bzo t riL
DE HEEKLIJKHEID DES WOORDS.
Wij menschen zijn het hoofd der schepping, boven de natuur verheven, en toch ook tot de natuur behoorende ; zoodat wij de schepping vertegenwoordigen. Wij treden voor de schepping op : wat van ons geldt, dat geldt voor haar, en omgekeerd. De mensch reikt als het ware buiten de schepping uit; maar om dat te kunnen doen, moet hij tot haar behooren.
Wij kennen in ons geweten een wil Gods, die ook de oorzaak der wereld is. Maar dat die scheppende wil Gods tevens zich in ons geweten als heilig openbaart, dit bewijst dat Gods wil in Gods wezen gegrond is. Daarom zegt God tot ons: „Ik zal zijn die Ik zijn zal quot; Wat God zal blijken te zijn naar zijn wil, zal uit zijn wezen voortvloeien. Eénig en alléén daarom, dus uitsluitend om zijns zelfs wil, naar verkiezend welbehagen, zal God doen wat Hij doen zal. De grond van alle daad Gods zal liggen in God zeiven, en juist daarom is voor het schepsel vrijheid mogelijk. Want vrijheid te scheppen, toe te laten dat er wezens
zijn die Hem kunnen ongehoorzaam zijn, dat is een oneindig waagstuk, waartoe alleen de volkomen Almachtige in staat is. Alleen omdat in den Zoon ook de mogelijkheid der verlossing, d. i. der overwinning van de vrijheid zelve, bestaat, alleen met het oog daarop kan de volle schepping, die ook vrije wezens insluit, denkbaar geacht worden. Dus is er voor de schepping een grond in Gods wezen. Een grond in God ! ja er is iets in God waardoor Hij Schepper der wereld moet zijn naar zijn eigen wezen; waardoor Hij, die Geest is, zich moet uiten. En hoe uit zich de Geest ? Door het woord: want het woord is de meest volkomen, meest eigenlijke uiting des Geestes. De wereld is dus goddelijk naar oorsprong, wezen en doel. Het plan barer vorming en barer geschiedenis ligt in het Woord zelf. De menscbelijke natuur (de mensch steeds als hoofd der wereld beschouwd) is in de goddelijke gegrond, in bet Woord. Het ideaal onzer natuur is werkelijk boven ons bestaande, in bet Woord.
Dit kan ik echter niet weten, mij er niet van bewust worden, dan door de kracht zelve die dit wereldplan verwezenlijkt. Wij ontdekken bet plan Gods niet door nadenken, maar door Openbaring; namelijk door dat er een werkzaamheid is die er mij toe dringt, mij te wijden aan mijn eigen levensdoel Want dit zou ik niet kunnen doen, als er niet een inrichting der wereld bestond, die een zoodanig streven van mij mogelijk maakt. Niet uit bespiegeling, maar praktisch word ik dus gewaar, dat de wereld er op aangelegd is om een zedelijk doel bereikbaar te stellen ; dat, zoo wij God liefhebben, de dingen dei-wereld daartoe medewerken, zelfs al is het door tegenstand; en wij dus van God daartoe geroepen en verkoren zijn
(Rom. 8 : 28). Alzoo is er dan een kracht die mij over de wereld doet heerschen, en mij met God vereenigt, het beeld Gods in mij tot werkelijkheid brengt.
Mijn ideaal is das in het Woord, en dat Woord is de drijfkracht tot het ontstaan van mijn streven, mijn gedachte.
Eerst is er dus het Woord, daarna de gedachte. Het Woord is zelf geest en leven, en maakt ook de gedachte levend. De gedachte komt voort uit het woord, ook bij ons menschen. Doorgaands beschouwt men het andersom. Men zegt : de gedachte is er eerst, daarna komt het woord, als vorm en kleed voor die gedachte, er bij. Maar zoo is het inderdaad niet. Het woord des menschen is er eerst, als echo van een ongeschapen Woord dat tot hem komt; en eerst als zijn woord is uitgesproken in zijn binnenste of hoorbaar, eerst dan is ook gelijktijdig zijn gedachte gereed.
Gelijk de mensch ziet omdat hij gezien wordt: omdat zijn oog niet in de blauwe verte starend zich in \'t onbepaalde verliest, maar een oog ontmoet dat op hem ziet (1 Cor. 8:3); zoo spreekt hij ook omdat er een Woord is dat tot hem spreekt. Er is een goddelijk Woord waarop de geestdrift zijner ziel andwoordt met de stem. In het ook lichamelijk zoo bewonderenswaardig samenstel der stem, die een spierkracht en fijnheid eischt gelijk ze nergens elders op het gebied des dierlijken levens aldus gevonden wordt, in die stem sprak bij haar eerst gebruik in het Paradijs de profetische geestdrift des menschen, die het geschapene met zijn kennis begon te doordringen, en er door naamgeving den stempel zijner heerschappij op drukte.
