-ocr page 1-

IN

NEDERLAND

door

Mr. S. J. H/NGSr.

(Afzonderlijke afdruk van de Rechtsgeleerde Bijdragen en Bijblad III, Afdeeling a.).

\' ...........Huil.n,ii,,, 1,11111,!!HUVr

/AMSTERDAM, JOHANNES MULLER.

188g.

-ocr page 2-

L. oc(.

_. j ^ it

-ocr page 3-

I-

/ ■

Het Plaatselijk Burgerlijk Recht

in

NEDERLAND

door

Mr. S, J. H1NGST

(Afzonderlijke afdruk van de Rechtsgeleerde Bijdragen en Bijblad III, Afdeeling A.).

---

l^f

^mstehuam. JOHANNES MULLER.

1889.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

J N H O U D,

Voorrede.

Inleiding...........

Eerste Hoofdstuk, De omvang van hel plaatselijk Burgerlijk Recht . . . . Tweede Hoofdstuk. Het plaatselijk Burgerlijk Recht en zijne verhouding tut het algemeen Burgerlijk Recht . . . Derde Hoofdstuk. Wetenschap en Jurisprudentie over plaatselijk Burgerlijk

Recht............

Vierde Hoofdstuk, Oud en nieuw, geschreven en ongeschreven plaatselijk

Burgerlijk Recht........

Vijfde Hoofdstuk De usages in het

Fransche Recht........

Zesde Hoofdstuk. Iets over Gewoonterecht in het algemeen......

Zevende Hoofdstuk. Gewoonten en gebruiken in onze Wetgeving . . , , Achtste Hoofdstuk, De gemeente in

onze Staatsregeling.......

Negende Hoofdstuk. Een en ander over onze Gemeente-Verordeningen in

het algemeen.........

Tiende Hoofdstuk. Vorm en bekendmaking der Gemeente-Verordeningen . Elfde Hoofdstuk. Aantal en soort der Gemeente-Verordeningen, die bepalingen van Burgerlijk Recht behelzen . . Twaalfde Hoofdstuk. De gemeente-lijkeVerordeningen van Burgerlijk Recht.

Blz. i—cxxxvii

» i—ix

» ix—xiii

» xiii -xxii

» xxiii—xxviii

» xxviii—xxxiv

» xxxiv -xxxviii

» xxxviii—xlv

» xlv—lu

» lh lxvii

» lxvii—lxxiii

» lxxiv —lxxviii

» lxxviii—lxxxi


-ocr page 6-

inhoud.

DiCRTiiiNDU Hoofdstuk. De gumeenle-lijke bepalingen van Burgerlijk Recht

ten aanzien van den vorm .... Blz. lxxxi—lxxxii Vei;rtienue Hoofdstuk. Ontwikkeling van het Burgerlijk Recht in onze Ge-

ineente-Verordeningen......» lxxxhi—c

Vijftiende Hoofdstuk. De nieuwe

Model-Verurdeningen......» c—civ

Zestiende Hoofdstuk. Provinciale Verordeningen betrekkelijk onderwerpen

van Burgerlijk Recht.......» civ cvn

Zeventiende Hoofdstuk. Burgerlijk

Recht inonze Waterstaats-Verordeningen » cvm—cxn Achttiende Hoofdstuk. Iets over het

nog geldende oude Recht.....» cxm—cxxi

Neoentiende Hoofdstuk. Het plaatselijk Burgerlijk Recht in de nieuwste

buitenl. ontwerpen en wetgevingen. . » cxxu—cxxix

Twintigste Hoofdstuk. Conclusie. . » cxxx—cxxxvu

Verbeteringen..........» cxxxvu

Nagekomen Verordeningen.....» cxxxvm cxxxix

Eerste Deel.

Afzonderlijke Gemeente-Verordeningen.

Provincie Groningen.

I. Ge;n. Hoogezand. Verord. van i Aug. 1853. Blz. 1— 3

II. Gem. Winschoten, Verord. v. 30 Aug. 1855. » 3— 6

III. Gein. Sappemeer. Verord. v. 20 Aug. 1857. » 6 13

Provincie Drenthe

IV. Gein. Meppel. Verord. v. 25Sept. 1872. » 13 14

Provincie Friesland. Geene.

Provincie O v e r ij s e 1. Geene.

Provincie Gelderland.

V. Gein. Arnhem. Verord. v. 2 Juli 1864. » 14—15

VI. Gein. Ennelo. Verord. v. gApril 1867. » 15—17

VIL Gein. Apeldoorn. Verord. v. 27 Jan. 1872. » 17—23

VIII. Gem. Putten. Verord. v. igFebr.1881. » 23—25 Provincie Utrecht.

IX. Gem. Harmeien. Verord. v. 26 Mei 1876. » 25—26

4

-ocr page 7-

INHOUD.

Provincie Noord -Holland. Gem. Monnickend. Verord. v. 16 Aug. 1853. Blz. 27

30

XX. XXI. XXII.

XXIII.

XXIV. XXV.

XXVI. XXVII. XXVIII. XXIX.

XXX. XXXI. XXXII.

XXXIII.

XXXIV.

XXXV.

XXXVI. XXXVII. XXXVIII. XXXIX.

76—77

77—80

81-83

83-84

84-85

85-87 88-9!

Gem. Ilpendam. Verord. v. 8 Maart 1854. Gem. Edam. Verord. v. 21 Juni 1856.

Gem. Alkmaar. Verord. v. 18 Maart 1874. Gem. Amsterdam. Verord. v. 10 Dec. 1862. Gem. Amsterdam. Verord. v. 4 Jan. 1887.

Provincie Zuid-Holland. Gem. Brielle. Verord. v. ig April 1853. Gem. Alkemade. Verord. v. 4 April 1856. Gem. Meerkerk. Verord. v. 24 Jan. [857. Gem. Aarlanderveen. Verord. v. 6 Oct. 1869. Gem.\'sGravenhage.rt. Verord. v. 7 Dec. 1859.

Verord.v. i4Aprili874. c. Beraadslagingen. . . : Gem, Voorburg. Verord. v. 28 April 1866. Gem. Delft. Verord. v. i7Febr. 1871. :

Gem. Charlois. Verord. v. 28 Aug. 1874. gt; Gem. Alphen. Verord, v. 17 Maart 1875 gt; Gem. Numansdorp Verord. v. 22 Mei 1876. gt; Gem, Klaaswaal. Verord. v. 2 Juni 1876, gt; Gem, Maassluis. Verord. v. 22 Nov, 1876, gt; Gem. Koudekerk. Verord. v. 12 Juni 1879. gt;: Gem. Z.-Beijerland.Verord. v. 22Febr.i879. gt; Gem. \'sGravendeel. Verord. (moet zijn Schrijven)

v. 15 Maart 1887 j

Provincie Zeeland. Gem. Colijnsplaat. Verord. v. 7 Dec. 1859. » Gem. Cortgene. Verord. v. 30 Aug. 1875. * Gem. Goes. Verord. v. 23 Nov. 1878. »

Provincie Noord-Brabant.

Gem. Oyen en

Teeffelen. Verord. v. 11 Maart 1856 » Gem. Eindhoven. Verord. v. 6 Sept. 1867. » Gem. Duizel en

Steensel. Verord. v. 11 Febr. 1870. Gem. Bladel. Verord. v. 11 April 1871.

Gem. Udenhout Verord. v. 28 Maart 1878 Gem. Grave. Verord. v. i Juni 1878.

Gem. St. Oedenrode Verord. v. 22 Febr. 1879.

5

X. XL XII. XIII. XlVrt.

xm. xv.

XVI. XVII. XVIII. XIX.

30 32 3-,—34

34—35

35—39

39—40

40-44

44—45

45—48

48—49

49—51

51—52

52—60 61

61—62

62—63

64—65

65—69

69—70

70—72 72—73 73

73

74—75 75

75—76

-ocr page 8-

INHOUD.

Provincie Limburg, Blz. 91—129

A. Verordeningen.

XL. Gein. Maastricht, a. Verord. v. 27 Febr. 1868. » 92

b. Verord. v. 31 Mei 1856. » 92— 94

B. Mededeelingen der Gemeenten.

a. Gemeente Beegden...........» 94quot; 95

h. Gemeente Bingelrade..........» 95

c. Gemeente Broeksittard..........» 9^

d. Gemeente Bunde............» 9quot;

e. Gemeente Cadier en Keer........» 96— 97

ƒ Gemeente Eygelshoven..........» 97— 9^

g. Gemeente Grathem...........» 9^

h. Gemeente Gronsfeld..........» 99—100

i. Gemeente Heel............» 10°—101

j. Gemeente Heythuyzen..........»101

k. Gemeente Houthem...........» 102—103

/. Gemeente Ittervoort..........»103

m. Gemeente Limbricht..........» 104—106

n. Gemeente Maasbree.....106

o. Gemeente Maastricht..........» 107—111

p. Gemeente Margraten..........» m—112

q. Gemeente Meerssen...........» 113—II4

r. Gemeente Meyel............» 114—\' \'5

s. Gemeente Montfort...........» 116 — 117

t. Gemeente Neeritter...........»117

u. Gemeente Nieuwenhagen.........» 117 —

v. Gemeente Nuth............»118

w. Gemeente Oud-Valkenburg........»119

x. Gemeente Oud-Vroenhoven........»119

ij. Gemeente Roermond..........» 119—120

z. Gemeente Schimmert........... 121

aa. Gemeente Schin op Geul.........» 121—122

bb. Gemeente Sittard...........» 122—124

cc. Gemeente Thorn............» 124

dd. Gemeente Vaals............»

ee. Gemeente Valkenburg..........» 125—-126

ff. Gemeente Wessem...........»126

ö

-ocr page 9-

inhoud.

C. Schrijven van den heer Archivaris van Limburg,

van 24 Mei 1887..........Blz. 126-128

D. Uittreksel uit het schrijven van Gedeputeerde

Staten aan Z. Exc. den Minister van Staat,

Minister van Binnenlandsche Zaken . . . . » 128—129

Tweede Deel.

De Strafverordening un, » 129—240

Provincie Groningen............» 129—130

Provincie Drenthe............»131

Provincie Friesland............131 —136

Provincie Overijsei............» 136—-139

Provincie Gelderland........., . . » 139 -141

Provincie Utrecht.............» 141 —145

Provincie Noord-Holland..........» 145—161

Provincie Zuid-Holland...........» 161 —186

Provincie Zeeland.............» 186—217

Provincie Noord-Brabant ..........» 217—233

Provincie Limburg............» 233 -240

Bijvoegselen. » 240—276 Provincie Utrecht.

Gemeente Veldhuizen. Verord. van 8 Oct. 1888. . . » 240 -241 Provincie Noord-Holland.

Gemeente Amsterdam...........» 241-257

1. Makelaars, Besluit Gemeenteraad 1 Febr. 1854. » 241—242

2. Reglement voor de Stedelijke geadmitteerde en

becedigde werkers, meters, wegers, enz. ...» 242 -257

Provincie Zuid-Holland.

Gemeente Langerak. Verord. van 18 Oct. 1888. . » 257 Gemeente Rotterdam. Verord. van 4 Juni 1852. . » 257 -259

Provincie Noord- Brabant.

Gemeente Sint-Oedenrode. Verord. 18 Aug. 1888 . » 259 -2Ö0

Verbeïeiungen.............»261

7

-ocr page 10-

INHOUD.

Mededeeling van Gedeputeerde Staten van Utrecht

omtrent Oude Verordeningen........BI ü. 261

Verordeningen van IJsselstein.

1. Alteratie op de Verhuystydt van 28 April 1725. » 262

2. Reglement van 5 Maart 1757.......» 263

3. Ordonnantie wegens het bepoten van boomen,

grienden, heggen, enz., van 15 November 1754. » 264—266

4. Ordonnantie rakende het verdeylen en inmennen der Groove ende Smalle thienden in de Baronnie IJsselstein, van 17 April 1785.......» 260-269

5. Placaat ende Ordonnantie op het Verthienen van de Lammeren, Bijen en Baggelen van 17 April

1785................» 269—276

8

-ocr page 11-

VOO A\' R E D E.

Vóór een tweetal jaren vestigde ik de aandacht van F.xc. den Minister van Justitie op het bestaan van Gemeentelijke Verordeningen omtrent onderwerpen van hurgetrechtelijhen aard. Onze ivetboeken venvijzen nu en dan naar dergelijke Verordeningen en toeh zoude niemand buiten den Burgemeester der Gemeente — en misschien niet eens deze — het publiek behoorlijk kunnen inlichten omtrent datgene wat rechtens bestaat.

Z. Exc. du Tour van Bellinchave wendde zich daarop tot zijn Ambtgenoot, Z. Exc. den Minister van Staat en van Binnenlandsehe Zaken, Mr. J. Heemskerk Az., die de hulp van Gedeputeerde Staten, gelijk deze die der Gemeentebesturen, inriep. De stukken, op die wijze verzameld, werden bij Missive van 14 Juli 1887, ie Af deeling N0. 124, in mijne handen gesteld, met vergunning tot openbaarmaking, indien ik zulks in het belang der rechtswetenschap wenschelijk achtte.

Men zal ze vinden in het Eerste Deel en onder de Bijlagen aan het slot.

Het onderzoek der Politie- en anden Geincenteljkc Verordeningen, uitmakende het Tiueede Deel, heb ik zooveel mogelijk zelf ondernomen. De Bibliotheek van den Hoogen Raad en van het O. M. bij dat College verschafte mij het een en ander, doch zekerheid of er buitendien nog iets bestond, en of hetgeen ik kende ivel het thans nog geldige was, konde ik niet bekomen.

Ten dien einde riep ik de hulp in van onderstaande personen in de verschillende Provinciën, die op de meest heusche ivijze mij te gemoet kwamen. T. w. de Heer en:

H. C. A. Thieme, Officier van fust it ie te Groningen, T. J. Noyon, idem te Winschoten,

J. G. v. Blom J.Gzn., Griffier der Prov. Staten te Leeuwarden, C. Pijn acker Hordijk, Commissaris ttes Konings in Drenthe, O. F. Greven, Griffier der Provinciale Staten te Zwolle, W. F. v. Deinse, Vice-President der Rechtbank aldaar,

-ocr page 12-

A. Brants, Griffier der Staten van Gelderland,

IJ. J. H. dü Kock, idem van Utrecht,

H. Jacobi, idem van Noord-Holland,

c. fock, Commissaris des Konings in Zuid-Holland, ]l. Fokker, Griffier der Provinciale Staten van Zeeland, P. T. A. sprengers, Griffier der Staten v. Noord-Brabant, terwijl de Gedeputeerde Staten van Limburg mij door tusschen-komst van Mr. C. Polis insgelijks de noodigegegevens verstrekten. Van Overijsel en Zeeland heb ik niet persoonlijk de ontbrekende Vet ordeningen doorgewerkt: in de eerste Provincie is voor mij zulks gedaan door Mr. v. Deinse, de opgaven der laatste Provincie verkreeg ik direct van den Heer Griffier Fokker. Ten aanzien van de anderen ben ik op verschillende wijze in staal gesteld zelf de gewenschte Verordeningen te doorzien.

Op die wijze heb ik een overzicht gekregen van de bestaande burgerrechtelijke bepalingen in onze Gemeente- Verordeningen, zoo goed als men maar ivenschen kan. Ofschoon vergissing zeer mogelijk is, hoop ik zoo nauwkeurig mogelijk het voorhandene te hebben weergegeven.

De lezer zal opmerken, dat ik soms zeer kort ivas in mijne viededeeling, soms uitvoeriger dan noodig scheen. Ik heb daarbij deze gedragslijn gevolgd. Overal waar ik gedrukte en algemeen verkrijgbare Politie- en andere Verordeningen tegenkwam, meende ik met eene opgave van het merkwaardigste en overigens eene korte mededeeling van den inhoud te kunnen volstaan. Daarentegen, waar ik geschreven, weinig verkrijgbare copien in handen kreeg, ivas ik uitvoerig. Of ik mij niet een enkele maal heb vergist? Hei is ivel mogelijk — maar dan buiten mijn schuld. Ik heb overal de Provinciale indeeling gevolgd, maar ben, omdat het onderzoek daartoe aanleiding gaf, in afwijking van de Grondwettige volgorde, den weg van het Noorden naar hel Zuiden gegaan. In het eerste, deel nam ik zooveel mogelijk de chronologische volgorde in acht, om daardoor de historische ontwikkeling duidelijker in het licht te stellen ; in het tweede deel, ivaar wegens de herhaalde herzieningen zulks lot geen resultaat zoude leiden, bepaalde ik mij bij die van hel alphabet. Wegens de menigvuldige namen, die de Politie-Verordeningen dragen, heb ik mij veroorloofd een technischen term te gebruiken. Algemeene Policie- Verordening is in dit boek eene, die alle of nagenoeg alle huishoudelijke ondet werpen betreft, Policie- Verordening degene, die in het bizonder de verstoring van orde te keer gaat. F.vcnzoo is van Brand- en

-ocr page 13-

Boinv- Verordeningen kogt;theidshalve gesproken, ook zvaar in de Verordening zelve de titel in andere bewoordingen was gesteld.

Van het geheel heb ik een overzicht in de Inleiding gegeven, met eene beschouwing 07lt;er hetgeen onze Wetboeken van het Plaatselijk Recht verwachtten en wat de naaste en verwijderde toekomst daarvan zate zijn.

De origineele exemplar en der Verordeningen, ook waar ze niet door Z. Exc. den Minister van Justitie mij waren verstrekt, heb ik aan de Bibliotheek van het Ministerie aangeboden. Men kan thans aldaar ook het Plaatselijk in Verordeningen omschreven Burgerlijk Recht leeren kennen. De verzameling Brusselschc Reglementen bood ik aan de Koninklijke Bibliotheek aan.

In ivelke richting hei Plaatselijk Burgerlijk Recht zich ook zal ontwikkelen — al druischte dat ook geheel en al in met dat ivat ik voor Nederland wenschelijk acht — toch vertrouw ik, dat de moeite en welwillendheid van zoo velen, welke mij in deze van dienst waren, voor ons Vaderland van zegen mogen zijn. Niet uit mijn naam alleen, integendeel, namens allen, die eenmaal haat zullen vinden bij de door hen gedane moeite, bied ik hun de meest oprecht gemeende dankbetuiging aan.

S. J. HINGSr.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

EEESTE HOOFDSTUK.

DE OMVANG VAN HET PLAATSELIJK BURGERLIJK

RECHT.

In onze wetboeken wordt veelvuldig gesproken van reglementen, verordeningen, gewoonten, gebruiken. Het is nimmer ontkend, dat zij gedeeltelijk op plaatselijk recht slaan, nimmer, dat dit plaatselijk recht burgerlijk recht was. Evenmin dat sommige reglementen of verordeningen niet betrekking hadden op het recht tusschen den man en zijn naaste, maar aan de handhaving van het openbaar welzijn waren gewijd. Alleen werd door sommigen beweerd, dat het plaatselijk burgerlijk recht slechts een ongeschreven recht was.

Trachten wij dus in de eerste plaats den omvang van het plaatselijk burgerlijk recht vast te stellen, door aan de hand der artikelen, maar groepsgewijze het terrein te verkennen. Ten behoeve van ons later onderzoek deelen wij mede de juiste uitdrukkingen en de overeenkomstige artikelen in de wetboeken Napoleon en Lode wijk Napoleon en het Ontwerp Kemper met de daar gevolgde terminologie.

I. Vormen van openbaren Verkoop.

Recht van

Tegenwoordig recht.

Fransch recht.

1806 — 1810.

Ontwerpen.

Wetboek

Ontwerp

Onderwerp.

B.W.

C.N.

Lod. Nap.

Kemper.

Goederen van

artt.

Verwijzing

artt.

Uitvoerige

artt. 341 en 365

art. 683

minderjarigen.

447

naar

452

beschrijving.

geen vormen

verwijzing

Id.

453

plaatselijk

459

vermeld.

waar

gebruik.

plaatselijk

gebruikquot;.

Verkoop door

1059

Gehruiken

1031

Geen

art. 900.

art. 2108

executeurs.

der plaats.

beschrijving

Geen vormen.

Geen

van vorm.

vormen.

Verkoop door beneficiaire ert^enameii.

1080 Gehruiken der plaats.

805 Uitvoerige

en beschrijving. Niets.

806

Niets.

-ocr page 16-
-ocr page 17-

EEESTE HOOFDSTUK.

DE OMVANG VAN HET PLAATSELIJK BURGERLIJK

RECHT.

In onze wetboeken wordt veelvuldig gesproken van reglementen, verordeningen, gewoonten, gebruiken. Het is nimmer ontkend, dat zij gedeeltelijk op plaatselijk recht slaan, nimmer, dat dit plaatselijk recht burgerlijk recht was. Evenmin dat sommige reglementen of verordeningen niet betrekking hadden op het recht tusschen den man en zijn naaste, maar aan de handhaving van het openbaar welzijn waren gewijd. Alleen werd door sommigen beweerd, dat het plaatselijk burgerlijk recht slechts een ongeschreven recht was.

Trachten wij dus in de eerste plaats den omvang van het plaatselijk burgerlijk recht vast te stellen, door aan de hand der artikelen, maar groepsgewijze het terrein te verkennen. Ten behoeve van ons later onderzoek deelen wij mede de juiste uitdrukkingen en de overeenkomstige artikelen in de wetboeken Napoleon en Lodewijk Napoleon en het Ontwerp Kemper met de daar gevolgde terminologie.

i. vormen van openbaren verkoop.

Recht van

1806 —1810. Ontwerpen.

Tegenwoordig recht.

Fransch recht.

Onderwerp.

Goederen van minderjarigen. Id.

B.W.

artt. Verwijzing 447 naar 453 plaatselijk gebruik.

Wetboek Lod. Nap.

C.N.

artt. Uitvoerige artt. 341 en 365 452 beschrijving, geen vormen

vermeld.

459

Ontwerp Kemper.

art. 683 verwijzing

waar plaatselijk gebruikquot;.


Verkoop door beneficiaire erfgenamen.

1080 Gebruiken der plaats.

1031 Geen

beschrijving van vorm.

805 Uitvoerige en beschrijving.

806

Verkoop door 1059 Gebruiken executeurs. der plaats.

art. 900. art. 2108 Geen vormen. Geen vormen.

Niets.

Niets.


-ocr page 18-

II DE OMVANG VAN HKT PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT.

art. 1201 B. W.

Naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden.

Tegenwoordig recht.

Verkoop van pand.

Recht van

Fransch recht. 1806—j8io. Ontwerpen.

art. 1820 mits Ontwerp

den gewonen KEMPER,

vorm van art. 1510.

executie in Geen

acht nemende, vormen.

C. N. Niets.


Hypotheek verkoop.

Faillissement.

Gerechtelijke executie roerende goederen.

Art. 1255 B.W.

plaatselijke gebruiken.

Wetb. v. K. Art. 853

plaatselijke pchrniken.

Art. 857 plaatselijke geh ruiken.

Burg. Rechtsv. Art. 466 \'plaatselijk gebruik bij vrijwil lig en verkoop.

Art. 2181 C. N. zwijgt van vormen.

Code Comm. Redactie 1807. Art. 492 en 534 zwijgen evenzeer van vormen als art. 486 en 528 van die van 1838.

Art. 534 en 572 van de Redactie van 1807 verwijzen evenals art. 532 en ^64 van die van 1838 naar den vorm voor minderjarigen voorgeschreven.

Code Proc. Civile Art. 617 bevat eene uitvoerige omschrijving.

Niets in Wetb. Art. 1510 aki. Lod. Nap. zwijgt van vormen.

Rechterl. instellingen Lod. Napoleon art. 862, 863 en 865 beschrijven de vormen.


Art. 684 Art. 945 verwijst plaatselijke naar art. 617 Proc, gebriiiken.

Verkoop roerende goederen bij erfenis.

Verkoop van onroerende goederen bij erfenis.

Art. 690 verwijst naar vorm van art. 453 B.W.

Art. 953-965 beschrijven uitvoerig de vormen.

Wetb. Lod. Nap. art. 975

vermeldt geen vormen. Op allen openbaren koop schijnt echter te slaan art. 1459

voorkomende in den titel van openbaren verkoop van in \'t gemeen zijnde (ioederen, luidende: De wijze en formaliteiten


-ocr page 19-

de omvang van het plaatselijk burgerlijk recht. ill

Recht van 1806—i8io.

op welke eene openbare ver-kooping geschieden moet, worden bepaald bij bijzondere metten reglementen of gebruiken.

Tegenwoordig recht. Fransch recht.

Ontwerpen.

II. Vormen van Levering.

Levering in zake van koophandel.

Art. 670 B. W.

IVetten en gebruiken in zaken van koophandel.

Vergelijk art. 90 C. II sera pourvu par des réglements d\'administra-tion publiques a tout ce qui est relatif i\\ la negociation et transmission de propriété des elT\'ets publics.

Wetb. 1 -0;1. Nap. In art. 595 al. 2 wordt ten

aanzien van wissels en andere brieven, die in den handel om-loopen, gerefereerd tot hetgeen bij de wetten betreffende de commercie wordt bepaald.

Art. 1028 Ontw. Kemper In zaken van koophandel worden alle die wijzen van levering voor wetten verklaard, welke met de bestaande ye-woonten op elke plaats overeenkomen.


Leveling van

Schepen buitenslands.

Art. 310. Verwijzing naar wetten en gebruiken der plaats alwaar geleverd wordt in het buitenland.

In Code de C. niets.

Ontwerp W. v. K. 1809. Art.

228. Overdracht op zoodanige wijze als ter plaatse, waar de verkoop geschied is, gebruikelijk is.


III. Afmetingen.

Art. 690 B.W. Art. 663 C.N.

Bijzondere Réglements ver0 rdeningen particu liers en plaatselijke on usages gebruiken, constans et reconnus.

1. Hoogte van afsluiting bij scheidingen.

Art. 558 Wb. Lod. Napol. Reglementen van politie en plaatselijke gebruiken.

-ocr page 20-

de omvang van het plaatselijk burgerlijk recht.

iv

Tegenwoordig recht.

2. Tusschen- Art. 703B.W. ruimte bij ge- Bijzondere meene of niet verordeningen gemeene mu- of gebruiken, ren.

Fransch Recht van recht. 1806—1810.

Art. 674C.N. Art. 557

Règlements dezelfde uit-et usages par- drukking als ticuliers, in art. 558.

Ontwerpen.

Ontwerp Kemper.

Art. 1211.

Zooals fa plaatselijke gewoonte mogt medebrengen, of bij gebreke daarvan door den rechter na verhoor van deskundigen zal bepaald worden.


3. Afstand van Art.7i3B.W. Art67iC.N. Ontbreekt. Ontbreekt,

boomen en Tegen woor- Règlements

heggen van de dig bestaande particuliers

scheidslinie. bijzondere actuellement

reglementen exist ants,

of vaste en erkende gebruiken.

4. Breedte van Art. 733 B.W. voetpad, dreef Bijzondere of weg bij erf- verordeningen dienstbaarheid, of plaatselijke gebruiken.

Ontbreekt. Ontbreekt.

Art. 1244.

Wanneer de breedte der paden of dreven of ook de strekking, langs welke dezelve moeten genomen worden, bij het daarstellen der dienstbaarheid niet bepaald of door het gebruik niet geregeld is, moet dit alles desnoods door den regter geregeld worden.


5. Tusschen- Art. 1226.

ruimte der De eigenaar van het dienst-

muren ten be- bare erf mag aan het heer

hoeve van den schende niet te na bouwen,

waterdrop. maar is verpligt voor den

waterdrop te laten eene tus-schenruimte van vijf duim of zooveel meer of minder als de plaatselijke gewoonte medebrengt.

Zie wijders sub V.

IV. Termijnen.

voor instelling van rechtsvordering wegens gebreken in het gekochte.

1. Termijn Art. 1547 B.W. Art. 1648 C.N. Alt. 1421 L.N.

Met inachtneming der gebruiken van de plaats, waar de koop gesloten is.

L\'usage du Plaatselijk lieu oii la vente (jcbruik om-a été faite. trent koop en verkoop.

Art. 2479 stelt een vasten termijn v.m zes weken voor roerende en zes maanden voor onroerende goederen.


-ocr page 21-

de omvang van het plaatselijk burgerli)k recht.

Tegenwoordig Fransch

recht. recht.

2. Termijn van Artt. 1G07, Artt. 1736,

opzegging bij 1614, 1616, 1759, 1762 huur.

1623 B.W. C. N.

Plaatselijk Usatje des rjebniik. lieux, 1748

temps d\'avance gebrttik,\\$22 usité dans le gebruik dei-lier. pour les plaats. congés.

3. Duur der Artt. 1621, Artt. 1757, Artt. 1520,

Art. 255 t.

huur. 1622, 1623 1758, 1759 1521, 1522 Doorgaande plaatselijk

B. W. C. N. L. N. gebruik. Art. 2618. Ter-

Plaatselijk Usage des Plaatselijk mijn ter plaatse gebrtii-

gebruik. lieux. gebruik. kelijk.

V. Bepaling van den Omvang van Rechten.

v

Recht van Ontwerpen.

1806 —1810. Ontwerp Kf.mi\'er.

Artt. 1501. Art. 2612.

1503, 15\'Oi Aard der zaak of de

1513, 1525 plaatselijke gewoonte. L. N.

Plaatselijk

i. Buurrechten. Art. 690 B.W.

a. Wijze van Zie boven, afsluiting.

b. Werken Art. 703 B.W. voorgeschre- Zie boven, ven door reglementen en

gebruiken om schade voor de na-buiige erven te voorkomen.

c. Stroomend Art. 677 B. W. water. Bijzondere en

plaatselijke ver 0 r den in gen.

d. Gootrecht. Art. 686 B.W.

Wetten of verordeningen.

2. Servituten. Algemeen beginsel.

Art. 738 B.W. Gebruik maken volgens titel en bij gebreke van titel volgens de verordeningen of plaatelij ke gebruiken.

Art. 663 C.N. Zie boven.

Art 674 C.N. Zie boven.

Art. 645 C.N.

Règ lente nts particuliers et locaux.

In C.N. onder art, 674. Zie boven.

Het daarmede corresponderende art. 702 C.N. wijst alleen naar den titel.

In het Wetboek Lod.Nap. worden buurrechten en erfdienstbaarheden niet afgescheiden behandeld. Het Hoofdstuk van erf-scheidingen, dat ons aan buurrechten doet denken, staat tusschen twee afdeelin-gen van erfdienstbaarheden. Het hier voorkomende art. 56c) luidt aldus: De regten der naastbelen-dende of naburige erven worden ook behalve door de bepalingen in de wet geregeld door de reglementen van orde en po lie ie.

In het Ontwerp Kemper zijn de erfdienstbaarheden op zeer eigenaardige wijze behandeld.

Volgens art. 1182 zijn zij geene zoodanige verplig-{ingen, welke voortvloeijen uit de natuur en gesteld • heid van den grond of uit eene algemeene wet of plaatselijk gebruik, maar integendeel dezulke, welke van de wetten of de gebruiken der plaats waar de erven liggen in het een of ander afwijken.

Als algemeene bepaling treft men in art. 1186 al. 2 aan, dat de kosten van het onderhoud wat tot het gebruik der erfdienstbaarheid noodigis, geenszins ten laste van het dienstbaar erf komen, tenzij door de wet of het gebruik oï eene speciale overeenkomst anders is voorzien.

Omtrent huis- en veld-dienstbaarheden bepaalt art. 1201, dat de volgende artt. 1202 —1251 het gemeen regt des Koningrij ks uitmaken, voor zooverre er geene plaatselijke re-glementen, keuren of gebruiken te dezer materie.


-ocr page 22-

DE OMVANG VAN HET PLAATSELIJK DURGERKIJK RECHT.

VI

Tegenwoordig recht.

Fransch recht.

Recht van

1806 —18 io.

Ontwerpen.

Ontwerp Kemper.

bestaan daarmede strij-dilj.

Eene bijzondere bepaling vindt men in art. 1205 al. 2 waarin ten aanzien van de voorzorg tot bevestiging eener gemeene muur, die men hooger wil optrekken, wordt verwezen naar plaatselijke (jewoonte. Verder de bovengemelde nrtt. 1226, 1244.

An. 813 (foor- Art. 590 Art.481, navol- Art. plaatselijk(je-fjaand (jehruik spreekt lquot;. ging van art. 5 90 bruik, 1412 (jebi-iuk der desehjenaars. van tisiKjeeon- C.N. noemt in eiijenaars, 1413 ffebrtdk, 816, 817 en stunt des pro- al 2 ijewoonte yeivone lasten.

819 plaatselijk pn\'e\'taires, enstandvastiij gebruik of ye- 2quot;. usage des (jebruik des \'Moonte des lienx. Art. 593 eijenaars,in eigenaars. I\'usage du pays al. 3//aa/^-843 gewoonlijk, ou la coutu- Ijke gewoonte.

3. Vruchtgebruik.

me des prop rif\'- Art. 498, na-taires. Art. 595 volging niets. Art. 608 van art. 608

usages.

C.N., naar het gemeene leven.

rechten. a. Tienden.

gebruik der plaats. Art. 792 plaatselijk gebrttik.

Wetb. Lod. Nap. bevatten

eenige bepalingen. Art. 528 verwijst naar nadere wettelijke bepalingen.

4. Zakelijke Art. 788 Ontbreekt. Art. 523—527 Art. 1359 plaatselijke

gewoonte. Art. 1373 provinciale of plaatselijke reglementen of gebruiken.


b. Beklemming.

Art 1654

plaatselijke gewoonten.

Ontbreekt. Ontbreekt.

Art. 2634 plaatselijke gewoonten.

5. Overeen- a. Art. 1375 Art. 1135 C.N. Art. 1051. Art. 2351. liet gebruik komsten in billijkheid, Véquité Billijkheid,ge- of de wet.

liet algemeen, gebruik, wet. Vusage ou bruik of wet.

la lot.

b. Art. 1383 Art. 1160 C.N. Art. 1072.

bestendig usage. Gebruikelijke

gebruikelijke clausule,

bedingen.

Art. 2353 verwijst naar art, 2351.


-ocr page 23-

DE OMVANG VAN HET PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT. VU

Tegenwoordig Fransch Recht van Ontwerpen.

recht. recht. 1806—1810. Ontwerp Kemper.

c. Art. 1382 Art. 1159 Art. 1071. Art, 2356.

gebruikelijk in usaje dans Gebntikelijk Gebruikelijk in tic plaats

het land of le pays in het land waar het contract is

op de plaats le contrat est waar het aangegaan.

waar de over- passé. contract is

ccnko/mt is aangegaan.

aamjetjaan.

6. Huur van Art.i6l8B.\\V. Art.l753C.N. Art.i5l7L.N. Niets,

huizen en plaatselijke tisaye des plaatselijke landerijen. gebruiken. lieux. gebruiken.

a.Tweedehuur.

b. Geringe en Art iökjB.W. Art.i754C.N. Art, 1485, Art. 2555, 2557 cquot; dagelijksche plaatselijke usage des 1518 en 15192558 verwijzen evenmin reparatie. gebruiken. licux. regelen de naar plaatselijk

materie gebruik.

volledig.

c. Opvolging Art.i635B.W. Art. 1777 C.N. Art. 1540 Art. 2616.

van huur en plaatselijk usage des plaatselijk Bestendige plaatselijke verhuisdag. gebruik. lieux. gebruik. gewoonte.

d. Omvang Art 1625 B.W. van rechten zwijgt van en verplichtin- gebruiken, gen des huurders.

.. l76f)C.N. Niets. Niets.

Art, 2563. Bij huur van bosschen — verwijzing naar art. 1409—1412 omtrent vruchtgebruik. Voor betalingstermijn bij art. 2578 naar bestendig plaatselijk rjebruik.


7. Dienst- Art. 1639B.W. bodenrecht. Gnuone huurtijd.

Niets. Niels.

Art. 2646, doorgaande plaatselijke gebruiken. Bij verlenging verwijst art. 2657 naar art. 2646. Art. 2660. Gewone ver-huistijd voor dienstboden.


8. Zeever- Art. 644 K. Niets in den zekering. Bestaande C. de C. gebruiken.

9. Bevrach- Art. 755 K. Niets in den ting. Bijzondere C. de C.

reglementen en verordeningen en bij gebreke plaatselijke gebruiken.

-ocr page 24-

Vin DE OMVANG VAN HET PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT.

VI. Openbare Inrichtingen en officieele Personen.

Tegenwoordig Recht.

i. Beurzen Art. 60 K. C. de C.

ten aanzien Plaatselijke art. 72, 73

van opmaken reglementen of rè(jlemens tie

van koersen (jebrttiken. police

enz., I.w. al généraux

wat buiten oti particuliers. politietoezicht valt.

Fransch recht.

Ontwerpen.

Ontwerp 1809.

Alleen de inricliting van de wisselbanken en de wijze van betaling der wisselbrieven in banco wordt aan bijzondere reglementen van po lie ie opgedragen.


2. Makelaars. Art. 71 K. In Frankrijk vlgg. draagt geschiedt aanstelling en hunne be-onlslag van noeming door makelaars op den Koning.

aan het plaatselijk bestuur.

Makelaars door den Koning benoemd. Art. 67 spreekt echter van loon of courtage hun door de wet of de reglementen toegelegd, (art. 54).


Niet alle reglementen, verordeningen, gebruiken, gewoonten, waar naar gelijk wij boven zagen onze Wetboeken verwijzen worden echter door een ieder tot het plaatselijk burgerlijk recht gebracht.

Betwist wordt 1quot;. het privaalrechlelijk karakter der bijzondere en plaatselijke verordeningen van art. 677 B.W.

2°. Het plaatselijk karakter der gebruiken vernield in artt. 1375 en 1383 B. W.

3(,. De wettigheid der plaatselijke bepalingen omtrent het dienstbodenrecht.

Over een en ander spreken wij later uitvoerig. Toegegeven kan hier reeds worden, dat 40. niet alle inrichtingen, waarop art. 703 B.W. verwijst, een privaatrechtelijk karakter dragen.

Later zullen wij zien dat aanspraak op erkenning wordt gemaakt door onderscheiden bepalingen, waarnaar het Wetboek niet verwijst.

Krachtens art. 738 K. zijn plaatselijke verordeningen omtrent recht van uitzicht (art. 727) ontwijfelbaar geldig. Evenzeer die omtrent gootrecht (art. 730 B.W.).

Meer twijfelachtig die omtrent de regeling van gemeene uitgangen (art. 719 B. W.) en die waarin de verplichtingen van huurders nader worden omschreven, zonder dat art. 1625 3, W. daarvan gewaagt,

-ocr page 25-

plaats. gurg. recht in verh. tot alg. burg. recht. ix

Met voorbehoud van deze punten, waarover later, is overal in de boven opgegeven plaatsen verwezen naar plaatselijk burgerlijk recht.

Immers de vraag, of de reglementen en verordeningen waarvan daar sprake was, een politiekarakter dragen, doet daartoe in het geheel niet af, omdat behalve in art. 686, waaromtrent echter artt. 738 en 730 B. W. een tegenwicht bieden, ook wordt verwezen naar gebruiken.

Belangrijk is echter het volgende op te merken. Bij de vormen van openbaren verkoop, de vormen van levering, de erfdienstbaarheden, tienden, beklemming, zeeverzekering, bevrachting, vinden wij ten onzent eene verwijzing naar plaatselijk burgerlijk recht, die in de Fransche Wetboeken ontbreekt. Wij kunnen dus sluiten met deze stelling; Er is ten

onzent plaatselijk. burgerlijk recht en veel meer dan

in het Fransche recht.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT IN ZIJNE VERHOUDING TOT HET ALGEMEEN BURGERLIJK RECHT.

In het midden latende de belangrijke vraag: in hoeverre plaatselijk burgerlijk recht bestaanbaar is ook zonder dat het Burgerlijk Wetboek daarnaar verwijst, stellen wij ons thans ten doel de onderlinge verhouding te schetsen, die in de Wetboeken zelve wordt aangegeven. Zij is niet overal dezelfde. Ter beantwoording eener andere niet minder gewichtige vraag: wat het gevolg zal zijn zoo er geen plaatselijk recht bestaat, stellen wij bij de onderscheiding der gevallen juist dit tot criterium.

I a. In art. 713 B. W. stelt het Wetboek een algemeenen rechtsregel, maar geeft hem tegenover het plaatselijk recht slechts subsidiaire kracht. Indien de daar genoemde bijzondere reglementen of vaste en erkende gebruiken niet aangeven op wat afstand hoogopschietende boomen of heggen van de scheidslinie mogen worden geplant, moet de door bedoeld artikel uitgedrukte afstand als regel gelden.

Bij de vervaardiging onzer Wetboeken werd voorgesteld.

-ocr page 26-

X PLAATS. BURG. RECHT IN VERH. TOT ALG. RURG. RECHT.

de bepalingen van art. Ó90 en 703 B. W. ook aldus te redigeeren. De regeering verhinderde zulks, deels op juiste, deels op onjuiste motiven. Ten onrechte gaf zij toe aan provincialisme, te recht vreesde zij in al te veel bijzonderheden te treden. Zij konde zich niet voorstellen, dat dit alles niet geregeld was; in hoeverre het nog geregeld konde worden scheen zij te betwijfelen, anderen niet.

I. Op geheel gelijksoortige wijze stelt art. 1618 B. W. oenen rechtsregel, waaraan zoowel een uitdrukkelijk beding in de overeenkomst, als plaatselijke gebruiken kunnen dero-geeren.

II. Zeer nabij komt art. 755 K.

De bevrachting bij de Binnenvaart wordt geregeld, in de eerste plaats, door Titel V van Boek I K. en door wettiglijk vastgestelde wetten en verordeningen, eerst bij ontstentenis door plaatselijke gebruiken. In hoeverre het plaatselijk geschreven recht derogeerend, dan wel alleen suppleercnd op het alge-meene recht zou werken, wordt hier niet aangegeven.

III. In eene grootere reeks artikelen is het plaatselijk recht alleen aanvullend, maar van dien aard, dat de aanvulling ook gemist zou kunnen worden.

Bijv. lt;?. Art. 677 B. W. Indien de verordening niet aangeeft, hoe de belangen der buren met elkander zijn overeen te brengen, beslist de rechter.

h. Art. 686 B. W. Indien geene verordening den mede-eigenaar van een gemeenen scheidsmuur verbiedt daarop eene goot te leggen, is zulks geoorloofd. De andere mede-eigenaar mag zulks niet belemmeren.

c. Art. 703 B. W. Verplichting tot het aanleggen van bepaalde werken, ten voordeele van een buurman, kan alleen door reglement en gebruik worden opgelegd. Bij ontstentenis van deze is er ook geene verplichting.

Ad a, b, c. Bij deze casus posities is het openbaar belang niet in aanmerking genomen, omdat de overwegingen van dien aard hier niet te huis behooren.

(i. De aanvullingen van art. 1375» en 1383 B. W.

veronderstellen iets bestaands, waaraan deze artikelen rechts-werking toekennen. Dat zij overigens de gewone rechtsregelen kunnen ter zijde stellen, alleenlijk niet mogen afwijken van de hoofdbeginselen van ons recht, die men wel eens bepalingen van opcpbfire orde noemt, is besliste Jurisprudentie

-ocr page 27-

plaats. burg. recht in verh. tot alg. burg. receit. xi

van den Hoogcn Raad (conclusie Adv.-Gen. Gregory tot Arrest n Maart 1859, Arrest 5 Juni 1874, conclusie Adv.-Gen. Polis tot Arrest 24 Mei 1878).

e. Art. 1619 B. W. Aan plaatselijke gebruiken wordt overgelaten aan de in dat art. genoemde, ten laste des huurders komende, reparatien nog andere bij te voegen.

f en g. Bij beurzen en makelaars treedt het plaatselijk recht alleen aanvullend op.

h. Vormen van levering volgens gebruiken van den Koophandel (Art. 670 B. W.).

Ik ben er niet zeker van, of de wetgever zich hier wel eene juiste voorstelling van de zaak heeft gemaakt, en acht het mogelijk, dat Mr. Kist gelijk heeft als hij zegt, dat hierbij in de eerste plaats aan levering bij ceelen is gedacht \'). Het liefst zou ik aannemen, dat vormen bedoeld zijn, welke door het eigenaardig kaïakter der waar een noodwendige verscheidenheid aannemen. Soms valt dit ook wel samen met toepassing van artt. 1375, 1382 en 1383, bijv. in het proces omtrent het gebruik in den moutwljnhandel, waarover de beslissingen liepen van Rotterdam 6 Januari 1858, Zuid-Holland 21 Juni 1858 en Hooge Raad n Maart 1859.

IV. Het Wetboek draagt de beslissingen aan het plaatselijk recht over met de meeste zekerheid dat dit daarin voorziet.

Dit is het geval: n. Bij de vormen van openbaren verkoop. Er is altijd een vorm, omdat die handelingen overal voorkomen.

Overigens kan het een belangrijk onderscheid in de praktijk maken, of die vorm al of niet door eene verordening is vastgesteld — die omstandigheid wordt in een volgend hoofd-stulc in het licht gesteld.

lgt;. Art. 310 K. verwijst ten aanzien van de levering van zeeschepen buitenslands naar de daar bestaande wetten en gebruiken.

Hier geschiedt de verwijzing geheel op dezelfde wijze als bij het plaatselijk recht. Of een algemeen dan wel plaatselijk buitenlandsch recht (wetten of gebruiken) zullen worden toegepast blijft uit den aard der zaak van omstandigheden afhankelijk.

V. In een aantal gevallen verwijst het Wetboek op zoo-

I) Handelsrecht III ; 30.

-ocr page 28-

xii plaats. burg. recht in verh. tot alg. nURG. recht.

danige wijze naar het plaatselijk recht, dat het licht mogelijk is dat daarin geen bepaling is te vinden, maar alsdan daaruit ernstige moeïelijkheden worden geboren.

a. In een aantal gevallen moet de afstand of de termijnen door het plaatselijk recht worden bepaald, t. w.:

aa. Hoogte en wijze der afsluiting, art. 690 B. W.

ab. Tusschenruimte, art. 703 B. W.

ac. Breedte van weg, dreef, voetpad, art. 733 B. W.

ad. Termijn voor instelling der rechtsvordering wegens gebreken, art. 1547 B. W.

ae. Termijn van opzegging van huur, artt. 1607, 1614, 1616, 1623 B. W.

af. Duur der huur, artt. 1621, 1622, 1623 B. W.

ag. Gewone huurtijd voor dienstboden, art. 1639 B. W.

Wat indien het plaatselijke recht zwijgt?

De Rechtbank van den Bosch besliste 24 Mei 1872, dat als er geen door art. 703 B. W. voorgeschreven reglementen waren, geen overtreding daarvan konde gepleegd, op verkregen recht geen inbreuk konde gemaakt worden, zoodat bij gebreke daarvan elk op eigen erf mag handelen naar goedvinden ook al benadeelt hij den buurman \').

Omgekeerd en naar mijne meening juister waren de beslissing der Rechtbank van Zwolle van 16 Jan. 1861, en het dienovereenkomstige arrest van het Hof van Overijssel van 10 Febr. 1862, dat al bestonden geen reglementen die de in art. 703 B, W. bedoelde tusschenruimte vaststellen, men toch niet alles mag doen, maar desongeacht schadeplichtig kan zijn. Nog verder ging de oude Fransche opvatting. Del-vincourt (III: 49) verhaalt ons hoe in weerwil van het bestaan der bepalingen 188—191 uit de Coutume de Paris men van oordeel was, dat de eigenaar die aan de daar geschreven voorschriften had gehoorzaamd, toch schadeplichtig was, indien de buurman door zijn bouwen schade ondervond. Men onderstelde, dat met niet genoeg zorg was gebouwd en veroordeelde dus in weerwil der uiterlijke nakoming der voorschriften tot schadevergoeding.

1) Evenzoo Opzoomkr III bl. 317 volgens wien art. 1401 B. W. niet zijn onrechtmatige daden een voorafgaand gebod of verbod eischt.

Insgelijks Diephuis III (2e druk 1857quot;) No. 641 en Systeem VI, I, (1882) bl. 283. De Fransche schrijvers denken niet zoo legisüsch.

-ocr page 29-

wetenschap en jurispr. over plaats. burgerl. recht. xiii

h. Verwijzing omtrent den omvang van recht naar plaatselijk recht met gelijk gevolg bij ontstentenis eener bepaling treft men aan in : art. 738 B. W. bij gebreke van titels bij servituten.

Hier is het plaatselijk recht dus van subsidiairen aard.

c. Gelijke verwijzing maar een uitsluitende beslissing aan het plaatselijk recht dragen op:

ca. De bovengenoemde artikelen omtrent vruchtgebruik.

cb. Opvolging van huur, art. 1635 B. W.

cc. Art. 644 omtrent Zeeverzekering.

DERDE HOOFDSTUK.

WETENSCHAP EN JURISPRUDENTIE OVER PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT.

Het is een zonderling feit, dat onze Rechtsgeleerden die het Burgerlijk Recht beoefenen, en die door de uitbreiding ten onzent aan het Plaatselijk Recht gegeven, zich hadden moeten geroepen gevoeld het eerder te ontwikkelen, dan hunne Fransche en Belgische broeders, niet alleen het veel minder doen dan zij, maar zelfs er bijna geheel en al van zwijgen en daarenboven belangrijke onderzoekingen, elders voorkomende, geheel en al voorbij gaan.

Professor Opzoomer spreekt wel over de meerdere of mindere rechtskracht der gebruiken en verordeningen, beweert met kracht zonder zich echter aan de eigenaardigheden der Fransche rechtstaal te storen, dat de Fransche schrijvers allemaal ongelijk hebben als zij eenparig beweren, dat de règlements particuliers in art. 645 C. N. niet precies hetzelfde zijn als de règlements locaux, legt nog met den grootsten ernst uit hoe zeer terecht een vruchtgebruiker uit de bosschen staken mag nemen voor de wijngaarden, zonder de kritiek door hem elders zoo krachtig tegen taal en stijl onzer wetboeken aangevoerd ook tegen het bij ons onzinnig geworden art. 816 B. W. te keeren *), doch wat hij ook verder te dier zake zegt, de reglementen en gebruiken blijven mythische wezens.

1) Prof. Diephuis kritiseert hier wel.

-ocr page 30-

xiv WETENSCHAP en JURISPR. over plaats. nURGERL. RECHT,

Prof. Diephuis gevoelt veel dieper de noodzakelijkheid van een bestaand plaatselijk recht. In eene aanteekening op art. 690 B. W. zeide hij in 1857 \'): »Vaste bepalingen zijn wenschelijk en het is dus gepast, dat daar waar geen vaste gebruiken of verordeningen bestaan, de gemeenteraad deze vaststelle. Zoodanige plaatselijke wetgeving schijnt ook overeen te komen met de bedoeling van onzen wetgever (Voorduin III, 479—482) 1)quot;, maar tot de mededeeling van hetgeen er is, althans gebleken is, is hij niet te brengen. »Eene vermelding dier gebruiken in het algemeen kan hier niet verwacht worden: wij achten daarom de vermelding van enkele niet noodigquot;. De rechter is aan die vaste gebruiken niet gehouden — zij zijn geen wet, hij spreekt hier alleen van »met inachtneming der plaatselijke gebruikenquot;.

In zijn Systeem *) vinden wij weder eene klacht over de rechtsonzekerheid. »Bij gemis aan subsidiaire bepaling is de rechter in misschien volstrekt niet zeldzame gevallen verstoken van eiken regel en missen deskundigen evenzeer een richtsnoer waarmee zij hem kunnen voorlichten. Hij, die afsluiting wenscht, maar ir. zoodanig geval verkeert, weet nu niet wat hij eischen kan en zal wanneer hij zich niet met zijn nabuur kan verstaan en daarom in rechten moet optreden, zeker best doen met in algemeene termen medewerking te vragen tot eene afsluiting op zoodanige wijze en van zoodanige hoogte als de rechter zal gelieven te bepalenquot;.

Bij die platonische klachten blijft het en toch was de hierachter medegedeelde Brielsche Verordening reeds in 1853 het onderwerp eener belangrijke gedachtenwisseling geweest in de Gemeentestem ;i) en had reeds de Jaargang 1861 van de Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Pro v.- en Gemeentebestuur in Nederland van Mr. Betz c.s. u) het opstel opgenomen van Mr. H. C. A. Thieme : Over de be-

1

In dien geest ook is No. 642 ad art. 703.

-ocr page 31-

wetenschap en jurispr. over plaats. hurgerl. recht. xv

voegdheid der plaatselijke besturen met betrekking tot de verordeningen en reglementen, waarnaar het Burgerlijk Wetboek verwijst. Deze geachte schrijver deelde daar verscheidene verordeningen mede, die wel is waar z. i. te ver gingen, maar toch aan schrijvers wensch hadden voldaan, en eenige bepalingen, die z. i. door de wet waren gewenscht, t. w. is de materie van rechten en verplichtingen tusschen de eigenaars van naburige erven en van erfdienstbaarheden, alwaar »door den wetgever le regt veel was overgelaten aan afzonderlijke reglementenquot;.

Noch Prof. Opzoomer, noch Prof. Diephuis maken van een en ander melding \'). Bij de bespreking der gebruiken bij huur gaven zij niets anders weer dan de woorden der wet 1).

Volgen zij nu het voorbeeld der Fransche en Belgische juristen door niet te spreken van een nieuw ontstaan plaatselijk recht, hetgeen trouwens in Frankrijk onmogelijk, in België wellicht had kunnen ontstaan, zoo volgen zij hen geenszins na bij de behandeling van het oude recht. Prof. Diephuis maakt zijne verontschuldiging — »hij acht de vermelding van enkele niet noodigquot;. Wij zouden meenen, dat al had hij den tijd niet gehad eene gezette studie te maken van het oude recht, dat wel was overgebleven, hij althans had behooren mede te deelen wat in de rechterlijke beslissingen als nog geldig was gehandhaafd, en zijnerzijds had moeten aanmoedigen tot nader onderzoek. Men heeft dat oude recht maar dood gezwegen, en of men er voor of tegen ingenomen is, zooveel is toch niet te loochenen, dat het als geldend recht aanspraak had op vermelding, en dat de rechtsgeleerde zoowel als de rechtzoekende burger or belang bij heeft, dat worde vastgesteld en algemeen bekend gemaakt, welk gedeelte van het oude recht nog geldt.

Terwijl de Fransche Minister van Binnenlandsche Zaken op 26 [uli 1844 een order gaf (door politieke omstandigheden onuitgevoerd gebleven) de recueillir avec soin ces usages ou règlements soit pour rectifier ce qu\'ils peuvent avoir de contradiction, soit du moins pour en favoriser rélement essentiel d\'un code rural, en terwijl in 1852 de juges de paix te Parijs

1

In liet .Systeem is Prof. Diephuis no^ niet tot de huur gekomen.

-ocr page 32-

xvi WETENSCHAP EN JURISPR. OVER PLAATS. nURGERL. RECHT.

een stuk opmaakten (dressé un cahier) pour la constatation des usages en vigueur dans cette ville, geschiedde bij ons tot nog toe niets, noch van oflicieele, noch van particuliere zijde *).

Ter eere der Fransche rechtsgeleerden zij gezegd, dat zij reeds vóór de oproeping uit zich zeiven daarmede waren begonnen. Zoo Paillet, in zijn Manuel van 1820, waar hij \'1) eene geheele reeks Coutumes mededeelt, die z. i. force de loi hadden.

Delvincourt haalt bij art. 590 C. N. aan de Ordon-nonce de 1669 Tit. XXVI, deelt ten aanzien van art. 674 C. N. art. 188—191 van de Coutume de Paris mede en verwijst den practischen jurist nog naar de Commentaren op die Coutume van Desgodets en Goupy. — Op die werken wordt ook verwezen door Duranton MarcadÉ ad art. 1754—1756 C. N. en zelfs Laurent ad art. 1758.

Eene reeks van geldende Coutumes en Usages vindt men medegedeeld door Duvergier, bijv. bij den termijn voor de vices redhibitoires, met verwijzing naar een werk van Legat over die stof (1: 494), verder Deel IV N0. 38—Nquot;. 74 van bl. 63—83 over die bij de Congés.

Troplong ■\') geeft de laatstgenoemden aan ad art. 1736 N0. 407—417\'\') en zegt ten aanzien van de termijnen waarop de huur moet betaald worden het volgende; »Plusieurs coutumes anciennes avaient réglé eet usage. Les pays qu\'elles gouvernaient et qu\'elles régissent encore par la force, qui s\'attache a l\'usage, auront recours a leurs dispositions dans le silence de la Convention.quot; Een zevental deelt hij daarbij mede 2).

1

Introduction p. 21,

2

lb. No. 318.

-ocr page 33-

wetenschap en jurispr. over plaats. durg. recht. xvii

Louis Tripier haalt in zijne uitgave der Codes \') op art. 663 C. N. aan 13 artikelen uit 11 Coutumes, op art. 671 één art. van één Coutume, op art. 674 86 art. uit 34 Coutumes en een «Usance et lois particulières de la ville et faubourgs de Rennesquot;, op art. 1736 twee, op art. 1758 vijf en op art. 1759 tien bepalingen, allen uit Coutumes1).

Het voorbeeld der Fransche juristen wordt mede gevolgd door Laurent. Hij behandelt niet alleen verscheidene rechterlijke beslissingen omtrent die usages, zelfs waar wij zulks niet verwachten:)), maar deelt over de Belgische coutumes nog het een en ander mede, bijv. dat terwijl volgens die van Antwerpen (Brussel 8 Aoüt 1879), Kortrijk en Gent de duur der stilzwijgende wederinhuring door den rechter werd bepaald, de meeste anderen een vasten termijn van een jaar en zes weken vasthielden. In de Pasicrisie Beige van 1852 komt volgens zijne mededeeling een overzicht voor der geldende artikelen van de verschillende Coutumes.

Twee voorbeelden hoe de oudere Fransche juristen het vroegere met het latere recht trachtten te verbinden. Art. 203 van de Coutume de Paris verplichtte degenen die bouwden, op straffe van schadevergoeding, aan de mede-eigenaars van een gemeenen muur aanzegging te doen omtrent de daaraan door een anderen mede-eigenaar voorgenomen werken. Del-vincourt b) is van meening, dat ten gevolge van de verwij-

1

Cf. Svrev, ad art. 671 No. 8 —13. Dezelfde verwijst ad art. 1736 No. 5 e11 Suppl. ad art. 1736 No. 2 naar de aangehaalde plaatsen van Duvergier en Troplong,

-ocr page 34-

xviii wetenschap en jurispr. over plaats. burg. recht.

zing naar plaatselijke gebruiken in art. Ó74 C. N., deze bepaling bij de daarbedoelde werken nog moet worden opgevolgd.

Duranton \') acht de bepaling van art. 1 van Titel XVII der Ordonnantie van Karel IX van 4 Febr. 1567, vernieuwd door Hendrik III den 2ien Nov. 1577, nog toepasselijk. Daar was den dienstboden, op straf van boete, verboden de dienst hunner meesters vóór het einde van den diensttijd te verlaten. De boete was ten gevolge van de niet-opneming in de nieuwe wetgeving wel vervallen, maar het beginsel toch gebleven, welks overtreding thans aanleiding gaf tot schadevergoeding, bestaande in datgene wat de meester meer had moeten uitgeven, van het oogenblik af van het heengaan tot aan het einde der huur.

In België zal men nog vele gegevens omtrent plaatselijk recht kunnen putten uit de rechterlijke beslissingen. Van vele waren wij niet in staat te onderzoeken, in hoeverre de rechter geschreven Coutumes ten grondslag van zijne uitspraak had gelegd1). In enkele wel. Zoo deed de Rechtbank te Antwerpen op 27 Maart 1852, ten gevolge der verwijzing van art. Ó74 C. N., recht op art. 54 van tit. LXII der Costuymen van Antwerpen van 1582; zoo besliste de Rechtbank te Termonde 29 Nov. 1867, dat in het gebied van de Coutume van Aelst eene huuropzegging, gedaan volgens art. 435 van de Rubriek 14 dier Coutume, rechtsgeldig was en men niet gerechtigd was een ander usage in die plaats te bewijzen.

Hoogst merkwaardig is nog de volgende beslissing dei-Rechtbank van Brussel van 8 Aug. 1873: wijl de Coutume van Liers zweeg over den termijn van huuropzegging, moet

1

Men zie Beltjens, Codes Beiges annotés 1880:

Ad art. 671 C. N.: (ons art, 713 B. W.)

No. 5. Afstand in Nivelle les Bois, Canton d\'Eghezée.

No. 8. Usage constant de Diest.

No. 13. In het land van Termonde is geen afstand bepaald. Recht-bank te Termonde, 7 Jan, 1870.

Ad art. 1648 C. N. (ons art. 1547 B. W.);

No. 2, 5. L\'usage du pays is 6 weken. Brussel 28 Feb. 1844, Gent 15 Dec. 1851.

-ocr page 35-

WETENSCHAP EN JURISPR. OVER PLAATS. BURG. RECHT. XIX

men die van Antwerpen ook op \'t rechtsgebied der eerste toepassen.

Ook onze jurisprudentie stelt ons niet geheel en al te leur. Wij hebben verschillende uitspraken van onderscheiden tijdstippen en allerlei provinciën, waarin de termijn van art. 1547 B. W. bij verkoop van beesten op zes weken was bepaald \'). Dan eene niet onbelangrijke omtrent de betalingstermijnen van huur van huizen in Nijkerk op het oude aan verhuurd -), waar wij, naar het schijnt, met eene onbeschreven gewoonte te doen hebben. Ook bij de eerstgenoemden is geen beroep gedaan op eene verordening. Dit vinden wij daarentegen in de volgende uitspraken. De Rechtbank van Tie! heeft in eene zeer oude uitspraak a) ten aanzien eener tiendkwestie beslist, dat aangezien te Zuilichem niet bleek van een ander gebruik ten aanzien van opzegging, dan vroeger onder het Landrecht van Tieler- en Bommelerwaarden, «waarin veelal de oude gewoonten waren opgenomenquot;, gold, uit art. 14 cap. 35 van dat Landrecht is af te leiden, dat bij alle noodige opzegging een termijn van 4 maanden vóór den uitgang der huur moet worden in acht genomen.

Ad art. 1736 C. N. (ons art. 1607 B. W,);

Huuropzegging;

No. 1. Usage te Leuven.

No. 6. Voor kamers in Brussel.

No. 10. Voor Canton Paschendael No. 18. In Brabant.

No. 22. Canton Hollogne aux Pierres.

No. 24. Te Glons.

No. 27. Te Antwerpen.

Ne. 30. Te Dison en Kanton Limburg,

No. 31. Te Ensival.

Ad art. 1755 C. N. (ons art. 1619 B. W.);

No. 3. Te Luik.

Ad art. 1759 C. N. (ons art. 1623 B. W.);

No. 9. Onder het gebied van de Coutume van Doornik.

1) Kanton Bergum (Friesland) 26 Jan. 1842, Rechtb. Breda 5 Jan. 1847, Rechtb. Assen 11 Sept. 1848 omtrent het gebruik te Rolde, Rechtb. Maastricht 29 Juli 1882 omtrent het gebruik in lu\'t gehucht Keimit, gein. l\'.eek) arrend. Maastricht.

2) Kanton Nijkerk 27 Feb. 1863, R. B. 1864: 111.

3) Zonder dagteekening, te vinden W. 464.

-ocr page 36-

xx wetenschap en jurispr. over plaats. burg. recht.

Verder is merkwaardig de volgende overweging uit een vonnis der Rechtbank van Maastricht \'):

»0. dat alhier de rede is van de verhuring van een huis te dezer stede gelegen, in 1841 zonder schrift tegen den huurprijs van f go op het jaar besloten, en nopens welke geen bepaling van huur is opgegeven;

»0. dat de huurtijd, bij gebreke van zulke bepaling, volgens het plaatselijk gebruik behoort te worden geregeld, en alzoo ter zake moet geacht worden de eerste maal tot het begin van April of Oct. na de verhuring en telkens van half jaar tot half jaar en tot in het loopend jaar te zijn aangegaan ;

»0. dat dit dus bij de Stedelijke Ordonnantie van 11 Oct, 1740 vastgesteld isquot;1).

De allerbelangrijkste beslissing is echter die van het Kantongerecht te Groningen van 30 Mei 1842, die wij in haar geheel met de schriftuur van den gemachtigde, behoudens eenige bekortingen, overnemen :l):

Er was eene gecontinueerde huur en de kwestie, die pp. verdeeld hield, was deze : of tijdig opzage was geschied.

Door den eischer in cas van verzet werd bij monde van Mr. A. Paehlig het volgende aangevoerd;

«Aangezien er door den wetgever bij het bepalen van den termijn van opzage uitdrukkelijk wordt verwezen naar plaatselijk gebruik, het er regtens voor moet worden gehouden,

1

Dit is de hierachter bi. 110 medegedeelde bepaling der Recessen bl. 153 No. 10. Uitgave Lambert Bertus, 1719.

-ocr page 37-

wetenschap en jurispr. over plaats. hurg. recht. xxi

dat hij zulks niet aan des regters oordeel wilde overlaten, maar integendeel door deze uitdrukkelijke verwijzing moet geacht worden een bepaalden en op wettig gezag steunenden termijn te hebben bedoeld, waarom dan ook de vraag: wat in casu constant gebruikelijk is — bij gebreke van stipulatie als vaste basis en als wettigen termijn van opzage — uitwendig moet worden gemaakt uit de historie van het regt in deze materie;

A. toen door het Wetb Lodavijk Nap. in 1809 de eerste wetgeving tot stand kwam en daardoor de bestaande chaos van wettelijke bepalingen werd afgeschaft, in alle de materien bij het Wetboek niet behandeld verwezen werd naar de andere wetten in de gevallen, waarin bij die wetgeving niet was voorzien (art. 5, 1501 en 1502 van opgemeld Wetb.), waaruit blijkt, dat dit speciaal het geval is met den termijn van opzage;

A. toen door de magtspreuk des Franschen Keizers: la Hollande est rèunie a l\'empire, de bestaande quasi nationale wetgeving in 1811 werd vervangen door de invoering van den C. N., ook dat Wetb. hetzelfde in dit opzigt bepaalde: art. 1759 en 1738, Paillet, noot 1 op art. 1 C. N. en noot 3 op art. 1759, alsook naar costumes verwijzende, hetwelk insgelijks door den Ned. wetgever van 1838 is opgevolgd geworden, art. 1 sub 2 van de wet omtrent de afschaffing der nog in werking zijnde wetboeken, 1609 B. W. (Martini in noot 3 op het art. 1623 eod.);

A. deze wetten voormeld dus verwijzen naar vroeger constant gebruik, en dit gebruik geregeld is naar de vroegere hieromtrent bestaan hebbende positive bepalingen verval in de Stads Constitutie, art. XV1.

