-ocr page 1-
-ocr page 2-

.fb./r

P. MA RIAGER,

KULON EN MIKKA.

Het I810 jiinr van dc I28slc Olmnpiade (Ü08 v. dir.) EEN GKIEKSCH VERHAAL, UIT HET BEENSCTI VERTAALD door

.1. K. öROENEWEGEN (*).

I.

Het drinkgelag.

Te Elis , de hoofdstad van liet evenzoo genoemde landschap , lag nabij eene brug, welke over den Peneios voerde, een aanzienlijk huis, dooi\' hooge muren omgeven, lüj dat gebouw behoorde een tuin, wellicht de grootste op de Peloponnesos. Tusschen de platanen en cypressen waren tenten opgeslagen, waar eenig krijgsvolk van verscliillende kleederdracht en wapens bezig was.

Het gebouw werd bewoond door Aristotimos, den zoon van Üama-retos, die met de luilp van Makedonië alleenlieerscher van Elis was geworden. Sedert de vijl\', zes maanden van zijne lieerschappij liad liij zich door zijne gruwelen en verdrukkingen zóó gehaat gemaakt, dat zijn persoon dag en nacht door huurtroepen moest worden beschermd.

Deze bende, die voor het meerendeel van Sikelia afkomstig was, bestond uit eene samenvoeging van dieven, bannelingen, moordenaars en tempelschenders. Zij waren woestelingen, die in meer dan één veldslag den dood in de oogen hadden gezien en niet bang voor hun lichaam waren. Het was echter moeilijk, hen onder bedwang te houden. Bijna iederen dag grepen bloedige voorvallen plaats; zij ontstalen den burgers hunne hoenders, schapen en geiten, en ondertusschen moesten de bevelvoerenden, om de tucht onder tie mannen te bewaren, de we-derspannigen onmiddellijk dooden.

Oj) een schoonen herfstavond werd in den zuilenhof van het groote gebouw een drinkgelag gehouden. Drievoeten met brandende fakkels , van welriekend hout vervaardigd, en talrijke lampen, op hooge metalen stangen geplaatst, deden de prachtige drinkhoorns en blanke bekers fonkelen en wierpen spelende lichtstrepen over de feestkleederen der gasten.

(*) Schoon anders gecue vertalingen worden opgenomen, meenden wij in dit geval eene uitzondering te kunnen maken, daar het oorspronkelijke nog niet verschenen is. De vertaling geschiedde naar het Deensche manuscript. livd%

-ocr page 3-

KULON EN MIKKA.

Aristotimos, een mager, geelbleek man met zware wenkhramveri en grijsachtige haren en haard, zat op eene verhevenheid. Hij droeg een gouden hand om het hoofd en was gekleed in een wit gewaad , niet goud omhoord; zijn purperen mantel had hij wegens de warmte van zijne schouders laten glijden.

Onder de gasten hevonden zich oenige hoogwaardigheidshckleoders en aanzienlijke hurgers der stad , de opperhevclhehhcr dor hmirtroepen en sommige uitverkoren mannen van verschillende oorden des lands.

Lukaios, de van zorg hevrijdende Bakchos, had langzamerhand de longen onthoeid. De aangezichten der gasten werden steeds hooger gekleurd ; zij lachten en praatten allen te gelijk, zoodat nauwelijks een woord verstaan kon worden.

Daar trad een volledig uitgerust krijgsman naar Lncins, den opper-hevelhehher over de huurtroepen , toe on zeide haastig eenige woorden tot hem. Lucius richtte zich met een gebaar van verbazing half van zijn tafelbed op. Do krijger voegde nog eenige woorden aan zijne mededeeling toe.

«Ongehoord!quot; riep Lucius uit, terwijl bij door eene krachtige beweging van het bed opstond en met het gevest van zijn zwaard op de tafel sloeg.

Aller oogen richtten zich naar hem.

I lij was een groote, dikke man, eene gestalte als die van IJei\'kules, met een hoogrood gelaat, waarop de hevige hartstochten plooien hadden gegroefd. Van zijn linkerslaap liep een donkerrood litteeken neder naar den hoek van den mond, waar het in den baard verdween. Ilii droeg een lederen pantser, tusschen welks bronzen sieraden dik stol lag, terwijl op de plaats van den gordel teekenen te zien waren van de bewegingen met het gevest.

Om zijn hals droeg hij een zwaren gouden ketting met een gesneden steen — een geschenk van Aristotimos, wiens beeld daarop was gegrift.

»IIeer!quot; riep hij uit, zich tot don alleenheerscher wendend , «do rijke Aitoliër Toredorax — die vijf talenten boete moest betalen is ontvlucht .... Ik heb nooit zoo iets gehoord!quot;

Aristotimos streek met de hand langs het voorhoofd.

»Is de man niet dood?quot; vroeg hij.

Lucius lachte spottend en zeide:

»Niet moer dan gij, Heer! Gisteravond liet hij geruchten verspreiden, dat hij, door de heilige ziekte aangetast, was gestorven. Doch zoo even trok in de schemering een onafzienbare treurstoet ongehinderd voorbij de poort wacht. Tiet waren Toredorax, zijne vrienden en aanhangers, achthonderd in getal, die de stad verlieten. Men zegt, dat zij naar do Aitoliërs zullen vluchten .... Achter den treurstoet werd een groot aantal offertafels gedragen, waarop vazen, oliekannen en andere heilige geschenken voor den brandstapel lagen, — het waren de kostbaarheden der vluchtelingen , die zij mot hun persoon in veiligheid brachten.quot;

2

-ocr page 4-

KULON EN MIKKA.

Aristotiiiios voer u:t als een i\'azende 011 haldo de vuisten. quot; H* quot;iWïlidiliige !quot; riep iiijuit, »hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren ?quot;

Lucius haalde de schouders op,

«De schuld ligt aan u, lieer!quot; antwoordde hij ......1. »Waarom vertrouwt gij het bewaken der poorten aan gewapende stadssluven toe iu plaats van aan mijne nuuischappeu?quot;

Aristotimos streek langs zijn baard.

In werkelijkheid was hij, de alleenheerscher, een slaaf\' van Lucius en de samengevoegde huurtroepen. Niemand begreep beter dan hij, dat het eerste uur, waarin hij van zijne getrouwen veriaten was , zijn laatste zoude zijn.

» Waar zijn de vrouwen en kinderen der vluchtelingen /quot; vroeg hijbarsch.

quot;In de stad achtergebleven.quot;

»A11 !quot;

Aristotimos speelde met den dolk in zijn gordel.

Allen kenden deze gewoonte en wisten , dat zij niets goeds beteekende.

«Hij de goden, riep hij uit met verkropte woede, «deze treurstoet zal de laatste van zijne soort zijn! Van morgen al\'zal do poort wacht elk lijk met eene speer doorsteken en vuur op de borst leggen.quot;

Kr ontstond eene algenieene stilte.

De gasten zagen elkander ontsteld aan j want zulk eene schennis van do heiligheid des doods was nimmer vernomen.

Daar klonk inde stilte uit het andere einde der zaal eene half luide vraag.

»Wat was dat?.... Wat zeide hij?quot;

De vrager was een doof man , die de ontsteltenis op aller gelaat had opgemerkt en wilde weten, wat er geschied was.

Niemand dacht eraan , hem te antwoorden.

)iDijken zijn heilig!quot;

»Wie wil oen treurstoet geweld aandoen?quot;

»Laat het genoeg zijn met de levenden!...quot;

sGeene mishandeling van de doodeu!quot;

Zoo klonk het van alle zijden.

Maar Aristotimos stond op, wenkte Lucius en verliet, steunend op zijn arm , den zuilenhof,

IT.

In het oei\'trek der jonkvrouwen.

Vóór don ingang van het vrouwenverblijf wachtte een jonge slaaf. Hij liep Aristotimos te gemoet en boog zich diep voor hem.

»Heer, zeide hij, terwijl zijne armen kruiselings op de horst lagen «Stratonike , uwe vrouw, wenscht u te spreken,quot;

))Zij moet tot morgen wachten,quot;

S) Waar is zij ?quot; vroeg Lucius,

\'3

-ocr page 5-

KULON EN MIKKA.

Aristotimos, een mager, geelbleek man met zware wenkbrauwen en grijsachtige baron en baard, zat op eene verbevenboid. Hij droeg een gouden band om bet boofd on was gekleed in een wit gewaad, mot goud omboord; zijn purperen mantel bad bij wegens do warmte van zijne schouders laten glijden.

Onder do gaston bevonden zich eenigo hoogwaardighoidsbekloeders on aanzienlijke bnrgors dor stad , do opporbevelbebbor dor luun troopon en sommige uitverkoren mamion van vorschillendo oorden des lands.

Lukaios, do van zorg bevrijdende Bakchos, bad langzamorband de tongen ontbooid. De aangezichten dor gaston worden steeds boogor gi1-kleurd; zij lachten en praatten allen to gelijk, zoodat nauwelijks oen woord verstaan kon worden.

Daar trad een volledig uitgerust krijgsman naar Lncins, don opper-bevolbebbor over do bnnrtroopon, toe en zoido haastig eenigo woorden tot bom. Lucius richtte zich mot een gebaar van verbazing half van zijn tafelbed op. De krijger voegde nog eonige woorden aan zijne mededoeling toe.

«Ongehoord !quot; riep Lucius uit, terwijl hij door eene krachtige beweging van bet bed opstond en mot hot gevest van zijn zwaard op de tafel sloeg.

Aller oogen richtten zich naar hom.

Hij was een groote, dikke man, eene gestalte als die van Uorkules, met een hoogrood gelaat, waarop do hevige hartstochten plooien hadden gegroefd. Van zijn linkerslaap liep een donkerrood littookon neder naar don hook van don mond, waar hot in don baard vordwoeii. Hij droeg een lederen pantser, tusschen welks bronzen sieraden dik stof lag, terwijl op do plaats van don gordel teekonen te zien waren van de bewegingen met hot gevest.

Om zijn hals droeg bij oen zwaren gouden ketting met een gesneden steen een geschenk van Aristotimos, wiens beeld daarop was gegrift.

