-ocr page 1-

DG LGGR VA O BOGDDBA

naar de heilige boeken van het zuidelijk Boeddhisme voor Europeanen

bewerkt

Sl\'IUlADH A !gt; 1 (\'KSI[()l;

uit hot Duitsch vertaald en met een voorwoord voorzien

Mk. S. van Houten

S-GRAVF.N HAG1-. MOIJTON amp; C0 1889

-ocr page 2-

CALAND

I F

II

-ocr page 3-

—*

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DG LGGR VM BOGDDRR.

-ocr page 6-

-

-ocr page 7-

QjdJLoc^OL nr. 5t ^

n i

rr

DG LGGK VAD BOGDDRA

t

naar de heilige boeken van het zuidelijk Boeddhisme voor Europeanen bewerkt

DOOR

SUBHADRA BICKSHOE

uit liet Duitsch. vertaald en met een voorwoord voorzien

DOOR

Mr. S. van Houten

\'S-GRAVENHAGE

MOUTON amp; C0 1889

QluLlOTl i£ZK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORREDE VAN DEN VERTALER.

Tot de vertaling van het boekje, hetwelk ik bij dezen den lezer aanbied, ben ik bewogen door de overtuiging, dat de verspreiding daarvan een moeie-lijk en belangrijk vraagstuk oplost, nl. op welke wijze het mogelijk is, voor de theologische africhting van ons volk eene wijsgeerige vorming in de plaats te stellen. De oplossing van dit vraagstuk ligt, naar het mij voorkomt, in het aanleeren van eene tweede godsdienstleer nevens de voorvaderlijke. Wie in de leer van twee religiën onderricht is, zal er van zelf toe geleid worden, minder gewicht te hechten aan datgene, waarin zij onderling verschillen, — aan het legendarisch bijmengsel, waarmede de wijsgeerige waarheid in elke daarvan is samengegroeid, — aan de beeldspraak, waarin die waarheid is uitgedrukt, — aan de personen, die gezegd worden die waarheid het eerst of het best verkondigd te hebben. Daarentegen zullen de denkbeelden, die aan beide leerstelsels gemeen zijn, des\'te vaster in rede en ervaring gegrond blijken te zijn.

Om nevens de hier heerschende kerkelijke stelsels tot algemeene leerstof verheven te worden, schijnt

-ocr page 10-

mij geene religie zoo uitnemend geschikt als het Boeddhisme, zooals het in dit vraagboek is uiteengezet. Het geeft van Boeddha\'s leer een ander begrip , dan ik mij daarvan, trouwens zonder bronnenstudie , gevormd had, en dit zal ook wel het geval blijken te zijn met velen, die tot dusver niet in de gelegenheid waren, deze leer tot een opzettelijk voorwerp van onderzoek te maken. Het verschil kan grootendeels zijne verklaring vinden in de mede-deeling van den schrijver in zijne voorrede, dat hij alle bijwerk weggelaten heeft, waarmede het bijgeloof en de kinderlijke phantasie der volken de boeddhistische leer in den loop van tientallen eeuwen heeft opgesmukt. Werd deze methode op de leer van Jezus toegepast, dan zouden er ook andere vraagboeken het licht zien, dan thans in de leerkamers onzer geestelijken gebruikt worden. Zoo als het in dit boekje geschetst wordt, is het Boeddhisme inderdaad in hoofdzaak eene wijsbegeerte. De schrijver is dit onderwerp volkomen meester en zijne aanteekeningen verraden eene grootere bekendheid met den toestand der geesten in christelijke kringen in het avondland, dan men bij een oosterschen wijsgeer zou verwachten.

Hoe ingenomen ik ook met dit werkje zij, ik deel des schrijvers meening niet, dat de leer van Boeddha de religie der toekomst in Europa zou zijn. Wie niet nadenkt, blijft natuurlijk bij den godsdienst zijner vaderen, en wie zich door eigen nadenken aan den traditioneelen godsdienstvorm ontworsteld heeft, stelt zijne geestelijke vrijheid op te hoogen

-ocr page 11-

3

prijs, om ligt weder de leer van eenen wijze als de waarheid aan te nemen. Hij heeft verleerd de vraag, wat waar is, te vereenzelvigen met de vraag wat deze of gene wijze geleerd heeft.

Bovendien heeft de leer van Boeddha m. i. te zeer voor de hand liggende leemten en gebreken, om bij uitsluiting van elke andere, door nadenkenden te worden aangenomen als de ware leer. Haar hoeksteen, de leer der wedergeboorte, is een geniaal uitgedacht middel om het egoïsme te beteugelen en berusting te kweeken in eene onrechtvaardige lots-bedeeling in deze wereld, maar zij is toch, wel beschouwd, eene volmaakt onbewezene en onbewijsbare phantasie. In het lijden van rechtvaardigen en de aardsche heerlijkheid van onrechtvaardigen ziet de schrijver voor ieder, die er niet moedwillig het oog voor sluit, een onomstootelijk bewijs voor de leer der wedergeboorte (noot bij vraag 129). Naar mijn oordeel ten onrechte. Logisch is dit bewijs slechts aanwezig, indien vaststond, dat individueel lijden altijd met schuld van hetzelfde individu gepaard gaat en moet gaan; eene onbewezene veronderstelling, die haren oorsprong heeft in eene miskenning van de verhouding van het individu tot grootere organismen en het heelal zelf. Evenmin als het lijden aan eenig onderdeel of orgaan van eene plant, dier of mensch zijnen oorsprong in schuld d. i. gebrekkige werkzaamheid juist van datzelfde deel behoeft te vinden, evenmin is zulks met elk individu of deel van het maatschappelijk organisme nood\'

wendig het geval. Bovendien kan het Boeddhismé

-ocr page 12-

4

te minder van eene ongelijke en schijnbaar onrechtvaardige lotsbedeeling der individuen den hoeksteen van eene bewijsvoering maken, daar die ongelijkheid zoo goed als geheel ligt in dingen, welke volgens diezelfde leer geene waarde hebben en slechts van het streven naar het waarachtige, eeuwige heil afleiden (vr. 77 en m, noot).

In de leer der wedergeboorte en in de boeddhistische opvatting der gerechtigheid staat, naar mijn oordeel, het individu te zeer op den voorgrond, en die fout plant zich inzonderheid ook voort in de boeddhistische zedeleer. Bij alle verheerlijking der zelfverloochening vertoont deze zich aan het critisch oog als aanbeveling van een hoogst verfijnd egoïsme. Aan de volmaking en verlossing van zijn eigen ik moet ieder zijne geheele kracht wijden. Zelfs het weldoen aan anderen is middel om den weldoener verdienste te doen verwerven (noot bij vraag 168), Doel en nut der weldaad ligt alzoo in het gevolg voor den gever. Voor het zoo vruchtbare beginsel der solidariteit is in de boeddhistische zedeleer geene plaats, en het vindt daarin evenmin eenen wijsgee-rigen grondslag. Voor familie- en staatsleven ontbreekt elke zedelijke basis. Prins Siddhartha onttrekt zich aan hooge staatkundige en maatschappelijke plichten en sluipt als een misdadiger weg van vrouw en kind. Het leed der zijnen weegt bij hem niet; deze zijn natuurlijk, wijl hij een prins was, voor broodsgebrek beveiligd, maar bij het gezin van menigen volgeling moet ook gebrek het gevolg zijn van zijne toetreding tot de broederschap der uit-

-ocr page 13-

5

verkorenen. De houding van Jezus tegenover zijne familie, die steeds zoo menigen geloovigen christen onaangenaam trof, heeft hare voor de hand liggende verklaring in het boeddhistisch voorbeeld.

Wij westerschen zijn niet meer gewoon, het individueel lijden als noodwendig gevolg van individueele schuld te beschouwen. Wij kennen het sociale organisme, waarvan het individu eene cel is, en wij weten, dat de gezondheid van het gehéel eene voorwaarde is voor het welzijn van allen; — dat eener-zijds veel individueel lijden het gevolg is van alge-meene oorzaken, van onrecht, slechte wetten, gemis aan organisatie der maatschappij op den grondslag der gerechtigheid en solidariteit, in een woord van sociale schuld, en dat anderzijds het lijden van zoo vele natuurgenooten en de door hen gepleegde misdaden een gevoel van onbehagen in de geheele maatschappij verwekken, hetwelk ook aan de schijnbaar gelukkigen de rechte levensvreugde beneemt. In de erkenning van het beginsel der solidariteit bezit onze westersche moraal eene krachtiger kiem voor rechtsvorming — zoowel in de verschillende staten als tusschen de volken onderling — dan ik in de hooge individueele idealen van het Boeddhisme heb kunnen ontdekken.

Naar de tegenwoordig veel verbreide, ook in dit boekje aangenomen meening heeft het Christendom aan het Westen eenige kruirnkens der Oostersche wijsheid doen toekomen, vermengd met het alliage der achterlijke israëlitische godsleer. Dat het christendom een sterk alliage van dien aard heeft, waarvan

-ocr page 14-

6

geen spoor in het Boeddhisme gevonden wordt, zal de lezer van dit boekje zelf dadelijk ontwaren. Gesteund door de verspreiding van het Boeddhisme, mogen wij hopen er in te zullen slagen, het Westen van die dwaalleeringen te bevrijden. Maar in de Israëlitische maatschappij leefde in den bekrompen vorm der stamverwantschap het zedelijk beginsel en het bewustzijn der solidariteit. De Israëliten waren een uitverkoren volk, geene onsamenhangende massa uitverkoren en verloste individuen, zooals eene boeddhistische Sangha. Dit zedelijk beginsel overnemende en in kosmopolitischen zin ontwikkelende, kwam de Paulinische leer als grondslag van rechtsvorming en sociale ontwikkeling ver boven het Boeddhisme te staan. Dien vooruitgang zal het Westen niet mogen prijs geven.

In het algemeen zal ook de splitsing van de aanhangers eener leer in wereldlijke aanhangers die arbeiden, en uitverkorenen, die van liefdegaven leven, in ons Westen niet ligt populair worden. Ons ge-lijkheids-bewustzijn wraakt zulk eene splitsing. Hoe veel er aan dat ideaal nog moge ontbreken, .eischen toch onze westersche denkbeelden, dat ook het arbeidsleven van de hoogste en edelste beginselen als doortrokken worde, en laten zij niet toe, dat de besten zich aan den maatschappelijken arbeid onttrekken en van bijeengebedelde giften leven. In de vernietiging van den kastegeest en de zedelijke verheffing van het arbeidsleven streeft onze maatschappij naar hoogere sociale idealen, dan het Boeddhisme. Wel wordt in het Boeddhisme het individueel ideaal

-ocr page 15-

7

hooier opgevoerd (1), maar de afwezigheid van elk sociaal ideaal komt daardoor slechts te scherper aan het licht. Mochten de tijdsomstandigheden ooit of ergens eischen, dat groepen uitverkorenen zich aan de wereld onttrekken, christelijke gemeenten, als zich o. a. in de 16 de eeuw vormden en die zoowel het familieleven als het arbeidsleven in hoog aanzien hielden, zouden een beter model opleveren, dan de boeddhistische Sangha, waarvan ons Westen eene navolging heeft leeren kennen in de kloosters der bedel-orden.

ïen slotte mis ik in dezen catechismus eiken etischen grondslag voor de kunst. In verhooging van de schoonheid van het tegenwoordige leven stelt het Boeddhisme, als pessimistische religie, natuurlijk geen belang; voor een kunst, die verheft en veredelt, schijnt in Boeddha\'s geest geene plaats te zijn geweest. Ik zie dan ook niet in, hoe aan de kunst, als middel van waardig levensgenot, de haar toekomende plaats kan worden verschaft, zonder met den pessimistischen grondtoon van het Boeddhisme in strijd te geraken.

Ook die grondtoon zelf kan in ons Westen bezwaarlijk grooten weerklank vinden, zoolang wij de illusie mogen koesteren, het meerendeel der kwalen, waarvan de aanblik Siddhartha zoo overweldigend aangreep, te kunnen overwinnen, zoodat daarvan alleen

1

Ik bedoel hiermede niet het streven naar extatische toestanden, die de schrijver, blijkens de noot bij vraag 40, tot de ethische verschijnselen rekent, maar m. i. zuiver pathologische verschijnselen zijn, van welke onze gewone droomen den lichtsten graad vormen.

-ocr page 16-

8

de dood overblijft. De dood echter wordt, als hij het natuurlijk einde is van een leven , waarin het nuttige en aang-ename vereenigd waren, ook zonder diepe wijsgeerige studiën nu reeds algemeen veeleer als de broeder van den slaap dan als een koning der verschrikking beschouwd. Het is dus onzeker, of de aarde nog een tranendal zijn of schijnen zal, als alle lijden, dat afgewend worden kan, zal hebben opgehouden; ook zal hebben opgehouden door aanneming eener gezonde wijsbegeerte en zedeleer ten aanzien van de plaats, die het streven naar zingenot en aardsche goederen in het leven behoort in te nemen? Zoolang deze proef niet met ongunstigen uitslag genomen is, zal de geest van het Westen niet vatbaar zijn voor algemeene aanneming eener pessimistische leer.

Redenen te over, dunkt mij, om aan het Boeddhisme slechts een succes als leerstof, niet als religie te voorspellen. Maar het eerste ook in hooge mate. Niettegenstaande de leemten en gebreken, die ik daarin meen te ontdekken, — eene meening, die natuurlijk in het oog van den oosterling slechts verraadt, dat mij het licht der waarheid nog niet is opgegaan, — kan ik niet genoeg aanraden, dit boekje te lezen en te herlezen. Niemand zal dit doen, zonder zijn gezichtskring te verruimen, en wegens de hooge verhevenheid van het boeddhistische individueele ideaal, zal de overweging der in dezen catechismus vervatte leeringen ook den beste niet kunnen schaden.

S. van Houten.

\'s Gravenhage, 5 September 1888.

-ocr page 17-

VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER.

Ofschoon er geen gebrek meer is. aan lijvige wetenschappelijke werken over het Boeddhisme, bestond er tot dusver in het geheel geene in goeden zin populaire en algemeen verstaanbare uiteenzetting der verhevene leer van Boeddha Gautama, waarin deze leer niet als een dood voorwerp van wetenschap wordt behandeld, maar als eene nog in onzen tijd helder en klaar vlietende bron van waarheid voor ruimeren kring toegankelijk gemaakt.

Als eene eerste proeve in deze richting verscheen ten vorigen jare bij Grieben te Leipzig eene duitsche vertaling van eenen boeddhistischen catechismus van Henry S. Olcott. Deze proeve is boven verwachting geslaagd. Want ofschoon deze catechismus oorspronkelijk slechts voor het eerste onderricht van Singha-lesche en Birmaansche kinderen bestemd was en daarom niet ten volle voldoen kon aan de eischen van beschaafde Europeesche lezers, werd de oplaag toch in korten tijd uitverkocht en daardoor het bewijs geleverd, dat ook in het Westen de belangstelling voor de boeddhistische religie begint te ontwaken.

-ocr page 18-

10

Voor de aanhangers van Boeddha werd hieruit de verplichting geboren, zorg te dragen voor de uitgave van eenen boeddhistischen catechismus in de duitsche taal, die berekend is voor de rijpere ontwikkeling van volwassen lezers en in korte trekken den geheelen grondslag der leer bevat, met weglating van alle bijwerk, waarmede het bijgeloof en de kinderlijke phantasie der volkeren haar in den loop van tientallen eeuwen opgesmukt heeft.

Voor dit doel dient het werkje,quot; dat den lezer hierbij aangeboden wordt. Het is bestemd voor allen, die niet in stoffelijken vooruitgang en genietingen het hoogste doel van het leven zoeken, maar afkeerig van den teugelloozen strijd om aardsche goederen, welke met steeds minder erbarmen voor den zwakke door de zelfzucht gevoerd wordt, en onbevredigd door de leer der heerschende godsdienstvormen, naar dien innerlijken vrede en die op vasten grondslag steunende kennis der waarheid verlangen, welke alleen aan het leven waarde geven en welke hem noch doode leerstellingen , noch de uitkomsten der tegenwoordig zoo overmoedig optredende wetenschap vermogen te verschaffen.

Voor dezen is dit boeddhistisch vraagboek geschreven. Als zij het goed lezen en verstaan, zullen zij er in vinden wat zij zoeken: eene leer, die zonder leerstelsel en vormendienst, in overeenstemming met de natuur en hare wetten, de hoogste, geest en hart beide bevredigende waarheid in zoo eenvoudig kleed bevat, dat zij ook voor hen, die niet met meer dan gewoon verstand zijn bedeeld.

-ocr page 19-

11

verstaanbaar is, terwijl zij toch tevens zulk eene diepte heeft, dat zelfs de wetenschappelijk en wijsgfeerig-gevormde en met de geheele geestelijke ontwikkeling eener hoog opgevoerde beschaving gewapende Europeaan niet gemakkelijk tot haren diepsten grond doordringt.

Intusschen moet hierbij het voorbehoud gemaakt worden, dat een catechismus in de eerste plaats bestemd is voor den eerstbeginnenden leerling en diensvolgens noch geheel volledig kan zijn, noch de laatste gevolgtrekkingen uit de daarin opgenomen beginselen kan uiteenzetten. Wie alzoo de hoogste, veel-zijdigste kennis wenscht te erlangen; wie de leer niet alleen wil verstaan, maar er ook naar handelen, moet voortgaan over het geleerde na te denken en den persoonlijken omgang zoeken met de zooda-nigen, die hem op den hier aangewezen weg reeds zijn voorgegaan.

En zoo moge dan het licht der wereldbestralende waarheid, hetwelk uit het verre Oosten, van waar toch alle licht is voortgekomen, thans zijne stralen naar het Westen toezendt , zich zegevierend uitbreiden, tot welzijn, heil en verlossing van allen.

-ocr page 20-

j

-ocr page 21-

INLEIDING.

1. Welke religie (1) belqdt gy ?

Ik ben een Boeddhist.

2. Wat verstaat men ouder een Boeddhist?

Iemand, die Boeddha als het Licht der wereld, als hoogsten leider en meester van alle levende

1

Onder Europeesche geleerden is dikwijls de vraag gerezen, of het Boeddhisme meer den naam van religie dan wel van wijsbegeerte verdient. Inderdaad is het beide; — de verhevenste zedelijk- religieuse leeringen zijn daarin met de diepste wijs-geerige inzichten tot ééu onafscheidelijk geheel verbonden. Het Boeddhisme schenkt zijnen aanhangers inzicht in den aard van het heelal en de daarin heerschende wetten en krachten, het ontsluit den mensch de kern van zijn binnenste, toont hem zijne ware, buiten dit voorbijgaande aardsche leven liggende hoogere bestemming, verlicht zijn geest, wekt de in hem sluimerende zedelijke krachten en aanleg, doet in quot;hem de aandrift tot het goede en edele ontvonken en stelt hem in staat, door ernstig streven en nauwgezette opvolging der voorschriften het hoogste doel van elk levend wezen, de zaligheid, de verlossing, het Nirwana, te bereiken. In zoover is alzoo het Boeddhisme eene religie.

Het is echter tevens eene wijsbegeerte, want het verlangt van zijne aanhangers geen blind geloof, maar eene door eigen na-vorschen, eigen onderzoek en ernstig nadenken gevormde en bevestigde overtuiging. Zijne leerstellingen hebben haren grond

-ocr page 22-

14

wezens vereert, — de door hem verkondigde leer voor waar houdt, hare voorschriften opvolgt, en zulks door het openlijk en plechtig uitspreken der toevluchtsformule heeft bevestigd.

3. Hoe luidt de toevluchtsforiunle ?

De toevluchtsformule (Trisarana) luidt: Ik neem mijne toevlucht tot Boeddha. Ik neem mijne toevlucht tot de leer (Dharma). Ik neem mijne toevlucht tot de broederschap der uitverkorenen (Sangha).