Dienovereenkomstig werd het vonnis gewezen in de volgende bewoordingen — post alia:

O. dat dus de verhuurder, wil hij den huurder het verhuurde doen ontruimen, zich moet regelen naar de plaatselijke gebruiken;

Gezien art. 1736, 1738 en 1759 C. N.;

O. dat om te beoordeelen. wat in materie van opzage van huizen, die gedurende meerdere jaren zijn verhuurd geweest, plaatselijk gebruik is, men bij gebreke van stellige wetsbepalingen noch in het Wetb. Nap., ingerigt voor het K. Holland,

-ocr page 38-

XXII WETENSCHAP liN JUR1SPK. UVEK PLAATS. BURG. RECHT.

noch in het Fransch Burg. W., noch in het thans vigerende Wb. te vinden, moet recurreeren tot het oud Vaderlandsch regt, als het meest op de zeden en gewoonten alhier te lande gebaseerd en hetwelk nog in vele zaken tot rigtsnoer is dienende, en welk laatstgenoemd regt de opzage van huizen bepaalt een half jaar vóór den verschijndag der huren;

O. dat hiertegen niet obstcert de gewoonte om bij schriftelijke huurcontracten den tijd van opzage gewoonlijk te bepalen drie maanden vóór den verschijndag der huur, welke bepaling veeleer moet worden beschouwd als eene uitzondering op hetgeen anders algemeen regtens zou zijn en waaromtrent aldus geldt de regel exceptio firmat regulam in casibus non exceptis;

Gezien art. van de Stads Ordonnantie op verhuring van huizen;

Verstaan dat de opzage .... te laat is gedaan.

Het zijn alle oude uitspraken. Nieuwere vindt men in dezen geest niet. Toevallig is zulks m. i. niet, — het hangt samen met eene ommekeer van gedachten, die in onderscheiden opzichten heeft plaats gehad en op de ontwikkeling van ons recht niet alleszins gunstig heeft gewerkt.

Men kan zulks bijv, waarnemen bij een Vonnis van hel Kantongerecht te Tilburg van 4 Mei 1883, te vinden in W. 4947.

Hoofdstuk XVI van de Algemeene Politie-Verordening der Gemeente Tilburg, van 10 Juli 1876, bevat in artt, 199—211 bepalingen welke geheel en al overeenstemmen met die der thans geldende Alg. Politie-Verordening van 14 Dec. 1887. In art. 206 wordt daar aangegeven wat plaatselijk gebruik is ten aanzien van termijn van opzegging en art. 210 ten aanzien van den tijd van ontruiming. De lezing van het Vonnis geeft mij den indruk, en zal het naar ik vermoed elk een geven, dat noch den Kantonrechter, noch den gemachtigden van de partijen deze artikelen voor oogen stonden, die toch m. i. ten deze volgens de wet (B. W. 1607, 1623 jcto 1373 B. W.) mede toepasselijk waren.

-ocr page 39-

o. en n., gicschr. en ongescur. pl. burg. recht. xxiii

VIERDE HOOFDSTUK.

OUD EN NIEUW, GESCHREVEN EN ONGESCHREVEN PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT.

In de hierachter medegedeelde Verordeningen zal men bespeuren, dat de meening van Mr. G. de Vries Az. in 1842 neergeschreven, dat waar in ons Wetboek sprake is van reglementen, gedacht moet worden aan politie-reglcmenten en dat de gebruiken heilig moeten worden gehouden, zoodat geen Gemeenteraad ze zelfs zou mogen constateeren, nog vele aanhangers telt. Reeds de uitzondering, die Mr. Thieme in 1865 maakte, betrekkelijk de reglementen van art. 733 wierp het stelsel omver, afdoende is het m. i. weerlegd door Mr. A. Teixeira de Mattos \') en wijl ik vroeger uitvoerig rekenschap van mijne daarmede overeenkomstige meening heb gegeven, kom ik er thans niet op terug quot;J). Theoretische verdediging treft men in de laatste 20 jaar niet aan, en wanneer men ziet hoe mannen als Mr. J. Kappevne van de Coppello, A. de Pinto en M. Eyssell medewerkten tot de\'sGraven-haagsche Verordening, hoe in de Fransche Literatuur zich geen enkele stem daarover laat hooren, raeenen wij met Mr. Teixeira de Mattos thans als uitgemaakt te mogen stellen, dat bij zulke bepalingen in Gemeente-Verordeningen:

1°. geen strafbepaling mag voorkomen;

2°. dat mededeeling aan Gedeputeerde Staten daarbij niet is voorgeschreven;

3quot;. dat B. en W. niet bevoegd zijn tot wegneming van hetgeen in strijd met deze bepalingen is tot stand gebracht en

4°. dat tot onderzoek geen last tot binnentreding van iemands woning mag worden gegeven.

Uit de mededeelingen der Fransche en Belgische Juristen en uit de uitspraken in t laatstgenoemde land en ten onzent, is verder niet alleen reeds duidelijk geworden, dat een deel van het Burgerlijk Recht onzer Republiek thans nog geldt, maar dat, waar er niet door nieuwe Verordeningen in voor-

1) Themis 1875, bl. 1.

2) R. Bijdragen en Bijblad II : 8l volgg. Men bedenke ook wel dat Mr. de Vries vóór het tot stand komen der Gemeentewet schreef en dus van deze niet eene uitlegging of verdediging geeft.

3) Zie de beraadslagingen hierachter mede te deelen bij deVerordening zelve,

-ocr page 40-

xxiv o. en n,, geschr. en ongeschr. pl. burg. recht.

zien is (stel dat de Gemeentewet zulks toelaat, waaraan ook Prof. Diepmuis niet twijfelt), menige partij en menig advocaat eene zeer onaangename verrassing kunnen ondervinden, wanneer hun tegenpartij plotseling met een niet afgeschafte bepaling eener oude Verordening voor den dag komt \'), in de materiën waar de wetboeken naar reglementen of gebruiken verwijzen. Wij hebben zonderling genoeg er ons nooit om bekommerd, en het einde daarvan was, dat de Rechter herhaaldelijk op de meest apodiktische wijze uitmaakte, dat dit of dat naar zijne wetenschap plaatselijk gebruik is. In drie arresten heeft de Hooge Raad beslist, dat zulk een uitspraak voor cassatie niet vatbaar is 1). Uit een juridisch oogpunt is daartegen m. i. niets in te brengen, maar het leidt tot het resultaat, dat eene behoorlijke motiveering, omtrent den grond van het gebruik, hetzij eene geschreven verordening, hetzij een in handelingen zich openbarend gebruik, allicht zal ontbreken 2). De moeielijkheden, welke den rechtsprekenden rechter bij het vinden van den rechtsregel niet uit de hand zijn genomen, leiden hem uit den aard der zaak ter vermijding van een kostbaar en langdurig getuigenverhoor tot het doorhakken van den Gordiaanschen knoop. Daarmede wordt \'t publiek

1

H. R. 10 April 1884, W. 5025, 26 Maart 1885, W. 5152, 27 Maart 1885, W. 5157. De beslissende overweging in het eerste arrest luidt aldus: »dat de wet geen voorschrift geeft omtrent de wijze, waarop de rechter tot de kennis van het bestaan eener rechtsgeldige gewoonte behoort te komen, en hij dus niet alleen bevoegd is zich daaromtrent te doen voorlichten op zoodanige wijze, als hem meest geschikt voorkomt, maar ook indien hij meent daaromtrent geen inlichting te behoeven en haar volgens de bij hem bestaande eigene wetenschap kan toepassenquot;.

2

In de tweede zaak trok de advocaat des eischers, Mr. L. Wen-maekers, toen hem de eerste uitspraak van den H. R. bekend werd, niet alleen het middel in, waarin dc beslissing door eigen wetenschap werd afgekeurd, maar 00U bet volgende: »clat noch het arrest nocli de vonnissen behelzen waarop de zoogenaamde eigen wetenschap bij den Rechter betrekkelijk het plaatselijk gebruik te Berlicum bij opzegging van huur steunt, hetzij op de uitlegging van een aldaar geschreven costuum, hetzij op de aanneming van een gebruik aldaar, dat op geen zoodanig systeem rust.\'\'

-ocr page 41-

O. UN N., GESCHR. EN ONGESCHR PI- BURG. RECHT. XXV

maar half geholpen: immers had de rechter zijn uitspraak op eene voor allen toegankelijke Verordening doen steunen, zoo was het rechtsbestaan daarvan te onderzoeken en indien zulks gunstig uitviel eene regel gevonden, waarnaar men in gelijksoortige gevallen zich konde gedragen 1).

Toch is des rechters dictatuur nog niet zoo erg als wanneer hij gebruiken laat vaststellen door personen, die hij niet moest raadplegen.

Bij een Vonnis van de Rechtbank te \'s Gravenhage van i Feb. 1859 2) moest beslist worden over de tusschenruimte die tusschen een schoorsteen en stookplaats en een gemeene muur moest worden gelaten. In het Vomiis komt voor, dat »volgens het bericht van deskundigen de plaatselijke gebruiken te dezer stede medebrengen dat er bij het daarstellen van dergelijke werken een tusschenruimte van 12 Ned. duimen van een gemeenen muur als in casu gelaten wordenquot;. Die deskundigen zijn nu blijkbaar de in eene volgende U. genoemde «Commissie van Toezicht op het bouwen in de Gemeentequot; geweest, »die in de plaats is getreden van de voormalige rooimeestersquot;.

Volgens onze Gemeentewet heeft nu wel de Gemeenteraad de bevoegdheid den eigendom te beperken en volgens het B. W. konde hij ten gevolge van art. 703 B. W. bij verordening den afstand bepalen, maar niet de plaatselijke Commissie van Toezicht op het bouwen. Aan deze, die de

1

Het publiek is niet gediend met rechtsonzekerheid. Menigeen wil gaarne aan de wet voldoen, maar heeft dan ook aanspraak daarop, dat opofferingen met de beste bedoeling gedaan niet blijken te vergeefs te zijn en zelfs straf na zich te sleepen. Een voorbeeld: In zekere Gemeente waren eenige tappers, die hunne winkelnering even gaarne wilden behouden als gehoorzamen aan de drankwet. Om dit doel te bereiken zonden zij plannen van verbouwing hunner woningen in aan Gemeentebestuur en Gedeputeerde Staten en deden wat hun werd aangezegd. Desniettemin werden zij strafrechtelijk vervolgd. Indien nu de rechter oordeelde, dat Gemeentebestuur en Gedeputeerde Staten door verkeerde opvatting der wet een min juiste raad gaven werden zij veroordeeld en mochten zelfs niet meer hun tappersbedrijf voortzetten. Ol dit de eind-uitslag van het Proces is geweest is mij onbekend. Toch zal ieder moeten toestemmen dat dergelijke inrichting van de Strafwet onbillijk werkt. De oude manier, die in het bevelen van voorzieningen met civielrechtelijke werking bestond, verdient zonder twijfel de voorkeur.

2

W. 2076.

-ocr page 42-

XXVI O. KN N., GKSCHR. EN ONGESCHR PI.. 1!URG. RECHT.

Gemeenteraad bij eene eventueele verordening slechts zou voorlichten, het constateeren der plaatselijke gebruiken over te laten schijnt mij geheel ongewenscht.

En wat de rooimeesters betreft, zoo hebben zij in één opzicht eene minder gelukkige herinnering nagelaten, doordien hun titel met de geheimhouding van vóór 1848 is verbonden \').

Kortom de wenschelijkheid kan niet genoeg herhaald worden, dat de gemeentebesturen daar waar het B. W. van hen eene aanvulling eischt, zonder welke de bepalingen der wet niet volledig uit te voeren zijn, zich aan de uitvoering daarvan niet zullen onttrekken.

Prof. Diephuis en Mr. Thieme spraken in dien geest reeds vóór 25 a 30 jaren. Wel verre dat de gemeente-verordening hierdoor den naam zou krijgen zich te veel niet \'s burgers zaken te bemoeien, zoude zij veeleer bevonden worden door verzuim hem aan groote moeielijkheden bloot testellen.

Hier konden wij overgaan tot een overzicht van hetgeen do plaatselijke verordeningen reeds hebben tot stand gebracht en wat nog niet, ware het niet dat eene zeer belangrijke vraag al onze aandacht verdient, t. w. in hoeverre de verordeningen mogen treden op het gebied der gebruiken.

Moesten wij daarbij komen tot eene ontkennende beantwoording, zoo zoude het oude recht nog gelden, voorzooverre daar iets is tot stand gekomen wal niet is afgeschaft. En voorzooverre ook daar geene regel is te vinden zoo zouden wij staan voor eene fout in onze wetgeving, -) die hoe eer zoo

1) Prof. S. Vissering vertelde mij dienaangaande hel volgende voorval uil zijne praktijk van vóór 1848 — hetgeen tevens aangeeft hoeveel wij aan de hervormingen van ïhorbeckk te danken hebben. Namens iemand, die aan \'t bouwen was of beginnen wilde, vroeg hij aan de rooimeesters de verordening op het bouwen. »Die krijgt gij nietquot;, was het antwoord. :gt;Maar dan weet hij die bouwt niet waaraan zich te houden.quot; »Dat behoeft ook nietquot; was het wederantwoord. «Als hij verkeerd doet zullen wij hem wel rakenquot;.

2) Moe vele moeijelijkheden een getuigenbewijs omtrent plaatselijke gebruiken aan partijen kost, en hoe weinig vertrouwbaar de resultaten daarvan zijn, daarvan leveren de volgende uitspraken bewijs.

Vooreerst een arrest van het Hof te Arnhem, van 28 Dec. 1881, W. 4778, handelend over den opzeggingstermijn van huur van een uit een huis en erve bestaand boerenerf te Ambt Vollenhove, waar op dit punt geen

-ocr page 43-

O. ENquot; N., GESCHR KN ONGESCH. PL. BURG. RECHT. XXVJl

beter moet worden verbeterd. Of er moet floor verordeniDg of wetenschappelijk onderzoek vastgesteld worden wat krachtens

verordening bestaat. Het geding werd gevoerd tusschen de Kerkvoogden der Ned. Hervormde Gemeente van Stad en Ambt Vollenhove, Eischers en Geïntimeerden en een harer voormalige Pachters, Gedaagde en Appellant,

Appellant had tot levering van het hem opgelegde bewijs dat de opzegging in een geval als dit moest geschieden minstens een jaar voor het verstrijken van den huur van het land voorgebracht vijf Getuigen die allen pertinent in zijn geest verklaarden. Toch werd hij zoo in eerste aanleg als in hooger beroep in \'t ongelijk gesteid. De betrekkelijke overweging van het Arrest luidt:

»0. dat de appellanten hebben aangeboden het bestaan van gezegd plaatselijk gebruik te bewijzen en zij, tot dat bewijs in de vorige instantie toegelaten, een vijftal getuigen hebben voorgebracht, die zeer zeker allen pertinent hebben verklaard, dat het gebruik in Ambt-Vollenhove zoo bestaat, als dat door de appellanten is gesteld; dat echter twee hunner dit oordeel met geen enkel voorbeeld hebben kunnen staven, en anderen wel gevallen hebben opgenoemd, waarin was gehandeld overeenkomstig het beweerde gebruik, doch dat die gevallen voor eet» deel betrefTen onbehuisd land, terwijl de overblijvende gevallen te weinig in getal en niet sprekend genoeg waren, om daaruit met zekerheid het bestaan van een plaatselijk gebruik te kunnen afleiden, zoodat, met daarlating van hetgeen de contra-enquête voor tegenbewijs mag hebben opgeleverd, uit de gehouden verhooren het besluit moet worden getrokken, dat de appellanten in het door hen aangeboden bewijs zijn te kort geschoten.quot;

Het sterkste daarbij was dat Appellant aanbood te bewijzen dat 4 der Getuigen der contra-enquête pachters der geïntimeerde Gemeente en twee hunner aanverwanten in den 2en graad van een der toen dienstdoende Kerkvoogden waren. Het Hof gebruikt hunne verklaring dan ook niet, maar vordert een zeer streng bewijs omtrent het plaaiselijke gebruik en wees zelfs een subsidiair aanbod van deskundig onderzoek af.

De tweede uitspraak is een Vonnis van het Kantongerecht te s Gravenhage van 21 Aug. 1885 omtrent den opzeggingstermijn bij huur van gestoffeerde kamers. Aan de eene zijde werden 6, aan de andere 9 Getuigen voorgebracht, wier verklaringen men in het Vonnis medegedeeld, W. 5246, uitvoerig kan lezen. Als Getuigen traden op iemand, die jaren lang op kamers had geleefd, anderen die jaren lang kamers hadden verhuurd, een Inspecteur van Politie en een Dagbladredacteur. De Getuigen stonden in hunne verklaringen tegenover elkander en de rechter moest uit het meer of min pertinente, de meerdere of mindere onmiddellijke waarneming dezer Getuigen een resultaat opmaken. Opmerkelijk was dat een dergelijk Proces tot een geheel gelijk resuliaat reeds op 16 Sept. 1844, W. 542, had geleid. Het schijnt partijen en

-ocr page 44-

XXVIJ1 DE USAGES IN HET FRANSCHli RECHT.

unci en nieuw recht bij opzegging van huur, voortduur van huur enz. rechtens is, of de Wetgeving moet op dit punt worden veranderd. Edoch wij weten het allen: de wetgevings-niachine werkt traag eu lang niet altijd goed.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE USAGES IN HET FRANSCHE RECHT.

De nagenoeg algemeene opvatting onder de theoretici schijnt deze te zijn: gewoonten en gebruiken zijn vrije handelingen der personen, die door de eenparigheid en de voortdurende herhaling recht maken. De wetgever heeft aan deze handelingen rechtskracht toegekend — daar mag dus de gemeente-wetgever niet tusschen beide komen. Ook zou het in schrift brengen dier gebruiken niets helpen; immers, of men volgt de gebruiken zooals zij zijn neergeschreven en dan regelt de rechter zich daarnaar — zij zijn het waarop alles aankomt, of de ter neer geschreven gebruiken worden niet gevolgd en dan heeft het schrift geene beteekenis hoegenaamd \').

Aan deze bedenkingen heeft de praktijk zich niet gestoord en m. i. te recht. De redenen waarom ik meen, dat zij op dezen weg behoort voort te gaan, zij het mij vergund thans te ontvouwen.

Het was geen mindere persoon dan Merlin -), die door het gezegde, dat het usage «n\'est fonde que sur le concours de la volonté tacite du peuple, qui l\'observe avec la volonté tacite du législateur qui la laisse observerquot;, de dwaling voortbracht of bevestigde, en wederom een zeer bekwaam jurist, Touillier, die door zijne woorden: »Les anciennes coutumes rédigées par écrit étant abrogées, il ne peut plus être question

ook den rechter ontsnapt te zijn en zoo kan het ook wel zijn dat deze uitspraak van 1885 op hare beurt niets meer zal beteekenen dan eene beslissing tusschen partijen en zelfs als antecedent niet genoemd wordt. De moeite aan het onderzoek besteed verdiende althans beter lot.

1) Mr. v. Karnebeek, Bijdr. 1867 bl. 64, had zich voor de optee-Uening der gebruiken verklaard.

2) Répertoire in voce Usage § I sub in.

-ocr page 45-

de usages in het fransche recht xxix

que des usages non écritsquot; \'), haar verder ontwikkelde, zoodat wij nagenoeg denzelfden gedachtengang bij Dalloz terugvinden. Intusschen andere uitingen bij deze juristen leiden tot eene omgekeerde uitlegging hunner woorden.

Immers omschreven én Merlin én Touillier weinige regels vroeger de usage in tegenstelling tot de coutume aldus: Te Rome beteekenden beide hetzelfde, maar avant la revolution on distinguait en France les Coutumes et les Usages. On appelait coutumes ies régies introduites par les moeurs des peuples et que Vautorité legislative avait fait rédiger par écrit, et usages celles dont il n\'existait point de redaction ordonnée au npprouvée par le Souverain. Evenzoo onderscheidt Duranton usages confirmés par une loi formelle en usages qui n\'ont point été expressément confirmés par line loi formellequot;-*), MarcadÉ het droit écrit, e\'est a dire qui a été promulgué, qui a im auteur détenniné, et droit non écrit ou coutume qui s\'est établi par l\'usage des peuples et le con-sentement tacite seulement du législateur ■\'), en, voegt hij er bij, le droit écrit pourrait n\'avoir jamais été rédigé, ce qui ne 1\'empêcherait pas de mériter le nom de droit écrit, le droit non écrit pourrait avoir été l\'objet d\'une rédaction ayant pour but de le constater. En un mot, les expressions droit écrit, droit non écrit signifient droit promulgué, droit non promulgué. In denzelfden geest Demolombe 4): Droit écrit et droit non écrit signifient indépendamment du fait matériel de la rédaction, l\'origine différente des lois suivant qu\'elles émanent d\'un auteur certain (droit écrit) ou seulement de la coutume et de l\'usage (droit non écrit); Zachariae 5): Droit civil est écrit ou non écrit suivant, qu\'il repose sur une déclaration expressée ou sur une déclaration tacite (coutume, consuetudo).

De meening, dat usages zouden zijn een reeks eenparige handelingen zonder dat tusschen de handelende personen van eenig besluit sprake is, vindt dus wel steun in de eerst-

1) No. 158. Zie in No. 159 de voorwaarden voor rechtskracht van een usage uniforme, public, multiplié, observé par la généralité des habitants, léitéré pendant un long espace de temps.

2) Titre préliminaire No. 101, 102.

3) Introduction, ch. I: tv, p. 18.

4) I. bl. 18, 21.

5) Ed. Aubry et Rau, § 22.

-ocr page 46-

xxx de usages in het fkansche recht.

medegedeelde zinsnede van Merlin, doch is in strijd met de laatste. Deze nu, die overeenkomt met de historische toestanden in Frankrijk en door al de latere schrijvers gedeeld wordt, voorzoover ik kan nagaan, is m. i. de eenige juiste. Usage en coutume hebben dus tot criterium de goedkeuring van de hoogste macht in den staat. Eene coutume was uit den aard der zaak schriftelijk, zonder dat konde zij niet medegedeeld zijn geworden; usage konde, maar behoefde zich niet alleen in handelingen te openbaren \'.

Zoo is het verklaarbaar, dat de Fransche schrijvers op de artikelen van de huur, die naar de usages des lieux verwijzen, nog toepasselijk achten een aantal artikelen uit de oude coutumes. Trouwens zij hadden eene gewichtige autoriteit voor zich. Cambacerés had bij de verdediging der Invoeringswet van 7 Ventose an XIIquot;1) er op gewezen, dat o. a. in de Titels du Louage en des Conventions en general on avait été forcé de renvoyer aux loix anciennes sur les dé-veloppements et l\'application de diverses dispositions du Code Civil.

En toch, al waren de Coutumes ook niet afgeschaft, voor zoover het Wetboek zelf naar de Usages verwees, konde men in een anderen zin wel beweren, dat zij geheel en al waren afgeschaft, d. i. hun het hen van usages onderscheidend kenmerk was benomen en er voortaan evenmin als te Rome tusschen usage en coutume eenig verschil zou zijn.

Wij leeren de officieele bedoeling der Regeering uit de rede van Cambacerès. Aan den eenen kant konde men aan de lois anciennes niet meer dezelfde autoriteit toekennen als aan den Code. »D\'un autre cote on ne pouvait se dissimuler qu\'il est au dessus de la prevoyance humaine de tout embrasser dans les lois. C\'était encore un avantage de ne pas öter aux Tribunaux le secours, qu\'ils pouvaient trouver dans les lois antérieurss pour se fixer lorsque le C. C. ne leur offrirait point de lumière. — Le Conseil sortit de eet embarras par un sage tempérament: il öta aux dispositions anciennes relatives a des cas non prevus par le C. C.

1

Exposition des motifs, V : 284.

-ocr page 47-

de usages in het fransche recht. xxxi

le caractère de loi et decida en consequence, qu\'elles «e donneraient jamais ouverture a la cassation des jugements, mais il leur laissa le caractère de regles, de manière que les juges pussent les prendre pour guide du C. C. II en résulte même eet avantage, que les tribunaux ne sont pas obliges de se confinner servilement a ce qu\'il peut y avoir dans ces anciennes dispositions.quot;

De meening, dat onder usages dus alleen eene reeks handelingen is te verstaan, vindt dus hier de meest officieele weerlegging. De rechter konde zeer zeker alleen recht doen op dergelijke gebeurtenissen, maar ook op de niet afgeschafte règle zonder zich angstig om de voortdurende toepassing te bekommeren of daarnaar te vragen.

Ging nu Duvergier \') o. i. wel wat ver toen hij zeide-»Aujourd\'hiii les dispositions des Coutumes ont perdu leur force légale. Cependant lorsque dans certaines localités les dispositions des Coutumes auront continué a être suivies elles pourront servir de guide aux tribunaux et les aider a démêler l\'intention veritable des partiesquot;, zoo is in allen gevalle tegenwoordig de leer anders: men onderscheidt, of de wet naar een usage verwijst of niet — in het eerste geval maakt zij een deel uit der wet en is cassatie mogelijk, in het laatste geval niet. Zoo Duranton Demolombe ■\'), Laurent *), de laatstgenoemde met verwijzing naar een arrest van het Hol van Cassatie van 7 Feb. 1872 1), wat die kwestie, zooals Laurent zegt, zoo eenvoudig heeft gevonden, dat men het niet de moeite waard vond de uitspraak te inoti-veeren. Dalloz gaat nog verder en zegt, dat in die materies, welke niet door den Code zijn bestreden, en waarin oudtijds

1

5; Dalloz, Recueil 1872 I : 129.

Anders was de oudere beslissing van 23 Feb. 1814, volgens welke les arrets qui constatent la coutume locale en matière de congés échap-pent a la censure de la Cour de Cassation. Mr. Omvikr, in Themis V ; 438, nam insgelijks aan, dat cassatie openstond tegen een gebruik, waarnaar de wet verwees, waartegen Mr. Leon, in de aanteekening op art. 3 A. B.. de bedenking uitte, dat zulks wel op het feitelijke der beslissing zou afstuiten.

-ocr page 48-

DE USAGES IN HET FRANSCHE RECHT.

of het Romeinschc recht of de Coutumes rechtsgeldig waren en deze niet uitdrukkelijk afgeschaft zijn, de betrekkelijke bepalingen door het Hof van Cassatie worden beschermd \').

Er was echter voor de oudere opvatting in Frankrijk veel te zeggen. Men stelle zich den toestand voor. Daar te lande is door den Code de macht uit handen gegeven om nieuwe bepalingen te maken, en was er geene locale macht georganiseerd, die het wel konde doen. Was schending of verkeerde toepassing dier artikelen der oude Coutumes cas-sabel, zoo zoude hun levensduur eeuwig zijn. In onbruik konden zij geraken of niet geraken, evenzeer of evenmin als eene wet, cl. i. feitelijk wel, officieel niet. Bleef daarentegen de beoordeeling of zij nog moesten gelden en golden bij den feitelijken rechter, zoo was \'t hem niet geoorloofd naar willekeur ze op zijde te zetten — hij moest ze even eerlijk toepassen als de wet van een vreemd land, wanneer die over de rechtsbetrekkingen van partijen beslist.

De woorden reglement en usage hadden alzoo een technische beteekenis. Lois behelsden volgens Portalis, in het Discours Préliminaire, les Régies fondamen tales. »Les détails d\'exécution, les precautions provisoires ou accidentelles, les objets instantanées ou variables, en un mot toutes les choses qui sollicitent bien plus la surveillance de l\'autorité, qui administre que l\'interventkm de la puissance, qui instatue ou qui crée sont du ressort des règlements. Les règlements sont des actes de magistrature et les lois des actes de souveraineté.quot;

Reglement in den Code is dus eene maatregel der administrative macht, usage eene handeling der bewoners eener streek quot;2). In de charte van 1814 wordt in art. 14 aan den Koning de macht toegekend de faire des ruglements et ordonnances nécessaires pour l\'exécution des lois et la surete de l\'état. Gemeenschappelijk grondgebruik, wat ook usage heet. komt thans nog veelvuldig in Frankrijk voor. De regeling daarvan geschiedt door de gerechtigden in overleg

[) Rep. in voce Cassation 1393. Zie verder 1405, 1399 voljj. Evenzoo Meri.in, Rép., in voce Cassation, II § VI.

2) Usasjes worden nog geëerbiedigd, zegt Dai.loz, Rép. in voce Commune No. 784, ofschoon er sommigen nog al vreemd zijn. Zoo bijv. dat Zaterdag als de vooravond van Maandag wordt beschouwd. In zulke gevallen tracht men ze dikwijls door reglementen af te schaffen.

XXXII

-ocr page 49-

de usages in het fr a nsc he recht.

met de administrative autoriteit: eene dergelijke handelwijze is ten onzent onder Willem I nog gevolgd, ten aanzien der Buurt Groot Azewijn, waarover thans een proces hangende is \'j. Reglement komt overigens in het oude Fransche recht voor in den zin eener beslissing der Parlementen 1). Deze hadden wel niet de volstrekte macht verbindende regels te geven, maar hunne arrets de reglement werden zoolang ten uitvoer gelegd als de Koning niet tussclien beide trad. Verder golden nog door het geheele rijk eenige Koninklijke ordonnances, arrets du conseil du roi, die nu in de benaming reglement in de Codes werden begrepen. Op dezelfde wijze is ook in de Usage de Coutume en in de Coutume de Usage opgelost. Zoo werden die woorden dan ook in de oftideele taal dier dagen door elkander gebruikt. Gillet zeide o. a. eens het volgende 2): dat de wetgever moest blijven staan ou commence sur cha-cune des localités l\'empire legitime des usages et véritable-ment bien qu\'une de ses vues les plus importantes, soit de réunir en un seul tissu les fils si multiplies et divergens des

xxxiii

1

In een vonnis van Rouaan, 28 Avril 1828, werd ten aanzien van art. 671 C. N. toegepast Art. 7 du Reglement du Parlement de Rouen, 17 Aug. I75[.

2

i) Zie zijne rede, Locré. Législation 8 : 399 sub 9.

-ocr page 50-

xxxiv over gewoonterecht in het aloemeen.

Coutumes, cette uniformité néanrnoins ne saurait s\'étendre a tout indifféremraent.

Het einde van alles was het op 21 April 1813 door het Hof van Cassatie gewezen hoogstbelangrijk Arrest \'). Zeker iemand had, gelijk hij tot nog toe gebruikelijk was geweest, de door hem uitgegraven turf, bij gemis aan berging op eigen grond, op die van zijn buurman neergelegd, en was bereid dezen de gebruikelijke gelden daarvoor te geven. De buurman pleitte de vrijheid van zijn grond en de Rechtbank van Amiens besliste op 16 Januari istj, dat de Wet van Ventöse an XII alleen noemde Coutumes Génerales, maar in de afschaffing niet had begrepen de Usages locaux, die niet genoemd waren. Merlin beweerde les expressions (Coutume et Usage) sont parfaitement synonymes, en \'t Hof ging met hem mede 1).

ZESDE HOOFDSTUK.

IETS OVER GEWOONTERECHT IN HET ALGEMEEN.

Wanneer wij de geschiedenis van de tijden der Romeinen tot den tegenwoordigen tijd nagaan, vinden wij den Con-suetudo voornamelijk dan aanwezig, wanneer er aan de eene zijde een Rijksrecht is, aan de andere zijde georganiseerde Vereenigingen van onderworpen Staten, van Stammen, van Vereenigingen, wie men hun recht niet wil ontnemen, doch wie men niet de onvoorwaarlijke handhaving daarvan belooft.

»Wij hebben geen Gewoonterecht, zeide indertijd Prof. Diephuis 2), want wat wij als zoodanig willen aantoonen zijn slechts deelen van het Burgerlijk Wetboek, maar niet daar, slechts elders te vinden.quot; Dienovereenkomstig beweerde ik ook dat art. 3 A. B. naar Lokaal — niet naar Gewoonterecht verwijst. (Bijdr. en Bijbl. II, bl. 77 volg.).

De Middeneeuwen vooral hebben het Romeinsche beginsel van den Consuetudo op hunne omstandigheden consequent toegepast. Het Romeinsche recht was het Rijksrecht, het

1

Evenzoo reeds vroeger, 31 Dec. 1810.

2

3\') Opm. en Med. XI (1857) bl. 241.

-ocr page 51-

OVER GEWOONTERECHT IN HET ALGEMEEN. XXXV

algemeene, liet hoogste beginsel. De stammei, en deelen des Rijks leefden bij hun eigen rechten, doch het ideaal eener toekomstige eenheid deed deze allen als particulariteiten verschijnen, voorbestemd om zich in de hoogere eenheid op te lossen. Het Rijk trachtte ze zich hoe langer zoo meer ondergeschikt te maken; langs den weg der bevestiging en der vernietiging kwam men gelijkertijd tot hetzelfde doel.

Ook de Coutumes gingen dienzelfden weg op. De Coutume de Lille \') abolit toutes autres Coutumes et Usages ci-dessous non specifies sans en pouvoir allcguer ou pratiquer autres, en de Coutume de Valenciennes verbood insgelijks een beroep op een Usage, ten ware in de artikelen daarop werd verwezen.

Het was vooral de zucht naar eene intensive Rijkseenheid, die den vervaardigers van den C. N. voor oogen stond. De Coutumes en Usages, die goedgekeurd werden, kregen hun plaats in het Wetboek, de afgekeurde werden uitgeworpen en daar waar geen eenheid te bereiken was werd verwezen naar usages locaux. De vermeerderde rechtszekerheid werd niet verkregen door vermeerderde en verbeterde rechtsopteekening, maar door rechtseenheid.

Eeuwen vroeger (op het eind der 18e eeuw was die periode nagenoeg voorbij), beschouwde men het Gewoonterecht als iets, waarvan men den oorsprong niet kende, en dal men zich toch genoodzaakt rekende te eerbiedigen. Gedeeltelijk sluit dit met het vooraf medegedeelde, want waarom zou men rekenschap vragen omtrent iets wat bestaat, wanneer men zich zeiven niet als een hooger wezen beschouwde dat rekenschap vraagt. De bewoners van Rijssel en Valenciennes behoefden aau elkander niet te vragen waarom zij een recht erkenden, waaronder zij waren opgegroeid en waaraan zij niet hadden leeren twijfelen. Zij wilden behalve de oude ook zoodanige rechtsbepalingen afschaffen, die elders in hun gebied bestonden en de eenheid zouden storen.

Een enkele maal kan dergelijk Gewoonterecht nog voorkomen. De Fransche Juristen vertellen ons, dat in de laatste jaren der 18e eeuw zoovele gewichtige documenten vernield waren, dat men tot den oorsprong van een rechtstoestand niet volledig meer konde doordringen, maar van het voorhandene als rechtmatig bestaande moest uitgaan.

Zie Merlin in Voce Usuye § II.

-ocr page 52-

XXXVI OVER GEWOONTERECHT IN HET ALGEMEEN.

In regelmatige tijden is daarvoor weinig gevaar, en thans behoeft men niet meer te lijden onder de omstandigheid, dat men alleen maar het geheugen kan raadplegen, omdat men nog geen wetten in schrift stelde, want daarmede is men trouwens reeds in de 13e eeuw begonnen.

De theorie, dat uit eene reeks gelijke handelingen recht ontsprong en waarvoor Prof. Fockema Andreae indertijd geen voldoenden grond wist te vinden \'), is trouwens niets meer dan eene gissing. Onderzoekingen (o. a. ten aanzien der Engelsche Common Law) hebben geleerd, dat men bij het onderzoek naar den grond van het alleroudste recht ook op positive besluiten of wetten neerkomt. 1)

Gewoonterecht kan men derhalve thans in het bijzonder daar vinden, waar vereenigingen ontstaan wier ontwikkeling men duldt, doch niet volledig erkent. Zoo hebben de beginselen van het administrative recht van de Fransche Revolutie en Napoleon, ten aanzien van de Gemeenten, de ontwikkeling van een nieuw Gewoonterecht mogelijk gemaakt, dat zich nog in andere zaken konde openbaren dan in de gevallen, die het Wetboek uitdrukkelijk aan hen overlaat.

Heeft de latere gelijkstelling dier wettelijke usages met wetten dit verminderd, zoo zijn ook de Gemeenten ten onzent ten gevolge onzer staatsrechtelijke beginselen in een geheel anderen rechtstoestand geraakt. Slechts éen geval in onze Rechtspraak draagt m. i. het ware karakter van Gewoonterecht en wel het volgende:

Er bestaat te Amsterdam eene Vereeniging voor den handel in publieke fondsen, welke sinds jaren in algemeene Vergaderingen bepalingen maakt omtrent de leverbaarheid van effecten, wat zonder nader beding geacht moet worden in den verkoop te zijn begrepen, wat niet, waaromtrent verschillende beurzen niet altijd hetzelfde aannemen 2).

1

Iets dergelijks had onlangs plaats in ons land. Een proces over dijkrecht (thans nog aanhangig) was door den Commissaris der Provincie Groningen tegen P. A. Leeuw c.s. ingesteld tot nakoming van verplichtingen waarvoor men geen anderen grond dan bestaande gebruiken kende. Het Hof van Leeuwarden wist de wet op te sporen, welke deze stof beheerschte t.w. den Dijkbrief voor het Klei Oldambt van 8 Nov. 1664 g(;aPProbecriL geconfirmeerd en gearresteerd door Burgemeester en Raad van Groningen.

2

Zoo bijv. wordt aan Duitsche Beurzen op den eersten dag van

-ocr page 53-

OVER GEWOONTERECHT IN HET ALGEMEEN, XXXVU

Wanneer geschil ontstaat tusschen twee loden der Ver-eeniging, spreekt het van zelf, dat de Rechter hunne handelingen aan het hun beiden gemeenzame Reglement zal toetsen ; wat nu als de een wel en de ander niet lid is ?

Dan komt dc vraag te pas of de bepalingen van dat reglement tot de erkende gebruiken kunnen worden geregeld.

In het Proces, waarop ik doelde, werd door de Rechtbank te Amsterdam op 2 April 1873 en het Hof van Noord-Holland op 2Ó Maart 1874 de leverbaarheid van een effect getoetst aan de bepalingen van het Reglement voor den handel in publieke fondsen, ter beurze van Amsterdam, in eene algemeene Vergadering van belangstellenden 23 Dec. 1856 vastgesteld en 22 Maart 1867 gewijzigd en wel op de volgende Overweging:

de Rechtbank: dat in confesso is, dat dat reglement is ontworpen op grondslagen van de bestaande usantien ;

het Hof: dat het in confesso zijnde beurs-regleraent \'t welk mede te recht is beschouwd te bevatten geconstateerde usantien.

Naar mijn inzien volgden deze Rechtscolleges eene terminologie, die hun tegen cassatie veilig zoude stellen. In de onderstelling, dat hier het Proces liep tusschen niet-leden der bedoelde Vereeniging of een lid en niet-lid, (anders zou de overweging veel eenvoudiger zijn geweest) zouden wij de beslissing hebben doen afhangen van het gewicht, dat aan dergelijke vereenigingen wegens het ledental, de wijze van het nemen van besluiten en dergelijke moest worden toegekend. Het spreekt van zelf dat geen gewicht zou kunnen worden gehecht aan elke vereeniging, die zich opwerpt en niet kan gezegd worden de gedachten van een overgroot deel der mannen van het vak daar ter plaatse te vertegenwoordigen.

De Historische school gaat bij hare beschouwingen van een ander standpunt uit. In een tijd toen men van wetten alles verwachtte en aanhoudend om wetten schreeuwde, wenschte zij vasttestellen in hoeverre aan de overtuiging, in hoeverre aan de wet een aandeel in het ontstaan van het recht toekomt.

een nieuw boekjaar het dividendbewijs afgeknipt en is bij verkoop in den prijs niet begrepen. Bij ons is het daarin wel begrepen tot de aankondiging van het dividend.

-ocr page 54-

XXXVIU GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ONZE WETGEVING,

Deze onderzoekingen zijn in het geheel niet in strijd met het bovenmedegedeelde, maar van een geheel ander karakter, waarom wij ze slechts behoeven te vermelden. Bijv. de edicta Praetorum vallen onder het Gewoonterecht en te recht, wanneer men het oog vestigt op de omstandigheid, dat door het jaar aan jaar overnemen van dezelfde rechtsregels van de voorgangers in het ambt allengs eene overtuiging ontsprong, die in het Edictum Perpetuum wettelijke kracht kreeg. Gedurende het jaar der ambtsbediening was men echter gebonden aan het aangekondigde edict, en moest er aan gehoorzamen als aan eenen door de wet vastgestelden regel.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ONZE WETGEVING.

De bepalingen van art. 1375, 1382 en 1383 B. W. kunnen eigenlijk niets met gewoonterecht te maken hebben. Daarin wordt den rechter een wenk gegeven, waarop hij bij de uitlegging heeft te letten, en deze komt hierop neer, dat hij zich indenke in den gedachtenkring der handelende personen en zoo trachte een juist oordeel te vellen over hetgeen hen verdeeld houdt, — Wanneer daar gesproken was geworden van uitleggingen te goeder trouw, wij hadden er niets anders uit gelezen.

De gebruiken des handels bij de levering, art. 670 B. W., heeft aanleiding gegeven tot vele kunstmatige opiniën. Men heeft er zeer veel bijzonders in gezocht, en er is eigenlijk niets bijzonders in. Herhaalde malen heb ik moeielijke kwestiën van levering door ceelen, volgbriefjes, depositopapier te beoordeelen gehad en ben met de Wet steeds tot een bevredigende uitkomst gekomen. Het artikel heeft zijn oorsprong in een door de nieuwe wetgeving overbodig geworden vrees. In de vorige twee eeuwen dreigde het Romeinsche recht de gezonde handelsopvattingen te ondermijnen, — toen had men de handelsgewoonte, die zich tegen het algemeen recht inzette — maar die handelsgewoonte heeft nu haar intrek genomen in het Wetboek van Koophandel, waarvan men de

-ocr page 55-

gewoonten en gebruiken in onze wetgeving. xxxix

groote tegenstrijdigheid met het Burgerlijk Wetboek te weinig voelt, en art. 670 B. W. is thans zoowat gelijk aan het licht overdag van een vuurtoren.

Konden uit deze artikelen, evenals die omtrent het vruchtgebruik, het woord gebruik of gewoonte door een ander zonder schade gevoegelijk worden vervangen, met de overigen is zulks niet het geval, maar hier is het dweepen met een recht uit handelingen en de afkeer van wetsbepalingen allerminst op zijn plaats. Hier juist ried v. Savigny \') vaststelling door wet of verordening ernstig aan.

Zouden wij dan inderdaad moeten aannemen, dat deze artikelen alleen slaan op een recht, dat men slechts uit eene serie handelingen kan opmaken ? Zouden wij de gedachte moeten buitensluiten, dat onder dat woord gewoonte, gebruik ook mag gedacht worden aan verordeningen, tot stand gekomen door een wettig gezag, hetzij van vóór of van na 1800?

Voor de bevestigende beantwoording is bepaaldelijk aan te voeren, dat art. 3 het begin is van art. 5 uit het Ontwerp Kemper, waarin gewoonte in den zin van eene reeks handelingen werd genomen. Intusschen Kemper wilde niet het plaatselijk geschreven burgerlijk recht uitsluiten, en de geheele revolutie in dat deel van Kemper\'s ontwerp is te danken aan de Belgische leden.

Kemper had in art. 12 in min duidelijke woorden aan gemeentelijke en andere verordeningen van burgerrechtelijken aard eene plaats ingeruimd, in verschillende artikelen (art. 1182, 1183, 1373, 2634, vooral 1201) daarvan uitdrukkelijk gesproken en zelfs in de beraadslagingen daarop gewezen \'J). De Belgische leden verwierpen een gedeelte van art. 5 met de volgenden, waarin van de wijze, waarop gewoonte zou kunnen worden vastgesteld, en art. 12 en nog veel meer. Er bleef alleen over het ons bekende art. 3, waarvan de officieele tekst in het Fransch luidt; usage.

Het ligt voor de hand, dat wij de woorden gewoonte, gebruiken in geen anderen zin mogen nemen, als waarin men in Frankrijk van usages sprak, waardoor gelijk wij zagen de geschreven regelen niet werden uitgesloten.

Dat men kostumen en usantiën gelijkkelijk wilde behandelen.

1) Beruf. bl. 17. System I, § 13.

2) Zie uitvoeriger Bijdragen en Bijblad II, bl. 112 volgg.

-ocr page 56-

gewoonten en gebruiken in onze wetgeving.

blijkt o. a. ook uit eene belangrijke plaats uit de briefwisseling van eenige geleerden (J. D. Meijer enz.), welke veel invloed heeft uitgeoefend. Wij lezen daar onder meer: *) »Het is noodzakelijk, dat een nieuw Wetboek de kracht van alle gebruiken, kostumen of usantiën bepale tot die locali-teiten, die in elke twee plaatsen verschillen, doch ook tevens vaststellen, dat nergens en in geen geval de kosiume zal kunnen worden ingeroepen tegen de wet of ook slechts tot derzelver wijziging, behalve wanneer de ivet iets uitdrukkelijk aan het plaatselijk gebruik overlaat.\'\'

Ook de beraadslagingen in de Kamer toonen aan, dat beide woorden in dezelfde beteekenis door elkander gebruikt werden, maar al zoude dat alles niet genoegzaam helpen, zoo is er minstens één art., waarin het woord gebruiken voorkomt op eene wijze, dat men alle wettig tot stand gekomen Placaten, Verordeningen, en wat dies meer zij, ja zelfs het Wetboek Lodewijk Napoleon daaronder moet begrijpen. Moet men het hier toestemmen, zoo mag men het woord gebruiken in art. 1547, 1607 en in het hoofdstuk van de Huur toch wel in geen anderen zin nemen.

Het bedoelde artikel is art. 1 der Wet van 18 Januari 1829 S. 33, luidende aldus:

»Te rekenen van den dag der invoering van het B. W. der Nederlanden, wordt afgeschaft en zal ophouden kracht van wet te hebben het wetboek van Napoleon, met al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen.

Insgelijks en op het zelfde tijdstip afgeschaft de algemeene en plaatselijke gebruiken in de stoffen, welke bij het nieuwe wetboek worden behandeld. Het wettelijk gezag van het Romeinsche regt is en blijft afgeschaft.\'\'

In den franschen tekst is te lezen: Coutumes générales et locales.

Reeds dit wijst er op, dat zoowel gebruiken als coutumes beide op geschreven en ongeschreven rechtsbronnen moeten slaan.

De geschiedenis dezer wet stelt dit buiten twijfel.

Kemper had in zijn Ontwerp art. 4 voorgesteld: »de vroegere hetzij beschrevene, hetzij onbeschrevene, hetzij algemeene, hetzij plaatselijke rechten \', behalve het Rom. recht, af te schaffen.

1) BI. 11 enz.

2) Zie hierover Bijdragen en Bijblail II. bh. 112 volgg.

XL

-ocr page 57-

gewoonten en gebruiken in onze wetgeving. xi.i

De afgevaardigde Pycke wilde die afschaffing beperken tot de stoffen in het 1-5. W. behandeld, en zijn amendement, dat werd aangenomen, sprak van «de verordeningen, de algemeene en plaatselijke gebruiken, de statuten en gewoonten en de reglementen.quot;

De afgevaardigde Dotringe *) wist lt;le discussie daarover te heropenen en overeenkomstig zijn voorstel werd art. i der Algemeene Bepalingen bij de Wet van 14 Juni 1822 S 10, aldus geredigeerd:

»Van het oogenblik af waarop dit B. W. voor het Koningrijk der Nederlanden van kracht zal zijn, zullen alle Burgerlijke Wetten, algemeene en plaatselijke Verordeningen en Statuten gelijk mede het gezag van het Romeinsche regt ophouden kracht van wetten te hebben, ten aanzien der onderwerpen in het B. W. voor het Koningrijk der Nederlanden behandeld en geregeld. De fransche tekst luidde: toutes les lois civiles, les règlements et statuts locaux,quot;

De nieuwe wet van 18 Januari 1829, beoogde geen mate-rieële verandering, alleen eene scheiding der Alg. Bepalingen van die der afschaffingswet.

Nemen wij dus aan, dat gebruiken in de Wet van 1829,00k in zich sluit het geschreven plaatselijk burgerlijk recht van vroegeren datum, zoo hebben wij eene zeer bevredigende opvatting. Wij vinden dan in die wet eene afschaffingswet, zooals zij bij elke Codificatie behoort. Het voortbestaan echter van eenig meerdere of mindere dosis van dat oudere locale recht hangt van die uitlegging allerminst af. Laat ons ten bewijze daarvan eens van de onderstelling uitgaan, dat gebruiken in art. 1 der Wet van 1829 alleen beteekent eene serie handelingen.

Waar is dan eene afschaffing te vinden van het vroegere geschreven recht? Immers is zij er niet, dan heeft er slechts eene vervanging plaats gehad, en men moet nauwkeurig nagaan of de oude niet vervangen bepaling nog in het systeem van ons wetboek paste. Niet alleen is dat onderzoek moeielijk, leidt tot vele rechtsvragen, welke men met eene radicale afschaffing wilde afsnijden, doch het resultaat zou toch zeker zijn, dat meerdere oude geschreven rechtsbepalingen nog golden dan men denken zoude.

t) Noordziek, 1820/21 I : p. 41;.

-ocr page 58-

XLII GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ONZE WETGEVING.

Onderstellen wij bijv. dat het wetboek Lodewijk Napoleon niet afgeschaft, alleen vervangen is, zoo vinden wij bij vergelijking met ons wetboek, dat daar drieërlei soort van bepalingen zijn te vinden, die in ons wetboek ontbreken.

Bijv. 1°. er zijn bepalingen, welke zoo weinig met ons stelsel strijden, dat men ze als aanvullingen zou kunnen beschouwen, dat men wellicht ook zonder die artikelen tot hetzelfde resultaat zou komen. Bijv, art. 196 Wetboek L. N. behandelt; de Voortduring van gemeenschap van goederen na den dood en voorziet in twee gevallen : i0. het geval dat de overlevende echtgenoot geen boedelbeschrijving opmaakte en als boedelhouder blijft zitten op het hem en zijn minderjarige kinderen gemeen goed. Dit geval wordt bij ons in art. 182 B. W. behandeld en 2°. dat de overledene zijn erfgenamen geeft de helft van hetgeen de langstlevende onverteerd en onvervreemd zal achterlaten. Dit geval is bij ons in art. 928 B. W. geoorloofd verklaard en in artt. 1036—1038 uitgewerkt. Evenwel vindt men bij ons niet bepaald, wat de laatste al. van art. 196 aangeeft, t. w. hoe dit als gemeenschap zal worden behandeld. — Ook geeft ons art. 182 B. W. niet elke toepassing van het beginsel aan ten aanzien van het eerste geval in art. 196 uitgewerkt.

Invoeging dier beginselen is mogelijk en zoude tot dit resultaat leiden, dat al konde men onder ons B. W. zelfs tot gelijke gevolgtrekking komen, zulks echter niet volkomen zeker is. maar zeker zou worden door de oudere ingevoegde bepaling, en verder 2°. dat niet recht te overzien is in hoeverre de eigenaardige redactie der invoeging wederom tot niet te berekenen gevolgtrekkingen konde leiden.

20. Ook zijn er bepalingen die bepaalde bevoegdheden of onbevoegdheden stellen, waarvan ons B. W. niet gewaagt. Bijv.; Art. 327 sub 5 L. N. sluit van de voogdij uit den stiefvader over zijne stiefkinderen. — Hier zou men wellicht kunnen zeggen, dat ons art. 436 alle gevallen heeft willen regelen en dus geene andere uitsluiting duldt.

3°. Een tweetal rechtsinstituten de laesio enormis (artt. 1446 1453) en de naasting eener litigieuse zaak (artt. 1468— 1470) die ook in den Code Napoleon voorkwamen, heeft men blijkens de beraadslagingen wel willen afschaffen, doch aan die bedoeling geene andere uitvoering gegeven dan door afschaffiing van den C. N. Had deze nu alleen het

-ocr page 59-

GEWOONTEN EN GEBRI IKEN JN ONZE WETGEVING. Xt.llf

Wetb. L. N. vervangen, zoo zijn deze bepalingen van het Wetb. L. N. niet werkelijk ter zijde gesteld door eene in 1838 in werking gekomen landswet.

Inderdaad heeft slechts eene vervanging in 1810 plaats gehad.

Immers: het décret Impérüil van ö Janv. 1811, relatif a la mise en activité des lois frani^aises dans les départements de la Hollande, verklaart exécutoires les lois, règlemens et décrets Impériaux, dont l\'exécution dans les départemens des Bouches du Rhin et des Bouches de l\'Escaut a été ordonnée par nos décrets du 22 Juin et 22 Nov. [8io \') In deze2) wordt evenmin als in hel Decreet van 18 Oct. 1810 gezegd wat afgeschaft werd: alleen dat wat voortaan zou worden toegepast. Met de onafhankelijkheid verviel de basis (de vereeniging met Frankrijk1), krachtens welke uitsluitend naar Fransche wetten zou worden geregeerd. Art. 6 van het Besluit van het Voorloopig Bestuur van 1 Dec. 1813 gelastte de Justitieele Autoriteit, om bij provisie voort te gaan recht te spreken overeenkomstig de thans in gebruik zijnde wetten en met inachtneming der vormen daarbij voorgeschreven. Koning Willem bevestigde dat besluit bij art. 3 Besluit van 15 Dec. 1813 (S. 11) en in art. 2 Additioneele Artikelen der Grondwet 1815 was te lezen: ». . . Alle thans in werking zijnde wetten behouden kracht, tot dat daarin op eene andere wijze zal zijn voorzien.quot;

Het Wetboek Lodewijk Napoleon gold dus ook toen niet. omdat men alleen kracht toekende aan hetgeen in werking was: toen men nu een definitieven teestand ging regelen, had men óf op dien weg moeten voortgaan en zeggen wat voortaan uitsluitend gelden zou, óf afschaffen wat men niet wilde behouden. In het laatste geval bleef het niet formeel afgeschafte behouden en konde datgene, wat als \'t ware sliep, weder ontwaken. Deze weg werd ingeslagen — het Wetboek Lodewijk Napoleon geldt dus voorzoover niet vervangen, ten ware men het onder de afgeschafte olgemeeiie gebruiken wil opnemen ^).

1) Fortuyn I; 69.

2) Fortuyn I, paf». 9 en 13.

3) De geldigheid van bepalingen van het Wetboek Lodewijk Napoi.eon is ook voor Mrs, Asser en van Heusue (Handleiding I : 15) eene niet onbelangrijke vraat;.

-ocr page 60-

xi.iv gewoonten en gebruiken in onze wetgeving.

Met voortbestaan van een deel der plakkaten, keuren enz. uit den tijd onzer Republiek is veel minder kwestieus.

Bij Besluit van Lodewijk Napoleon van j4 Februari i8og, vaststellende »de Pointen, welke bij de dadelijke invoering van het Wetboek Napoleon zullen worden nagekomen \', was bepaald: »Bij de invoering van dat Wetboek zullen zijn afgeschaft het Roomsche Regt, mitsgaders alle Wetten en Ordonnantiën tot het Burgerlijk Regt betrekking hebbende en welke tot nu toe in het Koningrijk of eenig gedeelte van hetzelve in vigeur zijn geweest, hetzij dezelve onder de benaming van Plakkaten, Publicatiën, Ordonnantiën, Land-regt, Reglementen, Keuren, Statuten, Octrooijen, Costumen, onder welke benaming zulks zoude mogen zijn; zonder dat aan eenige van dezelve voor het vervolg eenige kracht van wet zal mogen worden toegekend, tenzij dezelve uitdrukkelijk bij dit Wetboek zijn uitgezonderd.quot;

Nu werd hier naar wetten betreffende de Commercie (art. 595 al. 2), wettelijke bepalingen (art. 528), reglementen van orde en policie (art. 569), gewoonten en plaatselijke gebruiken verwezen en wij hebben boven gezien, wat men onder het woord gebruik, usage, in Frankrijk verstond. Bij de inlijving in Frankrijk werd van datgene, wat van dien aard bestond, nagenoeg niets of in \'t geheel niets afgeschaft. — De Wet van Ventose an XII verschilde alleen in redactie van het Besluit van 1809 en sprak ook alleen van schriftelijk recht. Alles wat dus destijds in kracht was, werd door art. 2 Add. Bep. Grondwet 1815 gehandhaafd, totdat daarin op andere wijze zou zijn voorzien, en zoo nu de Wet van 1829 niet op geschreven bepalingen ziet, is dit tot nog toe nooit geschied.

Onverschillig wat de zin is van dat woord gebruik in art. 1, plaatselijk geschreven burgerlijk recht uit den tijd der Republiek geldt nog. Alleen rijst de vraag, hoeveel is behouden. Bij het beantwoorden daarvan is de zin van dat woord wederom van belang, maar ook daar leidt onze opvatting tot de meest bevredigende resultaten. De omvang van het toepasselijke plaatselijk burgerlijk recht moet toch in verband worden gebracht met de wetgeving van 18,58. Neemt men gebruiken in den zin van handelingen, zoo is er geen verband : omgekeerd wel, want dan heeft men, door wel te bepalen, dat reeds in 1806 het Romeinsche recht is afge-

-ocr page 61-

de gemeentk in onze staatsregeling.

schaft, maar niet te spreken van toen reeds afgeschafte plaatselijke rechten, en dooi in het leven terugroepen van dat wat, met de wetgeving van 1838 wel vereenigbaar was, het oude recht in onmiddelijk verband gebracht, met dat, wat men invoerde.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE GEMEENTE IN ONZE STAATSREGELING.

Het lezen van de beraadslagingen over de Gemeentewet kan even als dat van menige andere wet uit dat tijdperk niet genoeg worden aanbevolen. Wij hebben daaronder zoo lang geleefd, dat terwijl een en ander blijkt te wenschen over te laten, men wel eens bij zichzelven vraagt: ligt de fout in de beginselen of in de uitvoering? kan het ook zijn dat bij onduidelijkheid der beginselen omstandigheden van buiten eene eigenaardige richting aan de toepassing hebben gegeven ?

Eigenaardig is het de houding van de vijf hoofdpersonen bij het debat waar te nemen.

Mr. Wintgens destijds in de oppositie onderscheidde een drietal stelsels; i0. dat der onderdrukking van de Gemeente ten behoeve van de centrale eenheid — wat in Frankrijk gold. 2°. Vrijheid der Gemeente zooals in de Stadteordnung in Pruisen van 19 Nov. 1808 30. De Gemeente als minderjarige beschouwd. Dit was het stelsel der Voordracht, die hem niet aannemelijk voorkwam.

De krachtigste bestrijding ging echter uit van Mr. Mackav, terwijl Mr. Groen van Prinsterer zich zeer op den achtergrond hield. Onder onze Republiek waren de aristocratisch bestuurde Gemeenten in oligarchie overgeslagen. Om die kwaal te genezen heeft men in 1798 eenvoudig alle Gemeenten opgeheven. Ze werden vereenigingen van zielen, die ingedeeld en geadministrieerd moesten worden. Het idee der Gemeente onder Schimmelpenninck weder hersteld, verviel

xt.v

-ocr page 62-

de (jemeentk in onze staatsregeling

onder koning Lodewijk - het was weer de uniformiteit van 1708 nu onder den koninklijken mantel. Onder de Grondwet van 1815 werd de Gemeente principieel weer hersteld in de vrije beschikking van hare huishoudelijke belangen, doch praktisch door de Koninklijke Reglementen onmondig gehouden. Hij (Mackav) wilde de Gemeente als organische Corporatie, gelijk Thorbecke in zijne Aanteekening op de Grondwet had gesteld \'), niet als ondergeschikt College, het stelsel van het Ontwerp.

De Friesche afgevaardigde Mr. Jongstra keurde het stelsel de Gemeente als minderjarige te beschouwen goed, en Mr. Sloet lot üluhuis vond dit ontwerp »niet veel anders dan eene wijziging en aanvulling van de bestaande wetgeving op de gemeentequot;. Dat stelsel wilde hij — daaronder was het platteland van Overijssel tot bloei gekomen. De strijd liep voornamelijk over de ruime opvatting van Verordening in art. 150 Gem.wet; het amendement van Mr. Groen om daarvan besluiten uittezonderen en deze dus niet aan een hooger toezicht te onderwerpen, werd verworpen met 56 tegen 6 stemmen; praktisch heeft de aangenomen bepaling reeds tot zoodanige moeielijkheden aanleiding gegeven, dat Prof. Buys ten aanzien van de mededeeling aan Gedeputeerde Staten het woord Verordeningen in engeren zin wil opgenomen zien -_).

Al is de Gemeente nu ook te veel als minderjarige beschouwd, zoo is echter terecht door Prof. Buys gezegd »Het beginsel van de plaatselijke zelfstandigheid staat in de tegenwoordige Grondwet scherper uitgedrukt dan in een der voorgaandequot;, en Prof. L. de Hartog vindt in de woorden

1) Mr. Mackav beriep zich op Dl. II, bl. 48 en quot;7. Men vergelijke bl. 122. »De vrije beschikking, die ons art. aan de pl. besturen toekent, omvat niet enkel goederen en werken, maar de gansche regeering. inzonderheid de politie, de gemeentelijke maatschappij, zooverre zij niet door algemeene Rijks- of Prov. Verordeningen wordt geregeld.

Huishoudelijk belang \'t geen alleen tie gemeente, \'t zij in haar geheel, \'t zij hare leden als leden der gemeente betreft. Het is het oude ge-meene recht van wettige corporatie, dat de Grondwet hier aan de plaatselijke burgerij verzekert.quot;

2) Aant. Grondwet ad art. 140 bl. 199.

3) Aant. ad art. 140 pag, 177.

xi,vi

-ocr page 63-

DE GEMEENTE IN ONZE STAATSREGELING.

van Art. 144 nieuw (140 v. 1848) de autonomie d, i. hef. eigen bestuur der Gemeente gehandhaafd 1).

Er is dus autonomie, maar niet eene originaire als in den tijd der Republiek, integendeel, eene van hooger hand gegeven en van hooger hand omschreven. In de Middeneeuwen had men velen van dien aard —- de Keure aan Zeeland door Floris de Voogd in de 13e eeuw gegeven, behoorde daaronder.

Hieruit volgt, dat terwijl in Frankrijk de Gemeente geene schrede doen mag, die niet van te voren van hooger hand is voorgeschreven, ten onzent elke maatregel die van plaatselijk belang is, mag worden genomen, ten ware de wetgever zulks verbiedt.

Het is eene gedachte alleen aan het ten onzent verworpen Fransche stelsel ontleend, dat het Gemeentebestuur zich principieel zou moeten onthouden van verordeningen op burgerrechtelijk gebied, maar wel zou mogen treden op die, welke het straf-terrein betreden. Men knoopt zulks vast aan de voorstelling van Politie, maar dat woord heeft eene zeer onzekere betee-kems, doordien het in verschillende stelsels van staatsbestuur een meer of min uitgebreid gebied verkrijgt.

Let men wel op, dan is de strafverordering eener Gemeente niet minder een toevoegsel tot het algemeene Strafrecht als eene verordening van burgerrechtelijken aard tot het Burgerlijk Wetboek, en zou dus de Competentie van het Gemeentebestuur eenvoudig biervan afhangen, of eene met de bizondere localitcit samenhangende omstandigheid tot aanvulling al of niet noodzaakt. Van dien aard is verschil van grond, van bedrijf en veel dergelijks. Neemt men nu in aanmerking, dat (gelijk o. i. de geldende rechtsbeschouwing medebrengt) het al of niet voorzien van strafbedreiging afhangt van de omstandigheid, of al of niet openbaar belang wordt geschaad, zoo volgt van zelfs de beslissing in welk geval deze al of niet mag voorkomen.

De reeks Gemeenteverordeningen worden op die wijze iets volkomen gelijksoortigs met onze Staatswetten. Men zou ze in soorten kunnen indeelen naar gelijke categoriën als die van den Staat. Men zou ze evengoed in eene Codificatie kunnen samenvatten als onze Wetboeken.

Die beginselen vindt men dan ook, ofschoon niet overal,

XLVH

1

Gronden der Staats-, Prov.- en Gemeenteinrichting van Nederl. öe druk, bl. 13.

-ocr page 64-

XLVUI DE GEMEENTE IN ONZE STAATSREGELING.

en nog minder overal consequent toegepast. Een streven naar Codificatie is waarteneinen (sommige Gemeenten hebben echter dien weg weder verlaten) en een paar maal is men op het zeer gelukkige denkbeeld gekomen om het woord Politie bij dergelijke Codificatie-Verordening door eene betere uitdrukking te vervangen. Zoo vindt men in de Gemeente Oirschot den titel «Plaatselijke Verordening tot regeling van huishoudelijke belangenquot;, in de Gemeente Leeuwarderadeel «Algemeen Huishoudelijk Reglementquot;, terwijl de Gemeente Oostdongeradeel spreekt van «Algemeen Huishoudelijk of Politie-Reglement.quot;

Gaat men van het standpunt uit, dat onder het woord usages, gebruiken, tevens de schriftelijke door wettige besturen gemaakte Verordening moest worden verstaan, zoo is in ons Recht reeds de bevoegdheid der Gemeentebesturen tot het maken van veranderingen op het terrein, waar de artt. naar verordeningen, reglementen, gewoonten, gebruiken verwijzen, gegeven.

Maar ook zoo het denkbeeld van geschreven verordeningen door gebruiken wordt uitgesloten, zoo is op het terrein waar het Burgerlijk Wetboek door eene ontbrekende bepaling van plaatselijkrechtelijken aard moet worden aangevuld, wel geene opdracht aan het Gemeentebestuur gegeven, maar evenmin een verbod. De handhaving berust alsdan bij den feitelijken rechter, maar willekeurig op zijde zetten is hem evenmin hier geoorloofd als bij eene vreemde wet, die volgens algeineene rechtsbeginselen het geval zou beheerschen.

Een plaatselijk recht, als ten onzent mogelijk is en op vele plaatsen bestaat, is, als onvereenigbaar met de Fransche rechtsbeginselen, daar niet te vinden.

Zonderling is het, dat, zoover wij kunnen nagaan, daarvan in België niets schijnt te bestaan, ofschoon de Belgen er op roemen, dat door de revolutie van 1830 de Gemeente daar te lande geëmancipeerd is. De wetten zijn er echter enger dan de onzen. Volgens art. 31 der Grondwet worden Les intéréts exclusivement communaux ou provinciaux réglés par les conseils communaux ou provinciaux d\'après les principes établis par la Constitution. En art. 108, waarnaar hier wordt verwezen, luidt: Les Constitutions provinciales el communales sont réglées par la loi. Ces lois consacrent l\'application des principes suivants.

-ocr page 65-

DE GEMEENTK IN ONZE STAATSREGELING,

2°. L\'attribution aux conseils provinriaux et communaux de tout ce qui est d\'intérêt provincial et communal sans prejudice de l\'approbation de leurs actes dans les cas et suivant le mode que la loi determine.

Het beginsel der gemeentelijke vrijheid is dus niet zoo ruiterlijk erkend als bij ons.

De Gemeentewet van 30 Mars 1856, later veelvuldig gewijzigd, zonder dat de hier behandelde hoofdtrekken verandering ondergingen, is buitengemeen eng.