«Moor!quot; riep bij uit, zich tot den alleenheorschor wondend , «do rijke Aitoliör Toredorax — die vijf talonten boete moest betalen is ontvlucht .... Ik heb nooit zoo iets gehoord!quot;

Aristotimos streek met de band langs het voorhoofd.

»Is de man niet dood?quot; vroeg hij.

Lucius lachte spottend en zeide:

))Niet meer dan gij, Heer! Gisteravond liet hij geruchten verspreiden, dat bij, door de bollige ziekte aangetast, was gestorven. Doch zoo oven trok in de schemering oen onafzienbare treurstoot ongobindord voorbij de poort wacht. Het waren Toredorax, zijne vrienden en aanhangers, achthonderd in getal, die do stad verlieten. Men zegt, dat zij naar do Aitoliörs zullon vluchten .... Achter don treurstoot word oen groot aantal offertafels gedragen, waarop vazen, oliekannen en andere boiligo go-schonken voor den brandstapel lagen , — het waren do kostbaarheden tier vluchtelingen, die zij mot htm persoon in veiligheid brachten.quot;

O

-ocr page 6-

KULON EN MIKKA.

Aristntimos voor uit als een razoudu 011 haklo de vuisten.

wik (in^cliikkigc !quot; riep hij uit, slioe lieei\'t zoo iots kuuucii goheurou ?quot;

Lucius haiildc ilc schouders op,

»1)(! sciiuld ligt aau i|, lieer!quot; antwoordde hij koud. aWaai\'om vertrouwt gij liet bewaken der poorten aan gewapende stadsslaveu toe in plaats van aan mijne niansehappen?quot;

Aristotimos streek langs ziju haard.

In werkelijkheid was hij, de alleenheerscher, een slaat\' van l.iieins

lgt;n \'lquot;\' .......ngevoegde huurtroepen. Niemand begreep hetei\' dan hij dat

het eerste uur, waarin bij van zijne getriaiwen verlaten was, /.ijn laatslo zoude zijn.

sVVaar zijn de vrouwen en kinderen der vlnchtelingen?quot; vroeg hij barseli.

))ln de stad achtergebleven.quot;

«Ah !quot;

Arislotimos speelde met den dolk in zijn gordel.

Allen kenden deze gewoonte eu wisten , dat zij niets goeds beteekende.

»l)ij de goden, riep hij uit met verkropte woede, «deze treurstoet zal de laatste van zijne soort zijn! Van morgen al\'zal de poortwacht elk lijk met eeue speer doorsteken en vuur op de borst leggen.quot;

Er ontstond eene algemeene stilte.

De gasten zagen elkander ontsteld aan; want zulk eene schennis van de heiligheid dos doods was uiinmer veruoinen.

Daar klonk in de stilte uit het andere einde der zaal eene lialf luide vraag.

»Wat was dat?.... Wat zeide bij?quot;

De vrager was een doof man . die de ontsteltenis op aller gelaat bad opgemerkt en wilde weten, wat er geschied was.

........... dacht eraan , hem te antwoorden.

»1.ijken zijn heilig!quot;

»Wie wil een treurstoet gewold aandoen?quot;

))Laat bot genoeg zijn mot de levenden! . . .quot;

sOeene mishandeling van de dooden!quot;

/00 klonk het van alle zijden.

Maar Aristotimos stond op, wenkte Lucius en verliet, steunend op ziju arm, den zuilenliof.

TF.

In het vertrek der jonkvrouwen.

Vóór don ingang van hot vrouwenverblijf wachtte oen jonge slaaf. Hij liep Aristotimos te gemoet 011 boog zich diep voor hem.

slleor,quot; zeide hij, terwijl zijne armen kruiselings op do borst lagen »Stralonike , uwe vrouw, wonscht n te spreken.quot;

»Zij moet tot morgen wachten.quot;

»Waar is zij?quot; vroeg Lucius.

3

-ocr page 7-

KULON EN M1KKA.

»Iii liet vertrek der jonkvrouwen bij liure iloclilers.quot;

»Kom !quot; riep fjiu-ius gebiodeiu).

«Neen , neen! laat haar wachten.quot;

«Kom, lieer!quot; zeide Lucius beslist eu vatte den tyrau liraclitig liij den arm. ))Hoor toith, wat zij te zeggen heelt.quot;

Te gelijk voerde hij den nog togeustribbeleuden Aristotimos naar eene lage deur en duwde hein behoedzaaiu naar binnen.

Tiet vertrek der jonkvrouwen was eene kleine ruimte , door eene metalen lamp, die met kettingen aan den zolder hing, verlicht.

Naast den ingang zat eene lange, bleeke vrouw van ongeveer veertig jaar. Hare trekken droegen de sporen van diepe smart. Zij had hare handen in den schoot gelegd eu staarde onbeweeglijk voor zich.

Aristotimos, die wel een weinig snel was hinnengekoinen, richtle zich iu zijne volle lengte op.

Het was iets ongewoons voor hem, zijne vrouw in ledigheid te zien. Er moest dus iets ernstigs gebeurd zijn.

Hij vatte de plooien van zijn\' mantel sanien en zeide met waardigheid :

«Wat wilt gij ?quot;

Stratonike stond op.

»Wat ik wil?quot; vroeg zij en zag hem onbeweeglijk aan. »Uwe slechte woorden aangaande de lijken vervullen allen in huis. Morgen zullen zij de geheele stad vervullen en nieuwen haat bij den oudeu voegen.quot;

»En wat zou dat?quot; vroeg de geweldenaar koud.

«Aristotimos, Aristotimos, gij woedt niet alleen tegen uzelf, maar tegen uw eigen geslacht! Kent gij de llelleensche gebruiken niet; weet gij niet, hoe een woedend volk tyrannen straft?.... Wanneer het uur der vergelding is gekomen, zal men wreedheid met wreedheid betalen, bloed voor bloed vorderen — niet alleen het uwe , maar ook het mijne en dat uwer kinderen!quot;

«Zie !quot; vervolgde zij en trok een voorhangsel, waardoor het vertrek der jonkvrouwen in twee ruimten was verdeeld, terzijde, »zie!quot; herhaalde zij mot tranen in de oogen, sis dat niet een aanblik . die het hart eens vaders moet treffen ?....quot;

Het licht van de lamp bestraalde het leger, waarop de beide dochters des huizes sluimerden.

Aristotimos volgde haar blik.

De jonge meisjes sliepen naar de gewoonte des lands ontkleed op de met bonte kussens bedekte rustbank. Een dunne witte sluier, dien zij over zich hadden gespreid, was onder hare beweging in den shiii|i half afgegleden van de fijne, blanke lichamen. De schouders, armen eu hals waren ontbloot, en aan het ondereinde staken de kleine voeten uit. Muro , de oudste der zusters, een schoon ontwikkeld meisje met glanzend zwart haar, hield de jongste, Stefanion, in haar arm. Deze had zich als een kind dicht naast hare zuster gevlijd; haar hoofd rustte op Muro\'s boezem, welks bewegingen het volgde. De meisjes waren

■4

-ocr page 8-

KULON EN M1KKA.

in don lopftijil van zeslion tot aclittion jaar, en over Vmar gelaat liafl de slaap (\'lt;\'iie idnilcrlijke uitdrnkkipg ^etoovenl, die slcclit.s aan do ecü\'stc jcuyd behoort.

Aristotimos trad cene schrede nader tot de rustbank en Ik.oh\' zich daarover.

Stratonike le^\'de de hand op zijn arm.

sKnnt ^\'ijHnisterdc zij sidderend, «m deze kiiideren mishandeld en hare blanke ledematen door bet slof\' gesleurd voorslellen ?quot;

Aristotimos maakte cene aCwijzende beweging.

sdeloot\' mij!quot; vervolgde zij, «als het nnr iler1 verfteldin^ komt, zal hot volk niet dnlden, dat één van de onzen in leven blijft, maar hen tot de jongste toe vernietigen als adderifebroed,quot;

«Hah!quot; zeide Aristotimos luide, en terwijl de beneveling van den wijn de overhand bij hem kreeg, haalde hij diep adem en schooi\' den band van zijn voorhoofd weder recht op de vochtige lokken.

Daarop maakte hij eene beweging als eene wentelende molenwiek en mompelde halfluide; »Patagos, patagos!quot; wat ongeveer beteekent: «Geklap!quot; (\')

Kn toen Stratonike hem als versteend aanzag, klopte hij haar op de schouders en zeide:

»Wanneer ik den raad van vrouwen behoef, zal ik n laten roepen.quot;

Maar Stratonike scheen vast besloten te zijn, het laatste woord te hebben.

Zij hief den vinger op en zeide ernstig:

«Aristotimos, laat n waarschuwen, voordat het te laat is.quot;

111.

Kulon en Mikka.

Aan het einde van de stad Klis lag een Iniis, van welks achterzijde men het gezicht bad over het dal van den l\'eneios met zijne kleine boschjes, velden en afgelegen steden, liet dal werd omsloten dooi\'het uitgestrekte S kol lisgebergte en den ontzaglijk Imogen berg Erumantbos, waarachter men op grooten afstand den schitterenden sneeuwtop van don Lampeia ontwaarde.

Op den dag na bet drinkgelag ten huize van Aristotimos werd togen den avond bij die woning op flnisterenden toon een gesprek gevoerd.

Mikka, de eenige dochter van den eigenaar van het huis, Filodemos, stond binnen voor eene vensteropening in bet achlernitbouwsel van de woning en sprak met Kulon, een jonkman van voorname geboorte. Ilij bereed een zwart Thessalisch paard, dat hij dicht aan den munr

(\') PatagosI Dit woord, geklepper hctpclceuemls, wordt hier iils eene klanknabootsing gebezigd, In liet oorspronkelijke staiit: „l\'atagos, patagos,... klill\', kluit\'.quot; Wij hebben voor dat klill\', klall\' geene soortgelijke uitdrukking. Om die reden vertaalde ik vrij: „Patu-gos, patagos----geklap.quot; Kerl.

-ocr page 9-

KULON EN MIKKA.

