-ocr page 1-

ISSamp; 4-6

■quot;M j 11111 1111111111111111111 M 111111 I 11 ■ 1111 1111 111 1111111 I 111111111 M 111 I 11 11111 11 I I 111111 i 111111 i I M 1111 I I L ^\'

E = amp;•

fi:

:Sii :lji

Ui

P R O rr E S T

= h-

: fc- ■

•fSr i|«-

ip-

: - is-

i TKOKK HKT 5 p-•

:|li Kort Verhaal van het optreden van i|j

E # Ëfc-

::!|i het Classicaal Bestuur van Gouda Üi;

E E è--

-iii

Ji

amp;-;• ■

lit

lili TE OUDEWATER = ||-

ür

DOOR lp:

:ii Ds. J. W. M ARGADANT ife

- = ^ \'\'

•fl e Prfclii\'diif (e ()ndcivttfrr, E •

;;||e Uitgegeven voor rekening van den Schrijver ten voor-

deele van do Diacoiiiearineu der Hervormde =1^

- KH--

Gemeente te Üiulewater. =amp;-•-

lp

GEDRUKT HIJ = M\'

1S5 \'VN GOOR ZONEN TE GOUDA. — 1887. = |h

G-^6 fp

U.B.U.

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

PROTEST

TEGEN HET

Kort verhaal van het optreden van het Classicaal Bestuur van Gouda

te OUDEWATER

DOOR

IDs. J- quot;W. 3VEA.I^C3-A.X)A.lsrT

Predikant te Oudewater.

Uitgegeven voor Tekening van den Schrijver ten voordeele van de Diaconie-armen der Hervormde Gemeente te Oudewater.

GEDRUKT BIJ

G. B. VAN GOOR ZONEN TE GOUDA. — 1887.

-ocr page 5-
-ocr page 6-

Nu l)s. Winkel goed gevonden heeft een kort verhaal in het licht te zenden, waarin hij mij in zake zijne provviioneele schorsing op velerlei wijze in een verdacht licht zoekt te stellen, zie ik mij in de treurige noodzakelijkheid gebracht een kort protest te doen hoo-ren, tegen de vele scheeve voorstellingen der zaken, die in genoemd, geschrift voorkomen.

Oudewater, 21 Maart 1887.

-ocr page 7-
-ocr page 8-

Wie is de bewerker?

Dit geheele hoofdstuk is gebaseerd op vermoedens en verdenkingen die allen grond missen. Niet Dinsdags avonds (22 Februari), maar, Ds. W. zal het zich nog zeer goed herinneren) Maandag 1) 21 Februari, op den dag, toen hier het feest van \'s Konings 70quot;0 verjaardag gevierd werd, vervoegde hij zich aan mijne woning. Daar ik dien dag van huis was, liet hij bij mijne vrouw de boodschap achter, dat hij gaarne des Vrijdags kerke-raadsvergadering wenschte, aan mij overlatende het uur te bepalen.

Toen ik dit, \'s avonds thuis komende vernam, bleek het dat Ds. W. vergeten had op te geven, welke punten op die vergadering moesten behandeld worden.

Des Dinsdags middags liet ik schriftelijk door den koster vragen, wat het agendum moest zijn, en verzocht terstond antwoord, om de vergadering bij tijds te kunnen uitschrijven.

Wat gebeurde nu? Dinsdags avonds ten 6 ure, toen ik met eenige vrienden, naar gewoonte samenkwam om den Bijbel te bespreken, kwam de Heer G. van der Zwalm, oud-ouderling van Gouda en lid van het Classicaal Bestuur - van Gouda van de tram tot mij, met de mededeeling, dat het Classicaal Bestuur van Gouda een missive had ontvangen van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland, bevattende klachten uit de gemeente Oudewater, met sterken aandrang tot de onverwijlde behandeling dier klachten. Ds. W. meent, dat er geen klachten zijn ingekomen. Daarop kwam het Classicaal Bestuur Donderdag den 24SMn Februari bijeen,

1) Dit is van veel belang, want om eenigen schijn van waarheid aan zijn verhaal te geven moest hij natuurlijk niet Maandag, maar Dinsdag schrijven.

-ocr page 9-

6

om dit beklaagschrift in behandeling te nemen, terwijl er ook nog andere zaken waren die spoedige afdoening eischten. Toen ik dus de punten van behandeling voor de Kerkeraadsvergadering van Ds. W. verzocht, wist ik nog niet dat er een beklaagschrift was ingekomen.