Art. 75, voorkomende in Tit. II, Des Attributions Com-munales. Chap, I, Des attributions du Conseil Communal, luidt:

«Le Conseil regie tout ce qui est d\'intérêt communal, il délibère sur tout autre objet, qui lui est soumis par l\'autorité supérieure.quot;

Waarin bestaat nu dat regelen ? Art. 78 leert ons :

a. Le Conseil fait les reglements communaux d\'administra-tion intérieure et les ordonnances de police communale.

h. Ces reglements et ordonnances ne peuvent être con-traires aux lois, ni aux reglements d\'administration générale ou provinciale.

c. Le Conseil en transmet dans les 48 heures des expé-ditions a la deputation permanente du conseil provincial.

d. Les conseils communaux peuvent statuer des peines contre les infractions a leurs ordonnances, a moins qu\'une loi n\'en ait fixé, Ces peines ne peuvent excéder celles de simple police.

Derhalve de Gemeenteraad maakt slechts Verordeningen van tweeërlei aard: i0. de zuivere Policieverordeningen, het woord Policie genomen in haar engsten zin, vatbaar om door strafbedreiging te worden gehandhaafd. (Hier is het woord ordonnances de eigenlijke term) en 2° reglements d\'administration intérieure, waaronder reglementen van gemeente-instellingen, beurzen, hospitalen, scholen, musea\'s en derg. worden verstaan.

In de praktijk is die terminologie niet volgehouden. Te Brussel worden vele verordeningen met strafbepaling, bijv. Reglement sur les Batisses, Réglement sur la Police des Domestiques, Reglements geheeten. Soms wordt ook in \'t geheel geen naam gebruikt. De term Ordonnance komt veel minder en in enge beteekenis voor.

Wat daarbij merkwaardig is, zijn de veel mindere waarborgen voor openbaarheid dan bij ons bestaan.

XI IX

-ocr page 66-

DE GHMHENTE IN ONZE STAATSREGELING.

Van dien aard zijn aldaar slechts de volgende bepalingen:

Art. 78 sub g. Expeditions des ordonnances de police seront immédiatement transmises au Greil\'e du tribunal de Première instance et a celui de la justice de Paix, oü elles seront inscrites sur un registre a ce destine. Mention de ces ordonnances sera inséré au Memorial administratif de la Province.

Art. 102, Les réglements et ordonnances du conseil ou du C(jllège sont publiés par les soins des Bourgmestres et Echevins par la voie de proclamation et d\'affiches; dans les campagnes la publication se fait a 1\'issue du service divin.

En cas d\'urgence dans ces dernières communes le collége des Bourgmestres et Echevins est autorisé a adopter tel mode de publication qu\'il croit convenable.

Aldaar ontbreekt dus het uitstekende voorschrift van art, 175 onzer Gemeentewet, dat de afgekondigde verordeningen gedurende 3 maanden op de secretarie der gemeente voor een ieder ter lezing nedergelegd worden. Zij worden, hetzij in druk, hetzij in afschrift, tegen betaling der kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld en medegedeeld aan alle Rechtscolleges en Parketten, behalve de Hooge Raad, die er meer mede te maken heeft dan de Hoven. Verder, indien al het slot van art. 78 sub g hetzelfde beteekent als ons art. 170, zoo ontbreekt toch het zeer gewichtige art. 168, betrekkelijk de vijfjarige herziening, al schijnt zulks ten onzent niet behoorlijk te worden in acht genomen.

Zijn dergelijke officieele Reglementen en Ordonnances dan in het geheel niet te bekomen ? Dat zou ik niet durven zeggen — maar het exemplaar, dat in mijn bezit is, heb ik door twee tusschenpersonen van den Secretaris der Stad Brussel verkregen met de mededeeling, dat het niet in den handel is.

Het is een Recueil de Réglements et Ordonnances van 1830—30 juni 1881, uitgegeven in 1881, groot 533 blz. met een eerste Supplément van 1 Juli 1881—31 Dec. 1883, groot 218 blz. en een tweede van 1 Jan. 1884—31 Dec. 1887, groot 150 blz. Men vergelijke dit met een Policie-Reglement van Amsterdam bijv., en al is in \'t laatste niet ieder bizonder Reglement eener Stedelijke inrichting opgenomen, zoo is de mededeeling oneindig gemakkelijker voor den lezer.

Eigenaardig is de geschiedenis van den arbeid. Den 13 Februari 1847 beklaagde een der leden van den Raad zich

-ocr page 67-

de gemeente in onze staatsregeling.

over de ontstentenis van dergelijke verzameling van Reglementen. Dientengevolge stelde M. Bartels op 8 Mei 1847 voor de charger une commission de codifier les règlements et ordonnances. De benoemde Commissie schrikte echter terug voor de aridité de sa tache. In 1851, i8b8, deed M. Demeure weer een dergelijk voorstel, buitendien vragende un résumé bien clair des ordonnances de police qui permette a tous les habitants de connaïtre leurs obligations envers la commune. Weer volgde niets — zelfs niet na herhaalde voorstellen in 1858, 1862. M. Anspach wees op de difficulté d\'une codification.

Eindelijk 34 jaren na het eerste voorstel verscheen het eerste deel. Tk begrijp niet, dat het onderzoek langer dan 34 weken had behoeven te duren. In allen gevalle verschaffen honderden onzer Gemeenten sinds 30 jaren beter overzicht aan den burger, omtrent zijne verplichtingen jegens de gemeente, als de stad Brussel na zooveel jaren. Gelijk M. Demeure had ook Thorbecke in 1851 in zijne toelichting tot art. 175 der Gemeentewet gezegd: »Zal men van de inwoners der Gemeente kunnen vorderen, dat zij de verordening naleven, zij moeten in de gelegenheid zijn ze te zien en zich aan te schaffenquot;. Ditmaal was het tragere Noorden meer dan een menschenleven de zuidelijke naburen vooruit.

Omtrent die Brusselsche Verordeningen kan ik overigens nog alleen mededeelen, dat geen enkel artikel van het B. W. wat in onze Verordeningen wordt toegepast, daar eene regeling heeft gevonden, behalve art. 674 C. N., (— ons art. 703 B. W.) en wel in art. 67 van het Reglement sur les batisses van 21 Februari 1883.

Overigens herinnert het Règlement sur le Police des Domes-tiques van 6 December 1851 sterk aan de Verordening der Gemeente Maastricht, die wij hieronder mededeelen.

De Gemeenten kannen dus bij Verordening de Gebruiken vaststellen en ze ook veranderen.

Dit beteekent niet, dat zij daarin willekeurig behooren te werk te gaan. De wijze, waarop thans dikwijls Policiebe-palingen worden in het leven geroepen en veranderd, is ten eenenmale af te keuren — ja, ik zou eigenlijk aarzelen de Gemeentel lesturen tot werkzaamheid in deze materie aan te

-ocr page 68-

GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

sporen, wanneer het niet mijne overtuiging was, dat alleen op deze wijze de ongerieven van het ontdekken van oude verordeningen op het meest ongelegen oogenblik kunnen worden voorkomen.

Integendeel, zooveel mogelijk moet worden vastgesteld het gebruik, dat wordt gevolgd, zoo min mogelijk veranderd.

Stel u echter het tegendeel voor, dat verandering bij verordening onmogelijk is, en ik laat aan ieders gedachte over te denken welke moeielijkheden ontstaan kunnen.

Slechts één voorbeeld. Vroeger was het te Amsterdam gebruikelijk, dat onroerende goederen op denzelfden avond eerst door opbod en daarna door afslag door het zoogenaamde »mijnenquot; werden verkocht. Er was geen moeielijkheid in het nakomen van de door het plaatselijk gebruik aangewezen vormen van verkoop. Sedert eenige jaren is de houder van een ander verkooplokaal begonnen die beide handelingen, opbod en afslag, te scheiden, en het laatste eerst eene week na het eerste te doen plaats vinden. Twee vormen van publieken verkoop staan thans daar ter stede tegenover elkaar, de oude en de nieuwe. Welke moet door een voogd, curator, etc., die met inachtneming van plaatselijke gebruiken moet verkoopen, gevolgd worden ? Zoo thans nog de meerderheid voor de oude manier is, wat zal men moeten beslissen, als die meerderheid eene minderheid zal geworden zijn? — Ten ware de rechter weer de Gordiaansche knoop doorhakke, en met een »zoo is het plaatselijk gebruikquot; partijen naar huis zendt. Was het dan niet beter, dat dit feit vooraf algemeen bekend zou worden gemaakt, opdat men niet behoefde te gissen wat te moeten doen ?

NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN EN ANDER OVER ONZE GEMEENTEVERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

Het onderzoek naar bepalingen van Burgerlijk Recht in Gemeenteverordeningen moest mij wel met een groot aantal van deze doen kennismaken, en hoewel anderen mij te hulp kwamen, van een ruim 900 tal Gemeenten leerde ik alle, vele, of eenige, soms ook afgeschafte verordeningen kennen.

Deze literatuur is, wanneer zij met een bepaald doel wordt

Lil

-ocr page 69-

GliMEENTE-VERORDENIXdEN IN HET ALGEMEEN. 1,111

nagegaan, minder dor dan men in den aanvang zou mee-nen, en het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat eene meer opzettelijke studie niet onbelangrijke resultaten zoude afwerpen ter beantwoording der vraag, hoe onze Gemeenten sinds 1851 ::ijn bestuurd, en daardoor gewichtige bouwstoffen konden leveren voor eene herziening onzer Gemeentewet.

Eenige mededeelinger daaruit, bij het voor mijn doel genoegzame doorbladeren opgevangen, zullen wellicht niet onwelkom zijn, al staan zij niet allen met ons onderwerp in nauwe betrekking.

Van de 1124 Gemeenten hebben 1107 een of meer Gelneen teverordeningen. Of de 17 overigen één in Groningen (Bierum), vijf in Drenthe (Dwingelo, Emmen, Roden, Rui-nerwold en Vledder), één in Gelderland (Rosendaal), zeven in Zeeland (Boschkapelle, Noordwelle, Overslag, Renesse, Serooskerke op Schouwen, St. Kruis, Stoppeldijk) en drie in Limburg (St. Pieter, Posterholt en Rijckholt) in het geheel geene bezitten of bezeten hebben weet ik niet.

De eene Gemeente heeft uitvoerige, de andere zeer korte verordeningen —■ (het Politie-reglement van Wieringen van 25 Jan. 1882 met zijne 12 artikelen is wellicht wel de allerkortste van dien aard) — de eene velen, de andere weinigen.

Dat alles hangt zamen met de eigenaardige omstandigheden, waarin de Gemeente verkeert. Soms heeft zij ook wel eens afzonderlijke verordeningen voor bepaalde gedeelten van haar territoir bijv. de friesche gemeente Wonseradeel, ten aanzien van de Brandspuitinrichting voor de dorpen Witmarsum, Arum en Makkutn. Soms is vooral bij wegen ééne verordening door twee of meer Gemeenten tot stand gebracht.

Gaat men de onderwerpen na, zoo zal men spoedig verrast zijn door een aantal van dezelfde soort en inhoud. »Verdeeling der Gemeente in Wijken en het Nummeren der huizen.quot; »Het doen van aangifte bij verhuizingen.quot; »Het vervoeren van lijders aan besmettelijke ziekten.quot; »Het begraven van lijken.quot; «Bepalingen ten aanzien van logementen, herbergen, tapperijen, publieke vermakelijkhedenquot; — zijn overal nagenoeg in den zelfden geest geregeld. Zij zijn alle uitvloeisels, deels van het regeeringsstelsel van 1848, deels van belangrijke wetten sedert tot stand gekomen. Hier is veel eentoonigs, veel dat naar de Schablone riekt.

Bijv. Bij het onderwerp verhuizen is het zeer weinigen voor

-ocr page 70-

LIV GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

den geest gekomen, dat het vaststellen van een verhuisdag niet minder gewichtig is dan een bevolkingsregister. Zoo men ten aanzien van dien verhuisdag al iets bepaalde, dan geschiedde zulks elders, als een onderwerp van plaatselijk gebruik, waaraan nooit iets te veranderen is.

Het eerste Hoofdstuk eener Politie-verordening is in den regel gewijd aan »de verdeeling der Gemeente in wijken en het nummeren der huizenquot;, en dit opschrift wordt zelfs dan gehandhaafd, wanneer (gelijk bijv. in de Pol. verord. van Oeffeit van 18(34 en die van Gassel van 1883) in strijd daarmede art. 1 aldus luidt; »De Gemeente bestaat uit één wijk.quot;

Aan ons rechtsstelsel danken wij ook de bijna overal behandelde onderwerpen »van persoonlijke dienstenquot; en »van het binnentreden der woningenquot;, terwijl Brand- en Bouwverordeningen, die, welke de openbare orde op straat handhaven, aan eene minder kunstmatige oorzaak haar ontstaan danken. De zeer verschillende natuur onzer Gemeenten geeft aanlei-leiding tot eene reeks verordeningen, die in een, soms twee provinciën maar nergens anders voorkomen. Zoo vindt men in Limburg verordeningen omtrent Steengroeven \'), in deze Provincie en in Noord-Brabant tegen den Vliegworm in Dennenbosschen quot;J). In de Zeeuwsche Gemeente Ouwerkerk was daarentegen eene verordening tegen het gevaar van hooge vloeden noodzakelijk, in Zandvoort, Wijk aan Zee en Duin, Loosduinen een op de Zeebaden, in de Groninger Gemeenten Leek, Scheemda Nieuw-Pekela en Wedde eene tegen het Veenbranden. :\')

Zijn Zee, Rivier, Heide, Bosch en Berg de vaders van eigenaardige rechtsbepalingen, soms geven zij slechts eene

!) Gemeente Bemelen, Houthem, Oud-Valkenburg, Sint Pieter, Oud Vroenhoeven en Vroenendaal (hier in Hoofdstuk V. Pol. Verord. 1887.)

2) Gem. Arcen en Velden (Pol. Verord. 1888 Hoofdstuk XII), Horst, Maasbree (Pol. Verord. 1883 Hoofdstuk VII.) Venlo (Art. 328 Alg, Pol. Verord. 1885) Venray in Limburg. In Noord-Brabant Valkenswaard.

3) In Vlieland eene van het visschen van schelpen. De zuidelijke Gemeenten schijnen ook wel het krachtig te keer gaan der bedelarij noodig te hebben gevonden. Zoo de Brabantsche Gemeente Dongen, terwijl het Limburgsche Montfort dit op de volgende zonderlinge wijze met andere belangen in de verordening van 13 April 1864 vereenigt .. Verordening op de Brandweer en wering van bedelarij en straatmuzijk.

-ocr page 71-

LV

aanleiding tot het ontstaan van verordeningen. Van die van Beek en Donk omtrent het plaatsen van paaltjes langs de oevers der rivieren en waterleidingen heb ik geen tweede gevonden —- zij is althans zeldzaam.

Omgekeerd ging de Gemeente Zeist hekjes en dergelijke te keer. De verordening van ^8 Juli 1854 trachtte te voorkomen dat »niet naar willekeur het voetpad langs de huizen in de dorpstraat aldaar door het plaatsen van hekjes als anderszins werd ingenomen, versmald of belemmerdquot;, terwijl de Gemeente Petten op hare beurt de voetpaden te keer ging in de verordening van 1876; »Op het maken van voetpaden en het daardoor vernielen der kunstmatige beplantingen aan de zeewerende dijken.\'quot;

Onze groote rivieren Rijn, Maas, Waal zullen wel geene behoefte hebben aan eene verordening als die van Uithoorn (31 Aug. 1828) »tegen het snelvaren der Stoombootenquot; »wegens den sterken golfslag daardoor veroorzaakt, die de wallen zeer beschadigt, en hunne bruikbaarheid niet alleen vermindert maar zelfs in gevaar brengt, terwijl daardoor vastliggende schepen dikwerf worden losgeslagen.quot;

Uiterst zonderling treffen ons in Noord-Holland een vijftal verordeningen en een tweetal bepalingen in Pol. verord., waarin het sluiten der ramen \'s avonds wordt bevolen \')

O. lezen wij in de verordening van Opmeer: »dat binnen deze Gemeente van tijd tot tijd meer en meer bij de ingezetenen de gewoonte wordt om bij het branden van licht in hunne woningen de luiken voor de ramen of vensters der-zelve ongesloten te laten, of ook voor de ramen geenerlei of wel geen doelmatige voorwerpen of bedeksels te plaatsen.

O. dat daardoor na zonsondergang de passage en het verkeer langs den openbaren weg, vooral met paard en rijtuig, zeer gevaarlijk wordt en lichtelijk tot groote ongelukken zoude kunnen leiden.

Besluit:

Art. 1. De ingezetenen zullen verplicht zijn om bij het aansteken en branden van eenig licht binnen\'s huis, tusschen

I) Opmeer 10 Auj^. 1866, Spanbroek 14 Auy. 1866, Heer Hugo-waard 20 Nov. 1867. Venhuizen 18 Sept. 1871, Obdam 4 April 1881, verder art. 21 lJol. Verord. Andijk 1852 gew. 1876 en art. 4 idem Oudendijk 1854.

-ocr page 72-

I.VI GEMEENTE-VEROKIgt;EN1NGEN IN HET ALGEMEEN.

zonsonder- en opgang de luiken voor de ramen of glazen hunner huizen, waaronder de glazen deuren, bovenlichten als anderzins in den meest uitgebreiden zin, zoodanig te sluiten, of daarvoor zulke ondoorschijnende voorwerpen te plaatsen, dat deze lichten of derzelver schijnsel bij het gaan langs den openbaren weg niet kunnen gezien worden.quot;

Er zal wel behoefte aan zulke maatregelen bestaan, anders had men ze niet tot den huidigen dag gehandhaafd, ja nog kortelings ingevoerd — intusschen wie, die in andere Provinciën woont, had iets dergelijks mogelijk geacht?

Noord-Holland heeft meer eigenaardigheden.—Terwijl het evenals Zuid-Holland, Utrecht en Friesland, eene waterrijke provincie is, vindt men nergens zulk een kruistocht tegen de eenden als hier. Twaalf Verordeningen of Hoofdstukken eener Policieverordening zijn uitsluitend tegen hen gericht en daarenboven acht gedeeltelijk — let wel uitsluitend in de Plattelandsgemeenten.

Ook is deze Provincie niet minder dan de anderen met weiden voorzien. Brandgevaar door hooibroeiing is er dus zoo hier als elders. Toch zijn hier alleen officieele beambten, onder den naam hooistekers, aangesteld, om zelfs met binnentreden der erven en woningen der ingezetenen, naar den staat van het hooi onderzoek te doen. De gemeente Oosthuizen heeft in 1859 eene opzettelijke verordening aan hunne rechten en verplichtingen gewijd. In Schellinkwout vindt men hunne aanstelling geregeld voor twee jaren, tegen de kolossale som van ƒ8.— \'sjaars.

De provincie Limburg kent daarentegen officieel aangestelde schoorsteenvegers. »Van Gemeentewegequot;, zegt art. 12 der A. P. V. van Venloo van 1885, »wordt een schoorsteenveger benoemd, welke voor het reinigen van iedere schoorsteen. bijaldien hij daartoe geroepen wordt, niet meer dan 18 cents zal mogen vorderen.quot; Evenzoo vindt men ze in Roermond \') en Meyel.

Een ander soort van Gemeenteambtenaren, elders onbekend, vindt men in Friesland, Groningen en een deel van Overijsel, t. w. de Baanvegers. De Politieverordeningen onderscheiden zich door eene zorgvuldige behandeling van het

1) Art. 12 Brandverord. 1881.

-ocr page 73-

GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN. 1-VII

onderwerp der Ijsbanen, en hier hebben wij blijkbaar in een nieuw gewaad met eene overoude Instelling te maken.

Hier en daar zijn ook varkens voorwerp van regeling. Een paar hoofdstukken van Groninger Politieverordeningen zijn er aan gewijd (Uithuizen en Winsum). Ook in Friesland, uitvoeriger hier en daar in Overijsel, vooral echter in Zeeland.

Eene zeer teedere zorg voor het rundvee betoont eene verordening der Limburgsche gemeente Wessem, van 7 Sept. 1876: »0.\'\', zoo luidt het daar, »dat het rundvee dezer gemeente in grooten getale telken jare lam wordt ten gevolge van de stukgereden kiezel, die bij het vervoer over de gemeentestraten van de karren valtquot;, enz. zoo wordt een verbod uitgevaardigd op bepaalde plaatsen kiezel te vervoeren.

Nog rest ons de vermelding van een afzonderlijk hoofdstuk (8 artikelen) in eene Politieverordening (van Monnickendam), gewijd aan «bepalingen omtrent de standplaats van haring-droogers bij afslagquot;, terwijl in art. 8() der Politieverord. van Blokzijl van 1882 wordt gelezen: »de geschillen, die bij het afslaan van visch daaromtrent mochten ontstaan, zullen dooiden afslager worden beslist, en zal een ieder zich aan zijne uitspraak moeten onderwerpen.quot;

In eene enkele Twentsche verordening vond ik voorschriften omtrent eene met het oog op de gezondheid voldoende inrichting der fabrieksgebouwen. Ook zonder Grondwetsherziening had dat voorbeeld elders navolging kunnen vinden-

Vele verordeningen treft men ook aan, die het gebruik van gemeenteweiden en dergelijke regelen. \') Die van Roosteren van ö Feb. 1861, »over het weiden van hoornvee op den Privaatgrondeigendom der gemeentequot;, vangt in art. i aldus aan: vDe weilanden, bestemd tot weidegang voor het hoornvee, zijnquot; . . .

Den I4en Dec 1868 maakte de Gemeenteraad van\'s-Her-togenbosch eene Verordening op het gebruik der Gemeentegronden te Orthen, die aldus aanvangt; »Art. 1. Tot het doen beweiden der gronden van de Afdeeling Orthen, voorzoover daarvan de vruchten in natura zouden mogen worden genoten, zijn gerechtigd alle veehouders, die gedurende het laatste jaar hunne woonplaats binnen de Afdeeling Orthen hadden en hoofden van huisgezinnen zijn, of bij anderen

1) In Doorn is ook eene Verordening op de Dorpspomp.

-ocr page 74-

LVni GEMEKN\'TE-VERORDENINGEN IX HET ALGEMEEN.

inwonende, een afzonderlijk middel van bestaan hebben, behalve dienst- en werkboden.quot;

De 4e Afdeeling der Politieverordening van Oost-, Westen Middelbeers handelt »van de turf- en beiaard, geineente-bosschen en bepootingenquot;, waarvan het gebruik ook voor de ingezetenen is bestemd.

Ook de Gemeenteverordening van Sint-Oedenrodc herinnert ons aan oude tijden, als in art. 106 wordt gezegd: »Dc kom der Gemeente bestaat uit de oude Vrijheid, zijnde het bebouwde gedeelte der Gemeentequot;, enz.

Andere figuren, die men thans reeds tot het verouderde zoude rekenen, vindt men in geldende verordeningen terug. De iapzakdrager, d. i. degene, die verplicht is de bij brand benoodigde gereedschappen gereed te houden, vindt men nog in alle provinciën.

Minder veelvuldig wordt van piekeniers gesproken. De Verordening van IJsselstein van 12 [uli 1887 behelst de dienstregeling van het Korps Piekeniers, »belast met de handhaving van de openbare orde ter gelegenheid van brand.quot;

Verscheidene Brabantsche verordeningen wapenen den nachtwacht, o. a met een piek. Het heet daar: »De wachten gaan in stilte rond. Ieder wachthebbende moet voorzien zijn van een piek, slok of dergelijk wapen.quot; \')

De ouderwetsche Hand- en Spandiensten vindt men nog ten aanzien van arbeid aan de wegen, in eene bij K. B. goedgekeurde Verordening van Putten van 23 Aug. 1865.

In onderscheidene Overijselsche gemeenten is wijders de verplichting opgelegd »bij brand water te verschaffen, ter requisitie van B. en W. paard en voertuig en emmers mede te brengen, en bij zekeren termijn aangifte te doen van bij brand in bewaring genomen goederen.quot;

In dezen geest is ook het eigenaardige art. ,32 der A. P. V. van Tubbergen van 2() Feb. 1883, t. w.: «Ieder eigenaar of gebruiker van een gebouw is verplicht te gedoogen, dat van wegc dc gemeente of haren concessionaris lantaarns aan de gevels of muren van dat gebouw worden vastgehecht.quot;

1) Zoo Art, 47 P. V, Boxmeer 1882, art. 4 van H, IV Afd. 1 ; id. Riethoven 1857, Art. 4 des 7c Afd. ld. Oost-, West- en Middel-lieers van 1858, Art. 4 id. Luiksgestel 1859; Art. 51 id. Esch 1888.

-ocr page 75-

GEMEENTE-VERORDENINGEN INT HET ALGEMEEN. UX

De Gemeente-Verordeningen sind.s 1851 hebben overigens eene oude inrichting in Groningen, vroeger zeer algemeen, aanmerkelijk ingekrompen, ofschoon nog niet geheel opgeheven t. w. de Nabuurplichten. Zij strekten tot onderlingen bijstand bij sterfgevallen, begrafenissen, ziekten, nood.

Hoofden van huisgezinnen waren Gildebroeders, die op den dag der Rekening in januari een Olderman en Jongerman kozen. Zoo was het in Nieuwe Pekela \'). In Oude Pekela is ook een Heuveling. In Scheemda werd alles geregeld door Buurtmeesters in overleg met Wijkmeesters Men kan de bizonderheden overigens nog vinden in de Verordeningen van Finsterwolde (waar alleen de nachtwachtdienst overbleef)1), Sappemeer/f), Haren s), Muntendam (i), Slochteren Termunt 2), Veendam \'\') en Wildervank 3).

Overigens levert de Provincie Groningen nog dit opmerkelijke feit op, dat waar wij van bouwen spreken nog bijna altijd het woord Timmeren wordt gebruikt. Timmeren in \'/ openbaar is het opschrift van 15 Hoofdstukken in Gemeente-Verordeningen. Eens wordt van »Timraeren of het Bouwen

1

De Politie-Verordening van h Mei 1861 kende nahum-plichten in drie gevallen; ziekte, overlijden en nachtwacht In 1881 waren de twee eerste vervallen.

2

Verordening Nabuurdiensten 29 September 1857.

3

Verordening op de Nabuurplichten van 16 October 1857. nog geldig in 1876.

-ocr page 76-

LX GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

en Sloopenquot; gesproken, eens luidt de titel van Bouwen en Sloopen, doch de artikelen spreken van Timmeren.

Wat Staatszorg betreft merken wij een legio verordeningen of hoofdstukken op, die betrekking hebben op bakken en verkoopen van brood, soms van roggebrood alleen, soms ook van tarwebrood. In Noord-Holland telde ik van de eerste soort 27, van de tweede 8. Op 72 Gemeenten bezit tie Provincie Utrecht \') 30 dergelijke regelingen. Niet minder populair is zulks in Noord-Braband en Gelderland \'2).

Drie Groninger (Vries, Wedde en Zuidhorn), drie Over-ijsselsche (Ambt Delden, Rijssen en IJsselmuiden) en eene Zuid-Hollandsche Verordening (Heinenoord) trachtten eene te hooge verzekering te keer te gaan. De Overijsselsche Gemeenten dwingen de ingezetenen tot het doen van opgaven, alsmede om personen in huis toe te laten, die de goederen taxeeren. Van die uitkomsten wordt door Ambt Delden en Rijssen kennis gegeven aan de betrokken Maatschappijen, en de zoodanigen, die met B. en W. in overleg willen treden, worden den ingezetenen, jaarlijks bij publicatie bekend gemaakt 3).

Een ander onderwerp geeft mede aanleiding tot eene niet onaardige opmerking. In de Provincie Noord-Brabant treft men 48 Verordeningen (hetzij zelfstandig, hetzij hoofdstuk eener Politie-Overtreding) aan, waarin Kinderarbeid wordt verboden. Allen nemen den leeftijd 12 jaren aan, behalve Beugen, die het tot 11 en Maashees, die het tot den 10-jarigen leeftijd beperkt. Meestal heet het het te keer gaan van over-matigen arbeid van kinderen, soms (bijv. Hoeven, Huybergen, Rucphen, Rijsbergen, Zeelstquot;) tot bevordering van trouw schoolbezoek, of tegengaan van schoolverzuim. Allen komen hierin overeen, dat gedurende de schooluren geen arbeid mag worden verricht, alleen Empel en Meerwijk verbiedt den kinderen beneden 1 2 jaren ook aan anderen -gt;eten te brengen in het veldquot;. Al kan daarvan dispensatie door den Burgemeester worden gegeven, gaat dat m. i. wel wat te ver.

1) Tot niet lanj; geleden bestond zij ook in de Stad Utrecht.

2) In Groningen vond ik het in de Gemeente Oldekerk, Oude Pekela en Stedum.

3) Eigenaardig is ook de Verordening ter wering van vreemde veehandelaren van de stallen, erven en weiden van veehouders in de Gem. Slochteren van 7 Februari 1867.

-ocr page 77-

GKMEENTE-VERORDEN INOKN IN HET ALGEMEEN. I.XI

In de Provincie Noord-Holland zijn op dit punt slechts vier of weinig meer dan vier Verordeningen te vinden, in Groningen eene (Gemeente ter Boor), in Friesland ook één (Gemeente Wonseradeel).

Terwijl verreweg de meeste Verordeningen zich van eene bepaalde theorie onthouden, zijn er enkelen, die van het denkbeeld uitgaan, dat de Gemeente op al wat daarin leelt en is toezicht uitoefent.

De Winterswijker Politie-Verordening van 1872 deelt hare hoofdstukken in in Toezicht op Personen, Toezicht op Levensmiddelen, Toezicht op Vee, Toezicht op Openbare Wegen, Toezicht op Waterleidingen, Toezicht door wachten ter handhaving der openbare orde en veiligheid van personen en goederen.

De Politie-Verordeningen van Zelhem van 1858 en 1882 spreken ook van Toezicht op de zes eerstgenoemde onderwerpen. Intusschen al wordt dit elders niet met even zoovele woorden gezegd, hier en daar is de poging duidelijk waarneembaar om het Gemeentebestuur absolute heerschappij te verschaffen, over al wat op straat zich bevindt en beweegt. Het denkbeeld, dat B. en W. slechts hebben te zorgen voor handhaving van orde op straat, is ondergegaan in deze, dat op straat niets mag geschieden zonder uitdrukkelijke toestemming van B. en W.

Karakteristiek zijn de volgende artikelen der Verordening-op de Straatpolitie te Rotterdam, van 26 Januari 1888, Nquot;. Q.

Art. 3. Het is verboden de straat ten gebruike intenemen, tenzij met schriftelijke vergunning van B. en \\V, en overeenkomstig de voorwaarden door hen bepaald.

Art. 4. Plet is den eigenaar, gebruiker of beheerder van voorwerpen verboden die uit te stallen, te plaatsen of te hebben op de straat of buiten de gevels van gebouwen aan de straat, tenzij met schriftelijke vergunning van B. en W. en overeenkomstig de voorwaarden door hen daarbij bepaald.

Art. 5. Het is den eigenaar, gebruiker of beheerder van voorwerpen verboden die te hangen of te laten hangen aan hekken, heiningen, leuningen, hoornen of palen op of aan de straat staande.

Art. 6. Het is verboden waschgoed op of aan de straat te bleeken of uit te spreiden.

Alzoo het gaan en rijden zelfs op de openbare straat is

-ocr page 78-

LX11 GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

te Rotterdam slechts geoorloofd als B. en W. zulks wel gelieven te vergunnen. Is het nu wel waar, dat dit niet ernstig gemeend is en de bedoeling der Verordening alleen is om een mogelijk misbruik te verhoeden, zoo kan men geenszins ontkennen, dat de beoordeeling waar het gebruik in misbruik overgaat, hetgeen bij den rechter behoorde te zijn, geheel en al aan de Policie of bet O. M is overgelaten.

Dezelfde strekking om den Rechter te ontgaan, of liever hem uitsluitend lot strafuitsprekende machine te gebruiken, vinden wij ook in vele Bouw-Verordeningen.

Art. 625 B. W. erkent, dat het gebruik van den eigendom beperkt kan worden door Verordeningen van het daartoe bij de Grondwet aangewezen gezag. Dientengevolge bepaalt de Gemeentewet in art, 135 B. W., dat aan den Raad het maken van Verordeningen behoort in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid. De H. R. nam bij arrest van 28 Nov. 1887 aan, dat B. en W. slechts de gegeven regels mochten toepassen, nimmer nieuwe eischen stellen. Om dat bezwaar van rechtelijke inmenging te ontgaan, bepalen een aantal Verordeningen, dat niet gebouwd mag worden zonder goedkeuring van B. en W. en dat, bij afwijzing van een daartoe strekkend verzoek, de Gemeenteraad ter beslissing kan worden ingeroepen, De Rechter heeft dus niets anders te doen, dan het constateeren van eene weigering, eene voor iedere waarneembare handeling. Het bepalen der boete had dus evengoed door B. en W. zelve kunnen geschieden binnen de door de Wet gestelde grenzen.

Het denkbeeld, dal de openbare straat het souverein territoir van den Gemeenteraad is, heeft geleid tot eenige bepalingen, die waar het geval zich zal voordoen eer zullen leiden tot benadeeling, dan bevoordeeling van hel openbaar belang.

De Haagsche Bouwverordening van 12 Juni 1888 zegt in art. 1: «Niemand mag een straal aanleggen dan op de breedte en hoogte en in de richting door den Gemeenteraad te bepalen. Art. 2. Alle openbare straten niet aan de Gemeente toebehoorende moeten door of van wege de eigenaren en ten hunnen koste in behoorlijken staal worden gebracht en gehouden op de wijze door B. en W. te bepalen. Dit art. is ook toepasselijk op hofjes.quot; Voorzoover de bepaling strekt om behoorlijke uitgangen te verzekeren aan eene reeks woningen, die door particulieren aangelegd niet onmiddellijk aan

-ocr page 79-

GEMEENTE-VKRORDENINGliN IN HET ALGEMEEN. XMU

de Geineentestraat aansluiten, is daarentegen niets aan te merken. Maar hij, die genegen zou zijn bij den aanbouw van een nieuw kwartier ten behoeve der latere bewoners het aantal toegangen te vermeerderen en tot eene straat te maken, zal zich wel tweemaal bedenken eer daartoe over te gaan, immers het bewijzen van een dienst aan het publiek — en dit is toch elke aanleg van een straat — is hem niet geoorloofd dan onder deze twee drukkende voorwaarden, dat hij gehoorzaam de bevelen van de Gemeenteraad volgt en voortdurend de straat onderhoudt, zooals li. en W. zullen bevelen. Wie zal zich dan niet voorzichtigheidshalve onthouden van op die wijze goed te doen? \')

Eene niet minder zonderlinge theorie geeft ons art. 44 der Politie-Verordening van Langeruigevveide van 1857: »Een ieder is verplicht om telkens wanneer een gemeenteambtenaar zich ter zijner woon- of verblijfplaats vervoegt om opgaven in te winnen, welke die ambtenaar ter uitoefening zijner bediening noodig heelt, die naar ruaarheid te doen.quot;

Indien de Gemeenteverordening door waarheid van gedane opgaven niet anders strafbaar mag stellen dan door de verplichting tot waarheid eerst uitdrukkelijk en op wettige wijze te doen aannemen en afkondigen, dan zal uitdrukkelijk vrijheid van te liegen en te bedriegen erkend worden daar, waar men verzuimt zoo iets officieels ter neer te schrijven. Tevens

1) Evenzoo Art. 92 en 93 Pol. Vcrord Groningen 17 Nov. i88(gt;, luidende: Art. 92. Het is verboden, wegen, straten of voetpaden voor het algemeen toegankelijk, of aansluitende aan openbare wegen, straten of voetpaden, aan te leggen op particuliere gronden, tenzij met vergunning van den Raad en in overeenstemming met de aan eene verleende vergunning verbonden voorwaarden. Art. 1)3. Zoo dikwijls de Raad besluit tot den aanleg van eene straat, weg of voetpad, of daartoe aan particulieren vergunning verleent, wordt daarbij voorgeschreven de richting, waarin de straat, de weg of het voetpad zal worden gelegd, zoo mede de daaraan te geven breedte. — Hier gaat men van de gedachte uit, dat de eigenaar eene vergunning behoeft om zijn eigendom tot elk niet voor hein, maar voor anderen alleen vruchtdragend doel in te richten. 1 )verigens wordt een voetpad niet altijd aangelegd; men laat den een en den ander, iedereen behalve B. en W. over zijn grond gaan. De eigenaar, voorzoover niet afgeschrikt, stoort zich eenvoudig niet aan de verordening of aan li. en W. Art, 1)quot; en 98 der Verordening van Uithuizen van 26 October 1886 stemmen met deze overeen.

-ocr page 80-

I.XIV GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

wordt het bestaan eener zedelijke verplichting der ingezetenen ontkend om, waar de staat roept of ook zonder dat tot heil der gemeenschap mede te werken.

Wij veroorloofden dit in het midden te brengen om op de schadelijke gevolgen te wijzen van slechte theoretische ir.kleeding van misschien zeer goed bedoelde maatregelen. De lezer der hierachter medegedeelde verordeningen zal zien, hoezeer de onderscheiding van publiek- en privaatrecht door vele gemeentebesturen is voorbijgezien.

Onze Grond- en Gemeentewet vergunt den Raad niet eene straf te stellen op de nietnakoming eener regel, waarmede het openbaar belang nietvs, verbonden. Wanneer Art. 6go B. W. wenscht. dat plaatselijke bepalingen zullen gemaakt worden, ten aanzien van hoogte en wijze van afsluiting, zoo is daarbij, voorzoover wij kunnen nadenken, nergens eenig ander belang betrokken, dan dat van den man en zijn buurman. Wil één van deze tegen den ander weerbarstig zijn. onze Staatswetten openen de poorten der gevangenissen tot nog toe niet ter hulpe van den verongelijkte, wien hij op andere wijze zijn hulp biedt.

Zeg niet - dit is te zonderling, slechts geldboeten staan op zulke overtredingen. Daargelaten, dat ook deze hulp van den Staat in strijd is met de Wet — wijs ik op de Politieverordening van dc gemeente Hennaarderadeel van 1886, gewijzigd in 1887. In Hoofdstuk VTIT, ten titel voerende. «Overige voorzieningen in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheidquot;, komt in art. 95 ^ eene toepassing voor van art. 690 B. W. In deze plattelandsgemeente kan wijze en hoogte van afsluiting wel nooit onder het gezichtspunt van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid komen. Maar het moest ongeloofelijke is wel dit, dat overtreding van de bepaling, die een uitvloeisel is van art. 733 J3, w, — de breedte van een ten gevolge van erfdienstbaarheid geschapen weg, dreef of voetpad strafbaar zou kunnen zijn ook met hechtenis van zes dagen, en dat om dit vergrijp te constateeren, het noodig was uitdrukkelijk bevoegdheid te geven tot het binnentreden der woningen der ingezetenen tusschen zonsop- en ondergang \').

Eindigen wij met te wijzen op een goed voorbeeld. Enkele verordeningen hebben definities. Meerendeels leiden zij daartoe,

1) Zie bl. 133 hierachter.

-ocr page 81-

gemeente-verordeningen in het algemeen. lxv

dat bepalingen voor een geheel ander doel geschreven, nu ook de verstrekkende, allerminst bedoelde resultaten hebben. In enkele anderen hadden zij eene weldadige strekking. Zoo heeft de Gemeenteraad van Broeksittard reeds in 1867 \') gevoeld, dat het woord eigenaar wel eene omschrijving behoefde. »Waar in deze verordening gesproken wordt van eigenaars, wordt daarvoor gehouden de persoon of personen, welke als zoodanig te boek staan, of als hoofdbezitters bekend zijn.quot;

Eigenaardig en praktisch is de afkondiging van het 3de Hoofdstuk tier Politieverordening der N.-Brabantsche gemeente Dussen van 1884. De Gemeenteraad oordeelde, dat dit hoofdstuk, dat handelt over de tapperijen en de daarmede gelijkstaande bedrijven, nog wel elders dan op het Raadhuis behoorde te worden afgekondigd. En zoo lezen wij aan het slot dier Verordening het volgende: «Afgekondigd Zondag 20 Juli 1884, des voormiddags te 11 ure, door allezing vóór de deur van het Raadhuis, en is van het 3e Hoofdstuk mede afkondiging geschied van de predikstoelen van de onderscheidene Christelijke gezindheden.\'quot;

Ofschoon het algemeen bekend is, dat TiiORiiECKE door zijne Gemeentewet veel heeft verbeterd door den uitsluitenden invloed van den adel op het platteland tegen te gaan, door een veel grooter aantal burgers aandeel in de regeering te geven en de openbaarheid als machtige wachter tegen verkeerdheden en bevorderaar van algemeen belang in te voeren, zoo is daarmede en met al wat Mr. Oppenheim in zijn Handboek daar bijvoegde, nog niet in alle opzichten de gewichtige verandering gekenschetst. Het platteland is aanmerkelijk ontwikkeld, dit is zeker. Ook is veel in de administratie verbeterd. Aarzelden nog in 1844 ve\'e gemeentebesturen hunne Verordeningen te herzien, in afwachting van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, niettegenstaande den verlengden levensduur van den Code Pénal, zien wij na 1851 bijna overal lange of korte, meer of min volledige Verordeningen tot stand komen.

1) A. P. V. 20 Januari 1867. De aangehaalde bepaling komt voor in Hoofdstuk I, Art. 1 sub d.

-ocr page 82-

LXVI GEMEENTE-VERORDENINGEN IN HET ALGEMEEN.

Maar welk verschil is er tusschen het bestuur in de vóór 1851 meest ontwikkelde Gemeenten en daarna? Dat is moeijelijker te zeggen. Toevallig in de gelegenheid eenige Verordeningen uit die tijden in te zien, deel ik daaruit het een en ander mede, wat mij trof. Van de onderwerpen op bl. LII1 aangegeven als tamelijk wel op gelijke wijze in onze nieuwe Verordeningen geregeld, vindt men alleen veelvuldig terug Politiemaatregelen tegen Logementhouders, tappers, enz. Omtrent Begrafenissen vind ik alleen bepalingen in de Verordening van Delft van 1843 en Schiedam van 1848. Omtrent besmettelijke ziekten daarenboven nog in die van Kampen van 1842, maar die zorg beperkt zich toch alleen of bijna alleen tot Koepokinenting en Kinderziekte. Buiten dit drietal beginnen ook Wormerveer in 1845 en Harderwijk in 1847 Buurt-en Bevolkingsregisters te houden — maar de aanvang is zeer bescheiden. Wijkmeesters wachten de aangiften der ingezetenen niet af, zij moeten zich huis aan huis begeven om de noodige opgaven te verkrijgen. In de Verordeningen van Utrecht van 1826, Heemskerk van 1834, Wijk aan Zee en Duin, benevens Beverwijk van 1835, Elburg en den Haag van 1841 vindt men van dat alles niets. De Verordening van laatst-gemelde gemeente is zelfs naar verhouding verbazend kort, zij heeft geene indeeling, telt 50 artikelen en wijdt onder deze verscheidene aan Buurrechten. In Utrecht, Heemskerk, Wijk aan Zee en Duin, Wormerveer en Kampen vindt men daarenboven bepalingen nopens de viering van Zon- en Christelijke Feestdagen.

Op het bouwen zijn zeer strenge bepalingen. Volgens art. 235 Harderwijk, mag niemand binnen de Stad of haar Grondgebied aan de straat of den openbaren weg bouwen, noch de grondslagen van gebouwen of muren vernieuwen, zonder voorafgaande opneming van den Stadsarchitect en zonder toestemming van B. en W. Hetzelfde verlof is volgens art. 236 noodig bij vernieuwing en behalve boete, staat op overtreding nog de mogelijkheid, dat B. en W. de afbraak van het gebouwde kunnen bevelen. Geheel gelijke artikelen vindt men in artt. 328—330 der Verordening Delft.

Geadmitteerde Schoorsteenvegers vindt men in Kampen. Zij hebben de verplichting opgave te doen bij wie zij den schoorsteen hebben geveegd. Het woord Timmering voor bouwen komt ook voor in Delft en Harderwijk. Karakteris-

-ocr page 83-

VORM EN BEKENDMAKING DER GEM.-VERORD. LXVII

tick is de Harderwijksche titel «Plaatselijke Verordeningen en Huishoudelijke Bepalingen voor de Stad Harderwijk en derzelver Grondgebiedquot;. Er is in die Keur ook iets aartsvaderlijks omtrent de wijze, hoe de nachtwacht voor de Buurtschappen Hierde cn Tonsel wordt geregeld.

Op wat wijze die Verordeningen ter algemeene kennis zijn gebracht, blijkt slechts op geringe wijze. De Politie-Veror-dening van Utrecht van 1826 is gepubliceerd, de Brandver-ordening van Beverwijk van dat jaar is op \'t Raadhuis ter visie gelegd en afgekondigd. Eigenaardig is vooral Wormerveer, art. 103, luidende: »Dit reglement zal in plano gedrukt, op bordpapier opgeplakt en in alle herbergen, logementen en tapperijen binnen de Gemeente moeten blijven opgehangen, op eene boete van f 6.— tot f 12.—.

En ten einde niemand hiervan onwetend zij, zal deze worden gepubliceerd en aangeplakt, waar zulks gebruikelijk isquot;.

Na 1851 dus meer vrijheid in het bouwen en de Zondagsviering, maar tevens meerdere Politiebepalingen ten aanzien van Bevolkingsregisters, besmettelijke Ziekten, enz. Meer en uitvoeriger Verordeningen in het algemeen. Dat alles behoort ook tot de karakteristieke onderscheidingen van beide perioden. Juist het laatste feit heeft, gelijk wij later zullen zien, echter geleid, tot onderdrukking zonder noodzaak van menige goede instelling.

TIENDE HOOFDSTUK.

VORM EN BEKENDMAKING DER GEMEENTE VERORDENINGEN.

Vóór honderd jaren was het recht een geheimzinnige macht voor bijna een ieder. Onverwacht, zonder dat men er aan dacht, of men zulks in het minst konde vermoeden, trad het den eerzamen burger in den weg, verhinderde hem goed te doen, dreigde hem te berooven van het eerlijk verkregene. De Codificatiën der laatste honderd jaren hebben aan de maatschappij de weldaad bewezen, een stel van eenvoudige regelen, voor zeer velen begrijpelijk, voor elk toegankelijk, te hebben gegeven, en terwijl éénheid in den Staat de verscheidenheid zelfs in de kleinste districten verving, weder-keerig de gelegenheid te hebben geopend voor meerdere

-ocr page 84-

LXVin vorm en bekendmaking dek. gem.-verord.

eenstemmigheid, zoowel aan deze, als aan gene zijde van den staatsgrens en zelfs van natuurlijke scheidingsliniën, als zee en berg. Datzelfde denkbeeld stond Thorbkcke ook voor oogen bij de vervaardiging der Gemeentewet. Meer dan de Fransche en Belgische voorgangers, meer dan eenig ander vestigde hij in de bekende artt. 167—169, 172—178 der Gemeentewet de grondslagen van een voor allen toegankelijk, gemakkelijk kenbaar gemeenterecht.

Toch is dat doel allerminst bereikt. Thorbecke heeft zelf hinderpalen tegen de verwerkelijking van zijne goede bedoelingen opgeworpen.

Hij heeft of niet een volkomen afgeronde voorstelling van ü.Gemeentequot; gehad, of een gemengd systeem willen vervolgen. Tegenover Groen van Prinsterer en Mackay heeft hij de afhankelijkheid der Gemeente van de centrale macht sterk uitgebreid, maar haar echter niet geheel en al als een territoriaal gedeelte van het geheel beschouwd, blijkens art. 121. Zoo schijnt het Thorbecke ook te hebben voorgezweefd, dat er een ander soort van verordeningen, dan de in art. 101—178 behandelde, konde bestaan \'), en toch ontbreekt elk voorschrift voor deze omtrent afkondiging, mededeeling én aan andere autoriteiten én aan het publiek benevens herziening. Verordeningen, ten aanzien van het Burgerlijk Recht, vallen niet onder de voorschriften van art. 161—178, die alleen betreffen de zoodanigen, tegen wier overtreding straf is bedreigd. Zoo men al aanneemt, dat ook de eerstgenoemden niet gelden zonder te zijn afgekondigd, zoo zou het alleen zijn op grond van art. 1 en 2 A. B.

Waar zijn nu zoodanige verordeningen te vinden? Noch het Ministerie van Justitie, noch Gedeputeerde Staten, noch eenig rechterlijk College behoeven daarmede in kennis te worden gesteld. Alleen het Gemeentebestuur kan met het bestaan daarvan bekend, kan echter daarmede door verloop van jaren ook onbekend zijn geraakt. Dit is zoo waar, dat onder de zelfstandige verordeningen, hierachter medegedeeld.

1) In zijne rede bij gelegenheid der Gemeentewet, te vinden bl. 73^ sub 6 der Beraadslagingen 2e Kamer, leest men: »Er is in het wetsontwerp niets te vinden, dat aanleiding geeft om te onderstellen, dat alle regelgevende beschikkingen aan de goedkeuring van het Gouvernement zouden zijn onderworpen.quot;

-ocr page 85-

vorm en bekendmaking der. gem.-verord. lxix

een paar voorkomen, die o]i de uitnoodiging van H. F,xc. de Ministers van Justitie en Binncnlandsche Zaken niet waren opgezonden, maar door mij in \'t Archief van den [longen Raad zijn ontdekt.

Zijn er nog meerdere formeel rechtsgeldig, aan wie niemand denkt? Een ontkennend antwoord durf ik niet te geven.

Een tweede fout van Thorbkckk was deze, dat hij niet alleen het codificatiestelsel bij de verordeningen niet heeft voorgeschreven, of althans bevorderd, maar het zelfs heeft tegengewerkt.

De ingezeten toch moet, dunkt mij, op even gemakkelijke wijze met hetgeen in de gemeente rechtens is, kunnen kennis maken, als met hetgeen in het rijk geldt. Vóór zestig jaren toonde een Fransch advocaat zijn Engelschen collega met rechtmatigen nationalen trots dat kleine boekje, de Cinq Codes, waarin het geheele Fransche recht was begrepen, terwijl de Engelschman, honderden van boeken doorlezend en bibliotheken doorworstelend, veel minder zekerheid konde bekomen omtrent hetgeen te zijnent gold. Eene nabootsing van het Wetboek is dan ook in vele genieenten tot stand gekomen, o. a. in Algemeene Politie-Verordenmgen. Volledigheid waarborgt deze titel niet: aan de eene zijde vindt men onder andere benamingen hetzelfde, aan de andere zijn er Algemeene Politie-Verordeningen, die slechts een klein deel van het Politiegebied behandelen \'). Thorbecke, die, blijkens zijne voorschriften van formulieren (o. a. art. 173 Gemeentewet) zulk een gevoel had voor het gewicht van het solemneele, had hier een solemneelen titel kunnen scheppen voor eene verordening, die daardoor aangaf al het op dat oogenblik geldige gemeenterecht te omvatten. Niet alleen dat hij zulks niet deed, maar in de artt. 167—169 Gemeentewet legde hij aan de uitvoering van dat plan meer dan een gewichtig beletsel in den weg. Immers hij gunde Gedeputeerde Staten veertien dagen en niet meer, om de ingezonden Verordening na te zien, en te overwegen of er termen zijn aan den Koning schorsing en vernietiging voor te dragen. Veertien dagen is genoeg voor kleine verordeningen, maar voor uitvoerige algemeene reglementen met honderden arti-

1) Bijv. Grijpskerk 9 Juni 1856, Ovezande 12 Dcc. 1873 cn We-meldinge 25 Nov. 1876.

-ocr page 86-

LXX VORAf EN BEKENDMAKING DER QEM.-VERORD,

kelen is die tijd te kort. Mr. v. Karnebeek verhaalt \'), dat de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van April 1856 tot |uni 1857 vijf honderd Strafverordeningen ter exa-minatie hebben ontvangen. Is het wonder, dat, gelijk mij werd ingelluisterd, Gedeputeerde Staten van zekere Provincie een soort van schrik bekomen bij het ontvangen van eene uitgebreide Algemeene Politie-Verordening, en ofschoon ik niet meer dan een vermoeden uit, meen ik het door mij waargenomen feit, dat in andere Provinciën de Algemeene Politie-Verordening door eene reeks bijzondere is vervangen, geheel of ten deele daaraan te mogen toeschrijven. Die artikelen, die wij thans als halfheden karakteriseeren, zijn in 1851 echter hoogst belangrijke nieuwigheden geweestquot;1). Een voorstel, dat thans uitvoerbaar was, t. w. de verplichting voor de gemeente, om de oude Verordeningen van tijd

1

Omtrent Frankrijk en België zie boven.

In art. 70 van het Reglement voor het Bestuur in do Steden, van 4 Januari 1824 No. 108, leest men het volgende:

Het maken van Stedelijke keuren en verordeningen in overeenstemming met art. 155 der Grondwet, behoort tot de attributiën van den Raad; deze echter mogen in geen geval strijdig zijn met de algemeene wetten of het algemeen belang.

De Raad zendt afschrift daarvan aan de Staten der Provincie binnen 2 X 24 uren na het vaststellen derzelve.

Dezelve Keuren en Verordeningen, geteekend door den Burgemeester en bij den Secretaris gecontrasigneerd, zullen, wanneer daartoe termen zijn, op naam van B. en W. worden gepubliceerd, met vermelding echter, dat die door den Raad zijn vastgesteld.

Het reglement van Amsterdam van denzelfden datum komt hiermede woordelijk overeen.

In het Reglement op het Bestuur ten platten lande van 23 Juli 1825 wordt hetzelfde onderwerp geregeld in art. 31.

Al. 1 komt overeen met art. 70 al. 1 voormeld.

Al. 2 luidt: De Gemeenteraad zendt binnen 2 X 24 uren na het vaststellen derzelve afschrift daarvan aan de Staten der Provincie, welke den ontvangst van hetzelve afschrift aan den Gemeenteraad berigten ten spoedigste en zoodanig in allen gevalle, dat dit berigt binnen 8 dagen na dien, waarop het afschrift bij de Staten is ingekomen, aan den Gemeenteraad kan zijn geworden.

Al. 3. Wanneer bij den Gemeenteraad het berigt zal zijn ingekomen, dat bet toegezonden afschrift werkelijk bij do Staten is ontvangen, wordt de vastgestelde Keur of Verordening afgekondigd en er verdere loop aan

-ocr page 87-

VORM EN BEKENDMAKING DER GEM.-VERORD.

tot tijd te codificeercn \'), zou toen onmogelijk zijn geacht. De bepaling van art. 175, die eene verkrijgbaarsteliing der verordening ook bij afschrift toelaat, is thans een anachronisme.

dezelve gegeven, tenzij door of van wegc den Koning anders mocht zijn bevolen.

Art. 32. De plaatselijke keuren en verordeningen, geteekend door den Burgemeester en van cle mede-onderteekcning van den Secretaris voorzien, zullen op naam van Burgemeester en Assessoren worden afgekondigd, met bijgevoegde vermelding echter, dat die door den Gemeenteraad zijn vastgesteld (behoudens de gevallen waarin werd toegelaten dat de Burgemeester zelfstandig verordeningen maakte).

Art. 34, Van alle plaatselijke keuren en verordeningen, die eenige boete of strafbepaling inhouden, zal dadelijk na de afkondiging een afdruksel of afschrift moeten gezonden worden aan den openbaren aanklager bij de Regtbank van eersten aanleg en den Vrederegter, waaronder de Gemeente behoort, of aan den Ambtenaar, welke onder eenige andere benaming de zoo evengenoemden in het vervolg mogten vervangen.

Dat waren de eenige voorschriften uit de Regcering van Koning Willem 1.

Zeer dikwijls heeft men toen afschriften in druk verkrijgbaar gesteld; toch liet de gewone wijze van bekendmaking zooveel te wenschen over, dat Gedeputeerde Staten van Gelderland op 9 Februari 1835 aan de Gemeentebesturen in die Provincie aanschreven, dat de ingezetenen niet geacht kunnen worden genoegzaam te worden bekend gemaakt met den inhoud van alle in hunne gemeenten bestaande plaatselijke reglementen door middel van de eenige afkondiging, die daarvan pleegt te worden gedaan, weshalve zij hnn »meermalige afkondiging en aanplakking, zoo mede het doen drukken en verkrijgbaar stellen van zoodanige reglementenquot; aanried.

In zijne Wetgevende Magt der Plaatselijke Besturen heeft Mr. G. de Vries A/,., bl. 268 — 299 kracht er op aangedrongen, dat zooveel mogelijk openbaarheid aan die verordeningen zou worden gegeven. Enkele der maatregelen in onze Gemeentewet voorgeschreven, vindt men hier terug — niet echter de vijfjarige herziening. Daarentegen is door dezen Schrijver reeds aangedrongen op Codificatie der Verordeningen, waarvan Elburg, Kampen en Delft de eerste proeven hadden gegeven, welke echter daarom niet geheel aan zijne verwachting beantwoordden, omdat de beide eerste in het geheel geene. Delft alleen die plaatselijke verordeningen ophief, welke onderwerpen, in de Verordening behandeld, betrof.

De nieuwe bepalingen onzer Gemeentewet omtrent afkondiging ontbreken in het vroegere Ontwerp de Kempenaer. Die verbeteringen schijnen alleen Thorbecke tot auteur te hebben gehad.

1) Eene groote gemeente als Utrecht heeft eene groote reeks afzonderlijke Verordeningen — \'t werkt inderdaad verwarrend.

l.XXI

-ocr page 88-

lxxil vorm en bekendmaking der gem.-veror1).

Het voorschrift borg ook een gevaar in zich, t. w. doordien «regelgevende beschikkingenquot; (uitdrukking van Tiiorhecke) alsnu ook konden worden afgekondigd in schrift. Tot zelfs in het archief van Gedeputeerde Staten vonden wij schriftelijke afschriften van dergelijke verordeningen, en onderdo hieronder medegedeelde betrekkelijk het Burgerlijk Recht zijn er verscheidene, waarvan wij alleen het officieele afschrift zagen. Op die wijze leert de burgerij niet het recht kennen, waarmede zij te maken heeft. Vervolgens is de mededeeling aan de rechterlijke autoriteiten door Thorbecke zeer zonderling behandeld. Oorspronkelijk was alleen eene mededeeling aan de Parketten van Kantongerecht, Rechtbank en Hof voorgeslagen. Toen nu werd voorgesteld ook het O. M. bij den H. Raad daaronder te begrijpen, bestreedt de Regeering zulks zeggende: »dit zou zeker van omslachtigheid niet vrij te pleiten zijn en schijnt nutteloos.quot; Thorbecke zag voorbij, dat de Hooge Raad na de Kantongerechten het meest met die Verordeningen te maken heeft, terwijl de Hoven daarover hoogst zelden oordeelen. Bij amendement werden nu ook alle Colleges met die verordeningen begiftigd — de 22 Exemplaren, thans 10, aan Hoven en Parketten van deze schijnen ons veel »omslachtiger en nutteloozerquot; te zijn, dan een tweetal voor den Hoogen Raad.

De artikelen 176—178 eindelijk hebben in de uitvoering niet dat nut gesticht, wat zij konden stichten. Met art. 176 bedoelde Thorbecke »de bewoners van naburige gemeentenquot;, van dienst te zijn »voor wie het geenszins onverschillig is te weten, wat in eene plaats rechtens is.quot; Ook de gemeentebesturen, ten aanzien van wie »het van hoog belang kan zijn, dat hunne aandacht gevestigd worde op de regeling van sommige punten elders.quot; Met art. 178, dat door hem slechts een nudum preceptum werd, doordien de niet gemelde Verordeningen even goed bleven bestaan, als de uitdrukkelijk geldend verklaarde, meende Thorbecke genoegzaam eene vijfjarige vernieuwde publicatie van het geldende gemeenterecht te hebben voorbereid. Hij achtte het nauwelijks denkbaar, »dat de Raad zulks zou verzuimen.quot; In deze verwachting is hij ten zeerste bedrogen.

In vijf jaren tijds zou men in eene Provinciale Verordening (die naar Thorbecke hoopte, afzonderlijk verkrijgbaar zou worden gestéld,) alle Gemeenten een verslag moeten zien

-ocr page 89-

VORM EN BEKENDMAKING DER GEM.-VERORD. LXXIII

geven der bestaande Verordeningen. Van 1882—1888, dus zeven jaren, voldeden aan het voorschrift van art. 178, in Limburg 21 op de 123, in Noorbrabant, van 1880—1888, dus in 9 jaren, 20 van de 184 Gemeenten. Toch is in de laatste Provincie goene. in de eerstgenoemde alleen een drietal Gemeenten zonder verordening. Ook in andere Provinciën, bijv. Gelderland, Z.-Holland, Groningen, Drenthe, treft men in twee achtereenvolgende jaren geene vermelding van dergelijke overzichten der Gemeenten aan. Het is derhalve niet te verwonderen, dat van de mecledeeling van den inhoud der bestaande of voortdurend geldig verklaarde verordeningen door Gedeputeerde Staten weinig werk wordt gemaakt — immers hun overzicht, ingericht zooals de wet het wil, geeft niets volledigs. Het geeft niet al wat geldig is, alleen wat men zegt dat geldig zou blijven.

Twee provinciën zijn eene schrede verder gegaan. Vooreerst Utrecht, zie Besluit van 2 Juni 1887 N0. 22, Provinciaal Blad 1887 Nquot;. 44. Met het vervolg Overzicht van 15 Maart 1888 N0. 19, Prov. Blad Nquot;. 34, vindt men eene volledige lijst der daar geldig geachte Verordeningen. Hierin was reeds voorlang Noord-Holland voorgegaan. Daar heeft geregeld om de 5 jaren eene volledige opgave plaats. De laatste is te vinden Provinciaal Blad 1884 Nquot;. 22. Hier vindt men niet alleen de Politie-Verordening vermeld, maar ook de Titels der Hoofdstukken. Alleen van deze twee Provinciën kan het publiek een zoo volledig mogelijk overzicht bekomen \') omtrent hetgeen in de gemeenten bestaat en aan welke onderwerpen de aandacht is geschonken — ten aanzien van de andere Provinciën is er maar eene vraagbaak, waar men zekerheid heeft het gewenschte antwoord te bekomen en men op de vriendelijkste wijze wordt geholpen, t. w. de Griffie der Provinciale Staten. Intusschen, in het algemeen belang zoowel als van deze Besturen, zou eene wijziging van art. 178 wel niet ongewenscht zijn.

1) Aten heeft mij opgemerkt, dat bij andere Provinciën als bezwaar heeft gegolden om dit voorbeeld te volgen, dat men daardoor besliste, of eenigszins de beslissing praejudicieerde wat alsdan nog geldig was. In concreto kwamen er lastige vragen, bijv. als een Gemeentebestuur opgaf welke verordeningen bet introk, en welke het geldig verklaarde, maar over eenige, die tot nog toe golden, verzuimde eene beslissing te nemen.

-ocr page 90-

AANTAL EN SOORT DHR GEM.-VERORD.

ELFDE HOOFDSTUK.

AANTAL EN SOORT DER GEMEENTEVERORDENINGEN DIE BEPALINGEN VAN BURGERLIJK RECHT BEHELZEN.

Op drieërlei wijze komt Burgerlijk recht in onze Gemeente-Verordeningen voor:

i0. De geheele Verordening is daaraan gewijd.

2°. Een geheel Hoofdstuk eener Verordening, liefst de Politie-Verordening behandelt dit onderwerp.

3°. In onderscheidene Verordeningen vindt men een of meer verspreide bepalingen met dit karakter.

Vele gemeenten hebben zoowel den een als den anderen weg bewandeld. Vooral art. 703 B. W. is in onderscheidene opzichten en daardoor in verschillende artikelen en verordeningen toegepast. Het aantal Verordeningen is dus veel grooter dan het aantal Gemeenten, waartoe deze behooren.

Het volgende overzicht \') geeft zulks duidelijk aan:

Provinciën.

Aantal al\'zondei\'lijko Vorordc-niiiKun.

Aantal alzondoillike Iloofdstuk-ken ccnor Verordening.

Aantal Verordeningen met verspreide bepalingen.

Totaal.

Voorkomende in

Gemeenten.

(rroningen

3

O

11

14

14

Drenthe

i

O

I

2

I

Friesland

0

6

20

32

00

Overijsel

0

O

8

8

8

Gelderland

4

O

9

t3

10

Utrecht

i

-gt;

16

19

18

N,-Holland

7quot;)

21

23

51

41

Z.-Holland

M

26

38

78

77

Zeeland

3

IO

79

92

75

N.-Brabant

7

6

20

33

33

Limburg

2

0

5^

58

57

42

71

287

400

362

Vooral in Zeeland en daarna in Noord-Holland doet zich het verschil gevoelen.

LXXIV

1

De door ons wel medegedeelde doch thans afgeschafte Verordeningen zijn in deze optelling niet begrepen.

-ocr page 91-

AANTAL EN SOORT DHR GEM.-VERORD.

Ofschoon in al deze vierhonderd Verordeningen toepassingen der artikelen van onze Wetboeken van Burgerlijk en Handelsrecht te vinden zijn, zoo zijn ze toch niet altijd van privaatrechtelijk karakter.

Immers het zeer veelvuldig \') toegepaste art. 703 B. W. wijst evenzeer op bepalingen, die het algemeen belang op het oog hebben, als die eenvoudig de betrekking omschrijven van den man en zijn naaste. Alleen met de laatste soort hebben wij hier te doen. doch de splitsing is niet met juistheid te maken. Elk lezer zal opmerken, hoe schromelijk veel verwarring hier bij de Gemeentebesturen heerscht door strafbepalingen toe te passen op gevallen van zuiver privaatrecht; de opvatting van het Gemeentebestuur kan dus niet ten gids verstrekken, en om de gevallen zelf te onderscheiden, daartegen zijn vele bezwaren. Wanneer wij alle gemeenten aftrokken, waar geen ander artikel dan 703 toegepast voorkomt, verkrijgen wij een minimum tusschen hetwelk en de 362 boven aangeduide Gemeenten het juiste cijfer te vinden is dergenen, welke bepalingen van burgerrechtclijken aard

LXXV

hebben vastgesteld.

Gemeenten,

Provincio.

Aantal Komccnten.

Verordeningen zijn in

waarin andere

art! keilen dan 703 B. W. zijn toegepast.

Groningen

57

14

6

Drenthe

34

i

1

Friesland

43

28

\'3

Overijsel

61

8

5

Gelderland

116

10

6

Utrecht

72

18

\'5

N.-Holland

134

41

36

Z.-Holland

190

77

62

Zeeland

109

75

45

N.-Brabant

184

33

28

Limburg

123

57

1

1123*)

362

218

1) Naar mijne telling minstens 381 maal.

2) Zie de jongste Dissertatie over dit onderwerp van Mr. J. H. de Vries, Gemeentegrenzen 1888, met de daar aangehaalde werken van Prof. Ol\'l\'EN-heim, Handb. All. 1—3, en de Dissertatie van Mr Roijaards. De afwijkingen in de cijfers worden gemotiveerd door de oprichting der gein. Schoone-beek in Drenthe (1884), de opheffing van Delftshaven (Z.-Holland) 1885 en Rimburg (Limburg) 1886. Het cijfer 1124 op bl. uil gemeld is abusief.

