed beyde de kinderen aanbrengen, en beval
éénen zyner lyfwachten hen midden door te
houwen, en aan ieder der vrouwen de helft van
elk te p-eeven. Dit vonnis fcheen in \'t eerft zo
kinderaehti«^» dat ieder by zichzelven daarom
lachtte ⢠maar men veranderde haaft van oor-
deel i want de rechte moeder begon te roepen,
dat zy liever, dan haarkmd dus te zien doo-
â den,\'het aan de andere wilde gegeeven
â hebben, omdat zy dan ten mmften de trooft
â had van te weeten dat het nóg leetde. ue
andere vrouw daarentegen ftondt die deehng
gewiUig toe, en vondt zelfs een wreede ftotte
van vermaak in de droef heyd haarer vriendinne.
Uyt deeze verfcheydenheyd van gevoelens,
die de Natuur alleen magtig was in te boezemen,
viel het den Koning niet zwaar te oordeelen
wie de rechte moeder was. Dies beval hy dat
men hét leevend kind zoude geeven aan haar dic
zich tegen het ombrengen van\'t zelve had aan-
eekantTcn hy ftrafte de quaadaardigheyd der an-
dere, die haaren eygen zoon verlooren hebben-
de , dien van haare gezellinne ook poogde om den
hals te helpen. Dit blyk Van des Konings groote
wysheyd bragt hem by al de werreld in aehtinge j
en mén begon van dien dag af hem te gehoorzaa-
men als eenen Vórft van Góds geeft vervuld.
Nu ftaat my te fpreeken van zyne KrygsóvCr- 52,.
ften en Landvoogden. 1 Kou, 4.
Uri had het gebied over het ganfche land van
Ephraim.
T>wklerus over de Landvoogdy van Bethle-
hem.
Aminadah Salomons fchoonzoon geboodt
over het geweft aan de zeekant waar onder Dor
begreepen is.
Banaia zoon van Achil geboodt over het
groot veld , en het land dat zich tót aan den
Jordaan uytftrekt.
Gabar geboodt over \'t ganfche land van Ga-
laad en Gaulanitis tót aan den berg Libanon,
A a waarin
FLAVIUS
waarin zeftig groote en fterke fteden waa-
ren.
^ Achirmdab, die ook aan eene dóchter van den
Koning Salomon geheeten Bazima getrouwe
was, geboodt over geheel Galiléa tót aan Sidon.
Banachat geboodt over de landftreek aan de
zee ontrent Arce gelegen.
Saphat geboodt over de twee bergen Itaby-
rim en Karmel, en over het Galiléa \'t welk
zich tót aan den Jordaan uytftrekt.
Sub a ^ geboodt over \'t ganfche land van de
ftamme Benjamins.
Gabar En ThabüT -f had het gebied over het ganfche
weft , het welk aan gene zyde van den Jor-
fchrifccn. daan is.
Salomon had daarenboven f enen algemeenen
Stadhouder, die over alle die landvoogden
m
li
tl li\'
ItV
v^ftondt^met!
fchap dat deeze uytfteekende Vórft zynen va-
der m \'t ryk was gevólgd 5 en zondt hem der-
halve gezanten om hem deswege geluk te wen-
icüen. Salomon antwoordde daarop in gefchrif-
te, hetwelkhyaanhenbehandigde, envandee-
zen inhoud was. â De Koning Salomon aan
den Koning Hiram. De Koning myn va-
der heeft een groote begeerte gehad om eenen
Tempel ter eere Góds te bouwen j maar hv
heeft zulks met konnen doen , ter oorzaaS
van de geftadige oorlogen waarin hy SS
gewikkeld vondt, en die hem niet toelieten
de wapénen neêr te leggen, voor dathy zyne
vyanden overwonnen , en hen cynsbaar ge- â
maakt had. Tegenwoordig nu Gód my de â
genade bewyft van een gerufte vreede te ge- â
nieten, heb ik beflooten dat werk te onder- â
neemen , dewyl hy mynen vader voorzegd â
heeft, dat ik het geluk zoud hebben van het â
te beginnen en te voltooijen. Hierom is het â
dat ik u verzoeke eenige van uwe werklieden â
te zenden , om met de myne op den berg \'
Libanon het noodig hout daartoe te hakken:
want de Sidoniërszynbequaamertótdatwerk "
als onzen landaard , en ik zal hen daarvoor "
betaalen naar uw goedvinden." "
De Koning Hiram ontving deezen brief met
blydfchap , en antwoordde op denzelven in
deezer voege: â De Ko ng ^^^^
Koning Salomon. Ik dank Gód dat gy zoo
wyzen en braven Vórft, den Konina uwen
vader op den troon gevólgd zyt 3 en â
ik zal zeer gaern doen het gene gy van â
my begeert. Ik zal ook beveelen dat \'er â
m myne bofli:haadjeu een goed getal van â
V cyprefte
Ã5
3>
5J
Ã5
3>
3J
3>
3>
maon >
\\o!gens
i-a)dere.
3J
3)
3»
geboodt.
Men kan niet genoeg uytfpreeken hoedaanig
het geluk was dat alle de Ifraëliten, inzonderheyc
die van de ftamme Juda , onder de regeeringe
van Salomon genooten, omdat men zich bevin-
dende in een diepe vreede , die nóch door uyt-
heemfche oorlogen, nóch door inlandfche ver-
⢠deeldheyd geftoord was, elk nergens anders op
dacht dan om zyne landeryen te bebouwen,
en zyne goederen te vermeerderen.
Deeze Koning had ook Amptenaars die de
fchattingen ontvingen, welke de Syriërs, en an-
dere uytheemfche vólken, die tuftchendenEu-
fraaten Egipte woonden, gehouden waaren te
betaalenj en deeze befchikten onder andere da-
§ gelyks voor zynen tafel dertig maaten § meel-
Woeme , zeftig maaten ander meel, tien ge-
mefteóifen, tien óilen uyt de weyde, honderd
vette lammeren > behalven de harten,buftels en an-
der wildbraad, gevogelte, en vifch , dat hem
daaglyks toegebragt wierdt.
Hy had ook zulk een overgroote menigte
van wagens , dat \'er veertigduyzend krebben
van noode waaren voor de paerden die dezelve
trokken , en twee aan twee gekoppeld waaren.
Daarenboven onderhieldt hy twaalfduyzend
ruyters , waaraf de ééne helft te Jerufalem de
wacht hieldt ontrent zyn perfoon , en de ande-
re helft was in de fteden verdeeld. Het voeder
voor zyne paerden , in wat plaats hy zich ook
bevondt, wierdt bezórgd door den Spysmee-
fter van zyn huys.
324. Gód vervulde dien Vórft met zulk een wys-
heyd en verftand , dat niemand in de ganfche
aaloudheyd ooit by hem heeft konnen vero-elee-
ken worden 5 want hy overtrof de allerwyfte
der Egyptenaaren , die anders wegens hunne
weetenfchappen alomme vermaard zyn , als-
mede de allerverftandigfte onder de Hebreen
van dien tyd , welker naamen ik niet laaten kan
alhier te melden, naamelyk Ãthan Heman^
Indaï Chdchol, en T>ardan , alle vier zoonen van
Me- t^^ahol. Deeze uytmuntende Koning maakte
y^fduyzend boeken van gezangen en gedichten,
drieduyzend boeken van gelykeniftèn en fpreu-
ken, beginnende van den hyftbp tót aan den ce-
der, en doorloopende al het gedierte, zo vóge-
len als viftchen, enland-dieren: hy kende hun-
ne natuur j mets het hy ondoorzogt, maar hy wift
op alles als een wysgeer te redeneeren, betoonen-
lE6
JO SE P HUS VUL Boek.
de hunne eigenfchappen wel begreepen te heb-
ben. Gód gunde hem ookde kennis om tót hulpe
der menfchen verfcheydene geneesmiddelen toe
te ftellen, onder welke ook zulke waaren die de
kracht hadden om booze geeften te verdry ven,
zo dat ze nooit durfden wederkeeren. Deeze
mamer van uytdryvinge is nóg in groot gebruvk
onder die van onze landaard j en ik heb eenen
J ood gezien genaamd Eleazar, die in de tecren-
woordigheydvanden Keyzer Vefpafianus,\'\'zy-
nen zoon, en veele zyner Hoofdlieden en fóldaa-
gn » verfcheydene die bezeten waaren verlófte
iiy nechtte aan de neus des bezétenen eenen ring,
onder wiens zegel zékere wortel beflooten was
vanwelkenSalomonzichtótdatgebruykbedien-
de;enzodra\'erdeboozegeeftdeluchtafkreeg.
Wierp hy den zieken ter aarde, en verliet hem â¢
alsdan fprak hy dezelfde woorden, welke Salo^
monbygefchrfttenaagelaatenhad, enterwylhv
van dien Vorft gewag maakte, verboodt hy den
boozen geeft weder te komen. Dóch om de
kracht zyner bez\\^eringe nóg bet te toonen,
vulde hy eene kruyk met water, en beval den boo-
\' om door dat
⢠wlr ^^ ^^^ S-
hem S^^ft gehoorzaamde
nnlV ^^^^^^J^^^S/^^^^d^nisalhierverhaald,
op^t niemand aan de ongemeene kennis, wel-
pod/an Salomon door een byzondere genade
verleendhad, zou behoeven te twyfelen
* Anric.
re Semci.
voigens
cie Hand-
M
f
33
(t)Ty.53
rus was
toen nóg
een ey-
land ;
Srd^^ der bericht daarvan begeert, die heeft maar de-
door Ale- génen die \'er de bewaaring van hebben te ver-
Sg^oo- zoeken om dezelve te moogen zien , en hy zal
ten aan \'t bevindcn dat ikze getrouwlyk naagefchreeven
Scht!^ hebbe. Dit vind ik my verpligt te zeggen, om
te toonen dat ik nooit iets by de waarheyd voe-
ge 5 en dat de begeerte om myne Hiftori be-
vallig te maaken , my geene zaaken daar onder
doet mengen die niet meer dan waarfchynelyk
zyn : derhalve begeer ik niet dat zy die dit boek
leezen zonder onderzoek geloof daaraan flaan,
maar ik verzoek dat niemand ons met zyne
goedkeuring vereere indien wy niet de waar-
heyd overal op vafte blyken voorftellen.
Salomon was zeer wel voldaan met den han-
del van den Koning Hiram, en ftondt hem toe
jaarlyk uyt zyne ftaaten te voeren tweeduyzend *
maaten tarwe , tweeduyzend f baths olie , en
duyzend § baths wyn, houdende ieder bath
tweeënzeventig pinten. De vrindfchap deezer
duyzend. twcc Koningen vermeerderde nóg , en bleef
ftèeds duuren.
Dewyl Salomon niets meer ter harte ging dan
de Tempelbouw, beval hy zynen onderdaanen
hem dertig-duyzend arbeyders te befchikken ^
en verdeelde het werk w^aartoe hy hen gebruyk-
te indier voege , dat die arbeyd hen niet over-
laftig mogt vallen : want naa dat tienduyzend
ééne maandlang hout op. den berg Libanon ge-
houwen hadden, keerden zy weêr na hun huys,
en bleeven aldaar twee maanden, terwyl tien-
duyzend andere hunne plaats innamen , die
als zy eene maand gewerkt hadden insgelyks
na huys gingen : daarop vólgden dan de óveri-
ge tienduyzend j en na hen quamen de eerfte
tienduyzend weder om eveneens te doen. Het
opzigt over dit werk wierdt aan Adoram gegee-
ven. Zeventigduyzend van de vreemdelin-
gen in het ryk woonende , waaraf hier voore
gemeld is, bragten fteenen en andere bouwftóf-
fen aan, gelyk de Koning David bevolen hadj
tachtigduyzend andere waaren metfelaars , en
* onder hen waaren\'er drieduyzend tweehonderd*
mL tót baazen over de anderen gefteld. Eer de
dird, vol- groote fteenen , die tót de grondveften des
ferelt Tempels gefchikt waaren , aangebragt wier-
ickificn. den, hieuwen zyze op den berg j en de werk-
lieden door den Koning Hiram gezonden ,
deeden defgelyks ontrent het gene hun werk
betrof
Zynde alle dingen aldus bereyd , begon de
iKon.ó. Koning Salomon den Tempel te bouwen in
\'t vierde jaar zyner regeeringe , en in de twee-
de maand die de Macedoniërs Arthemifius, en
(*)2^yn-de Hebreen Jar noemen , vyfhonderd
Graï tweeënnegentig jaaren federd den uyttógt uyt
maand.
*t §
Andere
Twintig
HISTORI.
Egipte 5 duyzend en twintig jaaren haa dat A-
braham uyt Mefopotamië na Kanaan trok j duy^
zend vierhonderd veertig jaaren federd den
zondvloed j en drieduyzend éénhonderd en
twee jaaren naa de fchepping der werreld.
Het was toen m \'t elfde jaar der regeeringe
van Hiram , wiens hoofdftad genoemd Ty-
rus tweehonderd veertig jaaren te vooren was
gebouwd.
De grondveften des Tempels wierden zeer
diep gemaakt, en opdat zy tegen de rampen
des tyds zouden konnen beftaan , en het groot
gevaarte dat men \'er op bouwen zou, zonder
bezwyken onderfchraagen , waaren de fteenen
die men op den grond leyde zo groot, dat dit
werk niet minder verwonderens waerdig was,
dan de prachtige cieraaden 5 en konftige werk-
ftukken die men "er op timmerde , en waarvan
het tót een fteunfel moft dienen > en alle de
fteenen welke men van de grondveft tót aan het
dak gebruykte waaren geheel wit. De iencrte
des Tempels was van zeftig elleboogen, ^e
hoogte defgelyks , en de breedte van twintig.
Boven dit gebouw wierdt nóg een ander van
dezelfde grootte gezét. Zo dat de ganfche
hoogte des Tempels van honderd en twintig
elleboogen was. Hy was na \'t Ooften gekeerd j
en het voorpórtaal was infgelyks honderd twin-
tig eUeboogen hoog, twintig lang, en tien breed;
Rondom den Tempel waaren dertig kamers als
galleryen , die tót ftuttinge van de buyten-
wanden dienende , alle tót malkanderen toe-
gang hadden , en ieder was vyf elleboogen
lang, zo veel breed, en twintig hoog. Boven
die vertrekken waaren twee verdiepingen, met
een gelyk getal van kamers , die alle eveneens
Waaren : zo dat dan deeze hoogte van drie ver-
diepingen zeftig elleboogen uytmaakte, en van
dezelfde hoogte was als het ondergebouw des
Tempels, waarvan wy gefprooken hebben: en
daar was niets boven op getimmerd. Alle dee-^
ze kamers waaren met céderen hout gedekt, en
ieder der bovenfte had zyn byzonder dak afge-
fcheyden van de andere > maar de overige ka-
mers waaren afte door groote en lange balken aan
één gehecht, om het werk vafter te doen zyn,
zo dat zy altzamen niet dan één gebouw uyt-
maakten. Haare zólderingen waaren van céderen
hout zeer glad gefchaafd , en met verguld lof-
werk in \'t houtgefneeden vercierd. Het óverige
was ook met céderenhout befchooten, en alles
zo net gewerkt en verguld , dat men \'er niet
kon intreeden, zonder dat de glans daarvan
de oogen verblindde. Het ganfche maakfel Van
dit prachtig gebouw was van fteenen, die zo glad
gefleepen, en zo dicht aan één gehecht waaren
dat men de voegen daaraf niet belpcuren kon ^
maar \'t fcheen als óf ze uyt één ftuk gevormd
waaren , zonder dat eenige konft , óf Werk-
tuygen van welke voortreffelyke meefters zich
bedienen om hun werk cieraad by te zetten
iets daartoe gehulpen hadden. Salomon deed
in de dikte van den muur ^ aan de zyde van
t Ooften , alwaar geen groote deur , maar a^
leen twee kleyne deuren waaren , eenen wen-
teltrap van zyne eygene uytvindinge maaken ,
om tot boven op den Tempel te konnen klim-
vm Boêk. JOODSCHE
5, cyprefTe en cédere balken gehouwen wordenj
â welke ik n ter zee zal toezenden , en tót
55 vlótten gemaakt aan zulk een plaats van uw
3, ryk laaten voeren , die u \'t gerieflykft dunkt
5, omze vandaar na Jerufalem te brengen. Ik
55 verzoek u in vergeldinge daarvan ons den
toevoer van koorn te vergunnen , \'t welk gy
weet dat ons op dit (^f) eyland ontbreekt.
De oorfprongklyke fchriften deezer brieven
zyn niet alleenlyk in onze Kancelery, maar ook
in die der Tyriërs nóg te vinden. Zo iemand na-
Aa 2 \'
men
F LA VÃÃS JOSEPHUS
ï88
Vni. Boek.
men. Van binnen en buyten den Tempel waaren
cédere planken met fterke kettingen aan één
gehecht ,
louden.
om alles vaft aan malkanderen te
Tót dit alles , maar voornaamelyk tót dc i Koh ?
werken van goud, zilver, en kóper, gebruyk-
te Salomon eenen werkman, geheeten
dien hy vanTyrusontboodenhad> wiens vader
Ur genaamd, hoewel eenTyrier van geboorte,
van de Iftaëliten afkomftig, en wiens moeder
uyt de ftamme Nephtah was. Deeze man maak-
te hem ook twee kópere zuylen, vier vino-eren
dik, achttien elleboogen hoog, en twaalf elle-
hoogen in den omtrek, boven op welke gegoo-
tene kapiteelen waaren, naar de gedaante van
leeliën, vyf elleboogen hoog : rondom dezelve
was verguld lófwerk, \'twelkdeleehën bedekte»
voorts hingen\'er in tweeryen tweehonderd Ge-
gootene granaatappelen. Deeze zuylenftoncfen
aan den mgang van\'t pórtaal des Tempels, zvn-
de de ééne die ter rechterhand ftondt Jachin,
en de andere ter flinker zyde Boz genoemd.
Deeze konftenaar maakte ook een kóper vat
van een halfronde gedaante , \'t welk men ter
oorzaake zyner byftere groote eene zee noem-
de i want dc wydte van de ééne zyde desrands
tót aan de andere, was van tien elleboogen,
en de randen waaren een handbreed dik. Dit
groot vat fteunde op eenen voet, gemaakt als
een gedraaide Ipil met tien groefkringen, heb-
bende de dikte van ééne elleboog : en rondom
deeze Ipil ftonden twaalf runderen j drie en drie
naa de vier hoofdwinden gekeerd, die met hun
agterfte gedeelte binnenwaarts hurkten, zodat
het vat daar op bequaamlyk ruftede. Dit vat
hieldt tweeduyzend baths, zynde eene maat van
vloeibaare ftóftèn. Behalve dit maakte hy nóg
voor tien andere vierkante kópere vaten, even zo
veele voeten of ftellingen van het zelfde metaal,
zynde ieder deezer voeten vyf elleboo^^enlang,
vier breed, en zes hoogj en alle uyt verfchey-
dene ftukken, die elk byzonder gegooten en
gemaakt waaren, in deezer voege tzamen gezét:
vier vierkant«? zuykn op vier hoeken ge^aatft;
ont-
Toen dit groot bouwgevaarte voltooid Was,
deed Salomon het in twêën verdeelen, waaraf
het één \'t Heylige der heyligen óf het Heylig-
dom genoemd wierdt, en twintig ellen lang
was 3 zynde Gode byzonderlyk toegewyd j
zo dat het niemand geoorlófd was daarin te gaan.
Het ander gedeelte, \'t welk veertig elleboogen
lang was , noemde men den heyligen Tempel,
cn was voorden Priefteren gefchikt. Deeze twee
deelen waaren gefcheyden door groote cédere
deuren, die konftiglyk gefneeden en zwaar ver-
guld waaren , over welke linnen voorhangfels
hingen , met bloemen van purpere , hemels-
blaauwe, en fcharlaken koleur beftikt.
Salomon deed ook twee Cherubynen maaken
van louteren goude, ieder vyf elleboogen hoog >
hunne vleugelen waaren van dezelfde lengte 5 en
deeze twee afbeeldfels waaren in diervoege in
""t Heylige der heyligen geplaatft, dat twee van
hunne vleugels , welker enden byeenquamen,
de geheele Arke des verbonds bedekten > en
hunne twee andere vleugels raakten de ééne
den zuyder, en de andere den noorder wand
van dit vertrék , het welk Gode byzonderlyk
toegewyd twintig elleboogen ruym was, gelyk
gezegd is. Maar hoe eygentlyk de gedaante
dier Cherubynen was, zou men zwaarlyk kon-
nen zeggen, dewyl men\'er geen recht denk-
beeld van maaken kan. De ganfche vloer des
Tempels was met goudene plaaten bedekt} ook
waaren de deuren van den grooten ingang, die
twintig elleboogen wyd, en naar maate daar-
van hoog was , met plaaten van goud bekleed.
En met een woord gezegd, Salomon liet niets
van binnen nóch van buyten aan den Tempel
onverguld. Voorts deed hy voor de deur van
de plaats, die de heylige Tempel genoemd
wierdt, eenvoorhangfelfpannen, gelvkdievan
welke wy reeds gefprooken hebben : maar aan
de deur des pórtaals was \'er geen.
d-
i -,
. : v;
^ - -
J,.-, -
Ii.
I â
â "i â
(
)\' Al
\'f
T
VXII Boék. j O od s c h e
ontvingen in twee \'hólle groeven de zydelftuk-
ken die\'er infchooten, en ieder deezer zydel-
ftukken had drie plaaten, oftepaneelen, welke
ieder in \'t byzonder omzoomd waaren metlyft-
v/erk, het geen trapsgewyze gemaakt was ; op
den welke men in verheven werk de gedaante van
eenen leeuw, ofte ook wel die van eenen ftier,
en op andere die van eenen arend befchouwdej
zynde de zuylen meede op een desgelyke zier-
lyke wyze met diergelyke beelteniffen uytge-
werkt. Dit ganfche werk aldus tzamengefteld
fteunde op yier gegoote raderen van \'t zelfde
metaal, die van hunne aflèn tót aan de buy ten-
randen eene wydte van anderhalve elleboog had-
den ; de bochten deezer raderen waaren zeer
fraai aan de zyden van den voetftal gevoegd,
cn de fpeeken zeer naauwkeurig daarin gezét.
De vier hoeken van dien voet, welke een
cyrond vat moften onderfchraagen, waaren bo-
ven-op voorzien met vier armen, die handen
uytftrekten op ieder van welke eene lyft was,
waarin het vat dat op die handen fteunde ftuy-
ten moft , en de zyden op welke het beeld-
werk van den leeuw en denarend was, waaren
zo dicht gevoegd aan de ftukken die de hoe-
ken vulden , dat al het ganfche werk maar één
ftuk fcheen. Dusdaanig was het maakfel dier
tien voeten, op welke hy tien gegootene kuypen
óf ronde vaten zettede, die elk veertig maa-
* Grieks ^ hielden j want zy waaren vier elleboogen
Ghéas. hoog, en boven aan de rand zo veele elleboo-
gen wyd. Deeze tien wafchvaten wierden op I
de tien voeten gezét, welke men Mechonoth |
noemde : van deeze ftonden \'er vyf ter flinker\'
zyde des Tempels na \'t noorden , en vyf ter;
rechter zyde na \'t zuyden.
Ter zelfde plaatfe ftelde men ook het groot i
vat genoemd de zee, ten dienfte der Priefteren
om hunne handen en voeten tewaflèhen, wan-
neer zy in den Tempel quamen om te ófteren:
cn de kuypen waaren tót wafl^chinge van de inge-
wanden en voeten der beeften welke men ten
brandóftér ófferde. Hy maakte ook eenen kó-
peren altaar van twintig elleboogen lang , zo
veel breed , en tien hoog, op welke men het
óffer brandde. Ook maakte hy alle de vaten
en noodige gereedfchappen voor den altaar, als
ketels, tangen, bekkens, haaken, enz., alles
uyt kóper dat blonk als óf \'t goud was.
De Koning Salomon deed ook veele tafels maa-
ken , en onder andere éénen van louter goud, op
welken de toonbrooden die men Gode toewydde
gezét wierden. De andere tafelen, tienduyzend
in \'t getal, die in fraaiheyd voor deezen weynig
weeken,hoewelopverfcheydenewyzengemaakt,
dienden om \'er twintigduyzend goudene vaten óf
fchaalen, en veertig duyzend zftvere op te zetten.
Hy deed ook, vólgens Mofes voorlchrftt, tien-
duyzend kandelaars maaken , waarvan ^er een
dag en nacht in den tempel brandde, gelyk
de wet beveelt 5 en eenen tafel voor de broo-
den welke men Gode ófferde, ftaande aan de
noord zyde des Tempels, tegen over den groo-
ten kandelaar , die na zuyden geplaatft was,
tuflchen welke beyde de gouden altaar ftondt.
Dit alles wierdt in \'t voorfte gedeelte des Tem-
pels gezét i dat veertig elleboogen lang, en door
HISTORI.
een voorliangfel van \'t Heylige der heyligen,
in \'t welk de Arke des verbonds ftaan moft,
gefcheyden was.
Salomon deed ook tachtigdiiyzend wyn-kruy-
ken maaken , benevens tienduyzend goudene,
en twintigduyzend zilvere bekers : voorts
tachtigduyzend goudene fcliotels om \'er meel,
dat op den altaar gemengd wièrdt, in te doen ^
honderd-zeftig-duyzend zilvere fchotels > zei-
tigduyzend goudene fchaaltjes om \'er meel met
oh in te mengen , honderd-twintig-duyzend
zilvere fchaaltjes , twintigduyzend Mofaifche
maaten , Hin en Affaron genoemt, van goud ,
en veertig duyzend van zilver: midsgaders twin-
tigduyzend goüdene wierookvaten om \'t reuk-
werk te ófferen j en vy ftigduy zend andere om het
vuur van\'t groot altaar na het kleyne, dat in den
Tempel ftondt, te draagen. Deeze Kohing deed
ook duyzend priefterlyke kleedingen voor dé
Priefters maaken, midsgaders hunne lange fok-
ken , en de Ephods met kóftelyke gefteenteil.
Dóch de kroon, op welke Mofes Góds naam ge-
fchreeven had,is altoos maar één in getal gewCeft,
en nóg heden te zien. Hy deed ook linnen rok-
ken voor de Priefters, en tienduyzend purpere
górdels maaken j voorts tweehonderd-duyzend
zulke rókken voor de Leviten , die lófzangen
en pfalmen zongen j tweehonderd-duyzend bä-
zuynen , gelyk Mofes bevolen had 5 en veer-
tigduyzend fpeeltuygen, als* harpen, hakke-^ *
bórden, en andere , gemaakt van zeker ge-
mengd metaal uyt goud en zilver beftaande.
Met dusdaanig een kóftelykheyd en pracht
deed Salomon den Tempel bouwen en ver eieren ,
en dat alles ter eere Góds. Ook deed hy róndoni
den Tempel eenen omvang óf trali maaken van
drie elleboogen hoog, in \'t Hebreews Gifoix
genoemd , om het ongev/ydde vólk den ingang
te beletten, dewyl die niemand dan den Priefte-
ren en Leviten toegelaaten was,
Buyten dien omvang deed hy een andere
foort van Tempel f bouwen van een vierhoekige t
gedaante , omringd van groote galleryen, met^-^g"^
vier groote poorten, die na \'t ooften, weften, noerrit.
noorden , en zuyden zagen , en aan welke
groote vergulde deuren gehecht waaren : hier
mogt een iegelyk Jode binnen komen mits hy
vólgens de wet gezuyverd , en daarbeneven
gezind was Góds geboden te onderhouden.
Het maakfel van deezen anderen Tempel was
zulk een wonderbaar werk dat het naauwlyks
gelooflyk is 5 want om hem waterpas te bou-
wen met de hoogte des bergs op welken de
eerfte Tempel ftondt, moft men een dal, welks
diepte men niet zonder daarvoor te yzen kon
aanfchouwen , ter hoogte van vierhonderd ei-
le boogen op vullen. Deezen Tempel deed
hy met een dubbelde gallery , onderfteund
door twee ryen van fteenen pilaaren uyt ge-
houwen fteen, omringen j z)mde die gallery-
en , welker deuren van zil ver waaren met céde-
ren hout befchooten.
Alle deeze prachtige Werken voltooide Sa-
lomon in zeven jaarèn , \'t welk niet min ver-
wonderlyk Was , dan hunne grootte, kóftelyk-
heyd , en cieraadi want niemand kon zich ver-
beelden dat het moogelyk was dit alles
Aa 5 "
korten tyd te maaken.
Vórft ft:lireef daarnaa aan de
Overheden en Oudften, dat zy al \'t vólk be-
veelen zouden zeven maanden \'daarnaa te Je-
rufalem te komen , om den Tempel te zien,
en de overvoering der Arke des verbonds by te
woonen. Deeze zevende maand was die welke
Hebreen Thifry en de Macedoniërs Hy-
perbereteus noemen j en dat was juyft de tyd
dat het Loofhutten feeft plegtig onder ons
gevierd wierdt. Naa dat men dan uyt alle
plaatfen van \'t Ryk ten beftemden dage in dee-
ze hoofdftad gekomen was, wierdt de Taber-
nakel en de Arke des verbonds , welke Mofes
had doen maaken, met alle de vaten tót de
ófteranden behoorende , in den Tempel pver-
gebragt. Alle de wegen waaren befproeid met
het bloed der ftagtófteren die geófterd waaren
door den Koning, de Leviten, en al het vólk:
de lucht was met zulk een menigte van reuk-
werk vervuld, dat men \'t zeer verre kon ruy-
ken5 en niemand fcheen\'er aan te twyfelen,
óf Gód met zyne tegenwoordigheyd dien
nieuwen Tempel, welke hem toegewyd was,
zou komen vereeren : want alle die deeze
heylige plegtigheyd by woonden, hielden, niet
op van danfen, en zingen van lófzangen, tót
dat zy by den Tempel gekomen waaren. Op
dusdaanig een wyze wierdt de Arke overge-
bragt 5 en toen zy in \'t Heyhgdom zoude ge-
zét worden, traden de Priefters, die haar op
hunne fchouderen droegen, alleen daarin, en
ftelden haar tuflchen de twee Cherubynen, die
zodaanig, gelyk gezegd is, gemaakt waaren,
dat zy de Arke ganfchelykmethunnevleugelen
bedekten, zo dat zy\'er onder ftondt als onder
een gewelf, en daar lag anders niets in dan de
twee fteenen tafelen , op welke de tien gebo-
den , die Gód met zynen eygen mond op den
berg Sinaï uytgelprooken had, gegraveerd
waaren. Voor het Heyligdom wierdt de kan-
delaar , tafel, en gouden altaar op dezelfde
wyze gezét, gelyk ze in den Tabernakel ftonden,
wanneer men daar de gewoonlyke ófferanden
óftbrde. Dóch de kóperen altaar wierdt voor
den ingang des Tempels geplaatft, opdat zo
dra men de deuren opende, ieder de ftaatelyk-
heyd der ófteranden zou konnen zien. Maar
de vaten, die in zulk een groote menigte ten
dienfte Góds gefchikt waaren, wierden alle in
den Tempel gezét.
binnen zulken
Deeze groote
Naa dat dit alles met alle moogelyke ont-
zag en eerbiedigheyd volbragt was, en de
Priefters uyt het Heyligdom gegaan waaren,
zag men eene wolk verfchynen, niet dik ge-
lyk die welke \'s winters met eenen grooten
ftórm dreygen , maar heel dun : zy bedekte
den ganfdien Tempel, en verfpreydde over
denzelven een\'kleynen en zoeten dauw, waar-
mede de Priefters zo bedekt wierden, dat men
hen naauwlvks bekennen kon. Alstoen twy-
felde niemand óf Gód was in dat heylig huys,
t\'zyner eere gewyd , nedergedaald , om te be-
tuygen dat het hem aangenaam was. Thans
ftondt Salomon op, en deed dit gebéd, dat voor
zyne grootheyd betaamelyk was: â Alhoewel
wy weeten, Heere, dat het paleys \'twelk gy
bewoont eeuwig is, en dat de lucht, dezeeen
de aarde welke gy gefchapen hebt, en vervult,
niet magtig zyn u te begrypen j echter hebben
wy niet gelaaten deezen Tempel te bouwen
en u toe te wyen, om u aldaar ófteranden
te óftèren , cn gebeden die opftygen tót
aan den troon uwer opperfte Majefteyt.
Wy hoopen dat gy daarin zult woonen,
zonder denzelven ooit te verlaaten. Want
nademaal gy afles ziet en hoort, zult gy, al
is \'t dat ge dit heylig huys met uwe tegen-
woordigheyd vereert, niet laaten overal te
zyn alwaar gy u gewaardigt te woonen, ver- â
â voigens
audeie.
r-9.
â mids gy altoos naby eenen iegelyken van ons dag een verlangen hebben om u te bezitten.
53 zy t, cn voornaamelyk by degénen die nacht en ^vólgens wendde deeze groote Koning
zyne
oogen, â Dat Góds magt oneyndelyk , en
â zyne voorzieaigheyd verwonderlykwas : dat
â hy David zynen vader alles wat hem gebeurd
â was, en wat naa zynen dood gebeuren zou-
â de , voorzegd had : En wat hemzelven aan-
â ging, dat hy hem nóg eer hy gebooren was,
3, den naam dien hy voerde had gegeeven , en
â met ééne voorzegd dat hydenKonmg zynen
â vader in de regeeringe vólgen , en den Tem-
â pel bouwen zoude. Dat zy derhalve , zien-
â de dat Gód reeds zulk een groot gedeelte van
â \'t gene hy hen had doen verhoopen vervuld
â had, hem daarvoor behoorden te danken,
â en van hun toekomend geluk naar het tegen-
,, woordige moften oordeelen, en nooit aan
â de uytwerking zyner belóften twyfelen.\'\'
Thans keerde deeze wyz^ Koning zyne
oogen na den Tempel, en ftrekkende zyne
handen na \'t vólk uyt, fprak hy Gód wederom
aldus aan: â Heere , woorden zyn de eenigfte
tékenen welke de menfchen u van hunne er-
" kentelykheyd wegens weldaaden konnen gee-
ven, doordien uwe oneyndige grootheyd u
^^ zo verre boven hen verheft, dat zy u t\'eene-
maal onnoodig zyn. Maar nademaal wy op
aarde het voornaamfte werk uwer handen
â zyn , zo is het billyk dat wy ten minften on-
zc ftem gebruyken om uwen lóf te verkon-
II digen , en dat ik u uyt den naam van myn
â ganfche huys , en voor al dit vólk , oneyn-
delyke dankzegginge opóff"ere voor alle de
â weldaaden waarover wy aan u verpligt zyn. Ik
dank u dan, Heere, dat het u beliefd heeft my-
nen vader uyt den laagen ftaat waarin hy ge-
" booren was , tót zulk een. groote heerlyk-,
heyd te verheffen , en dat gy aan my tót op
â deezen dag toe alle uwe belóften vervuld
,, hebt. Ik bid u, 6 almagtige Gód , om de
â volhardinge uwer gunften : handel my al-
â toos, zo\'tu belieft, als éénen die deeere heeft
â van u bemind te zyn. Beveftig den fcepter
â in myne handen, enindie myner naazaaten,
g;eduurendc veele geflachten, gelyk gy my-
nen vader hebt doen hoopen. Geef my en
\' den mynen die deugden welke u \'t aange-
3, naamft zyn. Stort ook uyt, bid iku, eenig
gedeelte van uwen geeft op deezen Tempel,
om te toonen dat gy onder ons woont > en
\'\' fchoon hy niet waerdig zou moogen weezen
" omu te ontvangen, en dat de Hemel zeit te
" kleyn is om de woonplaats uwer eeuwige Ma-
" ieftWtte zyn, laat daarom niet naa hemmet
r, uwe tegenwoordigheyd te eeren: en draag\'er
â zórg voor, Heere, als voor iets dat u toebe-
â hoort, en behoed hem voor al het geweld on-
zer v/anden. En by aldien uw volk zo
r, lukkig zoude weezen dat het u quametemis-
â haagen en te vertoornen, vergenoeg u, zo
\'t u belieft, met het te ftraffen door hongers-
nood , peft, en andere diergelyke geeflels,
waarmeê gy gewoon zyt zodaanige, dié uwe
5, heyhge wetten niet onderhouden, te tucnti-
â gen: en zo hét door berouw van zyne zonde
bewoogen, zyne toevlugt in deezen ^eiupel
âtót uwe barmhartigheyd neemt, wend dan
uwe oogen van\'t zelve niet af, maar verhoor
VUL Boek. J O O Ã S C H Ã H I S T O R L
zyne aanfpraak tót het vólk, en ftelde hen voor
3)
03
33
5J
1 Qï
zyne gebeden. Ik beftaa, ó almagtige Gód, â
nóg meer van u te verzoeken j want ik bid u â
dat gy in dit huys, t\'uwer eere gewy d, niet al- â
leen de gebeden der gener welke gy tót uw â
vólk verkooren hebt, belieft te verhooren j â
maar ook de gebeden der zodaanigen die van â
alle geweften der werreld zullen komen om
aldaar om uwe byftand te fmeeken 3 ten eyh- â
de dat alle vólken weeten dat het gefchied :
zy om u te gehoorzaamen , dat wy deezen â
Tempel gebouwd hebben > cn dat wel verre ,,
van zo ónmenfchelyk te zyn , dat wy ande- ,,
ren dit geluk zouden benyden, wy tentegen- â
deele wenfchen dat zy van uwe weldaaden â
deelachtig moogen weezen , en dat gy Uwe â
sunften in \'t algemeen over alle menfchen
:en."
moogt m........
Salomon aldus gefprooken hebbenae , viel
ter aarde neder om Gód met een vuung gebéd
te aanbidden , en naa een wyl alzo gelegen te
hebben , ftondt hy op , en ófferde veele flagt-
óffers op den altaar. Alstoen deed Gód open-
baarlyk blyken dat die Ãfferande hem aange-
naam was: want een vuur uyt den Hemel op het
altaar nederdaalende , verteerde dezelve in
\'t gezigt van al het vólk. Zulk een groot won-
derwerk liet niemand in twyfel dat Gód
dien Tempel bewoonde: én elk wierp zich
ter aarde om hem te aanbidden , en hem
te danken, Salomon vervójgde met hec
verkondigen van des Heeren lóf j en om
het vólk te beweegen dat zy \'t zelfde dec^
den , en met nóg meerder yver baden , ftéld©
hy hen voor , dat naa zulke blykbaare tékenen
yan Góds groote goedheyd jegens hen, zyhem
niet te veel konden bidden om hen altoos gun-
ftig te willen zyn, hen voor alle zonde te be-
hoeden , en hen in gódvruchtigheyd Cn gerech-
tigheyd, vólgens de geboden hen door Mofes
gegeeven, welker onderhouding hen de géluk-
kigfte van alle menfchen kon maaken, te doen
leeven. En eyndelyk vermaande hy hen te over-
denken , dat het eenigfte middel om de goederen,
welke zy genooten , te behouden , en \'er nóg
meer te verkrygen , Was Gód met een volko-
mene züyverheyd des harten te dienen, enzich
niet in te beelden dat het meerder eere was te
verkrygen\'tgene men niet heeft, dan te bewaa-
ren *t o-ene men bezit.
Deeze gelukkige Vórft ófferde dien zelfden
dao-, zo voor hemzelven als voor al het vólk i
twaalfduyzend kalveren, en honderd twintig-
duyzend lammeren: en deeze flagtóffers waa-
ren de eerfte welker bloed in den Tempel ver-
gooten wierdt. Hy rechtte daarnaa voor \'t
vólk, zo mannen, vrouWen , als kinderen,
een algemeen gaftmaal aan , van een gedeelte
van ^t vleefch dier geófferde beeften , en men
vierde veertien dagen lang by den Tempel het
Loofhutten feeft niet openbaard gaftmaalen,
en een koninglyke pracht.
Wanneer Salomon aldus allés \'t welk blyken
van zynen yver en gódsdienftigheyd kon gee-
ven , volbragt had , liet hy ieder weêr na huys
keeren. Ondcrtuffchen kon al \'t vólk hem niet
o-enoeg danken voor dé goedheyd met welke hy
, len regeerde 5 en ieder prees zvne wysheyd dié
hem
33
F L A V I U S J
hem zulk een groot werk had doen ondernee-
men en voltooijen. Zy baden Gód dat hy vee-
le jaaren lang gelukkiglyk over hen mogt re-
geeren 5 en zy vertrokken met zulk een blyd-
Ichap j zingende Gode onophoudelyk lófzan-
gen , dat zy t\' huys quamen , zonder dat de
langheyd van den weg hen eenigfms verdrooten
had.
Naa dat de Arke aldus in den Tempel was
gezét, dat ieder de grootheyd en praal van dit
prachtig gebouw had aanfchouwd, dat men
Gode zulk een menigte van flagtóffers geófferd,
en zo veele dagen met gaftmaalen en openbaa-
re vréugdetékenen doorgebragt had, en dat elk
weêr na zyn huys vertrokken was, gaf Gód
Salomon in eenen droom te verftaan , â dat
hy zyn gebéd om den Tempel te behoeden
verhoord had , en dat hy niet laaten zoude
denzelven met zyne tegenwoordigheyd te
eeren , zo lang hy en het vólk zyne geboden
onderhielden. En dat wat hemzelven in \'t
byzonder aanging , hy hem met zo veel ge-
luks zoud overftorten , dat niemand dan die
van zyn geflacht en van de ftamme J uda over"
Ifraël regeeren zoude , mids dat hy zich al-
toos fchikte naar de onderwyzingen welke
hy van zynen vader ontvangen had. Maar
dat indien hy zich zodaanig vergat dat hy
de gódvruchtigheyd verliet , en door een
trouwlooze verandering aan de valfche go-
den der vreemde vólken eene gódsdienftige
eere bewees, hy hem met zyn geheel geflacht
zoud uytroeijen j en dat zyne onderdaanen
aan zyne ftraffe deelachtig zouden zyn i dat
zy door oorlogen en allerley plaagen zouden
gedrukt worden j dat hy hen uyt het land
dat hy hunne vaderen had gegeeven, verdry-
ven zoude } dat zy in vreemde landen zou-
den dooien en omzerven j dat die Tempel
welken hy met zynetoelaatinge gefticht had,
door uytheemfche vólken verdelgd en in de
affche gelegd zouden worden j dat men hun-
ne fte(len zou verwoeften 5 en eyndelyk dat
zy in zulke jammerlyke rampen zouden ftor-
ten, dat het gerucht het welk zich daarvan
aan alle kanten verlpreyden zou , zo onge-
looflyk zou fchynen , dat men metverbaasd-
heyd zeggen zoude : Hoe kan het weezen,
dat deeze Ifraëhten , welke Gód eertyds tót
zulk een hoogte van geluk en heerlykheyd
verheven had , nu gehaat en van hemverlaa-
â ten zyn ? Waarop dan het droevig overfchót
â van dat rampzahg vólk zoud antwoorden:
â \'t Zyn onze zonden , en de overtreeding der
â wetten welke Gód aan onze voorvaderen ge-
5, geeven had , die ons in deezen afgrond van
â elenden geftort hebben.\'* Dusdaanigeenver-
haal vindt men in de heylige Schrift van ^tgene
Gód aan Salomon in eenen droom openbaarde.
Naa dat deeze magtige Koning zeven jaaren,
1 Kon, 7. gelyk wy gezegd hebben, aan den Tempelbouw
hefteed had , bragt hy \'er dertien toe aan zyn
koninglyk paleys , doordien hy dat werk niet
met zulk een yver ondernam , hoewel het ech-
ter zodaanig was dat Gód hem noodzaakelyk
byftaan moft , om het binnen dien tyd te vol-
tooijen. Maar hoe treffelyk \'c ook was , het
OS EPH US VUL Boek.
kon echter geenfins by den Tempel vergelee-
ken worden i zo omdat de bouwftoffen niet
met zulk een groote zorgvuldigheyd daartoe
bereyd waaren , als omdat het maar een huys
des Konings, en niet een huys Góds was.
Niettemin kon men uyt de kóftelykheyd van
dit prachtig paleys genoeg befpeuren, hoedaa-
nig de voorfpoed van dat groot Ryk, en het
ongemeen geluk van dien Vórft was, in wiens
handen het Gode beliefd had den fcepter te ftel-
len. En tót voldoeninge des leezcrs acht ik
het niet ongevoeglyk eene befchryving daarvan
alhier te doen.
Dit paleys was door veele zuylen onder-
fchraagd, en \'t was niet min ruym dan prach^
tig, vermids Salomon wilde dat het bequaam
zoude zyn om die groote menigte des vólks, het
welk tót beftechtinge hunner gefchillen daar tza-
men quam, te houden. Het was honderd el-
leboogen lang, vyftig breed, en dertig hoog.
Zeftien groote vierkante pilaaren , van de Ko-
rintifche órde, onderfteunden het, en de i^et
>bewróchte deuren dienden niet minder tót des-
zelfs cieraad, dan tót bewaaringe. Een groot
gebouw van dertig elleboogen in \'t vierkant, fteu-
nende desgelyks op zwaare zuylen, en tegen
over den Tempel geplaatft, verhief zyne kruyn
in \'t midden van dit prachtig gefticht; en bin-
nen \'t zelve was een groote troon, waarop de
Koning het recht uytlprak.
By ait gebouw voegde Salomon een koning-
lyk huys voor de Koningin, en andere ver-
trekken om naar \'t afdoen der rykszaaken zy-
ne rufte te neemen. Alles was met céderen
hout befchooten, en met fteenen van tien elle-
boogen in \'t vierkant gebouwd , waaraf een
gedeelte met plaaten van kóftelyk marmer, dat
men doorgaans niet dan tót cieraad van tempe-
len en koninglyke paleyzen gebruykt, bekleed
was. De wanden deezer vertrekken waaren
met drie ryen van kóftelyke tapyten behangen,
op welke veelderley boomen en gewaffen zö
konftig verbeeld waaren , dat de takken en
bladeren daarvan het gezigt bedroogen, en
zich fcheenen te beweegen. En de zóldering
was met verfcheydene fchilderyen op een witte
no-
if Kon. t».
55
5>
5J
33
33
>3
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3»
33
33
33
33
>3
33
)J
33
33
33
33
33
33
grond vercierd.
Nóg deed deeze Vórft, alleenlyk tót cie-
raad , veele andere gebouwen maaken met groo-
te galleryen, en ruyme zaaien tót maaltyden
gefchikt i en al het huysraad daartoe noodig
was van goud. \'t Zou zwaar vallen de menig-
te , de ruymte , en de pracht van alle deeze
gebouwen te befchryven, van welke fommige
grooter , ander kleyner, eenige diep onder de
aarde ,"*en ander hoog in de lucht opgehaald
waaren : alsmede hoedaanig de fchoonheyd der
boffchen en tuynen was, welke hy tót vermaak
voor \'t oog , en om zich in derzelver koele
fchaduw , als de zon op \'t heetft was , te ver-
meyen , had doen planten. Wit marmer,
céderen hout, midsgaders goud en zilver, waa-
ren de ftóffen waarvan dit paleys gebouwd,
en meê vercierd was j en men zag het befchót
en de welffels van dit gefticht, zo wel als van
den Tempel, met een menigte van kóftelyke
gefteenten in goud gezét, pronken. Salo-
mon
33
33
331,
E HISTORI
JOODSCH
mon deed óok een overgrooten yvooren troon
maaken, op de wyze als een regters geftoelte.
Men klom\'er langs zes trappen by op, ter we-
derzyde yan welke op de enden een leeuw afge-
ïKon.io.beeldt ftondti en. zo waaren boven dezelye trap-
pen, byden zetel zelf, insgelyks twee leeuwen.
De leuningen van deezen zetel waaren als twee
armen, die den Vórft, wanneer hy\'er op zat,
fcheenen te omvatten. Deeze zetel zelf ruftede
op een halven os, diezyn hoofdnaar zynrugge
omkeerde. Voorts was \'er mets aan deezen präch-
tigen troon dat niet met goud overtoogen was.
,., Salomon volbragt dit alles in twintig jaaren,
waartoe Hiram Koning van Tyrus hem een me^
nigte van goud, céderen, en dennen-hout be-
fchiktes waartegen Salomon hem groote gefchen-
ken gaf,zendende hem jaarlyks koorn, wyn,en oh
in overvloed : daarenboven gaf hy hem twintig
fteden van Galiléa, dienabyTyruslagen : doch
die Vórft dezelve bezigtigd hebbende i behaag-
den zy hem niet, zulks dat hyze weygerde .waar
door zydenaamkreegen van Chabalon, twelk
in de Fenicifche taal, onaangenaam betekent.
Deeze zelfde Vórft verzócht Salomon hem ee-
nige raadfelen uyt te leggen i en hy deed het met
groote fchtanderheyd van geeft en verftand.
Menander die de Jaarboeken van Fenicic en Ty-
rus in \'t Grieks vertaald heeft, fpreekt van deeze
twee Konin^^en aldus : Naa den dood van Abtbal
Konine äer fynérs .vólgde hem Hiram zyr^ zoon,
en leefde drie\'énvyfug jaaren, waarvanhy\'er vier-
endertig regeerde. "Deeze Vórfi vergrootte het ey-
land Tyrus door een menigte vm aarde welke hy
daar deed brengen ; en die vergroot mg noemde men
het zroot Veld. Hy \'wydde ook eenen pylaar van
eoudin denTempel van Jupiter, endeed veel houts
op den berg Libanon houwen , om tot het dekken
van tempelen te gebruyken; want hy deed de oude af-
breeken , en nieuwe ter eere van Herkules en Aflar-
te bouwen. Hy was het die aUereerfi Herkules een
beeld oprechtte in de maand welke de Macedomers
{*)\'^ll-Teritius(*]noemen. HydeeddeLyciërs, omdat
de fchuldige fchatting weygerdente betaalen,
den oorlóg aan , overwon hen By zynen tyd
was\'er een jongman genaamd Abdemon, dte de
raadCelen, welke Salomon Koning vanjerujatem
hem voorflelde , wià uyt te leggen Een ander
Hiftorifchryver, geheeten Dion, fpreekt er al-
dus van : Naa den dood van AbibaU ^erÃerkte
Hiram, zyn zoon en naazaat de ftad Tyrus aan
de ooÃzyde , e% om\'er den Tempel van Jupiter
Olympim aan te hechten, deed hy de ruymte tuf-
fchen beyde met aarde vuUen. Hy gaf ^^^ ^^^^
Tempel een groote fomme gouds, en deed ook veel
hout op den berg Libanon hmwenomtót dierge^ke
gebouwen te gebruyken. Waarby de^e Hiftori-
fchryver nóg voegt, dat Salomon, Komng van
JeruLem, ^aan Ãram raadfelen zondt en ande-
re van hem verzógt, onder voorwaarde, dat die
des anderen raadfelen nietuytleggenkon, eene
geldboete zou betaalen : dat Hiram dit aange-
Lmen hebbende, maar die niet konnende uyt-
lecrgen, aan hem een groote fomme gelds betaai-
ae i dóch dat hy daarnaa ^or eenenTyrier, ge-
heeten Abdemon, Salomons raadfelen verklaar-
de en hem andere voorftelde, welke Salomon
niet uytleggen kon, en dat hy daardoor veel
iP3
Vlll BoEk.
;elds van hem wederkreeg : Dit is het gene ons
Dion daar van fchryft.
Salomon ziende, dat de muuren van Jerufalem
niet met de grootheyd en naam van zulk eengroO-
te ftad overeen quamen, deed\'er nieuwe om maa-
ken, en hen tót meerder ver ft erkinge met groo-
te tórens en bolwerken voorzien. Hy ftichtte
ook Azor en Magedon, twee zulke fchoone fte-
den, dat zy onder de voornaamfte wel moogen
gerekend worden, en herbouwde Gazarain Pa-
leftine: welke ftad Pharao Koning van Egipte,
naa dat hyze ftórmenderhand ii^enomen , en
nevens alle de inwooners verdelgd had, aan zy-
ne dóchter, toen zy met den Koning Salomon
trouwde, tót een gefchenk had gegeeven. Haare
fterke ftand bewoog Salomon om haar te herbou-
wen , omdat ze daardoor in eenen tyd van oorlóg
van groot belang was, en met eene bequaam m
vreedes tyd om de opftand des volks te verhinde-
ren Voorts ftichtte hy Betachor, en Baleth,
niet verre van daar; ook ftigtte hy eenige andere
fteden, zeer bequaam tót vermaak én verlufti-
ginge, omdat de lucht daar zeer zuyver, het aard-
ryk heel vruchtbaar, en het water zeer goed was.
Deeze gelukkige Vórft zich aldus meefter yan
de woeftyne, die boven Syrië is, gemaakt heb-
bende , deed daar ook een groote ftad bouwen
twee dagreyzen van \'t Opper-Synë, één dagrey-
ze van den Eufraat, en zes dagreyzen van het
crroot Babilon. En hoewel die plaats verre van de
andere bewoonde plaatfen van S^yrië aflag, echter
ondernam hy dat werk, omdat het de eenigfte
plaats is alwaar degéne die uyt de Woeftyne ko-
men, putten en fonteynen vinden. Deeze ftad ge-
bouwd hebbende, deed hy haar met fterke muu-
ren omringen, en noemde haar Thadamor, ge-
lyk ze ook van de Syriërs genoemd wordt maar
by de Grieken heeft zyden naam van Palmy re.
Dit waaren de werken welke Salomon geduu-
rende zyne regeeringe deed maaken. En dewyl
ik aangemerkt hebbe, dat veele begeerig zyn te
weeten vanwaar het komt dat alle de Konmgen
van Egipte federd Minbus, die de ftad Memphis
gebouwd heeft, en veele jaaren voor Abraham
leefde, meer dan dertienhonderd jaaijn lang,
en tót aan den tyd van Salomon toe , den
van Pharao , zynde die van éénen hunner Ko-
hebben, acht ik het der pyne
wJrd, ^den daarvan te geeven. Pharao bete.
kent in \'tEgiptifch Koning-, en daarom gelóóf
ik dat die Vórften andere naamen in hunne jong-
hey d gehad hebbende, deezen hebben aangeno-
men zo drazy tót de kroon quamen, omdat hy
vólgens de taal hunnes lands hunne oppérmagt
betekende. Want zien wy ook niet dat alle de
Koningen van Alexandrië , hebbende eerft an-
dere n?amen gehad, dien van Ptolomeus, naa
den eerften Koning, aangenomen hebben wan-
neer zy ten ryksti\'oon fteegen j en dat de Koom-
fche Keyzers hunne geilachtnaamen verheten
om dien van Ca-far, als zynde veel aanzienlyker,
aan te neemen. Dat nu Herodotus de Halikar-
nafler niet fpreekt van de naamen van driehon-
derd dertig Koningen vanEgipte, welke hy zegt
dat naa malkanderen federd Milieus gëregeerd
hebben, is myns oordeels om deeze reeden, dat
ze alle Pharao genaamd waaren, Voorts als\'er
naa
ï94 t\' a v 1 u b j
naa hen een vrouw regeerde, laat hy niet te zeg-
gen dat zyNikauhs genoemd wierdt 5 doordien
\'t alleen mannen waaren die den naam van Pharao
konden draagen. Ik vind ook in onze Krony-
ken, dat geen ander Koning van Egipte, federd
den fchoonvader des Konings Salomons, den
naam van Pharao gevoerd heeft j en dat die Vór-
ftin Ntkaulü, heerfchende toen over Egipte en
Ethiopië, den Koning van Ifraël quam bezoe-
ken, gelyk wy zo aanftonds zullen zeggen :
\'t welk ik verhaal om aan te toonen dat onze Hi-
ftori in veele zaaken met die der Egiptenaaren
overeenkomt.
3 5 5. Dewyl \'er van den berg Libanon af tót aan de
ftad Amath toe nóg eenige Kanaaniten overig
waaren, die de Koningen Ifraëls niet wilden er-
kennen , bragt Salomon hen onder, en leyde hen
op j aarlyks tó t eenen tól een zeker getal flaaven te
léveren, om tót verfcheydene werken, en in-
zonderheyd tót den landbouw, gebruykt te wor-
den j want niemand der Ifraëliten was gehou-
den zich tót diergelyk flaaffch werk te laaten ge-
bruyken i omdat het niet billyk fcheen, dat Gód
zo veele vólken onder hunne heerfchappye ge-
bragt hebbende , zy niet in béteren ftaat zou-
den zyn dan die welke zy overwonnen hadden.
Dies hielden zy zich alleenlyk beezig met krygs-
oefeningen, met het bezórgen van wapenen,
en \'t mennen van waagens en paerden. Ãn vyf-
honderd vyftig mannen wierden aangefteld om
Vin. Boek,
over den arbeyd dier flaaven opzigt te hebben.
Salomon deed ook veele fchepen bouwen in
den Egiptifchen zeeboezem der Roode zee, op
eene plaats, genoemd Aziongaber , welke men
hedensdaags Berenice noemt, niet verre afgele-
gen van een andere ftad geheeten Elan, welke
landftreek toen onder \'t Koningryk van Ifraël
behoorde. De Koning Hiram betponde hem
veel gunfte in dat geval, want hy gaf hem zo
veele ftierlieden, die eervaaren in de zeevaart
Waaren, als hy begeerde, om nevens zyne Amp-
tenaarcn goud te gaan haaien uyt een landfchap
van Indië genoemd Sophir, hedensdaags het
Goud-land geheeten , vanwaar zy vierhonderd
talenten gouds voor Salomon bragten.
De Koningin van Egipte en Ethiopië, waar-
lyk eene uytmuntende Vórftin, hebbende van de
deugden en wysheyd Salomons hooren fpreeken,
was begeerig met haare eygene oogen te zien óf
het waar was \'tgene de Faam van hem had ver-
breyd, dan óf\'t alleenlyk één van die geruchten
was welke verdwynen, wanneer menze naa-
Ipeurt: hierom ft:hroomde zy niet die reyze te
onderneemen, om over veele hoogwigtige zaa-
ken met hem in gelprék te treeden. Zy quam dan
te Jerufalem met eene toeruftinge zulk eene groo-
te Koningin betaamende, hebbende by zich ka-
meelen met goud, gefteenten, en kóftelyk reuk-
werk gelaaden. Deeze Vórft ontving haar met
eene eere die men haar fchuldig was, en lófte
FLAVIUS LOSEPHUS
338.
haare twyfelingen zo gemaklyk op, dat zy ze
naauwlyks had voorgefteld, óf zy wierdt \'er klaar
van onderrecht. Zulk een ongemeen fchrander
begrip vervulde haar met verbaasdheyd > zy moft
bekennen dat zyne wysheyd het gerucht dat Zich
daarvan door de werreld verfpreyd had , nóg
overtrof > en zy kon zich over zyn groot verftand,
dat in de luyfter en ftaatelykheyd zyner gebou-
wen , in zyne huyshoudinge, en in al zyn overig
beleyd uytmuntte, niet genoeg verwonderen.
Maar niets ontzett^ haar meer dan \'t cierlyke huys
dat men het Bofch van Libanon noemde, en de
prachtige gaftmaalcn , welke die Vórft daar
dikwils aanrechtte, alwaar hy dan zeer órdent-
lyk van ongemeen kóftelyk gekleede amptenaars
gediend wierdt. Zy ftondt niet minder ver-
fteld over die menigte van ófferanden , welke
men Gode dagelyks ófferde, en over de vlyt
cn gódvruchtigheyd der Priefteren en Leviten
in hunnen dienft. Aldus nam haare verwonde-
ring fteeds toe, zo dat zy niet laaten kon zich
in deezer voege daaróver tót dien wyzen Ko-
ning uyt te drukken : â Men mag met re- â
den aan ongemeene zaaken twyfelen, wan- â
35 neer
JOODSCHE
neer men \'er niets anders van weet dan door
\'t gemeen gerucht: Maar hoewel men my
verhaald heeft van de wonderen welke gy,
zo door uwe wysheyd en uw uytmuntend ge-
drag, als door de grootheyd van uw magtig
en bloeijend Koningryk, bezit; echter be-
ken ik dat het gene \'t welk ik nu zelve van
uw geluk befpeur , verre overtreft het gene
ik my daaraf verbeeld had; want het is zo
5, groot, dat men het moet gezien hebben,
3, om het te konnen gelooven. Wat zyn uwe
â onderdaanen gelukkig dat zy zulken groo-
5, ten Vórft tót Koning hebben; en hoegeluk-
â kig uwe vrinden en dienaars , dat zy dage-
â lyks uwe tegenwoordigheyd genieten ! Ze-
â kerlyk zy konnen Gód niet te veel danken
â voor zulk een genade.\'\'
Maar \'t was niet alleenlyk door woorden dat
deeze groote Koningin de wonderbaare achting,
welke zy voor dien uytmuntenden Koning had,
aan hem betuygde , maar zy voegde daar nóg
by een gefchenk van twintig talenten gouds,
veele kóftelyke gefteenten, en een menigte van
voortreffelyk reukwerk. Men zegt ook dat
ons land aan haare mildheyd verfchuldigd is
zékere plant van balfem , welke zich zodaa-
nig vermenigvuldigd heeft, dat ze tegenwoor-
dig in Judéa zeer weelig groeit. Salomon van
zyne kant week voor haar niet in grootdaadig-
heyd , en weygerde haar niets van \'t gene zy
van hem begeerde. Aldus keerde deeze Vór-
ftin weder na huys, met het grootfte vergenoe-
gen , zo ten aanzien van \'t^enezy ontvangen,
als van wat zy gegeeven had.
a Ter zelfder tyd bragt men Salomon met de
vloot, uyt het geweft dat het Goud-land ge-
noemd wierdt, édele gefteenten , en\'t fchoon-
fte pynboomen-hout dat men nóg ooit gezien
had ; van \'t welk hy het pylaarwerk van den
Tempel, en van zyn Paleys , alsmede harpen
en andere fpeeltuygen ten dienfte der Leviten,
om \'er lófzangen ter eere Góds op te zingen,
deed maaken. Dit hout geleek zeer wel naar
dat van den vygeboom , uytgenomen dat het
blanker en glimmender was, en \'t fcheelde veel
van \'t gene de kooplieden dien naam geeven om
het te beter te konnen verkoopen. Dit achtte
ik noodig te zeggen , opdat niemand hierdoor
mifteyd mogt weezen.
Deeze zelfde vloot bragt voor dien Vórft
ook over , zeshonderd zesënzeftig talenten
gouds, zonder daar onder te rékenen\'tgene de
kooplieden voor zichzelven medegebragt, en
\'t gene de Koningen van Arabië hem tót een
gefchenk gezonden hadden. Hiervan deed hy
maaken tweehonderd fchilden yan louter goud,
weegende ieder zeshonderd fikelen , en dne-
*Ande-honderd andere , elk drie * goude minen
zwaar, welke hy alle in het huys, genoemdhet
Bofch Libanons , deed ophangen. Hy deed
ook eene menigte van goudene kroezen met
gefteenten bezét, en ander gouden vaatwerk
maaken , om op gaftmaalen te gebruyken , al-
waar niets dan louter goud, gebeezigd wierdt:
want wat het zilver aangaat, het was toen ter
tyd in geen achtinge , omdat de fchepen, van
welke Salon;ion een groot getal op de Tharfi-
HISTORI, 195
fche zee hieldt, om allerley waaren na uyt-
heemfche vólken te voeren , hem \'er een over-
groote menigte van t\'huys. bragten , midsga-
ders goud , ohfantstanden ^ Ethiopifche flaa-
ven, enaapen. En deeze fcheepen hadden drie
jaaren tót hunne heen-en weederreyze noo-
^ïlet gerucht van de deugd en wysheyd dee-
zes magtigen Vórft verfpreydde zich zo door
de ganfche werreld, dat veele Koningen, niet
konnende geloof flaan aan \'t gene men daarvan
vertelde , begeerig wierden hem te zien , om
van de waarheyd verzekerd te zyn ; en om te
betoonen dat zy hem een ongemeene achting
toedroegen , zonden Zy hem tót een gefchenk
goudene en zilvere vaten, purpere kleedingen,
allerley foorten van fpéceryen , paerden , wa-
gens , en muylezels , die zo fterk en fchoon
waaren, dat men niet twyfelen kon óf zy moften
hem aangenaam zyn. Aldus wierdt zyn getal
van duyzend wagens, en twintig duyzend paer-
den , welke hy doorgaans onderhieldt , met
nóg vierhonderd wagens vergroot : en dcezc
die men hem gezonden had, waaren niet al-
leenlyk zeer fchoon ; maar overtroffen alle de
andere in fnelheyd. De beryders deezer paer^
den deeden hen nóg meer affteeken ; want het
waaren jongmans kloek van hghaam, met Ty-
rifch purper gedóft, met pylkokers gewapend i
draagende lang haair, metgoud-ftóf beftrooid,
waardoor hunne hoofden glin^erden als ^er de
zon met haare ftraalen op fcheéUi Deeze
prachtige bende verzelde den Koning alle mór-
gens , wanneer hy naar gewoonte op eenen kófte-
yken wagen, en in\'t wit gekleed, ter ftad uyt-
reedt, na zeker lufthuys niet verre van Jerufalem,*
genoemd Ethan, alwaas hy zyn vermaak nam,
omdat \'er zeer fchoone tuynen, cierlyke fontey-
nen, en een over vruchtbaare landsdouw was.
VIII. BOEK.
3>
5J
3)
53
33
33
33
*â * 7 ------- â â --------
Nademaal de wysheyd, welke deeze groote 341,
Vórft van Gód ontvangen had , zich tót alles
» ---------cj
uytftrekte, en dat overzulks niets zyner op-
merkinge ontgaan kon , verzuymde hy ook
niet het gene de groote wegen betrof; maar
deed alle die op Jerufalem aanliepen met bruy-
ne fteenen beftraaten , zo tót gerief des vólks;
als om zyne heerlykheyd te toonen. Hy hieldt
maar weynig wagens by zich , en verdeelde de
andere in de fteden die een zeker getal onder-
houden moften, en daarom de Wagen-fteden ge-
noemd wierden. Hy vergaderde te Jerufalem
zulk een groote menigte zilvers , dat hét zo
gemeen wierdt als de fteenen; en hy deed zo veele
cédere planten op de velden van Judéa , al-
waar ze te vooren niet waaren, dat ze zo ge-
meen wierden als moerbeeziboomen. Voorts
deed hy in Egipte paerden opkoopen , waar-
van het paar met den wagen hem niet meer dan
zeshonderd drachmen zilvers quam te ftaan;
welke hy dan den Koningen van Syrië, en an-
dere Vórften aan gene zyde van den Eufraat 1
toezondt.
Dóch deeze Vórft, devanGódbegunftigdfte H--
en heerlykfte van alle de Koningen zyns tyds, en\'
die in wysheyd niet minder dan in rykdom alle
die voor hem over Góds vólk geregeerd hadden
overtrof, volhardde zo üict tót den eynde toe:
Bb 2 \' maar-
maar verliet de wetten zyner vaderen , en
zyne laatfte daaden bezwalkten al den luyfter
cn de gloori zyns voorigen leevens j want hy het
zich zo door de liefde der vrouwen verrukken,
dat die dwaaze drift hem het verftand benevel-
de. Hy vergenoegde zich niet met die van zyne
landaard, maar hy nam ook uytheemfche tót
zich, als Sidonifche, Tyrifche , Ammoniti-
fche, Idumecfchc} en fchaamde zich niet,
opdat hy haar behaagen mogte, haare goden te
tingen van Mofes, die zo uytdrukkelyk ver-
booden had vrouwen van vreemde vólken te
neemen , uyt vreeze dat zy \'t vólk tót afgode-
ry zouden vervoeren , en hen den dienft van
deneenigen, eeuwigen, enwaarachtigen Gód
doen verlaaten. Maar de dierlyke welluft
deezes Vórfts deed hem alle zyne pligten ver-
geeten i want hy trouwde tót Zevenhonderd
vrouwen toe , alle van grooten ftaat, onder
welke ook was , gelyk wy reeds gezegd heb-
ben , de dóchter van Pharao Koning van Egipte >
en hy onderhieldt meer dan driehonderd by-
wvven. Zyne geyle drift maakte hem t\'eene-
maal haaren ftaaf, zo dat hy zich met weer-
houden kon haar in haare gódloosheyd naa te
vólgen i en hoe meer zyne jaaren toenamen,
zo veel te meer nam zyn verftand af, zo dat
, hy van den dienft Góds afwykende , zich tót
de heyllooze plegtigheden haarer afgoderye
gewende. Doch dit was de eerfte ftap niet,
die hy ter zyden afdeed > want hy had al be-
sonnen de geboden Góds teovertreeden, toen
hy de de kópere óftlm , die de gegootene zee
onderfchraagden , en de leeuwen op de trappen
zynstroons, had doen maaken, \'t welk met ge-
* Indien oorloft was. * Dcwyl hy dan niet meer wan-
ditzec^^en ^jeidc in dc voetftappen van zynen vader , die
door zyne gódvruchtigheyd tót zulken hoogen
waar was, trap van heerlykheyd gefteegen was , en dien
zoude dc j g^j^f^f nieer gehouden was naa te vólgen,
bo^fmctomdat Gód hem zulks verfchcydenmaal in den
deszelfs bcvoolcn had, zo heeft hy zyn gedag-
[r^XlTtmiÃh daar meede bevlekt, en is met minder
ci^jniet i-Q^m geftorvcn. Gód deed hem wel haaft
£f|^âdoor zvnen profeet aanzeggen , â Dat zpi
-cwor- â bedryf hem bekend was , en dat hy
ïr\'SS» \'t vermaak niet zoud hebben van hem onge-
S pe- â ftraft te vertoornen. Dat nóatans ter oor-
ichièa is,^^ zaake der belófte , welke hy David gedaan
iTdaaicn,, had , hy hem zo lang hy leefde zou laaten
^^n ccn regeeren , maar dat hy naa zynen dood zy
hemd- " ö
Sehe wolks, I Koning- 8: 10.
nen zoon om zynent wille zoude ftraften: â
Dat hy hem echter niet t\'eenemaal van het â
Ryk berooven , maar dat tien ftammen zich â
zyner gehoorzaamheyd onttrekken , en dat â
de twee óverige hem onderdaanig blyven â
zouden , zo om de liefde welke de Heere â
zynen vader toegedraagen hadde , als uyt â
inzigt van de ftad Jerufalem , alwaar hy ge- â
wild had dat men hem eenen Tempel zou- â
de bouwen." \'t Is noodeloos te zeggen hoe-
daanig Salomons droefheyd was, toen hy door
die woorden verftondt dat hy door zulk een
verandering van ftaat zo ongelukkig ftondt te
worden , als hy te vooren gelukkig geweeft
was.
Eenigen tyd naa dit dreygement van den
Profeetwekte Gód deezen Vórft eenen vyand
op, genoemd Ader , cn dat uyt deeze oorzaak.
Toen Joab Davids Veldóverfte Iduméa t\'on-
derbragt, en dat hy geduurende den tyd van
zes maanden alle die bequaam waaren de wa-
penen te draagen deed ombrengen, ylugtte
Ader , die van koninglyke ftamme, en toen
nóg heel jong was , vandaar, en begaf zich by
Pharao , Koning van Egipte , die hem niet al-
leenlyk wel ontving j en gunftiglyk bejegende,
maar zulk een geneegenheyd tót hem kreeg,
dat hy hem tót mannelyken ouderdom gcko^
men zynde de zufter zyner gemaalinne, gehee-
ten Tophis ten wyve gaf, by welke hy eenen
zoon teelde , die nevens de kinderen van Pha-
rao ©pgebragt wiedt. Naa den dood van Da^
vid
E H I S t à R I
Vlil BOEK. j O O D S C H
vid en Toab, verzócht Ader verlóf van den Ko-
nmg om weder naa zyn land te keeren : maar
hoe\'^zeer hy daarom aanhieldt, hy konhe met
verwerven- en die Vórft vraagde hem telkens
wat reden hy daartoe had, en of hem iets m
Egipte ontbrak. Dóch toen God , die Pharao
te vooren weêrhouden had om Aders verzoek
toe te ftaan, een befluyt nam Salomons ongód-
vruchtigheyd, welke hy met langer kon in-
fchikken, te ftraft^en , liet hy toe dat Pharao
Ader weêr na Iduméa liet keeren. Zo dra deez
aldaar aangekomen was , liet hy mets achter-
wege om het vólk tótafwerpinge van het juk
der Ifraëhten op te ruyen, maar hy kon er
hen niet toe beweegen, omdat de fterke be-
zetting , welke Salomon in hun land hieldt,
hen buyten ftaat ftelde van iets te durven on-
derneemen. Ader trok derhalve na Syne, al-
waar hy Raazar vondt, dietegen Adrazar Ko-
nincT der Sophoniërs opgeftaan zynde, met een
groSte tróp roovers het ganfche land plonder-
Seen verwoeftte : met deezen maakte Ader een
verbond , en bemagtigde door zyne^ byftand
een gedeelte van Syrië , zo dat hy tot Koning
Dewyl Jeroboam van een\' ftaatzuchtigen en
ziedenden aardt was, bliezen die woorden van
den Profeet hem zo op, en maakten zulk een
krachtigen indruk op zyn gemoed, dat hy in
zyn gebied gekomen, geenen tyd liet verlooren
gaan, om het vólk tegen Salomon op te ruyen,
ten eynde men hem tót Koning in zyne plaats
aanftelde. Salomon bericht hieraf krygende
zondt eenige om hem te vangen, en te dooden:
maar hy vlugtte na Sufak Koning van Egipte,
en bleef by hem tótdat Salomon gefturven Was,
om alzo een gunftiger gelegenheyd tót uy t voenn-
ne van zyn voorneemen af te wachten.
"" ~ xïriro"oin5TTTrK~
Salomons dood. Roboam zyn 7oon cnaekt het vólk misnoegd.
Tien ftammen fcheuren zich van hem af, cn neemen Jcroboaai
tot hunnen Koning , die om hen te beletten na den Tempel tc
Jerufalsm te gaan, hen tót afgodery verleydt, en sclfe het Moo-
ECPtieftets ampt wil bedienen. De Proice: Jaioa beftraft hem,
Bb 5
de dat G\'^züllcs bevolen had tót een teken dat
hv hem over tien ftammen tot Koning zoude
ftellen, tót ftraffe van Salomon, omdat hy zich
zo aan de liefde zyner wyven overgegeeven had,
dat hy om haar te behaagen haare afgoden had
geëerd ⢠en dat de twee andere ftammen aan
zynen zoone zouden blyven, om de belófte wel-
ke Gód David gedaan had. â Naardien gy dan,
âvervólgde de Profeet, nu Ziet, watdenHee-
rebewlogen heeft zyne gunften van Solomon
â te omtrefeen, en hem te verwerpen , zo on-
â derhoud gódsdienftiglyk zyne geboden, neb
âde gerechtigheyd lief, en ftel
â toos voor oogen, dat als gy Gode üe eere
3, geeft die gy hem fchuldig zyt, hy uwe god-
â vruchtigheyd zal beloonen, en u met dezeit-
â de gunften, welke hy David bevveexenheelt,
â overftorten.
daarvan verklaard wierdt, en nóg by Salomons
leeven dikwils in \'t land der Ifraeliten quam
ftroopen, en \'er veel quaads aanrechtte.
Maar \'t waaren niet alleen uytheemfche, die
deeze gerufte vreede , welke Salomon te voo-
ren genooten had, quamen ftooren; maar zyne
eygene onderdaanen deeden hem den oorlóg
aan : want Jeroboam zoon van Nabath, door
een oude voorzegging gemoedigd , ftondt ook
tegen hem op. Zyn vader was hem vroeg ont-.
vallen, zo dat zyne moeder de zórg zyner op-
voedinge had gehad. Toen hy volwaflen was,
gaf Salomon , ziende dat hy iets groots be^
loofde, hem het opzigt over den ^\'eftmgbouw
van lerufalem. In dit ampt -queet hy zich zo
wel, dat hy hem vervólgens de landvoogdy
over de ftam Jofephs gaf Het gebeurde nu,
dat als hy in dien tyd uyt Jerufalem gmg, hem
den Profeet Jchia, van Si o , ontmoette.
Deeze Profeet hem gegroet hebbende , leydde
hem in een veld dat van den weg aflag , al-
waar niemand hen kon zien; tocn fcheurde hy
zynen mantel in twaalf ftukken , en geboodt
hem tien ftukken daarvan te neemen , zeggen-
flavius josephus
!5)S
VIII. B o e k\'
en doet een gtoot wondervicetk. Een valfch Profeet bedriegt dien
waaren Proreet cn is de oorxaak zyns doods. Hy bedriegt Jero-
boam ook, die zich tót alle godloosheden begeeft. Roboam ver-
laat Gód desgelyks.
QAlomon ftierf eyndelyk in den ouderdom
^van vierennegentig jaaren , van welke hy
tachtig geregeerd had. Hy was de gelukkig-
fte , de rykfte , en de wyfte aller Koningen
geweeft , ter tyd toe dat hy op \'t laatfte van
zyn leeven zich zodaanig door de zucht tót
zyne wyven liet vervoeren , dat hy Góds wet
fchondt\', en alzo de oorzaak was van alle die
rampen en onheylen welke den Ifraëliten over-
quamen, gelyk het vervólg deezer Hiftorië zal
toonen.
Roboam zyn zoon, wiens moeder geheeten
Noma, eene Ammonitifche was, vólgde hem
in de regeeringe. En terftond wierdt Jero-
boam door veele van de voornaamfte des Ryks
uyt Egipte te rug ontbooden. Hy quam
met fpoed in de ftad Sichem j en Roboam ver-
fcheen\'er insgelyks, hebbende goed gevon-
den al het vólk aldaar te doen tzamenkomen,
om zich met een algemeene toeftemminge te
doen kroonen. De Vórften der ftammen mids-
gaders Jeroboam verzóchten hem dat hy een
gedeelte der groote fchattingen, waarmede Sa-
lomon hen bezwaard had, wilde afneemen, om
hen alzo een middel tót betaalinge te geeven,
en zyne regeeringe te vafter en zekerder te maa-
ken , dewyl zy alsdan door liefde , en niet
door vreeze aan hem onderworpen zoude zyn.
Hy eyfchte drie dagen tyds om zich te beraa-
den 5 maar dit marren baarde wantrouw by hen,
doordien zy oordeelden dat een Vórft, en voor-
naamelyk één van zulke jonge jaaren, met
vermaak eene goedgunftigheyd jegens zyne
onderzaaten behoorde te betoonen. Evenwel
hoopten zy dat hoewel hy hen niet opftaande-
voet hun verzoek toegeftaan had, zy het nóg-
tans verwerven zouden. Roboam ondertuf-
fchen deed de vrinden van den Koning zynen
vader tzamenkomen, om met hen te overleggen
wat antwoord hy geeven zoude. Deeze be-
jaarde mannen, die niet mindereervaarenheyd
dan wysheyd hadden, en die den aardt des
vólks wel kenden, rieden hem dat hy \'t met
zachtheyd zoud aanfpreeken, en by deeze ge-
legenheyd , die hoogmoed, welke als onaf-
fcheydelyk van de koninglyke magt is, wat
laaten daalen , om hen daardoor te winnen,
dewyl de onderdaanen ligtelyk tót het bemin-
nen hunner Koningen getrokken worden , wan-
neer die hen zachtelyk handelen, en zich ee-
niger maate vernéderen, door hen geneegenheyd
te betoonen. Dóch Roboam keurde deezen
raad, die hem in dien tyd zo noodig was, niet
goed j maar ontboodt de jongelingen dienevens
hem opgevoed waaren,en verhaald hebbende wat
de oude Raadsheeren hem geraaden hadden, be-
val hy dat zy hem hun gevoelen zouden zeggen.
Deeze, die zo door hunne jongheyd, als omdat
Gód het niet anders beliefde toe te laaten, niet
wiften wat beft was, rieden hem het vólk te
antwoorden, â dat zyn kleynfte vinger dikker
,5 was dan zyns vaders lenden j dat indien die
â hen hard gehandeld hadde, hy hen nóg
5, ftrenger handelen zoude; en dat in plaats van
hen met roeden te geeilHen , gelyk die ge-
daan had, hy hen met fcorpioenen zou Ãaan.
Deeze raad behaagde Roboarn, als beft, zyns
bedunkens, by de koninglyke Wajefteyt paftèn-
de. De derde dag dan gekomen zyncie, deed
hy het vólk byeenkomen, het welk een gunftig
antwoord verwachtende, op zodaanig een wy-
ze van hem aangelprooken wierdt, gelyk de
jonge maats hem geraaden hadden; en dit alles
buyten twyfel door Góds wille, om alzo \'t ge-
ne de Profeet Achia voorzegd had te vervul-
len. Zulk een wreed antwoord maakte geen
minder indruk op de gemoederen des vólks, als
óf zy\'er de uytwerking reeds van gevoeld had-
den ; zo dat zy verwoedelyk uytfchreeuwden,
5j dat ze voor altoos van Davids geflacht afza- â
gen ; dat hy, zo hy wilde, den Tempel, â
dien zyn vader had doen bouwen , mogt â
behouden; maar dat zy hem nooit wilden â
onderdaanig zyn." En hunne gramfchap liep
zo hoog, dat Adoram, die Opziener der
fchattingen was, tót hen gezonden zynde om
die ruuwe woorden te verfchoonen, en hen voor
te houden dat zy die eerder aan de geringe eer-
vaarenheyd van den Vórft , dan. aan eenige
quaadwilligheyd moften toefchryven, met ftee-
nen dood gegooid wierd, zonder dat zy hem
wilden hooren fpreeken. Roboam daar uyt be-
merkende dathy zelf, onder zulk een verbitter-
de menigte, zyns levens niet zeker was, fteeg
op zynen wagen, en reedt ter vlugt na Jerufa-
lem , alwaar de ftammen van Juda en Benjamin
hem voor Koning erkenden. Maar de andere
tien ftammen ontftoegen zich voor altoos van
gehoorzaamheyd aan Davids naazaaten, en ver-
kooren Jeroboam om over hen te heerfchen.
Roboam zulks niet konnende dulden, bragt
honderd tachtig-duyzend mannen uyt de twee
ftammen , die hem getrouw gebleeven waaren,
op de been, om de tien andere door geweld on-
der zyne gehoorzaamheyd te brengen. Maar
Gód verboodt hem door zynen Profeet zich in
dien oorlóg te wikkelen, zo omdat het niet bil-
lyk was tegen die van zyne eygene landaard te
ftryden, als doordien het op zyn bevél was dat
die ftammen hem verlaaten hadden. Ik zal nu
de daaden van Jeroboam, Koning van Iftaël,
gaan verhaalen, en vervólgens tót die van Ro-
boam Koning van Juda komen , dewyl de ór-
de der Hiftorië zulks vereyfcht.
ï. Kon.
îi.
Jeroboam deed te Sichem, alwaar hy zyne
wooning nam, een paleys bouwen, en een an-
der in de ftad Phanuël. Eenigen tyd daarnaa
wanneer het Loverhutten-feeft aanquam, begon
hy te denken dat indien hy zynen onderdaanen
toeliet na Jerufalem te gaan om\' \'t zelve te vie-
ren , zy door de praal der plegtigheden , en
door den dienft welken men Gode inden Tem-
pel bewees , ligtelyk tót berouw dat ze hem
tót hunnen Koning verkooren hadden, mogten
getroond worden 3 en dat zy hem alzo verlaa*
tende zich weder onder Roboams gehoorzaam-
heyd zouden begeeven , waardoor hy dan niet
alleenlyk de Kroon zoude quyt raaken , maar
ook gevaar loopen van \'er zyn leeven by in te
fchieten. Tót voorkominge dan van dit ge-
vleesde quaad, deed hy twee tempelen 5 den
éénen
3Ã
>ï
HISTORI.
boam zo vertoornd , dat hy beval den Profeet
aan te grypen , ftrekkende tót dien eynde Zyne
hand uyt : maar hy konze niet weêr na zich
haaien , omdat zy terftond verdorde, en als eert
verfturven lid Wierdt. De altaar fcheurde t®i\'
zelfder tyd ook van één, en de óft\'eranden, die
^er op lagen , vielen ter aarde , vólgens \'t gene
de man Góds voorzegd had. Jeroboam alstoen
niet twyfelende, óf Gód had door dien Profeet
gefprooken, verzócht hem den Heere om zy-
ne geneezinge te bidden. De Profeet deed zo,
en zyne hand wierd terftond in haare Voorige
kracht herfteld. Dit verblydde hem zo, dathy
den Profeet badt Zyn gaftmaal te willen by woo-
nen - maar die weygerde zulks,zeggende dat God
hem verbooden had voet in zyn paleys te zet-
ten , en in die ftad brood te eeten, ófwaterte
drinken : ja dat hy hem bevolen ha^d door ee-
nen anderen weg weder te keeren, dan dien hy
gekomen was, Deeze onthouding des Profeets
vermeerderde Jeroboams ontzag voor hem, en
hy begon te vreezen dat de uytflag zyner on^
derneeniinge niet gelukkig zoude zyn. _
In die zelfde ftad woonde een valfch 1 ro-
feet, die hoewel hy |eroboam bedroog , nóg«
tans in groote eere by hem was , omdat hy
hem niet dan aangenaame zaaken voorzcyde-
En dewyl hy zeer oud en zwak was, meldt hy
alstoen in dien quynenden ftaat het bed. On-
dertuffchen verhaalden zyne zoonen hem , dat
\'er een Profeet van Jerufalein gekomen was,
die onder andere wonderwerken welke hy ge-
daan bad , de verdorde hand des Konings had
herfteld. Deeze daad deed hem vreezen dat
Teroboam dien anderen Profeet meer zoud ach-
ten dan hem , en dat hy alzo al zyn aanzien
verliezen zoude. Hy belaftte derhalve zynen
zoonen fluks zynen ezel te zadelen; waarmxê
hy zich op weg begeeft om den Profeet te
achterhaalen , dien hy onder de fchaduwe eens
eykenbooms vondt ruften. Hy groette hem 5
en deed zyn beklag , dat hy met in zyn huys
gekomen was , alwaar hy een blyd onthaal zou-
de genooten hebben. Jadon antwoordde dat
Gód hem verbooden had in die ftad te eeten by
Wien \'t ook waare. Dat verbód hernam, de
valfche Profeet, behoort zich tót my met uyt
te ftrekken , want ik ben ook een Profeet ge-
lyk gy, ikaaiibidde Gód op dezelfde wyze, en
4 is op zyn bevél dat ik u hier bykome , om
u tót mynent te brengen , en gaftvryheyd je^
gens u te oefenen. Jadon hem geloovende,
het zich bedriegen , en volgde hem. Maar
toen zy tzamen aten verfcheen Gód hem, en zey-
de dat hy, tót ftraffe zyner ongehoorzaamheyd ^
in \'t wederkeeren eenen leeuw zoud ontmoeten,
die hem dooden zoude, en dat hy in \'t graf zyner
väderen niet begraaven zou worden : tweiKiK
acht aldus naa Góds wille gefchied te zyn, opdat
eroboam, wiens Gódsdienft door Jadon van
\' eugen overtuygd was, aan zyn woorden geen ge-
loove zoude geeven. Deeze Profeet ondervondt
wel haaft de uytwerking van Góds woordenjwant
in \'t wederkeeren quam hem een leeuw tegen,
die hem van zynen ezel wierp , en doodde;
waarnaa hy, zonder den ezel aan te roeren ^ by
het lighaam van den Profeet bleef ftaan om hef
te
199
VIILBOBK. JOODSCHE
éénenindeftad Bediel, en den anckren ^
dicht by den oorfprong van den kleynen Jor-
daan , bouwen , en vervólgens twee goudene
Live en maaken, welke in die beyde tempelen
gezét wierden. Daarnaa vergaderde hy zyne
rlen ftammen , en fprak hen aldus aan : â My-
â ne vrinden , ik acht dat gylieden met onwee-
tende zyt dat Gód overal tegenwoordig is,
en dat\'er daarom geen plaats zy alwaar hy
de gebeden der gener die hem aanroepen met
verhoort. Hierom is het dat ik \'t met geraaden
" vSdeT dat gy om Gódsdienft te pleegen de
" Ztkc neemt van na Jerufalem te gaan,
"»t welk zo verre vanhier legt , en onze
" vyandin is. Hy die den Tempel deed bou-
wen was een menfch zo wel als ik i en ik heb
r, twee goudene kalveren doen maaken en
wyen , waarvan het één te Béthei, en t an-
der te Dan opgerecht is , ten eyndegylieden
na ééne dier twee fteden , die u t naaft ge-
legen is , zoudt gaan om God te aanbidden,
\'t f al utóden aaS geene Priefters en Leviten
ontbreeken 3 ik zal die uyt het midden yan
â u aanftellen , zonder dat gy daarom u tot de
ftam Levi, óf het geflacht Aarons behoeft te
" wenden: maar die tót dien dienft begeeren toe-
gelaaten te worden, behoeven Gode maar een
kalf en een fchaap te ófferen, op dezelfde wy-
ze gelyk Aaron deed toenhy eerft tot Priefter
aangefteld wierdt." Opdeeze^yyzewas hetdat
feroboam het vólk, dat zich aan hem onderwor-
pen had,bedroog,entótverlaatmgevanGods wet,
m de gódsdienft hunner voorvaderen, vervoer-
welk oorzaak was van de rampen die den
1 1_____I_____. vnn de llaa-
35
33
33
33
33
33
53
de i \'t welk oorzaaK was vau »a^ ictx.x^wx^.^^-^-
Hebreen naderhand overquamen, en van de llaa-
verny waartoe zy eyndelyk vervielen, naa datze
door vreemde vólken ondergebragt waaren, ge-
lyk wy ter behoorlyker plaatfe zullen verhaalen.
Het feeft van de zevende maand dan genaa-
kende , befloot Jeroboam het te Bethel te vie-
ren , gelyk het door de ftammen van Juda en
Benjamm te Jerufalem gevierd wierdt. Hy
deed eenen altaar tegen over het gouden kali:
oprechten , en wüde het ampt van Hoogen-
Driefter zelf bedienen. Aldus klom hy na dien
Staar verzeld van Priefters van zyn eygen
maakfel. Maar toen hy de flagtóffers in tegen-
woordigheyd des ganfchen volks zoud offeren,
quam 4 vL Jerufalem op Góds bevel een Pro-
feet, genaamd>^^«, die zich m\'t midden van
die sroote menigte begeevende , zyn aangezigt
na den altaar keirde, en zo luyd dat het van den
Konine en aUe de omftanderskon gehoord wor-
deT aldus fprak : 33 Altaar, altaar , dit zegt
de Hete : Daar zal een Vórft uyt Davids
a 1, O rT<-nc>amd Jo/ias , voortkomen,
âftamhuys, S^»«"?//^Uaar die valfche
â die op deezen zelWen a ^^^^ ^^^
â Priefters, welke alsdan «evcu
ófferen, en de beenderen
zyn verbranden , omdat zy dit volk bedne-
Sn, en het tót gódloosheyd verleyden^
In opdat niemand aan de waarheyd myner
voorzegginge twyfek, zult gy op dit oogc"-
â blik de beveftigmg daarvan zien . üit a^^^
, zalvanééngefcheurd, en het vetderbeeiten
" ZImcdc &t bedekt is, op de aardegeftort
â n\\________ICiO"
â waarmeuc UCL ucuvi^^ xo, ^^
,, worden. Deeze woorden maakten jero
te bewaaren. Eenige voorbygangers hem in
dien ftaat ziende, boodfchapten zulks den val-
fchen Profeet ^ die aanftonds zyne zoonen heene
zondt om het lyk te haaien ^ \'t welk hy met groo-
te ftaatfi deed begraaven, en beval dat wanneer
hy gefturven zou zyn , men zyn hghaam in
\'t zelfde graf zoude leggen > doordien een ge-
deelte der zaaken welke Jadon voorzegd had,
reeds gebeurd zynde , hy niet twyfelde óf
\'t óverige zoud ook gebeuren 3 en dat gelyk
het altaar van één gefcheurd was, alzo ook de
Priefters en valfche Profeeten gehandeld zou-
den worden zo als hy voorzegd had 3 en dat
derhalve als Zyne beenderen ónder die van
Jadon gemengd waaren, hy geen oorzaak zoud
hebben om te vreezen dat ze nevens de andere
zouden verbrand worden. Toen deeze gód-
looze man dit bevél gegeeven had, ging hy
na Jeroboam , en vraagde hem waarom hy zich
zo had laaten ontruften door de woorden van
een buytenfpoorig menfch. Hy antwoordde
dat het gene ontrent den altaar en aan zyne
hand gebeurd was, genoeg deed blyken dat die
man met Góds geeft vervuld , en een waar-,
achtig Profeet was. Hierop bragt deeze
quaadaardige eenige waarfchynelyke, dóch val-
fche rédenen by , om den Vórft dat geloof te
ontpraaten , en de waarheyd te verduyfteren:
want hy zeyde tót hem , dat noopende \'t gene
zyne hand overgekomen was , zulks alleenlyk
ontftaan waare uyt vermoeidheyd van dat hy zo
veele flagtóffers op den altaar gelegd had , ge-
lyk genoegzaam bleek , doordien zy naa een
weynig rufte tót haaren voorigen ftaat herfteld
was : En belangende den altaar , voorzoveel
die eerft nieuw gebouwd was , behoefde men
^ich niet te verwonderen dathy\'tgewigtvanzo
veele geófferde beeften niet had konnen draagen.
Voorts dat het klaar bleek, nademaal een leeuw
dien man verfcheurd had, dat niets van\'tgene
hy gezegd had waar was. De Koning door dit
gelprék overreed, ver wy derde zich niet alleenlyk
van Gód, maar verviel tót zulk een verwaand-
heyd en dwaasheyd, dat hy beftondt zich tegen
hem te verheffen ; want hy gaf zich over tót aller-
ley misdaaden , en poogde geftadiglyk nieuwe
uyt te vinden die de eerfte overtroffen.
Hebbende aldus van deezen Vórft gefproo- 348,
ken j zo ftaat ons ook iets te zeggen van Ro- *
boam Salomons zoon, die maar over twee
ftammen heerfchte. In die van Juda deed hy
veele groote fteden bouwen, teweeten Beth-
lehem , Etham, Theko, Betfar, Socho, Odo-
lam, Ipa*, Marefan, Ziph, Adoram, Lachis,^ ^
Azeka, Sare, Elom, en Hebron. Ook ftichtte
hy eenige groote fteden in de ftamme Benj amins,
ftelde overal Stadvoogden en fterke bezettin-
gen , verzórgde haar met koorn , wyn , oli ,
en alle andere noodwendigheden , daar toe
fchilden en Ipeeren voor veele duyzenden.
De Priefters , Leviten , en alle gódvruchtige
perfoonen die in de tien ftammen onder Jero-
boam waaren , niet konnende dulden dat die
Vórft hen wilde noodzaaken de goudene kal-
veren , welke hy had döen maaken , te aanbid-
den , verlieten de fteden daar zy woonden,
om Gód te Jerufalem te dienen : en deeze
uytwerking van gódvruchtigheyd , vermeer-
derde in den tyd van drie jaaren het getal
van Roboams onderdaanen zeer veel. De Ko-
ning van Juda nam in\'t eerft iemand zyner maa-
gen ten wyve, by welke hy drie zoonen kreeg,
en trouwde daarnaa met eene andere van zyn
maagfchap, geheeten Macha , oudfte dóchter
van Thamar Abfaloms dóchter , by wie hy ee-
nen zoon teelde, genaamd Abia: En hoewel hy
nóg andere echte vrouwen had ten getale van
achttien, en dertig by wyven , en hy van deeze
achtentwintig zoonen , en zeftig dóchters
kreeg , echter beminde hy Macha boven alle ae
andere , en verkoor Abia haaren zoon tót zy-
nen naazaat, vertrouwende hem zyne fchatten
en fterkfte plaatfen.
Gelyk het doorgaans gebeurt dat de voor-
fpoed
In de
fpoed verdurvenheyd van zeeden voortbrengt,
zo deed de aanwas van Roboams magt hem
Gód vergeeten , en \'t vólk vólgde zyne ongód-
vruchtigheyd naa ; want de gcregeldheyd des
Konings veroorzaakt meeft altyd die der onder-
daanen : en\'gelyk het voorbeeld van \'s Vórften
deugd hen in hunnen pligt houdt, zo brengt het
voorbeeld van ondeugden hen in wanorde,
doordien zy zich verbeelden dat men de Ko-
nmo\'cn wraakt, als men hen niet naavólgt.
Dewyl nu Roboam alle eerbiedigheyd en vree-
ze Góds met voeten tradt, vervielen zyne on-
derdaanen tót dezelfde misdaad, even alsófzy
vreesden te zullen misdoen , indien ze recht-
vaerdiger waaren dan hy.
IV. H O O F D S T ü K.
Sufak Koning van Egipte belegert de ftad Jerufalern, vvelkeRoboatn
lafhartiglyk aan hem overgeeft. Hy plondert den Tempel en alle
de fchaften door Salomon naagelaaten. Roboams dood. Abia
zyn zoon vólgt hem in de regeeringe. Jeroboam zendt zyn wyt
om den Profeet Achia raad tc vraagen wegens de ziekte van Obi-
mes zynen zoon. Zyn antwoord is dat hy f "^^V.chTtcr
voorzegt hy den onLrgang van hem en zyn ganfche geflacht ter
oorzaake zyner gódloosheyd.
f^ód om rechtvaerdige wraak op Roboam
^ te oefenen , bediende zich van Sufak Ko-
ning van Egipte : en Herodotus is misleyd
wanneer hy dat bedryf Sefoftris toefchryft.
Deeze Vórft quam in\'tvyfdejaarvan Roboams
regeeringe in zyn land met een heir van twaalf-
honderd wagens, zeftigduyzend ruyters, en
vierhonderd-duyzend mannen te voet, welker
grootfte gedeelte uyt Lybiërs en Ethiopiërs be-
ftondt ; en naa dat hy bezettingen in verfchey-
dene plaatfen, die zich aan hem overgaven,
gelegd had, belegerde hy Jerufalem. Roboam,
die zich daar binnen beflooten had , nam zyne
toevlugt wel tót Gód ; maar die luyfterde naar
zyn gebéd niet: en de Profeet SameaYCïfchnk-
te hem, met te zeggen dat gelyk hy en zyn vólk
Gód hadden verlaaten. Gód hen ook alzo ver-
laaten hadde. De Vórft en zyne onderzaaten
ziende zich aldus buyten hoope van ontzét,
verootmoedigden zich , en bekenden dat het
recht was dat zy ftraffe over hunne gódloos-
heyd en misdaaden ont vingen. Gód door hun
berouw bewoogen, liet hen door zynen Profeet
zeggen , dat hy hen niet ganfchelyk uytroeijen
2;oudevmaar dat hy hen onder de heerfchappy der
Egiptenaaren zoud doen komen, om hen het on-
derfcheyd te laaten proeven dat \'er is tuffchen
onderworpen te zyn aan Gód alleen , óf onder-
worpen te zyn aan menfchen. Aldus ontzonk
Roboam de moed, en hy gaf Jerufalem op ver-
drag aan Sufak over, die zyn woord niet hieldt j
Want hy pionderde den Tempel , nam alle de
fchatten Gode toegewyd, en ook die van Robo-
am , alsmede de goudene fchilden welke Salomon
had doen maaken, en de goudene pyIkokers der
Sophoniërs welke David Gode toegewyd had,
en keerde aldus weder na zyn land, belaaden
met eenen overkóftelyken buyt, die een onge-
looflyke fomme beliep. Herodotus maakt van
deezen oorlóg gewag, en bedriegt zich alleen-
lyk in den naam des Konings van Egipte, wan-
neer hy zegt, dat naa verfcheydene landfchap-
pen doorkruyft te hebben , de Syriërs in Pale-
ftina welk vólk zich zonder vechten aan
hem overgaf, onder zyne heerfchappy bragt:
\'t welk duydelyk te verftaan geeft dat het van
onze landaard is dat hy fpreekt , en dat zy
door de Egiptenaaren ondergebragt wierd:
want hy voegt\'er by , dat die Vórft in de plaat-
fen , welke zich zonder flag óf floot aan hem
hadden overgegeeven^, zuylen deed oprechten,
op welke hy , tót een verwyt hunner lafhartig-
heyd , de deelen der vrouwVlykheyd had doen
uythouwen: \'t welk buyten twyfel\'op Roboam
opzigt had , omdat hy de eenigfte onzer Ko-
ningen geweeft is , die Jerufalem overgaf zon-
der eenen ftórm af te wachten. Deeze zelfde
Hiftorifchry ver zegt ook , dat de Ethiopiërs de
befnydenis van de Egiptenaaren geleerd heb-
ben 3 ^i^akt (fchryft hy) de Fenicïers , ende Sy-
riers die in Taleftina woonen, bekennen zelve^
dat ze het van de Egiptenaaren geleerd hebben.
Nu is het kenbaar dat geen Syriërs in Paleftma,
dan wy alleen , befneeden worden. Maar ik
laat aan ieder zyn vryheyd om daar van te fchry-
ven zo als hem goed dunkt.
Toen de Koning Sufak weder na Egipte
gekeerd was , deed Roboam in plaats van de
goudene fchilden , welke door hem wegge-
voerd waaren , een gelyk getal van kópere maa-
ken , welke hy aan zyne lyfwachten gaf, cn
\'t óverige zyns leevens , zonder eenige merk-
waardige daad te verrichten, in rufte doorbragt,
echter met vreeze verzelt, dewyl hy mee Je-
roboam in een onverzoenlyke vyandfchap leef-
de. Hy ftierf in den ouderdom van zevenën-
vyftig jaaren , van welke hy \'er zeventien gere-
geerd-had. Zyn onverftand en trótsheyd dee-
den hem , gelyk wy gezien hebben, het groot-
fte gedeelte zyns ryks verliezen, omdat hy den
raad van de vrinden zyns vaders Salomonsniet
had willen aanneemen. Hy is te Jerufalem in de
Koninglyke gr af ft eden begraaven. Jbia zyn
zoon volgde hem in \'t ryk, in het achtiendejaar
van Jeroboams regeeringe over de tien ftammen.
Hebbende aldus verhaald hoedaanig Ro-
boams eynde was , zo ftaat ons tc zeggen hoe
dat vanjeroboam geweeft is. Deeze verfoeije-
lyke Vórft ging fteeds voort in Gód te ver-
toornen door zyne fchrikkelyke gódloosheden >
want hy deed geftadiglyk altaaren op de hoog-
fte plaatfen der boflchen oprechten ,, en ftel-
de perfoonen uyt den gemeenen hoop tót Prie-
fters aan. Maar Gód vertoefde met lang met hem
over alle die gruuwelente ftraffen, door de recht-
vaerdige wraak die hy op hem en alle zyne naa-
komehngen oefende : want Obimes zyn zoon
krank geworden zynde, beval hy der Koningin-
ne zyne vrouwe zich met een flecht en gemeen
gewaad te kleeden , en na den Profeet Achia,
die hem wel eer voorzegd had dat hy Koning
worden zoude, te gaan 3 voorts zich-als eene
vreemde aan te ftellen , en by hem te vernee-
men óf zyn zoon van die ziekte fterven zoude.
Zy vertrok aanftonds na Silo , en dicht by
\'t huys van Achia gekomen zynde , openbaar-
de Gód aan den Profeet, die van ouderdom
byna blind was , dat Jeroboams wyf tót hem
quam i en gaf hem in wat hy haar antwoorden
zoude. Toen zy aan de deiy gekomen was,
I veynzende een gemene en vreemde vrouw te zyn,
C c riep
202 FLAVIUS J
riep de Profeet haar toe: ,, Kom in gy vrouw van
,, Jeroboam, zonder te ontveynzen wie gy zyt:
â want Gód heeft het my geopenbaard, enmy
bekend gemaakt wat ik u antwoorden zal.
Keer dan weder na uwen man, en boodfehap
hem deeze woorden des Heeren: Toen gy van
3, weynig aanzien waart, heb ik het Ryk , dat
,5 op Davids naazaaten komen moft , ge-
35 feheurd , om \'er u een deel van te geeven 3
â en uwe fchrikkelyke ondankbaarheyd heeft
â u alle myne weldaaden doen vergeeten : gy
53 hebt mynen dienft verlaaten , om afgoden,
â door uwe handen gemaakt, te aanbidden:
â Maar ik zal u met uw ganfche geflacht
â uytroeijen 5 en het den honden en vóge-
,3 gelen te eeten geeven 3 en ik zal eenen
,3 Koning over Ifraël ftellen die niemand uwer
3, afkómehngen verfchoonen zal. Het vólk
33 dat onder u ftaat, zal van die ftraffen niet
,3 vry weezen ; het zal uyt dit overvloedig
33 land , dat gy tegenwoordig bezit, verdree-
â ven , en aan gene zyde van den Eufraat ver-
â ftrooid worden , omdat het uwe gódloos-
,3 heyd naagevólgd , en my myne fchuldige
,3 eere onthouden heeft, om eenen heylloozen
dienft aan de valfche goden , die \'t maakfel
der menfchen zyn , te bewyzen. Haaft u
,3 dan, vervólgde de Profeet, om dit antwoord
,3 uwen man te brengen 3 en wat uwen zoon
,3 aangaat 3 hy zal, zo dra gy ter ftad intreedt,
,, fterven : Men zal hem een eerlyke begraave-
â nis aandoen , en al \'t vólk zal hem bewee-
,3 nen, omdat hy de eenigfte van al Jerobo-
â ams geflacht is , in welke iets goeds is."
Deeze Vórftin door dit antwoord van droef-
heyd beklemd, en haaren zoon reeds als
dood aanmerkende , keerde al weenende we-
der naa den Koning 3 en door zich te haa-
ften, verhaaftte zy den dood van haaren zoon,
die niet voor haare aankomft fterven zou, en
dien zy niet hoopen kon leevendig weeder te
zien. Ook vondt zy hem gefturven , vólgens
de voorzegginge van den Profeet, en ver-
haalde toen aan Jeroboam alles wat hy haar o-e-
zegd hadde.
V. HOOFDSTUK.
Groote overwinning door Abia Koning van Juda op Jeroboam Ko-
nmg van Ifraël bevochten. Abia fterft : zyn zoon Afa vólgt hem
in \'t ryk. Jeroboams dood. Nadab zyn zoon komt naa hem in
de regeeringe. Baäza vermoordt hem, en brengt al Jeroboams ge-
flacht om.
TEroboam de voorzeggingen, welke Gód
ïKon.15. J door den mond zyns Profeets uytgeiproo-
ïKion. ken had, verachtende, verzamelde achthon-
derd-duyzend mannen om Abia Roboams zoon,
wiens jongheyd hy verfmaadde, te beoorlógen.
Dóch vermids de kloekmoedigheyd van dien\'
Vórft zyne jaaren overtrof, ontzette hy zich
niet over die groote menigte van vyanden 5 maar
hoopende op eene overwinninge, bragt hy uyt
de twee ftammen, die onder hem ftonden, een
heir van vierhonderd-duyzend mannen op de
been, trok Jeroboam tegen, legerde zich dicht
by den berg Samaron , en bereydde zich tót
een gevecht. Toen de heiren in flagórde ge-
fchaard ftonden, en tót den aanval gereed waa-
ren, klom Abia op eenen heuvel, deed een
33
33
33
33
33
O S E P H U S
teeken met zyne hand tót Jeroboams krygsben-
den dat hy iets tót hen te fpreeken had , en
ving aldus aan:,, Ulieden is niet onbekend3dat â
Gód David , mynen overgrootvader , over â
al zyn vólk gefteld hebbende, hem beloofde "
dat zyne afkómelingen naa hem regeeren
zouden. Hierom kan ik my niet genoeg ver-
wonderen , dat gylieden u der heerfchappye
van wylen den Koning mynen vader ont-
trokken hebt, om u aan die van Jeroboam,
zynen gebooren onderdaan , te onderwer- ,,
pen 3 dat gy tegenwoordig gewapenderhand "
aankomt tegen my 3 die van Gód gefteld ben
om over u te gebieden 3 en dat gy my dit kleyn
gedeelte des Koningryks , \'t welk my noo-
overig is , wilt ontweldigen , terwyl Jero- â
boam zulk een groot deel daarvan bezit "
Maar ik hoop dat hy die onrechtvaerdic^e "
heerfchappy niet lang bezitten zal; Gód ztl
hem buyten twyfel ilraften over alle de mis-
daaden die hy begaan heeft, die hy nóg da-
gelyks begaat, en in welke hy ulieden\'ook
doet vervallen. Want hy is het die u heeft
aangedreeven om tegen wylen mynen vader
op te ftaan , welke u geen ander quaad o-e-
daan had, dan dat hy ulieden al te ftreng â
aanlprak door den quaaden raad dien hy ,,
vólgde 3 en die uw misnoegen zo deed aan- â
groeijen, dat hy u overftemde om niet alleen-
lyk uwen wettigen Vórft , maar Gód zei ven, "
door \'t fchenden zyner heylige wetten, te ver- "
laaten: in plaats dat gyheden de onbezonnene
woorden eens jongen Konings, die niet ge-
woon was een openbaare aanfpraak te doen,
behoordet verfchoond te hebben. En indien
hy al door zyne geringe eervaarenheyd u een
billyke oorzaak van klaagen gegeeven hadde,
behoorden niet de weldaaden, waarover gy-
lieden aan den Koning Salomon mynen
grootvader verpligt waart, u zulks te heb-
ben doen vergeeten 3 naardien \'er niets rede-
lyker is, dan de mifflagen der kinderen, uyt â
aanmerkinge van de weldaaden hunner vade- H
ren, te vergeeven? En nógtans zonder u door
eenige deezer inzigten te laaten beweegen, â
komt gylieden my met een groot heir beftry- â
den : en ik moet bekennen dat ik niet begry- ,,
3en kan waarop gy uw vertrouwen bouwt. â
Is het op de goudene kalveren , en de altaa- â
ren die op de hoogten opgerecht zyn ? Zyn ,,
die dingen, in plaats van tékenen uwer gód- â
vruchtigheyd , niet veel eer blyken uwer â
gódloosheyd ? Of fteunt gy op het getal,,
uwer krygsbenden, \'t welk het myne verre ,,
overtreft ? Maar hoe groot ook een heir zy, â
kan het eenen gelukkigen uytflag verhoopen â
wanneer het tegen de gerechtigheyd ftrydt.^ â
Deeze alleen gevoegd by een zuy vere góds- â
dienft kan eene overwinnhig te wege brengen. ,3
Hierom mag ik my^ dezelve belooven , nade- â
maal nóch ik, nóch ook deeze die my ge- â
trouw zyn gebleeven, van \'t onderhouden der ,,
wetten onzer vaderen afgeweeken zyn 3 maar ,,
dat wy altoos den waaren Gód , Schepper ,,
van \'t heelal, die het begin en eynde aller
dingen is , aangebeden hebben , en niet de
afgoden gemaakt van menfchen handen uyt,,
55 een
Vill. Boek.,
53
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
Vin. Boek,
5, een verderflyke ftóffe,
5, die uwe ligtgeloovigheyd misbruykt
â ulieden ten verderve te brengen. Kom
â tót inkeer, vólgt eenen béteren raad, en houdt
â op u verder van het wys beleyd onzer voorva-
â deren te verwyderen, en die heylige wetten,
â welke ons tót het tóppunt van grootheyd en
â magt verheven hebben, te verbreeken."
Terwyl Abia aldus fprak, deed Jeroboam
heymelyk een gedeelte zyner benden afzakken,
om \'t heir zyns vyands van achteren te bezet-
ten en aan te grypen; \'t welk onder het krygs-
vólk eenen grooten fchrik baarde. Maar Abia,
zonder zich daarover te ontzetten, vermaande
hen al hun vertrouwen op Gód te ftellen, die
door geene menfchen kon overrompeld wor-
den. Door deeze grootmoedige aanfpraak
fcheptenzyzulkenmoed, datzy Gód om zyne
byftand aangeroepen, en hun veldgefchrey on-
der \'t gefchal van de bazuynen der Priefteren
gemengd hebbende, met een ongemeene kloek-
moedigheyd ten ftryde gingen: en Gód verné-
derde den hoogmoed hunner vyanden dermaa-
te , dat men nóch in de Hiftoriën der Grieken,
nóch in die der Barbaaren van diergelyk een
flagting in eenig gevecht leeft : want vyf-
honderdduyzend mannen fneuvelden van Jero-
boams heir in die doorluchtige overwinninge
welke Gód aan den Koning Abia verleende.
Deeze roemruchtige Vórft veroverde daarnaa
Bethel en Ifan met derzelver onderhoorige Land-
ftreeken, en veele andere van Jeroboams fterk-
fte plaatfen, en hy bragt Jeroboams zaaken in
zodaanigen ftaat, dat hy geduurende het lee-
ven van deezen Koning van Juda t\'eenemaal
magteloos was. Maar zyn tyd was kort, want
hy regeerde maar drie jaaren. Hy wierdt te Je-
rufalem in het graf zyner voorvaderen begraa-
ven, en liet by veertien vrouwen zeftien dóch-
ters, en tweeëntwintig zoonen naa, waarvan
één genaamd 4fa, dien hy by Machaia geteeld
had, hem in \'t ryk vólgde , en tien jaaren in
volkomene vreede regeerde.
Dit is \'t gene men by gefchrifte van Abia
Koning van Juda vermeld vindt; en Jeroboam
Koning van Ifraël overleefde hem niet lang:
Hy regeerde twêëntwintig jaaren; en zyn zoon
Nadab, die hem zo wel in zyne gódloosheyd
als in\'t ryk vólgde, naadat Afa reeds twee jaa-
ren o-eregeerd had, regeerde maar twee jaaren,
wordende terwyl hy Gabath, eene ftadderPhi-
liftynen , belégerde , van Baaza, zoon van
Machel, verraaderlyk gedood; waarnaa die zich
meefter van \'t ryk gemaakt hebbende, Jerobo-
ams ganfche geflacht, vólgens Góds voorzeg-
ginee, uytroeide, en hunne lighaamen , tót
ftraff-e hurnier misdaaden en godloosheyd^
honden te eeten gaf
om
Komt dan
353\'
den
VI. H O O F D S T U K.
Deugden van Afa Koning van Juda cn zoon van Abia. Merkwaerdi-
pc overwinning door bem op Zaba Koning der Erhiop.ers behaald.
Dc Koning van Damaskus ftaat hem by tegen Baaza Komng van
Ifraël, die fterft; en Ela zyn zoon, die hem volgt, wordt door
Zamar vermoord.
354
iKon.i
iKron
HISTORI
dan Góds wet. Hy beftrafte de ondeugden, ver-
bande de ongeregeldheden, en befnoeide de ver-
durvendheyd die in zyn ryk ingefloopen was.
Hy had in de ftam Juda alleen driehonderd duy-
zend uytgeleezene mannen, met fpeeren en fchfl-
den gewapend, en tweehonderd vyftigduyzend
in die van Benjamin, welke ook fchilden hadden
en zich van pyl en boog bedienden. In het tien-
de jaar zyner regeeringe quam Zar^gus Koning
van Ethiopië tegen hem te velde met een heir van
honderdduyzend ruyters, negenhonderd-duy-
zend voetknechten, en driehonderd wagens.
Afa trok hem tegen tót aan Mareza, ftad in Ju-
déa , en ftelde zyn heir in het dal Saphar niet ver
van die ftad in ftagórde. Toen hy deeze groote
menigte van vyanden aanfchouwde, liethy den
moed niet vaflen, maar zich tót Gód wendende
om zyne byftand te verzoeken, zeyde hy in zyn
gebéd, 5) dathy zich die belooven durfde, ver- â
mids hy tót het bevechten van zulk een magtig â
heir niet opgetrokken was, dan uyt een ver- ,,
trouwen op zyne hulpe: dat hem niet onbewuft â
was, dat de Heere een kleyn getal overwinnaar ,,
van een groot kon maaken, en dc zwakfte over â
de fterkfte en magtigfte doen zeegepraalen."
Dit gebéd van deezen deugdzaamen Vórft
was Gode zo aangenaam, dat hy hem door een
teken zyne aanftaande overwinning bekend
maakte. Hy tradt dan met een volkomen ver-\'
trouwen ten ftryde, doodde een groote menig-
te van vyanden, floeg de óverige op de vlugt,
en jaagde hen naa tót aan de ftad Gerar, wel-
ke hy met geweld innam. Zyne krygslieden
pionderden de ftad, en roofden in \'t leger der
Ethiopiërs: alwaar zy zulk een groote menigte
van goud, kameelen, paerden, en vee kreegen,
dat zy met ryken buyt bekaden, weder naJ eru-*
falem keerden. Toen zy de ftad naderden, quam
de Profeet Azarias hen te gemoet, beval hen
ftil te ftaan, en zeyde tót hen, â Dat Gód hen ,,
die heerlyke zeege verleend had , omdat hy â
hunne gódvruchtigheyd , en onderwerping â
aan zyne heylige wetten gezien had; en dat â
indien zy voortgingen zo te leeven, hy hen ,,
ook fteeds over hunne vyanden zou doen zee- ,,
gepraalen. Maar dat indien zy van de waare â
Gódsdienft afweeken, zy tót zulk een jammer- â
lyke elende vervaHen zouden, dat \'er niet een â
waarachtig Profeet, nóch een rechtvaerdig
Priefter onder hen te vinden zou zyn;
dat hunne fteden verdelgd zouden worden,
en zy over den ganfchen aardbodem ver- 5,
ftrooid , als ballingen zouden omzwerven. â
Dat hy hen derhalve vermaande de deugd â
meer en meer te omhelzen , terwyl \'t in â
hunne magt was, en hun geluk yan Góds â
gunftelingen te zyn, niet moed willig met den â
voet te ftooten." Deeze woorden vervulden
Afa en de zyne met zulk een blydfchap , dat
zy , zo in \'t algemeen als in \'t byzonder , niets
dat in hun vermoogen was achterwege lieten,
om Góds wet te doen onderhouden.
Ik keer nu weder tót Baaza , die Nadab
Jeroboams zoon vermoord hebbende, zich het
ryk Ifraëls had aangemaatigd. Deeze Vórft ver-
koor de ftad Tharfa tót zyne verblyfplaats, en
JOODSCHE
, endooreenen Tiran,
yi
J3
3>
ASa Koning van Juda, en zoon, ^^^
was zulk een wys en gódsdienftig Vorft, , .... .. ,
dat hv ceen ander rechtfnoer zyner daaden had regeerde vierentwmtig jaaren , zynde nog er-
^ ® G c 2 ger
204
"er cn godloozer dan Jeroboam en zyn zoon
Nadab : want daar waaren geene qnellingen
waarmede hy Zyne onderdaanen niet plaagde,
nóch^ lafteringen welke hy niet tegen Gód uyt-
â braakte. Aldus haalde hy des Heeren toorn over
, zich, en Gód deed hem door Gmon *, zynen
Profeet, aanzeggen , â Dat hy zyn ganfche
geflacht verdagen zoude, gelyk hy dat van
Jeroboam verdélgd had 3 vermids hy , m
5, plaats van de gunfte des Hemels , waardoor
â hy Koning geworden was, te erkennen, jn
â \'t hart zvns vólks door liefde tót de Gods-
â dienft ea gerechtigheyd te winnen , den
âverfoeijelyken Jeroboam in zyne misdaaden
5-, en gruuwelen naagevólgd was." Deeze b^
dreygingen bragten . dien heylloozen Vorft
geenfins\'^tót verbéteringe en boete , om daar-
door Góds gramfchap re ftillen j maar hy dom-
pelde zich meer dan ooit in alledey zonden.
Hy belegerde Ramath, een fraaije ftad, maar
veertig ftadiën van Jerufalem gelegen : en naa
dathy haar ingenomen had, verfterkte hyze,
en leyd \'er een^\'zwaare bezetting in , om van-
daar ten platten lande te konnen ftroopen. De
Koning Afa om zich daar tegen te befchermen,
zondt Gezanten met geld aan den Koning van
Damaskus , om byftand van hem te verzoeken,
uyt inzigt van hec verbond dat\'er tuflTchen hun-
ne vaderen opgerecht was. Deeze Vórft nam
het fcld aan J en zondt aanftonds een heir in\'t
land\'\'van B^aza , alwaar het groote rooveryen
pleegde, eenige fteden verbrandde, Hion, Dan,
Abehnaim en veel andere pionderde, en Baäza
noodzaakte den veftingbouw van Ramath te
ftaaken, om zyn eygen land te befchermen.
Ondertuftchen gebruykte Afa tóthetverfterken
van Gaba en Mafpha de ftóffen, die Baäza had
doen vervaardigen om tót verfterking van Ra-
math te dienen : en Baäza heeft naa dien tyd
niets tegen Afa konnen onderneemen : alzo hy
door den dood verhinderd wierdt. Hy leyt in
de ftad Arza begraaven. EU zyn zoon vólg-
de hem in\'t ryk, en regeerde maar twee jaaren:
want Zamar, die over de helft der ruyterye ge-
boodt, deed hem vermoorden op een gaftmaal
ten huyze van éénen zyner amptenaaren, ge-
heeten Ofa, alwaar hy geen lyfwacht by zich
had, doordien hy al zyn krygsvóïk uytgezon-
den had om eene ftad der Philiftynen geheeten
Gabath te belégeren.
V1Ã. H O O F D S T U K.
Het heit van Ela Koning van Ifraël, die door Zamac vermoord was,
verkieft Amri rót Koning r cnZamar verbrande zichzelven. Achab
vól-\'c Amn zynen vader in \'c ryk ifraëls. Zyne byftere godioos-
heyd. Straffe waarmedeGód hem dreygt door den Profeet Elia, die
zich na de woeftyne begeeft , alwaar hy door de ravens gefpyfd
wordt, en daarnaa t&Sarepta komt by eene weduwe alwaar hygroo-
te mirakelen doet. Hy doet een groot wonderwerk in tegenwoor-
digheyd van Achab en al het vólk , cn doet vierhonderd valfche
iPr\'ifeeien dooden. Jefabel ftaat hem naa\'t leeven; waarop hy de
vlujït neemt. Gód beveelt hem Jehu tót Koning van Ifraël, en
Azaël tot Koning van Syrië te zalven , en Elife\'us tót eenen Pro-
leet aan te ftellen. Jefabel doet Naboth fteenigen, om Achab in\'t
bezit van zynen w^nberg te ftellen. Gódt zendt Elia ora hem tc
beftraf&ii, en hy toont berouw over xyne zonde.
3 5^- Koning Ela vermoord , en de
kroon daarop aanvaard hebbende, roeide,
* vólgens de voorzegging van den Profeet Gi-
Ziebovci).^^^^^ het ganfche geflacht van Baäza uyt, ge-
lyk dat van Jeroboam uytgeroeid was. Maar
de ftrafte over zyne misdaad vertoefde niet
langi want het heir dat Gabath belegerde, den
moord door hem begaan , en zyn bemagtigen
van \'t ryk, vernoomen hebbende, brak het belég
op, en koos den Veldheer Wn^ri tót Koning.
Deez ging terftondt Zamar in Tharfa belége-
ren , en nam de ftad ftórmenderhand in. De
Geweldenaar hierop zich van alle hulpe ont-
bloot ziende, vlugtte naa \'t binnenfte van \'t ko-
ninglyk paleys, ftak\'er de vlam in, cn verbrand-
de zichzelven, naa alleenlyk zeven dagen gere-
geerd \'te hebben. Thans wierdt het vólk ver-
deeld, willende de ééne Amri voorftaan, ende
andere * tot Koning hebben. Maar de
à K,on.ï5
* Jehic,
ook Ion,
voi^eas
andere
hsnd-
khnSen.
33
party van Amri was de fterkfte, en hy bleef in
vreedzaame bezittinge van het ryk Ifraëls door
den dood van Thaman, die om\'t leeven gebragt
wierdt. Hy fteeg ten rykstroon in het dertig-
fte jaar van Afa koning van Juda, en regeerde
twaalf jaaren, zes in de ftad Tharfa, en zes te
Samareon, \'twelk van de Grieken Samarië ge-
heeten wordt. Hy noemde haar Samareon,
naar den naam des genenvan wien hy den berg j
op welken hyze ftichtte, gekóft had. Hy ver-
fcheelde niet van de Koningen zyne voorzaa-
ten, dan dat hy in gódloosheyd hen allen nóg
te boven ging : want daar was geen ondeugd
welke hy niet pleegde om het vólk van de Góds-
dienft hunner vaderen af te wenden. Maar
Gód verdelgde hem en zyn pnfche geflacht,
door een rechtvaerdige ftrafte. Hy ftierf te
Samarië, en Achab zyn zoon vólgde hem in de
regeeringe.
WrJ
Deeze voorbeelden van de gunften waarmede 357,;
Gód de vroomen vergeldt, en van de ftraffen
welke hy over de boozen brengt, toonen hoe
hy over de bedryven der menfchen waakt: want
wy zien dat de Koningen van Ifraël in korten
tyd de één na den anderen verdelgd , en met
hun ganfch geftacht, wegens hunne gódloos-
heyd, uytgeroeid wierden i en dat Gód daaren-
tegen , om de gódvruchtigheyd van Afa, Koning
van Juda , hem eenënveertig jaaren in voor-
fpoet liet regeeren. Hy ftierf in eenen geluk-
kigen ouderdom , en Jofaphat zyn zoon, dien
hy by Abida geteeld had, vólgde hem zo wel
in zyne deugd, als in zyri ryk , en betoonde
door zyne daaden dat hy een waar naavólger
van de gódvruchtigheyd en kloekmoedigheyd
van David, uyt wien hy gefprooten was s ge-
weeft is , gelyk men breeder in \'t vervólg zal
zien.
Achab Koning van Ifraël nam zy» verblyf te 358.
Samarië, en regeerde twéëntwintig jaaren. In
ftede van de verfoeijelyke inzettingen der Ko-
ningen zyne voorzaaten té veranderen, bedacht
hy nieuwe, en trachtte hen, en wel inzonder-
heyd Jeroboam, in gódloosheyd te overtref-
fen : want hy aanbadt ook de goudene kalve^
ren door hem opgerecht, en voegde by die
groote misdaad nóg andere. Hy trouwde mee
Jefabel, dóchter van Ithobal Koning der Ty-
riërs en Sidoniërs, en wierdt een aanbidder van
hunne goden. Nooit heeft men ftouter en moed-
williger wyf gezien j j aa haare gódloosheyd ging
zo verre, dat zy zich niet fchaamde Baal den
gód
gód der Tyriërs eenen Tempel te ftichten, hem
boflchen van allerley geboomte te doen planten,
en valfche Profeeten tót den heylloozen dienft
van dien afgód aan te ftellen. En dewyl Achab
alle zyne voorzaaten in boosheyd overtrof, had
hy altoos gaern zulk flach van menfchen by zich.
Een zeker Profeet, genaamd Elia, van Thes-
bon ftad in Galaäd, quam hem van Gód«wege
zeggen, en verzekerde hem met eede, dat wan-
neer hy naa \'t verrichten van zynen laft wegge-
gaan zoude zyn , Gód nóch regen nóch dauw
op \\ aardryk zoude geeven in al den tyd van
zyn afweezen. Dit gefprooken hebbende ging
hy naa \'t zuyden, en zette zich aldaar neêr by
eene beek, om geen gebrék van drank te heb-
ben i want belangende zyne fpyze, die wierdt
hem dagelyks door de ravens gebragt. Toen
deeze beek uytgedroogd was,^ging hy op Góds
bevél na Sarepta, eene ftad tuflchen Tyrus en
Sidon gelegen, om aldaar by eene weduwe fpy-
ze en onderhoud te genieten. Toen hy dicht
by de poort der ftad gekomen was, ontmoette hy
eene vrouw die beezig was met hout te raapen,
en Gód openbaarde hem dat het die was by wel-
ke hy zynen inkeer neemen moft. Hy by haar
gekomen zynde, groette haar, en verzócht dat
zy hem eene teug waters wilde geeven. Zy
deed zo, en toen zy wegging verzócht hy dat
zy hem wat broods wilde brengen. Dóch zy
verzekerde hem met eede j dat zy maar een
handvol meels en een weynig olie had, en dat
zy gekomen was om wat hout op te zoeken, en
daarmeê een broodje voor haar en haaren zoon
te bakken, waarnaa zy genoodzaakt zouden
1 Kon.
zvn"
Ccj
206
FLAVIUS J O
zyn van honger te fterven. â Wees wel gemoed,
hernam de Profeet, en heb beter hoope;
â geef my maar iets van \'t gene gy te eeten hebt;
want ik beloof u dat uw fchotel nooit zon-
5, der meel, nóch uwe kruyk zonder oli zyn
â zal, tótdat Gód regen van den hemel doe
â vallen." Deeze vroUw gehoorzaamde hem;
en nóch hy , nóch zy , nóch haar zoon had-
den eenig gebrék , tót aan den dag toe dat die
droogte ophieldt. De Hiftorifchry ver Memn-
der , wanneer hy de daaden van Ithobal Ko-
nincT derTyriërs verhaalt, fpreekt van deeze
dïoogtcdus-.Byzjnenpdwas\'ereengrootedroog\'
te , die -van de tnaane Hyperbereteus tót aan dte
zelfde maand in \'t vólgende jaar duurde. \'Deeze
Vórft liet groote gebeden doen 3 en die wier den van
eenen zwaaren donder gevólgd, \'t Was hy die de
Ãad Botrys in Fenicië ^ en Auzatein Libfédeed
bouwen. Buyten twyfel wordt met deeze woor-
den die droogte gemeend , welke onder de re-
geeringe van Achab voorviel; want Ithobal re-
geerde ter zelfder tyd te Tyrus.
160. De zoon der weduwe , waarvan wy zo even
gemeld hebben , ftief kort daarnaa > en de
droefheyd dier bedrukte moeder vervoerde haar
zodaanig , dat zy dat verlies aan de komfte des
Profeets toefchreef; omdat, zeyde zy , hy
haare zonden befpeurd hebbende , de oorzaak
was dat Gód, om haar daarover te ftraff"en, haa-
ren eenigen zoon had weggenomen. Maar de
Profeet vermaande haar op Gód te vertrou-
wen , begeerde het lyk van haaren zoon te zien,
en beloofde hem leevendig aan haar weder te
geeven. Zy gaf hem het doode kind , en hy
bragt het op zyn kamer, leyde het op zyn
bedde, en zyne ftem tót Gód verheftende, zey-
de hy , in droefeniffe zyner ziele, â dat naar-
â dien de dood van dat kind een flechte ver-
â gelding zoude zyn voor de liefde , welke de
â moeder in \'t herbergen en fpyzen van hem
â beweezen had , hy den Heere derhalve badt,
het leeven aan den knaap te willen weder-
" geeven " Gód met medelyden jegens de moe-
der bewoogen, en niet begeerende datmenden
Profeet als de oorzaak van haar ongeluk aan-
zien zoude, maakte den jongen weder leeven-
dig. Deeze vrouw van blydfchap verrukt dat
zy^tegen alle hoope haaren zoon weder leeven-
de in haare armen zag , zeyde tót Elia : Nu
bemerk ik dat gy door Góds geeft fpreekt.
5 (jt. Eenigen tyd daarnaa zondt Gód deezen Pro-
Kon.\'is feet aan den Koning Achab , om hem te zeg-
crcn dat \'er regen komen zoude. De hongers-
dood was toen zo groot, en het gebrék van al-
les dat tót leevens onderhoud noodig was , zo
ongemeen, dat zelfs de paerden en andere die-
ren door de overgroote droogte geen gras op \'t
veld vonden. Weshalve Achab , om zyne
beeften in \'t leeven te behouden , aan Obedias,
die \'t opzigt over alle zyne veehoeders had,
beval voeder in de vochtigfte plaatfen te doen
zoeken: en ziende, dat de genen die hy alom ge-
zonden had, om den Profeet EUa te zoeken,
hem niet vonden, wierdt hy te raade hem zelf te
gaan zoeken; en hy belaftte Obedias hem te vól-
den, maar langs eenen anderen weg. Deeze O-
bedias was een vroom man, en zo gódvreezend,
l.
dat hy toen Achab en Jefabel de Profeeten des
Heeren deeden ombrengen , honderd van hen
in holen verborgen had, alwaar hyhen met wa-
ter en brood fpysde. Hy had den Koning zo
dra niet verlaaten, óf Elia quam hem tegen.
Obedias vraagde hem wie hy was > en zulks
verftaan hebbende i wierp hy zich_ voor zyne
voeten neder. â Boodfehap den Koning myne â
komft, zeyde de Profeet. Wat quaad heb ik â
u gedaan, antwoordde Obedias, dat gymy- â
nen dood bewerken wilt Want dewyl de â
Koning u overal laat zoeken om u te doo- â
den , zal hy my buyten twyfel doen fterven, â
indien Góds geeft, als ik hem zal gezegd â
hebben dat gy gekomen zyt, u dan elders â
vervoert, waardoor hy meenen zal dat ik â
hem bedroogen hebbe. Gy kont echter, zo 5,
gy wilt, myn leeven redden ; en ik bid u dat â
gy het doet, door de geneegenheyd die ik aan â
honderd Profeeten uws gelyke getoond heb- â
be, welke ik der woede van J efabel ontrukken- â
de , in holen verborgen heb , alwaar ik hen â
nóg onderhoude." De man Góds zeyde hem
dat hy met een volle verzekerdheyd na den
Koning mogt gaan , dewyl hy hem met eede
beloofde dat hy zelf dien dag nóg voor hem
verfchynen zoude. Obedias ging dan heene,
en Achab quam op dat bericht Elia te gemoet,
en zeyde geheel Vergramd tót hem : â Zyt
gy het dan die zo veel quaads, en inzonder- â
heyd deeze onvruchtbaarheyd , die ons tót â
zulk een elende gebragt heeft, in myn ryk â
veroorzaakt hebt.?" De Profeet, zonder
zich eens te ontzetten , antwoordde hem ,
dat al dat onheyl waarover hy klaagde , hem
zeiven te wyten waare ; dewyl hy \'t op
zich gehaald hadde door den heylloozen dienft
welken hy den afgóden der vólken bewees,
verlaatende ondertuflchen den waaren Gód.
Voorts beval hy hem al het vólk op den berg Kar-
mel te doen byeenkomen, en aan zyne Profee-
ten , en die der Koninginne , welke hy alleby
haar getale noemde , midsgaders de vierhon-
derd Profeeten der Hoogten , te belaften dat
zy zich ook aldaar heten vinden. Naa dat dee-
ze alle daar verfcheenen waaren , fprak Elia
die groote menigte aldus aan: âHoe lang zult â
gylieden in twyfel blyven hangen tót wat â
zyde gy overflaan zult ^ Indien gy gelooft â
dat onze Gód de eenige eeuwige Gód is , â
waarom kleeft gy hem niet aan door een vol- â
kome onderwerping des harten , en eene on- â
derhouding zyner geboden ? En by aldien â
gy gelooft datgy de vreemde goden aanbidden â
moet, waarom neemt gy hen dan niet voor uwe â
goden aan.?" Als niemand an^oordde, ver-
vólgde de Profeet aldus : â Om dan door â
een ontwyfelbaar blyk te toonen wie de mag- â
tigfte is , óf de Gód dien ik aanbid , óf de â
g&en welke men wil dat gylieden eeren zult 3 â
en welke gódsdienft, óf de myne, óf die der ,5
vierhonderd Profeeten, de waare zy , zal ik â
eenen ós neemen, dien ik op het hout tót de â
ófferande bereyd zal leggen , dóch zonder â
eenig vuur daar by te doen. Laat dan de â
vierhonderd Profeeten het zelfde doen , en â
hunne goden bidden, gelyk ik mynen Gód â
* â bid
â bidden zal, dit hout aan brand t^fte^sken;
alsdan zal men zien wie de waare God zy.
Doezevoorfiag goedgekeurd zynde, zeydeElia
tót die Profeeten datzy eenen ós mogten uyt-
kiezen , en eerft beginnen te ófteren , en alle
hunne Goden aan te roepen. Zy deeden
zulks , maar te vergeefs. Elia , om hen te be-
fpótten 5 zeyde dat zy luyd moften roepen,
omdat hunne goden miftchien op eenige rey-
ze , óf in flaap gevallen waaren. Zy hielden
aan met roepen en tieren tót aan den middag
toe, èn fneeden zich , vólgens hunne gewoon-
te , met fcheermefl;en en vlymen in de huyd,
zonder dat zy iets daarmee vórderden. Toen
1\'
\'t Eliäs beurt geworden was te ófteren , beval
hy hen te wyken , en belaftte het vólk naauw
toe te zien óf hy ook heymelyk eenig vuur by
\'t hout bragt: Elk naderde daarop j en Elias
nam twaalf fteenen vólgens \'t getal der ftam-
men , en rechtte eenen altaar daarvan op , die
hy met een diepe groeve omringde, waarnaa
hy het hout op den altaar fchikte , en toen
\'c flagtófter op het hout leyde. Toen deed hy
\'er vier groote kruyken vol fonteyn-waters
over heene gieten , waardoor niet alleen het
óffer cn al het hout doornat, maar ook de
groeve met water gevuld wierdt. Als dit
gedaan was begon de Profeet Gód aan te
roepen , en badt hem zyne magt aan
\'t vólk , dat zo lang in blindheyd was ge-
houden , te willen bekend maaken. Daar-
op zae men vuur uyt den hemel op den altaar
nedcrdaalen , \'t welk het óffer cn al het water
verteerde , zo dat de plaats niet minder droog
was dan te voore. Het vólk over dit groot
wonderwerk verbaasd, viel ter aarde neêr en
aanbadt den Heere , roepende dat hy de eenige
en waarachtige Gód was: dat alle deandere go-
den maar ydllc verdichtfeien, zonder kracht
en vermoogen , en verachtens waerdig waaren ,
dewyl men hen zonder dwaasheyd geen eere be-
wyzen kon. Vervólgens greepen zy op^t be-
vél van Elia de vierhonderd valfche Profceten
aan , en bragten hen om \'t leeven. Waarnaa
hy den Koning beval zyne maaltyd onbe-
kommerd te houden, zeggende dat Gódw^
haaft regen geeven zou. Naa dat de Vorft
vertrokken was, klom de Profeet op den tóp
Van den berg Karmel, zat aldaar op de aarde
neêr , en leyde zyn hoofd tuflchen zynekniën.
En dewyl de lucht helder en klaar was, beval
hy zynen dienaar op eene róts te klimmen , en
na de zeekant uyt te zien , om te verneemen
óf \'er niet een wolkje opquam. De knecht
zulks gedaan hebbende , boodfchapte hem dat
hy niets zag , maar weder heene gegaan zynde
tót zevenmaal toe , quam hy hem eyndelyk
zeggen, dat hy iets zwarts aan de lucht gezien
had, dat zich niet boven een voet groot vertoon-
de. Alstoen zondt de Profeet zynen knaap den
Koning achter naa , om hem te zeggen dat hy
zich met grooten haaft na de ftad Jeft-aël moft
fpoeden , indien hy niet door een zwaare buy
wilde beloopcn worden. Achab dit verftaan-
de deed zynen waagen in der yl voort rennen,
en de Profeet door Góds Geeft gedreeven liep
niet minder fnel. Naauwlyks waaren zy aan
de ftad gekomen , óf de lucht betrok â geheel
met dikke wolken , en een onftuymige wind
zich verheffende , viel \'er een zwaare flagre-
gen op aarde neêr.
Toenjefabel de wonderen door Elia gedaan,
en den dood haarer Profeeten verftaan had,
deed zy hem aanzeggen dat zy hem eveneens
zoud doen handelen gelyk hy hen gehandeld
had. Hy door deezc dreygementen verfchrikt,
vlugtte na de ftad Berfabé, leggende aan \'t uyt-
terfte van de ftamme Juda , op de grenzen van
Iduméa, alwaar hy zynen dienaar liet, en toen
alleen na de woeftyne ging. Daar gekomen
zynde badt hy Gód hem uyt de werreld te
willen wegneemen , en vieji eyndelyk onder
eenen boom in flaap. Zynde aldus van droef-
heyd overftelpt j gevoelde hv dat iemand hem
wak-
m.
3 Cs.
wakker maakte, en hy zag dat hem water cn
fpyze gebragt was. Hy door dit onverwacht
voedfel zich gefterkt hebbende , ging weder
yoort , tótdat hy aan den berg Sinaï quam,
alwaar Gód de wet aan Mofes gegeeven had j
\'en hebbende een wyd hól gevonden, befloot
hy zyne wooning in die plaats te neemen. Hier
hoorde hy eene ftem, die hem vraagde, waaróm
hy de ftad verlaaten , en zich na de woeftyne
begeeven hadde. Hy antwoordde, dat dewyl
hy de Profeeten der afgoden had doen ombren-
gen , en getracht had het vólk tót de aanbid-
dinge van den waarachtigen Gód , die alleen
aanbiddens waerdig is, te overreden , Jefabel
hem overal liet zoeken om hem het leeven te
beneemen. Deeze ftem^eval hem dan \'s ande-
ren daags uyt zyn hól te komen, om te hooren
wathemtedoenftonde. Hy deed zo , en wierdt
terftond o-ewaar dat de aarde onder zyne voeten
beefde , "en dat zyne oogen door een helderen
glans van vuur getroftèn wierden. Vervólgens
quam \'er een groote ftilte, en hy hoorde eene
hemelfchc ftem, die hem beval niet te vreezen,
zec^o-ende dat hy onder de magt zyner vyanden
nief vervallen zoude 3 maar dat hy weder na
huys zou keeren, en dathy Jehu zoon van Ne-
mefti tót Koning over Ifraël, en Aza\'éhót Ko-
ning der Syriërs zalven zoude, omdat de Hee-
re zich van hen bedienen; wilde , om alle die
booswichten te ftraffen. Voorts beval die ftem
hem Eltféus zoon van Saphat uyt dc ftad Abel
tót Profeet in zyne plaats aan te ftellen. Elia om
dit bevél te gehoorzaamen vertrok aanftonds, en
hebbende Ehféus , nevens eenige andere die
met twaalf paar óflen den akker bouwden , op
den weg aangetroffen , wierp hy zynen mantel
op hem. Straks begon Ehféus te profeteeren,
verliet zyne óffen, en met Elias verlóf affcheyd
van zyne ouders genomen hebbende, vólgde hy
hem, zonder hem ooit te verlaaten.
Zeker inwooner van de ftad Izari * geheeten
had eenen wynberg , die aan des Ko-
nings landeryen paalde: weshalve Achab hem
verfcheydenmaal verzócht had , dien aan hem
tót zulkeen pryze, als hy zelf daarvoor begeer-
de , te willen verkoopen , óf tegens een andere
hoeve te verruylen , omdat hy \'er de zyne
meé vergrooten wilde. Maar Naboch kon
daartoe niet verftaan , zeggende dat geenfe
vruchten hem zo aangenaam waaren, dan die van
zyn vaderlyk erfgoed voortquamen. Deeze
weygering verftoorde Achab indiervoege , dat
hy nóch eeten, nóch drinken, nóch zich v/af-
fchen wilde : en Jefabel hem de oorzaak daaraf
gevraagd hebbende , zeyde hy haar dat Na-
both door een zonderlinge onbeleefdheyd hem
hardnekkiglyk geweygerd had , zyn landgoed
aan hem te verkoopen óf te verruylen , alhoe-
wel hy zich zo verre vernederd had , dat hy
\'er hem om had gebeden met woorden der Ko-
ninglyke Majefteyt geenfins betaamende. Dee-
ze trótfè Vórftin antwoordde, dat het geen zaak
was waarom hy zich behoefde te bedroeven, en
zich niet naar behooren gade flaan: dat hy maar
geruft zoude weezen , zonder zich langer te
quellen j en dat zy \'t zo befchikken zou dat Na-
bóths baldaadigheyt niet ongeftraft bleeve.
Terftond fchreef zy uyt \'s Konings naam aan
de voornaamfte Amptenaaren des landfchaps,
dat zy eenen vaftendag zouden aanftellen : en
dat ze , als \'t vólk vergaderd was, aan Nabóth,
wegens zyn aanzienlyk geflacht, de eerfte plaats
zouden inruymen 3 maar vervólgens door drie
mannen , daartoe omgekóft, tegen hem doen
cretuygen dat hy Gód en den Koning gelafterd
had 3 om zich door dat middel van hem te ont-
flaan. Dit bevél wierdt uytgevoerd ,\' en Na-
bóth door \'t vólk gefteenigd. Zo dra Jefabel
deeze tyding bekomen had , ging zy na dén
Koning, om hem te zeggen dat hy zich in \'t bezit
van Nabóths wynberg kon, ftellen , zonder dat
het hem iets behoefde te kóften. Hy verheug-
de zich zo daarover , dat hy uyt het bedde ©p-
ftondt, en fluks heene ging. Maar Gód door
îo3
* Volgens dc H. S. ^efraéli volgens een ander volgens de mesftsj^w.
dit
VIII. BOEK. JOODSGH
dit bedryf vertoornd , zondt Eiia na hem toe,
om te vraagen waarom hy den wettigen bezitter
van dat erf had doen dooden , om \'er zich on-
recht vaerdiglyk meefter van te maaken. Achab
verftaan hebbende dat de Profeet aanquam,
aing hem te gemoet, en om de fchande van\'t
verwyt, dat hy verwachtte, te ontgaan , be-
kende hy dat hy zich dat erf aangemaatigd had,
maarbragttótverfchooningeby, dathet byhem
niet was toegekomen dat hy \'t met gekóft en
betaald hadde. â Uw bloed , antwoordde de
â Profeet, en dat van uw wyf, zal ter zelf-
â der plaatfe , alwaar dat van Naboth geftort
â en van de honden gelikt is , vergooten, en
55 uw ganfche geflacht uytgeroeid worden 5 tót
â ftraffe van dit fnood feyt, dat men eenen bur-
â ger tegen alle recht en billikheyd heeft doen
â om \'t leeven brengen." Deeze woorden maak-
ten zulken indruk op Achabs gemoed , dat hy
zyne zonde bekende , zich met eenen zak be-
kleedde , bloots voets ging , en niet wilde ee-
ten , om alzo voor zyne misdaad verzoening te
verwerven. Gód door zyn berouw bewoogen
deed hem door Elia zeggen, dat dewyihy leed-
weezen van die groote misdaad had , hy de
ftrafte daarvan tót naa zynen dood zoud uytftel-
len, maar dat zyn zoon \'t zou moeten ontgelden.
VIII. HOOFDSTUK. ~~~
Adad Koning van Syrië en Damaskos, van twêëndertig andere Ko-
ningen bygeftaan , belegert Achab Koning van Ifraël in Samarië.
Hy wordt door een wonderwerk geflagen en gedwongen het be-
lég op tc breeken. \' Hy hervat den oorlóg bet vólgende jaar , ver-
lieft een grooten veldflag , en ter naauwer nood omkomen lynde
neemt zyne toevlugt tót Achabs goedertierenheyd , die liem gunftig-
lyk bejegent , en weder na zyn land laat trekken. Gód daardoor
getergd, dreygt hem door den Profeet Micha met ftrafFe.
\'TEr zelfde tyd verzamelde Adad Koning
iKmf\' ^^^ Syrië en Damaskus alle zyne krygs-
magt , riep twêëndertig Koningen die over
den Eufraat woonden te hulpe , en trok op te-
gen Achab , die zich niet fterk genoeg bevin-
dende om tót eenen veldflag te komen , alles
wat hy ten platten lande had in zyne befte plaat-
ièn deed brengen , en zichzelven binnen Sa-
maria befloot, het welk zo fterk gemaakt was,
dat het onwinbaar fcheen. Adad zondt hem
eenen krygsboode om vrygeleyde te verzoeken
voor Gezanten die hem voorflagen van vreede
zouden doen. Hy dit verzoek inwilligende,
deed Adad hem Voorftellen , dat indien hy zy-
ne fchatten , vrouwen , en kinderen aan hem
wilde overléveren, om\'er meê te doen wat hem
beliefde , hy het belég opbreeken, en weder
na zyn land keeren zoude. Achab ftondt dit
toe en Adad zondt hem die zelfde gezanten
daarnaa weder, om hem te zeggen dat hy van
voorneemen was den volgenden dag eenige van
de zynen te zenden, om zyn paleys, en alle de
huyzen zyner maagen en vrmden te doorzoe-
ken , en\'er uyt te neemen wat hunne gading
was. Achab over deezen nieuwen voorflag
verfteld, deed het vólk tzamenkomen, en zey-
de tót hen , â dat zyne groote geneegenheyd
â voor hunne welftand , en zyne begeerte om
vreede voor hen te verwerven 5 hem tot in-
â williginge van Adads eyfch , om zyne vrou-
â wen j kinderen , en fchatten aan hem af te
SS ftaan 3 had doen befluyten. Maar dat hy nu
E HISTORI.
eenen anderen voorflag deed van zyn vólk ,,
in alle huyzen te zenden , om alles wat hen V?
goed dacht daaruyt te neemen : waardoor hy â
genoeg deed blyken dat hy geen vreede in â
den zin had j doordien hy bemerkt hebben- â
de dat zyne liefde tót zyne onderdaanen hem
bewoogen had om alles wat hem alleen toe-,,
behoorde af te ftaan , nu een voorwendfel â
van verwydering zócht op \'t gene de bur- â
gery betrof Dóch dat hy zelf nógtans ge- â
reed was om te doen wat zy begeerden."
Elk riep toen dat men naar de verwaande voor-
flagen van dien Barbaar niet luyft\'eren , maar
ten oorlog toeruften moft. Daarop deed
zic
Achab de gezanten by zich komen , en zeyde
tót hen dat zy hunnen meefter zouden zeggen,
â Dat zyne zucht tót zyne onderdaanen hem â
de yoórwaarden van het eerfte voorftel deed â
aanneemen, maar niet van het tweede." Over
dit antv/oord wierdt Adad zo vertoornd , dat
hy die gezanten ten derden maale zondt om
met bedreygingen te zeggen , Dar hy wel,,
zag dat Achab zich op de fterkte zyner ftad ,
verliet, maar dat zyne fóldaaten elk maar een 1
handvol aarde behoefden aan te brengen, om ;
ftórmkatten op te werpen die hooger zouden â
zyn dan de ftadsmuuren : " willende daar meê de
grootheit van zyn heir vertoonen. Hierop ant-
woordde Achab , 5, dat het geene woorden, ,,
maar daaden v/aaren die de krygszaaken be- â
flechten moften. " Deeze gezanten quamen we-
der by Adad terwyl hy die twêëndertig Koningen
zyne, bondgenooten op een gaftmaal onthaalde ;
en alle die Vórften beflooten gezamentlyk de
ftad met gewéld aan te grypen , en alle midde-
len in \'t werk té ftellen omze te bemagtigen.
In dit groot gevaar waarin Achab zich met zyn.
vólk gebragt zag , quam een Profeet hem van
Góds wege aanzeggen , dat hy niet zou vree-
zen , dewyl hy alle die vyanden overwinnen
zoude. De Vórft vraagende van wien Gód zich
bedienen wilde om hem te verlóflèn ? â van de â
jongens van uwe Veldheeren , antwoordde
de Profeet, en gy zelf zult om hunne on- ,,
bedreevenheyd hen tót hoofd verftrekken."
Achab deed hen dan byeenkomen , en bevondt
hun eetal tweehonderd twêëndertig te zyn.
Ter zelfder tyd wierdt hem geboodfchapt dat
Adad goede cier maakte , en zich tót braflèry
verleedigde : dies beval hy deeze kleyne tróp
tegen dit groot heir uyt te trekken. Adad door
zyne fchildwachten hieraf verwittigd , . zondt
hem eenige van de zyne tegen , met bevél van
die uytgekomene, \'t zy datze quamen om van
vreede te handelen, ófom te vechten, aanban-
den en voeten gebonden tót hem te brengen.
Ondertuflchen deed Achab al het krygsvólk in
de ftad in \'t geweer komen ^ terwyl deeze jon-
gens Adads voorwacht zo vinnig aangreepen,
dat zy \'er verfcheydene van doodfloegen , en
de óverige tót in hun leger vervólgden. Qrn
deezen gelukkigen uytflag te ftyven , deed
Achab zyne krygsbenden uyttrekken, die de Sy-
riërs zonder veel moeite verftoegen , omdat zy
op niets zulks verdacht, fchier alle dronken
waaren : want elk fmeet Zyn geweer weg om
het op \'t loopen te zetten, en Adad zelf zócht
Pd zyne
205?
35
35
3S
y
22C5
zyne behoudenis in de fnelheyd van zyn paerd.
Achab en de zyne jaagden hem lang naa, dood-
den alle die in hunne handen vielen, pionder-
den hun leger , en quamen met eene groote
buyt van goud , zilver , paerden , en wagens
weder te Samarië. Dezelfde Profeet zeyde
daarnaa tót Achab , dat hy een heir moft ver-
vaerdigen om in \'t vólgende jaar eenen anderen
zwaaren ftoot uyt te ftaan , vermids de Syriërs
hem op nieuws zouden komen bevechten.
Adad dit grbot gevaar ontkomen zynde,
hieldt krygsraad met zyne voornaamfte Bevél-
hebbers , om te overleggen op wat wyze men
den oorlóg tegen de Ifraeliten zou voortzetten.
Zy waaren van gevoelen, dat als men hen over-
winnen wilde, men hen dan in \'t gebergte niet
moft aangrypen , doordien hun Gód aldaar zo
magtig was, dat hy hen daar altoos zeeghaftig
maakte : maar dat zo men hen in de vlakte aan-
taftte, zy dan overwonnen zouden worden.
Voorts dat hy de Koningen t\'zyner hulpe geko-
men moft te rug zenden , en alleenlyk hunne
krygsbenden en Overften by zich behouden: en
dat hy ruytery en voetvólk moft werven tót ver-
vullinge der gener welke hy verlooren had.
Deeze raadt wierdt door Adad goedgekeurd,
en op zyn bevél in \'t werk gefteld.
Zo dra de lente gekomen was trok hy in \'t
land der Ifraëliten , en legerde zich in een groot
veld dicht by de ftad Apheka. Achab toog
hem tegen , en hoewel zyn heir veel minder in
getal V/as , echter legerde hy \'er zich tegen
over. De Profeet quam toen by hem , en zey-
de , dat Gód om te toonen dat hy niet minder
magtig in de vlakte, dan in\'t gebergte was, te-
gen \'t zeggen der Syriërs, hem wederom de zee-
ge geeven zoude. De heiren bleeven in elkan-
ders gezigt eer zy handgemeen wierden zeven
dagen leggen. Op den laatften [dat is den zeven-
den dag] des morgens ging de ftry d aan, en \'t ge-
vegt was ongemeen hardnekkig: maar eyndelyk
waaren de Syriërs genoodzaakt te wyken, en den
Iftaëliten den rug te keeren, die hen met zulk
een yver naajaagden, dat het getal der gener wel-
ke zy in den ftryd ófin de vlugt ombragten 5 ge-
voegd by deeze die door hunne eygene wagens en
vólk gedood wierden , honderd-duyzend man-
.^en beliep. Zevenentwintig-duyzend quamen
binnen Apheka, welke ftad het voor hen hieldt,
zo dat zy aldaar meenden zeker te zyn, maar zy
fneuvelden onder den val van haare muuren.
De Koning Adad met eenige zyner voornaam-
fte bevelsluy den in een hól ge vlooden zynde, ver-
toonden zy hem dat de Koningen Ifraëls zulke
goede en edelmoedige Vórften waaren, dat men
Achab wel beweegen zoude om hem\'tleeven te
fchenken , indien hy hen toeliet om uyt zynen
naam lyfsgenade voor hem te verzoeken. Hy
veroorlófdi hen zulks 5 en zy met zakken be-
kleed , cn eene koorde om den hals, \'twelkde
gewoonte der Syriërs is om hunne verootmoedi-
ging te betoonen, gingen na dien Vórft, en ba-
den hem om \'t leeven van hunnen Koning, mids
dat hy altoos aan hem onderworpen zoude zyn.
Achab die zich verblydt toonde dat hy niet in den
ftryd gcfneuveld was, zeyde dat zy zich verzéke-
ren mogten dat hy hem als zynen broeder bejege-
nen zoude, welke belófte hy met eede beves-
tigde. Op dit gegeeven woord quam Adad by
hem, en wierp zich voor hem neêr. Achab, die
toen op zynen wagen zat, bukte zich, en hem
de hand toegereykt hebbende, deed hy hem by
zich komen , kufte hem, en zeyde dat hy zich
verzekerd mogt houden dat hem van zynent we-
ge geen onthaal, dan dat met zynen ftaat over-
een quam, wedervaaren zoude. Adad hem daar-
voor bedankt hebbende , betuygde dat hy zulk
een groote weldaad nooit zou vergeeten , dat
hy alle de fteden , welke zyne voorzaaten van
de Ifraëliten veroverd hadden , zou wedergee-
vcn j cn dat de weg van Damaskus niet min der
vry voor hen zou zyn , dan die van Samarië.
Naa dat dit verbond tuflchen die twee Koningen
gemaakt, en met eede beveftigd was , zondt
Achab Adad met gefchenken te rug.
Zo dra dit gefchied was beval zekeren Profeet 3
Mtchéas genoemt, aan eenen Ifraëlyt, dat hy hem
eenen flag aan\'t hoofd zoude geeven, dewyl de
Heere zulks begeerde. Dóch deeze man kon
daartoe niet befluyten; dies zeyde de Profeet tót
hem, dathy, tót ftraffe, dewyl hy geen geloof
geflagen had aan\'tgene hem van Góds wege be-
volen was, door eenen leeuw verfcheurd zou-
de worden j \'twelk ook zo gebeurde. De Pro-
feet gaf daarop \'t zelfde bevél aan eenen ande-
ren , die zich aan zynen makker Ipiegelende,
hem gehoorzaamde. Alstoen bewondtMichéas
zyn hoofd , en ging aldus na Achab toe , tót
wien hy zeyde, â Dat hy in \'s Konings leeger â
gediend had , en dat zyn Hoofdman hem
eenen gevangen in bewaaringe gegeeven heb-
bende , met bedreyginge dat het zyn leeven
zoude kóften, indien hy hem liet ontkomen,
het ongeluk echter gewild hadde dat de ge-
vangen hem ontfnapt was , cn hy daardoor ,,
gevaar van zyn leeven liep." Achab antwoord-
de dat hy niet anders verdiend had dan het te
verhezen : Thans ontwondt Michéas zyn
hoofd; waardoor de Koning hem terftond
kende , en wel begreep dat hy zich van ie lift
bediend had , om zyn zeggen meerder klems
by te zetten. De Profeet verklaarde dan tót
hem , dat nademaal hy Adad , die zo veele
lafteringen tegen Gód had uytgebraakt, had
laaten ontvlugten, de Heere t\'zyner ftraffe toe-
laaten zoude, dat zyn heir door hem verflagen,
en hy zelf in den flag gedood wierdt. Dit
dreygement van den Profeet tergde Achab der
maate , dat hy hem deed gevangen zetten , en
zich geheel bedroefd na zyn Paleys begaf
XI. HOOFDSTUK.
Groote gódvrnchtigheyd van Jofaphat Koning van Juda. Zyngelukj
zyne krygsmagt. Hy huuwt zyneo zoon Joram uyt aan cenc
dóchter van Achab Koning van ifraël , en voegt zich by hem
om Adad Koning van Syrië tc beoorlogen maar hy begeert
eerft met de Profeeteu raad te pleegen.
Y keeren nu weder tót Jofaphat Koning van 3 <^7.
â¼ ^ Juda. Hy vermeerderde zyn ryk, en leyde \\
fterke bezettingen niet alleenlyk in alle zyne fte-
den,maar ook in die uyt de ftamme Ephraïms,wel-
ke zyn grootvader Abia den Koning Jeroboam,
die over Iftaël regeerde, ontnomen had. Deeze
Vórft wierdt fteeds van Gód begunftigd, omdat
hyrechtvaerdigen gódvruchtig zyndehemonop?
houde-
33
33
3?
houdelyk poogde te dienen en te behaagen, van hen te weeten óf Gód hem overwinning
En de mbuunge Koningen droegen hem zulk over Adadgeeven, en of hy deftaddiedeoo^r-
ecn eerbiedigheyd toe , dat zy \'t zelfs door ge-
fchenken betoonden ; invoege dat men zyne
achting en rykdom fteeds zag aanwaflen
In het derde jaar zyner regeeringe deed hy
de voornaamfte Heeren zyns ryks en de Prie-
fters byeenkomen, en beval hen na alle de fte-
den te gaan , om \'t vólk m Mofes wetten te
onderwyzen , en hen met alle vermoogen tót
de aanbiddinge en gehoorzaamheyd , die zy
Gode fchuldig waaren , aan te raaden. Zo een
heylicr bevél had zulken gelukkigen uytftag,
dat elk om ftryd zich fchikte om de geboden
Góds te onderhouden. Deeze vroome Vórft
heerfchte niet alleerilyk in de harten zyner on-
derdaanen , maar de nabuurige vólken bemin-
den en eerden hem ook , en zóchten nooit de
vreede met hemtebreeken. De Phihftynen be-
taalden hem de fchuldige fchattingen, ende A-
rabiërs de zeshonderd en dertig lammeren, en zo
veel geytebokjes , welke zy gehouden waaren
taarlyks aan hem op tebrengen. Hy verfterkte
de sroote fteden die te vooren zwak waaren, en
hieldt behalve de bezettingen een groote
krygsmagt op de been j want hy had in dè
ftam van Juda driehonderd-duyzend mannen
met fchüden gewapend , waaraf Edra hon-
derdduyzend , en Johannes tweehonderd-duy-
zend geboodt, behalve nóg tweehonderd-duy-
zend boogfchutters uyt de ftamme Benjamins,
van welke hy ook Overfte was. Een ander Veld-
heer genaamd Ochobat had insgelyks honderd-
tachtig-duyzend mannen met fchilden gewa-
pend onder zyn gebied. Naa dat Jofaphat zy-
nen ftaat aldus in zekerheyd gefteld had, gaf hy
In de zynen zoon Joram ten huuwelyk aan * Gotho-
s. lia, dóchter van Achab Koning van Iftaël, en
ging na Samaria om dien Vórft te bezoeken,
V/elke hem niet alleen prachtig ontving, maar
ook al zyn krygsvólk dat hy met zich gebragt
had , wel onthaalde, en hem vervólgens ver-
zócht zyne wapenen by de zyne te voegen, om
den Koning van Syrië te beoorlogen, en de ftad
Ramath in Galaad , die de vader van deezen
Koning zynen vader Amri ontnomen had, te
i\'. Kon. ai herwinnen. Jofaphat bewiUigde in zyn verzoek,
en deed tót dien eynde van Jerufalem een heir
zo fterk als \'t zyne te Samarië komen. Deez®
tweelConingen elk byzonder op eenen troon buy-
ten de ftadspoorten gezeten zynde, hielden al-
daar wapenfchouwing hunner benden, en dee-
den fóldv aan haar betaalen. Jofaphat begeerde
daarnaaLnftiglykaatmenProfeeten, zo\'eree-
nigewaaren, zou doen komen, en met hen we-
gels den oodóg raadpleegen, om te weeten of
?y \'t g\'eraaden Wn
doordien Achab drie Kutndp ^
ningvan Syrië in vryheydgefteldhebbende, le-
derd altoos in vreede met hem gelord naüd^
X. hoofdstuk.
De valfche Profeetcn Adubs, en voornaamelyk Ze<lechia vciw^rcn
hem dat hy den Koning van Syrië overwinnen â¢zal : Maar a
feet Michéas voorzegt hem het tegendeel. De üag wordt geicvc «,
en Achab fneuvelt. Ochias zyn zoon vólgt hem in \'t ryk.
"Uïerop ontboodt Achab zyne valfche Pro-
«O feeten j ten getale van vierhonderd , om
zaaks des oorlógs was bemagtigen zoude. Z}^
antwoordden hem dat hy met behoefde te
fchroomen den kryg aan te gaan, dewyl \'them
zekerlyk wel gelukken , en die Koning , even
als de eerfte reyze , in zyne handen vallen zou-
de. Maar de Koning Jofaphat oordeelde uyt
hunne manier van fpreeken dat zy valfche Pro-
feeten waaren , en vraagde Achab óf \'er niet
een Profeet des Heeren was, uyt wien zy met
meerder zekerheyd zouden konnen verneemen
wat hen befchooren was. Hy antwoorde dat
\'er één was genaamd Michéas 3 maar dat hy
hem haatte, enin de gevangenis had doen zetten^
omdat hy hem nooit dan quaad profeteerde ,
ên hem ook voorzegd had dat hy door den
Koning van Syrië overwonnen en gedood zou-
de worden. Jofaphat verzócht echter dat men
hem deede komen ; dies liet hy hem haaien
door eenen Kamerling , die hem onderwege
vertelde wat de andere Profeeten voorzegd had-
den, Michéas zeyde daarop tót hem , dat het
niet geoorlófd was voor Gód te liegen , cn dat
hy derhalve tót den Koning zeggen zoude
\'t gene de Heere hem ingaf. Toen hy geko-
men was , en men hem bevolen had de v/aar-
heyd fe verklaaren, zeyde hy ,, Dat Gód hem â
de Ifraëliten getoond had , die hier en daar â
als fchaapen zonder herder vlugtende, door,,
de Syriërs vervólgd wierden 5 en dat dit bete- 3,
kende dat zy \'t alle zouden óntkomen , en â
dat de Koning alleen in den flag ftieuvelen â
zoude. Alstoen zeyde Achab tót Jofaphat: â
Heb ik \'t u niet gezegd , dat die man myn , j
vyand is ? Michéas verzekerde hem echter â
dat hy niet gefprooken had, dan\'tgene Gód â
hem had te verftaan gegeeven , en dat die â
valfche Profeeten hem bedroogen, doorhem â
dien oorlóg aan te raaden, en hoope te gee-,,
ven dat hy de zeege behaalen zoude , daar
nógtans indien hy *er zich in wikkelde, zyn ,s
verlies onvermydelyk zou weezen." Deeze
woorden maakten Achab wat bekommerd.
Maar Zedechias , één dier valfche Profeeten ^
tradt te voorfchyn , en zeyde tót hem dat hy
aan dit zegeen van Michéas geen geloof moft
flaan dewyl die nooit iets waarachtigs voor-
zeyde ⢠dat men daarvan geen ander bewys be-
hoefde, dan\'t gene Elia, een grooter Profeet
dan hy, voorzegd had , naamelyk dat de hon-
den zyn bloed te Jefraël op Naboths wynberg
zouden likken j gelyk zy dat van Naboth ge-
likt haddsR , tben hy van \'t volk gefteenigd
wierdt j waaruyt dan bleek dat Michéas voor-
zegging tegen die van Elia ftreedt: en dat \'er
overzutks niet valfcher kon zyn, dan dathy
verzekerde dat de Koning binnen drie dagen
gedood zoude worden 3 maar dat men wel haaft
zoude zien, wie van beyde, ófhy, óf Michéas,
de waarheyd fprak, en met Góds Geeft vervuld
was. â Want, voegde Zedechias daarby, ik
zal hem in \'t aanzigt flaan , en laat hy dan,
zo hy een waar Profèetis, maaken dat myne
hand verdorre , gelyk u niet onbekend is dat â
de Profeet Jadon ontrent den Koning J ero- ,1
boam deed toen hy hem wilde doen vatten."
Dd % Thans
55
39
m
2Ã2
Thans floeg hy Miefiéas , en dewyl hem niets
quaads deswege wedervoer , liet Achab alle
vreeze vaaren, en trok onbefchroomd tegen de
Syriërs op. Ik acht dat Gód , willende dee-
zen quaaden Vórft ftraffen , de zaak aldus be-
ftierde, dat hy, om in zyn ongeluk te ftorten,
meer geloofs floeg aan zyne valfche Profeeten,
dan aan een waaren Profeet. Zedechias nam
daarnaa yzere hoornen ; en zeyde tót Achab:
â Zie dit zal u tót een teken zyn , waardoor
â Gód u te kennen geeft dat Syrië verdelgd
â zal worden.Maar Michéas verzekerde
hem van het tegendeel, en zeyde dat het wel
haaft gebeuren zoude , dat Zedechias zich zou
trachten te" verfchuylen, om de ftrafte voor
zynen leugen te ontvheden. Deeze woorden
vertoornden Achab indiervoege, dat hy beval
Michéas in bewaaringe van den ftadvoogd
Achamon te ftellen , en hem niet dan water en
brood te eeten te geeven.
Daarop trokken Achab cn Jofaphat met hun-
ne ganfche krygsmagten te velde om Ramath
in Galaad te belégeren. Adad Konmg van Sy-
rië toog hen tegen , en legerde zich niet verfe
van die plaats. Deeze twee tzamenverbondc-
ne Koningen hadden beflooten dat Achab,
om Michéas profecy te verydelen , zich maar
als een flecht fóldaat zou kleeden , en dat Jo-
faphat, zo gewapend en gekleed als Achab ge-
woon was 5 in den veldflag verfchynen zoude.
Maar de verandering van gewaad veranderde
Achabs noodlot niet. Adad had aan alle zyne
Overften bevolen, en door hen zynen fóldaaten
doen aanzeggen , dat zy niemand dan Achab
alleen zouden dooden. ^y dan meenende dat
Jofaphat Achab was , liepen alle op hem aan ,
en omringden hem van alle kanten. Maar naby
hem komende , bemerkten zy dat ze bedroo-
gen waaren , en weeken te rug. Het gevecht
duurde van den mórgen tót den avond , en de
Syriërs hadden fteeds de overhand j dóch om
hunnen Koning te gehoorzaamen , bragten zv
niemand om \'t leeven , doordien-t alleenlyk op
Achab gemunt was , dien zy overal te vergeefs
zóchten. Maar een pyl > by geval door iemant
van Adads knegten, geheeten Aman gefchoe-
ten , trof hem aan , doorboorde zyn panfter,
en quetfte hem in de long. De vreeze die hy
had dat zyne wonde den zynen verfaagdheyd
aanjaagen zoude , deed hem zynen wagenmen-
ner beveelen met hem uyt den ftryïhie ryden j
dóch hy wilde niet afftygen voor dat de zon on-
dergegaan zoude zyn, alhoewel hy zeer groote
py n leedt. Maar hy verloor zo veel bloeds, dat
zyne krachten heih eyndelyk begeevende, hy
den geeft gaf.
Toen de nacht gekomen was verftonden de
Syriërs zynen dood door eenen krygsboode
dien men hen toezondt, en daarop keerden zy
weder na hun land. Het lyk van dien Vórft
wierdt inmiddels na Samarië gevoerd, om al-
daar begraaven te worden: en toen men zyn
wagen , die overal van zyn bloed bemorft was,
aan de fonteyn tc Jefraël fpoelde > zag men de
vervulling van Elias profecy , want dc honden
quamen aldaar zyn bloed likken j en federd
dien tyd zyn de hoeren gewoon geweeft zich
by die fonteyn te waffchen. Ook wierdt Mi-
chéas profecy vervuld , dewyl Achab by Ra-
math gefturven was. Uyt dit voorbeeld kan
men zien , dat men de woorden Ym de
jrofeeten des Heeren in groote achtinge be-
loort te houden , en niet die der valfche Pro-
feeten , welke om de menfchen te behaagen,
niet zeggen dan \'t gene hen aangenaam is, daat
*t nógtans de gódlyke orakelen alleen zyn, die
ons waarfchouwen ontrent het gene dat ons nut ié
te doen óf te laaten. Uyt dit zelfde voorbeeld
konnen wy ook leeren, hoedaanig de kracht der
befluyten IS die door Gód uytgefprooken zyn,
omdat wat kennifle wy\'er ook van hebben, wy
de uytwerking der a:elvcr niet konnen afwcndei?.
Maar
Maar de menfchen vleijen zich met een ydèlé
hoope 5 tótdat zy in de rampen ftorten die
hen voorzegd zyn. Aldus wilde Achab den
genen die hem zynen dood voorfpeld hadden
niet gelooven, maar gaf meer geloofs aan dee-
ze die hem bedroogen door hem het tegendeel
te zeggen. Ochüjtas zyn zoon volgde naa hem
in \'t ryk.
J O O D S c H E
HISTORI
B O E
NEGENDE
EERSTE HOOFDSTUK.
De Profeet Jehu berifpt Jofaphat Koning van Juda, omdat hy zyne
wapenen by die van Achab Koning vin Ifraël gevoegd had. Hy
erkent zynen mifilag, cn Gód vergeeft het hem. Zyn zonderling
beleyd. Wonderdaadige overwinning welke hy op de Moabiten,
de Ammoniten, cn Arabiërs behaalt. Gódloosheyd en dood van
Ochofias Koning van Ifraël, gelyk de Profeet Elia voorzegd bad.
Joram zyn broeder vólgt hem in de regeermge. Eha oPg/"««\'^"-
Joram door Jofophat en den Koning van Idumea bygeftaan . be-
haalt een groote overwinning op Mifa Koning der Moabiten.
Dood van Jofaphat Koning van Juda.
370. \'^Oen de Koning Jofaphat, naa dathyzy-
a Kron. X jiQ Wapenen by die van Achab tegen den
Koning van Syrië gevoegd had, weder van Sa-
marië te Jerufalem quam , ging de Profeet Je-
hu hem te gemoet, en beftrafte hem dathy zul-
ken gódloozen Koning bygeftaan had, zeggen-
de dat Gód daarover vertoornd was, dóch dat
hy hem des niettegenftaande in \'t leeven be-
houden, en hem, ter oorzaake van zyne deugd,
uyt de handen zyner vyanden gerukt had.
Deeze gódvruchtige Vórft, met berouW oVer
zynen milïlag bewoogen, keerde zich met dank-
zeggingen en ófteranden tot Gód. Daarnaa
doorreysde hy zyn ganfche Ryk, om het vólk
in de heylige geboden des Heeren te onderwy-
zen , en hen te vermaanen dat zy hem van gan-
fcher harten moften dienen en aanbidden. Hy
ftelde Overheden aan in alle fteden , en beval
hen uytdrukkelyk aan ieder een recht te doen,
zonder zich door gefchenken te laaten omkoo-
pen, óf eenig inzigt te hebben op adel, ryk-
dom, en andere voordeden , indachtig zynde
dat Gód, die de verborgenfte dingen door-
grondt, alle de daaden der menfchen aan-
fchouwt. Toen hy dit in aUe de fteden der twee
ft:ammen gedaan had en weder te Jerufalem ge-
komen was, ftelde hy aldaar ook Rechters aan,
welke hy uyt de Priefters, Leviten , en voor-
naamften des vólks verkoor, en hen zo wel als
den anderen beval het recht ongekreukt te hand-
haaven Hy beval oOk dat wanneer hen uytde
andere fteden zwaare zaaken gebragt wierden ,
zy met de uytterfte zorgvuldigheyd^toe zouden
zien om eei regtvaerdig oordeel daarover te
vellen : omdat betaamelyk was dat het regt
cn de billykheyd voornaamelyk gehandhaatd
Wierde in een ftad alwaar de Tempel Góds, en
het Paleys der Koningen was. Voorts ftelde
hy den Priefter en Zehed\'m die uyt
de ftamme Juda was tot hoofden van dien Kaad.
Ontrent dien tyd quamen de Moabiten en
Ammoniten, midsgaders de Arabiërs die zy
t\' hunner hulpe verzócht hadden, meteen groot
heir injofaphats landen trekken, en zichdrie-
honderd ftadien van Jerufalem légeren, dichc
by \\ meir Afphaltis in de landftreek van En-
gaddi, alwaar de balfem en zeer fchoone dadel-
boomen groeijen. Jofaphat met verbaasdheyd
hoorende dat deeze vólken zo diep in zyn ryk
gekomen waaren , deed alle de inwooners in
den Tempel tzamenkomen, en badt Gód â dat
hy hem tegen die magtige vyanden wilde by- ,,
ftaan, en hunne ftoutheyd ftraftèn, waardoor,,
ze beraadftaagd hadden hem en zyn vólk uyt â
een land te dry ven, daar de Heere zelf hen ,,
het bezit van gegeeven had j [dat hy dit te
meer van den Heere fmeekte] alzo zy, die ,5
dien Tempel gefticht hadden , al hun v er- â
trouwen op zyne byftand hadden gefteld, zon- â
der te konnen twyfelen dat hy hen niet al- â
toos gunftig zyn zoude." \' Deeze Vórft badt
aldus met traanen, en al het vólk, mannen,
vrouwen, en kinderen, voegden hunne gebe-
den daar%. Alstoen quam de Profeet Jazïél
aantreeden, en zeyde overluyd, ipreekende tót
den Koning en al het vólk â dat hunne gebe- â
den verhoord waaren; dat Gód voor hen â
ftryden, en hen de overwinning geeven zou- â
de : dat zy \'s anderen daags hunne vyanden â
tót aan eenen heuvel genoemd Sis ( dat IS in 3,
\'t Hebreews uytmuntendheyd} gelegen tuf- â
fchen Jerufalem en Engaddi, zouden tegen-,,
trekken, en dat zy aldaar by hen komende â
hun geweer niet zouden behoeven re gebruy- â
ken, maar alleenlyk toekykers zyn van den
ftryd diende Heere voor hen voeren zoude.
Naa dat de Profeet aldus gefprooken had, vie-
len de Koning en al het vólk met het aangezigt
ter aarde, dankten Gód, en aanbaden hem,
terwyl de Leviten op hun fpeeltuyg lófzangen
t\'zyner eere zongen.
X9
971.
aKron.
Den vólgenden dag met het aanbreeken van
den dageraad, begaf de Koning Jofaphat zich
te velde i en toen hy in de woeftyne by de ftad
Tekoa gekomen was, zeyde hy tót zyne ben-
den â dat zy zich niet in ftagórde behoef-,,
den te ftellen , dewyl alle hunne kracht be- â
ftondt in een volkomen vertrouwen öpdeby-
ftand welke Gód hen door Zynen Profeet be-
loofd hadi maar dat zyde Priefters met hun-
ne bazuynen, en de Leviten met hunne zan-
gers verzeld, maar vooruyt behoefden te laa-
ten gaan, om Gód voor de reeds verkreege-
ne overwinninge en de zeege op de vyanden â
behaald, te danken." Dit bevél des Konings
wierdt met eerbiedigheyd van \'t ganfche heir
ontvangen, en ftiptelyk naagekomen.
D d 3 Aa^i-
i)
53
35
35
2X4, FLAVIUS J
Aanftonds üocg Gód de Ammoniten en an-
dere yólken die zich by hen vervoegd hadden,
met zulk een fchrik en verbaaftheyd, dat zy
malkanderen voor vyanden aanziende , door
woede vervoerd de één. den anderen doodftoe-
gen 5 m.et zulk een verbitterdheyd en toorn ?
dat\'er van dat overgroot getal niet één in\'t lee-
ven bleef, en het dal daar dit gevecht voor-
viel wierdt ganfchelyk met dooden bedekt.
Jofaphat vervuld van blydfchap dankte den
\'Heere voor deeze wonderdaadige zeege, waar-
toe degéne die\'er de eere en \'t voordeel van
wegdroegen, niets gedaan, nóch ook eenig
gevaar deswege uytgeftaan hadden : en hy gaf
zyn krygsvóïk daarnaa verlóf om \'t leeger der
vyanden te pionderen , en de dooden uyt te
fchudden, tót het welk naauwlyks drie gehee-
le dagen genoeg waaren, zo groot was het ge-
tal der verftagenen, en zulk een menigte van
buyt wierdt \'er gevonden. Den vierden dag
verzamelde al het vólk zich in zeeker dal, om
Góds lór en de wonderen zyner kracht uyt te
galmen waarom men die plaats federt het dal
des lófs genaamt heeft.
Naa dat deeze roemryke Vórft met zyn
heir weder te jerufalem gekeerd was, bragt hy
etlyke dagen door met ófferanden te doen, en
openbaare gaftmaalen te geeveri , tót erkente-
mÃè der weldaaden welke Gód aän hem en zyn
ganfche Ryk beweezen had, door voor hen
te ftryden , en hunne vyanden door zyne al-
magtigheyd te verdelgen : en Vermids het ge-
rucht deezer bovennatuurlyke overwinninge
zich onder de andere vólken verfpreyd had,
konden zy niet twyfelen óf die Vórft was by-
zonderlyk van Gód begunftigd, en zy kreegen
zulk een groot gevoelen van zyne gerechtig-
heyd en heyligheyd, dat het geduurende het
O S E P H U S
overig gedeelte zyns leevens niet uyt hun ge-
moed gewifcht wierdt.
Naardien hy met Ochoftas Koning Van
Iftaël vrindfchap onderhieldt, rufteden zj tza-
men eene vloot uyt, om op Pontus en fhra-
cië te handelen i maar die fcheepen leeden fchip-
breuk, omdat zy al te groot zynde, niet be~-
ftierd konden worden, waardoor die toeleg in
\'t ried liep.
Wy komen nu tót Ochofias. Hy hieldt zyn
verblyf te Samarië , was niet beter dan zyn
vader en grootvader, en toonde zich ccn groot
naavólger te zyn van Jeroboams gódloosheyd,
die allereerft het vólk van de aanbiddinge Góds
afwendde. In het tweede jaar der regeeringe
deezes jongen Konings weygerden de Moabiten
hem den tól te betaalen, dien zy aan Achab zy-
nen vader betaald hadden. Eens gebeurde het
dat hy van de gallery zyns paleys at klimmende,
van boven neêr viel, en vermids hy zich gewel-
dig bezeerd had, zond hy naar Akaron om den ^
gód der Vliegen, * want zo de was naam van dien
afgód, te vraagen , óf hy van dien val weder ©si»
opkomen en genezen zoude. Hierop beval Gód
den Profeet Elias de booden, die de Koning
heene gezonden had , in \'t gemoet te gaan, jj^^y^y^-
en hen te vraagen óf \'t vólk Ifraëls dan gec-gj^^^\']^
nen eygenen Gód had , dat de Vórft hen al- omdat het
dus na eenen vreemden Gódt zondt om raad te
vraagen. Naa dat Elia dit gezegd had, beval dom
hy hen hunnen meefter te zeggen, dat hy
zyne wonden zou fterven. Aldus keerden zy gódLyd
weder te rugge. Ochoftas verwonderd dat hy \'^\'^n ceii
hen zofpoedig zag wederkomen, vraagde naJo^ïï^
de oorzaak daarvan en zy antwoordden datze groote
eenen man ontmoet hadden die hen verbooden
had verder te gaan, en met ééne belaft hem van gen ver.
Góds wege te zeggen , dat zyne ziekte fteeds
Zyn.
Dus was
\'n een
â¦ooriiaa-
me Afgód
onder dc
Grieken,
Apollo
Sminth^f-
us ge-
noemd ,
omdat hy
de Muy»
zen ver-
dreeveo
had.
IX. Boe
K,
m-
X Kon, I.
roencemen zoude. Wanneer de Koning hen
hierop vraagde, hoedieman\'cruytzag, en hoe-
daanig een perfoon hy was; zeyden zy dat hy
geheel met haair bedekt, en met eenen léderen
górdel omgord was. Hieruyt bemerkte de Vórft
dat het Elia was, cn zondt eenen Hoofdman me,t
vyftif
lo ek.
JOODSCH
vyftig fóldaaten , om hem te haaien. Deeze
Bevelhebber vondt hem op den tóp des bergs
gezeten , en zeyde tót hem dat hy moft afko-
men,, om mede na den Koning te gaan 5 en dat
indien hy \'t niet gewilhg deede, hy\'er hem
met geweld heene brengen zoude. Eha ant-
woordde dat hy hem met der daad zou doert
zien dat hy een waarachtig Profeet was j en
daarop badt hy Gód dat\'er vuur van den hemel
mogtnederdaalen, om dien hoofdman met zy-
ne fóldaaten te verbranden : terftond zag men
eenen vlammenden wervelwind in de lucht ver-
fchynen, die hen alle tót affche verteérde. De
tyding hiervan den Koning aangediend zynde,
zondt hy eenen anderen Hoofdman met een ge-
lyk getal fóldaaten, die den Profeet desgelyks
dreygde met geweld heene te leyden, zo hy niet
goedwillig afquame. Elia vernieuwde zyn ge-
béd , en het vuur des hemels verteerde dien
Hoofdman en degénen die hem verzelden,
gelyk het de eerfte gedaan had. De Koning
zondt toen ten derden maale eenen Hoofdman
met vyftig andere fóldaaten ^ maar dees wyzer
zynde groette den Profeet, wanneer hy tót hem
genaderd was, heel beleefdelyk , en zeyde tót
hem : â U is buyten twyfel niet onbekend dat
3, het tegen myne wille is , en dat het alleen-
â lyk gefchiedt om het bevél des Konings te
3, gehoorzaamen, dat ik tót u kome, gelyk de
â andere gedaan hebben : derhalven bid ik u me-
â dedoogen met ons te hebben , en vrywillig
3, afte komen om na den Koning te gaan." Elia
door het eerbiedig gedrag van deezen Hoofd-
man bewoogen, quam af, en vólgde hem.
Toen hy by den Koning gekomen was, gaf Gód
hem in wat hy zeggen zoude 3 zo dat hy dien
Vórft op deeze wyze aanfprak : â Aldus zegt
3, de Heere : Nademaal gy my niet voor uwen
3, Gód hebt willen erkennen, en niet geloofd
3, hebt daC ik magtig was u den uytflag uwer
j, quaale te voorzeggen 5 maar na den Gód van
j5 Akaron gezonden hebt om raad te vraagen j
3, zo verklaar ik u dat gy fterven zult."
Een\' korten tyd daarnaa wierdt die voorzeg-
ging vervuld 3 en vermids Ochofias geene kin-
deren had, vólgde Joram zyn broeder hem in
\'t ryk. Hy regeerde twaalf jaaren en wandelde
zyns vaders gódloosheyd naa, en verliet, even
als hy, den Gód zyner voorvaderen , om de
vreemde goden te aanbidden, alhoewel hy an-
ders zich niet onbequaamlyk droeg. Onder zy-
ne regeeringe was het dat Elia uyt het gezigt
der menfchen verdween, zonder dat men ooit
heeft konnen weeten wat van hem geworden is.
Hy had Ehféus, gelyk gezegd is , tót^zynen
leerling aangenomen : enmenzietm deheyhge
, Schrift dat hy, en Enoch die voor den zond-
vloed leefde, van de menfchen weggenomen
zyn 3 maar men heeft nooit eenige kenmfte van
hunnen dood gehad.
Naa dat Joram aldus aan de Kroon van Ifrael
^ Kon. 3. gekomen was, befloot hy Mifo , Koning der Mo-
abiten,den oorlóg aan te doen,omdat hy de fchat-
ting van tweehonderd-duyzend fchaapen met
hunne vagten, welke hy aan zynen vader Achab
plagt te betaalen , nu aan hem weygerde op te
brengen. Hy dan zyne eygene magt byeen ver-
e h i S T O r i. 2i<
IX.
zamelt hebbende, deed aan Jofaphat Koning van
Juda verzoeken, ófhy hem op dit voorval wilde
byftaan, gelyk hy wel eer Achab zynen vader by-
geftaan had. Hierop antwoordde Jofaphat dat
hy hem niet alleenlyk byftaan wilde, maar dat hy
den Koning van Iduméa, die van hem afhangk-
lykwas, metzich zoude brengen: over welk be-
fcheyd Joram zich zo verpligt achtte, dat hy met
zyn heir na Jerufalem trok om\'er hem voor te be-
danken. Jofaphat ontving hem zeer ftaatelykj
en die twee Vórften nevens den Koning van Idu-
méa beflooten in \'t land der vyanden te trekken
door de woeftyne van Iduméa, van welke kant
de Moabiten geenfins eenigen aanval verwach-
tende waaren. Deeze drie Koningen toogen
dan gezamentlyk heene, en naa dat zy zeven da-
gen voortgetrokken, en doormangel van goede
wegwyzers verdoold waaren ^ bevonden zy
zich in zulken nood, uyt gebrek van water,
dat de menfchen en paerden yan dorft ftierven.
Vermids Joram van een\' ongeduldigen aardt
was , vraagde hy den Heere al morrende , wat
quaad hy hem gedaan had , dat dus drie Ko-
ningen zonder vechten in de handen hunner
vyanden moften vervallen. Jofaphat daaren-
tegen, die een gódvruchtig Vórft was, trooft-
te hem , en liet verneemen of \'er in \'t heir niec
een Profeet Góds waare , met wien zy in dee-
zen uyterften nood konden iftadpleegen. Eén
van Jorams knechten zeyde dat hy Eliféus
zoon van Saphat, diè een leerling van Elia
gezien had. Terftond gingen deeze drie
ili
3ï
is
was
Koningen op Jofaphats aanraaden hem in zyiié
hut, die buyten het leger was , bezoeken en
baden hem, inzonderheyd Joram , dat hy hen
zeggen wilde hoedaanig de uytflag van dien
oorlóg zoude zyn. Hy gaf dien Vórft tót ant-
woord , dat hy hem maar met vreede zoude
laaten , en liever zyns vaders en moeders Pro-
feeten daarover om raad vraagen. Dóch Joram
bleef aanhouden en badt hem te willen Ipreeken,
dewyl hunner aller leeven daaraan hing. Hier-
op riep Eliféus Gód aan tót getuyge , en ver-
klaarde met eede dat hy hem niet geantwoord
zoud hebben , indien \'t niet geweeft waare uyt
inzigt van Jofaphat, die een rechtvaerdig en
gódvreezend Vórft was. Hy zeyde dan dat
men eenen fpeelman moft ontbieden 3 en zo dra
die begon op te fpeelen , zeyde de Profeet,
met Góds geeft vervuld , tót die drie Konin-
gen , dat zy groeven in de beeke moften doen
graaven, en dat ze dan zien zouden dat dié
groeven,zonder dat zich eenige wind aan de lucht
verroerde, óf dat \'er van den hemel één drup-
pel waters viel, zouden vol worden , en hen
en \'t ganfche heir water verfchaften om hunnen
dorft te leflêhen. â Maar, vervólgde de Pro-,,
feet, dat zal de eenigfte guiift niet zyn welke
gylieden van Gód verwerven zult: gy zult,,
door zyne byftand over uwe vyanden zeeo-e- â
praaien 3 gy zult hunne fchoonfte en fterkfte ,,
fteden inneemen, hun land pionderen, hun-
ne boomen afhouwen , hunne fonteynen toe-
ftóppen , en hunne beeken elders verleyden.
Naa dat de Profeet aldus gefprooken had , zag
men \'s anderendaags voor zonnen opgang de
beek Vol waters, \'t welk van Iduméa, driedag-
rey-
i ló
reyzens vandaar, alwaar Gód eenen regen had
doen vallen, gekomen was> en aldus kreeg dit
groot heir water in overvloed. De Koning der
Moabiten verftaan hebbende dat die drie Konin-
gen dwars door de woeftyne tegen hem optrok-
ken , verzamelde alle zyne krygsmagt om hen
tegen te trekken, op de grenzen van zyn Ryk j
en hen alzo den intógt te beletten. Toen hy
tót aan de beek gekomen was , vertoonde het
water door de weerft:hyn van de ftraalen der
opgaande zonne zich roodachtig j weshalve
deeze Vórft* en de zyne meenden dat het bloed
was, en zichzelven daarom wysmaakten, dat dit
dus als een ftroomquam aanvloeijen, doordien
hunne vyanden, door dorft verftnachtende, mal-
kanderen hadden omgebragt. Met deeze val-
fche meening ingenomen verzóchten de Moa-
biten verlóf van hunnen Koning om het le-
ger te pionderen j en zulks verwurven heb-
bende toogen zy onbedacht en zonder órde als
na eenen roof, dien zy meenden wis en zeker te
hebben. Maar zy vonden zich haaft van alle
kanten door hunne vyanden omringd , die een
gedeelte van hendoodftoegen, en de óverige op
de vlugt dreeven. Thans vielen de drie Ko-
ningen in hun land , verwoefteden veele fteden,
bedorven de vrugtbaarfte akkers werpende die
vol fteenen uyt de beeken, hieuwen de befte boo-
men om verre , verftópten de fonteynen , ver-
nielden alles , en belegerden den Koning zel-
ven in de plaats alwaar hy gevlugt was. Deeze
Vórft ziende zich in gevaar van aldaar overwel-
digd te worden , befloot eenen uytval te doen
om zich te redden. Dies toog hy met zeven-
honderd uytgeleezene mannen ter ftad uyt, en
poogde door het leger der vyanden, ter plaatfe
daar hy meende dat men minft op zyne hoede
was , heene te flaan : maar dit misflukte hem,
zo dat hy genoodzaakt wierdt weder ter ftad in
IX. Boek»
te keeren , alwaar hy uyt wanhoop iets deed
het welk men niet zonder fchrik verhaalen kan:
Hy nam den Prins zyn oudften zoon , die zyn
naazaat moft zyn , en ófterde hem op de muu-
ren der ftad in \'t aanzien der belégeraaren. Dit
yftyk fchouwfpel trof deeze drie Koningen met
zulk een groote deernis , dat zy uyt aan-
merkinge van de menfchelyke toevallen het be-
lég opbraken , en ieder weêr na zyn land keer-
den. Jofaphat overleedt niet lang daarnaa te
Jerufalem in den ouderdom van zeftig jaaren,
waarvan hy \'er vyfentwintig geregeerd had. Hy
wierdt met zodaanig een ftaatfl begraaven , als
zulk een groot Vórft, ennaavólgervan Davids
deugden verdiende.
II. HOOFDSTUK.
Joram zoon van Jofaphat vólgt hem in \'t ryk. Oli eener weduwe
wondet daadiglyk door Eliféus vermenigvuldigd. Adad Koning van
Syrië eenig vólk zendende om hem te vangen , zo verwerft hy van
GóJ hen met hlindheyd te flaan, en brengt hen te Samarië. Adad
belegert aldaar Joram Koning van Ifraël. \'t Beleg wonderdaadig.
lyk vólgens Elifeus voorzegging opgebroken. Adad verfmoord
door Azaël; die zich \'t ryk van Syrië en Damaskus aanmaatigc.
Schrikkelyke góiloosheydenafgodery van Joram Koning van Juda.
Zonderlinge ftraffe waarmeê GTód hem dreygt.
Jofaphat Koning van Juda, liet veele kinde- j 77.
ren naa, van welke Joram de oudfte hem in
\'t ryk vólgde, gelyk hy bevolen had. Hy had den
zelven naam als de broeder van zyne vrouw * Ande-
Joram Koning van Iftaël , Achabs zoon,
die van den oorlóg tegen de Moabiten weder-
keerende Eliféus met zich te Samarië gebragt
had. De daaden van dien Profeet zyn zo merk-
waerdig, dat ik noodig achte die alhier te ver-
haalen zo als menze in de heylige Schrift aan-
getekend vindt.
De weduwe van Ãbedias, Hófmeefter van den 5 78.
Koning Achab, quam dien Profeet klaagen dat 1 Kon. 4.
zy niet in ftaat zynde om het geld, dat haar man
geleend had tót onderhoud dier honderd ProfeC"
FLAVIUS JOSEPHUS
rcn , welke hy , gelyk hem buyten twyfel réd , ^^ voor haare vervólginge behoed,
bekend was , uyt Jefabels klaauwen had ge- weeder te geeven, nu van haare fchuldeyfchers
zo laftig gevallen wierdt, dat ze haar en haare
zoonen tót flaaven wilden hebben ; en dat zy
daarom in deezen hoogen nood tót hem geko-
men was 5 biddende dat hy zich haarer ontfermen
wilde. Eliféus vraagde haar óf zy dan niets had.
Zy antwoordde dat haar niets anders was over-
gebleeven dan een weynig olie in eene kruyk.
Hierop beval hy haar van haare gebuuren zo
veele leedige vaten als zy krygen kon te leenen jde
deur van haare kamer dan toe te fluy ten, en de
oli uyt haare kruyk in die vaten over te gieten,
die Gód onder wylen alle vullen zoude. Zy deed
gelyk haar bevolen wierdt, en de belófte des
Profeets door de daad bekrachtigd zynde ,
ging zy weder na hem toe om hem zulks te ver-
haalen. Hy belaftte haar toen die oli te ver-
koopen , en een gedeelte van \'t geld tótbctaa-
linge haarer fchulden , en \'t óverige tót onder-
houd van haar en haare kinderen te gebruyken.
Aldus redde hy deeze arme vrouw van de ver-
vólginge haarer fchuldëyfcheren.
^79. Ik zal nu een andere daad van dien grooten
aKron.ó. Profeet verhaalen. Adad Koning van Syrië
eenig vólk in eene laage gelegd hebbende , om
Tor am Koning van Ifraël, als hy ter jagt ging,
te dooden, zo waarfchouwde Eliféus hem daar-
voor , en belette alzo dat hy \'er heene ging.
Adad zynen toeleg dus mislukt ziende, wierdt
zo toornig , ^at hy de genen , welke hy zyn
voorneemen vertrouwd had, met den dood
dreygde , omdat hy tót niemand anders daaraf
gefprooken hebbende , oordeelde dat zy hem
verraaden , en \'er zynen vyand kennis van ge-
geeven hadden. Hierop zeyde één van hen,
dat zy alle onfehuldig aan die misdaad waaren 3
maar dat men \'t aan Eliféus de profeet wyten
moft, die alle zyne aanflagen weetende, dezel-
ve aanjoram ontdekte. Adad dit verftaande,
beval dat men verneemen zoude in wat ftad die
Profeet zich onthieldt j en verwittigd dat het te
Dothaim was,zondt hy een groot getal van krygs-
vólk om hem te vangen. Zy bezettcden de ftad
by nacht, opdat hy\'t niet ontkomen mogte j eu
de knecht van Ehféus zulks des mórgens vroeg
verftaan hebbende , ging al beevende na zynen
meefter om \'er hem kennis van te geven. De Pro-
feet, die zich op de byftand des Hemels verliet,
beval hem onbekommerd te weezen, en badt den
Heere dat hy hem wilde doen moed grypen, door
hem de grootheyd zyner oneyndige magt te too-
nen. Gód verhoorde zyn gebéd, en toonde den
dienaar een groote menigte van ruyters èn wa-
gens , tót befcherminge des Profeets gewapend.
Ehféus badt den Heere ook de Syriërs zo te wil-
len verblinden, dat zy hem niet zouden kennen:
en Gód hem zulks beloofd hebbende , ging hy
midden onder hen , en vraagde wat zy begeer-
den. Zy antwoordden dat zy den Profeet Ehféus
zóchten. Indien gy my vólgen wilt, hernam
hy , ik zal u in de ftad brengen alwaar hy is:
en dewyl hun gemoed niet minder dan hunne
oogen verduyfterd was , vólgden zy hem , en
wierden alzo binnen Samarië gebragt. Alstoen
deed de Koning Joram öp zyn aanraaden hen
van alle zyne krygsbenden omringen , en de
poorten der ftad ftuyten : en de Profeet badt
Gód , de benéveling hunner oogen te doen ver-
dwynen. Hy verwierf zyne bede , en men
kan ligtelyk oordeelen hoedaanig hunne ver-
baafdheyd en fchrik was , dat zy zich dus in
\'t midden hunner vyanden zagen. Joram vraag-
de den man Góds, óf hy wilde toeftaan dat
men hen alle met pylen doorfchieten zoude.
Maar de Profeet antwoordde uytdrukkelyk
van neen, zeggende, â Dat het onbillyk zou-â
de zyn , gevangenen te dooden welke hy niet â
in den kryg bekomen had , en die geen ,,
quaad in zyn land gedaan hadden , maar ,,
wonderdaadiglyk door Gód in zyne handen â
geleverd waaren : Dat hy in tegendeel hen â
wel behoorde te onthaalen, en weder na hun- â
nen Koning te zenden." Joram vólgde zynen
E e \' raad,
21%
raad, en Adad verwonderde zich zo over Góds
magt, cn de genade waarmede hy zynen Pro-
feet begunftigde , dat hy zo lang Ehféus leef-
de geen lift meêr tegen den Koning van Ifraël
gebruyken , maar hem alleenlyk met openbaa-
re magt beftryden wilde. Aldus toog hy met
een groot heir in zyn land , en Joram zich on-
magtig bevindende , om hem in \'t veld te we-
derftaan, hieldt zich binnen Samarië beftooten,
vertrouwende op haare fterke veftingen. Adad
oordeelende dat hy de plaats niet wel met ge-
weld zou konnen bemagtigen , wierdt te raade
haar uyt te hongeren ,: en begon alzo het belég.
Het gebrék van alle leevens nooddruft wierdt
wel haaft zo groot, dat een ezelskóp tachtig, en
een maat duy ven-drek, welke men in plaats van
zout gebruykte , vyf zilverlingen gold. Jo-
ram ter oorzaake deezer elende vreezende dat
iemand door wanhoop gepraamd de vyanden
ter ftad mogt inlaatcn , ging dagelyks zelf de
ronde op de muuren doen , en bezigtigde alle
de wachten. Aldus gebeurde het dat eene
vrouw zich voor zyne voeten quam werpen,
en hem badt zich haarer te ontfermen. Hy
meenende dat zy eenige fpyze van heni begeer-
de , antwoordde haar heel fórs , dat hy geen
fchuur nóch voorraadkamer had , om haar te
konnen verzórgen. Dóch de vrouw zeyde dat
zy hem zulks niet vergde , maar alleenlyk be-
geerde dat hy zeker gefchil, \'t welk zy met ééne
van haare buurwyven had, beftechten wilde.
Hy beval haar dan te zeggen wat het was;
hierop verhaalde zy hoe die andere vrouw en
zy beyde op \'t punt zynde om van honger te
fterven, cn elk een zoontje hebbende, t\'zamen
overeengekomen waaren die beyde op te eeten,
om dat\'er geen ander middel voor haar overig was
om in \'t leeven te blyven ; dat ze daarop haa-
ren zoon gedood, en zy hem t\'zamen opgegeeten
hadden j maar dat die buurvrouw nu tegen
haare belófte haar kind niet wilde Aagten, maar
het verfchoolen had. Deeze woorden troffen
den Vórft zo aan \'t hart, dat hy zyn gewaad
fcheurende , een luyde fchrceuw gaf, en door
toorn tegens den Profeet Eliféus vervoerd,
voornam hem te doen dooden , omdat hy wel
konnende eene vertófting door zyne gebeden
van Gód verwerven , hem daarom niet bidden
wilde. Dies beval hy dat men hem opftaande-
voet het hoofd zoud afhouwen j en de dienaar
ging terftond heene om deezen laft uyt te voe-
ren. De Profeet, die zich ftil in zyn huys
hieldt, dit door een Gódlyke openbaaring ver-
ftaan hebbende , zeyde tót zyne leerlingen:
â De Koning , die eens moordenaars zoon is,
â zendt iemand om my het hoofd af te hou-
5, wen j maar houdt u by de deur , omze te
5, ftuy ten zo dra gy hem ziet aankomen. \'tZal
â den Koning haaft berouwen dat hy zulk een
â bevél gegeeven heeft, en hy zal zelf ftraks hier
,5 komen." Zy deeden gelyk hen bevolen was,
cn joram getroffen door berouw over den laft
dien hy gegeeven had , cn vreezende dat men
dien zoud uytvoeren, quam met grooten haaft
geloopen om zulks te beletten. Hy deed zyn
beklag tót den Profeet, dat die zo weynig door
zyne en des vólks rampen bewoogen, zich niet
gewaardigde Gód om verlófflnge van die on-
heylen te bidden. Eliféus beloofde hem toen
dat\'er\'s anderendaags, opdat zelfde uur, zulk
een overvloed van Iccvcnsmiddelen in Samarië
zoude zyn , dat men een maat meelbloeme
opentlyk op de markt voor eenen ftkel verkoo-
pen , cn dat twee zulke maaten garft niet meer
gelden zouden. Dewyl de Vórft aan de voor-
zeggingen des Profeets niet kon twyfelen, naa
dat hy \'er zo menigmaal dc waarheyd van on-
dervonden had , veroorzaakte de hoope van
dit toekomend geluk hem zulk een blydfchap,
dat hy \'er alle de tegenwoordige ongelukken
door vergat j en zy die hem verzelden waaren \'er
niet minder over verheugd, uytgenomen één
der voornaamfte Bevélhebberen , die Overfte
van het derde deel zyner krygsmagt was, en op
wiens fchouder Joram leunde. Deeze zey de tót
Eliféus; 5, O Profeet, het gene gy den Ko- â
ning belooft is niet gelooflyk , al waare \'t â
ook dat Gód meel en garft uyt den Hemel ,3
deed régenen. Twyfel \'er niet aan , ant-
woordde Eliféus , gy zult het met uwe ey-
gene oogen zien ; maar gy zult \'er ook niet
meer dan het gezigt van hebben, want het â
genót zal u niet moogen gebeuren." Dit viel
uyt gelyk het voorzegd was.
I:.
Wf
ri! ai
\'t Was te Samarië de gewoonte dat de me-
laatfchen zich niet binnen de ftad mogten ont-
houden 3 en om die reden hadden vier Samari-
taanen, die met die quaal beftnét waaren, zich
in eene wooning buyten d« wallen begeeven.
Dewyl zy nu niets hadden om van te leeven,
en niet verhoopen konden van de ftad iets te
krygen , ter oorzaake van den grooten hongers-
nood waartoe die gebragt was, zo dat het \'t zy ze
daar gingen om eene aalmoes te verzoeken, óf
dat ze t\'huys bleeven, zy niet ontgaan konden
van honger te fterven, oordeelden zy \'t beft zich
aan de vyanden over te geeven , naardien ze,
wanneer die medelyden met hen hadden , hun
leeven behouden zouden j en indien die hen
ombragten, zou zulk een dood hen gemaklyker
vallen , dan die welken zy anders niet ontgaan
konden. Naa dat zy dit befluyt genomen had-
den , gingen zy des nachts na \'t leger der Syriërs.
Maar vermids Gód deeze vólken dien zelfden
nacht een geraas had doen hooren , als dat van
paerden, wagenen, en een groot heir \'t welk hen
quam bevechten , waaren zy daardoor zo ver-
fchrikt geworden, dat ze hunne tenten verlaaten,
en tót Adad hunnen Koning gezegd hadden,
dat de Koning van Egipte en de Koningen der
eylanden Joram te hulpe gekomen waaren ,
en \'t geklater hunner wapenen reeds deeden
hooren. Dewyl Adad het zelfde gedruys ge-
hoord had , floeg hy ligtelyk geloof aan hun
zeggen ; en zonder dat hy óf de zyne wis-
ten wat zy deeden , namen zy niet zulk een
haaft en wanórde de vlugt, dat ze van alle hun-
ne goederen en fchatten , waarvan het leger vol
was , niets medenamen. De vier melaatfchen
daarnaa by \'t leger komende , vonden \'er alles
in overvloed , en hoorden niet het minfte gCr
rucht: dies traden zy voort, en gingen in eene
tent, alwaar zy niemand vindende, zo veel
aten en dronken als zy wilden , en toen klee-
deren
f l aviu s jos e p h u s
53
35
3J
j b O D S CHE H I S T O R L
deren en veel gouds en zilvers namen, en in
een veld buyten het leger begroeven. V andaar
crinp-en zy m een andere tent, en daarnaa nog
in twee andere, alwaar zy \'t zelBe deeden,
zonder eenig menfch te vinden. Zy konden toen
niet langer twyfelen , óf de vyanden waaren
doorgegaan 3 en zy befchuldigden zichzelven,
dat zy den Koning en hunnen medeburgeren die
tyding niet eer gebragt hadden. Zy fpoedden
zich dan zo veel als zy konden, en riepen den
fchildwachten toe dat de vyanden de vlugt ge-
nomen hadden i deeze boodfchapten zulks aan
de lyfwacht des Konings , die zo dra hy dit
vèrftondt, raad hieldt met zyne Overften, en
vrinden, en tót hen zeyde, â Dat die vlugt der
Syriers by hem verdacht was, doordien hy
vreesde dat Adad, buyten hoope zynde van
â de ftad door hongersnood te bemagtigen,
â geveynfd had af te trekken , opdat indien
âde belegerden uytquamen om/t leger te
â pionderen, hy hen dan terftond van alle kan-
â ïen mogt omringen, en m ftukken houwen,
om alzo de ftad zonder tegenftand te konnen
inneemen. Dat derhalve zyn gevoelen was
â dat men niet minder op zyn hoede moft wee-
â zen dan te voore." Eén van de verftandigfte
onder hen prees deezen raad, en zeyde dat hy
\'t geraaden oordeelde twee ruyters uyt te zen-
den om al het land tót aan den Jordaan toe te
verfpieden : dat indien zy door de vyanden
gevangen wierden, andere door dat voorbeeld
geleerd op hunne hoede mogten zyn, om met
in diergelyk een ongeval te komen: en dat in-
dien zy gedood wierden , hun dood daarom
juyft niet verhaaft zoude worden , dewyl zy
dóch anders door hongersnood zouden hebben
moeten vergaan. De Koning keurde dit voor-
ftel goed, en zondt ftraks ruyters uyt. Deeze we-
dergekomen zynde, boodfchapten dat ze niet
éénen van de vyanden gevonden, maar den
ganfchen weg met wapenen en graanen, die zy
weggeworpen hadden om te fneller te konnen
vlugten, bezaaid gezien hadden. Joram gaf
den zynen alstoen verlóf om het leger der Syri-
ërs te pionderen , en zy kreegen\'er eenen over-
grooten buyt j want behalve al het goud, zilver,
de paerden, en \'t vee, vonden zy \'er zo veel tar-
we en garft, dat het wel een droom fcheen. Al-
dus vergaten zy al hun verleden ongemak , en
de overvloed was zodaanig gelyk Ehféus voor-
zegd had > twee maaten garft wier den voor éénen
fikel verkóft, en ééne maat meelbloeme voor
dien zeigen prys, zynde eene maat die anderhalf
Itahaanfche mudde hieldt. De eenigfte die aan
deeze gelukkige verandering geen deel had, was
die Bevélhebberop wien de Koning leunde toen
hyby Eliféusquam: want vermids de Vorft hem
bevolen had bv de ftadspoort op te panen , op-
dat het vólk na buyten loopende malkanderen
door den drang niet verpletterde, had hy ton-
geluk van zelf^ertreeden te worden , en Itiert
alzo zonder iets van den overvloed te genieten,
gelyk de Profeet voorzegd had , alleen om dat
hy zyne woorden niet gelooft had.
380. Toen Adad weder te Damaskus gekomen
i Kon. 8. 2ynde vèrftondt dat die fchrik, welke ^yn heir,
buyten toedoen van eenigen vyand 5 verdelgd
119
IX. BOEK,
had , van Gód gezonden was , baarde \'t hem
zulk een verdriet, te zien dat Gód hem dus
tegen Was, dat hy in een zwaare ziekte viel.
Hy ter zelfder tyd verftaan hebbende dat Eli-
féus na Damaskus op weg was , beval zynen
vertrouwdften dienaar Azaë/hcm metgefchqi-
ken ih \'t gemoet te gaan , en hem te vraagen
óf hy van zyne ziekte opkomen zoude. Azaël
deed veertig kameelen met de befte vruchten
van \'t land, en andere kóftelykhèden laaden 5
en naa den Profeet gegroet te hebben, boodt
hy hem die van \'s Konings wege aan, en vraagde
uyt zynen naam óf\'er hoope van opkomft voor
hem was. De Profeet antwoordde hem dat hy
fterven Zou, dóch wilde niet dathy zulks bood-
fchappen zoude. Deeze woorden bedroefden
Azaël i en de Profeet daarentegen ftortte traa-
nen op \'t voorzien van de onheylen die zynen
vólke naa Adads dood ftonden over te komen.
Azaël dit ziende, vraagde hem na de oorzaak
zyner droefheyd; en EUféus antwoorde : â Ik
ween om het quaad dat gy denlfraëUtenaaii-,
doen zult 5 want gy zult de befte mannen on-
der hen ombrengen 3 hunne fterkfte plaatfen
zult gy in de affche leggen 3 hunne kinderen ..
zult gy tegen de fteenen verpletteren 3 en zelfs â
de zwangere vrouwen zult gy niet verfchoonen."
Azaël over deeze reede verfteld, vraagde hoe
dat Zou konnen gefchieden, en wat fchyn\'er
was dat hy ooit zulk een groote magt hebben
zoude. Alstoen verklaarde de Profeet dat Gód
hem geopenbaard hadde cïat hy Koning van
Syrië zoude worden. Azaël weder by Adad ge-
komen zynde gaf hem hoope van beterfchap ,
dóch \'s anderen daags fmoorde hy hem met ee-
nen natten doek, en maakte zich m.eefter van
\'tRyk. Hy was anders een dapper man, en
won de geneegenheyd der Syriërs en die van
Damaskus dermaate , dat zy hem nóg hedens-
daags nevens Adad onder \'t getal hunner goden
ftellen, en hen geftadige eere bewyzen, zo we-
gens de weldaaden die zy van hen ontvangen,
als om de prachtige Tempelen en andere cieraa-
den waarmee zy de ftad Damaskus in aanzien
gebragt hebben. Ook roemen zy zeer op de
groote oudheyd van hun geflacht, zonder te
denken dat het nóch geene elfhonderd jaaren
p-eleden is dat ze leefden. Joram Konmg van
Ifraël Adads dood verftaan hebbende, meende
dat hy nu niets meer te vreezen hadde , en dat
hy \'t óverige zyner dagen in rufte en vreede door-
brengen zoude.
Maar om weder te komen tót Joram Koning
van Juda, die alswe gezegt hebben denzelven
naam droeg als de Koning van Ifraël, hy was
zo dra niet op den troon gezeten, ófhy maakte
zyne regeering berucht door den moord zyner
eygene broederen, en der voornaamften zynä
ryks, welke van den Koning Jofaphat zynen
vader zeer waaren bemind geweeft. Het was
hem niet genoeg dat hy een naavólger was der
Koningen van Ifraël, die de eerfte geweeft zyn
welke de wetten onzer vaderen fchonden , en
alle gódvruchtigheyd den fchop gaven j maar hy
overtrof hen in allerley boosheden, cn leerde
van zyne vrouw Gotholia, Achabs dóchtei^, een
heyllooze aanbidding aan de vreemde godènbe-
E⬠i \'\' wyzeh
3}
33
33
3>
5J
53
33
t O -
1 Kon, 8
2. Kton.
agte, om dat het oordeel, dat iemant die doo^
Góds toorn, aan zulk een plaag geftorven was,
niet beter verdiende gehandelt te worden. i-Iv
heeft veertig j aaren geleefd, waarvan hy \'er ach t
regeerde, wordende door zynen zoon Ochoftas
in\'t ryk gevólgd.
IV. HOOFDSTUK.
Joram Koning van Ifraël belegert Ramath , wordt gequetft , wykt
na Azar om zich te laaten vetibinden, en laat zynen Veldheer Jehu
het beleg voortzetten. De Profeet Ãlif^as gezonden om Jehu rót
Koning van IfraëJ te zalven , roet bevél van Gód om \'t ganfche
geflacht Achabs uyt te roeijen. Jehu trekt op Azar aan , alwaar
Joram , en Ochofias Koning van Juda gekomen waaren.
de hoope die Joram Koning van Ifraël na 3 8 j.
den dood des Konings van Syrië opvatte
dat hy de ftad Ramath in Galaad wederbeko-
men zoude , belegerde hy die met een groot
heir; en wierdt onder dat belég door eenen
pyl, van eenen Syriër gefchooten , gequetft :
maar dewyl \'t geen doodelyke fcheut was , be-
gaf hy zich na de ftad (^j Jefraël, om zich. (*) in
aldaar van zyne wonde te laaten geneezenjft^^\'^^\'
beveelende ondertuflêhen het opzigt over het Maar
belég aan zynen Veldheer Jehu zoon van Ama-^^\'l"^\'"
fla. Deeze Veldoverfte nam de ftad ftórmender -moet zyn
hand in , en Joram befloot met het beoorlogen
der Syriërs voort te vaaren , zo dra hy van zy-29.
ne quetfuur zoude geneezen zyn. Ter zelfder
tyd beval de Profeet Ehféus éénen zyner leer- j, ^^
hngen de heylige oli te neemen , en \'er meê
na Ramath te gaan , om aldaar Jehu tót Ko-
ning van Ifraël te zalven 5 en hem te verklaa-
ren dat hy zulks op Góds bevél deed 5 waarnaa hy
hem eenige zaaken van zynent wege zoude be-
laften, en zich dan als iemand die vlugtede weg-
maaken, opdat men niet mogt denken dat hy
medepligtig aan dat bedryf was. Deeze leerling
vondt Jehu , gelyk de Profeet gezegd had, in
\'t midden der krygsbevélhebberen gezeten , en
verzócht hebbende om met hem alleen te ipree-
ken , ftondt Jehu op , en bragt hem in zyne
kamer. Aldaar goot deeze man hem de oli op
hethoofd, en zey de tót hem: âGódwydtuin â
tót Koning over Ifraël, opdat gy de misdaad, â
door Jefabel begaan , toen zy tegen alle â
recht het bloed der Profeeten vergoot,,,
zoudt wreeken j en hy beveelt u Achabs gan-
fche geflacht uyt te roeijen, gelyk datvan Je- ,,
roboam zoon van Nabath , en dat van Baäfa â
wegens hunne gódloosheyd uytgeroeid is." Dit
gezegd hebbende ging hy ter kamer uyt, en
liep met grooten haaft weg. Jehu quam toen
weder by die van zyn gezelfchap, en zy hem
vraagende wat die perfoon dóch by hem was ko-
men doen, dewyl hy hen toegefcheenen had niet
wel by zyne zinnen te weezen, antwoorddehy:
â Gy hebt gelyk dus te denken; want hy heeft ,>
tot my gefprooken als een gek." De nieuws-
gierigheyd om te weeten wat het was, maakte
dat zy hem aandrongen om \'t hen te zeggen j
waarop hy zeyde: >> Hy heeft my verklaard â
dat het Góds wifle is my tót uwen Koning â
aan te ftellen." Op die woorden leyden zy
alle hunne mantels op de grond, en ftapelden-
ze op malkanderen , om\'er hem op te doen
zitten als op eenen troon , en riepen hem toen
onder \'t gefchal van trompetten voor Koning
uyt. Terftond trok deeze nieuwe Vórft met
het
wyzen. Aldus tergde hy Gód dagelyks meer
en meer door zyne misdaaden en gódloosheyd,
en door de ont wy ding der geheyligïle zaaken on-
zer Gódsdienft. Evenwel wilde Gód hem we-
gens de belófte aan David gedaan niet uytroeijen.
Maar de Idumeers, die hem te voore onder-
worpen waaren, fchuddeden het jukaf, en be-
gonden zulks , met hunnen Koning, die Jofa-
phat altoos getrouw gebleeven was , te doo-
den, waarnaa zy eenen anderen in zyne plaats
aan ftelden. Joram om wraak daarover te nee-
men , quam by nacht met een groote menigte
van ruytery en wagens in hun land , en ver-
woeftte eenige fteden en dórpen op de gren-
zen , zonder dat hy verder durfde voorttrekken.
Maar deeze tógt in ftede van hem ontzaglyk voor
die vólken te maaken, bewoog nóg anderen om
tegen hem op te ftaan j en degéne die \'t land La-
bin bewoonden wilden hem niet meer erkennen.
De dwaasheyd en uytzinnigheyd van dien
Vórft fpatte zo verre uyt, dat hy zyne onder-
daanen dwong na de boftchen op \'t gebergte te
gaan , om aldaar de valfche goden te aanbid-
den ï en eens wanneer hy van die dulheyd beze-
ten was, bragt men hem eenen brief van den Pro-
feet Elia , in welken hy met een fchrikkelyke
wraake Góds gedreygd wierdt, â vermids hy
â in plaats van de wetten des Heeren, gelyk
â zyne voorzaaten, te onderhouden, degruu-
â welen der Koningen Ifraëls naagevólgd , en
die van de ftamme Juda nevens de inwooners
van Jerufalem gedwongen had , eveneens ge-
lyk de Ift-aëJiten door Achab gedwongen
wierden , den dienft hunnes Góds te verlaa-
â ten om de afgoden te aanbidden 3 by \'t welk
â hy nóg den moord van zyne broederen en
â zo veele braave luyden gevoegd had : maar
3, dat hy \'er de verdiende ftrafte voor lyden
â zoude 3 dat zyn vólk onder \'t zwaerd zyner vy-
3, anden zoude vallen3 dat die wreedeoverwin-
,3 naars zyne eygene vrouwen en kinderen niet
5, verfchoonen zouden 3 dat hy door een langzaa-
â me buykloop zyn ingewand uyt zyn lyf zou
â zien zakken, en alsdan berouw hebben, maar al
â te Iaat, dewyl \'t niet zou konnen verhinderen
â dat hy zyne ziel in \'t midden van duyzend
â pynen uytblieze."
i \'li
II
III. HOOFDSTUK.
Schrikkelyke dood van Joram Koning van Juda. Ochofias zyn zoon
vólgt hem in\'t ryk.
^en tyd daarnaa deeden de Arabiers,
\' die^icht aan Ethiopië paaien, van een groot
pEnig
getal andere woefte vólken bygeftaan, eenen
inval in Jorams ryk , \'t welk zy ganfchelyk
uytplonderden , en zyne vrouwen en kinderen
doodden , uytgenomen éénen genaamd Ocho-
fias. En Joram viel, vólgens de voorzegginge
des Profeets, in die yflyke ziekte waarmede hy
gedreygd was 3 zo dat zyn ingewand hem da-
gelyks door den ftoelgang afgaande , hy eyn-
delyk eenen jammerlyken dood ftierf Het vólk,
in plaats van hem te beklaagen, had zulk een
afkeer van hem, dat het hem aller eere onwaer-
dig achtende, zelfs niet wilde dat hy in \'t graf zy-
ner voorouderen, maar elders als een gemeen
man, zou begraaven worden; en zulks, zoo ik
t
JOODSCHE HISTOR L
IX, Boek.\'
221
het ganfche heir na Jefraël\', alwaar de Koning
Joram, gelyk gezegd is, zich van zyne wonde
deed geneezen , en daar Ochofias Koning van
Juda j zoon zyner zufter , gekomen was om
hem té bezoeken. Jehu om Joram te verraften,
en in zynen toeleg niette miflèn, zeyde tót zyn
krygsvólk, dat indien zy hem een blyk wilden
geeven dat ze hem van harte tót hunnen Ko-
verkooren hadden, zy dan moften beletten
nin?
dat Joram eenige kennis van zyne komfte kreeg.
V. HOOFDSTUK.
Jehu doodt met zyne handt Joram Koning van Ifracl, en Odiofias
Koning van Juda.
384. "LJEt heir van Jehu gehoorzaamde zyn bevél
met blydfchap , en bezette alle de wegen
die op Jefraël aanliepen zo wel, dat het on-
moogelyk was den Koning Joram eenig bericht
van zyne aankomft te brengen: enjehü op zynen
wagen gezeten , en van zyne befte ruytery ge-
vólgd, trok na de ftad toe. Toen hy\'er dicht by
was, riep de torenwachter dat \'er een groote tróp
ruyters aanquam. Daarop beval de Koning
aan iemand van de zynen, te gaan zien wat vólk
het was. Deeze ruyter by Jehu komende, zey-
de tót hem 5 dat hy van den Koning gezonden
was om te verneemen hoe \'t in \'t heir ging. Je-
hu antwoordde dat hy zich daarmeê niet te be-
kommeren hadde , maar hem vólgen mogte.
De wachter ziende dat die ruyter m plaats van
weder te komen, zich by den trop gevoegd
had, deed\'erJoramvanverwittigen, dieltraks
eenen anderen zondt, welken Jehu desgelyks by
zich hieldt. De wachter deed dit Joram bood-
fchappen , die toen op zynen wagen klom,
om nevens Ochofias Koning van Juda zelf te
gaan zien wat\'er te doen wasj want Jehu quam
maar langzaam aantrekken. Hy ontmoettehem
op Naboths akker , en vraagde hem óf alles in
zyn leger nóg wel ftonde. Jehu, in plaats van
hem te antwoorden, verweet hem dat hy zich
beroemen kon den zoon eener toverefte en hoe-
re te zyn. Deeze woorden gaven Joram duy-
delyk te verftaan dat men zyn verderf gezwoo-
ren had, zo dathy tót den Koning Ochofias zey-
de : Wy zyn verraaden > en f er zelfder tyd wend-
de hy zynen wagen om na de ftad te vlugten.
Maar Jehu belette het hem door den fchoot van
eenen pyl die hem \'t hart doorboorde, en hem
dood onder zynen wagen deed vallen : en in-
dachtig wordende dat hy zelf den Profeet Elia
tót Achab Jorams vader had hooren zeggen,
dathy en zyn ganfche geflacht op den zelfden
akker , dien hy Naboth zo onrecht vaerdiglyk
ontweldigd had, fneuvelen zouden, beval hy Ba-
dach, Overfte van een derde deel zyner benden,
dat hy Jorams lighaam op dat ftuk lands van
Naboth zoude werpen : en aldus wierdt die
voorzegging vervuld. De vreeze die Ochofi-
as had van eveneens als Joram gehandeld te
Worden , deed hem zynen wagen ook wenden,
om eenen anderen weg in te flaan. Maar Jehu
jaagde hem naa tót aan eenen kleynen heuvel,
alwaar hy hem met eenen pyl fchoot j zulks dat
Ochofias zich gequetft voelende , van zynen
wagen klom , te paerde fteeg , en met loflièn
toom na de ftad Magedon vlugtte, alwaar hy
niet lang daarnaa aan die wonde ftierf Men
bragt zyn lyk te Jerufalem, daar het begraaven
wierdt, naa dat hy maar een jaar geregeerd, en
reeds getoond had dat hy nóg erger was dan
zyn vader.
V I. HOOFDSTUK.
