firu hPamp;P TJT. ^
HULDE
aan Prof. dr. F. C. DONDERS.
Op den dag van heden. Maandag 28 Mei 1888, wordt het feest gevierd van den man, wiens krachtige gestalte, wiens helder hoofd, wiens warm hart eene bespotting is van het wetsartikel, dat den hoogleeraar op 70-jarigen leeftijd onverbiddelijk aan het hooger onderwijs onttrekt, van onzen eenigen Donders, de trots onzer hoogeschool, het sieraad van Nederland, den man, die der gansche wereld toebehoort en die het geheele menschdom aan zich heeft verplicht.
Het ligt niet op onzen weg de verdiensten uit te meten van den beroemden hoogleeraar. Dat zullen meer bevoegden heden doen, en wij kunnen volstaan met bun tolk te zjjn.
Velen hebben zich beijverd, dezen dag, hoe zeer bij ook lot weemoed moge stemmen, tot een feestte maken. Reeds in September 1887 riep een commissie de medewerking van landgenoot en vreemdeling in, om gelden bijeen te brengen lot het vormen eener stichting, waaraan Don-der\'s naam tot in de verre toekomst verbonden zal zijn. In hoe wijden kring de naam van Dondets gevierd wordt, blijkt wel uit de naamlijst van de leden dier commissie, die bestaat uit de heeren :
Jhr. mr. J. Röell, destijds lid van de le, thans van de 2e Kamer der Staten-Gene-raal, \'s Gravenhage , voorzitter; jhr. mr. dr. A. D. van Riemsdijk, voorzitter van het
1
2
Murilcollege , Utrecht, secretaris-penningm. ; dr. P. Q. Brondgeest, lector en praci. ee- jh neesheer, Utrecht; dr. A. A. W. Uubrecht, llt hoogleeraar, Utrecht, Vüo. Comité. Verder: Jhr. vf mr. W. H. de Beaufort, lid van Gedeput. Siaten van Utrecht, Driebergen; mr. W. H. de st Beaufort, lid van de 2e Kamer dor Staten-Generaal, Leusden ; dr. N. Beets, oud-hoog- ? leeraar, Utrecht; B. E. J. H. Becking, oud- j\' chef van den geneeskundigen dienst in \\eder!.- P Indië, \'s Gravenhage; mr. W. B. Boer, J\' burgemeester, Utrecht; jhr. mr. P. J. Bosch c( van Drakestein, commissaris des Konings in de 1 prov. Noord- Brabant, \'s Hertogenbosch; mr. VV. 1 J. M. Bosch van Oud-Ainelisweerd , lid van \' Gedeputeerde Siaten van Utrecht; dr. M. J. Bouvin, pract. geneesheer, \'s Gravenhage ; dr. J. P. van Braam Houckgeest, hoogleeraar, Groningen; jhr. mr. W. M. de Brauw, com-miss. des Konings in de prov. Zeeland, Middelburg; dr. C. H. D. Buys Ballot, hoogleeraar, te Utrecht; dr. T. H. Blom Coster, pract. geneesheer, \'s Gravenhage; mr. W. K. baron van Dedem, lid van de 2e kamer der Siaten-Ge-neraal, Hoorn ; dr. D, Doyer, hoogleeraar , Leiden; dr. W. Einthoven, hoogleeraar, Leideu; dr. F. C. J. van Erven Dorens, geneesheer , Tilburg; dr. mr. B. Fruin, hoogleeraar, Leiden; dr. Th. H. Mac Gillavry, hoogl., Leiden; dr. W. M. Gunning, hoogl., Amsterdam; dr. A. A. G. Guye, hoogleeraar, Amsterdam; dr. J. H. A. Haffmans, pract. geneesh,, Boermond; dr. H. J. Hamburger, assistent van het physiol. laboratorium. Utrecht; dr. H. G. Hesselink, geneesheer-directeur van het stedelijk ziekenhuis, Botterdam ; dr. S. Hoekstra Bzn., hoogleeraar, Amsterdam; dr. J. J. Homoet, pract. geneesheer, Arnhem; mr. P, F. Uubrecht,
secr-gerier. van binnenl zaken, \'s Gravenhage; jhr. mr. J. Hugdecoper van Maarsseveen, lid van dele kanier der Staten Gen., Maarsse-veen ; dr. D. Huizinga , hoogl. te Groningen ; dr. M. Imans, geneesheer-directeur van het stedelijk ziekenhuis. Utrecht; F. s\'Jacob, oud gouv.-gen. van JMederl. Oost-Indië, Utrecht; J. F. Jansen , burgemeester van Tilburg; jhr. mr. J. J. F. de Jong van Beek en Donk, proc. gen. v. h. gerechtshof, \'s Uertogenbosch ; jhr. mr. W. C. M. M. de Jonge van Ellemeet, oud-lid van de le kamer der Staten-generaal, Oostkapelle; dr. M. Juda, pract. geneesheer, Amsterdam; mr. R. Melvil baron van Ly ;den, lid van de arrond.-rechtbank, Utrecht; jhr. mr. A. J. Rethaan Macaré, officier van justitie, Haarlem ; mr. iE. baron Mackay, lid van de Tweede Kamer, thans min. van binnenl. zaken; dr. R P. Mees, R.Azn., lid van de 2e kamer der Staten-Generaal, Rotterdam; dr. H. Middelburg, pract. geneesheer, Leeuwarden ; dr. J. A. Moll, pract. geneesheer, \'s Gravenhage; dr. F. D. A. C. van Moll, pract. geneesheer, Rotterdam ; dr. M. E. Mulder, lector, Groningen ; mr. A. van Naamen van Eemnes, lid van de le kamer der Staten-Generaal, Zwolle; mr. C. W. Opzoomer, hoogleeraar. Utrecht; dr. C. A. J. A. Oudemans, hoogleeraar, Amsterdam; dr. T. Place, hoogleeraar, Amsterdam; mr. H. P. G. Quack, directeur van de JNe-derlandsche bank, Amsterdam ; J. Ü.Fransen van de Putte, lid van de le kamer der Staten-Generaal, \'s Gravenhage; mr. W. J. van Weideren baron Rengers, lid van de 2e kamer der Staten-Generaal, \'s Gravenhage; dr. E. van Rijckevorsel, lid van den gemeenteraad, Rotterdam; dr. N. W. P. Rauwenhoff, hoogl.. Utrecht; mr. H. Rojjaards van Scherpenzeel, lid
Ix
van Gedeputeerde blaten van Utrecht, Utrecht; buil K. van Roon , tned. cand. , Utrecht; schout SeI1 bij nacht J. D. Sachse, inspecteur van den §ez geneeskundigen dienst der zeemacht, \'s Gra- deI venhage; A. baron Schimmelpenninck van der C. Oye van Nijenbeek, lid van de Tweede Kamer F-der Staten-Generaal , \'s Gravenhage ; mr. J, W A. Sillem, lid van de Provinciale Staten , koi Amsterdam ; dr. 13. J. Stokvis , hoogleeraar, ler Amsterdam; dr. S. Talma, hoogleeraar, Utrecht; «1£ mr. G. van Tienhoven, burgem. van Amsterdam, Z. dr. G. P. van Tienhoven, geneesheer-directeur 161 van liet gemeente-gasthuis , \'s Gravenhage ; ^ generaal-majoor M. B. Timmerman, inspecteur van den geneesk. dienst der landm ,\'s Graven- W hage; P. Timmermans, med. cand. Utrecht; dr. A. Vrolik, oud-minister van financiën, Oosterbeek; mr. W. H. biron de Watteville, d\' gemeente-secretaris. Utrecht; A. C. Werlheim, g lid van de le kamer der Staten-Gen.,Amsterdam; dr. C. H. A. Westhoff, pract. geneesheer, r Amsterdam. I
Aan die commissie sloten zich vele andere ^ commissiön in het buitenland, in verschillende \' werelddeelen aan, o. a. eene in ISederlandteh Indie, bestaande uit de h.h. : i
Mr. J. H. Bergsma, lid van den raad van Nederlandsch Indie (president); H. van Lokhorst, chef van den geneeskundigen dienst (vice-president); J. de Roningh , dirigeerend off. van gez. le kl. (thesaurier); mr. D. Beets.
lid van de weeskamer te Batavia (secretaris); mr. N. P. v. d. Berg, pres. van de Java-Bank;
F. J. Gornelissen, inspect, van den burg. geneesk. dienst; H. G. Derx, inspect, gen.,
chef van den dienst der staatsspoorw.; A. 11.
G. Fokker, pres. der factorij der J\\ed. handelm.; A. B. W. Gey v. Piltius, adj. des Konings in
5
\'ircchi; buitengew. dienst, gen.-majoor, chef van den
schout gen. staf; dr. 11. Greve, oud-dirig. off. van
»1 den gez. Ie kl.; W. P. Groeneveldt. direct, quot;v. h,
s Gra- dep. van onderw., eered. en nijverheid ; dr.
an der C. Gutteling, le stadsgeneer te Batavia; J. C.
Earner F. Scheffer, arts, practis. geneesh. te Batavia;
nr. J. W. Suermondt Wzn., pres. van de kamer van
aten , koopb. te Batavia; K. P. Tadema, kapt. Juit,
\'raar, ter zee , chef der le afd. v. h. dep. van
\'echt; marine; B. H. Thomson, dir. off. v. gez. bij
dam; Z. M. zeemacht in iVed.-Ind.; J. M. v. Vleu-
cteur ten, dir. v. h. dep. van binnenl. bestuur; M.
age ; Willemstijn, kol. hool\'dintend. van het Ind. leger.
3teur Die verschillende commissiën hebben hare
ven- taak volbracht en de vruchten van haren arbeid
cht; zullen /leden den jubilaris worden aangeboden,
[ën , Gister echter was de eigenlijke verjaardag van
Wie, den heer Donders, die 27 AleiJSIS te Tilburg
\'im. geboren is.
am; Daarom begon ook gister de feestviering
\'er, reeds, en wel al zeer vroeg in den ochtend.
De bloemkweeker van der Stok kwam bij het
ere krieken van den dag de woning van den feeste-
)de ling versierentol waardige ontvangst der
ie// velen, die hem hunne gelukwenschen kwamen aanbieden. De eersten, die dat deden waren
an muzenzonen.
k- De Slud. zangvcreenigin/faNüiic Can!us resonetquot;
ist had, toen het bestuur voorstelde om aan prof.
id Donders by gelegenheid van zijn 70. verjaar-
s. dag eene morgengroet aan te bieden, dit plan
; met groote ingenomenheid ontvangen en zoo begaven zich gister ochtend een 25tal sluden-ten-zangers met den directeur , den heer M.
, W. Petri, de banier voorop, naar het huis van den gevierden leermeester. Te kwart over
; achten waren zij in den tuin opgesteld.
i Nadat zij reeds eenige liederen ten beste
7
gegeven hadden, verscheen weldra prof\'. Donders en nu zong hel koor hem op de wijze van »Gaudeamusquot; het volgende lied Ine, voor deze gelegenheid gedicht door den heer C D.
/ Momijn, bestuurslid J\\. C. R.
\' ^!vat Academia, quot;vTvat\'noster Donders !
Vivat physiologus;
Omnium est maximus , ^
Semper sit in flore ! C lt;£?/
Vivat Academia, vivat noster Donders \'
Alma mater gratias Tibi habet maximas , -Semper sit in flore. C amp;,/
Vivat Academia, vivat noster Donders ! 1 ua nostra gloria ,
Cui septem decennia,
Minime nocebunt. (
Vivat Academia, vivat noster Donders !
Lex te iubet «decedas,quot;
Nos invilus salutas,
Necdum moriturus. y
%
Toen hel lied geëindigd was, sprak de voor-ziller van N. C. R., de heer M. S. Koster, den jubilaris ongeveer aldus loe:
»Hooggeleerde heer, hooggeachie jubilaris! i ,r e. ,yroeo in d®0 morgen hebben wij leden der blud. zangvereeniging «Nunc canlus nesonet ons opgemaakt om u op dezen ge-wichtigen dag met een lied te begroeten. Wij nopen, dat \'t u uiet onaangenaam zal wezen, wanneer op dit feest, waarop ongetwijfeld lal van groote mannen hunne hulde aan uwe voeten zullen komen leggen — toch de eerste leestgroet u legenklinkt uit den mond van hen aan wie ge uw leven hebl gewijd, uit den
7
- ■ -O
Don. mond en uil hel harl van de studenten der ivijze hoogeschool.
voor öIk spreek van (eesigroet. Wam , al maakt [) de Nederlandsche wel met \'t bereiken van den 70jarigen ouderdom den officitelen band los, die u aan onze academie verbindt, den mo-reelen band kan niemand ooit verbreken. En waar dan op dien 70. verjaardag uw vrienden, bewonderaars, leerlingen en oud-leerlingen de handen ineenslaan om u een doorslaand bewijs te leveren van de gevoelens, die ze u toedragen , daar geloof ik dien dag een (eestdag en onzen morgengroet een feestgroet te mogen noemen.
