WKTirsKK
VAN
^aevordering,
OFFIGIEELE UITGAVE,
TK \'SrillAVEMlAfiK,
VERKBIjeilAAB GESTEr.I) BIJ
VAM WEELBKM EN MINGELEN.
1 1! K O.
Pr ij si ets.
I
i} n
OFFICIEELE UITÖAVE^
TK \'S GUAVEMIAfii:,
T K Pv A L 0 K M E E N iC L A X 1) S I) E l\' K IC £ R IT.
I 8 ö G.
WETBOEK VAN STRAFVORDERING.
ALGEÏEENE BEPALINGEN.
Art. 1. Niemand mag tot straf vervolgd of veroordeeld worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien.
Art. 2. Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren , welke bij de wet daartoe bevoegd zijn verklaard.
Art. 3. Behalve in do gevallen bij de wet voorzien, kan da vergoeding van schade, door eenig strafbaar feit veroorzaakt, alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regts-vordering vervolgd worden.
Art. 4. Gedurende den loop van de regts ver volging tot straf, blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den burgerlijken regter geschorst-, onverminderd de behoedmiddelen bij de wet veroorloofd.
Art. 5. Geene regtsvervolging tot straf kan gestuit of geschorst worden door het af/.ien van de burgerlijke regts-vorrjering, ten zij in do gevallen bij de wet voorzien.
Art. C). Indien de verdediging van den beklaagde een geschilpunt van burgerlijk regt betreft, van welks beslissing de regter oordeelt dat de waardering van het feit afhangt, aan denzelven te laste gelegd, zal de regtsvervolging met of zonder tijdsbepaling worden geschorst.
Indien de beklaagde in bewaring is, zal de regter zijne voorloopige invrijheidstelling kunnen gelasten.
Art. 7. Alle dagvaardingen en beteekeningen van stukken op last of van wege het openbaar ministerie of van wage andere ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigd, geschieden door eenen deurwaarder of dienaar van de openbare magt, op de wijze voorgeschreven bij art. 144.
2
EERSTE TITEL.
Fagt;i het opsporen der strafbare feiten.
EERSTE AFDEEUNG.
Van de amltenarcn heiast met de opsporing der straf hare feilen.
Art. 8. Met bet opsporen der strafbare feiten zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgende ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëedigd:
1°, De veld- en boschwachters;
2°. Do officieren en onder-officieren der maréchaussee;
3°. De directeuren en commissarissen van policie en de waterschouten;
4°. De burgemeesters, ofjdegenen die hen vervangen, doch alleen in de gemeenten alwaar geene commissarissen van policie zijn;
5°. De kanton-regters;
G0. De ambtenaren van het openbaar ministerie, behalve die bij de kanton-geregten ;
T0. Alle andere beambten in zaken bij bijzondere wetten en wettige verordeningen aan hunne waakzaamheid toevertrouwd.
Art. 9. In de gemeenten, die in verscheidene afdeelin-o-en van policie verdeeld zijn , zullen de commissarissen van policie hunne ambtsverrigtingen uitoefenen over de geheele uitgestrektheid der gemeente, in welke zij zijn geplaatst, zonder zich van deze verpligting te kunnen verschoonen, op grond dat de feite i gepleegd zouden zijn buiten do bijzondere afdeeling waarover zij zijn gesteld.
Art. 10. Elke gestelde mngt, elk openbaar ambtenaar die in de uitoefening van zijne bediening kennis bekomt van een strafbaar feit, zal gehouden zijn daarvan dadelijk
3
den ambtenaar van hot openbaar ministerie bij de regt-bank, binnen welks regtsgebied het feit begaan is, of waarin de verdachle woont of mogt kunnen gevonden worden, berigt te geven, en aan denzelven ambtenaar alle do bescheiden, processen-verbaal, en akten, die tot de zaak betrekkelijk zijn, in te zenden.
Art. 11. Een ieder die getuige is geweest van eenen aanslag, het zij tegen de openbare rust of veiligheid, het zij tegen iemands leven of eigendom , zal desgelijks gehouden zijn daarvan dadelijk berigt te geven aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regtbank, het zij van het arrondissement waarin de daad gepleegd is , het zij van dat alwaar de verdachte woont of kan worden gevonden , of aan een\' der hulp-officieren.
De vorenstaande bepaling is niet toepasselijk op de personen bij het tweede en derde lid van art. üö vermeld.
Art. 12. Ieder tegen wien een strafbaar feit is gepleegd of die daarvan kennis draagt, is bevoegd daarvan aangifte to doen bij een der ambtenaren, genoemd in art. 8.
De schriftelijke aangiften zullen moeten worden onderteekend.
Do mondelinge aangiften zullen door den ambtenaar, die dezelve ontvangt, in geschrifte worden gesteld, en zoo door hem, als door den aangever, worden onderteekend , zoo deze kan schrijven. In geval van beletsel wordt de reden daarvan vermeld.
Art. 13. Bij misdrijven alleen op klagte vervolgbaar geschiedt de klagte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klagte gereff-tigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hern van eene bijzondere schriftelijke volmagt voorzien.
De mondelinge klagte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt in geschrift gesteld en na voorlezing door hem met den klager of diens gevolmagtigde onderteekend. Indien deze niet teekenen kan , wordt de reden van liet beletsel vermeld. De schriftelijke volmagt of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte vastgehecht.
De schriftelijke klagte wordt door den klager, of onder overlegging van de schriftelijke volmagt, of, in\'het geval
4
bedoeld in het vorige lid, van een authentiek afschrift daarvan, door den gevolmagtigde onderteekend.
Alles of straffe van nietigheid.
Art. 14. Tot het ontvangen der klagte is elk officier en elk hulp-officier van justitie bevoegd en verpligt.
Art. 15. De introkking der klagte geschiedt bij de ambtenaren , op de wijze en in den vorm voor het doen der klagte bij de artt. 13 en 14 bepaald.
TWEEDE AFDEELIXG.
Van de burgemeesters en commissarissen van folide, met letrehldiuj lot strafbare feiten aan de kennisneming van den kanton-regter onderworpen.
Art. lö. De commissarissen van policie, en, in de gemeenten waar geene commissarissen van policie zijn, de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, zullen de strafbare feiten aan de kennisneming van den kanton-regter onderworpen nasporen, zelfs ook de zoodanige die tot het hijzonder toezigt van de veldwachters en boschwachters behooren. Zij zullen de berigten en aangiften ontvangen tot de voornoemde feiten betrekkelijk.
De processen-verbaal door hen te dien einde op te maken, zullen inhouden den aarden de omstandigheden der feiten, den tijd wanneer, en de plaats waar dezelve zijn bedreven , mitsgaders do bewijzen of aanwijzingen ten laste van de vermoedelijk schuldigen.
Art. 17. In gemeenten, in welke niet meer dan één commissaris van policie is , zal, bij wettig beletsel van den-zelven, de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, den gezegden dienst waarnemen , of door tijdelijke aanstelling van eenen persoon tot vervanging van den commissaris van policis, in diens dienst voorzien.
Art. 18. De burgemeester of die deszelfs plaats vervult, of wel do commissaris van policie , zal aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij liet kanton-geregt alle de stukken en narigten doen geworden , ten langste binnen den tijd van drie dagen, de dag, op welken het feit tot zijne kennis is gekomen, daaronder begrepen.
DEHDU AFDEELING.
Van de veld- en loscJuoachters.
Art. 19. De veld- en bosclnvachters zijn voornamelijk belast met liet opsporen der straf bare feiten, strekkende tot benadeeling1 van veld- en boscli-eigendommen.
Art.20. De veld- en boschwachters staan, voor zoo verre het opsporen der strafbare feiten betreft, die tot de bevoegdheid van de regtbank bahooren, onder het toezigt van den ofüeier van justitie van het arrondissement, onverminderd hunne onderhoorigheid aan de ambtenaren der administratieve ir.agt, die boven hen zijn gesteld.
Zij zullen van allo strafbare feiten processen-verbaal opmaken , ten einde te doen blijken van den aard , de omstandigheden , den tijd en de plaats van de begane strafbare feiten , zoo als ook vau de bewijzen en aanwijzingen die zij daarvan hebben kunnen inwinnen.
Art. 21. De veld- en bosch wachters moeten hun procesverbaal binnen den tijd van vier en twintig uren doen toekomen aan den commissaris van policie, en binnen de gemeenten, alwaar geen commissaris van policie is, aan den burgemeester of dengenen die hein vervangt. Deze zijn verpligt de processen-verbaal, uiterlijk binnen vier en twintig uren na de ontvangst, aan den bevoegden ambtenaar van hot openbaar ministerie iu te zenden.
VIERDE AFDEELING.
Vun de amhtcnaren van hel openhaar ministerie.
Art. 22. De ambtenaar van het openbaar ministerie bij hel kanton geregt is belast met de vervolging van het in het kanton gepleegde strafbaar feit, dat tot de bevoegdheid van den kanton-rogter behoort.
Hij is bevoegd , naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden processen-verbaal nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen.
Hij kan die nasporingen of dat nader onderzoek opdragen aan de hulp-officieren van justitie — de kanton-regters uitgezonderd — zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8 , 1°. en 7°.
c
Art. 23. De officieren van justitie zijn belast met de nasporing\' en vervolging\' van alle strafbare feiten, waarvan de kennisneming behoort aan de arrondissements-regt-banken.
Art. 24. Tot do waarneming der ambtsverrigtingen, bij het vorige anikel aan de officieren van justitie opgedragen , zijn gelijkelijk geregtigd:
Die van bet arrondissement waarin het feit is begaan;
Die van bet arrondissement waarin de verdachte woont;
Die van liet arrondissement waarin de verdachte wordt gevonden;
hi geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene officieren van justitie, zal diegene hunner steeds met do vervolging der zaak belast blijven, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.
Art. 25. Strafbare feiten , buiten het Rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, worden, ter bepaling van de bevoegdheid van den vervolgendeu ambtenaar, geacht te zijn begaan ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig woont of de reederij is gevestigd.
Art. 26. De ambtsverrigtingen van de ambtenaren van bet openbaar ministerie worden, onverminderd de bepalingen van de wet op de consulaire regtsmagt, bij vervolging van strafbare feiten buiten het Rijk in Europa niet aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd , vervuld door de ambtenaren van liet openbaar ministerie bij de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt, onder wier ressort de verdachte woont, gevonden wordt, of zijne laatst bekende verblijfplaats beeft gehad.
In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie olijft diegene hunner steeds met de vervolging der zaak belast, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.
Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden , en geen bekende verblijfplaats heeft gehad , worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitgeoefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt n0. 1 te Amsterdam.
7
Art. 27. De ambtenaren, met het nasporen der strafbare feiten belast, hebben het regt om, in de uitoefening van hunne ambtsverrigtingen, de openbare burgerlijke, of de gewapende magt onmiddellijk in te roepen.
De veld- en boschwachters zijn hiervan uitgezonderd ; deze zullen zich te dien einde vervoegen bij de hoofden der plaatselijke besturen van de gemeenten alwaar zij hun ambt uitoefenen.
Art. 28. De officieren van justitie zijn gehouden om, zoodra strafbare feiten, die tot de kennisneming van de regtbank behooren, tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bij het geregtshof daarvan berigt te geven.
Onverminderd hunne verpligting tot vervolging moeten zij de voorschriften opvolgen die deze hun, tot het doen van onderzoek, of tot vervolging van die feiten, zal geven.
Ar/. 29. De bepaling van het voorgaand artikel geldt eveneens ten aanzien van do ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten tegenover den officier Aan justitie bij de regtbank met betrekking tot de feiten, die tot de kennisneming van den kanton-regter behooren.
ylrt. 30. De ambtenaren van liet openbaar ministerie zullen zorg dragen voor de verzending, de beteekening en de uitvoering tier bevelschriften die door don regter, in het beleid dor zaak, zullen worden gegeven.
Art. 31. Wanneer een officier van justitie door klagte of aangifte, of op eenige andere wijze is onderrigt, dat in zijn ressort een strafbaar feit is gepleegd, of dat iemand, die daaraan vermoed wordt schuldig te zijn, zich binnen hetzelve bevindt, zal hij verpligt zijn , naar omstandigheden, aanvankelijk allo narigten te verzamelen en in te winnen, welke dienstig kunnen zijn om over de zaak licht te verspreiden.
Art. 32. De officier van justitie zal, wanneer daartoe termen zijn, de stukken aan den rogtei\'-commissaris doen toekomen, met zoodanige requisitoiren als hij zal geraden achten.
Art. 33. Indien de regtbank, op beklag van den belanghebbende, of op eene andere voldoende wijze, bevindt, dat er verzuim plaats heeft in het vervolgen van een straf-
8
baar feit aan hare kennisneming onderworpen, zal zij den officier van justitie kunnen belasten om te dien aanzien aan haar verslag te doen, en hem voorts kunnen bevelen om ter zake der opgegeven daadzaken, zoo daartoe termen zijn, vervolgingen in te stellen.
VIJFDE AFDEELING.
Van de hulp-officicren.
Art. 34. Hulp-officieren zijn de in art. 8 nos 2-5 genoemde ambtenaren.
Art. 35. In geval van gelijktijdige bemoeijing van de officieren van justitie eu van de hulp-officieren, zullen laatst-gemelde zich van alle verdere bemoeijingen onthouden eu dezelve aan den officier van justitie overlaten , ten ware deze hen gelasten mogt in de door hen aangevangen verrigtingen voort te gaan of hem behulpzaam te zijn.
Art. 36. De hulp-officieren zullen de aangiften , de processen-verbaal en andere akten , door hen in zaken van hunne bevoegdheid opgemaakt, onverwijld aan den officier van justitie inzenden , welke gehouden zal zijn daarmede te handelen , zoo als in art. 31 en 32 hierboven is gezegd.
De processen-verbaal zullen zijn gedagteekend , en zoo veel mogelijk inhouden den aard en de omstandigheden van het strafbaar feit, den tijd wanneer en de plaats waar hetzelve is begaan, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van den vermoedelijk schuldige.
Art. 37. Zij zullen dit insgelijks doen, in geval van klagte of aangifte van andere strafbare feiten, dan met welker onderzoek en nasporing zij onmiddellijk belast zijn , en de officier van justitie zal gehouden zijn daarmede insgelijks overeenkomstig hot bepaalde bij art. 31 en 32 te handelen
Art. 38. De hulp-officieren zijn gehouden om, op de vordering van den officier van justitie, alle zoodanigenarigten te geven en onderzoek te bewerkstelligen ter zake van feiten aan de kennisneming der regtbank onderworpen ,
9
als met welker vervolging deze ambtenaren worden belast, gelijk ook, in het beheer der justitie en rogteiiijke policie, do bevelen na te komen , welke hun door deuzelven worden gegeven.
ZESDE AFDEELING.
Van ontclehkmj op hecter daad.
Art. 39. In geval van ontdekking of vervolging van een strafbaar feit op heeter daad, zullen de ambtenaren bij art. 8 vermeld, verpligt en gehouden zijn onmiddellijk alles aan te wenden wat dienstig kan zijn, niet alleen om het feit tot klaarheid te brengen, maar ook om den dader in handen te krijgen; alles overeenkomstig hetgeen bij de volgende artikelen is vastgesteld.
Art. 40. Ontdekking op heeter daad heeft plaats, wanneer het strafbaar feit, terwijl hetzelve gepleegd wordt, of terstond nadat hetzelve is gepleegd, ontdekt wordt, of wanneer iemand terstond daarna als dader door het openbaar gerucht wordt vervolgd, of bij hem goederen, wapenen , werktuigen of papieren worden gevonden , welke aanduiden dat hij dader of medepligtig is.
Art. 41. In geval een strafbaar feit op heeter daad wordt ontdekt, is elk dienaar van de openbare magt verpligt, en een iegelijk bevoegd, den verdachte aan to houden en voor den officier van justitie of een\' der hulp-officieren te brengen.
In de gevallen waarin geene voorloopige aanhouding is toegelaten, zal de officier van justitie, of deszelfs hulpofficier , proces-verbaal opmaken , eu den aangehoudene dadelijk in vrijheid stellen.
Wanneer er volgens do wet grond is tot voorloopige aanhouding en de verdachte door eenen bijzonderen persoon of door eenen hulp-officier is gevat geworden, zal ieze den verdachte dadelijk, met dg in beslag genomen goederen, wapenen, werktuigen of papieren , aan den officier van justitie overleveren, ten einde te worden gehandeld , zoo als bij art. 53 en 54 is voorgeschreven.
Art. 42. üe tot aanhouding bevoegde ambtenaren zullen zich te dien einde de sterke hand doen verleenen door
10
don burgemeestor van do gemeente, of door dengenen die deszelfs plaats vervult, welke zich daaraan niet zullen mogen onttrekken.
Weggenomen goederen zullen zij, in dat geval, ter plaatse waar die mogten zijn heen gevoerd, nasporen en in bewarende hand stellen; nogtans zullen zij in de huizen , werkplaatsen, getimmerten en do daaraan belendende omschutte en omheinde plaatsen niet mogen binnen treden , dan in hot bijzijn van den kanton-regter , of van den commissaris van policie, of den burgemeester der gemeente, of die deszei fs i laats vervult, en het daarvan op te maken proces-verbaal zal moeten worden onderteekend door hem te wiens overstaan het opgemaakt is.
Art. 43. In het geval van strafbare feiten, waartegen als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, znl de officier van justitie handelen, zoodanig als bij dit en bij de volgende artikelen tot en met art. 54 is voorgeschreven.
Hij begeeft zich, indien zulks noodig is, onverwijld naar de plaats alwaar de daad gepleegd is, om aldaar de vereischte processen-verbaal op te maken, ten einde te doen blijken van het bestaan van het feit, den staat van deszelfs voorwerp en de gesteldheid der plaats, en om de verklaringen in te winnen van degenen die tegenwoordig mogten zijn geweest, of van do buren, huisgenooten of anderen, die men vermoeden kan in staat te zijn om ophelderingen of narigten nopsns het feit te geven, welke allen hunne verklaringen zullen moeten teekenen; zullende, bij weigering, daarvan melding moeten worden gemaakt.
Hij zorgt, zoo noodig, dat de vereischte policie-beambten ter plaatse aanwezig zijn.
Hij is verpligt den regter-commissaris onverwijld te verwittigen, dat hij zich naar de plaats waar het misdrijf is gepleegd begeeft, doch hij behoeft dien ambtenaar niet af te wachten.
Zoodra de regter-commissaris op dia plaats tegenwoordig is, zullen alle bemoeijingen, in deze afdeeling vermeld, door hom op requisitoir van het openbaar ministerie worden verrigt.
Arl. 44. Do oflicier van justitie zal mogen bevolen dat niemand, wie het ook zij, het huis verlate of zich van de plaats verwijdore, tot na den afloop vau het onderzoek te dier plaatse.
11
De overtreders van zoodanig bevel zullen kunnen worden gevat en tot na liet sluiten van het proces-verbaal aau-gebouden.
Art. 45. Hij zal, in do gevallen van ontdekking op heeter daad, mogen bevelen dat de vermoedelijk schuldigen in verzekering worden genomen en voor hem gebragt; na derzelver verhoor, zal hij, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, tegen ben een bevel van voorloopige aanhouding mogen uitvaardigen , en daarbij aanduiden de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.
Art. 4G. Hij zal in beslag nemen do wapenen en al hetgeen tot het plegen van het straf bnar feit blijkt of schijnt gediend te hebben of bestemd te zijn geweest, gelijk ook alles wat dienen kan om de waarheid aan den dag te brengen.
Hij zal den verdachte aanmanen om zich te verklaren over de in beslag genomene voorwerpen, welke hem zullen worden vertoond.
Hij zal van dit alles een proces-verbaal opmaken , hot-welk onderteekend zal worden door den verdachte, of, bij weigering, zal daarvan worden melding gemaakt.
Art. 47. Indien de aard van het strafbaar feit zoodanig is, dat het bewijs waarschijnlijk kan worden verkregen uit de papieren of andere stukken en zaken in bet bezit van den verdachte, zal de olïicier van justitie, vergezeld van den leanton-regter, of, wanneer deze zich niet op de plaats bevindt, of op eenige andere wijze verhinderd is, van den burgemeester of die denzelven inogt vervangen , zich terstond ter woonstede van den verdachte begeven , om aldaar datgene op te sporen wat hij nuttig zal oordeelen om de waarheid aan het licht te brengen.
Hij zal daarvan proces-verbaal opmaken, eu de papieren of andere stukken onder zich nemen.
Art. 48. Hij zal tot de ontdekking van het strafbaar feit betzelfde onderzoek mogen doen , zoo wel in de woning van den verdachte, als in herbergen, koffijhuizen en andere openbare plaatsen.
Art. 49. üe door bem in beslag genomene voorwerpen
12
zullen besloten en verzegeld worden in penen omslag, waarop door hem gesteld zal worden do behoorlijke ;iaii-teekening van den dag1 waarop zij in beslag genomen zijn.
Indien dezelve niet geschikt zijn orn in; eeneu omslag te worden gesloten, zal aan dezelve door hem eene strook papier met zijn zegel worden vastgehecht, op welke de bovengemelde aanteekening door hein zal gesteld en onder-teekend zijn.
Art. 50. De verrigtingen in de drie voorgaande artikelen voorgeschreven , zullen geschieden in bijwezen van den verdachte, in geval hij gevat is geworden; do voorwerpen zullen hem worden voorgehouden, ten einde dezelve te erkennen , en te waarmerken , zoo daartoe termen zijn, en in geval van weigering, zal daarvan in het procesverbaal melding worden gemaakt.
Art. 51. De officier van justitie zal, indien hij het noodig oordeelt, zich van een of meer deskundigen doen vergezellen of bijstaan , ten einde zich door hen te doen voorlichten en van hen zoodanige verslagen te vragen, als in het belang van het onderzoek worden vereischt.
Art. 52. Ieder die als deskundige daartoe wordt opgeroepen , is verpligt zijne diensten aan de justitie te leenen.
De deskundigen zullen in handen van den officier van justitie den eed afleggen dat zij hem verslag naar hun geweten zullen geven.
Art. 53. De processen-verbaal, akten, stukken en instrumenten , ingevolge de voorgaande artikelen opgemaakt of in beslag genomen , zullen onverwijld door den officier van justitie, met de requisitoiren , welke hij ten dienste der justitie noodzakelijk zal achten , overeenkomstig het vastgestelde bij art. 32, aan den regter-coimnissaris worden ingediend.
Art. 54, Het bevel van voorloopige aanhouding, bedoeld bij art. 45 , is slechts gedurende zes dagen van kracht.
Op de vordering van den officier van justitie kan de regt-bank in raadkamer, alvorens regtsingang te verleenen , in do gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, bij eene met redenen omkleede beschikking het bevel eenmaal
13
verlengen voor een tijd door do regtbank te bepalen, maar in geen geval voor langer dan zes dagen.