Jehu Koning van Ifraël doet Jefabel , de zeventig zoonen Arl^Kc
allp de maagen van dien Vórft , twêënveertig bloedvrmP» \'
Ochofias Koning van Juda , en voorts alle de^pSr^ft Lll"
vóor Wien Achab eenen Tempel had doen bouwen, ombJe^S. \'
\'Tpen Jehu zyne intreede te Jefraël deed,
klomde KoningmJefabeJ, die zich prach-
tig opgetooid had , op eenen toren , om hem
te zien aankomen , en zeyde, toen zy hem zag
naderen: 5, O wat een gettouw dienaar die
E e 3 â zy-
jïï
I^BB
â zynen Heer vermoord heeft!Op die woor-
den iloeg Jeha zyne oogen op, vraagde haar
wie zy was, en beval dat ze zoud afkomen;
IX. Boes.
dóch zy zulks weygerende, geboodt hy den
kamerhngen die by haar ftOndpn, dat zy haar
van boven neêr werpen zouden. , *
F,LAY1US JOSEPHUS
Zy gehoorzaamden hemj en die rampzalige
Vórftin wierdt in h vallen zo tegen de muuren
gepletterd, dat zyze met haar bloed verwde,
cn op de grond leggende onder de voeten der
paerden, die haar overreeden, den adem uyt-
bhes. Jehu in\'t paleys gegaan zynde , beval
daarnaa dat men haar begraaven zoude vólgens
haaren ftaat, dewyl zy van koninglyken afkomft
was maar men vondt niet dan de uyterfte deelen
van haar lighaam, dewyl de honden al \'t óverl-
eg oDgegeeten hadden. Dit deed den nieuwen
feomng denken aan de profecy van Elia, die
haar Zodaanigen dood voorzegd had.
->^6 Achab had zeventig zoonen naagelaaten, die
ion.;« alle te Samarië opgebragt wierden Jehu om
te onderftaan in hoedaanig een gefteltenis de
Samaritaanen ten zynen opzigte waaren, Ichreef
aan de opzieners dier jonge Prinfen, en aan de
voornaamfte Regeerders der ftad , dat naar-
dien hen geene wapenen , paerden , v/agens
krycrsvólk , nóch fterke veftingen ontbraken,
zy uyt Achabs zoonen éénen tot Koning mog-
ten kiezen, dien zy den bequaamften oordeel-
den om te regeeren, en zich op den doodflager
\' van hunnen Heer te wreeken. De Overheyd
en inwooners achtende zich niet in ftaat te zyn
om iemand die twee zulke magtige Koningen
gedood had te wederftaan , antwoordden dat
zy creenen anderen Heer kenden dan hem, en
dat^ze gereed waaren om alles te doen wat hy
hen gebieden zoude. Op dit antwoord fchreef
hy aan de Overheyd, dat zo zy inderdaad dus
gezind waaren , zy hem dan de hoofden van
alle Achabs zoonen moften toezenden. Zy
deezen brief ontvangen hebbende ontbooden de
opzieners dier jonge Prinfen, en belaften hen
iiyt te voeren gene Jehu bevolen had. Dee-
jte oïimeêdoogende jnenfehen vólgden dat be-
ge zyner vrinden over de maaltyd toen men\'er
meê aanquam, en beval dat menze in twee hoo-
pen aan de zyden van de poort zyns paleys zou-
de leggen. Den vólgenden mórgen ging hyze
bezien, en zeyde toen tót het vólk : 3, H
et IS
waar dat ik den Koning mynen meefter ge-,,
dood hebbe j maar deeze hebbe ik niet ge- â
dood." Willende hen daardoor te verftaan gee-
ven, dat\'er niets gedaan was dan vólgens het
befluyt en de wille Góds, die door den Profeet
Elia voorzegd had dat men Achab en zyn gan-
fche geflacht uytroeijen zoude. Hy deed daar-
naa aüe die van Achabs maagfchap nóg in\'t lee-
ven waaren ombrengen, en begaf zich toen na
Samarië. Onderwege ontmoette hy twêënveer-
tig verwanten van Ochofias Koning van Juda,
en vraagde hen waarheene zy gingen. Zy ant-
woordden dat ze Joram Koning van Ifraël, en
Ochofias hunnen Koning, die by hem was, zou-
den gaan begroeten 3 want zy wiften niet dat hy
hen beyde gedood had. Maar Jehu deed hen vat-
ten , en alle\'om \'t leeven brengen. Kort daarnaa
quam Jonadab^ een vroom man en zyn oude
vriend, byhem, en prees hem dathy door\'t uyt-
roeijen van Achabs ganfche gjA^cht, Góds bevél
zo getrouwlyk uytvoerde. Jehu beval hem op
zynen wagen te komen om met hem na Samarië te
ryden, en ooggetuygc te zyn dat hymet éénen
van die booswichten verfchoonen zoude maar
dat hy alle de valfche Profeeten en verleyders
des vólks, die het daartoe gebragt hadden dat zy
den dienft Góds verlaatende valfche gódheden
aanbadqn, door het zwaerd zou doen ombren-
gen : naardien zulken vroomen man, als hy,
niets aangenaamer kon weezen dan te zien dat
de gódloozen na^ y^rdjenfte geftraft wierden.
Jon^
vél op, leyden de afgefneedene hoofden in kór
en zondenze Jehu toe. Hy zat met eeni
ven
Jonadab gehoorzaamde hem, klom op zy^en wa-j
gen, en quam met hem te Samarië. J ehu deed
toen alle Achabs maagen opzoeken en dooden;
en opdat \'er niet één der afgodifche Profeeten
van dien Vórft ontquame , bediende hy zich
van deeze lift. Hy deed al het vólk byeenko-
men , en zeyde tót hen , »Dat hy voorgeno-
35 men hebbende den dienft welken men Achabs
3, Goden bewees te vergrooten , daar ontrent
â niets wilde doen dan met goedvinden zyner
â Priefteren en Profeeten : dat hy derhalve be-
5, geerde dat zy alle , niemand uytgezonderd,
â by hem zouden komen, om eene menigte van
â óftèranden aan Baal hunnen Gód op het feeft
te ófteren; en dat degéne die achter bleeven
â men den dood geftraft zouden worden." Thans
ftelde hy eenen dag aan tót die plegtelykheyd,
en deed zyn bevél in alle de plaatfen zyns Ryks
afkondigen. Toen deeze Priefters en Profee-
ten gekomen waaren , deed hy hen allen klee-
deren geven , en ging toen met Jonadab zj^^en
vrind tót hen in den Tempel , doende aldaar
naauwkeuriglyk onderzoeken , of ook iemand
vreemds zich onder hen vermengd hadde , omdat
hy , zo hy zeyde , niet wilde dat ongewyde
aan die heyligdommen deel hebben zouden.
Toen nu deeze Profeeten en Priefters zich
vaerdig maakten om te ófteren , beval hy aan
tachtig van de getrouwfte mannen zyner lyf-
wacht , hen alle om \'t leeven te brengen , om
alzo wraak te pleegen over de langduurige ver-
achting van de Gódsdienft der voorvaderen;
en hy dreygde hen zeiven met den dood indien
zy iemand verfchoonden. Zy quamen deezen
laft ftiptelyk naa , en ftaken zelfs op zyn bevél
den brand in Baals Tempel om Samarië van
alle de gruuwelen en afgoderyen aldaar ge-
pleegd te zuyveren. Deeze Baal was de Gód
der Tyriërs , voor wien Achab , om Ithobal
Koning van Tyrus en Sidon , zynen fchoon-
vader , te behaagen, eenen tempel te Samarië
had doen bouwen , en Profeeten en alle andere
noodwendigheden aangefteld om hem eere te be-
wyzen. Deeze afgodifche dienft wierdt door
jehu afgefchaft, maar des niet tegenftaande liet
hy den Iftaëhten toe de goudene kalveren te
aanbidden. En hoewel dit Gode mishaagde,
niettemin beloofde hy hem door zynen Pro-
feet , dat dewyl hy zo veele gódloosheden ge-
ftraft had, zyne naakomehngen tót in \'t vierde
geflacht over Ifraël regeeren zoude.
VII. HOOFDSTUK.
weduwe wil Davids ganfche geflacht «yiroeijen,
I 1 J- n behoedt Joas den zoon van Ochofias , zet
Joada de Hoogepricltej ben ^^^^^^
nem op den troou > cn aoci "
^87. c*) O OthoUa dóchter van Achab Koningyan
^ ^ Ifraë en weduwe van Joram Koning
van Juda!"knde lat Jehu den Konmgjoram
(llha. haaren broeder gedood had dat hy al haar ge-
flacht verdelgde, en dat hy zelfs Ochoftp haa-
ren zoon, Koning van Juda, niet verfc^ond
had, beflootdesgclyksalhetgcftachtvanDavrö
uyt te roeijen, opdat niemand zyner afkomelin-
gen den troon zou konnen beklimmen. Zytót
niets achterwege om dit uyt te voeren, endaar
Was maar één yan alle Ochofias zoonen dieden
Gotholia Joratns
dood ontquam, \'t welk aldu s toeging. Jofabeth
zufter van Ochoftas en huysvrouw van Joada dcn
Hoogenpriefter, in het paleys gekomen zynde ,
en vindende in \'t midden van dien moord dit kind
geheeten Joas, \'t welk toen nóg maar een jaar
oud , cn door zyne voedfter verfchoolen was,,
nam het met zich , en bragt het, buyten wee-
ten van iemand anders dan haaren man, inden
Tempel op , geduurende de zes jaaren die Go-
tholia over Jerufalem regeerde.
Ten eynde van dien tyd overreedde Joada vyf
Hoofdlieden, dat zy met hem zouden aanlpan-
nen om Gotholia de kroon te ontneemen, en
die op \'t hoofd van Joas te zetten. Zy ver-
bonden zich alle met eede deezen toeleg ge-
heym te houden 3 en kreegen een vafte hoope
dat zy hem zouden uytvoeren. Thans gingen
deeze vyf Hoofdheden overal om uyt den naam
des Hoogenpriefters aan alle Priefteren , Levi-
ten, en voornaamfte der ftammen te beveelen, dat
zy te Jerufalem by hem komen zouden. Toen
zy aldaar aangekomen waaren zeyde Joada tót
hen , dat indien zy hem wilden toezeggen
een zeker geheym dicht te houden, hy hen
eene zaak van groot belang voor\'t ganfche ryk,
waarin hy hunne byftand van noode had, wil-
de bekend maaken. Zy beloofden \'t hem met
eede : daarop bragt hy tót hen den cenigften
Prins dier \'er nóg van Davids geflacht overig
was, en zeyde tót hen: â Zie daar eenen Ko-
ning , en den eenigften die \'er nóg is over- â
gebleeven van het ftamhuys ^t welk gylieden â
weet dat Gód voorzegd heeft dat altoos over 55
u regeeren zal. Indien gy dan mynen raad â
vólgen wilt, zo ben ik van verftand dat het â
derde deel van ulieden die hier zyt deezen ,>
Prins in den Tempel bewaare, dat het an- â
de derde deel alle de toegangen bezette , en ,3
dat her óverig derde deel wacht houde aan
de poort waardoor men in \'s Konings paleys
gaat; en dat alle die ongewapend zyn inden â
Tempel blyven , alwaar men niemand met â
geweer zal laaten inkoomen dan alleen de ,,
Priefters." Daarnaa verkoor hy eenige Prie-
fters cn Leviten om zich gewapend by hunnen
nieuwen Koning te houden , en hem tót eene
wacht te dienen , met bevél van alle die \'er ge<
wapend wilden indringen dood te flaan, en
alleenlyk voor de behoudenis van aien Trins
zórg te draagen. Alle keurden zy deezen raad
goed, en fchikten zich om denzelven uyt tc
voeren. Alstoen opende Joada in den Tempel
het wapcnhuys \'t welk David had doen maa-
ken , deelde al het geweer dat hy daar
vondt aan de Priefteren en Leviten uyt, en
ftelde hen alle rondom den Tempel zo dicht
aan één , dat zy malkanderen by de hand kon-
den vatten , opdat \'er niemand zou konnen
doordringen. Daarnaa wierdt de jonge Ko-
ning aangebragt , gekroond , en door Joada
met de heyhge oU gezalfd, terwyl allede om-
ftanders met han(%eklap en gejuygh riepen:
Lang leeve de Koning.
Gotholia dit gerucht hoorende was \'er niet
minder over verfteld als verwonderd , zo dat
zy met haare lyfwacht verzeld ten palcyze uyt-
ging na den Tempel j émmx de Priefters haar
heten
3>
,5
BH
SEPHUS
halve ftam van Manaflé aan gene zyde van den
Jordaan bewoonden : ook pionderde hy Ga-
laad en Bathanea , brandde en blaakte over-
al, en verfchoonde niemand van degénen die in
zyne handen vielen , zonder dat Jehu zich be-
moeide om het beletten. En deeze rampzalige
Koning, wiens fchynbaare yver maar geveynld-
heyd was geweeft, betoonde zich door een heyl-
looze verwaandheyd eenen verachter van Góds
wet te zyn. Hy ftierf na dat hy zevenentwintig
jaaren geregeert had en wert te Samarië begraven.
Joazas zyn zoon vólgde hem in\'tryk.
Dewyl het onderhouden des Tempels ree-
nemaal onder de regeeringen van J oram, Ocho-
fias , en Gotholia was verwaarloofd , befloot
Joas denzelven te vernieuwen , en beval Joada 14.
Leviten door \'t ganfche ryk tc zenden, om van
ieder zyner onderdaanen een halve zilvere fikel
tót dien eynde te eyfchen. Dóch dewyl Joada
niet geloofde dat het vólk dat geld ge wilhg gee-
ven zoude , quam hy dien laft niet naa > maat
wanneer de Koning in \'t drieëntwintigfte jaar
zyner regeeringe, hem en de Leviten hier over â
beftrafte, en bevél gaf om voortaan toe te zien dat
de Tempel hernieuwt wierde, zoo deed hy een
houten kift maaken met een dékfel dat\'er dicht
op floot, in \'t welk een gat was3 en deeze kift
in den Tempel by het altaar gezét zynde, beval
hy dat elk zo veel daarin zoud fteeken , tót
vermaakinge van den Tempel, als \'t hem be-
liefde. Deeze manier behaagde den vólke zo
w^el, dat ieder om ftryd goud en zilver daarin
ftak 3 en de Priefter nevens de Schryver die \'t op-
zigt over den fchat des Tempels had, maakten
den kift alle dagen in \'t byzyn des Konings lee-
dig3 en naa dat zy \'tgeld geteld en opgefchree-
ven hadden, bragten zy hem weder op zyne
plaats. Toen men bevond dat\'er gelds genoeg
namen de Hoogepriefter en de Koning het
breeke
1 Kon, 10,
was
vereyfchte werkvolk daartoe aan, en verzórgden
de bouwftóffen die tót vernieuwinge van \'t ge-
bouw noodig waaren. Naa dat het werk vol-
tooid was , wierd het óverige goud en zft-
ver , \'t welk nóg een groote fomme bedroeg,
tót bekers, drinkfchaalen, en andere vaten ten
behoeve van de Gódsdienft , gebruykt. Daar
liep niet een dag voorby , dat men niet veele
ófferanden ófferde 3 en men onderhieldt die ge-
woonte zo lang de Hoogepriefter leefde. Hy
overleedt eyndelyk in den ouderdom van hon-
derd en dertig jaaren 3 en men begroef hem in
de graffteden der Koningen, zo om zyne onge-
meene vroomheyd , als omdat hy Davids ge-
flacht voor uytfterven behoed , en de kroon in
\'t zelve bewaard had. Naa zynen dood zag
men wel haaft dat Joas , en op zyn voorbeeld
de voornaamfte zyns ryks. Gód vergaten, zich
tót allerley gódloosheden overgaven , en niets
dan het vertreedenvan de Gódsdien ft en gerech-
tigheyd fcheenen te behartigen. Gód deed \'er
hen fcherpelyk over beftraffen door zyne Pro-
feeten , die hen te kennen gaven dat de Heere
op hen vertoornd was. Maar zy wierden zo
verhard in hunne zonde, dat zy nóch door drey»
AZaël Koning van Syrië beöorlógde Jehu gementen , nóch door \'t voorbeeld der ftraffen
Koning van Ifraël , en verwoeftte al het die hunne voorvaders om diergelyke misdaaden
land dat de ftammen van Ruben, Gad, ende 1 geleeden hadden, weder tót hunnen pligt kon-
den
lieten inkomen 5 maar haare lyfwaciit wierdt
<ioor deeze die rondom den Tempel gefteld waa-
ren , buyten gehouden. Zo dra deeze trótfe
Vórftin den jongen Prins op den troon geze-
ten zag, met de kroon ©p \'t hoofd , fcheurde
zy haar gewaad, en riep oat men dien jongen,
van wien men zich bediende om haar van \'t ryk
te berooven, zou dooden. Joada daarentegen
beval den Hoofdlieden dat zy haar aangrypen,
en na de beek Kedron leyden zouden, ombaar
aldaar de verdiende ftrafte te doen ontvangen,
doordien\'t onbetaamelyk waare den Tempel met
het bloed van zulk een verfoeijelyke perfoon te
bezoedelen. Voorts belaftte hy dat zo iemand
op zich name haar te befchermen, zy dien maar
opftaande voet zouden dooden. Dit bevél
wierdt terftond uytgevoerd; en zo dra zy buy-
ten de poort van \'s Konings muylezels gekomen
was, benam men haar \'t leeven,
3 . Naa deeze groote verandering deed Joada alle
die in\'t geweer waaren, benevens al het vólk in
den Tempel komen, en hen den eed van getrouw-
heyd aan hunnen nieuwen Koning afleggen, met
belófte van voor zyne behoudenifle te waaken,
en tót de vergrootinge zyns ryks te arbeyden.
Ook deed hy Joas met eede belooven, dat hy
Gode zyne fchuldige eere bewyzen, en de wetten
door Mofes gegeeven nooit fchenden zoude.
Thans liepen zy alle na Baals Tempel, welken
Gothoha en de Koning Joram haar gemaal, om
den Koning Achab te behaagen , tót fchande
van den almagtigen Gód, hadden doen bouwen 3
en zy vernielden hem tót den grond toe , doo-
dende Mathan den Priefter deszelfs.
Joada beval toen , vólgens de inftellinge van
den Koning David , de bewaaring des Tempels
aan den Priefteren en Leviten, belaftte hen Go-
de tweemaal \'s daags, gelyk de wet medebrengt,
de plegtige ófferanden midsgaders het reukwerk
te ófferen , en koos eenige Leviten om de poor-
ten des Tempels t^ bewaaren, opdat\'er niemand
die ongezuyverd was, inquame.
Toen de Hoogepriefter alles aldus befchikt
had, bragt hy den jongen Vórft, verzeld van de
menigte des vólks, uyt den Tempel na het ko-
ninglyk paleys 3 aldaar wierdt hy op den troon ge-
zét , en het gejuygh vernieuwd: en dewyl \'er nie-
mand was die zich niet gelukkig achtte te zien dat
Gothohas dood hen in zulk een rufte ftelde, bragt
de geheele ftad Jerufalem veele dagen in feeft en
en gaftmaalen door. Deeze jonge Koning,
wiens moeder Sahia was genaamd , v/as uyt de
ftad Berfabe gefprooten, en toen nóg maar ze-
ven jaaren oud. Hy was een gódsdienftige on-
derhouder van Góds wetten, zo lang Joada leef-
de, en trouwde door zyn aanraaden twee vrou-
wen , by welke hy zoonen en dóchteren teelde.
VIII. H OOFDSTUK.
Dood van Jehu Koning van Ifraël. Joazas zyn zoon vólgt hein in \'t ryk.
Joas Koning van Juda doet den Tempel van Jerufalem vermaakea.
Dood van Joada den Hoogenpriefter. Joas vergeet Gód, en begeeft
i-ich tót allerley gódloosheyd. Hy doetZacharias den Hoogenprie-
fter en zoon van Joada fteenigen. Azaël Koning van Syrië belegert
Jerufalem. Joas geeft hem alle zyne fchatten, opdat hy \'t betóg op-
en wordt door de vrinden van Zachatia gedood.
* Of
JeahM,
den gebragt worden. Ja liunne verwoedheyd
liep zo hoog, dat Joas vergeetende de groote
weldaaden waardoor hy aanjoada verpligt was.
zynen zoon Zacharias , die hem in \'t Hooge-
priefteramptwas gevólgd, deed fteenigen, om-
dat hy door beweeginge van Góds Geeft hem
in tegenwoordigheyd des vólks vermaand h^di
in \'t toekomende gerechtigheyd te oefenen, en
hem met zwaare ftrafte gedreygd had indien
hy in zyne zonden voortging. Deeze Profeet
riep al ftervende Gód tót getuyge , dat deeze
Vórft, tót belooninge Van den heylzaameti
raad dién hy hem gegeeven, en van de dienften
welke zyn vader hem gedaan had, nu zo on-
rechtvaerdig en wreed was dat hy hem op die
wyze deed fterven.
Maar Gód vertoefde niet lang met het ftraf-
fen van zulk een zwaare misdaad. Azaël Ko-
ning van Syrië quam met een groot heir in Joas
Ryk, pionderde en verdelgde de ftad Geth, en
belegerde Jerufalem. Joas wierdt hierdoor zo
met fchrik bevangen , dat hy alle de fchatten
die in den Tempel waaren, alsmede die van de
Koningen zyne voorzaaten, en alle de gefchen-
ken welke \'t vólk Gode geófterd had, hem toe-
zondt ; en daardoor de gierigheyd van dien
Vórft zo vergenoegde , dat hy \'t belég opbrak
en wegtrok. Dóch Joas ontweek daarom zyne
vereende ftrafte niet 5 want hy viel in een ge-
vaarlyke ziekte , en de vrinden van Zacharias
benamen hem in zyn bed het leeven , om den
dood van hunnen vrind, en den zoon eens mans
dieby hen in zo groot een eere was geweeft,
te wreeken Deeze godlooze Vorft was toen
nóg maar zevenenveertig jaaren oud > en men
begroef hem te Jerufalem , maar met m t graf
der Koningen, omdat men hem dier eere on-
waerdig oordeelde.
IX. HOOFDSTUK.
Atnafias vóïgt Joas zynen vader in \'c ryk van Juda. Joazas Koning
van Ifta\'él vindende zich byna ten ondergang gebragt doot Azacl
Koning van Syrië, neemt zyne toevlugt tót Gód , en wordt van
den Heete bygeflaan. Joas zyn zoon vólgt hem in \'t ry*- Dc
dood vao den Profeet Eliféus, die hem voorzegt dat hy de Syriers
overwinnen zaU Het lyk van^ dien Profeet nwakt eenen dooden
weder leevendig. tJood van Azacl Koning van Syric. Adad zyü
zoon vólgt hem in de regeering.
KMaJïas vólgde Joas zyn^n vader in \\ ^Y^
" van Juda, en J oazas was Jehu zynen vader \\ °
in\'tryk van Ifraël gevólgd in het éénentwin-ij.
tigfte jaar der regeeringe van Joas, en regeerde
zeventien jaaren. Joazas was niet alleenlyk zy-
nen vader gelyk, maar zelfs den eerften Ko-
ningen van Ifraël die Gód zo openbaarlyk ver-
acht hadden j en hoewel hy een groote krygs-
magt had, echter nam Azaël Koning van Syrië
zo veele fterke plaatfen van hem, en verfloeg
zulk een menigte van zyn vólk, dat hy niet
meer dan tienduyzend mannen te voet, en vyf-
honderd te paerde overhieldt. Zo groote ram-
pen troffen den Ifraëliten naa het gene de Pro-
feet Ehféus aan Azaël voorzegd had, toen hy
hem verzekerde dat hy naa het on^rengen van
den Koning Adad, over Syrië en Damaskus re-
geeren zouie. Joazas zich m deezen nood be-
vindende nam zyne toevlugt tot God, en badt
dat hy hem wflde befchermen, en niet toelaa-
ten dat hy onder de magt van Azaël verviel.
De Opperheer van \'t heelal toonde toen dat hy
zyne gunften niet alleenlyk over de rechtvaerdi-
gen uytftort, maar ook over die welke berouw
van hunne misdaaden hebben j en dat in fteê van
hen ganfchelyk te verdelgen gelyk hy doen kon,
hy zich vergenoegt met hen te ftraffen : want
hy verhoorde dien Vórft, gaf hem weêr vreede
in zyn ryk, en deed hem zyn eerfte geluk we-
derkrygen.
Naa den dood van Joazas vólgde Joas zyn
zoon hem in het ryk van Ifraël in \'t zevenen- ^
dertigfte jaar der regeeringe van Joas Koning\'^*
van Juda5 (want die twee Koningen voerden
beyde éénen naam,) en regeerde zeftien jaa-
ren. Hy geleek zynen vader Joazas niet, maar
was een vroom man; en vermids de Profeet
Ff
geworden was, ging hy hem bezoeken j en
ziende dat hy op zyn uyterfte lag, begon hy te
weenen en te jammeren, noemende hem zynen
vader , zynen fteun , en zynen eenigften toever-
laat. Voorts zeyde hy tót hem, âDat zo
â lang hy geleefd had, hy zyne toevlugt nooit
â tót de wapenen had behoeven te neemen om
â «yne vyanden te overwinnen 5 doordien hy
â\'ben altoos zonder vechten, door de byftand
3, zyiier voorzeggingen en gebeden, overwel-
3, digd had. Maar \'dat nu hy uyt de werreld
â fcheydde, hy hem ongewapend en weerloos
â liet , bloot ftaande voor de woede der Syriërs
55 en andere vólken die zyne vyanden waaren:
55 en dathy\'t derhalve beter voor zich zoud
â achten met hem te fterven ^ dan van zyne
5, hulpe verlaaten langer te ieeven. De Pro-
â feet wierdt zo ontroerd en bewoogen door
deeze klagten , dat hy den Koning trooftte,
en voorts belaftte dat men hem eene boog met
pylen zoudé brengen; *t welk gefchied zynde,
beval hy den Vórft de boog te fpannen en\'er
meê te fchieten. Joas deed zo , ,dóch fchoot
maar drie pylen: daarop zeyde de Profeet j â In-
dien gy\'er meer gefthooten had , gy zoudt â
geheel Syrië hebben konnen verdelgen: â
maar dewyl gy u vernoegd hebt met maar â
drie pylen te fchieten, zult gy de Syriers drie-,,
maal overwinnen , en de landen welke zy â
uwen voorzaaten ontnomen hebben weder â
veroveren." Kort naa dat de Proofeet deeze
woorden gefprooken had is hy overleeden.
Hy was een man van uytmuntende deugd, die
op een zeer zigtbaare wyze van Gód bygeftaan
wierdtjen men heeft zeer zonderlinge blyken van
zynen profeetifchen geeft gezien , invoege dat
zyne gedachtenis tegenwoordig nóg in groote
eere onder de Hebreen gehouden wordt. Men
maakte hem ook een treffelyke grafftede , ge-
lyk iemand die met zo veele genaden yaa Gód
begunftigd was, verdiende. Het gebeurde eens
fla v i lj s j o sep h u s
Eliféus tóen al zeer oud, en daarbv heel ziek
dat de roovers eenen man vermoord hebbende
hem in dat graf wierpen > maar zo dra had dit
dood lighaam dat van den Profeet niet aange-
roerd , óf het wierdt weder leevendig. Dit had-
den wy van den Profeet Eliféus te zeggen , we-
gens \'t gene hy by zyn leeven voorzegt, en na
zyn dood door Góddelyke kracht verrigt heeft.
Azaël Koning van Syrië gefturven zynde,
wierdt van Adad zynen zoon in \'t ryk gevólgd :
dóch Joas Koning van Ifraël floeg hem in drie
veldflagen, en herwon alzo van hem de landen
welke zyn vader Azaël den Iftaëliten ontno-
men had, gelyk door den Profeet Ehféus was
voorzegd. Joas eyndelyk ook overleeden zyn-
de wierdt te Samarië begraaven, en van zynen
zoon Jeroboam [in \'t ryk Ifraëls] gevólgd.
X. H O O F D S T U K.
Araafias Koning van Juda door Gód bygeftaan verflaat de Amalekiten,
de Idumeers, en de Gabalitanen. Hy vergeet Gód , en óffert den
afgoden i tot ftraffe van welke zonde hy overwonnen en gevangen
genomen wordt door Joas Koning van Ifraël, aan wien hy ge-
i\'JU
TN het tweede jaar der regeeringe van Joas Ko- 3 ^(j.
ning van Ifraël, vólgde Amafias Koning van
Juda, wiens moeder Jodada geheeten van Jeru-
falem was, zynen vader in\'t ryk. Alhoewel hy
nóg jong was, echter beminde hy de gerechtig-
heyd : Hy begon zyne regeering met wraak te
oefenen over den dood zyns vaders; en
fchoonde niemand der gener die voorgeevende
zyne vrinden te zyn , hem zo wreedelyk ver-
moord hadden : maar hunne kinderen deed hy
geen leed, omdat de wet verbiedt de kinderen
om de zonden hunner vaderen te ftraffen. Hy
befloot den Amalekiten, mitsgaders den Idu-
meërs , en Gabalitanen den oorlóg aan te doen :
tót dien eynde bragt hy uyt de ftammen Juda en
Benjamin ontrent driehonderd-duyzend man-
nen op de been, alle in de bloei huns leevens,
en die min of meer dan twintig jaaren had-
den. Hy ftelde Bevelhebbers over hen, en
iondt
zondt honderd talenten zilvers aan Joas Ko-
ning van Ifraël , om met honderd-duyzend
mannen van hem bygeftaan te worden. Toen
hy gereed was om met dit groot heir te velde
te trekken, beval een Profeet hem van Góds
wege die Iftaëhten te rugge te zenden, omdat
zy gjódloozen waaren, en dathy zekerlyk over-
wonnen zoude worden indien hy zich van hen
bediende j in plaats dat hy op Góds byftand
fteunende door zyne krygsmagt alleen zyne
vyanden zoud overwinnen. Dit fpeet hem^
omdat hy reeds gcld tót fóldy der hulpbenden
gegeeven had; maar de Profeet vermaande
hem tót gehoorzaaminge van \'t bevel Góds,
die hem dat verlies met woeker kon vergoeden.
Hy zondt dan die honderd-duyz-end mannen te
rugge, zonder het gegeeven geld weder te
eyfchen ; thans trok hy zyne vyanden tegen,
overwon hen in een zwaar gevecht, verlloeg
tienduyzend van hen, en kreeg\'er een gelyk
getal gevangenen , welke hy liet brengen op de
plaats genoemd de groote róts , dicht by Ara-
bië, alwaar hy hen alle van boven neêr deed
werpen. Hy kreeg ook eenen grooten en kófte-
lyken buyt: maar de Ifraëliten, welke hy te
rug gezonden had , daarover gebelgd zynde,
ftroopten in zyn land tót aan Bethfames, voer-
den veel vees weg, en doodden drieduyzend
ingezétenen.
Amafias opgeblaazen door deeze voorfpoed
zyner wapenen, vergat dat hy die aan Gode
verfchuldigd was, en door een heyllooze on-
dankbaarheyd, in ftede van hem de eere te gee-
ven , verliet hy zynen dienft, om de valiche
gódheden der Amalekiten te aanbidden. De
Profeet quam daarop by hem, en zeyde, ,, Dat
3, hy ten hoogften verwonderd was te zien dat
5, hy als Goden eerdé zodaanige die hunne aan-
3, bidders tegen hem niet hadden konnen be-
â fchermenj nóch beletten dat hy zo veele van
3, hen doodde j zo veele andere gevangen nam,
5) en hen zelfs hunne afgoden nevens anderen
j, roof na Jerufalem deed brengen." Deeze
woorden maakten Amafias zo toornig, dat hy
den Profeet dreygde te dooden j indien hy meer
op die wyze beftond te fpreeken. Hy ant-
woordde dan dat hy zich ftil zou houden, dóch
dat Gód echter niet laaten zoude hem naar ver-
dienfte te ftraften. Nademaal de hoogmoed
van Amafias fteeds aangroeide, en dat hy be-
haagen nam in den Heere te beicedigen, in
plaats van te erkennen dat al zyn geluk van hem
quam, en\'er hem voor te danken, fchreef hy
eenit^en tyd daarnaa aan Joas Koning van Ifraël,
« Dat hy hem met al zyn vólk moft gehoor-
» zaamen , gelyk de tien ftammen onder hem
wel eer zynen voorvaderen David en Sa o-
â mon gehoorzaamd hadden; en dat indienhy
â niet gezind was zulks vry Willig te doen, hy
zich dan ten oorlóg toeruften mogt; naar-
dien hy beflooten had dat gefchft door de
â wäpenen te beftechten." Joas antwoordde
daarop in deezer voege : â De Koning Joas
3, aan den Koning Amafias. Daar was eens op
5, den berg Libanon een groote Cipreftèboom,
â en een diftel: de diftel verzócht van
IS prés zyne dóchter voor zynen zoon ten huu-
welyk; maar terwyl hy dit verzoek liet doen, â
quam\'er een wftd beeft dat hem vertradt en â
verpletterde. Spiegel u aan dit voorbeeld, â
om niets boven uwe magt te onderneemen; â
en wees doOr uwe overwinninge op de Ama- â
lekiten behaald niet zo opgeblaazen, dat <^y â
u in gevaar zoudt ftellen van uw ganfche ryk â
te verliezen." Amafias ten hoogften over dee-
zen brief verftoord, ruftte zich ten oorlóp toe;
en buyten twyfel dreef Gód hem daartoe^aan\'
om zyne rechtvaerdige wraak over hem te oefe-
nen. Toen de heiren eikanderen genaderd waa-
ren , en zich in ftagörde gefteld hadden, wierdt
dat van Amafias fchielyk met zodaanig een fchrik
van|den Hemel geflagen, dat het de vlugt nam
eer men eens handgemeen wierdt, laatende A-
mafias ter genadé zynér vyanden. Joas hem in
zyne magt hebbende zeyde dat\'er geen middel
voor hem was den dood te ontwyken, dan door
de poorten van Jerufalem voor hem en zyn heir
open te ftellen. De begeerte die deeze Vórft
had om zyn leeven te behouden, deed hem de
inwoonderen overfteni^men dat zy deeze voor-
waarde aannamen. Joas dan een yak van^ vier- ^ Anderé
honderd elleboogen wyd in de ftadsmuur lieh-fufl"\'^\'
bende doen breeken, reedt zeegcpraalende op
zynen wagen, gevólgd van zyn ganfche heir,
in deeze hoofdftad des ryks, en Amafias met
zich gevangen leydende, nam hy alle de fchat-
ten die in ^den Tempel waaren, en al het goud
35
3>
5>
en zilver dat hy in\'t paleys der Koningen vondt,
ftelde Amafias in vryheyd, \'en keerde weder na
Samarië. Dit viel voor in het veertiende jaar
der regeeringe van Amafias. Etlyke jaaren daar-
naa wanneer deezerampzahge Vórft zag datzy^
ne vrinden zelfs hem belaagden , vlugtte hy i^a
de ftad Lachis ; maar dat kon hem niet behoe-
den ; want ook daar benamen zyne belaagers
hem \'t leeven, en bragten zyn lighaam te Jeru-
falem , alwaar hy met zodaanig een lykftaatft als
ontrent Koningen gebruykelyk is begraaven
wierdt. Aldus eyndigdehy jammerlyk zyne da-
gen in \'tnegentwintigfte jaar zyner regeeringa>
en het vieren vyftigfte zyns leevens, tót üraffe,
dat hy Gód veracht, en de waare Gódsdienft
verlaaten had , om de afgoden te aanbidden,
Oziof zyn zoon vólgde hem in \'t ryk:
XI. H O O F D S T U K.
De Profeet Jonas voorzegt Jeroboam Koning van Ifraë! dat hy de Sy-
riërs overwitinén zal. Gefchiedetiis v^i» dien Profeet, -van
na Nineve gezonden om den ondergang van het ryk van Affyrië te
voorzeggen. Jeroboams dood. Zacharias zyn zoon vólgt hem in
de regeeringe. Treffelyke hoedaanigheden van Ozias Kouin» van
Ifraël. Hy verovert veele plaatfen j en verflerkt Jerufalem. Maät
zyne voorfpoed doet hem Gód vergeeten-, waarom de Heete hem
fchrikkelyk ftraft. Jotham zyn Zoon vólgt hem in \'t ryk. sd-
lum vermoort Zacharias Koning van Ifraël , en maatigt zich de
kroon aan. Manahem dood Seilum, cn regeert tien jaaren. Pl»a-
keïazyn zoon vólgt hem. Phake vermoordt denzelven en regeert in
Zyne plaats. Teglat-Phalazar Koning van AlTyrië voert eenen zwaa-
ren oor log tegen hem. Deugden van Jotham Koning van Juda, De
Profeet Nahum voorzegt de verdelging van \'t ryk van Aflyrië.
tn het vyftiende jaar der regeeringe van Ama-
fias Koning van Juda, was Jeroboam, zynen ^
vader Joas, in\'t ryk van Ifraël gevólgd, en ere-,
duurende veertig jaaren welke hy reo-eerde
hieldt hy zyn verblyf te Samarië even als zyne
voorzaaten. De gódloosheyd van dien Vórft,
en zyne^ neyging tót afgodery was zeer groot,
zo dat hy daardoor fpoorlooze dingen bedreef,
F f 2 ^ cn
en in \'t vervólg zeer veele onheylen over zyne
onderzaaten haalde. Zekeren Profeet Jonas
genoemt, voorzeyde hem dat hy de Syriërs over-
winnen, en de landpaalen zyns ryks uytbrey-
den zoude tót aan de ftad Amathna\'tnoorden,
en tót aan \'t meir Afphaltis na\'tzuyden, \'t wel-
ke de oude grenzen van\'t land Kanaan waaren,
die Joftia gefteld had. Jeroboam door deeze
voorzegging aangemoedigd verklaarde den oor-
lóg tegen de Syriërs, en veroverde al\'tlaichet
welk Jonas voorzegd had dat hy vermeefteren
zoude. Dewyl ik beloofd hebbe oprechtelyk en
getroiiwlyk te zullen verhaalen \'tgene men inde
heyhge boeken der Hebreen gefchreeven vindt,
behoor ik niet ftilzwygends voorby te gaan\'tge-
ne dien Profeet betreft. Gód beval hem dan den
inwoonderen van Nineve, die groote en magti-
tige ftad, aan te kondigen, dat het ryk van Af-
fyrië, waarvan zy de hoofdftad was, verdelgd
zoude worden. Deeze laft fcheen hem zo ge-
vaarlyk te zyn, dat hy niet befluyten kon dien
uyt te voeren j en even als óf\'tin zyne magt ge-
weeft waare zich voor Góds oogen t\'e verbergen,
hy ging te Joppe t\'fcheep om na Tarfls inCili-
cië te vaaren. Maar daar ontftondt zulk een
zwaare ftórm, dat defchipper, de ftierman en
\'t bootsvólk zich in gevaar ziende van te vergaan,
gebeden voor hunne behoudenifle uycboezem-
den > en Jonas was de eenigfte die in eenen hoek
van \'t fchip met zynen mantel bedekt leggen-
de , hun voorbeeld niet naavólgde. Terwyl het
onweer ondertuflchen hand over hand toenam,
fchoot hen in den zin dat moogelyk iemand on-
der hen de oorzaak van dit ongeluk was : óm
d\'erhalve te weeten wie dit zou moogen wee-
zen , wierpen zy \'t lót, en het viel op Jonas,
Zy vraagden hem wie hy was, en waarom hy
die reyze ondernomen had. Hy antwoordde
dat hy een Hebreer en een Profeet des almagti-
gen Góds was, en dat indien zy\'t gevaar, dat
hen dreygde, ontkomen wilden, zy hem inde
zee moften werpen, omdat hy\'er alleen de oor-
zaak van was. Zy konden in \'t eerft daartoe
niet befluyten, doordien het hen eene foort van
gódloosheyd toefcheen, aldus eenen vreemde-
ling, die zyn leeven aan hen vertrouwd had,
aan eenen wiflèn dood over te geeven. Maar
toenzy zich op \'t punt zagen van te zullen ver-
gaan wierpen zy, ten deele door Jonas zelve,
ten deele door de begeerte om zich te redden
aangezet, den Profeet in zee : waarop het on-
weer bedaarde. Men leeft dat een walvifch hem
opflokte, en dathy naa drie dagen en zo veele
nachten, leevendig en onbefchadigd weder uyt-
gefpoogen wierd aan den oever van de Euxyn-
iche zee, alwaar hy Gód om vergiftènis gebe-
den hebbende, toen na Nineve ging, en aan
dat vólk verkondigde dat zy \'t ryk van Afië haaft
verliezen zouden. Dus luyd zyn gefchiedenis,
zo als ik die uyt onze Schryvers heb opgemaakt.
Jeroboam Koning van Ifraël overleedt naa 399.
dat hy veertig jaaren voorfpoediglyk geregeerd ^
had, en wierdt te Samarië begraaven. Zacha-^^\'
rias zyn zoon vólgde hem in\'t ryk, gelyk Ozias
in \'t veertiende jaar van Jeroboams regeeringe
zynen vader Amafias, die hem by Achia van
Jerufalem geteeld had , in \'t ryk van Juda ge-
vólgd was.
De Koning Ozias was zo goedaardig, zul^ ^^^^
een beminnaar van de gerechtigheyd , en zo Kron,
kloekmoedig en voorzigtig» dat alle die voor-
treftèlyke hoedaanigheden tzamengevoegd,
hem bequaam maakten om groote daaden uyt
te voeren. Hy overwon de Philiftynen, en
ontweldigde hen de fteden Geth en Jamnia,
welker muuren hy deed flechten j hy beftreedt
de Arabiërs , gebuuren van Egipte j ftichtte
eene ftad dicht by de roode zee, waarin hy een
fterke bezetting leyde i bragt de Ammoniten
onderen maakte hen cynsbaar j bemagtigde al
het land dat zich tót aan Egipte uytftrekt j en
wendde daarnaa zyne vlyt aan tót het herftel-
len
kn en verfterken van Jerufalem : Hy deed haa-
re muuren , die door \'t verzuim zyner voor-
zaaten zeer vervallen waaren , verbéteren j hy
Met het vak dat Joas Koning van Ifraël in den
muur deed breeken toen hy naa \'t gevangen
neemen van den Koning Amalias in zeegepraal
ter ftad inreedt, weder dicht maaken ; hydeed
op nieuws veele torens bouwen van honderd
vyftig elleboogen hoog j hy beval fchanfen op
te werpen aan de afgelegenfte hoeken der ftad j
en hy maakte ook veele waterleydingen. Hy
onderhieldt een overgroot getal van paerden
en vee , doordien het land zeer ryk van wey-
den waSj en dewyihy een groot lief hebber van
den landbouw was", deed hy zeer veele fruyt-
boomen en andere gewaftèn planten. Hy on-
derhieldt driehonderd-zeventigduyzend fóldaa-
ten 5 alle uytgeleezen vólk, gewapend met
zwaerden , fchilden , kópere harnaften , boo-
gen 5 en flingers , zynde in regimenten onder
\'t opzigt van tweeduyzend goedje Bevélhebbers
verdeeld. Hy deed ook veele ftórmgevaarten
maaken om fteenen en fchichten te werpen,
alsmede groote haaken en ander tuyg om fte-
den te beftórmen.
De hoogmoed in zulken grooten voorfpoed
vergiftigde het gemoed van dien Vórft dermaa-
te met haar venyn , dat die tydelyke en ver-
gangklyke magt hem de eeuwige en onbezwy-
kelyke magt Góds deed verachten: want hy floeg
zyne heylige wetten niet gade, en in plaats van
de deugd te omhelzen, begon hy zynen va-
der in \'t pleegen van gódloosheyd naa te vól-
gen. Invoege dat zyne voorfpoed en deluyfter
zyner groote daaden maar tót zyn verderf
ftrekten, en blyken deeden dat het den men-
fchen zwaar valt zich in groot geluk te maatigen.
Eens op eenen feeftdag kleedde deeze Ko-
ning zich met het priefterlyk gewaad , en
quam in den Tempel om Góde reukwerk op
den gouden altaar te ófteren. De Hoogeprie-
fter Azarias quam daarop toeloopen verzeld
van tachtig Priefters, en zeyde dat zulks hem
niet geoorlófd was, en dat hy niet verder moft
treeden , maar te rugge gaan , indien hy Gód
door zulk een heyflooze daad niet vertoornen
wüde. Ozias wierdt hierover zo vergramd,
dat hy dreygde hem, midsgaders alle de ande-
re Priefters , te dooden , indien hy hem in zyn
voorneemen belettede. Naauwlyks waaren
deeze woorden uyt zynen mond , óf daar ont-
ftondt een groote aardbeeving , het dak des
Tempels opende zich , eene ftraal der zonne
floeg dien gódloozen Koning in \'t gezigt, en
hy bevondt zich op dat oogenbhk ganfch van
Hielaatsheyd bedekt. Deeze aardbeeving fcheur-
de ook van één , op eene plaats dicht byde ftad
genoemd Eroge, den berg die na \'t weften lag,
waaraf de helft vier ftadiën vandaar tegen
eenen anderen berg die zich na \'t ooften ftrek-
te, gevoerd wierdt, het welk den ganfchen weg
verftópte , en des Konings tuynen met aarde
bedekte. De Priefters ziende deezen Vórft
dus geheel melaatfch , konden gemaklyk be-
grypen wat \'er de oorzaak van was dies zey-
den ze hem dat die quaal hem door een blyk-
baare ftraiFe van Gód was toegezonden, en be-
valen hem ter ftad uyt te gaan.
fchande benam hem de ftoutheyd van zich
daar tegen te kanten ^ zo dat hy dit bevél ge-
hoorzaamde , en aldus rechn^aerdiglyk oves
zyne gódloosheyd , en zyn roekeloos beftaan
om zich boven den menfchelyke ftaat te ver-
heften , geftraft wierdt. Hy bragt aldus eeni-
gen tyd buyten de ftad door , leevende als
een ampteloos perfoon, terwyl Jotham zyn
zoon de rykszaaken waarnam^ en hy ftierf eyn-
delyk van verdriet dat hy zich tót zulken ftaat
gebragt zag. Hy was achtenzeftigjaaren oud,
hebbende twêën vyftig daarvan geregeerd.
Men begroef hem in zynen tuyn in een byzon-
der graf, enJotham vólgde hem in \'t ryk.
Noopende Zacharias Koning van Iftaël, 401.
naauwlyks had hy zes maanden geregeerd , of^Kon.n.
een zyner vrinden genaamd Sellum , zoon van
Jabes vermoordde hem , en maatigde zich het
ryk aan : maar hy bezat die heerfchappy, wel-
ke hy door zulk een fchelmftuk verkreeo-en
had , niet boven een maand. Manahem de
Veldoverfte, die toen in de ftad Tharfa Vvas,
dc moord van Zacharias verftaan hebbende, trok
met zyne ganfche krygsmagt recht op Samarië
aan j bevocht, overwon , en doodde hem ^
zette uyt eygen gezag de kroon op zyn hoofd,
en keerde met zyn zeeghaftig heir na Thapfa.
Dóch vermids de inwooners hem niet erken-
nen wflden , en hem de poorten voor de
neus ftooten, pionderde hy \'t ganfche land,
nam de ftad met geweld in , doodde hen al-
le , verfchoonde zelfs de kinderen niet en
pleegde alzo tegen zyne eygene landaard zo-
daanige wreedheden welke men naauwlyks
tegen overwonnene Barbaaren oefenen zoude:
ook betoonde hy geen meer zachtzinnigheyd
en menfchelykheyd geduurende de tien jaaren
die hy over Ifraël regeerde. Thtil Koning van
Aftyrië verklaarde den oorlóg tegen hem : en
dewyl hy zich niet magtig genoeg bevondt om
hem het hoofd te bieden , kóft hy de vreede
van hem voor duyzend talenten zilvers , en
vórderde daarnaa zynen onderdaanen die ibmme
af, door het opftellen van vyftig drachmen
op ieder perfoon. Hy ftierf niet lang daar-
naa , en wierdt te Samarië begraaven : "Pha-
tó\'zyn zoon vólgde hem in \\ ryk , en erfde
zyne wreedheyd niet minder dan zyne kroon j
dóch regeerde niet boven twee jaaren. Want
Thake zoon van Romelia Overfte eener bende
van duyzend mannen, doodde hem verraader-
lyk op een gaftmaal dat hy voor zyne vrinden
had aangerecht, bemagtigde het ryk, en regeer-
de twintig jaaren , zonder dat men zeggen kan
óf hy in gódloosheyd óf in onrecht vaer dig-
heyd meeft uytmuntte. Teglat-Thalafar
ning van Aftyrië beóorlógde hem , veroverde
het ganfche land van Galaäd, alsmede de land-
ftreek aan gene zyde van den Jordaan , en \'t
daar by gelegen Galiléa , nevens Kydife en A-
for , en voerde alle de inwooners gevangen na
zyn ryk.
Jotham zoon van Ozias Koning van Juda, 402.
geteeld by Jerafa van Jerufalem geboortig, re-^\'^®" ^^?\'
geerde toen. Hy was een Vórft van alle deugden
voorzien j want hy was niet minder gódsdien-
Ff:ï flig
229
Zyne groote
ftig jegens Gód, dan rechtvaerdig jegens dc
menichen. Hy wendde groote vlyt aan tót het
verbéteren en vercieren dier groote ftad : hy
deed het voorpleyn en de poorten des Tem-
pels vermaaken > en een gedeelte der neêrge-
ftorte muuren wederopbouWen 5 waarby hy
groote en fterke torens voegde, en alle wan-
órde in zynrykherfteldc. Voorts overwon hy
de Ammoniten , leyde hen een jaarlykfche
fchatting op van honderd talenten, tienduy-
^ Kor. zend maaten tarwe en zo veel garft; en hy ver-
grootte het gebied en de magt van zynen ftaat
zodaanig , dat hy niet minder van zyne vyan-
den ontzien, dan van zyne onderdaanen be^
mind wierdt.
403 Geduurende zyne regeeringe voorZeyde ze-
ker Profeet genaamd Nahum den val des ryks
van Aflyrië , en de verdelging van Nineve,
met deeze woorden j â Gelyk het water van
â eenen grooten vyver door den wind beroerd
âwordt, zo zal men het vólk van Nineve
â door vreeze ontroerd zien , en hunne ge-
â dachten zullen zo twyfelachtig zyn , dat als
â zy tót malkanderen zullen zeggen : Laat
â ons vlugten\', ij ook zeggen zullen , Laaten-
â we blyven , om ons goud en zilver mede te
â neemen : maar niemand van hen zal dien
5, laaften raad vólgen, omdat zy hun leeven lie-
â ver zullen bergen dan hun goed. Overzulks
â zal men onder hen niet hooren dan gejammer
â en geklag : hunne fchrik zal zo groot zyn
â dat zy naauwlyks op hunne beenen zullen
konnen ftaan, en hun gelaat zal niet ken-
â baar weezen. Waar zullen zich dan de
3, leeuwen , cn de moeders der leeuwen-wel-
3, pen onthouden ? Nineve , zegt de Heere,
3, ik zal u uytroeijen , en men zal geene. Iceu-
â wen meer uyt u zien voortkomen die de
3, ganfche werreld zullen doen beeven.\'* De
Profeet fprak nóg veele andere diergelyke zaa-
ken wegens die magtige ftad , welk ik alhier
niet verhaal, om den leezer niet te verveclen.
En honderd vyftien jaaren daarnaa zag men de
vervulling dier profecye.
XII. HOOFDSTUK.
Dood van Jotham Koning van Juda. Achas zyn gódlooze zoon
vólgt hem m \'t ryk. Razin Koning van Syrië en Phake Koning
van Ifraël beoorlogen hem. Dóch naa dat die twee Koningen
gefcheyden waaren, voert hy kryg tegen Phake, en wordt van hem
in eenen veldflag overwonnen, De Profeet Obed beweegt de Ifrac
liten de gevangenen te rugge tc zenden.
404. T Otham Koning van Juda ftierf in den ou-
i.Kou. 18 J derdom van éénenveertig jaaren, naa dathy
iKron. 18 zeftien van geregeerd had , en wierdt in het
graf der Koningen begraaven. Achas zyn zoon
vólgde hem in \'tryk. Deeze Vórft was zeer
gódloos , want hy vertradt Góds wetten , en
vólgde de Koningen Ifraëls in hunne gruuwe-
len naa. Hy rechtte te Jerufalem altaaren op
om den afgoden te ófteren , hy óftèrde zynen
eygenen zoon ten brandófièr vólgens de ge-
woonte der Kanaaniten , en beging veele ande-
re verfoeijelyke misdaaden. Razin Koning van
Syrië en Damaskus , en Phake Koning van
Ifraël, die t\'zamen vrinden waaren , zeyden
hem den oorlóg aan, en belegerden hem in Jeru-
falem. Maar de ftad was zo fterk dat zy zich
Ã
230
genoodzaakt vonden het belég op te breeken.
Razin veroverde daarnaa de ftad Ela , aan de
roode zee gelegen, deed alle de inwooners om-
brengen, en rechtte daar eene vólkplanting der
Syriërs op. Hy nam ook veele andere plaat-
fen in, doodde een groot getal Jooden , en
keerde met zyn heir belaadcn met roof ^ weder
na Damaskus. Toen Achas zag dat de Syriërs
weggetoogen waaren , dacht hy dat hy niet
minder fterk was dan de Koning van Ifraël ^
dies trok hy tegen hem op , en men quam tót
eenen veldflag j in welken Gód , om hem we-
gens zyne misdaaden te ftraffen , toeliet dathy
overwonnen wierdt met verlies van honderd-
twintigduyzend mannen , en van den zoon van
Koning Achas, genaamd, die gedood
wierdt door Zacharias Veldóverfte van Ifraël,
welke ook Erik \'s ryks Opper-bewindsman, en
Elkam^ Veldóverfte van Juda gevangen nam. De.
Koning van Ifraël voerde daarbeneven ccn groo-
te menigte van mannen en vrouwen ge-
vangen : en toen de Ifraëliten zeegcpraalen-
de en met buyt bekaden weder na Samarië
keerden, quam de Profeet Obed * hen te gemoet, * Andcïs
en riep hen toe dat zy hunne overwinning niet\'
aan hunne eygene magt moften toefchryven,
maar aan Góds gramfchap tegen Achas : Hy
beftrafte hen dat zy zich met hun geluk niet
vernoegende zulk een menigte van perfoonen
durfden gevangen leyden , die uyt de ftammen
van Juda en Benjamin voortgekomen , van \'t
zelfde bloed gefprooten waaren als zy i en hy
zeyde hen dat indien zyze niet in vryheyd ftel-
den, Gód hen ftrcngelyk ftraffen zoude. De
Ifraëhten hielden daarover raad, enBarachias ^
die een man van groot aanzien onder hen was,
benevens drie andere, zeyden, ,, dat zy niet
zouden dulden dat men die gevangenen in ,,
hunne fteden bragt, uyt vreeze dat zy daar-
door Góds gramfchap en wraak op zich zou- ,,
den haaien : en datzy reeds al te veele andere â
zonden, waarover zy door de Profeeten waa- â
ren beftraft, begaan hadden, al waare \'t dat,,
zy \'er niet meer nieuwe by voegden.\'\' Het krygs-
vóïk door deeze reede bewoogCn, ftelde \'t aan
hen om te doen zo als zy \'t zouden goed vinden,
en daarop namen deeze verftandige mannen den
gevangenen de ketens af, onthaalden hen wel,
gaven hen reysgeld om Weder na huys te kee-
ren, jaa verzelden hen tót voorby Jericho, niet
verre van Jerufalem > waarnaa zy zich weeder
naar Samarië begaven.
XIII. HOOFDSTUK.
Achas Koning van Judla verzoekt d,e byftand van Teglat Phalafar Koning
van AlTyrië , die Syrië verwoeft , Ra^i" Kon>ng van Damaskus
doodt, en Damaskus inneemt. Schrikkelyke gódloosheyd van Achas.
Zyn dood. Ezechias zyn zoon vólgt hem m de regeeringe. Phak«
Koning van Ifraël vermoord door Ofea, die het ryk na zich neemt ,
cn door SalmanafTar Kouingvan Aflyrie overwonnen wordt. Eze-
chias herftelt dc Gódsdienft , overwint de Philiftynen , en veracht
de dreygementen des Konings van Aliyrie.
\'^Aa zulk een groot verhes zondt Achas
Koning van Juda Gezanten met kóftelyke
gefchenken aan Teglat^Phalafar Koning van
AflTyrié , om byftand van hem te verzoeken te-
gen de Ifraëliten , de Syriërs , en die van Da-
maskus , en beloofde hem een groote Ibrnme
gelds. peeze Vórft quam d^rop zelf in per-
fcon
IX. BOEK.
FLAVIUS JOSEPHUS
foon met een magtig heir , verwoeftte geheel
Syrië, nam de ilad Damaskus met geweld,in,
doodde Razin den Koning daarvan, zondt de
ingezétenen na \'t opper Medië, en deed de
AfTyriërs in hunne plaats komen. Daarnaa trok
hy op tegen de Ifraëliten , en voerde veele van
hen gevangen. Achas ging toen na Damaskus
om hem te bedanken, en bragt hem niet alleen^
lyJc al het goud en zilver dat hy in zyne fchat-
kiften had, maar ook dat het weikin den Tem-
pel wa^, zonder zelfs de gefchenken die Gode
geófferd waaren daarvan uyt te zonderen. Dee-
ze fnoode Vórft had zo weynig verftands,en
oordeels, dat hoewel de Syriërs zyne open-
baare vyanden waaren, hy echter niet naaliet
hunne goden te aanbidden, even als óf hy alle
zyne hoope in hunne byftand moft ftellen.
Maar toen hy zag datzy door de AfTyriërs over-
wonnen waaren , aanbadt hy de Goden der
overwinnenden, vermids\'er geen valfche Gód-
heden waaren welke hy niec liever wilde eeren
dan den waarachtigen Gód, den Gód zyner
voorvaderen, wiens gramfchap, welke hy over
zich gehaald had, de oorzaak van zlle zyne
rampen was. Zyne gódloosheyd ging zO; ver-
re, dat het hem niet genoeg was den TempeJ
van alle zyne fchatten te berooven , maar hy
deed hem ook ftuyten, opdat niemand Gód
met de plegtige cn gewoone ófferanden zoud
eeren. En naa dat hy den Heere door zo yeele
misdaaden getergd had, ftierf hy in den ouder-
dom van zesëndertig jaaren, waarvan hy\'er
zeftien geregeerd had, en liet zynen zoon
tót zynen naazaat.
Ontrent dien zelfden tyd wierdt Phake Ko-
ning van Ifraël verraaderlyk gedood door Oféa
éénen zyner vertrouwdfte vrienden, die naa hem
het ryk negen j aaren bezat, zynde een zeer boos
en gódloos menfch. Salmanajfar Koning van
Aftyrië deed hem\' den oorlóg aan , en had
geen moeite om hem te overwinnen en eene
fchatting op te leggen, doordien hy van Gód
verlaaten was.
In \'t vierde jaar der regeeringe van Oféa be-
\'klom Ezechias, zoon van Achas en Ahïa eene
Jerufalemfche vrouw, den rykstroon van Juda.
Deeze Vórft was zo vroom, rechtvaerdig, en
gódsdienftig, dat hy van \'t begin zyner regee-
ringe af oordeelde niets voordeeligers voor hem
en zyne onderdaanen te konnen doen , dan de
Gódsdienft te herftellen. Tót dien eynde ver-
gaderde hy al het vólk, de Priefters, en de
Leviten, en fptak aldus tót hen : â Gylieden
kont niet onweetende zyn van de onheylen
welke ey ter oorzaake van de zonden myns
5, vaders geleeden hebt, omdat hy Gode zyne
â behoorlyke eere onthouden , en u daarenbo-
â ven tót de aanbiddinge der valfche goden,
welke hy zelf aanbad, overreed heelt. INa-
demaal gylieden dan de ftraffe, die op de
gódloosheyd vólgt, geproefd hebt, ver-
maan ik u afftand daarvan te doen , uwe
gemoederen van alle die onreynigheden te
zuyveren, en u by de Priefters en de Leviten
5, te vervoegen, om den Tempel des Heeren
3, te openen en door plegtige ófferanden te rey-
5> nigen, en hem tót zynen voorigen luyfter te
407.
2-Kon.i!
i Kron.
30.
31.
3J
herftellen 5 dewyl dit het êènigfte middel is ,,
om Góds gramfchap te ftillen, en hem gun-,,
ftig jegens u te doen zyn.". Naa dat de Ko-
ning aldus gefprooken diad, openden de Prie-
fters den Tempel^, zuyver4fn hem, maakten
de gewyde vaten.^a^^^ eii bragten de; óffe-
randen , vólgens de gVwoohte Hunner voorou-
deren, op den altaar i Thans zondt Ezechias
booden, na alle de plaatfen van zyn ryk , om
het vólk te beveelen tót Jerufalem;:
ten eynde men aldaar "het feeft der ongehévelde
brooden , \'t welk-dpp^r 4e gódloosheyd van de
Koningen zyne .voorzaaten geduurende veele
: jaaren "Was geftaakt ^ vieren mogte. Zyn yver
ging nóg verder j hy. deed ook ;den Iftaëliten
door gezanten vermaanen hun bygelóof te ver-
laaten, en weder tót hunne oude en heylige ge-
woonten te keeren , om Gode de fchuldige eere
te geeven j en hy beloofde dat hy hen te Jerufa-
lem wel ontvangen zoude , indien zy het feeft
aldaar met hunne landslieden wilden komen vie-
ren : waarby hy .voegde dat alleen de beóoging
hunner gelukzaligheyd, en niet zyn eygen be-
lang., hem bewoog om hen tot het omhelzen
van zulken heylzaameh raad te noodigen.
Dóch de Ifraëliten luyfterden naar dien bood-
fchap niet, maar dreeven de fpót met de afge-
zondenen, en befchimpten de Profeeten die hen
vermaanden dien wyzen raad te vólgen ; en hen
voorzeyden wat onheylen hen naakende waaren,
indien zy in hunne gódloosheyd voortgingen^
Ja hunne dwaasheyd en woede liep zo hoog, dat
zy zelfs de Profeeten om \'t leeven bragten, en
hunne misdaaden door nieuwe overtreedingen
verzwaarden, tótdat Gód hen eyndelyk t\'hun-
ner ftraffe in de handen hunner vyanden over-
leverde , gelyk hiernaa ftaat gezegt te worden.
Evenwel waaren\'er nóg veele onder de ftammen
van Manafie, Zabulon, enifaffchar, die door
de woorden der Profeeten bewoogen, zich be-
keerden , en na Jerufalem gingen om Gód al-
daar te aanbidden. Toen deeze nu daar geko-
men waaren , begaf de Koning zich met alle
Grooten des ryks, en het vólk na den Tempel,
alwaar hy zeven ftieren, zeven rammen, zeven
lammeren, en zeven bokken voor zichzelven of-
ferde ⢠en naa dat die Vórft en de Grooten hun-
ne handen op de hoofden der flagtófferen ge-
legd hadden, wierden ze door de Priefters ge-
dood, en ten brandóffer geófferd zynde t\'eene^
maal door het vuur verteerd. De Leviten die \'er
rondom ftonden, zongen ondertuffchen op ver-
fcheydene foorten van fpeeltuyg lófzangen ter
eere Góds, gelyk David eertyds bevolen had :
de Priefters bliezen op de bazuynen, en de Ko-
ning en al het vólk lagen met het aangezigt ter
aarde om Gód te aanbidden. De Vórft ófferde
daarnaa nóg zeventig óflên, honderd rammen ^
en tweehonderd lammeren, gaf aan het vólk
zeshonderd óflen, en driezuyzend andere bee-
ften ; en naa dat de Priefters alle deeze plegtig-
heden, zo als de wet vereyfchte, volbragt had-
den , hieldt de Koning maaltyd met al het vólk i
en dankte den Heere nevens hen.
Toen het feeft der ongezuurde brooden ge-»
komen was, ófferden zy de Paafchófferanden,
en andere ilagtóffers zeven dagen lang. Be-
halve
halve degéne die door \'t vólk geófferd wier-
den, gaf de Koning twceduyzend ftierén, en
zevenduizend andere beeften : en dc Groo-
ten, om zyne mildheyd naa te vólgen, gaven
insgelyks duyzend ftierehT en\' duyzend veertig
ftuks ander vee : iiivoegerdit^men federd den
tyd van Salomon geeii-Tèéft\'Zo ftaatelyk had
zien vieren. "
Vervólgens \' zuyMde men Jerufalem en t
ganfche land van gruuwelen, door den l^yl^O"
zen dienft der afgóden ingevoerd : en de: Ko-
ninc^ verfchafte van het zyné \'t noodige vee om
de dagelykfcheófterandendóor de Weflngefteld
te ófferen. Hy beval dat het vólk^aan \'de Prie-
fteren en de Leviten de tienden en de eerftelin-
gen der vruchten betaalen zoude, opdat zy p-
legenheyd mogten hebben om zich ganfchelyk
ten dienfte Góds teverleedigenj enhy deed be-
quaame bewaarplaatfen voor hen bouwen, om
het gene hen aldus voor hunne vrouwen en kin-
deren gegeeven ^ierdt, te konnen wegleggen.
Invoege dat alles wat de Gódsdienft betrof vól-
gens de oude wyze herfteld wierdt.
Naa dat deeze gódsdienftige Vórft dit alles
in deezervoege befchikt had, verklaarde hy^den
oorlóg tegen de Philiffynen , overwon hen,
cn maakte zich meefter van^alle hunne fteden
van Gaza af
tót Geth toe. De Koning van Af-
fyrië dreygde hem met de verwoeftinge van zyn
ganfche land, indien hy de fchatting met betaal-
de welke zyn vader gewoon was op te brengen.
Maar het vertrouwen dat hy door zyne gód-
vruchtigheyd op Gód ftelde, en \'t geloof dat
hy floeg aan de voorzeggingen van den Profeet
Efaia, die hem onderrechtte van alles wat hem
te gebeuren ftond, deed hem die dreygemen-
ten verfmaaden.
408.
xiv. hoofdstuk.
SalmanafTcr Koning van Affyiië neemt Samarië in, verdelgt het ryk
van Ifraël t\'eenemaal i voert den Koning Ofea en al zyn volk ge-
vangen , en zendt een goed getal van Chureërs om \'t Koningryk
van Ifraël te bewooncn.
409. Q Almanaffar Koning van Aftyrië verftaan heb-
t Kon. 17.0 bende dat Oféa Koning van Iftaël heymelyk
iemand aan den Koning van Egipte afgezon-
den had, om dien tót het aangaan van een ver-
bond tegen hem te beweegen , toog met een
groot heir, in\'t zevende jaar der regeeringe van
dien Vórft, na Samarië, en maakte zich naa
een belég van drie jaaren meefter daarvan, in\'t
negende jaar der regeeringe van Oféa, en het
zevende van Ezechias Koning van Juda : voorts
nam hy Oféa gevangen, verdelgde het koning-
* ryk van Iftaël ganfchelyk, voerde al het vólk
gevangklyk weg na Medië en Perftë, en zondt
na Samarië , en alle de andere plaatfen van \'t
ryk Ifraëls, vólkplantingen van Chuteërs, zyn-
de vólken uyt zeker landfchap van Perfië , die
dien naam gekreegen hebben van de rivier Chuth
langs welke zy woonen.
Aldus wierden de tien ftammen, uyt welke
het koningryk van Ifraël beftondt, uyt hun land
verdreeven, negenhonderd zevenenveertig jaa-
ren naa dat hunne voorvaders uyt Egipte ge-
toogen zynde, dat land door de wapenen ver-
overd hadden | achthonderd jaaren naa de re-
geering van Jofua ; en tweehonderd veertig jaa»
ren, zeven maanden en zeven dagen naa datzy
van Roboam, zoons zoon van David, waaren
afgevallen, om Jeroboam zynen onderdaan aan
te hangen, en hem voor Koning te erkennen,
gelyk hiervoore verhaald is. En aldus was het
dat dit rampzalig vólk geftraft wierdt, om dat
zy Góds wet, en de ftem zyner Profeeten, die
hen zo menigmaal de rampen voorzegt hadden
waarin zy ftorten zouden, indienze in hunne
gódloosheyd voortgingen, veracht hadden,
Jeroboam was de heyllooze ftichter van dit
quaad , toen hy ten troon verheven het vólk
door zyn voorbeeld tót afgodery vervoerde,
en den toorn GÃds over hen haalde, w^aardoor
zy naa verdienfte geftraft wier den.
De Koning van Affyrië deed dc kracht zy-
ner wapenen ook aan Syrië en Fenicië gevoe-
len j en men vindt gewag van hem gemaakt in
de jaarboeken der Tyriërs, doordien hy hen
onder de regeeringe van Eluleus hunnen Ko-
ning beÃorlógden, gelyk Menander in zyne Hi-
fton der Tyriërs, die in \'t Griekfch overget is,
verhialt, en \'er aldus van fpreekt : Elulem re-
geerde zesendertig jaaren ; en dewyl de Gitte\'èrs
van hem afvielen, toog hy hen tegen met eene vloot,
en bragt hen weder onder zyne gehoorz^aamheyd.
^De Koning van Ajfyrté zondt ook een heir tegen
hem, vermeejierde ganfch Fenic ié-, en keer de naa
\'t maaken van den vreede weder in zyn land. Niet
lang daarnaa gebeurde het dat de fieden Sidon,
Arce^ \'t olooudeTyrm, en veele andere, het juk
der Tyriërs affchuddeden, om zich onder de heer-
fchappy des Konings van Affyrië te begeeven. En
dewyl de Tyriërs alleen zich aan hem niet wilden
onderwerpen, zondt hy hen zefiig fchepen tegen,
die door de Feniciërs uytgerufl, en met achthon-
derd roeyers voorzien waaren. Maar de Tyriërs
gingen met twaalf fcheepen die vloot tekeer, ver-
firooiden deszel\'ue, namen vyf honderd mannen ge-
vangen , en leyden door die o-ver\'winmnge groote
eere tn. *I)e Koning van Affyrië keerde toenuue-
der, maar liet veel krygsvólks langs de rivier en
by de waterleydingen, om de Tyriërs te beletten
dat zy\'er waater vandaan haalden j V welk vyf
jaaren geduurd hebbende wier den zy genoodzaakt
putten te delven. Dit is \'t gene men in de Kro-
nyken der Tyriërs wegens Salmanaffar Koning
van Affyrië vindt.
De nieuwe inwooners van Samarië, die Chu-
teërs genoemd wierden om reden reeds gemeld,
beftonden uyt vyf verfcheydene vólken die elk
eenen byzonderen Gód hadden, welke zy fteeds
dienden en aanbaden gelyk zy te voore in hun
eygen land gewoon waaren. Maar Gódt wierdt
hierover zo vertoornd, dat hy hen een zwaare
peft toezondt i waartegen zy geen hulpmiddel
vindende, door een orakel vermaand wierden
den almagtigen Gód aan te bidden , en dat die
hen dan verlóffen zoude. Aanftonds zonden zy
eenige aan den Koning van Affyrië, om hem te
bidden dat hy hen etlyke van de Hebreewfche
Priefters, welke hy gevangen hieldt, wilde toe-
zenden. Deeze Vórft ftondt hen dit verzoek
toe, en aldus wierden zyin de wet Góds onder-
weezen, gaven hem de behoorlyke eere, en ter-
ftond begon de Peft op te houden. Deeze vólken
wel-
410.
IX. Boe K.
F L A V I U S J O S E P H U S
welke de Grieken Samaritaanen noemen, vol-
harden nóg tót deezen huydigen dag in die
Gódsdienft. Maar ten onzen opzigte veran-
deren zy naar den tyd 5 want als onze zaaken in
eenen goeden ftaat zyn, betuygen zy dat ze
ons] als hunne broeders aanmerken, omdat de
ééne zo wel als de andere van Jofeph afkom-
ftig zynde, wy alle onzen oorfprong uyt éénen
zelfden broeder trekken. En wanneer *t geluk
ons tegen loopt, dan zeggen zy dat ze ons niet
kennen 5 en dat ze niet gehouden zyn ons te
beminnen, omdat zy uyt Zulk een ver land
gekomen zynde om zich neêr te zetten in \'t ge-
ne zy nu bewoonen, niets gemeens mét ons
hebben. Maar laat ons dit uytftellen tot beter
gelegenheyd om daaraf te Ipreeken.
JOODSCHE
HISTORI
TIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Sennachcrib Koning van Affyrië komt met een groot heir in \'t Ko-
ningryk van Juda , en houdt den Koning Ezechias , die hem een
groote fomme gelds gegeeven had opdat hy vertrekken zoude,
geen woord. Hy oorlógt in Egipte , cn laat Jerufalem door zy-
nen Veldheer Rapfakes belegeren. Dc Profeet Efaia verzekert Eze-
chias van Góds byftand. Sennacherib komt van Egipte re rugge
zonder aldaar iets gevórderd te hebben.
411. TN het veertiende jaar der regeeringe van
^Kou.is J.£zechias Koning van Juda, quam Sefmache-
rib Koning van Aftyrië met een magtig heir in
zyn ryk ; en naa dat hy alle de andere fteden
der ftammen van Juda en Benjamin ingenomen
had, trok hy na Jerufalem. Ezechias zondt
derhalve gezanten aan hem , met aanbiedinge
van zynen tólpligtige te zyn op zodaanige
voorwaarden als hy zelf begeeren zoude. Dee-
ze Vórft nam dit aan , en beloofde hem met
eede dat hy zonder eenige vyandlykheyd te
pleegen uyt zyn land zoude trekken , mids dat
hy hem dertig talenten gouds , en driehonderd
talenten zilvers betaalde, Ezechias zich op
zyn woord verlaatende , putte alle zyne fchat-
kiften uyt om hem die fomme te zenden ^ op
hoope van daardoor vreede te hebben. Maar
Sennacherib dit geld ontvangen hebbende ,
wilde zyn gegeeven woord niet houden 5 want
zelf in perlóon tegen de Egiptenaars en Ethio-
piërs getoogen zynde 5 liet hy Rapfakes zynen
Opperveldheer met een groote krygsmagt, en
verzeld van twee andere zyner voornaamfte
Legerhoofden , genaamd Zi&iar^^ en Anachaf js,
in Tudéa, om den oorlóg y welken hy aldaar
begonnen had, voort te zettèri, Deeze Veld-
overfte dan Jerufalem genaderd zynde , deed
Ezechias boödfchappcn dat hy zoud uytkomen
om met hem in gelprék te tree<ien. Maar de
Koning hem niet betrouwende, zondt drie
zyner getrouwfte amptenaaren uyt, teweeten
Eliakim ZYnen Opperhóftneefter, Sobna zynen
Geheymfchryver ,, enjoachvynm Kancelier.
Deeze in \'t hëir gekomen zynde, zeyde Rapfakes
tót hen in tegenwoordigheyd van alle zyne bevél-
hebberen : ,, Keert weder na uwen meefter, en
â zegt hem dat de groote Koning Sennacherib
â vraagt, waarop hy zich verlaat dat hy wey-
â gert zyn heir binnen Jerufalem te ontvangen.
â Indien het is op de byftand der Egiptenaa-
3, ren , dan moet hy zyn verftand verlooren
5) hebben j en hy gelykt naar iemand die op een
ried fteünende , zyne hand door \'t breeken
defzelfs quetft , in plaats dat het hem tót jj
eene ftut zoude dienen. Voorts moet hy â
weeten dat het door Góds bevél is dat de
Koning deezen oorlóg ondernomen heeft, â
en dat dezelve hem daarom zo wel gelukken ,,
zal, als die welken hy tegen de Ifraëliten
heeft gevoerd, en dat hy zich meefter van jj
beyde die Koningryken zal maaken.\'\' Rap-
fakes in \'t Hebreews , dat hy heel wel ken-
de , gefprooken hebbende , zo verzócht Elia-
kim , uyt vreeze dat het volks zulks hoorende
vertfaagd mogt wordenjdat hy in \'t Syrifch fpree-
ken wilde. Maar de ander wel bemerkende waar-
om Eliakim dit begeerde , vervólgde overluyd
in \'t Hebreews te zeggen : ,, Nademaal gy- â
lieden dan niet onweetende zyt wat de wille ,,
des Konings is , en-hoeveel \'er u aangelegen â
legt u daaraan te onderwerpen , waartoe lan-,,
ger gedraald met ons in uwe ft ad te ontvangen ^,,
en waarom poogt uw Meefter , en gy met â
hem, het vólk met ydele en dwaaze hoope
te paaijen Want indien gylieden u dapper
genoeg aclit om ons te wederftaan, wel aan j
ik zal u twee duyzend van myne paerden â
fchenken , zoo gy my uyt de uwe zoo veel,,
manfchap toonen kund : Maar hoe kont,,
gylieden toonen dat gy niet hebt > En â
wat vertoeft gy "te onderwerpen aan den,,
crenen welken gy niet wederftaan kont.?,,
^eet gy niet wat voordeel het is vry wil- â
lig te doen \'t gene men niet ontgaan kan,
en hoe groot een gevaar het zy als men wacht â
tótdat men \'er met geweld toe gedwongen â
wordt
Dit antwoord bragt den Koning Ezechias
zulk eeh verftagenheyd aan, dat hy zyn koning-
lyk gewaad afteyde , en zich met eenen zak,
vólgens \'t gebruyk onzer voorvaderen , Idee-
dende , met zyn aangezigt op de aarde viel,
én Gód badt hem in dien nood by te ftaan ,
naardien \'er geen hulpe dan van hem alleen te
verwachten was. Voorts zónd hy eenige zy-
ner vrienden , en etlyke Priefters , om den
Profeet Efaia te verzoeken dat hy Gode óf-
feranden wilde ófteren , ten eynde het den
Heere mogte beheven mededoogen met zyn
vólk te hebben , en den verwaanden hoog-
moed zyner vyanden tc vernéderen. . De
G O- Pro-
Profeet deed het genehy verzócht, en door
eene openbaaring van Gód vermaand, beval
hy hem niet bevreefd te zyn , doordien de
Heere ©p een zeldzaam e wyze de ftoutheydi
dier Barbaaren te fchande zou maaken , en zy
met fchaamte en zonder vechten zouden moe-
ten wyken : waarby hy nóg voegde, dat dee-
ze Koning der Aflyriërs, tót dus lang toe zo
ontzaglyk, door de zyne in zyn eygen land
zou vermoord worden, op zyne wederkomltc
uyt den oorlóg van Egipte, die hem niet ge-
lukken zoude. . â
Ter zelfder tyd ontving de Komng üze-
chias brieven van dien Vórfl:, door welke hy
hem liet weeten, dat hy zyne zmnen moft ver-
looren hebben, om zich te konnen verbeelden,
dat hy niet zou behoeven zich aan eenen over-
winnaar van zo veele magtige vólken te onder-
werpen : voorts dreygde hy hem met al zyn
vólk te zullen verdelgen, byaldien hy de poor-
ten van Jerufalem voor alle zyne benden niet
open ftelde. Dóch het vaft vertrouwen dat
Ezechias op Gód had, deed hem deeze brieven
verachten , zo dat hyze weder toegevouwen
hebbende in den Tempel leyde , en in zyne ge-
beden tot Gód dat hy Jerulalem wilde verlotien
volhardde. Inmiddels boodfchapte de Profeet
Efaia hem, dat zyne fmeekingen verhoord waa-
dat hy niets voor de poogingen der Afly-
ren
riërs te vreezen had, en dat hy zich en alle de
zyne in ftaat zou zien om in vollen vreeae de
akkers te bouwen, welke zy door den oorlóg
hadden moeten verlaaten, Sennacherib was
toen beezig met het belég der ftad Pelufium,
waarvoor hy reeds een langen tyd gelegen had :
maar toen zyne ftórmwallen tót zulk een hoog-
te opgeworpen waaren als de ftadsrnuuren , en
hy tót den ftórm gereed was, kreeg hy bericht
dat Tharaka Koning van Ethiopië met een
magtig heir tót byftand der Egiptenaaren in
aantógt was, en door de woeftyne quam trek-
ken om hem te overvallen : dies brak hy \'t be-
lég op, en toog weg. Herodotus, in\'t twee-
de boek zyner hiftoriën van Sennacherib fpree-
kende, zegt dat hy gekomen was om den Ko-
ning van Egipte, die ook een Priefter van Vul-
kanus was, te beóorlógcn : en hy voegt\'er by,
dat het gene hem noodzaakte het belég van
Pelufium op te breeken, was dat die Koning
en Priefter zynen gód Vulkaan om hulpe ge-
beden hebbende, \'s nachts in het heir des Ko-
nings der Arabiërs (waarin de Hiftorifchry-
fchryver mis heeft, want hy moft gezegd heb-
ben, der Aflyriërs) zulk een menigte van muy-
zen quam, dat zy de peezen der boogen door-
knaagden, en hun ander geweer onbruykbaar
maakten : \'t welk hem noodzaakte het belég te
ftaaken. Berofus, die dcHiftorider Chaldecn
befchreeven heeft, maakt ook van Sennache-
rib gewag, zeggende dat hy Koning der Afly-
riërs was. , en eenen oorlóg in geheel Afië en
Egipte voerde.
II, H O O F D S T U K.
Door cenc peft van Gód gezonden fterven op ééne nack hondcrd-
vyfentachtig-duyzetid menfchen van het heir van Sennacherib dtc
Jerufalem belegerde : \'twelk hem noodzaakte het bele\'g op te bree-
ken , en weder na xyn land tc keeren , alwaar, twee zyner zoonen
hem vermoorden.
QEnnacherib , bevondt op zyne wederkomft
^uyt Egipte dat zyn heir honderd vyfen-
tachtig-duyzend menfchen verminderd was
door eene peft van Gód gezonden , den
eerften nacht naa dat hy begonnen had Je-
rufalem met geweld onder \'t beleyd van Rap-
fakes aan te taften : Dit ontftelde hem zo,
dat hy uyt vreeze van nóg meer vólks tc
verliezen, zich in groote haaft na Nineve
de hoofdftad zyns ryks begaf, alwaar korten
tyd daarnaa Adramelech en Sarafar * zyne * ^^^^
twee oudfte zoonen, hem in den Tempel re
van zynen Gód Arafkus ombragten j welken\'
vadermoord by \'t vólk zulk een afgryzen
baarde,
411.
, aar.
X.BoEk. jOÃDäCH
baarde , dat men hen ten lande uyt ja^de :
Zy namen de vlugt na Armenië : en Allarra-
chod vólgde hem in de regeeringe.
IIL HOOFDSTUK.
Ezccbias Koning van Juda zwaadirk krank zynde, bidt Gód hem
eenen zoon te geeven, en zyn leeven te verlenp. God bewilligt
in zyne bede, en de Profeet Efaia geeft er hem een teken van,
doende de fchaduw der zonne tien graaden te rugge gaan. Balad
Koning der Babiloniërs zendt gezanten aati Exechias om een ver-
bond met hem te maaken. Hy toont hen alle zyne koftelykheden ,
\'twelk den Heere zo mishaagde, dat hy hem door den Profeet doet
zeggen dat alle zyne fchatten en kinderen eens na Eabilon zullen
gevoerd worden. De Koning fterft.
413. A Ldus wierdt Ezechias Koning van Juda te-
iKon.ao./Agen alle hoope van het verderf dat hem
dreygde verlóft; en hy kon deeze wonderdaadi-
ge redding aan niemand dan Gode toefchry-
\' ven, die zyne vyanden eensdeels door de peft,
en ten andere door vreeze dat het óverige van\'t
heir het zelfde lót bezuuren mogt i verdreeven
had. Weshalve hy met al zyn vólk de Gódly-
ke Maiefteyt opentlyk dankte voor die byftand,
waardoor de Aflyriërs gedwongen waaren ge-
weeft het belég op te breeken. Eenigen tyd
daarnaa viel hy in zulk een zwaare ziekte, dat
de artfen en alle zyne vrienden aan zyn keven
wanhoopten. Maar dit was \'t niet eygentlyk
dat hem meeft bekommerd maakte : zyn groot-
fte verdriet was dat hy zonder kinderen fterven-
de, zyn geflacht met hem uytgefturven en het
ryk zonder wettige erfvólger zou zyn. In dee-
ze droefheyd badt hy Gód zyne dagen te wil-
len verlangen tótdat hy hem kinderen zoude ge-
geeven hebben : en Gód ziende in zyn hart dat
dit waarlyk de reden waarom hy dit verzoek
deed, en dat het niet was om de geneugten van
\'t koninglyk leeven langer te genieten, zondt
den Profeet Efaia om hem te zeggen dathy bin-
nen drie dagen weder gezond zoude worden,
cn dat hy nóg vyftien jaaren leeven, en eer hy
ftierf eenen zoon hebben zoude. De felheyd zy-
ner ziekte fcheen hem zo weynig overeenkomft
met de toezegginge van zulk een groot gelukte
hebben , dat hy\'er zwaarlyk volkomen geloof
aan flaan kon: dies badt hy den Profeet, dathy
hem dóch door eenig teken wÃde toonen, dat
het van Góds wege was dat hy aldus tót hem
fprak , om alzo zyn geloof te verfterken, de-
wyl men aldus de waarheyd der zaaken, als zy
zo ongemeen zyn dat menze niet zou durven
gelooven, beft bewyzen kan. De Profeet vraag-
de hem hoedaanig een teken hy begeerde : en de
Koning antwoordde, dat hy wenfchte te zien
dat de zonne, die nu reeds tien graaden verde
fchaduw in zyn Paleyshad uytgeftrekt, diezel-
ve weder ^reheel mogt doen wyken, en dat de-
zelfde fchaduw, naa zo een te rugtred gedaan
te hebben, weder op de eyge ^oor^e Plaatfe
mogt verfehynen. De Profeet verzocht dit van
den Heere , en \'t wierdt hem toegeftaan : naa
welk wonderteken Ezechias terftoiw gezond
wierdt, en na den Tempel ging om God aldaar
te looven en te aanbidden.
Ontrent dien tyd vermeefterden de Meden
het ryk der Aflyriërs, gelyk wy t\'zyner plaatle
zullen zeggen, en Balad Koning der Babiloni-
ërs zondt gezanten aan Ezechias, met gefchm-
ken om een verbondt met hem te maaken, Hy
E H I S T Ã R L
ontving en onthaalde hen prachtiglyk, toonde
hen zyne fchatten, zyne gefteenten, zyne wa-
penhuyzen, voorts alles wat eenigfms kóftelyk
was, en zondt hem toen met gefchenken voor
hunnen Koning te rugge. Efaia quam daarnaa
by hem, cn vraagde vanwaar die mannen die
hem bezócht hadden gekomen waaren. Hy
antwoordde â pat het gezanten waaren wel- â
ke de Koning van Babiion gezonden had, en
dat hy hen alle zyne kóftelykheden had ge-
toond, opdat zy hunnen meefter zouden kon-
nen verhaalen hoedaanig zyne rykdom en _
magt was. Ik verklaar u van Góds wege, zey-
de de Profeet, dat binnen korten tyd alle uw
rykdom na Babiion gevoerd zal worden dat
men uwe afkómehngen tót gefneedenen zal
maaken, en dat zy in die hoedaanigheyd
den Koning van Babiion zullen moeten die-
nen." Ezechias hoorende met groote droef-
heyd dat zyn Ryk en zyne naakómelingen met
zulke zwaare rampen gedreygd wierden , ant^
woordde den Profeet, dat nademaal niets de
uytwerking van Góds befluyt kon beletten, hy
hem ten minfte om deeze gunft badt, dat hy
het overfchót zyner dagen in vreede verilyten
mogte. De Hiftorifchryver Berofus maakt ook
gewag van deezen Balad Koning van Babilon.
En belangende Efaia, dien uytmuntenden Pro-
feet , die nooit mifte de waarheyd te zeggen,
het vertrouwen dat hy had op de zekerheyd zy-
ner voorzeggingen, maakte d^t hy niet fchroom-
de die te befchryven, ten eynde zy die naa
hem zouden komen daaraan niet behoefden te
twyfelen. En hy was \'t niet alleen die dus deed %
maar daar zyn nóg twaalf andere Profeeten ge-
weeft die defgelyks gedaan hebben 5 én wy zien
dat al het goed en quaad dat ons overkomt,
volkomenlyk met die profecy en overeenftemt,
gelyk het vervólg deezer Hiftorie zal toonen.
Naa dat de Koning Ezechias, vólgens Góds
belófte, nóg vyftien jaaren naa zyne ziekte ge-
leefd had, overleedt hy in den ouderdom van
vieren vyftig jaaren, waar van hy\'er negenen-
twintig had geregeerd.
IV. H O O F D s T tJ K.
Maniir^ Konina van Juda vervloeit tót allerley gódloosheden. Gód
Manallc Komngj^a. hy flaat er geen acht op. Een
dreygt nem . ^ Babilon verwoeft zyn ganfche land, cn voert
heir des K-omngs ^^ ^^^^^ ^^^ ^^^^ neemende worde
Ser^irvrvheyd geÃeld, waarnaa hy tót het eynde zyns leevens
toe Goi getrouwlyk dient. Zyn dood. Amon zyn zoon vólgt
hem in \'t ryk; Hy wordt vermoord } en joüas zyn zoon komt m
zyne plaits.
^ Anaps, welken Ezechias Koning van Ju- 41 ^
- A da by Achiba eene Jerufalemfche vrouw ge-
teeld had, vólgde hem in de regeeringej maar
hy floeg eenen geheel anderen weg in dan zyn
vader gehouden had ; want hy gaf zich over
aan allerley ondeugden en gódloosheyd , en
was een naavólger der Koningen van Ifraël,
welke Gód om hunne gruuwelen uytgeroeid
had. Hy beftondt zelfs den Tempel, de gan-
fche ftad Jerufalem, en \'t geheele land te ont-
heyligen ; want door geen vreeze voor Góds
gerechtigheyd weêrhouden, verfmaadde hy zy-
ne geboden, en hy deed veele vroome lieden
ombrengen , zonder zelfs de Profeeten te ver-
fchoonen 5 %o dat\'er niec een dag doorging
G g 2 die
3S
55
5}
3>
33
3J
33
35
die niet iemand van hen het leeven koftte, en
op welken men de ftad niet door hun bloed be-
zoedeld zag. Gód door alle deeze misdaaden
tót toorn getergd, zondt zyne Profeeten om
hem en al zyn vólk met dezelfde ftraffen te
dreygen , die hunnen broederen den Ifraëliten
overgekomen waaren, omdat zy, even als die,
zyne gramfchap en verbólgenheyd over zich
gehaald hadden. Maar deeze rampzalige Ko-
ning en zyn vólk wilden deeze woorden geen
geloof geeven, alhoewel zy, indien zy\'er naa
hadden willen luyfteren, hunne rampen mog-
ten voorgekomen hebben : dóch naderhand
moften zy de waarheyd derzelver met de daad
bezuuren : want fteeds voortgaande met Gód
te beleedigen wekte hy den Koning der Babi-
loniërs en Chaldeen tegen hen op 3 zo -dat die
een groot heir in Judéa zondt, \'t welk niet al-
leenlyk het ganfche land verwoeft te, maar Ma-
naftes zelven door bedróg gevangen kreeg, en
tót zynen vyand bragt: die hem na zyn goed-
dunken ftrafte. Alstoen bemerkte die elendige
Vórft dat de fpoorloosheyd zyner zonden hem
tót dien ftaat gebragt had : hy nam derhalve
zyne toevlugt tót Gód, en badt hem dathy zich
zyner ontfermen wilde. Zyn gebéd wierdt ver-
hoord j de zeeghaftige Koning van Babilon
zondt hem vry weder na Jerufalem j en de ver-
andering zyns leevens toonde dat zyne bekee-
ring oprecht was. Hy poogde de geheugenis
zyner voorige daaden te vernietigen, en alle zy-
ne zórgen tót herftellinge van de Gódsdienft aan
te wenden. Hy wydde den Tempel op nieuws,
deed den altaar herbouwen om \'er offeranden
vólgens de wet Mofes op te ófteren, hy zuyver-
de de ganfche ftad > en om de weldaad dat Gód
hem uyt de flaaverny verlóft had te erkennen,
trachtte hy het óverige zyns leevens zich welbe-
maals gehouden had, bewoog hy zyne onder-
daanen om hem in zyne boetvaerdigheyd naa te
vólgen, gelyk zy hem wel eer in zyne zonden,
die zo veele onheylen over hen hadden gehaald,
naagevólgd hadden : en naa dat hy aldus alle de
plegtigheden der oude Gódsdienft herfteld had,
begon hy Jerufalem te verfterken. Hy vernoeg-
de zich niet met de oude muuren te verbéteren,
maar hy deed nieuwe maaken, enze met hooge
torens voorzien j voorts verfterkte hy de voor-
fteden, en verzórgdeze met koorn en alle ande-
re noodwendigheden. Kortom , de verande-
ring van dien v órft was zo groot, dat men van
dien dag af dat hy Gód begoü te dienen, tót
aan \'t eynde zyns leevens toe, hem in zynen yver
tot de gódvruchtigheyd niet zag verkoelen.
Hy overleedt in den ouderdom van zevenen-
zeftig jaaren, naa dat hy vyfenvyftig daarvan ge-
regeerd had, en wierdt in zynen tuyn begraaven.
Amonzjnxooriy d^i&nhyhj Emalfimech, van
de ftad Jabat geboortig , geteeld had, vólgde
hem in \'t ryk. Hy wandelde de gódloosheden
naa die zyn vader in zyne jongheyd gepleegd
had, en \'t duurde niet lang ofhy wierdt \'er over
geftraft; want naa dat hy twee jaaren geregeerd,
en den ouderdom van vierentwintig bereykt
had, wierdt hy door zyne eygene dienaars ver-
moord. Het vólk benam hen daarop het lee-
ven, en begroefhem in zyns vaders graf JoJïas
zyn zoon , die toen nóg maar acht jaaren oud
was, vólgde hem in de regeeringe.
V. H O O F D S T u K.
Groote aeugden en uytmuntende gódvruchtigheyd van Jofias Koning
van Juda. Hy fchaft de aigodery t\'eenemaal af ia zyn ryk, en
herftelt de Gódsdienft.
De moeder vp Jofias Koning van Juda, ge- 4i<s.
naamd Jedida, was van deftad BofchethjxKoa.aa.
en deeze Vórft was zo wel-gebooren, en zo ge-
neygd tót de deugd, dat % geduurende zyn
ganfche leeven den Koning David tót een voor-
beeld xiam^ In den ouderdom yan twaalf jaa-
ren
X. BOEK.
^If;:
ren gaf hy een doorluchtig blyk zyner gód-
vruchtigheyd en gerechtigheyd : want hy ver-
maande het vólk afftand te doen van den dienft
der valfche goden, om den Gód hunner vade-
ren te aanbidden: en hy begon de onderhou-
ding der oude wetten met zulk een voorzig-
tigheyd te herftellen, als óf hy veel ouder was
geweeft. Hy deed het gene\'hy inftelde on-
Ibhendelyk waarneemen i en behalve die wys-
heyd welke hem natuurlyk was , bediende hy
zich van de oudfte en bequaamfte mannen om
den dienft Góds in zynen voorigen ftaat, en zyn
ryk in órde te ftellen : wachtende zich van in
zodaanige misdaaden te vervallen die den on-
dergang van eenige zyner voorzaaten veroor-
zaakt hadden. Hy deed te Jerufalem en door
zyn ganfche ryk een onderzoek doen na de
plaatfen alwaar men de valfche goden aanbadtj
hy deed de boflchen afhouwen, en de altaaren
aan hen toegewyd af breeken, beroovende hen
van \'t gene andere Koningen daar t\'hunner eere
geóftèrd hadden. Door dit middel trok hy \'t
vólk af van die dwaaze eerbewyzingen welke
het aan die valfche gódheden betoond had, en
bewoog het om den waaren Gód door behoor-
lyke aanbiddingen te eeren. Hy deed daarnaa
de gewoonlyke brandóffers en ófteranden óf-
feren; herftelde de Overheden en Tuchtmee-
fters, om naauwkeuriglyk recht te oefenen, en
fcherp toe te zien dat elk zynen pligt waarnam :
hy deed door zyn ganfche gebied een bevél uyt-
gaan, dat elk zo veel gouds en zilvers als hy
zelf wilde, tót verbéteringe van den Tempel
zoude geeven , zonder iemand daartoe te
dwingen; en hy beval de zórg en \'t beftier van
dat werk aan Amafa Stadvoogd van Jerufalem,
Saphan den Geheymfchryver, Joatham den
Kancelicr, en Eliakia den Hoogenpriefter.
Zy arbeydden daar aan met zodaanig een vlyt,
dat de Tempel wel haaft in zulken fraaij en ftaat
gefteld wierdt, dat elk met vermaak dit heer-
lyk bewys van des Konings gódvruchtigheyd
aanfchouwde. In het achttiende jaar zyner
regeeringe beval hy den Hoogepriefter om
niet alleen al het óverige goud en zilver, maar
ook het gene in de fchatkift was, te gebruy-
ken tót het maaken van drinkvaten en fchaalen
ten dienfte des Tempels : en onder \'t naako-
men van dit bevél vondt de Hoogepriefter de
heylige Boeken, die door Mofes naagelaaten
waaren, en in den Tempel bewaard wierden.
Hy fteldeze den Geheymfchryver Saphan ter
hand, die dezelve las, en by den Koning
bragt: en naa hem gezegd te hebben dat alles
Wat hy bevolen had volbragt was, las hy hem
die boeken voor. De Vórft wierdt \'er zo door
bewoogen , dat hy zyne kleederen fcheurde,
cn Saphan benevens den Hoogenpriefter en ee-
nige zyner vertrouwdfte vrinden aan de Profe-
teflTe O/da,
huysvrouw van SAUufH $ die een
man van groot aanzien , en van een doorluch-
tig geflacht was, afzondt, om haar uyt zynen
naam te verzoeken, dat zy Góds gramfchap
wilde verzoenen, en om deszelfs gunfte fmee-
ken : nademaal hy meende reden te hebben om
te vreezen, dat hy tót ftrafte van de zonden
door de Koningen zyne voorzaaten in \'t over-
treeden van Mofes wetten begaan, iiict al zyn
volk uyt zyn land verdreeven, eri na ecri
vreemd land gevoerd zoude worden, om aldaar
hun leeven jammerlyk te eyndigen. De Profe-
tefle beval hen den Koning te boodfchappen ,
â Dat geene gebeden magtig waaren van Gód â
eene herroeping zyns vonnis te verwerven :,,
datzy uyt hun vaderland verdreeven, en van â
alles beroofd zouden worden, omdat zy â
zyne wetten gefchonden hadden, zonder be-,,
rouw daarover te toonen, fchoon zy over- â
vloedig tyd gehad hadden om zich tc be- â
keeren, en dat de Profeeten hen daartoe ver- â
maand, en hen menigmaal hunne naakende â
ftraffe voorzegd hadden. Dat Gód hen der-
halve in allé de rampen , waarmeê zy ctc-
dreygd waaren, zou doen vallen, om hen te
doen weeten dat hy Gód is, en dat zyne Pro-
feeten hen van zynent wege niets, dan \'t gene
waarachtig was, verkondigd hadden. E)óch ,
dat hy des niettegenftaande, wegens de gód-
vruchtigheyd van hunnen^ tegenwoordigen
Koning, de uytvoering daarvan uytftellen â
zou tót naa zynen dood i maar dat ze dan â
niet langer verwyld zoude worden.
Naa dat de Koning dit antwoord ontvangen iKbn 13.
had, deed hy alle de Priefters en Leviten, en
alle zyne andere onderdaanen aanzeggen, dat
zy tót Jerufalem komen moften. Tóen zy al-
daar byeengekomen waaren, las hy hen voor
wat in die heyhge boeken gefchreven ftondt;
klom daarnaa op een verhevene plaats, en deed
hen met eede belooven dat zy Gód van gan-
fcher harte dienen , en Mofès wetten onder-
houden zouden. Zy beloofden hem zulks, en
ófferden hem ófferanden om zyne byftand te
verwerven. Thans belaftte de Koning den
Hoogenpriefter te zien of\'er in den \'Tempel
niet nóg eenige vaten overgebleeven waaren,
welke de Koningen zyne voorzaaten ten dienfte
der afgoden geófferd hadden : men vondt\'er
een vry groot getal van, welke hy alle deed ver-
branden , en de aflche daarvan in de lucht ftrooi-
jen ; waarnaa ook alle de afgodifche Priefters
die niet van Aarons geflacht waaren, omge-
bragt wierden.
Naa dat hy te Jerufalem alle deeze gód--
vruchtige pligten volbragt had, doorreysde
hy zelf zyne landfchappen, om aldaar t\'eene-
maal te doen afbreeken alles wat de Koning
Jeroboam ter eere der vreemde goden had op-
gerecht : ook deed hy de beenderen der valfche
Profeeten op den altaar, dien Jeroboam ge~
bouwd had, verbranden , vólgens\'t gene een
Profeet dien gódloozen Vórft, toen hy op dien
altaar in tegenwoordigheyd des ganfchen vólks
ófferde, voorzegd had, te weeten dat een naa-
zaat van den Koning David, genaamd Joflas
dit alles uytvoeren zoude. En aldus zag men
\'er de vervulling van driehonderd-zeftia faaren
daarnaa^ °
Jofias gódvruchtigheyd ging nóg al terder.
Hy deed een zorgvuldig onderzoek doen na
alle de Ifraëhten die de Aflyrifche gevaneenis
ontkomen waaren; en hy vermaande hen den
heylloozen dienft der afgoden te verlaaten ,
om den almagtigen Gód te aanbidden, gelyk
G g 3 hunne
j>
35
55
5>
55
Ã
25B
hunne vaders gedaan hadden. Daar waaren
geene fteden , vlekken, nóch dórpen daar hy
geen naauwkeurige huyszoeking het doen naa
alles dat tót afgodery gediend had. Hy deed
öok alle de wagens, welke zyne voorzaaten
aan de zonne toegewyd hadden, verbranden,
en liet, niets óverig van \'t gene den vólke aan-
léyding tót den afgodifchen dienft gegeeven
had. Wanneer hy aldus zyn ganfche Ryk
had gezuyverd , deed hy al het vólk te
jerufaleoi byeenkomen , öm aldaar het teelt
der ongedeeflemde brooden, \'t wélk wy Paalcne
noemen, te vieren, en hy gaf van zyn eygen
aan \'t vólk dertigduyzend lammeren en geyte-
bokjes , en drieduyzend runderen, om openbaa-
re gaftmaalen te houden. De voornaamfte der
Priefteren fchonken ook aan de andere Priefte-
ren tweeduyzend zeshonderd lammeren : de
voornaamfte onder de Leviten gaven aan de an-
dere vyfduyzend lammeren, en vyfhonderd óf-
fenj en daar was niet één van die beeften \'t
welk niet naar de inzettingen van Mofes ,
onder \'t naerftig opligt der Priefteren, geóf-
ferd wierdt. Invoege dat men federd den tyd
van den Profeet Samuël geen feeft metzogtoot
een ftaatelykheyd had zien vieren , vermids
men\'er alle de plegtigheden waarnam, die door
de wet, en vólgens de oude overlévering, inge-
fteld waaren. Naa dat nu de Koning Jofias in
een gerufte vreede geleefd, en zich van rykdom
en eere overftort gezien had, eyndigde hy zy-
ne dagen op zodaanig een wyze als ik zal ver-
haalen.
m
p^/
t\'S\' J i
Sii
>1
m il
\\m
4^7.
V ï. HOOFDSTUK.
Jofias Koning van Juda bdéc den doortóg!: aan het heir van Nechaon
Konino van Egipte die den Meden eo Babiloniërs ging beoorlogen :
Hy wStdt dool eenen pyl gequetft, waarvan hy fterft. Zyn zoon
vólgt hem in-t ryk, en was «er gódloos. De Koning van Egipte
voe?t hem sevangklyk na Egipte, alwaar gefturven zynde, üelthy
zynen oudften broeder Eliakim lót Koning aan lü zyne plaats,
noemende hem Joakim.
l^Echaou Koning van Egipte, gedreeven door
â¢^^eene :2ucht om zich meefter van Afié^te
maaken, trok met een groot heir na denEufrz-
tes , om den Meden en Babiloniërs, die het
Aftyrifche Ryk verdelgd hadden, te beo^o-
cren. Toen hy by dc ftad Magedo, die onder t
Lningryk van Juda behoort, gekomen was,
ftelde de Koning Jofias zich tegen zynen door-
tógt. Nechaon deed hem door eenen krygsboo-
de aanzeggen , dat zyn voorneemen niet was
hem te beftryden, maar dat hy na den Eufraat
trok, en dat hy hem derhalve niet behoorde te
noodzaken om tegen zyn opzet hem den oorlóg
aan te doen. Maar Joftas door deeze redenen
niet bewoogen, volhardde in zyn befluyt, en t
fcheen dat zyn ongeluk hem tót zulk een groote
hooghartigheyd aandreef: want terwyl hy zyn
heir in flagórde ftelde, en op zynen wagen ge-
zeten van ry tót ry reedt om zyne fóldaaten aan
te moedigen, fchoot een Egiptenaar hem met
eenen pyl, die hem zo zwaar quetfte, dat hy
van pyn genoodzaakt was zyn heir te doen af-
trekken 3 thans keerde hy weder na Jerufalem,
alwaar hy ^^^ 2:yne wonde ftierf Hy wierdt
met o-roote pracht in \'t graf zyner voorouderen
begraaven 3 naa dathy negenendertig jaaren ge-
X. Boek.
leefd, fen éénendertig geregeerd had. Het vólk
was ongemeen bedroefd over \'t verlies van dee-
zen Vórft, zo dat het hem veele dagen beween-
de j en de Profeet Jeremias heeft een lykdicht
tót zynen lóf gemaakt, het welk nóg voorhan-
den is. Die zelfde Profeet voorzeyde ook en
heeft by gefchrifte naagelaaten de rampen die
Jerufalem zouden overkomen, midsgaders de
Babilonifche gevangenis : en niet aftcen hy,
maar ook de Profeet ^^s^-f/^/if/had te voore twee
boeken van die ftóffe gefchreeven : zy waaren
beyde van priefterlyken af komfte , en Jeremias
woonde te Jerufalem van het dertiende jaar van
Jofias regeeringe tót aan de verdelginge van de
ftad en den Tempel, gelyk ter zyner plaatfe zal
gezegd worden.
Naa den dood van Jofias vólgde zyn zoon 4; 8.
Joachasy dien hy by Amithal van Lobana ge-
teeld had, hem in \'t ryk : Hy was drieëntwin-
tig jaaren oud, en leefde zeer gódloos. De Ko-
ning van Egipte wederkeerende van den oorlóg
dien hy ondernomen had, ontboodt hem by
zich te Amath, eene ftad in Syrië. Toen hy al-
daar gekomen was, hieldt hy hem gevangen,
en ftelde tot Koning in zyne plaats Eliakim zy-
nen oudften broeder, maar zoon eener moeder
geheeten Zabida, uyt de ftad Abuma van ge-
boorte : Hy gaf hem den naam van Joakim ^
leyde hem een fchatting op van honderd talen-
ten zilvers, en een talent gouds, en voerde Joa-
chas in Egipte alwaar hy ftierf, hebbende maar
drie maanden en tien dagen geregeerd. Deeze
Koning Joakim was ook een gódloos Vórft,
zonder vreeze Góds, óf eenige goedaardigheyd
jegens de menfchen.
Vil. HOOFDSTUK.
Nabuchodonofor Koning van Babilonië verflaat in eenen grooten veld-
flag Nechaon Koning van Egipte , en maakt Joakim Koning van
Juda zynen tólpligtige. De Profeet Jeremias voorzegt Joakim dc
onheylen dic hem befchooren waaren i waarom de Koning hem
na \'t leeven ftaat.
IN \\ vierde jaar der regeeringe van Joakim Ko- 41
ning van Juda quam Nduchodonofor Koning
van Babilonië met een groot heir tót aan de ftad
Karchamis, aan den Eufraat gelegen, om Ne-
chaon Koning van Egipte, die toen over geheel
Syrië heerfchte, te beoorlogen. Deeze Vórft
toog hem met een groote krygsmagt tegen, en
naa dat men flag by dien vloed geleverd had,
wierdt hy overwonnen, en genoodzaakt met
groot verlies te wyken. Nabuchodonofor trok
thans den Eufraat over , en veroverde ganfch
Syrië tot aan Pelufium toe. Dóch hy quam
toen Judéa niet intrekken j maar in het vierde
jaar zyner regeeringe , \'t welk het achtfte van
Joakim was, naderde hy met een magtig heir,
en dreygdde den Jooden geweldig indien zy
hem geene fchatting betaalden. Joakim hier-
door verfchrikt befloot de vreede aan te nee-
men, en betaalde die fchatting geduurende
drie jaaren : maar \'t vólgende jaar op het ge-
rucht dat de Koning van Egipte dien van Ba-
biion den oorlóg zoud aandoen, weygerde hy
hem den opgeleyden tól te betaalen. DóchiKon.i4,
hy was in zyne hoope bedroogen ; want de
Egiptenaars durfden tegen de Babiloniërs niet
ten ftryde trekken, gelyk de Profeet Jere-
mias
FLAVIUS JOSEPHUS
mias hem dikwils voorzegd had dat gebeuren
zoude, en dat het te vergeefs voor hem zoud
weezen zyn vertrouwen op hunne byftand te
ftellen. Die Profeet had hem ook gezegd,
dat de Koning van Babilon Jerufalem mnee-
men, en dat hy zyn ftaaf zyn zoude. Hoe
waarachtig die voorzeggingen ook waaren,
niemand floeg\'er geloof aan : met aüeen het
vólk verachtteze, maar zelfs de Grooten dree-
ven\'er den fpót meê , en wierden zo toornig
omdat hy hen niet dan ongeluk voorfpelde,
dat zy hem by den Koning befchuldigden, en
denzelven aanporden om hem te doen fterven.
De Vórft bragt de zaak voor zynen Raad,
welker grootfte deel van gevoelen was dat men
hem ter dood veroordeelen moft. Andere die
wyzer waaren rieden dat men hem zou laaten
gaan, zonder hem eenig leed te doen , ver-
toonende dat hy de eenigfte niet was, die Je-
rufalem zwaare onheylen had voorzegd, maar
dat de Profeet Michea en andere \'t zelfde ge-
daan hadden, zonder dat zy daarom door de
Koningen die toen leefden quaalyk waaren be-
jegend , maar veel eer als Profeeten Góds
geëerd. Invoege dat hoewel Jeremias door de
meefte ftemmen ter dood verweezen was, dit
verftandig oordeel echter zyn leeven redde.
Hy fchreef alle die profecyen in een boek; en
al het vólk daarnaa op eenen algemeenen vaften-
dag in de negende maand van het vyfde jaar van
Joakims regeeringe in den Tempel vergaderd
zynde, las hy opentlyk alles wat hy in dat
boek gefchreeven had wegens \'t gene der ftad,
den Tempel, en den vólke naakende was. De
voornaamfte der byeenkomft rukten hem het
boek uyt de handen , bevalen hem en Baruch
zynen fchryver zich weg te maaken dat nie-
mand hen vinden kon, en bragten het boek
by den Koning. Hy deed het zich voorlee-
zen , en wierdt \'er zo toornig om , dat hy het
fcheurde en in \'t vuur wierp , en beval dat
men Jeremias en Baruch haaien zoude om hen
te dooden. Maar zy waaren reeds gevlugt om
zyne gramfchap te ontwyken.
viii. hoofdstuk.
Joakim Koning van Juda Iaat Nabuchodonofor binnen Jerufalem ko-
men , dóch die geen woord houdende, doet hem nevens veele
andere ombrengen : voert drieduyzend der voornaamfte Jooden
onder welke ook Ezechiel was, gevangen. Joachin worde tót Koning
van Juda in de plaats van Joakim zynen vader aangefteld.
â ]^Iet lang daarnaa quam de Koning Nabu-
iN chodonofor met een groot heir : De Ko-
ning Joakim , die hem niet miftrouwde , en
evenwel door de voorzeggingen van den Pro-
feet ontroerd was , bevondt zich geenfms in
ftaat om te oorlogen; weshalve hy hem binnen
Jerufalem liet komen , op toe^^gmge dat hy
\'er geen quaad zoude doen. Doch hy hieldt
zyn woord niet , maar deed hem met alle de
bloem van de jongemanfchap der ftad ombren-
gen , en beval dat men zyn lighaam buyten de
ftad werpen zoude ^ zonder aan \'t zelve de be-
graavenis te vergunnen. Naa die trouwlooze
â¢Andersen wreede daad ftelde hy ^Joachin den zoon
^echonias. ^^^ JConing in zyns vaders plaatfe aan, en voer-
de drieduyzend der voornaamfte Jooden , on-
der welke ook was de Profeet Ezechiël, dóch
410.
toen nóg heel jong , gevangklyk na Babilon,
Dit was het eynde van Joakim Koning van Juda:
Hy leefde maar zesëndertig jaaren, waarvan hy
\'er elf geregeerd had. Joachin zyn zoon , wel-
ken hy by Noufia eene Jerufalemfche vrouw ge-
teeld had , regeerde maar drie maanden en tien
dagen.
IX. H O O F D S T U K.
Nabuchodonofor heeft berouw dat hy Joachin tót Koning aangefteld
heeft. Hy doet hem met zyne moeder, 7ytie voornaamfte vrin-
den , en een groot getal inwoonderen yan Jerufalem gevangen weg-
voeren.
Et berouwde Nabuchodonofor wel haaft
dat hy Joachin tót Koning van Juda aan-
o-efteld had : want hy vreesde dat het herden-
ken van \'t gene zynen vader was aangedaan,
hem tót afval mogt beweegen j dies zondt hy
een groot heir om Jerufalem te belégeren. De-
wyl Joachin een goede en billyke Vórft was,
deed zyne liefde tót zyne onderdaanen, en zy-
ne begeerte om hen voor dien ftórm te behoe-
den, hem befluyten om zyne moeder en eenige
andere zyner naabeftaande aan de voornaamften
van \'t vyandlyk heir in gyzelinge te geeven, naa
dat hy hen alvoorens met eede had doen beloo»
ven, dat zy hem, nóch de ftad, geen quaad doen
zouden. Maar daar liep geen jaar voorby of
Nabuchodonofor brak al wederom zyn woord:
hy beval zyne Veldoverften dat zy hem alle de
jongemanfchap, benevens alle de handwerkslie-
den en konftenaars van Jerufalem, gevangen
overzenden zouden, \'t Getal van deeze bedroeg
tienduyzend achthonderd twêëndertig, onder
welke was de Koning Joachin zelf, zyne moe-
der, en zyne voornaamfte vrienden, alle wel-
ke door dien trouwloozen Vórft naauw bewaard
wierden.
4x1.
X. H O O F D S T U K.
Nabuchodonofor ftelt Zedekias tot Koning van ]uda aan in plaats vah
Joachin. Zedekias gaat een verbond met den Koning van Egipie
tegen hem aan. Nabuchodonofor belegert hem in Jerufalem. De
Koning van Egipte komt hem te hulpe. Nabuchodonofor breekt
hef beleg op om hem flag te leveren , flaat hem , en komt daarnaa
het beleg weder voortzetten, De Profeet Jeremias voorzegt al het
nakend onheil. Wordt daarom in de gevangenis , en daarnaa in ee-
nen put gezét, om hem te doen fterven. Zedekias doet\'er hein uyt-
trekken; eh vraaot hem wat hy doen moet: Zyn raad is Jerufalem
over te geeven; doch Zedekias kan\'er niet toe befluyten.
De zelfde Nabuchodonofor Koning van
Babilonië ftelde in Joachins plaats zynen
vaderlyken oom Zedekias * tót Koning van J uda J ^
aan, naa dat hy hem had doen zweeren dat hy Manha-
heni getrouw blyven, en met de Egiptenaars
geen verftand houden zou. Deeze Vórft was^^^ön.i«.
toen nóg maar eenëntwintig jaaren oud, zyn-
de broeder van Joakim, beyde zoonen van den
Koning Jofias, en Zabida. Dewyl hy alleen-
lyk verkeering hieldt met perfoonen van zynen
ouderdom, die hoewel van ftaat, echter gód-
loos waaren , verachtte hy zo wel als zy de
deugd en gerechtigheyd, en het vólk op zyn
voorbeeld gaf zich over tót aflerley ongebon-
denheden. De Profeet Jeremias verniaaiide
hem dikwils van Góds wege boete te doen, zicli
te bekeeren , en geen geloof te geeven aan die
quaade maats met welke hy verkeerde, nóch
aan de valfche Profeeten die hem bedroogen,
zeggende dat de Koning van Babilon Jerufalem
niet meer belégeren . maar dat de Koning tan
Egipte
Egipte hem beoorlogen en overwinnen zoude.
Deeze woorden van den Profeet fcheenen, ter-
-Wyl hy fprak, eenigen indruk op \'t gemoed van
den Vórü: te hebben, zo dat hy voorgaf zynen
raad te zullen vólgen > Maarzyne gunftelingen s
die hem zwaaiden zo zy wilden , deeden hem
terllond van voorneemen veranderen. Eze-
chiel 5 die gelyk wy gezegd hebben toen te
Babiion was, voorzeyde ook de verdélging des
Tempels, en zondt bericht daaraf na Jerufalem.
Maar Zedekias floeg ook geen geloof aan zyne
profecyen, omdat hoewel ze met die van Jere-
mias overeenquamen in \'tgene den val en de ge-
vangems van Zedekias betrof, zy echter daarin
geen overeenkomfl: fcheenen te hebben , dat
Ezechiel van hem verzekerde dat hy Babiion
niet zou zien, en dat Jeremias duydelyk zey-
de dat de Koning van Babilonië hem gevan-
gen leyden zoude : en dit verfchil maakte dat
Zedekias hunne voorzeggingen niet geloofde.
Maar de uytkomft heeft de waarheyd derzel-
ver getoond , gelyk wy t\'zyner plaatfe zullen
zeggen.
423. Acht jaaren daarnaa brak Zedekias het ver-
bond met den Koning van Babiion , om in dat
van den Koning Van Egipte over te gaan , op
hoope dat Zy hunne magt tzamengevoegd heb-
bende , de ander hen niet zou konnen wederftaan.
Maar zo dra Nabuchodonofor bericht hiervan
ontvangen had , quam hy met een magtig heir
te velde, ver woefte Judéa, vermeefterde de fterk-
fte plaatfen , en belegerde Jerufalem. De Ko-
ning van Egipte quam toen met een groote
krygsmagt Zedekias te hulpe ; waarop de Ko-
ning van Babiion het belég opbreckende om hen
tegen te trekken, hem in eenen grooten veldflag
overwon, en uyt geheel Syrië verdreef Inmid-
dels lieten de vallche Profeeten niet naa , toen
hy de belégering geftaakt had, Zedekias te be-
driegen , zeggende dat in plaats van reden te
hebben om te vreezen dat hy weder beöorlógd
zoude woorden , hy zyne onderdaanen, die in
Babiion gevangen waaren , haaft zou zien we-
derkeeren 5 met alle de gewyde vaten welke
men uyt Góds Tempel geroofd had. Maar Je-
remias zeyde hem ten tegendeele, â dat die
â lieden hem bedroogen door hem zulke hoo-
â pe te geven : dat hy zich op de byftand der
jptenaaren niet behoefde te verlaaten : dat
honing van Babilonië hen overwinnen
dat hy Jerufalem belegeren, uy thon-
en deszelf inwooners na Babiion ge-
leyden : dat hy alle de fchatten
des\'^empels rooven , den brand in den-
â zeiven fteeken, en de ftad ganfchelyk ver-
,, woeften zoude. Dat die gevangenis zeven-
tig jaaren zou duuren j maar dat de Perfen en
Meden de heerfchappy der Babiloniërs ver-
« nietigen j en dat de Hebreen door hen uyt
35 de flaaverny verlóft zynde weder te Jerufa-
55 lem komen, en den Tempel herbouwenzou-
â den." Deeze woorden van Jeremias vonden by
veelen geloof; maar de Vórften , en zulke die
nevens hen roem ftelden in gódloos te zyn, be-
fpotteden hem als eenen uytzinnigen. Eenigen
tyd daarnaa gebeurde het dat deeze Profeet,
gaande na Anathot zyne geboorteplaats , twin-
tig ftadiën van Jerufalem gelegen, iemand van de
Overheyd onderwege ontmoettede , die hem
vafthieldt, en befchuldigde dat hy tót den Ko-
ning van Babilonië overloopen wilde. Jere-
mias antwoordde hem dat hy zulks in zyne ge-
dachten niet hadde , maar dat hy eens na zyne
vaderlyke ftad ging. Doch deeze Heer zyn zeg-
gen geen geloof geevende , voerde hem voor \'t
Kecht, alwaar hy gepynigd wierdt; waarnaa
men hem in den kerker zette, met voorneemen
om hem met de dood te ftraffen.
;, , -1
â Iii.\'-;
â iiijiï
I
lil
Eg]
3»
de
35 zoude i
5, geren,
35 vangen
55
33
55
35
In\'t negende jaar der regeeringe van Zedekias, 414.
op den tienden dag der tiende maand, hervatte
de Koning van Babilonië de belégering van Je-
rufalem, en deed geduurende achttien maanden
alle poogingen die moogelyk waaren om\'er zich
meefter van te maaken. Maar de wapenen van
dien Vórft waaren niet het eenigfte quaad dat
de belegerden drukte, zy vonden zich ter zelf-,
der tyd gepraamd door twee yslyke geéflèls,
hongersnood en peft , welker ééne niet min- \'
der groot, dan de andere vinnig was. On-
dertuffchen riep Jeremias het vólk uyt de ge-
vangenis fteeds toe , dat zy de poorten voor
den Koning van Babiion zouden open zet-
ten , vermids \'er geen ander middel overig was
om zich te redden. Maar hoe groot ook hun-
ne rampen waaren , de Vórften en aanzienlyk-
fte Heeren, in plaats van door de woorden des
Profeets zich te laaten beweegen , wierden 20
vertoornd op hem, dat zy hem by den Konino-
aanklaagden als eenen uytzinnigen, die hen en
den vólke alle moed poogde te b^eneemen, door
hen niet dan onheylen te voorzeggen : Dat wat
hen aanging , zy gereed waaren voor zynen
dienft, en voor\'t vaderland te fterven: in plaats
dat deeze mymeraar hen door zyne zwaarhoof-
digheyd tót vlugten vermaande , zeggende dat
de ftad zoud ingenomen worden , en zy alle
fneuvelen zouden. De Koning door een zékere
aangeboorene goedaardigheyd was juyft niet ver-
bitterd tegen Jeremias: maar vreezende devoor-
naamfte perfoonen van zynen Staat in dat ge-
wricht van zaaken ongenoegen te geeven, liet hy
hen toe met hem te doen wat zy wilden. Daar-
op gingen zy na de gevangenis , haalden den
Profeet daaruyt, lieten hem met een touw ne-
der in eenen put vol modder , opda^ hy\'er in
fmooren zoude; en hy zonk \'er in tót aan de
keel toe. Zeker dienaar des Konings , die een
Moor was, en wel by hem ftondt, boodfchapte
hem wat den Profeet wedervaaren was, zeggende
dat de Ryksgrooten zeer quaalyk deeden dat
zy zulken vroomen man zo mishandelden , en
dat zy hem liever in den kerker mogten heb-
ben laaten fterven, dan op zulk een jammerly-
ke wyze om den hals hdpen. De Koning
door deeze woorden getroffen , kreeg berouw
dat hy hem dus ter genade zyner vyanden ge-
laaten had , en belaftte dien Ethiopiër dertig
zyner amptenaaren met zich te neemen , ea
den Profeet fpoedig uyt den put te trekken.
De Moor voerde deezen laft aanftonds uyt,
en ftelde Jeremias in vryheyd > waarnaa de Ko-»
ning hem heymelyk by zich ontboodt, en hem
vraagde óf hem niet eenig middel bekend was
om van Gód verlóffmge van \'t gevaar dat hen
dreygde
dreygde te verwerven. Hy antwoordde dat hy
wel een middel wift , maar dat het te vergeefs
was hem dat te zeggen , omdat hy wel verze-
kerd was dat degéne op welke de Koning zich
meeft verliet, in plaatfe van geloof daaraan te
\'flaan , tegen hem opftaan zouden, als óf hy
met zulk een voorflag te doen , een groote
misdaad begaan hadde. âMaar, vervólgdehy,
3, waar zyn ze nu , die u bedriegende zo rond-
â uyt zeyden dat de Koning van Babflon niet
â wederkomen zoudeEn heb ik geen reden
â om bevreefd te zyn u de waarheyd te zeg-
â gen , dewyl \'t myn leeven geldt" De Ko-
ning beloofde hem toen met eede dat hy van
hem, nóch van de Grooten, geen gevaar zou loo-
pen. Jeremias daardoor aangemoedigd, zeyde
dat de raad dien hy hem te geeven had, en
dat op Góds bevél, was de üad aan de Babi-
loniërs over te geeven ; dat dit het eenigfte
middel was om zich te redden , en om voor
te komen dat de ftad verwoeft, en de. Tempel
verbrand wierdt; en dat zo hy zulks niet deed,
hy de oorzaak van alle die rampen zyn zoude.
De Koning antwoordde/dat hy gaern zynen
raad wflde vólgen, maar dat hy vreefde dat
etlyke van de zyne die tót den Koniüg van Ba-
bflon overgeloopen waaren , hem eenen quaa-
den trek mogten fpeelen , en oorzaak van zy-
nen dood weezen. Dóch dc Profeet voegde
tem daarop toe, dat indien de Koning zynen
raad vólgde, hy \'er voor inftaan wilde , dat
nóch hem, nóch zynen vrouwen en kinderen,
nóch den Tempel , iets quaads wedervaaren
zoude. De Koning verboodt hem aan iemand
iets te verhaalen van \'t gene \'er tuflchen hen
verhandeld was , en inzonderheyd niet aan de
Grooten, indien zy hem mogten vraagen waar-
over zy tzamen in gefprék geweeft waaren j
dewyl hy wel zeggen kon dat hy van den Ko-
ning verzócht had in vryheyd te moogen bly-
ven. De Grooten lieten niet naa den Profeet
te vraagen wat\'er tuflchen hem enden Koning
voorgevallen wasj en hy antwoordde zo als dc
Vórfl hem bevolen had.
^ H O~OTD sjuk.
Nabuchodonofors heir neemt Jerufalem in , piondert den Tempel,
verbrand denzelven en \'t koniDglyk Paleys en verdelot de ftadi
Nabuchodonofor doetSareadeu Hoogenpriefter Cn veele andere doo-
den ; doet den Koning Zedekias de oogen uyrgraaven , vöcrt hem
gevangen na Babiion mitisgaders een jrroote menigte van Jooden.
Zedekias fterft. Volgreeks der Hoogepricfteren. Godoh\'as van
Nabuchodonofor aangefteld ora over de Hebreen in Judéa geblee-
ven te gebieden. Ifmaël vermoott hem. Hy vogrt eenige gevan-
gen. Joa«nes en zyne vrinden jaagen hem naa 5 verlóflèn hen, en
v!u»ten na Egipte tegen den raad van den Profeet Jeremias. Nabu-
chodonofor den Koning vau Egipte ovcrwonneïi hebbende , vöcrt
hen gevangen na Babilon. Doet de kinderen der Joódcn die van
grooten ftaat %¥aaren wel opvoeden : Daniël en drie zyner mede-
gezellen , alle vier maagen van den Koning Zedekias, waaren vaa
dat getal. Daniël die toen Balihazar genoemt wierdt, legt den
Koning eenen droom uyt j en wordt uevens zvn medegezellen in
de voornaamfte ryksampten gefteld. De drie\' medegezellen van
Daniël Sidtach , Mifach , cn Abdenago weygeren liet beeld dat
Nabuchodonofor had doen oprechten te aanbidden , en worden
daarom in eenen gloeijenden oven geworpen. Gód bewaart hén..
Nabuchodonofor heeft weder eenen droom die liern door Daniël
verklaard wordt , waarnaa hy zeven jaaren in de woeftyne onder de
beeften verkeert , dóch eyndelyk weder tót zyaen voorigen ftaat
komt. Zyn dood , en prachtige gebouwen door hem te Babilon
gefticht.
/^Ndertuflchen zette de Babyloniër het belég . j ^
^ wakker voort : hy deed hooge toorens maa- \'
ken, en veele wallen zo hoog als de ftads muu-
ren opwerpen, vanwaar hyde belégerde beftónn-
de. De inwooners van hunne kant lieten niet naa
zich met alle bedenkelyke dapperheyd te verwee-
ren , zonder dat hongersnood óf peft magtig
waaren hen te doen verflaauwen. Hunïi e kloek-
moedigheyd verfterkte hen tegen alle onhey-
len en gevaaren , en zonder zich door de ftórm-
gevaarten hunner vyanden te laaten verbaazen,
ftelden zy andere daar tegenaan. Aldus was
het niet alleen met openbaar geweld , maar
met behendigheyd en lift dat deeze dappere
vólken eikanderen beftreeden > en \'t was voor-
naamelyk door \'t laatfte dat de ééne de plaats
hoopten te winnen, en de andere zulks te belet-
ten. Achttien maanden liepen\'er aldus heene j
maar eyndelyk wanneer de belégerden van bin-
H h tieji
.242 r ^^ V X ^ ^ J
nen door hongersnood en peft , en van buyten
door eene menigte van pylen , welke de bele-
geraars uyt hunne liooge toorens neêrft:hooten,
\'gepraamd wierden , wierdt de ftad ingenomen
ontrent middernacht in \'t eftde jaar van Ze-
dekias regeeringe , en op den negenden dag
der vierde maand, dooTNergelear ^ Aremantus
Emegar, Nabozar , en Echarampfar , Veld-
overften van Nabuchodonofor , die toen te Re-
blatha was. Zy trokken recht op den Tempel
aan > cn de Koning Zedekias met zyne gemaa-
lin , kinderen, nabeftaande, en eenigeperloo-
nen van aanzien welkehy meeft beminde, ging
ter ftad uyt om door zékere enge wegen na de
woeftyne te vlugten. De Babilomërs hiervan
door eenige overloopers verwittigd , jaagden
hem naa met het aanbrceken van den dag : zy
achterhaalden hem by Jericho, en dewyl zyn
meefte gezclfchap op \'t gezigt van den vyand
hem verlaaten had , namen zy hem met zyne
vrouwen en kinderen , en die weynige welke
hem bygebleeven waaren , gevangen , cn
bragten hem by hunnen Koning. Nabucho-
donofor fcholdc hem voor eenen trouwlooze,
die zich niet ontzien had zyne belofte te bree-
ken , waarmede hy hem toegezegd had het ryk,
welks kroon hy aan hem verfchuldigd was, on-
fchendelyk t\'zyner gehoorzaamheyd te zullen
bewaaren : voorts verweet hy hem zyne ondank-
baarheyd, dewyl hy, vergeetende die weldaad,
welke hy hem had beweezen door het ryk, dat
zyn nèeve Joachin eygentlyk toebehoorde,
aan hem te geeven, nóch daarenboven de magt
die hy van zynen weldoener had ontvangen te
gen hem gebruykt had j en hy eyndigde met
deeze woorden : â Maar de groote Gód heeft
u in myne handen geleverd om ute ftraften."
Hy deed daarnaa in zyne tegenwoordigheyd,
cn in \'t byzyn der andere gevangenen , zyne
zoonen en vrinden dooden , hemzelven deed
hy de oogen uytgraaven , en hy beval dat men
hem met kétenen zoude boeijen , om hem in
dien ftaat na Babilon te voeren. Aldus wier-
den de voorzeggingen van Jeremias en Ezechi-
ël , welke die rampzalige Vórft zo zeer veracht
had , beyde vervuld j teweeten die van Jere-
mias , dat hy gevangen na Nabuchodonofor
zoude gevoerd worden , en van aangezigt tot
aangezigt met hem fpreeken ; en die van Eze-
chiël , dat hy na Babilon geleyd worden, dóch
het niet zien zoude.
Uyt dit voorbeeld konnen zelfs de domfte
zien , hoedaanig de oneyndelyke magt en wys-
heyd Góds is , dewyl hy door verfcheydene
middelen , en in den tyd welken hy beflooten
heeft, alles wat hy beveelt en voorzegt, kan
doen gebeuren ook befpeurt men daaruyt de
onkunde en ongeloovigheyd der menfchen dic
hen belétten te voorzien wat hen naakend is,
en hen in de gedreygde onheylen doen vallen
als zy\'er minft op veräacht zyn, en daarenbo-
ven maaken dat zy de zelve niet gewaarworden
voor dat zyze voelen , en \'t niet meer in hun-
ne magt is die té ontwyken.
Dit was het eynde van Davids geflacht, naa
dat éénentwintig Koningen van hem afkomftig j
naa malkanderen den fcepter van het ïConing-
m
II;\'!:
m
liii
"" â li;?
â i\'
li
-iä
lil
m
ii\'lli\'
â I â ,; ⢠,
Mi
ii
EPHUS X Boek
9
ryk van Juda gezwaaid, cn alle dic regeeringen
tzamen , de twintig jaaren van Saul uyt een an-
dere ftam gefproten , daar onder begreepen,
vyfhonderd veertien jaaren , zes maanden, en
tien dagen geduurd hadden.
Naa deeze overwinning zondt Nabuchodo-
nofor zynen Veldoverfte Nabufardanesnzjem-
falem , met bevél om den Tempel, naa alles
wat\'er in was daaruyt genomen te hebben , te
verbranden , het koninglyk paleys in de aflèhe
te leggen, de ftad t\'eenemai te verdelgen, en
alle de inwooners na Babilon in flaaverny tc voe-
ren. In het achttiende jaar der regeeringe van
dien Vórft , het welk \'t elfde van Zedekias re-
geeringe was , op den eerften dag der vyfde
maand, beroofde die Veldheer den Tempel van
alles wat hy\'er in vondt, Wegneemende alle de
goudene en zilvere vaten , het groot kópere
wafchvat genaamd de zee, ^twelk Salomon had
doen maaken} de twee kópere pilaaren met hare
kapiteelen, en de goudene tafels en kandelaaren;
waarnaa hy den Tempel in den brand ftak, en
de ganfche ftad vernielde. Dit viel voor vier-
honderd zeventig jaaren , zes maanden , tien
daagen naa het bouWen van den Tempel i duy-
zend twêënzestig jaaren , zes maanden , tien
dagen federd den uytt^t van Egipte 5 negentien-
honderd zevenënvyftig jaaren , zes maanden,
tien dagen na den zondvloed , en drieduyzend
vyfhonderd dertien jaaren, zes maanden, tien
dagen naa de fchepping der werreld. Nabufar-
danes gaf voorts bevél net vólk na Babüon ge-
vangen te voeren, en leydde zelfna zynen Ko-
ning , die toen te Reblatha, ftad in Syrië,
was, den Hoogenpriefter, ^epbaniadea
tweeden onder de Priefters, de drie Bevélheb-
bers welken de wacht des Tempels aanbevolen
was, den voornaamfte der kamerlingen, zeven
der gener die in \'t grootfte aanzien by Zedekias
geweeft waaren , zynen Geheymfchryver van
ftaat, en zestig andere voornaame perfoonen,
welke alle hy nevens den roof des Tempels den
Vórft aanboodt. Nabuchodonofor deed aldaar
den Hoogenpriefter, en eenige deraanzienlyk-
ften het hoofd afhouwen, enden Koning Zede-
kias i Jofadok zoon van Sarea , midsgaders de
andere gevangenen, na Babilon voeren.
Hebbende aldus verhaald hoedaanig devólg-
reeks der Koningen, die den fcepter van Góds
vólk gevoerd hebben, geweeft is, zal ik ook die
der Hoogepriefteren melden , welke federd het
bouwen van Salomons Tempel malkanderen ge-
vólgd zyn: De eerfte was Sadok, wiens opvol-
gers waaren Achimas, Azarias, Joram, Hifus,
Achioram, Phideas, Sudeas, Julus , Jotham,
Urias , Nerias , Odeas, Sallum , Elcias, Sa-
rea , en Jofadok die te Babilon gevangen gebragt
wierdt. Deze alle zyn van vader tót zoon mal-
kanderen in\'t Hoogepriefterfchap gevólgt.
Belangende het gemeene vólk, dearmen, en
de vlugtelingen, Nabulardanes, door Nabucho-
donofor tót Landvoogd van Judéa iangefteld,
Hetze daar blyven , en ftelde tót Gebieder over
hen GodoUas zoon van Aikam, die van ade«.
lyken af komfle , en een fraai man was : en hy
leyde hen eene fchatting op ten behoeve van
den Koning, De gemelde Nabufardanes haalde
den
den Profeet Jeremias uyt de gevangenis, maan-
de hem fterk aan om mede na Babiion te gaan,
alwaar hy hem vólgens bevél van den Koning
zynen meefter alles geeven zoude wat hy van
noode had s laatende het nógtans in zyn be-
lieven , indien hy niet gezind was hem te vól-
gen ^ om te zeggen in welke plaats hy liefft
woonen wilde, opdat hy \'er zynen Vórft kennis
van geeven mogt. De Profeet gaf te verftaan
dat hy geen van beyde begeerde te doen 5 maar
dat hy onder de puynhoopen zyns vaderlands
zyne dagen wilde eyndigen, om het droevig
overft:hót van die deerlyke verwoeftinge niet uyt
het gezigt te verliezen. Nabufardanes belaftte
Godohas wel zórg voor hem te draagen; en naa
dat hy den Profeet groote gefchenken gegeeven,
en hem de vryheyd van Baruch, zoon van Neri,
die ook van een zeer edel geflacht, en wel in de
taal zyns lands onderwcezen was, toegeftaan
had , keerde hy na Babiion , en Jeremia nam
zyn verblyf in dc ftad Mafphat.
Toen de Hebreen, die geduurende de belége-
ring van Jerufalem gevlugt j en in verfcheydene
plaatfen geweeken waaren, verftaan hadden dat
de Babiloniërs weder na hun land waaren ge-
keerd , quamen zy van alle kanten by Godolias te
Mafphat. De voornaamfte waaren Jmnnes zoon
van Kareas, fefanias, Sareas, en eenige andere,
midsgaders die van koninglyken geflach-
te, dóch zeer boosaardig en doortrapt was, heb-
bende zich, toen Jerufalem belegerd was ^ by Ba-
halü Koning der Ammoniten begeeven. Godo-
lias riedt hen hunne landeryen te bebouwen, zon-
der voor de Babiloniërs te vreczen, en hy zwoer
hen te zullen byftaan indien men hen ftoorde ^
zeggende wyders, dat zy maar een befluyt be-
hoefden te neemen in wat ftad zy zich wilden
neêrzetten j en dat hy tót de noodige herbouwin-
ge der plaatfen órde zoude ftellenj omzebewoon-
baar te maaken : maar dat zy \'t faizoen niet
moften laaten voorbygaan, opdat ze koorn, wyh,
en oli mogten bekomen, om in den winter van te
konnen leeven: voorts liet hy hen toe zodaanige
plaatfen te kiezen als zy wilden om te beplanten.
Wanneer door alle de nabuurige landfchappen
van Judéa het gerucht zich verfpreydde, hoe dat
Godolias alle die tót hem quamCn ontving , en
hen landeryen gaf om te bebouwen,, mids dat
zy een zékere fchatting aan den ïtoning van
Babiion betaalden, quam men van alle kanten
by hem , en elk fchikte zich aan den arbeyd.
Vermids deeze beleefdheyd van Godolias hem
by Joannes en andere van de voornaamfte per-
foonen bemind maakte, verwittigden zy hem dat
de Koning der Ammoniten Ifmaèl tót hem ge-
zonden had, om hem verraaderlyk te dooden, eii
zich dan tót Koning van Ifraël op te werpen,
als zynde van koninglyken af komfte i en dat het
middel om daarin te voor zién 3 was hen verlóf te
geeven om Ifmaël om te brengen jopdat zy de óve-
rige hunner landaard zouden moogen behoederi
voor het verderf dat hen onvermydelyk naakende
was, indien hy zynen quaaden aanflag uyt voer de.
Hy antwoordde, â dat het niet waarlchynelyk
was dat Ifmaël, die niet dan alles goeds van j,
hem ontvangen had, op zyn leeven zoude toe-,,
leggen j en dat hy niets quaads verricht heb- â
bende geduurende de nood waarin hy geweeft â
was, nu zuik een heylloos feyt beftaan zoude â
tegen zynen weldoener, welkjsn hy met al zyne â
magt behoorde by te ftaan, indien andere iets â
tegen hem ondernamen." joannes en de ande-
re"^ overfte Godolias dus^ niet konnende over^
tuygen , gingen weg. Dertig dagen daarnaa
quam Ifmaël verzeld van tien zyner vrinden te
Mafphat om Godolias te bezoeken , die hen
minnely k ontving en wel onthaalde ^ en hen ver-
feheydenmaal toedronk , om hen zyne geneer-
42(5.
wyn en daärnaa dc ilaap G odóliabegon tebevan^
gen , doodden zy hem en alle de andere gaften
H h s diê
genheyd te betuygen. Toen Ifmaël, èn zy
die met hem gekomen waaren s zagen dat dc
34-4. FLAVIÃSJ
die zich met drank overlaaden hadden , en ver-
moordden toen 5 onder beguniliginge van den
nacht 5 de Jooden en Babilonilche fóldaaten
die in de fteden waaren, wsnneer elk geruft lag
te flaapen. Den vólgenden dag \'s mórgens qua-
men ontrent tachtig perfoonen uyt het land om
gefchenken aan Godolias te brengen; en Ifmaël
zeyde dat hy maaken zoude dat zy hem te fpree-
ken quamen ; dóch zo dra zy binnens huys ge-
komen waaren , wierden ze door hem en zyne
makkers gedood , en om den moord bedekt te
houden , in eenen diepen put geworpen , uyt-
genomen eenige die hen beloofden aan te wy_
^en waar ze te lande waard hun huysraad, klee-
deren, en koorn verborgen hadden. Ifmaël nam
ook etlyke perfoonen te Mafphat met vrouwen
en kinderen , en daar onder de dóchters van
den Koning Zedekias , welke Nabufardanes in
Godohas bewaaringe had gelaaten , gevangen:
en naa dat deeze booswicht zo veele fchelmftuk-
kcn begaan had, floeg hy op weg om weder na
den Koning der Ammoniten te keeren. Maar
Joannes en andere perfoonen van aanzien,
zyne vrinden , verftaan hebbende wat \'er ge-
beurd was, toonden zich zo gevoelig hierover,
tiat zy met al het gewapend vólk dat ze byeen
krygen konden, Ifinaël naajaagden, enhemby
de tbnteyn van Hebron achterhaalden. De
aevaopenen welke hy wegvoerde bemerkten
wel haaft dat Joannes met de zyne tót hun ont-
zét gekomen was; dies liepen zy met blyd-
fchap tót hen over , en Ifmaël nam alleen met
acht van zyne makkers de vlugt na den Koning
der Ammoniten, Joannes met zyne vrinden
en degénen welke hy dus verlóft had, ging na
Mandra , alwaar hy dien dag overbragt, en
daarnaa te raade wierdt zich na Egipte te begee-
ven , uyt vreeze datde Babiloniërs hen mogten
dooden, om den dood van Godolias , dien zy
tót hunnen Gezaghebber aangefteld hadden, op
ben te wreeken. Evenwel wilden zy eerft den
raad van Jeremias daarover hooren ; dies gin-
gen zy na hem toe , en verzóchten van hem het
believen Góds deswege te verftaan , belooven-
de met eede te zullen naakomen wat hy hen
beveelen zoude. De Profeet bewiUigde in hun
verzoek , en tien dagen daarnaa verlcheenGód
aan hem, en beval hem tót Joannes en de zynen,
en al het vó\'lk te zeggen, dat indien zy bleeven
daar ze waaren, hy zórg voor hen draagen,
en beletten zoude dat de Babiloniërs hen eenig
leed deeden; maar indien ze na Egipte gin-
gen , dat hy hen zou verlaaten, en in zyne gram-
fchap hen eveneens ftraffen als hy hunne broe-
deren gedaan had. Jeremias gaf hen dit antwoord
van Góds wege, dóch zy floegen \'tin de wind,
en wilden niet gelooven dathet door des Heeren
bevél was dat hy hen belaftte daar te blyven;
maar verbeeldden zich dat hy hen dien raad gaf
om Baruch zynen leerhng te behaagen, en hen
voor de woede der Babyloniërs bloot te ftel-
len. Hierom verachteden zy Góds bevél, en
gingen na Egipte, voerende Jeremiasen Baruch
jiiet zich. Alstoen openbaarde Gód aan zy-
nen Profeet, en beval hem tót zyn vólk te zeg-
gen 5 dat de Koning van Babiion den Koning
van Egipte beoorlogen, en overwinnen zoude;
\' i \'!â¢!\'
i:
! i»
lil?
iï
11
O SE P H ü S
en dat een gedeelte van hen gedood, en de
óverige gevangen na Babiion gevoerd zouden
worden. Deeze voorzegging wierdt door de
uytkomft bewaarheyd ; want vyf jaaren naa de
verwoeftinge Jerufalems , zynde in het drieën-
t win tigfte jaar van Nabuchodonofors regeerin-
ge, quam die Vórft met een groot heir in neder
Syrië, bemagtigde het, overwon de Ammoni-
ten en Moabiten, beöorlógde daarnaa Egipte ,
veróverde het, doodde den Koning die\'er toen
regeerde, ftelde eenen anderen in zyne plaatfe,
en voerde alle dc Jooden welke men daar te
lande vondt, na Babiion gevangen.
Zie daar de rampzalige ftaat waartoe de gan- 42.7,
fche Hebreewfche landaard zich gebragt zag,
zynde tweemaal t\'elkens door een byzonder
toeval over den Eufraat gevoerd , de eerfte
reys toen Salmanaflar Koning der Aftyriërs, on-
der de regeeringe van Ozéas Koning van Ifraël,
Samarië ingenomen hebbende, de tien ftammen
gevangklyk wegvoerde ; en daarnaa toen Na-
buchodonofor Koning der Chaldeen en Babi-
loniërs , naadat hy Jerufalem had ingenomen, de
twee óverige ftammen ten lande uyt voerde.
Maar in plaats dat Salmanaffar uyt het binnenfte
van Perfië en Medië Chuteërs fchikte na Sama-
ria , van waar zy Samaritaanen genaamd zyn,
zondt Nabuchodonofor geene vólkplantingen in
\'tland der twee ftammen , door hem veróverd.
Invoege dat Judéa , Jerufalem , en de Tempel
zeventig jaaren woeft en verlaaten bleeven: en
daar verliepen honderd dertig jaaren, zes maan-
den, en tien dagen tuflchen de gevangklyke weg-
voering dertien ftammen welke \'t ryk van Ifraël
uytmaakten, en die der óverige twee ftammen
waaruyt het Koningryk van Juda beftondt.
Onder de kinderen der Joodfche landaard .jg
die aan den Koning Zedekias vermaagfchapt,Daoièi.\':
óf anderfins van doorluchtigen huyze waaren,
koos Nabuchodonofor zodaanige uyt die de
bevalhgfte , en van een fchoone gedaante waa-
ren , en ftelde opzieners en leermeefters over
hen, om hen op te trekken, en vlytig te on-
derwyzen: ook deed hy etlyke ontmannen,
gelyk hy gewoon was te doen ontrent alle vól-
ken die hy overwon. Hy belaftte dat men hen
van dezelfde fpyzen zou geeven die op zynen
tafel opgedifcht wierden , en hy deed hen niet
alleenlyk de Chaldeefche en Babilonifche taa-
ien leeren , maar ook alle de weetenfchappen
dier landaard , waarin zy zich zeer leerzaam
toonden. Onder deeze jongelingen die Zede-
kias in den bloede beftonden, waaren \'er vier
zeer fchoon van geftalte, en van groot ver-
ftand, genaam Daniël, Ananias, Mifaël^ en
Azarias maar de Koning veranderde hunne
naamen, en gaf aan Daniël dien van Balthajar,
aan Ananias dien van Sidrach, aan Mifaëldien
van Mifach, en aan Azarias dien van Abdenaga.
Hunne voortreffelyke inborft, uytmuntend ver-
ftand, en ongemeene wysheyd, maakten datde
Vórft een groote geneegenheyd tót hen kreeg:
Ondertuffèhen waaren zy zo fober , dat ze lie-
ver flechte fpyzen aten , en zich van alles wat
leeven ontvangen had onthielden , dan dat zy
gefpyfd Wierden met de lekkere gerechten wel-
ke men hen ?an Konings tafel voordiende.
Der-
X. Boek.
Derhalve verzóchten zy den kamerling AJcha-
nes, die laft had om hen te verzórgen, dat hy
de fpyze voor hen geft:hikt, voor zichzelven
wilde houden, en hen maar peulvruchten, da-
delen 3 óf iets diergelyks dat geen leeven ont-
vangen had 5 geeven, omdat zy in de andere
fpyzen eenen weerzin hadden. Hy antwoord-
de dat hy hunne begeerte gaern zoude doen,
maar dat hy vreefde, indien hy zo deede, dat
de Koning uyt de verandering van hun gelaat
zulks bemerken zoude , omdat het weezen en
de koleur zich doorgaans fchikt naar het voed-
fel dat men gebruykt: dat dit nóg fterker zoud
uytmunten door het verfchil tuflchen hen en de
andere jongelingen die lekkerder gelpyd wier-
den; en dat het niet billyk was, dat hy om hen
te behaagen, zich in gevaar zoude ftellen van
zyn leeven te verliezen. Toen zy bemerkten dat
deeze gefneeden niet ongeneegen was hen te ver-
pligten , drongen zy \'er te meer op aan, en ver-
wurven van hem dat hy\'er ten minften voor den
tyd van tien dagen eene proef van name, om in-
dien dieleevenswyze geen verandering aan hun-
ne gezondheyd toebragt, daarmeê te vervólgen,
óf zo men eenige verandering in hun gelaat be-
fpeurde, de voorige manier te hervatten. Hy
ftondt hun verzoek dan toe; en naa dat hy ge-
zien had dat het hen niet alleenlyk niet fchaad-
de, maar dat zy zelfs friftcher en kloeker wier-
den dan de andere jongehngen van hunnen ou-
derdom , die met de fpyzen van \'s Konings ta-
fel gevoed wierden, behieldt hyonbefchroomd
voor zich de fpyze die voor hen gefchikt was,
en gaf hen zulke kóft als zy begeerden. Aldus
wierden hunne lighaamen veel bequaamer voor
den arbeyd, en hun verftand vatbaarder om iets
te leeren; en dewyl zy door geen lekkernyen,
die de menfchen verwyfd maaken, verzwakt
wierden, namen zy zeer toe in de weetenfchap-
pen der Egiptenaaren en Chaldeen, inzonder-
heyd Daniël, die zich ook tót het uytleggen
van droomen begaf en van Gód zelven door
ópenbaaringen begunftigd wierdt.
429. Twee jaaren naa de overwinning die Nabu-
DaniëJ z. chodonofot Op de Egiptenaaren behaalde, had
die Vórft eenen wonderlyken droom, waarvan
Gód hem, terwyl hy fliep, de uytlegging gaf;
maar zo dra hy ontwaakte vergat hy den droom
en zyne betékenis , Hy ontboodt derhalve de
geleerdfte onder de Chaldeen, die\'thun werk
maakten toekomende zaaken te voorzeggen,
en ter oorzaake hunner Wysheyd den naam van
Wyzen gekreegen hadden. Hy verhaalde hen
dat hy eenen droom gehad, maar hem vergee-
ten had, en beval hen dat zy hem denzelven;
en zyne betékenis zeggen zouden. Zy antwoord-
den, dat het gene hy begeerde, voor menfchen
onmoogelyk was, en dat alles wat zy doen
konden, was hem de uydegging van zynen
droom te geeven, naa dat hy djen aan hen ver-
teld zoud hebben. Dóch hy dreygde hen
met den dood, indien zy zyne begeerte niet
voldeeden: en dewyl zy by hun zeggen blee-
ven, belaftte hy dat men hen dooden zoude.
Daniël dit bevél verftaan hebbende, en zien-
de dat hy en zyne medegezellen \'t zelfde ge-
vaar liepen, ging by Ar heh, Hoofdman
van\'s Konings lyfwacht, om dc réden daar van
te weeten. Arioch verhaalde hem de ganfche
zaak: daarop verzócht Daniël dat hy den Ko-
ning wüde bidden, dat de uytvoering van \'t
gene hy bevolen had tót \'s anderendaags mogt
uytgefteld worden, omdat hy hoopte dat Gód
zyn gebéd verhooren, en hen den droom open-
baaren zoude. Deeze bevélhebber verhaalde
dit den Koning, en die Vórft ftondt het ver-
zoek toe. Daniël en zyne médegezellèn brag-
ten den ganfchen nacht in gebéden door, om
van Gód te verwerven dat het hem beheven
mogte de Wyzen en hen zelven van \'t gevaar,
waarin zy door \'s Konings gramfchap gebragt
waaren, te verlóflèn, door hem den droom,
dien hy vergeeten had, bekend te maaken. Gód
door ontferminge bewoogen openbaarde aan
Daniël hoedaanig de droom geweeft was, en wat
die betékende, opdat hy zulks den Koning
mogte bekend maaken. De blydfchap welke
hy defwege had was zo groot, dat hy fluks op-
ftondt, om zyne medegezellen de gunft welke
hy van Gód ontvangen had bekend te maaken;
en vindende hen in eenen hoopeloözen ftaat,
waarin zy niets dan den dood fcheenen voor
oogen te hebben, beval hy hen moed, en beter
hoope te grypen. Zy dankten den Heere dat
hy zich over hunne jongheyd ontfermd had;
en zo dra het dag geworden was, ging Daniël
tót Arioch, verzoekende dat hy hem by den
Koning wilde brengen, opdat hy hem zynen
droom bekend mogte maaken. Toen hy voor
den Vórft gebragt was, begon hy aldus tót hem
te ipreeken: ,, Dat fchoon hy hem zynen
droom verklaarde , hy echter hem badt niet
te wiflen denken dat hy verftandiger was â
dan de Wyzen die \'t niet hadden konnen doen: "
maar dat de kennis die hy daarvan bekomen ^^
had , was omdat Gód, uyt medelyden we-
rcns \'t gevaar waarin hy en zyne medegezel- â
en zich bevonden, hem den droom en des-,,
zelfs betekenis geopenbaard hadde. En, ver-,;
vólgde hy , ik was niet zo zeer ontroerd, â
ó Koning, door \'t gevaar dat mynen makke-,,
ren en my naakend was, als door \'t verdriet
van het ongelyk te zien dat gy u zelven aan- ,,
deedt, door onrechtvaerdiglyk zo veele braa- â
ve lieden ter dood te veroordeelen, omdat zy â
geen zaak konden doen die den menfchen,
hoe verftandig ze ook moogen zyn, t\'eene- \'\'
maal onmoogelyk is, en die niemand dan
Gód alleen doen kan. De zaak dan , Heer â
Koning , heeft zich aldus toegedraagen :,,
Toen gy in bekommeringe waart om te wee- ,,
ten wie naa u over de werreld heerfchen zou- â
de, heeft Gód, om ude vólgende Monarchen â
bekend te maaken, u in den droom een groot â
beeld getoond, welks hoofd was van goud, ,,
en ichoudersen armen van zilver, de buyk en â
dyen van koper, en de beenen en voeten van â
yzer. Daarnaa Zaagt gy eenen fteen van ee-
nen berg afgerukt op dat beeld aanvaflen, â
waardoor het aan ftukken geflagen, cn tót,
gruys en ftóf vermaald wierdt, het welk de
wind wegvoerde, zonder dat \'er in \'t minfte
iets van overbleef En eyndelyk zaagt gy â
dat die fteen zo aangroeide, dathy de gan- â
HJi 3 " â fche
246
5, fche aarde bedekce. Dusdaanig was u droom,
3j 6 Koning, en dit is\'er de uytiegging van.
â Het gouden hoofd verbeeldt U en de Ko-
33 ningen van Babilon uwe voorzaaten. De
,5 fchouders en armen van zilver betékenen
dat uw ryk door twee magtige Koningen
verdéigd zal worden. De dyen van kóper
geeven te kennen dat een ander Koning,
5, die uyt het Weften zal komen, die twee
Koningen verdélgen zal. En de beenen en
voeten van yzer geeven te verftaan > dat
55 gelyk het yzer harder is dan het goud-,
â het zilver, en\'t kóper, alzo ook een ande-
,5 re overwinnaar zal komen j die hem on^r-
â brengen zal." Daniël verklaarde den Ko-
ning insgelyks wat die fteen betekende 5 maar
dewyl myn voorneemen is om alleenlyk verlee-
X. Bos
dene , en geene toekomende zaaken te ver-
haaien, zal ik niet meer daarvan zeggen s doch
zo iemand nader onderrechting daarvan be-
geert, die leeze in de heylige Schrift het boek
van Daniël.
Nabuchodonofor door blydfchap en ver«
wondering verrukt , viel voor hem neêr om
hem te aanbidden , beval aan alle zyne onder-
daanen dat zy hem ófferanden zouden óffe-
ren als eenen Gód , gaf hem den naam des
^enen welken hy te vooren voor Gód erkend
lad, en ftelde hem en zyne vrinden in de voor-
naamfte ampten des ryks. Zulk een fchielyk
en zeldzaam geluk verwekte zo groot een af-
gunft tegen die vier perfoonen , dat het hen
byna het leeven gekóft had door dit vólgende
voorval:
FLAFIUS JOSE F MUS
4P\' i\'^abuchodonofor deed eên gouden beeld
maaken van zeftig elleboogen hoog, en zes
breed , het welk op het groot pleyn van Babi-
lon opgerecht wierdt j en toen hy wilde doen
inwyen, ontboodt hy de voornaamfte perfoo-
nen uyt alle de plaatfen zyns ryks, en beval dat
ieder op het eerfte gefchal der trompetten ter
aarde zou neervallen, om het te aanbidden, op
peene dat alle die zulks niet deeden in eenen
gloeijenden oven zouden geworpen worden.
Ãlk gehoorzaamde dit gebód, uytgenomen Da-
niels vrinden, welke zeyden zulks niet te kon-
nen doen , zonder hunne vaderlyke wetten te
overtreeden. Terftond wierden zy in \'t vuur
geworpen, maar Gód redde hen j want door
zyne oneyndige magt wierden zy van \'t vuur,
als óf \'t hunne onfchuld wift, ontzien , in
plaats van\'er door verteerd te worden, en zy
bleeven overwinnaars van de vlammen j welk
groot wonderwerk de achting die de Koning
hen toedroeg nóg vermeerderde, omdat hy
hen aanmerkte als perfoonen van een ongemee-
ne deugd j die byzonderlyk van Gód bemind
waaren.
Kort daarnaa had die Vórft eenen ande-
ren droom , in welken hem dacht dat hy van^\'\'\'"®^\'
zyn koningryk beroofd zynde, zeven jaaren in
de woeftyne by de beeften doorbragt, en daar-
naa in zyne voorige waardigheyd herfteld wierdt.
Hy ontboodt de Wyzen , verhaalde hen zynen
droom , en begeerde de uytlegging deszelfs:
maar daar was niemand dieze hem geeven kon j
en Daniël was de eenigfte die zulks naar waar-
heyd deed , zeggende niets dan \'t gene men in-
derdaad zag gebeuren : Want die Vórft fteeg
weder op den troon, naa dat hy zeven jaaren in
de woeftyne verfteeten , en ^^ds gramfchap
door groote boetvaerdigheyd geftildhad, zon-
der dat iemand geduurende dien tyd zyn ryk
durfde bemagtigen. Dat ik dit alhier verhaak
behoort my van niemand qualyk geduyd te
worden, dewyl men \'t in de heyhge Schrift
befchreeven vindt, en dat ik in \'t begin dee-
zer Hiftorie verklaard hebbe, niet anders te
zullen doen dan in \'t Grieks ter goeder trouwe
te fchryven \'t gene men in de boeken der He«
breen verhaald vmdt, zonder iets daar af óf by
te doen-
Nas.
Iii
i/ii
fl
432. Naa dat Nabuchodonofor drieënveertig jaa-
ren geregeerd had, is hy eyndelyk gefturven :
Hy was een Vórft van groot verftand , en was
yeel gelukkiger dan iemand anders van de Ko-
ningen zyne voorzaaten. Berofus fpreekt in
zyn derde boek van de Hiftori der Chaldeen
aldus van hem: Nabuchodonofor vader des genen
van wien wygefprookenhebhen, verÃaande dat de
J^andvoogd dien hy over Egipte, neder Syrië, en
Fenicië gefteld had, van hem afgevallen was i en
zelf niet langer bequaam zynde om de ongemakken
des oorlógs te konnen uytftaan, deed zynen zoon met
gen gedeelte zyner krygsmagt hem tegen trekken.
Deeze jonge Vórfl overwon den muyter, bragt alle
de landfchappen weder onder de gehoorzaamheyd
zyns vaders, en verÃaan hebbende dat die ter zelf-
der tyd te Babiion, naadat hy éénëntwintigjaaren
geregeerd had, gefturvenwas, Ãelde hy de zaaken
van Egipte en andere landfchappen in órde, beval
zym vertrouwdfie Bevélhebbers het heir met de ge-
vangene Jooden, Syriërs, Feniciërs, en Egipte-
naaren, weder na B abt Ion te voeren, en zelf met
weynig vólk -verzeld fpoedig \'voorttrekkende nam
hy den weg dwars door de woeÃyne. Toen hy in
zyn ryk aangekomen was, aanvaarde hy de regee-
rtnz "Juaarvan het bewind ge duur ende zyn afwee-
zen ^waargenomen was door de Chaldeefche Wyzen,
welker voornaamfte niets meer behartigd had dan
de heerfchappy ^oor hem te bewaaren ; en aldus
vólgde hy denKonmgm^riv^^
derierfte zaaken welke hy deed,was de medeg^
plantingen tfver deelen: voorts wydd hy den kofte-
Ijken buyt dien hybekomenhad aan dentempel van
Bel, en andere tempelen : en hy vergenoegde zich
met met de oudegebouwenvanÃabilonteverbete-
ren, maar hy vergrootte ook de ftad, en verft er m
de watergraft; en om de vyanden, alwaar\'t dat
zy de rivier gepaffeerd waaren, het bemagtigen
daarvan te beletten, deedhy ij an binnen mi^mt en
hooge dtieduhbek muuren van gebakken fteen maa-
ken. Ook verft er kt e hy H óverige der Ãad, deed
prachtige poorten bouwen, enÃichtteeennieuw
paleys dicht by dat van wylen den Koning zjnen
vader, welks kóftelykheyd en cieraad alhier te ver-
haalén overtóllig zoude zyn^: Maar echter ka^ ik
niet laà tefi te zeggen dat dit prachtig gebouw in
vyf tien dagefi voltooid wierÃt. En omdat zyne
gemaaUn, die in Medië opgebragt wak , \'eenige ge-
lykenü van haar vaderland begeerde te zien, deed
hy, om haar te behangen, gewelven boVen opdat
paleys maaken, van zulke groote fteenen, dathet
wel bergen geleeken y en die gewelven âeed hy met \'
aarde bedekken, en \'\'er veder leyfoor ten van boomen
in planten ; zo dat die hangende tuynen in de
lucht voor één van \'swerrelds wonderen zyngeacht
geweeft. Van deeze verwonderlyke tuyntn
maakt Megafthenes in \\ derde boek zyner Hi-
ftorie van Indië ook gewag, en poogt te bewy-
zen dit die Vórft, door zyne groote en uy tmun-
tende daaden , Herkules verre overtroffen, en
nietalleenlyk Lybië maar ook Iberie [of Spanjej
veróverd heeft. Diokles fpreekt\'er nl t twee-
de boek zyner Hiftori van Perfië meede van ;
en Philoftratus zegt in die van Indië en Feni-
cië , dat hy de ftad Tyrus, waarvan Ithdbal toefi
Koning was , dertien jaaren lang belégerde.
Dit is alles wat ik wegens dien Vorft by de
Hiftorifchryvers heb konnen vinden.
xïT. H 0 0^F D S T U K.
Dood van Nabuchodonofor Koning van Babilonië. Evilmefpclach zyn
zoon volt\'t hem in\'t ryk, cn ftelt Jechonias Koning van Jada in vry-
heyd. Volgreeks der Koning.cn van Babüon tóe oj den Koning.
Balthafar. Cyrus Koningvan Perfië, en Darius Koningder Medetï
belegeren hem in Babiion. Zyn gezigt,. waaraf Daniël hem de
uytlegging geeft. Cyrus neemt Babiion in, en den Koning Baltha-
zar gevangen. Darïus voert Daniël na Medië, cn verheft hem tô:
grooten ftaat. De afgunft der Grooten tegen hem is ooriaak d^
hy in den leeuwen-kuyl geworpen wordt. Gód bewaart hem, eh
hy wordt magtiger dan te vooren. Zyne Profecyen en zyn ló£
"^Aa dat Nabuchodonofor gefturven was,
â vólgde zyn zoon Evilmerodach hem in \'t
ryk, en ftelde niet alleenlyk JechoniaS Koning
van Juda [andersjoachin genaamd} in vryheyd,
maar
24,8 F L A y ï ü \'S J
liiaar gaf Iiem gröote gefchenken, maakte hem
tót opziéneroyer zyn huys, en bewees hem gtoo-
te vrmdfchap. Aldus bejegende hy hem heel an-
ders dan Nabuchodonofor gedaan had j toen hy
uyt liefde tót zyn vaderland, gelyk hier voore ver-
haald is, zich met zyne vrouwen, kinderen, en
al zyn goed,, tergoeder trouwe aan dien Koning
overgaf, mids dat hy \'tbelég van J erufalem zoud
opbreeken 3 waarin hy nógtans zyn woord niet
fieldt.
OSEPHUS X. B
Evilmerodach regeerde achttien jaaren ,
waarnaa zyn zoon NigUzar hem in \'t ryk vólcr.
de, en veertig jaaren op den troon zat. Labo^
fordach zyn zoon die naa hem quam recyeerd©
maar negen maanden 3 en Balthafar zyn zoon,
dien de Babiloniërs Naboandel noemen , vólg-
de hem. Dees wierdt van Cyrus Koning der Per-
fen en ^arhis Koning der Meden beöorlógd,
en in Babilon belegerd.
b E IC ,
â iüi
!
â
li i a.
uiaii
Terwyl deeze Vórft belégerd was zag hy ze-
ker wonderbaar en verbaazendgezigte. Hygaf
een gaftmaal aan de Grooten van zyn Hóf, en aan
zyne by wyven , in eene zaal alwaar een prach-
tige toeftel ftondt van goudeneen zilvere vaten,
gelyk de Koningen gewoon zyn te gebruyken 3
dóch om de praal te vergrooten beval h\'y dat
men die , welke uyt den Tempel te Jerufalem
genomen, en door Nabuchodonofor aan zy-
nen afgoden-tempel toegewyd waaren, haaien
zoude : toen hy nu door den wyn verhit was,
wierdt hy zo ftout dat hy uyt die vaten dronk,
en lafterlyke woorden tegen Gód uytbraakte.
Dóch opftaandevoet zag hy eene hand uyt den
muur te voorfchyn komen, en daarop fchry-
ven. Dit gezigt verfchrikte hem 3 dies ont-
boodt hy de wyfte van de Chaldeën en andere
landaarden, die \'t hun werk maakten om crezio--
tcn cn droomen uyt te leggen, en beval hen dat
zy hem zeggen zouden wat die woorden bete-
kenden. Zy antwoordden hem dat het hen on-
moogelyk was. Hier door wierdt zyne bekom-
mering zo groot, dat hy door zyn ganfche ge-
bied deed uytroepen, dat hy eenen gouden ket-
ting , eenen purperen tabberd gelyk de Konin-
gen der Chaldecn gewoon waaren te draagen,
en net gebied over \'t derde deel van zyn Koning-
ryk zoude geeven aan den genen die hem deeze
woorden verklaarde. Op deeze groote aenbie-
ding q^^^fn\'er van alle kanten zulke die voor
de verftandigfte gehouden wierden, en zy lieten
met naa hunne uyterfte poogingen te doen om
de uytlegging daarvan te vinden 5 maar alle hun
arbeyd was vergeefs. De grootmoeder des Ko-
nings hem in zulk een ongeruftheyd ziende,
zeyde dat hy de hoope om een gewenfchte ver-
klaarmg te bekoomen niet moft verlooren gee-
ven dewyPeronderdegevangenen,welkeia-
4H
Dan. 5.
l^ÃT
buchodonofor, naa de verdelginge van Jerufa-
lem, na Babiion had doen voeren, iemand ge-
naamd Daniël was > van zulk een ongemeene ken-
nifte, dat hy zaaken, die Gode alleen bekend
waaren, verklaarde, en dat hy Nabuchodono-
for eenen droom Uytgelegd had, die niemand
had weeten te verklaaren 3 weshalve hy hem maar
behoefde te ontbieden , en hem zyne begeerte
te zeggen, om te weeten wat die woorden bete-
kenden , al waare \'t ook dat ze hem eenige ramp
voorfpelden. Op dit bericht ontboodt Baltha-
far Daniël terftond, en hem gelukkig genoemd
hebbende dat hy van Gód de gaave ontvangen
had om alles wat andere niet wiften, te door-
gronden, verzócht hy hem te willen zeggen wat
die woorden op den muur gefchreeven beteken-
den, en beloofde, zo hy zulks doen konde, hem
eenen purperen tabberd, eenen gouden kertins,
en \'t gebied over het derde deel zyns Koninl-
ryks te geeven, om aan al de werreld door die té-
kenen van eere te toonen hoedaanig zyneuytftce-
kende wysheyd was, wanneer men naar de oor-
zaak van zulk een begunftiging vernam. Daniël,
weetende dat de wysheyd die van Gód komt al-
toos geneygd moet zyn om goed te doen zon-
der eenige belooning daarvoor te begeeren, ver-
zócht
X. BOEÃC. JOODSCH
zócht den Koning j. Dat hy hem wildé ontflaan
35 van iets daarvoor te ontvangen , en zeyde
3, vervólgens, dat die woorden betekenden dat
53 het eynde zyns leevens naby was , omdat hy
33 zich aan de flrafle, waarmede Gód de Heere
33 de gódloosheyd van zynen overgrootvader
33 Nabuchodonofor had getuchtigd , niet ge-
33 fpiegeld 3 nóch door dat voorbeeld geleerd
33 had zich niet boven den menfchelyken ftaat
33 te verheften; naardien hem niet onbekend
kon weezen dat die Vórft geduurende etly-
ke jaaren als de beeften had moeten leeven;
dat Gód door zyne gebeden tót ontferminge
bewoogen , hem in den ommegang met
menfchen, en in zyn ryk herfteld had ; en
dat hy zich zo erkentlyk daarover had ge-
toond 3 dat hy niet opgehouden had geduu-
35 rende het óverige zyns leevens den Heere
33 daarvoor te danken 3 en zyne almagtigheyd
te looven. Dat hy Balthafar des niettegen-
ftaande 3 in plaats van leering uyt zulk een
groot voorbeeld te trekken, nietgefchroomd
had lafteringen tegen Gód uyt te braaken,
en met zyne bywywen uyt de gewyde vaten
te drinken; waarover de Heere zo vertoornd
was, dat hy hem door die lettermerken had
willen te verftaan geeven hoedaanig het eynde
zyns leevens zoude zyn. Want vervólgde
33 hy 3 dit is de betékenis dier woorden:
33 MAN E 3 dat is te zeggen Getal 3 betekent
33 dat het getal \'twelk Gód ontrent de jaaren
33 uwer regeeringe gefteld heeft bykans vol is,
53 en dat gy nóg maar weynig tyds te leeven
3, hebt. THEKEL , dat is Gewigt, bete-
3, kent dat Gód den tyd uwer regeeringe in
3, zyne rechtvaerdige weegfchaal gewoogen
3, heeft, en dat dezelve ten eynde loopt. En
33 PHARES, dat is een brók en verdeeling,
33 betekent dat uw ryk onder de Meden en
3j Perfen verdeeld en gefcheurd zal worden."
Hoe groot ook het hartzeer was dat de Ko-
nmg Balthafar ontving door \'t verftaan van de
rampen 3 welke hem door de verklaaring dier
duyftere woorden voorlpeld wierden , echter
oordeelde hy dat dewyl Daniël, als een vroom
man , niet anders gedaan had, dan hem de
waarheyd te verklaaren , het onbfllyk zoude
zyn zulks op hem te verhaalen; en daarom liet
hy iaiet naa hem te geeven \'t gene hy beloofd
had.
43 J, Kort daarnaa in \'t zeventiende jaar zyner
regeeringe 3 nam Cyrus Koning van Perflë,
Babilon in, en Balthafar zelven gevangen:
hy was de laatfte Koning van Nabuchodonofors
geflacht. Darius zoon van Aftyages, aan wien
de Grieken eenen anderen naam geeven , was
tweeënzeftig jaaren oud toen hy met hulpe van
zynen bloedverwant Cyrus de Babflonifche
heerfchappy vernietigde. Hy voerde den Pro-
feet Daniël met zich na Medië; en om te toonen
hoe hoog hy hem achtte, maakte hy hem éénen
van de drie Opperlandvoogden , welker magt
zich over driehonderd zeftig andere uytftrekte:
want hy merkte hem aan als een\' gódlyken man,
en pleegde in de gewigtigfte zaaken met hem
afleen raad. Zyne andere Staatsdienaars niet
konnende dulden dat hy dus boven hen gefteld
3)
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3)
33
33
M
E HISTORI,
was, wierden\'er zo nydig om 3 gelyk het door-
gaans m de hoven der Koningen toegaat, dat
zy mets ongedaan lieten om eenige selegen-
heyd te vmden , waardoor zy hem by den V orft
mogten belafteren ; maar dit was hen onmoo-
gelyk, omdat Daniëlsdeugd zo groot, enZyne
handen zo Zuyver waaren , dat hy geloofd
zoud hebben die te bezoedelen 3 indien hy
gefchenken aangenomen had ; en dat hy \'tals
een fchandelyke zaak aanmerkte eenig loon tc
wiflen trekken voor weldoen. Dóch zj lieten
daarom niet naa hem te belaagen, en meenden
eyndelyk een middel gevonden te hebben,
waardoor zy hem zouden ten verderve brengen:
Zy hadden aangemerkt dat hy driemaal\'s daags
Gód badt, en daarop gingen zy na den Koning,
en zeyden tót hem dat alle de Grooten en Re-^
geerders zyns ryks goed gevonden hadden, dat
\'er eene wet gemaakt wierde door welke het
aan alle zyne onderdaanen zoude verbooden
zyn, binnen dertig dagen iets van hem óf van
de goden te verzoeken; en dat de overtreederS
van dat gebód in den kuyl der leeuwen zouden
geworpen worden. Darius die op hunne
quaadaardigheyd niet verdacht was, ftondtbun
verzoek toe, en deed dat bevélfchrift door zyn
ganfche gebied afkondigen. Een ieder poogde
het te onderhouden , uytgenomen Daniël, die
zonder zich des te bekreunen , voortging met
^ne gebeden tót Gód te doen in \'t aanzien van
ieder een. Zyne vyanden lieten niet naa hem
aanftonds by den Koning te befchuldigen dathy
zyn bevél oVertreeden had , zeggende dat hy
de eenigfte was die zulks had durven beftaan 5
en dat hy te meer fchuld had omdat hy het
niet uyt eenige gódvruchtigheyd gedaan hadde,
maar omdat hy wift dat dégene die zyne vrin-
den niet waaren op zyn bedryf acht floegen.
En vermids deeze Heeren vreefden dat de groote
liefde welke Darius Daniël toedroeg , hem tót
het verleenen van vergiffeniflè mogt neygen^
drongen zy hem zo fterk aan om omtrent het
uytvoeren van zyn bevél onbuygelyk teblyven,
en te belaften dat men Daniël in den leeuwen-
kuyl zoude werpen , dat hy \'er zich onmooge-
lyk van ontflaan kon. Maar hoopende dat
Gód Daniël voor de woede dier felle beeften
bewaaren zoude, vermaande hy hem zyn
ongeluk grootmoediglyk te draagen. Hierop
wierdt Daniël in den kuyl der leeuwen gewor-
pen , en den ingang met eenen grooten fteen ge-
flooten ; waarnaa Darius die met zynen zegel-
ring deed verzégelen, en weder na zyn paleys
keerde , met zulk een groote bekommering en
ongeruftheyd wegens het gene Daniël weder^
vaaren zoude, dat hy niet wilde eeten, en den
ganfchen nacht flaapeloos overbragt. Des
anderen daags \'s mórgens vroeg ging hy na den
kuyl 5 en vondt zyn zegel nóg ongefchonden:
dies riep hy , door eene opening die aan den
ingang was , Daniël met luyder ftemme toe
en vraagde óf hy nóg leefde. Hy antwoordde^
Ja, en dat hem geen leed gefchied was; waar-
op de Vórft aanftonds belaftte hem uyt te trek-
ken. De vyanden van Daniël, in plaats van
te bekennen dat Gód hem door een wonder-
werk bewaard had , zeyden ftoutelvk tót den
........ li Ko-
M
Mi
FLAVltJS lOSEPHUS
X. Boek
2-TO
li\'
if
ïi
Koniilg dat zulks gefchied was doordien men
den leeuwen te vooren zo veel te eeten gegee-
ven had, datzy geenen honger hadden. Over
deeze boosaardigheyd wierdt de Koning zo
vertoornd, dat hy beval den leeuwen ipyze
voor te werpen , en naa dat zy verzadigd waa-
ren Daniels befchuldigers in den kuyl te ftoo-
ten, om te zien óf zy hen verfchoonen zou-
den , gelyk ze zeyden dat hy door die beeften
verfchoond was- Dit bevél wierdt uy tgevoerd,
en niemand twyfelde toen óf Gód alleen had
Daniël geréd: want de leeuwen verftonden alle
die lafteraars met zulk een graatige woede , als
óf Zy de verhongerdfte dieren van de werreld
geweèft waaren. Maar myns oordeels was het de
misdaad dier boofwichten, en niet de honger,
die deeze felle beeften op hen aanhitfte 5 omdat
Gód wilde dat zelfs de onrédelyke dieren de
dienaars zyner rechtvaerdige wraake zouden
zyn Naa dat Daniëls vyanden aldus geftraft
waaren, deed Darius door zyn ganfche ryk af-
kondigen , dat de Gód dien Daniël aanbadt, de
eenige , waarachtige , en alvermoogende God
was, en hy verhief deezen uytmuntendp man
tót zulken aanzienlyken ftaat, dat niemand
twyfelen kon óf hy was boven alle andere by den
Koning bemind; en in die groote eere en onge-
meene begunftiginge van Gód wierdt hy met de
hoogfte verwondering van ieder aanlchouwd.
Hy deed te Ekbatana, Hoofftad van Medië, een
prachtig paleys bouwen, \'t welk tegenwoordig
nóg te zien is , en zich zo cierlyk vertoont als
óf \'t maar eerft gemaakt was, tegen de gewoon-
lyke hoedaanigheyd der gebouwen , die door
den tyd hunne fchoonheyd verliezen , en even
eens als de menfchen verouderen. In dit paleys
is de grafftede van de Koningen der Perfen,
Meden, en Parthen > en de bewaaringe daarvan
wordt nóg ten huydigen dage eenen Priefter on-
zer landaard aanbevolen. Ik vind in dien
grooten Profeet niet§ meer verwonderlyk> dan
dat byzonder cn fchier ongeloofiyk geluk dat
ny boven de andere gehad heeft, van geduu-
rende zyn ganfche leeven van Koningen cn vól-
ken geëerd te zyn geweeft , cn naa zynen dood
eene onfterflyke gedachtenis naagelaaten te
hebben. Want de boeken die hy gefchreeven
heeft, en welke by ons nóg geleezen worden,
geeven te kennen dat Gód zelf tót hem fprak,
en dat hy niet alleenlyk in \'t grós , gelyk de
andere Profeeten , toekomende zaaken voor-
zegd , maar ook den tyd waarin ze gebeuren
zouden aangewcezen heeft: en dat daar de an-
dere niets voorzeyden dan onheylen, waardoor
zy zich by de Vórften en hunne onderdaanen
gehaat maakten, deeze hen voordeelige en gun-
ftige zaaken voorzegd heeft, die hen bewoo-
gen om hem te beminnen, en welker waarheyd
federd door de uytkomft bekrachtigd zynde,
ieder een verpligt heeft niet alleenlyk aan zyne
woorden geloof te geeven, en hem inachtinge
te houden ^ maar ook te gelooven dat\'er iets
gódlyks in hem was. Ik zal ééne zyner voor-
zeggingen verhaalen , om te toonen hoe zeker
zy waaren. Hy zegt dat hy met zyne medege-
zellen buyten Suza, hoofdftad van Perftë, gegaan
zynde om een veldluchtje te fcheppen, daar
eene aardbeeving ontftondt, welke die van zyn
gezelfchap zo ontzettede en verfchrikte , dat
zy wcgvlooden , en hem alleen lieten : dat hy
toen met zyn aangezigt op de aarde neérviel
en in dien ftaat iemand voelde dic hem aanraakt
te, en beval op te ftaan om dmgen te zien die
lang daarnaa aan zyne landaard gefchieden zou-
den. Dat toen hy opftondt hy eenen ram zag
met veele hoornen welker laatfte alle de an-
der in grootte overtróf Dat hy zyne oogen na
\'t Weften keerende eenen bok zag komen, die
den ram ftiet, ter aarde wierp, en met voe-
ten vertradt. Dat hy daarnaa uyt het voor-
hoofd van dien bok eenen grooten hoorn zag
te voorfcibyn komen die gebrooken wierdt, en
dat
piii\'^f
i
:ijlH
i\'iili
It jl!
I
i
liï
Iii
XBoek. ^ JOODSCH
dat \'er vier aitdereiiytvoortquamen , die na de
vier winden gekeerd waaren. Dat tuflchen die
vier hoorns zich een kleyne voordeed ; en
dat Gód hem gezegd had , dat wanneer die
zoude volwaflèn zyn, hy zyne landaard beoor-
logen 5 Jerufalem met geweld inneemen , alle
de Tempeldienften affchaffen , en geduurende
twaalfhonderd zes en negentig dagen de ófter-
anden beletten zoude. Naa dat Gód hem dit
gezigt getoond had , verklaarde hy \'t hem in
deezer voege: Dat de Ram de heerfchappy der
Meden en Perfen betekende welker Koningen
door de hoornen verbeeld wierden, en dat de
gjrootfte de laatfte onder hen was , doordien hy
alle de andere in rykdom en magt overtreffen
zoude. Dat de Bok betekende dat\'er üyt Grie-
kenland een Koning zou komen, die de Per-
fen overwinnen , en zich van dat groot ryk
meefter maaken zoude : Dat de groote hoorn
dien Koning betekende , en dat de vier kleyne
hoornen «yt dien grooten voortgekomen, ftrek-
kende zich na de vier deelen der werreld , de-
crénen verbeeldden die naa den dood van dien
^órft dat groot ryksgebied onder hen verdeelen
zouden, fchoon zy zyne kinderen nóch afko-
melingen niet waaren: Dat zy veele jaaren zou-
den regeeren : Dat uyt hunne naakomelingen
een Koning zou komen die den Jooden be-
oorlogen, alle hunne wetten en ftaatsbeftiering
affchaften, den Tempel pionderen, en drie jaa-
ren lang den dienft der ófteranden aldaar verbie-
den zoude: al het welk onder de regeering van
Antiochus Epifanes gebeurd is. Deeze Pro-
E H I S T O R ï. 2JI
feet had ook kenniflè van \'t Roomfche Ryk,
en van de uyterfte verwoeftinge die ons land
daardoor is overgekonien. Gód had alle die
zaaken aan hem vertoond, enhy heeftzebyge-
fchrifte naagelaaten , opdat zy die \'er de uyt-
komft van zouden zien , zich over de gunften
welke hy van den Heere ontvangen had, mog-
ten verwonderen ; en ook opdat hy daardoor
de dwaaling der Epikureers mögt om verre ftoo-
ten , die in plaats van Góds voorzienigheyd te
aanbidden, gelooven dathy zich met de din-
gen van beneden nietbemoeit, en dat de werreld
door dat opperfte, gelukzalig, onyerderflyk,
en almagtig weezen niet bewaard , nóchbefti,erd
wordt, maar dat zy door haar zelve beftaat :
zonder aan te merken dat indien hun zeggeA
waar was, men de werreld haaft vernield zou
zich, gelyk een fchip dat zonder ftierman door
de woedende baaren geflingerd, óf als een v/a-
o-en die zonder voerman door hóllende paerden
voortgerukt wordt. Men behoeft geen ander
bewys dan Daniëls prófecyen, om de dwaas-
heyd der menfchen , die niet willen toeftaan
dat Gód zórg draagt voor\'t gene hier op aarde
gefchiedt, ten toon te ftellen : want indien al-
les dat in de werreld voorvalt maar by geval
gebeurde, hoe zoud het dan können weezen
dat wy alle die voorzeggingen vervuld zagen ^
Ondertuflchen heb ik\'t mynen pligt geacht dee-
ze dingen, zo als ik ze in de heylige Boeken be-
fchreeven vinde, te verhaalen, laatende aan heh
die van een ander gevoelen zyn de vryheyd oni
daarvan te gelooven wat hen goed dunkt.
à i
JOODSCHE
H I S T O
ELFDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Cyrus Koning van PerCë laat den Joden weder na hun land keeren,
en Jerufalem cn den Tempel herbouwen.
43<ï. TN het eerfte jaar der regeeringe van Cyrus
lEfdrai. lj^Qj^jj^CT van Perflë, zeventig jaaren naa dat
^ de ftammen van Juda en Benjamin gevangklyk
na Babilon gevoerd waaren, vervulde Gód,
uyt ontferminge over hunne, wederwaardighe-
den, het gene hy door den Profee Jeremias
nóg voor ^de verdélging van Jerufalem voor-
zegd had , naamelyk dat wy , naa \'zeeventig
jaaren onder Nabuchodonofor en zyne naako-
melmgen in flaaverny doorgebragt te hebben,
weder in ons land keeren, denTempel herbou-
wen, en onzen eerften gelukkigen ftaat genie-
ten zouden. Dies gafhy Cyrus in\'t hart den
yólgenden brief te fchryven, en dien door ge-
heel AÃe te eenden. » Dit yerkUart de Ko-
ning Cyrus : Wy gelooven dat de almagtige ,,
Gód, die ons tót Koning van de geheele,,
werreld aangefteld heeft, de Gód zy dien \'t â
vólk Ifraëls aanbidt: want hy heeft door de
Profeeten voorzegd hoedaanig hiyn naam â
zoude zyn, en dat wy den Tempel van Je-
rufalem , t\'zyner eCre toegewyd, in Judëa â
her ftellen zouden."
Dat de Vórft aldus fprak, was omdat hy
in de profecyCn van Efaia , gefchreeven twee-
honderd en tien jaaren eer h)r gebooren was
en honderd en veertig jaaren voorde verdêlo-ino-
des Tempels, geleezen had, dat Gódhem^had
bekend gemaakt, dat hy Cyrus tót Kohin<T
over verfcheydene vólken zoud aanfteflen en
hem een yóorheemen inboezemen om zyn vólk
tótherbouwinge van zynen Tempel w^ei- na
Jerufalem te zenden. Deèze voorzecrcring baar-
de zulk een verwondering in hem, dSt h|, be-
I i 3 gee-
geerig cm dié te törvulien, de voornaamfte der
Jooden te Babiion deed tzamenkomen, en tót
hen zeyde, â Dat hy hen vedóf gaf ©m we-
â der na hun iand te keeren, ende ftad Jerufa-
,5 lem midsgaders den Tempel wederom op te
5, bouwen: "dat zy nkt \'ct behoefden te vreeZen
ifi; j
, f
dat Gód hsm in dien toeleg niet byftaaQ
feoude i cn dat hy aan de nabuurige Vórften
èn Landvoogden ontrent Judéa zou fcliry- â
ven dat zy hen goud en zilyfer djartoe noo- â
dig -, en beeften voor de óftèranden befchik- â
ken moften."
f,
lil i: i
Hierop begaven de voornaamft-e der ftam-
men van^Juda cn Benjamin zich met de Prie-
fters en Leviten ipoedig na Jerufalem j maar
die hun bezit niet wilden verlaaten, bleeven te
Babilon. Toen zy daar aangekomen waaren,
gaven de Grooten, aan welke de Koning ge-
ichreeven had, hen goud en zilver> etlyke ga-
vtn vee en paerden, cn andere die gelóften ge-
daan hadden , ófterden tót betaalinge daarvan
ple^Ttige ófferanden, dewyl men nu de ftad
begon te herbouwen, en de vaderlyke inzet-
tingen weder waar te neemen.
Cyrus zondt ter zelfder tyd de gewyde va-
ten , die onder de regeeringe van Nabuchodo-
nofor uyt den Tempel des Heeren genomen, cn
na Babilon gevoerd waaren, te rugge, behandi-
gcnde die aan Mit bridâtes zynen Schatbezórger,
met bevél omze aan Abafar over te léveren,
opdat die dezelve zoude bewaaren tótdat de
Tempel voltooid was, en ze dan aan de Prie-
fteren cn de voornamfte der Jooden geeven om-
ze weder in den Tempel te zetten. Ook fchreef
hy den vólgendCn brief aan de Landvoogden
van Syrië : â Dé Koning Cyrus aan hypna en
5, Sarabafan heyl: Wy hebben aan alle de Joo-
3ï den die in ons gebied woonen, en die weder
33 na hun vaderland willen keeren, vryheyd
33 verleend om derwaards te gaan, de ftad Je-
5, rufalem tc herbouwen, en den Tempel des
,, Heeren in zynen voorigen ftaat te herftellen.
Wy zenden Zorohabel hunnen Vórft , en
j, Mithridates onzen Schatbezórger , om \'er
de grondveften van te leggen, en hem ter
hoogte van zeftig elleboogen, en een gelyke â
breedte, op te haaien , met drie ryen van â
gcpolyfte fteenen, en ééne ry van hout dat j,
daar te lande groeit. Wy willen ook dat j,
\'er een altaar gebouwd worde om Gode te â
ófferen , en wy begeeren dat alles op onze â
kófte gefchiede. Ook zenden wy door Mi- ,,
thridates en Zorobabel de gewyde vaten,
welke de Koning Nabuchodonofor uyt den â
Tempel deed neemen, te rugge, omze al- â
daar weder te plaatfen. Het getal derzelver â
is vyftig goudene cn vyfhonderd zilvere bek-,,
kens, veertig goude Therikleefche drinkkóp- â
pen [aldus na den eerften maaker genoemd] ,,
en vyfhonderd zilvere, vyftig goudene en vyf- â
honderd zilvere emmers, dertig goudene en 5,
driehonderd zilvere ófferfchaalen, dertig â
goudene en tweeduyzend vierhonderd zilvcre â
kleinder fchaalen , en nóg duyzend andere â
groote vaten. Wy ftaan daarenboven den Joo-, ^
den dezelfde inkomften toe welke hunne voor- â
zaaten genooten hebben; en voor beeften, wyn,
en oli geeven wy hen tweehonderd-vyfduy-
zend vyfhonderd drachmen; en voor meel-
bloeme twintigduyzend vyfhonderd Perfiaan-,,
fche maaten koorns : \'t welk wy willen dat uyt â
de landeryen van Samarië gehaald zal worden.
De Priefters zullen vólgens Mofes inzettinge
Gode alle de flagtóffers te Jerufalem ófferen, â
en hem voor onze welftand en de behoudenis
onzes geflachts, en voor het ryk der Pqrfen bid- â
den. En zo iemand zo ftout zy dat hy onze be- â
vélen niet in sUes naajcome^ willt» wy dathy,,
55 ge-
35
35
»
33
ili
n. HOOFDSTUK. ,
De Jooden beginnen Jerufalem en den Teppel te herbouwen. Maar
naa (kn dood van Gyrus fchryven de Samaritaanen en andere om-
leggende vólken aan deo Koning Kambyfes zynen zoon om dat
werk te doen ftilftaan.
437. -npOen de Jooden, in gevólge van het bevél
1 Efdr, 4. JL door den Koning Cyrus gezonden , de
grondveften des Tempels leyden , en m.et yver
aan de wederopbouwinge daarvan werkten,
beftonden de naabuurige vólken , en inzonder-
heyd de Chutteërs , welke Salmanaflar Koning
van Aftyrië uyt Perfië en Medië had doen komen
om Samarië weder te bevolken, naa dat de
Ifraëhten daaruyt weggevoerd waaren , de
Landvoogden en die \'t opzigt over dat werk
hadden te verzoeken , dat zy den Jooden de
voortgang deszelfs , en \'t herbouwen der ftad
beletten wilden. Deeze perfoonen door hen
omgekóft begonden zich verzuymelyk in \'t
uytvoeren van hunnen laft te toonen , te meer
dewyl Cyrus geen bericht daarvan hebben kon,
omdat hy toen in den oorlóg der Maflageten be-
greepen was, in welken hy ook het leeven ver-
loor.
Kambyfes zyn zoon vólgde hem in \'tryk , en
zo dra hy tót de kroon gekomen was , wierdt
hem door de Syriërs, Feniciërs, Ammoniten,
Moabiten , en Samaritaanen , den vólgenden
brief toegezonden: â Heer Koning. Uwe kneg-
ten : Rathym de Kancelier, Semelim de Schry-
_ ver, en de andere Amptenaars van Syrië en Fe-
â nicië wenfchen u heyl. Wy achten ons ver-
â pligt om u te verwittigen , dat de Jooden,
â die na Babiion vervoerd waaren , weder in
â dit land gekomen zyn : dat zy hunne ftad,
â die ter zaake van hunne muytery verdélgd
â was , wederopbouwen j dat zy de muuren
3, daarvan weêr ophaalen, markten aanftellen,
â en den Tempel weder oprechten. Byaldien
â men nu hen toelaat daarmeé voort te gaan,
zullen zy \'t werk niet zo dra voltooid heb-
â ben , óf zy zullen weygeren u de fchat-
tingen te betaalen , en uwe bevélen naa
" te komen , doordien zy zich altoos te-
" gen de Koningen zullen aankanten , ver-
» mids zy geneygd zyn fteeds te gebieden , en
3, nooit te p;ehoorzaamen. Ziende dan hoe y ve-
« rig zy aan \'t opbouwen van dien Tempel ar-
beydL , hebben wy ^t onzen phgt geacht u
daaraf kennis te geeven. En zo tu beheft
â de fchriften van uwe voorzaaten naa te zien,
3, zult gy daarin vinden dat de Jooden natuur-
â lyk vyanden der Koningen zyn , en dat het
â om die reden is dat men hunne ftad verdelgd
â heeft. Waarby wy nóg konnen voegen 3 dat
3, indien gy hen toelaat de ftad te herbouwen
â en met muuren te verfterktn , u daardoor
3, den doortógt na Fenicië en Coelo-Syrië zal
geflooten zyn.
3J
5>
III. HOOFDSTUK.
Kambyfes Koning van Perfie verbiedt den Jooden het verder op-
bouwen van Jerufalem en den Tempel. Hy fterft op 7.vne te rug
reyze na Egipte. De Wyzen regeeren het ryk een jaar. Darius
tÃE Konmg verkooren.
DEeze brief diende tót terginge van Kam- 431
byfes , die van natuure quaadaardig wasj
zulks dat hy\'er aldus op antwoordde. âDeKo- â
ning Kambyfes aan Rathym onzen Kancelier, â
Semelius en Belfum onze Schryvers, nevens de
overige van hunne medegenoten met de andere
ingezétencn van Samarië en Fenicië, onze
groet. Naa dat wy uwen brief ontvangen had- ,3
den, hebben wy de fchriften onzer voorzaa- â
ten naagezien, en daarin gevonden dat de ftad ,,
Jerufalem van alle tyde her eene vyandinder
Koningen geweeft is; dat haare inwooners al-
toos oproerig en tót muytery geneygd zyn ge- â
weeft 3 en dat zy geregeerd is door magtige en â
zeer inhaalige Vórften, die Coelo-Syrië en Fe- 5,
nicië met geweld fchatting afgedwongen heb- â
ben. Om derhalve te beletten dat de ftoutheyd
van dit vólk hen tót eenen nieuwen afval ver- â
voere, verbieden wyu hen het herbouwen dier â
ftad toe te laaten."
Rathym , Semelius, en de andere hadden
deezen brief zo dra niet ontvangen, óf zy gin^
gen met een groot gevólg te paerde na Jerufalem,
en verbooden den Jooden met het herbouwen van
de ftad en den Tempel voort te gaan. Aldus
ftondt dit werk negen jaaren ftil, tót in het
tweede jaar ckr regeeringe\' van Darius Koning
van Perftc : want Kambyfes regeerde maar zes
jaaren, en ftierf tc Damaskus, op zyne weder-
komft van Egipte , ^t welk hy ondergebragt
had. De Wyzen regeerden naa zynen dood
het ryk een jaar met een volftrekte magt: maar
"" \'t ombrengen der zelve verkooren de zei
na
ven Perfiaanfchc huyzen, gelyk men ze noemt,
met gemeene toeftemminge tót Koning Dartm
Hyftafpes zoon.
IV. H O O F D S T U K.
De Koning Darius ftelt aan Zorobabeï Vórft der Jooden cn twee an-
deren vraagen voor: en door Zorobabel daarop vo\'daan zynde ftaat
hy hem tót vergeldinge het herbouwen van de ftad Jerufalem en
den Tempel toe. Een groot getal Jooden keert weder na Jerufa-
lem onder\'t geleyde van Zorobabel, en arbeydt aan dat werk. De
Samaritaanen en andere vólken fchryven aan Darius om \'t ben te
beletten. Maar die Vorft doet het tegendeel.
qP Oen Darius nóg buyten de regeering was
had hy Gode een belófte gedaan , dat in-5 Etd«
dien hy ooit den troon beklom,, hy alle de ge-
wyde vaten die te Babiion nóg óverig waaren,
weder na den Tempel van Jerufalem zoude
zenden. Tót Koning verklaard zynde geviel
het dat Zorobabel Vórft der Jooden, zyn oude
vrind , by hem quam 5 dies deed hy hem en
twee anderen de eere, dat hy hen tot de
drie voornaamfte Lyftrawanten verhief
Deeze Koning rechtte in ^t eerfte jaar zyner re-
geeringe een prachtig gaftmaal aan, zo voof zyne
voornaamfte amptenaaren, als voor de o-root-
fte Heeren der Meden en Perfen, en de Land-
voogden der honderd zevenentwintig land-
fchappen , over welke zyn gebied zich uytftrek-
te van Indië tót aan Ethiopië. Naa het fcheyden
van de maaltyd ging elk na zyn verblyf Darius
lil\' . \' naa
XI. BOEK. JOODSCHE HISTORI.
gekruyfigd , cn zjn goed aan onfe fchatkift
â verbeurd gemaakt worde." Dit was de inhoud
van \'s Konings brief: het getal der Jooden die
weder na Jerufalem keerden was twêënveertig-
duyzend vierhonderd twêënzeftig perfoonen.
â¢f5
35
3>
53
55
))
5>
naa eenen kerten flaap %Yakker geworden 23/nde,
en niet weder konnende flaapen , begon met
zyne drie lyfamptenaaren wat te praaten, en
zeyde tót hen dat hy aan den genen die zyn
voorftel beft zou konnen verklaaren 5 zou toe-
ftaan een purper kleed, en eenen gouden hals-
band te draagen , uyt eenen gouden beker te
drinken, op een gouden ledekant te flaapen, op
eenen wagen welks paerdetuyg van goud was,
t-e ryden , eênen zyden tulband te draagen,
naaft hem gezeten te zyn , en zyn bloed-
vriend genaamd te worden. Hy vraagde dan
aan den eerften , óf de Wyn niet het allerfterk-
fte was ; aan den tweeden óf het de Konin-
gen, en aan den derden óf het de vrouwen
niet waaren,
danófnietmiffchien de V/ aarheyd
hen alle overtrof: enhy beval hen dat zy\'er hun-
ne gedachten over zouden laaten gaan. Den
vólgenden mórgen ontboodt hy alle de Vórften
en groote Heeren van Perftè en Medië j en op
zynen troon, alwaar hy gewoon was vonniflèn
eyt te ipreeken , zich gezét hebbende , beval
hy aan deeze drie amptenaaren, dat Zy voorde
ganfche vergadering zouden antwoorden op de
drie vraagen welke hy hen voorgefteld had.
De eerfte om de kracht des Wyns te toonen
fprak aldus : â Doorluchtige mannen , om
te toonen dat alles voor de kracht van den
wyn moet wyken , dunkt my dat \'er geen
ander bewys noodig is, dan dat men ziet dat
hy \'t verftondt benevelt, en de Koningen zelfs
in zodaanigen ftaat ftelt, dat ze zyn als kin-
deren die men leyden moet: dat hy aan de
flaaven de vryheyd van fpreeken , welke zy
door de dienftbaarheyd quytgeraakt zyn,
wedergeeft; dat hy de armen zo vergenoegd
maakt als de ryken ; dat hy \'t gemoed der
menfchen zo verandert, dat zelfs in de aflcr-
elendigfte het gevoel hunner rampen ver-
doofd wordt, zo dat zy hunner armoede ver-
geetende , zich zulk een overvloed verbeel-
den datze niet als van mülioenen zwetfen:
dat hy hen hoogdraavend doet fpreeken ge-
lyk zulke die van grooten ftaat zyn , benee-
mende hen de vreeze voor de ontzaglykfte
perfoonen , ja zelfs voor de grootfte Mo-
narchen ; en dat hy maakt datzy hunne befte
vrinden niet alleenlyk niet kennen , maar
ook haaten : En dat als deeze menfchen uyt-
geflaapen hebben en weder nüchteren zyn,
zy niet meer denken aan \'t gene zy in hunne
dronkenfchap gezegd óf gedaan hebben.
Hierom acht ik dat de wyn voor den fterk-
ften behoort gehouden te worden,"
55
33
33
33
3»
33
33
33
33
33
33
33
3*
33
33
55
35
33
33\'
33\'
33
33
39
3i\'
3>
: II
t\'i I.
Na dat de eerfte aldus tót lóf van den wyn
gefprooken had , hief degéne die bewyzen zou
dat niets de magt der Koningen kon evenaaren,
aldus aan: ,, Niemand kan in twyfel trekken
3, dat de menfchen alles onder hun gebied heb-
jï ben; want zy heerfchen over de aarde en de
zee, en gebruyken die hoofdftóffen tót zo-
33 daanigen dienft als hen goed dunkt. Maar
Koningen gebieden over de menfchen , en
â heerfchen over zulke die alle andére dieren
â onder hun bedwang hebben. Wat is \'er dan
dat tegen hunne magt op mag.^ Alles wat
,, zy hunnen onderdaanen beveelen j wordt aan-
j, ftonds uytgevoerd. Als \'t hen goed dunkt,
wikkelen zy hen in oorlógs gevaaren ; en \'t â
zy dat \'er muuren te beftórmen , óf vyan- â
den op \'t veld te beftryden , óf in ontoe- ,,
gangklyk gebergte te bevechten zyn , zy â
maaken geen zwaarigheyd m den dood te,,
loopen om hunne Vórften te gehoorzaamen. â
En wanneer zy veldflagen gewonnen , en
overwinningen behaald hebben , ten kófte
van hun bloed, gedydt alle de roem daarvan
ten voordeele der Koningen , die ook het
genót van den arbeyd en \'t zweet der gener â
raapen, ^velke terwyl andere ten oorlóg,,
trekken, zich met den landbouw beezig hou-,,
de^i, Aldvil ra^aijen de Vórften \'t gene zy,,
â¢3 niec
39
S3
99
39
39
,, niet gezaaid hebben zy genieten allerley
â vermaak , en flaapen op hun gemak terwyl
hunne wachters aan hunne deur waaken,
zonder te durven daar afgaan , hoe gewigtig
,, een zaak zy ook elders te verrichten hebben.
â Hoe kan men dan nog twyfelen óf de magt
3, der Koningen alle andere overtreft?"
Zorobabel , die de laatfte moft fpreeken,
om het vermoogen van de Vrouwen en de Waar-
heyd te toonen , begon aldus : â Ik ftaa toe
dat de kracht des Wyns , en de magt der
â Koningen groot is j maar echter beweerik
â dat het vermoogen der Vrouwen nóg grooter
â zy. Alle de mannen, ja zelts de Koningen,
zyn van vrouwen gebooren 5 en indien zy
â \' degénen die den akker bouwen niet ter wer-
â reld gebragt hadden , de wynftók zou die
â vrucht 5 wier fap zo aangenaam is , niet
j, voortbrengen. Zonder de vrouwen zoud
3, ons alles ontbreeken ; aan haaren arbeyd
zyn wy de voornaamfte gerieflykheden des
leevens verfchuldigd ; zy fpinnen de wol-
Ie en de zyde waarvan wy kleederen draagen i
zy neemen de huyshouding wacr ; zo dat
wy haar geenfins zouden konnen miflèn.
Haare fchoonheyd heeft zo veele bekoorelyk-
j, heden , dat zy ons het goud , zilver , en al
wat kóftelyk in de werreld is, doet vergeeten,
â om haare gunft te winnen. Om haer te vól-
â gen , verlaaten wy zonder verdriet vader,
3, moeder, vrinden, maagen , en zelfs onsva-
3, derland; en wy maaken haar voogdeftèn met
5, alleenlyk van alles wat wy ter zee en te lan-
â de door duyzend moeijelykheden verkreegen
hebben, maar ook van ons eygen zei ven.
Zal ik hier nóg by voegen , dat ik gezien heb
dat de Koning , die over zo veele vólken
heerfcht, toeliet dat Apamea zyne minnaa-
rés , dóchter van Rapfakes den Themafy-
â ner , hem eenen kinnebakflag gaf 5 zyne
â kroon hem van \'t hoofd rukte om ze op haar
5, eygen te zetten > en dat die groote Vórft
35 lachte als zy in een goede luym was, zich
3, bedrukt toonde als zy droevig was , liaar
5, vleyde , haar gedrag naäapte, en zich zo
5, verre vernederde dat hy verfchooning van
â haar verzócht, wanneer hy haar ergens in
5, mogt mishaagd hebben."
Alle de omftanders ftonden zo verzétoverdit
vertoog , dat zy malkanderen aankeeken : en
daarop tradt Zorobabel van den lóf der vrouwen
tót die der Waarheyd over. â Ik heb aange-
toond , zeydhy, hoe groot het vermoogen
" der vrouwen is : maar nóch de vrouwen,
nóch de Koningen können by de Waarheyd
â vcrgcleeken worden t want hoe groot ook de
,, aarde, hoe hoog de hemel, en hoe fnel de loop
der zonne zy S is Gód die hen beweegt ^
beftiert. GóVnuisrechtvaerdig enwaarach-
â tig; diesblykt het klaar dat mets het vermoo-
gen der Waarheyd kan cvenaaren. De onge-
rechtigheyd vermag niets tegen haar 5 en in
â plaats dat alle de andere dingen verganklyk
â zyn $ en als eenblikfcm voorbygaan 5 is zy n^t
alleen onfterflyk en eeuwigduurende, maar de
voordeelen waarmeê zy ons verrykt zyi^ ^^^^
n minder duurzaam dan zy zelve: Het geval
55
5J
3>
kan \'er ons niet van berooven , nóch de tyd
die veranderen , omdat ze boven hun bereyk ,3
zyn j en door niets bedurven konnen wórden.
Zorobabel aldus gefprooken hebbendé,
wierdt ten hoogften gepreezen, en men beken-
de dat hy zeer wel beweezen had dat de Waar-
heyd de fterkfte was, en dat zy nooit verouder-
de , nóch aan eenige verandering onderheevig
was. De Koning zeyde hem, dat hy maar hoe-
men zoude wat hy begeerde boven \'t gene dat hy
beloofd had aan dien die zyn voorftel beft ver-
klaaren zoude; dewyl hy \'t zeer gewillig zou
reeven, als erkennende hem denwyftenenver-
iandigften van alle te zyn: waarby de Vórft nóg
voeo-de, dat hy in \'t toekomende zynen raad wil-
de inneemen, naaft hem zou zitten, en hem in
geen minder achtinge houden, dan ófhy één zy-
ner naafte bloedverwanten waare. Zorobabel
antwoordde, dat hy geen andere gunft van hem
begeerde , dan de voltrekking zyner belófte,
om Jerufalem, zo hy ooit tót de kroon quame i
te doen herbouwen , den Tempel weder op te
rechten , en \'er alle de gewyde vaten, welke
de Koning Nabuchodonofor daar uyt had doen
ligten en na Babilon voeren , weêr in te bren-
gen. Alstoen rees de Koning met een bly ge-
laat van zynen troon op, kufte Zorobabel, eh
belafttc aan zyne Landvoogden te fchryven, dat
zy hem nevens de andere die met hem heene
trokken om den Tempel van Jerufalem te her-
bouwen, Op de reyze behulpzaam zouden zyn:
Ook beval hy den Overheden van Syrië en Fe-
nicië céderboomen op den berg Libanon te
doen vellen om na jerufalem gevoerd te wor-
den , en degénen die de ftad zouden herbou-
wen daarin by te ftaan : voorts behelfden die
brieven , dat alle de Jooden die weder na Jeru-
falem keerden van hunne gevangeniftè Ontfla-
gen zouden zyn 5 en dat hy wilde dat zyne
Amptenaaren hen geen fchatting zouden opleg-
gen 5 maar hen zo veel lands laaten bebouwen
als zy beheeren konden: dat de Idumeërs j Sa-
maritaanen , cn die van Coelo- Syrië hen alle
de landeryen welke hunne voorvaders beZeten
hadden , weder zouden moeten inruymen , eri
hen vyftig talenten tót het bouwen van den
Tempel eeeven : dat de Jooden dezelfde offer-
anden en plegtigheden zouden moogen waar^
neemen , die \'er by hunne voorvaderen onder-
houden waaren: wyders dat men uyt zyne fchat-
kift zoude neemen \'t gene noodig was tót dc
klccderen der Hooge-en gemeene Priefteren ,
en tót de fpeeltuygen , waarop de Leviten lóf-
zangen zongen j en dat men jaarlyks aan de
wachters van den Tempel en de ftad zo veel
lands en gelds geeven zoude j als tót hun Onder-
houd noodig was. In \'t kort gezegd i Dariué
bekrachtigde alles wat Cyrus ontrent de herftel-
linge der Jooden, en de wedeirgeevinge det
gewyde vaten bevolen had.
Naa\'dat Zorobabel aldus van dién Vórft alles
wat hy wenfchen kon verwurven had, was
\'t eerfte dat hy in \'t uytgaan vaii het paleyö
deed. Gód te danken voor de gunfte dat hy
in de oogen van dien Vórft boveiiandereii uyt-
muntte, bekennende dat hy al zyn geluk aan
zyne byftand verfchuldigd Was j en biddendé
da£
i^^lSii
44^,
li/S
255 F L Ã V I US J
ckt hy daarmede behefde te volharden. Toen
hy te Babilon gekomen was, en aan die van zyne
landaard diepede tyding bekend gemaakt had ?
dankte zy Gód nevens hem voor dat het hem
beliefd had hen in hun vaderland te herftellen,
en zy bragten zeven dagen met gaftmaalen en
andere vrolykheden door. Vervólgens koozen
de huysgezinnen perfoonen uyt hunne ftammen
om hen na Jerufalem te geleyden , en zy ver-
zórgden zich van paerden en andere beeften om
hunne vrouwen en kinderen te draagen. Aldus
toog deeze groote menigte van mannen en vrou-
wen, jongen oud, begeleyd door degénen wel-
ke Darius daartoe befteld had, met een ongeloof-
lyke blydfchap , onder het gefchal van nuyten
en trommelen, op weg. Om den leezer niet
laftig te vallen, en den draad myner reede niet
af te breeken, zal ik hunne naamen overftaan,
en my vergenoegen met hun getal te melden.
Van de ftammen van Juda en Benjamin waaren
\'er van den ouderdom van twaalf jaaren opwaards
vier millioen zeshonderd achtentwintig duy-
zend perfoonen : deeze wierden gevólgd van
vtfnZ * vierduyzend zeventig Leviten, en vcertigduy-
vmtig. \' zend zevenhonderd twêënveertig vrouwen en
kinderen. Van het geflacht der Leviten waa-
ren\'er honderd en achtentwintig zangers, hon-
derd tien deurwachters, cn driehonderd twêën-
negentig die \'t Heyligdom bedienden. Voorts
waren\'er zeshonderd t wéënzeftig die zich Ifraëli-
ten noemden, dóg niet bewyzen konnende dat zy
\'t waaren, ook niet voor zodaanig erkend wier-
den 5 alsmede vyfhonderd vyfentwintig, die
vrouwen getrouwd hadden welke zy zeyden van
\'t geflacht der Priefteren en Leviten te zyn, maar
wier naamen in derzelver geflachtregifters niet
te vinden waaren, welke daarom van \'tPriefl^r-
dom geweert wierden. Daarnaa vólgden ze-
venduyzend, driehonderd, zevenëndertigflaa-
ven i tweehonderd vyfenveertig zangers en zan-
gereflèn ; vierhonderd vyfendertig kameelen,
en vyfduyzend vyfhonderd vyfentwintig laft-
beeften om de pakkaadje te draagen. Zoroba-
bel zoon van Salathiël uyt dc ftamme Juda, en
van David afkomftig, was het Hoofd van dee-
ze groote menigte, benevens Jefm zoon van
Jofedek den Hoogenpriefter. Behalven deeze
twee waaren nóch uyt het gemeen tót Hoofden
aangefteld Mardochém, cn Zerebéus ; welke ook
honderd ftukken gouds, en vyfduyzend zilver-
lingen tót de reyskóften, van hun eygen op-
fchooten. In deezervoege was het dat de Prie-
fters, Leviten, en een gedeelte van \'tJoodfche
vólk dat in Babilonië was, weder heene gingen
om Jerufalem te bewoonen j terwyl degéne die
\'er bleeven weêr te rug keerden, naa datzy hen
een gedeelte van den weg uytgeleyd hadden.
In de zevende maand daarnaa zonden Jefus
dc Hoogepriefter, en de Vórft Zorobabel na
alle kanten om die van hunne landaard te noo-
digen tót Jerufalem te komen. Zy deeden
zulks met groote blydfchap 5 cn naa eenen al-
taar gebouwd te hebben ter zelfder plaatfe al-
waar de eerfte ftondt, óftèrden zy\'er Gode óf-
teranden op naar de inftellinge van Mofes;
t welk denabuurige vólken niet dan met verdriet
konden aanfchouwen, wegens den haat diea
Mi
44Ã.
OSEPHUS
zy hen toedroegen. Ter zelfder tyd vierden
de Jooden ook het Loverhutten-feeft zo als het
eerft was ingefteld; en zy deeden de dagelyk-
fche óftèranden , als ook die der Sabbatthen en
feeftdagen, benevens andere plegtigheden: En
die gelóften gedaan hadden , voldeeden dezel-
ve door té ófferen naa de nieuwe maan der ze-
vende maand.
Daarnaa begon men aan het bouwen van den
Tempel tc arbeyden, veel geldaandefteenhou-
wers en werkbaazen uytfchietende, en tót on-
derhoud der geenerdie\'tbouwgereedfchapaan-
bragten. De Sidoniërs zonden met groote ge-
neegenheydcéderen balken die op\'t gebergte van
Libanon gehouwen, cn tót vlótten aan een ge-
hecht over zee gevoerd waaren tót aan de haven
van Joppe, gelykCyrusen Darius belaft hadden.
In de tweede maand des tweeden jaars na der
Joden wederkeermge te Jerufalem, begonnen zv
den Tempel te ftigten, en met de nieuwe maane
der tweede maand des tweeden jaars de fonda-
menten gelegt hebbende, houden zy daarop. Al-
le de Leviten die twintig jaaren en daar boven
oud waaren, Jefus met zyne zoonen en broeders,
enZoUmïèl broeder van Juda zoon van Amina-
dab met zyne zoonen, dien het opzigt over het
Tn -rbeyddenVzo vlytig
voltooid was als menver-
wacht had. Het heiligdom voltooid zynde qua-
men de Priefters bekleed met hun priefterlyk ee
waad onder \'t gefchal der bazuynen aantrekken \'
en de Leviten en afkomelingen van Afaph zon-
gen liederen en Pfalmen door den Koning David
gemaakt tót Góds lóf De bejaardfte der Leviten
en des vólks, die de pracht en kóftelykheyd van
den eerften Tempel gezien hadden, ziende hoe
veel deeze daarvan verfcheelde, en oordeelende
dienvólgens van het gefchil tuflehen hun verlee-
den en hun tegenwoordig geluk, wierden zo door
droefheyd getroftèn, dat zy zich niet van zuch-
ten cn traanen onthouden konden. Maar het se-
meene volk daarentegen, \'twelk zichmLrdfor
tegenwoordige voorwerpen laat beweegen, en od
zodaanig een vergelyking geenfins dacht, was
zo wel vergenoegd, dat hun het gejuygh en \'t 2e-
luyd der bazuynen het geklag der andere ver-
doofde.
Het geruchthiervan zich te Samarië verfpreyd 44t
hebbende, quamen de inwooners van die ftad
om na de oorzaak daaraf te verneemen > en ver-
ftaan hebbende dat de Jooden, weder gekeerd uyt
de Babilonifche gevangenifle, den Tempel weêr
opbouwden, verzóchtenzy aan Zorobabel, Je-
fus den Hoogenpriefter, en de V\'órften der ftam-
men , dat zy mede aan die kóften mogten draa-
gen, zeggendedatzyeenenzelfden Gódnevens
hen aanbaden, en dat zy geen andere gódsdienft
hadden gehad federd dat Salmanaifar Koning
van Aflyrië hen uyt Chute en Medië gezonden
had om Samarië te bewoonen. Maar zy ant-
woordden alle eenpaariglykdaarop, datzehun-
ncbcgeertenietkondeninvólgen, doordienCy- ^
rus en Darius aan niemand dan hen het bouwen
van den Tempel bevo en hadden: dóch dat zulks
evenwel niet ^u verhinderen dat zy en andere
vólken, die God aldaar wilden komen aanbid-»
den, lietJïieï^^^yelykzoudenmoogcndoén.
XI. B O EK.
3, was in ftand gebleeven 5 maar dat hunne va-
3, ders Gód door hunne zonden vertoornd
33 hebbende 3 hy toegelaaten had dat Nabu-
33 chodonofor, Koning van Babiion en Chal-
33 dea 3 de ftad ftórmenderhand innam , ver-
ss delgde, en den Tempel verbrandde , naa
53 dat hy \'er alle de fchatten en kóftelykheden
33 had uytgeligt, voerende toen het vólk ge-
3, vangklyk na Babiion. Dat Cyrus 3 naderhand
33 Koning van Perftë en Babilonië 3 uytdrukkelyk
33 door brieven tót dien eynde gefchreeven bevo-
33 len had, dat men den Tempel zoud herbou-
33 wen 3 en dat als hy voltooid zoude zyn, men
â alle de gewyde vaten die\'er uytgenomen waa-
3, ren weder daarin zoude brengen i welke hy tót
33 dien eynde aan Zorobabel en Mithridates zy-
33 nen Sehatbezórger had behandigd. Dat hy
33 om den Tempelbouw te verhaaften, Abafarna
33 Jerufalen gezonden had om de grondveften te
33 leggen. Dat federd dien tyd de vólken die hem
33 vyandig waaren 3 alles wat in hun vermoogen
was gedaan hadden om dat werk te ftuyten: en
dat zy tót een bewys van de waarheyd daarvan,
maar aan den Koning behoefden te fchryven,
en te verzoeken ófzy onder dc fchriften en aan-
tékeningen der voorgaande Koningen zouden
moogen zien óf de zaake zich aldus niet toege-
draagen hadde." Siftna en die hy by zich had-
de wierden door deeze rédenen zo bewoogen,
dat zy \'twerk niet wilden verhinderen, zonder
alvoorens de wil des Konings te weeten j en
daarom fchreevén zy aan hem. Ondertuflchen
vreefden de Jooden dat die Vórft zyn gegeeven
verlóf weder zoud intrekken j maar de twee Pro-
feeten die in dien tyd onder hun waaren, Aggéus
en ^acharias zeyden hen , dat zy voor Darius
nóch de Perfen niet behoefden te vreezen,
doordien zy deswege van Góds wille onder-
recht waaren, Aldus fchepten zy weder moed,
^n vervólgden het werk onophoudelyk.
Inmiddels lieten de Samaritaanen óf Ghu-
35
33
33
35
33
33
33
33
H ISTOR I. ^^y
teërs^niet naa aan den Koning Darms te fchry-
ven dat de Jooden hunne ftad verfterkten, en
eew Tempel bouwden die veel eer naar eene
veftmg , dan naar eene plaats van Gódsdienft
geleek : en dat om den Koning te toonen hoe
naadeehg zulks voor hem was, zy hem den
brief van den Komng Kambyfes zonden, in
welken hy den voortgang van den Tempel-
bouw verbooden had, omdat hy zulksnietvór-
derlyk voor zynen dienft oordeelde. Toen
Darius deezen brief en dien van Siftna ontvan-
gen had, beval hy dat men de gedenkfchriften
der Koningen saazoeken zoude j en men vondt
op \'t ftót Ekbatana in Medië onder die fchrif-
ten dit vólgende aangetekend: â Dq Koning
Cyrus belaftte in \'t eerfte jaar zyner regee- \'
ringe dat men te Jerufalem eenen Tempel H
zoude bouwen zeftig elleboogen hoog, en
van dezelfde breedte, met drie ryen gepo-
lyfte fteenen, en ééne ry hout dat daar te "
lande groeit j alsmede dat men eenen altaar "
in dien Tempel zoud maaken , alles on"
zyne kóften. Dat men de gewyde. vaten,
welke Nabuchodonofor daaruyt gehaald,,
had, weder daarin brengen zoude. Dat Aha-â
fat Landvoogd van Syrië en Fenicië, nevens ,3
de amptenaaren des landfchaps , zou bezór- â
gen dat het werk voortgezét wierde, zonder
nógtans na Jerufalem te gaan , omdat het â
den Jooden, die dienaars Góds waaren, en â
hunnen Vórften toequam feet opzigt daar- â
over te hebben 5 vermids het genoeg was dat,,
hy hen verzórgden met geld het welk uyt de â
Ichattmgen dier landfchappen quam , en dat
zy hen óflên, fchaap en, lammeren, geyten, ,
meelbloem , oh, wyn , en alles wat de Frie-\'\'
fters eyfchten, tót hunne ófteranden ^aven - \'\'
opdat zy voor de welftand van den tonim
en \'t ryk der Perfen mogten bidden. Endat â
indien iemand zo ftout was dat hy dit gebód â
niet gehoorzaamde, menhemkruyfigen , en,\',\'
alle zyne goederen verbeurd maaken zoude. "
Hierby was nóg een vlaekwenfch gevoegd,
behelzende âdat indien\'er eenige waaren die â
den bouw des Tempels wilden verhinderen,
hy Gód badt dar hy zyne rechtvaerdige â
wraak over hen wilde oefenen , om hen we- 3,
gens zulk een groote gódloosheyd te ftraften."
Darius deeze gedenkfchriften van Cyrus we-»
zien hebbende, fchreef aan Siftna en zyne an-
dere Amptenaaren dit vólgende: âDeKoning â
Darius aan Siftna algemeen Bevélhebber on- "
zer ruyterye , cn Sarabafan , midsgaders de Z
andere Landvoogden , heyl. Wy zenden â
ulieden een affchrift der bevélen van den
Koning Cyrus, welke men in zyne gedenk-
fchriften gevonden heeft j en wy begeeren dat â
de inhoud daarvan ftiptelyk naagekomen
worde. Vaartwel." Siftna en de andere aan
Wien de brief hieldt, des Komngs meening ver-
ftaan hebbende, bleeven van hunne kant nW
in gebreke dat bevél naa te komen, en waaren
den Jooden uyt al hun vermoogen behubzaam
om het werk des Tempels v^oort te S
ook vorderdehetdaardoor, en door de aanmoe-
diging die de Profeeten Aggéus en Zacharias
aan t volk gaven 3 zodaanig, dat hy naa ver-
K k \' lopp
XI. Boek. JOODSCHE
De Chuteërs fwant zo noemen wy de Sama-
ritaanen} hielden zich zo gebelgd over dit
antwoord , dat zy de Syriërs en hunne Land-
voogd bepraateden om tót belettinge van den
Tempelbouw dezelfde middelen te gebruy-
ken 5 waarvan zy zich wel eer ten tyde van
Cyrus en Kambyfes bediend hadden > en zy
zeyden dat men geen tyd moft laaten verloo-
ren gaan , omdat de Jooden zq vlytig aan dien
arbeyd werkten.
Ter zelfder tyd quam Siftna Landvoogd
van Syrië en Fenicië verzeld van Sarabazan
en eenige anderé te Jerufalem , e^ vraagde de
voornaamften der Jooden > wie hen verlóf ge-
geeven had den Tempel te bouwen, en hem zo
fterk te maaken dat hy meer naa een kafteel
dan naar eenen tempel geleek : en waarom zy
de ftad met zulke dikke muuren omringden. Zo-
robabel en de Hoogepriefter antwoordden hen:
3, Dat zy dienaars des allerhoogften Góds waa-
5, ren ; dat die Tempel eertyds t\'zyner eere
33 was gebouwd door eenen hunner Koningen,
â die éiën van de gdukkigfte Vórften der wer-
reld geweeft was, en tegen wien nooit iemand
in kenniftè en wysheyd had opgemoogen. Dat
dit prachtig gebouw verfcheydene eeuwen
i1
loop yan zeven jaaren , in \'t negende jaar der
regeering van Darius , op den drieëntwintig-
Hen dag der twaalfde maand, welke wy Adar,
en de Macedoniërs Dyftrus noemen, voltooid
wierdt. De Priefters, Leviten, en de óverige
des vólks dankten Gód, dat het hem beliefd
had hen naa zulk een lange gevangenis in hun-
nen ouden gelukzaligen ftaat te herftellen, en
hen eenen nieuwen Tempel te geeven en zy
ófferden hem honderd ftieren, tweehonderd
rammen, vierhonderd lammeren, en twaalf
bokken voor de zonden der twaalf ftammen.