4. Welke zijn het doel en de \'befeekenis van het plechtig uitspreken van deze toevluchtsformule?

Hij die deze formule uitspreekt, wil daarmede voor de geheele wereld getuigenis afleggen, dat hij Boeddha voortaan als zijn leermeester en voorbeeld kiest; dat hij in diens heilige leer het samenstel en de onveranderlijke grondbeginselen ziet van alle waarheid en gerechtigheid, gelijk mede den weg tot zelfvolmaking en verlossing; dat hij de broederschap

niet in den wil van eenen onbegrijpelijken God-Schepper of in eene bovennatuurlijke openbaring, inaar in de voor allen kenbare natuurlijke geaardheid van de wereld en het leven. Hét zoekt den boosdoener niet door bedreiging met eeuwige straffen vrees aan te jagen, maar het nog door aardschen waan verblinde oog des dwalenden ziende te maken, opdat hij in staat zij de waarheid te leeren kennen, en het brengt hem die er oprecht naar streeft, langs den weg van geestelijke ontwikkeling en zedelijke zelfvolmaking tot een standpunt, waarop al het aardsche als wezenlooze schijn achter hem ligt, en de moeielijke, schijnbaar onoplosbare tegenstrijdigheden in den loop der wereld en in het leven der menschen verdwijnen bij het heldere inzicht in het onveranderlijke en eeuwige.

-ocr page 23-

15

der uitverkorenen beschouwt als de geroepene en eerwaardige navolgers van Boeddha en als de ware beoefenaars, verkondigers en uitleggers van diens leer.

5. Is deze toevluchtsformnle voor alle Boeddhisten verbindend?

Voor allen zonder uitzondering, hetzij zij tot de broederschap der uitverkorenen behooren en diensvolgens het leven van een bedelmonnik (Bickshoe, Samana) gekozen hebben, of wereldlijke aanhangers (Oepasaka) zijn. Slechts zij, die de toevluchtsformule hebben uitgesproken, en wel openlijk voor de gemeente of hare vertegenwoordigers, behooren in werkelijkheid tot de gemeenschap der Boeddhisten.

6. Hoe \'noemt men de heilige drievuldigheid (Triratna), aan wier leiding de Boeddhist zich door het uitspreken der toevluchtsformule toevertrouwt ?

De drie leidsterren, want deze heilige drievuldigheid schenkt ons in de duisternis van ons aardsche leven licht, gelijk de sterren den schipper, die zich in den nacht op de door storm bewogen zee bevindt, en leidt hem, die zich er getrouwelijk naar richt, door den woesten oceaan van onwetendheid, hartstochten en begeerten naar de haven van den eauwigen vrede.

Daarom houdt de Boeddhist vol vertrouwen, dank-

-ocr page 24-

16

baarheid en eerbied het oog op de drie leidsterren gericht en zegt met een vroom gemoed:

Eere zij den heilige, den overwinnaar der wereld, den allerhoogsten, zegevierend-volmaakten Boeddha; Eere zij der heilige, reine, verlossende leer;

Eere zij der heilige broederschap der uitverkorenen.

-ocr page 25-

BOEDDHA.

7. Wie is Boeddha?

De zelfvolmaakte en verlichte, reeds in dit leven verloste, in de hoogste mate goede, heilige en wijze verkondiger der waarheid en stichter der boeddhistische religie.

8. Is Boeddha een God , die zich aan de menschen geopenbaard heeft?

Neen.

9. Of ■was hy een godsgezant, die ter aarde is nedergedaald, om den menschen het heil te brengen?

Neen.

10. Was hy dan een mensch?

Ja, hij was een mensch. Maar een mensch, gelijk er in vele duizenden jaren slechts eens een geboren wordt, een van die verhevene overwinnaars en voorlichters der wereld, welke geestelijk en zedelijk zoo hoog boven de dwalende en lijdende mensch-

2

-ocr page 26-

18

heid uitblinken, dat zij in de kinderlijke verbeelding van het volk «goden» of «godsgezanten» schijnen te zijn.

11. Is Boeddha een eigennaam?

Neen, Boeddha is de aanwijzing van een innerlijken toestand of eene geestesgesteldheid.

12. Wat beteekent dan dat woord?

De Verlichte; het duidt een mensch aan, die door eigene kracht den hoogsten graad van kennis en zedelijke volmaaktheid verworven heeft-

13. Hoe was Boeddha\'s ware naam?

Siddhartha was zijn geboortenaam; en zijn geslachtsnaam was Gautama.

14. Wie waren zijne ouders ?

Koning Soeddhódana en Koningin Maya.

15. Over welk volk heerschte Koning Soeddhódana ?

Over den Indischen stam der Sakyas. (1)

16. Wanneer werd prins Siddhartha geboren ?

Op een vrijdag in het jaar 623 voor het begin der christelijke jaartelling.

1

I)e Sakyas behoorden tot de groots Arische volkengroep, tot welke ook de Europeesche natiën — Germanen, Eomanen en Slaven — hehooren. De door hen bewoonde landstreek lag in noordoostelijk Indië, aan den voet van het Himalaya-gebergte en de hoofdstad Kapilawastoe ongeveer 150 kilometer ten noorden van de stad Benares aan de rivier Róhini, thans Kohana genaamd.

-ocr page 27-

19

17. Waren er ook voorteekenen, uit welke zgne toekomstige verhevene bestemming kon worden afgeleid ?

Ja. De brahmanen, die als priesters en sterre-wichelaars aan het hof van koning Soeddhódana leefden, voorspelden ze.

18. Hoe luidde hunne voorspelling?

Indien prins Siddhartha zich in de wereld blijft bewegen, wordt hij een machtig heerscher; indien hij echcer de wereld verloochent en het leven van een asceet verkiest, zal hij een allerhoogste, zegevierend-volmaakte Boeddha worden.

19. Was deze de eenige voorspelling ten aanzien van prins Siddhartha\'s toekomst ?

Neen. De boetedoener Kaladéwila, door den geest gedreven, kwam uit de wildernis van den Himalaya toesnellen, wierp zich voor het kind neder en sprak: «Waarlijk, dit kind zal eenmaal een in den hoogsten graad volmaakte Boeddha worden en aan de menschen den weg der verlossing wijzer^.quot; En hij weende, wijl hij wist, dat hij bij zijn hoogen leeftijd dien tijd niet meer zou beleven. (1)

1

Brahmaansche boetedoeners, kluizenaars en asceten bestonden in Indië reeds vele eeuwen voor de geboorte van Boeddha. Zij leefden ten deele te zamen in het woud in kleine bamboehutten, zich wijdende aan de studie der heilige mystieke geschriften (de Upanischaden der Veden), ten deele in holen en bij boomen als kluizenaars. \\ elen ook leefden als asceten zonder vaste woonsteden, togen van plaats tot, plaats, verschaften zich voedsel

-ocr page 28-

20

20. Was koning Soeddhódana ingenomen met Xala-déwila\'s voorspelling?

Geenszins. Hij zocht zelfs door alle hem ten dienste staande middelen hare vervulling te verhinderen, want hij wenschte dat prins Siddhartha een wereldheerscher zou worden.

21. Door welke middelen trachtte hy dit doel te bereiken ?

Hij weerde alles uit de omgeving van den prins, waardoor deze bekend had kunnen worden met \'s menschen lijden en met den dood. Hij omringde hem met alle genietingen en alle vorstelijke weelde en glans, om hem zoo vast mogelijk te doen hechten aan de wereld. De voortreffelijkste leermeesters onderwezen hem in alle kunsten en wetenschappen en in de voor den zoon eens konings passende ridderlijke bekwaamheden. Toen prins Siddhartha den jongelings-leeftijd had bereikt, liet zijn vader hem drie paleizen bouwen, een voor elk indisch jaargetijde — het heete, het koude en den regentijd. Alle drie waren met de grootste pracht ingericht; zij waren omringd door uitgebreide tuinen en bosschen, met heldere vijvers, omkranst door lotosbloemen, koele grotten, ruischende bronnen en bloembedden van uitgezochte schoonheid en welriekende geuren. In deze tuinen en bosschen bracht

door bedelen aan de deuren en onderwierpen zich aan de vreese-lijkste zelfpijnigingen, om alle zinnelijke aandoeningen met geweld i.i zich te dooden, de ziel van alle aardsclie banden los te maken en tot vereenigiag inet den eeuwige, Brahma, te geraken.

-ocr page 29-

21

de prins zijne jeugd door, maar hij mocht ze niet verlaten en aan armen, zieken en grijsaards was ten strengste verboden ze te betreden.

22. Leefde prins Siddhartha iu afzondering in deze paleizen en tuinen ?

Neen. Hij was omringd door zonen uit de edelste geslachten des lands. Reeds in zijn 16e jaar gaf zijn vader hem prinses Yasódhara, dochter van koning Soepraboeddha tot vrouw (1), en buitendien was een groot aantal schoone, in dans en muziek ervaren meisjes steeds bereid hem te vermaken,

23. Hoe was het mogelijk, dat de prins te midden van al deze heerlijkheid en genoegens het plan kon vormen de wereld te ontvlieden ?

Bij zijne toeren in de tuinen en parken had hij vier ontmoetingen, die een beslissenden invloed op hem hadden en hem met den waren aard van het leven bekend maakten.

24. Welke waren deze ontmoetingen?

Die met een gebrekkigen, onder den last der jaren gebukten grijsaard, — met een met ettergezwellen bedekten zieke, — met een in staat van ontbinding verkeerend lijk en met een eerwaardigen bedelmonnik.

1

Nog tegenwoordig is het bij de voorname familiën in Indië gebruikelijk, dat de ouders de kinderen zeer vroeg uithuwelijken, niet zelden reeds in het tiende of twaalfde jaar. Natuurlijk vindt de werkelijke huwelijksvoltrekking eerst veel later plaats, als de jonge echtgenooten den huwbaren leeftijd bereikt hebben.

-ocr page 30-

22

25. Welken indruk maakten deze omtmoetingen

op prins Siddhartha?

Zij schokten hem diep. Hij kreeg- daardoor inzicht in de vergankelijkheid en onwaarde van het leven. De bedriegelijke en snel voorbijgaande genoegens, welke door ouderdom, ziekte, smart en dood als op den voet gevolgd worden, verloren hunne bekoorlijkheid voor\'hem. Voortaan meed hij alle vermakelijkheden; het inzicht rijpte in hem, dat het leven geen begeerenswaardig goed, maar veeleer een kwaad is, en dat het dwaas en edele naturen onwaardig is, de genietingen des levens na te jagen. Al zijn streven werd van dezen tijd af op een hooger doel g^ericht (1).

1

De heilige boeken der Boeddhisten verhalen het volgende omtrent deze ontmoetingen van den toekomstigen Boeddha. Terwijl prins Siddhartha eens in het park een rijtoer maakte, bemerkte hij plotseling eenen gebrekkigen ouden man, wiens rug gebogen was onder den last der jaren, en die op een stok leunende zich met moeite voortsleepte. Siddhartha vroeg verwonderd zijn bediende Tschanna, welk een verwonderlijk wezen dat was, en Tschanna antwoordde, dat het een grijsaard was. — „Werd hij in dezen staat geboren?quot; vroeg de prins verder.— „Neen, heer, eens was hij jong en blozend als gij.quot; — „Zijn er meer zulke grijsaards?quot; vroeg de prins verder met klimmende verbazing.— „Zeer velen, heer!quot; — „En hoe kwam hij in dezen beklagens-waardigen toestand?quot; zoo ging Siddharta voort den bediende uit te vragen. — „Het is de loop der natuur, dat alle menschen, die niet op jeugdigen leeftijd sterven, oud en gebrekkig worden.quot; — „Ook ik Tschanna?quot; — „Ook gij, heer!quot;

Dit voorval stemde den prins zoo weemoedig, dat hij beval, naar huis terug te rijden, daar hij alle behagen in de schoone omgeving verloren had. Eenigeu tijd later kreeg hij bij

-ocr page 31-

23

26. Welk was dit doel ?

Hij wilde de oorzaken van lijden, dood en wedergeboorte (*) doorgronden en het middel vinden om

een nieuwen rijtoer eenen melaatsche in het oog, en toen Tschamia hem op zijne vragen ook omtrent dezen inlichting gaf, werd hij zoozeer aangedaan, dat hij van dien tijd af alle vermaken vermeed en zich over het lijden des levens in ernstig nadenken begon te verdiepen. Na verloop van eenigen tijd had het derde voorval plaats, dat hem inzicht in dat lijden gaf. Hij zag een lijk aan den weg liggen, dat reeds in staat van ontbinding verkeerde. Ten heftigste geschokt, keerde hij dadelijk naar huis terug, uitroepende: „Wee mij, wat baat alle vorstelijke glans en pracht en alle genot, als ik daardoor niet voor ouderuom, ziekte en dood bewaard word! Hoe ongelukkig zijn toch de meuschen! Is er dan geen middel, voor altijd een einde te maken aan het lijden en den dood, die op iedere geboorte telkens op nieuw volgen?quot;

Deze vraag hield hem sedert dien tijd onafgebroken bezig. Het antwoord gewerd hem eerst bij een volgenden uitgang. Toen verscheen hem een bedelmonnik, in het gele gewaad, dat de boeddhistische broeders dragen, in wiens eerwaardige trekken de volkomene vrede van zijn binnenste duidelijk te lezen stond. Dit voorgezicht, want als zoodanig hebben wij het te beschouwen, wees den door de raadselen des aanzijns gekwelden prins den weg, op welken hij er de oplossing van te zoeken had. Van dat tijdstip af rijpte in hem het besluit, de wereld te verlaten en den weg te bewandelen, dien ieder inslaan móet, als hij naar de volmaking streeft. — Dit allegorische verhaal leert ons in het gewaad der legende de diepe waarheid, dat het enkel de erkenning van de vergankelijkheid en onwaarde des levens is, die ontvankelijke gemoederen er toe leidt, de wereld te ontvluchten, en van hare genietingen af te zien, en die geheele verandering van zin bewerkt, welke alle heiligen en wereldverwinnaars doormaken en de wereldschgezinden nooit begrijpen.

(*) De leer der wedergeboorte, dat is der telkens herhaalde belichaming van het innerlijke wezen der meuschen, is de oudste en.

-ocr page 32-

24

daaraan een einde te maken. Hij besloot hét voorbeeld van den bedelmonnik, die hem verschenen was, te volgen,, de wereld te verlaten en in de wildernis te gaan.

eerwaardigste waarheid, welke het menschelijk geslacht heeft leeren kennen; zij is de met de menschheid ontstane wijsheid of religie, die zich als van zelf aan ieder opdringt, wiens verstand niet beneveld is door jVroeg ingeprente dwaalleeringen en vooroordeelen. In den godsdienst van alle beschaafde volken, de joodsch-christelijke alleen uitgezonderd, vormt zij den hoeksteen, op welken alle overige leeringen steunen. En zelfs in christelijke landen heeft zij in het geheim bij de groote geesten ten allen tijde veel aanhang gevonden. Zij alleen vermag ons te genezen van den waan, dat de mensch een schepsel is, dat door de willekeur van een God uit het niet in het aanzijn is geroepen en hem voor een geschenk van zoo twijfelachtige waarde als het leven is, ook nog dankbaar moet zijn. De leer der wedergeboorte alleen geeft den mensch zijne ware vrijheid en zelfbepaling terug, die met het geloof aan een almachtigen God-Schepper ten eenenmale onbestaanbaar zijn; zij alleen heeft haren grond in ware gerechtigheid en slechts door haar wordt het schoone woord van den edelen Jezus van Nazareth tot waarheid Zoo wat de mensch zaait, dat zal hij maaien.quot; De leer der wedergeboorte alleen geeft ons eene oplossing van het raadsel van ons bestaan, verklaart op bevredigende wijze, waarom de rechtvaardige dikwijls arm en veracht is, terwijl de slechte rijkdom en eer geniet, en geeft ons een antwoord op de iu vertwijfeling door millioenen gepijnigde menschenharten te vergeefs ten hemel gerichte vraag, waarom wij zooveel moeten lijden. Zij schenkt ons daaromtrent licht, door ons te doen inzien dat ons innerlijke wezen even onvatbaar is voor vernietiging, als de stof en de natuurkrachten. Met vrijen wil hebben wij ons iu dit leven begeven en het van den eersten aanvang der dingen af tot op den huldigen dag in eeuwig wisselende gedaanten voortgezet. De dood is geene vernietiging, maar slechts de overgang uit een versleten vorm in een anderen. Wie er een genoegen in vindt te leven, zij gerust: geen God of

-ocr page 33-

25

27. Viel dit besluit hem gemakkelijk ?

Neen; hij moest immers afstand doen van alles wat de menschen gewoon zijn als het hoogste geluk op aarde te beschouwen: van den koningstroon, de heerlijke paleizen, van macht, eer, aanzien en vermaken en zelfs van de samenwoning met zijne geliefde vrouw en zijnen zoon Rahoela, dien prinses Yasódhara hem geschonken had,

28. Zochten zyn vader en prinses Yasódhara hem niet van zyn voornemen af te brengen ?

Hij deelde het hun niet mede , maar gaf er de voorkeur aan, heimelijk te vlieden, omdat hij vreesde, dat de smeekgebeden van zijn ouden vader en de tranen van zijne vrouw hem in zijn besluit aan het wankelen zouden kunnen brengen (1).

1

Koningin Maya leefde niet, meer; zij stierf zeven dagen na de geboorte van den prins. Dit is het lot van elke moeder van een toekomstigen Boeddha, daar uii den schoot, die een wereldverlichter heeft gedragen, in het vervolg geene stervelingen meer geboren kunnen worden.

-ocr page 34-

26

29. Hoe ontkwam hy uit het paleis?

In een nacht, terwijl alles sliep, stond hij stil op, wierp een laatsten afscheidsblik op zijne niets vermoedende slapende vrouw en zijn kleinen zoon, wekte Tschanna, liet dezen zijn lievelingspaard Kanthaka zadelen en reed weg. Onbemerkt kwam hij de wachters aan de poort voorbij en rende, zoo snel als zijn paard vermocht, in den duisteren nacht voort.

30. Hoe oud was prins Siddhartha, toen inde

wildernis ging?

29 jaren.

31. Waarheen ging hy het eerst?

Naar de rivier Anoma. Daar sneed hij met zijn zwaard zijn lang en schoon haar af, overhandigde den getrouwen Tschanna zijne wapenen, zijne sieraden en zijn paard en beval hem , daarmede naar Kapilawastoe terug te keeren en den koning en prinses Yasódhara omtrent zijn lot gerust te stellen. Nadat Tschanna hem verlaten had, bracht hij nog zeven dagen in eenzaamheid aan den oever der Anoma door, geheel in zijne overpeinzingen verdiept en hoogelijk verheugd, den eersten en gewichtigsten stap tot bereiking van zijn doel gedaan en de boeien van het wereldsche leven afgeworpen te hebben. Daarna verruilde hij zijne kleeding met die van een voorbijtrekkenden bedelaar en begaf hij zich naar Radjagriha, de hoofdstad van het koninkrijk Magadha.

-ocr page 35-

27

32. Waarom begaf hy zich daarheen ?

In de nabijheid van Radjagriha leefden twee brahmanen, Alara en Oeddaka, die in den roep van hooge wijsheid stonden. Bij deze werd hij als leerling opgenomen onder den naam van Gautama.

33. Wat leerden deze Brahmanen?

Zij leerden, dat men door gebeden, offers en religieuse gebruiken van allerlei aard de ziel kon louteren en door goddelijke genade tot verlossing geraken.

34. Eon Gautama zich met deze leer vereenigen ?

Neen. Hij maakte zich alle kennis der brahmanen eigen en nam ijverig deel aan hunne oefeningen , zonder daardoor nader bij het doel van zijn streven te komen. Spoedig werd hem duidelijk, dat de wetenschap der brahmanen ijdelheid was en niet tot verlossing van lijden, dood en wedergeboorte voerde.

35. Wat deed hy na deze mislukte poging?

Er waren nog andere brahmanen, die geloofden, dat de askese, de algeheele gewelddadige vernietiging van den wil en de hartstochten, de ware weg tot de verlossing was. Gautama besloot het nu met de naleving hunner voorschriften te beproeven. Te dien einde trok hij zich in een dicht woud bij Oeroewela terug, en wijdde hij zich in de eenzaamheid aan de hardste boetedoeningen en

-ocr page 36-

28

zelfpijniging-, (1) Spoedig verbreidde zich de roep van zijn heiligen levenswandel en kwamen vijf lot-genooten tot hem, die naar hetzelfde doel streefden als hij. Met bewondering voor de geestkracht en volharding vervuld, met welke Gautama zich aan zelfkastijding wijdde, bleven zij bij hem, in de verwachting, dat hij zeker daardoor te eeniger tijd der verlossing deelachtig zcu worden. Dan wilden zij zijne leerlingen worden.