-ocr page 92-

AANTAL EN SOORT DICR GEM.-VERORD.

Het aantal Gemeenten, dat werkelijk bepalingen van burger-rechtelijken aard heeft tot stand gebracht, fluctueert tusschen ig^/fjcn 320/(l van het gelieel, hetgeen, in aanmerking nemende de tegenwerking en miskenning waaraan dit onderwerp voortdurend beeft blootgestaan, zeer aanmerkelijk is.

Dit springt des te meer in het oog wanneer wij reeds Limburg wegdenken. De vaste gebruiken, daar bestaande en in cere gehouden, doen behoefte aan geschreven bep;ilingen minder gevoelen. Zonder deze Provincie klimt de verhouding van 2 lquot;/,n tot SO1/^ %.

De Provinciën Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland zijn die, waarin de meeste verordeningen van dien aard zijn gemaakt. Van de 505 Gemeenten dier vier Provinciën hebben 211 dergelijke verordeningen gemaakt, waarvan 158 ook aan andere artikelen dan 703 B. W. uitvoering gaven.

1. De Verordeningen, die zich geheel wijden aan het Burgerlijk recht in zijn uitgebreidste beteekenis, laten zich vooreerst onderscheiden in de zuiver Burgerrechtelijke en in die, welke ten behoeve van den handel zijn gemaakt. Ten tweede ondergaat de eerste soort weder eene verdeeling, naarmate dc Verordeningen zich alleen aan de onderwerpen van Boek II L. \\V., alleen aan die van Bock IH of aan beide laten gelegen liggen. Het overzicht vindt men in het volgende:

Afzonderlijke Verordening

Omtrent Omtrent Omtrent Omtr. Wetb.

Provinciën. Boek II. Boek III. Boek IIenIII. v. Kooph.

Groningen — — 3 —

Drenthe 1 — —• —

Friesland — — — —

Overijsel — — — —

Gelderland — 21 1

Utrecht — 1 —- —

N.-Holland 3 — 1 3

Z.-Holland 4 451

Zeeland 2 — — 1

N.-Brabant — — 7

LXXVI

Limburg — 1 — 1

10 8 17 7 42

-ocr page 93-

AANTAL EN SOORT DER GEM.-VEROKD. LXXV1I

2. De afzonderlijke Hoofdstukken in Politie-Verordeningen bemoeien zich niet met handelsrechtelijke onderwerpen, maar verschillen toch ten aanzien van de behandeling der deelen van het Burgerlijk Wetboek en wel op de volgende wijze:

Hoot\\ I stukke-11 gew ij (l

Provincie.

Alleen aan ondenvGrpen van Hook II.

Alluen aan Book III.

Aan (lie. van Hook lion III.

Groningen Drenthe

Friesland

5

I

Overijssel Gelderland

Utrecht

2

N.-Holland

11

4

6

Z.-Holland

19

2

5

Zeeland

10

N.-Brabant

6

Limburg

45 7 19 - 71

In het geheel hebben dus 55 Gemeenten behoefte gevoeld de huur (het eigenlijke onderwerp van Boek III) uitvoerig en opzettelijk te regelen. Hoedanig men dit heeft willen tegengaan, blijkt uit de bespottelijke afschaffing der uitnemende bepalingen in de oude Verordeningen van Baarn en Soest. Bepaaldelijk is men in de Provincie Utrecht hierin verder gegaan dan elders \').

3. Verspreide bepalingen vindt men in Verordeningen van vijfderlei soort.

Vooreerst, in Politie-Verordeningen — eenige daarvan wijden alleen aan art. 703, anderen ook aan andere artikelen aandacht.

Ten tweede, in Brand-Verordeningen. Hier was eigenlijk alleen plaats voor toepassing van art. 703 B. W. Slechts ééne Gemeente (Biervliet) is op het zonderlinge denkbeeld

1) De Hoofdstukken, welke uitsluitend aan Boek II B. W. uitvoering geven, luiden meestal »Van verplichtingen tusschen naburenquot;. De Friesche Gemeenten Acht-Karspelen, Idaarderadeel, Oostdongevadeel en Tietjerksteradeel spreken van »afsluitiny van erven.quot; De Gemeente Woerden geeft aan het afzonderlijke Hoofdstuk den min gewonen naam van «Bijzondere bepalingenquot;.

-ocr page 94-

LXXVIII DE GEMEENTEL. VERORD, V. BURG. RECHT.

gekomen, de erfscheiding, in art. 6go B, W. bedoeld, met brandgevaar in verband te brengen.

Ten derde; Bouw-Verordeningen. Van deze denken enkelen alleen aan art. 703, anderen ook aan andere onderwerpen.

Ten vierde: een viertal Verordeningen, die onder verschillende benaming de bevordering der openbare gezondheid bedoelen, waarvan één in Overijssel, één in Zuid-Holland en twee in Zeeland.

Eindelijk ten vijfde: drie Verordeningen betrekkelijk de wegen. — Een in Zuid-Holland (Gemeente Bergambacht) bedoelt eene toepassing van art. 690 B. W,, de beide andere geven de gewone breedte van wegen, voetpaden aan en zijn de zoodanige waarop art. 733 B. W. slaat.

Van Verordeningen onder anderen naam is mij geene gebleken, die op artikelen onzer Burgerlijke Wetgeving betrekking hebben.

De drie eerste soorten groepeeren zich als volgt:

Provincie.

PolIUe-Verortl.

alloen andere 703 artt.

Brand-Verord.

alleen andere 703 artt.

Honw-

alloen 703

Verord.

andere arll.

Groningen Drenthe

4

I

3

4

-

-

Friesland

6

8

12

Overijsel Gelderland

2 2

1 1

4

_

i

4

T

Utrecht

12

3

I

N.-Holland

2

9

6

3

3

Z.-Holland

11

16

4

5

Zeeland

14

28

30

I

4

N.-Brabant

1

11

4

2

Limburg

1

39

-

59

90

106

I

4

20

149 107 24

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE GEMEENTELIJKE VERORDENINGEN VAN BURGERLIJK RECHT.

De eigenlijke Burgerrechtelijke Verordeningen vallen wel onder de Gemeentewet, doch zijn toch bij vervaardiging

-ocr page 95-

DE GEMEENTEL. VERORD. V. BURGERL. RECHT. LXXIX

daarvan voorbij gezien. Zij die haar moesten toepassen, geraakten bij deze gelegenheid in menige moeijelijkheid.

Bestaat menige gewone Verordening slechts in Exemplaren, die men aanplakt en die men dus spoedig uit het oog verliest, is van menige Verordening die gedrukt werd, geen enkel exemplaar meer te bekomen, deze Burgerrechtelijke Verordeningen zijn aan nog minder formaliteiten onderworpen, zijn daardoor zoo nonchalant behandeld, dat de geldigheid wellicht bij enkelen niet boven bedenking is.

Alleen schriftelijke copiën heb ik gezien van de Verordening van:

Alkemade 1856. Alphen 1875. Klaaswaal 1876. Colijnsplaat 1859. Ctyen en Teeffelen Bladel 1871.

Apeldoorn 1872.

Aarlanderveen 1859.

Numansdorp 1876.

Zuid-Beijerland 1879.

Cortgene 1875. Oyen en Teeffelen 1856.

Duizel en Steensel 1870.

Udenhout 1878.

Noch van mededeeling aan Gedeputeerde Staten, noch van afkondiging blijkt van de Verordeningen van;

Meppel,

Ermelo,

Apeldoorn,

Putten,

Alkmaar,

Amsterdam,

(behalve Rafactie-

Alkcmade,

Meerkerk,

Aarlanderveen,

Alphen,

Numansdorp,

Koudekerk,

Z.-Beijerland,

Colijnsplaat, Cortgene,

Oyen en Teeffelen,

Udenhout,

Grave.


meesters en Werkers Rotterdam,

van den Handel), (de Refactiemeesters).

Alleen van mededeeling aan Gedeputeerde Staten bij Hoogezand.

Alleen van afkondiging bij Arnhem,

Monnikendam,

Amsterdam,

(Werkers van den Handel).

Brielle,

\'s Hage.

Zoowel mededeeling aan Gedeputeerde Staten als afkondiging zijn geschied bij

Delft,

Klaaswaal, Eindhoven, Bladel,

Sint Oedenrode.

-ocr page 96-

LXXX DE GEMEENTEL. VERORD. V. liURGEUL. RECHT.

Winschoten, Edam, Charlois,

Sappemeer, Amsterdam, Maassluis,

Harmeien, (Rafactiemeesters). Duizel en Steensel.

Ilpendam, Voorburg,

Schijnt ons de afkondiging als voorwaarde van geldigheid bij Verordeningen, die iets meer zijn dan eene Instructie slechts uit algemeene beginselen en art. i en 2 A. B. af te leiden, zoo is de mededeeling aan Gedeputeerde Staten in ons oog niet noodig. Is de opvolging dezer formaliteit wellicht aan beleefdheid of zorgvuldigheid toe te schrijven, zoo is er toch menig blijk van inconsequentie bij de Gemeente Amsterdam en het onderscheid in de Verordening op de Rafactiemeesters op de Tabak daar en te Rotterdam karakteristiek, zelfs niet toe te schrijven, dat in eerstgenoemde de boetebedreiging ontbreekt, wijl toch ook hier op sommige overtredingen ontslag of schorsing wordt gesteld.

Ook ten aanzien der vijfjarige herzieningen schijnt men niet recht te weten of deze ook op deze Verordeningen toepasselijk is.

Op het overzicht der geldende Verordeningen in de Provincie Noord-Holland van 1884

komt niet voor die van Monnickendam,

komen zvel voor Ilpendam,

Edam,

Amsterdam, op de Rafactiemeesters. Daarentegen worden weer gemist de Amsterdamsche Verordeningen op

de Makelaars,

de Werkers van den Handel,

met de aanhangsels,

en zelfs mist in het Overzicht Provinciaal Blad 1888, Nquot;, 1, de Verordening dier Gemeente van 4 Januari 1887, ter uitvoering van art. ögo B. W.

Deze laatste Verordening schijnt men opzettelijk te hebben gemaakt, omdat men het niet gepast oordeelde toepassingen dier artikelen zonder strafbedreiging op te nemen in eene Politie-Verordening. Althans de inhoud der artikelen is volmaakt gelijk aan die van art. 552—554 der Pol.-Verordening-van 1 Augustus 1875, waar strafbedreiging voorkwam.

Dergelijk formeel bezwaar voelde de Gemeente Edam niet: zij hief de afzonderlijke Verordening, hierachter mede-

-ocr page 97-

VORM DER GEM. BEPALINGEN V. BURG. RECHT.

gedeeld, op, om dezelfde artikelen zonder straf in de nieuwe Politie-Verordening op te nemen.

Om nu de burgerrechtelijke Verordening in verband te brengen met het Politie-Reglement, sloeg men verschillende wegen in.

De Gemeente Oss maakte van de reeks burgerrechtelijke bepalingen een XVIde Hoofdstuk, dat dus met de 15 vroegere Hoofdstukken over echte Politie-onderwerpen een geheel vormt, zoodat zelfs de huurbepalingen onder het oogpunt van het Strafrecht vallen. Elk dier deelen is echter afzonderlijk vastgesteld, medegedeeld en afgekondigd.

De Gemeente Grave gaf beide Verordeningen in 1878 in oen enkelen bundel uit, doch waren zij geheel en al gescheiden Bij de herziening in 1887 bepaalde men zich tot het Politie-Reglement, gaf dit op nieuw uit en vergat toen de burgerrechtelijke Verordening, die men toch wilde behouden.

In 1B79 werden te Sint Oedenrode beide Verordeningen afzonderlijk vastgesteld, maar in één bundel uitgegeven. Bij de herziening in 1887 herzag men beide en gaf ze weer op nieuw in één bundel uit.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE GEMEENTELIJKE BEPALINGEN VAN BURGERLIJK RECHT TEN AANZIEN VAN DEN VORM.

Dezelfde onzekerheden aangaande de juridische behandeling van geheele Verordeningen met burgerrechtelijken inhoud ziet men ook bij de in andere Verordeningen als het ware verdwaalde bepalingen van dien aard. Die onzekerheid of de uitvoering van art. 690, 733 B. W., al of niet met stafbedreiging moet worden voorzien, getuigt niet voor een krachtig bewustzijn omtrent de eenvoudigste rechtswaarheden. Zonderling is echter hier van tijd tot tijd de houding van Gedeputeerde Staten. Men zou van hen ten minste medewerking verwachten tot eene uniforme juridieke opvatting en zelfs deze wordt gemist. Bijv.:

In 1886 maken de Gemeente Groningen en de Gemeente Uithuizen eene Politie-Verordening. Zij nemen een volkomen

EXXXI

-ocr page 98-

LXXX1I VORM DER GEM. nEPALINGEN V. BURG. RECHT.

gelijkluidend artikel aan, dat in de eerste alinea art. 690, in de tweede art. 703 B. W. uitvoert. De eerste Gemeente stelt op overtreding geene, de tweede daarop wel eene strafbedreiging. Gedeputeerde Staten keuren beide en dus twee indruischende systemen goed. Hetzelfde zonderlinge feit ziet men ten aanzien van de op dit punt evenzeer tegenstrijdige Overijselsche Verordeningen van Enschedé en Tubbergen van 1883 en van de beide Friesche van Acht Karspelen en Idaarderadeel van 1887.

De afzonderlijke Verordeningen, de afzonderlijke Hootd-stukken en de verspreide bepalingen vloeien dikwijls meer in elkander als men zou denken. De Amsterdamsche en Edamsche wijzigingen betroffen, zooals wij reeds zagen, alleen den vorm, niet den inhoud.

Ook het verschil in opschrift der Hoofdstukken is dikwijls niet meer dan vormverschil. Wat de Gemeente Ijlst behandelt in het Hoofdstuk, dat ten titel voert »Wat bij de alge-meene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke verordeningen is overgelatenquot;, komt in Tietjerksteradeel voor onder «Afsluiting ven ervenquot;, in Hennaarderadeel onder de «Voorzieningen in het belang der orde, zedelijkheid en gezondheidquot; *), in Dantumadeel onder dat »Over het bouwenquot;.

Overigens heeft de lezing der Verordeningen ons in tweeërlei opzicht een verblijdend resultaat gebracht.

Vooreerst — hoezeer men ook het artikel van een bepaalde soort tracht te doen aansluiten bij dat in een naburige gemeente, zoo is toch telkens duidelijk, dat men de hoofdzaak, bijv. de maat, nauwkeurig overweegt. Juist hier wijkt men af, als al het andere woordelijk gelijk is.

Ten tweede. Blijkbaar zoeken Gedeputeerde Staten niet te overheerschen. Wel ziet men in de Verordeningen derzelfde Provincie veel overeenkomst bij afwijking van die van andere, maar juist eigenaardige uitzonderingen toonen aan, dat, zoo al van die zijde op eenvormigheid wordt aangedrongen (hetgeen nog zoo zeker niet is), van overwegenden dwang geene sprake kan zijn.

1) Onder dat gezichtspunt wordt zelfs de toepassing van art. 733 B. W. gebracht!

-ocr page 99-

ONTW. V, H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD. LXXXIII

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ONTWIKKELING VAN HET BURGERLIJK RECHT IN ONZE GEMEENTE-VERORDENINGEN.

De eigenaardige theorie der laatste veertig jaren heeft ten gevolge gehad, dat het meeste in de Gemeente-Verordeningen toegepast zijn de artikelen van Boek II B. W., terwijl bij behandeling van vruchtgebruik en huur steeds gesproken wordt van iets dat bestaat. «Volgens plaatselijk gebruikquot;. «Bepalingen van gebruikquot; in tegenstelling van «Bepalingen van voorzieningquot;. Ziedaar de geijkte termen, waarvan geene afwijking is te vinden.

De onjuiste denkbeelden, waarvan dit laatste een uitvloeisel is, zijn reeds hierboven weerlegd. Toch moet erkend worden, dat een hooge eerbied voor het van oudsher bestaande daaraan tevens ten grondslag kan liggen.

Merkwaardig daaromtrent is eene uiting in eene voor meer dan honderd jaren gehouden verhandeling in het Groninger Genootschap Pro excolendo jure patrio.\') Zoekend naar den oorsprong van eenige bepalingen van erfrecht, wijst de schrijver met verachting het denkbeeld van zich, alsof ze aan een welmeenenden wetgever waren te danken (thans zou men meenen dat niets hoogers te bedenken was), voor hem waren ze des te meer waard, nu het bleek, dat ze in de oudste maatschappelijke toestanden onzer voorvaderen reeds waren terug te vinden.

De meerdere populariteit tusschen de artikelen van het burenrecht boven die der huur, blijkt zoo sterk mogelijk uit de cijfers der toepassingen. Na art. 703 B. W. is art. 690 B. W. het meest toegepast, men vindt het in 163 Verordeningen, maar art. 1607 B. W., hetgeen onder de huurartikelen het meeste van allen in de Verordeningen voorkomt, brengt het slechts tot 49raaal. Intusschen toonen de mededeelingen van 24 Limburgsche Gemeenten aan, hoezeer daar ook behoefte is aan een vasten regel.

Nemen wij thans de verschillende onderwerpen, waarop zich de Verordeningen bewegen, elk afzonderlijk in oogenschouw.

a. Boek II Titel IV.

Van de rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

i) T. v. Swanevelï Dl. I (1773) bl. 130.

-ocr page 100-

LXXXIV ONTW. V. H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

Ofschoon hier de toepassingen zeer veelvuldig zijn, treft het ons toch, dat zij niet veel meer voorkomen. 381 toepassingen van art. 703 B. W. is zeer weinig met het oog op de groote zorg, die de gemeenteraden in de laatste 40 jaren gewijd hebben, om ongelukken door brand te voorkomen. Opmerkelijk gering is het daarom ook, omdat dit art. ook elders bijv. België is toegepast en in onze Gemeente-Verordeningen en Keuren van vóór 1848 zelfs dikwijls uitvoering heeft verkregen \'). Voegen wij daarbij, dat, terwijl in de 123 Gemeenten van Limburg daarvan in 54 Verordeningen wordt gewaagd, de 184 van Noord-Brabant slechts 22 toepassingen aanwijzen, zoo zijn wij tegelijk het antwoord op het spoor gekomen. De nieuwere Politie-Voorschriften hebben zulk eene algemeene strekking gekregen, dat menig bijzonder Voorschrift ook uit ons B. W. daardoor van zelf wordt opgelost.

Nog in een ander opzicht blijkt hoe onpraktisch de overneming van de bepalingen van den Code Napoleon, waarvan vele (t. w. dieonzerartt. 681—685, 688—690) uit de Coutumes de Paris werden overgenomen in ons Nederlandsch Wetboek is geweest.

Het opmerkelijke feit doet zich voor, dat zeer velen van de bepalingen onzer Verordeningen niet zijn toepassingen van de Wetboekartikelen, maar eigenlijk uitbreidingen en alzoo het recht bepaaldelijk hebben ontwikkeld. Trouwens dat

1) «. Vóór 1838.

In het Provinciaal Reglement van Zeeland van 24 Aug. 1826, Art. 6. Idem Noord-Brabant 9 Juli 1829, Art. 6.

Door v. Hamelsveld is in zijne Ned. Pandecten Vil (1840, bl. 309) oen uittreksel gegeven; »uit eenige Brand-Reglementen, behelzende de voornaamste bepalingen in die reglementen voorgeschrevenquot;.

In § VI komt de toepassing van dit art. voor.

Verder Brand-Verordening Elburg 14 Nov. 1821, Art. 6.

Idem Beverwijk 31 Aug. 1826, Art. 9. De redactie is niet dezelfde als die van art. 40 der Brand-Verordening 1883, medegedeeld bl. 146. b. Na 1838 vóór de Gemeentewet.

\'s Hage, Verordening 1841, art. 43, 47 en 48, strafbaar.

Dellt, Verordening 1843, art. 355, niet strafbaar.

Wormerveer, Verordening 1845, art. 28, niet strafbaar.

Harderwijk, Verordening 1847, art. 76, strafbaar.

Schiedam, Verordening 1848, art. 238, strafbaar.

-ocr page 101-

ONTW. V. II. BURG RECHT IN ONZE GEM.-VERORD. LXXXV

was wel niet anders mogelijk: streng genomen pasten de wetsartikelen niet op onze toestanden.

i. Artt. 676 en 677 B. W. hebben betrekking op eigenaars van landen, gelegen langs stroomende wateren welke niet bevaarbaar zijn (non navigable et llottable).

Art. 1 Verord. Hoogezand.

» 1 » Winschoten.

» 1 » Monnickendam.

» 1 » Ilpendam.

» 84 Politie-Verord. Haarlemmermeer.

»13 » Schagen.

» 10 Zuid-Scharwoude.

verwijzen niet naar art. 677 B. W., doch komen in inhoud soms zelfs in uitdrukkingen volkomen overeen met de volgende artikelen, waar dit artikel wel wordt aangehaald. Art. 1 Sappemeer. Art. 1 Bladel.

» I

Brielle.

» 151 Pol.-V.

Ijlst.

» I

Numansdorp.

» 109 »

Eemnes.

» I

Klaaswaal.

» 201 »

Kruiningen.

» I

Zuid-Beijeiland.

» 20I »

Schore.

» I

Colijnsplaat.

» I07 »

Geldrop.

» I

Cortgene.

» IOO »

Liempde.

» I

Oyen en TeefTelen.

» 149 »

Oss.

» I

Eindhoven.

» 147 »

Schijndel.

» I

Duizel en Steensel.

» 175

Tilburg.

Van bepalingen, die uitvloeisels zijn van art. 677 B. W., zou men verwachten, dat zij regelen de toestanden in dit en het vorig artikel aangegeven, kortom dat zij zich op hetzelfde punt van uitgang stellen. In geen enkel artikel is zulks het geval. Men wil elk gebruik van het water ontzeggen, ja, terwijl art. 676 aan den eigenaar van het aan die wateren gelegen land door die ligging recht van gebruik geeft, waaromtrent rechtbanken en verordeningen misbruiken moeten voorkomen, wordt dergelijk recht ontkend door onze verordenings-artikelen, die aan rechthebbenden van geheel andere soort denken.

Deze artikelen komen daardoor in nauwer verband tot art. 673 B. W., dat van geene verordeningen spreekt en in art. 84 Haarlemmermeer eene directe toepassing vond. Menigvuldige bepalingen in onze Waterstaatsverordeningen hebben overigens die toestanden nauwkeurig geregeld, zoo bij de waterleidingen, waar, gelijk in deze artikelen van B. W., ver-

-ocr page 102-

LXXXVI ONTW. V. H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

ondersteld wordt het water van hooger afkomt, als in de Polderreglementen, waar het doel is een gewenscht peil te onderhouden, een toestand in Frankrijk ten eenenmale onbekend.

2. Art. 690 B. W. \') spreekt van de afscheiding in «steden, aaneengebouwde voorsteden en dorpenquot;. Die onderscheiding is bij ons steeds onbekend geweest. In de 1Ö3 Gemeenten waar dit artikel is toegepast heeft men nimmer eene onderscheiding gemaakt, en wijl de woorden van het Franscheart. aanduiden, dat enkele localiteiten van de werking moeten zijn uitgesloten, volgt er uit, dat men te onzent daaraan eene niet gewilde uitbreiding heeft gegeven.

In zeer vele Verordeningen wordt melding gemaakt van hetgeen te doen staat, als de grond wordt verhoogd: ofschoon de maatregel daar omschreven rationeel is, zoo vind ik geen onmiddellijke aanknooping in het wettelijke artikel, integendeel eene uitbreiding.

3. Art. 699 vergunt bij reparatie van een gebouw, des noodig, steigervverk te plaatsen op het erf van den buurman «behoudens schadeloosstelling, indien daartoe gronden zijnquot; -). Art. 4 der Verordening van Willemstad omschrijft do voorwaarde aldus: »mits dat hij de vuiligheid hiervan te zijnen koste wegruime en zoo er schade is veroorzaakt die vergoedequot;. Is hier geene uitbreiding ?

4. Art. 703 B. W. 1) is zeer algemeen — men kan er allerlei aan vastknoopen. Maar een goot? Deze schijnt eer uitgesloten en toch vinden wij 19 toepassingen daarvan. Mocht deze al in de wet haar uitgangspunt kunnen vinden, wat

1

Over dit artikel is een proces gevoerd, beslist bij vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 29 Maart 1888, o. a, te vinden P. v. J-1888 No. 71, dat mij geen aanleiding geeft daarop terug te komen.

-ocr page 103-

ontw. v. h. burg. recht in onze gem.-verord. lxxxvil

dan van het artikel in negen Zeeuwsche gemeenten \') voorkomende, aldus luidende: »Het is verboden, zonder vergunning van den eigenaar van een aangrenzend gebouw, den grond binnen één Ned. el afstands van dat gebouw, dieper dan 5 Ned. palm uit- of om te gravenquot;. Hier is alleen sprake van privaat belang — maar in wat artikel van het B. W. is de opdracht aan de Gemeente te vinden dit te regelen?

5. Art. 713 B. W. heeft in zes gemeenten-) aanleiding gegeven tot toepassing. Is dat bestaanbaar met de woorden van het artikel «tegenwoordig bestaandequot; ? Ja, zeide Mr, Kappeijne v. d. Coppello in den Haagschen Gemeenteraad. Indien het art. streng moest worden gehandhaafd, zeide hij, mocht geen enkele tuin in die Gemeente een boom behouden.

Anders dacht dc Rechtbank van Termonde 7 Janv. 1870 — de lezer beslisse wiens uitlegging grammaticaal de meest juiste is — de meest gewenschte is zeker die van Mr. Kappeijne.

Is echter de wettelijke afstand wel ooit toe te passen ? Die vraag komt bij ons op bij de lezing van een vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 15 Nov. 1887, gewezen door de Heeren Mrs. Karseboom, Sleeswijk en Greebe, tus-schen twee buren, J. Zak (adv.-proc. Prins), en C. J. Maks (adv.-proc. E. v. Lier). De eerste beklaagde zich, dat zijns buurmans boomen 35 duim van de scheidslinie verwijderd stonden en alzoo dichter dan 20 palm, zooals art. 713 B. W. voorschreef. Gedaagde antwoordde, dat die afstand eerst dan wettelijk ongeoorloofd was, wanneer reglementen en vaste gebruiken ontbraken, hetgeen door eischer niet gesteld, veelmin bewezen werd. Te vergeefs beriep eischer zich op de onmogelijkheid van dit negatieve bewijs, iets wat gedaagde niet inzag, die er echter ook op wees, dat de ontstentenis dier reglementen of gebruiken als element der actie in de dagvaarding ontbrak.

De Rechtbank verklaarde eischer niet-ontvankelijK op de volgende motieven:

»dat de eischer, als resultaat van de door hem ingestelde

1; Cadzand, Eede, Groede, Hoofdplaat, Oostburg, Schoondijke, Seroos-kerke (Walcheren), Waterlandkerkje, Zuidzande.

2.) \'s-Hage, Beverwijk, Castricum, Haarlem, Heemskerk en Wijk aan Zee.

3) Beltjens, Codes annotés ad art. 671 C. C. sub No. 13.

-ocr page 104-

LXXXVin ONTW. V. H. nURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

vordering zoekt te bereiken, dat gedaagde zal worden veroordeeld om de boomen, waarvan in de dagvaarding sprake is, uit te roeien;

dat hij daartoe feitelijk stelt, dat de ged. in zijn tuin heeft staan een I2tal hoogopschietende boomen, op een afstand van 35 duim, en dus op minder afstand, dan bij de Wet is bepaald, van de scheidslinie der beide erven;

dat echter die feiten, bewezen zijnde, nog geenszins tot de veroordeeling, zooals die is gevraagd, kunnen leiden;

dat daartoe door den eischer in zijne dagvaarding ook had moeten zijn aangevoerd en bij tegenspraak bewezen de ontstentenis van tegenwoordig bestaande bijzondere reglementen of van vaste en erkende gebruiken;

dat alzoo de middelen van eisch, door den eischer gesteld, niet kunnen voeren tot de door hem gewenschte conclusiequot;.

Gaat men met het vonnis mede, dan is er in Nederland, behalve in de bedoelde zes Gemeenten, in het geheel geen afstand in acht te nemen, en zal een mogelijk beroep op art. 1401 B. W. zelden iets geven. Intusschen hebben wij tweeërlei bedenking. Te weten; een bewijs omtrent eene rechtsregel kan ook door den rechter worden aangevuld, en met het poseeren van den afstand is aan de voorschriften der dagvaarding voldaan: de opgave van het artikel, waarmede die toestand strijdt, is o. i. overbodig. Feitelijk zal de rechter met een ik zeg dat er geen reglementen bestaan of dat hun inhoud zus of zoo is, den knoop doorhakken.

Blijkbaar zijn hier goede oude rechtsbepalingen uit den tijd der Republiek in eere hersteld. Reeds onmiddellijk na het herstel van het Koninkrijk, 22 Juni 1814, vaardigde de Rotterdamsche Burgemeester J. F. v. Hogendorp eene Publicatie uit, waarin hij te kennen gaf, welke verordeningen van den ouden tijd nog bestaanbaar waren met de nieuwe instellingen. De aanvang is karakteristiek:

«Overwegende dat alle keuren en ordonnantiën dezer Stad, overal gekenmerkt door de teekenen van het doorzigtig beleid, de orde en regelmatigheid onzer Vaderen, en bij de handhaving en nakoming van dewelken de Burgerij zich altijd zoo wel bevonden heeft, en die naarmate de behoefte van volgende tijden nader zijn gewijzigd, gedurende de overheersching van vreemden zijn verlamd en veelen van dezelve verdrongen

-ocr page 105-

ontw. v. h. burg. recht in onze gem.-verord. lxxxix

door wufte inrigtingen, die haar oorsprong verschuldigd en uitvloeisels waren van een algemeen wantrouwen, bedilzucht, waanwijsheid en toomelooze willekeurquot; enz.

Hogendorp zag nu wel wat te veel neer op de beweging van 1795, toch is het niet te ontkennen, dat Rotterdam uitstekende verordeningen heeft gemaakt. Onder die, welke die Stad ter eere verstrekken, mogen genoemd worden de Ordonnantie op de Erfscheidingen, van 1654, en vooral de latere van 25 Maart 1719, in mijn oog een meesterstuk van redactie, juridische inkleeding1) en goede bepalingen2). Is het te bejammeren, dat niet deze, maar wel de Coutume de Paris de leiddraad onzer bepalingen is geworden, toch is het aangenaam te zien, dat bepalingen der eerstgenoemde telkens in onze Verordeningen eene nieuwe

1

Scheiding:

1. Beginsel.

2

Maken van scheiding.

-ocr page 106-

XC ONTW. V. H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

plaats hebben veroverd. De toepassing van art. 690 op verhooging van erven vindt men in art. 94 der Ordonnantie van 1654 en in art, 16 van die van 1719, art. 699 en art. 4 Willemstad hebben tot voorlooper art. 16 der Ord. van 1654 en art. 99 van die van 1719.

b. Titel V. Van Erfdienstbaarheden.

De reden waarom art. 738 B. W., in afwijking van het Fransche recht, bij erfdienstbaarhaden mede verwees naar verordeningen en plaatselijke gebruiken, is zonder twijfel te danken geweest aan den wensch, de oude, goede rechtsbepalingen weder te kunnen gebruiken.

Wij vinden hier vijfderlei soort van gemeentebepalingen:

1. Het recht van uitzicht (art. 727 en 738 B, W.) is geregeld in 25 Verordeningen.

2. Het recht van waterloop en gootrecht (art. 729 en 730 jcto 738 B. W.) in 39 Verordeningen. Dit vindt men reeds voorzien in art, 66 van de Ordonnantie van Rotterdam van 1654 en art. 24 van die van 1719, en de voorschriften omtrent den waterloop over eens anders erf en den rooster met tralieën van een duim in eene andere Rotterdamsche Ordonnantie van 21 April 1736 \').

3. Het recht van weg, dreef en voetpad (art. 733 jcto 738). Toepassing vindt men in 69 Verordeningen, in vele wellicht om aan het wetsartikel te voldoen, meer dan uit drang naar noodzakelijkheid quot;1).

4. Het recht van gemeenen uitgang is geregeld in 13 Verordeningen. Gaan deze allen uit van het denkbeeld, dat ze ter uitvoering eener erfdienstbaarheid strekken? Zoo neen, en vallen ze onder Titel IV, uit welk art, nemen zij dan haar wettigen oorsprong?

1

In art, 38 én van de Verordening van Heemskerk én van die van Wijk aan Zee en Duin, beide van 11 Oct, 1834, vindt men de wijdte van de wegen en voetpaden bepaald.

-ocr page 107-

ONTW. V. H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD. XCI

5. Het recht van gemeen riool. De vier Verordeningen Kruiningen, Schore, Geldrop en Tilburg \') hebben hier weder de beginselen gehandhaafd, te vinden in art. 74—76 der Rotterdamsche Ordonnantie van 1654 en art. 93—96 van I7I9-

c. Titel VIII. Tienden.

Alleen art. 5 der Apeldoornsche Verordening is hieraan gewijd..

d. Titel IX. Vruchtgebruik.

21 Verordeningen verklaren wat plaatselijk gebruik is in geval van art. 813.

e. Plaatselijk gebruik bij overeenkomsten in het algemeen.

Hieromtrent vindt men niets in de Verordeningen.

Uit de Limburgsche mededeelingen blijkt, dat het in Schin op Geul en Valkenburg gebruikelijk is, bij verkoop van vee en vast goed, als bewijs van het tot stand komen der overeenkomst, een Godshalder te geven en aan te nemen..

Ook in Limbricht en Sittard zijn opmerkelijke gebruiken.

-ocr page 108-

xcii ontw. v. h. burg. recht in onze gem.-verord.

Moet men deze plaatselijke gebruiken met sommige uitspraken van den Hoogen Raad daarom reeds, omdat zij van localen aard zijn, ter zijde zetten? Ik geloof het niet, veeleer, dat wij in die arresten met eene min juiste uitdrukking eener goede gedachte te doen hebben.

f. Termijn van het instellen van eene rechtsvordering wegens gebleken gebreken.

Nadat onderscheiden rechterlijke uitspraken zich met den in art. 1547 B. W. bedoelden termijn hebben beziggehouden \'), is de vraag op het Landhuishoudkundig Congres te Maastricht in 1856 beproken. Diensvolgens is door Mrs. W. Sassen, N. Nijst en C. Polis een onderzoek ingesteld. Deze bevonden in vele streken volstrekt geene gebruiken omtrent den aard der overeenkomst of den termijn der rechtsvordering.

Zonderling is het dat geene enkele Verordening het gebruik van art. 1547 B. W. vermeldt, en er toch verscheidene Gemeenten zijn waar zij bestaan. De rechtelijke uitspraken spreken allen van zes weken. Zoo is ook het gebruik in de Limburgsche Gemeenten Beegden, Heel, Maasbree en Meerssen, en vindt men zulks bepaald in de Recessen van Maastricht. In Gronsfeld en Houthem is de termijn 40, in Sittard 24 dagen.

g. De Huurovereenkomst.

Juist hier heeft zich blijkbaar groote behoefte aan bepalingen doen gevoelen.

In de volgende gevallen vindt men voorzieningen.

1°. Tot vaststelling van den termijn van opzegging van huur.

Hieromtrent verdient nog raadpleging de dissertatie van Mr. W. W. v. Lennep: »De leer der opzeggingen en stilzwijgende wederinhuring 1857quot;, bijzonder om de mededeeling van de bepalingen van ons vroeger recht, die mits het gebruik niet is veranderd door hem nog toepasselijk zijn geacht quot;1).

2°. Art. 1618 B. W. — de Tweede Huurder.

Alleen art. VII Apeldoorn behelst hieromtrent eene bepaling.

De Limburgsche Gemeenten spreken wel van eene toepassing van de beginselen van dit art. bij de gebruiken daar ter plaatse, doch bedoelen klaarblijkelijk iets anders.

1

Bij het bovenmedegedeelde is nog te voegen, dat eene West-

-ocr page 109-

ontw. V. h. nURG. recht in onze gem.-verord. xciii

3°. Art. 1619 B. W. Geringe en dagelijksche reparatiën.

Daaromtrent vindt men bepalingen in 23 Gemeente-Verordeningen en Mededeelingen van g Limburgsche Gemeenten omtrent Gebruiken.

4°. Duur der huur. Artt. 1621, 1622, 1623 B, W,

Hieromtrent vindt men 32 bepalingen in Verordeningen en 24 Limburgsche Gebruiken.

50. Art. 1625 B. W. Verplichting van den huurder ton aanzien van het gehuurde.

Dit artikel verwijst in het geheel niet naar Reglementen of Plaatselijke Gebruiken.

Desniettegenstaande hechtte zoowel de Belgische Jurisprudentie als Laurent gewicht aan dergelijke bepalingen.

Art. 15, 18—23 der Verordening van Ermelo, XI, XII, XIII van Apeldoorn, 15, 18—21 van Putten zijn hieraan gewijd. In Beegden, Heel en Thorn bestaan daaromtrent Gebruiken.

Op 9 Jan. 1863 nam de Rechtbank van Goes aan, dat de pachter in het land van Axel onderworpen zou zijn aan een bestendig gebruikelijk beding, om een evenredig deel der bouwlanden te laten braak liggen — bijaldien het bestaan daarvan bleek. Het Hof van Zeeland meende evenwel op 30 Juni 1863, dat een onderzoek daarnaar niet noodig was, omdat deze tekortkoming met het oog op de resultaten der nieuwere landbouwwetenschap niet van dien aard was, om tot ontbinding der huur te leiden.

6°. Praktisch gewichtig zijn de bepalingen omtrent opvolging van huur, en de bepaling van den verhuisdag, tot welker ontstaan art. 1635 B. W. aanleiding geeft.

Omtrent het eerste vinden wij het een en ander in 27 Verordeningen en 12 Limburgsche Gebruiken, omtrent het laatste in 28 Verordeningen en één Gebruik in\'s Gravendeel. Drie der laatstbedoelde Verordeningen, t. w. Callantsoog, Koedijk en Zijpe kennen zelfs tweëerlei bepaling, één welke de verhuisdag aanwijst en één inhoudende verbod met strafbedreiging vergezeld om op Zon- en Feestdagen te verhuizen. De Friesche Gemeente Opsterland heeft ook eene geldboete op het niet inachtnemen van den verhuisdag gesteld.

Indische Koloniale Verordening van 21 Juli 1821 in dit geval voorziet, waarvan eene toepassing te vinden is in eene in W. 4319 le vinden uitspraak van Bonaire.

1) Zie boven XVII en noot 3.

-ocr page 110-

XCIV ONTW. V. H, BURG, RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

In deze allen treft men de meeste verscheidenheid aan: hier en daar heeft deze haar oorsprong in het van ouds overgeleverde, elders in verschil van het verhuurde voorwerp (bouw-, wei- en tuinland, geheele woning of gestoffeerde kamers.)

h, Dienstbodenrecht.

Den 20 Juni 1848 gaf de Kantonrechter van Groningen \') de volgende merkwaardige beslissing:

Eene dienstbode, die een handpenning had ontvangen van / 1.50, werd nog voordat zij in dienst trad aangezegd, dat men hare diensten niet behoefde. Hare vordering zes weken huur te bekomen op grond van art. 1639 W. werd haar ontzegd op de volgende motiven:

»0. dat het sinds onheugelijke jaren een bestendig gebruik is geweest, dat de meester na het sluiten eener overeenkomst van huur en verhuur met dienstboden, de bevoegdheid heeft zich van alle uit die overeenkomst voortvloeijende verplichtingen te ontslaan door aan die dienstbode de handpenning te schenken, die hij haar bij het aangaan der overeenkomst heeft ter hand gesteld, immers tot zoolang de huur op geenerlei wijze is ten uitvoer gebracht, terwijl daarentegen door dat gebruik ook den dienstboden het recht wordt toegekend, zich door het terugbrengen van hunne verplichting jegens den meester te ontslaan 1)quot;.

Deze beslissing is van tweëerlei zijde bestreden, t. w. door hen die meenen, dat art. 1639 B. W. zoowel geldt voor het geval de dienst nog niet is aangevangen, en die dus den eisch dezer dienstbode hadden toegewezen 3) en door hen, die art. 1639 B. W. niet toepasselijk achten, maar de alge-meene regels betreflende het tot stand komen van overeenkomsten toepassen, den meester tot schadevergoeding van

1

Zoo S. M. in O. M. IV ; 142—154, I. P. Verloren Spec. Jur. Inaugurale, Utrecht 1857, bl. 33, \\V. 953, de Pinto B. W. II, § 94, bl. 548, Diephuis VII: 702 die echter aanneemt, dat wanneer eene handpenning met die bedoeling is gegeven en aangenomen, dat zij als rouwkoop zou strekken, het eerste stelsel toepasselijk is.

-ocr page 111-

ontw. v. h. burg. recht in onze gem.-verord, xcv

een naar omstandigheden te bepalen bedrag veroordeelen \').

Indien de eerste meening juist was, zoo hebben wij hier een terrein, waarop eene Gemeente-Verordening konde werken en ook het oude recht nog toepasselijk is.

Diephuis1) en de Pinto zijn van oordeel, dat het woord »gewoonquot; in al. 2 van art. 1639 B. W. wijst op den door de Gewoonten en Gebruiken aangegeven tijd van huur, welke moet gelden, wanneer daaromtrent niets door partijen is bepaald.

Prof. Opzoomer 2) meent, dat het Plaatselijk Gebruik hier alleen betrekking kan hebben op den termijn van opzegging, hetgeen ten eenenmale met de woorden der Wet strijdt, terwijl Mr. Wittert 3) het woord »gewoonquot; in al. 2 van art. 1639 B. W. geheel en al ter zijde zet, uit vrees om Gewoonterecht door middel van artt. 1375 en 1383 B. W. te doen insluipen — wat intusschen niet te keeren is.

Van de 27 Verordeningen of Bepalingen in Verordeningen onderscheiden zich op eigenaardige wijze de 5 Limburgsche met hare dienstbodenboekjes en Policiebepalingen. Eene zesde heeft het nooit tot een rechtsgeldig bestaan kunnen brengen, maar werd (op voordracht van Thorbecke) bij K. B. van 15 Maart 1863, S. 17, wegens strijd met de Wet vernietigd op de O. »dat Hoofdstuk VIII der Verordening, (Gem. Heerlen) regelende het toezicht op dienstboden, de strekking heeft om de dienstboden in hun bijzonder leven en in hun gedrag tegenover hunne meesters na te gaan; dat de regeling van een bijzonder toezicht op de dienstboden volgens art. 135 Gem.wet niet valt binnen den kring der bevoegdheid van den Gemeenteraad tot het maken van Verordeningenquot;. In 1866 werd daarenboven eene andere Gemeente door den Minister genoodzaakt dergelijke Verordening in te trekken ;i). Desniettegenstaande bestaan de bovenbedoelde vijf nog ongemoeid.

1

bode, 1862, bl. 23 volgg.

2

2) Vil; 682. 3) VIII 1424,

3

Diss, over het Ned. Dienstbodenrecht i860, bl. 26—32.

-ocr page 112-

XCVI ONTW. V. H. BURG. RECHT IN ONZE GEM.-VERORD.

Bij de overigen vinden wij meerendeels geregeld tweëerlei; i0. de duur van den huur, 2°. de dag van aanvaarding en einde. Bij het laatste is natuurlijk verscheidenheid. Ook bij het eerste.

De gewone huurtijd is :

Één jaar in Meerkerk (art. 9).

» » » Grave (art. 8).

» » » St. Oedenrode (nieuwe Verord. art 10). » » » Tilburg (art. 211).

Eén jaar of één halfjaar in Winschoten (art. 9). » » » » 1. » Sappemeer (art. 9. » » » » » » Numansdorp (art. 11). » » » » » » Klaaswaal (art. 11). » » » » » » Z.-Beijerland (art. 11). (In deze drie laatste zijn de helften van ongelijken duur). Eén jaar of drie maanden in Eemnes (art. 114).

» » » » » » Loosdrecht (art. 94). Eén halfjaar in Hoogezand (art. 8). » » » Brielle (art. 11).

» » » Stad aan \'t Haringvliet (art. 52). » » » Oyen en Teeffelen (art. 11). » » » Oss (art. 159).

Drie maanden in Monnickendam (art. 11).

1. In Apeldoorn schijnt de jaarhuur als regel te zijn ondersteld.

2. Vindt men soms ook bepaald den termijn van opzegging, t. w. in:

Grave (art. 8).

Sint Oedenrode (art. 10).

Tilburg (art. 211)

benevens in Apeldoorn (art. XVI).

3. Alleen de verhuisdag vindt men bepaald in:

Eindhoven (art. 11).

Duizel en Steensel (art. 11).

Bladel (art. 11).

4. De meest eigenaardige is zeker Apeldoorn, waar de werkuren per dag, het uur van aanvang en van einde wordt aangegeven, benevens godspenning en fooijen bepaald.

genomen worden, schijnt de bevoegdheid van den Gemeenteraad te buiten te gaan. Evenzoo Mr. G. de Vries Az., Wetg. macht der PI, Best. 81 en Schreudek bl. 147 en 148.

-ocr page 113-

üntw. v. h. burg. recht in onze gkm.-verord. xcvii

Het Groninger geval, de mogelijkheid van eenzijdige verbreking der overeenkomst met den Godspenning als schadevergoeding, vinden wij nergens terug \').

Het stelsel Diephuis—de Pinto, dat gewoon betrekking-heeft op den huurtijd, vindt men terug in 17 Verordeningen. Het o. i. met de Wet strijdige stelsel Opzoomer t. vv. de regeling van den opzeggingstermijn in vier gevallen.

Geen theoreticus dacht aan het gewicht om den verhuisdag der dienstboden te regelen. 20 Verordeningen leeren ons dat daaraan praktische behoefte was.

i. Recht van Beklemming. Titel VIII, Boek III.

Hieromtrent vindt men zelfs in de Groninger Verordeningen niets.

k. Beurzen van Koophandel.

Hier komen wij op een eigenaardig terrein, t. w. de bemoeiingen der Gemeente met de handelsbelangen.

Er doet zich weer het merkwaardige geval voor, dat Verordeningen ontbreken, waar men ze volgens de Wet zou mogen verwachten, en omgekeerd bestaan waar men ze niet had gedacht.

Behalve Goes en Maastricht vond ik geen Reglementen, waarin iets voorkwam omtrent Koersen of Prijzen, die volgens art. 60 al. 2 K. volgens Plaatselijke Reglementen moeten worden opgemaakt. Blijkbaar volgt Maastricht de Fransche traditie door eene vaststelling van wege B. en W. te bevelen. Goes spreekt alleen van eene mededeeling der bedongen prijzen aan B. en W.

De Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam had de vriendelijkheid mij op mijn verzoek mede te deelen, dat een Plaatselijk Reglement betreffende het noteeren van fondsen ter beurze aldaar, voorzoover men konde te weten komen, nooit heeft bestaan. De Oflicieele Noteering is die, welke dagelijks door de Vereeniging wordt uitgegeven. Zoo is het ook in Engeland het geval. Van overheidswege zijn voor de Effectenbeurs te Londen geene bepalingen vastgesteld — de Fondsenhandel wordt daar geregeld door de Stock Exchange, eene zelfstandige corporatie, binnen wier lokalen geene andere

1) Behalve in de Kleine Gids van den Commissaris van Politie VernÉE, 1886, bl. 34. Waaruit ontleende deze zulks?

-ocr page 114-

xcviii ontw. v. h. burg. recht in ox/.e gem.-verord.

personen dan hare leden mogen werkzaam zijn. De Pruisische regeering heeft op de noteering van Fondsen ter beurze van Berlijn alleen in zooverre invloed, dat zij op voordracht van het »Aeltestc Collegiumquot; de beëedigde Makelaars benoemt en laat beëedigen, dat deze Makelaars in groepen verdeeld, onder toezicht van een Beurs-Commissaris, die lid der »Kaufmannschaftquot; is, de oflicieele koersen vaststellen, welke daarna in het oflicieele »Coursblattquot; worden opgenomen. Te Weenen bestaat eene gelijksoortige inrichting, doch daar wordt de Kommissaris door de Regeering benoemd, hoezeer het eigenlijke toezicht ook op deze beurs aan de »Börsen-kammerquot; is opgedragen.

»Deze onderscheidene Koersenquot;, zegt art. 60 al. 2 K., »worden volgens Plaatselijke Reglementen of Gebruiken opgemaaktquot;. Kan men de noteering te Amsterdam, nu zij geen Reglement ten grondslag heeft, als eene volgens gebruik opgemaakte beschouwen? De rede van twijfel is gelegen in de omstandigheid, dat volgens voorschrift van art. 23—d dei-Successiewet, ten behoeve dezer Belasting afzonderlijke Prijs-noteeringen door daartoe aangewezen personen worden opgemaakt. Er zijn dus twee noteeringen. O. i. moet in het Handelsverkeer de Beursnoteering als gebruik worden beschouwd. In Belastingzaken zou men wellicht zich aan de analogie dor Successieopgave moeten gedragen.

/. Makelaars.

Hieromtrent kwam mij alleen ter kennisse het nog geldige Amsterdamsche Reglement van 1 Februari 1854.

In Rotterdam schijnt thans niets van dien aard te bestaan: opmerkelijk is het, dat, terwijl bij tie Publicatie van Burgemeester Hogendori\' in 1B14 de courtagelijst van 7 Oct. 1805 niet als nog geldig werd vermeld, door den Raad den 13011 Jan. 1819 nog eene alteratie op dat tarief, ten aanzien van het makelaardijloon in de tabak werd aangenomen. Den 7en Juni 1822 werd dit gevolgd door eene notificatie, terwijl op 29 Dec. 182O nog een tarief voor koftijmakelaars tot stand kwam. In 1845 is echter, na een uitvoerig pleidooi van Mr. B. Donker Curtius, door het Hof van Noord-Holland beslist, dat een plaatselijk bestuur geene makelaarscourtages kan vaststellen. \') Met dit ook door Mr. G. ue

1) Wetg. Magt der Plaats. Besturen, bl. 156 volgg.

-ocr page 115-

UNTW. V. H. liUUG. RECHT in ONZE GEM.-VERORD. XCIX

Vries Az. verdedigd stelsel schijnt mij in strijd dat art. i der Verordening van Amsterdam van 1854 door den Raad, 1 :uir mate van omstandigheden, het aantal doet beperken.

m. Art. 644 K.

Hieromtrent is in geene enkele Verordening iets te vinden. n. Art. 755 K. Bevrachting.

Ten aanzien van het lossen en laden komen in vele Verordeningen bepalingen voor, die echter m. i. geheel een Politie-karakter dragen.

Alleen de Verordening van Arnhem van 2 Juli 1864 (bl. 14) scheen mij een zuiver privaatrechtelijk karakter te bezitten.

o. Gebruiken bij levering.

De zin van art. 670 13. W. is niet bijzonder helder. Er spreekt historisch een vrees uit van den handel tegen de romaniseerende richting der juristen. Wat wilde men er in 1838 mede bewerken?

Onder de hoede van dit artikel zijn wellicht te brengen de Verordeningen op de Rafactienieesters in onze beide koopsteden en die op de Werkers in den Handel in Amsterdam \'). In weerwil de laatstgenoemden niet vernieuwd zijn en op geene lijst van geldende Verordeningen voorkomen, bestaan zij nog en is er op dit oogenblik zelfs ernstig verschil tusschen het Gemeentebestuur, dat de zaak wil regelen in overleg met de Commissie van den Graanhandel, en deze ambtenaren zeiven, die er op gesteld zijn om onder bescherming van den Gemeenteraad te staan en wellicht daardoor eene meer onafhankelijke stelling in te nemen.

p. Gebruiken bij openbaren verkoop.

Slechts één Gemeentebestuur, te weten Sappemeer (art. 10), heeft het zich tot taak gerekend cle vormen van openbaren verkoop te regelen.

Ofschoon nu in elke gemeente dergelijke gebruiken zullen bestaan, waaromtrent 24 Limburgsche ons het een en ander mededeelden, zoo is het niet van gewicht ontbloot, dat omtrent die vormen geen onzekerheid bestaat. Hetgeen wij

1) Over deze Reglementen heeft Mr. G. DE Viuics Az. in zijn bekend werk zich in het geheel niel uitgelaten.

-ocr page 116-

de nieuwe model-verordeningen.

boven bl. Lil mededeelden omtrent Amsterdamsche toestanden, is een waarschuwend voorbeeld.

Eens zelf» heeft men de nietigverklaring van den koop geëischt — wegens niet observantie der plaatselijke gebruiken te Gasselte, welke zouden medebrengen: »dat aan de open bare verkoopingen van vaste goederen voorafgaat eene publi catie daarvan te Gasselte, Nijmen, Gieten en Borger, en de verkoopingen zelve geschieden door hetgeen verkocht zal worden eerst voorloopig te veilen en eenigen tijd later zoogenaamde palmslag te houdenquot;. Deze eisch is wegens gebrek aan bewijs afgewezen — een andermaal is men wellicht gelukkiger, en niet onaannemelijk is het, dat men door berekeningen de mogelijkheid of waarschijnlijkheid van schade ook kan bewijzen. Dat gevaar voor voogden, executeurs, curators in faillissementen behoort te worden opgeheven\').

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

DE NIEUWE MODEL-VERORDENINGEN.

Toen het nieuwe Wetboek van Strafrecht aanleiding gaf, in veel gevallen zelfs noodzaakte tot herziening der Plaatselijke Politie-Verordeningen, hebben onderscheidene Vereeni-gingen van Burgemeesters en Secretarissen eener Provincie, ook Burgemeesters of Gemeentebesturen, Model-Verordeningen uitgegeven, gelijk er reeds vroeger hebben bestaan, om deels op het een en ander opmerkzaam te maken, deels eenparigheid zooveel mogelijk te bevorderen. Zes liggen thans voor mij — één uit Overijsel -), oorspronkelijk bestemd voor Zwolle, twee uit Utrecht1), twee uit Zeeland (één Wal-

1

3quot;) De eerste ging uit van de Vereeniging van Burgemeesters en Secretarissen dier Provincie en beleefde in 1887 reeds een tweeden druk. De tweede heeft denzelfdcn titel als de Zwolsche. Uiterlijk is zij alleen

-ocr page 117-

DE NIIiUWK MüUlil.-VERORnKNIN\'GEN. CI

chersche\') en één uit Noord- en Zuid-Beveland-), en ten laatste één ten behoeve van het Platteland van Noord-Brabant ^).

Een aantal onderwerpen zijn aan allen gemeen, bijv. Verdeeling der Gemeente in Wijken, Bouw-Politie, Brandwezen, Vervoermiddelen, Openbare Straten, Openbare Wateren, Besmettelijke Ziekten, Begraafplaatsen, Toezicht op Tapperijen, Openbare Vermakelijkheden, Loterijen, Markten, Levensmiddelen. —- De volgorde is echter in geen enkele gelijk, in de Noordbrabantsche zelfs zeer afwijkend.

Opmerking verdienen, ten aanzien der niet in allen voorkomende onderwerpen, de merkwaardige bepalingen omtrent de Botermarkt in de Zwolsche, waarin eene bestaande Verordening is gevolgd. Toezicht op het Brood is geregeld als eerste Hoofdstuk der Noordbrabantsche Verordening, komt meer op den achtergrond voor in die van Wijk bij Duurstede en Hoofdplaat. Deze laatste is de eenige, welke de Kinderarbeid beperkt. Het stilzwijgen van die van Noord-Brabant, waar dit onderwerp zooveel ingang scheen te hebben gevonden, is opmerkelijk. Omtrent de te hooge Verzekering vindt men in de Utrechtsche een afzonderlijk Hoofdstuk.

De Zwolsche, de beide Utrechtsche Verordeningen en die der Gemeente Hoofdplaat stellen het bouwen afhankelijk van de goedkeuring van B. en W., van wier afwijkende beschikking binnen 30 dagen beroep op den Gemeenteraad wordt opengesteld. De Noordbrabantsche spreekt te dezen aanzien alleen van de rooijingslijn; die der Burgemeesters en Secretarissen van Noord- en Zuid-Beveland bepalen het volgende: »Art. 10. Het is verboden, zonder voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan B. en W., a. Woningen te

te onderscheiden door den naam der Drukkers — »de Stoom-Boekdruk-keiij en Steendrukkerij »De Industriequot; te Utrecht.quot; Volgens inlichtingen moet zij bestemd zijn in de eerste plaats voor Wijk bij Duurstede.

1) Zij is in de eerste plaats bestemd voor de Gemeente Hoofdplaat en geschreven door den Heer Burgemeester van Sloten (Juni 1887).

2) Deze ging uit van de Vereeniging van Burgemeesters en Secretarissen dier eilanden en werd te Goes bij F. Kleeuwens en Zoon in 1888 uitgegeven.

3) Deze ging van gelijksoortige Vereeniging voor Noord-Brabant uit, waarvan de Heer P. A, Verhagen, Burgemeester van Schijndel, Voorzitter was. Verkrijgbaar bij Stokvis en Zoon te \'s Hertogenbosch.

-ocr page 118-

Cll Dli NJKUWK M O DE 1V K ROK D KNING EN.

maken, enz. Art. 11. Binnen vier weken na de kennisgeving in art. () bedoeld, doen B. en W. aan den belanghebbende hun bericht toekomen, welk bericht tevens inhoudt de bepalingen, waarnaar het werk overeenkomstig de in Afd. II van dit Hoofdstuk gegeven voorschriften moet worden uitgevoerd.quot; Bedoelde Afd. II behelst 5 artikelen. In twee daarvan, »het bepalen van de rooijingslijn en de meerdere hoogte van den vloer der huizen boven de gemeentegrondquot;, wordt nadere beslissing aan B. en W. overgelaten.

Alle deze personen of Vereenigingen hebben het nuttig geoordeeld meer of min de bepalingen van het B. W. uit te voeren.

(1) Het minste bevat de Zwolsche. Zij past in art. 15 het bekende art. 703 B. W. aldus toe: »dat de tusschenruimte bepaald wordt op 75 centimetersquot; en het voorschrijven der noodige werken aan B. en W. overgelaten. Overigens is het art. geheel en al in de wettelijke bewoordingen vervat en met strafbedreiging van ten hoogste _/ 25.— of 6 dagen hechtenis voorzien.

(2, 3) De beide Utrechtsche zijn ten aanzien van den inhoud der drie eerste artikelen woordelijk gelijkluidend :

Art. 219 Utrecht = 158 Wijk bij Duurstede, toepassing-van art. 703 B. W.

Art. 220 Utrecht 159 Wijk bij Duurstede, regelt het recht van waterloop.

Art. 221 Utrecht 160 Wijk bij Duurstede, toepassing van art. 690 B. W.

In een vierde artikel — 161 — behelst die van Wijk bij Duurstede het volgende:

Die zijn erf verhoogt zal verplicht zijn voor zijne kosten ook den muur of de schutting evenveel te verhoogen in overeenstemming met het bepaalde bij art. 685 B. W. In-tusschen spreekt dit art. alleen van den gemeenen scheidsmuur — ook hier is dus het Wetboek uitgebreid.

Beide Verordeningen dreigen met geldboete. Utrecht is duur f 25.—, Wijk bij Duurstede goedkoop f 10.—.

(4) De Verordening van Hoofdplaat behelst het volgende: In art. 120 »Het is verboden het water van daken of van muren op de straat of in openbaar water te laten afloopen, tenzij door een aan den gevelmuur bevestigde buis, waarvan

-ocr page 119-

DE NlliUWU MDIJKl.-VKKOKDKN\'INGEN.

het benedeneinde hoogstens 0.55 M. van den beganen grond verwijderd is. Regenbakken of pompen op stoepen of straten moeten afgesloten zijn met een ijzeren of met een houten met metaal bekleed deksel met een slot voorzien.quot;

Ter zijde wordt de boete van f 3.— aangegeven en verwezen naar art. 700 j0., 729, 686 (698). — Waarom is hier ten eenenmale verzuimd iets omtrent het erf des buurmans te bepalen, waarnaar die wetsartikelen toch heenwijzen ?

Art. 121 luidt: »Hct gootrecht, bedoeld bij art. 730 B. W., door de goten der openbare straat blijft verzekerd.quot;

Ter zijde wordt verwezen naar art. 730 j0., 701, 724, 738 en 744 B. W. Strafbedreiging ontbreekt. De artt. 730 en 701 B. W. worden in de meeste Gemeente-Verordeningen zelden of ooit toegepast op een gootrecht op of door de openbare straat. Eens anders erf is in die terminologie steeds het eigendom van particulieren.

Art. 122 past art. 703 B. W. toe ten aanzien van de tusschenruimte en wordt door eene geldboete van hoogstens f 25.— vergezeld.

Art. 123 luidt: »De in art. 690 B. W. bedoelde afsluiting-zal moeten geschieden door een muur, een ijzeren hek, een houten schutting of rasterwerk, of door een levende heg ter hoogte van 2 M. boven den beganen grond.

De muren moeten minstens 0.12 M. dik zijn met pilasters per elke 2,50 M. lengte. Boete f 10.— Maximum.quot;

(5) De Noord-Brabantsche Model-Verordening berust op de basis van die van Schijndel. De indeeling is behouden — alleen is bij elk artikel overwogen in hoeverre het behouden moest blijven. Zoo vinden wij Hoofdstuk XVI van beide gewijd aan de »Bepalingen welke de Algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen en Gebruiken overlaatquot;, wordt dit hoofdstuk op dezelfde wijze in twee af-deelingen geplaatst, I. Bepalingen met voorziening en II. Bepalingen van gebruik, en is alleen het verschil hierin gelegen: 1°. dat de Model-Verordening de toepassing van art. 677 en 701 in art. 147 weglaat als reeds geregeerd door art. 20 Prov. Regl. van 1874 Prov. Blad van 1875, N0. 2 en 20. daarentegen een nieuw artikel in art. 157 omtrent het dienst-bodenrecht voorslaat van dezen inhoud:

»De dienstboden worden in den regel gehuurd voor een jaar, om in dienst te treden:

fur

-ocr page 120-

DK NIEUWIi MOIIliL-VliRORDHNINGEN.

1°. die der landbouwers den 2411 Februari (St. Matthijs);

2°. die van andere bedrijven, van heeren en burgers, den 3en Mei.

Dc wederinhuring moet gevraagd of de huur opgezegd worden als van de eerste met Allerheiligen en der tweede niet Kerstmis. Niet gevraagd ot geen huurpenning aangeboden of aangenomen zijnde, dan eindigt de huur der eerste den 2311 Februari en der tweede den 2n Mei van het eerstvolgende jaar, eveneens bij opzegging.

Van weerszijden heeft men het recht in den loop des jaars de huur op te zeggen om 6 weken daarna te vertrekken.

Vertrekt men of zegt men de huur op om onmiddellijk den dienst te verlaten zonder gewichtige redenen, dan kan worden toegepast art. 1630 B. W.quot;

Alle andere bepalingen zijn woordelijk gelijk, behoudens de weglating eener o. i. overbodige zin in art. 149 sub c.

(6) Burgemeesters en Secretarissen van de Bevelanden hebben gemeend de toepassingen van het B. W. in eene afzonderlijke Model-Verordening te moeten neerschrijven, welke nog niet in druk is verschenen.

Reeds in 1875 had de Heer L. F. G. P. Schreuder \') erkend, dat Plaatselijke Verordeningen kunnen voortvloeijen zoowel uit artt. 677, 690, 701, 703, 733, 738, 781, als uit de gebruiken van artt. 813, 1607, 1614, 1616, 1619, 1621—23 en 1635. Hij kwam dus na rijpe ervaring terug tot de ineening van den Heer Vogelsang 1), die aanried de termijnen van huuropzegging te regelen en in Mr. G. de Vries Az. 2) zulk een krachtigen bestrijder had gevonden.

CIV

1

Handboek voor de Plaatselijke Besturen ten plattenlande, II, bl. 447.

2

Wetg. Magt tier PI. Besturen, bl. 84.

-ocr page 121-

PROV. VERORD. BliTR. ÜNDICRWICRPEN V. I3URG. RECHT. CV

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

PROVINCIALE VERORDENINGEN BETREKKELIJK ONDERWERPEN VAN BURGERLIJK RECHT.

Van dien aard is er slechts ééne soort, t. w.: de Reglementen op de Wegen en Voetpaden.

Als al. 4 van art. 735 B. W., bij gemis aan bepaling van den titel, aanneemt dat tusschen partijen is overeengekomen de breedte van den weg, dreef of voetpad, die bij bijzondere Verordeningen is aangegeven, zoo kan onder bijzondere Verordeningen niet slechts worden verstaan die eener gemeente, maar ook die eener provincie, of zelfs van een polder. Slechts dit is o. i. noodig, dat er een stellig voorschrift zij.

Derhalve kunnen, zoolang zij in dit opzicht niet herzien worden, niet in aanmerking komen:

1°. het Reglement van Drenthe van 1884, gewijzigd 1887 en 1889, omdat art. 13 N(). 1 aldaar geen vaste breedte voorschrijft, maar verwijst naar hetgeen in de tabellen der leggers staat vermeld;

20. dat van Overijsel van 1859, gewijzigd 1862, 1865, 1867, 1872, 1875 (nieuwe redactie in 1876), 1884, 1886 en 1887, waar bij de wegen in den legger de gemiddelde breedte, bij de voetpaden in het geheel geene breedte wordt vastgesteld \');

30. dat van Gelderland van 1884, waar art. z-d naar de breedte op de leggers verwijst;

4quot;. dat van Utrecht van 1853, gewijzigd 1857, wat evenmin breedte aangeeft;

50. dat van Limburg van 1859, gewijzigd 1875, 1878, 1881, 1888 om dezelfde reden.

Daarentegen wordt art. 733 B. W. aangevuld;

lt;7. door het Reglement van Groningen van 1880, gewijzigd 1887, alwaar art. 4 de breedte der rijwegen en art. 6 die der voetpaden aangeeft;

h. dat van Zuid-Holland van 1877, gewijzigd tot 1889, in welk jaar de tekst op nieuw is geredigeerd. In art. 15 komt eene bepaling der breedte voor;

1) In art. 5 van het Reglement van 1 Sept. 1843 was zulks wel geschied.

-ocr page 122-

CV1 PROV. VKROHD. HKTR. ONÜICRWICKI\'HN V. BURG. RECHT.

lt;r. van Zeeland van 1886. Art. 13 S 1 verwijst wel ten aanzien van de breedte naar de leggers, maar art. 31 § 1, schrijft ten aanzien der nieuw aan te leggen wegen en art. 32 ten aanzien der nieuwe voetpaden de breedte voor;

d. van Noord-Brabant van 1874. Ook hier verwijst art. 10 ten aanzien van de breedte naar den legger, maar art. 31 luidt aldus: »De bepaling der breedte van straten en stegen in de aaneengebouwde kom eener gemeente geschiedt door de gemeentebesturen.

Alle overige nieuw aan te leggen wegen, rijbanen en bennen te zamen genomen moeten eene breedte hebben van minstens 8 meter en de voetpaden van minstens één meter.\'\'

In het Polder-Reglement van Agterbroek (Zuid-Holland) van 1866 vindt men in art. 15 insgelijks eene breedte der wegen aangegeven, en in art. 1 van dat van de »Oude Poldersquot; onder Middelharnis, in dezelfde Provincie, van de voetpaden.