Voorts koozen de Leviten uyt hun geflacht
xleurwachters om aan alle de poorten des Tem-
pels, vólgens Mofes inftellinge, te zetten.
Vi^anneer nu het feeft der ongezuurde broo-
den naderde, en in de eerfte maand, welke de
Macedoniërs Xantikus, en wy Nifan noemen,
ftond gevierd te worden , quam het vólk van
alle kanten uyt de vlekken en dórpen, met hun-
ne vrouwen en kinderen te Jerufalem } en naa
"dit zy zich gezuyverd hadden , ófferden zy
\'t Paafchlam op denveertienden dag der maane
in die maand , vólgens het gebruyk onzer voor-
ouderen a en braeten zeven dagen met gaft-
maalen en vrolykheyd door , zonder daarom
naa te laaten Góde brandóffers te ófferen , en
licrn te danken voor dat het hem beliefd had
het hart des Konings te neygen, om hen te her-
ftellen in \'c land het welk zyne gódlyke Maje-
. ftVy t hunnen vaderen gegeeven had , ten eynde
zy hem den fchuldigen dienft zouden konnen
bewyzen.
Vervólgens ftelden zy eene regeering aan al-
waar de Voornaamfte aan \'t roer zaten , dóch
het oppergezag ftondt altoos aan den Hoogen-
priefter, tótdat de Asmoneërs zich tót een
Koningdom verheften , en de Jooden alzo we-
der tót een koninglyke regeering keerden j on-
der welke zy vyftionderd twêëndertig jaaren,
zes maanden, en tien dagen, federd Saul en Da-
vid tót aan de Babilonifche gevangenis, geleefd
hadden, zynde te voore federd Mofes en Jofua
meer dan vyfhonderd jaaren geregeerd door
zulke welken zy Rechters noemden
De Samaritaanen ondertuftchen, die behalve
de haat en afgunft welke zy onzer landaard toe-
droegen , niet dulden konden dat zy genood-
zaakt wierden de noodige dingen tót onze óf-
feranden te verfchaffen, en zich daarenboven
beroemden uyt het zelfde land gefprooten te
zyn als de Perfen , hielden niet op ons al het
quaad aan te doen dat zy konden. En de Land-
voogden van Syrië en Fenicië lieten geen gele-
crenheyd verlooren gaan om hen daarin behulp-
zaam te zyn. De Raad en \'t vólk van Jerufa-
lem ziende hen zo verbitterd , beflooten Zo-
robabel en vier andere der bequaamfte aan Da-
rius te zenden , om over de Samaritaanen te
klaagen. Zo dra die Vórft deezen afgepndenen
gehoord had , deed hy hen eenen brief aan de
voornaamfte Amptenaaren van Samarië geeven
die aldus luydde: â De Koning Darius aan
,, Tmgar en Sembah Overften zyner ruyterye te
â Samarië, vXsmede Sadrachy Bobeion en2.nde~
â re Opzieners daar te lande. Zorobabel,
3, Ananias 5 en Mardochéus, gezanten der
Jooden , ons geklaagd hebbende de moeije-
lykheyd welke gylieden hen in \'t bouwen van
den Tempel aandoet, en dat gy weygerthen
tót hunne ófferanden dat gene te verlchaffen
\'t welk wy u bevolen hebben j zo fchryven
wy ulieden deezen brief, ten eynde gy , zo
dra gy dien zult ontvangen hebben, niet naa-
laat uyt onze fchatkift , waarin de fchattin-
gen van Samarië verzameld worden , alles
dat de Priefters van Jerufalem tót hunne óf-
feranden zuUen van noode hebben , tc nee- â
men ; opdat zy niet ophouden Gode dage- â
lyks voor onze voorfpoed en die van het Per- â
fifchc ryk te bidden."
V. HOOFDSTUK.
Xerxes vólgt Darius zynen zoon in \'t Petfifche ryk, Hy laat Efdras
dèn Priefter met een groot getal Joodeo weder na Jerufaleai keeren ,
en ftaat hem alles toe wat hy begeert. Efdtas beveelt den genen
die vreemde vrouwen getrouwd hadden , haar wederonj te zen-
den. Zyn Jóf, en 2yi) dood. Nehemias verwerft vatj Xerxes ver-
lóf om dc muuren van Jerufalem weder op tc bouwen , en brengt
dat groot werk ten eynde.
XErxes vólgde zynen overleeden vader Da- 443.
rius in \'tryk, en was niet minder erfge-Efdt.i.y.
naam van zyne gódvruchtigheyd , dan van zy-
ne kroon ; want hy veranderde niets van zyne
inftellinge ontrent de Gódsdienft, en droeg den
Jooden altoos een groote geneegenheyd toe.
Joachim zoon van Jeftis was Hoogepriefter on-
der zyne regeeringe , en Efdras was de voor-
naamfte en aanzienlykfte der Priefteren die te
Babilon gebleeven waaren : Hy was een zeer
vroom man , en van groote achtinge onder het
vólk , zynde wel in de Wetten van Molès on-
derweezen , en zeer van den Koning bemind.
Invoege dat toen hy voorgenomen had we-
der na Jerufalem te keeren , en eenige Jooden
die te Babilon gebleeven waaren met zich te
neemen , hy van dien Vórft brieven van voor-
fchryvinge aan de Landvoogden van Syrië\' ver-
wierf, van deezen inhoud: â Xerxes Koning â
der Koningen wenfcbt Efdras , Priefter en â
Leeraar van Góds wet, licyl. Achtende dat â
het onze goedertierenheyd medebrengt aan â
alle Jooden, zo Priefteren , Leviten, als an- â
deren die \'t zouden moogen begeeren, toe te,,
laaten dat zy weder na Jerufalem keeren om â
Gód aldaar te dienen % zo hebben wy , met ,,
goedvinden van onze zeven Raadsheeren,
hen die gunft toegeftaan j en wy beveelen u
Góde te ófferen \'t gene wy en onze vrinden â
beloofd hebben. Wy verleenen u volmagt
om al het goud en zilver, \'t welk uwe lands-
lieden , die nóg in Babilonië verfpreyd zyn,
Gode wiUen geeven , mede te neemen , om
\'er beeften voor te koopen die men op zynen
altaar óffere, en het voorts te befteeden aan
zodaanige goudene en zilvere vaten t\'zynen _
dienfte, als gy en uwe broeders begeeren zük. â
Ook zult gy de gewyde vaten welke wy u â
ter hand zullen ftellen , aan uwen Gód op-â
ófferen : en wy geeven u daarenboven magt â
om alles te doen wat gy noodig oordeeit, â
willende dat de gelden daartoe uyt onze â
fchatkift genomen worden. Tot dien eyn- â
de fchryven wy aan onzen Schatmeefter â
van Syrië en Fenicië, dat hy u zonder vertoe- ,,
ven geeven \'t gene gy van hem zuk eyfcften. â
En
35
JJ
3i
35
53
33
33
3>
33
(Si
E HISTORI.
XL BOEK. JOODSCH
â En opdat Gód ons ca onze naakomelingen
â gunftig zy, willen wy dat men hem h^derd
Latentarwevólgenszynewetóffere. Voorts
verbieden wy allen onzen amptenaaren, den
3, Priefteren, Leviten, zangers, deurwachters,
â óf anderen die in den Tempel dienen, iets
âafte eyfchen, óf hen eenige fchattingen of
â andere belaftingen op te leggen. En gy,
â Efdras, zult vólgens \'t verftand en de wys-
â heyd u van Gód verleend, m Syne en Feni-
â cië Rechters aanftellen , die t recht zullen
, toedienen aan den genen die reeds in uwe
, wet onderweezen zyn , die de onkundigen
zullen onderwyzen, en die zulke welke met
" fchroomen zyne en onze wetten te overtree-
"den, met geldboeten, óf met den dood zul-
len ftraftèn. Vaarwel." ,, i
Efdra deezen brief ontvangen hebbende
aanbadt Gód, en dankte hem daarvoor , de-
wyl hy deeze ongemeene blyken vän\'s Konings
goedertierenheyd alleenlyk aan des Heeren by-
ftand toefchreef Thans deed hy alle de Joo-
den die toen te Babilon waaren tzamenkomen,
fas hen dien brief voor, van welken hy t oor-
fprongklyke voor zich behieldt, en affchriften
daar van zondtaande Jooden diemMedië woon-
den. Men kan ligtelyk oordeelen hoedaanig
des vólks blydfchap was, wanneer zy des Ko-
nings gódvruchtigheyd jegens Gód, en zyne
goelgunftigheyd jegens Efdras verftonden.
Veele wierden te raade zich aanftonds met alle
hunne have na Babilon te begeeven , om met
Efdras na Jerufalem te gaan : maar het gros der
Ifraëliten wilden dat land met verlaaten.^ In-
voege dat alkenlyk de ftammen van Juda en
Beniamin weder na Jerufalem keerden; en dee-
ze zyn die nu in Afië en Europe onder de
heerfchappy der Romeynen ftaan : want de
andere tien ftammen zyn aan gene zyde van den
Eufraat gebleeven, en aldaar byna ongelooflyk
vermenigvuldigd. Onder die welke zich in
grooten getale by Efdras vervoegden , waa-
ren veele Priefters , Leviten, deurwachters,
zangers, en andere Tempeldienaars , welke hy
by den Eufrates deed tzamenkomen; ennaaal-
daar drie dagen gebleven,plegtiggevaft,en God
om zyne befcherminge op hunne reyzegebeden
te hebben, begaven zy zich op weg den twaal Wen
dasdereerftemaand, in\'t zevende jaar vanXer-
xes regeeringe, zonder dat Efdras eene ruyter-
bende , welke die Vórft hen tót geleyde wilde
leeven , begeerde te hebben, zeggende dat hy
Ikh op Góls byftand verliet die zórg voor hem
Tndclync draagen zoude. Indevyfdemaand
llachtewaaren, den gewyden ^^
kende Koning, zyne vrinden,
die te Babilon gebleeven waaren, hem aari^r
trouwd hadde^. dezelve beftondt m zeshon-
derd vyftig talenten zilvers, honderd ta enten
waardy aan zilvere vaten , twintig talenten
waardy aan goudene vaten , voorts ^ gewig
van twaalf talenten kópere vaten koftelyKer
dan soud. Thans ófferde Efdras vólgens de
yet, twaalf ftieren Gode ten brandóffer, voor
IfCJ
de behoudenis des vólks, negentig rammen en
twêënzeventig lammeren , midsgaders twaalf
bokken voor de zonden: daarnaa leverde hy aan
de Landvoogden en Amptenaaren des Konings
in Coelo-Syrië en Fenicië de brieven over welke
de Vórft aan hen gefchreeven had ; en dewyl zy
niet laaten konden die te gehoorzaamen, be-
weezen zy aan onze landaard groote eere, en
waaren haar in alles behulpzaam. Men is aan
Efdras de eere deezer verhuyzinge verfchul-
digd want niet alleenlyk deed hy \'er den eer-
ften voorflag van , maar buyten twyfel is zyne
deugd en gódvruchtigheyd oorzaak geweeft
van de gelukkige uytkomft welke \'t Gode be-
liefde daarop te verleenen.
Eenigen tyd daarnaa verftondt hy dat\'er
Priefters cn Leviten waaren , die niet willende
zich aan eenige tucht onderwerpen, uyt een
moedwilhge verachtinge der vaderlyke wetten,
vreemde wyven genomen , en alzo de zuyver-
heyd der Priefterlyke Orden bezoedeld hadden:
en die hem dit bericht gaven , verzóchten hem
dat hy zich met eenen gódsdienftigen yver wil-
de wapenen , om te beletten dat de misdaad
van byzonderen Góds gramfchap over al het
vólk haalde , en het weder in dezelfde rampen
ftortte , waaruyt het zo even eerft verlóft was.
Dewyl \'t van de aanzienlykfte perfoonen waaren
die zich aan die zonden hadden fchuldig ge-
maakt, dacht Efdras wel dat indien hy hen be-
val hunne vrouwen en kinderen te rugge tc
zenden, zy weygeren zoudqn hem te gehoor-
zaamen : dit trof hem met zulk een fmartelyke
droefheyd , dat hy zyne kleederen fcheurde,
het haair uyt zyn lioofd en baard rukte, en al
weenende zich op den grond neder wierp. On-
dertuflchen vervoegden de vroomfte lieden zich
by hem , en mengden hunne traanen onder de
zyne. In deezen treurigen ftaat hefte hy zyne
oogen en handen ten hemel op, en zeyde: âIk
fchaam my, 6 Gód, den hemel teaanfchou- â
wen, wanneer ik denk dat dit vólk fteeds we- â
derom tót zonden vervalt, en de ftraftèn, â
waarmede gy de gódloosheyd hunner vade- â
ren getuchtigd hebt, zo dra uyt het geheu- â
gen verheft. Nógtans, Heere, nademaal uwe,,
barmhartigheyd oneyndig is , heb n^edely- â
den, zo \'t u belieft , met dit overblyffel â
eener langduurige gevangenifte , t welk gy â
evndelyk weder in zyn oude vaderland ge- â
bragt hebt. Vergeef, Heere, ook deeze â
misdaad, en alhoewel zy den dood verdiend â
hebben , laat het u daarom niet verveelen â
uwe goedheyd aan hen te betoonen, door hen â
t leeven te behouden." Terwyl hy aldus
fl|!
i
li\'!
i 1\'\'\'
iijlf
44^.
in
fprak, endat alle die byhem waaren, zo man-
nen , als vrouwen en kinderen, nevens hem ween-
den , quam Achomas , een voornaam man van\'
Jerufalem, en zeyde; â dat dewyl men niet be- ,,
hoefde te twyfelen óf degéne die met vreem- â
de vrouwen getrouwd waaren , hadden een â
zwaare zonde begaan , men hen derhalve â
met eede verbinden mofl haar nevens de kinde- â
ren die zy \'er by geteeld hadden te rug te zen- â
den, en dat men de ongehoorzaamediewey- â
gerden zulks naa te kome», vólgens Góds wet â
behoorde te ftraffen." Efdras keurde deezen
K k 2 raad
160
raad froed, en deed de vooriiaamfre der Prie-
fleren en Leviten , en des vólks met eede be-
looven de hand aan de iiytvoeringe daarvan te
zuilen houden. Naa dat hy uyt den Tempel
gegaan was , begaf hy zich ten huyze van
Joannes zoon van Eliafib, en bragt het overige
van den dag door zonder te eeten óf te drin-
ken 5 dewylzyn hart door droefheyd beklemd
was. Daarnaa deed hy overal afkondigen, dat
alle die uyt de gevangenifle wedergekeerd
waaren, binnen twee óf drie dagen te Jerufalem
moften komen , op peene dat zy anders in den
ban gedaan , en hunne goederen ten voordeele
van de fchatkift aangeflagen zouden worden,
vólgens \'t vonnis dat de Oudften daarover zou-
den vellen. Den derden dag, zynde de twin-
tigfte der negende maand , welke de Hebreen
Tiiebeth , en de Macedoniers Appelleus noe-
men , begaven die van de ftammen Juda en
Benjamin zich in het opperfte deel des Tem-
pels , en toen de voornaamfte gezeten waaren,
ftondt Efdras op , en vertoonde dat degéne die
zich met vreemde vrouwen , tegen het verbód
van de wet, in \'t huuwelyk hadden begeeven,
zulk een groote zonde begaan hadden , dat zy
Gód niet bevreedigen konden , dan door haar
te rugge te \'zenden. Hierop wierdt van alle
met luyder ftemme geantwoord , dat zy \'t ge-
willig doen zouden , maar dat het getal zo
groot , en het faizoen zo onbequaam was ,
wegens den winter en de felle koude, dat men
\'t zelve zo dra niet zou konnen doen : dat men
derhalve wat gedulds moft hebben ; en dat on-
dertuftchen de voornaamfte onder \'t vólk,
die zich van misdaad vry kenden, naauwkeurig-
lyk zouden verneemen wie ze waaren die tegen
die inzetting o vertreeden hadden. Deeze raad
wierdt goed geoordeeld, en den eerften dag der
tiende maand begon men een onderzoek te
doen naar degénen die zulke ongeoorlófdehuu-
welyken hadden aangegaan. Dit duurde tót
den eerften dag der vólgende maand j en veele
bloedverwanten zo van Jefus den Hoogenprie-
fter, als van de andere Priefters en Leviten,
alsmede veele van \'t vólk , zonden hunne wy-
ven te rugge, ftellende alzo de onderhouding
hunner wetten boven de liefde welke zy haar
toedroegen: en zy óftèrden Gode rammen om
zyne gramfchap te verzoenen. Ik zou hunne
naamen wel konnen melden , maar acht zulks
onnoodig. Aldus ftuytte Efdras dit misdryf
ontrent deeze ongewyde huuwelyken gepleegd,
en fchafte die quaade gewoonte zo t\' eenemaal
af, dat men\'er naderhand niet weder in verviel
In de zevende maand toen de tyd gekomen
was om het Loofhutten feeft tc vieren, verza-
melde byna al het vólk zich by de poort des
Tempels die na\'t ooften ftrekt, en verzócht
Efdras dat hy hen de wetten van Molès wilde
voorleezen. Hy deed zulks , en las van den
mórgen tót den middag ; waardoor de toehoor-
ders zo bewoogen wierden, dat zy meerendeels
weenden, doordien dé heyhge wetten hen niet
alleenlyk aan weezen wat zy voor het tegen-
woordige en in het toekomende moften doen;
maar hen ook te verftaan gaven dat indien zyze
te voore onderhouden hadden, ^y in zo veele
»
3)
39
33
}}
}f
3t
3t
zórgen \'t gene aan de voltooijinge des Tem
peis
rampen niet zouden geftort geweeft zyn. EP
dras henzo bedroefd ziende, beval hen na huys
te gaan, cn hunne traanen te bedwingen, om-
dat men op zo een plegtige hoogtyd niet behoor-
de te weenen, maar eerder zich te verblyden,
en zulk een goed gebruyk van het berouw over
\'t verleeden misdryf te maaken, dat men in het
toekomende niet weer daartoe verviel. Deeze
\\voordcn troofteden hen zo , dat zy met blyd-
fchap acht dagen lang dat groot feeft in tenten
vierden, Efdras voor \'t her vórmen hunner zee-
den bedankten, en toen zy weder na huys keer-
den Gode lófzangcn zongen. Zulk een aan-
merkelyk bedryf gevoegd by de andere weldaa-
den waarover de landaard aan hem verpligt was,
bragt hem zo veele eere toe,.dat toen hy in ee-
nen gelukkigen ouderdom zyne dagen geëyn-
digd had, men hem met groote ftaatft te Jeru-
falem begroef Joachim de Hoogepriefter over-
leedt ontrent dien zelfden tyd, en jEl/a/b zyn
zoon vólgde hem in\'t ampt.
[Ondertufl^chen] gebeurde het dat een Jood 44^.
onder de gevangenen, genaamd Nehsmias
Schenker van den Koning Xerxes, wandelende
eens buyten Suza, hoofdftad van Perftë, edyke
vreemdelingen gewaar wierdt dic uyt verre lan-
den fcheenen te komen; cnhoorendedatzyHe-
breews t\'zamen fpraken, naderde hy tót hen om
te verneemen vanwaar zy quamen, en verftondt
dat zy uyt Judéa gekomen waaren ; dies vraag-
de hy hoe het daar te lande ging, en inzonder-
heyd te Jerufalem. Zy antwoordden, dat alles
daar in eenen flechten ftaat was ; dat de ftads-
rnuuren omverre lagen, en dat de nabuurige vól-
ken hen niet dan alles quaads deeden; dat zy
onophoudelyk ten platten lande ftroopten, zelfs
de inwooners der ftad gevangen namen, en dat
men geftadig lyken langs de wegCn vondt. Ne-
heniias wierdt door dit rampzalig ongeval zyns
vaderlands zo ontroerd, dat hem de traanen ten
oogen uytborften; hy floeg zyn gezigt ten he-
mel , en zeyde tót Gód : â Hoe lang , ó Hee-
re, zult gy dulden, dat onze landaard door
zo veele onheylen gepraamd word ! Hoe "
lang zult gy haar ten prooije van haare vy- ][
anden laaten l " Terwyl hy dus zyne klagten
deed en aan de poort vertoefde quam men hem
boodfchappen dat de Koning gereed was zich
ter tafel te voegen; des ging hy terftond, zon-
der eerft zyn aangezigt te waflchen , zo be-
fchreyd als hy was, tót den Koning om zynen
dienft te verrigten.
Deeze Vórft , dic toen in een goede luym Nehem
was, hebbende in \'t afgaan van deii tafel be-
merkt dat Nehemias zeer bedroefd Was, vraag-
de hem na de oorzaak daarvan. Hy Gód in
zyn hart gebeden hebbende , zynen woorden
klem by te zetten, antwoordde : â Hoe kan
ik, ó Koning, anders als droevig weezen
wanneer ik vernéeme in welken ftaat leru-
falem , myne vaderlyke ftad, alwaar de gra-
ven myner voorouderen zyn, gebracrt is;
want haare muuren zyn omverre geworpen^
en haare poorten in de aflche gClcgd Doe
my derhalve gunft, bid ik u, dat ik heene,,
gaa om die weder op te rechten, en te ver- â
zórgen \'t gene aan de voltooiiintre des Tem-
FLAVIUS JOSEPHUS
XI. Boek,
maar belooftle hem, aan zyne Landvoogden te
zullen ft:hryven dat zy hem met alle eere zouden
bejégenen, en hem behulpzaam zyn met alles wat
hy begeerde. â Vergeet dan , vervólgde de
« Vórft, uwe droefheyd, en dien my met
âblydfchap." Nehemias dankte Gód en den
Koning voor deeze groote gunft , en zyn ge-
laat wierdt vrolyk als te voore. Den vól-
genden dag ftelde de Koning hem brieven ter
hand aan Sadeus Landvoogd van Syrië, Feni-
cië , en Samarië , beveelende hem Nehemias
wel te bejegenen , en met alles wat hy
tót den opbouw van noode had , te verzór-
gen. Met deeze brieven ging Nehemias na Ba-
bilon, vanwaar hy verfcheydene zyner land-
genooten met zich nam, en in \'t vyfentwin-
tigfte jaar van Xerxes regeeringe te Jerufalem
aanquam. Naa dathy de brieven ^ aan Sadeus,
Selfr^s^n de overige Amptenaren overgeleverd had,
iXJsoAes\'s verzamelde hy al \'t vólk in den Tempel, en
«Ts^iJWo-iipj-^]^ hen aldus aan: â Uheden is niet onbe-
, hoedaanig de almagtige Gód voor
Na dathy,, Abraham, Ifaak, en Jakob, onze vooroude-
tïeZl> ter oorzake van hunne gódvruchtigheyd
toon\' - "f\'-» en oorechrio-hp^/rl ^Avf^r^t^A^^âiâc^.
e ver- \' â \' "" J, uciiu^ucy U
óf» enoprechtigheyd, zórg gedraagen heeft: en
mlrfn \'\' ^^^^ ^^ duydelyk zien dat hy ons niet
aangezigte-i-i vcrlaatcn heeft j vermids ik door zyne by-
TemS \'\' ^^^ Koning verlóf verwurven heb-
geiyk ^\' 53 he om onze muuren weder op te rechten, en
rä^I " ^^^ ^^^^ Tempelbouw de laatfte hand te leg-
14. uy^ll^i g^n. Maar nademaal gylieden niet twyfe-
breyd, en 3, Icn kont aan den haat welken de nabuuri-
j-^^J.__________ _ 1 . t
3J
33
3)
niets achterwege laaten zullen om ons te
â dwarsboomen j zo acht ik dat wy twee zaa-
â ken te doen hebben : eerftelyk, ons vertrou-
.ITenz volken ons toedraagen, en dat als zy ons
- met vlyt aan die werken zien arbeyden, zy
^ -------â ^jiLdiiu, uic ue aan-
nagen onzer vyanden gemaklyk kan veryde- â
ien5 en ten anderen nacht en dag met eenen â
onvermoeyden yver te werken om onzen toe- ;
leg teir eynde te brengen, zonder een oogen- ,
bhk tyds, die ons zo gunftig is, en zokófte- â
lyk behoort te weezen, vedooren te laaten â
bt-\'val Nehemias de
Overheyd den omtrek des m^urs te doen mee-
ten> voorts verdeelde hy\'t werk onder hetvólk,
wees aan ieder gedeelte burgten en vlekken aan
om aldaar te arbeyden , en beloofde hen met
al zyn vermoogen by te ftaan. Elk door dee-
ze woorden gemoedigd, floeg terftond de hand
aan \'t. werk j en het was alstoen dat men aan
die van onze landaard, welke uyt Babilonië
wedergekeerd waaren , den naam van Joodin
en .aan hun land de benaaming van Jtidéa be<>-on
tegeeven , omdat het wel eer door de ftam l5da
was bezeten geweeft. â
Toen de Ammoniten , Moabiten , Samari-Nehem.
taanen , en \' "
n j mgezétenen van Ccele-Synè-^
verftonden dat dit werk voortging, verdroot
het hen zo geweldig, dat zy alle middelen
zochten aan te wenden om het te beletten:
want zy leyden den onzen laagen, bragten alle
om die in hunne handen vervielen j en dewyl
Nehemias liet voornaamfte voorwerp van hun-
nen haat was, gaven zy geld aan moordenaars
om hem te overvallen en te dooden. Ook pooc^-
den zy dc Jooden door ydele vreeze eenen fchrfk
aan te jaagen, doende een gerucht loopen dat
een heir van verfcheydene vólken in aantócrt
was om hen te overvallen. Alle deeze laao-g,
en hften verfchrikten dit vólk dermaate, dat
het den toeleg byna ftaakte. Maar niets was
magtig Nehemias te verbaazen, ófte doen ver
flappen: hy bleef onvertzaagd m \'t midden van
alle die vervaerdheden, vervólgde den arbevd
âpels nóg zoude moogen ontbreeken.» De wen te ftellen op Góds byftand, die de aan-^
Konmg ftondt met alleenlyk dit verzoek toe, â- j.:- cn. a^ aan
m-3-ir hp!r»r>W/=» «^^»tt«/» T ____
\'li
rj!\'
\'IJl
11 \'
met grooter yver dan te voore, ciTnam eenig
krygsvólk tót zyne lyfwacht ^ niet dat hy voor
den dood fchroomde, maar uyt vreeze dat zy-
nen medeburgeren den moed ontgaan zoude,
Kk 3
wan-
rili
wanneer zy hem niet meer by zich hadden om
hen tót het uytvoeren hunner onderneeminge
aan te moedigen.
Hy beval den werklieden dat zy onder \'t ar-
beyden altoos het zwaerd op zyde, en hunne
fchilden bv der hand zouden hebben, om \'er
zich des noods van te konnen bedienen 5 en van
vyfhonderd tót vyfhonderd fchreeden ftelde hy
trompetters , om alarm te blaazen, en \'t vólk
ter wapen te roepen zo dra men de vyanden ver-
fchynen zag. Hy zelf deed den ganfchen nacnt
de ronde om de ftad tót voortzettinge van den
arbeyd, en hy at, dronk, nóch fliep met meer
dan enkelyk noodig was > \'t welk hy met alleen-
lyk voor eenigen tyd deed, maar geduureiide
de a^rtentwintig maanden , welke aan t lier-
bóu\\^^n der ftadsmuuren befteed wierden.
Eyndelyk wierdt dit werk m de negende maand
van het achtentwintigfte jaar der regeeringe van
Xerxes voltooid. Alstoen ófferden Nehemias
en al \'t volk Góde ófferanden, en bragten
acht dagen met gaftmaalen envrolykheden, tót
groot hartzeer der Syriërs , door. Nehemias
ziende dat Jerufalem niet genoeg bevólkt was ,
raadde de Priefters en Leviten die op\'t land
woonden, dat zy zich met der woon in de ftad
bec^eeven zouden , alwaar hy huyzen voor hen
deed bouwenj en vermaande de Landbouwers dat
zy hen de tienden moften brengem\'t welk zy met
blydfchap deeden, opdat niets hen mogte ver-
hinderen zich ganfchelyk ten dienfte Gods over
te seeven. Aldus wierdt Jerufalem bevolkt, en
Nehemias, naa dat hy veele andere pryswaerdi-
ge zaaken verricht had, overleedt in eenen hoo-
gen ouderdom. Hy was zo vroom, rechtvaer-
dio-, en yverig voor de welftand zyner landaard,
en^\'heeft haar door zo veele weldaaden verphgt ,
dat zyne geheugenis nooit onder de Jooden fter-
ven zal. Ditis pt voornaamfte dat onzen Land-
aard] onder Xerxes regeermg gebeurt is.
Efther i, J-
res.
VI. HOOFDSTUK.
Artaxcrxes vólst zynen vader Xerxes in \'t ryk van Peifië. Hy vcr-
ftoot dc Komosin Vafthi, en trouwt met Efthet Mardochéus nicht.
Haman raadt Ãtaxerxes alle de Jooden uyt te roeijen , en meent
MaTciocheus tedoencphangcn, dóchwor^ z^ en
Mardochéus in zyne plaats tot grooten ftaat verheven.
IVTAaden dood van den Koning Xer^s vólg-
_________ IN ae hem zyn zoon Cyrus, dien de Grieken
den^ Jrtaxerxes ïioemcn : en onder zyne regeerin-
ere hepen de Jooden gevaar van t\'eenemaal uyt-
geroeidteworden, gelyk ik zal verhaalen j doch
uihafue- eerft ftaat ons iets van dien Vorft te melden, en
te verhaalen hoe hy eene Joodfche vrouw ten
wyve nam, die van koninglyken geflachte was,
en aan welke onze ganfche landaard haare be-
houden s naaft Gód erkent verfchuldigd te zyn.
Na dat deeze nieuwe Konmg op den troon van
zynen vader gefteegen was, en Landvoogden
gefteld had in de honderd zevenëntwintigland-
fehappen , over welke hy van Indië tót aan Ethi-
opië geboodt, onthaalde hy hen en zyne vrin-
den in \'t derde jaar zyner regeeringe te Suza,
hoofdftad van Perfië, honderd tachtig dagen
lang j met een ongemeene kóftelykheyd cn
pracht 3 daarnaa onthaalde hy de vreemde vól-
keren en hunne gezanten zeven dagen. Deeze
gaftmaalen wierden gehouden onder paveljoe-
nen, onderfchraagd door goudene en zilvere
pilaaren, zy nde met kóftelyke tapy ten overdekt,
en zo ruym dat ze een groote menigte van men-
fchen konden houden. Alle het vaatwerk dat
men gebruykte was van goud, en met gefteen-
ten bezét; en Artaxerxes beval zynen ampte-
naaren dat men niemand zoude dwingen naa de
gewoonte der Perfen te drinken, maar ieder in
zyne vryheyd laaten daar ontrent te doen zoals
\'t hem beliefde. Ook deed hy door zyn gan-
fche gebied afkondigen, dat het vólk eenige da-
gen van werken zoud aflaaten, om zich vrolyk
te maaken, en hem een gelukkige regeering te
wenfchen. De Koningin VaJiM onthaalde ter
zelfder tyd de vrouwen in haar paleys met dier-
gelyk een pracht als de Koning in\'t onthaal der
Grooten en Vórften betoonde j en vermids Ar-
taxerxes hen wilde doen zien dat zy in fchoon-
heyd alle andere vrouwen overtrof, ontboodt
hy haar om in die groote vergadering te komen.
Maar dewyl de gewoonte der Perfen den vrou-
wen niet toelaat zich aan vreemdelingen te laa-
ten zien, kon zy niet befluyten derwaards te
gaan, alhoewel de Koning verfcheydenmaal ge-
fneedenen zondt om haar daartoe aan te pref-
fen. Deeze hardnekkigheyd maakte hem moei-
jelyk i zo dat hy ten bankette uytging , zyne
zeven Wyzen, die onder de Perfen uytleggers
der wetten zyn, deed tzamenkomen, hen
klaagde dat hy de Koningin zo menigmaal ont-
booden hebbende, zy hem niet had wülen ge-
hoorzaamen , en hen beval dat zy hem zeggen
zouden wat hem deswege vólgens de wetten te
doen ftond. Muchan één van hen antwoordde:
â Dat die ongehoorzaamheyd der Koningin- â
ne, en dat ongelyk \'t welk zy den Koning had â
aangedaan , hem niet alleenlyk betrof en
hoonde , maar dat alle de Perfen daardoor â
beleedigd waaren, doordien dat hunnevrou- â
wen , ziende dat de Koningin niet fchroom- â
de zulken magtigen Vórft, door die moed- â
willige verachting , te beleedigen , haare â
mannen ook verachten zouden , om liaar â
voorbeeld naa te vólgen. Dat hy hem der- â
halve raadde haar ftrengelyk te ftraffen , en â
door zyn ganfche gebied te doen af kondigen â
wat hy tegen haar zoude befluyten. De an- â
dere Wyzen hun gevoelen ook gezegd heb- â
bende, was het flót, dat de Koning de Ko- â
ningin verftooten, en eene andere ten wyve â
neemen zoude."
Dit befluyt bedroefde dien Vórft zeer, om-
dat hy van de ééne kant de wetten niet over-Eftet 1.
treeden wilde, en van de andere der Koningin-
ne een groote liefde toedroeg,ter oorzaake haarer
uytmuntende fchoonheyd. Zyne vrinden hem
dus bedremmeld ziende , rieden hem die ge-
neegenheyd , welke hem te vergeefs quelde,
uyt zyn gemoed te verbannen, en in alle zyne
landfehappen na de fchoonfte dóchters te laaten
zoeken , en met die te trouwen welke hem be-
haagde , om door haare liefde die van Vafthi
allengskens te doen afneemen , en eyndelyk
t\'eenemaal uyt te wiflchen. De Koning keur-
de dien raad goed, en deed zulks terftond door
zyn ganfche gebied boodfchappen. Daarop
brast men hem verfcheydene maagden die in
fchoon-
lehoonheyd uytmunteden j onder welke ook
ééne was die men te Babilon gevonden had, ge-
heeten Eftter, die geenen vader nóch moeder
hebbende, doothzaienoomMardochéus, uyt de
ilamme Benjamins, en éénen van de voornaam-
fte der Jooden , opgebragt was. De fchoon-
heyd deezer dóchter, haare zeedigheyd, en haare
bevalligheyd waaren zo ongemeen, dat zy de
oogen en verwondering van al de werreld daar-
door op zich trok. Zy wierdt nevens vierhon-
derd andere in bewaaringe van eenen gefnee-
den Kamerling gefteld , die laft had voor haar
zórg te draagen , en ook niets verzuymde om
zich van zynen pligt te quyten. Hy onthaalde
haar zes maanden lang met alle bedenkelyke lek-
kernyen , en gebruykte ook veel kóftelyk reuk-
werk om haar lieftyk te doen ruyken : wanneer
hy naa verloop van dien tyd oordeeldedatzy in
ftaat waaren om den Koning te behaagen,
zondt hy \'er hem alle dagen ééne toe , welke
de Vórft hem dan \'s anderen daags wederom
zondt. Toen Efthers beurt gekomen^ was ,
wierd Artaxerxes met zulk een liefde tót haar
bevangen, dat hy haar tót zyne gemaalinne
verkoor , en men vierde de bruyloft in de
twaalfde maand genaamd Ader, in \'t zevende
jaar zyner regeeringe. Thans zondt hy booden,
by de Perfen Angaros genoemd, door zyn gan-
fche gebied, om af te kondigen dat het vólk den
dag zyner bruylóft vieren zoude; enhy onthaal-
de de voornaamfte van de Perfen en Meden, en
van andere vólken die onder hem ftonden, zeer
prachtiglyk eene maand lang. Naa dat hy de
nieuwe Koningin in haar paleys gefteld had, zet-
te hy haar de kroon op \'t hoofd, en beminde haar
altoos als zyne vrouw, zonder haar ooit te vraa-
gen van wat landaard zy was , en zonder dat
zy \'t hem ook zeyde. Mardochéus , die haar
beminde, als óf zy zyne eygene dóchter ge-
weeft waare, verliet om haarent wille Babilon,
om te Sufa te gaan woonen ; en daar liep niet
een dag voorby, dat hy niet na \'t Hóf ging om
na haar te verneemen.
Te dier tyd gaf de Koning een bevél uyt,
waarby hy op ftrafte des doods verboodt dat
iemand van zyn huys zich zoude verftouten,
niet ontbooden zynde , by hem te komen als
hy op zynen troon gezeten was : en zyne ge-
wapende lyfwacht , die hem omringde , had
laft zodaanige die naderden te rug te ftooten,
en dat bevél uyt te voeren. Hy hieldt alsdan
eenen gouden ftaf in zyne hand, en wanneer hy
gunfte wilde bewyzen aan iemand der gener
die beftaan hadden te komen zonder ontboo-
den tezyn, raakte hy hem met dien gouden ftaf
aan, welken die perfoon dan kufte , endaar-
door den dood ontging. ^
Eenigen tyd daarnaa brouwden twee gefnee-
denen T %JaamdBagathocn Theodeftes, eenen
aanflag om den Koning te doodcfi; en een
Jood geheeten Barnabas, die éénen v^n hen
diende , verwittigde Mardochéus daaraf, die
zulks aanftonds door de Koningin Efther zyne
nicht den Koning aandiende. Men bragt hp
ter fcherpe vraage, zy bekenden hunne mis-
daad , en wierden aan eene galg opgehangen.
Artaxerxes gaf Mardochéus alstoen- geen ver-
gelding daarvoor, maar deed echter dien be^
weezen dienft in zyne gedenkfchriften aanté^
kenen , en liet hem toe in zyn paleys te ko-
men , gelyk als óf hy één van zyne naafte vrienden
geweeft waare.
Een Amalekiter genaamd Awan , zoon van Efthcr|.
Amadath, was toen in zulk een groot aanzien,
dat t\'elkens als hy in \'t paleys quam, de Perfen
en vreemdelingen gehouden waaren, tót ge*
hoorzaaminge van \'s Konings bevél, voor hem
neêr te vallen ; en Mardochéus was de eenigfte
die hem die eere niet bewees , omdat Góds
wet hem zulks verboodt. Aman hem gezien
hebbende , vraagde vanwaar hy was , en ver^
ftaande dat hy eeh Jood was , wierdt hy 2X>
toornig , dat hy uytriep: âHoe, de Perfen, â
die vrye lieden zyn, buygen de knie voor my â
ter aarde , en deeze flaaf gewaardigt zich â
niet zulks te doen ! " Dewyl hy nu natuurlyk
een doodvyand der Jooden was, doordien de
Amalekiten eertyds door hen overwonnen waa-
ren, ging zyne woede zoverre, dathy het al te
weynig tót voldoeninge zyner wraakzucht,
achtte, zich met den dood van Mardochéus te
vergenoegen , maar zich liet voorftaan dat hy
zyne ganfche landaard nevens hem moft uyt-
roeijen. Hy ging dan na den Koning toe, en
zeyde tót hem: â Dat\'er een zeker vólk door â
zyne landen vcrfprey d was, het welk vyand van
alle andere zynde^, wetten, plechtigheden, en â
gewoonten had , die t\'eenemaal ftrydig tegen â
de hunne waaren; cn dat het by alle menfchen â
zo gehaat was, dat de grootfte gunft welke hy â
zynen onderdaanen doen kon, was het te ver-
delgen. Dat hy derhalve , opdat \'s lands
inkomften daardoor niet mogten verminderd
worden, hem veertigduyzend talenten zilvers
aanboodt , welke hy hem uyt goeder harte â
geeven zoude , om hem zo grooten dienft te ,,
doen dat hy zyn Ryk van zulk een peft ver- â
lofte." De Koning antwoordde , dat wat het
geld aanging, hy hem dat gewillig fchonk , en
belangende dat vólk , dat hy \'t aan hem ftelde
om \'er meê te doen zo als hy wflde. Aman
aldus verwurven hebbende \'tgene hy begeerde,
deed op \'s Konings naam een bevél uy^aan,
van deezen inhoud.
â De groote Koning Artaxerxes aan delion- â
derd zevenentwintig Landvoogden , welke
wy over onze landfchappen van Indië tót ^
aan Ethiopië gefteld hebben : Nademaal zo â
veele verfcheydene landaarden aan onze â
heerfchappye onderworpen zyn , en dat wy â
ons gebied over den ganfchen aardbodem â
uytgeftrekthebben zo verre wy wilden, dewyl â
wy in plaats van onze onderdaanen ftrengelyk ,,
te handelen, geen grootervermaak hebben dan â
hen blyken onzer goedertierenheyd te gee- â
ven, en hen eene gelukkige vreede te doen
genieten, zo blyft ons niet overig dan op
middelen bedacht te zyn om hun geluk duur-
zaam te maaken. Hierom is het dat wy, ver- â
ftaan hebbende door Aman, dien wy v/eo-ens â
zyne getrouwheyd, vroomheyd, en wysheyd â
boven alle andere eeren, dat \'er een vÃlko veral â
verfpreyd is , het welk vyand van alle ande-,,
re zynde ? byzondere wetten eii gewoonten ,,
â heeft
J>
f iH
ii
11
3ï
3)
1
33
3>
H
M
â heeft, geheel verdurven van zeeden is, en
â door zyne naatuurlyke neyginge den Konin-
â gen zulken grooten haat toedraagt, dat het
â onze heerfchappy , nóch de voorfpoed onzes
â ryks, niet dulden kan, willen en beveelen, dat
â wanneer Aman 3 dien wy als onzen vader aan-
merken , ulieden zulks zal bekend gemaakt
âhebben, gy dat ganfche vólk met hunne
3, vrouwen en kinderen zult uytroeijen, zon-
der iemand te verfchoonen , óf door mcdc-
doogen u van \'t gehoorzaamen onzer wille te
laaten aftrekken. En wy begeeren dat dit
den dertienden dag der twaalfde maand dcc-
.. zes tegenwoordigcn jaars uytgevoerd worde;
5, ten eynde die openbaare vyanden alle op éé-
nen dag gedood zynde, gylieden het óverige
â uws leevens in rufte en vreede moogt door-
55 brengen." Toen die brief by wyze van een
bevélfchrift óveral afgekondigd was , bereyd-
de elk zich om de Jooden ten beftemden dage
uyt te roeijen, en men maakte zich ook gereed
om het zelfde binnen Sula, hoofdftad van Per-
ftë , te doen. Ondertuftchen maakten de Koning
en Aman zich met bankettecren vrolyk, terwyl
de ganfche ftad ontroerd en benaau wd was.
Earser 4. Toen Mardochéus den inhoud van dit wreed
bevél verftaan had , fcheurde hy zyn gewaad,
bekleedde zich met eenen zak , ftrooide aflche
op zyn hoofd, cn ging fchreyende door de ftad,
klaagende dat het een fchrikkelyke zaak was,
dat men een onfchuldig vólk aldus verdélgen
wilde: Maar hy wierdt genoodzaakt voor de
joortyan\'t Hófpale^^s te blyven ftaan, omdathet
, lem niet geoodófd was in dien ftaat daar binnen
te treeden. De droefheyd der Jooden in alle de an-
dere fteden, alwaar dat bevél was afgekondigd,
was niet minder; en in die algemeene rouwe weer-
galmde de lucht van gejammer en geklag, De
Koningin ontroerd , wanneer zy verftondt dat
Mardochéus in zulken beklaagelykcn ftaat voor
de poort van \'t paleys was , zóndt hem een an-
der gewaad om zich te verkleeden; maar hy
weygerde zulks, omdat de oorzaak zyner droef-
heyd niet weggenomen zynde , hy niet befluy-
ten kon de blyken daaraf te verlaaten. Op dee-
ze weygering zondt de Vórftin den kamerling
Achratéus, om hem te vraagen wat reden hy
had zo droevig te zyn , dat\' hy op haar ver-
zoek zyn treurgewaad niet wilde afleggen.
Mardochéus liet haar door den Kamerling wee-
ten , â dat Aman den Koning een groote
5, fomme gelds aangebooden had , om tót het
verdelgen der Jooden verlóf van hem te be-
â komen : en dat de Vórft hem zulks toege-
â ftaan hebbende , men te ^ufa , en in allere
3, landfchappen van \\ Ryksgebied , een bevél
â afgekondigd had , waarvan hy haar een af-
â fchrift zondt : Voorts dat dewyl dit den
3, ganfchen ondergang dier landaard betrof,
33 waaruyt de Koningin gefprooten was, hy
33 haar badt dat zy niet wilde fchroomen zich
â zo verre te vernéderen , datzy den Koning te
3, voet viele om derzelver behoudenis van hem
" , vermids zy alleen zulks doen
â konde; terwyl Aman, tegen wien niemand in
â gunfte en gezag opmogt, dien Vórft onop-
âhoudelyk tegen hen verbitterde. Hierop
3?
J5
3J
35
33
deed de Koningin hem wederom zeggen,. dat in-
dien de Komng haar niet ontbood,zy met by hem
kon komen, zonder haar leeven daarby op te
zetten, \'t en waare hy, om haar gunft te bewy-
zen , haar met den gouden ftaf aanraakte. Mar-
dochéus dit verftaande verzócht den Kamerling
dat hy der Koninginne wilde boodfchappen,
dat zy by dit voorval niet zo zeer op haare J
eygene behoudenifle, als op die van haare â
landaard behoorde te zien : dat indien zy â
\'er van af zag , Gód niet laaten zoude zórg "
daarvoor te draagen ; maar dat hy haar dan â
met haar ganfche geflacht ftraffen zoude, om- â
dat zy zich ongevoelig ontrent het verderf«
haars vólks getoond hadde.» De Koningin
door deeze woorden bewoogen, deed hem door
den zeffdcn boode aanzeggen, âdat hy alle â
de Jooden die te Sufa waaren zou doen tza-
menkomen , en hen een vaften van drie da- "
gen beveelen, am Gód voor haar te bidden;
dat zy defgelyks met haare ftaatjofferen zou
doen , en vervólgens tót den Koning ^^an â
zonder ontbooden te zyn â al zoud het\'^ook â
haar leeven kóften." Mardochéus quam dit
bevél naa, en badt Gód geduurende dien vaften,
dat hy de verdélging zyns vólks niet wilde toe-
laaten , maar hen byftaan , gelyk hy op zo
veele andere voorvallen gedaan gehad, hen hun-
ne zonden vergeeven , en hen uyt dit groot
gevaar redden , dewyl zy\'er door hun eycren
Ich.uld nietin vervallen waaren. â Want, zevde
hy, gyweet, oGód, dat de gramfchap van â
Aman , die ons verderf gezwooren heeft, â
aflccnlyk ontftaan is omdat ik uwe heyhge ,1
wetten niet heb willen fchenden, door my â
voor hem nederbuygende hem eene eere te
bewyzen die u alleen toekomt.\'\' Dit vuurio-
gebéd wierdt verzcldt met de gebeden des gan^
Ichen vólks, het welk met geen minder yver
Godlmeekte, hen in dien hoogen nood te wil-
len byftaan De Koningin ook een rouwkleed
aangedaan hebbende, ftrekte zich op de grqnd
néér, en bragt die drie dagen door zonder fpys
óf drank te nuttigen, óf eenige zórg voor haar
lighaam te draagen, biddende Gód onpphpu-
delyk zich haarer te ontfermen , haar in den
mond te geeven wat zy tót den Koning zeggen
moft, cn haar bevalliger in zyne oogen te maa-
ken dan te voore, om in dat gevaar niet al-
leenlyk zyne goedertierenheyd over haar endie
van haare landaard te trekken, maar ook re maa-
ken dat hy zyne grimmighcyd tegen haare vyanr
den wendde, en zy alzo in het verderf, datz?
voor hen bereyd hadden, zelve mogten ftorten,
Naa dat zy aldus drie dagen in den gebede had
doorgebragt, leyde zy haar treurgewaad af,
en trok een kóftelyk kleed aan, voegende daar-
by alle de vcrcicrfelen, waarmede een groote
Koningin gewoon is zich op te pronken. Thans
ging zy na den Koning, verzéld van twee h;;arer
ftaatjofferen , op welker ééne zy leunde , ter-
wyl de andere de lange fleep van haaren tabberd
naadroeg.^ Men zag een zeedige blós op haare \'
kaaken, de fthoonheyd en majefteyt blonken op
haar gelaat, dochhaar i^artwasnietvryvan vree-
ze. Toen zy den Vórft op zynen troon gezeten
zag, rondom ichitterepde van gefteenten, cn dat
hy
haaf mooglyk niet heel gunftig aankeek , be-
ving haar zulk een ftrhrik, dat zy in onmagt
vallende, neerzeeg op de kamenier die haar on-
derfteunde. De Koning, wiens hart Gód buy-
ten twyfel op dat oogenblik bewoog, wierdt
met zulk een vreeze voor haar bevangen , dat
hy haaftelyk van zynen troon tradt, haar in
zyne armen nam , en met minnelyke en tédere
woorden tót haar zeyde, dat zy niet bevreefd
hoefde te zyn omdat zy gekomen was zonder
van hem ontbooden te weezen j naardien die
wet maar voor zyne onderzaaten gemaakt was,
en niet voor haar, dic deelgenoot zyner kroone
zynde, boven de wetten verhéven was. Aldus
geforooken hebbende gaf hy haarzyhen fcepter
in de hand, en om haar moed te doen grypen,
en zyne wet, die hy gemaakt had, öok niet te
overtreeden , raakte hy haar met den gouden
ftaf zachtelyk aan \'t hoofd ; hierop quam de
Koningin weder tót haar zelve, en zeyde naa
dat ze wat bedaard was: â Ik kan u geen ande-
3, re reden myner bezwyminge geeven , dan
5, dat myne verbaafdheyd zo groot was toen ik
3, u in zulk een heerlykheyd , luyfter , en ma-
â jefteyt aanfchouwde , dat ik daardoor van
â my zelve viel zonder te weeten wat my over-
3, quam." Deeze woorden bragt zy met zulk
een flaauwe ftem voort, dat des Konings onge-
ruftheyd daardoor vermeerderd wierdt j en om
haar moed in te Ipreeken, het hy niet naa haar
te zeggen dat\'er geene gunften waaren welke
zy niet van hem verwachten mogt, ja dat al
eyfchte zyook de helft van zyn koningryk , hy
\'t haar met blydfchap geeven zoude. Zy ant-
woordde dat de eenigfte gunft die zy nu van
hem begeerde, was dat het hem mogt believen
\'s anderendaags met Aman by haar ten avond-
maal te komen. De Koning ftondt haar dit
verzoek zeer gaern toe : en naa dat zy beyde
gekomen, en ter tafel aangezeten waaren, be-
val hy haar te zeggen wat ze van hem begeer-
de , verzékcrende haar nóg eens , dat hy haar
niets weygeren zoude, al waare \'t ook een ge-
deelte zyns koningryks. Daarop verzócht zy
dat het hem believen mogte goed te vinden, dat
zy haare bede tót den vólgenden daguytftelde,
en dat hy dan wederom met Aman by haar te
gaft wilde komen. De Yórft bewilligde gaern
daartoe, en Aman ging zeer verblyd heene
wegens de ongemeene gunft welke de Konino-in
hem bewees , door hem alleen te verkiezen om
de eere te hebben van met den Koning en haar
te eeten : maar ontmoetende Mardochéus in
\'t paleys, wierdt hy vervoerd van toorn, zien-
de dat hy zich niet voor hem nederboog : en
t\'huys gekomen zynde verhaalde hy zyner
vrouwe, geheeten Zaraza, en zynen vrinden,
de byzondere gunft welke de Koning en Ko-
ningin hem beweezen , doordien hy alleen by
hen ter maaltyd geweeft , en tegens den vóU
genden dag wederom genoodigd was. ,, Maar
vervólgde hy, hoe kan ik vergenoegd zyn â
zo lang ik Mardochéus den Jood , die de â
ftoutheyd heeft van my te verachten , in â
\'t paleys. moet zien.** Zyne huysvrouw ant-
woordde hem , dat om zich van diemoeijelyk-
heyd te ontflaan, hy eene galg van vyftig elle-
boogen hoog moft doen maaken, en van den
Koning des anderen daags \'s mórgens verlóf
verzoeken, om hem daaraan te doen ophano-en,
Deeze raad behaagde hem zo wel dat hy eene
galg in zyn paleys deed oprechten. Maar Gód,
die wift wat \'er gebeuren zoude j fpótte met
deeze verfoeijelyke hoope, cn bragt, tót ver-
ydehnge van dien toeleg, te wege, dat de Ko-
nmg dien vólgenden nacht niet flaapen konde
en dathy, om den tyd wel te befteederi , de
fchriften, waarm aangetekend was het gedenk-
waerdigfte^at door hem en^yne voorzagen was
verricht, deed haaien, en zich die door zynen
Geheymfchryver voorleezen, Alstoen hoorde
hy, dat men een groot landgoed aan iemand
J-f 1
Efthct
Ijl
gegeeven had tót belooninge eener voortreffe-
yke daad : dat een ander groote gefchenken
ontvangen had om zyne betoonde getrouw-
heyd : en dat Mardochéus de tzamenzweering
van de kamerhngen Bagatho en Theodeftes
ontdekt had. De Schryver willende met lee-
zen voortgaan , wierdt van den Koning weêr-
houden, en gevraagd óf\'er niets gemeld ftondt
van eenige belooning welke Mardochéus voor
dien grooren dienft genooten had : waarop hy
antwoordende dat hy zulks niets vondt, wierdt
hem belaft met leezen ftü te houden. Ver-
vólgens vraagde de Vórft aan iemand zyner
amptenaaren die laft had op den tyd te paften,
wat uur van den nacht het was: en verftaande dat
het begon te daagen , beval hy dat men aan de
poort van \'t paleys zou gaan zien óf\'er niet
iemand van zyne vrinden aldaar waare. Het
geval wilde dat Aman zich daar bevondt, door-
dien hy veel vroeger dan naar gewoonte geko-
men was , om te verzoeken dat men Mardo-
chéus mogt ter dood brengen. De Koning be-
laftte derhalve dat hy zoude binnen komen en
zeyde tót hem, naa dat hy ingetreeden was:
,5 Nademaal ik verzekerd ben dat niemand my
â meer geneegenheyd toedraagt dan gy , ver-
â zoek ik dat gy my zegt wat ik behoor te
,, te doen om iemand dien ik zeer bemin op een
5, betaamelyke wyze te eeren." Aman, die wift
dat niemand in zulk een groote gunft by den
Koning was danhy, beeldde zich in dat dit op
hem zag j en denkende dat hoe gunftiger de
raad was dien hy gaf, zulks des te meer tót
zyn eygen voordeel gedyen zoude, antwoord-
de aldus: â Indien gy, ó Koning, iemand die
â u zo lief en waard is, op\'thoogfte eeren wilt,
â doe hem dan , met uw koninglyk gewaad ge-
â kleed, en met eenen gouden ketting omhan-
â gen zynde, op uw paerd ftygen : en laat ie-
mand uwer befte vrinden door de ganfche ftad â
voor hem heene gaan , cn roepen gelyk een â
uytroeper: â Aldus is het dat men den ge- â
nen eeren moet, dien de Koning met zyne â
gunften eeren wil." De Koning aanhoorde
met blydfchap deezen raad , dien Aman meen-
de ten voordeele van zichzelven gegeeven te
hebben, en zeyde daarom tót hem : â Neem â
dan één van myne\'paerden , éénen myner ,,
purpere tabberden , en eenen gouden ket- â
ting , vercier daarmeé den Jood Mardochéus â
op zodaanig een wyze als gy voorgeflagen â
hebt, voer hem in die toeruftinge door de â
ftad, en gaa voor hem heene roepende gelyk â
een uytroeper \'t geene gy geoordeeld hebt ge- ,,
voeglyk te zyn : want dewyl ik niemand lie-
ver hebbe dan u , is het niet meer als billyk â
dat gy de uyt voerder zyt van dien wyzen
raad welken gy my gegeeven hebt, om den
man die my \'t leeven behouden heeft te ver-
gelden." Aman ftondt over deeze reede ge-
heel verzét, en zy klonk hem als een donder-
ftag in de ooren j maar vindende zich genood-
zaakt dit uytdrukkelyk bevél te gehoorzaamen,
ging hy ten paleyzeuyt, met een paerd, eenen
purperen tabberd , en eenen gouden ketting,
om Mardóchéus te zoeken. Hy vondt hem by
de poort met eenen zak bekleed, en beval
hem dien af te fehudden , dat gewaad en den
ketting om te hangen , en te paerde te ftygen.
Mardochéus niet konnende zich verbeelden
wat hem bewoog om aldus te fpreeken , meen-
de dat hy den ïpót met hem dreef, en zeyde
daarom tót hem : â Is het aldus , ó ftioode ,,
dat gy onze elenden befchimpt Maar ver-
ftaande daarnaa dat het de Koning was die
hem met die gunft eerde , uyt aanmerkinge
van den dienft welken hy hem beweezen had,
fchoot hy dien tabberd aan, vercierde zich met
5J
den ketting, fteeg te paerde , en reedt alzo [ uytriep : >» Aldus is het dat men den genen ,,,
door de ganfche ftad, terwyl Aman voor hem [ eeren moet dien de Koning eeren wil." Daar-
naa
naa begaf MardÃchéus zich na \'t paleys , maar
Aman met fchaamte overftelpt gmg na huys,
ca verhaalde met traanen zyn wedervaaren aan
zyne vrouw en vrmden. Zy^^jd^ ^f«^, ^^^
Swyl het zo klaar bleek dat Gód fardocheus
byftond , hy met te verwachten had dat hy
zich op hem zou konnen wreeken : en terwyl
zy tzamen fpreekende waaren , quamen twee
kamerhngen^an de Koningimie heni bood-
fchappen dat hy zich moft haaften om by haar
ter mkltyd te komen. Eén vanhen, genaamd
Sabuchadan, ziende die galg, vraagde aan iemand
voor Wien zy~ opgerecht was , en verftondt dat
menze voor Mardochéus vervaerdigd had.
Efther 7. Naa dat nu de Koning met Aman aangezeten
was, zeyde hy tót de Koningin over de-maal-
.tyd , dat zy maar zoud eyftbhen alles wat zy
begeerde , en dat het haar geworden zoude.
Hierop begoft zy de elende haares vólks te bewee-
nen eil te zeggen: » Dat het gevaar waarin zy
met die vaAaarelandaardwas, haar met toe-
het van iets anders te fpreeken, dat zy de vry-
hevd met o-enomen zoud hebben van hem laftig
â te vallen, indien zy alleenlyk tót een zwaare
Z ftaaverny waaren gedoemd geweeft, doordien
zulk een ramp, hoe zwaar ook, evenwel nóg
draagelyk zoude geweeft zyn. Maar dewyl
men o
pdeganfcheverdélgingvanhaai-enhaai-
vólk toeleyde , had zy niet können laaten in â
dat uyterfte gevaar haare toevlugt tót zyne goe- â
dertierenheyd te neemen," De Koning ver-
fteld over dit verhaal, vraagde wie dóch dien
aanflag gefmeed had: en zy antwoordde dat het
Aman was, die door den doodelyken haat wel-
ken hy den Jooden toedroeg, beflooten had
hunnen ondergang te brouwen. De onftelte-
nis des Konings was zo groot, dat hy van ta-
fel opftond , en geheel ontroerd na den tuyn
⢠Aman twyfelde toen met óf hy was een
verlooren man: dies badt hy de Koningin om
vergift-enis , en viel in \'t nederbuygen op haar
tafelbed Ondertufithen quam de Koning
weder in, en ziende hem m dien ftaat, wierdt
zvne toorn zo ontfteeken, dathy hem toeriep:
Ha fchelmentrouwloozefielt, meentgyde â
K^ingin te verkrachten ! Deeze woorden
floepen Aman met zulken fchrik , dat het hem
onmoocrelyk was iets daarop te antwoorden:
en de kamerling Sabuchadan, die \'er by ftond,
verhaalde den Koning dat toen hy tót Amans
o-eweeft was om hem van wege de Koninginne
te boodfchappen dat hy ter maaltyd moft ko-
men , hy in zyn huys eene galg van vyftig elle-
boogs hoogte gezien, en uyt iemand van de die-
naars verftaan had, dat ze opgerecht was om\'er
55
3J
JJ
3>
Mardochéus aan te hangen.
De Konincr dit hoorende beval dat men hem
zelven aanftonds daaraan
hem rechtvaerdiglyk met dezejfüe^ftraf te iiraf-
fen, diehyt\'onrecLeenen^ideren wi^
lyden. tó ben genoodzaakt my ^.^^ler o^r
Góds wysheyd en zonderlinge beftiermge e vei-
wonderen , dewyl hy Aman met a leeniyKnaar
verdienfte ftrafte , maar daartoe het eygenne
middel gebruykte waarmede hy zich op zynen
vyand meende te wreeken. De boozen behoo-
ren zich aan zodaanig een voorbeeld te Ipie-
selen, vermids men daaruyt ziet dat het
quaad het welk zy anderen willen bero.<kenen,
veeltyds op hunnen eygenen kop neervalt.
Aman quam aldus aan zyn eynd , omdat hy
de groote geneegenheyd, welke Artaxerxes
hem toedroeg , moedwilliglyk misbruykte.
Deeze Vórft fchonk alle zyne goederen aan de
Koninginne ; en alstoen verftaan hebbende dat
Mardochéus de oom dier Vórftione was, ftelde
hy hem zynen zegelring , dien Aman plagt te
draagen, ter hand. De Koningin zette hem in
bezit van Amans goederen, en badt den Ko-
ning dat hy haar uyt die vreeze wilde trekken,
waarin zy gebragt was door de brieven welke
diebooswichtop zynen naam gefehreeven ? en na
Lis
voorzaaten den fcepter ter hand gefteld heeft,
en die dit Ryk bewaart, zo is \'t ons niet ere-
noeg dit vólk te bevryden van de ftrafte
bevolen in de brieven welke Aman ons aan- â
raadde te fchryven, en waarop gylieden géén â
acht zult geeven : maar wy belaften u daar-
enboven, dat gy hen met eere zult bejégenen ⢠"
gelykerwys wy , zo om hen recht te doen
als om de wiüc Góds te gehoorzaamen , die ^
ons beveelt de misdaaden te ftraffen, dien
trouwloozen die hun verderf gezwooren had, â
nevens zyn ganfche geflacht, aan de poorten â
van Sufa hebben doen ophangen. Voorts â
beveelen wy dat \'er affchriften van deezen â
brief na alle onze landfchappen gezonden â
worden, ten eynde een ieder van onze wifle
onderricht zynde, de Jooden in rufte, en in
de onderhoüdmge hunner wetten laate lee-\'\'
ven , en hen ook byftaa in de wraake welke "
wy belooven te zullen neemen over den hoon, â
nen geduurende den tyd hunner verdrukkin- â
ge aangedaan , verkiezende daartoe den der-
^^^nden dag der twaalfde maand genaamd
Adar, welken Gód gelukkig voor hen heeft
willen maaken, alhoewel hy eerft tót hunnen
geheelen ondergang beftemd was : en wy be-
geeren dat die zelfde dag geluk toebrenge
aan allen die ons getrouw zyn, en dat hy al-
toos tót een téken van de ftraffé der boozen
ftrekke. Allen vólken en fteden zy ook
kond, dat alle die naalaatenden inhoud van
deezen tegenwoordigcn te gehoorzaamen, te
vuur en te zwaerde vervólgd zullen worden.
En opdat niemand hieraf onweetend zy , wil-
len wy dat deeze afgekondigd worde in alle
landen onder ons gebied ; opdat de Jooden
zich bereyden om ten beftemden dage zich
op hunne vyanden te wreeken."
Zo dra als de brieven vervaerdigd waaren,
zonat men póftloopers af omze met der fpoed
overal heene te brengen. Ten zelfden tyde
quam Mardochéus uyt het paleys koninglyk
gekleed , meteen goudene kroon op \'t ho&d,
en eenen gouden ketting om den hals : en de
Jooden die te Sufa waaren, ziende hem in
zulk een groot aanzien , waaren niet minder
over zyn geluk verheugd dan hy zelf Die
welke m de landfchappen woonden alwaar des
Konings brieven gebragt wierden, merktenze
met groote vreugde aan als een gunftig licht
dat hen hnnne verlóflinge verkondigde; cn
hunne vyanden wierden zo bevreefd voor hun-
ne wraake, dat veele om hun verderf voor te
komen zich lieten befnyden. Want de boo-
den bleeven niet in gebreke den Jooden te ver-
wittigen 5 dat zy op den dertienden dao- der
twaalfde maand , welke wy Adar , en de^Ma-
cedoniërs Dyftrus noemen , zich vryelyk op
hunne vyanden wreeken mogten. Men zag der-
hal^ geene Vórften, Landvoogden, Grooten,
cn Overheden , die met den Jooden eere be-
weezen, uyt vreeze voor Mardochéus
Toen dc dag, voor den Jooden beftemd om
zich op hunne vyanden te wreeken gekomen
was , doodeden zy^er te Sufa ontrent vyf hon-
derd. De Koning verhaalde zulks aan de Ko-
ningin, en vraagde haar óf zy voldaan was.
alle de landfchappen van zyn ryksgebied afge-
zonden had, om alle de Jooden op éénen dag
te vermoorden ; vermids de dood haar aange-
naamer waare, dan den ondergang van haar vólk
te Gverieeven. De Vórft ftondt haar dit ge-
willig toe, en beloofde haar zodaanige brieven
als zy begeerdej te fchryven; die met zyn ze-
gel te zégelen ; enze na alle zyne landfchap-
pen af te zenden, opdat niemand iets daarce-
gen ZDu durven beftaan. Vervólgens deed hy
aan de Landvoogden en Overheden der hon-
derd zevenentwintig landfchappen van zyn ge-
bied eenen brief fchryven, luydende aldus:
55 De groote Koning Artaxerxes, aan alle de
Landvoogden onzer landfchappen, en onze
andere amptlieden, heyl. Het gebeurt dikwils
dat degéne die van Koningen door een groote
goedgunftigheyd met goederen en eere voor-
zien worden, zulks niet alleenlyk door\'t ver-
; , achten van hunne minderen misbruyken, maar
zich ook baldaadiglyk tegen hunne weldoe-
ners verheftèn , gelyk als óf zy alle dank-
baarheyd onder de menfchen wftden vernie-
,5 tigen , en meenden dat zy Gód bedriegen,
,5 en zich van zyne gerechtigheyd onttrekken
" ^^^"iieer dan de gunft hunner
Vórften hen in de regeeringe hunner Staaten
met gezag gefteld heeft, fchroomen zy niet,
lil plaats van de gemeene welftand te bevór-
dereii, hen te overrompelen, om hunne by-
zondere vyandfchap te pleegen , en de on-
â nozele door lafteringen te waaren. En
â \'t zyn geene bloote verhaalen van verlédene
â voorvallen , maar \'t is eene misdaad, waar-
â van onze eygene oogen getuygen zyn ge-
weeft , die ons zulks toont, en "ons verpligt
\'t toekomende aan allerhande befchuldi-
33
33
33
33
53
33
33
33
33
3>
33
33
33
35
33
3»
33
3)
3>
3»
33
33
33
53
33
33
in
gingen niet ligtelyk geloof te flaan; maar de
waarheyd daaraf naa k fpeuren, om de fchul-
digen ftrengelyk te ftraffen, en de onfchuldi-
â gen te befchermen , oordeelende van beyde
5, naar hunne daaden, en niet naar hunne woor-
â den. Want Aman zoon van Amadath, een
j, Amalekiter, en alzo een uytheemfche, en
3, geen Perftaan , zynde van ons tót zulk een
5, eere verheeven dat wy hem onzen vader
â noemden, en dat Wy bevalen dat men voor
5, hem nederbuygen , en hem als den eerften
rang naaft ons houdende aanmerken Zoude,
heeft zich in zulk een groote voorfpoed niet
konnen beteugelen, noch in zo een hoogen
ftaat zich binnen de paaien van maatigheyd
houden. Zyne ftaatzucht fteeg zo hoo«-,
â dat hy op onzen Staat toeleyde"^; dat hy ons
â wilde O verreeden om Mardochéus , aan wien
â wy ons leeven verfchuldigd zyn , te dooden;
â ja dat hy door zyne liften poogde de Ko-
33 ningin Efther onze gemaalin het zelfde lót te
» doen bezuuren ; ten eynde hy ons alzo be-
33 roovcnde van de perfoonen, die ons\'t liefft,
33 meeft toegedaan , en getrouwft zyn , onze
â kroon zou konnen bemagtigen. Maar ver-
â mids wy bemerkt hebben dat de Jooden, tót
weiter ganfchen ondergang hy ons reeds had
â doen befluyten, niet alleenlylk niet fchuldig
â zyn, maar een heylige tucht onderhouden^
âen dm God aanbidden die ons en onze
33
33
33
33
33
33
3)
33
Daarop wilde hy in den Tem^d
rn ze^d h ^^ ^^^ poogde te belet-
ten, zeyd hy â â Acht gy my dan onreyner ,,
dan het dood hghaam dat in Lzen Tem^e
verflagen legt Thans tradt hyterSd
m, en bediende zich van die gele^enheyS
de Joodcm zeven jaaren lang te%ervólgen^
Naa den dood van Joannes, yóX^deJaddm
zyn zoon hem in \'t ampt van Hoogenprifte^
hy had eenen broeder genaamd die ge-
trouwd was met Utkafis dóchter van Sanabal-
letb een Chuteer, en Landvoogd van Samarië
onder Darius den laatften Koning der Perfen
Sanaballeth had Manaflès tót zynen fchoonzoon
verkooren , omdat hy , ziende dat Jerufalem
een aanzienlyke ftad was, welke den Konin o^en
van Affyrien en den Ccele-Syriërs ved werks ee
geeven had, door dat middd degeneegenhevd
der Jooden poogde tc winnen. ^
VIII. HOOFDSTUK
449.
aan
----^^v^.xx.^gj ii^iji t^L vtdc vcruer-
te dat hy onder hem het ganfche koningryk re-
geerde i ook had de Koningin volkomene magt
zo dat het geluk der Jooden veel verder ging
dan zy ooit hadden durven wenfchen. \'t Gene
ik alhier verhaald heb is het voornaamfte dat
onzer landaard onder de legeeringe van Arta-
xerxes wedervaaren is.
450.
VIL HOOF D STUK.
Tempel.
Ste vL . JtlV^\'r\'^^^^ <len Hoogenpnefter trouwt met de
i^ocnter van Sanaballeth Landvoogd van Samarië.
\' J^ Aa den dood van E/za/Tb den Hoogenprie-
fter vólgde zyn zoon Judas hem in \'t ampt j
en Judas gefturven zynde wierdt van zynen
zoon Joannes gevólgd : dees was de oorzaak
^tBagofes, Veldoverfte van Artaxerxes, den
Tempel ontheyligde, en den Jooden eene fchat-
ting van vyftig drachmen, ten kófte van \'t ge-
meen, voor ieder lam dat zy ófferden oplé\'y-
de 3 het welk uyt de vólgende oorzaak ont-
ftondt. Bagofes beminde Jefus den broeder
van Joannes zeer, en had hem het Hoogeprie-
fterampt beloofd. Op zékeren dag dat deeze
twee broeders tzamen in den Tempel waaren,
geraakten zy daarover in zulk een twift, dat
Joannes door toorn vervoerd , zynen broeder
m die heylige plaats doodde , en alzo zulk een
verfoeijelyk feyt beging, dat men nóch onder
de Grieken, nóch zdfs onder de allerwoedfte
vólken , diergelyk een exempel vindt. Maar
Gód het deeze kerkfchendery niet ongeftraft;
de Jooden verlooren daardoor hunne vryheyd,
en de Tempel wierdt door de Perfen ontheyligd:
Want zo dra had Bagofes dit niet verftaan ófhy
quam als verwoed , roepende tot de Jooden:
« gy ontaarde, hebt gy u niet ontzien in uwen
ïj eygenen Tempd zulk een fchrikkdykfeytte
448
3J
J>
33
5>
3)
E dier tyd wierdt Fiiippus Koning van
â Macedonie m Egéa door Paufanias zoon
van Cjaftes , die van Oreftes afkomftig was,
verraaderlykgedood. A/exander de Groote zvn
zoon , die hem in \'t ryk vólgde, voer den Hel-
lelpontover, quam m Afife, en overwon inee-
nen grooten vddflag by de rivier Granikus de
Bevdhebbers van Darius heir : waarnaa hyLv-
veroverde , Karië doortrok] eii
mPamfihequam: #gelykeldersgezegtis.
Ondertuftchen konden de voornaam,,
Jaddus den Hoogenpriefter , eene vreemde
vrouw ten wyve genomen had , omdat diteene
fchendmg der huuwelyks wetten , en een on-
heyhge vermenging met afgodifche vólken was,
t welk wel eer de oorzaak hunner gevangeniftè,
^ der rampen hen overgekomen, was |e weeft.
Hierom begeerden zy dat Manaffes zyne huys-
vrouw te rugge zonde, óf den altaar niet meejr
genaakte; en Jaddus door die klagten bewoo-
gen , verboodt hem denzelven re naderen
Manaflès trok daarop na Sanaballeth zynen
fchoonvader, en zeyde tót hem , â dat hi-"^
wel hy zyne huysvrouw zeer beminde, he^
Priefterfchap echter zulk een aanzienlyk ampt
onder die van zyne landaard was , dat liy
met befluyten kon daarvan verfteeken te zyn
Sanaballeth antwoorddehem, â dat byaldien "
hy zyne dochter behouden wilde, hy hem
met alleenlyk in dat eerampt zoud handhaa- \'\'
ven, maar hem tót Hoogenpriefter en Vórft "
van Judéa doen aanftdlen, en van den Kq. "
ning Darius verlóf voor hem verwerven om "
eenen Tempd te bouwen gdyk die van \'\'
ruialem , op den berg Garizim , den K "
ften van >t gWche lan^d , en dl\'Samafe "
een dwang ftrekt." Sanaballeth ^af Ln \'i
hoog bejaard : maar Manaflës erla^ït te
mm de uytwerking zyner bdófte dfor gun^^^^
van Danus. Aldus zettedehy zich te Samïll
neer, en vermids veele Priefters enandere Joo-
den ook in diergelyke huuwelyken gewikkdd
L 1 z waa-
dewyl\'er niets was dat hy niet wilde doen om
haar genoegen te geeven. Daarop verzócht zy
dat men den vólgenden dag daarmede moo\'t
voortvaaren, en de tien zoonen van Aman op~
hangen. Hy ftondt het haar toe , zo dat de
Jooden op den veertienden dag dier maand bin-
nen Sufa nóg ontrent driehonderd menfchen
ombragten, zonder hunne goederen aan teroe-
en het getal der gener welke zy den voor-
ren, ^^^ »w-iivt, ucn voor-
gaanden dag in alle de andere fteden gedood
hadden , beliep vyfenzeventig duyzend. De
dag daarnaa wierdt met gaftmaalen en vreugde
doorgebragt; en nóg hedendaags vieren de
Jooden overal waar zy in de werreld verftrooid
zyn, dien dag, en zenden malkan deren eenige
gerechten van hunnen tafel toe. Mardochéus
Ichreef aan alle de Jooden, onderdaanen van
Artaxerxes, dat zy die twee dagen vieren zou-
den, en aan hunne naakomelingen \'c zelfde be-
veelen , om de zaak in een eeuwige geheuge-
niftè te houden j vermids het billyk was, dat
zy door Amans doodelyken haat gevaar geloo-
pen hebbende van verdéigd te worden, Gód
altoos zouden danken dat hy hen niet alleen-
lyk voor de woede hunner vyanden behoed,
maar hen ook een middel om zich te wreeken
verleend hadde. De Jooden vierden die ge-
melde dagen en noemden ze Purim. Onder-
tuftchen wies het aanzien van Mardochéus zo
dat de Koning hem tót dat gezag verhef-
m
m
ilö
F L A V I Ã S J
waaren , begaven zy zich mede derwaards.
Sanaballeth om de ftaatzucht zyns ft;hoonzoons
ce beguniligen , gaf hen om zynent wille geld,
huyzen , en land^ het welk dien van Jeruialem
zeer moeide.
451. Darius verftaan hebbende dat Alexander den
Hellefpont overgetrokken, zyne Veldoverften
by den Granikus had overwonnen 5 verzamelde
alle zvne krygsmagt om hem tegen te trekken cev
hy zich meefter van Aftë kon maaken > en öat
hv den Eufraat, en den berg Taurus m Cilicie
o-kreerrokken was, befloot hy hem te bevechten.
Toen Sanaballeth zag dat hy Judéa naderde, zey-
de hy tót Manaflès dat hy zyne be ofte naakomen
zoude zo dra als Darius Alexander overwonnen
hadde; wanthy, nóch ook alle de vólken van A-
ftë twyfelden niet, óf de Macedomërs zo kleyn
van getal zynde , zouden zich met het ontzag-
lyk heir der Perfen niet tót een gevecht durven
â inlaaten. Maar de uytkomft toonde het tegen-
deel. De flag wierdt geleverd , Darms met
groot verlies overwonnen , zyne moeder, ge-
maalin , en kinderen bleeven gevangen , en hy
wierdt genoodzaakt zyne veyligheyd m de vlugt
n? Perfk te zoeken. Naa deeze overwinmng
cp^am Alexander m Syrië, nam Damaskus in,
4roverde Sidon , cn belegerde Tyrus Ter-
wyl hy met dit belég bézig was fchreei hy aan
Ipcidus Hoogenpriefter der Jooden, dat hy
drie zaaken V2n hem begeerde, teweeten hul-
ne , ccn vryen handel met zyn heir , en de-
zelfde byftand welke hy aan Darius gaf, ver-
zékerende hem dat indien hy zulks deede, hy
aeen oorzaak zoud hebben van \'t zich te be-
^laagen dat hy zyne vrindfchap boven die van
anderen gefteld hadde. De Hoogepriefter ant-
woordde^dat de. Jooden aan Darms met eede
beloofd hadden , dat zy nooit ae wapenen te-
rgen hem opneemen zouden , en dat zy daarin
XI. BOÃK.
niet naalaatig konden zyn zo lang hy leefde.
Dit antwoord vertoornde Alexander dermaate,
dat hy hem liet weeten dat zo dra hy Tyrus
zoude bemagtigd hebben, hy met zyn heir hem
tegen trekken zoude, om hem en al de werreld
te toonen aan wien hy eed houden moft. Thans
benaauwde hy Tyrus zo fterk, dat hy er zich
meefter van maakte i en naa op alles orde gefteld
te hebben, ging hy Gaza belégeren, alwaar Baèe-
mefes onder den Koning van Periië \'t gebied had.
Maar om weder tót Sanaballeth te keerai :
Terwyl Alexander nóg met het belég van Ty-
rus beezig was , achtte hy dat het bequaame
tyd was om zyn oogmerk te bereyken: weshalve
hy de party van Darius verliet, en met acht-
duyzend mamien tót Alexander overging.
Deeze groote Vórft hem wel ontvangen heb-
bende, zeyde hy tót hem, dat hy eenen fchoon-
zoon had genaamd Manaftès, broeder van den
Hoocrenpriefter der Jooden i dat veele van dic
landaard hem uyt geneegenheyd aanhingen,
en dat hy gaern eenen Tempel dicht by Sama-
rië zoude bouwen : dat de Koning groot voor-
deel daaruyt trekken konde , omdat zulks de
magt der Jooden verdeden, en beletten zou
dat zy niet tegen hem zouden konnen opftaan,
en hem zo veel moeite verfchaffen gelyk hunne
voorouders den Koningen van Aflyrië veroor-
zaakt hadden. Alexander ftondt hem zyn ver-
zoek toe; waarop hy aanftonds met groote vlyt
aan het bouwen van eenen Tempel deed wer-
ken , en hy ftelde Manafles tót Hoogepriefter
aan , zynde niet weynig verblyd dat hy zulk
een eerampt voor de kinderen die uyt zyne
dóchter ftonden gebooren te worden, verwur-
ven had. Eyndelyk ftierf hy naa dat hy zich
zeven maanden in\'t belég van Tyrus, en twee
in dat van Gaza by Alexander opgehouden
had. Toen deeze roemruchtige Overwinnaar
ÃS TÃSEi^HUS
deeze laatfte plaats ingenomen had, trok hy na
Jerufalem: en de Hoogepriefter Jaddus, wien
des Konings toorn tegen hem wel bewuft was,
ziende zich met al het vólk ineeneonvermyde-
\' ; \' " lyk
XI. BOEK. joO D SCHE
lyk gevaar, nam zyne toevlugt tót Gód, ftelde
opentlyke gebeden aan om hem om zyne by-
ftand te ftneeken, en ófterdc hem ófferanden.
Hierop verft:heen de Heere hem den vólgen-
den nacht in eenen droom, en beval hem de
ftad met bloemen te doen beftrooijen, alle de
poorten te doen open zetten , en nevens alle
de Priefters in\'t priefterlyk gewaad gedóftj
met de andere ingezétenen m\'t wit gekleed,
Alexander onbeft;hroomd te gemoet te gaan,
en zich op de gódlyke befcherminge te vedaa-
ten. Jaddus hierover verheugd maakte den
vólke deeze openbaaring bekend , en elk be-
reydde zich om in dien ftaat de komfte des
Konings te verwachten. Toen men verftondt
dat hy\'naderde, ging de Hoogepriefter ver-
zéld met de andere Priefters en de burgery met
zulk een ftaatelyke praal, zo veel van die van
andere vólken verft:heelende, hem te gemoet,
tót aan eene plaats genaamd Sapha, betékenen-
de zo veel als Uytkyk, omdat men vandaar de
ftad Jerufalem en den Tempel kon zien De
Feniciërs en Chaldeen, diein \'t heir van Alexan-
der waaren, twyfelden niet, ter oorzaake zy-
ner gramfchap tegens dejooden, ófhy zoud hen
toelaaten Jerufalem te pionderen, en den Hoo^
genpriefter anderen ten voorbeelde te ftraffen.
Maar \'t viel heel anders uyt: want zo dra zag
deeze Vórft niet die groote menigte van men-
fchen in \'t wit gekleed , dc Priefters met hun
linnen-gewaad , den Hoogepriefter met zynen
Ephod van hemelsblaauwe koleur met goud ver-
cierd, en zyne muts op \'t hoofd met een gou-
den plaat waarop de naam des Heeren gefchree-
ven ftondt , óf hy naderde alleen tót hem,
aanbadt dien heyligen naam, cn groette den
Hoogenpriefter die van niemand anders nóg
gegroet was. Alstoen omringden de Jooden
Alexander, en wcnfchten hem met luyder
ftemme geluk en voorfpoed , maar de Konin-
gen van Syrië en andere Grooten die hem ver-
gezelfchapten ftonden hierover geheel ver-
baafd, meenende dat hy zyn verftand verloo-
ren had. Xdk TarmemOy zyn groote gunfte-
ling , vraagde hem waarom hy , die van al de
werreld aangebeden wierdt, den Hoogenpriefter
der Jooden aanbadt. â \'t Is niet, antwoordde
âAlexander, de Hoogepriefter dien ik aanbid-
â de , maar \'t is de Gód wiens dienaar hy is:
want toen ik nóg te Dio in Macedonië was,
en ovcrleyde hoe ik Aftë zou konnen bemag-
tigen , verfcheen hy my in eenen droom in
^ dit zelfde gewaad , vermaande my niets te
^ vreezen , beval my onbefchroomd de engte
der Hellefpont over te trekken , en verze-
kerde my dat hy myn heir zoude geleyden,
â en my \'t ryk der Perlen doen veroveren
â Hiero\'m is Lt dat ik nooit te v^
â met zodaanig een gewaad,
3, my in den droom verfcheen, gezienneoDcn-
â de, nicttwyfelen kan óf\'t is door een godly-
ke beftieringe dat ik deezen oorlóg onderno-
â men hebbe, en dat ik Darius zal overwin-
â nen, het ryk der Perfen vernietigp? ^^ ^^^
5, alles tny naarwenfch gelukken zaL " Alexan-
der aldus tót Parmenio gefprooken hebbende,
omhelsde den Hoogenpriefter en de andere
H I S T Ã R 1
ifi
Priefters, cn daarna in hun gezelfchap yoort^
gaande, quam hy aldus te Jerufalem, alwaar
hy naa den Tempel opging, en Gode óftèranden
ófferde op zodaanig cCn wyze als de Hoogeprie-
fter hem beval: vereerende hem en de andere
Priefters op een ongerhèenc wyze. Deeze Op^
perpriefter toonde hem vervólgens het boek van
Daniël, in\'t welk gefchreeven ftondt dat eeii
Grickfch Vórft het ryk der Perfen vernietigen
zoude: \'t welk hy op zich zelf toepaftèndc,
wierdt hy verheugd en liet de menigte gaan.
Des anderendaags deed hy hen weeder fzamen-
komen, en beval hen te zeggen wat gunft zy
van hem begeerden. De Hoogepriefter ant-
woordde , dat zy hem baden hen te willen toe-
laaten vólgens hunne vadedyke wetten te lee-
ven, en hen in \'t zevende jaar te ontftaan van
den tól dien zy hem jaarlyks betaalden. Hy
ftondt hen dit toe; cn verder verzócht Zynde
dat dejooden, die in Babilonië CnMedië waa-
ren , insgelyks vólgens hunne wetten mogten lee-
beloofdc hy zulks meede, en zeyde dat
ven
indien eenige van hen in zyn heir wilden die-
hy hen zou toelaaten aldaar vólgens hun-
nen
ne gódsdienft te leeven, en hunne gewoonten
te onderhouden. Waarop yéele zich onder zy-
ne banieren vervoegden.
Naa dat deeze Vórft dit te Jerufalem Ver-
richt had, trok hy na de nabuurige fteden,
en wierdt aldaar met ópene poorten ontvan-
gen. De Samaritaanen, welker hoofdftad als-
toen Sichem was, gelegen op den berg Gari-
zim , en door dc Jooden die hun land verlaa-
ten hadden bewoond, ziende dat die Overwin-
naar de inwooners van Jerufalem zo gunftig-
lyk gehandeld had, beflooten te zeggen dat zy
ook Jooden waaren. Want gelyk v/y hier
voore gezegd hebben , zy erkennen ons niet
voor hunne landsgenooten als \'t quaalyk met
onze zaaken ftaat, en zy fpreeken alsdan naar
waarheyd; maar wanneer \'t geluk ons gunftig is j
trachten zy te doen gelooven dat \\yy nevens hen
uyt éénen bloede gefprooten zyn, als weezen-
de , gelyk zy zeggen, van Joléph, door zyne
zoonen Manaffe en Ephraïm, afgedaald. ^ Zo
dra dan Alexander uyt Jerufalem getrokken
was , gingen zy met het krygsvóïk \'t vyelk Sa-
naballeth hen gezonden had, dien\'Vorft met
groote ftaatft ea betooninge van vreugde te
gemoet, om hem te verzoeken dat hyin hunne
ftad wilde komen, en hunnen tempel met Zyne
tegenwoordigheyd vereeren. Hy beloofde hen
dat hy \'er op zyne wederkomft komen zoude:
en vèrmids zy hem baden dat hy hen om \'t ze-
vende jaar de fchatting wilde quytfchelden,
omdat zy alsdan hunne akkers niet bezaaiden,
vraagde hy van Wat landaard zy dan waaren.
Zy antwoordden datze Hebreen waaren , maar
dat de Sidoniërs hen Sichemiten noemden.
Hy vraagde verder , óf zy dan Jooden waaren^
Hun antwoord was neen $ \'t welk hem deed
zeggen: âIk heb die gunft aan niemand dan â
den Jooden toegeftaan j maar op myne we-
dcrkomft zal ik naar die zaak verneemen:,,
en als ik \'er bericht van bekomen hebbe , zal â
ik zien wat billyk is." Naa aldus tót hen ge-
fprooken te hebben , zondt hy hm te rugge?
maat
3)
3)
maar hy beval aan de krygsbenden van Sana-
balledi hem na Egipte te vólgen, alwaar hy hen
landeryen geeven zoude, gelyk hy ook haaft daar-
naa deed, en hen te Thebaide in bezettingeleyde.
Naa Alexanders dood wierdt zyn ryks gebied
onder zyne Naazaaten verdeeld : en dewyl de
Tempel, die op den berg Garizim gebouwd
was , in zyn geheel bleef, gebeurde het, als
eenige Jooden , die te Jerufalem woonden,
tegen de wet gezondigt hadden , \'t zy door
\'t eeten van verboodene fpyzen , óf door \'t
niet onderhouden van den Sabbath, óf andere
diergeiyke dingen , dat zy dan tót de Sichemi-
ten overliepen , zeggende dar men hen veron-
gelykt had.
Jaddus de Hoogepriefter overleedt ook on-
trent dien tyd, en wierdt van zynen zoon Oni as
in \'t ampt gevólgd.
JOODSCHE
HISTORI.
twaalfde BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
De Veldovcrften van Alexawder ^en Grooren decJen zyn ryksgebied
naa zynen dood. Ptojomeus ^é\'n van hen vermeeftert Jerufalem
door overrompelingc. Zendt veelc volkplantingen van Jooden na
£gipre ea vertrouwt zich op hen. Geftadige ooilogen tuffchen
die van Jerufalem en de Satnaritaanen.
4? 3
. A Lexander de Groote gefturven zynde naa
^ dat hy de Perfen overwonnen, en de zaaken
te Jerufalem in órde gefteld had, als gezegd is,
wierdt zyn ryksgebied onder de Overften zyner
heirlégeren gedeeld. Antigonus nam voor zich
Afië 5 Sekukus Babilonië en üe naouurige vólken,
Lyfmachus den Hellefpont, Kajfander Macedo-
nië, en Ttoloméus de zoon van Lagus Egipte.
De twift die onder hen wegens de regeeringe ont-
ftondt veroorzaakte lange en bloedige oorlogen,
verwoeftinge veeier fteden, en den dood van een
groote menigte van menfchen. Gantfch Syrië
moft ook alle deeze onheylen bezuuren onder de
regeeringe van den gemelden Ptolomeus , aan
wien men den naam van JiW^T, dat is Behouder,
gaf, maar hy deed blyken dat die hemgeenftns
toequam. Hy quam te Jerufalem op den Sabbath
onder voorwendfel van te willen ófteren} en de-
wyl dc Jooden hem niet mistrouwden, en dat die
dag hun ruftdag was, ontvingen zy hem zonder
eenige zwaarigheyd. Hy zich aldus meefter
van de ftad gemaakt hebbende, handelde haar
wreedelyk. Agatarchides de Knidiër, die de
Hiftori van Alexanders naazaaten gefchreeven
heeft, verwyt ons daarover ons bygeioof, zeg-
gende dat wy daardoor onze vryheyd verloo-
ren. Een vólk, zegthy, dat Jooden genoemd
wordt, eneen groote en fterke ftad, gehtet en Jeru-
falem, bewoont, hebbende door eendwaas bygeioof
de wapenen niet willen opneemen, heeft moeten dul-
den dat "Ttolomeus\'er zich meefter vanmaakte, en
hen t ót eenenftrengen Over heer verftrekte. Deeze
Vórft deed veele inwooners uyt het gebergte
van Judéa, van de plaatfen ontrent Jerufalem,
uyt Samarië, en van den berg Garizim komen,
omze na Egipte te zenden : en vermids hem
yt het antwoord , dat de Jooden aan Alexan-
der gaven naa dat hy Darius overwonnen had,
Dekend was dat zy hunne eeden gódsdienftig^
fyk hielden , vertrouwde hy hen de wacht van
verfcheydene plaatfen , gaf hen te Alexandrië,
nevens Æ eMaeedoniërs het burgerrecht, en
verbondt hen met eede hem en zyne naakome-
lingen getrouw tezyn. Veele andere Joodeii
begaven zich van zelfs met der woon na Egip-
te, zynde daartoe bewoogen door de vruch-
baarheyd des lands , en door de geneegenheyd
welke Ptoloméus aan die van hunne landaard
betoonde- De naakomelingen deezer Jooden
waaren geftadig in oorlóg met de Samantaanen
doordien zy beyde van hunne gewoonte niet
S hnn\'^T^"- , van Jerufalem beweerden
dat hun Tempel alleen heylig was , en dat men
elders met ófteren mogt: De Samaritaanen daar-
entegen hielden ftaande dat men op den bero-
Garizim moft ófferen. ®
n. H O O F D S T UK] ~
^\'duTzeS Koning van Egipte xendt" honderd twintig-
duyzend Jooden die in zyn ryk gevangen waaren weder te ruggt
foet tweeiizevcnno mannen n«. I-Jâ 1_______ . .
n«». , â¢â¢----------\' gcvaiJKcn waaren weder te rugge.
Doet tweenzevenng mannen uyt Jodca kotncn om de Joodfhe
wetre» ,n t Gneks te vertaaien ; zendt kóftelyke gefchenken ra
den Tempel , cn omhaalt de afgezondenen koninglyk. ®
A Lexander twaalf jaaren , en Ptoloméus So-
ter, naa hem dertig jaaren geregeert hebben-
de , zo vólgde "Ptoloméus gebynaamd "Phila-
delphusTynenvadetin \'tryk van Egipte, en hv
wetten der Jooden m \'t Grieks vertaaien , en
gaf aan honderd twmtig-duyzend menfehS
van hunne landaard verlóf om weder na hun
land te keeren , en dat uyt deeze oorzaak
"Demetnus Thalerem , Opziener der boekery
van dien Vórft , wendde een ongemeene vlyt
en zorg aan om van alle plaatfen der werreld
de boeken welke hy oordeelde dat het waer-
dig waaren ,
en des Konings achtinge ver-
dienden, byeen te verzamelen. Eens wanneer
de Koning hem vraagde hoeveel hy\'er al had-
de , antwoordde hy dat\'er ontrent tweehon-
derd-duyzend byeen waaren , maar dat hv
hoopte binnen korten wel vyfhonderduyzend
te hebben : en dat hy verftaan had dat\'er onder
de Jooden boeken, wegens hunne wetten en ge-
woonten , in hunne taal en met hunne letteren ge-
fchreeven waaren , welke zeer waerdig zouclen
weezen plaats in zyne boekzaal te hebben^
m^r dat het veel moeite zou kóften die in
\'t Grieks te vertaaien , omdat de Hebreewfche
taal en letters.groote overeenkomft met de Sy-
nfche hadden, dat net niettemin nóg wel doel
lyk was, a^s de Konmg niet op de kóften zag.
Ptolomeus in dien voorflag behaagen hebbencfe
fchreef aan den Hoogenpriefter der Jooden
óf
-j die boeken wilde befchikken.
XII. Boek.
óf hy hem
^t Gebeurde in dien tyd dat Arïfteus , die
zyne befcheydenheyd en wysheyd zeer van
3>
35
3J
3J
35
3J
3>
dien Vórft bemind was , in den zin kreeg hem
te bidden dathy de Jooden di^in zyn ryk waa-
ren in vryheyd wilde ftellen : en deeze gele-
genheyd fcheen hem zeer gunftig daartoe:
maar hy wierdt te raade zulks aan Sojibius de Ta-
rentiner, en Andréas , Hoofdlieden der lyf-
wacht, bekend te maaken, eer hy\'t den Koning
voorftelde , opdat zy zyn zeggen mogten fty-
ven. Zy vonden zyne meening goed > en daar-
op fprak hy den Vórft aldus aan: â Dewyl ik
verftaan heb, ó Koning, dat uw voor-
neemen is , niet alleenlyk een affchrift van
de wetten der Jooden te hebben , maar die
ook te doen overzetten j zo zoud het met
geen behoorelyke oprechtigheyd gefprooken
weezen, indien ik ontveynfde, datik niet zie
hoe zulks op een eerlyke wyze gefchieden kan,
eenen tyd dat gy zulk een groot getal
in
5, menft:hen van die landaard voor ftaaven in uw
â ryk houdt. Maar \'t zou waarlyk voor uwe
3, goedertierenheyd en grootmoedigheyd be-
5, taamelyk zyn, hen uyt die elende te verlós-
5, fen; want voorzoveel ik naa een vlytig onder-
3, zoek heb konnen begrypen, dezelfde Gód
3, die uw ryk regeert, en dien wy onder den
3, naam van Zeena of Zeus [dat is Jupiter] aan-
3, bidden, omdat hy ons allen doed leven, is de
3, ftichter van de wetten deezes vólks. Nade-
3, maal nu geen andere landaard hem zulk een
3, groote eere bewyft , en op zo een byzondere
3, wyze dient, fchynt uwe gódvruchtigheyd u
3, te verpligten dat gy hen weder na hun vader-
3, land zendt. En ik bid u, ó Koning, tewil-
3, len gelooven dat de vryheyd die ik neem om
3, dit voort te ftellen , geeniins ontftaat uyt ee-
3, nige verbintenifte óf vermaagfchappinge met
3, dat vólk } maar alleenlyk omdat ik weet dat
3, Gód de fchepper van alle menfchen is , en
3j dat hunne goede werken hem aangenaam
3> zyn." De Koning luyfterde gunftiglyk naar
dit vertoog, en vraagde Arifteus met een lach-
gend gelaat, hoe groot het getal der Jooden
wel was, welke hy verzócht in vryheyd gefteld
te hebben. Andréas, die\'er tegenwoordig was,
antwoordde dat\'er moogelyk omtrent honderd-
twintig-duyzend waaren. Hierop zeyde de Ko-
ning : Dunkt u dan Arifteus , dat het gene gy
eyfcht maar een geringe weldaad is Sofibius en
die met hem waaren alstoen het woord nee-
mende j zeyden tót den Koning , dat hy
niets kon doen dat hem betaamelykerwas, dan
door zulk een treffelyke daad zich erkentelyk
jegens Gód te toonen, voor dat hy hem op den
troon verheven had. Het behaagde deezen
Vórft zo wel hen dus eensgezind te zien, dat hy
beloofde dat om de wille Góds vólgens de be-
geerte van Arifteus te voldoen , hy aan zyn
krygsvólk boven hunne fóldy honderd twintig
drachmen voor ieder Jood dien zy onder zich
hadden, zoude betaalen : Dat hy hiervan een
opendyk bevélfchrift zou geven > jaa dathy niet
alleen die onder zyn vader, maar ook die welke
voorheen, en daarna in zyn ryk waren vervoert,
vry zou koopen. En wanneer men hem zeyde
dat dit lósgeld meer dan vierhonderd talenten
zou beloopen, antwoordde hy dathy \'tdaarom
nógtans niet laaten zoude. Het zal niet quaa-
lyk voegen de bevëlbrief van dien Vórft deswe-
ge van woord tót woord alhier in te laffchen,
opdat men zyne edelmoedigheyd te beter befpeu-
re : Wy Willen dat alle dejooden welkede â
fóldaaten van wylen den Koning onzen vader â
in Syrië, Fenicië, en Judéa gevangen geno-â
men, en na Egipte gevoerd en verkóft heb- â
ben j alsmede die welke te voore óf daarnaa â
desgelyks in ons ryk verkóft zyn, van dienft- "
baarheyd bevryd worden, en dat men uyt on- ,,
ze gelden voor ieder van hen teÃe honderd â
twintig drachmen, welke onze krygslieden bo- â
ven hunne fóldy ontvangen zullen voor degë- â
nen die zy in hunne bewaaringe hebben, en dat â
onze Schatmeefters het lósgeld der anderen â
zullen betaalen aan de meefters welker ftaaven â
zy zyn. Want dewyl \'er reden is om te geloo- â
ven dat het tegen de wille van den Koning on- â
zen vader, en tegen alle billykheyd geweeft is, â
dat de fóldaaten dit groot getal gevangenen H
na Egipte gevoerd hebben , enkelyk uyt be- â
geerte van voordeel, zo verpligt de liefde tót â
de gerechtigheyd, en hetmedelydendatmen â
met ongelukkigen behoort tc hebben, ons om â
alle die gevangenen m vryheyd te ftellen, naa â
dat men aan hunne heeren den gemelden prys â
zal betaald hebben. En dewyl wy niet twy-
felen óf deeze goedertierenheyd in dit geval â
zal ons voordeelig zyn , zb verftaan wy dat â
dit tegenwoordig bevélfchrift ter goeder trou- â
we uy tgevoerd worde, en dat de eygenaars der â
ftaaven, naa dat het drie dagen ach ter één zal â
afgekondigd zyn, een opftel daarvan inléve- â
ren. En byaldien iemand zich ongehoorzaam â
zoude betoonen , dien zal men moogen aan- â
klaagen , en zyne goederen zullen t\'onzen â
voordeele verbeurd verklaard worden.*\'
Wanneer deeze bevélbrief aan den Koning [al-
lereerft] vertoond wierdt, waaren \'er degene niec
onder begrepen die voor en na [Ptoiomeus Soter
zyn vader] uyt Judéa waaren gevoert: dies wilde
hy door een koninglyke goedertierenheyd hen
ook dezelfde gunfte bewyzen , beveelende dat
ook zy zouden verloft worden, en dat men degel-
den daartoe uyt de fchattingen neemen zoude,
om aan zyne Schatmeefters behandigdj en dan
aan de krygsknechten tót lósgeld der Jooden
gegeeven te worden. Dit bevél wierdt in ze-
ven dagen uytgevoerd , en \'t quam dien Vórft
meer dan vierhonderd zeftig talenten te kóften;
want de eygenaars der Joodfche ftaaven begéér-
den ook voor de kinderen de beloofde honderd
twintig drachmen, als of dat de mening van den
Vórft waare geweeft voor hen ook te betaalen.
Naa dat deeze vryheyd aldus verleend was,
belaftte de Koning, die niets deed dan met een
ryp overlég, dat Demetrius zou te kennen ge-
ven wat hy wegens de vertaahng der HebreeAV-
fche boeken in \'t Grieks begeerde. Men deed
aantékening van het verzoekfchrift door Deme-
trius aan den Koning vertoond, van de brieven
deswege gefchreeven, van het getal en de waar-
de der gelchenken die gezonden wierden , ten
eynde de grootdaadigheyd des Konings blyken
ï^\'l m mog-
tillT
â¢i
II
i
iïii
â fpkl
35 Naardien gy my , ó Koning , bevolen hebt
naauwkeuriglyk te verneemen na boeken die
nóg ontbreeken om uwe koninglyke boekery
volkomen te maaken , heb ik alle vlyt en
moeite aangewend > en ik vind my verpligt
5, u te verwittigen dat de boeken , waarin de
â wetten der Jooden zyn vervat, een gedeelte
â der gener zyn die \'er nóg mangelen , zo om-
â dat ze met Hebreewft:he letteren , en in die
â taal geft:hreeven zyn , als omdat men zich
â niet bemoeid heeft daarna te zoeken , de-
â wyl gy nooit geneegenheyd betoond hebt
â omze te hebben, \'t Is nógtans noodig dat
3, gy dezelve hebt, en dat zy getrouwlyk over-
gezét worden , doordien ze de allerwyfte en
volkomenfte wetten behelzen , vermids het
Gód zelf is dieze gegeeven heeft: Het
welk den Hiftorifchryver Hekateus Abderita
heeft doen zeggen , dat \'er geen Poëet noch
3, Hiftoriichryver gevonden wordt, die\'er ooit
35 gewag van gemaakt heeft , nóch eenig
menfch die zulk een gedrag gehouden heeft
als zy beveelen 5 nademaal zy heylig zyn-
dejniet door onheyligen behooren in den mond
55 genomen te worden. Gy moet dan , indien
â \'t ü zo goed dunkt, aan den Hoogenpriefter
â derjoodenfchryven, dathyu, zes vandeoud-
aj ften en voornaamfte van elke ftam die \'t meefte
verftand van die wetten hebben, toezende,
ten eynde zy gezamentlyk een naauv/keurige
vertaaling opftellen, die bequaam is om uwe
3, begeerte volkomentlyk te voldoen.
Naa dat de Koning dit vei zoekfchrift ge-
zien had s beval hy dat men aan Eleazar den
Hoogenpriefter der Jooden vólgens dien inhoud
fchryven , en hem ook berichten zoude dat hy
aan alle de Joodfche flaaven in zyn ryk vryheyd
verleende , dat hy vyftig talenten gouds om be-
kers , fchaalen , en andere óftervaten van te
maaken, een groote meenigte edele gefteenten,
waaraf de Schatbewaarders de keur gelaaten had-
den aan de werklieden dieze verwerken zouden,
en honderd talenten zilvers tót ófteranden en
andere Tempeldienften , ten gefchenke zondt.
Van de werken en cieraaden waartoe dit alles
gebruykt wierdt, zal ik hiernaa Ipreeken > dóch
eerft het affchrift van den briel: aan den Hoo-
genpriefter gefchreeven neêrftellen, en ook ver-
haalen hoedaanig hy tót die waardigheyd ver-
heven wierdt.
Naa den dood van den Hoogenpriefter Onias,
vólgde zyn zoon Simon hem in \'t ampt j dees
wierdt toegenaamd de Rechtvaerdige, ter oor-
zaake van zyne gódvruchtigheyd en goeder-
tierenheyd jegens zyn vólk. Hy liet maar éé-
nen zoon naa genaamd , die nóg zo jong
was, dat Eleazar broeder van den gemelden Si-
mon, in plaats van hem, het opperpriefterfchap
bediende. Aan deezen Eleazar was het dat de
Koning Ptoloméus den vólgenden brief fchreef
De Koning Ptoloméus aan Eleazar den
,, Hoogenpriefter , heyl Toen wylen de Ko-
ning myn vader in zyn ryk veele Jooden _
vondt, welke de Perfen aldaar gevangen ge-
bragt hadden, bejegende hy hen zo gunftiglyk,
dathy aan een gedeelte van hen ampten in zy-
ne heiren gaf met een groote fóldy , veele in
zyne fteden in bezettinge leyde, en hen zelfs
de wacht daaraf toebetrouwde j her welk hen
ontzaglyk by de Egiptenaaren maakte. Sederd
dat wy tót de kroon gekomen zyn, hebben wy
hen geen minder goedgunftigheyd betoond, _
inzonderheyd aan uwe burgers, en die van uwe ,,
ftad Jerufalem j want wy hebben meer dan hon- â
derd duyzend van hen in vryheyd gefteld, naa â
hetlósgeld betaald te hebben aan degénen wel- â
ker flaaven zy waaren, achtende dat wy Gode â
niets aangenaamers konnen doen tót erkente-
nifte van de weldaad welke hy ons beweezen â
heeft, door ons den fcepter van zulk een «rroot â
Koningryk ter hand te ftellen. V/y hebben ook
onder onze krygsbenden doen aanfchryven
zulke welker puderdom hen bequaam maakte â
om de wapenen te draagen j en hebben etlyke .
in dienft genomen om onzen perfoon op te
wachten, door het goed gevoelen dat v/y van
hunne getrouwheyd hebben. Maar om nóg â
klaarder te doen blyken hoedaanig onze genee-
gentheydtótdejoodenis, die de ganfche wer- â
reld door verfpreyd zyn , hebben wy beflöo- â
ten uwe wetten uyt het Hebreews in \'t Grieks â
te doen vertaaien, en die overzetting in onze â
boekzaal te zetten. Dies zult gy ons een aan- \'
genaame zaak doen, dat gy uyt elk uv/er Stam- ]]
men zes perfoonen uytkieft , die door hunne ,,
ouderdom en wysheyd zulkeen groot verftand â
van uwe wetten verkreegen hebben, dat zy be- â
quaam zyn die naauwkeuriglyk te vertaaien en â
over te fchryven , en wy twyfelen niet óf dat â
werk wel uytvallende, gelyk wy hoopen, zal â
ons een groote eere toebrengen. Om derhal- j,
ve met u over die zaak te handelen , zenden â
wy u Andréas Hoofdman onzer lyfwacht, en â
Arifteus, twee by ons zeer geachte mannen, â
mogte , en ran liet gene de werklieden door
hunne konft daartoe bygebragt hadden. Het
voor ft el van Demetrius by wyze van verzoek-
fchrift aan den Koning vertoond, luydde aldus.
,5 Demetrius aan den grooten Koning-
53
ÃJ
3)
53
53
>5
33
33
55
53
35
die u vanonzentwegealseeneerftelingvangc-,,
fchenken honderd talenten zilvers zullen bren- Z
gen, om tót ófteranden en andere gebruyken ,,
des Tempels te beezigen. Wy verwachten â
uw antwoord , het wellc ons veel vreugde zal â
geeven."
Eleazar, om dien brief op het eerbiedigft te
beantwoorden, fchreef aan den Koning in dee-
zer voege : â De Hoogepriefter Eleazar aan â
den Koning Ptoloméus, heyl. Het zal ons,,
altoos het grootfte vermaak zyn dat uwe Ko- â
ninglyke majefteyt, de Koninginne Arfinoë,,
en Uwe doorlugtige kinderen welvaren. W\'y â
hebben met behoorlyke erkenteniflè uwer ko-,,
ninglyke goedgunftigheyd den brief ontvan- â
gen welken \'t u beliefd heeft ons te fchryven 5 â
en hebbende denzelven m tegenwoordigheyd,,
van al het vólk geleezen, hebben wy metgroo- â
te blydfchap de tékenen uwer gódvruchtig- â
heyd daaruyt gezien. Wy hebben ook ont- ,,
vangen, en aan ieder een getoond, de twin- iy
tig goudene vaten, de dertig zilvere, de vyf,,
bekers, en den tafel, welke tót de ófferande â
en tengebruyke des Tempels zyn ge wyd, als-
mede de honderd talenten die ons vanuwent- â
33 wege
55
J3
55
5?
55
55
\'ri
3, weg®-door Andréas en Arifleus , welker ver-
3, dienfte hen de gunft, waarmede zy van uver-
3, eerd zyn, waardig maakt, gebragt zyn. Gy
3, moogt u , Heer Koning verzékerd houden,
3, dat\'er niets is dat wy niet zullen doen om u
â onze erkenteniftèï wegens de gunften, wel-
â ke wy van u genieten , te betuygen. Wy
3, hebben aanftonds Gode óft\'eranden geófterd
3, voor u, voor de Prinfeftè uwe zufter, voor
3, de Prinfen uwe zoonen, en voor alle perloo-
3, nen die u lief en waard zyn. Al het vólk heeft
â den Heere gebeden uwe wenfchingen te ver-
3, hooren, uw ryk in vreede te bewaaren, en te
3, maaken dat de overzetting onzer wetten aan
33 u al het genoegen geeve dat gy zoudt konnen
3, wenfchen. Wy hebben, Heer Koning, zes
3, mannen uyt ieder onzer ftammen verkooren,
3, om u die wetten te brengen ; en wy hoopen
3, van uwe goedheyd en gerechtigheyd dat als
3, gyze niet meer zult van noode hebben, het u
3, dan believen zal ons dezelve veylig wederom
â te zenden nevens hen dieze u zullen aanbie-
den. Vaartwel."
\'t Zon myns oord.eels noodeloos zyn, alhier
de naamen te melden van die [^twee enj zeven-
tig Ouderlingen, welke de wetten der Jooden
aan den Koning Ptoloméus bragten 3 alhoewel
zy allein den gemelden brief des Hoogenpriefters
genoemd zyn. Maar echter meen ik dat het
niet voegen zou met ftilzwygen voorby te gaan
de pracht cn kóftelykheyd der gefchenken, wel-
ke die Vórft Gode óftèrde, omdat men zyne
gódvruchtigheyd daaruyt bemerken kan. Hy
vergenoegde zich niet met groote kóften tót dien
eynde te doen maar hy gaf ook den werklieden
gcfchenken, opdat zy daardoor aangemoedigd
met meerder vlyt zouden arbeyden. Alhoewel
nu de draad der Hiftorië my niet verpligt daar-
van te fpreeken, echter zal ik het daarom niet
laaten; vermids zulk een ongemcene miidheyd
verdient dat\'er tékenen van onder de naakome-
hngen blyven.
Ik zal dan beginnen met dien prachtigen tafel.
Vermids de Koning begeerde dat hy dien welke
in den Tempel te Jerufalem was, waar \'t moo-
gelyk, verre zoud overtreffen, liet hy \'er de maat
van neemen, zynde van voorneemen dat hy vyf-
maal grooter zoude zyn. Maar ziende daarnaa
zo wel op het gerief als opdepracht, wierdthy
te raade, uyt vreeze dat die tafel onnut voor het
gebruyk mogt weezen, hem van dezelfde groot-
te te maaken als de andere; en alles wat hy meer
zoude gekóft hebben indien hy grooter geweeft
waare, gebruykte hy nu om hem tc vercieren en
kóftelyk te maaken : want hy was zeer verftan-
dig in allerley konften, en zo zinryk in \'t uyt-
vinden van nieuwe en raaredmgen, dathyzelfs
den werklieden het toonbeeld daarvan gaf, en
hen onderwees hoe zy \'t werk maaken moften.
De lengte diens tafels was twee elleboogen en
een halve, de breedte ééne elleboog, en de hoog-
te anderhalve : hy was van louter goud, zyne
lyft was een hand breed , en een krans daar
rondom heenen, die op de wyze van touwerk
zeer aardig gevlogten was, en in zyn driehoe-
ken tót elkander toeliep ; en fchoon de krans
driehoekig was, waaren echter de hoeken zo
3i
evcngclyk, dat hoe menze ook draaide, zy al-
toos dezelfde gedaante vertoonden. Hetgcdecl-
te der lyft, dat onder de tafel quam, was mede
zeerkonftig gefneeden; maar het bovenftewas
alles nóg cierlyker, omdat het meer voor \'t ge-
zigt bloot ftondt: en na welke kant men den ta-
fel ook draaide, hy was overal zeer fchoon.
Dit gedraaid touwerk was met kóftelyke gefteen-
ten, die op een gelyke afftand met goud beftag
daarin vaft gezét waaren, konftiglyk vercierd.
De zyden van de lyft des tafels waaren met veele
cyronde fteenen, tuffchen welke zich eenig lof-
werk vertoonde, bezét. Onder die cyronde
fteenen ging een krans verbeeldende verfchey-
denerley foort van vruchten, als druy ven, koorn-
aairen , en granaatappelen, alle gemaakt van
kóftelyke gefteenten die van dezelfde koleur met
de vruchten, en in goud gezét waaren. Onder
deeze kroon was weder eene ry van cyronde ftee-
nen, en weder een lofwerk van \'t zelfde fatfben ,
en even als de voorgaande. Voorts was de tafel
overal zo net enkonftig gewrocht, dat hoe men
hem ook zettede óf draaide, men nergens eenig
onderfcheyd befpeurde. Onder den tafel was
een gouden plaat van vier vingeren breed, zo
groot als de tafel zelf, in welke de voeten des ta-
fels met goude krammen op een gelyke afftand
aan de lyften vaft gemaakt waaren; en door dee-
ze krammen was het bovenfte en \'t onderfte zo
aan één gehecht, dat hoe men den tafel ook ftel-
de , hy van alle kanten zich eveneens vertoonde.
Boven op den tafel was een * geftingerd lofwerk * ^n \'e
verbeeld, dat met zeer kóftelyke fteenen, als^^S
metfterren, bezét was 3 zo dat men\'er een zeer dus in de
aangenaame fchittering zag van robynen,
ragden, en andere gefteenten van groote waarde.
Langs deezen kronkeligen flinger zagmenftrik
_daante van
werk, waarvan hetmiddenruytswyzegemaakt,\'vl^;
met knftal en amber op een gelyke afftand ver-
cierd, en zeer aardig bezét was. Het boven-lltck
werk van de voeten des tafels was gemaakt alsbogten.
leehën, welker bladen zich onder den tafel om-
boogen, alhoewel de ftam recht o verend ftondt.
Het onderfte gedeelte deezer voeten ruftede als
op een dyk van robynen acht vingeren breed.
Deeze voeten waaren zeer konftig uytgehou-
wen, en met klimop, en wyngaard-ranken waar«
aan de druy ven hingen, doorvlochten, en alles
zo aardig naar \'t leeven afgebeeld, als óf\'er de
wind in fpeelde, zo dat het eerder een werk der
natuure, dan van konft geleek. De geheele ta-
fel was gelyk als driedubbeld van gedaante en
de ftukken waaren zo net aan één gevoegd ^ dat
het onmoogelyk was de voegen te bekennen; en
de dikte des tafels was een halve elleboog. Al-
dus bleek uyt de kóftelykheyd der ftóffe, en de
verfcheydenheyd der cieraaden vanditprachtio-
werkftuk, dat hoewel de Koning om de voor-
verhaalde rédenen deezen tafel niet grooter had
doen maaken dan die welke in den Tempel
ftondt, hy echter niets gefpaard had om hem
kóftelyker te doen zyn.
Voorts waaren \'er twee goudene vaten als
bekers, met fchubben gefneeden, zynde van on
deren tót bov^n bezé t met eenige ryen van kófte-
lyke fteenen, van verfcheydene gedaantens, ver-
beeldende een geftingerd lofwerk, dat een elle-
M m I boog
boog hoog zynde met gefneeden werk vercierd
Een aardig netwerk dat zich tót aan den
was.
bovenrand deezer vaten uytftrekte, enmetruy-
ten van vier vingeren breed gefchakeerd was,
vermeerderde het cieraad van dit werkftuk.
In \'t midden waaren fchildekens , uyt enkelde
fteenen ter grootte van vier vingerbreed, die een
uytmuntend aanzien gaven. De boorden dee-
zer vaten waren met leehën en aildere bloemen,
en met wyngaardranken en druyftróften om-
vlochten : en elk hieldt twee groote maaten.
De zilvere fchaalen overtroffen m glans de
blinkendfte fpiegels, en men kon\'er zyn gelaat
beter in zien dan in eenen fpiegel-
Hierby voegde de Koning nóg dertig vaten,
óp welke, daar zy niet met gefteenten bezet
waaren , klimop en wyngaard-lóf gefneeden
was. Men kon deeze werken niet zonder ver-
wondering aanfchouwen , omdat de groote
vlyt en grootdaadigheyd des Konings niet
minder daartoe by gebragt had , dan de arbeyd
en weetenfchap der voortreffelykfte konftenaa-
ren. Want het wäs dien Vórft niet genoeg dac
hy geene kóften fpaarde , maar dikwils verliet
hy gewigtige zaaken om de werklieden te zien
arbeyden , en hy moedigde hen door zyne te-
genwQordigheyd zo aan, dat zy hunne poo-
gingen verdubbelden, om hem genoegen te gee-
ven. Naa dat de Hoogepriefter Eleazar deeze
kóftelyke gefchenken ontvangen had , wydde
hyze Gode toe in den Tempel uyt den naam
van dien Vórft , bewees groote eere aan de-
génen dieze gebragt hadden , en zondt hen
met gefchenken te rugge.
De Koning vraagde Andréasen Arifteus, op
hunne v/ederkomft na verfcheydene zaaken, en
had zulk een begeerte om met de afgezondenen
die met hen overgekomen waaren om de wette
vertaaien te fpreeken, dat hy tegen zyne ge-
woonte degénen te rug zondt die gekomen waa-
ren om gehoor by hem te hebben, \'t welk hy aan
zyne onderdaanen alle vyf dagen, en aan de Af-
gezanten alle maanden verleende. De Ouder-
lingen dan ingekomen zynde, booden hem de
gefchenken van den Hoogenpriefter aan , by
zich hébbende de perkamenten, op welke de
wet met goude letteren gefchreven was. De
Vórft vroeg hen [aanftonds] naar dezelve : en
naa dat zyze ontwonden hadden, verwonderde
hy zich niet minder over de fynheyd van\'t per-
kament, als over de tzamenhechting der bla-
den, die zo net was dat men\'er geen naaden
aan befpeuren kon. Naa dat hy alles genoeg
bekeeken had, zeyde hy, dat hy hen bedankte
voor hunne komfte, dat hy nóg meer dankbaar
was aan den genen die hen gezonden had, dóch
allermeeft aan Gode wiens wetten zy hem ge-
bragt hadden. De Afgezondenen wenfchten
hem alle eenpaarig voorfpoed, met betuyginge
van toegeneegenheyd, waardoor hy zo bewoo-
gen wierdt dat hy zyne traanen niet weêrhouden
kon -y want traanen zyn zo wel tékenen van groo-
te blydfchap als van droefheyd. Thans beval
hy die boeken in handen der gener te flellen
die\'er de bewaaring van hebben zouden, omhels-
de alle de Afgezondenen, en zeyde tót hen dat
het billyk was, nu hy tót hen wegens de oor-
zaak hunner reyze gefprooken had, ook wegens
\'t gene hen zelven betrof te fpreeken. Dat hy
derhalve, om te betoonen hoe aangenaam hun-
ne komft hem was, zo lang hy leefde de ge-
dachtenis van dien dag vieren wilde, die juyft
dezelfde was op welken hy eene overwinning
ter zee op Antigonus bevochten had. Hy deed
hen ook de eere van hen aan zynen tafel te gaft
te nooden, en beval dat men hen goede huys-
vefting geeven zoude dicht aan het Hóf M-
kamr, die laft had om de vreemdehngen te ont-
vangen, beval aan 1>orothéus , die geftelt was
om dezelye te bezorgen , deezen mannen all\'
wat hen tót voedzel noodig wasi te befchikken-,
waarontrent de Koning gewilt had : dat om de
vreem-
vreemdelingen te beter te onthaalen, de fteden
dat gene \'t welk hen beft ftnaakte zouden be-
fthikken, en dat men \'t op hunne landswyze
toemaaken zoude; omdathy wel wift dat hoe
treftelyk de fpyzen ook waaren, menze echter
niet goed keurt, als zy niet op een behaagelyke
wyze, en gelyk men gewoon is, toebereyd zyn.
Dewyl nu Dorothéus de zórg aanbevolen was,
deed hy uyt laft des Konings twee ryen banken
maaken, waarop zy in de maaltyd by den Ko-
ning zitten zouden, de helft aan zyne rechter,
en de andere helft aan zyne flinker hand; v/ant
de Vórft wilde niets achterwege laaten om hen
eere aan te doen; en hy belaftte Dorothéus hen
vólgens hunne landswyze te dienen. De Egip-
tifche Priefters, di® gewoon waaren by de maal-
tyd des Konings het gebéd te doen, deeden \'t
nu niet; maar de Vórft beval éénen der
afgezondenen, die ook een Priefter was, het te
doen. Dies ftondt hy op , en badt Gód voor
den welftand des Konings en zyner onderdaa-
nen . Alle die \'er tegen woordig waaren j uych-
ten hierop van blydfchap, waarnaa elk zich ter
tafel voegde. Onder de maaltyd ftelde de Ko-
ning, als hy zo lang als \'t hembetamelykdagt,
gezweegen had, aan de Afgezanten eenige na-
tuurkundige vraagen voor ; en was zo voldaan
over hun antwoord, dat hy hen twaalf dagen
lang aldus onthaalde. Zo iemand een byzonder
bericht van \'t voorgevallene en overwogene op
die maaltyden mogt begeeren, die behoeft maar
naa te zien\'tgene Arifteus deswege gefchreeven
heeft. Maar de Koning was \'t niet alleen die
zich over hunne antwoorden verwonderde : De
Filofoof Menedemus wierd\'er ook door bewoo-
gen te erkennen dat alles door de Voorzienig-
heyd beftierd wordt, en datze hem rédenen ver-
fchaften waardoor hy \'t ten vollen geloofde.
De Koning zeyde ook dat hy zo veel nuts uyt
hunne gefprekken getrokken had, dat hy \'er door
had geleerd hoedaanig hy zich moft draagen om
zyn ryk wel te regeeren; voorts deed hy aan ie-
der drie talenten geeven, en beval dat men hen
na de wooningen, welke hy voor hen had laaten
vervaerdigen, brengen zoude. Drie dagen daar-
naa bragt Demetrius hen langs eenen beftraate
weg van zeven ftadiën lang, en over de brug die
*t eyland aan \'t vafte land hecht, in een huys,
gelegen aan den oever der zee aan denoordzy-
zyde, zo verre van \'t geraas afgefcheyden, dat
niets hen in eenen arbeyd die naadenkinge ver-
eyfchte 3 aldaar ftooren kon : en hy verzócht hen
dat dewyl zy daar ter plaatfe afles hadden watzy
konden begeeren, zy van dat groot werk, om
\'t welk zy gekomen waaren, een begin zouden
maaken Zy deeden zulks met alle bedenkely-
ken yver en vlyt, opdat hunne overzetting net
en naauwkeurig mogt weezen : en zy waaren ge-
flaadig beezig tót aan de negende uure, wan-
neer men hen fpyZe bragt; en hoewel men hen
wel verzórgde, echter het Dorothéus met naa,
vólgens zynen laft, hen van de fpyzen aan te
bieden die voor des Konings tafel bereyd waaren.
Alle mórgens gingen zy na\'tHófom dien Vórft
te begroeten, en begaven zich dan, naa alvoo-
rens hunne handen in \'t zeewater gcwaftchen
en zich gereinigd te hebben, aan \'f werk.
^ Wanneer nu de overfchryving en vertaaling
der wet, in twêënzeventig dagen , ten eynde
gebragt was, deed Demetrius alle de Jooden
tzamenkomen, en las hen deeze overzetting in
tegenwoordigheyd der twêënzeventig overzette-
ren voor : zy keurdenze goed, preezenDeme-
trms op wiens aanraaden dit nuttelyk werk on-
dernomen was, en verzóchten hem dat hunne
Overften het ook mogten leezen. De Priefter E-
liféus, deoudftederOverzetteren, ende Over-
ften des vólks begeerden toen, dat dewyl dit
werk zo gelukkiglyk volbragt was, het niet toe-
gelaaten mogt zyn iets daarin te veranderen»
Dit wierdt goed gekeurd, mids dat het, eer zulks
tót eene wet gemaakt wierde , zoude vryftaan
om tc zien óf\'er ook iets moft bygevoegd ófafge-
nomen worden ; ten eynde het zórgvuldiglyk
naagezien zynde,naderhand onveranderd blêve.
De Koning zag met groot genoegen dat zyn
toeleg zo wel tót nut en voordeel van \'tgemeen
uytgevallen was , maar zyne blydfchap was
nóg grooter toen hem die wetten voorgeleezen
wierden: hy kon zich niet genoeg verwonderen
over de wysheyddes Wetgeevers; en eens wan-
neer hy met Demetrius in gefprék was , vraag-
. de hy hem hoe \'t weezen kon dat geen Hiftori-
fchryver nóch Poëet iets van die uytmuntende
wetten gemeld had. Demetrius antwoordde,
dat dewyl ze ganfch gódlyk waaren, niemand
zulks had durven beftaan: Dat\'er ook eenige ge-
ftraft waaren die \'er iets^van hadden willen mel-
den; Dat Theopompus van voorneemen zynde
iet daarvan in zyne Hiftori in te voegen , zin-
neloos was geworden geduurende den tyd van
dertig dagen; dóch dat hy by tufl;chenpoozen
en in eenen droom, bemerkt hebbende dat hem
zulks overgekomen was omdat hy gódlyke zaa-
ken had willen doarfnuftèlen , en aan onheyli-
ge menfchen kennis daaraf geeven , Góds
gramfchap door zyne gebe4enftftde, en weder
by zyne zinnen quam. Dat de Toneeldichter
Theodektes hebbende in zéker ipel iets gemengd
dat hy uyt de heylige boeken had getrokken,
zyn gezigt verlooren, en het niet wedergekree-
gen had, voor dat hy zyne misdaad bekennen-
de , Gód om vergiflenis had gebeden.
Toen de Koning deeze boeken uyt handen
van Demetrius ontvangen had, badt hyze aan,
en beval dat menze zórgvuldiglyk bewaaren,
en niets daarin veranderen zoude. Vervólo-ens
zeyde hy tót de vertaalers , dat dewyl \'t^iet
meer als billyk was dat hy hen weder na hun va-
derland liet keeren , hy hen verzócht dikwils
weder te komen om hem te bezoeken ; en dat
hy hen zo wel onthaalen en begiftigen zoude,
dat zy zich hunner reyze niet zouden hoeven
te beklaagen. Naa dus beleefdely k met hen ge-
fprooken te hebben, zondt hy hen met gefchen-
ken te rugge, geevende aan elk driederley heer-
lyke kleedingen, twee talenten gouds , eenen
beker van een talent, nevens een fchoon eetbed
Ook zondt hy den Hoogenpriefter Eleazar tien
bedfteeden en haar toebehooren , met zilvere
:ïtf
f
voeten, een drinkvat van dertig talenten , tien
purpere tabberden, een cierlyke kroon, honderd
ftukken fjrn lynwaad, verfcheydene drinkvaten,
wierookvaten , en twee goudene bekers , om
M m
3
Gode
Gode toe te wyen : en hy verzócht hem in den
brief dien hy aan hem fchreef, die Afgezonde-
nen te vergunnen dat zy hem zo menigmaal
quamen bezoeken als zy begeerden , vermids
*t hem een groot vermaak was met hen te Ipree-
ken , ter oorzaake van hun groot verftand en
wysheyd j en dat hy hen blyken zyner mild-
heyd zoude geeven. Uyt dit voorverhaalde
kan men oordeelen hoedaanig Ptoiomeus Phi-
ladelphus Koning van Egipte de Jooden be-
jegende.
III. HOOFDSTUK.
Gunften <3oor dc Jooden van dc Koningen van Afi® ontvangen.
Anaochus de Groote gaat een verbond aan met P.olomeus Koning
van Egipte , cn geefr hem Kleopatre ,zyne dochter ten huuwelyk ,
nevens verfcheydene Landfehappen , waaronder ook Judea was.
Onias de Hoogepriefter vertoornt den Konmg van Eg.pte door
2pc weygering van de fchatting te betaalen wclkc hy hem fchul-
dig was.
45*5\' Ti^ Koningen van Afië beweezen den Joo-
den ook veele eere om de blyken die zy
hen in den oorlóg van hunne getrouwheyd en
kloekmoedigheyd gaven. Seleukus bygenaamd
rHif b?\' * gaf hen het burgerrecnt evenals aan de
ter^L"^^- Macedoniërs en Grieken , in alle fteden welke
hy in Afië en in neder Syrië bouwde , en
zelfs in Antiochiëde hoofdftad daarvan. Zy ge-
nieten dit recht nóg hedendaags , want dewyl
zy geen oli van vreemden willen gebruyken,
zyn^die welke \\ bewind hebben , gehouden in
plaats van de uytgedeelde olie hen zékere fomme
gelds tót de waarde dier ohe te geeven. De in-
wooners van Antiochië poogden geduurendeden
iaaril:en oorlóg die gewoonte afte fchaften, maar
Mucianus Landvoogd van Syrië belette zulks.
Ook nebben de inwooners, midsgaders die van
Alexandrië van de Keyzers Veipafianus en Ti-
tus nier konnen verwerven datzy hen van \'t bur-
gerrecht beroofden : waarin de Romeynen, en
inzonderheyd die twee Vórften hunne billyk-
heyd en edelmoedigheyd betoond hebben. De
moeijelykheyd der oorlogen welke zy tegen ons
hebben gevoerd, en het verdriet wegens onzen
opftand 5 hebben hen niet konnen doen befluy-
ten onze voorrechten te befnoeijen. In plaats
van zich door gramfchap, en op \'t aandringen
van twee zulke magtige vólken, als die van
Antiochië en Alexandrië , te laaten vervoeren,
hebben zy meer acht geflagen op de oude
verdienften onzer landaard , dan op de belee-
digingen , die zy \'er van ontvangen hebben,
en op den dank dien onze vyanden \'t hen
zouden geweeten hebben dat zy ons quaalyk
handelden: en zy hebben \'er deeze deftige réden
van gegeeven , dat die van ons welke de wape-
nen tegen de Romeynen hebben opgenomen,
genoeg daarvoor in den oorlóg zyn geftraft
geweeft j en dat ten opzigte der gener die hen
niet beleedigd hadden , het niet billyk waare
hen van hunne voorrechten te berooven.
\'t Is ook bekend dat Markus Agrippa zich niet
minder befcheyden jegens dejooden gedraagen
heeft 3 toen de loniërs hem aandrongen om hen
van \'t burgerrecht , waarmede zy begunftigd
waaren door Antiochus zoonszoon van Seleu-
kus 5 die by den Grieken een Gód genoemd
wordt 5 te berooven j óf zo ze eveneens als zy
wilden gehandeld zyn, datze dan dezelfde goden
tor.
zouden moeten aanbidden : Want naa dat het in .
overleg genomen was , wierdt de zaak van de
Jooden, die Nikolaas van Damaskus tót voor-
fpraak hadden, gewonnen, en hen toegelaaten
vólgens hunne wetten en gewoonten te leeven >
vermids die Vórft uytfpraak deed dat het hem
niet vryftond daar ontrent eenige nieuwigheyd
in te voeren. Byaldien iemand nieuwsgierig is
om duydelyker te weeten hoe die zaak zich toe-
gedraagen heeft, die behoeft maar het honderd
drieenvierentwintigfte bock van dien Nikolaas
te leezcn. \'tis waar men behoeft zich juyft
niet te verwonderen over\'t oordeel dat Agrippa
toen uytfprak, dewyl wy toen de wapenen te-
gen de Romeynen nóg niet opgenomen hadden.
Maar men kan zich over de grootmoedigheyd
van Vefpafianus en Titus niet genoeg verwon-
deren , die naa zo veel moeite en gevaar in den
oorlóg tegen ons uytgeftaan te hebben, in fteê
van tót wraakzucht te neygen, zich zo gemaa-
tigd en befcheyden jegens ons hebben gedraa-
gen. Dóch *t wordt tydt dat wy den draad on-
zer reede hervatten.
Ten tyde dar Antiochus de Groote in Afië re- 45(?.
geerde , en Ttoloméus Eupator * Koning van * Anders
Egipte en zynen zoon Epiphanes beöorlógde,pJ^j^^^;;
\'t zy dat hy overwinnaar óf overwonnen was, ve altoos
wierden Judéa en Coele-Syrië fteeds zeer ge-\'^^^^\'J
drukt, en als een fchip door de baaren, onder
de voor- en tegenfpoed van Antiochus gefóld.
Maar Antiochus eyndelyk overwinnaar gewor-
den zynde > bragt Judéa onder. Naa den dood
van Ptoloméus Philopator, zondt hy zyn zoon
Ttoloméusbygenaamd Epiphanes, een groot
heir na Coelc-Syrië onder\'t geleyde van Skopas^
dic veele fteden veroverde, en ons vólk onder
de gehoorzaamheyd van dien Vórfl bragt. Ee-
nigen tyd daarnaa overwon Antiochus Skopas
in eenen grooten veldflag by de oirfprongen van
den Jordaan, en herwon Coele-Syrië en Samarië.
Hierop gaven dejooden zich gewillig aan hem
over, ontvingen zyn heir in hunne ftad, on-
derhielden zyne ohfanten, cn quamen zyne ben-
den te hulpe, die de bezetting beftreeden welke
Skopas in eene vefting vanjerufalem gclaaten
had. Antiochus om hen voor die geneegenheyd
te beloonen, fchrcef aan zyne Veldoverften en
aan zyne vertrouwdfte dienaaren die\'er kennis
van hadden, dat hy beflooten had hen te begun-
ftigen. Ik zal een affchrift van zynen brief gee-
ven, naa alvoorens gezegd te hebben hoe Poly-
bius Megalopolitanus in \'t zeftiende boek zyner
Hiftorie daaraf fpreekt: Skopas^ zegthy. Veld-
overÃe van Ptoloméus quam in den winter in het
hooge land, en bragt 4e Jooden onder. En wat
laager verhaalt hy : "Dat toen Antiochus Skopas
overwonnen had ^ hy defleden Samarië y Gadara^
Bathanea, en Abila bemagtigde ; en dat aanftonds
de Jooden , woonende te Jerufalem , alwaar de
»vermaarde Tempel is â > ^y^^ ^jdr kooztn : van
\'t welk , voornaamelyk den Tempel^ueel ^^g,
gen zynde , Ãeldt hy zulks tót gelegener tyd uyt.
Aldus fpreekt die Hiftorifchryver : en de brief
van Antiochus ("aa welken ik onze Hiftorie
vervólgen zal) luydt aldus.
â De Koning Antiochus aan Ptoloméus,
heyl Nademaal dejooden ons zo veel ge-
55
35
55
nee-
3} neegenheyd betoond hebben, datzy, zodra
â wy m hun land zyn gekomen, ons met de
3, voornaamfte onder hen te gemoet getreeden
3, zyn; dat zy ons met alle eere in hunne fteden
5, ontvangen hebben > dat zy onze krygsben-
3, den en ohfanten met onderhoud hebben ver-
3, zórgd , en zich by ons vervoegd tegen de
â Egiptift:he bezetting in de fterkte van Jerufa-
3, lem : zo achten wy dat het de phgt onzer
3, goedertierenheyd is, onze erkentelykheyd
3, daarvoor te toonen. Om hen dan een middel
33 te geeven tót be vólkinge hunner ftad, die door
3, zo veele rampen woeft en verlaaten gewor-
33 den is , en om haare voorige inwooners, die
3, in verft:heydene plaatfen verftrooid zyn, we-
der te doen komen , beveelen wy dit vólgen-
de : Eerftelyk dat men tót bevórderinge van
de Gódsdienft en gódvruchtigheyd , hen
33 twintigduyzend zilverlingen geeven zal, om
33 ófterbeeften , wyn , oli, en wierook voor
33 te koopen : veertienhonderd zeftig maaten
tarwe om meelbloem van te maaken, en drie-
honderd vyfenzeventig maaten zouts. Ook
willen wy dat men hen alles wat noodig is
voor de deuren, óf eenige andere verbétering
van den Tempel, befchikke ; en dat het
hout het welk men tót dien eynde uyt Judéa,
3, de nabuurige landen , en van den berg Liba-
33 non zal haaien 3 tól vry zal zyn 3 zo wel als alle
33 andere bouwftóften, welke men tót het her-
33 maaken van den Tempel zou moogen van
3, noode hebben. Ook laaten wy den Jooden
33 toe vólgens hunne wetten en gewoonten te
3, leeven : en ontftaan hunne Regeerders, Prie-
3, fters, Schryvers, en Zangers van het opge-
3, ftelde hoofdgeld, van het gefchenk dat men
3, gewoon is den Koning tót een goudene kroon
3, aan te bieden, en van andere fchattingen. En
3, ten eynde de ftad Jerufalem te eer bevólkt wor-
3, de, bevryden wy van fchattingen voor den
3, tyd van drie jaaren alle die\'er tegenwoordig
3, woonen, en die\'er in de maand van Hyper-
5, bereteus met der woon zullen wederkeeren j en
â uyt inzigt van de fchaade die zy geleeden heb-
,, ben, fchelden wy hen voor\'t toekomende een
3, derde deel van allede fchattingen quyt. Daar-
3, enboven begeeren wy dat alle gevangene bur-
3, gers die als flaaven gehouden zyn, vrygclaa-
3, ten en in hunne goederen herfteld worden."
Deeze Vórft vergenoegde zich niet met al-
dus gefchreeven te hebben, maar om zyne eer^
bicdigheyd jegens den Tempel te betoonen,
gaf hy een bevél uyt, behelzende dat het gee-
nen vreemdeling zoude toegelaaten zyn binnen
den Voorhófdes Tempels tc gaan, nóch dat het
ook geenen Joode, die niet vólgens hunne wet
gereynigd was, vryftaan zoude. Dat men niet
zou moogen in de ftad brengen eenig vleefch
van een paerd, muyl j wilden óf tammen ezel 3
panther , vós , haas, óf eenig ander onreyn
dier dat den Jooden verbooden is te eeten: ja
dat men zelfs hunne huyden óf vellen daar niet
zou moogen brengen , noch \'er eenige ande-
re dieren voeden dan alleenlyk zulke welke hun-
ne voorouders gewoon waaren te ófferen s op
verbeurte van drieduyzend drachmen zilvers,
ten behoeve der PrieftereUd
33
33
33
33
m
Ook gaf dien Vórft ons iióg een ander groot
blyk van zyne toegeneegenheyd en vertrouwen:
want verftaan hebbende dat\'er in, Frygië en Ly-
dië eenige opftand was, fchreef hy aan Zeuxü,
die zyn heir in de hooge landen geboodt, en
zyn bemindfte Veldheer was, dathy na Frygië
eenige der Jooden die te Babilon woonden,
zenden zoude: en zyn brief hiyddc aldus: â De
Koning Antiochus aan vader Zeuxis * heyl.,, Of
Het zal ons lief zyn dat gy welvarende zyt, â vadS\'
ons aangaande wy varen wel. Alzoo wy ver- â Grkks\'
ftaan hebben dat etlyke in Frygië en Eydië â
eenige beroerten beginnen tc verwekken, heb- _
ben wy geoordeeld dat dit eene zaak is waarin â
wy moeten voorzien : en naa dezelve in on-, ^
zen Raad overwoogen te hebben. Vinden wy
geraaden, in de plaatfen welke men \'t be-
quaamft zal achten, bezettingen te leggen van
tweeduyzend Joodfche huysgezinnen die in â
Mefopotamië cn Babilon Woonen , omdat,,
hunne gódvruchtigheyd, en de blyken welke
de Koningen onze voorzaaten van hunne ge-
neegenheyd en getrouwheyd hebben ontvan-
gen, ons réden geeven te gelooven datzy ons â
wel zullen dienen. Derhalve willen wy, dat â
gy, onaangezien alle zwaarigheden 5 hen der-
waards zult doen trekken ; dat zy daar vól- â
gens hunne wetten zullen leeven, dat men hen â
plaatfen om te betimmeren, en landen om te
bezaaijen cn met wyngaarden te beplanten,
Zal geeven, zonder dat zyin tien jaaren ge-
houden zullen zyn iets te betaalen van de
vruchten die zy inzamelen. Wy willen ook
dat gy hen met koorn verzórgt, dat zy noo-
dig zullen hebben ter tyd toe dat zy zelve
vruchten van hunnen arbeyd zullen hebben ge-
maaid : ten eynde zy zo veele blyken onzer â
goedgunftigheyd ontvangen hebbende , ons 3^
nóg te beter moogen dienen. Voorts bevee- â
len wy u goede zórg voor hen te draagen, op-, j
dat niemand de ftoutheyd hebbe, hen ceni- ,3
gen overlaft aan te doen."
Dit is genoeg om tC toonen hoedaanig een
geneegenheyd Antiochus de Groote den Jooden
toedroeg. Deeze Vórft vermaagichapte zich
met Ptoloméus KoningvanEgipte, en gaf hem
Kleopatre zyne dóchter ten huuwelyk ^ Cn tót
haare huuwelyks gifte Coele-Syrië , Fenicië,
Judéa, en Samarië: ook deelden zy onderling
de fchattingen; welke door de Grooten van elk
Land gepagt wierden, voor zekere fomme, die
ze aan de tWee Koningen opbragten.
Ter zelfder tyd deeden de Samaritaanen, dié
toen zeer magtig waaren, den Jooden groot
quaad, zo met langs\'t land te ftroopen, als door
\' t gevangen neemen van vcCle perfoonen : voor-
naamelyk deeden zy dit onder\'t Hoogepriefter-
fchap van öméS^. Dees had naa Manafles, de
oom en öpvólgervan Eleazar dit ampt bekomen.
Hy was de zoon van Simon den Rcgtvaerdigen,
welke, als gezegd is, de broeder was van Elea-
zar. Onias was een menfch van kleyn verftand
en zo gierig dat hy de fchatting van twintig ta«
lenten zilvers, welke zyne Voorzaaten gewoon
waaren aan den Koning van Egipte op te bren-
gen j niet betaalen wilde. Ttoloméus toege-
naamd ÃmrgeUs^^ vader van Philopator, was
hier»
Ta7F»Tfit
33
33
Si
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
457.
458-
hierover zo vertoornd, dat h.j Athenion zynen
gunfteUng na Jerufalem zondt j om hem te drey-
gen dat hy \'c iand aan zyn icrygsvóik ten roof
zoude geeven, indien hy hem niet voldeed : en
hy was de eenigfte der Jooden die\'er zich niet
door het verfchrikken, zo ongevoelig had de
liefde tót het geld hem gemaakt.
IV. HOOFDSTUK.
Jofephus neef van den Hoogeprieftef Onias vetwerft van Ptolomeus
Koning van Egipte, vergiffenis vOot zynen oom , komt by dien
Vórft in gunfte, en geraakt tót ftaat. Hyrkanus zoon v^ Jofe-
phus komt desgelyks by Ptolomeus in aanzien. Jofephus fterft.
"WOfephrn zoon van Tobias en de zufter van O-
J nias, die hoewel jong, zo wys en deugdzaam
was, dat elk hem te Jerufalem eerde, hebben-
de van zyne moeder in zyn geboortevlek, ge-
noemd Phichola, daar hy toen was , verftaan,
dat\'er een man van wege den Koning in de ftad
gekomen was om de oorzaak hier voore gemeld,
ging terftond na zynen oom Onias, en zeyde
hem : â Dat het vreemd was, dat hy door het
j, vólk tót het Opperpriefterampt verheven zyn-
â de, zich zo weynig aan\'t gemeene beft liet ge-
5, legen weezen, dat hy niet fchroomde alle zyiie
â medeburgers eerder in groot gevaar te bren-
â gen, dan te betaalen\'t gene hy fchuldig was :
,, Dat indien zyne baatzucht zo groot was, dat
â ze hem \'t belang zyns vaderlands deed ver-
â achten, hy ten minften na den Koning had
5, moeten gaan om quy tfchelding van het geheel,
â óf van een gedeelte der fomme welke hy niet
â betaald had, te verzoeken." Onias antwoord-
de hem, âdat hy zich zo weynig wegens \'t Hoo-
â priefterfchap bekommerde dat hy \'t liever wil-
5, de afftaan, dan zich na den Koning begeeven."
Jofephus verzócht hem dan te willen toelaaten,
dat hy\'er na toeging uyt den naam der mwoon-
deren van Jerufalem : en dewyl hy zulks met
weynig moeite verwierf, deed hy al het vólk in
den Tempel byeenkomen, en ftelde hen voor
dat het verzuym zyns ooms hen niet in zulk een
zwaare vreeze behoorde te ftórten, dewyl hy zich
aanboodt om na den Koning te gaan, en hem
hunnentwege voor te ftellen dat zy niets gedaan
hadden \'t welk hem mishaagen konde. Het vólk
bedankte hem voor deeze aanbieding, en Jofe-
phus ging daarop na des Konings Gezant, bragt
lem in zyn huys, onthaalde hem eenige dagen
zeer wel, gaf hem fraaije gefchenken, en zeyde
dat hy hem haaft na Egipte meende te vólgen.
Alle deeze beleefdheden gevoegd by de openhar-
tigheyd en andere braave hoedaanigheden van
Jolèphus, bekoorden Athenion dermaate, dat
hy hem zelf die reyze aanriedt, en hem beloof-
de zulk een goeden dienft te doen, dathy buy-
ten twyfel alles wat hy begeerde van den Ko-
ning verwerven zoude. Toen de Gezant we-
der by den Koning in Egipte gekomen was,
laakte hy de ondankbaarheyd van Onias zeer,
maar Jofephus prees hy ten hoogften, en zey-
de dat hy zelf haaft by den Koning zoude ko-
men, om van wegen zyn vólk, als deflelfs voor-
fpraak, verontfchuldiging te verzoeken. En
deeze Gezant deed Jofephus zulken goeden
dienft, dat de Koning en Koningin Kleopatre
zyne gemaalin, hem toegedaan wierden aleer
zy hem nog gezien hadden. Jofephus midde-
lerwyl leende van zyne vrinden te Samarië geld,
befteedde twintigduyzend drachmen om zich
uyt te ruften , en vertrok toen na Alexandrië.
Onderwege ontmoette hy de voornaamften uyt
de fteden van Syrië en Fenicië, die na den Koning
gingen om met hem te handelen over den pa<7t
der fchattingen welke die Vórft jaarlyks aan de
rykften onder hen voor zekere zomme gaf Zy
befpótteden den armelyken ftaat van Jofephus j
welke te Alexandrië gekomen zynde en daar ver-
ftaande, dat de Koning van Memfis te rug quam,
zo ging hy den Vórft te gemoet, welke nevens
de Koningin op zynen wagen gezeten was, heb-
bende Athenion by zich , die Jofephus niet zo
dra gezien had , óf tót den Koning zeyde dat
deeze de Jood was van wien hy hem zo veel goeds
gezegd had. De Koning groette hem , beval
hem op zynen wagen te khmmen , en deed zyn
beklag over Onias. Jofephus antwoordde dat
de Vórft den ouderdom zyns ooms een weynisr
geliefde te verfchoonen, naardien de oude ïiS-
den niet veel van kinderen verfcheelden : maar
dat hy en alle de andere die nóg jong waaren
nooit iets zouden doen dat hem zou konnen mis-
haagen. Dit voorzigtig antwoord vermxerder-
de de geneegenheyd welke de Koning reeds je-
gens hem had , en hy beval hem in zyn Hóf
huysveftmge te neemen, en aan zvnen tafel te
komen eeten : terwyl de Syriërs door geen kley-
nen fpyt getroffen wierden, als ze by de aankomft
van den Vórfi te Alexandrië Jofephus nevens
hem op den waagen zagen zitten.
De dag van de verpachting der tól gekomen
zynde, quamen die van Góelo-Syrië, Fenicië,
Judéa, en Samarië tót een bód van achtduyzend
talenten : hierop verweet Jofephus hen dat zy
malkanderen verftonden , om zo weynig te gee-
ven , en hy boodt tweemaal zo veel, willende
daarenboven aan den Koning laaten het voor-
deel van de verbeurde goederen der gener die ver-
weezen zouden worden , \'t welk de andere aan
zich wilden trekken De Koning zag met groot
genoegen dat Jofephus aldus zyne inkomfteS ver-
meerderde , maar hy vraagde hem wat bórgen hy
ftellen zoude: Jofephus antwoordde dathy hem
zulke zoude geeven die zeer goed waaren , en
welke hy niet zou konnen afftaan. Ptoloméus
hierop beveelende dat hyze hem noemen zou-
de, zeyde hy: â Myne bórgen. Heer Koning,
zult gy en uwe gemaalin zyn, die beyde voor â
my zult believen m te ftaan." De Vórft grim-
lachgende , wees hem de pagt der tóllen toe,
zonder bórg daarvoor te neemen , en dus
moeften die voornaamfte ingezétenen der fteden
befchaamd weder na hun land keeren.
Jofephus nam toen tweeduyzend van \'s Ko-
nings krygslieden , om zodaanige die weyge-
ren zouden fchatting te betaalen , daartoe te
dwingen, en naa dat hy te Alexandrië vyfhon-
derd talenten van \'s Konings vrinden geleend
had, trok hy na Syrië. De inwooners van Af-
kalon waaren de eerfte die zyne bevélen ver-
achteden : want zy wilden niet alleenlyk niet
betaalen maar bejegenden hem daarenboven
met fcheldwoorden. Dóch hy deed terftond
twintig der voornaamfte gevangen neemen , en
met de dood ftraffen 5 waarnaa hy aan den Ko-
ning
ning bverfchreef wat hy gedaan had , en hem
duyzend talenten, die uyt hunne verbeurde
goederen gekomen waaren , toezondt. De
Vórft nam zulk een goed genoegen in zyn wys
beleyd, dat hy hem ten hoogften daarover prees,
en \'t geheellyk aan hem ftelde om in het toe-
komende te doen zo als hy \'t zelf goed von-
de. De ftrafte der Afkaloniten baarde zulken
fchrik in de andere fteden van Syrië, dat zy
hunne poorten open zetteden, en de fchatting
zonder eenige tegenftribbeling betaalden. Dóch
de inwooners van Scythopohs weygerden zulks,
en hoonden Jofephus ook : maar hy handel-
de hen eveneens gelyk hy de Afkaloniten ge-
daan had, en zondt den Koning het geld toe
dat uyt de verbeurdmaaking hunner goederen
gekomen was. Terwyl hy aldus des Konings
fchat vermeerderde, haalde hy voor zichzel-
ven ook groot voordeel daaruyt, en dewyl hy
zeer verftandig was , oordeelde hy dat hy zich
daaraf bedienen moft om zyn aanzien te ftyven:
hierom vergenoegde hy zich niet met den Vórft
voldoening te geeven, maar hy zondt ook groo-
te gefchenken aan zyne begunftigden en voor-
naamfte hóvelingen.
Aldus leefde J ofephus twêentwintig jaaren in
groote voorfpoed, en kreeg zeven zoonen by
ééne huysvrouw, en eenen achtften genaamd
Hyrkanm by eene andere die dóchter van zynen
broeder Solymusw^s, en welke hy by deeze ge-
legenheyd ten wyve genomen had. \'t. Gebeur-
de eens dat hy na Alexandrië gegaan was met
Solymus, die zyne dóchter medegenomen had
omze aan eenig voornaam perfoon onder zyne
landsgenooten uyt te huuwelyken : terwyl\'nu
Jofephus met den Koning het avondmaal hieldt,
danfte zékere fchoone dóchter met zulk een
bevalligheyd voor dien Vorft , dat Jofephus
\'er op verliefde. Hy openbaarde \'t zelve aan
zynen broeder, en verzócht hem dat dewyl
hunne wet hem niet toeliet haar ten wyve te
neemen, hy het zo wilde bewerken , dat hy
naar als zyne minnarés genieten mogte. Soly-
mus beloofde hem zulks; maar in plaatfe van
zyn woord naa te komen, deed hy zyne dóch-
ter kóftelyk opgetooid dien avond in zyn bedde
^^ggen. Jofephus, die dien dag goede cierge-
maakt had, wierdt het bedróg niet gewaar j maar
zyne liefde nam zo toe, dathy tót zynen broe-
der zeyde , dat hy niet konnende zyne drift
overwinnen , vreefde dat de Koning hem die
dóchter niet zoude wftlen geeven. Solymus
antwoordde dat hy zich daarover niet behoef-
de te bekommeren , dewyl hy onbefchroomd
zyne luft mogt boeten , en met haar trouwen.
Thans verhaalde hy hem wie zy was, en hoe
hy liever gewild had dat zyner dóchter die on-
eere aangedaan wierde , dan toe te laaten dat
zynen broeder zulk een fchande overquame. Jo-
fephus bedankte hem voor zyne geneegenheyd,
en nam zyne dóchter ten wyve, teelende by
haar Hyrkanus, van wien wy. reeds gefproo-
ken ..hebben. Deez gaf in den ouderdom van
dertien jaaren zulke blyken van verftand en
wysheyd , dat hy zyne broederen verre over-
- trof; maar zyne uytmuntende hoedaanigheden
verwekten hem, in plaats van liefde, niet dan
hunnen haat en afgunft. Jofephus mmiddels
willende zien wie van de kinderen uyt zyn
eerfte huuwelyk de bequaamfte wkaren, deed
hen alle zórgvuldiglyk door de vermaardfte
Leermeefters onderwyzen; maar zy waaren zó
traag en dom, dat ze al zo ongeleerd weer
f huys quamen als zy heene gegaan waaren.
Daarnaa zondt hy Hyrkanus , die de joncrfte
van allen was, met driehonderd paar óflèn
twee dagreyzens verre in de woeftyne, om \'t
land aldaar te doen omploegen en bezaaijen,
dóch deed de trekzeelen, waarmeê de óflên
voor den ploeg gefpannen wierden , heyme-
lyk wegneemen. Hyrkanus dan ter aangewee-
zene plaatfe gekomen zynde, wierdt geraaden
iemand na zynen vader te zenden om trekzee-
len te haaien i maar hy geenen tyd verliezen
willende, bedacht een middel \'t welk het ver-
ftand zyner jaaren te boven ging : want hy
deed tien yan die óflèn flagten, gaft vleefch
aan zyn vólk te eeten , en gebruykte de huy-
den om \'er trekzeelen van te maaken. Aldus
deed hy het land beploegen en bezaaijen ; en
wierdt te rugge komende van zynen vader
omhelsd , en zeer daarom gepreezen. Ook
vermeerderde dit blyk van zyn overleg en ver-
ftand des vaders geneegenheyd, zo dat hy hem
federd zo beminde, gelyk als óf hy geene an-
dere kinderen behalve hem hadde : maar daar-
entegen nam de fpyt en afgunft van Hyrkanus
broederen fteeds toe. c
Ondertuflchen quam\'er tyding dat den Ko-
ning Ptoloméus een zoon gebooren was, waar-
over men door geheel Syrië groote vreugde tCr
kenen betoonde; en de voornaamfte van\'tland
gingen met grooten ftoet na Alexandrië om
den Vórft geluk te wenfchen. Dóch Jofephus
was wegens zynen hoogen ouderdom genood-
zaakt t\'huys te blyven , en vraagde daarom
aan de kinderen van zyn eerfte bedde ófzy die
reyze wilden doen. Maar zy antwoordden van
neen, omdat ze niet wiften hoe men ten Hove
moft leeven, en op wat wyze men met Konin-
gen omgaan moft : dóch dat hy hunnen jong-
ften broeder Hyrkanus wel derwaards zenden
konde. Jofephus was niet t\'onvrëede over dit
antwoord ^ en vraagde aan Hyrkanus óf hy ge-
willig was die reyze te onderneemen. Hy ant-
woordde ja, en dat tienduyzend drachmen hem
genoeg zouden zyn , omdat hy niet gezind
was groote kóften te maaken: Dat ten opzigt
van gefchénken welke hy aan den Koning moft
geeven, hy \'t niet noodig achtte die met hem
te zenden; maar dat hy te Alexandrië door
zynen bewindsman wel gelden aan hem kon laa-
ten tellen, om iets kóftelyks daarvoor te koo^
pen, en van zynent wege den Vórft aan te
bieden. De vader die een zuynige huyshou-
der was , vondt zich zo voldaan ontrent de
befcheydenheyd zyns zoons , dat hy oor
deelde dat tien talenten genoeg zouden zyn
tot zulk een gefchenk, en fchreef daarop aL
^/.«hemdietetellem Deeze AHon haS het
bewind van alle de gelden welke hy van Syrië
na Alexandrië zondt, om den Koning de fchat-
tingen te betaalen wanneer ze vervallen waa-
ren ; en jaarlyks gmg \'er eene fomme van on^
N n crent
F L A V I U S J O S Ã P H Ã S
XÃL Boek.
treilt drieduyzend talenten door zyn handen.
Hyrkanus vertrok met den brief, en zo dra hy
te Aiexandrië gekomen zynde , hem overge^
leverdhad s vraagde Arion hem hoe veel gelds
hy van hem hebten wilde, denkende dat hy^
niet boven tien talenten, óf weynig meer, vaiï
hem begeeren zoude : maar hy eyfchte duy\'--
zend talenten. Hierover wierdt deeze bewinds-
man zo verftoord, dat hy hem verweet dat hy
in plaats van \'t voorbeeld zyns vaders, die door
zyne moeite en zuynigheyd veel goeds verga-
derd had j naa te vólgen , het door onnutte
kóften en overdaad wilde verquiften : maar dat
hy hem echter niet meer dan tien talenten gee-
ven zoude , vólgens \'t bevél dat hy ontvangen
hadde , en zelfs met beding van die te beftee-
den tót het koopen van gefchenken om den
Koning aan te bieden. Hyrkanus door dit
antwoord vertoornd, deed Arion gevangen
zetten; maar vermids deeze man by de Konin-
ginne Kleopatra wel gezien was, zondt hy zy-
ne huysvrouw na haar toe, om haar. kennis te
geeven van \'t gene \'er was voorgevallen , en
haar te bidden dat zy die moedwii beliefde te
doen ftraffen. Deeze Vórftin fprak \'er tót
den Koning van , die daarop Hyrkanus deed
vraagen , waarom hy van zynen vader tót
hem gezonden zynde, met gekomen was om
hem te begroeten, maar Arion in^de gevauge-
nis had doen zetten. Hy antwoordde, â Oat
â dewyi de wetten zyns lands aan de kinderen
3, des huysgeziris verbooden eenige geófterde
33 fpyzen,te proeven, voor dat zy inden Tem-
â pel geweeft waaren om Gode te ófferen j hy
â geoordeeld had niet voor den Koning te moe-
â ten verfchynen, tótdat hy hem de gefchen-
j, ken kon aanbieden, welke zyn vader hembe-
5, laft had over te léveren , tót een teken van
erkenteniffe voor de weldaaden van hem ge-
j, nooten. Dat wat Arion aanging , hy hem
met recht geftraft hadde, omdat hy hem
â niet had willen gehoorzaamen j naardien
â de meefters, \'t zy groot óf kleyn , een ge-
lyke magt ovér hunne dienaars hebben : en
dat indien zy niet van hunne knechten ge-
hoorzaamd wierden , de Koningen wel haaft
â van hunne onderdaanen veracht zouden wor-
5) den." De Koning lachte hierom, en ver-
wonderde zich over de vrymocdigheyd van
dien jongeling. Arion dit verftaan hebben-
de , en daardoor weynig hulpe van \'t Hóf te
gemoet ziende, gaf hem de duyzend talenten
welke hy eyfchte, om alzo uyt de gevangenis
te raaken. Drie dagen daarnaa ging Hyrka-
nus den Koning en de Koningin begroeten, en
wierdt zo gunftiglyk ontvangen , dat zy hem
de eere deeden van hem aan hunnen tafel te laa-
ten eeten, ter oorzaake van de geneegenheyd
welke zy zynen vader toedroegen. Daarnaa
kóft hy heymelyk honderd fchoone jongens,
die wel in de letteren onderweezen waaren, en
hem ieder een talent quamen te kóften. Ook
kóft hy honderd jonge dóchters ten zelfden
pryze. Thans rechtte de Koning een gaftmaal
aan voor de aanzienlykfte uyt zyne landfehap-
pen 5 en noodigde hem om \'er op te verfchy-
nen 5 maar hy wierdt aan \'t laagfte end gezét.
aj
Dewyl nu de andere gaften hem om zyne jong-
heyd verachten , leyden zy de beenderen van
\'t vleefch dat zy opgegeeten hadden voor hem,
zonder dat hy\'t zich fcheen aan te trekken.
Zékere Trjpban, (die\'t zyn werk maakte op
ieder tefchimpen, en den Koning met zvne
boerteryen te vermaaken) zeyde hierop, om
\'den gaften te behaagen ; â Gy ziet. Heer Ko-
ning, wat eert menigte van beenderen voor â
Hyrkanus legt, en kont daaruyt oordeelen â
hoe zyn vader ganfch Syrië afknaagt." Deeze
woorden deeden den Koning lachgen j en hy
vraagde Hyrkanus,: hoe \'t quam dat hy zo vee-
le beenderen voor zich had. Waarop deez tót
antwoord gaf : ,, Men behoeft zich , Heer â
Koning, daarover niet te verwonderen j want â
de honden vreeten vleeft;h\'met de beende- â
ren op, gelyk men zien kan aan dégenen die â
aan uwen tafel zyn, (wyzende daarop na die â
gaften welke niets meer voor zich hadden leg- â
gende); maar de menfchen vergenoegen zich â
met het vleefch te eeten, en laaten de been- â
deren overig , gelyk ik gedaan heb , omdat â
ik een menfch ben." De Koning nam zulk een
genoegen in dit antwoord ,\' dat hy aan alle de
gaften verboodt zich daarover te ver ftooren.
Den vólgenden dag begaf Hyrkanus zich na de-
génen die meeft in \'s Konings gunfte ftonden,
vraagde hunne dienaars wat gelchenken hunne
heeren vervaerdigden , om den Koning, we-
gens de geboorte van zynen zoon, aan te bie-
den. Zy zeyden hem dat eriyke twaalf talen-
ten, en andere meer óf min , ieder naar zyn
vermoogen , zouden geeven. Hy gaf te ver-
ftaan dat hem zulks moeide, omdat hy niet in
ftaat was van zo veel te konnen geeven, en dat
alles wat hy zou konnen doen , was den Vórft
vyf talenten aan te bieden. Deeze dienaars dit
aan hunne heeren verhaalende , waaren die \'er
blyde om, geloovende dat de Koning misnoegd
^ude zyn , als hy zulk een kleyn gefchenk van
Hyrkanus ontving. De dag daartoe dan ere-
komen zynde, gaven deeze die den Konmg
de grootfte gefchenken bragten niet meer dan
twintig talenten. Maar Hyrkanus boodt den
Vórft zyne honderd jonge knaapen aan , die
hem ieder een talent bragten j en aan de Ko-
ninginne de honderd jonge dóchters, die des-
gelyks elk een talent aan die Vórftin overle-
verden. Ptoloméus en Kleopatre, nevens\'t
ganfche Hóf, ftonden zeer verwonderd over
deeze uytfteekende grootdaadigheyd. Dóch
Hyrkanus liet het daarby niet blyven , maar
gaf ook groote gefchenken aan des Konings
vrinden cn amptenaaren , om hunne gunft te
winnen, en zich voor \'t gevaar te behoeden,
waarin de brieven zyner broederen hem gebragt
hadden, om hem aan kant te helpen op wat
wyze hèt ook waare. Ondertuftbhen was de
Koning zo ingenomen met deeze mildheyd,
dat hy hem beval te eyfchen wat hy wilde. Hy
antwoordde dat hy niet anders begeerde, dan
dat het den Vórft believen mogte t\' zyner be-
gunftiginge aan zynen vader en broederen te
fchryven. De Koning was hem daarin te wil-
le, en fchreef ook aan zyne Landvoogden t\'zy-
ner aanpryzmge j en naa hem byzondere tékenen
zyner
yll>:
ft:
ij-
(lil
!,
zyner toegeneegenheyd gegeeven te hébben,
2óndt hem met groote gefchenken te rugge.
Zyne broeders met groot misnoegen verftaan
hebbende dat de Koning hem zulk een eere
aangedaan had, gingen hem tc gemoet met voor-
neemen om hem te dooden, zonder dat hun va-
der zulks poogde te beletten , hoewel hy\'er ken-
nis van had, zo toornig was hy omdat zyn zoon
zulk een groote fomme gelds aan gefchenken
had verquift j maar hy durfde het niet laaten bly-
ken uyt vreeze voor den Koning. Aldus wierdt
Hyrkanus dan óp den weg van zyne broeders aan-
getaft, maar hy verweerde zich zo dapperlyk,
dat\'er twee zyner broederen en veele van hun
gevolg tleevenheten, terwyl de andere de vlugt
namen na hunnen vader tejerufalem; alwaar hy
ook aangekomen zynde, met grooteverwonde-
nng zag dat hy van niemand ontvangen wierdt.
Hy week dan over den Jordaan, en zamelde al-
daar de fchattingen in welke de Barbaaren fchul-
dig waaren. Saleukus toegenaamd Soter, zoon
van Antiochus den Grooten, regeerde toen in
Afiëj en Jofephus, vader van Hyrkanus, over-
leedt ontrent dien tyd , naa dat hy tWêèn twin-
tig jaaren de fchattingen van Syrië, Feniciè",
en Samarië ingezameld had. Hy was een
vroom en verftandig man, en van zulk een
groot beleyd, dat hy de Jooden uyt hunne ar-
tnoede ophielp j en in ftaat ftelde om oj? hun
gemak te konnen leeven. Onias zyn oom ftierf
ook niet lang daarnaa j eh liet tót naazaat in
\'t Hoogepriefterampt zynen zoon Smon, die
eenen zoon had géheeten û/^ > welke naa hem
zyne plaats bekleedde: aan deezen fchreef
yfri^ Koning van Lacedemonië den vólgenden
brief.
V. hoofdstuk.
Brief van Atius Koning van Lacedemonië aan Onias «Jen Hoogen prie-
fter om een verbond mee de Jooden aan te gaan, dewyl de Lace-
4emonicr5 zo wsl als yan Abraham afkomftig waaren. Hyr-
Icanus bouwt een prachtig paleys j en brengt ziciizclven om, üyt
vreeze van in handen des Konings Antiochus te vervallen.
A nus Koning van Lacedemonië aan â
Omas , heyl. Ons is uyt zéker fchrift â
gebleeken, dat de Jooden en de Laccdemo- â
niers eenen en den zelfden oorfprong hébben, â
en beyde van Abraham afgedaald zfn. Na- \'
demaal wy dan broeders zyn, en dat alle on-
ze belangen gemeen behooren te weezen, is
het billyk dat gy ons met een volkómene vry- "
heyd laat weeten wat gy van ons zoudt moL "
gen begeeren j en dat wy ten uwen opzigte
eveneens doen. ^emoteles zal u deezen brief
overleveren, gefthreeven op een vierkant
blad, en gezegeld met een zegel Waarop een â
arend met eene flang in zyne Maauwen Ver- â
beeld ftaat." j>
Naa den dood van Joféphus verwekte de
verdeeldheyd zyner zoonen groote onruft j
want het grootfte deel des vólks begunftigde
de oudften tegen Hyrkanus die de jongfte was
en onder anderen ook Simon de Hooge-
priefter, dewyl zy hem in maagfchap beftmi"
den. Hierom wilde Hyrkanus niet weder
na Jerufalem keeren, maar bleef aan gene zyde
van dén Jordaan; alwaar hy geftadig tegen de
Arabiërs krygvoerde, en veele van hen doodde
of gevangen nam. Hy bouwde een zeer fterk
ftot, welks muuren van onderen tót boven toe
van wit marmerfteen waaren, waarop veele
dieren afgebeeld ftonden van meer dan leevens
grootte. Dit kafteel omringde hy met een
breede en diepe graft, die vol waters was- H
hy deed veele groote holen, welker ingar^
zo eng wa^s, dat \'er niet meer dan één lil?^
ingaan kon, eene róts eensnabygeWen Iwa!
uythouwen, om zich aldaar te konnl f
indien zyne broeders hem met i i Æ ?
gen. bU het 116t ^^^^^^^^^^
ruyme kamers met al het noodig^^^^^^
veek fpringende fonteynen,
Nüj lyker
lyker eil aangenamer vertoonen
prachtig gebouw gelegen aan gene zyde van
den Jordaan dicht by Eflebon, op de grenzen
van Arabië en Judéa j was met fchoone tuynen
voorzien : Hy gaf het den naam van Tyri, en
week niet vandaar geduurende de zeven jaaren
dat Scleukus in Syrië regeerde. Naa dat dee-
zen Vórft gefturven was , vólgde zyn broe-
der Antiochus bygenaamd Epifanes hem in
ryk. Ptoloméus Koning van Egipte defge-
lyks toegenaamd Epifanes, ftierf ook ontrent
dien tyd , en liet twee zoonen naa, -welker
oudHeThilometor , en de jongfte ge-
heeten was. ^
De groote magt van Antiochus verbaalde
Hyrkanus, en maakte hem zo bevreefd van in
zyne handen te vervallen, en ftrengelyk ge-
ftraft te worden wegens den overlaft dienhy de
Arabiërs had aangedaan, dat hy zichzelven
ombragt 5 waarop Antiochus alle zyne goede-
ren aantaftte.
VI. H O O F D S T U K.
Onias toegenaamd Menelaüs ziende zich van \'t Hoogepriefterfchap
vecfteeken, vlugt na den Koning Antiochus, en verlaat de góds-
dienft zytict -vaderen. Antiochus komt iw Egipte, en wordt wan-
neer hy gereed ftondt het tc bemagtigen , door de Romeynen ge-
noodzaakt te wyken.
O Nias de Hoogepriefter , ontrent dien tyd
gefturven zynde, gaf Antiochus Koning van
Svrië het Hoogepriefterfchap aan Jefus toege-
naamd Jafon^ broeder van Onias, die maar
éénen zoon had die nóg heel jong was , en van
wien op zyne plaats ftaat gefprooken te wor-
den. Maar Antiochus daarnaa op Jafon te on-
vreede geworden, benam hem dat ampt, en gaf
het aan Onias toegenaamd Menelaüs, zynen
jongften broeder, die één der drie zoonen was
welke Simon naagelaaten had, en die alle naa
malkanderen Hoogepriefters wierden , gelyk
wy gezegd hebben. Jafon niet konnende dul-
den dat hy dus van dit ampt beroofd was,
quam in groot krakkeel met Menelaüs , voor
wien de zoonen van Tobias zich verklaarden;
maar het grootfte deel des vólks begunftigde
fafon, zo dat de andere genoodzaakt waaren
zich na Antiochus te begeeven, tót wien zy
zeyden dat ze gezind waaren de plegtigheden
huns vaderlands te verzaaken, om zyne góds-
dienft en de Griekfche leevens-manier aan te
neemen; en zy verzóchten hem dat hy hen wil-
de toelaaten eene oefenplaats te Jerufalem te
bouwen. Hy ftondt hen zulks toe, en daarop
trokken zy den voorhuyd weder: over , om
onder de Grieken niet uyt te munten wanneer
zy naakt liepen óf worftelden , en aldus hunne
vaderlyke wetten verlaatende, verfcheelden zy
niet van de vreemde vólkeren.
De gerufte vreede die Antiochus genoot,
en de verachting der kinderen van Ptoloméus,
welker jongheyd hen onbequaam maakte om
zich met ftaatzaaken te bemoeijen, deed hem
op \'t veroveren van Egipte denken. Daarop trok
hy met een magtig heir recht op Pelufium aan,
bedroog den Konmg Philopator, nam Memfis
jii, en toog na Alexandrië, om de ftad te ver-
mcefteren en den Koning in handen te krygen.
â
4^4-
hem den oorlóg zouden aanzeggen, indien hy
niet weder na zyn land week, was hy gedwon-
gen dien toeleg te ftaaken, gelyk wy elders ge-
zegd hebben. Dóch dewyl ik maar als in
\'t voorbygaan aangeroerd hebbe hoé hy zich
yan Judéa en den Tempel meefter ma;akte, zal
ik Zulks hier omftandiglyk befciry\\cn, en de
zaaken daarom van wat hooj^cr op haaien.
VII. HOOFDSTUK
De Koning Atïtiochus in de ftad Jerufalem gekomen zynde verdcigc
haar ganfchelyk, piondert den Tempel, bouwt\'er een fterkte,
vernietigt de Godsdienft. De Jooden verlaaten hunne religie.
De Samaritaanen vetlooghenen dc Jooden en wyen hunnen Tem-
pel van Garizim aan den Griekfchen Jupitcr.
ANtiochus aldus, uyt vreeze van in eenen 4^)»
^ -oorlog met de Romeynen te vervallen,
genoodzaakt zynde het veróveren van Egipte
te ftaaken, quam met zyn heir te Jerufalem
honderd drieënveertig jaaren naa dat het ryk
van Syrië op Seleukus en de zynen gekomen
was. Hy maakte zich zonder moeite meefter
van die groote ftad, doordien die van zynen
aanhang hem de poorten openden; en hy deed
veele van de andere party ombrengen > nam
veel gelds weg, en keerde alzo weder na An-
tiochië.
Twee jaaren daarnaa op den vyfentwintigften
dag der maand welke de Hebreen Chafteü, en
de Macedoniërs Apelleus noemen, in de honderd
drieënvyftigfte Olimpiade, quam hy we- (») Een
der te Jerufalem, en verfchoonde zelfs die niet^\'^^\'\'^
welke hem ontvingen op hoope dat hy geenjlaren^^
vyandlykheyd pleegen zoude. Zyne onverzaa-^óigen®
delyke gierigheyd maakte dat hy niet fchroom-fche^"yd\'
de zyne trouw te fchenden, om den Tcmpehekcning
van de fchatten, waar mede hy vervuld was, te
berooven. Hy nam de gewyde vaten, de gou-
dene kandelaars, den tafel der toonbrooden, de
wierookvaten, en de tapy ten van fcharlaken en
fyn hnnen weg, roofde de verborgene fchatten ,
en liet niets overblyven. En om deezen bit-
teren overlaft te voltooijen, verboodt hy de Joo-
den Gode de gewoonlyke ófferanden vólgens
de wet te ófteren. Naa dat hy aldus de gan-
fche ftad geplonderd had, deed hy een gedeelte
der inwoonderen om den hals brengen , voerde
tienduyzend met vrouwen en kinderen gevangk-
lyk weg, ftak de fchoonfte gebouwen inden
brand, vernielde de muuren, deed in de bene-
den-ftad een flót met groote torens bouwen om
den Tempel te dwingen, en leyd\'er eene be-
zetting van Macedoniërs in, onder welke veelc
Jooden waaren, dóch zo fnood en gódloos,
dat zy den inwoonderen niet dan alles quaads
deeden. Ook deed hy eenen altaar in den Tem-
pel bouwen, en\'er verkens op ófferen, \'t welk
ééne van de allerftrydigfte dingen tegen onze
Gódsdienft was. Voorts dwong hy de Jooden
den dienft des waaren Gods te verzaaken , om
zyne afgoden aan te bidden; hy beval dat men
hen tempelen in alle de fteden zoude bouwen,
en belaftte dat men niet éénen dag zou laaten
voorbygaan op welken men geene zwynen óffer-
de. Ook verboodt hy den Jooden op zwaare
ftraftèn hunne kinderen te befnvden, en ftelde
perfoonen aan om toe te zien óf zy alle de wet-
ten
FLAVIUS JOSEPHUS %U. Boi^fc.
kon. Dit Maar wanneer de Romeynen verklaarden dat zy
om hen, indien zy naalaatig waaren, daartoe
te dwingen. Het grootfle gedeelte des vólks
was hem gehoorzaam, \'t zy vry willig, óf uyt
vreeze: maar dewyl deeze dreygementen dege-
nen die vroom en edelmoedig waareh niet kon-
den beletten de wetten hunner vaderen te on-
derhouden, deed deeze wreede Vórft hen door
veelerley pynigingen fterven. Wanneer hyhen
door geeifelftagen het hghaam had doen op-
ryten, was \'t zyner onmenfchelykheyd niet ge-
noeg hen aan kruyfen te laaten hechten , maar
terwyl ze nóg leefden, deed hy hunne vrou-
wen en befneedene kinderen by hen verworgen.
Ook deed hy alle de boeken der heyhge Schrift
verbranden, en verfchoonde niemand by wien
deeze fchriften gevonden wierden.
De Samaritaanen ziende de Jooden dus deer-
lyk geplaagd, onthielden zich toen wel van te
zeggen dat zy éénen en den zelfden oorfprong
hadden , en dat hun tempel van Garizim aan
den almagtigen Gód toegewyd was: maar zy
zeyden dat ze van de Perfen en de Meden af-
komftig waaren, en dat ze na Samarië waaren
gezonden om die plaats te bewoonen : \'t welk
inderdaad waar was. Zy zonden gezanten aan
den Koning Antiochus, die hem het vólgende
fmeekfehrift overleverden. â Verzoek\'t welk
â de Sidoniërs die te Sichem woonen aan den
â Koning Antiochus , den zigtbaaren Gód,
3, vertoonen. Onze voorouders door groote
3, en geduurige peftziekten gedrukt, hebben
5, door een oud bygeloof zich laaten beweegen
33
33
33
33
33
33
33
eenen feeftda
g te vieren, die van de Jooden
â Sabbath wordt genoemd> ook hebben zy op
,, den berg Garizim eenen tempel ter eere van
â eenen naameloozen Gód gebouwd, en daar-
â in flagtóffers geófferd. Tegenwoordig nu
â \'t u goed gedacht heeft de Jooden te ftraf-
â fen, gelyk zy verdienen, willen deeze die
â uwe bevélen uytvoeren , ons eveneens han-
3j delen als hen , doordien zy zich inbeelden
â dat wy éénen zelfden oorfprong hebben.
,5 Maar \'t zal ons ligt vallen uyt onze gedenk-
,, fchriften te toonen , dat wy Sidoniërs zyn.
3, Nademaal wy dan. Heer Koning, aan uwe
3, goedertierenheyd en befcherminge niet kon-
nen twyfelen, bidden wy u, aan Apoüonim
onzen Landvoogd, en Nikanor uwen koning-
lyken Bewindsman, te beveelen, dat zy ons
niet fchuldig achten aan dezelfde misdaaden
als de Jooden, welker gewoonten en oor-
fprong t\'eenemaal van de onze verfcheelen.
â Voorts verzoeken wy dat onze tempel, die
33 tót hiertoe den naam van geenen Gód ge-
3) voerd heeft, in ^t toekomende de tempel van
3, den Griekfche Jupiter genoemd worde 5 op-
â dat wy in rufte moogen blyven, en onzen ar-
,, heyd onbefchroomd verrichtende, u des te
â grooter fchattingen konnen betaalen.\'\'
Op dit verzoek fchreef Antiochus aan N^
kanor aldus : â De Koning Antiochus aan Ni-
â kanor. De Sidoniërs te Sichern woonende
3, hebben ons dit nevengaande fmeekfehrift ver-
ss toond; en de brengers daarvan hebben aan
33 ons en onzen Raad genoegzaam doen blyken,
dat zy aan de misdry ven detjooden geen deel
hebben, maar dat zy geneegen zvn vólgens,,
de gewoonten der Grieken te leeven Hier-
om Ij het dapvy hen onfehuldig verklaaren
van die betichting, en hun verzoek van hun-
nen tempel naar den Griekfchen Jupiter te
noemen, toeftaan, beveelende \'t zelve ook
aan Apollonius hunnen Landvoogd. Gegee- "
ven in \'t zesënveertigfte jaar, op den agtien-
den dag der maand Hekatombeon."
Vlir. HOOFDSTtTK.
Mattathias cn zyne zoonen dooden degenen welke dc Koning An-
tiochus gezonden had om hen tót het doen van vetfoeijelyke ófFe-
randen tc dwingen } cn vlugten in dc woeftyne. Zy worden van
veele gevólgd , cn een groote menigte word: in de holen verflikt,
omdat zy zich op den Sabbath ciet willen verweeren Matta-
thias fchafc dat bygeloof af en vctmaandc zyne ^oonen om hun
vaderland van flaaverny te vetlólicn.
\'^E dier tyd woonde in een vlek van Judéa, 4^7.
genoemd Modim een Priefter uyè het ge- ^Mach.
flacht van JöaHb, geboortig van Jerufalem, en
geheeten Mattathias, zoon van Joannes, zoon
van Simon, zoon vanAfmonéus. Deeze Mat-
tathias had vyf zoonen teweeten Joanneshyve-
naamd Gaddes , Simon bygenaamd Matthes,
Judas bygenaamd Machabéus , Eleazar bygë»
naamd Auran ^ en Jonathns bygenaamd Aphus,
Deeze vroome man klaagde menigmaal tegens
zyne zoonen over den jammerlyken ftaat waar-
toe hunne landaard gebragt was ; vermids Jeru-
falem verdélgd, de Tempel verwoeft, en zy
door zo veele andere rampen gedrukt waaren :
en voegde daarby, dat het yeel beter voor hen
zoude zyn vöOr de befcherming van de góds-
dienft en wetten hunner vaderen het leeven te
laaten , dan onder zulk een groote verfinaad-
heyd te leeven.
Toen degéne die van den Koning gelaft waa-
ren om de Jooden tót het naakomen zyner be-
velen te dwingen, in dit vlek waaren aange-
komen, fpraken zy Mattathias, als den voor-
naamften, eerft aan, óm hem tót die verfoeije-
lyke ófferanden te beweegen , niet twyfelendé
óf de andere zouden zyn voorbeeld vólgen;
en zy beloofden hem groote vergeldingen
daarvoor van den Koning. Hy antwoordde,
33 Dat al waare \'t dat allé volken dit onrecht- ,,
vaerdig bevél uyt vreeze gehoorzaämdeii ^ ,,
liy en de zyne echter nooit de gódsdienft hun- ,5
ner voorouderen verlaaten zouden." \'t Ge-
beurde hierop, dat een Jood aanquam om vól-
gensdes Konings bevél den afgoden te ófferen :
Mattathias en zyne zoonen door dit bedryf met
yver ontfteeken , vielen met het zwaerd in de
vuyft ophem aan, en bragten hem niet alleen
om, maar ook den hoofdman ApeUe\'s en zyne
fóldaaten, die gekomen waaren om het vólk tót
afgodery te dwingen. Mattathias ftiet daarnaa
den altaar om verre, en riep : ,, Zo\'er iemand
is die de liefde onzer gódsdienft ter harte
gaat, die vólge my." Daarop verliet hy alle
zyne haave 3 en week met zyne zoonen na de
woeftyne. Alle de andere inwooners vólgden
hem met hunne vrouwen en kinderen, en be-
gaven zich in holen. Zo dra de bevélhebbers
van \'s Konings krygsmagt dit verftaan hadden,
namen Zy een gedeelte der bezettinge uyt het
ftót te Jerufalem, én jaagden hen naa; Byhen
gekomen zynde poogden zy hen met fchoone
N n 5 woor-
Xil BOEE jöODSCHE HlSTOkt
ren, welke hy lien opleyde, onderhielden, en
2of
3,1i
3Ã
3S
35
i^ll\':;! â
Jr\'t
woorden om te zetten, en tót andete gedach-
ten te brengen, opdat zy niet gedwongen wier-
den geweld tegens hen te gebruyken. Maar de-
wyl zy hen niet overreeden konden, greepen
zy hen opmenen Sabbath aan, en verbrandden
hen in hunne holen; doordien de eerbiedigheyd,
welke zy dien dag toedroegen, zo groot was,
dat zy uyt vreeze van denzelven te fchenden,
zelfs in dien uyterften nood , om vólgens \'c ge-
bód der wet de rufte te onderhouden , zich
niet alleenlyk niet verweerden , maar ook den
ingang hunner holen niet hadden willen ftuyten :
aldus wierden\'er wel duyzend met hunne vrou-
wen, en kinderen verbrand óf verftikt j en die
\'t ontkomen waaren quamen tót Mattathias, en
koozen hem tót hun opperhoofd. Hy onder-
rechtte hen dät zy geen zwaarigheyd moften
maaken om op den Sabbath te ftryden, dewyl ze
anders de wet overtraden door hun eygen Iee-
ven te verkorten 3 vermids hunne vyanden niet
laaten zouden dien dag te kiezen, om op hen aan
te vallen, en dat zy zich niet ter weere ftellen-
de gemaklyk konden gedood worden. Aldus
trok hy hen uyt die dwaaling ; en federd heb-
ben wy geen zwaarigheyd gemaakt van op dien
dag de wapenen op te neemen , wanneer de
nood ons daartoe gedwongen heeft. Dit Op-
perhoofd kreeg binnen korten een aanzienlyke
krygsmagt byeen 3 want die uyt vreeze na de
nabuurige vólken gev/eeken waaren , quamen
zich by! hem vervoegen. Hierop wierp hy de
afgodifche altaaren omverre, verfchoonde nie-
niand van de afvallingen die in zyne handen ver-
vielen , deed alle de kinderen befnyden, en ver-
jaagde degénen welke van Antiochus gefteld waa-
ren om zulks te beletten.
Naa dat Mattathias het getrouwe vólk een
jaar geregeerd had, wierdt hy ziek, en ziende
dat de dood genaakte, ontboodt hy zyne zoo-
nen, en Iprak hen aldus aan : âIk ben nu, my-
â ne kinderen, tót deezen laatften ftond geko-
â men welken niemand ontwyken kan. Gylie-
â den weet wat myn toeleg! geweeft is, en ik
â bid u den zeiven niet te ftaaken j maar aan al
â de werreld te doen zien , hoe lief de ge-
â dachtenis uws vaders ulieden is, door u yve-
,, rig te toonen om onze wetten te onderhou-
â dèn, en de eere onzes vaderlands weder op
â te beuren. Vereenigt u nooit met zulke die
het vrywilhglyk óf door dwang aan onze
â vyanden verraaden : maar doet blyken dat
3> gy waarlyk myne kinderen zyt, vertreeden-
33 de alles dat zich als een hinderpaal tegen de
35 befcherming onzer wetten zou willen aan-
kanten j en weeft altoos bereyd uw leeven
daarvoor op te zetten. Houdt u verzekerd
dat dus doende Gód u met een gunftig oog
5, zal aanzien dathy uwe deugd zal bemin- \'
â nen, en dat hy u in die gelukkige vryheyd zal
herftellen, door welke gy de leevensmanier â
onzer voorouderen met blydfchap zult kon- â
nen onderhouden. Onze lighaamen zyn tót,
fterven gefchikt, maar de geheugenis onzer
voortreffelyke daaden maakt onseenigermaa- â
te onfterflyk. Draagt dan de waare eere en â
roem zulk een liefde toe, dat gy om die te ver- â
krygen niet fchroomt uw leeven in gevaar te â
ftellen ; en leeft zodaanig in eendragt, dat â
elk van u met vermaak aanfchouwe dat de â
andere hunne verleende gaaven ten befte van â
\'t gemeen in zulk een rechtvaerdige zaak be- â
fteeden. Nademaal dan dat Simon een ver- â
ftandig man is, zult gy wel doen dat gy zy- â
nen raad niet minder acht dan óf hy uw va- â
der was : en de dapperheyd van Machabéus â
behoortu te verpligten omhem\'t gebiedover â
uwe krygsmagt op te draagen j naardien gy â
onder zyn beleyd u zult konnen wreeken over â
het leed dat onzen vólke is aangedaan j en dat â
alle deugdzaame en gódvruchtige Heden niet,,
laaten Zullen tót dien eynde met u aan te,,
fpannen."
IX, HOOFD-
lil
I
IX. H O O F D S T U K.
Dood van Matthathias. Judas Machabéus e\'e\'n zyner zoonen aan-
vaardt het bewind der zaaken verlóft zyn vaderland, cn zuyvetthet
van de gruuwelen aldaar gepleegd.
470. T^Attathias aldus gefproöken hebbende,
[.Mach. 1\'^badt Gód dat hy zyne zoonen in hun
-rechtmaatig voorneemen wilde begunftigen,
en zyn vólk in hunne oude leevenswyze her-
ftellen.\' Kort daarnaa overleedt hy, en wierdt
te Modim begraaven. Al het vólk beweende
hem met groote rouwe ; en in \'t jaar honderd
zesenveertig aanvaardde zyn zoon Judas, toe-
genaamd Machabéus, het bewind der zaaken in
zyne plaats. Deez door zyne broeders trefte-
lyk gehulpen, verjaagde de vyanden, deed
alle valft:he Jooden, die de vaderlyke wetten
overtreeden hadden, ombrengen, en zuyverde
het ganft:he landft:hap van de gruuwelen die
aldaar bedreeven waaren.
X. H O O F D S T U K.
Judas Machabe\'us verflaat Apollonius Landvoogd vah Samatië , en
Scron Landvoogd van Neder Syrië.
^ I \'\'Oen ApoUonius Landvoogd van Samarië
^ onder den Koning Antiochus dit bedryf
van Judas Machabéus verftaan had , toog hy
hem met zyn heir tegen. Dóch deeze krygs-
held draalde niet met hem te gemoet te trekken,
floeg zyn heir, en doodde hem nevens veele
van de zyne; daarnaa pionderde hy zyn leger,
bragt zyn zwaerd tót een zeegeteken mede, en
bleef alzo volkomen overwinnaar.
Thans verzamelde hy een aanzienlyk heir,
en Seron, Landvoogd van Neder Syrië, bevel
van den Koning Antiochus ontvangen hebben-
de om de ftoutheyd dier oproerigen te beteu-
gelen, quam met alle zyne krygsbenden, mids-
gaders de afvallige Jooden die hun vaderland
verraaden , en zich by hem vervoegd hadden,
in een vlek van Judéa , genoemd Bethoron,
zich légeren. Judas trok hem tegen om hem
te bevechten ; maar ziendQ zyn vólk ongenee-
gen daartoe , zo om de menigte der vyanden,
als omdat zy lang ge vaft hadden, hieldt hy
hen voor, â Dat de overwinning niet hing aan
â het groot getal der menfchen , maar aan
5, \'t vertrouwen op Gód: dat zy zulks konden
â zien aan \'t voorbeeld hunner voorouderen,
â die zo veele roemryke overwinningen op on-
â telbaare menigten hunner vyanden behaald
3, hadden , vermids zy tót voorftand hunner
â wetten ; en voor de behoudenis hunner
« vrouwen en kinderen ftreeden : En dat der-
« halve niets magtig zou zyn hen te weder-
» ftaan, omdat zy de gerechtigheyd aan hunne
zyde hadden , en dat de magt welke zy
,, geeft onverwiniielyk is." Deeze woorden
moedigdenhen zo aan, datzy dat vredlyk heir
der Syriërs niet achtende, hen aangreepen, op
hen inbraken, en naa hunnen Veldoverfte ge-
dood te hebben, hen op de vlugt floegen, en
hen naajaagden tót aan de plaats geheeten het
vlakke Veld. Achthonderd fneuvelden\'er in
dit gevecht , én de óverige namen de vlugt na de
z;eekant.
47 ï.
472.
xn. Boek,
XI. H O O F D S T U K.
Judas Machabéus verflaat een ^root heir , \'t welk dc Koning An-
tiochus den Jooden tegen gezonden had. Ly,lias komt het vólgen-
de )aar met een nóg grooter heir te velde. Judas verflaat vyfduy-
zend rnannen van zyn vólk , en doet hem wyken. Hy zuyveri
en herftelt den Tempel te Jerufalem. Zyne andere groote ktyas-
daaden, ^ a ib
T^E Koning Antiochus wierdt zö vertoornd
-^wegens de nederlaag zyner twee Veldover-
ften, dat hy zich niet vergenoegde met alle
zyne krygsmagt byeen te verzamelen, maar
ook fóldaaten uyt de eylanden in dienft nam,
en befloot in \'t begin van de lente tégen de Joo-
den op te trekken. Maar toen hy zyn krygs-
vólk betaald had, vondt hy zyne fchatkift zo
uytgeput, zo ter oorzaake van de muyteryen
zyner onderdaanen j waardoor hy verhinderd
wierdt alle zyne tollen te ontvangen, als om-
dat hy van natuure prachtig zynde zeer groo-
te kóften maakte , dat hy voornam eerft na
Perflë te gaan , om aldaar zyne fchattingen
in te vórderen. Op zyn ver trék gaf hy aan
Lyjias t op wien hy groot vertrouwen ftelde,
het bewind der zaaken over, nevens het gebied
over de landfchappen van den Eufraat tót aan
Egipte en kleyn Afie, en over een gedeelte van
zyne krygsbenden en olifanten. Voorts beval
hy hem geduurende zyn afweezen wel zórg
te draagen voor den Prins Antiochus zynen
zoon , geheel Judéa te verwoeften , alle def-
zelfs inwooners gevangklyk weg te voeren, Je-
rufalem t\'eenemaal te verdelgen, en al \'t Jood-
fche vólk uyt te roeijen. ^ Naa dat hy deeze
bevélen gegeeven had , zettede hy in \'t jaar
honderd zeven én veertig zyne reyze na Perfië
voort, toog over den Eufrates, en quam in de
opper landfchappen.
Lyfias koos toen uyt de voornaamfte Krygs-
overften, op welke de Koning zich meeft ver-
trouwde, y/ö/m^sj zoon van Orimenes, Gor-
gtas , en Nikanor, en zondt hen met veertigduy-
zend mannen te voet, en zevenduyzend te
paerde na Judéa. Toen zy te Emeus geko-
men , en in eene vlakte daar dicht by gelegerd
waaren , wierden zy door de hulpbenden der
Syriërs en nabuurige vólken, nevens een groo-
te meenigte afvalhge Jooden, verfterkt. Ook
quamen \'er veele kooplieden met geld om ge-
vangene flaaven te koopen, en met handboei-
jen om hen te kluyfteren. Judas deeze groote
menigte van vyanden ziende, vermaande zyn
krygsvólk niet te vreezen, maar al hun ver-
trouwen op Gód te ftellen, en met zakken aan-^
gedaan, vólgens de wyze hunne voorvaderen ,
hem te bidden dat hy hen de overwinning gee-
ven wilde, omdat zulks het middel Was om
hem tót barmhartighey<J te beweegen , eii
kracht van hem te verwerven om hunne vyanden
te overwinnen. Daarnaa ftelde hy Overften
en Hoofdlieden aan om \'t krygsvólk te gebie-
den vólgens \'t oud gebruyk, en zondt de nieuw-
getrouwde, en zulke die landeryen gekóft had-
den, terug, opdat niet het verdriet van hunne
vrouwen en landgoederen te moeten verlaaten
hen flaauwhartig mogt maaken: thans fprak hy
zyne fóldaaten in deezer voege aan i â Nooit
zal ons eene gelegenheyd voorkomen, die â
meer vereyfcht dat wj onze dapperheyd â
â too-
4n-
I
^ ! I
I
ï
â !:
$
éu
1
\'Ã
m.
I
: li
I
n
JOODÃCHE tiïSTORï,
5J toonen, en \'t gevaar verachten: want zo
â wy kloekmoediglyk ftryden , zal onze vry-
â heyd de belooning onzer manhaftigheyd
zyn ; en hoe wenft;helyk zy ook uyt zich-
53 zelve mag weezen, echter behoorden wy
haar te meer te waardeeren, omdat wy zon-
der haar onze gódsdienft niet konnen bewaa-
,5 ren. Overdenkt dan dat de uytflag vandee-
zen ftryd ons óf met geluk zal overftorten,
door ons een middel te geeven om onze va-
5, derlyke wetten en gewoonten in rufte te on-
derhouden j óf ons in allerley elenden dom-
yj pélen 5 en met fchande overlaaden , indien
wy door lafhartigheyd oorzaak zyn dat het
,, overfchót onzer landaard t\' eenemaal uytge-
roeid y/orde. Weeft indachtig dat de
35 bloodaards immers zo min den dood ontwy-
ken konnen als de dappere; en dat men een
3-3 onfterflyken roem verkrygt door zyn leeven
55 voor zyne gódsdienft en vaderland op te zet-
ij ten j en twyfek niet wanneer gy maar met
5, een vaft befluyt van te fterven óf te overwin-
3J, nen ten ftryde gaat, óf de dag van mórgen
5, zal ulieden over uwe vyanden doen zeege-
,i5 praaien."
Door deeze woorden Iprak Judas hen moed
in: en verftaan hebbende dat Gorgias, door ee-
nige overgeloopene Jooden geleyd , met duy-
zend paerden en vyfduyzend voetknechten in
aantógt was, om hen by nacht te overvallen,
befloot hy hem voor te komen, en ter zelfder
tyd het leger der vyanden, \'c welk door zulk
éen getal van menfchen verzwakt was, aan te
taften. Naa dat hy dan zyn vólk wat had doen
eeten, en dat \'er veele vuuren in \'t leger aange-
ftoken waaren, toog hy onder begunftigingc der
duyftcrnilTe na Emeus. Gorgias quam onder-
tuflchen in \'t leger der Jooden, en niemand daar
vindende, meende hy dat de vreeze hen had
doen wyken, om zich in \'t gebergte te ver ftee-
ken , en toog daarop derwaards om hen op te
zoeken. Judas daarentegen quam met het aan-
breeken van den dag in het leger der vyanden,
alleenlyk met drieduyzend mannen, die uyt ar-
moede maar flechts gewapend waaren: en zien-
de dat zy welken hy bevechten wilde zo welge-
wapend, eninhunlegerbefchanftwaaren, zey-
de hy tót de zynen,,, dat al waaren ze ook naakt,
â zy echter niet moften vreezen, dewyl\'t Gode
5, zo aangenaam zoude zyn, te zien dat zy niet
5, fchroomden zulk een groot getal wel gewa-
5, pende vyanden in dien ftaat aan te taften, dat
â hy hen zekerlyk de overwinning geeven zou-
,, de," En daarop deed hy den aanval blaazen.
De fchrik cn verbaafdheyd der vyanden was zo
groot, dat\'er aanftonds veele fneuvelden, ter-
wyl de andere de vlugt namen, cn tót aan Ga-
dara, de velden van Iduméa, Azote en Jamnia
naagejaagd wierden, zo dat \'er wel drieduyzend
het leeven lieten. Judas verboodt den zynen
zich met de plondering op te houden , omdat
Gorgias nóg te beftryden was, cn dat hy over-
wonnen zynde, zy zich op hun gemak tót den
roof zouden konnen vcrlccdigen. Terwyl hy
nóg fprak wierdt men Gorgias, die met zyne
benden te rug quam, op eene hoogte gewaar.
Toen deez zag dat het heir des Konings dus ge-
flagen , en het leger vol van vuur en rook was,
cn daar beneve bemerkte dat Judas zich gereed
maakte om hem aan te grypen, vondt hy\'t niet
geraaden hem af te wachten, maar toog te rug-
ge. Aldus dreefjudas hem op de vlugt zonder
vechten, en het zyn vólk toen pionderen. Zj
vonden eene menigte van goud, zilver, fchar-
laken, en purper, en keerden met groote blyd-
fchap weder, zingende lófzangen ter eere Góds,
die de bewerker deezer overwinninge was, wel-
ke zeer veel tót wederbekominge hunner vry-
heyd toebragt.
lU
In \'t vólgende jaar verzamelde Lyftas , om
de fchande van dat verlies te vergoeden, een
verfch heir, beftaande uyt een getal van zestig-
duyzend uytgeleezene voetknechten en vyf-
duyzend ruyters , waarmede hy Judéa introk,
en dwars over \'t gebergte zieh te Bethfuraquam
légeren. Judas trok hem tegen met tienduy-
zend mannen ; en ziende de groote magt zyner
vyanden, badt hy Gód hem te willen gunftig
zyn j en op zyne byftand zich verlaatende.,
greep hy de voortógt aan, verbrak de geléderen,
doodde vyfduyzend menfchen , en bragt Zulk
een fchrik onder dc vyanden, dat Lyftas, zien-
de dat de Jooden beflooten hadden te fterven,
óf hunne vryheyd weder te bekomen , en hun-
ne wanhoop meer dan hunne magt vreezende,
met het óverige zyns heirs na Antiochië te rug
toog ; alwaar hy vreemd krygsvóïk aannam,
en zich gereed maakte om met een magtiger
heir Judéa in te trekken.
Judas zulke groote overwinningen op de
Veldoverften van Antiochus behaald hebben-
de , bewoog de Jooden na Jerufalem te gaan,
om Gode dankzeggingen te doen, zynen Tem-
pel te zuyveren , en hem ófferanden te ófferen.
Aldaar gekomen zynde vonden zy dat de Tem-
5elpoorten verbrand waaren , en dat de voor-
hóf vol van ruygte en ftruyken was, welke daar
gegroeid waaren federd dat hy woeft gelegen
had. Deeze jammerlyke ftaat perfte hen zuch-
ten ten boezem, en traanen ten oogen uyt: en
naa dat Judas een gedeelte van zyn krygsvóïk
bevolen had den burg te belégeren, was hy de
eerfte die hand aan\'t werk floeg om den Tempel
te zuyveren. Naa dat dit zórgvuldiglyk gedaan
was, deed hy\'er nieuwe vaten, eenen nieuwen
kandelaar, tafel, en altaar, alle van goud, we-
der in brengen : ook deed hy\'er nieuwe deuren
aanhangen 3 en voorhangfelen daar voorfpannen.
Thans beval hy dat men den brandóffers-altaar
zoud af breeken, omdathy ontheyligd was, en
hy deed eenen nieuwen van ongehouwene ftee-
nen bouwen. Den vyfentwintigftcn dag der
maand Ghasleu , welke de Maccdoniêrs Apel-
leus noemen, wierden de lampen van den kan-
delaar aangeftoken , op den altaar gewierookt,
brooden op den tafel gezét, en brandóffers op
den nieuwen altaar geófferd. Dit was op den zelf-
den dag dat de Tempel drie jaaren te voore door
Antiochus fnoodelyk ontheyligd, en verwoeft
was : want dat was gefchied op den vyfentwin-
tigften dag der maand Apelleus, in \'t honderd
vyfenvecrtigfte jaar en in de honderd drieënvyf-
tigfte Olympiade: en deeze vernieuwing ge-
fchiedde op den zelfden dag van het hondei;d
acht^
475.
m
JOODSCHE HISTORI.
XÃI. Boek.
iioiiderd vierenvyf-
o --------------ds Profeet Danitfl
vierhonderd agt jaaren van tc voore duydelyk
voorzegd had, dat de Tèmpel door de Ma-
cedomërs ontheyhgd zoude worden.
Judas vierde acht dagen Jang ket al het vólk,
door plegtige offeranden,^ het feeft van de her^
ftellmge des Tempels j en men bragt dien tyd
door met allerley eerlyke vermaakelykhedeii:
Overal hieldt men openbaare gaftmaalen^ dé
lucht weergalmde van lófzangen ter eere Góds^
en dc blydfchap was zo gróót yomdat men naa td
veele jaaren, wanneer men zulks minft vef
wachte, de aaloude plegtigheden en gódsdienft
onzer vaderen herfteld zag^ dat\'er 4ie inftel-
nnggemaakt wierdt vän alle jaaren ter gedach-
temüe daarvan een hoogtyd van acht dagëri te
vieren; \'t welk men federd jaarïyks onderhóti-
den heeeft, en men noemt \'et het Feeft der lich-
ten, omdat dit geluk 5 zo ik acht, als een aan-
genaam hcht was, dat de duyfterniffen onzer
477-
,â. ^^ «it^\'ii.uiiixin.ii uii/Lcr
iange wederwaardigheden verdreef, en in eenen
tyd verfcheen \\vanncer wy ons zulks geenfins
durfden belooven.
Judas deed daarnaa de muuren der ftad we-
der opbouwen, enze met groote torens ver-
fierken, welke hy met krygsvólk beleyde om
den vyanden af te keeren r ook verfterkte hy
dc ftad Bethfura, om zich daarvan als van ee-
nen burg tegen hunnen aanval te bedienen.
Maar dewyl de nabuurigc vólken niet dul-
den konden datzy de magt onzer landaard al-
dus vveder zagen vefryzen, leyden zy den Joo-
den kagen, en bragten vcele van hen om\' \'t lee-
ven.^ Judas die geftadiglyk te velde was om
dic itrooperyen te weeren/ taftte terzélfder
tyd het Akrabataanfche land aan, verfloeg al-
daar vcele Idumeers van Efau afkomftig , en
bragt groote buyt vandaar : ook nam hy het
ilót in, waaruyt de zoonen van hunnen Vórft
de Joodea belaagden^ en naa dat hy de-
génen die \'et op waareh gedood had , ftak \'t lil
de brand. Daarnaa toog hy op tegen de Ammo-
niten, die in grooten getale , onder \'t geleyde
Timotheus^ öp de been gekomen waaren,
en overwon iieri ^ neemende voorts hunne ftad
Jafor in, welke hy ploriderde eri verbrandde
eö toen alJe de inwoonersgevangeri Wegvoerde^
Maar zo dra de Omleggéndè vólken verftaan
hadden dat hy weder na Jérufalem gekeerd was/
verzamelden zy alle hdnne mägt ^ en befpton-
gcn de Jooden: die op de grenzen vän Galaad
woonden; welke daarop na\'t kafteel Athem^
de vlugt namen , en aan Judas bericht^zondel
ran \'t gevaar waarin zy waaren, ;van in Ti-
motheus handen tc vervallenv Ook ontving
hy ontrent dien zelfden tyd brieven van de
Galileê\'rsf, waarin zy hem verwittigden dax dc
in\\V00ne^*s van Ptoloinaïs, Tyrus, Sidon, en
andere nabubrigê volken, tzamentrokken om
hen te beftryden/
Xl l. H O 6 F D STUK.
Bedryven van SiHi©J3 broede-r yan\'Jii4asMa-ebabéus in; GaHléa en
overwinning door Judas en Jonathas op de Ammoniten behaald
Andere daaden van Judas.
JUdas ^ Machabéus om de twee vólken, die te 478
gelyk gedreygd wierdén, iri hunnen nood by
te ftaan, zoridtzynen broeder Sïmoh met drié.
duyï^end uy tgeleezene marinen den Joöden tan
Galiléa te Hulpe;, tèrwyl hy nèvens Jonathas
zyneri andèrén broeder niét achtduyzend krygs,
^^\'^^en ria Galadltis trók , eö zyne óverig^
krygsbenden tót beWaarinp fan Judéa liet on-
der het opzigt van Jojèphtis Zacharias zoon
en Asèartasy met bevél om wel zórg té draa^
gen voor de behoudenis van dat landfehap"
en voof ^yne wederkomft geenen Mdihs tQ
\\vaagén. &
Zo dra als SMon in ^Iftéa aangekomen
was, leverde hy den vyanden flag, dreefhen op
dc vlugt, vepolgde hen tot aan de poorten van
1 tolemais j doode yan hen by de drieduyzend
O-Q oafr.
lijf..
1
sa
290 F L A V I U S J O
ontweldigde lien de Jooden welke zy gevangen
genomen hadden, en keerde met groote buyt
weder na Judéa.
Judas aan een andere kant verzeld van Zynen
broeder Jonathas , naa dathy den Jordaan ge-
pafTeerd, en drie dagen lang voortgetrokken
was, wierdt als vrind door de Nabatheërs ont-
vangen , en vèrftondt uyt hen, dat hunne lands-
genooten van Galaditis in hunne plaatfen bele-
gerd , en zeer door de vyanden benaauwd waa-
ren ; weshalve zy hem rieden zich te haaften
om hen te ontzetten. Op dit bericht toog
hydoor de woeftyne: in zynen weg namhyde
ftad Bozora in, ftakze in de brand, deed alle
de inwooners die bequaam waaren om wape-
nen te draagen ombrengen, en vervólgde zyne
tógt den ganfchen nacht door, tót dat hy dicht
by het kafteel quam alwaar de Jooden door
Timotheus belegerd waaren. Hy quam daar
met het krieken van den dag, en vondt dat de
vyanden reeds ladders aanlloegen om de plaats
te beklimmen; en dat zy beezig waaren met
het ftórmtuyg aan te voeren.. Hierop beval hy
zyne trompetters den aanval te blaazen, ver-
maande da zyne hunne dapperheyd te toonen,
en kloekmoediglyk tót ontzét hunner broede-
ren te ftryden ; cn naa dat hy zyne benden in
drie partyen verdeeld had, greep hy de vyan-
den van achteren aan, en floeg hen zonder
veel moeite : want zo dra zy vernomen had-
den dat het die Macliabeër was,: wiens dap-
perheyd en voorfpoedig beleyd zy op zo^ veele
andere vvooryallen beproefd hadden, namen zy
de vlugt.: : Maar hy \'zat hen zo wakker op de
hieleiï j leeven Yerlóo^!
ren ; wzcarnaa hy eene^ftïïd der J^arbïiaren; ge-
noemd M^ljan ftórmenderhand innam ^ alle de
inwooners , jüytgenomen de vrouwen , deed
dooden,.én de plaats in de aflclie leyde: ook
verdelgde hy Bofor Ghafpora, en nóg ande-
re fteden van Galaditis.
Eenigen tyd daarnaa: herzamclde Timotheus
een grooté krygsmagt 5 en nam onder andere
hulptroepen een groot getal Arabiërs tót zich;
waarmede hy aan gene zyde der beeke tegen
over de ftad Rapha zich légerde, en zyn vólk
vermaande hunne uyterfte poogingc te doen om
den Jooden den overtógt te beletten, om dat
daarin de hoope hunner overwinninge ftel-
den. 2o dra Judas vèrftondt dat Timotheüs
zich tót -een gé vecht bereydde, quam hy met
alle zyne benden aantrekken , toog over de
beek, en viel op de vyanden aan. Het grootfte
gedeelte der gener die hem wederftand boo-
den wierdt gedood , en de andere wierpen
hun geweer neder: een,gedeelte Ontquam het,
en de óverige weeken in den tempel van Kar-
naim, hoopende daar hunne veyligheyd te vin-
den; dóch Judas nam de ftad in , Terbrandde
den tempel, en deed alle door het ftaal of het
vuur omkomen.
Naa alle deeze voorfpoedige krygstógten
herzamelde die Krygsheld alle de Jooden die
in \'t landfchap Gal_aad waaren , met hunne
vrouwen en kinderen, en haave,> om hen yiQ-
derin Jnt^éa te brengen: en dewyl hy , zonder
eenen verren omweg te neemen, niet . voorby;
kon door de ftad Ephron te trekken , deed hy
de inwooners verzoeken dat zy hem zulks wil-
den toeftaan: maarzy flooten de poorten voor
hem toe, en ftóptenze dicht met fteenen. Ju-
das door die weygering getergd , vermaande
de zyne tót wraake, belegerde de ftad, en be-
magtigdeze binnen den tyd van vierentwintig
uuren. Hy deed alle de inwooners, uytgezeyd
de vrouwen, ombrengen, ftak de plaats in de
brand; en het getal der gener die \'er ftieuvelden
was zo groot, dat men \'er niet doorgaan kon
zonder op de lyken te treeden. Naa dat hy den
Jordaan overgetrokken was , midsgaders het
groot Veld, waarin de ftad Betfan legt, welke
de GriekenScythópolis noemen, quam hymet
zyn heir te Jerufalem, zingende lófzangen en
liederen ter eere Góds, waarby alle andere té-
kenen van blydfchap, by groote overwinnin-
gen gebruykelyk, gevoegd wierden : om dat\'er
in zoo vele ftryden niet een van de Jooden ge-
mift wierdt.
Jofephus Zaeharias zoon, welken Judas ge-
laaten had om Judéa te bewaaren, toen hy met
zynen broeder Jonathas na Galaad, tegen de
Ammoniten, getrokken was, en Simon zynen
anderen broeder na Galiléa tegen die vah Ptole-
maïs gezonden had , was insgelyks gezind roem
te behaalen. Hy toog derhalve met zyne krygs-
magt tegen de ftad Jamnia : m.aar Gorgias die
\'er \'t gebied had, trok hem tegen, floeg hem,
en doodde tweeduyzend van de zyne , terwyl
de óverige na. Judéa de yiugt namen. AJdus
leedt hy rechtnïaatigc, ftraffe ^ dewyl liy hetbe^
/
depi in te laatenongehoorzaam was gé weeft.
:En, dit gaf ftóffe om zich yan tyd tót tyd hoe
lïmgeF: hoe meer over de voorzigtigheyd^. en
het wys beleyd van datuytmuntend Krygshoofd
der Ifraëliten te verwonderen.
Inmiddels hielden Judas en zyne broeders
niet op de Idumeërs te beoorlogen,, en van alle
kanten te bcnaauwen , zo dat zy hunne ftad
Hebron bemagtigden , alle haare fterkten ver-
nielden i, \'de torens in de brand ftaaken, al Jiet
land rondom yerwoefteden, zich meefters v^ de
fteden Mariffa en Azote maakten, en ze uyt^
pionderden, Avaarnaa zy metgrooten buyt we^
der na Judéa. keerden.
XIIL H O O F D S T ü K.
De Koning Antiochus Epifanes fterft van fpyt dat hy gedwongen
: Avas \'t belég der Had Elymaïs in Perfië alwaar by eenen tempel
van Diana wilde pionderen, fchandelyk op te breeken.
»"^en zelfden tyde verftond de Koning An-
X. tioehus Epifanes, die^ na de hooge land-
fehappen rgereyfd was, dat \'er m eene zeer ryke
ftad van Perfië genoemd Elymaïs^ een tempel
van Diana was , vol van kóftelyke gefchenken,
die menaldaar geófferd had, onder welke ook
fchilden en harnaften waaren, die Alexander de
Groote, zoon ^van Fiiippus- Koning van Ma-
cedonië, daar had gebragt. Antiochus befloot
derhalve zich meefter van die ftad te maaken,
en belegerde haar tót dien eynde: maar hy vondt
zich\\in zyne hoope bedroogen ; want de in.»
woonets queaten zich zo dapper, dat zy hem
niet
47P\'
XILBOEK. JOODSCHE
niet alleenlyk dwongen \'t beleg op te breeken,
maar hem najaagden: invoege dat het meerder
vlugtende dan wykende was dat hy weder te
Babilon quam, met groot verlies van de Zyne
Terwyl hy zich over deeze rampfpoedige togt
bedroefde, bragt men hem de tydmg dat de
Tooden zyne Veldoverften verflagen Imdden,
en zich meer en meer verfterkten. Dit ver-
meerderde zyn hartzeer dermaate , dat hy m
H I S T O R L
eene ziekte verviel, en dewyl Zyne quaal fteeds
toenam, bemerkte hy wel dat \'er de dood mee
vermengd was. Hy ontboodt dan zyne ver-
trouwdfte dienaars, verhaalde hen hoe hy zich
bevoelde 5 en wat \'er de oorzaak van was; maar
dat hy die ftraffe verdiende om dat hy de Joo-
den vervólgd , hunnen Tempel geplonderd ,
en den Gód dien zy aanbaden veracht had.
Aldus gefprooken hebbende gaf hy den geeft.
Hierom verwonder ik my dat Polybius de Me-\'
galopoUtaner, die anderfins een vroom man
was 5 den dood van deezen Vórft heeft toege-
fchreeven aan zyne pooging om den Tempel
van Diana te berooven; want zulk een beftaan
ionder de daad kon niet geacht worden den
dood te verdienen. Maar veel waarfchynelyker
is het, dat zyn dood eene ftraffe geweeft zy der
kerkrooverye, welke hy in \'t plonderen van de
fchatten in den Tempel te Jerufalem begaan
had. Doch zo iemand beter \'behaagen heeft jn
het gevoelen van Polybius dan in \'t myne , ik
zal \'er met hem niet over twiften.
XIV. K O O F D S T U K.
ft,,^-;.;.!,.,. TTiinator vólgt zviieH vader Antiochus Epifanes in \'t ryk
ff AL.ï!i?uVbelâ¬a;ert den burg van Jerufalem, Antiochus
tr^.Ktnemmt;tccu6_ _ jj^men tót eenen veldflag. Zonder-
breeken zy tbelég op, en li ^^^^^^ ^^^^^ ^^^
. linge .kloekmoedigheyd en j en belegert den Tem-
broeders. Antiochus neemt bemuid , het uvterfte eebraat
pel van Jerufalem. Maar t^oen de Jo^d ^
. waaren, verlaat hy \'t belég op de tyding Q^i- i ^^ ft
Koning van Perfië had doen uytroepen.
E Koning Antiochus Epifanes had kort
^ voor zynen dood, die in \'t honderd ne-
genenveertigfte jaar voorviel , Fihppus , ee
nen der gener op wien hy zich meeft vertrouw-
de 5 tót Ryksbeftierder benoemd, hem zyne
kroon, zynen koninglyken mantel, en zynen
Siegelring ter hand gefteld, om die zynen zoon
481.
te kengen, en ontrent ïy\'ne öpvoêdlng, eri
den ftaat des ryks toezigt te neemen, ter tyd toé
dat hy bequaam zoude zyn de regeering zelf
te aanvaarden. Zoö dra als Lyftas , Opziener
van den jongen /intiochus ^ dit overlyden ver-
ftaan had , gaf hy den vólke kennis daaraf, en
boodt hen den nieuwen Koning aan, welken
hy den naam van Eupator gaf. , ^
Ter zelfder tyd deeden de Macedoniers, die
in den burg val Jerufalem m 483.
en verfteïf waaren door de Jooden die Zich
by hen vervoegd hadden , den anderen Joo.
den veel quaads: want vermids dit Hot tegen
over den Tempel lag, deeden zy t\'elkens uyt-
vallen, en doodden degénen die quamen om te
ófferen. Judas Machabéus dit niet konnende
dulden, befloot deeze fterkte te belégeren,
verzamelde tót dien eynde zoo veel krygsmagt
als hy kon, en befprong de velling m het hon-
derd vyftigfte jaar naa dat die landfchappen
onder \'t gebied van Seleukus gekomen Waaren.
Pïy gebruykte ftórmgereedfchap, wierp hoog-
tens op, en liet niets achterwege om zynen
toeleg uyt te voeren. Veele der overgeloopene
Jooden by nacht uyt de plaats vlugtende, gin-
gen met andere, die niet beter waaren dan zy, na
den jongen Koning Antiochus, en fteldén hem
voor5 dat het zyn belang was, hen nevens eenige
andere van hun vólk voor het groot gevaar\'
waarin zy zich bevonden te behoeden: dachen
Oos die
F LA VIü S
dit wa^ ,, omdat zy li,iiti,ne lapds-
wyze verlaaten hadden om den Koning zynen
vader te gehoprzaamen i en dat de burg van
Jerufalem, en de.koninglyke bezetting welke
hy daar gelegd had , onder de magt van, Judas
zou moeten vallen, indien hy, hen niet te fiul-
pc quam, De jonge Vórft vertoornd door dit
verhaal, ontboodt terlbndtZyne krygso verften j
en beval tót dien eynde niet alleenlyk overal in
zyn gebied vólk op de been te brengen , maar
ook vreemde te werven. Aldus verzamelde hy
een heir van honderdduyzend mannen te voet,
twintigduyzend te paerde, en tweëndertig oli-
fanten , waarover hy Lyfias tót Veldheer aan-
ftelde. Met deeze magt toog hy uyt Antio-
chië na Iduméa, en belegerde Bethfura : hy
verquiflte aldaar zeer veel tyds, omdat de in-
wooners zich dapper verweerden, en in groote
uytvallen het ftórmtuyg, waarmeê hy op de
muuren rammeyde, in de brand ftaken. Judas
hierentuftclien den optógt des Konings ver-
ftaan hebbende, brak zyn belég op, trok met
alle zyne benden hem tegen , en legerde zich
zeventig ftadiën van zyn heir in eene engte ge-
naamd Bethfacharië. Zo dra Antiochus dit
verftaan had, brak hy het belég van Bethfura
ook op 5 om zynen vyand tegen te trekken:
en toen hy dicht byhem gekomen was, deed liy
met het aanbreeken van den dag zyn heir in
flagörde ftellen: maar vermids de plaats te eng
was om zyne olifanten nevens malkanderen te
doen gaan , was hy genoodzaakt heh achter
den anderen te laaten voorttrekken: By ieder
van dezelve voegde hy vyf honderd tuyters en
duyzend voetknéchten , en elk droeg een
kafteel met boogfchutters op zynen rug. Het
overige van zyn heir wierdt van de Bevelhebbers
gelaft ter wederzyde van den berg op te trek-
ken. In deezer Voege gefchiedde^ de aanval,
met zulk een groot gekryfch dat dè-dalen weer-
galmden, en de goudene en kopere fchilden ga-
ven eenen glans dat\'er de oogen van fchemer-
den. Maar niets was magtig om Judas Macha-
béus te vertfaagen: hy ontving de vyanden met
zulk een dapperheyd en moed , dat zeshonderd
yan de eerfte aanvallers op dc plaats het lee-
yen lieten. Eleazar zyn broeder toegenaamd
Auran, ziende dat ;\'er onder de olifanten één
ongerneen groot , en prachtiger geharnaft was
dan a|ls de andere ,, verbeeldde zich dat de Ko-
ning daa^rpp was: weshalve hy, zondertelet-
teA op: de .groptheyd yan het gevaar waarin hy
ftreefde- , zich eeijien yyeg baande dwars door
\'t krygsvólk dat djcni olifant ornrlngde, doo-
dende ve^ei van^h^^ en de andere op de vlugt
jaageqde tótdat,, hy by dit onbefuysd dier
komende, zich onder zynen buyk begaf, en
het met; zyn zwaerd dood ftak. Maar hy
wierdt onder het gewigt daarvan verpletterd,
en liep zeifin den dood terwyl hy dien het
beeft toebragt, eyndigende alzo. roemruchtig-
lyk zyn leeven, naa dat hy het eerft aan zyne
vyanden dier verkoft had. Judas inmiddels
ziende dat zy hem zoo verre in getal overtrof-
fen, week na Jerufalem om het belég van den
burg te vervólgen .- en Antiochus een gedeelte
vaa zyn heir na.Bethfura gezonden hebbende.
ESSR
, toog met iiet óverige na JeFufalem. Toen- die
vanBethftim ,^ welkea \'t reeds aan levei^smid^
delen ontbrak, zich zo vinnig aangetaft zagen,
gaven zy zich over, op belófte met eede dat
hen geen leed w^edervaa^en 2,pude. Maar An-
tiochus hieldt hen geen woord ; want hy
foliQnk hen alleenlyk het leeyenr, en joeg , hen
i^aakt: ter ft.ad iiy^t ,. ieggeijde t^en ^ne bfzet^
l^ngin de plaat-5« belfg^erdevhy^^
Tempel van Jerufalem, welk belég lang duur-
de, omdat de^ Jooden zich dapper verdeedig-
den, en zyn ftórmtuyg door ander, gereed-
fchap hem t\'onbruyk maakten. Maar de leef-
tógt begon hen te ontbreeken, omdat het juyft
in het zevende jaar was, in \'t welk onze wet
verbiedt het land te bezaaijen: hierdoor wier-
den veele genoodzaakt te wyken, en daar blee-
ven \'er maar weynig om het belég uyt te hou-
den. De zaaken in deezen ftaat zynde verfton-
den de Koning en Lyfias zyn VeldoverftL dat
Filippus zich voor Koning had doen uy troe-
pen, dat hy uyt Perfië quam, en dathy tegen
hen in aantógt was. Op deeze tyding befloot
hy \'t belég op tebreeken, zonder tótde Hoofd-
lieden en fóldaaten iets Wegens Filippus te
fpreeken: en Lyfias had alleenlyk laft van den
Koning hen te zeggen, dat de Tempel zo fterk
was, dat er veel tyds behoefde om hem in te
neemen; dat het heir gebrék aan leeftógt be-
gon te lyden, en dat de Staatszaaken den Koning
elders riepen: Voorts dat naardien de Jooden
zo ftyf op \'t onderhouden hunner wetten fton-
den , datzy liever altoos wilden oorlóg voeren,
dan daarin geftoord worden, het beter was
vrindfchap en eeh verbond met hen aan te gaan,
en weder na Perfië te keeren, Lyfias aldus ge-
fprooken hebbende , wierdt zulks met alge-
meene toeftemminge goed gekeurd- - ; "
Aa dat dit belluy t genomen wasdeed de .
. Koning Antiochus, door emm krygsbog-
de. Judas Machabéus , en_allen die neven?
hem in den Tempel belegerd waaren, aanzeg-
gen dat hy hen de vreede wilde geeven, en hen
toelaaten vólgens" de wetten te leeven. Zy ont-
vingen deezen voorflag met blydfchap;
dat die Vórft hen zyn woord gegeeven^ en
\'tmet eenen eed bekrachtigd had , trokken zy
ten Tempel uyt , en Antiochus ging \'er in.