«Aanvaard dus, hooggeschatte jubilaris, onze hulde en onze beste wenschen voor de toekomst. Wij staan hier niet voor u als uwe leerlingen ; de meesten onzer behooren tot eene andere faculteit dan die, welke \'t voorrecht heeft, u onder bare hoogleeraren te tellen. JVlaar juist wegens die verscheidenheid van studievakken mogen wij ons beschouwen als de afspiegeling van gansch ons studenlencorps, dat in u niet slechts den grooten geleerde als zoodanig eert, maar ook den man , door wiens naam reeds Utrecht\'s academie alom wordt geëerd. «Tua nostra gloriaquot; heeft de dichter van het lied , dat we u toezongen , gezegd ; een deel van uwen roem straalt ook af op onze hoogeschool!
«En daarom, prof. Donders, daarom was \'t, dat wij allen naast een »Vivat academiaquot; met geestdrift den harlgrondigen wensch uitspraken : «Vivat noster Donders.quot;
De hoogleeraar, diep geroerd., antwoordde hierop ongeveer als volgt:
»M.H. ! Steeds was het onderwijs mijn liefste werkkring en daarom juist ben ik in
j
8
den laatslen lijd droevig gestemd geweest, en had vooral heden morgen eene droevige stemming zich van my meester gemaakt — want de dag van heden is voor m\\j de eindpaal van dien geliefden werkkring; met het 70ste jaar houdt mijn professoraat aan onze academie op.
»Doch ziet daar komt gij, studenten, mij dezen morgen een bewijs leveren, dat gij er anders over denkt; datgij van uwen kant den band met mij niet wenschl te verbreken. Dat bemoedigt mij, daarvoor betuig ik u mijn innigen dank. Wie weet, of ik niet, al ben ik geen hoogieeraar meer, toch nog een achterdeurtje zal vinden, dat mij in staat zal stellen u mijn stem nog wel eens te doen hooren!
»I)eze morgen zal mij steeds onvergetelijk zijn. In \'t bijzonder breug ik mijnen dank aan den dichter van het lied en aan den praeses, die mij zoo hartelijk heeft toegesproken ! —quot;
Luide toejuichingen begroetten deze woordenvan den hoogieeraar, die zich thans eenigen lijd met de zangers onderhield. Nog een enkel lied werd, blijkbaar zeer ten genoegen van Z.ll.G. uitgevoerd; toen verlieten de leden van JV. C. R. den feestvierende, die met een handdruk nogmaals aan allen zijnen dank bracht.
Deze hulde, die geheel eene verrassing was, heeft, naar wij van verschillende zijden vernamen , den hoogleeraar zeer diep gelrofl\'en, zoo zelfs dal het spreken hem door de aandoening moeielijk viel.
Die eerste groet was een leeken voor een regen van gelukwenschen in den vorm van telegrammen en brieven uil alle oorden der beschaafde wereld, en van bloemen, die met
9
ruime hand van alle zijden hem werden toegezonden en waaronder een keurige en reusachtige bloemenkorf van zijne tegenwoordige leerlingen inzonderheid vermelding verdient. Ook andere bewijzen van belangstelling gewerden hem, en daaronder fraaie photografieën van verschillende gezichten uit zijn geboorteplaats, Tilburg.
Natuurlijk dat later velen den hoogvereer-den man persoonlijk kwamen bezoeken ; verwanten, vrienden, vereerders, het was een komen en een gaan zonder eind. Ook een paar Engelsche geleerden, voorloopers van degenen, die heden verwacht worden, kwamen den Nederlandschen hoogleeraar hun hulde brengen. Onder de bezoekers waren vertegenwoordigers van verschillende lichamen, als: de curatoren der hoogeschool, namens wie mr. H. G. Römer het woord voerde; de regenten van het gasthuis voor minvermogende ooglijders, voor wie mr. H. Roijaards van Scherpenzeel als spreker oplrad ; de Senalus Veleranorum, met den prorector lot woordvoerder; de acad. Senaat, wier gevoelens ver-lolkt werden door den rector magnificus prof. Lamers ; de medische faculteit, welker woordvoerder de hoogl. v. Goudoever was, en eindelijk het Studentenweekblad Minerva , onder redactie van de studenten C. tl. v. Herwerden en 11. P. L. C. de Kruijff, waarvan de heer van Herwerden een buitengewoon nom-mer aanbood, bevattende op het feest toepasselijke bijdragen en o.a. afdrukken van des hoogleeraars handteekening, zooals die was in 18^3 en nu; bij vergelijking zal men zien, dat de 70 jarige in vastheid van hand eer gewonnen dan verloren heeft! In dat nommer moest een pho-tografie voorkomen van het uitstekend por-
10
tret, dal onze begaafde landgenoote, mej. Uubrechi, van den heer Donders geschilderd en hem aangeboden heeft, en waarnaar ook een portrel in Eigen Haard voorkomt. Dat portret is aan de (irma Goupil te Parijs gezonden om er een photographic naar te maken; een welgeslaagde proef was echter nog niet ontvangen.
De verschillende Sprekers, die allen met hunne welgemeendegelukwenschen hulde brachten aan de groote gaven van den hoogleeraar, werden ieder afzonderlijk door hem hartelijk beantwoord. 13ij herhaling bleek het daarbg hoezeer het hem leed doet, dat de wet op onverbiddelijke wijze een einde maakt aan zijn leven als hoogleeraar. Maar, dat, waarop hij in den ochtendstond reeds zinspeelde, zeide hij later op den dag duidelijker: dit nl., dat hij nog geen afscheid neemt voor (jeed.
De Toss. Zig. wijdt een artikel aan Uon-ders\' feest, wiens 70e levensjaar. hem noodzaakt alslt; hoogleeraar af\' te treden.
Donders\'jubeldag zal ook verre builen Utrecht meegevierd worden »liel meest echter bij ons in Duilschland. Donders behoort geheel tot de onzen. Uitwendig heeft hij aan deze zijne verhouding tot Duilschland uitdrukking gegeven door zich in zijn wetenschappelijker) arbeid bij de Duitschers aan te sluiten en wal hij te zeggen had, ten deele in de Duitsche Vereeniging der Oogartsen en in Duitsche tijdschriften mede te deelen. Met de Duitsche geleerden, vooral met v. Griile verbond en verbindt hem nog een innige vriendschap.
aHet voornaamste arbeidsveld van Donders is de oogheelkunde. Met Albrecht von Grafe,
11
Ferdii and Aril en UelmhoUz, betioorl Douders lot de groudleggers der tiieuv/ere oogheelkunde. Inzonderheid is hel een zeer belangrijk hoofdstuk van de oogheelkunde, dal Donders van den grond af nieuw opgebouwd heeft, de leer van de accommodaiie en der rel\'raclie.quot; i)e schrijver zei dil nader uileen, en zegl daarna : aDoch wanneer Donders juist als oogarts het raeesl bekend is, zoo maakt toch zijne werkzaamheid in dienst der oogheelkunde slechts een onderdeel van zijnen arbeid uit. Van buis uil is Donders anaioom en physio-loog. Dit heelt zeker voor een goed deel er toe bijgedragen, Donders tot een voort re IFel ijk waarnemer in de oogheelkunde te maken. Hij heelt nagenoeg elk deel der physiologic belangrijk verrijkt. Hij heeft onze kennis der stofwisseling vermeerderd , nieuwe waarnemingen omtrent den bloedsomloop gedaan en aangetoond hoe men hel verloop der waarnemingen van de zinnen vermag te melen. Als leeraar heeft Donders de oogheelkunde en de physiologic gediend, daar te Utrecht beide vakken door denzelfden hoogleeraar onderwezen worden , wal anders nergens gebruikelijk is. Maar Donders\' werkzaamheid als hoogleeraar was niet tol de studenten van Utrecht beperkt.
»liÜ verzamelde vooral in het vijlde lienlal jaren dezer eeuw artsen uil alle landen om zich tieen, vooral Duitsche, die hij in zijn uil vrijwillige bedragen ingericht gasthuis voor ooglijders inleidde in de practische oogheelkunde , die zich destijds eerst als zelfstandig onderdeel van de chirurgie afscheidde. Zoo heell Donders zich in tweeërlei opzicht aanspraak verworven op de herinnering van die na hem komen. In de geschiedenis der biologische wetenschappen zal hij onder de leiders der
12
physiologie in onze eeuw genoemd worden , feei en de oogartsen lellen hem onder de stichters we hunner wetenschap en kunst in haar nieuwen vorm.quot; hVi
__le(
vc
Tegen half twee, 28 Mei 1888 , was de d( groote zaal van ïivoli vol met geleerde en m aanzienlijke mannen en vrouwen. In de eerste tc rij zagen wij o. a. den oud-minister van binnen- b landsche zaken mr. Heemskerk. Op het orchesl C onder de commissie-leden was de tegenwoor- v dige minister, mr. jE. baron Macksy. i
l)e groote zaal van \'l\'ivoli, die gister nog i
voor het concert dienen moest, is door den heer A. J. J. Roos heden ochtend net en smaakvol voor de plechtigheid ingericht. Achter het orchestzijn draperieën gehangen, waarvan de fiaculteilskleuren het hoofddeel uitmaken.
Vóór langs is met zoden een gazon gemaakt,
terwijl het verder met kleeden en loopers deftig is ingericht. Op het orchest was een fauteuil geplaatst voor den feestvierenden hoogleeraar , benevens een canapé voor de familieleden. Verder vonden commissieleden enz. daar hunne plaats. Voor legen hel orchest is eene versiering van bloemen en planten aangebracht. Tegen de galerij tegenover het orchest is een groote vlaggen-tropée geplaatst.
Hel door de talentvolle kunslenaresse, me-jull\'rouw Bramine Hubrechl, geschilderde en den heer Donders aangeboden fraaie, uitstekend gelijkend portret is op uitdrukkelijk verlangen van de commissie voor de feestviering en van den heer Donders zeiven in de zaal van Tivoli ten loon gesteld, zoodat alle daar bijeengekomen vereerders van den hoogleeraar dit kunst werk, een zeer bijzondere
13
n gt; feestgave, een hulde van de kunst aan de ers wetenschap, konden bezichtigen.
\'en De feestvierende hoogleeraar werd door de
hh. van Riemsdyk en Hubrecht, commissieleden , afgehaald en kwam de zaal binnen , . voorafgegaan door den heer Röell, gevolgd door
e den heer Mackay en een aantal andere com-n missieleden. Luide en aanhoudend waren de e toejuichingen, waarmede de binnentredenden \' begroet werden; de geheele vergadering rees op. 1 .De heer Donders was zichtbaar bewogen. Op de tribune gekomen, ontmoette hij daar zijn vriend Moleschott. De twee vrienden begroetten elkander met geestdrift en omarmden elkaar innig.
Toen allen gezeten waren, nam de heer /We// het woord en wees op de levendige deelneming , die met de hem hier toejuichenden, duizenden anderen vervult, wegens de gebeurtenis, die dezen gedenkdag — Spr. gebruikt met opzet dat woord — tot een nationalen, een internationalen dag stempelt. Velen hebben daaraan medegewerkt, ook buiten hen, die in deze zalen zijn, en onder wie uw nog aliijd scherpziend oog zeer zeker menigeen ontdekt heeft, waarmee gij in vroeger en later tijd hebt verkeerd, gelijk zij zich wederkeerig tot u getrokken voelden om u welkom teheeten. Vriendschap, er-
ikentelijkheid en piëteit staan daarbij op den voorgrond. Hun aantal is slechts zeer gering in verhouding tot dat dergenen, die gaarne hun voorbeeld zouden gevolgd hebben, als niet onvermijdelijke omstandigheden van tijd en plaats daartegen onoverkomelijke hinderpalen in den weg hadden gesteld.kentelijkheid en piëteit staan daarbij op den voorgrond. Hun aantal is slechts zeer gering in verhouding tot dat dergenen, die gaarne hun voorbeeld zouden gevolgd hebben, als niet onvermijdelijke omstandigheden van tijd en plaats daartegen onoverkomelijke hinderpalen in den weg hadden gesteld.
Diealgemeene instemming met de aanleiding tot dit samenzijn, die opgewektheid, die begeerte om mede te werken tot het doel, dal beoogd
\\u
werd, waren even spontaan als natuurlijk. Spon-taan, want er was yeen aandrang, geen over-rfdiiig voor noodig, slechts mededeeling van feiten ; natuurlijk, omdat ons volk, \'t zij zelfbewust, \'t zij instinctmatig, gevoelde, dat de ü te brengen hulde niet alleen, zelfs niet In de eerste plaats den uitmuntenden leeraar en voorganger gold, maar veel meer den vriend der menschheid, die met de geheel buitengewone gaven, door den Almachtige te zijner beschikking gesteld , ten bate dier menschheid heeft gewoekerd en geijverd.