36. Hoe heetten deze v^f asceten?

Kondanaya, Bhaddadji, Wappa, Mahanama en Assadji.

37. Hoe lang duurde het verblijf van Gautama in het woud bq Oeroewela?

Ten naastenbij zes jaren. De krachten van zijn lichaam slonken steeds meer en meer weg door aanhoudende zelfpijniging, vasten en waken, maar hij volhardde in zijn streven. Eindelijk, terwijl hij in een nacht in diep gepeins op en neder liep, stortte hij plotseling-, ten gevolge van algeheele uitputting,

1

Deze plaats, waar Boeddha zich vele jaren aan zelfkastijding wijdde, en waar hij ook het licht der waarheid vond, werd later Boeddha-Gaya, d. i. het kluizenaarsverblijf van Boeddha, genaamd. Tempels en kloosters werden daar gebouwd, die duizend jaren later, toen het Boeddhisme in geheel Midden- en Oost-Azië aangenomen was, door talrijke monniken bewoond werden en eene voorname plaats voor bedevaarten voor pelgrims uit alle boeddhistische landen waren. Nog heden ten dage wijst een vervallen tempel de gewijde plaats aan.

-ocr page 37-

29

bewusteloos neder, zoodat zijne metgezellen hem voor dood hielden. Na eenigen tijd kwam hij echter weder bij.

38. Ging h.y toen nog voort met zijne ascetische oefeningen ?

Neen. Hij kwam tot het inzicht, dat de askese nooit tot heil en verlossing leiden kan. Hij had bijna zijn leven ten offer gebracht en toch het doel, de geestelijke en zedelijke zelfvolmaking, niet bereikt. (1j Hij gaf daarom alle eigenlijke kastijding op en gebruikte weder geregeld voedsel. Toen zijne metgezellen dit zagen, werd hun vertrouwen in hem geschokt; zij hielden het er voor, dat hij aan zijn besluit ontrouw was geworden en verlieten hem.

39. Geraakte ook Gautama in twijfel, of liet doel wel zoude bereiken?

Neen, geen oogenblik. Door allen verlaten

1

Niet alleen de verhevene stichter der Boeddhistische leer, maar ouk vele christelijke heiligen uit vroegere eeuwen moesten door eigene ervaring tot de kennis komen, dat askese niet tot het heil leidt. — „Door enkel het vleesch te doodenquot;, zegt Nagaséna, de groote apostel van het Boeddhisme, „bereikt men zelfs geene gelukkige wedergeboorte, veel minder nog de verlossingquot;.

Diensvolgens verwerpt het Boeddhisme ook alle zelfkwelling en gewelddadige „dooding van het vleeschquot; als nutteloos en verderfelijk, en richt het zijn oogmerk alleen op loutering van hart eu wil van alle hartstochten en slechte .neigingen, gelijk mede op de ontwikkeling der kennis en der innerlijke geestelijke krachten van den mensch. Als voorwaarde daarvoor vordert het, af te zien van alle bezit, alle zinnelijke genietingen, alle wereldsch streven en beveelt het vrijwillige armoede en kuischheid.

-ocr page 38-

30

kwam hij tot het inzicht, dat op de door anderen geleerde wijze het heil niet te bereiken was, en hij besloot voortaan slechts zijne eigene innerlijke ingeving te volgen. De zelfkwelling had hij opgegeven en hij bepaalde zich voortaan tot strenge onthouding van bevrediging der zinnen; tegelijkertijd streefde hij in algeheele eenzaamheid naar ontsluiting van zijn binnenste, naar volledige ontwikkeling zijner hoogere geestelijke krachten. Prophetische droomgezichten verkondigden hem eens in den nacht, dat hij dicht bij zijn doel was. Na zijn ontwaken baadde hij zich in de rivier Nirandjara en ontving hij van een jong meisje, Soédjata genaamd, eene rijstspijs, die eene verwonderlijk versterkende werking op hem uitoefende. Den geheelen dag bracht hij in overpeinzingen verdiept aan den oever der rivier door, en tegen den avond legde hij zich neder aan den voet van een in de nabijheid staanden reusachtigen nigródha-boom (1). Hier zat hij , met het aangezicht naar het oosten gekeerd, diep in gedachten verzonken, met het vaste besluit in het hart, niet

1

Deze boom, door de Boeddhisten bodhi-boom d. i. boom der kennis geheeten, en door de natuurvorschers ficus religiosa genoemd, heeft de eigenaardigheid, dat hij door luchtwortels, die in de aarde vastgroeien, zich voortdurend verjongt, zoodat een geheel afsterven slechts onder buitengewoon ongunstige omstandigheden plaats heeft. Eene loot van dezen boom bloeit nog tegenwoordig bij de ruïne van den tempel van Boeddha-Gaya, niet ver van het hedendaagsche Radjgir. Een andere loot werd naar Ceylon overgebracht en geplant bij de oude hoofdstad van dat eiland, Anoeradhapoera. Hij staat nog in vollen wasdom en is de oudste historische boom der wereld.

-ocr page 39-

31

eer weder op te staan, dan nadat hij de hoogste kennis zou hebben verworven. Onder dezen boom streed hij zegevierend den laatsten zwaren strijd.

40. Welke strijd was dit?

De strijd met de aardsche neigingen en begeerten, die in het menschelijk hart wonen, en die zich nochmaals in hem verhieven, ofschoon hij meende ze reeds volledig overwonnen te hebben; de strijd met den waan, met de genietingen der wereld en met dat streven naar leven en genot, dien wil om te leven, welke de wortel en diepste grond van ons wezen, gelijk tevens de bron van ons lijden is. Nog eenmaal vertoonden zich eer, roem, macht, rijkdom, de aardsche liefde, het geluk van het familieleven en alle genietingen en vermaken, welke de wereld haren troetelkinderen biedt, in de meest verleidelijke vormen voor zijn geest; nog eenmaal verhief de knagende twijfel zijn slangenkop. Maar onwrikbaar besloten, liever te sterven dan af te zien van de bereiking van zijn doel, worstelde Gautama met de vreeselijke machten en behaalde hij de overwinning. En nu eindelijk, nu de laatste aanvallen van menschelijke zwakheid overwonnen waren en de diepe vrede van het Nirwana zijn hart vervulde, verhief zich zijn geest door alle trappen van mystieke aanschouwing tot de verhevene hoogte, op welke den daarnaar strevenden het volle licht ten deel valt. (1) Hij had zijn doel bereikt: de sluier was van zijne

1

Dat zulk een staat van hoogste geestelijke helderziendheid geen droombeeld, geene ijdele inbeelding van dweepers of dwazen

-ocr page 40-

oogen gevallen, de hoogste kennis van het heelal erlangd. Hij was een volmaakte, wereldverlichtende Boeddha geworden.

is, gelijk men in Europa tot voor korten tijd ook in de wetenschap ten onrechte aannam, bewijzen niet slechts de gelijksoortige ervaringen van beroemde .heiligen en mystieken van alle tijden en volken, maar ook de nieuwste wetenschappelijke waarnemingen op het gebied van het somnambulisme en hypnotisme. Deze duistere tot dusverre in het westen bijna geheel verwaarloosde zijde der menschelijke natuur, begint thans door de bemoeiingen van Europeesche geleerden vau naam meer en meer in het licht gesteld te worden. De hoogere verschijnselen van het hypnotisme (niet de grove vertooningen van speculatieve hypnotiseurs, die steeds op den laagsten trap staan), in het bijzonder de merkwaardige verschijnselen van de ingeving of suggestie, geven ons eeniger-mate den sleutel tot die tot dusverre betwijfelde, ja met onge-loovigen spot bejegende geestestoestanden, die in Indië bij de hrahmaansche Yogis, gelijk mede bij de boeddhistische Bickshoe en Samanen sedert duizenden jaren bekend zijn. Wel staat men in Europa nog bij het begin van deze kennis. Anders is het in Indië. De hoogere geestelijke vorming en zelfvolmaking van den Indischen myst\'cus steunt ten deele op zelf-hypnotiseering- en auto-suggestie (zelflngeving). Bij de thans voldoend bekende gewone soort van hypnotiseering brengt de hypnotiseur het medium in somnambulen slaap, door het te nopen zijne aandacht op eenig voorwerp te vestigen. Is de somnambule slaap, waarvan het bijzondere kenmerk in de opheffing van den persoonlijken wil gelegen is, ingetreden, dan is de hypnotiseur in staat het medium te dwingen zijn wil te doen, en onder de werking te brengen van ingevingen, welke het dadelijk of ook langen tijd later in wakenden toestand volvoeren moet.

Op gelijk wijze gaat de Yogi of Samaan te werk, met dit onderscheid, dat hij hypnotiseur en medium in zijn eigen persoon vereenigt. Nadat hij zich door uitsluiting van alle indrukken der zinnen en vaste zamentrekking van alle gedachten op een bepaald punt in somnambulen slaap heeft gebracht, doet hij bij zich

-ocr page 41-

33

41. Had hij nu de oorzaken van het lijden, den ouderdom, den dood en de wedergeboorte leeren kennen ?

Ja. Voor hem opende zich, gelijk het in de heilige boeken heet, het reine onbenevelde oog der waarheid, en hij leerde de oorzaak kennen van het ontstaan en vergaan der wezens, van lijden, dood en wedergeboorte, maar tevens ook het middel, aan alle lijden een einde te maken, den onafgebroken kringloop van geboorte en dood te ontgaan en de verlossing, het Nirwana, te bereiken.

42. Hoe lang1 vertoefde hij onder den bodhi-boom.

Zeven dagen vertoefde hij onder den boom,

jjzelfingevingenquot;, die de overwinning van alle aardsche neigingen en begeerten ten doel hebben. Eerst als dit volkomen gelukt is. komt die geheimzinnige, maar in ieder in kiem voorhandene geestelijke kracht tot hare volle ontwikkeling, die den mysticus in staat stelt onmiddellijk (zonder medewerking van het oog des lichaams) te aanschouwen wat voor de naar buiten gerichte zinnen voor altijd verborgen en den wereldschgezinden voor altijd onbereikbaar blijft. In dezen staat van „mystisch verzonken zijn in zich zelfquot; bestaan verschillende graden, waarvan de hoogste in eene vrijwillig te weeg gebrachte extase bestaat,bij welke de perken van tijd en ruimte verdwijnen, de overigens zonder uitzondering geldende wet van oorzaak en gevolg en met dezelve de individualiteit (het ik) geheel opgeheven worden en men zich van het eeuwige onmiddellijk bewust wordt.

Tot dezen hoogsten trap van geestelijk zijn te geraken, is uit den aard der zaak slechts voor weinige uitverkorenen van hetquot; menschelijk geslacht mogelijk. Zeifs de lagere graden, bij welke de intuitie van het genie zeer nabij komt, eischen eene ongewone begaafdheid, de hoogere echter eene zedelijke kracht tot zelfver winning en een zoo uitstekenden geestelijken aanleg, als slechts uiterst weinigen bezitten.

-ocr page 42-

34

geheel in zich zelf gekeerd. Daarna stond hij op en ging naar den vijgenboom apjadala. Daar kwam Mara (1), de verzoeker, tot hem en zeide: «Ga nu in tot den eeuwigen vrede, o Verhevene. Gij hebt de waarheid gezien, de moeielijk bereikbare, heilbrengende, zaligmakende waarheid, die alleen den volmaakten wijze ten deel valt. Wat wilt gij nog op aarde? Met het najagen van wereldsche dingen houden de menschen zich op; daarom behooren zij op aarde en vinden zij daar hun lust. Zij zullen de eeuwige wereldorde, de wet der aaneenschakeling van oorzaak en gevolg niet kunnen begrijpen, en de leer ten aanzien van het afleggen van den wil om te leven, de tenietdoening van de begeerten en verlangens, den weg der verlossing zullen zij niet willen hooren. Zie er daarom van af, uwe leer te verkondigen en ga in tot den eeuwigen vrede.quot;

43. Schonk Boeddha aan de woorden van Mara gehoor?

Xeen; hij wees vol verachting den verzoeker af en zeide; «Ga weg van mij, gij booze. Niet eerder zal ik tot den eeuwigen vrede ingaan, voor dat de heilbrengende leer vast gegrond is in de harten mijner volgelingen, voordat ik mij jongeren

1

Mara, de verzoeker en vorst dezer wereld, speelt in de boeddhis-ische leer ongeveer dezelfde rol, als in liet christendom Satauas, de vorst der duisternis. Ook Christus werd immers in de woestijn door den duivel verzocht, gelijk Boeddha hier door Mara. Let spreekt echter van zelf, dat met deze allegorische voorstelling een innerlijk verschijnsel in Boeddha\'s geest, geeue ontmoeting niet een ander bedoeld wordt.

-ocr page 43-

35

verworven heb, die in mijne plaats den weg- der verlossing kunnen prediken aan allen, die rein van hart en goed van wil zijn, opdat de waarheid verbreid worde over de geheele wereld, tot vreugden zegen voor alle volken, tot welzijn, heil en verlossing voor goden (1) en menschen.quot;

Toen liet de verzoeker af. Boeddha echter bleef nog drie weken onder den vijgeboom adjapala, terwijl hij de zaligheid der verlossing genoot en in zijn geest zijne leer in bijzonderheden uitwerkte. Gedurende deze 28 dagen bleef hij geheel alleen en genoot hij spijs noch drank. Daarna echter stond hij op en sprak: «Geopend zij voor allen de deur des heils; wie ooren heeft, hoore de leer en geloove!»

44. Aan wien verkondigde hy het eerst zyne leer?

Aan de vijf asceten, die zoo lang bij hem vertoefd en hem verlaten hadden, toen hij de zelfpijnigingen opgaf.

46. Waar vond hy hen weder?

In een bosch bij de stad Benares, in deMiga-daya-wildernis.

1

Het Boeddhisme luoclieut noch beweèrt liet bestaan van goden: het heeft trouwens g-eene goden noodig, noch als steun voor zijne zedeleer, noch tot bereiking der verlossing. Wie aan goden gelooven wil, mag dit doen; hij mag echter niet vergeten, dat de goden, evenals alle andere wezens, vergankelijk en aan de wedergeboorte onderworpen zijn, ook al telt hun leven bij millioenen zonnejaren en dat een tot verlossing gekomen heilige, boven allen echter een Boeddha, ver boven alle goden verheven is. In het bovenstaande worden ouder goden de bewouers van de lichte hemellichamen verstaan.

-ocr page 44-

36

46. Waren de vijf asceten geneigd, zijne leer te hooren?

Zij waren voornemens, dit niet te doen, daar zij hem als een afvallige beschouwden, maar de hoogheid van zijne persoonlijkheid, de verhevene uitdrukking van zijn gelaat maakten zulk een diepen indruk op hen, dat zij zich huns ondanks voor hem bogen en vol eerbied naar zijne woorden luisterden.

47. Hoe wordt deze eerste prediking van Boeddha geheeten?

De «verkondiging van de zedelijke wereldorde» of «de vestiging van het rijk der eeuwige gerechtigheid». Deze prediking bevat de grondtrekken der geheele leer: de vier heilswaarheden (1).

48. Welken invloed had deze prediking op de vijf asceten ?

Zij erkenden Boeddha als den Wereldver-lichter en wenschten zijne jongeren te worden. En de Verhevene nam hen als de eersten op in de broederschap der uitverkorenen (Sangha) zeggende: «Treedt nader, broeders. De leer is verkondigd. Weest voortaan heilig in uwen levenswandel, om aan alle lijden een einde te maken.»

49. Wie van de vijf jongeren kwam het eerst tot volledige kennis der waarheid ?

De grijze Kondanya. Hem ging het reine,

1

Zie deze vier heilswaarheden onder de afdeeling: Leer.

-ocr page 45-

onbenevelde oog der waarheid open en hij bereikte den graad van Arahat (1). Spoedig volgden ook de vier anderen.

50. Verwierf Boeddha zich in Benares nog meer jongeren?

Ja. De eerstvolgende bekeering was die van Yasa, een jongeling uit een aanzienlijk geslacht. Maar niet slechts brahmanen, edelen en voornamen hoorden het woord van den Verhevene, ook het volk; want hij maakte geen onderscheid van kaste, rang of stand, zooals de brahmaansche priesters deden, maar predikte het heil aan allen, diegenegen waren hem te hooren, en zijn woord was machtig en drong in het hart door. Na vijf maanden bedroeg het aantal jongeren reeds zestig, buiten de wereldlijke aanhangers. Daarop had de uitzending der broeders plaats.

51. Wat verstaat men onder de uitzending der broeders ?

Boeddha vereenigde de broeders om zich en beval hen, ieder afzonderlijk uit te gaan in de wereld en de verlossende leer overal te verbreiden (*).

1

Slechts doordat Boeddha zelf de jongeren in de leer onderwees, en dat deze jongeren brahmanen waren, d. i. mannen die reeds hun geheele leven in zelfverloochening, nadenken en heilig streven naar het eeuwige doorgebracht hadden, was het mogelijk, dat deze reeds na vijf maanden zou volledig in de leer doorgedrongen waren, om in staat te zijn, zelve als rondreizende predikers op te treden.

-ocr page 46-

38

52. Met welke woorden geschiedde dit ?

Boeddha sprak tot de broeders; «Gij zijt vrij van alle banden, goddelijke en menschelijke. Gaat dan uit, broeders, trekt rond en predikt de leer, tot heil en redding van alle levende wezens, uit medelijden met de wereld, tot vreugde, zegen en heil voor goden en tnenschen. Er zijn velen, die rein van hart en goed van wil zijn, maar zij gaan ten verderve, als zij de verlossende leer niet hooren. Deze zullen uwe aanhangers en belijders der waarheid zijn.»

S3. Eleef Boeddha alleen, in Benares achter ?

Neen ; hij keerde naar Oeroewela terug. Daar leefden in hutten in het woud vele brahmanen, die de heilige vuren onderhielden en de in de Veden voorgeschrevene offeranden verrichtten. Tot dezen predikte hij over de vurige lusten der zinnen, de hartstochten en begeerten en onder hen verwierf hij zich vele jongeren en aanhangers.

Vervolgens trok hij voort naar Radjagnha, de hoofdstad van het rijk Magadha, waar hij koning Bimbisara en een groot aantal edellieden bekeerde. Zoo breidde zich de heilaanbrengende leer steeds verder uit.

54. Ging- hij nooit weder naar zijne geboortexslaats

Kapilawastoe terug ?

Van Radjagriha ging hij naar Kapilawastoe, en de roem van zijne werken ging hem vooruit. Maar hij nam zijn intrek niet in het paleis des

-ocr page 47-

3!\'

konings, maar bleet met de broeders, die hem vergezelden, in een bosch buiten de stad, gelijk de orde der broederschap voorschrijft. Koning- Soeddhó-dana en al zijne mannelijke verwanten kwamen hem daar begroeten. Toen zij hem echter gekleed zagen in het slechte gewaad van een Bickshoe (bedelmonnik), met kort geknipte baard en hoofdhaar, schaamden ;dj zich over hem.

Den anderen morgen nam Boeddha zijne aalmoezenschaal (1) en ging, overeenkomstig het gebruik bij de broederschap, in de stad, om aan de huisdeuren zijn voedsel intezamelen. Toen de koning, zijn vader, dit vernam, snelde hij naar hem toe en sprak op verwijtenden toon; «Mijn zoon, waarom doet gij mij zulk een smaad aan, als een bedelaar gaven te verzoeken?quot;

Boeddha antwoordde: «Groote koning, zoo was van oudsher het gebruik bij mijn geheele geslacht.»

Koning Soeddhóhana begreep echter den zin van dit antwoord niet en riep uit: «Wij stammen af van een geslacht van koningen en edelen; geen hunner heeft zich ooit zoo diep vernederd, aan de huizen om brood te bedelen!»

Toen glimlachte de Verhevene eh zeide: «Gij en de uwen, gij beroemt u met recht, afstammelingen

1

L)e aalmoezenschaal der boetMhistische bedelmonniken is een scliutel van aardewerk met rechten steel, dien ieder lid der broederschap altijd bij zich draagt en waarin hij zijn dagelijksch voedsel inzamelt. Ook Boeddha week van dezen regel slechts dan af, als hij ten huize van een zijner aanhangers ten eten genoo-digd was.

-ocr page 48-

40

te zijn uit een geslacht van koningen. Mijne voorvaderen echter zijn de Boeddha\'s van vroegere eeuwen, en deze deden als ik.» (1)

Daarop zweeg koning Soeddhódana, nam Boeddha bij de hand en geleidde hem naar het paleis.