Iiad geleid , om des te beter een paar woorden met liet jonge meisje te kunnen wisselen.

«Neen, neen! spot niet!quot; riep Mik ka uit, »il\\ luiiver nog, wanneer ik eraan denk.quot;

»VVaar ontmoettet f;ij liem?quot;

nOp den weg naar Ividlcne. Ik lialt;l, vcrgc/cld van Satnros, liet graf mijner grootmoeder lie/oclit, om eeno nlirkan aan den cypres (e bevestigen.... liet is vandaag haar sterfdag.quot;

))/ijt ge zeker, dat het Lncins was.\'quot;

«Niemand heeft /nik een litteeken.quot;

i) K11 hij lachte en wierp n een handkus toe/.... Laat de ellendeling voorzichtig zijn!quot;

»Kr is nog erger geschied ! Ken zijner boogschutters sloop niet lang geleden om het huis. Satnros kloofde brandhout op een steen voor de deur en op de vraag van den boogschutter antwoordde de eenvoudige man, dat ik hier woonde,quot;

Kulou zag haar toeder aan.

liet jonge meisje, dat half verscholen in de schaduw achter de vensteropening stond, zag er bekoorlijk uit. /ij had een blauwen sluier over haar ravenzwart haar geslagen ; hare donkere oogen, waarin door de aandoening tranen waren, straalden van toegenegenheid, toen zij die naar den statigen ruiter richtte, en hare welgevormde, witte armen schenen in de schemering nog eens zoo blank te zijn. Maar wat Kulon boven alles betooverde, was do lieftalligheid, waarmede zij haar hoofd ophief en naai\' hem zag, wanneer hij sprak. Neen, nooit was hij door oene vrouw zoo bekoord!

Kulon boog zich over den hals van zijn paard heen, vatte de hand van het meisje, die op den rand van de vensteropening rustte, en hield die in de zijne.

Mikka wendde de oogen idet van hem af.

Zijne krullend zwarte haren teekenden zich scherp af tegen den blauw grijzen avondhemel, en zijn witte mantel viel in sierlijke plooien neder op den rug van het paard. Telkens, wanneer liet ongeduldige dier met zijn poot in den grond wroette en den nek schudde, maakte do ruiter oene gelijke beweging, zoo bevallig, dat het de bewondering van iedere vrouw zoude hebben weggedragen.

Mand in hand zagen de beide jonge menschen elkander aan. liet meisje zag spiedend om , en terwijl zij op een vooruitstekend deel van den muur sprong, stak zij haar lief kopje door de vensteropening. Kulon boog een weinig voorover, en de lippen der geliefdon raakten elkander aan in een teederen kus.

liij deze onverwachte beweging was het paard bijna niet meer te besturen. Kulou behoefde al zijne behendigheid, om het nog een oogen-hlik naar het huis te leiden.

0

-ocr page 10-

KULON EN MIKKA.

Mi\'oos niet, Mikka !quot; zeide hij. »Daar zullen weidrti ^Toote gobeurte-nissen |)liuits grijpen.quot;

»Wat zegt gij dat beslist, Knlon! Wat meent ge? Verberg mij niets.quot;

»Ue wijze llellanikos gelooft, dat de dagen der geweldenaars geteld zijn.quot;

»lIellanikos? . . . . Hij is een oud, gebrekkig man.quot;

j»Zeker ! Maar hij bezit eene sterke ziel in een zwak lichaam. Mogelijk komt de verlossing van hem .... doch ik dmf niet meer zeggen.quot;

8 Ach! riep Mikka zuchtend uit, «waarom ben ik niet de dochter eens rijken?.... Dan zouden uwe ouders . . . .quot;

«Vertrouw op mij, Mikka!quot; viel Kulon haar in de rede. «Alles zal zich ten beste keeren !quot;

Daarop vierde hij de teugels en verdween op den weg, die naar de stad voerde.

IV.

Lucius.

Nauwelijks was Mikka alleen gebleven, of zij snelde naar dat gedeelte van het huis, waar hare ouders vertoefden.

In de voorhal stond een man met een blinkend stalen helm op het hoofd , leunend tegen een esschenhouten boog.

Mikka\'s ademhaling werd sneller, en haar hart begon onrustiger te kloppen.

In hot vertrek was de lamp ontstoken.

I\' dodemos, haar vader, een grijsaard, zat in een leunstoel en hield een wastafeltje tegen bet licht. Hij beproefde te lozen, wat daarop gegrillold sloiid; maar zijne handen beefden en de teekons vloeiden voor zijn oog ineen.

Do moedor stond achter hem, over zijn schouder gebogen; zij zag bleek, en toen hare dochter binnentrad, wierp zij een bekommerden blik op haar.

Mikka nam het tafeltje van haar vader aan en las:

«Lucius wenscht Mikka, de dochter van Filodemos, te spreken. De jonkvrouw moet den brenger dezes volgen.quot;

Er ontstond eene diepe stilte.

De moeder sloeg de handen vertwijfelend ineen.

De vader beproefde op te staan, maar viel terug op zijn zetel. Met duurde eenigen tijd, voordat hij in staat was te sprekenquot;.

gt;)VVij kunnen geene macht tegenover macht stellen,quot; mompelde hij dol. »Mikka moet gehoorzamen.quot;

Met jonge meisje wierp het wastafeltje weg, zoodat het kletterend op de vloertegels viel.

»Vader!quot; riep zij uit, terwijl zij voor den grijsaard nederboog en

7

-ocr page 11-

KULON EN MIKKA.

zijne knieën omvatte, slaat mij liever sterven! Bescherm mijn maagdelijken staat en s(a niet toe, flat hij zoo schandelijk ontheiligd worde.

Kcnig leven werd bij den ingang vernomen.

De hoodschapper stond daar en stootte zijn boog driftig tegen den grond.

))Wat moet ik antwoorden?quot; vroeg liij.

Mikka hief het hoofd op en keerde zich naar hem toe. Zij was zoo bleek als hare moeder en hare donkere oogen schitterden van onge-wonen glans.

«Kom, schoone jonkvrouw!quot; zeide de boogschutter en hij strekte de hand naar haar uit.

»Nooit!quot; antwoordde Mikka beslist en zij hief de oogen ten hemel, als riep zij do goden tot getuigen.

De bode draaide op den hiel rond en verwijderde zich met vaste schreden.

))Wee ons!quot; riep de vader uit, »dat zal ons allen ten verderve voeren !quot;

De moeder zonk op een zetel neder en verborg haar gelaat.

Mikka legde het hoofd op haars vaders knie en, aan hare ingehouden aandoeningen den vrijen loop latende, barstte zij uit in een heftig schreien.

Lucius was inmiddels —1 ongeduldig door het wachten den boodschapper te gemoet gegaan.

Toen hij het antwoord van hel jonge meisje had vernomen, spoedde hij zich naar Filodemos\' woning, duwde den deurwachter op zijde en trad binnen.

Hij vond Mikka nog voor haar vader gebogen.

«Volg mij, jonkvrouw!quot; zeide hij gebiedend.

Mikka zag hem schuw aan. Zijn gelaat gloeide van dronkenschap en toorn.

»Nooit!quot; antwoordde zij zacht, maar beslist.

De barbaar vatte haar bij de kleederen, rukte die af, greep een stok, welke hij den zetel van Filodemos stond, en sloeg haar daarmede onbarmhartig.

Mikka verdroeg de slagen, zonder eene klacht te uiten.

Hare ouders riepen goden en menschen te hulp en wrongen wanhopig de handen over deze gruwelijke wandaad.

»Zoo!quot; riep Lucius ademloos en wierp den stok weg, »nn zijt ge gedweeër, mijne schoone!.... kom!\'

Mikka verwaardigde hem niet met een antwoord.

»Weet gij, wie ik ben?quot; schreeuwde Lucius, en de aderen van zijn voorhoofd zwollen op. «Allen beven voor den geweldenaar Aristotimos ; maar Aristotimos beeft weder voor mij! Ik ben Lucius, de aanvoel dei

der huurtroepen.quot;

Mikka bewoog zich niet, als had zij niets gehoord.

Toen trok Lucius in dolle woede zijn zwaard en met de woorden : »Ga naar Hades!quot; stootte hij dit het meisje in den blooten rug. Maar

8

-ocr page 12-

KULON EN MIKKA.

onvast, als hij was, gleed zijn voet op het wastafeltje \'lit, zoodat do stoot haar in do zijde trof, waar het hloed door het duniio kleed stroomde.

»VVee mij! ik ben des doods!quot; stamelde .Mikka en viel terug tegen haars vaders knie.

Zonder op Lucius acht te geven, snelde do moeder hare dochter te hulp. liij het zien van het hloed, dat in oen dunnen straal langs hot kleed vloeide, hief zij de oogen ten hemel en riep jammerend uit;

»Maar zijn cr dan geene goden!quot;

Lucius stak hot zwaard in de scheetlo en wankelde naar buiten.

V.

Mecjislo.

Don volgenden morgen liet de geweldenaar Aristotimos bekend maken, dat do vrouwen, die de achthonderd ontvluchte maimen wonschten te volgen, de stad mochten verlaten en zooveel van haar eigendom konden niedenemen, als zij wilden.

Uoze vergunning, welke zeer onverwacht kwam, verwekte groote vreugde. Meer dan zeshonderd vrouwen besloten daarvan gebruik tu maken.

Toen Aristotimos bemerkte, dat zijn bericht goed werd opgevat, vaardigde hij hot hevel uit, dat allen op denzelfdon dag zouden vertrekken. liij zonde haar een zeker geleide vorschalTen.

Niemand begreep deze welwillendheid, want de geweldenaar hield niet van eenigo vermindering in het aantal burgers of in hun eigendom.

Op den hopaalden tijd verzamelden zich do vrouwen op eouc vrije plaats binnen do stadspoort. Hot was een lange, bonte optocht. Sommigen hadden wagens van allerlei soort genomen, anderen reden op ezels of muildieren, en velen kwamen te voet. Zij waren belast met wat zij kostbaars bezaten, en bijna allen hadden kinderen op den arm of aan de hand.