(Luide toejuichingen).
Geen wonder, dat deze dag niet ter uwer be -schikking kon gelaten worden, maar dal daarop beslag moest worden gelegd ten nutte van het algemeen; daarom,omdat een volk, dat zijne groote mannen eert, daardoor en daarin zich zelf eert, en omdat ons volk op u roem draagt als op een zijner beste zonen , die bewijst, dat JNederland ook op wetenschappelijk gebied niet is une nation êleinle, omdal uw naam de roem des volks verhoogt.
Er is een slagschaduw: de wet maakt een einde aan uw hoogleeraarschap, maar toch rekenen wij er op, dat gg zult blijven wat gy zoolang geweest zijt, een steunpilaar der wetenschap, de rots waarop zij blijft steunen en dat — gelijk uwe aandoenlijke rede tot ce studenten reeds deed doorschemeren — de vruchten van uwen nog altijd jeugdigen en frisschen geest, in het bijzonder dezeiJooge-school ten goede zouden blijven komen. (Luide toejuichingen!)
Als ik mij opmaak tot die zoo schoone en hooggewaardeerde taak, om bij deze gelegenheid tot U het woord te richten, is hel gebied zoo uitgebreid, de slof zoo overvloedig
15
en overvloeiende, dat ik mij moet bepalen tot een korten blik op den weg, die voor ü en voor ons het verleden met het heden verbindt, en eenige wenschen en verwaclitingen uit te spreken, die ons op dezen dag be«ielen.
Hoe doen zich aan uwen geest de gulden dagen uwer jeugd voor!
Spr.herinnerde hoe de jeugdige Donders eerst aan de eenvoudige dorpsschool le Duizel zijn opleiding genoot; daarna het gymnasium le Boksmeer bezocht, en daar op zijne medeleerlingen een zoo machtigen indruk maakte, dat later een hunner, mgr. Hoer-mans, de tegenwoordige bisschop van Roermond, verklaarde, dat hij later allerlei instellingen van onderwijs, ook de grootste, had bezocht, maar «nergens en nooit bij zooveel honderden studenten zulk een omvatlenden geest heeft ontmoet.quot; Spr. herinnerde aan Donder\'s studietijd en levens, dat hij op jeugdigen leeftijd geroepen werd om physiologie te doceeren, hoewel bij, zooals hij zelf later verklaarde, nog nooit een microscoop had gezien, anders dan een zon-microscoop op de kermis. Als met één slag nam hij desniettemin plaats onder de mannen der wetenschap, en op nog geen dertigjarigen leeftijd werd hein een leerstoel opgedragen aan deze academie, op advies van curatoren, die van hem getuigden :
»Dat deze jeugdige geleerde een man was, die door zijne geschriften alom in de geneeskundige wereld met roem bekend was, van wien men zeggen kon, dat hij eene zeldzame vereeni-ging was van uitgebreide kennis, ook in natuurkundige wetenschappen, van ijver en belangstelling in al wat wetenschap is, met klaarheid van voorstellingen helderheid van uiteenzetting.quot;
V. d. Capellen, wiens veelbewogen leven in tij-
16
den van revolutie begon en eindigde, kwam na een lang gesprek met Donders bij den grooten Mulder en zei de : «Uw Donders is een baasquot; ! (ï oejuichingen.)
Mulder zelf\' getuigde van Donders : «zonder iemand te kort te doen, is Donders thans de man, die Nederland het meest tot sieraad strekt en den roem van Nederland over de beschaafde wereld het meest handhaaft in de natuurwetenschappen.quot;
Toen hem in 1884 de Boerhaave-medaille werd overhandigd, verklaarde de commissie uit de Uollandsche\'Maatschappii te Uaarlem, dat hij een man is, die door veelzijdige werkzaamheden meer dan eenig ander der levende phy-siologen tot de ontwikkeling en uitbreiding onzer kennis op physiologisch gebied heeft bijgedragen. Spr. herinnerde ook nog aan eene uitspraak van Donders\' vriend Moleschott over zijne dissertatie: »lk aarzel niet in zijn proefschrift den toekomstigen meester te begroetenquot;.
Spr. wees vervolgens op eenige van Donders\' voornaamste geschriften : zija Blik op de stofwisseling als bron van de eigen warmte van planten en dieren (1845); op zijne oratie, waarmee hij het hoogleeraarsambt aanvaardde: «De harmonie van het dierlyk leven, de openbaring van wetten op zijn standaardwerk : ün the Anomalies of accomodation and refraction of the eye, in 1864 uitgegeven , vertaald in hel Fransch , Duitsch, Zweedsch en Ita-liaansch , en dat nu dezer dagen, dus na 25 jaren, te Weenen geheel onveranderd kon worden herdrukt.
Om niet meer te noemen, want het veld is te groot, wees Spr. nog op de Physiologie van den mensch (1850—1859), een boek dat na dertig
17
jaren ijog eene vraagbaak en uitmuniende gids is in de leer der siolwisseling. Spr. eindigde dit deel met de herinnering aan een woord van Moleschott, dat er geen meesiers uit de lucht valleu, dal zy gevormd worden door noeste viyt en toewijding, die Donders in hooge mate geloond heeft op het arbeidsveld, dat hij heeft uitgekozen.
(Toejuichingen).
Maar beoefening der wetenschap op zich zelf en om zich zelf is u niet het hoogste. Uwe eerzucht was, haar onmiddellijk der menschheid ten goede te doen komen. Wat beteekent al ons weten, was uw vraag, wat alle wijsheid , als zij niet werkdadig en weldadig wordt?
Spr. wees nu op de verdiensten van Donders als oogheelkundige, als grondlegger der ophthalmologische school in Wederland , die van zóó grooten invloed was, dat Donders mocht getuigen : Aan elk onzer universiteiten en ook daarbuiten mag ik een oud-leerling als mijn ambtgenoot in het vak der oogheelkunde begroeten.
Spr. herinnerde verder aan de oprichting van hel gasthuis voor minvermogende ooglij-ders en op de voldoening, die Donders daaraan le danken had, zooals hij dat in het eerste verslag over die stichting zelf uitdrukte : «Ik hebden man gezien, diezgnleven met zijne blindheid afgesloten waande, en die erkentelijk jegens God een nieuw tijdperk voor zich geopend ziet;ik zag den nijveren ambachtsman, die zich gedoemd zag, hel genadebrood te eten, en thans voor zich en de zijnen, door volhardenden arbeid het dagelyksch brood verdienen kan; ik heb de juichtonen gehoord van de moeder, die nog nooit den lieldevollen blik van haar kind
2
18
had aanschouwd , en ik heb waargenomen de blijde verrassing van hel kind. dat nog lecren moest hoe schoon en treffend Gods lieve natuur zich vooral in het oog der kinderen afspiegelt.
Duizende menschen gelukkig, duizende menschen door woord en voorbeeld beter te maken , zoo schreeft gij, dat is de onsterflijkheid, die wij wenschen, nevens die waarop wij hopen, liet eerste gedeelte van dien wensch is vervuld.
Spr. vatte het vorenstaande samen om aan den feestvierende hulde te brengen als baanbreker op het gebied der physiologie, als geliefd en geëerd leermeester en als redder, die den donkeren nacht voor velen in licht verkeerde.
Ook beproevingen waren des hoogleeraars deel, maar maakt men de balans op, dan is er dubbele, driedubbele reden tot dankbaarheid bij den terugblik.
Men heeft dezen 70. verjaardag door eene daad tol het nageslacht willen doen spreken. Spreker herinnerde kortelijk de bekende geschiedenis der slichting en wees op de algemeene deelneming en belang-sielling. II. M. de Koningin, die meewerkt lot al wat den roem van haar aangenomen vaderland betreft, ging voor; de groothertogin van Saksen volgde. Dit Oost en West kwamen bijdragen, dikwijls met aandoenlijke bijschriften, die het den hoogleeraar, als hij na deze dagen lot kalmte gekomen zal zijn, een genoegen ?al zijn te lezen. Spr. wil er nu slechts twee meedeelen : een uit Indie, waarin de volgende zinsneden voorkomen:
»Is in Nederland en andere wereldrijken Cw naam gegrift in de dankbare herinnering van velen, niet minder is zulks hel geval in deze
19
gewesten, waar zoovelen het behoud van hel edelste zintuig indirect aan U te danken hebben.
»In Nederlandsch Indië toch zijn thans velen Uwer oud-leerlingen als geneesheer gevestigd, en terwijl in vroegere jaren groot gebrek bestond aan kundige oogartsen, vinden ooglijders thans vaak zelfs op afgelegen plaatsen de beste oogheelkundige behandeling.
»Dat onschatbaar voorrecht hebben wjj hoofdzakelijk aan U te danken.
»Wij gewagen hier niet van uwe overige groote verdiensten op wetenschappelijk gebied, doch kunnen u de verzekering geven, dat ook die in Itidie zeer gewaardeerd worden.
*gt;l Jet is dus geen wonder, dal onze roepstem, om u ihans eene Üwer waardige hulde te brengen, weerklank vond in dankbare harten van velen. Tot zelfs uil de verst afgelegen streken werden ons bijdragen voor dat huldeblijk toegezonden.\'\'
Het tweede is van Moleschott, die eene belangrijke bijdrage zond namens een dankbaren patient, Ludwig Mond , en schreef: »Wie wed hoeveel dankbare Monds er in de wereld rondzwerven , die gelukkig zouden zijn tol zijne hulde bij le dragen, indien zq er maar kennis van droegen.quot;
«Aanvaard dan. Hooggeleerde heerl deze feestgave, die wij hel cement zouden willen noemen eener inrichting, die tol grondslag heeft de vereering van u; tol doel, datgene, waartoe Gij bel zult aanwijzen en waarvan de kroon zij Uw naam, niet om daaraan meerder luister te geven, maar om daaraan luister te ontleenen. Het bedrag is / 34.000, behalve helgene ten koste werd gelegd aan andere huldebewyzen U ter eere; de som is
20
gering als erkenning der groole verdiensten van Donders, maar niet gering, als men in aanmerking noemt, dat zij zonder eenigen aandrang bijeen gebracht is.quot;
Spr. verzocht daarop den hoogleeraar, dat hij kennis zou nemen van de oorkonde der stichting, die door de hh. Cuijpers is vervaardigd en waarvan de inhoud aan onzen }3eets te danken is. Spr. meende, dat dezen daarbij wellicht de woorden voor den geest hebben gestaan van Schiller:
Güle und Grösze,
Nur zwei Tugenden giebt\'s,
O wiiren sie immer vereinigt Immer die Güte auch grosz \' die Grösze auch gull
Hoe dit zij, die woorden zullen zijn doorgedrongen tot uw ziel, omdat Gij weet, dat wat Beets zeide, den stempel der waarheid draagt 1quot;
Spr. bood hem daarna een fraai kastje aan tot berging der tropheeën, die nu en ook vroeger aan Donders\' voeten zijn neergelegd, mede onder toezicht der heeren Cuypers vervaardigd en een afslag in het cenvou-voudigst metaal van de medaille, die trouwens op uitdrukkelijk verlangen van den hoogleeraar alleen in brons geslagen mag worden. Bij dien wensch legde de commissie zich neer, gedachtig dat simplex sigiüum veri is.
Uw vriend Opzoomer, thans aan het ziekbed geklonken, heeft de opschriften opgesteld, die op de keerzijde staan.
(Zie hieronder).
Spr. eindigde met het uitspreken van eenige verwachtingen.
Vooreerst de hoop , dat het nieuwe le-venstydperk — want wij denken aan geen
21
afscheid; voor munueu als gij blijft het leven een strijd- en werkplaats tot het laatst, — dat dit nieuwe tijdperk, indenen-geren krirjg dergenen, die ü na verwant zijn, en den ruimeren kring dergei.en , die ü vereeren , U nog lange jaren getuige moge deen zijn van den zegen die op Uw/i6jarigeambis-vervulling heeft gerust; en in de tweede plaats hel vertrouwen, dat de wetenschap, die zich aan geen wettelijke bepalingen en geen titels stoort, op CJ zal kunnen blijven rekenen en dat Uwe groote gaven der maatschappij, der wereld-maalschappij ten goede zullen blyven komef; dat Uwe rijpe en gerypte ervaring op menig gebied ten goede zal komen , óók aan andere levenskringen, waaronder Gij U-tot dusver niet opzettelijk bewogen hebi. Spr. deed ook een beroep op den hoogleeraar voor de onverhoopte mogelijkheid, dat mannen als hy schouder aan schouder moeten staan om Nederland zijne plaats in de beschaafde wereld te doen behouden, en zeide, dat de menschheid, die zoo veel, zoo oneindig veel aan hem verplicht is, desniettemin of juist daarom nog zoo veel van hem wenscht te ontvangen !
Aan de toejuichingen kwam na deze rede bijna geen einde.