Maar toen hy de plaats befchouwd liad ,, .en, ge-
zien hoe fterk zy was, brak hy zynen eed, cn
liet den muur, die denTempel Omringde, tót
den grond toe afbreeken. â ï>aarnaa keerde, hy
weder na Antiochië, voerde den Hoogenpjie-
fter Onias, d^ pok Menelaüs genoemïwieri
met zich, en deed hem te Beroë in Syrië om\'t.
leeven brengen, t Was Lyfias die hem deezen
raad, gaf, zeggende dat indien hy wilde dat; de
Jooden in.ruite bleeven, en door nieuwe Ijeroer-
\'ten
XV.
HOOFD S T U K. \'
Del^ningAntio^i^ EuRatp^mEmtew
, tegen zyn woord den muur di.e de^ TempeJ 9fliring<te afbre.tï^
Hy doet Onias den Hoogenpriefter, geilo-emd MÃ\'neteiis\'ook
dooden, \'engeeftzyn ampt aan Aléimus. C)ïiias..fjeef fahMèOe^
laüs begeeft zich Jiar JEgipte , alwaar deXoning eji.\'deKomiigiii
Kleopatre hem toelaaten te Heiiopolis eeilen tempelgêlyk (iiéri
van Jerufalem te büuw£n> â : - \' :
HISTORL
met een heir, om Judas en alle de zyne uyt te
roeijen, beveelende hem in \'£ byzonder Alci-
mus , die hem in dien tógt zou gezelfchap hou-
den , by te ftaan. Deeze Veldheer vertrok
dan van Antiochië, en in Judéa gekomen zyn-
de, deed hy aan Judas en zyne broeders, met
oogmerk om hen te overrompelen, boodfchap-
pen, dathy eene vreede en verbond met hen
aangaan wilde. Maar Judas mistrouwde hem,
en oordeelde zeer wel, dat naardienhymetzo \'
groot een krygsmagt quam, zulks veel eer was
om te; oorlogen dan om vreede te zoeken. An-
dere echter , die zo voorzigtig niet waaren ,
floegen geloof aan de woorden\'van Bacchides,
en achtende, datzy van wege Alcimus hunnen
landsman â niet te vreezen hadden , gingen
na hem toe, naa dat men hen alvoorens met
eede beloofd had , dat hen nóch den hunnen
geen leed wedervaaren zoude. Maar Bacchides
deed zestig van hen tegen zyn gegeeven woord
ombrengen,. welke trouwloosheyd de andere
te rugge hieldt. Hy vertrok daarnaa van Je«
rufalem, en quam te Bethfethe, alwaar hy alle
die hy kon gevangen bekomen deed dooden:
voorts beval hy de ingezétenen van \'t land, Al-
cimus te gehoorzaamen; en laatende onder hem
een gedeelte zyner krygsmagt, begaf hy zich
weder na Antiochië tót den Koning Deme-
trius.
Alcimus om de geneegenheyd des vólks te 488
winnen, en om zyn gezaag te ftyven , fprak
ieder éen zo minnelyk aan , dat vecJe , waar-
van echter \'t grootfte deel maar fiiood geboef.
te en overloopers waaren , zich by hem ver-
voegden. Hierop begon hy langs \'t land te
ftroopen, en deed alle van Judas aanhang, die
in zyae hÃfiden vervielen 5 om \'t leeven
brengen. Judas ziende Mihy van dag tót dag
fterker wierd, en dat veele braave lieden door
zyne wre.edheyd fneuvelden,. toog te velde, en\'
doodde zo naenig eenen van de zyne als hy be-\'
frappen ^kon,\' Deeze, vyand zyns vaderlands
zich tliaH-s te-zwak bevindende om hem te kon-
nen wederfta^Hj ging.na Antiochië om byftand
van den,,Koning.Demetrius te verzoeken, dien
hy nóg meer : tegen Ju,das vertoornde ; want
hy befchuldigde hem..dat hy den Koning veel
fchaade gedaari had,-e^ivhem nóg grooter
breuk zoude doen, indien \'er niet een .fterke
krygsmagt gezonden wierd om hem te ftraffen.
XVI. H O O F D S T U K.
Demetrius zoon van;Sgleukus vlugt Uyt Rome-\', komt ih Syrië- doet
zich tót JConirig króoneiiv ën laat den Köniiig Antiochus en ti
â fias ombrengen. -Hy zendtBaGchide^-mef eói hèk ih Tudea-bm"
Judas Machabéus jeo zyn ganfche land .onder-te breagen draagt\'
het gfzag op aan den Hoogenpriefter Aicimus, die groote wreed-\'
h^^J^ryft. Maar: Jud.. noodzaakt hem ha DemétSf Ie
O
dien tyd vlugtte Dmetrms zooii
. , Seleukus-uyt Kóme , nam\' de ftad
I Mach. Tripolis in Syrië in,, werfde veel krygs volks,
en deed zich tót Koning kroonen. Het vólk
qpaiïi van alle kanten tót hem geloopen, en
vief hem met zulk een blydfchap toe, dat zy
den Koning Antiochus, en Lyfias, in zyne han-
den fe verden y welke hy beyde deed ombren-
gen, hebbende Antiochus toen nóg maar twee\'
jaaren geregeerd. Veele Jooden die wegens hun
gódloos, gedrag g.evlugt waaren, begaven zich
na dien nieuwen Koning, en Alcimus de Hooge-
priefter voegde zieh by hen , om zyne lands-
lieden,,.: inzonderbêyd J^i^^as Machabéus en
Z-y^e broeders, te befchuldigen dat zy alle van
zynen aanhangdie\'in\'hunne handen verval-:
len Waaren\', gedood, en hen alzo tót het ver-
la^teiïvan hunland , om elders hunne veylig-
® genoodzaakt hadden i en dat
zy daarom by hem gekomen waaren , om te
verzoeken dat hy iemand , op wien hy zich ver-
laaten kon, wilde zenden, om te verneemen
naar \'t gene waarmeê zy Judas\' befchuldigden.
Demctrius_ hierdoor tegen Judas opgehitft,
Zondt Landvoogd van Mefopotamië,
die een dapper man, en groot vrind van den
Koning Antiocliiïs Epifanes geweeft was.
4B7.
;X V I L H Q O F D S T ü K.
De KoningÃemetrius xendt op \'t aandringen van Aldmus, Nikanor
met een groot heir tegfen Judas Machabéus om hem tebverrom-
; pelen. Zy komen tót een gevecht j waarin Nikanor fneuvelt
^ Dood van Alcimus door een fchrik-kelyke ftraffe Góds. Tudas tót
-^^J^^in zyne plaats aangefteld, gaat een verbond met
P deqze klagten tan Alcimus oordeelde«
dè Konmg Demetrius dat de Zekerhevd
van zynen Staat vereyfchte, niet te dulden If 5
Judas Machkbéus zich meer verfterkte ^
om zondt hy , die met hem uyt Komê
gevlugt, en m groot aanzien by hemmet
een groot heir heene. Deeze Veldheer ver-
trok met bevel van niemand der Jooden te ver-
fchoonen: maar by Jerufalem gekomen zynde,
Oo 3 achtte
ten zynen Staat niet ftoorden, hy hem moft doen
dooden, vermids hy het was die den Koning zy-
nen vader bewoogen had dat vólk tót het verlaa-
ten zyner Gódsdienft te dwingen, waardoor al-
le de gebeurde onheylen ontftaan waaren. En
inderdaad die Hoogepriefter was zulk een ftiood
en gódloos menfch, dathy om- tót dat ampt te
komen, \'t welk hy tien jaaren bediende , niet
fchroomde zyne landsgenooten tót het fchen-
den hunner wetten te dwingen. Jlkimus^ an-
ders Jacimus genaamd, volgde hem in \'tHoo-
gepriefterfchap.
Naa dat Antiochus de Zaaken van Judéa al-
dus befchikt had, tooghy tegen Fiiippus op,
en vondt dat hy \'t ryk reeds bemagtigd had;
maar hy ftrafte dien indringer wel haaft; want
naa dat hy hem in eenen grooten veldflag over-
wonnen en gevangen genomen had , deed hy
hem om \'t leeven brengen.
De zoon van den Hoogenpriefter Onias ,
die nóg maar een kind was toen zyn vader ftierf,
ziende dat de Koning doorLyhas raad zynen
oom Menelaüs had doen ombrengen en
\'tampt aan Alcimus, die niet van de priefter-
lyke ftam was, had gegeeven ^ waardoor het
in een ander geflacht was overgegaan, vlugtte
na Ptoloméus den Koning van Egipte en
wierdt by hem en de Koningin Kleopatre ^yne
gemaalin zo wel ontvangen , dat zy hem toe-
ftonden in \'t gebied van Heliopolis eenèn ternpel
gelyk die van Jerufalem te bouwen, waarvan:te
zyner plaatfe zal ge/prooken worden. : â
48r.
achtte hy \'t niet geraaden aan Judas te laaten dat het weder in nieuwe gevaaren gewikkeld
blyken waarom hy gekomen was. Hv beüoot wierde.
Alcirnus de Hoogepriefter wilde de oude 451.
muur van \'t Heyligdom eertyds door de Pro-
feeten gebouwd,"\' doen omverre werpen; maar
Gód fioeg hem op ftaandevoet met zulk een
zwaare ziekte, dat hy ter aarde viel, van ftem
en fpraak beroofd wierd, en \'er eyndelyk van
ftierf, naadat hy veele dagen lang geftadige en
onlydelyke pynen uytgeftaan had. Hy had
het Priefterampt vier jaaren bediend 3 en het vólk
verkoor met algemeene toeftemminge Judas
Machabéus tót zynen naazaat.
Deeze nieuwe Hoogepriefter verftaan heb- 491.
bende dat de magt der Romeynen zo groot
wierdt dat zy de Galliërs, Spanjaarden, en
Karthaginenzers ondergebragt, Griekenland
gedwongen , en de Koningen Perfeus , Filip-
pus, en Antiochus den Grooten overwonnen
hadden, beftoot vrindfchap met hen te maa-
ken, en zondt tót dien eynde zyne twee vrin-
den Eupokmus Joanncszoon,en zoon van
Eleazar, na Rome, met laft om van de Ro-
meynen te verzoeken datzy hen in hun verbond
en vrindfchap wilden ontvangen , en aan den
4Po.
liete. De Raad ontving deeze gezanten gun-
ftiglyk , ftondt hen hun verzoek toe , deed
dit Raadsbefluyt op kópere tafelen gravee-
ren, die in \'tKapitolium bewaard wierden, en
gaf hen een affchrift daarvan \'t welk van dee-
zen inhoud was: ,, Niemand der gener die on-
der de gehoorzaamheyd der Romeynen ftaat >
zal moogen den Jooden oorlóg aandoen;
nóch hunne vyanden met koorn, fchepen,
óf geld te hulpe komen. De Romeynen
zullen de Jooden met hunne magt byftaan
tegen zodaanige die hen befpringen ; en de
_ Jooden zullen de Romeynen defgelyks te
â hulpe komen indien zy aangevallen worden*
Byaldien de Jooden ontrent dit verbond iets
zouden willen af ófbydoen , zal zulks niet
moogen gefchieden dan met toeftemminge
yan \'t Roomfche vólk, \'t welk het zal moeten
bekrachtigen. Dit affchrift was gefchree-
ven door Eiipolemus en Jafon, ten tyde toen
Judas Hoogepriefter, en Simon zyn broeder
Veldoverfte was. En dit verbond was het eerfte
dat de Jooden met de Romeynen maakten.
55
i
XVJII. HOOFDSTUK.
De KoningDemetrius zendt Bacchides met een verfch heir tegen
Tudas Machabétis, die hoewel hy maar achthonderd mannen
tót zynen dienft had, echter befloot roet hem te itryden.
r\\E Koning Demetrius de tyding van Ni-
IJkanors dood, en van de nederlaag zyns i Mach.
heirs verftaan hebbende, zondt een ander te-^"
gen de Jooden onder t bevel van Bacchides..
Deez toog van Antiochië na Judéa, legerdQ
zich by Arbelle in Galiléa, bemagtigde de
holen waarin veele - \'
____________^ooden geweeken waaren
en trok toen n» Jerufalem. Onderwege ver«
nomen hebbende dat Judas in een vlek was ge-
noemd Berfeth, toog hy terftond na hem toe.
^^^^ ____________. ^ ............ judas had toen maar duyzend mannen by zich,
rufte,\' en genoot dVvmcSen der^vieëde7"tót- .waaraf nog eenige zo verfchrikt waaren door
t grööt
de na den Tempel tradt, quamen eenige Prie- Koning Demetrius fchryven dat hy hen in rufte
fters en Oudften hem met flagtóffers te gemoet
welke zy zeyden voor de welvaart van den Ko-
ning Demetrius te w illen öfteren: maar hy , in
plaatfe van hen gunftiglyk te bejégenen, fprak
laftermgen tegens Gód uyt, en dreygde den
Tempel tót den grond toe te verdelgen, indien
zy Judas niet aan hem overleverden; en daarop
ginghy ter ftad uyt. Alles wat zy in deeze ver-
baafdheyd wiften te doen , was Gód met traa-
nen te bidden dat hy hen befchermen wilde.
Nikanor floeg zyn leger ondertuffchen te Bet-
horon , alwaar hem van Syrië verfch vólk toege-
lionden wierdt, neêr ; Judas legerde zich dertig
ftadiën van hem by eene plaats genoemd Adafo,
hebbende maar duyzend mannen by zich; welke
hy vermaande zich over de menigte der vyan-
den, en andere fchynbaare voordeelen der ge-
ner welke zy te beftryden hadden, niet te ont-
zetten ^ maar te denken wie zy zelve waaren,
en waatom zy ftreeden, dewyl dat genoeg was
om hen alle vreeze te beneemen. _ Hierop be-
gon het gevecht met een groote drift ter weder
zyde; veele vyanden lieten \'er \'t leeven, en Nika-
nor onder andere, naa alles gedaan te hebben wat
men van eenen dapperen Krygsoverfte verwach-
ten kon. Door zynen dood gaven zyne benden
den moed verlooren , zy wierpen hun geweer
weg, en namen de vlugt. Judas jaagde hen
waW<er naa, floeg alles dood wat hy aantrof,
en deed met trompetten gefchal door \'t ganfche
land verkondigen, dat Gód hem de overwin-
ninge gegeeven hadde. De Jooden des verwit-
tigd quamen aanftonds in \'t geweer,. en fneeden
den vlugténden den weg. af, zo dat \'er van ne-
genduyzend raannen5\\^ aaruy t hun heirbeftondt,
niet één was die \'t ontquam. Deeze zeege wierdt
bevochten op den dertienden dag der maand
Adar , welke de Macedoniërs Dyftrus noemen,
en fedèrd van ons jaarïyks is gevierd geweeft.
Ons vólk bleef toen eehigen tyd daarnaa in
derhalve met lift te"werk te gaan, en liet hem
weeten dat hy niet begrypen kon, waarom hy
zich in \'t gevaar eens zwaaren oorlógs wilde
fteeken, naardien hy bereyd was hem met eede
te verzékeren dat \'er niets voor hem te vreezen
was , en dat hy met de zyne alleenlyk geko-
men was om hem de gunftige voorneemens des
Konings ontrent zyne landslieden bekend te
maaken. Judas en zyne broeders lieten zich
door deeze mooije woorden bepraaten : men
leyde ter weder zyde den eed af, en liet daar-
op Nikanor met zyn heir binnen trekken; thans
groette hy Judas, en terwyl hy met hem fprak
gaf hy zyn vólk een teken om hem te vatten.
Maar Judas dit bemerkende ontweek het, en
keerde tót de zynen. De verraaderlyke toeleg
van Nikanor aldus ontdekt zynde , was Judas
alleenlyk bedacht om zich ten oorlóg te ver-
vaerdigen. Men quam dan tót een gevecht by
het vlek Kapharfalama, alwaar Judas \'t zo quaad
had, dat hy genoodzaakt was na Jerufalem te
wyken.
Eens wanneer Nikanor uyt den burg komen-
H Ã H i s T O R I. ^pf
desgelyks,en het ge vlecht was5:o liardnekkig, dat
het tót zonnen ondergang duurde. Judas als toen
bemerkt hebbende dat Bacchides met het puyk
zyns krygsvólks aan de rechter vleugel ftreedt,
nam de dapperfte van de zynen tót zich, en
viel zo kloekmoedig op die ftrydbaare benden
aan, dat hy \'er door heene boorende, haar ver^
brak, en op de vlugt bragt, jaagende haar naa
tot aan den berg Aza. Wanneer die van de flin-
ker vlerk zagen dat hy zich zo verre vooruyt
begeeven had, vólgden zy hem naa, en om-
ringden hem van alle kanten. Hy alstoen zien-
de dat het hem onmoogelyk was te wyken,
hieldt zich met de zyne pal en geflooten, en
naa dat hy een groot getal zyner vyanden ge-
dood had, geraaktehyzo buyten adem, dathy
t\'eenemaal vermoeid neêrzeeg, en zyne dagen
alzo eyndigde door een roemruchtige dood, die
alle zyne andere grooteen dappere daaden be^
kroonde. Zyne krygsheden niet konnende
naa\'t verlies van zulk een Opperhoofd ftand
houden , zagen elk om een goed heenkomen.
Zyn lyk wierdt onder een ftilftand van wape-
nen door zyne broeders Simon en Jonathas op-
genomen, en na Modim gevoerd, alwaar het
met groote ftaatfi in zyns vaders graf begraa-«
ven wierdt. Al het vólk beweende hem veelc
dagen lang, en betoonde hem zodanig een eere
als onze landsgenooten gewoon zyn aan de ge^
dachtenifte der doorluchtigfte perfoonen te be-
wyzen. ^
Dit was het roemruchtig eynde van
Judas Machabéus , dien grooten en kloekmoe-
digen krygshoofdman, die altoos het bevél
zyns vaders voor oogen hebbende , zich met
XIL B oek. J O O D S C
\'t groot getal der vyanden, dat zyde vlugt na-
men 3 en hem alzo niet boven achthonderd over-
fchooten. Maar hoewel hy dus verlaaten was, en
geen kans zag om zyne troepen te verfterken,
echter befloot hy met dat kleyn getal vólks te
ftryden. Hy vermaande hen de grootheyd van
het gevaar door hunne kloekmoedigheyd te
boven te komen: en wanneer daarop gezegd
wierdt, dat \'er zulk een groote ongelykheyd
tuflchen zyne magt, en die der vyanden was,
dat het beter zoude zyn t^ wyken, om verfch
vólk te bekomen, en alsdan ten ftryde te trek-
ken, antwoordde hy: â \'t Zy verre dat ik zo
lafhartig zou zyn, dat de zon my ooit my-
nen rug den vyanden zage toekeeren. Al
zoud ik \'er ook myn leeven by infchieten ,
zo zal ik door een fchandelyke vlugt den
luyfter van alle die overwinningen, welke ik
op hen behaald heb, niet bezwalken; maar
ik zal met het geweer in de vuyft, en kloek-
moediglyk ftrydende, alles afwachten, wat
Gode zal believen te gehengen.
Deeze woorden van dien ftrydbaaren Held
hadden zo veel klems, dat zy dit kleyn getal
bewoogen om dit groot gevaar te verachten,
en onbevreefd, tegen den aanval van zulk een
aanzienlyk heir 5 ftand te houden.
35
3»
3>
33
33
33
>3
33
93
XIX. HOOFDSTUK.
Judas Machabéus ftrydt met achthonderd mannen tegen\'t ganfche
heir van den Koning Demetriu?, en fneuvelt naa hét verrichten
van ongemeenc dappere daaden. .Zyn lóf.:
^p^.T>Acchides ftelde Zyn krygsvóïk ln ftagörde,
Jjplaatfte zyne ruytery aan de twee vleugels
een onbézwykelyke dapperheyd in zo veele
moeiiclykteden en gevaaren begaf, om de vry-
heyd zynf vaderlands te wege te brengen, \'tis
dan geen wonder, dat de eere van het zelve
door een i^nkte van ongemeene daaden van
de dienftbaarheyd der Macedoniers bevryd
te hebben, hem eenen naam verwurven heeft
die door dèn tyd niet zal uytgewifcht worden.
Hy had ihet Hoogepriefterfchap drie jaaren be^
diend toen hy ftierf:
en zette de ligtgewapende en de boogfchuttcrs
in\'t midden, achter welke de Macedonifche
benden vólgden. Hy zelf geboodt over de-
rechter vleugel, en naa dat hy met zyn heir in
deeze órde voorttrekkende den vyanden gena-
derd was, beval hy den trompetters den aan-
val te blaazen, en zyn vólk belaftte hy den - ............
ftryd te beginnen. Judas deed van zyne kant diend toen hy
JOOD-
BS
JOOD
HISTOR I
dertiende boek.
H E
EERSTE HOOFDSTUK.
Naaden dood van Judas Machabc^us wordt zyn broeder Jonathas
door de Jooden tót hunnen Veldoverfte verkooren; Bacchicles
Veldheer van Pemetrlus meent hem verraaderlyk te doen doo-
den , dóch dat niet gelukkende, beftrydt hy hem. Wakker ge-
recht , en fraaije aftógt van Jonathas. De zoonen van Amar
dooden zynen broeder Joannes: Hy wreekt zulks. Bacchides
belegert hem en zynen broeder Slmon in Bethalage ; maar
wordt genoodzaakt het belég op te breeken.
liu\'i\'
f
N het voorgaande boek liebben wy getoond
jL^P hoedaanig een wyze de Jooden van de
I Mach. Macédonifche dienftbaarheyd door de dap-
perheyd en \'t beleyd van Judas Machabéus
verlóft wierden, en hoe hy eyndelyk voor hun-
ne vryheyd ftrydende in het gevecht Zyn lee-
ven verloor. N aa het verlies van deezen Krygs-
held deeden de afgevallene Jooden, die hunne
vaderlyke wetten verlaaten hadden, meer quaads
dan ooit te voorejaan degénèn die Gode getrouw
gebleeven waaren: en Judéa wierdt dooxzul-
ken zwaaren hongersnood gedrukt, dat véele
deeze dubbele ongemakken, die hen de armoede,
en de vyand toebrachtjniet machtig te verdraa-
gen , oni daarvan bevryd te zyn tot de Macedo-
niërs overgingen. Aan deeze afvallige beyal Bac-
chides het beftier van de zaaken des landfcbapS}
weshalve Zy alle wélke ze in banden konden
krygen, zo wel de vrinden van Judas Macha-
béus , als andere die zyne party begunftigd had-
den, aan hem overleverdencen \'t was hem niet ge-
noeg hen te doen ombrengen y maar zyne wreed-
heyd ging 20 verre, dat hy hen eerft wreede pyni-
gingen deed lyden. De Jooden ziende zich tót
zulken elendigen ftaat gebragt, dat zy federd de
Babilonifche gevangenis niets diergelyks ont-
moet hadden, en vreezende hunnen geheelen
ondergang, baden Jonathas deri broeder van
Judas, dat hy den naavólger wilde zyn van
de dapperheyd zyns voortreffèlyken broeders,
die zyn leeven geëyndigd had door tót den laaC-
ftcn adem toe voor de behoudenis zyns vader-
lands te ftryden ; en dat hy niet wilde toelaa-
ten dat zyn ganfche landaard verlooren ging,
uyt gebrék van een Opperhoofd dat zo be-
quaam was als hy om over hen te gebieden.
Hy antwoordde dat hy bereyd was zyn leeven
in dien dienft ten befte van\'t gemeen op te zetten:
en dewyl zy alle gezamentlyk geloofden dat
dit ampt aan geen waerdigér perfoon kon op-
gedraagen worden, verkooren zy hem met een
algemeene toeftemminge tót hunnen Overfte.
49Ã. Zo dra had Bacchides dit niet verftaan , óf
hy beftoot, uyt vreeze dat Jonathas niet min-
der dan zyn broeder , aan den Koning en de
Macedoniërs werk verfchaften zoude, hem ver-
raaderlyk te doen dooden: maar Jonathas en
Simon ontdekten zynen toeleg, en weeken met
veele van de hunne in de woeftyne die dicht
phar biceven ftaan. Bacchides geloovende dal
iy bevreefd waaren, toog terftond met alle zy-
ne krygsmagt tegen hen op , ^en legerde zich
over den jordaan. Jonathas dit verftaan heb-
bende zondt Joannes zynen broeder,bygenaam(i-
Gadis, met de pakkaadje na de Nabatheefche
Arabiërs die zyne vrinden waaren, om te ver-
zoeken dat zy die bewaaren wilden tótdat hy
Baccliides flag geleverd hadde. Maar de zoo-
hen van Amar trokken uyt de ftad Mcdaba,
vielen op hem aan, pionderden alle de pak-
kaadje, en doodden hem met ahe die hem ver-
zelden. Dit fnood bedryf bleef niet ongeftraft,
maar wierdt vari Joaiines broeders fel gewro-
ken , gelyk hiernaa ftaat gezegd te worden.
Bacchides weetende dat Jonathas na het moeras
van den Jordaan geweeken was , koos den Sab-
bathdag om hem te bevechten , denkende dat
de begeerte om de wet te onderhouden hem niet
zoude toelaaten te ftryden. Jonathas ftelde
den zynen voor, dat vermids de vyanden van
vooren, en de fiyler van achteren, hen alle mid-
delen benamen om tc vlugten j daar niets overig
was om hen in zulk een groot gevaar tc redden,
dan hunne kloekmoedigncyd. Thans deed hy
een gebéd om de overwinninge, en viel toen
op de vyanden aan, waarvan hy \'er veele dood-
de ; en ziende dat Bacchides ftoutelyk op hem
aanquam, fpande hy alle zyne krachten in öm
hem eenen zwaaren flag toe te brengen : maar
Bacchides ontweek hem ; en Jonathas alstoen
niet in ftaat zynde om zuïk een groot getal lan-
ger te konnen wederftaan, fprongmetdezync
in de rivier, én^zwom \'erover; \'t welkdevy-^
anden hem niet durfden naadoen. Bacchïdes.
in dit gevecht bykans tweeduyzend mannen
verlooren hebbende, keefde weder öa den burg
van Jerufalem, cn verfterkte eenige verwoefte
fteden, als Jcricho, Einas, Bethof on, Bethella,
Thamnata, Pharaton, Tochoa, en Gazara, deed-
ze met muurenen fterke torens omringen, en
leyd *er bezettingen in, om van daar uyttóg-
tcn op de Jooden te können doen. Maar de burg
van Jerufalem verfterkte hy boven al, want al-
daar was het dat hy de kinderen van de voor-
naamften der Jooden, die hem tót gyzelaars ge-»
geeven waaren, in bewaaringe hieldt.
Ten zelfden tyde vernamen Jonathas en Si-
mon dat de zoonen van Amar de dóchter van
eenen der voornaamfte Arabiërs, met welke
één van hen ondertrouwd was , met groote
pracht en ftaatfl uyt de ftad Gathala ftonden te
leyden, om het bruylóftsfeeft te vieren: Wes-
halve deeze twee broeders Oordeelden, dat zy
geen beter gelegenheyd zouden konnen vinden,
om den dood van hunnen broeder Joannes te
wreeken. Zy toogen daarop met een groote tróp
na Medaba, en leyden zich achter eenen berg
497.
by Jerufalem is, alwaai zy by \'t meir van As- die lafigs den weg ftondt in eene hinderlaage.
Zo
^97
.Bö
> E K.
^o dra zy den bmydegom en de bruyd, - nïët
hunne vrinden verzeld, zagen aankomen, vie-
len zy op hen aan, floepen hen alle dood, na-
men al wat kóftelyk was , en keerden te rug
naa dat zy hunnen moed volkomenlyk gekoeld
hadden i want zy bragten vierhonderd perfoo-
nen, zo mannen als vrouwen en kinderen , dm
\'t leeven, en. hielden hun verblyf alstoen in hét
mperas-Jand van den Jordaan. : ;
4p8. , Naa dat Bacchides bezettingen overal in Ju-
déa gelegd had, keerde hy weder na den Ko-
ning Demetrius: aldus bleeven de Jooden twee
jaaren in vreede. Maar de afgevallene zien-
de dat Jonathas en. de zyne in rufte leefden ,
en niets mistrouwden, deeden den Koning ver-
zoeken dat hy Bacchides wilde zenden om hén
aan te grypen , zeggende dat men hen gemak-
lyk by nacht kon overrompelen , en hen alle
doodflaan. Bacchides kreeg daarop bevél van
zynen Vórft om tc vertrekken , en zo dra hy
in Judéa gekomen was , fchreef hy aan zyne
vrinden en de Jooden van zynen aanhang, dat
zy Jonathas zouden zien te vatten. Zy poogden
deezen laft uyt te voeren , maar te vergeefs,
omdat hy zich op zyne hóede hieldt. Hierover
wierdt Bacchides zo vertoornd op die valfche
Jooden, denkende dat zy hem cn den Koning
bedroogen hadden, dat hy vyftig van de voor-
naam fte deed ombrengen. Jonathas en zyn broe-
der ziende datzy niet fterk genoeg waaren, wee-
ken met de hunne na een vlek in de woeftyne ge-
noemd Bethalage, en deeden \'t met muuren om-
ringen en met torens verfterken, om aldaar in.
meerder zekerheyd te konnen woonen. Hierop
belegerde Bacchides die vefting met alle zyne
krygsbenden en dejooden van zynen aanhang 5
maar die van binnen verweerden zich dapper:
en Jonathas zynen broeder Simon in de plaats
laatende om het belég uyt te houden j toog hey-
melyk uyt, en in\'t nabygeleegene land , van
zynen aanhang zo veel vólks, als hykon, by-
een verzameld hebbende, viei by nacht op heC
leger der vyanden aan, doodde vccle vanhen,
en gaf kennis van zyne komfte aan zynen broe-
der , die ter zelfder tyd eenen uyrval deed,
het ftórmtuyg in de brand ^ftak, cn veele van
de vyanden om \'t leeven bragt. Bacchides
zich aldus van alle kanten befprongen ziende,
en niet konnende hoopen de plaats te zullen
bemagtigen, wierdt zo ontfteld dathy wel uyt-
zinnig fcheen j cn hy deed dc zwaarte zyner
gramfchap neêrftortcn op die heyllooze afvalli-
gen, welke hy achtte dat den Koning bedroo-
gen hadden, doordien \'t op hun aanraaden was
dat men hem na Judéa gezonden had: hierom
overleyde hy hoe hy\'t belég beft zonder fchande
zou moogen opbreeken, en weder na zyn land
keeren.
11. Hoofdstuk.
Jonathas maakt vreede met Bacchides.
ïOnathas bemerkt hebbende dat Bacchides al-
J dus gezind was, deed hem een voorftel van » Mach* p^
vreede doen, en liet hem weeten dat indien hy
daartoe gezind was, men ^er dan een begin van
maaken moft met dc gevangenen van wederzy-
de te ontftaan. Bacchides om geen gelegenheyd
te verliezen van het belég met eere tc konnen
opbreeken , maakte geen zwaarigheyd om tót
eene onderhandeling te komen. Dies beloof-
den zy elkander met eede den oorlóg te zul-
len ftaaken i waarop de gevangenen in Vryheyd
gefteld wierden. Thans keerde Bacchides We-
der na den Koning zynen Meefter te Antiochië
cn voerde nooit meer de wapenen in Judéa \'
Jonathas aldus zyn land in zekerheyd en rufte
gebragt hebbende, nam zyn Verblyf in de ftad
Machmar, alwaar hy de regeering des vólks
waarnam, de gefchillen beflechtte, de quaade
ftrafte, en alles tot hervormmge vandezeeden
zyner landaard aanwendde.
Pp III. HOOFD-
III. H O O E D S T
Alexander Ballez zoon. van den Koning Antiochus Epifanes komt
tegen Syrië in de wapenen. De bezetting van Ptolomaïs opent hem
de poorten, ter oorzaake van den haat tegen den KoningDeme-
trius, die; zich ten oorlóg bereyddëi.
IN \'t jaar honderd zeUig quam A/exander toe-
genaamd , zoon van dén Koning An-
tiochus Epifanes , gewapenderhand in Syrië j
waarop de bezetting van Ptolomaïs de plaats
aan heni overleverde uyt eenen haat welken zy
den Koning Demetrius toedroeg, teroorpake
zyner öpeeblaazenheyd waardoor-^y niet te
fpreeken was. Hy hieldt zich befloog^n in een.
koninglyk huys dicht by Antiochië j%nde met
vier groote torens verfterkt, abyaaFhy nie-
mand by zich liet komen: en zonderzich met
de regeeringe van \'c ryk .te bemoeije^^ : bragt
hy zyn leeven aldaar in leedigheyddodfv waar-
mede hy de verachting cn afkeer^ zyner ónder-
daanenop zich haalde, gelyk wy elders gezegd
hebben.^ Maar toen hy verftondtHit Alexander
in Ptolomaïs ontvangen was , verzamelde hy
alle zyne krygsmagtom hem tegen te trekken.
IV. HOOFDSTUK.
De Koning Demetrius zoekt een verbond met Jonathas aan te gaan,
die zich van deeze gelegenheyd bedient om de veftingen van Jeru-
lem te herbouwen. . .
DEeze Vórft zondt ter zelfder tyd Gezan-
ten aan Jonathas ,. om hem tót vrindfchap
en een verbond met hém te noodigen: wanthy
wilde Alexander voorkomen, niet: twyfelen-
de ófhy zoud het zelfde voorneemen hebben
om byftand van Jonathas te verzoeken, \'t welk
hy geloofde te ligter te znllen bereyken , we-
gens den haat die hy wift dat tuflchen hen ge-
weeft was. Hy beval hem dan zo veel krygsvólks,
als hy kon, byeen te verzamelen, om hem in dien
oorlóg by te ftaan, en de gyzelaars derjooden,
welke Bacchides in den burg van Jerufalem ge-
laaten had, weder na zich te neemen. Zo dra
had Jonathas deezen brief niet ontvangen, óf
hy ging \'er meê na Jerufalem, en las hem daar
in de tegenwoordigheyd van al het vólk, en
van de bezetting des burgts. De gódlooze Joo-
den en afvallige die zich derwaards begee-
ven hadden, ftonden verbaafdop \'t hooren dat
de Koning aan Jonathas toeftondt krygsvólk te
verzamelen, en de gyzelaars weder te neemen.
Naa dat men hem dan deezepandslieden ter hand
gefteld had, leverde hyze weder aan hunne oude-
ren over, en bediende zich van die gelegenheyd
om het vervallene te Jerufalem te doen hermaa-
ken. Ook nam hy \'er zyn verblyf, zonder dat
iemand zich daar tegen kantte, en hy deed de
muuren met groote vierkante fteenen weder
opbouwen , opdat zy de magt der vyan-
den zouden konnen wederftaan. Toen de
verftrooide bezettingen in Judéa dit gewaar
wierden, verlieten zy haare plaatfen enkeerden
weder na Antiochië j uytgenomen die van
Bethfura en van den burg te Jerufalem, welke
voornaamelyk beftonden uyt overgeloopene
Jooden die geene gódsdienft hadden.
V. HOOFDSTUK.
De Koning Alexander Ballez zoekt Jonathas om zyne vrindfchap aan,
en gceiE hem het ainpt yan Hoogenpriefter \'t welk opeWtoöd,
fol.
I Mach.
10,
â â Ã\'l\'ï
m
N Ademaal de Koning Alexander Ballez niet
onkundig was van Jonathas gi^opté daaden
in den oorlóg dien hy tegeil de-Mac^doniërs
gevoerd had, en daarbcheven wift hoe;hydoor
Demetrius en zynen Veldheer Bacchides ^^s
geplaagd geweeft, had hy\' nict.-zo dra, de aan-
biedingen welke die Vórft hem deed, vbrftaan,
óf hy zeyde tót zyne dienaaren, dat hjr achtte
in zodaanig een gewricht vau zaaken itiet nie-
n\\and een verbond te konnen-aangaan, wiens
^b^and hem vóordeeliger zoude zyn idan die
\' van Jonathas, omdat behalve z^üe groote dap-
\'prheyd en eervaarenheyd in den oorlóg , hy
-byzondere óprzaak^ had ,oih Demetrius te
haaten, dewyl hy groot leed-van\' heni pntvan-
\'gcn, en\'t hein weder aangedaan hadde. Dathy
derhalve, indien zy \'t geraaden oordeelden,
in een verbond met hem tegen Demetrius wilde
-treeden, dewyi liy-niet zag dat iets hem nutte-
lyker kon weezen. â Zy alle_ keurden dit voor-
neemen goed i en daarop fchreef hy terftond
aan Jonathas den vólgenden brief: \'â De Ko-
ning Alexander aan Jonathas , zynen broe- ,,
der, groetenis. Naardien de achting waar- â
in wy, federd een langen tyd, uwe dapper-
heyd en getrouwheyd gehouden hebben,ons
neygt om een verbond en vrindfchap met u
aan te gaan, zenden wy tót dien eynde eeni-
fs aan u. En om u blyken daaraf te geeven,
ellen wy u tegenwoordig tót Hoogenprie-
fter aan , wy ontvangen u in\'t getal onzer
vrinden, en wy zenden u tót een gefchenk
eeheh purperen tabberd en eene goudene
kroon 5 doordien wy niet twyfelen óf alle die
tékenen van eere welke gy van ons ontvangt,
midsgaders ons verzoek , zullen u tót er- ,,
kentlykheyd verpligten". Jonathas deezen
brief ontvangen hebbende , kleedde zich met
de vercierfelen van \'t Hoogepriefterfchap op
den dag van \'t Loverhutten-feefl: , vier jWen
naa den dood. van zynen broeder Judas Macha-
béus, geduurende welke tyd dat ampt had
opengeftaanj voorts verzamelde hy veel vólks,
en deed eene menigte van wapenen fmeeden.
Demetrius dit verftaan hebbende zette groot
hartzeer daarover, en befchuldigde zyne eygene
traagheyd, dewyl hy aan Alexander tyd gegee-
ven had om door zo groote blyken van genee-
genheyd eenen man van zulk een verdienfte op
zyne zyde te trekken: niettemin fchreef hy aan
Jonathas en\'t vólk in deezervoege: â De Ko-
ning Demetrius aan Jonathas en \'t Joodfche â
vólk heyl. Nademaal wy weeten hoe gy ^^
de aanzoekingen door onze vyanden gedaan, -
om u tót het breeken van ons verbond te be-
weegen, wederftaan hebt, können wy uwe
getrouwheyd niet g^^^g pi"yzen, nóg u te
veel vermaanen om fteeds alzo te doen. Gy
moogt ü op ons woord verzékeren, dat \'er
geene gunften zyn, welke gy tót belooninge
daarvoor van ons niet te verwachten hebt.
En om u zulks met \'er daad te betoonen,
fchelden wy uhet grootfte gedeelte der fchat-
tingen quyt j en ontflaan u tegenwoordig
van
jj
iy
So$>
Boek
FLAVIIPS JOSEPHUS.
van \'t gene gy gewoon zyt aan ons, en aan de
Koningen onze voorzaaten te betaalen, als-
mede van \'t zout-geld, het goud dat gy
ons tót een gefchenk plagt te geeven ,
het derde deel van \'t zaad, de helft der
boomvruchten , en voorts van \'t hoofdgeld
dat aan ons betaald wierdt door de inwoo-
ners van Judéa, en de nabuurige landfchap-
\'pen Samaria , Galiléa , en Peréa j en dat
voör altoos : Wyders begeeren wy dat de
ftad Jerufalem , als een heylige plaats , het
recht eener vryftadgeniete, en benevens haare
landpaalen van tienden en allerley belaftin-
gen vry zy. Wy ftaan aan Jonathas uwen
Hoogenpriefter toe, dat hy den burg vanjeru-
falem met eene wacht belegge van zodaanige
welke hy meeft betrouwt, om hem voor ute
bewa^n. Wy ftellen de Jooden, die in den
oorlóg gevangen genomen, en flaaven onder
onszyn,in vryheyd^j enwy ontflaan u van póft-
paerden te verfchaffen. Wy willen dat de
Sabbathen , Hoogtyden, en de drie dagen
die \'er voorgaan, dagen van vryheyd zullen
zyn i dat de Jooden , in onze landen woo-
nende, vry zullen weezen, en wapenen t\'on-
zen dienfte zullen moogen draagen ten ge-
tale van dertigduyzend , met dezelfde lól-
dy welke wy aan onze andere fóldaaten gee-
5, ven 5 dat zy in de bezettingen onzer plaatfen
â zullen moogen gelegd, in \'t getal onzer lyf-
â fchutbenden ontvangen, en hunne Overften
â gunftiglyk in ons Hóf bejegend zullen worden,
â Wy laaten ulieden, en die der drie gemelde
3, nabuurige landfehappen toe, vólgens de wet-
,, ten uwer vaderen te leeven ; en wy vergun-
â nen uwen Hoogenpriefter , te bezórgen dat
niemand der Jooden in eenen anderen Tem-
5?
3>
J>
5>
3)
3J
3>
53
3J
3J
3J
55
55
55
55
55
55
5>
55
55
55
55
55
55
35
?Tr u ^^ Jerufalem, Gódsdienft pleege.
Wy beveelen dat men jaarlyks uyt onze in-
komften honderd-vyfdg-duyzend drachmen
plvers neeme om\'er de ófferanden uyttebe-
koftigen, en dat het óverige t\'uwen behoe-
ve zy. En belangende de tienduyzend drach-
men welke de Koningen jaarlyks van den
Tempel plagten te ontvangen, wy fchelden-
ze den Priefteren en andere Tempeldienaaren
quyt, omdat wy verftaan dat ze hen toebe-
hooren. Wy verbieden ook de perfoonen
óf goederen der gener aan te taften, die in
den Tempel te Jerufaleni, óf in \'t bedehuys
daar dicht by, om koninglyke fchuld óf er-
gens anders om, zouden moogen gevlugt
zyn. Wy ftaan u toe t\'onzen kófte den Tem-
pel te verbéteren, alsmede de ftadsmuuren,
en \'er hooge en fterke torens op te zetten:
en indien \'er in Judéa b^quaame plaatfen zyn
om kafteelen te bouwen, willen wy dat men
die ook op onze kófte maake.
55
53
55
S$
55
»9
55
55
3>
5>
5?
55
55
53
53
33
53
55
55
Naa dat de Koning Alexander een groots,
krygsmagt byeen vergaderd had, zo van zulke
die in zyne ióldy waaren, als van die welke in
Syrië tegen Demetrius waaren opgeftaan, trok
hy hem tegen , en men quam tót eenen veld-
flag. De flinker vleugel van Demetrius heir
brak de rechter van Alexanders , dwong haar
te vlugten, vervólgde haar lang met een groo-
te flagtinge, en pionderde zyn leger. Maar de
Demetrius . waarin Tiv {Ire^f-rtf
rechter vlerk van
kon de flinker
emetrius, waarin hy ftreedt,
, _ . van haaren tegenftander niet
wederltaan. Niettemin betoonde deeze Vórft
by dat voorval een ongemeene dapperheyd j hy
doodde mét zyne eygene hand veele zyner vyan-
den; en terwyl hy andere naajaagde zonk zyn
paerd zo diep in eenen modderpoel, dat het\'er
niet uyt kon komen. Hy aldus ruy ter te voet ge-
worden,van alle byftand ontbloot,en van alle kan-
ten omringd zynde, wierdt met zo veele pylen
doorfchooten, dat hy , naa zich lang met een
groote kloekmoedigheyd verweerd te hebben
eyndelyk overal van wonden doorboord neder*
viel-, hebbende elf jaaren geregeerd, gelyk wy
elders verhaald hebben. o / /
Pp 2 VI. HOOFD«
VI.\' HOOFDSTUK.
Onias zoon van Onias den Hoogenpriefter bouwt in Egipte «enen
Tempel van \'t zelfde fatfoen als die te Jerufaleni. Twift tuffchen
dè Jooden en de Samaritaanen voor Ptoloméus Philometor Koning
van Egipte wegens den Tempel van Jerufalem en dieti van Gari-
zim. De Samaritaanen verliezen de pleyt.
^04. f\\Nias ±Qon van Onias den Hoogenpriefter,
\' \' \\y die , gelyk wy liiervoore gezegd hebben,
zich na Alexandrië by Ptoloméus Philometor
Koning van Egipte begeeven had , ziende dat
Judéa door de Macedoniërs en hunne Komngen
verwoeft was , wierdt door eene zucht om, zyne
gedachtenis te vereeuwigen, genoopt om aan deri
|:oning en de Koningin .Kleopatre te fchryven,
en hen te verzoeken datzy hem wilden toelaaten
in Egipte eenen Tempel gelyk die van Jerufalem
te bouwen , en aldaar Pjiefters en Leviten uyt
zyne landsgenooten aan te ftellen. In dit voor-
neemen wierdt hy gefterkt door zékere profecy
van Efaias, die wel zeslionderd jaaren te voore
voorzegd had,dat een Jood in Egipte eenen Tem-
pel ter eere Góds bouwen zoude. Zyn \'brief dien
jy deswege fchreef luydde aldus: ,, Toen ik
met Góds byftand ulieden zulke groote dien-
ften in den oorlóg deedvheb ik in het doortrek-
ken van neder Syrië, Fenicië, Leontópo-
â lis dat onder de landvoogdy van Helió-
â polis behoort, en; aijdere plaatlen , aange-
merkt dat de Jooden aldaar verfcheydene
Tempelen gebouwd fedden , zonder eenige
â noodige régelen .dien eynde invacht te;
neemen : het welk een g^oom verdeeldheyd,
tuffchen hen baarde. En de Egiptenaars be-
gaan den zelfden misflag door de menigte
hunner tempelen, en de verfcheydenheyd
van hunne gevoelens in^ zaaken van Góds-\'
dienft. Maar ik heb by een kafteel genoemd
â Bubafte , dat woeft legt , een bequaame
â plaats gevonden om eenen Tempel te bou-
â wen dewyl daar overvloed is Van dieren,
â en andere zaaken ter óftèrande noodig ; en
dat \'er reeds een vervallen tempel ftaat, die
aan geene Gódheyd is toegewyd, en welks
afbreekfel, zo\'t ulieden belieft toe te laaten,
dienen kan tót het bouwen van eenen, ter
eere des almagtigen Góds, die den Jerufalem-
fchen gelyk zy, en alwaar men hem voor de
welvaart van u beyde en uwe kinderen zal bid-
den: het welk ook alle de Jooden die in
Egipte woonen zal vereenigen, doordien zy
daar zullen tzamen komen om Gods lóf te
vermelden, gelyk de Profeet Efaias voor-
zegd heeft, dat\'\'er in Egipte eene plaats den
Heere heylig zal zyn 5 waarby hy nóg ver-
fcheydene andere Zaaken wegens dien oord
voegt.
De Koning Ptoloméus en de Koningin Kleo-
patre, die te gelyk zyne zufter en zyne gemaalin
was , betoonden hunne gódvruchtigheyd door
hun antwoord, het welk zo wasingefteld, dat het
alle de zonde en overtreeding der wet daar in te
begaan op Onias fchoof: want hun brief luyd-
de aldus: â De Koning Ptoloméus en de Ko-
» aingin Kleopatre aan Onias hey}; Wy heb-
jv ben uwen brief gezien , en daaruyt verftaan
j, mv-verzoek aan ons om den vervallen Tempel
van het woeft Bubafte, dicht by Leontópo-
3, lis onder de landvoogdy van Heliópolis,
33
M
SÃ
ï>
5S
3S
5«
>3
33
3>
3)
ÃÃ
3)
5>
3)
33
33
Jï
?»
3J
3ï
5)
55
3>
33
33
53
weder op te bouwen: maar wy konnen
naauwlyks gelooven dat het Gode aange-
naam zal zyn, op zulk een onzi^yvere plaats,
zo vol van gedierte, hem eenen tempel te
bouwen : Dóch naadien gy ons verzekert
dat de Profeet Efaias lang .geleeden yggr-,
zegd heeft, dat zulks gefchieckn zoude,
laaten wy \'t u toe ,; ingevalle het eene za^k _
zy die zonder ^uetfing uwer wet gefchie-
den kan ^ - want wy willen den, Heere niet ,,
beleedigen Onias dit verl^ bekomen heb-
bende bouwde éeuen Tempel yan fatfoentsïs
die te Jerufalem , maar kleyner en niet zo kó-
ftelyk. Ik zal de maat daarvan, nóch hoedaa-
nig de vaten tót deszelfs dienftewaaren , alhier
niet melden , omdat ik % in \'\'t zevend^ boek
dèr Joodfche Qórlógen van fpreeke. Inmid-
dels viel het Onias niet zwaar onder l&e JoQdeii
Priefters en Leviten van zyn flach te vinden,
Oin in dien Tempel te dienen.
Ontrent dien tyd ontftondt te Alexandrië
zulk een groote twift tuflchen de Jooden, e^
de Samaritaanen die onder de regeeringe van
4le5?apder den GtOOten eenen Tempel ;Op den
berg Garizim gefticht hadden > dat Ptoloméiïs
zelf van die zaak kennis neemen wilde. Want
de, Jooden zeyden dat de Tempel vari Jerufa^
l^ aehterVÃlg^s Mofes Wekten gebouwS ^yn-
e^ïiigftq was dien men eeren mo.ft : En
der Samaritaanen. hielden daarentegen ftaanc^
tó die van Garizim. dewaareTempel was. Df;
Koning dm d^n grooten Raa4 tót dien eynde
vergaderd hebbende, beyal dat de Voorfpraa,
ken die hun geding verlooren , met den dood
geftraft zouden worden. Sabéus en TheodoJïusL
lïtaken voor de .Samaritaanen , en dndroni-^
kus, zoon van Meflalanüs, voerde \'t woord
voor de Jooden en voor die van Jerufalem. Zy
betuygden alle met eede voor Gód en den Ko-
ning , dat zy geene bewyzen zouden bybren-
gen dan die uyt de Wet gehaald waaren, enzy
verzóchten den Vórft dat hy de fchenders van
dien eed wilde doen fterven. Ondertuftchen
waaren de Jooden te Alexandrië zeer bekom-
merd voor degénen die hunne zaak zouden
voorftaan, en konden niet zonder groot ver-
driet aanfchouwen, dat men het recht van den
oudften en heerlykften Tempel die \'er in de
werreld was, in twyfel trok. Sabéus en Theo-
doflus dan toegeftaan hebbende dat Androni-
kus eerft fprak, toonde hy door bewyzen uyt
de Wet getrokken, en door de geftadige vólg-
reeks der Hoogepricfteren , hoedaanig de
achtbaarheyd en heyligheyd van den Tempel
te Jerufalem was. Voorts wees hy aan dat alle
de Koningen van Afië door kóftelyke gefchen-
ken groote eere aan den zelven beweezen had-
den , zonder van dien van Garizim eenig werk
te maaken. Hy voegde nóg andere rédenen
daarbv, die den Koning dermaate overftem-
den,\'dat hy verklaarde dat de Tempel van
Jerufalem vólgens Mofes mzetdngen gebouwd
was, en hy doemde Sabéus en Theodofius ter
dood.
*3
33
35
33
.33
33
fOf.
H O O F D S T U K.
Ãlexander B?"«\'\' vindende zich in een vreedzaam bezit vanhet.ryk
van Syrië doorden dood van Demetrius; nëemtde dóchter van Pto-
loméus
VÃT.
à Hi S T O R I
licië. Deeze tyding ontftelde den Koning
Alexander Ballez, die toen in Femciêwas, zo
zeer , dat hy terftond na Antiochië vertrok,
om in alles te voorzien, eer Demetrius daar kon
komen, en hy gaf het bevél over zyn heir aan
Apollonius T>avm. Deeze Veldóverfte toog na
Jamnia, en fchreef aan den Hoogenpriefter Jo-
nathas: 5, Dat het iets zeldzaams was dat hy
op zyn gemak leefde, en in rufte bleef, zon-
der den Koning eenigen dienft te doen:
maar dat hy \'t verwyt dat hy van ieder één
hooren moft, omdat hy hem niet tót zynen
Dligt bragt, niet langer dulden zoude. Dat
ly zich niet behoefde te vleijen met de hoope
dat men hem in \'t gebergte niet zou können
overweldigen: d9ch indien hy zo manhaftig
was, en inderdaad zo veel vertrouwen op zyne
magt ftelde 3 als hy voorgaf, dat hy dan in
de vlakte zoude komen, om het gefchil door
een gevecht te beftechten , waarvan de uyt-
flag toonen zou wie van hen beyde de dap-
perfte was. Dat hy hem liet weeten, dat
ly dc befte fóldaaten die \'er waaren by zich
had, en dat ze uyt alle plaatfen geligtreeds
gewoon waaren de zyne te overwinnen:
Voorts dat men het gevecht zoud houden op
eene plaats alwaar men wapenen behoefde, en
geen fteenen, cn daar de overwonnene zich niet
met de vlugt zouden konnen redden
Jonathas door deeze fnorkery getergd, ver-
trok terftond van Jerufalem met tienduyzend
uytgeleezene mannen , vergeld van zynen broe-
der Simon , en legerde zich by de ftad Joppe.
De inwooners flooten de poorten voor hem toe,
alzo zy bezetting vaii Apollonius in hadden,
maar ziende dat hy zich gereed maakte om hen
met geweld aan te taften , openden zyze we-
der. A pollonius verftaan hebbende dat hy mee-
fter van de ftad was, tógt door A zo-
te met achtduyzend mannen te voet, èn drie-
duyzend te paerde, en quam met kleyne dag-
reyzen in ftilte by Joppe: daarnaa trok hy een
weynig af, om Jonathas in \'t veld te doen ko-
men, dewyl hy zich op zyne ruytery vertrouw-
de. Jonathas toog daarop voort, en vólgde
hem den weg op na Azote. Maar zo dra Apol-
lonius zag dat hy in de vlakte gekomfen was,
keerde hy met de zyne om , en deed ter zelf-
der tyd duyzend paerden üyt eene hinderlaage
komen, welke hy gelegd had om de Jooden
van achteren te overvallen. Jonathas die zulks
al van te voore gCzien had, verfchrikte niet
eens daarover i maar ftelde zyne flagórde in\'t
vierkant, om de vyanden van alle kanten het
hoofd te konnen bieden , en vermaande toen
de zyne zich dapper in dien ftryd te quyten.
Naa dat het gevecht tót den avond toe geduurd
had , gaf hy \'t bevél over een gedeelte van \'t
heir aan zynen broeder Simon, en belaftte ter
zelfder tyd aan de benden welke hy onder zyn
eygen opzigt hieldt, dat zy zich met hunne
fchilden zouden dekken, om \'er de pylen der vv-
andlyke ruyters op te laaten afftuyten. 2y dcL
den gclyk hen bevolen was, Waardoor de vyanden
alle hunne pylen verfchooten, zonder hen eenig
leed te doen. Toen Simon zag dat de ruyterl
vermoeid waaren , hebbende den ganfchen dag
Pp 3 zo
XIE Boek. J O Ã P H
lomeus Philometor Koning nn Egipte ten v/yve. Alexander doet
Jonathas den Hoogenpriefter groote eere aan.
ISJAa dat de Koning Demetrius, gelyk reeds
Mach. gelegd is, in den flag gefneuweld was, en
dat Alexander Ballez zich door zynen dood
meefter van ganft:h Syrië bevondt, fchreeFhy
aan Ptoloméus Philometor Koning van Egip-
te , en verzócht de Prinfés Kleopatre zyne
dóchter van hem ten huuwelyk , zeggende dat
het billyk was , nademaal Gód hem dc gunft
beweezen had van Demetrius te overwinnen,
en\'t ryk zyns vaders weder te bekomen , dat
hy hem in zynverwantfchapontving, waartoe
zelfs andere inzigten hem niet onwaerdig
maakten. Ptoloméus ontving dien brief met
blydfchap , en antwoordde daarop : Dat hy
mét groot vermaak vCrftaan had , dat hy we-
der in h^ ryk, dat hem van rechtswege toequam,
gekeerd was j en dat hy hem zyne dóchter
gaern geeven wilde: dat hy derhalve maar tót
aan Pcolomaïs behoefde te komen, alwaar zyn
voorneemen was haar te brengen, om daar de
. bruylóft te houden. Dit gefchiedde alzg , en
Ptoloméus gaf aan zyne dóchter ten bruydfchat
eene fomme zulk eenen Koning betaamende:
Alexander noodigde den Hoogenpriefter Jona-
thas door eenen brief ook tót zyne bruylóft :
deez liet niet naa daar te verfchynen, gaf groo-
te gefchenken aan beyde de Koningen , en
wierdt met groote eere van hen ontvangen:
want Alexander verpligtte hem zyn eygen ge-
waad af te leggen om eenen purperen tabberd
aan te fchieten, deed hem nevens zich op zy-
rien troon zitten, en beval aan zyne voornaam-
fte amptenaaren dat zy hem door de ftad zou-
den leyden, en voor hem doen uytroepen dat
niemand iets tegen hem zou moogen inbrengen ,
qf hem eenigen overlaft aandoen. Alle deeze
gunften gaven aan ieder een te verftaan, in hoe-
daanig een aanzien Jonathas by den Koning
was j weshalve zyne vyanden, die gekomen waa-
ren om hem te befchuldigen , weder heene gin-
gen, uyt vreeze dat het quaad het welk zy hem
berókkenden op hun eygen kóp neêrkomen
zoude. En de geneegenheyd welke die Vórft
hem toedroeg was zo groot, dat hy hem aan-
merkte als iemand dien hy boven alle andere
beminde.
3ót
35
33
33
3>
33
3J
33
33
3»
35
>3
»3
33
JJ
33
33
33
33
33
33
33
VIII. HOOFDSTUK.
I)ernetrius Nikanor zoon van den KoningDemetriusfepmt meteen
heir in Cilicie. De Koning Alexander Ballez geeft het gebied over
\'t.zyne aan Apollonius, die Jonathas den Hoogenpriefter beftrydt :
Dóch deez flaat hem , ^neemt Azote inj en verbrandt Dagons
Tempel. Ptoloméus Philometor Koning van Egipte , komt den
Koning Alexander zynen fchoonzoon te hulpe, diehem door Am-
monius laagen doet leggen Ptoloméus ontneemt hem zyne dóch-
ter , geeft haar aan Demetrius ten huuwelykj en maakt dat de
inwooners van Antiochië hem aanneemen, en Alexander verjaa-
gen , die met een heir wederkomt. Ptoloméus en Demetrius ber
vechten en overwinnen hem: maar Ptoloméus ontvangt zo veele
⢠wonden dat hy \'er van fterft , ma alvoorens het hoofd yan
Alexander gezien te hebben \'t welkhem van eenen Arabifchen Vorft
, toegezonden wierdc. | onathas belegert den burg van Jerufalem,
en bevreedigt den Koning Demetrius dooc gefchenken , die den
Jooden nieuwe guallen bewyft. Deeze Vórft z.ich in vreede zien-
de dankt zyne oude fóldaaten af.
"IN het honderd vyfënzeftigfte jaar nam T)eme-.
^\' ^ trius toegenaamd Nikanor., zoon van den Ko-
ning Demetrius , veel krygsvólks in zyne fól-
dy , \'t welk Lafthenes de Kretenzer hem ver-
Ichafte, en ging van dat eyland t\'fchcep na Ci-
m veele fchichten te vergeefs gefchooten, viel
hy zo wakker op hun voetvólk aan, dat hy \'t
aan \'t wyken bragt. Door hunne vlugt ont-
zonk der ruyterye de moed, zo dat ze ook in
groote wanorde de vlugt nam. Jonathas jaag-
de haar naa tót aan Azote, en verfloeg een
groote menigte : de óverige vlooden in den
Tempel van Dagon, om daar hunne behoudenis
te zoeken. Maar hy met de zyne onder hen
vermengd ter ftad in ftreevende , deed \'er den
brand in fteeken, alsmede in de dórpen daarom
heene , en zonder den tempel van dien afgód
te verfchoonen , verbrandde hy hem met alle
die \'er in ge weeken waaren. Het getal der vyan.
den welke dien dag door het ftaal en de vlam-
men fneuvelden j quam op achtduyzend uyt.
Jonathas daar naa Azote verlaatende, legerde
zich dicht by Askalon; waarvan de inwooners
hem gefchenken aanboden, welke hy ontving,
en hen voor hunne goedwilligheyd bedankte,
keerende alzo zeeghaftig met ryken buyt we-
der na Jerufalem. De Koning Alexander Bal-
lez geliet zich blyde over Apollonius neder-
laag te zyn , omdat hy zynen vrind en bond-
genoot buyten zynen laft aangegreepen had:
en om aan Jonathas blyken te geeven van de
achting die hy hem toedroeg , zondt hy hem
een goudene gefp, hoedaanige van niemand dan
\'s Konings maagen mogten gedraagen wor-
den , en hy gaf hem Akkaron en deszelfs land-
gebied voor altoos in eygendom.
Ter zelfder tyd qUam de Koning Ptoloméus
Philometor met zyne land-en-zee-magt in Syrië,
tót byftand van zynen fchoonzoon Alexander,
door wiens bevel alle de fteden hem met blyd-
fchap ontvingen , uytgezeyd Azote j \'t welk
hem zwaare klagten deed, dat Jonathas Dagons
tempel verbrand , en al het land te vuur en te
zwaerd verwoeft had j op \'t welk hy niet ant-
woordde. Jonathas quam hem by Joppe te ge-
moet, wierdt wel ontvangen, waarnaa hy hem
tót aan de rivier Eleutherus vergezelfchapte, en
toen met kóftelyke gefchenken, die hy van den
Vórft ontvangen had , weder na Jerufalem
keerde.
IUI
508.
Toen Ptoloméus te Ptolomaïs was , fcheel-
de het weynig dat hy niet omquame door de
laagen welke Alexander hem door zynen vrind
Ammonius leyde : maar hy ontdekteze , en
fchreef aan Alexander , dat hy dien verrader
naar verdienfte behoorde te ftraffen: maar zien-
de dat daar niets op vólgde, bemerkte hy wel
dat Alexander zelf hem dat verraad gebrouwen
had j en wierdt deswege zeer vertoornd op
dientrouwloozen Vórft, die zich reeds zeer ge-
haat gemaakt had by de inwooners van Antio-
chie ter oorzaake van dien Ammonius , van
men zy grooten overlaft geleeden hadden
ücnter neert deeze booswicht zyn verdiende
ftrafte niet konnen ontgaan j want hebbende
om zich te bergen vrouwen kleederen aange-
trokken j wierdt hy in dat gewaad gedood, en
ftierf alzo eenen fchandelyken dood , gelyk wy
elders gezegd hebben.
Ptoloméus kreeg hierentuflchen berouw van
\'t verwantfchap met Alexander aangegaan , en
van den byftand hem verleend 5 weshalve hy
hem zyne dóchter ontnam, en gezanten aan
Demetrius zondt omze hem ten huuwelyk aan te
bieden, met belófte van hem in zyn ryk te her-
ftellen. Hy ontving die aanbieding met groote
blydfchap ; dies ftond \'er voor Ptoloméus nu
niet anders te doen, dan de ingezétencn van An-
tiochië te overreeden dat zy dien jongen Vórft
aannamen, op wien zy gebeeten waaren door\'t
herdenken van \'c gene zy onder zyns vaders re-
geeringe geleeden hadden. Dóch de haat dien
zy Alexander ter oorzaake van Ammonius toe-
droegen , deed hen zonder veel moeite befluyten
hem uyt hunne ftad te verjaagen. Hy week
en Ptoloméus Philometor trok
in de ftad Antiochie, alwaar hy als Koning ge-
groet
fio.
XHI. BónK, J 0.:0 D S ⬠U
gr-{>c-t cWierdt van zyn Iiêir,
en gedwïongen tocrte^ laaten dat meniJiem twefe
kroonen op \'t hoofd zettede-,;^de é^ in de
hoedaanigheyd -van - Kojtiing- over Afië , , en de
andere als Koning van EgipCâ¬;_ Maar dewyl
lïy.van natuüre zeer re^tvaerdig» wys, gemaa*
tigd. s -en ganfGh .niet ftaatzuchtig was , en dé
Rojïieynen geen fins beleedigen wilde , verza-
melde hy alle de inwooners dier groote ftad 3
en riedt hen Demetrius tot hunnen Koning
aan te neemen verzoetende J^n dat hy door
die weldaad de vyandfchap , die \'er tuflchen
zynen Vader en hen geweeft was, vergeeten Zou-
de : -waarby hy,voegdej â dathy,hem onder-
j, wyzön zoude hoe hy wel regeeren moft, en
j, dat hy hem zoud, aanbeVeelen nooit iets te
doen dat eenen Vérft onbetkamelyk\'waare.-:
j, voorts dat wat hemzelvên aanging, hy
35 zich met het ryk van Egipte -rergenoegdd.
indeezervoege overreede die wyze Koning hen
om Demetrius aan te neemem .
Alexander een groot heir byeen verzameld
hebbende , trok d^aarmeê in Gilicië en Syrid ,
plondérde die landen, en verwoeftte alles fflet
blaaken en branden. Ptoloméus , .en Deme^
trius, dien toen zyn fchoonzoon geworden was,
toogen tegen hem op ten ftryde, overwonnen
hem , en dwongen hem na Arabië te vlugten.
In dit gevecht gebeurde het dat het paerd van
Ptoloméus , verfchrikt door het gekryfch eens
olifants , ter aarde viel 5 waarop de vyanden
hem van alk kanten omringden , en hem ge-
dood zouden hebben , \'t en waare zyne lyf-
wacht hem uyt het gevaar geréd hadde: maar hy
ontving zo veele wonden in zyn hoofd , dat
hy vier dagen was zonder iets te konnen fpree-
ken , óf verftaan van \'t gene men tót hem fprak.
Den vyfden dag , wanneer hy weder tót zich
zeiven begon te komen , zondt zeker Ara-
bifch Vórft, geheeten Zabez, hem het hoofd
van Alezander, Aldus vèrftondt hy den dood
van zynen vyand , en zag met zyne eygene
oogen dat die tyding waar was : maar hy over-
leefde zyne blydfchap niet lang, want naauw-
lyks had hyze ontvangen, óf hy eyndigde zy-
ne dagen. Deeze Alexander Ballez regeerde
maar vyf jaaren , gelyk wy elders gezegd heb-
ben.
512. Demetrius Nikanor door zynen dood in
^t bezit van het ryk getreedcn zynde, deed
zynen quaaden aarde wel haaft blyken : want
vergeetende de weldaaden van Ptoloméus Phi-
lometor, en de vermaagfchapping in welke hy
door \'t huuwelyk met Kleopatregetreeden was,
handelde hy zyne krygslieden zo quaalyk , dat
zy zyne ondankbaarheyd verfoeijende na
Alexandrië weeken, en hem de ohfanten lieten.,
behouden.
513. Ter zelfder tyde vergaderde Jonathas de
Hoogepriefter allé zyne krygsbenden uyt ge-
heel Judéa, om den burg vanjerufalem aan te
taften, waarin eene bezetting van Macedoniërs
lag, en alwaar de afvalhgé f ooden zich begeeven
hadden. Hun vertrouwen op de fterkte der plaatfe
maakte dat zy in den beginne met zyne ondernee-
ming den fpót dreeven j en eenige dier Jooden
gingen \'er heymelyk uyt om Demetrius kennis
van dat bdég te geeven. Hy Wierde hierover
zo yertoon\\d; dat hy met een heir van Antio-
chië tégen Jonathas optrok 5 éii toen hyte Pto^
lemais gekomen was , aan hem fchreef dat hv
daarby hem-móft komeft i jonathas gin<r Vr
heené Zönder:écliter hec-,be]ég. op te breeïen ^
hy nam met zich eemge Priefters en oudften
des vólks 5 en hy bragt hém goud , zilver,
kóftelyke kieederen , en veele andere gefchen-
ken om zyne- gramfchap té ftillen. De Konino-
ontving hem met groote eere y beveftigde hein
in \'t Hoogepriefterfchap , gélp de Koningen
zyne Voorzaaten gedaan hadden ^ en floeg niet
alleenlyk geen geloof aan de befchuldigihgen dér
overgeloöpé Jooden , maar vergunde hem Ook
dat ganfch Judéa, nevens-dé drie ©nderhoorï-
gë landfehappen täh Saniarië , Joppe , én
Galiléa, niet meer dan driéhOnderd talenten
tot fchattinge ^taalerti Zoüden , gelyk blykt
üyt dé ópéne -brieven wélke hy daarVah yerleen-
de , en dié aldus luydden : De Koiftng De-
ffletrius aan Jonathas zyilen broeder, èn de
Joodfche landaard, heyl Wy zenden u het
affchrift van den brief, diéA wy aan onzen
bloedverwant Lafthenes gefchreeven heb-
ben , ten eynde gy den inhoud deszelfs
moogt zien. De Koning Demetrius aan
Lafthenés onzén vadér, héyl. Willende aan
dejooden beéuygeh hoe Zéér wy over hunne
erkentelykheyd wegens de zucht die wy hen
toedraagen , voldaan Zyn^, én hen blyken
daaraf geeven , zo beveelen \\vy dat de drie
landvoogdyen van Aphetema , Lydda , en
Ramath met haar rechtsgebied , dien van ,,
Samarië ontnomen , en Judéa toegevoegd
Worde 5 én wy fchclden licn alles quyt wat
de Koningen onze voorzaaten gewoon! waa-
ren te ontvangen van degénen die na Jeru-
falem gingen om te ófferen-, alsmede alle an-
dere fchattingen welke zy wegens de aard-
en boom-vruchten van hen trokken. Wy
ontflaan hen ook van den zout-tol , en de â
gefchenken, welke zy den Koningen plagten â
te zenden i zonder dat men hen iets in\'t toe- â
komende deswege zal moogen afëyfchen. â
Geef dan bevél dat onze meening uytgevoerd â
worde , en zend een affchrift van dbezen â
brief aan Jonathas om in een openbaare plaats â
van den heyligen Tempel bewaard te; wor- â
den". :
Demetrius zich nu in rufte ziende j achtte
dat hy niets te vreezen had : dies dankte hy
zyne krygsknechten , welker fóldy hy te voo-
ren al befnoeid had , af, cn hieldt alleen de
vrccmdehngen , welke hy uyt Kreteeh de an-
dere eylanden gebragt had , in dienft. Hier-
door haalde hy den haat van zyn eygen krygs-
vólk op zich , vermids de Koningen zyne
voorzaaten niet zo met hen gehandeld , maar
hen ook in tyd van vreede fóldy betaald had-
den, opdat zy altoos van hen zouden konnen
gediend zyn , wanneer de. nood het quame te
vereyfchen.
3J
35
»
IX. HOOFD-
BBB
SI
IX. H O O F D S T U K.
Tryphon beftaat Antiochus, zoon van Alexander Ballcz, in\'t ryk van
Syrië te herftellen, Jonathas belegert den burg\'van Jerufalem »
en zendt den Koning Demetrius Nikanor byftand, die doordat
middel de inwooners van Antiochië, welke hem in zyn paleys be-
legerd hadden , beteugeld, Zyne ondankbaarheyd jegens jona-
thas. Hy wordt overwonnen door den-jbrigen Antiochus, eh
vlugt na Gilicië. Antiochus doet Jonatha$-,groote eere aan,,en
wordt van hem bygeftaan tegen Demetrius.,, Heerlykeoverwin-
ning door Jonathas op "t heir van Demetrius bèhaald. Hy ver-
nieuwt het verbond met de Romeynen en Lacedemoniers. De
Sekten der Pharifeen, Sadduceen, en EiTeners. Een ande.r heir van
Demetrius durft Jonathas niet beftryden, Jonathas begint Jerufa-
\' km te verfterken. Demetrius overwonnen en door Arlaces\' Koning
der Parthen gevangen genomen.
Oen %>iodorus toegenaamd Tryfon , een
^ Apamener, en wel eer één der Opperbevel-
hebberen van het heir van den jConing Alexan-
der Ballez, zag dat het krygsvólk van Deme-
trius Nikanor zo t\'onvreede over hem was ,
ging hy by eenen Arabier genoemd Maleus,
by y^ien Antiochus de zoon van Alexander op-
gevóed wierdt , en verhaalende hem \'t mis-
noegen van Demetrius fóldaaten; verzócht hy
dien jongen Prins van hem te hebben om hem
in zyns vaders ryk te herftellen. Deeze Ara-
bier, die zynen woorden geen geloof kon gee-
ven , weygerde hem zulks in \'t eerfte; maar
Tryfon hieldt zo fterk aan , dat hy \'er hem
eyndelyk toe overreedde.
Jonathas de Opperpriefter volhardende in
zyn voorneemen om de Macedoniërs, die op
den burg van Jerufalem in bezettinge lagen,
cn de gódlooze Jooden die hunne wyk daar
genomen hadden, vandaar te verdry ven > en
alle de andere fterkten van de bezettingen te
verlóftèn, zondt Gezantén met gefchenken-aan
den Korting Demetrius, óm verlóf daartoe van
hem te verzoeken. - Deeze Vórft ftondt hem
zulks niet alleenlyk toe, maar liet hem weeten
dat hy nóg meer doen zou, zo dra hy verl óft zou-
de zyn vati den oorlóg dien hy voerde, en die
hem belettede té konnen doen wat hy wenfchte.
Dóch dat hy hem ondertuflchen verzocht, hem
eenige hulpe toe te zenden , omdat zyn vólk
hem verliet en tót den vyand overliep. Hierop
zondt Jonathas hem drieduyzend uytgeleezene
krygsknechten.
51 f.
Toen de inwooners van Antiochië, die maar
na gelegenheyd verlangden om zich van De-
metrius te -ontflaän, ter oorzaake van het leed
en den overlaft welke zy van hem en zynen va-
der ontvangen-hadden, zagen wat byftand hy
van Jonathas gekreegen had , deed de vreeze
dat indien zy hem niet voorquamen , hy een
groote magt byeenzamelen zoude, hen de wa-
penen opneemen, en hem in zyn Hóf belége-
ren , waarvan zy de toegangen overal bezet-
teden, opdat niemand zou können ontkomen.
Hy poogde wel met zyne Vreemde fóldaaten,
en de Jooden die \'t zyner hulpe gekomen waaren,
eenen Uytval te doen; maar naa een zwaar ge-
vecht wierdt hy door het groot getal der ingeze-
tenen genoodzaakt weêr in zyn paleys te keeren.
De Jooden zich toen van de hoogte der plaatfe
waarop zy ftonden bedienende , fchooten van
de kanteelingen zo veele fchichten neêr , dat
zy de inwooners dwongen de nabygelégene
huyzen te verlaaten, waarnaa zy \'er denbrand
in ftaken, die terftond voortfloeg, en de gan-
fche ftad in de vlamme zettede, omdat de huyzen
zeer dicht aan één, en maar van hout gebouwd
Waaren. De inwooners alstoen niet konnen-
de het geweld van het vuur wederftaan, en al-
leenlyk met het bergen van hunne vrouwen en
kindercn beezig , wierden van de ééne kant
door de Jooden gejaagd, en van de andere op
verfcheydene plaatfen door den Koning beftree-
den; waardoor veele omgebragt, en de óverige
genoodzaakt wierden het geweer neêr te wer-
pen , cn zich op genade en ongenade over te gee-
ven. Daarop vergaf hy hen hunnen opftand, ftil-
de de muytery,fchonk den Jooden den geroofden
buyt, en zond hen weder na Jerufalem aan
Jonathas, met lóf en betuyging dat hy aan hen
het
H Ã S T Ã R Ã.
Sbf
îlâ¬C dempen van den oproer zyner onderdaanen
verfchuldigd was. Dóch hy toonde wel haaft
daarnaa zyne ondankbaarheyd } want het was
hem niet genoeg dat hy zyne belófte aan Jona-
thas gedaan niet naaquam , maar hy dreygde
hem met eenen oorlóg, indien dejooden hem de-
zelfde fchatting niet opbragten, die zy aan zyne
voorzaaten betaald hadden : en deeze dreyge-
menten zouden van daaden gevólgd zyn ge-
weeft , indien Tryfon hem niet gedwongen
had zyne wapenen tegen hem te keeren. Hy
quam uyt Arabië in Syrië met den jongen An-
tiochus zoon van Alexander Ballez , dien hy
tót Koning deed kroonen j en dewyl de krygs-
lieden van Demetrius welken hy hunne fóldy
onthouden had, hem toevielen , leverde hy
Demetrius flag, overwon hem , nam zyne oli-
fanten , maakte zich meefter van Antiochië, en
dwong hem na Cilicië te vlugten.
5^7\' Thans zondt de jonge Antiochus Gezanten
aan Jonathas met brieven , waarin hy hem zy-
nen vrind en bondgenoot noemde , hem in het
ampt van Hoogenpriefter beveftigde , êii hem
de vier landvoogdyen die aan Judéa gevoegd
waaren toeftondt. Hy zondt hem ook goude-
ne vaten en drinkbeekers, eenen purperen tab-
berd j een gouden gefp, met vermoogen om dien
te draagen, en verzekerde hem dat hy hem aan-
merkte als eenen zyner voornaamfte vrinden.
Daarenboven ftelde hy Simon, Jonathas broe-
der , tót Overfte van \'t krygsvólk dat hy van Ty-
rus tót aan Egipte onderhieldt. Jonathas ziende
dat hem zo vee e gunfte en eere beweezen wierdt,
zondtGcÃanten aan dien jongen Vórft, en aan
Tryfon » om hen te verzekeren dat het hem
nooit aan geneegenheyd en getrouwheyd je-
gens hen ontbreeken zoude, en dat hy bereyd
was nevens hen aan te fpannen om Demetrius
te beftryden , over wien hy groote reden had
zich te beklaagen , dewyl die de dienften hem
beweezen, niet dan met ondankbaarheyd ver-
golden had. Hierop ftondt Antiochus hem
toe krygsvólk in Syrië en Fenicië te werven,
om de benden van Demetrius tegen te trek-
ken : weshalve hy terftond na de nabuurige fte-
den ging, alwaar hy wel ontvangen wierdt,
maar hy kreeg \'er geene fóldaaten. Hy trok
dan na Askalon , waarvan de inwooners hem
met gefchenken te gemoet qüatnen , welke hy
even als die van de andere fteden, en van neder
Syrië vermaande , op zyn voorbeeld de zyde
van Antiochus te kiezen; en die van Demetrius
te verlaaten , om zich over \'t ongelyk van
hem ontvangen te wreeken. De rédenen welke
hy gebruykte waaren zo krachtig , dat zy\'er
door overftemd wierden, en hem hulpetoezey-
den. Vandaar gmg hy na Gaza , om de in-
wooners ook op Antiochus zyde over te haa-
ien ; maar in plaats van zyn oogmerk te be-
reyken , flooten zy de poorten voor hem toe.
Hy om zich daarover te wreeken , verwoeftte
het platte land, belégerde de ftad i en een ge-
deelte zyner benden tót benaauwinge der plaatfe
gelaaten hebbende , ging hy met de óverige na
de nabuurige vlekken om die in de brand te
fteeken. Die van Gaza konnende zich in dit
gevaar gà |pi hulp van Demetrius todeggen ^
omdat al waare hy in ftaat geweeft om hen by-
ftand te zenden , hy echter te vefre van de
hand was om het tyds genoeg te dben, \'ivaaren
gedwongen voor den nood te Wykfen : dies
fchikten zy gezanten aan Jonathas | flooten
een verdrag met hem, en verbondeh Zichhun-
he wapenen in dien oorlóg by de zyne te voe-
geh. Dit voorbeeld toönt dat de meeftC men-
fchen niet weeten wat hen nut is, dan door
ondervindinge van het onheyl dat hen over-
komt ; in plaats dat voorzigtigheyd hen be-
hoorde aan te leyden om het voor te kómen,
en vi\'ywilliglyk te doen \'t gene zy geen kans
zien te vermyden. Naa dat Jonathas dan gy-
zelaars van hen ontvahgCn had , welke hy na
Jerufalem zondt, bezócht hy het ganfche land-
fchap tót aan Damaskus.
Middelerwyl quam een gróót heir , ^t Welk
Demetrius verzameld had , zich by de ftad
Cedafa, die tuflchen het land van TyruSenGa*
liléa legt, légeren , om Jonathas daardoor te
noodzaaken Syrië te verlaaten, en Galiléa, dat
onder zyne regeering ftondt, te hulpe te komen.
Hy quam ook wel haaft na die kant, maar hy
liet in Judéa zynen broeder Simon, die zo veel
krygsvólks, alshy kon, byeen gebragt hebben-
de , Bethfura , dc fterkfte plaats van dat land-
fchap , alwaar Derlifetrius, gelyk reeds gezegd
is , eene bezetting hieldt , belégerde , en
het zo wakker met ftórmgercedichap aan-
taftte, dat die van binnen^ i Vreezende dat zy
met geweld bemagtigd, en alzo alle omgebragt
zouden worden , tót een Verdrag quamen , en
zich na Demetrius begaven , naa dat Zy de
plaats in handen van Simon gefteld hadden, die
\'er eene bezetting in leyde.
Jonathas ondertuflchen in Galiléa zynde,
brak van het meir van Gennczareth op, en trok
na Azot, denkende dat hy daar geene vyan-
den aantreffen zoude : zy daarentegen, die
\'s daags te vooren van zyne aantógt Verwit-
tigd waaren , leyden in \'t gebergte eenig vólks
in eene hinderlaage, èn toogen langs de vlakte
op hem aan. Zo dra als hy hem zag komen,
ftelde hy zyn vólk in flagórde, om het ge-
vecht te beginnen : maar toen de Jooden degé-
nen die in de hinderlaage gelegd waaren, te voor-
fchyn zagen komen , wierden zy zo bevfeefd
dat Ze van alle kanten omringd en aangegree-
pen zouden worden , dat zy alle de vlugt na-
men en hunnen Veldheer verlieten , uytgeno-
men Matthathias Abfaloms zoon , en Judas,
Chapfus zoon , Onderveldoverften van Jona-
thas , nevens vyftig andere dappere manneri,
die door Wanhoop genoopt, met zulk een
woede op de vyanden aanvielen, dat zy, döoir
die ongemeene kloekmoedigheyd verbaafd , de
vlugt namen. Deeze onverhoopte uytflag ver-
dreef den fchrik der anderen die Jonathas ver-
laaten hadden , zo dat zy wederkeerende de
vyanden tót aan hun léger dicht by Cedafa
vervólgden , en twceduyzend van hen neér-
maakten. Jonathas door Góds byftand zo een
heerlyke overwinning bevochten hebbende
keerde weder na Jerufalem , zondt Gezanten
na Rome om het verbond met het Roomfche
vólk te vernieu\\ven ^ en beval hen op hunne
sVeder-
Ese
mm
XIII. Boek.
En de Sadduceên daarentegen looglienen dat\'er
een gódlyke voorfchikking zy , en zeggen dat
die maar in eene inbeelding beftaat, beweeren-
de dat alle onze bedryven zo volftrektelyk van
ons afhangen, dat wy alleen voorzoveerwy ee-
nen goeden óf quaaden raad vólgen , deveroor-
Zaakers Zyn van al het goeden quaad dat ons
bejeg^ênt. Maar ik heb in \'t byzonder van dee-
ze ftólïe gehandeld in het tweede boek der Jood-
fche oorlogen.
Dóch om Weder tót Demetriits. te keeren,
de Overften van zyn heir wiilendC\'dc geleede-
né fchaade herftellen , verzamelden een groo-
ter magt dan te voore om tegen Jonathas op
te trekken. Hy des verwittigd , toog heil tc
gemoet in dè vlakte van Amath , om hen den
ingang in Judéa te beletten ^ en légerende zich
vyftig ftadiën van hen, Zondt hy eenige uyt
om hun leger te verfpiedcii, Naa dat hy door
eenen brief overleverde van Arius uwen Ko- hun bericht, en dat van etlyke, in den nacht ge-
â ning, waarvan wy ulieden een affchrift zen- vangen, verftaan had, datzy van meeningewaa-
â den, uyt het welk gy zien zult dathy gewag ren hem te overrompelen 3 ftelde hy met der
âmaakt van een verwantfchap tuffchen ons. fpoed op alles goede órde, zettede voorwachten
5, Wy ontvingen dien brief met groote blyd- . uyt, en hi^t zyn heir den ganfchen nacht in
j, fchap , en betuygden zulks aan Arius en
â Demotheles , alhoewel die vermaagfchap-
,, ping ons niet onbekend was j doordien onze
521,
55
Onias , alstoen Hoogepriefter van ons vólk.
35
\'t geweer. Toen de vyanden , die zich niet fterk
genoeg oordeelden om hem voor de vuyft tc
beftryden , zagen dat hun toeleg ontdekt was,
braken zy hun leger op, en ftaken eenemenig-
cn\'^\'t\'gene ons belét had daarvan tót ulieden te van vuuren aan om hunnen aftógt verbor-
te fpreeken, is dat wy geacht hebben dat we j gen te houden. Des mórgens heel vroeg toog
u \'t voordeel van ons daarin te voorkomen ; Jonathas op om hen in hun leger aantegrypen 5
niet behoorden te benyden. Maar federd \' - â \' - \'
dien dag dat wy ons verbond hebben ver-
nieuwd , hebben wy niet naagelaaten Gód in
onze ófferanden, en op onze plegtige hoog-
tyden, te bidden, dat hy ulieden bewaare, cn
u overwinning over uwe vyanden verlecne.
Alhoewel nu de onmeetelyke ftaatzucht on-
zer gebuuren ons genoodzaakt heeft zwaare
oorlogen te voeren , echter hebben wy on-
bondgenooten tót geen laft willen
heylige Boeken ons daaraf kennis geeven:
en bevindende dat zy ^t verlaaten hadden, ver-
vólgde hy hen ; maar te vergeefs; want zv
waaren de rivier Eleutherus reeds overgetrok-
ken , cn in zekerheyd. Hy wendde zich toen
na Arabië, verwoeftte het land der Nabatheërs,
kreeg \'er grooten buyt, cn voerde veele gevan-
genen weg , welke hy te Damaskus verkóft.
Ter zelfder tyd trok Simon , \'broeder van\'
Jonathas, door ganfch Judéa en Paleftina, tót
aan Askalon toe , leyde bezettingen in alle dc
plaatfen daar hy \'t noodig vondt ; en naa dat
hy het land aldus verzekerd cn verfterkt had,
trok hy na Joppe , nam het in , en leyd\'er een
fterke bezetting, doordien hy verftaan had dat
de inwooners hunne ftad aan Demetrius wilden
53
5J
35
33
33
33
3>
5J
33
33
522.
zen
overgeeven.
Naa het verrichten deezer treffelyke bedry-
ven keerden deeze twee broeders weder na Jc-
rufalcm, alwaar Jonathas het vólk deed byeen-
komen , cn aanriedt de ftadsmuuren weder op
te maaken, den muur waarmeê de Tempel was
omringd geweeft tc herbouwen , en hem , tót
meerder fterkte , met groote torens te voor-
zien ; alsmede eenen anderen muur in V mid-
den der ftad te maaken , om dc bezetting van
den burg in te ftuy ten, en haar doordat middel
den toevoer van leevensmiddelcn af te fnyden.
Voorts gafhy te verftaan dat men de voornaamfte
plaatfen des landfchaps beter behoorde te voor-
zien en verfterken. Deeze voorflag wierdt goed-
gekeurd j daarop nam hy ^t verfterken der ftad
op zich , terwyl zyn broeder Simon dat van de
andere plaatfen waarneemen zoude.
De Koning Demetrius de rivier overgétrók-
ken zyndegmg na Mefopotamië, ^^ datland,
cn de ftad Babilon tc vermecftcrdn , en aldaar
Zynen
.1
1 ^
i\'lil
â¢m
zynmaar naa dat wy \'er ons gelukkiglyk
â hebben door geréd , hebben wy aan de Ro-
â meynen afgezonden Numenius zoon van An-
â timachus, en Antipater Jafons zoon , twee
â aanzicnlyke Raadsheeren , en hebben hen
â bevolen obk aan uheden deezen briefte be-
â handigen , om de vrindfchap en \'t goed ver-
â ftand dat \'er tuflchen ons is te vernieuwen.
3, \'t Zal ons aangenaam zyn dat gylieden ons
,, wecten laat waarin wyunuttelyk konnen wee-
â zen , dewyl wy bereyd willig zyn u allerley
â goede dienften te bewyzen." DeLacedemo-
niërs ontvingen deeze Gezanten zeer wel, cn
gaven hen een openbaar fchriftelyk blyk van de
vernieuwing van vrindfchap en \'t verbond.
Toen ter tyd waaren\'er onder ons drie ge-
zindheden , die verfcheydentlyke gevoelens
hadden wegens de mcnfchclykc bedryven : de
eerfte was die der Pharifcën, de tweede die der
Sadduceên, en de derde die der Eftèeners. De
Pharifeën fchryven eenige, maar niet alle zaaken
aan \'t noodlót toe, cn gelooven dat fommige in
onze macht zyn; zulks dat wy die doen óf laa-
ten konnen , naar ons believen. De EflTccners
bevveeren dat alles van \'t noodlót afhangt , en
dat ons niet buyten Góds fchikking overkomt.
vvederkomil: door Lacedemonië te trekken, om
het verbond en de vrindfchap aldaar ook op
nieuws te beveftigen. Deeze afgezanten wier-
den té Rome zo wel ontvangen , dat zy niet
alleenlyk alles verwierven wat zy begéérden j
maar ook brieven meêkreegen aan dé \'Konin-
gen van Afië en Europe , en aan alle Stadvoog-
den , om in volkomene veyligheyd té Iconnen
wederkeeren. Te Lacedémon gekomen zyn-
de leverden zy eenen brief over van dén vólgen-
den inhoud: â Jonathas de Hoogeprielter, en
â de Raad en \'t Joodfche vólk , aan de Opzie-
â ners,den Raad,en den vólke van Laccdemonie,
,, onzen broederen, groetenis: Indien gylieden
â welvaart, eh uwe gemeene en byzondere zaa-
â ken wel ftaan , zal \'t ons aangenaam zyn 3
â wat ons aangaat wy zyn welvaarende : \'t Is
eenige Jaaren geleeden dat Demotheles aan
X. HOOFDSTUK.
Tryfon ziende Demetrius verflagen wierdt te raade zich van Antio-
chus te ontflaan, om zelf in zyne plaats te regeeren, en Jonathas
ook in \'t verderf te ftórten : waarop hy hem bedriegelyk om den
tuyn leydt, duyzend mannen van zyn vólk te Ptolomaïs doet om-
brengen , cn hem gevangen houdt.
^Oen Tryfon zag dat Demetrius t\'eenemaal
I Mach. J- in 2yn verderf was geftórt, vergat hy de
trouw welke hy Antiochus fchuldig was, en
wierdt te raade hem te doen ombrengen, om in
zyne plaats te regeeren. Dewyl hy nu geenen
anderen hinderpaal zag dan de vrindfchap die
Jonathas Antiochus toedroeg, befloot hy zich
eerft van hem te ontflaan, en daarnaa dien jon-
gen Vórft op \'t lyf te vallen. Met dit voornee-
men ging hy van Antiochië na Bethfa, \'twelk
de Grieken Scythopolis noemen, en bevondt
dat Jonathas veertig duyzend uytgeleezene man-
nen byeen had, om tegenftand te konnen bie-
den, m gevalle men iets tegen hem ondernee-
men wilde. Tryfon dan geen kans ziende om
zynen toeleg te doen gelukken, nam zyne toe-
vlugt tót Hft. Hy onderging Jonathas met ge-
fchenken en groote beleefdheyd, en om hem al-
le wantrouw te beneemen, en hem ten val te
brengen wanneer hy\'er minft op verdacht waa-
re, beval hy zynen krygsbevélhebberen dat zy
Jonathas, als hem zei ven, gehoorzaamen zou-
den. Voorts zeyde hy hem dat dewyl alles in
rufte, en dit groot getal krygsvólk onnoodig
was, hy hem riedt het zelve af te danken, en
alleenlyk een kleyn gedeelte te houden om heni
tót aan Ptolomaïs te vergezelfchappcn, \'t welk
hy hem ijevens de andere vafte plaatfen van \'t
land in handen wilde ftellen, zynde tót geen
ander oogmerk by hem gekomen. Jonathas ge-
loovende dat Tryfon oprechtelyk tót hem fprak,
liet al zyn vólk, op drieduyzend mannen na,
gaan, van welke tweeduyzend in Galiléa gelaa-
ten zynde, vergezelfchapte hy met de óverige
duyzend Tryfon na Ptolomaïs. Toen zy in de
ftad gekomen waaren flooten de inwooners,
vólgens \'t bevél dat zy van Tryfon ontvangen
hadden, de poorten, en bragten hen alle om
\'t leeven, uytgenomen Jonathas, dien hy ge-
vangen hieldt, en daarop een gedeelte van zyn
heir na Galiléa zondt, om de tweeduyzend man-
nen, die daar gebleeven waaren, mede te doo-
E H I S t à k t jo^
den. Maar zy bericht bekomen hebbende \'t pene
Jonathas wedervaaren was , doordien het"ge-
rucht daarvan zich reeds verfpreyd had, nanien
de wapenen op , en Weeken zonder eenig ver-
lies , vermids Tryfons krygsvólk , ziende dat
zy beflooten hadden hun ieeven dier te verkoo-
pen , hen met durfde aangrypèn, en alzo on-
verrichter zaake wederkeerde.
35
3>
3>
3J
33
33
35
33
33
33
33
3>
3J
iy
33.
33
Si
33
33
33
XI. H O Ã F D S T Ã IL
De Jooden kiezen Simon Machabéus tóe hun Opperhoofd in
plaats van Jonathas zyiien broeder, die gevangen gehoudcp wierdt
door Tryfon , welke honderd talenten en twee zyner zoonen re
pande omvangen hebbende , om hem in vryheyd te fteüen , zvn
woord met houdt, maar hem doet ombrengen. Simon recht hein,
en zynen vader, en andere broederen een prachtige grafftede oo Hv
wordt tóe Vórft en Hoogenpriefter der Joodenlannpa^u t
trefFelyk beleyd, Hy ver óft zyn volk van de dienftbaariipvr^ A r
Macedoniêïs; neemt den burg van Jerufalem ftÃrittendethaS ii.!
doet hem flechten, alsmede den berg waatop hy gelegen was.
T^E tyding van \'t gene Jonathas wedervaa-
-«-^ren was bedroefde de mwooners van Jeru
falem zeer, zo wegens de geneegenheyd welkè
zy hem toedroegen , als door de vreeL dat de
nabuurige vo ken , die alleenlyk uyt ontzag
voor hem zich ftil gehouden hadden, ziende
hen van zulken wyzen en kloekmoedigen Over-
fte bermfd, hen den oorlóg zouden aandoen,
en tot den uyterften nood brengen. En \'t bleek
ook dat zy zich niet bedroogen, want dcezc
volken hadden het gerucht, dat zich van Tona-
thas dood vcrfprcydde ,, zo dra niet gehoord,
of zy verkondigden hen den oorlócr. en Trv-
fon verzamelde ook een heir om in Judéa rè
trekken Simon om den Jooden, weite hy zo
verbaafd zag, een hart onder de riem te ftee-
ken , deed al het vólk in den Tem.pel tzamen
komen en fprak hen aldus aan: Ulieden 5
met onbekend , Broede-s d-
, \' -»^iuuuc.ä , Q^j, myn va-
f\'^\'^yn^,bloeders , en ik , zich voor alle
hachlykheden bloot gefteld hebben, óm uwe
vryheyd te erlangen en te bewaaren. Gelyk
ik dan in myn eygen geflacht voorbeelden
vinde, die my verpligten den dood te ver- â
acuten, om de wetten en gódsdienft onzer ,
vaderen voor te ftaan, zo zullen geene gevaa- â
ren my ooit beletten myne eere en pligt bo-
ven myn leeven te ftellen. Nademaal \'t u-
lieden dan niet ontbreekt aan een Hoofd dat "
zo yverig voor uwen welftand is, dat het al-
toos bereyd is tót bevórderinge daarvan al-
le zwaarigheden door te ftreeven , zo vólat
my kloekmoediglyk overal waar ik u leyde
Dewyl ik met meer verdieiifte hebbe daii my-
ne broeders , zo behoor ik myn lee^iï riiJt
meer te verfchoonen dan zy : en ik zou laf- â
hartig moeten zyn mdien ik hunne fchreeden
niet naa wandelde : maar \'t zal my tót roem ,,
ftrekken hen naa te vólgen, door met blyd-
fchap voor de verdeediginge van ons Vader-
a wetten , en onze gódsdienft te
fterven j en ik hoop door myne daaden te doen "
blyken, dat ik geen onwaerdige broeder ben
van die doorluchtige en dappere mannén,
welker gelukkig en wys beleyd ulieden zo
veele overwmmipn^^h^^^^^^ ^oen bèhaalen.
Ik zal met Gods byftand u op uwe vyanden
wreeken, ik zal u met u%e vrouwen 4 kin-
deren tegen den overlaft, dien zy u willen
XIII. BOEK. JOODSCH
zynen fykszetel te plaatfen, naa dathy de an-
dere landfehappen onder zyn gebied zoude ge-
bragt hebben : want de Grieken en Macedoni-
ërs, die daar woonden, hadden hem geftadig-
lyk gezanten gezonden, om hem te verzékeren
dat zy zich aan hem onderwierpen, en hem in
den oorlóg tegen Arfaces Koning der Parthen
dienen zouden. Demetrius zich met die hoope
vleijende, Ipoedde zich met zynen tógt na dat
land, meenende dat indien hy de Parthen kon
overwinnen, het hem ligt zondevallen Tryfon
uyt Syrië te verdry ven. De vólken dier land-
fehappen ontvingen hem met blydfchap 5 en naa
dat hy een groot heir verzameld had, deed hy
Arfaces den oorlóg aan ; maar die Vórft ver-
floeg hem t\'eenemaal, en hy viel leevendig
in de handen zyner vyanden, gelyk wy elders ge-
zegd hebben.
â aandoen, befchermen, en ik zal beletten dat
â hunne moedwil onzen Tempel ontheylige :
3, want deeze afgodendienaars zouden u zo
3, ftoutelyk niet verachten en befpringen, \'t en
â waare zy zich inbeeldeden dat gy zonder
â Opperhoofd zyt." Het vólk door deeze
woorden opgewekt fchepte moed, en kreeg
beter hoope : zy riepen alle met eenpaarige
ftemme dat zy hem verkooren om de plaats van
Judas en Jonathas te bekleeden, en dat zy hem
blymoediglyk gehoorzaamen zouden. Deeze
nieuwe Opperbevélhebber verzamelde terftond
alle welke hy tót den krygsdienft bequaamft
oordeelde , en liet geenen tyd verlooren gaan
om Jerufalem met muuren en fterke torens te
doen omringen. Voorrs zondt hy Jonathas
Abfalons zoon , die zyn groote vrind was, na
Joppe, en gaf hem bevél de inwooners daar-
uyt te verdry ven, opdat zy de ftad aan Tryfon
niet overleverden; en hy bleef zelf te Jeru-
falem.
Tryfon middelerwyl vertrok met een groot
heir van Ptolomaïs na Judéa, en voerde Jona-
thas zynen gevangen met zich. Simon met de
krygsmagt die hy by zich had toog hem te ge-
moet tót aan het vlek Adida, gelegen op eenen
berg tegen welken de velden van Judéa aanpaa-
len. Zo dra Tryfon vernomen had dat Simon
Oppervéldóverfte der Jooden was , zonde hy
eenige aan hem om hem te bedriegen j doende
hem boodfchappen dat indien hy zynen broe-
der wildé ióftèn, hy hem honderd talenten zil-
vers moft zenden, met twee van Jonathas zoo-
nen , om hem tót bórg te dienen van huns
vaders balófte dat hy de Jooden niet van, des
Konings gehoorzaamheyd afwenden zoude :
Voorts dat Jonathas maar gevangen gehouden
Wierdt tótdat hy aan dien Vórft het geld dat
hy hem fchuldig was zoude betaald hebben.
Simon beriierkte wel dat deeze voorflag maar
een lift was , en dat al waare \'t dat men hem
O-ave \'t géne hy eyfchte, en hem zyns broeders
kinderen ter hand ftelde, hy hem echter niet
ontflaan zoiide. Maar vreezende nógtans dat
men hem , indien hy zulks weygerde, befchul-
digen mogte als óf hy de oorzaak van zyns
broeders dood geweeft waare , deed hy \'t gan-
fche heir byeenkomen, zeyde tót hem watTry-
fons eyfch was, en dat hy niet twyfelde óf\'t
was maar haar oogmerk om hem te bedriegen :
dóch dat hy echter van verftand was dat men
^t geld en. de twee kinderen moft zenden , ten
eynde men hem niet verdacht hield als óf hy \'t
leeven zyns broeders niet redden wilde. Al-
dus wierdt dan het geld nevens de kinderen ge-
zonden: Maar Tryfon hieldt zyn woord niet;
hy liet jonathas niet lós ; en hy verwoeftte het
l^d met zyn heii-. Thans nam hy zynen weg
door Iduméa , en quam tót aan Dora, eene
ftad" yan^<|at land, met voorneemen om na Je-
rufalem "te trekken : dóch Simon vólgde hem
fteeds itxet zyne benden , en legerde zich t\'el-
kens tegen, hem over.
Ondertuflchen preftede bezetting van het ftót
fe Jeruialem Tryfón geftadiglyk aan om t\'haa-
rer hulpe te komen, en op \'t fpoedigft leeftógt
re zénden. Hy beyal daarop aande ruytery om
nóg dien zelfden nacht derwaards op weg te
flaan; maar zy kon niet door de zwaare
fneeuw die \'er viel, welke de wegen zo bedek-
te, dat nóch menfchen nóch paerden die ge-
bruyken konden.
â rii
m
528.
Tryfon toog dan na neder Syrië , en trek-
kende door \'t land van Galaad, doodde hy
Jonathas, liet hem begraaven, en keerde toen
weder na Antiochië. Simon deed daarnaa het
gebeente van zynen broeder uyt de ftad Baska
na Modim voeren , cn aldaar weder ter aarde
beftellen. Al het vólk bedreef groote rouw,
en Simon deed voor zynen vader, en voor zy-
ne broederen een prachtige graffteede oprech-
ten van witten gcfteepen fteen , zo hoog dat
menze van verre kon zien : rondom maakte hy
galleryen, die door zuylen , ieder uyt éénen
fteen beftaande , onderfchraagd wierden : en
om die zeven perfoonen te betékenen , deed
hy\'er zeven grafnaalden van een groote hoog-
te, en wonderbaare fchoonheyd, nevens zet-
ten. Dit voortreffelyk werkftuk is tegenwoor-
dig nóg te zien.
Hieruyt kan men oordeelen hoedaanig een
liefde Simon zynen nabeftaanden toedroeg, en
inzonderheyd zynen broeder Jonathas, die
vier jaaren naa dat hy tót Vórft zyns vólks, en
tót het ampt van Hoogenpriefter verheven Was,
omgebragt wierdt. Al het vólk verkoor toen
met eendragtigc toeftemminge Simon tót zy-
nen naazaat; en in het eerfte jaar dat hy in die
twee groote ampten gefteld wierdt, verlófte hy
de Jooden van de dienftbaarheyd der Maccdo-
niërs, zo dat zy niet meer fchatting aan hen
betaalden : dit viel voor honderd zeventig jaa-
ren naa dat Seleukus toegenaamd Nikanor zich
meefter van Syrië maakte. Onze ganfche land-
aard had zulk een achting voor Simons deugd,
dat men niet alleenlyk in dc byzondere, maar
ook in de openbaare Schriften ftelde : â Gedaan
m \'t zo-veelde jaar der regeeringe. van Simon â
Vorft derjooden, die zyn geheele landaard â
door weldaaden verpligt heeft." Want onder
zyne regeeringe genooten zy allerley voorfpoed,
én behaalden veele overwinBingen op de na-
buurige\' vólken die hunne vyanden waaren.
Hy pionderde ook de fteden Gazara, Jop-
pe , en Jamnia, nam den burg van Jerufalem
ftórmenderhand in, en flechtte dien tót op den
grond toe , om te beletten dat de vyanden zich
\'er ooit meer van zouden können bedienen om
den Jooden quaad te doen : ja zelfs den berg
waarop hy lag, deed hy flechten , opdat \'er niets
dan de Tempel boven \'t óverige der*ftad uyt-
fteeken zoude. Om dit groot werk uyt te voe«
ren, had hy al \'t vólk doen tzamenkomen, en
hen den overlaft dien zy van de bezetting des
burgs geleeden hadden , en nó^ zouden kon-
nen lyden indien eenig vreemd Vórft dien her-
bouwde , met zulke klemmende rédenen voor-
gefteld, dat zy alle beflooten aan dien moeije-
lyken arbeyd de hand te flaan. \' Zy waaren\'er
dan drie jaaren onophoudelyk dageninacht-meê\'
bezig, en maakten dien berg zo effen, dat\'er
niets daar ontrent overbleef boven \'t welk de
Tempel, niet. nytftak.
XII. HOOFD-
530.
Iil
I
i
lOODSCHE HISTOKI,
XIIL Boek.
4hi
\'5?
XII. HOOFDSTUK.
Tryfon doodt Antiochus zoon van Alexander Ballez , en wordt voor
Koning aangenomen. Zyne ondeugden maaken hem zo gehaat by
zyne fóldaaten, dat zy in dienft van Kleopatre , Deraetrius\\eduw,
overgaan. Zy trouwt met Antiochus Soter, broeder van Demetrius
en doet hem Koning kroonen. Tryfon wordt door hem overwon\'
n-u , en vlugt na Dora , en vandaar na Apamea , alwaar hv pc-
dood wordt. Antiochus zoekt vrindfchap met Simon den Hoogen-
priefter. °
\'\'^lec lang naa dat de Koning Demetrius
Nikanor door de Parthen gevancren was
deed Tryfon Antiochus den zoon van Alexander
Ballez, toegenaamd J\'/^^öJ, óf Gód, in\'t vier-
de jaar naa dat hy hem onder zyne voogdye
genomen had, heymelyk ombrengen 5 en liet
daarnaa een gerucht loopen, dathy zichzelven
onbedachtelyk onder zyne oefeningen gedood
had. Voorts deed hy het krygsvólk door zy-
ne vrmden aanzoeken om hem tót Koning aan
te ftellen , beloovende hen veel gelds, en hen
voorhoudende dat indien Antiochus , broeder
van Demetrius , quame te regeeren , hy hen
ftrengelyk over hunnen opftand ftraffen zoude.
Deeze hoope en rédenen overftemden hen , zo
dat zy hem voor Koning erkenden. Maar toen
hy zich tót die opperfte waerdigheyd verheven
zag , bevlytigde hy zich niet langer die quaade
neygmgen te ontveynzen , welke hy ampteloos
zynde zo zórgvuldiglyk verborgen had, om
de geneegenheyd van ieder één te winnen. Hy
betoonde dat hy waarlyk was \'t gene zyn naam
betékende, dat is (^J) weiiuftig, en tót alle on-
deugden overgegeeven. Deeze verandering
van gedrag ftrekte niet weynig tót voordeel zy-
ner vyanden : want zyne fóldaaten wierden met
zulken haat tegen hem ingenomen , datzy hem
verlieten , om over te gaan in den dienft der
Koninginne Kleopatre , Demetrius weduwe,
die zich toen met haare kinderen in Seleucië
onthieddt. Toen deeze Vórftm zich met die
krygsbenden verfterkt zag , zondt zy eenige
aan AnUochus toegenaamd Seter , broeder van
Demetrius , die uyt vreeze voor Tryfon van ftad
tot ftad omzv/urf > en liet hem eenen voorflag
doen van met hem te trouwen, en hem de kroon
op \'t hoofd te zetten j waartoe men zegt dat
zy bewoogen wierdt door den raad haarer vrin-
den , en dOor vreeze dat de inwooners van Se-
leucië de poorten voor Tryfon zouden open
zetten. Antiochus quam daarop aanftonds tót
haar, en dewyl hy van dag tót dag grooten toe-
loop van vólk kreeg , trok hy tegen Tryfon,
leverde hem flag , overwon hem , en dwong
hem opper Syrië te verlaaten. Hy vlugtte dan
na Dora , een fterke plaats in Fenicië : Antio-,
chus belegerde die ftad, en zondt gezanten aan
Simon den Hoogenpriefter om een verbond met
hem aan te gaan : deez deed zulks gewillig,
en ftondt hem by met geld en leevensmiddelen
om het belég vöort te zetten, waardoor hy An-
tiochus zo verpligtte , dat die hem eenigen tyd
als éénen zyner befte vrinden aanmerkte. Try-
fon vlugte van Dora na Apamea, alwaar hy met
geweld gevat, en gedood wierdt, naa dat hy
drie jaaren geregeerd had.
(*) Tr^j^hon betekent in ^t Griekfch zo veel als wdHig,
1 Mach.
15-
XIII. HOOFDSTUK.
Ondankbaarheyd van Antiochus Soter jegens Simon Machab.^.^
A Ntiochus, die van natuure zeer gierig was, ^ v
^^ vergat de byftand haaft welke hy van Si-
mon ontvangen had , en zondt daarop Cmde-
bem met zyn heir om Judéa in te neemen en te
verwoeften. Over deeze trouwloosheyd wierdt
de Hoogepriefter
zo gebelgd, dat hoewel hy al
hoog bejaard was, hy echter op dit voorval geen
minder wakkerheyd betoonde, dan óf hy nóg in
den bloei zyner jongheyd geweeft waare. Hy
zondt zyne zoonen met zyne befte kryo-sben-
den den vyanden te gemoet, vólgde niet de
óverige langs eenen anderen weg , en leyde in
verfcheydene engten van \'t gebergte hinderlaa-
gen; \'t welk hem zo wel gelukte , dat\'er geen
gevecht in dien oorlóg voorviel waarin hy de
overhand niet had : en aldus verfleet hy \'t ove-
rige zyns leevens in rufte , naa dat hy \'t ver-
bond met de Romeynen vernieuwd had.
XIV. H O O F D S T U K.
Simon Machabe\'us wordt verraaderlyk gedood door zynen fchoonzoo»
Ptolomeus , die ook zyne weduwe en twee zoonen Pcvaneen
neemt. " &
Eeze dappere Simon wierdt, naa dat hy 533.
acht jaaren de Joode^i geregeerd had, ver- ^
raaderlyk op een gaftmaal gedood door zynen\'"\'
fchoonzoon Ftolomém , die ter zelfder tyd
zyne v/eduwe en twee zyner zoonen gevano-en
zette , en eenige uytzondt om Joannes toege-
naamd Hjrkanm, die de derde was, defgel vks
om \'t leeven te brengen. Maar deez berikt
daaraf belpmen hebbende vlugtte na Terufalem
verlaatende zich op de geneegenheyd welke
het volk , wegens de genootene weldaaden,
voor zynen vader had , en op den haat dien
men Ptoloméus toedroeg. En \'t bleek dat zyn
vertrouwen niet quaalyk gegrond was , want
toen 1 toloméus door een andere poort wilde
inkomen , wierdt hy door \'t vólk, dat Hyr-
kanus reeds ontvangen had , met kracht weer-
houden.
XV. H O O F D S T U K.
Hyrkanus zoon van Simon belegert Ptoloméus binnen Daaon â¢
zyne hefde tót zyne moeder en broeders , die van \'
den dood gedreygd wierden indien hy de p aaTs bSt^\'e" ^
dooden toen t belég opgebrooken was.
pTolomeus zynen toeleg gemift hebbende
^ week op het flót Dagon , boven Jericho ge-x mLÃ
legen, alwaar Hyrkanus, naa dat hy in \'tampt
van Hoogenpriefter , \'t welk zyn vader had
bediend , beveftigd was , en Gode óft\'eranden
geoft\'erd had , hem met een heir quam belége-
ren. Dóch hoewel hy anderftns magtiger was
dan zyn vyand, echter het hy zich door de
hefde en barmhartigheyd jegens zyne moeder en
broederen overwmnen : want Ptoloméus heb-
bende hen op de muuren doen brengen , deed
hen aldaarm\'t aanzien van ieder één geeftèlen,
met bedreygmge van hen van^ boven neêr tc
^en , mdien hy \'t bdlég niet opbrak.
Dit trot Hyrkanus zo gevoeliglvk , dat de be-
geer-
Qji a
geerte om deeze perfoonen , die hem zo dier-
baar waaren , van die pynigingen te bevryden,
zynen moed verflaauwde. Zyne moeder daar-
entegen. gaf hem een téken met haare handen,
dat hy zynen toelég met meerder wakkerheyd
zoude voortzetten j en zy vermaande hem,
â Dat hy zich dóch door flaphartigheyd niet
â zou laaten vermeefteren , maar door een
5, rechtvaerdige gramfchap genoopt , hunnen
â overlaft op dien fnooden vyand wreeken,
3, en hem ftrafte voor zyne gruuwelyke wreed-
â heyd doen lyden; dat wat haar aanging , zy
met blydfchap onder de pynigingen fterven
,, zoude , als maar die boofwicht naar ver-
â dienfte zyner misdaagen geftraft wierdt."
Deeze woorden moedigden Hyrkanus aan om
den ftórm, tót bemagtiginge van\'t kafteel, te
hervatten : maar op \'t zien dat men zyne moe-
der met geeftèlftagen verfcheurde , ontzonk
hem de moed , en zyne gramfchap molt wy-
ken voor de liefde cn zucht welke hy haar toe-
droeg. Dit hieldt dan het belég draaiende,
en het zevende jaar, \'t welk voor de Jooden een
jaar van rufte is , gekomen zynde , bevrydde
Ptoloméus van Hyrkanus wraak. Deeze ver-
raader aldus van vreeze verlófl, doodde Hyr-
kanus moeder en twee broeders evenwel, en
vluo-tte na Zeno toegenaamd Kotyla , die de
ftad Filadelfta zich met geweld aangemaatigd
had.
ALHIER ETNDIGT: DE HISTORI DES BTBELS.
â lili;
XVI. HOOFDSTUK.
Ec Koning Antiochus Soter belegert Hyrkanus in Jerufalem , en
ftaakt eyndelyk \'t beleg naa \'c aangaan van een verbond. Hyrka-
nus verzdt hetn in eenen oorlóg tegen de Pärchen , alwaar Antio-
chus fneuvelt , en Demetrius zyn broeder , die door Arfaces Ko-
ning der Patthen ia vryheyd gefteld was , bemagtigt het ryk vau
Syrië.
nh A Ntiochus Soter , die fteeds eenen wrók
â ^behieldt wegens de overhand die Simon
vader van Hyrkanus op hem behaald had.
B
taftte Judéa aan in ^t vierde jaar zyner regee-
ringe , \'t welk het eerfte van Hyrkanus op-
perbcftierderft:hap , en in de honderd twéén-
zeftigde Olympiade was. Naa dat hy het land
verwoeft , en Hyrkanus na Jerufalem te wyken
gedwongen had , belegerde hy hem aldaar, en
deelde zyn heir in zeven hoopen , om de gan-
fche plaats alzo te beftuyten. Hy lag\'er eeni-
gen tyd voor zonder iets te vórderen , ter oor-
zaake van de fterkte der muuren, cn de dap-
perheyd der belegerden , waarby nóg quam
gebrék van water , waarvan echter een zwaare
regen hen verlóftte. Daarnaa deed hy aan de
kant van \'t noordén , alwaar de toegang ge-
maklyk was , honderd torens met drie zólde-
ringen oprechten, v/aarop hy veel krygsvólks
ftelde , om de muuren onophoudelyk te beu-
ken. Daarenboven deed hy een dubbelde
graft, die zeer diep cn wyd was , om de ftad
maaken, waardoor hy den Jooden allegemeen-
ft;hap met die van buyten affneedt. De bele-
gerden lieten ondertufTchen niet naa menig-
maal uytvallen te doen, tót groote afbreuk der
belegeraaren, ais die zich niet op hunne hoede
hielden > v/ant anders weeken zy terftond weêr
in de ftad. Hyrkanus ziende dat de menigte
der onnutte monden die in de plaats waaren,
de leevensmiddelcn onnuttelyk zou doen ver-
teeren , deed hen ter ftad uytgaan, behoudende
alleenlyk zulke die door de kracht hunner jaa-
ren ten ftryde bequaam waaren. Maar Antio-
chus belette hen den doortógt , zo datzy rond-
om de muuren zwervende jammerlyk van hon-
gersnood gepraamd wierden. Maar dewyl
\'t Loofhutten-feeft aanquam, lieten de beleger-
den, door medelyden over hunne medeburgers
bewoogen, hen weder in de ftad komen, cn dc
Hoogepriefter Hyrkanus badt den Koning dat
hy hem eenen ftilftand van wapenen voor ze-
ven dagen wilde toeftaan , om die Hoogtyd te
konnen vieren, De Vórft bewilligde niet al-
leen-
ieenlyk in dat verzoek 5 maar door gódvruch-
tigheyd genoopt 5 zondt hy mildelyk tót eene
ólferande ftieren met vergulde hoornen , en
goudene en zilvere vaten vol van allerley kófte-
lyk reukwerk 5 al \'t welk aan de ftadspoorten
ontvangen, en na den Tempel gebragt wierdt.
Ook zondt hy eetwaaren voor de fóldaaten,
waardoor hy betoonde dat hy ganfch niet ge-
leek naar Antiochus Epifanes, die naa dat
hy de ftad had ingenomen , zwynen op den
altaar deed ófferen , den Tempel met hun
bloed verontreynigde , en de wet der Jooden
fchondt, welke door deeze verachting hunner
Gódsdienft eenen overzoenelyken haat tegen
hem opvatteden : in plaats dat deeze andere
Antiochus wegens zynegódsdienftigheyd, met
algemeene toeftemminge, de Gódvruchtige
toegenaamd wierdt.
Hyrkanus wierdt door zyne deugd en be-
leefdheyd zo bewoogen, dat hy gezanten aan
hem zondt, om te verzoeken dat hy den Joo-
den wilde toelaaten vólgens de wetten hunnes
HE H I S T O R t |h
lands te leeven. De Koning verwerpende den
raad der gener die hem vermaanden tót een c^e-
heele uytroeijingOnzer landaard, welker gewoon-
ten en leevenswyze t\'eenemaal van die^van an-
dere vólken verfcheelde, achtteintègended dat
hy haar goedertierenlyk behoorde te bejegenen 1
en antwoordde derhalve den Afgezondenen ^
â dat hy hen de Vreede zoude geeven , mids â
dat zy hun geweer aan hem overleverden 5 hem â
de fchattingen van Joppe en andere fteden,,
buyten Judéa afftonden, en krygsbezettinge â
innamen." Zy toonden zich bereyd deeze voor-
waarden aan te neemen, uytgenomen die van
debezettinge, omdat zy zich met vreemde vól-
ken niet wilden vermengen 5 en om daaraf be-
vryd te blyven, gaven zy gyzelaars, en vyf-
honderd talenten zilvers, waar van\'er driehon-
derd terftond betaald wierden, en Hyrkanus
broeder was één van de gyzelaars. Hierop wier-
den de borftweeringen van dc ftadsmuuren af-,
en het belég opgebroken.
5 3 Hyrkanus deed toen het graf van David, die
de rykfte van alle de Koningen geweeft was, ope-
nen , en men haalde \'er drieduyzend talenten
uyt. Deeze Hoogepriefter was de eerfte die
vreemd krygsvólk in dienft hieldt: hy ging
daarnaa een verbond met Antiochus aan , en
ontvangende hem met zyn ganfche heir in de
ftad, trok hymet hem op tegen de Parthen. Dit
getuygt ook de Hiftorifchryver Nikolaus de
Damascencr met deeze woorden. (De Komng
Antiochus, naa dat hy eene zeegehóog, wegens de
overwinning welke hy op Indates Veldoverfte der
"Pari-ben behaald had, aait den oever van de rivier
⢠Lykus had doen óprechten, bleef daar twee dagen
opverzoek van Hyrkanus den Jood, ter oorzaa-
ke van zékere hoogtyd dier landaarddie in dien
tjyd voorviel y en geduurende welke hunne wetten
hen niet toeladten te reyzen. Hierin fpreekt die
Hiftoryfchryver de waarheyd 5 want het Ping-
fterfeeft quam toen juyft naa den Sabbath ) en
\'t is ons alsdan niet geoorlófd ons op weg te
begeeven.
Antiochus dan aan Arfaces Koning der
Parthen flag geleverd hébbende, wierdt over-
wonnen , en verloor zyn heir met zyn leeven.
Demetrius zyn broeder , die door Arfaces in
vryheyd gefteld was toen Antiochus in zyn land
quam trekken, maakte zich meefter van \'t ryk
van Syrië, gelyk wy elders gezegd hebben.
X V I I. H O O F D S tIFKT^ ~~
Hyrkanus naa Antiochus dood herneemt eenige plaatfen in S \'jf
vetliieuwc het verbond met de Romeynen. De KoninJn\'
trius wordt van Alexander Zcbina overwonnen p.-. ,
Tytus gevangen alwaar hy jammerlyk ftâf, \'a" LÃ^c?.
nus zyn moederlyke broeder , zoon van AnMArU,,. c "-yzice-
^L oorlog lan : en Hyrkanus gep^tÃlS^r^ede f \'
^ O dra als Hyrkanus dèn dood van Antio- j 3
^chus verftaan had , trok hy met zyn heir
/
na
na de fteden van Syrië, op hoope dat hyze van
krygsvólk ontbloot zoude vinden. Hy nam
Madaba in naa èen belég van zes maanden, be-
magtigde Samega , nevens de naabuürige vlek-
ken , midsgaders Sichem en Garizim: oolc
bracTt hy de Chuteërs onder , die den Tempel
bevvoonden welke naar dien van Jerufalem ge-
bouwd was, met verlóf vaft Alexander den
Grooteii, vergund aan Sanaballet, ten gevalle
van zynen fchoonzoon Manäftb , broeder van
Jaddus den Hoogepriefter, gelyk h^r voo-
re eezecrd is : en deeze Tempel wierdt ver-
meid tweehonderd jaaren naa dat hy gefticht
\'\'\'Hyrkanus nam ook in de ftedén Adoraen
Mark in Iduméa , en naa dat hy dat ganfche
landfchap ondergebragt had, ftondt hy den
ingezétenen toe daar te blyven woonen , mids
dä zy zich lieten beftiyden , en zich naar de
Toodfche Gódsdienft fchikten. De vreeze van
uyt hun land verdreeven te worden deed hen
die voorwaarden aanneemen , en federd zyn
zy altoos als Jooden aangemerkt geweeft.
Thans zondt Hyrkanus Gezanten na Rome,
om het verbond te vernieuwen. De Raad üun-
ne brieven geleezen hebbende , toor.de zich
wel daartoe geneegen , en deed\'er dusdaanig
een affchrift van opftellen : ,, Op den twaalf-
den van Sprókkelmaand heetc de Schout
\'\' Fanius Markus zoon den Raad doen tza-
-menkomen, in tegenwoordigheyd van Lu-
cius Manlius zoon van Lucius Mentina,
" en van Kajus Sempronius zoon van Kams
" Falerna, om te beraadftagen over \'t gene St-
" mou Dofitheus zoon , Apoüomm Alexanders
"zoon, jafons zoon , Atgezan-
" ten der Tooden , en perfoonen van verdien-
fte . uvt den naam hunner landaard, nevens
" eene vernieuwinge des verbonds met het
" Roomfche vólk, zyn komen verzoeken , en
" dat men hen in gevólge van dat verdrag zou
" doen wedergeeven de ftad en de haven van
" T^pe, Ga2Sra, de Fonteyn^, en deande-
\' redden, hen uyt kleynachtinge v^ het
" beftuy t de Raads \'door den Konmg Antio-
" SïSkenomenitósmede dat men ^^ Ko-
" nS^^^ door de landen der
"Oen, en die hunner onderzaaten te
trekken Dat alles wat in deezen laatften
" oorló^ door Antiochus beftaan is , nietig en
" van eeener waarde verklaard worde j en dat
" de Raad aan hem Gezanten zende, om hem
" te verpligten dat hy \\ genomene wedergee-
" ve , en den Tooden de jerwoeftingen m hun
" land gedaan vergoede. Ook hebben deeze
" Af<-ezanten verzócht dat men hen brieven
" va^ voorfchryvinge aan de Koningen en vrye
" vólken zoude geeven , ten eynde zy veyhg-
lyk konden wederkeeren. Al het welk over-
â woogen zynde , heeft de Raad bevolen het
â verdrag van vrindfchap en bondgenoodlchap
â met deeze vroome mannen , afgezonden
â door een vólk , dat vrind der Romeynen en
hen getrouw is, te vernieuwen."
Belangende de brieven, de Raad antwoord-
de dat zo dra zy eenige andere noodige zaa-
ken afgedaan hadden , zy zórg zouden draa-
gen te beletten dat den Jooden in \'t toekomen-
de eenig ongelyk aangedaan wierde: en men
beval aan den Schout Fanius hen met geld uyt
de gemeene fchatkift te voorzien, opdat zy te
bequaamlyker weder na hun land mogten kee-
ren ; en lien brieven van voorfchryvinge aan
degénen door welker plaatfen zy moften trek-
ken te geeven, nevens dit raadsbeftuyt, t\'hun-
ner zekerheyd. .
n
538.
iH\'
I
Middelerwyl was Demetrius zeer begeerig 5-40.
om Hyrkanus den oorlóg aan te doen, maar
hy kon niet, omdat zyne quaadaardigheyd hem
zo haatelykby de Syriërs, en zyne eygene fól-
daaten maakte, dat zy hem niet konnende dul-
den, ^m^toloméusThuko, Koning van Egip-
te, zonden, en hem verzóchten dat hy hen
iemand uyt het geflacht van Seleukus wilde gee-
ven, om hem tót Koning over hen aan te ftel-
len. Hierop zondt hy hen Alexander Zebina
met een heit; en men quam tót eenen veldflag,
waarin Demetrius overwonnen wordende , na
Ptolemaïs vlugtte , alwaar de Koningin Kleo-
patre zyne gemaahn was i niaar zy hieldt de
poorten voor hem geflooten j dies ging hy na
Tyrus, alwaar hy gevangen genomen wierdt,
en naa veel uytgeftaan te hebben jammerlyk zyn
leeven eyndigde.
Alexander Zebina aldus van het ryk van Sy-
rië meefter geworden zynde, floot een verbond
met den Hoogenpriefter Plyrkanus. Maar ee-
nigen tyd daar naa wierdt hy in eenen veldflag
overwonnen en gedood door Antiochus Gryfus,
zoon van Demetrius. Deeze Vórft zich aldus
in bezittinge van dit ryk ziende, zou den Joo-
den gaern den oorlóg aangedaan hebben; maar
hy durfde het niet beftaan wegens de tyding die
hy ontving, dat zjn broeder van \'s moeders zy-
de, geheeten Antiochus, even als hy, en toege-
naamd de Cy zic ener, te Cyzikum, alwaar hy
opgebragt was , een groote krygsmagt verga-
derde , om hem te beftryden. Deeze andere
Antiochus was de zoon van Antiochus Soter ,
die door de Parthen gedood was : want Kleo-
patre was, gelyk wy gemeld hebben^ met de
twee broeders naa malkander getrouwd geweeft.
Hy toog dan na Syrië, alwaar veele gevechten
tuflchen hen voorvielen. Hyrkanus ondertuf-
fchen, die terftond na den dood van Antio-
chus Soter, het juk der Macedoniërs afgefchud
had, en hen nóchte als onderdaan, nóch als
vrind, eenige byftand meer verleende, bevondt
zich in eenen zeer voorfpoedigen ftaat onder de
regeeringe van Alexander Zebina, ennóg meer
onder die twee broederen i want ztende dat zy
door hunne geftadige krygsvoenngen eikande-
ren verzwakten , en dat Antiochus geen by-
ftand uyt Egipte kreeg, verachtte hy hen bey-
de , en genoSt alle de inkomften van Judéa,
waardoor hy veel gelds verzamelde.
XVIII- HOOFDSTUK.
Hyrkanus neemt Sanaariëin, cnvcrdélgt het. üe Hoogepriefter van
den Hemel begunftigt, verlaat de fekte der Pharifeen , engaatovet
tót die der Sadduceen. Zyn gelukzalige dood.
TOen Hyrkanus zig zo magtig zag» be-
floot hy Samarië, dat nu Sebafte genoemd
wordt, en van Hérodes, gelyk wy te zyner
plaatfe
zynde zeer tegen de Samaritaanen vertoornd,
om het quaad onthaal datzy op \'taanraaden der
Koningen van Syrië den Mariüèërs hadden aan-
gedaan , die een vólkplanting, en bondgenoo-
ten der Jooden waaren. Naa dat hy de ftad
met eene gracht en dubbele omwalling , die
zich tachtig ftadiën uytftrekte , omringd had,
beval hy \'t beftier van het belég aan Ariftobulus
en Antigonus zyne twee zoonen. Deeze bc-
:ftaauwden de plaats zo geweldig, dat de Sama-
ritaanen , door grooten hongersnood gepraamd,
genoodzaakt waaren , indien zy \'t leeven wil-
den behouden, zodaanige dingen te eeten, die
anders voor menfchen oneetbaar zyn. In deeze
verlegenheid baden zy Antiochus den Cyzice-
ner om byftand; waarop hy aanftonds t\'hunner
hulpe quam ; maar hy wierdt door \'t krygsvólk
van Ariftobulus overwonnen , en van hem en
zynen broeder tót aan Scythopolis naagejaagd.
Daarnaa quamen zy weder by de belégering,
en beflooten de Samaritaanen zo naauw ; dat
die ten tweedenmaale door eene bezending An-
tiochus om byftand fmeekten. Deez verwierf
van Ttóloméus Lathur ontrent zesduyzend fól-
daaten, tegens wille en bevél zyner moeder 5 die
\'t hem fterk ontraadde, en daarom bynaa uyt haar
ryk geftooten was; met welke Egiptenaars hy in
\'t gebied van Hyrkanus quam ftroopen, zonder
dat hy tót een gevecht durfde komen, omdat hy
zich te zwak kende, en zich vleyde met de hoope
dat Hyrkanus, om dit pionderen te beletten, het
belég opbreeken zoude; Naa dat hy eyndelyk
veele van de zyne door de hinderlaagen der Joo-
den verlooren had, week hy na Tripolis, en het
het beftier van dien oorlóg aan KalUmander en
Epikrates. De eerfte wikkelde zich roekelooslyk
in een gevecht, alwaar zyn vólk geflagen, en
hy gedood wierdt: en Epikrates hebbende zich
door geld laaten omkoopen, leverde Scythó-
pohs en eenige andere plaatfen aan de Jooden
over , zonder dat de Samaritaanen eenige by-
ftand van hem genooten. Aldus nam Hyrka-
nus de ftad in naa eene belégering van een jaar,
en vergenoegde zich niet dat hyze veroverd
had , maar hy verdélgdeze t\'eenemaal , en
leydde het water met beeken daardoor, \'t welk
alles zo weglpoelde , dat \'er geen gedaante
eener ftad meer overbleef. Men vehaalt byna
ongelooflyke zaaken van dien Hoogenpriefter;
want het wordt gezegd dat Gód zelf met hem
fprak, en dat hy eens alleen in den Tempel
zynde, en aldaar reukwerk ófterende, juyft op
dien dag dat zyne zoonen Antiochus den Cy-
zicener flag leverden , eene ftem hoorde die
tót hem zeyde dat hy overwinnaar zou zyn.
Waarop hy aanftonds uytquam om aan al het
vólk die voornaame maare te verkondigen ; en
de uytkomft toonde dat die openbaaring waar-
achtig was.
Dóch het was niet alleenlyk te Jerufalem en
in Judéa , dat de zaaken der Jooden toen in
zulk een groote voorfpoed waaren i maar 2y
waaren magtig in Alexandrië , Egipte , en op
\'t eyland Cyprus : want de Koningin Kleopa-
tre verfchil gekreegen hebbende met Ptoloméus
plaatfe zullen zeggen i herbouwd is, te belége-
Hy zette dit werk met groot geweld voort
ren.
543.
Lathur haaren zoon, gafhe^ bevel van haar heir
aan Chelcim en Anunias, zoonen van Onias,
die als gemeld is , in het gebied van Hcliopolis
eenen Tempel, gelyk die van Jerufalem, had
doen bouwen ; en deeze Vórftin deed niet dan
met hunnen raad , gelyk Strabo de Kappadoci-
ër met deeze woorden betuygt : Veele Se met
ons na Cyprus getoogen, óf\'er naderhand door de
Koningin Kleopatre gezonden waaren ^ verlieten
haare zyde om tót die van Tteloméus over te
gaan , en *t waaren alleen de Jooden die \'t met
Onias hielden, welke haar getrouw bleeven, om-
dat zy Chelcias en Ananias hunne landsgenooten
in groote achtinge hieldt.
Het geluk van Hyrkanus haalde hem den
haat der Jooden op den hals , dóch inzonder-
heyd der Pharifeen , van welke fekte hiervoo-
re gefprooken is , en die in zulk een groot
aanzien by \'t vólk zyn , dat men hen terftond
geloof geeft, al is het dat zy den Koningen en
Hoogepriefteren wederfpreeken. Hyrkanus
die hun leerhng geweeft, en zeer by hen bemind
was, rechtte eens ccn gaftmaal voor hen aan, cn
toen hy zag dat zy onder de goede cier vrolyk
begonden te worden, zeyde hy tót hen: â Dat
naardien hy van hun gevoelen was , en zy â
wel wiften dat hy geen grooter begeerte had ,,
dan om in de wegen der gerechtigheyd te,,
wandelen , en niets te doen dat Gode onaan- â
genaam was , zy verphgt waaren hem te â
waarfchouwen , indien zy oordeelden dat â
hy ergens in mifte ; opdat hy zulks mogt â
verbéteren;" Wanneer nu alle de gaften hem
deswege preezen, toonde hy zich zeer verblyd
daarover; maar één Van hen genaamd Eleazar \\
een boosaardig menfch , het woord neemende
zeyde tót hem: âI ndiengy wenfcht, gelyk
gy zegt , dat men openhartiglyk en naar â
waarheyd tót u fpreeke , geef dan een blyk â
van uwe deugd , door het Hoogepriefter- â
fchap af te ftaan , en vergenoeg u met Vórft â
dQS vólks tc zyn. Hyrkanus vraagde hem, â
wat hem bewoog zodaanigen voorflag te â
dösn. Het is , antwoorddehy, omdat v/y â
van de oudften onder ons verftaan hebben, â
dat uwe moeder eene flaavin geweeft is on- â
der de regeeringe van Antiochus Epifanes^"
Nademaal nu dit een valfch gerucht was, toon-
de Hyrkanus zich zeer gebelgd over deeze ree-
de , en de andere Pharifeën betuygden dat
zy \'t niet minder waaren dan hy. Jona-
thas , één van Hyrkanus voornaamfte vrinden,
en van de gezindheyd der Sadducëen , die den
Pharifeën ganfchelyk tegen zyn, zeyde daarop
tót hem: ,, Dat het met hunne bewilhging
dat Eleazar hem zo fmaadiglyk beje-,,
544.
ê I
1
was
35
gend hadde; en dat men zulks gemaklyk
zou konnen doen blyken, indien men hen â
vraagde , hoedaanig zy oordeelden dat hy â
daarom behoorde geftraft te worden." Hyr-
kanus vraagde hen derhalve hun gevoelen des
wege : en dewyl zy niet ftreng in \'t ftraften der
misdaaden zyn, gaven zy tót antwoord dat vyn
misdry f, huns bedunkens , met meer dan een
gevangenis en geeffehng verdiende, omdat zy
niet begrypen konden dat quaadfpreeken alleen
iemand döodiehuldig maakte, Dit antwoord
tl, r
deed Hyricanus gèlooven , dat zy Eleazar
aangezet hadden om hem dus te hoonen;
en hy wierd \'er zo door vertoornd , dat hy,\'
terwyl Jonathas hen nóg meer ophitfte, niet
alleenlyk de fekte der Pharifeën verliet, om
tót die der Sadduceên over te ga\'an; maar ook
alle hunne inzettingen affchafte; en degénen
dieze evenwel onderhielden deed ftralfen. Dit
maakte hem en zyne kinderen by den vólke
gehaat, gelyk wy ter behoorlyker plaatfe zullen
zien. Tegenwoordig acht ik het genoeg , te
zeggen dat de Pharifeën , die deeze inzettin-
gen door overlévering van hunne voorouderen
ontvangen hebben, haar aan den vólke heb-
ben voorgedraagen : maar de Sadduceên ver-
werpen dezelve omdat ze niet vervat zyn in de
wetten, door Mofes gegeeven , welke zy ach-
ten de eenigfte te zyn die men gehouden is te
vólgen : en dit heeft groote twift en fcheuring
onder hen verwekt; want dc aanzicnlyicfte lie-
den hebben het met de Sadduceên , cn het ge-
meene vólk met de P.harifeën gehouden. Maar
wy hebben in het tweede boek van de oorlogen
der Jooden omftandiglyk van deeze tvv^ee ge-
zindheden , en nóg van een derde , welke die
der Efteners is , gefprooken.
Naa dat nu Hyrkanus alles in rufte gebragt,
en éénendertig jaaren het Vórftendom der Jood-
den bezeten had , eyndigde hy gelukkiglyk
zyne dagen. Hy liet vyf zoonen naa, en Gód
had hem waerdig geacht drie groote voordce-
len te gelyk te genieten ; teweeten de Opper-
heerfchappy over zyne landaard , het Opper-
priefterampt, cn de gaave der Profecye: want
hy gewaardigde zich zelf tót hem tc Iprecken,
en verleende hem zodaanig ccn kennis van toe-
komende zaaken , dat hy voorzeyde dat de
twee oudfte zyner zoonen het hoog gezag, dat
hy hen naaliet , niet lang bezitten zouden:
\'t welk ons dan verpligt om tc verhaalen hoe-
daanig hun eynde was , opdat men daaruyt zy-
ne voorwectenfchap van het tockom.ende te be-
ter zou konnen afncemen.
5-4?-
XIX. HOOFDSTUK.
Ariftobulus oudfte zoon van Hyrkanus , Vórft der Jooden , doet
zich tét Koning kroonen ; neemt Antigonus zyneu broeder tór
mede{»eftoot der regeeringe aan , zet de andere midsgaders zyne
moeder , in de gevangenis > alwaar hyze van-honger iaat fterven.
Hy vat een mistrouwen op tegen Antigonus , waarop hy hem
doet om \'c leeven brengen ; en daarnaa vau verdriet fteth.
A Riftobulus , die de oudfte van Hyrkanus
â ^kinderen, cnThilellen, dat is beminnaar der
Grieken , toegenaamd was , veranderde naa
zyns vaders dood het vórftendom der Jooden
in een koninglyke regcering , cn was alzo de
eerfte die zich tót Koning liet kroonen. Dit
gefchiedde vierhonderd éénentachtig jaaren naa
dat de Jooden , uyt de Babilonifche gevange-
nis ontflagen, weder in hun vaderland geko-
men waaren. Overmids hy Antigonus zynen
oudften broeder naaft hem zeer beminde , nam
hy hem tót medegenoot der ryksregeeringe,
en deed de drie andere in de gevangenis zetten,
alsmede zyne moeder , omdat zy , zo wel als
hy , na \'t hoog gezag ftondt, en dat Hyrkanus
op zynen dood h^ar de regeering m handen
gefteld had. Ja zyne wreedheyd ging zo verre,
dat hy haar van honger in den kerker liet fter-
ven ; en daarenboven zynen broeder Antigo-
nus , dien hy zo zeer fcheen te beminnen, deed
ombrengen. Dit was ontftaan uyt lafteringen,
welke hyin \'t eerft niet had v/illen aanneemen,
zo uyt geneegenheyd die hy hem toedroeg,
als omdat hy geloofde dat ze quaadaardiglyk
verzierd waaren. Dit beklaagelyk ongevafviel
aldus voor : \'t Gebeurde dat Antigonus , in ee-
nen tyd dat Ariftobulus ziek lag , uyt den oor^-
lóg t\'huys komende met een prachtige ftaatfi,
jüyft terwyl men het Loofhutten feeft vierde,
kóftelyk toegeruft na den Tempel ging , ver-
zeld van gewapend krygsvóïk, zonder eenig
ander oogmerk , dan om Gód voor de gezond-
heyd van den Koning zynen broeder te bidden.
Eenige quaadaardige menfchen , nydigop An-
tigonus voorfpoed en zyne prachtige intreede
in den Tempel, bedienden zich van die gele-
genheyd om tweedragt tuftchen die twee
broeders te zaaijen ; en zeyden quaadaar-
diglyk tót Ariftobulus, dat dewyl Antigonus
op zo een hoogtyd met zulk een praal had wil-
len verfchynen , hy daardoor genoeg had doen
blyken dat hy na de kroon ftondt, en dat hy wel
haaft met een groot getal van krygsvóïk zoude
komen om hem te dooden, door dien hy\'t eene
dwaasheyd achtte zich met een gedeelte van de
regcering te vergenoegen, daar \'tinzyne magt
ftond zich ganfchelyk meefter daaraf te maa-
ken. Ariftobulus, die toen zyn verblyf had
in eenen toren, welke naderhand denna^m van
Antonia gevoerd heeft, kon naauwlyks geloof
aan dit zeggen flaan: nógtans om zyne veylig-
heyd te verzékeren, zonder echter zynen broe-
der te veroordeelen , belaftte hy zyne lyfwacht
zich in een duyftere en onderaardfche plaats te
verbergen, zonder hem eenig leed te doen zo hy
ongewapend quame , maar indien sewapend ,
dat zy hem dan zouden dooden. f hans deed
ny hem boodfchappen, dat hy hem verzócht
ongewapend tót hem te willen komen. Maar
de Koningen en andere vyanden van Antigpnus
den boode bepraatende , overftemden hem om
te zeggen , dat de Koning verftaan hebbende
dat hy een zeer fraije wapenrufting aanhad,
verzócht dat hy hem \'t vermaak wilde doen
van hem in dien dós te komen bezoeken. De
Prins, die niets quaads vermoedde , en op de
toegeneegenheyd van den Koning zynen broe-
der fteunde, ging zo gewapend als hy was hee-
ne : toen hy by Stratons toren was gekomen,
alwaar dc doorgang zeer duyfter was, viel des
Konings lyfwacht op hem aan ^ cn doodde
hem. "Uyt dit treurig ongeval kan men zien
wat de nyd en laftering vermoogen , en hoe ze
zelfs de tederfte natuurlyke vrmdfchap kon-
nen dempen en fmooren. Ook is het verwon-
derens waardig dat zékere Judas j éenEflener,
wiens voorzeggingen nopit valfch bevonden
waaren , hebbende Antigonus na den Tem-
pel zien opgaan , tót zyne leerlingen en
vrinden, die gewoon waaren hem om dec-z^
zyne voorwectenfchap van toekomende zaa-
ken naa te volgen, zeyde, dathywelwenichte
dood te zyn, omdat het leeven van Antigo-
narj
iius de ydelheyd zyner voorzeggingen toonde,
nademaal hy vólgens dezelve dien dag by Stra-
tons toren fterven moft, het welk onmoogelyk
was, naardien die zeshonderd ftadiën vanjeru-
falem afgelegen , en het grootfte gedeelte van
den dag reeds verloopen was. Terwyl hy al-
dus fprak , wierdt hem geboodfchapt dat An-
tigonus omgebragt was in eenen onderaardfchen
doorgang, die ook den naam Van Strato voerde,
even als die toren welke aan den oever der zee ge-
legen , federd Cefarea genoemd is: en deeze ge-
lykheyd van naamen was de oorzaak zyner be-
kommeringeen ongeruftheyd geweeft.
Het duurde niet lang óf Ariftobulus wierdt
met zulk een berouw over \'t ombrengen zyns
broeders getroffen, dat zyne ziekte zeer daar-
door verergerde. Geftadiglyk verweet hy zich-
zeiven dat hy zulk een zwaare misdaad be-
gaan had ; en zyne quaal wierdt zo hevig dat
hy bloed braakte. Wanneer nu één zyner die-
naaren dit uytbraakfel wegdroeg, gebeurde het,
zo ik acht door Gódlyke toelaatinge, dat hy
ter zelfder plaatlè daar hec bloedig Ipoor van
Antigonus moord nóg op den grond te zien
was, quam te vallen, en\'er een gedeelte van het
bloed ftortte. Die \'er ontrent waaren j mee-
nende dat hy het met voordacht deed, gaven
zulk een luyde fchreeuw , dat de Koning het
hoorde , en na de oorzaak daarvan vraagde ^
maar niemand wilde \'t hem zeggen , \'t welk
zyne begeerte om het te weeten meer gaande
maakte ; doordien de menfchen van natuure
een mistrouwen opvatten ontrent het gene men
voor hen tracht te verbergen, en ftimmer daar-
van denken dan het inderdaad is. Ariftobu-
lus dwong zyn vólk dan door dreygementen
hem de waarheyd van de zaak te zeggen : en
dit maakte zulken indruk op zyn gemoed, dat
hy eene menigte van traanen ftortende onder
een diepe verzuchting zeyde: â Het blykt
5> dan dat deeze verfoeijelyke daad voor Gód
niet heeft konnen verborgen blyven, dewyl 51
hy zyne rechtvaerdige wraak zo dra tegen
my oefent. Hoe lang zal dit rampzalig lig- j,
haam myne fchuldige ziel in zich befluyten ! â
Was \'t niet beter eens flaags tc fterven, dan ,,
dus myn bloed by druppelen uyt te ft-orten, â
om daarmee, als door een zoenóffer, te boe- â
ten voor degénen die ik zo wreedelyk heb â
doen fneuvelen ? " Naauv/lyks had hy deeze
woorden geëyndigd, óf hy gaf den geeft, naa
dat hy maar een jaar geregeerd had. Zyn va-
derland was niettemin voor veele weldaaden
aan hem verpligt 5 want hy deed den Itureërs
den oorlóg aan, veroverde een gedeelte van
hun land, het welk hy aan Judéa hechtte, en
hy dwong de ingezétenen zich te laaten befny-
den , en naar de Joodfche wyze te leeven. Hy
was goedaardig, en zeedig, gelyk Strabo, vól-
gens \'t verhaal van Timagenes, met deeze
woorden getuygt: "Deeze Vórft was zaehtzin-
nïp i en de Jooden zyn niet weynig aan hem ver-
pligt ^ want hy breydde hunne landpaalen zo ver-
re uyt dat hy\'er een gedeelte van Ituréa aanhecht -
te ^ en dat het vólk door den band van befnydenis
aan hen verbondt.
XX. H O O F D S T U K.
Salomc weduwe van dea Koning Ariftobulus otitflaat zynen broeder
Janneus toegenaamd Alexander uyt de gevangenis , en maakt hein
Köning. Hy doet eenen zyner broederen ombrengen, en belegert
Ptolomaïs. De Koning Ptoiomeus Lathur , die door zyne moe-
der Kleopatre uyt Egipte verjaagd was, komt in Cyprus om die van
Ptolomaïs te helpen. Zy weygeren hem den ingang, Aiexandcf
breekt hec bele\'g op, en handelt opentlyk met Ptoloméus, en hey-
melyk met Kleopatre.
Aa den dood van den Koning Ariftobulus <48
ftelde de Koningin Salomé zyne weduwe \'
welken de Grieken Alexandra noemen , zyne
broeders, dic door hem gevangen gezé\'t waa
ren, in vryheyd, en maakte Janneus, anders
Akxander genaamd, die de oudfte enbefchey-
denfte van alle was, Koning. Hywas zo on-
gelukkig geweeft dat zyn vader Hyrkanus ^ zo
R r " dra
dra ais hy gebooren was, eenen weêrzin tegen
hem opvatte, en die tót zynen dood toe be-
hieldt , zo dat het hem nooit toegelaaten was
onder zyns vaders oogen te komen. De oor-
zaak van deezen afkeer wordt gezegd deeze
geweeft te zyn. Hyrkanus, die Ariftobulus en
Antigonus zyne twee oudfte zoonen zeer be-
minde, vraagde Gód, die hem in eenen droom
verfcheen, wie van die twee hem in de regee-
ringe vólgen zoude. En dewyl Gód hem \'t ge-
laat van Alexander voorftelde ^ en daardoor te
verftaan gaf dat hy regeeren zoude , baarde dit
zulk een verdriet in hem dat hy hem in Gahlea
liet opvoeden. Maar daarom bleef niet achter-
wege \'t gene Gód hem voorzegd had dat ge-
beuren zoude; want hy wierdt naa den dood
van Ariftobulus ten troon verheven. Hy deed
toen éénen zyner broederen , die zich tót Ko-
ning wilde opwerpen, ombrengen, en beje-
gende den anderen, die zich met een ampte-
loos leeven vergenoegde, zeerwel.
Als hy nu zyne rykszaaken in eenen goeden
ftaat gefteld had , trok hy met een heir op na
Ptolomaïs , en naa dat hy de vyanden in een
groot gevecht overwonnen had, dwong hyhen
binnen de ftad te wyken , alwaar hy hen be-
legerde. Van alle de zeefteden waaren deeze
en Gaza nóg maar alleen te veroveren : ook
moft hy ZoUm , die Dora en Stratons toren
bemagtigd had, onderbrengen. Ondertuftchen
konden de ingezétenen van Ptolomaïs geen
byftand van den Koning Antiochus , nóch van
zynen broeder Antiochus den Cyzicener ver-
wachten , omdat zy met alle hunne magt eikan-
deren beoorlogden. Maar Zoilus , die door
de verdeeldheyd deezer Vórften zyn voordeel
hoopte te doen , om alzo Ptolomaïs te ver-
meefteren , zondt\'er eenige hulpe , terwyl
deeze twee Koningen zich dier plaatfe zeer wey-
nig fcheenen te bekreunen : want zy waaren op
clkanderen zo verbitterd, datzy, zonder zich
met het óverige te bekommeren, wel naar kamp-
vechters geleeken , die hoewel afgemat door
den ftryd , echter zo befchaamd zyn om zich
overwonnen te bekennen , dat zy \'t geenzins
willen opgeeven , maar naa een weynig adem-
haalinge het gevecht hervatten. De eenigfte
toevlugt dan die \'er voor de belégerden nóg
overig fcheen , was hulpe üyt Egipte te beko-
men , en voornaamelyk van den Konihg Pto-
loméus Lathur , die door zyne moeder Kleo-
patre uyt het ryk verdreeven zynde , zich na
^t eyland Cyprus begeeven had. Zy zonden
dan gezanten , om hem te bidden dat hy hén
uyt het gevaar waarin zy waaren verlóftèn wil-
den } ei^y deeden hem gelooven dat hy niet zo
dra in Syrië zoud aangekomen zyn , óf die van
Gaza , nevens Zoilus , de Sidoniërs , en veelc
andere zouden zich aan zyne zyde voegen. Op
dit vertrouwen dan deed hy een groote vloot
nytruften. Maar Demeitius , die te Ptolomaïs
in groot aanzien was , overreedde ondertuf-
fchen de inwooners om van voorneemen te
veranderen , zeggende dat het hen veel voor-
deeliger zou zyn in onzek^rheyd van ém wyt-
ftao- des oorlóss, dien zv ree^e« df^ liof^en voer-
den , te üiyven j aan in eene ii^verny te ver-
vallen , die hen onverniydelyk zoude weezen,
indien zy den Koning Ptolomxus als hunnen
Heer inhaalden j dewyl zy dan niet alleenlyk
dien oorlóg op den hals , maar nóg een veel
grooter en getaarlyker van de kant van Egipte
te verwachten zouden hebben 5 doordien de
Koningin Kleopatre, moeder van Ptoloméus,
die toeleyde om hem uyt het eyland Cyprus te
verjaagen, niet zo dra zoude zien dat hy zich
door middel van de nabuurige landfchappen
poogde te verfterken 3 óf zy zoud hen meteen
magtig heir tegen trekken j en indien Ptolo-
méus in zyne hoope bedroogen hen verliet,
om na \'t eyland Cyprus te vlügten , dan zou-
den zy zich voor \'t uyterfte geVaar dat men be-
denken kon bloot gefteld vinden.
PtolcMnéus verftondt onderwege de verande-
ring van die van Ptolomaïs, dóch liet daarom
niet naa zyne tógt te vervólgen. Hy landde
met zyn heir, beftaande uyt dertigduyzend man-
nen zo te paerde als te voet, te Sykamine,
en trok vandaar na Ptolomaïs : maar hy vondt
zich in groote verlegenheyd, toen hy zag dat
de inwooners zyne gezanten niet wilden ont-
vangen , nóch naar zyne voorflagen luyfteren.
Zoilus en die van Gaza quamen echter tót hem,
om hulp tegen de Jooden en hunnen Koning, die
hun land verwoefteden, te verzoeken: hierdoor
wierdt Alexander genoodzaakt het belég van
Ptolomaïs op te breeken. Hy toog dan met
zyn heir te rugge, en willende met loosheyd
te werk gaan, zondt hy heymelyk aan de Ko-
ninginne Kleopatre om in een verbond met
haat tegen Ptoloméus te treeden, terwyl hy
aan de andere kant met hem opentlyk handel-
de , en hem vierhonderd talenten zilvers be-
loofde, indien hy den Tiran Zoilus aan hem
overleverde, en de plaatfen en landen welke
hy bezat, aan den JoOden gave. Ptoloméus
toonde zich zeer genfeegen om een verbond met
Alexander aan te gaan, en deed Zoilus in ver-
zékeringe neemen : maar toen hy verftondt dat
die Vórft in heymelyke onderhandeling met de
Koningin zyne moeder was, brak hy met hem
af, en belégerde Ptolomaïs , het welk , gelyk
reeds gezegd is , geweygerd had hem te ont-
vangen. En hebbende eenige zy ner voornaam-
fte bevelhebberen met een gedeelte van zyne
krygsmagt daar gelaaten , om het belég voort
te zetten, toog hy met het óverige heene om
Judéa te verwoeft-en. Maar Alexander verza-
melde een heir van vyftig, óf zo andere ze^en
van tachtig duyzend mannen, om hem \'t hoofd
te bieden : ondertuflchen greep Ptoloméus de
ftad Azochis in Galiléa onvoorziens op eenen
Sabbath aan, nam ze ft:órmenderhand in, en
voerde tienduyzend gevangenen nevens eenen
grooten buyt vandaar we^
DST VK. ~~
Groote oyerwiHning\'iooc Pcolom^t^s Latfaur bp Alexander Konifla fe
Jooden behaald, en_zyn fchnkkclyke wTeedkeyd. Kleopatre moe-
der van Pcolome\'as komt cie jooden teoen hem te hulpe; en hy
tracht te vergeefs zictt rneefter van Egipte te ifiaaken. Alexan-
der neemt Gaza m. «a pleegt \'er groote wrecdFheyd. Verfcbeyde^
ne oorlogen wegens t ryk van Syrië. Zonderlinse haat vah 3c
meefte Joodèti tegen Alexander htiniicn Kvmm. Zy «mbiedeh
IJemetrius Eöcerus t bunner kilpe. \'\'
JAa dat Ptoïoméis Lachyr Azoehi^ aldus
bemagtigd ka4 , toog hy »a 4e iiad Sefo-
ris.
ris 5 die \'er niet verre aflegt, en beftórm de haar,
maar hy wierdt met groot verhes afgeflagen; zo
dat hy in plaats van \'t belég voort te zetten,
tegen Alexander den Koning der Jooden op-
trok , hem by Afofon , dat dicht aan den Jor-
daan legt, ontmoette, en zich tegen hem over
legerde. De voortógt van Alexander beflondt uyt
achtduyzend mannen , alle dappere fóldaaten,
met kópere fchilden gewapend; en die van Pto-
loméus voorfte flagórde hadden ook zulke fchil-
den : maar dewyl de óverige van zyn krygsvólk
niet zo wel gewapend waaren , durfden zy tót
geen handgemeenfehap komen. Dóch F/io-
Ãefanus , een zeer eervaaren krygsman, fprak
hen moed in , en deed hen de rivier , die de
twee legers vaii één fcheydde , overtrekken,
zonder dat Alexander het poogde te beletten,
doordien hy achtte dat hy de vyanden gemak-
lyker zou konnen overwinnen , wanneer zy de
rivier achter zich hebbende , niet zouden kon-
nen vlugten. Het gevecht was zeer bloedig,
en men kon zwaarlyk oordeelen na welke zyde
de overwinning neygen zoude : dóch eyndelyk
begon het krygsvólk van Alexander eenige
overhand te krygen , en dat van Ptoloméus te
bezwyken : maar Filoftefanus hen met een
verfche tróp onderfteunende, deed hen weder
moed fcheppen. De Jooden verbaafd door
deeze verandering, en door geen van de hun-
ne te hulpe gekomen , begonden te vlugten ,
en wierden daarop van alle de andere gevólgd.
De vyanden dit ziende jaagden hen wakker naa,
en hielden niet op van doodflaan , tótdat hun-
ne handen vermoeid waaren, en hunne zwaer-
den begonden ftomp te worden. Het getal der
dooden was dertigduyzend , óf vólgens \'t ver-
haal van Timagenes vy ftigduy zend. De óve-
rige van \'t heir wierden gevangen genomen, óf
bergden zich door de vlugt.
Naa deeze groote overwinning en lange naa-
jaaging , begaf Ptoloméus zich tegen den
avond in eenigevlekken van Judéa , en hebben-
de die vol vrouwen en kinderen gevonden, be-
val hy zynen fóldaaten hen te dooden, in ftuk-
ken te fnyden , en die in ketels met kookend
water te werpen , opdat dejooden uyt den flag
ontvlugt aldaar komende , zouden meenen dat
hunne vyanden menfchen-vleefch aten, en
daardoor te grooter fchrik voor hen mogten
krygen. Strabo is \'t niet alleen die van deeze
yflyke wreedheyd meldt, maar Nikanor maakt
\'er ook gewag van. Daarnaa nam Ptoloméus
de ftad Ptolomaïs met geweld in, gelyk wy el-
ders gezegd hebben. _
Toen de Koningin Kleopatre zag dat haar
zoon aldus in magt aangroeide , dewyl hy Ju-
déa zonder tegenftand verwoeftte, Gaza onder
zyne gehoorzaamheyd gebragt had , en reeds
als voor de poorten van Egipte was, met voor-
neemen om\'er zich meefter van te maaken, oor-
deelde zy dat het hoog tyd was hem te ftuyten.
Hierop verzamelde zy zonder marren een groo-
te krygsmagt ter zee en te lande , waarover zy
Chelcias en Ananias, beyde Jooden , het ge-
bied gaf j voorts ftelde zy \'t grootfte gedeelte
van haare fchatten , nevens haare kindskinde-
ren 5 en haar uyterfte wil in \'t eyland Koos in
bewaaringe zy zondt Alexander haaren ande-
ren zoon met een groote vloot na Fenicië,
vermids dat landfchap tót eenen opftand ge-
neygd was ; en quam zelve in perfoon tót
Ptolomaïs : en dewyl die van binnen de poor-
ten voor haar geflooten hielden , beléger-
de zy de ftad. Toen Ptoloméus verftondt dat
zy Egipte verlaaten had, toog hy derwaards,
meenende dat hy \'t ongewapend zoude vinden,
en \'er zich meefter van können maaken : maar
hy vondt zich in zyne hoope bedroogen. Ter
zelfder tyd quam Chelcias , één van Kleopa-
tres Veldoverften , die Ptoloméus vervólgde ,
in neder Syrië.
55\'
553\'
Kleopatre had zo dra met verftaan dat haars
zoons toeleg op Egipte hem mislukt was , óf
zy zondt een gedeelte van haar heir derwaards,
en dreef\'er hem ganfchelyk uyt. Aldus was
hy genoodzaakt weder te keeren, en bragt den
winter te Gaza over. Ondcrtuftchen nam Kleo-
patre Ptolomaïs in , alwaar Alexander Koning
der Jooden met gefchenken by haar quam. 2y
ontving hem minnelyk , als eenen Vórft die
quaalyk van Ptoloméus gehandeld zynde ner-
gens toevlugt had dan by haar. Eenige van de
haare ftelden haar voor dat zy zyn land moft
zien te vermeefteren, en niet toelaaten dat zulk
een menigte van braave Jooden onder de magt
van éénen man zoude ftaan. Maar Ananias
raadde haar het tegendeel, zeggende dat zy
met geen recht eenen Vórft , met wien zy een
verbond had aangegaan , en die haar ook in
maagfchap beftondt, van \'t zyne kon berooven |
en dat\'er ook , indien zy hem dus veróngelyk-
te, niet één van alle de Jooden zou zyn die
haar vyand niet v/orden zoude. Deeze réde-
nen haalden haar over, weshalve zy Alexander
niet alleenlyk geen overlaft aandeed, maar ook
het verbond met hem tc Scythópolis, eene ftad
in neder Syrië , vernieuwde.
Zo dra deeze Vórft zich van de vreeze voor
Ptoloméus ontflagen zag, trok hy na neder Sy-
nam aldaar de ftad Gadara in naa een be-
551\'
ne
lég van tien maanden, en vervólgens Amath,
de fterkfte van alle de veftingen :aan den Jor-
daan eelegen , waarin Theodorm Zenós zoon
aüe zyne kóftelykheden bewaard hieldt. Thco-
dorus om zich te wreeken overviel dejooden
onverhoeds, doodde tienduyzend van hen, en
nam alle de pakkaadje van Alexander. Deeze
Vórft zonder zich over dat verlies te bekom-
meren , liet niet naa Rafa, aan den oever
der zee gelegen , en Anthedon , \'t welk van
Herodes daarnaa Agrippias genoemd wierdt,
t⬠belégeren en in te neemen. Thans ziende
dat Ptoloméus Gaza verlaaten had om weder
na Cyprus te keeren , en dat de Koningin
Kleopatre zyne moeder defgelyks weêr na
Egipte getrokken was , wierdt hy , door fpyt
dat die van Gaza Ptoloméus tliunner hulpe
tegen hem geroepen hadden, zo vervoerd, dat
hy hun land verwoeftte, en hunne ftad belé-
gerde. Apoüodorm hun Overfte quam daarop
niet twceduyzend vreemde fóldaaten, en duy-
zend van zyn eygen vólk , nachts op zyn
léger aanvallende, en had zo hng het donker
was de overhand , omdat de Tooden meenden
R r 3 ddt
554\'
dat Ptoloméus den belegerden te hulpe geko-
men was : maar zo dra de dag begon te verfchy-
nen 5 zagen zy dat ze bedroogen waaren, en daar-
op moed vattende, greepen zy Apollodorus zo
wakker aan, dat zy duyzend van de zyne op de
plaats neêr maakten. De belegerden lieten
daarom den moed niet zakken , alhoewel de
honger hen ook begon te nypen : maar zy be-
flooten het uyterfte eerder af te wachten , dan
zich over te \'geeven j en zy wierden door Are-
tas Koning der Arabiërs, die hen hulpe beloof-
de , in dat voorneemen gefterkt. Maar Apol-
lodorus voor zyne aankomfte verraaderlyk ge-
dood zynde, wierdt de ftad ingenomen . Deezen
moort beging zyn eygen broeder Lyfimachus, uyt
bclgzucht over het groot aanzien dar hy door
zyne verdienfte verkreegen had, en hebbende
een hoop krygsvólks byeen vergaderd, leverde
hy de plaats aan Alexander over. Toen deeze
Vórft eerft daar binnen quam toonde hy niet
dan een vrcedelievend gemoed > maar daarnaa
zyn krygsvóïk gezonden hebbende, liet hy hen
toe alle wreedheyd tegens de ingezétenen te
pleegen, om hen te ftraffen; zo dat zy niemand
verfchoonden, maar alle doodfloegen die hen
voorquamen. Dóch dit kóftte ook menigen
Joode het leeven: want veele deezer inwooners
fneuvelden gewapenderhand , terwyl zy zich
verweerden; andere ftaken hunne huyzen inde
brand , om te beletten dat ze hunnen vyanden
ten roof wierden 5 en etlyke doodden hunne
vrouwen en kinderen , omze van een fchande-
lyke flaaverny te bevryden. \'t Geviel Juyft
dat de Raadsheeren , ten getale van vyl hon-
derd , vergaderd waaren, toen deeze woeden-
de benden ter ftad introkken ; hierop namen
zy de vlugt in den Tempel van Apollo , mee-
nende daar veylig te zyn ; maar te vergeefs :
want Alexander deed hen alle ombrengen j en
naa dat hy de ftad , welke hy een jaar lang
had belegerd, verwoeft had, keerde hy weder
na Jerufalem.
Ten zelfden tyde wierdt de Koning Antio-
chus Grypus verraaderlyk door Herakkon in
\'t vyfenvecrtigfte jaars zyns ouderdoms gedood,
naa dat hy negenentwinrig jaaren geregeerd had.
Zyn zoon Seleukus vólgde hem in de regeerin-
ge , en oorlóg voerende tegen zynen oom An-
tiochus den Cyzicener , nam hy hem in eenen
veldflag gevangen, en deed hem ombrengen.
Niet lang daarnaa quam Antiochus toegenaamd
Eufebes zoon van Antiochus den Cyzicener, te
Arad , alwaar hy tót Koning gekroond wierd,
cn als toen Seleukus den oorlóg aandoende,
hem in eenen veldflag overwon , en uyt Syrië
verdreef Hy vlugtte daarop na Cihcië, alwaar
van de Mopfeaten aangenomen zynde, beftondt
hy, in plaats van die weldaad te erkenneu, hen
fchattingen af te vórderen : maar zy zulks niet
könnende dulden, ftaken de vlam in zyn paleys,
zo dat hy met zyne vrinden in den brand het
leeven verloor.
Geduurende dat Antiochus in Syrië regeer-
de 5 quam een andere Antiochus , broeder van
Seleukus , hem beöorlogen : Maar hy wierdt
met zyn ganfche heir verflagen. Thans deed
zyn broeder Filippus zich Koning kroo-
nen , en regeerde over een gedeelte van Syrië.
Ondertulfchcn ontboodt Ptoloméus Lathur zy-
nen vierden broeder Demetrius Eucenis uyt Gni-
dus , en ftelde hem tót Koning van Damaskus
aan. Antiochus wederftondt deeze twee broe-
ders kloekmoediglyk , dóch leefde niet lang
daarnaa ; want zynde na Laodicea getrokken
tot byftand van de Koninginne der Galadeners,
die met de Parthen in oorlóg was , wierdt hy
dappftrlyk ftrydende in eenen flag gedood. Door
zynen dood bleeven de twee broeders Filippus
en Demetrius vreedzaame bezitters van het ryk
van Syrië, gelyk elders gezegd is
S\'i Ii
. fi
\'Il
55^.
Iii
iVh
Ontrent dien tyd zag Alexander. Koning der
Jooden zyn ryk m roere , door den haat dien
\'t vólk hem toedroeg: want als hy op het Loof-
hutten-feeft , wanneer men takken van palm-
en citroen-boomen draagt, zich bereydde om
ófferanden te ófferen , hieldt men zich niet te
vreede met hem citroenen na \'t hoofd te wer-
pen , maar men hoonde hem ook met fcheld-
woorden, en zeyde dat hy onwaerdig was Go-
de te ófferen als een die van eene flaavinne af-
komftig was. Hierover wierdt hy zo vertoornd,
dat hy zesduyzend menfchen deed om \'t lee-
ven brengen , en ver vólgens den overlaft van
dien woedenden hoop afkeerde door een hou-
ten ftaaketfel \'t. welk hy rondom den Tempel
en den altaar liet maaken, ftrekkende \'t zelve
zich tót aan de plaats alwaar het den Priefteren
alleen vry ftondt in te gaan. Thans nam hy
krygsvóïk uyt Piftdiëen Cilicië in dienft; want
dewyl hy een vyand der Syriërs was, wilde hy
zich van hen niet bedienen. Voorts overwon
hy de Arabiërs, leydde den Moabiten eri Gala-
ditcn fchattingen op , en verdelgde Amath,
zonder dat Theodorus" zich in een gevecht met
hem-durfde inlaatcn. Hy beoorlógde Obed
Koning der Arabiërs ook; maar dicht by Gada-
ra in Galiléa in eene laagte gevallen., en door
eene menigte van kameelen in een naaüwe engte,
alwaar de doortógt zeer moeijelyk was , ge-
dreeven zynde, had hy groote moeite om zich
te bergen , en te Jerufalem te komen. Dit
ongeval wierdt gevólgd van eenen oorlóg , dien
zyne onderdaanen zes jaaren lang tegen hem
voerden , geduurende welken tyd hy wel vyf-
tigduyzcnd van hen doodde; en hoewel hy allés
aanwendde om hen tót bevreediginge te bren-
gen , echter was hunne verbitterdheyd zo groot,
dat ze door zachte middelen fcheen aan te
groeijen. Hy vraagde hen derhalve eens, wat
hy dan doen moft om hen genoegen te geeven;
en zy antwoorden, dat hy zichzelven om den
hals moft brengen, Voorts zonden zy aan De-
metrius Eucerus om hulpe.
XXIL HOOFDSTUK.
Demetrius Eucerus Koning van Syrië komt den Jooden tegen Akxm-
der hunnen Koning te hulpe , üaat hem ui ettien veldQag , en
wykt te rugge. De Jooden beooriogen hem evenwel : Hv over-
wint hen irverfcheydene gevechten, en doet hen aankruyfennW
!en. Demetrius belegert zynen broeder Filippus binnen Beroë.
Mithridates Synaces Ko.nmg der Parrhcn zendt een heir tegen hem ,
â t welk hem gevangen neemt. Hy ftgfft kort daarnaa.
â¢p|Emetrius Eucerus geftyfd door deeze die j.j»^
hem t\'hunner hulpe ontbooden hadden;
quam tót hen mee een heir van drieduyzend
paer-
558,
paerden, en veertigduyzend ma^nnentévoet, en
legerde zich by de ftad Sikima. Alexander trok
hem tegen met zesduyzend tweehonderd vreem-
de fóldaaten, welke hy in dienft genomen had,
cn twintigduyzend Jooden die hem getrouw ge-
bleeven waaren. Men gebruykte daarop ter we-
der zyde veele liften , want Demetrius poogde
deeze vreemdelingen , welke Grieken waaren,
op zyne zyde te trekken y en Alexander deed zyn
beft om dejooden, die zich by Demetrius ver-
voegd hadden, tót zyne party tc doen overgaan:
maar geen van beyde bercykte zyn oogmerk j zo
dat men eyndelyk befloot tót een gevecht te ko-
men. Demetrius won den flag, en de vreemde
krygflieden in Alexanders dienft gaven uytmun-
tend® blyken van hunne dapperheyd en getrouw-
heyd, want zy fneüvclden alle iii den ftryd, zon-
der dat \'er één overbleef Demetrius verloor \'er
ook veef vólks : en Alexander vlugtte na \'t
bergte, alwaar, door een zonderhnge verande-
ring zesduyzend Jooden , uyt deernis met zyn
ongeval, byhem quamen j \'t welk Demetrius zo
veel vreeze aanbragt dat hy te rugge week. In-
middels lieten de andere Jooden niet naa, den
oorlóg alleen tegen Alexander voort te zetten ;
maar dewyl zy t\' elkens geflagen wierden, ver-
looren zy in verfcheydene gevechten veel vólks.
Hy dwong de voornaamfte zich na Bethon te
begeeven , waarnaa hy die ftad met geweld in-
nam, en hen najerufalem gevangen voerde, al-
waar hy, om zich over den bitteren overlaft van
hen ge4eeden te wreeken, een zeer yflyke wreed-
heyd tegen hen pleegde: want ter zelfder tyd
dat hy zyne bywyven op een verhévene plaats,
vanwaar men een vry uytzigt had, met een gaft-
maal onthaalde, deed hy achthonderd van hen
voor zyne oogen aan kruyfen hechten , cn ter-
wyl zy nóg leefden, hunne vrouwen en kinde-
ren in hun aanzien ombrengen. \'t Is waar dat zy
hem ten hosgften beleedigd hadden, dewyl zy
niet vergenoegd met hem door hunne eygene
mao-t te beoorlogen, vreemdelingen t\'hunner
hulpe hadden ingeroepen, hem menigmaaal in
gevaar van zyn leeven en Koningryk te verlie-
zen, hadden gebragt, cn tót dat uy terfte gedree-
cnoodzaakt was de plaatfen, wel-
ven
ke hy in de landen der Moabiten en Galaditen
veroverd had, aan den Koning der A rabiërs over
tc geeven, opdat die met zyne oproerige on-
derdaanen niet tegen hem zoud aanfpannen j be-
halve nóg veel ander leed dat zy hem aange-
daan hadden. Maar onaangczien dit alles be-
hoort men eenen affchrik te hebben-^n zulk
een gruuwelyke onmenfchelykhcyd j waar-
over men hem met recht den toenaam van Thra-
cide gegeeven heeft, om zynen overwrecden
aardt daardoor te betékenen. Achtduyzend fól-
daaten van di&génen die de wapenen tegen hem
opgenomen hadden , trokken den vólgenden
nacht naa de onmenfchelyke daad v^eg , en
keerden nooit wéér onder zyne regeeringe, die
federd ftil en vreedzaam was.
Toen Demetrius Judéa verliet, ging hy met
duyzend paerden en tienduyzend voetknechten
zynen broeder Fiiippus binnen Beroë belege-
ren 5 Stram) die \'er Vórft van was , en Fi-
iippus byftondt, verzócht hulpe van Ziz-Ms
Veldheer der Arabiërs, en MithridatesSjnaces
Koning der Parthen : en dewyl deeze hem eea
groote krygsmagt toefchikten , wierdt Deme-
metrius in zyn léger beflooten, en zyne fól-
daaten , zo door de menigte van fchichten en py-
len , als door gebrék van water , gedwongen,
hem in hunne handen over te léveren. Zy zon-
den hem gevangen aan Mithridates, en keeren-
de met buyt beiaaden te rugge, heten zy alle de
Antiochiërs,. die onder de gevangenen waaren
zonder lósgeld vrygaan. Mithridates ondertuf-
fchen bewees Demetrius groote eere tót aan
\'t eynde zyns leevens toe, wanneer hy door
ziekte ftierf Dóch Fiiippus had zich terftond
naa het gevecht na Antiochië begeeven, en
zich voorts van Syrië meefter gemaakt.
XXIII. HOOFD^
FLAVIUS JOSEPHUS
:20.
XIIL Bd£K,.
XXIIÃ. H O O F D S T U K.
Verfcheydene oorlogen der Koningen van Syrië. Alexander Koning
der jooden neemt etlyke plaatfen in. Hy fterft, hebbende de Ko-
wingiii Alexandra zyne Gemalin geraaden de Pharifeën op haate
2yde te trekken, om sich alzó bemind te maaken.
A Ntiochu-s toegenaamd T>iönyÃus en broeder
^ van Filippus , vermeefterde Damaskus ,
deed zich tót Koning verklaaren , en bedien-
de zich tót dien eynde van zyns broeders afwee-
zen 5 die te\' velde getrokken was om de Afa-
biërs te beoorlogen. Zo dra Filippus bericht
daaraf kreeg, quam hy met alle fpoed te rug,
en geraakte weêr binnen Damaskus door hul-
pe van MileÃus den ftót voogd. Maar om te
doen gelooven dat het de fchrik van zynen
naam , en niet een heymelyk verftand was,
waardoor hy die plaats wedergekreegen had,
beloonde hy hem met ondankbaarheyd. .Mile-
ftus om zich daarover te wreeken, nam tót zyn
voordeel den tyd dat hy na \\ ryperk gegaan
was om de paerdeoefening te zien, floot hem
de poort voor de neus , en bewaarde de ftad
voor \'Antiochus. Zo dra die Vórft deeze ty-
ding ontvangen had, keerde hyIpoediglyk we-
der uyt Arabië na Judéa , met achtduyzend
mannen te voet , en achthonderd te paerde.
De Koning Alexander door deezen fchielyken
inval verbaafd , deed een diepe graft maaken
van Kaparfabé , \'t welk men nu Antipatris
noemt, tót aan de zee van Joppe, dewyl dat
de eenigfte plaats was alwaar men tc lande kon
intrekken : daarbeneven deed hy eenen muur
oprechten , met houte blókhuyzen, honderd
vyftig ftadiën van malkanderen afgelegen. An-
tiochus ftak deeze alle in den brand , en trok
toen met zyn heir v/eder na Arabië. In \'t eerft
begonden de Arabiërs te wyken, maar daarnaa
verfcheenen zy met tienduyzend ruyters. An-
tiochus viel met groote kracht op hen aan, maar
terwyl hy den eenen vleugel van zyn heir, die
reeds aan \'t waggelen was , poogde te herftel-
len , en de overwinning byna bevochten had,
wierdt hy gedood. Hierdoor ontzonk den zy-
nen de moed, zo dat zy de vlugt namen na
\'t vlek Kana, alwaar de meefte van honger
ftierven.
Daarnaa regeerde Jreta^F óver neder Syrië,
alwaar hy ingeroepen was door die van Damas-
kus, wegens den haat dien zy Ptoloméus, zoon
vanMenéus, toedroegèn. Hy toog gewapen-
derhand in Judéa , overwon den Koning Alexan-
der dicht by Adida, cn keerde weder naa een
verdrag met hem aangegaan te hebben.
3^3. Alexanderde ftad Dian weder belégerende
nam ze met geweld in, belégerde Eftä, alwaar
Zeno zyne kóftelykfte goederen bewaarde, om-
ringde die plaats met eenen driedubbelden muur,
en overweldigdeze ftórmenderhand. Hy maak-
te zich ook meefter van Gaulana, Seleucië, het
dal van Antiochus, en de fterkte Gamala : en
dewyl Demetrius, die \'t gebied over die plaatfen
had, van veele misdaaden befchuldigd wierdt,
beroofde hy hem van zyne heerfchappy. Naa
dat hy
ontrent drie jaaren met alle die krygstóg-
ten doorgebragt had , keerde hy met zyn heir
weder na Jerufalem , alwaar hy wegens zyne
voorfpoed met groote vreugde ontvangen wierdt.
m
11
lî- \'(
De Jooden bezaten toen ter zelfder tyd
veele fteden in Syrië, Iduméa, en Fenicië , \'rc
weeten aan de zeekant Stratons toren, Apol-
lonia, Joppe, Jamnia, Azote, Gaza, Anthe- â
don, Raha , en Rhinocolura : In Iduméa,
Adoia, Marifta, Samarië, de bergen Karmel en
Itaburïum, Scythopolis , Gadara, Gaulaniris,
Seleucië, en Gabala : In \'tland der Moabiten,
Eftèbon , Medaba , Lemba , Oronne , Teli-
thon , en Zara : Het dal van CiUcië, Pella^
welke laatfte ftad zy verdelgden, omdat dc
mwooners onze wetten niet onderhouden wil-
den. Ook bezaten zy in Syrië nog eenige an-
dere voorname fteden die verwoeft geweeft
waaren.
Alexander door onmaatigheyd tót dronken- 5<?5
fchap vervallende, wierdt met een vierdcn-
daagfche koorts bezócht, die hem drie jaaren
bybleef: en dewyl hy evenwel de krygsverrich-
tingen waarnam , wierden zyne krachten zo
uytgeput, dat hy op de grenzen der Gerafenen
ftierf, terwyl hy het ftót Ragaba , over den
Jordaan gelegen, belégerde.
Toen men bemerkte dat de dood met zyne
ziekte gemengd, en hy buyten alle hoope van
opkomfte was , maakte de Koningin Alexan-
dra, zyne gemaalin, een groot misbaar over den
verlaaten ftaat , waarin zy te gemoet zag dat
ze met haare kinderen ftondt te vallen, en over-
ftclpt van traanen zeyde zy tót hem : â In wiens
handen laat gy my en uwe kinderen, nu wy
zo zeer om hulpe zullen verlegen zyn, ter
oorzaake van den grooten haat Welken gy ,,
weet dat al het vólk u toedraagt !" Hierop
antwoorddehy ⢠â Indien gy mynen raad wilt â
vólgen, zultgy het ryk konnen behouden, â
en voor uwe kinderen bewaaren. Verberg â
mynen dood voor myn krygsvólk , tótdat â
deeze plaats zal veróverd zyn : cn als gy â
zeeghaftig te Jerufalem zult wedergekeerd â
weezen , poog dan de geneegenheyd der
1 harifeen te winnen, door hen eenig gezag
te geeven , opdat de\'eere die gy hen doet, â
hen bewccgc u by\'t vólk tc pryzen : want zy â
vermoogen zo vèel by \'t zelve , dat zy doen
beminnen en haaten wien \'t hen goed dunkt,
zonder dat men eens aanmerkt dat zy alles
maar uyt eygen belang doen, en dat wanneer
zy quaalyk van iemand fpreeken, het alleen- â
lyk uyt nyd en afgunft gefchiedt , gelyk ik â
zelf ondervonden heb; want de haat des ,,
vólks tegens my is daaruyt ontftaan dat ik â
hen tót myne vyanden gemaakt hebbe. Ont-
bied dan de voornaamfte dier fekre zo dra gy
zult t\'huys gekomen zyn, toon hen myn
lyk , en zeg tót hen , gelyk als óf gy y^j^^
ganfcher harte meende , dat gy \'t hen ter
hande wilt ftellen , om\'er meê te doen jzo ,3
als zy willen, \'t zy met het alleenlyk de eere
der begraavenifle te weygeren 5 om zich over ,,
\'t leed dat ik hen aangedaan heb teAvreekeh\',\'
óf het nóg grooter hoon aan te doen om hun-
nen moed ter deege te koelen. Verzeker
hen voorts dat gy niets in de ryksregeering â
wilt doen , dan njet hunnen raaden lÃaa â
\'er u borg voor , dat indien gy zo doet , zy
over die onderwerping zo voldaan zullen â
weezeu .
35
35
J.t
3>
3>
33
33
33
55
33
35
35
39
39
39
39
39
33
33
33 weezen , dat ze in plaats van myne gedach- ^ ombrengen. Zy maakten een begin met Dwge-
\' \' msen bragten daarnaa ook andere om\'t lee-
ven, tót dat de voornaamfte deezer vervólgden
by den Koningin in\'t paleys quamen, hebbende
Ariftobulus by zich , die door zyn gelaat ge-
noeg te verftaan gaf 3 dat hy deezen handel niet
goed keurde , en dat mdien hem gelegenheyd
daartoe voorquame, hy de Koningin zyne
moeder zou doen weeten , dat zy haare magt
zo niet behoorde te misbruyken. Deeze per-
foonen vertoonden aan die Vórftinne , ^^ dc
treftelyke dienften welke zy wylen den Ko-
ning hunnen Heere gedaan hadden : dat de
weldaaden die zy van hem genooten hadden,
eene vergelding van hunne dapperheyd en ge-
trouwheyd waaren ^ en dat zy haar baden niet
te willen toelaaten , dat naa zo veele gevaa-
ren in den oorlóg geloopen tc hebben , hun-
ne vyanden hen in volle vreede als flagtóf-
fers zouden om den hals brengen , zonder
daarover geftraft te worden. Wyders , dat
indien deeze onbillyke vervólgers zich ver-
genoegden met het bloed dat zy reeds vergoo-
ten hadden j de eerbiedigheyd voor \'t ko-
ninglyk gezag, Waamiede zy hun bedryf
poogden te bekleeden , hen met geduld alles
wat zy geleeden hadden zou doen draagen.
Maar dat indien zy wilden voortgaan met ,,
zulk een wreedheyd te pleegen , zy de Ko-
ningin baden te willen toelaaten, dat ze hun-
ne veyhgheyd buyten liaar ryk gingen zoe-
ken , doordien zy zulks zonder haar verlóf
niet wilden doen: óf zo zy hen dit billyk ver-
zoek weygerde, dat zy hen dan liever alle
in haar paleys mogt laaten vermoorden , al-
hoewel \'er niets fchandelyker kon zyn , dan
toe te laaten dat zy dus door de gezwoorene
vyanden van den Koning haaren gemaal ge-
handeld wierden , en dat zy aan Aretas Ko-
ning der Arabiërs en andere Vórften het ver-
maak gaf van te zien dat zy haar zelve van
zo veele braave mannen beroofde, welker
naam alleen hen voormaals deed fidderen. Tót
een beftuyt zeyden ze, dat indien zy hen dee-
55 tcnis te onteeren, my een prachtiger lyk-
ftaath zullen verzórgen , dan ik van u zou
konnen verwachten , en dat gy met een vol-
53 komen gezag zult regeeren. Naa dat hy
deeze woorden gefprooken had, ftierf hy in den
ouderdom van eenenvyftig jaaren j, waarvan hy
\'er zevenentwintig geregeerd had.
XXIV. HOOFDSTUK.
De Koning A lexander laat twee zoonen naa, Hyrkanus die Hooge-
priefter wierdt, en Ariftobulus. De Koningin Alexandra hunne
«KJeder wint de geneegenheyd des vóiks door middel Van de Pha-
rifeen , aan welken zy een groot gezag overlaat. Zy doet door hun-
nen raad de getroüwlle dienaars van den Koning haaren gemaal
ombrengen; en geeft aan andere om hen te bevreedigen dchewaa-
ting der fterkfte plaatfen. Inval van Tigranes Koning van Arme-
nic in Syrië Ariftobulus wil zich tóe\'Koning op#erpen. De
Koningin Alexandra fterft.
3»
33
3i
35
3i
3>
3»
3i
aa
39
3S
39
39
JS
39
39
^^^ "" ^^ Koningin Alexandra het ka
fteel Ragaba ingenomen had , en weder te
Jerufalem gekomen was , fprak zy tót de Pha-
rifeen indiervoege gelyk de Koning haar gemaal
haar bevolen had , cn zy verzekerde hen dat
ze ontrent zyn lyk en de ryksbeftieringe niets
buyten hunnen raad en goedvinden wilde doen.
Hierop veranderde de haat, die zy tegen haar
opgevat hadden, in eene toegeneegenheyd,
zo dat zy de treftelyke daaden van Alexander
by \'t vólk preezen, en zeyden dat zy eenen braa-
ven Koning aan hem verlooren hadden j waardoor
Zy zulk een droeftènis en rouw over zynen dood
verwekten, dat men een prachtiger lykftaatfi voor
hem aanrechtte 5 dan men ooit Voor iemand zy-
ner voorzaaten gedaan had.
Deeze Vórft liet twee zoonen naa j Hyrka-
39
39
mi\'s en Ariftobulus , en had by uyterfte wille be-
volen j dat Alexandra Ryksvoogdés zyn zoude.
Hyrkanus de oudfte was onbequaam tót de re-
geering , en zócht maar buyten beeè:igheyd te
leeven. Ariftobulus daarentegen was fchran-
der en onvertZaagd. De Koningin hunnen moe-
der , die by den vólke in gunfte was, omdat
zy altoos betuygd had dat zy \'t misdryf van haa-
ren man met weerzin moft dulden,, deed Hyrka- ; ze gunft\'affloeg, en vaftelyk beflooten had
nus tót Hoogenpriefter aanftellen , niet zo zeer \' zich aan de woedende drift der Pharifeen over
omdat hy de oudfte was, als om zyne onbe- te geeven, zy ben dan ten minften hier en
quaamheyd en traagheyd. Voorts het zy de 1 daar op eenige veftingen verdeelen wilde, om
Pharifeen met alles begaan , en beval het vólk ; alzo hun leeven in eenen rampzaligen ftaat te
hen tc gehoorzaamen , en zo haar fchoonvader ftyten , naardien de fórtuyn Alexanders die-
Hyrkanus iets van hunne overléveringen afge- j naars zo wreedelyk vervólgde",
fchaft hadde , het te herftellen. Aldus had zy t Naa dat zy deeze en andere diergeiyke woor-
niet dan den naam van Koninginne, en de Pha-! den voortgebragt hadden ^ riepen zy de ziel
rifeen bezaten dc ganfche koninglyke magt â I van den overleeden Koning aan , om haar tót
zy herriepen de gebannenen , lieten de gevan-! deernis te verwekken zo met degéenen die reeds
genen lós, en verfcheelden niets van Opper- i gedood waaren, als met deeze die \'t zelfde
Daar waaren alleenlyk eenige zaaken gevaar liepen. Dit bewoog alle de omftanders
3S
39
33
JJ
35
39
39
3S
39
39
39
39
35
«eeren. ______
waarvan deeze Vórftin de befchikking hadj
voorts onderhieldt zy een groot getal vreemde
krygslieden , en fcheen magtig genoeg te zyn
om de nabuurige Vórften onder vreeze te hoe-
den , want zy noodzaakte hen gyzelaars aan
haar te zenden. Aldus regeerde zy vreedzaam-
iyk 3 en \'t waaren alleen de Pharifeen die den
Staat ontrufteden , door haar te overreeden dat
zy degénen, die Alexander geraaden hadden
de achthonderd mannen te kruyfigen, deede
dermaate , dat zy zich niet van traanen kon-
den onthouden. Maar Ariftobulus toonde zyn
misnoegen meer dan iemand anders, door \'t ver-
wyt dat hy der Koninginne zyne moeder deed:
alhoewel zy hun ongeval zichzelven meeft te
wyten hadden , nademaal zy \'er zelve oorzaak
van waaren , door de ryksregeering aan zo eene
ftaatzuchtige vrouw op te draagen , even als óf
de overleeden Koning geene zoonen naagelaaten
had om hem in \'t ryk te vóleen,
" Sf
Op dit voorval vondt deeze Vórftin zich
niet weynig verlegen , en dacht dat zy niet be-
ter kon doen dan de bewaaring der vafte plaat-
ien,^ "vtgenomen Hyrkania, Alexandrion, en
Macheron , alwaar ze haare voonaamfte kófte-
lykheden bad , aan die misnoegden te vertrou-
wen. Niet lang daarnaa zondt zy Ariftobulus
met een heir na Damaskus tegen Ptoloméus
Menneus, die alle zyne nabuurige vólken plaag-
de : maar hy keerde te rug zonder iets merk-
waerdigs verricht te hebben.
Ter zelfder tyd kreeg men bericht dat Ttgfa-
nes Koning van Armenië met een heir van vyf-
honderd duyzend mannen in Syrië gevallen
was, en wel haaft in Judéa komen zoude. Dit
groot en onverwacht gevaar verfchrikte de
Koningin Alexandra en \'t ganfche ryk. Zy
zondt derhalve kóftelyke gefchenken aan dien
Vórft door haare Gezanten , die hem met het
belég van Ptolomaïs beezig vonden. De Ko-
ningin Selene , anders Kleopatre genaamd y ver-
maande alle haare onderdaanen zich kloekmoe-
diglyk tegen dien geweldenaar te verdeedigen.
Ondertuftchen verzuymden Alexandras Afge-
zanten niets om Tigranes te beweegen , dat hy
een gunftig gevoelen van haar vólk mogt heb-
ben. Hy ontfing hen minnélyk, en zondt hen
met goede hoope te rugge. Toen hy Ptolemaïs
ingenomen had, verftondt hy dat Lukullus ^
die den Koning iVlithridates had naagejaagd,
zonder hem te konnen achterhaalen , d\'^swyl hy
\'t reeds in Liberië ontkomen was, in Arme-
nië was gevallen , en aldaar het ganfche land
plonderdc en verwoeftte j \'t welk hem deed be-
ftuyten te rugge tc keeren.
De Koningin Alexandra viel daarnaa in een
zwaare ziekte , \'t welk Ariftobulus deed den-
ken dat hy geen gunftiger gelegenheyd tót het
uytvoeren van zynen toeleg zou können aan-
treffen. Hy vertrok dan by nacht alleen met
éénen dienaar verzeld, om na de vafte plaat-
fen te gaan , die , als gezegd is , door de ver-
trouwdfte vrinden van wylen den Koning zy-
nen vader bewaard wierden. Want vermids
hy al lang over \'t gedrag zyner moeder onvol-
daan was geweeft, vreesde hy dat als zy quam
te fterven, haar ganfche geflacht onder de magt
der Pharifeen vervallen zoude ⢠en hy zag daar
nevens dat zyn broeder Hyrkanus t\'eenemaal
onbequaam was om te regeeren. Hy vertrouw-
de zyn geheym aan niemand dan zyne huys-
vrouwe , dic hy met zyne kinderen te Jerufa-
lem het. Allereerft giâg hy na Agaba, alwaar
Cxalejtes, een van de voornaamften , hem met
blydfchap ontftng. Des anderen daags bemerk-
te de Koningin wel dat Ariftobulus van huys
was, maar vermoedde evenwel niet dat hy weg-
gegaan was om beroerten te verwekken. Dóch
toen zy verftondt dat hy zich meefter van ééne
plaats , en daarnaa van andere gemaakt
bad , (want zo dra had de ééne zich niet aan
^em overgegeeven, óf de andere vielen hem
we; Wierdt zy met alle de haare van een groo-
te verbaafdheyd bevangen 3 doordien zy wel
öegrcepen dat Ariftobulus dus doende byna in
f ftaat was om zich meefter van ^t ryk te maa-
ken , en dat zy zeer vreesden dat hy zich wree-
ken zoude over \'t quaad onthaal zynen vrin-
den aangedaan. In deeze groote bekommerd-
heyd wiften zy geen beter raad , dan de vrouw
en kinderen van Ariftobulus in verzckcringe
te neemen, en hen op \'t ftót dicht by den
Tempel te bewaaren. Inmiddels kreeg die
Prins grooten toeloop , cn vondt zich binnen
vyftien dagen meefter van twéëntwintig plaat-
fen. Hy nam toen de merktékenen der ko-
ninglyke Waerdigheyd aan , en liet geen tyd
verlooren gaan om krygsvóïk te verzamelen,
t welk hy kreeg van den berg Libanon, van
Trachonitis^ en van de nabuurige Vórften, die
hem gewilhglyk byftonden , op hoope dat hy
t erkennen zoude ^ indien zy hem ten troon ver-
hieven ^ wanner hy zich zulks niet zoud heb-
ben durven belooven ^ hoe zeer hy\'er ook na
haakte. Hyrkanus vcrgezelfchapt met de voor-
naamfte Jooden quam by de Koningin, ver-
zoekende haar dat zy hen zeggen wilde , wat
zy dienftig oordeelde in dien toeftand te doen,
dewyl de zaaken zo verre gekomen waaren,
dat Ariftobulus , door de overgaavc van 20
veel plaatfen, bykans meefter was van den gan-
fchen ftaat, en dat fchoon zy zeer krank was j
zy \'t echter hunnen pligt achteden geduurende
haar leeven niets buyten haaren raad en weeten
te onderneemen. Zy antwoordde : ^^ Dat zy
\'t aan hen ftelde om te doen \'t gene zy beft
voor \'t ryk oordeelden dat hen geen magt
van vólk en krygsbenden, nóch ook geld,
waarvan men ccn groote fomme in de fchatkift
zou vinden , ontbreeken zoude , en dat zy
voor haar zelve niet langer in ftaat was om zich
met werreldfche zaaken te bekommeren ^ de-
wyl zy gevoelde dat haare leevenskrachten haar
begaven. Kort naa dat zy dit gefprooken had
ftierf zy , hebbende negen jaaren geregeerd,
en drieënzeventig geleefd.
Deeze Vórftin was verre boven de zwakheyd
van \'t vrouwelyk geflacht, en toonde door haare
daaden dat zy bequaam was om te gebieden,
en zodaanige Vórften , die zich onwaerdig too-
nen van den rang dien zy in de Werreld houden,
te befchaamen j zy betrachtte alleenlyk den te-
genwoordigcn welftand des ryks , zonder zich
door ydele. gedachten over het toekomende van
zulk een gewigtige beezigheyd te laaten aftrek-
ken : zy geloofde ook dat de gemaatigdheyd in
de regeeringe boven alles te achten was, en dat
men niets behoorde te doen dat niet bil-
lyk en eerlyk was. Maar alle deeze goede
hoedaanigheden konden niet beletten dat haare
afkómelingen naa haaren dood de magt, welke
zy door haare ftaatzucht met groote .moeite
en gevaar verkreegen had, weder quyt raakten5
zo groot was de misflag dien zy beging ^ dOor
den verderflyken raad van de vyanden haars huys
te vólgen , die haar bewoogen om den ftaat td
berooven vah zulke die bequaamft waaren om
hem te onderfteunen. Dus vólgden \'cr be-
roerten en onheylen op haaren dood, maar zo
lang zy regeerde was alles in rufte.
JOOD-
G H
V E E R Tl
E B O E K,
: E E R S T E HOOFDSTUK.
Naa den dood der Koninginne Alexandrako\'men Hyrkanusen Arifto-
buius haare twee zoonen tót een gevecht j waarin Ariftobulus de
overhand, behoudt ;; ^y gaan daarnaa een verdrag aan , vólgens
\' "\'tvveik de kroon op Ariftobulus komt, hoewe! hyde jongfte is, en
Hyrkanushoudczich te vreede met eèn ampteloos leeven. s
T^Y hebben in \'t voorgaande boek getoond
570. VV hoedaanig het leeven en de dood der Ko-
ninginne Alexandra was j nu ftaat ons te fpree-
ken van \'t geene daarna gebeurde , zullende
ons bevlytigen dat \'er niets door vterzuym óf
vergeetinge voorbygegaan worde: want hoewel
zy die onderneemen eene Hiftori te fchryven,
ea de zaaken , die door langheyd des tyds ver-
duyfterd zyn 3 op te helderen de netheyd van
ftyl, en de cieradert daartoe vereyfcht, behooren
in acht te neemen, echter moethunnevoornaam-
ftx zórg zyn de waarheyd naauwkeuriglyk te ver-
haalen ^ ten eynde zy hunne leezers, die geloof
aan hunne woorden ftaan, een goed bericht geeven.
Naa dat dan Hyrkanus tót Hoogenpriefter
aangefteld was , in het derde jaar der honderd
zevenenzeventigfte Olympiade , ren tyde toen
Q. Hortenfius en Q. Metellus Kretikus te
Rome Burgermeefters waaren ^ verklaarde
Ariftobulus den oorlóg tegen hem : waarop het
tót éénen veldflag komende die dicht by Jericho
geleverd wierdt, ging een groot gedeelte van
Hyrkanus krygsvólk tót Ariftobulus over. Dit
veroorzaakte dat Hyrkanus de vlugt nam op het
flót te Jerufalem, alwaar de huysvrouw en kin-
deren van Ariftobulus door bevél der Koninginne
Alexandra gevangen gezét waaren. De óverige
van zyn vólk weeken binnen den omvang des
Tempels, maar gaven zich haaft over. Thans
begon men Van vreede tuftchen de twee broeders
te fpreeken ,. en zy wierdt ook geflooten, op
voorwaarde dat Ariftobulus regeeren , en Hyr-
kanus zich met eèn ampteloos leeven, en \'t genot
zyner goederen vergenoegen zoude. Dit ver-
dra^ wierdt in den Tempel getroftcn , en met
hand en eed door hen beyde bekrachtigd 3 waar-
naa eikanderen in de tegenwoordigheyd des
volks omhelsd hebbende, fcheydden zy van één,
en Ariftobulus begaf zich na \'t koninglyk paleys,
terwyl Hyrkanus na \'t huys gmg daar Arifto-
bulus eerft woonde.
11. hoofdstu k.
Antip;\\i-er een Idumeër raad Hyrkanus tc vlugten , en zich na Aretas
Koning der Arabiërs te begeeven , die hem belootc ni t ryk van
Judéa te herftellen.
f-^Eker Idumeër geheeten Jfittpatér , zynde
-^ryk, ftont om iets te beftaan , en van een
gaauw verftand, was een groot vrind van Hyr-
kanus , en vyand van Ariftobulus. Nikolaüs
de Damascenef wil dat hy afkomftig Was üyt
één van de voornaamfte huyzen der Jooden die
uyt Babilon weder in Judéa gekeerd waaren 5
maar hy zegt dit ter believinge van Herodes dee-
zes mans zoon-j die naderhand door \'t geluk tót
den troon onzer Koningen verheven wierdt, ge-
lyk wy te zyner plaatfe zullen zien. Men noem-
de heai in \'t eerft niet Antipater maar Antipas,
gelyk zyn vader, die door den Koning Alexan-
der en zyne gemaalin tót Landvoogd van Idu-
méa aangefteld zynde, met de Arabiërs, en As-
kaloniien vrmdfchap gemaakt, en door groote
gefcheuken hunne geneegenheyd ge^j^oniien had.
Dewyl nu de magt van Ariftobuiüs by Antipater^
die wegens de vyandfchap die \'er tuficheo hen
was, voor hem vreesde, verdacht ge worden was,
deed hy hem heymelyk by de voorxiaamfte Joo-
alle kwaadë dienften die hy kon , zeggende dat
het geen fchyn van billykheyd had , dat men
zou toelaaten dat hy zich de kroon aanmaatigde^
die zynen oudften broeder Hyrkanus met rectit
toequam. En \'t was hem niet genoeg dat hy
dit ook tegens Hyrkanus Zeydé j maar hy voeg-
de daarby 3 dat hy zyns leevens niet zeker was^
indien hy niet fpoedig wegtrok, doordien de
vrinden van Ariftobulus geen gelegenheyd zou-
den laaten voorbygaan van hem te dooden,
om het onrechtmaatig gezag zyns broeders
vaft te ftellen. Dóch vermids Hyrkanus van
natuure goedaardig was, en niet ligtelyk aaii
een quaad vermoeden geloof floeg , liet hy zich
door dit gefprék niet zwaaijen : en zyne zacht-
zinnigheyd en vreedelievendheyd. maakten dat
hy aangemerkt wierd als een man van l^^yn
verftand. Ariftobulus daarentegen was ftout
van aardt, en tot het uytvoeren van groote on-
derneemingen bequaam. Antipater het Onder-
tuftbhen niet af, alhoewel hy zag dat Hyrka-
nus niet naar hem luyfterde j maar hy poogde
hem te doen gelooven dat Ariftobulus op
zyn leeven gemunt had j en eyndelyk naa veel
moeite overftemde hy hem na Aretas Koning der
Arabiërs te vlugten 5 leggende dat zulks niet
zwaar om te doen was , omdat Arabië aan Ju-
déa paalde } voorts beloofde hy hem naar zyn
Vermoogen daartoe behulpzaam te zullen zyn.
Hierop wierdt hy van Hyrkanus aan Aretas
gezonden , om vry geleyde te verzoeken , cn
belófte dat hy hem aan zynen vyand niet over-
léveren zoude. Naa dat hem dit van Aretas
met eede toegezegd was, quam hy weder te
Jerufalem by Hyrkanus, en weynig dagen
daarnaa hem by nacht uytleydende, bragt hy
hem met groote dagreyzens in de ftadt Petra ^
alwaar dc Koning der Arabiërs zyn Hóf hieldt:
en dewyl hy wel by dien Vórft gezien was,
Sf 2
vcrzóclit hy hem zo ernftig om Hyrkanus in
\'t ryk van Judéa te herftellen , en gaf hem zo
veele gefchenken, dat hy\'er hem toe overreedde.
Hyrkanus beloofde hem ook dat ingeyalle hy
door hem in zyn ryk herfteld wierdt, hy üyt
erkentenifte van dk weldaad ^ hem het land en
de twaalf fteden ^ welke de Koning Alexander
zyn vader den Arabiërs ontnomen had ^ tewee-
ten Medaba ^ Naballo, Libias , Tharabafa ,
Agalla^ Athon , Zoara, Orone, Marifta,
Ridda, Luffa, en Oryba, wedergeeven
zoude.
III. HOOFDSTUK.
Aïiftobulüs wordt genoodzaakt zich binnen de vefting van Jerufalem
te begeeven. De Koning Aretas belegert hem. Onias, eenrecht^
vaerdTg man, wordt door eenige Jooden gefteenigd. Gods ftraffe
daarover.
Konirig Aretas doOr deeZe belóften vaii
-L\' Hyrkanus bewoogen, trok met een heir van
vyftigduyzend mannen zo ruyters als voetvólk op
Ariftobulus aan, leverde hem flagj en overwon
hem , waarnaa veele Jooden zich aan Hyrkanus
zyde voegden. Ariftobulus zich aldus verlaaten
ziende , vlugtte in den Tempel te Jerufalem :
maar Aretas belegerde hem daar met zyn heir ,
\'t welk verfterkt was door \'t vólk , dat Hyrka-
nus zyde gekoozen had j want het waaren al-
leen de Priefters dic Ariftobulus bleeven aan-
hangen. Het feeft der ongedeeffemde brooden,
\'t welk wy Paafche noemen , naby zynde , ver-
lieten de voornaamfte Jooden hun vaderland
en vloodcn na Egipte : dóch Onias ^ die een
rechtvaerdig man^ en zo van Gód bemind was,
dat hy in een groote droogte regen van hem
verwurven had, ziende deezen burgerlyken
oorlógj verbergde zich j maar meii vondt hem,
en bragt hem in \'t leger ^ alwaar de Jooden hem
baden , dat gelyk hy eertyds door zyne gebe-
den den hongersnood geftuyt had , hy alzo ook
eenen Vloekwenfch tegen Ariftobulus en die
van zynen aanhang wilde doen. Hy weder-
ftondc hun verzoek lang ^ maar eyndelyk
ijli!
S: ^
^woilg het vólk iiem . Ãaatop wendde hy zich tót
Gód, en fprak hem aldus aan in tegenwoordigheid
Van al het vólk: â Groote Gód, die de Opper-
3, heer van\'t heelal zyt, nademaal deeze die zich
5, hier tegenwoordig bevinden uw vólk Zyn j en
dat zy welke men belegert uwe Priefters zyn, zo
3, bid ik u dat gy de gebeden van beyde tegen mal-
3, kandercngedaan, onverhoortIaat Naauw-
lyks had hy deeze woorden gefprooken i óf eenige
booze en fchelmfche Jooden vielen met het werpen
vm fteenen op hem aan. Maar Gód vertoefde
niet met wraak over dit fnood misdryf te neemen 5
Want de hoogtyd van Paafche, op welke wy ge-
hoon zyn eene menigte van ófferanden te óffe-
5 gekomen zynde, verzóchten Ariftobulus
en de Priefters die by hem waaren , dewyl hen
ottervee ontbrak , van de Jooden die hen bele-
gerden , dat zy hen beeften wilden léveren tót
zulken pryze als zy zelve begeerden. Deeze
eyfchten daarop duyzend drachmen voor ieder
beeft, cii geld vooraf. Ariftobulus en de Prie=
fters ftonden hunnen eyfchtocj en lieten het geld
met een touw by den muur af. Maar deeze
booswichten het ontvangen hebbende, wilden
de ófferbeeftcn niet laaten vólgen, zo datzy niet
alleenlyk den menfchen geen woord hielden,
maar ook Gode de eere die hem toequam poog-
den te ontrukken. De Priefters zich aldus be^
droogen ziende baden Gód dat hy deeze trouw-
loozen wilde ftraffen , en hun gebéd wierdt
terftond verhoord ; want de Heere zondt door
\'t ganfche land eenen onftuymigen wind, die
alle de aardvruchten vernielde, zo dat een maat
tarwe voor elf drachmen verkóft wierdt.
^VL^ï^O Ã^FIDTTÃTK:
:aurus door Pompejus g^zo^en e« door Ariftobulus op zyne zyde
getrokken, nootzaakt den Koning Aretas het beleg van lenifalcm
n« t» breeken. AriItObulns ââijfioâ¢
op te breeken
Hyrkanus.
A â A k 1 ^"\'""s ftretas net oeieg van )erulaicm
Anitobulus wint eenen veldflag tegen Aretas en
I 1 rvfc»«
Ompejus ontrent dien tyd beezig zynde met
den oorlóg in Armenië tegen Tigranes,
.zondt
KIV. Boek.
zondt Skanrus in Syrië. Deez te Damaskus ^ \'t
welk kort te voore door Metelhts en LolUm ingc
nomen was , gekomen zynde, toog Van daar oa
Judéa. Terwyl by derwaards op weg was 3 Ortt^
moeteden hem Gezanten van Ariftobulus én
Hyrkanus, welke beyde verzóchten een verbond
met hem aan te gaan , daartoe hem de eene viet-
honderd talenten en de ander niet minder aanbood,
mids dat hy hen byftand verleende. Skaurüs
ftelde Ariftobulus boven zynen broeder ^ omdat
behalve dat hy ryk en mild Was, het gene dathy
begeerde ook ligter te doen viel waarentegen
Hyrkanus arm en vafthoudend zynde , zyne be-^
, iófte, zo\'t hem toefcheen j niet zou konnen hou-
den, alhoewel \'t gene hy begeerde veel meer was
dan wat Ariftobulus eyfchte ; dewyl \'t veel
zwaarder was zo een fterke en vafte plaatä als
den Tempel te bemagtigen , dan de belégeraars
daarvan , die maar vlugtelingen en Nabatheërs
waaren , en weynig luft tót den oorlóg hadden,
te overwinnen. Deeze rédenen bewoogen Skau-
rus de fomme, Welke Ariftobulus hem aanboodt j
aan te neemen , en het belég te doen opbreeken.
Om dan zyne belóften naa te komen , deed hy
Aretas aanzeggen 5 dat indien hy niet wegtrok,
hy hem vyand des Roomfchen vólks verklaaren
zoude. Thans keerde Skaurus weder na Damas-
kus , en Ariftobulus verzamelde een groot heir 3
leverde Aretas en Hyrkanus flag op eene plaats
genoemd Papyron ^ overwon hen , cn verfloeg
van hun vólk zevenduyzend mannen, onder
welke Cefdm broeder van Antipater wa^»
V. H O O F D S T xr k.
i\'ompejus komt in neder Syrië, Ariftobulus z:endt hem een Icdflelyk
geicbenk- Antipater komt by hem. Pompejus hoort de twee
broeders, en fteit de Uytfpraak nver hun gefchil uyt, naadat hy de
Nabatheërs tót hunnen pligt zoude gebragt hebben. Ariftobulus
aonder daarna ts wachten, begeeft zich nä Judéa.
\'^^Eynig tyd^ daarnaa quam PotopejüS te
^74. yv Damaskus, en door neder Syrië , alwaar
de Gezantià van geheel Syrië 3 Egipte, en Ju-
déa , by hem quamen. Ariftobulus zondt hem
eenen gouden wyngaard , vyfhonderd taleriten
waerdig. Strabo van Kappadocië maakt van
dit kóftelyk gefchenk gewag ^ met deeze woor-
den : Daar quamen Gezanten uyt Egipte y die
Pompejus eenen kroon, weegende vierduyzendftuk-
ken gouds y aanbêodeit; en andere bragten hem uyt
fiiaéa tenen wyngaard óf tmyn \'i^an goud;
rji;elken men Terpolts , -dat isgenemJóiyk , noemde.
Dtt kóftelyk gefchenk heb ik te Rome gtzm m den
terdpel\'van Jupiter Kapdolmüs, metdtt bjfchrfty
â Alexander Komng der Jooden, eu \'t wierdt op vyf-
honderd talenten gewaardeerd. Men zegt dat het
door Ariftobulus Vórft der Jooden gezonden was.
Antipater quam niet lang daarnaa van wege Hyr-
kanus by Pompejus i en iSlikodemus door Arifto-
bulus gezonden maakte zich Gabinius en Skaurus
tót vyanden i door den éénen te befchuldigen dat
hy driehonderd, en den anderen dat hy vyfhon-
derd talenten genomen had: Porapejits beval daar--
op dat Hyrkanus en Ariftobulus by hem komen
zouden , Jpdat hy uytfpraak over hun gefchil
deede: En toen de lente gekomen, en zyn
krygsvólk uyt de winterlégering gegaan was,
toog hy te velde, en verwoefte in het doortrek-
keii het ftót van Apamëa ^ h Welk Antiochus
Gyzicenus had doen bouwen j ook bezigtigde
hy het land van Ptoloméus Menneüs j die in
boosheyd voor Dionyfius den Tripolitaan ^ zy-
wien \'t hoofd afgehoüwen Was,
nCn verwant ^
geenfms week j maar hy koft zynen hals vry
voor duyzend talenten 3 met Welk geld Pompe-
jus Ãyne^ benden betaald hebbende | het ka-
fteel Lylias , waarvan een Jood geheeten Sdas
Heer was, flechtte y voorts door Heliópolis eit
Chalcis trok, over het gebergte na neder Syrié
toog; en van Pella zich na Damaskus begaf: Al-
hier hoorde hy Hyrkanus en Ariftobulus wegens
het verfchil dat zy tzamen hadden j ook ver«
leende hy gehoor aan de Jooden ^ die over heii
beyde klaagden ^ en zeyden dat ze onder geen
heerfchappy van Koningen wilden ftaan ^ omdat
Gód hen alleenlyk bevolen had den Priefteren
te gehoorzaamen : en dat deeze twee broeders
wel van priefter lyken geflachte waaren y maat
dat zy de geftahe der regeeringe wilden veran-
deren j om zich het hoog gezag aan te maati^
gen, en hunne landaard alzo tót flaaverny t$
brengen. . , .
Hyrkariiis klaagde dat daar hy de oudèe
Ariftobulus hem wilde berooven van \'t gene
hem door Zyn geboorte-recht toequam, eft
hem noodzaaken zich met een kleyn gedeelte te
vergenoegen i terwyl hy \\ óverige met geweld
onder zyne gygene magt hieldt: dat hy te lan-
de op de nabuurige volken ging ftroopen ^ tes
zee door anderen roovery pleegde 5 en dat mert
geen ander blyk Vaö Zyneri onftuynjigen en op-
roerigen aardt behoefde ; dan dat hy het vólk tóe
afval bewoog. Deeze klagten wiérden door \'t
getuygenis van wel duyzend der voornaamfte
Jooden , welke Antipater op zyne zyde getrok-
ken had, geftyfd.
Ariftobulus beweerder daarentegen dat zyn
Broeder des vórftendoms onwaerdig was , door
zyne lafhartigheyd en onverftand , die hem
ombequaam om te regeeren, en by al \'t vólk
veracht maakten : Dat die reden hem verpligt
had het Oppergezag te aanvaarden ^ iiyt vreeze
dat het in een ander geflacht zoud overgaan:
Dat wat de hoedaanigheyd van Koning aan-
ging , hy die niet aangerioinen hadde, dan
omdat zyn vader haar altoos bezeten hadi Eii
tót getuygen van^t gene hy zeyde bragt hy eeni-
ge jonge quanten te voorfchyn j die in \'t oog
liepen omdat zy zo kóftelyk gekleed Waaren ^
en zulk opgetooid haair hadden ^ dat ze eerder
fcheenen gekomen te zyn om hunne pronkery
te toonen , dan om een oordeel te hooren uyt-
fpreeken.
Pompejui beyde deezé Broeders gehoord
hebbende ^ kon gemaklyk oordeelen dat Ari-
ftobulus geweld pleegde : hy beval hen dan
weêr heene te gaan ^ en zeyde dat hy op alles
órde zou ftellen naa dat hy de Nabatheërs tót
hunnen pligt gebragt hadde , en dat hy hen on-
dertuffchen belafte vreedzaamlyk te leeven.
Hy bejegende Ariftobulus beleefdelyk, uyt
vreeze dat die hem anders den doortógt zoude
ftuyten : maar hy won \'er niets mede op zyn ge-
moed, want Ariftobulus ging na de ftad Delion,
en vertrok vandaar na Judéa.
Sf; YtnOOFD^
" vangen hieldt, en zelf nä Jerufalem ging. Dee-
ze ftad was aan alle kanten zeer fterk, uytgezeyd
aan de noordzyde , alwaar een wyd en diep dal
den Tempel, die met eenen zeer fterken muur
voorzien was, omringde.
VIII. hoofdstuk.
Pqrnpejus neemt na een beiég van drie maanden, den Tempel van
Jerofalrtn ftórmenderhand in , zonder hem te pionderen. Hybe-
inoeisde tnagt der fooden. Laat het gebit d Van zyn heir aan Skaurus
orer; "Voert Ariftobulus met zyne twee zoonen Alexander en Anti-
gonus, nei\'ihs syrte t^ee dóchters, gevangen naRöme. Alexan-
"jerontvlugc uyt de gevangenis.
ii
l\'lfiM\'rl
\'i\'
VIL H O O F D S T U K.
Ariftobulus berouw hebbende ?an zyn bedryf, komt by Pompejus,
en handelt met hem: maar zyn krygsvdlk geweygerd hebbende het
beloofde geld te geeven, en de Romeynen binnen Jerufalem te ont-
vangen, houdtPompejushem gevangen 5 en belegerd den Tempel,
Waaria die van Ariftobulus aanhang geweeken waaren.
\'5/6. pOmpejus hieldt zyné èerfte legerplaats by
A Tf-i-i^hn ^ welks landsdouw zeer vruchtbaar
tÃ
Jt;}«::
^ Jeficl
is van dadelboomen ^ en alwaar de balfem , die
onder alle reukwerken de kóftelykfte is, zeer
weelig groeit, en uyt de hoorntjes druypt,
naa dat men \'er met een fcherp fteentje in ge-
fneeden heeft. Den vólgenden dag trok hy voort
na Jerufalem : Alstoen berouwde \'t Ariftobulus
wat hy gedaan had j dies ging hy na hem toe,
boodt hem eene fomme gelds aan, zeyde dat
hy hem binnen Jerufalem ontfangen zoude , en
verzócht hem allés te befchikken zo als \'t hem
beliefde, zonder tót eenen oorlóg te komen.
Pompejus ftondt hem zyn verzoek toe , en
^^ondt Gabinius met eenig krygsvóïk na de ftad
om dat geld te ontvangen. Maar hy quam on-
verrichter zaake te rug : want men gaf hem
geen geld , en men floot de poorten voor hem
toe , dewyl de krygsheden van Ariftobulus het
verdrag met wilden houden. Hierover wierdt
Pompejus zo vertoornd dat hy Ariftobulus ge-
§
Was de ganfche ftad Jerufa-
lem verdeeld fommige zeyden dat men
cle, poorten voor Pompejus moft openen j die
^an Ariftobulus aanhang daarentegen begeer-
den dat menze voor hem fluyten ^ en zich ten
oorlóg toeruften zoude, vermids hy Arifto^
bülus gevangen hieldt. En zonder zieh langer
te bedenken , maakten zy zich meefter van den
Tempel, braken de brug af waarmede hy aan de
ftad gevoegd was , cn ftelden zich in ftaat van
tegenweer. De andere ontvingen \'t heir van
Pompejus , en leverden alzo de ftad, en \'t ko-^
ninglyk paleys aan hem over. Daarop zondt hy
zynen ftedehouder P^ met zyne benden om die
piaats m bewaaringe te neemen , terwyl hy zelf
de huyzen en andere plaatfen ontrentden Tempel
deed verfterken. Dóch aleer hy tót eenig geweld
quam , boodt hy dien van binnen voorwaarden
van vreede aan: maar toen hy zag dat zy die niet
wilden aannemen, verfterkte hy \'t gene \'er rond-
om lag met eenen muur, waartoe Hyrkanus bly-
delyk alles wat noodig was verfchafte. Pompe-
jus koos om den Tempel te beftórmeri de noord-
zyde , omdat die de zwakfte was, alhoewel Zy
voorzien was met hooge cn fterke torens, en
een wyde graft, die met groote moeite in een
diep dal gemaakt was: want aan de zyde van de
ftad, alwaar hy zyne wyk genomen had, waaren
met dan fteylten welke men niet over kon ko-
men nu de brug afgebroken was. DÃTRomeynen
nimiddels waaren met een onvermoeide vlyt bee-
zig om ftórmfchanfen op te werpen , en hakten
tót dien eynde alle de boomen daar ontrent om
verre, vullende ook tevens de gragt, met geen
geringe moeite wegens zyne geweldige diepte.
Dit gedaan zynde begonden zy den Tempel met
ftórmtuyg te beuken, \'t welk Pompejus van
Tyrus had doen brengen, en waarmeê men
zwaare fteenen wierp. Maar zy zouden hunne
ftórmfchanfen niet voltooid gehad hebben , in-
dien de onderhoudinge onzer vaderlyke wetten ,
die ons verbieden op den Sabbath te werken, den
belegerden niet belét had dat werk te ftuyten.
Want de Romeynen zulks bemerkende fchootcn
toen met geene fchichten , nóchte deeden eeni-
gen aanval, maar hielden zich alleenlyk beezig
met het opwerpen van hunne hoogten, en\'t aan-
voeren van hun ftórmtuyg, óm \'s anirendaao^s
te gebruyken. Hieruyt kan men oordeelen hot
daanig onze yver voor Gód, en de onderhoü-
dmge onzer wetten is , naardien de vreeze van
overweldigd te worden de belegerden van het
doen hunner offeranden niet afhouden kon De
Priefters heten niet éénen dag voorbygaan zon-
der Gode s morgens , en ter negendcr uure tc
óft^c-
VL HO G F b S TUK.
Pompejus verftöprd hyer Aoftobukis vertfék , trekt tegen faemop.
Verfcheydene tzamenkoroften vrugteloos afgeioopen.
pOmpejus over dit vertrék vari Ariftobtdns
verftoord , nam de krygsbenden die hy tegen
de Nabathéérs had gefchikt, ontboodt alle die
welke hy te Damaskus en in \'t óverige gedeeire
van Syrië had, en toog met dezelve en de Room-
fche keurbenden onder zyn gebied tegen hem op.
Toen hy Pellaen Scythópolis voorby, enteKo-
reas, alwaar het binnenlandfch geweft van j udéa
begint, \'aangekomen was , wierdt hy een fterk
kafteel , Alexandrion genoemd en op den tóp
eens bergs \'gelegên , gewaar ^ en verftondt dat
Ariftobulus daarop geweeken wast Hy ontboodt
hem derhalve, en Ariftobulus het niet naa te ko-
men, dewyl men hem raadde dat hy zich vooral
in geerien oorlóg tegen de Romeynen inlaaten
zoude. Naa dat hy met hem over \'t vérfchil,
dat hy wegens \\ Vórftendom van Judéa met Zy-
nen broeder had uytftaande ^ gefprooken had,
liet Pompejus hem weder na\'t ftót keeren. Dit
gebeurde tót twee óf drie maal toe , dewyl Ari-
ftobulus^ op hoope van het ryk te behouden,
niets \'veKZuymde om Pompejus te behaagen.
Maar omdertuflchen liet hy niet naa zich ten oor-
lóg toe te,rüften, uyt vreeze dat Pompêjiis Zich
voor Hyrkanus verklaaren zoude; Eyndelyk
beval Pompejus dat hy alle de fterkten aan hem
overleveren, en zelf aan de Stadvoogden fchry-
ven zoude, dat zy \'er geen zwaarigheyd van
behoefden te maaken. Hy deed zulks maar
met groot misnoegen , zo dat hy na Jerufalem
week , oni zich in ftaat van tegenweer te ftellen.
Pompejus trok derhalve tegen hem op, en ont-
ving onderwege-dóor eenen boode uyt Pontus
tyding dac de Koning Mithridates door zynen
ZOQïi Parnaces gedood was.
XIV. Boek. ^ | O O\' D S C H E
ófferen , laatende zkh door geen gevaar ^ hoe
groot het ook was , daarvan afhouden. En
toen in de derde maand des belegs den Tem-
pel op eenen vaft-dag, in de honderd negenen-
zeventigfte Olimpiade, toen Burgermeefters
waaren G» Antonitis en M. Tullius Cicero,
ingenomen wierdt, alhoewel de Ronieynen al
wat hen voorquam om \'t leeven bragten , kon
echter de vreeze des doods niemand der gener;
die met die gódlyke plegtigheden beezig waa-
ren daarin, ftuyten > waot zy hielden \'t voor
de grootfte zonden de altaaren te verlaaten , en
de onderhoudinge hunner wetten te verzuymén.
En tót een bewys dat liet gene \'t welk ik zeg
niet flechts eene vertelMng is om de gódvruch-
tigheyd onzer landaard op \'t breedfte uyt te
méeten , behoeft men maar naa te zien wat
andere die van de daaden van Pompejus fpree-
ken ^ alsStrabo, Nikolaüs, en inzonderheyd
Titus Livius, die de Roomfche Hiftori gefchree-
ven heeft 3 daarvan vermelden. Dóch om den
draad van ons verhaal te hervatten 5 toen de
grootfte toren door de ftórmtuygen aan \'t wag-
gelen gebragt was , ert dat hy neêrvallende ook
den muur die \'er by ftondt deed inftorten, drongen
de Romeynen in door die opening. De eerfte
die \'er opklom was Kornelms Faujtus toon van
Sylla , gevólgd van het krygsvólk waarover hy
geboodt: de hópman trok van een andere
kant met zyne bende in , en Fabius de hópman
toog met de zyne tuftchen hen beyde door. Ter-
ftond wierdt alles met lyken vervuld j veele Jog-
den wierden door de Romeynen gedood , fom-
mige bragten malkanderen om , en etlyke wier-
pen zich. van boven neer, óf ftaken hunne huy-
zen in de brand , dewyl de dood hen aangenaa-
mer toefcheen dan zulk een yslyke verwoefting.
Twaalfduyzerid Jooden verlooren daar \'t leeven,
dóch van de Romeyneu fneuvelde maar een kleyn
getal j en Abfalom , oom en fchoonvader van
Ariftobulus 5 ^vierdt gevangen genomen. De
heyligheyd-ies Tempels wierdt op een zonder-
linge wyze gefchonden 5 want daar onheylige
menfchen nooit te voore eenen voet in \'t Heylig-
dom gezét 3 ja het nooit gezien hadden, tradt
Pompejus met veele van zyn gevólg nu daarbin-
nen , en zag bet gene niemand dan den Priefte-
ren toegelaaten was te aanfchouwen. Hy vondt
\'er den gouden tafel^ de kandelaars, de goudene
fchaalenj eene menigte van reukwerk, en in de
heylige fchatkift ontrent tweeduyzend talenten.
2^yne gódtvruchtigheyd wederhieldt hem echter
iets daarvan aan te raaken , en hy deed by die
â gekgenheyd niets dat zyner deugd onbetaame-
lyk was. Den vólgenden dag béval hy den
amptenaareii des Tempels dat zy denzelven zou-
den zuyveren , om \'er Gode ófferanden op te
ófferen , en hy gaf aan Hyrkanus het ampt van
Hoogenpriefter ^ Zo om den byftand van hem
genooten, als omdat hy de Jooden weerhou-
den hadde van Ariftobulus party te kiezen.