Terwijl zij wachtten, kwam eene afdeeling huurtroepen van de naburige straten opdagen.

«Blijft! blijft!quot; riepen zij reeds van verre, en toen zij naderden, bevalen zij den vrouwen aldus te doen. Daarop grepen zij de lastdieren bij do teugels en deden die met de wagens omkeeren. Het ging niet behoedzaam, maar hals over kop, en onder de dicht opeengepakte menigte ontstond de grootste verwarring. Kinderen vielen uit de wagens, en de moeders hieven hartverscheurende kreten aan bij het zien, dat hare kleinen overreden of onder de hoeven der beesten vertrapt werden. Maar in plaats van den moeders gelegenheid te geven haar kinderen te hulp te komen , dreef het ruwe krijgsvolk de vrouwen met schreeuwen en zweepslagen voort, zoodat de achtersten, als bij eeno

t)

-ocr page 13-

KULON EN MIKKA.

zijne knieën omvatte, slaat mij liever sterven! Bescherm mijn maagde-1 ij kou staat en sta niet toe, dat hij zoo schandelijk ontheiligd worde.quot;

Kenig leven werd bij den ingang vernomen.

Do boodschapper stond daar en stootte zijn boog driftig tegen den grond.

»Wat moet ik antwoorden?quot; vroeg hij.

Mik ka hief het hoofd op en keerde zich naar hem toe. Zij was zoo bleek als hare moeder en hare donkere oogen schitterden van onge-wonen glans.

»Kom, schoone Jonkvrouw!quot; zeide de boogschutter en hij strekte de hand naar haar uit.

»NooitIquot; antwoordde Mikka beslist eu zij hief de oogen ten hemel, als riep zij de goden tot getuigen.

De bode draaide op den hiel rond en verwijderde zich met vaste schreden.

» Wee ons 1quot; riep de vader uit, «dat zal ons allen ten verderve voeren !quot;

De moeder zonk op een zetel neder en verborg haar gelaat.

Mikka legde het hoofd op haars vaders knie en, aan hare ingehouden aandoeningen den vrijen loop latende, barstte zij uit in een heitig schreien.

Lucius was inmiddels —■ ongeduldig door het wachten ■ den boodschapper te genioet gegaan.

Toen hij het antwoord van het jonge meisje had vernomen, spoedde bij zich naar Filodemos\' woning, duwde den deurwachter op zijde eu trad binnen.

Hij vond Mikka nog voor haar vader gebogen.

»Volg mij, jonkvrouw!quot; zeide hij gebiedend.

Mikka zag hem schuw aan. Zijn gelaat gloeide van dronkenschap en toorn.

«Nooit!quot; antwoordde zij zacht, maar beslist.

De barbaar vatte haar bij de kleederen, rukte die af, greep een stok, welke bij den zetel van Filodemos stond, en sloeg haar daarmede onbarmhartig.

Mikka verdroeg de slagen, zonder eene klacht te uiten.

Hare ouders riepen goden en menschen te hulp en wrongen wanhopig de handen over deze gruwelijke wandaad.

»Zoo!quot; riep Lucius ademloos en wierp den stok weg, »nu zijt ge gedweeër, mijne schoone! .... kom!

Mikka verwaardigde hem niet met een antwoord.

«Weet gij, wie ik ben?quot; schreeuwde Lucius, en de aderen van zijn voorhoofd zwollen op. «Allen beven voor den geweldenaar Aristotimos ; maar Aristotimos beeft weder voor mij! Ik ben Lucius, de aanvoerder

der huurtroepen.quot;

Mikka bewoog zich niet, als had zij niets gehoord.

Toen trok Lucius in dolle woede zijn zwaard en met de woorden: »Ga naar Hades!quot; stootte hij dit het meisje in den blooten rug. Maar

8

-ocr page 14-

KULON EN MIKKA.

onvast , als hij was , gleed zijn voet op het wastafeltje uil, zoodat lt;lo stoot haar in de zijde trof\', waar het bloed door hot dunne kleed stroomde.

»Wee mijl ik hen des doods!quot; stamelde Mikka en viel terug tegen huars vaders knie.

Zonder op Lucius acht te geven, snelde de moedor hare dochter te hulp. Bij liet zien van het bloed, dat in een dunnen straal lai.gs het kleed vloeide, hief zij de oogen ten hemel en riep jammerend uit:

))Maar zijn er dan geene goden!quot;

Lucius stak het zwaard in de scheede en wankelde naai\' buiten.

V.

Megisto.

Den volgenden morgen liet de geweldenaar Aristotimos bekend maken, dat de vrouwen, die de achthonderd ontvluchte mannen wenschten te volgen , de stad mochten verlaten en zooveel van haar eigendom konden medenemen, als zij wilden.

Deze vergunning, welke zeer onverwacht kwam, verwekte groote vreugde. Meer dan zeshonderd vrouwen besloten daarvan gebruik te maken.

Toen Aristotimos bemerkte, dat zijn bericht goed werd opgevat, vaardigde iiij het bevel uit, dat allen op denzelfden dag zouden vertrekken. liij zoude haar een zeker geleide verschaffen.

Niemand begreep deze welwillendheid, want de geweldenaar hield niet van eeuige vermindering in het aantal burgers of in hun eigendom.

Up den bepaalden tijd verzamelden zich de vrouwen op eene vrije plaats binnen de stadspoort. Het was een lange, bonte optocht. Sommigen hadden wagens van allerlei soort genomen, anderen reden op ezels of muildieren, en velen kwamen te voet. Zij waren belast niet wat zij kostbaars bezaten, en bijna allen hadden kinderen op den arm of aan de hand.

Terwijl zij wachtten, kwam eene afdeeling huurtroepen van de naburige straten opdagen.

«Blijft! blijft!quot; riepen zij reeds van verre, en toen zij naderden, bevalen zij den vrouwen aldus te doen. Daarop grepen zij de lastdieren bij de teugels en doden die met de wagens omkeeren. Het ging niet behoedzaam, maar hals over kop, en onder de dicht opeengepakte menigte ontstond de grootste verwarring. Kinderen vielen uit de wagens , en de moeders hieven hartverscheurende kreten aan bij het zien, dat hare kleinen overreden of onder de hoeven der beesten vertrapt werden. Maar in plaats van den moeders gelegenheid te geven haar kinderen te hulp te komen, dreef het ruwe krijgsvolk de vrouwen met schreeuwen en zweepslagen voort, zoodat de achtersten, als bij eene

ü

-ocr page 15-

KULON EN MIKKA.

kuilde schapen , uit alle macht naar de voorsten drongen. Zoo dreven de huurlingen haar naar het raadhuis, waar zij in den zuilenhof en do omringende ruimten de uitgangen versperden.

Doch het eigendom der vrouwen, de zorgvuldig ingepakte kostbaarheden, die in do wagens waren achtergelaten of op don weg verstrooid lagen, moest het krijgsvolk naar Aristotimos brengen; want de bevelhebbers der troepen, wetende, hoe schelmsch hun volk was, hielden een wakend oog op hen.

Die gewelddadige behandeling der vrouwen verwekte den grootsten toorn in de stad. Onder de mannen werd over niets anders gesproken.

Toen Aristotimos, beschermd door zijne lijfwacht, zich dien dag op de markt vertoonde , gingen «de zestienquot; hem te gemoet.

Zij vormden een rei heilige , tot den dienst van Bakchos ge wijde vrouwen, die een hoogen rang in den priesterstand van het land innamen. Zij waren in het wit gekleed, droegen heilige haarbanden niet geheimzinnige teekens om het hoofd en olijftakken in de handen. Nadat de trawanten eerbiedig ter zijde waren geweken, stonden zij een oogen-blik stil voor Aristotimos, terwijl zij de olijftakken recht voor zich strekten , om stilte en eerbied te bevelen.

Maar bij het eerste woord, dat zij ten gunste van de vrouwen spraken , wendde Aristotimos zich om en raasde tegen de trawanten, omdat zij aan »do zestienquot; hadden vergund te naderen. Daarop liet bij bon met stoeten en slagen do heilige vrouwen van de markt jagen en legde aan ieder hunner eene boete op van twee talenten.

Nauwelijks was de beweging, door dit voorval gewekt, bedaard, of er kwam een bericht, dat opnieuw ontroering in do stad tewcegbraclit.

De achthonderd burgers, die, onder den schijn van een treurstoet te vormen, met den rijken Aitoliör Toredorax waren gevlucht, hadden _ in plaats van zich naar Aitolia te begeven — den burcht Anu-

mone, eene versterking, voortreffelijk gelegen, om vandaar uit de vijandelijkheden te beginnen, veroverd.

Op dat bericht ontstelde Aristotimos niet weinig. Hij begreep niet te kunnen verhinderen, dat eene menigte burgers zich van Elisin stilte naar de vluchtelingen zouden begeven, om met hen gemeene\' zaak te maken. Hij wist bovendien, dat hij vele vijanden had, niet alleen in de stad, maar ook in dat gedeelte des lands, hetwelk men »het holle Elisquot; noemde. Een opstand kon daarom gevaarlijk worden.

Door het geroep op de straat en het gesprek tusschen de krijgslieden vernamen de zeshonderd vrouwen, die in het raadhuis in verzekerde bewaring waren gesteld, zeer spoedig, wat bad plaats gegrepen. Maar verre van zich te verheugen over de bezetting van den burcht Anumone, verwekte dit feit veel bekommering bij baar. Zij bewonderden wel hot snelle, krachtdadige optreden der mannen, maar daar zijzelf als gegijzelden onder bewaking waren gestold, vreesden zij alles te moeten duchten.

iiij de kinderen was het geheel anders. In hunne zorgeloosheid

10

-ocr page 16-

kulon en mlkka.

hadden zij reeds lt;!c kleinen vergeten, die onder de wielen waren ge-komen. Blijde, dat /ij in zoo ongewoon groeten getale vereenigd waren , sloten zij zich weldra bij elkander aan en verdeelden zich in verschillende partijen. De jongens begonnen al zeer spoedig te worstelen, en aangezien do wachters zich daarbij vermaakten en welwillend gestemd schenen te zijn, volgden de kinderen den lust huns harten op en gaven zich aan hot spel over.