22
De inhoud der boven medegedeelde oorkonde is:
Den Lezer Heil!
Op heden den acht en twimigslen van Bloeimaand des jaars O. 11. Achllienhonderd Acht en tachtig, zijnde des daags na den Zecenti\'jsten Verjaardag
van
FRANCISCUS CORMLIS DOiNDERS.
Medicinae, Honoris causa Chirurgiae, iiemque Philosophiae Naturalis Doctor; Honorary Doctor of laws bij de Universiteit van Cambridge; Eershalve Lid van de Medische Faculteit bij de Academie te Weenen;
Commandeur van de Orde ran den Aedtrland-
schen Leeuw;
Commandeur, Officier, Ridder van oruier-
scheidene Buitenlandsche Orden ; Oud-Voorzitter van de Koniiiklijke Academie van Wetenschappen (afdeeling Wis- en Natuurkunde).
Eerelid , Bestuurder, Lid , Correspondent van tal van Academiën en Geleerde Genootschappen ,
gelijk in Nederland en Nederlandsch-lndië, zoo ook in België, Engeland, Frankrijk, Italië, Pruisen, Saksen, Beieren, Oosten-
23
rijk-tlougarije, Rusland, Zweden, Denemarken , Noord-Amerika , enz. , gedurende eene reeks van veertig jaren en tot op den huidigen dag Hoogleeraar bij de Faculteit der Geneeskunde aan de Hoogeschool te Utrecht; Grondlegger van de Oogheelkundige School
in Nederland ,
evenzeer als van het Nederlandsch Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglgders ;
Physioloog bij uitnemendheid. Verlangende aan dezen Orooten en Goeden eene zijner waardige hulde te brei gen, en bljjk te geven van hunne hooge waardeering zijner buitengewone verdiensten jegens de wetenschap, die hij , door zijne zeldzame geestesgaven en onvermoeiden arbeid zoo krachtig heeft bevorderd; jegens zqn Vaderland, waarvan hij den roem , door een Christiaan Uuygens , een Van Leeuwenhoek, een Boerhaave daaraan verworven , opnieuw bevestigd en glansrijk uitgebreid heek; en jegens de Lijdende Menschheid , voor welke zijn optreden , onderwijzen en liefderijk lleelen en Helpen ten rijken zegen geweest zijn ;
Hebben Ambigenooten, Vakgenooien, Leerlingen , Vrienden, Vereerders, niet alleen uit JNederland en de Nederlandsche Koloniën, maar daarbij uit Alle Landen der Beschaafde Wereld , door het te zgner beschikking stellen van een door hen bijeengebracht fonds ,
den grondslag gelegd van eene naar zijn Beroemden JNaam te noemen [Vet en schappelijke Stichting ,
waarvan het Bijzonder Doel, de Inrichting en het Beheer geheel door llem zeiven zal worden aangegeven en vastgesteld.
Ik
En is ten Bewijze en ler Gedachtenis dezer door Eerbied, Dankbaarheid en Vriendschap ingegevene Handeling de tegenwoordige Oorkonde opgemaakt en , uil aller naam , door hen, van wie in dezen de oproeping is uitgegaan , onderleekend.
Gedaan te Utrecht, ten Dage en Jare boven vermeld.
De inhoud der oorkonde is ontworpen door den hoogleeraar dr. N. Beelt, terwijl zü op / perkament geteekend is door den heerJ^eph y Cujfpers, den zoon, wat voldoende is om te w^ten, dat men een Icunstwerk voor zich heeft.
De tekst is geschreven in oud-Holl., XVle eeuwschen lettervonn.
De randen, die in miniatuur-leekening den tekst omgeven, bevatten het volgende: Op het le blad:
Op den voorgrond met planten en bloemen gesierd ligt de bandspreuk met de woorden: «Den Lezer Heilquot;. Daarachter verrijst de zon, die haar levengevende stralen over een Spectrum of kleurenbeeld uitspreidt. Rechis en links is de banderol door de lakken en ranken gevlochten door twee krachtige «Zonbloemquot;-planten — het zinnebeeld van het levengevend licht.
In den rechter hoek is het JVederlandsche rijkswapen, in den linker dat der o41ma Materquot; van Utrecht, met de zinspreuk: »Sol justitiae illustra nos.quot;
Onder Nederland is, door het wapen van Batavia, Nederlandsch-Indie vertegenwoordigd en onder het wapen der Utrechtsche academie staat dat der stad.
De breede fries, die aan de onderzode den lekst van het eerste blad insluit, vertoont tus-
25
scheii laurier en eikenlwijgeu in liel midden hel familiewapen van den gevierden hoogleeraar mei de woorden: lleelen — Onderwijzen — Helpen — als randschrift. In de 4 medaillons zijn de zinnebeelden van de Wetenschap — de Geneeskunde — Heelkunde — en Physiologic voorgesteld.
De tekst op het 2. blad is, aan de boven-rechterzijde, door eene breede fries omsloten. In deu rechterhoek is het wapen van Nederlands Koningin , daar ouder dat van Saksen, Beieren, Baden en Wurtemburg; in de bovenfries dat van Pruisen, België, Groot-Brittannie, Frankrijk en Italië. De wapens zijn allen van de vorstelijke personen en landen, die tot de Donders stichiing hebben bijgedragen.
I)e tekst op het 3e. blad is op dezelfde wijze versierd, hoewel met verscheidenheid der ara-beuken tusschen de wapens.
De rij der wapens begint hier met dat van de groot-herlogin van Saksen Weimar, prinses der Nederlanden, Zweden , Oostenrijk-Ilongarije , Rusland, Zwitserland. Vervolgens Mecklenburg, Elsas Lotharingen, Vereen. Staten van N.-Amerika , Portugal en Argentijnsche Republiek.
Het Zie blad heeft eene randversiering van bloemen en bladen, en bevat de handteekenin-gen als vervolg van die op blad 3.
De beide eerste onderleekenaars zijn de hh. mr.iE. baron Mackay, minister van Binnenl. Zaken, en jhr. mr. J. Roëll, voorzitter der commissie. Daarna staan de namen der drie overige leden van het uitvoerend comité, de bh. Uubrecht, van Riemsdijk en Brondgeest. Vérder volgen de namen der overige commissieleden, voor zoover ze tegenwoordig zijn.
De oorkonde is gebonden in rood fluweel
26
met cabochons, op de hoekeu gemonteerd in zilver-vergulde bloemen , door Veldhuis gedreven.
Het binderswerk is uitgevoerd door de firma C. L. van Langenbuijsen, beiden te Amsterdam.
Tol de geschenken behoort verder het bovenvermeld kastje tot berging van al wat op het leest van heden betrekking heelt: de oorkonde in de eerste plaats, adressen, brieven, boeken, medailles, enz.
Dit kastje is in den stijl der XVIe eeuw tï ontworpen door dr. P. J. H.Cmfpersen voor- / ^ irelfelijk uitgevoerd in de meubelfabriek van /v de firma Cujtfpers en Stoken berg/te Roermond// / J liet biedt van boven gelegenheid aan , om er een rij boeken in te zetten ; daaronder is een schuin liggend opslaand blad fraai gesneden met het familiewapen van Donders, en links het jaartal 1888, rechts de dagteekening^van 28 Mei. Onder dat opslaand blad is een mede uitschuivend, met groen fluweel bedekt blad, / n dat als lessenaar dienen kan/^de oorkonde//^ A Tópon te legge»/\' ... . \\ ^
^ Lager is een kastje met twee rijk versierde
deuren ; men vindt daarop o. a. de beelienissen van Hermanus Boerhaave en AntoniusLeeuwenhoek, en daartusscben op den »makelaarquot;, die de beide deuren verbindt, een beeld van Minerva.
Onder dat gesloten kastje is nog een open . vak, dat ook tot berging dienen kan.
De zijJÖaëejj» zijn, evenals het overige, rijk versierd, en bevatten, o. a.: 27 Mei /rZ*,
, lt; 1888 en 27 Mei 1818, alsmedeaan beiJe
/zijden net monogram F. C. D.
tiet geheel is vervaardigd uit oud eiken-
27
houl. Tol de rijke versieririgen/behooren de zonnebloem en de adelaarskop. /
De medaille is, zooals uil de mededeelingen van den hr. Röell bleek, nog niel geheel gereed, maar er waren toch eenige proeven te zien. üe voorzijde vertoont de voortreffelijk gelijkende beeltenis van den heer Donders, gemodelleerd door prof. L. Jünger, leeraar aan de rijksschool voor kunstnijverheid te Amsterdam. De voorzijde is gegraveerd door den heer J. P. M. Menger, tweeden stempelsnijder aan \'sryks-munt. Het opschrift van de voorzijde luidt aldus:
FRANCISCCJS CORiNtLIUS DOiXDERS. d. XXVII m. Maii a. MDCCCXVIU
—MDCCCLXXXVIII.
Aan de keerzijde is ceu Iraai bewerkte krans, ontworpen en gegraveerd door den heer W.Sclj/ammer, hulp stempelsnijder aan \'siijks-munt, en beval de volgende, door den hooglee-raar mr. C.W. Opzoomerontworpen opschrifteL: In den krans :
Per varias gen les illuslris Baiavi admiraiione juncti.
Om den Krans :
lu memoriam diei quo conditum pium corpus ipsius nomine insigne.
Na de rede, waarmede het geschenk der »Donders-slichiingquot; werd aangeboden, nam hel eersl hel woord prol. Jac. Mole-scholt. De rede van den spreker \\oor hem, hoe rijk van inhoud ook, liét zich
28
geraakkelijk samenvallen in één woord: Gij liebt het hoogste toppunt van verdiensten bereikt. Maar, voegde prof. Molescholt er bg , ook het toppunt van vriendschap. Daarom heb ik het gewaagd uit het verre zuiden naar hier te komen en mijne stem te voegen bij die velen, daartoe anders zooveel beter bevoegd dan ik. Ik zou den moed hebben gehad, hier te verschijnen, ook al had ik niet eene zending ie vervullen, die mij is opgedragen uit het land van Galilei en Leonardo da Vinei
Alvorens zich van die officieele lastgeving te kwijten, verwijlde Spr. een oogenblik in de warmte van de persoonlijke betrekking, die hem met Donders verbindt. Uier is de band van onze vriendschap geknoopt. Maar die band kon niet beletten, dat wij uiteen zijn yegaan. Ik moest de wereld ingaan. Ik berouw dat niet, om vele redenen, waarvan ik er slechts twee zal noemen, liet is voor mij een plechtig oogenblik, dat ik u heden in de waardigheid van Romeinsch senator hier in het vaderland kan begroeten. De tweede reden is deze : ik heb in andere landen : in Duitschland, Zwitserland, in Italië, het land van mijne geboorte steeds hoogeren hooger leeren waardeeren. [Applaus).
Uw leven is anders geweest. In u was de rust srooter dan de storm. Gij zijt gebleven en hebt hier diepe wortelen geschoten. Maar de wereld is tot u gekomen en zij komt heden tot u.
Ik voel mij gerechtigd uit naam van aile Italiaansche hoogescholen , maar op uitdruk-kelijken last van de Turijnsche, waaraan ik als buitengewoon hoogleeraar nog verbonoen ben, u heden een gelukwensch aan te bieden. Toen ik mij tot den minister van onderwijs
29
begaf om hem verlof ie vragen voor de reis naar hier, zeide deze: \'t Is niet een verlof, dat ik u schenk; ik draag u eene zending op. — tiij deed die vergezeld gaan van een vleienden brief, dien ik u overhandigde. En de vorst, die door dapperheid en wijsheid, door waardigheid en lieftalligheid, door tact en minzaamheid schittert, koning Uumberl f, heeft U den rang verleend van grootofficier der orde van de kroon van Italië. (Toejuichingen).
Aan die daad des konings heb ik geen woord toe te voegen.
In den verderen loop zijner rede de woorden van Schiller aanhalende :
«lind wer dem Besten seiner Zeit genug gethan,
aEr had gelebt für alle Zeitquot;, knoopte de spr. daaraan den wensch vast, dat de jubilaris gedurende zijne verdere levensjaren zijne weetgierigheid en menschenliefde zon blijven botvieren tot heil der menschheid. [Luide toejuichingen).
Een gansche rij sprekers volgde dkander nog op.
Professor Th. Place, uit Amsterdam, b acht den jubilaris hulde uit naam van zijne oud-leerlingen. Hij dankte hem voor \'t geen zij voor hunne opleiding hem verschuldigd waren, en roemde den grooten invloed, dien hij op hunne vorming heefi gehad.
De heer K. van Roon, doctorandus in de medicijnen teütrecht,voegde daaraan een woord toe namens de tegenwoordige leerlingen, aan wie prof. Donders zijn naam als leermeester onvergetelijk heeft gemaakt. Zijn voetspoor volgende, zullen zij zijn naam brengen op de lippen van het verre nageslacht.