Thans deed hy de aanftookers van den oorlóg
onthoofden, en gaf aan Fauftus en andere,
die de muuren eerft beklommen hadden , be-
looriingen op hunne dapperheyd paftènde.
Noopende de ftad Jerufalem, die maakte hy
cynsbaar aan de Romeynen, ontnam haar de
HISTORI.
fteden welke zy in neder Syrië veroverd had ^
beval dat zy haare ftadvoogden gehoorzaamen
zoude, en befloot alzo de magt onzer land-
aard , voormaals zo groot en verheven ^ bin-
nen haare eerfte paaien. De ftad Gadara, eeni-
gen tyd te voore vernield, deed hy herbou-
wen , ten gevalle van Demetrius zynen vryge-
mäakte , die vandaar geboortig was. De fte-
den die landwaard in lagen, teweeten Hip-
pon, Scythópolis, Pella, Dion, Samarië, Ma-
riffa^ Azote, Jamnia, Arethufe^ alsmede die
welke door den oorlóg teenemaal verdelgd
waaren , gafhy weder aan haare oude inwoon-
deren i en de zeefteden , als Gaza, Joppe,
Dora , en Stratos toren , dien Herodes nader-
hand prachtig deed herbouwen, en met ha«
vens en fraaije tempelen vercieren, en den naam
toen in Cefarea veranderde , wilde hy dat vry
zouden blyven , en een gedeelte van het wingc-i
wcft uytmaaken. ,
Aldus was het dat de verdeeldheyd van Hyrka-
nus en Ariftobulus, waaruyt zo veele onhey-
len onftonden , oorzaak was dat wy onze vry«
heyd verlooren, en aan de Roomfche heer-
fchappye onderworpen wierden , zynde ge-
dwongen weder te geeven alles wat wy door
de wapenen in Syrië gewonnen hadden. Waar-
by nóg komt dat deeze nieuwe Heeren ons niet
lang daarnaa meer dan tienduyzend talenten
afeyfchten, en de koninglyke waerdigheyd ^
die te voore in \'t Priefterlyk geflacht was , aan
perfoonen van ganfch geen doorluchtige geboorte
opdroegen. Maar wy zullen te zyner plaatüè
omftandiglyker van die zaaken fpreeken.
Pompejus beval dan aan Skaurus de regeering
van neder Syrië tót aan den Eufraat en de gren-
zen van Egipte, toog met tweekeurkendendoor
Gilicië, en ging vandaar met\'er fpoed na Rome,
voerende Ariftobulus gevangen met zich, nevens
zyne twee dóchters en twee zoonen 3 welker oud-
fte genaamd Alexander het ontvlugtte, maar de
jongfte geheeten Antigonus wierd met zyne zus-
ters na Rome gevoerd.
IX. H O O F b S T U K.
Antipater doet Sfcaurtis goeden dienft in Arabië.
QKaurus trok met zyn heir na Petra hoofdüad
^van Arabië > en dewyl de wegen derwaards
zeer moeijelyk waaren, pionderden de fóldaa-
ten, door honger gepraamd , het land daar om
heene. -Inmiddels verzórgde Antipater hem uyt
Judéa, door Hyrkanus bevél, met toevoer van
koorn en andere noodige dingen : en dewyl hy
zeer bekend by den Koning Aretas was, zonde
SkauruS hem als Gezant aan dien Vórft j in
welke bezending hy zich zo wel queet,, dat hy
hem overreedde om het verwoeften van zyn land
met driehonderd talenten afte koopen. Aidus
zag men deezen oorlóg zo dra geëyndigd als be-
gonnen > en Skaurus was niet minder verblyd
dan Aretas.
X. H O O F D S T U K
Alexander zoon van Ariftobulus maakt krygstoeruftingen in Judéa,
en verfterkt de plaatlen. Gabmius ilaat hem in eene veldflag, en
belegert hem in het kafteel Alexandrion » \'t welk Alexander ne-
ven?
FLAVIUS
vens ani^cre plaatfen aan hem overgeeft. Gabinius beveftigt Hyrka-
nus in zyn Hocgeprielierfchap ; en brengt Judéa onder eene re-
geering der voornaamften.
580. tyd daarnaa quam Gabinius , Room-
-®-^fche Veldheer, in Syrië, alwaar hy
gedenkwaerdige zaaken verrichtte. Hyrka-
nus de Opperpriefter was van meening ge-
weeft de muuren van Jerufalem , welke Pom-
pejus vernield had, weder op te bouwen: maar
hy wierdt daarin door de Romeynen verhinderd.
Middelerwyl verzamelde en wapende zyn neef
Alexander , zoon van Ariftobulus , ia Judéa
tienduyzend mannen te voet, en vyftienhonderd
te paerde, verfterkte het kafteel Alexandrion by
Korea gelegen , alsmede dat van Macheron by
\'t gebergte van Arabië, en ftroopte in Judéa
zonder dat Hyrkanus zulks kon beletten. Ga-
binius trok hem tegen , en zondt vooraf Mar-
kus Antonius met andere overften 3 waarby zich
de Jooden vervoegden , die onder hunne bevél-
hebbers Pitholms en Malichus den Romeynen
getrouw gebleeven , en door de hulptroepen
van Antipater verfterkt waaren. Gabinius vólg-
de met het óverig gedeelte van \'t heir, en
Alexander week dicht na Jerufalem , alwaar dc
flag gefchiedde : dóch de Romeynen behielden
de overhand , hebbende ontrent drieduyzend
mannen gedood, en niet minder gevangen geno-
men. Daarna ging Gabinius het kafteel Alexan-
drion belégeren, en beloofde aan degénen die\'er
binnen waaren vergiffenis, zo zy de plaats wil-
den overgeeven. Een groot gedeelte der Jooden
had zich buyten \'t kafteel gelegerd, alwaar zy
door de Romeynen aangegreepen , en veele van
hen gedood wierden, by welke gelegenheyd
Antonius zyne dapperheyd toonde, cn een groot
getal met zyne eygene hand neêrmaakte. Ga-
binius inmiddels een gedeelte van zyn heir tót
voortzettinge van het beleg gelaaten hebbende,
toog met het overige na Judéa , en deed aldaar
de fteden welke hy verdelgd vondt , weder op-
maaken. Aldus wierden Samarië, Azote, Scy-
thopolis , Anthedon, Rafia, Dora, Mariffa,
Gaza, en veele andere herbouwd j zo dat men
\'er naa dat zy lang woeft gelegen hadden weder
veylig kon woonen. Gabinius órde op alles
gefteld hebbende , keerde wéér na \'t belég van
Alexandrion: en dewyl hy de plaats zeer benaauw-
de , zondt Alexander gezanten om vergiffenis
van hem tc verzoeken , onder belófte van niet
alleen dit ftót, maar ook Hyrkania en Mache-
ron aan hem over te geeven. Gabinius nam
deeze aanbieding aan, en verwoeftte alle die
plaatfen. De gemaahn van Ariftobulus ; moe-
der van Alexander, die deri Romeynen toege-
daan , en wier gemaal en andere kinderen nóg
tc Rome gevangen waaren, quam ondertuffchen
by hem , en verkreeg van hem alles wat zy be-
geerde. Naa dat hy dan zyne zaaken befchikt
had, bragt hy Hyrkanus tc Jerufalem , om al-
daar den Tempel te bezórgen , cn het Hooge-
priefterfchap te bedienen 3 voorts verdeelde hy
het landfchap in vyven, ftellende op elke
plaats eene rechtbank aän , . teweeten de eerfte
te Jerufalem , de tweede te Gadara , de derde
te Amath , de vierde te Jericho , cn dc vyfde
fe Setoris in Galiléa. De Jooden aldus van
de heerfchappy der Koningen ontflagen, ge-
raakten onder eene regeering van de Voor-
naamften.
li
â \'
lüt! â
li:
XI. HOOFDSTUK.
Ariftobulus te Roms gevangen, ontviagt met Antigonus eenen zyner
aoonen en komt in Judéa. De Romeynen overwinnen hem in een
gevecht. Hy wykt na Alexandrion, alwaar hy belegerd, cn gc-
vangen genomen wordt. Gabinius zendt hem na Rome, verfbat
Alexander Ariftobulus zoon in eenen veldflag, keert weder na Ro-
me , en laat Kraffus in zyne plaats.
^Riftobulus uyt Rómc Ontvlugt zynde ^gj
^ quam in Judéa, met voorneemen om het
kafteel Alexandrion , dat onlangs vernield was,
weder op te bouwen: maar Gabinius zondt
Sifenna^ Antonius, cn Servdms, omhem\'tbc-
niagtigen van die plaats te beletten ^ en om tc
trachten hem gevangen tc krygen. Ondertus-
Ichen quaamen veele Jooden tót Ariftobulus, zo
uyt eerbiedigheyd jegens zynen doorluchtigen
naam , als uyt eene begeerte na verandering en
opftand : Pitholaüs Stadvoogd van Jerufalem
quam met duyZend goede fóldaaten by hem;
ook quamen \'er veele andere , maar dc meefte
ongewapend zynde , zondt hyze als onnut tc
ruggei en trok alleenlyk met achtduyzend man-
nen , die wel gewapend waaren, na Macheron
om het te vermeefteren. Dc Romeynen hem
naagezét hebbende raakten met hem in een ge-
vecht , en behielden dc overhand , zo dat hoe-
wel hy en de zyne zich dapper verweerden
echter vyfduyzend van hen in den ftryd ver-
flagen wicrden : de óverige bergden zich mee
de vlugt, elk zo als hy beft kon. Ariftobulus
quam maar met duyzend mannen te Macheron j
en liet wegens den flechte ftaat zyner zaaken
den moed geenfins vallen , maar Verfterkte de
plaats : doch hy wierdt terftond belegerd } en ,
naa dat hy twee dagen tegenftand gebooden had, \'
en op verfcheydene plaatfen gequeft was, wierdt
hy met zynen zoon Anrigonus, die met hem
uyt Rome was gevlugt , gegreepen, en by Ga-
bmius gebragt, die hem ten tweeden maale ge-
vangen ^na Rome zondt. Hy had de ryksregec-
ring in \'t Hoogepriefterfchap drie jaaren en een
half bezeten , en die ampten met geen minder
luyfter dan grootmoedigheyd bekleed.\' De
Raad ftelde zyne kinderen in vryheyd , omdat
Gabinius fchreef dat hy zulks aan hunne moeder
had beloofd, dewyl zy hem verfcheydene plaat-
fen in handen gefteld had : en daarop wierden
ze weder na Judéa gezonden.
Gabinius maakte zich nu gereed tót den optógt o
tegen de Parthen , en was den Eufraat reeds ^ ^
overgetrokken , wanneer hy van voorneemen
veranderde, en na Egipte ging om Ptoloméus in
zyn ryk te herftellen, gelyk elders verhaald is.
Antipater verzórgde uyt laft van Hyrkanus, ^yn
heir met koorn, geweer, en geld ^ en overreedde
de Jooden die te Pclufium woonden, en als wach-
ters van den ingang van Egipte waaren, om een
verbond met de Romeynen aan tc gaan.
Gabinius weder in Egipte komende vondt ge- â
heel Syrië in r^re: want Alexander zoon van
Ariftobulus had zich het Vórftendom met ge-
weld aangemaatigd, en een groote meenigte van
Jooden op zyne zyde getrokken. Hebbende
aldus een talryk heir byeengekreegen , liep hy
t ganfche land af, en doodde alle de Romey-
nen
nen die hy kort äantfeiFen: de andere weeken,
op den berg Garizim , alwaar hy hen bele-
gerde. Gabinius de zaaken in dien ftaat gevon-
den hebbende, zondt Antipater , wiens Voor^
zigtigheyd hy kende, om zo \'t mpogelyk was
deeze muyters tót bétere gedachten te brengen.
Hy droeg zich zo behendig in\'t uyt Voeren van
dien laft, dat hy Veele weêr tót onderdaanigheyd
bragt, maar Alexander kon hy niet omzetten
want die wierdt te raade met derdgduyzend
Jooden, die hem vólgden, tót eenen veldflag
te komen i gelyk gefchiedde by den berg Itaby-
rion, alwaar de Romeynen de zeege wegdroe-
gen , en de Jooden tienduyzend mannen ver-
looren. Naa dat Gabinius te Jerufalem pp
alles goede órde gefteld had, vólgens den raad
hem door Antipater gegeeven, trok hy op te-
gen de Nabatheërs, en overwon hen desgelyks
in eenen flag. Twee Parthifche heeren genaamd
Mitridathes en Orfanes, die tót hem waaren
overgekomen, zondthy weder na hun land, en
deed een gerucht loepen dat zy\'tontvlugt waa-
ren om weêr na hun vaderiand te keeren. Naa \'t
uytvoeren van zo veele voornaame krygsdaa-
den, keerde die dappere Hoofdman weder na
Rome , en Krajfus vólgde hem in de regee-
ringe dier landfchappen. Nikolaüs de Damas-
cener, cn Strabo de Kappadociër hebben de
heirtógten van Pompejus cn Gabinius tegen de
Jooden befchreeven, en komen geheellyk over-
een.
XII. HOOFDSTUK.
Kraffiis plondert denTempel van Jerufalem, en wordt met zyn gan-
fche heir door de Parthen geflagen. Kaflius wykt na Syrië, en
befchermt het tegen de Parthen. Antipaters groot aanzien , zyn
huuwelyk en kinderen.
T^Rafliis opgetrokken zynde om de
504- JX. te beoorlógen, toog door Judéa,
Parthen
uyt den Tempel van Jerufalem niet alleenlyk
de tweeduyzend talenten welke Pompejus niet
had willen aanraaken, maar ook het goud dat
hy \'er vondt, het welk achtduyzend talenten
bedroeg: insgelyks nam hy eenen balk van lou-
teren goude, wccgende driehonderd minen, en
elk mine twee ponden en een half De Prie-
fter Eleazar , die de fchatten deezer heylige
plaatfe bewaarde, gaf hem deezen balk , niet
uyt eenig quaad oogmerk, want hy was een
vroom man : maar omdat hy alle die tapyten ,
die zeer fchoon en kóftelyk waaren, en aan
dien balk gehangen wierden, ook in zyne be-
waaring hebbende, en vreezende dat Kraftlis,
dien hy zo grectig zag om zich te verryken,
alle de cieraaden des Tempels neemen zoude,
achtte dat hy al \'t andere zou konnen afkoo-
pen met hem dien balk te geeven ⢠t welk hy
echter niet deed , voor dat Kmffiis hem met
eede beloofd had al \'t óverige met te zullen
aanroeren, maar zich met dat groot gefchenk
te vergenoegen. Deeze gouden balk was m
eenen hóllen houten balk beflooten, \'t welk
niemand dan Eleazar wift ^^aflus niette-
min, zonder zich der fchendinge zyns eeds
te bekreunen, nam alles wat \'er in den
Tempel was 1 en men behoeft zich met te
verwonderen dat hy \'Cr Zo Veele kóftelyk-
heden Vondt, omdat die fchatten door alle
de Jooden van Afië en Europe , ter liefde
Góds, van veele jaaren her aldaar gebragt waa-
ren.
En om te toonen dat ik, uyt een ydele zuchtje-^
gens onze landaard , de zaak met vergroote,
wanneer ik zegge dat het gene Kraftus uyt den
Tempel roofde zulk een groote fomme beliep,
zoud ik veele Hiftorifchryvers konnen aantrek^
ken j dóch ik zal alleenlyk de woorden van
Strabo den Kappadociër bybrengen ^ die \'er
aldus van fpreekt. Mithridateà zondt na *t ey^^
land Ko \'óSi om het geld dat de Koningin Kleo-
patre aldaar in bewaaring gefchikt had^ nevens
achthonderd talenten vande Jooden, vandaar
te haaien. En dewyl wy geene andere gemeene
Telden hebben, dan die welke wy Gode toe wyen,
^lykt het klaarlyk door die woorden , dat de
Jooden van Afië, uyt vreeze voor den oorlóg
van Mithridates , die achthonderd talenten na
\'t eyland Koos gezonden hadden. Want wat
fchyn is \'er dat die van judéa , die zulk een
fterke ftad en Tempel hadden, geld na dat ey-
land zouden gezonden hebben 5 en is het wel
gelooflyk dat die van Alexandrië uyt zodaanig
een vreeze tót zulk een zaak zouden bewoogen
geweeft zyn, naardien zy geen reden hadden
om voor Mithridates te vreezen .? Dezelfde
Strabo fprcekende van Syllas overvaart na Grie-
kenland om Mithridates te beoorlogen j en van
hét krygsvóïk dat Lukullus na Gyrenc zondt,
om eenen oproer van onze landaard te ftillen,
bekrachtigt zulks ook , en toont dat zy de
ranfche werreld door verfpreyd was. Aldus
uyden dC woorden van dien Schryver : In de
ftad Cyrene waaren burgers, arbeyders, vreem-
delingen , en Jooden: want de laatfie zyn in
alle fteden verfpreyd i en\'t zou zwaar vallen
eene plaats op den ganfchen aardbodem te vin-
den , daar zy zich niet neergezet hebben. Egip\'
te en Cyrene toen zy nóg onder éénen zelfden
Vórft ftonden^ en veele andere vólken hebben
de Jooden zo hooggeacht, dat zy hunne gewoon-
ten aangenomen^ en onder hen opgevoed zynde ^
dezelfde wetten onderhouden hebben. Men ziet
ook in Egipte veele \'vólkplantingen der Jooden,
zonder van Alexandrië te reppen, alwaar ze een
^root gedeelte van de ft ad beftaan, en ook Over-
heden hebben, die hunne verfchilltn vólgens
hunne wetten beftechten, en hunne overeenko-
mingen,en andere voorwaarden die\'er onder hen
gemaakt worden, bekrachtigen, gelyk in vrye
ftaatendommen gefchiedt. \'De oorzaak dat dit
vólk zich dus in Egipte met der woon neèrgefta^
gen heeft, is dat de Egiptenaars hunnen oor^
fprong uyt de Jooden hebben, en dat deeze lan^
den zo naby elkander en leggen, dat men gemak*
lyk uyt het één in \'t ander kan overgaan, en zelfs
na Cyrene, \'t welk niet alleenlyk eenegebuurftad
van Egipte, maar ook een gedeelte daaraf is.
Naa dat Krafliis in Judéa al wathy wilde gedaan rg f.
had, trok hy tegen de Parthen, en wierdt met zyn
ganfche heir door hen verflagen, gelyk elders ge-
zegd is. Kaflius week na Syriè, alwaar hy de
Parthen , die opgeblaazen door hunne over-
T t win-
w
winningen daar quamen ftroopen, wederftondt.
Thans quam hy te Tyrus, en vandaar in Ju-
déa, alwaar hy Tarichea ftórmenderhand in-
nam, en ontrent dertigduyzend menfchen ge-
vangen voerde. Fitholaüs , die \'t met Arifto-
bulus gehouden had, en onder die gevange-
nen was, deed hy ombrengen op \'t aanraa-
den van Antipater, die in groot aanzien by
hem zyflde, en daarbeneven groot gezag in
Iduméa hebbende, aldaar getrouwd was met
eene vrouw uyt één der aanzienlykfte huyzen
van Arabië, geheeten Cypren ^ by welke hy
vier zoonen teelde, Thafaély Herodes ^ die
naderhand Koning wierdt, Jofephus, m The^
roras , midsgaders eene dóchter geheeten Sa-
lomé. Deeze Antipater verkreeg de vrindfchap
van de meefte Vórften , door zyn eerbiedig
gedrag jegens hen, inzonderheyd die van den
Koning der Arabiërs, aan wien hy , toen hy
Ariftobulus beoorlógde , zyne kinderen te be-
waaren gaf
Kaflius krygsvólk byeen vergaderd hebben-
de trok daarmede na den Eufrates , om den
Parthen wederftand te bieden, gelyk andere
Hiftorifchryvers gefchreeven hebben.
XIIT. HOOFDSTUK.
Pompejus doet Alexander den zoon van Ariftobulus onthoofden.
Filippion zoon van Proloméus Menneus V órft van Chalcis trouwt
met Alexandra Ariftobulus dóchter. Ptoiomeus zyn vader doet
hem ombrengen, en neemt die Prinfés ten wyve.
Enigen tyd daarnaa Ctefar zich meefter van
^ Rome gemaakt hebbende, en Pompejus
met den Raad over de lonifche zee gevlugt
zynde, ftelde hy Ariftobulus in vryheyd, cn
zondt hem met twee keurbenden na Syrië,
om zich van dat landfchap te verzékeren.
Maar die Vórft had het genót van C^fars
befcherminge niet lang j want hy wierdt door
de aanhangers van Pompejus vergeeven j en
die van Csefar balfemden zyn lyk met ho-
ning, en begroeven het. Dus bleef het lang
leggen , tót dat Antonius het na Judéa
zondt, om in \'t graf der Koningen gezétte
worden.
Scipio deed te Antiochië, uyt laft vanPom-
Dcjus, Alexandery den zoon van Ariftobulus,
iet hoofd afflaan, omdat hy wel eer tegen de
Romeynen opgeftaan was. Ptoiomeus Men-
neus Vórft van Chalcis, aan den berg Liba-
non gelegen, zondt Filippion zynen zoon na
Askalon by de weduw van Ariftobulus, en liet
haar weeten dat ze haaren zoon Antigonus cn
haare dóchters aan hem zenden zoude. Filip-
pion op ééne derzelver verliefd geworden zyn-
de, trouwde met haarj maar eenigen tyd daar-
naa deed zyn vader Ptoiomeus hem ombren-
gen , en nam die Prinfés zelf ten wyve, laaten-
de daarom niet naa zórg te draagen voor haare
broeders.
f87.
XTV. HOOFDSTUK.
Amipater ftaat Cxfar in den oorlóg van Egipte op Hyrkanus bevél
"y > en toont zyne dapperheyd.
⢠^jr^^^ Caefar naa zyne overwinning en den
dood van Pompejus den oorlóg in Egipte
Dil
il
sifJÃ\'
i
liüïHK^
585.
â â f! I,
iïï\'
voerde, wierdt hy van Antipater, Landvoogd
van Judéa j door bevél van Hyrkanus, wakker
bygeftaan : want Mithridates de Pergam@niër,
die met hulpbenden na Cxfar in aantógt was,
genoodzaakt zynde by Askalon ftil te houden,
omdat hy niet fterk genoeg was Pelufium door
te trekken , zo quam Antipater met drieduy-
zend wel gewapende Jooden by hem, en maak-
te niet alleenlyk dat dc Arabiërs ook t\'zyner
hulpe quamen 5 maar was voornaamelyk de oor^
zaak dat hy groote byftand kreeg uyt Syrië,
en inzonderheyd van dmYór^iJamblichiis^
vm\'Ptolomém zynen zoon, van Tholomeus zoon
van Sohcmus, dic op den berg Libanon woon-
de, cn byna van alle de fteden. Mithridates
met zo veel krygs-vtólk verfterkt, quam te Pe-
lufium, \'t welk hy belegerde, doordien de in-
wooners hem den ingang geweygerd hadden.
Antipater queet zich dapper by die gelegen-
heyd 3 want hy was de eerfte die , naa dat \'er
eene breflc gemaakt was, ten ftórm liep, en
aldus voor anderen den weg baande om die plaats
te bemagtigen. Daarnaa toog hy met Mithri-
dates heene om zich by CÅfar te voegen. De
Jooden , die in dat gcweft van Egipte woon-
den \'t welk den naam van Onias voert, wil-
den zich tegen hunne doortógt aankanten;
maar Antipater raadde hen de party van Csefar
te kiezen , en bediende zich tót dien eynde
van brieven van den Hoogenpriefter Hyrkanus,
die hen daartoe niet alleenlyk vermaande, maar
ook datzy zyn heir met levensmiddelen,en ande-
re dingen die \'t mogt van noode hebben, zouden
byftaan. Die van de ftad Memfis dit verftaan
hebbende, ontbooden Mithridates, welke aan-
ftonds derwaards ging, waarop zy zich by zyne
party voegden.
XV. H O O F D S T U K.
genpriefter. en\'/o.^Anü^a^^eTre^ oX ""
klagten vaa Antigonus, z\'oon vla AriSlu\' \'
\'T^Oen Mithridates en Antipater in het land- fSp.
fchap genaamd Delta gekomen waaren
leverden zy den vyanden flag op eene plaats
genoemd het Veld der Jooden. Mithridates
geboodt over de rechter vleugel, en Antipa-
ter over den flinker. Die van Mithridates
raakte aan \'t waggelen , en liep gevaar van
t\'eenemaal geflagen te worden, indien Anti*
pater, die de vyanden tegen hem over reeds
overwonnen Jiad, niet fpoedig t\'zyner hulpe \'
langs de rivier gekomen waare, en hem uyt
dat groot gevaar geréd hadde: want hy floeg
dc Egiptenaars , die reeds meenden dat zy
dc overhand hadden , voorts jaagde hy hen
naa , pionderde hun leger , en ontboodt Mi-
thridates en de zyne die achter gebleeven waa-
ren, om mede deel aan den buyt te komen nee-
men. Mithridates verloor achthonderd man-
nen in dat gevecht , cn Antipater maar
vyftig.
Mithriaa icnreer hierover aan
Cxfar , dat men de eere dier overwinninse
met alleenlyk aan Antipater verfchuldigd was,
maar dat hy hem en de zyne ook behouden had.
Di£
Dit roemryk getuigenis verwekte by C^lar
zulk een groote achtinge voor Antipater ^
dat behalve den lóf dienhy hem gaf, hy hem
in alle de gevaarlykftc tógten van dien ooriog
gebruykte, waarin hy geen minder dapperheyd
dan beleyd betoonde, en ook wonden ontving.
5^0. Toen Ca^far naa \'t eyndigen van den oorlog
over zee in Syrië quam, bewees hy Hyrkanus
en Antipater groote eere, beveftigde den éénen
in \'t Hoosepriefterfchap , en gat aan den an-
deren het Roomfch burgerrecht met alle de vry-
heden daartoe behoorende Sommige zeggen
dat Hyrkanus zich ook m dien oorlog bevondt,
en na Egipte getrokken was > \'t welk Strabo
de Kappadociër met de achtbaarheyd van Afi-
nius bekrachtigt. Dus luyden zyne woorden :
Naa dat Mît bridâtes in Egipte gekomen, en
Hyrkanus Opperpriefter der Jooden daar met
hem aangekomen was.... Dezelfde Strabo zegt
op een andere plaats, haaiendeHypfikratestót
dien eynde aan, T>at Mithridates eerfi alleen
quam] en dat toenhy te Askalorigekomen^
hy Antipater Landvoogd van Jude a t zyner
hulpe ontbooden had-Jat deez hem dneduyzend-
mannen brengende , oorzaak was dat die de
andere Grooten, alsmede Hyrkanus de Opper-
priefter , hunne wapenen by de zyne voegden.
Ten zelfden tyde quam Antigonus zoon van
Ariftobulus by Csefar, om hem te klaagen dat
men zynen vader had vergeeven, omdat hy \'t
met hem gehouden hadde^ en dat Scipio zynen
broeder had doen onthoofden : weshalve hy
Caefar badt medelyden met hem te hebben,
die aldus van \'t Vórftendom, dat zynen vader
toebehoorde, ontzét was : ook belchuldigde hy
Hvrkanus en Antipater dat zy zich het gezag
met geweld aangemaatigd hadden. Antipater
antwoordde daarop dat Antigonus een muyt-
zuchtige was , die altoos gepoogd had oproer
en muytery te verwekken-, voorts verhaalde hy
watmoeijelykheden hy uytgeftaan, en wat dien-
ften hy in dien laatften oorlóg gedaan had,
waarvan hy geen andere getuygen dan hem zel-
ven behoefde : dat Ariftobulus daarentegen al-
toos een vyand van \'t Roomfche vólk geweeft
zynde, het niet meer als recht was dat men hem
na Rome gevangen gevoerd hadde-, en dat de
rooveryen zyns broeders de oorzaak waaren dat
Scipio hem \'t hoofd had doen afftaan. &far
door deeze rédenen overftemd, beveftigde Hyr-
kanus in \'t Hoogepriefterampt, beval Antipater
het bewind der regeeringe van Judéa, en boodt
hem zodaanig een Landvoogdy aan als hy zelf
begeerde. ___ _______
-^^^JflTÃ^ D S T U K.
V r A T, 1 \' jp muuren van Jerufalem tc herbouwen.
Csfar ftaat Hyrkanus toe ^ur J Antipater doet
Eere aan Hyrkanus beweezen door ^
de muuren kn Jerufalem weder opbouwen.
\'^OT VJ gunften welke C^far aan Hyrka-
D nus bewees, voegde hy ook die van de
muuren van Jerufalem, die federd dat ze door
Pompejus omverre geworpen waaren met weer
waaren opgemaakt, te moogen herbouwen:
en fchreef aan de Burgermeefteren te Rome dat
ZY een beftuyt daarvan inde Handveft-zaal zou-
den doen ftellen, \'t welk aldus luydde.
Valerius Lucioszoori Schout heeft op deJl
dertienden van Wintermaand aan den Raad,
in den Tempel der Eendragt vergaderd, in
tegenwoordigheyd van L. Ãoponius Luciüs-
zoon, en C. Papyrius QLiirinus, voorgedraa-
gen dat Alexander Jaiónszoon, Nmnenius
Antiochuszoon , en -Alexander Dorotheus-
zoon 3 Gezanten der Jooden , perfoonen
van verdienfte, en onze bondgenooten, ge-
komen zyn om de oude vnndïchap, en het
verbond hunner landaard met het Roomfche
vólk te vernieuwen : tót een teken van \'t
welk zy ons een gouden fchild , vyftigduy-
zend goude penningen waerdig , gebragt
hebben j en ons Verzoeken hen brievrn te
geeven aan de vrye fteden, en aan de Konin-
gen, om veyliglyk door hunne landen en
havens te konnen trekken: Waarop de Raad
bevolen heeft dat zy in de vrindichap en \'t
verbond des Roomfchen vólks zullen aan-
genomen worden 3 dat men hen alles wat
zy eyfchen zal toeftaan j en dat men hun
gefchenk zal aanneemen Dit gefchiedde
in\'t negende jaar des Hoogepriefterfchaps en der
regeeringe van Hyrkanus, mde maand Panemus.
Deeze Vórft der Jooden ontving ook een
eere van \'t Gemeenebeft van Athene, het welk
tót erkentenifle der weldaad van hem genooten,
hem dusdaanig een beftuyt toezondt: â Op de
twintigfte maanefchyn der maand Panemus,
terwyl Dionyfius Asklepiades Rechter en
Priefter was, heeft men een beftuyt der Athe-
niërs, verleend onder den eerften voorzitter
Agathokles , aan de Regeerders vertoond,
waarvan Eukles Menanderszoon een ver-
haal deed , op de elfde maanefchyn van dc
maand Munychion. En naa dat Dorotheus
Opperpriefter, en de Voorzitters des vólks
de ftemmen opgenomen hadden, heefc Dio-
nyfius zoon van Dionyfius gezegd : Dat
Hyrkanus Alexanderszoon , Hoogepriefter
en Vórft der Jooden, altoos zulk een groote
geneegenheyd voor onze landaard in \'t alge- ..
meen, en onze burgers in \'t byzonder heeft 3,
getoond, dat hy geen gelegenheyd ver- â
zuvmd heeft om \'er blyken van ic geeven
zo door zyne manier van onze Gezanten^
en andere die om hunne drng^n te verrichten
bv hem gekomen waaren, te ontvangen, als
door zyne zórgdraagendheyd dat zy veyliglyk
weder t\'huys geleyd wierden, gelyk verfchey-
dene perfoonen getuygen. En op \'t gene
Theodorus, zoon van Theodorus Simias,
vervólgens voorgefteld heeft wegens de deugd
van dien Vórft, en zyne neyging om ons alle â
goede dienften te doen die in zyn vermoogen â
zyn 5 is het beflooten hem een goudene kroon â
te vereeren, een metaalen beeld in den tempel
van Demus en der Bevalligheden voor hem op
te rechten; en door den uytroeper zo in den
Schouburg, op onze groote Feeften , Pana-
thenea en Eleufinia genaamd, als op de Diony-
fia, wanneer men nieuwe Treurfpeelen ver-
toond , en eyndelyk in de Oeff\'enipeelen [daar
men worfteld enz.jte doenaf kondigen,dat dee-
ze kroon hem om zyne deugd gegeeven is. Als-
Tt 2 mede
3?
ïJ
>ï
3>
3»
3*
35
5?
33
3>
35
33
5Ã
35
33
5>
33
35
33
33
33
35
33
>*
3>
SS
3>
35
3»
Ã3
>3
3>
33
33
33
35
33
3J
ÃÃ
33
SS
35
»
Ã)
35
35
35
35
35
35
33
3, mede dat m lang hy Zal volharden ons
5, zulk een groote geneegenheyd te betoo-
nen , onze voornaamfte Overheden zórg
j, zullen draagen zulks te erkennen door alle
3> foorten van eere en goede dienften j op
55 dat ai de werreld weete hoedaanig onze
55 dankbaarheyd , en onze achting ontrent
5, alle perfoonen van verdienfte zj-, en men
5, alzo geneygd worde onze vrindfchap te
5, Verzoeken. Daarenbooven is beflooten dat
5j men Gezanten zal benoemen, om hem dit
55 befluyt te brengen , en door zo veele té-
55 kenen van eere hem te verpligten dat hy
â ons weder eere.
f5>3\' Caefar alles in Syrië had befchikt, ging
hy weder t\'fcheep op de vloot, en Antipater,
die hem vergezelfchapt had, keerde weêr na
Judéa. Het eerfte dat hy deed v/as de muuren
van Jerufalem weder op te bouwen, waarnaa
hy door \'t ganfche landfchap ging, om zo door
raad als door dreygementen alle opftand en
muytery te beletten, vertoonende aan\'t vólk
dat zy Hyrkanus gelioorzaamende, gelyk zy ge-
houden waaren, hunne goederen geruftelyk
konden genieten : maar dat indien zy , op
hoope van voordeel uyt onruft te fcheppen,
tót eenen opfliand quamen , zy aan hem in
plaatfe van eenen Landvoogd , eenen ftren-
gen Meefter j aan Hyrkanus in fteê van ee-
nen Koning die zyne onderdaanen lief heeft,
eenen Koning zonder ontferming i en aan
C^far en de Romeynen in plaats van Vór-
ften , doodelyke en onverzoenelyke vyanden
zouden hebben 5 doordien zy nooit zouden dul-
den dat men verandering maakte in \'t gene
zy bevolen hadden. Deeze vermaaningen van
Antipater waaren van zulk een kracht, dat
ze een gelukkige kalmte te wege bragten.
XVII. HOOFDSTUK.
Antipater krygt groot aanzien door zyne deugd. Phafaël zyn oudfte
zobn wordt Stadtvoogd van Jerufalem: en Herodes zyn tweede zoon
Landvoogd van Gali éa. Herodes doet veele roovers ombrengen,
>\\rgwaaa van eenige Grooten tegen Antipater en zyne kinderen.
Zy dringen Hyrkanus om Herodes in rechte te betrekken over die
lieden welke hy had doen fterven. Hy verfchynt voor\'t recht, en
gaat daarnaa wcér heene. Hy] komt Jerufalem belegeren, en zoud
het ingenomen hebben, indien Hyrkanus en Phafaël hem daarvan
niet afgewend hadden. Hyrkanus vernieuwt het verbond mét de
Romeynen. Blyken van achtinge en toepneegenheyd dér Romey-
nen jegens Hyrkanus en de Jooden. Ca;lar in \'r Kapitolium door
Brutus en KaiTius vermoord.
f94. onbequaamheyd en traagheyd van Hyr-
-*-^kanus gaven aan Antipater gelegenheyd
om de grondveften dier grootheyd te leggen,
waartoe zyn huys naderhand verheeven wierdt.
Hy ftelde Phafaël zynen oudften zoon tót
Overfte van Jerufalem en \'t omleggende land-
fchap , en Herodes zynen tweeden zoon tót
Landvoogd van Galiléa, hoewel hymaar vyftien
jaaren oud was 3 maar hy had zo veel verftand
en moed, dat hy wel haaft deed blyken dat zyne
deugd zynen ouderdom overtrof Hy nam
Ezechias , opperhoofd der rooveren, die door
\'t ganfche land ftroopten, gevangen, en deed
heni nevens zyne makkers ombrengen. Zo een
nuttelyk werk voor\'tland verwekte inde Syriërs!
zulk een geneegenheyd rót hem, dat zy in alle
de fteden en op \'t land zongen, dat ze hunne
li\'li
rlifte en \'t vreedzaam genót hunner goederen
aan hem verfchuldigd waaren. Dit bragt hem
nóg een ander voordeel aan, \'t welk was dat
hy in kennifle quam met Sextus C£far Land-
voogd van Syrië , en bloedverwant van den
grooten Csfar. Deeze algemeene achting
vaarde zulk een naayver in Phafaël , dat hy
niet willende in verdienfte en deugd voor zy-
nen broeder wyken, alle krachten infpande om
de geneegenheyd des vólks van Jerufalem te
winnen. Hy zelf nam de openbaare ampten
Waar ^ en bediendeze met zulk een gerechtig-
heyd en op zo een behaagelyke wyze, dat nie-
mand reden had om over hem te klaagen, en
hem over \'t misbruyken zyner magt te befchul-
digen. Dewyl nu de roem der kinderen rót
lóf van den vader gedydt, kreeg onze landaard
zulk een groote liefde tót Antipater, dat zy
hem niet minder eerde als óf hy hun Konino-
geweeft waare: en deeze verftandige Staatsdie^
naar, in plaats van zich door de glans van zo
groot een voorljDoed te laaten verblinden , be-
hieldt altoos dezelfde genegenheyd en ge-
trouwheyd jegens Hyrkanus. Maar de voor-
naamfte der Joóden, \'ziende hem en zyne zoo-
nen tót zulk een groot gezag verheven, zo be-
mind van \'t vólk, en zo ryk door de inkomften
van Judéa, en de giften van Hyrkanus, wier-
den zeer nydig daarover j en deeze afgunft
nam toe wanneer ze verftonden dat hy ook de
geneegenheyd der Roomfche Opperveldheeren
gewonnen had Hierom zeyden ze dat hy Hyr-
canus geraaden had hen groote fommen gelds
te zenden, en dat in plaats van \'t hen uyt Hyr-
kanus naam aan te bieden , hy \'t in zyn ey-
gen naam hen aangebooden had. Het zelfde
zeyden zy ook tót Hyrkanus, maar die lach-
te daarmeé: en \'t gene hen meer dan al \'t ande-
re quelde , was dat Herodes hen zo geweld-
daadig en ftout toefcheen , dat zy niet twyfel-
den of hy haakte na dwingelandy. Zy befloo-
ten dan eyndelyk by Hyrkanus te gaan , om
Antipater opendyk voor hem te befchuldicren,
en zy Ipraken hem aldus aan : â Hoe lang â
zult gy \'t gene dat voor uwe oogen ge- â
fchicdt, dus geruftelyk dulden Ziet gy niet â
dat Antipater en zyne zoonen alle de eere der â
oppermagt genieten, en u alleenlyk den naam â
van Koning overlaaten > Legt \'er u dan niets â
aan gelegen om kennis daarvan te neemen ^ â
Gaat het u niet aan, daarin te voorzien ^ en â
meent gy veylig te zyn , wanneer gy uwe
welftand en die van den Staat dus verwaar-
looft Deeze perfoonen draagen zich niet lan-
ger als zulke die uwe bevélen uytvoeren, en
onder uw gebied ftaan. Gy zoudt u zeiven
maar bedriegen indien gy zulks geloofdetj
want zy handelen opentlyk als Oppervór-
ften. En begeert gy een klaarder bewys, dan
te zien dat daar onze wetten verbieden ie-
mand ,
hoe fnood hy ook zy, te dooden voor
dat hy door\'t gerechte veroordeeld is, Hero-
des nógtans met gelchroomd heeft haar te
fchenden, door Ezechias en zyne makkers te
doen ombrengen, zonder zelfs uw verlóf
daartoe te verzoeken?
i
5»
))
n
})
33
53
5»
55
J>
3>
»
55
35
Deeze
XIV. BOEK. JOODSC
Deeze reede bewoog Hyrkanus ^ en de moe-
ders der gener welke Herodes bad doen dooden
vermeerderden zyne gramfchap $ want daar liep
niet een dag voorby dat zy niet in den Tem-
pel quamen om hem en al het vólk te bidden,
dat Herodes mogt gedwongen worden zich we-
gens dat misdryf voor de Rechters te verant-
woorden. Hyrkanus daagde hem dan voor \'t
recht. Zo dra hy dit bevél ontvangen had,
ftelde hy órde op de zaaken van Galiléa, en ver-
trok na Jerufalem. Maar in plaats van te ko-
men als een ampteloos perfoon, nam hy,door
raad zyns vaders, zo veel vólks mede als hy oor-
lü
HE HISTORI. a^i
deelde van noode te hebben om Hyrkanus geen
argwaan te geeven, en echter in ftaat te zynomi
zich te verweeren indien men hem te lyf wilde;
Sextus Cxfar Landvoogd van Syrië vergenoeg-
de zich niet met aan Hyrkanus t\'zyner begun-
ftigingc te fchryven j maar hy beval dat men
hem vry fpreeken zoude, voegende dreygemen-
ten daarby indien men \'t zelve niet naaquame.
Maar zulk een fterke aanpryzing was onnoo-
dig, omdat Hyrkanus Herodes zo beminde als
óf\'t zyn zoon was. Toenhy met zynen ftoet voor
de Rechters verfcheenen was, ftonden zyne
aanklaagers zo verbaafd , dat niet één van hen
zynen mond durfde open doen, om ftaande
te houden *t gene zy in zyn afweezen tegen
hem ingebragt hadden. Sameas alstoen, die
een man was van zulk cCn deugd , dat hy niet
fchroomde vrymoediglyk uyt de borft te fpree-
ken, ftondt op) en keerende zich tót Hyrka-
nus cn dcRechterS, hief hy aldus aan: â Heer
â Koning, en gy Heeren die alhier vergaderd
â zyt om deezen befchuldigdcn te Oordeelen i
3,, wie heeft ooit meer gezien dat iemand dié
zich Voor \'t gerecht verantwoorden moet,
op dusdaanig een wyze aankomt ? Ik geloof
dat men zwaarlyk eenig voorbeeld daarvan
zal konnen aantoonen. Alle die tótnógtoe
in deeze vergadering zyn verfcheenen, zyn
\'er op een ootmoedige en befchroomde wyze
â eekomen, in\'t zwart gekleed, met ongeha-
â vend haair, en in eenen ftaat om deernis te
verwekken. Maar deez daarentegen , die
van veele doodftaagen befchuldigd wordt, en
de ftraftb daartoe ftaande poogt te ontgaan,
verfchynt voor ons in \'tpurper gekleed, met
opgetooid haair, en met eenen ftoet van ge-
wapende mannen, opdat indien wy hem Ver-
oordeelen vólgens de wetten, hy tót verach-
dnge daarvan ons zeiven \'t leeven beneeme.
Evenwel kan ik hem , die zo doet om zyn
leeven, dat hem liever is dan de onderhou-
ding omtt wetten te redden, to zeer niet
laaken , als ik ulieden laak die zulks dült,
en inzonderheyd den Koning. Maar weet
nógtans , zeyd hy , keerende zich tot de ,,
Rechters , dat Gód niet min rechtvaerdig â
dan magtig is: en dat hy derhalve zal toelaa-
ten , dat deeze Herodes , dien gylieden ten â
gevalle van onzen Koning Hyrkanus wilt ,,
vrvfpreeken , ulieden en ook hem t\'eenigen
3>
35
3»
3»
33
33
33
33
33
»3
33
33
33
33
dage nóg ftraffen zal
Deeze laatfte woorden waaren eettè voor-
zegging die door den tyd bewaarheyd wiCrdti
want toen Herodes tót Koning verheven was j
deed hy alle die Rechters , ook zelfs Hyr^
kanus ombrengen, uytgenomen Sameas, dien
hy altoos in groote eere hieldt : zo om zy-
ne deugd , als omdat toCn hy en Softiis Jeru*
falcm belegerde , Samcas het vólk vermaan-
de om hem te Ontvangen , zeggendé dat zy-^
ne verlédene misftagen hen niet behoorden te
beletten zich aan hem te onderwerpen , gelyk
wy t\'zyner plaatfe omftandiglyker zullen zeg-^
gen. Maar om weêr ter zaake te komen,
Hyrkanus ziende dat het gevoelen der Rech^
teren neygde om Herodes te veroordeelen,
ftelde het vonnis^ tot den vólgCnden dag
uyt, en deed hem in\'t heymelyk^anzCggenj
dat hy zich bergen zoude. Hy dan onder
Tt I fchyn
3^4 .:, ,. r /I V X U O J
üchyn van voor Hyrkanus te vlugten, week na
Damaskus j en toen hy in veyligheyd by Sex-
tus Caefar gekomen was ^ verklaarde % opent-
lyk dat Zo men hem ten tweeden maale dag-
vaardde , hy beflooten had niet te verfchynen.
De Jooden door deeze vcrklaaring getergd,
poogde aan Hyrkanus te doen zien dat Hero-
des op zyn verderf toeleyde: ook kon hy niet
onweetend daaraf zyn ; maar hy was zo laf-
hartig en dom , dat hy niet wift waartoe hy
befluyten zoude. Ondertuffchen verkreeg He-
rodes van Sextus Cselar , door eene fomnie
gelds , dat hy tót Landvoogd van neder Syrië
aangefteld wierd ; het welk Hyrkanus deed
vreezen dat Herodes hem beoorlogen zoude:
en zyne vrees was niet ydel j want Herodes om
zich te wreeken over dat men hem voor \'t ge-
recht ontbooden had, quam met een heir te velde
om zich van Jerufalem meefter te maaken : en
niets wederhieldt hem daarvan dan de fmeekin-
gen van zynen vader Antipater en zynen broe-
der Phafaël, die by hem quamen, cn hem voor-
hielden : â Dat het hem genoeg behoorde te
weezen dat hy zyne vyanden had doen bee-
ven zonder als vyanden te handelen zulke
dic hem niet beleedigd hadden j dat hy zon-
der ondankbaarheyd de wapenen niet kon
Opneemen tegen Hyrkanus , aan wien hy
zyne verheffing en grootheyd verfchuldigd
was : Dat hy niet zo zeer behoorde te den-
ken dat men hem voor \'t recht gedaagd, als
dat men hem ook weder vry had laaten hee-
nen gaan, en dat hy zien moft, op de wel-
daad daar door aan hem beweezen meer
dan op zyn rechtvaerdigen toorn : Dat dc
voorzigtigheyd hem verpligtte tc overden-
ken dat de uytflag des oorlógs twyfelachtig
was: Dat Gód alleen de overwinning in zy-
ne handen had omze te geeven aan wien hy
wilde i en dat hy geen reden had om zich die
toe te Ie
»
91
5J
5»
3)
3>
9)
3Ã
3i
5)
3>
ÃJ
5J
33
35
3>
5Ã
h
j>
.^ggen, indien hy tegen zynen Koning
en weldoender ftreed , van wien hem nooit
leed wedervaaren was
eenig leed weaervaaren \\vas , nócli die hem
J, ooit iets quaads had willen aandoen , dan
j, door den verkeerden raad dien men ftem ge-
5, geeven had >Herodes door deeze rédenen
overftemd , achtte dat het geijoeg was^nen
landslieden getoond te hebben hoe verre zyne
magt ging , en ftelde daarop zyri voorneemen
tót cènen anderen tyd uyt, op hoope van zyn
oOgmerk eens te bercyken.
fpy. Toen de zaaken van Judéa in deezen ftaat
ftonden , ruftte Csefar j die weder te Rome
gekomen\'was, zich toe óm na Afrika, over te
fcheepen , en Scipio en Kato té beoorlogen.
Hyrkanus zondt toen Gezanten aan hem om
vernieuwing van het verbpnd te verzoeken.
By décze gelegenheyd acht ik m^ verpligt
te verhaalen waf eere, ónze landaard van de
Roomfche Opperbcvélhebbers ontvangen , en
wat Verbonden zy met hen aangegaan heeft,
ten eynde de werreld weete in,hoedaanig een
achtinge en aanzien wy by de Oppervórften
van Afië en Europe , om onze dapperheyd en
getrouwheyd, geweeftjzyn.
De Perfiaanfche en Macedonifche Hiflori-
fchryvers hebben verfcheydene dingen ge-
fchreeven , die zeer t\'onzen voordeele zyn j en
wy zyn \'t alleen niet die hunne Hiftoriën
hebben j andere vólken hebbenze ook. Maar
vermids de meefte der gener die ons haaten,
geen geloof daaraan willen flaan , onder
voorgeeven dat men \'er overal geen kenniflè
van heeft, zo wys ik hen op de gedenkichrif-
tcn der Romeynen , die in alle fteden afge-
kondigd zyn , en op kópere tafereelen gegra-
veerd, in \'t Kapitolium bewaard worden, de-
wyl zy diè niet zullen konnen tegenfpreeken.
Julius C®far heeft ook door een opfchrift,
het welk hy op eenen mctaalen zuyl tc Alex-
andrië deed zetten, willen bekend maaken dat
de Jooden het burgerrecht in die ftad heb-
ben : by welke blyken ik nóg zal voegen ee-
nige bevélen van de Opperbcvélhebbers ,
en de raadsbefluyten die Hyrkanus en onze
ganfche landaard betreffen.
Kajus Julius C^far Opperveldheer, Op- â
perpriefter, en ten tweeden maale Opperge- â
zaghebber, aan de Regeerders, den Raad, ,,
en \'t vólk van Sidon, groetenis. Wy zenden â
ulieden een affchrift van den brief dien wy â
fchryven aan Hyrkanus Alexanders zoon,
Vórft en Hoogenpriefter der Jooden , ten
eynde gylieden denzelven in ^t Grieks en La-
tyn in uwe handveftkamer bewaart. Dus
luydde de brief
Julius C^far Opperveldheer , andermaal
Oppergezaghebber, cn Oppcrprieftcr ; Wy
hebben , naa daarover geraadflaagd te heb-
ben , dit vólgende beflooten : Nademaal
Hyrkanus Alexanders zoon, de Jood, ons
t\'allen tyde blyken zyner toegeneegenheyd
zo in vreede als in oen oorlóg, gegeeven
heeft, gelyk veele Veldoverften ons betuygd
hebben , en dat hy in den laatften Alex-
andrynfchen oodóg, op ons bevél, vyf-
tienhonderd fóldaaten aan Mithridates le-
verde , en voor niemand in dapperheyd week;
zo willen wy dat hy en zyne afkómelingen
voor altoos Vórften en Hoogepriefters der
Jooden zyn , ora die ampten vólgens de wet-
ten eh gewoonten huns lands te bedienen:
Alsmede dat zy onze bondgenooten en vrin-
den zyn : dat zy alle de voorrechten van
\'t Hoogepriefterfchap genieten j en dat zo
\'cr eenige gefchillen wegens de Joodfche in-
zettingen ontftaan, hy Rechter daarvan zy
en dat hy niet gehouden zal weczen wintcr-
légeringen aan \'t krygsvólk te geeven, óf eeni-
ge fchatting te betaalen ". [Vólgen nóch andere-]
Kajus Caefar Burgermeefter beveelt dat â
het Vórftendom der Jooden op de zoonen "
van Hyrkanus zal blyven, benevens het ge-
nót der landeryen welke zy bezitten: dathy
altoos Vórft en Hoogepriefter zyner lands-
lieden zal zyn ; en dat hy \'t recht bedienen
zal. Wy willen ook dat men aan hem Ge^
zanten zende , om vrindfchap en een ver-
bond met hem aan tc gaan, endatmen in\'t
Kapitolium, en in de Tempelen vanTyrys,
Sidon, en Askalon, kópere tafereelen zette,
op welke alle die zaaken met Roomfche en
Griek-
F L A y I u s î o s E p H u S
99
n
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3»
33
33
33
93
33
33
33
33
33
â Griekrche letteren gefneeden zyn j en dat
dit befluyt aan de Overheden van alle de
fteden bekend gemaakt worde , ten eynde
al de werreld weete dat wy de Jooden voor
onze vrinden houden, en dat wy willen dat
men hunne Gezanten wel ontvange j en dat
35 dit tegenwoordig befluyt overal gezonden
worde.
3, Kajus CxCar Opperkrygsoverfte, Op- â
pergezaghebber, en Burgermeefter: Wy be-
veelen zo uyt inzigt van de eere, deugd, en
vrindfchap , als tót welftand en voordeel
van den Raad en \'t vólk van Rome, dat Hyr-
kanus Alejcanders zoon , en zyne zoonen,
Hoogepriefters van Jerufalem en \'t Joodfche
vólk zullen zyn, om dat ampt te bekleeden
met dezelfde voorrechten waarmede hunne
voorzaaten het bediend hebben.
â Kajus Csefar ten vyfden maale Burger-
meefter: Wy beveelen dat men de ftad Jeru-
falem zal verfterken, en dat Hyrkanus Alexan-
ders zoon, Hoogepriefter en Vórft der Joo-
den , regeeren zal zo als hy \'t zal goed vinden:
dat men den Jooden in\'t tweedejaar eenigen
afftag van den prys hunner inkomften zal gee-
ven-, en dat zy van alle belaftingen vry zullen
weezen.
â Kajus Cajfar ten tweeden maale Opper-
krygsbevélhebber : Wy beveelen dat de in-
wooners van \'t Joodfche land voor de ftad
Jerufalem alle jaaren eene fchatting zullen
betaalen , waarvan de ftad Joppe vry zal
zyn : maar dat in \'t zevende jaar , \'t welk
zy het Sabbath-jaar noemen, zy niets betaa-
len zullen , omdat zy dan dc aarde niet be-
zaaijen, nóch eenige vruchten van de boo-
men plukken : Dat zy om \'t andere jaar te
Sidon den tól, beftaande in een vierde van\'t
gezaaide, zullen betaalen, nevens de tienden
aan Hyrkanus en zyne zoonen, gelyk hunne
voorzaaten betaald hebben. Wy beveelen ook
dat geene Landvoogden, Krygsbevélhebbers,
nóch Gezanten, krygsvólk zullen moogen
ligten, nóch de landeryen der Jooden eenig-
_ fms belaften , \'t zy met winterlégeringen,
óf iets anders wat het ook zou moogen wee-
zen j maar dat zy vry zullen zyn van alles,
cn geruftelyk genieten gene zy verkreegen
en gekóft hebben. Wy willen daarenboven
dat de ftad Joppe , welke zy bezaten toen
zy een verbond met de Romeynen aangingen,
hun ey gendom zal blyven, en dat Hyrkanus
en zyne kmderen de inkomften daarvan ge-
nieten zullen, zo wegens\'tgene de arbeyders
betaalen, als wegens\'t ankergeld en den tól
der waaren die na Sidon vervoerd worden v
\'t welk jaarlyks twintigduyzend zeshonderd"
vyfenzeventig maaten beloopt, uytgenomen
in \'t zevende jaar dat de Jooden het jaar der
rufte noemen,waarin zy niet arbeyden,en geen
boomvruchten vergaderen. Belangende de
dórpen welke Hyrkanus en zyne voorzaaten
in \'t groot Veld bezeten hebben, het behaagt
den Raad dat Hyrkanus en de Jooden het ge-
nót daarvan trekken als voordeezen. Dezel-
ve begeert ook dat de bedingen t\'eeniger tyd
93
3>
53
35
35
55
53
55
33
>5
55
55
55
55
55
55
P
95
55
55
55
55
55
33
35
55
55
55
35
35
55
55
»
35
35
35
tuftchen de Jooden en de Priefters gemaakt
onderhouden wordenden dat zy alle de gunften
genieten die hen door den Raad en\'t Room-
fche vólk zyn toegeftaan j het welk ook plaats
zal hebben ten opzigte van Lydda. En aan-
gaande de landeryen en andere dingen, wel-
ke de Romeynen aan de Koningen van Sy-
rië en Fenicië, ter oorzaake van \'t verbond
dat \'er tuffchen hen gemaakt was, gegeeven
hadden , de Raad beveelt dat Hyrkanus
Vórft der Jooden die zal genieten-, alsmede
dat hy , zyne zoonen, en zyne Gezanten
recht zullen hebben nevens de Raadsheeren
te zitten, om de gevechten der Schermeren,
en andere openbaare fpelen te aanfchouwen:
Voorts dat wanneer zy iets van den Raad
zullen te verzoeken hebben , de Opperge-
zaghebber óf de Overfte der Ruytery hen
zal doen inleyden , en dat men hen binnen
tien dagen een antwoord zal laaten toeko-
men,
Kajus Csefar Opperveldheer, ten vierden-
maale Oppergezaghebber, ten vyfden maale
Burgermeefter, en altjóduurende^/élator,
heeft aldus wegens het recht het welk Hyr-
kanus Alexanders zoon, Hoogepriefter en
Vórft der Jooden, toekomt, gefj^rooken:
Dewyl zy die voor ons in de wingeweften het
gebied hadden, voordeelige getuygeniften
van Hyrkanus, Hoogenpriefter der Jooden, en
zyne landslieden gegeeven hebben, en dat
den Raad en vólke van Rome zulks aange-
naam is geweeft , is het niet meer dan réde-
lyk dat wy\'er de geheugenis van behouden,
en dat wy te wege brengen dat de Raad en
\'t Roomfche vólk aan Hyrkanus en zyne zoo-
nen, en aan al het Joodfche vólk te verftaan
geeven, dat zy ons een groote geneegenheyd
toedraagen.
Kajus Julius Oppergezaghebber en Bur-
germeefter , aan de Overheden, den Raad,
cn \'t vólk der Parianiërs, groetenis. De Joo-
den zyn uyt verfcheydene plaatfen te Delos
I by ons gekomen, en hébben ons in tegen-
^ woordigheyd uwer Gezanten geklaagd, dat\'
i gylieden hen verbooden hebt vólgens hunne
wetten te leeven, en ófferanden te doen j
\'c welk eene ftrengheyd is tegen onze vrinden
en bondgenooten die wy niet konnen dul-
den} dewyl \'c niet billyk is hen te dwingen
in \'t gene hunne leere en inzettingen betreft,
en hen te beletten dat zy vólgens hunne lands-
wyze hun geld tót openbaare gaftmaalen en
ófeanden befteeden, nademaal men \'t hen
zelfs te Rome toelaat, en dat Kajus Cxfar
Burgermeefter zelfs in het verbód, dathy te-
gen de openbaare byeenkomften in de fteden
üytgaf, de Jooden daarvan uytzonderde. En
alhoewel wy zo wel als hy die byeenkomften
verbieden, echter ftaan wy den Jooden roe
de hunne te houden gelyk zy altoos gedaan
hebben: en het is maar billyk, dat indien gy-
heden iets gedaan hebt het welk onze vrin-
den en bondgenooten beleedigt, gy\' het uyt
inzigt van hunne deugd, en hunne geneegen-
heyd tót ons, herroept.
Tt 4 Naa
FLAVIUS J
Naa den dood van Casfar deeden Antonius
en Dolabella, die toen Burgermeefters waaren,
den Raad byeenkomen , en hebbende de Ge-
zanten der Jooden doen inleyden ftelden zy
hun verzoek voor: \'t zelve wierdt hen ganfche-
lyk toegeftaan , en men vernieuwde door een
\'t Geen raadsbcftuyt het verdrag en verbond. ** Voorts
van Wer^ ^^^^ noodig gcacht het Raadsbefluyt zelve
t op"pag. alhier in te voegen , op dat een ieder het zien
en onderzoeken zoud konnen. Het was van
deezen inhoud. .
â Raadsbefluyt nagefchreeven , vólgens het
oorfprongkelyke van de Schatkaamer, uyt de
openbaare taafelen van de Schatbewaarders j
(zynde toen Schatbewaarders der üad^m-
tus Rutilius, en Kajus Kornelius,) op de
tweede tafel van de eerfte laaden. Daags voor
den dertienden van Grasmaand j by dit
fchryven zyn tegenwoordig geweefi, Lucius
Kdpurnius Tifo, uyt de wyk van Meneniaj
Servius Tapinius Totitus, uyt die van Le-
5, monia i Kajus Kaninius Rebilius , uyt die
3, van Terentina 5 Tublius Tidetius en Lucius
â Apulinus Luciuszoon , uyt die van Sergia,
Tublius Tlatius Publiuszoon , uyt die van
Papiria , Markus Acilius , Markuszoon,
uyt die van Mxcia. Lucius Erucius , Lu-
ciuszoon , uyt die van Stellatina Markus
Gluintius Markuszoon , uyt die van Pollia,
Tlancillus en Tublius Serius : De Burger-
meefteren Tuhlius T^olabella en Markus
Antonius hebben \'t woord gedaan : Aan-
gaande de zaaken, welke Kajus Ca^far door
een raadsbefluyt ten voordeele derjooden
â heeft beflooten, en die van te voore niet in
5, de Schatkamer ingebragt zyn , behaagd het
ons, dat het zelve gefchiede i gelyk ook zo
de Burgermeefteren Publius Dolabella en
Markus Antonius het zelve willen en befluy-
5>
33
3>
33
J»
3»
33
33
33
33
33
33
33
53
33
3)
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
ten , dat men
namelyk] het voornoemde
Raadsbefluyt op\'Taafelen zal fchryven, aan
des Stads Schatmeefteren behandigen , en
hen belaften daar van dubbelde te maaken,
en weg te leggen. Gedaan in den Tempel
der Eendracht j daags voor den dertienden
van Grasmaand. De Afgezanten van den
Hoogenpriefter Hyrkanus zyn geweeft dee-
ze navo geilde: Lyfimachus Paufaniaszoon,
Alexander Theodoruszoon , Patroklus
Chereaszoon, en Jonathas Oniaszoon.
Ook zond Hyrkanus een van deeze Afge-
zanten aan Dolabella , die toen in Afië het be-
vél voerde hem fmeekcnde dat hy den Joo-
den verlóf wilde vergunnen , datze uyt den
krygsdienft mochten ontftaagen worden , zo
dat het hen vry zpade moogen ftaan, om niet
te doen dat tegehs hunne vaderlyke gewoonten
ftrydig was. Dolabella de brieven van Hyrka-
nus ontfangen hebbende , heeft zonder eenig
verder beraad terftond beveelen doen afgaan
raakende de Jooden aan alle de fteden van
Afië , en in \'t byzonder aan de Stad Efeze,
die de eerfte was van Afië. Zyn brief óf bevél
^as aldus:
Onder de Prytany \\of\'t Hoogfte Magi-
j, Ãraats bewind] van Artemon-, op den eer-
337\'
is in de
vorige
Drukken
niet.
OS EPH US
â ften dag van de maand Len^son. Dolabclk
â aan de Magiftraat en het vólk van Efeze
â groetenis. Alexander Theodoruszoon , Af-
â gezant van Hyrkanus Alexanderszoon, Hoo-
genpriefter en Landvórft der Jooden , heeft
35 my vertoond, dat de Jooden , zyne landge-
53 nooten, niet bevoegd zyn , om op fóldy tc
3j dienen, om datze niet vermoogen de wape-
» nen te draagen óf te reyzen op de Sabbath-
jï daagen, en niet in ftaat zyn om hunne fpy-
35 zen in het byzonder en naar de vaderlyke
33 gcwoontens te bereyden. Daarom geef ik,
,, naar \'t voorbeeld van myne voorzaaten hen-
â lieden vrydom van den krygsdienft , en ik
laat hen toe , datze hunne vaderlyke gc-
woontens onderhouden, wanneer ze tzamen
komen tót hunne gebeden , en om gaaven
te verzaamelcn tot de ófferanden en om hun-
ne gódsdienftige gewoonten te pleegen j ik
wil ook dat gylieden ten dien eynde alom-
â me aan elke ftadt in \'t byzonder fchryvens
â dienaangaande laat afgaan
Dit is het gene Dolabella ten onzen gevalle
heeft gedaan naa dat Hyrkanus Afgezanten
aan hem gezonden had. [Waar by ik nóch
\'t een en \'t ander zal voegen
Uytfpraak van den Burgermeefter Lucius
Lentulus: â Ik heb de Jooden, die het Room-
fche burgerrecht hebben, naar de Joodfche
wyze en gewoonten te Efeze leevende,
voor mynen rechterftoel , ten gevalle van
hunnen gódsdienft, vrydom van den krygs-
dienft gefchonken, en laaten gaan. Op den
twaalfden dag voor den eerften van Wyn-
maand, Lucius Lentulus en Kajus Marcellus
Burgermeefters zynde. Hier by zyn tegen-
woordig geweeft, Titus Appius Balgus Ti-
tuszoon, uyt de wyk van Horatia , Onder-
veldheer; Titus Tongius Tituszoon, uyt de
wyk van Kruftumina; ^«/wf?/j ReÃus (^uin-
tuszoon 5 Titus Tompejus Longinus Titus-
zoon i Kajus Servilius Kajuszoon , uyt de
wyk van Terentina Bracchus hópman j
Tublius Klufius Gallus Publiuszoon , uyt
die van Veturiaj Kajus Sentitis Kajuszoouj,
uyt de wyk van Sabatina.
â Titus Atilius Bulbus Tituszoon, Onder-
véldheer en Voorlchout , aan den Magi-
ftraat , Raad en Vólke van Efeze groetenis:
De Burgermeefter Lucius Lentulus heeft op
myn voorfpraak de Jooden die in Afië zyn
van den krygsdienft ontftaagen. En wan-
neer ik zulks daarnaa van den Veldheer
Fannius en den Voorfchatmeefter Lucius
Antonius begeerd hadde, hebbe ik van hen
het zelfde verkreegen. Daarom wil ik dat
gylieden zorge draagt, dat henlieden daar-
over geen moeijelykheyd gefchiede
â Het Raadsbefluyt van die van Delus.
Onder het Archontfchap * van Beotus,^^ ^^
op den twintigften van de maand Tharge-Magiflïa,
lion , is dit het befluyt der Stratégen ,
33
13
geweeft : Markus Tifo Onderveldheer , in^
onze ftad by de monftering der krygsHeden
tegenwoordig zynde, heeft ons en veele by
een vergaderde burgers bevoolen , dat nie-
mand
Jé
33
mand onzer den jooden , Roomfche bur-
gers , eenige moeijelykheyd ten opzichte
van den krygsdienft zoude aandoen j alzo
de Burgermeefter Kornelius Lentulus dejoo-
den naar vereyfch van hunnen gódsdienft
vrydom van den krygsdienft heeft gegeeven:
waarom het billyk is dat gylieden den Stra-
tégus * gehoorzaamd
Van gelyken inboude zyn de Befluyten by
die van Sardis [en andere] ten onzen opzich-
te genoomen: [g;elyk ik ze hier laat volgen."^
â Kajus Fanmus Kajuszoon , Veldheer en
Burgermeefter, aan de Magiftraaten van Kós
groetenis. Ik wil dat gylieden weet , dat
de Afgezanten der Jooden tot my gekomen
zyn , begeerende dat ik henlieden zoude
geeven de Raadsbefluyten ten hunnen op-
zichte gemaakt. Deeze Raadsbeflujten gaan
hier nevens. Ik wil dan dat gyljeden inge-
vólge van het Raadsbefluyt zórge draagt,
dat deeze menfchen wel gehandeld worden,
en veylig door uw land na het hunne moo-
gen keeren
â Lucius Lentulus Burgermeefter zeyt : Ik
heb dc Jooden , die Romeynfche burgers
zyn, en my toefcheenen hunnen vaderiyke
gódsdienften en gewoonten in Efeze te on-
derhouden , vry verklaard van den krygs-
dienft. Gedaan den dertienden dag voor den
eerften van Wynmaand
â Lucius Antonius Markuszoon , Voor-
fchatmeefter en Voorfchout, aan de Magi-
ftraat , Raad en \'t Vólk van Sardis groete-
nis. De Jooden, die onze burgers zyn, zyn
by my gekomen , en hebben my vertoond,
datze al van den beginne aan hunne eygene
byzondere byeenkomften , en afgezonderde
?laatfen hebben gehad, in welke ze zelve over
mnne zaaken en gefchillen handelen en uyt-
fpraak doen. Wanneerze nu van my be-
geerende waaren, dat hen hetzelve voorregt
verder mogt worden toegeftaan , heb ik
geen zwaarigheyd gemaakt daar in te be-
willigen , en hen zulks toe te ftaan
â Markus Tublius Spuriuszoon , Markus
Markuszoon , cn Lucius Publiuszoon zeg-
gen : by den Voorburgermeefter Lentulus
gegaan zynde , hebben wy hem onderrigt
wegens \'t geene \'Dofitheus Kleopatridas-
zoon, de Alexandryner, gezegt heeft j dat
hv zo \'t hem geviel dejooden, die,Room-
fche burgers zynde , gewoon waaren de
Joodfche gódsdienften waar te neemen, we-
gens hunne gódsdienft affcheyd wilde gee-
ven. En hy heeftze affcheyd gegeeven
"3 daags voor den dertienden dag van den eer-
ften van Wynmaand
3, In Hooimaand, Lucius Lentulus en Kajus
Marcellus Burgermeeftcrs zynde. Daar
waaren tegenwoordig Titus Appius Balbus
Tituszoon, uyt de wykvanHoratia, Onder-
veldheer; Titus Tongius, uyt die van Kru-
ftumina ; Quintus Refius Quintuszoon
Titus Pompejus Tituszoon Kornelius Lon~
ginus ; Kajus Servilius Bracchus hópman,
uvt die van Terentina 5 Publius Klufius
tï ï S T O R i
Raad.
3)
93
3i
53
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
53
f
Gallus Publiuszoon ,
uyt die van Veturiai
Kajus Tentius Kajuszoon , hópman , uyt
die van ^miha ^ Sextus Atilius Serranus
Sextuszoon, uyt die van ^fquilina j Kajus
pompejus Kajuszoon , uyt die van Sabari-
na ; Titus Appius Menaiider Tituszoonj
\'Publius Servilius Strabo Publiuszoon, Lu-
dus Paccius Kajuto Luciuszoon, uyt dé
wyk van Kollina 5 Aulus Furius Tertius
Auluszoon, Appius Menas. In tegenv/oor-
digheyd van alle deeze heeft Lentulus dic
Befluyt afgekondigd. De jooden, die Room-
fche burgers zyn , en die gewoon zyn de
Joodfche gódsdienften in de ftad Efeze te
onderhouden, heb ik voor mynen rechterftoel
weegèns hunnen gódsdienft affcheyd ge-
geeven .
â De Overheden van Laodicea aan den
Burgermeefter Kajus Rubilius Kajuszoon
groetenis. Sopater, Afgezant van den Hoo^
genpriefter Hyrkanus, heeft ons uwen brief
overgegeeven , in welke gy ons bekend
maaà , dat tot u gekomen zyn , eenige af-
gezondene van Hyrkanus , Hoogenpriefter
der Jooden , met zich brengende brieven
ten voordeele van de Jooden gefchreeven 3
ten eynde het hen vry ftaa hunne Sabbathen
en andere plechtige gewoonten en góds-
dienftigheden te vieren volgens hunne va-
derlyke wetten, zo dat niemand hen daarin
overheerfche , om datze oilze vrinden en
bondgenooten zyn j en ten eynde niemand
hen eenige overlaft in ons Landfchap aan-
doe. Waarom gy ook , niet tegenftaande
die van Trallis voor u betuygden ^ datzé
daar in geen gevallen naamen en het zelvê
tegenfpraaken , hen belaft hebt en aange-
zegd , dat gy wilde dat het aldus gefchie-
den zoude. Dat men nóch daarenboven u
hadde verzogt , ook aan ons daar over te
willen fchryven > zo is \'t, dat wy, uw brief
ontvangen hebbende i uwe beveelen zyn na-
gekomen , cn dezelve na onze kancelary
lebben overgebragt ; zórge zullende draa-
gen dat wy zórgvuldig na zullen komen al
het gene ons door u bevoolen is geworden".
â Publius Servilius Galba , Publiuszoon 5
Voorburgermeefter aan den Magiftraat, Raad
en Vólke van Miletus groetenis. Hermas^
zoon , dePrytaan, ul ieder burger, tot my
zynde gekomen te Trallis, alwaar ik byeen-
komft hield , heeft my bekend gemaakt,
dat de Jooden by ulieden niet gehandeld
wierden volgens myne beveelen , maar dat
men hen verhinderde hunne Sabbathen te
vieren , en hunne vaderlyke plechtigheden
re onderhouden, en hunne inkomften te be-
ftieren. Dat hy ook zelve dit uw befluyt als
Prytaan Volgens de keur der wetten had op-
gemaakt. Weet dan, dat wy naa alles voor
en tegen gehoord en wel overwoogen té
hebben , willen en verftaan , dat men dè
Jooden in hunne vaderlyke gewoontens
geenfins hinderlyk zal zyn "i
Het Raadsbefluyt van die van Pergamus;
Onder de Prytany van Kratippus , op deii
eer-
eerften dag der maand Defius , niet goed-
keuring der Stratégen. Alzo de Romeynen,
vólgens het fpoor hunner voorvaderen , de
geVaaren van alle menfchen in \'t gemeen op
zich neemen , en tót derzelver veyligheyd
werken , met grooten iever behartigende,
dat hunne vrinden en bondgenooten in ge-
luk en vafte vreede"mogen bloeijen, zo is \'t,
dat Afgezanten tot hen zyn gezonden door
het joodfche vólk en deszelfs Hoogenprie-
fter Hyrkanus , te weecen Strato Theodo-
tuszoon, Apollonius Alexanderszoon , Lu-
kas Antipacerszoon, Ariftobulus Amyntas-
zoon 5 SoÃpater Philippuszoon , goede en
vroome mannen , die het voornaamfte be-
lang en de zaaken huns vólks hebben voor-
gedraagen. Zo heeft dan de Roomfche
Raad , ten opzichte van \'t gene haar is
voorgedraagen, beflooten , dat de Koning
Antiochus , zoon van Antiochus, in gee-
nerley manieren in zyn Ryk , de Jooden,
bondgenooten der Romeynen , zal hinder-
lyk zyn, en dat hy, zo hy henlieden mogt
hebben afgenoomen, eenige kafteelen, haa-
vens , óf landeryen , ófte onder wat naam
\'t ook mogte begreepen zyn , henlieden dat
zelve wederom ter hand doe ftelleUi, Wy-
ders datze vryelyk ter haavens moogen uyt-
vaaren, en dat niemand iets uyt hunne haa-
vens uytvoere, zonder tól te betaalen , het
zy eenig fchip van een Koning, het zy van
eenig vólk óf ftad, dan alleen uytgezonderd
\'Ptolémeus der Alexandrynen Koning , om
dat hy is onze vrind en bondgenoot. Neen
maar ook dat men de bezetting die in Jop-
3e legt , daar uyt ligte, gelykze begeerd
\'lebben. Ook heeft Lucius Teftius , een
uyt onze Raad , een goed en vroom man,
bevél gegeeven, dat men by ons zórge zou-
de draagen dat alles gefchiede overeenko-
mende met het befluyt van den Roomfchen
Raad , en zórge te draagen, dat de voor-
noemde Afgezanten veylig te rugge na hun
vaderland mogen keeren. Ook hebben wy
Theodorus in onzen Raad toegelaaten , en
wanneer wy van hem den brief en het
Roomfch Raadsbefluyt ontfangen hadden,
en hy zelve met veel kracht had gefproo-
ken , en de deugd en grootmoedigheyd van
Hyrkanus zeer gepreezen, en hoe hy en in
\'t gemeen en in \'t byzonder alle die rot hem
komen , zelfs beleefd bejégend en met wel-
daaden ophoopt , zo is \'t, dat wy deeze
brieven en befluyten in onze Kancelery heb-
ben weggelecht, en beflooten , dat ook wy
zelve, als bondgenooten der Romeynen al-
les goeds aan de Jooden vólgens het voor-
noemde Raadsbefluyt d en zouden. Nóch
heeft de gezegde Theodorus , die ons den
brief behandigd heeft , onze Stratégen ver-
zocht , datze aan Hyrkanus wilden over-
zenden een affchrift van ons befluyt ten
hunnen opzichte, benevens Afgezanten die
het zelve mogten overbrengen , ter beruy-
ginge van onze goede vrindfchap en weder-
zydfche onderhoudinge derzei ve , ja ver-
meerderinge daar van , en om zich in we-
dervergelding dankbaar te konnen betoo-
nen, en te erinneren , hoe in voorleedene
tyden van Abram , die de vader is van alle
Hebreen, onzer beyder voorouders met el-
kander in vrindfchap geleeft hebben , gelyk
wy daar van aantekening in onze Archiven
vmden
â Flet Raadsbefluyt Van die van Halikar-
nafllis. Onder het Priefterfchap van Mem-
non Oreftideszoon, en aangenoome zoon van
Euonymus in de maand Anthefterion, is dit
het befluyt des vólks, berigt daar van doen-
de Markus Alexander. Alzo wy ten allen
tyde het geene heylig en gódsdienftig ge-
noemd word zeer zórgvuldig in agt neemen,
ter naavolginge van hec Roomfche vólk , \'c
geen is weldoende aan alle menfchen , en
hebbende ingezien \'t gene het aan deeze
ftad gefchreeven heeft noopens de vrindfchap
en bondgenootfchap met de Jooden , tewee-
ten dat het hen mag vryftaan hunnen Gód
volgens hunne wyze te dienen, hunne Fees-
ten en heylige byeenkomften te onderhou-
den; zo is \'t, dat het ons behaagd, dat alle
Jooden , die zouden mogen willen, het zy
man, het zy vrouw, de vryheyd zullen heb-
ben om hunne Sabbathen te onderhouden en
hunne Feeften naar de wet der Jooden te
vieren , ook gebêdehuyzen naby de zee te
bouwen volgens hunne vaderlyke gewoonte.
En indien iemand zich verftout om hen in
deezen allen hinderlyk te zyn , het zy dan
een Magiftraatsperfoon óf een gemeen bur-
ger , die zal daar over in boete vervallen ,
ten behoeve van de ftad te betaalen ".
â Het Raadsbeftuyt van die Sardis. Na
dat de Stratégen verflag gedaan hadden
heeft het den Raad en het Vólk aldus goed
gedagt: Alzo de Jooden als burgers in dee-
ze ftad woonende ten allen tyden zeer veel
goeds van ons genooten hebben, en nu voor
onze regtbank toegelaaten zynde van den
Raad en het Vólk verzogt hebben , dat al-
zo hen door een Roomfch Raadsbefluyt
toegeftaan is , om vólgens hunne wetten in
vrye onderhouding hunner plegtigheden te
mogen leeven , wy ook henlieden daar in
niet wilden tegen zyn, maar toelaaten, dat-
ze in de daar toe befcheydene plaatfen met
hunne vrouwen en kinderen mogten verga-
deren , en Gode , vólgens hunne vaderlyke
wyze gebeden doen ; zo is \'t, dat het den
Raad en \'t Vólk van Sardis welgevallig is,
dat men hen vergunne op hunne beftemde
daagen by een te komen , en alle die pleg-
tigheden te verrigten die hunne wetten
meedebrengen ; ja dat ook door onze Stra-
tégen voor henlieden een plaats zal worden
afgezonderd en aangeweezen om aldaar te
kunnen woonen , en wel zo een plaats die
daar toe gevoegclyk zal geoordeeld worden;
en dat wyders ook de Marktmeefters der
ftad zórge zullen draagen dat alles op die
plaats te krygen zy het gene dat tót hun on-
derhoud zoude mogen dienen
« Het
â Het RaadsbeÃuyt van die van Efeze.
3, Onder de Prytany van Menophilus, ,op den
5, eerften dag der maand Artemifiüs heeft dit
den Vólkc goed gedagt. Nikanor Euphe-
muszoon heeft het op \'t berigt der Straté-
gen uytgefprooken. Nademaal de Jooden
hier ter ftede den Burgermeefter Markus
⢠35 Julms Tompejus Brutuszoon hebben aan-
ii gefproken , en viydom verzógt om hunne
Sabbathdagen te mogen vieren , en alles
vólgens hunne vaderlyke wetten te onder-
houden , zonder dat iemand hen daar in
verhindere, zo is hen zulks van den Straté-
gus toegeftaan. En het heeft den Raad eft
het Vólk behaagd , om dat ook voornaa-
melyk deeze zaak den Romeynen aangaat,
dat men niemand zal beletten den Sabbath
te vieren , óf daar over in boete beftaan,
33 maar de Jooden vtyheyd laaten om allefins
35 huone wetten in hun doen en laaten te on-
35 derhouden ".ff
Daar zyn nóg veele andere befluy ten van den
Raad en de Roomfche Opperkrygsbevélheb-
bers ten gevalle Van Hyrkanus en onze lands-
lieden gemaakt , midsgaders brieven aan de
fteden , en aan de Landvoogden wegens onze
voorrechten , waaruyt blykt dat als men dit
zonder vooroordeel leeft, men het gemaklyk zal
konnen gelooven. Naardien ik dan door deeze
klaare en beftendige bewyzen getoond hebbe
hoedaanig onze vrindfchap met het Roomfche
vólk geweeft is , en dac de zuyien en kópere
tafereelen , welke men nóg ten huydigen dage
daarvan in \'t Kapitolium ziet , ontwyfelbaare
blyken van \'t zelve zyn , en altoos zullen wee-
zen , zo geloof ik niet dat\'er zulke onrédelyke
perfoonen zullen zyn die dit nóg zouden wil-
en in twyfel trekken : maar ik hou my in tegen-
deel verzekerd , dat men uyt het gene ik ge-
zegd hebbe van de waarheyd der andere bewy-
zen j welk ik nóg zou konnen bybrengen, dóch
voorby gaa om mynen leezer met laftig te val-
len 5 gunftiglyk zal oordeelen.
Ter zelfder tyd ontftondt in Syrië een groo-
te onruft uyt de vólgende oorzaak. Bajfus,
die van Pompejus aanhang was , deed Sextus
Ciefar verraaderlyk ombrengen , en maakte
zich met zyne krygsbenden meefter van het
landfchap. Terftond trokken die van Gsefars
party met alle hunne krygsmagt tegen Baftus,
en het omleggende land van Apamea was de
ftoel van dien oorlóg. Antipater om zich er-
kentelyk ontrent Csefars weldaaden te toonen,
en dien dood te wreeken , zondt den zynen
byftand onder \'t geleyde zyner zoonen. De-
wyl nu die oorlóg lang duurde, wierdt Markus
gezonden om Sextus plaats te bekleeden : en
C^far wierdt in den Raad door Kaftius, Bru-
tus , en andere tzamengezwoorenen om \'t lee-
ven gebragt, naa dat hy drie jaaren en een half
geregeerd had , gelyk men omftandiglyker in
andere Hiftoriën kan zien.
"\'\'\'\'""ïvfii. ifo^oT^TfrlfK.
Kaffiusfomt in Syrie, haalt zeshonderd talenten zilvers uyt Judéa.
Herode-s wint zyne geneegenheyd. Malichus ondankbaarheyd je^
gens Antipater.
3J
JJ
3J
33
33
3»
33
33
33
33
33
55)8.
\\JAa CiEfars dood ontftondt ^er een zwaare
burgerh^ke oorlóg onder de Romeynen : en
dewyl de voornaamfte van den Raad na alle kan-
ten gingen om vólk te werven , quam KalTius
in Syrië , aanvaardde het bevél over \'t heir
\'t welk Apamea belegerde , brak het belég op,
en haalde Bafliis en Markus tót zyne party
over. Thans ging hy van ftad tót ftad, ver-
zamelde wapenen en fóldaaten , en eyfchte
groote fchattingen } voornaamelyk in Judéa,
alwaar hy zevenhonderd talenten zilvers
kreeg. Antipater ziende, de zaaken in zo-
daanig een onruft , beval zynen twee zoonen
een gedeelte van dat geld te\'ligten : en Mali-
chus , die zyn vrind niet was, wierdt nevens
andere gelaft de reft in te vórderen. Herodes
oordeelende dat de voorzigtigheyd hem ver-
pligtte zich in de geneegenheyd der Romeynen
op eens anders kófte te wikkelen, was de eerfte
die zynen laft in Galiléa uytvoerde , en zich
daardoor by Kaftius bemind maakte. Dóch
dewyl de andere Stadvoogden niet zo deeden,
wierdt Kaftius zo toornig dat hy de inwooners
der fteden, welker voornaamfte waaren Gpfna,
Emaüs, Lydda, en Thamna, te koop veylde, en
Malichus zou gedood hebben, indien Hyrkanus
zyne gramfchap niet geftild hadde, door hem
honderd talenten met Antipater te zenden.
Naa dat Kaftius vertrokken was , ftondt Ma-
lichus Antipater na \'t leeven, achtende dat zyn
dood de heerfchappy van Hyrkanus bevefti-
gen zoude. Maar Antipater ondekte zynen
toeleg, en trok terftond na de overzyde van den
Jordaan, om aldaar, zo uyt de inwooners dier
landftreeke, als uyt de Arabiërs, krygsbenden
byeen te verzamelen. Toen Malichus, die een
doortrapt menfch was , zyn verraad ontdekt
zag , betuygde hy met eede nooit zulk een
voorneemen gehad te hebben , en dat \'er niet
de minfte ,fchyn was dat Phafaël Antipaters
oudfte zoon Stadvoogd van Jerufalem , en
Herodes zyn andere zoon Opperhoofd van
\\ krygsvólk zynde , diergelyk een gedachte
hem in den zin zoude komen. Aldus verzoen-
de hy zich met Antipater. Maar Markus Land-
voogd van Syrië bemerkte dat zyn toeleg was .
geheel Judéa te ontruften , en zoud hem heb-
ben doen fterven , indien Antipater niet voor
hem gebeden had j dóch de uytflag toonde
dat hy daarin een groote onvoorzigtigheyd
beging.
XIX. H O O F D S T.U K.
Kaffius en Markus uyt Syrië vertrekkende geeven aan Herodes het
gebied over \'t heir dat zy verzameld hadden, en belooven te zul-
len maaken dat hy Koning wordt. Malichus doet Antipater ver-
geeven. Herodes veynfl: ontrent hem.
Aflius en Markus, naa dat zy een heir ver- 6qo.
⢠zameld hadden, gaven het gebied daarvan
en van hunne fcheépsmagt, aan Herodes, dien
zy tót Landvoogd van neder Syrië aanftelden
en beloofden hem Koning te zullen maaken als
de oorlóg, gevoerd tegen Antonius en den ion
gen C^far, (federd Auguftus genoemd,) zou ten
eynde gebragt zyn. Zulk een groot gezag ge-
voegd by de hoope van nóg een vee grooter,
ver-
K
vermeerderde de vreeze welke Malichus reeds
wegens Antipater had j dies befloot hy hem
aan kant te helpen, en om dit voorneemen uyt
te voeren kóft hy Hyrkanus keldermeefter om,
die hem vergaf wanneer zy beyde by dien
Vórft ter maaltyd waaren : waarop Malichus
met eenig krygsvólk door de ftad ging om te
beletten dat die dood eenige beroerte veroor-
zaakte. Herodes en Phafaël , zoonen van
Antipater , waaren zeer bedroefd over \'t
verlies van zulk eenen vader 5 en hebbende
de boosheyd van dien keldermeefter ontdekt,
konden zy ligtelyk oordeelen , dat Malichus
de ftichter daarvan was : maar hy ontkende
zulks ftoutelyk. Dusdaanig was het eynde van
Antipater, die een vroom en rechtvaerdig man,
en een liefhebber van zyn Vaderland was.
Herodes wilde Malichus terftondt met een heir
aangrypen j maar Phafaël oordeelde dat het
dienftiger was te veynzen, om hem alzo te be-
ter te overrompelen , ten eynde men hen niet
befchuldigen kon van eenen inlandfchen oor-
lóg verwekt te hebben : dies geliet hy zich ge-
loof te flaan aan de betuygingen , welke Ma-
lichus deed dat hy geen hand gehad had in
die fnoode daad , en hieldt zich voorts beezig
met zyns vaders grafftede te vercieren. On-
dertulfchen quam Herodes te Samarië, en vondt
het in een groote wanorde: weshalve hy daarin
poogde te voorzien , en de gefchillen der in-
woonderen by te leggen. Kort daarnaa, wan-
neer te Jerufalem een groot feeft ftondt gevierd
te worden, toog hy met krygsvólk derwaards.
Malichus hierover verbaafd , raadde Hyrkanus
dat hy hem dus verzeld den ingang weygeren
zoude , zeggende dat het zulke uytheem-
fchen , gelyk Herodes by zich had, niet ge-
oorlófd was hunne heylige plegtigheden by te
woonen. Maar Herodes zonder zich des te
bekreunen , quam by nacht in de ftad , en
maakte Malichus daardoor nóg meer bevreefd:
weshalve deeze verraader zich tót zyne ge-
woonlyke liflen keerde 5 hy beweende in \'t
openbaar den dood van Antipater , dien hy
zeyde zynen byzonderen vrind geweeft te zyn 5
en in \'t heymelyk verzamelde hy krygsvólk
t\'zyner zekerheyd. Herodes ziende zyn mis-
trouwen, oordeelde het beft te Zyn dathy hem
niet liet blyken eenige kennis van zyne geveynfd-
heyd te hebben , en leefde daarom in vrind-
fchap met hem, opdat hy hem alle vermoeden
beneemen mogte.
XX. hoofdstuk.
Kaffius op verzoek vatt Herödes zendt aan de Roomfche Kryg«rvef-
ften laft om den dood van Antipater tc wreeken: die daarop iVlalichus
het leeven beneemen. Felix, die over de Roomfche bezetting in
Jerufalem geboodt befpringt Phafaël, dóch die vermeeftert hem.
TOen Kafftus , die van Mahchus quaadaar-
digheyd niet onkundig was, door Hero-
des verflaan had dat hy zynen vader had doen
vergeeven , heeft hy hem laaten weeten dat
hy zynen dood wreeken zoude , cn hy zondt
heymelyk laft aan dc bevélhebbers van het
Roomfch krygsvólk te Tyrus, om hem in die
billyke daad by te ftaan. Kaffms veroverde
daarnaa Laodicea , en dewyl de voornaamfte
des lands hem kroonen en geld bragten , twy-
felde Herodes niet óf Malichus zoude zich ook
derwaards begeeven , en oordeelde derhalve
dit een bequaame gelegenheyd te zyn om zyn
voorneemen uyt te voeren. Maar toen Mali-
chus dicht by Tyrus in Fenicië was , vatte hy
een mistrouwen op, en befloot eenen grooten
aanflag te onderneemen , naamelyk zynen
zoon, die te Tyrus een gyzelaar was 3 vandaar
tc ligten, cn alsdan na Judéa gaande, hetvólk Vórftendom aan te maatigen , terwyl Kafli"^
tót ecncn opftand te verwekken , cn zich het met deu oorlóg tegen Antomus beezig
â li
4 -
â ; . .5 ,
P
1
= )
y
-
gódiooslieden, die de Goden zo zeer heb-
ben vertoornd , dat de zon haare ftraalen\'
ichjmt verborgen te hebben om het fchrikke-
53 lyk fcyt regen Csefar begaan niet te aanfchou-
35 wen. Macedonië heeft die booswichten in
haaren boezem ontvangen; en dewyl zy als
3, verwoede tewerk gingen,hebben zy aldaar,
5, dóch inzonderheyd by Filippis , allerley
,3 quaad dat men bedenken kon aangerecht.
5, Daarnaa hebben zy alle voordeelige plaatfen
â bemagtigd, zich als met bóhverken door de
bergen die zich tót aan de zee toe uytftrek-
ken bedekt, en geoordeeld dat zy zeker waa-
ren omdat men maar langs éénen toegang tót
hen naderen kon. Maar de Goden die een
affchrik hebben van hun verfoeijelyk bedryf,
hebben ons de gunft beweezen van hen te
â overwinnen. Brutus vlugtte na Filippis
alwaar wy hem belegerden j en Kaffius is
met hem gefneuveld. Nademaal nu deeze
trouwlooze naar verdienfte geftraft zyn,
,3 hoopen wy in \'t toekomende een gelukkige
vreede te genieten 3 en Afië verloft te zien
van alle de elenden welke het door den oor-
lóg geleeden heeft. Het fchynt reeds door
onze overwinningen weder adem te haaien,
â gelyk iemand die uyt een zwaare ziekte we-
â der opftaat. En gy en uw vólk kont u ver-
zekerd houden dat gy deel aan dit geluk
zult hebben, dewyl ik geen gelegenheyd zal
laaten voorbygaan, om uw voordeel te be-
vórderen. En om u daarvan blyken te gee-
ven, zenden wy een bevél aan alle fteden om
â alle Jooden, zo vrygeboorene als flaaven,
welke Kaflius en de zyne by openbaaren uyt-
roep heeft doen verkoopen , in vryheyd te
ftellen : en wy willen dat alle de\' gunften
welke wy en Dolabella ulieden hebben
toegeftaan , hunne uytwerkinge hebben.
Ook verbieden wy de Tyriërs iets tegen
u te beftaan , en beveelen hen dat zy alles
wat ze in uw land ingenomen hebben , u-
lieden wedergeeven. De goudene kroon
â welke gy ons gezonden hebt, hebben wy
5, ontvangen".
â Markus Antonius Opperkrygsbevél heb-
ber, aan de Overheyd,den Raad,en \'t vólk
van Tyrus, groetenis. Hyrkanus de Hoo-
gepriefter en Vórft der Jooden heeft ons
door Gezanten doen weeten, dat gylieden
landeryen in zyn land in bezit genomen hebt,
ten ty^e toen onze vyanden dat landfchap
bemagtigd hadden. Maar dewyl wy dien
oorlóg niet ondernomen hebben dan tót wel-
ftand des ryks,om de gerechtigheyd en gód-
vruchtigheyd voor te ftaan, en de ondank-
baare en trouwlooze te ftraffen, zo willen
â wy dat gyheden met onze vrinden en bond-
â genooten in vreede leeft, en dat gy hen we-
â dergeefthet gene die vyanden hen ontnomen
hebben. Want niemand der gener die u
3ï \'c bezit daarvan hebben verleend, heeft zyn
â ampten gebied in \'their door het gezag van
â den Raad ontvangen: maar zy hebben \'t met
â geweld genomen , en aan hunne medehel-
â peren uytgedeeld. Dewyl zy dan nu hun-
ne verdiende ftraffe ontvangen hebben, is \'t
niet meer als billyk, dat onze bondgenooten
weder in \'t vreedzaam genót hunner goede- â
ren gefteld worden, indien gylieden dan
nóg eenige landeryen , toebehoorende Hyr-
kanus den Vórft der Jooden, en van u be-
magdgd toen Kaffius dien onrechtvaerdi-
gen oorlóg in onze landvoogdy quam voe-
ren , in uw bezit hebt, zult gy die weder-
geeven , zonder eenige zwaarigheyd daar
ontrent te maaken. En zo gylieden meent
eenig recht daarop te hebben , kont gy ons 3,
uwe redenen bekend maaken, wanneer wy â
weder in dat geweft zullen gekomen zyn â
gelyk onze bondgenooten alsdan ook kon-
nen doen
3-)
33
53
3)
33
33
33
3)
5S
3>
3»
33
33
JJ
33
33
33
33
33
Markus Antonius Opperkrygsbevélhebber
aan de Overheden, den Raad, en \'t vólk van
Tyrus , groetenis. Wy hebben ulieden
onzen bevélbrief gezonden, en wy willen
dat hy in \'t Grieks en Latyn gefchreeven,
en in uwe handveft-zaal op een aanzienlyke
plaats gefteld zy, om van een ieder geleezen
te konnen worden
In eene vergadering alwaar de Tyriërs hun- â
ne ftaatszaaken verhandelden , heeft Mar- â
kus Antonius de Opperkrygsbevélhebber een â
der Driemannen gezegd: Naardien wy door â
de wapenen beteugeld hebben de hoogmoed
en moedwil van Kaffius , die de beroerte
des lands te baat neemende in eene
landvoogdy getreeden is , welke hem niet
toequam , bedienende zich van krygsvólk
dat niet onder zyn gebied ftondt, waarmeê
hy Judéa verwoeft heeft, alhoewel die land-
zaaten vrinden van het Roomfche vólk
waaren j zo willen wy , door rechtvaerdige
vonniflen en billyke bevélen , het onrecht
en geweld door hem gepleegd vergoeden. â
Hierom belaften wy dat alle de goederen
den Jooden afgenoomen , ften we(äergegee-
ven worden : dat men die van hen welke tót
flaaven gemaakt zyn ih vryheyd ftelle ; en
dat zo iemand zal beftaan dit tegenwoordig
bevél te overtreeden hy naar verdienfte ge- â
ftraft worde
Dit zelfde fchreef Antonius ook aan die van
Sidon, Antiochië en Arad : en wy hebben \'t
noodig geacht dit te verhaalen: om te toonen
hoe groot een zórg het Roomfche vólk voor
onze landaard gedraagen heeft.
XXIII. HOOFDSTUK.
Begm der minnerye tuflchen Antonius en Kleopatre. Hytoontzich
ftreng tegen de Jooden die gekomen waaren om Herodes en Pha-^
faël by hem te befchuldigen. Anfigonus Ariftobulus zoon maakt
vrindfchap met de Parthen.
Oen Antonius gereed ftondt om Syrië in 60 f.
te trekken, quam Koningin van
Egipte in Cilicië by hem 3 en bekoorde hem
door haare liefde. Ter zelfder tyd quamen \'er
honderd der voornaamfte Jooden te Dafne,
eene voorftad van Antiochië , tót hem , om
Herodes en Phafaël te befchuldigen , en zy
koozen den welfpreekendfte onder hen om \'t
woord te voeren. Mejfala nam de verdeediging
der
jj
JJ
53
>»
33
33
33
33
33
J3
33
33
33
der twee broederen op zich, en wierdt door
Hvrkanus bygeftaan. Als nu Antonius de par-
tyen gehoord had , vraagde hy Hyrkanus wie
van die beyde bequaamft was het land wel te re-
geeren : waarop deez antwoordde, dat het die
van Herodes was. Weshalve Antonius, die
deeze twee broederen al federd eenen langen
tyd een byzondere geneegenheyd toegedraagen
had, vermids hun vader Antipater , toen Ga-
binius den oorlóg in Judéa voerde , hem zeer
; in zyn huys had onthaald , hen tót Vier-
vórften over dejooden aanftelde, en\'t bewind
der zaaken hen aanbetrouwde. Ook fchreef
hy brieven t\'hunner begunftiginge, deed vyftien
van hunne vyanden in de gevangenis zetten,
en zoud hen hebben doen dooden, indien He-
rodes niet voor hen gefprooken hadde. Deeze
ondankbaare, in plaats van dien goeden dienft
te erkennen, waaren niet zo dra van hun gezanc-
fchap wedergekeerd , óf zy maakten een an-
dere bezending uyt van duyzend van hunnen
aanhang, die na Tyrus gingen om Antomus op te
wachten. Maar Herodes en zyn broeder hadden
zich reeds ter zyner gunfte ingeboezemd, door
een groote fomme gelds welke zy hem gegeeven
hadden. Hierom beval hy aan de Overheyd, dat
zy die Afgezondenen, welke nieuwe onruften
poogden te verwekken, ftraffen, en Herodes,
m alles dat hy tót vaftftellinge zyns Viervór-
ftendoms van hen van noode had, byftaan zou-
de. Herodes toonde zyne edelmoedigheyd
ook by dit voorval; want hy ging by deeze Af-
gezondenen , die langs den oever der zee wan-
delden , en vermaande hen te vertrekken : Hyr-
kanus , die \'erby was, raadde hen het zelfde, en
hieldt hen het groot gevaar voor waarin zy zich
ftelden , indien ze pal by hun opzet bleeven:
maar zy verachteden dien raad: waarop dejoo-
den nevens de andere inwooners op hen aan-
vielen , en veele doodden en quetften. De
óverige dit ziende namen de vlugt, en hiel-
den zich federd ftil. Dóch het vólk liet daar-
om niet naa tegen Herodes uyt te roepen; \'t
welk Antonius zo vergramde, dat hy degénen
welke hy had doen gevangen zetten, het om-
brengen.
606 Elet vólgende jaar maakte Takorus zoon van
den Koning der Parthen, en één van de Vórften
des lands geheeten Barzafarnes, zich meefter
van Syrië, en Ptoloméus Menneus ftierf ter zelf-
der tyd. Lyfantas zyn zoon vólgde hem in\'t
ryk, en maakte door middel van Barzafarnes,
die veel op hem vermögt, vrindfchap met An-
tigonus Ariftobulus zoon.
XXIV. hoofdstuk.
Antigonus door de Parthen bygeftaan belegert Phaf^\'l en Herodes in
he? paleys van Jerufalem te Vergeefs. Hyrkanus en Phafaël laaten
zich overreeden om by Barzafarnes te gaan. ,
^07 A Nti^onus beloofde daarnaa den Parthen
J\\ duyzend talenten , en vyfhonderd vrou-
wen, indien zy het ryk van Hyrkanus op hem,
en Herodes nevens die van zynen aanhang om
\'t leeven bragten^ dóch deeze belóften zyn met
volbragt. De Parthen trokken echter om zy-
nent wille na Judéa , te weeten Pakorus langs
de zeekant , en Barzafarnes midden door het
land. De Tyriërs weygerden Pakorus te ont-
vangen; maar de Sidoniërs, en die van Ptole-
maïs openden de poorten voor hem. Hy zondt
dan eene bende ruyteiy onder \'t gebied van
zynen groot Schenker , die ook "Pakorus ge-
noemd wierdt, vooruyt na Judéa, om het land
te verfpieden j met bevél om zich by Antigo-
nus te vervoegen. De Jooden die op den berg
Karmel woonden quamen insgelyks by Anti-
gonus ; weshalve hy dacht dat hy door hunne
byftand een gedeelte van het land dat Dryma
geheeten wordt zou konnen vermeefteren.
Verfcheydene andere Jooden voegden zich
ook by hem; dies toogèn zy na Jerufalem, al-
waar van een nóg grooter getal verfterkt, zy
Phafaël en Herodes in \'t koninglyk paleys be-
leo-erden. Maar deeze twee broeders trokken
hen teo-en op de groote markt, en vielen zo
wakker^op hen aan, dat zy hen dwongen na
den Tempel te wyken, waarnaa zy eenig krygs-
vólk leyden in de huyzen die \'er dicht by fton-
den maar het vólk dezelve bezettende ftakze
in de brand, waardoor de verweerders in de
vlammen fneuvelden. Herodes wachtte niet
lang met dit te wreeken , maar viel \'er op in,
en doodde een groote menigte z^mer vyanden.
Niet een dag ging \'er voorby dat \'er geene fcher-
mutfelingen voorvielen ; en Antigonus en die
van zynen aanhang wachteden met ongeduld
na \'t Pingfterfeeft dat naby was, doordien als-
dan een groot getal vólks van alle kanten ftondt
te komen , om \'t zelve te vieren. Dien dag
gekomen zynde, quam\'er een groote menigte,
zo gewapend als ongewapend, die nietalleen-
lyk den Tempel vervulden, maar ook de ge-
heele ftad, uytgenomen het koninglyk paleys,
het welk Herodes met eenige fóldaaten van
binnen, en Phafaël van buyten bewaarde. He-
rodes deed eens eenen uytval op de vyanden
die in de voorftad waaren ; cn dreef naa een
wakker gevecht de meefte op de vlugt, wyken-
de eenige in de ftad, etlyke in den Tempel,
en andere achter het bólwerk dat \'er dicht by
lao- Phafaël queet zich ook braaf bv die ge-
legenheyd. Alstoen quam Pakorus de groot
Sdienker met een kleyn gevólg , ten verzoeke
van Antigonus, ter ftad in, onder fcnyn van
de onruft te ftillen, maar inderdaad om hem
tót Koning aan te ftellen. Phafaël ging hem
te gemoet, en ontving hem beleefdelyk in het
paleys. Pakorus om hem in den ftrik te doen
vallen, raadde hem na Barzafarnes te gaan; en
dewyl Phafaël niets mistrouwde , liet hy zien
daartoe bepraaten, tegen de waarfchouwing van
Herodes, die de trouwloosheyddier Barbaaren
kennende, hem ricdt zich van Pakorus en alle
die met hem gekomen waaren re ontjlaan.
Maar Hyrkanus en Phafaël begaven zich op
reyze, Pakorus gaf hem tót een geleyde twee-
honderd ruyters , benevens tien gevryden, zo
als menze noemt. Toen zy ui Galiléa geko-
men waaren, quamen de Stadvoogden hen ge-
wapend te gemoet., en Barzafarnes ontving
hen in \'t eerft zeer wel, gaf hen gefchenken,
en peynsde daarnaa op middelen om hen te
V V 2 ver-
verder/en. Men bragt ben in een buys dicht
by de zee, ahvaar Phafaèl verftondt dat Anti-
gonus aan Barzafarnes duyzend talenten,
en vyfhonderd vrouwen beloofd had. Dit deed
hem een mistrouwen opvatten , en hy wierdt
ook gewaarfchouwd dat men hem dien nacht
eene wacht zou toevoegen om zich van zyn
perfoon te verzekeren: en dit zoud inderdaad
gefchied geweeft zyn , indien men niet ge-
wacht had, tót dat de Parthen te Jerufaiem ge-
bleeven Herodeszouden gevat hebben j opdat hy
\'t niet oEitvlu^e als hy verftondt dait H}^rkanus
en Phafaël in verzékering genomen waaren. Het
bleek wei haaft dat dit bericht waar was, want
men zag eene wacht aankomen. Hierop
wierdt Phafaël geraaden, inzonderheyd yan ee-
«cn genaamd OfeUus, die dit gel^ym ontdekt
had door SararnaUa den rykften va» alje de
Syriërs, dat hy fpoedig te paerde zou gaan
zkten om zida tè.bergen, en hy boodt hem
â¢vaartuygen aan, dewyl \'t niet v^rrevan de zee
was : maar Phafaël achtte dat hy Hyrkanus
ïïiet moft verlaaten , en zynen broeder Herodes
in \'t gevaar laaten ziitten. Hy ging derhalve
na Barzafarnes en zeyde tót hem , dat hy
55onder de uytterfte ongereohtigheyd , <m zon-
â¢der zichzelven -te onteeren , het leeven van
- perfoonen, die ter goeder trouwe by hem ge-
\'komen -waaren , en qp welke niets te zeggen
mcl, niet kon belaagen : en dat indien \'c hem
aan-geld fchortte, hy ;hem meer kon geeven dan
â¢Antigonus. Barzafarnes verklaarde met eede
-dat shet ten hooeften valfch was \'c gene men
<hem verhaald had, en daarop ging hy na Pa-
\'korus.
XXV. H O O F D S T U K.
Barzafarnes houdt Hyrkanus en Phafaël gevangen. Zendt na Jeru-
ïalem om Herodes in verzékering te neemen: maar hy ontvlugt
-.by naeht met ayn vólk en\'vrinden. Hy wordt onderwege aange-
vallen, doch flaat \'er telkens door heene. Ondankbaarheyd van
den\'Koning der Arabiërs jegens Herodes, die na Rome gaat.
7 0 dra als Barzafarnes vertrokken was, 60S.
^ leyde men de hand op Hyrkanus, en Pha-
iaël, die niet anders kon dan zyne trouwloos-
heyd verfoeijen. Deeze Barbaar\'zondt ter zelf-
der tyd eenen gefneeden m Jerufalem ,aan He-
rodes , met bevél om hem buyten \'t Paleys te
lókken, cn in verzékeringe te neemen. Maarhy
verftondt dat de Parthen die genen gevat had-
den welke Phalaël aan hem gezonden had om
hem van hunne trouwloosheyd te verwittiggn
dies deed hy zyn beklag daarover aan Pgkorus
en alle de andere Overften, die hoewel \'t lien
met onbekend was , echter verkaarden niets
daaraf te weeten; zeggende wyders dat hy geen
zwaarigheyd moft maaken om uyt.het paleys te
komca tót het ontvangen der brieven , welke
men hem bekandigen wHde, dewyihy metaia-
ders dan goede tyding van zynen broeder daar-
uyt verftaan zoude. Dóch Herodes floeg gee^i
geloof aan die woorden« omdat hy reeds ver-
nomen had dat men hem in hechteniftè hielcl,
en dat hem die maare beveftigd was door
Alexandra Hyrkanus -dóchter, met wier dóch-
ter hy ftondt te trouwen. En hoewel andere
met dat bericht den fpót dreeven, echter vondt
het ingang by hem, doordien zy eene verftan-
dige vrouw was. De Partheu bedremmeld on-
trent het gene hen ]te doen ftondt, omdat zy
zulken dapperen man niet opentlyk durfdeh
aan taften, ftelden hun overleg tót \'s anderen-
daags uyt, Herodes ondertuftchen niet twyfe-
lende aan hun verraad, en de gevangeniCe zyns
broeders, alhoewel andere het tegendeel ftaaa-
de hielden , befloot nóg .die^i nacht 4e vlugt
.te neemen, zonder Janger in zulk een gevaar
;onder zyne vyanden te blyven. Om dan cÃt
zyn voorneemen.uyt te voeren , nam Jhy al zyn
gewapend vólk , deed zyne moeder , zy^e
» zyne bruyd Mariamne , haar moeder
Alexandra, haaren jongften broeder, met alle
haare huysgenooten en dienaars , op wagens
cn
fii paerdeB \'mttm en floeg alzó den weg
o,p na Uimié^ , zonder dat
Eiiiks gewaar wierden. M©n moft ongevoelig
^eweeflzy Hj om op zulk een beldaagelyk voor-
val geen medsiyden getoond te hebben ⢠want
de vrouwen zag men overftelpt van droef lieyd
en traanen, met haare kinderen aan d© hand ^
haar vaderland verlaaten , terwyl haare nabe-
ftaande in banden waaren , en zy ziehzelve
geen beter gÃluk toeleggen konden. Maar niets
kon het grootmo^ig hart van flerodes doen
bezwyken: want hy toonde by die gelegenheyd
dat zyn moed zyne rampen te boven ging en
hy het niet af hen l^ngs den weg te vermaanen,
dat zy hunne tegenfpoed e^delnioediglyk moften
^verdraagen, zonder zich aan de droefheyd en
onnutte fclagten over ce geeven j vermids dat
nier anders dan hunne viugt, waarin zy al hun
heyl \'ftelden, vertraagen kon. Maar daar ge-
i)euj:de eene zaak die iiy zo nA nam , dat het
weynig ftïheelde éf hy had zichzelven omge-
bragt. De wagen waarin zyne moeder was viel
.omt en zy bezeerde zich zo deeriyk, dat men
TOesde dat zy \'t èefterven zoude. Zyne groote
droefheyd daarover, gevoegd by de vreeze
dat hy door tlit vertoeven van deA\'ya.ndenaGh-
4:erfaaald zoude worden , trof hem zo kragtig-
Jyik, dat hy zy<n zwaerd trede, jen\'er zichzelven
ineê doorftooten zoud hebben , indien zy die
fcy hem waaren hem daarin niet belét hadden.
Zy baden hem dat hy »hen dóch aan de woede
Jbunner viyanden niet wilde overlaacen j maar
denken dat het zy^r edelmoedigheyd onbetaa-
^elyk zou zyji,5 ziqhzelven te bevryden van
onheylen die iVreeslyker waaren dan de dood ,
!;Zonder zich te betommeren met ;het ^uyterfte |
gevaar zyner iieffte vrinden. Aldus genoopt i
iten deele door ge weid, enten deelc door fchaam-
de van onder zyn ongeluk te bezwy ken, ftaakte
;liy zyn doodelyk vodmeemen, quam zyner-moe-
der, z-ö veel als deg^leg^iheyd toeliet 5 me.r ge-
neesmiddelen m hul pe en vepvóigde zyne reyze
na d®ft-erktG Maftäda. Verfcheydenmaal wierdt
hy van de Par-ihen laags den wêg aangeg.rgepen
m^aar hy floeg hen t^elk-ens : 2eh% "de\'Jooden
vielen Op "hera aan toen hy nóg geea zeftig fta-
diën van fêruialem was: dóch\'hy ovecwonhen
ook in vinn^ gevecht j want hy verweerde
zich niet "als ieffiaöd die vlugtende oyervallen
wordt- maar gelyk een groot kry gsm an , die
bereyd is om eenen vinnigen ftoot uyt te ftaan:
en naa dat hy tót den troon verheven was, deed
hy aldaar een prachtig paleys, en eene ftad ge-
heeten HerodiOn, bouwen. Toen hy te Trefla,
een vlek in Iduméa, was aangekomen , quam
zyn bioedêr |ofephus by hem, en zy overley-
den tzamen\'wat zy doen zouden met al dat
krygsvólk \'t welk Herodes medegebragt had,
bchive de fóldaaten die in zynen dienft Waaren,
vefïsids het ftot Maffada, waarop hy zich be-
geeven wilde , niet groot genoeg was om hen
alle te houden. Hy befloot dan liet grootfte
gedeelte, \'t welk meer dan negenduyzendper-
iWnen beliep , heene te zenden ^ en geeven-
de hen eenige leeftógt, zeyde hy dat zy zich
zo wel als êj konden op verfcheydene plaatfen
va^Iduméa moften verzórgen: en behalve zy-
ne maagen hieldt hy alleenlyk de bequaamfte
by zich, laatende de vrouwën en dc perfoonen
die zy t\'^liaaren dienfte ijoodig hadden, zynde
aohthonderd in getal, op \'t^kafteel, en dewyl
die plaats aan koOrn nóch water eh andere nood-
wendigheden tót onderhoud, geen gebrék had,
ftelde hy zich geruft. Naa dat hy nu alles be-
zórgd had, gittg hy na Petra de hoofdftad van
Arabië.
Om nu weder tót Jerufalem te keeren: Toen
het dag geworden was pionderden de Parthen
alles wat Herodes aldaar en in \'t paleys gelaa-
ten hadj maar zy roerden de driehonderd ta-
Ifgntcn
Vv 5
lenten niet aan, die Hyrkanus toebehoorden >
en een gedeelte van \'tgene Herodes toequam
wierdt ook geborgen , nevens alles wat zyne
voorzigtigheyd hem na Iduméa had doen zen-
den. Deeze Barbaaren vergenoegden zich niet
met de ftad te pionderen; zyyerwoeftedenook
\'tland, en vernielden Marifta, eene ryke ftad,
t\'eenemaal. Aldus wierdt Antigonus door den
Koning der Parthen in \'t bezit van Judéa ge-
fteld : en men leverde Hyrkanus en Phafaël ge-
vangen aan hem over : maar het moeide hem
zeer dat de vrouwen , welke hy beloofd had
boven het geld aan dien Vórft te geeven ,
ontvlugt waaren : en vreezende dat het vólk
Hyrkanus in \'t ryk herftellen zoude , deed
hy hem de ooren affnyden , om hem daar-
door onbequaam tót het bedienen van \'t
Hoogepriefterfchap te maaken 5 doordien
de Wet verbiedt dat ampt aan iemand die
eenig lighaamelyk gebrek heefc op te draa-
gen.
6op. Maar wat zal men zeggen van Phafaëls groot-
moedigheyd! Nademaal hy den dood, tót wel-
ken hy wift dat men hem gefchikt had, niet zo
zeer vreesde, dan [de fchande van die door de
handen zyner vyanden te ontvaiigen, en dat
hy zichzelven niet kon dooden omdat hy ge-
boeid was , ftiet hy zyn hoofd tegen eenen
fteen. Men zegt dat Antigonus hem geneesmid-
delen zondt, die in plaats van eenig nut te
doen , zyne wonden vergiftigden. Eer hy
ftierf had hyde trooft van door een arme vrouw
te verftaan , dat Herodes \'t ontvlugt was ; en
hy ftierf met vreugde onder \'t overdenken dat
hy eenen broeder naaliet die zynen dood zou
wreeken , en dat zyne vyanden door hem de
ftrafte hunner trouwloosheyd ontvangen \'zou-
den.
é\'io. Herodes ondcrtuftchen , wiens moed onder
zyne tegenfpoeden niet bezweek, verzuymde
mets omze te boven te komen. Hy toog hee-
ne na Malchus Koning der Arabiërs, die zeer
aan hem verpligt was , om hem te verzoeken
dat hyde beweezen e weldaaden in deezen drin-
genden nood wilde erkennen, en hem Vooral met
geld, hetzy te geef óf te leen, byftaan: door-
dien hy van den dood zyns broeders alstoen
nóg onbewuft , beflooten had tót driehonderd
talenten toe te befteeden om hem te lóflèn. Met
dat oogmerk had hy het zoontje van Phafaël,
dat nóg maar zeven jaaren oud was, medege-
nomen , om het tót gyzelaar aan de Arabiërs
over te léveren : maar eenige perfoonen door
dien Vórft afgezonden, quamen hem uyt zy-
nen naam aanzeggen dat hy zich uyt zyne lan-
den begeeven moft , vermids de Parthen ver-
booden hadden hem te ontvangen: en men zegt
dat het de Grooten van zyn ryk waaren die hem
dien laf hartigen raad gaven om onder dien
* dekmantel zich te ontflaan, van het geld, dat
Antipater hem te bewaaren gegeeven had, aan
Herodes weder uyt te keeren. Herodes ant-
woordde, dathy hem geen overlaft wilde aan-
doen , en dat hy hem maar over zaaken van be-
lang had willen fpreeken,
611. Hy oordeelde dan, naa de zaak overwoogen
te hebben, dat het beft was te rug te trekken;
dies floeg hy den weg op na Egipte , zo mis!
noegd als men denken kan over zulk eenonbe-
hporlyke bejégening. Hy vernachtte in eenen
Tempel alwaar hy veele van zyn gevólg gelaa-
ten had, en quam den vólgenden dag tc Rhi-
nocura, daar hy Phafaëls dood verftondt. De
Koning der Arabiërs ondertuflchen zynen mis-
flag naadenkende, had \'er berouw van, en toog
hem naa, maar kon hem nietinhaalcn, omdat
hy zo fpoedig na Pclufmm gereyfd was. Daar
gekomen zynde wilde het fcheepsvólk dat na
Alexandrië ging hem niet in hun fchip nee-
men , weshalve hy zich by de Overheyd ver-
legde , die hem groote eere bewees ; en de
Konmgm Kleopatre wilde hem by zich hou-
den ; maar zy kon hem niet bepraaten om te
blyven , vermids hy zulk een groote begeerte
had om na Rome te gaan, alhoewel het inden
winter was, en dat \'er een gerucht liep dat de
zaaken van Italië in eenen beroerden ftaat waa-
ren.
Hy ging dan t\'fchepe na Pamfilië, en quam
naa eenen zwaaren ftórm, waarin men een ge-
deelte der fcheepslaadinge buyten boord ge-
worpen had, eyndelyk te Rhodus-, alwaar hy
Sapznas en Ttolomeus twee zyner vrinden aan-
trof: En ziende dic ftad zo verwoeft, door den
oorlóg tegen Kaflius gevoerd , had hy \'er zulk
een medelyden meê, dat hoewel hy zeifinon-
plegenheyd was , hy daarom niet laaten kon
mar boven zyn vermoogen te hulpe te komen,
Hy deed daarnaa eene galey toeruften , cn \'er
Z!ch met zyne vrinden op begeeven hebbende,
quam hy te Brundufium aan , vanwaar hy na
Rome ging, daar hy zich eerft by Antonius
vervoegde, wien hy alles verhaalde wat \'er in
Judéa was voorgevallen , naamelyk dat zyn
broeder Phafaël door de Parthen gevangen ee-
nomen en gedood was ; dat zy Hvrkanus nóo-
gevangen hielden ; dat zy Andgo^^^^^^ Ko
ning aangefteld hadden op bdófte dat hy
hen duyzend talenten zou geeven, nevensvyfl
honderd vrouwen, welke hy voorgenomen had
onder de perfoonen van den voornaamften
rang, cn in \'t byzonder uyt zyn geflagt te kie-
zen : Dat hy derhalve om haar uyt zyne hand
te redden, haar by nacht met veel moeite had
uytgevoerd , en in groot gevaar gelaaten: en
eyndelyk dat hy in \'t midden van den winter,
onder veele gevaaren , zich op de zee ge-
waagd had, om fpoediglyk byhem te komen,
als weezende zyne eenigfte hoop en toever-
laat.
XXVI. HOOFDSTUK.
Herodes wordt door middel van Antonius en mctbyÃand van Au-
guftus tót Koning van Judéa verklaard. Antigonus belegert Maf-
lada, verdeedigd door Jofephus Herodes broeder.
TT Et meêdoogen \'t welk Antonius had met
^^ de ongelukken van Herodes, waarin de
Fórtuyn, die zich met de rampen der grootfte
mannen vérmaakt, hem geftort had j de her-
denking der belcefdheyd waarmeede zyn vader
Antipater hem eertyds had onthaald ; de be-
lófte van geld mdien hy hem tót Koning deed
aan-
XIV. Bóek. JOODSCH
aanftellen , gelyk hy hem reeds Viervórft ge-
maakt had i en boven al zyn haat tegen Anti-
gonus, dien hy als eenen muyrzuchtigen, en
eenen openbaaren vyand der Romeynen aan-
merkte, deeden hem befluyten Herodes met al
zyn vermoogen by te ftaan. Auguftus toonde
-zich ook geneegen daartoe, zo uyt inzigt der
byzondere vrindfchap welke Juhus C^Efar An-
tipater had toegedraagen, wegens de byftand
die hy van hem m den Egiptifchen oorlóg ont-
vangen had, als uyt eene begeerte om Anto-
nius te verpligten, dien hy de belangen van
Herodes zo yverig zag voorftaan. Hierop dee-
den zy den Raad vergaderen en Meffala en
â Atratims Herodes inleydende , droegen met
grooten lóf voor de dienften welke zyn vader
aan \'t Roomfche vólk gedaan had, â en dat An-
tigonus daarentegen niet alleenlyk een open-
baare vyand was, gelyk zyne voorigedaaden
genoeg betoond hadden j maar dat hy zulk
een verachting ontrent de Romeynen had
laaten blyken, dat hy de kroon uyt handen
,, der Parthen had willen ontvangen Deeze
reede verbitterde den Raad tegen Antigonus j
en Antonius voegde daarby, dat dewyl men in
oorlóg met de Parthen was, het buyten twy-
fel zeer voordeelig zoude zyn Herodes tót
Koning van Judéa aan te ftellen. Dit voor-
ftel wierdt van alle aangenomen , en Herodes
vondt zich te meer aan Antonius verpligt, om-
dat hy zo een groote gunft niet verwacht had:
want de Romeynen waaren niet gewoon kroo-
nen re geeven dan aan zulke die van koning--
Jyken geflachte waaren: dies was zyn voornee-
men maar om\'t ryk vanjudéa te verzoeken voor
Alexander Mariamnes broeder, kindskind van
Ariftobulus van vaderlyke , en van Hyrkanus
van moederlyke zyde, welken hy daarnaa deed
^om \'t leeven brengen, gelyk wy te zyner plaat-
fe zullen zeggen. By dit alles kan nóg gevoegd
worden, dat de fpoed die Antonius gebruyk-
te, deeze weldaad vergrootte, want die ge-
heele zaak wierdt in zeven dagen afge-
daan.
De Raad gefcheyden zynde namen Anto-
nius eri Auguftus Herodes in \'t midden van hen,
en verzeld van de Burgermeefters en Raads-
heeren leyden zy hem na het Kapitolium, al-
waar zy ófteranden ófferden, en \'er het raads-
befluyt in bewaaringe bragten. Thans gaf An-
tonius een prachtig gaftmaal aan dien nieuwen
Vórft op den eerften dag zyner regeeringe,
welke begon in de honderdvierentaehtigfte O-
limpiade , onder het burgermeefterfchap van
Kajus Domitius Kalvinus, die het toen voor
de tweede maal was, en Kajus Aftnius Poh
lio.
Terwyl dit te Rome gebeurde belegerde An-
tigonus de fterkte Maffada> Jofephus Herodes
broeder verdeedigde haar, en zy was van
alles wel voorzien , uytgezeyd dat het water
daar begon te ontbreeken. Dewyl hy wift dat
Malichus Koning der Arabiërs berouw had
dat hy aan Herodes oorzaak van misnoegen
gegeeven hadde, nam hy voor by nacht met
tweehonderd mannen ter ftad uyt en na hem
gen.
>5
3)
\'33
35
53
i
613.
Ventidius Roomfch Veldheer dreef de Par- 614,
then uyt Syrië, quam in Judéa, en legerde zich
dicht by Jerufalem, onder voorgeeven van Jo-
fephus te hulpe te komen, maar inderdaad om
Antigonus geld af te perfen , gelyk hy deed.
Hy trok daarnaa met het grootfte gedeelte zy-
ner benden weder weg, laatendede óverige al-
daar blyven onder bevél van Silo, aan wien An-
tigonus ook geld moft geeven, om geen overlaft
van hem te lyden geduurende den tyd dat hy
in hoope was hulp van de Parthen te zullen
ontvangen.
61 f.
XXVII. HOOFDSTUK.
Herodes van Rome te rug gekomen zynde, neemt eenige plaatfen in,
en belegert Jerufalem, maar kan het niet bemagtigen. Hy flaat
zyne vyanden in een zwaar\'gevecht: Bedient zich van eene lift^
om veele Jooden van Antigonus party die in holen geweekcn waa-
ren te dwingen. Hy trekt met eenige krygsbenden na Antonius
die de Parthen beoorlógde. Zyne gevechten onderwege, Zyn
broeder Jolèphus in den ftryd gefneuveld , word door laft van
Antigonus het hóófd afgehouwen. Hoe Herodes die dood wreekt.
Hy belegert\'Jerufalem, alwaar Sofius met een Roomfch heirby
komt. Geduurende dat belég trouwt Herodes mee Mariamne.
NAa dat Herodes van Rome te rug gekomen
was, verzamelde hy tePtolemaïs een goed
getal krygsbenden, zo van zyne landslieden, als
van vreemden welke hy in zynebezóldinge nam;
en wordende daarenboven verfterkt door Ven-
tidius en Silo, (die door Gellius laft van Anto-
nius ontvangen hadden om zich by hem te ver-
voegen , naa dat alvoorens de één de beroerten
in eenige fteden, door den inval der Parthen
veroorzaakt, geftildhad, en de ander in Judéa
gekomen zynde door Antigonus omgekóft was,)
quam hy in Galiléa om Antigonus tegen tetrek-
ken. Zyne magt nam al gaande toe,en bykans
geheel Gahléa koos zyne party. Het eerfte
dat hy beftoot te onderneemen was het belég
van Maflada op te flaan, om zyne nabeftaande
die aliar belegerd waaren te verlóflên. Maar
eerft nioft hy Joppe inneemen , om zo een
fterke plaats niet in \'s vyands handen achter
zich te laaten, als hy na Jerufalem trok. Silo
nam deeze gelegenheyd waar om te wyken, en de
Jooden van Antigonus party vervólgden hemi
maar Herodes hoewel hy weynig vólks by zich
had, floeg hen, en redde Silo, die niet in ftaat
was om hen langer te wederftaan. Thans nam
hy Joppe in, trok met der fpoed na Maflada,
terwyl zyn heir van dag tót dag fterker wierdt
ydoor die van \\ land, welke zich by hem ver-
voegden , fommige uyt eene geneegenheyd die
zy zynen vader hadden toegedraagen, andere
uyt achtinge voor hem, edyke wegens de wel-
daaden van hen beyde genooten, en de meefte
op hoope van door hem begunftigd te worden
nu hy Koning geworden was. Antigonus leyde
hem
à HISTORI. m
toe te trekken; maar daar viel dien nacht zulk
een zwaare regen , dat de waterbakken vol
raakten 5 zulks dat \'er nu Van water geen ge-
brék zynde, hy befloot zich Wel te verweeren.
En deeze byftand , welke hy en de zyne aan-
merkten als van den hemel gekomen te zyn,
gaf hen zulken moed, dat zy zo wel by dage als
by nacht geftadige uytvallen op de belege-
raars deeden , en veele van hen doodfloe-
hem verfcheydene. laagen op zynen weg j maar
zonder veel voordeels daaruyti te:: trekken.
Herodes dan het belég van Maifada opgefla-
gen, en zich met degénen -die \'er binnen waa-.
ren verllerkt hebbende, nam het kafteel Reifa
in, en trok na Jerufalem gevólgd vanide ben-
den van Silo , en van veele inwooners: dier
groote ftad, welke voor zyne magtr. vreesden,
Hy belegerde het van de weftzyde j déch die.
van binnen fchooten ongemeen fterk met pylen
en fchichten , en deeden zwaare uytvallen op
de zyne. Dies deed hy door eenen krygsboo^
de afkondigen , dat hy met geen ander j oog-
merk dan tót de gemeene welftand der ftad ge.
komen wasj dat hy zelfs de beleedigingen hem
van zyne grootfte vyanden aangedaan vergeo-,
ten zoude j en dat niemand van die algemeene
quy tfchelding zoud uytgeflootenü zyn. Anti-
gonus zich tót Silo en de Romeynen keerende,,
antwoordde daarop: â Dat het der gerech-
tigheyd, waarvan her Roomfche vólk zich
voorftandersnoemde, onbetaamelykwas,ee-
nen geringen perfoon op den troon te zetten,
die maar een Idumeër, dat is een halve Jood,
was; en dat tegen de wetten hunner land-
aard , die zodaanig een eere niet opdroeg dan
aan zulke welker geboorte hen daartoe waer- |
^^ dig maakte. Dat indien zy op hem t\'onvree-
a, de waaren omdat hy de kroon uyt handen 1
der Parthen ontvangen hadde, daar nóg veele ï
andere Prinfen van koninglyken geflachte
waaren, die den Romeynen niet beleedigd
hadden, aanwien zy dezelvegeeveiikoflden :
en dat \'er ook nóg Priefter^ waaren , welke
men met geen billykheyd berooven, konde
van eene eere daar zy met reehtn^ilagfi mog^
ten". Terwyl Antigonus en Herodus aldus
tzamen twift eden i en ook tót fehfildwooréeii
uytborften , gaf Antigonus den zyi^en verlóf
de vyanden van de muuren te dryvenj. hiwep
fchooten zy zulk een menigte van pylen eri
fchichten van hunne torqns, dat zy hgn nQod?-
zaakren te wyken. Het bleek tom. klaaf dat
Silo zich door geld had Igaten omkoopenj wai^t
veele zyner fóldaateji begonden te roepen om
leevensmiddelen, g^ld, en winterlégeringen\',
zeggende dat het omleggende land {\'eenemaa]
door Antigonus benden verwoeft waj. Hierr
uyt ontftond zulk een beroerte onfe\'t ggn,
fche leger , dat elk zich tót den .aftogt gereed
maakte. Maar Herodes badt dg Beyélhehhers
van \'t Roomfche krygsvólk, dat zy hem dus
met verlaaten zoudenvi en hy hèldt hm voor
datzy door Antomusj Auguftus, enden RaaiJ
gezonden waaren hem by te ftaan^ en be^
langende de leevensmiddelen , dat hv bezór^
gen zoude dat hen niets röntbrake. Deeze be-
lófte wierdt van de daad gevólgd^ want hy
deed zulk een overvloed van eetwaaren aan^
voeren , d^t hy Silo alle voorwendlèlen om af
te trekken benam. Ook beval hy aan zyne
vrinden te Samariëj dat zy koorn, wyn, oh,
Vee , alles wat \'er in \'t leger mogt noodig
weezen, tót Jerieho zouden doen brengen.
^ie^af bericht bekomen hebbende,
gat laft aan eenige zyner krygsi;?endea- de we^
gm van \'t gebergte te bezetten , en laagen te
leggen voor degénen die leevensmiddelen na
Jericho bragten. Herodes die van zyne kant
ook i niets verzuymde, nam toen vyf Room-
fche, en vyf Joodfche benden, nevens eenige
vreemde fóldaaten, en edyke ruyters, waar-
mede hy na Jerieho toog. Daar komende vondt
hy de ftad verlaaten, en verftondt dat vyf hon-
derd inwooners met hunne huysgezinnen na
\'t gebergte gevlugt waaren, welke\'hy deed ge-
vangen neemen j maar evenwel weêr ontfloeg.
De Romeynen de ftad van alles voorzien vin-
dende, begaven zich tót pionderen ; waarnaa
Herodes eene bezetting daarin leyde, en aan de
Roomfche benden winterlégeringen gaf in Idq-
méa , Galiléa, en Samarië. En Antigonus tót
vergeldinge van de gefchenken welke hy aan
Silo gegeeven had, verwierf van hem dat hy
een gedeelte van zyn krygsvólk na Lydda
zondt, om daardoor Antonius gunft te win-
nen. I Aldus leefden de Romeynen in rufte cn
overvloedi.van alles.
35
5J
33
33
33
33
5)
93
93
33
3Ã
93
93
>3
33
3>
Ondertuftx:hen zondt Herodes, die niet lee-
dig wilde zitten, zynen broeder Jofephus
met duyzend voetknechten en vierhonderd
ruyters na Iduméa , en toog zelf na Samarië,
alwaar hy zyne moeder en nabeftaande, welke
hy uyt Maftada geligt had , in veylige bewaa-
ringe liet, en thans na Galiléa trok, om eeni-
ge plaatfen in te neemen die door Antigonus
met bezettinge belegd waaren. Hy quam on-
der een zwaare fneeuw tc Seforis, en dewyl
Antigonus krygsvólk dat \'er binnen lag de vlugt
nam , vOndt hy \'er een groote voorraad van
leevensmiddelen. Vandaar zondt hy ééne tróp
ruyters en drie benden voetvólks tegen de roa-
die in de holen dicht by \'t vlek Arbela
6i6.
vers
hunne wyk hielden. Veertig\'dagen daarnaa
trok hy met zyn. heir opj maar de vyanden
quamen hem ftoutelyk tegen. Hierop ont-
ftondt \'cr een vinnig gevecht, zo dat de flin-
ker vlerk van ^Herx>4es heir aan \'t waggelen
raakte 5 doch hy onderfteunde haar met zulk
een dapperheyd, dat hyde zynen, die reeds
den rug gekeerd hadden, deed wenden, ende
vyanden , die zich de overwinning al hadden
toegelegd , op de vl^t, en tót aan den Jor-
daan najaagde. Door deeze treftelyke daad
kree^ hy al \'t óverig;e vän Gahléa aan zyne
zyde, uytgenomen die welke in holen gewee-
ken waaren. Hy gaf toen aan ieder zyner fól-
daaten honderd vyftig drachmen, beloonde
naar maate de hoofdlieden veel meer, en
zondt hen gezamendyk ni de de winterl|ége-
rin^em
Inmiddels wierdt Silo genoodzaakt te ver-»
trekken , en quam met zyne Bevélhebbers by
hem, doordien Antigonus niet meer dan voor
eene maand leevensmiddelen voor zyn krygs-
vólk wilde geeven, ^^ ^^^^^ äan de inwooners
der omleggende plaatfen laft ,^geeven hadmet
alles wat tÃt ond^rhouo des. leevens noodig was
weg te trekken , en na \'t gebergte te vlugten^,
opdat de Romeynen alzo door gebrék van leef-
tógt zouden moeten vergaan. Doch Herodifs
voorzag daarin , en bev4 Pheroras , zynéi
jongften broeder , hen met voorraad te ver-
zórgen , alsmede het flót Alexandrion, dat ge-
heel verlaaten was, te doen hermaaken en ver-
béteren.
617. Te dien tyde was Antonius te Athene, en
Ventidius in Syrië , vanwaar hy Silo ont-
boodt om by hem te komen, en met de hulp-
benden der wingeweften tegen de Parthen te
trekken, naa dat hy alvoorens aan Herodes de
noodige byftand zoude verleend hebben. Dóch
Herodes wilde hem geenfins ophouden, maar
toog zelf met zyne eygene ben.den tegen de
roovers, die met hunne huysgezinnen in de ho-\'
len van \'t gebergte geweeken waaren. Maar hoe
hen te genaaken, was de groote zwaarigheyd,
doordien de wegen derwaards zeer eng waa-
ren , en alles met fcherpe rótfen en fteylten om-
ringd was 5 zo dat men beneden aan den voet van
de bergen zynde, daar niet kon opklimmen, nóg
boven weezende daar afkomen. Dóch om deeze
zwaarigheyd te verzetten deed Herodes kiften
maaken, welke aan yzere kettingen hangende
door windaazen nedergelaaten wierden. Deeze
kiften waaren vol van fó daaten met lange haaken
gewaapend, om degénen die wederftand boo-
den te konnen vaft haaken en van defteyltens
afftooten. Maar deeze afdaaling was zeer ge-
vaarlyk, wegens de hoogte der bergen , en die
zich in de holen onthielden hadden van leef-
tógt geen gebrék. Als nu deeze kiften voor
den ingang der holen gekomen waaren, en nie-
mand van die roovers dezelve dorft naderen maar
zy alle zich ftil op hunne plaats hielden, greep
zeker fóldaat, die niet verdraagen kon dat zyn
makkers zo bevreefd waaren dat zy niet uyt
hunne kift dorften treeden , de ketting waar-
aan de kift ning, met beyde zyne handen, en
Iprongopden grondden ziende dat \'erniemand
te voorfchyn quam , naderde hy den ingang
van één dier holen, doodde verfcheydene met
zyne fchichten , trok andere die tegenftand
booden met zynen langen haak na zich, en ftiet
hen van boven neêr. Daarnaa tradt hy in \'t hól,
alwaar hy \'er nóg meer om \'t leeven bragt, en
zich toen weêr na zyne kift begaf. Het gekryt
van deeze trof de andere met zulk een fchrik, dat
zy wegens hun leeven wanhoopten: maar de
nacht ftuytte den voortgang van dit werk , en
Herodes deed vergiffenis voor allen afkondigen,
indien zy zich wilden overgeeven. Den vól-
eenden dag wierdt het beftórmen deezer holen
hervat > en veele fóldaaten klommen uyt hunne
kiften om aan den ingang derzelver te ftryden,
en \'er vuur in te werpen , weetende dat \'er
brandbaare ftóffe van binnen was. In één dee-
zer holen was een oud man met zyne vrouw,
en zeven zoonen-, deeze ziende zich in zul-
ken nood , baden hem dat hy hen wilde
toelaaten zich aan de vyanden over te gee^
ven i maar in plaats van hen zulks toe te
ftaan, ftelde hy zich aan den ingang van \'t
hól, doodde hen als ze daar uyt wilden tre-
den, den éénen naa den anderen, zo drazy te
voorfchyn quamen , en eyndelyk ook zyne
vrouw , werpende hunne \' lyken van boven
neêr, waarnaa hy zich zeiven insgelyks ne-
derwierp, en alzo den dood voorde flaaver-
ny koos, naa dat hy alvoorens veele ver-
wytingen en fcheldwoorden tegen Herodes
had uytgebraakt, alhoewel die Vórft hem
ziende, met zyne hand gewenkt , en hem
toegeroepen had , dat hy hem vergiffenis
verleenen wilde. Aldus wierden alle de óve-
rige die in de holen waaren gedwongen zich
over te geeven , omdat zy zich niet lan-
ger konden verbergen nóch wederftand
bieden.
Naa dat nu Herodes Ptoloméus tot Land- (jig,
voogd aangefteld had trok hy met zeshonderd
paerden en drieduyzend mannen te voet na
Samarië, met vroorneemen om Antigonus te
beftryden. Maar \'t liep Ptoloméus geheel te-
gen in deeze landvoogdy j want hy wierdt
door die welke Galiléa te voore beroerd had-
den , belprongen en gedood j waarnaa zy de
vlugt neemende, zich in moeraflèn en ontoe-
ganklyke plaatfen begaven , en vandaar door
\'t ganfche land gingen ftroopen : Dóch Hero-
des wederkomende liet niet naa hen te ftraffen j
want hy doodde veele van hen ^ en de fterke plaat-
fen waarin andere geweeken waaren ingeno-
men hebbende, deed hy hen ook fterven, ver-
nielde die oorden, leyde den fteden eene boe-
te van honderd talenten op, en dempte alzo
deeze muytery.
Middelerwyl wierden de Parthen in ee- (jj^^
nen grooten veldflag overwonnen, en Pa-
korus hun Koning gedood : hier op zondt
Ventidius , uyt laft van Antonius , Mache-
ra aan den Koning Herodes met twee keur-
benden en duyzend ruyters} Dóch Antigonus
kóft hem met geld om , zo dat alhoewel
Herodes alles deed wat hy kon om hem
te weerhouden van tót Antigonus te gaan ,
hy \'er echter heene ging onder fchyn van
den ftaat zyner krygsmagt te bezien. Maar
Antigonus durfde zich op hem niet betrou-
wen , en wilde hem daarom niet alleenlyk
niet ontvangen, maar deed ook met ftin-
gerfteenen na hem werpen. Alstoen bemerk-
te Machera zynen misflag , en gaande na
Emaüs , deed hy alle de Jooden die hem
op den weg tegenquamen , in zyne gram-
fchap ombrengen , zonder eens te vraagen
óf zy vrinden óf vyanden waaren. . Door
dit gedrag wierdt Herodes zeer vertoornd ,
en ging na Samarië om Antonius deswege
te fpreeken, en hem te verzoeken dat hy
hem niet meer zodaanig een onderftand
zond , vermids \'t hem meer fchaade deed
dan zynen vyanden, en hy \'t zeer wel mis-
fen konde, als zynde zonder dat fterk ge-
noeg om tegen Antigonus te beftaan. Maar
Machera quam hem onderwege te gemoet,
en badt hem te blyven , óf ten minften
hem zynen broeder Jofephus te geeven »
om gezamentlyk Antigonus te beoorlogen.
Aldus wierden zy weder verzoend, en He-
rodes ftondt aan Machera op zyn verzoek
toe, dat hy hem \'t grootfte gedeelte van
zyn heir zoud overlaaten onder \'t geley-
de van Jofephus , aan wien hy beval niets te\'
XJ? waa^
waagenjiiochre metMachera in krakkeel te ko-
men.
â¬20. Daarnaa toog hy met eene tróp ruytery en
voetvólk na Antonius, die de ftad Samolate,
aan den Eufraat gelegen, belegerde. Te An-
tiochië ontmoette hy een groot getal lieden, die
ook na Antonius wilden gaan, maar die zich
niet op weg begeeven durfden, omdat de Bar-
baaren , daar rondom heene verfpreyd, alle die
in hunne landen vielen doodfloegen. Dóch hy
fprak hen moed in, en boodt zich tót hun Op-
perhoofd aan. Toen hy tót op twee dagrcy-
2^ens na aanSamofate gekomen was, waaren de
Barbaaren aldaar in grooten getale vergaderd,
om degenen die na Antonius trokken te over-
vallen: en dewyl zy niet uyt hunne laage te
voorfchyn quamen, dan wanneer zy die benden
in de vlakten zagen, lieten zy de eerfte tróp
van Herodes voorby trekken 5 en vielen met
vyfhonderd paerden op de vólgende, waar on-
der hy zelf in perfoon was: en hoewel zy de
voorfte ryen deeden wyken, echter queet die
Vórft zich zo dapper, dat hy den zynen een
Iiart onder den riem ftak, de vlugtende weder tót
het gevecht trok, de meefte Barbaaren in ftuk-
ken hieuw, en niet ophieldt van ftryden, tót
dat hy alle den buyt en de gevangenen, diezy
genomen hadden, wedergekreegen had. Daar-
naa voorttrekkende verfloeg hy nóg een groot
getal van Barbaaren, die zich in het bofch niet
verre van dat veld onthielden om de reyzigers te
overvallen 3 en hebbende aldus den weg gebaand
/ voor deeze die naaquamen; noemden zy hem,
alle hunnen befchermer en behouder. Toen
hy dicht by Samofate gekomen was, zondt An-
tonius, die reeds had verftaan dat hyde Bar-
baaren verftrooid had , en t\'zyner byftand
quam, hem het puyk zyner benden tegen, om
hem eere aan te doen jen hem met groote blyd-
fchap ontvangende, omhelsde hy hem, prees
zyne dapperheyd , en bejegende hem als eenen
Vórft aan wien hy de kroon op \'t hoofd gezét
had. Kort daarnaa gaf Antiochus Samofate
over, en aldus eyndigde de oorlóg. Antonius
liet aan SoÃÃs het gebied over het heir cn \'t
landfchap, met bevél om den Koning Hero-
des in alles wat hy van noode mogt hebben,
by te ftaan, en ging daarop na Eg^te. Sofius
zondt dan twee keurbenden met Herodes na
Judéa , en vólgde zelf met het óverige van
h heir.
<^21. Terwyl dit voorviel raakte Jofephus , He-
rodes broeder, op de vólgende wyze in Judéa
om \'t leeven, omdat hy het bevél dat hy ont-
vangen had van niets te waagen,niet naageko-
men had.Hy tooe n^ de weg van Jericho met zyne
benden, en vyf vaanen ruytery wcUceMachera
hem gegeeven had 3 suyt, om \'t koorn in te zame-
len. Dóch dewyl deeze Roomfche ruytery maar
uyt jong en oneervaaren krygsvólk beftondt,
welker meefte in%rië waaren geworven , vielen
de vyanden op eene naadeclige plaatlè op hem
a^n, floegen zyne geheele manfchap,enhy^elf
manhaftiglyk ftrydende wierdt gedood. En dewyl
de dooden in Antigonus magt bleeven, deed
iayjofephus\'t hoofd afhouwen^ alhoewel zyn
broeder Pheroras hem vyftig talenten voor \'t
lighaam jn zyn geheel boodt. Naa dit gevecht
ftonden de Galileërs tegen hunne Overften op,
en wierpen die van Herodes party in \'t meir.
Behalve dcezc waaren \'er nóg verfcheydene an-
dere beroerten in Judéa5 en Machera verfterkte
het kafteel van Geth.
Herodes verftondt die tyding in eene voor-
ftad van Antiochië genoemd Dafne , en zy
quam hem niet onverwacht te voore, omdat
hy eenige droomen had gehad, die hem zyns
broeders dood voorfpelden. Aldus verhaaftte
hy zyne tóg\'tj en toen hy aan den bcr^ Liba-
non gekomen was, nam hy achthonderd man-
nen van \'tland, en ging met een Roomfche
keurbende na Ptolemaïs, vanwaar hy dien
zelfden nacht vertrok, om na Galiléa té gaan.
Dóch hy wierdt van de vyanden overvallen,
maar hy overwon hen, en dwong hen zich in een
kafteel te befluyten, vanwaar zy den voorgaan-
den dag uytgetrokken waaren. \'s Anderen-
daags belegerde hy hen 5 maar een zwaar on-
weêr dwong hem na de nabuurige vlekken te
wyken. De andere keurbende welke hy van
Antonius ontvangen had quam toen ook by
hem, \'t welk de belegerden zo bevreefd maak-
te, dat zy \'t kafteel by nacht verlieten. He-
rodes inmiddels verlangende om zyns broeders
dood te wreeken, trok met groote fpoed na
Jericho, alwaar hy de voornaamften der ftad
met een gaftmaal onthaalde : en naauwlyks
waaren de gaften weder vertrokken, óf de zaal
waarin de maaltydgehouden was, ftortte in, zon-
der dat\'er iemand fncuvelde wyl ze \'er alle uyt
vertrokken waaren > \'t welk ftóftè gaf om te ge-
looven dat Gód een byzondere zórg voor He-
rodes droeg,omdat hy hem als d^or een won-
derwerk van zulk een groot gevaar verlóft had.
Den vólgenden dag quamen zesduyzend der
vyanden van \'t gebergte, en jaagden den Ro-
meynen eenen fchrik aan, te meer dewyl
ze door de voorfte zeer met fchi-cht^ ea
fteenen befchaadigd wierden , zo dat ook
Herodes zelf eene quetfuur door een fchicht
in zyne zyde ontving. Antigonus willende
aangezien ^yn dat hy fterk genoeg was om
op meer dan eene plaats te gelyk den oor-
lóg te voeren , zondt eenige benden na Sa-
marië onder \'t geleyde van Tappusmaar
Machera boodt hem wederfland j en He-
rodes nam vyf fteden in, doodde bykans
tWeeduyzend van degénen die \'er m bezet-
tinge lagen, ft^k de plaatfen in de brand 3
en wendde zich toen na Pappus, die by *t
vlek Ifanas gelegerd was , alwaar veele , zo
uyt Jericho als uyt Judéa , zich by hem ver-
voegden. Zo dra Herode« bemerkte dat
de vyanden ftout genoeg waaren om tór
een gevecht te komen , viel hy op hen
aan, overwon hen, en brandende van be-
geerte om zyns broeders dood te wreeken ,
jaagde hy hen onder het doodflaan naa,
tót aan het vlek : terftond wierden éc
huyzen aldaar met menfchen vervuld , en
veele vonden zkh genoodzaakt op de
daken te klimmen j dóch die wierden haaft
ge-
van alle kanten benden in aantógt na \'t belég
van Jerufalem, \'t welk aan de noordzyde aan-
getaft wierdt i en men zag \'er elf keurbenden,
en zesduyzend ruyters , behalve de hulptroe-
pen van Syrië. De t^vce Opperhoofden van dit
vermaard belég waaren Sofius, door Antonius
gezonden tót byftand van Herodes , en dee-
Vórft , die den oorlóg voor hemzelven
ze
voerde om zich van de kroon , hem door \'t
befluyt van den Raad toegekeurd , te verzéke-. .
ren > door den ondergang van Antigonus , die
een openbaar vyand des Roomfchen vólks
was.: . \' " rs T
De Jooden, die van alle kanten van\'t Kyk
zich binnen die plaats begeeven hadden, verdee-
dicrden dezelve met zeer groote kloekmoedig-
heyd, roemden op de heyligheyd van hunnen
Tempel, poogden \'t vólk te verzékeren dat
God hen van dat gevaar verlóften zoude , en
deeden heymelyk uytvallen om de leevensmid-
delen , en \'t voeder op \'c veld te vernielen, ten
eynde de beleggers gebrék daarvan mogten
hebben. Herodes om daarin te voorzien, ley-
de laagen op verfcheydene plaatfen, en deed
leeftógt van verre aanvoeren, waardoor men in \'t
heir voorraad kreeg van alles wat noodig was.
Hy gebruykte ook een groot getal graaversj en
dewyl het zomer faizoen aan hun werk geen
verhindering toebragt , voltooide hy de drie
aangeleyde ftórmfchanfen. Voorts beukte hy
de muuren der ftad met ftórmtuyg, en liet niets
i achterwege om zyn groot oogmerk te berey-
ken. . ^
De belegerden daarentegen deeden alles wat
moogelyk was om zich wel te verweeren j zo
dat zy niet alleenlyk de begonnene, maar ook
de voltooide werken verbrandeden j en door
hunne groote dapperheyd betoonden dat de
Romeynen hen niet overtroffen dan in de krygs-
kunde. In plaats van de neêrgeworpene muu-
ren maakten zy weêr andere, zy doorgroeven
de mynen met tegenmynen, en ftreeden dikwils
voet by voet zonder te wyken. Invoege dat
hoewel zy door zulk een magtig heir belegerd,
en ter zelfder tyd door hongersnood gepraamd
waaren, doordien dat jaar juyft een Sabbatli-
iaar was, de wanhoop hen echter aanmoedigde,
en niets hen tótde overgaave kon doen befluy-
ten. Eyndelyk op den veertigften dag der be-
léc^eringe beklommen twintig der manhaftigfte
Roomfche fóldaaten den muur, en wordende
van éénen van Sofius Hoofdlieden gevólgd, en
door andere benden onderfteund, maakten zy
\'er zich meefters van. Vyftien dagen daarnaa
wierdt de tweede muur ook bemagtigd j en
eenige van de galleryen des Tempels v^-
brand , dóch Herodes leyde namyls dat
Antigonus te lafte , óm hem daardoor by
den vólke gehaat te maaken Naa dat het
buytenfte des Tempels , en de beneden-ftad
aldus ingenomen was, weeken de belegerden
in de bovcn-ftad, cn den binnen-Tempel: cn
vreezende dat de Romeynen hen het verrich-
ten der ófferanden beletten zouden , verzóch-
ten zy van de belegeraars dat men hen wilde
toelaaten om de noodige beeften tót dien eyn-
Xx 2 de
geéoodv waarobf^cn de daken openbrak
die^\'er bmnen waaren zo dicht op malkande.
-ren-epakc,vondt, dat zy zich nie^t verweeren
kdnden.: weshalve men hen met fteenen dood
irooide , \'t welk door dc fchrikkelyke menigte
lan dooden een yslyker fchouwfpel was ,dan men
nóp; m dien ganfchen oorlóg gezien had. Dit
krelikte de ftoutheyd der vyanden meer dan iets
anders , vv^ant zy . verlooren alle hoope dat het
^eluk hen weder dienen zoude. Men zag hen :
met groote tróppen vlugten , en zo \'er niet de 1
wintertyd tuftthen beyde gekomen waare, de
overwinnaars zouden tót aan jerufalem hebben
können gaan, en\'t gewislykingenomen, en alzo
den oorlóg ten eynde gebragt hebben dewyl
Antigonus reeds in overleg was om te vlieden, en
de ftad te vedaaten. Toen \'t avond geworden was
beval Herodes dat men de fóldaaten zou laaten
eeten: en dewyl hy zeer moede was, begaf hy
zich in zyne kamer om in \'t bad tc gaan Als-
toen bevrydde de gódlyke voorzienigheyd hem
van een zeer groot gevaar 5 want terwyl hy ge-
heel nal.kc wal, en?.iet meer dan éénen zyner
dienaaren by zich had, quamen drie der vyan-
<len , die zich uyt vreeze in dat huys verbor-
gen hadden, de één naa den anderen met het
zwaerd in de vuyft om zich tc redden s en zy veiv
fchrikten zo door de tegenwoordigheyd des
Konings, die in \'t bad was , dat in plaats van
hem te dooden, gelyk zy gemaklyk konden
gedaan hebben , zy niet anders poogden dan
maar te vlugten. Den vólgenden dag deed
Herodes het hoofd van Pappus , die onder
de dooden was , afhouwen, en zondt het
aan Pheroras , om hem over \'t veriies
broeders te trooften , vermids hy het
was die met eyge hand Jofèphus gedood
Toen de winter over was toog deeze dap-
pere krygsman na Jerufalem, floeg zich dicht
by de ftad neêr , en belegerderze, drie jaaren
naa dat hy te Rome tót Koning verklaard was.
Hy koos dien oord welken hy \'t bequaamft
oordeelde om de plaats te bemagtigen, en nam
zvn legerwyk voor den Tempel , gelyk Pom-
peius wel eer gedaan had. Hy deed door een
menio-cevan del vers drie ftórmfchanfen opwer-
pen, ^torens bouwen, en veele boomen vellen
en geduurende dit belég ging hy na Sama-
rië , en trouwde aldaar met Mariamne ,
dóchter van Alexander , en kindskind van!
den Koning Ariftobulus , aan welke hy
verloofd was, gelyk hiervoore reeds verhaald
en
toen
zyns
622.
is.
XXVIII. HOOFDSTUK.
Herodes bygeftaan van Sofius Rooni^i Veldheer neemt Jerufalem
niet geS in, In koopt de plondenngat.Sofius neemt Antigo-
nus gevangen , en voert hem na Antonms.
612 TvT^^ Herodes zyne bruylóft gehouden
had, bragt hy in zyn leger eene ver fterkmg
van dertigduyzend mannen : en Sofius die \'t
zyne, het welk fterk van ruytery en voetvólk
was, vooruyt gezonden had, quam ter zelf-
der tyd door Feiticië trekken. Aldus Zag men
34^ FLAVIÃS
de met Zieh te neemen. Herodes ftondt hun
verzoek toe, op hoope dat die gunft hen vermur-
wen zoude: maar ziende daarnaa dat zy hoe lan-
ger hoe hardnekkiger wierden om Antigonus in
de koninglyke waerdigheyd te handhaaven, ver-
dubbelde hy zyne poogingen om de plaats te be-
magtigen : en men zag wel haaft na dat hy
zich met geweld meefter van de ftad gemaakt
had, aan alle kanten niet dan eenen yslyken
moord j doordien de Romeynen verbitterd
wierden dat het belég zo lang duurde , en de
Jooden van Herodes aanhang hunne landsge-
nooten , die de andere party gekoozen had-
den , verdelgen wilden. Aldus floegen zy hen
dood in de ftraaten , in de huyzen, en zelfs
wanneer ze in den Tempel vlooden: men ver-
fchoonde nóch jonge , nóch oude,- de weere-
loosheyd der zwakfte kunne baarde geen meê-
doogen jegens de vrouwen j en hoewel Hero-
des beval, ja badt, haar te verfchoonen, \'t
mogt niet helpen j want het krygsvólk was zo
verwoed, dat het alle menfchelykheyd fcheen
uytgefchud te hebben.
624,, Antigonus klom in dien ftaat van den toren
waarin hy was, en zonder acht te flaan op zy-
nen voorigen ftaat, wierp zich voor de voeten
Van Soflus, die in plaats van zich zyner te ont-
fermen, hem fchamperlyk bejegende, en niet
als eenen man Antigonus , maar als een wyf
Antigona noemde: evenwel hieldt hy hem niet
in bewaaringe als eene vrouw , maar voegde
hem een goede wacht toe.
62 f. Herodes naa dat hy zo veel moeite gehad
had om zyne vyanden te overwinnen, had
geen minder werk om de moedwil der uytheem-
fche krygslieden, welke hy t\'zyner hulpe ont-
booden had , te beteugelen; want zy ftooven
ter Tempel in, en wilden zelfs in \'t Heyligdom
indringen. Maar om dit te beletten gebruyk-
te hy niet alleenlyk gebeden en dreygementen,
maar ook geweld ^ want hy achtte dat het erger
voor hem zoude zyn overwinnaar dan overwon-
nen te weezen, indien zyne zeege de oorzaak
waare dat voor de oogen der ongódvruchtigen
bloot gefteld wierde \'t gene hen niet geoorlófd
was te zien. Ook poogde hy met alle zyne
magt het pionderen der ftad te beletten , zeg-
gende ronduyt tegens Soflus, dat indien de Ro-
meynen haar van inwooners wilden ontblooten,
cn pionderen, hy dan maar Koning zoude zyn
van eene woefte en yerlaatenc plaats j cn dat hy de
heerfchappy ten kófte van het bloed van zo vee-
JOSEPHUS XV, Boek.
Ie menfchen niet koopen wilde. Soflus hier-
op antwoordende dat men den fóldaaten de
plondermg eener plaatfe, die zy ftórmender-
hand veroverden, niet kon weygeren, zo be-
loofde Herodes dat hy hen uyt zyn eygen
zou beloonen. Aldus bcvrydde hy de ftad
daarvan, en quam zyne belófte treftèlyk naa
zo Wel ten aanzien der lóldaaten als der
Bevélhebberen, welke hy wel befchonk, dóch
inzonderheyd Soflus, dien hy Koninglyk ver-
Dit inneemen van Jerufalem gebeurde on-
der \'t burgermeeftcrfchap van M. Agrippa
en Kamfius Gallus , in dc honderd vyfen-
tachtigfte Ohmpiade , in de derde maand,
op eenen vaft-dag, zynde juyft dezelfde toen
A^fu^^I goudene kroon ge-
ófferd had, vertrok hy vanjerufalem, en voer-
de Antigonus gevangen met zich na Antonius
Maar dit verwekte een groote bekommering bv
Herodes 5 want hy vreesde dat Antonius hem
vry mogt laaten gaan, cn hy dan te Romeko-
mende aan den Raad voorftellen, dat hv
van koninglyken bloede zynde , boven He-
rodes behoorde gefteld te worden, die van
geen doorluchtige geboorte was , en dat al
waare het dat zyn opftand tegen de Ro
meynen hen weerhield van hem in \'t Ryk
te handhaaven, zy echter zyne kinderen, die
hen met beleedigd hadden, niet zouden voor-
bygaan. On^ zich dan van deeze vreeze te
ontflaan , bewoog hy Antonius door een
groote fomme gelds dat hy Antigonus deed
ombrengen.
Aldus verlOor^et geflacht der Afmoneërs, <^27
na honderd zesentwintig jaarerf geregeerd te \'
hebben , de heerfthappy ⢠En dit huys is niet
geweeft, doordien het
^ich op den troon verheven heeft gezien, maar
ook omdat het fteeds het HoogSpriSera^S
bezeten heeft, cn dat de voortreffelyke^^^^
den zyner Koningen den roem onzer landaard
zeer verheven hebben. Ma^ inwendige ver-
deeldheyd heeft eyndelyk den. ondergang des-
zelfs veroorzaakt, waardoor de heerfchappv
overging m \'t ftamhuys van Herodes, zoon
van Antipater, die gefprooten was uyt een
geflacht, dat gcenflns door adel van ande^
re onderdaanen des Konings onderfcheyden
was.
626.
J O O D S H E
H I S T Q R I.
VYFTIENDÃ BOEK.
lïÃRSTE HOOFDSTUK.
Antonius doet Antigonus Koning der Jooden \'t hoofd afflaan.
hebben m t voorga^de boek het in-
^ ^ neemen van JerufalemdoorSoflusen He-
rodes, en het gevangen neemen van Antigonus
verhaald: dies ftaat ons nu\'t vervólg te verhan-
de-
delen. Wanneer dan Herodes zich meefter van
Judéa zag , toonde hy zich erkentelyk jegens
die welke hem geneegenheyd toegedraagen
hadden toen hy nóg een ampteloos perfoon
was : maar daar liep niet een dag voorby dat
hy niet eenige der gener die \'t met Antigonus
gehouden hadden deed ombrengen. TolUo een
Fharifeer, en Sameas zyn leerling, waaren de
eenigfte welke hy gunftiglyk bejegende, om
hen te vergelden voor dat zy geduurende \'t
belég fteeds aangeraaden hadden dat men hem
aanneemen zoude. En deeze Sameas was
het, die toen men Herodes voor \'t recht
gedagvaard had, aan Hyrkanus en de ande-
re .Rechters voorzeyde, dat indien men hem
vryijprak, hy hen alk daarnaa zou doen om
\'t leeven brengen 5 welk zeggen Gód naa
verloop van tyd getoond heeft waar te wee-
zen.
Herodes deed al het kóftelyk huysraad dat
hy m \'t konmglyk paleys vondt, nevens het
goud en \'t zilver \'t welk hy den ryken ontnam,
byecnbrcngen, en verzamelde alzo eenen groo-
ten fchat, welken hy aan Antonius en zyne
vrinden gaf Hy deed vyfenveertig der voor-
naamften van Antigonus aanhang fterven, en
ftelde wachten aan de poorten om wanneer hun-
ne lyken uytgedraagen wierden, te zien óf men
ook te gelyk eenige klcinoodiënuytdroeg, ten
welken eynde die doode ligchaamen naauwkeu-
rig bezigtigd wierden. Voorts deed hy al het
goud en zilver dat men vondt tót zich bren-
gen j en die\'t met Antigonus gehouden had-
den zagen geen eynde van hunne elenden : want
alle hunne goederen konden de gierigheyd van
deezen nieuwen Koning , wiens fchatkift uyt-
geput was , niet voldoen. Ook had men re-
den om ;^oor eenen hongersnood beducht te
#zyn, omdat de landen toen braak lagen, dewyl
dat jaar het zevende jaar was , in *t welk ons
niet geoorlófd is de aarde te bearbeyden en te
bezaaijen.
Antonius ondertuflchen wilde Antigonus be-
waaren om ten pronk zyner zeegepraal te die-
nen i maar ziende dat de Jooden hem begun-
ftigden, en tôt eenen opftand neygden uyt haat
dien zy Herodes toedroegen, oordeelde hy dat
het befte middel om hen in hunnen pligt te
houden, zou zyn Antigonus te doen dooden â¢
weshalve hy hem te Antiochië \'t hoofd liet
afflaan -, waarvan Strabo de Kappadociër aldus
fpreekt: Antomus deed Antigonus Koning der
Jooden te Antiochië onthoofden,en was de eerfte
der Romeynen die eenen Koning aldus deed fter-
ven,omdat hy geen ander middel zag om de Joo-
den tót gehoorzaamheyd van H er odes,die in zy-
ne plaats Koning geworden was, te brengen t
want zy waaren tegen hem zo verbitterd, en
Antigonus zo toegedaan, dat men hen zelfs door
pynigingen niet kon dwingen Her odes den naam
van Koning tegeeven. \'Dit bewoog Antonius om
door eenen fmaadelyken doodde geheugenis van
den éénen te verduyfteren, en den afkeer dien
men van den anderen had te verzachten
Wy hebben reeds gezegd hoe Barzafarnes
en Pakor^ Veldoverfte der Parthen Hyrka- ^
nus den Hoogenpriefter, en Phafaël Herodes
broeder gevangen hielden, en dat de laatfte,
om de fchande van flaaverny te ontgaan zich-
zelven ombragt. Nu ftaat ons te melden hoe
Hyrkanus vrygclaaten wierdt, en by Hero-
des quam naa dat hy tót Koning beveftigd
was.
nä
elpt
ir. HOOFDSTUK.
Lnoc en geeft het, HoogepriefterfchTat ^ ^
geen aanzien.
Alexandra fchoonmoede. 3 tt" ""
van Ariftobulus. fchryft aan Kleopatre om f"
nius dat ampt voor hLn zoon te^L^^n^^SÃ
Xx I ^
waar
waar wordende geeft het aan hem, en veynft zich met Alexandra
te verzoenen.
TlJYrkanus by Fraates Koning, der Parthen
\' gekomen zyndewierdt wegens zyne éde-
le afkomft wel van dien Vórft bejegend j want
hy ontfloeg hem . van zyne boeijen, en liet hem
tofiibinnen Babilon, alwaar veele Jooden waa-
-ren., ;te woonen.\' Hierdoor wierdt hy niet al-
leenlyk van dejooden ^ welke in die ftad hun
iVA\'Wyf\'hadden^\' als hunnen Hoogenpriefter en
Kohmgr geëerd j maar alle de andere Jooden 4ie
rOveridmiEufi\'aat woonden ^ beweezen hem zo?-
daanig ején eere j^invoege dat hy zich gelukkig
.in,f.ongeluk: bevohdt. Toen hy vèrftondt
idatHeródesop den troon gefteegen was, kreeg
hyigrOoteJ^ope j vZo doordien hy natuurlyk
zyne vrinden en maagen beminde, als omdat
hy zich verbeeldde, dat dewyl hy hem\'t leeven
behouden had toen hy op het punt ftondt vari
veroordeeld te worden, hy zich niet dan alles
goeds van zyiie erkentelykheyd belooven konde.
Hierom verlangde hy zeer om na hem toe te
gaan, en fprak \'er van tót zyne vertrouwdfte
vrinden # dóch die rieden hem te blyven jen om
hem daartoe te beweegen hielden zy hem voor:
â Dat\'alle hunne landsgenooten die daar te
de woonden, hem alle de eere beweezen die zy
aan hunnen Hoogenpriefter en Koning geeven
konden: Dat hy zulks ih Judéa niet verwach-
ten kon 5 naar dien Antigonus hem zofmaadig-
lyk aan zyn lighaam mishandeld had : En dat
aewyl verandering van ftaat ook de gevoe-
lens" der menfchen verandert,en men zelden
ziet dat Koningen de weldaaden in hunnen ge-
ringen ftaat genooten indachtig zyn , hy zich
ookhietveel van Herodes geneegenheyd kon
toeleggen ". Maar deeze wyze raad had gee-
nen indruk op Hyrkanus gemoed, door de fterke
begeerte die hy had om weder na zyn land te
keeren. Herodes fchreef ook aan hem dat hy den
Koning Fraates en de Jooden verzoeken zoude,
dat ze hem \'t genoegen van de koninglyke magt
met hém te déèlen niet misgunnen wiiden, na-
demaal de tyd nü gekomen was,om zich dank-
baar te toonen voor de genootene weldaaden
van opvoedinge en befcherminge. Deeze
hftige Vórft ve\'i-genoegde zich niet met aldus
aan\'hem te fchryven, maar zondt Saramallam
de hoedaanigheyd van Gezant met groote ge-
fchenken aan Fraates, ora dc vryheyd zyns wel-
doeners van hem te verwerven, opdat hy zich
wegens de genootene gunften van zynen pligt
quyten mogt. Dóch alle deeze \'betuygingen
van vrindfchap waaren niet dan veynzery:
want hy wel Weetende dat hy zich de kroon
t\'onrecht aangemaatigd had, vreesde voor ee-
nige verandering, en begeerde daarom zo yve-
rig Hyrkanus ^in zyne magt te hebben, en ook
te doen dooden indien hy \'t voor zyne zeker-
heyd noodig oordeelde, gelyk het gevólg
toonde.
Hyrkanus wierdt dan door den Koning der
Parthen in vryheyd gefteld, en dejooden te
Babilon woonachtig verzórgden hem met noo-
dig reysgeld. Herodes ontving hem met groote
eerbewyzinge, en gaf hem overal in byeen-
komften en op gaftmaalen de eerfte plaats,
noemde hem zynen vader, en vergat niets van
\'t gene hem alle vermoeden mogt beneemen van
het verraad dat hy hem; brouwde j omdatidiy
\'t kóft te wat het wilde, zich van de kroon ver-
\'Zékeren, en Z)m nieuw gezag vaftftelleh wil-
de: waaruyt dan huyslyke tweedragt, en groOte
beroerte ontftondt , gelyk ik verhaalen zal.
Herodes vreézénde dat een perfoon van voor-
naame afkomft in \'t Hoogepriefterfchap gefteld
mogte worden i/ontboddt van Babilon eenen
Priefter van geringen geftachte genaamd Am-
nel-y, wien hy dat ampt gaf Alexandra Hyr-
kanus dóchter, en weduwe van Alexander
goon van den Koning Ariftobulus, by wien zy
eenen zoon had, een wonder fchoon jongman,
geheeten Ariftobulus gelyk zyn grootvader, en
eene dochter van ver wonderlyke fchoonheyd,
genoemd Mariamne, gémaahn van Herodes ,
wierdt met een zeer ge voehg hartzeer getroffen
wegéns \'t ongelyk dat men haaren zoon aan-
deed , door iemand van geen aanzien dus bo-
hem te ftellen , en in zulk een uytmun-
53
SS
5?
3J
!5
35
3J
33
JJ
Ã3
\'i:
II
óp
ven
tend ampt te plaatfen. Zy zondt dan door
eenen Muzikant eenen brief aan Kleopatre,
om haar te bidden dat zy dat ampt van Anto-
nius voor haaren ioon verzoeken wilde. Dee-
ze Koningin deed zo, maar kon het niet ver-
werven. Middelerwyl quam een groot
vrind van Antonius , in Jüdéa ohi eenige zaa-
ken te verrichten 5 en vermids hy zich verwon-
derde over de ongemeene fchoonheyd van Ari-
ft\'obulus en Mariamne , en \'t geluk van Alexan-
dra, datzy zulke kinderen ter werreld gebragt
had , raadde hy haar hunne beeldteniflèn aan
Antonius te zenden , niet twyfelende óf hy
zou, als hy die gezien had, alles doen wat zy
begeerde. Zy deed zo; en Delhus wedet by
hem gekomen zynde fprak nóg grooter van
hunne fchoonheyd, en zeyde dat zy meer naar
Gódheden dan naar fterflyke menfchen gelee-
ken , verzuymende niets om in hem een begeer-
te tót deeze fchoonheden te verwekken. Maar
Antonius oordeelde dat het niet eerlyk voor
hem zoude zyn, dat hy eenen Koning zynen
vrind zoude vergen \'hem zyne huysvrouw te
zenden i en aan de andere kant vreesde hy ook
dat dit eene minnenyd in Kleopatre verwekken
zoude : Hierom vergenoegde hy zich met aan
Herodes te fchryven , dat hy hem verzócht,
Ariftobulus onder eenig eerlyk voorgeeven te
willen overzenden, byaldien zulks zonder eeni-
ge zwaarigheyd gefchieden konde. Maar
Herodes vondt het ongeraaden eenen perfoon
van zodaanig een geboorte , fchoonheyd, en
jongheyd, want hy was toen nóg maar zeftien
jaaren oud, te zenden aan iemand van zulk een
groot gezag als Antonius, die één van dealler-
welluftigften der Romeynen zynde, het pleegen
zyner welluften geenfms verbergde, vermids hy
op zyn groot vermoogen fteunde. Herodes
antwoordde derhalve dat Ariftobulus niet uyt
Judéa kon gaan, Zonder \'t land daardoor m
oorlóg te brengen, omdat de Jooden fteeds na
nieuwigheyd en verandering van regeeringe
haakten.
Naa
XV. Bof.K. JOODSCH
Naa dat Herodes zich dus jegens Antonius
verfchcond had, vcndt hy goed Ariftobulus en
Alexandra niet t\'eericm aal t\'onvrind te maaken,
en aan Mariamne, die hem onophoudelyk cm
\'t Hoogepriefterfchap voor haaren, broeder aan-
drong , geen misnoegen te geeven. Ook oor-
deelde hy dat het beft was , Ariftobulus alle
gelegenheyd van uyt het land te gaan , onder
voorgeeven van eene reyze te doen , te benee-
men 3 en hebbende zyne byzonderfte vrinden
doen byeenkomen, klaagde hy tegens hen over
Alexandra, zeggende: â Dat zy heymelyk ar-
3, beydde oró hem de kroon te ontneemen, en
â dcor Kleopatre te wege te brengen dat An-
tonius die aan haaren zcone gave : \'t welk
te grooter misdaad in haar was , omdat zy
zulks niet kon doen zonder haare dóchter
van den troon te ligten, en haaren fchoon-
zoon eene eere , die hy door groote moei-
te en gevaaren verkreegen had , te ontruk-
ken. Dat hy nógtans het ongelyk dat zy
hem aandeed wiläe vergeeten , en zyne ge-
neegenheyd tót haar en de haare met der
daad betoonen , door aan haaren zoon het
Hoogepriefterfchap te geeven, \'t welk Ana-
nel dus lang ter oorzaake van Ariftobulus
jongheyd bediend had Deeze woorden
welke Herodes bedacht had om die Prinfés
en haare vrinden te bedrieg&n , - bewoogen
Alexandra dermaate , zo door de blydfchap
over \'t verkrygen van haaren wenfch , als
door vreeze dat Herodes haaren toeleg ont-
dekt had , dat zy met traanen voor hem be-
kende , â Dat ze ten opzigte van het Hooge-
priefterfchap inderdaad alles wat zy kon ge-
daan had , achtende dat het een oneer voor
haaren zoon was dat een ander dat ampt be-
zat : maar belangende het koningryk , dat
^^ zy niet de allerminfte gedachte gehad had
3, om het voor hem te begeeren j ja dat fchoon
men \'t haar voor hem aanboode ^ zj \'t niet
zou willen aanneemen. Dat het haare eere
5, genoeg was , te zien dat haar zoon nevens
hem regeerde, en dat haar huysgezin buyten
vreeze gefteld was. Dat zy zich dus door
zyne weldaaden overwonnen ziende , met
,, alle dankbaarheyd de eere, welke hy haaren
,3 zoon aandeed, ontvangen zoude ; Dat hy
zich verzekerd kon houden dat hy hem on-
derdaanig zoude zyn 5 en dat zy hem badt
haar te willen vergeeven \'t gene zy , zo uyt
inzigt van haare hooge geboorte , als ter
zaake van het ongelyk \'t wdk zy meende
dat men Ariftobulus aangedaan hadde, had
â beftiaan". Naa dat zy aldui? gefprooken had
^ven zy eikanderen de hand , ten blyke
eener Avaare verzoeninge > en élk geloofde
dat alle wantrouw tulfchen hen weggeno-
men was.
3J
35
55
55
55
55
55
55
55
55
55
35
3)
5)
3»
35
55
3 5
5)
55
35
55
35
55
35
33
3J
35
55
ïxr. hoofdstuk.
Hero.des beneemt, AnanelJjet Hoc^epriener-ampJ, .en g^eft Jictaa®
A-riftobulus. Hy iiöet Alexandra en Ariftobulus in vcrzekennge
^leemen , ss/annecr ze na Kleopatre meenden te vlugten: Hy _g«laat
zieh xaet feen verioend te s-yn. Doét Ariftobulus ver-
drinken, en licit een prachtige lykftaatfi voor hem aan.
à HISTORI.
T^Aarop nam de Koning Heredes het Hoo- <^34-
jL-/ gepriefterfchap van Ananel 5 die lioewel
hy van \'t geflacht der Priefteren was , echter
vcor eenen vreemdeling gehouden wierdt,
ciTidat hy van diejccden was, welke in groo-
te menigte aan gene zyde van den Jordaan
weenden. Herodes tót de krcon gekomen
zynde had hem met die waerdigheyd vereerd ?
cmdat hy zyn oude vrind was, en hy ontnam-
ze hem om geen andere reden, dan omdat hy
\'t ncodig oordeelde tót ftillinge der beroerten
van zyn huysgezin : want doordien dat ampt
niet flechts vcor eenen tyd , maar vcor altoos
begeeven wierdt, kon hy zulks niet met recht
doen. Antiochus Epifanes was de eerfte die
deeze wet brak, toen hy Jefus afzette om zy-
nen broeder Onias in zyne plaats te ftellen.
Ariftobulus was de tweede , toen hy \'t ampt
zynen broeder ontnam om het vcor zichzel-
ven re houden. En Herodes was de derde,
toen hy \'t by het leeven van Ananel aan Ari-
ftobulus gaf 3 om daardoor rufte in zyn huys
te brengen.
Maar deeze verzoening wederhieldt hemniet
v/antrouwig te blyven : hy geloofde dat Ale-
xandra dus veel gedaan hebbende , niet laaten
zoude te vertrekken indien zy \'er maar gele-
genheyd toe vinden kon. Hierom verboodt hy
haar uyt het Paleys te gaan , óf zich ergens
meê te bemoeijen en hy liet haar zo naauw
gade flaan , dat zy niets kon doen , zonder
dat hy \'er bericht af kreeg. Zy hoogmoedig
van aardt , gelyk het den vrouwen natuurlyk
is , kon niet dulden dat zy dus onbetamelyk
gehandeld wierdt, en zoud ik weet niet wat lie-
ver geleeden hebben , dan aldus haare vryheyd
te verliezen, en onder fdiyn van eere haar lee-
ven in een réchte flaaverny en geftadige vreeze
door te brengen, Zy befloot derhalve aan de
Koningin Kleopatre te fchryven , en haar te
bidden dat zy deernis met haar ongeluk heb-
ben , en haar byftaan wilde. Deeze Vórftin
zondt haar befcheyd dat zy moft trachten met
haaren zoon te vlugten en in Egipte te komen.
Alexandra deezen raad goedkeurende , beval
aan twee vän haare getrouwfte dienaaren, dat
zy twee kofters als doodkiften zouden laaten
maaken, opa haar in de ééne, en haaren zoon
in de andere te fluyten, en hen dan by nacht:
in een fchip te brengen dat gereed lag om na
Egipte te vaaren, EJbpus één deezer dienaaren
fprak \'er van tót Sabbion, die hy meende dat van
de zaak wift , omdat hy voor een groot vrind
zyner Meeftereffe, en een vyand van Herodes
gehouden wierdt , en zelfs verdacht was van
eenen der medepligtigen te zyn die Antip^er
vergeeven hadden. Deeze »lan , verblyd dat
hem zulk een gunftige gelegenheyd voorquam
om de geneegenheyd van Herodes te winn^,
ontdekte Alexandräs voorneemen aan hem. De
Vórft , die niet minder behendig dan wraak-
zuchtig was , liet haar met haar voorgenomeu
werk begaan , zonder haar en haaren zoon in
verzékeringe te neemen , voor dat men hen in
de doodkiften wegdroeg, En dewyl hy Ale-
xandra geen quaad durfde aandoen, uyt vreeze
dat
3fï
dat Kleopatre\'t zich aantrekken zoude, gehet
hy zich dat hy\'t haar vergaf, en veynsde zich
dat liy door grootmoedigheyd goedertieren je-
gens de moeder en den zoon was; maar in zyn
liart befloot hy Ariftobulus aan kant te helpen,
t koftte wat het wüde , dóch zulks alleenlyk
voor eenigen tyd uyt te ftellen, om zyn voor-
neemen te beter te verbergen. Het Loover-
hutten-feeft , ééne onzer voornaamfte hoog-
tyden, gekomen zynde , bragt hy \'t zelve m
gaftmaalen met het vólk door , by welke gele-
genheyd iets voorviel dat zyne argwaan on-
trent Ariftobulus zo vermeerderde, dat hyniet
befluyten kon langer te wachten met zyn
voorneemen.uyt te voeren, \'t welk zich aldus
toedroeg.
^ Toen deeze Prins , die nóg maar zeventien
jaaren oud was , na den altaar opklom , be-
kleed met de cieraaden des Hoogenpriefters,
oni vólgens de wet de ófferanden met de ver-
eyichte plegtigheden te ófteren, trok hy , zo
door de grootte zyns perfoons die zyne jaaren
6^6.
XV, Boek,
te boven ging, als door zyne ongemeenefchoo.
ne gedaante, waarin de majefteyt van zyn ge-
flacht uytblonk, de oogen van de ganfcL me-
nigte des volks op zich; zo dat ieder door dit
voorwerp opgetoogen zich de groote daaden
van zynen grootvader Ariftobulus erinnerde-
en de omftanders konden hunne blydfchap nie^
verbergen , maar betoonden die door hun ee
juygh en wenfchingen voor dien jongen Prins
met meerder vryheyd als men onder zulken
argwaanenden Koning , gelyk Herodes was,
behoorde te neemen. Dit blyk dat zy van ee\'
neegenheyd tót het huys van Ariftobulus ga-
ven, erkennende zich daaraan verphgt , ver-
toornde den Koning zo zeer , dat hy zynen
toeleg met langer wilde uytftellen. Het feeft
dan voorby zynde, begaf hy zich op een gaft-
te Jericho ^voor fem
vervaerdigd had, alwaar hy, als om Ariftobu-
^ te verphgten , allerley %el van j^tyl
den met hem aanvong , en onder deezen dei
mantel lokte hy hen op eene plaats die be-
quaam was tót zynen aanflag. Dewyl \'t nu
zeer heet weêr was, wierden ze wel haaft moe-
de van fpeelen, en gingen, om wat te ruften,
en op \'t heetft van den middag eenige koelte
te fcheppen, na eenige vyvers , alwaar zy et-
lyke van hunne makkers en dienaars zagen
zwemmen. Herodes porde Ariftobulus toen
aan om zich ook eens te baaden: waarop fom-
mige , welke hy daartoe bepraat had, onder-
dooken , en Ariftobulus fpeelswyze mede on
derdompelden , maar hem niet lóslieten voor
dat hy verdronken was. Dit was het beklaa-
gelyk eynde van deezen jongeling , die toen
nog maar in zyn achttiende jaar ging , en \'t
Hoogepriefterfchap niet boven een jaar be-
diend had ; welk ampt Herodes terftond aan
Ananel wedergaf
Wie zou de droefheyd der moeder en zufter
van deezen rampzaligen konnen uytdrukken ^
zy ftorteden een menigte van traanen op ^
hghaam, en waaren onvertrooftelyk Het Jc
rucht dat zich opftaandevoet daarvan binnen
Jerufalem verfpreydde , ftelde de ganfche ftad
in rouwe, en daar was geen huys nóch huysge-
zin , dat dit algemeen verlies niet als zyn ey-
gen aanmerkte. Maar niemands droefheyd kon
tegen die van Alexandra ophaalen , want de
kennis die zy had van dit verraad waardoor
men haaren zoon haar zo wreedelyk had ont
rukt,, vermeerderde haar hartzeer ⢠en nótrr^n^
was zy gedwongen haar leed op te króppen
en te ontveynzen , uyt vreeze van gro^r
quaad. Menigmaal was zy in overleg o^ haa?
zelve \'t leeven te beneemen , maa? t\'elkSs
wierdt zy daarvan weerhouden door hoope dat
zy haaren zoon overleevende , zonderTlal
ten
ten blyken dat de oötóaak van zynen dood haal*
bewuit was , moogelyk eenig raiddel zou vin-
den om zich daarover te wa-eeken. Noopende
Herodes, hy wendde alle vI^^e aan om den vól-
ke in te prenten dat hy \'er geen hand m gehad
had; en \'t was niet alleen door svoorden dathy
Zyne droefheyd poogde bekend te maaken,
maar hy voegde daar traanen by, cn dat zo na^
tuurlyk als óf ze uyt een waar verdriet A^oort-
quamen. \'t Zoud ook wel konnen weezen,
dat hoewel hy zyne veyligheyd aan dien dood
toefchreef, hy echter met deernis is be\\Voogen
geweeft, toen hy eenen Prins van zulk een
^eldzaame fchoonheyd aldus in de bloem zyner
jeugd gefneuveld zag. Dóch \'t zy daarmee zo
wil, \'t is zeker dat hy met alle magt arbeyd-
de om de menfchen te doen gelooven dat hy
onfchuldig aan die misdaad was. Hy fpaarde
geene kóften om Ariftobulus met een prachti-
ge lykftaatfi te vereeren ; en indien de droef-
heyd der Prinlèflen door zulke uytwendige ré-
kenen van toegeneegenheyd kon verzacht ge-
weeft zyn, zy behoorde zich door de menigte
van reukwerk dat hy op zyn graf liet branden,
cn door de cieraaden waarmede de tombe prach-
tiglyk opgetooid wierdt, te hebben laaten paai-
jen.
IV. HOOFDSTUK.
Herodes moet by Antonius komenom zich wegens Ariftobulus dood
te verantwoorden : Hy krygt hém door gelchenken op zyne zy-
de. Hy had voor 2yn vertrek aan Jolèpbus zynen fchoonbroeder
bevolen, dat indien Antonius hem ter dood veroordeelde, hy iMa-
riamne zou doen ombrengen. Jofephus vertelt ditonvoOrzigtig-
lyk aan die Vórftin j en Herodes op hem en haar jaloers Zynde
doet hem dooden. Onverzaadeiykegierightyd enongemeteneftaat-
zucht van Kleopatre.
^37- verlies van deezen beminnelyken zoon
had zulk een diepe wonde in \'t hart van
Alexandra gemaakt, dat niets magtig was ora
haar te trooften j haare droefheyd wierdt dage-
lyks door een fmartelyk hartzeer , het welk
haar onophoudelyk tót wraak aanporde , ver-
nieuwd. Zy fchreef dan aan Kleopatre j op
welk een gruuwelyke wyze Herodes haar haa-
ren zoon ontrukt had. Deeze Koningin , die
reeds geneygd was om haar te helpen, had^ulk
een medelyden met haar ongeluk, dat zy alles
wat ze kon by Antonius aanwendde om hem
tót het wreeken van dien jammerlyken dood te
overreeden. Zy ftelde hem voor oogen :
Dat het een ftrhrikkelyke zaak was, en dat
het zyner eere betrof, dewyl Herodes door
hem in \'t bezit van een ryk gefteld zynde
daar hy geen recht toe had, nu door een
onmenfchelyke drift den wettigen erfgenaam
« daarvan had om den hals gebragt". Anto-:
nius wierdt door deeze reede bewoogen en
dewyl hy zulk een overfnood bedryf, indien
\'t waar bevonden wierd , geenfms kon goed
keuren , begaf hy zich na Laodicea, en ont-
boodt Herodes om aldaar by hem te komen,
en zich wegens het feyt, waarmede hy beticht
wierdt, te verantwoorden. Herodes, die zich
fchuldig kende, den haat van Kleopatre, wel-
ke hy wift dat Antonius onophoudelyk tegen
hem ophitfte, geweldig vreezende , fchroom-
de zeer dic reyze te Onderneemen ⢠maar echtet
vondt hy zich genoodzaakt te gehoorzaamen^
Hy ftelde dan zynen oom [^die ookte gelyk zyn
fchoonbroeder was] Jofephus in het beWind
der ryksregeeringe , en beval hem heymelyk,
dat indien Antonius hem verwees, hy terftond
de Koningin Mariamne dooden zoude j Want
hy beminde haar met zulk een fpoorlooze drift,
dat hy niet begeerde te dulden dat iemand an-
ders naa zynen dood het genót van haar heb-
ben zoude > en hy merkte haar aan als de oor-
zaak Van zyn ongeluk, omdat het gerucht van
haare uytfteekende fchoonheyd Antonius al over-
lang verhefd op haar gemaakt had; Naa dat
hy zyne zaaken aldus befchikt had, begaf hy
\' zich op reyze, met weymg hoope van eenen
goeden uyrflag.
3>
33
3)
3»
33
Naardien Jofephus, toen Herodes vertrok- (^^g^
ken was, dikwils by Mariamne quam, zopligts^
halve, als om met haar wegéns de rykszaaken te
fpreeken , bragt hy t\'elkens de praat op de -
overgroote liefde welke de Koning haar ge-
maal haar toedroeg-, cn toen hy zag datzy, in
plaats van \'er geloofaan te ftaan, den fpót daar-
meê dreef, en haare moeder Alexandra nóg
meer dan zy, liet hy zich door een onvoorzig«
tige begeerte , om haar van gevoelen te doen
veranderen , zo verre vervoeren , dat hy haar
zeyde wat voor een bevél Herodes hem gegee-
ven hadde , het welk toonde dat hy zelfs door
den dood van haar niet wilde gefchey den wee-
zen. Dit verhaal, in ftede van de Prinfeühn van
Herodes liefde te overtuygen , baarde in haar
een afgryzen van zyne tirannifche onmenfche-
lykhcyd, die hem zelfs naa zynen dood wreed
maakte tegen de perfoon welke hy \'t meeft be^
minde.
Ondertuftchen deeden de vyanden van dien (js«^
Vórft een gerucht loopen, dat Antonius hem
had doen dooden, naa dat hy eerft veele pynigin-
gen had moeten uytftaan. De geheele ftad Je-
rufalem was hierover ontroerd, maar voornaa*
melyk het Hóf , en in het Hóf de Prinlè/Ièn.
Alexandra raadde Jofephus aan om met haaren
Mariamne zich onder de befchuttinge der
Roomfche keurbende, die onder den Hoofdman
Jul/us buyten de ftad gelegerd was, te begeeven,
om daar in zekerheyd te zyn, indien \'er eenige op-
loop ontftond ; alsmede omdat zy niet twyfcU
de óf Mariamne, zo dra Antonius haar ge*
zien had , zou van hem verkrygen al wat zy
begeerde , ja zelfs de hcrftelling in haar ryk,
en alle de eereen anderevoordee en die zy we-
gens haare aanzienlyke geboorte zou moogen
eyfchen Terwyl zy in die gedachten was, ont-
ving men brieven van Herodes t\'eenemaal ftry-
dig tegen \'t gerucht dat \'er verfpreyd was s zy
behelsden dat zo dra hy by Antonius gekomen
was , hy hem door gefchenken had te vreede
gefteld, en in ondedinge gefprekken zyne
gunft zo gewonnen , dat hy voor de quaade
dienften van Kleopatre niet meer vreesde om-
dat Antonius oordeelde dat een Konin^ niet
gehouden was rekenfchap wegens de zaaken
zyner regeeringe aan iemand te geeven j ver-
mids men geen Koning was, indien men dat
Yy
m
gezag j \'t welk aan die hoedaanigheyd was ge-
hecht, niet mogt gebruyken j en dat het Kleo-
patre ook niet aanging zich met het gedrag van
andere Koningen te bemoeijen. Deeze brie-
ven gaven ook te verftaan, dat Antonius hem
niet dan alle eere bewees, dat hy hem zyne
raadsvergdderingen liet bywoonen, en hem da-
gelyks te gaft noodde , alhoewel Kleopatre
alles aanwendde om zyn verderf te wege te
brengen , uyt eene begeerte diezy had om Ko-
ningin van Judéa te worden : maar dat de ge-
rechtigheyd van Antonius toets kon houden
tegen de liften en lafteringen dier Vórftinne.
Invoege dat hy zou wederkomen, meer beves-
tigd dan ooit in zyn ryk, en in gunft van An-
tonius, zonder dat Kleopatre eenige hoope be-
hoefde te hebben van hera tebefchaadigen, om-
dat Antonius haarCoele-Syrië gegeeven had,mids
dat zy van haaren eyfch op Judéa zoud afftaan.
Deeze brieven deeden Alexandra en Mariam-
die zich onder de befcherminge der Ro-
by diergeiyke voorvallen gebeurt, begonden te
weenen , en daarop eikanderen omhelsden.
Maar terwyl Herodes meer en meer poogde
Mariamne van zyne overgroote geneegenheyd
te verzékeren , kon zy zich niet bedwingen
Van te zeggen j â Is het dan zulk een groot te-
5> ken van vrindfchap dat gy laft geeft my re doo-
â den, mgevalle Arïtonius u \'t leeven bcname j
5, alhoewel ik u niet de minfte oorzaak gegee-
3, ven had van misnoegd op my te zyn ^ Dec-
ne
meynen meenden begeeven te hebben , van
voorneemen veranderen maar dit kon zo hey-
melyk niet toegaan, ófHerodes kreeg\'er kennis
van j want zyne zufter Salomé en zyne moe-
der verwittigden hem daaraf toen hy te Jeru-
falem quam , naa dat Antohius tegen de Par-
then opgetrokken was. Salomé ging nóg een
treê verder j want om zich op Mariamne tc
wreeken , die hooghartig zynde haar in zeker
krakkeel haare laage afkomft verweeten had,
befchuldigde zy haaren eygen man Jofephus, van
een al te gemeenzaame verkeering met die
Vórftin. Herodes die Mariamne altoos zeer
vuuriglyk bemind had , gevoelde toen waar-
toe de driften der jaloezye iemand vervoeren
konnen j echter bedwong hy zich, hoewel met
groote moeite , om geen oorzaak van ver-
moeden te geeven , dat zyne hartstógten hem
\'t verftand benamen. Hy vraagde dan Mariam-
ne in \'t byzonder wat verkeering zy met Jofe-
phus gehouden had : en zy antwoordde , en
jetuygde met alle de eeden , waarvan iemand
die onnoozel is zich t\'zyner verontfchuldiginge
bedienen kon, datzy niet den allerminften on-
betaamelvken ommegang met hem had gehad.
Herodes\'overwonnen door de hefde welke hy
haar toedroeg , gevoelde dat zyn gemoed be-
daarde, en,badt haar om vergiffenis van dathy
zo ligt geloof had geflagen aan eenige ver-
telhngen haarent wege: voorts bedankte hy haar
voor dat zy hem getrouw gebleeven was; en zey-
de alles wat hy kon om haar te kennen te geeven
met hoe groot een zucht hy haar beminde. Al-
ze woorden waaren als de fteek van eenen dólk,
die Herodes \'t hart doorgriefde. Hy liet Ma-
riamne lós, rukte zyn haair uyt zyn hoofd,
en riep dat hy nu niet langer aan haar misdryf
twyfelde , dewyl \'t onmoogelyk was dat Jolè-
phus haar een geheym van zulk een belang zoud
ontdekt hebben, indien zy zich aan hem niet
had overgegeeven om zyne verraadery te ver-
gelden. En hy was zo door toorn vervoerd^
dat hy haar opftaandevoet gedood zoud heb-
ben , \'t en waare de kracht zyner liefde da
jaloezy beftreeden hadde. Maar Jofephus het
hy aanftonds \'t leeven beneemen, zonder hem tc
willen zien óf hooren : en Alexandra deed hy,
als de oorzaak van al het quaad gevangen zetten.
Middelerwyl was alles in Syrië in onruft,
door de onverzaadelyke gierigheyd van Kleo-
patre, die de magt welke zy op \'t gemoed van
Antonius had misbruykende, hem onophoude-
lyk tegens de Grooten des lands ophitfte, op-
dat hy hen hunne Heeriykheden ontneemen, en
die aan haar geeven zoude. Haare begeerte
na goed was zo groot, dat zy oordeelde dat
alles vry ftondt om dat te verkrygen : en haare
ftaatzucht was zo fpoorloos , dat zy haaren
broeder van vyftien jaaren oud , dien \'t Ryk
toequam , deed vergeeven , en van Antonius
verlóf kreeg om haare zufter Arfino \'è, wanneer
zy in den Tempel van Diana te Efeze gevlugt
was, om door de heyligheyd dier plaats veylig tc
zyn, te doen ombrengen. Zy fchroomde niet dc
heyhgheyd der tempelen , graven, en vryftc-
den te fchenden, wanneer zy hoopte geld daar-
uyt te zullen konnen trekken : Zy maakte geen
zwaarigheyd van kerkroof te pleegen, wanneer
\'t haar eenig voordeel toebragt : Zy ftelde geen
onderfcheyd tuflchen gewyde en ongewyde din-
gen , als \'t eygen belang betrof: Zy ontzag zich
niet het recht te vertreeden , als \'er maar
: voordeel voor haar in ftak j en alle de fchatten
der werreld zouden naauwlyks genoeg geweeft
zyn, om die prachtige en welluftige Vórftin
te voldoen. Men behoeft zich dan niet tc
verwonderen dat zy Antonius geftadiglyk aan-
drong tót het berooven van andere, om haar
te verryken : en zo dra was zy niet met
hem in Syrië gekomen , óf zy overfeyde op
wat wyze zy zich dat land zou konnen toe-
eygenen. Zy deed Lyfanias zoon van Pto-
loméus dooden, zeggende dat hy de Parthen\'
begunftigde} en zyprefte Antonius aan om Ara-
bië en Judéa hunnen Koningen tc ontneemen 3
en die ryken aan haar te geeven. Maar hoewel
hy haar zulk een geweldige zucht toedroeg
Ie deeze betuygingen van tédere liefde veroor- j het fcheen als óf zy hem betoverd had, echter
zaakten dat zy beyde , gelyk het doorgaans ; kon hy niet befluyten zo een onrechtvaerdige
⢠\' - . ^ daad te begaan, die aan al de werreld zouge-
toond hebben dat hy, zd(s m de wigtigfte zaa-
ken, de flaaf eener vrouwe w^as. Om haar der-
halve niet moeijelyk te maaken, door haar alles
wat zy begeerde re weygeren, en by ieder een
niet voor on rechtvaerdig aangezien te worden,
indien hy \'t haar toeftond, gaf hy haar \'t gene
men van die landfchappen afgefneeden had,
benevens alle de fteden leggende van de rivier
Eleutherus tót aan Egipte, uytgenomen Tyrus
cn
dat
I \'i
.-dl
-a I
â i^iSr--
sr^J
â -.im: â
⢠\'AS \'iJ\'S
t
t
y
en Sidon, welke liy wift dat altoos vry geweeft
waaren , alhoewel zy geen moeite fpaarde om
die te verkrygen.
TdT^u K.
v. h o o
Kleopatre eaat na ]udéa. en doet te vergeefs alies wat zy kan om
Seslp haar l doen verlieven Antonius Armeu.e veroverd
hebbende /biedt haar groote gefchenken aan.
17-Leopatre naa dat zy Antonms, toen hy
^42- iV rnazvn heirnaArmemetrok, tot aan den
Eufraat veVgezelfchapt had , trok te rug en
quam te Apaméa en te Damaskus , en toonde
zich ook begeerig om Judéa te zienj alwaar
g-ekomen zynde ontving Herodes haar met
Groote eerbewyzingen , en handelde met haar
Sver de inkomfte van dat gedeelte van Arabië
\'t welk Antonius hem gegeeven had , en over
de landftreek van Jerieho , de eenigfte plaatfe
daar de balfem groeit , welke men voor één
van de treftèlykfte reukwerken houdt, en al-
waar de fchoonfte dadelboomen in menigte
groeijen. Naa verfcheydene gefprekken welke
Herodes met die Vórftm gehouden had, deed
zv al wat ze kon om hem op haar tedoenver-
heveiM en dewyl ze zeer onkuyfch was, droeg
ze hem moogelyk ook eenige liefde toe: maar
waarfchynelyker is het, dat zy voorhad zich
van dat middel te bedienen, om zyn verderf te
bewerken. Dóch hoe\'t ook zy, zy betuygde
altoos een groote zucht tót dien Vórft te heb-
ben Herodes daarentegen, die al lang eenen
afkeer van haar had gehad , omdat zy behaa-
gen fchepte in elk een te beleedigen, was met
alleenlyk ongevoelig van haare liefkoozinge,
maar had ook een affchuuwen van haare onbe-
fchaamdheydi en hy pleegde met zyne vrinden
raad, óf hy haar ook zou doen om \'t leeven
brengen, om zo veele lieden, die zybeleedig-
de , van het quaad dat ze hen aandeed, óf
jióg zou moogen doen, te bevryden. Hy ftel-
de hen ook voor : â Dat men zelfs Antonius
daardoor verpligten zoude, omdat indien de
fórtuyn ophield hem gunftig te zyn , hy in
plaats van byftand, niet dan trouwloosheyd
van haar te verwachten hadde : en dat hy
zeer o-eneegen was de werreld van die open-
baare^ vyandin van deugd en gerechtigheyd
te verlóflèn. Maar zyne vrinden waaren
n een ander gevoelen ^ zy zeyden hem:
Dat het ongeraaden was dat zulk een red-
zaame Vórft, als hy, zich in zo een blyk-
baar gevaar werpen zoude ^ dat zy hem der-
halve baden niet roekeloos tc werk te gaan:
Dat het onmoogelyk was dat Antonius\'t ge-
beurde niet zou te weeten komen ; en dat
hoedaanig een voordeel hy \'er ook uyt meen-
de te trekken , zyne gramfdiap echter, op
\'t zien dat men hem die Vórftm aldus had
durven ontrukken , tót meerder ontvonkin-
ge zyner liefde jegens haar dienen zoude:
Dat hy naar niets zou luyfteren dat men zou
konnen bybrengen om zodaanig een beftaan,
tegen de magtigfte Koningin van dien tyd,
te verdeedigen i omdat al was het dat haar
dood hem voordeelig waare , men echter
niet zou konnen ontkennen dat hem daar-
door een groote hoon aangedaan was. Dat â
zy daarom oordeelden, dewyl hy niets tegen â
Kleopatre kon onderneemen , zonder zich â
en zyn ganfche geflacht in groote onheylen â
te wikkelen, dat het beft was, dat hy haar ,,
geen wedermin toonende , evenwel in al \'t â
óverige deede wat hy kon om haar te vergc- â
noegen Herodes het zich door deeze ree-
den overftemmen , paaide Kleopatre door
groote gefchenken, en geleyde haar tót aan
Egipte.
3)
3}
»
3J
3»
53
van
53
35
35
35
35
35
3)
55
J5
35
33
3>
35
55
35
3J
Naa dat Antonius Armenië veroverd had,
zondt hy Ar tab afës zoon yan Tigranes met de
Prinfen zyne zoonen geboeid en gevangen na
Egipte , en fchonk hen aan Kleopatre nevens
het kóftelykfte dat hy in dat ryk bekomen had.
Artaxias oudfte zoon van Artabafes, die op\'t
gerucht van dien oorlóg gevlugt was, regeerde
daarnaa over Armenië: maar Archelaüs en Ne-
ro verdreeven hem uyt het ryk, en ftelden den
jongften broeder Triganes in zyne plaats.
Dóch deeze zaaken zyn namaals (onder Augti^
flus^ voorgevallen.
Belangende de fchattingen des lands welke
Antonius aan Kleopatre gegeeven had, Hero-
des betaaldeze ftiptelyk aan die Vórftinne,
doordien hy wel begreep hoe veel \'er hem aange-
legen was dat hy haar geen oorzaak gave om
hem te haaten : en de Arabiërs , voor wel-
ke Herodes by. Kleopatre borge was gewor-
den , en op zich had genomen de fchattingen
van hen in te vorderen , betaalden hem een
tyd lang tweehonderd talenten \'s jaars $ maar
daarnaa hielden zy \'er meê op, en gaven hem
naauwlyks een gedeelte daarvan.
vl h o o f d s t u k.
Herodes wil Antonius tegen Auguftus byftaan; maar Antonius
raadt hem de Arabiërs te beoorlógen-, dies trekt hy in hun land,
levert heneenen veldflag, dien hy wint: dóch krygt, tentwee-
den maale tót een gevecht komende, de nederlaag.
H
ts
Erodes wiens fiere moed die onbillykheyd 6\'43.
en verachting der Arabiërs niet kon dul^
den: maakte zich gereed om gewapend in hun
land te trekken , toen \'er een burgerlyke oor-
lóo- tuflchen de Romeynen ontftondt, om de
heerfchappy der werreld aan Auguftus óf aan
Antonius toe te wyzen, welk gefchil de flag by
Akdum, in de honderd zevenentachtigfte Olim-
piade ten voordeele van Auguftus beflechtte.
:3ewyl nu Herodes zeer aan Antonius verpligt
was,, en dat de vreedzaame bezitting , ge-
duurende eenen langen tyd, van een land dat
zo veeryk en vol van wey den was, behalve an-
dere groote inkomften, hem zeer ryk gemaakt
had, bragt hy een aanzienlyke krygsmagt op
de been om hem te hulpe te trekken. Maar
Antonius liet hem weeten dat hy zyne byftand
niet van noode hadj en dat hy door hem en de
Koningin Kleopatre de trouwloosheyd der
Arabiërs verftaan hebbende, liever had dat
hy tegen hen te velde trok. Kleopatre, die
gaern zag dat de Jooden en Arabiërs tzamen
handgemeen wierden , om alzo eikanderen te
verzwakken, was de oorzaak dat Antonius dit
antwoord aan Herodes gaf, die daarop van
Yy 2 voor-
geftagen waaren , viel hy op de Jooden aan
die reeds vermoeid waaren van *t gevechtj
en dewyl hy hen juyft aangreep toen zy
zich meenden overwinnaars te zyn , dachten
zy dat \'er niets meer voor hen te vreezen was j
zo dat zy buyten órde zynde , het hem niet
zwaar viel een groote menigte van hen te doo-
den , te meer doordien hy goede kennis had van
de landftreek die zeer fteenachtig en ruuw was.
Hierop fchepten de Arabiërs weder moed, her-
vatteden den ftryd, en de Jooden buyten ftaat
van tegenweer geraakt zynde, ontftondt \'er
zulk een groote moord, dat maar een kleyn ge-
tal van dit voornaam gedeelte des heirs ter naau-
wer nood weder in hun leger keerde. Herodes
was ondertuffchen met lóflen toom heene ge-
reeden om verfche benden t\'hunner hulpe te
haaienmaar hy kon niet tyds genoeg komen
om te beletten dat het leger geplonderd wierd.
Indeezervoege behaalden de Arabiërs door een
onverhoopt geluk de zeege toen zy meenden
dat ze al overwonnen waaren, en verfloegen
aldus een magtig heir. Herodes vermydde van
dien tyd af weder tót eenen veldflag te komen,
en vergenoegde zich met op het gebergte zich te
légeren om in \'t land der vyanden te ftroopen j
waardoor hy groot voordeel deed, want de zy-
nen tót dien arbeyd gewennende, maakte hy
hen bequaam om het verlies dat zy geleeden
hadden te vergoeden.
VII. hoofdstuk.
Groote aardbeeving in Judéa. De Arabiërs grypen de Jooden aan
en dooden hunne Afgezanten die quamea om yreede te ver-
aoekefl.
S E P H U S
TN *t zevende jaar van Herodes regeeringe, \'t ^44,
welk het jaar was waarin de ftag by Aktium tus-
fchen Auguftus en Antonius voorviel, had men
in Judéa zulk een zwaare aardbeeving als men
nóg nooit daar te lande gezien had j zodat het
grootfte gedeelte van \'t vee gedood, en meer
dan tienduyzend menfchen onder den bouwval
ftunner huyzen verpletterd wierden : maar het
krygsvólk leedt geen fchaade, omdat het onder
den blaauwen hemel gelegerd was. Dit verlies 5
bet welk, door den haat dien andere vólken ons
toedroegen , nóg grooter uytgekreeten wierdt
dan het inderdaad was, maakte de Arabiërs zeer
tróts en moedige want zy beeldden zich in dat
alle onze fteden vernield , en geene menfchen
meer overig waaren om hen tegenftand te bie-
den. Weshalve zy in plaats van deernis met
ditjammedyk ongeval der Jooden te hebben,
hunne Afgezanten, die gekomen waaren om
vreede te verzoeken, om den hals bragten, en
hen met een onbefuysde drift en blydfchap te-
gen trokken. De Jooden durfden hen niet af-
wachten , vermids hunne tegenfpoed in den
kryg , het verlies door de aardbeeving veroor-
zaakt , en de flaauwe hoope van byftand, hen zo
neêrflagtig hadden gemaakt, dat zy gereed waa-
ren zich ganfchelyk aan de wanhoop over te gee-
^n. In deeze uyterfte verflagenheyd verzuymde
Herodes mets om den moed hunner Overften
te doen opwakkeren; en ziende dat de edel-
moedigfte wat hoope begonden te fcheppen,
beftondt hy tót al het krygsvólk te fpreeken 5
\'t welk hy te voore niet had durven doen, om
dat hy op andere voorvallen bemerkt had, dat
zy nergens na wilden luyfteren, wanneer\'tge-
luk hen tegen liep.
viii. hoofdstuk.
Sf^J FLAVIUS JO
voorneemen verandefde, en met een magtig
heir Arabië intrekkende , tót by Diospohs na-
derde , alwaar de Arabiërs hem tegenquamen.
Thans quam het tót een treffen, datzeêrbloe-
dig was, dóch de Jooden behielden het veld.
Daarnaa verzamelden de Arabiërs een nieuw
heir by Kana in Coele-Syrië : Herodes trok
hen tegen met het grootfte gedeelte zyner krygs-
magt j en toen hy dicht by hen gekomen was,
wilde hy zich neêrflaan , en zyn leger verfter-
ken , om hen alsdan ter bequaamer tyd aan te
taften: maar zyn krygsvólk begeerde met een
luyd gefchreeuw dat hy hen zonder marren tót
een gevecht zoud aanvoeren j want zy waaren
nóg moedig op de voorige overwinning, en de
magt van hun heir maakte hen ftout. Herodes
oordeelde derhalve dat hy die drift niet moft
laaten verflaauwen , maar zich daarvan bedie-
nen j en zeggende dat hy hen in moed niet wy-
ken zoude, toog hy op tegen de vyanden, en
voerde zelf den eerften troep aan. De ftout-
heyd met welke hy op hen lós ging , verbaas-
de hen zo, dat de meefte de vlugt namen; en
zy zouden t\'eenemaal geflagen geweeft zyn,
zo niet Athenion y Veldheer van Kleopatras
krygsmagt daar te lande , zulks belét hadde.
Dewyl deeze Overfte Herodes zeer haatte,
wachtte hy met zyne benden ïneen goede órde
na den uytflag van den ftryd , meenende nie-
mands zyde te kiezen, indien de Arabiërs de
overhand kreegen. Maar toen hy zag dat ze
XV. Boek.
Aanfpraak van Herodes aan zyne fóldaaten > waar door zy zo be-
moedigd worden dat ze een groote overwinning op de Arabiirs
bevechten, en hen noodzaaken Herodes tót hunnen befchermer
aan te neemen.
J)
}>
5>
5>
JS
3)
)s
33
3i
3}
)>
})
33
33
J?
33
een
I^Lieden is niet onbekend , zeyde dee- â
ze Vórft, wat rampen onzen voort- â
gang federd eenigen tyd vertraagd heb-
ben j zy zyn zo groot geweeft, dat het
met vreemd is dat zelfs de ftoutfte daardoor
zyn ontzét geworden. Maar dewyl wy de-
zelve door onze dapperheyd konnen te bo-
ven komen, en dat wy \'t recht aan onze zy-
de hebben, waarom niet een goede hoope ,,
opgevat van het toekomende, en weder tót
die edelmoedigheyd gekeerd, die ulieden â
wel eer zo ontzaglyk voor uwe vyanden â
maakte ? De oorzaak alleen van deezen oor- â
lóg behoorde genoeg te zyn om ulieden aan â
te moedigen, want dewyl gy hem niet on-
dernomen hebt dan om eenen ondraagclyken
overlaft af te keeren, zo kan \'er geen recht-
maatiger kryg gevoerd worden: en het euvel
dat ons drukt is zodaanig niet dat het ons
van dc overwinning behoort te doen wan-
hoepen. Ik neem u alle tót getuygen van
de verongelykingen welke wy van deeze Bar-
baaren, de fnoodfte en trouwcloofte van alle
menfchen, geleeden hebben. Hoe groot
een oorzaak ook alle hunne gebuuren moo-
gen hebben om over hen te klaagen , nie-
mand nógtans heeft de uytwerking hunner
gierigheyd en afgunft zo geproefd als wy.
Maar wat zal ik zeggen van hunne ondank-
baarheyd , want om niet te reppen van andere
weldaaden waarover zy aan ons verpligt zyn ,
konnen zy ontkennen , dat ik het was die
door de geneegenheyd welke Antonius my
altoos toegedraagen heeft, verhinderd hebbe
dat zy onder de heerfchappye van Kleo-
patre gevallen zyn ? En wanneer die Vórftin
een gedeelte van hun en ons land van hem
verwierf, heb ik hen toen niet bygeftaan, en
de rufte voor de twee vólken verkreegen door
gefchenken welke ik hera van myn eygen deed?
Ik betaal tót dien eynde tweehonderd talen-
ten \'s jaars, en ftaa bórg voor nóg zo veel,
welke moeten worden opgebragt uyt die
landeryen welke zy bezitten , en wel-
ker inkomften zy ons onthouden. Wy dan
Jooden weezende gelyk we zyn, wat fchyn
van recht heeft het dat wy moeten fchattm-
gen betaalen , en ons van een gedeelte van
ons goed ontblooten, om het voor een vólk
te geeven dat zyne behoudenis aan ons ver-
fchuldigd is ^ Maar nóg onbillyker is het,
dat zulke die niet looghenen konnen dat zy
hunne vryheyd door onze byftand behouden,
en die ons daarvoor bedankt hebben, nu in
volle vreede , en in eenen tyd dat ze voor-
geeven onze vrinden te weezen, ons weyge-
ren te betaalen *t gene zy aan ons fchuldig
zyn. Want hoe kan men zonder eerloosheyd
aan vrinden in zyne trouw te kort komen,
daar men verpligt is zelfs zynen grootfte
vyanden woord te houden Maar zulk een
onbehouwen vólk acht niets eerlyk dan \'t ge-
ne hen nuttigheyd aanbrengt, en het meent
dat beleedigingen ongeftraft moeten blyven,
wanneer \'er voordeel op zit voor degénen
dieze doen. Wie kan dan twyfelen dat wy
niet verpligt zyn ons door de wapenen te
wreeken over \'t ongelyk dat wy van die Bar-
baaren ontvangen hebben Gód zelf beveelt
het ons , wanneer hy ons gebiedt de ver-
waandheyd en ongereehtigheyd te haaten;
en deeze oorlóg is niet alleenlyk een recht-
vaerdige, maar een noodzaakelyke oorlóg.
Want hebben ze niet door het dooden van
onze Gezanten , vólgens het oordeel der
Grieken , ja zelfs der allervvoeftfte vólken,
één van de allerzwaarfte misdaaden begaan
Wie weet niet dat onder de Grieken de naam
alleen van zendboode geheyligd en onfchen-
delyk is ? Met hoeveel meer reden behoort
zulks dan onder ons te weezen, die onze hey-
hge wetten van Gód ontvangen hebben door
den dienft zyner Engelen, die zyne booden
en gezanten zyn ? \'t Is eene hoedaanigheyd
daar men niet te veel eerbiedenis aan bewyzen
kan , omdat zy ftrekt om de menfchen tót
de kennis Góds te brengen , en de doodelyk-
fte vyanden te verzoenen. Kan \'er dan wel
ietsyslyker weezen, dan de handen te bezoe-
delen met het bloed der gener die alleenlyk
quamen om hen billyke voorftagen te doen ?
en Wat voorfpoed konnen zulke" verwachten
die zo een verfoeijelyk feyt begaan Men zal
miftchien zeggen dat het wel waar is dat we
gelyk hebben, maar dat zy ons te fterk zyn.
Dóch ik antwoord, dat zulks niet weezen
kan, omdat Gód altoos is voor die welke het
recht aan hunne zyde hebben, en dat overal
waar Gód is, zyne oneyndige magt zich ook
vertoont. Maar als wy maar op onze eyge-
ne kracht zien, hebben wy hen in den eerrfen
flag niet overwonnen, en in den tweeden op
de vlugt gebragt, zonder dat zy onzen eer-
ften aanval konden uytftaan > ja waaren we
niet volkomenlyk overwinnaars, toen Athe-
nion door eene trouwloosheyd, die geenfins
den naam van dapperheyd verdient, ons aan-
greep zonder ons alvoorens den oorlóg aan-
gezegd te hebben ? Waarom zouden wy dan
flaauwhartiger zyn dan toenmaals, naardien â
wy nu meerder oorzaak hebben om iets goeds
te hoopen En waarom die gevreesd, welke ,,
wy altoos overwonnen hebben, als \'er geen
bedriegery onder liep, en die door verraad ,5
alleen de overhand op ons kreegen. Maar â
indien zy al zo vreeslyk waaren als men ons ,«»
wil wysmaaken, behoorde dat onzen moed â
nieteerteverfterken dan te verzwakken ^ na^ ,3
demaal de waare dapperheyd niet beftaat in
\'t onderbrengen van lafhartige bloodaards,
maar in *t overwinnen Van ftrydbaare en dap-
pere lieden En zo \'er onder ons zyn , â
die door de inlandfche wederwaerdighe-
den , en deeze laatfle aardbeeving ver-
fchrikt zyn, die behooren te denken dat dit â
het is dat de Arabiërs misleydt, vermids zy ,,
de fchaade veel grooter achten dan ze waar-
lyk is j en dat \'er niets fchandelyker voor ons
is dan vreeze op te vatten uyt het geene hen
ftout maakt. Want blykt het niet klaar dat
het niet op hunne magt is dat zy ftout zyn,
maar alleenlyk omdat ze ons achten door veele ,,
rampen gedrukt en neêr geflagen te weezen. â
Wanneer zy dan zullen zien dat wy kloek- â
moedig op hen aantrekken, zal hunne ftout-
heyd verdwynen, hunne vreeze zal onzen
moed verdubbelen , en wy zullen niet dan
een half verwonnen vólk te bevechten heb-
ben. , Onze ongevallen zyn buyten twyfel
zo groot niet als eenige zich verbeelden ,
want die aardbeeving is niet door Góds gram-
fchap tegen ons veroorzaakt , maar is uyt â
natuurlyke oorzaaken ontftaan : En indien â
zy ons al door Góds wille overgekomen waa- ,,
re, hebben wy reden om te twyfelen dat â
zyne gramfchap door die ftrafte niet voldaan
zy; doordien hyze anders niet zoud hebben â
doen ophouden, nóch ook getoond 5 gelyk
hydoor klaare tékenen gedaan heeft, dat hy
den oorlóg dien wy nu ondernomen hebben
voor rechtmaatig houdt Want hoewel die
aardbeeving zich over \'t ganfche ryk uytge-
ftrekt heeft ; echter zyt gyheden die in de
wapenen waart onbefchaadigd gebleeven 5
zulks dat indien al \'t vólk, gelyk gy, ten oor-
lóg gekomen waare , niemand eenig leed
Yy ^ ^oud
3.9
»3
33
J>
}»
S9
3>
33
â
m
ii
5>
5>
3J
}f
3»
3>
»
3>
3>
3 3>
39
3>
Jt
31
3J
3J
3»
3i
39
39
3^
XV. Boek:
3, zoud overgekomen zyn. Naa dan alles
â aandachtiglyk aangemerkt te hebben, en in-
zonderheyd dat Gód nooit in gebréke is ge-
bleeven van uwen befchermer te zyn , zo
trekt op met een vertrouwen op de gerech-
tigheyd uwer zaake , tegen die fnoode en
trouwlooze landaard , die de onfchendelyk-
fte verbonden gebroken heeft, die altoos
voor ons gevlugt is, en die geen onvertzaagd-
heyd betoond heeft dan m "t vermoorden
onzer Gezanten.
35
3>
35
3)
\'55
55
55
55
Deeze aanfpraak van Herodes moedigde het
krygsvólk dermaate aan , dat zy verlangden
tót een gevecht te komen. Hy beval dan naar
gewoonte ófferanden te doen, deed zyn heir
zonder draalen over den Jordaan gaan om den
Arabieren tegen te trekken, en floeg zyn leger
niet verre van hen neêr. Daar lag tuflchen de
heiren een kafteel, dat hem dienftig kon zyn,
\'t zy dat men tót een gevecht quame, óf dat
men verder moft voorttrekken om een veyiiger
legerplaats dan de zyne was te kiezen. Hy
befloot dan het in te neemen 5 en dewyl de
Arabiërs het zelfde voorneemen hadden, quam
het naa het hóuden van eenige fchermutlèlin-
gen tót een vinnig treffen , waardoor veele
Iheuvelden, en de Arabiërs aan \'t wyken ge-
bragt wierden : maar de Jooden vervólgden
hen tót aan hun leger, zo dat zy genoodzaakt
wierden pal te blyven ftaan, en zich te verwee-
ren , hoewel ze in groote wanorde waaren en
buyten hoope van te overwinnen. Eyndelyk
naa een zwaar gevecht, waarin veele het lee-
ven verlooren , namen de Arabiërs de vlugt5
en vyfduyzend wierden\'er zo door de Jooden,
als door hen\' zelven onder het gedrang in
\'t vlugten, gedood. De óverige weeken na
hun leger , alhoewel daar gebrék van eetwaa-
ren en water was j alhier wierden zy door de
Jooden bezét, en dus door den uyterften nood
gedwongen aan Herodes voor te ftellen dat zy
alles zouden doen wat hy begeerde , indien hy
hen wilde toelaaten hunnen dorft te leffchen.
Maar hy wilde hunne Gezanten niet hooren,
nóch het lósgeld dat zy aanbooden ontvangen,
nóch ook eenige voorwaarde toeftaan, omdat
hy hunne fchending van het recht der vólkeren
begeerde te wreeken. Zy dan den fmachten-
den dorft niet langer konnende uytftaan, zo
booden vierduyzend van hen zich den vyfden
dag van \'t belég aan om als flaaven geketend
te worden, \'s Anderendaags beflooten de óve-
rige eenen uytval te doen , en liever met het
geweer in de vuyft te fterven , dan zich voor
zulk een groote fchande bloot te ftellen. Zy
ftelden zich dan fchrap, maar zy waaren zo
zwak en afgemat, dat ze niets van belang kon-
den uytrechten. Zy wenfchten niet dan te fter-
ven, en vreesden langer te leeven j en in den
eerften aanval wierden \'er ontrent zevenduy-
zend gedood. Dit groot veriies vernederde
t\'eenemaal den hoogmoed dier landaard j zo
dat zy in haar ongeluk zich over het dapper
beleyd van Herodes verwonderende , hem rót
haaren Befchermheer aannaamen.
IX. hoofdstuk.
Antonius door Auguftus in den flag by Aktium geOagen. Herodes
doet Hyrkanus ombrengen, en onder wat voorwendfel Hy neemt
voor na Auguftus te gaan , en flelt órde op zyne zaaken voor
zyn vertrek.
\' sj Aa deezen gelukkigen uytflag keerde He-
^ rodes weder na Jerufalem, met eere en
roem overiaaden: maar toen hy in zyne groot-
fte voorfpoed fcheen, bragt de overwinning wel-
ke Auguftus by Aktium op Antonius behaalde
hem in zulk een groot gevaar, dathy zich ver-
looren achtte. Alle zyne vrinden en vyanden
waaren van \'t zelfde gevoelen, omdat men zich
met verbeelden kon, óf die groote vrindfchap
welke tuflchen Antonius en hem geweeft was
moft zyn verderf veroorzaaken. Overzulks
konden deeze die hem waarlyk beminden hun
verdriet niet ontveynzen, en die hem haateden
geheten zich hem te beklaagen , hoewel zy
van harte blyde waaren over \'t voordeel dat zy
uyt de verandering van zyne fórtuyn verhoop-
ten. Naardien Hyrkanus de eenigfte was die
nóg Van \'t koninklyk geflacht was overgeblee-
ven , oordeelde Herodes dat zyn belang ver-
eyfchte hem te doen fterven j opdat indien hv
\'t gevaar, dat hem naakend fcheen, ontqua-
me, Hyrkanus niet tót zyn naadeel na de kroon
zou konnen ftaan j óf indien Auguftus hem
deed ombrengen , hy ten minften de trooft
hadde van te weeten dat Hyrkanus de geneug-
te niet hebben zoude van hem in de regeerin-
ge te vólgen. Toen hy dit in zyn gemoed
overieyde, boodt het geflacht waaraan hy ver-
maagfchapt was hem eene gelegenheyd aan om
zyn voorneemen uyt te voeren. Hyrkanus
was van eenen zachtzinnigen aardt, en had
zich nooit met ftaatszaaken bemoeid , hy liet
alles zyn beloop hebben , en hieldt zich te
vreede met het gene hem toeviel , zonder ooit
eenig misnoegen daarover te betoonen. Alexan-
dra^zyne dochter, die in tegendeel zeer ftaat-
zuchtig was , kon zich niet genoeg bedwin,
gen in die hoope welke zy van eene verande-
ring had} dies praatte zy hem onophoudelyk
voor, dat hy niet langer moft dulden dat He-
rodes aldus zyn huys vervólgde; maar dat hy
behoorde op zyne veyligheyd bedacht te zyn,
en zich voor een beter geluk te bewaaren.
Voorts raadde zy hem dat hy aan Malchus, die
Arabië toen regeerde, zou fchryven, en be-
fcherming van hem verzoeken j dewyl \'er geen
twyfel aan was, indien\'t met Herodes zaaken
zo qualyk ging, als de haat van Auguftus te-
gen hem fcheen te belooven, óf de edelheyd
van zyn geflacht , en de geneegenheyd die
\'t vólk hem toedroeg, zouden hem den troon
weder doen beklimmen. Hyrkanus verwierp
dien voorflag in \'t eerft 3 maar dewyl Alexan-
dra niet ophieldt hem voor te houden dat hy
oorzaak had aan de ééne kant, om het beklim-
men van den troon te hoopen, en aan de an-
dere kant de verraadery en wreedheyd van He-
rodes te vreezen , liet hy zich eyndelyk door.
haar overiaftig aandringen overwinnen. Hy
zondt dan door éénen zyner vrinden genaamd
"DoÃ-
^ofithéustencnhnd aan Malchiis, verzoeken-
de hem eenige ruyters te zenden, die hem tót
aan \'t meir Asfaltitis, driehonderd ftadiën van
Terufalem gelegen , zouden konnen geieyden.