Als altijd bij zoodanige gelegenheden waren de kleine meisjes het moedigst.

»Laat ons dansen in een kring!quot; riepen eenigen. Daarop grepen zij elkanders handen en zwierden in de rondte. Ging het niet snel genoeg, dan riepen zij :

»Vlug Maliades, vlug Rhoiai, vlug Meliai!quot;

Dat waren ongetwijfeld oude namen voor nimfen. Maar wat zij be-teekenden, wist niemand. De legenden waren in den loop der eeuwen verloren geraakt; slechts de namen waren van geslacht tot geslacht in den mond der kinderen bewaard gebleven.

Plotseling riep een van de jongens:

»Laat ons glimworm (*) spelen 1quot;

»Ja, ja!quot; antwoordden anderen en klapten in do handen.

Men blinddoekte een van de knapen. TJij draaide rond onder den uitroep: »Ik wil oen glimworm jagen!quot; Daarop antwoordden de anderen: »Gij kunt wel jagen, maar niet vangen!quot; en zoo plaagden zij hem , door naar hein te steken en doeken, lederen riemen en soortgelijke voorwerpen hem voor te houden.

«Glimworm!quot; herhaalde een groote jongen. «Dat is goed voor de

kleinen----NTec11. ons koning spelen! Ik zal de koning wezen! Gij

zijt mijne krijgslieden, hovelingen en onderdanen. Ieder zal bet zijne doen!quot;

Doch juist toen het spel zoude beginnen , ontstond eenige drukte in de voorhal.

Aristotimos trad, vergezeld van de voornaamste burgers, inden zuilenhof. Hij droeg een eenvoudig, donkerbruin gewaad ; slechts de gouden band om het hoofd duidde zijne waardigheid aan.

Zijn gelaat drukte onrust en bekommering uit.

Hij liep dwars door den zuilenhof en trad do hal binnen, die men aan de rijkste en aanzienlijkste vrouwen tot verblijf had gewezen. Zijne volgelingen bleven een weinig achter.

Aristotimos zag langzaam den kring rond.

De voornaamste vrouwen hadden op de weinige zetels, die daar aanwezig waren, plaats genomen; do anderen lagen daaromheen, zooals haar dat het gemakkelijkst was.

«Vrouwen!quot; zeide hij, «gij moet aan uwe mannen schrijven, dat zij het land verlaten.quot;

(\') Glimwowi. J)c Gneksche woorden ZaXxf, [ivia, bctcokencu eigenlijk ijzervlicf?. Het 16 ccue wieg, die als ijzer of koper glimt, Jjij ons gliinworiii.

-ocr page 17-

KULON EN MIKKA.

Niemand antwoordde.

Zij waren allen verlntterd, dat hij zijn woord luid gohroken on, in plaats van geleide te geven, haar had gejiluiulcrd en in verzekerde bewaring gesteld. De woede gaf haar moed, en zij gaven elkander dooi\' oogwenken te verstaan, dat zij zich niet door hcdreigingen zonden laten verschalken.

»Doet gij het nietvervolgde do geweldenaar harsch, »dan zal ik eerst uwe kinderen laten dooden en daarna u op de verschrikkelijkste wijze doen oinhrengen.quot;

Megisto, de meest geachte vrouw uit de stad, voor wier wilskracht zich de anderen bogen, was zoover van verschrikt te zijn , dat zij niet eens voor Aristotimos opstond. Alleen door haar blik hield zij de anderen zoo bedaard, dat niemand zich eerbiediger durfde toonen, dan zij zich gedroeg. Zij was gehuwd met ïimoleon , oen der eerste overheidspersonen, en was nog eene schoone vrouw van eene hooge, statige gestalte.

Zittend gaf zij den geweldenaar dit antwoord:

«Waart gij oen verstandig man , dan zoudt ge niet tegen de vrouwen over hare mannon spreken, maar u tot hen als tot onze meesters wenden. Meent gij daarentegen hen niet te kunnen bedriegen en wilt gij daarom beproeven hen door ons ten val te brengen, denk dan niet, dat wij ons voor de tweede maal zullen laten misleiden. Geloof ook niet, dat zij zoo slecht denken, om uit medelijden met hunne vrouwen en kinderen de vrijheid des vaderlands op te offeren. Want ons te missen, — hetgeen zij nu reeds moeten ondervinden — kan voor hen geene groote smart zijn in vergelijking met het geluk , om hunno medeburgers van uwe wreedheid en uw overmoed te bevrijden.quot;

Aristotimos\' gelaat had, terwijl Megisto sprak, steeds boosaardiger uitdrukking gekregen. Zijne hand greep krampachtig naar den dolk in zijn gordel.

Een oogenblik bleef hij sprakeloos.

«Breng haar kind hier!quot; zoide hij vervolgens op een toon, die de aanwezigen huiveren deed.

Een paar trawanten verwijderden zich, om don jongen te zoeken.

Op hetzelfde oogenblik vernam men van de andere zijde van den znilenhof een gejubel van kinderen. Megisto boog zich voorover en luisterde. Misschien meende zij de stem van haar kind onder do vele andere te herkennen.

Kleine knapen en meisjes zongen in koor:

«Kelikelonc, Kelikelono, wat doot sti i» den kring?quot;

Eene heldere meisjesstem antwoordde:

))Ik weef wol mot inslag van Miletquot; (\').

(*) Milet, verkorting van Miletos. Verl.

12

-ocr page 18-

KUI,UN EN MIKKA.

Weder zongen /.ij te zamcu in koor:

«Maar hoe vond uw ktuinzoon toch den dood?quot;

De heldere ntem antwoordde:

«Van zijn schinnnel sprong hij in lt;1ü diepe zec.,\'

Plotseling vernani men een paar hall:\' onderdrnkte kreten. Wellicht hiidden de wa( hteigt; met de speren shigen nitgedefdd, om de kindei \'jn te doen zwijgen.

fn de hal was do stilü; steeds drukkender geworden. Allen wachtten op hetgeen zonde gehenren. Men zag uit naar do trawanten, die het knaapje moesten brengen.

Daar verhiel\' Megisto zich. /ij was doodshloek , en gelijk zij daar stond in haar wit kleed, was zij indrukwekkend als een grootsch marmeren beeld.

sAlkoides!quot; riep zij, zoodat het ver tnsschen de zuilen weerklonk.

Ken oogenhlik later kwam een knaapje van zes, zeven jaar hinneu-huppiden. Zijne wangen gloeiden, zijne oogen straaklen, en met zijn zwart, krullend haar geleek hij veel op de kleine lieldegodjes der logende.

Megisto legde de hand op zijn hoofd.

«Kom , mijn kind !quot; zeide zij, luid genoeg, om door allen verstaan te worden. »Laat u terwijl ge het nog kunt voelen en verstaan -bevrijden van de geweldige heerschappij! Het zou mij grooter smart zijn, ii in onwaardige slavernij te zien dan dood!quot;

Ziedend van toorn trok Aristotiinos zijn dolk en liep als razend op haar toe; doch Kuloii, die zich onder zijne volgelingen hevond, trad snel tnsschen beiden en hield zijne hand terug.

«Bedaar, lieer!quot; riep hij, »bed rijf geene daad , een vorst, die geleerd heeft te heerschen, onwaardig.quot;

Aristotiinos zag hem met wilde, wijd opengesperde oogen aan. Toen hij ontwaarde, dat hot Kulon was, werd hij rustiger en liet zich tot rode brengen. Hij meende op Kulon te kunnen vertrouwen, omdat hij wist, dat diens vader in zijn tijd eene kwade behandeling van hot volk had ondervonden.

Als uit een roes ontwakend, stak Aristotiinos zijn dolk in do scheede en verwijderde zich niet zijne metgezellen.

Hij sprak geen woord , maar balde de vuisten en beet zich in den haard. Mij gevoelde, tegenover de vrouwen eene nederlaag te bobben geleden.

VI.

/Iel Tcekc.n.

Er waren eenige uren na het bezoek in het raadhuis verloopen; het was tegen den middag.

\'13

-ocr page 19-

KULON EN M1KKA.

Ymi don schittoreiul lilauwen, wolkenloozen hemel iliuildeii do gloeleudo zonnestralen over de stad. In den tnin van den tyran bewoog zich geen blad aan do hoornen; de lucht trilde van de warmte tiisschen de huizon, ou de oogeu werden verblind door don stralendeu zoiiueschiju, die van de blanke wegen on muren terugkaatste. Waar oen spoor van schaduw werd gevonden, lagen de landbewoners, die naar do stad gekomen waren, dommelend op den grond. Allen, mannen en vrouwen , hadden het gelaat bedekt en leunden tegen de rustende ezels of niuil-dieren. liet eenigo, dat in zulk een groepje schijn van leven gaf, waren de staart en de ooren der lastdieren, die zich gestadig bewogen, om de vliegen af te weren.

De bewoners dor stad vertoefden in de schemerdonkere vertrek ken der huizen; op de straten en de wegen zag men slechts slaven eu slavinnen , die boodschappen moesten doen, en enkele burgers, wier bezigheden beu dwongen, om uit te rijden ondanks do schier onuitstaanbare hitte.

Aristotimos en zijne vrouw hadden gedurende de bereiding van den maaltijd de rust gezocht in den genieenschap|)elijken thalamos, de slaapkamer. Er heerschte diepe stilte iu huis. Slechts de opzichter over de keuken en de Sikeliaansche koks waren bezig in de verder liggende ruimte.

Daar klonk eensklaps een luid geroep cp de straat, en kort daarna deed een geweldig leven op bot dak, onmiddellijk boven het slaapvertrek , Aristotimos van de rustbank opspringen en naar buiten snollen.

Een paar zijner trawanten stonden daar reeds.

»Zie, Heer, zie!quot; riep de een en wees naar de lucht.