55. Wenschte Boeddha zijne vrouw en zyn zoon Bahoela weer te zien ?

Nog ten zelfden dage begaf hij zich naar prinses Yasodhara, vergezeld door twee zijner jongeren (2). Toen zij- hem als bedelmonnik gekleed voor zich zag staan, vermocht zij geen woord te zeg\'gen, maar zonk voor hem neder, omvatte zijne knieën en weende bitterlijk.

Toen hief Boeddha haar op, troostte haar en onderwees haar met liefderijke woorden in de leer. En zijne woorden vonden eene goede plaats in haar hart.

En toen Boeddha weggegaan was, kleedde Yaaó-

1

In ver verloopen tijden, iu welke de gescliieclvorscliiug niet meer in staat is door te dringen, traden evenzeer wereldver-lichtende Boeddha\'s op, die de verlossende leer verkondigden, want even als dwaling, schuld en lijden is ook het heil steeds aanwezig. Nooit ontbreekt het den mensch, die ernstig naar kennis der waarheid en verlossing streeft, aan de middelen om zijn doel te bereiken. Telkens, wanneer de zuivere leer dreigt geheel verloren te gaan en de nienschheid gevaar loopt in zinnelijke begeerten en geestelijke duisternis te verzinken, wordt ook een nieuwe Boeddha geboren. De laatste dezer Boeddha\'s, het licht van onzen tijd, was juist de Boeddha Gautama, tot wiens volgelingen wij behooren.

2

Geen lid der broederschap mag zonder begeleider in het huis eeuer vrouw gaan.

-ocr page 49-

41

dhara haren zoon Rahoela in zijn beste gewaad en zond hem tot den Verhevene, ten einde de prins zijn vader om zijn erfdeel zou vragen. De knaap trad voor Boeddha en zeide; «Mijn vader, ik zal eens koning zijn en den troon der Sakyas beklimmen. Geef mij daarom mijn erfdeel.»

Toen nam de Verlichte hem bij de hand, geleidde hem buiten de stad naar het Nigrodha-bosch, waar hij met zijne jongeren zijn verblijf had opgeslagen en sprak tot hem : «Mij n zoon, gij begeert van mij een erfdeel, dat vergankelijk is en lijden medebrengt. Zulk een erfdeel heb ik u niet meer te geven. Maar de schatten , die ik onder den boom der kennis verworven heb, mogen ook de uwe zijn. Dit is het geestelijke erfdeel, dat ik u vermaak; dit kan u niemand ontnemen».

En daarop beval hij Saripoetta, Rahoela op te nemen in de broederschap der uitverkorenen.

Behalve Rahoela werden nog vele van Boeddha\'s verwanten in de broederschap opgenomen, onder hen Ananda, Dewadatta, Oepali en Anoéroeddha.

56. Wie waren, buiten de laatstgenoemden, de uitstekendste jongeren van den Verlichte?

Saripoetta, Mogallana en Kasyapa.

57. Hoe lang vertoefde Boeddha in Kapilawastoe?

Hij verbleef er de vier regenmaanden van het tweede jaar van zijn optreden als leeraar. Daarna nam hij afscheid, om elders zijn werk voort te zetten.

-ocr page 50-

42

Hoe lang Boeddha de leer ?

Tot aan zijn dood, in het geheel g-edurende 45 jaren. In dezen tijd trok hij gedurende de acht schoone maanden van elk jaar van dorp tot dorp, van stad tot stad en van land tot land, steeds omgeven door eene schaar van jongeren en overal het volk onderwijzende door prediking, vermaning en gelijkenissen. De vier maanden van den regentijd bleef hij op dezelfde plaats, hetzij in de woning van een aanhanger of in de tuinen en bosschen, die door rijke aanhangers aan de broederschap ten geschenke gegeven waren.

59. Waar hield Boeddha zich het meest en het liefst op ?

In het bamboebosch (Welóevana) bij Radja-griha, vroeger een park van Koning Bimbisara, hetwelk deze aan de broederschap geschonken had, en in het Djeta-bosch (Djetawana) bij Srawasti, eene gift van den rijken koopman Anathapindika. In beide waren kloosters (wiharas) voorde bedelmonniken (Bickshoe) gebouwd. Deze plaatsen zijn in de geschiedenis van het Boeddhisme beroemd geworden: hier toch was het, dat de Verhevene (*) de meeste

(*quot;) De „Verhevenequot; is eene dikwijls gebruikte benaming voor Boeddha. In de heilige boeken van liet Boeddhisme komen een aantal dergelijke voor, die alle eene eigenschap van Boeddha aanduiden. Zoo heet hij: Sakyamoeni, de wijze uit den stam iler Saki/as; de „Heiligequot;, omdat hij vrij is van allen wil om te leven, van alle hartstochten en begeerten; de „Zegevierend-volmaahtèquot;, onidat hij na langen strijd tegen de dwaling en de aardsche

-ocr page 51-

4:;

der in de\' heilige boeken opgeteekende waarheden verkondigde.

60. Schoot de leer van het Boeddhisme in die 4:5 jaren vaste wortelen?

Ja. De roem van Boeddha en de heilaanbrengende waarheid breidden zich krachtig uit. Duizenden personen uit alle standen , mannen en vrouwen, legden de gelofte tot vervulling der zwaardere plichten af en traden als bedelmonnikken (Bickshoe, Samanen) of nonnen (Bickshoeni) tot de broederschap toe, en talloos velen werden wereldlijke aanhangers van den Verlichte. (1)

1

Het Boeddhisme telt nog tegenwoordig\', ofschoon sedert ■1500 jaren do uitbreiding dezer leer tot stilstand is gekomen, meer aanhangers dan het christendom van alle kerkgenootschappen te zamen, namelijk 450 millioen, meer dan \'/s van de gezamenlijke bewoners der aarde. Eene eeuw voor Christus geboorte waren de jongeren van het Licht der wereld reeds in westelijke richting tot den Caucasus doorgedrongen en in de stad Alexandrië telde het Boeddhisme vele broeders en wereldlijke aanhangers. Het is daarom ook nauwelijks aan twijfel onderhevig, dat Jezus van Nazareth, wiens leer zooveel met het Boeddhisme overeen-komt, van zijn 12de tot zijn 30ste jaar, uit welk tijdperk van zijn leven de Evangeliën niets weten te berichten, een leerling an de boeddhistische monniken was en onder hunne leiding den

-ocr page 52-

44

61. Had Boeddha gedurende zijne werkzaamheid als leeraar niet te lijden van de vervolging en vijandschap van de zijde der heerschende brahmaans che religie ?

Neen; want aan het echte Brahmanisme is, evenals aan het Boeddhisme zelf, alle onverdraagzaamheid tegen andersdenkenden, alle religieuse geestdrijverij vreemd. Maar een van zijne eigene jongeren trad tegen hem op,

62. Wie van zijne jongeren deed dat?

Dewadatta. Deze werd door eerzucht verblind; hij wilde in de plaats van den grijzen meester de leiding der broederschap in handen nemen, en toen hem dit niet gelukte stond hij Boeddha zelfs naar het leven. Alle aanslagen echter, die hij tegen den Verhevene ondernam, mislukten.

g\'i\'.aail van Arahat bereikte, en daarna naar zijn vaderland terugkeerde om aan zijn volk de verlossing brengende leer te verkondigen.

Deze leer van Jezus is later verminkt en met dwalingen uit de joodsche wet vermengd geworden. De grondwaarheden van het christendom dragen echter, g\'elijk het geheele optreden van zijn stichter, de duidelijke kenmerken van haren Boeddhistischen oorsprong en de liefdevolle Nuzarener. dien ook ieder Boeddhist gaarne vereert, was een Arahat, die liet Nirwana bereikt had. Thans echter is in Europa de tijd weder aangebroken, waarin de westelijke nakomelingen der Ariërs de reine onvervalschte leer van Boeddha kunnen hooren en aannemen. Deze reine leer is voor Europa de religie der toekomst en zal eene omwenteling brengen in de geestesrichting en denkwijze der Europeesche volken, gelijk sedert de invoering van het christendom niet is voorgekomen.

-ocr page 53-

45

63. Waardoor deed Boeddha al deze aanslagen mislukken ?

Door zijne onuitputtelijke welwillendheid en goedhartigheid. Want deze bezitten eene wonderdadige kracht, waaraan niets ter wereld weerstand bieden kan, die de machtigste vijanden overwint en alle wapenen van boosheid , haat en arglist te schande maken.

64. Weten wij iets van Boeddha\'s laatste levensdagen en dood?

Ja. Het Maha-Parinibbana-Soetta, of het boek van het ingaan van den Verlichte tot den eeuwigen vrede (Parinirwana) geeft ons daaromtrent uitvoerig bericht.

65. Wat bericht ons dit boek ?

Toen het Licht der wereld in zijn tachtigste jaar was, voelde hij zijne krachten afnemen. En hij zeide tot Ananda, die hem steeds vergezelde, 1) »Ananda, ik ben oud van jaren, een grijsaard; de maat mijner dagen is vol en njijne omwandeling op aarde nadert haar einde.quot; Dit vervulde Ananda met groote droefheid en hij smeekte den Meester, nog langer op aarde te blijven. Boeddha echter verbood hem, dergelijke taal te voeren en zeide: «Heb ik u

1

Ananda was de persoonlijke metgezel van Boeddha geweest van het tijdstip af, waarop hij in de broederschap opgenomen was. Hij was diegene onder de jongeren, dien de Meester wegens zijn kinderlijk gemoed, zijn zacht liefderijk hart en zijne aanhankelijkheid boven alles lief had.

-ocr page 54-

4(5

niet dikwijls geleerd, Ananda, dat het in den inner-lijken aard ligt van alle dingen, die ons lief en dierbaar zijn, dat wij er van moeten scheiden, ze verlaten en er ons van losrukken ? Alles wat geboren, geworden of ontstaan is, draagt de noodwendigheid van ondergang in zich mede; hoe alzoo zou het mogelijk kunnen zijn, dat een mensch, zelfs al zij hij een volmaakte allerhoogste Boeddha, niet stierf? Er kan geen toestand van eeuwigen duur zijn. Waarlijk, ik zeg u, heden over drie maanden zal de Volmaakte tot den eeuwigen vrede ingaan. Daarom, broeders, aan wie ik de door mij ontdekte waarheid verkondigd heb, maakt u die ten volle eigen, leeft dag aan dag en uur aan uur in haren geest en verbreidt ze in mijne plaats, opdat de reine leer lang besta en bewaard blijve. Wie trouw den weg der heiligheid bewandelt en zich daarvan niet laat afbrengen, die zal vèilig deze levenszee doorkruisen en geraken tot dat verhevene doel, waar alle lijden eindigt.quot;

En ofschoon de Verlichte ziekelijk was en door smarten werd gekweld, ging hij toch nog van dorp tot dorp, overal de broeders en wereldlijke aanhangers om zich vereenigend en tot onwrikbaar blijven op het pad des heils vermanend.

In Bhoya-nagara nam hij zijn intrek in den Ananda-tempel. Daar sprak hij tot de jongeren : «Als ik van u gegaan zal zijn, o broeders, zullen velen optreden, oudsten der gemeente, broeders en kluizenaars en zeggen ; uit den mond des Verlichten heb ik dit of dat gehoord; ik vernam het uit zijn eigen mond; zoo is de waarheid, zoo het voorschrift.

-ocr page 55-

47

zoo de leer des Meesters. — Zulk eene bewering moet gij evenmin zonder onderzoek aannemen als met geringschatting verwerpen. Onbevooroordeeld behoort gij elk woord opmerkzaam aan te hooren en zorgvuldig met de grondtrekken der leer en de voorschriften voor de broederschap te vergelijken, zooals ik u die ingeprent heb. Blijkt bij zoodanige vergelijking, dat de bewering van dien oudste, dien kluizenaar of broeder niet met de leer en het voorschrift overeenstemt, dan moogt gij ze verwerpen; in het tegenovergestelde geval echter neemt gij ze aan als van mij zeiven afkomstige woorden. Dit is mijn voorschrift voor u.»

Daarop vertrok Boeddha naar Bhoya-gama en vervolgens naar Pava, Aldaar rustte hij in het Mango-bosch van Tschoenda, een man uit de kaste der smeden. En toen Tschoenda dit hoorde, kwam hij vol blijdschap aansnellen en verzocht Boeddha met de broeders ten zijnen huize het maal te gebruiken. En de Verhevene gaf stilzwijgend zijne inwilliging.

Toen dischte Tschoenda, de smid, het beste op, wat hij bezat: rijst en gebak en een schotel gedroogd vleesch van een wild zwijn. Toen Boeddha dit zag, zeide hij tot Tschoenda: «geef alleen aan mij van het vleesch, dat gij hebt toebereid, Tschoenda, en aan de broeders rijst en brood!» En de smid deed wat de Verlichte hem verzocht. En nadat de Verhevene gegeten had, wendde hij zich nogmaals tot Tschoenda en zeide; «Begraaf nu in den grond wat nog van het vleesch overgebleven is. Want noch

-ocr page 56-

48

op aarde, noch op de hemellichamen, onder Samanen noch brahmanen, goden noch menschen bevindt zich buiten den Volmaakte eenig wezen, dat deze spijs zonder schade nuttigen kan.»

66. Wat bedoelde Boeddha met deze woorden?

Boeddha wilde daarmede voor zijne wereldlijke aanhangers duidelijk maken, dat elk, die het vleesch van een dier nuttigt, zich daarmede naar lichaam en geest schaadt. Daarom verbood hij den smid het aan de jongeren te geven.

67. \'Waaroin echter gebruikte Boeddha, zelf van het aangeboden vleesch?

Omdat hij niet wilde handelen tegen het door hem zeiven gegevene voorschrift, volgens hetwelk de broeders niets, dat hun met een rein hart aangeboden wordt, mogen weigeren (1).

68. Verhaal nog iets meer van de laatste uren van den Verlichte.

Nadat de Verlichte Tschoenda nog door zijne woorden had verheugd en gesticht, toog hij verder naar Koesinara. Op weg werd hij door eene hevige ziekte overvallen en felle smarten kwelden hem, maar de Verhevene, sterk van geest en zich zeiven

1

Juist wegens dit voorschrift, moest men er bijzonder aan hechten, dat de wereldlijke aanhangers nauwkeurig ingelicht werden, wat de broeders mochten eten, wat niet. Wie echter aan eenen Boeddhistischen bickshoe dierlijk voedsel geeft, maakx zich aan een onrecht schuldig, tenzij het uit onwetendheid geschiedt, gelijk het geval was met den smid Tschoenda.

-ocr page 57-

49

ten volle beheerschende, verdroeg ze zonder klagen. Spoedig echter werd zijne zwakheid zoo groot, dat hij zich onder eenen boom aan den weg moest nederzetten. En hij zeide tot Ananda: «haal mij water, Ananda, ik heb dorst.«

Ananda antwoordde: «Heer, zoo juist is eene kara-vane van vrachtwagens door de beek gereden, de grond is door de raderen omgewoeld en het water is verontreinigd en troebel.»

Maar de Verhevene herhaalde zijn verzoek. Toen nam Ananda zijne aalmoezenschaal en ging naar de beek. En ziet, het water, zoo pas nog vuil en troebel, vloot klaar en helder, zonder een spoor van onreinheid. Daarover verwonderde Ananda zich zeer, schepte van het water en bracht het den Meester.

Nu kwam toevallig de jonge Poekkoesa, van den stam der Mallas, aan wien de karavane van wagens toebehoorde, voorbij. En toen hij den Verlichte onder den boom zag zitten, naderde hij hem eerbiedig, groette en boog zich voor hem. Vervolgens beval hij aan een zijnei bedienden, een paar gewaden van glinsterend goudweefsel te brengen en zeide: «Meester, bewijs mij de gunst, deze gewaden van mij ten geschenke aan te nemen.»

Boeddha antwoordde: «Geef mij een der gewaden. Poekkoesa, en het andere aan Ananda.»

Toen kleedde Ananda Boeddha in een der gewaden van goudweefsel, maar toen dit was gedaan, scheen het zijn glans geheel verloren te hebben.

Hierop riep Ananda vol verbazing uit: «Heer

4

-ocr page 58-

50

welk eene wonderbare gebeurtenis heeft hier plaats. Uw aangezicht is zoo stralend en van u gaat zulk een licht uit, dat dit gewaad van glinsterend goudweefsel zijn glans geheel verloren schijnt te hebben.?/ En de Verlichte antwoordde en zeide: «Het is, gelijk gij zegt, Ananda. Tweemaal gedurende zijne aardsche loopbaan straalt van den Volmaakte licht uit: in den nacht, in welken hij tot de hoogste kennis komt en in dien, in welken hij tot den eeuwigen vrede ingaat (1). En heden nog Ananda, in de derde nachtwake, zal het Parinirwana van den Volmaakte komen.»

Daarop stond de Verlichte op, als had hij nieuwe krachten bekomen, en ging met de jongeren, die bij hem waren naar het Salabosch der Mallas bij Koesinara, aan den oever van de Hiranyavati. En hij zeide tot Ananda:

«Ik bid u, Ananda, leg mij een kleed over de rustbank tusschen de beide Sal-boomen. Daar wil ik mij nederleggen.»

«Gelijk gij wenscht. Meester,» antwoordde Ananda, en hij bereidde den Volmaakte eene ligplaats op de rustbank tusschen de twee gelijke Sal-boomen met het hoofd naar het noorden. En Boeddha legde er zich op neder. En ziet. De beide Sal-boomen stonden in vollen bloei, ofschoon het daarvoor het jaarge-

1

Het uitstralen van licht is een teeken van de hoedanigheid van Boeddha, komt echter somtijds ook voor bij eeu Arahat of volmaakten heilige. Zoo wordt eeae gelijke gebeurtenis ook omtrent Jesus van Nazaretb, Frans van Assisi en andere wei-tersche heiligen bericht.

-ocr page 59-

O 1

tijde niet was; als een regen vielen de bloesems op den Verlichte, en hemelsche zangen weerklonken in de lucht.

Toen sprak Boeddha:

«Ziet, welk een schouwspel. Hemel en aarde doen hun best, den Volmaakte te eeren. Toch is dit niet de ware vereering, de ware prijs, de ware verheerlijking, die den Volmaakte toekomt. Alleen diegenen onder mijne jongeren en aanhangers, die steeds in den geest en in de waarheid leven en getrouwelijk de voorschriften van een rechtschapen levenswandel opvolgen, geven den Volmaakte de ware eer, den waren prijs, de ware verheerlijking.»

En de Verhevene wendde zich nogmaals tot de jongeren en zeide: «Wellicht zullen na mijn heengaan eenigen onder u denken; Nu is de mond des Meesters stom, wij hebben nu geen leider meer! Maar zoo moogt gij niet denken, broeders. Deleer, die ik u heb verkondigd, en de voorschriften voor een vlekkeloozen levenswandel, die ik voor u heb vastgesteld, zullen uwe gidsen en leidslieden zijn, als ik niet meer bij u wezen zal.»

En na eene wijle verhief Boeddha nogmaals zijne stem en zeide:

«Broeders, gedenkt steeds mijne vermaning; al wat ontstaan is, is vergankelijk; streeft onver-poosd naar de Verlossing!»

Deze waren de laatste woorden van den Verlichte. Daarop verloor zich zijn geest in de diepten van mystische verzonkenheid, en toen hij dien trap bereikt had, waarop alle voorstelling en denken

-ocr page 60-

52

ophoudt, en het zelfbewustzijn volledig uitgedoofd is, ging hij tot het hoogste Nirwana in.

Voor de poorten van Koesinara, in de richting van het oosten, verbrandden de edelen van de Mallas het lichaam van den Wereldverlichter met de eerbewijzen, die slechts eenen Koning bewezen worden.

-ocr page 61-

rt1

De leer (Dharina.)

69. Wat is de leer?

De leer is de door Boeddha erkende en verkondigde waarheid en heilsordening, zooals zij door de overleveringen der Arahats ons is bewaard en in de heilige Schriften geboekstaafd.

70. Hoe heeten de heilige schriften ^er Boeddhisten ?

De drie Pitakas (ïripitoaka) of verzamelingen van boeken.

71. Hoe heeten de drie Pitakas?

Soetra-pitaka, Vinaya-pitaka en Abhidarma-

pitaka.