Wat blijft er nu van Ds. W.\'s geheele redeneering op bl. 7 over. Hij vermoedt, dat ik terstond, den volgenden dag, dus naar zijne berekening Woensdag, naar Gouda zou zijn getoogen, en meent goede gronden daarvoor te kunnen aanvoeren, gronden die hij doet rusten op een vermoeden. Hij gaat van de veronderstelling uit, dat ik „met voorbedachten rade, om zwart op wit te hebbenquot; de punten van behandeling verzocht had — het is nu duidelijk, dat zulks onwaar is. Het geheele schrijven op bl. 7 draagt er dan ook alle kenmerken van. Hij vermoedt, hij neemt aan, hij weet zelfs wat ik gedacht heb ■— en daarop grondt hij nu zijne verdenkingen en durft dan ten slotte nog te spreken van slangenlist. Ik vraag of deze insinuatiën van duivenoprechtheid getuigen?

Waarom ik dan die vergadering op Vrijdag niet uitschreef? omdat ik nu dit tusschenbeide kwam, eerst de vergadering van het Classicaal Bestuur wilde afwachten, wat daar besloten zou worden. Er was dan nog tijd tot convocatie. Toen nu op die vergadering de provisioneele schorsing werd uitgesproken, had ik waarlijk geen lust om met de overige kerkeraadsleden Vrijdag 4 \'s avonds saam te komen om het Archief na te zien, want het tweede punt was dan van zelf vervallen, maar riep toen de kerkeraadsleden tegen Zaterdag te zamen, om hen mededeeling te doen van de provisioneele schorsing.

Met verontwaardiging werp ik dan ook de lasterlijke aantijging „met voorbedachten rade de punten van behandeling gevraagd te hebbenquot; van mij.

-ocr page 10-

7

De slag gevallen.

Dit hoofdstuk wemelt van onnauwkeurigheden. Ds. W. maakt er het Classicaal Bestuur een verwijt van, dat het als bewezen heeft aangenomen, dat hij het gereformeerd Congres te Amsterdam heeft bijgewoond, en mij, dat ik zijn aanklager geweest ben bij dit Bestuur. Zien wij, wat hiervan is.

\'t Is waar, geen van de leden van het Classicaal Bestuur heeft Ds. W. op het congres gezien. Ook ik moest er eerst naar raden. In alle stilte, alsof het een werk der duisternis was, werd de tocht aanvaard; alleen lekte uit, dat de geheele week van ii tot 14 Januari Ds. W\'. catechisatiën stil stonden, en werd het duidelijk dat hij niet in Oudewater werd gezien ; alleen des Vrijdags werd er, naar ik meen, een catechisatie gehouden. Dit alles wekte natuurlijk argwaan. Er was dus vermoeden, maar een sterk vermoeden, dat Ds. W. het Congres had bijgewoond. Ik nam echter van hetgeen de Standaard dagelijks over het congres mededeelde kennis, en vernam toen dat Ds. Winkel — de c was uit den naam weggelaten, het kon dus ook een ander zijn, — met den heer Savornin Lobman in de sectiën werkzaam was geweest. Daar wij elkander weinig spraken, vernam ik ook niet uit zijn eigen mond, dat hij het congres had bijgewoond.

En toch wordt het bijwonen van het Congres als grond zijner voorloopige schorsing aangenomen. Heeft dan het Classicaal Bestuur die schorsing op een vermoeden uitgesproken, zoo ja, dan is het toch vreemd, dat Ds. W. niet ronduit en ridderlijk verklaard heeft: „ik hen er niet geweest\'\' Iets dergelijks had men mogen verwachten van een man van karakter. In dat geval zou het stuk der schorsing niet w^r^waardig zijn, .zooals Ds. W. schrijft, maar zeker «wwaardig.

Maar durft Ds. W. te verklaren, dat hij het congres niet heeft bijgewoond?