Aristotimos zag een grooten vogel met tragen vleugelslag vliegen.

flDe arend,quot; zeide do andere trawant, terwijl hij zijne speer ophief, «vloog — hoog, hoog in de lucht — in groote kringen hoven hot huis. Plotseling zweefde het dier klapwiekend boven hot dak en liet, als opzettelijk, een grooten steen daarop vallen.quot;

»Wonderlijk!quot; mompelde Aristotimos verbleekend uit, »wat kan dat toeken beduidon?quot;

Onmiddellijk liet hij den waarzegger roepen, dien hij gewoonlijk raadpleegde bij de behandeling van de openbare zaken.

De waarzegger, een oud, gebogen man met een slim uiterlijk , hoorde de mededeeling van het gebeurde niet opmerkzaamheid aan. Daarop boog hij diep voor Aristotimos en zeide:

sHeb goeden moed. Heer! Het teeken beduidt, dat Zeus u zul verheffen en bijstand schenken.quot;

Maar tot de burgers, op wie hij meende te kunnen vertrouwen, liet hij zich geheel anders uit.

«Geeft acht!quot; fluisterde hij, »de straf zweeft boven het hoofd van den geweldenaar! Zij dreigt over hem los te breken.quot;

Deze woorden kwamen onder anderen Hellanikos ter oore. Hij be-

I i

-ocr page 20-

KULÜN EN MIKKA.

lioordo vroeger to\' do invloc lrijksto Ixii\'gors. Maai\' aangezien hij zijne twee zoons had verloren en zoo zwak was, dat zijne handen beefden, minaclitte Aristotimos hem als een man , die niets tegen hem koa ondernemen. Hij wist niet, welk eene krachtige ziel in dat afgeleetde lichaam woonde.

Vele jongelingen, die vrienden van flellanikos\' zoons waren geweest, zagen met hoogachting naar den ouden man op en hezochten hem dikwijls, om naar zijne wijze woorden te luisteren. Dat gold voornamelijk van vier aanzienlijke jongelieden , Kulou, Thrasuhoulos , Kilon en Tuvmpis.

»Jonge vrienden.quot; sprak Hellanikos, toen /.ij des avonds bij hein waren, «hebt gij de nieuwste tijding reeds gehoord?.... üe man met de ijzeren knie (*) zendt Aristotimos hnlp. Do veldheer Kratoros snoH mot een aanzienlijk leger ter ontzetting toe. Hij is bij Olumpia, slechts eene dagreize vanhier, gelegerd.quot;

)gt;Dan is hot gedaan met ons!quot; riep Thrasnbonlos bleek wordend uit.

»Niet zoo angstig!quot; hernam Ihdlanikos gernststolkMid , terwijl hij hom o|) den arm klopte.

«Ik ben van andere mooning,quot; vervolgde hij met oen nistigon glimlach. »1 lodonnacht verscheen mijn jongste zoon mij in don droom. Mij - de altijd tevredene en blijde — was geheel veranderd, hang-zaam on ernstig trad hij op mijn leger loo; ik zag hom do lippen bewogen en hoorde hem zoggen: »Hoo is het mogelijk, o vader, dat gij in dezen tijd slaapt? Morgen znlt gij aanvoerder in do stad zijn !quot;... Door dit gezicht ben ik geheel veranderd. Do ouderdom drnkt mij niet meer, en mijne vrees is in hoop veranderd. Ja, mijne vrienden, vat moed ! Het unr der bevrijding is nabij !quot;

»Reken daar niet te zorgeloos op!quot; hernam Thrasnbonlos, sAristo-timos is oen man, dien men moet vroezen ; herinner n slechts, hoe hij aan de macht kwam! Hoe slim wist hij — de arme volksredenaar — zich don strijd tusschen het volk en de edelen Ion nutte te maken! Bij zijn uitval togen do voornamen wond hij de menigte op on won iederon dag meer vrienden en aanhangers. Hij gaf voor, dat zijn leven bedreigd word; en men stolde eene aantal gewaponden, eene soort lijfwacht, tot zijne bescherming. Die gebruikte hij tot onderdrukking van zijne tegenstanders, on toen hij zich krachtig genoeg voelde, om Elis te hobeorscbon, sloot hij een verbond mot Koning Antigonos, die na Pnrros\' dood hoer over de Poloponnesos was. Nauwelijks was dat geschied , of hij riep hnnrtroopon, en wie moest die beloonen ? —■ liet volk, het volk!.... Hij /ons! eene slimme uitvinding, om do burgers voor hnnno eigen onderdrukking schatting te doen betalen!quot;

«Maar,quot; hernam flellanikos, «daarmede was hot toch ook nit mot do slimheid en berekening van Aristotimos. Toon vierde hij zijn kwaden neigingen don teugel. Hoe raasde hij tegen do burgers! Sommigen liet hij dooden; anderen werden verbannen, en aan weder andoren werd (^1) Autiguiius Güuatus, Kuuiug van Makedonië. Sc/ir,

-ocr page 21-

KUt.ON EN MIKKA.

zolfs hel laatste stuk gold sifgeporst. In liet Imlvo jaar zijner lieer-schapjiij heeft hij tienmaal den dood verdiend!quot;

»Op den dag van zijn dood,quot; riep Lanipis uit, »zul de kreet van bevrijding door geheel Elis weerklinken!quot;

«Welnu!quot; hernam Hellanikos, «ken ik Aristotimos goed, dan zal hij hij het vernemen van Krateros\' hulp en overmoed alle voorzichtigheid laten varen. Het is dus maar te doen, om het rechte uur te kiezen; want Krateros zal weldra hier zijn.quot;

O G ij weet,quot; sprak Kulon, »dat ik tot heden u hel) teruggehouden; maar nu de aanvoerder zijner troepen, Lucius, hegonuen is met de vrouwen te vermoorden, hen ik met hart en ziel de uwe .... Wat will gij, o Hellanikos, dat wij zullen doen?quot;

))Tk wil, o jongelingen, dat gij morgen u zult verzamelen op de markt en onder uwe mantels een zwaard verborgen houden. Wanneer ik het oogenhlik gunstig acht, zal ik u een teeken geven.quot;

»Is de geweldenaar gevallen ,quot; merkte Kilon aan , «dan zullen do burgers ziel hij ons aansluiten. De achthonderd vluchtelingen zullen van den hurcht Anumone terugkeeren en de huurtroepen hij anderen diensl zoeken, misschien hij de Makedoniërs,quot;

«Maar de veldheer Krateros?....quot; vroeg Thrasuhoulos, die altijd hedenkiugen maakte.

«Hem vrees ik niet!quot; riep Hellanikos uit. «Hij is genoeg Helleen, om in zijn hart te billijken, wat wij hebben gedaan.quot;

VII.

De straf.

Tusschen de tempels en zuilenrijen op de markt ging den volgenden morgen de koophandel zijn gewonen gang. De wijnschenkers, die verschillenden wijn verkochten, de vrouwen, die met brood rondliepen, de kransenverkoopsters, om wie de jongelieden drentelden, allen waren bezig met hunne waren voor de landbewoners en burgers uit te stallen. De grootere handelaars hielden zich rustiger. Zij vergenoegden zich met het tentoonstellen van rijen monsters onder de gestreepte zonneschermen. De koopers bezichtigden de uitstallingen en gingen vandaar naar de schrijvers en wisselaars, die achter kleine tafeltjes zaten. Overal werd gewogen, gemeten, gekocht, gepraat en gelachen.

Daar weerklonk eensklaps een trompetstoot over do markt; do openlijke omroepers hieven hunne staven, en bij de plotseling invallende stilte klonken, luide en duidelijk , de volgende woorden:

«Aristotimos, beheerscher van Elis, doet het volk weten, dat Krateros, de veldheer van zijn bondgenoot Koning Autigonos, hedennacht van Olumpia is opgebroken en met eene aanzienlijke krijgsmacht tegen den avond in de stad zal komen. Krateros zal zich buiten de Ladoon-poort legeren. De burgers moeten alles gereedhouden.quot;

■10

-ocr page 22-

KULON EN MIKKA.

Dnzo woorden vcrwoikton oeuo onboscJiriJfolijko ontroering. Eonige lum-dclaars vorheugdon zich hij het voornitzicht op een groot vonnlcc!, doch anderen vreesden, dat de krijgslieden alles met geweld zouden nemen.

De rijen openden zich. Een paar trawanten verschenen; zij nia-dcten met gevelde lansen ruim baan. Na hen kwam Aiistotimos, van Lucius vergezeld. De tyran naderde in eene waardige houding; hijdroegeen gouden hand om het hoold , zijn purperen mantel hing los om hem. II ij scheen zich over hot opzien en den schrik , die door zijn herichl waren ve:-wekt geworden, te verheugen; zijne scherpe, zwarte oogen vlogen spiedend van den eenon tot den anderen der druk sprekende menigte inenschen.

Toen hij zich onder de groote platanen op d(gt; markt bevond, kwam Hellanikos van achter een der dikke hoomstamnien te voorschijn. Zoo-dra hij zag, dat Aristotimos slechts van drie personen was vergezeld, rieji hij luide uit:

»De goden zijn geprezen! Wat ik hoopte, is geschied!quot;

Daarop wendde hij zich tot een troep mannen , wier donkere gedaanten bijna voor ieder, die van het helle zonlicht in de diepe schaduw onder do hoornen kwam , onkenbaar waren.

«Dappere mannen Iquot; riep hij met luider stem en de armen naar hen uitgestrekt. »Wat aarzelt gij nog, om hier in onze vaderstad op de schoonste plaats te strijden!quot;

Toen trok Kulon zijn zwaard en snelde op Lucius toe.

»Vrouwenmoordenaar!quot; riep hij uit, »uw uur is gekomen.quot;

«Uit den weg, knaap!quot; antwoordde Lucius harsch.

Maar vóórdat de gezette man zich in eene strijdvaardige houding had gesteld, had Kulon met evenveel behendigheid als kracht zijn zwaard tusschen het lederen schootsvel en de metalen banden gejaagd.

Lucius liet zijn wapen los en viel met een luiden kreet achterover. Zijne oogen rolden wild en zijne rechterhand hoorde zich in het stol\', dat als eene wolk tusschen zijne vingers opsteeg.