Is niet binnen zes dagen na do dagteekening, hetzij do verlenging toegestaan , hetzij gevangenneming of gevangenhouding overeenkomstig art. 85 bevolen, of is in geval van verlenging niet binnen den gestelden termijn gevangenneming of gevangenhouding bevolen, dan is de aangehoudene van regtswege vrij.
Art 55. Bij verhindering of bij ontstentenis van den officier van justitie, zullen de hulp-officieren de bemoeijingen waarnemen , waarvan in art. 43 tot en mat art. 52 gehandeld wordt.
TWEEDE TITEL.
Van den regter-commissaris en van de voorloopige informatien.
Art. 56. Het geregtshof benoemt, bij iedere arrondisse-ments-regtbank , uit derzelver leden, een\'of meer regters-commissarissen, belast met de instructie der strafzaken.
Art. 57. De regters-commissarissen worden voor den tijd van twee jaren aangesteld.
Echter zal de instructie eener zaak worden voortgezet en ten einde gebragt door dengenen die dezelve heeft begonnen.
De regters-commissarissen zijn steeds weder benoembaar.
Niemand zal echter, na den afloop van zijnen diensttijd verpligt zijn die function te blijven waarnemen , voor dat hij gedurende twee jaren daarvan is bevrijd geweest.
Art. 58. Indien de regter-commissaris tijdelijk mogt zijn verhinderd , zal de regtbank eenen anderen tot de waarneming van zijnen dienst benoemen.
Danr , waar meer dan één regter-commissaris is, zal de dienst van dengenen die verhinderd is, bij voorkeur door den anderen warden waargenomen.
Art. 59. De regter-commissaris kan geene voorloopige informatien inwinnen,. zonder requisitoir van het openbaar
14
ministerie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 32 bier boven.
Indien de regter-commissaris verklaart dat er geeno termen tot het inwinnen van information bestaan, zal de officier van justitie de verklaring van dien ambtenaar ter kennis der arrondissements-regtbank kunnen brengen , ten einde daaromtrent door die regtbank worde beslist.
In geval de regtbank beslist dat de zaak behoort te worden vervolgd, zal zij daartoe eenen anderen regter-commissaris kunnen benoemen.
Art. 60. De regter-commissaris moet, bij alle zijne ambtsverrigtingen , door den griffier of eènen substituutgriffier worden bijgestaan.
De officier van justitie kan bij de verhooren tegenwoordig zijn, indien de regter-commissaris hem daartoeuitnoodigt.
Zoo dikwijls de officier van justitie bij de verhooren tegenwoordig is, wordt daarvan bij het proces-verbaal melding gemaakt en hij is bevoegd aan den regter-commissaris de vragen, die hij verlangt gedaan te worden, op te geven, waarop de regter-commissaris, naar bevind van zaken , zal beschikken.
De regter-commissaris is verpligt, telken reize, do verhooren en ingewonnen informatien aan den officier vau justitie , op diens verlangen, mede te doelen , ten einde dezer, in staat te stellen om de voreischte requisitoiren te doen.
Art. 01. De regter-commissaris zal de dagvaarding bevelen van do personen , welke hem als getuigen door het openbaar ministerie zijn opgegeven.
Hij kan insgelijks doen oproepen den verdachte en do getuigen die door dezen zijn aangeduid, of die hij ambts halve vermeent te moeten hooren.
Bij zijn jiroces-verbaal wordt melding gemaakt van alle de door den verdachte, als getuigen, opgegeven personen , om het even of de regter-commissaris die al of niet heeft laten oproepen.
De dagvaarding der getuigen of verdachten geschiedt . op last van het openbaar ministerie.
Art. 02 De getuigen zullen door den regter-commissaris ieder afzonderlijk worden gehoord; hij kan dezelve echter met elkander confronteren.
ylrt. 63. Do getuigen zullen beloven de gehcelo waarheid en niets dan de waarheid te zeggen ; de regter-coniinis-saris zal hun hunne namen, voornamen, ouderdom, staat, beroep en woonplaats afvragen , alsmede ;)f zij zijn dienstboden van den verdachte of hem door bloed-venvantschap of door aanhuwelijking bestaan en , zoo ja , in welken graad.
De regter-commissaris zal do belofte en opgaven , mitsgaders alle do vragen en do antwoorden der getuigen , door den griffier behoorlijk in geschrift doen stellen.
Art. G4. Het alzoo in geschrift gestelde zal onderteekend worden door den regter-commissaris, den griffier en de getuigen of verdachten, nadat hetzelve zal zijn voorgelezen , en laatstgenoemden verklaard hebben daarbij te volharden. Ingeval de getuigen of verdachten niet teekenen kunnen of willen moet daarvan melding worden gemaakt.
Arl. 65. Tusschen de regels zal niet mogen worden ingeschreven.
De doorschrappingen en de verwijzingen zullen door den regter-commissaris, den griffier en de getuigen of verdachten goedgekeurd en on lerteekend moeten worden; het tusschen de regels ingeschrevene, mitsgaders de niet goedgekeurde doorhalingen en verwijzingen , zijn nietig en van onwaarde.
ylr/. 66. Een ieder die gedagvaard is om getuigenis der waarheid te geven , is gehouden voor den regter-commissaris te verschijnen , en getuigenis af te leggen.
Des verdachten bloedverwanten en aangehuwden in de regte linie; deszelfs broeders, zusters en aangehuwden in gelijken graad; deszelfs ooms, moeijen en deszelfs broeders- en zusters-kinderen , mitsgaders de echtgenoot zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden getuigenis af te leggen.
Hetzelfde is toepasselijk op hen, die, uithoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn , doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan do wetenschap aan hen , als zoodanig, is toevertrouwd.
Art. 67. Indien een getuige op de hem gedane dagvaarding niet verschijnt, zul de regter-commissaris op nieuw zijne
18
oproeping kunnen bevelen en hetzij te gelijker tijd, hetzij later, daarbij een bevel tot nieclebreuging kunnen voegen.
Bij niet-verscliijning van den verdachte, zal deze daartoe door\' geene dwaugmiddelen kunnen worden verpügt.
Art. ()8. Indien de getuige op de eerste of tweede dagvaarding verschenen, of, voorden regter-commissaris gebragt zijnde, weigert getuigenis der waarheid af te leggen, kan de regtbank , op verslag van den regter-commissaris , na verhoor of behoorlijke oproeping vau den getuige en op de conclusie van hot openbaar ministerie, bevelen dat de getuige in gijzeling worde gebragt en gehouden , tot dat hij aan zijne verpligting zal hebben voldaan.
Het vonnis van de regtbank zal bij voorraad worden ten uitvoer gelegd , niettegenstaande verzet of hooger beroep.
Do gijzeling duurt niet langer dan dertig dagen. Zijkan, zoolang de behandeling der zaak niet is afgeloopen, op vordering van den officier van justitie door de regtbank telkens van dertig dagen tot dertig dagen worden verlengd.
Art. 69. Indien de getuige of verdachte de Nederlandsche taal niet verstaat, is de regter-commissaris bevoegdeenen tolk te benoemen , die den ouderdom van achttien jaren moet hebben bereikt en beveelt zijne dagvaarding.
De tolk legt naar do wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.
Indien de getuige of verdachte doofstom is, tijdelijk het gebruik van zijn gehoor- en spraakvermogen of een dezer vermogens tijdelijk of voortdurend mist, doet de regter-commissaris zijne vragen door den griffier in geschrift stellen, waarop door den getuige of verdachte schriftelijk wordt geantwoord.
Kan do in het vorig lid bedoelde getuige of verdachle niet lezen of schrijven, dan benoemt de regter-commissaris eenen daartoe geschikten persoon tot tolk en beveelt zijne dagvaarding. Het tweede lid van dit artikel is dan van toepassing.
Art. 70. Wanneer een getuige schadeloosstelling vraagt zal dezelve door den regter-commissaris worden begroot, op vertooning van de akte van dagvaarding.
Art 71. Wanneer een getuige of verdachte door ver-
17
klaringen van eenen arts of heelmeester doet blijken dat hij buiten staat is van op de hem gedane dagvaardingen te kunnen verschijnen, zal de rogter-commissaris zich te zijner woning begeven.
Art. 72. Indien een getuige of verdachte in een ander kanton woont, dan waartoe de gemeente behoort, binnen welke de regtbank zitting houdt, kan de regter-commissaris don kanton-regter magtigen , om dien getuige of verdachte te hooren.
Art, 73. Zoo dikwijls getuigen zullen moeten gehoord worden, welke woonachtig zijn in een ander arrondissement, zal de regter-commissaris do ontworpen vraag-artikeleu overzenden aan don regter-commissaris binnen wiens arrondissement die getuigen woonachtig zijn , ten einde hen , op of naar aanleiding dier vraag-artikolen te hooren.
Indien echter de woonplaats van don getuige nader gelegen is bij de hoofdplaats van het arrondissement alwaar de instructie geschiedt, dan bij die van liet arrondissement waarin hij woont, is de regter-commissaris bevoogd, den getuige voor zich te doen ontbieden, al ware des getuigen woonplaats in eene andere provincie gelegen.
ylri. 74. Indien, in het geval van het eerste lid van het vorig artikel, de ambtenaar van het openbaar ministerie het volstrekt noodzakelijk mogt achten dat zoodanige getuigen worden opontboden om gehoord te worden, zal hij deswege een met redenen bekleed verslag aan de regtbank doen, welke daarop naar bevind van zaken zal beschikken.
Art. 75. Wanneer de regtbank in do overkomst dier getuigen bewilligt, zullen zij daartoe gedagvaard worden, en melding daarvan zal in de akte van dagvaarding worden gemaakt.
Art. 76. Indien de verdachte in een ander arrondissement woont, kan do rogtor-commissaris do ontworpen vraag-artikelen overzenden aan den regter-commissaris, binnen wiens arrondissement de verdachte woonachtig is, ten einde hem op of naar aanleiding dier vraag-artikelen te hooren.
Art. 77. Hij, die op verzoek van eenen regter-commissaris verklaringen heeft ingewonnen, zal het proces-verbaal besloten en verzegeld aan laatstgenoemden overzenden.
o
18
Art. 78. De regter-commissaris kan, zooveel mogelijk ia overleg met den officier van justitie, in het belang dei-door hem gevoerd wordendo informaiiën en instructiëu , liet doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de hulp-officieren van justitie, zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, 1°. en 7°.
Art. 79. Wanneer in den loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen den verdachte ontstaat, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, op de vordering van den officier van justitie, tegen den verdachte een bevel van voorloopige aanhouding verleenen met aanduiding van de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.
Is het bevel niet onmiddellijk op hot iiooren van den verdachte gevolgd, dan wordt hij binnen vier en twintig-uren , na zijne opneming in de gevangenis, gehoord.
Art. 54 is op het bevel in dit artikel bedoeld van too-passing.
Art. 80. Wanneer gedurende het onderzoek van den regter-commissaris een der aanwezigen de stilte stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door don rogter-commissaris is gewaarschuwd of het bevel van dezen om zich te verwijderen, niet heeft opgevolgd , kan hij op diens last worden verwijderd.
Heeft gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit plaats , dan maakt de regter-commissaris daarvan proces-verbaal op en zendt dit aan den officier van justitie. Hij kan tevens, op de gronden en in de gevallen vermeld in art. 86, een bevel van voorloopige aanhouding tegen den verdachte verleenen.
Art. 54 en hettweeJe lid van art. 79 zijn dan van toepassing-.
DERDE TITEL.
Van het verleenen van retjtsinganfi en de verdere geregtdijM instructie.
Art. 81. Zoodra de officier van justitie voldoende aanwijzing heeft gekregen van een gepleegd strafbaar feit, aan de regtsmagt der regtbank onderworpen en van den persoon , die zich daaraan schuldig heeft gemaakt en hij
19
liet verleenen van regtsingang- nootlig1 oordeelt, biedt hij do stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan de regtbank aan.
Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verwijzing der zaak naar de teregtzitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.
Op deze vordering wordt door de regtbank in raadkamer beslist.
Art. 82. Indien het aan de regtbank blijkt, dat do kennisneming en do instructie der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, zal zij dezelve naar den bevoegden regter verwijzen. De officier van justitie zal de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie, bij zoodanig kollegie, doen toekomen.
Wanneer do verdachte zich in hechtenis bevindt, kan do regtbank bevelen , dat hij in hechtenis zal verblijven.
Wanneer binnen zes dagen daarna door den bevoegden regter geen nieuw bevel van gevangenhouding is verleend, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
Art. 83. Indien ter zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is, weigert do regtbank den regt ingaug en stelt zij den verdachte buiten vervolging.
Art. 84. Indien geene voldoende aanwijzing bestaat omtrent den aard van het feit of dat hetzelve is gepleegd of van de schuld van den verdachte, weigert zij den regts-ingang en stelt den verdachte buiten vervolging of beveelt de voortzetting van het voorloopig onderzoek , en is in dat geval bevoegd om, voor zoover dit nog niet overeenkom^ stig hot tweede lid van art. 54 heeft plaats gehad, ook ambtshalve , met inachtneming van het aldaar bepaalde, het bevel van voorlcopige aanhouding éénmaal te verlengen.
Art. 85. In alle andere gevallen verleent zij den regts-ingang en verwijst zij de zaak naar de teregtzitting of gelast zij instructie, in het een en ander geval met of zonder bevel van -gevangenneming of gevangenhouding.
Op strafte van nietigheid kan echter in geen geval ter zake van een misdrijf verwijzing raar do teregtzitting plaats hebben zoolang de verdachte niet door den regter-commis-saris is geboord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.
20
Art. 86, Gevangenneming, of, zoo de verdachte voor-loopig is aangehouden, gevangenhouding, kan , bij het ver-leenen van regtsingang, worden bevolen indien tegen hot misdrijf als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd of indien do regtsingang wordt verleend wegens verduistering, opligting of de in de nrtt. 390 l1-, 391 1°, 392 1°, 395 en 4iG van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, wegens medepligtigheid aan of poging tot de misdrijven, in dit artikel vermeld of wegens de in de artt. 43-2 en 433 omschreven overtredingen, doch alleen op grond hetzij van gegronde vrees voor vlugt van den verdachte, hetzij van eenige andere gewigtige reden van maatschappelijke veiligheid.
De reden wordt op straffe van nietigheid in de beschikking met name vermeld.
In alle andere gevallen wordt, zoo de verdachte voor-loopig is aangehouden, diens invrijheidstelling bevolen.
Art. 87. In geval do aan de regtbank gelijktijdig overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot zamenhangende feiten of tot feiten door denzelfden persoon begaan en het belang van het onderzoek zich niet tegen de voeging verzet, zal de regtbank over deze allen bij eene en dezelfde beschikking uitspraak doen.
Art. 88. Strafbare feiten worden geacht zamenhangende te zijn, wanneer zij begaan zijn:
1°. door verscheidene vereenigde personen gelijktijdig;
2°. door verschillende personen op onderscheidene lijden of plaatsen, doch ten gevolge van eene door hen vooraf gemaakte afspraak;
3°. met het oogmerk om zich de middelen te verscbaffeu tot het begaan van een ander strafbaar feit of de uitvoering daarvan te bevorderen of tot stand te brengen of wel om zich tegen de straf van een ander strafbaar feit te beveiligen.
Art. 89. De regtbank doet eveneens bij eene en dezelfde beschikking uitspraak, wanneer buiten do gevallen bij art. 87 bedoeld de gelijktijdig aan de regtbank overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot meerdere strafbare
21
feiten , tusschen welke verband bestaat en de voeging in het belang van liet onderzoek is.
Art. 90. Indien in de gevallen van de arlt. 87 en 89 de strafbare feiten ieder afzonderlijk aan do kennisneming van dezelfde regtbank zijn onderworpen, kan deze in eiken stand der zaak, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op verzoek van den beklaagde, da voeging bevelen.
Art. 91. Indien buiten de gevallen van art. 87 meerdere strafbare feiten gelijktijdig aan do kennisneming van dezelfie regtbank worden onderworpen , kan de regtbank in eiken stand der zaak, zoowel ambtshalve als op do vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de splitsing bevelen.
Dit bevel is verpligtend indien geen der gevallen, bedoeld bij art. 87 en art. 89, aanwezig is.
Art. 92. De beschikkingen, bij de artt. 82, 83, 84 en 85 bedoeld, houden in :
den naam, of, als die onbekend is, de aanwijzing zoo duidelijk mogelijk, van den verdachte;
het feit in hoofdzaak dat hem ten laste wordt gelegd ;
de vordering van hot openbaar ministerie;
do beslissing, met de gronden waarop zij rust.
Art. 93. De beschikking, waarbij regtsingang wordt verleend, vermeldt, behalve het bij het voorgaand artikel bepaalde, de artikelen der wet, waarbij het feit is strafbaar gesteld.
Zij wordt den beklaagde zoodra mogelijk, en in ieder geval vödr of uiterlijk te gelijk met de eerstvolgende akte van vervolging, van wege het openbaar ministerie beteekend.
Art. 94. In de gevallen, voorzien bij de artt. 82—85 kan de officier van justitie, binnen den tijd van vier en twintig uren na de uitspraak van de regtbank, daartegen verzet doen, door middel van eene verklaring ter griffie der regtbank afgelegd.
De akte van verzet moet, benevens de processtukken ,
22
des noods vergezeld van eene mam or ie, bevattende de redenen, voor zoo verre die niet bij de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier eu twintig uren duor den officier van justitie aan den procureur-generaal bij het geregtshof worden opgezonden, welke, binnen drie dagen na de ontvangst, dezelve met zijn verslag en requisitoir indient bij het hof.
Het hof, zamengestelil uit vijf leden, zal binnen drie dagen daarna de uitspraak der regtbank goedkeuren of te niet doen, en bevelen hetgeen bevonden zal worden te behooren.
Binnen drie dagen na de uitspraak, zal de procureur-generaal hot arrest van het hof aan den officier doen toekomen.
Art. 95. Indien instructie is gelast, beveelt de regter-coramissaris, zoodra de stukken in zijne handen zijn gesteld , de verschijning van den beklaagde om door hem te worden gehoord op het feit, bij het bevel in hoofdzaak uitgedrukt.
De beklaagde, die in vrijheid is, wordt door tusschen-komst van het openbaar ministerie gedagvaard.
Art. 9G. Indien de beklaagde niet op de dagvaarding verschijnt, kan do regter-commissaris hem andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel van medebrenging.
l)e beambte, met dat exploit belast, zal, des noodig zijnde, de openbare burgerlijke of de gewapende magt van de plaats, of die der naastbij gelegene plaats, ter zijner hulp inroepen. Zij is verpligt onmiddellijk aan die vordering te voldoen.
Art.^Tl. Gedurende den loop der instructie doet de regter-commissaris, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt, den beklaagde , zoo deze in verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen, of, zoo hij in vrijheid is, daartoe dagvaarden. Bij elke niet-verschijning van den beklaagde, wordt dooiden regter-commissaris gehandeld, zoo als bij het eerste lid van het vorige artikel is bepaald.
Art. 98. Bij het ontstaan van meer gewigtige bezwaren tegen den beklaagde die in vrijheid is , of opgrond van omstandigheden , na het verleenen van den regtsingang bekend geworden, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden vermeld in arl. 86 , hetzij ambtshalve, hetzij
23
op de vordering van den officier van justitie een bevel vnn voorloopige aanhouding tegen den beklangde verleenen.
Art 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing.
De officier van justitie biedt de stukken mot zijne vordering aan do regtbank aan , die in raadkamer, met inachtneming van art. 86 , de gevangenhouding of de invrijhsid-stelling beveelt.
Art. 99. In de gevallen , waarin de beklaagde niet voor den regter-commissaris kan worden gebragt of niet kan worden gevangen genomen of na zijne in verzekerde bewa-ringstelling is ontvlugt, wordt de instructie niettemin aangevangen of voortgezet en zooveel mogelijk ten einde gebragt.
Art. 100. Na het eerste verhoor van den beklaagde, zal de rngter-commissaris met. de instructie voortgaan, en den-zelven zoo dikwijls hooren en, des noods, met de getuigen of deze onderling confronteren , als hij, het zij ambtshalve , het zij op het requisitoir van het openbaar ministerie, het zij op verzoek van den beklaagde, zal noodig achten.
Allo bepalingen van den vorigen Titel betrekkelijk het hooren van getuigen , en derzei ver verpligting om getuigenis der waarheid af te leggen , mitsgaders de bevoegdheid tot het aanwenden van het middel van lijfsdwang , zijn te dezen toepasselijk.
In geval de beklaagde na behoorlijke oproeping niet verschijnt , of een tegen hem uitgevaardigd bevel van voor-loopige aanhouding of van gevangenneming niet is kunnen worden ten uitvoer gelegd , en er vermoeden bestaat, dat hij voortvlugtig is en dat de overlegging van beëeligde getuigenissen noodig zal zijn om zijne uitlevering te verkrijgen, gelast de regter-commissaris, op de vordering van hot openbaar ministerie, dat de getuigen , alvorens hun getuigenis af te leggen, elk op do wijze van zijne godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte zullen doen van do geheele waarheid en niets dan de waarheid to zullen zeggen.
Deze bepaling is niet toepasselijk op de personen, bedoeld in art. 164 van het Wetboek van Strafvordering.
Van den gedanen eed of do gedane belofte geschiedt aanteekening door den griffier.
ylr^. 101. Da officier van justitie is geregtigd aan den reg-
24
ter-commissaris de vragen op te geven , die hij verlangt dat aan den beklaagde zullen worden gedaan , en waarop de regter commissaris, naar bevind van zaken , beschikken kan.
Hij kan bij dat verhoor tegenwoordig zijn, indien dc rogter-commissaris hem daartoe uitnoodigt. Het derde lid van art. GO is te dezen toepasselijk.
Art. 102. Indien de regter-commissaris zulks noodig acht, zal hij het vereischte verslag kunnen vragen van een of moer deskundigen.
De deskundigen zullen in handen van don regter-commissaris den eed afleggen , dat zij hun verslag, naar hun geweten, zullen geven.
Op deze deskundigen is de bepaling van het eerste lid van art. 52 van toepassing.
Art. 103. Geene strikvragen zullen in den geheelen loop van eeuig proces aan eenige beklaagden of getuigen mogen worden gedaan, en de regter zal geen acht mogen slaan op de antwoorden welke op zoodanige strikvragen mogten zijn gegeven.
Vragen in welke eene daadzaak, door den beklaagde of de getuigen niet beleden of opgegeven, als waarheid wordt aangenomen of voorondersteld, zullen ook als strikvragen moeten worden beschouwd.
Art. 104. Wanneer uit de instructie gewigtige bezwaren tegen anderen dan den beklaagde ontstaan , kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 83 vermeld , tegen dozen , op de vordering van den oflicier van justitie, een bevel van voorloopigo aanhouding verleenen.
Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing.
üe officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81.
I)e zaak wordt verder op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld.