-ocr page 11-

8

Er wordt mij een verwijt gemaakt, dat ik kieschheidshalve mijn secundus Ds. H. van Selms te Leerdam in deze zaak had moeten laten optreden. Ik erken het, het ware kiesscher geweest, en het had mij veel moeite uitgespaard. Ik had ietwat achter de schermen kunnen blijven, en ik weet het, dat Ds. van Selms, hoewel een oude vriend van Ds. W. zou het niet geweigerd hebben. Maar zou ik daardoor het aantal vermoedens, die in de brochure voorkomen hebben verminderd? en zou ik het verwijt hebben kunnen ontgaan niet met open vizier te durven strijden?

Maar was het bijwonen van dit congres dan strafbaar?

De Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde kerk, zondt den 4dtquot; Februari 11. een schrijven aan de Classicale Besturen van den volgenden inhoud :

„De Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Her-,,vormde kerk, thans buitengewoon vergaderd, vooral ten einde ,,te beraadslagen over te nemen maatregelen tot handhaving van „de rechten en belangen der Nederlandsche Hervormde kerk en „hare Gemeenten tegen hen, die de orde in die kerk verstoren en „trachten hare rechtens bestaande organisatie omver te werpen, „heeft het van haren plicht geacht U mede te deelen, welke, „volgens haar oordeel, de gedragslijn der Classicale Besturen be-„hoort te zijn, met opzicht tot Predikanten en Kerkeraadsleden, „die zich aan genoemd vergrijp schuldig maken.

„De Synodale Commissie, verre van te meenen, dat het U ontbreken zou aan goeden wil en ijver om te doen wat het belang „der kerk eischt, wil door dit schrijven de gewenschte eenparig-„heid in het handelend optreden der kerkelijke Besturen bevorde-„ren, terwijl zij daarenboven haar gevoelen uitspreekt, dat spoed „in dezen een eerste vereischte is.

„Wat de Synodale Commissie U wenscht aan te bevelen, is „vooreerst, dat Gij terstond handelend optreedt, wanneer van een „Predikant of Kerkeraadslid onder Uw ressort het gerucht gaat, „dat hij deelgenomen heeft aan het zoogenaamd Gereformeerd „Kerkelijk Congres, van n tot 14 Januari jl. te Amsterdam gehouden. Het bijwonen van dit Congres is op zich zelf reeds

-ocr page 12-

9

,,een vergrijp van ergerlijken aard wegens de schriftelijke verkla-,,ring door iederen deelnemer afgelegd, luidende: „de ondergetee-kende verklaart, dat ook hij de afwerping van het Synodale juk „voor plichtmatig houdt,quot; van welke verklaring de kennelijke strek-,,king is eene verbindtenis, om mede te werken aan de verbreking „van de organisatie der Nederlandsche Hervormde kerk. In het „gezegde geval zal het Classikaal Bestuur wél doen, door eene „Commissie uit haar midden af te vaardigen, ten einde de betrok-„ken personen te hooren en c. q. hun pertinent af te vragen, of „zij bij de gegevene verklaring blijven volharden — dan wel — „of zij, het verkeerde van die daad inziende, daarvan terugkomen „en beloven, voortaan aan dergelijk streven als het Amsterdam-„sche Congres bedoelde, geen deel meer te zullen nemen en in „alles aan de Kerkelijke verordeningen te zullen gehoorzamen. „Wordt deze verklaring schriftelijk met onderteekening afgelegd, „dan heeft de zaak geen verderen voortgang. Wordt dit echter „geweigerd, of ook bij weigering om voor de Commissie te verschijnen of te antwoorden op de gedane vragen — wat ook reeds „weerstreven is tegen de Kerkelijke verordeningen —- zal het „Classikaal Bestuur de voorloopige schorsing van de betrokken „personen naar Art. 47 en 48 van het Regl. voor Kerkelijk Op-„zicht en tucht enz. hebben uit te spreken, mitsdien de zaak, met „alle bescheiden over te dragen aan het Provinciaal Kerkbestuur. „Het is van belang, ook met het oog op rechtsquaesties, die later „misschien voor den burgerlijken rechter worden gebracht, dat zij, „die het kerkelijk verband willen verbreken, voor gekomen wor-„den in de volledige uitvoering hunner plannen.quot;

Dit schrijven werd voorafgegaan en gevolgd door een schrijven van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland aan het Classikaal Bestuur van Gouda, dat het „feit, het Congres te hebben bijgewoond, op zich zelf reeds en zonder meer de toepassing der strengste tuchtmiddelen wettigde, ja noodzakelijk maakte ten aanzien van predikanten, die aan dat Congres deelnamen, daar het van dezen zich liet venvachten, dat zij zoo spoedig mogelijk hunne gemeenten op den weg der afscheiding zullen drijvenquot;

-ocr page 13-

Een en ander noopte het Moderamen het gevoelen der vergadering hierover te vernemen.