73. Welke is de inhoud van de Soetra-pitaka?

De Soetra-pitaka bevat de leerredenen, predikingen en uitspraken van Boeddha, die zoowel voor de broederschap der uitverkorenen als voor de wereldlijke aanhangers bestemd zijn, gelijk mede een aantal gelijkenissen en spreuken ter nadere toelichting der leer.

-ocr page 62-

54

73 Welke is de inhoud van de Vinaya-pitaka ?

De Vinaya-pitaka bevat de voorschriften en regelen van gedrag voor de broederschap der uitverkorenen.

74. Welke is de inhoud der Abhidarma-pitaka?

De Abhidarma-pi\'taka bevat de diepste reli-gieus-wijsgeerige leeringen van het Boeddhisme en is slechts voor die broeders verstaanbaar, die reeds een hoogeren trap van geestelijke en zedelijke ontwikkeling bereikt hebben.

75. Bevatten deze drie verzamelingen van hoeken

goddelijke openbaringen?

Neen, er zijn geen goddelijke openbaringen. Dat de eeuwige waarheid den bevoorrechten of begenadigden door een God of eng-el ingegeven of geopenbaard zou worden, is eene dwaze, doorniets gestaafde bewering, die door het Boeddhisme ten eenenmale verworpen wordt. Nooit hebben menschen andere openbaringen ontvangen, dan uit den mond van die verhevene leeraars van het menschdom, die zich door eigene kracht tot de hoogste geestelijke en zedelijke volmaaktheid omhoog geworsteld hebben, en die men om die reden wereldverlichtende Boeddha\'s noemt Door dezulken wordt de eeuwige waarheid in den toestand van helderziendheid of mystieke verzonkenheid onmiddellijk aanschouwd; deze eeuwige waarheid, zooals Boeddha Gautama ze aanschouwd en verkondigd heeft, is in de drie Pitakas vervat.

-ocr page 63-

55

76. Wat heeft Boeddha bewogen, om de leer te verkondigen ?

Het medelijden, de onbegrensde welwillend-lieid, het erbarmen met ons lijden en onze onwetendheid, want het is in den grond onze onwetendheid .(avidya), d. i. de ons van nature aangeborene verblinding (1), die ons verhindert, door eigene kracht den weg der verlossing uit deze Samsara te vinden.

77. Wat is Samsara ?

Samsara is de wereld, in welke wij leven, de wereld van dwaling, schuld, geboorte, lijden en dood; het is de wereld van ontstaan en vergaan; van

1

Dewijl wij den waren aard der wereld en der menschen niet kennen, en in onkunde bevangen zijn ten aanzien van de heerschappij der zedelijke wereldorde, worden wij steeds op nieuw verstrikt in schuld, die als boete het lijden van eene wedergeboorte eischt.

Dewijl wij door aardschen waan verblind zijn, streven wij naar dingen, die slechts in onze verbeelding waarde hebben en inderdaad meer leed dan genot veroorzaken, schatten wij het nietige en ijdele hoog, bedroeven wij ons over gebeurtenissen die onze .deelneming onwaardig zijn, en verheugen wij ons over hetgeen ons schaadt of zelfs oorzaak van ons verderf wordt. Dewijl wij de ware kennis missen, hangen wij ons hart aan aardsche, vergankelijke goederen, wikkelen wij ons in strijd en ongemak om te bestaan, en verliezen wij ons ware heil geheel uit het oog. ^oo is ons geheele leven eene onafgebroken■ keten van onvervulde wenschen, dwalingen en teleurstellingen, die zeer smartelijk zijn, van hartstochten en begeerten, die onbevredigd blijven of als zij voor korten tijd gestild zijn, gelijk slecht genezen wonden steeds op nieuw open gaan, onze lichamelijke en geestelijke krachten ondermijnen en ons in een toestand van voortdurend lijden houden, uit welken de onwetende en verblinde geen uitweg vindt

-ocr page 64-

5(5

eeuwige verandering, van teleurstellingen en smarten, van den onophoudelijken eindeloozen kringloop van wedergeboorten, uit welke geen ontkomen is, zoolang ons het verlossende licht der ware kennis niet is opgegaan.

78. Welke is de oorzaak van lijden, dood en wedergeboorte?

Het is de in ons allen werkende wil om te leven (1), het streven naar individueel bestaan in deze wereld of in eene wereld hiernamaals (hemel of paradijs).

79. £n waardoor kan men aan lijden, dood er, wedergeboorte een einde maken ?

Door het opgeven van den wil om te leven, door in zich het streven naar individueel bestaan in deze of eene andere wereld te dooden. Daarin ligt de bevrijding, de verlossing, de weg tot den eeuwigen vrede.

80. Wat verhindert ons dan, den wil om te leven op te geven en de verlossing te erlangen?

Juist die onwetendheid (avidya), die aardsche verblinding, dat gebrek aan ware kennis.

1

De uitdrukking „wil om te levenquot; beteekeut in het Boeddhisme niet alleen wat de Europeaan ouder den hewusten wil verstaat, maar den in alle wezens (ook dieren en planten) wonenden deels bewusten deels onbewusten „levensdrangquot;, de som van alle zelfzuchtige neigingen, aandoeningen, begeerten, sympathieën en antipathieën, welke het behoud van ons leven en het verkrijgen van welbehagen en genot ten doel en gevolg hebben.

Deze beteekenis moet den Europeeschen lezer, die in den waren zin der leer wil doordringen, steeds voor den geest staan.

-ocr page 65-

57

81. Welke kennis is het, die tot heil en verlossing leidt ?

De kennis der vier heilswaarheden die Boeddha ons verkondig-d heeft.

82. Ifoem my de vier heilswaarheden!

Het zijn deze vier: Het lijden.

De oorzaak des lijdens.

^A

De opheffing des lijdens. ^ r 1 1

De weg, die tot opheffing des lijdens voert.

83. Verklaar my deze vier heilswaarheden nader !

Hoor te dien einde de eigene woorden van Boeddha. Zij komen voor in het boek der «Verkondiging van de zedelijke wereldorde» en luiden;

Dewijl wij de vier heilswaarheden niet kennen en begrijpen, broeders, moeten wij zoolang den droevigen dorren weg der wedergeboorten telkens op nieuw afleggen. En welke zijn de vier heilswaarheden? De waarheid van het lijden, de waarheid van de oorzaak des lijdens, de waarheid van de opheffing des lijdens en de waarheid van den weg, die tot opheffing des lijdens \'voert.

Zoodra men nu deze vier waarheden ten volle heeft leeren kennen en begrijpen, verdwijnt de wil te leven; dat streven, \'t welk naar vernieuwd leven leidt, wordt uitgedoofd en de kringloop der wedergeboorten (Samsara) houdt op.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte

-ocr page 66-

58

is lijden, dood is lijden; van hetgeen ons lief is gescheiden te zijn is lijden; met hetgeen ons afkeer ■wekt vereenigd te zijn, is lijden; niet te erlangen wat men begeert, is lijden; te moeten dulden wat men verafschuwt, is lijden. Kortom, het bestaan als afzonderlijk wezen, (als individu, als ik) is uitzijn geheelen aard niets dan lijden.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van de oorzaak des lijdens: het is de wil te leven, het streven naar bestaan en genieten, hetwelk van wedergeboorte tot wedergeboorte leidt en nu in dezen, dan in genen vorm en gedaante zijne bevrediging zoekt. Het is het streven naar bevrediging der hartstochten, het streven naar individueele gelukzaligheid in het tegenwoordige leven of in een leven hiernamaals.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van de opheffing des lijdens: Het is de volkomene vernie-tiging van- den wil te leven, van het streven naar bestaan en genieten. Men moet dit overwinnen, zich daarvan ontdoen en losmaken, daaraan voortaan geene plaats laten.

Aldus, broeders, is de verhevene waarheid van den weg, die tot opheffing des lijdens voert. Waarlijk, het is het verhevene, in achten verdeelde pad, dat heet: het rechte weten, rechte willen, rechte spreken, rechte doen, rechte leven, rechte streven, rechte denken en rechte inkeeren in zich zelf.

Twee dwaalwegen zijn er, broeders, welke degeen, die naar verlossing streeft, niet bewandelen mag. De \'eene, het jagen naar bevrediging der hartstochten en zingenot, is laag, gemeen, vernederend en

-ocr page 67-

59

verderfelijk; deze is de weg van de kinderen der wereld. De andere, de zelfkwelling, de askese. is naar, pijnlijk en nutteloos. De middenweg alleen, dien de Volmaakte gevonden heeft, vermijdt deze beide dwaalwegen, opent de oogen, verleent het rechte inzicht en leidt tot den vrede, tot de wijsheid, tot de verlichting, tot het Nirwana {1).

84. Wat is Nirwana?

Een toestand van gemoed en geest, in welken de wil om te leven, alle streven naar bestaan en genieten is uitgedoofd, en daarmede elke hartstocht, elk verlangen, elke begeerte, elke vrees, elke booze neiging en elke smart. Het is een toestand van zaligen vrede, vergezeld van de onomstootelijke zekerheid der bereikte verlossing, een toestand, dien woorden niet kunnen beschrijven en waarvan de verbeelding van den wereldschgezinde zich te vergeefs eene voorstelling tracht te vormen. Slechts hij, die het door eigen ondervinding heeft leeren kennen, weet wat Nirwana is (f).

1

De niet-lioeddhistische Europeesche lezer zal uiet gemakkelijk kunnen vatten welke som van diepe waarheden en reli-\' gieus-wijsgeerige kennis in deze weinige stellingen samengevat is. Voortgezet ernstig nadenken daarover kan daarom niet genoeg aanbevolen worden. Niemand mag hopen, den waren aard van het zijn en de verhevene leer van Boeddha recht te verstaan, alvorens hij ten volle doorgedrongen is in den diepen zin en heteekenis der vier heilswaarheden en hare verre strekking-geheel heeft leeren doorzien.

(t) Over Nirwana heerschen hij de meeste Europeanen, de geleerden niet uitgezonderd, hoogst wonderlijke begrippen. Nirwana

-ocr page 68-

60

85. Betsekent Nirwana hetzelfde als verlossing?

Ja, het is de reeds in dit leven bereikbare verlossing.

heet, woordelijk vertaald: uitgedoofd zijn, uitgewaaid zijn, — als eene vlam, die de wind uitwaait, of die uit gebrek aan voedsel uitgaat. Daaruit heeft men merkwaardigerwijs meenen te mogen afleiden, dat Nirwana het niets heteekent. Dat is eene dwaling; veeleer is Nirwana een toestand van hoogste geestelijk zijn, van welken trouwens niemand, die nog in aardsohe hoeien bekneld is, zich eene voldoende voorstelling kan vormen.

Wat echter is in het Nirwana uitgedoofd of uitgewaaid? —■ De wil te leven is uitgedoofd, het streven naar bestaan en genot in deze of eene andere wereld; uitgedoofd is de waan, dat stoffelijke goederen eenige waarde, hoe gering ook, of eenigen duur zouden kunnen hebben. Uitgewaaid is de vlam der zinnelijkheid en begeerte, voor altijd uitgewaaid het flikkerende dwaallicht der ikheid of individualiteit (ziel). Wel leeft de volmaakte heilige, de Arahat (want slechts een zoodanige kan het Nirwana reeds in dit leven bereiken) nog in het lichaam voort, want het gevolg van\' de dwaling en de schuld van vroegere geboorten, dat reeds ingetreden is en zich in het tijdelijke zichtbaar vertoont als levend lichaam, kan niet vernietigd worden; maar het lichaam is vergankelijk, en de ure slaat spoedig, waarin het verdwijnt. Dan is er niets meer overig, dat nogmaals eene wedergeboorte zou kunnen te weeg brengen en de Arahat gaat tot , den eeuwigen vrede, in het Parinirwana (het hoogste Nirwana) in.

Parinirwana is wel is waar naar de opvatting van andere godsdienstleeraren en van het wetenschappelijke materialisme algeheele vernietiging, want in het Parinirwana blijft niets over, dat op welke wijze dan ook, onder het menschelijk begrip van bestaan valt. Van het standpunt echter van dengene, d.e Arahat is geworden, is veeleer de wereld met al hare verschijnselen het niets, eene zinsbegoocheling, eene dwaling, en Parinir-wanana beteekent voor hem het ingaan in het ware zijn, in het eeuwige en onvergankelijke, waar geene onderscheidenheid en geeu lijden meer is.

-ocr page 69-

(51

86. Kan ieder menscli reeds in dit leven het Nirwana bereiken ?

Slechts zeer weinigen. De meeste menschen zijn, door de nawerking van hunne daden in vroegere levens, van zoo gebrekkige geestelijke en zedelijke geaardheid, dat nog vele wedergeboorten noodig zijn, eer zij zoover zijn gelouterd, dat zij de verlossing deelachtig kunnen worden. Maar eene wedergeboorte onder gunstige omstandigheden kan ieder bereiken, die er ernstig naar streeft.

87. Hangt dan onze wedergeboorte alleen van ons zalven af?

Ja, enkel van onzen wil. Deze wil te leven, (1) (tanha) die ons allen vervult en de kern van ons

1

Hier moet er nog eens uitdrukkelijk op gewezen worden, dat de Europeesohe beoefenaar van het Boeddhisme den „wil te levenquot; d. i. de ons aangehorene levenslust, levensdrang of de-gehechtheid aan het bestaan, geenszins verwarren moet met den hewusten wil. De heiruste wil maakt slechts een klein deel uit van den wil te leven in zijn geheelen omvang, namelijk dat deel, hetwelk in ons hersen-bewustzijn valt; van het grootste deel echter van den wil te leven worden de planten en dieren zich nooit, de mensch zich slechts zeer gebrekkig bewust; hij uit zich alleen als blinde, instinctieve drang, als hardnekkige liefte tot het bestaan, als streven ons alles te zoeken, wat het aanzijn aangenaam en vrij van smart maakt en alles te ontvlieden, wat dit bedreigt en schaadt. Vele zoogenaamde pessimisten b. v., die voorgeven het leven te verachten en wier heiruste wil zich van het tegenwoordige leven afwendt, zijn dikwijls in den waan bevangen, alsof zij den „wil te levenquot; hadden overwonnen. Het is er echter ver af, want hunne zelfzucht, hunne gehechtheid aan vermaken en genietingen, hun gebrek aan zelfverloochening, bewijzen dat de onbewuste levensdrang nog in hen werkzaam is en zeer zeker eene hernieuwde wedergeboorte be-

-ocr page 70-

wezen uitmaakt, is de eigenlijke wereld-scheppende kracht, datgene wat andere religies zich als God ver-persoonlrjkt denken; hij is de oorzaak van ons bestaan en onze wedergeboorte en in waarheid de schepper, onderhouder en tegelijk vernietiger van alle dingen, de ware drieëenheid.

88. Hangt de wijze en geaardheid van onze weder-geljoorte evenzeer van ons zeiven af?

Ja. De wijze en geaardheid onzer wedergeboorte richt zich geheel naar onze daden, naar de verdienste en schuld van onze vroegere levensloopen. Heeft het verdienstelijke het overwicht, darrworden wij in eene hoogere soort van wezens of in eene hoogere wereld en onder gunstiger omstandigheden wedergeboren; hebben wij ons echter met zware schuld beladen, zoo is eene wedergeboorte in een lageren vorm en vol lijden en smart het noodwendig gevolg (f).

werkstelligen zal. Het werkelijke uitdooven van den wil te leven openbaart zich alleen in het volmaakte ontbreken van zelfzucht en in zelfverloochening, geduld in lijden, afwezigheid van alle begeerten (toorn, haat, nijd, hoosaardigheid, streven naar rijkdom, wellust, hoogmoed, gierigheid, ijdelheid), ware gelijkmoedigheid, oprechte welwillendheid jegens alie levende wezens en in het niet-begeeren van loon voor goede daden, hetzij in deze of eene latere wereld (hemel of paradijs.)

(t) Ons geheele zijn en wezen is het gevolg van hetgeen wij gedaan hebben; onze daden hebben het verwekt, onze daden hebben er gestalte aan gegeven. Wie uit een boozen wil spreekt of handelt, dien volgt lijden, gelijk het wiel den voet van het trekdier volgt. Wie echter uit een goeden wil spreekt of handelt, dien volgt gelukzaligheid als een schaduw, die hem nimmer verlaat. (Dhammapada).

-ocr page 71-

Gi

89. Op welke wet steunt dit?

Op de Karma?

90. Wat is Kanna?

Het is de zedelijke wereldorde, van welke de zichtbare, natuurlijke wereldorde slechts het voor de zinnen waarneembare beeld in tijd en ruimte is. Het is de aaneenschakeling van oorzaak en gevolg-in de zedelijke sfeer. Evenals in het physische, zoo brengt in het zedelijke elke oorzaak met noodwendigheid het daarmede overeenstemmende gevolg voort. Het slechte baart lijden, het goede vrede en gelukzaligheid. Aan deze wet van het heelal kan zich geen levend wezen onttrekken.

91. Welk is het onderscheid tnsschen Tanha en

Karma.

Tanha of de wil te leven, is de oorzaak, die in het algemeen ons bestaan en onze wedergeboorte bewerkt; Karma is datgene, wat de bijzondere wijze en geaardheid van ons bestaan en onze wedergeboorte bepaalt; alzoo onze gestalte, onzen aanleg, de wereld in welke wij leven, ons leed en onze vreugde. Karma is ons individueel karakter, ons ware innerlijke wezen, en tevens dat wat in andere godsdienstvormen leiding Gods, voorzienigheid of noodlot heet. (1)

1

Het is cene zeer moeielijke taak, den Europeeschen, in geheel andere begrippen opgevoeden leerling van het Boeddhisme het Karma begrijpelijk te maken, eu in korte trekken is dit nauwelijks doenlijk. Hierbij moet mondeling onderricht het meeste doen. Overigens behoort de aaneenschakeling van oorzaak eu gevolg in de zedelijke sfeer tot de geheimen, die slechts een Boeddha of Arahat volledig doorziet.

-ocr page 72-

64

92. Wordt de mensch alleen op deze aarde weder-geTioren?

Neen, er zijn tallooze bewoonde werelden in de onmetelijke ruimte, op welke ten deele lagere, ten deele hooger ontwikkelde wezens dan de mensch leven. Op al deze werelden kan eene wedergeboorte plaats vinden.

93. Zyn de wereldlichamen onveranderlyk ?

Neen ; alle zijn, even als de aarde, voortdurend aan verandering onderworpen. In de geheele levende en levenlooze natuur heerscht eindelooze wisseling. Werelden ontstaan, ontwikkelen zich en vergaan weder .— zoo is van eeuwigheid tot eeuwigheid de wereldorde.

94. Is de wereld uit het niets ontstaan?

Neen. Uit niets kan nooit iets worden of ontstaan.

95. Heeft een God-schepper haar door zyn wil in het aanzyn geroepen?

Neen, er bestaat geen God-schepper, van wiens genade of wil de wereld afhangt. Alles ontstaat en ontwikkelt zich door en uit zich zelf, krachtens zijnen eigenen wil en overeenkomstig zijne innerlijke natuur en geaardheid (zijn Karma). Een persoonlijke God-schepper is slechts eene vinding van de onwetendheid der menschen. De Boed-

-ocr page 73-

65

dhisten echter verwerpen ten eenenmale het geloof aan eenen persoonlijken God en houden de leer van eene schepping uit niets voor eene dwaling (1).

96. Heeft Boeddha niets geleerd over het eerste

begin en het einde van het heelal?

Neen.

97. Wist hij daarvan niets?

Zeker wist hij het. Maar hij heeft te dien -aanzien niets verkondigd.

98. Waarom niet?

Omdat, zelfs al ware zij in woorden mede te deelen, deze wetenschap de geestelijke en zedelijke ontwikkeling der menschen toch niet bevorderen zou, omdat zij noch leidt tot opheffing van het lijden, noch tot heil, verlossing of NirwAna. Den laatsten grond van alle zijn kan slechts hij begrijpen, die zelf reeds den hoogsten trap van menschelijke ontwikkeling bereikt heeft, alzoo slechts een Boeddha.