Art. 105. De bevelen van gevangenneming en de beschikkingen waarbij rogtsingang is verleend kunnen in de geheele uitgestrektheid van het koningrijk worden ten uitvoer gelogd.
Indien de beklaagde gevonden wordt buiten het arrondissement van den regter, die het bevel van gevangen-noming heeft uitgevaardigd, zal hij, alvorens hij in gevangenis worde gesteld , gebragt worden voor den kanton-
25
regter, of den burgemeester, of commissaris van policie van de plaats waar hij gevat is, welke het bevel voor (jczien zal teekenen.
Art. 106. Indien hij, die met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast is, het noodzakelijk acht voorzorgen te nemen, ten einde de beklaagde zich niet aan de vervolgingen der justitie onttrekke, zal hij den bijstand der openbare burgerlijke, of der gewapende magtkunnen inroepen van de plaats of van de naburige plaats, waaide gevangenneming moet geschieden. De openbare burgerlijke of de gewapende magt is verpligt, op de vertooning van het regterlijk bevel, onmiddellijk aan de aanvrage te voldoen.
Art. 107. In geval de beklaagde niet kan worden gevat, zal het bevel van gevangenneming aan zijne woonplaats, of, wanneer die onbekend is, aan deszelfs laatste verblijf worden beteekend, en er zal een proces-verbaal van de gedane nasporing worden opgemaakt, hetwelk \\mvgezien zal moeten worden geteekend door den kantonregter, den commissaris van policie of den burgemeester van de plaats.
Het bevel van gevangenneming en het proces-verbaal zullen aan den officier van justitie worden teruggebragt.
Art. 108. De beklaagde, die uit krachte van een bevel van gevangenneming is gevat, zal zonder verwijl worden gj-bragt in de gevangenis, bij het bevel vermeld.
Art. 109. De deurwaarder of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast, zal den beklaagde aan het hoofd van de gevangenis overgeven, welke, op vertooning van het bevel, denzei ven zal innemen, en schriftelijk zal verklaren zulks te hebben gedaan; de deurwaarder, of do ambtenaar met de uitvoering van het bevel belast, zal vervolgens de stukken tot den gearresteerde betrekkelijk, ter griffie brengen en schriftelijk bewijs nomen dat dezelve aldaar overgenomen zijn.
Hij zal deze beide schriftelijke bewijzen binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie vertoonen, welke dezelve voor gezien zal teekenen, met bijvoeging van de dagteekening.
Art. 110. Buiten het geval van betrapping op heeter daad,
20
zal geene huiszoeking1 mogen plaats hebben, zonder verlof van do arrondissements-regtbank.
Er zal evenwel, in geval van dringende noodzakelijkheid, zonder dit verlof, door den regter-commissaris, ter requisitie van den ofücier van justitie, huiszoeking raogen geschieden:
1°. In de woning van don beklaagde;
2°. In de woning waarin het misdrijf gepleegd is;
3°. In herbergen, koffijhuizen en andere openbare plaatsen.
Art. 111. In alle gevallen eener huiszoeking, al haddie zelfs plaals met verlof van de regtbank, zal het don regter-commissaris niet geoorloofd zijn geschriften, boeken en andere papieren te onderzoeken of in beslag te nemen , zonder dat bij daartoe uitdrukkelijk door de regtbank zij gemagtigd.
Art. 112. De huiszoekingen zullen door den regter-commissaris in tegenwoordigheid van den officier van justitie geschieden.
Indien deze mogten belet zijn , kan de regter-commissaris zich door den kanton-regter on de officier van justitie door den burgemeester doen vervangen.
Art. 113. Indien de papieren of boeken van den beklaagde moeten onderzocht worden , zal hij daarbij in persoon of bij een\' gemagtigde kunnen tegenwoordig zijn.
Het proces-verbaal zal door den beklaagde of zijnen gemagtigde worden onderteekend, indien de een of ander daarbij tegenwoordig is, of er zal melding worden gemaakt van zijne weigering.
Art. 114. De regter-commissaris zal daarenboven de voorschriften nakomen van art. 47, 48 en 49 van dit Wetboek.
Art. 115. De regtbanken kunnen , het zij ambtshalve , het zij op verzoek van den beklaagde , zich de stukken doen voorleggen en bevelen dat de instructie spoedig worde voleindigd, of dezelve sluiten, zoo daartoe gronden zijn.
27
Zij zullen bijzonder acht slaan dat, wanneer er eone voorloopige aanhouding\' heeft plaats gehad, de zaak niet den vereischten spoed worde voortgezet.
Avt. 116. Allo bevelen tot gevangenneming of gevangenhouding zijn voor niet langer dan dertig dagen gallig, te rekenen van den dag, waarop zij zijn ten uit-voergelegd.
Indien aan 1 et eind van dien termijn do instructie niet is afgeloopen of de zaak niet is beregt, wordt de beklaagde onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij de regtbank op vordering van den officier van justitie het bevel bij gemotiveerde beschikking voor ten hoogste dertig dagen hebbe verlengd. Hetzelfde zal nog daarna telkens van dertig dagen tot dertig dagen kunnen geschieden , indien de regtbank na den laatst verleenden termijn zulks noodig oordeelt. Op deze beschikkingen is het tweede lid van art. lJ3 van toepassing.
Art. 117. Na afloop der instructie \'of wanneer, in het geval van art. 99, deze wegens ontstentenis van den beklaagde niet is kunnen worden voltooid , deelt de regter-commissaris de stukken mede aan den officier van justitie.
Oordeelt deze de instructie niet volledig, dan vordert hij, met aanduiding van hetgeen hij daartoe noodig acht, dat zij meer volledig wordt gemaakt.
Art. 118. Zoodra de instructie is ten einde gebragt, doet de officier van justitie den beklaagde bij exploit aanzeggen , dat do instructie gesloten is, met vermelding van het requisitoir dat tegen hem genomen zal worden.
Art. 119. De beklaagde kan, binnen acht dagen na de beteekening van de sluiting der instructie, eene memorie ter griffie van de regtbank inleveren. De bevoegdheid daartoe wordt hem bij het exploit, in het voorgaand artikel bedoeld, op straffe van nietigheid, kenbaar gemaakt.
De beklaagde kan in het exploit de verklaring doen opnemen , dat hij van deze bevoegdheid afstand doet. Hij kan die verklaring ook later doen. De verklaring wordt door hem geteekend. Zoo hij zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in hot exploit melding gemaakt.
\'28
Art. 120. De bekltiagde kan zich omtrent hot indienen eener memorie beraden met een raadsman , door hem mot inachtneming van art. 133 gekozen.
/]/\'/. 121. De beklaagde, die wegens misdrijf vervolgd wordt en zich ingevolge art. 86 te dier zake in verzekerde bewaring bevindt, kan zich omtrent het indienen der memorie beraden met een raadsman, hem op zijn verzoek door den president der regtbank ambtshalve toegevoegd.
Art. 122. De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs in het arrondissement gevestigd. Zij wordt den benoemde, alsmede den beklaagde, door of namens den president dadelijk kenbaar gemaakt.
Art. 123. Gedurende den tijd voor de inlevering der memorie bepaald, heeft do toegevoegde raadsman van den beklaagde toegang tot hem en kan hij hem , behoudens het vereischte toezigt, alleen spreken.
Gedurende dienzelfden tijd kun do raadsman, alsmede de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, ter griffie inzage nemen van de stukken.
Art. 124. De memorie kan ook door den raadsman worden onderteokend.
Van de inlevering der memoriequot; wordt aan dengene die haar overlegt, door den griffier schriftelijk bewijs go-geven.
Art. 125. De griffier teekent den dag der inlevering-op de memorie aan en zendt die binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie.
De officier van justitie dient haar, binnen drie dagen na die inlevering, met de stukken en met zijne vordering bij de regtbank in.
Is geene memorie ingeleverd , dan dient do officier van justitie do stukkon, met zijne vordering, bij de regtbank in binnen drie dagen na verloop van den termijn, voor de inlevering der memorie bepaald of, zoo de afstand is gedaan, in het tweede lid van art. 119 bedoeld, binnen drie dagen na de dagteekening van het aldaar vermelde exploit.
Op de vordering van den officier van justitie wordt door de regtbank in raadkamer beslist.
29
Art. 12ö. Indien de reg-tbauk de instructie niet volledig1 oordeelt, beveelt zij, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek.
Zoodra het bevolen onderzoek is afgeloopen , wordt gehandeld overeenkomstig de artt. 118, 119 en 123.
De termijnen in het eerste lid van art. 119 en het derde lid van art. 1S5 worden bepaald op twee dagen.
Art. 127. Indien liet aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden rogter.
De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.
Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing.
Indien tor zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is of de instructie geene voldoende aanwijzing van schuld tot verdere vervolging heeft opgeleverd, stelt zij den beklaagde te dier zake buiten vervolging.
Indien irt de instructie of na don afloop daarvan vormen zijn verzuimd, beveelt zij herstel van dat verzuim of heropening van het onderzoek van de laatst geldige akte af, welke nan hot verzuim is voorafgegaan.
In allo andere gevallen verwijst zij de zaak naar de toregtzitting.
De artt. 87—91 zijn hier van toepassing.
Art. 128. Wanneer de beklaagde buiten vervolging wordt gesteld of, bij verwijzing, geen der gevallen of gronden vermeld in art. 86 , meer aanwezig is, beveelt de regtbank, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, zijne invrijheidstelling.
Art. 129. Op de beschikkingen bij art. 127 vermeld , is art. 92, en op die , houdende verwijzing naar de teregt-zitting, bovendien art. 93 van toepassing.
Art. 130. Tegen de beschikkingen , waarbij de beklaagde ter zake van misdrijf naar de teregtzitting is verwezen , kan deze, en tegen die, vermeld in art. 127 eerste en vierde lid, kan de officier van justitie verzet doen.
Het verzet geschiedt door middel eener verklaring ter
30
griffie, af to legg\'on door den officier binnen twee dagen na do uitspraak en door den beklaagde binnen acht dagen na do beteekening der beschikking.
In geval van verzet van den officier van jnstitio , verzendt deze de akte van verzet, vergezeld van eene memorie, bevattende de redenen, wanneer die niet in de akte zelvo zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren aan den procureur-generaal van liet geregtshof.
In geval van verzet van den beklaagde, kan deze binnen voorncemde acht dagen eene memorie ter griffie indienen en geschiedt de verzending aan den procureur-generaal binnen vier en twintig uren na verloop van dezen termijn of na de indiening der memorie.
In het een en ander geval dient de procureur-generaal, binnen drie dagen na do ontvangst, zijn verslag en requisitoir bij het hof ia en wordt voorts gehandeld overeenkomstig art. 94, derde en vierde lid.
Art. 131. De beklaagde kan van het regt, in bot voorgaand artikel bedoeld , afstand doen.
Art. 132. Indien bij de verwijzing naar de teregtzitting ter zake van een misdrijf de beklaagde zich te dier zake ingevolge art. 86 in verzekerde bewaring bevindt en wordt gehouden of daarbij zijne gevangenneming wordt bevolen, bepaalt de regt ban k, dat aan den beklaagde ambtshalve een raadsman zal worden toegevoegd.
De toevoeging geschiedt door den president der regtbank uit de advocaten en procureurs, in het arrondissement gevestigd. Zij wordt don beklaagde gelijktijdig met do beschikking , ■waarbij de zaak naar de teregtzitting is verwezen , beteekend.
Do toegevoegde raadsman kan daarna alsnog door een gekozen raadsman worden vervangen, indien deze uiterlijk twee dagen vóór de teregtzitting ter griffie verklaring aflegt, dat hij bereid is ten bepaalden dago de verdedigingvan den beklaagde op zich te nemen. De griffier geeft hiervan onverwijld kennis aan den toegevoegden raadsman. Do toegevoegde heeft de bevoegdheideenen anderen raadsman in zijne plaats te doen optreden, mils hij daarvan vooraf aan den voorzitter kennis geve.
Art. 133. Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten en procureurs binnen het Rijk do praktijk uitoefenende.
31
Art. 1134. Na beteekening1 vnn de beschikking1, houdende verwijzing naar de teregtzitting, heeft, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, de gekozen of toegevoegde raadsman toegang lot hem en kan hij hem , behoudens het vereischte toezigt, zoo dikwijls\' hij dit verlangt, alleen spreken.
Hij, zoowel als de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, kan ter griffie inzage nemen van do stukken, zor1 \' \' \' \' houden.
verlangt, ten zijnen koste afschriften doen nemen.
Bij onvermogen, ter beoordeeliug van de regtbank, kan deze gelasten, dat de afschriften , welke zij noodig acht, kosteloos worden afgegeven. In dat geval worden de kosten der afschriften als geregtskosten aangemerkt.
Art. 135. In allo gevallen waarin, na gehouden instructie, de regter blijkt onbevoegd te zijn, blijft echter de instructie van kracht.
Art. 136. Niemand kan, buiten vervolging zijnde gesteld , Ier zake van hetzelfde feit in regten worden betrokken , tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.
Als nieuwe bezwaren worden aangemerkt de verklaringen van getuigen , stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke niet zijn onderzocht geworden, doch echter van dien aard zijn , dat zij of de bewijzen versterken , welke de regtbank te zwak heeft geoordeeld of de feiten meer ontwikkelen tot betere ontdekking der waarheid.
In dat geval biedt do officier van justitie de stukken wederom aan de regtbank aan , mot zoodanige vorderingen , als hij, met inachtneming van het bepaalde bij art. 81 , raadzaam oordeelt en wordt de zaak op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld.
Art. 137. Alle uitspraken der raadkamer vermelden, op straffe van nietigheid, de namen der leden van bet regtskollegie, door wie zij zijn gewezen en worden door ieder hunner en door den griffier onderteekend.
Zoo dikwijls de regtbank in raadkamer eene beschikking neemt, is zij zamengesteld uit drie leden.
Art. 138. Alle bevelen van gevangenneming en gevangenhouding zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet van den beklaagde.
32
De bevolen tot invrijheidstelling op grond van onvol-tloende aanwijzing van schuld zijn uitvoerbaar niettegenstaande elk beroep. Van de andere kan het openbaar ministerie de uitvoering opschorten gedurende den termijn, binnen welken bet tegen de beschikking kan opkomen en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd gegeven. Hetzelfde geldt voor bet geval, dat ten gevolge van onbevoegdverklaring overeenkomstig de artt. 82 en 127 de invrijheidstelling zou moeten plaats hebben.
Art. 139. De beklaagde, krachtens bovel van gevangen neming- aangehouden, wordt, binnen vierentwintig uren na zijne opneming inde gevangenis, door den regter-commissaris gehoord.
Art. 140. Bij verzuim of bij nietigheid van eenige in dezen Titel voorgeschreven beteekening kan de beklaagde, mits bij zijne eerste verschijning, de nietigverklaring vorderen van de dagvaarding waarbij hij, zoo instructie is gelast, voor den regter-commissaris, of, zoo de zaak naar de teregtzitting is verwezen, terteregtzittingis opgeroepen.
VIERDE TITEL.
Van het regtsgeding op de teregtzitting van de arrondissements-regtban k.
§ 1. Van het aanhangig maken der zaak.
Art. 141. De zaak wordt ter teregtzitting aanhangig gemaakt:
1°. door eene dagvaarding, van wege den officier van justitie aan den beklaagde beteekend , hetzij regtstreeks, hetzij ton gevolge van verwijzing ;
2°. door eene dagvaarding, beteekend van wege andere ambtenaren , daartoe bij do wet gemagtigd.
De artt. 87 —91 zijn toepasselijk op zaken, welke regtstreeks bij dagvaarding worden aanhangig gemaakt.
Art. 142. Bij de dagvaarding worden tevens opgegeven de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, de aanduiding, zoo naauwkeurig mogelijk, van de getuigen en deskundigen.
33
die van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van het vorige artikel bedoelden ambtenaar zullen worden gedagvaard.
In geval van regtstreeksche dagvaarding zijn de bepalingen van hot tweede, derde en vierde lid van art. Ui-i van toepassing, zoodra de beteekening der dagvaarding is geschied.
Art. 143. Do dagvaarding behelst eone opgave van hot feit, dat ten lasto wordt gelegd met vermelding omstreeks welken tijd en waar ter plaatse bet begaan zuu zijn ; alles op straffe van nietigheid.
Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden , waaronder het feit zou gepleegd zijn.
Art. 14\'t. De dagvaarding wordt, met afgifte of achterlating van een afschrift, beteekend aan den persoon van den beklaagde of, zoo deze niet in verzekerde bowarng is, aan zijn persoon of zijne woonplaats; indien bij hier te land\', geene bekende woonplaats heeft, aan zijn laatsto verblijfplaats hier te lande.
In geval de beambte , met de beteekening der dagvaarding belast, noch den beklaagde noch iemand van diens imis-genooten aan zijne woon- of verblijfplaats vindt, zul hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur of aan dengeno die hem vorvangr, die het oorspronkelijk stuk voor fjezicn zal moeten tee-kenen , en het afschrift zoo mogelijk aan den beklaag lo zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.
Indien de beklaagde hier te lande geene bekende woon-of verblijfplaats heeft, geschiedt do beteekening dor dagvaarding door middel van aanplakking van het afschrift aan bet gebouw, waar de regtbank zitting houdt.
Alles op straffe van nietigheid.
bekende verblijfplaats buitenslands wordt door den beambte met de beteekening der dagvaarding belast tevens een afschrift van de dagvaarding bij aangeteekenden brief aan den beklaagde verzonden.
Art. 145. Indien regtstreeks van wege den officier van justitie is gedagvaard, kan de beklaagde verzoeken , dat do zaak door de regtbank in raadkamer worde onderzocht en daartoe tegen de dagvaarding verzet doen bij exploit ,
3
binnen vijf dagen na de dagvaarding- te beteekenen aan den officier van justitie.
Dit verzet doet de dagvaarding van regtswege vervallen.
De officier biedt daarop , na des noods den beklaagde door den regter-commissaris te hebben doen hooren, de stukken aan de regtbank aan met zoodanige vordering als hij, met inachtneming van art. 81, raadzaam achten zorgt voor de intrekking van de dagvaarding van getuigen , zoo deze iieeft plaats gehad.
De zaak wordt alsdan behandeld volgens de voorschriften betreffende het onderzoek in raadkamer, evenals ware geene dagvaarding geschied.
Art. 14G. Onverminderd de bevoegdheid van den beklaagde om zelf getuigen en deskundigen te doen dagvaarden , kan op zijn verzoek de president van de regtbank bevelen, dat deze vanwege den officier van justitie of den in nummer 2 van hel eerste lid van art. 141 bedoelden ambtenaar worden gedagvaard.
De beklaagde geeft, ten minste tweemaal vier en twintig uren vóór de teregtzitting, overeenkomstig hot bepaalde bij art. 142, van de getuigen en deskundigen, door hom gedagvaard of te dagvaarden, bij exploit kennis nan den officier van justitie, of, indien de dagvaarding is geschied van wege den in nummer 2 van het eerste lid van art. 141 bedoelden ambtenaar, aan dien ambtenaar.
Art. 147. Op straffe van nietigheid moet tusschen den dag waarop de dagvaarding aan den beklaagde is beteekend en dien der teregtzitting een termijn van ten minste tien dagen vcrloopen.
Met toestemming van den beklaagde kan deze termijn worden verkort, mits in het exploit van dagvaarding de verklaring van den beklaagde, houdende zijne toestemming, worde opgenomen en door hem geteekend. Zoo de beklaagde zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit melding gemaakt.
Art. 148. Vrijwillige verschijning van den beklaagde op eene dagvaarding, beteekend in strijd met de voorschriften van art. 144 of met die van het voorgaand artikel , dekt de nietigheid.
35
§ 2. Van hel onderzoek ter (eregtzitting.
Art. 149. De regter, die als regter-commissavis do zaak heeft onderzocht, neemt, op straffe van nietigheid , aan het onderzoek ter teregtzitting geen deel.
Do regtbank zal bij voorkeur zijn zamengesteld uit regters, die niet over de verwijzing naar de teregtzitting hebben gezeten.
Art. 150. In zaken , betreflende strafbare feiten , op welke gcene gevangenisstraf is bedreigd, kan de beklaagde zich laten vertegenwoordigen door eenen advocaat of procureur, bepaaldelijk daartoe door hem gevolmagtigd, ten ware de regtbank mogt bevelen , dat hij in persoon verschijne.
Het tweede lid van art. 190 is van toepassing.
Art. 151. De president handhaaft de orde op do teregtzitting en geeft daartoe de noodige bevelen.
Indien een der aanwezigen de stilte of orde op de teregtzitting stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of liet bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd en zoo noodig gedurende den tijd der teregtzitting worden in bewaring gehouden.
Art. 152. De president doet het onderzoek een aanvang nomen door den beklaagde, of, zoo er meer dan één beklaagde is, ieder hunner, in de orde waarin zij zijn gedagvaard, af te vragen zijnen naam, zijue voornamen, zijnen ouderdom , zijne geboorteplaats, zijne woon- of verblijfplaats en zijn beroep. Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren.
Hij doet het bevel van verwijzing, zoo dezo heeft plaats gehad , door den griffier voorlezen.
Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet , behoudens de gevallen, waarin de wet schorsing toelaat of de regtbank die, om daarbij te vermelden redenen, noodig oordeelt.
Art. 153. In de gevallen, waarin van nietigheid der dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of onbevoegdheid van de regtbank, zonder onderzoek der zaak zelve, kan blijken, is de beklaagde of zijn
3ö
rnadamnu bevoegd die verwering- reeds dadelijk na de ondervraging;, iu liet voorgaand artikel bedoel!, voor te dragen en toe te lichten.
De ofllcier van justitie kan daarop antwoorden.
De beklaagde en zijn raadsman kunnen andermaal en , zoo do officier van justitie daarna weder het woord verlangt , nogmaals liet woord voeren.
De regtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.
Wordt do verwering ontijdig of\' ongegrond bevonden , dan wordt het onderzoek der/.aak zelve onmiddellijk voortgezet.
Art. 154. De officier van justitie draagt do zaak voor.
Hij legt eeno lijst over der getuigen , die ten zijnen verzoeke of ten verzoeke van den beklaagde zijn gedagvaard.
Deze lijst wijst geene andere getuigen aan dan die, van welke, met inachtneining van riet bepaalde bij de artt. 142 en 14(5, van wege den officier aan den beklaagde of van wege dezen aan den officier opgave is gedaan , of die, weiketen verzoeke van den beklaagde door den officier zijn gedagvaard.
Art. 155. Op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde mits ge laan vóór don aanvang van het getuigenverhoor, worden ook gehoord getuigen , niet op de lijst voorkomende, doch ter teregt-zitting tegenwoordig.
In dit geval, alsmede in geval een getuige bij de opgave niet voldoende is aangeduid , kan op de vordering van den officier van justitie, indien het verhoor is verzocht door den beklaagde of op het verzoek van dezen , indien het verhoor is gevorderd door den officier van justitie, het onderzoek dooide regtbank voor eenen bepaalden tijd worden geschorst.