Van, een dreef vindt men in de Provinciale Reglementen in hel geheel niet gesproken. Is dit recht bij ons nog bestaande of een juridisch doode, die, gelijk Ihering zeide, nog maar altijd verzuimd was te begraven.

De Provinciale Reglementen kunnen overigens alleen gevolg hebben ten aanzien van erfdienstbaarheden van lateren tijd; alsdan zal natuurlijk niet uitsluitend mogen worden gelet op den datum van het tot stand komen. Immers menig reglement is slechts eene schriftelijke omwerking van vroeger bestaande en zoo zal men den datum moeten nagaan, waarop de bepaling het eerst werd gemaakt \').

juist daarom kunnen de Bepalingen in Gemeente-Verorde-ningen en Polder-Keuren (waarvan wellicht nog veel meer zullen zijn te vinden) daarnevens zeer goed bestaan.

In Friesland -) en Noord-Holland, waarvan wij geene Provinciale reglementen op de wegen vonden, zullen deze moeten worden geraadpleegd. In de eerstgenoemde Provincie

1) Reeds in art. 17 van het Zeeuwsche Reglement op het beheer van de Buurtwegen en Voetpaden van 1838 en in art. 31 van dat van 1881 vindt men de breedte bepaald.

2) In deze Provincie zijn, meen ik, de wegen geregeld in de Waterstaats-Verordening van 28 Mei 1878, No. 76. Men vindt daar geen leggers behandeld, noch breedte aangegeven.

-ocr page 123-

PROV. VERORI). liKTR ONDHRWIÏRPKN V. BURG. RECHT, CVTI

vinden wij 7, in de laatste 10 Gemeenten met dergelijke bepaling.

Het onderwerp der wegen \') leidt er ons van zelf toe do de aandacht te vestigen op een tweetal Souvereinc Besluiten van Koning Willem I, waarbij een tweetal aloude eigen-domsrechten zijn hersteld, die zich eigenlijk niet gemakkelijk of in het geheel niet laten rijmen met de theorie van ons Burgerlijk Wetboek, t.w. dat van 24 Juli 1814, «waarbij (art. 1) de veeren die van oudsher een particulier eigendom \'t zij van een Stad, Corporatie of van andere Particulieren geweest zijn, aan hunne voormalige eigenaren worden teruggegevenquot;, en dat van 10 Februari 1815, waarbij »alle boomen staande op of langs groote wegen, welke oudtijds hebben toebehoord aan Gemeenten, Kollegiën of Particulieren, aan dezelve evenals bevorens in wettigen eigendom zullen blijven toebehooren en zulks niettegenstaande eenige beschikkingen welke daaromtrent te contrarie mogten gemaakt zijn, zonder dat echter aan de eigenaars eenige vergoeding zal worden geaccordeerd wegens de ten gevolge dier beschikkingen aan hen toegebrachte schade tot dato dezesquot;. De Fransche administratie had aan dat alles een einde gemaakt. Willem I kwam daarop terug, maar herstelde ook oude verplichtingen t. w. (art. 6) dat alle slooten en kanalen strekkende langs dc groote wegen, zullen moeten onderhouden en gereinigd worden door dengenen welke daartoe van ouds zijn verplicht geweestquot;. Ofschoon in art. 3, daar waar geen beplanting was geschied, den Staat die verplichting werd opgelegd, liet hij echter in art. 4 ook toe dat zulks aan «Gemeenten, Kollegiën of Particulierenquot; zou mogen worden vergund.

1) De Politie-Verordening op de Grind-, Puin-, Schelp- en Straatwegen van het Ambacht Drechterland van 22 Nov. 1876, behelst in art. 3 het volpende: »Als algemeen beginsel blijft aangenomen en bepaald, dat wanneer twee rijtuigen elkander ontmoeten, ieder der voerders de helft van den weg moet afstaan, zonder te letten op het getal paarden of wielen, door uit te halen vmi dc rcchtcr- naar de linkerhand (bij de hand).quot; Tn het Oude West-Friesland volgt men dus thans nog de gewoonte van uithalen, die in Friesland en niet die in Holland gebruikelijk is.

-ocr page 124-

evil I BURG. RECHT IN ON/X WATURSTAATS-VJiRORD.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

BURGERLIJK RECHT IN ONZE WATERSTAATS-VERORDENINGEN.

De belangrijke reorganisatie van ons Waterstaatsrecht in de laatste halve eeuw heeft vooral bestaan in de scheiding van hetgeen vroeger vereenigd was, t. w.: van de taak der waterkeering van burgerlijk recht en gemeentebestuur. Desniettegenstaande vindt men in de oude polders, bepaaldelijk de Noord-Hollandsche, nog sporen van oudere toestanden terug.

i. Erkenning dat het beplantingsrecht der wegen toekomt aan de eigenaars der naburige landen.

Art. 14, voorkomende in het Hoofdstuk op »de Boomenquot; van de Politie-Verordening op het Inwendig Beheer van het Waterschap de Beemster van 5 September 1883 luidt: »De vergunning bij de vroeger bestaan hebbende keuren aan de eigenaren der landerijen verleend, om de wegen en den kant van den onderdijk ter breedte van de landerijen te mogen beplanten, wordt bij deze bevestigd en zal hun die vergunning alzoo verleend blijven, onder bepaling nogtansquot; enz.

Art. 5 der Keur van Heer-Hugowaard van 13 Mei 1H57: . . . »De ingelanden zullen de hoofdwegen nevens hun land, alsmede de dijken en hunne bennen, met verlof van Dijkgraaf en Heemraden, tot wederopzegging toe te hunnen koste en voordeele, met opgaande boomen kunnen beplanten.

De dwarswegen zullen daar waar geene bosschen aan de wegsloot zijn, ook met opgaande boomen mogen beplant worden, doch alleen aan de noord- en westzijde. Alles op verbeurte van eene boete van f 1.— voor eiken boom.quot;

Art. 8 der Politie-Verordening Wijde Wormer van 1872, die tegelijk met den Beemster van 1607—1612, doch 13 jaren vóór den Heer-Hugowaard \') is ingedijkt, luidt:

Art. 8. »De eigenaars der landerijen hebben het recht opgaande boomen te planten in de bermen der Noorder- en

1) Wij hebben sporen gevonden, dat men op grond van Politierecht aan dergelijke oude rechten heeft getornd. Of zulks ook in Heer-Hugowaard het geval was, kunnen wij niet beslissen.

-ocr page 125-

BURG, REC HT ]N ONZE WATERSTAATS-VERORD. CIX

Zuiderwegen langs hunne landerijen, onder de volgende bepalingen a enz.quot;

2. Erkenning van den Polder als maatschap.

De drie zoo even medegedeelde bepalingen zijn gevolgen van een toestand, die niet aan alle polders eigen is, maar opnieuw kan ontstaan en daar waar hij terugkeert tot soortgelijke gevolgen kan leiden.

Deze Polders zijn door indijkingen en uitmalingen ontstaan: het land was product van den arbeid: de winst kon worden verdeeld met behoud der oorspronkelijke verhouding van deelhebberschap, maar ook verkocht met een last of een recht die bestemd was tegenover volgende geslachten te blijven bestaan.

Aan die maatschapsvcrhoudingen herinneren ons buitendien:

1°. de Keur op de Openbare Wegen van Eijerland van i Februari 1888: JJe hierboven sub a, b, c en cl genoemde wegen worden geheel onderhouden voor rekening van het Waterschapsbestuur. Het onderhoud der overige wegen komt voor rekening van hen, die bij akte nan kaveling van 28 Dec. iS.fo met het onderhoud belast zijn. voorzoover de eigenaars de wegen niet in eigendom aan het Waterschap hebben overgedragenquot;;

2°. De toelichting tot art. 16 van de vermelde Verordening van de V/ijde Wormer: »Bij drooggemaakte polders moeten de conditiën van den oorspronkelijken koop als regel worden aangenomen, om uit te maken wie eigenaars der sloten en wie onderhoudsplichtigen zijnquot;.

3. Bepalingen omtrent het gebruik der dijken en wegen.

Elke polder maakt uit den aard der zaak voorzieningen,

dat vee aan de dijken geen nadeel toebrengt. Enkele hebben zelfs op vindingrijke wijze getracht te voorkomen, dat vee, \'t welk over de dijken moet worden gedreven, in weerwil van het verbod daarop toch zou kunnen grazen. Men heeft eene bepaalde snelheid van gang voorgeschreven.

De Houtrakpolder schrijft in art. 18 al. 2 voor, dat »in een uur minstens 3000 Meter afstand wordt afgelegdquot;, art. 30 al. 1 van de Keur van Schermeer »dat één uur afstands in 2 uur wordt afgelegdquot;, bij gebreke daarvan met eene boete van f 1.—- tot f 25.— en van 1 tot 3 dagen gevangenis te zamen of afzonderlijk zal worden gestraft.quot;

Voorzooverre nu het verbod geschiedt om den dijk niet

-ocr page 126-

BURG. RECHT IN ONZK WATERSTAATS-VERORD.

te benadeelen, is tegen zulk eene bepaling niets in te brengen, daar echter, waar eigen voordeel of voorkoming van eigen nadeel door vermindering van het grasgewas alleen de reden van eene dergelijke strafbedreiging is, zouden wij voor de wettigheid niet durven instaan.

Op burgerrechtelijk gebied vinden wij het volgende: Art. li. »Ieder ingeland, welke overpaden heelt over andere landen, is verplicht zijn vee daarover aan touwen te leiden, tenzij dat de eigenaar toelaat hetzelve te mogen drijven.quot;

4. Toepassingen van art. 708 B. W.;

»Gemeene grachten of slooten moeten op gezamenlijke kosten worden onderhouden.\'\'

Art. 7 van de Keur van Lagelandspolder van 1875 zegt: »Voor het speten en schoonhouden van alle scheidingsslooten in den polder zullen de kosten door ieder der belendende eigenaren, ingevolge art. 708 B. W., voor de helft worden gedragen\'\', en art. 7 al. 3 der Keur van den Leijerpolder van 3 Sept. 1888: »De kosten van uitgraving of schoonhouding van scheidingslooten zullen door ieder der belendende eigenaren, ingevolge art. 708 B. W., voor de helft gedragen worden,quot;

Blijkbaar is men van dezelfde gedachte uitgegaan, toen in tallooze Verordeningen is bepaald, dat als van wege den polder de sloot werd schoongemaakt of dieper uitgegraven, de aarde voor de helft ter wederzijde op het land mocht worden gelegd en dit dan door den eigenaar binnen zeker tijdsverloop moest worden weggeruimd.

Wij zullen slechts de meest karakteristieke aanhalen. Wijde Wormer bepaalt in art. lO: «Indien het Waterschapsbestuur noodig oordeelt de slooten die het moet onderhouden te laten uitschieten of schoon te maken, zullen de eigenaars der aangrenzende landerijen de daaruit komende specie, overeenkomstig de kavel-condilien, zonder schadevergoeding op hunne landerijen moeten ontvangen.\'\' Het beginsel van art. 708 was dus reeds in de kavel-conditien van 1612 verwerkelijkt.

In sommigen trachtte men misbruik van gezag te voorkomen, o. a. in Ilpendam, waar art. 4 der Verordening van 1880 slechts vergunde specie op het land te trekken, »waar de slooten geen voldoende ruimte aanboden om in de schuit te baggerenquot;; verder in de volgende bepaling der

-ocr page 127-

1

BURG. RECHT IN ONZE WATERSTAATS-VERORD. CXI

Keur van Wieringerwaard van 1871: »Ait. 3 al. 2. Bij het schieten of baggeren der Waterleidingen wordt gezorgd dat bezaaid land niet beschadigd of verwoest, en dat niet meer grond dan noodig is ingenomen wordt.quot;

Al. 3. De gebruikers van gronden die zich in een of ander opzicht benadeeld achten, zijn bevoegd hunne bezwaren binnen drie dagen, nadat de schade is toegebracht schriftelijk in te dienen bij Dijkgraaf en Heemraden; deze zullen trachten het bezwaar met de belanghebbenden te beëindigen of onderwerpen de zaak aan de beslissing der Hoofdingelanden.quot;

Eene poging om lasten en lusten eerlijk te verdeden, vindt men in art. 12 en 13 der Algemeene Keur van Waal en Burg op Texel van 1884, luidende:

»Art. 12. De slooten en waterleidingen, geene togtslooten zijnde, zullen op de eerste aanzegging en aanschrijving van Dijkgraaf en Heemraden door de betrokken eigenaren moeten worden uitgegraven of verdiept, op de bestaande wijdte met gladgestoken kanten, t. vv.:

De slooten en waterleidingen tusschen twee landen gelegen, door de eigenaars dier landen voor de helft, en die gelegen zijn tusschen een stuk land en den weg of den dijk, door den eigenaar van dat land voor het geheel; in dit laatste geval zal de uitgegraven specie geheel op dat land moeten worden opgeworpen, tenzij Dijkgraaf en Heemraden mochten verkiezen haar dadelijk tot verzwaring of verhooging van den dijk, de bermen of den weg aan te wenden en te gebruiken, in welk geval de kosten van uitgraven komen ten laste van \'s polders kas.

Art. 13. De eigenaren zullen verpligt zijn om de specie of schotwal, voortkomende uit nieuw daargestelde of uit de op nieuw uitgegraven of verdiepte togtslooten of andere waterleidingen binnen één maand na de uitgraving van de slootkanten op te ruimen, ten einde de inzakking der wallen en het weder inspoelen der uitgegraven specie te voorkomen, op verbeurte van eene boete van tot /\\o.— en gevan

genis van één tot drie dagen, te zaïnen of afzonderlijk.quot;

Ook schijnt men in den Eilandspolder die specie niet zoo geheel waardeloos te achten, althans zegt het slot van art. 9 der Verordening van 1875; \'quot;\'s daarop gebragte specie is dan het eigendom van genoemde bezitters.quot;

In Zuid-Holland, bepaaldelijk in Middelharnis, waar de

-ocr page 128-

BURG. RECHT IN ONZE WATERSTAATS-VERORD.

uitgegraven specie veel minder waarde heeft, vindt men bepaald, dat »de uitkomende specie voor de helft op den weg en voor de wederhelft op de landerijen moet worden geworpen, met dien verstande, dat het zandigste gedeelte op den weg worde gebracht.quot; \')

In den Polder Oud Schuddebeurs moet volgens art. 13 der Verordening van 1882, bij uitgraving der slooten, omdat zij de vereischte breedte niet meer hebben, a/.t der delfaarde op de kleiwegen en \'/3 op het land worden geworpen, terwijl volgens art. 18 der Verordening van Simonshaven en Biert van 1888 de delfaarde uit de wegslooten geheel op het land wordt geworpen, en de specie insgelijks, zoo het Bestuur, gelijk met begrinde wegen zijn kan, die niet op den weg begeert.

Bij Verveeningen is de toestand anders. Daar is groot verschil tusschen hooge en lage veenen. Bij de eerste wordt de bovengrond afgegraven en blijft een ter bebouwing geschikte ondergrond over. Bij de laatste heeft men te vreezen, dat tot schade van het geheel, zoden, zand, zoogenaamde bonk- of bovenaarde of veenspecie verloren ga. Vandaar een verbod van vervoer, die men zoowel vindt in art. 16 van het Utrechtsche Reglement op de Veenderijen, als in menigvuldige Friesche Verordeningen, o. a. art. 86 Aengwirden 1874, art. g7 Echten 1870, art. 87 Haskerveenpolder 1872, enz.

In 1874 hebben de Staten van Friesland eene Verordening gemaakt tot voorziening in sommige Waterstaatsbelangen in Friesland en wel ter uitvoering van art. 720 B. W.

cxn

Opmerkelijk is het, dat in de Provincie Overijsel nagenoeg algemeen en tot zelfs in de laatste Verordeningen, o. a. de Onderdijksche Polder (art. go) van 1888, bepaald is, dat de afkondiging en bekendmakingen ook zullen geschieden bij kerkespraak. Het Veenschap Molenwijk in Drenthe sprak van openbare bekendmakingen bij afkondiging en aanplakking volgens plaatselijk gebruik.

1) Art. 15 Verordening Oude Polders onder Middelhamis 1882.

-ocr page 129-

iets over tiet nog geldende oude recht. cxih

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

IETS OVER HET NOG GELDENDE OUDE RECHT.

Hoe uitlokkend het denkbeeld ook was om voor iedere gemeente aan te geven, welke bepalingen van vroeger Burgerlijk recht nog als geldig kunnen of moeten worden beschouwd, het onderzoek daarnaar is zoo omvangrijk en zoo weinig voorbereid, dat ik thans slechts weinige aanwijzingen kan doen. Enkele onbekende rechtsbronnen van IJsselstein, opmerkingen van den Limburgschen Archivaris Jos. Habets en verwijzingen naar de Keuren van den Eem, vindt men reeds onder de mededeelingen hierachter.

In art. 2qi der Gemeentewet is wel eene herziening bevolen van Plaatselijke Verordeningen en bepaald, dat de oude binnen vijf jaren zouden vervallen, doch zulks had alleen betrekking op die, waarop straf was bedreigd en welke belastingen inhielden. Menige uitwerking van art. 703 B. W. konde daaronder vallen, maar van andere artikelen, waarop geene straf mocht worden gesteld, bleef de werking ongeschonden.

Wij zouden derhalve reeds dadelijk moeten onderzoeken, welke Verordeningen van 1815—1851 zijn gemaakt en wat haar lot is geweest. Het resultaat zou wellicht zeer schraal zijn, maar of het in \'t geheel niets zou opleveren? Dat durf ik niet beweren. Bijv.; De Gemeente Harderwijk heeft, naar men mij mededeelde, thans geene Algemeene- of zelfs in engeren zin aldus genoemde Politie-Verordening. Zij heeft sinds 1886 eene Bouw-Verordening, waarin ook in Hoofdstuk II de in 1881 vastgestelde Bepalingen omtrent het Brandwezen en in Hoofdstuk XIV dergelijke van het bewaren en verkoopen van Petroleum zijn te vinden. Of er nog meer zijn weet ik niet.

Op 1 December 1847 werden echter aldaar afgekondigd «Plaatselijke Verordeningen en Huishoudelijke Bepalingen, groot 496 artikelen, waarvan de 5de Afdeeling »Van Timmeringquot; tot opschrift draagt en § II »Van verplichtingen tus-schen naburen, ook omtrent de pompenquot; in dezer voege handelt.

Art. 259. »Ten aanzien van de wederzijdsche rechten en verplichtingen tusschen de eigenaars van naburige erven,

-ocr page 130-

CXIV IETS OVER HET NOG GELDENDE OUDE RECHT.

betreflende waterloozing, gemeenschap, enz., wordt bij deze verwezen naar het B. W., II Boek, IV Titel.

Art. 260. De kosten van het vernieuwen, herstellen cn schoonhouden van riolen en waterleidingen in gemeene poorten, gangen of sloppen, waartoe ingevolge art. 704 B. W. de belanghebbenden zijn verplicht, zullen worden gedragen m verhouding van het aandeel, waarvoor ieders erf, dat in deze riolen en goten uitloozing heeft, kadastraal is aangeslagen.

Art. 261. Dezelfde aanslag zal evenzeer de maatstaf zijn der indeeling van kosten voor het onderhoud en herstel dei-poorten en wegen in gemeene stegen, boven vermeld.

Art. 262. Alle huizen en getimmerten zonder onderscheid zijn bij pompen ingedeeld of bezitten met hunne naburen eene pomp.

Art. 263. Ingevolge art. 704 B. W. en de oude Stads-Willekeuren zijn de eigenaren van getimmerten zonder onderscheid, al zijn zij ook niet bewoond, verplicht te betalen tot de kosten van vernieuwing, herstelling of onderhoud der pompen of putten, waaronder zij behoorenquot;.

Art. 264. Schuren betalen half pompgeld.

Artt. 265—268. Bijzonderheden over de betaling van pompgeld.

Art. 269. Over iedere gemeene pomp of put worden twee onderpompmeesters door het Bestuur aangesteld.

Artt, 270—272. Over de indeeling der huizen in de pompen en de pomp- of put-cedul.

Art. 273. Jaarlijksche verantwoording tegenover eenige leden van den Raad als »Overpompmeestersquot; van de gelden en kosten.

Art. 276. De huizen, door de Pompmeesters bewoond, zijn als van ouds vrij van pompgeld.

Art. 277. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 278. » » » 703 *

Art. 279. Over het openslaan van vensters over erf van den buurman.

Art. 280. Over betreding van buurmans grond bij herstel van huis.

Art. 281. »Een ieder, die de bepalingen van deze paragraaf niet nakomt, zal gestraft worden met eene geldboete van / 3.— tot / 25.— of gevangenisstraf van 1—-3 dagenquot;.

Is deze Verordening ingetrokken, zoo zijn daarmede alle artikelen vervallen; heeft men haar echter binnen den tijd

-ocr page 131-

IETS OVER KET NOG GELDENDIC OUDE RECHT CXV

van art. 291 niet vernieuwd, zoo zal art. 277 als toepasbing van art. bgo B. W. nog gelden, omdat de strafbepaling te dien opzichte nietig was en derhalve daardoor het lot van art. 277 niet kan worden geprejudiceerd.

Achter die Huishoudelijke Bepalingen vinden wij in onze Verzameling \') het volgende stuk:

»De Raad der Sta;1 Harderwijk, gelet hebbende op art. 1607 B. W. en overwegende, dat het Plaatselijk Gebruik, waarvan dat art. melding maakt, velen onbekend is: herinnert met dezen aan de navolgende hiet heerschende Plaatselijke Gebruiken omtrent huur en verhuur.

1. De gewone vervaltijd van huur en verhuur van huizen is den isten Mei des middags om 12 uur.

2. Die van bouwhoeven en daghuurderswoningen, voorzien van landerijen op St. Petri of 22 February, des middags 12 uren.

3. Indien een dier dagen valt op een Zon- of Feestdag-is de vervaldag een dag later.

4. De gewone vervaltijd der huur van tuinen en losse landerijen is op St. Martini of 11 November.

5. De opzegging van huur en verhuur van huizen zal moeten geschieden vóór of op den 1 sten J anuarij, zoo de huur met Mei een aanvang genomen had, zoo de huur echter met November is begonnen, vóór of op den isten Julij.

ö. De opzegging van huur en verhuur van bouwhoeven en daghuurderswoningen, voorzien van landerijen, zal moeten geschieden één jaar vóór den vervaltijd der huur en verhuur en alzoo vóór of op 22 Februarij.

7. De opzegging van huur en verhuur van tuinen en losse landerijen zal moeten geschieden vier maanden vóór den vervaltijd.

8. De opzegging der kamers van boerenwoningen zal moeten geschieden drie maanden vóór 22 Februarij.

9. De opzegging van huur en verhuur van huizen en kamers, bij de weck of maand aangegaan, zal ecne week of maand te voren moeten geschieden.

10. De huurders van boerenerven of landerijen zullen in hooi- of weilanden of onder opgaande boomen en heggen gecne plaggen mogen steken zonder vergunning van den verhuurder.

1) BI. 81 en 82

-ocr page 132-

cxvi iets over het nog geldende oude recht.

11. Bij vertrek zal de huurder van bouwerven twee derden van liet bouwland mogen bezaaijen en een derde in gonstige rogge stoppels moeten laten liggen.

12. Hij zal evenzeer de landerijen behoorlijk met greppen of anderzins gevreed, zooals hij die ontvangen heeft, moeten verlaten.

13. Zoowel gedurende den huurtijd, als bij vertrek, zal hij alle schouwen op zijne kosten moeten houden en vrijwaren.

14. De boomvruchten zijn, indien -deswegens bij geschrifte niets bepaald is, de helft voor den huurder en de helft voor den verhuurder.

15. Het onderhoud der gemeenschappelijke pompen wordt, zoo deswegens bij geschrifte niets bepaald is, door den eigenaar of verhuurder betaaldquot;.

Op de volgende bladzijde met belangrijke tusschenruimte lezen wij: »Verder worden de ingezetenen herinnerd aan de volgende verspreide Verordeningen door de hoogere Besturen uitgevaardigd, op wier overtreding straffen zijn bepaald, te weten.....quot;

Het slot luidt:

Harderwijk, 19 Mei 1847.

De Raad der Stad Harderwijk

V/. A. de Meester.

Ter ordonnantie

G. A. de Meester.

Wat het lot was dezer Verordening en of het laatste deel met het eerste samenhangt is natuurlijk wel te weten te komen: het antwoord doet echter weinig ter zake, dergelijke vraag kan ook elders voorkomen en de oplossing ginds anders wezen dan hier. Stel dat cle Bekendmaking betrekkelijk de toepassing van art. 1607 R. W. formeel is afgeschaft, zoo is daarmede nog niet de kracht van het feit te niet gedaan, dat men verklaarde, dat er destijds zulke gebruiken bestonden.

Wat is er ook geworden van art. 5 van de Keure van Politie van Wormerveer van 1845, uitmakende »Het Tweede Hoofdstuk, Bepalingen rakende huur en verhuurquot; Volgens art. 93 is de overtreding van art. 5 strafbaar. Thans geldt

1) Ook art. 19 der Verordening van Beverwijk van 1835 omtrent den verhuistijd, is sedert verdwenen. Verder de artikelen 20 tol 23 van de Amplialie op het Reglement ter voorkoming en blussching van Brand

-ocr page 133-

IETS OVER HKÏ NüG GELD1CNDE OUDE RECHT CXV11

eenc Politie-Verordening van 1887, welke over dit onderwerp zwijgt. Is dus de Keur van 1845 formeel afgeschaft? Zoo ja, wat invloed heeft zulks op deze bepaling, waarin gezegd wordt, dat de opzeggingen zijn geregeld »overeenkomstig het bestaande plaatselijk Gebruikquot;.

Wat nu het oudere recht betreft van vóór 1800, zal men iets vinden bij Prof. Fockema Anüreae \') en ook weer iets bij Prof. de Geer Daargelaten de vele latere bekend geworden bronnen, geven de mededeelingeu van beide Hooggeleerden geen genoegzaam denkbeeld van hetgeen men vinden kan.

De aanhaling der verzameling Rotterdamsche Ordonnantiën laat u niet de gewichtige ordonnantiën op dc erfscheidingen raden. Zonderling vindt men daarin wel eene Verordening omtrent de dienstboden van 1719, die voor onzen tijd weinig geeft, maar omtrent de huur van huizen totaal niets. Alleen is in de Ordonnantie van 25 Maart 1719 ten aanzien van »de verbintenis van huyrders van huyzen, pakhuizen en molensquot; bepaald, dat de huur van pakhuizen per maand is van 28, per week van 7 dagen. — Meer niet.

Met de Stedelijke Keuren gaat het nog gemakkelijk, wanneer wij daarbij vergelijken, wat te onderzoeken is omtrent hetgeen op \'t platteland is overgebleven uit het oude recht.

Wij moeten daartoe vaststellen tot welke rechtsdistricten van de vorige eeuw de tegenwoordige gemeenten hebben behoord, en hoewel zulks niet onmogelijk is, is de weg niet gereedelijk gebaand.

Prof. Vissering begon in 1873 zijn Hoofdstuk «De Genieentenquot; in de Algemeene Statistiek van Nederland, met de tabellen der Gemeenten in de Wet van 4 Juli 1850, S. 37 en

en Plaatselijke Polilio der Gemeente Oudshoom in den Gnephoek van 31 Januari 1837.

Bij vonnis van den Kantonrechter te Alphen van 9.Juli 1841 (W. 196) werd een verhuurder tot schadevergoeding veroordeeld, die zijn huurder volgens deze artikelen met den veldwachter de woning had doen ontruimen. Dc juistheid dezer beslissing, omtrent de nietigheid der rechtspleging, heeft blijkbaar ten gevolge gehad, dat men mede de bepalingen omtrent verhuisdag en huuropzegging heeft achterwege gelaten, welke ook in die artikelen voorkwamen en waarop niets aan te merken was.

1) Overzicht van Oud-Nederlandsche Rechtsbronnen, 1881.

2) Bijdragen tot de Bibliographic onzer Stad- en Landrechten van \' 55° — 1798 in Nijhoff\'s Bibliographischc Adversaria, 1874/75.

-ocr page 134-

CXVIII IETS OVER MKT NOG GliLDENDli OUDE RKCHT.

5 Nov. 1852, S. 197. Van het vroegere werd gezwegen.

Mr. |. van Lennep had in 1866 in zijn »Ons Rijk in vroegere tijdperkenquot; eene indceiing van omstreeks 1750 gegeven, waarbij hij geene bronnen aangaf, en dus ook verzuimde den lezer te verwijzen naar het uitgebreide werk; »De tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlandenquot;, pl. m. 1740 verschenen, waaruit hij putte, maar nog te weinig overnam.

Daartusschen lag de revolutie der vurige eeuw. Destijds heeft er geen overgang plaats gehad van oude tot nieuwe indeeling. Men heeft eenvoudig al hel oude opgeheven en op geheel nieuwe grondslagen een nieuw gebouw opgericht.

In de Publicatie van het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek, wegens de verdeeling der Bataafsche Republiek in Departementen en Ringen, ingevolge art. 5 der Staatsregeling, gearresteerd 17 Nov. 1798 en die, behelzende de verdeeling in Grondvergaderingen en Districten, geschikt tot de algemeene Verkiezingen en Werkzaamheden des Volks, gearresteerd 14 Mei 1799, vindt men eene reeks van gehuchten, waarvan het verband met den toestand, zoowel van 1750 als 1850, eerst gezocht moet worden.

De indeeling van het Platteland in Gemeenten berust, wat betreft:

Groningen op K. Decreet 21 Oct. 1811 (Fortuyn 111:366). Drenthe » idem. idem. (Terzelfder plaatse).

Friesland » K. Besluit 17 Dec. 18:5 (Bijv. St. 1815 bl. 886). Overijsel » K. Decreet 21 Oct. 1811 (Fortuyn III : 365).

Gelderland » K. Besluit.....1816 (Bijv. St. 1816 bl. 227).

Utrecht » » 29 juni 1816 ( » » 1816 » 67). Holland » » 9 Oct. 1816 ( » » 1816 » 191).

Zeeland » » 21 Juli 1816 ( » » 1816 » 99). N.-Brabant » » 8 Mei 1819 ( » » 1819 » 4Ó0).

Tusschen deze indeeling der Gemeenten en die van 1850 is soms in het geheel geen, soms weinig onderscheid, en door vergelijking met den tegenwoordigen Staat der Vereenigde Nederlanden of v. Lennep\'s uittreksel, soms ook met de tegenwoordige Politie-Verordeningen, die nu en dan zeer zorgvuldig de gehuchten mededeelen, kan men wellicht zonder al te groote moeite bepalen, onder welk recht eene tegenwoordige Gemeente in 1750 heeft geleefd.

Moeielijker is zulks voor Limburg. Deze Provincie bestaat

-ocr page 135-

IETS OVER HET NOG GELDENDE OUDE RECHT. CXIX

uit allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, die elk onder een eigen recht leefden, t. w. :

1. De twee gemeenten Epen en Slenaken, die oudtijds deel maakten van het Hertogdom Limburg.

2. Het land van Valkenburg (geheel).

3. Het land van \'s Hertogenrade (gedeeltelijk).

4. Vier dorpen van het land van Dalhem.

5. Tien dorpen van het Graafschap Horne.

6. Een groot gedeelte van het Hertogdom Gulik.

7. Een groot gedeelte van het voormalig Overkwartier van Gelderland, met de Ambten Kessel en Montfort en de Stad Roermond.

8. De vrije Rijksheerlijkheid Kessenich.

i/. Een gedeelte van het Prins-Bisdom Luik.

10. Tien dorpen, vroeger deel van het Duitsche Rijk.

11. Zes dorpen, vroeger van het Stift Thorn.

12. Vier dorpen, vroeger van het Rijksgraafschap Wittem \').

Juist hier, waar eene vaststelling van het oude nog geldende

recht zoo noodig, is nog het minste gedaan.

Met deze gegevens zal de belanghebbende hetgeen hij noodig heeft moeten opsporen.

Een enkel voorbeeld.

De Provincie Friesland had eene eigen Codilicatie, waarvan de laatste redactie in 1723 is geschied.

Aldaar vindt men ten aanzien van de onderwerpen, waarnaar ons Wetboek naar Gebruiken verwijst, de volgende bepalingen:

I. Wijze van Publieken Verkoop.

Boek I. Titel XL Van Boden en Consenten, luidde:

»Art. I. Dat de gekochte en verwisselde Onroerlyke Goederen binnen \'sjaars tot drie verschillende tijden in de Parochie-Kerke ende zoo driemaal over \'t Gerechte, daar de onroerende Goederen gelegen zijn, zullen worden geproclameerd of te Bode gestelt.quot;

Titel XIII handelt over »Alieaatie van Kerkelijke, Geestelijke ende Minderjaarige Goederen.quot;

1) Zie voor lt;le verdere bijzonderheden het opstel vim den Rijks-Archivaris Jos. Habets, getiteld »Het nieuwe Blazoen van het Hertog-dom Limburgquot;, opgenomen in het tijdschrift de Katholieke Illustratie, 20ste Jaargang, Nquot;. 50, pag. 398.

-ocr page 136-

IETS OVER HET NOG GELDENDE OUDE RECHT.

II. Opzegging van huur (art. 1607 B. W.). Titel XIV.

Van opzegginge en opgevinge van Landen en Huizen.

Art. I. »Is een costume in dezen Lande, dat men voor Nieuwjaarsdag de Huirders van Huizen en Landen opzegget, al zulke Landen en Huizen als de Grond- of Huisheer in het navolgende jaar zal willen Verhuuren of aan zich behouden, ten waare de Huurder of Meyer aan deeze opzegginge gerenuncieert hadde.

Art. II. De Verhuurders geprotesteerd hebbende de Effectu van de denunciatie, zal de Huurder de Verhuurde Landen ofte Huizen gehouden wezen te ontruimen, anders en in gevalle van onwilligheid zal daarop Executie verleent worden.

Art. III. Van gelijken is een Costume, dat men voor Nieuwjaarsdag de Eigenaar opgeeft al zulke Landen en Huizen als de Huurder in het navolgende jaar vermids Expiratie van de Huur zal willen verlaten, ten waare de Eigenaar aan deeze opgeevinge hadde gerenuncieert.

Art. IV. De Huurder of Verhuurder geen denunciatie gedaan en de Effectu van dien niet geprotesteert hebbende, word daardoor gehouden de Huur noch een Jaar op dezelve Conditiën gerenoveert ofte gecontinueert te zijn.quot;

III. Dienstbodenrecht (art. 1639 B. W.). Titel XX.

Van Dienstboden.

Art. IV. Alle Knechts ende Dienstmeiden, \'t zij dezelve Pand ofte Ortelpenning op de hand hebben ontfangen, ofte niet, zullen gehouden wezen binnen den 3en dach na den 12 Mey en 12 Nov., ofte anderen zodanigen tijd als haare huur ingaat, in dienst te treden, bij poene van f \\.— voor yder dach, die zij na dien tijdt in dienst zullen komen, te verbeuren, welke boete bij hare Meesters en Vrouwen van \'t bedongen Loon zal worden gekort en ingehouden.

Art. X. Doch opdat een yder hieraf in tijdts kan worden geïnformeert, zoo zullen de Broodheeren, Vrouwen ende Meesters aan de eene zijde, midtsgaders de Dienstboden aan de andere zijde, in cas hun over de huure ende dienst reciproquelijk niet wel genoegt, gehouden wezen omme ten minsten zes weken vóór den 12 Mey en 12 Nov. malkanderen te Sommeeren ende onderstaan nopens de continuatie of discontinuatie van den dienst, zullende bij gebreke van

cxx

-ocr page 137-

IliTS OVER HET NOG GELDENDE OUDE RECHT. CXXI

verklaringe en stilzwijginge vati partijen, de inhuuringc gehouden worden op de oude voet gerenoveert te weezen.\'\'

Of deze bepalingen nog in het dagelijksclie gebruik onbewust worden opgevolgd, zoude ik niet kunnen zeggen. Hier achtte men in het stelsel van den Code Napoleon rechtens mogelijk, dat de rechter, op grond dat men in het dagelijksch gebruik er geheel van afweek, ze niet meer handhaafde. De afschaffing moest worden bewezen — in twijfel moest toepassing geschieden.

Of de Grietenijen tusschen iöoo en 17^5 over onderwerpen van Burgerlijk recht Keuren hebben gemaakt, zou kunnen blijken uit archivenstudie, die nog niet is geschied, Friesche rechtsgeleerden als de Griffier der Staten Mr. van Blom achtte zulks mogelijk. Dezelfde deskundige meende echter, dat zulks geen regel was, maar het Provinciale Burgerlijk Recht in die Provincie aangevuld is geworden door Plaatselijke Gebruiken.

In eene sententie van \'t Nedergericht van Gaasterland, van 1Ö57, was eene kwestie van slatspecie eener gemeene sloot naar het Gewoonterecht beslist. Kr moesten z. i. vele rechtsbepalingen in die Provincie bestaan, die in de lands-ordonnantiën nimmer eene plaats hadden bekomen.

Een »reed\'\' (weg) bijv. was in de kleidistricten 14 Amsterdam-sche voeten, in de zanddistricten 12 Rijnlandsche voeten breed, hetgeen vermoedelijk ongeveer op hetzelfde neerkwam.

Zoo ook worden thans nog bij overlijden buurplichten in acht genomen, niet ongelijk aan die welke 111 de Groninger Verordeningen uitvoerig worden behandeld. Mij werd ook eens door een boer verzekerd, dat men het daar als een uit het Gewoonterecht ontstane verplichting beschouwde, dat na overlijden van den vader, de oudste zoon met de moeder, weduwe, het boerenbedrijf ten gemeenen voordeele voortzet. Of dit door anderen beaamd of weersproken zal worden, laat ik in \'t midden : het was mijn hoofddoel op het feit te wijzen, dat in eene Provincie, waar onder Romanistischen invloed het recht zich sinds bijna drie eeuwen in gecodiliceerden vorm heeft ontwikkeld, een aantal gebruiken zijn blijven voortleven, aan wier bestaan men bij het lezen der schriftelijke rechtsbronnen niet zal denken.

-ocr page 138-

cxx11 plaats. burg. recht in bu1tknl. ontw. en wetg,

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

HET PLAATSELIJK BURGERLIJK RECHT IN ÜE NIEUWSTE BUITENLANDSCHE ONTWERPEN EN WETGEVINGEN.

Tot nog toe hebben wij ons gesteld op het standpunt der beginselen in onze Wetboeken nedergelegd en gevraagd, wat gedaan moet worden ter uitvoering daarvan.

Thans willen wij onderzoeken in hoeverre eene wijziging dier beginselen wenschelijk zij \'), en vestigen daarbij de aandacht op de jongste voortbrengselen van den juridieken geest in het buitenland op het gebied van Wetgeving.

Vooreerst het Avant-Projet van Laurent.

Het is opmerkelijk, dat deze Schrijver aan de geheele kwestie niet heeft gedacht, en in dit opzicht het voorbeeld van den C. N., zelfs ten aanzien der fouten, navolgt.

De redacteur van laatstgenoemd Wetboek munt over het algemeen uit door bijzondere zorg voor de gekozen woorden. Het woord usage komt overal voor, behalve in twee artikelen, waar men coutume vindt. In art. 1390 C. N. (ons art. 198 B. W.) wordt verboden eene verwijzing in algemeene bewoordingen, o. a. naar Goutunies. Dit woord is daar zeer juist gebruikt en ziet op de schriftelijke, van de burgerij uitgegane, door de overheid goedgekeurde Gonsuetudines, zooals er destijds velen in Frankrijk waren, maar bij de nieuwe wetgeving werden afgeschaft.

Daarentegen (en dit was verkeerd) komt Coutume (des propriétaires) in art. 593 C. N. in denzelfden zin voor, waar elders en ook in art. 590 Usage wordt gebruikt (usage constant des propriétaires).

Een paar malen worden door Laurent de gevallen van usage uitgebreid. T. w. art. 1778 spreekt van de huurtermijnen, en waar art. 1728 C. N. alleen zegt, dat die moet geschieden aux termes convenus, voegt hij er bij: »et a défaut

I) In ons Ontwerp der Staats-Commissic wordt in do met art. 447 en 453 B. W. overeenkomstige artikelen het voorschrift gemist, dat de openbare verkooping van goed, aan minderjarigen toebehoorend, overeenkomstig de plaatselijke gebruiken moet geschieden. Een motief is niet aangegeven.

-ocr page 139-

PLAATS. BURG. RECHT IN BUITliNL. ONTW. UN WETG. CXXIII

de convention aux termes fixes par l\'usage des licuxquot;. Het was, zeide hij, ook zoo bedoeld door Pothier en door de Jurisprudentie begrepen.

Een paar maal gebruikt hij in denzelfden zin het woord coutumier. Zoo in art. 1797: »Le bail peut encore avoir une duree fixe en vertu de la loi ou do l\'iisage des lieux.quot;

»Cc bail cesse aussi de plein droit a 1\'expiration du terme legal ou coutumier.quot; (Evenzoo de bijvoeging in art. 1799 Avant-Projet te vergelijken niet 1738 C. N.)

In de motiven omschrijft hij Coutumier nader door het consentement des parties, wat ten ecnenmale in strijd is met de beteekeiiis van dat woord vóór 1800.

Van veel meer belang is het Zwitsersche Wetboek omtrent de Verbintenissen van 1883.

Men vindt daar verwijzingen: I. naar Kantonaal Recht en II. naar Ortsgebrauch, Italiaansch uso contrario, Fransch usage ou usage des lieux.

Naar Kantonaal recht (I.): 1°. bij bepalingen omtrent statuta personalia (art, 35) en de Wet op de llandlungsfahigkeit;

2°. eigenaardige familierechten (art. 38, 76, 523);

3°. zakelijke rechten (art. 10, 105, 211, 231, 28], 414, 507, 518, 885, 886);

40. koop. huur, etc. van vee (art. 210, 320, 890);

5°. woeker (art. 83, 198, 327);

6°. makelaars en tusschenpersonen (art. 405);

7°. processueelo onderwerpen (art. 141, 146, 161, 394. 720, 845, 849);

8°. strafrecht (art. 880);

90. politie-bepalingen (art. 68, 69);

10°. publiekrechtelijke bepalingen (art. 64, 349, 613, 717— 719, 899).

Ten aanzien van usage (II.) vormen de gevallen van huur in hare drie gevallen het leeuwendeel.

1°. De huur van huizen (Miethe):

a. art. 282 bij reparaties;

b. » 286 betalingstermijnen;

c. » 290 al. 1 opzeggingstermijn bij huur van ge-beele huizen.

2quot;. De huur van landerijen (Pacht):

a. art. 304 reparaties;

b. » 307 betalingstermijnen;

-ocr page 140-

CXX1V PLAATS. UURÜ. KliClIÏ IN lilllTENL. ONTW. EN WETG

c. art. ,309 opzeggingstermijn.

In de gevallen h en c van 1 en 2 is de volgorde deze: eerst de bepaling der overeenkomst, dan die van de usage en eindelijk een door de wet gestelde termijn.

3°. Dienstboden :

a. art. 342 in hoeverre opzegging noodig is: h. » 344 dat de twee eerste weken tot proeftijd dienen ; c. » 346 in acht te nemen omstandigheid bij de regeling van schadevergoeding in geval van ontijdige opzegging.

Buitendien nog deze gevallen :

4quot;. Handgeld, art. 178 geeft aan in hoeverre het mag behouden worden of niet;

5°. bij koop en huur van vee, art. 320;

0quot;. bij rentestandaard;

7°. ten aanzien van den commissionair, in hoeverre cre-diteeren voor den koopprijs gebruik is, art. 437, 438;

8°. in hoeverre in zekere handelszaken het gebruik schadevergoeding toekent.

De termijnen binnen, welke men wegens verborgen gebreken mag opkomen, zijn vast geregeld in art. 257, 258.

Met Wetboek had ten gevolge, dat de Kantonale Wetboeken moesten worden herzien en dat zij daarbij aanmerkelijk werden verkort.

Op een tweetal daarvan willen wij wijzen.

Vooreerst op dat van Zürich, waarop bijzonder de aandacht is gevestigd, omdat het Bluntschli tot maker had gehad.

In art. 577 van dit oorspronkelijke werk van 1854 las men onder de Nachbarrechte in de aan het »Tretrechtquot; gewijde S 577 het volgende:

»So weit in den einzelnen Landesgegenden übungsgemass noch Tretrechte bestehen, ist der Pflüger bei Bestellung der Kelder berechtigt auf das nicht bepflanzte Land eines Andern 12 Fusz hinaus zu fahren. In Gegenden wo die Dreifelder-wirthschaft betrieben wild, ist die Mehrheit der Landbesitzer berechtigt weiter gehende Bestimmungen zu treffenquot;.

Bluntschli teekende daarbij aan, dat dit behoorde tot de althergebrauchte Feldgemeinschaft: »Die individuelle Son-derwirthschaft ist demselben nicht günstigquot;.

Bij de herziening in 1887 is de bepaling betreffende de

-ocr page 141-

plaats. burg. recht in buitenl. ontw. en wetg. cxxv

Dreifelderwirtschaft verdwenen en in plaats van 12 Fusz kwam 3,5 Meter.

In 715 kwam vroeger en in § 26,5 komt thans voor eene bepaling omtrent den »Winterwegquot;, (Fahrweg /u Winterszeit) en wel dat men dien gebruiken mag van »Martini bis mitte Milrzquot;. §717, thans ztquot;]} bepaalt: »üie Breite der Wege und das Masz des freien Luftraumes über demselben werden (lurch die Landessitte und das Bedürfnisz bestimmtquot;.

Bluntschli achtte deze bepaling beter dan de vaste cijfers van het Pruisische Landrecht: »Die freie Berücksich-tigung, zeide hij, der Landcsübung und vorzüglich die des Bedürfnisses ist aber dem Leben gemiisserquot;. \')

Bepalingen omtrent huur en pacht zijn in 1887 vervallen, behalve deze van § 1512, thans § 399, dat door inschrijving in het Grondboek de voorwaarden eener huurovereenkomst ook kracht tegenover derden krijgen -).

Van die afgeschafte verdienen nog een paar onze aandacht, omdat ze aantoonen, hoezeer men in dat kleine Kanton nog bijzondere gebruiken meende te moeten ontzien.

Er was vroeger tusschen Stad en Land dit verschil, dat de huur van dienstboden in de eerste bij het half jaar, in de laatste bij het jaar geschiedde. In 1854 meende men nu wel tot de bepaling te moeten komen van een in den regel algemeenen halfjaarlijkschen termijn, maar liet men de aanvangen eindtermijnen onaangeroerd — »gelten als Regel halbjiihrige Ziele und zwar nach der in der betreffende Landesgegend herrschenden Uebung entweder auf Lichtmesse und St. Marga-rethatag oder auf Maitag und Martiniquot;.

In § 1529 stond te lezen : »Ueberdem ist der Pachter schuldig der Landesübung gemils auch zu den Reparaturen mitzuhelfen welche dem Verpachter obliegen, so weit er mit seinem Gesinde und den Erzeugnissen des Gutes Beihülfe zu leisten vermag.quot;

Belangrijk is het mede te wijzen op het voorbeeld van Waadland, dat den I5en December 1848 een (thans nog

1) Aandacht verdient zijne mededeeling: »Seit der Einführung der Slallfütterung und in Folge der Fortschritte der Bodenkultur sind die alten Weiderechte groszenthoils untergegangen.quot;.

2) Vervallen is ook de eigenaardige § \'564: »Es dürfen von dem Arbeiter weder übermilssige Anstrengungen noch nnsittliche T.eistnngen verlangt werdenquot;.

-ocr page 142-

CXXVI PLAATS. BURG. RECHT IN BUITENI., ONTW. EN WETG.

geldenden) Code Rural kreeg, waarin de buurrechtcn op cene uitstekende wijze zijn omschreven.

Het behelst vier Titels.

De eerste handelt in 149 artikelen de la Propriété fon-cière en wel over grensscheiding, afsluiting, aanplanting, bouwen, wegen, aardverschuiving, weiderechten, den loop des waters, droogmaking der moerassen en omtrent kippen, duiven en ander huisgedierte, benevens omtrent bijen. Van artt. 150—183 komen voor de bepalingen de la Police Rurale, tegen wier overtreding de bepalingen van den 3en Titel middel van redres geven, terwijl de laatste titel over de Veldwachters handelt \'V

In een drietal artikelen (77, 125, 137) wordt in de eerste titel naar règlements particuliers verwezen, naar usage nergens — maar deze Code is eigenlijk ia zijn geheel eene uitwerking van de Usages, waarnaar de Code Civil verwijst. De nauwkeurige uiteenzetting der verschillende toestanden maakt verdere verwijzing onnoodig en het Kanton is klein genoeg om het geheel te overzien. Eigenlijk vestigen wij op dezen Code daarom de bijzondere aandacht, omdat hij ten aanzien van de onderscheiding van privaat- en publiek recht

1) Hel Exposé des Motifs van den Code Napoléon van 24 Aug. 1807 behelsde de woorden »Le Code rural se rédige avec la maturité qu\'exige un travail, qui doit olïrir une nouvelle garantie a la prospérité et faire cesser les abus, en respectanl les usages locaux.quot; De Waadlander Code Rural was dus geheel in den geest van den Franschen wetgever. Daar te lande kwam echter niets van dien aard tot stand. Van de Wet van 28 Sept. 6 Oct. 1791 concernant les biens et usages ruraux et la Police Rurale is daar alleen nog geldig Titre II betreffende la Police Rurale en van ïitre I Section IV Des troupeaux, des clotures, du parcours et de la vaine pature, Boogaard, Wetten op den Waterstaat enz,, acht ten onzent litre I Section VI art 2 en 3 alleen nog geldend. Zie art, 192 Grond-, 137 Prov.- en 141 Gemeentewet Sect, I artt, 1 en 2 zijn vervangen door artt, O25 en (gt;27 B, W., art, 3 en 4 door artt. 577, 676 en 678, Sect, II afgeschaft door de bepalingen in den C. N,: sur les baux des biens ruraux et les baux a ferme, Sect. Ill art [ overgenomen door Code d\'Inst, Crim. en reeds voorlang vervangen door artt. 447 en 448 Sv. Sect. IV gedeeltelijk overgenomen in \'t B. W., dat in art, 680 bepaalt, dat het recht van klaauwengang en stoppelweide vervalt door afsluiting van \'t erf, Sect, V art. 1 zal niet meer worden toegepast, art, 2 is overbodig, Sect, VI art, 1 vervallen door Onteigeningswet,

-ocr page 143-

plaats. burg. recht in buitenl. ontw. en wetg. cxxvii

zoo gunstig afsteekt bij een overgroot deel onzer Gemeenteverordeningen. Slechts één der 149 artikelen, en nog wel ten gevolge van eene latere Wet, behelst eene strafbepaling, maar gaat ook uit van algemeen belang. Eene strafbepaling-bij eenen zuiver privaatrechtelijken regel wordt ten eenenmale gemist.

Het Duitsche Ontwerp van een Burgerlijk Wetboek van 1888 gelijkt in zijne hoofdtrekken zoo sprekend op den Code Napoleon, dat men inderdaad wel den ban mocht opheffen over een man als Seidensticker, die in zijn uitnemend werk: «Einleitung in das Code Napoleon (808quot; het ongeluk had te onderzoeken, of men dat niet in Duitschland zou kunnen invoeren en daardoor der vergetelheid is prijsgegeven. De regeling der scheiding van tafel en bed voor twee jaren, na welke men of tot echtscheiding of tot voortzetting van het huwelijk moet komen, moge een Protestant aannemelijk schijnen, het is niet te begrijpen, dat dit in een land met zulk eene groote Katholieke bevolking zal kunnen doorgaan. In het algemeen geeft dit Ontwerp den indruk eener veel meer centraliseerende strekking dan de Zwitsersche Wet, en ofschoon hier en daar naar Landesgesetz wordt verwezen, bijv. bij Juristische Personen, Leibgedingsvertrag en dergelijke, buur-rechten, Servituten, Reallasten, Hypotheken, het erfrecht van den fiscus, de voogdij van sommige weezeninrichtingen en de kwestie of notarissen ook executeurs testamentairs mogen zijn - wij zouden oppervlakkig nog meerdere locale bepalingen wenschelijk hebben geacht.

Wat ons echter in het nieuwe Ontwerp minder aanstaat dan in den Code is dit, dat de groote rijken Pruisen en Beijeren wel door Landesgesetze zulke locale zaken als buurrechten zullen regelen, maar dat er geen waarborg is gegeven, dat aan gemeenten en districten, hoogstens provinciën vrijheid zal worden verleend hunne eigen belangen, waarmede zij beter vertrouwd zijn dan rijken van millioenen inwoners, te behartigen.

Overigens wordt ook naar gebruiken gewezen als «Ermitte-lung des rechtsgeschilftlichen Willensquot;. Zij komen voor onder twee benamingen: iquot;. Verkehrssitte bij verdragen onder afwezigen 86), den inhoud van overeenkomsten (§ 359) en de opvatting van hetgeen als bewegelijke zaak bij eene on-

-ocr page 144-

CXXVril PLAATS. BURG. RECHT IN BUITKNL. ONTW. EN WETG.

bewegelijke behoort \') (§ 789 Nn. 1) en 2°. Ortsüblichkeit ten aanzien van datgene wat de eene buurman van den ander moet verdragen (§850) en de voorschriften van grensregeling.

Aanvankelijk komt het vreemd voor, dat men noch bij huur, noch bij pacht dergelijke verwijzingen vindt en schijnt het alsof een eenvormige regel door geheel Duitschland zou moeten worden ingevoerd. Of nu die niet-verwijzing bij eene sterke centraliseerende richting dat gevolg zal hebben, zij in het midden gelaten, doch bedoeld is zulks geenszins. »Selbst-redend, leest men in de Motiven tot § 517, evenzoo tot § 522, ist der Ortsgebrauch für die Auslegung des Parteiwillens von groszer Bedeutung, eine besondere Hinweisung darauf aber entbehrlich.quot;

Hoe zullen dergelijke bepalingen tot stand komen? Moet uit eene reeks gevallen de gewoonte worden afgeleid ? Een merkwaardig antwoord krijgen wij daaromtrent 1). »Für das Einführunggesetz ist in Aussicht genommen, dass die landesgesetzlich den Polizeibehörden beigelegte Befugnisse die R.\'iumungsfriste bei Miethswohnung zu regelen (vergel. Pr. Gesetz von 30 Juni 1834 über die Terme bei Wohnungs-miethsvertrMge) unberührt bleiben soilquot;.

Alzoo, wat men bij ons niet eens den Gemeenteraad wil toevertrouwen, zal daar de Policie doen!

Het woord Ortsgebrach sluit niet uit, dat zulks bij reglement kan worden vastgesteld. Dat leert ons Abschnitt lil van de Geschiiftsbedingungen und Reglemente für den Berliner Butter-, Kiise- unci Schmalzhandel. — Bestatigt vom Aeltesten Kollegium der Kaufmanschaft von Berlin am 28 Marz 1887 3), hetwelk tot opschrift draagt: »Bedingungen für den Berliner Butter-, Kclse- und Schmalzhandel, welche ct/s Ortsgebrauch gelten, falls nicht zwischen den Kontrahenten besonderer Vereinbarungen getroffen werdenquot;.

1

Zeitschrift Goi.dschmidt XXXV, bl. 215 vollg., Abschnitt III heeft tot titel : Reglement über die Anweisung von Sachverslandigen en Absch. IV. Reglement des Scliiedsgerichts. Die woorden Bedingungen und Reglemente hebben dus technische beteekenis. De Berliner Usanccji über Liegezeit und Liegegelder wil men ook dooi eene formelle Rednkhon vaststellen. Ib., bl, 180.

-ocr page 145-

l\'i.aats. burg. recht in duiten!,. ontw. en wetg. cxxix

Eigenaardig is nog deze zin \'). Er is sprake van de beperking van den eigendom door liet Politierecht en van deze wordt liet volgende gezegd; »Diejenigc reichs- oder landesgesetz-liche Vorschriften, welche in einein bestimmten öfkknti.iciikn Interesse das Eigenthum an gewissen Grundstiicken beschriin-ken oder belasten, bewahren einen privatrec-htlichen Karakter.quot; Heeft de Ontwerper van den Code Rural uit het kleine Zwitsersche Waadland niet duidelijker voorstelling dan de hooggeleerde Duitschers, die hier zoo wat betoogen, dat publiek recht privaatrecht is?

De Zwitsersche Wetgever en de Belgische- en Duitsche Ontwerpen mogen onderling verschillen ten aanzien van de wijze van uitvoering, allen willen toch het locale recht behouden en op de cene of andere wijze zich laten ontwikkelen.

Ofschoon van die ontwikkeling in Frankrijk eigenlijk niets gekomen is, zoo lag ontwikkeling evenwel in, niet buiten het plan. Er is daarover zeerweinig gesproken, doch tweëerlei staat vast: 1°. Tn 1807 werd bij het Exposé des Motifs op de noodwendigheid van een nieuwen Code Rural gewezen, en 20. er is zelfs voor Lyon een afzonderlijke Code de Commerce tot stand gekomen, welke in de zitting van het Corps légis-latif van 11 Mei 1806 is goedgekeurd met deze merkwaardige rede van den Staatsraad Jauhkrt: »quc les autres villes de fabrique pourront être admises a jouir du menie bien-fait.quot; Of deze plaatselijke handelswetgeving ook nieuwe bepalingen bevatte, dan alleen eene verzameling was quot;an oude plaatselijke verordeningen, die met den nieuwen staat van zaken ver-eenigbaar waren, is mij onbekend, maar dezelfde Schrijver, aan wien ik zulks ontleen, deelt ons mede, dat er reeds in 1808 in sommige plaatsen bepalingen waren gemaakt om de beginselen van den C. N. op bijzondere toestanden pasklaar te maken, en dat hier en daar werkelijk uitzonderingen op die regels zijn vastgesteld 1).

1

sicidenstrc.ker, lunlcilun^ in das Code Napnlcon 1808, hl. 291), 331 - waar men op dezelfde wijze als hier de verhouding van den (\'ode tot Provinciale 011 locale rechten omschreven ziet.

-ocr page 146-

CONCLUSIE.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

CONCLUSIE.

Ofschoon er altijd zoowel een algemeen als een plaatselijk recht had bestaan, was de vraag, in welke verhouding beide tot elkander moesten worden gebracht, bij het maken der Codificaties in het begin dezer eeuw op eigenaardige, aan de behoeften van dien tijd beantwoordende, wijze op nieuw op te lossen. Hel meest centraliseercnde Wetboek de Code Napoléon erkende, dat niet in ieder geval voor elke plaats gelijkvormige regels waren te maken \'). Men liet dus een deel van het plaatselijk recht bestaan. Hoe men echter bij veranderde behoeften het oude zou wijzigen, tot een nieuw zoude komen, daaromtrent maakte men zich geen duidelijke voorstellingen. De wenschelijkheid heeft men echter wel gevoeld.

De nieuwste juridische geestesproducten, het Zwitsersche Wetboek en het Duitsche Ontwerp, erkennen ook een plaatselijk nevens een algemeen recht, en geven tevens aan hoe het zich ontwikkelen kan. Hier waren trouwens de staatsinstellingen reeds gevestigd, en had men slechts de regeerings-lichamen aan te wijzen, om tevens de mogelijkheid van verbetering en aanvulling in het leven te roepen.

Kemper \'^) heeft in zijn Ontwerp, zoowel als in zijne motiven, uitdrukkelijk eene plaats toegekend aan geschreven plaatselijk burgerlijk recht. De afstemming verhinderde de ontwikkeling van dit denkbeeld, bracht ons terug tot de eenigszins nevelachtige gedachten van het Fransche recht, en maakte deze volledig verward door de woorden «gebruikenquot; en «gewoontenquot; niet op te vatten in den zin, die de Fransche wetgever daaraan hechtte, maar in dien, waarin het platte Hollandsche spraakgebruik ze opvatte Men begon langzamerhand Savignv en Puchta te studeeren en begreep hen zoo weinig, dat

1) Waar de verscliillemle natuur van liet land of het verschillende bedrijf der bewoners noodig of wenschelijk maakt, dat in een gedeelte van liet rijk andere regels gelden dan in een ander, kan geen algemeen recht op die punten voor hot geheele rijk ontstaan, en ontstaat dus van zelf plaatselijk recht.

2) Zie bladz. XXXIX en de daar aangehaalde Bijdragen en Rijblad II ; 112 volgg.

cxxx

-ocr page 147-

CONCLUSlli,

men in ernst ineenencle de lessen der historische school te volgen, het omgekeerde deed wat zij voorschreef. Daar had men geleerd, dat gewoonterecht niet ontstond uit eenc reeks handelingen op zich zelve, ten ware bij termijnen, ruinitobepa-lingen en derg. De laatsten moest men door opteekening vaststellen, het echte, het diepere gewoonterecht, datgene wat als het ware uit de bevolking spontaan voortkwam en met haar leefde, moest men zich vrij laten ontwikkelen.

Men draaide de zaak ten onzent zoo om: de termijnen van opzegging van huur, van duur van huur, van verval van rechtsvordering, die hoogte- eu breedtebepalingen, daarin openbaart zich eerst het vrije leven des volks, daaraan moeten wij niet raken! Blijkbaar lag er welwillendheid in die waarschuwing tegen bemoeizucht der overheid. Want toen Mr. G. de Vries Az. in die richting zijne stem deed hoeren, waren onze gemeentebesturen alleen samengesteld »uit de gegoedste en vroedstequot; burgers, zooals het eene gemeente-reglement voor, het andere na, als vereischte voor de besturen der gemeente stolt, eu Mr. ue Vries kende wellicht al te goed de heerschzuchtigc eigenschappen van een zoogenaamd vaderlijk bestuur der patriciërs.

Dal alles had met de nieuwe Gemeentewet anders moeten worden. Had men vroeger niet willen tornen aan datgene, wat vooral de eenvoudige inwoners der Gemeente raakte, zonder hen te raadplegen, en hen niet willen raadplegen uit vreeze hun politieke macht te geven, zoo had men nu betere inrichtingen moeten scheppen om uit dien impasse te geraken, uit dien moerasstand van niets doen. Men verzuimde zulks en zoo bleef de toestand dezelfde, en werd eer erger door do consequente toepassing tier vroegere slechts nu en dan gehuldigde beginselen.

Waar vaststelling noodig was, werd zulks verzuimd. Niet alleen maakte men geene nieuwe (natuurlijk subsidiaire) bepalingen omtrent huuropzegging in eene gemeente als Rotterdam, waar ze nooit opgeteekend schijnen te zijn, maar men sprak niet eens meer van de bestaande, bijv. in Harderwijk, Beverwijk, Wormerveer, Oudshoorn, Baarn, Soest. Men vergat, dat vroeger de rechterlijke Collegiön het ontbrekende konden aanvullen, en bij eene niet veranderende bevolking in kleine plaatsen veel van zelf geschiedt, waarvoor onder veranderde omstandigheden eene uitdrukkelijke vaststelling noodig is.

CXXXI

-ocr page 148-

CXXXII

Daarentegen werden op sehoolsche wijze, zoowel zeer juiste bepalingen van Gemeentebesturen, ais het spontane volksleven onderdrukt. Ziehier enkele gevallen.

1. In zekere Brandweer-Verordening kwam voor: \') »Van gemeentewege wordt een schoorsteenveger benoemd. Deze mag voor het reinigen van iederen schoorsteen, bijaldien hij daartoe geroepen wordt, niet meer dan 20 Cent vorderen.quot;

De Minister zeide te dien aanzien, bij missive van 10 Maart 1864, Nquot;. 184: »De bepaling van een vast loon voor den van gemeentewege aangestelden schoorsteenveger is ingevolge art. 238 der Gemeentewet als invoering eener belasting te beschouwen. Zij kan bij eene Politie-Verordening niet plaats hebben.quot;

Van eene verplichting der ingezetenen dien schoorsteenveger te gebruiken is hier geene sprake. Dit werd in 1854 door den Minister afgekeurd -), op grond dat »aan de bewoners moet vrijgelaten worden hunne schoorsteenen zeiven te reinigen, hetzij daartoe zoodanigen schoorsteenveger te bezigen als zij verkiezen.quot; Het zou een monopolie zijn.!! Maar aan begunstiging wordt hier niet gedacht, alleen aan voorkoming van brandgevaar, op dien grond is in kleinere gemeenten o. i. zelfs op deze bepaling niets aan te merken — de onjuistheid der eerstgenoemde is o. i. nog duidelijker. De schoorsteen is geen openbare plaats, en het vegen daarvan geen door het Gemeentebestuur verstrekte dienst, zooals art. 238 Gemeentewet vereischt. Integendeel, het is eene in het algemeen belang der ingezetenen opgelegde verplichting, waarvan men hun de uitvoering gemakkelijk wilde maken.

2. Bij Koninklijk Besluit van 24 Sept. i860 (S. 59) werden eenige artikelen tier Gemeente-Verordening van \'s-Gravenhage vernietigd op de volgende motiven:

»0. dat de artt. 313 — 318 dier Verordening onder bedreiging van straf voorschriften inhouden, omtrent de inschrijving der matrozen van visschersvaartuigen, in de monsterrol door den Comm. van Pol. te Scheveningen te houden, en het in dienst nemen van matrozen verbieden tot de bemanning van een ander vaartuig behoorende;

dat het W. v. K. in Boek II de rechten en verplichtingen

1) Schkeuder, Hl. Strafwctg. en Politie, No. 391, bl. 224.

2) Zie Schkeuuek, t. a. p. No. 388,

-ocr page 149-

CONCLUSIE.

uit scheepvaart voortspruitende heeft geregeld, en meer bepaald in den 4en Titel van dat Bock voorschriften omtrent het huren van scheepslieden en het opmaken van de monsterrol heeft gegeven;

dat de algemeene wetgever derhalve dit onderwerp voor een algemeen Rijksbelang heeft gehouden, en het alzoo den Gemeenteraad van \'s-Ilage, met het oog op art. 150, niet vrijstond daaromtrent bepalingen te maken,quot;

Titel IV van Boek II ziet niet op visschersvaartuigen, al bevaren zij de zee. De artikelen slaan op reizen ter koopvaardij, en daarmede vervalt de grond der beslissing.

3. Eene eigenaardige inrichting der Gemeente Rotterdam was het voorwerp van dergelijke onjuiste en bepaald verkeerdelijk werkende bedenkingen van den Minister van Binncn-landsche Zaken in 1851 \'). Er was daar eene aardappelbeurs, waarvan men niet behoefde gebruik te maken als men niet wilde, maar waarvan de voordeelen de volgende waren. In plaats van met ladingen dadelijk voor stad te komen, gaf men den voorraad op aan een tusschenpersoon, stelde dien een monster ter hand, vernam van hem, wat verkocht was en leverde alsdan.