Met weemoed nemen zij afscheid van hun geliefden leermeester, docli met dankbaarheid
30
in hel harl voor wal liij voor hen was en mei den wensch , dal hij nog jaren genieten moge van de rusl, die de regeering hem schenkt.
Prof. A. A. G. Guye, uit Amsterdam, voerde het woord namens de redactie van hei Geneeskundig Tijdschrift. Die redactie waardeert in prof. Donders den schrijver ophetgebiel der geneeskunde, die altijd hel beginsel heeft gehandhaafd bg allen wetenschappelijken arbeid, dat men ook voor den vorm zich moeite moet geven en zich daarvoor nimmer genoeg moeite geven kan. Spr. wenschte, dat prof. Donders nog lang het voorbeeld zou blijven geven in zjjne geschriften van een rijken inhoud, gegoten in een schoonen en aangenamen vorm.
Deze spreker gewaagde reeds in korte woorden van een feestbundel, waartoe AO leerlingen en vereerders hadden samengewerkt. De aanbieding van dezen feeslbundél geschiedde door prof. B. J. Stokvis, uil Amsterdam , die het woord voerde uil naam \\an een aantal geneeskundigen uit Nederland , oogartsen en beoefenaren der natuur- en geneeskundige wetenschap. In de maand October jl. werd eene oproeping gedaan lot de leerlingen van prof. Donders, om bijdragen te zenden, die tot een bundel vereenigd, als de vrucht van eigen arbeid en onderzoek aan den geliefden leermeester op zijn feestdag zouden worden aangeboden. Dit denkbeeld, met warmte begroet, is met ingenomenheid uitgevoerd. liet i\\ederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde heefl krachtig bijgedragen tot die uitvoering, door de geheele kosten van «ie uitgave voor hare rekening te nemen.
Omtrent den inhoud deelde de Spr. mede, dal de bundel bijdragen bevat op verschil-
31
lend gebied. oAHe bijdragen behandelen onderwerpen op een gebied, waarop gij den voet hebt gezet, nieuw licht ontstoken, nieuwe mijnen geopend, of althans in de oude nieuwe aderen ontgonnen hebt. Zoo is deze bundel een schitterend getuigenis van uwe veelzijdigheid en veelzijdige werkzaamheil. Toch roemen de samenstellers uwe veelzijdigheid niet als uwe hoogste verdienste Bovenal eeren zij u als den leermeester, die met kwistige hand zaden heeft gestrooid op menig gebied van wetenschap, maar ook de aarde heeft weten toe te bereiden , opdat ieder zaadje de gunstigste voorwaarden vond voor zijn ontwikkeling.quot;
Wij waren in de gelegenheid een blik te slaan in dezen «Feestbundel van natuur- en geneeskundige onderzoekingen, ter gelegenheid van den 70en verjaardag van Franciscus Cornells Donders bijeengebracht en den leermeester toegewijd door dankbare leerlingenquot;.
De commissie van redactie bestaat uit de heeren tl. Snellen, S Talma, Th. H. Mac Gülavry, W. Einthoven, T. Place en 13. J. Stokvis.
Den inhoud vormen bijdragen, 60 in getal, van de heeren dr. F. D. A. C. van Moll, oogarts te Rotterdam; dr. C L. van der Burg, geneesheer to Laag-Soeren ; dr. C. Winkler, lector en J. Timmer, arts te Utrecht; dr. J.
C. van Doorenmaal, oogarts te \'s Gravenhage ; dr. P. R. Pel, hoogleeraar le Amslcrdam ; dr.
D. Doijer, hoogleeraar te Leiden; dr. Tb. W. Engelmann, hoogleeraar le Utrecht; dr. S. Talma, hoogleeraar te Utrecht; M. Straub, arts, officier van gezondheid te Utrecht ; dr. Th. Dentz, lector te Utrecht; dr. P.
32
Q. Bronrlgeest, leclor le Uiredn; dr. C. (J. 11. Spronck, lector le ütrechi; dr. A. A. G. Guye, hoogleeraar te Amsterdam; dr. M. J. Bouvin, oogarts te \'s Gravenhage; dr. H. Zwaardemaker Czv^. officier van gezondheid te Utrecht; dr. Maurits Snellen, dir. v. h. meteor, observatorium te Utrecht; dr. D. L. Roosenburg, geneesheer te\'s Gravenhage; dr. Th. U. Mac Gillavry, hoogleeraar te Leiden; dr. J. P. van Braam \'Houckgeest, hoogleeraar te Groningen; dr. C. II. A. Westhoff, oogarts te Amsterdam; dr. K. F. Wenckebach, te Utrecht; dr. J. P. Nuel , hoogleeraar te Luik; D. J. Hamburger, cand.-ans te Utrecht; dr. J. van Rees, leclor te Amsterdam; C. Nicolai, oogarts te Nijmegen ; dr. A. A. W. llubrecht , hoogleeraar te Utrecht ; dr. M. E. Mulder , lector te Groningen; dr. W. P. Ruysch , adviseur b./h. min. v, binneni. zaken le \'s Gravenhage; dr. W. Einthoven , hoogleeraar te Leiden; d£,A. Huysman , privaatdocent te Utrecht; dr. T. Place , hoogleeraar te Amsterdam ; dr. li. Snellen, hoogleeraar te Utrecht; dr. E. Landolt, hoogleeraar te Parijs; dr. J. F van Bemmelen , te Amsterdam ; dr. B. J. Stokvis , hoogleeraar le Amsterdam ; dr. H. G. Dibbits, hoogleeraar te Utrecht; dr. tl. J. Hamburger, te Ulrecht; dr. H. Klinken, geneesheer le Rotterdam; J. D. Dobberke, arts te Utrecht; W. H. Cox, arts le Deventer.
Een exemplaar van dit werk, dal 35 vel druks groot en voorzien is van 17 platen en een aantal houtsneden in den tekst, werd, op Japansch papier gedrukt, den jubilaris aangeboden. Voorts ontving hij 25 exemplaren ie zijner beschikking. Hel titelblad prijkt met een afdruk van de medaille, die ter herinne-
33
ring aan den 70. verjaardag van prof. Donders geslagen is.
Prof. Sir Joseph Lister, baronet, fellow of the Royal society of London, bracht na de aanbieding van hel boekwerk, de geluk-wenschen van dit college over en bracht in hartelijke woorden hulde aan Donders\' groote verdiensten op \'l gebied van physiologic en ophthalmologie. Al betreurde Spr. \'t, dat 7,ijn leeftijd prof. Donders dwong, een werkkring te verlaten, waarin hij zoo veelvuldig uut stichtte, hij verheugde zich, dat de jubilaris zooveel jonger loonde dan hij weikélyk was en dat men dus van zijn werkkracht nog veel verwachten mocht.
Prof. S. S. Rosenslein bracht de gelukwen-schen over van den senaa! der Leidsche academie. In zijne rede herinnerde deze spreker er aan , dat Donders , 68 jaren geleden , aan de Leidsche hoogeschool den doctorsgraad verworven had. Gij zijt en blijft — zoo eindigde prof. Rosenstein — of gij onderwijs geeft of «iet, de hoogleeraar voor allen , die u eeren als lt; en vorst der wetenschap en die slechts noode eerbiedigen eene wet , welke slechts jaren telt doch geen krachten meet.
Prof. von Zehender, uit Rostock, was overgekomen als afgevaardigde van de Ophthal-mologische Gesellschafi. Hij getuigde van Donders , dat deze sedert den dood vanvonGiafe haar trouwe leidsman was. De leden van de Ophthalm. Gesellschaft, die hem hadden op-gedrageneen schriftelijken gelukwensch te overhandigen , hoopten , dat Donders nog menig jaar hun leidsman en vriend zou mogen zijn.
Prol. J. W. Gunning bracht met de overige leden van den senaat van de Amsterdamsche
3
34
universileit een sierlijk gecalligrafeerden, sclirif-lelijken gelukwensch over, waarin de invloed werd verheerlijkt, die van Donders is uitgegaan lot verhooging van het peil des wetenschappelijke levens in Nederland.
Prof. Nuél, van de rijks-universiteit te Luik , was de tolk van de bewondering, die men in 13elgische wetenschappelijke kringen voor Donders\' streven en werken koestert.
Prof. van Braam Houckgeest bracht de gelukwenschen over van den academischen senaat van de hoogeschool te Groningen en vlocht in zijne toespraak eene herinnering aan de persoonlijke betrekking, waarin hij als oud-leerling tot den jubilaris had gestaan, y Prof. Pekelharing voerde namens de Maatschappij van Geneeskunde het woord en legde er den nadruk op, dal Donders\' grootste roem is niet enkel te schitteren onder de beoefenaren der wetenschap; bovenal heeft hij zich aanspraak op dank verworven voor hetgeen hij gedaan heeft om de vorderingen der wetenschap te verspreiden. Wij behoeven u niel te vragen— eindigde deze spr. — of ge in de toekomst nog iets zult geven. Voor u is leven : nuttig zijn.
Eindelijk bracht dr. JBrondgeest gelukwenschen over van een aantal buitenlaiiders, die niel het voorrecht hadden die den jubilaris te kunnen brengen. Onder die groeten was een enkele van dichtbij, maar de meesten van verre. Zij werden gezonden door; de prolessoren van de keizerlijke Russische universiteit te Charkow, de professoren van de geneeskundige school te Stockholm, de geneeskundige school te Leipzig, de koninklijke academie van Belg.e en de medische leden van hel Leidsche studentencorps.
35
De Verein der Miiiichener Aertzle, de Aca-demia reale inedica di Roma en de keizerlgke chirurgische academie te Petersburg zonden den jubilaris diploma\'s van eere-lidmaaischap.
Thans nam de jubilaris , pro/. Donders, het woord. Zeer bewogen in den beginne , gewaagde hij van de schier lallooze blijken van waardeering en genegenheid, die hem ten dee! waren gevallen,— zoovele, verklaarde hij, „dat ik er letterlijk onder bezwijk.quot; Men verwachte van mij — ging hij voort — niet op ieder daarvan een antwoord. Ik voel mij daartoe niet in staat. Telkens heb ik mij in deze laatste dagen afgevraagd: waarmede heb ik dat alles verdiend ? Ik heb in die dagen menigen blik teruggeslagen op mijn leven, en ik ben mij bewust, dat ik al die hulde en die waardeering niet verdiend heb, dat ik door u allen overschat ben.
liet zijn de omstandigheden, die mij in staat hebben gesteld om veel te doen. De omstandigheden zijn daaraan meer schuld dan mijne talenten. Ik ben inderdaad onder een gelukkig gestarnte geboren. Daaraan vooral heb ik hei ledanken, dat ik zegen heb gehad op mijn werkkring.
üp hei voetspoor van den eersten spreker, den heer Koell, sloeg nu ook de jubilaris een blik op zijn vroeger leven. Hij siond stil bij den tijd, dien hij op de nederige dorpsschool van Duizel had doorgebracht, en later op de Fransche school in Tilburg, waar niet veel te leeren overbleef, na wat hem vroeger was bijgebracht. In Tilburg heelt hij gemakkelijk Latijn schrijven en lezen geleerd ; niet in de Laiijnsche letterkunde werd hij ingewijd, maar wat hij leerde was hem toch van veel nut in
36
de jaren, aan de universiteit doorgebracht, toen hij dorstte naar kennis.
In die jaren, aan de universiteit doorgebracht, heb ik sterke indrukken opgedaan , ging Spr. voort, maar van niemand meer dan van Nicolaas de Fremery, mijn ouden leermeester in de scheikunde. Toen ik examen had gedaan, gaf hij mij een boek: »de ontwikkeling der hersenenquot;, door Tideman , en een raad: overzuim nooit autopsieën ! Wat ik geleerd heb, heb ik geleerd door autopsieën.quot;
Üe Spr. gewaagde met enkele woorden van zijn verblijf in Vlissingen en in de residentie als officier van gezondheid, en stond daarna stil bij de opdracht, die hij ontving, om aan de kweekschool voor militaire geneeskundigen te Utrecht het onderwijs op zich te nemen in weefselleer en physiologie. Is het mogelijk — vroeg hij — gelukkiger omstandigheid te vinden, als men in zich voelt den lust tot doceeren, om op 2ijarigen leeftijd als leeraar op te treden, en dat in eeti tijd toen G. J. Mulder met zijn tooverstaf een nieuw leven aan de Uirechtsche universiteit had opgewekt en tal van jongeren om zich heen vereenigde?
Mulder was de eerste, die inzag, dat de _schei-kunde daar begint, waar de morphologic eindigt. Men moei de scheikunde bestudeeren onder het microskoop. Mulder deed mij de eer aan, die onderzoekingen met hem te doen. üat was de intrede van mij in de practijk der wetenschap.