Art. 15G. Do president kan om bijzondere redenen aan een of meer getuigen , op daartoe gedaan verzoek , met toestemming van den officier van justitie en den beklaagde, vergunnen zich vóór het afleggen hunner verklaring tot een door hem te bepalen tijdstip te verwijderen.
Arl. 157. Indien een op de lijst vermelde getuige blijkt niet te zijn verschenen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve , hetzij op de vordering van den ofllcier van justitid of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor bepaalden of onbepaalden tijd schorsen.
37
Op gelijke wijze kun worden gehandeld , indien eon verschenen getuige bij do verdere behandeling der znnk is achtergebleven, of, na de vergunning om z\'ch 10 verwijderen , ten bepaalden tijde niet is teruggekoord.
De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing bij niet-verschijuing, of bij het achterblijven, gein rende de verdere behandeling, van den raadsman van den beklaagde.
Art. 15S. la de gevallen, bij het voorgaand artikel bedoeld, wordt do getuige, tenzij blijke van geldige verhindering , op do vordering van den officier van justitie , bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, veroordeeld tot betaling der dien ton gevolge noodeloos gemaakte geregtskosten , bij lijfsdwang op hem Ie verbalen.
i)e regtbank beveelt tevens, dat hij tegen den dag voordo nadere teregtzitting bepaald of te bepalen andermaal worde gedagvaard en des noods door een deurwaarder of dienaar der openbare magt voor baar worde gebragt.
Art. 159. De getuige kan van do kosten geheel of gedeeltelijk worden ontheven, indien hij op de nadereteregt-zitting voor zijn achterblijven gegronde redenen of ver-schoonende omstandigheden ter beoordeeling van do regtbank aanvoert.
De officier van justitie wordt in ieder geval op het verzoek gehoord.
Art. 160. De president beveelt, behoudens het bepaalde bij art. 15G, dat de getuigen zich begeven naar het voor hen bestemde vertrek , mot uitzondering van den eersten, dien bij voor zich doet verschijnen.
Niidat deze zijne verklaring beeft afgelegd, worden achtereenvolgens de overigen , in de orde bij de lijst aangewezen , ieder afzonderlijk opgeroepen , eerst zij, die ten verzoeke van den officier van justitie, daarna zij , die ten verzoeke van den beklaagde moeten worden gehoord.
Da orde kan echter door den president worden veranderd, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde.
De president neemt, zoo noodig, maatregelen om do getuigen te beletten , dat zij zich vóór het afleggen van hunne getuigenis, onder elkander over het ten laste gelegde
fdit, over den teklangde of over het door hen gegeven of nog to geven getuigenis onderhouden.
Art. 161. De president vraagt den getuige af zijnen naam , zijne voornamen , zijnen ouderdom , zijn beroep en zijne woon- of verblijfplaats; of bij den beklaagde gekend heeft vóór het feit waarvoor deze te regt staat; of hij bloed- of aanverwant is van den beklaagde en in welken graad, en of er dienstbetrekking tusscben hem en den beklaagde bestaat of bestaan heeft.
De getuige doet hierna, op straffe van nietigheid , naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
Daarop wordt bij door den president ondervraagd. Hij legt zijne verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen.
De regtbank kan echter om bijzondere redenen den getuige toestaan , bij zijne verklaring van die geschriften of schriftelijke aanteekeningen gebruik te maken, welke zij veroorloven zal.
Art. 162. Als getuigen zullen niet mogen worden gehoord en kunnen zich verschoonen;
1°. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de regte lijn;
2°. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de zijlinie tot den derden graad ingesloten;
3°. des beklaagden of medebeklaagden echtgenoot, of vroegere echtgenoot na echtscheiding.
Het hooren der voorschreven personen brengt geene nietigheid te weeg , indien zij getuigenis hebben afgelegd met gezamenlijke toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde.
Zij kunnen zelfs zonder die toestemming door de regtbank worden toegelaten om zonder eedsaflegging inlichtingen te geven.
Art. 163. Van het geven van getuigenis, en zelfs van iiet afleggen van onbeëedigde verklaring, kunnen zich ook verschoonen zij, die uit hoofde van hunnen stand ,
39
hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verpligt zijn , doch alleen omtrent hetgeen, waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.
Art. 104. Zullen niet anders dan tot hot geven van inlichtingen en bulten eede kunnen worden gehoord:
1°. zij, die den vollen ouderdom van zestien jaren niet hebben bereikt;
2°. zij, die wegens ziekelijke storing der verstandelijke vermogens onder curatele of op regterlijke magtiging in bewaring zijn gesteld, al hebben zij bij tusschenpoozen bet gebruik dier vermogens.
Arl. 165. De regtbank kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op bet verzoek van den beklaagde , dat niet anders dan buiten eede worden gehoord zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, eene vervolging na verleenden regts-ingang aanhangig is.
Art. 1GG. Indien een getuige, op de eerste of de nadere dagvaarding verschenen, of voor de regtbank gebragt, zonder wettigen grond weigert den eed of de belofte te doen of zijne verklaring af te leggen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen.
In dat geval is het eerste lid van art. 158 van toepassing. Do regtbank beveelt tevens , dat do getuige in gijzeling worde gesteld, of daarin gehouden, zoo hij ter zake van gelijke weigering bij het voorloopig onderzoek of in de instructie zich reeds in gijzeling bevindt, en dat hij op den bepaalden dag weder voor haar worde gebragt.
Het bevel wordt gewezen op de vordering van den officier van justitie, nadat de getuige in zijne verdediging, door hem of zijnen raadsman voorgedragen, is gehoord.
Art. 167. Indien een getuige, bij het voorloopig onderzoek of de instructie gehoord, overleden is , of niet is kunnen worden gedagvaard, of op do dagvaarding niet is ver-
40
schenen, of verschenen zijnde weigert getuigenis te geven, en de zaak niet wordt geschorst, of\' wanneer, in geval van schorsing, de getuige bij zijne weigering volhardt, kan de regthank bevelen, dat do vroeger afgelegde verklaringen door den griffier worden voorgelezen.
De voorlezing beeft, op straffe van nietigheid, plaats, wanneer zij door den officier van justitie gevorderd, of door den beklaagde verzocht wordt.
Do regtbank zal op deze voorgelezen verklaringen zoodanig acht kunnen slaan als zij, met inachtneming van de voorschriften van art. 409, zal meenen te behooren.
Art. 108. Men zal den getuige niet in de rede mogen vallen.
Do getuigen mogen op de teregtzitting met elkander niet in woordenwisseling treden.
Art. KiO. Nadat de getuige zijne verklaring heeft af gelegd, kunnen hem door de regters en den officier van justitie vragen worden gedaan. De president geeft hun , op hun verlangen, daartoe het woord.
Do president geeft voorts aan den beklaagde en aan zijnen raadsman de gelegenheid don getuige vragen te doen en tegen den getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dieren.
De ondervraging der getuigen door den beklaagJe of zijn raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de regtbank toesla , dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. De toestemming kan steeds worden ingetrokken.
De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier van justitie of van den beklaagde, beletten, dat aan eenige vraag, door den beklaagde of diens raadsman of door den officier van justitie gedaan , worde gevolg gegeven.
Art. 170. Gedurende den verderen loop van het onderzoek kunnen den getuige , die reeds zijne verklaring heeft afgelegd, met inachtneming der bepalingen vau het voorgaand artikel, nog vragen worden gedaan.
Art. 171. Na het afleggen zijner verklaring blijft de getuige in de gehoorzaal, tenzij de regtbank met toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde, en, zoo noodig, met bevel om cp eenen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwezig te zijn, hem vergunt zich te verwijderen.
41
Art. 172. Do president kan , hetzij ambtshalve , hetzij op de vordering van den ofTicier van justitie of cp het verzoek van den beklaagde, getuigen met elkander confronteren.
Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten en dat een of meer hunner op nieuw worden binnengelaten , ten einde , hetzij afzonderlijk, hetzij in elkanders bijzijn , nogmaals te worden gehoord.
Art. 17.\'i Op gelijke wijze als bij het voorgaand arlikel bedoeld, kan de president hevelen, dat een of meer beklaagden do gehoorzaal verlaten , ten einde een getuige buiten hunne tegenwoordigheid worde ondervraagd.
In dat geval wordt, op straffe van nietigheil, daarna met het onderzoek der zaak niet voortgegaan , dan nadat vooraf de beklaagde is onderrigt van hetgeen in zijne afwezigheid is voorgevallen.
Art. 174. Indien een getuige verdacht wordt zich op de teregtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan de regtbank , hetzij ambtshalve , hetzij op do vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, dienaangaande onderzoek bevelen, met schorsing, zoo noodig, dor zaak tot naden afloop van dat onderzoek.
In dat geval wordt door den griffier dadelijk procesverbaal opgemaakt en met den president en de regters onderteekend. liet proces-verbaal levat de afgelegde verklaring van den getuige.
De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en door hem or.derteekend. Bij gebreke van ondertcekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of ,de reden van verhindering.
De regtbank kan daarop regtsingang verleenen volgens de bepalingen van den derden Titel.
Het proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld van den officier van justitie.
Art. 175. Wanneer in het geval , bij het voorgaand artikel bedoeld, de regtbank geen regtsingang verleent, kan zij echter, op de gronden vermeld in art. 86 , de voor-loopige aanhouding van den getuige bevelen.
De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81.
Art. 54 is toepasselijk.
42
De zaak wordt verder volgens de voorschriften van den derden Titel behandeld.
Art. 17G. Allo bepalingen in deze paragraaph ten aanzien van getuigen voorkomende zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen . behoudens dat de deskundigen den eed of de belofte afleggen , voorgeschreven bij art. 52.
Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het afleggen van den eed of de belofte de voor beiden bestemde eeden worden voorgehouden.
Art. 177, Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden op last van den president, wanneer deze of een der regters of wel de officier van justitie dit verlangt, door den griffier voorgelezen.
Gelijke voorlezing heeft plaats op het verzoek van den beklaagde, tenzij de regtbank ambtshalve, of op het verzet van den officier van justitie anders beveelt.
Ten bezware van den beklaagde wordt, op straffe van nietigheid, op geene stukken acht geslagen, dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen.
Art. 178. Kadat alle getuigen en deskundigen zijn gehoord, wordt de beklaagde door den president ondervraagd, behoudens diens bevoegdheid om reeds vroeger en zelfs vóór den aanvang van het getuigenverhoor aan den beklaagde vragen te doen.
Is er meer dan één beklaagde, dan geschiedt de ondervraging in do orde, waarin clie, bedoeld bij art. 152heeft plaats gehad.
Het derde lid van art. 160 is hier van toepassing.
Art. 179. Indien de beklaagde weigerachtig of in gebreke blijft gedane vragen te beantwoorden , wordt niettemin met de zaak voortgegaan.
Zoo de beklaagde de stilte cf de orde op de teregtzitting stoort, en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of het bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan de regtbank zijne verwijdering uit de gehoorzaal bevelen , en zoo noodig , dat hij gedurende den tijd der teregtzitting in bewaring worde gehouden. De behandeling der zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt, evenals ware de beklaagde tegenwoordig gebleven.
In de beide gevallen, bij dit artikel bedoeld , blijft de raadsman van den beklaagde met do verdediging belast.
43
Art. 180. Do president kan , hetzij ambtshalve , hetzij op de vordering- van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, bevelen, dat een of meerder beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde een ander hunner buiten tegenwoordigheid van dien beklaagde worde ondervraagd.
Het tweede lid van art. 173 is dan van toepassing.
Art. 181. Ook do regters en de officier van justitie kunnen aan den beklaagde vragen doen. De president geeft hun daartoe op hun verlangen het woord.
De beklaagde of zijn raadsman kan ook aan zijnen mede beklaagde vragen doen.
Hot dorde en vierde lid van art. 169 zijn hier van toepassing.
Art. 182. Na de ondervraging van den beklaagde kunnen aan getuigen of deskundigen op nieuw vragen worden gedaan of stukkon worden voorgelezen.
Art. 183. Indien een beklaagde of getuige de Nederland-sche taal niet verstaat, kan het onderzoek, op straffe van nietigheid, goon plaats hebben zonder bijstand van een tolk.
De tolk wordt van wege den ofücior van justitie ter teregtzitting gedagvaard , tenzij de tolk tor teregtzitting aanwezig mogt zijn.
Do rogtbank kan ook , hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de dagvaarding van oenen tolk bevelen, indien op de teregtzitting de bijstand blijkt noodig te zijn. Hot voorgaand lid is dan van toepassing.
De beklaagde kan don tolk wraken, mits daarvoor redenen gevende. De rogtbank doet daarover terstond uitspraak.
Art. 184. De tolk moet den ouderdom hebben bereikt van achttien jaren.
Hij logt, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid , den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.
Geen der getuigen of der regters , die van de zaak kennis nomen, wordt als tolk toegelaten.
Hetgeen in strijd mot do bepalingen van dit artikel is vertolkt, wordt geacht niet vertolkt te zijn.
4i
Art. 185. De bijstand van eenen tolk wordt mede, op strafte van nietigheid, gevorderd, wanneer een beklaagde of getuige het gehoor- en spraakvermogen of één dezer vermogens mist en niet schrijven kan.
In dit geval wordt als tolk gedagvaard iemand, die geschikt is met hem om to gaan.
Üe twee voorgaande artikelen zijn hier van toepassing, behoudens dat in dit geval do tolk slechts den ouderdom van zestien jaren behoeft te hebben bereikt.
Indien de hiergenoemde beklaagden en getuigen schrijven kunnen , zal de griffier bun de vragen en opmerkingen , aan hen te doen, bij geschrifte ter hand stellen, en zullen zij bij geschrifte daarop antwoorden , al hetwelk vervolgens door den griffier zal worden voorgelezen. Op gelijke wijze zal door de bier genoemde getuigen de eed of de belofte worden afgelegd.
Art. 18(5. In do gevallen, bij de artt. 183 en 185 bedoeld , wordt hetgeen ter teregtzitting is gesproken of\' voorgelezen zonder voor den beklaagde vertolkt te zijn , voor zoover dit ten zijnen nadeele strekt, geacht niet te zijn gesproken of voorgelezen.
Art. 187. Bij niet-verscbijniiig van den gedagvaarden tolk, of bij diens weigering om den eed of de belofte af te loggen of zijne diensten te leenen , alsme !e bij het aannemen eener voorgestelde wraking en in het geval, hij het derde lid van art. 183 voorzien, zijn de artt. 157,158, 159 en 106 van toepassing.
Art. 188. In den loop van of na het getuigenverhoor zal de president den beklaagde en zoo noodig den getuigen, de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen, vertoonen en hen daaromtrent hooren.
Art. 189. Nadat, behoudens het bepaalde bij art. 182, de ondervraging van den beklaagde heeft plaats gehad, kan dt* officier van justitie bet woord voeren, en legt hij, na voorlezing, zijne vordering aan de regthank over.
De beklaagde en zijn raadsman kunnen hierop antwoorden.
De officier van justitie kan daarna andermaal bet woord voeren.
Aan den beklaagde en zijnen raadsman wordt echter, op straffe van nietigheid , bet regt gelaten om bet laatst te spreken.
Ook daarna is art. 182 van toepassing- en kan ook de Le-klaagde nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de ot\'iicier van justitie en de beklaagde en zijn raadsman nogmaals, op den hiervoren vermelden voet, het woord voeren.
Arl. 190. Indien aan de regtbank, naar aanleiding van den loop van het onderzoek, de noodzakelijkheid blijkt van hot verhoor van ter teregtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, of van do inzage, het onderzoek of de bezigtiging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet ter teregtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, hetzij ambtshalve , hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de oproeping dier getuigen of deskundigen , zoo noodig met last aan den deurwaarder of dienaar der openbare raagt om hen dadelijk ter teregtzitting mede te brengen, of de overlegging van die bescheiden of van die stukken van overtuiging.
Do regtbank kan daartoe hot onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor oenen bepaalden tijd te verlengen.
Art. 177, derde lid, is op deze bescheiden van toepassing.
Art. 191. Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden , die, niet in do dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond geven, maakt de officier van justitie den beklaagde daarop opmerkzaam.
Bij gebreke daarvan wordt door de regtbank , op straffe van nietigheid, op die omstandigheden geen acht geslagen.
Art. 192. In het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de regtbank tot nader onderzoek dier omstandigheden , hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den oflieier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage do schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.
Op de bepaalde teregtzittingen kunnen nog niet gehoorde getuigen of deskundigen ot\' nog niet overgelegde bescheiden of stukken van overtuiging worden bijgebragt.
Van de dagvaarding van nog niet gehoorde getuigen of deskundigen geschiedt beteekening, overeenkomstig art. 142 of het laatste lid van art. 14G.
Op de nieuwe bescheiden is art. 177, derde lid, van toepassing.
40
Art. 193. Indien gedurende den loop van liet onderzoek de noodzakelijkheid blijkt van instructie of van aanvulling\' van eene gevoerde instructie, beveelt de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek en stelt zij daartoe, met schorsing der zaak tot na den afloop, do stukken in banden van den regter-commissaris.
De instructie geschiedt volgens de voorschriften van den derden Titel.
Ka afloop wordt gehandeld overeenkomstig art. 117 en wordt de beklaagde bij exploit, hem van wage den officier van justitie beteekend , tot voortzetting van het geding ter teregtzitting, voor do nadere behandeling bepaald, opgeroepen.
IJe artt. 142, 14G, 147 en 148 zijn dan van toepassing.
Art. 194. In alle gevallen, waarin schorsing van het geding plaats heeft, wordt de zaak op de nadere teregtzitting hervat in den stand, waarin zij zich op het tijdstip der schorsing bevond. De regtbank is bevoegd om, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, te bevelen , dat het onderzoek ter teregtzitting op nieuw worde aan-gavaugen.
Art. 195. In alle gevallen, waarin de zaak voor eenen bepaalden tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt dooiden president aan den beklaagde en aan de verschenen getuigen , deskundigen en tolken de dag aangezegd, waarop zij, zonder daartoe op nieuw gedagvaard te worden , ter teregtzitting moeten verschijnen.
Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op den aangezegden dag, wordt gehandeld evenals waren zij niet verschenen op de dagvaarding.
Art. 196. Indien op da teregtzitting eenig strafbaar feit wordt gepleegd, wordt de verdachte met de getuigen onmiddellijk ondervraagd en daarvan door den griffier proces-verbaal opgemaakt en met den president en de regters ondorteekend.
Het proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld van den officier van justitie.
In de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86 ,
47
kan de regtbank, op do vordering van den officier van justitie of ambtshalve, tevens do voorloopige aanhouding-van den verdachte bevelen. Het tweede, derde en laatste lid van art. 175 zijn dan van toepassing.
yW. 197. Indien uit het onderzoek ter teregtzitting voldoende aanwijzing ontstaat, dat de beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan een ander strafbaar feit dan waarvoor hij te regt staat, wordt, wanneer de officier van justitie het vordert, op de wijze bij het eerste lid van het voorgaand artikel bepaald, proces-verbaal opgemaakt, houdende do verklaringen van de getuigen en van den verdachte ten aanzien van dat feit.
Het tweede en derde lid van het voorgaand artikel zijn dan van toepassing.
Art. 198. De griffier houdt proces-verbaal der teregtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak ter teregtzitting voorvalt.
Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen en van de opgaven van den beklaagde.
De president kan gelasten, dat daarin van eenige omstandigheid , verklaring of opgave aanteekoning wordt gedaan.
Gelijke aanteekoning geschiedt, wanneer een derregters het verlangt, alsmede op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde.
Het proces-verbaal wordt door den president en don griflier vastgestel i en onderteekend binnen den termijn , bij het eerste lid van art. 22ö vermeld.
Art. 199. In alle gevallen , waarin bij deze paragraaph aan den beklaagde do bevoegdheid wordt toegekend tot het doen van eenig verzoek of verzet, komt die bevoegdheid mede toe aan den raadsman van den beklaagde.
Art. 200. Weigering of verzuim om te beslissen over eene vordering of een verzet van den officier van justitie of een verzoek of verzet van don beklaagde, naar aanleiding van eenige bepaling van dezen Titel gedaan, heeft nietigheid ten gevolge.
48
Art. 201. Indien do zaak overeenkomstig nummer 2 van het eerste li 1 van art. 141 door andere ambtenaren wordt vervolgd, zal zij ter teregtzitting op de gewone wijze worden behandeld, behoudens dat te dier zake de be-moeijingen aan den officier van jus\'itie opgedragen door die ambtenaren of van hunnentwege worden verrigt.
De regtbank zal daarna de stukken stellen in handen van den officier van justitie, die, hetzij in dezelfde, hetzij in eene volgende teregtzitting zijne conclusie zal nemen.
De beklaagde zal liet regt hebben om dadelijk tegen die conclusie schriftelijke bedenkingen aan de regtbank aan te bieden.
§ 3. Van de heleedigde farlij.
Art. 202. Indien de beleedig\'le partij hare vordering om schadevergoeding tot 150 gulden of niiuder beperkt en niet bij den burgerlijken regter heeft aanhangig gemaakt, kun zij zich in het geding over de strafzaak voegen. Dit geschiedt door esnie verklaring op de openbare teregtzitting onin d-dellijk na de ondervraging van den beklaagde , bij art. 15^ bedoeld, of, zoo deze niet is verschenen , na het verleenen
van het verstek.
Zii die, om in eene burgerlijke zaak in regten te ver-schij\'i.en , bijstand behoeven , of vertegenwoordigd moeten worden , hebben , om zich in het strafgeding te voegen , dien bijstand of die vertegenwoordiging van noode.
Art. 203. De beleedigde partij kan zich op hare kosten doen vertegenwoordigen door eenen gemngtigde en zich doen bijstaan door eenen raadsman. Als gemagtigde en als raadsman wordon alloen toegelaten zij, die sils raadsman van eenen beklaagde kunnen optreden.
Heeft de beleedigde partij hare woonplaats buiten c.c gemeente waar de regtbank is gevestigd , dan is zij ver-pligt in di£ gemeente woonplaats te kiezen.
Art. 204. De beleedigde partij mag harerzijds tot bewijs dat door haar, ten gevolge van bettju laste gelegde feit, schade is geleden , üf tot staving van Let opgegeven bedrag der schade, stukken overleggen, doch geene getuigen ot deskundigen aanbrengen.
49
Art. 205. De beleedigde partij of de raadsman, die haar bijstaat, kan aan de getuigen vragen doen , docli alleen voor zoover die vragen betreffen liet bewijs van do geleden schade of van het bedrag dier schade.
De ondervraging der getuigen door de beleedigde partij of haren raadsman geschiedt door tuaschenkomst van den president, tenzij do regtbank toestaat, dat zij zonder die tusschenkoinst geschiede. De toestemming kan steeds worden ingetrokken.