NÈl de provisioneele schorsing werd aan eene Commissie uit liet Classikaal Bestuur opgedragen aan de geschorsten af te vragen, of zij de volgende verklaring wilden onderteekenen, zoo ja, dan zou de zaak geen verder gevolg hebben,

Deze verklaring luidde aldus:

„De ondergeteekende verklaart plechtig dat hij voortaan geene pogingen direct of indirect zal aanwenden om de gemeente Oudewater van het Synodaal verband los te scheuren, maar dat hij voortaan de bestaande verordeningen getrouw zal onderhouden en alleen langs den in de reglementen voorgeschreven weg reformatie kan beproeven. Hij herroept bij deze de schriftelijke door hem afgelegde verklaring op het Congres te Amsterdamquot;.

Alleen Ds. W. verscheen, de ouderling A. van Baren en de diaken C. Hofland niet.

Uit het procesverbaal, daarvan opgemaakt, blijkt dat Ds. W. deze verklaring niet heeft willen teekenen. Waarom deed Ds. W, dit niet, indien hij het Congres niet had bijgewoond; en waarom schreef hij in eene missive aan het Classikaal Bestuur dd. 28 Februari jl., dat hij feitelijk door deze Commissie niet gehoord was? De heeren Huisdier en van der Zwalm hebbeii consciëntieus gehandeld; op deze beschuldiging heeft dan ook het Classikaal Bestuur onmiddellijk geantwoord. Deze mannen, nadat zij hun last volbracht hadden en Ds. W. geweigerd had, de verklaring te teekenen, gaven hem nog gelegenheid om zijne bezwaren in te brengen. 1)

Wij komen zelfs van het toen gevoerde gesprek iets te hooren in de laatste bladzijde van zijne brochure.

Het schijnt mij toe, dat Ds. W. mij toen eigenlijk heeft willen aanklagen bij deze heeren, naar aanleiding van de Kerkeraads-vergadering, die tot bij 12 ure (middernacht) duurde.

1) Deze heeren deelden mij ook mede, dat Ds, W. o. a. nog tot hen gezegd had ; /»ik zal mi Ds. M. zooveel tegenwerken als ik kan.quot; Ik weet dus wat ik van Ds. W. te wachten heb

-ocr page 14-

11

Ik zou toen verklaard hebben, dat ik „wel zou willen medegaan met Ds. W., om met de Synodale organisatie te breken, wanneer de gemeente maar meer één wasquot;.

Dit heb ik zóó niet gezegd. Ik heb gezegd, dat, na een lang gesprek, dat uitsluitend tusschen Ds. W. en mij gevoerd werd, dat ik mij kon voorstellen, dat zoo een geheele gemeente zweeg, indien er een gezang werd opgegeven, dat de voorganger in dat geval de gezangen van de baan schoof en dat ik mij ook kon voorstellen, dat als een geheele gemeente, niemand uitgezonderd, het geheel eens was om zich te onttrekken aan het Synodaal verband, dat men dit dan deed. Was daarmede nu iets miszegd.

Ook onze wederzijdsche waarschuwingen liepen over het losscheuren van het kerkverband.

Ik moet hier echter ronduit bekennen, dat ik het optreden van Dr. Kuyper van den beginne afaan met dankbaarheid begroet heb; dat ik ook in vroegeren tijd heb deelgenomen aan vele samenkomsten door ZHG. geleid of georganiseerd; dat ik mij nooit beklaagde daar geweest te zijn, maar dikwijls een zegen voor mijn hart heb genoten. Dat er menigmaal warme sympathie in mijne ziel trilde voor den man, die ons den „honig uit den Rotssteenquot; schonk. Nog onlangs gaf ik aan Ds. W. een manuscript over het leerstuk „de Nederdaling ter hellequot; door mij indertijd voorgedragen op de jongelingsvereeniging alhier, uit den mond van Dr. Kuyper zelf opgevangen, op eene bijeenkomst destijds in „Caledoniaquot; te Rotterdam gehouden. Nooit vergeet ik dat heerlijk woord.