Spr. gewaagde er verder van hoe hij door Van Deen werd ingewijd in het experimenteeren van de zenuwen op de kikvorschen , dat door Johannes Muller het eerst werd beproefd. Uit de school van Muller is een drietal voortgekomen, dat nu nog schittert aan den physio-
37
logischen hemel, onder wie spr. Ilelmliollz in de eerste plaats noemde. Daarnaast mag genoemd worden Carl Ludwig, die de eerste physiologische school heeft geslicht en nog aan \'l hoofd er van staat. oEn tusschen al die zonnen mocht ik mij bewegen , die in staat was hunne stralen op te vangen en hel licht daarvan om mij heen te spreiden. Gij ziet het, hel kind was werkelijk onder gelukkige omstandigheden geboren.quot;
Een nieuw bewijs daarvan leverde de reis, die de Spr., inmiddels aan de Ulr. hoogeschool verbonden, in 1851 naar Londen ondernam. Nooit heeft, verklaarde prof. Donders, eene reis grooter invloed gehad op iemands leven. Daar leerde ik Albrechl von Grat\'e kennen, van wien ik na drie weken als een broeder scheidde. Over Parijs kwam ik naar Nederland terug. Te \\oren had ik gewankeld of ik lot de practijk der ophthalmologie zou overgaan — (in een vorige periode zijner rede had prof. Donders uiteengezel, hoe hij zich tol hel onderzoek der zintuigen, waaronder vooral het oog, aangetrokken voelde) —; na deze reis naar Londen waartoe ik door Simson was opgewekt, was alle iwijfel verdwenen. En nog een geluk — ge ziel hoe mijn loopbaan in alles door hel geluk bevorderd is — de oogspiegel was loen juist onldekl! Mei geen werktuig ziel men dieper in \'lieven van het oog.
ik wijdde mij dus aan de behandeling van liet oog. Ik kreeg veel patienlen, daaronder armen. Eén woord, en de stad stelde het cholera-hospiiaal beschikbaar; één stap, en regenten van de Gods- en gasthuizen verschaften voedsel voor de arme patienlen. Het huis naast hel hospitaal kwam
38
te koop. Eén gang, en ik kwam thuis, met de zekerheid, dat dil huis, het tegenwoordige gasthuis, gekocht was, en drie maanden later kon ik over ƒ 40,000 voor dat gasthuis beschikken.
Dat was slechts mogelijk in dien tijd , toen Helmholtz en von Grafe in hun volle kracht waren. Welkeen periode om den menschen belangstelling in te boezemen voor zulk eene zaak ! Zoo kwam het gasthuis, dat mij — ik mag het nu zeggen — voor eenig wankelen heeft gevrijwaard , toen ik een aanzoek kreeg om naar Bonn te gaan en daar Helmholtz in de physiologic te vervangen. Ik heb et-geen seconde aan gedacht, met die f 40,000, mij pas toevertrouwd door het Nederlandsche volk.
Op deze wijze heb ik gewerkt, geruimen tijd meer doende dan men eigenlijk doen kan. Daarop volgde het overlijden van Schroeder van der Kolk, dat een gewichtigen omkeer bracht in mijn werkkring. S. v. d. Rolk was professor in physiologic en anatomie. Het stond aan mij te bepalen, of ik de leerschool van physiologic op mij nemen zou. Dat stoud gelijk met afstand te doen van een deel der ophthalmologic. Ik aarzelde geen oogenblik, maar onder voorwaarde, dat het mij gelukken zou, een vroegeren leerling en assistent, mijn vriend Snellen, te bewegen zijn practijk op te offeren en mijne practijk allengs over te nemen, met het uitzicht mijn opvolger te worden, zooals later ook geschied is.
Dat was voor mij eene vermindering van arbeid. In mijn laboratorium ben ik recht gelukkig geweest. Ik heb verschillende assistenten gehad, waaronder mijn vriend Brondgeest en een, die achter mij gezeten is, maar dien ik zie zonder om te zien, Engelmann. Wat hij is voor
39
de wetenschap, wat hy deed voor de universiteit en voor het laboratorium , ik onderzoek het thans niet; slechts dit: ik ben gerust, dat ik aan zijne leiding mijn werk met vertrouwen kan overgeven.
Zoo is er meer, waarin ik zeer gelukkig ben geweest, vooral in de keuze van Ragenaar als mvjn amanuensis. Bijna 30 jaren is hij bij mij geweest. Hij werd mij toevertrouwd met de vermaning: ge moet hem goed behandelen en goed voor hem zorgen, want hij is\'t waard. Ik heb woord gehouden, maar Ragenaar deed oneindig meer. Hij is een man voor wien ik achting en vriendschap koesier en die dat verdient. Hij is, zonder hel te welen en te willen, een mechanicus geworden, die zijne instrumenten zendi de heele wereld door. Hij is mijn eenige amanuensis op het college; hij helpt voortdurend prof. En-gelmann en houdt voor de studenten prac-tische demonstraties. Hij is altijd en overal, en nog kent men hem niet geheel, als men hem niet heeft gezien als vader van een huisgezin. Ik dank u, Ragenaar! voor alles wat ge hebt gedaan voor mij.
Vraagt ge mij nu nog, of \'t mij is meege-loopen ? Inderdaad, er waren geen buitengewone talenten voor mij noodig om iets le presteeren. Eene kostelijke gave had ik echter: ik was duidelijk in hetdoceeren. Ik heb dal altijd gaarne gedaan. Gister heb ik reeds uitgesproken, welk genot ik daarin vond. Ik werd door \'t onderwijs geven reeds voldoende beloond. In dat onderwijs lag veel voor mij. Mijne leerlingen hebben mij gelukkig gemaakt.
En wat gebeurt nu ? Terwijl ik in hel do-ceeren voor mijzelf reeds eene belooning vond, en dubbel doordat ik mocht ondervinden, dat
uo
hei vrucliten droeg, ben ik nu nog in de ge-gelegenheid gesteld, voor hel onderwijs en de weienschap iels le doen, nu de wet mij voorschrijft mijn ambt neder te leggen.
Ik heb mij verbaasd, dat de president van de commissie, uit wiens mond ik dit heden mocht vernemen, sprak van een «geringquot; bedrag, dat daarvoor lot mijne beschikking werd gesteld. Wat ik heden vernam, overtrell al mijne verwachtingen; het vervult mij met groeier dank dan ik kan uitspreken.
Men verwacht van mij, dal ik de beslemming van dat gedrag zal aanwijzen. De eerste gedachte is geweest, om de som te brengen als offer aan het gasthuis voor ooglyders, dat tot sland gebracht is onder mijn invloed en meer en meer ontwikkeld, maar nog geenszins geworden is wat wij er van hopen: een inrichting, die kan wedijveren met de beste in ieder opzicht. Maar voor een dergelijke inrichtiug wordt heel wat meer vereischl. flel is voorzeker een groot bedrag, dal is bijeengebracht, maar hel gesticht zou er niet mee gebaat zijn ; een ion gouds is daarvoor niet voldoende , twee ton zou weinig te veel zijn. Hoe zullen die dan bijeengebracht worden? Ik stel mij voor : niet met kleine sommen, maar door weinigen , by wie het inzicht is levendig geworden, dat blinden te genezen en menschen voor blindheid ie vrijwaren, minstens evenveel steun verdient dan het lot der blinden te verbeteren.
Ik dacht daarom aan iets anders, waarvoor juist dit bedrag als toereikend kan worden beschouwd. Wij missen hier eene opleiding tot een wetenschappelijke carrière. Wij hebben in den laatsten tijd privaatdocenten gekregen; mo-gelyk, dat daarin een pépinière le vinden is voor
Al
yoede ducenlen. Maar in de ophlhaltnologie eti ook in de physioiogie vinden wij daarvoor weinig baal. Hel is niet anders: als er een vacature omslaat van professor in de ophihalmologie, dan zijn daarvoor weinig geschikie candidaten, voor physioiogie nog minder. Men dient daarvoor de mensclien le vormen. Hoe is dal le doen ? Ik stelde mij voor: als men een student gelegenheid gaf een paar jaren aan de btsle scholen zich le vormen. Het beschikbare bedrag zal ƒ 1200 rente opbrengen ; stel f 1000 bij vermindering van den rentestand. Dan heeft men toch nog in 8 jaar ƒ 8000. In die 8 jaar zou er dan gelegenheid zijn één student in de ophihalmologie en ééa in de physioiogie gedurende twee jaren uit te zenden.
Wie moeten daarvoor in aanmerking komen? Ik zou zeggen bij voorkeur de assistent van het physiologisch laboratorium, en de le assistent van het gasthuis \\oor ooglijders. Maar ik wil daarin niet alleen beslissen ; een comité, waarin alle Nederlandsche universiteiten vertegenwoordigd zijn, zou dat kunnen doen. Wij vragen niet: van welke inrichting de studenten leerlingen zijn; wij willen de besten: maar staan ze gelijk, dan zullen \'l de ütrechlschen zijn.
Daarna betuigde prof. Donders aan hen, die op dezen feestdag waren opgekomen tot zijne hulde, ieder in\'t bijzonder zijn dank. Bewonderenswaardig was daarbij de tact, waarmede hy voor ieder hel woord van waardeering wist te vinden, dat dezen persoonlijk het meest aange-i.aam moest zijn.
Dank betuigde hij aan den heer Röell, den woordvoerder der commissie, een kweekeling der ütrechtsche academie, aan wien zij reeds
l\\1
zoo veel te danken lieeft; aan zijn beproefden vriend prof. Molescholt; aan sir Joseph Lister, dien hij aan het publiek wilde doen zien, als de weldoener der menschheid (Lister is de uitvinder van hel beroemde verband, dat zijn naam draagt); aan prof. Place, zijn assistent in den eersten tijd, toen tngelmann daar was; aan de Amsterdamsche collega\'s ; aan prof. Stokvis, die den bundel had aangeboden, door zyne leerlingen samengesteld voor dezen dag, waarvan hij getuigde dat geen geschenk hem meer goed deed dan dit, waaruit de geest sprak van zijne discipelen ; aan prof. Rosenslein, den rector-magnificus der Leid-sche academie, waarbij hij, zinspelende op zijrie promotie te Leiden, schertste, dat Leiden toen liberaler was dan Utrecht en niet, zooals onze academie, waar hij heeft gestudeerd , de bedenking maakte dat hij nog maar zoo kort had gestudeerd ; aan professor iNuel, aan wien hij betuigde, dat de droom van zijne jeugd , om te Luik te studeeren , door de omwenteling van 1830 was verstoord , wat echter niet belette, dat hij de Luikscbe professoren niet enkel als confrères, maar als fières beschouwde; aan prof. yon Zehender, tol wien hijzeidedat hij in diens handdruk iets van dien van von Grafe bespeurde, hun beider vriend; aan dr. Brondgeest; aan prof. van Braam Uouckgeest; aan allen ten slotte, die door hunne tegenwoordigheid hem een blijk hadden gegeven van hunne belangstelling.
JNog wenschte de jubilaris niet te vergeten, te vermelden, dat hel Z. M. den Koning had behaagd, hem heden morgen te begiftigen met het kruis van ridder 2. kl. van den Gouden Leeuw van iNassau.
A3
Ik mag wel dankbaar zijn, zeide prof. Donders, voor het leven, dat mij is geschonken. Ik sta hier nog betrekkelijk krachtig en ook bereid om te doen wat mij is opgelegd.
Ik sla hier, mijn eigen leven overwogen hebbende, waarbij ik heb gezien hoeveel voorrechten mij zijn geschonken. Dat alles stemt mij tot dankbaarheid, eerbiedige dankbaarheid inzonderheid aan de bron en oorsprong van alle beslaan, waarvan \'t den mensch, die slip in de oneindige ruimte, die ademtocht in ^ een oneindigen tijd, niet gegeven is zich een voorstelling te vormen ; slechts zoover kan hij \'t brengen dat hy zich daarvoor eerbiedig neer-buigt in volkomen onderwerping. Mij is dan ook meer dan eens die onderwerping opgelegd. Ik hoop ook kracht te hebben, mij te onderwerpen aan wat mij in \'t vervolg zal worden opgelegd.
J\\a deze rede, die herhaalde malen door luide toejuichingen werd afgebroken, was de plechtigheid ten einde.
lieden avond wordt de feestmaaltijd, die door den heer L. Weger if geleverd wordt, en dus zeker goed zal zijn, gehouden in de kleine zaal van livoli, die mede door heer Roos met veel smaak is versierd, en in een eenigszins deftige eetzaal herschapen.
Aan het einde der zaal, waar de hoofdpersonen zullen plaats nemen, is de wandvlakte geheel ingenomen door een groot schild, waar in het midden met groote gulden cijfers de jaartallen 1818—1888 op een donker rooden grond zijn aangebracht; dit schild is met groote draperies van mal roode en groene stof omgeven, die de gansche oppervlakte in breede lijnen bedekken.
kk
Tegenover dil vak is aan hel audere einde der zaal, uitkomende legen een zware draperie van roodbruine wollenslol\', de Venus van Milo in ware grooile opgesteld.