5

1

De „Scheppingquot; is voor den Boeddhist slechts de vernieuwing van een ondergegaan wereldlichaam of wereldstelsel. De ondergang van werelden heeft zijne oorzaak deels in vuur, deels in water en wind, doch op een bepaald tijdstip zijn zulke veranderingen altijd beperkt tot een klein gedeelte van het heelal. De eigenlijke innerlijke oorzaak van deze verwoestingen is de opgehoopte, tot eene groote hoogte aangegroeide schuld der levende wezens, hun ongunstig Karma. Zulke verwoestingen eu vernieuwingen van wereldlichamen hebben voortdurend in de onmetelijke ruimte plaats. De nieuwere Europeesche natuurwetenschap staat in dit opzicht — wat betreft de buitenzijde van het verschijnsel — precies op het standpunt, hetwelk de Boeddhisten sedert 2400 jaren hebben bereikt.

-ocr page 74-

64

92. Wordt de mensch alleen op deze aarde wedergeboren?

Neen, er ziin tallooze bewoonde werelden in de onmetelijke ruimte, op welke ten deele lagere, ten deele hooger ontwikkelde wezens dan de mensch leven. Op al deze werelden kan eene wedergeboorte plaats vinden.

93. Zijn de wereldlichaiuen onveranderlyk ?

Neen ; alle zijn, even als de aarde, voortdurend aan verandering onderworpen. In de geheele levende en levenlooze natuur heerscht eindelooze wisseling. Werelden ontstaan, ontwikkelen zich en vergaan weder .— zoo is van eeuwigheid tot eeuwigheid de wereldorde.

94. Is de wereld uit het niets ontstaan?

Neen. Uit niets kan nooit iets worden of ontstaan,

95. Heeft een God-schepper haar door zyn wil in het aanzijn geroepen?

Neen, er bestaat geen God-schepper, van wiens genade of wil de wereld afhangt. Alles ontstaat en ontwikkelt zich door en uit zich zelf, krachtens zijnen eigenen wil en overeenkomstig zijne innerlijke natuur en geaardheid (zijn Karma). Een persoonlijke God-schepper is slechts eene vinding van de onwetendheid der menschen. De Boed-

-ocr page 75-

65

dhisten echter verwerpen ten eenenmale het geloof aan eenen persoonlijken God en houden de leer van eene schepping uit niets voor eene dwaling (1).

96. Heeft Boeddha niets geleerd over het eerste

begin en het einde van het heelal?

Neen.

97. Wist hij daarvan niets?

Zeker wist hij het. Maar hij heeft te dien •aanzien niets verkondigd.

98. Waarom niet?

Omdat, zelfs al ware zij in woorden mede te deelen, deze wetenschap de geestelijke en zedelijke ontwikkeling der menschen toch niet bevorderen zou, omdat zij noch leidt tot opheffing van het lijden, noch tot heil, verlossing of Nirwina. Den laatsten grond van alle zijn kan slechts hij begrijpen, die zelf reeds den hoogsten trap van menschelijke ontwikkeling bereikt heeft, alzoo slechts een Boeddha.

5

1

De „Scheppingquot; is voor den Boeddhist slechts de vernieuwing van een ondergegaan wereldlichaam of wereldstelsel. De ondergang van werelden heeft zijne oorzaak deels in vuur, deels in water en wind, doch op een bepaald tijdstip ziju zulke veranderingen altijd beperkt tot een klein gedeelte van het heelal. De eigenlijke innerlijke oorzaak van deze verwoestingen is de opgehoopte, tot eene groote hoogte aangegroeide schuld der levende wezens, hun ongunstig Karma. Zulke verwoestingen en vernieuwingen van wereldlichamen hebben voortdurend in de onmetelijke ruimte plaats. De nieuwere Europeesche natuurwetenschap staat in dit opzicht — wat betreft de buitenzijde van het verschijnsel — precies op het standpunt, hetwelk de Boeddhisten sedert 2400 jaren hebben bereikt.

-ocr page 76-

66

99. Zoo is dan eene verklaring van de laatste geheimen van liet z^jn in woorden onmogelijk?

Ja, omdat geene vormen van het eindige, waar\' toe ook de gedachte en de taal behooren, het eeuwige, niet-ontstane en onvergankelijke vermogen uit te drukken. En waar men het in andere religiën toch beproefd heeft, heeft dit ij del streven tot niets geleid, dan tot nietige bespiegelingen, zinledige beweringen, strijd, misverstand, ja zelfs oorlog, moord en gruwelen, alzoo in plaats van waarheid, heil en vrede slechts dwaling, onheil en lijden ten gevolge gehad. Daarom zweeg Boeddha over deze dingen.

100. Zullen wij deze geheimenissen nooit vernemen ?

Toch wel. Ieder, die de leer des heils van Boeddha opvolgt, kan tot verlichting en verlossing komen, als wannéér dan voor zijn innerlijk oog alle geheimenissen voor hem ontsluierd worden, waarmede hij nu nog zijn verstand te vergeefs plaagt. Hij1, moet slechts met vasten wil het achtdeelig-e verhevene pad betreden en volgen (1).

101. Hoe heeft dit op de rechte wijze plaats ?

Door tot de broederschap der uitverkorenen-toe te treden, de wereld te verlaten, en alle krachten te besteden aan het bereiken der hoogste doeleinden.

1

„Verzet u moedig tegen den stroom der hartstochten, drijf de begeerten uit, o Sainaan. Hebt gij de onwaarde leeren kennen van alles, wat geworden is, zoo hebt gij ook het eeuwige leeren kennen,quot; heet het in het Dhammapada.

-ocr page 77-

67

102. Vermag een ieder dit?

Ieder vermag het, die ernstig wil, maar de meesten willen de wereld en hare bedriegelijke genietingen niet opgeven.

103. Kuuuen degenen, die in het wereldsche leven blijven, de verlichting en verlossing bereiken?

Neen, dat is onmogelijk. Reeds in dit leven het Nirwana te bereiken is slechts voorbehouden aan hen, die het achtdeelige verhevene pad ingeslagen hebben (1).

104. Er zijn alzoo verschillende soorten van Boeddhisten ?

Ja, er zijn twee soorten. Zij, die de toevluchts-formule uitspreken en de vijf algemeene geloften afleggen, maar in den wereldlijken stand blijven, zijn aanhangers of bekenners der leer (Upasaka). De eigenlijke of ware jongeren van den Verlichte zijn echter degenen, die de wereld vaarwel zeggen en onder aflegging van de tien geloften het achtdeelige pad, dat tot verlichting en verlossing leidt, betreden. Deze dragen den naam van Bickshoe of Samanen en vormen de broederschap der uitverkorenen (Sangha).

1

Zij die in het wereldsche leven blijven, kunnen in het gunstigste geval den derden trap van heiligheid bereiken, d. i. Anagamin worden. Zij worden dan na hun dood wedergeboren in eene der hoogste lichtwerelden en gaan van daar, na korter of langer verblijf, afhankelijk van hun verdienste, in het Nirwana in. Intusschen is het vnor iemand, die in het wereldsche leven blijft, buitengewoon moeielijk, Anagamin te worden, daar de verzoekingen en verstrooingen te veelvuldig zijn.

-ocr page 78-

68

105. Welke zijn de vyf geloften?

De vijf geloften of Pantscha-Sila luiden als

volgt:

Ik beloof:

i0. geen levend wezen te dooden of te kwetsen (1);

2°. niet te stelen, d. i. niets te nemen, dat mij niet toebehoort of vrijwillig gegeven wordt;

3°, geen ontucht te plegen, d. i. mij van alle ongeoorloofde geslachtsverkeer te onthouden en de vrouwen, dochters, pupillen en beschermelingen mijner medemenschen niet te verleiden;

4°. niet te liegen, bedriegen of lasteren;

5°. geen dranken te gebruiken, die dronkenschap veroorzaken (f).

Deze Pantscha-Sila zijn verbindende voor ieder, die aanhanger van Boeddha wil zijn.

106. Welke goede vruchten draagt de opvolging der vijf geloften?

Hij die deze getrouwelijk vervult, zal op aarde achting genieten, vrij blijven van veel smart en lijden, een goed geweten hebben en met zijne naburen in vrede leven. Zijne kennis zal toenemen en

1

Deze eerste en voornaamste gelofte omvat „alle levende wezensquot;, dus niet enkel de menschen. Wie moedwillig diereu doodt, kwetst of kwelt, is geen aanhanger van den Verlichte eu kan geen aanspraak maken op eene wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden.

(f) Deze gelofte wordt in haren geheelen omvang slechts afgelegd door de broederschap der uitverkorenen. Voor de wereldlijke aanhangers legt zij slechts den plicht op, zich te onthouden van alle soorten van sterken drank; het matige gebruik van bier en wijn in den Upasaka geoorloofd.

-ocr page 79-

09

hij zal in gunstiger omstandigheden wedergeboren worden. Nog hooger is intusschen het loon van dengeen, die gedurende langeren of korteren tijd, minstens echter op de wekelijksche rustdagen (Upo-satha), de acht geloften (Atthanga-Sila) houdt.

107. Welke zijn de acht geloften?

Bij de vijf genoemde komen deze drie: Ik beloof:

6°. mij van het gebruik van spijs op onbehoor-,, lijken tijd te onthouden, d. i. na het middagmaal geen spijs meer te nuttigen;

7°. mij te onthouden van het dansen, van het zingen van wereldsche liederen, van het bezoek van openbare tooneelvoorstellingen en muziekuitvoeringen, kortom van alle wereldsche en verstrooiende vermakelijkheden ; 8°. het gebruik te vermijden van versierselen van welken aard ook, van welriekende waters, oliën en zalven, in een woord van alles wat de ij delheid dient.

In de plaats der gelofte, alle ontucht te vermijden, treedt tijdens de opvolging der acht geboden volkomene kuischheid, ook bij getrouwde personen.

108. Welke zyn de tien geloften voor de leden der broederschap ?

Het zijn de Dasa-Sila, d. i. buiten de acht genoemde nog deze twee.:

Ik beloof:

-ocr page 80-

68

105. Welke zijn de vyf geloften?

De vijf geloften of Pantscha-Sila luiden als

volgt:

Ik beloof:

i0. geen levend wezen te dooden of te kwetsen (1);

2°. niet te stelen, d. i. niets te nemen, dat mij niet toebehoort of vrijwillig gegeven wordt;

3°, geen ontucht te plegen, d. i. mij van alle ongeoorloofde geslachtsverkeer te onthouden en de vrouwen, dochters, pupillen en beschermelingen mijner medemenschen niet te verleiden;

4°. niet te liegen, bedriegen of lasteren;

5°. geen dranken te gebruiken, die dronkenschap veroorzaken (f).

Deze Pantscha-Sila zijn verbindende voor ieder, die aanhanger van Boeddha wil zijn.

106. Welke goede vruchten draagt de opvolging der vijf geloften?

Hij die deze getrouwelijk vervult, zal op aarde achting genieten, vrij blijven van veel smart en lijden, een goed geweten hebben en met zijne naburen in vrede leven. Zijne kennis zal toenemen en

1

Deze eerste en voornaamste gelofte omvat „alle levende wezensquot;, dus niet enkel de menschen. Wie moedwillig dieren doodt, kwetst of kwelt, is geen aanhanger van den Verlichte en kan geen aanspraak maken op eene wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden.

(f) Deze gelofte wordt in haren geheelen omvang slechts afgelegd door de broederschap der uitverkorenen. Voor de wereldlijke aanhangers legt zij slechts den plicht op, zich te onthouden van alle soorten van sterken drank; het matige gebruik van bier en wijn in den TJpasaka geoorloofd.

-ocr page 81-

69

hij zal in gunstiger omstandigheden wedergeboren worden. Nog hooger is intusschen het loon van dengeen, die gedurende langeren of korteren tijd, minstens echter op de wekelijksche rustdagen (Upo-satha), de acht geloften (Atthanga-Sila) houdt.

107. Welke zijn de acht geloften ?

Bij de vijf genoemde komen deze drie: Ik beloof:

6°. mij van het gebruik van spijs op onbehoor-lijken tijd te onthouden, d. i. na het middagmaal geen spijs meer te nuttigen;

7°. mij te onthouden van het dansen, van het zingen van wereldsche liederen, van het bezoek van openbare tooneelvoorstellingen en muziekuitvoeringen, kortom van alle wereldsche en verstrooiende vermakelijkheden ; 8°. het gebruik te vermijden van versierselen van welken aard ook, van welriekende waters, oliën en zalven, in een woord van alles wat de ij delheid dient.

In de plaats der gelofte, alle ontucht te vermijden, treedt tijdens de opvolging der acht geboden volkomene kuischheid, ook bij getrouwde personen.

108. Welke zyn de tien geloften voor de leden der broederschap ?

Het zijn de Dasa-Sila, d. i. buiten de acht genoemde nog deze twee:

Ik beloof:

-ocr page 82-

70

9°. geen gebruik te\'maken van weelderige bedden, en op eene harde lage legerstede te slapen, gelijk mede elke wereldschgezindheid af te leggen en geen dierlijk voedsel te nuttigen; io0. steeds in vrijwillige armoede te leven.

109, Op hoevele wijzen kan tegen deze geloften gezondigd worden ?

Op drieërlei wijze: door gedachten, woorden en daden.

UO. Waarom kan hy, die in h.et wereldsche leven blijft, het Nirwana niet bereiken ?

Omdat in het wereldsche leven de volledige inachtneming der tien geloften, de aflegging der tien boeien en het verkrijgen der ware kennis niet mogelijk is. Alle wereldsche leven steunt in het wezen der zaak op zelfzucht en onwetendheid (avidya).

111. Zoo moeten wü alzoo, om tot de verlossing te geraken, Bicksboe worden en den weg der ontbering gaan ?

Niet den weg der ontbering, maar dien der bevrijding. Wie den afstand van wereldsche goederen en de onthouding van aardsche genietingen en vermaken voor eene smartelijke ontbering houdt, is nog ver van de ware kennis verwijderd. Wie dezen afstand beschouwt als eene bevrijding van waardelooze, nietige en lastige dingen, van drukkende boeien, die heeft het juiste inzicht (1).

1

Het is een waan, dien de zinnelijke mensch vervuld van den wil om te leven, van het streven naar bestaan en genot tot zijn eigen verdriet koestert, dat de bevrediging der begeerten

-ocr page 83-

71

112. Eau Boeddha ons niet door zyne eigene verdienste van de gevolgen onzer schuld verlossen ?

Neen. Geen mensch kan door een ander verlost worden. «Geen god en geen heilige», zoo leeren de heilige boeken, «vermag eenen mensch voor de gevolgen zijner slechte daden te beschermen». Ieder moet zijne eigene verlossing bewerken,

113. Hoe kan de kern der geheele leer met een woord aangeduid worden ?

Door het woord: gerechtigheid.

en neigingen geluk verschaft. Alle begeerten worden door het bereiken van het begeerde voor een korten tijd gestild, maar ontwaken steeds op nieuw en te sterker, naarmate men er meer aan toegeeft. Elke bevredigde wensch baart een nieuwen en langs dezen weg is geene volkomene bevrediging denkbaar. Daarbij komt nog, dat alle onvermijdelijke teleurstellingen en mislukkingen, de wedloop, strijd en twist met onze medemenschen, die hetzelfde doel nastreven , op den koop toe genomen moeten worden. Deze altijddurende strijd kan slechts gevoerd worden ten koste van onze lichamelijke en geestelijke krachten. Hoe meer wij alzoo aan onze begeerten en neigingen bot vieren, des te sterker worden zij en des te meer nemen tegelijkertijd onze krachten af, die toch het eenige middel zijn om te genieten. Alzoo : toeneming onzer begeerten en gelijktijdige vermindering van de middelen om ze te bevredigen — dat is de onverbiddelijke natuurwet, waaraan zulk streven onderworpen is. Het moet daarom voor ieder, die er ernstig over nadenkt, duidelijk worden, hoe dwaas het is zingenot natejagen, daar het onmogelijk is daardoor het zoo hevig begeerde geluk te bereiken.

Daarom heet het in het Djammapada:

Hoe kunt gij lachen, vreugde scheppen op deez\' aard\' Die slechts uit \'t vuur van lage driften leven gaart ? Gij kwijnt in duisternis, die eeuwig u omgeeft.

Wanneer gij naar het licht, dat haar verdrijft, niet streeft.

-ocr page 84-

72

Strenge, onkreukbare gerechtigheid heerscht in het geheele rijk der levende en levenlooze natuur. Met noodwendigheid draagt iedere slechte en iedere goede daad hare vrucht. Geene genade van eenen persoonlijken god is bij machte, den door gewetensangst gekwelden misdadiger van de gevolgen zijner booze handelingen te redden (1), geene willekeur van een beheerscher van hemel en aarde den goeden mensch het volle loon, dat hem toekomt, te onthouden.

114. Waardoor maakt men zich in zedelijken zin verdienstelijk ?

Door getrouwe vervulling der geloften in gedachten, woorden en daden, door ijverig streven naar kennis, bovenal echter door gerechtigheid en welwillendheid jegens alle levende wezens.

115. Wordt de verdienste alleen bepaald naar de uitwendige handeling, de zichtbare daad ?

Integendeel. Geene uitwendige handeling is op zich zelve verdienstelijk; de verdienste hangt alleen af van de innerlijke beweegredenen, van de reinheid van den wil. De daad is slechts daarom van gewicht, wijl zij het van buiten zichtbare ken-teeken is van de innerlijke geaardheid des gemoeds en van de wilsrichting van den dader.

1

Noch iu de verten van het onmetelijke wereldruim, noch in het midden van den oceaan, noch in de diepste bergkloven vindf. gij eene plaats, waar gij de vrucht uwer booze daden zoudt kunnen ontvlieden (Djammapada).

-ocr page 85-

73

%

116. Geef hiervan eens een voorbeeld.

Iemand kan veel geld besteden tot ondersteuning der broederschap, tot leniging der armoede of voor instelling-en van algemeen nut en toch daarom zijn heil weinig of niets bevorderen, namelijk als hij dit alles slechts doet om eer en aanzien bij de menschen te verwerven. Zoo iemand ontvangt zijn loon reeds in dit leven in het aanzien, dat hij zich verwerft en heeft overigens geene verdienste verworven. Wie daarentegen goed en mild is met het doel, zijne zelfvolmaking te bevorderen en onder\'\' gunstiger omstandigheden wedergeboren te worden, verwerft verdienste, die, hij in het naastvolgende leven ten volle genieten zal. De hoogste verdienste verwerft echter degeen, die zonder loon in deze of eene volgende g-eboorte te verwachten, den met hem levenden wezens goed doet, uit zuiver medelijden, uit reine, door geene zelfzuchtige nevenbedoeling verontreinigde welwillendheid. Een zoodanige is dicht bij het Nirwana en zeker van eene wedergeboorte in eene der hoogste lichtwerelden.

117. Wat moeten wij alzoo doen, om ons ware verdienste te verwerven.

De zelfzucht overwinnen, het kwade nalaten, het goede volbrengen.

118. Waarom moet de zelfzucht overwonnen

worden ?

Dewijl de zelfzucht (het egoïsme) de hoofdbron van al onze dwalingen, dwaasheden en slechte han-

-ocr page 86-

74

delingen, en de voorname hinderpaal tegen het doen van het goede is.

« 119. Wat is eene goede handeling ?

Elke handeling, die geschiedt met het reine doel, het welzijn van andere levende wezens te bevorderen en hun lijden te verminderen.

120. Wat is eene slechte handeling ?

lt;■ Elke handeling, die gedaan wordt met het doel andere levende wezens te krenken, hun nadeel te doen of leed te veroorzaken.

Voorts elke zelfzuchtige handeling, die slechts voor het eigene welzijn geschiedt, zonder dat men zich er om bekommert, of zij anderen leed veroorzaakt.

121. Er zijn toch ook zelfzuchtige handelingen, die

niemand anders benadeelen.

Zulke handelingen zijn noch goed noch kwaad te noemen. Bevorderen zij des handelenden tijdelijk welzijn, dan zijn zij verstandig, bevorderen zij zijn eeuwig heil en dienen zij tot zijne zelfvolmaking dan zijn zij wijs. Schaden zij hem echter naar lichaam of geest, dan zijn zij dwaas.

122. Bestaan er plichten jegens zich zeiven?

Neen. De leer van de plichten jegens zich zeiven of van den «plicht van het zelfbehoud» is slechts eene bemanteling der zelfzucht.

123. Is het onrecht, den vijand kwaad met kwaad

te vergelden?