Toch werd het allengs mijne vaste overtuiging, dat ik, en hierin staat zelfs de voorzitter van de curatoren der Vrije Universiteit aan mijne zijde, in de zaak der uittreding uit het kerkverband niet mocht medegaan, waarom ik in den laatsten tijd genoemde vergaderingen door Dr. K. c. s. geleid niet meer bijwoonde. Dat Ds. W. het eerst gehoopt had en daarna die hoop liet varen, is mij onbegrijpelijk, daar ik mij altijd onbewimpeld tegen uittreding uit het kerkverband uitliet, indien het te pas kwam. Trouwens zoo iemand, dan was zeker Ds. W. de man niet, die mij daartoe

-ocr page 15-

12

zou hebben kunnen overhalen, hij, die van den beginne af, niet naast mij, maar tegenover mij ging staan, die eenmaal het durfde bestaan, om, wijl des avonds mijn doopbeurt was, des namiddags op denzelfden rustdag ook te doopen, zoodat er op dien dag tweemaal eene doopsbediening zou plaats gehad hebben, indien ik mijn doopeling niet naar zijn beurt had verwezen; die eigenmachtig, zonder kerkeraadsbesluit het Avondmaal liet stilstaan, om redenen, die ik niet kon billijken, maar ten zeerste moest wraken, en die, alhoewel hij mij bij zijn komst in de gemeente schriftelijk r) mededeelde in beginsel vóór de gezangen te zijn — en het een vooroordeel achtte niets dan psalmen in de vergadering de geloovigen te laten zingen — mij voorstelde ze om beweegredenen, die ik niet deelen kon, toch van de baan te schuiven ; die mij daarna beloofde dan ook te Oudewater te beginnen, gelijk hij te Schipluiden deed, ze van den preekstoel af te geven, totdat het hem zou blijken, dat hij door ze weg te laten, tot meerderen zegen voor de gemeente kon zijn, nogthans zijn woord brak en de gezangen reeds bij zijn intreepredikatie wegwierp.

Wederzij clsche vv aarschiiwingen.

Ook hier vind ik mij bedoelingen toegedicht, die ik niet heb gehad.

Donderdag 17 Februari, acht dagen dus vóór de schorsing, vond ik des avonds 9 ure van mijne catechisatie komende Ds. W. in mijne kamer, sprekende met mijne vrouw. Binnenkomende deed hij mij terstond de vraag, of het gerucht, dat hij te Haastrecht had vernomen, waarheid bevatte, dat hij vóór den volgenden Zondag door het Classicaal Bestuur zou geschorst worden en niet

1) Ik laat dit schrijven achterwege, omdat het confidentieel was en het niet fair zou zijn nu daarvan gebruik te maken.

-ocr page 16-

13

meer in de vacatuurbeurt te Gouda, die hij op den eerstvolgen-den Zondag te vervullen had, kon optreden. Ik zeide, dat ik er niets van wist, maar voegde er toen op ernstigen toon bij, dat ik, indien hij bleef voortgaan op den ingeslagen weg, eene voorloo-pige schorsing niet kon tegenhouden. Ik bedoelde met dien ingeslagen weg niet slechts het weigeren van de bediening van het H. Avondmaal, maar vooral zijn geheele streven, om overeenstemming te brengen in zijn spreken en doen met de verklaring, die hij te Amsterdam had afgelegd.

Blijkt dit niet uit het verder gesprek, dat Ds. W. bekend maakt, op bl. 23 onderaan.

Hij waarschuwde mij ook en voegde mij toe, dat ik de meest schadelijdende partij zou zijn, ingeval ik, bij eventueel conflict, hetwelk hij zich als zeker komende voorstelde, niet aan zijne zijde zou staan. Ik zeide, dat ik mijne overtuiging hierin zou volgen en dat hij dit ook moest doen en toen mijne vrouw, wellicht wat al te teerhartig, maar toch met goede bedoeling uitriep: „Dominé, denk om uw vrouw en uwe kindertjesquot;, antwoordde Ds. W.: „ik heb tot mijne vrouw gezegd, dat wij ingeval van nood, dan eerst onze meubelen zouden verkoopen, en indien het dan nog niet ging, dat ik dan een andere betrekking zou zoeken.quot;

Daarop antwoordde ik, dat dit zeker Gods wil niet kon zijn, daar de gemeente hem geroepen had om haar in het Evangelie te dienen en dat de gemeente hem in niets belemmerde.