De trawanten stonden verlamd van schrik. Kilon en een paar zijner vrienden joegen hen gemakkelijk op do vlucht.

Aristotimos zag zich nauwelijks alleen , zonder ander wapen dan zijn dolk, of\' hij liet zijn purperen mantel vallen en vluchtte niet overhaasting in den tempel van Zeus.

De gebeurtenis was te ver gevorderd, dan dat Hellanikos en zijne vrienden bij half\' verrichten arbeid konden rusten. Het gold nu bun eigen leven.

Zonder zich te laten afschrikken door de vrees voor de heiligheid der plaats, snelden Lampis en Thrasubonlos in den tempel.

Daarbuiten verzamelde zich hoe langer hoe grooter volksmenigte van de markt. Eensklaps klonk een half\' onderdrukte kreet uit het binnenste des heiligdoms. Kort daarop traden de twee jongelingen naar buiten en wierpen het bloedige lijk van den tyran op de markt , terwijl zij met luider stem de burgers tot de vrijheid riepen.

17

-ocr page 23-

KUr.ON EN M1KKA.

Hot goriichl van het voorgovullcno vcrsprciilde zicli mot ongeloofolijkon spoed (Idor de stad. Du wacht verliet hot raadhuis en de iu vorzekenlo bewaring gehouden vrouwen, mot haar Mogisto, siioklon onder vreugdo-kreten naar i)niten,

In een oogenhlik waren de tafels der kransenverkoopsters ledig en do mannen met hloemen getooid. Daarop sloeg de stoet ondei\' wild gesÖ|Ji\'oeuw den weg in naar de woning van den geweldenaar. Voor het slaapvertrek der echtelieden zat eene oude slavin mot het gelaat in de handen verborgen. Zij vertelde woonond , dat bare moesteros, Strn-toniko, op het borielit, dat do menigte hot huis wilde bestormen, zich opgesloten en van liet leven beroofd had.

«Ongelukkige moeder!quot; voegde zij er zuchtend aan toe, «zij dacht slechts aan hare kinderen .... zij hoopte.\' door haar dood de nizenden te ver-zoonon , opdat aan hare dochters vergitTenis zoude worden geschonken.quot;

Maar men luisterde niet naar do slavin.

Do beide meisjes werden uit het vertrok gesleurd en naar den weg gesleept, om mishandeld, gemarteld en gedood te worden.

Mogisto trad, gevolgd door een paar andore vrouwen, don woestelingen te gomoet.

«Laat af van die wandaad!quot; zoide zij. »Wilt gij oen vrij volk zijn, dan moet gij u zoo niet gedragen en niet even gruwelijk handelen als de tyrannen zelf.quot;

Deze woorden, in verband met het aanzien, dat zij genoot, maakten op velen indruk. Maar de haat tegen Aristothnos was zóó groot, dat hare voorspraak weinig invloed had. Alles, wat zij kon bewerken, was, dat men besloot van iedere mishandeling af te zien en het aan do meisjes vergund word , zichzelf het loven te benemen , op welke wijze zij wildon.

Zij werden daarom naar haar vertrek teruggevoerd , waar men haar beval zich te dooden.

«Maakt het kort!quot; voegde men eraan toe. «liet volk wacht.quot;

Eene oude slavin, die do min der meisjes was geweest, zette zich op don drempel neder. Zij riep du goden aan en wrong wanhopig do handen.

Mogisto plaatste zich voor do gesloten dour. De tranen liepen langs hare wangen on zij was zoo bleek als de meisjes zeil.

Toen deze nu alleen waren in hot kleine vertrok on do oisch volvoerd moest worden, omhulde de slavin haar gelaat.

Muro , de oudste, dood haar gordel af en wond dien om haai\' hals. Vervolgens omarmde zij hare zuster , hield haar voor zich en zag haar zoo vol modelijden en zorg aan, alsot haai\' hart zoude breken.

«De goden zijn ons genadig!quot; mompelde zij mot bovendo lippen. Daarop herstelde zij zich een weinig en vervolgde rustiger: «Let wel op, Stefanion, en doe, wat go mij zult zien doen, opdat wij niet sterven op eene schandelijke en voor ons onwaardige wijze.quot;

■18

-ocr page 24-

KULON EN M1KKA.

Maar Stcfaniou, do jongste, sloeg liaro aniion om don hals liarer zuster en terwijl zij den gordel groep, zeido zij snikkend;

»Muro, ik hid a, ik smeek u! —- laat mij eerst sterven!quot;

Mnro nam Stefanion\'s hoofd in hare handen on kuste haar toeder op haar schoon, hruin haar.

»Ik heb u nooit oeiio hode geweigerd,quot; zeido zij, »en ik wil ook thans u genoegen doen en dragen, wat erger is dan de dood, — u , zuster, eerst te zien sterven,quot;

En nu wees zij Stefanion, hoe do gordel moest worden gedraaid.

Daarop keerde zij zich om.

Zij hoorde een zachten snik achter zich ; vervolgens hleef alles stil.

Het was, of do schrik haar geheel verlamde. Maar hart scheen niet meer te kloppen en oone rilling ging haar door merg en hoen.

Zij wachtte nog een oogonhlik.

Toen alles stil bleef als het graf, verzamelde zij hare laatste krachten. Met afgewend gelaat omvatte zij het nog warme en buigzame lichaam harer zuster, droeg het naar de rustbank en bedekte het met een kleed.

Daarop haalde zij diep adem en hief, als in zwijgende aanklacht, do oogen ten hemel.

Een oogonhlik later opende zij de deur op oone root, en toen zij Megisto daarbuiten zag staan, zeide zij mot eene verwonderlijke he-daardheid tot haar:

»Tk bid u, lieve, draag zorg, dat na den dood mijn lichaam niet onvoegzaam behandeld worde.quot;

Megisto boog het hoofd; zij kon niet antwoorden. Door de smalle opening der deur had zij evenwel genoeg gezien, om te bemerken , dat Muro zoo wit was, als ware zij uit hot graf opgestaan,

Eenige oogenblikken later was alles voorbij,

Megisto legde Muro\'s lijk naast dat van Stefanion en bedekte beide zusters met hot kleed.

De menigte was thans niet meer tegen te houden, lïenigo der opgewondenen snelden het vertrok binnen.

Bij het zien van de twee bleeke , in den dood nog schoone gezichten , die op hetzelfde kussen rustten , greep eene diepe ontroering do omstanders aan.

En toen de slavin schreiend van de laatste oogenblikken der meisjes verhaalde , was niemand zoo ruw of een zoo onverzoenlijke vijand van don tyran, dat hij zich niet diep aangedaan gevoelde.

Een oude wijze, die toevallig binnengekomen was, trad zacht naar het leger en vroeg op gedempten toon :

«Maar was het noodig, dat de meisjes stierven?quot;

Niemand durfde daarop te antwoorden. Maar velen en onder hen wellicht juist zij , die met de grootste verbittering haar dood hadden geëischt, pinkten een traan uit de oogen en slopen in stilte naar buiten.

49

-ocr page 25-

KULON EN MIKKA.

VIII.

In hel huis can Mikka.

Hij Filodomos liiul ii 10ti nail do [iliiiits yoluul hclilioiiillt;! vcjorvallcii niet. veel aamluHil gewijd. Vorsclijjikt bij liet zien van Mikka, gewond en hohlocd , had do moeder onmiddellijk haar buurman, oen bandelaar in goiioesiniddeieii , g\'eroe|)on. l)e/(\' \\\\;is oen oude nian niet bet gelaat als van een vos en met bonigzoeto gebaren. 1.ernauwornoofl vornioebt hij het bloed te stel|ion, maar bij had aan den anderen kant wel beproefd, zijne kennis op oeiilge wijze voor den dag te brengen.

I loofdscbuddend had hij Filndeinos naar een boek van fiet vertrek genomen en hem toegelluisterd ;

»Uwe dochter verkeert in groot gevaar. Bij den vooruitbepaalden loop der sterren moet bot verderfelijke toeken van Kronos in uw huis /ijn gekomen.quot;

Daarop had hij purperkleurige wol gebrand, zoodat do vader, ;le moeder en do dochter bijna gestikt waren door den rook; op hetzeltde oogenblik was hij begonnen de vreemdste bezweringen to moinpolon.

Maar Filodi.....is, een verstandig man, boviol deze opiief niel bijzonder.

«Hoe kimt gij dien kwakzalver vertrouwen schenken?quot; vroeg bij op dolVen toon aan zijne vrouw. «Hij verkoopt niet alleen goneesuiiddelen , maar ook vergif, blanketsel en brandglazen.quot;

Daarop haastte hij zich, het hem verschuldigde te betalen , opdat hij den man kon laten vertrekken.

Terwijl dit voorviel, bad Filodemos ecu jongen arts doen roepen. Deze had een ten strijde trekkend leger gevolgd en trad geheel anders op. Hij reinigde de wond van het bloed en onderzocht haar nauwkeurig; daarop verklaarde hij, dat de stoot met eene onzekere hand was toegebracht, ~ de punt van het zwaard was afgegleden en had slechts eene diepe snode in het vleesoh gemaakt. De wond was op zichzelf niet gevaarlijk , maar in de groote hitte zoude wellicht koorts kunnen ontstaan. Hij schreef verkoelende middelen voor, beloofde de jonkvrouw iederen dag te zidlen bezoeken en wilde geene belooning aannemen, voordat de behandeling geheel was afgeloopen.

Filodemos bezag de kleine flesch jes, die hij bad achtergelaten.

»Zie !quot; zeide hij vergenoegd, terwijl bij de handen wreef, »zie, hoe op iedere flesch een looden stempel is gehecht met den naam van den arts en eene aanwijzing van het gebruik en do samenstelling van het geneesmiddel! . . . Hij is oen geheel ander man dan die kwakzalver!

Do goede trouw van Filodemos word niet beschaamd gemaakt; want Mikka\'s herstel vorderde snel.