De regtbank kan ambtshalve of op liet verzet van den officier van justitie of van den beklaagde of diens raadsman , beletten , dat aan eenige vraag, door of namens de beleedigde partij gedaan, gevolg worde gegeven.
Art. 206. De beleedigde partij kan haren eisch toelichten of door haren raadsman do\';n toelichten , nadat de officier van justitie zijne vordering, overeenkomstig het eerste lid van art. 189, heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord nadat de officier van justitie in do gelegenheid is gesteld ten tweeden male het woord te voeren.
Art. 2Q7. De beleedigde partij kan , op straffe van niet-ontvankelijkheid, geene vordering doen, die reeds is aanhangig gemaakt bij den burgerlijken regtor , of die eene hoogere of andere is dan die , waarover door de regtbank gelijktijdig met do strafzaak kan worden uitspraak gedaan.
Art. 208. De regtbank doet over de vordering der beleedigde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak.
§ 4. Van de beraadslaging en uitspraak.
Art. 209. Nadat overeenkomstig art. 189 de beklaagde l.et regt op het laatste woord heeft kunnen uitoefenen , sluit do president liet onderzoek en deelt mede wanneer, volgons beslissing der regtbank , de uitspraak zal plaats vinden.
Ten bepaalden tij lo kan de uitspraak tot een naderen dag worden uitgesteld.
In geen geval mag de uitspraak bepaald worden later dan op den veertienden dag na het sluiten van het onderzoek.
Hoeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt do zaak op de bestaande dagvaarding op nieuw onderzocht.
4
50
Art. 210. De president en renters kunnen, zoowel vóór de teregtzitting- als na het sluiten van het onderzoek, inzage der processtukken nemen.
Art 211. Do regtbank beraadslaagt naar aanleiding van de dagvaarding en van het onderzoek op de teregt-zitting over het bewezene of niet bewezene der feiten, over dezelver qualificatie, over het bewezene der schuld van den beklaagde en over de toepassing van de straf bij de wet bepaald.
Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan beraadslaagt de regtbank tevens over de ontvankelijkheid en gegrondheid der vordering, door deze ingesteld.
Art. 212. Blijkt onder do beraadslaging, dat het onderzoek niet volledig ia geweest, dan kan de regtbank, bij een met redenen omkleed bevel gelasten , dat op eene door haar te bepalen teregtzitting het onderzoek worde hervat.
Bij liet bevel worden tevens aangewezen -de getuigen of deskundigen, wier verhoor, of do bescheiden of stukken van overtuiging, welker inzage of bezigtiging de i\'egt-bank noodig acht.
De aangewezen getuigen of deskundigen, alsmede de beklaagde , tenzij deze bij de uitspraak tegenwoordig zij , worden door den officier van justitie tegen den bepaalden dag bij exploit ter teregtzitting opgeroepen.
Het onderzoek ter teregtzitting geschiedt voorts naar de regelen , in dezen Titel vervat.
Art. 213. In het geval, bij hot voorgaand artikel voorzien, kan ook de regtbank, indien nieuwe bezwaren zijn bekend geworden , met aanduiding van het onderwerp, eene nadere instructie bevelen en de stukken daartoe stellen in handen van den regter-commissaris.
Het tweede, derde en vierde lid van art. 193 zijn dan van toepassing.
Art. 214. Bij schuldigverklaring wordt de straf opgelegd op het feit gesteld.
. De veroordeelde wordt tevens verwezen in de kosten.
Zijn meerdere feiten ten laste gelegd, en wordt de beklaagde slechts ter zake van sommige dier feiten veroor-
51
deeld, dan kan de verwijzing- in de kosten ook voor een deel der kosten plaats hebben.
Bij veroordeeling van mede-beklaagden wegens hetzelfde misdrijf, hoeft hoofdelijke verwijzing in de kosten plaats.
Worden mede-beklaagden iiiet wegens hetzelfde misdrijf veroordeeld, dan wordt voor ieder dor veroordeelden het aandeel in do kosten bij het vonnis bepaald.
Indien mede-beklaagden niet allen worden veroordeeld, kan , ten aanzien van den veroordeelde, verwijzing in de kosten ook voor een deel plaats hebben.
Kosten , door of ten behoeve van den beklaagde gemaakt, zijn alleen in zooverre onder de geregtskosten begrepen , als zij zijn veroorzaakt door de afgifte van kostelooze afsehriften van stukken aan den beklaagde en do oproeping van getuigen of deskundigen, die ingevolge verzoek van den beklaagde op bevel van den president zijn gedagvaard.
Aft. 215. De veroordeeling in de kosten wordt uitvoerbaar verklaard, ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur door de regtbank wordt bepaald.
Ue veroordeelde kan voor de kosten waarin hij bij de uitspraak wordt verwezen , in geen goval langer dan zes maanden in gijzeling worden gehouden.
De lijfsdwang kan niet meer worden toegepast, wanneer vijf jaren na do geheele uitvoering der straf zijn ver-loopen , of, wanneer het regt tot uitvoering der straf door verjaring is vervallen.
Art. 216. Indien de regtbank niet uit wettige bewijsmiddelen de, overtuiging heeft geput, dat het ten laste gelegde feit is geploegd of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij.
Indien het feit of de dader niet strafbaar is, ontslaat zij den beklaagde van allo regtsvervolging te dier zake.
Indien uit anderen hoofde ter zake van het feit geen regt tot strafvordering aanwezig is, verklaart zij den officier van justitie niet ontvankelijk.
vlrt. 217. In do gevallen , voorzien bij het voorgaand artikel, beveelt do regtbank dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken met uitzondering van die kosten , welke de regt-
52
bank verklaart noodeloos to zijn gemaakt, den beklaagde door den Staat worden vergoed.
Het bedrag der vergoeding wordt bij liet vonnis vastgesteld.
Door den president wordt daarvoor, zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan , een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.
Art. 218. Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.
De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.
Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing, wanneer het feit een misdrijf of eene overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan den kanton-regter behoort en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd. In dat geval kan aan de beleedigde partij, die zich in het geding heeft gevoegd , do vordering slechts tot zoodanig beloop worden toegewezen als waarover de kanton-regter gelijktijdig met de strafzaak had kunnen uitspraak doen.
De beklaagde kan in het geval, bij het vorig lid van dit artikel bedoeld , van het vonnis niet komen in hooger beroep.
Art. 219. In alle gevallen beveelt de regtbank de teruggave der voorwerpen , die als stukken van overtuiging hebben gediend, na verloop van acht dagen nadat liet vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan den met name in liet vonnis te vermelden persoon , die de voorwerpen tijdelijk als stukken van overtuiging heeft afgestaan of bij wien zij zijn in beslag genomen , tenzij de regtbank beslisse , dat deze de voorwerpen door misdrijf heeft verkregen , in welk geval zij de teruggave kan gelasten aan den met name in het vonnis te vermelden persoon aan wien de voorwerpen wederregtelijk zijn onttrokken , of tenzij daarop door den eigenaar of regthebbende binnen den voormelden termijn onder den griffier beslag zij gelegd, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke llegtsvordering.
De vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen
53
of andere voorwerpen , vervaardigd, geschikt gemaakt of gediend hebbende tot het plegen van een strafbaar feit, kan in het vonnis worden gelast.
ylrt. 220. Bij het vonnis wordt de invrijhei Istelling bevolen van don beklaagde, die in verzekerde bewaring i?, wanneer hij niet wordt veroordeeld of veroordeeld wordt wegens een strafbaar feit, niet vermeld in art. 8G.
Art. 221. Het vonnis moet, niet redenen omkleed zijn en het strafbaar feit uitdrukken met alle omstandigheden , die volgens de wet tot verzwaring of verligting van straf aanleiding geven.
Het moet wijders inhouden de beslissing der regtbank over de punten bij art. 211 vermeld, mitsgaders, in geval van veroordeoling, de artikelen der wet welke worden toegepast en de straf waartoe de beklaagde wordt veroordeeld.
Het bevat eindelijk de namen der regters door wie het is gewezen, den naam van den griffier, die in de raadkamer aanwezig is geweest, en den dag van de uitspraak.
Art. 222. Het vonnis wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of een der regters, die over de zaak hebben geoordeeld.
Art. 223. Niet nakoming van eene of meer der bepalingen van de twee voorgaande artikel m heeft nietigheid ten gevolge.
Art. 224. De beklaagde, die in verzekerde bewaring is, moet bij de uitspraak tegenwoordig zijn.
Is hij daartoe niet in staat of heeft, naar aanleiding van art. 179 , de uitspraak buiten zijne tegenwoordigheid plaats geiiad, dan wordt het vonnis hem door den griffier in de gevangenis voorgelezen, met de kennisgeving in het volgend artikel voor den president voorgeschreven. Van dif een en ander wordt door den griffier op het vonnis melding maakt.
Art. 225. Isa het uitspreken van hot vonnis geeft de president den veroordeelde, indien hij tegenwoordig is, kennis van het regtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat en van den termijn, binnen welken dat regtsmiddel kan worden aangewend.
5i
Art. 226. Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig\' uren na de uitspraak door de regters, die over de zaak hebben geoordeeld, en den griffier onderteekend.
Zijn één of meer hunner daartoe buiten staat, dan wordt hiervan aan liet slot van het vonnis melding gemaakt.
Zoodra het vonnis is geteekend, kunnen de raadsman van den beklaagde en de beklaago zelf, zoo hij niet in verzekerde bewaring is, daarvan en van het proces-verbaal der teregtzitling inzage nemen.
Art. 227. In eiken stand van het geding, zoowel gedurende den loop van de instructie als van het onderzoek ter teregtzitting en bij de einduitspraak, kan de regtbank, zoowel ambtshalve als op de voord ragt van den regter-commissaris , zoolang deze met de instructie is belast, op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de invrijheidstelling van dezen, indien hij in verzekerde bewaring is en, eveneens ambtshalve of op de vordering van den officier van justitie, in de gevallen en op de\' gronden in art. 8(5 vernield, de gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde bevelen.
Op de bevelen van gevangenneming of gevangenhouding is het tweede lid van art. 93 toepasselijk. Zij zijn uitvoer-baar niettegenstaande elk beroep.
üp de bevelen tot invrijheidstelling is het laatste lid van art. 138 van toepassing.
VIJFDE TITEL.
Van het hooger beroep tan vonnissen van de arrondissemenls-regtbanken.
Art. 228. Tegen de daarvoor vatbare vonnissen, dooide arrondissements regtbanken na het onderzoek ter teregt-zitting of in den loop van dat onderzoek gewezen, kan hooger beroep worden ingesteld door den officier van justitie en door den beklaagde.
Van vonnissen bij verstek kan alleen de officier van justitie in hooger beroep komen. Dit beroep vervalt van regtswege, indien binnen acht dagen na de aanzegging, bedoeld bij art. 234, de veroordeelde bij verstek tegen het vonnis verzet doet.
55
Indien legr.n hetzelfde vonnis door den offlcier van justitie liooger beroep en door den beklaagde beroep in cassatie, of door don officier van justitie beroep in cassatie en dooiden beklaagde hooger beroep is ingesteld, wordt aan het liooger beroep geen gevolg gegeven, zoolang geen uitspraak is gedaan op het beroep in cassatie
In dat geval vervalt het hoogar beroep van regtswege, wanneer de voorziening in cassatie door den Hoogen Raad ontvankelijk wordt geoordeeld.
Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat van het eindvonnis toegelaten.
Art. 229. Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonris.
In het geval echter, bedoeld bij het tweede lid van art. 224, loopt do termijn van den dag, waarop liet vonnis den beklaagde is voorgelezen.
Art. 230. Het hooger beroep wordt ingesteld door eene verklaring af te leggen door dengene, die vim het middel gebruik maakt, ter griffie van de regtbank, die het vonnis heeft gewezen.
De verklaring van den beklaagde kan ook namens hem geschieden door zijnen raadsman, of door eenen bijzonder daartoe schriftelijk gemagtigde.
Verlangt do beklaagde, die in verzekerde bewaring is, de verklaring zelf af te leggen, dan begeeft de griffier zich tot hem, om haar aan te nemen.
Art. 231. Van de verklaring, in het voorgaand artikel vermeld, wordt door den griffier kosteloos eene akte opgemaakt, die door hem met dengene, die de verklaring afiegt, wordt geteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt do oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.
De schriftelijke volmagt, in hot tweede lid van het voorgaand artikel bedoeld, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de verklaring gehecht.
Van het hooger beroep wordt aanteekening gedaan in een daartoe bestemd ter griffie berustend register.
Art. 232. Binnen veertien dagen na de verklaring van in hooger beroep te komen , zal de beroepende partij aan het geregtshof eene memorie kunnen indienen, behelzende
50
de middelen en gronden , waarop zij haar booger beroep steunt. Deze memorie moet door dezelfde partij of haren raadsman onderteekend zijn ; zij zal bij de stukken worden gevoegd en zal daarvan door de tegenpartij of haren raadsman inzage kunnen worden genomon.
Art. \'233. ])o griffier van de regtbank , welke liet vonnis gewezen heeft, zal, binnen drie dagen na do aanteekeniug van het hooger beroep , de stukken van het geding moeten overzenden ter griffie van liet geregtshof.
Art. 234. Indien het hooger beroep is ingesteld door den officier van justitie, wordt van wege dezen aan den beklaagde daarvan bij explcit aanzegging gedaan.
De aanzegging geschiedt, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, binnen drie dagen , in andere gevallen Linnen acht dagen na het afleggen der verklaring.
Bij gebreke hiervan wordt, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter teregtzitting van het geregtshof daartoe verzoek doet, de zaak voor eenen bepaalden tijd uitgesteld, zonder dat de door het uitstel veroorzaakte kosten ten lasto van den beklaagde kunnen worden gebragt.
Art. 235. Lie beklaagde, die buiten de plaats waar het geregtshof gevestigd is in verzekerde bewaring is, wordt, nadat hij zijne verklaring heeft afgelegd of dc in het voorgaand artikel bedoelde aanzegging hem is gedaan, on do termijn voor het instellen van hooger beroep voor hem is verstreken , ten spoedigste overgebragt naar de gevangenis, bestemd tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar het geregtshof is gevestigd.
Zoodra die overbrenging is geschied, heeft zijn raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het ver-eischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt alleen spreken.
Art. 23fi. Don beklaagde, die ter zake van hot feit, waarvoor hij teregt staat, in verzekerde bewaring is, wordt door den president van het geregtshof een raadsman toegevoegd.
De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs, in het arrondissement, alwaar het geregtshof zitting houdt, gevestigd. Zij wordt dadelijk door of namens den president aan den beklaagde kenbaar gemaakt.
Het laatste lid van art. 132 is toepasselijk.
Op de verdediging in hooger beroep zijn voorts de artt. 133 en 134, tweede, derde en vierde lid toepasselijk.
57
Art. 237. De zaak wordt in hooger beroep nallhallgig• gemaakt door eene dagvaarding, van wege den procureur-generaal aan don beklaagde beteekend.
De artt. 147 en 148 zijn hier van toepassing.
Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan doet de procureur generaal haar bij exploit den dag aanzeggen , waarop de zaak ter teregtzitting zal worden behandeld.
Zoolang niet gedagvaard is, kan hij, die in hooger beroep is gekomen, van het beroep afstand doen. De afstand geschiedt en wordt gestaafd op de wijze, voorgeschreven bij de artt. 230 en 231. De grifflor geeft hiervan onverwijld kennis aan den procureur-generaal.
Van den afstand, door den officier van justitie gedaan, geschiedt van wego dezen bij exploit aanzegging aan den beklaagde.
Art. 238. De procureur-generaal en de beklaagde kunnen zoowel in eersten aanleg gehoorde als nieuwe getuigen of deskundigen doen hooren.
Zij kunnen ook nieuwe bescheiden overleggen.
Ten aanzien van de dagvaarding van getuigen of deskundigen in hooger beroep gelden de voorschriften van do artt. 142, eerste lid, en 146.
Art. 239. Behoudens de bepalingen in de volgende artikelen van dezen Titel vervat, zijn de artt. 150 tot en mot 2Ü7 op het regtsgeding bij het geregtshof van toepassing.
Al hetgeen in die artikelen voorkomt ten aanzien van do regtbank, den president en de leden van en de ambtenaren bij de regtbank , geldt ook ten aanzien van het geregtshof, den president en de leden van en de ambtenaren bij het geregtshof.
Art. 240. Na de ondervraging, bij art. 152 bedoeld, wordt verslag uitgebragt door een raadsheer-rapporteur, door den president te benoemen binnen acht dagen, nadat de stukken ter griffie zijn gebragt.
De beklaagde kan daarna mondeling zijne bezwaren tegen tegen het vonnis opgeven of door zijnen raadsman doen opgeven.
Art. 241. In het geval, voorzien bij de artt. 174 en 175, wordt hot proces-verbaal, met de stukken van het
58
geding , door don procureur-generaal toagezonden aan den officier van justitie bij de regtbank , die in eersten aanleg heeft gevonnisd en is die regtbank bevoegd om van het misdrijf kennis te nemen.
De verdachte wordt, indien zijne voorloopige aanhouding door hol geregtshof is bevolen , naar do gevangenis dier regtbank , tot bewaring van beklaagden bestemd , overgebragt.
Arl. 242. Art. 190 is van toepassing ten aanzien van de in eersten aanleg gehoorde en niet in hooger beroep gedagvaarde getuigen en deskundigen.
Art. 243. In de gevallen , voorzien bij de artt. 193 en 213, wordt de instructie gevoerd door den regter com-missaris bij de regtbank, die in eersten aanleg heeft gevon-nisd. Naafloop van liet bevolen onderzoek deelt de regter commissaris de stukken mede aan den procureur-generaal.
Art. 244. In de gevallen, bedoeld bij de artt. 196 en 197, wordt bet proces verbaal door den procureur-generaal toegezonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie , met de vervolging belast.
Is de voorloopige aanhouding van den verdachte door het geregtshof bevolen , dan wordt deze overgebragt naar de tot bewaring van beklaagden bestemde gevangenis bij de regtbank , tot kennisneming van het misdrijf bevoegd.
Art. 245. De beleedigde partij, die zich niet overeenkomstig art. 202 in het geding in eersten aanleg heeft gevoegd , is daartoe onbevoegd in liet geding in hooger beroep.
Heeft de voeging in eersten aanleg plaats gehad , dan duurt zij van regtsvvege voort in hooger beroep, ook al is de beleedigde partij daarin niet verschenen.
Art. 24G. De beraadslaging, bedoeld bij art. 211 , geschiedt naar aanleiding zoowel van het onderzoek op de teregtzitting in hooger beroep, als van het onderzoek op de teregtzitting in eersten aanleg, zooals dit volgens het proces-verbaal dier teregtzitting heeft plaats gehad.
Art. 247. Het geregtshof bevestigt het vonnis, hetzij niet overneming, hetzij met verbetering van de gronden.
59
of doet, met geheele of gedeeltelijke vernietiging van liet vonnis, datgene wat de regtbank liad behooren te deen.
Indien echter de hoofdzaak niet door de regtbank is beslist en het onderzoek daarvan het gevolg moet zijn van de vernietiging van liet vonnis, verwijst het geregtshof daartoe de zaak naar dezelfde of eene aangrenzende regtbank binnen zijn regtsgebied.
Art. 248. Indien alleen de beklaagde in hooger beroep is gekomen, kan hij tot geene zwaardere straf worden veroordeeld dan hem bij het vonnis is opgelegd.
Art. 249. De kosten van het hooger beroep komen niet ten laste van den beklaagde, indien, op het beroep van den officier van justitie alleen , het vonnis m zijn geheel wordt bevestigd of in liet voordeel van den beklaagde gewijzigd. Het geregtshof is bevoegd die kosten niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, indien, op het beroep van den beklaagde, het vonnis in diens voordeel wordt gewijzigd, of, op het beroep van den officier van justitie en den beklaagde beide, het vonnis wordt bevestigd.
Bij verwijzing overeenkomstig het tweede lid van art. 247, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden lot de eindbeslissing.
Art. 250. Het arrest van het geregtshof wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of een der leden, die over de zaak hebben geoordeeld.
Art. 251. Indien de zaak in eersten aanleg is aanhangig gemaakt door of van wege de ambtenaren bij art. 141, 2°. aangeduid, zullen ten aanzien van het hooger beroep van deze procedure en de daaraan verbonden vervolging door de ambtenaren van liet openbaar niinisterie ingesteld, du vorenstaande bepalingen gelden, onder de navolgende wijzigingen;
1°. dat de verklaring bij art. 230 vermeld, zal geschieden door de partij welke iu beroep is gekomen, binnen den termijn van een en twintig dagen na de beteekening van bet vonnis;
2°. dat de bepalingen van de artt. 232 , 233, 234 en 237 op dat beroep niet toepasselijk zijn;
3°. dat de partij welke in beroep is gekomen, op straffe
GO
van verval, binnen een en twintig dagen na hare verklaring, hare wederpartij zal doen dagvaarden , om to verschijnen op de eerste teregtzitting van het hof, Avelke na acht vrije dagen zal worden gehouden, met aanduiding van dag en uur;
4°. dat het geding op de teregtzitting zal worden behandeld overeenkomstig hetgeen bij art. 201 is voorgeschreven;
5°. dat beide partijen hare stukken onder inventaris aan het hof moeten ovtrleggen;
6quot;. dat de bedoelde ambtenaren in de kosten van den processe kunnen worden veroordeeld.
ZESDE TITEL.
Fan de her eg ting van strafzaken die tol de ievoegdheid van den hanton-regter hehooren, zoo in eersten aanleg als in hooger beroejh
Art. 252. Bij de kanton-geregten zal de kennisneming van strafbare feiten aanhangig worden gemaakt door de dagvaarding van wege het openbaar ministerie bij het kanton-geregt.
Art. 253. Op het regtsgeding bij het kanton-geregt is de vierde Titel van toepassing ; hetgeen daarin ten aanzien van de regtbank, den president, de regters of de ambtenaren bij de regtbank voorkomt, geldt ook ten aanzien van de kanton-regters of de ambtenaren bij het kanton-geregt , behoudens;
1°. dat de termijn van dagvaarding is van acht vrije dagen;
2quot;. dat de beklaagde, tenzij hij vervolgd wordt ter zake van strooperij of de kanton-regter beveelt, dat hij in persoon versclüjne, zich tor teregtzitting kan doen vertegenwoordigen door eenen daartoe bij bijzondere volmagt gemagtigde; de volmagt, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden , een authentiek afschrift daarvan, wordt overgelegd en aan het proces-verbaal der teregtzitting gehecht;
3°. dat de bepalingen betrekkelijk de beteekening van
01
de lijsten der wederzijdsche getuigen, de geregtelijke instructie , den regter-cominissaris, het bevel van verwijzing, de verzekerde bewaring en liet verzet tegen de dagvaarding niet toepasselijk zijn;
4°. dat de vordering der beleedigde partij zich niet verder clan tot do som van 50 gulden kan uitstrekken ;
5°. dat in geval van veroordeeling wegens overtreding van art. 439, 1°. van het Wetboek van Strafrecht de kanton-regter in het vonnis beveelt, dat de in dat artikel bedoelde goederen , welke als stukken van overtuiging gediend hebben, voor zoover zij bij den veroordeelde werden in beslag genomen, aan het militair gezag zullen worden uitgeleverd ;
G0. dat de veroordeelde voor de kosten, waarin hij bij do uitspraak wordt verwezen , in geen geval langer dan eene maand in gijzeling kan worden gehouden.