Toen liet Ds. W. alle hoop op mij varen en gaf mij over aan het verderf. Schrikkelijk niet waar? omdat ik van hem verschillen kon in de overtuiging niet te mogen breken met het kerkverband en hem ernstig waarschuwde.

Ook uit het door een kerkvoogd ingezonden stuk in de ,.Nieuwe Sprokkelaarquot;, overgenomen in de „Goudsche Courantquot; van Woensdag 16 Maart blijkt, dat Ds. W. „twee kerkvoogden alhier tot afval zocht te brengen, en dat hij door hen broederlijk werd gewaarschuwd deze gemeente-verwoesting te staken.quot;

-ocr page 17-

14

De handdruk.

En wat is er nu aan van den handdruk. Dit capitteltje is geheel bezijden de waarheid. Ds. W. vertrouwt dan ook zich zeiven niet meer, als hij, wellicht moê van al de vermoedens nu begint te zeggen: „ik kan mij dit niet heri7inerenquot; en dan een paar regels verder: „dit durf ik niet verzekerenquot;, en op zulk los stramien, wordt nu een geheel verhaaltje geborduurd, om mij ten slotte met den Psalmdichter als een man des bedrogs en des onrechts op de kaak te stellen. Christelijk niet waar?

Mij kwam bij het lezen van deze slotepisode voor den geest de rol die Jago speelt in het drama van Shakespeare: Othello de Moor van Venetië, die alles doet om Desdemona bij haren man verdacht te maken.

Ja waarlijk, het schijnt, dat een zoo anti-synodaal man als Ds. W. ook kan lijden aan een diep bederf van karakter.

Wat is er gebeurd? Uit de tram stappende vóór de brug bij Oudewater, zooals mijne gewoonte is, moest ik Ds. W. die buiten op stond passeereh. Ik was in gezelschap van Mej. Boer en den heer kerkvoogd J. Cromwijk.

Ds. W. stak mij de hand toe. Of hij iets zeide, weet ik niet, maar zeker is het, dat ik met een „goeden avondquot; langs hem ging, hem een paar vingers toestekende, (onze wederzijdsche handdrukken waren nooit hartelijk), en sprong toen onmiddellijk van de tram, om het gesprek, dat ik vooral met mej. Boer voerde, verder op den weg voort te zetten.

Ziedaar alles. Was dit nu zoo goddeloos? Ik ben er mij niet van bewust.

Ik eindig. Eenig in zijn soort is niet de houding van het Classikaal Bestuur van Gouda en zijn scriba, maar eenig in zijn soort is geheel het geschrift van Ds. W., eenig in zijn soort is ook, ik vergat het nog te melden, het briefje, dat hij aan den ouderling P. Verwey schreef, van hetwelk deze mij welwillend in-

-ocr page 18-

i5

/.age gaf, met verlof, het hier nog mede te deelen. Het is van den volgenden inhoud:

„Waarde Vriend Verwej),

„Het kon soms zijn, dat ge in zake mijne schorsing niet wist ,,wat er van te denken; weldra hoop ik een geschrift in het licht „te zenden om de schandelijke handelingen van het Classicaal „Bestuur en van Ds. M. in het licht te stellen. Het zou mij zeer „spijten, indien ik daarin moest zeggen, dat ouderling Verwey de „eenige van den Kerkeraad geweest is, die door opkomst in de „kerk, deel heeft gehad in de verwoestende daden van Ds. M. „Ik eisch ook niet, dat ge voor mij partij kiest, doch dat ge uw „oordeel opschort, totdat ge mijn geschrift gelezen hebt. Wees „daarom zoo goed heden morgen noch in de kerk noch in de „school te willen opgaan. De volgende week zult ge eene beslissing kunnen nemen, maar neem ze i^iet, zoo bid ik u, om de „eere van \'s Heeren naam, zonder behoorlijk te zijn ingelicht.

„Geloof mij uw br. in Chr.

Winckel.quot;

Dit briefje was gedateerd Zondag morgen 28 Februari jl.

Ds. W. belooft nog een volgend geschrift over den verderen loop der gebeurtenissen. Ik stel mij voor er niet op te antwoorden.

-ocr page 19-

/V

_ _____

-ocr page 20-
-ocr page 21-