Ja, de ware Boeddhist zal geen kwaad met

-ocr page 87-

75

kwaad vergelden (1). Hij laa^ den boosdoener over aan de eeuwige gerechtigheid en schenkt hem zijne vergiffenis en zijn medelijden, want de booze zal door de werking der Karma in deze of de naaste geboorte voor zijn onrecht moeten boeten, en des te zwaarder, naarmate hij thans luider juicht en zich tegen het betere inzicht met meer verstoktheid verzet.

124. Moet de verstokte boosdoener eeuwig1 voor zijne slechte daden boeten?

Neen. Geene tijdelijke schuld, hoe zwaar ook, kan eeuwige straf ten gevolge hebben. Eene wereldorde, die dit toeliet, ware onrechtvaardig, ja wreed. De zedelijke wereldorde echter, die Boeddha ons verkondigd heeft, heeft haar steunpunt in de eeuwige gerechtigheid en daarom vindt elke slechte daad ook slechts de daarmede overeenstemmende tijdelijke vergelding in deze of eene volgende geboorte.

125. Bestaat er geen hel en geen hemel.

Neen, niet in den zin, dien Christenen, Joden * en Mohammedanen daaraan hechten. Wel echter zijn er donkere werelden van pijn en vertwijfeling, in welke geene straal van verlossende kennis doordringt. Daar moet de met zware schuld beladene zoolang verblijven, totdat hij de vrucht zijner booze daden

1

Hij lieeft mij bedrogen, geslagen, te gronde gericht. Bij hem, die znlke gedachten in zijn hart koestert, zal de haat nooit ophouden. Want haat wordt niet door haat overwonneu; haat wordt door liefde overwonnen, zoo is van eeuwigheid her de orde der dingen. (Djammapada).

-ocr page 88-

76

heeft genuttigd. Dan voert hem zijn goed Karma (zijne verdienste) tot eene wedergeboorte als mensch, in welke hem op nieuw de gelegenheid gegeven wordt tot de kennis der waarheid en door een rechtschapen levenswandel op het pad des heils te komen. — Evenzoo zijn er lichte werelden van vreugde, waar de goede, maar nog niet voor de verlossing rijp gewordene mensch de vruchten van zijne deugd en verdienste geniet. Heeft hij echter die vruchten genoten, dan moet ook hij, dewijl de wil om te leven nog bij hem voorhanden is, als mensch terug naar de aarde. (1)

126. Zijn er slechto daden, waarvoor met meer dan eene wedergeboorte geboet moet worden?

Zij zijn er zeker. Zeer groote en zware misdaden vorderen, ten harer vergelding, vele wedergeboorten\' als bewoners der donkere werelden, als mensch, demon of dier.

1

Degene, die de -vier heilswaarden heeft leeren kennen, zal daarom noch naar aardsch geluk, noch naar een leven in de lichte hemelswerelden verlangen, maar alleen naar de verlossing, den eeuwigen vrede. Want zoolang de individualiteit, de „ikheidquot; niet overwonnen en opgeheven is, zoolang zijn ook lijden, geboorte en dood niet opgeheven. Zelfs de engelen en goden (zoo noemt men de in de lichte werelden levende wezens) zijn aan dood en wedergeboorte onderworpen. Al hetgeen veranderlijk is is echter ook vol lijden. Eerst als alle slechte gezindheid, alle begeerte, het niet-weten eu de individualiteit in het Nirwana zijn uitgedoofd, heeft alle lijden, alle wedergeboorte een einde. Dit is het hoogste doel, waarnaar alleen de wijze het der moeiter waard acht te streven.

-ocr page 89-

77

127. Worden de misdaden der ouders bezocht aan de kinderen?

Neen. Dit zoude in strijd zijn met de eeuwige gerechtigheid. Voor vreemde schuld behoeft niemand te lijden. Waar lijden is, daar moet ook schuld zijn, en waar schuld is, daar is ook lijden. Zoo is de orde der dingen van eeuwigheid her.

128. Maar het is toch een feit, dat dikwijls de rechtvaardige en goede op aarde veel moet lijden.

Dat is ook zoo. Hij boet voor de schuld, diegt;. hij in vroegere levens op zich heeft geladen. Het is een gevolg van zijn ongunstig Karma.

129. Hoe komt het, dat de slechte en onrechtvaardige op aarde dikwijls in hoog aanzien staat en veel vreugd geniet?

Dat is het gevolg van de verdienste zijner vroegere geboorten, zijn gunstig Karma. Als hij echter de vrucht zijner vroegere verdienste genoten heeft, zal hij ook in de volgende wedergeboorten de bittere vruchten van zijne slechte daden moeten smaken. (1)

1

„De slechte daad is niet als frissche melk, die snel stolt, maar als een smeulend vuur onder de asch. Onbemerkt smeult het voort, totdat het plotseling- uitbreekt en het bedriegeli.jke gebouw van het geluk, waarin de boosdoener zich veilig waant, doet instortenquot;, heet het in de heilige boeken.

De ongelijkheid in het uitwendige levenslot op aarde, en de schijnbare onrechtvaardigheid, die daarin gelegen is dat rechtvaardige en goede menschen dikwijls met zwaar lijden bezocht worden, terwijl de onrechtvaardige in heerlijkheid en vreugde leeft, levert voor ieder, die er niet moedwillig het oog voor sluit,

-ocr page 90-

78

130. Kan men zich niet door zelfmoord aan de gevolgen zqner misdaden onttrekken?

Neen. Aan de eeuwige gerechtig-heid kan zich niemand onttrekken, hare werking is onverbiddelijk en almachtig en haar ontsnapt niemand. Van daar heet het in het Djammapada (*): «Noch in de verten van het onmetelijke wereldruim, noch in het midden van den oceaan, noch in de diepste bergkloven vindt gij eene plaats, waar gij de gevolgen uwer booze daden zoudt kunnen ontvlieden.»

131. Is de zelfmoord een onrecht of eene zonde ?

De zelfmoord is geen onrecht, want elk wezen heeft recht op zijn eigen leven. Dit behoeft geen bewijs. Maar zelfmoord is eene zeer dwaze handeling, daar hij eenen levensdraad met geweld afsnijdt, die naar de wet der Karma met noodwendigheid dadelijk weder aangeknoopt wordt, en nog wel onder

het onomstootelijke bewijs, dat er eeue eemcige gerechtigheid, eene wedergeboorte bestaat. Waar lijden is, moet ook schuld zijn, en wanneer er in dit tegenwoordige leven geene schuld is, moet zij in eene vorige geboorte zijn begaan. Waar -welzijn en vreugde heerschen, moet ook verdienste zijn. die in eene vorige geboorte werd verworven en nu hare vrucht draagt. Niettemin worde de gelukkige niet overmoedig! De val is steeds nabij en wie niet onafgebroken zijne verdienste door goede daden vermeerdert, zal voor zijne lichtzinnigheid zwaar hebben ts boeten, terwijl de thans door leed en ongemak getroffene wei-licht eene gelukkige vreugdevolle wedergeboorte te gemoet gaat, (*) Het Djammapada is eeue heerlijke uit de Soetra-Pitaka getrokken verzameling van spreuken voor de wereldlijke aanhangers.

-ocr page 91-

79

veel ongunstiger omstandigheden, dan die welke de zelfmoordenaar in zijne verblinding tracht te ontvlieden.

132. Waarom onder ongunstiger omstandigheden?

Omdat ons geheele bestaan met al zijn lief en leed alleen het gevolg van onze eigene dwaling en schuld is. Zoolang daarom de dwaling niet voor helder inzicht heeft plaats gemaakt en de schuld niet geboet is, kan men tot geene wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden geraken. Wie dit inziet, zal alle lijden geduldig dragen en zijn best doen, door een rechtschapen levenswandel, oprechte zelfkennis en goede daden zooveel verdienste als eenigszins mogelijk is te verwerven, opdat hij eener wedergeboorte onder gunstiger omstandigheden waardig worde. Wie zich echter dwaselijk door zelfmoord tracht te onttrekken aan het lijden, dat toch tot zijne loutering leidt, bewijst daardoor, dat hij van de zelfkennis nog ver verwijderd is, en dat hij den wil mist, goed en wijs te worden. In blinden waan vernietigt hij het vluchtige, vergankelijke zichtbare hulsel, dat hij voor zijn ware wezen aanziet, en betreedt daardoor het naar beneden leidende donkere pad, dat hem tot eene wedergeboorte in eene der werelden van lijden en vertwijfeling voert.

133. Wat wordt dan eigenlek in ons wedergeboren ?

De «individueele wil om te leven» of de individu^ aliteit. Deze maakt de kern van ons wezen uit en wordt na de vernietiging van ons stoffelijk lichaam

-ocr page 92-

80

door de werking van de Karma wedergeboren d. i. weder in een anderen vorm belichaamd.

134. Is niet deze individueele levenswil of individualiteit hetzelfde wat men „zielquot; noemt ?

Neen, niet hetzelfde. Het geloof aan eene onsterfelijke ziel, d. i. een ondeelbaar, eeuwig en onvergankelijk wezen, hetwelk in het lichaam slechts zijne tijdelijke woonplaats zou hebben opgeslagen, houdt het Boeddhisme voor eene dwaling, voortgevloeid uit onbekendheid met de ware geaardheid van het zijn en van de levende wezens. Wat de aanhangers van de Europeesche godsdiensten de ziel noemen, is eene vereeniging van talrijke hoogere en lagere krachten (Skandhas) en lost zich bij den dood van het organisme in hare verschillende bestanddeelen op. Wat in eene volgende geboorte opnieuw belichaamd wordt, is niet de ziel, maar de kern der ziel. de individueele wil of de individualiteit. Deze schept zich overeenkomstig haar Karma bij iedere wedergeboorte niet alleen een nieuw lichaam, maar ook een nieuwe ziel. 1)

1

Het zoo algemeen verbreid geloof aan eene „onsterfelijke zielquot; in ons, d. i. een individueel, met kennis begaafd, van andere wezens verschillend, en niettemin toch eeuwig wezen ontstaat hoofdzakelijk uit het egoïstische verlangen naar persoonlijke onsterfelijkheid. Dit bijgeloof is alzoo een uitvloeisel van den verblinden wil om te leven en behoort daarom tot de „tien boeienquot;, welke den mensch aan het leven vastketenen en de verlossing ■verhinderen.

-ocr page 93-

81

135. Zoo is dan eigenlijk het wezen, hetwelk wedergeboren wordt, een geheel ander, dan dat hetwelk gestorven is?

Zoo kan het den mensch toeschijnen, die zich nog- in den toestand der onwetendheid bevindt, maar hij, die de kennis der waarheid heeft erlangd, weet dat het hetzelfde wezen is. hetwelk de goede of slechte daad doet en daarvoor in de wedergeboorte loon of straf bekomt. 1)

136. Hoe lang leeft de individualiteit in steeds nieuwe belichamingen voort ?

Totdat de kennis der waarheid en het Nirwana bereikt zijn. Dan lost zij zich op in het eeuwige waar- geen lijden, geene wedergeboorte, en geen wezensonderscheid meer is.

137. Koe komt het, dat wy geene herinnering hebben van eenig vroeger doorloopen leven3?

Dewijl wij door aardschen waan zijn verblind, de sluier der onwetendheid ons oog bedekt en wij ons daardoor van onze hoogere natuur in het geheel niet of slechts zeer onvolkomen bewust worden. Wij leven in het lichaam in een staat van gebondenheid of in ketenen, van welke zij, die naar de verlossing streven, zich juist trachten te bevrijden.

6

1

Om den uiet-ingewijdeu lezer eene vingerwijzing te geven, hoe een wezen in zekeren zin een geheel ander en toch te n-e-üjk hetzelfde zijn kan, zal liet wel voldoende zijn op het verschil naar den leeftijd te wijzen. De grijsaard is een ander dan de zuigeling — en toch zijn zij een en dezelfde persoon.

-ocr page 94-

82

138. Maak dit door eene gelijkenis duidelijk.

Wij hebben des nachts droomen. In deze zijn wij nu eens bedelaar dan eens koning, nu eens gevangen, arm, met lijden en gevaren bedreigd, dan weder door het geluk begunstigd en vol vreugde. En toch is het hetzelfde ik, hetwelk in den droom al deze gestalten aanneemt.

En voorts: in den droom van den eenen nacht herinneren wij ons niet wat wij in den anderen gedroomd hebben. Ontwaakt zijnde, herinneren wij ons de droomen van vele nachten Juist zoo is het met elk vroeger doorloopen leven. Het is steeds dezelfde individualiteit, hetzelfde ik, dat in veranderde gedaante wedergeboren wordt; elke geboorte is een droom van dezen individueelen levenswil, nu eens verschrikkelijk, dan vol vreugde. Zoolang wij ons in een dezer levensdroomen bevinden, herinneren wij ons de vroegere niet. De verloste echter, de Boeddha, heeft uitgedroomd. Hij is de ontwaakte en herinnert zich al zijne vroegere geboorten.

Ook de Arahats bezitten de eigenschap, zich vele van hunne vroegere geboorten te herinneren. Deze verwerven zij zich echter eerst, wanneer de «tien boeien» geheel afgelegd zijn en de definitieve bevrijding van het leven verkregen is.

139. Welke zijn de tien boeien ?

1°. De waan, dat het ik, de individualiteit of de ziel onsterfelijk is.

2°. De twijfel, of er eene zedelijke wereldorde en een weg tot verlossing bestaat.

-ocr page 95-

83

3°. Het bijgeloof, dat religieuse gebruiken, gebeden, offeranden, kerkbezoek, vereeringvanreliquiën, bedevaarten of al dergelijk ritueel en ceremonieel tot verlossing leiden.

4°. De zinnelijke hartstochten en begeerten.

5°. Haat, kwaadwilligheid jegens de met ons levende wezens.

6°. Liefde voor het aardsche leven.

7°. Verlangen naar een toekomstig leven in den hemel of het paradijs.

8°. Trotschheid.

9°. Geestelijke hoogmoed.

10°. Onwetendheid (Avidya).

140. Dragen boete en \'berouw niet ook bij tot onze zelfvolmaking en verlossing ?

Ja, maar door boete en berouw alleen wordt niets bereikt, want de eeuwige gerechtigheid laat zich niets afdingen, afsmeeken of afdwingen.

Het berouw heeft slechts in zoover waarde, dat het de levendig gevoelde erkenning onzer schuld in zich sluit en ons aanspoort, het onrecht en leed, hetwelk wij anderen hebben aangedaan, weder goed te maken en ons voortaan verdienste te verwerven. Berouw echter, dat niet tot handelen leidt, is volmaakt nutteloos, evenals jammeren en weeklagen.

Even nutteloos is elke boete in uiterlijke dingen, d. i. het opleggen van de eene of andere straf, zelfkwelling of iets dergelijks. Het ware berouw van den Boeddhist openbaart zich in het moedig bewandelen van den weg des heils, en zijne ware

-ocr page 96-

84

boete in de onderdrukking der zelfzucht, der hartstochten en begeerten.

141. Leerde Boeddha, dat slechts aanhangers van zijne religie de verlossing kunnen bereiken?

Neen. Boeddha verkondigde de heerschappij der zedelijke wereldorde en der eeuwige gerechtigheid, en deze vraagt er niet naar, wat iemand gelooft of niet gelooft. Op de innerlijke gezindheid, op den goeden of slechten wil komt het aan ! Ieder ontvangt loon naar verdienste, onverschillig of hij al dan niet Boeddhist is. Ook andersdenkenden kunnen daarom de verlossing bereiken; slechts is het voor hen veel moeielijker en het gevaar, het doel te missen, zeer groot.

Met hen is het als met iemand, die een foutieven wegwijzer volgt. Na lang ronddwalen in alle richtingen door moerassen, woestijnen en wouden, over bergen en dalen kan ook hij misschien nog het doel bereiken. Wie echter een goeden wegwijzer volgt, behoeft slechts rechtuit te gaan en niet van den aangewezen weg aftewijken, om vlug en gemakkelijk tot het doel te komen. De ware wegwijzer is alleen Boeddha.

142. Eischt het Boeddhisme, andersdenkenden te haten, te verachten of te vervolgen ?

Integendeel. Het beveelt ons, alle menschen, van welk ras, nationaliteit of geloof zij ook mogen zijn, als broeders lief te hebben, de overtuiging van andersdenkenden te ontzien en zelfs allen woorden-

-ocr page 97-

85

twist over religieuse dingfen te vermijden. De Boeddhistische leer is vervuld van den geest der reinste verdraaigzaamheid; (1) nooit en nergens is ten behoeve zijner uitbreiding bloed vergoten, nooit heeft het, waar het overwicht erlangde, andersdenkenden vervolgd of onderdrukt. Wie de waarheid niet inziet of niet hooren wil, schaadt slechts zich zeiven en wekt bij den Boeddhist medelijden, geen haat.

143. Zijn gebeden, oiferauden en de inachtneming van religieuse gebruiken tot bereiking van het Nirwana noodig ?

Neen, gebeden en offeranden, in den eigenlijken zin des woords, zijn er in de Boeddhistische religie niet. Niettemin zijn het opzeggen van spreuken,

1

Toeu voor een dertigtal jaren de fransche (katholieke) zending den koning van Siam verlof vroeg, zich in dat land te mogen vestigen, verleende hij dit met de grootste bereidwilligheid en verschafte hij haar zelfs een perceel gronds, terwijl hij haar de beste resultaten toewenschte. Deze bleven uit, maaide zendelingen zochten op eene andere wijze van hunnen christe-lijken geloofsijver te doen blijken, door namelijk de beelden in een in de nabijheid gelegen Boeddha-tempel te bezoedelen. Toen de bewoners van het dorp, aan, wie de tempel behoorde, zich daarover bij den koning beklaagden, ried hij hun, als de wijste, toegevend te zijn, de afbeeldingen van Boeddha op eene andere plaats op te stellen, daar zij toch slechts herinneringsteekenen waren, en aldus allen strijd te vermijden. Immers waien bij de religie belangrijker dingen in het spel, dan zulke ellendige kibbelarijen met barbaren.

Toen de Engelsche protestantsche zendeling Edkins zeer onlangs in China een Boeddhistisch klooster bezocht, ontving de abt hem vriendschappelijk en bood hij zelfs aan, hem een stuk

-ocr page 98-

86

het lezen der heilige geschriften, het aanhooren van leerredenen en dergelijke handelingen van hooge waarde, indien zij met waren ootmoed geschieden, omdat zij den meed der geloovigen in uren van verzoeking verhoogen en sterken, het geloof bevestigen en den inkeer in zich zeiven bevorderen. Alle uiterlijke religieuse gebruiken hebben hetzelfde doel. Zij zijn voor de wereldlijke aanhangers noodig en onontbeerlijk, om hen steeds aan de ware beteeke-nis van het leven te herinneren, hun geest van de verleidingen der wereld af te trekken en hun steeds het hoogste doel voor oogen te houden.

Wie echter den weg der verlossing reeds betreden heeft en als Bickshoe nog slechts voor de geestelijke ontwikkeling en zelfvolmaking leeft, heeft zulke hulpmiddelen niet meer noodig.

144. Eischt de leer de vereering van afbeeldingen, standbeelden of reliquiën van Boeddha of zijne jongeren?

Neen. Boeddha leerde, dat dergelijke gebruiken niets tot de verlossing bijdragen, maar daarentegen licht tot bijgeloof en dwaling leiden.

145. Welke is dan de reden, dat de Boeddhisten de standbeelden van Boeddha met bloemen versieren en daarvoor wierook branden?

Dit doen de wereldlijke aanhangers, om door

gronds van de kloostergoederen tot het bouwen van eene christelijke kerk beschikbaar te stellen.

Znlke voorbeelden kunnen bij honderden uit vroegere en latere lijden aangehaald worden.

-ocr page 99-

87

een zichtbaar uitwendig teeken hunne vereeringquot; en dankbaarheid jegens den Wereld verlichter te toonen. Zoo leggen immers ook de Europeanen bloemen en kransen op de gedenkteekenen hunner groote mannen of op de graven hunner geliefde dooden. Zulk een gebruik is dan ook niet verwerpelijk; wie echter meent, daardoor eene bijzondere verdienste te verwerven of zelfs daardoor nader tot de verlossing te komen, verkeert in dwaling.

146. Gebeuren er woudereu ?

Neen. Een werkelijk wonder ware een afwijking of willekeurige verbreking van algemeen geldende natuurwetten. Zoo iets kan niet plaats hebben. Het Boeddhisme leert, dat alles zonder uitzondering naar onverbrekelijke wetten geschiedt. Aan deze wetten, welke steunen op de zedelijke wereldorde, zijn zelfs de hoogste goden onderworpen.