Deeze Dolithéus hadden Hyrkanus en Alexan-
dra gekoozen als iemand die zy meenden dat
t\'eenemaal op hunne zyde, en een vyand van
Herodes was, omdat hy een bloedvrind was
van Tofephus dien Herodes had doen ombren*
fien, en dat ook twee zyner broederen te Tyrus
door laft van Antonius gedood waaren. En
des niettegenftaande was hy hen zo ongetrouw,
dat hy op hoope van by Herodes in gunfte te ko-
men, hem den brief ter hand ftelde. Deeze
Vórft bedankte hem daarvoor, en vergdehem^
nóg eenen anderen dienft, naamelyk den brief
weder toe te doen, die aan Malchus te beftel-
len, en \'er een antwoord op te brengen, om-
dat \'er hem aan gelegen was zyn gevoelen te
weeten. Dofitheus verrichtte deeze bood-
fchap, en kreeg van den Arabier befcheyd voor
HyrLnus, dat hy hem met alle de jooden
vanzynen aanhangzoud ontvangen, en dat hy
hem een tróp krygsvólk tót geleyde zenden, en
hem in alles behulpzaam zyn zoude. Toen
Herodes deezen brief bekomen had, ontboodt
i hy Hyrkanus in zynen Raad j en vraagde hem
óf hy een verbond met Malchus gemaakt had-
de : \'t welk de ander ontkennende, toonde hy
hemden brief,en gaf daarop laft dat men hem
leeven beneemen zoude. Aldus wordt die
zaak van Herodes zelve in zyne Aantekenin-
gen verhaald. Andere zeggen dat het om
die oorzaak niet was dat hy Hyrkanus
deed fterven, maar omdat Herodes verraadelyk
eenen toeleg op zyn leeven had j en zy verhaalen
de zaak aldus: Herodes op een gaftmaal aan Hy r-
kanus gevraagd hebbende, zonder dat hy eemg
quaad vermoeden liet blyken, ófhy geene brie-
ven van Malchus ontvangen hadde 5 had Hyr-
kanus gezegd dat hy \'er wel eenen had ontvan-
gen, maar alleenlyk van groetenis en pligtplee-
finge. Hebt gy ook gefchenken van hem ge-
reegen vervólgde Herodes. Ja, antwoordde
HyrLnus,imaar niet dan vier paerden voor my-
nen wagen: Hieruyt had Herodes gelegenheyd
eenomä om hem van verraad te betichten, en
te zeggen dat hy zich had laaten omkoopen :
beveelende voorts dat men hem zou doen fter-
fen. Deeze zelfde Schryvers, om te toonen
dat Hyrkanus onfchuldig was, zeggen dat de-
wvl hy in zyne jeugd, en toen hy al Komng
wL, een groote goedaardigheyd en zachtzm-
mgl eyd betoond , en byna in alles den
raad van Antipater, Herodes. vader, gevolgd
had, daar ganfch geen fchyn was, dat fiy
toen Herodes zo vaft m de regeeringe zat,
in den ouderdom van tachtig jaaren van
óver den Eufraat, alwaar hy m groot aan-
zien was, onder zyne heerfchappy zoude
o-ekomen zyn, om zich in eenen aanilag, zo
?eel van zynen inborft verfcheelende, te
wikkelen-, maar dat \'er veel meer reden
was om te gelooven, dat deeze gewaan-
de misdaad hem door Herodes opgedicht
waare.
Dit Was het eynde Van Hyrkanus, die veele
wederwaerdigheden in zyn leeven was doorge-
gaan. Hy wierdt tót Hoogenpriefter aange-
fteld onder de regeeringe zyner moeder A-
lexandra, en bediende dat ampt negen jaaren.
Daar naa vólgde hy die Vórftin in \'t Ryk, en
wierdt naa drie maanden door zynen broeder
Ariftobulus daaruyt gezét j maar Pompejus her-
ftelde hem in zyne waerdigheyd, welke hy toen
den tyd van veertig jaaren bezat. Naderhand
wierdt hy door Antigonus verdreeven, ver-
minkt , en gevanglyk na de Parthen gevoerd.
Dóch daarnaa door hunnen Koning in vry-
heyd geftdd , quam hy Weder in judéa, al-
waar hy niet alleenlyk verfteeken-bleef Van de
belóften , hem door Herodes gedaan maar
naa dat hy zyn leeven onder veele rampen en
tegenfpoeden had doorgebragt, eymdigde hy
zyne dagen in eenen hoogen ouderdom, door
eenen jammerlyken dood dien hy geenfms ver-
diend had. Dewyl hy zachtzinnig en befchey-
den was , en dat hy de rufte beminde , en
wel wift dat hy dc vereyfchte bequaamheyd
niet had om te regeeren, gebruykte hy meeft
in alles eens\'anders dienft. Deeze al te groo-
te goedaardigheyd gaf aan Antipater en He-
rodes gelegenheyd om zich tót zulk een
magt en aanzien te verheffen, dat zy de kroon
in hun ftamhuys overbragten : en de dood
van dien ongelukkigen Vórft was de ver-
gelding wxlke hy van Herodes ondankbaar-
heyd ontving.
Naa dat Herodes zich aldus van Hyrkanus
ontflagen had, maakte hy zich gereed om Au-
guftus te gaan opwachten, van wien hy zich
geen gunftig onthaal toeleyde , ter oorzaake
van de vrindfchap welke hy met Antonius ge-
houden had : inmiddels vreesde hy ook dat
Alexandra zich van zyn afweezen mogt bedie-
nen, Om \'t vólk tegen hem gaande te maaken,
en den Staat tc ontruftcn. Hy gaf het bewind
der rykszaaken aan zynen broeder Pheroras,
ftelde zyne moeder Cypros, zyne zuftcr, en
alle zyne maagen, in de vefting Maffada in be-
waaringe, en beval Pheroras, zo zyne reyze
quaalyk uytviel, de regeering des ryks te aan-
vaarden. Noopende Mariamne , doordien
met Cypros cn Salomé met wel over-
m
ze
eenkomen kón, zette hy haaf met haare
moeder Alexandra op \'t kafteel Alexandrion,
waaraf hy de beWaaring beval aan JofepkiiS
zynen Schatbezórger, cn Sokemus den Itu-
reër , op welke hy van den beginne zyner
reoceringe af altoos eén volkomen vertrou-
wen gefteld had. Hy wendde voor , dat
dit gefchiedde om deeze Vórftinncn eere aan
te doen , maar hy gaf aan die twee man-
nen een heymelyk bevél, dat indien zyne
reyze niet wel quame uyt te vallen , zy haar,
zo dra Ze de tyding van zynen dood verfton-
den, om \'t leeven zouden brengen, en Phero-
ras met alle hunne magt byftaan, om het ryk
voor zyne kinderen te bewaaren^
X. HOOFDSTUK.
Hsrodes fpreekt Auguftus zo deftig m>d»t hy ïync gunft yerwerft
waar-
ivaarop hy hera na Egipte verzelt, en hem tc Ptolomaïs met zulk
een pracht ontvangt, dat hy daardoor de achting van alle de Ro-
meynen verkrygt. \'\'
TOen Herodes órde op alle zyne zaaken
gefteld had , begaf hy zich t\'fcheep na
Rhodus om,.Auguftus aldaar te vinden. Hy
verfcheen voor hem met alle zyne koninglyke
cieraaden , uytgenomen de kroon , en liet
nooit grooter moed blyken, dan door de ma-
nier waarmede hy hem aanfprak. Want in plaats
van fmeekingen en lafhartige verfchooningen
te gebruyken, om hem tót het verleenen van
vergiffenis te beweegen 3 gelyk men doorgaans
in zulk een groote verandering van ftaat doet,
gaf hy hem reden van zyn gedrag, zotider ee-
nige vreeze te laaten blyken, Hy bekende
33 dat hy Antonius een zeer groote geneegen-
3, heyd toegedraagen hadde : dat hy al zyn
35 vermoogen aangewend had om hem tót de
3, heerfchappy dér werreld behulpzaam te zyn:
â dat indien hy toen niet tegen de Arabiërs
3, beezig geweeft waare, hy hem met zyne wa-
3, penen bygeftaan zoud hebben : dóch dat hy
3, daardoor verhinderd zynde, hem echter
35 koorn en geld gezonden hadde. Dat hy ge-
3, wenfcht had in ftaat te zyn om meerder voor
33 hem te hebben konnen doen, en niet VUeen zyn
33 goed, maar ook zyn leeven te kóite gehan-
3, gen te hebben aan zulk eenen vrind en wel-
3, doener gelyk hy Antonius bevonden had.
3, Dat men hem niet zou konnen verwy-
33 ten dat hy hem naa den flag van Aktium ver-
3, laaten hadde, nóch dat de verandering van
33 zyne fórtuyn hem van gedrag had doen ver-
33 anderen , om de belangen van anderen te
3, omhelzen , en zich eenen weg tót nieuwe
3, hoope te baanen Want, vervolgde hy ,
3, toen ik my niet in ftaat bevond om hem met
5, myne krygsmagt en perfoon by te ftaan, gaf
33 ik hem eenen raad, die, zo hy hem gevólgd
â hadde, zyn verderf zou voorgekomen heb-
ben , welke was Kleopatre re doen fterven,
haar Ryk te bemagtigen, en door dat mid-
del < zich in ftaat te ftellen om een voordee-
lige vreede met u te maaken. Maar hy
verachtte dien raad, en arbeydde alzo tór
den aanwas van uw fórtuyn , in plaats van de
zyne te bewaaren. Byaldien nu uw haat jegens
hem u aandryft om myne toegeneegenheyd te
veroordeelen 5 wel aan, ik zal daarom nietlaa-
3, ten die te bekennen, niets zal my ooit belet-
3, ten opentlyk te belyden , hoe groot myne.
3, zucht tót zyne belangen en zyn perfoon ge-
weeft zy. Maar indien gy zonder te let-
ten op \'t gene tuflchen hem en my gepaf-
feerd is, aanmerken wilt hoedaanig een vrind
ik ben, en hoedaanig myne erkentenis jegens
myne weldoenderen zy, gy kont \'er eene proef
af neemen: Men behoeft maar de naamen te
veranderen, en men zal altoos de zelfde vrind-
fchap, die dezelfde lóf waerdig is, befpeuren.
Herodes liet onder \'t uytfpreeken deezer
Woorden zulk een grootmoedigheyd blyken,
dat Auguftus, gelyk hy zeer edelmoedig was,
^k daardoor zo bewoogen wierdt, dat deeze
lionmg derjooden, niet alleenlyk het gevaar
lil!
33
33
33
33
33
33
33
53
33
33
33
33
33
33
33
33
3)
dat hem dreygde ontging, maar door die def-
tige wyze van zich te verantwoorden en te Ver-
decdigen, zyne geneegenheyd won. Hy be-
val heni zyne kroon weder te neemen, vermaande
hem niet minder zynen Vrind te zyn dan hy
die van Antonius geweeft was, betuygde dat
hy van Q. Didius blyken ontfangen had, met
hoe yeel iever Herodes hem dienft gedaan had ten
opzicht van de kampvegters} en om hem een
blyk zyner vrindfchap te geeven, deed hy hem
door een raadsbefluyt in \'t bezit van zyn ryk
beveftigen. Herodes aldus boven zyne ver-
wachdng begunftigd , verzelde Auguftus tót
aan Egipte, en gaf den genen die meeftby hem
I gezien waaren zulke kóftelyke gefchenken dat
i ze zelfs zyn vermoogen te boven ging-en. Hv
verzócht zeer ernftig van Auguftus vergiftènis
voor Alexander, die een vrind van Amonius
^ geweeft was , maar hy konze niet verwerven,
omdat de Keyzer gezwooren had die niet te
zullen toeftaan.
De wederkomft van Herodes in Judéa met 6so.
een nieuwe vermeerdering van eere en gezag,
verbaasde die genen welke het tegendeel ver-
wacht hadden, en zy konden \'t niet anders
aanmerken als eene befcherming Góds, dat hy
die groote gevaaren ontquam,
welke hem met fcheenen te dreygen, dan om
mTaker^" te beroemder en doorluchtiger te
Toen Auguftus uyt Syrië na Egipte toog dfi^
â¢vergenoegde Herodes zich niet met hem tS \'
Ptolemaïs zeer prachtig te ontvangen , maar
hy verzórgde zyn ganfche heir met over-
vloed van leeftógt, en deeze edelmoedig-
heyd veroorzaakte zulken gemeenzaamen om-
megang tufl\'chen hem en den Keyzer, dat
wanneer die zyn krygsvólk monfterde te
paerd rydende, hy begeerde dat Herodes
zich aan zyne zyde zou voegen. Herodes
o^hv vti perfoonen, uyt dic waar-
op hy zich meeft verliet, om toe te zien
dat hy en zyne vrinden met aHe i f
ke pracht en^eleefdheydTedt^d\'tS:
en wanneer het heir door dorre plaatfen °
daar^ geen water was, moft trekken, bragt
hy door zyne vlyt en voorzórg te wege dat
\'er van mets gebrek was , ja dat men \'er
zelfs wyn had, Hy gaf daarenboven aan
Auguftus achthonderd talenten : en alle de
Romeynen waaren zo wel over hem voldaan
dat ze bekenden dat de grootheyd van zyn
gemoed hem verre boven zyne kroon ver-
hief. Dit gedrag , alsmede dat hy de voor-
naamften van \'t Keyzerryk op hunne Vi^e-
derkomft uyt Egipte , op dezelfde wyze
onthaalde , bragt hem in zulk een groote
achting by Auguftus en de Romeynen , dat
zy niet moede konden worden van hem te
pryzen , en tc zeggen dat hy in pfacht cn
mildheyd geenen Vorlte week.
XL H O O F D S T U K.
Mariamne onthaalt Herodes op- zyne wederkomft zo koel, dat dit
gevoegd by de laltörmgen xyner moeder enxufter, hem toen è
tot haaren dood zoud hebbeo doen befluyten: maar hy is genood:.
zaskt
ophet; kafteel had doen zetten, alwaar ze geen
vryheyd hadden om zich ergens van tc be-
dienen. Behalve, dat verbeeldde Mariamne
zich vaftelyk , dat die groote liefde welke hy
betuygde voor haar te hebben , niet dan veyn-
zery was, om dat hy zulks vórderlyk voor zyne
zaaken achtte: en dewyl haare gedachten fteeds
maalden op het bevél dat hy Jofephus gegee-
ven had, was \'tniet zonder fchrik wanneer zy
zich voor oogen ftelde, dat al waare \'t dat hy
te fterven quame , zy echter niet hoopen kon
hem te overleeven. Zy ftelde derhalve alle
middelen in *t werk om haare bewaarders op
haare zyde te krygen, en inzonderheyd Sohe-
mus , weetende dat haar leeven Ãf dood van
hem afhing. In \'t eerft bleef hy Herodes ge
trouw:, maar allengs wierdt hy door de ge-
fchenken en beleefdheden der Vórftinnen ge-
wonnen : want hy dacht dat indien Herodes
*£ gevaar dat hem dreygde al ontquame , daar
echter weynig fchyns was dat hy ooit weêr in
zulk een groot gezag zoude komen : dat \'er
daarom meer voor hem van de Vórftinnen te
hoopen was, dan van den Vórft: dat zy door
den grooten dienft dien hy haar deed hem niet
alleenlyk in zynen ftaat zouden handhaaven ,
maar zyn aanzien ook vergrooten : dat al waa-
re \'t dat alles Herodes naar zynen wenfch ge-
lukte, zyne groote liefde echter tót Mariamne
haar magtig zoude maaken. En alle deeze aan-
merkingen tzamengevoegd, deeden hem befluy-
ten het geheym dat hem toevertrouwd was aan
die Vórftinnen te ontdekken. Niet weynig
wierdt Mariamne door fpyt en gramfchap ver-
voerd , op \'t zien dat de onheylen welke zy te
vreezen had, zonder eynde waaren; en het deed
haar geftadiglyk wenfchen dat alles hem mogt
tegenloopen > dewyl niets haar ondraagelyker
toefcheen , dan haar leeven met hem te moe-
ten doorbrengen: en dit maakte zulken indruk
op haar gemoed , dat zy \'t niet ontveynzen
kon-
Maar dewyl de reyze van deezen Vórft bo-
ven verwachting voorfpoedig uytviel, was het
eerfte dathy op zyne aankomft deed, Mariam-
ne te bezoeken, haar te omhelzen, en haar te
vertellen , als iemand die hy \'t liefft op aarde
had, hoe wel alles hem gelukt was. Ter-
wyl hy aldus fprak wift zy niet óf ze zichver-
blyden óf bedroeven moft j haar ongeveynfde
aardt liet haar niet toe de ontroerdheyd van
XV. BOEK.
. zaakt weder na Auguftos te keeren\'; dóch do-et Ãaarop lyfte
, wederkomft fterven. Lathartigheyd van Alexandra Mariamnes
\' moeder. Wanhoop van Herodes naa Mariamnes dood. Hy valt
â ^â ip een zwaare ziekte. Alexandra poogt detwee fterkten van Jeru-
falem inhaare magt te k-ïygen ⢠waarop hy haar neven KoftobaruJ
ën eenige andere doet ombrengen. Hy ftelt fchouwilpelen aan ter
-%\'ere van Auguftus; waar doorhyde meefte Jooden zo vertoornt,
dat tien van hen onderrieemen om hem te dooden. Maar hy doet
hen fter^^n. Hy bouwt eeiiige veftingen, en fticht gp de puyn van,
\' \'Sïraartë-een fchooüe en fterke ftad, welke hy Sebafte noemt.
H Erodes in plaats van op zyne wederkomft in
zyn ryk de zoetigheden der vreede tc
fmaaken , en eenige rufte te genieten , vondt
niet dan beroerte en onruft in zyn eygen huys-
gezin door het misnoegen van Mariam.ne \'en
Alexandra. Deeze Vórftinnen geloofden met
hem ten hoogften ongelukkig zoude maaken.
Toen de moeder en zufter van Herodes,
die Mariamne eenen doodelyken haat toedroe-
gen , hém in die ontroerdheyd zagen, dachten
zy dat ze geen gunftiger gelegenheyd konden
vinden om haar verderf te bevórderen. Tót
dien eynde bedienden zy zich van allerley laf-
teringen , om de gramfchap van dien Vórft te
vermeerderen , en zyne jaloezy meer en meer
te ontvonken. Hy hoorde haar aan, en toon-
de geen weerzin te hebben in \'t gene zy hem
tót nadeel van Mariamne zeyden; maar hy
kon echter niet befluyten een perfoon , die hy
zo zeer beminde , te doen fterven. Niette-
min wierdt hy van dag tót dag meer op haar
verbitterd, enzyontveynsde haar gevoelen ooki
niet: waardoorde liefde van dien Vórft eynde-
lyk in eenen haat veranderde : en miflchien
zoud hy zyn wreed befluyt toen al uytgevoerd
hebben , indien hy hiet Verftaan had dat Au-
guftus j door den dood van Antoniusen Kleo-
patre, zich meefter van Egipte gemaakt hadde :
maar deeze tyding noodzaakte hem alles ftaaiï
te laaten, om hém te gaan ontmoeten. By zyn ver-
trek verhief Mariamne de dienften van Soliemus,
met groote betuygingen van genoegen over de
zórg die hy voor haar gedraagen had, en verworf
van den Koning voor hem eene land voogdy in Ju-
déa. By Auguftus gekomen zynde, wiens gunfte en
vrindfchap hy reeds gewonnen had, ontving hy
van hem niet alleenlyk groote eere,maar ook groo-
te weldaaden : want de Keyzer gaf hem vierhon-
derd Galatiërs, dieKleopatres lyfwacht waaren
geweeft, enhy gaf hem dat gedeelte van Judéa
weder \'t welk Antonius aan die Vórftin gegee-
ven had, als ook de fteeden Gadara, Hippon, en
Samarië j en aan de zeekant Gaza, Anthedon ,
Joppe, en de toren van Strato, waardoor zyn
Ãyk zeer vergroot wierdt.
Hy verzelde Auguftus tót aan Antiochië ^^Æ;
cn weder te Jerufalem gekomen zynde , be-
vond hy dat hoe gelukkig hy buytens lands
ook geweeft was , zyn huuwelyk, \'t welk hy
wel eer als zyn grootfte gel uk had aangemerkt
hem ongelukkig in zyn koningryk maakte â¢
want hy bemmde Mariamne njetzulk eenblaa-
kende zucht, dat men in geene Hiftoriën vindt
dat iemand ooit meer door een onwettise lief-
de is vervoerd geweeft , dan hy was door de
mm zyner vrouwe. Maar deeze Vórftin, die
anderftns zeer verftandig en kuyfch was, was
Z z van
O O D S C H à H I S f à R I. ^^
\'Haar gemoed fe verbergen } en haare zuchtett
toonden dat dit gefprek haar meer droefheyd
dan blydfehap veroorzaaktec Herodes kon
toen niet langér -twyfelen aan \'c gene \'er in haaf
hart omging- zulk een blykbaare en Zonderliiï^
ge afkeer deed het hem niet dan al te klaar zien -
en zyne groote\' hefde jegens haar maakte die
verfmaadmg ondraagely k. Maar ondertuffchen
wierdt zyne gramfchap zo door zyne geneegen-
heyd beftreeden , dat hy van haat tót hefde,
en van liefde rót haat overging. Aldus tuf-
fchen^eeze twee hartstógten dóbberende, will
hy niet wat zyde hy kiezen zoude, omdat wan-
geiooldcn met neer hy overhelde om haar te doen flerven, en
recht, dat het met was om haare veyligheyd, zich alzo over haare ondankbaarheyd te wree-
maarom haar gevangen te houden, dat hy haar -ken, hy in zyn hart gevoelde dat haar dood
van zulk een moeijelyken aardt, en misbruyk*
te zyne verliefde drift zozeer, dat zy hem me-
nigmaal verachtelyk , enmetfchimpigefchertfe-
ryen bejegende , zonder aan te merken dat
ze hem om zynen ftaat eerbiedigheyd fchuldig
was. Hy onveynsde \'t niettemin, en verdroeg
zelfs het verwyt dat zy zyner moeder en zufter
deed over haare geringe alkomft , het welk de
oorzaak was van dien onverzoenelyken haat,^
die deeze vrouwen zo veele valfche befchuldi-
gingen t\'haaren verderve deed gebruyken. In
deezer voege wierden de gemoederen hoe langer
hoe meer verbitterd, en daar verliep aldus een
jaar naa Herodes wederkomft van Auguftu^,
Maar de toeleg, waarmede hy al lang zwan-
ger gegaan had, borft eyndelyk op de vólgéa^
de wyze uyt.
9P zékeren middag, als de Koning zich in
zyhe kamer begeeven had om te ruften , ont-
boqdt h^ Mariamne , die hy niet laaten kon
met een fterke drift te beminnen, Zy quam
ma^r wat hy ook zeyde, hy kon haar niet be-
weegen om by hem te komen leggen; want zy
deed niet dan hem den moord van haaren(*J vader
en broeder verwyten. Deeze bitfe woorden, ge-
voegd by zulk een groote verfmaading, vertoorn-
den Herodes indiervoege, dat hy zich naauw-
lyks weêrhouden kon van haar te flaan. Salo-
mé hoorende wat \'er omging , zondt eenen
(*) Te
weeten
van Hyr-
kanus, Ma-
riamnes
moeders-
vader, die
oneygent-
lyk haar
vader ge-
noemd
word; want
zy was een
dochter
van Ale-
xander A-
riftobulus
zoon, dien
door Scipio
op bevel
van Pom-
pejus tót
Antiochië
het hoofd
doordebyl
was afge.
ilaagen.
Schenker, welken zy omgekóft had, in de ka-
mer } deez door haar opgemaakt, zeyde tót
hem datde Koningin hem een groote vergelding
beloofd had, om hem te beweegen dat hy den
Vórft zékeren minne-drank zoude geeven. Hero-
des hierover ontfteld, vraagde hem wat het voor
een drank was. De Schenker antwoordde dat
de Koningin hem niets van \'t gene zy \'er;in
wilde doen gegeven, maar alleenlyk van hem
begeerd had, dat hy dien drank den Koning zoud
aanbieden: dóch dat hy de kracht daarvan niet
kennende , het zyne pligt geoordeeld had den
Vórft daaraf te verwittigen, Dit antwoord
vermeerderde Herodes ontfteltenis, en hydeed
eenen Kamerling van Mariamne pynigen, dien
hy wift zulken getrouwen dienaar van haar te
zyn, dat hy niet twyfelde óf zy vertrouwde
hem alles, Deeze perfoon bekende niets, maar
het zich echter onder de pyniginge ontvallen ,
dat Mitiamnes haat ontftondt uyt het gene zy
van Sohemus verftaan had. Op \'t hooren van
deeze woorden riep Herodes uyt , dat Sohe-
mus , die hem te voore zo getrouw geweeft
was , zyn geheym nooit geopenbaard zoud
hebben , indien hy zich met Mariamne niet te
buyten gegaan hadde, en daarop deed hy hem
om t leeven brengen. Noopende de Konin-
gin, hy wilde haar door \'t recht doen veroor-
deelen , en hebbende tót dien eynde zyne ver-
trouwdfte vrinden doen tzamenkomen , beval
hy haar zich te verantwoorden. Thans befchul-
digde hy haar van die valfche en gewaande mis-
daad, als óf ze hem door eenen drank had wil-
len vergeeven: en in plaats van te blyven bin-
nen de paaien der befcheydenheyd die eenen
Rechter betaamt , fprak hy met zulk een he-
vigheydenvervoerdheyd, datde andere Rech-
ters zyne meening gemaklyk begrypen konden,
en daarop die onfchuldige Vórftin ter dood
doemden. Zy oprdeelden niettemin , en hy
zelfwas ook van dat gevoelen, dat men zich met
de uytvoeringe van dat vonnis niet behoorde te
verhaaften; maar dachten dat het beft was haar in
eenige vafte en befloote plaats gevangente houden.
Dóch Salomé en die van haaren aanhang niet kon-
nende dit uytftel dulden, ftelden alles m\'t werk
om dit befluyc re veranderen: en ééne der krach-
tigfte rédenen waarvan zy zich bedienden om
Herodes te overftemmen, was dat het te beduch-
ten ftond dat het vólk tot eenen opftant zoude
komen, indien het vernam dat de Koningin nóo-
m \'t leeven was. Hierop wierde zv dan ter dood^
ftrafte geleyd.
Alexandra , achtende dat zy geen zachter
onthaal te hoopen had dan haare dóchter, ver-
gat , door een fchandelyke verandering, die
grootheyd van gemoed, welke zy tót dien tyd
toe had doen blyken, en zy toonde zich nu zo
lafhartig als zy te voore moedig en fier ge
weeft was: Invoege dat zy om te doen geloo-
ven dat zy aan de misdaad haarer dóchter geen
deel had, haar fmaadiglyk in \'t aanzien van ie-
der één bejegende, roepende dat ze eene fnoo-
de en ondankbaare was, die niet verdiende dat
de Koning haar zulk een groote liefde toege-
draagenhadi en dus fpreekende fcheen zy haa-
re dóchter te lyf te willen, om haar de haairen
uyt het hooft te rukken. Daar was niet een
menfch die deeze lafhartige veynzery niet
wraakte i en Mariamne deed zulks door haar
ftilzwygen meer dan iemand anders : want zy
wierdt zo weynig door haare fcheldwoorden
bewoogen, dat zy zich niet gewaardigde daar-
op te antwoorden i maar toonde door haare
gewoonlyke kloekmoedigheyd dat zy zich we-
gens zulk een byftere lafhartigheyd fchaamde :
en zonder de mmfte vreeze te laaten blyken,
nóchte eens van koleur te veranderen, toonde
zy tót op haar laatfte oogenblik die zelfde
groothartigheyd welke men geduurende haar
ganfche leeven aan haar befpeurd had
Aldus ftierf die kuyfche en kloekmoedige,
maar al te fiere en hooghartige Vórftin: Zy
overtrof in fchoonheyd , deftigheyd, en beval-
ligheyd alle de vrouwen van haaren tyd ; en alle
die uytmuntende hoedaanigheden waaren dc
oorzaak van haar ongeluk j want ziende den
Konmg zo verliefd op haar, meende zy datze
niets van hem te vreezen had; zulks dat ze hem
geen behoorelyke eerbiedigheyd toedroeg, ca
ken omdat hy haaren vader en broeder had
doen ombrengen. Door diergelyk een on-
voorzichtigheyd maakte zy zich zyne moeder
en zufter mede tót vyandinnen, en dwong hem
eyndelyk ook haaren vyand te worden.
Hoe groot zyne zucht tót haar ook was ter-
wyl zy leefde, gelyk men uyt^ het reeds ver-
haalde genoeg kan afneemen, ze vermeerder-
de echter nóg na haaren dood: want hy be-
minde haar niet gelyk andere mannen haare
vrouwen beminnen, maar hy was op haar ver-
zót i en hoe nors zy hem ook bejegende , hy
kon\'daarom niet laaten met liefde tót haar inge-
nomen te zyn. Naa dat zy niet meer in de werreld
was, geloofde hy dat Gód haar bloed van hem
eyfchte j men hoorde hem geftadiglyk den ^
naam van Mariamne noemen; hy deed klagten
die der Majefteyt eens Konings onbetaamelyk
waaren, en zócht te vergeefs op gaftmaalen en
andere uytfpanningen eenige verhgtmge van
zyn verdriet: ja zyne droefheyd gmg zo verre
dat hy de zórg zyns ryks verliet, en den zy-
nen beval Mariamne te roepen, gelyk als óf
zy nóg in *t leeven geweeft waare. Terwyl hy
in dien ftaat was ontftondt\'er een zwaare peft,
die veel vólks , cn daar onder veele perfoonen
van aanzien, wegfleepte: en elk merkte deeze
fchrikkelyke quaal aan als een rechtvaerdige
wraak Góds over de misdaad, door hem in de
onrechtvaerdige veroordeelinge vad Mariam-
pe begaan. Onder deeze toeneeminge van
hartzeer begon Herodes te bezwyken , zo dat
hy zich aan zyne Wanhoop overgaf,, en in
woefte en eenzaame plaatfen zich verbergde,
onder fchyn van ter jagt te gaan. Eyndelyk
wierdt hy dood-krank door een heevige pyn iri
\'t hoofd, die hem buyten verftand bragtj en
de\' geneesmiddelen deeden niet dan de quaal
vermeerderen. De Artfen ziende zyne zwaare
ziekte, en daarbeneven Zyne eenzinnigheyd,
dewyl hy zich naar de régelen hiïnner kunftniet
voegen, maar zynen eygen zin opvolgen wilde,
waaren genoodzaakt hem op te geeven, en de
ziekte haar beloop te laaten hebben , zynde
byna buyten hoope van zyne opkomfte. Hy
was toen ter tyd te Samarië , \'t welk men ntï
Sebafte noemt.
Toen Alexandra, die te Jerufalem Was, zynen 658.
gevaarlyken ftaat vèrftondt, deed zy alle vlyt om
de twee fterkten,welker ééne in de ftad, en de an-
dere dicht by den Tempel was, in haare magt te
krygen j omdat degéne die daarvan meefter
waaren, zulks eeniger maate van\'t ganfche
land waaren , vermids men zonder hun verlóf
Gode niet kon ófferen, en dat de Jooden zo
op hunne Gódsdienft gezét zyn , dat zy de
pligten derzelve boven hun leeven ftellen.
Hierom drong Alexandra de overften dier
veftingen aan, dat zyze wilden ftellen in handen
van haar en van de kinderen uyt Herodes en
Mariamne geteeld. Zy hieldt hen voor ^ dat
indien hy quame te overlyden , het onbillyk
zou zyn dat ze in de magt van een ander ge-
flacht vervielen j en dat indien hy weder op-
quam, niemand dezelve beter voor hem kon be-
waaren dan deeze die hem zo na beftonden. Maar
â \'â Jl
niet fchroomde hem haaren wrók te laaten bly- deeze redenen hadden op hen geen vermoogen ,
Tn&et
MÃ
zo omdat zy hunnen Koning altoos getrouw
en toegedaan geweeft zynde, nóg hoope op
zyn leeven hadden, als ter oorzaake van den
haat dien zy Alexandra toedroegen. En één
van hen geheeten Achiab , zynde een neef van
Herodes, zondt hem bericht van Alexandras
toeleg: waarop hy terftond bevél gaf dat men
haar zou doen fterven.
Eyndelyk quam deeze Vórft, naa veel uyt-
geftaan re hebben, weder op van zyne ziekte:
maar toen de krachten van zyn lighaam en ge-
moed begonden herfteld te worden, toonde hy
zich zo vergramd en grouwzaam , dat \'er gee-
ne wreedheden waaren welke hy op de gering*
fte voorvallen niet pleegde: ja hy verfchoonde
zelfs zyne byzonderfte vrinden niet j maar deed
KoJUbarus , Lyfmachus , Gadias bygenaamd
Antipater j en T)oÃheus om de vólgende oorzaak
dooden. Koftobarus was afkomftig uyt ééa
der voornaamfte huyzen van Iduméa en zyne
voorouders waaren Priefters geweeft van Ko-
ze, den gód welken die vólken met groote eer-
biedigheyd aanbaden, aleer Hyrkanus hen be-
woog de Joodfche Godsdienft aan te neemen.
Zo dra Herodes Koning geworden was, fchonk
hy de landvoogdy van Iduméa en Gaza aan
Koftobarus, en gaf hem daarnaa zyne zufter
Salomé ten wyve, naa dat hy haaren eerften
manjofephus,^gelyk gezegdis, baddoenom\'|V.HooM^^
Zz a bren-ieifdeiioek
1
m
brengen. Toen Koftobarus zich tót zulken ftaat
verheven zag, waarna hy niet zoud hebben dur-
ven ftaan , wierdt hy zo tróts, dat hy niet langer
dulden kon eenen onderdaan van Herodes te zyn;
maar achtte dat dewyl de Idumeërs dezelfde wet-
teen onderhielden als de Jooden, het eene fchande
voor hen was hem voor Koning te erkennen. Hy
zondt derhalve gezanten aan de Koningin Kleo-
patre, om haar voor te ftellen dat nademaal Idu-
méa altoos onder haare voorzaaten geftaan had^zy
met recht van Antonius eyfchen kon dathy haar
dat landfchap gave ; en dat wat hem aanging, hy
gereed was haar te gehoorzaamen. \'t Was niet dat
hy liever onder de heerfchappy van Kleopatre
wilde ftaan} maar hy poogde Herodes magt te be-
fnoeijen , om zich te gemaklyker meefter van
Iduméa te maaken ; en hy vleyde zich met de
hoope van zyn oogwit te zullen bereyken, zo
door den luyfter van zyn geflacht, als door zy-
nen grooten rykdom: want naa dat hy dien aan-
middelen, hoe fnood en fchandelyk ook, wel-
ke hy met in \'t werk ftelde om geld byeen te
fchraapen. Maar alles wat Kleopatre by Anto-
nius aanwendde , was te vergeefs j en Herodes
Zou Koftobarus toen al hebben doen ombren
gen, indien hy door *t bidden zyner moeder
en zufter met weerhouden geweeft waare: dies
vergenoegde hy zich met hem fteeds wegens dit
beftaan verdagt te houden. K oftobarus quam daar-
naa in groote onluft met Salomé zyne huysvrouw,
zo dat zy hem eenen fcheyd brief toezondt, tegen
*t gebruyk onzer wetten, die dat vermoogen maar
aan de mannen verleenen, maar niet toelaaten dat
een vrouw die zich van haar man afzonderd, we-
der trouwd, ten zyze van haar man een fcheyd-
tót wien zy zeyde dat ze uyt geneegenheyd jegens
hem zich genoodzaakt vondt haaren man te ver-
laaten, omdat zy bemerkt had dat hy tegen zynen
dienflaanfpande met Antipater, Lyfimachus, en
Dofttheus: en tót bewys van dit haar zeggen,voeg-
de zy \'er by, dat hy de kinderen van Babas nu al
twaalf jaaren verborgen, en in \'t leeven gehouden
had. Hetwelk ook ten opzicht van het laafte in-
derdaad waar was. Over dit verhaal ftondt Hero-
des zeer verfteld, want hy had wel eer beflooten
hen te doen dooden, dewyl ze zich altoos tegen
hem aangekant hadden j maar door de langheyd
des tyds was de zaak by hem in vergeetinge geko-
men. De oorzaak van zynen haat tegen hen, was
dat toen hy Jerufalem onder de regeeringe van
Antigonus belegerde, het grootfte deel des vólks,
moede wegens de ongemakken welke zy door
dat belég moften uytftaan , de poorten voor
hem wilde openen ; maar deeze zoonen van
Babas , die in groot aanzien , en Antigonus
zeer getrouw waaren, ftelden zich daar tegen, om
dat zy \'t veel voordeeliger voor de ganfche land-
^rd oordeelden, door Vórften van koninglyken
ftamme beheerfcht te worden, dan door Herodes.
deez de ftad ingenomen had, beval hy
Koftobarus alle de toegangen te bezetten , om
die welke- hem tegen geweeft waaren het
uytgaan te verhinderen." Dóch Koftobarus
weetende in welk een aanzien de zoonen van
Babas by \'t vólk waaren, achtte dat \'er hem
aan gelegen lag hen te behoeden, om in tyde
van veranderinge zich van hen te konnen bedie-
nen, en daarom het hy hen heymelyk uytgaan,
en zondt hen na zyne landgoederen. Herodes
gaf ondertufichen zyne argwaan wegens hen
te kennen; maar Koftobarus zwoer eenen eed
daarop dat hy niet wift wat van hen geworden
was ; waardoor Herodes voor dien tyd zyne
achterdócht liet vaaren : maar daarnaa zya
voorig vermoeden weder opvattende, deed
hy alles wat hy kon om hen te vinden > en liet
met trompetten-gefchal afkondigen dat hy een
groote vergelding zoude geeven aan den genen
die hen ontdekte, Maar Koftobarus hieldt
zich ftil , want dewyl hy eens ontkend had
iets van hen te weeten , vondt hy zich ge-
noodzaakt hen verborgen te houden , niet
zyn eygen belang. Zo dra nu Herodes door
zyne zufter hiervan verwittigd was , zondt
hyeemge na de plaatfen daar zy zich verfchoo-
len hielden, en deed hen alle ombrengen, ne^
vens die welke hy aan dezelve misdaad fchul-
dig achtte; opdat \'er niemand van Hyrkanus
maagfchap overblyvende , men zyne wil, hoe
onrechtvaerdig ze ook waare, niet zou durven
wederftaan.
Herodes zich aldus in volkomene magt en^^
volle vryheyd vindende om alles te doen wat
hy wilde , fchroomde niet hoe langer hoe
meer van onze vaderlyke gewoonten af te
wyken: hy fchafce onze aaloude inzettingen,
die onfchendelyk by hem behoorden geweeft te
brief erlange. Maar Salomé deeze oude vaderlyke! zyn, af, om nieuwe in te voeren ; en bragt
wet met voeten treedende,beftondt op haar eygen ------ \' ..... \'
gezag te doen \'t gene daar ze geen recht toe had 5
en ging daar op tót den Koning haaren broeder.
K
alzo een vreemde verandering iu de leertucht,
die \'t vólk binnen de paaien van hunnen pligc
hieldt. Hy begon met het aanftellen van wor-
ftel- en ren-lpelen die alle vyfjaaren tereere van
Auguftus gehouden wierden ^ doende tót dien
eynde eenfchouwtooneel binnen Jerufalem, en
eenen grooten ronden fchouwburg buyten de ftad
bouwen Dit waaren twee prachtige geftich-
ten, maaraanloopende tegen onze zeeden , die
ons niet toelaaten diergeiyke fchouwfpelen
by te woonen. Dewyl hy nu deeze fpelen ver-
maard wild^maaken, deed hy die niet alleen-
lyk in de omleggende landfchappen afkondi-
gen , maar ook in verre afgelégene plaatfen, met
belófte van. groote pryzen voor de overwin-
naars. Daarop zag men van alle kanten aanko-
men die in \'t worftelen en rennen uytmunteden
nevens muzikanten , en konftige fpeellieden
alsmede zulke die afgerecht waaren om met
wagens van twee, drie, en vier paerden ge-
trokken, óf te paerde gezeten , op\'t fnelft te
rennen. En om deeze fchouwfpelen aangenaam
en vermaakelyk te maaken , fpaarde Herodes
geen vlyt nóch kóften. De fchouwburg was rond-
om bezet met opfchriften ter eere van Auguftus,
en met zecgecekens van overwonnene vólken ,
en \'t was niet dan goud, zilver, gefteenten*
en kóftelyke kleedinge, dat men \'er zag blinken.
Hy ontboodt van alle kanten veele felle beeften\'
als leeuwen, en andere dieren , die om hunne
on-
flag by zich ontworpen had , waaren \'er geene zo zeer uyt geneegenheyd tót hen , als om
ongemeene fterkte óf eénig andere hoedaanig-
heyd zeldzaam waaren : en deeze liet hy tégen
malkanderen j óf tegen menfchen die ter dood
veroordeeld waaren, vechten. Deeze fchouw-
Ipelen verfchaften den vreemdelingen vermaak
en verwondering : maar de Jooden merkten die
aan als eene omverreftooting en verderving van
de leertucht hunner voorouderen. Niets fcheen
hen gódloozer te zyn, dan menfchen uyt een
wreed vermaak voor de woede der beeften bloot
te ftellen, en hunne heylige gewoonte te ver-
laaten j om die van afgodifche vólken te aan-
vaarden. En de zeegetékenen, die zy aanza-
gen voor menfchen-beelden met wapenen be-
dekt , waaren hen niet minder ondraagelyk,
omdat ze ganfchelyk tegen onze wetten ftree-
den. Herodes ziende hen in dit gevoelen, oor-
deelde dat het beft was geen geweld te gebruy-
ken; maar fprak hen zoetelyk aan, poogende
hen te toonen dat hunnen fchroom maar uyt een
ydel bygeloof ontftond. Dóch hy kon hen niet
overreeden ; want zy geloovende dat hy daar-
in een groote zonde beging, zeyden dat al waa-
re \'t dat zy al \'t óverige infchikten, zy echter
nooit beelden en gedaanten van menfchen in
hunne ftad dulden zouden, omdat hunne Góds-
dienft zulks uytdrukkelyk verboodt. Hero-
des kon uyt dit gezég w\'el begrypen, dat het
eenigfte middel om hen te bevreedigen zou zyn
hen uyt den droom te helpen. Hy bragt dan
de voornaamfte van hen op den Ichouwburg,
toonde hen eenige der zeegetékenen, en vraagde
hen wat zy geloofden dat het was. Zy gaven
tót antwoord\'dat hec menfchen beelden waaren;
daarop deed hy alle die cieraaden afneemen,
en toen bleef \'er niets overig danbloote ftylen
waaraan ze gehecht waaren geweeft. Aldus
veranderde dit groot gerucht in een gelach, de
beroerte wierdt geftild, en de meefte lieten zich
hiermee gezeggen. Evenwel waaren \'er die by
hun gevoelen\'bieeven , want de affchrik die zy
van de vreemde gewoonten hadden, deed hen
gelooven dat die niet ingevoerd konden worden
zonder hunne vaderlyke manieren omverre te
ftooten, en het verderf van \'t Gemcenebeftte
veroorzaaken : en zy merkten Hlerodes niet
langer aan als hunnen Koning, maar als hun-
nen vyand, en beflooten liever alles te waa-
gen , dan zulk een groot quaad te dulden.
Tien van hen verachtende de grootheyd van66i.
\'t gevaar, verbergden pooken onder hunne klee-
deren, en wierden in hun voorneemen verfterkt
door eenen blinde, die niet konnende deel aan
\'t bedryf hebben, zich echter aan het gevaar
nevens hen wilde bloot ftellen. Zy gmgen
dan na de fchouwplaats, op hoope dat zy den
Koning niet zouden konnen miffen, omdat hy
niets mis trouwde,en zy dan gezamentlyk op hem
zouden aanvallen: en dat indien ze al miften ,
zy ten minften veele van die welke hem verge-
Zelfchapren , zouden dooden , en met die
trooft fterven, dat zy hem als eenen fchender
hunner wetten haatelyk by \'t vólk gemaakt,
en aan anderen den weg tót het uytvoeren van
zulk een rechtmaatig beftaan getoond hadden.
Nademaal Herodes verfcheydene perfoonen
had die alles wat \'er omging gade floegen,
was \'er één onder hen die deezen toeleg ont-
dekte , en \'er hem de weet van deede toen hy
na den Schouwburg ging. Het viel den Ko-
ning niet zwaar dit te gelooven, omdat hy niet
onweetend was van den haat dien men hem toe-
droeg , en van de uytwerkingen die daaruyt kon-
den voortkomen. Hy keerde dan weder na zyn
paleys, en deed de tzamengezwoorene haaien
I die ziende dat zy \'t niet ontvlugten konden\'
I zich zonder wederftand lieten leyden. Hun-
ne edelmoedigheyd maakte hunnen dood heer-
lyk , want zy lieren niet de minfte vreeze bly- \'
ken , nóchte ontkenden hun voorneemen ;
maar toonden met een onbezweeken en vry-
moedig gelaat, de pooken waarmede zy zich
Z z 3 voor-
F
voorzien hadden om het uyt te voeren, en ver-
klaarden opentlyk dat het alleen gódvruchtig-
heyd en de welftand van \'t gemeen was, die
hen daartoe aangedreeven had. Naa dat zy
aldus gefprooken hadden, ftierven zy met de
zelfde ftandvaftigheyd in \'t midden der py-
nen welke men hen aandeed. De haat die
\'t vólk tegen hunnen aanbrenger opvatte was
zo groot, dat het niet genoeg was hem te doo-
den, maar men fcheurde hem in ftukken, en
wierp die voor de honden, zonder dat iemand
van al de Jooden die\'t aanzagen eenigen menfch
daarover aanklaagde. Maar eyndelyk quam
Herodes te weeten wie de daaders daarvan waa-
ren , door eenige vrouwen , welke hy door
zwaareïpyniging dwong zulks te melden: waar-
naa hyj hen met hunne ganlche huysgezinnen
deed orhbr engen.
661. Ziende dan dat het vólk zich meer en meer ver-
fterkte in het befluyt om hunne gewoonten en
wetten voor te ftaan, en dat dit hen tót eenen
opftand zoud aandryven , indien hy geen
krachtige middelen tót dempinge daarvan ge-
bruykte, befloot hy daarin te voorzien. Be-
halve dan de twee fterkten die te Jerufalem
waaren, de ééne het koninglyk paleys waarin
hy woonde , en de andere het flót Antonia
\'t welk dicht by den Tempel lag, deed hy Sa-
marië *t welk hy Schafte noemde, verfterken, om
dat het maar een dagreyze van Jerufalem afleggen-
de, de oproer zo wel van de ftad als van \'t land be-
letten kon. Ook verfterkte hy Stratós toren, dien
hy Cefarea noemde, zodaanig, dathy al \'tland
daar om heene fcheen te konnen dwingen. Voorts
ftichtte hy op de plaats genoemd het groot Veld
een kafteel, waarin hy eene bezetting van ruyters
leyde die door \'t lót getrokken wierden: een an-
der bouwde hy te Gaba in Gahléa , en nog
een ander genoemd Efebonitis in Perea. Naa
dat hy deeze fterkten aldus op de bequaamfte
plaatfen van \'t Ryk opgerecht, en met krygs-
vólk bezét had, benam hy den vólke, dat zo
tót muytery geneegen was, alle middclenvan
opftand, doordien op de minfte fchyn van be-
weeginge , degéne die laft hadden daarop toe
te zien, dezelve óf dempten, óf in haare ge-
boorte fmoorden. Dewyl nu zyn voorneemen
ftrekte om Samarië, \'t welk op eenen berg leg-
gende fterk door zynen ftand was, te herbou-
wen , en \'er eenen tempel te ftichten , leyd
hy \'er veele krygsbenden in, zo vreemde als
uyt de naabuurige landfchappen: voorts veran-
derde hy deszelfs naam in dien van Sebafte,
verdeelde het omleggende land, dat zeer on-
vruchtbaar was, onder de inwooners, om door
dat gerief de ftad te eer te bevolken, omringde
haar met fterke muuren ,, vergrootte haaren
omtrek tót twintig ftadiën, en maakte haar zo
aanzienlyk dat zy by de grootfte fteden kon
vergeleeken worden. In \'t midden fchikte hy
een ruym pleyn van anderhalve ftadie, ftichtte
^daar eenen prachtigen Tempel, en arbeydde
fteeds om die ftad in allen deelen vermaard te
maaken, doordien hy haare fterkte t\'zyner vey-
ligheyd noodig oordeelde, en \'t cieraad daar-
van aanmerkte als een gedenkteken zyner
grootheyd en luyfter, \'t welk de geheugenis
zyns naams tót in de toekomende eeuwen be-
waaren zoude........
(li
Hiri
XII. hoofdstuk.
Judéa door vede flampen , en inzonderheyd een felle peft en zwaare
iMngersnood pdrukt. Grootezórgdraagenheyd en müdhevd van
Herodesom daarm te voorzien; waardoor hy degenee\'^enhevd
des vólks weder bekomt,en den overvloed vveêrin voert Hy bouwt
een prachtig paleys te Jerufalem; En trouwt met de dóchter van
bimon , dien hy tót Hoogenpriefter aanftelt. Hv fticht een
aanzienlyk kafteel ter plaatze daarhy eertyds de Jooden overwon!
ïicn li^G*
IU ^e^f\'^ejaar, \'t welk het (*) dertiende van â¢
Herodes regeeringe was, wierdt Judéa door
zwaare rampen gedrukt, \'t zy zulksgefchied-ïtood\'
ae door eene gódlyke wraak, df door zcdaa-
nige doodelyke toevallen die van tyd tot tyd^â¢""\'
in de werreld gebeuren. Dit onheyl beRon
met zulk een zwaare en langduurige droogte,
dat de aarde ook die vruchten en gewaffen
met uytleverde, die ze anders natuurlyk en van
zelfs voortbrengt. De menfchen aldus door
den nood gepraamd, gebruykten, tót onder-
houd huns leevens, voedfel dat hen te voore
onbekend was, waardoor ze in zwaare ziekten
vervielen, die door eene aaneenfchakehng van
.^dere euvels in een felle peft veranderden.
SnT geeffel nam fteeds toe,
omdat het den genen die der meê getroftèn
Jierden aan byftand en fpyze ontbrak; hier-
door ftierven veele menfchen , en dewyl \'er
geen hoope was van eenig middel tót onder-
ftand der zieken te bekomen, verlooren de ge-
zonden den moed om hunnen pligt ontrent
hunne nabeftaande waar te neemen. Want alle
de vruchten der voorgaande jaaren waaren ver-
teerd , men had in \'t loopende jaar niets inge-
oogft, en men had de aarde te vergeefs bezaaid,
omdat ze zoo dor was, dat het zaad \'t welk
men \'er ingeworpen had, verdurf: en dewyl
dit langer als een jaar duurde, nam het quaad
fteeds toe in plaats van af ^
In 4eezen beklaagelyken ftaat wasalhetber-
van Herodes, hoe groot het ook was, 1\' !
noegzaam tot zyn onderhoud , omdat hy
door de onvruchtbaarheyd der aarde zyne
mkomften moft derven , en dat hy groo-
te fommen gelds aan \'t bouwen van lieden
en fterkten uytgelegd had. Aldus ontbrak hem
alle hoope van onderftand, en hy zag dat by
alle deeze euvels nóg quam de haat zyner on-
derdaanen tegen hem , vólgens de gewoonte
des vólks, \'t welk de fchuld van hun ongemak
altoos op de Regeerders fchuyft. Hy zócht
onophoudelyk na middelen om hen te hulpe te
komen, maar te vpgeefs, omdat zyne gebuu-
ren , die zelve door hongersnood gedrukt
wierden, hem geen koorn konden verkoopen en
dat hy niet gelds genoeg had om aan een ieder
van dat groot getal, die zo behoeftig waaren
iets te geven. Eyndelyk dewyl hy oordeeld^
dat hy gehouden w^as alles m dien uyterften
nood in \'t werk te ftellen , deed hy al wat
hy van goud en zflvcr had fmelten zonder
zelfs de werken der konftigfte meefters te ver-
fchoonen. Dus verzamelde hy een groote
fomme,en zondt die na Egipte, alwaar Teironius
voor Auguftus het gebied voerde. Deeze Land-
voogd wierdt ook fterk aangezogt door an-
dere
dere die in diergelyken nood waaren j iiiaar ver-
mids hy een vrind van Herodes was^ ftondt hy
om zynent wille aan zyne onderdaanen koorn
toe, vooralle andere, en was hen behulpzaam
in \'t koopen en uytvoeren, waardoor hy meer
dan iemand anders tót de behoudenis onzer
landaard toebragt. Het vólk ziende zich dus
in zyne elende verquikt door de groote zórg-
vuldigheyd des Konings , vergat daardoor met
alleenlyk den haat dien \'t hem toedroeg ^ maar
prees zyne goedgunftigheyd naar verdienfte.
Deeze Vórft deelde dit koorn órdentlyk uyt\'
aan degénen die zelve brood konden maaken,
en hy ftelde bakkers aan voor zulke die door
ouderdom óf andere ongemakken onbequaam
daartoe waaren. Hy verzórgde hen tegen de
koude des winters ook met kleedinge, welke
zy zeer van noode hadden, omdat byna al het
vee gefturven zynde , de wolle zo wel ont-
brak als andere noodige dingen om Zich te
kleeden. Naa dat hy zyne onderdaanen aldus
voorzien had, liet hy zyne gedachten gaan om
de fteden van Syne, aan Judéa paaiende, ook
te hulpe te komen r hy gaf dan aan de mwoo-
ners koorn om te zaaijen, en trok zelf geen
kleyn voordeel uyt het gene zy van hem ont-
vingen : want de aarde gaf het graan dat men
haar toevertrouwd had met zo veel woeker we-
derom , dat men de overvloed weêr te voor-
fchyn zag komen: en toen de tyd van den oogft
genaderd was, zondt die Vorft vyftigduyzend
menfchen,welke hy op zyne eygene koften onder-
houden had, om het koorn in te zamelen. In dee-
zer voege was hydoor zyne vlyt en wakkerheyd
niet alleenlyk de weldoener van zyn ryk , maar
ook van zyne gebuuren, van welke niemand zyne
hulpe verzócht, zonder die te ontvangen: en
men bevondt dat hy aan vreemde wel tienduy-
zend Kor koorns , houdende ieder Kor tien
Attifche Medimnen , uytgereykt hadde j en
dat het gene hy in zyn ryk had doen uytdeelen,
wel tachtigduyzend Kor beliep.
Alle deeze zórgdraagendheyd van dien Vórft
nevens de gunften welke hy in dien hoogen
nood aan zyne onderdaanen bewees , deeden
hem by alle menfchen in verwonderinge komen ,
en hy won daardoor hunne geneegenheyd zo,
dat zy alle haat vergaren, dien ze te voore,
door de verandering, welke hy in de ryksre-
geering en in hunne gewoonten had ingevoerd,
opgevat hadden. Zy oordeelden nu dat dat
quaad genoeg vergolden was door de weldaad
â welke zy van zyne mildheyd ia zulken behoef-
tieen tyd ontvangen hadden; en de roem dien
hy by de uytheemfche verkreeg was niet minder.
Aldus dienden alle deeze onheylen om zynen
naam te doorluchti2;er te maaken , want het
gene zyn vólk geleeden bad vermeerderde in
zyn Ryk zyne achting door eene erkentenis
zyner weldaaden : en zyne groote goedertieren-
heyd welke hy in dien hoogen nood beweezen
had , zelfs aan zulke die zyne onderdaanen
niet waaren, maakte dat men hem buytens lands
niet langer zodaanig aanmerkte gelyk hy te
voore was geweeft, maar zo als men hem in
den uyterften nood bevonden had.
66 4 Deeze Vórft om zyne geneegenheyd aan Au-
guftus ook te betoonen, zondt ter zelfder tyd
vyfhonderd van de dapperfte mannen zyner lyf-
wacht aan EliusGallus ^ dien zy inden oorlog,
welken hy in Arabië by de Roode zee voerde,
grooten dien ft deeden. N a dat hy nu de voorfpoed
in zynen Staat herfteld had, deed hy op de
verhevenfte plaats der ftad Jerufalem een groot en
prachtig paleys bouwen,\'twelk overal van goud .
en marmer blonk: en onder de ftaately ke vertrek-
ken die men daar zag, was\'er één dat den naem
van Auguftus, en een ander dat dien van Agrippa
voerde, die zelve alle waaren zeer groot en ruym,
zo dat een meenigte van tafelbedden in dezelve
geplaatft konden worden.
Hy begon toen te denken om weder te trou-
wCnj en dewyl hy zyn vermaak niet in verande-
ringe zócht, wilde hy eene perfoon verkiezen op
welke hy zyne ganfche geneegenheid kon zetten:
dies nam hy\'er eene enkelyk uyt liefde, hetwelk
op deeze wyze gefchiedde, Simon zoon van Boe-
thus eenen Alexandryner, die een Priefter was,
en van édelen afkomfte, hadeenedóchter van zulk
een ongemeene fchoonheyd, dat men van geen
ding meer binnen Jerufalem fprak. Het gerucht
daaraf quam ook tót Herodes, dies wilde hy haar
zien j en nooit was eenige liefde op het eerfte ge-
zigt grooter dan die welke hy tót haar kreeg. Hy
vondt niet geraaden zyne magt te gebruyfen om
haar te fchaaken, gelyk hy had konnen doen ,
doordien men hem dan voor eenen dwingeland
zou gehouden hebben j maar hy achtte dat het beft
was haar te trouwen. Dóch dewyl Simon niet
aanzienlyk genoeg was tót zodaanig een v^ermaag-
fchappinge, nóch ook van zulken ftaat die te ver-
achten was, wilde hy hem tót een groote eere ver-
heften, om hem van meerder aanzien te maaken.
Hy ontnam der halveJ^y^j Phabets zoon het Hoo-
gepriefterfchap , gaf het aan Simon, en trouwde
met zyne dóchter.
Zo dra zyne bruylóft gehouden was, bouwde
hy zeftig ftadiën van Jerufalem een zeer heerlyk
kafteel, ter plaatze daar hyde Jooden overwon-
nen had toen zy hem najaagden en hy door Antigo-
nus ter Stad was uytgedreeven. De ftand daarvan
was zeer voordeelig, zynde een kleyne berg van
een ronde gedaante, als eener vrouwe borft, niet
minder fterk dan vermaakelyk, welken hynóg
meer vercierde en verfterkte. Dit kafteel was met
rorens omringd, en men klom \'er langs tweehon-
derd fteene trappen na toe. Van binnen waaren \'er
prachtige verrrekken,dewylHerodes geene kóften
gefchroomd had om by de fterkte ook cieraad te
voegen. Beneden aan den voet zag men verfchey-
dene bevallige gebouwen, die zich te cierlyker
vertoonden door de menigte van fchoone wate-
ren, welke daar van verre door waterleydingen ge-
bragt wierden. De geheele landftreek daar om hee^
ne was zo vol van huyzen, dat ze een goede ftad
zouden hebben konnen uytmaaken , waarvan
dit kafteel op den berg gebouwd tót een flót
had konnen dienen om \'t overige te dwingen.
Toen Herodes alles in deezer voege bezórgd
had, vreesde hy niet meer voor eenige beroer-
ten in zynen Staat. De vrees voor ftrafte
waarvan hy niemand uytzonderde, hieldt zyne
onderdaanen in hunnen pligt : de mildheyd
welke hy ontrent de gemeene noodzaakelykhe-
den
fenÃ^^^i"" toegenée- veylig konnende leggen, îmâne ankers in zec
genheyd verkreeg , en de zorg die hy droeg moeten uytwerpen. Om dit ongerief voor te ko-
pmöy zyne eebnurvolken bemind te zvn. ouam men. rlppH rl^^ ».
om by zyne geb^urvolken bemind te zyn, quam
voort, uyt een vbprneemen om zich door hun
genegenheyd tegens^zyne eygene onderdaanen te
verfterken. Hy maakte zich gemeenzaam in alle
fteden, betoonde zich overal goedgunftig, en
dewyl hy een verheven gemoed had, wift hy
op zékere ontmoetingen het hart der Grooten
door zyne ftaatelykheyd ook te winnen. Aldus
wierdt hy aangenaam by al de werreld, en zy-
né voorfpoed nam fteeds toe.
Maar de\' zucht die hy had om zynen naam
vermaard te maaken, en de vrindfchap met Au-
guftus en de magtigfte onder de Romeynen aan
te queeken , bragt te wege dat hy de onder-
houding onzer gewoonten begon te verwaar-
loozen, en onze heylige wetten in veele zaa-
ken te fchenden. Want hy bouwde \'t hunner
^re fteden, ja ook tempelen, maar niet in Ju-
dea, doordien onze landsgenooten dat niet ge-
leeden zouden hebben, nademaal het by ons
een verfoeijelyke zaak is, beelden te eeren gelyk
de Grieken doen. Tót verfchooninge van dit
heylloos bedryf bragt hy by , dat het niet uyt
een vrywftlige neyginge was dat hy zulks deed j
maar tót gehoorzaaminge van de génen , welken
by niet mogt ongehoorzaam zyn: en hy won
door dat middel de geneegenheyd van Auguftus
en de Romeynen des temeer, om datzy be-
merkten dat hy om hen te behaagen niet
ichroomde de gewoonten en zeeden zyns lands
te overtreeden. Niettemin was zyn eygen
nut , en zyne fterke begeerte om zyne gedach-
remste vereeuwigen, zyn voornaamfte oogmerk
m de byfter groote kóften die hy deed in \'tftich-
ten en vercieren van die nieuwe fteden.
XIII. HOOFDSTUK.
> Herocks doet ter eere van Auguftus een prachtige ftad bouwen, welke
hy Cefarea noemt. Hy zendt hemizyne t^e.oonen Arider
en Anftobdus , welke hy by Mariamne geteeld had. Auguftu!
^ ftaat hem daarop nog nieuwe gunften toe. Oorzaak waarom He-
rodes de Elleeners zo wel bejegent.
^^ t-jErodes aangemerkt hebbende dat \'er langs
^ de zee eene plaats was, genoemd de To-
ren van Strato , welks ftand zeer voordeelig
was , deed aldaar eene ftad bouwen van een
zeer fchoone gedaante. Niet alleen waren de
paleyzen zeer pragtig , en van wit marmer
gebouwd i maar de gemeene huyzen waaren
zeer net en konftig gemaakt, en éen groote ha-
ven ge yk die van ï>ireëum , alwaar de fchepen
veyhg konden leggen, ging al \'t ander nóg te
boven. Het maakfel daarvan was verwonde-
rens waerdig, en van binnen ftonden groote
pakhuyzen om allerley toeruftingen en koop-
manfchappenm te bewaaren. Tót voltooiiin-
ge van dit werk wierdt een ongemeene arbeyd
cn overgroote kofte vereyfcht, om dat alle de
bouwftoffe daartoe van verre moft gebrast wor-
den. Deeze ftad legt in Fenicië ter plaatfe
gar men afvaart na Egipte, tuffchen Joppeen
^ora twee kleyne zeefteden, die geen veyh-
ien z^^Sn?^ T^ï ze openleggen voor
hevd Tn^V^"^\' ^y^e onftuymig-
dfrd. r.r tegen den oever aandryft,
dat de fcheepen met wtaren gclaaden daar Lt
J JL --------------------iv^i r wv^i IC-rvvj»
men, deed Herodes de haven van Cefarea hal-
vemaanswyze maaken, om \'er een groot getal van
fchepen te konnen bergen ; en om dat de zee
aldaar twintig vademen diep was, deed hy \'er
fteenen zinken van zulk een byftere grootte, dat
de meefte vyftig voeten lang, achttien breed, en
negen hoog, ja fommige nóg grooter waaren. ^Dit
gevaarte ftrekte zich tweehonderd voeten uyt, en
de helft daarvan diende om \'t geweld der gólven
te breeken : op de andere helft wierdt een muur
gebouwd, verfterkt met torens, aan welker groot-
fte die ook zeer fraai vercierd was, Herodes den
naam gaf van Drufus, Stiefzoon van Auguftus ,
een jongman die in de kracht van zyn jetigd ge-
fturven is, Daar waaren ook verfcheydene
verwulften boogswyze gemaakt, om fcheeps-
volk te herbergen. Een fraaije afdaalende
Ichuynte , die voor een mooije wandelplaats
kon verftrekken , omringde de haven, welker
ingang voorden noordenwind, de gunftigfte
van alle de winden, bloot ftaat. Ter flinker
zyde aan den ingang van de haven was een to-
ren gebouwd op eenen grooten beer, die ge-
maakt was om het geweld der baaren te keeren.
Ron^nm ^^^ ovcrtroffcn.
Rondom de haven zag men eene reeks van huv-
zen , van net gehouwene fteenen gebouwd
en op eene hoogte in \'t midden ftondt een Tem!
pel aan Auguftus toegewyd , dien men in zee
vaarende van verre kon zien; in dien tempel
waaren twee beelden, het één van Rome en
t ander van den Keyzer , ter eere van wien
Herodes deeze ftad Cefarea [óf Kcyzerftadl
noemde, die niet minder prachtig was door
haare bouwftóften, dan door de praal der cie-
raaden. Onder de grond waaren lange rioelen,
-alkan^deren allé
m de zee hepen; en dwars door dezelve lien
cr een, waardoor het water der flagrégenen^
en de vuylnis der ftad weggevoerd, In by
hooge vloed het zeewater dat onder de ftad
fpoelende alle vuyligheid met zich wegfleepte
ontvangen wierdt. Herodes deed \'er ook een\'
fteenen Schouwburg maaken, en aandezuydzv
de van de haven een groot rond fchouwtooneel
van waar men verre in zee zien kon; en dewyl
hy geen arbeyd nóch kóften aan die groote wer-
ken fpaarde, voltooide hyze in twaalf jaaren.
Naa dat deeze Vórft de twee groote fteden
Sebafte en Cefarea volbouwd had, zondt hy zyne \'
zoonen Alexander en Ariftokdus ^ welke hyby
Mariamne had geteeld, na Rome , om door
pligtpleegingen zich in \'s Keyzers gunfte te
wikkelen, die een groot vrind van He-
rodes was, had huysvefting voor hen bereyd-
maar zy hadden die met van noode, om dat
Auguftus hen daarvan verzórgde in zyn paleys.
Deeze Keyzer ontving hen met groote tekenen
van toegeneegenheyd, en liet aan hunnen va-
der de vr>Jeyd om dien van zyne zoonen wel-
ke hy zelf wilde . tót zynen naazaat te kie-
drie landlchappen , Tmchonitis, Batanea
en Auramtis, op dit vólgende voorval. \'
Zeno\'
ir^i. Zékere .Z^W^ör^J had de landgoederen van
Lyfanias in pacht, maar niet te vreede zynde
met het voordeel dat hy\'er wettiglyk uyt haaien
kon j trok hy veel grooter winft, door die van
Trachonitis, welke gewoon waaren ontrent Da-
maskus te komen ftroopen, in hunnerooveryen
te begunftigen > want in plaats van zulks te be-
letten , deelde hy met hen van den buyt. Men
klaagde daarover aan den Landvoogd Varro,
en hy ft:hreef deswege aan Auguftus , die hem
beval de wyken van die roovers uyt te roeijen,
en het landftrhap aan Herodes te geeven, op
dat hy den voortgang dier ongeregeldheden, die
anders naauwlyks te ftuyten zouden zyn, door
zyne vlyt mogt verhinderen > doordien dit
vólk, dat op roof leefde, zich niet in fteden óf
vlekken onthieldt , maar in holen , gelyk
de beeften, verzórgende zich daar met voor-
raad van water en fpyze, om eenen langen tyd
te konnen beftaan , indien men hen daar quam
beftooken. De ingang deezer holen is zo eng,
dat \'er maar één menfch te gelyk door kan,
en van binnen is \'er meer ruymte als men den-
ken zoude. De grond die hen bedekt is zo
ftecnachtig en ruuw , dat men\'er naauwlyks
op gaan kan 5 de paden na die holen loopen zo
krom en bogtig , dat menze zonder leydsman
niet zou konnen vinden : en dit vólk is zo on-
deugend , dat wanneer het anderen niet beroo-
ven kan, het malkanderen befteelt. Zo dra had
Herodes dit landfchap van Auguftus niet gekree-
cen , óf hy genaakte , met behulp van goede
leydslieden , alle die holen , beteugelde deeze
roovers , en bragt het ganfche geweft in rufte.
Zcnodorus verdrietig over zyn verlies , en uyt
haat tegens Herodes die meefter van zyn bezit
geworden was , ging na Rome om zyn beklag
deswege te doen; maar te vergeefs.
^72. Ter zelfder tyd zondt Auguftus Agrippa, dien
hy zeer beminde 5 tót Landvoogd na Afië j dies
ging Herodes hem te Mitylene daar hy den winter
over bleef, bezoeken, en keerde daarna weder
na Jerufalem. Als nu eenige inwooners van Ga-
dara by Agrippa gekomen waaren om Herodes te
befchuldigen, luyfterde hy niet alleenlyk niet na
hen, maar zondtze hem geboeid toe.
De Arabiërs die de heerfchappy van Hero-
des niet konden dulden , en al lang na gelegen-
heyd om tegen hem op te ftaan gezocht hadden,
meenden dat zy\'er toen eene gevonden hadden
die hen gunftig was: wantZenodorus, ziende dat
liet met zyne zaaken verloopen was, had het land-
fchap Auranitis, zynde een gedeelte van zyn voo-
rig gebied, voor vyftig talenten aan hen verkóft j
maar dewyl dit begreepen was onder de gift van
Auguftus aan Herodes , oordeelden zy dat hy
hen groot ongelyk deed , en beflooten het met
te verdraagen: weshalve zy hunnen eygendom
poogden voor te ftaan, fomtyds voor \'t gerecht,
en fomtyds met geweld, bedienende zich van
eenig krygsvólk dat hun voordeel uyt beroerte
2:ócht. Herodes die alle onruft poogde te wee-
ren, oordeelde het beter door zachte middelen
daarin te voorzien, dan door geweldige: maar
in \'t zeventiende jaar zyner regeeringe, als Au-
guftus in Syrië gekomen was, bragten vcele in-
wooners van Gadara zwaare klagten tegen hem
en befchuldigdcn hem dat h]? een Tiran
waartoe Zenodorus hen voornaamelyk
aandreef door belóften die hy met eede bekrach-
tigde, dat hy nooit ruften zoude , voor dathy
hen van Herodes heerfchappy verlóft, en we-
der onder die van Auguftus gebragt hadde. Maar
\'tgene hen te ftouter maakte om tegen Hero-
des op te ftaan , was dat hy deeze niet geftraft
had welke hem van Agrippa geboeid waaren toe-
gezonden : want hoewel hy ftreng tegens zyne
onderdaanen was , echter was hy zacht jegens
vreemden; dies fchroomden zy niet hem wegens
aficneevelingen, geweld en ver woefting van hun-
ne heyligdommen te befchuldigen. Herodes
zonder zich daarover te ontfteUen , bereydde
zich om zyn bedryf te verantwoorden : maar
Auguftus ontving hen minnelyk, en toonde dat
hy zich door die klagten niet had laaten bewee-
gen 5 want men fprak alleenlyk op den eerften
dag daar iets van , zonder daarnaa iets meer
daaraf te ipreeken. Toen de Gadaréners zagen
dat Auguftus cn zyne vrinden Herodes zo gun-
ftig waaren , wierden zy zo bevreefd dat ze, ge-
lyk niet onwaarfchynlyk was, in zyne handen
overgeleverd zouden worden, dat fommige zich
den vólgenden nacht doorftaken , andere zich
van boven néér v/ierpen , en zich verdronken.
Dewyl zy dan aldus zichzelven fcheenen veroor-
deeld te hebben , maakte Auguftus geen zwaa-
righeyd van Herodes vry te ipreeken. Hierby
quam nóg een ander geluk voor hem , want
Zenodorus te Antiochië aan de roode loop ge-
fturven zynde , gaf de Keyzer hem zyn bezit
gelegen tuffchen Galiléa en Trachonitis, \'twelk
al heel aanzienlyk was, omdat het Ulatha, Pa-
niade , en dc omleggende landeryen begreep.
By deeze gunft voegde Auguftus nóg een andere,
naamelyk de Landvoogden van Syrië te bevee-
len , dat zy niets dan met goedvinden van He-
rodes doen zouden. Dewyl nu Auguftus byna de
ganfche werreld beheerfchte, en Agrippa ge-
zegd kon worden de magtigfte in de regeeringe
naaft- hem te zyn, was \'t geluk van Herodes zo
groot, dat Auguftus niemand naaft Agrippa
boven hem beminde, en dat Agrippa naaft Au-
guftus niemand liever had dan Herodes. Hy
dan op de gunft van twee zulke magtige per-
foonen fteunende, verzóchten verkreeg van Au-
guftus voor zynen broeder Pheroras het Vier-
vórftendom, en leyde hem uyt zyne inkomften
honderd talenten toe, opdat hy naa zynen dood
zou konnen beftaan, zonder van zyne kinderen
afhangklyk te zyn. Thans geleydde hy Au-
guftus t\'fcheep j en ftichtte t\'zyner eere op de
landeryen van Zenodorus, dicht by Panium,
eenen prachtigen Tempel van wit marmer^ Dit
Panium is een groot hól onder eenen vermaake-
lyken berg, alwaar de Jordaan zynen oorfprong
heeft, en waar nevens een yflclyke afgrond is,
en een peyllooze kom vol water. En dewyl die
plaats reeds al vermaard was , koos Herodes
haar om\'er eenen Tempel ter eere \'van Au^-uftus
op te rechten. 0
Ten zelfden tyde ontlaftte die Vórft zyne ^74.
onderdaanen van het derde deel hunner fchat-
tingen , onder voorgeeven dat zy daardoor op
hun verhaal mogten komen van de ongemak-
A a ä ken
in
was
^70
ken 5 welke zy door den hongersnood gelee-
den hadden j maar de waare oorzaak was , om
door dat middel hun misnoegen, datzyornzy-
ne V/erken, tegen hunne.gódsdienft ftrydende,
hadden opgevat, temaatigen. Want dewyihy
voor de ge vólgen vreefde , wendde hy alle vlyt
aan om daarin te voorzien. Hy beval dat nie-
mand zich met iets anders dan zyne eygene zaa-
ken bemoeijen zoude j hy verboodt op zwaare
ilraffen het houden van byeenkomften en groote
gaftmaalen binnen Jerufalem; en hy poogde
dit gebód zo ftrikt te doen onderhouden, dat
hy verfpieders in de ftad en op de Wegen hieldt,
om op de overtreeders naauw te letten, en hen
in verzékeringe te neemen; die dan zo wel in
\'t openbaar als heymelyk na het ftcà Hyrkania
geleyd , en aldaar ter dood gebragt wierden.
Kien verhaalt dat hy zelf zich dikwils ver-
kleedde , en by nacht zich onder \'t vólk ver-
mengde ^ om te verneemen hoe het ten op-
zigte van de Regeeringe gezind was. Hy deed
degénen die zyn gedrag laakten ongenadiglyk
ftraftèn 5 en de andere met eede belooven dat
zy hem getrouw zouden blyven. Aldus wierdt
de grootfte menigte door vreeze bewoogen om
te doen wat hy begeerde 5 en hy ftelde alle
middelen in \'t werk om zulke , die niet wil-
lende zo geringeloord zyn , de ftoutheyd had-
den van daarover te klaagen, aan een kant
te helpen. Dien zelfden eed eyfchte hy ook
van Pollio den Pharifeer j van Sameas, en van
\'t grootfte gedeelte hunner leerlingen. Maar
hoewel zy zulks weygerden , echter ftrafte hy
hen niet gelyk de andere, ter oorzaake van de
achting die hy Pollio toedroeg; en hy ont-
floeg ook van dien eed degénen die wy Eflè-
ners noemen, welker gevoelens overeenkomen
met de Griekfche Filofoofen die men Pytha-
goriften noemt, gelyk wy elders aangeweezen
hebben. By deeze gelegenheyd acht ik het
niet buyten \'t beftek myner Hiftorië te zyn,
de oorzaak te verhaalen welke Herodes bewoog
zo een gunftig gevoelen van hen te hebben.
Een Eflener genaamd Manahem, die om zyn
vroom leeven van ieder een gepreezen wierdt,
cn die van Gód de gaave van toekomende zaa-
ken te voorzeggen ontvangen had, ziende He-
rodes toen hy nóg jong was naar de fchoole
gaan, zeyde tót hem dat hy nóg eens over de
Jooden heerfchen zoude. Herodes denkende
"dat hy hem óf niet kende, óf dat hy met hem
fpótte , antwoordde daarop : ,, Dat hy wel
zag dat hem onbekend was dat zyn geflacht
niet doorluchtig genoeg was om zich zulk
een geluk te konnen toeleggen. Manahem
hem met de hand op de billen flaande, zey-
de al lachgende, Ik heb \'t u gezegd, en ik
3, zeg het nóg eens : Gy zult Koning zyn, en
35 zult gelukkig regeeren , omdat het Góds
wille is. Denk dan aan deeze klapjes die ik
35 n nu geef, om u de verfcheydene verande-
55 ringen der fórtuyne voor te ftellen : en ver-
â geet nooit dat een I^oning altoos voor oogen
" ^^ w ^^ ^^ hebben de gódvruchtigheyd die
de Heere van hem vereyfcht, de gerechtig-
heyd die hy aan ieder één moet bewyzen, en
j, de liefde die hy gehouden is zynen onder-
.73
53
33
33
XV. Boek.
daanen toe te draagen. J^laar dit weet ik â
dat gy niet doen zult, wanneer gy tót zulk â
een hoogè magt zult gefteegen zyn 5 want zo â
gelukkig en roemwaerdig als gy in al \'tóve-,,
rigezyn zult, zo rampzalig zult gy weezen ,,
door uwe gódloosheyd jegens Gód , en door â
uwe ongereehtigheyd jegens de menfchen. â
Maar gy zult u voor \'C gezigt van dien Op- â
perheer van \'t heelal niet konnen verber- ,3
gen j hy zal uwe heymelykfte gedachten â
doorgronden , en gy zult op \'t laatft van â
uw leeven de uytwerking zyner gramfchap â
gevoelen." Herodes maakte alstoen weynig
werks van dat gefprék : maar wanneer hy zich
op den troon verheven, en in zulk een groote
voorfpoed zag, óntboodt hy Manahem , en
vraagde hem hoé lang zyne regeering duuren
zoude. En wanneer Manahem daarop niets
antwoordde, vroeg hy wederom , óf zy wel
van tien jaaren zou zyn. Ja, wel van twintig,
óf dertig, antwoordde de ander, zonder hem
nógtans een zeker bepaald getal te zeggen.
Herodes wei voldaan met dat antwoord , liet
hem met eerbewijfinge gaan , en toonde zich
federd altoos zeer gunftig jegens de Efteners.
Ik twyfel niet óf dit zal veelen ongelooflyk voor-
komen ; maar ik heb evenwel van myn pligt
geacht het té verhaalen 5 vermids \'er veele on-
der die gezindheyd zyn, aan welke Gód, om
hunne heyligheyd van keven, zyne geheymen
openbaart.
XIV. HO DST UK.
Herodp herbouwt dcii Tempel van Jeréfaleïn geheellyk ora hem
cierlyker te maaken.
^^ Aa alle deeze groöte daadeii ën prachtige
^ gebouwendoor Herodes gefticht, nam hy
m\'t achttiende jaar zyner regeeringe een befluyt
dat alle zyne andere verrichtingen nóg te bo-
wfS^die ^^^ ^êien Tempel te
\'erTeS was dan die
er toen Itondt j doordien hy achtte, en dat
met recht, dat alles wat hy tót dien dag toe
gedaan had , hoe uytmuntend het ook waare,
zo verre beneden zulk een groote ondernee-
minge was , dat niets zo veel zou konnen toe-
brengen om zyne gedachtenis onfterflyk te maa-
ken. Maar dewyl hy vreefde dat het vólk, te-
gen de moeijelykheyd van zulk een werk aan-
ziende, naauwlyks daartoe zou konnen befluy-
ten , deed hy \'t zelve byeenkomen , en fprak
het aldus aan:
\'t Zou noodeloos zyn ulieden alles , wat â
ik federd myne komfte tót de kroon gedaan
heb, voor te houden, want dewyl gy\'er meer
nut van getrokken hebt dan ik eere, kont gy
\'er niet onweetende van zyn. Gylieden weet
dat ik onder den algemeenen nood myne ey-
gen bekngen vergeeten hebbe om niet dan op
uwe verquikkinge te denken: en gy hebt ge-
maklyk konnen bemerken , dat onder afle de
groote werken welke ik ondernomen, en met
Góds byftand uytgevoerd heb, ik niet zo
zeer op myn eygen genoegen geZien hebbe,
als op het voordeel dat gy »er doör ontvangen
hebt, en \'t welk onze landaard tót een Koo-
ger trap rm achtinge heeft gebragt, dan zy
>> zich
f L A V I U S J Q S E iP H IJ S
33
39
39
39
39
39
39
39
99
39
>5
35
35
35
XV. Bott.
zich nóg ooit tc vóofc op gezien heeft, \'t Zou
5, dan vruchteloos weezen, tót u te fpreeken
van de fteden welke ik gefticht, en van die
welke ik in Judéa, en in de landfchappen die
â cynsbaar aan ons zyn, vercierd en verbeterd
â heb. Maar ik zal u iets voorfteften dat veel
â grooter, en van veel meer belangs is dan al
â het andere, dewyl het den dienft en phgt be-
â treft dien wy Gode fchuldig zyn. Gylieden
â weet dat de Tempel, welken onze vaderen
â naa hunne wederkeeringe uyt de Babilonifche
3, gevangenis gebouwd hebben, op zeftig cllc-
â boogslengte na zo hoog niet is als die welken
â Salomon gefticht had : dóch \'t is hen niet te
â wyten, dewyl zy hem gaern zo prachtig zou-
â den gemaakt hebben als den eerften : maar
â zynde toen onderworpen aan de Perfen, ge-
â lyk zy federd aan de Macedoniërs geweeft
â zyn, waaren ze genoodzaakt de maatregels
â te vólgen die hen van de Koningen Cyrus en
â Darius Hyftafpes zoon voorgefchreevcn wier-
den. Dóch tegenwoordig nu ik Gód te dan-
â ken hebbe voor de kroon die ik draag , voor
5, de vreede die ik geniet, voor den rykdom die
3, ik bezit, en voor de vrindfchap der Romey-
,, nen, die nu ter tyd Meefters van de werreld
â zyn, zal ik trachten hen myne erkentenis
â voor alle die weldaaden te toonen, door dit
â groot werk tót de uyterfte volkomenheyd te
b brengen."
èjj. Over dit vertoog van Herodes ftond ieder
één verfteld, want de grootheyd van dien toeleg
maakte dat de uytvoering daaraf hen onmooge-
lyk toefcheen : en wanneer zulks al niet waare,
zo vreefden zy echter dat als de Tempel zoud
afgebroken zyn, men hem niet ganfchelyk zou
konnen herbouwen 5 zulks dat zy \'t een hachlyk
beftaan oordeelden te weezen. Maar de Vórft
fprak hen moed in, en beloofden den ouden
Tempel niet te zullen aanroeren , dan naa dat
alles wat tót het bouwen van eenen nieuwen noo-
dig was j vervaerdigd zoude zyn: en hy be-
toonde het ook met de daad. Hy gebruykte
duyzend wagens om fteenen aan te voeren, ver-
zamelde alle de bouwftóffen, verkoor tienduy-
zend treffelyke werklieden, en ftelde over hen
duyzend Priefters, op zynekóften-geklecd, en
niet onkundig van metfel- en timmer-werk.
Toen alles aldus befchikt was, deed hy de ou-
de grondveften afbreeken, om nieuwe in ftcé
daarvan te leggen, waarop een Tempel van hon-
derd elleboogen lang, en honderd twintig hoog
sebouwd wierdt. Maar de grondveften federd
lezakt zynde , bleef de hoogte op honderd el-
leboogs lengte j en onze v4ders onder den Key-
zer rëro wilden den Tempel die twintigell^,
welke hy gezonken was, weer ophaalen. Dit
werk wierdt van harde witte^fteenen van vyf-
entwintigelleboogcnlang, acht hoog, en twaalf
breed, gebouwd. , ,
De eével van dit prachtig gebouw geleek naar
\' een koninglyk paleys: de twee zyden van ieder
ffével gelyk ook van de koninglyke gallcry, waa-
ren laager dan het midden ^ en het midden ftondt
zo verheven j dat die tegen over den Tempel
woonden s óf van verre quamen, het zien lan-
den al waaren zy \'er nóg veele ftadiën at. Het
B72
bouwkpnftig maakfel der deuren was \'t óverige
byna gelyk, én men Zag\'er tapyten gelpahneii
van verfcheydene koleuren, vercierd met pur-
pere bloemen en zuylen tuftchen beyde; boven
die zelve waaren onder de muUr kranftèn ófte
pinnen met guldehe wyngaardranken en druyf-
tróÃÃèn , zo aardig gewrocht dat de konft voo^
dé ftóffe niet behoefde te wyken.
Rondom den Tempel deed Herodes aiyme en
hooge wandeleryen maaken, die met de pracht
van\'t óverige overcehqüamcii, eh in cierlyk-
heyd de voorige overtroffen > zulks dat deeze
Vórft meer dan iemand anders voor hem aan \'t
vercieren van den Tempel gearbeyd heeft. Dee-
ze wandelgangen waaren beyde onderfchraagd
van dikke en fterke muuren, en zo wonder en
net van maakfel als men ooit iets gezien had.
Daar was een ruuwC fteehachtige berg, die
fchuyns aftiep ha de ftad aan de ooftzyde j eii
Salomon was de eerfte die door Góds bevél den
tóp daarvan met eenen muUr ómringde. Ook
deed Salomon den voet van dien berg, beneden
welken aan de zuydzyde een diep dal is, met
eenen anderen muur befluyten. Deeze muur
gebouwd van groote fteenen die met lood aaii
één gehecht zyn, gaat neer tót aan deii voet
van dien berg, en begrypt hem alzo ih zyn ge-
heel : zyne geftalte is vierkantig , en hy is zo
hoog en fterk, dat men hem zonder verbaalH-
heyd niet kan aanzien. Deeze fteenen, die van
een ongemeene grootte zyn, vertoonen zich vaii
buyten als een ftuk, en zyn van binnen metyzer
aan malkanderen gehecht, öm alle rampen deS
tyds te konnen vérduurCn.
Naa dat deeze muur dus hoog als den tóp des
bergs opgehaald was , vulde Salomon de gan*^
fche hólte tuflchen beyde ; zo dat het toen een
verhévene vlakte was van vier ftadiën in deri
omtrek j want ieder der vier zyden was een fta-
die lang : voorts zag men \'er een groote gallc-
ry in \'t midden der twee hoeken geplaatft.
Binnen dit vierkant was nóg een andefê
fteenen muur gemaakt om den tóp des bergs te
omringen , welks zyde na \'t ooften een dubbel-
de gallcry heeft, tegen over de poort des Tem-
pels die in\'t midden gebouwdis, welkcgaflery
verfcheydene onzer voorige Koningén zeer ver-
cierd hebben. De ganfche ommegang des Tem-
pels was behangen met buyt van onze vyanden
veroverd, en Herodes hing \'er deezen roof
op nieuws weder op , met byvoeginge Van dieii
welken hy op de Arabiërs behaald had.
Acn de noorzyde was een zeer fterke cii
vierkante toren , geboüwd door onze Ko-
ningen van \'t geflacht der Asmoneërs, die dè
Ãpperheerfchappy en het Priefterdom te gelyk
bezaten. Deezen toren hadden zy Baris ge-
noemd , omdat men het gewaad des Hoogen-
priefters , waarmede hy afleenlyk als hy óffert
bekleed is , daarin opftoot j ook deed Hero-
des dat gewaad aldaar bewaaren. Naa zyneil
dood hebben de Romeynen het ih ,hunne mao-t
gehad tót aan den tyd Van den Keyzer Tibe-
rius : maar toen Vitcllius onder zyne regeerin-
ge bezit van de landvoogdy van Syrië"
quani
neemen , wierdt hy door de inwooners van Je-
rufalem met zulk een eere ontvangen ^ dat hy,
A a a 3 om;
JOODSCHE H I S T O R !.
om zyn genoegen deswege te betoonen, van
Tibérius op bun verzoek verkreeg , dat dit
heylig gewaad weder in hunne bewaaringe ge-
field wierd, Zy genooten die gunft tót naa
den dood van den Koning Agrippa den Groo-
ten ; want toen bevalen Kaffius Longinus Land-
voogd van Syrië, en KufpiusFadus Landvoogd
van Judéa , den Jooden , dat zy \'t in den toren
Antonia zouden brengen , opdat het als te voo-
re in de bewaaringe der Romeynen zoude zyn.
Hierover zonden de Jooden gezanten aan den
Keyzer Klaudius : en de jonge Koning Agrip-
pa alstoen te Romen zynde , was daar in haar
voorfpraak by den Keyzer, zo dat hun verzoek
toegedaan wierdt ^ en men ft:hreef\'er over aan
Vitellius, die toen ter tyd over Syrië het bewind
hadde. Te voore wierdt dit kóftelyk gewaad
onder \'t zégel des Hoogenprieftersender Schat-
bez,órgeren van den Tempel bewaard } en
\'s daags voor de hoogtyden gingen zy by den
Roomfchen bevélhebber van dien toren j en
naa dat zy gezien hadden óf het zegel nóg on-
gefchonden was , ontvingen zy het gewaad
uyc zyne hand > en als de hoogtyd over was
zy \'t hem weder , en verzegelden \'t
als te voore. Die toren was toen fterk ; maar
Herodes maakte hem nóg fterker, om daar
door den Tempel te meer te verfterken , en
noemde hem Antonia ter eere van Antonius van
wieii hy zo veel vrindfchap genooten had.
Aan de weftzyde waaren vier poorten j door
de ééiie ging men na \'t koninglyk paleys, over
een aangevuld dal dat tuftchen beyde lag: door
twee andere ging men na de voorftad ; en door
de vierde na de ftad, maar men moft veele trap-
pen afklimmen tót beneden in het dal, en dan
aan de andere zyde zo veel trappen weêr op-
gaan : want de ftad legt tegen over den Tem-
pel , in de gedaante van een fchouwtooneel,
ïoopendê aan de zuydzyde in dat dal ten ende.
Aan die zelfde zyde van dit vierkant, recht in
\'£ midden , was een andere poort, en een drie-
dubbelde prachtige gallery , de Koninklyke ge-
bloemd , die zich uyt ftrekte van het oofter tót
aan het wefter dal, konnende niet langer wee-
zen dan ze was , omdat ze het geheele ruym be-
ftoeg. Dit was één van de treftélykefte werken
die men ooit gezien had : want dit dal was zo
diep , en de kap der gallery zo hoog , dat men
vandaar niet na om laag kOii zien , zonder dat
men duyzelde en dat dè oogen fchémerden.
Deeze gallery en waaren onderfteund door vier
ryen pylaaren, die op eengelykewydtevanéén
ftonden; en een fteenen muur vervulde de ruym-
te tuflchen de pilaaren van de vierde ry. Alle
deeze pilaaren waaren zo dik, dat driemannen
werk hadden éénen daaraf te omvademen,
want de omtrek van ieder was zevenentwintig
voeten, en de voet ftal had een dubbele dikte.
Daar Waaren \'er in \'t geheel honderd twêën-
^^ftig } zynde van de Korinthifche órde, en
zo treffelyk gewrocht dat men\'er zich over
verwonderen moft. Tuffchen deeze vier ryen
pilaaren waaren drie galleryen , zynde twee
daarvan, die recht tegen malkander Waaren, der-
tig voeten breed , over de vyftig hoog , en ee-
ne ftadie lang: maar de middelfte was anderhalf
maal zo wyd , en tweemaal zo hoog als de an-
dere. Men â zag in de gewelven dier galleryen
verfcheydene beeldwerken van hout zeer . wel
uytgehouwen j en hetwelffel der middelfte gal-
lery, die zo veel grooter was als de andere,
fteunde op fteene kapiteelen, die zo konftig uyt-
gehouwen , en zo net aan de zuylen gehecht
waaren , dat men de voegen niet kon zien , en
gemeend zoud hebben dat het een maakfel uyt
éénen fteen was.
Aldus was deeze eerfte omtrek gebouwd;voorts
was \'er een tweede die \'er een weynig afftondt
met een\' fteenen muur : men klom \'er op langs
^ eenige trappen , en daar was een opfchrift het
welke den vreemdelingen op ftraffe des doods
den ingang verboodt. Dit binnenfte muurwerk
had aan de zuyd-en noordzyde drie poorten
even wyd van één, en aan de Ooftzy een groote
poort door welke zodaanige die gereynigd
waaren met hunne vrouwen ingingen j maar
\'t was den vrouwen verbooden verder te gaan.
Belangende her perk dat in \'t midden deezer
twee omheyningen was , daar mogten de Prie-
fters alleen maar ingaan : want aldaar was de
Tempel gebouwd, en daar ftondt de altaar, op
welken de ófferanden geófferd wierden: invoe-
ge dat Herodes zelf, omdat hy geen Priefter
was , daar niet durfde ingaan. Want tót de
buyten werken van den Tempel, en de galleryen
befteede hy zelve zyn uytterfte vlyt, maar hy had
den Priefteren \'t maaken van dit werk aanbevolen,
en zy voltrokken \'t in achttien maanden j dóch
aan al \'t óverige wierden acht jaaren befteed.
Het vólk was ten hoogften verblyd ziende
dit groot werk binnen zulken korten tyd vól-
tooid : weshalve zy Gode daarvoor dankten,
en den Koning vervólgens den lóf gaven dien
zyn yver verdiende. Daarnaa hielden zy
een groot feeft , om de gedachtenis van deezen
\'^\'^\'-\'\'^^\'L^f^^P^l-boiiw te vieren. Herodes
offerde Gode driéhonderd ófFen , en daar was
niemand die niet eenig flagtóffer naar zyn ver-
moogen ófferde : ja \'t getal der ófferanden was
zo groot dat men \'t wel ontelbaar mag noemen,
en dit feeft quam juyft op den zelfden dag te
vallen dat Herodes begonnen had te regeeren,
welke daarom jaarlyks met groote pracht door
hem gevierd wierdt. Dit voorval nu verdubbel-
de de algemeene blydfchap. Ook ftaat my al-
hier niet te verzwygen dat deeze Vórft, behal-
ve alle deeze werken des Tempek, nóg een
gewelfde gang onder de grond deed maaken,
die van den toren Antonia tót aan de oofterpoort
des Tempels liep, by welke hy nóg eenen toren
deed bouwen, opdathy, óf andere Koningen,
by \'tonftaan van eenen oproer derwaards zou-
den konnen wyken. Men zegt dätgeduurende
den ganfchen tyd dat aan \'t herbouwen van dee-
zen Tempel gearbeyd wierdt , het nooit dan
by nacht regende, ten eynde dit heylig werk
daardoor niet yertpagd wierde. Dit hebben
wy door overléveringc van onze vaderen ver-
ftaan j en men behoeft geen zwaarigheyd te
maaken om \'er geloof aan te flaan, als men
zich zo veele andere gunften , v/elfe wy van
Góds milde en almagtige hand ontvangen heb-
ben , voor oogen ftelt.
JOOD^
j à O D S C H E H I S t O K. L
JOODSCHE
HIS T O R I
ZES T I E N D E B O E K.
XVI. Boek.
eerste hoofdstuk.
De Koning Herodes maakt eene wet , waardoor hy als een
Tiran aangemerkt wordt, Hy gaat na Rome , en haalt zyne
zoonen Alexander en Ariftobulus van daar. Saiomc zyne zufter
met haaren aanhang poogen hen haatelyk by hem te maaken.
^79\' Koning Herodes oordeelde dat
^^ ééne zyner voornaamfte zórgen ontrent de
regeeringe van zynen Staat behoorde te zyn, dat
men niet toehet dat iemand te Jerufalem , nóch
op \'t land 3 verongelykt óf beleedigd wierd,
beval hy door een nieuwe wet, dat men de die-
ven die de muuren doorbraken om in de huy-
zen te komen, als flaaven zoud handelen cn
buyten het ryk verkoopen. Dóch hy deed dit
niet zo zeer om de misdaaden te ftraftèn , als
om een oud gebruyk onder ons af te fchaffen ,
en zich alzo boven de wetten te verheffen:
want zulk een ftrafte waardoor men onder de
dienftbaarheyd van vreemden , welke manier
van leeven ganfchelyk van de onze verfcheelt,
gebragt wordt, quetft de gódsdienft meer dan
ze de gerechtigheyd handhaaft j en onze aal-
oude wetten hadden\'er genoegzaam tegen voor-
zien, beveelende dat iemand die middelen had,
het geftolene vierdubbeld zoude betaalen j en
dat zulks die niets hadden voor flaaven ver-
kóft zouden worden. Maar dewylze aan gee-
ne andere dan hunne landslieden mogten ver-
kóft worden , kon hunne dienftbaarheyd niet
voor altoos zyn , omdat het zevende jaar hen
in vryheyd ftelde. Overzulks wierdt deeze
wet zeer onbillyk geacht, en als de daad van
eenen Tiran aangemerkt, die door een ondraa-
gelyke hoogmoed meende dat het hem vry ftond
de wetten des ryks met voeten te treeden , en
nieuwe ftraftèn in te voeren: ja elk één klaagde
opentlyk daarover , en dit beftaan verwekte
eenen grooten haat tegen hem.
Te deezer tyd trok die Vórft na Rome om
den Keyzer te begroeten, en zyne kinderen , die
aldaar opgetrokken wierden , en reeds wel in
de letteroefeninge onderweezen waaren , te
bezoeken. Auguftus ontving hem met groote
tékenen van vrindfchap , en leverde hem zyne
zoonen wéder , omze met zich na hun vader-
land te voeren. Zo dra zy aldaar aanquamen
ontvingen de Jooden hen met groote blydfchap,
dewyl zy fchoon van gelaat, en fraai van leeft
waaren , en dat men niets in hen befpeurde,
\'t welk niet naar een koninglyke zwier en maje-
fteyt zweemde. Deeze toegeneegenheyd des
vólks maakte des Konings zufter Salomé, en alle
die nevens haar den j ammerlyken dood van Mari-
amne door hunne lafteringen veroorzaakt had-
den, zeer bekommerd: want zy vreefden dat in-
dien deeze jonge prinfen t\'eeniger tyd eens tót
het hoog gezag quamen , zy den dood hunner
moeder zouden trachten te wreeken. Hierom be-
flooten zy dezelfde liften tegen hen te gebruy-
ken , waarvan zy zich tegen die onfchuldige en
rampzalige Vórftin bediend hadden j om de ge-
neegenheyd hunnes vaders jegens hen daardoor
te doen verkoelen. Ingevólge van dit befluyt
«S8o.
deeden zy een gerucht loopen dat deeze Prin-
fen zyne tegenwoordigheyd niet dulden kon-
den, omdat zy hem aanmerkten als iemand
wiens handen nóg met het bloed hunner moe"
der bezoedeld waaren. Echter durfden zy dit
tegens den Koning zelven niet zeggen j maar
zy twyfelden niet óf dit gerucht zoud hem wel
ter ooren komen, en zulken haat in zyn hart te-
gen zynen zoonen verwekken, dat de vaderlyke
liefde daardoor uy tgeblufcht zoude worden.
^ II. HOOFDSTUK.
Herodes huuwelykt zyne zoonen Alexander en Ariftobulus uyt , cn
ontvangt Agrippa praditiglyk in zyn ryk.
T^ Aar dewyl deeze berókkening van Salomé
en andere bewerkers van Mariamnes dood,
als nóg geen vat op Herodes gemoed hadden,
vervólgde hy met hen zo wel te bejégenen als
zy wenfchen konden: en dewyl zy reeds huuw-
baar waaren , deed hy Alexander met Glafyra
dóchter van Archelaüs Koning van Kappado-
cië, en Ariftobulus met Berenice Salomes dóch-
ter trouwen.
Herodes ten zelfden tyde verftaan hebbende ^82,
dat Agrippa uyt Italië weder in Aflë gekomen
was, trok hem tegemoet, en noodigde hem om
wegens hunne vrindfchap in zyn ryk te komen.
en zyne vrinden met alle bedenkelyke pracht te
onthaalen. Hy voerde hem in de nieuwe fteden
welke hy gefticht had, te weeten Sebafte en Ce-
farea , waarvan hy hem de prachtigehaven toon-
de > hy bragt hem ook in de fterkten Alexandrion
Herodion en Hyrkania , alsmede te Jerufalem,
alwaar al het vólk als op eene hoogtyd gekleed,
hem met groot gejuygh te gemoet quam.
Agrippa ófterde Gode eene ófferande van hon-
derd flagtóffers , gaf aan al \'t vólk een gaft-
maal , en toonde zich zo wel voldaan over \'t ont-
haal dat men hem aandeed , dat hy verklaarde
nóg gaern eenige dagen te willen blyven, maar
dat hy, dewyl de winter op handen quam , en
\'t alzo gevaarlyk wierd zich op zee te begee-
ven , genoodzaakt was na lonië te vaaren
Dóch dit gefchiedde niet voor dat Herodes
hem en den voornaamfte van zyn »ezelfchaü
eerft met groote gefchenken begiftigd had.
III. H O O F DyTlJ"Kr~--
Herodes komt by Agrippa in Pontus met eene vloot\', waarmede hv
zyn heir verfterkt , en een gedeelte van den weg met hem wed«-
keerende, bewyft hygtootc gunft aao etlyke fteden.
^Oen de lente gekomen was verftont He- ^g
rodes dat Agrippa met zyne vloot na den
A a a 2 " Bof
ÃG^rforus iieiidt over te fteeken : Hy ging der-
halve t\'fcheep om hem te Lesbos by te komen j
maar naa dat hy Rhodus en Coös gepafleerd
was , dreef een noordewind hem na \'t eyland
Chios, al waar hy genoodzaakt wierdt eenige da-
gen te bly ven. Veele quamen hem daar begroe-
ten > welke hy met koninglyke gefchenken be-
giftigde: en hebbende gezien dat de groote en
fraaij e gallery en der ftad geduurende den oor-
lóg van Mithridates om verre geworpen waaren,
en dat de ingezétencn zich niet in ftaat bevon-
den omze , zo als zy de andere werken gedaan
hadden , weder Op te bouwen, gafhy meer gelds
dan daartoe noodig was, en vermaande hen vly-
tig te arbeyden om hunne ftad in haaren voori-
gen luyfter te herftellen.
684. Zo dra de wind omgeloopen was, ging hy
weder t\'fcheep, quam te Mitylene , en daar-
naa te Byfantium aan, alwaar hy verftondt dat
Agrippa de Cyaneefche rótfen reeds gepafleerd
was : daarop vólgde hy hem met der ipoed, en
quam tc Sinope, eene ftad van Pontus. Agrip-
pa, was niet minder blyde dan verwonderd,
ziende hem m.et eene vloot aankomen wanneer
hy \'t geenfins was verwachtende : hy ontving
hem derhalve met alle tékenen van erkenteniflè,
vermids Herodes ten blyke zyner vrindfchap
zyn Ryk en ftaatszaaken aldus verliet, om
hem zo een aanzienlyke byftand toe te brengen.
Deeze verdubbeling van geneegenheyd veree-
nigde hem dermaate, dat zy altoos tzamen
waaren, en Agrippa niets buyten kennifle van
Herodes deed: hy riep hem in alle zyne raads-
vergaderingen , gaf hem deel aan de uytvoe-
ring van alle zyne onderneemingen j en wan-
neer hy eenig vermaak , tót uytfpanninge van
zynen geeft, wilde neemen, was de Koning de
eenigfte dien hy deelgenoot daarvan liet zyn,
geevende hem alzo niet minder blyken van
vrindfchap in aangenaame en vermaakelyke,
dan van vertrouwen in wigtige en moeijelyke
zaaken. Naa dat deeze Roomfche Veldheer
de zaaken van Pontus, waarom hy zyne reyze
had ondernomen, afgedaan had, wierdt hy te
raade zynen weg over land te neemen 5 hy
doorreyfde dan Paflagonië, Kappadocië, en
groot Frygië , en quam alzo te Efefe , van
waar hy zich na Samos affcheepte. De groot-
moedigheyd en mildheyd van Herodes blecken
op deeze reystógt, door de weldaaden , w^el-
ke hy aan alle de fteden dien \'t van doen had-
den , bewees : want hy was hen behulpzaam
niet alleenlyk met geld, maar ook met voor hen
te fpreeken by Agrippa, by wien hy meer ver-
mögt dan iemand anders : en dit viel hem te
ligter, omdat die groote man zulk een edel en
verheven gemoed had , dat hy altoos bereyd
was toe te ftaan \'t gene men van hem verzócht,
mids dat \'er niemand door verongelykt
wierd. Ja hy was milder in gunften dan
Herodes zoud hebben konnen begeeren,
cn dat uyt behaagen om hem te verpligten :
en hy verleende op zyn verzoek ver-
giftènis aan de Ilicnzers , op welke hy zeer
vertoornd was. Voorts betaalde Herodes aan
des Keyzers Sehatbezórger, \'t gene die
van Chios fchuldig waaren , en bewees aan
was.
iv. hoofdstuk.
Klagten in\'t byzyn van Herodes aan Agtip pa gedaan door de Joo-
den, die in lonic woonden, en van de Grieken in \'t genói hunner
voorrechten geftootd wierden.
^o dra Agrippa en Herodes in lonië aan- ö8f.
"^gekomen waaren , quam \'er een groot ge-
tal Jooden, die in dat landfchap woonden,
hun beklag doen , dat men tót benaadelinge
der voorrechten hen van de Romeynen toege-
ftaan , en van de vryheyd die hen verleend was,
om vólgens hunne wetten te leeven, hen nood-
zaakte op de feeftdagen voor ^t gerecht te ver-
fchynen , en hen dwong ten oorlóg te trek-
ken , en gelden tót de gemeene fchattinge op
te brengen , waardoor hen \'t middel benomen
wierdt om geld tót den heyligen dienft na Je-
rufalem te zenden. Herodes willende deeze
gelegenheyd om den Jooden by te ftaan niet
laaten voorbygaan , gaf hen éénen zyner vrin-
den, gmzamd Nikoküs, om hunne zaak te be-
pieyten : en naa dat Agrippa de voornaamfte
der Romeynen die ontrent hem waaren, nevens
eenige Koningen en Vórften had doen byeen-
komen, fprak deeze vrind van Herodes hem
in deezer voege aan:
Groote en edelmoedige Agrippa, Men ,,
behoeft zich niet te verwonderen , dat ver- â
drukte perfoonen hunne toevlugt neemen tót â
zodaanige welker gezag hen verligting kan â
toebrengen in den overlaft dien zy lyden 5 â
en wy behoeven niet te vreezen dat we ons â
verzoek niet verwerven zullen , omdat wy â
niets anders begeeren dan gehandhaafd te wor- â
den in \'tgene dat u beliefd heeft aan ons toe te â
ftaan, en \'t welk onze vyanden ons poogen te â
ontneemcn, fchoon zy zo wel aan u onder wor- ,,
pen zynde als wy , het hen geenfins toekomt
zich tegen uwe wille aan te kanten. Wat
voorwendfel konnen zy bybrengen? want in-
dien de gunft welke gy ons bewyft gioot is, â
dan moet gy ons waerdig geoordeeld heb- â
ben die te ontvangen : en indien ze kleyn is,
zou \'t eene fchande voor u zyn haar niet te laa-
ten genieten by den genen dieze van uwe mild-
heyd verkreegen hebben, \'t Blykt dan klaar
dat het ongelyk dat zy ons aandoen op u
neervalt, omdat het eene verachting van uw â
oordeel is, dat men uwe weldaaden wil ver- â
ydelen, \'t welk hen dan zo veel te fchuldi- â
ger maakt. Byaldien men hen zoude vraagen â
wat zy liever wilden, óf dat men hen *t leeven â
bename, óf dat men hen belettede de wetten â
hunnes lands , hunne hoogtyden, plegtig- â
heden, en ófteranden te onderhouden, buy-,,
ten twyfel zouden zy antwoorden dat ze lie- â
ver alles zouden willen lyden , dan in die â
dingen geftoord worden. Want welke oor- â
logen vangt men niet aan , oni in \'t bezit â
van zulk een dierbaar en kóftelyk goed , als â
dat by alle vólken geacht wordt, te blyven? â
En is \'er in de vreede welke men onder de â
Roomfche heerfchappy geniet , wel iets â
zoeters , dan te moogen leeven vólgens de â
wetten zyns vaderlands ? Zy willen dan an-
deren een juk opleggen dat zy xelve niet â
35 draa^
FI.AVIUS JOSEPHUS XVI. Egekv
I alle de andere fteden byftand daar \'t noodig
5J
33
35
3»
39
39
39
^VI. BoEk. f o ó DSC H M HISTORI.
5, draagen können J gelyk als of Het minder ftooren te beletten
gódloosheyd was ons te verhinderen dat wy
Gode dien dienft bewyzen waartoe onze wet
ons verpligt, dan zelve in de pligten der góds-
dienft te kórt te fchieten. Maar daar is nóg
een andere reden die hen te meer buyten ver-
fchooninge ftelt: want is \'er Wel eenige ftad
óf vólk, zo\'t anders wel by zyne zinnen is,
dat niet als een groot geluk aanmerkt, onder
de heerfchappy van zulk een magtig Ryk , als
beroofd willen zyn En nógtans is \'t met on-
ze vyanden zo gelegen, naardien zy , poo-
gende de weldaaden , die wy van uwe goed-
heyd genieten, ons te ontrukken, afftaan van
\'t recht om deeze te bezitten welke zy vaii u
ontvangen hebben, en die ónwaardeerlyk by
hen behoorden te zyn. Want indien zynaa-
dachten de voorige tyden en dwinglandyen
van Koningen aan wieh zy onderworpen Waa-
ren , tegen datze nu in een gelukkige rufte on-
der de befcherminge der Keyzeren leeven, dan
zouden ze zich niet als onderworpene , maar
als vrye aanmerken. En hoe groot ook ons
geluk zy dat we rufte onder uwe heerfchappy
genieten, men behoort het ons nógtans niet te
benyden, omdat het eenigfte dat wy verzoe-
ken , is niet geftoord te worden in de oefenin-
ge onzer gódsdienft. Kan men ons dit met
recht weygeren , nademaal \'er voordeel in
fteekt ons het te vergunnen ? want Gód bemint
niet alleen degénen die hem eeren , maar hy
bemint ook zulke die toelaaten dat men hem
eere bewyze. En wat is \'er dóch in alle onze
wetten en gewoonten daar men met recht iets
op té zeggen kan maaken , óf dat niet vol
van gerechtigheyd en gódvruchtigheyd is,^
Zy i:yri zo zuyver en heylig, dat wy niet
fchroonïen dat al de werreld die weete. Wy
befteeden ieder zevenden dag, die by ons een
dag van rufte is, óm ons in die wetten te
oefenen 5 en wy bevinden dat ze nut zyn om
3, onze misflagen te verbéteren, en ons tót
deugd aan te fpöoren. Indien zy nu prys-
lyk uyt zichzelve zyn, behoort dan haare
oudheyd , die fommige te vergeefs beftaail
in twyfel te trekkeii, haar niet nóg veel eer-
waerdiger te maaken 5 naardien men zonder
gódloosheyd geene wetten , door de goedkeu-
ring van zo veele eeuwen geheyligd , zou
konnen verlaaten ? Hoe groot een oorzaak
van klagten hebben wy dan niet tegen zo-
daanigen die ons ziilk een groot ongelyk aan-
doen? Zy ontneemen ons door een gruuwe-
lyke kerkroovery \'t geld dat wy geeven om
ten dienfte Góds gebruykt te worden: zy
leggen öns belaftingen op waarvan wy vry
gekend zyn : zy dwingen Otis op onze feeft-
dagen wegens tydelyke zaaken voor t ge-
recht te verfchynen , en dat alleenlyk om
ons in deoefeninge onzer Gódsdienft te ftoo-
ren; in \'t welk zy te meer te laaken zyn,
omdat ze in hun gemoed weeten dat wy hen
geen oorzaak geeven om ons te haaten; en
dat zy niet onweetende konnen weezen, dat dé
billykheyd uwer regeeringe geen ander doel-
wit heeft s dan de eendragt uwer onderdaanen
33 te bevórderen , en alles wat die zou moogen
37f
Verlos ons dan 5 ó voor-,5
treftelyke Agrippa , .. van zodaanig een ver-
drukkinge j verhinder door uw gezag dat men 35
ons in het toekomende in \'t onderhouden on- â
zer wetten ontrufte; en maak dat deez die ons 5,
haaten niet meer magt ovér ons hebben, dan ,,
wy ons over hen aanmaatigen. \'t Gene wy â
van u verzoeken is zo billyk , dat het niet â
anders is dan de uytvoering van iets dat ons ,5
reeds toegeftaan is , gelyk men zien kan by ,,
zo veele Raadsbefluyten, die op kópere tafe- ,,
reelen gegraveerd , nóg in \'t Kapitolium be- â
waard worden. Men zoud ook niet konnen
in twyfel trekken, dat onze geneegenheyd en
getrouwheyd jegens \'t Roomfche vólk de
oorzaak niet geweeft zy van alle die blyken,
welke het ons van zyne yrindfchap gegeeven
heeft. En al waare \'t dat wy dié voorrech-
ten niet verdiend haddén, \'tzou genoeg zyn â
dat menze ons eens toegeftaan heeft, omze â
voor altoos onfchendelyk te doen zyn j want â
ulieder manier van bejégeninge ten aanzien ,,
onzer landaard is zo edelmoedig , dat gy in â
plaats van uwe weldaaden te befnoeijen
vermaak fchept in haar te doen aangroeijen
zelfs boven de verwachting der gener die ,,
reeds defwege aan ulieden verpligt zyn. De â
gunften welke wy van \'t Roomfche Ryk â
ontvangen hebben zyn te menigvuldig , en,,
ik zoud al te langwylig zyn , indien ik die ,,
elk byzonder zou willen verhaalen. Maar â
opdat het niet fchyne, als óf het gene ik zeg- â
ge van onzeh yver en gedienftiglieyd jegens â
\'t Roomfche vólk, ydel en zónder grond waa- â
re , zal ik niet van de voorgaahde tyden Ipree- â
ken , maar ik zal alleenlyk van onzen Ko-,,
hing melden dien ik by u gezeten zie. Want â
wat blyken heeft hy u van zyne groote toege- â
heegenheyd niet gegeeven ^ welke bewyzen ,3,
hebt gy van zyne getrouwheyd niet ontvan- â
gen ? wat eere heeft hy u niet beweezen ? â
Hebt gy wel ooit byftand van noode gehad,,,
dat hy de eerfte niet geweeft is dieze ugegee-
ven heeft ? Kont gy dan aan zo* veele zyne â
verdienften die gunft weygeren wélke wy van â
ü verzoeken ? En kan ik wel met ftilzwygen
voorbygaan dé groote dienften van zynen va- â
der Antipater Wie weet met dat toen C^- â
far den oorlóg in Egipte voerde, hy hem met,,
tweeduyzend mannen te hulpe quam > en dat ,3
niemand meier roems wegdroeg danhy, door
zyne dapperheyd in alle gevechten zo te lan-
de als ter zee betoond , zo dat niemand het
Keyzerryk met meerder nut diende ^ Daar
behoeft geen ander blyk van dan de gefchen-
ken welke Caefar hem gaf, en de brievenâ
welke hy aan den Raad fchreef, die zo vol â
van achtinge en eerbiedigheyd waaren, dat â
hy \'er groote eere, en hét Roomfch burger- â
recht door verwierf; #ant dat blyk alleen is
aenoeg om te tooüen dat wy die gunften ver-
diend hebben , en dat wy t\'onrecht zouden
vreezén dat gy weygeren zoudt die te bekrach-
tigen. Wy hoopen eerder dat gyze vermeer-
deren zult i dewyl %y zien hoedaanig uwe
vrindfchap jegens onzen Koning is, en daar-
enboven verftaaithoegy Gode te Jerufalem
j,door
3}
3»
\'33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3>
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
35
35
35
55
33
3 3ï
3 35
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
55
35
33
33
33
33
33
33
35
55
55
55
55
55
55
35
55
33
35
55
35
35
35
39
3i
door uwe ófeanden geëerd , hoegy den vól-
5, ke gaftmaalen gegeeven, hoe gunftiglyk gy
5, hunne gefchenken ontvangen , en met wat
een vermaak gy uw genoegen, over\'t onthaal
u van onzen Koning in zyn Ryk en hoofd-
5, ftad aangedaan , betoond hebt. Want wat
55 zou men meer konnen begeeren , om niet te
j, twyfelen dat gy geneygd zyt onze ganfche
?> landaard te begunftigen ? Alle deeze aanmer-
Sj kingen dan tzamengevoegd konnen die ons
5, nóg toelaaten te vreezen, dat de boofaardig-
j, heyd onzer vyanden ons van die gunften be-
3j, rooven zal, welke wy van uwe edelmoedig-
5, heyd genieten.
Nikolaüs aldus voor de Jooden gefprooken
hebbende , was\'er niet één van de Grieken die
hem tegenfprak ,, omdat het geen zaak was die
voor Rechters verhandeld wierdt, maar alleen-
lyk eene klagtevan ongelyk dat men leedt. En
die vyanden onzer landaard hadden niet an-
ders tegen ons in te brengen , dan dat wy
vreemdelingen waaren die hen tót eenen laft ver-
ftrekten. Waarop de Jooden tót antwoord
gaven dat ze voor geen vreemdelingen behoor-
den door te gaan, naardien zy burgers waaren,
â¬11 zonder iemand te verongelyken vólgens de
wetten hunnes vaderlands leefden.
V. HOOFDSTUK.
Agrippa ftaat den Jooden hun verzoek toe. En Herodes weder in
\'zyn Ryk gekomen zynde ühek zynen onderdaanen \'t vierde ded
van \'t gene zy aan liem betaalden quyt.
|It vertoog voor Agrippa ter gunfte van dc
Jooden gedaan , hebbende hem doen zien
"wat reden zy hadden om te klaagen, antwoord-
de hy dat het niet alleenlyk zyne vrindfchap
jegens hunnen Koning, maar dc gerechtigheyd
van hunnen ey fch was, die hem bewoog om hen
denzelven toe te ftaan: en dat indien zy meer van
hem begeerd hadden, hy hen niet zoude gewey-
gerd hebben dat niet naadeelig voor \'t Keyzerryk
waare. Maar dat dewyl \'t alleenlyk te doen was
om de beveftiging der gunften welke zy ontvan-
gen hadden, hy zulks zeer gewillig deed , en
ook bevél geeven zou van hen in \'t toekomen-
de niet meer tc ftooren. Naa dat hy dit ge-
fprooken had deed hy de vergadering fchey-
den , en Herodes bedankte hem voor dat gun-
ftig antwoord. Deeze twee Vórften namen
thans affcheyd van eikanderen, met groote bly-
ken van toegeneegenheyd, cn vertrokken van
Lesbos. Herodes den wind naar wenfch heb-
bende , quam te Cefarea aan, en weynig dagen
daarnaa te Jerufalem, alwaar hy al het vólk,\'t geen
ook in groote mecnigte uyt het omgelegen land
in de ftad was, deed tzamenkomen, en hen een
verhaal deed van alles wat \'er op zyne reyze voor-
gevallen was, als mede dat hy verwurven had dat
dejooden in Afië woonachtig daar in volkómene
rufte zouden leeven , zonder dat men hen meer
zou durven laftig vallen: voorts ftelde hy hen met
een ruym verhaal voor wat een geluk dat zy on-
der zyne regeeringe genooten , verzekerde hen
dat \'er niets was \'t welk hy hen te gevalle niet wil-
dedoen , en dat hy tót een blyk daaraf hen het
vierde deel der fchattingen van het voorleden
jaar quyt fchold. Deeze aanfpraak met zodaa»
VI. H O O F D S T U K.
Salomé Herodes zuftcr poogt hem tegen zyne zoonen Alexander cn
Ariftobulus op te bitfèn, Hy zendt Antipater , zoon van zyn
ectftc\'huuvvelyk , na Rome.
Ndertuffchen nam de twecfpalt in Hero- 087.
des huysgezin fteeds roe , door den onver-
zoenelyken haat van Salomé tegens Alexander
en Ariftobulus , omdat ze van haar cn haaren
broeder Pheroras naadeelig fpraken, en zy al-
zo vreefde dat ze den dood van Mariamne
wreeken zouden. Dewyl nu haar verfoeijely-
ke toeleg van de moeder aan een kant te hel-
pen haar gelukt Was , wilde zy de kinderen ook
doen fneuvelen ^ en \'t ontbrak haar aan geen
dekmantel, vermids die Prinfen maar weynig
blyk van liefde aan hunnen vader betoonden,
zo door het herdenken van den onrechtvaerdi-
gen dood hunner moeder , als door hunne be-
geerte om tc regeeren. Aldus was dan de haat
ter wederzyde gelyk, maar zy gingen ongelyk
te werk: want deeze twee broe\'ders ontveynsden
hunnen wrók niet, \'t zy dat ze ftout waaren op
hunne hooge afkomft , óf dat het uyt gebrék
van eervaarenheyd gefchiedde. Salomé en Phe-
roras daarentegen om den weg voor hunne la
fteringen te baanen, hit ften deeze Prinfen op\'
ten eynde hun vader gelooven mogte, dat zy^
uyt een gevoelen dat men hunne moeder onrecht-
vaerdiglyk ter dood gebragt had, en dat het hen
eene eere was het leeven van zulk een groote
Vórftin ontvangen te hebben, een befluyt zou-
den neemen om haaren dood met hunne eygene
handen te wreeken. Men fprak nu nergens an-
ders van door de ganfche ftad: en gelyk het gaat
onder de toekykers by de. kampgevechten , al-
met deeze Prmfen , om het gevaar waarin zy
door hunne onvoorzigtigheyd^ftonden tegera/-
ken : en Salome liet geen gelegenheyd verloo-
ren gaan, om de valfche befchuldigingen, waar-
van zy zich t\'hunnen verderve bediende , met
eenigen glimp van waarheyd te bedekken: want
de dood hunner moeder ging hen zo ter harte,
dat zy zich niet vergenoegden met hun hartzeer
door klagten te betuygen i maar zich ook lieten
ontvallen dat zy zich ongelukkig oordeelden,
omdat ze genoodzaakt waaren te leeven met
degénen die hunne handen met haar bloed be-
zoedeld hadden.
Naardien dit alles voorviel terwyl Herodes
op reyze was om Agrippa te zien , verftrekte
zyn afweezen tót vcrmeerderinge van \'t quaad.
Zo dra hy wedergekomen was , en tót deii
vólke indiervoege gefprooken had , gelyk ver-
haald is, lieten Pheroras cn Salomé niet naa
hem te zeggen, dat hy alles van zyne eygene
kinderen te vreezen had, vermids die opendyk
verklaarden dat zy den dood hunner moeder
wreeken wilden j en zy voegden \'er quaadaar-
diglyk by , dat ze door Archelaüs Koning van
Kappadocie toegang by den Keyzer hoopten
te verkrygen om hem aan te klaagen. Herodes
Wierde tc meer door dit zeggen bewoogen,
omdat
nig een gunft verzeld , wierdt by \'t vólk met
alle tékenen van erkentlykheyd opgenomen ^
en hem van elk heyl en voorfpoed toege-
wenfcht.
o;
xri. Boek. jOGDSGH
omdat hem van andere kanten diergelyke be-
richten ook ter oore quamen, en dat het hem zyn
verleeden verdriet indachtig maakte , wegens
het verlies van zyne befte vrinden, en van eene
vrouw die hy zo ongemeen bezind had. Dee-
ze ongelukkige Vórft dan willende uyt het ver-
lédene van het toekomende oordeelen, en vree-
zende Voor nóg grooter rampen dan die hem
reeds overgekomen waaren , bevondt zich in
een onbegrypelyke onruft. Men zou van hem
kohnen zeggen, dat zo gelukkig als hy buy-
tens huys was , daar alles hem naar wenft:h en
boven zyne verwachting toeviel, zo rampza-
lig was hy door zyn Inayslyk verdriet 5 invoege
dat men in zodaanig een overmaat van goed en
quaad , naauwlyks zou konnen oordeelen
welk van beyde \'t zwaarfte woög j en \'t wasbe-
denkelyk óf \'t hem niet voordeeliger gfeweeft
waare , zyn leeven in eenen ampteloozeh
ftaat in rufte door te brengen , dan eene kroon
te draagen , wier grootheyd en luyfter met zo
veel verdriets en hartzeers verzeld was.
«^85?. Naa dan verfcheydene zaaken by zichzelven
overwoogen te hebben , befloot hy den oud-
ften zyner zoonen, genaamd Antipater 5 dien
hy als een onbeampt perfoon deed optrekken,
by zich te ontbieden, en hem tót eerampten te
bevórderen : niet dat zyn voorneemen toen was
hem het ganfche gezag in handen te ftellen,
gelyk hy naderhand deed j maar hy wilde hem
tegen zyne broederen aanzetten, om alzo
liunne verwaandheyd te beteugelen , en hen
daardoor wyzer te maaken , als zy zouden zien
dat hem geen naazaat ontbrak , al waare \'t dat
hy i om hen over hunne vermeetenheyd te
ftraften , hen niet op den troon deed ftygen.
Hy ontboodt dan Antipater, gelyk als óf hy
hem zyn vertrouwde wilde maaken , en veele
zaaken van gewigt op hem laaten beruften j
maar \'t was inderdaad om den hoogmoed zy-
ner broederen te vernéderen, vermids hy dit
een gevoeglyk middel daartoe oordeelde.
Dóch\'t viel heel anders uyt: want deeze twee
Prinfen hielden zich zeer gebelgd j en Antipater
ziende hem zeiven tót grooter aanzien verheven
dan hy zich had durven belooven, poogde, ge-
lyk hy zeer doorftcepen van aard was , de eer-
fte plaats in de geneegenheyd van zynen vader
te krygen. Nadema^ hy dan wift dat de Ko-
ning quaalyk te vreede op zyne broeders was,
fen dathy aan lafteringen, die gebruykt wier den
om hen haatelyk tc maaken, ligt geloof floeg,
jpoogde hy op allerley wyze zyne arkeer ontrrent
hen nóg te vergrooten : en dit deedhy met zulk
; cèn behendigheyd , dat men hem nooit iets
t\'hunnen naadeele hoorde fpreeken : maar om
hen fchaade te doen gebruykte hy perfoonen,
die van den Koning bemind zynde by hem niet
verdacht waaren , en op welke hy zich verlaa-
ten kon, doordien hy reeds gemaakt had , dat
veele zyne gunft zóchten ; en zy maakten He-
rodes wys dathet alleenlyk uyt geneegenheyd
f\'zynen dienfte was, dat zy dus tót hem fpraken.
Aldus fpanden veele , die malkandercn in dit
werk verftonden, gezamentlyk aan, om deeze
twee Prinfen in hun verderf te ftorten, en zy zel-
ve gaven\'er hen eenige aanleydinge toe : want
E H I S T O R ï.
vermids zy niet dulden konden dat men hen zo
fmaadiglyk handelde, ontfprongen hen Ibmtvds
de traanen, en meil hoorde hen den naam hun-
ner moeder aanroepen j ook klaagden zy opent-
lyk over de onbillykheyd huns vaders. De
aanhangers van Antipater floegen naauwkeurig-
lyk acht op dit alles ; en \'t was hen niet genoeg
datzy dit aan Herodes verhaalden j maar zy
voegden\'cr \'meer by dan waar was, en vermeer-
derden door hunne quaadaardigheyd de twee-
dragt. Hy aldus door deeze liften cn lafterin-
gen meer en meer opgehitft , befloot Alexander
en Ariftobulus nóg meer te vernéderen. Ãm
dit te doen verhief hy Antipater tót nóg hoo-
ger eere, en ftondt hem op zyn verzoek toé
dat zyne hiocder in zyn paleys quam. Hy
fchreef ook Verfcheydenmaal t\'zyner begun-
ftiginge aan Auguftus , en toen hy tTcheep
ging om Agrippa , die tien jaaren Landvoogd
van Afië geweeft zyade weder na Rome keer-
de, te bezoeken, was Antipater de eenigfte
van zyne Zoonen dien hy met zich nam. Hy
verzócht Agrippa deezen zoon mede in zyii
gezelfchap te neemen, en hem Auguftus aan te
bieden , aan wien hy nevens hem groote ge-
fchenken zondt, om hem alzo in zyne gunft
te brengen. Aldus twyfelde niemand óf Anti-
pater zou, met uytfluytinge zyner broederen,
Herodes in\'t ryk vólgeii.
D / /
VII. H O O F D S T Ã K.
Antipater IihdiZynen vader 7.0 te-gen Alexander eti AriRobuIus op,
dat Herodes hen na Rome roetri en by Auguftus aanklaagt dat zy
eenen aanflag op zyn keven hadden.
T^Eeze reyze Van Antipater na Rome met
^ brieven van aanpryzinge van den Konincr
zynen vader aan alle zyne vrinden , \\vas eene
zaak van groote eere voor hem : maar \'t was
hem leed dat hy door zyn afweezen de gele-
genheyd niet had om zyne broeders ab voor-
hecne te belafteren : en dewyl hy vreefde dat
Herodes gunftiger gedachten jegens hen mogt
krygen , liet hy niet naa in zyne brieven heni
fteeds op te hitfen. Hy wendde voor dat het
uyt zórge voor zyne behoudenis was j maar de
eygehtlyke réden was om door deeze quaade
middelen tót het genót zyner hoope te komen,
en zich van de kroon te verzékeren. En zyn
toeleg gelukte hem j want Herodes verloor
alle de geneegenheyd welke hy nóg voor deeze
twee ongelukkige zoonen der rampzalige Ma-
riamne gehad had , en merkte hen voortaanjiiet
anders aan dan zyne vyanden. Maar opdat
het niet mogte fchynen als ófhy van alle vader-
lyke liefde ontbloot, uyt haat tegen hen te werk
ging , befloot hy na Rome te gaan , cn die
twee jonge Prinfen by Auguftus te brengen,
om hen aaii té klaagen. Dóch te Rcmie aange-
komen zynde vondt hy den Keyzer daar niet,
maar te Aquiléja, alwaar hy hem dus aanfprak:
5, Dat hy hem badt deernis met zyn ongeluk te
hebben : dat hy twee zoonen medegebrao-t \'
had om hen in zyne tegenwoordigheyd te be- "
fchuldigen 5 dat zy zich door heerfchzucht
tót zulk een gruuwelyke gódloosheyd had-
den laaten vervoeren , dat ze uyt haat jegens â
hunnen eygenen vader op zyn leeven toeley- â
den. Dat hem wel bewuft was dat hy hem
B b b \' -äs toe-
5ï
)y
j»
3, toegeftaan had dien van zyne zoonen tót naa-
â zaat te kiezen , wiens goedaardigheyd en
â deugd hem bequaamft daartoe maakte: maar
dat deeZe verre van die hoedaanigheden ver-
wyderd waaren, naardien hun haat jegens
5j den genen die hen geteeld had , zo overdaa-
33 dig was , dat zy \'z Ryk, ja \'t leeven zelfs
5, wel zouden willen verliezen , indien zy "er
,3 hem maar van berooven konden. Dat hy dit
55 groot verdriet zo lang als \'t moogelyk was
55 verdraagen hadde j maar dat hy zich eynde-
55 lyk genoodzaakt vondt het aan hem te ont-
55 dekken , en met zulk een onaangenaam ver-
55 toog hem laftig te vallen. Heb ik dan ver-
3, diend , ^vervólgde hy) dat zy my dus beje-
55 genen ? Wat oorzaak van klagte heb ik hen
35 gegeeven ^ En op wat grond verbeelden zy
55 zich dat het billyk zy, dat ik een ryk door zo
55 veele moeijelykheden eri gevaaren verkree-
5, gen hebbende , het niet bezitten zoude, en
55 dat het my niet vryftaan zoud om het aan dien
55 van myne kinderen naa te laaten, die my
55 door zyne deugd en gedrag de meefte reden
35 geeft om wel over hem voldaan te zyn Wat
55 is bequaamer om eenen edelen naay ver onder
33 hen te verwekken, dan aan hen alle zulk een
53 groote vergelding , als den prys hunner ver-
55 dienfte , voor te ftellen ? En kan men by
\'t leeven van eenen vader gedachten hebben
om hem in \'t ryk te vólgen, zonder ter zelf-
der tyd na zynen dood te haaken, naardien
\'c niet gebruykelyk is dat men iemand die nóg
55 leeft in de regeeringe vólgt ^ Deeze ontaar-
de kinderen , konnen ze wel klaagen, dat ik
hen niet alles gegeeven hebbe wat Konings
55 kinderen zouden moogen begeeren , niet al-
35 leenlyk wegens \'t gene noodig is , maar ook
dat tót luyfter en vermaak dient ? Heb ik
hen niet naar hunnen ftaat uytgehuuwelykt,
den éénen aan eene dóchter van Archelaüs
Koning van Kappadocië 5 en den anderen
aan mynes zufters dóchter ? Maar tót een
duydelyker blyk myner beft:heydenheyd, in
plaats vah de magt te gebruyken die ik heb
om hen te ftraften , \'t zy in de hoedaanig-
55 heyd van vader, omdat ze in alle de phgten
5, der natuure te kort gekomen zyn, óf in de
â hoedaanigheyd van Koning, doordien zeee-
â nen aanflag op myn leeven gehad hebben,
3, breng ik hen by u als onzen gemeenen wel-
doener 5 om u tót Rechter tuflxhen hen en
my te ftellen. Ik verzoek u alleenlyk hen
niet ongeftraft te laaten , opdat ik niet zo
ongelukkig ben van het óverige myner dagen
in een geftadige vreeze door te brengen , en
dat zy het vermaak niet hebben van het zon-
_ nelicht te aanfchouwen, naa dat ze door
5, zulk een gruuwelyk beftaan de onfchende-
35 lykfte wetten die \'er tuflchen menfchen wee-
35 zen konnen, met voeten vertreeden heb-
35 ben."
Naa dat Herodes aldus met groote drift ge-
fprooken had, zag men dat zyne twee zoonen,
die zich onder zyn fpreeken van traanen niet had-
den konnen onthouden, tót een groot geween
uytborften 5 want hoewel zy zich onfchuldig
kenden, echter was \'t hen een onlydelyk hart-
zeer, te zien dat hun eygcavadcr hun aanklaa-
ger was. De eerbiedigheyd die zy hem fchul-
dig waaren benam hen de vryheyd van te ant-
woorden , en nógtans lag \'er hen ten hoog-
ften aangelegen de gerechtigheyd hunner zaa-
ke niet te verlaaten. Aldus verlegen zynde
wat zy doen zouden, verdeedigden zy zich al-
leenlyk door hunne zuchten en traanen. Maar
deezc manier van zich te verweeren deed hei^
vreezen , dat men hun ftilzwygen zoud opr;ee-
men als een blyk dat zy zich fchuldig kenden,
daar \'t nógtans ontftondt uyt hunne ontftelte-
nis en kleyne eervaarenheyd. Auguftus door
zyne groote wysheyd befpeurde deezc ver-
fcheydene hartstógten wel waardoor \'t gemoed
deezer jongelingen beftreeden wierdt j alle de
omftanders wierden tót medelyden bewoogen;
en Herodes zelf wierdt \'ér door ontroerd.
33
35
55
33
33
33
33
33
33
33
33
33
3J
33
33
33
33
33
33
33
33
VIII. H O O F D S T tr K.
Alexander verantwoordt zich en "zynen broeder Ariftobulus zo wel
wegens de .misdaad die hen te lafte gelegd wierdt , dat Aiiguftuï
hen onfchuldig oordeelt, en hen met hunnen vader verzoent. He-
rodes keert met zyne drie zooneti weder na Jodéa.
\'^Oen deezc twee broeders bemerkten dat g\'pi.
Auguftus nevens alle de omftanders, ja
zelfs hun vader, met deernis over hen ingeno-
men waaren , en dat fommige hunne traanen
niet weêrhouden konden, nam Alexander, die
de oudfte was, het woord, om zich te verant-
woorden wegens de misdaaden waarvan zyn
vader hen belchuldigde , en keerende zich na
hem 5 ving hy aldus aan:
j. Daar behoeft, myn vader, geen ander â
blyk uwer goedheyd jegens ons dan deeze
plaats alleen alwaar wy ons bevinden: want in-,
dien gy ons hadt willen verderven, gy zoudt
ons voor deezen grooten Vórft niet gebragt
hebben , dic niets liever wenfcht dan den
heerlyken tytel van behouder te verdienen ,
door aan al de werreld goed te docn. Gy
hadt u van de magt, welke gy als Koning en â
vader bezit, tegen ons konnen bedienen5 en
indien onze behoudenis u niet lief geweeft
waare, gy zoudt ons niet na Rome gevoerd
hebben, om den Keyzer tót Rechter en ge-
tuyge van onzen dood te hebben. Want
men brengt zodaanige, welken men\'t leeven
\'meent te beneemen, niet in gewyde plaatfen
en tempelen. Deeze zelfde goedheyd, wel-
ke wy zo zeer genoodzaakt zyn te pryzen,
zoud onzen misdaad nóg verzwaaren indien
we fchuldig waaren, naardien zy ons verpligt â
te bekennen , dat wy , zonder ons onwaer- â
dig tc maaken van het daghcht te aanfchou- â
wen, niet konnen laaten liefde en eerbiedig- â
heyd aan zulken goeden vader te bewyzen; â
en \'t zou beter voor ons zyn onfchuldig te â
fterven , dan van zulk een groote ondankr â
baarheyd verdacht zynde!te leeven. Indien 53
Gód ons dan in onze verantwoording zo
byftaat], dat wy « van de waarheyd können ,,
overtuygen , zc^ zullen wy ons niet zo zeer â
verblyden dat wy zulk een groot gevaar zyn â
ontkomen, als wel dat we door uw eygen â
oordeel vry gekend zyn. En zo in tegen- â
deel de lafteringen, welke men gebruykt,,
om u tegen on$ op te hitfen, de over- â
hand
33
33
j, hand in uw gemoed behouden , dan zou
55 ^t vergeefs weezen dat gy ons een lee-
35 ven vergundet dat ons ondraagelyk zyn zou-
5, de. Wy bekennen dat onze jonge jaaren,
â gevoegd by het rampzalig eynde van de Ko-
55 ninginne onze moeder , ons verdacht zou
5, konnen maaken als óf wy getracht hadden
â den troon te beklimmen : maar oVerweeg
â eens, bid ik u, óf men diergelyk een aan-
â klagte niet wel zou konnen opftellen tegen
alle Konings kinderen die geene moeder heb-
ben 5 en óf een bloot vermoeden alleen ge-
55 noeg is om iemand van zulk een verfoeijely-
5, ke misdaad te overtuygen , als deeze zou
5, zyn, dat men op zyns vaders leeven toeley-
55 de 5 om in zyne plaats te regeeren. Dewyl nu
55 een vermoeden niet genoegzaam is, hebben
55 wy dan geen gelyk dat wy eenige bewyzen
55 eyfchen die bequaam zyn om aan zulk een
5, fchrikkelyke befchuldiging te doen geloof te
55 liaan ? Alhoewel \'er niets is dat de laftering
â niet verdichten kan, wanneer \'er verfchil en
j, tweedragt in de huysgezinnen der Koningen
komt te ontftaan, is \'er nógtans wel iemand
" die zeggen kan dat wy vergift bereyd, óf
"eene tzamenzweering gefmeed , óf huys-
" senooten omgekóft, óf brieven tegen uwen
\'dienft gefchreeven hebben. Maar deeze
"hoope van te regeeren, welke g.Y gf^Id
hebt als de vergeldmg van de eerbiedigheyd
3i
XVI. BÃEk;
â aardige gemoederen tót quaade bedryven
â aangepord worden : dóch wy zyn verzekerd
â dat men ons van niets zulks zal konnen
â overtuygen. Noopende de lafteringen waar-
, door gy u tegen ons hebt laaten ophitlen, hoe
zouden wy de valshéyd daarvan können aän-
getoond hebben, naardien men ons met eens
5, heeft willen hooren Wy bekennen dat we
â vrymoediglyk geklaagd hebben, niet over u,
want dat zoud ons fchuldig hebben gemaaki:,
maar over degénen die u zulke berichten aan- ,,
bragten. Wy ftaan ook toe dat wy onze moe- â
der^eweend hebben: maar de oorzaak onzer â
traanen is niet zo zeer ontftaan uyt haaren jj
dood , als wel uyt droefheyd van dat men
menfchen zo ftout zag, dat ze haare gedach- â
tenis onteeren durfden. Men zegt ook dat,,
wy by óns leeven na de kroon geftaan heb- ,,
ben. Maar wat fchyn van waarheyd fteekt jj
\'er in zulk een befchuldiging ? want indien â
wy reeds alle de eere genieten dieuwe naazaa-,,
ten zouden konnen eyfchen , gelyk wy inder-,,
daad genieten, wat zouden we meer können â
begeeiren ? En indien wy die niet genieten,
zou \'t ons niet geoorlófd zyn daarop te hoo-
pen > in plaats dat wy door \'t leeven te ver-
korten van hem aan wien wy \'t onze verfchul-
digd zyn, niet anders te verwachten hadden â
dan dat dc aarde haare kaaken openfperde om â
ons te verftinden, óf dat de zee ons m haare
kólken begroef De heyhgheyd onzer góds- â
dienft , en de getrouwheyd uwer onderdaa- â
nen zouden die konnen dulden dat men vader-
moorders tót Koningen hadde , cn hen den â
ingang toelietc in dien heyligen Tempel wel-
ken gy zelf ter eere Góds gebouwd hebt ^
Maar wanneer wy die ftraffen al niet vreesden,
zouden wyons konnen toeleggen ongeftraft te
blyven onder de regeeringe van zulken recht- â
vaerdigen Vórft als de Keyzer is. Indien gy
ongelukkiger kinderen aan ons hebt, dan u
welvaart is vcreyflchende , wy zyn daarom â
evenwel niet gódloos, nóch ook zo zinneloos â
als men u wil diets maaken. Belangende den â
dood onzer moeder, haar ongeluk behoorde
ons wyzer gemaakt, maar niet oris tegen u op- â
gehitft te hebben. Ik zou nóg veele andere
rédenen t\'onzer verantwoordinge konnen by-
brengen , indien \'t noodig waare iets tc vér-
fchoonen dat nooit in onze gedachten geko-
B b b ^ 35 men
33
3>
33
33
33
37"9
JOODSCHE H ist O Iii
m
FLAVIUS JOSEPHÃS
ne hand dat zy naderen zouden, dewylzyzich
reeds bereydden om vergiffenis van hunnen va»
der te verzoeken. Maar Herodes voorouam
hen, en omhelfde hen met zo veele tékenen van
geneegenheyd en liefde, dat alle de omftanders
daardoor bewoogen wierden. De vader en de
zoonen bedankten den Keyzer , en Antipater
geliet zich blyde te zyn over de verzoening zy-
ner broederen met hunne vader.
Eenige dagen daarnaa gaf Herodes eene (jo,
ichenkaadje van driehonderd talenten aan Au-
guftus, die toen fchouwfpelen voor \'t Roomfche
volk aanftelde, en gefchenken aan \'t zelve uvt-
deelde.^ Deeze groote Vórft fchonk aan Hero-
des weer de halve inkomft der mynen van\'tey-
K ^yP^^s, èn gaf hem \'t opzigt over de andere
neltt: hy voegde nóg eenige andere giften daar-
by , met groote betuygingen van toegeneegen-
heyd. Voorts ftelde hy ^t aan hem om uyt zyne
zoonen zodaamgen naazaat te kiezen , als hy
wilde, óf ook zyn Ryk onder hen te verdeelen.
Herodes toonde daar op aanftonds afftand te wil-
len doen, doch de Keyzer wildeniet dat zy\'er
by zyn leeven eenig bezit van hebben zouden,
omdat het niet mëér als bfliyk was dat hy altoos
meefter van zyne Staaten én kinderen bleeve.
Herodes vertrok daarnaa met zyne drie zoo- t^g^
nen wederna Judéa, zynde Trachonitis , een
aanzienlyk gedeelte daarvan , geduurende zvn
afweezen van hem afgevallen 5 maar zy^
krygsoverften hadden het gedwongen weder
tót onderdaanigheyd te keeren. Toen hy te
Eleufe, eene ftad in Gilicië, nu Sebafte ge-
noemd, doortrok, ontving Archelaüs, Komng
van Kappadocië , hem en zyne zoonen met
groote eere, en betoonde veel blydfchap dat de
twee jongfte weder in zyne gunft gekomen waa-
ren , en dat zyn fchoonzoon Alexander zich
zo wel wegens de befchuldigingen tegen hem
verantwoord hadde. Deeze twee Koningen
des tót Jerufal J aangekomlSvrs^^\'^SvalT;
t volk m den Tempel te vergaderen, en deeä
aan \'t zelve een verhaal van zyne reyze , van
de eere die Auguftus hem bewèezen had, en
van alles wat hy noodig oordeelde om \'er hen
kennis van te geeven. En tót ondcrrechtinge
zyner zoonen, vermaande hy op \'t eynde zyner
aanlpraake, alle zynehóvelmgen, ende óveri-
ge dier groote byeenkomft , dat zy in een-
dragt moftealeeyen j en hy verklaarde dat zy-
ne zoonen ria^a hem regeeren zouden, teweeten
eerft Antipatér , en ver vólgens Alexander en
Ariftobulus : maar dat zo lang hy leefde , zy
hem alleen voor hunnen Koning en Heer er-
kennen moften ; want dat het \'er zo verre van-
daan was dat zyn ouderdom hem belette wel te re-
geeren , dat die hem nóg bequaamer maakte,"
zo door een lange eervaarenheyd, welke hy
daardoor had verkreegen, als door andere voor-
deden welke hy boven zyne kinderen had: en
dat derhalve zy alle en \'t krygsvólk gelukkig
zouden leeven, indien ze op hem alleen zagen
Hierop fcheydde de byeenkomft , en de meefte
oordeelden dat hy wel gefprooken had : echter
waaren\'er fommige van een ander gevoelen, ter
por-
XVL Boek.
3, men is. De eemgile zaak dan die wy van den
3, Keyzer, onzer aller lieer en onzen opper-
â fcheydsman, begeeren, is dat indien gy u van
â de waarheyd onzer onfchuld overftemmen >
55 en den argwaan tegen ons opgevat vaaren laat,
55 wy dan leeven moogen, alhoewel ongelukkig:
^5 want kan\'er wei grooter ongeluk weezen, dan
;5 valfchelyk beticht te zyn met ééne van de al-
55 lergruuwelykfte misdaaden ? En indien gy
5) daarentegen volhardt in uwe wantrouw tegens
ï5 ons, laaten we dan door ons eygen vonnis fler-
55 ven, zonder dat men u befchuldigen kan van
5, ons ter dood gedoemd te hebben : want het
55 leeven is ons zo lief niet, dat wy \'t zouden wil-
5, len behouden ten kófte van den goeden naam
35 des genen van wien wy \'t ontvangen hebben."
Auguftus , die al van \'t begin af geen geloof
had konnen ftaan aan die miftèlyke befchuldi-
gingen, en die onder \'t fpreeken van Alexander
dikwils de oogen op Herodes geworpen, en
bemerkt had dat deeze reede hem ontroerde,
hieldt zich nu nóg meer verzekerd van de on-
fchuld deezer twee broederen : en alle die \'er
tegenwoordig waaren, hadden zulk een meê-
doogen met hen, en waaren zo bekommerd
over den uytflag hunner zaake, dat zy zich niet
wel weêrhouden konden Herodes iets quaads toe
te wenfchen : \'want de befchuldigingen fchee-
nen hen zo ongelooflyk , en de jongheyd dier
Prinfen , gevoegd by hunne fchoone geftalte,
maakte hen zo gevoelig van hun verdriet 5 dat
ZJ hen gaern alle byftand wilden verleenen die
zy konden. Deeze geneegenheyd vermeerder-
de nóg, toen zy zagen dat Alexander zo wyflyk
op \'t vertoog zyns vaders geantwoord hebben-
de, zulk een zeedigheyd het blyken , dat hy
en zyn broeder, naa dat hy opgehouden had met
fpreeken , met neêrgeflagene en weenende oo-
gen bleeven ftaan, als te voore. Eyndelyk zag
nien eene ftraal van hoope verfchynen ; want
men bemerkte op het gelaat van Herodes , dat
hy zelf oordeelde reden te hebben om zich te
verfchoonen , dat hy zo ligt en zonder bewys
;eloof geflagen had aan de berichten die hem
aangediend waaren. AuOTftus de zaak een
wTynig by zichzelven overpeynfd hebbende,
â zeyde , â dat hy die jongelingen geloofde
3, onfchuldig te zyn aan \'t gene waarmeê men
â hen bedroeg i maar dat hy hen echter niet
â kon vryfpreeken van oorzaak aan hunnen va-
5, der gegeeven te hebben om onvoldaan wegens
â hun gedrag te zyn. Voorts verzócht hy He-
5, rodes, hen weder in gunfte aan te neemen,
3, en niet meer zulk een vermoeden tegen hen
3, op te vatten, naardien het onbillyk was ge-
â loof te flaan aan diergeiyke befchuldigingen
â tegen zyne eygene kinderen. Ook gaf hy
â hem te verftaan, dat zy zich zo in hunnen
3, pligt jegens hem zouden quyten, dat hy niet
55 alleenlyk het mifnoegen, dat zy veroorzaakt
35 hadden , vergeeten zoude; maar dat hy zyne
35 oude liefde jegens hen weder zou plaats gee-
" ^^ j\' ^^^ ^^^ ^^^^^ 2;yne kant trachtende de
â onderlinge vrindfchap en \'t voorig vertrouwen
â teherltellen, hunne eendragt grooter zou zyn
f dan ooit. Naadat Auguftus aldus gefproo-
ken had , wenkte hy de jonge Prinfen met zy-
oorzaake dat de hoope van te regeeren die hy aan
zyne kinderen gegeeven had , twift onder hen
zou konnen veroorzaaken , waaruyt t\'eeniger
tyd groote beroerten zouden moogen ontftaan.
IX. HOOFDSTUK.
Herodes de ftad Cefarea volbouwd hebbende , wydt haar in ter
eere van Auguftus , en doet aldaar fchouwfpelen hset groote
pracht voor \'t vólk vertoonen. Hy bouwt ook andere fteden , én
doet verfcheydene geftichten maaken. Zyne groote mildheyd je-
gens vreemdelingen, en zyne ftrengheyd jegens onderdaanen.
\'^Er zelfder tyd wierdt de ftad Cefarea ,
waarvan men de grondveften voor tien jaa-
ren gelegd had, voltooid , zynde in \'t aehtcn-
twintigfte jaar der regeeringe van Herodes, en
in de honderd twêënnegentigfte Olimpiade.
Dewyl nu deeze Vórft de inwying daarvan met
alle bedenkelyke pracht en heerlykheyd wilde
vieren, ontboodt hy van alle kanten vermaarde
zangkonftenaars , worftelaars, en die op wed-
loopen afgerecht waaren : ook verzamelde hy
een groot getal van kampvechters, feJle bee-
ften j fnelle paerden , en alles wat gebruykt
Wordt in de fchouwfpelen die by de Romeynen
en andere vólken zo zeer in achtinge zyn. Al-
le die fpelen ftelde hy aan ter eere van Auguftus ,
en beval dat menze alle vyf jaaren zou houden.
Maar de Keyzer Auguftus, zich vergenoegende
met zyn goede wille j zond hem al het noodige
daar toe over. De Keyzerin Juha willende ook
iets toebrengen tót dit prachtig feeft, waaraan
Herodes geene kóften fpaarde, zondt hem van
Rome zo veele kóftelykheden , dat de waarde
daarvan vyfhonderd talenten beliep. Behalve ee-
jie menigte van vólk dat van alle plaatfen der-
Waards quam om deeze zeldzaame zaak te zien,
quamen\'er ook Gezanten van verfcheydene vól-
ken , welke Hcrodcs door weldaaden verpligt
had: deeze herbergde en onthaalde hy prachti^r,
vermaakte hen dagelyks met nieuwe uytfpannin-
gen 5 cn als \'t avond geworden was rechtte hy
zulke groote gaftmaalen voor hen aan , dat zy
zich over de kóftelykheyd daarvan niet genoeg
verwonderen konden^ En hy fchepte zulk een
vermaak in zyne heerlykheyd te toonen, dat hy
altoos wilde dat de glans zyner laatfte bedryven
den luyfter der eerfte uytwifchte : ja men wil
dat Auguftus en Agrippa dikwils gezegd heb-
ben , dat zyn gemoed zo verre boven zyne
kroon verheven was, dat hy over geheel Syrië
en Egipte behoorde të heerfchen.
Naa alle die vermaarde en prachtige feeften
cn fchouwfpelen , ftichtte hy eene ftad in\'t veld
Kafarfaba , op eene ftand die door wateren en
geboomte zeer aangenaam was : want eene ri-
vier , verzeld mët een bofch van zeer hooge
boomen, omringde dé plaats. Hy noemde dee-
ze ftad Antipatris , naar zynen vader j hy
bouwde onder Jericho een kafteel \'t welk hy
den naam van Cypron gaf, naar zyne moeder j
en hy deed het niet minder fterk dan fraai maa-
ken. Dewyl hy ook zynen broeder Phafaël,
dien hy zeer bemind had , niet kon vergeeten ^
deed hy tót zyner gedachteniffe eenige trcft\'e-
* D tyke gebouwen oprechten; eerftelyk eenen to-
^ierd een ren tc Jcrufalem, die voor dien van * Pharus niet
^SLde\' ^^^oefde te wyken 5 welken hy Fafaëlusnoem-
jorea la ^^» zyndc éénc vaii de voornaamfte fterkten
zébaak ts Alexandrië ia Egipte geheeten.
der ftad : daarnaa ftichtte hy in het dal van Je-
f ^ \' de zyde van \'t noorden, eene ftad dic
hy defgelyks den naam van Eafaëlusgaf, endie
oorzaak was dat de landftreek daaromheene,
\'die te voore woeft en ledig was, fraai bebouwd,
en ook met dien naam genoemd wierdt.
Het zou zwaar vaften al het goed te verhaa-
len dat deeze Vórft niet alleenlyk aan veele
fteden van Syrië en Griekenland deed , maar
ook aan vcele andere daar hy in zyne reyzen
doortrok: want hy verleende aan de meefte by-
ftand , het zy door nieuwe gebouwen welke hy
deed maaken, of door geld dat hy gaf tót voltooi-
jinge der gener die reeds begonnen waaren , en
welke men door het onvermoogen der increzé-
tenen niet had konnen voltooijen. ^
Onder alle deeze koninglyke mildheden
munten wel meeft uyt de Tempel van Apollo
Pythius, welken hy te Rhodus op zyne koften
deed bouwen j eene fomme van veelc talenten die
hy aan de Rhodiërs gaf om fcheepen te maaken -
een andere groote fomme voor de algemeene ge-
ftichten der ftad Mikópohs, welke Auguftus
by Aktium had doen bouwen : de galleryen
welke hy ter wederzyde van de breede ftraatliet
maaken die dwars door de groote ftad Antiochië
looptj en \'t beftraaten derzclve met gladde ge-
fteepene fteenen, zo tót cieraad der ftad, als tót
gerief der inwoonderen.
Nademaal de Olimpifche fpelen toen niet óof,
overeenquamen met hunne befaamdheyd , om-
dat\'er geld tót de kóften mangelde, fchikte hy
een jaarlykfche inkomft daartoe , opdat men-
ze zou konnen houden, en ófteranden doen met
zodaanig een ftaatelykheyd als by dien crrooten
toeloop des vólks , dat van alle geweften quam
om dezelve te zien, vereyfcht wierdt. En door
deeze groote mildheyd droeg men de eere van
geftadigen Opziener dier fpelen aan hem op.
Men kon zich niet genoeg verwonderen over
de groote ftrydighcden die men in deezen Vórft
befpeurde: want als men deeze zyne milde
gaaven en gefchenken aanmerkte, was men ge-
noodzaakt te bekennen dat hy zeer weldaadig
was; en als men daarentegen zag op de wreed-
heden en ongerechtigheden welke hy tegens
zyne onderdaanen pleegde, ja zelfs ontrent
zulke die den grootften toegang by hem had-
den, dan moft men noodzaakelyk zeo-o-en dat
hy hardhartig, onverbiddelyk cn vTn geen
befcheydenheyd was. Maar hoewel deeze hoe-
daanigheden zo tegen malkandercn ftryden,
dat het fchier onmoogelyk fchynt die in éénen
en den zeilden perfoon aan te treffen , echter
oordeel ik \'er anders van , cn acht dat ze uyt
eene zelfde oorzaak voortquamen ; want naar-
dien de driften, die \'t fterkfte in dien Vórft
icerfchten ^ ftaatzucht cn roem waaren, zo
dreef eene begeerte om lóf byzyn leeven te ver-
dienen, en zyne gedachtenis te vereeuwio-en ,
hem tót zulk een pracht en grootdaadi^heyd
aan: dóch dewyl zyn bezit, hoe groot het ook
was, zulke zwaare kóften niet kon draac^cn
was hy genoodzaakt zyne onderdaanen hard te
handelen, om door quaade middelen weder te
bekomen \'tgene hy door ydelheydverquifthad.
Doordien hy dan zonder te verarmen niet Jaa-
Bbb I ten
^PjT,
ten \'kóft zodaanige af knévelingen te begaan
die hem haatelyk by zyn vólk maakten , zo
bediende hy zich van hunnen haat, in plaats
van door zachte middelen hunne geneegenheyd,
te winnen : want als \'er eenige \\Vaarcn die niet
blindelings alles wat hy beval gehoorzaamden,
ön dat hy vermoedde dat zy \'t juk van die zwaa-
re dienftbaarhéyd ongeduldiglyk droegen , dan
handelde hy hen met dezelfde flrcnghcyd als
óf zy zyne dood vyanden waaren geweeft,
zonder zyne ndbeftaanden óf lieffte vrinden te
verfchoonen ^ omdat hy wilde dat men hem een
volftrekt ontzag en onderwerping bewyzen zou-
de , hoe onbillyk zyne rcgecring ook was. Men
behoeft van deeze zyne overdaadige zucht om
geëerd te zyn | geen ander blyk , dan de uyt-
fpoorige eere welke hy aan Auguftus, Agrippa,
en zynen anderen vrinden bewees; want hy be-
oogde niets anders daarmee , dan om door die
voorbeelden te toonen hoedaanig hy zelf geëerd
cn ontzien wilde weezen. Maar nademaal onze
wetten de gerechtigheyd , en niet de ydclheyd
tót voorwerp hebben , lieten zy den Jooden
niet toe de gunft en gencegenheyd van dien
Vórft te zoeken door beelden voor hem op te
rechten , tempelen aan hem toe te wyen , ^en
diergelyke vleyeryen te gebruyken , om zyne
ftaatzucht te vergenoegen. En uyt deeze oor-
zaak , zo ik meen, ontftondt het,, dat hoe
prachtiger en milder Herodes jegens de vreem-
delingen was, zo veel te onbillyker en wreeder
was hy jegens zyne onderzaaten.
X. H O O F D S T U K.
Blyken van de toegcneegetilieyd der Roomfche Keyzeren tc< de Jooden.
^ 3 ^E dien tyde wierden de Jooden die in Aftë
en Afrika woonden , en aan wien de Ko-
ningen het burgerrecht verleend hadden , zo
quaalyk gehandeld van de Grieken, die hen be-
fchuldigden dat zy het geld uyt het land voerden,
cn hen in alles tót eenen laft waaren, dat zy ^h
genoodzaakt vonden hunne toevlugt tót de ge-
rechtigheyd van Auguftus te neemen. Deeze
Vórft fchreef daarop aan de wingeweften, dat
hy begeerde dat ze in hunne voorrechten ge-
handhaafd zouden worden , gelyk men zien
kan uyt zynen brief, waarvan ik een affchrift
alhier ingevoegd hebbe , om te toonen hoedaa-
nig de toegeneegenheyd der Roomfche Keyze-
ren t\'onswaards was,
â Csfar Auguftus Oppcrpriefter en Beftier-
,5 der van \'t Gemeenebeft heeft het vólgende
â bevolen. Nademaal het Joodfche vólk niet
â alleenlyk tegenwoordig, maar ook in voorige
tyden den Roomfchen vólke getrouw en toe-
gedaan is geweeft , en voornaamelyk mynen
vader Csfar, toen Hyrkanus hun Hoogeprie-
fter was : zo beveelen wy met het goedvin-
35 den van den Raad , dat de Jooden vólgens
3, hunne wetten en gewoonten zullen leeven,
3> gelyk zy deeden ten tyde van Hyrkanus
3» Overpricftcr des opperften Góds. Dat men
,5 hunne gewyde zaaken niet zal mogen beroo-
5, ven; dat het hen vry zal ftaan het geld, dat
ze ten dienfte Góds fchikken , na Jerufalem
te zenden: dat zy niet gehouden zullen zyn
3, voor \'t Gerecht te verfchynen , op den Sab-
bath, óf \'s daags te voore na dc negende uu-,,
re op de Voorbereydinge. Dat zo iemand hun-
ne heylige boeken, óf het geld ten dienfte
Góds gefchikt, uyt die plaatfen in welke ze
pleegen bewaard te worden, wegneemt, hy
als een kcrkroöver geftraft, cn zyn goed ten
voordeele des Roomfchen vólks verbeurd ge-
maakt zal worden. Ook wil ik, dat het Be- _
ftuyt \'t geene ze tot myner eere hebben ge- â
maakt, om daardoor myne goedgunftigheyd ,,
tegens alle menfchen te betoonen , en de ver- â
dienften die C. Marcius Cenforinus by hen â
heeft te verheffen, nevens dit tegenwoordig ,,
befluyt , op een aanzienlyke plaats in den â
Tempcl van * Ancyre , welken ganfch Afië â
t\'onzer eere toegewyd heeft, gefteld worde j âff^ ^^
en dat zo iemand de ftoutheyd heeft van daar te- â ra ge-
gen te overtreeden, men hem ftrengelyk ftrafte."
Mcii ziet ook het vólgende befluyt op eenen pi-
laarinden Tempel van Auguftus uytgehouwen.
i>
5Ã
55
Gsefar aan Norbanus Flakkus, heyl. Wy â
willen dat het den Jooden , in welke ]and- â
fchappen zy ook woonen , vry ftaa, vólgens
hunne oude gewoonte , geld na Jerufalem te
zenden , om ten dienfte Góds gebruykt te ,,
worden, zonder dat iemand het verhindere."
Agrippa fchreef ook tót begunftigingc der
Jooden aldus: â Agrippa aan de Overheyd ,
den Raad, en \'t vólk van Efefe, heyl. Wy
beveelen dat de bewaaring en \'t gebruyk van het
heylig geld dat dejooden in Afië woonende,
vólgens de gewoonte hunner landaard, na Je-
rufalem zenden , hen toebehoore; en dat zo
i^and het geroofd hebbende zyne toevlugt na
éëhe vry plaatfe neeme, om daar zyne veylig-
heyd te zoeken, men \'er hem uyt haale en aan
dejooden overlévere , om de ftrafte tót kerk-
roovcry ftaande te lyden. Ook heb ik ten dien
eynde gefchreeven aan den overfte Silanus,
datmen de Jooden niet zal dwingen om op den
Sabbath voor \'t gerecht te verfchynen."
Markus Agrippa aan de Overheyden Raad
van Cyrene, heyl. Nademaal die te Cyrene
woonen ons geklaagd hebben , dat hoewel
Auguftus aan Flavius Landvoogd van Libyë
en aan de Amptenaaren van dat wingeweft, â
bevolen had, hen in volkómene vryheyd te â
laaten om het heylig geld na Jerufalem te zen- â
den , gelyk zy altyd gewoon zyn geweeft, â
daar echter quaadaardige menfchcn zyn die â
hen zulks willen beletten , onder voorgeeven â
van eenige fchattingen welke zy fchuldig,,
zouden weezen , en nógtans inderdaad niet â
zyn : Zo bevCclcn wy dat men hen in \'t ge- â
nót hunner voorrechten handhaave , zonder â
hen daarin te ftooren : en dat zo menineeni- â
ge ftad den Jooden iets van \'t heylig geld ont-
vreemdhebbe, het hen weder ter hand gefteld â
worde door zulke die men daartoe benoemen ,5
zal, en dat men in het vervólg Zorge draage â
dat zulks niet weeder kome te gebeuren.\'^
Kajus Norbanus Flakkus Onderburger-,,
meefter aan de Overheden van Sardes groe- â
tenis. Csefar heeft ons door zyne brieven,,
bevolen, te beletten dat men dejooden ftoo- â
re in de vryheyd welke zy altoos gehad heb- â
ben van geld na Jerufalem te zenden, vól- â
33 gens
JJ
55
35
33
33
33
33
«te.
nwoor-
ig An^o-
33
33
J3
33
53
5>
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33»
33
\'3 ,,
gens de gewoonte hunner landaard. Dit ver-
â pligt my deezen aan ulieden te fchryven,
â om u van des Keyzers en onze wille bericht
â te geeven.
Julius Antonius Voorburgermeefter fchreef
ook indeezervoege : âJulius Antonms Voor-
burgermeefter aan den Raad en \'t vólk van
â Efefe , heyl. Toen ik op den dertienden
âvan Sprókkelmaand in \'t Gerecht zat,
â wierdt my door dejooden, die in Aftë woo-
â nen , vertoond, dat C^far Auguftus en
3, Agrippa hen toegeftaan hadden vryelyk,
â vólgens hunne wetten en gewoonten , na Je-
â rufalem te zenden de eerftelingen die ieder
â van hen Gode wil opófferen door eene drift
â van gódvruchtigheyd en uyt eygene bewee-
jp ginge : en zy hebben my verzócht die gunft
â te willen bekrachtigen. Hierom is het dat ik
â ulieden doe weeten, datik, vólgens de wille
5, van Auguftus en Agrippa, den Jooden toc-
â laate daarin hunne gewoonte te onderhon-
den , zonder dat iemand henzalmoogen ver-
3, hinderen."" ^^wi ⢠, i ,
Naardien ik acht dat deeze Hiftori zekerlyk
in handen der Grieken zal komen , heb ik alle
deeze fchriftelyke bewyzen willen bybrengeii,
om hen te toonen dat het al vanouds is, dat ons
door \'t hoog gezag is toegelaaten geweeft de ge-
woonten onzer vaderen te onderhouden , en
Gód op zodaanig een wyze te dienen als onze in-
zettingen medebrengen. Dit is iets \'t welk ik
meen dat men niet te dikwils verhaalen kan,
om alzo de uytheemfche vólken te beweegen tót
het afleggen van dien haat, welken zy ons zon-
der oorzaak toedraagen. Daar istóch geen vólk
op aarde j dat in zyn geheel volkomen in alles
overftemd, maar elke ftad heeft byna haar eyge
leevenswyze en gebruiken, die veel van anderen
verfchilleH. Maar het geene regt en billyk is
heeft over al en jegens een yegelyk plaatfe , by
de Barbaaren zo wel als by de Grieken. Onze
wetten nu bekragtigen ook \'t geen regt en billyk
is, en nootzaaken ons aldus, zo wy die zelve
onfchendbaar willen onderhouden, jegens een
yeder ons wel en vriendelyk te gedraagen. Hier-
om bid ik hen dat zy ons niet haaten omdat onze
leevens manier van de hunne veifcheelt 3 maar dat
ze ons liever beminnen om onze liefde tót de
deugd , die alle menfchen behoorde gemeen te
zyn, en zonder welke men nietgelukkigleeven
ikan. Dóch ik zal den draad onzer Hiftori©
hervatten.
XL ITo^^ T U KT~"""
Herodes doet Davids graf openen om\'er geld uyt te haaien, enxvordt
ran G6d geftraft. Tweedragt en onlüft m zyn- huys. Zyne
wEtedhsdeu veroorzaakt door zyn mistrouwen, en de quaadaat-
digheyd van Antipater. Hy doet zynen zoon. Alexander lu dc ge-
vangenis zetten.
\'^^Ademaal de overdaadige kóften door He-
rodes zo binnen als buyten zyn ryk ge-
maakt, zyne fchatkift uytgeput hadden, en dat
hy wift dat Hyrkanus zyn voorzaat drieduy-
zend talenten zilvers uyt Davids graf had geno-
men, geloofde hy dat\'er nóg welzo veelfchats
overig was , dat het genoeg zou zyn om uyt te
voeren alles wat hy begeerde j en daarom was
hy allang in overleg geweeft om zyne toevlugt
tót dat middel te neemen , gelyk hy ook eynde-
lyk deed. Hy ftelde alle noodige voorzórg in
\'t werk om te beletten dat het vólk eenige ken-
nis daaraf kreege , en deed tót dien eynde het
graf by nacht openen , gaande alleenlyk met
zynè vertrouwdfte vrinden daarin. Dóch hy
vondt ^er geen geld, gelyk Hyrkanus ,^maar
veel gewerkt goud 5 zo vaten als andere traaije
dingen , al het welk hy deed wegbrengenj en
dewyl zyne begeerte om meer te bébben daar-
door óntyonkt wierdt , :^eval hy alles te, door-
zoeken tót aan de doodjC;iÃen van David eh Sa-
lomon : maar men zegt dat\'er eene \\4am üyt-*
floeg welketwee yan zyije lyfwacht verteerde,
Vk Tcrfckiktc hem 5 tn om toor deezen roof
te
haatte Salomé doodelyk , 7.0 uyt liefde tót haa-
ren gemaal Alexander , als omdat ze nier ver-
draagen kon dat zy aan haare dóchter die met
Ariftobulus getrouwd w as, de zelfde eere deed
bewyzen, als aan haar.
Pheroras verzwaarde deeze tweedragt ook
nóg , doordien hy aan Herodes reden gaf om
hem te verdenken en te haaten , verrnids hy
weygerde zyne dóchter te trouwen uyt vreeze
dat hy dan eene dienftmaagd, waarophy byftef
verzót was, zou moeten verlaaten. Deeze ver-
fmaading fpeet den Koning geweldig 3 want
niets kon hem meer fmarten , dan te zien dat
een broeder , dien hy door zo veele weldaaden
verpligt, en doof \'t gezag dat hy hem verleen-
de , eenigiïns deel aan zyn kroon gec^eeven
had , die toegeneegenheyd zo ftecht beant-
woordde : dóch ziende dat hy hem van zyne
dwaasheyd met geneezen kon , gaf hy deeze
Prinfés aan den zoon van Phafaël, zynen oud-
ften broeder, ten huuwelyk. Eenigen tyd daar-
naa toen hy dacht dat Pheroras zyne luft ge-
boet had , en aan de reden meer plaats zoude
geeven, verweet hy liem zyn onfatfoenlykge-
drag , en boodt hem zyne andere dóchter Cy-
prpsaan. Pheroras ging daarop met Ptoloméus
te raade, die hem zeyde dat hec een zinneloos
beftaan was dat hy zich. dus door een fchande-
lyke drift had laaten vervoeren , en dan nóg
zou willen voortgaan met den Koning zynen
broeder, die hem zynen eerften misiiag ver-
geeven had, op nieuws te beleedigen , en alzo;
in zyne haaten ongenade te vallen , in plaats
van zyne vrindfchap te behouden. Pheroras
door deeze rédenen overftemd, zondt dié
vrouw , by welke hy eenen zoon had, weg,
en beloofde den Koning met eede, haar nooit
meer te zullen zien , en binnen eene maand de
Prinfés zyne dóchter te trouwen. Maar toen
die tyd gekomen was vergat hy alle zyne belóf-
^^^i Juf ^^^^^^ ^y zich , en toon-
de zich zo verhefd op haar a\'ls ooit te voore.
Herodes door dit bedryf ten hoogften getercrd,
kon zynen toorn zo niet bedwingen , óf me-
nigmaal ontfiiapten hem woorden die \'er bly-
ken van gaven: en \'t onbrak niet aan menfchen
die hem zo afkeerig van Pheroras ziende, hem
door lafteringen nóg meer ophitften. Aldus
ging\'er naauwlyks een dag, ja fchier niet een uur
voorby, dat hem geen nieuwe ftóft-e van onluft
verfchaft wierd door die verdeeldheyd , en
door de geftadige twift van perfoonen die hem
zo ni beftonden. De haat van Salomé jegens
Mariamnes kinderen was zo ongemeen, dat zy
niet dulden kon dat haare eygene dóchter , die
aan Ariftobulus getrouwd was , in vreede met
haaren gemaal leefde: ja zy vergde haar dat ze de
geheymfte praatjes die zy tzamen hielden, aan
haar vertellen moft : en indien \'t gebeurde dat
â \'er eenig kleyn krakkeel tuffchen hen ontftondt,
gelyk dat een gemeene zaak is, zo poogde zy
in plaats van haar ter neêr te zetten , haar ge-
moed door oprókkening te verbitteren, en be-
â geerde ook van haar te weeten wat\'er ai tuf-
fchen de broeders omging. Hierop verhaalde
deeze Prinfés, daf als zy aÃeen waaren zy dik-
wils van de Koningin hunne moeder fpraken,
en
tc boeteft deed liy aan den ingang van \'t graf
een prachtig gedenkteken van wit marmer op-
rediten. Nikoiaüs , die de Hiftori van dien
Vórft, befchreeven heeft, maakt gewag van dit-
werkftuk > maar niet dat Herodes in dat graf
gegaan was r dewyl hy geoordeeld heeft dat
zulks liem naadeelig mogt zyn. Zo heeft liy
ook gedaan ontrent alles wat dien Vórft betreft j
want naardien hy zyne hiftori by zyn leeven
fchreef,,; heeft de begeerte om hem te behaagen
hem van geene andere zaaken döèn Ipreeken
dan die tót zyn^n roem ftrekken konden. â Hier-\'
om verheft liy zyne goede daaden met grooten
lóf, bedekt zo veel als moogelyk is de onbil-
lyke , óf ten minften poogt haarte verbloemen, ja
tracht zelfs de wreedheden jegens Mariamne en
haare zoonen gepleegd door glimpige voor-
wendfelen te verfchoonen, ftellende haar voor als
eene onküyfche, en de zoonen als zulke die eenen
toeleg op \'t leeven van hunnen vader hadden.
Men zou dien fchryver eenigfmts konnen ver-
fchoonen , als zynde zyn.onderdaan, en die niet
zo zeer daar op heeft toegeleyt om eén waar en
oprecht verhaal van zaaken te geeven j als wel
om te fchryven \'t geen de Koning mogt behaagen.
Maar wat my aangaät, die de eere heb van uyt
de Asmoneëfche Vórften gefprooten te zyn, en
de Priefterlyke waardigheyd te bekleeden, gelyk
ik \'t my fchaamen Zou leugens te fchry ven-, zo ver-
haal ik de zaaken oprecliceiyk, en meen niet dat
het tótbeieediginge der Koningen, dieafkom-
ïlig van.Hérodes zyn, ftrekken kan, dat ik de
klaarheyd hooger achte dan haare gunft ^ indien-
e dit myn beftaan niet wel mogten opneemen.
Van dien dag af dat Herodes de eerbiedigheyd
die men aan de heyligheyd der graven fchuldig
is , gefchonden had , nam de onruft van zyn
huys fteeds toe , \'t zy, door eene wraak des He-
mels die dat verdriet verzwaarde, óf dat het by
geval géfchiede in eenen tyd dat men de óorzaak
aan diert gepleegden roof kon toefchry ven. Een
inlandfche oorlóg ontroert eenen Staat niet
dan de driften van verfcheydene party-
w
ze
700
meer
en het Hóf van eenen Vórft beroeren. Maar
Antipater was afgerecht op liften om zyne broe-
ders in hun bederf te ftooten j hy deed hen van
valfche misdaaden betichten, en door eene
quaadaardigheyd, die hoe bedekter , des te ge-
vaarlyker was , namhy dikwils op zich hen te
verdeedigen, om dóór dien fchyn van liefde hen
te ligter te onderdrukken, en den Koning hun-
nen vader te bedriegen, die hem aanmerkte als
den eenigfte wien zyne behoudenis ter harte ging.
Hieroni beval Herodes aan ftolomém , zynen
voornaamften Staatsdienaar, niets ontrent de
ryksregeering te doen, dan met Weeten van An-
tipater : ook gaf hy kennis van alles aan zyne
moeder 5 en Antipater bediende zich van dat
vermoogen dat hy op zyn gemoed had, om al-
le zodaanige , uvt Welker ongenade zy voordeel
re gemoet zagen , haatelyk by hem te maaken.
Alexander en Ariftobulus daarentegen , wel-
ker hart met de hoogheyd van hunnen afkomft
overeenquam , konden niet dulden dat zy zo
onwaerdiglyk gehandeld wierden van zulke die
zo veel mmder waarèn dan zy. Hunne vrou-
wen waaren van \'t zelfde verftand : en Glafyra
t
en eenen afkeer ^\'\'an hunnen vader betoonden:
zeggende dat indien zy ooit tót de kroon qua-
men j zy aan de zoonen van Herodes welke hy
by zyne vrouwen geteeld had , geen andere
ampten dan die van Schryvers op de dórpen
zouden geeven , waartoe hunne letteroefening
hen alsdan wel te ftade zou komen j en dat in-
dien zy zagen dat de wyven van Herodes zich
met de vercierfelen hunner moeder optooiden,
zy haar niet anders dan haaire kleederen zou-
den geeven, en haar doen opfluyten in eene
plaats daar ze nooit zon óf maan zien zouden.
Salomé liet niet naa dit alles weder aan Hero-
des te verhaalen : Hy hoorde het met hartzeer
aan , dóch wilde evenv/el liever trachten zyne
zoonen te verbéteren, dan hen daarover ftraften.
Invoege dat hoewel hy dagelyks verdrietiger
wierdt, en ligt geloof floeg aan de vertellingen
die men hem deed, hy echter zich vergenoegde
met hen daarover tebekyven, en zich met hun-
ne verantwoordinge voldaan te toonen.
Dóch deeze wonde die geheeld fchsen , brak
wel haaft weder open 5 want Pheroras zeyde tót
Alexander, dathy uyt Salomé verftaan had, dat
de Koning zo verliefd geworden was op de Prin-
fés Glafyra zyne gemaalin, dat het hem onmoo-
gelyk was die zucht te overwinnen. Deeze woor-
den vervulden dien Prins met zulk een jaloezy,
dat hy federd alle de blyken van geneegenheyd,
welke Herodes, hem ten gevalle, aan zyne
fchoondóchter betoonde, verkeerd opnam, en
ten quaadfte duydde : ja zyn verdriet wierdt
20 groot, dat hy \'t niet langer konnende ver-
króppen , by den Koning zynen vader ging,
en hem met traanen verhaalde wat Pheroras
hem gezegd had. Nooit was iemands ver-
baasdheyd grooter dan die van Herodes 3 en
\'t fmartte hem zo gevoeliglyk, dat hy zich dus
valfchelijk van zulk een verfoeijelyk misdryf be-
fchuldigd zag, dat hy niet dan klagte op klagte
deed over de fchrikkelyke boosheyd zyner na-
beftaanden , die alle de weldaaden van hem ge-
nooten , aldus met ondankbaarheyd betaalden.
Thans ontboodt hy Pheroras , en zeyde tót
hem met een verbólgen gelaat: â Gy boofwicht
3, en fnoodfte van alle menfchen ! Erkent gy
dus de gunften die gy van my ontvangen
â hebt ? Hoe hebben in uw gemoed konnen
35 ingang vinden , en uyt uwen mond voortko-
men, gedachten en woorden die mynen goe-
den naam zo quetfen, en zo ftrydig tegen
de waarheyd zyn ? Maar ik begryp wel waar
ay op doelt. \'C Is niet alleenlyk om my te
" bdeedigen dat gy zodaanig een taal tegen
mynen zoon gevoerd hebt, maar gy hebt
hem trachten te beweegen om my door ve-
.. nyn om den hals te helpen. Want wat zoon,
3) hy niet van een meer als gemeen goeden
â inborft was , zou können verdraagen dat zyn
â vader hem zulken bitteren hoon aandeed,
â zonder zich daarover te wreeken ? Dunkt u
â dat het veel verfcheelt óf men hem zulk een
,, jaloezy inblaaft, dan óf men hem een zwaerd
â in de hand geeft om my te dooden ? En wat
â hebt gy\'er dóch mêe voor, datgy 5 onder
j, den fchyn van te beminnen, die twee broeders
3> die gy haat, dien dekmantel zoudet gebruy-
3\'f
ken om my zodaanig een blaam op te leggen
die maar alleen in zo ccn hart en gedagten als â
de uwe komen kan.^ Gaa weg, ondankbaare, â
die alle menfchelykheyd ontrent uwen wel- â
doener en broeder uytgefchud hebt. Het ver- â
wyt van uw geweeten mag u al uw leeven lang â
tót ecncn beul verftrekken > want ik zal my â
vergenoegen met uwe boofaardigheyd door â
myne goedheyd te befchaamcn , zullende u â
niet ftraffen gelyk gy verdient, maar u met cc- â
ne zachtheyd handelen waarvan gy u onwacr- â
dig gemaakt hebt."
Pheroras niet konnende zich verontfchuldi-
gen van eene misdaad waarvan hy zo klaarlyk
ovcrtuygd was , wierp de fchuld op Salomé,
zeggende dat zy \'er de oorzaak van was. Zy
aldaar tegenwoordig, en niet minder gcveynfd
en liftig dan quaadaardig zynde , hieldt ftoute-
lyft ftaande dat men haar valfchclyk bedroeg, en
riep dat het fcheen als óf al de werreld aangc-
fpanncn had om haar haatelyk by den Koning
te maaken , en hem tc beweegen dat hy haar
aan \'t leeven quam, omdat haare zucht tót zynen
dienft haar zórg deed draagen om hem voor de
gevaaren , waarmede hy gedreygd wierdt, te
behoeden > en dat Pheroras haar meer dan ooit
haatte, vermids zy alleen de oorzaak geweeft
was, dat hy die vrouw, welke hy onderhieldt,
weggezonden had. Aldus fpreekende rukte zy
haar zelve dc haairen uyt het hoofd , en floeg
op haaren boezem 3 en alhoewel het niet dan
vcynzery was, nógtans meende ieder, die haare
ftreeken niet konde , dat zy de waarheyd fprak.
Ondcrtuftchen vondt Pheroras zich zeer verle-
gen, want hy kon niet ontkennen dat hy dierge-
lyk een gefprék met Alexander gehouden had,
nóch ook bewyzen dat het van Salomé voort-
gekomen was. Zy krakkeclden lang tzamen,
hy om haar tc befchuldigen , en zy orn zich tc
verantwoorden, tót dat Herodes eyndelyk
moede van hun gekyf, hen beyde wegjoeg, en
zynen zoon wegens zyne befcheydenheyd, en
dat hy zyn hartzeer aan hem ontdekt had,
zeer prees : en dewyl het reeds laat geworden
begaf hy zich ter tafel. Elk saf Salomé
701,
was
ongelyk , en men twyfelde niet óf zy had die
laftering verzierd. De vrouwen des Konings
die haar om haaren quaaden inborft, en veran-
derlyken aardt, haatteden , poogden haar alle
quaade dienften by hem te doen die zy konden.en
om haar voorneemen te beter te doen gelukken,
bedienden zy zich van het vólgende voorval.
In Arabië heerfchte alstoen Obodas , een
onachtzaam Vórft dic niet dan zyne rufte be-
minde 3 en Sylleiis , die bequaam , wel ge-
maakt , cn op \'t beft van zyn leeven was , re-
geerde onder zyn gezag, \'t Gebeurde dat deez
iïy den Koning Herodes quam om over eenige
zaaken met hem te handelen 3 cn houdende zyn
avondmaal eens met hem en Salomé , bevondt
hy haar zo naar zynen zin , dat hy verftaan
hebbende dat zy weduwe was, haar aanfprak
van een huuwelyk. Zy die behaagen in Syl-
leus had , ftoeg zynen voorflag niet af, omdat
zy wel wift dat ze by haaren broeder zo wel
niet meer gezien was. Zy vervólgden onder-
tuffchen tzamen te eeten , cn men kon gemak-
C c c Ivk
lyk bemerken dat zy eikanderen geen quaad
hart toedroegen. De vrouwen des Konings
heren niet naa hem die nieuwe liefde te ver-
tellen , en \'er meê te boerten : dies beval hy
Pheroräs acht op hen te géeven 5, en deez ver-
haalde hem dat het uyt hun gezigt en wenken
hgt te befpeuren was, dat zy eikanderen heel
wel verflonden. Herodes twyfelde toen niet
meer aan de zaak ; cn Sylleus vertrok : dóch
twee óf drie maanden daarnaa quam hy weder,
en verzócht Salomé van hem ten wyve, zeg-
gende dat dit huuwelyk hem voordeelig zou-
de zyn wegens den koophandel van zyn ryk
met Arabië , waarvan de kroon op hem ftondt
te komen , en de regeering reeds voor een ge-
deelte aan hem vervallen was. Herodes hieraf
tót zyne zufter fpreekende , toonde zy zich
bereyd daartoe ^ \'t welk hem tót Sylleus deed
zeggen, dat hy zyn verzoek zou toeftaan,
mids dat hy de Joodfche gódsdienft aanname.
De Arabier antwoordde dat hy zulks niet doen
kon, omdat zyne landsgenooten hem fteenigen
zouden : en aldus wierdt de zaak afgebroken.
Fheroras befchuldigde Salomé daarnaa, dat zy,
geyl en dartel zynde , weynig zórg gedraagen
had voor haaren goeden naam; en de vrouwen
des Konings zeyden ronduyt, dat zy dien vreem-
deling mets geweygerd hadde.
702. Herodes eenigen tyd daarnaa door Salomês
verzoek aangepord, befloot aan den zoon,
dien zy by Koftobarus gekreegen had, deFrin-
fés zyne dóchter, welke Fheroras uyt liefde tót
zyne dienftmaagd geweygerd had te trouwen,
ten huuwelyk te geeven. Maar Fheroras ont-
raadde het hem , zeggende dat die jorgeling
haar nooit beminnen zoude , om de wróiv we-
gens den dood van zynen vader : dat het derhal-
ve beter waare dat hy die Prinfés aan zynen zoon
gaf, die ook de eere had van \'s Konings neef
tc zyn, en die in zyn V iervórftcndorn ftondt te
vólgen. Herodes keurde dien voorflag goed,
gaf zynen dóchter honderd talenten tót eenen
bruydfchat, en verleende aan Fheroras vergif-
fenis van zyn voorig misdryf
703, Ondertuflehen hielden de onluften in Hero-
des huysgezin niet op, maar namen toe, uyt zé-
kere voorvallen waaraf de beginfelen fchande-
lyk, en de gevólgen doodelyk waaren. Deeze
Vórft had drie gefneedenen welke hy zeer be-
minde , omdat zy fraai van lyf en leeden waaren :
de één was zyn Schenker, de ander zyn Hóf-
meefter, de derde zyn eerfte Kamerdienaar 3 en
hy bediende zich van hen, zelfs in dc gewigtig-
fte zaaken. Inmiddels verhaalde men\'^hem dit
Alexander hen door een groote fomme gelds om-
gekóft had : hierop deed hyhen ter fcherpevr aa-
ge brengen > en zy bekenden dat het waar was,
dat zy Alexander ten dienfte hadden geftaan,
maar looghenden dat hy hen had willen bewee-
gen om iets tegen den Koning te onderneemen.
Men bragt hen dan ten tweeden maale ter pyni-
ginge, en taftte hen zo fel aan, om Antipater te
behagen, dat zy de pyn niet konnende uytftaan,
zeyden dat Alexander den haat, dien hy altoos
tegens den Koning zynen vader gehad had, nóg
in zyn hart behield en dathy hen vermaand had
dat zy nem verlaaten zouden, alsecn menfch die
voortaan onbequaam tót eenige zaak was, we-
gens zynen ouderdom, dien hy zo veel hy kon
poogde te bedekken door zyn haair en baard te
verwen:, dóchdat zo zy hem wilden aanhancren,
hy hen beloofde tót de voornaamfte ampten te
zullen verheffen, zo dra hy tót de regeeringe
zoude gekomen zyn j \'t welk niet miflén kon hem
haaft te beurt te vallen, al waare \'t ook dat zyn
Vader \'t niet wilde toelaaten, omdat behalve dat
het Ryk hem door zyn geboorte-recht toequam,
alles reeds gefchikt was om hem in \'t bezit daar-
van te ftellen > en dat veele zyner vrinden en over-
ften bereyd waaren om alles om zynent wille te
^ftaan en uyt te voeren. Dit bericht maakte
Herodes zeer vergramd, en bragt hem te gelyk
een groote vreeze aan 5 want zyn moed kon met
dulden, dat zyn zoon zulk een fchampere taal
pude voeren, en hy vreefde dat hy het gevaar
twelk hem dreygde met tyds genoeg zou kon-
nen voorkomen. Echter oordeelde hy \'t onge-
raadeneen openbaar onderzoek te doen, maar
vondt goed heymelyk eenige perfoonen, waarop
hy zich verlaaten kon, te gebruyken, om achter
de zaak te komen. Ondcrtuflêhen mistrouwde
hy ieder één, cn achtende dat zyne veyligheyd
van die wantrouw afhing, hieldt hy veele heden ,
die geheel onfchuldig waaren, verdacht: ia hoe
nader iemand hem beftond, des te meer vreefde
hy voor hem als eenen die bequaamft was om iets
tegen zynen perfoon te beftaan. Noopende zul
ke die geenen toegang by hem hadden, \'t was cre-
noeg hen te betichten, om hem tót hun doSi-
vonnis te beweegen. Invoege dat het eyndelyk
daartoe quam, dat zyne huysgenooten, geloo-
vende zichzelven niet veylig te zyn, \'t en waare
zy andere ten verderve bragten, hunne makkers
befchuldigdcn 5 en daarnaa van andere befchul-
digd wordende, op hunne beurt naar verdienfte
dezelfde ftraften leeden welke zy aan onfchul-
flrtf^^^^^^^^ alzo in even
loonen, die van geene misdaad overtuygd wS-
ren, had doen fterven; maar dat verhniderde
hem niet diergelyk een onrecht ook tegen ande-
ren te pleegen : en hydeed de aanbrengers de-
zelfde ftraffe lyden, welke deezen, die\'zy val-
fchelyk bedraagen hadden, opgelegd was
^ ^^ beklaagelyke ftaat waarin het Hóf van dien
V orttzich toen bevondt, liep zo verre, dat hy
aan verfcheydene van die welke hy \'t meeft be-
minde , en om hunne verdienfte in waarde hieldt,
beval met meer voor hem te verfchynen, ófin
zyn paleys te komen, wyl hy zich ontzag om
haar byzyn zo veel quaad te pleegen. On der dit
getal waaren ook Andromachus en Gemellus ,
twee zyner oudfte vrinden, die hem groote dien-
ften gedaan hadden , zo in zyne raadplee^^in-
gen, gezantfchappen, als andere van de gewig-
tigfte zaaken zyns ryks: zy hadden ook toezigt
gehad op de opvoedinge der Prinfen zyne zoo-
nen , en daar was niemand geweeft op v/ien hy
grooter vertrouwen gefteld had. Zyne verande-
ring ten aanzien van Andromachus ontftondt
hieruyt, dat de P rms Alexander zeer gemeenzaa-
me verkeering met zynen zoon Demetrius hield-
en de oorzaak zyns afkeers vanGemellus, was om-
dat
dat hy dkn zelfden Prihfe eene ^oote geneegen-
heyd toedroeg, doordien hy één van zyne on-
derwyzers was geweeft, en hem op zyne reyze
na Rome gezelfchap gehouden had. Men twy-
feit niet óf hy zoud hen ftrengelyk gehandeld
hebben, indien hy door de kennis hunner ver-
dienfte niet weêrhouden geweeft waare : maar
hy vergenoegde zich met hen te doen vertrek-
ken, en hen alle gezag te beneemen, ten eyn-
de hy, niet langer door hunne tegenwoordig-
heyd weêrhouden, meteen volkomene vryheyd
alles konde doen wat hy begeerde.
Van al\' dit quaad was Antipater de voornaam-
fte oorzaak j want toen hy bemerkte dat de Ko-
ning zo ligtelyk vreeze en een quaad vermoe-
den opvatte, tradt hy tót zyn gevoelen over,
verfterkte hem in zyne wreedheyd, en deed het
hem als eenen grooten dienft opneemen, dathy
hem raad gaf om alle die hem wederftaan kon-
den te doen fterven. Herodes dan naa dat hy
Andromachus en Gemellus,die vry tót hem fpree-
ken durfden, weggefchikt had, deed alle wel-
ke hy meende dat het met Alexander hielden,
pynigen, om hen te doen bekennen dat zy in
eene tzamenzweeringe tegen hem getreeden waa-
ren : maar zy ftier ven onder de pynen, houden-
de tót op \'t laatfte toe ftaande datzy onfchuldig
waaren aan die misdaad. Dóch hoe minder hy
vondt om hen te overtuygen, des te hardnek-
kiger wierdt hy om hen te doen pynigen i en
Antipater was quaadaardig genoeg om te zeg-
gen , dat de vrees van hunnen meefter te betich-
ten hen belettede de waarheyd te bekennen. Al-
dus deed hy \'er zeer veele pynigen om uyt te vin-
den \'t gene hy wenfchte. Eyndelyk was \'er één
die voor\'t geweld der pynen zwichtende, ver-
klaarde dat hy Alexander verfcheydenmaal had
hooren zeggen, wanneer men hem om zyne
groote geftalte, zyne behendigheyd in \'t fchie-
ten met de boog, en andere oefeningen, prees,
dat dit eerder naadeelen dan gunften waaren,
welke hy van de Natuur ontvangen had, door-
dien ze by zynen vader maar argwaan verwek-
ten , zo dat hy nevens hem gaande genoodzaakt
was zich te krommen en te bukken, om niet
grooter te fchynen, dan hy ; en met hem ter
jagt zynde voordachtelyk mis te fchieten, om-
dat hy niet dulden kon dat men hem prees.
Toen hy dien man aldus hoorde fpreeken , py-
nigde men hem nóg meer, dóch wanneer men
hem verligting van pynen beloofde, voegde hy
daar nóg by : dat Ariftobulus met zynen broe-
der opgeftemd had den Koning te dooden als
hv op de jast zoude zyn > en zo dit gelukte j dan
na Rome te gaan om het Ryk te verzoeken.
Men vondt ook brieven van dien Prins aan zy-
nen broeder, in welke hy klaagde dat Herodes
aan Antipater landeryen van tweehonderd talen-
ten inkomfte gegeeven had. Dit alles tzamen
deed Herodes gSooven dat hy genoeg had om
zyne zoonen met recht te verdenken.
Aldus wierdt hy op nieuws tegen Alexander
vertoornd, en deed hem gevangen zetten.
Evenwel hieldt hy zich niet verzekerd van
*t gene waarmeê men deeze Prinfen befchuldig-
de; doordien hy geen fchynbaarheyd zag, dat
indien ze eenen toeleg op zyn leeven hadden,
zy naa \'t begaan van zulken vadermoord, zich na
Rome zouden hebben durven begeven. Maat
\'t quam hem veel waarfchynelyker voor , dat
het klagten en misnoegdheden waaren van jon-
ge lieden die met ftaatzucht zwanger gingen,
en een groote argwaan tegen Antipater opgevat
hadden. Hy wilde dan klaarder bewyzen heb-
ben om te gelooven dat zy fchuldig Waaren,
en het verwyt te ontgaan dat hy al te ligt een
befluyt genomen had om zynen zoon gevangen
te zetten. Hy deed derhalven de voornaamfte
vrinden van dien Prins pynigen, en veele\'t lee-
ven beneemen, al waare \'t dat zy niets beken-
den. Het ganfche Hóf aldus vol van beroerte,
fchrik, en pyniginge zynde, was\'er een jonge-
ling die zeyde dat Alexander te Af kalon venyn
had doen bereyden , en aan zyne vrinden te
Rome gefchreeven dat zy hun beft zouden doen
om Auguftus te beweegen dat hy hem ontboo-
de, vermids hy hem wilde verwittigen dat dè
^04.
XV!. BoEfc
Koning zyn vader de Romeynen poogde te ver^
laaten, om eene onderhandehng met Mithrida-
tes Koning der Parthen aan te gaan. Elerodcs
floeg geloof aan deeze befchuldigingen, en
meende iets gevonden te hebben tót trooft van
zyn leed, en vleydde zich dat hy nu ontdekt
had den toeleg , die hy zich veel fnooder ver-
beelde dan ze was. Maar hoedaanig een onder-
zoek men ook deede na dit gewaand Venyn i
men Yondt het nier.
Alexander dus door rampen beflórmd liet
daarom den moed niet zinken , maar toonde
zich in zyne tegenfpoed moediger dan ooit, en
fchroomde zich niet te verantwoorden. Maar
in plaats van zich te verdeedigen, fprak hy op
zodaanig een wyze die den Koning zynen va-
der nóg meer verbitterde ; doordien hy hem
300gde befchaamd te maaken dat hy zich zo
igtdoor lafteringen had laaten bedriegen, en
aan de andere kant hem in groote bekommerin-
ge en verlegenheyd bragt, indien zyn zeggen
by hem geloof vond : want hy ftelde vier fchrif-
ten op, en zondtze hem toe, welke behelfden
dat het te vergeefs was zo veele perfoonen te py-
nigen , om te weeten óf men hem nd \'t leeven
ftond, vermids dat een gewifte zaak was, en
dat zyne vertrouwdfte vrinden, ja Pheroras zelf,
deel aan die tzamenzweering hadden : dat Sa-
lomé heymelyk by nacht tegen zynen dank by
hem te bedde was gekomen, en tegens zyn wÃ
gemeenfchap met\'hem gehad hadde; dat zy al-
le daarover uyt waaren om hem aan kant te hel-
pen, op hoope van daarnaa in rufte te leevens
Ook wierden Ptoloméus en Sapinim, de twee
getrouwfte vrinden van Herodes, befchuldigd,
dat zy van \'t getal der medephgtigen waaren ^
Aldus had men nooit iets yflykers gezien dan "
de gedaante Van dit Hófte dier tyd : het fcheen
als óf men door woede en raazerny vervoerd
was 3 en dat die welke eertyds de grootfte vrin-
den waaren geweeft, in een oogénblik de doo-
delykfte vyanden geworden waaren. Menluy-
fterde niet na de verantwoordingen der befchuP
digden; men bekommerde zich niet om de
waarheyd naa te fpooren j maar de ftraffe ging
voor \'t vonnis, en de gevangeniffen van dee-
ze 3 de dood van gene, en de wanhoop vaii
C c c 2 2ulke
i
i
JOODS CHE H I S T O li L
S88
zulke ciie zich geen gtinftiger onthaal teeleyden , j
vervulden het paleys met zodaanig een fchrik en
vreeze, dat\'er geen teken van den voorigen ge-
lukkigen ftaat meer overbleef. Herodes zelf
onder alle die groote beroerten had niec dan een
verdrietig fceven ; en in de geftadige )bekom-
merdhey d waarin hy voor zyn ieeven was, ftrek\'-
fe het hartzeer van zich aan niemand ee teo^nnen
vertrouwen , hem tót een wreede pyniginge.
Dewyl hy dan nacht en dag nergens anders op
peynfde, verbeeldde hy zich dikwils dat hy zy-
nen zoon voor zyne oogen zag waaren, met e^n
zwaerd in de vuyft om hem \'t leeven te benee-
men : zo dat deeze geftadige fchrik hem fchier
zinneloos maakte.
fchoonzoon
70
X I I. H O O F D S T U K.
Archelaüs Koning van Kappadocie verzoctn zynen
Alexander weder met Herodes zynen vader.
Allchelaiis Koning van Kappadocie ver-
ftaan hebbende dat de zaaken tót zulk een
verwydering gekomen waaren, vondt zich ge-
noopt , zo door geneegenheyd tót zyne dóch-
ter en den Prins Alexander zynen fchoonzoon,
als uyt deernifie dat zyn vrind Herodes in zul-
ken beklaagelyken ftaat vervallen was , hem te
gaan bezoeken. Hy bevondt dan dat her niet dan
al te waar was dat men hem verhaald had en
hy achtte niet geraaden Herodes te beichuldi-
gen dat hy al te ligtgeloovig xi\'^s ge veelt, en
zich re veel door zyne driften had laaten ver-
voeren j uyt vreeze dat ais hy hem noodzaakte
zich te verantwoorden , hy daardoor zyn ge-
moed te meer verbitteren zoude. Maar dewyl
hy wys en verftandig was, bediende hy zich
van een ander middel om hem neêr te zetten,
en gaf hem te veritaan dat hy zeer op zynen
fchoonzoon vertoornd was, en dat hy zyn ge-
drag en handeling ontrent hem goedkeurde,
cn bereyd was, zo hy \'t begeerde, het huuwe-
lyk te breeken , en zyne dóchter weêr na zich
re neemen , ja zelfs haar te ftraften, indien
\'t bevonden wierd dat zy van \'t misdryf haars
marss kennis gehad hebbende , den Koning
haaren fchoonvader daaraf niet verwittigd had-
de. Herodes verwonderd dat Archelaüs zich
met zulken yver aan zyne belangen liet gele-
gen zyn, en zich nóg heviger tegen Alexander
toonde, dan hy zelf, gevoelde het vuur zyner
gramfchap verflaauwen, nam een befluyt om
niet dan met recht en billykïïeyd in die zaak
te handelen , en. wierdt allengs weder met een
vaderlyke neyging en tederheyd jegens zynen
zoon ingenomen. Invoege dat daar hy te voo-
re niet lyden kon dat men zymen zoon ver-
fchoonde , hy nu op \'t zien dat Archelaüs in
plaats van voorfpreeken hem befchuldigde,
zo weemoedig wierdt, dat hem de traanen ten
oogen uytfprongen : en hy verzócht hem dat
hy door misnoegen op zynen fchoonzoon zich
"iet zou laaten vervoeren , nóch het huuwelyk
breeken. Archelaüs hem dus bedaard ziende,
begon de befchuldigingen, die tegen Alexander
ingebragt waaren, behendiglyk te fchuyven op
degenen die door hunne quaade raadgeevmgen
zyn gemoed , dat natuurlyk vreemd van quaad-
aai-digheyd was , ophitften , en voornaamelyk
op Pheroras. Dewyl nu deeze broeder van He-
rodes reeds by hem in ongunfte was, had hy niet
zo dra \'t gene ik hier verhaald heb verftaan , óf
% achtte zich verlooren, en oordeelde datnie-
mandtequaamer zou zyn om zyne verzoening te
\'bewerken , dan Archelaüs. Hy quam derhal-
by hem met een rouwkleed aan , en als een
â menlch die zich gelooft op de uyterfte kant van
zyn verderf gekomen zyn. Deeze Koning ver-
ftandig zynde vondt goed zich van deeze gele-
genheyd te bedienen , en zeyde dat het gene hy
van hem verzócht geen ligte zaak was > maar
dat de befte raad dien hy hem geeven kon, was
zelf by den Koning zynen broeder, tc gaan,
voor hem te bekennen dat hy de oorzaak van
al het quaad geweeft was , en vergiffenis van
hem te verzoeken. En dat als hy hem aldus
bereyd had om te gedoogen dat men voor hem
fprak j hy zynen tyd zoude waarneemcn om
hem den dienft tc doen welken hy van hem begeer-
de. Pheroras vólgde zynen raad j cn \'t geluk-
te hem zo wel > dat hy weder in gunfte by He-
rodes raakte i cn Alexander trok \'er niet minder
nut van dan hy , wordende door dit middel,
wanneer hy zulks niet verhoopen durfde, van
alle de misdaaden welke men hem te lafteleyde
vry gekend. Archelaüs aldus door zyn rrefte-
lyk beleyd alles bevreedigd hebbende, won
Herodes geneegenheyd zo , dat die hem begon
aan te merken als zynen beften vrind : hy gaf
hem kóftelyke gefchenken , en dewyl hy aan
Auguftus van zyn misnoegen jegens zyne zoo-
nen gefchreeven had , vondt hy zich verphgt
hem van \'t voorgevallene kennis tc geeven, tót
welken eynde deeze twee Koningen beflooten
dat hy eene reyze na Rome doen zoude. Thans
vertrok Archelaüs weder na zyn Ryk j Hero-
des vergezelfchapte hem tót aan Antiochië, cn
naa dat hy hem met Titim dcn Landvoogd van
Syneverzoendhad.quamhy weder in Judéa.
XIII. HOOFD S fulcT\'\'â¢\'â
Herodes gaat eenen oorlóg aan tegen dc Arabiërs onodat zy de Tra-
chpnitifche roovers befcherinden.
|i:i Erodes zyn reis naarRomenafgclcgd hebben- 705
^ de, vondt zich te dien tyde genoodzaakt met
dc Arabiërs om de vólgende oorzaak in eenen oor-
lóg te treeden. Naa dat Auguftus het land Tra-
chonitis van Zenodorus genomen ,en \'t aan Hero-
des gegeeven had, durfden de inwooners hunne
rooverycn niet langer pleegen, en vonden zich
alzo gedwongen om hunne akkers te bebouwen.
En hoewel dat een werk was dat zeer tegen hunne
ncyginge ftreedt, en dat hun land zo onvrucht-
baar was, datzy weynig voordeels uyt hunnen ar-
beyd trokken, échter wierden zy door de vlytige
toezigt van Herodes eenen tyd lang verhinderd
hunne gebuuren eenigen overlaft aan te doen.
Maar toen hy na Rome gegaan was om Alexander
by Auguftus aan te klaagen, en hem Antipater
aan te pry zen, üep net gerucht dat hy gefturven
was 3 waarop de Trachoniten hunne rooverycn
weêr begonden , dóch door Herodes Krygs-
overften deswege geftraft wierden. De voor-
naamfte deezer rooveren door deezen quaadea
uyt.
J O Ã D S C H Ã H I S T O R k.
XVI Boeic.
uytflag verfchrikt 5 namen de vlugt na Arabië,
alwaar Syfleus, vertoornd om dat Herodes hem
zyne zufter geweygerd had, hen ontving, en hen
in een fterke plaats eene wyk verleende, van waar
zy in Judéa en zelfs in Coele-Syrië gingen ftroo-
pen , en ten platten lande pionderen. Hero-
des van Rome gekomen zynde , kon hen niet
ftraffen gelyk zy verdienden , omdat ze door
de Arabiërs befchermd wierden, nóch ook dul-
den dat zy zyne onderdaanen dus handelden,
en trok derhalve na Trachonitis , doodende al-
le de nabeftaande van die roovers welke hy aan-
treffen kon. Dit verbitterde de andere zo, en zy
wier den door ééne hunner wetten, die hen tót het
wreeken van den dood hunner nabeftaanden ver-
pligt, Zó tegen hem opgehitft , dat zy alle ge-
vaaren verachteden , om in zyne landen te ko-
men en die te pionderen. Herodes verzócht
alstoen aan Saturninm en Volumnius , die door
Auguftus tót Landvoogden in die geweften aan-
gefteld waaren , dat zy hen wilden flraftèn.
Maar de roovers in ftede van daarvoor te fchrik-
ken , wierden\'er te ftouter op ^ Zo dat zy ten
getale van duyzend byeenquamen 3 en \'t land
en de dórpen nóg meer afliepen, zonder iemand
die in hunne handen quam in \'t leeven telaaten:
zo dat het meer eenen oorlóg dan roovery ge-
leek. Herodes verzócht daarop aan de Ara-
biërs dat zy die roovers aan^em wilden overlé-
veren, en hem de zeftig talenten , welke hy den
Koning Obodas door Sylleus te leen toegezon-
den had j en waarvan de tyd van betaalinge ver-
fcheenen was, weder goed doen. Maar Sylleus,
die Obodas blindhokte, en genoegzaam\'t gehe-
le Ryk alleen regeerde, ftelde de betaaling fteeds
uyt, en zeyde dat die roovers zich in Arabië
niet ophielden. Dóch eyndelyk bevalen Satur-
ninus en Volumnius hem dat hy binnen dertig
dagen zou moeten betaalen , en dat men de
overloopers van wederzyde weêrgeeven zoude.
Alstoen bemerkte men de quaadaardigheyd der
Arabiërs , want niemand van de hunne was om
eenigerley oorzaak in de landen van Herodes
geweken , daarentegen hadden alle de roovers
hunne wyk in Arabië genomen.
XIV. HOOFDSTUK.
Sylleus wil njcts van \'c gene Auguftus Landvoogden bevolen had-
den naakomen , maat gaat na Rome. Herodes valt gewapender-
hand ih Arabië , en neemt het flót in , waarop de Trachonitifche
roovers zich onthielden.
SYlleus toonde zich ongewillig om naa te ko-
men \'t gene hem bevolen was ; maar ging
na Ronie om Auguftus daarover te fpreeken.
Ondertuflchen toog Herodes, met toeftemmin-
ge van Saturninus en Volumnius , met een heir
na Arabië, en dat zo fpoedig dat hy in drie dagen
zo veel wegs vórderde, als men anders gemcen-
lyk in zeven aflegt: waarop hy die roovers in
\'t kafteel Raëpta, alwaar zy gevlooden waaren,
aangreep-, en\'t zelve bemagtigd hebbende, deed
flechten, zonder de ingezétencn des lands eenig
leed aan te doen. Niettemin trok Naceb Over-
fte der Arabifche benden hem tegen , en men
quam tót een gevecht, waarin hy met vyfen-
twintig van de zynen het leeven liet. Alle de
óverige namen de vlugt, .en Herodes verloor
naauwlyks eenen man, Naa dat hy deeze roo-
vers aldus bedwongen en geftraft had , zondt
hy drieduyzend Idumeërs na Trachonitis , om
aldaar te woonen, cn den voortgang hunner roo-
veryen te beletten 5 en hy fchreef aan de Bevél-
hebbers der Roomfche krygsbenden in Fenicië
wat \'er voorgevallen was, enhoehy zich te vree-
de gehouden had met de magt die hem gegee-
ven was te gebruyken, zonder iets meer te on-
derneemen : en zy daarnd verneemende bevon-
den dat het inderdaad zo Was.
707.
XV. HOOFDSTUK.
Sylleus hitft Auguftus zo tegen Herodes op, dat hy weygert zyne ge-
zanten te ontvangen , en ook met lu-yfteren wil naar die van Araas
Koning der Arabiërs , welke gevólgd was op Obodas , dien Syl-
leus door venyn had doen ombrengen , om meefter van \'t rvk te
worden.. Herodes zendt een derde gezantfchap aan Auguftus.
T^E Arabiërs vaerdigden in der yl booden na 708.
-*--^ Rome af aan Sylleus, en zonden hem een
bericht van zaaken , dóch geheel anders dan
ze voorgevallen waaren. Hy was reeds by Au-
guftus bekend , cn \'t geviel juyft dat hy voor
ayn paleys wandelde toen men hem die brieven
ter hand ftelde. Hy fchoot ftraks een rouw-
kleed aan, ging na den Keyzer , en klaagde
hem met traanen 5 â Dat Herodes gewapen- â
derhand in Arabië getrokken was j dat hy \'t â
ganfchelyk verwoeft had : dat \'er vyfentwin- â
tig hónderd der voornaamfte Arabiërs , en â
onder andere hun Krygsoverfte Naceb , die â
hem in maagfchap beftondt , en zyn vrind â
was , gedood waaren : dat men groote fchat- â
ten in \'t kafteel Raëpta geroofd had 5 en â
dat Herodes zo uyt verachtinge van Obo- â
das , wiens achteloosheyd zo groot was ere- \' ^
weeft dat hy zich niet ten oorlóg tocgeruft "
had , als omdat\'er geduurende zyn afwee-\'\'
zen een goed opperhoofd mangelde , tót het
aangaan van zo een onrechvaerdigen oorlóo-
getreeden was. Hierby voegde hy , dat^t â
en waare hy zich verlaaten had op de zórg â
welke de Keyzer droeg om alle de landfchap- â
pen in vreede tc houden , hy zyn land niet,,
zou Verlaaten hebben , nóch te Rome geko- â
men zyn om aan Herodes gelegenheyd te
geeven tót het aanvangen van eenen oorlóg, ,,
die geenftns t\'zyner voordeele zoud uyt- â
gevallen zyn , indien hy\'er had konnen te- ,,
genwoordig weezen." Auguftus door deeze
klagten bewoogen , vraagde aan fommige van
Herodes vrinden , cn eenige Romeynen , die
onlangs te voore uyt Syrië gekomen waaren,
óf het waar was dat die Vórft met een heir in
Arabië was getrokken : en dewyl zy dit niet
ontkennen konden, vernam hy niet verder na
dc oorzaak die hem daartoe aangedreeven had 5
maar wierd zo 4:0ornig , dat hy aan Herodes
eenen brief fchreef vol van dreygementen , be-
helzende onder andere, âdat hy hem tót dien
tyd toe had aangemerkt als zynen vrind, maar "
dat hy hem in \'t toekomende als zynen onder- "
daan handelen zoude." Sylleus van zyne kant
fchreef na Arabië op zodaanig een wvze ah
men denken kan. Deeze brieven maakten die
landaard zo moedig , dat zy , ziende dat de
Keyzer op Herodes vertoornd was, deover^
bopers met wilden wedergeeven , nóch ook \'c
geld dat zy fchuldig waaren betaalen, nóch voor
C c c 3 de
,\'ÃI!
Iti \'1
de weydcn dic zy in pacht hadden iets geeven.
De Trachoniten inmiddels om zich van deezc
gelegenheyd te bedienen , Honden tegen de
Idumeërs , welke Herodes by hen in bezettin-
ge gelegd had, op, voegden zich by de andere
Arabifche roovers, plonderdcn \'t land , en
deeden \'er veel quaads, niet zo zeer om eenig
voordeel j alsuyteene begeerte om zich te wree-
ken. Herodes was genoodzaakt dit te verdraa-
gen 5 doordien hy niets onderneemen durfde, om-
dat Auguftus zo vertoornd op hem was, dat hy de
eerfte Gezanten welke hy gezonden had niet had
willen hooren, en dat hy dc andere zonder ant-
woord wederom geftuurd had. Dat Sylleus als-
toen te Rome was, vermeerderde de bekomme-
ring van Herodes , doordien hy wift dat men de
woorden van dien bedrieger geloofde, en dathy
na de kroon van Arabië ftond. Want de Koning
Obodas te dier tyd gefturven, en Enéas, na dat hy
de naam van Aretas had aangenoomen , zich in
\'c bezit van \'t Ryk hebbende gefteld , bediende
Sylleus zich van allerley lafteringen om hem uyt
het ryk te zetten, en \'er zichzelven in te draai jen.
Hy gaf tót dien eynde groote gcfchenken aan de
gunftelingen van Auguftus, beloofde hemzelven
ook groote gaavcn , en hoopte dat hyze te gun-
ftiger ontvangen zoude, omdat hy zeer vertoornd
was dat Aretas zich in\'t bezit van \'tryk had dur-
ven ftellen , zonder van hem verlóf daartoe te
verzoeken. Middelcrwyl fchreef deeze nieuwe
Koning aan Auguftus, cn zondt hem onder an-
dere gefchenken eene goude kroon van groote
Waarde: Hy befchuldigde Sylleus in zynen brief
dathy een trouwlooze was , die Obodas zynen
Koning en heer vergeeven, het bewind der zaa-
ken by zyn leeven zich aangemaatigd , de vrou-
wen der Arabiërs fchandelyk misbruykt ,en groo-
te lommen gelds tót voortzettinge zyner tyraii-
nye geleend had. Dóch Auguftus wilde zyne ge-
fchenken niet ontvangen, nóch zyne Gezanten
hooren, maar zondt hen zonder antv/oord te rug.
Aldus wierden de zaaken tuflchen dejooden en
Arabiërs hoe langer hoe erger, en niemand was
\'bequaam om die groote beroerte te ftillen : want
Aretas was in zyne nieuwe regeeringe nóg niet
genoeg beveftigd , om de moedwil zyner on-
derdaanen te konnen beteugelen: cn de vreeze dic
Herodes had van Auguftus nóg meer te vertoor-
nen , indien hy \'t ongelyk dat men hem aan-
deed afkeerde, noodzaakte hem \'t zelve te ver-
draagen. In deeze verlegenheyd vondt hy geen
beter middel, dan een derde gezantfchap aan
Auguftus te zenden, om door middel van zyne
vrinden te trachten hem te bevreedigen : en hy
koos tót dien eynde Nikolaüs dc Damascener.
jnTL^H O O FDTT U IL
Herodes meer dan ooit vertoornd op zyne zoonen Alexander en
Ariftobulus , door de lafteringen tigen hen ingebragt , doet hen
in dc gevangenis zetten. Auguftus verftaat 4e boosheyd van Syl-
leus , veroordeelt hem ter dood ; beveftigt Aretas in \'t ryk van
Arabië , heeft berouw over zyne vergramdheyd op Htrcdes ; cn
beveelt hem cenc vergaderinge te Beryte te beleggen , om zyne
toonen , waarover hy ep nieuws tegen hem geklaagd had , te
lecht te ftellen.
/^Ndertuflchen nam de onruft in \'t huysgezin
\' ^^ van Herodes fteeds toe , door \'t aangroei-
jen van zynen haat tegen Alexander en Arifto-
bulus. Het mistrouwen , dat zulk een gevaar-
lyk quaad voor de Koningen is, was niet op-
gehouden, en \'t wierdt döor dit volgende voor^
val nóg vergroot. Een Lacedemomè\'r genaamd
Euryklesy v^n édelen af komfte, maar van een
quaad gemoed , zynde zeer ondeugend , een
groot pluymftrykcr, enzoliftig, dathy alles in
\'t werk ftelde om het tegendeel te fchynen van
\'t gene hy inderdaad was, quam by Herodes,
boodt hem gefchenken aan , ontving \'er van
hem nóg grooter, en wikkelde zich zo in zyne
gunft, dat hy hem onder \'t getal zyner voor-
naamfte vrinden ontving. Hy woonde by An-
tipater, cn maakte ook vrindfchap met Alexan-
der , wien hy wysmaakte dat de Koning Arche-
laüs zyn fchoonvader hem een byzondere genee-
genheyd toedroeg, en dat hy uyt dat inzigt zich
verpligt vondt alle bedenkelyke dienften aan de
Prinfefle Glafyra zyne dóchter te doen. De-
wyl hy dan overal welkom was, en dat hyzich
by ieder ccn onzydig geliet, viel\'t hem gemak-
lyk op alles wat men zeyde te letten, en zich
daarvan te bedienen om te belafteren dien hy
wüde 5 want hy had de gunft van alle zo ge-
wonnen , dat elk meende dat hy \'t met hem
hield, en dat hy geen verkeering met andere
had, dan om hem in zyne belangen te dienen
Dewyl nu Alexander door zyne jonge jaaren
weynig eervaarenheyd had, liec hy zich zo van
hem bepraaten, dat hy meende dat\'er niemand
was aan wien hy zich veyliger vertrouwen mogt.
Hierom ontdekte deeze Prins zyn hart aan hem,\'
verklaarde hem zyn verdriet zo "degens des
Konings vervreemdheyd van hem, als over den
dood van de Koninginne zyne moeder j en hoe
dat het hem fpeet dat Antipater Zo magtig
was, en aUeen alle de eere bezat, na we^e zyn
broeder en hy met recht mogten ftaan j voorts
bekende hy dat het hem ondraagelyk was te zien,
dat de haat van zynen vader jegens Ariftobu-
lus en hem zo verre ging, dat hy hen niet langer
gewaardigde hen op zyne gaftmaalcn te ontbie-
den , ja flechts tegens hen te fpreeken. Deeze
verraader verhaalde dit alles weder aan Antipa-
ter , zeggende dat hy zich door de weldaaden
van hem genooten verpligt bevondt om hem
van \'t gevaar dat hem dreygde te verwittigen,
ten eynde hy zich op zyne hoede hielde, naar-
dien Alexander niet ontveynfde dat hy van
woorden miftchien wel tót daaden zou komen.
Antipater ontving dat bericht als een groot te-
ken van toegeneegenheyd van Eurykles, gaf
hem groote gefchenken, en verpligtte hem oni
\\ zelfde den Koning ook te verhaalen. Hy
deed zo > en Herodes floeg ligtelyk geloof aan de
dubbelzinnige woorden waarvan deep fchalk
zich bediende om zyn argwaan en mistrouwen
te vermeerderen i en vattende hierdoor eenen
onverzoenelykcn haat op tegen Alexander,
befchonk hy Eurykles met vyftig talenten. Dee-
ze booswicht vertrok toen na den Koning Ar-
chelaüs, fprak zeer voordeelig tót hem van
den Prins zynen fchoonzoon , zeyde dat hy
\'t geluk gehad hadde van behulpzaam geweeft.
te zyn om hem weder in gunfte by den Koning
zynen vader te brengen j kreeg daardoor ook
groote gefchenken van Archelaüs ; en keerde
toen weêr na Lacedemonië eer men zyn bedróg
ontdekken konde, Maar dewyl hy in zyn va-
der«
derland niet vroomer leefde dan onder de
vreemden 3 wierdt liy uytgebannen en ver-
jaagd.
710. Middelerwyl hieldt Herodes zich niet ver-
genoegd , gelyk te voore, met een oor te lee-
nen aan de lafteringen waarmeê men Alexan-
der en Ariftobulus poogde te bekladden : maar
zyn haat tegens hen was zo groot, dat hoe-
wel niemand hen befchuldigde, hy nógtans
niet naaliet op hen te doen letten, geevende
volkomene vryheyd om tót hun naadeel tegens
hem te fpreeken : en dewyl hy naar niets liever
luyfterde, verhaalde men hem onder andere
dat zékere Emratus van Koos eenen aanflag met
Alexander gefmeed had.
71 ï. Behalve deeze geftadige lafteringen , waar-
door veele om ftryd deeze twee Prinfen by den
Koning poogden zwart te maaken, onder
fchyn van voor zyne behoudenis zórg te draa-
gen, viePer nóg iets voor, dat hennaadeeliger
was dan al \'t andere. Onder Herodes lyfwacht
waaren \'er twee, geheeten Jukundm cnTyrannm,
die byzonder van hem bemind waaren om hun-
ne ongemeene grootte en fterkte > dóch om ee-
nig misnoegen tegen hen opgevat deed hyze
van zich. Hierop nam Alexander hen in zyne
lyffchutbende aan , en omdat ze dappere man-
nen waaren, was hy zeer mild jegens hen. Zo
dra had de Koning dit niet verftaan, ófhy vat-
tede daarover een quaad vermoeden op, en deed
hen pynigen. Zy ftonden de pyn lang uyt > maar
eyndelyk daar onder bezwykendc , zeyden zy
dat Alexander hen aangeweeft had om den Ko-
ning te dooden, als hy op de jagt was; en dat
hy gezegd had dat men de lieden gemaklyk zou
konnen doen gelooven, dat hy van \'t paerd val-
lende zich met zyn eygen geweer gedood had,
omdat zulks niet lang te voore byna gebeurd
was. Zy voegden hier nóg by, dat men in de
paerdeftal van dien Prins geld verborgen zou-
de vinden 3 en zy befchuldigden den groot-Jaa-
germeefter, dat hy hen, uyt lafte van Alexan-
der en etlyke van de zyne, de fchichten gegee-
ven had, welke de Koning gewoon was op de
jagt te gebruyken.
Herodes, die toen te Jerieho was, deed deeze
die gepynigd waaren, op datze zyne zoonen be-
fchuldigen zouden, opendyk voor den dag bren-
gen ; waarop het vólk hen met fteenen dood
gooide ; en Alexander en Ariftobulus ook wilde
fteenigen : maar Herodes zondt Ptolomeus en
Pheroras om zulks te beletten , en vergenoegde
zich met hem en zynen broeder Ariftobulus in de
gevangenis te doen zetten. Zy wierden daaj zo
naauw bewaard, dat niemand by hen mogt ko-
men , en men floeg niet alleenlyk op alle hunne
daaden acht, maar men lettede zelfs op de minfte
woorden die zy fpraken. Overzulks wierden
zy reeds aangemerkt als verloorene menfchen,
en zy zelve geloofden niet anders.
In deezen uyterften nood was het dat Arifto-
bulus , om Salomé, die te gelyk zyne moey
en fchoonmoeder was, tót deernis met zyn onp-e-
luk te beweegen, en haar eenen haat tegens den
veroorzaaker daarvan in te boezemen , aldus
tót haar Zeyde: â Kont gy u zelve wel veylig ,,
achten , dewyl men tót den Koning gezeefd
heeft, dat de hoope van met Sylleus te troïi- "
wen , u alles wat\'er in dit ryk gefchiedt aan
hem doet overbrieven" Zy verhaalde dit ter-
ftond weder aan Herodes , die \'er zo toornig
om_ wierdt , dat hy zich niet konnende be-
dwingen , beval dat men de twee broeders
van één zou fcheyden, enin banden leggen, en
dat men hen zoude noodzaaken , in gefchrif-
te op te ftellen alles wat \'er in den toeleg tegen
hem voorgevallen was. Zy om hem te ge-
hoorzaamen maakten eene verklaaring, welke
behelfde dat zy niet eens gedachten hadden ge-
had van eenen aanflag tegen den Konino- te
fmeeden; maar dathet waar was, dathetqimd
vermoeden, \'t welk hy tegen hen opgevat had,
hen het leeven verdrietig maakende, zy be-
flooten hadden te vlugteo.