1) Zie mijn „Blikken in de Openbaring II p. 188.
— 4 —
En evenzoo werden bij haar eerste herstelling in de Pinksterzaal te Jeruzalem, in andere talen dan die der zondige menschheid, zooals de Geest het gaf uit te spreken, de groots daden Gods verkondigd; gelijk ten slotte eerst in het eeuwig Hallelujah de stem en de wetenschap en de aanbidding des menschen (deze drie, als ze toaar zijn, zijn altoos één) zich voltooien zal Zoo is dus des menschen woord altijd geïnspireerd. Het is nimmer een bloote klank, een dierlijke kreet. De mensch is altoos geïnspireerd, hetzij van Boven, hetzij, ach! van Beneden.
De gedachte ontstaat niet door het denken, maar door het woord. , Alle dingen zijn door het Woord gemaakt.quot; Ook de gedachten zijn eerst door Hem mogelijk. In het Woord zijn de goddelijke gedachten besloten, en dat Woord opent zich sprekende. Zoo worden Profeten en Apostelen geïnspireerd. Deze mannen zijn niet bovennatuurlijke uitzonderingen op de „natuurlijkequot; menschheid. Juist zij zijn de natuurlijke menschen, gelijk Adam profeet was (Gen. 2 : 23 ; 3 : 20). Wij zijn door de zonde uit die waardigheid uitgevallen, maar Christus herstelt er ons weder in (Openb. 1 ; 6; 19 : 10). De Apostelen en profeeten moesten tot hun roeping bekwaam gemaakt worden door de inspiratie, want zij hadden niet slechts kennis meê te deelen, maar een woord te spreken dat daad was, dat van Godswege vernieuwing werkte (Rom. 1 : 16). Door hun woord moest het Woord, de Zoon, in de kracht des Heiligen Geestes ingesproken worden in des menschen geest.
In dat woord der prediking openbaart God ons zijn eigen wezen. Wat Geest is, kan slechts door zichzelf geopenbaard worden. Het niet - geestelijke, het stoffelijke, kan door mij gedwongen worden vóór mij te staan, ter-
wijl ik het onderzoek, ontleed, waarneem. Het moet zich, of het wil of niet, aan mijn doorzoeking onderwerpen. Maar het geestelijke openbaart zich slechts door zichzelf. God openbaart zich alleen als Hij het genadig verkiest, en zich dan door uitspreken zichtbaar of waarneembaar maakt. Alle goddelijke waarheid is in het Woord, en de eeuwige spreker van dat Woord is de Heilige Geest.
Ook in den menschelgken geest is wel denken en spreken gelijktijdig. Maar beide worden eerst allengs, daar wij zwakke geschapen wezens zijn. Denken is niet: gedachten te hebben, maar : gedachten te vormen. In het denken, als in een nog niet ontgonnen grond, zoeken wij de gedachten op. Eerst wanneer ik het rechte woord gevonden heb om de gedachte uit te drukken, is die gedachte zehe ook gereed. Bij voorbeeld : onrustig woelde in harten en gedachten der gemeente de ketterij van Arius heen en weêr. Men gevoelde wel dat hier het geestelijk leven zelf, immers de waarachtigheid der in Christus voor ons aangeknoopte en werkelijk geworden gemeenschap met God, bedreigd werd. Maar men kon dit niet „onder woorden brengen.quot; Toen vond Athanasius het rechte woorcL en de
O 7
Gemeente juichte het toe, en bevestigde het te Nicea door hare voorgangers.
Had nu de mensch in zijn geest het ééne Woord gehouden, dat alle gedachten bevat en uitspreekt, hij zou in dat ééne Woord alle dingen, door de zalving van den Heilige, kennen (1 Joh. 2 : 20). Maar helaas ! dat ééne woord is, wat zijn bezit betreft, door de zonde verloren. „Te zondigen is niets anders dan uit de versmade éénheid in de veelheid te vallen.quot; Nu heeft de mensch nog wel vele gedachten, maar de waarheid heeft hij er niet in.
Zal hij deze weder bezitten, dan moet het goddelijk Woord weder in \'s menschen geest, niet verstandelijk bekend gemaakt worden (dat baat niet) maar ingesproken worden. Dan kan de mensch het ook weder in zgn eigen woorden uitspreken, belijden, leeren !) Indien iemand spreekt zooals hij behoort te spreken, zoo zijn het woorden Gods (1 Petr. 4 : 1^). Onze woorden zijn ijdel, ledig en strafbaar (Matth. 12 : 37) totdat de Pinkstergeest er inhoud en leven aan geeft 1).