147. Er ziju toch echter geheurteuisseu en voorvallen, die ons onverklaarbaar zijn ?

Ja, zeer vele, maar deze mag men daarom nog geene wonderen noemen. Zulke gebeurtenissen hebben plaats overeenkomstig natuurwetten, die nog voor ons verborgen zijn, maar waarvan Boeddha wist, dat zij volkomen met die natuurwetten strooken. (1)

1

Voor de wilden b. v. is de telegrafie een wonder, terwijl de EuropeaDen weten, dat zij op natuurkrachten berust. Hetzelfde is het geval met de dingen, die wij ons niet verklaren kunnen.

-ocr page 100-

88

148. Waarin bestaat het voorname onderscheid tusschen de leer van Boeddha en andere religiën ?

Het Boeddhisme leert de hoogste deugd en wijsheid zonder eenen persoonlijken god; een voortdurend zijn zonder eene onsterfelijke ziel; eene eeuwige zaligheid zonder eenen plaatselijken hemelj de mogelijkheid der heiligmaking, zonder eenen heiland; eene verlossing, van welke ieder zelf de bewerker is en die door eigene kracht kan worden bereikt zonder gebeden, offeranden, boetedoening en uiterlijke gebruiken, zonder gewijde priesters, zonder bemiddeling van heiligen en zonder de werking van goddelijke genade; eindelijk eene hoogste volmaaktheid, die reeds in dit leven en op deze aarde bereikbaar is.

149. Heeft Boeddha al deze waarheden leeren hennen in den nacht der verlichting onder den bodhiboom ?

Ja, deze en alle andere, die de leeringen vormen der boeddhistische religie en in de heilige schriften zijn te boek gesteld.

150. Werden de heilige boeken door Boeddha zeiven vervaardigd of geschreven ?

Noch door Boeddha zelf, noch door een der broeders, die persoonlijk van Boeddha onderricht ontvangen hadden. Het was destijds in Indië geene gewoonte, godsdienstige of wijsgeerige waarheden in geschrifte te bewaren. Zij werden den leerling door den onderwijzer mondeling medegedeeld en hem door voortdurende herhaling, woord voor woord en

-ocr page 101-

89

zin voor zin, letterlijk ingeprent. Op deze wijze werden zij van geslacht tot geslacht voortgeplant. 1) Zoo ging het ook met de leeringen van Boeddha, Eerst verscheiden honderden jaren na Boeddha\'s dood werden de heilige schriften door Arahats op palmbladen opgeschreven, na de derde groote kerkvergadering te Patalipoetra onder de regeering van koning Aéoka.

151. Wie was Koning Asoka ?

Een der machtigste vorsten van Indië. Hij regeerde van 2,59—222 voor Christus geboorte, nam zelf de leer van den Verlichte aan en streefde er naar het Boeddhisme over de geheele aarde te verbreiden. Nog ten huidigen dage leggen de steenen tafelen, waarop hij de zedelijke voorschriften van het Boeddhisme beitelen liet, van koning Asoka\'s werkzaamheid getuigenis af en zijn naam staat bij alle Boeddisten in hoog aanzien.

152. Bevatten de heilige boeken niet anders dan zuivere waarheid ?

Alles wat de heilige boeken leeren over de religie over het lijden des levens, over onze schuld en

1

Omtrent het verwonderlijke geheugen der Indische Brahmanen luiden de berichten van alle europeesche geleerden, die zich met indische taal en wijsbegeerte bezig houden, overeenstemmend. Max Müller, een der grootste levende autoriteiten op dit gebied beweert, dat als alle geschrevene brahmaansche boeken plotseling vernield werden, niettemin de heilige schriften woord voor woord en letter voor letter gemakkelijk weder terug te krijgen waren, daar de Brahmanen ze van buiten kennen.

-ocr page 102-

90

den weg der verlossing is zuivere waarheid. Daarnevens echter bevatten zij veel wat niet juist is.

153. Heeft dan Boeddha ook dwalingen geleerd ?

Neen, Boeddha leerde niets, wat verkeerd, onjuist of onwaar is. Maar in den loop der tientallen eeuwen, die sedert zijn voorbijgegaan, zijn in de Tripitaka eenige boeken en plaatsen opgenomen, die er eigenlijk niet in behooren en in deze bevindt zich menige dwaling.

154. Welke boeken en plaatsen zijn dit?

Die welke over het ontstaan der wereld, over den vorm en gesteldheid der aarde, kortom over de natuurwetenschap handelen.

Deze toevoegselen bevatten geene woorden van Boeddha en geen Boeddhist is verplicht ze voor waar te houden .(1)

1

Het Boeddhisme heeft niet ten doel natuurwetenschap te leeren; het heeft niet te doen met den uiterlijken schijn der dingen, maar met hun innerlijk wezen en staat daarom tot de wetenschap noch in vijandige noch in afhankelijke stelling.

De ontwikkelde Boeddhist staat tegenover de natuurwetenschap volkomen vrij van vooroordeel, onderzoekt hare resultaten, zonder dat eenige religieuse bedenking invloed op hem heeft, en neemt hare leeringen aan, voorzoover zij hem juist voorkomen. Europeesche geleerden vinden daarom in boeddhistische landen steeds een vriendelijk onthaal en een aandachtig gehoor.

De Boeddhist weet, dat de wetenschap, als al het aardsche, veranderlijk is, geleidelijk vooruitgaat en vele nuttige en groote dingen leeren kan, welke men in Boeddha\'s tijd niet wist; dat echter anderzijds, hoe ver de wetenschappelijke ont-

-ocr page 103-

91

155. Vermits alles wat ontstaan is ook vergaan moet, is dan niet ook Boeddha\'s leer vergankelijk?

Beeddha\'s leer zal niet vergaan, zoolang- het heelal bestaat, want haar geest is de eeuwige waarheid zelve, die in de aardsche vormen van woord en begrip ingekleed en in den persoon van den Wereldverlichter levend gewerden is.

Haar uiterlijke vorm en inkleeding is echter vergankelijk ; in eiken naar duizenden jaren tellenden leeftijd van het menschelijk geslacht wordt een nieuwe Boeddha geboren, die de leer van het lijdeh en de verlossing in eene nieuwe voor zijnen tijd passende inkleeding verkondigt.

■dekkingen mogen voortgaan, onmogelijk iets aan het licht kan komen, dat tegen de woorden van Boeddha strijdt. Naar de boeddhistische opvatting is de wetenschap de aardsche zuster dei-eeuwige waarheid. De wetenschap verheldert ons verstand en maakt het ontvankelijk voor de lioogere kennis; de eeuwige waarheid echter, die Boeddha geleerd heeft, leidt tot verlichting en verlossing.

Wie de vier heilswaarheden ten volle heeft leeren kennen en begrijpen, kan zijnerzijds de wetenschap missen, terwijl de uitgebreidste wetenschappelijke kennis, van het standpunt der hoogere waarheid bezien, nog altijd tot het niet-weten (avidya) behoort, daar het niet leidt tot verlossing van het lijden en van de wederge-geboorte.

-ocr page 104-

Hf

De broederschap der uitverkorenen (Sangha). (1)

156. Wat verstaat men onder de broederschap der nitverkorenen.

Onder de broederschap der uitverkorenen (Sangha) verstaat men de vereeniging van allen, die als ware jongeren en navolgers van Boeddha de wereld verlaten en het verhevene achtdeelige pad der bevrijding en verlossing betreden hebben.

1

Het woord „Sanghaquot; is hier met broederschap der uitverkorenen vertaald, ofschoon deze vertaling het begrip niet volkomen juist teruggeeft. De Sangha is de broeder-vereeniging van alle Bickshoe of Samanen, de ware jongeren en navolgers van Boeddha. Noch voor Bickshoe, noch voor Samane vindt men in het Duitsch een volkomen passend woord. Bickshoe be-teekent letterlijk bedelaar. De Bickshoe zijn echter geene bedelaars in den modernen europeeschen zin van dit woonlr dat in Europa eene vernederende en onteerende beteekenis heeft. Met Saniana daarentegen wordt diegene aangeduid, die zich ten behoeve zijner geestelijke ontwikkeling van alle wereldsche genietingen onthoudt, alzoo een asceet. Het ware wellicht het eenvoudigste en doelmatigste, Bickshoe doorgaan! door „bedelmonnikquot; te vertalen, gelijk hier en daar in den tekst is gedaan, doch ook daardoor zou misverstand ontstaan zijn,

-ocr page 105-

93

157, Wie heeft het recht tot deze broederschap toe te treden?

Ieder, zonder aanzien van rang, stand en geslacht, die met woord en daad het vaste besluit te kennen geeft, voortaan alleen de verlossing te willen nastreven en dien om geene der bij de inzettingen bepaalde redenen de toetreding verboden is.

158. Wie worden door de inzettingen van opue-ming1 uitgesloten?

Allen die met besmettelijke of ongeneeslijke ziekten behebt zijn; kinderen beneden 12 jaren ; slaven en lijfeigenen, zoolang zij niet op wettige wijze de vrijheid hebben verworven; allen, die van overheidswege vervolgd worden, zoola,ng zij niet van rechtsvervolging ontslagen zijn of hunne straf ondergaan hebben; (*) schuldenaren, zoolang zij hunne verplichtingen niet zijn nagekomen; soldaten en beambten, van welken rang ook, zoolang zij in dienst

vermits de Bickshoe s\'66116 bedelmonniken in den christelijkeu zin van dit woord zijn, daar zij geene gelofte van gehoorzaamheid jegens eene geestelijke overheid afleggen. Bickshoe met priester te vertalen, gelijk vele Europeesche geleerden hebben gedaan, gaat in het geheel niet aan, want de Boeddhistische religiën hebben geenerlei priesterlijke wijding of voorrechten. Er bleef daarom niets anders over, dan zich te behelpen, zooals het hier is gedaan, daar in de heilige boeken de Bickshoe of Samanen ook dikwijls de ariya of de edelen of uitverkorenen genoemd worden, en dit het best met hunnen aard en hunne stelling te midden der groote volksmassa overeenkomt.

(*) Zware misdadigers, als moordenaars, dieven, enz., zijn natuurlijk ook jia het ondergaan hunner straf van opneming in de broederschap uitgesloten.

-ocr page 106-

94

zijn, en minderjarigen, zonder verlof van hunne ouders of voogden.

159. Op welke wijze heeft de opneming\' indebroe-

derschap plaats ?

De nieuweling wordt eerst een leerling (Samanéra) en moet als zoodanig onder leiding van een leeraar, dien hij onder de broeders zelf kiezen mag, een proeftijd doormaken.

160. Hoe lang duurt deze proeftijd?

Bij volwassenen, die reeds lid eener andere orde van monniken geweest zijn, vier maanden, bij minderjarigen tot aan hunne meerderjarigheid. Bij alle overigen hangt de duur af van het oordeel van den geestelijken leeraar en van de geschiktheid van den leerling.

161. Welke plichten heeft de Samanéra te vervullen?

Van den dag af, waarop hij het gewaad heeft aangenomen, is hij onderworpen aan alle verplichtingen der broeders, Hij moet zich geheel onttrekken aan het gewoel der wereld, de tien geloften in acht nemen, zich ijverig wijden aan de studie der heilige leer, aan de bepalingen voor de broederschap getrouwelijk en in alle deelen gehoorzaam zijn en nog slechts het eene doel nastreven, de geestelijke en zedelijke bevrijding en verlossing te bereiken.

-ocr page 107-

95

162. Welke zijn de acht dealen van het verhevene pad ?

i0. De rechte kennis; vrij van vooroordeelen, bijgeloof en waan.

2°. Het rechte wïlle7i; op het hoogste doel gericht, den edelen en verlichten mensch waardig.

3°. Het rechte woord; goedig, eenvoudig, waarachtig.

4°. He rechte daad; vredelievend, rechtschapen, welwillend en rein.

5°. Het rechte leven; een zoodanig, dat aan geen levend wezen nadeel of schade toebrengt.

6°. Het rechte streven; enkel gericht op overwinning van de onwetendheid, van de begeerten en van den wil om te leven.

7°. Het rechte denken; steeds gericht op de heilige leer en hare voorschriften.

8°. Het rechte in zich zelf inkeeren (rechtes Sichversenken); met de zinnen, het waarne-mings- en denkvermogen zich geheel van de buitenwereld afkeeren, en opgaan van het zelfbewustzijn en den wil in het Nirwana.

163 Hoe luiden de tien geloften voor de \'broederschap ?

i0. Ik beloof geen levend wezen te dooden of te kwetsen.

2°. Ik beloof, niets te nemen wat mij niet behoort of vrijwillig gegeven wordt.

3°. Ik beloof, in algeheele kuischheid te leven.

-ocr page 108-

96

4°. Ik beloof, steeds de waarheid te spreken niemand te beliegen, te bedriegen of te las teren.

5°. Ik beloof, geene dranken te gebruiken, di( eene roes veroorzaken en geen dierlijk voedse te nuttigen.

6°. Ik beloof, niet te eten buiten de voorgesclire ven tijden.

7°. Ik beloof, mij te onthouden van het danser het zingen van wereldsche liederen, het be zoek der openbare tooneelvertooningen ei muziekuitvoeringen, en in het algemeen vai alle wereldsche vermakelijkheden.

8°. Ik beloof, mij van ijdelheden te onthouder en het gebruik natelaten van sieraden va: allerlei aard, van welriekende wateren, zalve: en oliën.

9°. Ik beloof, het gebruik van weelderige bedde: te vermijden en op eene harde lage leger stede te slapen.

i00. Ik beloof, steeds in vrijwillige armoede t leven.

164. Waarin bestaan de voorschriften voor d broederschap ?

In de door Boeddha gegevene voorschrifte voor een reinen en heiligen levenswandel, die ve: vat zijn in het Vinaya. Zij kunnen in hoofdzaak i vier afdeelingen worden samengevat:

i0. Voorschriften, die betrekking hebben op d uitwendige tucht en orde.

-ocr page 109-

97

2°. Voorschriften voor de juiste aanschaffing- en het gebruik van levensmiddelen, kleederen en andere noodzakelijke levensbehoeften.

3quot;. Regelen, hoe zich te gedragen ter overwinning van zinnelijke begeerten en hartstochten.

40. Hulpmiddelen ter bereiking van hoogere geestelijke kennis en zelfvolmaking.

Nadat de Samanéra in de richtige opvolging van al deze geloften, bepalingen en voorschriften onderricht is en zijnen proeftijd zonder verwijt voleindigd heeft, volgt in eene plechtige vergadering der broeders door den oudste of opperste (Ther^) zijne opneming (Upasampada) als broeder (Bickshoe, Samane).

165, Eau iemand na de opneming nog weder uit de broederschap uittreden ?

Ten allen tijde. De Boeddhistische leer en de voorschriften der broederschap kennen geen dwang. Wie terug verlangt naar de genietingen der wereld, kan aan den opperste zijne zwakheid bekennen. De broederschap houdt hem niet terug, en de uittreding staat hem dan rechtens vrij, zonder dat hem daardoor eenige smaad treft.

Den Samane echter, die het gewaad dat hij draagt en de heilige gemeenschap, tot welke hij behoort, onteert, door zich aan zware overtredingen der geloften schuldig te maken, treft de hardste straf, die de voorschriften kennen: zijne uitstooting uit de broederschap.

7

-ocr page 110-

98

166. Mogen de broeders naar goedvinden hunne woonplaats kiezen ?

Neen, zij moeten of in kloosters (Wiharas) of als kluizenaren in het woud leven. 1)

167. In welke verhouding staat de hroederscliap tot de wereldlijke aanhangers (XTpasakas)?

In eene zuiver zedelijke, in g-eene uitwendige verplichting- wortelende verhouding. De broeders moeten voor de wereldlijke aanhangers levende voorbeelden van onthouding, zelfverloochening- en heiligheid zijn, hun op hun verzoek de leer verkondigen en uitleggen en hun in alle levensomstandigheden, waarin zij opbeuring en troost behoeven, hunnen geestelijken raad en bijstand schenken, gelijk Boeddha deed, wiens jongeren zij zijn.

168. Hoe moeten de wereldlijke aanhangers zich jegens de broederschap gedragen ?

Zij moeten aan de broeders de hun toekomende achting en eerbied bewijzen en voor hun onderhoud (voeding, kleeding, woning enz.) zorgen. Daardoor verwerven zij zich verdienste en bevorderen zij hun eigen welzijn in deze en volgende geboorten, f)

1

De vrouwelijke leden der broedersoliap (Bickshoeni) wonen natuurlijk te samen in kloosters. Het leven in de eenzaamheid is haar niet geoorloofd, en zij zijn steeds aan het toezicht van de oppersten der broederschap onderworpen.

(f) Het schenken van giften aan de broederschap is voor den wereldlijken aanhanger geene „plichtquot;. Wat hij geeft, geeft hij vrijwillig, geleid door de overtuiging, dat hij daarmede zijn

-ocr page 111-

99

169. Heeft de broederschap geestelijke macht over de wereldlijke aanhangers ?

Neen. De Boeddistische leer kent noch banvloek, noch boeten, noch uitwendige tuchtmiddelen voor de wereldlijke aanhangers. Maar de broederschap wijst met een Upasaka, die zich schuldig maakt aan zware zedelijke vergrijpen, of die Boeddha, de leer of de broederschap smaadt, alle gemeenschap af door voor hem de aalmoezenschaal om te keeren, d. i. hem onwaardig te verklaren, voortaan aan de broeders gaven te schenken.

170. Hoe moet naar de woorden der leer de ware

Bickshoe zyn ?

»Wie, tot het doen van het goede voorbereid en gewillig,» zoo leeren de heilige schriften, »naar dien staat van hoogsten vrede, het Nirwana, verlangt:

die zij zonder valschheid, rechtschapen en nauwgezet, in woorden zacht, vriendelijk, bescheiden, tevreden en weinig behoevend, zonder zorgen, rustig van hart, zonder aanmatiging, zonder begeerte;

hij doe niets laags, leve steeds naar de heilige leer en voorschriften in gedachten, woorden en daden, hij bevestige in zich de kennis der vier heilswaarheden en bewandele onkreukbaar het verhevene, achtdeelige pad;

eigen welzijn bevordert. Naar de Boeddhistische leer is niet de Bickshoe den Upasaka dank schuldig voor eene ontvangene gift, maar laatstgenoemde dengene die de gift aanneemt, omdat deze hem de gelegenheid schenkt, zich door het uitoefenen der weldadigheid verdienste te verwerven.

-ocr page 112-

100

voorspoed doe hem niet juichen, tegenspoed niet treuren; waardeering- make hem niet hoogmoedig, smaad en vervolging mogen hem niet ter neder drukken; steeds beware hij de gelijkmoedigheid van hem, die van zelfzuchtig willen vrij is;

hij zij steeds indachtig, dat niet het gewaad den Samane maakt, noch de opvolging in uiterlijkheden van de geloften en voorschriften, noch het leven in eenzaamheid, armoede en nederigen stand, noch het weten en de geleerdheid. Alleen wie vrij van alle zinnelijke neigingen en begeerten en rein van hart is en de zelfzucht overwonnen heeft, is een der ware jongeren van den Verlichte;

daarom streve hij slechts naar innerlijke volmaaktheid ; hij kweeke in zich de kennis der waarheid, de gelijkmoedigheid en de welwillendheid;

hij zij jegens alle levende wezens, in deze en volgende werelden, zwakke en sterke, lage en hooge, goede en booze, nabijzijnde en ver verwijderde, jegens allen zonder onderscheid welgezind;

hij misleide niemand, bedreige niemand, krenke niemand. Gelijk eene moeder op haren eeniggebo-renen, zie hij vol medelijden en welwillendheid op alle levende wezens; eiken dag, elk uur bevestige hij in zich deze gezindheid;

gelijk een diep bergmeer, helder en effen, zij het gemoed van hem, die het verhevene achtdeelige pad bewandelt;

want wie. vrij van bijgeloof en waan, van hoop en vrees, hartstocht en begeerte, liefde en haat, in reinheid wandelt, het streven naar bestaan geheel over-

-ocr page 113-

101

wonnen heeft en de kennis der waarheid heeft verworven, zal aan het lijden en aan de wedergeboorte ontkomen en in het hoogste Nirwana ingaan.quot;

-ocr page 114-
-ocr page 115-
-ocr page 116-
-ocr page 117-