Beoordeeling van voldoende qualiteit verbleef aan dien Schout, die voor zijne bemoeijingen belooning ontving, terwijl op niet nakoming der op zich genomen verplichtingen zekere straf werd gesteld.

Er waren aanmerkingen op die keur te maken — het was zeker onjuist, dat op overtreding eene door gevangenisstnil te vervangen boete was gesteld; maar de volgende algemeene beschouwingen schijnen mij ten eenenmale in strijd met het Wetboek van Koophandel, omdat wat ieder burger, iedere vereeniging volgens ons burgerlijk recht zou vrijstaan, ten aanzien eener Gemeente, die op dat gebied treedt, evenzeer toepasselijk moet zijn.

CXXXIII

»Het Reglement, zoo zegt de Minister, behelst niet alleen politie-bepalingcn op het houden der beurs, maar regelt bovendien een onderwerp van burgerlijk recht, waartoe de gemeentebesturen niet bevoegd zijn. Do ambtenaar in het reglement onder den naam van aardappelenschout voorkomende, is (wanneer men zijne functie als opzichter der beurs

1) Zie o. a. Botssevain, ad art. 88; SCHREUDF.R, hl. 171.

-ocr page 150-

CONCLUSIE.

niet in aanmerking neemt) niets anders dan een door het plaatselijk bestuur aangestelden tusschenhandelaar of makelaar, doch hem wordt bij het reglement meer macht en gezag gegeven, dan bij het W. v. K. aan de makelaars is toegekend.

Bij elk verschil beslist zijne uitspraak, waaraan pp. zich onvoorwaardelijk moeten onderwerpen; hem wordt de macht toegekend het vervoer der aardappelen des noods met behulp der politie te beletten, zoolang de betaling niet is geschied.

Wel is waar wordt het bij art. 23 aan koopers en verkoo-pers vrijgelaten van de beurs of den schout geen gebruik te maken, zoodnt degenen, welke zijne tusschenkomst inroepen, geacht hunnen worden zich 7gt;an zelf aan de bepalingen der Keur te hebben onderworpen. Doch dit neemt niet weg, dat aan den makelaar, wiens werkkring bij art. 62 K. is omschreven, bij deze plaatselijke verordening meer rechten zijn toegekend.

Daarenboven volgt uit art. 4 der Keur, dat ieder, die op de beurs aardappelen wil doen veilen, van den Schout gebruik maken en zich aan de bepalingen der Verordening onderwerpen moet.

Eindelijk valt nog op te merken, dat wanneer de verkoo-pers de tusschenkomst van den Schout hebben ingeroepen, degenen die koopen willen, volgens art. 5 insgelijks hem moeten gebruiken of van allen aankoop afzien.quot;

In het bijzonder getuigt de volgende aanmerking van bitter weinig vertrouwen op het verstand der handelende partijen:

Art, 4 al. 1 bepaalde: »Ieder landbouwer, die op de beurs aardappelen wil doen veilen, geeft schriftelijk of mondeling aan den Schout de hoeveelheid of soort op.quot;

De Minister merkte op, dat »niet van den prijs melding gemaakt wordt. Is de Schout bevoegd de aardappelen, die hem ter veiling worden gegeven, tegen eiken prijs te verkoo-pen ? Dat kan tot menigvuldig misbruik aanleiding geven.quot;

Maar art. 1375 en 1383 B. W. verwijzen naar bestendig gebruikelijke bedingen en art. 1501 al. 2 vergunt den koopprijs aan de bepaling van een derde over te laten.

Vervolgens 40. Bij K. B. van 25 Jan. 1854 is eene plaatselijke verordening op de burendiensten vernietigd en wel op deze overwegingen:

»dat het onderwerp, welks regeling deze verordening zich

CXXXIV

-ocr page 151-

CONCLUSIK,

ten doel stelt, niet behoort tot cie wetgevende macht van den Gemeenteraad;

dat toch de diensten, welke naburen aan elkander ingeval van ziekte, overlijden, enz. bewijzen, die personen in hun bijzonder belang betreffen;

dat de Gem.-Wet in art. 192 aan den Gemeenteraad wel de bevoegdheid geeft, de inwoners der gemeente tot het doen van persoonlijke diensten op te roepen, doch uitsluitend ter handhaving der openbare orde of in het algemeen belang.quot;

5. Bij K. B. van 28 Nov. 1870, (S. 180,; is wegens strijd met de Wet vernietigd de bepaling eener plaatselijke verordening, waarbij tot het helpen dragen of vervoeren van lijken naar de begraafplaatsen verplicht werden de mannelijke buren van 18 tot 60 jaar oud, wonende aan weerszijden van het sterfhuis, totdat het getal dragers voltallig zal zijn, en tegen de niet nakoming van die verplichting straf werd bedreigd, op grond;

»dat art. 38 der Wet van 10 April 1869, (S. 65,) het vervoer van lijken naar de begraafplaats aan belanghebbenden overlaat, en volgens art. 9 dier Wet in de begraving van een lijk slechts dan van gemeentewege wordt voorzien, wanneer daarvoor niet door de nabestaanden of betrekkingen of door armbesturen wordt gezorgd;

dat art. 192 der Gem.-Wet aan den Gemeenteraad wel de bevoegdheid geeft de inwoners der gemeente tot het doen van persoonlijke diensten op te roepen, doch uitsluitend ter handhaving der openbare orde of in het algemeen belang.quot;

Iets dergelijks geschiedde ten aanzien der Verord. Zaandijk. Volgens Prov. Versl. N.-Holl. over 1870. bl. xxn, werd de gemeente gedwongen dit art. in te trekken. De Raad beriep zich er op, dat men voor begraven moest zorgen en dus, indien de gemeente onvermogend was, zij persoonlijke hulp mocht inroepen. Daarop antwoordde de Minister, dat de Wet er van uitging, dat de naastbestaanden voor de begrafenis moesten zorgen.

In de beslissing sub 4 vindt men dit opmerkelijke, dat dc nabuurdiensten tot het privaat recht worden teruggebracht, terwijl de vernietiging alleen gebaseerd is op strijd met art. 192 Gem.-Wet — niet tevens op de onbevoegdheid van den Gemeenteraad op het terrein van het burgerlijk recht te treden.

In allen gevalle; óf het is verkeerd dergelijke nabuurdien-

CXXXV

-ocr page 152-

conclusie.

sten in te stellen en te handhaven — dan moet men ze te keer gaan, of er moet eene plaats voor haar te vinden zijn in privaat of publiek recht. Een systeem dat ze negeert, omdat men er theoretisch geen plaats voor kan aanwijzen, is reeds daardoor veroordeeld.

Het 5de geval zou, indien het overeenkomstig de Wet van 18O9 was, slechts aantoonen, dat in deze Wet eene fout schuilde. Men kan alleen in de eerste plaats op naastbe-staanden de plicht van begraving leggen, indien deze treurige, de krachten van verscheidene volwassen personen vereischende handeling gemakkelijk was om te zetten in eene geldkwestie. Dit is nu wel het geval in groote dicht aaneen-gebouwde plaatsen, maar niet op het land bij een dun verspreide bevolking. Het inroepen van gemeentelijke hulp is daar (men denke bijv. aan uitgestrekte gemeenten als Apeldoorn en sommigen in Drenthe) zeer moeielijk. Dien ten gevolge heeft men oudtijds deze en dergelijke onderlinge hulp (ook dijkbe-scherming) kerspelsgewijze geordend. Terwijl Prof. Kemper \') nog in 1865 aandrong op buurtinrichtingen om de nadeelen te voorkomen van groote gemeenten, die om andere redenen zeer gewenscht zijn, is juist al het mogelijke gedaan die kleine kringen langs administratieven weg te gronde te richten. Men vergat het oude spreekwoord »een goede buur is beter dan een verre vriendquot;.

Ik hoop in al het voorgaande drieërlei volkomen bewezen te hebben.

Er is ook in deze eeuw steeds geweest en er moet ook nevens het algemeene burgerlijke recht een plaatselijk burgerlijk recht blijven. Dat is evenzeer in overeenstemming met art. 150, vroeger 146. Grondwet, als het bestaan van provinciale- en gemeentelijke strafverordeningen nevens hel algemeen Welhoek van Strafrechl, dat ook in hetzelfde artikel is voorgeschreven.

De vraag is maar in welken omvang en van wie het moet uitgaan.

Vóorloopig zal het praktische antwoord wel uitblijven en zullen de Gemeentebesturen hebben te zorgen na te komen de verplichtingen, die bepaaldelijk het B. W. hun oplegt, t. w. te voorkomen dat de bepaling der Wet door hun niet-

1) Handl. Ned. Staatsr. en Staatsbestuur, bl. 594.

cxxxvi

-ocr page 153-

VHRHKTKUINGKN.

handelen niet worde eene doode letter en een kwaal voor het publiek.

Bij herziening zoude ik niet noodzakelijk die taak aan den Gemeenteraad willen blijven opdragen. Men voere het stelsel der arrets de reglement in: men late den Hoogen Raad en in hun ressort ook de rechterlijke colleges regelen van rechtspleging en materieel recht stellen, die zij voortaan zullen volgen, totdat zij zeiven daarop terug komen of bij Wet een ander stelsel hun worde voorgeschreven.

Men zoude het centraal bewind ontlasten van arbeid, waarvoor niet veel sympatic bestaat bij hen, die het eigenlijke politieke leven leiden en men zou de rechterlijke macht een arbeidsveld geven, waarop zij veel meer goeds in één jaar zou tot stand brengen, als thans in 10 a 20 jaren tot stand komt.

Intusschen op dat verdere afgelegen terrein heb ik mij zoo min mogelijk willen bewegen. Slechts nog een enkele steen bijdragen, die bij herziening der Gemeentewet, welke mij ook wenschelijk toeschijnt, van nut kan zijn. Overigens heb ik mij zorgvuldig gewacht uit de beginselen eener bepaalde staatstheorie te redeneeren. Men vergunne mij daarom eene enkele waarschuwing. Men huidige, wat mij betreft, elke meening welke men wil, men verdedige voor de toekomst het stelsel, dat men het best vindt, maar men logge niet in de woorden onzer thans geldende wetboeken iets wat er niet in ügt. Juist de oorzaak, dat men verzuimt het Burgerlijk Wetböek plaatselijk toe te passen, is te vinden in de omstandigheid, dat men uitgaat van eene vooropgezette stelling, die logisch een aardigen schijn heeft, maar bij nader onderzoek noch in ons recht, noch in de geschiedenis, noch in buiten-landsche voorbeelden een enkelen grond vindt.

V E R B ETER INGE N.

BI. IV. In art. 671 C. N. staat te lezen:

sRègiements particuliers actuellement existants 011 les usages constans et reconnusquot;.

BI. XXIV. Aan de uitspraken van den H. R. in noot 2 is toe te voegen: Arrest 30 Nov. 1888, W. 5052.

BI. LUI regel 11 v, b. 1124 moet zijn 1123.

CXXXVII

-ocr page 154-

cxxxvlli nagekomen verordeningen.

------------

Onder hel afdrukken van hel laatste Vel zijn ons medegedeeld de volgende

VE R O R D E N IN G E N.

Provincie Utrecht.

i. Gemeente De Bilt.

Alg. Pol.-Va ot d. van 18 Januari l88y.

Art ijo. AViu iu ilo nabijheid van een al uf niet ge-meenen inuur ccne der bij art. 703 B. W. bedoelde inrichtingen wil daarsteilen, is verplicht eenc tusschenruiinte van minstens 0.^2 Meter te laten, eu bovendien zoodanige werken aan te leggen, als B. en \\V. noodig zullen oordeelen tut vrijwaring van de naburige erven tegen schade.

Art. 151. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 15J. Toepassing van art. 6(;o B. W.

Alle overtredingen dezer artt. zijn volgens art. ibO al. j strafbaar met geldboete van ten hoogste f 25.—.quot;

2. Gemeente Lüosdrecht.

A/g. Pol. Verord. van 19 December 1888.

Art. 106 is gelijkluidend met art. 150 de Bilt.

Art. 107 al. 1 past toe art. 690 B. W.

Overtreding van beide art. is krachtens art. 119 strafbaar met geldboete van ten hoogste f J5.—.

Bij deze Politie-Verordening werd afgeschaft die van 13 Juni

17 Sept. 1878, zoodat destijds reeds de op bl. 143 medegedeelde A. P.-V. van 21 juni 1850 was vervallen.

3. Gemeente Montfokt,

Alg. Pol.- Verord. van 7 December 1888.

Artt. 179, 180 en 181 zijn gelijk aan art. 150, 151 en 152 Gemeente de Bilt.

Art 201 stelt op overtreding van elk dezer artikelen geldboete van ten hoogste f 25.—.

De Brand-Verordening van 1856 is bij deze A. P.-V. ingetrokken.

-ocr page 155-

cxxxix

4. Gemkente Wijk nij Duurstede.

Alg. Pol. - Ver or d. van 8 Manrt 1889.

Art. 1,56 is woordelijk gelijk art. 150 De Bilt, behalve dat de tusschenruimte op 0.50 M. is gesteld.

Arr. 157 en 158 art, 151 en 152 De Bilt.

Strafbepaling voor elke overtreding /\' 10 maximum.

Bij vergelijking met de Verordening van 1856, ziet men dat vervallen is; 10. liet Titel-opschrift «Verplichtingen tusschen Naburenquot;; 2°. het artikel, waarbij de gevolgen van verhooging van grond worden geregeld; terwijl 3quot;. de ingevoerde strafbepalingen in ons oog verbeteringen zijn in omgekeerde richting.

De Cijfers der Overzichten, bl. lxxiv en volgende, ondergaan hierbij eenige wijziging.

-ocr page 156-
-ocr page 157-

EERSTE DEEL,

AFZONDERLIJKE GEMEENTE-VERORDENINGEN.

Provincie Groningen.

I. Gemeente Hoogezand.

Verordening van i Augustus 1853.

De Burgemeester en Wethouders van Hoogezand,

doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den len Augustus 1853, is vastgesteld de volgende verordening, houdende

Bepalingen omtrent de rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven en omtrent andere bijzonderheden, die het Burgerlijk Wetboek aan de bepalingen van plaatselijke reglementen overlaat.

Art. 1. Niemand mag in eenige waterloopen, grachten, wijken of slooten aan een ander toebehoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering aan den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke toestemming van den daarop rechthebbende.

Art. 2. Afsluitingen dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn medeeigenaar kan noodzaken, moeten wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande, en wanneer zulks door een der mede-eigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of hersteld worden, ais die, welke reeds vroeger bestond en ten minste eene hoogte hebben van eene cl 75 duim.

-ocr page 158-

GEMEENTE HOOGEZAND.

Art. 3. Ten eincle schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht, den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen scheidsmuur te bewaren:

Voor een put, riool of secreet 150 duimen.

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis vijf palmen.

Alles onverminderd de bizondere bepalingen omtrent de wijze van inrichtingen der schoorsteenen en stookplaatsen, bij de verordeningen op dat stuk nu reeds bestaande of latei-in werking te brengen.

Art. 4. Niemand mag onmiddelijk tegen eenen gemeenen scheidingsmuur of schutting of tegen den muur of schutting van een ander gelijkvloers een goot leggen.

Tusschen dien muur of scheiding en de aan te leggen goot moet eenen steenen rollaag van een staande steen gelegd worden, zoodanig dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur of schutting aftope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen verrichten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan of den grond van den eigenaar van het naburige erf aflope.

Art. 5. Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte:

Van een voetpad een el.

Van een dreef twee ellen, en

Van een weg twee en een half el.

De voetpaden, dreven en wegen van wege de gemeente op gemeentegrond aan te leggen, zijn aan de bovenstaande bepaling niet onderworpen.

Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht waarvan de ramen zoo zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zoude kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen.

De traliën zullen ten hoogste een palm tusschenruimte, de eene van de andere mogen hebben.

Al de in dit artikel voorkomende bepalingen gelden alleen, voor zoo verre bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Art. 6 Van huur en verhuur van huizen, gedeelten van

-ocr page 159-

gemeente winschoten.

dien en tuinen voor een jaar aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik drie maanden, voor meerdere jaren of indien de perceelen door nieuwe inhuring langer dan een jaar bewoond en gebruikt worden zes maanden, van de huur voor korteren tijd dan een jaar tot op dien voor den tijd van eene week, is de termijn eene maand voor het eindigen der huur, en van de huur voor eene week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.

Art. 7. Volgens plaatselijk gebruik is behalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelijksche reparatiën, die voor rekening van den huurder komen, ook nog ten diens laste het schoonmaken en witten der binnenmuren, het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen en ketens, het onderhoud van lantaarns, ladders en puthaken,

Art. 8. De gewone huurtijd van dienstboden is voor een half jaar in te gaan de ie Vrijdag die op den Zondag na den 12 Mei of den 12 November volgt, en eindigt den len Zondag na den 12 Mei of 12 November.

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Groningen, volgens hun bericht van den 18 dezer in afschrit medegedeeld.

Hoogezand, den 29en Augustus 1853.

De Burgemeester en Wethouders voornoemd.

II. Gemeente Winschoten.

Verordening van 30 Augustus 1855.

De Burgemeester en Wethouders van Winschoten, doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 16 Augustus 1855, is vastgesteld de volgende verordening, houdende bepalingen omtrent de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven en omtrent andere bijzonderheden, die het Burgerlijk Wetboek aan de bepalingen van plaatselijke reglementen overlaat.

De Raad der Gemeente Winschoten:

Overwegende dat er noodzakelijkheid bestaat om bepalingen vast te stellen omtrent de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven en omtrent andere bijzonderheden, die het Burgerlijk Wetboek aan de bepalingen

3

-ocr page 160-

GEMEENTE WINSCHOTEN.

van plaatselijke reglementen overlaat, heeft goedgevonden vast te stellen de navolgende verordening, houdende

Bepalingen omtrent de regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven en omtrent andere bijzonderheden, die het burgerlijk Wetboek aan de bepalingen van plaatselijke reglementen overlaat.

Art. i. Niemand mag in eenige waterloopen, grachten, wijken of slooten aan een ander toebehoorende, of in eene gemeene uitwatering, wateralleiding of waterkeering eenige verandering aan den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke toestemming van den daarop regthebbende.

Art. 2. Afsluitingen dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar, zijn medeeigenaar kan noodzaken, moeten wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande, en wanneer zulks door een der medeeigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of hersteld worden, als die welke reeds vroeger bestond en ten minste eene hoogte hebben van een el zeven palm vijf duim.

Art. 3. Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verpligt, den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen scheidsmuur te bewaren:

Voor een put, riool of secreet een el vijf palm.

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis vijf palmen.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigtingen der schoorsteenen en stookplaatsen, bij de verordeningen op dat stuk nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

Art. 4. Niemand mag onmiddellijk tegen eenen gemeenen scheidingsmuur of schutting of tegen den muur of de schutting van een ander gelijkvloers een goot leggen.

Tusschen dien muur of die scheiding en de aan te leggen goot moet eenen steenen rollaag van een staande steen gelegd worden, zoodanig dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur of de schutting afloope of stilsta.

4

-ocr page 161-

GEMEENTE WINSCHOTEN.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen verngten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan of op den grond van den eigenaar van het naburige erf afloope.

Art. 5. Niemand mag op eenen gemeenen of eigenen muur eene goot leggen en daarvan het water doen uitluopen op den openbaren straat of weg zonder van pijpen te zijn voorzien, die het water tot bij den grond naar beneden leiden.

Art. 6. Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte:

Van een voetpad een el.

Van een dreef twee ellen, en

Van een weg twee el vijf palm.

De voetpaden, dreven en wegen van wege de gemeente op gemeentegrond aan te leggen, zijn aan de bovenstaande bepaling niet onderworpen.

Rij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht waarvan de ramen zoo zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zoude kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen worden afgesloten met digte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen.

De traliën zullen ten hoogste een palm tusschenruimte, de eene van de andere mogen hebben.

Al de in dit artikel voorkomende bepalingen gelden alleen voor zoo verre bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Art. 7. Van huur en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen voor een jaar aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik drie maanden; voor meerdere jaren of indien de perceelen door nieuwe inhuring langer dan een jaar bewoond en gebruikt worden zes maanden; van de huur voor korteren tijd dan een jaar tot op dien voor den tijd van eene week, is de termijn eene maand voor het eindigen der huur en van de huur voor eene week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.

Art. 8. Volgens plaatselijk gebruik is derhalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelij ksche reparation, die voor rekening van den huurder komen, ook nog ten diens laste

5

-ocr page 162-

gemeente sappemeek.

het schoonmaken en witten der binnenmuren, het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen of ketens, het onderhoud van ladders en puthaken.

Art. 9. De gewone huurtijd van dienstboden is voor een jaar of voor een halfjaar in te gaan de eerste vrijdag die op den zondag na den 12 Mei of den 12 November volgt, en eindigt den eersten zondag na den 12 Mei of den 12 November.

Art. 10, De landen gelegen ter weerszijden van Molen- of andere gemeene Wateringen, bezwaard, met het ontvangen van de uit die wateringen komende speciën bij graving of schooning, worden geacht daarmede bezwaard te zijn ter breedte van een el vijf palm, langs den bovenkant der wal, tenzij bij afzonderlijke contracten, daaromtrent anders is bepaald.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van den Raad der gemeente Winschoten op den 16 Augustus 1855.

De Raad voornoemd: G. A. VENEMA, Burgemeester. F. J. van DIJK, Secretaris.

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Groningen, volgens hun bericht van den 23 Augustus 1855, in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort den 30 Augustus 1800 vijf en vijftig.

Burgemeester en Wethouders voornoemd : G. A. FENEMA, Burgemeester. F. J. van DIJK, Secretaris.

III. Gemeente Sappemeer.

Verordening van 20 Augustus 1857.

De Burgemeester en Wethouders van Sappemeer, doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente in zijne vergadering van den 20 Augustus 1857 is vastgesteld navolgende verordening, den titel voerende: Verordening rakende de plaatselijke Gebruiken en Verordeningen, bedoeld bij eenige artikelen van het Burgerlijk Wetboek.

De Raad der Gemeente Sappemeer:

Gelet op artt. 677, 686, 690, 698, 703, 738, 733, 727,

6

-ocr page 163-

GEMEENTE SAPPEMEER.

1607, 1619, 1621, 1622, 1623, 1634 en 1635, op de 5e Afd. 7e Titel 3e Boek en op de artt. 447, 453 en 1080 Burgerlijk Wetboek.

Heeft goedgevonden vast te stellen navolgende

Verordening rakende de plaatselijke gebruiken en verordeningen bedoeld bij eenige artikelen van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel I. Zonder uitdrukkelijke toestemming van al de regthebbenden van- of op- waterloopen. grachten, wijken of slooten bestemd tot gemeene uitwateringen, waterafleidingen of waterkeringen bedoeld bij art. 677 Burgerlijk Wetboek is het aan niemand geoorloofd eenige de minste verandering in den Waterloop daarvan te brengen of die wateren, onverschillig op welke wijze ten zijnen nutte tot een ander einde of hoogte, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aan te wenden of te bezigen.

Art. 2. Naar aanleiding van art. 686 Burgerlijk Wetboek wordt bij deze bepaald:

Dat niemand tegen eenen gemeenen scheidingsmuur of schutting of tegen den muur of schutting van een ander, gelijkvloers een goot zal mogen leggen.

Dat tusschen dien muur of schutting en de aan te leggen goot, een steenen rollaag van ten minste een opstaande steen gelegd worde, zoodanig dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur of schutting afloope of stilsta.

Dat de eigenaar van een naburig erf niets zal mogen verrichten of stellen waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan- of op den grond van den eigenaar van het naburige erf afloope of stilsta.

Art. 3. Het opmaken of het stellen van afsluiting dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen of tuinen welke ten gemeenschappelijken kosten der naburen moeten worden gedragen bedoeld bij art. 690 en 698 van het Burgerlijk Wetboek moeten, wanneer zulks geschiedt ter vervanging van reeds bestaande en wanneer zulks door een der medeeigenaars begeerd wordt op dezelfde wijze gemaakt of hersteld worden als die welke reeds vroeger bestonden en in allen gevalle eene hoogte hebben van een el 75 duimen.

Art. 4. Naar aanleiding van art. 703 Burgerlijk Wetboek wordt ter voorkoming van schade aan naburige erven bij

7

-ocr page 164-

GEMEENTE SAPPEMEER.

deze bepaald dat ieder eigenaar verplicht is den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen scheidsmuur te bewaren.

Voor een put, riool of secreet een el 5 palmen.

Voor een schoorsteen, stookplaats, oven of fornuis 5 palmen.

Voor een magazijn, pakhuis van zout, verzamelplaats van bijlende stofl\'en of voor het maken van schadelijke of gevaarlijke werken 5 palmen.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schoorsteenen, stookplaatsen, ovens, fornuizen, magazijnen enz. op dat stuk vermeld bij Hoofdstuk V, Afdeeling III § a van het op heden vastgesteld Algemeen Politie Reglement voor deze gemeente of later vastgesteld wordende.

Art. 5. Overeenkomstig art. 738 Burgerlijk Wetlboek in verband met art. 733 van datzelfde Wetboek wordt bij deze bepaald dat bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, rijpad of dreef en weg de breedte is:

Van een voetpad een el, van een rijpad op dreef twee ellen — en van een weg twee ellen vijf palmen.

Hieronder zijn echter niet begrepen de voetpaden, rijpaden of dreven en wegen vanwege de gemeente op gemeentegrond aangelegd of aangelegd wordende.

Bij eene erfdienstbaarheid van uitzigt of van licht bedoeld bij art. 727 in verband met art. 738 Burgerlijk Wetboek waarvan de ramen zoo zijn geplaatst dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden van het andere of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën bevestigd in de kozijnen.

De traliën zullen niet meer dan een palm tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben.

De vorenstaande bepalingen in dit artikel gelden alleen, voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Art. 6. De huur en verhuur van huizen, woonkamers, tuinen, boomgaarden en landerijen welke zonder geschrifte is aangegaan bedoeld bij art. 1607 van het Burgerlijk Wetboek houdt na gedane opzage op den bepaalden tijd op wanneer die opzage is geschied ten minsten.

8

-ocr page 165-

GEMEENTE SAPPEMEER.

Zes maanden te voren wanneer de verhuring voor langer tijd dan een jaar is geschied of de huurder langer dan een jaar bewoond of gebruikt heeft.

Drie maanden te voren wanneer de huurder het gehuurde voor niet meer dan een jaar heeft gehuurd.

Eene maand te voren wanneer de huur voor langer dan eene week doch korter dan voor een jaar is aangegaan.

Ach! dagen te voren bijaldien de huur slechts voor eene week is aangegaan.

Art. 7. Bij verhuur van huizen behooren tot de geringe en dagelijksche reparation welke ten laste van den huurder komen overeenkomstig het plaatselijk gebruik volgens de laatste zinsnede van de 2e alinea van art. 1619 Burgerlijk Wetboek:

het schoonmaken der goten:

het schoonmaken en witten der binnenmuren, het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen of ketens.;

het onderhouden van ladders, puthaken en lantaarns;

het onderhouden en schouwbaar houden van het voetpad of straat.

Art. 8. De huur van meubelen, om een geheel huis eene geheele woning, een winkel of eenig ander vertrek daarmede te stofferen bedoeld bij art. 1621 Burgerlijk Wetboek wordt gehouden te zijn aangegaan voor een jaar indien het tegendeel niet blijkt.

De huur van gestoffeerde kamers indien volgens de laatste alinea van art. 1622 Burgerlijk Wetboek niet blijkt gedurende welken tijd dezelve is aangegaan, wordt geacht voor een jaar te zijn gesloten.

Indien de huurder van een huis of vertrek, na het eindigen van den huurtijd, bij schriftelijke overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de verhuurder daartegen verzet, bedoeld bij art. 1623 van het Burgerlijk Wetboek, wordt hij geacht het gehuurde voor een jaar op dezelfde voorwaarden te behouden.

Bij verhuur van huizen of vertrekken voor een jaar, vangt, indien het tegendeel niet blijkt, deze huur volgens plaatselijk gebruik aan, op den eersten Mei des middags te twaalf uren, en eindigt op den eersten Mei daaraanvolgende des middags vóór twaalf uren.

Q

-ocr page 166-

GEMEENTE SAPPEMEER.

Bij verhuur van groen of weidelanden, bouwlanden, tuinen en boomgaarden voor een jaar, een bepaald aantal jaren of wanneer de huur krachtens art. 16^4 Burgerlijk Wetboek continueert, eindigt deze huur, indien het tegendeel niet blijkt, volgens plaatselijk gebruik, bedoeld bij de laatste zinsnede van art. 1635 Burgerlijk Wetboek:

Van groen of weilanden op den twaalfden November van het laatste huurjaar waarin de hooijing of het weiden van rundvee is afgeloopen;

Van bonwlatiden op den twee en twintigsten Februari, eerstvolgende op de inoogsting der vruchten in het laatste huurjaar;

Van tuingro7idcn en boomgaarden, op den twaalfden Maart, eerstvolgende op de inzameling der vruchten in het laatste huurjaar.

Art. 9. Volgens plaatselijk gebruik, worden de dienst- en werkboden en knechten bedoeld bij de 5e Afdeeling 7e Titel 3e Boek van het Burgerlijk Wetboek in den regel gehuurd bij het jaar of bij het halve jaar. welk jaar of halve jaar een aanvang neemt en eindigt als volgt:

Voor dienst- en werkboden bij hunne meesters inwonende;

a. Voor een geheel jaar, van af den eersten Vrijdag die na den eersten Zondag op den 12 Mei volgt, tot den eersten Zondag na den 12 Mei daaraanvolgende;

b. Voor een half jaar van den eersten Vrijdag die na den eersten Zondag, op den 12 Mei of den 12 November volgt, tot den eersten Zondag na den 12 November of 12 Mei daaraanvolgende;

Voor hiechlen van scheepsbouwers welke in den regel bij het jaar gehuurd worden, voor een geheel jaar vanaf en met den 5en Maart tot en met den 4en Maart daaraanvolgende.

Art. 10. Bij aldien er verkoop van roerende of onroerende goederen overeenkomstig de voorschriften van art. 447, 453, 1080 Burgerlijk Wetboek volgens plaatselijke gebruiken geschiedt, heeft deze plaats na voorafgaande openbare aankondiging op verschillende plaatsel in de gemeente, en aanplakking aan de gebouwen welke zullen worden verkocht of waarin of bij de roerende goederen verkocht zullen worden. Bij verkoo-pingen van eenig aanbelang, geschiedt er tevens aankondiging van, hetzij door aanplakking of aflezing in een of meer dei-naast aanliggende gemeenten, en bij groote verkoopingen

10

-ocr page 167-

GEMEENTE SAPPEMEER. II

wordt daarvan daarenboven aankondiging gedaan, in een of meerder dagbladen welke binnen de provincie worden uitgegeven.

De veiling en verkoop geschiedt:

1°. Voor roerende goederen.

Op een crediet van drie of zes maanden; de goederen worden zooveel mogelijk perceelsgewijs opgehangen bij op-biedingen. Deze opbiedingen hebben plaats tot aan den prijs van f i minstens met eene verhooging van 5 cents, boven een gulden tot drie gulden minstens met eene verhooging van 10 cents en boven drie gulden minstens met eene verhooging van 25 cents, de koopprijs moet worden betaald met eene verhooging van vijf cents op iederen gulden; de kosten van verkoop zegels en registratiekosten blijven ten laste van ver-koopers. De aanzeggingen tot betaling na ommekomst van den verschijndag, aan de huizen der nalatige betaalders bedragen 15 cents in de gemeente, en 30 cents buiten de gemeente.

Ieder bieder moet desgevraagd voldoende zelf schuldigen borg stellen, ten genoege van den beambte, ten wiens overstaan de verkoop plaats heeft en wanneer twee of meer bieders, te zamen koopers van een of meerdere perceelen worden, zijn dezelve allen te zamen en ieder afzonderlijk voor het geheel voor den koopprijs, verhooging en kosten, aansprakelijk en verbonden.

Bij verkoop van levendige have wordt door den kooper aan den knecht of stalknecht betaald:

Voor ieder gekocht paard........50 Cents.

» » » rund........25 ygt;

» » » jongbeest.......15 »

» » » schaap, kalf of varken . . 10 »

2quot;. Voor onroerende goederen:

De rechts-, autorisatie- en alle andere kosten om tot den verkoop te geraken, benevens alle kosten van verkoop, zegels der minuut, registratie-, over- en inschrijvingskosten, zegels en schrijfloonen der grossen en afschriften, benevens het salaris van den Notaris komen ten laste der koopers, met uitzondering echter der strijk-, bodgelden en verteringskosten van verkoopers, welke ten laste van verkoopers verblijven.

De goederen worden in twee veilingen, minstens met een half uur tusschenruimte in eenen avond ter verkoop aange-

-ocr page 168-

12

boden, beide veilingen geschieden bij opbod, bij de eerste veiling worden geene lageren bodten aangenomen dan van f i. De hoogste bieders van ieder perceel bij de eerste veiling genieten een zoogenaamd strijkgeld, hetwelk zich in den regel beweegt tusschen f i en f 25, naar gelang van de waarde der perceelen, welk te genieten strijkgeld vooraf wordt bekend gemaakt. Bij de tweede veiling geschieden de opbiedingen bij ducaten, ieder ducaat gerekend op f 5 genietende ieder bieder voor iedere /5 verhooging 25 centen; voorts wordt niemand tot bieder toegelaten dan personen van bekende gegoedheid, ten ware dezelve des gevorderd dadelijk eenen voldoenden zelfscluildigen of hoofdelijken borg stelden ten genoege van verkoopers bij gebreke waarvan hij het ontvangen strijk- en bodgeld zal moeten teruggeven, behoudende verkoopers in allen gevalle aan zich het regt en de bevoegdheid voor, om op vorige bieders terug te tasten, die even als de hoogste bieders voor hunne bodten aansprakelijk zijn en verbonden blijven, gedurende het uur van beraad hierna vermeld.

De veiling heeft plaats op de gebruikelijke wijze in perceelen of in massa, naar goedvinden van de verkoopers, die zich de vrijheid kunnen voorbehouden, om twee of meer, ja alle perceelen bij elkander te trekken, en wederom naar verkiezing in afzonderlijke perceelen op te hangen, niet dien verstande dat zoowel de bieders op de afzonderlijke als op de te zamen getrokken perceelen, voor hunne bodten aansprakelijk en verbonden zijn en blijven, gedurende een uur na de laatste veiling; behoudende de verkoopers aan zich dat uur tot beraad, zonder nogtans aan den preciesen tijd of klokslag gebonden te willen zijn, of aan wien zij den toeslag willen gunnen, en aan eenen anderen dan de hoogste bieder, zonder redenen daarvan te geven, den toeslag te kunnen geven.

Twee of meer bieders, te zamen koopers wordende van een of meerdere perceelen, zijn allen te zamen en ieder afzonderlijk, voor het geheel voor den koopschat interessen, kosten en voorwaarden van verkoop aansprakelijk en verbonden.

Twee of meer bieders te gelijk even hoog biedende, zal hij gerekend worden het eerst geboden te hebben, die het hoogste biedt, of het meeste aantal bodten verklaart te willen nemen, en bij gebreke daarvan zal de Uitveiler beslissen, wie het eerst geboden heeft.

-ocr page 169-

gemeente meppel. 13

Gedaan te Sappemeer ter Openbare Raadsvergadering van den 2oen Augustus 1857.

H. B. ter SPILL, Burgemeeslcr. T. VENEMA Az., Secretaris.

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Groningen, volgens hun bericht van den 5en Augustus 1857, in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, den I5en September 1857.

Burgemeester en Wethouders voornoemd: H. B. ter SPILL, Burgemeester. T. VENEMA Az., Secretaris.

Provincie Drenthe.

IV. Gemeente Meppel.

Verordening van 25 September 1872.

De Raad der Gemeente Meppel heeft besloten: vast te stellen de navolgende

Verordening, naar aanleiding der bepalingen vervat in den vierden titel, boek twee van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 1. Tijdelijke stremming van den loop van het water, omschreven in art. 676 van het Burgerlijk Wetboek, wordt overgelaten aan de aangelanden, mits zorgende daarbij geen schade toe te brengen aan de naburige erven.

Art. 2. De afsluiting omschreven in art. 690 van het Burgerlijk Wetboek zal, tenzij de buren anders overeenkomen, zijn van ongeschaafd greenen hout, dik 22 millimeters, ter hoogte van 2 meters, met eiken palen, hebbende boven den beganen grond een inhoud van 170 centimeters; zullende die palen op een afstand van 1 meter 80 centimeters van elkaar geplaatst moeten worden, en zoodanig, dat de eerste paal staat aan de zijde van dien buurman, die het eerst op afsluiting aandringt, de volgende aan de andere zijde, en zoo vervolgens beurtelings tot aan het einde der afsluiting toe.

De hoogte wordt berekend, wanneer het eene erf lager ligt dan het andere, van af den beganen grond van het

-ocr page 170-

gemeente arnhem.

hoogste; welke begane grond ook aanwijst de dikte der palen.

Art. 3. De tusschenruimte vermeld in art. 703, zal nimmer minder mogen zijn dan 5 decimeters.

Gedaan te Meppel, ter openbare vergadering van den 25011 September 1872.

De Burgemeester, K. E. Borger. De Secretaris, J. W. van Dijk.

Provincie Friesland.

G e e n e.

Provincie Overijsel.

G e e n e.

Provincie Gelderland.

V. Gemeente Arnhem,

Verordening van 2 Juli 1864.

De Raad der Gemeente Arnhem,

Gezien artikel 75,5 van het Wetboek van Koophandel,

Besluit vast te stellen de volgende

Verordening.

De schepen, bedoeld in art. 749 van het Wetboek van Koophandel, welke binnen deze gemeente laden of lossen, moeten, als deswege niet anders tusschen partijen is overeengekomen, daartoe ter beschikking van de bevrachters of ontvangers der lading zijn gedurende vier vrije werkdagen, volgende op den dag, waarop de schipper verklaart tot laden of lossen gereed te zijn, mits die schepen niet grooter zijn dan zestig gemeten scheepstonnen. Voor elke twintig tonnen, het gedeelte voor het geheel genomen, welke die schepen grooter zijn, wordt die termijn met één dag verlengd.

Als buiten schuld of toedoen des schippers de lading of lossing langer mocht duren, is voor eiken meerderen ligdag eene schadeloosstelling verschuldigd berekend tegen zeven

14

-ocr page 171-

gemeente ermei.o.

en een halve cent voor iedere genieten scheepston, welke het schip bevat.

Aldus vastgesteld in tie openbare vergadering van den Raad der Gemeente Arnhem, tien 2en Juli 1864.

De Burgemeester, Van Pallandt.

De Secretaris, E. A. Jordens,

Bui\'gcmra\'.stei\' en Wetliouilers der gemeente Arnhem verklaren, dat bovenstaande verordening is afgekondigd op den 21 sten Juli 1864 en ingeschreven in het register dei-verordeningen onder No. 12 f.

De Burgemeester, Van Pai.landt.

De Secretaris, E. A. Jordens.

VI. Gemeente Ermelo.

Verordening van 9 April 1867.

Bepalingen, betreffende het plaatselijk gebruik bij mondelinge huur-overeenkomsteu in de Gemeente Ermelo.

De Raad der Gemeente Ermelo, gelet hebbende op Artikel 1007 van het Burgerlijk Wetboek, en overwegende dat het Plaatselijk Gebruik waarvan dat Artikel melding maakt velen onbekend is, en dikwijls aanleiding geeft tot verwarring en oneenigheid, herinnert aan de navolgende in deze Gemeente heerschende plaatselijke gebruiken omtrent Huur en Verhuur.

Art. 1. De vervaltijd van huur en verhuur van Bouwhoeven, Daghuurderswoningen en Kamers aan Boerenwoningen met de daarbij beboorende landerijen, is op St. Petri of 22 Februarij, des middags 0111 12 uren.

Art. 2. Die van Heeren- en Burgerwoningen, wanneer ze niet voor korter tijd verhuurd zijn, op 1 Mei en 1 November des middags om 12 uur.

Art. 3. Die van Bouwlanden op 11 November, of zooveel later als noodig is om ze te verlaten in den toestand waarin zij zijn aanvaard.

Art. 4. Die van Graslanden, op 1 Januarij.

-ocr page 172-

GEMEENTE ERMELO.

Art. 5. Indien een dier dagen valt op een zon- of feestdag, is de vervaldag een dag later.

Art. 6. De opzage van Bouwhoeven en Daghuurderswoningen waarbij meer dan twee schepels of 28 Nederl. roeden grond behoort, moet geschieden een jaar vóór den vervaltijd; dus vóór of op 22 Februarij.

Art. 7. Die van Heeren- en Burgerwoningen die niet voor korter tijd zijn verhuurd, een half jaar vóór den vervaltijd.

Art. 8. Die van Bouwlanden, een jaar voor den vervaltijd.

Alt. 9. Die van Graslanden, op den vervaltijd.

Art. 10. Die van Daghuurderswoningen en Kamers waarbij geen twee schepels grond behoort, drie maanden vóór den vervaltijd.

Art. ir. Die van Huizen en Kamers bij de week, de maand, of het kwartaal aangegaan, ten allen tijde een week, eene maand, of een kwartaal van te voren.

Art. 12. De Bouwlanden behoorende bij de Bouwhoeven en Daghuurderswoningen met meer dan twee schepels lands, en wel het zoogenaamde buitenland, kan bij het eindigen van de huur, door den laatsten huurder voor twee derde gedeelten met winterrogge worden toegezaaid, het eerst het land dat in boekweitstoppels ligt; mits de derde garf van den oogst aan den nieuwen huurder overlatende.

Art. 13. De Tuinen die bij de huizen behooren, kunnen op den 1 Februari door den eigenaar of nieuwen huurder in gebruik worden genomen.

Art. 14. De tijd van beweiding der Weilanden is van 15 April tot 11 November.

Art. 15. Indien de huur is opgezegd, dan is de bewoner verplicht de gebouwen alle werkdagen zoolang de zon op is, te laten zien, mits een half uur te voren gewaarschuwd zijnde.

Art. 16. Bij de Bouwhoeven en daarmede gelijk gestelde Daghuurderswoningen is de huurder verplicht de gebouwen dak- en glasdicht te houden; en bij reparatiën de materialen aan te voeren en het werkvolk van spijs en drank te voorzien.

Art. 17. De schouwen en vredingen moeten door de huurders onderhouden en daargesteld worden.

Art. 18. De boomvruchten op de Bouwhoeven en Daghuurderserfjes, zijn half voor den huurder en half voor den eigenaar.

-ocr page 173-

gemeente apeldoorn.

Art. ig. Het opsnoeijen van hakhout langs de bouwlanden kan niet anders geschieden dan op last van den eigenaar, desverkiezende door hem zelf, of wie daartoe door hem wordt aangewezen.

Art. 20. Het slaan, steken en vervoeren van plaggen is aan alle huurders, op het gehuurde of op gronden van den eigenaar verboden.

Art. 21. De uitgangen, thinsen, tienden en soortgelijken, waartoe niet behooren grondrenten, erfpachten en grondlasten, op gebouwen of landerijen moeten door de huurders betaald worden.

Art. 22. De betaaltijden zijn: voor Bouwhoeven, Daghuurders-erfjes en Kamers, jaarlijks op den vervaltijd of 22 Fe-bruarij; voor Heeren- en Burgerwoningen waarvan de huurtijd niet bepaald is, op 1 Mei en 1 November; voor bij de week, maand of kwartaal verhuurde woningen, elke week, maand of kwartaal; voor Bouwlanden, op den vervaltijd Martini of 11 November en voor Graslanden op den 1 April na den vervaltijd.

Art. 23. Ontruiming van woningen of landerijen mag niet geschieden vóór dat de verschenen en nog te verschijnen huur geheel is aangezuiverd.

Gedaan ter Vergadering van den Raad der Gemeente Ermelo, gehouden den 9 April 1867.

Voor copie conform Burgemeester en Wethouders van Ermelo.

Van Oordt.

Secretaris, P. Mulder.

VII. Gemeente Apeldoorn.

Verordening van 27 Januarij 1872.

Afschrift.

Besluit van den Raad der gemeente Apeldoorn.

Openbare vergadering van den 27 Januarij 1872. De Raad der gemeente Apeldoorn :

17

-ocr page 174-

GEMEENTE APELDOORN.

Overwegende dat niet alleen door de wet, maar ook door vele onderlinge overeenkomsten naar plaatselijke gebruiken wordt verwezen;

Overwegende dat onbekendheid of twijfel omtrent bestaande plaatselijke gebruiken, dikwerf aanleiding tot bezwaren moet geven;

Gelet op de art. 678, O90, 733, 788, 1607, 1618, 1619, 1622 1635 B. W. en op de mondelinge huur van dienst- en werk-boden, die in den regel volgens plaatselijk gebruik geschiedt.

Brengt in herinnering aan belanghebbenden, dat tie navolgende bepalingen als plaatselijke gebruiken moeten beschouwd worden:

I. Afscheiding tusschen eigendommen van verschillende eigenaren, geschiedt buiten de bebouwde kommen der gemeente door riggelhout, heggen, kielspitten of greppels van minstens 50 Meter breedte en diepte, voor welke vergraving ieder eigenaar de helft of 25 Meter van zijn grond moet afstaan.

Riggelhout, heggen, kielspitten en greppels, die op de schei-dinglijn slaan, worden op gemeenschappelijke kosten gemaakt en onderhouden.

Wanneer de eigenaar van een stuk grond, dat door kielspitten of greppels van het daarneven liggend erf is afgescheiden, losloopend vee wil laten weiden, dan moet de afriggeling op zijn grond en ten zijnen koste plaats hebben.

II. Afsluiting tusschen naburige erven, (tuinen en woonhuizen), in de bebouwde kommen der gemeente, geschiedt door heggen, houten schuttingen of muren van minstens 1.50 Meter hoogte, die, wanneer zij op de scheidinglijn staan, voor gemeenschappelijke rekening worden gemaakt of onderhouden, tenzij de wet of bijzondere overeenkomsten eene uitzondering op het plaatselijk gebruik aantoonen.

III. De bebouwde kommen der gemeente zijn bij raadsbesluit d. d. 12 Augustus 1871 No. ,5 omschreven.

Apeldoorn. Van het huis, wijk B No. 90 gelegen aan den Deventer straatweg over het huis bewoond door den Heer Pook van Baggen wijk B No. 78 in eene rechte lijn op het Weeshuis; van af het Weeshuis op den Looschen tolboom, van daar door den breeden Engweg over het Paleis als grenslijn tot aan de Korenbeek, van daar op de woning van K. Boks in het Slop, Wijk G. No. 40, van daar uit op de woning van den heer Bressier wijk C No, 194 aan den Apeldoornschen

i8

-ocr page 175-

GEMEENTE APELDOORN.

straatweg, en daar van daan op de woning van Bosch in de buurtschap Wormen, wijk D No. 59.

V Loo. Van af de woning bewoond door den Heer Jhr. L. van Bronkhorst op het Loo, wijk L No. 1, op de woning genaamd de Veenkamp, wijk L No. 82, en van daar op de woning van den Heer J. E. Claringbould, wijk M No. 2; van daar af op de hoeve van \'s Konings tuin langs het Park door de Paleislaan terug naar de woning van Jhr. van Bronkhorst, wijk L No. 1.

Beekbergen. De lijn getrokken van af den handwijzer aan den ouden Loenenschen weg langs den straatweg tot aan de Hagenbrug; vervolgens langs de Noordzijde van de beek tot voorbij het erf van de wed. D. Boks, wijk A No. 59; van daar over den Oostenlijken uitweg dwars over den grindweg ten Zuiden langs het erf van A. Boks, wijk A No. 54, over het zoogenaamde keezenwegje, dwars over den eersten kerk-weg naar den handwijzer op Loenen en van dat punt den grindweg tot aan den zandweg naar de begraafplaats over den ouden Loenenschen zandweg tot aan den handwijzer.

Loenen. De lijn getrokken van af den zoogenaamden Eikenboom, wijk A No. 1, tot aan het erf van A. van der Burg, wijk A No. 9; vervolgens benoorden Hagen, wijk A No. 29, tot aan het erf van Rattelland, wijk A No. 71; van daar langs J. W. Schut, wijk A No. 67, naar het erf van de wed. Mulder, wijk A No. 66; daarna ten Zuiden van de hoeve van J. Ar-nink, wijk A No. 65, over de beek in de richting der woning van H. Litnpers, wijk A No. 75, tot aan den zandweg van Zilven langs het erf van Teppelink, wijk A No. 77, tot H. Robbers, wijk B No. 1, langs den. Doesburgschen weg naar den Eikenboom, wijk A No, 1.

IV. De breedte van een rijweg is minstens 2 ned. ellen en van een voetpad 0.50, voor zoo verre die rijwegen of voetpaden niet op de leggers A of B zijn omschreven.

V. Volgens plaatselijk gebruik kunnen aan tiendregt zijn onderworpen:

Vruchten, rogge, tarwe boekweit, haver, hennep, vlas, zaad, spurrie, zaadklaver.

Bloedtiend. Schapen en bijenzwerven.

Tuingronden in tiendblokken gelegen, worden voor een oppervlakte van 15 roeden vrijgelaten,

19

-ocr page 176-

GEMEENTE APELDOORN.

Zoogenaamde smalle tienden of uitgangen van huizen en erven, worden in geld betaald.

VI. Wanneer bij huurovereenkomst geen tijd is bepaald, moet volgens plaatselijk gebruik, de opzegging van huur in deze gemeente geschieden:

1. Van burgerwoningen met of zonder tuin, waarvan de huur bij het jaar loopt, voor i Mei of i November, eindigende door de opzegging de huur op I Mei of i November daaraanvolgende, des middags ten 12 ure.

2. Van een boerenplaats, voor St. Jacob of 25 Juli, eindigende de huur op St. Petri of 22 Februari daaropvolgende, wat het huis betreft, des middags 12 ure. Het bouwland, dat voor 2/3 toegezaaid kan worden en voor 22 Februari toegezaaid moet zijn, moet na den oogsttijd der gewassen, die daarop verbouwd werden, worden ontruimd, en ter beschikking van de nieuwe gebruikers worden gesteld. De tuingrond bij het huis mag niet toegezaaid worden, maar is met 22 Februari met de woning ter beschikking van den eigenaar of nieuwen huurder.

In de kring Beekbergen mogen de gemeste en gezaaide roggelanden na den oogst onmiddelijk nog eenmaal met rogge, en later in het daarop volgende jaar met boekweit worden bezaaid en geoogst.

Het niet gemeste roggeland mag na den oogst nog eenmaal met boekweit worden gezaaid.

3. Van los land (Bouwland) voor St. Jacob of 25 Juli, een jaar voor den vervaltijd.

4. Van los land (Weiland) voor St. Martini of 11 November en ook voor 1 Januari een jaar voor den vervaltijd.

5. Kleine woningen of kamers, die bij het jaar worden verhuurd met bouw-, tuin- of aardappelengrond, moeten voor St. Jacob of 25 Juli worden opgezegd en bij het eindigen der huur op 22 Februari ten 12 ure daaropvolgende, zal ook alle regt van gebruik van den grond ophouden, onverschillig of die al dan niet is gemest.

6. Woningen of kamers, die bij de week verhuurd worden zonder land, kunnen, wat de woningen betreft, zes weken en wat de kamers aangaat, veertien dagen voor het eindigen der huur en ontruiming opgezegd worden.

VII. Volgens plaatselijk gebruik geschiedt bij toeede of onderhuur geene vooruitbetaling.

20

-ocr page 177-

GKMEENTE A PELÜOORN.

VIII. Volgens plaatselijk gebruik moeten alle huurders van woningen en gebouwen, alles behoorlijk glas en slotdigt houden, de stroo en rieten daken, zoolang die niet door ouderdom geheel versleten zijn, behoorlijk herstellen en de vorsten in goeden staat houden met stroo of zoden, zooals zij die hebben gevonden.

Bij reparatie aan boerenwoningen, moeten de materialen door den huurder wanneer hij voertuig heeft, kosteloos worden aangevoerd.

IX. Indien van geene overeenkomst blijkt, wordt de huur van gemeubileerde kamers, gerekend bij de maand te loopen. De opzegging van huur moet wederzijds in de eerste helft der maand geschieden, om met het einde van die maand af te loopen.

X. Bij vertrek, moet de gebruiker van een boerenplaats hetzelfde verhoudingsgetal garven achterlaten, die hij bij het aanvaarden der huur heeft ontvangen.

Stroo en hooi mogen vervoerd worden bij vertrek, doch mest, vette aarde, asch en plaggen, moeten op de plaats blijven en vervallen kosteloos aan den nieuwen gebruiker, wanneer die speciën aan hoopen staan.

Bij vertrek mag ook de mest, die in de stallen aanwezig inogt zijn, evenmin vervoerd worden en de vette aarde onder de mest in de stal, mag zelfs ter laatste bemesting van de landen niet uitgegraven worden.

XI. Volgens plaatselijk gebruik :

1. Zijn alle schouwen en vredingen ten laste van den huurder, die ook bij verzuim de boeten moet betalen.

2. Is houtgewas, van welken aard ook, nimmer onder het verhuurde bouw- of weiland begrepen.

3. Mag het opsnoeijen van hakhout langs bouw- en weiland alleen door of namens den eigenaar geschieden.

4. Is het steken van plaggen en schadden op gehuurde gronden, zonder bepaalde toestemming van den eigenaar, verboden.

5. Zijn uitgangen en tienden ten laste van den huurder.

XII. Betaaltijden volgens plaatselijk gebruik, zijn:

1. Voor Bouwhoeven, daghuurders erven en kamers, die bij het jaar verhuurd worden, op 22 Februarij.

2, Voor Burgerwoningen, die bij het jaar werden verhuurd, op 1 Mei en 1 November.

21

-ocr page 178-

GEMEENTE APELDOORN.

3. Voor alle woningen of kamers, die bij kwartaal, maand of week worden verhuurd, op den laatsten dag van het kwartaal, maand of week.

XIII. Zoodra de huur is opgezegd, moet de bewoner op gewone werkdagen, mits een uur van te voren gewaarschuwd, tusschen 1 - 4 ure des namiddags de bezigtiging der gebouwen toelaten,

XIV. Zoogenaamde losse daghuurders, werken bij burgers volgens plaatselijk gebruik:

Van 1 October tot 1 April van des morgens 8 ure tot Zonsondergang. Van 1 April tot 1 October van des morgens zeven tot \'s avonds zeven ure.

Bij landbouwers:

Van 1 October tot 1 April, van vijf ure des morgens tot Zonsondergang; van 1 April tot October van vijf ure \'s morgens tot zeven ure des avonds.

XV. Burgerdienstboden, die volgens plaatselijk gebruik zoogenaamd bij het jaar worden gehuurd, erlangen 3% van het bedrag van het loon als godspenning.

Kermis- en Nieuwjaarsfooien worden bij overeenkomst bepaald doch worden niet gegeven, wanneer de huur opgezegd is of afloopt met 1 November of 1 Februari.

XVI. Volgens plaatselijk gebruik, loopt de zoogenaamde jaarhuur voor burgerdienstboden, van af 1 Mei of November, en wanneer geen van partijen zich daaromtrent nader verklaart, wordt de huur gerekend op de bestaande voorwaarden voort te gaan, na verloop van het eerste jaar.

Zoowel de meester als de dienstbode behouden, volgens plaatselijk gebruik, bij de zoogenaamde jaarhuur, ten allen tijde het regt om voor den aanvang van ieder kwartaal (1 Mei 1 Augustus 1 November 1 Februarij), de dienst op te zeggen, door welke opzegging de dienst met het kwartaal eindigt. De zoogenaamde jaarhuur bij landbouwers, kan, volgens plaatselijke gebruik met zes weken worden opgezegd, die beginnen te loopen van af den dag der opzegging.

XVII. De zoogenaamde jaarhuur volgens plaatselijk gebruik van papierwerkers gaat in op den derden maandag voor Paschen des morgens 5 ure, en eindigt den tweeden dingsdag na Paschen, des morgens om 8 ure.

De godspenningen worden tevens als voorschot op het loon beschouwd, en later wordt het bedrag bij loonbetaling verrekend»

22

-ocr page 179-

gemeente putten.

In de maand October verklaren partijen, of zij na afloop van het dienstjaar zullen aanvangen op bovengenoemde termijnen.

Wanneer geen van partijen daarover spreekt in October, eindigt de huur op den tweeden dingsdag na Paschen, des morgens ten acht ure.

De Gemeenteraad voornoemd, (get.) TUTEIN NOLTHENIUS, Voorzitter. (get.) PIPER, Secretaris.

Voor eensluitend afschrifi.

De Secretaris der gemeente Apeldoorn.

MOLLE RUS.

VUL Gemeente Putten.

Verordening 19 Februari 1881.

Bepalingen betreffende het Plaatselijk Gebruik bij mondelinge Huur- en Verhuur-overeenkom-sten in de Gemeente Putten.

De Raad der Gemeente Putten, gelet hebbende op art. 1607 van het Burgerlijk Wetboek, en overwegende dat het Plaatselijk Gebruik waarvan dat artikel melding maakt velen onbekend is en dikwijls aanleiding geeft tot verwarring en oneenigheid, herinnert aan de navolgende in deze Gemeente heerschende Plaatselijke Gebruiken omtrent Huur- en Verhuur.

Art. 1 De vervaltijd van huur en verhuur van Bouwhoeven, Daghuurderswoningen en Kamers aan Boerenwoningen, met de daarbij behoorende Landerijen, is op St. Petri of 22 Februari, of een week na Paaschmaandag, des middags ten 12 ure.

Art 2. Die van Heeren- en Burgerwoningen, wanneer ze niet voor korter tijd verhuurd zijn, op 1 Mei of 1 November, des middags ten 12 ure.

Art. 3. Die van Bouwlanden op 11 November, of zooveel later als noodig is om ze te verlaten in den toestand waarin ze zijn aanvaard.

Art. 4. Die van Graslanden op 11 November.

Art, 5. Indien een dier dagen valt op een Zon-of Feestdag, is de vervaldag een dag later.

2,3

-ocr page 180-

GEMEENTE PUTTEN.

Art. 6. De opzage van Bouwhoeven en Daghuurderswoningen, waarbij meer dan twee schepels of 28 Neder!, roeden grond behoort, moet geschieden een jaar vóór den vervaltijd, dus vóór of op 22 Februari, of vóór of op Paasch-Maandag.

Art. 7. Die van Heoren- en Burgerwoningen, die niet voor korter tijd zijn verhuurd, een half jaar vóór den vervaltijd.

Art. 8. Die van Bouwlanden, een jaar vóór den vervaltijd.

Art. 9. Die van Graslanden, op den vervaltijd, bij onbepaalde huur een half jaar vóór den vervaltijd.

Art. 10. Die van Daghuurderswoningen en Kamers, waarbij geen twee schepels grond behoort, drie maanden vóór den vervaltijd.

Art. 11. Die van Huizen en Kamers bij de week, de maand of het kwartaal aangegaan, ten allen tijde eene week, eene maand, of een kwartaal van te voren.

Art. 12. De Bouwlanden, behoorende bij de Bouwhoeven en Daghuurderswoningen met meer dan twee schepels land, en wel het zoogenaamde buitenland, kan bij het eindigen van den huur, door den laatsten huurder voor twee derde gedeelten met winterrogge worden toegezaaid, het eerst het land dat in boekweitstoppels ligt; mits de derde garf van den oogst aan den nieuwen huurder overlatende.

Art. 13. De Tuinen die bij de huizen behooren, kunnen op den len Februari door den eigenaar of nieuwen huurder in gebruik worden genomen.

Art. 14. De tijd van bewijding der Weilanden is van 15 April tot 11 November.

Art. 15. Indien de huur is opgezegd, dan is de bewoner verplicht de gebouwen alle werkdagen zoolang de zon op is te laten zien, mits een half uur te voren gewaarschuwd zijnde.

Art. 16. a. Bij de Bouwhoeven is de huurder verplicht de gebouwen, dak en glas dicht te houden, bij reparatie de materialen aan te voeren en het werkvolk van spijs en drank te voorzien.

b. Bij de daghuurderswoningen daar meer dan vier hectaren land bij is, is de huurder verplicht het gebouw, dak en glas dicht te houden.

c. Bij een Kamer is de huurder verplicht te zorgen dat dezelve glasdicht gehouden wordt.

-\'4

-ocr page 181-

GEM liENTK HARMKLEN.

Art. 17. De schouwen en vredingen moeten door de huurders onderhouden en daargesteld worden.

Art. 18. De Boomvruchten op de Bouwhoeven en Daghuurders-erfjes zijn half voor den huurder en half voor den eigenaar.

Art. 19. Het opsnoeien van Hakhout langs de Bouwlanden kan niet anders geschieden dan op last van den eigenaar, desverkiezende door hem zelf, of wie daartoe door hein wordt aangewezen.

Art. 20. De betaaltijden zijn: voor Bouwhoeven, Daghuurders-erfjes en Kamers, jaarlijks op den vervaltijd of 22 Februari, of een week na Paaschinaandag; voor Meerenen Burgerwoningen waarvan tie huurtijd niet bepaald is, op 1 Mei en 1 November; voor bij de week, maand of kwartaal verhuurde woningen, elke week, maand of kwartaal; voor Bouwlanden, op den vervaltijd Martini of 11 November, en voor Graslanden, op den len Januari na den vervaltijd.

Art. zi. Ontruiming van Woningen of Landerijen mag niet geschieden voordat de verschenen en nog te verschijnen huur geheel is aangezuiverd.

Gedaan ter Vergadering van den Raad der Gemeente Putten, gehouden den igen Februari 1881.

Voor eensluidend afschrift. De Secretaris tier Gemeente Putten, BÖNHOFF.

Provincie Utrecht.

IX. Gemeente Harmelen.

Verordening van 26 Mei 1876.

Verordening, bepalende de tijdstippen van het betrekken, opzeggen en ontruimen van Woningen enz. in de Gemeente Harmelen.

De Gemeenteraad van Harmelen heeft besloten vastte-stellen de navolgende Verordening:

Eenig Artikel. Met betrekking tot de verplichtingen, welke huur en verhuur opleggen, wardt verwezen naar de bij het Burgerlijk Wetboek vastgestelde bepalingen; wordende bij

-ocr page 182-

GEMEENTE HARMELEN.

deze alleen de tijden geregeld betrekkelijk het wederzijds opzeggen en eindigen van mondeling aangegane huur, naar luid der burgerlijke wetgeving door plaatselijke reglementen te bepalen, welke tijden worden vastgesteld als volgt:

Weekhuizen zullen wederzijds worden opgezegd op Maandag van de ingetreden week, en worden verstaan in te gaan of te eindigen Maandags-middags ten twaalf ure, op welk tijdstip de woning door den vertrekkenden bewoner zal be-hooren ontruimd te zijn, ten einde door den opvolgenden te kunnen worden betrokken.

Jaarhuizen zullen wederzijds worden opgezegd vroeger of uiterlijk drie maanden vóór den dag van het eindigen der huur en worden verstaan in te gaan op den eersten dag der maanden Februari, Mei, Augustus en November des middags ten twaalf ure van ieder jaar, en te eindigen op den eersten dag van gemelde maanden, mede des middags ten twaalf ure van het jaar, in hetwelk vroeger of uiterlijk drie maanden vóór de expiratie deze huur is opgezegd, met dien verstande evenwel, dat wanneer de eerste Februari, Mei, Augustus of November op eenen Zondag of op eenen algemeen erkend en gevierd wordenden Christelijken feestdag invalt, dit tijdstip tot den volgenden dag, des middags ten twaalf ure, wordt verlengd.

De bovenvermelde tijdstippen worden van gelijke kracht verklaard in al de gevallen, in welke de burgerlijke wetgeving-tot de plaatselijke verordeningen of gebruiken verwijst.

Aldus gedaan ter Openbare Raadsvergadering van den 2öen Mei 1876.

De Gemeenteraad voornoemd, E. ADEMA, Voorzitter.

J. J. DE HAAS, Secretaris.

Zijnde deze verordening aan Heeren Gedeputeerde Staten van Utrecht, volgens hun bericht van 8 Juli 187O N0. 34 in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, den 1 len Juli d. a. v.

Burgemeester en Wethouders voornoemd, E. ADEMA, Burgemeester. J. J. DE HAAS, Secretaris.

Gewaarmerkt door mij Secretaris der Gemeente Harmeien.

J. J. de Haas.

20

-ocr page 183-

gemeente monnickenda.m.

Provincie N.-Holland.

X. Gemeente Monnickendam.

Verordening van 16 Augustus 18,53.

KENNISGEVING.

Burgemeester en Wethouders der gemeente Monnickendam, brengen bij deze ter kennisse der daarbij belanghebbende Ingezetenen, dat door den Raad dezer gemeente, in zijne Vergadering van den 16 Juli 1853, N0- 4gt; is vastgesteld de navolgende:

Verordening, houdende vaststelling van eenige bepalingen welke de algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Eerste Afdeeling.

Bepalingen tot Voorziening.

Art. 1. Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan deze gemeente of aan particulieren toebe-hoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering van den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte, tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door unzigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad der gemeente, wanneer de genoemde wateren aan de gemeente toebehooren, en van de daarop regthebbenden, wanneer zij particulier eigendom zijn.

Art. 2. Afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn medeeigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden, ter vervanging van eene reeds bestaande, en wanneer zulks door een der mede-eigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijs gemaakt en gesteld worden, als die, welke reeds vroeger bestond, en ten minste eene hoogte hebben van één el 75 duim.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straten, pleinen, stegen en grachten, binnen den kom der gemeente, alleen kunnen geschieden door steenen

-ocr page 184-

GEMEENTE MONNICKENDAM.

muren; en tusschen bijzondere eigendommen, niet aan den openbaren weg of straat, met steenen muren of houten schuttingen, en zulks wanneer een der eigenaars dat begeert, terzelfder hoogte als boven is bepaald.

Art. 3. Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht den navolgenden afstand van de gemeene of niet gemeene muur te bewaren.

Voor een riool, put of secreet 150 duin.

Voor een stookplaats, schoorsteen of fornuis, (geen bakovens daaronder begrepen) 7 duim.

Voor een bakoven 50 duim.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen, omtrent de wijze van inrichting der schoorsteenen en stookplaatsen, bij de verordeningen op het stuk van brand nu reeds bestaande, of later in werking te brengen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenshokken, konijnenhokken en dergelijke, waar de daarstelling daarvan volgens policie-verordeningeu niet verboden is, en behoudens de bepalingen dier verordening 150 duim.

Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout of eene verzamelplaats van bijtende stoffen, of eene bewaarplaats van bloed, of voor het aanleggen van andere schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder ook de zoodanigen, die uit derzelver aard schadelijk gedierte lokken, zooals bergplaatsen van beenderen, huiden enz., daar waar de inrigting daarvan niet bij de wet, maatregelen van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordening verboden is, zal behouden de bepalingen, omtrent de wijze van inrigting bij de wet, maatregelen van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen vastgesteld, eene dubbele muur moeten worden gesteld, met eene tusschenruimte van een el.