In de geschiedenis van den „doove die zwaarlijk sprakquot; (Mare. 7 ; 32 enz.) vinden wij dus een beeld van \'s menschen toestand. Toen de Heer hem weder had doen hooren, kwam ook de spraak hem terug. Ook wij spreken omdat wij hooren. Dit hooren van het Woord, deze oorspronklijke gemeenschap met God, is voor den mensch verloren gegaan. In dit oorspronklijk hooren was alle kennis der waarheid in kiem, in beginsel, als onmiddelijke aanschouwing voor hem aanwezig. Het oorspronklijk denken van den mensch was poezy, of liever, wat wij poezy en proza noemen, was nog niet van elkander gescheiden, evenmin als er eenige afzon-
1
Dat ,.de zonde niets anders is dan van de versmade eenheid tot de veelheid over te gaanquot;, is een stelling der middeleeuwsche mystiek, in zedelijken en staatkundigen zin ontwikkeld door Dante in zijn geschrift ,.De monarchiaquot; (I : 17), en in den 26en zang van zijn Paradise. Deze laatste plaats uit de Divina Commedia, waar de verscheidenheid der wereldtalen, voor zoover zij vijandschap wekt, uit de menschelijke zonde verklaard wordt, heeft Max Müller terecht als motto vóór zijn Voorlezingen over de wetenschap der taal gesteld. Zie het 2de hoofdstuk van mijn ,.Het leven der menschheid en des menschen eene divina commediaquot; (Amst. 1875).
derlijke wetenschap of kunst bestond. De mensch had zichzelf, zijn eigen persoonlijkheid, eerst door het Woord dat God tot hem sprak, gevonden. Voor zoover God niet tot hem sprak in zijn geweten, voelde hij zich één met de omringende natuur, onderscheidde hij haar leven niet van het zijne. Maar God sprak tot hem. Toen ontstond in zijn geweten een erkenning van den Oneindige, en daardoor leerde hij ook het eindig karakter der dingen dezer wereld kennen. Want het is toch niet zóó dat de mensch eei\'st het eindige, de eindige dingen der wereld, zou kennen, en dat hij dan daarna, dooide grenzen en de beperktheid van die eindige dingen weg te denken, tot de gedachte van het Oneindige zou gekomen zijn. Neen, eerst is het denkbeeld, of liever de ervaring, de aanschouwing, van den Oneindige, in zijn ziel geweest, en daardoor leerde hij dan vervolgens de eindige dingen onderscheiden. „God bracht de dieren (als vertegenwoordigers van de dingen der natuur) tot hem, en hij gaf hun namen.quot;
De mensch verloor dat Woord van God, en werd er doof voor in de zonde. En nu werd hij ook stom, kon de woorden Gods niet meer spreken. Ziedaar dan de heerlijkheid des Woords. Te gelooven, dat is te hooren, en te hooren, dat is te spreken, te betuigen, te belijden.
In Israel was de natuurlijke menschheid hersteld, die Gods stem hoort gelijk Abraham en de andere vromen uit het Oude Testament. God „sprak met henquot;; wij moeten dat gelooven zooals het er staat; en dat noemen wij thands een wonder, maar het is het oorspronkelijke, het eigenlijk natuurlijke. In en door Christus hooren ook wij wederom God, en mogen door het geloof weder
- 8 -
A7
volle gemeenschap met Hem hebben — nog niet zoo lichamelijk maar toch even wezenlijk, als Gods vrienden onder het Oude Testament.
In de gemeenschap met God door het gedurig gebed hooren wij zijn stem, vernemen wij zijn waarheid. O, als onze kinderen ontwaken gelijk Samuel, zeggende : „ik heb een stem gehoord, ik ben geroepen,quot; laat ons dan niet zeggen ; „het was een inbeelding, ga maar weder slapen !quot; Als in den strijd des levens, te midden van de verwarde stemmen der wereldsche dingen, eene stem tot ons geweten komt die zich van al deze stemmen onderscheidt, laat ons den hemelschen klank niet miskennen, maar nedervallende aanbidden, vragende: Heer, wat wilt gij dat ik zal doen? doe mij uwe stem, uwen wil klaarlijk verstaan. En als wij bij een sterfbed staan, en de stervende vraagt ons of wij de hemelsche stem niet hooren die hg verneemt, laat ons dan niet denken dat het een inbeelding is, maar dat hij nu begint, voor goed en voor eeuwig te hooren en te spreken, levend gemaakt en doorlicht van de heerlijkheid des Woords.
K
J. H. Gunning Jk.
Amsterdam, Pinkstermaandag 1887.