Art. 254. Indien iemand overeenkomstig do bepalingen van art. 74 van bet Wetboek van Strafrecht do vervolging wenscht te voorkomen , zal hij, voorzien van eene schriftelijke magtiging van het openbaar ministerie bijhetkan-ton-geregt, binnen den termijn bij die magtiging daartoe bepaald, ten kantore van den met de invordering dei-boeten belasten ambtenaar , het maximum van de bedreigde boete met de reeds gemaakte kosten moeten betalen en de aan verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen moeten afgeven of do waarde, waarop zij zijn geschat, moeten voldoen.
In het exploit van dagvaarding wordt de bevoegdheid vermeld, den beklaagde bij art. 74 van het Wetboek van Strafrecht verleend.
Art. 255. In de gevallen waarin volgens de wet hooger beroep wordt toegelaten, kan zulks geschieden door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantonge-regt en door den veroordeelde.
Art. 256. Op het hooger beroep van vonnissen van de kanton-geregten is de vijfde Titel van toepassing met uitzondering van de artt.230 laatste lid, 235, 230, 239, 241 , 243, 244 en 250.
Hetgeen in de artt. 230—233 voorkomt omtrent do griffie of den griffier van de regtbank of van het ge-regtshof, geldt ten aanzien van de griffie of den griffier
62
van het kanton-gerest of van do regtbank. Hetgeen in de overige toepasselijke artikelen voorkomt ten aanzien van het geregtshof of de ambtenaren bij het geregtsbof geldt ten aanzien van de regtbank of de ambtenaren bij de regtbank.
Art. 257. Behoudens hot bepaalde bij art. 253, 250 en 258 zijn de artt. 150 tot en met 22(5 op het regtsgc-ding bij de regtbank in hooger beroep van toepassing.
Art. 258. Wanneer de regtbank bevindt, dat het feit reeds in eersten aanleg ter barer kennisneming behoort, doet zij de zaak zelve af.
Haar vonnis is in dit geval vatbaar voor hooger beroep.
ZEYE1NDE TITEL.
Van straf vordering tegen regtcrlijke ambtenaren.
Art. 259. Met uitzondering van den hoogen raad neemt geen regterlijk kollegie uf kanton-regter kenim van eene zaak, waarin een regterlijk ambtenaar, tot bet kollegie of het kanton-geregt behoorende, als verdachte is betrokken.
Bovendien neemt geene arrondissements-regtbank kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk amb-tenaar van het geregtshof, tot welks regtsgebied de regtbank beiioort, ais verdachte is betrokken.
Evenmin neemt een kanton-geregt kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van de regtbank, tot welker regtsgebied het kanton-geregt behoort, als verdachte is betrokken.
Indien grond voor vervolging bestaat, wordt tot de behandeling der zaak een ander regterlijk kollegie van gelijken rang of een andere kanton-regter aangewezen.
Art. 260. De aanwijzing, in het voorgaand artikel vermeld, geschiedt door den hoogen raad.
Zij geldt tevens ten aanzien van medeverdachten van den regterlijken ambtenaar.
Art. 261. De aanwijzing geschiedt in raadkamer met zeven leden, nadat de procureur-generaal is gehoord, op verzoekschrift, met de stukken in te dienen door den ambte-
03
nanr van het openbaar niinisterie , die naar de gewone regelen met de vervolging zou zijn belast.
Art. 262. De beschikking van don hoogen raad wordt van wege den procureur-generaal aan den verdachte be-teekend.
l)o procureur-generaal doet tevens afschrift van de beschikking met de stukken toekomen aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij liet aangewezen kollegie of kanton-geregt, waarna\'de verdere vervolging op de gewone wijze geschiedt.
Art. 263. Ten aanzien van het opsporen der strafbare feiten bij dezen Titel bedoeld blijven de voorschriften van den eersten Titel van kracht.
ACHTSTE TITEL.
Fan afwezig gelieven beklaag den.
Art. 264. Tegen hem , die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter teregtzitting te verschijnen of zich , in de gevallen bij de wet voorzien, door eenen gemagtigde te laten vertegenwoordigen, wordt verstek verleend , waarna dadelijk wordt overgegaan tot het onderzoek en de beregting overeenkomstig den vierden, vijfden of zesden Titel.
Eveneens wordt verstek verleend tegen den gedaagde, die niet voldoet aan het in do artt. 150 en 253, n0. 2 vermelde bevel om in persoon te verschijnen.
Art. 265. Het vonnis bij verstek gewezen , waarbij de beklaagde is veroordeeld of waarbij zijne opzending naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, moet aan hem van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie worden beteekend.
Art. 266. De veroordeelde of hij, wiensopzendirgnaar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, kan bij exploit aan het openbaar ministerie beteekend verzet doen , uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na dien , waarop hij is aangehouden ter tenuitvoerlegging van de tegen hem uitgesproken plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, of van de gevangenisstraf of hechtenis; wat de laatste betreft, zoowel van die, waartoe hij is veroordeeld, als die voor eene hem
64
opgelegde boete in de plaats treedt, ef nadat lijfsdwang op hem toegepast, of beslag op zijne goederen gelegd is tot verhaal van eene tegen hem uitgesproken boete.
Door het verzet wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst.
Hot bevel van gevangenneming verleend overeenkomstig art. 227 is uitvoerbaar niettegenstaande verzet.
Niettegenstaande zijne vrijspraak, blijven alle de kosten , door het verstek veroorzaakt, ten laste vim dengane die in verzet is gekomen, ten ware de dagvaarding mogt zijn nietig verklaard, of hij mogt bewijzen in de onmogelijkheid te zijn geweest van te kunnen verschijnen.
Art. 267. Het verzet brengt van regtswege dagvaarding mede op de eerstkomende gewone teregtzitting; hetzelve zal worden vervallen verklaard, wanneer degene die in verzet gekomen is , niet ten dage dienende in regten verschijnt , en het vonnis, bij verstek gewezen , zal ten uitvoer worden gelegd.
Wanneer degene, die in verzet gekomen is, ten dage dienende verschijnt, wordt de zaak behandeld overeenkomstig de voorschriften van den vierden, vijfden of zesden Titel. De regter bekrachtigt, do bij verstek gewezen uitspraak, of doet met geheele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak op nieuw regt.
Art. 268. Na de uitspraak bij verstek kan uitvoering worden gegeven aan de beslissing, die de regtbank ten aanzien van de stukken van overtuiging gegeven heeft, nadat van dezelve eene naauwkeurige beschrijving door den griffier zal zijn opgemaakt en ter griffie nedergelegd.
De regter kan van de teruggave of vernietiging uitzonderen zoodanige voorwerpen als hij noodig vindt.
NEGENDE TITEL.
Van da hcrkmnhuj van veroordeelden die ontvlugt en weder achterhaald zijn.
Art. 269. Wanneer een veroordeelde ontvlugt is, en iemand mogt gevat zijn die voor den ontvlugte is gehouden, doch omtrent de eenzelvigheid van wiens persoon twijfel of onzekerheid is ontstaan; of die ontkent dat hij degene is voor wien men hem houdt, zal het geregtshof, of de regt-
65
bank door welke de veroordeeling\' was uitgesproken , op requisitoir van het openbaar ministerie, bevelen dat op eeue te bepalen teregtzitting zal worden overgegaan tot het onderzoek van de eenzelvigheid van dien persoon.
Art. 270. Het openbaar ministerie zal, te dien einde , op de teregtzitting zijne getuigen doen dagvaarden, gelijk, mede die op welke de achterhaal le zich beroept.
Hetzelve zal insgelijks den achterhaalde doen dagvaarden om op die teregtzitting tegenwoordig te zijn ; de getuigen en de achterhaalde zullen vervolgens worden gehoord, en het hof of de regtbank zal uitspraak doen overeenkomstig de voorschriften van den vierden titel.
Art. 271. Indien het vonnis door eene arrondissements-regtbank is uitgesproken , is hetzelve voor hooger beroep vatbaar.
Art. 272. Het openbaar ministerie en de achterhaalde kunnen zich in cassatie voorzien , in de vormen en binnen de termijnen nopens cassatien bij dit Wetuoek vastgesteld.
TIENDE TITEL.
Van de regtspleging ter zake van valschheid.
Art. 273. In alle strafzaken betrekkelijk tot valschheid in geschriften , zal het stuk dat beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn , ter grifiie worden overgelegd , en tevens onderteekend en op iedere bladzijde gewaarmerkt dooiden griflier, die een uitvoerig proces-verbaal van de gesteldheid van het stuk zal opmaken , mitsgaders door dengenen door wien die overlegging wordt gedaan , en eindelijk door den ambtenaar, onder wiens bewaring het is geweest, indien hetzelve uit eene openbare bewaarplaats is genomen.
Art. 274. 15ij de verhoeren van den beklaagde over dat stuk zal hetzelve meile door dezen , en ook bovendien door den regter-comraissaris en den griffier onderteekend worden.
Art. 275. Het misdrijf kan altijd worden vervolgd, ook dan wanneer de stukken, die er het onderwerp van zijn,
5
Oö
tot grondslag gediend hebben van geregtelijko of burgerlijke akten.
Art. 276. Alle openbare of bijzondere bewaarders van stukken, welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn , zijn verpligt, op strall\'e van daartoe bij lijfsdwang genoodzaakt to worden , dezelve , op een bevelschrift van het geregtshof of van de arrondissements-regtbank , ter griffie van den hove of der regtbank in bewaring te geven; van deze inbewaringgeving zal een proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk , met en benevens het bevelschrift, den bewaarder zal strekken tot ontlasting jegens alle belanghebbenden.
Het staat aan denzelven vrij, van de door hem in bewaring gegeven stukken en van het proces-verbaal kosteloos afschriften te vorderen.
De kosten tot overbrenging der stukken worden onder de justitie-kosten begrepen.
Art. 277. De stukken die geleverd zullen worden om tot vergelijking te dienen , zullen , even als de stukken welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn , worden onderteekend en gewaarmerkt, op de wijze in do twee eerste artikelen van dezen titel gemeld.
Art. 278. Do bepaling van artikel 276 hier-boven , is insgelijks toepasselijk op allo openbare bewaarders van stukken, ter vergelijking kunnende dienen.
Art. 279. Indien de overgave van een authentiek stuk vereischt en gevorderd wordt, zal aan dengenen , die hetzelve in zijne bewaring heeft. een afschrift daarvan worden gelaten , hetwelk met het oorspronkelijke door den voorzitter van de arrondissements-regtbank zal worden vergeleken , die daarvan een proces-verbaal zal opmaken ; indien zoodanig authentiek: stuk, onder bewaring is van een openbaar persoon , zal het voorzeide afschrift door dezen gelogd worden onder zijne oorspronkelijke stukken , om in de plaats van het oorspronkelijke te strekken, tot de terugzendingvan het laatstgemelde, en met bevoegdhei l om daarvan grossen of afschriften uit te geven , mits daarbij melding makende van het proces-verbaal.
Indien nogtans het stuk een gedeelte uitmaakt van een register, zoo dat het daarvan niet voor eenen tijd kan
07
worden afgosclieiden , kan do regtbank hot overbrengen van het register ter inzage bevelen, en vrijstelling ver-leenen van de formaliteit bij dit artikel vastgesteld.
Art. 280. Onderhandsche geschriften kunnen insgelijks als stukken van vergelijking overgelegd en als zoodanig aangenomen worden, indien volkomen van derzelverechtheid blijkt.
Echter kunnen de bijzondere personen welke, zelfs volgens hunne eigene erkenning , onderhandsche geschriften bezitten, niet onmiddellijk tot derzelver afgifte worden genoodzaakt , maar indien zij voor het hof of de regtbank zijn gedagvaard en hunne gronden van weigering niet zijn geldig verklaard , kan bij regterlijk bevel de overgave, zelfs bij lijfsdwang, worden bevolen.
Art. 281. De getuigen welke gehoord zullen worden over eenig stuk of stukken, in het geding overgelegd , zijn gehouden dezelve insgelijks te waarmerken en te onderteekenen.
Art. 282. De beklaagde, daartoe door den regter gelast, is verpligt, in diens tegenwoordigheid, een geschrift te vervaardigen , of wel andere stukken , door hem geschreven , over te leggen.
Art. 283. In de voorloopige geregtelijke instructie, zal de regter-commissaris eenen of meer deskundigen kunnen benoemen , ton einde het stuk , welks valschheid of ver-valsching beweerd wordt, en de stukken van vergelijking, te onderzoeken, en een schriftelijk verslag van hunne bevinding uit te brengen , hetwelk bij het geding zal worden gevoegd.
Art. 284. Indien de beklaagde wordt teregt gesteld, kunnen de in het vorige artikel vermelde deskundigen worden gehoord.
Het hof of de regtbank kan ook op requisitoir van het openbaar ministerie, of ten verzoeke van den beklaagde andere deskundigen hooren.
Arl. 285. Indien de beklaagde ter zake van valschheid in eene authentieke akte wordt veroordeeld, zal de regtbank het zij verklaren dat het geheele stuk valsch is, het zij bepaaldelijk aanduiden, waarin do vervalsching
C8
bestaat. Van die verklaring- wordt door deu griffier procesverbaal opgemaakt en door den president en hem onderteekend.
Zoodra bet vonnis in kracht van gewijsde is gegaan , zal afschrift van het proces-verbaal, door den griffier onderteekend , aan het valsche of vervalschte stuk worden gehecht, en bij de uitgifte van grossen of afschriften van liet stuk , zal steeds aan den voet afschrift van het procesverbaal moeten gevoegd worden.
Eindelijk zal op het valsche of vervalschte stuk , door den griffier eene aanteekening worden gesteld, waarbij naar het aangehechte proces-verbaal wordt verwezen.
Art. 28\'). De stukken van overtuiging en van vergelijking worden binnen veertien dagen, nadat het arrest of vonnis in kracht van gewijsde is gegaan , terug gebragt ter plaatse, van waar zij gekomen zijn, of terug gegeven aan degenen , die dezelve hebben medegedeeld.
Art. 287. Voor bet overige heeft de instructie ter zake van valscbheid op dezelfde wijze plaats, als ten aanzien van andere misdrijven is bepaald.
Art. 288. Indien de bewaarder of de getuigen weigeren of niet in staat zijn de overgelegde, of hun vertoond wordende stukken te waarmerken en te onderteekenen , of indien de beklaagden weigeren de stukken te teekenen , of in \'s regters tegenwoordigheid te schrijven , zal zulks in het proces-verbaal vermeld worden.
ELFDE TITEL.
Van de \'wijze van regtspleging jegens hen, die den eerbied schenden , aan de openbare magt verschuldigd.
Art. 289. In geval op plaatsen , waar en tijdens de Commissaris des Konings in de provinciën, de leden der Provinciale en Gedeputeerde Staten , de hoofden en leden van de gemeentebesturen, mitsgaders de ambtenaren van administratieve of regterlijke poiicie in het openbaar ecnige ambts-verrigtingen waarnemen, een of meer personen de stilte storen of teekenen van goed- of afkeuring geven, of. op welke wijze ook, geraas of beweging verwekken en zij op
09
do eerste waarschuwing zich niet dadelijk stil houden , /.al hun gelast worden te vertrekken en die zich daartegen verzetten zullen verwijderd en tot na afloop van de ambtsverrigtingen in bewaring gehouden worden : de voormelde ambtenaren maken van een en ander procesverbaal op, hetwelk aan den bevoegien ambtenaar van het openbaar ministerie wordt toegezonden.
TWAALFDE TITEL.
Van de wijze, oj) welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het koninklijk geslacht zullen worden ontvangen.
Art. 290. De prinsen en prinsessen van het koninklijk geslacht zullen nimmer voor den regter commissaris, noch ook tor teregtzitting van een hof of eene regtbank, als getuigen kunnen worden gedagvaard, ten zij de Koning, door een bijzonder besluit, tot dat einde strekkende, hoogstdezelvo tot die verschijning mogt hebben geinagtigd.
Art. 291. Wanneer do getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden , gedurende de voorloopige instructie, zal dezelve afgenomen en in geschrift worden gesteld door den president van het geregtshof, binnen welks regtsgebied de prinsen of prinsessen zich op dat oogenblik bevinden, en zal de president zich naar hoogst-derzelver paleis tot dat einde begeven.
Hij zal daarna de alzoo door hem ingewonnen verklaringen terstond toezenden aan den regter-commissaris, die met do instructie der zaak is belast.
Art. 292. Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden op eene teregtzitting, en zij tot aflegging van dezelve aldaar bij koninklijk besluit gemagtigd zijn, zal hetzelve, besluit tevens de plegtig-heden regelen , welke ten aanzien van hoogstdezelve moeten worden in acht genomen.
Art. 293. Wanneer de prinsen of prinsessen niet gemagtigd zijn geworden om in persoon te verschijnen, zullen hunne getuigenissen op de teregtzitting worden gelezen , op straffe van nietigheid, en het zal aan den regter geoorloofd zijn, om derzelver inhoud , naar gelang der omstandigheden , tot bewijsmiddel te doen dienen.
70
DERTIENDE TITEL.
Van strafvordering ter zake van strafbare feiten , aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen.
§ 1.
Van strafvordering ter zahe van misdrijven hedoeld in crt. 93 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.
Art. 294. Behoudens het bepaalde bij de artt. 295, 296 en 297 blijven ten aanzien van de opsporing1 van misdrijven volgens art. 93 der Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie , aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen , de voorschriften van den eersten Titel van kracht.
Art. 295. De procureur-generaal bij den hoogen raad waakt voor de rigtige opsporing van misdrijf, als in het voorgaand artikel bedoeld.
De bevelen , die hij daartoe geeft aan de officieren van justitie en de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, worden door dezen opgevolgd.
Op de officieren van justitie en de hulp-officieren rusten tegenover den procureur-generaal gelijke verpligtingen , als bij den eersten Titel aan de hulp-officieren tegenover den officier van justitie zijn opgelegd.
Art. 296. Wanneer de procureur-generaal kennis heeft bekomen van een misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, doch geene voldoende gronden vindt tot dagvaarding of tot het vorderen van regtsingang , wint hij , naar omstandigheden , zelf de narigten in , die de zaak tot ineer klaarheid kunnen brengen of stelt daartoe , met zoodanige vordering als bij geraden acht, de stukken in handen van den raadsheer-commissaris, op zijne vordering door den hoogen raad in raadkamer uit de leden van den raad benoemd.
Art. 297. In geval van ontdekking op heeter daad , wordt door den officier van justitie , de hulp-officieren en den regter-commissaris datgene verrigt, wat hun voor dat geval naar de gewone regelen is opgedragen.
71
De officier van justitie zendt de stukken, tot de zaak betrekkelijk, en de in beslag genomen voorwerpen ten spoedigste aan den procureur-generaal bij den hoogen raad.
Zoodra deze op do plaats bedoeld bij art. 43 tegenwoordig is, houdt de bemoeijing van den officier van justitie op en wordt door den procureur-generaal verrigt hetgeen bij de artt. 43 tot 53 aan den officier van justitie is opgedragen.
Zoodra ook de raadsheer-commissaris op de bedoelde plaats tegenwoordig is , wordt hetzelfde verrigt door dezen , op de vordering van den procureur-generaal.
Art, 298. Op het voorloopig onderzoek van den raadsheer-commissaris zijn de bepalingen van den tweeden Titel en de artt. 110 tot 114 van toepassing, behoudens:
dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheer-commissaris tot opdragt van verhoor, overeenkomstig art. 73, in geen gevat bewilliging tot dagvaarding als bij art. 75 bedoeld , wordt gevorderd ;
dat, onverminderd de bevoegdheid van don raadsheercommissaris eu den procureur-generaal om zich bij huiszoeking te doen vervangen op do wijze , bedoeld bij hot tweede lid van art. 112, de huiszoeking in ieder geval door ben zeiven kan geschieden.
Art. 299. Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft gekregen van oen gepleegd misdrijf, als bij art..294 bedoeld en van den persoon , die zich daaraan heeft schuldig gemaakt en hij het verleenen van rechtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan den hoogen raad aan.
Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verwijzing der zaak naar de teregtzitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.
Op deze vordering wordt door den hoogen raad in raadkamer beslist.
Art. 300. De bepalingen van den derden Titel zijn op
72
hot onderzoek in raadkamer bij den licogen raad van toepassing , behoudens: •
1°. dat, indien de hooge raad instructie gelast, hij tevens een zijner leden tot raadsheer-commissaris benoemt, tenzij zoodanige benoeming reeds krachtens art. 29G heeft plaats gehad ;
2°. dat do arresten, door den hoogen raad op de vor-doring lot regtsingang of na afloop der instructie gewezen , niet vatbaar zijn voor eenig beroep.
8 2.
Yan strofcorderind ter talie tan de nmhlsmisdrijven en ambtsovertredi/.gen, vermeld hij arl. 1)2 der vet op de reyterlijke organisatie en het beleid der justitie.
Art. 301. De arlt. 4 tot en met 19 der wet van den 22stcn April 1855 (Staatsblad nquot;. 33) houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriele Departementen blijven van kracht.
Zij zijn van toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de in art. 92 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie opgenoemde personen. Al hetgeen in die artikelen voorkomt omtrent Ministers en Hoefden van Ministeriele Departementen geldt ook bij de vervolging van deze wegens andere ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen dan die zijn omschreven in do artt. 355 en 356 ^an liet Wetboek van Strafrecht, alsmede bij de vervolging wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen iegaan door allo andere in art. 92 voormeld bedoelde personen.
ylrt. 302. De procureur-generaal bij den hoogen raa i is verpligt aan den ontvangen last onmiddellijk gevolgtegeven.
Hij vordert van den hoogen raad de benoeming van een zijner leden tot raadsheer-commissaris, ten einde voor-loopig onderzoek worde ingesteld.
Op dit voorloopig onderzoek is art. 298 van toepassing.
Geene vordering geschiedt tot het verleenen van regtsingang, tot last tot instructie of tot verwijzing du\' zaak naar de teregtzitting. Wordt door den procureur-generaal gevangenneming of gevargenlu uding noodig geoordeeld , dan beslist de hooge raad, op de vordering van den procureur-generaal , alleen omtrent de gevangenneming of
73
gevangenhouding-. Art. 11G is op ileze arresten van den lioogen raad van toepassing.