Dil beeld is een gipsafgietsel van het bekende oorspronkelijk beeld, uil UclMusèe du Louvre te Parijs, üil is een eigenaardige halde aan den groolen geleerde, levens groot vereerder van de kunst, die inzonderheid van de Venus van Milo een bijzonder bewonderaar is.
Dil beeld komt prachtig uit legen dezen grond, en is omgeven met prachtige planten.
De wand aan de tuinzijde, met hare groole boogramen, is mei draperies van lood stof behangen, die door gelukkige rangschikking zeer goed voldoen.
liet vak hiertegenover is in hel middengedeelte insgelijks met rood gedrapeerd en het portiek (de plaats, waar in gewone dagen hel bullet gehouden wordt) is mei zijden stollen en piuches nel behangen.
Boven de beide andere deuren insgelijks in dil breede vak aanwezig, zijn tropheeën van vlaggen in de kleuren der verschillende faculteiten aangebracht.
Mei een keur van tropische planten, frisch groen en bloemen is de geheele zaal rondom bezet.
De bloemen en planten voor beide zalen zijn door den heer M. Ooslveen geleverd.
Aan den feestmaaltyd ter eere van den hoogleeraar Donders, namen ongeveer 200 personen deel. De tafel zag er sierlijk uit, en de door den heer Wegerif geleverde maaltijd voldeed goed. De spijslijst bestond uit:
65
Potage Torlue.
Croquettes aux Creveltes.
Saumon aux ca pres.
filet de boeuf a la financière. Jambonneau Sauce Bourgogne.
Fèves de marais.
Roti de Pouiets nouveaux.
Compote mêlee.
Galantine en gelée.
Salade.
Terrine de Foies Gras.
Pouding Riz Condé aux traises.
Dessert:
Glacé crème brulóe.
fruits.
Aan de hoofdtafel zat de hoogleeraar Donders met den voorzitler der feestcommissie aan zijne rechter- en Moleschoit aan zijne linkerhand ; naast den heer Röell zal de heer Lisier , naast dezen de heer Boer , op wien de heer Von Zehender volgde, die den heer Hubrechl, secretaris-generaal van binnenland-sche zaken, naast zich had. Naast Moleschoit volgden naar de andere zijde de hh. Beets, van Tirnhoven, Landolt, Snellen en Berry. Tegenover die heeren zaten de heeren Van Golistein, Huydecoper Van Maarsseveen , Buys Ballot, Blom Coster, de oud-gouv.-generaal s\'Jacob, en fransen van de Putte. Alleen voor de vreemde gasten en voor hen, die ter wille van dezen naast hen gezeten waren, waren door de commissie plaatsen aangewezen. Alle overige deelnemers kozen hunne plaatsen naar welgevallen.
Aan welsprekende feestdronken ontbrak hel natuurlijk niet.
Het eerst was het woord aan den voorzitter der feestcommissie, den heer Röell, die pp hel
Ii6
feest, waarop hulde gebrachl wordt aan den fjrooten en goeden man, die er het middenpunt van is, de goede vaderlandsche gewoonie volgde en het eerste glas leegde op onzen Koning, wiens bijna iOjarige regeering samenvalt met de ambtsvervulling van Donders en onder wiens regeering voor de wetenschap, ook voor zijne weienschap , de vrijheid en onafhankelijkheid bewaard bleef, die zij voor haar ontwikkeling, wasdom en bloei noodig heefi. Ik wijd dit glas, zeide Spr., aan den verlichten beschermer van kunsten en wetenschappen, onzen Rouing Willem lü. Leve de Koning en zijn doorluchtig huis!
Deze dronk werd vol geestdrift toegejuicht en door het zingen van »Wien Ncêrlandsch bloedquot; gevolgd.
De tweede Spr. was dr. Blom Costcr uit \'s Uage, een der oudste vrienden van Donders, die alvorens de gasten waren onder de bekoring van veler welsprekendheid, een woord uit bet hart wilde doen hooren. Hij herinnerde er aan, hoe hij met den hoogleeraar Buys Ballot, die tegenover hem zat tot de oudste vrienden van Don-ders behoorde en hoe Donders reeds in zijn studententijd beloof ie, wat hij later gehouden heeft. Donders heeft geoogst wat hij gezaaid heefl. Spr. heeft veel gereisd en overal waar hij kwam sprak men van Donders als van een bekende, en dan was hij er trotsch op, dat in deze lage landen een man geboren was, die zoo hoog stijgen kon, alleen door de kracht van zijnen geest. Hij eindigde meteen warme, hartelijke hulde aan Donders, wien hij zijn glas wijdde.
De hoogleeraar Hubrecht sprak daarna in vele talen. Hij vertolkte in het Fransch, het Duiisch en het Engelsch de gevoelens van erkentelijkheid, die alle Nederlanders bezielt
kl
voor de groole belangstelling, die ook vreemdelingen voor hel feesl van Donders hebben aan dendag gelegd. Over Molescboll sprekende zeide hij o. a., dat wij er aan hechten hem als landgenoot te blijven beschouwen, en wees er op, dat Donders en Moleschott samen gestudeerd hebben en nu beiden beroemd zijn geworden. Ook tot andere aanwezige vreemdelingen richtte hij eenige welwillende woorden en eindigde met zijn glas te leegen op de vreemde gasten.
De heer Landolt, van Parijs, bracht hulde aan het Nederlandsche volk, dat het land veroverde op de zee, het tooneel zijner heldendaden, dat nieuwe veroveringen maakte in de landen over zee, en dat zijn hemel heefi versierd met de namen van helJen, staatslieden, dichters, letterkundigen , wijsgeeren , kunstenaars en waar alle inwoners vaderlanders zijn, — een land, dat hel spreekwoord: een profeet is niet geëerd in zijn eigen land, tot een leugen maakt, — en dat zich zelf vereert door zijn beste zonen le eeren. Hij bracht een dronk uit op de Nederlandsche natie, aan wie hij heil en voorspoed wenscht.
De burgemeester van Amsterdam, mr. ran Tienhoven, herinnerde dal de heer Höell den dag van heden een herinneringsdag voor iedere stad en ieder dorp noemde, en zeide dal dit hem de vrijmoedigheid gaf, om als burgemeester der hoofdstad een woord aan-den hoogleeraar Donders le wijden, ook na-dal reeds zooveel en zoo goed lot hem gesproken is. Spr. ontleende de stof van zijn toespraak aan Donder»\' vraag : waarmee heb ik dat alles verdiend ? en antwoordde daarop in hoofdzaak : niet om zijne wetenschap, niet omdat hij met tien talenten heeft kunnen
is
woekeren en daarmee gewoekerd heeft, maar omdat hij ons allen lol een voorbeeld is geweest, omdat wij in hem den man eeren, die zijn geluk niet gezocht heeft in eigen glorie, in eigen lof, in eigen geluk , maar die gewerkt hedt lot\'bevordering van hel geluk der menschheid.
Donders schreef wal bij geworden is toe aan de omstandigheden: hij was integendeel een man, die bewezen heeli, hoe men onder alle omstandigheden gelukkig kan zijn. Donders heelt hel geluk gezocht van anderen en daardoor zijn eigen geluk gevonden. Dit denkbeeld nader ontwikkelende, eindigde de Spr. met den 70-jarige gelukkig te prijzen, zoo in de wetenschap als in zijn huiselijk leven, waarbij hij gelegenheid vond een waar-deerend woord in te vlechten voor den hoogleeraar Engelmann, van wien een zoon, kleinzoon dus van Donders, mee aanzat, v De heer Itoijaards van Scherf enzeel betuigde, namens curatoren, instemming met de hulde, aan Donders gebracht. Moge een onverbiddelijke wet een einde maken aanzijn werkkring als lioogleeraar, mei genoegen hebben cura-/- toren vernomen, dal hel doceeren geen einde ^ . p0(T zai nemen en zij uitenden weusch, dat d# ^^^onirYcHngcGha!» daarvan nog vele vruchten zal plukken.
De heer C. R. van Lelymd, rector van hel studentencorps, vertolkte de gevoelens van waardeering en hoogachting, toegenegenheid en dankbaarheid van dal corps tegenover Donders. 11 ij Wees er op, hoe Donders\' roem afstraalt op de ülrechtsche universiteit, en, herin-i.erende, dat zoo menig student bij htt examen mei vreugde het hora est begroet, zeide hij, dal nu ook voor den hoogleeraar het hora est zou weerklinken ; wie dal woord
Zi9
spreken zal is de Koning zelf, maar dal zullen Donders\' leerlingen niet met vreugde, integendeel met diep leedwezen hooren , want alle studenten zullen Donders missen. .Namens het corps bracht Spr. hem een feestdronk.
De hoogleeraar Beets zeide, dat het wel ontijdig zou zijn voor hem, om nu reeds te spreken als het niet, naar de parlementaire gebruiken, waarmede wij allen min of meer behept geraken in dezen lijd, noodig ware voor een persoonlijk feit. De geachte Voorzitter der commissie heeft dezen morgen verraden, dat ik de hand heb gehad in het ontwerpen der oorkonde, die getuigen moest van aller achting en eerbied en dankbaarheid, en die ter gedachtenis strekt van het feit, dat heden heeft plaats gehad: de aanbieding van hei fonds, waarover Donders zoo edelmoedig, zoo gansch zijner waardig heeft beschikt. {Toejuiching).
Ik heb (ging Spr. voort), ik heb me schuldig gemaakt aan veel te schrijven, zelfs in verzen, maar nooit heb ik iets meer met liefde gesteld dan die oorkonde.
En nu het persoonlijk leit. Donders wordt in dat stuk groot en goed genoemd, en nu meende onze voorzitter, dat ik mij aan letterdieverij had schuldig gemaakt, dat ik dat van Göthe had (stemmen: van Schiller): neen (ik denk) van Göthe. llij is eigenlijk de dichter voor onze mannen van wetenschap; als Nederlandsche geleerden elkander huldigen , is het altijd Göthe, die aangehaald wordt. Doch ik ben voor deze mijne woorden aan Göthe voor geen aas verplicht; ik weet niet of Göthe zoo iets geschreven heeft; hij heeft veel geschreven, meer dan ik gelezen heb, want Göthe was nu niet zoozeer mijn man.
50
Neen, wie mij dat vgrootequot; en vgoedequot; ingegeven heeft: is Donders, Donders zelf, de man die ffrooi en goed is, en ik zoek in dezen kring één gelaat, dat durft beweren, dat het niet goed, dat het te veel gezegd is.
Groot; wat is grootheid ? Veel dat groot genoemd wordt, is niet groot. Mensch te zijn in den vollen zin des woords; dat is groot.
R.ennis en geleerdheid — wie en wat zou ik zijn, als ik met minachting daarop neerzag, als ik daar ook maareen oogenblik, een halt, een kwart oogenblik aan dacht. , , . .
Maar — en nu haal ik een Nederlandsch dichter^ aan ^ ^ ^
^ \' Züü quot;cRo \'do kenn4s-zfgt;etetc en wijsheid niet
daarbij,
oVrijt naar de kamenier en gaat de vrouw sy-J voorbij.quot;
Dat heefi deze Donders niet gedaan. Hij heeft wijsheid gezocht en gevonden. Hij is
wijs. En goed. . u j
Met de innigste ontroering heb ik in de ^ schoone rede, door onzen jubilaris te üeidel-
z berg gehouden, de hulde gelezen , aan zijn
geliefden vriend Griife gebracht, waar hij hem ^ schetste als den man van «heelen en helpen\',
en ik heb daarbij gedacht: zie daar ook Donders, de man der liefde. Hoe goed hij is, dat hebben we gevoeld aan de taal, die hij tol Ragenaar sprak, den eenvou-digen, uitnemenden Kagenaar, die het zoover gebracht heeft, omdat Donders hem geholpen heeft, omdat deze zich weet te voegen en te \\ buigen naar ieders behoefte, en allen helpen, heelen en brengen wil op de plaats, die zij kunnen innemen.
En dan zou ik dat van Gölhe hebben, mqn-
51
heer Röell; neen ! dal is niet uil Gölhe, dal is uil Donders.
Maar die leeftijd. Daar hebben we veel van gehoord. Donders oud ? 1 JNeen. Dat zegt men, omdai men de jaren lelt, maar dat zegt u Donders niet.
«Geen tienmaal zeven jaar maakt dezen Douders oud;
«Hij ia slechts oud voor wie zyu roem neemt voor
zijn jaren ;
«Qeen zilver dekt die kruin , maar frissche lauwerblaren ;
«En wat dat hoofd nog baart, is goudener dan goud. Lans mogen Tijd en Leed dat hoofd en \'t harte sparen «Voor al wat goed is warm , voor niets dat schoon
is koud,quot;
De heer Qaack uit Amsterdam heeft zelfs na Reels den moed te spreken, omdat hij een J\\1ederJandsch dichter wil aanhalen en zijn woorden toepassen op het tweemanschap: Donders en Moleschott.