Art. 4. Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting, of tegen de muur of schutting van een ander, gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen die muur of scheiding en de aan te leggen goot, moet een steenen rollaag van een staande steen gesteld worden, zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur of schutting afloope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen ver-rigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf.

28

-ocr page 185-

GEMEENTE MONNICKUNDAM.

tegen zoodanige scheiding, aan of op den grond van den eigenaar van het naburig erf afloopen.

Art. 5. Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad één ei, van een dreef twee ellen en van een weg drie ellen.

Art. ö. Bij een erfdienstbaarheid van licht of uitzigt, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zoude kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen; de traliën zullen ten hoogste een palm tusschenruimte, clc eene van de andere mogen hebben.

Bij het bestaan van eene gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop regthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsonder- en opgang gesloten blijve, en gebruikt worde, anders dan met gemeene toestemming van de regthebbenden.

Voor het ledigen van privaten en het uitdragen van beer, zal de toestemming van den inederegthebbende niet noodig zijn.

Art. 7. De bepalingen in de beide vorige artt. vastgesteld gelden alleen voor zooverre bij de constitutive titels der erfdienstbaarheid, geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Tweede afdeeling.

Bepalingen van gebruik.

Art. 8. Van huur en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen, binnen deze gemeente voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging, volgens plaatselijk gebruik, drie maanden voor het eindigen der huur.

Voor de huur van korteren tijd dan een jaar tot op die voor den tijd van eene week, is de termijn eene maand voor het eindigen der huur, en van de huur voor eene week is de termijn acht dagen voor het eindigen der huur.

Voor huur en verhuur van landerijen, buiten het geval, voorzien bij art. 1614 van het Burgerlijk Wetboek, is de termijn van opzegging drie maanden voor het eindigen dei-huur.

29

-ocr page 186-

gemeente ilpendam.

Ait. g. Volgens plaatselijk gebruik is, behalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelijke reparatiën, die voor rekening-van tien huurder komen, ook nog ten diens lasten het schoon-maken en witten der binnenmuren, de reparatiën en het bruikbaar houden van ijzeren platen voor kachelpijpen in de schoorsteenen, wanneer die platen door den verhuurder afgeschaft worden, het onderhoud van putakars en daartoe be-hoorende touwen, het onderhoud van lantaarns, ladders en watertonnen.

Art. io. De tijd van huur van gestoffeerde kamers, wanneer geene bepalingen van tijd, van huur, of van eene zekere som bij hot jaar, bij de maand of bij den dag gemaakt zijn, is volgens gebruik eene maand.

Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen, en daarbij behoorende tuinen, in het evenbedoelde geval tot den eerst-komenden gewonen verhuistijd op den i Mei en i November, of deze dagen op een zondag invallende, op den volgenden dag.

Art. ii. De gewone huurtijd van dienstboden is vooreen termijn van drie maanden; voor hen die in dienst treden, in te gaan op den derden dag van de maanden Februarij, Mei, Augustus en November, en voor hen die de dienst verlaten, op den eersten dier maanden.

Aldus afgekondigd en aangeplakt te Monnickendam, ter plaatse daartoe gebruikelijk, den 16 Augustus 1853

Burgemeester en Wethouders voornoemd ; F. NOOIJ.

De Secretaris,

J. WIJNDELS DE JÜNGH.

XI. Gemeente Ilpendam.

Verordening van 8 Maart 1854.

KENNISGEVING.

Burgemeester en Wethouders der Gemeente Ilpendam, Purmerland en lip,

doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente in zijne vergadering van 8 Maart 1854. Nquot;. 9, is vastgesteld de navolgende Verordening:

30

-ocr page 187-

gemefnte ilpendam

Houdende vaststelling van eenige Bepalingen, welke de A Igenieene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Eerste Afdeeling.

Bepaling tot Voorziening.

Art. 1. Niemand mag eenige waterloopen of slooten, aan deze Gemeente of aan Particulieren toebehoorende, of in eene Gemeente-uitwatering, waterafleiding of waterkeering, eenige verandering van den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte, tot een ander einde dan waartoe zij volgens de daaraan gegevcne loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad der Gemeente, wanneer de genoemde wateren aan de Gemeente toebehooren; en van den daarop regt-hebbende, wanneer zij particulier eigendom zijn.

Art. 2. Afsluitingen, dienende tot afscheiding van Huizen, opene Plaatsen en Tuinen, waartoe ieder Eigenaar zijn Medeeigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden, ter vervanging van eene reeds bestaande, en wanneer zulks door een der mede-eigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt worden, als die welke reeds vroeger bestond, en ten minste eene hoogte van één el 75 duim. Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straten en stegen, binnen de kom der Gemeente, alleen kunnen geschieden door ijzeren of houten Hekken of houten Schuttingen, ter zelfder hoogte als boven is bepaald.

Art. 3. Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder Eigenaar verpligt den navolgenden afstand van de gemeene of niet gemeene muur te bewaren:

Voor een riool, put of secreet Eén El;

Voor eene stookplaats of schoorsteen (geene bakovens daaronder begrepen) 11 duim ;

Voor een bakoven 0.50 El;

alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schcorsteenen en stookplaatsen, bij de Verordeningen op het Brandwezen. nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

31

-ocr page 188-

gemeente edam.

Voor een stal of mesthok, daaronder begrepen varkens-, kippenhokken en dergelijke, waar de daarstelling daarvan volgens Poiitie-verordeningen niet verboden is, behoudens de bepalingen dier Verordeningen i.oo El.

Art, 4. Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeene scheidingsmuur, hek of schutting of van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen; tusschen die muur, hek of schutting en aan te leggen goot moet een steenen rollaag van een staande steen gesteld worden, zoodanig dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur, hek of schutting afloope of stilsta. Ook zal de Eigenaar van een naburig Erf niets mogen verrigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn Erf tegen zoodanige scheiding aan, of op den grond van den eigenaar van het naburige erf afloope.

Art. 5. Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad 1.00 El, van een dreef 2.00 El en van een weg drie Ellen (3.00 El).

Art. 6, De bepaling in dit voorgaand artikel gesteld, geldt alléén, voor zooverre bij constitatieve titels der erfdienstbaarheid, geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Zijnde deze verordening aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, volgens hun berigt van den I5en Maart 1854 in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort den 29en Maart 1854.

Burgemeester en Wethouders voornoemd, J. Hartwijk.

De Secretaris,

G. K. van Garderen.

XII. Gemeente Edam.

Verordening van 2\\ Junij 1856.

Verordening, regelende de verpligting tusschen naburen in de Gemeente Edam.

Art. 1. De afsluiting van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder in do Stad en de aaneengebouwde buitenwijken, krachtens art. 6qo van het Burgerlijk Wetboek,

32

-ocr page 189-

GEMEENTE EDAM.

zijnen nabuur kan noodzaken bij te dragen, bestaat in eene houten schutting van i El 50 Duim hoogte, waar de erven niet even hoog zijn, te meten van den hoogsten grond.

Art. 2. Die zijn erf verhoogt, zal verplicht zijn ten zijnen koste ook de muur of schutting evenveel te verhoogen cn de noodige vastheid te geven.

Art. 3. Die een waterloop heeft over of door eens anders erf of grond, moet voor het gat daar het water doorloopt, zetten en onderhouden een ijzeren rooster, waarvan de roeden ten wijdste moeten staan op 1 duim van elkander. Vóór den rooster aan de zijde daar het water van afkomt, zal moeten staan een wolfskuil of zinkput, ten minsten j palmen diep en wijd zoo veel als de gelegenheid toelaat.

Art. 4. Hij die in de nabijheid van eenen gemeenen muur of niet gemeenen muur of schutting, een put, riool of secreet laat graven, die aldaar een schoorsteen, stookplaats, oven of fornuis wil metselen, er een stal, varkenshok of mestbak tegen aan wil bouwen of stellen, is verpligt eene tusschenruimte te laten of te maken van minstens 3 palmen. Op dien afstand zal hij een muur bouwen of eene afschutting maken, zooals voor elk bijzonder geval door de Rooimeesters wordt aangewezen of door Burgemeester en Wethouders wordt noodig geacht, om de buren voor overlast te bewaren.

Art. 5. Voor zoo veel de afschutting van tuinen en erven, uitkomende aan de publieke straat betreft, zal de muur of houten schutting eene hoogte moeten hebben van 1 El 80 Duim. De palen zullen aan de binnenzijde moeten worden gesteld, in eene goede rigting langs de straat.

Met bijzondere vergunning van Burgemeester en Wethouders zal van die gestelde hoogte afgeweken kunnen worden.

Art. 6. jaarlijks zal door Burgemeester en Wethouders eene schouwing worden gedaan over de afsluitingen bedoeld bij Art. 5.

Hij wiens muur of schutting bevonden wordt in bouw-valligen staat te verkeeren, buiten den regel is geraakt of de bepaalde hoogte niet heeft, zal gehouden zijn de daaraan vereischt wordende herstellingen te doen, die door Burgemeester en Wethouders schriftelijk zullen worden opgegeven en binnen eene maand moeten zijn volbragt.

Art. 7. Indien tot het maken, herstellen of ten uitvoer brengen van het gelaste bij de kennisgeving bepaald, niet is

33

-ocr page 190-

gemeente alkmaar.

voldaan en daarna nog binnen 8 dagen niet gedaan of gebrekkig wordt bevonden, zal dit onverminderd de toegepaste boete, van wege Burgemeester en Wethouders worden volbragt en het kostende daarvan overeenkomstig de Wet worden ingevorderd.

Art. 8. Onverminderd het bepaalde bij Art. 7 zal het niet nakomen van het gestelde bij art. 6, als overtreding worden beschouwd en gestraft met eene geldboete van f 3.— tot / 10.—.

Aldus vastgesteld door den Gemeenteraad van Edam, in zijne vergadering van den 2\\ Junij 1856 en gewijzigd den 30julij daaraanvolgende.

De Burgemeester, G. J. VERSTEEGH.

De Secretaris, J. DE BRUINE Johsz.

Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, volgens hun berigt van den 6/14 Augustus 1856, N0. 21, in afschrift medegedeeld.

Deze verordening is met inachtneming van het formulier bij de Wet bepaald en op de wijze voorgeschreven bij plaatselijke verordening van den dertigsten Julij 1800 een en vijftig, afgekondigd den twintigsten Augustus 1800 zes en vijftig.

XIII. Gemeente Alkmaar.

Verordening van 18 Maart 1874.

Burgemeester en Wethouders van Alkmaar hebben goedgevonden te bepalen, dat in het Gemeenteblad zal worden opgenomen de volgende bij Raadsbesluit van 18 Maart 1874 vastgestelde

Verordening, regelende de verpligting tus-schen eigenaars van naburige erven.

Art. 1. De afsluiting, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder, krachtens art. 690 van het Burgerlijk Wetboek, zijnen nabuur kan noodzaken bijtedragen, bestaat in eene houten schutting van twee meter hoogte; waar de beide erven niet even hoog zijn, te meten van den hoogsten grond.

De zweepingen en palen moeten om den anderen op de wederzijdsche erven worden geplaatst, zoodanig, dat ieder erf een rei palen heeft.

Art. 2. Die zijn erf verhoogt, is verpligt, voor zijne

34

-ocr page 191-

gemeente amsterdam.

kosten, ook den muur of schutting evenveel te verhoogon, en haar de noodige vastheid te geven, dat zij niet worde over- of doorgedrongen.

Art. 3. Die een waterloop heeft over eens anders erf of door eens anders huis, moet op eigen erf, ter plaatse waar die waterloop zijn erf verlaat, een zinkput maken, gemetseld van goede klinkers en cement, ten minste drie decimeter diep, voorzien van een vasten ijzeren rooster, die een centimeter beneden den onderkant van de zinkput doorhangt, twee decimeter daarboven uitkomt, en met proken in het metselwerk is bevestigd; de rieden moeten hoogstens vijf millimeter van elkander staan, en de rooster zoo geplaatst zijn, dat het komen van vaste stoffen op buurmans erf daardoor voorkomen worde.

Art. 4. Hij, die in de nabijheid van een gemeen en of niet gemeenen muur, een put, een riool of een secreet laat graven, die aldaar een schoorsteen of eene stookplaats, een oven of fornuis wil metselen, er een stal of mestbak tegen aan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis voor zout, of eene verzamelplaats van bijtende stoffen wil aanleggen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, is verpligt eene tusschenruimte te laten of te maken van minstens vijf decimeter. Op dien afstand moet hij een anderhalven steens muur maken van klinkers in sterke tras, tot eene diepte, zooals voor elk bijzonder geval door Burgemeester en Wethouders wordt noodig geacht, om de buren voor overlast te bewaren.

Alkmaar, 20 Mei 1874.

Burgemeester en Wethouders voornoemd, A. Maclaine Pont.

De Secretaris,

Nuhout van der Veen.

XIV a. Gemeente Amsterdam.

Verordening igt;an 10 December 1862.

De Burgemeester en Wethouders van Amsterdam doen te weten, dat door den Raad dier gemeente in zijne vergadering van den loen December 1862 is vastgesteld de volgende

Verordening op de Kafactiemeesteis van den Tabak.

35

-ocr page 192-

GEMEENTE AMSTERDAM.

Art. I. Ten gerieve van den handel zijn er rafactie-meesters van den tabak.

Hiertoe zijn alleen benoembaar personen van erkende kimde in het artikel tabak en van goed zedelijk gedrag.

De rafactiemeesters worden door Burgemeester en Wethouders aangesteld, die hen ook kunnen schorsen en ontslaan.

Rafactiemeesters, die den ouderdom van 70 jaren bereikt hebben, of door ziekte of lichaamsgebreken voortdurend belet worden hunne betrekking behoorlijk waar te nemen, worden door Burgemeester en Wethouders ontslagen.

Art. 2. Het getal van de rafactiemeesters van den tabak wordt op drie bepaald.

Art. 3. Alvorens hunne betrekking te aanvaarden, leggen de rafactiemeesters in handen van den regter van het kanton hunner woonplaats den eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof) dat ik de betrekking van rafactie-»meester van den tabak zal waarnemen met alle eerlijkheid, «onpartijdigheid en nauwgezetheid, en zonder eenige gunst »of ongunst jegens de belanghebbenden ; dat ik behalve het »loon, mij volgens de thans bestaande of later in te voeren «verordeningen toekomende, geene giften of beloften, onder «welken naam of welk voorwendsel ook, zal aannemen, om »in mijne betrekking iets te doen of te laten, en dat ik in »alle opzigten mij zal gedragen, zooals het een eerlijken »rafactiemeester betaamt.quot;

Art. 4. Wanneer rafactie door belanghebbenden gevraagd is, wordt zij toegekend voor al zulke gebreken als zich aan tabak in bladen of steelen bevinden en aan het monster niet, of niet genoegzaam zigtbaar zijn, waaromtrent de prijs dus tusschen kooper en verkooper niet heeft kunnen geregeld worden, en welke dientengevolge ten nadeele van den kooper zouden strekken. Bij de bepaling van de hoegrootheid der rafactie letten de rafactiemeesters er op, dat door de gegevene rafactie de kooper schadeloos gesteld en de verkooper niet benadeeld worde.

Ten einde de rafactie nauwkeurig op te maken, zijn de rafactiemeesters verpligt, bij het wegen der vaten en het trekken der monsters tegenwoordig te zijn. Bij het bepalen der rafactie wordt de hoedanigheid van den tabak niet in aanmerking genomen.

Art. 5. De rafactiemeesters zijn verpligt, bij het maken

-ocr page 193-

GEMEENTE AMSTERDAM.

van rafactie op te nemen zoodanig nummer en merk van ieder vat, als de verkoopers opgeven, en daarachter te stellen het gewigt en de rafactie door hen daarop bepaald. Wijders houden zij aanteekening van het gebrek, waarvoor rafactie op elk vat gegeven is.

Van het gedaan onderzoek en het bepaalde voor rafactie, bezorgen de rafactiemeesters aan kooper en verkooper beiden, onmiddellijk na het gedaan onderzoek en tegen betaling van het hun toekomende loon, eene cedul, inhoudende nauwkeurige vermelding van het gebrek, van de nummers, de merken, het gewigt en de rafactie, welke cedul door den raiactie-meester moet onderteekend zijn en kosteioos wordt uitgereikt.

Art. 6. Bij de levering van elke partij tabak, waarbij de dienst der rafactiemeesters verlangd wordt, is slechts één rafactie-meester werkzaam. Het staat dezen echter vrij, zich bezwaard vindende over de opmaking der schade, het oordeel van een of meer rafactiemeesters in te roepen, ten einde met dezen gezamentlijk de rafactie op te maken.

Deze meerdere werkzaamheid heeft echter geen invloed op het loon van den rafactiemeester.

Art. 7. Rafactiemeesters brengen in een daartoe aan te leggen register (hetwelk bij den oudst benoemden rafactiemeester zal berusten) de aanteekening van de gevisiteerde partijen tabak, en van de namen van kooper en verkooper over, in art. 5 vermeld.

Belanghebbenden hebben ten allen tijde het regt, eene opgave van de rafactie uit dat register te vorderen, waarvoor den rafactiemeesters 30 Cents wordt vergoed.

Art. 8. Het loon van rafactiemeesters wordt bepaald op 75 Cents voor ieder vat, welk loon door den kooper en verkooper, ieder voor de helft, wordt voldaan.

Bijaldien de tabak bij aanvoer niet verkocht is en toch gerafactioneerd wordt, voldoet de aanvoerder 75 Cents per vat.

Art q. Rafactiemeesters genieten elk een gelijk aandeel in de loonen. Zij rekenen deswege elke drie maanden met elkander af. Zij kunnen een hunner met de boekhouding belasten, tegen eene door hen te bepalen belooning.

Art. 10. Rafactiemeesters zijn op boete van / 10.— ver-pligt om den handelaars met zorg en nauwkeurigheid ten dienste te staan en wanneer hunne hulp gevorderd wordt, die ten spoedigste te verleenen.

37

-ocr page 194-

38 GEMEENTE AMSTERDAM,

Bij het aanvragen om hulp door onderscheidene handelaars te gelijk, verleenen zij hunne diensten volgens de orde van aanvrage, op eene boete van / 5.—.

Zij zijn verpligt, oin, wanneer zij eenmaal begonnen zijn eene partij te rafactioneren, de werkzaamheden daaraan verbonden eerst af te doen, voor zij zich tot het doen van andere rafactiën begeven.

Het is hun verboden hunne diensten door een ander dan een rafactiemeester te laten waarnemen.

Art. 11. Het is den rafactiemeesters op straffe van ontslag verboden, in het vak van tabak zeiven of door tusschenkomst van anderen of gemeenschappelijk met anderen of in commissie handel te drijven, of zich borg te stellen voor handelingen in dat artikel.

Art. 12. Rafactiemeesters, welke zich aan kwade trouw, pligtverzuim of verregaande onachtzaamheid schuldig maken, worden door Burgemeester en Wethouders geschorst of ontslagen, onverminderd hunne aansprakelijkheid volgens het Burgerlijk Wetboek en de toepassing der Strafwet, voor zoover tot dit een of ander grond bestaat.

Art. 13. Deze verordening treedt in werking den isten Januarij 1863.

Met de invoering dezer verordening zijn alle vroegere verordeningen en reglementen op de rafactiemeesters van den tabak afgeschaft.

Overgangsbepaling. De rafactiemeesters, welke bij het invoeren dezer verordening als zoodanig fungeren, blijven in hunne betrekking werkzaam, zonder nadere aanstelling of beëediging.

Op hen is toepasselijk de laatste zinsnede van Art. 1.

Hun zal, ingeval van ontslag, zoolang zij leven, worden uitgekeerd de helft der voordeelen, welke de betrekking van rafactiemeester hun, indien zij daaruit niet ontslagen waren geworden, zoude hebben opgeleverd Die uitkeering zal geschieden door den jongst benoemden rafactiemeester, de twee jongst benoemde, of de drie rafactiemeesters, naar gelang zich één, twee of drie bij de invoering dezer verordening in functie zijnde rafactiemeesters in een der gevallen, bij de laatste zinsnede van art. 1 vermeld, zullen bevinden.

Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, volgens hun bericht van den i8den December 1862, Nn. 5, in afschrift medegedeeld.

-ocr page 195-

gemeente amsterdam,

En is hiervan afkondiging geschied, waar het behoort, den jgsten December 1862.

Amsterdam, den 2gsten December 1862.

Burgemeester en Wethouders voornoemd,

v. VOLLENHOVEN. De Secretaris C. E. VAILLANT.

XIV b. Gemeente Amsterdam.

Verordening van 4 fanunri 1887.

Verordening ter uitvoering van de artt. 690, 703 en 729 j0. 738 van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 1. Waar de toepassing van art. 6yo van het Burgerlijk Wetboek gevorderd wordt, is de hoogte der tot afscheiding dienende afsluitingen bepaald op 2.20 meter boven de gemiddelde oppervlakte van het hoogste erf.

Indien een der belendende eigenaien zijn erf langs de afsluiting verhoogt is hij verplicht de kosten te dragen van de daardoor noodzakelijk geworden verhooging der afsluiting.

Art. 2. Hij, die in de nabijheid van den gemeenen of niet gemeenen muur van een naburig perceel of erf, een put, riool, secreet, oven of eenige andere inrichting, in art. 703 van het Burgerlijk Wetboek genoemd, wil maken, is verplicht eene tusschenruimte te laten van 0.20 meter. Het in strijd hiermede bestaande moet, wanneer Burgemeester het noodig achten, volgens dit voorschrift worden ingericht.

De afscheiding moet geschieden met onbrandbare stoffen, en de tusschenruimte moet, voor zooverre zij onder den be-ganen grond loopt, met zware klei worden aangevuld, en, voor zooverre zij boven den grond is, aan de lucht onbelemmerden doortocht laten. Op kamer- en keukenschoorsteenen is dit voorschrift niet toepasselijk.

Art. 3. Hij, die het recht van waterloop en drop over of door een naburig erf of perceel bezit (art. 729 in verband met art. 738 van het Burgerlijk Wetboek), moet, tenzij bij zijnen titel anders is bepaald, in de opening, door welke het water loopt, ijzeren traliën doen stellen en behoorlijk onderhonden, die niet wijder van elkander zijn dan één centimeter, en daarvóór, aan de zijde vanwaar het water komt, een water-

39

-ocr page 196-

gkmkkntk brielle.

dichten zinkput hebben van ten minste 1.6 M- oppervlakte en ter diepte, door Burgemeester en Wethouders bepaald.

Slotbepaling. Deze verordening treedt in werking den isten Februari 1887.

Amsterdam, den 4den Januari 1887.

De Burgemeester en Wethouders voornoemd, van Tienhoven De Secretaris, le Jolle.

Provincie Z.-Holland.

XV. Gemeente Brielle.

Verordening van iq April 1853.

Verordening, voor de Gemeente Brielle, verschillende onderwerpen van Burgerlijk Recht, betreffende.

De Raad der Gemeente Brielle,

In aanmerking genomen hebbende het belang, dat eenige bijzonderheden, die de algemeene wetgeving van Burgerlijk Recht aan de bepaling van plaatselijke reglementen overlaat geregeld worden; alsmede, dat, ten opzigte van andere, welke, volgens die wetgeving, alleen naar plaatselijk gebruik geregeld worden, bepaald worde, welk dat gebruik in de onderscheidene gevallen is.

Ten aanzien van dat gebruik geraadpleegd hebbende vroegere bepalingen, gebruiken en aanteekeningen, waaruit die usantien blijken, in overeenstemming, zoowel met het gevoelen van hen, die te dezer zake als oordeelkundig kunnen worden aangemerkt, als met eigene ervaring en met datgene, wat bij den raad bekend is, heeft vastgesteld de navolgende verordening:

§ 1 Bepalingen tot Voorziening.

Art. 1. (Art. B. W. 677, 701^ Niemand mag in eenige water-loopen, grachten of slooten, aan deze gemeente of aan particulieren toebehoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering van den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte tot een antler einde, dan waartoe zij, volgens den daaraan gegeven loop, bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad dezer gemeente,

-ocr page 197-

GEMEENTE BRIELLE

wanneer de genoemde wateren aan deze gemeente toebe-hooren, en van de daarop regthebbende, wanneer zij particulier eigendom zijn

Art. 2. (Art. B. W. 690. 2e lid.) Afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn mede eigenaar kan noodzaken, moeten wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande en wanneer zulks door een der medeeigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijs gemaakt of gesteld worden als die, welke reeds vroeger bestond, en ten minste eene hoogte hebben van eene el 75 duimen.

Nieuw aanteleggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straten, pleinen stegen en grachten binnen de kom der gemeente alleen kunnen geschieden door steenen muren ; en tusschen bijzondere eigendommen, niet aan den openbaren weg of straat belendende, met steenen muren of houten heiningen, en zulks, wanneer een der mede- eigenaars dat begeert, terzelfde hoogte als boven is bepaald.

Art. 3. (Art. B. W. 703). Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verpligt den navolgenden afstand van den gemeenen muur te bewaren :

Voor een put, riool of secreet 150 duimen.

Voor een schoorsteen, eene stookplaats of een fornuis (geen bakovens daaronder begrepen) 7 duimen.

Voor een bakoven 50 duimen.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schoorsteenen en stookplaatsen, bij de verordeningen op het stuk van den brand nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke, waar de daarstelling daarvan volgens policieverordeningen niet verboden is en behoudens de bepalingen dier verordeningen, eene el 50 duimen.

Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout of eene verzamelplaats van buitende stoften; of eene bewaarplaats van bloed, of voor het aanleggen van andere schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder ook de zoodanige die uit derzelve aard schadelijk gedierte lokken, zoo als: bergplaatsen van beenderen, huiden, enz., daar waar de

41

-ocr page 198-

GEMEENTE BR1ELLE.

inrigting daarvan niet bij tie wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen verboden is, zal behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrigting bij de wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen vastgesteld, een dubbele muur moeten worden gesteld, met eene tusschenruimte van eene el.

Art, 4. (Art. B. W. 703.) Niemand mag onmiddellijk tegen een gemeene scheidmuur of schutting, of tegen den muur of de schutting van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen dien muur of die scheiding en de aanteleggen goot moet eene steenen rollaag van een staande steen gesteld worden; zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs de muur of de schutting atloope of stilsta. Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen ver-rigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanig scheiding aan-, of op den grond van den eigenaar van het naburige erf aHoope.

Art 5. (Art. B. W. 733.) Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad eene el.

Van eene dreef twee ellen en van een weg vijf ellen.

De voetpaden, dreven en wegen van wege de Gemeente op gemeentegrond aanteleggen, zijn aan de bovenstaande bepaling niet onderworpen.

Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzigt, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, daj daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat de ramen worden afgesloten met digte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen.

De traliën zullen ten hoogste eene palm tusschenruimte de een van de anderen mogen hebben.

Bij het bestaan van een gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop regthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsop- en ondergang gesloten blijve en niet gebruikt worde anders, dan met gemeene toestemming van de regthebbenden.

Voor het ledigen van privaten en het uitdragen van beer zal de toestemming van den mede-regthebbende niet noodig zijn.

42

-ocr page 199-

GEMEENTE BRIELLE. 43

Al tic in dit art. voorkomende bepalingen gelden alleen, voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

§ 2. Bepalingen van Gebruik.

Art. 6. (Art. B. W. 815). De tijd van den hak van willigen kophout, niet met ander hakhout vereenigd staande, is, volgens plaatselijk gebruik, eenmaal om de 5 jaren, en van ander op stoven staand hout, ook wanneer dat met willigen kophout vereenigd staat, voor beide eenmaal om de 7 jaren.

Art. 7. (Artt. B. W. 1614, 1607, 161Ö, 1625). Van huur en verhuur van huizen, gedeelten daarvan en tuinen binnen deze gemeente, voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging, volgens plaatselijk gebruik, drie maanden vóór het eindigen van de huur.

Van de huur voor korteren tijd dan een jaar tot op die voor den tijd van eene week, is de termijn eene maand vóór het eindigen der huur, en van de huur voor eene week, is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.

Art. 8. (Art. B. W. 1619). Volgens plaatselijk gebruik is, behalve de bij de Wet bepaalde geringe dagelijksche repara-tiën, die voor rekening van don huurder komen, ook nog tot diens laste het schoonmaken en het witten van binnenmuren, de reparatiën en het bruikbaar houden van de ijzeren platen voor kagchelpijpen in de schoorsteenen, wanneer die platen door den verhuurder verschaft worden; voorts het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen, benevens het onderhoud van lantaarns, watertonnen, ladders en puthaken.

Art. 9. (Artt. B. W. it)2i, 1622, 1623). De lijd van huur van gestoffeerde kamers, wanneer geene bepalingen van tijd van huur of van zekere som bij het jaar, bij de maand of bij den dag zijn gemaakt, is, volgens plaatselijk gebruik, eene maand.

Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende tuinen, in het evenbedoelde geval, tot den eerstkomende gewonen verhuistijd op den len Mei of den len November.

Art. 10. (Art. B. W. 1653). Het plaatselijk gebruik ten opzigte van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder wiens huur eindigt, het huis nog gedurende drie dagen kan blijven bewonen; doch dat hij verpligt is inmiddels de meubelen en het huisraad te ontruimen, en te gedoogen dat

-ocr page 200-

gemeente alkemade.

de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den nieuwen huurder de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting daarvan afsta, zoodat op den derden dag de vorige huurder over niet meer dan één vertrek, ter zijner keuze, kan beschikken.

Art. ii. (Art. B. W. 1639). De gewone huurtijd van dienstboden is \'voor een termijn van een half jaar; voor hen die in dienst treden, integaan met den 3en van de maanden Februarij Mei en November, en voor hen, die de dienst verlaten, ten eindigen op den len dier maanden.

Aldus vastgesteld te Rrielle, ter openbare Raadsvergadering van den i6en Maart 1853.

DE ROUVILLE, Burgemeester.

C. PLOOSTER, Secretaris.

Gepubliceerd den igen April 1853.

Burgemeester en Wethouders van Brielle,

DE ROUVILLE, Burgemeester.

C. PLOOSTER, Secretaris.

XVI. Gemeente Alkemade.

Verordening van 4 April 1856.

Model tot afgifte der verklaringen in voldoening aan art. 1607 Burgerlijk Wetboek van de in deze Gemeente volgens plaatselijk gebruik of gewoonte bestaande termijn voor de opzegging van huren bij monde en dus zonder geschrifte, volgens art. 1(133 Burg. Wetboek voor een jaar aangegaan.

Wij Burgemeester en Wethouders van Alkemade,

In aanmerking nemende, dat er voor deze Gemeente geene reglementaire bepalingen bestaan omtrent den termijn van opzegging van mondeling aangegane Huren, zoo voor 1 luizen als Landen,

Verklaren:

dat in deze Gemeente de termijn voor de opzegging van mondeling aangegane huren voor een jaar volgens plaatselijke gewoonte of gebruik bestaat:

44

-ocr page 201-

gemeente meerkerk.

Voor huizen of gebouwen in drie maanden of een vierde jaars; terwijl

voor landen of gronden geen bepaalde termijn bekend is, maar de gewoonte en het algemeen gebruik is, dat dezelve zonder opzegging met het einde des huurtijds eindigt, en wel de Wei- en Hooilanden met Kersmis, de Teel-of Bouwlanden met het ontblooten der schoof, en de Tuinlanden 1°. November, en dat, zoo er al eene opzegging plaats vindt, het plaatselijk gebruik of gewoonte daarvoor geen termijn heeft aangegeven, daar zulks op drie, twee of één maand, ja veertien of acht dagen als voldoende wordt erkend.

Alkemade, den

Burgemeester en Wethouders voornoemd, Aldus vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van Alkemade, in deszelfs vergadering van den 4en April 1856.

Geteekend ) j\' w\' s\' Roelges, Voorzitter.

\' R. Los, Secretaris.

Voor afschrift.

De Secretaris der Gemeente Alkemade, J. Hoolboom.

XVII. Gemeente Meerkerk.

Verordening van 24 January 1857.

De Raad der gemeente Meerkerk;

Gehoord liet voorstel van Burgemeester en Wethouders; heeft besloten, met intrekking van het tweede Hoofdstuk der Algemeene Verordening van Politie voor die gemeente van den 24 Januarij 1857, vast te stellen de navolgende verordening:

Verordening tot regeling van hetgeen de Burgerlijke Wetgeving aan bijzondere verordeningen of plaatselijk gebruik overlaat.

Art. 1. (Art. 6go 2de lid B. W.) Afsluitingen dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijnen mede-eigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting strekt ter vervanging van eene reeds bestaan hebbende en wanneer zulks door een der mede-eigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of

45

-ocr page 202-

GEMEENTE MEERKERK.

gesteld worden, als die, welke reeds vroeger bestonden en ten minste eene hoogte hebben van 1,60 meter.

De afsluitingen tusschen bijzondere eigendommen, welke niet strekken ter vervanging van reeds beslaan hebbenden, maar geheel nieuw worden aangelegd, moeten, wanneer een der mede-eigenaars dit begeert, worden gemaakt van houten of rieten heiningen en terzelfder hoogte als boven is bepaald.

Art. 2. (Art. 703 B. W.) Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verpligt den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen muur te bewaren:

Voor een put, riool of secreet.....0.50 meter.

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis o. 10 »

Voor een bakoven..........0,50 »

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke.....0,50 meter.

Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout, eene verzamelplaats van bijtende stoffen, eene bewaarplaats van bloed of andere schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder de zoodanige die uit derzelver aard schadelijk gedierte lokken, zooals bergplaatsen van beenderen en huiden, zal, behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrigting voor te schrijven of voorgeschreven, een dubbele muur moeten worden gesteld, met eene tusschenruimte van 0,25 meter.

Art. 3. (Art. 703 B. W.) Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeenen scheidingsmuur of schutting, of tegen den muur of schutting van een ander gelijkvloers een goot aanleggen.

Tusschen den muur of schutting en de aan te leggen goot moet een steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddelijk langs den muur of schutting afloope of stilsta.

Ook zal tie eigenaar van een naburig erf niets mogen verrichten of stellen waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan of op den grond van den eigenaar van het naburig erf afloopt

Art. 4. (Art. 733 B. W.) Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte van een voetpad één meter.

Van een rijpad of dreef twee meter.

Van een weg vier meter.

Alles voor zooverre de breedte niet bij eenigen titel is bepaald.

46

-ocr page 203-

GEMEENTE MEERKERK.

De voetpaden, dreven en wegen van wege de gemeente np gemeentegrond aan te leggen, zijn aan de bovenstaande bepalingen niet onderworpen,

(Art. 738 B. W.) Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen worden afgesloten, met digte in de kozijnen bevestigde ijzeren traliën.

De traliën zullen ten hoogste 0,10 meter tusschenruimte, de eene van de andere mogen hebben.

Bij het bestaan van eene gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop regthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zons onder- en opgang gesloten blijft, en alsdan niet gebruikt wordt anders dan met gemeene toestemming van de regthebbenden.

Voor het ledigen van secreten en het ontruimen van dezelve zal de toestemming van de mede-regthebbenden niet noodig zijn.

Al de in dit artikel voorkomende bepalingen gelden alleen voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Art. 5. (Art. 813 B. W.) De tijd van hak van wilgen kaphout, niet met ander hakhout vereenigd staande, is volgens plaatselijk gebruik eenmaal 0111 de vier jaren.

De van ander op stoven staand hout, ook wanneer het met wilgenkophout vereenigd staat, voor beiden eenmaal om de vier jaren, en van hoofdstoven op bouwland staande, eenmaal om de drie jaren.

Art. 6. (Art. 1607, 1614 en 1623 B. W.) De termijn van opzegging der huur van huizen of gedeelten daarvan en tuinen binnen deze gemeente, vooreen jaar en langer aangegaan, is volgens plaatselijk gebruik drie maanden vóór het eindigen der huur.

Wanneer de huur is aangegaan voor korteren tijd dan één jaar, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik eene maand vóór het eindigen der huur.

Is de huur aangegaan bij de week, dan is gemelde termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.

De huur van tuinen behoorende bij huizen of deelen van huizen, wier huur op 1 Mei expireert, eindigt volgens plaatselijk gebruik drie maanden vroeger.

47

-ocr page 204-

gemeente aarlandeu veen.

Art, 7. (Art. 1622 B. W.) De tijd van huur van kamers is, wanneer niet blijkt dat de huur voor eene zekere som bij het jaar, bij de maand of bij den dag is aangegaan volgens plaatselijk gebruik ééne maand.

Art. 8. (Art. 1635 B. W.) Het plaatselijk gebruik ten op-zigte van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder wiens huur eindigt, het huis moet verlaten den dag volgende op dien van de expiratie der huur. Indien echter die dag op Zondag invalt, zal de verhuizing op den tweeden dag na het eindigen van den huurtijd plaats hebben.

Art. g. (Art. 1639 B. W.) De gewone huurtijd van dienstboden is volgens plaatselijk gebruik voor een termijn van een jaar, in te gaan met den derden van de maand Mei voor hen die in dienst treden, en te eindigen op den laatsten der maand April voor hen die de dienst verlaten.

Vastgesteld te Meerkerk, ter openbare raadsvergadering van den 14 December 1881.

(get.) FALCK, Burgemeester.

(gel.) F. S. W. GAUT1ER, Secretaris.

Voor eensluitend afschrift, F. S. W. GAUTIER, Secretaris.

XVIII. Gemeente Aarlanderveen.

Verordening van b October 1869.

Bepalingen betreffende het plaatselijk gebruik bij mondelinge Huur en Verhuur (art. 1607 B. W.), zooals dat pleegt begrepen te worden binnen de Gemeente Aarlanderveen, en door den Gemeenteraad als zoodanig bij besluit van den Gemeenteraad van 6 October 1869 geresumeerd.

Art, 1. De mondelinge huur van huizen, woningen en gebouwen met hunne erven wordt geacht te zijn aangegaan voor een jaar, vervallende den isten Mei, des middags om 12 uren. Die van gedeelten van huizen en gebouwen, voor zes maanden aangegaan, vervallen den isten Mei of den isten November op gezegd uur.

Art. 2. De huur van huizen of gedeelten daarvan, zonder geschrift aangegaan, om de drie maanden, de maand of

48

-ocr page 205-

gemeente \'s-gravenhage.

per week betaald wordende, wordt gehouden voor drie maanden, één maand of één week te zijn gesloten.

Art. 3. De tuinen bij de huizen en woningen behoorende kunnen den isten Februari, aan den vervaltijd der huur van huizen en gebouwen voorafgaande, door den eigenaar of den nieuwen huurder in. gebruik worden genomen.

Art. 4. De vervaltijd der huur van boerenhofsteden en de daarbij behoorende landerijen is, wat de bouwlanden betreft, bij het ontblocten van de schoof, of uiterlijk den i5den September; betrekkelijk de wei- en hooilanden den 2 5en December, en ten aanzien van de gebouwen en hunne erven den len Mei daaraanvolgende.

Art. 5. De opzegging van huur moet geschieden: van huizen, gebouwen en bijbehoorende erven, vier maanden vóór den vervaltijd; van gedeelten van huizen en gebouwen, zooveel maanden, weken of dagen te voren, als waarvoor de huur is aangegaan.

Art. 6. De huur van boerenhofsteden en de daarbij behoorende landerijen, moet worden opgezegd één jaar vóór den vervaltijd van het bouwland en van het wei- en hooiland.

De opzegging van huur van landerijen zonder gebouwen geschiedt mede één jaar vóór den vervaltijd.

Deugdelijk verklaard, De Gemeente-Secretaris van Aarlanderveen, A. A. Lechner.

XVIII. Gemeente \'s-Gravenhage, a. Verordening van 7 December 1859, De Burgemeester en Wethouders van \'s-Gravenhage,

Doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente in zijne Vergadering van den Jen December 1850 is vastgesteld de volgende

Verordening, regelende eenige onderwerpen van Burgerlijk Regt voor de Gemeente \'s-Gravenhage.

Art. 1. De bij art. bqo B. W. bedoelde afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, moeten, wanneer die dienen tot vervanging van reeds

49

-ocr page 206-

GEMEENTE \'S-GRAVENHAGE,

aanwezige, gemaakt worden op dezelfde wijze en op dezelfde rooiing als de bestaande.

Nieuw daar te stellen afsluitingen moeten, wanneer de eigenaars der belendende perceelen het daaromtrent niet eens kunnen worden, bestaan in houten schuttingen, eene hoogte hebbende van minstens 2.10 el boven het hoogste erf.

Ieder eigenaar, die zijn erf doet verhoogen, is verpligt den scheidingsmuur of de schutting, hetzij gemeen of eigen zoodanig te versterken, dat de afscheiding daartegen volkomen bestand zij, alsmede die te verhoogen tot 2.10 el boven den verhoogden grond, alles ten zijnen koste.

Art. 2. Als tusschenruimte, bij art. 703 B. W, bedoeld, wordt vastgesteld:

a. Voor secreten, putten, regenbakken, riolen, mestputten, zoutbakken, verzamelplaatsen van bijtende stollen of inrig-tingen, waaruit bederf, vochtigheid of andere ongemakken voor het eigendom van den belenden gebuur kunnen ontstaan, moet die tusschenruimte of afstand van den eigen of ge-meenen muur zijn 70 duimen, gemeten tusschen den buitenkant der muren.

Bij onmogelijkheid om aan vorenstaande bepalingen te voldoen, zijn Burgermeester en Wethouders bevoegd, na overleg met de Commissie van toezigt op het bouwen, onder zoodanige bepalingen als zij noodig achten, een andere tusschenruimte te bepalen.

h. Gewone kamerschoorsteenen met derzelver rookkanalen, mogen niet worden geplaatst tegen een eigen of genieenen muur, tenzij dezelve een halven steen worden achtermetseld: c. Vuurplaatsen voor ovens, fornuizen enz. tot uitoefening van eenig bedrijf benoodigd mogen niet worden gesteld dan op een afstand van minstens duim van eenen gemeenen en 12 duim van eenen eigen muur.

(I. Vuurplaatsen voor stoomketels of andere fabriekswerktuigen moeten op zoodanige wijze als voor ieder afzonderlijk geval, na overleg met de Commissie van toezigt op het bouwen, door Burgemeester en Wethouders wordt gelast.

c. Alle vuurplaatsen, kamerschoorsteenen uitgezonderd, moeten op den beganen grond worden gemaakt, tenzij in bijzondere gevallen, na overleg met de Commissie van toezigt op het bouwen, door Burgemeester en Wethouders anders wordt bepaald.

-ocr page 207-

GEMEENTE S-GRAVENHAGE.

Art. 3. Het is geoorloofd hoog opschietende boomen of heggen te planten op korteren afstand, dan in art. 713 B. W. is bepaald behoudens de verpiigtingen van den eigenaar der boomen of heggen om op vordering van den nabuur, zoodanige veranderingen te maken als de Commissie van toezigt op het bouwen, ter voorkoming van nadeelen voor het naburig erf, noodig oordeelt.

Art. 4. De bij art. 733 B. W. bedoelde breedte van voetpad, dreef of weg wordt, indien die niet bij den titel is bepaald, vastgesteld als volgt:

a. die van het voetpad en de dreef op eene breedte van 1.20 el. h. die van den weg op eene breedte van 3.50 el.

Aldus vastgesteld in de openbare Raadsvergadering van den 7 Dec. 1859.

(w. g.) S. G. A. GEVERS DEYNOOT, Vooizitter.

P. WINTGENS, Secretaris.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, heden den 14 Dec. 1859.

S. G. A. GEVERS DEYNOOT. Voorzitter.

P. WINTGENS, Secretaris.

b. Verordening van 14 April 1874.

De Burgemeesters en Wethouders van \'s Gravenhage doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente in zijne vergadering van den 14 April 1874 is vastgesteld de volgende

Verordening houdende Wijziging der Verordening regelende eenige onderwerpen van burgerlijk regt voor de Gemeente \'s Gravenhage van 7 Dec. 1859 (Verzameling No. 166).

Eenig Artikel. Daar waar in de Verordening, regelende eenige onderwerpen van burgerlijk regt voor de Gemeente \'s Gravenhage, sprake is van de Commissie van toezigt op het bouwen, wordt voortaan gelezen : de Inspecteur der Bouw-politie of zijn Adjunct.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, heden den 17 April 1874.

S. G. A. GEVERS DEYNOOT, Voorzitter.

P. WINTGENS, Secretaris.

51

-ocr page 208-

gemeente \'s-gravenhage.

c. Beraadslagingen over de Verordening van 1859.

Nadat op 15 Nov. 1859 geopeiul waren de beraadslagingen voor de gewijzigde Algemeene Politieverordening, welke op 7 December d. a. v. tot eene definitive aanneming leidden, werd dienzelfden dag de beraadslaging begonnen en geëindigd, omtrent de Verordening regelende eenige onderwerpen van burgerlijk regt.

De voordracht bestond uit 7 artikelen t.w. de in bovenstaande verordening opgenomen art. i, 2, 4 benevens 4 artikelen, welke verworpen werden.

Aan de beraadslagingen, die wij, zij het ook weinig, bekorten, ontleenen wij het volgende:

I. In art. 1 al. 2 was het voorschrift van steenen muren opgenomen.

De Heer De Charro stelt voor; »om inde 2e al. in plaats van steenen muren te lezen houten schuttingen. De meeste afsluitingen van tuinen geschieden toch op die wijze in deze stad. Het zou zeer kostbaar zijn te bepalen, dat men bij verschil genoodzaakt zou zijn steenen muren daar te stellen. Ik geloof dat houten schuttingen even voldoende zijn. Het is niet noodig het kostbaarste te nemenquot;.

.... »Het komt mij voor, dat de meeste kwestiën over die soort van afsluitingen juist daarin bestaan, of men zal hebben houten of steenen afsluitingen. Nu kan het gebeuren, dat mijn buurman plannen in de toekomst heeft, waarvoor hem een steenen muur zeer dienstig is. Daardoor zou ik dan ook genoodzaakt zijn tot die kostbare afsluiting mede te werkenquot;.

De Heer Soury: »Ik ondersteun dit amendement. Ik geloof dat de bepaling van heiningen geheel in den geest is van art. 691 B. W. Het principe is dus: wanneer ik een muur wil zetten in plaats van eene heining, dan moet ik dit geheel bekostigen; en nu wordt voorgesteld, de afsluiting ten koste van heide buren te doen plaats hebben.quot;

De Heer Kappevne v. ij. Coppello: »Ik ondersteun mede het amendement van den Heer De Charro. Ten eerste, omdat ik het volkomen met dien heer eens ben, dat er geen ander verschil kan bestaan dan over de wijze van afsluiting, en als nu de Verordening daaromtrent eene bepaling bevat, dan is aan alle geschillen een einde gemaakt, zoowel wanneer zij beslist ten voordeele eener houten heining, als wanneer zij beslist ten voordeele van een steenen muur zij. Voorts kan

52

-ocr page 209-

GEMEENTE \'s-GRAVENHAGE.

de bepaling alleen strekken om verschillen te voorkomen nopens de afsluiting van tuinen, daar voor de scheidingsmuren tusschen huizen reeds voorzien is in de Politie-Verordening. Wil nu een der naburen een steenen muur stellen, dan kan hij aan zijn verlangen voldoen door gebruik te maken, gelijk de Heer De Soury te recht heeft opgemerkt, van de bepalingen van art 691 B. W. En met het oog op de bouwplannen, die spoedig in behandeling zullen kunnen komen, is de zaak der erfscheiding ook voor de gemeente van belang. Bij die plannen wordt voorgesteld verschillende slooten te dempen en wordt daartoe besloten, dan zal daarvan het gevolg zijn, dat door de eigenaars nieuwe afsluitingen zullen moeten worden gemaakt. Wanneer men nu begint met die afsluitingen duur te maken, dan zullen de bezwaren nog grooter zijn. Wil men dus bevorderen de demping van slooten, dan is \'t ook verstandig thans de minst kostbare wijze van afsluiting te bepalen.quot;

Met deze wijziging werd het art. aangenomen met 27 tegen 4 stemmen. In het oorspronkelijk art. had nog gestaan in al. 3 »scheidingsmuur of heiningquot;, hetgeen zonder discussie in ■«scheidingsmuur of houten schuttingquot; werd omgezet.

II. Art 2 lokte in het geheel geene beraadslaging uit en werd dus algemeen goedgekeurd.

III. Het tegenwoordige art. 4 gaf aanleiding tot de volgende discussie:

De Heer De Pinto: »Ik geloof dat dit art. onnoodig is en wel daarom, omdat men in eene plaatselijke Verordening niet verder moet gaan, dan absoluut noodzakelijk is. Art. 733 regelt het recht van erfdienstbaarheid van voet en rijpaden of dreef, die alleen bij titel kan worden gevestigd. Die titel kan de breedte van het pad bepalen. Ik acht hel nu niet noodig dit bij plaatselijke Verordening te doenquot;.

De heer v. d. Burgh. »De bepaling nogens de breedte is in de Verordening opgenomen op aandrang van de Commissie, belast met het toezigt op het bouwen, om daardoor, wanneer die breedte bij den titel is bepaald, quaestien af te snijden en te voorkomen. Als reden voor de aangegeven breedte, is door de commissie van toezigt op het bouwen aangegeven, dat de gestelde breedte van voetpad en dreef noodig was om bij begrafenissen behoorlijk te kunnen pas-seeren en die van den weg om met hooiwagens daaruit te kunnen rijden.quot;

53

-ocr page 210-

gemeente \'s-gravenhage.

Dit art. werd met 29 tegen 2 stemmen (de heeren de Pinto en v. d. Heim) goedgekeurd.

IV. Het tegenwoordige art. 3 was het gevolg van een amendement van den heer Kappevne v. d. Coppello, en werd toegelicht met het volgende: »Ik geloof niet, dat er in deze gemeente vaste, erkende gebruiken te dien opzichte bestaan en juist kunnen uit het hebben van boomen in kleinere tuinen tus-schen naburen onaangename geschillen en plagerijen ontstaan.

De heer v. lx Burgh; »Dat art. 713 is niet vergeten. Maar de Commissie voor het bouwen heeft gezegd geen behoorlijken afstand te kunnen aangeven en ook geene bestaande gebruiken te weten. Daarom was het voor de Commissie moeijelijk, ja, onmogelijk den afstand te bepalen.quot; Hij zelf had er geen bezwaar in, de Commissie nam het over en het werd ook aangenomen met 23 tegen 8 stemmen, onder welke zich de heeren de Pinïo, Evssell en Sourv bevonden, welke op de volgende wijze hunnen bezwaren ontwikkelen.

De heer de Pinto: »Ik heb jiiets tegen de zaak, maar ik moet toch eene bedenking maken. Ik betwijfel namelijk, of daaromtrent wel eene bepaling kan gemaakt worden in deze Plaatselijke Verordening. Art. 713 toch spreekt van «tegenwoordig bestaande bijzondere reglementen.quot; De vraag is dus of bij de invoering van het B. W. eene dergelijke Verordening bestond. Ik weet niet of een latere Plaatselijke Verordening dit onderwerp wel kan regelen.quot;

De heer Eyssell : »Ik betwijfel ook de noodzakelijkheid dezer bepaling. Daargelaten het argument van den heer de Pinto, waarover veel te zeggen valt, zie ik in art. 713, dat ile wet zelve den afstand bepaalt, voor het geval van ontstentenis van reglementen of gebruiken. De zaak is dan geregeld, ook al onthoudt de Gemeenteraad zich van alle bepalingen.quot;

De heer Soury ; »Ik zal niet herhalen de argumenten van de heeren de Pinto en Eyssell: ik kan mij daarmede volkomen vereenigen. Wij hebben van den President der Commissie gehoord, dat aan de bouwcommissie geene gebruiken of reglementen bekend zijn. Welnu, dan voorziet daarin art. 713. Ik acht dus eene bepaling hier onnoodig.quot;

De heer Kappevne: »Juist om de reden door den heer Sourv aangegeven is deze bepaling wel noodig. Als het art. van het B. W. geldt, dan zal de afstand niet minder mogen

.54

-ocr page 211-

gemeente \'s-gravenhage.

bedragen clan twee ellen. Dit geldt dus voor al de vier zijden waar men een nabuur heeft. Zoo nu op een korteren afstand geplant wordt, dan heeft de nabuur het regt om te vorderen, dat die boomen ot heggen worden uitgeroeid. Ik geloof dus, dat het wel noodig is deze bepaling te maken. En wat het argument van den heer de Pinto betreft, dat het art. spreekt van: »tegenwoordig bestaande bijzondere reglementenquot; geloof ik dat dit niet zoo zeer slaat op die reglementen, die bestonden hij de invoering van het B. W., maar wel op die welke bestaan op het oogenblik, dat er geschil over den afstand wordt gevoerd.quot;

V. Van nog meer bebng zijn de discussiën over het als art. 4 voorgestelde, aldus luidende:

»Als plaatselijk gebruik voor den termijn van opzegging van huur van huizen, gedeelten daarvan en tuinen zonder opschrift aangegaan, wordt vastgesteld: a. Indien de huur voor een jaar of langer is gesloten, een termijn van 4 maanden. /gt;. Indien de huur voor minder dan een jaar doch voor langer dan een week is aangegaan, een termijn van een maand. r. Indien met de week is verhuurd, een termijn van acht dagen. Dezelfde termijnen van opzegging gelden in de gevallen voorzien bij de artt. 1614, 1616, en 1623 B. W.

De heer Polak Daniels: gt;gt;Ik geloof dat de Commissie, van welke dat ontwerp is uitgegaan, door het concipieeren der vier laatste artikelen (4-—7) is getreden buiten den kring, waarin het onderwerp, dat zij regelen wilde, is besloten, en dat de Raad als wetgever zoude optreden omtrent zaken, die bij geen der collegies, welker bevoegdheid wetgevend is, geregeld kuuucn worden. Deze Verordening moet regelen al hetgeen, waarmee in het B. W. naar de Plaatselijke Verordeningen op het gebruik wordt verwezen; deze althans is de bedoeling der voordracht. Daarom kan de Raad te recht zijne goedkeuring geven aan de artt. 1, 2, en 3 en aan het amendement van den heer Kappeyne. Immers wordt in art. 690 al. 2 B. W. gesproken van bijzondere Verordeningen en plaatselijke gebruiken\', in art. 703 van bijzondere Verordeningen en gebruiken; in art. 713 Tan reglementen en vaste en erkende gebruiken en in art. 733 wederom van bijzondere Verordeningen en plaatselijke gebruiken. Met deze wetsbepaling kan de Gemeentewetgever voorondersteld zijn met zijne bepalingen het Burgerlijk Recht te kunnen aanvullen. Niet alzoo is art. 1607, bij art. 4 der voor-

55

-ocr page 212-

UEMEKNTE \'s-GRAVENHAGE.

dracht bedoeld en zijn artt. 1614, 161Ó, 1619 en 1623 daarbij uitdrukkelijk aangegeven: daar spreekt de wet niet van reglementen of bijzondere verordeningen maar alleen van plaatselijke gebruiken, en daarom geloof ik dat het niet tot de attributen van dezen Raad behoort hieromtrent verordeningen te maken. Eigenlijk gezegd, kan men toch ook de plaatselijke gebruiken, de gewoonte niet codificeren, want hetgeen in het recht onder de uitdrukking gewoonte of gebruik is begrepen, is niet anders dan eene aaneenschakeling van feiten door de burgers op den duur bij onderlingen convenientie aangenomen. Nu moge de burgerlijke rechter aan die gewoonten of gebruiken rechtskracht toekennen, gelijk hij volgens het geschreven recht zelfs verplicht is, maar daaruit volgt nog niet dat de gewoonten of de gebruiken zelve in den vorm eener wet kunnen worden vastgesteld. Maar wat meer is : welk gevolg stelt men zich wel voor van deze soort van codificatie ? Het doel geschillen te voorkomen: dit behoort tot de pia vota en omtrent burgerlijke handelingen is zulks onze roeping niet. Denkt men dat de rechter deze bepalingen zal toepassen? Ik meen dit ernstig te mogen betwijfelen. Als toch de rechter de gewoonte of het plaatselijk gebruik bijv. zal moeten toepassen, dan is hem dit gebruik bekend of onbekend. In \'t eerste geval is onze verordening overtollig; in \'t laatste geval zal hij onze verordening niet raadplegen: hij zal bij tegenspraak van de gewoonte getuigen hooren of andere rechtsmiddelen te baat nemen, om de gewoonte of het gebruik te constateeren. Ik geloof bij gissing te kunnen opmaken, dat de Commissie de onderwerpen, bij de eerste artikelen behandeld, van gelijken aard heeft geoordeeld als die, over welke wij nu beraadslagen, en dit is het geval niet. Mocht men mij tegenwerpen, dat de bepaling niet schaadt, ik antwoord reeds vooraf, dat het maken eener Verordening, waarvan wij a priori moeten zeggen, dat de rechter daaraan niet gebonden is, schaadt in zooverre, dat deze Raad iets gedaan zal hebben wat geen rechtskracht heeft. Ik stel op deze gronden aan de vergadering voor dit en de drie volgende artikelen niet aan te nemen.quot;

De heer Vaillant: ».... In de 2e plaats ben ik zoo vrij te vragen wat aan de Commissie aanleiding heeft gegeven om in lett. b. den termijn te bepalen op een maand ? Het geval kan zich toch voordoen en is mij niet onbekend, van i4daagsche huur of van drie weken, en dan is de termijn van opzegging van een maand te lang.quot;

56

-ocr page 213-

gemeente \'s-üravenhage.

De heer v. d. Bukgh : »Wat betreft de opmerking van den heer Polak Daniels moet ik antwoorden, dat het om verschillende redenen der Commissie wenschelijk is voorge-gekomen, dat worde vastgesteld wat hier bij opzegging van huur gebruik is, ten einde iedereen met het bestaande gebruik bekend te maken. En wat betreftde vraag van denheer Vaillant moet ik antwoorden, dat mij geene huur van 14 dagen of 3 weken bekend is. Eene uitzondering is mogelijk, maar ik ken ze niet en deze kan zeer zeker het gebruik niet regelen.quot;

De heer De Pinto: »Ik geloof dut deze bepaling een zeer nuttige strekking heeft. Ik geef toe aan den heer Polak Daniels : dat men het plaatselijk gebruik niet kan codiliceeren maar men kan wel het bestaande gebruik in geschrift brengen. Ik zie niet in de bepaling, dat zij dienen moet om het gebruik te codificeeren, maar als ik het wel begrepen heb, strekt zij om te constateeren het feit, dat op dit oogenblik het gebruik in den Haag zóó is. Ik zie dus geen bezwaar die bepaling aan te nemen. Ik geloof dat zij noodig is, om daardoor aan de bestaande onzekerheid een einde te maken. Ik ontken nu niet, dat men daardoor niet alle processen zal hebben afgesneden; ik wil niemand de liefhebberij betwisten om als hij daartoe lust gevoelt hierover te procedeeren, maar ik geloof toch, dat, wanneer schriftelijk geconstateerd wordt wat hier gebruik is, men dan aan het publiek eene groote dienst bewijst en vele processen over nietigheden zal voorkomen. Ik ben dus zeer geneigd het artikel aan te nemen. Alleen moet ik opmerken, dat de redactie van art. 4, zooals die daar staat, wel eenigen schijn heeft, alsof men doen wil wat de heer Polak Daniels vreest. Ik zou het daarom beter achten te lezen; »als plaatselijk gebruik .... geldt,quot; of zoo iets.

De heer v. d. Burgh : »De Commissie neemt deze wijziging over.quot;

De heer Polak Daniels : »In het eerste gedeelte dezer zitting heeft men sterk afgekeurd den terugkeer tot den ouden tijd: maar — ik aarzel het niet te verklaren, — als wij deze bepalingen aannemen zullen wij al een zeer groote sprong tot dien ouden tijd doen en ons misschien nog terugplaatsen tot die tijden, waarop de plaatselijke besturen vele burgerlijke rechten regelden, zooals bijv. tusschen den heer en de dienstboden en meer dergelijke. Nu wil ik niet beslissen wal in \'t algemeen eene Gemeente-Verordening moet bevatten, wat

57

-ocr page 214-

gemeente \'s-gravenhage.

niet. Deze beslissing laat ik gaarne aan meer ervarenen over: maar zooveel is zeker de wet moet gebieden, verbieden of met straf bedreigen. Dit is waar van alle wetten, hetzij aan den Rijkswetgever of aan den Raad in den vorm eener Verordening de regeling van het onderwerp is opgedragen. Eene wet, die alleen constateert of liever beschrijft, is niet denkbaar, maar zeker niet daar, waar juist de rechter aan de gewoonte, niet aan het geschreven recht is gebonden. Ik blijf beweren, dat de rechter het gebruik of de gewoonte in het geding zelf, niet uit uwe Verordeningen zal onderzoeken. Bovendien wij kunnen voor het vervolg het gebruik niet gebiedend vast stellen; daarom zijn de burgers vrij in hunne handelingen en wat zou het ook baten? Jaarlijks kunnende gewoonten veranderen, en zouden wij dan jaarlijks deze Verordening moeten herzien en telkens opnieuw de nieuwe gebruiken beschrijven? Dit strijdt tegen het begrip onzer wetgevende bevoegdheid.quot;

De heer v. d. Heim : »Ik ben het volkomen eens met den heer Polak Daniels. Alleen geloof ik, dat eene jaarlijksche herziening niet noodig zal zijn, maar dat men den rechter zal moeten verzoeken, kennis te geven, wanneer en zoo dikwijls volgens hem het plaatselijk gebruik anders is dan hier wordt vastgesteld om dan de Verordening te kunnen wijzigen. Zoo iets is echter onmogelijk en bewijst, dat deze art niet kunnen worden vastgesteld. Ook kunnen zij niet dienen om processen te vermijden. De rechter zal zich aan onze definitie niet storen en d\'- artt. zullen dus hoogstens de ingezetenen op een dwaalspoor brengen.quot;

De heer Evssell : ^Ik deel in de bezwaren van de Heeren Polak Daniels en van der Heim. De verandering in de redactie door den heer De Pinto voorgesteld doet niets af, want al neemt men het woord: »geldtquot; in plaats van de woorden : »wordt vastgesteldquot;, de bedoeling kan toch niet anders zijn, dan dat de Gemeente-raad het gebod uitvaardige: »zoo zal het plaatselijk gebruik wezen: Dat gebod gaat onze bevoegdheid te buiten. Ik zie in de Gemeentewet geen enkele bepaling, waarin het recht wordt toegekend om bepalingen te maken, hoedanig de usantie zal wezen, in eenige zaak van Burgerlijk Recht. Wij hebben het recht Verordening omtrent onderwerpen van Burgerlijk Recht te maken niet anders, dan voorzoover het ons uitdrukkelijk is toegekend, en dit

58

-ocr page 215-

gemeente \'s-gravenhage.

is het geval niet omtrent het contract van huur en verhuur.quot;

De heer De Pinïo: »De Heeren zeggen wel dat ingeval van verschil de rechter deze bepaling niet kan toepassen, maar die thesis is gemakkelijk te stellen doch nog niet bewezen. Integendeel. Wanneer beschreven is in een Plaatselijke Verordening wat gebruik is en er wordt niet aangetoond, dat er een ander recht bestaat, clan zal de rechter deze bepaling wel volgen. Zooveel is zeker, dat deze kwestie voor zoover mij bekend is, nog nooit is geopperd. Maar in die onzekerheid of de een of andere rechter misschien zal zeggen, dat hij deze bepaling niet toepast, zie ik geen reden om de bepaling niet in de Verordening te brengen.quot;

De heer Soury: »Er bestaat naar mijn inzien niet het minste bezwaar om een plaatselijk gebruik in geschrift te brengen. Wat geschiedt toch in den regel bij geschillen over plaatselijk gebruik? dat men requireert tot auteurs; men gaat niot over tot een getuigenverhoor maar gaat opsporen, wat de geschiedenis leert. Ik zie er dus niet het minste bezwaar in dat de Raad dat gebruik omschrijve. Integendeel. Wij hebben niet altijd te doen met menschen, die onze gebruiken kennen, maar voor vreemdelingen is het nuttig te weten, wat hier gebruik is. Ik herhaal dus, er bestaat niet het minste bezwaar om het gewoonterecht in schrift te brengen. Trouwens onze bevoegdheid daaromtrent ligt in de ceconoinie onzer wetgeving. De algemeene wetgever regelt de algemeene belangen, de provinciale die van het gewest, en de Gemeente-wetgever die zijner eigen huishouding, voor zoover do beide andere machten daarin niet hebben voorzien. Wanneer nu de algemeene Wetgever met opzet sommige punten, van plaatselijke omstandigheden afhankelijk, niet heeft willen regelen, maar verwijst naar Verordeningen of plaatselijk gebruik, dan heeft hij d(gt; regeling ook aan den plaatselijken Wetgever overgelaten en deze kan dus ook uitmaken wat het gebruik is, ja hij kan, als het gebruik niet goed is, dit veranderen, zelfs zeggen hoe het behoort te wezen, in één woord, hij maakt uit, wat in zijne huishouding noodig is, Die macht is hem gelaten. Hij zorge slechts met de algemeene regelen niet in strijd te komen.quot;

De heer Kappeyne; »Ik verschil in gevoelen met de Heeren De Pinto en Sourv. Geven wij toch eene bloote bepaling, wat hier plaatselijk gebruik is, dan treedt ieder lid van den Raad eigenlijk op als getuige, als deskundige. En als ik zoo-

59

-ocr page 216-

gemeente \'s-gravenhage.

danig getuigenis zou moeten afleggen, dan zou ik wat hier staat niet kunnen verklaren, omdat ik meen, dat het gebruik ook medebrengt een opzeggingstermijn van drie maanden. Ik ben hot insgelijks eens met den Heer Vaillant, dat een termijn van eene maand voor eene huur van 14 dagen te lang is. En wanneer men het plaatselijk gebruik wil regelen, dan moet men dit overal doen, waar het B. W er naar verwijst. Waarom heeft men dan ook niet omschreven het plaatselijk gebruik bedoeld bij art. 1547 B. W.? Ik geloof dus dat het beter is, eenvoudig aan den rechter over te laten om te onderzoeken wat hier plaatselijk gebruik isquot;.

Art. 5 is daarna verworpen met 16 tegen 14 stemmen.

Onder de voorstemmers behoorden de Heeren De Pinto v. d. Burgh, en Soury. Onder de tegenstemmers Polak Daniels, v. d. Heim, Eyssell en Kappeyne.

Art. 5, 6 en 7 werden ingetrokken.

Bedoelde artikelen 5, 6 en 7 luidden, blijkens een door den Heer Burgemeester verstrekte inlichting, aldus;

Art. 5. De huur aangegaan zonder bepaling van tijd of betaling van den huurprijs bij het jaar, de maand, de week of dsn dag wordt naar plaatselijk gebruik geacht te zijn gesloten :

a. voor een jaar, indien het geldt geheele huizen, boven- of benedenhuizen en mitsdien ook meubelen om die te stoifeeren.

b. voor eene maand indien het geldt gestoffeerde kamers, en mitsdien ook meubelen om laatstgenoemde te stoffeeren.