Zocdra liet onderzoek, in liet tweede lid bedoeld, is al-goloopen , of, heeft zoodanig onderzoek geen plaats gehad, zoodra de last tot vervolgii g is ontvangen , wordt de verdachte van wege den procureur-generaal ter teregtzittin^ gedagvaard en zijn de volgende artikelen van dezen Titel van toepassing.
De dagvaarding bevat, op straffe van nietigheid, de opgave van het feit, in den last tot vervolging uitgedrukt.
§ 3.
Bepalingen aan de, in de twee vorige paragraplien ledotlde gedingen gemeen.
Art. 303. In de gevallen , waarin bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming is verleend, wordt de aangehoudene onmiddellijk , na de uitvoering van hot bevel, overgebragt naar de gevangenis tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar de booge raai is gevestigd.
Art. 304. Het regtsgeding in liet eerste en laatste ressort bij den hoogen raad wordt gevoerd op de wijze, bij den vierden Titel voorgeschreven , behoudens :
dat de uitzondering, vervat in het vierde lid van art. 218, geldt zoo dikwijls het feit een misdrijf of overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aaneenen anderen rogter behoort, en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd, in welke gevallen aan de be-leedigde partij, die zich , waar dit was toegelaten , in het geding heeft gevoegd , de vordering slechts tol zoodanig beloop kan worden toegewezen , als waarover de bevoegde regter gelijktijdig mot de strafzaak uitspraak had kunnen doen.
Art. 305. Do achtste Titel is op hot regtsgeding bij verstok bij den hoogen raad van toepassing.
Art. 306. Al hetgeen in do toepasselijk verklaarde Titels voorkomt omtrent de arrondissements regtbanken , de presidenten en do leden van of de ambtenaren van hot openbaar ministerie en de griffiers bij die kollegien , is , behoudens de
74
wijzigingen uit dezen Titel vcortvioeijende, van toepassing oj) den hoogen raad, den president en de leden van en den procureur generaal en don griffier bij den hoogen raad.
Art. 307. De vervolging der medeverdachten van den-geno , die voor den hoogen raad te regt staat, heeft bij hetzelfde kollegie plaats.
VEERTIENDE TITEL.
Van de regeling van regtsgehied.
Art. 308. Er zal regeling van regtsgehied kunnen plaats hebben in de navolgende gevallen :
1°. Wanneer onderscheidene regterljjke kollegien of reg-ters, aan welke bij de grondwet of andere wettelijke bepalingen regtsmagt is opgedragen , zich de kennisneming van dezelfde of van zamenhangende strafbare feiten hebben aangetrokken;
2°. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien of regters, door een van welke de strafzaak noodwendig behoort te worden beregt, zich hebben onbevoegd verklaard daarvan kennis te nemen.
Art. 309. De verzoeken tot regeling van regtsgehied worden gedaan bij request; zij worden alleenlijk bij memorien behandeld.
Art. 310. Op het ingekomen verzoek, met de daartoe be-hoorende stukken, zal de regter bevelen dat alles worde medegedeeld aan do partijen , of wel dadelijk zonder me-dedeeling beslissen , behoudens verzet.
Art. 311. Wanneer op het verzoek van den beklaagde, tot regeling van regtsgehied, de mededeeling aan partijen wordt bevolen , zal het bevelschrift beide de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de regterlijke ligchamen , voor welke die zaak gelijktijdig is aanhangig gemaakt, gelasten de stukken van het geding over te zenden, met bijvoeging van een met redenen bekleed advijs over het geschil wegens] de bevoegdheid.
Art. 312. Wanneer do mededeeling bevolen is op het
75
verzoek, tot regeling van regtsgebied, van een\' der gemelde ambtenaren , zal het bevelschrift den andere bevelen om lt;le stukken, eu zijn met redenen bekleed advijs, over te zenden.
Art. 313. Bij het bevel van mededeeling wordt, naar mate van den afstand der plaatsen, de termijn bepaald, binnen welken de stukken en de met redenen bekleede advijzen ter griffie moeten worden ingezonden.
Dit bevel wordt, benevens afschrift van het verzoek tot regeling van regtsgebied, aan partijen beteekend en door die beteekening wordt de eindelijke beslissing der zaak geschorst, behoudens den voortgang der instructie.
De beklaagde kan zijne middelen omtrent het regtsgebied in geschrift indienen, uiterlijk binnen den tijd van acht dagen na de beteekening van het bevel van mededeeling.
Art. 314. De zaak zal worden afgedaan op de teregt-zitting, op oen rapport, en na de conclusie van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
Art. 315. Wanneer op het verzoek tot regeling van regtsgebied , dadelijk en zonder bevolene mededeeling uitspraak is gedaan , zal liet vonnis van wege liet openbaar ministerie worden beteekend aan den ambtenaar van het openbaar ministerie hij de hoven, regtbanken of regters, welke tot het geschil hebben aanleiding gegeven.
Het zal mede worden beteekend aan den beklaagde , welke daartegen in verzet zal kunnen komen binnen acht dagen.
Dit verzet schorst van regtswege het uitwijzen der zaak.
Art. 316. De beklaagde die zich niet in verzekerde bewaring bevindt, wordt niet tot het doen van verzet toegelaten , ten zij hij vóór of uiterlijk binnen acht dagen na de beteekening, woonplaats hebbe gekozen binnen de gemeente , waarin een der beide kollegien of regters, over welker bevoegdheid geschil is, zitting heeft.
gebreke hiervan zal hij zich niet daarop kunnen beroepen , dat hem geene mededeeling is gedaan , waartoe do verzoeker , in dat geval, ongehouden is.
Art. 317. De hooge raad, het geregtshof, of de arron-
70
dissements-regtbank, zal tevens de uitspraak doen over alle handelingen en vonnissen, welke door den regter, aan wien de zaak onttrokken wordt, mogten gedaan of gewezen zijn.
Art. 318, De arresten of vonnissen , in zake wegens geschil van regtsgebied gewezen , zullen door geen verzet kunnen worden Lestreden, wanneer er een bevel van mode-deeling is vooraf gegaan en behoorlijk ton uitvoer gebragt.
Art. 319. Het arrest of vonnis gewezen, het zij na een bevel van mededeeling , het zij na gedaan verzet, zal aan do partijen in dezelfde vormen worden beteekend, als teu aanzien dor beteekening van het bevel van mededeeling zijn voorgeschreven.
Art. 320. Do eindvonnissen der arrondissements-regt-banken en hoven, in zake wegens geschil van regtsgebied, zijn respectievelijk vatbaar voor hooger beroep en cassatie.
VIJFTIENDE TITEL.
Van de wraliing en verschooning van regters en de verzending tan de naak uit dien hoofde naar eenen anderen regter.
Art. 321. Een lid van den hoogen raad, van de ge-regtshoven, van de arrondissements-regtbanken of oen kanton-regter, kan zoo wel door den beklaagde, als door het openbaar ministerie worden gewraakt, om de volgende redenen:
1°. Indien hij den beklaagde in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in den vierden graad ingesloten ;
2°. Indien hij persoonlijk belang bij de zaak heeft;
3°. Indien, binnen het jaar vóór de wraking, tegen den beklaagde, of tegen doszelfs echtgenoot of nabestaanden en aaugehuwden in de regte linie , eene vervolging wegens misdrijf op klagte of aangifte van den gewraakten regter heeft plaats gehad ;
4°. Indien de regter een schriftelijk advijs in de zaak gegeven heeft;
77
5°, Indien hij, hangende het geding\', geschenken van iemand, dio bij de zaak belang heeft, heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd , en hij deze belofte heeft aangenomen ;
ü0. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den regter, zijne vrouw, of hunne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, ten eenre, en den beklaagde , ter andere zijde, aanhangig is ;
1°. Indien do regter is voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde van den beklaagde;
8°. Indien er een hooge graad van vijandschap tusschen den regter en den beklaagde bestaat;
9°. Indien er tusschen den regter en den beklaagde sedert den aanleg van het regtsgeding of binnen zes maanden vóór do wraking, hebben plaats gehad beleedigingen of bedreigingen.
Art. 322. Behoudens hetgeen bij art. 328 ten aanzien van de wraking van den regter-commissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur is bepaald , kan een regter alleen worden gewraakt ter gelegenheid der openbare teregtzitting.
ylrt. 323. De wraking moet mondeling of bij schriftelijke conclusie worden voorgedragen , zoodra het onderzoek ter teregtzittirg aanvang neemt. In den loop des onderzoeks is men daartoe idet meer ontvankelijk.
Art. 324. Indien de wrakende partij vermeent meer dan eene reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij allo te gelijk voordragen.
Art. 325. Indien zij meer dan één lil van het regterlijk kollegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen, vóór dat over de voorgaande is beslist.
Art. 325. De hooge raad , het geregtshof of de arron-dissemeuts-regtbank zal, na de conclusion van het openbaar ministerie, of, indien hetzelve de wrakende partij is, na deszelfs requisitoir, dadelijk over do wraking raadplegen en vervolgens ter openbare teregtzitting uitspraak doen.
Geen der leden, behalve de gewraakte regter, mag zich verschoonen aan do raadplegingen over, en de beslissing van de wraking deel te nemen.
78
Ar/. 327. Indien een kanton-regter wordt gewraakt, zal de wrakende partij eene schriftelijke akte van wraking, met redenen bekleed, aan den kanton-regter ter hand stellen.
Deze zal met het onderzoek der strafzaak niet kunnen voortgaan, en zal de voor.-chrevene akte, benevens zijn schriftelijk advijs, onmiddellijk aan de arrondissements-regtbank inzenden , welke op do conclusion van het open-haar ministerie uitspraak doet.
Ingeval de wraking wordt geldig verklaard, zal een der plaatsvervangers van den kanton-regter optreden.
Arf. 328. In geval van wraking van eenen regter-conimissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur, wordt do akte van wiaking, met redenen bekleed, door do wrakende partij ingeleverd, aan dearrondissements-regtbank, het geregtshuf of den hoogen raad, bij welke de strafzaak aanhangig is, welke, na hot berigt van don gewraakten te hebben ingewonnen, op requisitoir of op de conclusien van het openbaar ministerie uitspraak doet.
Art. 329. Indien een regter zich wil verschoonen om eene der redenen , .in art. 321 vermeld, of op andere billijke gronden, zal hij die aan het kollegie , waartoe hij bp hoort voordragen , en zich aan deszelfs beslissing moeten onderworpen.
Art. 330. Wanneer ten gevolge van geldig verklaarde wraking of van vrijwillige verschooning, de loden van een geregtshof of eene regtbank niet moor in gmoegzamo getale mogten zijn om van do zaak konnis te nemen , zal dezelve naar een ander geregtshof of eene andere regtbank verzonden worden.
Art. 331. Het verzoek tot verzending zal door de belanghebbende partij worden gedaan aan den hoogen raad , wanneer de regtsvervolging plaats heert voor een geregtshof en aan het geregtshof, wanneer de regtsvervolging plaats heeft voor eene arrondissements-regtbank , of aan de arrondissements-regtbank wanneer do wraking van den kanton-regter mogt zijn geldig verklaard , en de plaatsvervangers ontbreken of gewraakt zijn.
Art. 332. Het verzoek wordt gedaan bij request, op hetwelk do hooge raad , het hof of de regtbank, na het open-
79
baar ministerie te hebben gehoord, zal beschikken , en, indien liet verzoek wordt toegestaan , den regter aanwijzen, aan welken de kennisneming wordt opgedragen.
Art. 333. De uitspraak zal door of van wege den pro-eureur-generaal of den officier van justitie worden gebragt ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hof, de regtbank of hetkanton-geregt, aan welke de zaak is verwezen.
Die uitspraak wordt aan den beklaagde van wege bet openbaar ministerie beteekend.
Art. 334. De arresten en vonnissen, ter zake van wraking , verschooning en verzending gewezen , zijn, in geen geval, aan hoog er beroep of cassatie onderworpen.
ZESTIENDE TITEL.
Van het ten uitvoer leggen van arresten en vonnissen.
Art. 335. Geen arrest of vonnis, in kracht van gewijsde gegaan , mag worden ten uitvoer gelegd , zoo lang:
1°. de termijn tot het aanteekenen van cassatie niet is verstreken ;
2°. in geval van beroep in cassatie de hooge raad niet bij eindvonnis heeft beslist.
Art. 336. Indien de termijn tot het aanteekenen van hooger beroep of van cassatie is verstreken of er door den hoogeu raad uitspraak is gedaan, blijft niettemin, indien de veroordeelde dit uitdrukkelijk verlangt, do tenuitvoerlegging-van het arrest of vonnis geschorst gedurende den tijd van acht dagen daarna.
Art. 337. Binnen den voorschreven termijn kan de veroordeelde een verzoekschrift om gratie, ongesloten, inleveren of doen inleveren ter griffie van het kollegie, hetwelk do veroordeeling heeft uitgesproken.
Deze inlevering heeft het gevolg , dat de ten uitvoerlegging geschorst wordt.
De griflier houdt miauwkeurige aanteekening van den dag der inlevering van zoodanig verzoekschrift; hij geeft daarvan kennis aan den ambtenaar van het openbaar ministerie met
80
de ton uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast, en verzendt onmiddellijk het verzoekschrift aan het departement van justitie, ten einde aan den Koning te worden ingeleverd.
Art. 338. In het geval bij art. 374 voorzien , wordt de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis, ten aanzien van de mede veroordeelden, die zich niet in cassatie hebben voorzien, zoo zij dit uitdrukkelijk verlangen geschorst, tot na den eindelijken afloop der zaak.
Art. 339. De ten uitvoerlegging van alle arresten en vonnissen blijft van regtswege geschorst zoolang de Koning over een verzoek om gratie raadpleegt.
Art. 340. Te dien einde is de procureur-generaal bij den hoogt\'n raad verpligt, om, zoodra een verzoek om gratie door den Koning aan den hoogen raad is ingezonden , daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den ambtenaar met de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast.
Art. 341. Indien de veroordeelde geene gratie heeft verzocht, of zijn verzoek is afgewezen, geschiedt de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis, zoo dra mogelijk, na verloop van den termijn bij art. 336 aangewezen.
Art. 342. De straffen van gevangenis , hechtenis, plaatsing in eene rijkswerkinrigting en openbaarmaking van de regterlijke uitspraak worden ten uitvoer gelegd op bevel van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk kollegie of kanton-geregt, dat do veroordeeling heeft uitgesproken.
Die ambtenaar kan daarbij de hulp inroepen van de openbare burgerlijke of gewapende magt.
Art. 343. De vervolging tot verhaal van boeten , ver-beurdverklaarde voorwerpen en kosten, heeft plaats in maniere als volgt:
Indien de zaak bij den hoogen raad, of bij hetgeregts-hof is beslist, of wel bij de regtbank is aanhangig gemaakt, overeenkomstig de voorschriften van art. 141 , n0. 1 , geschiedt de ten uitvoerlegging in naam van den ambtenaar van liet openbaar ministerie, door het daartoe bevoegd bestuur.
Indien de ambtenaren, bij art. 141, n0. 2, aangeduid, het geding hebben aangelegd, geschiedt de tenuitvoerlegging ter requisitie van diezelfde ambtenaren.
81
Art. 344. Bij straf bare feiten , waarvan de kanton-regter kennis neemt, worden de boeten , verbeurdverklaarde voorwerpen en kosten verhaald in naam van den ambtenaar van liet openbaar ministerie bij het kanton-geregt, door den daartoe bevoegden ontvanger.
Art. 345. Indien , in de gevallen bij de wet voorzien, aan de beleedigde partij eene som tot schadevergoeding is toegelegd , geschiedt de vervolging door haar zelve.
ZEVENTIENDE TITEL.
Van het leronp in cassatie.
EERSTE AFDEELING.
Van het beroep in cassatie in het alyemceii.
Art. 346. Wanneer in den loop van liet regtsgeding voor het geregtshof, de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt eenige vormen mogten zijn geschonden of nagelaten, welke bij dit Wetboek op straffe van nietigheid, zijn voorgeschreven, zal zoodanig verzuim of schending , op do vordering van den veroordeelde of van het openbaar ministerie, gronden opleveren tot vernietiging van het arrest of vonnis en van hetgeen daaraan ia vooraf gegaan , te rekenen van de eerste nietige akte af.
Hetzelfde zal plaats hebben, zoo wel in de gevallen van onbevoegdheid, als in geval er nagelaten of geweigerd is uitspraak te doen, betzij op eene of meer vorderingen van den beklaagde, hetzij op eene of meer vorderingen van het openbaar ministerie, gestrekt hebbende om gebruik te kunnen maken van eene bevoegdheid, of van een regt. hetwelk door de wet is toegekend ; ofschoon ook de straf van nietigheid niet woordelijk verbonden zij aan het nalaten der formaliteit, waarvan de uitvoering gevraagd of gevorderd was.
Eindelijk wordt ook de cassatie toegelaten, zoo wel wegens verkeerde toepassing of schending der wet, als wegens overschrijding van regtsmagt.
Art. 347. In geval de beklaagde is vrijgesproken, op grond dat dos zelfs schuld niet is bewezen , kan de cassatie
6
82
van het vonnis of firrost, door den procureur-generaal bij den lioogen raad, alleen vervolgd worden in het belang der wet, zonder den vrijgesprokene te benadeelen.
Art. 348. Indien de beklaagde van alle regtsvervolging is ontslagen, op grond dat liet feit noch misdrijf, noch overtreding oplevert, kan de cassatie door liet openbaar ministerie worden gevorderd, op de wijze bij de tweede afdeeling van dezen Titel voorgeschreven.
Art. 349. Indien de nietigheid berust op de veroordeeling tot eene andere straf dan die, welke bij de wet tegen het misdrijf of do overtreding is bepaald, kan de cassatie insgelijks op voorschreven wijze worden gevorderd , zoo wel door het openbaar ministerie als door den veroordeelde.
Art. 350. In het geval bij de artikels 348 en 349 voorzien , kan do beklaagde incidenteel en zonder voorafgaande aan-teekening, zich in cassatie beroepen, ter zake van informaliteiten bij gelegenheid der teregtstelling begaan.
Zoodanig incidenteel verzoek wordt vooraf geïnstrueerd en beslist.
Indien hot vonnis of arrest te dier zake wordt vernietigd, handelt de hooge raad overeenkomslig artikel 10G van de wet op de regterlijke organisatie.
Indien daarentegen de eisch tot cassatie wordt verworpen , wordt het beroep van den procureur-generaal voortgezet en beslist.
Art. 351. Wanneer de opgelegde straf dezelfde is als dio der wet welke op het misdrijf of de overtreding toepasselijk is, zal de veroordeelde de vernietiging van het arrest of vonnis niet kunnen vorderen, op grond dat er een misslag begaan is in de aanhaling van de artikelen der wet; onverminderd het regt van het openbaar ministerie om de vernietiging alleen in iiet belang der wette kunnen vorderen.
Art. 352. Wanneer de hooge raad de instructie eener zaak vernietigt, zal dezelve, indien er zeer grove misslagen mogten hebben plaats gehad , bevelen dat de kosten van het vernietigd geding komen zullen ten laste van den ambtenaar welke de* nietigheid begaan heeft.
83
Art. 353. In geenerlei strafzaken, zijn partijen ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten , zoo lang de gewone manier van procederen toereikende is.
TWEEDE AFDEEI.ING.
Van de wijze van procederen in cassatie.
Art. 354. Het beroep in cassatie tegen voorbereidende gewijsden en tegen gewijsden van instructie of gelijksoortige vonnissen , in het hoogste ressort gewezen , zal niet openstaan dan na het eindvonnis; de vrijwillige voldoening aan zoodanige voorbereidende gewijsden of vonnissen kan , in geen geval, worden tegengeworpen als een grond van niet ontvankelijkheid.
Do bepaling van dit artikel is niet toepasselijk op de gewijsden of vonnissen over onbevoegdheid, noch over exception van verjaring en van gewijsde zaak.
Art 353. De aanteekening van beroep in cassatie zal dour den beklaagde of zijnen raadsman of gemagtigde, ter griffie worden gedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring doet, als door den griffier.
Indien degene, die de verklaring doet, niet teekenen kan , zal de griffier er melding van maken.
De verklaring zal in een daartoe bestemd openbaar register kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk geregtigd is zich uittreksels te doen geven.
Art. 356. De beklaagde zal drie dagen vrij hebben, na den dag op welken het arrest of vonnis is uitgesproken , ten einde zijne vèrklaring te doen. Dezelfde termijn wordt aan het openbaar ministerie toegestaan.
Art. 357. Indien het openbaar ministerie, bij het geregts-hof, de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt zich van het middel van cassatie bedient, geschiedt de aanteekening op dezelfde wijze ais bij het eerste en derde lid van art. 355 is voorgeschreven, en moet in dat geval die aanteekening aan den beklaagde worden kenbaar gemaakt in maniere als volgt;
Indien hij in verzekerde bewaring is, wordt de aanteekening aan denzelven, binnen drie dagen nada dezelve
84
heeft plaats gehad , door den g-riflier voorgelezen en hem daarvan afschrift gelaten.
Indien hij in vrijheid is, wordt hem de aan toeken ing binnen veertien dagen van wege deu ambtenaar van hot openbaar ministerie beteekend.
Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving binnen den daarvoor gestelden termijn wordt, wanneer van wege den beklaagde op do teregtzitting daartoe verzoek gedaan wordt, uitstel verleend, met last dat de aanzegging alsnog geschiede.
Art. 3Ö8, De beklaagde zal, het zij bij het doen van zijne voornoemde aanteekening , het zij binnen de tien volgende dagen , ter griffie van liet hof of van de regtbank, waar het beklaagde arrest of vonnis gewezen is, een verzoek-schriftkunnen indienen, houdende zijne middelen van cassatie.
De griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs geven.
Art. 359. Indien liet openbaar ministerie zich in cassatie beroept, is hetzelve op straffe van niet ontvankelijkheid verpligt om , op dezelfde wijze en binnen denzelfden termijn , als in het vorige artikel is vermeld, eene memorie ter griffie van het hof, de regtbank of het kanton-geregt in te dienen , houdende zijne middelen van cassatie.
Art. 360. Onverminderd de middelen van cassatie bij de wederzijdsche memorien vermeld, kunnen nog andere worden voorgedragen , behoudens de bevoegdheid van den hoogen raad , om aan de wederpartij , zoo daartoe gronden zijn, eenen bekwamen tijd van uitstel te verleenen.
Art. 361. Binnen drie dagen na het verloopen van den termijn bij art. 358 vermeld, zal de griffier, onder inventaris, welke kosteloos wordt opgemaakt, alle de stukken van het geding overzenden aan den griffier bij deu hoogen raad, die dezelve ter griffie zal nederleggen en daarvan dadelijk kennis geven aan den procureur generaal bij den hoogen raad.