Pieler Cornelisz Hooft heeft gezegd ;
flWa^r is ee» pajir van vernuft en van krach^zoo , . , kloek,
A «Als de Leeuw met het /wa/rien de Leeuw met
Ui het boek.quot;
De leeuw mei hel zwaard is Donders; hij rust op zijn degen : dal zagen wij heden, zoo rustig en kalm stond hij daar : hij trekl zijn degen niet, hij rust er op, maar laat ons zien wal een kracht hij zou ontwikkelen , als hij hem zou trekken; maar hij doet hel niet, hij heeft het niel roodig, hij is de man van rust.
De ander is de man der beweging, de leeuw die de wereld doorslapt, die oos doet denken aan den Leeuw in Dante\'s eersten zang van den Inferno. Ik stel hem mij voor als de leeuw met het boek, de leeuw van \\ eneiie. Op dat boek waren twee latijnsche
52
woorden gegrift: Semper aperius, allijd opea : dat is de spreuk van die twee mannen : z:.i waren mannen van het licht, altijd open; wat de natuur hun schonk gaven zij weder mei magistrale klaarheid en geniale helaerheid.
In de 16. en 17. eeuw gingen Holland en Veiietie samen. Hunne schepen bevoeren samen de zee, hunne vlaggen woeien te zamen heinde en ver; hel moet mogelijk zijn, dat Holland en Italië, die twee heerlijke natiën , wederom samengaan. Spr. dronk op hel tweemanschap aan tafel.
De rector-magnificus, de heer Lamers, sprak eerst nu, omdat den woordvoerder van den senaat het spreken moeielijk valt; de vrienden behouden den vriend; de leerlingen den geliefden meester, maar de senaat zal zijn medelid missen. Spr. wees er op, dat men niet juist heeft kunnen vinden, wanneer Donders zijn onderwijs begonnen is; de een zegt in Januari, de ander in Ucto-ber, maar ik begrijp hel wel; het doceeren heeft een aanvang genomen, toen hij zetl in tiet aanzijn trad; hij is docent geboren. Ln wanneer zal het eindigen? Daarvan zal alleen het nageslacht kunnen spreken, want spr. meent dat het zal voortduren tot m het oneindige. tlij wees er op, dat, zooals het licht op den berkeboom zijn glans doet beklijven, zoo ook van dezen grooten man altijd iels zal afstralen op de universiteit. Namens den Senaat wijdde hij een dronk aan zijn medelid
Donders. , ai v,0f
De heer Molescholl stond nu op. Als het staal op den vuursteen slaat, spatten er vonken. Beets is hel staal, ik ben de eenvoudige vuursteen. Ik vraag ook het woora voor een persoonlij1.: feit. Beets heeft geklaagd,
53
dat men om Nederlanders te huldigen , geen Nederlandsche dichters aanhaalt. En hy heeft recht. Toch kom ik voor Göthe op , en vrees den toorn van Beets niet; hij is zoo goed.
Waar Göthe zegt: »Edel sei der Mensch , hülfreich und gut!quot; — daar is dat woord van Göthe toepasseliik op Donders , en gegrepen uit het hart van Beets.
En, ik ben onverbeterlijk en haal al weer Göihe aan , die zegt:
»Nur wer strebend /ich beinüht »Den können wir erlösen.quot;
Dat is toepasselijk op de twee natiën, waarvan de heer Quack sprak , die strevend met alle kracht, de verlossing verworven hebben. Spr. kent geen twee natiën, die zooveel punten van overeenkomst hebben als die twee edele volken, beide^ groot ter zee, door ondernemingsgeest, in geluk, in voorspoed, door grootmoedigheid, door sireven naar vrijheid , vooral in het gemeenteleven, bovenal groot door de wetenschap, ook de bijzondere wetenschappen : groot door hun philologen, door bun rechtsgeleerden, door de kennis van beider taal, zoodat de beste uilgaven der Iialiaansche klassieken te Leiden gedrukt werden. Een ander punt van over-eenslemming is de kunst en het kunststreven : Ik ducht geen tegenspraak van Duitschers, Spanjaarden, Franschen of Engelschen, als ik zeg dat er maar twee scholen van schilders zyn : de Iialiaansche en de Vlaamsch-Nederlandsche.
Tusschen twee landen, die zoo gestreefd en gezwoegd hebben, dienen wel banden van vriendschap te bestaan. Die gevoelens zijn uitgedrukt in den brief, dien ik heden onzen feestheld van | het Italiaansche gouvernement heb overhandigd en dien ik gaarne zou
bU
hebben voorgelezen, als hij niet woorden bevatte , die voor mij te vleiend waren. Ik dnnK de bestendige vriendschap van de twee natiën, die elkander zoo waard zijn, en zooveel verdienste/, hebben jegens de vrijheid, het Vaderland en de wetenschap. . . u-De heer B. L. Verspyck sprak, omdat hij zich een der oudsle leerlingen van Donders mocht noemen. Hij behoorde tot hen . die op 2 Sept 18^ het eerst Bonder\'s lessen mochten hoorenquot;. Spr. staat met ingenomenheid stil
bij den diepen indruk, dien Donders toen reeds
maakte, en den grooten invloed, dien hij toen al oefende. Spr. trad in eenige herinneringen omtrent het onderwijs van Donders, die de dorste onderwerpen opwekkend en baeiend wist te behandelen , en dankte hem in diep gevoelde taal voor wat hij van hem geleerd heelt en wat hij voor zoovele anderen als leermeester geweest is. ilij eindigde met een hartelijken heildronk op zijn leermeester.
Dr. Berns uit Amsterdam dankte Donders daarvoor, dat hij steeds anderen uitnemender achtend dan zich zeiven, allen die lager stonden tot zich trachtte op te heffen.
En nu kwam de heer Donders aan net woord. Een moeielijke dag is mij heden voorbijgegaan, aldus ongeveer sprak hij, met aandoening en weemoed in de heldere, welluidende stem. Hoe ik dien tegemoet gezien heb kan ik nauwelijks zeggen. Ik heb in mijn leven geen moeielijker week doorgebracht als die achter mil ligt: die bange, akelige voorstellingen, die angst, die ik nooit in mijn leven gekend heb, die beklemdheid der borst. Ik heb opgezien tegen den dag van gister en was met m staat mijn werk te verrichten. Dag noch nacht verliet het mij. En op welke wijze ben ik daar-
55
van verlosi? Dai is wel merkwaardigf. Ik ging tot eene moeder, die haar kind verloren had, het kind, waarvoor zij zooveel had moeien lijden om het te bezitten, en zooveel zorg te vergeefs had besteed om het te behouden. Ik heb met haar geweend en mijn droefheid was geweken. Afleiding en inspanning hadden niets geholpen maar wel, dat ik bedroefd was geweest met de bedroefde. In die mate is het ook niet mefr teruggekomen. Toch zag ik den dag van gister met zekeren angst tegemoet, ook heden was het mij zonderling te moede, omdat ik zooveel moest aanhooren , zoo ontzetiend veel meer lof dan ik weet waard te zijn.
Ik weet heel goed, wat ik heb vermogen te doen, maar — ik weet dat alles uit de besle bronnen welde, — \'t was mij als iets dat ik moest ondergaan.
En toen ik zelf het woord nam , kon ik aanvankelijk moeilijk spreken , doch loen ik een blik op mijn leven sloeg, herkreeg ik mijn vrijheid en was alle angst en onaangenaam gevoel geweken en gevoelde ik mij weer zoo vrij als in de dagen, waarvan de heer Verspyck sprak; ik herinner mij zeer goed al wat hij daarvan mededeelde.
En nu heb ik van dit feest niets dan aangename herinneringen. Ik moet voor een deel herhalen, wat ik heden morgen zeide: er zijn vele woorden gesproken, die ik niet op mij zeiven mocht toepassen.
Goedheid, vriendelijkheid, omstandigheden, fantasie zetten aan de voorstellingen wel eens te groote kracht bij; men neemt dan echter het coëfficiënt maar wat kleiner, en zóó is het te dragen.
Veel is er ook gezegd , wat ik geheel en al kan onderschreven ; vooral wat Verspyck zoo
66
juist heeft verteld: wat ik bedoelde heelt hij, zooals nu blijkt, gevoeld; dat is wel een aar-
d\'Watquot; Heèts gezegd heeft, heeft ook een
klein coëfficiënt noodig.
£let verheugt Spr., dauoovelen hem blijk van belangstelling gaven en hij dankt daarvoor allen , inzonderheid hen die uit den vreemde gekomen zijn, bovenal zijn vriend Moleschott. ilii is er trotsch op zijn vriend te zijn, en dat zal ieder begrijpen, die hem dezen morgen , meer nog die hem dezen avond hoorde ; die
parate kennis,die combinatiegave is,ze fs zoo men
al over kennis en poëzie beiden beschikt, zeldzaam. Nu meene men niet, dat Spr. daarom anderen minder waardeeri, maar dit is een eigen luister van mijn feest, zegt hij. Dat neemt niets weg van de waarde van anderen, het is slechts eene vermeerdering van luister door een eigen licht er bij te voegen. Met geen ander gevoel als innige dankbaarheid verlaat Spr. deze plaats, dankbaarheid voor het geluk hem heden geschonken. Hij eindigt met zich in aller vriendschappelijke gevoelens aan te * b6veleiJ
De \'heer Röell sloot het feest met een warm woord van dank aan allen, die tut het welslagen er van hebben bijgedra-een inzonderheid aan de vreemdelingen, die hii \'in het Fransch toesprak, ea van wie hi] hoopte, dat zij uit het land van Leeuwenhoek, Uuijgens, Boerhave en Donders de overtuiging zullen meenemen, dat de vrijheid h\'er \'n-heemsch is: vrijheid van geweten, vrijheid van onderzoek. Hij bracht ook dank aan alle landgenooten van allen rang en stand, verte-«enwoordigers van universiteiten en geleerde genootschappen, aan alle bijzondere personen,
57
aan dezen disch vereenigd. Niet allen, zeide hij daarop, waren even gelukkig als wij, hier te kunnen aanzitten; velen zagen zich dat genot ontzegd door ambtsplichten als anderszins, en daaronder ook Z. £xc. de miijister van Binnenlandsche zaken, die mij zijn wensch heeft te kennen gegeven, dat ik te dezer plaatse uitdrukkelijk zijn leedwezen daarover uitspreken zoude. Spr. eindigde met een laatst woord van hulde aan den feestvierenden hoogleeraar, wien wij dubbelen dank schuldig zijn, omdat zijn voorbeeld ons leert te streven naar steeds volmaakter plichtsbetrachting. Als ieder onzer hem daarin nastreeft, kan het ook ons te beurt \\allen, dat op 70Jarigen leeftijd van ons getuigd wordt,
wat van Donders gezegd mag worden ; dat hij niet te vergeefs geleefd heeft, daar hij der menschheid een schrede nader bracht tot de volmaaktheid.
f Op verzoek kreeg Sir LitUr nu nog het t-y?
Jcz. woord, want, waar/Lister spreekt, ^^eejirde/^^/S^ menschheid, zei de Voorzitter. De heer Lister dankte voorde ontvangen gastvrijheid, wenschte Nederland geluk met den voortreflelijken afloop van het feest en sprak het tegen, dat de Nederlanders koel en phlegmatiek zouden zijn;
daarmee was de geestdrift, waarvan hij heden getuige was, in lijnrechten strijd.
Na afloop van het feest in Tivoli was er nog een gezellig samenzijn in de Studenlen-Socieleit, waar eenige, ook buitenlandsche gasten zich met de studenten vereenigden, en waar nog tal van feestdronken werden ingesteld. Dit samenzijn had evenwel een mees-huiselijk karakter, en daarom bepalen wij ons tot deze korte mededeeling met de betuiging.
68
dat de sludenien op nieuw geloond hebben , hun easien waardig te kunnen ontvangen,
Denzeltden avond werd uit Rotterdam het volgende telegram verzonden aan prof. Donders :
De afdeeling Roiterdam en omsireken der Nederiandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, op dezen avond vergadem, brengt bij monde van haren nestor, den heer De Lange, aan den roem van Nederland haren heildronk.
Overgedrukt uit het Ulr. Prov. en Sled. Dagblad van 28 en 29 Mei I8SS.
la i éss
r , -- . - -/■\' W- ■ ■■
[ • ■ , \' ^ . - . \' - ••Vr : ué
\\ ■:gt; :
I
«li: : ■ \' . ■ ■ / .
■
Is
- •• • • ■ T^4
gt;
■ ■■ ■.: ■■■ quot; ..\'Z1
■:;X. ; \' - ,•■\'(gt;.V ■
■
■;v: ; \' \' r\' \' - ■ ■:; ., -■■■ quot;
^ -
-
_
__!_