Ter zelfder tyd zondt Archelaüs éénen der
grootfte Heeren van zyn Hóf, genaamd Mela,
als Gezant na Judéa : Herodes derhalve om te
toonen dat hy groote oorzaak had zich over
zynen Meefter te beklaagen , deed Alexander
uyt den kerker haaien , en vraagde hem in zyne
tegenwoordigheyd , hoe en na v/elke plaats hy
voorgenomen had te vlugten. Hy antwoord-
de dat zyn voorneemen geweeft was na den
Koning zynen fchoonvader te gaan , die be-
loofd had hem na Rome te zenden : maar dac
hy niet de allerminfte toeleg had gehad om iets
tegen hem te beftaan , ja dat \'er niet een waar
woord was aan al het gene waarmede men hem
befchuldigde ; en dat hy gewenfcht had dat
men Tyrannus en zyne makkers naauwkeuriger
ondervraagd hadde 5 maar dat Antipater , om
door hunnen dood het naavórfchen van de
waarheyd te beletten , gemaakt had dat eenigje
van zynen aanhang onder \'t vólk gemeno-d
het opgehitft hadden om hem te fteenigen, ° ^
Herodes beval daarop dat men Alexander en
Mela byde Prinfés Glafyra zou breno-en en haar
in hun byzyn vraagen , óf zy geeii kennis had
van de tzamenzweeringe tegen hem Toen de
Prinfés den Prins haaren gemaal m banden aan-\'
7^3 =
714.
7I^
r\'
712, Herodes liet den Slotvoogd van Alexandrion
ook in hechteniftè neemen , en ter pynbank
brengen, omdat men hem befchuldigde dat hy
den twee Prinfen beloofd had, dat hy hen in die
plaats ontvangen , en \'t geld dat Herodes daar
bewaarde, hen ter hand ftellen zoude. Hy be-
kende niets, maar zyn zoon zeyde dat het waar
was, en toonde eenen brief gefchreeven, zo \'t
fcheen, van Alexander, en behelzende deeze
Woorden: Zo dra wy met Góds byftand
ons voorneemen zullen uytgevoerd hebben,
» zullen wy by u komen, en wy twyfelen niet
,« óf gy zult ons binnen uwe plaats ontvangen,
gelyk gy ons beloofd hebt.\'\' Herodes deezen
brief gezien hebbende, twyfelde nu met langer
óf zyne zoonen hadden eenen toeleg op zyn
leeven. Maar Alexander beweerde dat de Ge-
heymfchryver T>iofantus zyne hand , uyt laft
van Antipater, die ftichter van dit fchelmftuk
was, naagebootft had: want Diofantus was een
f
fen 5 dat ze op haar hoofd floe
cn overluyd
kreet:
roote Vervalfcheti en wierdt daarnaa noch om fchouwde, wierdt zy zo van droefheyd o-etrof-
(iergelyk een misdaad met de dood geftraft. \' ^^ ^ ^ . .
i!
I
ml
kreet; Alexander kon zich toen ook vaii traanen
niet onthouden j en dit droevig fchouwfpel be-
woog alle de omftanders tót medelyden, zo dar
ze lang zonder fpraak en beweeginge bleeven
ftaan. Eyndelyk zeyde Ptoloméus, wien de be-
waaring van den Prins aanbevolen was , dathy
verklaaren zoude óf de Prinfés zyne gemaalin
eenige kennis had van \'t gene door hem gedaan
was. 5, Hoe zou dat anders konnen weezen 5 ant-
35 woordde hy, nademaal ik haar liever heb als
3, myn leeven , en dat ik kinderen by haar ge-
35 teeld hebbe die my zo lief en waard zyn ?" Zy
nam alstoen het woord , en zeyde : ,, Dat zy
35 t\'eenemaal onnozel was ^ maar dat indien ze
5, door zich fchuldig te bekennen , haaren ge-
53 maal redden kon, zy bereyd was eene on waar-
3, heyd te belyden, zonder aan te zien wat haar
deswege ook zou moogen wedervaaren,"
Thans zeyde Alexander tót haar : â \'t Is waar,
dat nóchte gy nóch ik iets gedaan hebben van
\'t gene waarmeê men ons beticht; maar ech-
ter IS u niet onbekend, dat wy beflooten had-
den na den Koning uwen vader te vlugten,
om vandaar na Rome te gaan." Dit ftondt
zy toe : en Herodes liet zich voorftaan dat hy
geen ander blyk van Archelaüs quaade wille
behoefde. Hy zondt dan Olympus en Volum-
nïm aan hem 5 om te klaagen dgit hy deel had
aan den quaaden toeleg zyner zoonen, bevee-
lende deeze Gezanten te Eleufe, ftad in Cili-
cië 5 aan land te treeden 5 en als zy zyne brie-
ven aan hem behandigd hadden , na Rome te
gaan , alwaar zy , zo ze bevonden dat Niko-
laüs in zyn gezantfchap tót zyn oogwit geko-
men was 5 de brieven en gefchriften om te be-
wyzen dat zyne zoonen fchuldig waaren , aan
Auguftus overléveren zouden, Archelaüs ant-
woordde op \'t gene hem te lafte gelegd wierdt,
dat het waar was dat hy aan Alexander en Ari-
ftobulus beloofd had hen te zuilen ontvangen,
vermids hy geloofde dat zulks voordeelig zou-
de zyn Vóór hen en den Koning hunnen vader,
die op enkel vermoeden zich tót gramfchap
had laaten vervoeren : maar dat zyn voornee-
men in geenen deele geweeft was hen na Rome
te zenden , nóch ook in eene quaadwilligheyd
tegen hem te koefteren,
Olympus en Volumnius te Rome aangeko-
men zynde 5 vonden geen zwaarigheyd om hun-
ne brieven aan Auguftus over te geeven , door-
dien Nikolaüs alles wat Herodes begeerde op
de vólgende wyze verkeegen had. Verftaan
\'lebbende dat\'er verdeeldheyd onder de Ara-
oiërs die met Sylleus te Rome waaren, was , en
bericht uyt eenige van hen gekreegen hebbende
van de misdaaden door Syl eus beiaan , en dat
zy bereyd waaren hem aan te klaa|en , endoor
zyne eygene brieven, die zy doenze zich van hem
verwy derden magtig waaren geworden, te over-
tuygen dat hy veele maagen van den Koning
Obodas had doen fterven , geloofde hy dat hy
die gelegenheyd moft aangrypèn, als zynde veel
bequaamer om zynen meefter weder in Auguftus
gunft te brengen, dan den grooten weerzin dien
de Keyzer tegen hem had opgevat, met réde-
nen te gaan beftryden j en als hy een begin maak-
te met Sylleus te befchuldigen, kon hy daarnaa
wel eens een\' gunftiger tyd vinden om Hero-
des te verdeedigen, Toen^\'de dag om de zaak
voor Auguftus te bepleyten gekomen was , be-
fchuldigde Nikolaüs, met byftand der Gezan-
ten van den Koning Aretas , Sylleus dat hy
den Koning Obodas zynen Heer, midsgaders
veele Arabiërs , omgebragt had : dat hy geld
geleend had om het tót ontruftinge van den
Staat te gebruyken : dat hy verfcheydene over-
fpélen niet alleenlyk in Arabië , maar ook te
Rome gepleegd had ; en dat hy boven alle die
misdaaden nóg had durven beftaan den Keyzer
door zyne bedriegeryen in te neemen , en He-
rodes van veele zaaken te befchuldigen waar-
van \'er niet één waa? wa§. Qp deeze woorden
viel
lliii!
m
viel Auguftus hém in zyne reede, beval hera
\'t óverige te ftaaken} en te verklaaren óf\'t niet
waar was dat Herodes met een heir in Arabië
was getrokken, aldaar vyfentwintig honderd
menfchen had gedood, een groot getal gevan-
genen weggevoerd, en het land geplonderd.
Nikolaüs antwoordde dat hy hem vrymoedig-
lyk verzékeren kon, dat alle die dingen meeren-
deels loutere verdichtfelen waaren; dathy hem
niets gezegd had dan \'t gene de waarheyd was,
en dat Herodes niets gedaan had dat hem zou
konnen mishaagen. Auguftus verwonderd over
dit antwoord, luyfterde naar hem met nóg groo-
ter aandacht j waarop Nikolaüs begon te ver-
* Uyt het haaien, dat JHerodes vyfhonderd * talenten te
leen gegeeven had, en dat het handfchrift uyt-
nL/atdccirukkelyk medebragt, dat wanneer de tyd van
fomraezo betaalinge vervallen was, hy zyne vergoeding
op \'t ganfche land zou moogen zoeken. Dat
men derhalve \'t krygsvólk, waarvan hy zich
bediend had, geen heir kon noemen, maar eer-
der benden die op ééne tógt gingen om een ge-
rechtsvonnis uyt te voeren. Dat de befchey-
denheyd van Herodes zo groot geweeft was,
dat hoewel hy een volkomen recht had, om
uyt zichzelven die zaak voort te zetten, hy\'er
echter eerft verfcheydenmaal tegens Saturninus
en Volumnius, Landvoogden van Syrië , van
gefprooken had , en dat Sylleus in hunne te-
genwoordigheyd in de ftad Beryte beloofd, en
by Csefars fórtuyn gezwooren had , dat hy die
Ibmme binnen dertig d^gen betaalen, en de
overloopers wedergeeven zoude. Dat dewyl
hy zyn woord niet hield, Hecodes wederom
by die Landvoogden gekomen was : dat zyhem
toegeftaan hadden zyn recht te gebruyken en ge-
wapenderhand zyne betaaling te zoeken : en
dat hy daarop eyndelyk in Arabië getrokken
was. â Dit is het, magtige Vórft, vervólgde
i, hy, dat men den naam geeft van oorlóg aan-
3, doen, dit is die oorlóg daar men zo breed van
3, opgeeft: Maar kan men dit eenen oorlóg noe-
3j men, daar het niet gefchied is dan met verlóf
uwer Landvoogden, uyt krachte van een bon-
3, dig handfchrift, en naa \'t pleegen van zulk
3, een groote meyncenigheyd , waardoor men
3, niet gefchroomd heeft de eerbiedigheyd dic
â men den Goden en uwen naame fchuldig is j
3, te fchenden. Nu flaat my nóg wegens dege-
3, vangenen te fpreeken , welke men zegt dat
3, Herodes weggevoerd heeft: en \'t zal my niet
zwaar vallen die zaak te verantwoorden.
Veertig van die Trachonitifche roovers, en
daarnaa nóg een party andere, vreezende dat
Herodes hen ftraffen zoude, namen de vlugt
» na Arabië, alwaar Sylleus hen niet alleenlyk
« ontving, om zich tót overlaft van alle men-
â fchen van hen te bedienen, maar hy pf hen
â land, en deelde met hen van den roof, zon-
3, der naa te denken dat hy den eed brak, vól-
3, gens welken hy gehouden was die misdaadi-
3, gen, nevens \'t geld dat hy fchuldig was, in
handen van Herodes te léveren : en hy zal met
konnen bewyzen dat Herodes eenige andere
_ lieden in Arabië gevangen genomen heeft,
Z dan deeze, waarvan nóg een gedeelte \'t ont-
kgmen is. Heefc men dan wel ooit grooter
3}
33
3S
5)
35
Jl
XVI. Boek.
bedriegery gezien ? Maar deeze andere is nóg- â
tans niet minder, zo ze haar niet nóg over-,,
treft. Men heeft u gezegd dat Herodes vyf-
entwintig honderd menfchen omgebragt had: â
en ik kanu met waarheyd verzékeren, datnie- â
mand van de zyne de hand aan \'t zwaerd ge-
flagen heeft, dan naa dat Naceb met Zyne,,
krygsmagt hen eerft aangegreepen, en eeni-
re van de hunne gedood had 5 maar toen ver- ,,
oor hy zelf het leeven met vyfentwintig an-,,
dere Arabiërs. Aldus ziet gy, magtige Vórft, â
dat dit getal van vyfentwintig ^ door een zon- â
derhng verdichtfcl, tót vyfentwintig hon- â
derd vermenigvuldigd is." Deeze woorden
ontftelden Auguftus zo geweldig , dat hy zich
na Sylleus keerende , en hem met een oog van
gramfchap aanziende, vraagde hoeveel Arabi-
ërs in dat gevecht gefneuveld waaren. Hy niet
weetende wat te antwoorden , zeyde dat men
zich in \'t getal vergift had. Men las daarnaa
het handfchrift vanlceningc, de bevél fchriften
der Landvoogden, en de brieven der fteden die
over deeze roovers klaagden.
Auguftus alstoen vólkomenlyk van de zaak
onderrecht, had berouw dat hy zich door be-
dróg zo had laaten misleydcn om zo fórs aan
Herodes te fchryven > voorts veroordeelde hy
Syfleus ter dood, verweet hem dat hy door zy-
ne leugentaal hem zo verbólgen tegen zynen
vrind gemaakt hadj en beval dat men hem na
Arabië zoude voeren, om aldaar zyne fchuld-
eyfchers te voldoen, eer men hem inetdedood
ftrafte. Belangende Aretas , hy kon niet be-
fluyten hem zynen misflag, dat hy zich zonder
zyn verlóf in het bezit van \'t ryk gefteld had,
quyt tc fchelden; en hy wilde Arabië aan He-
rodes geeven : maar de brieven van dien Vórft ^
die hem door Olympius en Volumnius reeds
waaren overgegeeven , deeden hem van voor-
neemen veranderen, omdat hy niet anders daar-
in vindende dan befchuldigingen tegen zyne
zoonen, het niet geraaden oordeelde eenen ou-
den man ^ die van zo veel huysverdriet omringd
was, met de zórgen van een ander koningryk
te belaften. Derhalve liet hy den Gezanten
van Aretas toe hem te komen begroeten, en
naa dat hy \'t bedryf van hunnen meefter fcher-
pelyk berifpt had ^ vermids hy de ftoutheyd ge?
had had van het ryk naa zich te neemen, zon-
der het van hem ontvangen te hebben, nam hy
zyne gefchenken aan, en beveftigde hem in zy-
ne regeeringe.
Daarnaa fchreef hy aan Herodes j dat hy
hem zeer beklaagde dat zyne kinderen hem zo
veel werks maakten : dat indien zy zo ontaard
waaren dat ze iets tegen zyn leeven hadden
durven beftaan , hy hen als vadermoorders
moft handelen , waartoe hy hem volkómene
vryheyd gaf Maar indien zy geen ander voor-
neemen hadden gehad dan te vlugten, dat dan
de vaderlyke geneegenheyd hem verpligtte
zich met een ligte ftraffe voldaan te houden
Dat hy hem derhalve raadde te Beryte , alwaar
veele Romeynen waaren, eene vergadering aan
te ftellen^ opdat de zaak aldaar met byftand
der Landvoogden van de omleggende winge-
weftèn 5 cn van Archelaüs Koning, van Kappa-
D d d docië
groot
u-as.
B
JOODSGHE HISTORI.
m
cn andere perfoonen die zo door hun-
nen ftaat als wegens vrindfchap by hem in aan-
dien waaren, mogt beftecht worden.
xy nr H b\'o F D
Herodes klaagt zyue zoonen Alexander en Ariftobulus in eengïöote
vtrgaderuig te Beryte aan, doet hen veroordeelen, cn ombrengen.
T^Eeze brief van Auguftus aan Hérodes baar-
de hem groote blydfchap , zo doordien
hy daaruyt zag dat hy weder in zyne gunfte
geraakt was , als omdat hy volle magt ontving
om met zyne zoonen naar zyn goédvinden te
handelen: en ik weet niet hoe \'f byqüam , dat
daar hy te voore in den tyd zyner voorfpoed
zieh wel fors tegen zyne zoonen toonde, maar
echter nooit zo verre ging dat hy hunnen on-
dergang begeerde , óf al te fchielyk tegen hen
voortvaaren wilde , hy nu geen maat nóch re-
gel hieldt in zynen haat, hoewel de zaaken in
heter ftaat herfteld waaren dan hy had konnen
wenfdien. Hy ontboodt dan van alle kanten
om tót Beryte te komen alle degénen wélke
Auguftus bevolen had, uytgenomen Archelaüs,
\'t zy dat hy hem haatte , óf dat hy vreefde
dat die zich tegen zyn voorneemen aankanten
zoude. De Landvoogden en de voornaamfte
perfoonen van verfcheydene fteden quamen al-
daar dóch zyne zoonen wilde hy\'er niet laa-
ten komen , maar deed hen in een vlek der
Sidoniërs, genoemdFlatane, brengen, vanwaar
men hen, dewyl het niet verre van de ftad was,
ligtclykkon haaien indien\'t noodig waare. Hy
tradt dan alleen in de vergadering , die uyt
honderd vyftig perfoonen beftondt j en de ma-
loier op welke hy zyne zoonen befchuldigde,
in plaats dat ze medelyden met zyn ongeluk
verwekt, en de omftanders van de noodzaake-
lykheyd die hem drong om tót dit uyterfte te
icomen , overtuygd zoud hebben , was zeer
wanvoegelyk in den mond van eenen vader:
T/ant hy fprak met een groote hevigheyd , wor-
dende door zynen toorn zo veryoerd, dat hy
niet dan ftamCrende p geheel ontroerd de be-
fchuldigingen tegen \'zyne zoonen voortbragt,
zonder eenig bewys Van iets dat hy zeyde.
Eyndelyk men zag ednen vader die in plaats
van de Rechters een goed bericht tc geeven,
2ich niet fchaamde te begeeren dat zy met hem
aanfpannen zouden om zyne kinderen te be-
fchuldigen. Hy las hunne brieven , waarin
niets was dat eenig quaad voorneemen tegen
hem te kennen gaf, óf naar eenige zwaare on-
deugd geleek 5 maar men kón \'er alleenlyk uyt
bcmcrkèn dat zy beflooten hadden te vlugten j
én eenige woorden gaven te verftaan datzy een
misnoegen opgevat hadden. Xoen hy die brie-
ven dus verre geleezen had, riep hy uyt, even als
óf die woorden eeii volkomen bewys waaren :
3, Dat zy op zyn leeven toegelegd hadden , en
33 hy zwoer dat zy hem ondraagelyker waaren
33 dan de dood : waarby hy voegde dat de
35 Natuur en AUguftus hem vólle magt over
,, zyne zoonen gaven ; en dat ééne Van de wet-
â ten zyner landaard zeer naadrukkelyk in dat\'
â ftuk was 3 dewyl ze beval dat wanneer de
ouders hunne kinderen befchuldigden, ende
,5 handen op hun hoofdleyden , de omftan-
ders gehouden waaren hen te fteenigen. Dat â
hy derhalve zonder eenige andere rechtsplee- 3,
ginge zyne zoonen in zyn land en ryk kon doen
fterven; maar dat hy gcnecgen was den raad en
\'t goedvinden dier groote byeenkomft te heb-
ben. Dat hy hen nógtans daar niet had doen
komen om rechters over zyne zoonen te zyn,
dewyl hunne misdaad klaar bleek maar al- â
leenlyk opdat zy by deeze gelegenheyd in â
zyn rechtmaatig gevoelen zouden trceden, â
en de naakómelingen alzo door hunne toe-,,
ftemminge mogten wecten j van hoe groot
een belang het was, zulk een fchrikkelyk be- â
ftaan der kinderen tegen hunne ouders niet
ongeftraft te laaten."
7^7.
Naa dat Herodes aldus gefprooken had ,
zonder zyne zoonen te hebben laaten haaien,
opdat zy zich verantwoorden zouden, be-
merkte de vergadering wel dat \'er geene hoope
van verzoeninge meer overig was; dies beves-
tigde zy de magt welke Auguftus hem gegeeven
had om met hen te handelen zo als hy \'t goed-
vond. Saturninus, man van burgermeefterly-
ke waardigheyd , en die zeer aanzienlyke amp-
ten bediend had , was de eerfte die zyne mee-
ning te verftaan gaf , en dat met groote be-
fcheydenheydi want hy zeyde. 3, Dathy van
gevoelen was dat zy ftraf baar waaren , maar â
niet met de dood j doordien^ hy zelfvader ,,
zynde zo ftreng niet kon weezen $ nóch
ook gelooven dat men by de voorige rampen â
van Herodes dit niéuw verdriet j dat alle an- â
dere te boven zou gaan, behöorde te voegen."
Zyne drie zoonen , die zyne ftedehouders waa-
ren, zeyden tpen ook hunne meening i en waa-
ren van \'t zelfde verftand. Volumnius daaren-
tegen oordeelde dat zy die zich zo gódloos je-
gens hun vader gedraagen hadden , den dood
verdiend hadden j en de meefte die naa hem
^raken waaren van zyn gevoelen: ZO dat \'er voor
de^e twee Prinfen geen hoope meer overbleef
I hans vertrok Herodes na^yrus, werwaards
hy hen ook deed voeren: en Nikolaüs, die van
Rome wederkeerde, aldaar aangekomen zynde,
verhaalde hy hem wat \'er te Beryte voorgeval-
len was , en vraagde hem wat het gevoelen zy-
ner vrinden te Rome was wegens zyne zoonen,
Hy antwoordde dat de meefte hen veroor-
deelden, en meenden, d^thy hen in de gevan-
genis moft zetten, om hen te doen fterven, in-
dien hy \'t billyk vondt j maar alleenlyk naa een
ry^ overleg j opdat het niet fcheene dat hy in
zo een gewigtige zaak meer dóór toorn dan
door de reden geleyd wierd: óf anders dat hy ,
om zich niet in een onverhelpelyk onl^yl te
wikkelen , hen behoorde te ontflaan en in vry-
heyd te ftellen. Herodes hebbende hem aldus
hooren fpreeken, bleef lang in diepe gedachten ,
zonder iets te zeggen. Thans beval hy hem
mcdet\'fcheepetegaanj cn Vertrok na Cefarea.
Middelerwyl gaf deeze groote zaak Mfk
van gefprék aan al de werreld: men fprak niet dan
van \'t ongeval deezer Prinfen 5 en de haat dien
hun vader hen al ovCr lang toegedraagen had,
deed vreezen dat hy hen zou doen ombrengen.
In deeze ongeruftheyd over dit werk kon men
zonder gevaat ni<itsise|gennóch aanhooren dat
hen
I O G D S C
hen gunftig was : maaï men moft het mede-
doogen dat men met hen had, in zyn hart ver-
bergen j en zyn. hartzeer ontveynzen en ver-
króppen.
np- Daar was niemand dan Tero, een oud en dap-
per krygsman, wiens zoon van Alexanders ou-
derdom , en dien Prinfe zeer toegedaan was,
die de koenheyd had om niet te zwygen \'t gene
andere maar durfden denken: Hy fchroomde
niec fomtyds opentlyk en ronduyt te zeggen:
â Dat\'er geen waarheyd en gerechtigheyd meer
onder de menfchen was j dat de leugen en
quaadaardigheyd in hunne harten regeerde;
en dac hunne blindhéyd zodaanig was , dat
â hoe groot hunne misflagen ook waaren , zy
,, die niet bemerkten. " Men had\'er vermaak
in, hem met zulk een edelmoedige en gevaar-
lyke vryheyd te hooren fpreeken, en men kon
zyne vrymoedigheyd niet laaken : maar elk
zweeg ftil, uyt vreeze van\'er zyne welvaart aan
te waagen , alhoewel de vrees welke men voor
die Prinfen had , andere behoorde bewoogen
te hebben om zyn voorbeeld na të vólgen. Hy
verzócht ook gehoor by den Koning, om hem
alleen te fpreeken ; en Herodes ftondt het hem
toe, waarop hy zich aldus het hooren: â Ik
5, kan niet laaten, Heer Koning, u aan te fpree-
3, ken, met eene vryheyd die gevaarlyk voor
3, my zou konnen weezen, maar voordeelig
3, voor u; indien \'t u belieft myn zeggen wel
,, te overweegen. Wat denkt gy dóch ^ Of
3, waar is nu dat gemoed het welk zich boven
â de zwaarfte zaaken plagt te verheffen; en
â waar zyn alle uwe nabeftaande en vrinden
3, gebleeven ? Want kan men onder dat getal
3, Wel rékenen zulke die zich niet bekommeren
3, om eene beroerte te ftillen, die zo een ge-
3, lukkig Hóf, als eertyds het uwe was , t\'ee-
3, nemaal omkeert? Opent gy uwe oogen niet
3, om te aanfchouwen wat\'er gefchiedt? Is het
3, wel moogelyk dat gy twee Prinfen, welke gy
35 by zo eene groote Koningin geteeld hebt, en
35 die zo wel gebooren zyn, zoudt doen fter-
35 ven, om in den ouderdom waarin gy zyt, u
3, in handen van» eenen Prins, die een misdaa-
dige hoope heeft, te ftellen, en u over te gee-
ven aan zulke uwer nabeftaanden welke gy
zo menigmaal onwaerdig geoordeeld hebt te
leeven? Bemerkt gy niet dat het volk door
ftilzwygen uw gedrag en uwen haat je-
gens uwe kinderen laakt? En wordt gy niet
gewaar dat uwe krygslieden, dóch voornaa-
melyk de Bevélhebbers, deernis met het on-
geluk dier twee Prinfen hebben , en hen die
55 de oorzaak van hun ongeval zyn, niet zonder
afgryzen aanfchouwen konnen ? "
I>ewyl de Koning zyn verdriet wel gevoel-
de, en van de ongetrouwheyd zyner maagen
genoeg verzekerd was, nam hy deeze aanlpraak
van Tero in \'t eerft niet quaalyk op. Maar
ziende dat hy hem met al te groot een vrypós-
tigheyd drong, en geen maat hieldt, begon hy
toornig te worden; en merkende \'t gene hy zey-
de eerder aan als een verwyt, dan als eenen raad
van geneegenheyd t\' zynen dienfte, vraagde hy
hem wie die Bevélhebbers en krygslieden waa-
ren die zyn gedrag laakten : en naa dat Tero
XVi BÃÃK.
53
H E H ï S T O R 1.
die genoemd had , deed hy heli alle in hechte-
niftè neemen, en zondt hemzelven ook na den
kerker.
Zékere Tryfo, die Herodes baardfcheerdet
was, zeyde hem daarnaa, dat hy dikwils van
Tero was vérzócht geweeft hem met zyn fcheer-
mes de keel af te fnyden als hy hem den baard
fchoor, met toezegginge dat hy \'er wel voor
beloond zoude worden, en dat \'er niets was dac
hy van Alexander niet verhoopen mogte. He-
rodes deed dien Baardfcheerder terftond vaft-
zetten , om hem ter pynbank te brengen ; ook
liethy Tero pynigen, midsgaders zynen zoOn,
die ziende dat zyn vader gruuwelyke pynen
uytftondt zonder iets te bekennen, en dat de
Wreedheyd des Konings geen hoope van eenige
verligtinge gaf, zeyde dat hy de waarheyd ver-
klaaren zoude, indien men ophieldt met hen té
fólteren. Men beloofde \'t hem ; waar op hy
dan zeyde, dat zyn vader de vryheyd hebben^-
de om met den Koning alleen te fpreeken, voor-
genoomen had hem te dooden, en alles te waa-
gen ter liefde van Alexander. Deeze verklaa-
ring verlófte Tero van de pynen ; maar men
weet daarom niet óf ze waar was, en óf zyn
zoon niet zo gefprooken heeft om zynen vader
en zichzelven van de pynen te bevryden.
Alstoen verbande Herodes uyt zyn gemoed
alle bekommerdheyd, dieper nóg mogt overge-
bleeven zyn om hem tót het ombrengen zyner
zoonen te doen befluyten : en om niet weêr van
andere gedachten te worden, haaftte hy zich
om zyn voorneemen uyt te voeren. Hy deed
dan Tero , zynen zoon , den baardfcheerder,
en de driehonderd Bevélhebbers, welke men
bedraagen had, opentlyk te voorfchyn bren-
gen, en befchuldigde hen voor\'t vólk, \'t welk
fluks op hen aanviel, met fteenen en alles wat
hun voor de hand quam op hen wierp, en hen al-
le om \'t leeven bragt. En noopende Alexander
.en Ariftobulus, deeze onbarmhartige vader deed
hen na Sebafte voeren, alwaar zy \'door zyn be-
vel geworgd wierden; waarnaa men hunne ly-
k^n by nacht na Alexandrion bragt in \'t graf al-
waar hun moederlyke grootvader, en veele hun-
ner voorouderen begraaven waaren.
Men zal zich moogelyk niet verwonderen
dat een haat, zo lang van te voore opgevat,
zo aangroeide, dat hy magtig was alle de ney-
gingen der natuure in Herpes uyt te bluflchen.
Maar men mag met reden twyfelen óf men de
twee Prinfen, die hunnen vader geftadig ver-
toornd hebbende, hem eyndelyk noodzaakten
hen als zyne doodelyke vyanden aan te merken,
behoort te befchuldigen ; dan óf men de zaak
moet toefchry ven aan de hardhartigheyd van He-
rodes, en aan die geweldige heerfchzucht, die
als het op \'t behouden van de volftrekte mao-t
aanquam, welke hy niet dulden kon dat men
wederftreefde, hem gelooven deed dat hy nie-
mand behoorde te verfchoonen : \'t en waare
men de oorzaak liever aan de Fórtuyn wiFde
wyten, welke meer magt heeft dan alle men-
fchelyke wysheyd; waarom wy ons ook laaten
voorftaan, dat alle gebeurlyke zaaken dooreen
zékere noodfchikkelykheyd zodaanig befteld
zyns datze noodwendig gebeuren moeten, wel-
D d d a ke
iH\'
fió.
721.
ke kracht wy de naam van het Noodlot geeven,
om dat alles noodzaakelyk door deszelfs ver-
moogen zo een lót overkomen moet. Maar ik
meen dat men het zelve in zo verre kan toe-
iienimen, dat men echter ook iets in ons ver-
moogen fteld, en dat men niet moCt valt ftel-
len dat het booze \'t geen yemand bedryft óf
overkomt, buyten zyn ey ge toedoen geichied.
Het geene de Wet al lange voor dit ons zeg-
gen heeft aangetoond. Maar om weêr tot de
twee eerfte oorzaaken van dit treurfpel en be-
klaagelyk geval te komen, het is waar dat men
deeze Prinfen befchuldigen kan van een zéke-
re ftoutheyd, die niet dan al te gemeen by per-
foonen van hunnen ouderdom gevonden wordt:
en van die hoogmoed welke een koninglyke
geboorte medebrengt > en\'dat zy al te ligt een
oor geleend hebben aan zulke die tót nadeel
van hunnen vader fpraken-, dat zy al te naauw-
keurig zyn bedryf onderzóchten dat zy \'er al
te flecht van oordeelden j en dat zy alzo zelve
ftóffe verfchaften tót de lafteringen der gener
die hunne geringfte woorden gade floegen, om
des Konings geneegenheyd te winnen , door
hen eenen quaaden trek te Ipeelen. Maar be-
langende Herodes, hoe kan men hem verfchoo-
nen in zulk een onnatuurlykc daad, van zyne
eygene kinderen te dóen fterven, zonder dat
hy hen kon overtuygen dat zy eenen toeleg op
zyn leeven hadden hebbende alzo zyn ryk be-
roofd van twee Prinfen , zo Wel gemaakt, zo
behendig in allerley oefeningen , zo bequaam
en afgerecht tót den oorlóg , cn zo bevaflig
van fpraak, inzonderheyd Alexander, dat zy
niet alleenlyk Van de Jooden , maar ook van
de vreemdelingen bemind waaren ? En\' indien
hy hen al fchuldig geoordeefd had , behoorde
hy zich niet vergenoegd te hebben met hen ge-
vangen te houden , óf uyt het ryk gebannen
te hebben j naardien \'er niets , nóch van bin-
nen nóch van buyten te vreezen was 5 omdat
hy van zo een magtige befcherminge, als die
der Romeynen Was, zich verzékerd kon hou-
den.^ En wat grooter blyk zyner yflyke on-
nenfchelykhcyd kon hy geeven , dan dat hy
die met alleenlyk heeft konnen overwinnen,
maar dat hy\'er zich zo door Het vervoeren, dat
hy zyne kinderen met zulk een voorbaarige
drift deed ombrengen ? Ea hy maakte zich te
ichuldiger , omdat hy tót zodaanigen ouder-
dom gekomen was, dat hy zich niet verfchoo-
nen kon met oneervaarenheyd, óf dat de zaak
zo lang geduurd had 5 want zyn misdryf zou
zo zwaar niet geweeft zyn, indien een fchiely-
ke aanflag op zyn leeven, dic hem zo over-
rompeld had dat hy niet had konnen laaten ge-
loof daaraan te flaan, hem tót zulk een wree-
de daad aangedreeven hadde. Maar dit te be-
gaan naa zo ccn lange vertoeving en zo veel
overlcgs, is een teken van een bloeddorftig ge-
moed, dat in \'t quaad verhard is , gelyk-het
gevólg genoegzaam toonde 3 want hy fpaarde
zelfs die niet, welke hy te voore meeft fcheen
te beminnen. En hoewel\'er weynig reden was
om hen tc beklaagen, vermids zy fchuldig waa-
ren aan de dood van deeze Prinfen, echter ver-
hindert dit niet zyne wreedheyd in dit geval
te toonen.
\'1
jo:oD
eerste hoofdstuk.
Antipater ppogt den dood van den Koning Herodes zynen vader tc
veihaaften , om in zyne plaats te regeeren. Kinderen welke He-
rodes by zyne negen vrouwen had.
A Lhoewel Antipater door den dood zyner
^broederen eenen grooten voortgang in zy-
nen verfoeijelyken toeleg op \'t leeven van zy-
nen vader gemaakt had, echter was zyn onge-
duld om te regeeren zo groot , dat % geene
andere hinderpaalen, die de vrucht zyner hoo-
pe vertraagden , dulden konde : want verlóft
zynde van de vreeze dat zyne broeders de
kroon met hem deelen zoude , vondt hy zich
in nóg grooter verlegenheyd , door den haat
dien \'t vólk hem toedroeg , en door den afkeer
welken de krygslieden , die alleen magtig ge-
noeg zyn den troon der Koningen , wanneer
\'er veranderingen en omkeeringen in de ryken
komen, re onderft:hraagen , van hem hadden:
en hy kon dien algemeenen weêrzin , welken
men tegen hem opgevat had, niet dan aan zich-
zelven toefchryven , nademaal hy dien op zich
gehaald had door den dood zyner broederen te
bewerken. Hy liet daarom niet naa het gan-
fche Ryk nevens zynen vader te regeeren, gelyk
als ófhy reeds in \'t bezit daarvan geweeft waare,
doordien Herodes een volkomen vertrouwen
op hem ftelde, en dat in plaats van een af-
fchuuwen van zyn verraad jegens zyne broe-
deren te hebben , hy \'er wel in zynen fchik om
was , meenende dat het niet uyt eenigen haat
tót hen gefchied was dat hy zo gehandeld had,
maar uyt eene toegeneegenheyd jegens hem,
en om het belang dat hy in zyne behoudeniftè
nam : alhoewel het nógtans waar was , dat hy
met zulk een woede tegen hen was ingenomen,
dat hy niet alleenlyk hunne perfoonen haatte,
maar hen ook haat toedroeg om hun vaders
⢠wille j doordien hy voor een ieder vreefde die
zyn verraad aan hem zoude konnen ontdekken,
en zich aankanten tegen den toeleg dien hy ge-
fmeed had om hem uyt de werreld weg te neemen,
en zich in zyne plaats te draaijen. Maar dewyl die
zelfde vreeze van ontdekt te worden, en geen
Grooter vyand te hebben dan zynen vader, niet
kon ophouden zo lang hy in \'t leeven was,
haaftte hy zich om zyne verfoeijelyke onder-
neeming te volbrengen. Uyt dit mzigt ver-
zuymde hy niet om ae voornaamfte vrinden
zyns vaders , en voornaamelyk die te Rome,
dóch boven alle andere Saturninus, Landvoogd
van Syrië, en zynen broeder , door groote
gefchenken te .winnen. Ook hoopte hy zyne
moey Salomé , die toen aan éénen der grootfte
vrinden van Herodes getrouwd was , op zyne
zyde te krygen : want Antipater was de ge-
veynfdfte en doortraptfte menfch, om onder
fchyn van vrindfchap te bedriegen , die \'er
weezen kon. Maar dewyl Salomé hem door
en door kende , was \'t hem onmoogelyk haar
te verfchalken , alhoewel hy had weeten te we-
ge te brengen dat haare dóchter , weduwe van
Ariftobulus , met zynen moederlyken oom ge-
trouwd was. Want haare andere dóchter was
aan KaUeas gehuuwd j en zy zelve behieldt
haare geneegenheyd tót Sylleus , wenfchende
met hem te moogen trouwen : maar Herodes
dwong haar een huuwelyk met Alex as aan te
gaan , en om haar daartoe te brengen gebruykte
hy de byftand der Keyzerinne, die haar te ver-
ftaan gaf, dat de Koning haar broeder gezwoo-
ren had haar nooit te beminnen, indien zy
zulks weygerde; weshalve zy niet beter kon
doen dan zyne begeerte naakomen.
JOODSCHE
H I S T O R
ZEVENTIENDE BOEK,
Ter zelfder tyd zondt Herodes de Prinfés
Glafyra, Alexanders weduwe, aan den Koning
Archelaüs haaren vader wederom , en betaalde
daar nevens uyt zyne fchatkift het gene zy mede
ten huuwelyk gebragt had, om atzo alle oorzaak
van klagte te weeren. Daar waaren twee zooaien
van dit huuwelyk j en Ariftobulus had\'er drie
naagelaaten by Berenice , behalven nóch twee
dóchters. Herodes liet niets achterwege om hen
wel te doen opbrengen, hy prees hen zynen vrin-
den dikwils aan , beklaagde het ongeluk zyner
zoonen, badt Gód dat hunne kinderen gelukki-
ger mogten zyn, enindeugdzowelalsinjaaren
opwaÃende, hem voor de zórg die hy voor hun-
ne opvoedinge nam bedanken, Hy ichikte den
oudften zoon van Alexander de dóchter vanzy-
nen broeder Pheroras, den oudften zoon van A-
riftobuhis de dóchter van Antipater, den zoon
van dien zelfden Antipater eene der dóchtc-
ren van Ariftobulus ; eli zynen zoon Herodes,
dien hy by eene dóchter des Hoogenpriefters
geteeld had , f naardien onze v/etten ons toe-
laaten verfcheydene vrouwen te hebben) de an-
dere dóchter van Ariftobulus ten wyve toe,
Zyn voornaamfte oogmerk met deeze huuwe-
lyken , was om Antipater daardoor tót mede-
lyden en liefde jegens die weeskinderen te be-
wegen : maar hy haatte hen niet minder dan
hy hunne vaders gehaat had ; en des Konings
geneegenheyd tót hen , in plaats van dc zyne
te doen toeneemen , maakte hem te bekommei-
der : want hy vreefde dat wanneer zy tót jaa-
ren gekomen zouden zyn , zy zich tegen zyne
magt mogten aankanten , met hulpe van den
Koning Archelaüs hunnen grootvader , en van
den Viervórft Pheroras , wiens zoon , zo die
toelég uytgevoerd wierd , niet ééne derdóch-
teren ,van Ariftobulus trouwen zoude. Zyne
vrees mm toe door de deernis welke het vólk
met die jonge Prinfen had, door den haat dien
hy wift dat men hem toedroeg omdat hy de oor
7M\'
zaak
Ddd 3
I^S F L A V I U S J
zaak van hun ongeluk geweeft was , en door de
gene^rgdheyd waarin de ingezétenen waaren, om
zyne boosheyd, wanneer zich eene gelegenheyd
daartoe voordeed $ aan den Koning te ontdek-
ken , en de laagen , waarvan hy zich bediend
had om zyne broeders aan ccn kant tc helpen,
aan hem bekend te maaken. Om dan te belet-
ten dat zyne neeven t\'eeniger tyd het gezag met
hem zouden konnen deelen , wendde hy alles
aan wat hy kon om het befluyt van Herodes on-
trent de voorgemelde huuwelyken te verande-
ren 5 en hy verwierf eyndelyk door zyn fmeeken
verlóf van hem om met de dóchter van Arifto-
bulus te trouwen, en zynen zoon aan de dóch-
ter van Fheroras uyt te huuwelyken.
Herodes had toen negen vrouwen , welker
eerfte de moeder was van Antipater de twee-
de was de dóchter van den Hoogenpriefter Si-
mon , by welke hy eenen zoon had genaamd
Herodes , gelyk hy zelf; de derde was zyns
broeders dóchter j de vierde was zyn zufters
dóchter, by welke twee hy geene kinderen had j
de vyfde was eene Samaritaanfche , by wie hy
twee zoonen Archelaüs en Antifas had, cn eene
dóchter geheeten Okmpias, met welke zyn broe-
ders\' zoon J ofephus naderhand trouwde j en Ar-
chelaüs en Antipas wierden te Rome by éénen
van zyne vrinden opgetrokken ^ de zesde ge-
naamd Kleopatre was van , en hy had
\'er twee zoonen hy Her odes en Ftltpptis , welke
laatfte ook te Rome opgebragt was. De zeven-
de wiert Palias geheeten, by wie hy een zoon had
M^/^é-ygeheeten j de achftte Ftdra, by welke hy
eene dóchter had genaamd Roxane en de ne-
gende was Elpü , by wie hy eene dóchter had
genoemd Salomé. Belangende zyne twee dóch-
ters , de zufters van Alexander en Ariftobulus,
welke hy by Mariamne geteeld had, en met wie
Fheroras geweygerd had te trouwen , daarvan
had hy \'er ééne uytgehuuwelykt aan Antipater
den zoon zyner zufter Salomé , en de andere
aan den zoon zyns broeders Fhafaël, gelyk hier
voore verhaald is.
^ rr^h^"tdtt ü k.
Van eenen Jood genaamd Zamaris, zynde een zeer dapper man.
HErodes om het landfchap Trachonitis in
eenen vcyligcn ftaat te fteflen , verfterkte
een vlek dat in \'t midden van \'t land lag , ver-
grootte het tót eene ftad , en leyd \'er eene be-
zetting in , om op de vyanden te konnen uyt-
trekken. Hebbende daarnaa verftaan dat een
] ood, genaamd Zdmarü, van Babflon gekomen
met vyfhonderd ruyters gewapend met pylko-
kersen fchichten, en verzeld van by na honderd
zyne maagen , zich met verlóf van Saturnyn,
Landvoogd van Syrië, begeeven had op een flót
genoemd Valathe , dicht by Antiochië 5 ont-
boodt hy hem met alle de zyne, beloofde hem lan-
deryen in de ftreek van Bathanea, op de grenzen
van Trachonitis, te zullen geeven, en hem van al-
le belaftingen te bevryden, mids dat hy de ftroo-
peryen die de roovers in \'t land zouden wfllcn
doen, beletten zoude. Zamaris nam de aanbie-
ding aan, en bouwdekafteelen en een vlek \'t welk
hy Bathyra noemde. Aldus dekte hy \'t land te-
p-en de invallen der Trachoniten, en befchuttc-
tede dejooden, die uyt Babilonië na Jerufalem
7H\'
71$,
XVIL Boek.
gingen om te ófferen , voor hunne rooveryen.
V ede die onze vaderlyke wetten gódsdien-
ftiglyk onderhielden ^ voegden zich by hem,
en die landftreek wierdt zeer bevólkt, ter zaa-
ke van de vryheyd van fchattingen die Herodes
den ingezétenen toeft ondt, en welke zy geduu-
rende zyne regeeringe genooten. Maar zyn zoon
Filippus hem in de regeering gevólgd zynde,
leydde hen een kleyne fchatting op, hoewel
maar voor een\' korten tyd. Dóch Agrippa de
Groote en zyn zoon drukten hen met zwaare be-
laftingen , maar lieten hen evenwel hunne vry-
heyd behouden j en de Romeynen deeden desge-
lyks , gelyk wy tc zyner plaatfe zullen zeggen.
Deeze Zamaris, die een zeer dapper man was,
liet braave kinderen naa, hem gelyk, en onder
anderen eenen Jakimus , die zieh door zyne
dapperheyd zeer beroemd maakte , en zyne Ba-
bylonifchc Jooden zo wel in het paerde ryden
oefende , dat de Koningen haar fteets tót lyf-
fchutten te paerde gebruykt hebben. Hy ftierf
in eenen hoogen ouderdom, en liet eenen zoon
naa , geheeten Filippus , zo uytmuntend in
deugd , dat de Koning Agrippa hem niet alleen-
lyk een byzondere geneegenheyd toedroeg, maar
hem ook tót Overfte van zyn heir aanftcldc.
iii. hoofdstuk.
tZamenrótting van Antipater , Pheroras , en zyne huysvrouw tegen
Herodes. Salomé geeft hem kennis van, Hy doet de Phari-
feen die vah dien asnha\'ng waaren, ombrengen ; en poogt Phero-
ras tót het vetftooten zyner vrouwe tc beweegen ; maar die kan
\'er niet toe befluyten.
TOen dc zaaken in dien ftaat waaren , en
dat Herodes , die zich inbeeldde zeer van
Antipater bemind te zyn , zulk een groot ver-
trouwen op hem ftelde, dat hy hem een vol-
komen gezag gaf, deed de ongemcetcne ftaat-
zucht van dien ontaarden zoon, hem die magt
misbruyken. Maar hy verbergde zyne quaad-
aardigheyd zo behendiglyk , dat zyn vader
mets daarvan bemerkte : cn hy aldus door zy-
ne boosheyd en magt van ieder één ontzien
wierdt. Hy bewees Pheroras groote eere : en
Pheroras door de wyven, die Antipater begun-
ftigden, bedroogen, washemgedienftig, omdat
hy zyne huysvrouw niet mishaagen durfde, nóch
ook zyne fchoonmoeder en haar zufter, hoewel
hy haar haatte ter oorzaake van de quaade bejége-
ning, diezy zyne dóchteren, welke nóg niet ge-\'
trouwd waaren , aandeeden : maar hy was ge-
noodzaakt het te verdraagen , uyt vreeze van
haar moeijelyk te maaken , dewyl al zyn bedryf
haar zeer wel bekend was , en zy in groote\'
onderlinge gemcenfchap leefden, en dat ook An-
tipater een naauwe vrindfchap met haar hieldt,
zo door hem zelvcn , als door zyne moeder j
want die vier vrouwen floegen in alles op mal-
kanderen. Niettemin ontftondt \'er tufl:bhen
Pheroras en Antipater eemg misverftand uyt ge-
ringe oorzaaken , en dat door de lift van Salo-
mé , die naauwkeurig op alles gelet hebbende,
befpeurd had dat zy tzamen tegen den Komng
aanfpanden , en gereed was om \'er hem van te
verwittigen. Maar dit t\'hunner kenniflë ge-
komen zynde , beflooten zy niet meer opent-
lyk met eikanderen te verkeeren , zich te ge-
laaten als óf zy geen goede vrinden waaren;
naa^
OSEPHUS
72 ff.
naadeelig de één van den anderen te ipreekën,
voornaamelyk in \'t byzyn van den Koning , óf
zodaanige die \'t hem konden verhaalen j en
ondertuflchen in \'t heymelyk grooter gemeen-
fchap te houden dan ooit te voore. Dóch dit
kon zo behendig niet gefchieden , óf Salomé,
die op al hun bedryf zeer naauw lettede,
wierdt het gewaar. Daarop zeyde zy tót dén
Koning, dat ze tzamen aten en dronken zonder
dat men het zag, dat zy raadflagén hielden die tót
zyn verderf zouden ftrekken zo hy\'er niet fpoe-
dig voor was ; dat zy voor de menfchen veynf-
den overhoop te léggen, en bitfe woorden ge-
bruykten 5 maar dat zy alleen zynde , eikande-
ren grooter vrindfchap betoonden dan te voore:
en dat men niet behoefde te twyfelen , óf zy
brouwden den ondergang der gener, voor Wel-
ke zy zich zo zórgvuldiglyk poogden te verber-
gen. Herodes had zelf al iets hiervan bemerkt,
maar hy ging zeer omzigtig te werk, doordien
hy. den aardt zyner zufter, die geen zwaarig-
heyd maakte van onwaarheden voort te bren-
gen , zeer wel kende; en dat hem ook niet on-
bewuft was dat zy , en alle de andere vrouwen,
waarvan reeds gemeld is, een zékere gezind-
heyd van lieden toegedaan waaren, die voor wy-
zer 3 dan alle andere , in de gódsdienft willen
aangezien weezen, en de menfchen doen ge-
looven dat zy van Gód zo bemind zyn, dat
hy zich aan hen openbaart, en hen de kennis
van toekomende zaaken geeft : men noemt hen
Pharifeen > zy zyn zeer liftig, en zo ftout datzy
menigmaal niet fchroomen zich tegen de Konin-
gen te verheffen, en hen opentlyk te wederftree-
ven. Invoege dat wanneer de geheele Joodfche
landaard zich met eede verbonden had den Ko-
ning en den Keyzer getrouw tezyn, daar meer
als zesduyzend van hen waaren , die dien eed
weygerden. Herodes befloeg hen in eene geld-
boete , en de huysvrouw van Pheroras betaal-
de die voor hen. Om deeze gunft te erkennen,
zeyden zy tót haar, dat het Góds wille was,
liet Ryk Herodes en zynen afkómelingen te ont-
neemen y om het aan haaren gemaal Pheroras,
en de kinderen welke hy by haar geteeld had,
te geeven. Salomé ontdekte deeze tzamenrót-
ting ook, en verftondt dat de leden daarvanet-
iyke aaii \'t Hóf door gefchenken omgekóft had-
den : dies gaf zy \'er den Koning kennis van,
en hy deed de Pharifeen die \'er de voornaamfte
aanleyders van waaren ombrengen, alsmede den
crefneeden kamerling Bagoas, en zekeren Kam,
Zynde een jongen dien hy om zyne fchoone ge-
dLnte beminde, midsgaders die van zyne huys-
genooten welke befchuldigd wierden medeplig-
tig aan de tzamenzweermge tezyn. DePhari-
feën hadden Ãaeoaswys gemaakt dat die nieuWe
Koning, wiens erootheyd zy voorfpelden, hem
niet alleenlyk als zfnen weldoener en vader zoud
aanmerken i maar ook hem die kracht der natuur
fchenken, dat hy zelf zou trouwen , en zich
bequaam vinden om .kinderen te teelen.
Naa dat Herodes deeze Pharifeen had doen
dooden, deed hy zyne vrinden byeenkomen,
cn zeyde tót hen: â Dat de huysvrouw van
â Pheroras, die\'er tegenwoordig was, de
j> oorzaak was geweeft van den hoon dien hy
hem had aangedaan, door een himWelyk met â
de Prinféïlèn zyne dóchters te weygéren\'; dat
zy by die gelegenheyd , en alle andere, niets â
achterwege gelaaten had om hen tzamen te â
doen overhoop leggen ; datzy de boete be- ,j
taald had in welke hy die wederfpamiige Pha- â
rifeën had beflagen > en dat zy aan de laatfte â
tzamenzweeringe fchuldig was. Dat derhal- â
ve Pheroras niet behoorde te wachten tót â
dat hy hem verzócht zo eene perfoon te ver- â
ftooten, die niet anders poogde dan verdeeld- â
heyd tuftchen hen te veroorzaaken ; dewyl â
hy haar niet kon aanfchouv/en zonder de
vrindfchap met hem te breeken."
7^7.
Pheroras zeer door dit gefprék getroffen,
zeyde dat hoewel hy de geneegenheyd en ge-
trouwheyd , welke hy den Koning zynen broe-
der fchuldig was , gódsdienftiglyk zoud ónder-
houden , hy echter niet befluyten kon zyne
vrouw te verftooten , doordien hy haar zo lief
had, dat de dood hem zo zwaar niet zondeval-
len, ais van haar gefcheyden te zyn. Herodes
hieldt zich zeer gebelgd over dat antwoord,
zonder nógtans zynen toorn te laaten blyken â¢
maar hy vergenoegde zich met Antipater en zy-
ne moeder te verbieden eenige zaamenfpraak met
hem te houden ; en belafte Antipater zórge te
draagen dat dat gezelfchap van vrouwen geftoord
wierd. Zy beloofden\'t hem, en lieten evenwel
niets naa , als zy\'er maargelegenheydtoehad
den, by malkanderen te komen eeten, voornaa-
melyk Pheroras, en Antipater, die men geloof-
de in oneerbaarheyd met Pheroras huysvrouw
te leeven , en \'t wierdt gemeend dat Antipaters
moeder hunne vertrouwde was.
718.
IV. H O O F D S T U K.
Herodes zendt Antipater na Auguftus met zyn uyterfte wille,
waardoor hy hem tót zynen naazaat aanftelt. Sylleus koopt ee-
nen van Herodes lyfwacht ora, om hem te dooden; maat de toè-
leg wordt ontdekt.
T>EWyl Antipater vreefde dat de haat van
-*-^den Koning zynen vader eyndelyk op hem
neêrvallen zoude , fchreef hy aan zyne vrin-
den te Rome , dat zy dóch door hunne brie-
ven den Koning wikieh beweegen om hem op
\'t fpoedigftc aan Auguftus te zenden. Zy
quamen zyn verzoek naa , en Herodes zondt
hem daarop met groöte gefchenken , en zyne
uyterfte wille , Waarby hy hem tót zynen naa-
zaat aanftelde , indien hy hem overleefde ⢠en
in gevalle hy voor hem ftierf, verkoor hy , om
hem in \'t ryk te vólgen , zynen anderen zoon
Herodes , dien hy by de dóchter des Hoogen-
priefters geteeld had. ,
Ter zelfder tyd quam Syüeus ook te Rome;
zonder naagekomen te hebben \'tgene Auguftus
bevolen had. Antipater befchuldigde hem voor
den Keyzer van die zelfde misdaaden, waarover
Nikolaüs hem had aangeklaagd: en Aretas deed
hem defgelyks befchuldigen dat hy , tegen zyn
goedvinden, te Petra verfcheyde perfoonen van
aanzien, en in \'t byzonder So \'émm, eenen zeef
deugdzaamen man , had doen ombrengen, als-
mede éénen van Auguftus dienaaren geheeten
Fabatm^ De voornaafte befchuldiging nu van
Sylleus gefchiedde om de vólgende oorzaak.
Onder de lyfwacht van Herodes waseenKorin-
thus
thus geftoemd, op wien hy zich veel ^ertröuwde j
deezen kóft Sylleus om door een groote fomme
gelds , en deed hem belooven dat hy den Ko-
ning zynen meefter om \'t leeven zoude brengen.
Fabatus dit Uyt den mond van Sylleus zeiven
verftaan hebbende deed \'er Herodes de weet van,
die deezen Korinthus liet in hechteniffe nee-
men 5 en pynigen. Hy bekende alles , en be-
fchuldigde twee Arabiërs, welker één een groot
Heer, en de andere een byzonder vrind van
Sylleus was. Herodes deed hen infgelyks ter
pynbank brengen , en zy bekenden dat zy ey-
gentlyk gekomen waaren om deezen Korinthus
tót het naakomen zyner belófte aan te prelfen,
en hem daarin by te ftaan, indien noodig
waare. Thans zondt Herodes hen met de be-
richten aan Saturninus , die hen na Rome deed
om aldaar te recht gefteld te worden.
voeren
V. HOOFDSTUK.
De dood van Pheroras Herodes broeder.
HErodes ziende dat Pheroras hardnekkig
bleef om zyne huysvrouw te behouden,
beval hem dat hy zich dan na zyn Viervórften-
dom zou begeeven. Dit deed hy niet alleen-
lyk gewillig , maar zwoer met eede dat hy ge-
duurende zyn leeven nooit weder aan \'t Hot
zoude komen , en hy hieldt zyn woord ook:
want Herodes eenigen tyd daarnaa ziek gewor-
den zynde, en hem ontbooden hebbende, om
hem voor zyn fterven eenige heymelykeen\\^ig-
tige bevélen te geeven , liet hy weeten dat hy
niet komen kon , om zyns ceds wille. Hero-
des nam hem daarin niet tót een voorbeeld,
Bóchte verkoelde in de geneegenheyd welke hy
hem toedroeg : want naa dien tyd verftaan heb-
bende dat hy ziek geworden was , ging hy hem
bezoeken, zonder des verzócht geweeft te zyn :
en dewyl Pheroras van deeze ziekte ftierf, deed
Herodes het lyk na Jerufalem voeren , en al-
daar begraaven , en zyne gedachtenis met een
openbaare rouw eeren. Deeze dood was een
be^in van Antipaters ongeval, die zich toen te
Rome onthicldti want Gód wilde hem eynde-
lyk ftraffen over zyne boosheyd , in \'t bewer-
ken van den dood zyner broederen betoond.
Ik zal de omftandigheden daarvan verhaalen,
om aan de werreld door dat voorbeeld tc too-
nen , hoeveel\'er aan gelegen is de gerechtig-
heyd en deugd tót eenen regel zyner daaden te
neemen, en nooit iets te doen dat daar tegen
ftrydt. ____
V I. H O O F D S T U K.
Kcrodes ontdekt den toeleg van zyuen zoon Antipater, om hem door
vergift om \'c leeven te brengen.
npWee mannen , dic door Pheroras vry-
X gemaakt, en zeer van hem bemind waaren,
quamen naa zynen dood by Herodes, om hem
te bidden dat hy dien niet ongeftraft wilde laa-
ten , maar een naauw onderzoek doen na degé-
nen die \'er de oorzaak van waaren. Herodes hen
met opmerkinge aanhoorende, en hurme woor-
den geloof geevende , verhaalden zy hem, dat
hun meefter, op den dag dat zyne ziekte hem
aanquam, het avondmaal by zyne huysvrouw
gehouden hebbende, men hem vergift gegeeven
had, gemengd in een fpyze, waaraf hy zO haaft
niet gegeeten had , óf \'t had hem aangetaft :
Dat dit vergift gekomen was van eene Arabifchè
vrouw i die gezegd had dat het niet anders dan
een minnckruyd was, daar het nógtans een
doodelyk venyn was, en dat onder dc Arabifchè
vrouwen, die groote venyngecffters zyn, men
eene in \'t byzonder befchuldigde, die eenen
vryen toegang had by de boel welke Sylleus
onderhieldt. Dat de moeder cn zufter van Phe-
roras huysvrouw by dit vrouwmenfch geko-
men waaren om dit vergift van haar te koopen,
en dat zy het \'s daags te voore dat Pheroras
dien maaltyd by zyn vrouw gedaan had , me-
degebragt hadden. Dit bericht maakte Hero-
des zo vertoornd, dat hy de fiaavinnen cn vrye
vrouwlieden van de móeder en zuftcr van Phe-
roras huysvrouw deed pynigen. En hoewel
zy niets bekenden, was \'cr eyndelyk echter
ééne van haar j die door het geweld der pyne
overwonnen, zeyde dat zy wenfchte dat de
moeder van Antipater diergelyke pynigingen
mogt uytftaan , dewyl zy \'er de oorzaak van
was dat zy alle deeze fmarte lyden moften.
Deeze woorden deeden Herodes nóg naauwer
onderzoek doen, om achter de waarheyd der
zaake te komen j en hy deed die vrouwen zo
fel pynigen, dat hy alles wat\'er gefchied was
uyt haar vèrftondt, te weeten de heymelyke
maaltyden en byeenkomften, en zelfs dat gene
\'t welk hy tót niemand dan Antipater alleen ge-
zegd j en dat Pheroras aan die vrouwen weêr
verteld had j van die honderd talenten name-
lyk, die hy aan Antipater buyten yemands
weeten gefchonken had, onder belófte, dathy
zich van Pheroras zou afzonderen 5 dat hy hem
eenen grooten haat toedroeg; dat hy zyn be-
klag dikwils aan zyne moeder had gedaan dat
zyn vader zo lang leefde > dat hy zelf oud wor-
dende , de kroon zo laat erven zoude, dat hy \'er
\'t genót niet lang van zoud hebben , dat zyn
vader zo veele andere zoonen en zoons zoonen
had , dat hy niet hoopen kon het ryk met een
\\0lkómene zekerheyd te zullen bezitten 5 en dat
al quam de Koning te fterven, het niet zyn zoon,
maar één zyner broederen was, dien hy tót zy-
nen naazaat aangefteld had. Deeze vrouwen
verklaarden ook dat hy dikwils van Herodes
wreedheyd fprak j dat hy plagt te zeggen dat hy
zyne eygene zoonen niet verfchoond had , en
dat dit hem na Rome, en Pheroras na zyn Vier-
vórftendom had doen gaan.
Nademaal dit alles overcenftemde met het
bericht dat Herodes van Salomé had ontvan-
gen, bedacht hy zich niet lang om \'er volko-
men geloof aan te flaan. Hy hieldt Doris, An-
tipaters moeder , voor overtuygd van deel aan
die tzamenzweering gehad te hebben , benam
haar alle haare juweelen , die van een groote
waarde, en door hem aan haar vereerd waaren ,
en hy jaagde haar uyt zyn Hóf Noopende de
vrouwen van Pheroras huys, hy begon zjch
zachter jegens haar te toonen, omdat zy alles
aan hem ontdekt hadden. Maar niets vertoorn-
de hem meer tegen Antipater , dan \'t gene hy
uyt zynen Rentmeefter , die een Samaritaan,
en ook dnitpaUr geheeten was, vèrftondt.
Deeze
Il i\'I
â¢â li -il
XiVir. BOEK; ]00
Deeze man ter feherpe vraage gebragt^ beken-
de onder andere, dat zyn meefter aan r neroras
een doodelyk vergift ter hand gefteld had , om
het den Koning in te geeven in zyn afweezen,
opdat men\'er hem niet meê zou konnen befchul-
digen j dat dit vergift door Antt-film, eenen
van Antipaters vrinden , uyt Egipte gebragt
en dat zyn oom thendto , broeder zyner
VII. H O O F D S T U K.
Antipater weder van Rome in Judéa gekomen zynde , wordt jn te-
ecnwoordigheyd van Varus Landvoogd van Syrië ovcrtuygd dathy
den Koning zynen vader had wülen vergeeven. Herodes doet hem
in de gevangenis zetten, en fchryft daarover aan Auguftus.
rjErodes zyne gramfchap ontveynzende te- 73;
-ttl gens Antipater, (van wien hy bericht had,
dat hy haaft, na afles gelukkig ten eynde gebragt
te hebben, meende te huys te komen) fchreef
hem dat hy op \'t fpoedigft moft overkomen, ten
eynde zyn afweezen hem niet naadeelig waare.
Hy deed hem alleenlyk eenige ligte klagten over
zyne moeder, met belófte dat zo dra hy weder
t\'huys gekomen zou zyn , hy \'t opgevatte mis-
noegen vergeeten zoude 5 waarby hy niet dan
betuygingen van toegencegenlieyd voegde ^
iiyt vreeze dat. zo zyn zoon eenig mistrouwen
kreeg 5 % niet zoude wedérkomen, maar iets
quaads tegen hem brouwen. Antipater ont-
ving dien brief in Cilicië , terwyl hy op weer
was om weerom te komen 5 en hy had te voo°
re al andere te Tarente ontvangen , uyt welke
hy Pheroras dood verftaan had , waarover hy
zeer-bedroefd was ; niet uyt geneegenheyd tót
hem, maar omdat hy zynen vader niet vergee-
ven had 5 gelyk hy hera had beloofd, Töcn
E e e hy
5)
3Ã
33
55
was , â ",------------,
moeder Dons , het by Pheroras pbragt, en
dat die het zyner huysvrouwe te bewaaren ge-
s-eeven hadde. Herodes ontboodt aanftonds
Pheroras weduwe , en ondervraagde haar we-
eens die zaak : Zy bekende dat zy dat vergift
had , en ging heene als om het te haaien: maar
in plaats van het te brengen , wierp zy zich uyt
eene gallery van het paley^ van boven neêr, zon-
der dat die val doodelyk voor haar was, omdat
zy juyft op haare voeten neèrquam. Naa dat
zy weêr tót haar zelve gekomen was, beloofde
de Koning haar en haar ganfche geflacht ver-
giffenis , indien zy hem de waarheyd verklaar-
de : dóch dreygde haar daarentegen m^ de
zwaarfte pynigmge , byaldien zy die hardnek-
ki<Tlyk voor hem poogde te verbergen. Uaar-
op betuygde zy met eede dat ze mets voor
hem bewimpelen zoude j en \'t gemeen geloof
was dat zy oprechtelyk daar ontrent te werk
ging: â Antifilus , .zeyde zy , dit venyn
â uyt Egipte gebragt hebbende , alwaar het
â bereyd was door zynen broeder, die een arts
â is, zo kóft uw zoon Antipater het van hem,
â om \'er zich tegen uwen perfoon van te be-
â dienen, en Theudïo bragt het by Pheroras,
â die het my te bewaaren gaf Myn man na-
derhand ziek geworden zynde , wierdt zo
bewoogen door uwe toegeneegenheyd die gy
,, hem door uw bezoek betoonde, dat hy my
3, deed roepen, en tót my zeyde: Huysvrouw,
â ik heb my door Antipater laaten bedriegen,
â toen hy my zyn voorneemen om zynen vader
3, te vergeeven ontdekte : maar tegenwoordig
â nu ik zie dat de Koning zyne broederlyke
âgeneegenheyd , welke hy altoos heeft bc-
â toond , nóg behouden heeft, cn dat myn
â leeven op \'t eynde loopt, wft ik na de ande-
â re werreld niet gaan met eene ziel, die bezoe-
[I deld is met de misdaad van mynen Koning
\'â en broeder na \'t leeven geftaan te hebben.
Daarom verzoek ik u dat vergift m myne
\' tecTcnwoordigheyd te verbranden. Zo dra
r, ha^\'d hy dit niet gezegd , óf ikJiep heene om
het te haaien , en ik verbrandde het voor zy-
" ne oosen , uytgenomen. een weynigje daar^
van c&ik bewaarde , om\'er my van te be-
J indien gV naa zynen dood my met
het beflooten was- DS broeder van Antifibs
cn zyne moeder bekenden onder t pynigen ae-
zelfde zaak , en erkenden het doosje ook.
Men befchuldigde infgeiyks ééne van sKonmgs
vrouwen , dóchter van den Hoogenpriefter,
dat zy deel aan die tzamenzweeringe iyd ge-
had , en \'t geen ze daar van geweeten had, ver-
borgen had gehouden. Herodes verftiet haar,
fchrabde zynen zoon Herodes, dienhybyhaar
DSGHEHÃSTORÃ^
geteeld , en tót zynen NaaZaat benoemd had,
in gevalle Antipater voor hem ftierf, uyt zyne
uyterfte wille, ontnam zynen fchoonvader Si-
mon het Hoogepriefterfchap , en gaf het aan
Matthias Theofilus zoon.
Ondertuflchen quam BathyUm , een vryge-
maakte van Antipater , van Rome ; men bragt
hem op de pynbank , en hy bekende dat hy
vergift medegebragt had , om het aan Antipa-
ter cn Pheroras te behandigen , opdat indien
het eerftè \'t welk men den Koning zou gegee-
ven hebben, geene werking deed , menhem
het tweede geeven zoude. Men leverde ter
zelfder tyd aan Herodes ook brieven over, wel-
ke zyne vrinden te Rome hem op \'t verzoek van
Antipater, die hen door groote gefchenken op
zyne zyde had gewonnen , gefchreeven had-
den. Deeze brieven behelfden dat zyne zoo-
nen Archelaüs en Filippus hem dikwils wegens
den dood hunner broederen Alexander en Ari-
ftobulus befchuldigdcn , geevende te verftaan
dat zy \'er zeer gevoelig van waaren , cn dat zy
geloofden dat hy hen niet uyt Rome in Judéa
zoud ontbieden , dan om hen eveneens te han-
delen. Antipater fchreef ook defwege aan den
Koning , als om hen te verfchoonen, zeggen-
de dat men \'t hunner jongheyd ten goede moft
houden. En terwyl hy zyn verblyf aan \'tHóf
van Auguftus had, was hy\'er geftadig over uyt
om de voornaamfte hovelingen door gefchenken
te winnen, beftcedende tót dien eynde meer
dan tweehonderd talenten. Inmiddels fchynt
het Verwonderens waerdig, dat hy geduurende
de zeven maanden die hy te Rome was, niets
verftondt van \'t gene \'er in Judéa tegen hem was
voorgevallen. Maar behalve dat men op alle
de wegen zo naauwe wacht hield, om te belet-
ten dat hy eenige tyding Icreege , was de haat,
welke men hem toedroeg , zo groot, dat \'er
niemand was die zich om zynent wille in gevaar
wilde ftellen.
S E P H U S
hem opende 5 maar zyne ftoet hieldt men\'er
buyten. \'t Viel hem- toen niet zwaar te begry-
pen in wat gevaar hy was, en hy bemerkte het
nog beter toen Herodes, in plaats van hem te
omhelzen , hem te rugge ftiet, en hem den
dood zyner broederen verwytende, tót hem
zeyde , dat hy daar nóg eenen vadermoord
had willen byvoegen 5 maar dat Varus den vól-
genden dag zyn Rechter zoud weezen. Zulk
een onverwacht euvel trof Antipater als een
donderftagj zo dat hy verfchrikt heene gingj
en door zyne moeder, en zyne huysvrouw-
dochter van Antigonus, die voor Herodes ge-
regeerd had, van alles bericht gekreegen heb-
bende , bereydde zich om voor \'t gerecht tc
verfchynen. ^
De vólgende dag gekomen zynde beriep He- 73 3-
r^es een groote byeenkomft, alwaar Varus
Voorzitter was : hunner beyder vrinden bevon-
den zich insgelyks daar, nevens de bloedver-
wanten van Herodes, en onder andere ook zy-
ne zufter Salomé. Men ontboodt alle die den
roelég ontdekt hadden, ook haalde men degé-
nen die gcpynigd waaren , midsgaders edyke
van de huy^enooten van Antipaters moeder,
weüce men een weynig voor zyne wederkomft
mhcchtemftè genomen had, omdat men brie-
ven by hen had gevonden, behelzende dat zyne
aanftagen ontdekt waaren, dat hy zich wachten
moft weder te komen, om niet in de handen
van den Konmg zynen vader te vervallen, en
dat de eenigfte hoope van reddinge die\'er voor
hem nóg overfchoot, was zyne toevlugt tót de
belchermmg van Auguftus te neemen. Antipa-
40S FLAVIÃSJO
hy te Celenderis, eene ftad in Cihcië , geko-
men was, begon hy te twyfelen ófhy zyne rey-
ze vervolgen zoude: want hy was zeer gebelgd
over den hoon, zyner moeder aangedaan, door
haar uyt het paleys te verjaagenj en\'t gevoe-
len zyner vrmden was verdeeld 5 fommige waa-
ren van meeninge dat hy op eenige plaats be-
hoorde te wachten, om te zien wat \'cr gebeu-
ren zoude, cn andere rieden hem zich te
haaften, om door zyne tegenwoordigheyd den
toeleg, dien zyne vyanden, ftout op zyn afwee-
zen, tegen hem mogten hebben, te doen ver-
ftuy ven. Hy nam den laatften raad aan , zet-
tede zyne reyze voort, cn quam in de haven
van Sebafte , welke Herodes met zo veele
kóften had doen maaken, cn ter eere van Au-
guftus met dien naam genoemd had. Men twy-
felde toen niet aan Antipaters ondergang 5 want
m plaats dat hy na Rome tTcheep gaande om-
rmgd was van den drang der gener die hem uyt-
geleyde deeden, cn geluk op zyne reyze
wcnfchten, zo was \'er op zyne wederkomft
niemand diehem begroette óf verwelkomdej
maar men wenfchte dat Góds wraake hem
mogt naagaan, en over den moord zyner broe-
deren ftraften.
Juyft geviel het toen hy te Jerufalem aange-
komen was, d^t ^mtilius F-arus, dieSaturni-
^ nus in de Landvoogdy van Syrië was gevólgd,
gekomen was om Herodes te bezoeken, en dat
zy tzamen raadpleegden. Antipater niets wee-
tende van\'tgene\'er voorgevallen was, quam
in\'t purper gekleed, vólgens zyne gewoonte,
voor de poort van \'tpaleys, welke men voor
ter wierp zich neder aan de voeten van Hero-
^es 5 biddende dat hy hem niet veroordeelen
wilde zonderhemeerfttehooren; maardathem
mogt toegelaaten zyn zich te verantwoorden.
Werodes beval hem op te ftaan, en zeyde
vervolgens: â d^, ^ zeer ongelukkig was,
â doordien hy zulke kinderen geteeld had, en
op \'t laatfte zyner dagen onder Antipaters
laagen vervallen was. Dat hy geen zórgvul-
digheyd ontrent hunne opvoedinge had ge-
fpaard-, dat hy hen niet dan weldaaden be-
weezen had : maar dat alle die blyken van
toegeneegenheyd en goedgunftigheyd hen â
met hadden konnen weêrhouden van zyn lee-
3>
33
33
33
33
33 ven
\' Mi
JOODSCHE HISTORI. ^öJ
zyne zucht jegens hem niet beter kon betoo-
nen , dan door het wreeken van hunne gód- â
loosheyd. Dat hy tót getuyge zyner bedry- â
ven binnen Rome Auguftus zelven had,,,
dien men immer zo min kon bedriegen als
Gód : dat hy zyne brieven kon toonen , aan â
welke men onvergelykelyk meer geloof mogt,,
flaan , dan aan de lafteringen zyner vyanden, â
die nergens meer na verlangden , dan om â
tweedragt in het koninglyk huysgezin te
ftichten, waartoe zyn afweezen hen gelegen-
heyd gegeeven had. Dat aangaande de ver-,,
klaaringen der getuygen , het niet billyk was Z
die tc gelooven , omdat ze door \'t geweld â
der pynen afge wrongen waaren. En eynde- â
delyk dat hy zichzelven aanboodt om de 3,
pyniging uyt te flaan , zonder dat men hem â
behoefde te verfchoonen." Antipater aldus
fpreekende , ftortte eene beek van traanen, en
floeg zyn aangezigt zo bont en blaauw , dat
het zelfs zyne vyanden tót deernis zoud heb-
ben konnen verwekken , en daarom noodzaa.
kelyk de vergadering eenigflns moft bewee-
gen : ja Herodes zelf wierdt \'er door ont-
roerd, alhoewel hy al deed wat hy kon om
het niet te laaten blyken.
Nikolaüs nam alstoen met veel aandrang het
woord , om de aanklagte , welke de Koning
begonnen had , te vervólgen. Hy verklaarde
zich over ieder artykel: bragt tót bewys de mis-
daad de getuygeniften by van degénen die ge-
pynigd waaren : breydde zich uyt over de groo-
te goedheyd welke de Koning ontrent zyne
kinderen betoond had , door de zórg , die hy
wegens hunne opvoeding had genomen; waar-
voor hy zo flecht beloond was : en zeyde,
33 Dat hoe groöt ook \'t misdryf van Alexan- â
der en Ariftobulus mogt geweeft zyn , daar â
zo veel reden niet was o^m \'er zich over te â
verwonderen , vermids zy nóg jong en â
quaalyk beraaden zynde , zich door een,,
te groote zucht om te regeeren van an-â
dere hadden laaten opmaaken. Maar dat,,
niet zo yflyk was als de misdaad van j.
Antipater , die wreeder dan de wreedfte â
beeften , welke hunne felheyd laaten vaaren â
ontrent hunne weldoeners , niet was bewoo-
gen geworden door alle de weldaaden welke
hy van den Koning zynen vader genooten
had ; en die in plaats van naa te denken in "
wat rampen ^yne broeders door hun quaad
gedrag vervallen waaren 3 niet gefchroomd
had hen op dat fpoor naa te vólgen. Want
vervólgde hy , keerende zich tot Antipater,
Zyt gy \'t zelf niet, die hen eerft befchuldigd
hebt Zyt gy \'t niet die getracht hebt hen â
te overtuygen.? Ja zyt gy \'t met die hen hebt ^t
doen ftraffen ? Dóch dit is de zaak nietwaar- ^
over ik u befchuldig : uw haat tegen hen was \'\'
rechtmaatig. Maar kan men zich wel "
noeg verwonderen , dat gy niet
3>
5)
3}
3?
i\'fi
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
ge- 33
hebt u zelven even zo in d\'en haat t^Sen^ "
gen Want is \'t niet gemaklyk te begrypen
dat het gene gy tegens hen gedaaS hebt
met gefchied is uyt hefde tót uwen vader,,,
maar om te ligter den verfoeijelyken aanflag, â
welken gy tegen hem gefmeed hadt, te kon- â
E e e j n nen
I
33 ven tc belaagen j hm door zulk een fchrik-
kelyke misdaad een koningryk voor den tyd
35 re verkrygen , \'t welk hy, zo door het recht
3, der natuure , als door de wille zyns vaders,
3, op een wettige wyze kon bezitten. Dat hy
3, met begrypen kon , wat Voordeel hy zich in
\'t uytvoeren van zulken verfoeijelyken aan-
flag zou konnen verbeelden , nademaal hy
hem by uyterfle wille tót zynen naazaat ver-
,, klaard had , en dat hy zelfs by zyn leeven
3, zyn gezag met hem deelde: Dathy hem jaar-
â lyks vyftig talenten tót zyn uytgaave toe-
â leyde, en dat hy \'er hem driehonderd tót
3, zyne reyze na Rome gegeeven hadi Voorts
3, verweet hy hem den dood zyner broederen 3
3, welker aanklaager hy was,geweefl 3 en ook
3, hun naavólger indien zy fchuldig waaren,
3, dóch een lafteraar en moordenaar van hen,
3, indien zy onfchuldig waaren ; dewyl hy
geene andere bewyzen tegen hen had inge-
bragt , nóch hen veroordeeld , dan op zyn
bericht: maar dat hy hen nu verontfchuldigde,
33 door hemzelven fchuldig te bevinden aan de
33 vadermoord, waarmede hy hen beticht had."
\'lerwyl Herodes aldus fprak ontfprongen
hem de traanen in zulk een menigte , dat hy
zyn fpreeken moft ftaaken : dies verzócht
hy Nikolaüs den Damascener, dien hy niet
minder vrindfchap dan vertrouwen toedroeg,
en die wel van de zaak onderrecht was, te ver-
haalen wat de verklaaringen der getuygen , die
tót bewyzen tegen zynen zoon zouden dienen,
behelsden. Maar Antipater voorquam hem,
en bepleytte zyne zaak zelf: Hy gebruykte
t\'zyner verdeediginge dezelfde rédenen , waar-
van Herodes zich tegen hem bediend had, zeg-
gende , ,3 Dat die groote geneegfenheyd zyns
33 vaders eene belooning zyner gedienftig-
â heyd was 3 en een teken dat hy niet in ge-
" ^^^^^ ^^^^ g^^^^^ven ontrent de pligten die
3} hy hem fchuldig was. Dat het zonder waar-
fchynelykheyd was 3 dat hy hem voordeezen
33 behoed hebbende van de aanflagen op zyn
3, leeven gemaakt , zich nu zelf in zodaanig
een misdaad zoud hebben willen wikkelen 3
en door zulk een fmet zynen goeden
naam bezwalken : Dat hy\'er geen oorzaak
toe had , doordien hy van zynen vader tót
zynen naazaat verklaard, en reeds deelge-
noot van alle de magt en eere der kroone ge-
maakt zynde , zich niet alleenlyk mogt toe-
leggen eens Koning te zullen weezen ; maar
dat men zeggen kon dat hy \'t inderdaad reeds
Was, zonder dat iemand zich daartegen aan-
kante. Dat \'er derhalve geen reden was om
te gelooven dat de onzékere hoope om het
geheel bezit te bekomen van een ryk, van
\'t welk hy reeds door zyne deugd een ge-
deelte vreedzaamlyk bezat , heni in zodaa-
nig een gevaar en misdaad zoude gewikkeld
hebben. Dat de ftrafte welke zyne broeders
om diergelyk een onderneeming geleeden
hadden , de zaak nóg minder waarfchynelyk
maakte: Dat \'er geen beter bewys van zyne
vuurige liefde jegens zynen vader behoefde,
33 dan dat hy zelf hun aanbrenger was geweeft;
3» en dat het hem niet berouwde , omdat hy
KVil Boek,
FLAVIUS JOSEPHUS
404
,, nen uytvoeren , door zo yverig t\'zyner be-
â houdeniffc te fchynen ^ en zulken affchrik
5, van hunne misdaad te toonen , gelyk het
55 vervólg heeft doen zien ? Want dewyl gy
onder \'t bevórderen van den dood uwer
broederen, hunne medepligtigen verfchoon-
â det, hebt gy daardoor met genoeg doen bly-
â ken dat gy met hen in één verftand waart,
â en dat uw voorneemen was u van hen te be-
â dienen, om iets tegen\'t leeven van uwen va-
, der te beftaan ? Gy hebt daaruyt een dub-
â bele vreugde getrokken j de ééne dat het
â voor de oogen der menfchen fcheen als oir
â gy een lófwaerdig werk verrecht hadt, ge-
â lyk \'t inderdaad zoude geweeft zyn , indien
3, gy u tegen uwe broeders , zo zy fchuldig
,, waaren , als vyand verklaard had, alleenlyk
5, om uwen vader te redden : en de andere was
â heymelyk en in uw hart verborgen j dewyl
5, gy door dat middel het gemaklyker vondt,
om door eene misdaad , nóg grooter dan de
â hunne , verraaderlyk te doen fneuvelen den
3, genen voor wien gy zulk een groote genee-
â genheyd fcheent te hebben. Maar indien
gy waarlyk eenen affchrik hadt gehad van
,, den fnooden toeleg waarvan uwe broeders be-
fchuldigd wierden , en die hen het keven
â crekóft heeft, zoudt gy dan getracht hebben
â hen naa te vólgen Blykt het niet klaar dat
cry geen ander oogmerk gehad hebt, dan door
Swe liften degénen, die u \'t ryk zouden heb-
â ben konnen betwiften , als zynde waerdiger
â dan gy om het te bezitten, ten verderve te
â brengen , en alle de fchuld daaraf op uwp
â vader te fchuyven, om u zeiven alzo buytèn
5, ftaat te ftellen van te konnen geftraft wor-
3, den, voegende by dien broedermoord eenen
â vadermoord, en die zo fchrikkelyk , dat
â nooit eenige eeuw diergelyken gezien heeft?
, Want het is geen gemeene vader wiens da-
sen ^^y voorgenomen hadt te verkorten j
I maar het is een vader die u hartelyk bemin-
5, de, die u met weldaaden had opgehoopt,
die zyn gezag met u had gedeeld, die u tót
zynen naazaat had verklaard, die u reeds
â het vermaak van te regeeren deed genieten,
, en die u by uyterfte v/ille van de kroon yer-
" zekerd had. Maar zulk een overdaadige
goedheyd heeft op zo een boos gemoed als \'t
3, uwe geen indruk konnen maaken. In plaats
" van aanmerking voor uwen weldoener te
hebben , hebt gy niemand dan u zeiven aan-
\'\' cremerkt. Uwe ongemeene heerfchzucht
II heeft: niet konnen dulden dat gy uwen eyge-
\' nen vader , aan wien gy wegens zulk een
" menigte van gunften verphgt zyt, tót med-
3, <Tezél zoudt hebben : en terwyl uwe woor-
" den eenen grooten yver voor zyne behoude-
XViL Boeîc
te noemen, gy naamelyk wiens hart vervuld
is met erger venyn dan de venynigfte ftan-,,
gen , waarvan gy u tegen uwe naaftbeftaan-
de, aan welken gy zo hooglyk verpligt zyt,
bediend hebt j en gy eyndelyk , die in plaats
van uwxn vader in zynen ouderdom by te _
ftaan, u niet met uwe eygene boosheyd hebt â
te vreede gehouden, om hem de uytwerking ,,
van uwen haat te doen gevoelen; maar u van j,
wachten hebt doen verzeilen, niet alleen man- j,
nen, maar ook vrouwen tót uwen aanflag ge- â
bruykt; en zo véele perfoonen als u moogelyk â
was omgekóft hebt, om hunne lift by de uwe j,
te voegen, en hem alzo te befpringen. Nu â
tegenwoordig, daar men zo veele verklaarin-
gen heeft van perfoonen, zo vrygeboorene als â
ftaaven, welke men om uwent wille gepynigd â
heeft, en daar men zulke overtuygende bly- â
ken uwer misdaad ziet, durft gy nóg de waar- â
heyd ontkennen; en \'t is u niet genoeg dat gy â
de tederfte gevoelens der natuure den fchop
gegeeven hebt, door uw beft te doen om uwen
eygenen vader het leeven te beneemen; maar _
gy wilt ook de wetten, tegen u en uws gely- â
ken gemaakt, om verre ftooten, om de billyk-
heyd van Varus te kreuken, en al het recht
dat \'cr in de werreld is te vernietigen. Gy
zegt dat men de vcrklaaringen , afgewrongen
door pyniginge, fchoonze uwen vader \'t iee-
ven bewaard hebben, niet behoort aan te mer-
ken; en gy wik ondertuftchen dat men geloo-
ven zal wat gy zegt, als men u pynigt. Maar
Heer, vervólgde Nikolaüs, wendende zich
tót Varus, zult gy onzen Koning niet verlóf-
fen van de verfoeijelyke aanflagen zyner naa- â
fte bloedvrienden tegen hem ^ Zult gy dit â
wreed beeft niet ter ftrafte doemen , \'t welk â
zich van eenen valfchen fchyn van hefde je- â
gens zynen vader bediend hebbende, om den â
ondergang zyner broederen te wege te bren-
gen, niets vcrzuymd heeft om hem ook in
zyn verderf te ftorten, ten eynde hy zelf al-
leen regeeren mogt. Gy weet dat een va-
dermoord niet als een byzondere , maar als
een algemeene misdaad behoort aangemerkt
te worden. Omdat zulk een feyteenebeleedi-
ging tegen de natuur is , en den oorfprong â
des leevens aangrypt. Gy weet dat op zodaa- â
nig een voorval dc gedachten zo wel ftraf- â â
baar zyn als dc daad, en dat men niet laaten â
kan haar te ftraffen, zonder tegen die zelfde â
Natuur, welke dc gemeene moeder van alle â
menfchen is , te zondigen."
Nikolaüs verhaalde daarnaa nóg verfchey-
dene zaaken welke Antipaters moeder, door
een zékere vrouwelyke praatzucht, zich had
laaten ontvallen, te weetend^ zy met waarzeg-
gers te raade gegaan , en offeranden geófferd
had , om te weeten wat Herodes befchooren
was. Ook maakte hy gewag van de onór-
dentlykhcden, zo uyt de dronkenfchap als uyt
vrouwen ontftaande , door Antipater in
\'t huysgezin van Pheroras veroorzaakt; en hy
bragt eene menigte van verklaaringen tegen
hem in, waarvan fommige vrywillig, enandere
door de pynbank afgeperft waaren, welke men
voor de zekerfte mogt houden 3 omdat degéne
di.e
55
îî
3Ã
35
3>
Sj
3>
35
>3
33
33
33
33
33
33
33
3>
33
33
33
33
33
3J
33
33
33
3>
33
33
3>
3>
35
33
33
nis te kennen gaven , hebben alle uwe daa-
55 den t\'zynen bederve geftrekt. \'t Is u niet
55 genoeg geweeft zelf boos te zyn, maar gy
hebt getracht uwe moeder zo fnood te maa-
,, ken als gy zelf zyt, door haar medepligtig
aan uwe misdaad te doen weezen. Gy hebt
3, het gemoed uwer broederen verbitterd , en
^ hebt de ftoutheyd gehad van uwen vader
fchartuperlyk te hoonen , door hem een beeft
n
van onder \'t geding gefprooken was i te voor-
fchyn zoude brengen, om de kragt daarvan eens
te beproeven. Het wierdt daarop gehaald, men
deed het iemand inneemen die ter dood ver-
weczen was , en \'t bleek zo krachtig te zyn dat
hy aanftonds den geeft gaf. Thans deed Varus de
vergadering fcheyden, en keerde den vólgenden
dag weder na Antiochië, alwaar hy doorgaans
zyn verblyf had, omdat de Koningen van Syrië
gewoon waaren aldaar hun Hóf te houden.
Herodes liet Antipater toen in de gevange-
nis zetten , zonder dat men wift wat befluyt hy
met Varus deswege genomen had j dóch de
meefte geloofden dat hy buyten zyn goedvin-
den niets in die zaak deed. Hy fchreef daar-
naa aan: Auguftus , en belaftte den genen die
zyne brieven zouden overléveren , dat zy den
Keyzer mondeling van zyns zoons misdaad ver-
wittigen zouden. Ter zelfder tyd onderfchep-
te men eenen brief dien: Antifilus uyt Egipte
aan Antipater gefchreeven had j Herodes deed
hem ópenen , en men vondt \'er deeze woorden
in t ,) Ik heb u eenen brief van -Akwe gezon- â
den ; waaraan myn leeven hangt > wantgy â
Dchoeft niet te twyfelen óf ik zoud , indien â
het geweeten was, my eenen doodelyken haat â
van de twee magtigfte geflachten op den hals â
haaien. Ik wenfch dat u voorneemen u wel ge- â
lukken mag." Herodes dit briefje geleezen heb-
bende , liet verneemen na dien anderen waarvan
in deezen gemeld wierdt: maar men kon hem
niet vinden , en de knecht van Antifilus zeyde dat
hy geenen anderen gebragt had dan deezen wel*
ken men had gezien. Terwyl men in die bekom-
rnerdheyd was, bemerkte iemand van \'s Konings
vrinden een naaifel aan den onderrók van dien
dienaar, en begon te denken dat men den brief
daar wel kon verborgen hebben. Zyne giffing
bedroog hem niet, want men vondt\'er eenen
brief die aldus luydde: â Akmeaan Antipa- â
ter. Ik heb aan den Koning uwen vader zo ,,
gefchreeven gelyk gy begeerde , en ik heb in ,3
\'t pakkét een affchrift gedaan van eenen brief â
die aan de Keyzerinne myne meeftrefle door ,,
Salomé zal fchynen gefchreeven te zyn. Ik â
houd my verzekerd dat hy dien niet zo dra ge- â
leezen zal hebben, óf hy zal haar ftraffen als â
iemand die aan eenen toeleg op zyn leeven 3,
fchuldig is." De inhoud deezes briefs, die val-
fchclyk aan Salomé toegefchreevcn wierdt, was
door Antipater bedacht, maar hy had zyne
meening aan Akme opgegeeven, opdat die de-
zelve door haare gewoone fchryfwyze uytdruk-
ken zoude. Belangende den brief van Akme
aan Hcrodcs , die behelfde deeze woorden :
â Nademaal ik, Heer Koning , ecncn brief
gevonden hebbe , door Salomé aan de Key-
zerinnemyne meeftreftê gefchreeven, in wel-
ken zy haar bidt te wege te brengen dat zy ^^
met Sylleus mogt trouwen i zo heb ik uyt eene "
zucht tót uwen dienft my verpligt gevonden
hem uyt te fchryven , en u toe te zenden. â
\'t Zal u bélieven den zei ven te verbranden, â
vermids\'er myn leeven aanhangt." Dusdaa-
nig was diebrief Maar \'t gene Akme aan An-
tipater fchreef ontdekte de ganfche fchelmery,
doordien het bleek dat zy niets gedaanhad dan
E ⬠e ^ \' doot
die uyt vreeze voor Antipater te voore zwee-
gen \'t gene zy tót zynen Ufte hadden , ziende
nu dat dc verandering van zynen ftaat aan ieder
vryheyd gaf om hem te befchuldigen , vrymoe-
dig uyt zeyden \'t gene hunne haat tegen hem
niet toeliet verborgen te houden.
Maar niets knelde Antipater meer dan het ver-
wyt van zyn eygen geweeten, \'t welk hera zyne
fchrikkelyke aanflagen tegen zynen vader, mids-
gaders den dood zyner broederen door zyne
verfoeijelyke liften bewerkt , en de beroerte
door hem in \'t koninglyk huys gefticht, fteeds
foor oogen ftelde. Want men had al lang ge-
leeden aangemerkt, dat hy nooit geen rechtmaa-
tigen haat, nóch getrouwe vrindfchap gedraa-
gen had maar dat eygen belang alleen de regel
van zyn gedrag was. Die zich dan tót nóch toe
ftille gehouden hadden ; quamen nu voor den
dag, en zo dra het veyliglyk gefchieden kon, be-
eon men tegen hem uyt te roepen, en om ftryd al
hetquaadtezeggendatmenvanhem wift. Vee-
le befchuldigdcn hem van verfcheydene misdaa-
den , en men had reden om te gelooven dat ze
de waarheyd fpraken, doordien het niet bleek te
zyn om den Koning te behaagen, nóch dat ook
de vrees van gevaar hen noodzaakte iets te verber-
gen : maar \'t fcheen veel eer dat het gefchiedde
uyt eene verfoeijing zyner boosheyd, en dat zy
niet zo zeer na zynen dood wenfchtcnom\'t lee-
ven van Herodes te verzékeren, als wel om te ont-
gaan dat zy niet onder de heerfchappy vielen van
zulken fnooden Prins als Antipater was. En \'t
waaren niet alleen degéne welke men ondervraag-
de, die dus fpraken j maar daar waaren ook vee-
le die vrywiflig tegen hem getuygden : en hoe-
wel hy één van de liftigfte en onbefchaamdfte
menfchen was, evenwel durfde hy zynen mond
niet opendoen om daarop te antwoorden.
Na dat dan Nikolaüs had opgehouden te fpree-
ken , en de bewyzen en ftukken by te brengen en
te toonen, nam Varus het woord, en zeyde tót
Antipater, dat hy hem volkómene vryheyd gaf
om te fpreeken, indien hy iets t\'zyner verdeedi-
ginge had in te brengen , en datde Koning zyn
vader en hy niets zo zeer begeerden, dan dat hy
onfehuldig bevonden mogt worden. Antipater
in plaats van zich te verantwoorden , viel met
het aangezigt op de grondt, en badt Gód door
eenis; teken zyn onfchuld te willen toonen , en
te doen blyken hoe verre het\'er afwas dat hy ooit
de gedachten gehad hadde van iets tegen zynen
vader te beftaan. Aldus zyn de ondeugende
menfchen gewoon te doen 5 wanneer zy zichin
misdaaden wikkelen, geeven zy zich aan hunne
driften over, zonder te denken dat er een God
is. enalszyingevaarzynvangeftrafttewordcn,
dan roepen zyhemaan, neemen hem tot getuy-
ge dat ze onfcWdig zyn, en zeggen dat zy zich
ganfchelyk aan zyne wille onderwerpen. Dus
ging het met Antipater > hy handelde te voore
ontrent alles als óf\'er geen Gód was j entoenhy
zacT dat zyne verdiende ftraffe hem over t hoofd
hing , durfde hy nóg zeggen dat God hem be-
waard had om zórg voor zynen vader te draagen.
Varus ziende dat hy niet antwoordde op\'tgene
men hem vraagde 5 en dat hy niet anders deed dan
Qód aanroepen ? beval dat men het vergift, waar-
3>
55
VIII. HOOFDSTUK.
Dc goude arend, dien Herodes boven de poort des Tem pe!s had doen
zetten, afgerukt. Strenge.ftrafFe daar over. Zyne yslyke ziekte,
en wreede bcve\'Iea welke hy aan Saiomc cn haaren man geeft.
737- \'\'"T^Erwyl de gezanten van Herodes op weg
waaren om met de bevélen , die hy hen
gegeeven had, na Rome te gaan , wierdt hy
van eene ziekte aangetaft, maakte zyne uyter-
fte wille, en benoemde tót zynen naazaat in de
regeeringe Antipas , den jongften zyner zoo-
nen , omdat Antipater door zyne lafteringen
hem tégen Archelaüs en Filippus verbitterd had.
Hy maakte Auguftus duyzend, en de Keyze-
rinne zyne gemaalin benevens haare kinderen,
vrinden, en vrygemaakten, vyfhonderd talen-
ten. Het óverige van zyn geld , landeryen,
en inkomften, verdeelde hy onder zyne zoonen
cn kindskinderen, en zyne zufter Salomé ver-
zórgde hy rykclyk, uyt erkentenifle van dat
zy hem fteeds een onbezweekene vrindfchap
toegedraagen had. En nademaal hy geen hoo-
pe had dat hy uyt die ziekte opkomen zoude,
vermids hy bykans zeventig jaaren oud was,
wipdt hy zo grynig en korzel, dat hy zich-
zelven niet dulden kon. De voornaamfte oor-
zaak daarvan, was, dat hy meende dat zyne on-
derdaanen hem verachteden, en zich over zyne
rampen verheugden ; en in dit geloof wierdt
hy verfterkt door eene muytery" gefticht van
eenige die by \'t vólk in groot aanzien waaren;
\'t welk aldus toeging.
â H
ji!
t
t|
^ iü
Judas zoon van Sarifeus en Isiatthim Mar-
galothus zoon i, waaren zeer van\'t vólk bemind\'
want zy waaren niet alleenlyk de welfpreekend-
fte onder de Jooden, en de geleerdfte in de ken-
niflè hunner wetten, maar zy onderweezen de
jéugd, en fpaarden geene vlyt om haar de deugd
te doen omhelzen. Toen deeze twcc mannen
verftaan hadden dat des Konings quaal oncre-
neeslyk Was , vermaanden zy de jongelingen,
die hen als hunne meefteren ontzag toedroegen,
de werken, welke hy uyt verachtinge van hun-
ne vaderlyke zeeden gemaakt had, af te bree-
ken : en zy hielden hen voor , dat niets hen
grooter roem kon toebrengen, dan dat zy zich
voorftanders hunner gódsdienft toonden ; en
dat alle de ongevaflen die Herodes huys over-
quamen aan geen andere oorzaak te wyten waa-
ren , dan dat hy de wetten, welke onfchende-
lykby hem behoorden geweeft te zyn, had dur-
ven verbreeken, en de oude inzettingen met
voeten treeden, om nieuwe in te voeren. En
terwyl deeze Leeraars aldus fpraken , zeyden
zy niets dan \'t gene zy waarlyk meenden. On-
der andere onheylige werken van Herodes, had
hy boven de groote poort des Tempels eenen
gouden Arend van een ongemeene grootte, en
van hooge waarde, doen zetten en tót een ge-
fchenk inwyen; alhoewel onze wetten uytdruk-
kelyk verbieden eenige afbeeldfels van dieren te
maaken. Deeze twee mannen derhalve, die
yverig waaren voor de onderhoudinge onzer
vaderlyke wetten, porden hunne leerlingen aan
om dien arend af te rukken, zeggende, â dat
hoewel het een gevaarlyke aanflag was, zy
daarom niet traager daartoe behoorden te zyn,
naardien men eenen eerlyken dood boven het
leeven, hoe aangenaam\'t ook waare, behoor-,,
de te ftellen , wanneer \'t op het handhaaven â
der wetten van \'t vaderland, en op\'tverkry- â
gen jan eenen onfterflyken roem aanquam
Dat de lafhartige zo welftierven als de grooT
moedige; en dat vermids de dood onver-"
mydelyk voor alle menfchen was, zodaani- "
ge die hun leeven door groote daaden eyn- â
digden, de trooft hadden van hunnen naa- ,,
komelingen eenen altydduurenden roem naa â
te laaten." Deeze woorden moedigden die
jongelingen dermaate aan, dat dewyl\'er te
dier tyd een gerucht hep dat Herodes geftur-
ven was, zy op den vollen middag opklom-
men na de plaats alwaar dien arend ftond, en
hem afrukkende, wierpen zy hem van boven
neêr, en hakten hem met bylen aan ftukken,
in \'t aanzien van een groote menigte vólks dat
in den Tempel vergaderd was. De bevélhebber
van \'s Konings benden dit verftaan hebbende,
en vreezende dat \'et het begin eener groote
tzamenzweeringe was , ging terftond met een
groot getal krygsvólks derwaards; en dewyihy
\'er maar eenen verv/arden hoop vondt, die daar
op een oproerige wyze tzamengekomen was,
verftrooide hy dit rót, zonder eenige moeite;
uytgenomen veertig dier jongelingen, die de
eenigfte waaren welke haar inwagteden : dee-
ze nam hy gevangen, en bragt hen by den Ko-
nmg nevens Judas en Matthias, die \'tzich eene
fcjiande rekenden te ylugten. Herodes vraagde
hen,
door zyii betél, en óm Salomé te verderven. Dee-
ze Akme, die eene Joodin en in dienft der Key-
zerinne was , had haare hulp in dit werk vry
dier aan Antipater verkóft. Aldus vernam He-
rodes dat de boosheyd van zynen zoon zo hoog
fteygerde> dat hy\'niet vergenoegd was meü het
leeven van zynen vader belaagd te hebben, met
Salomé zynemoeije haar verderf te berókkenen,
en met het ganfche geflacht in verwarring en
onruft te brengen, maar dat hy zelfs het Hóf
van Auguftus poogde te vergiftigen. Alle dee-
ze mifdaaden tzamen baarden zulk een affchrik,
dat het weynig fcheelde óf hy had hem opftaan-
devoet doen dooden. Ook porde Salomé hem
daartoe aan; en op haaren boezem flaande riep
zy dat ze gereed was den dood te lyden, indien
\'t bleek dat zy in haare getrouwheyd jegens hem
ooit re kort gcLiomen waare. Herodes liet Anti-
pater haaien, en beval hem zonder fchroom te
zeggen, óf hy iets t\'zyner verantwoordmge in
te brengen hadde : maarhy geen belcheyd.gee-
vende 3 zeyde de Koning dat hy dan ten miiiften
zyne medephgtigen zoud ontdekken. Daarop
noemde hy Antifilus als de eenigfte uytvinder,
en niemand meer. Herodes kreeg alstoen eeni-
ge gedachten van hem na Rome te zenden, om
aldaar door Auguftus geoordeeld te worden ;
maar vermids hy vreefdedat Antipaters vrinden
hem verlóflen zouden, zondt hy hem te rugge
na.degevangenis, iri banden als te voore,"en
fchreef aan Auguftus om hem van zyne misdaad
tc verwittigen , geevende zynen gezanten laft
dat zy den Keyzer zouden verhaalen hoe hy Ak-
mcop zyne zyde gewonnen had, en dat zy hem
een affchrift\'haarer brieven toonen zouden.
33
33
33
XVII. BOEK. JÃODSCWE HlStORt
hen , wie hen zo koen gemaakt had, datzy zo
een gewyd af beeldfel hadden durven [afrukken.
Hierop antwoordden zy aldus i â \'t Is al lang
â geleden dat wy dit befluyt namen , en
\'t moft ons aan moed ontbroken hebben
indien wy \'t niet uytgevoerd hadden. Wy
hebben den hoon Gode aangedaan gewroken,
â en de eere der wet, waaraf wy leerlingen
âzyn, gehandhaafd. Acht gy\'t vreemd, dat
â wy dezelve uyt handen van Mofes , aanwien
â Gód zelf dic gegeeven heeft , ontvangen
â hebbende , haar boven uwe bevélen ftel-
len ? En zouden wy vreezen voor den dood
dien gy ons moogt aandoen, daar dezelve
5, in plaats van dc ftrafte eener misdaad, voor
â ons niet anders zal zyn dan eene vergelding
â onzer deugd en gódvruchtigheyd.?" Zy fpra-
ken deeze woorden met zulk een vrymoedig-
heyd, dat men niet twyfelen kon, óf hun hart
ftemde met hunnen mond Overeen, want zy
fcheenen met geen minder ftandvaftigheyd te
zuflen lyden , dan zy moed in \'t uytvoeren van
hun beftaan betoond hadden. Herodes zondt
hen dan geboeid na Jéricho , deed aldaar de
voornaamfte Jooden tzamenkomen , en liet
zich wegens zyne zwakheyd op een draagbed
derwaards voeren. Aldaar ftelde hy hen voor,
wat arbeyd cn moeite hy voor \'t gemeene beft
uytgeftaan had : â Dat hy ter eere Góds den
,5 Tempel met groote kóften t\'eenemaal had
3, herbouwd , het welk de Afmoneëfche Ko-
â ningen al tzamen , geduurende den tyd ran
3, honderd vyfentwintig jaaren welke zy ge-
â regcerd hadden , niet hadden konnen doen,
3, en dat hy hem met veelc kóftelyk gefchen-
3, ken had begiftigd j Dat hy gehoopt had dat
â men hem dit nóg naa zynen dood dank ge-
â weeten , en zyne gedachtenis daarom in eere
â gehouden zoud hebben : maar dat men , in
â plaats van zich erkentelyk daarover te toonen,
â nietgefchroomd had nóg by zyn leeven hem
â zulken grooten hoon aan te doen , dat men
by klaaren dag , en in \'t gezigt van al het
33 vólk , een ding had afgerukt dat Gode toe-
5, gewyd was, enden Heere daardoor nóg meer
â beleedigd had dan hem.
De voornaamfte der byeenkomfte dén Koning
aldus hébbende hooren Ipreèken, en vreezende
dat hy in de woede waarin hy Was, zyne gal op
hen zoude loozen , zeyden tôt hem dat zy
seen hand in \'t gebeurde gehad hadden, en dat
ly oordeelden dat die zaak verdiende geftraft
te worden. Deeze woorden ftilden hem wat.
Zo dat hy tegen de andere niet opftoof > maar
alleenlyk Matthias , dien hy geloofde eenig
deel aan dien toeleg gehad te hebben , bet
Hoogepriefter-ampt ontnam 3 en het zynen
fchoonbroeder gaf- Terwyl deeze
Matthias het Hoogepriefterampt bediende,
gebeurde het eens dat hy op eenen nacht, zo
als men den vólèenden dag een vaften vieren
zoude, droómcie dat hy met zyne vrou^ te
doen had V eîî\'âewyl hy hierdoor bUytert ftaat
was om de gódsdienft tc moogen verrichten,
wierdt Jofeph zoon yan Ellem die zyn bloedver-
want was , voor dien dag aangefteld om zyne
plaats te bekleeden. Naa dat Herodes dien
4Ã7
Hoogenpriefter aldus het ampt ontnomen had,
deed hy dien anderen Matthias , ftichter van
de muytery, nevens alle die met hem gevangen
genomen waaren, leevendig verbranden: en dien
nacht was \'er ééne vcrduyftering in de maanâ
Ondertufl^:hcn nam Herodes quaal van tyd
tót tyd toe , dewyl Gód hem over zyne gód-
loosheyd wilde ftraften. Een langzaame hitte,
die van buyten minder gevoeld wierd dan van
binnen, brandde en verteerde hem: hy had zulk
een gruuwelyken honger dat niets genoeg was
om hem te verzaadigen: zyn gedarmte was vol
van zweeren : een overfelle buykpyn deed hem
fchrikkelyke fmarten uytftaan : zyne voeten
waaren gezwollen en loodverwig , en zyne lie-
fchen desgelyks: zyne mannelyke deelen waaren
zo bedurven dat\'er de wormen uytkroopen:
zyne zenuv/cn waaren opgekrompen 5 en zyn
adem was zo Icelyk dat men dicht by hem niet
duuren kon. Alle die met een gódvruchtig ge-
moed den ftaat van deezen rampzaligen Vórft
aanmerkten, oordeelden dat het een blykbaare
bezoeking van Gód was , om hem over zyne
wreedheyd en gódloosheden te ftraften. Maar
alhoewel niemand oordeelde dat hy van die
quaal zoud opkomen , echter vleyde hy zich-
zelven nóg met die hoope : tÃt dien eynde ont-
boodt hy geneesmeefters van alle kanten 5 en
begaf zich op hunnen raad over den Jordaan,
na de warme baden van Kallirhoë , welke wa-
teren in een meir, dat vol van joodenlym is, hun-
nen uydoop hebben , eii niet alleenlyk van een
geneezende kracht, maar ook aangenaam om
te drinken zyn. Men zette hem in eene kuyp met
oli i maar dit bequam hem zo quaalyk , dat men
meende dat hy den geeft zou gegeeven hebben.
Dóch het gekryt en gehuyl zyner huysgenooten
deed hem weêr tót zichzelven komen j en hy
bemerkte toen dat zyne quaal ongeneeflyk was,
Hy beval datrnen pnder zyne fóldaaten vyftig
drachmen aan élk |oud uytdcelen , ook gaf hy
groote gcfchenken aan hunne Ovèfften, en aan
zyne vrinden 5 en deed zich wéder na Jericho
brengen , alwaar zyne wreedheydinog zo toe-
nam , dat ze hem^ fchtikkelyfieBsiMyt deed
neemen dat ooit iem^and in den zin gekomen is:
want hy beval dat alle de voornaamfte Jooden
zich na Jericho zouden begeeven , op leevcns-
ftrafte zo iemand in gebreke daarvan bleef: en
toen zy \'er gekomen waaren, deed hy hen alle in
hetrenperkfluyten , zonder te onderzoeken ófzy
ft:huldig óf niet ft;hupg waaren. Daarnaa ont-
boodt hy zyne zufter Salomé en haaren man
Alexas, en zeyde tót hen: â Dat hy zo veel
pyne leedt, dat hy wel zag dat hetcynde van
zyn leeven naby was } en dat hy \'er niCt over
klaagen kon, naardien \'t cenc tól was, welke al-
le menfchen vólgens\' een algemeene wet ver-
phgt waaren aan de Natuur te betaalen : maar
dat het hem ondraagelyk voorquanl y beroofd
te zyn van de eere, welke men den Konin-
gen door een algemeene rouw ffluldig ^^s â¢
^ Dat hy nógtans wift dat de haat, dien de Too-
den hem toedroegen, zo groot was, dat zy niet
laaten zouden zich over zynen dood te ver-
blyden ^ dewyl zy zelfs geduurende zyn lec- "
venniet gefchroomd hadden tegen hem op te â
,, ftaan.
33
33
73P\'
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
4cB FLAVIÃS J
s, ftaan 3 en hem in \'t afrukken van den gewy-
â den gouden arend te beleedigen j dat hy der-
5, halve van de toegeneegenheyd en pligt van
}, twee perfoonen , die hem zo na beftonden als
zy, verwachtte dat zy hem in zulk een gevoe-
33 lig verdriet te hulpe komen zouden : dat zy
3, zulks doen konden door naa te komen \'t gene
â hy hen beval, om alzo zyne lykftaatfi heerly-
j, ker , en aangenaamer voor zyne ziel te maa-
â ken, dan die van eenigen anderen Koning ooit
â geweeft was, doordien \'er niemand in zyn ryk
3, zou zyn, die alsdan geen ongeveynfde traanen
â ftorten zoude. Dat het gene hen te doen fton-
â de, was dat zo dra hy den geeft zou gegeeven
â hebben, zy den renbaan door zyn krygsvólk
5, zouden doen bezetten, zonder hen iets van
â zynen dood te zeggen; en datzy hen vanzy-
â nent wege gebieden zouden, alle die\'erhibe-
,3 flooten waaren met pylen dood te fchieten.
â Dat indien zy dit bevél naaquamen, hy dub-
â beid aan hen verpligt zoude zyn, zo omdat
5, zy zyne begeerte voldaan hadden , als omdat
3, zy zyne lykrouw vermaarder hadden gemaakt,
3, dan eenige andere ooit geweeft was." Deeze
wreede Vórft verzelde die woorden met zyne
traanen, voorts bezwoer hy henby de geneegen-
heyd die zy hem toedroegen , en by allés wat
hen lief en waard was, niet te duiden dat men
zyner gedachteniftè die laatfte eere niet bewees:
en zy beloofden hem dat zy zyne bevélen ftip-
telyk naakomen zouden. .
Byaldien nu iemand de Wreedheden , welke
Herodes tegen zyne nibeftaanden gepleegd
heeft, zoude willen verfchoonen, met te zeggen
dat zulks alleenlyk gefchied was om zyn eygen
ieeven te verzékeren ; zou dan dit laatfte be-
dryf hem niet noodzaakéri te bekennen , dat
men nooit zulk een fchrikkelyke onmenfche-
XVIL BOEKâ
lykheyd gezien heeft, als de zyne, doordien
hy begeerde , toen hy op \'t punt ftondt van
dit leeven te verlaaten , dat \'er niet één ge-
flacht zou zyn waarin niet iemand van de voor-
naamften door zyn bevél den dood zou moeten
bezuuren , opdat het ganfche Ryk daardoor in
rouwe zoud weezen, zonder zelfs die welke
niet misdaan hadden, en waarover hy niet klaa-
gen kon , te verfchoonen : in plaats dat men
anders , hoe weynig goedaardigheyd men ook
heeft, gewoon is zyne vyanden te vergeeven,
als men zich in zulken ftaat bevindt.^
IX. HOOFDSTUK.
Aüguftus ftelt het aan Herodes om met Antipater te handelen 7.0 als
hy wil. Herodes door felle pynen aangetaft wil zich dooden;
Achïab één zyner kindskinderen , belét het hem; het gerucht
loopt dat hy gefturven was. Antipater poogt tc vergeefs zynen
bewaarder om tc koopen. Heiodes dit veiltaan hebbende doec
hem dooden.
O dr^ als Herodes dit wreed bevél aan
zyne zufter en fchoonbroeder gegeeven
had, vèrftondt hy door de brieven van zyne
gezanten te Rome, dat Auguftus Akme had
doen fterven , omdat zy zich door Antipater
had laaten omkoopen j en dat hy \'t ganfche-
lyk aan hem ftelde, om dien trouwloozen zoon
te ftraften zo als hy \'t goed vond, het zy door
hem in baliingfchap te verzenden , óf hem ter
dood te doemen. Deeze tyding verblyddehem:
maar vermids zyne pynen hem overvielen , en
hy zieh flaauw gevoelde, overmits hy weynig ge-
nuttigd had , eyfchte hy eenen appel en een
mes, doordien hy gewoon was die vrucht zelf
te fchillen , en aan ftukjes te fnyden omze
te eeten. Maar dewyl hy zich \'t leeven meen-
de te beneemen, keek hy rondom, en zou zyn
voorneemen volbragt hebben, indien zyn kinds-
zoon Achiab zulks niet bemerkt, en met een
O S E P H U S
z
groote fchreeuw hem by den arm gegreepen
hadde. Het geheele Hóf wierdt alstoen ten
tweeden maale met fchrik en verbaasdheyd ver-=
vuld, dewyl elk meende dat de Koning geftur-
ven
XVII Bavw, J O O D S C
ven was : en dit gerucht verfpreydde zich zo
verre , dat het Antipater ook ter ooren quam.
Hy floeg \'er fluks geloof aan , en begon niet
alleenlyk te hoopen dat hy van de gevangenis
verlófl: zoude worden , maar beeldde zich ook
vaftelyk in dat hy regeeren zoude : weshalve
hy aan zynen bewaarder groote vergeldingen
beloofde , indien hy hem wilde vry laaten.
Maar deez, in plaats van zulks te doen , ging
aanftonds den Koning daaraf verwittigen :
waarop Herodes, die reeds zo groot een afkeer
van Antipater had, een fchrceuw gaf, zich op
"t hoofd lloeg, en hoe zwak hy ook was , zich
op zyne elleboog overend zettede , en- aan éé-
nen zyner lyfwachten geboodt hem aanftonds
te gaan dooden , met bevél dat men zyn lyk
zonder ftaatft in \'t flót Hyrkania begraaven
zoude.
X, HOOFDSTUK.
Herodes verandert zyn teftament , en verklaart Archelaüs tót zynen
naazaat. Hy fterft vyf dagen na Antipater. Archelaüs vereert He-
rodes met een prachtige lykftaatfi. Groote toejuyghmgen des
vólks ter eere van Archelaüs.
\'^Hans veranderde Herodes zyne uyterfte
wille : want in plaats dat hy Antipas te
voore tót zynen naazaat in \'t ryk benoemd had,
ftelde hy hem nu tót Viervórft van Gahléa en
, Peréa aan , maakte het Koningryk aan Arche-
laüs , gaf aan deszelfs broeder Filippus Tra-
chonitis, Gaulanitis, Batanéa, enPanias,maa-
kende een Viervórftendom daarafj en aan zyne
zufter Salomé Jamnia , Azote , en Fafaëlis ,
met vyfhonderdduyzend zilvere penningen :
Ook bedacht hy alle zyne andere maagen met
groote erfgiften , zo aan geld als aan jaarlyk-
fche renten. Aan Auguftus maakte hy behalve
zyn goud- en züver-werk, en veel kóftelyke klee-
deren en huysraad , tien millioenen zilvere
penningen j enaande Keyzerin en eenige zyner
vrinden vyf miUioenen diergelyke penningen.
Hy overleefde Antipater maar vyf dagen , en
ftierfvierendertig jaaren naa dat hy Antigonus
uyt het ryk verjaagd had, en zevenendertig naa
dat hy te Rome tótKoningder Jooden was ver-
klaard. Nooit heeft men eenen Vórft gezien
die toorniger, onrechtvaerdiger, wreeder, en
meer van de Fórtuyn begunftigd was : want in
eenen laagen ftaat gebooren zynde, klom hy op
tót den troon, quam ontelbaare gevaaren te bo-
ven , en leefde eenen langen tyd. Belangende
zyne huyslykc onluftenalhoewel hy door de
ondernccmingcn zyner zoonen tegens hem ,
myns oordeels, zeer ongelukkig geweeft is ,
Zo was hy echter , vólgens \'t gevoelen dat hy
\'er zelfs van had , gelukkig daarin , doordien
hy hen niet meer aanmerkende als zyne kinac-
ren, maar als zyne vyanden , hen geftraft, en
zich op hen gewrooken heeft.
742. Ee^ tyding van zynen dood geweeten
was, ftelden Salomé en Alexas alle de aanzien-
lyke perfoonen, die in het reiiperk beflooten
waaren , in vryheyd , en zeyden dat zy zulks
op \'s Konings bevél deeden: waardoor zy onze
landaard ten hoogften verpligtcden. En toen
de dood van Herodes ruchtbaar was , deeden
zy al het krygsvólk in den Schouwburg van
Jericho tzamenkomen , om eenen brief 5 door
HE H I S T O R I, 4op
dien Vórft gefchreeven , aan hen over te léve-
ren : dezelve wierdt aldaar opentlyk geleezen,
en behelfde: ,, Dat hy hen voor de geneegen- â
heyd cn getrouwheyd welke zy hem betoond
hadden, bedankte , en hen verzócht dat zy
daarmede jegens zynen zoon Archelaüs, dien
hy tót zynen naazaat in \'tRyk benoemd had,
volharden zouden." Ptóloméus , wien hy
zyn zegel vertrouwd had , las zyne uyterfte
wille ook , die uytdrukkelyk behelfde dat zy
geen ftand zou grypen , dan naa dat ze door
Auguftus bekrachtigd was. Terftond begon
men te roepen : Leeve de Koning Archelaüs!
en de fóldaaten nevens alle hunne Overften
beloofden hem met dezelfde getrouwheyd tc
zullen dienen, als zy den Koning zynen vader
gediend hadden , en wenfchten hem een geluk-
kige regeeringe.
Deeze Vórft deed daarnaa een prachtige uyt-
vaart voor z^nen overleeden vader aanftellen,
en wilde die ftaatfi zelf by woonen. Het lyk ,
koninglyk gekleed , met een koninglyke haair-
band en goudene kroon op \'t hoofd, en eenen
fcepter in de hand, lag op eenen gouden draag-
bed , dat met kóftelyke gefteenten vercierd waSo
De zoonen en naafte bloedvrinden van den doo-
de vólgden de baar, en al het krygevólk, naar
hunne landaard verdeeld, quam na hen. De
Thraciërs, Duytfchers , en Gaulen trokken
vooraan, en de óverige vólgden, alle door hun-
ne Overften geleyd , en gewapend als ófzy ten
ftryde toogen. Vyfhonderd huysdienaars van
den overleeden Koning droegen reukwerk , en
flooten het hek deezer prachtige lykftaatfie.
Aldus ging deezer ftoet acht ftadiën voort van
Jericho tót aan \'t kafteel Herodion, alwaar het
lyk van dien Vórft, vólgens zyn bevél, bec^raa-
ven wierdt. \'
Naa dat de nieuwe Koning, naar \'tgebruyk 744.
onzer landaard , in zeven dagen de rouw zyns
vaders volbragt had, gaf hy aan\'t vólk een gaft-
maal , en ging toen na den Tempel. Overal
waar hy doorging wierdt hy met een vrolyk ge-
fchater toegejuyghd j en naa dat hy op eenen
gouden troon gezeten was , hoorde men alles
van vreugdegeroep en gelukwenfchinge weèr-
galmen. Hy antwoordde beleefdelyk daarop,
en bedankte hen voor de goedgunftigheyd die
zy hem betoonden , onaangezien de ftrengheyd
waarmede zyn vader hen bejegend had j cn hy
verzekerde hen het te zullen erkennen, zeg-
gende echter dat hy den naam van Koning niet
aani^emen zoude , voor dat Auguftus zyns
vaders uyterfte wille bekrachtigd hadde 5 cn
dat hy daarom ook de kroon , die \'t ganfche
heir hem te Jericho had aangebooden , gewey-
gerd had : Maar dat zo dra hy dezelve van
Auguftus, die alleen magt had omze hem te
geeven, ontvangen had , hy hen door zyn#
daaden zou toonen dat zy hem met recht be-
minnen mogten j en dat hy trachten zoude hen
gelukkiger te maaken dan zy onder zyns va
ders regeeringe geweeft waaren. Dewyl het
vólk gewoon is zich te verbeelden , dat dc
Vórften , als zy eerft tót de kroon komen,
oprechtelyk handelen , deed dit c^unftig ge-
fprék van Archelaüs hen hun gejuygh verdub-
Fff beien,
jj
5J
3>
J>
beleii, waarby zy zynen lóf verlieften, en ver-
fcheydene gunften van hem verzóchten, fom-
mige afftag van fchattinge, andere de vryheyd
voor verfcheydene perfoonen welke de Koning:
zyn vader had doen gevangen zetten, en waar-
van eenige al lang in den kerker gelegen had-:
den; en etlyke de affchafting der tóllen en be- ;
laftingen op Koopmanfchappen. Deeze Vórft,
die niet anders zócht als zich in zyne nieuwe
heerfchappy vaft te zetten , vondt niet geraa-
den hen iets te weygeren : en naa dat de ófte-
randen bragt waaren, onthaalde hy zyne vrin-
den met een gaftmaal.
XI. H O O F D S T U K.
Eenige Jooden die wraak begeerden over den dood van Judas, Mar-
tinas , co andere , welke Herodes had doen verbranden , om het
afrukken van den ijoudcn arend boven de poort des l empels , ver-
wekken eenen oproer , in welke drieduyzend van hen omgebragt
â worden. Archelaüs trekt na Rome , ono zich iti \'t ryk door Au-
guftus te laaten beveftigen ; en Antipas zyn broeder , die ook na
de kroon ftondt, gaat\'cr defgelyks: hunne zaak wordt voor Au-
guftus bepieyt.
^ begonden eenige Jooden, die
niet dan onruft en beroerte zochten , tza-
men te rótten, en het wreede lót van Mat-
thias en de andere, die om het afbreeken van
den gouden arend boven de poort des Tempels
ter dood gebragt waaren , te beklaagen. De
vrees die zy voor Herodes hadden , had hen
geduurende zyn leeven doen ftilzwygen, maar
toen die opgehouden was, fchreeuwden zy te-
gen hem uyt, gelyk als óf de hoon die zy zy-
ner gedachtenifte aan deeden, eenige trooft m
de andere werreld kon geeven aan die dooden
welker verhes hen zo fmartelyk viel, Zy
maanden derhalve Archelaüs aan om dit groot
onrecht door den dood van eenige van Hero-
des vrinden, welke zy zeyden dat daartoe ge-
raaden hadden, te wreeken, en het Hoogeprie-
fterdom den genen dien hy \'t get:;:eeven had te
beneemen, om het aan iemand, die door zyne
deugd des waerdig was , op te draagen. Al-
hoewel Archelaüs , die zich gereed maakte om
na Rome te gaan , opdat hy door Auguftus in
\'t ryk beveftigd mogt worden , zich zeer ge-
bélgd hieldt over dien eyfch, echter poogde
hy deezen oproer door zachtheyd te ftillen.
Tót dien eynde zondt hy den Overfte zyner
benden om den muyteren voor te houden : ,, dat
â zy zich niet door wraakzucht moften laaten
â vervoeren , maar dat zy behoorden te den-
3, ken dat de ftraft^e , waarover zy klaagden,
â vólgens de wetten gefchied was : dat hunne
eyfch zyn gezag quetfte : dat het geen ge-
voeglyke tyd was om diergeiyke klagten te
doen; dat men moft bedacht weezen om de
eendracht en vreede te bewaaren, tót dat hy,
door Auguftus in het bezit van \'t Ryk be-
krachtigd zynde, weder van Rome te rug ge-
â komen was: Dat men alsdan met een rypover-
leg , cn een algemeene toeftemminge nader
3> daarin voorzien zou: dóch dat men zich on-
3) dertuftchen ftil en in rufte moft houden, zon-
3> der zich in de misdaad van oproer te wikke-
len. Deeze muy tzuchtige, in plaats van door
dit vertoog tót bedaaren te komen , deeden
door hun getier blyken dat \'er geen kans was
om hen tot hunnen pligt te doen keeren , zon-
der zich in levens gevaar te ftellen , doordien
de onbeftiyfde drift, die hen \'t onzag jegens
hunne Overheyd deed verhezen, hen wysmaak-
te dat het een ondraagelyke zaak was, zelfs naa
Herodes dood geen wraak te konnen verwer-
ven over \'t bloed hunner vrinden die zo wree-
delyk door hem omgebragt waaren. Vv^ant zy
erkenden geen ander recht dan het gene hen die
trooft geeven kon j en de verlangft daar na liet
hen niet toe eenig gevaar te ontzien. In plaats
dan van door de rédenen, welke hen van\'sKo-
nings wege voorgehouden wierden, zich te laa-
ten beweegen, endoor het ontzag dat zy hem
fchuldig waaren weêrhouden te worden, wicr-
den zy hoe langer hoe meer verbitterd s en
\'t was ligt te denken dat als hun getal door \'t
Paafchfeeft, het welk aanftaande was, vermeer-
derde, de oproer ook toeneemen zoude : want
niet alleen geheel Judéa viert die hoogtyd met
groote blydfchap, en men ófterc als dan meer
flagtvees dan men anders gewoon is, ter ge-
dachtenifte onzer verlóftinge uyt Egipte j maar
zelfs eene menigte van Jooden die b^uyten\'tryk
woonen, komen te Jerufalem om die plegtig-
heyd, ter oorzaake van de Gódsdienft, byte
woonen. Ondertuflchen weeken deeze oproe-
rige, die den dood van Judas en Matthias be-
klaagden, niet uyt den Tempel, enfchaamden
zich niet hun onderhoud te beedelen, om niet
genoodzaakt te Z)\'n die plaats te verlaaten. Ar-
clielaüs, vreezende dat hunne moedwil nóg
verder zoud uytfpatten, zondt eenen Bevél-
hebber met krygsvólk na hen toe , om hen te
beteugelen aleer zy \'t óverige des vólks ook door
die muytzucht vergiftigden : en hy beval hem
degénen die de ftoutheyd hadden van weêrftand
te bieden, te vatten en tót hem te brengen.
De muyters ziende deeze krygslieden aanko-
men, hitften het vólk door hun geroep en ge-
I .1
li
\'t I
74>.
lil
otlanvïr H\' ^^^ met gooijen
op hen aanvallende de meefte doodde , invoe-
ge dat de Bevélhebber gequetft zynde het ter
naauwer nood nevens eenige andere ontquam:
waarnaa de oproerige hunne ófferanden hervat-
teden. De Koning alstoen oordeelende dat het
van zeer groot belang voor hem was zodaanig
een opftand met ongeftraft te laaten, zondt zyn
ganfche heir tegen hen, met bevél aan de ruy-
tery van alle die uyt den Tempel quamen om
zich te bergen, te dooden, en de vreemden te
beletten hen te hulpe te komen. Aldus wier-
den\'er wel drieduyzend gedood , en de óveri-
ge namen na het nabuurig gebergte de vlugt.
Thans deed Archelaüs afkondigen dat elk zich
na huys begeeven zoude 5 waarop de vreeze van
gevaar hen, die te voore zo ftout waaren, de
ófteranden deed ftaaken.
Naa dat Archelaüs de^ muyters aldus beteu-
geld had , liet hy de zórg van zyn huys, en
de beftiering van \'t ryk aan zynen broeder Fi-
lippus, en begaf zich op reyze na Rome, nee-
mende zyne moeder, Nikolaüs , Ptoloméus,
en veele andere zyner vrinden met zich. Sa-
lomé zyne moey hieldt hem ook gezelfchap
met haar ganfche huysgezin ; en verfcheydene
andere zyner maagen deeden desgelyks, onder
voorgeeven van hem behulpzaam ta v/illen zyn,
om
XViL BOBK.
om hem de beveftiging van het bezit des Ryks
te doen verkrygen j maar inderdaad om hem
den voet dwars te zetten 5 en hem onder andere
te beft:huldigen dat hy zo veel vólks in den
Tempel had doen dooden. Te Cefarea ont-
moette hy Sabinm , Rentmeefter des Keyzers
in Syrië , die in der yl na Judéa trok , om de
fchatten door Herodes naagelaaten te bewaaren.
Maar Varus, aan wien Ptoloméus tót dien eynde
door Archelaüs gezonden was, weêrhieldt hem
verder te gaan 5 zulks dathy, uyt inzigt voor hem,
in plaatfe van de veftingen te bemagtigen en de
fchatkiften te verzégelen , beloofde alles in de
\' magt van Archelaüs te zullen laaten , tótdat
de Keyzer bevél daar ontrent zoude gegeeven
hebben 5 en daarop bletf hy te Cefarea. Maar
naa dat Archelaüs na Rome t\'fcheep gegaan,
en Varus weder na Antiochië gekeerd Was,
trok hy na Jerufalem , alwaar hy huys vefting in
\'t koninglyk paleys neemende, aan de algemee-
ne Schatbezórgers beval hem rekenfchap te doen,
en aan de Opzieners van de veftingen der ftad
geboodt dat zy die in zyne handen zouden ftellen.
Maar zy, die andere laft van Archelaüs hadden,
en de plaatfen tót aan zyne wederkomft voor
hem behouden wilden , antwoordden dat zyze
voor den Keyzer bewaaren zouden.
747. Ter zelfder tyd ging Antipas , één van He-
rodes zoonen , op aanraaden van Salomé, ook
na Rome, op hoope van het ryk te verwerven,
en voor Archelaüs gefteld te worden, als zynde
door Herodes tót zynen naazaat benoemd in
zyn eerfte Teftament , het welk hy krachtiger
oordeelde te zyn , dan het laatfte. Hy nam
Zyne moeder met zich , midsgaders Ptoloméus
broeder van Nikolaüs, die Herodes voornaam-
fte vrind was geweeft, en nu zyne zaak begunftig-
de : maatlreném, die een zeer welfpreekend man
was j engeduurendeveelejaaren door den voori-
gen Koning in zaaken van Staat was gebruykt ge-
weeft , had hem wel meeft dit voorneemen zo
ingeboezemd, dat hy niet luyfteren wilde naar
degénen die hem rieden voor zynen ouder broe-
der Archelaüs te wyken, dcwyl die door de
laatfte erffchikking zyns vaders tót Koning aan-
gefteld was. Als nu Antipas te Rome aangeko-
men was, voegden alle zyne bloedvrinden zich
by hem, niet zo zeer uyt geneegenheyd tót hem,
als wel uyt haat tegens Archelaüs, en uyt eene be-
geerte om eene foort van vryheyd te genieten, en
aan niemand dan de Romeynen onderworpen te
zyn; óften minfte, zo dit niet gelukken wilde,
een zachter regeering onder Antipas te geniéten
dan onder zynen broeder : ook fchreef Sabinus
aan Auguftus tót naadcel van Archelaüs.
H^: Maar Archelaüs om zyn recht voor te
^ ftaan, deed aan den Keyzer door Ptoloméus een
gefchrift behandigen, behelzende zyne rede-
nen , zyns vaders uyterfte wille, en een opfte
der naagelaatenc fchatten, benevens het zegel
waarmede het verzegeld was. Antipas leverde
infgelyks een gefchrift in, waarin zyne réde-
nen vervat waaren. Naa dat Auguftus deezc
fchriften geleezen , de brieven van Varus en
Sabinus doorgezien , en hoeveel de inkomften
van Judéa beliepen, verftaan had, verzamelde
hy eenen grooten Raad van zyne voornaamfte
41 ï
vrinden, alwaar hy Kajus C£faf ] zoon van
Agrippa cn zyne dóchter Julia , dien hy voor
zynen zoon had aangenomen , de voortzitting
gaf, en vervólgens aan de twee naftanders ge-
hoor verleende. Antipater Salomès zoon s die
zeer welfpreekend , en een geflagen vyand van
Archelaüs was, begon eerft", en zeyde â Dat
het maar welftaanshalve was dat Archelaüs â
het ryk quam verzoeken , dewyl hy zonder â
nd \'s Keyzers goedvinden daar ontrent te,,
wachten , zich in \'t bezit daarvan gefteld â
had , door op eenen feeftdag zulk ccn me- ,,
nigte van Jooden te doen ombrengen. Dat â
het wel waar was dat zy ftrafwaerdig waaren,
maar dat het niemand toequam hen tc ftraf-
fen dan die een wettige magt daartoe had:
Dat indien hy zich die als Koning had aan-
gemaatigd , hy den Keyzer zeer" beleedigd
hadde j en dat byaldien hy zulks als een
ampteloos perfoon had gedaan , hy dan nóg
veel fchuldiger was. Dat hy derhalve t\'on-
recht hoopte de kroon van dien Vórft te zullen
erlangen , doordien hy had doen blyken dat
hy hem niet aanmerkte als iemand dic recht
had omze hem te geeven. Voorts befchuldig-
de hy Archelaüs, dat hy op zyn eygen ge-
zag verfcheydene Krygsoverften had veran- â
derd ; dat hy zich op den troon gezét had;,,
dat hy daar als Koning rechtzaaken in zyne â
tegenwoordigheyd had doen bepleyten ; dat â
hy den vólke de verzóchte gunften had toe- â
geftaan : dat hy alle degénen , .welke zyn JJ
vader in \'t renperk had doen fluyten , lós â
gelaaten liad : en eyndelyk dat hy niets had ,3
naagelaaten van \'t gene hy had moogen
doCn indien hy door den Keyzer tót Ko-
ning beveftigd geweeft waare. Hy bragt
nóg verfcheydene andere zaaken by, fommi-
ge waar, en andere waarichynelyk , omdat
zy door eenen jongeling , die nieuv/lings tót
het hoog gezag verheven was, ligtelyk kon-
den gedaan geweeft zyn. Hy voegde daar-
by dat Archelaüs zo weynig door Herodes
dood ontroerd geweeft was, dat hy den vól-
genden nacht een gaftmaal gehóuden had, â
waaruyt bykans een oproer was ontftaan 5 ,,
dewyl het verfoeijelyk by het vólk geacht â
wierdt, dat hy zich zo ongevoehg toonde
ontrent de groote weldaaden waarmeê zyn
vader hem had vcrphgt j en dat hy als een â
tooneellpeeler , die verfcheydene perfoö-
naadjen verbeeldt, zich by dage geliet te
weenen , en den naeht met alle koninglyke
vermaakelykhëden doorbragt. Dat nademaal
men \'t niet anders als een groote misdaad kon
aanmerken , op den dood eéns vaders te
quinkelcercn, en zich te verheugen j gelyk
men over den dood eens vyands doen zou^
de , de Keyzer dan ligt oordeelen kon,
wat dank iemand van zulken quaaden in-
horft het hem wetzen zoud , indien hy hem
zyn verzoek toeftonde : en dat het iets zon-
derlings was , dat hy voor hem durfde ver-
fchynen om in \'t ryk beveftigd te worden ^
daar hy reeds in alles gehandeld had , gelyk â
als óf hy al Konmg waare. Thans breyddè
Antipater zich uyt over de fchrikkelyke en â
F f f 2- - ,, sód-^
JOODSCHE H I S t O R i
S5
33
33
33
33
33
53
33
33
33
33
33
35
33
35
33
j, gódlooze móórd in den Tempel begaan,
alwaar men op eenen feeftdag niet alleen bur-
gers, maar ook vreemdelingen, even als flagt-
â vee had zien dooden , zo dat die heylige
â phats met llapels van lyken vervuld wierdt,
niet door bevél eens vyandlyken Vórfts van
5, een andere landaard , maar uyt laft van hem.
,5 die zich van den eerwaerdige naam van w^t-
5, ti^cn Koning bediende , om zyne tyrafini-
5, ft:lie zucht te voldoen , en allerley onmen-
55 ft:helykheden te pleegen. Dat ook Hero-
â des, die zyne quaadaardige neygingen ken-
5, de, zo weynig gedachten by zyne gezond-
â heyd gehad hadde om het ryk aan hem naa
i, te laaten , dat hy in zyne voorige erffchik-
5, kinge, die veel krachtiger was dan de laatfte,
5, Antipas, wiens zeeden zeer veel van die van
5, Archelaüs verft:heelden , tót zynen naazaat
5, verkooren had, en dat in eenen tyd wanneer
3, men niet zeggen kon , gelyk daarnaa, dat
5, zyn geeft al gefturven was hoewel zyn lig-
5, haam nóg leefde , maar toen zy beyde nóg
3, in volle kracht waaren. Dat indien het al
waar was dat Herodes toen al zo gezind was,
5, gelyk hy in zyne laatfte uyterfte wille had
5, verklaard , Archelaüs echter blyk gegeeven
5, had hoedaanig een Koning hy zoude zyn,
doordien hy verfmaad had de kroon uyt de
hand des Keyzers te ontvangen, en daaren-
boven zo veele burgers in den Tempel had
â doen vermoorden, terwyl hy nóg maar een
â ampteloos perfoon was." Aldirs eyndigde
Antipater zyn vertoog , en nam verfcheydene
Van de bloedvrinden dier twee Prinfen tót ge-
tuygen van de waarheyd zyns zeggens.
Nikolaüs daarentegen , om de zaak van Ar-
chelaüs te verdeedigen , zeyde j â Dat men
,, het bloed dat by den Tempel vergooten was,
,, alleenlyk te wyten had aan de moedwil en
hardnekkigheyd der oproerigen , die Arche-
laüs gedwongen hadden tót geweld te komen
om hen te beteugelen : en dat alhoewel het
fcheen als óf zy \'t maar tegen hem hadden ,
het echter klaar gebleeken was dat zy ook
oproerig tegen den Keyzer waaren, dewyl
zy zonder fchroomte van het recht der vól-
keren te fchenden , óf Gode op de plegtig-
heyd van Zo een vermaard feeft eenig ont-
zag toe te draagen, degénen, welke Arche-
laüs hen tót ftillinge van den oproer had ge-
zonden , gedood hadden : en dat Antipater
zich behoorde te fchaamen, dat hy, door zy-
ne drift tegen Archelaüs vervoerd, die muy-
ters had durven verontfchuldigen, in plaats van
te bekennen dat de omgebragte alleen fchul-
dig waaren, dewyl zy de andere eerft aange-
rand , en hen gedwongen hadden zich van
hunne wapenen te bedienen , welke zy maar
t\'hunner befcherminge opgenomen hadden.
Nikolaüs wierp ook alle de andere zaaken, te-
gen Archelaüs ingebragt, op de befchuldigers,
zeggende , dat hy niets daarin gedaan had
dan met hunnen raad, en dat ze zodaanig niet
waaren gelyk zyze hadden voorgefteld, en-
kelyk uyt een onrechtmaatige begeerte om
eenen Vórft te benaadeelen, die hen in maag-
Ichap beftondt, en wiens vader hen niet al-
leenlyk door veele weldaaden verpligt, maar
die zelf hen altoos allerley goede dienften
gedaan had. En noopende de uyterfte wille
van Herodes dat hy by goed en gezond ver-
ftand was toen hy die maakte; dat men zich
aan het laatfte befluyt moft houden j en dat
het zyne te krachtiger was, om dat hy\'er den
Keyzer volkomen meefter van gemaakt had,
door \'t aan hem te ftellen om daar ontrent te
doen zo als hy \'t goed vond. Dat hy zich
verzékerd hield dat die groote Vórft niet
.n
3}
J)
53
)}
3>
55
3>
Ji
i)
»J
3»
3>
IJ
3>
3J
3>
»
JJ
3>
5>
35
i)
J5
55
3)
35
55
35
35
3)
3J
3}
35
35
35
33
3i
3)
5>
5>
gelyk degéne die zo veele wei-
Herodes ontvangen hebbende,
zyne laatfte wille poogden qw. verre te ftoo- â
ten 5 maar dat hy met vermaak de erffchik- â
â doen zoude
â daaden van
king
3) genoot, zoude beveftigen , doordien\'er een
3, zeer groot onderft:heyd was tulTcheft de quaad-
â aardigheyd van Archelaüs vyanden, en de
â deugd cn goede trouw des Keyzers, die buy-
5, ten twyfel zich nooit zou laaten wysmaaken,
dat iemand die met zo veel voorzigtigheyd
â alles aan zyne wille onderworpen had , een
5, verbyfterd verftand zoude gehad hebben toen
â hy tót zynen naazaat aanftelde éénen zyner
â zoonen, die vroom van leeven was, en van
â de goedheyd des Keyzers niet anders ver-
â wachtte, dan dat hy hem in \'t ryk, dat hem
â naagelaaten was, handhaaven zoude."
Naa dat Nikolaüs aldus gefprooken had,
viel Archelaüs den Keyzer tc voet, cn Au-
guftuS hefte hem minnelyk op, zeggende dat
hy hem waerdig achtte tc regeeren, en dat hy
niet gezind was iets te doen \'t welk niet tót zy-
nen voordeele, cn overeenkomende met zyns
vaders uyterfte wille was. Hebbende aldus
aan Archelaüs goede hoope gegeeven, deed hy
geen uytfpraak, maar fcheydde de vergadering,
om op een bequaamer tyd te befluyten of hy \'t
ryk geheel aan Archelaüs geeven , dan óf hy
\'t onder de kinderen van Herodes, die alle
hunne toevlugt tót hem namen , cn alles van
zyne toegeneegenheyd verhoopten, vcrdeelcn
zoude.
XII. HOOFDSTUK.
Groote opftand in Judéa terwyl Archelaüs te Rome was. Varas
Landvoogd van Syrië dempt dezelve. Fiiippus Archelaüs broe-
der gaat ook na Rome, op hoope van een gedeelte van \'t ryk te
verkrygen. De Jooden zenden gezanten aan Anguftus , om van
hem te verzoeken dat hy hen van \'c gehoorzaamen der Koningen
wilde ontflaan, en met Syrië vereenigen : Voorts fpreeken zy tót
naadeel van Archelaüs cn Herodes.
74P. à Lëer Auguftus die zaak beftecht had , wierdt
Ma/thace Avchehiis moeder ziek, en over-
leedt, en Auguftus vèrftondt door brieven van
Varus, Landvoogd van Syrië, dat \'er federd het
vertrék van Archelaüs groote beroerten in Ju-
déa ontftaan waaren > dat hy terftond met zyne
benden derwaards was getoogen; dat hy de ftich-
ters daarvan had doen ftraffen ; en dat hy naa
dat de oproer bykans gchccllyk geftild was, we-
der na Antiochië was gekeerd, hebbende eene
keurbende binnen Jerufalem gelaaten om te be-
letten dat \'er weder een opflrand quame.
75 0. Aldus fcheen het dat \'er niets meer te vree-
zen was; maar de zaak viel anders uyt : want
Sabinus zich verfterkt ziende met de benden
die door Varus gezonden waaren, poogde zich
meefter van de fterkten tc maaken; en zyne
brandende gierigheyd deed hem niets verzuy-
men, om het geld dat Herodes naagelaaten had
op te zoeken en \'er achter te komen. Hier-
over wierden dejooden zo vertoornd, datzy,
toen het Pingfter-fceft genaakte j in grooten ge-
tale aanquamenuyt alle plaatfen niet alleenlyk
van Judéa, maar van Galiléa, Iduméa, Je-
richo, en van gene zyde des Jórdaans, zowel
uyt eene begeerte om zich op Sabinus te wree-
ken, als om hunne gódsdienft tc pleegen. Zy
deelden zich in drie hoopen, waarvan de ééne
het renperk innam, de andere den Tempel van
de noord-en ooft-zyde, en de derde van de
weft-zyde, daar \'t koninglyk paleys ftondt,
belegerde. Zy de Romeynen aldus van alle
kanten beflooten hebbende , maakten zich «ge-
reed om hen aan te grypen. Sabinus verbaafd
dat hy hen zo verbitterd zag, en zo gezét om
te fterven óf hunnen toeleg uyt te Voeren,
fchreef aan Varus, en verzócht hefti fpoedig!
lyk die keurbende wclkc hy hem gelaaten had te
hulpe te komen, dewyl zy anders gevaar zou-
de loopen van ganfchelyk vernield te worden.
Thans klom hy op den hoogften toren van het
kafteel dat Herodes g;efticht, en aan \'twelk
hy den naam van Fafaëlus, ter eere van zynen
broeder Phafaël, door de Parthen gedood, ge-
geeven had, vanwaar hy met zyne hand den Ro-
meynen een téken gaf om eenen uytval op dejoo-
den te doen, willende aldus, terwyl hy zich-
zelven aan zyne vrinden niet durfde vertrouwen,
dat andere zich voor \'t gevaar, waarin zy door
zyne gierigheyd vervallen waaren , zouden
blootftellen. De Romeynen deeden daarop
eenen uytval, cn daar ontftondt een hévig ge-
vecht, zo dat\'er veele Jooden het leeven he-
ten : maar dat verlies deed hunnen moed niet ver-
flaauwen; want eenige van hen klommen op de
galleryen van den uyterften omvang des Tem-
pels, vanwaar zy eene menigte van fteenen,
zo met de hand, alsuyt flingers, op dc Romey-
nen wierpen ; terwyl andere met fchichten en
pylen op hen fchooten, waartegen die, welke
de Romeynen van beneden na hen wierpen,
hen niet bereyken konden. Dit gevecht duur-
de vry lang} maar de Romeynennietkonnende
dulden dat hunne vyanden dit voordeel op hen
hadden , ftaken de galleryen , zonder dat de
andere het gewaar wierden, in de brand, cn
wierpen\'er veel houts by; dit deed de vlam
aanftonds na \'t dak ftygen , en dewyl\'er veel
pik en wafch vermengd was onder de ftóffe
waarop men de cieraaden en\'t verguldfel ge-
hecht had, brandde alles zeer vinnig, zo dat
die prachtige fóldcringen wel haaft in de af-
fche gelegd wierden, waardoor degéne die\'er
boven opgeklommen waaren jammerlyk fneu-
velden : want fommige vielen van boveh neêr^
andere wierden dóór de pylen der Romeynen
gedood , etlyke door de grootheyd van\'c ge-
vaar beangftigd, en door wanhoop vervoerd,
ftaken zichzelven dood, óf wierpen zich in de
vlammen; en dic zich om tc redden wilden af-
klimmen daar zy opgekomen waaren , vielen
in de handen der Romeynen welke hen met
weynig moeite het leeven benamen, omdat hun-
ne kloekmoedigheyd, hoe groot die ook was,
hen weynig kon tc ftade komen, dewyl zy on-
gewapend waaren : zulks dat niet één van alle
die op de galleryen des Tempels waaren geklom-
men , het ontquam. Alstoen ftreefden de Ro«
meynen dwars door \'t vuur, om te komen ter
plaatfe alwaar \'t gódgewyde geld bewaard lao-
De fóldaaten namen een gedeelte daarvan wcf?
en Sabinus fcheen niet meer dan vierhonderd
talenten daarvan bekomen te hebben Deeze
plondcringvan den heyligen fchat, nevens de
dood van veele der voornaamften, in\'t gevecht
omgeoragt, bedroefde de andere geweldig, dóch
deed iien daarom den moed niet zinken. Eene
Ff f3 tróp
XVII. BoEt. JOODSGHE HIST@RI
â king van eenen Köning, zynen vrind en bond-
414 ri^/iviuöj
tróp vän de dappeffte bezette het koninglyk pa-
leys, dreygde alle die\'er binnen waaren te ver-
branden en dood te flaan, indien zy\'er terftond
niet uytquaraen, en beloofde j indien zy\'er uyt-
trokken, geen leed te doen nóch aan Sabinus
nóch aan die welke by hem waaren. Hier op
gongen de m^eefte bevélhebbers en fóldaaten des
Konings tót hen over ; maar Rufuscn. Gratus,
Overften van drieduyzend der dapperfte krygs-
knechten van Herodes heir , waarvan de ruyte-
ry ondsr \'t bevél van Rufus ftondt, nevens an-
dere tót de Romeynen overgegaan zynde, ver-
fterkten hunne party niet weynig. De Jooden
dan hunne onderneeming met yver voortzetten-
de, ondermynden de muuren, en vermaanden
met ééne de Romeynen , niet al te ftyf te bly-
ven ftaan op hun befluyt van zich vry te vechten.
Inmiddels zou Sabinus met zyn krygsvóïk wel
hebben willen uyttrekken , maar dewyl hy den
Jooden zo veel quaads gedaan had , durfde hy
zich op hun woorci niet verlaaten ; want hy
hieldt die voordeelige aanbiedingen verdacht,
en verwachtte ontzét van Varus.
751. Terwyl de zaaken te Jerufalem in dien ftaat
waaren , was \'er een groote opftand in ver-
fcheydene plaatfen van Judéa , naar dat ieder
óf door hoope van winft , óf door wraakzucht
edreeven was.
Tweeduyzend knechten van de befte man-
fchap , welke Herodes gehad had, en die afge-
dankt waaren , quamen byeen, en gingen om
de benden des Konings , onder \'t bevél van
Achiab Herodes achterneef, aan te taften :
dóch Achiab durfde hen dewyl zy oude en
eervarene fóldaaten waaren , in \'t veld niet af-
wachten j maar toog met de zyne na fterke en
fchier ontoegangklyke plaatfen.
Aan een andere kant verzamelde Judas,
zoon van Ezechias Opperfte der rooveren, wel-
ke Herodes voortyds met veel moeite uytge-
roeid had, by de ftad Seforis in Galiléa een
crroote bende van onvertzaagde kaerels , trok
daarmee in de landen des Konings, bemagtigde
het wapenhuys, wapende zyn vólk, nam al het
geld van dien Vórft dat hy in de nabuurige
plaatfen vondt, pionderde afles wat hem voor-
quam , en maakte zich ontzaglyk door \'t gan-
fche land; ja zyne ftoutheyd ging zo verre,
dat hy zelfs na de kroon durfde ftaan : niet dat
hy zich achtte zulke hoedaanigheden te hebben
die hem recht tót dien trap van eere konden gee-
ven i maar omdat de vryheyd van quaad te doen
hem vrypóftig maakte om alles te ondernee-
men.
Zékere Simon , wel eer een knegt van Hero-
des , dien hy voorma als tót wigtige zaaken ge-
bruykt had 5 en die door zyn aanzienlyk gelaat
en groote geftalte onder andere uytmuntte, was
zo koen dat hy zich de kroon op \'t hoofd zette-
de : hierdoor kreeg hy niet alleenlyk eenen groo-
ten toeloop, maar de dwaasheyd des vólks ging
zo verre , dat het hem voor Koning groetede:
en hy had zulk een goed gevoelen van zichzel-
ven , dat hy zich verbeeldde dat niemand het be-
ter verdiende te zyn , dan hy. Het eerfte dat
hy deed,
Was het koninglyk paleys van Jericho
pionderen cn in de brand fteeken : voorts ver-
îîli
â ü;
XVIi Boek.
brandde hy andere vórftelyke paleyzen , welke
hy door zyn vólk liet uytplonderen ; en hy zou
nóg grooter dingen uytgevoerd hebben, indien
men zich niet fpoedig tegen hem ter weere ge-
zét hadde. Want Gratus , die over des Ko-
nings krygsvóïk geboodt, en die , gelyk reeds
gezegd is , zich by dc Romeynen gevoegd had,
trok hem tegen, waarop een zwaar gevecht vólg-
de , in \'t welk dic van Simons aanhang meer
ftoutmoedigheyd dan beleyd betoonende, verfla-
gen wierden; en hy zelf vlugtende om het te ont-
komen , wierdt door Gratus in de engte achter-
haald , en door hem \'t hoofd afgehouwen.
Eene bende van zulk flach van vólk als Si-
mon aan zynen fnoer gehad had , verbrandde
ter zeider tyd het koninglyk paleys te Amatha
aan den oever des Jordaans j en diergelyk een
woede had alstoen door geheel Judéa de over-
hand , zo uyt gebrék van eenen Koning door
wiens deugd het vólk in zynen pligt gehouden
wierdt, als omdat de Romeynen , in plaatlè
van het quaad te ftillen door de oproerigen te
beteugelen , hen door hun tróts gedrag en on-
verzaadelyke gierigheyd nóg meer verbitterden.
Zékere Athronges , die van zulk een gerin-
ge afkomft V/as , dat hy te voore maar een
herder was geweeft , en die niets lóflyks be-
zat , dan dat hy zeer groot en fterk van lighaam
was , fteeg tót dien tóp van ftoutheyd , dat hy
zich ook tót Koning wilde opwerpen , en ten
kófte van zyn leeven het vermoogen koopen
om ieder één quaad te doen. Hy had vier
broeders zo groot en ftout als hy zelf, die elk
over een tróp krygsvóïk gebooden, en zich
lieten voorftaan dat om tót dwingelandy te
komen het genoeg was alles te durven beftaan.
Een groote menigte van vólk voegde zich by
deeze vyf gebroeders ; en Athronges bediende
zich van hen als zyne ftedehouders , om over-
al te gaan ftroopen, terwyl hy met de kroon op
\'t hoofd over de zaaken beraadftaagde, en alles
met een oppergezag beval. Hy hieldt zich vry
lang m dien ftaat 3 en men zoud in eenigen op-
zigte konnen zeggen dat hy den naam van Ko-
ning niet te vergeefs voerde , dewyl hy niets
geboodt dat niet uytgevoerd wierdt. Zyne
grootfte poogingen waaren tegen dc Romeynen ,
en tegen des Konings benden, welke hy gelykc-
lyk haatte , de ééne om het quaad dat zy dee-
den , en de andere om \'t gene zy onder de re-
geering van Herodes gedaan hadden. Hy ver-
floeg veele van hen en beoorlógde hen van dag
tót dag , \'t zy op hoope van zich tc verryken",
óf omdat hy door \'t voordeel dat hy op hen be-
haalde opgeblaazen wierdt. Eene bende Romey-
nen , die koorn en wapenen na \'t leger bragten,
in cenc hinderlaage by Emaüs gevallen zynde,
wierdt de Bevélhebber Arius , die kolonel van
een keurbende was , en veertig yan de dap-
perfte daarvan met pylen gedood , en de óveri-
ge hielden zich ook reeds verlooren , wanneer
Gratus met \'s Konings krygsvóïk recht van
pafle aanquam , en hen ontzettede j dóch de
dooden bleeven in de magt deezer muyteren,
Deezc vyf broeders deeden den Romeynen aldus
eenen langen tyd door verfcheydene gevechten
veel overlaft aan , en quelden hunne eygene
lands-
FLAVIUS ÃOSEPHUS
XVII. BOEK. J O O D S C H E
landslieden niet minder. Dóch eyndelyk wierdt
één van hen door Gratus, en een ander door Pto-
loméus overwonnen en gevangen ; en Athron-
ges viel in handen van Archelaüs. De laatfte
door dit ongeval zyner broederen verfchrikt,
en geen hoope van uytkomft ziende , omdat
zyn krygsvólk door arbeyd en ziekte zeer ge-
fmolten was , gaf zich aan Archelaüs ook op
zyn woord over.
In die verwarde beroerte welke geheel Judéa
met rooveryen vervulde, nam elk die maar een
bende oproerigen byeenbragt, den naam van
Koning aan. Aldus was de Staat aan alle kanten
gefcheurd, en het minfte deel der rampen viel
op de Romeynen, omdat de Jooden, in plaats
van zich te vereenigen en gezamentlyk hunne
wapenen tegen hen te keeren, het met die op-
roerigen hielden , en malkanderen doodfloegen.
inwooners van Jerufalem fcherpelyk ^ dóch zy
verontfchuldigden zich, betuygende dat zy geen
deel aan dien toeleg gehad hadden | maar dat
zulks gefchied was door de menigte van vólk
dat van alle kanten gekomen Was om de hoog-
tyd by te woonen; en dat het \'er zo verre van-
daan was dat zy de Romeynen zouden belegerd
hebben , dat zy zelve door dat groot getal van
vreemdelingen belegerd geweeft waaren.
Deeze Veldheer zondt daarnaa een gedeelte
van zyn heir .uyt om een naauwkeürig onderzoek
door \'t ganfche ryk na de ftichters van dien op-
roer te doen: tweeduyzend wierden \'er van ge-
kruyfigd , cn de óverige liet hy gaan. Dewyl
hy nu meende dat hy het krygsvólk niet meer
van noode had, en dat hem de moedwil, die
de zyne, tegen zyn bevél, uyt geldzucht had-
den aangevangen , mishaagde , wilde hy hen
te rugge zenden , wanneer hy verftondt
dat tienduyzend Jooden op de been gekomen
waaren en zich verzameld hadden. Daarop
toog hy in der yl op om hen te bevechten;
maar zy niet durvende hem afwachten , gaven
zich volgens de raad van Achiab over. Varus
vergenoegde zich met de voornaamfte van hen
aan Auguftus te zenden , die den meeften hun
misdryf quytfcholdt, en alleenlyk eenige van
Herodes maagen, welke hy oordeelde dat het
verdiend hadden , deed ftraffen , omdat nóch
de aanmerking van bloedverwantfchap , nóch
die van recht, hen in hunnen pligt had konnen
houden. Naa dat Varus de beroerten aldus ge-
ftild, en Judéa wéér in rufte gebragt had , het
hy in het flót van Jerufalem dezelfde keurbende
tót bezetting die \'er te voore gelegen had , en
keerde weder na Antiochië.
Terwyl dat dit in Judéa voorviel, ontmoet-
te Archelaüs eenen nieuwen hinderpaal in zynen
eyfch 5 en dat op de vólgende wyze : Vyftio-
afgezondenen der Jooden quamen met verlóf
van Varus tót Auguftus , om hem te verzoeken
dat hy hen wilde toelaaten vólgens hunne wet-
ten te leeven : en meer dan achtduyzend Joo-
den die te Rome woonden voegden zich by hen
dat verzoek. Dc Keyzer ftelde hierover
Varus had door brieven van Sabinus zo dra
niet verftaan in wat gevaar de belégerde keur-
bende te Jerufalem wa"s, ófhy nam de twee an-
dere welke hy in Syrië by zich had , midsga-
ders vier vaanen ruytery , en de hulp-troepen
welke hy van de Koningen en Viervórften be-
quam, en toog daarmede op om de zyne te
ontzetten, hebbende Ptolemaïs tót eene zamel-
plaats benoemd. Die van Beryte vermeerder-
den zyne benden, toen hy door hunne ftad trok,
met vyftienhonderd mannen: en Aretas Koning
is Arabi?^\'^^^ Petra , die uyt haat tegens Herodes een
andeTsverbond met de Romeynen gemaakt had, zondt
Atabia hcm ook een merkelyk getal van ruytery en
voetvólk. Naa dat Varus zyn heir te Ptole-
agtig Ata-maïs byccngcbragt had , ftelde hy zynen zoon
bië ge- Qyej- een gedeelte daarvan tót Bevélhebber aan,
nevens éénen zyner vrinden, met laft om in
Galiléa , \'t welk dicht by Ptolemaïs legt, te
trekken. Hy quam dit bevél naa , \' dreef alle
die hem tegenftand durfden bieden op de vlugt,
nam de ftad Seforis in , deed alle de inwoo-
\'ners by opènbaaren uy troep verkoopen, ftak de
plaats in de brand, en leydeze in de aflche.
Varus aan de andere kant trok zelf met het
óverige van \'t heir na Samarië , zonder nóg-
tans iets tegen die ftad te onderneem.en, dewyl
7)2.
noemd.
7S3\'
in
zy geen deel aan den opftand had , en legerde
zich by een vlek genoemd Arus , \'t welk Pto-
loméus toebehoorde. De Arabiërs ftaken dit
in de brand, omdat hunne haat tegens Herodes
zo groot was , dat die zich ook tót zyne vrin-
den uytftrekte. Thans trok het heir voort tót
aan Samfo; en hoewel dat een fterke plaats
was evenwel namen de Arabiërs het in, pion-
derden\'t, en ftaken het in de brand: jazy ver-
fchoonden niets van \'t gene hen op den weg
voorquam, maar verwoefteden alles te vuur en
te zwaerde ⢠Dóch het vlek Emaus, dat van de
inwooners verlaaten was , wierdt door laft van
Varus verbrand, om den dood der Romeynen,
die aldaar gefneuveld waaren, te wreeken. Zo
dra de Jooden , die de Roomfche keurbende
belégerdhadden, verftonden dat Varus met zyn
heir in aantógt was, braken zy\'t belég op; waar-
naa de belegerden nevens de voornaamfte der
ftad, en Jofephus 5 kinds zoon van den Koning
Herodes, hem te gemoet gingen: maarSabinus
een groote byeenkomft aan van zyne vrinden ,
en dc voornaamfte der Romeynen, in den Tem-
pel van Apollo, dien hy met groote kóften had
doen bouwen. Deeze Afgezondene quamen
daar met de andere Jooden, en Archelaüs be-
vondt \'er zich ook met zyne goede vrinden -
maar belangende zyne maagen , zy wiften niet
wat zyde zy kiezen zouden ; want aan de ééne
kant haateden zy hem , en aan de andere kant
fchaamden zy zich , in tegenwoordigheyd van
den Keyzer, de vyanden van eenen Vórft die
hen in den bloede beftondt te begunftigen.
lippus, Archelaüs broeder, die zeer van Varus be-
mind wierdt, quam door zynen raad ook aldaar
uyt Syrië, onder voorgeeven van zynen broeder
by tc ftaan; maar inderdaad op hoope, dat indien
de gezanten hun verzoek verkreegen en dat
het ryk onder Herodes kmderen verdeeld wierdt,
hy \'er ook een gedeelte van krygen mogte
Deeze Gezanten fpraken eerft , en zeyden:
âDat\'er geene wetten waaren welke Herodes
15
met
week heymelyk na de zee. Varus beftrafte de door zyn onrechtvaerdig en quaad gedrag
41Ã F L Ã V I u S J
niet gefchonden had : Dat hy maar een Ko-
ning met den naam geweeft was , dewyl men
5, nooit wreeder tiran had gezien j want dathy
35 niet vergenoegd zynde met alle de middelen
te gebruyken welke andere in \'t werk ftellen
om hunne onderdaanen te verderven, nóg
3j nieuwe daarenboven bedacht had. Dat het
3, noodeloos was te fpreeken van het groot ge-
5, tal Jooden die hy had doen ombrengen, door-
5, dien dc ftaat der gener welken hy \'C leeren
j, niet benomen had , erger was dan dic der
â dooden , zo ter oorzaake van de geftadige
3, vreeze voor zyne wreedheyd , als omdat hy
,, hen van al hun goed beroofde. Dat hy geene
fteden buyten zyne ftaaten had geflieht en
3, vercierd , dan om daardoor gelegenheyd tc
33 hebben van die , welke in zyn ryk waaren,
\'â door fchattingen uyt tc putten. Dat hy Ju-
3, déa in eenen bloeijenden flaat van overvloed
35 gevonden hebbende, het tót de uyterfte clcn-
3, de gebragt had. Dat hy vt-rfcheydcne perfoo-
3, nen van ftaat zonder oorzaak had doen doo-
33 den 3 om meefter van hun goed te worden > cn
33 dat hy \'t den genen ontnomen had, dien hy
3, \'t leeven had laaten behouden. Dat men
â boven de gewoone belaftingen , waarvan
â niemand vry was geweeft, gedwongen wierdt
5, groote fommen gelds op te brengen om de
â gierigheyd zyner vrinden cn hóvclingen te
33 voldoen, en om zich van de onrechtmaatige
53 quelhngen zyner Amptenaaren vry te koo-
3, pen. Dat zy niet wilden fpreeken van dc
33 maagden en vrouwen van ftaat door hem ge-
â fchonden, omdat de eenigfte trooft die deeze
53 in haar groot verdriet cn leed konden ont-
3, vangen , was dat men het geheugen van
33 die zaak verioor. En eyndelyk indien het
3, moogelyk was dat een gruuwzaam beeft de
reo;eering van een ryk bezat , men \'er echter
geen vinden zoude die de menfchen met zulk
een wreedheyd handelde als die Vórft gedaan
3, had > dewyl men van diergelyk een quaad
33 onthaal in geene hifloriën las. Dat zy der-
33 halve, achtende dat degéne die hem in de re-
5, geeringe zou vólgen zich geheel anders draa-
â gen zoude, geen zwaarigheyd gemaakt had-
j, den om Archelaüs voor hunnen Komng te
â erkennen: Dat zy om zynent wille de gedach-
y, tenis zyns vaders door een openbaare rouw
â hadden geëerd, en dat \'er geene pligten waa-
3, ren welke zy niet bereyd zouden zyn hem
te bewyzen om zyne geneegenheyd te win-
nen j maar dat hy daarentegen , gelyk als óf
hy gevrcefd had dat men twyfelen zoude óf
hy dc rechte zoon van Herodes al was , wel
haaft had doen blyken wat gevoelen men van
hem hebben moft , naardien hy , zonder tc
â wachten tótdat de Keyzer hem in \'t ryk be-
3, veftigd had, cn wanneer zyn ganfche fórtuyn
33 nóg van deszelfs wille afhing , aan zyne
â nieuwe onderdaanen zulk een fchoone blyk
,3 van zyne deugd, befcheydenheyd, engerech-
â tigheyd had gegeeven, dat hy zyne regec-
â ring begonnen had met drieduyzend men-
â fchen van zyne eygene landaard in den Tem-
â pel als flagtbeeften te doen ombrengen. Dat
5, men uyt zo verfoeijelyk een daad oordeelen
33
33
m!:
Ii
O S E P H U 3
kon, óf zy ongelyk hadden iemand tc haa- â
ten 5 die naa \'t begaan van zulk een misdryf â
hen nóg befchuldigde dat zy oproerige Maje- â
fteyt-fchenders waaren. Het flót van \'t ver- â
toog deezer Gezanten was, dat zy Auguftus â
verzóchten de gefteltenis hunner regeeringe â
te veranderen , door hen niet langer onder â
Koningen te laaten , maar hun landsgebied 33
met dat van Syrië te vereenigen , om onder 3,
geenen anderen tc ftaan dan die aan wien hy â
de regecring daarvan opdroeg : en dat men â
dan eens zou zien óf zy oproerige waaren â
en óf zy niet ter dcege gehoorzaam konden â
zyn aan zodanige die een wettig verm^oogen â
hadden om over hen te gcHicden."
Naa dat deeze Gezanten, aldus gefprooken
hadden, nam Nikolaüs de verdeediging van He-
rodes en Archelaüs op zich :. Belangende den
eerften zeyde hy, â dat het vreemd was dat â
niemand hem befchuldigd hebbende geduu- â
rende zyn leeven, wanneer men van de ge- â
rechtigheyd des Keyzers dc ftrafte zyner mis- â
daaden, indien ze waar waaren, had konnen ,,
verwachten , men naa zynen dood beftaan ,,
durfde zyne gedachtenis te onteeren. En dat â
aangaande Archelaüs, men de daad die hem â
verweeten wierdt, alleenlyk moft toefchry- â
ven aande moedwil en oproerigheyd der ge- â
ner die hem gedwongen hadden hen te ftraf- â
fen, toen zy de wetten en \'t ontzag dat ze â
hem fchuldig waaren met voeten treedende, â
met zwaerden cn fteenen aangevallen waaren 3,
op die genen welke hy gezonden had om hen 3,
in den voortgang van hunnen oproer te ftuy- â
ten. Tót een befluyt zeyde Nikolaüs, dat,,
zy oproerig cn altoos tót eenen opftand ge- â
neygd waaren , doordien zy zich onwillig â
toonden om dc wetten cn het recht te gehoor- â
zamen, maar daarover hecrfchcn wilden."
A
xiii. hoofdstuk.
Auguftus bekrachtigt het Tcftament van Herodes, en fchenkt aan
zyne kinderen \'t gene hemzelven gemaakt was.
\'OAa dat Auguftus deeze vertoogen aange-
^^hoord had fcheydde hy de vergadering;
cn weynig dagen daarnaa ftondt hy aan Arche-
laüs toe niet het geheel Koningryk van Judéa,
maar de helft daarvan, onder den tytel van
Land vórft, beloovende hem tót Koning te zul-
len aanflcllen, wanneer hy zich door zyne deugd
des waerdig gemaakt zoud hebben. De an-
dere helft deelde hy tuffchen Fiiippus en An-
tipas, dc andere zoonen van Herodes, die hem
het ryk bctwift hadden ; Aritipas kreeg voor
zyn deel Galiléa met het land aan gene zyde
van de rivier , waarvan de inkomften tweehon-
derd talenten bedroegen; en Fflippus had Bata-
néa, Trachonitis, en Auranitis, meteen gedeelte
van \'t gene Zenodorus toebehoord had, waaraf
de inkomfte honderd talenten beliep. Belangen-
dcArchelaüs, hykreegjudéa, Iduméa, en Sa-
marië , aan \'c welk Auguftus het vierde deel
der fchattingen quytfcholdt die het gewoon
was te betaalen 3 omdat het zich ftil gehouden had
toen de andere tót muyten ftoegen. Dc toren van
Strato, Sebafte, Joppe,en Jerufalem behoorde on-
der \'t gene Archelaüs ten deel gevallen was; maar
Gaza
XVII. Boek.
XVII. BOEK. JOODSCH
Gaza, Gadara en Hippo^dewyl men daar vólgens
de gewoonten der Grieken leefde , wierden
door Auguftus van \'t ryk gefcheyden, en met
Syrië vereenigd. Voorts was de jaarlykfche
inkomfte van Archelaüs zeshonderd talenten.
Aldus ziet mea wat Herodes kinderen van
hunnen vader erfden. Noopende Salomé ^ behal-
ve de fteeden Jamnia, Azoté, Fafaëlis, en vyfhon-
derdduyzend gemunte zilverlingen welke He-
rodes haar naagelaaten had, gaf Auguftus haar een
3aleys te Askalon. Haare inkomft beliep zeftig ta-
: enten: en zy hieldt haar verblyf in \'t land dat
onder Archelaüs ftondt. De Keyzer bekrach-
tigde ook de erfgiften, welke Herodes by uy-
terfte wille aan zyne andere maagen gemaakt
had: en behalve het gene die Vorft aan zyne
twee dóchteren, die nóg ongehuuwd waaren,
had naagelaaten, vereerde hy aan ieder van haar
tweehonderd vyftigduyzend gemunte zilverlin-
gen,en deed haar aan de twee zoonen van Pheroras
trouwen. De grootdaadigheyd van Auguftus
ging nóg veel verder, want hy fchonkaan He-
rodes zoonen de waarde van vyftienhonderd
talenten, die hem door dien Koning by erf
gifte gemaakt waaren, en hy vergenoegde zich
met alleenlyk een kleyn gedeelteder kóftelyke
vaten , die hem ook waaren toegedacht, naa
zich te neemen, niet om hunne waardy, maar
om te toonen dat hy iets tót eene gedachtenis
wilde houden van eenen Koning dien hy be-
mind had.
XIV. HOOFDSTUK.
Een bedrieger geeft zich uyt voor Alexander, zoon van Herodes.
Auguftus ontdekt zyn bedrog, enzendthem nadégaileyen.
TEn zelfden tyde dat Auguftus aldus He-
rodes naalaatenfchapi verdeeld had , be-
ftondt zeker Jood, die te Sidon opgebragt was
by eenen vrygemaakte flaaf eens Koorafchen
burgers, zich tót Koning op te werpen, door-
dien hy zeer wel geleek naar Alexander, die
door bevél van zynen vader Herodes ter dood-
gebragt was: want de overeenkomft van gelaat
was zodaanig, dat zy dic deezen Prins gekend
hadden, geloofden dat hy \'t zelf was. Om
dan zyn bedróg wel te doen gelukken, bedien-
de hy zich van eenen perfoon uyt zyne ftam, di^
een byzonderöi^cennis had van alles wat \'er in
\'t Koninglyk huys was voorgevallen, en die
niet minder liftig dan ondeugend zynde, be-
quaam was om een groote beroerte te verwek-
ken. Zynde dan van zulken raadsman byge-
ftaan, geliet hy zich Alexander te weezen,
voorgcevende dat één der gener die van He-
rodes gelaft waaren om hem en zynen broeder
Ariftobulus om te brengen, hen behouden, en
andere in hunne plaats gefteld hadde. Deeze
quant opgeblaazen door de hoope waarmeede hy
zich vleyde, maakte het zyn werk om anderen
tc bedriegen , gelyk hy zichzelven bedroog
Tót dien eynde ging hy na Krete, alwaar by alle
dejooden, met welke hy fprak, zo bepraatte,
dat hy geld van hen trok, en daarop zich na
\'t eyland Melos begafi daar hy, op \'t geloof
dat hy van koninglyken bloede was, nóg veel
meer kreeg. Alstoen beeldde hy zich in nóg
meer dan te voore, dat hy zyn oogwit berey-
ken zoude; dies beloofde hy vergeldingen aa^j
zodaanige die hem wilden byftaan, en wordende
door hen vergezelfchapt, befloot hy na Rome
te gaan. Toen hy te Puteoh voet aan land ge-
zét had, quamen alle de Jooden, dóch voor-
naamelyk die eenige weldaad van Herodes ge,
nooten hadden, tót hem, en merkten hem reeds
aan als hunnen Koning j waarover men zich
niet behoeft te verwonderen, dewyl de men-
fchen ligt geloof flaan aan \'t gene hen behaage-
lyk voorkomt, en dat het naauwlyks anders
weezen kon óf men moft door zulk een groote
gelykheyd van trooni bedroogen worden, want
die was zodanig dat degéne die eenen gemeen-
zaamen ommegang met Alexander gehouden
hadden, zo weynig daaraan twyfelden dat hy
het waare, dat zy niet fchroomden eenen eed
daarop te zweeren. Zo dra het gerucht hier-
van door Rome verfpreyd was, gingen alle de
Jooden, die daar in menigte woonden, en Gód
voor zulk een onverhoopt geluk dankten, dee-
zen bedrieger te gemoet, en hunne toejuyghin"
gen cri gelukwenfchingen gaven te kennen, hoe-
daanig een eerbiedigheyd zy zyner afkomfte toe-
droegen ten aanzien van de Koninginne Ma-
riamne, wiens zoon zy hem geloofden te zyn,
terwyl hy met eenen prachtigen toeftel in eene
rósbaar gedraagen wierdt j want de Jooden in
de plaatfen daar hy door reyfde fpaarden geene
kóften aan hem. Maar wat men Auguftus ook
zeyde van deezen ge waan den Koning der Joo-
den, hy kon \'er niet wel geloof aan flaan, door-
dien hem de aardt van Herodes al te wel bekend
was, om te gelooven dat hy zich in eene zaak
van zulk een gelang zoud hebben laaten bedrie-
gen. Niettemin dewyl hy niet t\' eenemaal zon-
der gedachten was of\'er eenige waarheyd aan
de zaak mogt weezen, hevsdhy Ce/aduj, éénen
zyner vrygemaakten, die groote verkeering met
Alexander en Ariftobulus gehouden had, dee-
zen quant byhem te brengen, Hy deed zo,
en liet zich zo wel bedriegen als alle dc andere;
maar Auguftus was niet te misleyden , dewyl
hy in opmerkinge hen alle overtrof, en dat de
overeenkomft van gelaat, hoe groot zy ook
waare, niet zodaanig was dat men niet eenig
onderfcheyd befpeurde, wanneer men dien be-
drieger naauwkeuriglyk befchouwde: want hy
had door den arbeyd niet alleenlyk eeld in de
handen , maar dewyl hy altoos te voore in
eenen geringen ftaat geleefd had, zag men aan
hem die bevalligheyd niet welke de edelheyd
van bloed en opvoedinge geeft aan zodaanigen
die met groote |:órgvuldigheyd opgebragt wor-
den. De Keyzer derhalve niet twyfelende óf
de meefter en de leerling hielden \'t tzamen om
de werreld te bedriegen, vraagde dien valfchen
Alexander, âwat van zynen broeder Arifto-
bulus geworden was, en waarom hy ook niet
was gekomen, om nevens hem het gene hy met
recht eyfchen mogt te verzoeken. Zyn ant-
woord was , dat^ hy op \'t eyland Cyprus
was gebleeven, om zich voor \'t gevaar der
zee niet bloot te ftellen > opdat indien hem
eenig ongeluk overquame, daar ten minften
nóg één van Mariamnes kinderen in \'t lee-
ven mogte blyven. Naa dat hy dit met fty-
155\'
G g g
â â I
ft\'
9t
h
3>
39
39
39
39
39
JJ
ve
418 FLAVIUSJ
ve kaaken gezegd, en de ander, die de fmee-
der van \'t bedróg was, zulks beveftigd had,
nam Auguftus den jongman alleen, en zeyde
tót hem : â Indien gy niet verder poogt my
â te bedriegen gelyk de andere, fchenk ik u\'t
â leeven, mids dat gy my zegt wie gy zyt,
,, en wie u aanleyding tót dit ftout beftaan ge-
,, geeven heeft, want zulk een groote en door-
trapte toeleg gaat uvvejaaren te boven", Dee-
ze woorden des Keyzers verfchrikten deezen
quant zo, dathy \'t ganfche bedróg bekende,
zeggende wie \'er de uitvinder van was, en hoe
men het beftoken had. Auguftus , om zyn
woord te houden, vergenoegde zich met hem
na de galeyen te zenden, dewyl hy kloek en
fterk zynde tót roeijen heel bequaam was 3 en
den anderen, die hem zo wel onderweezen had,
deed hy met de dood ftraftèn. Belangende de
Jooden van \'t eyland Melos, zy quamen \'er
af met het verliesvan \'t geld datzy zo te onpafte
uytgelegd hadden om dien valfchen Alexander
eere aan te doen: Dusdaanig een fchandelyk
eynde nam die roekelooze aanflag.
XV. iFo O F D S T U^
Aïcliela«s tromwt met Glafyfa weduw van zynen broeder Alexajider,
Auguftus vöTzendt hem , op de klagten der Jooden , na Vienne in
Gallië, in ballingfdiap, en vereenigt de landen dieby bezat met
Syiië. Glafyras dood.
»^Oen Archelaüs weder in Judéa gekeerd
^ was, en van zyn landvórftendom bezit ge-
nomen had, ontnam hy Joazarus, zoon van Boë-
thus , dien hy befchuldigdevan de party der op-
roerigen begunftigd te hebben , het Hooge-
priefterdom, en gaf het aan Ekaz,ar^ broeder van
Joazarus. Thans liet hy het paleys te Jerieho
weder kóftelyk opbouwen, deed de helft van
\'t water, dat door het vlek Neara ftroomt, in
feet bofch van dadelboomen, dat hy in eene
vlakte by de ftad geplant had , leyden, ftichtte
«en vlek dat hy naar zynen naam Archelaïs
fioemde , en fchroomde n^et onze wetten te
ïchenden, door Glafyra, dóchter van den Ko-
ning Archelaüs, en weduWe van zynen broeder
Alexander, by wien zy kinderen had, ten wy-
ve te neemen. Eleazar behieldt het Hoogeprie-
i:erampt niet langj want Archelaüs zette hem
af, en ftelde Jefus zoon van Sias in zyne plaats.
In het tiende jaar der regeeringe van deezen
Vórft beftonden de voornaamfte Jooden en Sa-
maritaanen,dewyl zy zyne dwingelandy niet lan.
ger dulden konden, hem by Auguftus aan te
Maagen > en zy deeden dit te vtymoediger, om-
dat zy wiften dat de Keyzer hem uytdrukkelyk
bevolen had zyne onderdaanen met aUe billyk-
heyd en recht te regeeren. Auguftus wierdt
liierover zo tegens hem verftoord , dat hy ,
zonder hem met eenen letter fchrifts tegewaar-
digen , zynen bewindsman , die te Rome
was, en ook Archelaüs heette, ontboodt, en
hem beval fpoedig te vertrekken om zynen mee-
fter te haaien. Hy gehoorzaamde dit bevél,
en in Judéa aangekomen zynde vondt hy hem op
een groot gaftmaal met zyne vrinden: en naa dat
ny^yne beodfchap afgelegd had, keerde hy
^^ ï^oï^e 5 alwaar de Keyzer zyne
Delcmtldigers , en zyne\' verantwoording ge-
, I
r !i â
$â
â â \'fiJ
O S E P H U S
hoord hebbende , alle zyne fchatten en geld ver-
beurd verklaarde, en hem na Vienne, ftad in Gal-
lië , in ballingfchap verzondt.
Aleer Archelaüs dit bevél ontving ora na Ro- 7 Æ g.
me te gaan, had hy eenen droom dien hy zynen
vrinden vertelde. Hem dacht dathy tien koorn-
aairen zag die alle ryp en vol yan graan waaren,
en dat ze van de óflenafgegeeten wierden. Ont-
waakt zynde achtte hy dat het geenen droom
was om te verachten, en ontboodt derhalve eeni-
ge uytleggers om ^er hem een verklaaring van te
doen : maar dewyl zy niet overeenftemden ,
was \'er een Eflener genaamd SmoT^, die verlóf
verzócht hebbende om \'er eene uytlegging van
te geeven, tót hem zeyde: âdat die droom ..
hem een ongelukkige verandering in zynen
ftaat voorfpelde, doordien de óflen dieren waa-
ren die hun leeven in eenen geftadigen arbeyd
doort>ragten, en de aarde beploegende haar
van plaats en gedaante deeden veranderen: dat
de tien koornaairen tien jaaren betekende,
omdat het aardryk door eenen geftadigen
omloop alle jaaren nieuwe voortbragt i endat
overzulks het eynde van het tiende jaar,
ook het eynde zyner heerfchappye zoude zyn. ,,
Vyf dagen naa dat Simon deezen droom aldus
had uytgelegd, quam Archelaüs bewindsman
hem bevel brengen om by Auguftus te komen.
De Vórftin Glafyra zyne gemaalin had ook
eenen droom. Wy hébben hiervoore gezien hoe
zy noch maagd zynde aan Alexander zoon van den
Koning Herodes getrouwd was. Naa zynen dood
huuwelykte de Koning Archelaüs haar vader
haar uyt aan Juba Koning van Mauritanië, die
desgelyks ftierf: zy aldus weduwe geworden
keerde weder na Kappadocië by haaren vader.
Alstoen wierdt de Landvórft Archelaüs zo he-
vig op haar verhefd, dat hy zyne gemaaligt
Mariamne verft\'ootende, haar ten wyve nam.
Terwyl zy nu by hem was had zy dusdaanigen
droom: Het fcheen haar toe dat zy Alexander
haaren eerften gemaal zag, endat zydoor blyd-
Ichap vervoerd hem wou gaan omhelzen, maar
dat hy verwy tender wyze tót haar zeyde: â Gy
hebe genoeg getoond dat men rechtheeftom â
te gelooven dat de vrouwen niet te betrou- â
wen zyn; want hoewel gy maasd zynde aan
my gegeeven waart, en kindef^ by my ge.
kreegen hebt, zo heeft echter de luft tót een
tweede huuwelyk u de liefde, die gy onfchen-
delyk voor my behoorde behouden te heb-
ben, doen vergeeten: en niet te vreede zyn-
de met my dien hoon aan te doen, hebt gy
u niet ontzien eenen derden man aan te flaan ,
en onbefchaamdelyk weder in ons huysgezin â
te treeden , door met mynen broeder Arche- \'
laüs te trouwen. Maar myne geneegenheyd
zal ftandvaftiger zyn dan de uwe; Ik zalu
niet vergeeten gelyk gy my vergeeten hebt:
en u tót my trekkende als iets dat my toebe- ,,
hoort, zal ik u uyt de fchande, waarin gy /
leeft , verlóftbn". Deeze Vórftin vertelde
dien droom aan eemge van ha^re vrinden
en overleedt vyf daagen daarnaa. ^
Ik heb het niet ongevpegelyk geacht dit al-
hier te verhaalen, dewyl \'er van Koningen en
Groo-
XVII. BOEK.
3?
3»
ii
5»
??
3»
»
3»
»>
ii
kan tót een klaar bewys van de onfterflykheyd
der ziele , en van de gódlyke voorzienigheyd.
Byaldien nu fommige zouden meenen dat zo-
daanige zaaken ongelooflyk zyn , die moogen
by hun gevoelen blyven, zonder het daarom
vreemd te vinden , dat andere geloof daaraan
geeven , en zich daardoor tót de deugd laaten
opwekken.
Belangende nu het gebied van Archelaüs,
Auguftus vereenigde het niet Syrië, en gaf laft
aan Cyrenius, die Burgermeefter geweeft was,
een overflag daarvan te maaken , cn \'c paleys
van Archelaüs te verkoopen.
XVIIL BOEIC. J O O D S C H E H I S T O R l
Grooten gehandeld wordt, omdat het dienen
joodsche
HISTORI.
ACHT TIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
Judas en Sadok neemen ter oorzaake van de opfchryvinge in Judéa
gelegenheyd om een vierde fekte in te voeren , en verwekken
eenen zwaaren inlandfchen oorlóg.
f^Trenius , Roomfch Raadsheer , en man
^ van groote verdienfte, die langs alle de trap-
pen van eere tót de burgermeefterlykewaerdig-
leyd was gefteegen , was door Auguftus tót
Landvoogd van Syrië aangefteld, met bevél
om een overflag van alle de middelen der in-
gezétenen te maaken; en Koponius, een man
van Ridderlyke waerdigheyd, was nevens hem
gezonden om over Judéa te regeeren. Maar
dewyl dit landfchap met Syrië vereenigd wierdt,
was het Cyrenius, en niet hy, die de opfthry-
ving liet doen , en al het geld dat Archelaüs
toebehoorde in beflag nam. De Jooden konden
deezen overflag in \'t eerft niet jnfchikken j maar
de Hoogepriefter Joazarus, zoon van Boëthus,
raadde hen zich niet hardnekkig daar tegen aan
te kanten. Eenigen tyd daarnaa beftondt zéke-
teJudas, eenGaulaniter, uytdeftadGamala,
bygeftaan door eenen Pharifeer geheeten Sadok,
het vólk tót eenen opftand aan te porren, zeg-
gende dat zulk een opfchryving een klaar be-
wys was dat men hen tót flaaverny zócht te bren-
gen: en om hen tót het handhaaven hunner
vryheyd aan te maanen , hieldt hy hen voor,
dat indien hunne ondernceming eenen ge-
lukkigen uytflag had, zy dan hunne goede-
ren met geen minder roem dan rufte bezit-
ten zouden : maar dat zy niet verwachten
moften dat Gód hen gunftig zou zyn , in-
dien zy van hunne kant niet alles deeden
wat in hun vermoogen was.
Dit gefprék vondt zulk een ingang by\'t vólk,
dat het aan \'t muyten floeg, cn het is byna on-
gelooflyk hoedaanig een beroerte die twee man-
verwekten: \'t waaren niet dan moor-
SJ
nen overal verwekten , ,
den en rooveryen daar men van hoorde j men
plonderdc zonder onderfcheyd vrmden en vy-
anden , onder voorgeeven van de algemeene
vryheyd voor te ftaan: perfoonen van den hoog-
ften ftaat floeg men uyt geldzucht dood, cn de
woede deezer muyteren hólde zo fpoorloos,
dat een groote hongersnood hen niet kon belet-
ten de fteden te overrompelen, en\'tbloed hun-
ner eygene landslieden te vergieten: ja men zag
dat de vlam van deezen inlandfchen
Qorlóg zelfs tót aan Góds Tempel voortftoeg.
Van alle zodaanige rampen mag men zeggen
dat deeze vierde fekte oorzaak geweeft is j van
welke voor heen onder de Jooden niet gehoord
was geworden. Dewyl nu deeze geweeft is
de oorzaak van dit groot quaad, het welk niet
alleenlyk geheel Judéa ontroerde , maar het
zaadt van alle die onheylen zaaide, waardoor
het federd is geplaagd geweeft , heb ik het
raadzaam geacht iets van de gevoelens dee-
fekte te zeggen.
zer
II. H O O F D S T U K.
Van de vier fèkten die \'er onder de Jooden waaren.
T^Ie gene onder de Jooden welke \'t hun by-
^^ zonder werk maakten zich in wyslieyd te
oefenen, waaren al van over veele eeuwen in
drie gezindheden verdeeld ; en alhoewel ik in
het tweede bockvande Joodfche oorlogen daar-
van gefprooken hebbe, echter acht ik hetnoo-
lier ook iets daaraf te melden.
De leevens-manicr der Pharifeen isnietweel-
drig nóch welluftig; maar eenvoudig. Zy
houden zich hardnekkiglyk aan \'t gene zy zich
verbeelden hunnen pligt te zyn : Zy eeren de
Oude lieden zodaanig, dat zy hen niet durven
tegenfprecken. Alles wat \'er gebeurt fchryvtn
zy aan \'t Noodlót toe , zonder evenwel den
menfche \'t vermoogen zyner toeftemminge te
beneemen j invoege dat hoewel alles door Góds
bevél gefchiedt, het echter van onze wille af-
hangt ons tót de deugd óf ondeugd te begee-
ven. Zy gelooven dat de zielen onfterflyk
zyn , dat ze onder de aarde met vergeldin-
ge óf ftraffe beloond worden , naar dat ze
in deeze werreld deugdzaam óf ondeugend ge-
weeft zyn-, dat de ééne eeuwiglyk in dien
kerker gevangen gehouden worden; en dat de
andere weder in dit leeven komen. Door deeze
Icere hebben zy zulk een groot aanzien onder
\'t vólk bekomen, dat het in alles wat dc Góds-
dienft en de plegtige gebeden betreft, hunne
gevoelens vólgt: zulks dat geheele fteden gun-
ftige getuygeniflen van hunne deugd, leevens-
wyze, en recdenvoeringen geeven.
\'t Gevoelen der Sadduceen is dat de zielea
met de lighaamcn fterven; dat het eenigfte \'t
welk wy verpligt zyn te doen , is de Wet te
onderhouden j en dat het een deugdelyk be-
Ggg 2 dryf
dig
\'Ã\'ï
dryf is 5 in wyslieyd niet voor zyne onderwy-
zers te willen wyken. Deeze gezindheyd be-
ftaat maar uyt een kleyn getal , dóch evenwel
van de voornaamfte perfoonen: maar daar wordt
byna niets vólgens hunne meening gedaan, want
wanneer zy tegen hunne wille tót aanzienlyke
ampten verheven worden , zyn zy gehouden
zich naar \'t gedrag der Pharifeen te Ichikken,
omdat het vólk niet zou toelaaten dat zy zich
daar tegen ftelden.
De Eflèners , die de derde gezindheyd uyt-
maaken 5 fchryven alles, niets uytgezonderd,
aan de voorzienigheyd Góds toe: zy gelooven
dat de zielen onfterftyk zyn , zy achten dat
men met al zyn vermoogen de gerechtigheyd
behoort te betrachten, en zy vergenoegen zich
met hunne gaaven na den Tempel te zenden,
zonder daar te gaan om te ófteren , omdat zy
zulks met nóg grooter plegtelykheden op zich-
zelven doen. Hunne zeeden zyn onopfpraa-
kelyk , en de landbouw is hunne eenigfte bee-
zigheyd. Hunne deugd is verwonderlyk, en
overtreft die der Grieken en andere vólken zeer
verre, doordien zy alle hunne vlyt in de be-
trachtinge daarvan geftadiglyk aanwenden.
Zy houden gemeenfchap van goederen, zo dat
de ryken niet meer hebben dan de armen j en
hun getal is meer dan vierduyzend, Zy heb-
ben gene vróuwen nóch knechten , omdat zy
gelooven dat de vrouwen tót de geruftheyd des
leevens niets toebrengen ; cn dat het houden
van knechten eene verongelyking van de Na-
tuur is, die alle menfchen gelyk maakt: hier-
om dienen zy malkanderen, en kiezen vroome
mannen uyt de órden der Priefteren, die alles
wat zy door hunne arbeyd bekomen , ontvan-
gen, en hen daar voor met onderhoud verzór-
gen. Deeze manier van leeven is bykans de-
zelfde als die wélke de Poliften by de Daciërs
onderhouden.
Judas , hiervoore genoemd, was de ftich-
ter der vierde gezindheyd , welke in alles met
die der-Pharifeen overeenkomt, uytgenomen
dat haare aanhangers ftellen, dat men niemand
dan Gód alleen tót Heer en Koning behoort
te hebben i en zy draagen der vryheyd zulk
een brandende liefde toc^ dat zy de allerzwaar-
fte pynen liever zouden uytftaan, en toelaaten
dat de perfoonen welke hen het allernaaft cn dier-
baarft zyn die leeden, dan dat zy aan eenig
menfch den naam van Heer\'zouden geeven.
Dóch ik zal geen verder verhaal daarvan doen,
vermids dit zulk een bekende zaak is , dat in
plaats van te vreezen dat men geen geloof ftaan
zal aan \'t gene ik zegge, ik eerder beducht ben
dat ik niet magtig zdu zyn om hun overgroot
geduld én vcrachdng van pynen uyt te drukken.
En, deeze ohgeneezelyke ziekte én zucht tót vry-
heyd is nóg toegenomen door die fnoode mis-
handehng waarmede GeÃusFlorus, Landvoogd
J^an Judéa j ©ns vólk bejegend, en het eynde-
lyk tót eenen opftand tegCn de Romeynen be-
woogen heeft. â \'
s i:
iii. hoofdstuk.
^"ts\'StiS^^:^\' \' Auguftus die van Tibe-
nus la t ryk gevolgd wordt. Herodes Se Viervórft fticht ter
eere van Tiberius de ftad Tiberias. Beroerte onder de Parthen en
m Armenië. Beroerten m t ryk van Komagene. Germanikus
wordt van Romena^t Ooften gezonden, om aldaar bet gezag van
t Keyzerryk ,te veftigen, en wordt door Pifo vergeeveL
dat Cyrenius de goederen van Arche- jK
laüs, die verbeurd gemaakt waaren, ver
kóft,
en de opfchryving, welke gefchiedde ze-
venendertig jaaren naa den flag by Aktium,
wprin Antonius door Auguftus overwonnen
wierdt, ten eynde gebragt had, ontnam hy
Joazarus, tegen wien dejooden opgeftaan waa-
ren, het Hoogepriefterampt, en gaf het aan
Ananus zoon van Sethus.
WyhebbengezienhocHerodcsenFilippusin
g Viervórftendommen, hen van hunnen vader ^
Herodp den Grooten naagelaaten, door Au^u-
itus gehandhaafd wierden: en deeze twee Vór-
ften verzuymden niets om zich in hun. gebied
zo veel hen doenlyk was vaft te ftellen Hero-
des omringde Seforis met muuren, en maakte
het de voornaamfte en fterkfte plaats van Ga-
hléa : ook verfterkte hy de ftad Beratamphtha,
en noemde haar Julias, ter eere der Keyzerinne.
Filippus van zyne kant vercierde Paheas, aaii
den oorfprong van den Jordaan geleg en, treftè-
yk, en noemde het Cefarea: ook vergrootte hv
het vkk Bethfaida , aan den oever van het
cTne -diervoege , dat het n^r
eene ftad geleek j voorts bevólkte hy het met
mwooners, verrykte het, en noemde het Tulias
ter eere van Julia Auguftus dóchter;
Terwyl Koponius over Judéa regeerde, ge-
beurde het op den dag van het feeft der On?e-
zuurde brooden , \'t welk wy Paafche noemSi,
dat de Priefters vólgens gewoonte de poorten
des Tempels ter middernacht open gezet heb-
bende eenige Samaritaanen" heymelyk binnen
Jerufalem quamen , en de galleryen des Tem-
pel s met doodsbeenderen beftrooiden, waarom
de Priefters hen alle buyten hielden, \'t geen te
Tn hS ? gefchieden , en \'t deld hen
in het toekomende naauwer toezicxt neemen
Koponius kort daarnaa wede? na R^"\'
kéerd zynde, vólgde Markus
in de landvoogdy van Judéa : ter zelfder tyd
ftierf Salomé zufter van den Koning Herodes
den Grooten: zy liet Julia tót erfgenaam niet al-
leen van haare heerfchappy, maar van Jamnia,
Fafaëhs dat op/t vlakke veld gelegen is, en
Archclais alwaar veele fchoone vruchtdraa-
gende palmboomen ftonden.
Annius Rufis vólgde Ambivius, en onder
zyne regeeringe was het dat Auguftus C^far ^
overleed in den ouderdom van zevenenzeven-
tig jaaren. Deeze Vórft, die de tweede
Roomfche Keyzer was , regeerde zevenenvyf,
tig jaaren, zes maanden, en twee dagen, mids
daaronder begapende de veertien jaaren welke
hy met Antomus geregeerd had.
......Nero, zyn en zoon 766
zyner gemaahnneLivia, Volgde hem in \'t Key^
zerryk , en zondt m plaats van Rufus, Vafe
nus Gratus, die de vyMe Landvoogd vanjudéa
was. Hy ontnam Ananus het Hoogepriefter,
fchap, en g^f het^an Ifmaé/Fabuszoon, dic
kort daarnaa algezét wierdt om plaats tc maa
ken voor F/eazar Ananus zoon. Maar een iaar
daarnaa benam men\'t hem ook, en gaf het aan
Simon Kaniichus zoon , die \'t niet boven een
jaar bediende , en het aan Jofephus , toege-
naamd Kajafas , overgeeven moft. Na dat
Gratus elf jaaren over Judéa geregeerd had,
keerde hy weder na Rome, en wierdt door
Pontius Tilatus in zyn ampt gevólgd.
y6j. Herodes de Viervórft de gunft van den Key-
zer Tiberius gewonnen hebbende, ftichtte eene
ftad , welke hy naar zynen naam Tiberias
noemde, Hy verkoos tót dien eynde één van
de vruchtbaarftelandftreeken in geheel Galiléa,
leggende aan den oever van het meir Gennefa-
reth , niet verre van de warme baden van
Ammans. Hy bevólkte die nieuwe ftad ten dee-
le met vreemdelingen , en ten deele met Gali-
leërs, van welke fommige gedwongen wier-
den zich daar met der woon nêer te zetten j
echter waaren \'er Edellieden die \'er vrywillig
quamen. Deeze Vórft had zulk een begeerte
om die ftad vólkryk te maaken, dac hy \'er ook
2eer geringe lieden ontving j die van alle kan-
ten derwaards gevloeid quamen , en onder
welke d\'er ook waaren , die men vermoedde
dat flaaven waaren geweeft. Hy ftondt hen
groote voorrechten toe , en gaf aan fommige
landeryen ; en aan andere huyzen , om hen
daar tót blyven te verpligten ^ dewyl hy vreesde
datzy anaers vertrekken zouden , omdat de
plaats daar de ftad ftondt, vol van graffteden
was, hetwelk zo tegen onze wetten ftrydt, dat
mea zeven dagen onreyni geacht: wordt, als
men by diergelyke plaatfen geweeft is,
^^g^ Ten zelfden tyde wierdt Fr-a\'ates Koning
^ \' der Parthen verra^tderlyk door zynen zoon
i^VÃ^^-j gedoodf , op zodaanig; een wyze als
ik verhaalen, zal. Fraates veele echte zoonen
hebbende, wierdt zeer heevig verliefd op een
Italiaanfch vrouwmenfch met naame Thermufa
datdeKeyzer hemonder andere gefchenken ge-
zonden had, en \'t welk ongemeen fchoon was.
ïn \'t eerft merkte hy haar maar aan als ééne zyner
bywy ven j maar dewyl zyiie liefde fteeds toenam,
en dat hy Fraätaccs by haar geteeld had, trouw-
de hy haar, Zy nu zeer groot vermoogen op hem^
hebbende, overleyde hoe zy \'t ryk der Parthen op\'
haaren zoon zou konnen doen komen: en door-
dien zy zulks niet verwachten kon, \'t cn waare
de echte kinderen van Fraates van de hand ge-
fchikt wierden, verzócht zy hem dat hyze als gy-
zelaars na Rome wilde zenden. Deeze Vórft die
haar niets kon weygeren, willigde dit verzoek in.
Aldus bleef Fraätaccs maar alleen by hem , cn
wierdt opgevoed als een toekomende erfgenaam
van de kroon i maar deeze heyllooze zoon ver-
langde zo ongeduldig om te regeeren, dat hy niet
könnende naar den dood zyns vaders wachten,
hem deed ombrengen op\'t aanraaden zyner moe-
der,met welke men geloofde dat hy boeleerde. Het
afgryzen van dien vadermoord, gevoegd by de
bloedfchande, verwekte zulken algemeenen haat
tegens hem, dat hy zyn voorneemen met berey-
ken konde en aan kant raakte aleer hy zich in
zyne bezoedelde heerfchappy kon vaft zetten.
De ganfche Adel alstoen,achtende dat hun ryk
niet dan door eenen Koning geregeerd kon wor-
den, en geenen anderen begeerende dan die van
het geftacht der Arfaeides , wierdt teraade, de-
wyl men \'t huys van Fraates aanmerkte als
verontreynigd, door de fchaamteloóze onkuys-
heyd deezer Italiaanfche vrouwe, Orodes, die
van koninglyke bloede was, te verkiezen, en op
den troon te verheffen ; en zondt tót dien eynde
Gezanten aan hem. Maar deeze Vórft was zo op,
loopcnde, zo wreed, cn moeijelyk te fpreeken,
dat het vólk hem niet dulden kon: dies befloot
men hem aan een kant helpen ; cn vermids de
Parthen altoos hunne zwaerden by zich draagen,
wierdt hy op een gaftmaal, óf zo andere zeggen
op dc jagt, gedood.
Dc Parthcn aldus zonder Koning zynde,\'
zonden na Rome om tc verzoeken datzy\'éénen
van Fraates zoonen , die daar in gyzelinge
waaren, mogten hebben om hunnen Regeerder
tc zyn. yien g2.^\\\\enVononesy die waerdiger
geacht wierdt dan zyne andere broeders , om
met toeftemminge van twee zulke groote ryken
tót dien trap van eere verhoogd te worden.
Maar naardien die Barbaaren van natuure onge-
ftadig cn verwaand zyn, hadden de voornaam-
fte van hen haaft berouw van hunne keur, en
zeyden dat zy niet langer onder eenen ftaaf
(dus noemden zy dien Vórft omdat hy te Ro-
me voor gyzelaar geweeft was) wilden ftaan.
Want, voegden zy \'er by, her is niet het recht
des oorlógs , maar eene der voorwaarden van
een fchandelyke vreede, die hem aan ons tót
Koning gegeeven heeft. Naa dien opftand
de kroon aan te bieden. Hy namze blf-
dclyk aan, cn quam met een groot heir: maar
vermids \'t alleen de Adel was die décze veran-
dering had gemaakt, wierdt Artabanus door
Vonones , wien \'t vólk getrouw gebleeven
was , in eenen\' veldflag overwonnen , en ge-
noodzaakt in \'t gebergte van Medië te vlugtcn.
Artabanus verzamelde daarnaa weder een groote
krygpagt, en quam tót een\'tweeden veldflag,
waarin Vonones overwonnen wierdt, zo dathy
met weynige van dc zyne na Selcucië de vlugc
nam. Artabanus, naa dat hy een groote flagting
onder de Parthen gedaan had, toog voort tót aan
Ktefiphon, en bleef alzo meefter van \'t ryk. Noo-
pende Vonones, hy was zo dra niet in Arme-
nië , óf hy wierdt van voorneemen zich Koning
daarvan te maaken. Tót dien eynde zondt hy
Gezanten na Rome; maar Tiberius, die hem
verfmaadde, en de Parthen , die \'t Roomfche
Ryk met den oorlóg dreygden, niet wilde ver-
toornen ; weygerde hem by te ftaan. Hy zich
aldus buyten hoope ziende van iets van de Ro-
meynen te verwerven , cn verftaan hebbende
dat het magtigfte vólk van Armenië , \'t welk
aan den Nifates woont , de zyde van Arta-
banus gekoozen had , begaf zich by Silanus
Landvoogd van Syrië, die hem wel ontving,
omdat hy wel eer te Rome opgetrokken was.
En Artabanus, die toen geen wederftand meer
#ondt, ftelde zynen zoon Orodes tót Konins
van Armenië aan. . °
A^/ör^/^j Koning van Komagene te dien ty-
de gefturven zynde , ontftondt \'er een groote
twift tuflchen den Adel en\'tvólk : want de Adel
begeerde dat men het ryk tót eene landvoogdy
Ggg 3 zou-
zoude maaken} cn het vólk daarentegen wilde
dat het door eenen Koning geregeerd zou wor-
den gelyk te voore. Ter oorzaake van deeze
twift wierdt Germanikus, vólgens een befluyt
van den Roomfchen Raad, na \\ Ooften ge-
zonden ; en \'t fchynt dat dc fórtuyn die gele-
genheyd brouwde om dien Prins te verderven
want naa dat hy de zaaken in een beter,ftaat ge-
bragt had als men zoud hebben konnén wen-
fchen 5 wierdt hy door Tifo met vergift omge-
bragt, gelyk elders zal verhaald worden.
IV. HOOFDSTUK.
Dc Jooden toonen zich zo misnoegd op Pilatus, omdat hy veldtee-
kenenmet \'s Keyzers beeldtenis ingevoerd had, dat hyze laat weg-
brengen. Y^oxx.\\tr\\\\2&\\mtgtn% JefusChr\'iflHs. Gruuwelyk moedwil
door de Priefters der godinne Iiis aan eene Roomfche jofFrouw
gepleegd: ftraffe door Tiberius daarover gedaan.
7/0. pilatus, Landvoogd van Judéa zynde, zondt
^ het krygsvóïk van Cefarea na Jerufalem in
wmterlégermge , met veldteekenen waarop
des Keyzers beeldtenis ftondt, het welk zo
ftrydig tegen onze wetten is , dat geen ander
Landvoogd voor hem ooit iets zulks beftaan
had. Dóch deeze benden quamen by nacht in-
trekken, zo dat men niets daaraf vernam voor
den vólgenden dag. Hierop gingen dejoo-
den aanftonds in groote menigte na Pilatus te
Cefarea, en baden hem veele dagen lang, dat
hy die veldteekenen elders wilde doen brengen.
Hy weygerde het, mer te zeggen, dat hy zulks
met doen kon zonder den Keyzer te beicedigen.
Maar dewyl zy onophoudelyk by hem aan-
hielden , beval hy zyn krygsvóïk den zeven-
den dag heymelyk in\'t geweer te komen; thans
zette hy zich op zynen rechterftoel , dien
hy voordachtelyk in het renperk had docn
oprechten j omdat die plaats bequaamft was
om zyn vólk te verbergen. De Jooden
alstoen met het zelfde verzoek weder
voor hem gekomen zynde, gaf hy een
teken aan zyne fóldaaten, die hen daarop van
alle kanten omringd hebbende , dreygde hy
hen te doen dooden , indien zy niet aflieten,
en elk weder na zyn huys keerden. Op deeze
woorden vielen zy alle ter aarde, en booden
hem den blooten hals aan, om tc toonen dat de
onderhouding hunner wetten hen veel waarder
was dan het leeven. Hunne ftandvaftigheyd
en yver voor hunne Gódsdienft baarde zulk een
verwondering by Pilatus, dat hy beval die veld-
teekenen van Jerufalem weder na Cefarea te bren-
gen.
Daarnaa wilde hy den gewy den fchat aan- 771,
taften, om door waterleydingen in Jerufalem
water te brengen\', \'t welk \'er wel tweehonderd fta-
diën af lag. Maar dit ontftelde het vólk der-
maate , dat het met groote tróppen tót hem
quam, om te verzoeken dathy dat voorneemen
wilde ftaaken; en fommige ontzagen zich niet,
gelyk het doorgaans onder \'t oproerig graauw
toegaat, hem met fcheldwoorden te bejégenen.
Hierop beval hy zynen fóldaaten, metftokken
onder hunne kleederen verborgen, deezen hoop
te omringen: cn zo dra zy weder op hem be-
gonden te fchelden , gaf hy hen een teken om
zyn bevél uyt te voeren. Zy deeden dat niet
alleenlyk, maar nóg meer daarenboven 3 want
zy floegen zonder onderfcheyd zo wel op die
zich ftil hielden , als op de oproerigen. En
dewyl de Jooden ongewapend waaren, wier-
den \'er veele van hen gedood en gequetft, waar-
door de oproer tót eenen ftilftand quam.
Te dien tyde was \'er zékere JESUS, een wys 772.
menfch, indien men hem anders een menfch
noemen mag; want zyne werken waaren won-
derbaar. Hy onderwees degénen die gaern
van de waarheyd onderrecht wilden zyn: cn
hy wierdt naagevólgd njct aUeenlyk van veek
ll
Heydencn. Deeze | zes vólks by Pilatus aan<reklMgd Zvnde dnoi-
wa. de CHRISTUS, d.e van de Overften on- zyâ bevél lekruyf.gd D^à hZ
by
XVII. Boek. JOODSCHE
wanneer naa\'\'t houden van \'t avondmaal de
tyd van na bedde te gaan gekomen was, floot de
Priefter haar in eene kamer daar geen licht was,
en alwaar Mundus, dien zy meende den Gód
Anubiste zyn, verborgen was. Hy bragt den
ganfchen nacht met haar over, en pakte zich
s morgens vroeg weg, eer de andere Pries-
fters, die van deezen handel geen kennis had-
den nóg opgeftaan waaren j Paulina ging
Weder naa haaren man , dien zy haar weder-
vaaren verhaalde , gelyk zy ook niet naaliet
deeze zaak aari haare vrindinnen ten breedften
te vertellen. Maar deeze quam dit verhaal zo
wonderlyk voor , dat zy \'er naauwlyks geloof
aan konden flaan, en evenwel Paulinas eerbaar-
heyd geenfms in twyfel durfden trekken. Drje
I dagen daarnaa ontmoette Mundus haar by ge-
val, en zeyde tót haar: â Zeker Paulina, ik
ben ten hoogften aan u verpligt, dat gy de ,,
tweehonderd-duyzend drachmen, die ik u
Wilde geeven , geweygerd hebbende , my
evenwel hebt laaten genieten \'t gene jk be-
geerde: want wat is \'er my aangeleegen dat
gy Mundus verfmaad hebt, nu ik onder den
naam van Anubis, ailes wat ik zoud hebben
konnen wenfchen, van u verwurven hebbe ?
Dit gezegd hebbende ging hy heene- F^uling
alstoen bemerkende het gruuwelyk bedróg dac
men aan haar gepleegd had , fcheurde haare
kleederen, zeydf tét haaren man wat h^ar be-
jegend was, en badt hem zulk een fcheimftuk
met ongewrt^ken te lallten. Hy gwig terÃ^ndi
nad^n Key^r, en verhaalde hem gant&be
zaak. Tiberius alles naauwkeuriglyïc onäer^
zocht hebbende , deed deeze eerloozie Frie-
fters , nevens Jda de uytvindfter van dit
verfoeijelyk beftaan, kruyfigen, den Tempel
van Ifis afbreeken, enh^^r beeld in den Tyber
werpen. Doch Mundus ftrafte hy maar met
ballingfehap , omdat hy zyne mjsdaa4 stm
\'t geweld zyner liefde toefchreef. Ik zal nii
myn verhaal hervatten wegens \'t gene de Jcm>
den, die te Rome woonden, overquam.
by zyn leeven bemind hadden, verlieten hem
naa zynen dood niet: want hy is hen ten der-
den dage weder levendig verfcheenen , gelyk
de gódlyke Profeeten, nevens andere wonder-
lyke dingen, van hem voorzegd hadden, En
van hem is hec dat de Chriftenen, die tegenwoor-
dig nóg in weezen zyn, hunnen naam ontleend
hebben.
111\' Ontrent dien zelfden tyd onftond \'er noeh eene
andere groote beroerte in Judéa ; en te Rome
wierdt een zeer verfoeïjely ke en fchandelyke daad
onder de ófferanden van Ifis gepleegd. Ik zal
van dit laatfte eerft melden, en dan weêr ko-
men tót het verhaal dat den Jooden betreft.
Te Rome woonde eene Juffrouw genoemd
\'pauUna, die niet minder doorluchtig was door
haare deugd dan door haare geboorte, en daar
beneven zeer ryk en fchoon. Zy was getrouwd
aan Saturninus, een man waarlyk zulk eene
vrouwe waerdig Een zeekere \'Decius Mundus,
die een aanzienlyke rang onder de Ridderfchap
hieldt, wierdt zeer heevig op haar verliefd: en de
wyl zy van zulken ftaat, en zo uytmuntende van
deugd was, dat hy geen kans zag om haar
door gefchenken te beweegen, wierd hy door
de onraoogelykheyd om tót zyn oogwit te ko-
men 5 te meer in geyle luft ontfteeken :
invoege dat hy, om zyne wil van haar te heb-
ben, haar tWeehonderdduyzend drachmen deed
aanbieden i maar zy floeg dat bód met verfmaa-
dinge af. Het leeven hem alstoen verdrietig val-
lende , befloot hy zich uyt te hongeren.
Maar eene vrygelaatene flaavin zyns vaders , ge-
heetenafgerecht op veele zaaken die beter
niet geweeten zyn dan al, bemerkte ayn voor-
nemen , en om hem van daar af te wenden,
gaf zy hem niet alleenlyk hoope , maar beloof-
de dat zy hem zyne begeerte zou doen erlangen:
zonder dat het hem meer dan vyftigduyzend
drachmen zou behoeven te kóften. Dit voor-
ftel deed Mundus zulk een moed fchepppen,
dat hy haar de geëyfchte fomme gaf Dit
vrouwmenfch wel weetende dat zy met dit geld
by de kuyfche Paulina niets zou konnen uyt-
rechten, befloot eenen anderen weg in te flaan:
en doordien zy wift dat deeze Juffrouw zeer
gódsdienftig was jegens de godinne Ifls, ging
zy by eenige van haare Priefters, tót welke zy,
naa gegeevene belófte van de zaak geheym te
houden, een verhaal deed van de brandende
liefde die Mtmdus Paulina toedroeg, zeggen-
de dat zo zy haar wilden belooven een middel
te verfchaften om hem zyne luft te laaten boe-\'
ten zy hem vyfentwintigduyzend drachmen
op dc hand zoude geeven, en nóg -
3>
35
33
3Ã
3>
)f
fÃ
â¢i
V. HOOFDSTUK
TiBerias verdryft de Jooden uyt Rome. Pilatus flraftde S^marifa-
nendieinde wapenen gekomen waaren. Zy befchuldigen hem by
Vitellius Landvoogd ^^an Syrië, die hem noodmkt na Rome te
gaanom zich te .verantwoorden.
^ Eker Jood,één van de fnoodfte die \'er weezenyy^;
^kon, en die uyt zyn land gevlugt was om de
ftraffe zyner misdaaden te ontwyken, fpande met
drie andere aao, die niet een haair beter waaren
dan hy, en zy gaven zich uyt voor uytleggers van
zo veel I de wet van Mofes.Eene vrouw van ftaat gekaamd
m\'
Fulvia , die onze Gódsdienft aangenomen had ,
meenende dat zy vroome lieden waaren, had zich
en purper, om het na Jerufalem te zenden, maar
in plaats daar van, behielden zy \'t voor zich zel-
ve, waar op ze \'t ook toegelegd hadden. Sa-
tftmnus, Fulvias man, klaagde dit aan Tibe-
rius, van wien hy zeer bemind was: en deeze
Vórft dit verftaan hebbende, gaf bevél alle de
Jooden uyt Rome te verjaagen. De Burger-
meefteren naa een naauw onderzoek namen
vier-
â Ui
wanneer ze hunne belófte zouden naagekomen
hebben. De beseerte rót dit groot loon deed
hen di4 voorflag aanneemen, en de oudfte van | onder hunne onderwyzinge begeeven j daarop
hen begaf zich aanftonds na PauUna , en zeyde i overreeden zy haar tót het geeven van epig gou^
haar dat de Gód Anubis zo op haar verhefd
was , dathy haar beval by hem te komen leg-
gen. Deeze Juffrouw hieldt dit voor zulk een
groote eere , dat zy \'er van roemde by haare
vrindinnen, en het ook aan haaren man ver-
haalde, die goede kennis van haare uytfteeken-
de kuysheyd hebbende, het haar gewillig toe-
ftondt. Zyging derhalven na den Tempel j en
\'zynde, en den ftand van dien toren zeer voor-
deelig vindende, deed den zeiven zeer verfter-
ken , noemde hem Antonia naar zynen vrind
Antonius, en liet dit heylig gewaad daar, ge-^
lyk hy \'t *cr gevonden had, achtende dat het
vólk hem daar^door te onderdaaniger zoude
weezen. Archelaüs zyn zoon en naazaat maak-
te geen verandering daarin ; en naa dat het ryk
tót eene landvoogdy gemaakt was , en de Ro-
meynen bezit daarvan genomeft hadden , hiel-
den zy dit heylig gewaad in hunne bewaaringe,
het geene was in een fteene kas , die verzegeld
wierdt met het zegel van den Priefter, en van
de Schatbewaarders des Tempels. Voor dee-
ze kas deed de Slótvoogd geftadiglyk eene lamp
branden ; en zeven dagen voor den Feeftdao"
leverde hy dit heylig gewaad aan de Hoogen^
priefter over , die naa dat het wel gezuyverd
was, zich daar mede bekleedde om de gódsdienft
te verrichten, en het den vólgenden dag weder
in de kas leyde. Dit gefehiedealdusallejaarop
dedrkhoofd-feeften, en den dag der Vallen.
Vitellius, om ons vólk te verpligten, ftelde
het, gelyk ik gezegd heb, weder in de magt
der Priefteren 3 en ontfloeg den Slótvoogd van
de zórg om het te bewaaren.Daarnaa benam hy T o-
fephus, dieook Kajafas geheeten word, het Hoo-
gepriefterampt, en gaf het ^.znj onathas zoon van
Ananu s, die ook Hoogepriefter was geweeft on
vertrok toen om weder na Antiochië te keeren
Tiberius bevreesd zynde dat Artabanus, die
zich meefter van Armenië gemaakt had , een
gevaarlyke vyand voor \\ Roomfche ryk mogt
worden, zondt aan Vitellius laft om een ver-
bond met hem aan te gaan, mids dat hy gyze-
laars , en zo \'t moogelyk was zynen eygenen
zoon, tepandegave. Op dit bevél boodt Vitel-
lius den Koningen der Iberiërs en Albaniërs
groote fommen gelds aan, om hen tót het be-
oorlogen van Artabanus te beweegen. De Ibf-
toe,en openden voor hen de doorgangen in \'t Kaf-
pifche gebergte. Aldus toogen zy m Armenië
pionderden \'t gantfchelyk, cn maakten \'cr zich
meefters van, waarna zy den kryg voortzettende
m t land der Part^ien quamen, en \'t grootfte ge-
deelte van den Adel, ja zelfs den zoon van ArtaL
nus met een heir van veele duyzenden doodfloe-
gen, Deeze Vórft alstoen ontdekt hebbende dat
Vitellius eenige zyner vrinden en nabeftaanden
omgekóft had om hem te dooden, en dat hy over-
zulks zich niet betrouwen kon op luyden, die on-
der fchyn van vrindfchap maar na gelegendheyd
zochten om hem het leeven te beneemen, en dan
tót zyne vyanden over te loopen, nam de vlugt na
deopper-landfchappen, alwaar hy zich nie^ al-
leenlyk in zekerheyd bevondt,maar ook een groot
heir van Dahiëren en Saciëren verzamelde met
welke hy den oorlóg tegens zyne vyanden hervat-
tende , overwinnaar bleef, en zyn ryk wederkreeg.
Door deeze zyne voorfpoed wierdt Tiberius *
bewoogen om in een verbond met hem te treeden â¢
en Artabanus met ongeneegen daar toe zynde \'
ontmoeteden die Vórft en Vitellius, met hun-
ne lyfwacht verzeld, eikanderen op eene
brug die over den Eufraat lag. Wanneer
ZT,
vierduyzend van hen in krygsdienft aan, die
na \'t Eyland Sardinië gezonden wierden, en
ftraften veele andere zeer ftrengelyk , omdat
zy niet willende hun vaderlyke wetten over-
treeden, geweygert hadden zich in de wape-
nen te begeeven. Aldus moften alle de Jooden,
om de boosheyd van vier fchelmen, uyt Rome
wyken
77/. De Samaritaanen waaren ook niet vry van
onruft: want een bedrieger, die zig niets ter
werreld ontzag om \'t gemeene vólk te behaa-
gen, en deszelfs gunft te winnen, beval hen
op den berg Garizim, die in dat land vooreen
heylige plaats gehouden wordt, byeen te ko-
men, en beloolde hen de gewyde varen, welke
Molès aldaar begraaven had, te toonen* Hier-
op quamen zy in \'t geweer, en wachtende na
de andere die van alle kanten by hem ftonden
te komen , om dan gezamentlyk den berg op
tekhmmen, legerden zich in\'t vlek Tyrathaba.
Maar Pilatus ftuytte hen; want met zyne ruy-
tery en voetvolk genaderd zynde , bezette hy
den berg , viel op hen aan by \'t vlek , dreef
hen op de vlugt, nam veele gevangen , en
deed de voornaamfte onthoofden. Hierop
gingen de aanzienlykfte onder de Samaritaanen
Ua f^itellius, die toen Landvoogd van Syrië
was, en ook Burgermeefter was geweeft , en
befchuldigden Pilatus over zyne moordery ,
zeggende dat zyniet de minfte gedachten had-
den gehad van tegen de Romeynen op te ftaan,
en dat zy hy Tyrathaba alleenlyk tzamenge-
komen waaren , om zich tegen zyn geweld
te beveyligen. Op deeze klagten zondt ViteU
lius zyne vrind Marcellus om toezigt op de zaa-
ken van Judéa te neemen, en beval Pilatus zich
voor den Keyzer te gaan verantwoorden. Hy
zich genoodzaakt vindende dit bevél te gehoor-
zaamen, vertrók na Rome, naa dat hy tien
jaaren in Judéa geregeerd had: maar Tiberius
ftierf eer hy aldaar aanquam.
VI. HOOFDSTUK.
VitcIHujggefj. jg bewaaring van hetHoogepriefterlykgewaad weder
aande Joodenover, Hy handelt uyt den naam van Tiberius met
Artabanus Koning der Parthen. De oorzaak van zynen haat
jegens Herodes den Viervórft. Fiiippus Viervórft van Tracho-
nitis, Gaulanitis, en Batanea, fterft zonder kinderen; zyn lan-
den worden met Syrië vereenigd.
77<5.\'yitellius op het Paafchfeeft na Jerufalem
^ gegaan, en aldaar met groote eere ontvan-
gen zynde, fcholdt den ingezetenen den geheelen
tol quyt, die gefteld was op de vruchten welke te
koop gebragt wierden j en ftondt den 1 riefte-
rendebewaanngtoe van den Ephod, en andere
Hoogepriefterlyke cieraaden,welke zy voormaals
zelve bewaard hadden , maar die toen op den
burg Antonia waaren, alwaar menze om de
volgende oorzaak gebragt had :
De Hoogepriefter Hyrkanus, de eerfte van
dien naam, hebbende eenen toren dicht by den
Tempel doen bouwen , onthieldt zich aldaar
den meeften tyd. En dewyl hy alleen maar zich
Jöet dat heylig gewaad, het welk hy in zyne
Dewaaringe had, mogt kleeden, liet hy \'tdaar
Wyven, wanneer hy \'t afgelegd, en
l^f weder aangetrokken
naa. Maar Herodes tót de kroon gekomen
zy \'t verdrag eens geworden waaren, onthaalde
Herodes de Viervórft hen met een prachtige
maaltyd, onder een groot paviljoen dat hy met
vcele kóften op\'t midden van de rivier had doen
oprcchtenj cn kort daarnaa zondt Artabanus zy-
nen zoon T>arius tót eenen gyzelaar aan Tibe-
rius met groote gefchenken , onder welke ook
een Jood was geheeten Eleazar , die een reus
was van zeven elleboogen lengte. Thans
keerde Vitcllius weder na Antiochië, en Arta-
banus na Babiion.
Herodes willende aan Tiberius de eerfte ty-
ding doen brengen van \'t gene men van Artaba-
nus verkreegen had, zondt hem fpoedig eenen
renboode, dien hy van alles zo omftandiglyk
onderrecht had, dat Vitcllius hem niets meer kon
doen boodfchappen dan \'t gene hy reeds al wift.
Invoege dat Tibèrius , naa dat hy brieven van
Vitcllius had ontvangen, hem geen ander ant-
woord zondt, dan dat hy niets nieuws van hem
verftaan had: \'t welk eenen grooten haat tegen
Herodes by ViteUius verwekte ; dóch hy ont-
veynsde zulks tót aan de regecring van Kajus.