Naar aanleiding daarvan kwamen de burgers één voor één ten zijnent, om hem geluk te wenschen. Nu de verhoudingen minder gespannen waren, keerde, als te begrijpen is, het medelijden zich

20

-ocr page 26-

KULON EN MIKKA.

naar liot laatste ofler van de willekeur dos tyrans. Mikka, die tot nu toe stil en onopgemei kt had geleefd, werd plotseling de geliefdste persoon en het onderwerp van alle gesprekken in de stad. Het hoofd van de zestien heilige vrouwen liet naar hare gezondheid vragen, en de vrouwen hrachten haar zoo grooten overvloed van vruchten en gebak, dat zij zeer zeker ziek zoude zijn geworden , indien zij van alles hadde gepioefd.

Deze algenieene deelneming had ook eene keerzijde. Nu de aandacht zoo sterk op Mikka was gevestigd, kwam een en ander voor den dag, dat zij liefst had verborgen. In het bijzonder had men het druk over Kulon\'s gelukkigen rit in de schemering voorbij het huis. Eene slavin had hem voor het kijkvenster zien stilhouden, sliet was niet, om vleermuizen te vangen!quot; zeide zij lachend.

Misschien had ook Eurukrates , Kulon\'s vader, van de aangelegenheid gehoord. Toen hij Filodeinos ging gelukwenschen, liet hij zijn zoon roepen.

sKulon,quot; zeide hij , terwijl zijn blik met welbehagen rustte op den schoonen, lijnen en toch krachtig gebouwden jongeling,, die in een wit gewaad was gekleed, snaar ik verneem, wil de stad uwe kloeke daad beloonen. Want door Lucius te dooden , gaaft gij het toeken, den tyran om te brengen. Men zal uw naam naast die der weldoeners onzer stad griffelen en u een stuk land en eene som geld schenken . .quot;

»Thrasuboulos en Lampis deden meer dan ik,quot; viel Kulon zijn vader in de rede. »Ik wil niets daarvoor ontvangen.....quot;

Eurukrates glimlachte over den ijver zijns zoons.

«Stel u gerust, stel u gerust!quot; dus brak hij zijne woorden af yUwu

vrienden zullen niet worden vergeten...... Gij kunt gerust aan

nemen, wat men u aanbiedt. Maar, nietwaar? het is billijk, dat ik uw vader, mijn scherfje bij het openlijk geschenk voeg. Zeg, rriju beste jongen, hebt gij niets te wenschen.....?quot;

Kulon werd glooiend rood.

1 lij zweeg een oogenblik; daarop greep hij de hand zijns vaders en kuste die met kinderlijke genegenheid.

»Vader!quot; stamelde hij verward, slaat het mij voor n mogen belijden! Ik bemin Mikka, Filodemos\' dochter.quot;

»Welnu!quot; zeide Eurukrates bemoedigend.

sliet meisje is niet rijk, niet van aanzienlijke geboorte, maar zij is schoon en goed en heeft mij hartelijk lief. Maak ons beiden gelukkig, vervul onzen innigsten wensch! Geef uwe toestemming, dat ik haar als bruid naar huis geleid !quot;

Eurukrates hief den vinger tot hem op.

sEi, ei! riep hij uit, swas het daarom, dat gij in de schemering moest rijden?quot;

Kulon sloeg de oogen neder.

»Maar, mijn zoon,quot; vervolgde Eurukrates, sheht gij de zaak wel genoeg overwogen?..... Herinnert gij u, wat een onzer bij name

-ocr page 27-

KUI.ON KM MIKKA.

welbokondo mannnii hoeft gezegd: »Er pleegt voor de menschen voel ongeluk uit do liefde te ontstaanquot;? Vergeet ook niet de spreuk : «Kene vrouw is altyd een ongeluk, maar wanneer /ij leelijk is, wordt het ongeluk dubbel.quot;quot; *

Kulon glimlachte.

sik herinner mij slechts één antwoordde hij.

»En dat is?quot;

»üat diezelfde bekende man hoeft geschreven: »Voor do menschen bostaat maar één zaak, die oven zooveel waarde heeft als hot leven zelf, — geluk en liefde.quot;quot;

Eurukrates lachte.

»Dij Zeus,quot; zeide bij, »gij blijft uw antwoord niet schuldig! Eros spreekt uit uw mond! . . . . en wie durft zich tegen don kleinen god verzetten?quot;

Daarop vervolgde hij:

))Ik ga naar Filodomos. Gij moogt mij volgen!quot;

Kulon drukte in overmaat van geluk zijns vaders hand.

Eurukrates was een tamelijk lange, eenigszins gezette man met grijsachtige haren, fijne trekken en voel waardigheid in zijn doen en zijne bewogingen. Hij behoorde tot de rijkste burgers in Elis en was bovendien van edele geboorte.

Toen bij, vergezeld van zijn zoon , bij Filodomos binnentrad, word deze zichtbaar verrast. Hij stond niet behulp van zijn stok uit zijn leunstoel op en trad zijn gasten een paar schreden nader.

«Heet ons niet welkom!quot; zeide Eurukrates schertsend. «Anderen komen hier met geschenken , maar wij komen, om iets van u te halen , en wel het liefste , dat ge bezit.quot;

Filodomos zweeg on zotte groote oogen op.

Kulon kwam hem te hulp.

»Waarde Filodomos,quot; zeide hij tot hem, terwijl hij do bandon op zijn arm legde, »ik bemin uwe dochter Mikka.quot;

»Eu ik,quot; voegde Eurukrates daarbij, «vraag haar als vrouw voor mijn zoon.quot;

Filodomos sloeg de handen van verbazing en vreugde ineen. Do stok viel uit zijne handen, en toen Kulon haar opraapte, vergat hij te

bedanken.

Do oude man zag geheel ontdaan.

»Sosias!quot; riep hij tot een slaaf, die de tegels van den zuilenhof besproeide, »roep mijne vrouw.....zij moet dadelijk komen!quot;

»Eeno eer.......iu waarheid eene groote eer voor mijn huis!quot;

stamelde bij, bevend over al zijne leden. «Maar ik moet nog iets zeggen. In de kwade tijden heb ik veel verloren .... Ik kan mijne dochter slechts eene geringe huwelijksgift en een onbeteekenend uitzet rnedegeven.quot;

«Daarom vraagt Kulon niet,quot; zeide Eurukrates geruststellend. «Hij

22

-ocr page 28-

KuLON KN MIKKA.

begeert slechts het meisje. En naar hetgeen men zegt, is Mikka zoo schoon, dat ik zeer goed begrijp, dat mijn zoon ook zonder huwelijksgift haar wenscht te huwen.quot;

Op dit oogenblik trad Filodemos\' vrouw uit don zuilenhof binnen.

Zij was reeds verbaasd hij de nitnoodiging, om onmiddellijk te komen, en toen zij nu de gasten, vader en zoon, zag, vermoedde zij reeds ten deele, wat daar was geschied.

Toen Filodemos met zegevierende uitdrukking haar het doel van de bezoekers mededeelde, verstond zij ook, beter dan hij , om de uiterlijke waardigheid op te houden.

Een paar kleine roode plekjes op de wangen was het eenigc, dat van hare blijde verrassing getuigde.

«Onze dochter Mikka,quot; zeide zij met moederlijke waardigheid, ))is een goed, welopgevoed meisje, dat zich in jgilcrc woning kun schikken. Ik hoop daarom, Euiukrates, dut het huwelijk uw zoon tot een waar geluk mug zijn.quot;

«lieste vrienden,quot; vervolgde Eurukrates, zich tot de beide ouders wendend, sindien het gelegen komt, wensch ik zeer uwe dochter te zien..... Kulon kan, als gij zoo oordeelt, hier blijven.quot;

Het vertrek, waar Mikka zich bevond, was dichtbij.

Toen Eurukrates, geleid door de oude vrouw, binnentrad, terwijl de man wankelend op zijn stok achteraankwam, hulde Mikka zich in hot kleed, dat zij voor de hitte van huro schouders en baar boezem had laten glijden.

Oj) het eerste gezicht van haar schoon, jonkvrouwelijk, nog een weinig bleek gelaat voelde Eurukrates zich welwillend gestemd.

Dicht bij het leger stond een tafeltje, dat geheel bedekt was met gebak van allerlei vorm, van pyramiden tot nabootsingen van paarden en vogels toe.

sSchoone jonkvrouw,quot; zeide Eurukrates glimlachend, terwijl hij naaide tafel met de vele geschenken wees, «ik ben beschauiud, wanneer

ik zie, wat anderen hebben gebracht....... Om niet met ledige

handen te komen, wil ik n een slaaf schenken.quot;

«Een slaaf?quot; herbaalde Mikka verwonderd.

«.Taquot;, antwoordde Eurukrutes, «een slaaf.....maar pas op, dat

hij geen heer wordt!quot;

Dit zeggende, hief hij schertsend den vinger op en verliet het vertrek.

De bejaarde ouders wisselden een blik van verstandhouding, als waren zij een paar samenzweerders.

Mikka ving dien blik op.

»Moeder, is het waar?quot; riep zij uit, en hare donkere oogen straalden van verwachting en hoop.

Maar deze had geen tijd , om te antwoorden.

Kulon, door Eurukrates gehaald, knielde plotseling voor huur leger neder.

23

-ocr page 29-

24

KULON RN MIKKA.

Mikka hief hot hoofd op ; hare wangen gloeiden en een volle , hlin-kend witte urm kwam van onder de bedekking, om Kulon\'s hand aan te raken.

Bij het zien van dezen arm kneep Eurukrates Kulon in de wang.

«Gelukkige knaap!quot; riep hij uit, «waart ge niet mijn zoon, dan zon ik, hij Zeus, u kunnen benijden.quot;

Mikka\'s moeder vouwde de handen en mompelde half\' luide:

»De goden hebben alles ten beste gekeerd.quot;

».Ta,quot; voegde Mikka daaraan toe, terwijl tranen van vreugde in hare donkere oogen welden , «hoe zonderling ! Do wond, die mij den dood zoude hebben gebracht, is de weg tot heil en geluk geworden.quot;

(Overgedrukt uit de Tijdspiegel, 1888.)