Art. 362. De beklaagde kan bet verzoekschrift of de memorie, of wel de beteekende uitgifte of afschriften van het vonnis of arrest, of afschrift van zijnen eisch tot cassatie, dadelijk aan deu griffier van den hoogen raad inzenden.
85
Art. 363. Zooflra de stukken ter griffie van den hoogen raad zijn nedergelegd, kan, zoo wel de procureur-generaal als de beklaagde, of zijn advokaat daarvan inzage nemen.
Art. 364. Nadat de stukken , gedurende den tijd van acht dagen, ter griffie hebben berust, zal de procurenr-generaal dezelve onmiddellijk, tegen een bewijsschrift, ligten en aan don hoogen raad inleveren.
De president zal, bij appointement eenen rapporteur benoemen, en den dag bepalen op welken het verslag ter teregtzitting zal worden nitgebragt.
Er zullen ten minste veertien dagen moeten verloopen tusschen den dag van het gemeld appointement en den dag voor de teregtzitting bepaald.
Art. 365. Binnen tweemaal vier en twintig uren na het appointement van den president, zal de griflier de stukken aan den rapporteur moeten ter hand stellen.
Art. 366. Zoodra de president den dag heeft bepaald, geeft hij daarvan kennis aan den procureur-generaal, welke die tijdsbepaling ten minste acht dagen vóór den dag der teregtzitting aan den beklaagde doet beteekenen.
Art. 367. Op den bepaalden dag doet do rapporteur zijn verslag, hetwelk moet behelzen een summier voorstel der feiten, en de juiste aanduiding van de middelen van cassatie , indien en voor zoo ver die zijn voorgedragen.
Art. 368. Daarna zal de procureur-generaal, benevens de advokaat van don beklaagde , indien er een voor den-zelven verschijnt, het woord voeren.
Art. 369. De boogo raad zal hierop in raadkamer raadplegen , on den eisch in cassatie, het zij op de aangevoerde gronden, het zij op andore gronden welke de hooge raad zelf mogt oordeolen te bestaan, ontzeggen, of het arrest of vonnis vernietigen.
In het laatste geval handelt dezelve overeenkomstig de voorschriften en onderscheidingen in de artt. 105 en 106 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie voorkomende.
Het arrest zal ter openbare teregtzitting worden uitgesproken .
86
Art. 370. De beklaagde, wiens veroordeeling ten gevolge van de beslissing van den hoogen raad geheel of gedeeltelijk stand houdt, wordt verwezen in de kosten op het beroep gevallen.
De kosten komen echter niet ten zijnen laste, wanneer de veroordeeling stand houdt ten gevolge van de verwerping van een beroep, ingesteld door bet openbaar ministerie alleen.
Do booge raad is bevoegd de kosten van het beroep niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen , indien , op het beroep van het openbaar ministerie of van den beklaagde, het vonnis of arrest in het voordeel van laatstgenoemde wordt gewijzigd of een beroep van het openbaar ministerie en van den beklaagde beide wordt verworpen.
Bij verwijzing der zaak nanr denzelfden of eenen anderen regter, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbeslissing.
Art. 371. De beklaagde welke in verzekerde bewaring is, en die, ten gevolge van de vernietiging van het arrest of vonnis eene nieuwe teregtstelling moet ondergaan, wordt in dien staat aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie overgeleverd.
Art. 372. Wanneer een eisch tot cassatie ontzegd is , zal do partij die denzelven had gedaan, onder geen voorwendsel hoegenaamd , of op welke wijze ook , eenige verdere voorziening tot cassatie tegen hetzelfde arrest of vonnis kunnen aanwendon.
Art. 373. Het arrest, waarbij een eisch tot cassatie ontzegd is , zal binnen drie dagen , bij een eenvoudig uittreksel , door den griffier onderteekend, en door den president gewaarmerkt, worden uitgegeven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad , en door dezen worden verzonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij hot hof of de regtbank, welke het beklaagde arrest of vonnis beeft gewezen.
Art. 374. Indien bij het vonnis of arrest van veroordeeling meerdere medebeklaagden zijn veroordeeld , en slechts één of eenigen hunner , zich in cassatie hebben beroepen, zal, ingeval van vernietiging van de uitspraak, zulks ten aanzien van allen gelden.
87
De beklaagde die niet in cassatie is opgekomen , kan echter, bij een nieuw arrest, tot geene zwaardere straf worden veroordeeld, dan diegene, waartoe hij bevorens verwezen was.
ACHTTIENDE TITEL.
Van de opschorting m vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden.
Art. 375, De arresten of vonnissen, waarbij iemand tot straf is veroordeeld, kunnen , zelfs in het geval dat het verzoek om cassatie is afgewezen, door den hoogen raad , het zij ter requisitie van den procureur-generaal bij dat kollegie, of op een verzoekschrift van den veroordeelde, worden geschorst en zelfs vernietigd, in de drie volgende gevallen:
1°. Indien twee of meer beklaagden bij onderscheidene arresten of vonnissen als daders van hetzelfde strafbare feit zijn veroordeeld, en die arresten niet zijn overeen te brengen , maar het bewijs van onschuld van den eenen of den anderen der veroordeelden medebrengen ;
2°. Indien , na de veroordeeling wegens moord, doodslag of eenig misdrijf met doodelijk gevolg, er stukken worden te berde gebragt, waaruit aanvankelijk genoegzaam blijkt dat de persoon, wiens vooronderstelde dood aanleiding tot de veroordeeling heeft gegeven of bij de bepaling der straf in aanmerking is genomen, nog iu leven is;
3°. Indien , na de veroordeeling van eenen beklaagde, om welk strafbaar feit ook, een of meer getuigen, welke te zijnen laste getuigenis hebben afgelegd, ter zake van meineed in dat geding, in regten worden betrokken.
Art. 376. In het geval bij n0. 1 van het vorige artikel vermeld, zal de hooge raad, na onderzoek, de beide gewijsden of vonnissen vernietigen, en do beklaagden verzenden naar een der arrondisseraents-regtbanken, welke van het strafbaar feit, aan do beklaagden ten laste gelegd , geene kennis hoegenaamd genomen heeft, en zulks ten einde de zaak op nieuw te onderzoeken en daarin regt te doen.
88
Art. 377. In het geval bij n0. 2 van art. 375 hier boven vermeld, /.al de hooge raad de ton uitvoerlegging van het arrest of\' vonnis schorsen , en eene regtbank benoemen en rnagtigen, om geregtelijk onderzoek en uitspraak te doen wegens de eenzelvigheid van den persoon , en om daarna de stukken, benevens het vonnis deswege te vellen, aan den hoogen raad in te zenden, welke laatstgenoemde alsdan, naar bevind van zaken, de schorsing zal intrekken , of wel het arrest of vonnis van veroordeeling zal te niet doen, en tevens op het requisitoir van den procureur-generaal een nader onderzoek der zaak zal bevelen, voor zoo verre daartoe gronden zouden mogen zijn.
Art. 378. In het geval bij n0. 3 van art. 375 vermeld , zal do hooge raad insgelijks de ten uitvoerlegging van liet arrest of vonnis van veroordeeling schorsen , tot dat over de schuld van de beklaagde getuigen zal zijn uitspraak gedaan.
Indien de getuigen worden vrijgesproken, zal de hooge raad bevelen, dat het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen de beklaagden gewezen, worde ten uitvoer gelegd.
Wanneer de getuigen daarentegen ter zake van meineed worden veroordeeld, zal de hooge raad het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen den beklaagde gewezen, vernietigen, en de zaak naar eene arrondissements-regtbank verzenden, welke noch van de oorspronkelijke zaak, noch van die, betrekkelijk tot den meineed, kennis heeft genomen.
De getuigen, die wegens meineed zijn veroordeeld, zullen in het nieuw onderzoek niet mogen gehoord worden.
Art. 379. Indien in een der gevallen bij art. 375 vermeld, na don definitieven afloop der zank, van do onschuld van eenen persoon mogt blijken, welke reeds zijne straf heeft ondergaan, zal, op diens verzoek, de hooge raad den veroordeelde in zijne eer herstellen bij een arrest, hetwelk ten koste van den staat zal worden afgekondigd.
Indien do veroordeelde mogt zijn overleden, zal het verzoek daartoe door eenen zijner nabestaanden, of, bij het ontbreken derzeivo, door eenen curator ad hoe, door den hoogen raad te benoemen, mogen gedaan worden, en zal, in dat geval, de hooge raad de nagedachtenis van den overledene ontlasten van de veroordeeling welke tegen hem was uitgesproken.
89
NEGENTIENDE TITEL.
Van gevangenissen.
Art. 380. Do hoofden van allo gevangenissen en rijks-werkinrigtingen zijn verpligt een reg-istur te houden.
Dat register zal op de eerste en laatste bladzijde door den president van do arrondissements-regtbank geteekend en voorts op alle andere bladen door hem gewaarmerkt zijn.
Art. 381. Elk, die een bevel van voorloopige aanhouding , een bevel van gevangenneming, of een arrest of vonnis van veroordeeling ten uitvoer legt, moet bij de overlevering van den persoon aan het hoofd van het gesticht, door dezen op deszelfs registers doen inschrijven:
1°. Den voornaam, naam , het beroep en zoo mogelijk de geboorteplaats en de woonplaats van den gearresteerde ;
2°. De opgave van bet regterlijk kollegie of van den ambtenaar welke de aanhouding of de in gevangenisstelling heeft bevolen;
3°. De dagteekening van het bevel, vonnis of arrest;
4°. Den dag der overlevering; en
5°. Bij veroordeeling, den tijd der straf.
Deze inschrijving wordt door hem benevens het hoofd van het gesticht geteekend.
Het hoofd van het gesticht stelt hem een uittreksel uitzijn register tot zijne ontlasting ter hand.
Hij is eindelijk verpligt het bevel, vonnis of arrest aan het hoofd van het gesticht te vertoonen.
Art. 382. Geen hoofd van eene gevangenis of rijks-werkinrigting mag iemand in het gesticht innemen of houden dan uit krachte van een bevel daartoe door de bevoegde magt verleend , of van een vonnis of arrest, en zonder dat zoodanig bevel, vonnis of arrest, in voege voormeld , in zijn register is ingeschreven.
Art. 383. Op liet bovengemeld register zal insgelijks
90
door het hoofd van het gesticht, ter zijde der akte van over-neming, worden aangeteekend de dag van liet vertrok van den gevangene of verpleegde, alsmede het bevelschrift, arrest of vonnis, uit kracht van hetwelk hij vertrokken is.
Art. 384. Gedurende de instructie eener strafzaak is de regter-commissaris, of, in de gevallen ■waarin de instructie door een raadsheer-commissaris geschiedt, deze bevoegd in de gevangenis ten opzigte van den beklaagde zoodanige bevelen te geven als hij in het belang der instructie noodig acht.
Indien nogtans door den procureur-generaal of officier van justitie, of ook door den regter-commissaris of raadsheer-commissaris, noodzakelijk mogt worden geacht dat een gevangene, na den dag zijner gevangenneming, langer dan zes dagen buiten toegang behoorde te worden gehouden , zal de voortduring daarvan geen plaats mogen hebben , dan uit kracht van een bevel van den hoogen raad, van het hof, of van de regtbank.
Art. 385. Do hooge raad , de hoven en de arrondisse-ments-regtbanken zijn verpligt om do gevangenissen en rijkswerkinrigtingen van tijd tot tijd door commissarissen uit hun midden te doen bezigtigen, ten einde voor de nakoming van de voorschriften van dezen en den volgenden titel te zorgen.
Dozelfie verpligting rust op den procureur-generaal en de officieren van justitie bij die collegien.
TWINTIGSTE TITEL.
Van de middelen om de \'persoonlijke vrijheid te verzekeren tegen omoettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen.
Art. 386. Wanneer, in het geval van art. 152 van de grondwet, het politiek gezag een ingezeten des rijks mogt hebben doen arresteren , zal , onverminderd de verpligting , in zoodanig geval, aan het politiek gezag, hetwelk de aanhouding bevolen heeft, opgelegd, degene in wiens bewaring zoodanig ingezeten is overgeleverd , gehouden zijn daarvan onmiddellijk kennis te geven aan het geregtshof, mitsgaders aan de arrondissements-regtlank.
91
Art. 387. Indien het politiek gezag niet heeft nagekomen de verpligtingen welke Lij het voornoemd artikel der grondwet zijn voorgeschreven, zal het hof of de regthank, na verhoor van den procureur-generaal of van den officier van justitie, bevelen dat de gearresteerde worde in vrijheid gesteld.
Art. 388. Indien het politiek gezag voldaan heeft aan het voorschrift van art. 152 der grondwet, zal ten aanzien van den gearresteerde gehandeld worden overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek.
Art. 389. Een ieder die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt in eene plaats , die niet wettig bestemd is om tot gevangenis te dienen, is gehouden daarvan kennis te geven aan den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank , of aan den procureur-generaal bij het geregtshof.
Art. 390. Deze ambtenaren zijn verpligt, het zij van ambtswege, het zij op daarvan bekomen berigt, zich terstond naar de plaats te begeven, en don gevangen gehouden persoon in vrijheid te doen stellen, of, zoo er eene wettige reden van aanhouding gegeven wordt, den-zelven dadelijk voor den bevoegden regter te doen brengen.
Zij zullen van dat alles een behoorlijk proces-verbaal opmaken.
EEN EN TWINTIGSTE TITEL.
Van het hewijs der strafbare feiten.
EERSTE AFDEELING.
Algemeene bepalingen.
Art. 391. Niemand kan wegens misdrijf of overtreding veroordeeld worden , ten zij de regter, door wettige bewijsmiddelen , de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk hoeft plaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is.
Op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand veroordeeld worden.
Art. 392. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
1°. Bewijs door getuigen ;
2°. Schriftelijke bescheiden;
S0. Bekentenis;
4°. Aanwijzingen.
Avt 393. Deze bewijsmiddelen kunnen, zoo wel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd , tot daarstel ling van regterlijke overtuiging dienen, voor zoo verre zij met de hierna volgende voorschriften overeenkomen.
Art. 394. Alle soort van bewijsmiddelen kan door tegenbewijs worden ontzenuwd.
Art. 395. Geenerlei bewijsmiddel zal ter veroordeeling van eenen beklaagde verpligtend zijn, wanneer de regter niet volkomen overtuigd is dat deze het hem ten laste gelegde strafbaar feit waarlijk heeft begaan of daaraan modepligtig is.
TWEEDE AFDEELING.
Van leivijs door getuigen.
Art. 396. Tot het geven van getuigenis in strafzaken zijn allen bevoegd, die daarvan niet zijn uitgesloten bij de artt. 1G2, 1G4 en 105 van dit Wetboek.
Art. 397. Do afzonderlijke getuigenis van eenen enkelen getuige kan niet als wettelijk bewijs gelden.
Echter kunnen afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene feiten als wettelijk bewijs gelden, wanneer zijdoor hunnen zamenloop en hun verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak.
Do beoordeeling hiervan wordt aan de voorzigtigheid van den regter overgelaten.
Art. 398. Iedere afgelegde getuigenis moet loopen over feiten welke de getuige zelf gehoord, gezien of ondervonden heeft, on moeten daarbij tevens uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
Bijzondere meeningen of gissingen , bij redenering opgemaakt , zijn geene getuigenissen.
93
Art. 399. Iiï do beoordeeling der waarde van de getuigenis , moet de regter bijzonder acht geven op do onderlinge overeenstemming der getuigen; op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak en het geding bekend is; op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen; op de levenswijze , de zeden en den stand der getuigen; en, in het algemeen , op alles wat op dcrzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben.
DERDK AFDEELING.
Van schriftelijke bescheiden.
Art. 400. De voorschriften omtrent de kracht van bewijs van openbare en bijzondere schriftelijke bescheiden in burgerlijke zaken, moeten ook ton aanzien van het bewijs in strafzaken in acht genomen worden.
Art. 401. De verklaringen , verbalen of relazen van hen , die in eenige openbare posten , ambten of bedieningen gesteld zijn, moeten, om als schriftelijke bescheiden te gelden , door hen afgelegd zijn op den eed bij den aanvang hunner bediening gedaan , of wel daarna met eede bevestigd worden.
Art. 402. De rapporten van deskundigen , van ambtswege benoemd om over de bijzonderheden of gesteldheid eener zaak hun oordeel en hunne bevinding te verklaren. kunnen alleen dienen om tot des regters inlichting te verstrekken.
VIERDE AFDEELING.
Van bekentenis.
Art. 403. Eene bekentenis, door den beklaagde voor don regter afgelegd, dut hij het aan hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd, en vergezeld van eene bepaalde en naauwkeurige opgave van omstandigheden , welke ook , bet zij uit eene verklaring van den persoon tegen wien bet feit is gepleegd, of uit andere bewijsmiddelen , bekend zijn, en daarmede overeenstemmen, kan een volledig bewijs van schuld opleveren.
94
Art. 404. Eene bloote bekentenis van schuld, door geenerlei in het geding bekende omstandigheden bevestigd , is nimmer genoegzaam om een wettelijk bewijs daar te stellen.
Art. 405. Do herroeping eener geregtelijke bekentenis van schuld maakt dezelve niet krachteloos, ten zij die lier-roeping op aannemelijke redenen gegrond zij.
VIJFDE AFDEELING.
Van aanwijzingen.
Art. 406. Door aanwijzingen worden verstaan daadzaken , gebeurtenissen of omstandigheden, welker bestaan en overeenstemming, zoo onderling, als met het ten laste gelegde feit zelf, klaarblijkelijk aantoonen dat er een strafbaar feit gepleegd is, en wie hetzelve bedreven heeft.
Art. 407. Het bestaan dezer aanwijzingen kan niet anders worden bewezen dan:
1°. Door getuigen;
2°. Door schriftelijke bescheiden;
S0. Door persoonlijk onderzoek of bezigtiging, bij den regter gedaan;
4°. Door eigen erkentenis van den beklaagde, zelfs buiten het geregt gedaan.
Art. 408. De beoordeeling der kracht van bewijs welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben , wordt aan de bescheidenheid des regters overgelaten. Deszelfs geweten wordt op het ernstigste belast met de inachtneming van de alleruiterste zorgvuldigheid en naauwkeurigheid in dat onderzoek.
ZESDE AFDEELING.
Van de kracht van onhecedigde verklaringen.
Art. 409. In de gevallen waarin de wet toelaat personen te hooren die onbevoegd zijn om als getuigen op te tre-
95
den, zal derzelver verklaring alleen als toelichting mogen worden aangemerkt.
De regter zal alzoo geen volkomen geloof mogen hechten aan hetgeen zoodanige onbevoegde getuigen verklaren te hebben gehoord , gezien en ondervonden , al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met en op het spoor te geraken van daadzaken , welke van elders kunnen blijken of bevestigd worden.
TWEE EN TWINTIGSTE TITEL.
Van het ophouden en te niet cjaan van vervolgingen en straffen.
EEHSTB AFDEELING.
Van den dood of de zinneloosheid der verdachten, leklaagden of veroordeelden.
Art. 410. De bepaling van art. 69 van het Wetboek van Strafrecht lijdt uitzondering, voor zooveel aangaat het verhaal van boete of van verbeurte van bepaalde voorwerpen in zake van landelijke , plaatselijke en andere openbare belastingen , alles volgens de bepalingen en onderscheidingen in artt. 411 , 412, 413 en 414 voorkomende.
Art. 411. Indien in hot geval van hot vorige artikel, het geding nog niet aanhangig is gemaakt, wordt hetzelve , voor zoo veel die boeten en verbeurdverklaringen betreft, door de ambtenaren bij artikel 141, n0.2, vermeld , of door het openbaar ministerie , tegen de erfgenamen van den dader of diens vertegenwoordigers aangelegd en vervolgd, bij denzelfden regter en op dezelfde wijze, als tegen den overledene zoude hebben plaats gehad , indien deze alleen boete of verbeurdverklaring, of beiden , zoude hebben beloopen.
Art. 412. Indien de vervolging reeds vóór het overlijden van den dader was aangevangen, zal zij tegen de erfgenamen of vertegenwoordigers worden voortgezet, door eene düg-vaarding in den vorm en binnen de termijnen in burgerlijke zaken voorgeschreven , strekkende ten einde het regtsgeling te hervatten, en, overeenkomstig de voor-
90
schriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stuk , volgens de laatste gedingstukkeu , voort te zetten op de wijze als in strafzaken van dien aard gebruikelijk is.
Art. 413. Indien de strafzaak reeds in liet hoogste ressort is beslist, doch de termijn tot cassatie nog niet is ver-loopen , of een beroep in cassatie aanhangig is, wordt op dezelfde wijze gehandeld als in liet vorige artikel is voor-geschreven.
Art. 414. Indien in de gevallen bij de twee vorige artikelen voorzien, de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene belang hebben bij do afdoening van het geding, kunnen zij hetzelve hervatten, door middel van eono verklaring aan den ambtenaar, welke de vordering heeft ingesteld, beteekend ; en zal in dat geval de zaak tot het uiteinde worden voortgezet volgens de laatste gedingstukken, overeenkomstig liet bepaalde bij art. 412.
Indien het geding vóór het overlijden van don dader nog niet was aangevangen, kunnen de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene als aanleggers optreden, wanneer eenig voorwerp mogt zijn in beslag genomen.
Art. 415. Indien een persoon na het plegen der daad, welke tot strafvordering kan aanleiding geven, is krankzinnig geworden, en die staat wordt erkend door don regter welke van het strafbaar feit moet kennis nemen, wordt de strafvordering geschorst tot na het herstel van den beklaagde ; alles behoudens de bepalingen en onderscheidingen in art. 416 en 417 voorkomende.
Art. 416. De vordering tot boete en verbeurdverklaring, bij art. 410 vermeld, kan , indien de beklaagde is onder curatele gesteld, tegen den curator, of anderzins tegen oenen curator ad hoe worden aangevangen of voortgezet, op dezelfde wijze, als bij vorenstaande artikelen, ten aanzien van erfgenamen of vertegenwoordigers van eenen overledene, is voorgeschreven.
Art. 417. De curator heeft, van zijne zijde, dezelfde bevoegdheid tot het aanvangen of doen voortzetten van het geding, als bij het tweede lid van art. 414 aan do erfgenamen of vertegenwoordigers is toegekend.
97
Art. 418. Indien in de gevallen bij art. 410 vermeldde dader is overleden, nadat de veroordeeling tot straf kracht van gewijsde heeft bekomen , worden alle boeten en verbeurdverklaringen , mitsgaders de kosten, op de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene verhaald.
Bij krankzinnigheid wordt in dat geval tegen den curator gehandeld, onverminderd de uitvoering der andere strafien tegen den veroordeelde, zoodra hij hersteld is.
TWEEDE AFDEELINÖ.
Van verjaring.
Art. 419. De ambtenaren van het openbaar ministerie en de regters geven ambtshalve acht op de verjaring, al ware het dat zij niet door de beklaagden wordt ingeroepen.