Filippus , broeder van Herodes, ftierf ter
zelfder tyd, in het twintigftejaar der regeeringe
van Tiberius, naa dat hy zevenendercig jaaren
deVórftendommen van Trachonitis, Gaulani-
tis , en Batanéa geregeerd had. Hy was een
zeer befcheyden Vórft, die de zachtzinnigheyd
en rufte bemindde, en altoos binnen zyn land-
gebied bleef. Als hy ten platten lande reysde,
nam hy alleenlyk een kleyn getal zyner voor-
naamfte vrinden met zich, en deed eenen ftoel
als een troon mede voeren , waarop hy ging
zitten , wanneer hy een oordeel moft vellen;
want hy bleef terftond ftil ftaan als iemand
recht van hem verzócht j en naa dat hy de ré-
denen der partyen gehoord had , veroordeelde
hy de fchu digen opftaandevoet , en fprak de
onfchuldigen vry. Hy overleedt te Julias. Zy-
ne uytvaart was zeer heerlyk , en men begroef
hem in een prachtig graf dathy zelf had laaten
maaken. Dewyl hy geene kinderen naaliet,
vercenigde Tiberius zyne ftaaten met Syrië,
mids dat het geld van de inkomften in \'t land
Zoude bewaard blyven.
"VIL HOOFDSTUK."
Oorlóg tuffchen Aretas Koning van Pctra^ en Herodes den Viervórft,
die met zyne dóchter getrouwd zynde haar wilde verftooten, om
met Merodias dóchter van Ariftobulus, en huysvrouw van zynen
broeder Herodes te trouwen. Het heir van Herodes verflagen,
\'t welk de Jooden toefchreeven aan zyne gevangen-zetting van
Joannes den Dooper. Atkomelingen van Herodes den Grooten.
ONtrent dien tyd ontftondt *er tuflchen He-
rodes den Viervórft en Aretas Koning van
C* ) Petra een zwaare oorlóg uyt de vólgende oor-
zaak Herodes, die getrouwd was met de dóch-
ter van Aretas, reysde naa dathy lang met haar
geleefd had, ecnSnaRome, en ging onderwe-
ge aan by Herodes zynen broeder van vaders
wege, en zoon van de dóchter van Simon den
Hoogenpriefter , by welke gelegenheyd hy zo
hevig verliefd wierdt op zyne huysvrouw Hero-
dias, dóchter van Ariftobulus hun beyder broe-
der, en zufter van Agrippa die naderhand Ko-
ning wierdt, dat hy haar eenen voorflag deed
van een huuwelyk met haar aan te gaan, en A-
retas dóchter te verftooten , wanneer hy van
Rome te rug gekomen zoude zyn, waar in zy
(*) An.
dere Af-
fchriften
zeggen
Vyf.
778.
779-
780.
(â¢) Dat is
â¢Arabie,
bewilligde. Thans vervólgde hy zyne reyze en
keerde weder naa dat hy zyne zaaken, waarom
hy die reyze had aangenomen , verricht had.
Zyne gemaalin quam middelerwyl te weeten
wat \'er tuflchen hem en Herodias voorgevallen
was, dóch liet \'er niets van blyken, en Verzócht
verlóf van hem om na Machera tc gaan,\'t welk
eene fterkte was gelegen op de grenzen der lan-
den die toen den Koning haaren vader toebe-
hoorden j en dewyl Herodes niet dacht dat zy
iets van zyn voorneemen wift, maakte hy geen
zwaarigheyd haar zulks toe te ftaan. De Slót-
voogd ontving haar wel , en een groot getal
krygsvólk geleydde haar van de eene plaats na
de andere tot aan \'t Hóf Van den Koning Aretas.
Zy daar gekomen zyndc gaf hem te verftaan
wat befluyt Herodes genomen had; hy toonde
zich daarover zeer gebelgd } en dewyl \'er een
verfchil tuflchen die twee Vórften ontftondt
over de landfcheydiiJg van het gebied van Ga-
mala, quam het tót eenen oorlóg, cn Voorts tót
eenen veldflag, waarin echter niemand van hen
zich in perfoon bevondt: en \'t heir van Hero-
des wierdt t\'eenemaal geflagen, door de trouw-
loosheyd van eenige overloopers, die uyt het
Viervórftendom van Filippus verdreeven zyn-
de , zich onder de krygsbenden van Herodes
begeeven hadden. Deeze Vórft fchreef aan Ti-
berius wat\'er voorgevallen was j waarover hy
zo vertoornd wierdt op Aretas, dat hy aan Vi-
tclhus bevél g^f hem te beoorlogen , en hem
leevendig na Rome tc voeren indien hy hem
krygen kon , óf hem zyn hoofd te zenden in-
dien hy in \'c gevecht gedood wierd.
Veele Jooden geloofden dat dit verflaan van 781\'
Herodes heir eene ftrafte van Gód was ter oor- *
zaake v^n joannes toegenaamd de Dooper , ten
zeer gódvruchtig man, die dejooden vermaande
de deugd te omhelzen, gerechtigheyd te oefe-
nen, en den doop te ontvangen , naa dat zy
zich aangenaam by Gód zouden gemaakt heb-
ben door hunne afftand van zonden, voegende
alzo een reyn hart by een gezuyverd lighaam.
En dewyl eengroote menigte van vólk hem naa-
liep oni zyne leering te hooren, vreesde Hero-
des dat door het groot vermoogen \'t welk hy op
die menfchen had, een oproer mogt komen te
ontftaan, doordien zy gereed waaren om alles
te onderneemen wat hy hen beval j hierom acht-
te hy dat hy dit quaad in tyds moft voorkomen
opdat hy\'t zich naderhand niet zou behoeven te
beklaagen dat hy \'er te lang meé gewacht had,
Hy deed hem derhalve gevangen neemen, en na
het flót Machera, hiervoore gemeld, voeren, en
aldaar ombrengen: waarop dejooden de neder-
laag van zyn heir toefchreeven aan Góds recht-
vaerdig oordeel over zyn onrechtvaerdig bedryf
Vitellius om den laft, dien hy van Tiberius 782
ontvangen had, uyt te voeren, nam twee keur-
benden , met eenige ruytery eh ander krygsvólk,
hem door de Koningen onder\'t Roomfche Ryk
ftaande, toegezonden i waarmede hy na Petra
trok, en te Ptolemaïs aanquam. Zyn voornee
men was om met zyn heir dwars door Judéa tê
trekken i maar dc voornaamfte dier landzaaten
quamen hem bidden zulks niet te doen, omdat
de Roomfche krygsbenden bccldteniflèn in hun-
ne veldteckencn hadden, die tegen onzegóds-
Hhh dienft
dienft ftrydig waaren. Hy liet zich door hun
verzoek beweegen, toog met zyn heir door het
groot Veld, en ging met Herodes den Viervórft
en zyne vrinden na Jerufalem, om Gode offer-
anden te ófferen op den Feeftdag die aanftaande
was: Hy wierdt aldaar met groote eere ontvan-
gen , en bleef\'er drie dagen.
783. Terwyl hy daar was ontnam hy Jonathas het
Hoogepriefterfchap, en gaf het aan zynen broe-
der Theofilus: en tyding ontvangen hebbende
van den dood van Tiberius, deed hy \'t vólk
den eed van getrouwigheyd afleggen aan Ka-
jus Kaliguta, die in \'t Keyzerryk gevolgd was.
Door deeze verandering ontbood hy zyne ben-
den te rugge , zondtze na de wintcrlégering,
en keerde weder na Antiochië.
784. Men zegt dat Aretas met de waarzeggers
geraadpleegd hebbende, toen hy verftondt dat
Vitellius tegen hem in aantógt was, uyt hen ver-
ftaan had dat het onmoogelyk was voor dat heir
tót aan Petra te komen, doordien óf de aanley-
der van dien oodóg, óf de uytvoerder zyner
bevelen, óf hy dien men beftryden wilde, voor
dien tyd fterven zoude.
78f. Daar was alstoen een jaar verloopen dat A-
grippa, zoon van Ariftobulus, na Rome gegaan
was om den Keyzer Tiberius over eenige zaaken
te fpreeken. Maar eer ik verder van dien Prins
melde, zal ik nóg iets verhaalen wegens Hero-
des. den Grooten, zo omdat\'et het gevólg my-
ner Hiftorië betreft, als om de hoogmoed der
menfchen te befchaamen , door aan ce toonen
hoedaanig de uytwerkingen der gódlyke voor-
zienigheyd zyn en dat nóeh het groot getal
van kinderen, nóch andere voordeelen die tót
ftyvinge der menfchelyke magt konnen dienen,
haar bewaaren konnen , indien ze niet met
deugd en gódvruchtigheyd verzeld zyn j gelyk
uyt dit voorbeeld blykt, het welk ons toont dat
die groote naakomelingfchap van Herodes m
minder dan honderd jaaren, tót een zeer kleyn
getal gebragt was. En \'t is niet minder ver-
H
Wonderens Waerdig , dat Agrippa , tegen ^t
gevoelen van al de werreld uyt een gemeene
ita^, tót een vórftelyk gezag verheven wierdt.
Gelyk ik nu reeds van de kinderen van Hero-
des den Grooten gemeld hebbe , zo Zal ik \'er
nóg omftandiglyker van fpreeken. Deeze Vórft
had twee dóchters by Mariamne Hyrkanus
dóchter, van welke hy de oudfte genaamd
Salampfio aan Thafaèl, zoon van zynen oud-
ften broeder Phafaël, en de andere geheeten
Cypros aan zynen neeve Antipater , zoon zy-
ner zufter Salomé, uythuuwelykte.
Phafaël teelde by Salampüo dne zoonen.
Antipater, Her ode s, tn Alexander, en twee
dóchters, waarvan de ééne genaamd Alexan-
^^ m\'t eyland Cyprus trouwde aan zékeren
Heer Tzmius geheeten, by wien zy geene kin-
deren kreeg : en de andere wier nLm Cypros
was, trouwde aan Agrippa zoon ran Ariftobu-
lus, by wien zy twee zoonen kreeg, teweeten
Agrippa , en "Drufus die jong ftierf > en drie
dóchters, Berenice^ Mariamne, tnT^rtiJïlla,
Agrippa hun vader was nevens zyne broeders
Herodes en Arijiobulus by Herodes den Groo-
ten hunnen grootvader opgevoed , gelyk ook
Berenice dóchter van Salomé cn Koftobarus. De
kinderen van Ariftobulus waaren nóg jong toen
Herodes hem met zynen broeder Alexander liet
ombrengen, gelyk wy hiervoore gezien hebben:
en toen die kinderen tót hunne jaaren gekomen
waren, trouwde Herodes, broeder van Agrip-
pa , met Mariamne dóchter van Olympias de
dóchter van Herodes den Grooten, en geteeld
door zynen broeder Jofephus, en kreeg uyt
dit huuwelyk eenen zoon genaamA Arijiobulus,
De andere broeder van Agrippa, geheeten Ari-
ftobulus , trouwde met Jatape dóchter van Samp^
y^-é-r^i^z^^j Koning der Emeflêners, ^^ teelde by
haar eene dóchter genaamd Jotape , gelyk de
moeder, dóch doof Deeze waaren de kinderen
dier drie broederen, Herodias hunne zufter
trouwde aan Herodes den Viervórft zoon van
Hc-
XVÃII. BOEK-
FLAVIUS JOSEFHUa
xvni. B O Ã R. JOOD S c H
Herodes den QrQoten en Mariamne dóchter van
Simon den Hoogenpriefter , hy wltnxy Salomé
kreeg, waarnaa zy zich niet fchaamde de eerbie-
digbeyd y welke ,men onze wetten fchuldig is,
met voeten te treeden, door ; haaren man te ver-
laaten, en nóg by zyn leeven , met zynen broe-
«der Herodes, Viervórft van Galilei, te trouwen.
"Salomé haar^e^dóchtier trouwde aan Fihppus zoon
van Herodes^denfGrooten v en Viervórft van
\'Trachonit^^^^elk^ gefturven; zynde , zonder
dat zy kinckrfiï^h zy aan Ari-
ftobulus zoon jVatvH^^^ Agrippas broeder,
by, wien zy ärieioonen kreeg yUerodes, Agrïp-
pa
en-
, . . ^ I^us ziet men wie de
^^kómelingen. yan Phafaël en Salampfio
waaren.
Cypros 5 dócferer yan Herodes den Grooten en
zufter van Salanipfpj kreeg by Antipater Saloraês
zoon , eene dóchter genaamd Cypros gelyk zy
zelve, welke trouwde aan Akx\'as Selcias zoon
van Alexas , by wien zy eene dóchter kreeg des-
gelyks Cypros geheeten. En belangende Herodes
cn Alexander, broedersvan Antipater, zy ftier-
ven zonder kinderen.
Alexander zoon van den zelfden Herodes den
Grooten , cn benevens zyn broeder door hem
omgebragt, had by Glafyra, dóchter van Ar-
chelaüs Koning van Kappadocië, Alexander en
Jigranus. Deeze laatfte, die Koning van Ar-
menië , en by de Romeynen aangeklaagd wierdt,
ftierf zonder kinderen. Maar Alexander had ee^
ïien zoon genaamd Tigranes geXyk. zyn oom: Hy
wierde van den Keyzer Nero tót Koning van Ar-
menië aangefteld, en kreeg eenen zoon genaamd
Alexander, die met Jotape dóchter van Antio-
chus Koning van Komagenc trouwde. De Key-
zer Vefpafianus gaf hem het Koningryk van het *
Eiland in Cilicië. Maar de afkómelingen van A-
lexander, zoon van Herodes den Grooten ver-
lieten alle bynajvan hunne geboorte aan de góds-
dienft onzer vaderen , om die der Grieken
aan te neemen. De andere dóchters van He-
rodes den Grooten zyn zonder kinderen ge-
fturven,
Hebbende aldus een verhaal gegeeven van de
afkómelingen van dien Vórft tot aan de regee-
ringe van Agrippa, zo ftaat my nu aan te wy-
zen door welke verfcheydene gevallen der fór-
tuyne hy eyndelyk tót zulken hoogen trap .van
ftaat en magt verheven wierdt.
VIIÃ. HOOFDSTUK.
Door welke toevallen Agrippa toegenaamd de Groote , toon van
Ariftobulus en zoons zoon van Herodes en Mariamne, tót Koning
der Jooden aangefteld wierdt door den Keyzer Kajus Kaligula.
78^. T^ Ort voor de dood van Herodes den Grooten
was zyn zoons zoon Agrippa, zoon van
* Dit Eiland wierdt voorheen Elenfa geheeten, en door Arche-
laüs, Koning van Kappadocie, vader van Glafyra bevolkt,^ die al-
daar een Koningshof en fed ftichte, Sebafte genaamd, welke naam
vervolgens het eyland aangenoomen heeft. Wanneer namaals Antio-
chu.s, Koning van Kommagene , in zyn hoogen ouderdom door
Veipafianus beroofd wierdt van zyn Ryk, \'t geen hy tót een win-
geweft maakte; gaf hy dit eyland óf die ftad Sebafte meteen Ko-
ninglyke titel aan Alexander , zoon van Tigranes, wyl hy ten
huuwl; k had Jotape de dochter van dien ongelukkigen Koning
van Kommagene , dien Vefpafianus zyn Ryk regens alle recht en
billykheyd ontnam.
E HISTORI.
Ariftobulus, na Rome gegaäri ⢠ën dewyl hy dik-
wils by T^rufus , zoon yan den Keyzer Tiberius j
ten eeten was, geraakte hy in zyne vrindfchap i
en quam ook by Antonia^ gemaahn van T)ru-
fus den broeder van Tiberius, en moeder van
Germanikus, en van Klaudius die naderhand
Keyzer wierdt, in gunfte en aanzien, door toe-
doen Van zyne moeder Berenice, die in byzon-
. dere achtinge by Antonia was. Alhoewel Agrip-
pa van natuure zeer mild was, echter durfde hy
zulks by \'t leeven van zyne moeder niet laaten
blyken, uyt vreeze voor \'haare gramfchap j maar
zo dra als zy gefturven was, en hy door niets
weêrhouden wierdt, maakte hy zulke groote
kóften door gaftmaalen en andere ovcrdaadire
mildheden > voornaamelyk ten gevalle van des
Keyzers vrygelaatene knechten , welker gunft
hy poogde te winnen, dat hy door zyne fchuld-
eyfchcrs laftig gevallen wierdt, zonder dat hy
hen voldoen kon: en de jonge Drufus ter zelfder
tyd gefturven zynde, verboodt Tiberius aan alle
die vrinden van dien Prins geweeft waaren, on-
der zyne oogen te komen , omdat hunne te-
genwoordigheyd zyne droefheyd vernieuwen
zoudci
Aldus \\vierdt Agrippa genoodzaakt weder na
Judéa te keeren, en de fchaamtc van zich in dien
ftaat tc zien deed hem na \'t kafteel van Malatha in
Iduméa wyken, om zyn leeven aldaar in droef-
heyd tc ftytcn. Cypros zyne huysvrouw deed al-
les wat zy kon om hem yan dat voorneemen af te
wenden, en fchreef aan Herodias Agrippäs zus-
ter , die aan Herodes den Viervórft getrouwd
was, datzy hem dóch wilde byftaan, gelyk zy
zelve, zo veel haar moogelyk was, deed 5 alhoe-
wel zy in middelen geenfins tegen haar opmogt.
Herodes en Herodias ontbooden daarop Agrip-
pa, en gaven hem een zékere fomme gelds ne^
vens het voornaamfte Overheydsampt van Tibe^
rms, opdat hy eerlyk naar zynen ftaat in die ftad
zou konnen leeven. Alhoewel dit niet genoeg
was om Agrippa volgens zyn ftaat te doen be-
ftaan , echter verkoelde Herodes zo tegen hem,
dat hy de wille om hem goed te doen geheel ver-
loor : cn zynde eens tzamen te Tyrus op een gaft-
maal , alwaar hy wat te veel gedronken had j
verweet hy hem zyne armoede , en dat hy de-
gene was die hem de mond open hield en de
kóft gaf
Agrippa deezen hoon niet verzwelgen können-
de, ging na Flakkus Landvoogd van Syrië die
Burgermeefter te Rome geweeft was, en met
wien hy aldaar vrindfchap gemaakt had. Deez
ontving hem zeer wel j en hy had al van te voore
Ariftobulus Agrippas broeder wel onthaald, zon-
der dat de vyandfchap die \'er tuffchen die twéé
broeders was, hem verhinderde hen gelykelyk te
begunftigen. Maar Ariftobulus volhardde zo in
zynen haat, dat hy niet ruften kon voor dathy
Flakkus af keerig van Agrippa gemaakt had j het
welk aldus toeging. Die van Damaskus waaren
met de Sidoniërs in krakkeel geraakt over de
landfcheyding, cn dewyl Flakkus uytfpraak over
dit verfchil ftondt te doen, boodenzy Agrinna
een groote fomme gelds aan, indien hy door zvn
aanzien by den Landvoogd hen behulpzaam wil^
de zyn j en hy beloofde alles wat in zyn vermoo-^
Hhh 2 gert
427
gen was hunnent halve te zullen doen. Ariftobu-
lus hier achter gekomen zynde, gaf\'er Flakkus
kennis van, die dc zaak onderzoekende bevondt
dat het \'er inderdaad zo mede gelegen was. A-
grippa aldus uyt zyne vrindfchap geraakt, verviel
tót groote armoede, en week na Ptolemaïs j dóch
niet hebbende om van tc leeven, befloot hy van-
daar weder na Italië te keeren. Maar dewyl hem
geld ontbrak, beval hy Mar/tas, zynen vry ge-
Jaaten knecht, al te doen wat hy kon om gelden
tc leen op te neemen. Deez quam daarop by \'pe-
trus , vrygemaakte van Berenice Agrippas .moe-
der, (die by uyterfte wille hem in AhtÃniis gunft
had bevolen, waardoor hy in haaren dienft geko-
men was,) cn verzócht van hem eenig geld te leen
op zyn handfchrift. Petrus antwoordde dat A-
grippa hem reeds geld fchuldig wasj en hebbende
aldus een bondfchrifc van twintigduyzend Atti-
fche drachmen van hem gekreegen, gafhy hem
maar zevcntienduyzcnd vyf honderd daarop,
en hieldt de óverige tweeduyzend vyfhonderd
in, zonder dat Agrippa zulks beletten kon. Naa
dat hy deeze fomme ontvangen had, begaf hy
zich na Anthedon, alwaar een fchip aangetroftèn
hebbende, maakte hy zich gereed om zyne reyze
te vervólgen , wanneer Herennms Kapite ^ die
te Jamnia \'t bewind van zaaken had, eenig krygs-
vólk zondt om hem dr-ie-honderd-duyzend ftuk-
ken zilvers, die hy aan\'s Keyzer« fghatkiftge-
duurende zyn verblyf te Ronie fchuldig geblee-
ven was, af te eyfchen, Agrippa beloofde die te
zullen betaalen 5 maar toen de nacht gekomen
was, deed hy dc touwen kappen, enze-yldena
Alexandrië: alwaar aangeland zynde verzócht
Alexander y die\\er(*) Alabarchaw^as, hem
tweehonderd duyzend zilverlingen te willen lee-
nen : Deez weygerde zulks, maar zeyde dat hy-
ze aan zyne huysvrouw Cypros leenen zoude,
omdat hy haar hoog achtte om haare deugden
haare liefde tóe haaren man. Aldus was zy zyn
bórg, en Alexander gaf hem vyf talenten, met
toezegginge van hem \'t óverige te Puteoli te
behandigen , achtende \'t niet geraaden hem
alles gelyk te geeven , omdat hy zo quiftig
was. Cypros toen ziende dat niets haaren
man weêrhouden kon van na Italië te gaan,
keerde over land met haare kinderen weder
na Judéa,
de de
Foor-
naamfte
Magi-
firaat van
Alexan-
drie.
! !
Zo dra Agrippa te Puteoli was aangeland,
fchreef hy aan den Keyzer die toen te Kapreën
was, dat hy gekomen was om zynen pligt by hem
af te leggen, en dat hy verlóf verzócht om hem
te bezoeken. Tiberius antwoordde terftond gun-
ftiglyk , dat hy blyde was over zyne wederkomft,
en dat hy by hem kon komen alshy wilde. Ge-
lyk nu deeze brief beleefd was, zo was dewyze
op welke hy hem ontving niet minder, want hy
m
omhelfde hem, en gaf hem huysvefting in zyn
paleys : maar \'s anderendaags ontving hy brie-
ven van Hercnnius Kapito, door welke die hem
liet weeten, dat Agrippa van hem gemaand zyn-
de om de driehondcrd-duyzend zilverlingen, die
hy uyt de fchatkift geleend had, en waarvan de
tyd Van wedergeevinge was vervallen, gevlugt
was, en hem alzo het middel benomen had om
weder te krygen. Deeze brieven maak-
te 1 ibenus zo vertoornd op Agrippa, dat hy den
byzondere geneegenheyd welkezy wel eer Bere-
nice ^ moeder van Agrippa, had tèegedraagena
Cn dat hy by Klaudius haafén /èooii opgebragt
was, ftondt zy hem dit verzoekföe. A dus be-
taalde hy zynen \'fchuld, en bragt ^ch daardoor
zo wel weder in \'s Keyzers gunfte^ dat Tiberius
hem beval toezigt op den jongeriT/^d-r/^;?Æ zoon
van wylen zynen zoon Ãrufiis, tèncémen, ca
hem overal te vergezelfchappen. Maar de begeer-
te die Agrippa had om de gunften , wegens wel-
ke hy aan Antonia verpligt waS , te erkennen,
maakte dat hy, m plaats vän des Keyzers bevél
naa té komen , een naauwe verkeering hieldt
met Kajus toegem2imd Kaligula, zoons zoon
dierPrlnfeflè, die van al de werreld bemind en
geëerd was, wegens de gedachtenis van zynen
vader Germanikus: en hebbende tienmaal hon-
derd-duyzend zilverlingen geleCnd van eenen
vrygemaakte van den Keyzer genaamd Thallus,
eenen Samaritaan, gafhy Antonia weder \'t gene
hy van haar te leen opgenomen had.
Hebbende zich dan in de gunfte van Kajus ge-
mkkeld, gebeurdchetcens, terwyl hy met hem
op zynen wagen reedt, dat hun gefprék op Ti,
berius gevallen zynde, hy te verftaan gaf dat hy
wénfchte dat de Keyzer haaft plaats mogt maa-
ken voor hem, die beter verdiende te regeeren
dan hy. Eutyekus zyn vrygelaatene, <£e den
wagen mende, hoorde dit, dóch zeyde niets
daarop > maar Agrippa eenigen tyd daarnaa hem
befchuldigd hebbende dat hy hem iets ontftolen
had, gelyk \'t inderdaad waar was, nam hyde
vlugt; en toen hy gevat, cn voor Tifo Stad-
TJf ⢠\' z^ydehy, in
plaats van op de befchu 1 ding tegen Lm/edaan
te antwoorden, dathy aan 3enley.e?e?n lï
ï heym te openbaaren hadde\'t welk zynebehmj-
denis betrof Men zondt hem aanftonds geboeid
na Kapreën , en Tiberius deed hem gevan^^en
zetten, zonder dc zaak verder te onderzoeken.
Alhoewel dit iemand zou moogen vreemd dun-
ken, evenwel behoeft men\'er zich niet over te
verwonderen , omdat nooit Vórft zich minder
d^nhy in alles gehaaft heeft. Hy gaf nooit fpoe-
dig gehoor aan Gezanten, nóchte vervulde hy
ooit de plaatlèn der Landvoogden, dan naa den
dood der gener welke die plaatfen bediend had-
den i cn door dcezc traagheyd gefchiede het ook
dat de gevangene lang zaten eer ze verhoord
wierden. En wanneer zyne vrinden hem na dc
oorzaak daaraf vraagden, antwoorddehy; dat
belangende de Gezanten, het was omdat\'men
hem niet terftond andere zou zenden, gelyk ge-
fchieden zoude indien hy hen fluks afvaer-
digde. En ten aanzien der Landvoogden, dat
de reden waarom hy hen niet veranderde, #as
om de ingezetenen te verfchoonen > doordien
de menfchen doorgaans gierig zynde, voornaa-
melyk wanneer zy zich ten kófte van vreemden
konnen verryken , te greetiger tót afknévehn-
gea
dcurwachteren zyner kamer verboodt hem in te
laaten, voor dat hy zynen fchuld zoude betaald
hebben. Maar hy, zonder zich over \'s Keyzers
gramfchap tc ontzetten, verzócht Antonia dat
zy hem die fomme wilde leenen , opdat hy niet
XVIII. Bo E K.
F LA VIUS J O SEP HU a
XVIII. BOEK.
gen zyn, wanneer zy ^ziendat hen weynig tyds
overichiet om in hun ampc te bJyven : in plaats
dat als zyreedsveel byeengerchraapthebben,en
buyten vreeze zyn van haaft door andere uyt hun-
ne plaatlen gezet te worden , zy befcheydent-
lyker handelen: daar anders al het goed der
Landvoogdyen niet genoeg zoude zyn om de
gierigheyd dier amptenaaren te verzaadigen ,
indien men hen dikwils veranderde. En tót een
bewys van \'t gene hy zeyde, bediende hy zich
van deeze gelykenis : 2;eker man eens zeer ge-
quetft zynde, quam \'er een menigte van vliegen
op zyne wonden: een voorbyganger dit ziende
wierdt tót deernis met hem bewoogen , te meer
omdat hy meende dat het hem aan krachten ont-
brak om \'er de vliegen af te jaagen, weshalve hy
zich bereyd toonde om hem die hulpe te bewy-
zen. Maar de gequetfte badt hem dat hy hem laa-
ten wilde gelyk hy wasj en de ander hem na de re-
den daarvan vraagende, antwoordde hy: â Dewyl
â de vliegen, die gy ziet, reeds van myn bloed
â verzaad zyn, hondmze een weynig op va n my
pyn aan re doen j dóch zo gyze wegjaagt,
zullen \'er terftondt andere komen, die verhon-
gerd zynde, en my zo zwak vindende, my
voorts geheel zullen uytmergelen. Men be-
hoeft geen ander bewys van de waarheyd van
\'tgeneik zegge, dan deninborft van Tiberius,
die geduurende de tweeëntwintig jaaren welke
hy regeerde, maar twee Landvoogden, Gratus
en Pilatus, in Judéa zondt, en zo insgelyks on-
trent dc andere wingeweften van \'t Roomfche
Ryk deed. Deeze Vórft zeyde ook, â dathet
5, gene hem belette de gevangenen fpoedig te
â vonniftèn, was dat hy hen over hunne misdaa-
â den wilde ftraftèn door een langduurige quel-
â ling die zwaarder was dan de dood.
Dit was dan dereden waarom Tiberius Euty-
chus zo lang gevangen hieldt zonder hem te ver-
hooren. Maar toen hy van Kapreën te Tuskula-
numquam, \'twelk maar ontrent twintig ftadiën
van Rome aflegt, verzócht Agrippa aan Anto-
nia dat zy wilde maken dat Eutychus verhoord
wierd, op dat men weten mogte met wat misdaad
hy hem befchuldigde. Tiberius hieldt haar in
groote achdnge, zo omdat zy zyne fchoonzufter
was,als ter oorzaak van haare kuysheyd,dewyl zy
jong weduwe van Drufus zynde geworden, en
van Auguftus tót hertrouwen fterk aangemaand
zynde, zich nooit in een tweede huuwelyk had
willen begeeven, maar altoos een zeer deugdzaam
enonbefprooken leeven geleyd had. Hierby quam
nóg dat hy byzondedyk aan haar verpligt was
door de geneegenheyd äie zy hem betoond had:
want wanneer Se janus. Hoofdman der lyfwacht,
dien by zeer bemind en tót hoogen ftaat verheven
had, nevens veele Raadsheeren, en Bevelheb-
bers van\'t heir, midsgaders eenige vrygemaakte
van Tiberius, een groote tzamenzweering tegen
hem had aangegaan, en dat die op \'t punt ftondt
om uytgevoerd te worden, was zy alleen de oor-
zaak dat de aanflag te niet liep-, doordienzy den-
zelven ontdekt hebbende, terftond daarover aan
hem fchreef, en den brief door\'P^//^^ 3 denge-
trouwften haarer vrygemaakte flaaven, aan hem
te Kapreën liet beftellen : waarop hy Sejanus en
zyne medepligtigen deed ter dood brengen« Dce-
historie
3J
55
33
3)
JOODSCHE
ze grootedienftbaarde zulk een achting eri toege-
neegenheyd byhemjegens diePrmfeflè, dat hy
een volkomen vertrouwen op haar ftelde: en naar-
dien \'er nkts was waarover zy hem niet durfde
aanfpreeken, verzócht zy dat hy Eutychus ver-
hooren wilde. Hierop antwoordde de Keyzer
dat in dienhy zynen meefter valfchelykbefchul-
digd had, hy \'er door \'t ongemak Zyner gevan-
geniflè reeds genoeg over geftraft was j endat
Agrippa wel had toe te zien dat hy die zaak â
niet onbedachtelyk al te hard dreef, opdat het
quaad dathy zynengevryde wilde aandoen,
niet op hemzelven quame te vallen ". Dit ant-
woord , in plaats van Agrippa in zyne vervóU
ginge neêr te zetten, deed hem nóg fterker by
Antonia aanhouden om uytflag der zaake van
den Keyzer te verwerven. Zy zich dan niet kon-
nende van zyn verzoek ontflaan, nam de gele-
genheyd waar dat Tiberius, om zich eens te ver^
luchten, zich in eene rósbaar het draagen, terwyl
Kajus en Agrippa wat vooruyt traden. Zy vólgde
te voet, en vernieuwde hem toen haar verzoek
dat Eutychus mogt verhoord worden â Ik neem
de Goden tót getuygen, antwoordde hy, dat â
het tegen mynen zin is, enalleenlykomuniet â
voor\'t hoofd te ftooten, dat ik doen zal\'t ge- â
ne gy van my begeert. Fluks beval hy Makro,
die Hoofdman der lyfwacht in plaats van Sejaan
geworden was, dat hy Eutychus zoud haaien:
Hy deed zo, en Tiberius vraagde hem, wat hy
39
39
i9
33
33
33
was.
IJ
zeyd hy, dat Kajus, dien ik hier tegenwoordig
zie, en Agrippa tzamen op eenen wagen ree^
den, en dat terwyl ik aan hunne voeten zat te
mennen, Agrippa tót Kajus onder andere zey-
de: Zal ik nooit dien dagbeleeven dat deeze
oude man na de andere werreld reyft ,en u heer
en meefter van deeze laat, zonder dat Zyn
zoonszoon Tiberius u daarin tóteenen hinder-
paal zou konnen ftrekken, dewyl \'t niet zwaar
zoude vallen u van hem te ontflaan.\'» Hoe ge- â
lukkig zou de aardbodem dan zyn,en hoe groot â
een deel zoud ik in dat geluk hebben "Tiberius
vondt geen zwaarigheyd om aan deeze woor-^
den van Eutychus geloof te ftaan , omdat hem
nóg niet vergeeten was het misnoegen dat Agrip-
pa hem gegeeven had ,toen hy in plaats van Zynen
zoonszoon Tiberius Nero op te paften, gely k hy
hem had bevolen, zich geheellyk aan Kajus over^
gegeeven had: dies zeyde hy tót Makro : Boei
hem. Maar Makro zich niet konnende verbeel-
den dat het Agrippa was dien hy meende, ver-
toefde zo lang daarmeê tótdat hy zyne wille nader
verftondt. Tiberius, naa dat hy zich in het ren-
perk eenige keeren rond had laaten draagen, A-
gnppa nóg ziende, zeyde tót Makro: â Heb ik â
u niet bevolen dien man te boeijen.? Wat man, â
Heer.? antwoordde Makro. Agrippa, herzey- â
de Tiberius. Daarop nam Agrippa zyne toevlugt
tót gefmeek, en badt hem om de geheugenis zyns
zoons met wien hy opgebragt was,en om deplisten
dien hyden jongen Tiberius beweezenhad hem
genade te bewyzen. Maar zyn bidden was te ver-
geefs , en hy wierdt door de lyfwacht des Keyzers
430 # L A V I Ã S J Ã
was, en dat de wyn dien hy over de maaltyd had
gedronken, hem nóg daarenboven verhit had,
gevoelde hy zich zo van dorft verfinacht, dat hy
na alle kanten omkykende óf\'er niet iemand waa-
re die hem in dien nood te hulpe kon komen, éé-
nen van Kajus flaaven zag, geheeten Thaumaf-
tus 3 die eene kruyk met water droeg, dies ver-
zócht hyvan hem, eens te moogen drinken, \'t
welk de ander hem zeer gaern toeftondt. Gedron-
ken hebbende zeyde hy tót hem: â \'t Zal u niet
berouwen dat gy my deezen dienft gedaan
hebt; want als ik weder vry zal zyn, zal ik
van Kajus uwe vryheyd zien te verwerven, tót
vergeldinge van dat gy my in banden ziende,
u met minder gewillig getoond hebt om my ge-
dienftig te weezen, dan toen ik nóg in eenen
voorfpoedigen ftaat was. Deeze belófte wierdt
van de daad gevólgd, want toen Agrippa tót de
kroon gekomen was, verzócht hy Thaumaftus
van Kajus, en maakte hem niet alleenlyk vry,
maar gaf hem bewind van zyne goederen 5 en be-
val op zyn fterven aan zynen zoon Agrippa en
dóchter Berenice, hem in dat ampt te laaten; zo
dat hy \'t geduurende het óverige zyns leevens
met eere bediende.
»
>3
3J
5>
53
33
33
"I.
: iU
Eens op zékeren tyd dat Agrippa nevens andere
gevangenen voor het Hófpaleys ftondt, en door
zwakheyd wegens zyn verdriet tegen eenen boom
leunde , quam \'er een uyl zich op neêrzetten.
Een Duytfcher, die mede één van de gevangenen
was, hem gezien hebbende vraagde eenen fóldaat
die hem bewaarde, wie die man in \'t purper was;
en verftaan hebbende dat het Agrippa was, één
van de edel fte en aanzienlykfte onder de Jooden,
verzócht hy den fóldaat aan wien hy gebonden
was, dat hy wat nader by hem mogt gebragt
worden om iets wegens de gewoonte zyns lands
uyt hem te verneemen. De fóldaat ftondt het hem
toe i en daarop zeyde de Duytfcher door eenen
tólk tót Agrippa: Ik zie wel Jonge Heer dat de
groote en fchielyke verandering van uwen ftaat
u bedroeft, en datgy naauwlyks zult konnen
gelooven dat de gódlyke voorzienigheyd uwe
verlólfmgzeer naby heeft doen komen. Maar
ik neem de Goden welke ik aanbid, en deeze
welke men hier te lande eert, die ons in deeze
banden gebragt hebben, tót getuygen, dat het
gene ik u te zeggen hebbe niet is om u een ydele
trooft te geeven j nademaal ik wel weet dat
gunftige voorzeggingen, als ze van de daad
niet gevólgd worden, maar dienen om onze
droefheyd te vermeerderen. Ik wil u dan zelf
met gevaar van myn leeven zeggen wat deeze
vogel, die boven u hoofd is komen vliegen, u
voorfpelt. Gy zult haaft im vryheyd gefteld
worden, en u tót zulken hoogen ftaat verhe-
ven zien, dat gy benyd zult worden van degé-
nen die tegenwoordig deernis met u ongeluk
hebben. Gy zult voorfpoedig zyn geduuren-
de het óverige uws leevens, en zult kinderen
33
33
33
53
33
33
33
33
53
33
33
33
3)
33
33
33
33
33
33
33
l
li; h
35
33
5>
naalaaten die u in uw geluk zullen vólgen.
Maar wanneer gy deezen vógel nóg eens zult
3ï zien verfchynen, weet dan dat u maar vyf da-
3> gen tyds óverig zullen zyn om te leeven. Dit
33 is \'t gene de Goden u voorfpellen j en dewyl ik
â kennis daaraf hebbe , heb ik \'t mynen pligt
^^ geacht u deeze blydfchap mede te deelen,
S E JP H t] S XVIII. BOEK.
om uwe tegenwoordige rampen door de hoo- â
pe der aanftaande voorfpoed te verzachten. â
Wanneer gy tót dat geluk zult gekomen
weezen, vergeet dan, bid ik u, onzer niet, â
maar tracht ons uyt deeze elende te verlós- â
fen De voorzegging van deezen Duytfcher
quam Agrippa zo belachlyk te voore, alsze
hem naderhand verwonderens waerdig dacht.
Ondertuftchen veroorzaakte zyn ongeval aan
Antonia een gevoelig hartzeer: maar doordien
zy het te vergeefs oordeelde by Tiberius voor
hem te fpreeken, was alles dat zy doen kon,
Makro te verzoeken hem goedaardige fóldaa-
ten tót bewaarders te geeven 5 en een hups Be-
velhebber aan wien hy geketend zoude zyn,
en hem dagelyks het gebruyk van \'t bad te
laaten hebben , en aan zyne vrinden en vry-
gemaakten eenen vryen toegang tót hem te ver-
leenen , om alzo de moeijelykheyd zyner ge-
vangenifte eenigfins te verligten. Aldus bracrten
hem óWas zyn vrind, en Marfyas en Stoickus
zyne gevryden, zodaanige fpyzen die zy ^/if-
ten dat hem meeft behaagden en droegen zo
veel zórge voor hem , dat onder fchyn van
eenige dekens te koop te brengen , zy die by
hem lieten, blyven , waarvan hy zich dan \'s
nachts bedknde , zonder dat zyne bewaarders
het verhinderden, vermids zy van Makro bevél
hadden het toe te laaten.
Zes maanden verliepen \'er aldus : en Tibe-
rius weder te Kapreën gekomen zynde , viel
in eene quyning , die in \'t eerft juyft niet ge-
vaariyk Icheen , maar de quaal toeneemende,
20 dat men van zyn leeven begon te wanhoo-
pen, beval hy Evodus, die hem de lieffte zy-
ner vrygelaatene knechten was, dat hy Tiberius
toegenaamd Gemellus, óf den tweeling, zoon
van zynen overieeden zoon Drufus, en Kajus
zynen achterneef zoon van zynen broeder Ger-
mamkus , by hem zoude brengen , dewyl hv
Ten T? ^ót hen wilde ipree-
ken^ Deeze laatfte was reeds volwaftèn, wel
in de letteren onderweezen, enzeer van\'JvIS
bemind om de gedachtenis van zynen vader
Germanikus. Want die dappere en voortref-
felyke Prins was met zulk een zachtzinnigheyd,
en ongemeene beieefdheyd begaafd, dathy met
alleenlyk de geneegenheyd van den Raad, maar
van alle menichen gewonnen had: en zyn dood
was met zulke ongeveynfde traanen befchreyd,
dat het in die algemeene rouwe fcheen als óf
elk zyn byzonder verlies beklaagde ; want
geduurende zyn leeven had hy ieder één
door goede dienften aan zich verpligt, en
nooit iemand beleedigd. Deeze liefde die
men den vader toegedraagen had , was den
zoone ook zeer voordeelig by de krygslieden,
en zy gaven genoeg te kennen datzy geene ge-
vaaren zouden ontzien om hem op den troon
te zetten.
Naa dat Tiberius aldus aan Evodus bevolen
had des anderen daags \'s mórgens vroeg zynen
zoons zoon, en zynen achterneef tót hem re bren-
I gen, badt hyde Goden datzy hem door eenig te-
i ken te kennen wilden geeven, wien van die twee
j zy tót zynen naazaat gefchikt hadden. Want
hoewel hy wenfchte dat het ryk op Tiberius moge
kü-
komen, echter durfde hy in eene zaak van zulk
een belang daar ontrent niets befluyten, voor dat
hy wift hoedaanig hunne wille in dat geval was:
en het teken dat hy zich voorftelde om daarvan
onderrecht tc zyn, was dat die hem den vólgen-
den dag\'s morgens eerft quam groeten, KeyZer
naa hem zoude weezen. Vleyende zich dan met
een geloof dat de Goden zich voor zynen zoons
zoon verklaaren zouden, beval hy deszelfs Op-
ziener dat hy den jongen Tiberius \'s mórgens
heel vroeg by hem brengen zou. Maar de uyt-
werking beantwoordde zyne hoope niet: want
hebbende zo dra het dag wierdt aan Evodus be-
laft, dat hy zoud uytgaan om dien van de twee
Prinfen die eerft gekomen was by hem te bren-
gen, vóndt die den jongen Tiberius niet j door-
dien deez met het ontbyt dat wat laat was klaar
geweeft,zich hadopgehouden.Maar Kajus ftondt
voor de deur der kamerj en Evodus die Van des
Keyzers mcening niets wift, zeyde tót hem dat
dc Keyzer na hem vraagde ; waarop hy binnen
tradt. Tiberius hem ziende, bemerkte toen dat
de Goden hem niet toelieten de beftrhikking van
\'tRyk te hebben, gelyk hy gewenfcht had, en
dat hun voorneemen tegen\'t zyne aanliep. Maar
hoe zeer dit hem ook ipeet,echter ging hem \'t
ongeluk van zynen zoons zoon nóg meer ter har-
te, om dat \'er nier alleenlyk geen hoope voor hem
overbleef van zynen naazaat te worden , maar
dat hy gevaar van zyn leeven liep j naardien men
gemaklyk kon oordeelen, dat dc nimaagfchap
niet magtig zou zyn hem \'t zelve te doen behou-
den , indien Kajus meefter wierd; omdat de Op-
permagt geenen deelgenootlydt,endatdenieu-
we Keyzer zich niet verzekerd houdende zo lang
de jonge Tiberius in de werreld was, niet laaten
zou na middelen te zoeken om zich van hem te
ontflaan. Want Tiberius maakte veel wcrks van
de ftarrewaarzcggery, en had geduurende zyn
ganfche leeven zulk een groot geloof aan die
konft geflagen, dat zy hem in zyné meefte ver-
richtingen tót eenen regel diende j zulks dathy
Galba eens ziende aankomen, tót eenigen zyner
voornaamfte vrinden zeyde : â Die man dien
3, gy daar ziet zal nóg Keyzer worden. En de-
wyl hy op verfcheydene voorvallen zyne voor-
zeggingen bewaarheyd had gezien, heeft nooit
eenig ander Keyzer zo veel gelopfs daarop ge-
fteld dan hy. Weshalve dit geval dat Kajus eerft
by hem gekomen was, hem zo bedroefde, dat
hy den jongen Tiberius reeds als dood aanmerk-:
te , cn zichzelven befchuldigde dat hy zo be-
eecrig geweeft was om de wille der Goden te
weeten door dit voorteken, \'t welk hem groot
hartzeer veroorzaakte, omdat het liem \'t verlies
aankondigde van iemand dien hy allerniecft be-
minde j daar hy anders geruft mogt gefturven
hebben, indien zyne nicuwsgierigheyd hem met
aangedreeven had om toekomende dingen te
doorfnuft^elcn. Onder deezc groote ontroerd-
heyd waarin hy was, om dat hy zag dat het Key-
zerryk tegen zyn voorneemen in handen van
iemand , dicn\'hy niet tót zynen naazaat ge-
fchikt had, ftond te vallen, het hy niet naa,
hoewel met v^\'driet, aldus tót Kajus te fpree-
ken: â Myn zoon , alhoewel Tiberius my na-
der is dan gy, echter zal ik niet laaten door
myne eygene keur , en om my naar de wil-
le der Goden te fchikken , het Roomfche
Ryk aan u op te draagen. Dóch ik bid u nooit
die weldaad te vergeeten , dat ik u tót dee-
zen oppertrap van moogendhcyd verheven
hebbe, maar dat gy\'er blyken Van geeft door â
Tiberius te begunftigen. Dit is \'t grootfte â
bewys dat gy my van uwe erkentelykheyd â
wegens dien grooten dienft, welken gy naaft â
de Goden aan my verfchuldigd zyt, zoudt â
konnen geeven. En behalve dat de Natuur â
u verpligt om eenen perfoon , die u zo nâ â
beftaat, te beminnen , zo behoort gy zyn â
leeven aan te\'merken als één der ftylen van
uw ryk j in plaats dat zyn dood voor u
een begin van ongelukken zou zyn ; door-
dien \'t gevaarlyk voor Vórften is geene â
maagen te hebben , en dat zodaanige die ,,
niet fchroomen de Goden te beleedigen , â
door de wetten der Natuure te fchenden, â
hunne rechtvaerdige wraak niet zullen kon- â
nen ontvlieden". Dit was het laatfte gefprék
van Tiberius 5 en Kajus liet niet naa alles tc
belooven , hoewel zonder voorneemen om
het te houden: want zo dra als hy zich mees-
ter zag , deed hy den jongen Tiberius om-
brengen, gelyk zyn grootvader voorzien had,
en hy zelf wierdt eenige jaaren daarnaa ver-
moord.
Maar om weder tót Tiberius te komen, hy
leefde maar weynig dagen naa dat hy Kajus
tót zynen nazaat benoemd had j hebbende
twéëntwintig jaaren Vyf maanden en drie da-
gen geregeerd; Het gerucht van den dood
van deezen Vórft baarde zeer^groote blyd-
fchap te Rome > maar men durfde geen geloof
daaraan flaan , omdat hoe meer ruen\'er na
verlangde , men zo veel te meer vreesde dat
die tyding niet waar was : en indien ze on^
waar geweeft, was , zou men zich in gevaar
van zyn leeven gefteld hebben , indien men
\'cr vreugde over had laaten blyken î zo zeer
vreesde men voor de aanbrengers onder de
regeeringe van Tiberius , die de Raadshee-
ren erger gehandeld had dan ooit iemand an^
ders voor hem ; want hy : was zo oplappend,
zp onverbiddelyk , en zo wreed , dat hy
iemand haatte zonder oorzaak , en eenen on-
rechtvaerdigen dood maar als een ligte ftraft\'è
aanmerkte,, Maar Marfyas kon niet laaten
met alle fpoed na. zynen\' meefter te loopen
om hem bericht hieraf te geeven. Hy v^ndt
hem gereed om zich te baden , en genaderd
.zynde zeyder.hy tót hem in \'t Hebreews-
De leeuw is dood. Het viel Agrippa niet
,zwaar te begrypen wat dit. zeggen wilde 5
zo dat hy zeer verblyd daarop antwoordde :
Hoe zal ik de dienften welke gy my bewee- â
zen hebt genoeg konnen erkennen , inzon- â
derheyd deeze dat gy my zulk een goede â
tyding brengt,, indienze maar waar i$ \'\' ?
Bevélhebber .die Agrippa bewaarde bemerkt
hebbende met welken y Ver Marfyas aanquam
en hoedaanig een vreugde Agrippa had laai
ten blyken op t gene hf m geboodfchap AVas,
kon gemaklyk daaruyt. befluyten dat \'er ieti
yan belang moft voorgevallen zyn, en verzócht
der-
)>
3)
J>
ï>
f f
FL AVI US J
derhalve dät zy hem Ãêggeu wilden wat het
was. In \'t eerft maakten zy \'er eenige zwaarig*
heyd vän 5 maar hy drong zö hard aan, dat
eyndelyk Agrippa , dié rèêds al eenige vrind-
fchap mee hem gemaakt had, niet laaten kon het
hem te zeggen. Daarop wenfchte die Hoofd-
man hem geluk , en rechtte een gaftmaal aan
om zyne blydfchap té betoonen. Maar terwyl
zy goede cier maakten, cn eens om dronken,
quam \'er een gerucht dat Tiberius niet doöd
was, en dat hy haaft te Rome zou komen.
Deeze onverwachte maarê verbaafdê den Be-
vélhebber indiervoege, omdat hy vreefde dat
het zyn hoofdgelden zoude, dus Vrolyk te zyn
met eenen gevangen dien hy in bewaaringe
had , in certen tyd wanneer men meende dat
de Keyzer gefturven was, dat hy hem van het
tafelbed ftiet, en tót hem zèyde: â Meent gy
j, dat ik ongemerkt zal dulden dat gy my door
â deeze valfche tyding van \'s Keyzers dood
j, dus bedroogen hebt j en dat dit verdichtfel
â U \'t Ieeven niet kóften zal ? Dit gezegt heb-
bende beval hy dat men hém dien hy dc kluy-
fters had afgedaan, weer zoude boeijen, en
naauwer bcWaaren dan te Voore. In dèeze be-
kommerdheyd bragt Agrippa dea ganfcheïi
nacht oVer maar den vólgenden dag cwyfeldt
men niet meer aan \'s Keyzers dood j want
elk fprak \'er opentlyk van, en fommige deeden
offeranden om hunne blydfchap tê betoonen.
Ter zelfder tyd quamen \'er twee brieven van
Kajus, de ééne aan den Raad, waarin hy hen
kennis gaf Van Tiberius dood, en dat hy hem
tót zynen naazaat verkooren had 5 en de andere
aan den Stadvoogd PifO, die\'t zelfde behelfde
én hem beval Agrippa üyt de geVaiigenis te ont-
flaan j en hem weder nä huys te laaten keeren.
Aldus bevondt hy zich väh Vteeze ontflagen >
en hoewel hy nóg döör ëetie wächt bewaard
wierdt, echter lééfde hy zo als hy zelf wilde.
Kort daarnaa qü^fii Kajus te Rome, hebbendé
het lyk van Tibefiüs daar ook laaten brengen,
het welk hyi vólgens de gewoontedcf Romey-
nefi, mét een prachtige lykfttaffi vereerde.
Hy wilde Agrippa dién zelfden dag in vólkö\'-
mene vryheyd gefteld hebben ⢠inaär Antoiïia
faadde hem daarmede ftóg wat te vertoeven,
niet dat het haar aart gênêegenhcyd jegens héth
mangelde, maar ömdät zy achtte datdicfchie\'-
lyke verandering tègch de wêlvoegelykheyd zóü
ftryden, doordien men zich Zo niet kon haas^
ten oin de vryheyd aan iemand te geeven die
door Tibei\'ius in banden gehouden waS, ^bü-
der eenen haat tegens zyrie gedacftténis te bè-
töOnen. Dóch weynig dagen daarnaa ontboOdt
Kajus hem , én beval hem niê£ allcérilyk zyri
haair te laaten feheeren, maar Zeftêde hem de
kroon op \'t hoofd, maakte hem K^^ning Van
\'c Vicrvórfteridom dat Fiiippus bczéten had,
en voegde d\'er dat vari Lyfanias by, Vooi^ts
lil\'-^,.
U - r
te als de yzere die hy gedraageri had, en Zondt
daarnaa Marullus tót oVerftc der ruytcrv ria
Judéa. ^ /
In het tweede jaar van Kajus regeeringe ver-
zócht Agrippa dat hy hem wilde toelaaten na
xvm. BoÃk,
zyn ryk te gaan om op alles órde te ftellen,
met belófte van daarnaa weder te komen : dit
wierdt hem toegeftaan. Aldus zag men tegen
alle fchynbaarheyd dien Vórft met de kroon op
\'ü hoofd wederkomen : en dit was een door-
luchtig voorbeeld van dc magt der Fórtuyne,
Voornaamelyk als men zyne Verlcedene elende
by zyn tegenwoordig geluk vergeleek. Voorts
verfchafte het aan fommigen ftóffe om zich
over de ftandvaftigheyd zyner hoope te ver-
wonderen , terwyl andere naauwlyks gelooven
konden \'t gene zy met hunne eygene oogen aan-
fchouwden.
IX. HOOFDSTUK.
Herbdias gémaaîin vaft den Viervórft Hcrödes , en züfter vaïi dea
Koning Agrippa, niêt konnende de voorfpoed hà ars broeders in-
Icnikken, dwingt haaren naan na Rorne tc gaan , orri ook éenâ
kroon te verzoeken, maar Agripfja tegen hem aan den ïvéYZ,ct
Kajus gefchreeven hebbende , zendt die hem met zyn gemaaliö
na Lions in baliingfchap.
H\'
788.
»
35
99
5>
3>
J5
5>
3>
JJ
»
»
Erodias Züftér van den nieuwen Koning
Agrippa , en gemaalin van Herodes den
Viervórft van Galiléa cn Peréa, kon die voor*
Ipoed van haaren broeder, Waardoor hy boven
haarên gemaal verheven was, niet zonder nyd
aanfthoüwen. Zy brandde van fpyt, ziende
dat hy, die genoodzaakt was geweeft zyne toe-
vlugt by hen te zoeken, omdat hy geene mid-
delen had om zyne fchulden te betaalen, dus mee
eere tn roem was wedergekeerd. Zulk een
groote verandering van zynen ftaat was haar on-
draagelyk, inzonderheyd wanneer zy hem met
een koninglyk gewaad gekleed in\'t midden van
het vólk zag heene treeden. Dus niet konnen*.
dc den fpyt, die haar onophoudelyk het haft
doorknaagde, ontveynzen, drong zy haaren ge-
maal geftadiglyk aan, zich na Rome te begeeven j
om ook diergelyk een ccre te verwerven, zeg*
gende â dat zy niet langer Icêven kón, indien
Agfippa die ftiaar een zoon Van Ariftobulus
wasv ^^elke door laft van zynen vader was om-
gebragt , en dié genoodzaakt was geweeft om
te vlugten uyt onvetmoogén van zyne fchul-
deri tê betaalen , eene kroon zou draagen j
tërwyl hyli die eens Konings zoon was^ en ,,
van alle zyneöiiagenderykftaftoegewenfcht â
wierdt, niet ria diergelyk een gloori ftondt,
en te vreede was een gering leeven te leyden.
Indien gy , zeyde Ze , u tóthiertoe hebt â
k-onnen vergenoegen met een kleyner ftaat â
dan die van uwen vader was , zo begin ten ,,
ölinften nü te ftaan na eene eere die u door
uwe hooge geboorte toekomt: Toon u niet
minder dan-iémand dien gy voor deezen ge-
voed hebtjnóch wees zo lafhartig5dat gy onder
den overvloed van goederen die gy bezit, niet
traéhten zoudt het zelfde te verwerven, dat
hy verkreegen heeft toen hy in zulken nood
was dat hem alles ontbrak. Schaam u ach- â
ter hem te gaan die eens in zodaanigen ftaat â
was dat hy zonder u niet leeven kon. Laat
ons na Rome trekken, en tót dien eynde
nóch moeite nóch kóften fpaaren, omdat hec
minder vermaak is fchatten re bewaaren, dan
die tót het verkrygen van een Koningryk te
befteeden.
Over-
FLA VI US T Ã S Ã P H U a
HE H 1 S T O R I
Deeze nieuweKeyzer regeerde in de twee eerfte 789
jaaren zeer wel, en won daardoor de geneegen.^
heyd der Romeynen, en andere vólken onder
zyne heerfchappye. Maar die groote magt
waartoe hy zich verheven zag, maakte hem zo
opgeblaazen, dat hy vergat dat hy maar een
menfch was jen zyne dwaasheyd fteeg zo hoog,
dat hy beftondt lafteringen tegen Gód uyt te
braaken, en zichzelven gódlyke eere aan te
maatigen. .
IC H O CTFDTT U K.
Twirt tulTchen de Tooden cn Grieken van Alexandrië: zy dóen eene
bezending aan den Keyzer Kajus, zynde Philohet hoofd vanhet
gezantfchap der Jooden.
O Vermids te Alexandrië een groote twift 7po.
tuftchen de Jooden en de Grieken ont-
ftondt, zonden zy van wederzyde drie Gezan^
ten aan Kajus, waarvan Tèi/o en Apm dë voor-
naamfte waaren. A pion befchuldigde de Joo-
den wegens veele zaaken j en voornaamelyk
dat dewyl \'ér in den ganfchen omkreyts van
\'t Roomfche gebied niet ééne plaats was, daaf
men geene Tempelen en altaaren ter éere van
den Keyzer ftichtte, en heiü als eene Gód
eerde, de Jooden alleen hein die eere weyger-
den, en niet by zynen naam wilden zweercn -
waarby hy alles Voegde ^t welk hy dacht dat Ka-
J^s nóg te meer zou konnen vertoornen. Toen
Philo, broeder van Alexander den Alabai-cha,
verdienfte, en een voornaam
l:^iloloof, zich bereydde om voor de Jooden
te antwoorden, beval Kajus hem te verrekken\'
en wierdt op hem vertoornd, dat indien hv
met Ipoedig gehoorzaamd had, hem buvten
twyfel erger bejégening zoude wedervaaren
zyn. Philo zich toen na de Jooden, die hem
verzelden, keerende, zeyde tót hen: â Wy moe-
ten goeden moed houden 5 want nu de Key-
zer zo op ons vertoornd is, zal Gód niet"
laaten ons gunftig te zyn. "
XI. H ö~o
Kajus beveelt Petronius den Landvoogd van Syrië de Tooden door de
wapenen te dwingen dat zy zyn beeld in den Tempel ontvangen:
Maar Petronius door hunne gebeden bewoogen fchryft voor hen
aan den Keyzer.
l^Eeze verwaande Vórft niet konnende
â¢*-^den dat de Jooden alléén zouden weyge-
ren hem te gehoorzaamen, zondt Petronius na
Syrië om aldaar Landvoogd te zyn in plaats van
Vitellius, met bevél van gewapenderhand in
Judéa te trekken, zyn beeld in den Tempel
van Jerufalem te ftellen, indien dejooden het
vrywilhg toeftonden j en hen te beoorlogen en
met geweld daartoe te dwingen, indien zy
\'t weygerden. Zo dra Petronius in Syrië aan-
gekomen was, verzamelde hy alle de hulptroe-
pen, en die by de twee Roomfche keurbenden
gevoegd hebbende, nam hy zyne winterlége-
ring tè Ptolemaïs: met voorneemen van den
oorlóg te beginnen , zó dra de lente zou ee-
komen zyn. Ondertuffchen zondt hy bericht
daaraf aan den Keyzer, die zyne vlyt prees
en! hem beval niet af te laaten met de jooden tc
beoorlogen, tótdat hy hunne trótsheyd pe
dempt zoud hebben. - &
OndertuflTchen gingen veele duyzenden Too,
den na Pwlewais, om Petronms te feidden datTy
tien nieu wilüe Owingen iets tc doen dat tcgcni
^ ^ ^ hunne
xviil. BOEK.- J Ã O. D S C
Overmids Herodes de ruft beminde, en\'t
Roomfche Hóf mistrouwde, deed hy alles wat
hy kon om zyner gemaalinne die gedachten uyt
het hoofd te praaten: maar hoe meer hy het
tegenftond, des te meer drong zy aan j want
de begeerte tót een koningryk had haar zo in-
genomen, dat zy niets achterwege liet om daar-
toe te geraaken./ Hierom quelde zy hem zo,
dat hy haaren overlaft niet langer wederftaan
konde 5 invoege dat zy zyne toeftemming
eerder afdwong dan verwierf i waarop zy beyde
meteenen prachtigen toeftel na Rome reyfdenv
Zo dra had Agrippa geen bericht hieraf bekomen,
óf hy zondt Fortmatus, éénen zynet vry-
gemaakten, met gefchenken, en brieven tegen
Herodes, aan den Keyzer, met laft om als \'t
de gelegenheyd medebragt breeder over die zaak
tót hem mondeling te fpreeken. Fortunatus had
zulken gunftigen wind, dat hy ontrent zo dra
te Puteoh aanquam als Herodes, en Kajus was
toen te Baje, een kleyne ftad in Kampanië, al-
waar veele prachtige paleyzen gefticht zyn door
de Keyzers j die getracht hebben elk den an-
deren \'in heerlykheyd te overtreffen , zynde
daartoe genoodigd door de warme bronnen en
baden, die niet minder vermaakelyk dan dien-
ftig tót de gezondheyd zyn. Naa dat Herodes
zyne phgtpleeging by den Keyzer afgelegd had,
boodt For;unatus hem de brieven van Agrip-
pa aan. Hy las die terftondt, en vondt Hero-
des daarin befchuldigd, dat hy met Sejanusin
een eedverwantfchap tegen Tiberius getreeden
was j en dat hy nu Artabanus , den Koning
der Parthen, tegen Kajus begunftigde, waarvan
men geen ander bewys behoefde dan dat zyne
wapenhuy zenmet geweer voor zeventigduyzend
mannen voorzien waaren. De Keyzer hierover
ontroerd, vraagde Herodes óPt waar was, dat hy
zulk een groote voorraadvan wapenen had: en
hy daarop Ja antwoordende,dewyl hy \'tniet ont-
kennen kon, oordeelde Kajus dat het een ge-
noegzaam bewys van zyn verraad was: dies
ontnam hy hem zyn Viervórftendom, \'t welk
hy aan Agrippis Ryk voegde, verklaarde alle
zyne gelden verbeurd, welke hy ook aan Agrippa
fehonk, en veroordeelde hem tór een eeuwige
baUingfchap na de ftad Lions in Gallië. Maar
verftaande dat Herodias Agrippas zufter was, liet
hy haar die gelden behouden die haar in \'t byzon-
der toequamen, meenende dat zy niet met haaren
man in zynen ftaat van ongunfte zoude willen
trekken j en hy zeyde tót haar dat hy \'t haar
vergaf uyt inzigte van haaren broeder. Deeze
grootmoedige Vórftin antwoordde daarop: â Gy
â handelt, Heer Keyzer, op eene wyze u be-
taamende , dat gy my deeze gunft doet j
55 maar de liefde jegens mynen gemaal laat my
5s niet roe die aan te neemen: Nademaal ik
â deel aan zyne voorfpoed gehad hebbe, is
â \'t niet billyk dat ik hem in zyne tegenfpoed
5, verlaate. Deeze hooghartigheyd in eene
vrouw voor Kajus ondraagelyk zynde , ver-
zondt hy haar nevens haren man in baUing-
fchap, en gaf alle hunne goederen aan Agrip-
pa. Aldus ftrafte Gód Herodias over haare
benydmg van haars broeders geluk, en Hero-
des over zyne invólging van haaren raad.^
Hl
li
hunne Gódsdienft ftreedt, en zeyden dätindien
hy enkelyk voorgenomen had des Keyzers beeld
in hunnen Tempel te zetten,hy dan een begin
daarvan moft maaken met hen alle te dooden j
omdat zy, zo lang ze leefden, niet toelaaten
zouden dat hunne wetten, die zy van hunnen
Wetgeever ontvangen, en welke hunne voor-
vaders federd zo veele eeuwen onderhóuden
hadden, gefchonden wierden. â Uwe rédenen,
â antwoordde Petronius, zouden my konnen
â beweegen, indien de Keyzer zich door my-
nen raad liet beftieren : maar ik moet hem
gehoorzaamen, óf ik zou gevaar loopen van
in myn verderf te vallen Indien gy dan
vaftelyk beflooten hebt, 6 Petronius, ant-
woordden de Jooden, om des Keyzers be-
vélen met kracht uyt te voeren, wy hebben
niet minder een befluyt genomen van onze
wetten niet te overtreeden, maar de deugd
onzer väderen naa te vólgen, en alleenlyk
â óp Góds hulpe te vertrouwen. Want kon-
â nen wy wel zonder gódloosheyt de behou-
â denis van ons leeven ft;ellen boyen de ge-
5, hoorzaamheyd welke wy hem fchuldig zyn j
s, en behooren wy niet alle gevaaren te ver-
3, achten , om onze heylige Godsdienft voor te
5, ftaan,? Dewyl Gód weet dat het alleenlyk is
â om hem zyne fchuldige eere te geeven, dat wy
â gereed zyn alles te wagen , konnen wy niet
â anders dan op zyne byftand hoopen. Wat
99 ons ook zou moogen overkomen, waare\'t
de dood zelf, \'t zal óns draagelykef val- ,,
len, dan de fchande en \'t verdriet dat wy
door een lafhartige gehoorzaamheyt, en ,,
door dè övertfeeding ónzer wetten. Góds ,,
grafflfdhap over ons zouden haaien, welke
wy, gelyk gy zelf wel kont oordeelen, meer ,,
behooren te ontzien dan die des Keyzerg. â
Petronius uyt dit vertoog wel bemerkend
dat \'er geen hoope voor hem was om de gezet-
heyd der Jooden te overwimten , en dat hy
noodzaakelyk tôt de wapenen zoü moeten ko-
men , en yeel blÅds vergieten, eer hy dat beeld
in den Tempel zou konnen Zetten, ging ösi
Tiberias, terzcld alleenlyk van zyne vrinden
en huysgenóoten, om wanneer hy wat nad^
gekoömen zoude zyn, beter van den ftaat det
zaaken te können oordeelen De Jooden als-
toen , niét onkundig vm het gevaar dat he»
dreygde, maar nóg meer voör ée ovércrÅding
hunner wetten fchroomende, quamen in zee«
Trooten getale te Tiberias by hem, om hem te
)idden dathy hen niet tót wanhoop wilde bren*
gen, door een beeld in hunnen Tempel te zet-
ten , \'t welk tót ontheyliginge daarvan dienen
zoude. â Zyt gy dan van voorneemen, zeyd â
hy, eenen oorlóg tegen den Keyzer aan te â
vangen, zonder zyne magt, en uwe zwak-,,
heyt aan te merken "?Wy zullen de wâpenen â
niet opneemen, was hun antwoord j maar â
wy zullen cef(kr fterven dan onze wetten â
övertfeéto; tn dssaiop ter aarde Tailenëe, â
ftrekten zy bunne halzen uyt, en gaven te ken-
Bcn ^iat zy bereyd waaren om den dood fe ly-.
den. In deezen ftaat bleef het veertig dagen
en geduurende dien tyd bemoeiden de Jo&en
zich niet met den alÃkerbouw, alhoewel het
toen de tyd was omhet land tebezaaijen : wanc
55y hadden vaftelyk beflooten eer te fterven,
dan het beeld aan te neemen.
De zaaken, in dien ftand zynde, quam Arifto^
bite s broedef van den Koning Agrippa, ver-
zeld van toegenaanid den Grooten, ne-
vens de voornaamfte van dat Huys, ende aan-
zienlvkfte onder de Jooden, by Petronius, om
hem te verzoeken dat hy wilde aanmerken dat
het befluyt van dat vólk onbuygelyk was, ea
dat hy hen niet tót wanhoop behoorde te bren-
gen, maar eerder aan den Keyzer fèhryven dat
zy geene gedachten hadden van temtryten j dat
zy alleenlyk uyt vreeze van hunne wetten te
vangen
XVIII. BOÃK. JOODSC
vangen i dat zy zelfs den landbouw geftaakt
hadden, en indien de akkers onbezaaid bleeven,
men van alle . kanten niet dan rooveryen zou
zien j en dat zy dan geene middelen zouden
hebben om fchatting aan den Keyzer te be-
taalen. Dat die Yorft moogelyk door deeze
redenen zou bewoogen worden, om het niet
tót het uytterfte te laaten kómen, tegens een vólk
dat. ganfch geen voorneemen had van tegen hem
pp te ftaan 5 óf dat indien hy vaft by zyn be-
fluyt bleef,, niets alsdan het aanvangen van
eenen oorlóg zou konnen verhinderen.
Naa dat Ariftobulus aldus met grooten naa-
druk gefprooken had j gevoelde Petronius zich
zo bewoogen door de aanmerking van dien voor-
fpraak en van zo veele andere perfoonen van aan-
zien , door het gewigt der zaake, door de onvcr-
winnelyke ftandvaftigheyd der Jooden, en door
de groote onbillykheyd die het zyn zoude zulk
een menigte van menfchen te vernielen om Kajus
zótterny in te vólgen, dat de vrees van Gód te
vertoornen, en nooit een geruft gemoed te heb-
ben indien hy zyn geweeten dus quetfte, hem
deed befluyten aan den Keyzer te fchryven,
om hem de zwaarigheyd die \'er in \'t uytvoeren
\'zyner bevélen ftak voor te houden, alhoewel
hy wift dat het hem zo verwoed zou maaken
als men niet opftaandevoet zyne bevélen
gehoorzaamde, dat -er niet als het uyterfte ge-
vaar, voor hem te verwachten was. Maar hy
dacht by zichzelven dat indien hy den Keyzer
niet puygen kon, en dat hy in plaats van hem van
voorngemen te doen veranderen , zyne gram-
fchap op zich haalde, het echter de pligt eens
Vroomen mans was, zyn leeven niet te ontzien
om dat yan een groot vólk te behouden.
Naa dat hy dan dit befluyt genoomen had,
.ontböodt hy ; de Jooden te Til)erias , en wan-
neer zy daar mêt Veele duyzenden byeenge-
komen waaren, fprak hy heiiialdus aan: â Het
jr is niet door myne eygene beweeging dat 4k
5, zo veel krygsvólks byeen gebragt hebbe: maar
55 ik ben genoodzaakt my te fc likken naar -t
5, bevél Van den Keyzer, wiens magt zo groot
en zo volftrekt is, dat men niet zonder ge-
vaar zou konnen uyt ftellen hem te gehoor-
zaamen : en ik ben \'er te meer toe verpligt,
om dat hy my tót zulken hoogen trap van
waardigheyd verheeven heeft. Niettemin
dewyl ik uwen-yver voor deonderhouding
uwer wetten niet kan laaken, nóch ook het
voorneemen der Vórften om Góds Tempel
te ontheyhgen, goedkeuren, zo wil ik uwe
behoudenis boven myne eygene zekerheyd
en welvaart ftellen. Ik zal dan aan den Key-
zer fchryven, en hem uwe rédenen cn inzig-
ten voorhouden, zonder iets te vergeeten dat
aan my zou moogen ftaan, om hem tót .be-
williginge daarvan te overreeden. Het hé-
lieve Gode, wiens magt zo hoog boven die
der menfchen verheven is, my by te (|:aan,
door uwe Gódsdienft in haar geheel te hand-
haaven, en den Keyzer niet te ftraffen we-^
gens de zonde die zyne eèrzucb^ henj doet
begaan. En indien hy over myn fchryven,
zo vertoornd zoude worden dat hy^^yn^
gramlchap tegen my : wendt,
3>
5)
53
J>
33
33
33
33
3>
»
33
J>
J3
33
33
33
33
3»
HE HISTORI. 43^
getrooften wat hy my zou moogen aandoen, â
al waare \'t ook het vedies van myn leeven, als â
ik maar zo een groote menigte vólks, het
welk niets gedaan heeft dan \'t gene recht en \'â
pryslyk is, niet zie fneuvelen. Gaat dan ^â
alle weder na huys, en begint uwe akkers ,,
te bouwen want ïk neem op my gezanten â
na Rome te zenden, en u met al myn vermoo- â
gen ,zo door my zelvcn ,als door myne vrinden ,â
by te ftaan ". Gód vertoefde niet met te too-
nen hoe zeer hem het beleyd van deezen wyzen
Landvoogd behaagde, en hy lict niet naa aan
die ganfche byeenkomft een zigtbaar blyk van
zyne byftand te geeven: want naauwlyks
had Petronius zyne vermaaning aan de Jooden
om moed te fcheppen, en hunne akkers te bou-
wen , geëyndigd, óf daar viel by een heldere
lucht een zwaare flagregen, tegen alle ver-
wachtinge, in die groote droogte welke men
toen had, naa dat men menigmaal was bedroo-
gen geweeft wanneer het fcheen als óf de he-
mel betrok en zich tót regen fchikte. Dit deed
de Jooden gelooven dat de dienft die de Land-
voogd hen beloofd had niet te vergeefs zoude
zyn: en Petronius zelfs wierdt door dit won-
dertéken zo bewoogen, dat hy niet twyfelde
óf Gód droeg zórg voor \'t Joodfche vólk. Hy
vcrzuymde dan niet aan den Keyzer te fchry-
ven, en hem te .raaden dat hy niet zou trach-
ten ccn vólk, dat niet dan door eenen bloedigen
oorlóg tót het verlaaten zyner Gódsdienft kon
gedwongen wórden, tót wanhoop en ondergang
te brengen : maar dathy moft naadenken van wat
groote inkomften hy zich door dat middel zou
berooven., en hoedaahig een vloek hy daardoor
voor altoos op zich haaien zoude: waarby hy voeg-
de dat Gód door openbaare tékenen zytie magt,
en hoe dierbaar dat vólkhêm was, getoónd had.
^ Ondertuflbhen rechtte de Koning Agrippa,
die toen te Rome was , en zich meer en meer
in \'s Keyzers gunfte vvikkelde, zulk een prach-
tig gaftmaal aan, dat herin kóftelykheyt, toe-
ftel , en allerley keurlyke gerechten, alle andere,
ja zelfs dic van den Keyzer overtrof, om zich
daardoor by dien Vórft aangenaam te maaken.
Kajus vet\'fleld . over zodaanig een pracht, en
ziende.dat Agrippa, om hem te behagen, niet
fchroomde kóftén boven zyn Vermoogen te
doen, wilde hem in edelmoedigheyd niet Wy-
ken: :weshalvé hy onder den goede cier, toen
de drank, hem tót vrolyklieyd begon te verwek-
ken , tót Agrippa, die hem toedronk, zeyde:
â\'t Is heden niet eerft dat ik uwe geneegen-
heyd bemerke: gy hebt \'er my, niet zOnder â
gev^aar:, al by \'t leeven van Tiberius blyken â
van: gegeeyén j en ik zie dat gy niets achter- â
wege laat om my die nu nóg te betoonen. â
Dewyl -t; my dan eene fchande zou zyn, dat â
â ik my dooriuliet voorbyftreeven, zo wil ik â
het gene: waarin ik tóthiertoe tc kort geko-,
men ben verbéteren ,;en myne voorige mild- "
heden zo= vergrooten^ Sdac uw geluk verre "
zal te hoven gaan \'r M^^^^ tegenwoordig "
bezit, ^is^s tot hem fpreekende twyflck
met of .hyrfkoud eenige grooteHandeTyii;, óf
de inkomften vaneenigefteden,van hem eVchen:
maar Agrippa , die zich van te voWe if he-
li i 2 reyd
J O S E P H U ? XVlil. B O E ÃC.
en hoedaanigc rédenen daar ook mogten zyn, maar
rekende \'tzich tót roem dathy zich door zyne
oploopende drift vervoeren het. Hy fchreef
dan zonder uytftel deezen vólgenden brief aan
Petroniüs:âNadcmaalgydc gefchenken der
Jooden meer geadit hebt dan mynebevél^,
en niet gefchroomd hebt my Ongdioorzaam
te zyn om hen te behaagen, zo wil ik dat gy
zelf uw rechter zyt van de ftraffe die gy ver-
diend hebt, door myne gramfchap over ute
haaien; en dat uw voorbeeld aen dc tegen-
woordige eeuw en aan de toekomendetoone â
wat ccrbicdigheyt men aan de bevélen der â
Keyzeren fchuldig zy Vermids deeze brief,
die eerder een doodvonnis dan een brief was,
door de langduutige reyze der gener die \'er de
brengers van waaren, niet tydelykbefteld wierd }
had Petronius dé tyding \\\'an Kajus dood al
verftaa« , eer men hem dien behandigde : \'t
welk toonde dat Gód niet onindachtig was van
\'t gevaar waarin hy zich t\'zyner eere, en om de
behoudenis des Joodfchen volks , gefteld had,
doende alzo dc uytwerking zynér gramfchap
zien tegen dien gódloozen Keyzer die zich een
gódlyke eere had durven aanmaatigen. Door
deeze edelmoedigé daad verkreeg Petronius niet
alleen een groote aéhting by alle de landfehap-
pen onder \'t Keyzerryk behoorende, maar ook
jy alle de Romeynen, cn inzonderheyd by de
Raadsheeren welke deeze fnoode Vórft ge-
woon was te plaagen. Ik zal tc zyner plaatfe
de oorzaak der tzamenzweeringe tegen hem y
en hoe ze uytgevoerd wierdt, verhaalen: zul-
lende hier alléenlyk zeggen, dat Petronius dicA
eerften dreygende brief i die hem laaft behandigd
wierdt, ontvangen hebbende, zich niet genoeg
verwondércA kon over de zonderlinge voorzie-
nigheyd Góds j die zyne eerbiedigheyd jegens
den Tempel, en de byftand welke hy den Joödeft
verleend had, zo fpoediglyk beloonde. \'
XIL H O Q F D S T U K.
Tvvee Jeodéa, AfineUs en Anïlcus , gebroeders, i en van g^ingen
,. ft^at\',maakeq z.ickz.0 magtjgby die van ^b)loni.ë,dat zy den Parthen
" vrérk geeven. Hun \'bedryf, ep dsod. De Griekefi en Syrié\'rm
S^leucië woonende , fj)annen tegen de Jooden aan, en brengen
- ..yyftrg duyMnd van wanneef zy.iii^s Qiistrouwdep.. .
V t
p Jooden die : in Mefopotamië woonden ^
⢠dóch voornaamelyk die van Babilonië
vielen te\'dien tyde onder zwaarder rampen,,
dan zy oOit in de voorgaaiideeeuwen beproefd
hadden: ^cn dewyl ik deeze ftóffe naauwkeurig-
lyfcifiiöcn te verhandelen , zal ik genoodzaakt
zyft ^en eerften oorfprong daarvan op ha^-
lën^ln Babilonië is ccneftadti genoemdfHéa^
landsdouw zo vruchtbaar is i- da^
: s^V i hoewel Zèeevélkrvk, echter alle. haare ii?,-
i wooners kan voeden: daarenboven, heeft^y/t
: voortkclvanvoonekn i^nloop der vyanden:mei:
\' blöot\'fö ftaan, -omdat zy behalve haare .fterke
vë-ftingèn^, nóg â omtringd is. v^n den Eufraat s
afan wlken ook een® andere ftad gehelen Nift.
bisgèlégén is. :P^Jöoden v ftbunende op de fterk.-
I tëdiértW^pta^^^^^^^^aïdenaldaardeDidiraclji.
! mé^, ^l^tg^ld dat GodeV\'vólgensde gewoonte
I toegewiyd ,.vaiiy der Jood betaal^
^ Wérd ^ en ondej?ebn groot gckyde » uyt vreeze d^t
Wit hy \'wi® iZtch: nietrcq\'-^atigei» fer-aifidè^s dèordéParthcni, oii^er welker gebied
£ ^ y i \' \' Babi-
FL/AVILJS
reyd Jiad pm een andere gimft te begeeren
nu deeze gelegenheyd ppize te verwerven zich
niet wilde laaten onfflippen , zonder nógtans
te laaten bly ten dat het een voorbedachte zaak
was, antwoordde hem : â Dat toen hy tegen
â t bevél van Tiberius hem aangehangen had,
l>et njet gefchied was met oogmerk van eenig
voordeel, magr alleenlyk uyt eene begeerte
om in^yne gunft te komen, cndat de wel-
.daaden waarmede hy hem geëerd had, zyne
hoope > boe groot die ook mogt geweeft
}} zyn, vew\'e te boven gegaan waaren * Want,
â vervólgde hy, al waare\'t dat gy \'er niy nóg
â grooter. kondet bewyzen, zo hebt gy echter
iy volkomenlyk voldaan ontrent het gene ik
â cvan uwe goedheyd zou können wenfchen.
Kajus ten hoogften verwonderd over zulk een
groote zeedigheyd, drong hem aan om te ey-
fchen wat hy begeerde, zeggende dat hy be-
reyd was \'t ftem toe te ftaan. â Heer, ant-
â woordde- hem Agrippa toen, nademaal gy
3, door uwe groote goedertierenheyd my uwer
5, gunfte waerdig oordeelt, zal ik iets van u ver-
â zoeken \'t welk op geen vermeerdering van my-
â ne goederen opzigt heeft, dewyl uwe mildheyd
j, my in ftaat gefteld heeft dat ik zulks niet be-
hoeve: Maar ik zal u bidden om eene gunftjdie
u eenen grooten naam van gódvruchtigheyd
zal verweryen, die maaken zal dat Gód u gun-
ftig Zy?) én die my voordeeliger zal zyn dan alle
de andere Weldaaden welke gy my reeds be^
weezen hebt. En dit verzoek is dat gy het
bevel\'je welk gy aa^ Petronius gegeeven
hebt óm uw beeld in den Tempel van Jeru-
fakm op te rcchten:^ wilt herroepen. Agrippa
dit fpreekende j was niet onkundig dat het eene
zaak wajs waaraan zyn kéven hing, zich aan te
kanten tegen iets dat de Keyzer bevolen had.
Maar K^jus , wiens gemoed door de pligten
hem van Agrippa beweezen heel bedaard was,
fchaamde zich hem eene gunft te weygeren, en
geen woord te houden, daar alle diepertegen-
woofdig waaten wiften dat hy \'er hem zelf toe
aangedrongen had. Hy verwonderde zich
Qvet zyne edelmoedigheyd j dat hyi- de behou-
denis van de wetten zyns lands, - én den dienft
van den Gód dien hy aanbadt, bóven de ver-
grooting van zyn Ryk, en de verméerdering
zyner inkomfteiï gefteld had; diesftondthy hem
zyn verzoek toe? en fchreef aan Pettanius: Dat
hy wel gedaan bad, mèt de krygsbenden zo
vly tig byeen te verzamelen omzyn betvél naa
te kome?i: öat mdien hy zyn beeld .reeds ia
dea Tem.pel ^gefteld h^d\', hy de zaaken in
die^ ftaat laaten asoude als ze waaren j maar
indien \'f \'er nóg;jrtiee ;W3S i dat hy dan zyn
kryg^vöik jjQuilaaten gaan i eniweder
na SyÃtereai^ iZxmdöJT iets meer te doen ,
â ïïaardico hy den\'|óode»4iegimft [tQ]^eftaari.
,, l^dc om Agrippas wJife;, .dien .hy akie veel:
â bêïtóódeiosia henvktste^weygerfem\'Dit was:
d,? inhj:Hï^=v%zynen>bscie(j; maar zwdmliad hy
i^et ivexfta^in \'dai: de Jiaode" dreygdenrde w^
op jeiaecmert iüéf hy merktêu^ïftoüt-
feen .ondraagelyk befta^ -regen\'
eenen keweldäöientöorft
>j
5»
J»
3J
3)
W
35
S>
51
SÃ.
xviïi: K.
Babilonië alstoen\'ftondt, raogt geroofd wor-
den , na Jerufalem gezonden wierdt. Onder
de Jooden van Nearda waaren twee gebroeders
genaamd Afimus en Anileus, welker vader ge-
fturven zynde , waaren zy van hunne moeder
op \'t weeven befteed;het Welk geen veracht hand-
werk is in dat land,alwaar demannen zich wel met
wolfpinnengeneeren. Zy eens van hunnen mee-
fter geflagen zynde omdat ze al te laat te werk
quamen, konden dien hoon niet verzwelgen;
maar namen al \'t geweer dat zy tót zynent von-
den , en begaven zich na eene plaats alwaar de
rivier zich in twêën fcheydt, zynde een zeer
vruchtbaare oord niet alleenlyk van weyland,
maar van allerley vruchten , inzonderheyd
zulke die men voor den winter bewaart. Eeni-
ge jonge behoeftige quanten voegden zich by
hen , en hebbende zich alle gewapend zo als
zy konden , verftrekten deeze twee broeders
hen tót Hoofdlieden, zo dat niemand zich te-
gen hen verzetten durfde. Thans wierpen zy
eene vefting op, en zenden toen etly ke uyt om
van de inwooners der nabygelégene plaatièn
eene fchatting van vee en andere leevens nood-
druft te eyfchen, met belófte Zo Zy hen daar-
mee verzórgden, dat zy hen tegen alle die hen
wilden beleedigen , befchermen zouden , en
met bedreyginge, zo zy daarin naalaatig waa-
ren , van al hun vee te dooden. Aldus was men
gedwongen te doen \'t gene zy begeerden; en
hun getal van dag tót dag toeneemende, maak-
ten zy zich eyndelyk gevreeld door *t ganfche
land: invoege dat het gerucht daarvan ook tét
Artabanus Koning der Parthen quam. De Stéde-
houder van Babilonië, om het quaad in zyne
geboorte te fmooren, bragt alle de krygsmagt
der Parthen en Babiloniërs, die hy bekomen
kon , byeen , om hen daarmeé te overvallen.
Hy maakte een begin met het moeras te omrin-
gen , en verboodt den zynén verder te gaan,
om dat het des anderen daags Sabbath zy nde, hy
meende dat dejooden zich niet zouden verwee-
ren, maar zich zonder vechten laaten gevangen
neemen. Aftneus, die niets mistrouwende eeni-
ge van de zyne midsgaders hun geweer \'t geen
ze afgeleyd hadden toen by zich hadt, zey de
tót hen: Mannen, ik hooreengebriefchvan
3aerden, niet als van zulke die in de wCyde
oopcn, maar als van ruyters-paerden 3 ook
hoor ik \'t geraas van paerdetuyg, dies vrees ik
dat het vyanden zyn die komen om ons re over-
rompelen : dat men dan iemant uytzond op
kondtfchap, hoewel ik wenfch dat ik in myne
meeninge magbedroogen zyn. Ditgczegdheb-
bende, zondt hy eenige op kondfchap uyt, dié
hembefchcydbragten dat zyn vermoeden niet dan
al te Waar was, dat de vyanden met eengroote
35
5J
35
55
menigte aanquamen, en\'dat het hen met zwaar
zoude zyn hen te overvallen en aan tc grypen op
ecncn ruftdag, wanneer zy door de vaderlyke
wetten belét wierden zich te vCrWeeren. Afincus
in plaats van zich over dit bericht te ontzetten,
zeyde: j» Datzy den vyanden datyoordcel niet
géeven moften van zich zo zonder wederftand
te laaten befpringen en doodftaan: maar dat
zy in tegendeel in zulk een dringend gevaar
hunne moed cn dapperheyd moften töoöefi ,
konde
de wapenen aan , en moedigde de
andere door \'t voorbeeld zyner koenheyd om
desgelyks te döfin. Zo dat Zy van de vyanden,
die zich Van de overwinninge verzekerd hou-
dende achteloos op hen aanquamen, een groo-
te menigte dood, en dc Ãverige op de vlugt
floegen.
De tyding deezer nederlaagc den Koning der
Parthen aangediend zynde, kreeg hy daardoor
zulk een achting voor dit paar broederen, dat
hy begeerig wierdt öm hen te zien. Dies zondt
hy éénen ^yner getrouwfte lyfwachten , om
hen te zeggen: âdathoewel hyoorzaakhad van â
op hen vertoornd tc zyn over het geweld dat â
zy in zyn Ryk gepleegd hadden, hy echter â
om hunne dapperheyd zyne gramfchap liet â
vaaren, en hen niét alleenlyk vergiftenis ter â
goeder trouwe uyt zynen naam beloofde ,
maar hen ook de uytwerking zyner goedheyd
en mildheyd wilde laaten genieten, ten eyn-
de zy daardoor mogten verpligt zyn , om
hunne kloekmoedigheyd voortaan t\'zynen â
dienfte te\' gebruyken ". Alhoewel deeze voor-
deelige beloften bequaam waaren om Afmeus
goeden moed te geeven , echter vondt hy
\'t niet geraaden Zelf heene te gaan; maar hy
Zondt zynen broeder Anileus na den Koning
met eenige gefchenken naar zyn vermoogen.
De oMfing hem minnelyk, en vraagdé
hesm WaaróïH zyM broeder niet meé gekomen
was: en «Hyt hèt antwoord bemerkt hebbende
dat het de Vrees was die hem belét had zyné
moéraftèii tc verlaaten, zwoer hy by zyne Go-
den dat zy beyde in alle veyÃghe^ mogten
komen, en gaf hem daarop de rechterhand,
hét Welk by die Barbaaren het grootfte teken
eener onfchendelyke trouwe is: voorts zondt
hy hem weder na zynen broeder 5 opdat hy
hem mogt overreeden ona insgelyks te komen.
Hierin handelde deeze Vórft zeer wyslyk ,
want hy had eCn tweevoudig oogmerk j het één,
ööi deeze twee broeders te winnen, en zich
Van hen te bedienen om de Grooten zyns lands,
die tót de muytery geneygd waaren wanneer zy
hém elders beezig zagen, binnen hunnen pligt
te- houden > en \'t ander, dat als hy de handen
vól werks had met dien opftand te dempen,
deeze twee broeders die gelegenheyd niet mog-
ten neemen om zich ontrent Babilonië te ver-
fterken , \'t zy door de landzaaten tót hen te
trekken, of door hen te beoorlogen.
Aftneus yan zynen broeder alles wat hem
wedervaaren was verftaan hebbende , vondt
géén zwaarigheyd om met hem na den Koning
te gaah. Daar dan gekomen zynde wierden zy
gunftiglyk Ontvangen} en de Vórft ziende dat
Afineüs kleyn van geftalte \\Päs, en ganfch niet
deftig van WéeZén, zeyde tót zyne vrinden; dat
hy zich niet gênöeg verwonderen kon, dat \'er in
zo een kleyn lyf zulk éengroot gcmocdgehuysveft
was. Eens onder de maaltyd \\vees hy hem aan
eene dér overften van zyn lyfwagt, met naame
AbdegafesÃh fprak op een zeer voordeelige wyze
van zyne dapf^erheyd:waaropdeCze Barbaar 4r-
léfTerzóchtömhe\'Mtèdoodenjen hém a
ïii 3 quaad
JOODSGHE Hl S T O R I .^^y
om ten minften hun leeven \'zo dier te verkoo- â
pen als zy konde Dit gezegd hebbende
greep hy \'
i ïH
f«i
quaad dat hy zynen onderdaanen gedaan had 1
te ftraffen. Artabanus verwonderd over dien
voorflag, antwoordde hem: â Dat hy nooit zou
JJ gedoogen dat men iemand die zich op zyn
5) woord, het welk hy hem met eede en on-
5, der handtaftinge gegeeven had, vertrouwde,
â eenig leed zoud aandoen ^ Dóch vervólgde
â hy , zo gy als een kloekmoedig man wilt
â handelen, dan is \'t niet noodig 5at ik my-
â nen eed fchende, om den hoon dien hyden
â Parthen gedaan heeft te wreeken: maar als
â hy wederkeert, taft hem dan voor de vuyft
â aan, zonder dat ik \'er in betrokken worde.
Den vólgenden mórgen ontboodt deeze Vórft
Afineus, en zeyde tót hem: â Het wordt tyd
â dat gy weder vertrekt, opdat gy niet, door
â langer hier te vertoeven , den haat myner
krygsbevélhebberen op u haalt, enzyubuy-
ten myn weeten om \'t leeven brengen. Ik be-
veel u het landfchap van Babilonië j behoed
het zórgvuldiglyk voor rooveryen en ande-
ren overlaft. Deeze erkentenis zyt gy my
fchuldig voor de trouw die ik u onfchende-
â lyk gehouden hebbe, door fteeds pal by myn
5, befluyt te blyven om u te befchermen, zon-
,, der te luyfteren naar degénen die uw verderf
â brouwden. Artabanus aldus tót hem gefproo-
ken hebbende, zondt hem met gefchenken te
rugge, Hy dan weêr t\'huys gekomen zynde
maakte nieuwe veftingen, verfterkte die welke
hy reeds geniaakthad, en wierdt binnen korten
zo magtig en aanzienlyk , dat nooit iemand
door zulke geringe beginfelen zich tót zo een
hoogen trap van vermoogen verheven had :
want hy wierdt niet alleen van de Babiloniërs
ontzien, maar de Parthen die voor Langvoog-
den in die geweften gezonden wier den, beweezen
hem eere} en in Mefopotamië vermogt hy alles.
In die groote voorfpoed bragten deeze gebroe-
ders vyftien jaaren door j en die nam niet af voor
dat zy hunne vaderlyke wetten verlaatende, zich
door welluft lieten overwinnen waarvan de eer-
fte oorzaak dusdaanig was. Zeker Heer onder de
Parthen , voor Landvoogd in die geweften ge-
zonden , had eene vrouw, die, behalve veele
andere treftelyke hoedaanigheden, van zulk een
uytfteekende fchoonheyd was, dat elk zich daar-
over verwonderde. Anileus, \'t zy dat hy haar ge-
zien had, óf dat hy \'er alleenlyk van had hooren
fpreeken, wierdt zeer op haar verliefd. En dewyl
hy niet magtig was zyne drift te beteugelen, nóch
ook zyne begeerte door eenig ander middel dan
dat van geweld te verkrygen, zeyd hy haaren
man den oorlóg aan,doodde hem ineen gevecht,
cn hebbende defzelfs vrouw aldus in zyne magt
bekomen, nam hy haar ten wyve. Hieruyt ont-
ftond en alle de rampen die hem en zynen broe-
der naderhand overquamen: want deeze vrouw,
hebbende de beelden van hare Goden met zich
gebragt, (want dat volk heeft die gewoonte dat
het zyne huysgoden mede neemt als het op reys
gaat) eerde die in \'t heymelyk , zo lang zy
nóg eene gevangene wasj maar naa dat Anileus
haar getrouwd had, verbergde zy ze niet meer zo
dicht. Hierop vertoonden de voornaamfte vrin-
den deezer twee broederen hem eerft zagtelyk ,
dat het ten hoogften tegen hunne wetten ftreedt,
3>
3)
3>
53
33
3>
55
een huuwelyk aan te gaan met eene vreemde
vrouw, die t\'eenemaal tót de bygeloovigheden
en afgoderyen haars vaderlands geneygd wasj
endat zy zich niet zo door hunne luften moften
laaten vervoeren, dat zy daardoor dien verheven
ftaat, waartoe zy door Góds byftand gekomen
waaren, weder quyt raakten. Maar deeze vermaa-
ning, in plaats van eenig voordeel te doen, had
op hem geen vat j jaa wanneer daarnaa eenige van
hen met wat meer vrymoedigheyd fpraken, ver-
toornden zy hem dermaate, dathy niet konnende
die vrymoedigheyd infchikken, den voornaamfte
der gener diehem dus aanfprakenom halsliet bren-
geniHy zieltoogende badt Gód,zynen dood en de
fchending der heylige wetten te wreeken, Afineus
en Anileus diergelyk een onthaal, als hem weder-
voer, door hunne vyanden te laaten overkomen,
en die welke hen in hunne gódloosheyd vleyden,
in plaatsdat zy hem in \'t verdeedigen hunner alge-
meene Gódsdienft behoorden bygeftaan te heb-
ben , te ftraffen. Want al was \'t dat die perfoonen
het gedrag dier twee broederen in hun hart wraak-
ten , nógtans had de gedachtenis hunner oude
dapperheyd waaraan zy \'t geluk dat ze genooten
verfchuldigt waaren,de overhand in hun gemoed.
Maar wanneer zy zagen dat deeze vreemde vrouw
met fchroomde deParthife afgoden opendyk te
eeren , oordeelden zy dat het tegen hunnen
phgt ftreedt langer te verdragen dat Anileusde
gódsdienft hunner vaderen dus vertradt jdies gin-
gen veele na Afineus, om hun beklag over zynen
Droeder tegen hem te doen, zeggende: âDat
indien hy in *t eerft zynen mifflag niet bemerkt
had, hy zich ten minften nu behoorde te béte-
ren, zonder te wachten tót dat de ftraffe van
die misdaad over hen alle quame: dat niet één
van hen dat huuwelyk goedkeuren kon, dewyl
zy eenen affchrik hadden van den heylloozen
dienft welken die vrouw,tót verachtinge van de
eere die men Gode alleen fchuldig was, aan die ,
valfchegódhedenbewees". Afineus was niet on-
weetend dat de zonde zyns broeders veel onheyls
zou können baaren: maar ziende dat hy door de
liefde tót zyne vrouw van zichzelven geen mee-
fter was, fchikte hy door de geneegenheyd, die
hy hem toedroeg, datgene in, \'t welk hy nood-
zaakelyk moft quaad keuren. Eyndelyk evenwel
overwonnen door de onophoudelyke klagten,
die men hem van dag tót dag deed, befloot hy
hem daarover aan te Ipreeken j en hem over zyn
misdryf berifpende beval hy hem. zich te béteren,
en die Partifche vrouw weder tot de haare te zen-
den; dóch re vergeefs. Ditwyfalstoen ziende in
Wat gevaar Anileus zich om haarent wille ftelde,
hielp Afineus met vergift uyt den weg, zonder
voor ftraffe te vreezen, omdat zy zich geenen an-
deren rechter toeleyde dan haaren man, die van
liefde op haar verzót was. Aldus kreeg Anileushet
gezag alleen, en viel daarop met zyne krygsmagt
in de landeryen van Mithridates, éénen der
voornaamfte Heercn onder de Parthen , en
fchoonzoon van den Koning Artabanus : hy
pionderde dezelven, en kreeg eenen grooten
buyt van geld, flaaven, vee , en andere din-
gen van waarde. Mithridates, die toen niet ver-
re vandaar was, niet konnende verdraagen dac
men hem dus beleedigde, zonder dat hy eeni=
xvin. b oe m. jog d s c
ge- oorzaak d^rtoü gegeeven had, vergaderde
alle de manfehap byeen^ die hy kon, iia^önder-
hêyd eea groot: getal rctyters, en trok terftond
op-ora hem te bevechtea\'- dócfo by eeir zeker
vlek gekomen zyhd© hieldt hy daar ftil, om
met den ftryd tót aadercndaags te wacht^,
omdat het dan de Sabbach \\ras; dien de Joo-
den gehouden waaren ce vieren.. Eea Syriër
daar dicht by woonende^ verwittigde ^nüeus
daaraf, én gaf hem ook te verftaamdat Mkhri«
dates dien avond een groot gaftmaal ftondt te
houden. Daarop beval hy zyn vólk zich met\'
fpyze té verfterken, en toog toen den ganfchen
nacht-, voort om de vyanden té overrompelen,
\'s Mórgens ontrent de vierde waake quam fry
in hun leger , vondt hen ftaapende , doodde
veele van hen , dreef de andere op de vlugt,
nam Mithridates gevangen , en deedhem naakt
op eenen ézel zitten, \'t welk by de Parthen
voor de allergrootfte fchande gerekent wordt
Toen hy in dien ftaat met hem in een woud ge-
komen was, wierdt hy van zyne vriendeKE\' ge*
raaden hem te dooden: maar hiertoe wilde hy
geenfms verftaan, zeggende, datmen zulk een"
voornaam Heer der Parthen, die de eere had van
\'s Konings fchoonzoon te zyn , zo wreedelyk
niet moft handelen j dat hy door hem in *t lee-
ven te behouden hem \'t geleeden ongelyk kon
doen vergeeten y in plaats dat indien hy hem
het ombrengen, de Koning zulks wreeken zon-,
de, door den dood der Jooden die \'m Babilonië
woonden , aan welker behoadenifte hen zeer
veel gelegen was , zo omdat zy maar één vólk
niet hen waaren , als doordien de uytflag des
oorlógs onzeker zynde, zy eene toevlugt on-,
der hen zouden moeten zoeken , indien hen
eenig groot verlies overtjuame Elk keurde
dien raad goed, en daarop zondt hy Mithrida-
tes tc rugge. De gemaalin van dien Prins ont-
ving hem met een bits verwyt, dat hy een fchoon-
zoon des Konings zynde , zich niet fchaamde
zyn leeven verlchuldigt te zyn aan een vólk
van \'t welk hy zulken bitteren overlaft cnfmaad
geleeden had. â Gy moet, zeyde zy , uwe
5, oude dapperheyd weder aanneemen óf ik
,, zweer u by de Goden, die voorftanders- der
â koninglyke waardigheyd zyn ^ dat ik met
â langer by u woonen zal. Dit verwyt datzy
hem dagelyks deed , en de kennis die hy va»
de grootmoedigheyt deezerPrinceflè had, dee-
den hem vreczen dat zy hem inderdaad verlaa-
ten zoude: en overdenkende dathy een Parther
van geboorte zynde , het eene fchande voor
hem zoude weezen te leeven , indien hy in
kloekmoedigheyd voor de Jooden moft wyken,
befloot hy, hoewel met weerzin, zo veel krygs-
vólks byeen te vergaderen als hem moogelyk
was. Anileus hiervan bericht bekomende, oor-
deelde dat het fchandelyk voor hem zyn zou,
zich binnen zyne moeralfcn te houden, in plaats
van zynen vyanden tegen te trekken. Hy ver-
beeldde zich dat het geluk hem nu niet minder
gunftig zou zyn j dan \'t hem altoos geweeft
was, en dat zyne koenheyd de dapperheyd zy-
ner krygsheden, op zo veele andere voorvallen
betoond, vermeerderen zoude. Hy q«am dan
te velde, en behalve zyn gewoonlyk vólk voeg-
HE HISTORI.
den\' veele zi^ by hear^ op hoopedat de v¥am
den hen ziende ftraks de vlugt neemen, en
zyalzo zonder gevaar eénen grooten buyt be-
komen Zöudenv Naa dat zy dan geduurende
de hitte van den dag^ öncrent negentig ftadiën
we^ afgelegi^ hadden ^ döör een dor land, al;-
waar ganà göen waater w^, quam Mithrida^
tes met zyne verfche bendeö op hen aan , en-
vondr hen door vermoeidheyd m dorft -zo af-
gem?3\'ti dac zy na-aaiwlylcs htónne Wapenen kon-
nende voeren ^ fchandfelyk de vfugc nam®n,
zulks dat\'er een groote menigte van hen neêr-
gehouwen wierdt. AniTcus b^ergde zig met de
overige itrecnbofch, esi Mithridates had de ge-
neugte van met geringe moeite een volkómene
overwinning behaald te hebben. Terwyl Ani-
Ãeus tót diea ft;aat ^bragt was ^ begaven alle die
Ãiet tc véKhezen hadden, eh die de ongebon-
denheyd boven hunne welvaart ftelden, zich
by hem, en vermeerdefdeitzyne benden indier-
voege , dat ze zich met zyne voorige in getal
gelyk bevonden, hoewel niet in magt, om dar
de gefneuvelde tèn oorlóg\' waaren ä%erecht,
in plaats? dat deeze maar nieuwelingen ent onbe-
dreevctt wa-aren. Evenwel liet hy daarom niet
naa hen tegen de kaïfteelen aen te voeren, en
al het land wyd en zyd af te loopen. De R^bi-
loöiërs zkh a&ius gektndeld ziende,, zoö^e«
^zanten a^ de Jooden te Neacdaom tever-
zoeken dat zy Anileus in faunnie handen wddew.
léveren :f Maar zy g^futwoord hebbeni dat
zulks niet ia kunne mgt was , hiekieni de an*»
dereby hen aan * dat zy danrtÃM mdniaenizoudeii:
trachten eem: weede met: ^em te bewcrkm.
Dit beloofden ze,, eatrfchikteiitte^ eenige
gezanten. aan hem nevensrdie der Babilbniö^i,
Deeze laatfte ^ plaats ver%ieä hebbende ai-
Waar Anileus zieh onthiddt, feegen hem d^
nachts éméy met älk dieby hem waaren, zonder
zel ve eemg gevaar te loopen ^omdat zy äch doon
den drank overlaaden hadden.
Overinid^ de Babiloaiërs iiï zeeden en ge-= 7^4.
woontea veel van êe Jooden vcrfcheelden,
gen zy pftadiglyk laee hea overhoopi. maai?
zo lang Anileus leefde , wierden zy uyt ontzag
voor hem , omdat % \'^t Opperhoofd van? zcy
veele onvercfaagde Heden was , wcêrhoudfett
vaa, hunnen uyterftén, haae tegen on^e landsge?-
noo£cn te laaten- blykenv Dóch die vrees doou
zyf]^a dood opgehouden zynde » deeden ze
den Jooden zo^ veel quaads,. datzy genood-
zaakt waaren na Seleueië, hoofdftad van dat
geweft 5 door Seleukus Nilfanor gÃÃteht, em
van veeki. Macedoniers,. Grieken, en Syriëra
bewoond , zich te begeeven. Aldaar: bleeven
zy vyf jaaren in- rufte,. en-i in \'t vólgende jaac
een zwaare peft in Babilon onftaan zynde,,
weeken de inwooners na- Sefeucië, waardoor
den Jooden een groot onheyl overquam ^ en
dat uyt deeze vólgende oorzaak. De Griekerr
cn Syriërs waaren met malkanderen oneens, en
de party der Syriërs was de zwakfte: maar de
Jooden, die een ftrydbaar vólk waaren , en \'t
gevaar verachteden, zichby fen vervoeg heb
bende, waaren zy de fterkfte. Be Gridca®
geen kans ziende om die ^racmgii^tebreeken
ea hufl^e party weder op te helpen^ dan. dooi
zich
zich met de Syriërs te verzoenen ; quamen daar-
op door bemiddeling van vrinden, welke zy
aldaar hadden , met hen tót een verdrag, en
namen een befluyt om gezamentlyk aan te fpan-
nen, en de Jooden uyt te roeijen. Aldus vie-
len zy onverhoeds op hen aan, en bragten meer
dan vyftigduyzend van hen om\'t leeven, zon-
der dat \'er iemand dien wreeden moord ont-
quam , dan zulke die door hunne vrinden óf
gebuuren geborgen wierden. Dit kleyn getal gaf
zich na Ktefifon , eén kleyne Griekfche ftad,
niet verre van Seleucië; alwaar de Koning door-
gaans den winter flyt, waarom ook het groot-
fte deel van zyne toeruftinge aldaar bewaard
word. Nademaal nu deeze tzamenfpanning der
Babiloniërs, Seleuciërs, en Syriërs, tegen de
Jooden in die geweften woonende, bleef duu-
ren, wierden zy genoodzaakt na Nearda en
Nifibis tc wyken , op hoope van daar , zo door
de fterkte der plaatfen, als door de dapperheyd
der ingezétencn, in veyligheyd te zyn.
li
(I ii\'
J O O D S C II E
H IST o R 1.
_ !
NEGENTIEND E B O E K.
EERSTE HOOFDSTUK.
Wreedheden en zótternyen van;den Keyzer Kajus Kaligula, Ver-;
fcheydene tzamenzweeringen tegen hem. Chereas van andere gehul*
pen, brengt hem om \'t leevén. De Duytfche lyfwacht van dien
Vórft doodt eenige Raadsheereh. De Raad doemt zyne gedach-
tenis. â :
79 f. T^E verwoedheyd van den Keyzer Kajus
-â -^ftrekte zich te dier tyd niet alleenlyk over
de Jooden tc Jcrufalem , en de ömleggende
landfchappen uyt, gelyk wy gezien hebben i
maar land en zee verzuchteden ohder zyneti-
rannifche heerfchappy, en van ialle de winge-
weften des Roomfchen Ryks was \'er niet één
dat \'er de uytwerking niet van gevóelde. Dé
overlaft dien hy hen aandeed waS \'zodaanig,
dat men niets diergelyks in eenige Hiftori^Vindt j
ja Rome zelfs wierdt niet minder onmenfchelyk
gehandeld dan de andere fteden. Maar in die
algemeene verdrukkinge fcheen hy in \'t byzon-
der geneegen om te woeden tegen alles dat
groot en verheven was; De adelyke huyzen,
de Raadsheeren, cn de Ridders die in waardig-
heyd en rykdom voor hen niet wyken , maar
fomtyds tót den Raadshcerlyken ftaat overgaan,
waaren die welke hy \'t meeft plaagde en ver-
vólgde. Hy vergenoegde zich niet met hen in
ballingfchap te verzenden, ^hen vcele beleedigin-
gen aan te doen , en hen van hunne goederen
tc berooven, maar hy benam hen ook \'t lee-
ven , en de verbeurdmaaking van \'t bezit der
gener welke hy ter dood deed brengen, was
als het loon dat hy zichzelven toeleyde voor
dat hy hun bloed zo wreedelyk vergooten had.
En gelyk deeze Vórft woeft was, zo was hy
ook ten hoogften uytfpoorig : want het was
hem niet genoeg van zyne onderdaanen alle de
eere te ontvangen die men aan een\'menfche be-
wyzen kan, maar hy wilde dat men hem eeren
zoud als eenen Gód; en wanneer hy in \'t Kapi-
tolium ging, \'t welk de vermaardfte van alle de
Tempelen van Rome is, had hy de verwaand-
heyd van Jupiter zynen broeder te noemen.
Onder andere tékenen zyner dwaasheyd was
geen van de minfte, de gril die hem in\'t hoofd
droogsvoets te gacn van Puteoli tót
aan Mifenum, twee ftédekens van Kampanië,
die door eenen zee-arm van dertig ftadiën wyd-
te van één gefcheyden zyn. Hy oordeelde dat
het onbetaamelyk voor hem was om niet an-,
ders dan mct galeyen van de ééne tót de an-\'
dere dier plaatfen te gaan, achtendedat de zee
hem met minder onderworpen behoorde tc
weezen dan. de aarde. Hierom deed hy eene
brug van \'t ééne voorgebergte tót aan \'t ander
maaken, en reedt \'er op eenen prachtigen wa-
gen over, denkende dat die nieuwe weg by de
majefteyt van zulk eenen Gód, als hy zich ver-"
beeldde te zyn, wel pafte.
, Daar waaren geene Tempelen in Griekenland -
wdke hy nietvan.\'t kóftelykfte dat \'er in was be-
roofde: en hy beval door een openbaar gebód
dat men alle de fraaije fchilderyen , treftèlyke-
béélden, en andere kóftelykheden den Goden
toegewyd, hem brengen zoude, met welke hy
dan zyn paleys, tuynen, cn lufthuyzen in Ita-
lië vercierde, omdat Rome, gelyk hy plantte-
zeggen, de fchoonfte ftad van de werreld ?yn-
de, het ook billyk was, alles wat \'cr elders
fraai cn fchoon gevonden wierdt derwaards te
brengen. Hy geboodt Mernmhts Regulus hem
het beeld van Jupiter Olympius te zenden, het
welk van ganfch Griekenland met ongemeene
eere geëerd wordt, en een werk vanFidias is:
maar dit bevél wierdt niet naagekomen, omdat
de beeldhouwers zeyden dat het niet moogelyk
was dat beeld te vervoeren, zonder het te bree-
ken, en dat Regulus, gelyk men verhaalt, zo
verfchrikt was door de wondertékenen die \'er
gebeurden, dathy niet verder durfde gaan,
en zulks ook aan den Keyzer fchreef j \'t welk
hem ongetwyfeld het leeven zou gekóft heb--
ben, indien Kajus dood hem van dat gevaar
niet verlóft hadde.
De fpoorlooze dwaasheyd van dien Vórft\'
bleef daar niet by: want hebbende eene dóch-
ter bekomen , deed hy haare beeltenis in het
Kapitolium op de kniën Van het beeld van Ju-
piter zetten, gelyk als óf zy denzelven niet
minder nä beftond dan hem; enhy had de ver-
waandheyd van te Zeggen, dat hy \'t in beden-^
ken gaf, wie van die twee vaders de grootfte\'
was. ;
Men
Men zag alle deeze dingen met fchrik, en
nógtans verdroeg menze : hy fchaamde zich niet
den flaaven toe te laaten dat zy hunne meefters
van allerley misdaaden befchuldigden: en zodaa-
nige befchuldigingen waaren te meer te vreezen,
omdat zy op zyn gezag fteunden, en dat men wift
dat ze hem aangenaam waaren. ToUuxééndeT
flaaven van Klaudius was van dat getal, hebben-
de de ftoutheyd om tegen zynen meefter te ge-
tuygen : en deeze barbarifche Keyzer wilde zelf
één der Rechteren van zynen eygenen oom zyn,
op hoope van hem als eenen misdaadigen te doen
fterven i \'t welk hem echter niet gelukte.
79^. Dewyl zulk een haatelyk gedrag het Keyzer-
ryk met valfche befchuldigers vervulde, de flaa-
ven boven hunne meefters verhefte, en een on-
eyndige menigte van onheylen veroorzaakte,
wierden\'er verfcheydene aanflagen op zyn lee-
ven gemaakt 5 fommige deeden \'t uyt eene be-
geerte om zich te wreeken over \'t quaad dat hy
hen gedaan had, en andere om\'t gevaar, waar-
mede zy gedreygd wierden , voor te komen,
door hem uyt de werreld te helpen 5 doordien
geen ander middel dan zyn dood magtig was de
achtbaarheyd der wetten, de veyhgheyd van by-
zondere perfoonen, en de algemeene welftand
te herftellen. Maar onder het gemeen belang
van zo veele vólken, was onze landaard die,
welke \'t meeft daarin geraakt was; want haar
geheel verderf was onvermydelyk, indien die on-
gelukkige regeeringe langer geduurd had. Dit
verpligt my om naauwkeuriglyk te verhaalen
hoedaanig die rampzalige Vórft zyn leeven eyn-
digde j zo om te toonen hoe Gód de verdrukten
te hulpe komt, als om degénen die rót hoogen
ftaat verheven zyn daardoor te leeraaren, dat
zy zich in hun geluk maatigen , en hunne ge-
dachtenis door fchandelyke en wreede daaden
niet onteeren, en ondertuflchen zichzelven
vleycn met een valfch geloof dat niets magtig
zal zyh om hunne voorfpoed te ftuyten.
Daar wierden drie verfcheydene tzamenrót-
tmgen beftoken om de werreld van dit ondraa-
gelyk juk van deezen Tiran te ontflaan, zynde
alle drie belegd door mannen van moed. t^mi-
lius Regulus geboortig van Korduba in Spanje
was hoofd van de eerfte j Kaflius Cherem Hoofd-
man der lyfwacht was aanleyder van de tweede;
Annius Mmuciamswzs\'tvan de derde; en gee-
nen van hen ontbrak\'taan medepligtigen. Kajus
was \'t algemeen voorwerp van hunnen haat; maar
de bcweegrédenen die hen tót eenen toeleg op
zyn leeven aanporden waaren verfchey den, Re-
gulus wierdt\'cr toe aangedreeven door een na-
tuurlyke edelmoedigheyd die geen onrecht ver-
draagen kon i en dewyl hy openhartig van aardt
was, fchroomde hy niet zyn voorneemen aan
zyne vrinden j en zulke die hy dacht dat kloek-
moedigheyd genoeg hadden om het goed te keu-
ren, bekend te maaken. Minucianus wierdt\'er
toe aangemoedigd eensdeels door eene begeerte
om zich te wreeken over Lepidus zynen byzondc-
ren vrind 5 eenen man van treffelyke hoedaanig-
heyd , die door Kajus om \'t leeven gebragt was;
en ten anderen door vreeze dat hem \'t zelfde
wedervaaren zoude van dien wrecden Vórft, in
wiens haat men niet zou komen zonder gevaar
van zyn leeven te loopen. En Chereas befloot
\'er toe zo omdat hy met langer verdraagen kon
dat Kajus hem lafhartigheyd verweet, als om-
dat hy, door fteeds zyn perfoon op te wachten,
zich voor een geftadig gevaar, \'tweik hem on-
vermydelyk toefcheen, bloot ftelde. In deeze
verfchcydenheyd van bcweegrédenen quamen
zy alle hierin overeen, dat Zy de werreld van
deeze trótfe cn wreede heerfchappy wilden ver-
lóffen, cn den roem verdienen dat zy hun lee-
ven bly moediglyk gewaagd hadden, om zulk een
algemeen en wenfchelyk geluk te verwerven.
Maar Chereas toonde zich de yverigfte daar-
toe , \'t zy door eene begeerte om zich eenen
naam te maaken, óf omdat zyn ampt hem den
gemaklykften toegang by Kajus gaf \'t WaS
toen de tyd van\'t paerdeloopen in den renbaan,
en van de renperkfpelen waarin de Romeynen
zulk een vermaak neemen. En dewyl \'t vólk,
dat zich altoos in groote menigte daar bevondt^
gewoon was alsdan eenige gunften van de Key-
zers te verzoeken, met een vaft vertrouwen
van die te zullen verkrygen , Zo verzócht het
Kajus ernftig om verligting van eenige fchat-
tmgen. Maar hy, in plaats van die bede toe
te ftaan , wierdt zo toornig, dat hy zyne lyf-
wacht beval alle die \'t meefte gerucht gemaakt
hadden by dc kop te vatten en te dooden : en
dewyl men \'t leeven nóg liever heeft dan\'t geld >
wierdt het vólk door deeze bloedftorting zó
verbaafd , dat het kort ftil zweeg. Dit yslyk
fchouwfpel moedigde Chereas nóg te meer aan
tót uytvoeringe van zyn voorneemen, om het
menfchdom van dit gruuwzaam beeft, datniets
mcnfchelyks had dan den naam, te verlóflen t
alhoewel hy al dikwils in den zin gehad had heni
over tafel te dooden, maar telkens daarvan Was
wederhouden geweeft door hoope van een beter
gelegenheyd aan te treffen. Hy had zyn ampt
al een\'Jangen tyd, niet zonder weêrzins jegens
Kajus, bediend; ook gebruykte de Keyzer hem
tot ontvanger zyner inkomften : maar dewyl
fommige der gener. Van welke hy die gelden
invórderen moft, zich zo arm bevonden dat zy
meer als een jaar ten achteren waaren i en dat
hy uyt medelyden belét wierdt hen hard aan te
dringen, wierdt Kajus daar zo toornig om, dat
hy hem verweet eenen lafhartige en verwyfde
te zyn : en wanneer hy hem om \'t woord quam
vraagen, gaf hy\'er hem uyt fpótterny één dat
niet dan op vrouwen, en in eenvuylezin, toe-
paffelyk was, alhoewel hy ook zelf niet be-
fchaamd was zich in zékere plegtige dienften i
door hemzelven ingefteld, als een wyf tc klee-
den , gekrulde haairlókkcn op te zetten, en zich
eveneens op te tooijen als ófhy eene vrouw ge-
weeft waare.
Het misnoegen dat Chereas tegen dién hoon
opvatte, wierdt vermeerderd door \'t fchimpen
zyner medc-bevélhebberen, die zich van lach-
gen niet konden onthouden, als hy hen het
woord bragt, zeggende dikwils van te voore
dat hy\'cr hen één van dat flach brengen zou-
de. Hy onder zulk een verwyt niet laSger lee-
ven konnende , befloot zyn voorneemen aan
eenige te openbaaren. Deeerfte tót wien hy\'er
van fprak was een Raadsheer genaamd Tompe-
K k k dms.
FLAVIUS J
(äic alle de aanzienlykfte ampten bediend
had, en van Epikurus aanhang zynde, in-rufte
en gemak zócht te leeven. Tmidius, die zyn
vyand was , had hem befchuldigd van bitfe
woorden tegen den Keyzer uytgefprooken te
hebben, en noemde tót getuyge zyns zeggens
zékere Toneelfpeelfter geheeten §umtiUa, die
zeer fchoon was, en onder veele andere mede-
dinger-s zeer van Pompedius bemind wierdt.
Dewyl deeze befchuldiging valfch was, kon die
vrouwsperfoon niet befluyten om te liegen in
een geval \'t welk het leeven zoude kóften van
iemand die haar beminde : dit deed Timimus
aandringen dat men haar moft pynigen: en Ka-
jus die op diergeiyke voorvallen zich altoos ver-
woed toonde , beval Chereas zulks aanftonds
te doen 5 want hy belaftte hem doorgaans met
diergeiyke bevélen , denkende dat de fpyt van
telkens met weekhartigheyd beticht tc worden,
hem zodaanigen laft te ftrenger zou doen uytvoe-
ren. Toen men Quintilia heene leydde om op
den pynbank gelegd te worden, ontmoette haar
één van de medewuftigen der tzamenzv/eerm-
ge , dien zy met eenen wenk op den voet tradt,
om hem te verftaan te geeven dat hy goeds moeüs
zou zyn , en niet bekommerd weezen dat men
haar door pyniging eenige bekentenis afperlèn
zoude. Chereas hoewel \'t hem tegen de borft
deed haar ftrengelyk pynigen , doordien
\'yj 1
53
35
was
hy\'er zich toe gedwmigen vondt : en deeze
vrouw alles met een zonderlinge ftandvaftigheyd
uytgeftaan hebbende, bragt hy haar in dien jam-
merlyken ftaat by den Keyzct, die hoe hardhar-
tig hy ook was, evenwel \'er door bewoogen
wierdt: zo dat hy haar en Pompedius niet alleen-
lyk onfchuldig verklaarde , maar haar ook geld
deed geeven om haar te trooften wegens de py-
nen die zy zo kloekmoediglyk doorgeftaanhad.
Dit bedryf van Kajus was een groot hartzeer
voor Chereas , omdat hy daardoor aangezien
wierdt als ten hoogften wreed , vermids hy ie-
mand in zulken ftaat gebragt had , dat \'er de
onmenfchelyke Kajus zelf deernis meê moft
hebben. Invoege dat het hem onmoogelyk
zynde zich langer te bedwingen , hy aldus
fprak tót Tapinius die diergelyk een ampt be-
diende als hy , en tót Klemens die een bevél-
hebberfchap in \'t heir had : â Gy weet, Kle-
5, mens, hoe getrouwlyk wy voor de behoude-
nis van den Keyzer gewaakt hebben, en dat
hy \'t onzen vlyt en arbeyd dank te weeten
heeft, dat\'er zo veele tzamenzweeringen te-
gen hem ontdekt zyn, \'t welk fommigen het
leeven heeft gekóft, en anderen zulke gruuwe-
lyke pynigingen doen lyden , dat hy zelf
genoodzaakt is geweeft zich hunner te er-
,, barmen. Maar is dat een werk \'t welk by
Z ons ampt en beroep voegt " Klemens zweeg
ftil , maar rood ïn zyn aangezigt wordende
bleek \'t genoeg dat hy zich Ichaamde zulken
ecrloozen dienft te moeten waarneemen , en
dat het maar alleen uyt vreeze was dathy Kajus
zótterny en woede niet wraakte. Chereas her-
vatte daarop zyne reede met meer vrymoedig-
heyd i en naa dat hy hem de rampen waar on-
der Rome en \'t ganfche Ryk gedrukt waaren
bad voor gogen gefteld , voegde hy \'er by:
OS E ^ H U S
5, Ik weet dat men de oorzaak daaraf aan den â
Keyzer toefchryft 3 maar om de waarheyd
te zeggen, Klemens, \'tisaan Papiniusj \'tis
aanmy, en\'t is aan u, dat Rome en de gehee-
le werreld het quaad dat zy lyden moogen wy- ,,
ten i dewyl wy de uytvoerders zyner wreede â
bevélen zyn j en datwy, die de uyt werkingen â
zyner woede tegen onze medeburgeren, en â
tegen alle die onder hem ftaan , zouden kon- â
nen ftuyten , ons niet fchaamen zelve de â
hand daartoe te leenen , cn het ampt van
beuls in plaats van dat van krygslieden te
verrichten , gebruykcnde de wapenen niet
tót behoudeniflè van Rome en van \'c Key- â
zerryk , maar tót voorftand van deezen l i- â
ran, die zich niet vergenoegt met de lig-
haamen dienftbaar te maaken, maar den men-
fchen ook de vryheyd hunner gedachten â
wil beneemen; waardoor wy genoodzasikt â
worden geftadiglyk onze handen met hun â
bloed te bezoedelen , en hen yslyke pynigin-,,
gen te doen lyden. Wachten wy nu nóg dat hy â
dezelfde wreedheden tegen ons begaa , die â
hy ons aan anderen doet pleegenOfmeenen â
wy dat we ons daarvoor zullen konnen be- ,,
hoeden door de gehoorzaamheyd die wy â
hem bewyzen In plaats dathy dit in dank â
van ons opneemt , houdt hy ons verdacht â
dat wy \'t niet doen dan uyt -dwang , en hy â
is zo gewoon tót moorderyen , dat ze zyn ,,
grootfte vermaak geworden zyn. Waarom â
zouden wy ons dan inbeelden dat onder dee- â
ze menigte van onfchuldigen , die flagtófters ,,
zyner wreedheyd geweeft zyn, wy de eenig- â
fte zyn die zyne raazerny zullen konnen ont- â
wyken ^ Laaten we ons dan niet bedriegen,,,
maar ons zelven liever aanmerken als zulke â
die reeds verweezen zyn, \'t en zy wy ons â
leeven door zynen dood verzékeren, endoor â
ons zelven te redden het sanfche Keyzerryk â
behouden." ^ J / "
Klemens keurde bet gevoelen van Chereas
goed j maar raadde hem het geheym te hou-
den , omdat indien men \'er kennis van kreege
eer het uytgevoerd kon worden , hunne dood
zeker zoude zyn. Voorts zeyde hy â Dat men â
moft wachten tótdat de tyd een gunftige ge- â
legenheyd verfchafte ; en dat hoewel de ou- â
derdom die hem reeds het bloed in de aderen â
deed bevriezen, hem tót de zekerfte raad â
deed neygen , hy nógtans bekende dat \'er â
geen eerlyker en edelmoediger konde zyn, â
dan die welke voorgeftagen was. Naa dat â
hy aldus gefprooken had ging hy na huys, â
overdenkende by zichzelven wat hem ge- â
zegd was , en wat hy \'er op gefprooken had."
Maar Chereas zeer verwonderd over dit ant-
woord , het welk hem deed vreezen dat hy de
zaak zoud ontdekken, ging opftaandevoet na
Kornelius Sabinms die ook een Hoofdman van
een gedeelte der Keyzerjyke lyfwacht wasi
want dewyl hy hem kende voor een dapper man,
die de welftand van \'t gemeen wenfchte , en
niet dan met ongeduld den beklaagelyken ftaat
waartoe het Keyzerryk gebragt wasaanfchouw-
de , oordeelde hy dat hy zyn voorneemen aan
hem behoorde bekend maaken j om zynen raad in
die
XiX. BoEk.
33
33
33
55
3ï
33
33
33
die gewigtige zaak te Iiebben. Hy was in zyn
oordeel niet bedroogen, want vermids Sabinus
zelf reeds al diergelyke gevoelens had , en dat
de eenigfte oorzaak waarom hy \'t niet had laa-
ten blyken , was omdat hy \'t aan niemand had
durven openbaaren , luyfterde hy naa Chereas
voorftel niet alleenlyk met vermaak , en met
verzékeringe van het ftil te houden 5 maar hy be-
loofde hem daarin te zullen byftaan.
Zy quamen hierin overeen dat men geen tyd
verliezen moft, en gingen terftond na Minucia-
nus , wiens deugd en edelmoedigheyd zy ken-
den , en wiften dat hy by Kajus verdacht was we-
gens den dood van Lepidus zynen grooten
vrind. Hy was al te verftandig om niet te kon-
nen zien dat hy \'t zelfde gevaar liep , al was \'er
geen andere reden geweeft dan die van zyne
verdienfte , omdat die alleen genoeg was om
\'t ergfte van zulken boozen Vórft te vreezen.
Voorts konden zy zich van hem verzekerd hou-
den , want hoewel de grootheyd van \'t gevaar ver-
hinderde den haat, dien men Kajus toedroeg,
opentlyk te laaten blyken, echter hadden zy
alle op andere voorvallen genoeg gezegd , om
te kennen te geeven dat zyne dwingelandy hen
ondraagelyk wasj en die overeenkomft van ge-
voelens had reeds al eenige vrindfchap tuflchen
hen te wege gebragt. Maar de eerbiedigheyd
welke Chereas en Sabinus hadden voor de on-
gemeene hoedaanigheyd en deugd van Minucia-
nus , deed hen befluyten, dat in plaats van
ten eerften tót hem te Ipreeken over de zaak
waarom zy quamen, zy behoorden te wachten
tótdat hy \'er hen eenige aanleyding toe gaf. Dit
voorneemen gelukte j want dewyl ieder Wift dat
de Keyzer gewoon was aan Chereas een woord
van iets dat vuyl enfchimpig was tót ceneiccuzete
geeven, vraagde Minucianus hem wat het woord
was dat hy hem dien dag gegeeven had. Che-
reas blyde dat deeze Vraag zo wel op zyn voor-
neemen floeg 5 en niet vreezende ten aanzien
van zulken vroomen man als Minucianus, ant-
woordde daarop. â Geef gy my , zo \'t u be-
33 lieft 5 Vryheyd, tót het wachtwoord. Ik
3, acht my gelukkig , vervólgde hy, en gy
3, verpligt \'er my door, dat men uyt uw ge-
laat befpeuren kan , dat gy vermaant om iets
te onderneemen na \'t welk ik zelf zeer ver-
lang. Daar behoeft niet meer om \'er my
toe te beweegen , \'t is my genoeg dat ik zie
dat gy \'t goedkeurt j en dat wy eer wy nóg
fpraken ééne en dezelfde gedachten hadden.
Dit zwaerd dat gy ziet zal u en my tzamen
konnen dienen : Men moet geen tyd laaten
verlooren gaan j en daar is niets dat ik niet
bereyd ben onder uw geleyde te doen. Be-
veel dan maar , en gy zult gehoorzaamd
» worden Daar is niet aangelegen al hebt gy
â geen zwaerd , dewyi gy voorzien zyt met
eene grootheyd van gemoed waarvan het ftaal
zyne kracht ondeent. Ik verlang om tót
de daad te komen , en ik maak ganfch geen
zwaarigheyd wegens \'t gene my zou moogen
wedervaaren : want zoud ik zonder fchaamte
op myne eygene behoudenis alleen können be-
dacht zyn, wanneer ik de openbaare vryheyd
verdrukt , de wetten gefchoi^den , en alle
35
35
35
35
35
35
35
35
35
411
menfchen in \'t Ryk voor de woede van dien ,,
Tiran bloot gefteld zie.^ Ik durf ook gelooven j,
dat ik niet onwaerdig ben de uytvoerder Van â
zulk een groote ondernecming te weezen,,,
dewyl ik met uw gevoelen overeenftemme."
Minucianus hoorende Chereas aldus Ipreeken
omhelfde hem , prees zyne grootmoedigheyd,
en vermaande hem tót volhardinge > waarop zy
fcheydeden , wenfchende dat Gód den aanflag
begunftigen mogt.
Sommige verhaalen, dat\'er eene zaak ge-
beurde die Chereas nóg meer verfterkte , naa-
melyk dat toen hy in \'t paleys quam , hy eene
ftem hoorde, die hem vermaande niet te fchroo-
men om zyn voorneemen uyt te voeren, maar
zich van de byftand der Goden verzekerd te
houden : Dat die woorden hem in \'t eerft ver-
fchrikten , en hem deeden vreezen dat de zaak
ontdekt was j dóch dat hy daarnaa niet twyfel-
de óf\'t was iemand van de tzamengezwoorenen
die aldus gelprookcn had om hem nóg meer aan
te moedigen > óf dat het eene ftem uyt den Hemel
was, die hem te kennen gaf dat Gód niet naahet
voorde menfchelyke zaaken zórg te draagen.
Dewyl OndertuflTchen ieder één geloofde dat
de behoudenis vaii \'t Ryk van Kajus dood af-
hing , en dat elk daardoor om ftryd wenfchte
dat de werreld van hem verlóft mogt zyn,
wierdt het getal der eedverwanten zo groot,
dat\'er ook Raadsheeren cn Riddersonder waa-
ren. Kalïjius zelfde vrygemaakte van Kaj us, die
beter by hem ftondt dan iemand anders, en die
zich zo gevreefd gemaakt had, dat men hem ee-
nigfins den makker zyner tirannye kon noemen ,
voegde zich ook by hen. Hy was niet alleenlyk
magtig door zyn gezag , maar ook door zynen
grooten rykdom , dien hy verkreegen had met
het verkoopen zyner gunfte aan zulke die hem
door gefchenken omkóften 3 waarby nóg quam
dat hy zyne magt zeer verwaandelyk gebruykte.
Maar dewyl hy den aardt van Kajus kendedie
wanneer hy eenig quaad vermoeden tegen iemand
opvatte, het hem nooit vergaf, en dat al waare
\'t dat hy geen andere reden had gehad om te
vreezen , zyn groot goed alleen magtig was
om dien fehrikkeiyken Meefter tót zyn verderf
aan te porren , zo poogde hy heymelyk zich in
de gunft van Klaudius te wikkelen, die hy hoop-
te dat in de ryksregeeringe zou vólgen, en zey-
de tót hem, âdat hy van Kajus laft had hem â
met vergift aan een kant te helpen 3 maar dat
hy zich van verfcheydene voorwcndfelen be-
diend had om de uytvoering van dat bevél 3,
te vertraagen." Dóch ik voor my geloof dat
dit maar een verdichtfcl van hem was, om zich
daardoor by Klaudius in gunfte te brengen j
naardien \'t niet fchynbaar is , dat indien Kajus
zulks in den zin gehad hadde, hy Kaliftus niet
opftaandevoet over \'t niet gehoorzaamen zyner
bevélen geftraft zoud hebben. Klaudius niette-
min liet zich voorftaan dat de Goden zich van
Kahftus bediend hadden om hem voor de raa
zerny van Kajus te behoeden, en was hem zeet
dankbaar voor eenen dienft welken hy nooit van
hem genooten had. ^
Ondertuftbhen wierdt \'er niet uytgerecht
door de traagheyd van eenige der tzamenge-
Kkk 2
JOODSCHE BIST O Kt
55
S9S!
Bi
4y FLAVIUS J
^wooreiieii j alhoewel Ghereas oordeelde dat
alle tyd tót uytvoeringe van het werk bequaam
was, \'t zy wanneer Kajus na \'t Kapitolium ging
om offeranden voor zyne dóchter te ófferen,
óf als hy van den tóp zyns paleys goudene en
zilvcre penningen onder \'t vólk te grabbel wierp,
óf wanneer hy zékere plegtigheden door hem-
zelven ingefteld verrichtede : want hoewel hy
geftadiglyk omringd was van perfoonen die op
zyn leeven toeleydcn, echter had hy geen mis-
trouwen op iemand, maar meende zich in een
volkómene zekerheyd te zyn. Ghereas gram-
ftcurig over dit lang uytftel, en vreezende dat
de gelegenheyd voorby zoude gaan , vraagde
den eedgenooten of zy dan meenden dat de Go-
den dien Tiran onquetsbaar gemaakt hadden,
zeggende wyders, dat hy voor zichzelven geen
zwaarigheyd maakte hem zonder geweer om
den hals te helpen. Zy konden hierop met an-
ders dan zyne hefde tót de gemeene welftand
pryzen 5 maar zy waaren van gevoelen dat men
het werk nóg een weynig moft uytftellen , uyt
vreeze dat indien de zaak met gelukte, de gan-
fche ftad in rep en roere zou komen , door het
naauw onderzoek dat men na hen doen zoude,
waardoor anderen kloekmoedige mannen het
middel om zodaanigen aanflag üyt te voeren,
benomen zoude worden : dat zy \'t derhalve ge-
voeglyker oordeelden, dat men den tyd daartoe \'
mm als de fchouwfpelen vertoond Wierden,
welke ingefteld waaren ter eere van Ca^iar, die
om de oppermagt te bekomen allereerft den
Romeynen hunne vryheyd ontweldigd , en het
Gemeenebeft in eene Monarchy veranderd had >
want dewyl een groote menigte vólks zich na
het ichouwtooncel begaf, het welk alsdan recht
tegen over \'t paleys opgeflagen wierdt, en dat
alle perfoonen van ftaat zich met hunne vrou-
wen en kinderen derwaards vervoegden, en dat
de Keyzer zelf daar verfcheen, zo zoud het
onder zulk een gedrang zwaar vallen voor de
pénen die zyne behoudenis behartigden, hem
?oor den aanval der tzamenzweerderen te be-
fchutten en men met gemak op hem, in een nau-
we doorgang aan kon vallen. Ghereas onderwierp
zich aan deezen raad, en men befloot het werk tót
den eerften dag dier fchouwfpelen uyt te ftellen:
maar de fórtuyn vermögt meer dan die raadftag i
want naauwlyks kon men het befluyt op den der-
den dag, die de laatfte deezer fpelen was, uyt-
voeren : en Ghereas hebbende alstoen de eedver-
wanten doen byeenkomen fprak hen aldus aan:
,, Wat verwytingen doet de tyd ons niet, dkn
3, wy hebben laaten voorbygaan zonder dien
â edelmoedigen aanflag uyt te voeren ? Is \'cr niet
3, oorzaak om te vreezen dat als de toeleg ontdekt
â is , Kajus zyne woede zal verdubbelen , en
â dat in plaats van door zynen dood de vryheyd
3, van het Ryk te bewerken , wy door onze laf-
hartigheyd zyne tiranny verfterken zullenIs
3) het aldus dat men na oiize veyligheyd en die
van zo veele vólken moet trachten > en is dit
â het middel om eenen onfterflyken naam en
3, roem te verkrygen." Vermids niemand iets
hiertegen durfde fpreeken, maar dat alle hem
met een verbaafd ftilzwygen aankeeken 5 ver-
vólgde hy aldus: â Waarom wilt gy \'t langer uyt-
ftellen.? weet gy niet dat het delaatfte dag dee-
zer fpelen is , en dat Kajus op zyn vertrék
ftaat na Alexandrië , en van dpr na Egipte.^
Meent gy dat wy dit yslyk gedrócht der natuu-
re uyt onze handen behooren te laaten ontko-
men, ten eynde hy zo welterzCe als te lande
over de lafhartigheyd der Romeynen triomfee-
re, en dat een Egiptenaar , die kloekmoedi-
ger is dan wy, de eere wegdraage van de ver- â
drukte vryheyd door den dood van dien D win- â
geland weder opgebeurd te hebben. Ik voor â
my ben niet geneegen meer tyds met onnutte â
overleggingen te verfpillcn; maar wil my he- â
den quyten van \'t gene ik mynen vaderlande â
fchuldig ben : en wat my deswege ook mag j,
befchooren zyn , liever wil ik my alles getroo- â
ften , dan toelaaten dat een ander my den â
roem ontrukke van de werreld van zulk een â
IS
ï
1
(lll ,1
fchrikdier verlóft te hebben."
Ghereas aldus fpreekende noopte zich.zelven
temeer tót deezen grooten aanflag, en moe-
digde de anderen ook zo daartoe aan, dat zy alle
ontvonkt wierden van eene begeerte om denzei-
ven zonder morren in\'t werk te ftellen. \'t Was
juyft dien dag zyne beurt om het woord by deii
Keyzer te haaien j dies ging hy gewapend na
het paleys, dcwyl de gewoonte mede bragt dat de
Hoofdmannen der lyfwacht hun geweer by zich
moften hebben, wanneer zy dit gedeelte van hun
ampt quamen verrichten. Een groote menigte
vólks was reeds na \'t paleys gegaan, en elk
drong om plaats te krygen , omdat\'cr geen by-
zondere voor de Raadsheeren en Ridders ver-
ordineerd was , maar dat elk zich zette daar hy
kon, zynde de vrouwen onder de mannen , en
de meefters onder de flaaven vermengd , welke
wanórde de Keyzer met vermaak aanfchouwde.
Daarnaa ófferde hy aan Auguflus, wien ter eere
die fchouwfpelen vertoond wierden ^ en onder
\'t óffer gebeurde het, dat met het om ver vallen
van het offerdier de tabberd van Asprenas, één
der Raadsheeren, zeer bebloed wierd, \'twelk
voor hem een quaad voorteken was, want hy
wierdt in den oproer gedood : maar Kajus lachte
daarom, en men merkte met verwondering en als
iets ongemeens aan, dat hy dien dag tegen zynen
aardt niet fórs en ftuurfch was. Naa dat de óftè-
rande volbragt was, ging Kajus met zyne befte
vrinden op*t fchouwtooneel zitten ter plaatfe die
voor hem bereyd was. Deeze fchouwburg was
maar van hout, en wierdt jaarlyks in deezer voe-
ge opgerecht: daar waaren twee poorten, de
ééne onder den blooten hemel die op het groot
pleyn uytzigt had, en de andere tegen over de
gallery door welke de fpeelers in en uytgmgen,
zonder de toekykers te belemmeren en men had
aan die kant een byzonder vertrék afgefchooten
waarin de kluchtfpeelers en muzikanten zich ont-
hielden. Naa dat iederpl^ts genomen had, en
dat Ghereas ende andere Hoofdluyden der lyf-
wacht vry dicht by den Keyzer waaren, die zich
ter rechter zyde van het tooneel geplaatft had,
vraagde de Raadsheer die ook Schout
geweeft was, aan den Oud-burgerme«fter Klu-
vius, die dicht by hem zat, zachtelyk óf hy
ook iets nieuws gehoord had. Op \'t welk dc
ander met Neen antwoordende j 3 j Dan zult gy,
JJ her-
33
35 hernam Vatinius, heden een Ipel Zien fpeelen
55 datdetirannyzal eyndigen" : waarop Kluvi-
us met een yaers uyt Homerus tót hem zeyde :
3, Zwyg, opdat niet iemand van de Grieken u
â hoore.\'\' Thans wierden \'er vruchten en veel
raar gevogelte te grabbel gegooid; en Kajus zag
met groot vermaak aan hoe \'t vólk woelde om
dien buyt te vangen en op te raapen. Daar-
naa vólgden twee zaaken die als voorbeduyd-
fels konden genomen worden. De ééne dat
men in de fpelen eenen Overfte der roovers ver-
toonde, die gegreepen zynde, aan een kruys-
hout gehangen wierdt: en de andere dat men
het treurfpel van Cinyras fpeelde, waarin hy
en zyne dóchter Myrrha gedood wierden > en
by het verbeelden van den dood deezer drie per-
foonen wierdt veel bloeds, dat men tót dien eyn-
de daar gereed had, geftort. Hierby wordt
nóg verhaald dat het op dien zelfden dag van
\'t jaar was , dat Fiiippus zoon van Amintas
Koning van Macedonië, wel eer door Pauia-
nias, éénen zyner vrinden, was gedood, zoals
hy na \'t fchouwtooneel ging.
DeWyl die dag de laatfte deezer fchouwlpe-
len was, overleyde Kajus óf hy blyven zou tót
op \'t laaft, dan óf hy zich naa \'t bad zoude be-
geeven, en voorts wat eeten, om daarnaa we-
der tc keeren, gelyk hy gewoon was. Waar-
op Minucianus, die dicht by hem gezeten was,
en Chereas had zien uytgaan, vreezende dat de
gelegenheyd om den toeleg uyt te voeren voor-
bygaan zoude, opftondt om hem in zyn voor-
neemen te verfterken. Maar Kajus greep hem
by den tabberd , en zeyd op een vriendelyke
wyze tót hem : Waar heene dóch, goede man,?
Hy ging op dit zeggen weder zitten, maar niet
konnende zyne vreeze overwinnen, rees hy ten
tweedenmaale op, zonder dat Kajus hem weêr-
hieldt j denkende dat hy iets noodigs te verrich-
ten hadde. Asprenas, die mcêwuftig Vah den
aanflag Was, eh naar het uytvoeren van deh aan-
flag verlangde , deed den Keyzer toen befluyten
na\'t bad te gaan, en maaltyd te houden, oni
daarnaa weder te keeren.
XIX. BOEK;
Ondertuflchen had Chereas\'de ecdvcrwantcft
op zodaanige plaatfen die bequaamft tót hun
oogmerk waaren gefteld ⢠en ongeduldig wor-
dende door \'tlang vertoeven, dewyl \'t reeds al
de negende uur van den dag was, nam hy voor»
weder na den fchouwburg te keeren om den aan-
flag uyt te voeren: want hoewel hy genoeg be-
greep dat zulks niet konde gefchieden, zonder
dat \'et het leeven van veele der Raadsheeren en
Ridderen kóften zoude, echter oordeelde hy
dat dc algemeene vryheyd boven de behouder
nis van byzondere perfoonen behoorde gefteld
te worden. Maar zo als hy na \'t fchouwtoo-
neel ging> bemerkte hy door \'t gedruysdat Ka-
jus uytgegaan was , en na \'t paleys toe quam.
Hierop maakten de tzaamengezwoorcnen ruym
baan onder \'t gedrang , gelyk als óf \'t uyt laft
des Keyzers gefchiedde, maar inderdaad was
het om hem te gemaklyker te konnen dooden
als\'er geen vólk in den weg was. Voor hem
heene traden zyn oom Klaudius, zyns zufters
man Markus Vinicius, en den Onderburgcr-
meefter Valerius , die te aanzienlyk vah ftaat
waaren om te doen wyken , en met hem vólg-
de Taftlus Aruntius. Naa dat hy in \'t Paleys
gekomen was verliet hy den gewoonlyken wegi
welken Klaudius, en de andere die vooruyt
gingen , genomen hadden ^ en alwaar de ampte-
naars van zyn huys hem ook ftonden te wach-
ten j en hy floeg eenen anderen heymelykén weg
in om na de baden te gaan, en aldaar de jongens
te zien die uyt Afië gebragt waaren, om de lóf-
zangen te zingen onder de dienftpleegingen eii
offeranden 3 door hemzelven ingefteld j en om
Æ O à ö ^ C H E H I S T b R ï.
op het tooneel deii Pyrrihifchen dans tedanfen -1 dé eyfchte het wachtwoord van hem, en Kajus
ChercajS hem in dit verwuftt tégémöettreèden- j gaf\'er hém vólgens^^oonte één dat
dacht gefchiedde, opdat hy veele wonden ont-
vangende eer hy ftierf, daardoóf të pynelyker
dood tót ftrafte zyner misdaaden\' Zoude lydéit^
Maar dat komt my.\'ganfch niet waarfchynelyic
voor , omdat rnen zich met geene oyerleggih\'-
gen ophoudt in zodaanige bedryven, die niet
te fnel konnen uytgevoerd worden, eh dat Che-
reas een zeer onverftandig menfch moft geweeft
Z37n, ónljzich zo door zynen haat te laaten ver-
voéreny dat hy meer\'bedacht ^^are^zulk een
ydele geneugte te nèetnen , dan zichzelven en
alle zyne mecdepligtigen van \'t^gevaaï, waarin
Zy waaren , te verlóften. \'t Zou Kajus wël
haaft niet aan helpers ontbroken hebben, om
hem te befchermen zo lang hy in -^t leeven Was,
in plaats dat als men hem\' afmaakte eer zy tyd
hadden malkanderen \'te kennen , dé eedver-
wanten dan gelegenheyd haddenom hunne\'hah-
den te ontkomen. Dóch ik laat elk daar van
oordeelen naar zyn goedvinden. \' De houw die
Kajus ontvangen had y/as\'tuflchen den hals en
den fchouder, en zoud een dieper wónde ge-
maakt hebben, mdieii\'er geen been in^ den weg
geweeft Vaare. En\' Hoewel die Häg; hem zéér
deed, echter fchreeuwde hy niet, rióchte riep
benam, óf dat hy ook die mistrouwde die hy
roepen mogt, óf daar niet op verdagt was : eh
liy poogde TC vlugten , tóen Kornelius Sabinus
hem eenen ftoot gaf, dat hy óp zyne knien viel 5
waarop de tzamengezwoorenen hem ömring-
den, roepende : Weêr aan, weêr aan! en hem
alzo ombragten. Onder de houwen en fteeken
die hy ontving, meent men dat hem den
doodfteek gaf, waardoor het Ryk van zyne on-
draagclyke ^tiranny verlóft wierdt. Niettemin
komt Chereas de voornaamfte roem daaraf toe,
omdat,hoewel verfcheydene aan den aanflag
deel hadden, hy echter de eerfte was die den
toeleg bedacht, ;die\'er andere toeaanporde, die
hen middelen tót uytvoeringe daarvan voorftel-
de, dieï hen, door de grootheyd van *t gevaar
verbaafd, ccn hart onder den riem ftak, én die,
zo dra de gelegenheyd zich daartoe aanboodt,
den dv/ingelandden eerften flag gaf, en toen hy
reeds half dood was aan anderen overliet hem
voort af. te maaken. Invoege dat menmet waar-
heyd zeggen kan, dat men aan zyne kloekmoe-
digheyd en beleyd alle de eere, die zyne mede-
pligtigc verdiend hebben, moet toefchryven.
Naa datzy die gróote daad verricht, endoor
deezen\' moord van den Keyzer, die zóttelyk
van \'c ^auw bemind was, en zeer veel krygs-
vólks oVderhieldt, zich in geen kleyn gevaar ge-
fteld hadden, bevonden ze dat het moeijelyk zou
vallen fe ontwyken : en dewyl \'t hen onmooge-
lyk toefcheen weder te keeren langs den zelfden
weg dien zy waaren \'gekomen, omdat die door-
gangen zeer eng, cn met Krygsbevélhebbers en
lyfwachten, die amptshalve zich op dien feeft-
dag byeen vcrvoègd hadden, bezét waaren, gin-
gen zy dóór eenen anderen, weg na\'t paleys van
jpil,\'
I\'
XIX.
^ Germanikus i wiens zoon Kaj u s zy gedood h ad-
den. Dit paleys ftond naaft dat van den Key-
zer, óflievèrv^as ecri gedeelte daarvan, nevens
andere gebóuwén door de voorgaande Keyzers
gefticht, naar wélke zy genoemd waaren. Zy
dan ^t gedrang \'aldus ont weeken zynde, waaren
daar in zekerheyd, zo lang\'t gerucht van Ka-
jus dood nóg niet verfpreyd was.
\' De cérftedie -er detyditlgvan kreegen-Waaren
dé"^ Duytfchers iyner lyfwacht, welke men de
Celtifche keurbende noemde.- Deeze waaren
\'alle fóldaaten welke hy uyt het krygsvólk van
die landaard gekóózén häd, om hem fteeds te
verzeilen-, z^hde de oploópéndfte onder de Bar-
baaren, eri\'\'Welniet fchrandér\'van aard, maar
fterk-van lighaäm j en dewyl ze doorgaans den
eerften äanyäl der vyaiideii Uytftaan , \' helpen
Zy ^ef niet weynig tóe om de overwinning na
die ;Þ al^är iy vechteriké^-doen overflaan.
De dood ^s Keyzers wals ^hen^ zeer flnartelyk;
warifliét was niet zyn verdiériftë, maar hun ey-
gen \'belang waarop zy zagen -ook was niem and
beter daii.zy van^ Kajus %êjfegerid gewcéft, die
óm htinrie gerieègcnhcyd te winnen, hen groo-
te gefchenken gäf Zy flronden toen onder het
bevél van Sabinus, die tót dat ampt niet gevór-
derd was om zyne deugd, nóch om die zyner
voorvaderen f want hy was een Schermér ge-
weeft), maar öm zyne ongemeene fterkte. On-
der zyn geleyde dan liepen zy na alle kanten
"met het Zwaerd in de vuyft , om den genen die
den Keyzer gedood hadden, wederom \'tlecven
te beneemen. De eerfte die hen tegenquam was
Asprenas, van wien wy gezegd hebben dathet
een quaad voorteken voor hem was dat\'er van
het bloed des flagtófters óp zynen rók viel, en
zy hieuwen hem aan ftukken. Thans troffen
zy Morbanui aan, die van zulk een doorluchti-
ge geboorte wasä^ dathy vcele Veldoverften on-
der zyne voorouderen tellen kon > dccs niet min-
der fterk dan kloekmoedig, ziende dat die Bar-
baaren zyne hpedaanigheyd geen ontzag toe-
droegen, rukte éénen van hen het zwaerd uyt
de hand , en zou niet ongewroken gefturven
zyn, indien hy niet van alle kanten omringd ge-
weeft waare; maar wordende door hun groot ge-
tal overvallen, viel hy van wonden doorboord
eyndelyk neêr. De derde der Raadsheeren die
de woede deezer Duytfchers beproefde was
tejus, wien de nieuwsgierigheyd om het dood
lighaam van Kajus te zien het leeven kóftte.
Dewyl de haat, dien hy hem toedroeg? groot
cn rechtmaatig was, omdat die Vórftzy"^^^ va-
der niet alleenlyk had uytgebannen, niaar hem
in zyne ballingfchap doen dooden ? verluftigde
hy zyne oogen met dit aangenaam ^chouwfpel,
toen hy het krygsvólk hoorde op hem aanko-
men. Hy nam daarop de vlugt om zich te ver-
bergen, maar daar was geen kans voor hem om
de handen deezer verwoede menfchen, die de
onfchuldigen zo mm als de fchuldigen ver-
fchoonden, teontvvyken.
Wanneer hec gerucht van \'s Keyzers dood
zich in den fchouwburg verfpreydde, baarde het
meer verwonderinge in de gemoederen, dan
het geloof vondt: want die\'er lang vuuriglykna
gewenfeht- hadden konden \'t naauwlyks geloo-
FLAVIÃSJ è S à P H 0 S
lyk luydde. Chereas kêerde deézen hoon af
door een ander fchirapwoord, en gaf hem met
zyn zwaerd eeften homy, die echter niet doo-^
delyk \\Vas. Sómmige meenen dat" dit met voor-;
B
OE
ven
ven, omdat zy vreefden dathet niet waar was,
en andere wilden \'er geen geloof aan flaan,
doordien zy wenfchten dat het onwaar mogt
zyn, en zy zich niet verbeelden konden dat men
zulken ftouten aanflag zoud hebben durven be-
ftaan , veel min uytvoeren. Het getal deezer
laatften beftondt uyt fóldaaten, vrouwen, jon-
ge lieden, en flaaven : want de fóldaaten had-
den behalve hunne fóldy ook deel aan de tiranny,
en den roof diens Keyzers, die hen toeliet de
fraaifte ingezétenen baldaadiglyk en ongeftraft
te beleedigen : De vrouwen en \'t jonge vólk
fchepten behaagen in de fchouwfpelen, fcherm-
gevechten , gefchenken, en andere vermaake-
lykheden, waarvan Kajus mild was , onder
fchyn van \'t vólk genoegen te geeven , maar
inderdaad om zyne wreedheyd en dwaasheyd
in te vólgen : En de flaaven waaren gediend
met de vryheyd welke hy hen gaf niet alleenlyk
om -hnnne meefters te verachten, maar hen ook
valfchelyk te befchuldigen , zonder dat zy be-
hoefden te vreezen van daarover geftraft te zul-
len worden 5 want niets was gemaklyker dan ver-
giffenis van hunne lafteringen by dien Vórft te
verwerven ; ja zy waaren zelfs verzekerd dat
zy kennis geevende van \'t geld dat hunne hee-
ren hadden , daardoor hunne vryheyd konden
verwerven , nevens het achtfte deel van \'t ver-
beurde \'t welk den aanbrenger toegezegd was.
Noopende de perfoonen van aanzien,alhoewel
etlyke van hen geloofden dat die maare waarach-
tig was, \'t zy om dat zy\'t wenfchten, óf vermids
zy eenig bericht van den toeleg hadden , zy
durfden echter geen blydfchap daarover betoo-
nen , nóch ook laaten blyken dat zy verftonden
wat \'er gezegd wierdt, uyt vreeze dat indien
zy in hunne hoope bedroogen waaren, het hen
dier te ftaan zoude komen dat zy hun gevoelen
te kennen gegeeven hadden : en die van de tza-
menzweeringe kundfchap hadden, waaren de
ingetoogenfte van allen, doordien zy zich niet
verdacht wilden maaken by den genen dien\'er
aangelegen was dat Kajus nóg leefde, en die
niet traag zouden geweeft zyn om hen te ver-
derven , indien de tyding zyns doods valfch
geweeft waare.
Ondertuflchen quam \'er een gerucht dat de
Keyzer wel gequetft , dóch echter niet dood
was i maar dat men zyne wonden verbondt.
Evenwel wift men niet wat men hiervan geloo-
ven zoude, vermids de brengers van dit bericht
óf verdacht waaren van de tiranny te begunfti-
gen , óf voor zulke vyanden daaraf gehouden
wier den 5 dat men niet wel geloof kon flaan aan
iets, dat zy moogelyk zeyden eer uyt een begeer-
te dat het waar mogte zyn , dan dat het mder
daad waarachtig waare. Op dit gerucht volg-
de nóg een ander , dat alle de heden van den
hoogften ftaat zeer ontruftte, \'t welk was dat
Kajus zonder zyne wonden te laaten verbinden,
ganfch bebloed na \'t groot pleyn geloopen was,
om aldaar eene aanfpraak aan \'t vólk te doen.
Deeze verfcheydene geruchten baarden ver-
fcheelende beweegingen, naar de verfcheydene
gefteltenis der gemoederen, en niemand durfde
Uyt zyne plaats treeden uyt vreeze van belafterd
te worden, doordien ieder wift dat men van de
bedryven niet oordéelde vólgens de gedachteö
welke iemand waarlyk in zyn gemoed had?
maar naar de uytlegging die de aanbrengers en
rechters daarover maakten.
Staande de dingen aldus , zag men de Duyt-
fchers met uytgetoogene zwaerden komen aan-
loopen om den fchouwburg te omringen. Dit
deed alle voor hun leeven vreezen , en elk ley-
de zich ieder oogénblik den dood toe , zo dat
zy , dewyl \'er niet minder gevaar in \'t vlugten
dan in \'t blyven fcheen , niet wiften waartoe ze
befluyten zouden. Toen dit krygsvólk door
\'t gedrang heene ftreevende tót aan de fchouw-
plaats gekomen was , hoorde men een verward
geraas van de menigte van ftemmen der gener
die baden dat men hen geen leed doen wilde >
nademaal zy in geenen deele fchuld aan \'s Key-
zers dood hadden. Hunne fmeekingen waa-
ren met traanen en zuchten verzeld, zy riepen
de Goden tót getuygen hunner onfchuld aan,
en deeden alles wat de vreeze voor zulk een
gevaar magtig was hen in te boezemen. Hoe
groot ook de verwoedheyd deezer Duytfche
fóldaaten was, echter konden zy dit menig-
vuldig gefchrey en geween niet onbewoogen
aanfchouwen , en onvermurwd blyven op
\'t zien der hoofden van Afprenas en andere,
door hen gedood , welke men overal rond ge-
draagen hebbende, op eenen altaar gezét had.
Dit yflyk fchouwl|)el van dien ramp aan ver\'
fcheydene mannen van naame overgekomen,
baarde niet alleen deernis by zo veelc luyden
van aanzien en den ganfchen vólke , maar het
deed hen ftdderen van angft dat zy dit gevaar
niet zouden konnen ontvlugten j zo dat zelfs
de blydfchap der gener die Kajus haat toedroe-
gen , en \'er de meefte oorzaak toe hadden om
zo te doen, geftoord wierdt door de vreeze
dat zy hem niet zouden konnen overleeven.
Ter zelfder tyd verfcheen \'er een openbaar
uytroeper van verkoopingen , die een zeer luy-
de ftem hebbende, heel ryk, en wel gewild by
\'t vólk , en Enarifius Arnmcius genaamd was,
op het tooneel, in rouw gewaad, en met alle té-
kenen van groote droefheyd : want hoewel hy
Kajus geweldig haatte , nógtans ontveynfdehy
zyne blydfchap , en achtende dat ieder één be-
hoorde te weeten dat die Vórft waarlyk dood
was, maakte hy zulks met luyder ftemme bekend,
opdat niemand daaraan behoefde te twyfelen.
Hierdoor weêrhieldt hy de Duytfchers 3 en hun-
ne Bevélhebbers gebooden hen \'t zwaerd in de
fcheede te fteeken. Aldus was deeze openbaa-
re aankondiging van \'s Keyzers dood , de be-
houdenis dier groote menigte in dien uyterften
nood : want de zucht van dit krygsvólk tót
Kajus was zo fterk , dat indien zy maareenigé
hoope van zyn leeven gehad hadden , zy zich
geen pleegen van geweld óf wreedheden zou-
den ontzien hebben , om zyn verderf te wree-
ken, Maar de verzékering zyns doods ontwa-
pende hunne gramfchap , doordien zy hem
niet langè- blyken van hunne toegeneegenheyd
konden geeven, nóch die Van de zyne ontvan-
gen en dat zy reden hadden om voor ftraffe te
vreezen indien de Raad meefter wierdt.
Middelerwyl was Chereas ten hoogften be\'-
köm-
458 FLAVIUS
kommerd dat Minucianus door de woede der
Duytfchers omkomen zoude 5 dies verzócht hy
alle krygsknechten , op welken hy ecnighns
ftaat kon m.aaken , dat zy tóch zórge voor zyn
leeven wilden draagen. Minucianus was onder-
wyl tót Klemens gebragt, die hem met veele
andere Raadsheeren in vryheyd gefteld had,
cn zyn beftaan ten hoogften had gepreezeni
zeggende onder andere : â Dat het der tiran-
n nye eygen was binnen korten aan te groeijen,
â door \'t vermaak dat zy had van ongeftraft
,, elk één te konnen quaad docn : maar dat de
â haat die zy in alle vroome luyden tegen haar
,5 opwekte, te wege bragt, dat de Tirannen,
â door een fchielyke verandering , hun leeven
â jammerlyk eyndigden. Dat men een voor-
,, beeld daarvan zag in den perfoon van Ka-
â jus, die niet gefchroomd hebbende alle wet-
â ten te fchenden, en alle zyne vrinden te be-
â leedigen, hen zyne vyanden gemaakt had :
en dat derhalve hoewel hy door hunne han-
â den gcfneuveld was , men echter met waar-
3, heyd zeggen kon dat hy zichzelven den dood
3, aangedaan had."
Onderwyl ftonden de aanfchouwers op, om
uyt den fchouwburg te gaan , het geen zeer
grootc verwarring gedrang, en gevaar ver-
oorzaakte , doordien ieder het eerfte zichzel-
ven ter poorten uyt zócht te redden. De oor-
zaak van deeze ongeftuymheyd was , dat zé-
ker hcelmeefter genaamd Alcyon, dien men
daar gehaald had om eenige der gequetften
te verbinden , zyne vrinden had doen uyt-
gaan onder fchyn van geneesmiddelen te haa-
ien, maar inderdaad om hen van het gevaar te
verlóftèn.
Thans quam de Raad in \'t paleys byeen, en
\'t vólk met hoopen op het pleyn aanftuyven j
beyde eyfchten zy ftraffe over degénen die den
Keyzer ontlyfd hadden j dóch het vólk begeer-
de zulks in ernft, en de Raad maar in fchyn.
Deezc groote beroerte bewoog den Raad Vale-
rius Afiatikus, Oud-burgermeefter, tót hen te
zenden : en dewyl zy zich zeer misnoegd toon-
den dat men de eedverwanten nóch niet ont-
dekt had, en daarbenéven vraagden wie de
ftichter van den moord was, antwoordde hy :
Ik wenfchte dat ik het geweeft waare.
De Raad gaf daarnaa een befluyt uyt, by
\'t welk de gedachtenis van Kajus als eerloos
gedoemd wierdt, en beval aan allen te vertrek-
ken, de burgers na hunne huyzen, cn\'t krygs-
vóïk na hunne légerplaatfen, beloovende aan
de eerften grooten afflag van fchattingen , cn
aan de anderen vergeldingen zo zy hunnen pligt
waarnamen- Want men was beducht dat in-
dien hen geen genoegen gegeeven wierd, zy
allerley geweld in Rome pleegen, en niet alleen
de huyzen der inwoonderen pionderen , maar
zelfs de Tempelen niet verfchoonende, kerk-
fchendery begaan zouden. Alle de Raadshee-
ren Woonden deeze vergadering by , en die
tot het getal der tzamcngczwoorenen behoor-
den, waaren niet alleenlyk de eerfte daar, maar
hoopten ook dat de Raad, door die groote
verandering, hun voorig gezas; weder aanvaar-
den zoude. O ö ö
J O S E P HU S
ir. H O O F D S T U K.
Het Krygsvóïk is in overleg om aan Klaudius, oom van Kajasj het
Ryk op te draagen. Vertoog van Saturninus in den Rasd voor dc
â vryheyd. Ghereas zend iemand om Csjfonia, gemaalin van Ka-
jus, en zyne dóchter te dooden. Goede cn quaade hoedanigheden
van Kajus, \'t Krygsvóïk befluyt Klaudius Keyzet te maaken, cn
hrengt hem na \'t leger. De Raad zendc aan hem om tc verzoeken
dat hy die waardigheyd niet aanneerae.
\'TErwyl de Raad in overleg was, hielden 7p5>.
de krygsheden ook raad en naa alles over-
woogen te hebben , fcheen \'t hen toe dat de
Vólkshcerfching , indien men die hcrftelde,
onbequaam was om het gewigt der regeeringe
van zo veele koningryken cn landfchappen te
onderfchraa
gefchieden
35
55
S>
3>
3ï
53
gen
en dat al waare het dat zulks
Ison, zy\'er hun voordeel niet by
vinden zouden : wyders dat indien iemand der
voornaamften uyt den Raad tót Keyzer verkoo-
ren wierd, zy hem tótvyand zouden hebben,
zo ze niet behulpzaam geweeft waaren om hem
tót dien opperften eeretrap te verheflèn. Ge-
loovende dan dat niemand het beter verdiende
dan Klaudius, zo door zyne hooge afkomft,
dcwyl hy oom van Kajus was, als om zyne def-
tige opvoeding, en hoopendc dat hy hunne
weldaad dankelyk erkennen zoude , beflooten
zy hem , dienze met haaft uyt zyn vertrék ge-
bald hadden, voor Keyzer uyt te roepen.
Kneus Sentius Saturninus kreeg hier van bericht
in den Raad, hoe Klaudius als tót het Ryk ge-
dwongen was, fchoon men wel bevroede, dac
het uyt eygen neyging en beweging was. Hy
dan achtende dat men geen tyd moft laaten ver-
looren gaan om vroomheyd en kloekmoedig-
heyd te toonen, ftondt hy op, cn fprak met
eene vrymoedigheyd , die voor zulke voornaa-
me cn doorluchtige mannen in geenen deele on-
betaamclyk was, in deezervoege : â Eynde- â
lyk, oRomcynen, zien wy, naa eene flaaver-â
ny van zo veele jaaren, heden tegen alle hoo-
pe deeze gelukkige vryheyd, die de voortref-
felykfte van afle goederen is, te voorfchyn ko-
men. Wel IS waar dat wy niet weeten hoe
lang zy duuren zal, doordien het van de wil-
le der Goden, dieze ons gefchonken heb-
ben, afhangt ons dezelve te laaten behouden. â
Maar al waare \'t dat dit groot geluk ons in â
der yl ftondt te begeeven , daarom behoor- â
den wy echter niet te laaten het hoog te ach- â
teri^ om dat\'er geen menfch van verftand is, "
die zich niet verblyd voelt als hy vry in een â
vry land mag leeven, en ten minften eenige,,
uuren die zoetigheyd fmaaken , welke onze â
voorvaders eertyds genooten toen de Staat â
in zynen vollen bloei en luyfter was. Na- â
demaal ik gebooren ben federd dat die zo â
wcnfchclykc vryheyd is verdrukt geweeft, â
zo heb ik die gelukkige tyden, in ^e], ^^
ke men in geleerdhcyd , en in alle eerlyke â
oefeningen die het verftand befehaaven en â
den moed doen ryzen , opgequeekt wierdt, â
nooit gezien. Hierom is al es wat ik tegen- â
woordig doen kan , dat ik myne liefde be-,,
tuyge tót die, welke ons heden verfchynt : â
en ik acht dat\'er geen eere is die wy naaft den â
onfterflyke Goden niet fchuldig zyn te be-,,
wyzen aan degénen welker edelmoedig-,,
f> heyd
XI X. B o E K.
3, heyd en deugd ons dit aangenaam hcht der
5, vryheyd weder doet aanfchouwen. Want al
3, waare \'t dat wy haar maar éénen dag ftonden te
3, genieten, zoud het voor allen niet een groot
â voordeel zyn^ voor de ouden omdat zy naa
5, zulk een onverhoopte verandering zonder
verdriet behooren te fterven; en voor de
â jongen, omdat het hen tót een voorbeeld
35 verftrekt dat zy gehouden zyn naa te vólgen,
55 indien zy van de deugd hunner voorouderen
niet ontaarden willen ; en dat het niet dan
door deugdzaame bedryven is, dat men de
vryheyd verwerven kan ? Van verleedene
zaaken kan ik niet Ipreeken dan door hooren
zeggen van anderen j maar \'t gene ik zelf
aanlchouwd heb, laat my niet toe onkundig
te weezen van de onheylen die door dwinge-
landy veroorzaakt worden. Ik weet dat zy
de deugd opentlyk beöorlógt, en dat ze
geene luyden van moed en verdienfte dulden
kan : dat zy eene vreeze in de gemoederen
3, inprent, en hen tót een lafhartige vleijery
3, vervoert, omdat men den wetten geen eerbie-
3, digheyd toedraagt wanneer alles van de vol-
ftrekte wille des Vórften afhangt. Want
federd dat Julius Csefar, vertreedende de in-
zettingen zo gódsdienftiglyk wel eer door
onze voorvaderen onderhouden, zyne on-
rechtmaatige heerfchappy op den bouwval
van \'t gemeenebeft gefticht heeft, zyn\'er
geene rampen en elenden geweeft welke Ro-
me niet heeft moeten bezuuren. Zy die hem
in deeze oppermagt gevólgd zyn, fchynen
geen ander oogmerk gehad te hebben dan
elk om ftryd na de geheele omftooting der aal-
oude tucht te trachten: en dewyl zy geacht
hebben dat \'er nergens zekerheyd voor hen
te vinden was, dan onder menfchen die be-
reyd waaren allerleye fchelmftukken te be-
gaan om hen te gehoorzaamen, zo zyn \'er
3, geene middelen zo fnood geweeft waarvan
3, zy zich niet bediend hebben om de vroomfte
3, lieden te onderdrukken, ja hen het leeven
3, te beneemen. Onder die ondraagelyke mec-
3, fters, die ons onder zulk een tirannifche
3, heerfchappy hebben doen zuchten, kon Ka-
3, jus zich beroemen dat hy alle de anderen
3, overtrof; want zich niet vernoegende met
,, zyne verwoedheyd tegen ons burgers te plee-
3, gen , heeft hy de uytwerkingen daarvan ook
aan zyne vrindenen nabeftaanden doen gevoe-
3, len , en is niet minder eerloos jegens de Go-
3, den, dan wreed tegens de menfchen geweeft.
3, Want dit is eene eygenfchap der Tirannen,
âdat het hen niet genoeg is, gierig, welluftig,
55 en tróts te zyn, maar hun grootfte vermaak
55 is hunne vyanden uyt te roeijen ; en alle die
3, een edel en verheven gemoed hebben, merken
35 zy als zodaanig aan. Geen taai geduld is mag-
tig hen te verzachten ; want doordien hen
33 niet onbewuft is hoe haatelyk zy by hunne
3, onderdaanen zyn , gelooven zy aat ze zelve
niet veylig en zeker können weezen , dan
door hen zo te benaauwen dat zy zich van
hunne elenden niet ontflaan konnen. Dewyl
â wy dan nu daarvan verlóft zyn , en alzo ge-
heellyk yan ons zeiven alleen afhangen, zo
kan onze tegenwoordige eendragt onze zeker-,,
heyd voor het toekomende te wege brengen.,,
Wie belét ons den roem van Rome weder ,5
op te beuren, en aan den Staat zynen ouden
glans en voorigen luyfter weder te geeven.^
Het ftaat ons vry tegen onórdentlykheden
te Ipreeken , en wy moogen zonder gevaar
voorftellen \'t gene ons voordeeligft dunkt
voor \'t gemeene beft , naardien wy \'t juk van â
die heerfchzuchtige meefters , die ons zulks â
konden beletten, en die een lóflyk bedryf â
als een groote misdaad ftraften , afgefchud â
hebben. Laaten we ons eens te binnenbren-,,
gen, dat niets de tiranny zo in haare geboorte â
geftyfd heeft, dan de lafhartigheyd der ge-
ner die\'er zich niet tegen durfden verzet-,5
ten ; en dathetonzeverwyfdheyd, waardoor â
we ons als flaaven gewend hebben een fchande- â
lyk leeven boven eenen eerlyken dood te ftel- â
len, geweeft is, die Rome in deezen afgrond â
van alle rampen gedompeld heeft. Maar bo- â
ven al laat ons de fchuldige eere geeven aan â
den genen die ons van flaaverny bevryd heb- â
ben, en inzonderheyd aan Chereas, wiens be-,,
leyd en dappere arm ons door den byftand der ,,
Goden de vryheyd verwurven heeft. Want â
wat vergelding verdient hy niet te ontvangen ,,
van hen , voor welken hy niet gefchroomd â
heeft zich aan zulk een gevaar bloot te ftel-,,
len ? Ja hy heeft dat nóg vooruyt boven â
Brutus en Kaflius, welker deugd hy heeft
naagevólgd, dat hy , in plaats dat hun be-
dryf gevólgd wierdt van eenen oorlóg die
het geheele Ryk en den ganfchen aardbodem â
ontroerde, ons door den dood van éénen men- ,,
fche van alle onze euvels verlóft heeft."
3>
33
35
55
55
55
55
55
55
55
33
33
33
33
33
33
33
33
33
33
55
55
55
55
55
55
55
55
33
33
Dit vertoog van Saturninus wierd met c^root
behaagen van alle de Raadsheeren en Ridders,
die daar tegenwoordig waaren, aangehoord: en
dewyl de yver, met welken hy fprak, hem had
doen vergeeten dat hy eenen ring aan den vinget
had, op welks gefteente het beeld van Kajus ge-
fneeden ftondt, nam Trebeüms Maximus hem
dien af; en de fteen wierdt fluks aan ftukken ge-
broken.
De nacht middelerwyle gekomen zynde
eyfchte Chereas het woord van de Burgermee-
fteren ; waarop hem dat van Vryheyd gegeeven
wierdt; want zy konden zich naauwlyks genoeg
verwonderen, dat zy dus na dat zy haar vryheyd
een eeuw lang waaren quydt geweeft, wedertót
het bezit van hun yoorig gezag gekomen waaren.
Chereas gaf vervolgens deeze leuze aan de Be-
velhebbers der vier vaanen , die een wettige
heerfchappy boven de tiranny ftellende, de zy-
de van den Raad gekoózen hadden.
Kort daarnaa betoonde het vólk , dat door-
gaans wuft en ongeftadigis , groote blydfchap
wegens de hoope die het had van nevens de
vryheyd ook de magt, die het eertyds bezeten
had, weder te bekomen , en het prees Chereas
ten hoogften.
Deez aanleyder van dit werk ^ waardoor de
Staat een andere gedaante gekreegen had oor-
deelende dat men altoos oorzaak van vreeze zoud
hebben zo lang \'er iemand van Kajus geflacht
in \'t leeven was , beval yulius Lupus , éénen
LU van
35
55
33
3)
33
J5
800,
801.
80 z,
4f9
van de Hoofluyden der lyfwaelit, de Keyze-
rin C^foma en haare dóchter te gaan ontlyven j
kiezende hem voor andere daartoe uyt, omdat
hy een bloedvrind was van Klemens, die één der
eedverwanten was. HoewePer nu eenige waa-
ren , die \'t voor wreedheyd hielden eene
vrouw om te brengen, als óf zy fchuldig waare
aan \'t bloed der doorluchtigfte Romeynen ,
\'t welk door de wOede van Kajus alleen vergoo-
ten was i zo zeyden andere daarentegen dat
zy de voornaamfte oorzaak van de rampen des
Rvks was, doordien zy hem eenen minnedrank:
had ingêgeeven, die hem tót deeze fpooreloos-
heyd vervoerd had; ên dat men haar derhalve
moft aanmerken als eene die het doodelyk ver-
gift , waardoor zo veele uytmuntende perfoonen
"t leeven geraakt waaren, gebrouwen had.
om
Dit laatfte gevoelen behieldt de overhand, dies
vertrok Lupus om zynen laft uyt te voeren. Hy
vondt Csefonia Op den grond leggen by\'t lyk
van haaren gemaal, dat van alles \'t welk men
gewoon is den dooden te geeven beroofd, zynde
zy ook met het bloed zyner wonden overal be-
fmeerd. Haar dóchtertje lag nevens haar j en
men hoorde uyt haaren mond niet dan klagten
dat hy den raad, dien zy hem zo menigmaal ge*
^eeven had , niet had willen vólgen. Deeze
woorden wierden toen, en als nóg, verfchey-
dendyk uy tgelegd, want fommige meenden dat
zy daarmee zeggen wilde dat zy den Keyzer haa-
ren gemaal geraaden had zich anders te draa-
gen, en zyne woede af te leggen, omdegenee-
|enheyd der Romeynen te herwinnen, opdat zy
niet door wanhoop vervoerd op zyn leeven toe-
leyden. Andere daarentegen oordeelden dat die
woorden betekenden, dat zy eenige kennis van
de tzamenzweeringe gekreegen hebbende, hem
geraaden had niet te w achten, tótdat hy \'er vol-
komen van verwittigd was, maar in tyds voor
zyne zékerheyd zórg te draagen. Deeze droe-
vicre Vórftin, meenende dat Lupus quam om
het lyk te zien, zeyde tót hem, met traanen en
gekerm, dathy Wat nader komen Zoude. Maar
toen zy zag dat hy haar niet antwoordde, be-
merkte zy wel haaft waarom hy daar gekomen
was i en haaren j ammerlyken ftaat beklaagende,
toonde zy hem haaren blooten króp, en maan-
de hem aan om het la^afte bedryfvan dit bloedig
treurfpel te voltooijen. Daarop verwachtte zy
den doodfteek meteen wonderbaare ftandvaftig-
heyd; en haar dóchtertje, dat nóg jong was,
wierdt nevens haar gedood
Dusdaanig was het eynde van Kajus naa dat
hy drie jaaren en acht maanden geregeerd had.
h
805
Hy had, eer hy tót dc Keyzerlyke waardigheyd
quam, al getoond dat hy onbefchóft, quaadaar-
dig, welluftig, een voorftander van lafteraars,
bloode en vreesachtig, en by gevólg wreed van
aardt was. De magt om onfchuldigen te mis-
handelen , en zieh met den roof van hunne
goederen , naa dat hy hen had doen ombren-
gen, te verry\'ken, wierdt by hem aangezien als
\'t grootfte voordeel der oppérmagt. Hy kon-
niet dulden dat men hem maar aïs eenen menfch
aanmerkte, maar trachtte dwaaslyk als een Gód
geëerd te worden , en verhovaerdigde zich op
de fnoóde vleijeryen des gemeenen vólks- De
beteugeling welke de wetten op de ongeregelde
driften brengen was hem ondTaagelyk. Geen
vrindfchap, hoe groot en oud ook, was mag-
tig hem te weêrhouden van ^yne handen met
bloed te bezoedelen wanneer hy toornig was.
Alle vroome lieden hielde by voor zyne vyan-
den. Hoe onrechtvaerdrg zyne bevélen ook
waaren, hy wildeze opftaandevoet, en zonder
de minfte tegeufpf^eking, uytgevoerd hebben :
En onder andere ondeugden waardoor hy zich
gehaat maakte, wierdthy wegenszysegruuwe-
lyke en tót dien tyd toe -on^hoorde onkuys-
heyd, die hem tót het pleegen vanbloedfehan-
de met zyne eygene zufter aandreef, van al de
werreld verfoeid. Hy\'ftichtte geduurende zy-
ne
\'l\'i I.
ne regeeringe geene treiFelyke werken waaruyt
het Ryk eenig nut kon trekken , uytgenomen
eenige havens by Rhegium, en in Sicilië, om
de fchepen die koorn uyt Egipte in Italië brag-
ten, te konnen bergen, \'t welk inderdaad nut-
telyk voor \'t gemeen was : maar dit werk bleef
onvoltooid, zo door de achteloosheyd der ge-
ner die \'er \'t opzigt over hadden, als omdat hy
zyn geld liever aan dwaaze en ydele dingen tót
zyn vermaak befteedde, dan iets te doen dat
eenen grooten Keyzer, die het wel vaaren zy-
ner onderdaanen boven zyne eygene geneugte
ftelt, betaamelyk was. Anderfms was hy zeer
welfpreekend, en in de Griekfche enLatynfche
letteren wel onderweezen, zodat hy alles zeer
ligt begreep, op ieder aanfpraak voor de vuyft
antwoordde, en zelfs in de wigtigfte zaaken
zo bequaam was als eenig menfch om aan te
raaden \'tgenehy wilde ftaande houden, zoom
dat hy van natuure fchrander van verftand was,
als doordien hy zich zeer daarin geoefend had,
om niet te wyken voor zynen vader Germani-
kus, óf voor Tiberius, die alle anderen daarin
overtrof, en grootc zórg gedraagen had om
hem wel te doen onderwyzen. Maar deeze goe-
de opvoeding belette niet dat hy in zyn verderf
liep toen hy Keyzer geworden was ; zo zwaar
valt het zich binnen behoorelyke paaien te hou-
den , wanneer men ongeftraft doen mag al wat
men wil. In \'t begin zyner regeeringe had hy
tót vrinden perfoonen van groote verdienfte,
die hem aanmaanden tót alles daar hy lóf en
eere meê inleggen konde 5 maar hy verwyderde
zich allengskens van hen, en toen hyzich t\'ee-
nemaal aan een toomelooze ongebondenheyd
overgaf, vermeerderde zyn afkeer van hen der-
maate , dat hy zich niet fchaamde eerlooze
middelen te gebruyken, om zyne ondankbaar-
heyd en wreedheyd door hunnen dood te ver-
zadigen. B
Nu ftaat ons van Klaudius te fpreeken, die,
gelyk gezegd is, voor Kajus heene ging toen hy
van den fchouwburg quam. Wanneer hy zynen
dood verftaan had, en die groote beroerte zag,
verfchool hy zich in eenen duyfteren hoek van \'t
paleys, alhoewerer niets was dat liem eenige
oorzaak van vreeze kon geeven dan zyne door-
luchtige afkomft j want hy had een ampteloos
leeven geleyd, en zich altoos zeedig en deftig
gedraagen, hebbende zich metdeletteroefenin-
cre, en voornaamelyk de Griekfche, fteeds bee-
zig gehouden) buyten alle gewoel en geraas, en
zonder zich met ftaatszaaken te bemocijen.
Ondertuftchen groeide de begeerte aan , en
\'t Hóf was niet alleenlyk vol van fóldaaten die
verwoed van alle kanten quamen aanftuyven
zonder te weeten wien zy te lyf wilden , maar
\'t vólk, dat zich verbeeldde het juk nu afgefchud
te hebben , quam ook in menigte aangeloopen.
Alstoen begonden de lyffchutbenden , die de
eerfte rang onder \'t krygsvóïk hadden, te over-
leggen wat hen te doen ftond : De dood van
4en Keyzer bragt hen in bekommeringe ; zy
geloofden wel dat hy dien verdiend had , maar
echter vonden zy zich verpligt zodaanig een
befluyt tc neemen \'twelk meeft tót hunnen voor-
deele gedyen mogt. En belangende de Duyt-
fchers , \'t was niet de betrachting van\'t gemee-
ne beft , maar alleen hunne drift dTe hen te^-en dé -
doodflagers van Kajus ophitfte. De^vrees
van Klaudius wierdt nóg Vermeerderd, toenhy
de hoofden van Asprenas cn anderen , Welke
deeze woefte menfchen aan hunne wraakzucht
opgeófferd hadden, zagomdraagent dies hieldt
hy zich in die duyftere plaats verfchoolen, daar
men niet komen kon dan met eenige trappen
af te gaan. Eén der keyzerlyke lyfwachten,
genaamd Gratus , wierdt hem gewaar , dóch
kon hem wegens de duyfterheyd niet bekennen:
dies tradt hy nader by , en meende dat het wel
een verraader zyn mogt, beval hem uyt dien hoek
te komen j \'twelk de ander niet doen Willende,
rukte hy \'er hem met geweld uy tj en wierdt hem
kennende i waarop hy tót zyne makkers zeyde:
â Zie hier ook een Germanikus laat ons â Hy
hem Keyzer maaken." Op deeze woorden maak- K^^Ji^s
ten zy zich gereed om hemöp té ligten : maarCemani-
Klaudius vreezende dat mén hein oni \'t leeven \'
zou brengen, ter oorzaake van den haat dien men Raaf
der gedachtenifle van Kajus toedroeg, badt hen,
â dat zy zyne onfchuld wilden aanmerken, â^
en denken dat hy geen deel gehad hadde aan â^et dien
t gene \'er gebeurd was. Waarop Gratus hem â
by de hand vatte, en al lachgende tót hem zeyde: had.
â Wees niet bekommerd foor uw leeven, â
maar betoon alleenlyk eenige grootmoedig- â
heyd , paflende by de heerfchappy die de
Goden , moede van het quaad hetVélk Ka-
jus den ganfchen aardbodem heeft doen ly-
den , _ heden aanuwe deugd aanbieden; en be-
klim roemruchtiglyk den rykstroon uwer voor-
ouderen." Terwyl dat Gratus aldus fprak"
ftondt \'er een groot getal andere lóldaatcn vaii
de lyfwacht by hem , en zy greepen Klaudius
gezamentlyk aan j cn vermids die hevicre ftryd
tuflbhen vreeze en blydfchap welke hyin zvnen
boezem gevoelde, hem niet toeliet te konnen
gaan, droegen zy hem op hunne fchouderen.
Veele die hem ih dien ftaat zagen meenden dat
men hem ter dood bragt j en dewyl hy nooit deel
aan de ftaatszaaken gehad, maar zelf dikwils
gevaar van zyn leeven onder Kajus regeeringe
geloopen hadde, had ieder deernis met zyn on-
geval, en zeyde dathet den Burgernieefteren al-
leen toequam hem te vonniftèn. Onder ^t voort-
gaan van dit krygsvóïk, quamen \'er nóg al meef
toevloeijen, en men liet nief af van Klaudius te
draagen, doordien de draagers zynerrósbaare
meenende dat het met hem gedaan was toen zy
hem dus zagen opneemen, weggevlooden waa-
ren. Het vólk maakte ruymte voor deeze me-
nigte van fóldaaten die het voorhóf van hec
paleys , \'t welk men zegt het oudfte gedeelte
van Rome te zyn, vervulden, en die onder mal-
kanderen overleyden wat men ten aanzien van
de ftaatsbeftieringe doen zoude. Middeler
Wyl vervoegde zich nóg meer krygsvóïk h^r
}>
3>
33
33
hen, en hunne blydfchap datzy Klaudius zaeen
zagen
ïyn
toedroegen als dc^ordien zy meV^S
waaren van de onheylen door de onmaatige ftaat-
L 11
zucht
was zo groot, dat ze betuygden bereyd te
alles te doen om hem op den rykstroL te
464
De Raad zich aldus verlaaten ziende van
degénen die hen behoorden te befchermen, en
de Burgermeefters zich zonder gezag bevin-
dende, was de verbaasdheyd zo groot, en hun-
ne vreeze , doordien zy Klaudius verbitterd
hadden , nam zo toe, dat de fpyt van dus
verre verzeyld te zyn hen dreef om op mal-
kanderen te fchelden. Onder dit krakkeel tradt
Sabinus , één Van die welke Kajus omgebragt
hadden , voor den dag , en betuygde ronduyt,
dat hy zich zelve liever wou dooden, dan toelaa-
ten dat Klaudius den troon beklom , en dat
men in een nieuwe flaaverny trad. Ook zeyde
hy heel yverig tót Chereas, dat het vreemd was
dat hy die de eerfte was geweeft om tegen den
Tiran op te ftaan , nu nóg leeven wilde zonder
dat de vryheyd des vaderlands herfteld was.
Waarop Chereas antwoordde dat hy niet lan-
ger luft had om te leeven 5 maar dat hy echter
begeerig was te weeten wat Klaudius in den zin
had.
Ondertuflchen liep elk na \'t léger om Klau-
dius onderdaanigheyd te bewyzen , onder an-
deren ook ^ Tomponïm één der Burgermeefte-
ren. Deez by de fóldaaten gehaat zynde,
omdat hy den Raad vermaand had de vryheyd
te handhaaven , quamen zy met het zwaerd m
de vuyft na hem toeloopen, en zouden hem ge-
dood hebben , indien Klaudius het niet belét
hadde : maar hy befchutte hem voor dit ge-
vaar , en deed hem aan zyne zyde zitten. Dóch
men had het zelfde inzigt niet voor de Raads-
heeren die hem verzelden ; want men wilde
hen niet toelaaten dat zy Klaudius naderden
om hem te begroeten; ja etlyke , waaronder
QDkApomus, wierden gequetft; en daar was\'er
niet één die geen gevaar liep. De Koning
Agrippa riedt Klaudius deeze voornaame per-
foonen wel te bejégenen , dewyl \'er als men
hen ombragt, geene lieden van aanzien zou-
den zyn waarover hy gebieden kon. Deezen raad
keurde hy goed, en beval den Raad ver vólgens
na\'t paleys te gaan, werwaards hy zich midden
door de ftad , en verzeld van krygslieden , die
\'c graauw deeden wyken , in eenen draagftoel
liet brengen.
li
lio.
Middelerwyl fchroomden Chereas en Sabi-
die de voornaamfte der eedverwanten ge-
$11.
nus
weeft waaren , niet zich in \'t openbaar te ver-
toonen , tegen \'t bevél van Tollio , aan wien
Klaudius het Opperhoofdman fchap der lyf-
wacht gegeeven had. Maar zo dra als Klau-
dius in \'t paleys gekomen was, hieldt hy raad met
zyne vrinden , en doemde Chereas ter dood.
Niettemin moften zy alle bekennen dat hy een
doorluchtige daad bedreeven had ; maar men
befchuldigde hem van verraad , en oordeelde
dat men door zynen dood voor de veyligheyd
der Keyzeren behoorde zórg te draagen. Dies
Wierdt hy met Lupus en veele andere der tza-
Jïieiigezwoorenen ter doodftraffe heene geleyd.
IVlen zegt dat hy een ongemeene ftandvaftig-
heyd betoonde ; en dat hy niet alleenlyk niet
van gelaat veranderde, maar dat hy ziende Lu-
pus w^eenen, hem zyne lafhartigheyd verweet,
en dat wanneer deez van kou klaagde, omdat
men hem zyn kleed ontnomen bad, hy daarop
zeyde dat de * Wolven van geen koude wiften. * icne^
Staande in \'t midden dier groote menigte wel-j^l"^"
ke hem omringde , vraagde hy eenen fóldaat den naam
óf hy op \'t moorden wel afgerecht, en óf zyn
zwaerd wel fcherp was ; en hy verzócht\'dat eenen
men hem dat zoude brengen met het welk hy ^oifbete-
Kajus gedood had. Eyndelyk wierdt hem met
eénen iiag het leeven benomen; maar Lupus ont-
ving \'er veele, omdat hy door vreeze zyn hoofd
niet uytgeftrekt hieldt. Weynige dagen daarnaa
wierdt l^t Feeft der ófferanden voor de over-
leedenen gevierd , en het vólk wierp ter eere
van Chereas ook een óffer in \'t vuur , bidden-
de hem dat hy hen hunne ondankbaarheyd ver-
geeven wilde. Dit was het eynde van hem die
door die dappere daad zyne gedachtenis zo
roemwaerdig gemaakt had.
Noopende Sabinus , \'t was Klaudius niet ge- 813.
noeg hem vry te fpreeken , maar hy liet hem
ook zyn ampt behouden. Dóch deeze edel-
moedige Romeyn willende de verdrukking der
algemeene vryheyd niet overleeven , en het
woord , dat hy de \'tzaamgezwoorene gegee-
ven had , houden , dooxftak zich met zyn
zwaerd , vermids zyne kloekmoedigheyd hem
\'t leeven ondraagelyk maakte.
IV. HOOFDSTUK.
De Keyzer Klaudius beveftigt Agrippa in zyn Koningryk en voege
\'et Judéa cn Samarië by. Hy sccfc het ryk Chalos a^n ^ro-
des Agrippas broeder : ett begunftigt de Jooden door opentlyke De-
â vc\'Ifchrifteu.
pEne der eerfte zaaken die Klaudius deed naa 814,
\'â --\'dat hy in de Oppermoogendheyd was ge-
fteld , was alle de krygslieden, die byhem ver-
dacht waaren , af te danken , en Agrippa in
het Koningryk dat hy van Kajus ontvangen had
te beveftigen. Daarenboven gaf hy een bevél-
fchrift uyt, waarin hy hem zeer prees, en zyrie .
Staaten vermeerderde met Judéa en Samarië,
die hem met recht toebehoorden, als zynde wel
eer door den Koning Herodes zynen grootva-
der bezeten geweeft. Voorts gaf hy hem Abi-
la , dat Lyfanias voormaals toebehoord had,
met al het land van den berg Libanon : ook
maakte hy een verbond met Agrippa midden op
de markt van Romen.
Deeze nieuwe Keyzer fchonk ook aan An-
tiochus , die van zyn Ryk beroofd was , Ko-
magene, en een gedeelte van Cilicië. En de-
wyl hy een byzondere geneegentheyd had tót
Alexander Lyfimachm *den Alabarch, Be-^^^ ^^^^
windsman zyner moeder Antonia was geweeft,
en door Kajus inde gevangenis gezét was, ver-fndestaa-
genoegde hy zich met met hem in vryheyd
ftellen, maar bewerkte ook een huuwelyk tuf-steden
fchen zynen zoon Marcm en Berenice dochter ^^"Afie.
van Agrippa : dóch Markus gefturven zynde
eer de trouw voltrokken was , huuwelykte die
Koning haar uyt aan zynen broeder Herodes,
voor wien hy \'t ryk van Chalcis van Klaudius
verkreeg.
Tc dier tyde ontftondt \'er een groote beroer- g 1
te tuffchen de Jooden en Grieken die te Alex-
andrië woonden : Want de eerfte door die van
Alexandrië onder de regeeringe van Kajus ver-
drukt geweeft zynde , hadden de tyding van
zynen dood zo dra niet verftaan ? óf zy bega-
ven,
FLAVIUS JOSEPHUS
Zis.
Dit fs
ven zich in de wapenen. Klaudius fchreef aan
den Landvoogd van Egipte dat hy dien oproer
moft ftillen , en zondt ten verzoeke van de
Koningen Agrippa en Herodes een bevélfchnft
na Alexandrië en Syrië , van deezen inhoud.
â Tiberius Klaudius C^far Auguftus Germa-
â nikus Oppervórft heeft dit vólgende bevél
â gecreeven. Nademaal het uyt verfcheydene
â haSdveften blykt, dat de Koningen van
â Egipte al voor lang aan den Jooden te Alex-
5j andrië woonachtig dezelfde voorrechten
3, toegeftaan hebben die de andere inwoo-
â ners genieten , zo heeft Auguftus dezelve,
Z naa dat hy die ftad aan \'t Keyzerryk gevoegd
â had , bekragtigd , en zy hebbenze vreed-
â zaamlyk onder Aquila, en andere Landvoog-
â den naa hem, genooten j en ook verlóf van
5, dien zelfden Keyzer bekomen , om wanneer
j, hun Overfte ftierf eenen anderen te kiezen, en
â vólgens hunne wetten en inzettingen te lee-
â ven , zonder in hunne Gódsdienft geftoord
â te worden. Maar toen Kajus beftondt zich
als eenen Gód te doen aanbidden , namende
inwooners van Alexandrië die gelegenheyd
om dien Vórft tegen hen op te hitfen, om-
dat zy weygerden zyn gódioos bevél te ge-
hoorzaamen. En dewyl niets meer onbillyk
is dan hen om zulk een oorzaak te vervól-
5, gen 5 begeeren wy dat zy in hunne voor-
5, rechten gehandhaafd worden ; en wy bevee-
â len aan de éénen zo wel als de anderen, dat
3, zy in het toekomende in vreede leeven,
â zonder eenige beroerte aan te rechten."
Ook zondt deeze Keyzer na alle delandfchap-
pen van \'t Roomfche Ryk een bevél van den vól-
eenden inhoud. âTiberius Klaudius CxC^r
, Auguftus Germanikus, Opperpriefter, Vórft
van den Staat, en ten tweeden maale Bur-
â germeefter. De Koningen Agrippa en He-
â rodes , onze byzondere goede vrinden , van
â ons verzócht hebbende voor de Jooden door
â hetganfche Roomfche Ryk, om vólgens hun-
â ne wetten te moogen leeven , gelykerwys wy
â aan die van Alexandrië toegeftaan hebben, zo
hebben wy hen zulks gaern ingewilligd, met
alleenlyk uyt aanmerkinge vant wee zulke voor-
naame verzoekers, maar ook omdat wy achten
dat de geneegenheyd en getrouwheyd, wel-
ke de Tooden altoos tót het Roomfche vólk be-
toond hebben, hen dier gunfte waerdig maa-
ken Hierom begeeren wy dat men hen zelfs m
de Griekfche fteden\'t genót daarvan niet ver-
" hindere, naardien de vergode Auguftus hen
\'\' daarin gehandhaafd heeft: en onzcwftisook
" S m \'ttoekomende dk vryheyd genieten
â aat zy ^ ^^ied zich uytftrekt, omhen
:: Z^f^sC^^ goedhV teverpligten
hiervan onkundig zy , beveelen wy dat dit
gebód niet alleenlyk^door ganfch Itahe afge-
Lndigd , maar door onze amptenaaren den
Koningen en Vórften buytenslandsfocgczon-
" den, eninhungebiedvoordentydvandertig
dagen opentlyk aangeftagcn worde, ten eyn-
â de een iegelyk het zal konnen leezen.
35
35
33
35
33
33
33
33
35
35
95
53
35
V. HOOFDSTUK.
De Koning Agtippa gaat na zyn Ryk, en brengt de ketting, ^iecen
teken 2,yner\' gevangenifle v;as , in den Tempel te Jeraralem. Hy
verzórgt het Hoogepriefterfchap, en kan de moed vvi! der Doriten,
die een beeld des Keyzers in de Synagogeder Jooden opgerecht had-
den, niet verdraagen.
Aa dat die twee bevélfchriftcn , in welke 8if.
de Keyzer Klaudius zyne geneegenheyd
tót de Jooden betoonde , na Alexandrië , en
alle de andere plaatfen onder \'t Roomfche ge-
bied behoorende, afgezonden waaren, verieen-
dc hy aan Agrippa , dien hy met vcele eere en
weldaaden begunftigd had, verlóf om weder na
zyn Koningryk te keeren, en hy gaf hem brie-
ven van voorfchryvinge aan de Landvoogden
en Opzieners der wingeweftcn. Zo dra die
Vórft te Jerufalem gekomen was , voldeed hy
door óft\'eranden de gelóften welke hy Gode
c^edaan had , beval den Nazareers hun haair te
faaten fcheeren, en volbragt alle de andere din-
gen die de wet vereyfcht. Voorts deed hy m
\'c Heyligdom , boven de ófterkift , die goude-
ne ketting ophangen welke de Keyzer Kajus
hem gefchonken had , en die zo zwaar woog
als de yzere waarmede Tiberius zich niet ontzien
had zyne koninglyke handen te bocijen, opdat
zy aldus voor ieders oogen ten toon gefteld,
tót een klaar voorbeeld van de verandering der
Fórtuyne mogt ftrekken , en toonen dat als de
menfchen van de eere die ze genooten hebben
beroofd wórden , Gód hen weder opbeuren,
en in grooter voorlpoed herftellen kan. Want
een iegelyk kon aan die ketting , aldus toege-
wyd , bemerken , dat die Vórft, tegen dc eer-
biedigheyd die men zyner afkomfte fchuldig
was, om een geringe zaak in dc gevangenis ge--
zét zynde, niet alleenlyk met eere daar weder
uytgekomen , maar ook op den troon gezét
was j doordfen het ligtelyk gebeurt, dat gelyk
de hoogfte magten eensklaps neèrvallen , alzo
ook die welke gevallen zyn, met meerder roem
weder opftaan, door de onbeftendigheyd en
omtuymeling der werreldfche zaaken.
Naa dat de Koning Agrippa zyne phgtenje-
crms Gód volbragt had , benam hy Theofilus
Ananus zoon het Hoogepriefterfchap , en gaf
het aan Simon toegenaamd Kanthera zoon van
den Hoogenpriefter Boëthus, wiens dóchter He-
rodes de\'\'Groote, gelyk hiervoore gezegd is,
ten wyve genomen had. Deeze Simon had twee
broeders die ook Hoogepriefters geweeft waa-
ren i \'t welk men voormaals infgeiyks had zien
gebeuren onder de regeeringe der Macedoniërs
aan de drie zoonen van Simon den Hoogen-
priefter zoon van Onias , welke alle drie ook ,
Hoogepriefters waaren gelyk hun vader.
Toen Agrippa het Hoogepriefterfchap aldus
verzórgd had, wilde hy de geneegenheyd, wel-
ke de inwooners van Jeruialem hem betoond
hadden , niet onerkend laaten j maar fcholdt
hen, tót een teken zyner edelmoedigheyd, de
fchatting quyt die voor ieder huys betaald
wierdt, en hy maakte Silas , die hem in alle
zyne moeiten en wederwaardigheden niet ver-
laaten had, tót zynen Veldoverfte.
Niet lang daarnaa Waaren de jonge maats van 8 rp.
Doris zo roekeloos cn baldaadig j dat zy on-
der
der een voorwendfel van gódvruchtigheyd een
beeld van den Keyzer in de Synagoge der Joo-
den zetteden. En dewyl dit t\'eenemaal tegen
onze wetten ftreedt, wierdt Agrippa zo t\'on-
vreede daarover, dat hy aanftonds zich na Petro-
nius begaf, die in Syrië \'t gebied voerde. Deeze
Landvoogd toonde zich niet minder misnoegd
daarover dan de Koning, en fchreef derhalve
ftraftelyk aan degénen die de ftoutheyd gehad
hadden van dit gódloos bedryf te begaan.
VI. HOOFDSTUK.
Brief van Petronius Landvoogd van Syrië aan die van Doris , omdat
zy \'t beeld des Keyzers in dc Synagoge der Jooden gezet hadden. De
Koning Agrippa geeft hec Hoogepriefterfchap aan Matthias. Mar-
fus wordt Landvoogd van Syrië.
â pEtronius Landvoogd onder Tiberius
â A Klaudius Cxfnr Auguftus Germanikus
3, aan den Wethouderen der Doriten. Ik heb
5, verftaan dat edyke van de uwe , tót kreu-
3, kinge van het bevél van Klaudius Csfar Au-
5, guftus Germanikus, vólgens \'t welk hy den
âJooden toeftaat naar hunne wetten te leeven,
5, de ftoutheyd gehad hebben van hunne Syna-
3, goge te ontheyligcn, door zyn beeld daarin
â te zetten hebbende aldus hunne Gódsdienft
â beleedigd, en de gódvruchtigheyd des Key-
5, zers, wiens wille is dat een iegelyke Gód-
3, heyd geëerd worde in den Tempel die haar
âtoegewyd is, gekrenkt. Ik zal nu niet Ipree-
â ken van de verfmaading die mynen bevélen
â daardoor aangedaan wordt, nademaal men
â daarin ook gequetft heeft de eerbiedigheyd
â welke men aan \'t gezag van Casfar fchuldig is,
3, die niet alleenlyk goedvindt dat de Jooden
â hunne vaderlyke inzettingen onderhouden ,
â maar hen ook, zo wel als den Grieken, het
â burgerrecht toegeftaan heeft. Hierom is het
â dat ik den Hoofdman Vitellim Prokulus be-
volen hebbe degénen tót my te brengen, die
_ zeggen dat het maar door eehen oploop des
â vólks, en zonder uwe toeftemminge is ge-
fchied, dat die misdaad begaan is , ten eyn-
de ik hunne verantwoordinge hoore. En gy-
5, heden kont uwe onfchuld niet beter betoo-
â nen, dan door aan Prokuius aanwyzing te
3, doen wie de fchuldige zyn , en te maaken
â dat \'er tegen \'t oogmerk van my en den Ko-
â ning Agrippa geen beroerte ontftaa, gelyk
â eenige booze menfchen wel zouden begee-
â ren: want wy beyde neemen niets meer ter
â harte, dan dat den Jooden geen oorzaak ge-
â geeven worde om de wapenen op te neemen,
,, onder voorgeeven van zich te befchermen.
En om ulieden alle oorzaak van twyfelinge
wegens des Keyzers wille te beneemen, voeg
ik by deezen brief het affchrift van zyn ge-
bód noopende die van Alexandrië , het welk
de Koning Agrippa my toonde tewyl ik op
â den rechterftoel gezeten was : opdat de
Jooden, vólgens des Keyzers meening ge-
35 handhaafd worden in de gunften hen door Au-
â guftus toegeftaan > en dat gy ieder toelaaten-
53 de naar de Gódsdienft zyns lands te leeven,
â alles belét het welk eenige onruft en beroerte
zou konnen veroorzaaken." Dit gedrag van
Petronius verhielp den misflag die \'er begaan
10.
55
55
I
l8i E
33
33
35
iii\'i
ifi
35
1)
was , en was oorzaak dat men diergeiyke niet
meer beging.
De Koning Agrippa benam daarnaa Simon 8ai,
Kanthera het Hoogepriefter-ampt , om het
aan Jonathas Ananus zoon weder te geeven,
als achtende hem waerdiger daartoe. Maar
deeze ongeneegen om het te aanvaarden , ver-
zócht daarvan verfchoond te zyn , en fprak al-
dus : â Ik acht my ten hoogften aan u ver-
pligt , Heer Koning , dat gy my zulk een
eere wilt aandoen maar naardien Gód my
des niet waerdig geoordeeld heeft, behoort
het my genoeg te zyn dat ik eenmaal dat â
heylig gewaad aangenomen hebbe ; en ik â
zoud het nu zo onnozelyk niet konnen aannee-
men , alstoen. Maar, Heer Koning\', by-
aldien gy deeze waardigheyd aan iemand wilt
geeven dieze beter verdient dan ik, en die
Gode door zyne deügd aangenaamer is , zo
zal ik niet fchroomen u mynen broeder voor â
te ftellen." Dit zeedig antwoord geviel Agrip-
pa zo wel, dat hy het Hoogepriefterfchap aan
Matthias den broeder van Jonathas gaf
Eenigen tyd daarnaa vólgde Marfus Petroni-
us in de Landvoogdy van Syrië.
VII. HOOFDSTUK.
-^S^PP^^ Veldheer beweegt dien
Vorft om hem te doen gevangen zetten. Hy verfterkt Jerulalem-
maar dc Keyzer Klaudius verbiedt hem daarmeê voort te vaaren\'
Zyne treftelyke hoedaanigheden; en prachtige gebouwen. Oorzaak
zyner afkeerigheyd van Marfus Landvoogd van Syrii;. Hy geeft het
Hoogepriefterfchap aan Elioncus. Hy fterft op een yflyke wyze.
Laat zynen zoon Agrippa tót naazaat , nevens zyne drie aóchters.\'
Schrikkelyke ondankbaarheyd van die van Cefarea en Sebafte jegeiis
zyne gedachteniflc. Dc Keyzer Klaudius zendt Fadus tót Landvoogd
na Judéa ter oorzaakevanAgrippas jongheyd.
Cllas de Veldoverfte van den Koning Agrip* 822^
pa, die hem in zyne tegenfpoed zo getrouw
geweeft was, dat hy zich geene moeijelykheden
nóch gevaaren ontzag, om \'er hem blyken van
te geeven, vatte zulk een groot gevoelen op
van de dienften welke hy hem gedaan had, dat
hy met dulden kon voor hem te moeten wy-
ken. Hy vergat dan de eerbiedigheyd die hy
hem fchuldig was 5 fprak tót hem met eene vry-
heyd die niet gebruykelyk is als men tót Ko-
ningen fpreekt, en haalde zyn voorige onge-
lukken dikwils op , om hem daardoor de dien-
ften welke hy hem gedaan had indachtig te maa-
ken , en gelyk als te verwyten. Deeze moeije-
lyke en onvoorzigtige ommegang wierd ondraa-
gelyk voor dien Vórft, omdat niets verdrieti-
ger is dan eene vernieuwing van onaangenaame
zaaken, nóchte iets belachlyker dan onophou-
delyk van beweezene weldaaden te ipreeken.
Eyndelyk liep het misnoegen van Agrippa zo *
hoog i dat hy aan zyne gramfchap meer plaats
geevende dan aan de reden, Silas niet alleenlyk
van zyn ampt afzette , maar hem gevangen na
zyne geboorteplaats zondt-
Dóch eenigen tyd daarnaa wat tót bedaaren
komende , en by zichzelven herdenkende wat
al dienften hy voormaals van hem ontvangen
hadde, liethy hem haaien om het gaftmaal, dat
hy op zyne geboortedag aan zyne vrinden gaf,
mede by te woonen. Maar dewyl Silas onbe-
quaam was om te veynzen, en dathy oordeelde
dat hem groot ongelyk van dm Koning aange-
daan
3>
3>
35
35
35
35
55
33
55
35
O O D S C H Ã HISTORI
XIX. Böeic,
burg was : Hy beval deezen Leeraar derhalve
dat hy nevens hem zou komen zitten, en fprak
hem toen met een bezadigde ftemme aldus aan :
â Eylieve zeg my eens 3 wat van \'t geene gy ,,
hier ziet gefchieden, is tegens de Wet L/ce~
ze perfoon wierd zo befchaamd, dat hy niet
weetende wat tc antwoorden , om vcrgiftènis
badt: en Agrippa vergaf ^them opftaandevoet,
zeggende, 33 dat de Koningen de zachtmoe-
â digheyd boven de ftrengheyd moften ftellen,
\'en hunne befcheydenheyd over hunne gram-,,
fchap doen zeegepiaaien." Zyne goedheyd
ging nóg verder, wanthy zondt hem zelf met
eemg gcfchenk te rug
Onder zo veele fteden die de uytwerkingen 8z<^.
van de grootdaadigheyd deezes Vórfts genoo-
ten , Ipaarde hy geene kóften om te Beryte een
prachtig fchouwtoneel, en eenen ronden fchouw-
burg, midsgaders cierlyke baden en galleryen
te fliehten. Het fchouwtooneel wierdt met vee-
Icrlcymuzyk, en andere vcrmaakelyke vertoo-
ningen ingewyd : ciij om het vólk by vreedes tyd
met eene afbeelding des oorlógs te vermaaken,
wierden\'er veertienhonderd perfoonen, die ter
dood verweezen waaren, in den ronden fchouw-
burg gebragt, en in twee hoopen verdeeld, die
zulk een hardnekkig en bloedig gevecht aangin-
gen, dat\'er van alle die misdaadigen niet één
in\'t leeven bleef
Thans begaf deeze Vórft zich van Beryte na 827.
Tiberias, ftad van Galiléa 5 en dewyl hy in
groot aanzien by de nabuurige Vórften was,
wierdt hy aldaar bezócht van Antiochus Konincr
van Komagene, SampÃgeramus Koning der E-
meflïèniërs, Kotys Koning van klevn Armenië,
Tolemon Vórft vanPontus, en Herodes Koning
vanChalcis3 Agrippas broeder: enhy onthaal-
de hen met zo groot een beleefdheyd en pracht,
dat het bleek dat hy zulk een ftaatelyk bezoek
waerdig was. Terwyl zy alle aldaar byeen waa-
ren 3 quam Marfus Landvoogd van Syrië hem
ook bezoeken j Cn Agrippa om hem de eere tc
bewyzen die men aan de Roomfche moogend-
heyd en grootheyd Ichuldig was, ging hem ze-
ven ftadiën te gemoet j en dit was de eerfte oor-
zaak van hun misverftand : want dewyl alle dé
Koningen, die by hem gekomen waaren, op
éénen en den zelfden wagen met hem recden
merkte Marfus die eendragt van zo veele Vór\'
ften aan als eene zaak die naadelif voor \'t Kcv
zerryk was, zulks dat hy hen elk in \'t byzon-
der deed aanzeggen, datzy weder na hunrie lan-
den zouden keeren : Hierover wierdt Agrippa
zo gebélgd3 dat hy hem federd altoos eenen
haat toedroeg.
Deeze Vórft ontnam Matthias het Hooge- 8i8.
priefter-ampt 3 en gaf het aan EUoneus zoon van
Canthera j en in het derde jaar zyner regeering
over \'t geheele Joodfche land 3 hieldt hy in de
ftad Cefarea, Voortyds Stratons toren f^enoemd
de plegtige fpelen, ter eere des Keyzersln^eftel /
A? M\'TH\'^" f-deGrootCel\'
al de Adel deslands : en op den tweeden daader
fchouwfpelen quam Agrippa \'s morgens by tyds
in de fchou wplaats, met een kleed \'t geen geheel
en af van zilver, en zo konftig gewerkt was,
dat als er de zon met haare ftraalen op fcheen,
M m m her
daan was , kon hy zich niet bedwingen van tót
de galten te zeggen: « Gyheden ziet wat
\'33 een eere de Koning my deezen dag aandoet j
5, maar zy zal niet lang dmircn > hy zal \'er my
zo wel van berooven , als hy my fchandelyk
53 beroofd heeft van het ampt dat ik door myne
getrouwheyd verdiend had. Want meent hy
dat ik naalaaten zal vrymoedig te fpreeken.?
Naardien ik my nergens aan fchuldig kenne,
zal ik altoos ronduyt verhaalen uyt ^t Tam-
pen ik hem gered hebbe 3 wat moeijelfp
heden my om zyne behoudeniflè en Cere over-
gekomen zyn , en wat banden en duyfte-
re kerker myn loon zyn geweeft. Zulk een
groote vcrongclyking laat zich zo niet ver-
33 geeten , en ik zal\'er niet alleenlyk geduuren-
33 de myn leeven , maar zelfs naa mynen dood
33 aan denken." Het was deezen onvoorzigti-
gen man niet genoeg dat hy dus tót de gaften
iprak 3 maar hy begeerde dat zy \'t den Koning
wéér zeggen zouden 5 die ziende dat zyne
dwaasheyd ongeneeslyk was 3 hem weder in de
gevangenis deed zetten.
823. Agrippa thans zyne zórg over Jerufalem
laatende gaan, befteedde de gemeene gelden
tót het vergrooten en hooger ophaalen van de
muuren der nieuwe ftad ^ en zouze zo fterk
gemaakt hebben dat zy onwinbaar geweeft waare.
Maar Marfus Landvoogd van Syrië dCn Key-
zer des verwittigd hebbende 3 fchreef die aan
â Agrippa dat hy daar meê niet zoud hebben
voort tc vaaren : en hy durfde hem niet onge-
hoorzaam zyn.
ts4. Deeze Koning was van natuure zo mild, wél-
daadig > en goedgunftig jegens zyne onderdaa-
nen 3 dat hy geene kóften Ipaardc 3 om zyne
regeering door groote cn lóflyke daaden ver-
maard te maaken j waarin hy verfcheelde van
zynen grootvader Herodes 3 die boosaardig
cn wreed Was , en den Grieken meer be-
gunftigde dan den Jooden 3 gelyk bleek
aan de geweldige onkóften welke hy deed aan
\'t vercieren van uythecmfche fteden , door al-
daar tempelen, fchouwburgen 5 baden, en an-
dere prachtige geftichten te doen bouwen , en
grootc mildhcyt te toonen , zonder dat hy Ju-
déa ooit metiets diergelyks gewaardigde: waar-
entegen Agrippa zachtzinnig en verpligtend
jegens ieder één was, zynen onderdaanen zo
wel bejegende als den vreemdelingen, en den
verdrukten gaern te hulpe quam. Hy hieldt zyn
gewoonlyk verblyf te Jerufalem 3 en daar liep
niet een dag voorby, dat hy Gode niet óftèrde,
gelyk onze wet beveelt, naardien hy een góds-
dienftig onderhouder onzer vaderlyke inftel-
lingen en gewoonten was.
Het gebeurde eens, terwyl Agrippa na Ce-
farea gereyfd was, dat zeker Leeraar dcr Wet,
genaamd Simon , de ftoutheyd had Van hem
te Jerufalem opentlyk te befchuldigen dat hy
een ondeugend menfch was, dien men den in-
gang tót den Tempel behoorde te weygeren,
doordien die alleenlyk voor inboorlingen moft
openftaan. De Stadvoogd den Koning kennis
hieraf gegeeven hebbende , ontving laft dien
man over te zenden. Juyft geviel het toen hy te
Cefarea aanquam, dat de vórft opdenfchouw-
35
35
33
33
33
3»
\'3 33
33
33
53
33
35
het zulk een fchittcrende glans gaf, dat meh
\'c niet kon aanzien zonder van eerbiedigheyd
en verbaafdheyd bevangen te worden. Invoe-;
ge dat eenige fnoode vleyers begonden te roe-
pen : â Dat zy hunnen Koning tot nóg toe
5; maar als eenen menfch hadden aangemerkt,
,5 dóch dat zy nu zagen dat ze hem als eenen
öód moften eeren, en hem bidden, dat hy â
hen wilde gunftig ^yn ; dewyl \'t fcheen dat â
hy niet van fterftvke hoedaanigheyd was, ge- â
lyk andere menfchen." Deep gódlooze taal
wierdt van Agrippa niet berifpt, nóch dieze
voerden fgelyk \'t behoorde) ftrengelyk ge-
ftraft. Maar ftraks daarnaa zyne oogen opftaan-
1; i
"i: \'
de, zag hy boven zyn hoofdeeften üyl op een
gefpannen koorde zitten; en bemerkte terftond :
wel dat die vogel de voorboode van zyn onheyl
was, gelyk hy eertyds die van zyn geluk waS
geweeft. Hy gaf derhalve een zwaare zucht,
en ere voelde op dat oogenblik zyn ingewand door
felle pynen aangetaft. Daarop zich tót zyne
vrinden keerende, zeyde hy : â Zie hier den
crenen , dien gylieden voor onfterflyk uyt-
fchreeuwt, op\'t punt van te fterven, en dee-
L ze onvermydelyke nood zal u tót een fpoe-
â dige overtuyginge uwer leugentaale dienen.
Maar men moet zich naar Góds wille Ichik-
â ken. Ook heb ik zo niet geleefd om berouw
van myn ftaat te hebben, en behoefde nie-
mands gelukzaligheyd te benyden.\'\' Deeze
woorden c^ezegd hebbende voelde hy dat zyne
pyn toenam; daarop droeg men hem na zyn pa-
leys,en \'t gerucht verfpreydde zich dat hy op fter-
ven la^-. Aanftonds dekte het vólk hunne hoof-
den met zakken, vólgens onze vaderlyke gewoon-
te , om Gód voor des Konings gezondheyd te
bidden, en de lucht weergalmde van gejammer
cii f^eklag. Deeze Vórft, die op de hoogfte ka-
mer van zyn paleys was, ziende vandaar het vólk
te? aarde neêrgeftrekt, kon zyn traanen niet in-
houden. Ondertuflchen hielden zyne vinnige
pynen niet op, maar rukten hem op den vyfden
dag uyt dit leeven, in \'t vieren vyftigfte jaar zyns
ouderdoms, \'twelk het zevende zyner regeerin-
ge was; wanthy had vier jaaren onder den Key-
zer Kajus geregeerd, in de drie eerfte van wel-
ke hy maar het yi.ervórftendom van Fiiippus be-
zeten had, en in \'t vierde j aar wierdt \'er dat van
Herodes byge voegd: en in de drie jaaren welke
ll,;
\'i [
1
rfl-ï
m<\\
m
â fffifiM
id
hy onder Klaudius regeerde, gaf die Keyzer
hem daarenboven Judéa, Samarië, en Cefarea.
Maar hoewel zyne inkomften * zeer groot
ren, echter was hy zo mildengrootdadig, dat^a^t
hy zich genoodzaakt vondt geiden ter leen opjwaaif-^
te neemen. mad\'ien-
Eer de tyding zyns doods nógverfpreyd was, duyzend,
zonden Chelcias Overfte zyns krygsvólks en He-
rodes Vórft van Chalcis, beyde vyanden van Si-Saarby
las, Arifton heene om hem in de gevangenis te «voegen,
dooden, gelaatende zich als óf zy bevél van den
Koning daartoe ontvangen hadden.
Deeze Vórft die veele treffelyke hoedaanig- gj®.
heden bezeten had , liet eenen zoon naa van
zeventien jaaren, oc^ Agrippa genoemd gelyk
hy, en drie dóchters, wier oudfte, Berenice gt-
heeten , toen zeftien jaaren oud , aan haaren
oom Herodes getrouwd was, Mariamne-, die
de tweede was , en tien jaaren bereykt had,
was aan Julim Archelaüs, zoon van Chelcias,
verloofd, en de derde genaamd , die
niet boven de zes jaaren oud was, was 2.-mEpi^
fanesy zoon van Archelaüs Koning van Koma-
genc, toegezegd. ir ⢠.. â¢
Toen de dood van den Koning Agrippa 831.
ruchtbaar geworden was, vergaaten de inw^oo-
ners van Cefarea en Sebafte alle de weldaaden
die zy van hem genooten hadden ; cn hunne
gruuwelyke ondankbaarheyd ging zo verre,
dat zy zyne gedachtenis poogden te bekladden
door zulke fchamperhedcn die onbetaamelyk
zyn om te verhaalen. De trósboeven, dic toen
by menigte onder \'t vólk waaren , hadden de
ftoutheyd dat zy de ftandbeelden van dc Prin-
feffen zyne ^dóchters uyt him plaats weghaal-
den.
XX. BOEÃ. ^ \'JOODSCHE
den, en na de ópénbaife hoerliuyzen bragten,
alwaar ze voor al de werreld ten toon ftaande
nóg met alle bedenkelyke ftnaad mishandeld
wierden. Deeze trouwlooze ingezétenen rech-
teden daarenboven gaftmaalen op de ftraaten
aan, daar zy metbloemkranfen op\'thoofd, en
\'t haair gezalfd, aan Charon ófferden, en mal-
kanderen toedronken, om hunne uytgelaatene
vreugde over den dood van dien Vórft te be-
toonen. Dit baldaadig en fchamper bedryf was
het blyk dat Zy van hunne erkentlykheyd gaven
wegens alle de weldaaden, welke zy van hem,
en van zynen grootvader Herodes den Grooten
genooten hadden j want deeze laatfte had niet
alleenlyk hunne fteden doen bouwen, maarze
ook met prachtige tempelen , en zeer fchoone
havens vercierd.
De Keyzer Klaudius, by wien de jonge
Agrippa toen te Rome opgetrokken wierdt,
was zeer rouwig over den dood van zynen va-
der , en toornig tegens die van Cefarea en Se-
bafte ; en zou, om zynen eed naa te komen,
dien jongen Prins aanftonds gezonden hebben
om bezit van zyn Koningryk te neemen. Maar
zyne vrinden en vrygemaakte, die in groot aan-
zien by hem waaren, deeden hem van voornee-
men veranderen, wanneer zy hem voorhielden
dat\'et het werk van eenen bejaarden man was zo
een groot gebied te regeeren, en dat de jongheyd
HISTORI.
van Agrippa hem daartoe olibequaam maakte.
Hy befloot derhalve eenen Landvóoijd n:t
Judéa te zenden, die over \'t ganfche ryk Gebie-
den zoude; en weetende dat xMarftisen de over-
leeden Koning Agrippa krakkeel tzamen gehad
hadden, wilde hy die eere bewyzen aan de ge-
dachtcnifle van eenen Vórft die zyn vrind ge-
weeft was , dat hy dat ampt aan zynen vyand
niet gaf Dies voorzag hy \'er Kufpius meê,
en beval hem boven alle dingen die van Cefarea
cn Sebafte ftrengelyk te ftraffen over den hoon
dien zy den overleeden Agrippa, en de Prin-
féflen zyne dóchteren aangedaan hadden. Ook
belaftte hy hem de vyf regimenten, en het óve-
rig krygsvólk dat in die twee fteden was, na
Pontus te zenden, en eene party ^ uytdeRoom-
fchc keurbenden van Syrié geligt, in hunne
plaats te leggen. Dóch dit laatfte bevél wierdt
niet naagekomen ; want zy afgezondenen aan
den Keyzer gefchikt hebbende , bevreedio-den
hem, en verwierven van hem in Judéa te moo-
gen blyven j het welk \'t begin was dier onhey-
len waarmede het naderhand overftélpt wierdt,
en het zaad van dien oorlóg die onder de land-
voogdyfchap van Florus ontftondt. Hiervan
was Vefpafianus zo ovcrtuygd, dat toen hy
overwinnaar was, hy hen uyt dat land deed trek-
ken , om elders te woonen, gelyk wy in \'t ver-
vólg zullen zeggen.
S32.
twintigste boek.
EERSTE HOOFDSTUK.
De Keyfer Klaudius beneemt Marfus de Landvoogdy van Syrië , en
geeftze aan Longinus. Fadus Landvoogd van Judc\'a doetdeoproc-
i^igcn , en de roovers die \'t ganfche land beroerden , ftraiFen , en
beveelt den Jooden het Hoogeprieflrerlyk [gewaad weder in de
vefting Antonia te brengen. Maar de Keyzer op \'t verzoek van den.
jongen Agrippa , die toen te Rome was , ftaat hen de bewaaring
daar van toe.
T^r^^ dood van den Koning Agrippa den
Grooten, van wien in \'t voorgaande boek
gefprooken is, ontnam de Keyzer Klaudius,
om door de eere dic hy zyner gedachtenifl:c be-
wees te toonen hoe zeer hy hem bemind had,
Marfus de Landvoogd van Syrië, gelyk Agrip-
pa dikwils van hem verzócht had, engafzeaan
Lonpnus. t t