Art. 6. In het geval, bedoeld bij art. 1623 B. W., wordt de huurder naar plaatselijk gebruik geacht op nieuw te hebben gehuurd:

a. voor een jaar, indien de schriftelijke huurovereenkomst voor een jaar of langer was aangegaan.

h. indien de schriftelijke huurovereenkomst voor minder dan een jaar was aangegaan, wordt de nieuwe huur geacht over gelijk tijdvak te loopen als bij de overeenkomst is bepaald.

Art. 7. De bij art. 1619 B. W. vermelde reparatiën, bij gebreke van overeenkomst voor rekening der huurders komende, zijn, behalve de daartoe vermelde, naar plaatselijk gebruik, het witten van plafonds en gangen.

6o

-ocr page 217-

gemeente voorburg. —

XIX. Gemeente Voorhurg.

Verordening vati 28 April 1866.

Verordening van 28 April 1866 houdende bepalingen tot regeling van en voorziening in eenige bijzonderheden, welke de algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Deze verordening — medegedeeld aan Gedeputeerde Staten en behoorlijk afgekondigd — behelst slechts vier artikelen. Het eerste eischt kennisgeving van den voorgenomen bouw of het verbouwen van huizen aan B. en VV,

Het 2e luidt aldus:

Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan deze Gemeente toebehoorende, eenige verandering aan den waterloop brengen, of die wateren te zijnen nutte tot een ander einde, clan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad dezer Gemeente.

Art. 3. Nieuwe afsluitingen langs straten, stegen, pleinen of grachten in de kom der Gemeente mogen niet anders worden daargesteld dan door middel van steenen muren of hekken.

Art. 4. Behelst de strafbepaling.

Art. 176 van de Algemeene Policie-Verordening van 13 April 1888 heeft alle vroegere strafverordeningen afgeschaft.

Is deze daaronder te brengen ?

XX. Gemeente Delft.

Verordening van 17 Februari [871.

De Burgemeester en Wethouders van Delft doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 17 Februarij 1871, is vastgesteld de volgende

Verordening, regelende de verpligtingen tus-schen naburen, voor zoo verre daarin door het Burgerlijk Wetboek niet is voorzien.

A.it. i. Voor alle putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fornuizen of andere stookplaatsen, die gemaakt zullen

gemeente delft.

-ocr page 218-

gemeente charlois.

worden in de nabijheid van gemecne of niet gemeene muren en waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel voor belendende geburen of eigendommen zoude kunnen ontstaan, wordt de afstand bepaald op zeven decimeter, gemeten uit den bovenkant der voorschrevene muren.

Art. 2. Het is bij vernieuwing of herstelling van muren of heiningen, dienende ter scheiding van huizen, open plaatsen en tuinen, aan de belanghebbenden vrijgelaten te bepalen, hoedanig de afsluiting zal plaats hebben.

Bij verschil van gevoelen zal de afscheiding bestaan in een gemetselden muur.

De afsluitingen moeten hebben eene hoogte van twee meters en twee decimeters boven de oppervlakte van het hoogste erf.

Aldus vastgesteld door den raad der gemeente Delft, in openbare vergadering van den 17 Februarij 1871.

De Secretaris, De Burgemeester,

VAN DER COLFF. VAN KUYK.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, den 8 Maart 1871.

De Secretaris, De Burgemeester,

VAN DER COLFF. VAN KUYK.

XXI. Gemeente Charlois.

Verordening van 28 Augustus 1874.

De Burgemeester en Wethouders vah Charlois doen te weten:

dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 28sten Augustus 1874, is vastgesteld de navolgende Verordening:

Verordening, op het aanleggen van werken, tegen gemeene of niet gemeene afscheidingen.

Art. 1. Ieder die, in de nabijheid van eenen gemeenen of niet gemeenen muur, een der navolgende werken wil daar-stellen, is verpligt den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen muur te bewaren.

Voor een put, riool of secreet, 0.50 Meter;

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis (geen bakovens daaronder begrepen) o. 10 Meter;

Voor een bakoven, 0.50 Meter.

02

-ocr page 219-

GEMEENTE CHARLOIS.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schoorstcenen en stookplaatsen, bij de Verordeningen op het stuk van den brand nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke, waarvan de daarstelling, volgens Politie-Verordeningen, niet verboden is en behoudens de bepalingen dier Verordeningen, 0.50 Meter.

Voor bergplaatsen van beenderen, huiden, enz. daar waar de inrigting daarvan niet bij maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke Verordening verboden is, 0.50 Meter.

Art. 2. Niemand mag onmiddellijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting of tegen den muur of schutting van een ander, gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen den muur of scheiding en de aan te leggen goot moet eene steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden, zoodanig dat hel water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs den muur of de schutting afloope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen ver-rigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan of op den grond van den eigenaar van het naburig erf afloopt.

Art. 3. De overtreding van eene cier bepalingen dezer Verordening, zal worden gestraft met eene geldboete van drie tot zes gulden.

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland volgens hun berigt van den 8/11 September 1874, B No. 2552, (iste Afd.) G. S. No. 14, in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschiedt waar het behoort, den 20sten September 1874.

De Burgemeester,

Mr. H. M. BARENDREGT.

De Secretaris, W. NUGTEREN Gz.

63

-ocr page 220-

64

XXII. Gemeente Ai.phen.

Verordening van 17 Maart 1875.

De Raad der gemeente Alphen.

Gelet op art. (607 van het Burgerlijk Wetboek.

Brengt ter openbare kennis, dat het plaatselijk gebruik bij mondelinge verhuringen van huizen en landen, zooals dat tot heden algemeen begrepen wordt, is als volgt:

Art. 1, De mondelinge huur van huizen, woningen en gebouwen met hunne erven in deze gemeente, wordt geacht te zijn aangegaan voor een jaar, vervallende den isten Mei des middags te 12 uren.

Die van gedeelten van huizen en gebouwen voor zes maanden, vervallende den isten Mei of November op gezegd uur.

Art. 2. De huur van huizen en gebouwen of gedeelten daarvan, zonder geschrift aangegaan, om de drie maanden; de per maand of per week betaald wordende, wordt gehouden voor drie maanden, eene maand of week te zijn gesloten.

A.rt. 3. De tuinen, bij de huizen en woningen behoorende, kunnen den isten Februari, aan den vervaltijd van huizen en gebouwen voorafgaande, door den eigenaar of den nieuwen huurder in gebruik worden genomen.

Art. 4. De vervaltijd van huur en verhuur van boerenhofsteden en de daarbij behoorende landerijen is, wat de bouwlanden betreft, bij het ontblooten van de schoof of uiterlijk den 15 September, — betrekkelijk de wei- en hooilanden den 25 December en ten aanzien van de gebouwen en hunne erven den 1 Mei daaraanvolgende.

Art. 5. De opzegging van huur moet geschieden: van huizen, gebouwen en bijbehootende erven, vier maanden voor den vervaltijd, — van gedeelten van huizen en gebouwen, zooveel maanden, weken of dagen te voren, als waarvoor de huur is aangegaan.

Art, 6. De huur van boerenhofsteden en de daarbij behoorende landerijen moet worden opgezegd één jaar vóór den vervaltijd van het bouwland en van het wei- en hooiland.

De opzegging van huur van landerijen zonder gebouwen geschiedt mede één jaar voor den vervaltijd.

-ocr page 221-

gemeente numansdorp.

Opgemaakt in de openbare vergadering van den Gemeenteraad van Alphen van 17 Maart 1875.

{7v. g.) A. F. ZAALBERG, Voorzit/er. » » JAM SOM, Secretaris.

Voor eensluidend afschrift.

De gemeente-secretaris van Alfen, VAN DIJK.

XXIII. Gemeknte Numansdorp.

Verordening van 22 Mei 1876.

De Raad der gemeente Numansdorp;

In aanmerking nemende het belang, dat eenige bijzonderheden, die de algemeene wetgeving van Burgerlijk Rechtaan de bepaling van plaatselijke reglementen overlaat, geregeld worden; alsmede, dat ten opzigte van andere, welke volgens die wetgeving, alleen naar plaatselijk gebruik geregeld worden, bepaald worde, welk dat gebruik in de onderscheidene gevallen is.

Ten aanzien van dat gebruik geraadpleegd hebbende vroegere bepalingen, gebruiken en aanteekeningen, waaruit die blijken, in overeenstemming, zoowel met het gevoelen van hen, die te dezer zake als oordeelkundig kunnen worden aangemerkt, als met eigene ervaring en met datgene, wat bij den Raad bekend is, heeft besloten vast te stellen de navolgende verordening.

Verordening, voor de gemeente Numansdorp, verschillende onderwerpen van Burgerlijk Recht betreffende.

§ 1. Bepalingen tot voorziening.

Art. 1. (Art. 677 en 701 B, W.) Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan deze gemeente of aan particulieren toebchoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering van den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door on-zigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad dezer gemeente, wan-

-ocr page 222-

GEMEENTE NUMANSDORP.

neer de genoemde wateren aan deze gemeente toebehooren, en van den daarop regthebbende, wanneer zij particulier eigendom zijn.

Art. 2. (Art. 690 2e lid B. W.) Afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn medeeigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervan ging van eene reeds bestaande en wanneer zulks door een der medeeigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijs gemaakt of gesteld worden als die, welke reeds vroeger bestonden, en ten minste eene hoogte hebben van één meter zeven decimeter vijf centimeter.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straten, pleinen, stegen en grachten binnen de kom der gemeente, en tusschen bijzondere eigendommen, niet aan den openbaren weg of straat belendende, alleen kunnen daar-gesteld worden door steenen muren of houten heiningen en zulks, wanneer een der medeeigenaars dat begeert, terzelfder hoogte als boven is bepaald.

Art. 3. (Art. 703 B. W.) Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verpligt den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen muur te bewaren: voor een put, riool of secreet één meter vijf decimeter, of zooveel meerder als de Raad in bijzondere gevallen in het belang der algemeene reinheid en gezondheid zal noodig oordeelen.

Voor een schoorsteen, een stookplaats of een fornuis (geene bakovens daaronder begrepen) zeven centimeter.

Voor een bakoven vijf decimeter.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schoorsteenen en stookplaatsen, bij de verordeningen op het stuk van den brand nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke, waar de daarstelüng daarvan volgens politieverordening niet verboden is en behoudens de bepalingen dier verordeningen, vijf decimeter.

Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout; of eene verzamelplaats van bijtende stoffen; of eene bewaarplaats van bloed; of voor het aanleggen van andere schade-

66

-ocr page 223-

GEMEENTE NUMANSDORP.

lijke of gevaarlijke werken, waaronder ook zoodanige, die uit derzelver aard, schadelijk gedierte lokken, zooals: bergplaatsen van beenderen, huiden, enz. daar waar de inrigting daarvan niet bij de wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen verboden is, zal, behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrigting bij de wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen vastgesteld, een dubbele muur moeten worden gesteld, met eene tusschenruimte van twee decimeter vijf centimeter.

Art. 4. (Art. 703 B. W.) Niemand mag onmiddellijk tegen een gemeenen scheidsmuur of schutting, of tegen den muur of de schutting van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen dien muur of die scheiding en de aan te leggen goot moet eene steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden, zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs den muur of de schutting afloope of stilsta. Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen ver-rigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan- of op den grond van den eigenaar van het naburige erf afloope.

Art. 5. (Art. 733 B. W.) Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad een meter.

Van eene dreef twee meter en van een weg vijf meter.

De voetpaden, dreven en wegen van wege de Gemeente op gemeentegrond aan te leggen, zijn aan de bovenstaande bepaling niet onderworpen.

(Art. 738 B. WM Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzigt, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat de ramen worden afgesloten met digte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen.

De traliën zullen ten hoogste een decimeter tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben.

Bij het bestaan van een gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden kan ieder der daarop regthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsop- en ondergang gesloten blijve, en niet gebruikt worde anders, dan met gemeene toestemming van de regthebbenden. Voor het ledigen van privaten

67

-ocr page 224-

68

en het uitdragen van beer zal de toestemming van den mede-regthebbende niet noodig zijn.

Al de in dit art. voorkomende bepalingen gelden alleen, voor zoover bij den titel gecne andere bepalingen zijn gemaakt.

§ 2. Bepalingen van Gebruik.

(Art. 6. (Art. 813 B. W.) De tijd van den hak van wilgen kophout, niet niet ander hakhout vereenigd staande, en van ander op stoven staand hout, ook wanneer dat met wilgen kophout vereenigd staat, is volgens plaatselijk gebruik eenmaal om de vier jaren, elzenhout om de zeven jaren.

Art. 7. (Art. 1614, 1607, 1616, 1623 B. W.). Van huur en verhuur van huizen, gedeelten daarvan en tuinen binnen deze gemeente, voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging, volgens plaatselijk gebruik, drie maanden vóór het eindigen van de huur.

Van de huur voor korteren tijd dan een jaar en voor langer dan eene week, is die termijn eene maand voor het eindigen der huur, en van de huur voor eene week, acht dagen voor het eindigen der huur.

Art. 8. (Art. 1619 B. W.) Volgens plaatselijk gebruik is, behalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelijksche repa-ratiën, die voor rekening van den huurder komen, ook nog tot diens laste het schoonmaken en het witten van binnenmuren, de reparatien en het bruikbaar houden van de ijzeren platen voor kagchelpijpen in de schoorsteenen, wanneer die platen door den verhuurder verschaft worden; voorts het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen, benevens het onderhoud van lantarens, watertonnen, ladders en puthaken.

Art. Q. (Art. 1621, 1622, 1623 B. W.) De tijd van huur van gestofleerde kamers, wanneer geene bepalingen van tijd van huur of van eene zekere som bij het jaar, bij de maand of bij den dag zijn gemaakt is, volgens plaatselijk gebruik, eene maand.

Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende tuinen, in het even bedoelde geval, tot den eerst-komenden gewonen verhuistijd op den isten Mei of isten November.

Art. 10. (Art. 1635 B. W.) Het plaatselijk gebruik ten opzigte van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, het huis nog gedurende drie dagen kan

-ocr page 225-

gemeente klaaswaal. 6g

blijven bewonen; doch dat hij verpligt is, inmiddels de meubelen en het huisraad te ontruimen en te gedoogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den nieuwen huurder de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting daarvan afsta, zoodat op den derden dag de vorige huurder over niet meer dan één vertrek, ter zijner keuze, kan beschikken.

Indien echter de derde dag op zondag invalt, zal de verhuizing op den vierden dag na het eindigen van den huurtijd plaats hebben, vóór \'s middags 12 ure.

Art. 11. ( Art. 1639 B. W.) De gewone huurtijd van dienstboden is als volgt:

Voor burgerdienstboden voor een halfjaar van 6 Mei tot 3 November en van 6 November tot 3 Mei,

Voor dienstboden van landbouwers : twee ongelijke termijnen in het jaar en wel van 6 Mei tot 3 October en van 6 October tot 3 Mei.

Voor landbouwersknechts:

De gehuwden voor een jaar, arbeiders genaamd, van 3 Mei tot 3 Mei.

De ongehuwden, twee ongelijke termijnen in het jaar van ló Mei tot 1 November en van 1 November tol 15 Mei.

Aldus vastgesteld te Numansdorp, ter openbare Raadsvergadering van den 22 Mei 1876.

Dc Secretaris, De Jinrgemeesler,

{gel.) F. Niemantsverdriet. (i\'^o D. Kluif hoofd.

Voor Afschrift De Secretaris der gemeente Numansdorp, F. Niemantsverdriet.

XXIV. Gemeente Klaaswaal.

Verordening van 2 Juni 1876.

Geheel overeenkomstig de vorige verordening van Numansdorp.

Terwijl deze niet afgekondigd blijkt te zijn, is het anders met die van Klaaswaal.

Het slot luidt aldus;

-ocr page 226-

GliMISÜNTU maassluis.

Aldus vastgesteld te Klaaswaal ter openbare Raadsvergadering van den 2 Juni 1876.

De Secretaris, De Burgemeester,

w. g. J. A. MAATE. w. g. A. D. KLUIFHOOFD.

Afgekondigd en aangeplakt te Klaaswaal den 23 Juli 1876.

Burgemeester en Wethouders van Klaaswaal, De Secretaris, De Burgemeester,

w. g. f. A. MAATE. w. g. A. D. KLUIFHOOFD.

Voor eensluidend afschrift

De Secretaris van Klaaswaal,

F. NIEMANTSVERDRIET.

XXV. Gemeente Maassluis.

Vet ordening van 22 November 1876.

De Burgemeester en Wethouders van Maassluis, doen te weten, dat door den Raad dier Gemeente in zijne Vergadering van 22 November 1876 is vastgesteld de volgende

Verordening houdende tie verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven in de Gemeente Maassluis.

Art. 1. Voor de toepassing van Art. 6qo van het Burgerlijk Wetboek wordt bepaald:

ift. Dat alle huizen, gebouwen, tuinen en erven, aan de openbare straat of weg gelegen, moeten afgescheiden of afgesloten worden, hetzij door behoorlijk gemetselde muren, ter dikte van minstens Q.22 meters en ter hoogte van minstens 2.20 meters boven de oppervlakte van de straat of weg, hetzij door heiningen of hekwerken, hetzij door hekken van ijzer of ander metaal, en moeten deze drie laatste ingerigt zijn volgens de door Burgemeester en Wethouders te geven voorschriften.

2quot;. Dal de afscheiding van alle erven, niet aan de openbare straat of weg gelegen, moet geschieden door behoorlijke steenen muren of houten heiningen, ter hoogte van minstens 2.20 meters boven de oppervlakte van het hoogste erf.

3°. Dat die muren of heiningen moeten geplaatst worden op de scheidingslijn van de wederzijdsche erven.

-ocr page 227-

GEMUHNTE MAASSLUIS

4°. Dat de zwiepingen en palen om den anderen op die wederzijdsche erven moeten worden geplaatst.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op reeds bestaande afscheidingen, doch moeten bij herstelling of vernieuwing worden nagekomen.

Art. 2. De afstand, welke ieder eigenaar verpligt is van den gemeenen of niet genieenen muur te bewaren, wordt, ingevolge Art. 703 van het Burgerlijk Wetboek, bepaald als volgt:

Voor een put, riool, secreet en secreetpij pen, één meter.

Voor eenen schoorsteen of stookplaats, één decimeter.

Voor eenen oven, bakoven, smidse, eest fornuis en dergelijke zware stookplaatsen, vijf decimeters.

Voor een stal, mestbak, varkenshok, konijnenhok, bewaar-of verzamelplaats van bloed en dergelijken, één meter.

Voor een magazijn of pakhuis van steenkolen, zout of andere bijtende stoffen, schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder ook begrepen worden die, welke uit hunnen aard schadelijk gedierte lokken, zooals bergplaatsen van beenderen, huiden, enz., zeven decimeters.

Art. 3. De afscheiding van den gemeenen muur voor stallen, mestbakken, putten, rioolen, secreten, secreetpijpen, bewaar- of verzamelplaatsen van bloed, magazijnen of pakhuizen van zout of andere bijtende stollen, schadelijke of gevaarlijke werken, moet geschieden met waterkeerende en duurzame bouwstoffen volgens de door Burgemeester en Wethouders te geven voorschriften.

Art 4. De overtreding van Art. 1, nquot;. 1, zal worden gestraft met eene boete van /15 tot ƒ25.

Bovendien zullen Burgemeester en Wethouders al hetgeen wat met Art. 1, nn. 1 in strijd gemaakt, ondernomen of nagelaten wordt, ten koste van den overtreder doen wegnemen of verrigten, overeenkomstig Art. 180 der Gemeentewet.

Gedaan te Maassluis ter openbare Raadsvergadering van den 22 November 1876.

De Burgemeester, J, Z A N E V E L D.

De Secretaris, J. DIRKZWAGER Gz.

-ocr page 228-

72 GEMEENTE KOUDEKERK.

Zijnde deze Verordening aan de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, volgens hun berigt van den 5/11 December 1876, B No. 3328 (iste Afd.) G. S. No. 64/1 in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, den 18 December 1876.

Dc Burgemeester, J. Z A N E V E L I). De Secretaris, J. DIRKZWAGER Gz.

XXVI. Gemeente Koudekerk.

Verordening van 12 Juni 1879.

De Raad der Gemeente Koudekerk;

Gelet op artikel 1Ö07 van het Burgerlijk Wetboek,

Bepaalt, dat het plaatselijk gebruik bij mondelinge verhuringen van huizen en lauden, zooals dat tot heden algemeen begrepen wordt, is als volgt:

Art. 1. De mondelinge huur van huizen, woningen en gebouwen, met hunne erven in deze gemeente, wordt geacht te zijn aangegaan voor één jaar, vervallende 1 Mei, des middags ten 12 ure.

Die van gedeelten van huizen en gebouwen voor 6 maanden, vervallende 1 Mei of 1 November, op gezegd uur.

Art. 2. De huur van huizen of gedeelten daarvan, zonder geschrift aangegaan, om de drie maanden, per maand of per week betaald wordende, wordt gehouden voor drie maanden, eene maand of week te zijn gesloten.

Art. 3. De vervaltijd van huur en verhuur van boerenhofsteden en de daarbij behoorende landerijen is, wat de bouwlanden betreft, bij het ontblooten van de schoof of uiterlijk den 15 September, betrekkelijk de wei- en hooilanden den 25 December en ten aanzien van de gebouwen en hunne erven, den 1 Mei daaraanvolgende.

Art. 4. De opzegging van huur moet geschieden: van huizen, gebouwen en bijbehoorende erven, drie maanden voor den vervaltijd, van gedeelten van huizen en gebouwen, zooveel maanden, weken of dagen te voren, als waarvoor de huur is aangegaan.

-ocr page 229-

gem. zuid-beijekland. —

gem. \'s-gravendeel.

73

Art. 5. Dc huur van boerenhofsteden en de daarbij be-hoorende landerijen,moet worden opgezegd een jaar voor den vervaltijd van liet bouwland en van het wei- en hooiland.

De opzegging van huur van landerijen zonder gebouwen, geschiedt mede een jaar voor den vervaltijd.

Aldus vastgesteld te Koudekerk, ter openbare Raadsvergadering van den 12 Juni 1879.

Dc Burgemeester, M. CROMMELIN.

De Secretaris, VAN EGMOND.

XXVII. Gemeente Zuid-Beijeri,anü.

Verordening van 20 Februari 1879.

Geheel gelijk aan de Verordening van Numansdorp. Afkondiging schijnt ook hier niet te zijn geschied.

XXVIIL Gemeente \'s-Gravendeel.

Verordening van 15 Maart 1887.

Volgens mededeeling van Burgemeester en Wethouders van \'s Gravendeel van 15 Maart 1887 aan Heeren Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland waren alleen aan plaatselijk gebruik of gewoonte onderworpen

art. 792 B. W.: de schuldplichtige is verplicht de hoopen gedurende 24 uren te laten staan na vooraf den tiendhefier daarvan in kennis te hebben gesteld;

art. 1607 B. W.: het is de gewoonte of plaatselijk gebruik dat drie maanden voor het einde van het huurjaar opzegging-plaats heeft;

art. 1635 B. W.: het is de gewoonte, dat de huurder den 3en dag des middags ten 12 ure na den dag, waarop de huur is geeindigd, het gehuurde moet hebben verlaten;

art. 466 Wetb. v. Burg. Rechlsv. De verkoopingen worden bij ontstentenis van een dagblad bekend gemaakt in de Dor-drechtsche Courant en in de gemeente, onverschillig al is het beneden de f 400,, bij afkondiging en aanplakking krachtens verordening van 4 Maart 1852quot;.

-ocr page 230-

gemkentk c()lijnsplaat.

Provincie Zeeland.

XXIX. Gemeente Colijnsplaat,

Verordening van 7 December 1859.

Verordening houdende bepaling van eenige bijzonderheden, enz. welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke verordeningen overlaat.

Art. 1. (Art. 677 en 701 B. W.) Niemand mag in eenige waterleiding, gracht of sloot aan deze gemeente of aan particulieren toebehoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering van den waterloop brengen, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad dezer gemeente, wanneer de genoemde wateren aan de gemeente toebehooren, en van den daarop regthebbende, wanneer zij particulier eigendom zijn.

Art. 2. (Art. 6go, 2e lid). Afsluiting dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder zijnen nabuur kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande, en wanneer zulks door een der belanghebbenden begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of gesteld worden, als die, welke reeds vroeger bestond en ten minste eene hoogte hebben van 1 El 75 Duim.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straat, binnen de kom der gemeente, behoudens het bepaalde bij art. 8 der verordening omtrent het sloopen, bouwen enz. van bijzondere eigendommen in deze gemeente, alleen kunnen geschieden met steenen muren, houten heiningen of hekwerk ter zelfder hoogte als boven is bepaald, cn tusschen bijzondere eigendommen, niet aan den openbaren weg of ile straat belendende, met houten heiningen of wanneer belanghebbenden zulks onderling goedvinden, met doornen of andere heggen.

Art. 3. (Art. 703). Voor alle [jutten, riolen, secreten, mest-bakken, ovens, fornuizen, zoutbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen, die in de nabijheid van gemeene of niet gemeene muren gemaakt worden, wordt de afstand bepaald op 0,50 El, gemeten uit den buitenkant der voorgeschreven muren.

74

-ocr page 231-

gemeente coktc1enh. — gemeente goes.

Art. 4. (Art. 73,^). Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of\' weg, is de breedte van een voetpad 1 El, en van eene dreef of weg 2 Ellen, tenzij zulks anders bij den titel is bepaald.

Art. 5. (Art. 738). Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzigt, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet dermate is afgesloten, of er kan gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen met ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen, en met eene tusschenruimte van ten hoogste 1 palm, worden afgesloten. Ook deze bepaling geldt niet, wanneer bij den titel eene andere mogt zijn gemaakt.

Aldus vastgesteld door den Gemeenteraad van Colijnsplaat, den 7 December 1859.

{gel.) J. H. BIJBAU, Jiurgemecsler. [gel.) J VINK, Secretaris.

Voor eensluidend afschrift.

L. A. BIJBAU, Burgemeester.

L. A. VINK, Loco-Secretaris.

XXX. Gemeente Cortgene. Verordening van 30 Augustus 1875. Woordelijk overeenkomend met die van Colijnsplaat.

XXXI. Gemkente Goes.

Verordening van 23 November 1878.

Deze regelt de boter- en graanmarkt en strekt evenzeer ter uitvoering van art. 61 K. als van art. 134 Gemeentewet.

Opmerkelijk zijn de volgende bepalingen :

Art. 6. De met het toezicht belasten (de Commissaris van Folicie of een daartoe door hem aan te wijzen agent) zullen na alloop van de beurs aan B. en W. opgave doen der bedongen prijzen, benevens een kort overzicht van den handel aan hun college indienen.

75

-ocr page 232-

GEMEliNTE OVEN EN TEEEKELIiN.

Art. 9. Ten belioevc van dc aflevering en in-ontvangst-neming van verkochte koopwaren worden twee korenmeters door B. en W. aangesteld, wier verplichtingen bij afzonderlijke instructie worden geregeld.

Provincie Noord-Brabant.

XXXII. Gemeente Oven en Teeffelen.

Verordening van 11 Alaaii 1856.

Overeenkomstig de Brielsche Verordening niet de volgende afwijkingen.

i0 Art. 2 al. 2. Nieuw aan te leggen afsluitingen niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs den openbaren weg en langs de straten, pleinen, stegen en slooten binnen de kom der Gemeente of tusschen bijzondere eigendommen niet aan den openbaren weg of straat belendende, alleen kunnen geschieden door steenen muren, hagen of houten heiningen, en zulks, wanneer een der mede-eigenaars dat begeert, ter zelfder hoogte als boven is bepaald.

2°. Art. ó. De tijd van hakken van wilgen kophout en van ander op stoven staand hout, is volgens plaatselijk gebruik eenmaal om de vijf jaren.

30. Art, 7 al. 1 (Art. 1614, 1607, 1616, 1623).

Van huur- en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen, bouw-, wei- en hooilanden binnen deze gemeente voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik drie maanden voor het eindigen van de huur.

al. 2 gelijk al. 2 Verordening Brielle,

4°. Het slot van art. 8 in plaats van hetgeen in de Brielsche Verordening voorkomt:

«Voorts het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen, benevens het onderhoud van lantarens, watertonnen, ladders en puthaken.quot;

het volgende:

»het onderhoud van putakers en daartoe behoorende touwen en puthaken.quot;

5°. Art. 11. De gewone huurtijd van dienstboden is voor een termijn van een half jaar, voor hen die in dienst treden in te gaan en te eindigen met den 24sten van de maanden Februari, Mei, Augustus en November.

76

-ocr page 233-

gemeente eindhoven.

6°. De aanhef der Brielsche Verordening ontbreekt; in hoeverre hier mededeeling aan Gedeputeerde Staten en afkondiging is geschied, blijkt niet.

XXXIII. Gemeente Eindhoven.

Verordening van 6 September 1867.

De Raad der gemeente Eindhoven;

in aanmerking genomen hebbende, dat er behoefte bestaat om datgene te regelen, wat de algemeene burgerlijke wetgever aan do plaatselijke reglementen heeft overgelaten, benevens eenige plaatselijke gebruiken aan te wijzen, waarnaar door dien wetgever wordt verwezen, heeft vastgesteld de navolgende verordening:

Verordening, houdende voorziening in datgene, wat door den algemeenen burgerlijken wetgever aan de plaatselijke reglementen is overgelaten, benevens aanwijzing van eenige plaatselijke gebruiken, waarnaar door dien wetgever wordt verwezen.

S i. Bepalingen tot voorziening.

Art. 1. (Art. 677, B. W.) Niemand mag in eenige water-loopen, grachten of\' slooten, aan deze gemeente of aan particulieren toebehoorende, of in eene gemeene uitwatering, waterafleiding of waterkeering eenige verandering in den loop brengen of die wateren ten zijnen nutte tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzigtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den Raad dezer gemeente, wanneer genoemde wateren aan deze gemeente toebehooren, en van den daarop regthebbende, wanneer zij bijzonder eigendom zijn.

Art. 2. [hgo, 2e lid.) Afsluiting, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn nabuur kan noodzaken, zal, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande en wanneer onderling niet anders wordt overeengekomen, op dezelfde wijze gemaakt of gesteld worden, als die.

77

-ocr page 234-

GEMEENTE EINDHOVEN.

welke reeds vroeger bestond, en ten minste eene hoogte hebben van i el 75 duim.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen, tenzij onderling anders wordt overeengekomen, op de volgende wijze geschieden, te weten: bij afscheiding van opene plaatsen met houten schuttingen en bij afscheiding van tuinen door heggen, een en ander ter zelfder hoogte als boven is bepaald. Wat de heggen betreft echter niet dien verstande, dat deze tot op voormelde hoogte niet zullen mogen worden ingekort dan nadat zij meer dan 1.75 el hebben bereikt.

Art. 3. (703.) Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verpligt den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen muur of andere afscheiding te bewaren :

Voor eene put, een riool, een secreet of mestvaalt r el 50 duim. Wanneer echter de put gemetseld wordt van een\' muur ter dikte van minstens 20 duim, zal die afstand slechts 50 duim behoeven te bedragen. Voor een\' schoorsteen, stookplaats of fornuis (geene bakovens daaronder begrepen) 7 duim, tenzij de gemeene of niet gemcene muur, ter plaatse waar de schoorsteen wordt daargesteld, met minstens 10 duim worde verzwaard; voor een bakoven 2,5 duim; mits die ruimte vrijgelaten en alzoo niet aangevuld worde.

Alles onverminderd de bijzondere bepalingen omtrent de wijze van inrigting der schoorsteenen en stookplaatsen bij de verordeningen op het stuk van den brand nu reeds bestaande of later in werking te brengen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke, waar de daarstelling daarvan, volgens politie-verordeningen niet verboden is, en behoudens de bepalingen dier verordeningen, 50 duim.

Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout, eene verzamelplaats van bijtende stoffen, eene bewaarplaats van bloed of andere schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder ook de zoodanigen, die uit derzelver aard schadelijk gedierte lokken, zoo als bergplaatsen van beenderen, huiden, enz. daar, waar de inrigting daarvan niet bij de wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen verboden is, zal, behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrigting, bij de wet, maatregel van algemeen

78

-ocr page 235-

79

bestuur, provinciale of plaatselijke verordeningen vastgesteld, eene dubbele muur moeten worden gesteld, met eene tus:-schenruimte van 50 duim.

Art. 4. (703.) Niemand mag onmiddellijk langs de scheiding der perceelcn gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen die scheiding en de aan te leggen goot moet eene steenen rollaag ven een staanden steen gesteld worden, zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs de scheiding afloope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen ver-rigten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van het erf tegen zoodanige scheiding aan of op den grond van den eigenaar van het naburige erf alloope.

Art. 5. (733.) Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte van een voetpad eene el, van eene dreef twee ellen en van een weg drie ellen.

(738). Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzigt, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen van het eene en het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende erf vorderen, dat die ramen worden afgesloten met digte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen of muren.

De traliën zullen ten hoogste een palm tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben.

Bij het bestaan van eene gemeene poort of eenen gemeenen uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop regthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsonder- en opgang gesloten blijve

Het ledigen van privaten en het uitdragen van beer kan echter steeds tusschen zonsonder- en opgang geschieden.

Al de in dit artikel voorkomende bepalingen gelden alleen voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

§ 2. Aanwijzing van plaatselijke gebruiken.

Art. O. (813.) De tijd van hak van schaarhout is volgens plaatselijk gebruik eenmaal om de 5 jaren.

Art. 7. (1Ó06, 1607, 1614, 1623). Van huur- en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen binnen deze ge-

-ocr page 236-

GEMEENTE EINDHOVEN.

raeente voor één jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik, uiterlijk den 21 December.

Van de huur voor korteren tijd dan een jaar tot op die voor den tijd van eene week, is de termijn eene maand en van de huur voor eene week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.

Art. 8. (i6ig.) Volgens plaatselijk gebruik is, behalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelijksche reparation, die voor rekening van den huurder komen, ook nog tot diens laste het schoonmaken en het witten van binnenmuren, het repareren en het bruikbaar houden van de ijzeren platen voor kagchelpijpen in de schoorsteenen, wanneer die platen door den verhuurder verschaft worden, het onderhoud van pulakers en daartoe behoorende touwen, het onderhouden van lantaarns, watertonnen, ladders en puthaken.

Art. 9, (1621, 1622, 1623.) De tijd van huur van gestoffeerde kamers, wanneer geene bepalingen van tijd van huur of van eene zekere som bij het jaar, bij de maand of bij den dag zijn gemaakt, is volgens gebruik eene maand. Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende tuinen in het evenbedoelde geval, als; van de huizen tot den eerstkomenden gewonen verhuistijd, zijnde den derden Za-turdag na Paschen en van de tuinen tot half Maart bevorens.

Art. 10. (1635). Het plaatselijk gebruik ten opzigte van opvolging van huur van huizen, is dat de huurder, wiens huur eindigt, het huis op den gewonen verhuistijd of, zoo de huur (jp eenen anderen dag vervalt, op dien dag, \'s middags voor 12 ure moet verlaten.

Art. 11. (1639.) De gewone verhuistijd van dienstboden gaat in en eindigt den 22 Februarij.

Aldus vastgesteld door den raad der gemeente Eindhoven, in zijne openbare vergadering van 6 September 1867.

De Raad voornoemd,

{get.} J. T. SMITS.

» J. BOCKHOLTS, Secretaris.

Zijnde hiervan op de gebruikelijke wijze openbare afkondiging geschied op den 2 October 1867.

Hurgemeester en Wethouders voornoemd, j. T. SMITS,

J. BOCKHOLTS, Secretaris.

8o

-ocr page 237-

gemeente duizel en steensel.

XXXV. Gemeente Duizel en Steensel.

Verordening van li Februarij 1870.

De Burgemeester en Wethouders van Duizel en Steensel;

doen te weten, dat door den raad dier gemeente in zijne openbare vergadering van den 11 Februarij 1870 is vastgesteld de volgende verordening:

Verordening bevattende voorziening en aanwijzing van hetgeen door den algemeenen wetgever aan de plaatselijke gebruiken of verordeningen is overgelaten.

Art. 1. B. W. art. 677. Het is aan niemand geoorloofd eenige verandering te brengen aan waterloopen, grachten, of slooten, of die wateren op zigtbare of onzigtbare wijze ten zijne nutte te bezigen zonder uitdrukkelijke vergunning van den raad dezer gemeente, wanneer die wateren geheel of gedeeltelijk aan deze gemeente toebehooren en van de daarop regthebbende als zij geheel bijzonder eigendom zijn.

Art. 2. B. W. art. 690. De afsluiting tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn nabuur kan noodzaken, zal op aanvrage van een der naburige eigenaren binnen 14 dagen, op de volgende wijze moeten geschieden:

bij afscheiding van huizen of gebouwen met steenen muren ter hoogte van minstens 2 meters 50 centimeters; bij afscheiding van opene plaatsen met behoorlijk digtgemaakte houten schuttingen (doch bij overeenkomst met steenen muren), en bij afscheiding van tuinen door heggen op eene hoogte van 1 meter 75 centimeter.

Art. 3. Art. 703 B. W. Om schade aan naburige erven voortekomen, is een ieder verpligt de navolgende tusschen-ruimte van den genieenen of niet gemeenen muur of welke scheiding ook te laten of te maken, als: voor eene put, riool of secreet, 1 meter 75 centimeter; voor een schoorsteen, stookplaats, fornuis, stal of mestbak, varkens- kippen- konijnenhonden- of duivenhokken, gooten, een magazijn of pakhuis van zout of zeep, eene verzamelplaats van bijtende stoffen, bloed, beenderen, huiden enz. voor zooveel de inrigting of daarstelling niet bij de wet, provinciale — (if plaatselijke verordeningen is verboden of geregeld, op een afstand van 50

8l

-ocr page 238-

82 GEMEENTE DUIZEL EN STEENSKL.

centimeter. — Ook zal de eigenaar van een naburig erf zonder vergunning van den gemeenteraad of den daarop regthebbenden nabuur niets mogen verrigten of daarstellen waardoor liet water of de vuilnis van het naburige erf zoutle kunnen stilstaan of wegloope.n.

Art, 4. Art. 733 B. W. Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad moet de breedte 1 meter, en van rijpad, dreef of weg 3 meters zijn.

Art. 5. Art. 738 B. W. Bij eene erfdienstbaarheid van uitzigt kan de eigenaar van het lijdende (naburige) erf vorderen, dat het uitzigt of de ramen worden afgesloten met ijzeren traliën in de kozijnen of muren, terwijl die traliën ten hoogste 1 decimeter tusschenruimte van elkander mogen hebben. Bij het bestaan van eene gemeene poort, kan ieder daarop regthebbende vorderen, dat die poort tusschen zonsonder — en opgang gesloten blijve, terwijl het ledigen van privaten en het uitdragen van beer over- en tusschen de naburige erven niet dan tusschen zonsonder- en opgang mag plaats hebben.

Art. 6. Art. 813 B. W. Het kappen van schaarhout geschiedt volgens plaatselijk gebruik om de 5 jaren en wel tusschen 1 Januari en 15 Maart.

Art. 7. Artt. 1606, 1607, 1614, 1623 B. W. Van huur en verhuur van huizen, tuinen en gedeelten daarvan, alsmede van bouw- en weilanden voor een jaar en langer aangegaan is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik uiterlijk den 15 September. De huur voor korteren tijd dan een jaar aangegaan is de termijn van opzegging eene maand, en van de huur voor eene week aangegaan is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur

Art. 8. Art. löig B. W. Volgens plaatselijk gebruik zijn behalve de, bij de wet bepaalde geringe en dagelijksche re-paratien, die voor rekening van den huurder komen, ook nog tot diens laste: het schoonmaken en het witten van binnenmuren, het onderhoud van lantaarns, watertonnen, ladders en puthaken, alsmede van putakers en daartoe benoodigde touwen enz.

Art. 9. Artt. 1621, 1622 en 1Ó23. Voorzooverre daaromtrent geene andere bepalingen zijn bedongen is de tijd van huur en verhuur en de termijn van opzegging van gemeubelde of gestoffeerde huizen of kamers, overeenkomstig het hierboven onder art. 7 omschreven.

-ocr page 239-

gemeente bladel.

Art. 10. Art. 1635 B. W. Volgens plaatselijk gebruikten npzigte van opvolging van huur van huizen of kamers, tuinen en weilanden, eindigt de huur den 15 Maart \'s middags voor 12 ure, terwijl de termijn der bouwlanden voor zooveel zij zijn beplant met wintervruchten met het inoogsten dier vruchten doch uiterlijk den 31 Augustus, en voor zooveel zij zijn bezet met zomervruchten alsmede met het inoogsten dier vruchten, doch uiterlijk den 30 September.

Art. 11. Art. 1639 B. W. De gewone verhuistijd van diensten werkboden gaat in en eindigt den 16 Maart.

Aldus vastgesteld te Duizel door den raad der gemeente Duizel en Steensel in zijne openbare vergadering van den 11 Februarij 1870.

De Gemeenteraad voornoemd, {get.) G. JASPERS, Voorzitter, {get.) J. F. PANKEN, Secretaris.

Zijnde deze verordening aan Heeren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bij afschrift medegedeeld, bij een schrijven van Burgemeester en Wethouders der gemeente Duizel en Steensel dd. 11 Februarij 1870 No. 627. En is hiervan afkondiging geschied waar men zulks gebruikelijk is te doen, te Duizel, den 27 Februarij 1870.

Burgemeester en Wethouders voornoemd, {get.) G. JASPERS, Burgemeester.

{get.) J. F. PANKEN, Secretaris.

Voor eensluitend afschrift.

De Secretaris der gemeente Duizel, c. a.

H. J. PANKEN.

XXXVJ. Gemeente Bi,adel.

Verordening 11 April 1871.

Deze komt overeen met de Verordening van Duizel en Steensel behalve art. 3 welke alhier aldus luidt:

Art. 3. B. W. Om schade aan naburige erven voor to komen is een ieder verpligt de navolgende tnsschenruimte van den gemeenen of niet gemeenen muur of welke scheiding ook te laten of te maken, als: voor een put, riool of secreet 2 Meters,

83

-ocr page 240-

gemeknte udenhout,

voor een schoorsteen, stookplaats, fornuis, stal of mestbak, brandkast of turfschip of bergplaats voor brandstoffen, varkens-, kippen- konijnnen-, honden of duivenhokken, gooten, een magazijn of pakhuis van zout of zeep, een verzamelplaats van bijtende stoffen, bloed, beenderen, huiden enz. voor zooveel de inrigting of daarstelling niet bij de wet, provinciale of plaatselijke verordeningen is verboden of geregeld, op een afstand van 3 Meters. Ook zal de eigenaar van een naburig erf zonder vergunning van den gemeenteraad of den daarop regthebbende nabuur niets mogen verrigten of daarstellen, waardoor het water of de vuilnis van het naburige erf zouden kunnen stilstaan of wegloopen.

Het slot der verordening luidt aldus.

Aldus vastgesteld te Bladel door den Raad der Gemeente Bladel c. a. in zijne openbare Vergadering van 11 April 1871.

De Gemeenteraad voornoemd, {w. g) SNIEDERS.

De Wethouder,

{w. g.) J. SCHRIJVERS.

Afgekondigd den r6 April 1871.

XXXVII. Gemeente Udenhout.

Verordening van 28 Maart 1878.

De Raad der gemeente Udenhout heeft besloten vast te stellen de navolgende verordening, regelende de bepalingen van gebruik, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Art. I. De tijd van hakken van wilgen, kaphout en van ander op stoven of knuisten staande hout is volgens plaatselijk gebruik eenmaal in de vijf jaren (Art. 813 B. W.).

Art. 2. Van huur- en verhuur der huizen, gedeelten van dien en tuinen, bouw- wei- en hooilanden, voor één jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik van:

a. huizen, gedeelten van dien en tuinen, verhuurd voor een jaar of langer, vóór den 25 December.

b. de huur voor een jaar van bouwlanden moet opgezegd worden vóór den 25 Juli; ook dezelfde huur van weilanden

84

-ocr page 241-

«5

die met half Maart aanvaard zijn, heeft dien opzeggingstermijn. (Artt. 1607, 1614 en 1623 B. W.)

Art. 3. Het plaatselijk gebruik van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is, op den dag van het eindigen der huur, de meubelen en het huisraad te ontruimen en te gedoogen dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe tor beschikking van den huurder zooveel doenlijk de noodige vertrekken, met de middelen tot afsluiting daarvan afsta, zoodat op dien dag te 12 uren des middags de vorige huurder over niets meer kan beschikken. (Art. 1Ö35 B. W.)

Art. 4. De tijd van ontruiming van tuinen is vóór of op nalf Maart, die van bouwlanden oogst bloot aan de stoppelen, ook al bevindt zich daarop naschaar, die van wei- en hooilanden met half Maart. (Artt. 1623 en 1633 B. W.)

Art. 5. De tijd van huur voor huizen en daarbij behoo-rende tuinen, wanneer geene bepalingen van tijd van huur zijn gemaakt, duurt volgens plaatselijk gebruik tot den eerst-komenden gewonen verhuurtijd, van huizen op 1 Mei vóór 12 uren des middags en van tuinen den 15 Maart. (Art. 1621 en 1623 B. W.)

Udenhout, 28 Maart 1878.

De Gemeenteraad, (Get.) J. VAN IERSEL.

De Secretcris,

(Ge/.) VAN L1ESHOUD.

Voor Afschrift.

VAN LIESHOUT, Secretaris

XXXVIII. Gemeentk Grave.

Verordening van 1 Juni) 1878. De Gemeenteraad van Grave heeft, in zijne openbare vergadering van den 1 Junij 1878, vastgesteld de volgende:

Bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Art. 1. Afsluitingen van open plaatsen, huizen en tuinen.

-ocr page 242-

GEMEENTE GRAVE.

waartoe ieder eigenaar zijn mede-eigenaar kan noodzaken, wanneer die moeten geschieden ter vervanging van reeds bestaande, moeten op dezelfde wijze gemaakt of gesteld worden, als die welke reeds vroeger bestonden, wanneer dit door een der mede-eigenaren verlangd wordt, en moeten ten minste eene hoogte hebben van 2 Meter.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs de openbare straten in de bebouwde kom der gemeente alleen kunnen geschieden door steenen muren, hagen, houten heiningen of ijzeren hekken.

Art. 2. Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht, den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeenen muur van een naburig pand te bewaren;

lt;7. voor een bakoven, zinkput, welput, riool of secreet, 75 centimeter;

b. voor een stal, mestbak, varkenshok en dergelijke, 50 centimeter;

c. voor het aanleggen van een pakhuis voor zout of eene verzamelplaats van bloed, beenderen, lompen, 50 centimeter.

Art. 3. Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting, of tegen die van een ander eene goot aanleggen.

Tusschen die muur of scheiding en de aan te leggen goot moet eene rollaag van staande steenen van minstens 10 centimeter breedte gesteld worden zoodanig, dat het water in de aan te leggen goot niet onmiddelijk langs de muur of scheiding alloopc of stil sta.

Ook zal de eigenaar of gebruiker van een erf niets mogen verrichten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn ert op een naburig erf loopt.

Art. 4. Bij erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden van het andere, kan de eigenaar van het lijdende perceel vorderen, dat die ramen worden afgesloten met ijzeren traliën in de kozijnen bevestigd; de traliën zullen ten hoogste één decimeter tus-schenruimte mogen hebben.

De in de drie laatste artikelen voorkomende bepalingen gelden alleen voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

86

-ocr page 243-

GEMEKNTE GKAVIi,

Art. 5. Volgens plaatselijk gebruik, is de termijn van opzegging van huur en verhuren van huizen, voor een jaar en langer aangegaan, vóór of op den 1 Februari.

Huur voor eene week aangegaan, moet eene week te voren worden opgezegd.

Art. 6. Volgens plaatselijk gebruik, zijn, behalve de bij de wet bepaalde geringe reparatiën, ook nog voor rekening van den huurder, het schoonmaken en het witten der binnenmuren en de reparatie en het bruikbaar houden der ijzeren platen voor kachelpijpen.

Art. 7. Het plaatselijk gebruik van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is, op den dag van het eindigen der huur, de meubelen en het huisraad te ontruimen, en te gedoogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe zooveel doenlijk de noodige vertrekken, met de middelen tot afsluiting daarvan, aan den nieuwen huurder afsta, zoodat op dien dag, des middags ten 12 ure, de vorige huurder over niets meer kan beschikken.

Art. 8. De dienstboden worden gerekend gehuurd te zijn voor één jaar, met halfjaarlijksche opzegging, dat is : de dienstbode treedt den 3 Mei in dienst, en, wanneer met Kermis (ie zondag in September) geen huurpenning wordt aangeboden of aangenomen, dan moet de dienstbode den dienst met 1 November verlaten, na het afwasschen der vaten, zoo dit tot de werkzaamheden behoort.

Indien met Nieuwjaar de huurpenning wordt aangeboden en aangenomen, wordt de huur gerekend weer voor een jaar te zijn aangegaan, terwijl zonder dat de huur op den 1 Mei eindigt.

Daarenboven zijn, volgens plaatselijk gebruik, de huurovereenkomsten gesloten met het recht van weerszijden, om de overeenkomst met de 6 weken op te zeggen.

Gedaan in de openbare vergadering, als in het hoofd dezes vermeld.

(gel.) A. H. MOMMERS, Burgemeester, (get.) H. v. d. MARCK, Secretaris.

Voor eensluidenden afdruk.

De Secretaris der gemeente Grave, MOMMERS.

«7

-ocr page 244-

GEMEENTE ST. OEDENRODIi,

XXXIX. Gemeente St. Oedenrode.

Verordening van 22 February 1879.

De Raad van St. Oedenrode heeft in zijne openbare Vergadering van 22 Februarij 1879, besloten vast te stellen de navolgende:

Verordening van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

AFDEEUNG I.

Bepaling met voorziening.

Art. 1. Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan de Gemeente of aan Partikulieren toebehoorende of in eene gemeente-waterleiding of waterkeering eenige verandering aan den waterloop brengen of die wateren ten zijnen nutte, tot een ander einde dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van het Gemeentebestuur, wanneer de genoemde wateren aan de Gemeente toebehooren, en van de daarop rechthebbenden, wanneer zij partikulier eigendom zijn. [art. 677 en 701 B. W.]

Art. 2. Afsluitingen, dienende tot afsluiting van huizen, op plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn mede-eigenaar kan noodzaken, moeten wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van reeds bestaanden en wanneer zulks door een der mede-eigenaren verlangd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of gesteld worden, als die, welke reeds vroeger bestonden, en ten minste eene hoogte hebben van een meter vyf decimeter.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs de openbare en bestraatte gemeentewegen in de aan een gebouwde gedeelten der gemeente of tusschen bijzonderen eigendom, niet aan de openbare straat grenzende, alleen kunnen geschieden door steenen muren, hagen of houten heiningen wanneer een der eigenaren zulks begeert ter hoogte van ten minste één meter vijf decimeter (art. 690 B. W.)

Art. 3. Ten einde schade van naburige erven te voor-

88

-ocr page 245-

GEMEUNTK ST. OliDENRODli.

komen, is ieder eigenaar verplicht, den navolgenden afstand van den gemeenen of van den niet gemeenen muur van een naburig pand te bewaren:

a. voor een bakoven, sterfput, welput, of riool van een secreet vijf en zeventig Centimeter;

h. voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenshokken en dergelijke waar het daarstellen volgens de in deze gemeente bestaande verordeningen niet verboden is, vijftig centimeter;

c. voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout, of eene verzamelplaats van bloed, of voor het aanleggen van andere gevaarlijke of schadelijke werken, waaronder ook de zoodanigen, die uit dezelver aard schadelijke gedierten lokken, zooals bergplaatsen van beenderen, lompen, en zoo voorts, daar waar de inrichting er van niet bij eene wet, een maatregel van algemeen bestuur, eene provinciale of plaatselijke verordening verboden is, behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrichting bij de wet, den maatregel van algemeen bestuur, de provinciale of plaatselijke verordening vastgesteld, vijf en twintig centimeter (art. 703 B. W.)

Art. 4. Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting, of tegen een muur of schutting van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen. Tusschen die muur of scheiding en de aan te leggen goot moet een rollaag van een staanden steen van minstens tien centimeter breedte, gesteld worden, zoodanig dat het water in de aan te leggen goot niet onmiddelijk langs de muur of scheiding alloope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen verrichten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan- of op den grond van den eigenaar van het naburige erf loopen.

Niemand mag tegen een gemeenen scheidingsmuur, haag of schutting of tegen een muur, haag of schutting van een ander, een sterfput, mooskuil, mestvaalt of iets dergelijks aanleggen of hebben, zonder eene tusschenruimte te laten van minstens vijftig centimeter, en tenzij die tusschenruimte met aarde of andere vaste stof, ter hoogte van den beganen grond van het naburig erf, is aangevuld, zoodanig dat daaraan geen hinder of nadeel kan worden veroorzaakt [art. 703 B. W.] Art. 5. Bij erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg.

89

-ocr page 246-

GliMlilCNTK ST. OEDENRODE.

is de breedte minstens, van een voetpad één meter, van eene dreef twee en van een weg drie meter [art. 733 B. W.]

Bij eene erfdienstbaarheid van licht of zicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden of gemeenschap tusschen personen in het eene en het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende pand vorderen, dat die ramen worden afgesloten, met dichte ijzeren traliën, gevestigd in de kozijnen; de traliën zullen ten hoogste één decimeter tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben.

Art. 6. De in de drie laatst gemelde artikelen voorkomende bepalingen gelden alleen voor zoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

AFDEELING II.

Bepalingen van gebruik.

Art. 7. De tijd van het hakken van willigen-, reep- en hakhout en van ander op struiken of knuisten staande hout, is volgens plaatselijk gebruik als het den ouderdom van vijf jaren zal bereikt hebben, [art. 813 B. W.]

Art. 8. De huur en verhuur der huizen en aanhoorighe-den, gedeelten van deze en tuinen, bouw-, wei-, en hooilanden en afzonderlijk strouwsel of krabvelden, voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik van:

a. huizen, gedeelten van deze en tuinen vóór of op den tweeden kersdag, [26 December], namelijk den vervaltijd voorafgaande;

h. de huur voor eene week aangegaan moet een week bevorens worden opgezegd;

c. de huur van bouwland, te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, zoomede de huur van weiland, te half Maart, Pinksteren of te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, moet opgezegd worden vóór of op den tweeden Kersdag, dus vóór 27 December;

d. weiland en afzonderlijke strouwsel-velden of bosschen nn November, [St. Marten], aanvaard zijnde, moeten vóór 11 November worden opgezegd, [art. 1Ö07, 1614611 1Ó23B.W.]

Art, 9. Bij plaatselijk gebruik is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is op den dag van het eindigen der

go

-ocr page 247-

GEMEENTE ST. OEDENRODE.

huur de meubelen en het huisraad te ontruimen en te ge-doogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede, dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den huurder zooveel doenlijk de noodige vertrekken, met de middelen tot afsluiting daarvan, afsta, zoodat op dien dag ten twaalf ure des middags de vorige huurder over niets meer kan beschikken, [art. 1O35 W.]

Art. 10. De tijd van ontruiming van tuinen is vóór of op half Maart; die van bouwlanden oogst bloot aan de stoppelen of St. Marten, [11 November], ook al bevindt zich daarop naschaar; die van wei- en hooilanden met half Maart, Pinksteren, oogst aan de stoppelen of St. Marten, naargelang der aanvaarding, [art. 1623 en 1633 B. W.]

Aldus vastgesteld ter openbare Raads-Vergadering te St. Oedenrode, den 22 Februari 1879, en is hiervan afkondiging geschied op Zondag den i6n Maart 1B79.

De Voorzitter, SCHINDLER.

De Secretaris, J. M. KEMPS.

Voor eensluidend afdruk.

SCHINDLER.

Burgemeester.

J. M. KEMPS.

Secretaris.

Provincie Limburg.

Gedeputeerde Staten hebben zich beijverd de noodige onderzoekingen te bevorderen. Eerst wendden zij zich tot de Burgemeesters, die van geene geschreven bepalingen te dier zake wisten, wel van het liéerschen van bepaalde gewoonten of gebruiken. De dienaangaande verstrekte mededeelingen volgen hieronder. Daarna stelden Gedeputeerde Staten de stukken in handen van den Archivaris der Provincie, die van nog veel meer gewoonten wist en oude rechtsbronnen aanwees, waarin zij haar oorsprong hadden. Naar aanleiding van een en ander deden de Staten ook een zelfstandig voorstel.

91

-ocr page 248-

92

A. Verordeningen.

XL. Gemeente Maastricht.

a. Verordening rati 27 Februari 1868.

Verordening op liet Houden der Beurs binnen de Gemeente Maastricht.

Gelijk boven ten aanzien van de Gemeente Goes deelen wij alleen die bepalingen mede welke niet uit art. 61 K. voortvloeien.

Art. 3. Monsters door de belanghebbenden gewaarmerkt, kunnen, verzegeld of niet, in bewaring gegeven worden aan den na te noemen bediende, die ze van het zegel der Beurs voorziet.

Art. 5. Het is verboden op de Beurs iets aan te plakken zonder vergunning van de Commissie, vermeld in art. 8. Deze Commissie wijst de plaats aan voor het aanplakken bestemd.

Art. 6. Dezelfde Commissie zorgt dat de opgave der prijzen (mercuriaal) zoodra deze van gemeentewege zijn vastgesteld worde aangeplakt.

Art. 7. De Commissie tracht desgeroepen alle geschillen op de Beurs in der minne te schikken.

Art. 8. Het beheer van- en het toezicht op de Beurs wordt opgedragen aan eene Commissie bestaande uit 5 leden, te benoemen door den Gemeenteraad, die daartoe van de Kamer van Koophandel eene aanbeveling ontvangt. Zij worden benoemd voor twee jaren.

De aftredende leden zijn dadelijk weder benoembaar.

De Commissie benoemt haren Voorzitter en Secretaris uit haar midden; zij stelt eveneens den bediende aan.

Art. 10. De handhaving der orde op de Beurs, benevens het konstateren der overtredingen van deze Verordening worden opgedragen aan alle leden van de Commissie der Beurs en de beambten van Policie.

h. Verordening van 51 Mei 1856.

De Burgemeester en Wethouders van Maastricht,

Doen te weten:

Dat door den Raad dier Gemeente, in zijne vergadering van den 31 Mei 1856, is vastgesteld de volgende

-ocr page 249-

GEMEENTE MAASTRICHT.

Plaatselijke Verordening, houdende voorschriften ter verzekering van het toezigt op dienstboden.

Art. I. De dienstboden, daaronder begrepen tuiniers, minnen en kameniers, welke zich verhuren, zullen, alvorens in dienst te treden, zich ten kantore van policie moeten aangeven, ten einde in het aldaar te houden register der dienstboden te worden ingeschreven.

Art. 2. Bij die aangifte zal de dienstbode moeten voorzien zijn van een boekje, hetwelk door een der commissarissen van policie gequoteerd en geparapheerd zijnde, zal inhouden het signalement, de namen, ouderdom en geboorteplaats van den declarant, benevens de namen zijner ouders.

Art. j. Bij het intreden in de dienst zullen de dienstboden dadelijk hun boekje overhandigen aan hunnen heer of meester, die geen dienstboden in zijn dienst mag nemen, tenzij voorzien van een boekje behoorlijk ingeschreven.

Art. 4. De dienstboden, welke niet in het huis van hunne meesters nachtverblijf hebben, zullen daarbuiten gehouden zijn eene vaste woning te hebben, welke aan het kantoor van policie zal aangegeven worden.

Art. 5. De heeren en meesters, welke het boekje hunner dienstboden ontvangen hebben, houden hetzelve in bewaring: bij vertrek bezorgen zij het dadelijk ten kantore van policie, na alvorens daarin opgeteekend te hebben den dag van in diensttreding en dien van het vertrek.

Art. 6. Wanneer een dienstbode, welke reeds van een boekje voorzien is, eene nieuwe dienst bekomt, zal hij, voor de intreding in die dienst, zich vervoegen ten kantore van politie, om verklaring te doen van het bekomen zijner dienst.

Die verklaring zal in zijn boekje, hetwelk hem zal worden overhandigd, worden ingeschreven.

Art. 7. Wanneer een dienstbode zijne dienst verlaat en geene nieuwe dienst bekomen heeft, zal hij, dadelijk wanneer hij binnen de gemeente verblijf houdt, ten kantore van policie moeten verklaren waar hij vuont of nachtverblijf houdt.

Art. 8. Het bovenvermelde boekje zal moeten ingerigt zijn naar een door Burgemeester en Wethouders te geven model, hetwelk ten kantore van policie zal gedeponeerd worden en inhouden een uittreksel dezer verordening.

Art. 9. De dienstbodenboekjes thans in gebruik, zullen

93

-ocr page 250-

gkmeentii beegden.

ook voor het vervolg kunnen dienen, indien zij voor liet in werking treden dezer verordening behoorlijk ingeschreven zijn.

Art. io. Alle dienstboden, welke tot dusverre geen boekje hadden, zullen zich daarvan moeten voorzien binnen de veertien dagen na het in werking treden dezer verordening.

Art. II. De overtredingen dezer verordening zullen gestraft worden met eene geldboete van een tot drie gulden.

Art. 12. Onverminderd de bepaling van art. n van het wetboek van strafvordering, zijn met het opsporen van de overtredingen dezer verordening belast de dienaren van policie en de Commissarissen voor de bevolkingregisters.

Zijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg, volgens hun berigt van den 6 Junij 1856 Litt. 2685/T.T., in afschrift medegedeeld.

En is hiervan afkondiging geschied waar het behoort, den 18 Junij 1856.

Burgemeester en Wethouders, De Secretaris,

VAN AKEN, MOET.

Gezien :

De Burgemeester, PYLS, De Secretaris, ?

Dergelijke Bepalingen bestaan in onderscheiden Limburgsche gemeenten, als: Eygelshoven, Alg. Pol. Verord. 1862, Nieu-wenhagen. A, P. V. 14 Aug. 1862, Schaerberg, A. P. V. 18 Juni 1862, Ubach over Worms, 26 Mei 1862. In alle deze Verordeningen is Hoofdstuk X aan dit onderwerp gewijd.

//. Mededeelingen der Gemeenten. ci. Gemeente Beegden.

29 April 1887.

In antwoord op uwe circulaire van den 4 Maart 1.1. Prov. blad No. 31, betreffende de plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, hebben wij de eer UEdel Groot Ach tb. mede te deelen, dat geen plaatselijke reglementen of verordeningen zoo als boven bedoeld, in deze gemeente bestaan en dat de volgende gebruiken of gewoonten heerschende zijn: 1. Binnen de zes weken heeft de kooper recht vernietiging van den koop van vee te vragen voor onzichtbare gebreken gedurende dien tijd ontdekt.

94

-ocr page 251-

gem eknte bingelrade.

2. De huizen moeten worden opgezegd een jaar bevorens;

3. De huren worden betaald in twee termijnen en wel met 1 October en met Paschen, en

4. De landerijen worden verpacht voor een toust van vier jaren voor de leem- en voor 3 jaren voor de zavelgronden.

Hel Genieeu/ebsstuur van Heelden.

b. Gemeente Bingelrade.

16 Mei 1887.

Burgemeester en Wethouders van Bingelrade;

Gezien een schrijven van Edel Groot Achtbare Heeren Gedeputeerde Staten d.d. 4 Maart jl. La. 697/4 H. 2e afd. B. betreffende plaatselijke reglementen of verordeningen, gebruiken of gewoonten, niet vervat in plaatselijke strafverordeningen, hebben wij de eer na een nauwkeurig onderzoek te berigten, dat ons niet gebleken is, dat verordeningen of reglementen schriftelijk aanwezig zijn. Wel oude gebruiken of liever oude misbruiken, zooals de zoogenaamde Doode Waak, het geven of doen geven van heulbier, het verkoopen of uitroepen van Meiliefstens enz. misbruiken die sedert onzen tijd allen afgeschaft zijn, in den beginne met moeite en inspanning, thans zijn de ingezetenen dankbaar voor die afschaffing.

Verlangt men eene genauwe beschrijving van alle die vroeger hier bestaan hebbende gebruiken, dan zijn wij bereid die te verstrekken met alle bijzonderheden.

Wat aangaat het planten van hagen en boomen langs andermans eigendom, b.v. eene opgaande haag op 2 voet, eene geschoren haag op 1 voet, een fruitboom op zes voet, opgaande boomen, de notenboomen daaronder begrepen op acht voet, het bouwen eener muur op eenen halven voet, het bouwen van eene muur of huis met overdak, op 1 \'/.j voet; dat zijn gebruiken die hier in dezen streek algemeen erkend en ook geëerbiedigd worden.

De Burgemeester en Wethouders van Bingelrade.

95

-ocr page 252-

g6 gem. br0eks1ttakd. bunde. - cadier en keer.

c. Gemeente Broeksittard.

16 Mei 1887.

Ter voldoening aan de aanschrijving d.d. 4 Maart 11. La. 697/4 H. opgenomen in het Provinciaal blad 31 van dit jaar, hebben wij de eer Heeren Gedeputeerde Staten te berigten, dat volgens het in deze gemeente bestaande plaatselijk gebruik waarnaar verwezen wordt in de artt. 453 en 1255 Burgerlijk Wetboek, artt. 853 en 857 Wetboek van Koophandel artt. 466 en 684 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, al de daarbij bedoelde verkoopingen steeds omtrent een uur voor het begin van die verkoopingen door den veldwachter met de bel ter kennis van de ingezetenen worden gebragt en dat hier overigens geene plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten bestaan buiten de plaatselijke strafverordeningen.

d. Gemeente Bunde.

20 April 1887.

Na de opgaven aan den voet van het Prov. blad hiernevens gemeld, te hebben overwogen en onderzocht, kunnen wij UEd. Gr. Achtb. Heeren alleen melden, dat geen plaatselijke Verordeningen of reglementen van dien aard hier bestaan, maar alleen een gebruik of gewoonte in acht genomen wordt betrekkelijk huur en wel zoodanig, dat een huis minstens 6 maanden vóór \'t verstrijken van het laatste huurjaar wettig moet opgezegd worden om het den huurder te kunnen doen ontruimen, en dat den pachter van een stuk land eveneens minstens 6 maanden hetzelve door een deurwaarder moet worden opgezegd. Geschiedt dit niet of heeft de pachter het perceel op nieuw bemest, geploegd of bezaaid, dan treedt hij op nieuw en wel voor 3 jaren in zijn pachtrecht (dit noemt men ploegrecht).

Burgemeester en Wethouders.

e. Gemeente Cadier en Keer.

25 Apnl 1887.

Wij hebben de eer Uwe Vergadering mede te deelen, dat uit het door ons ingesteld onderzoek is gebleken, dat alhier

-ocr page 253-

gemeente e1jgelsh0ven

geene verordeningen of reglementen bestaan, als bedoeld is in genoemd prov. blad. Wel bestaan er eenige gebruiken of gewoonten, als:

Burgerlijk Wetboek Art. 690 en 713.

De wijze van afsluiting of scheiding van eigendommen is: levende of doode haag, paalwerk of muur, in de scheiding, zoo de eigenaars samen afsluiten; voor levende hagen op 72 centimeters, als die opgaan en gesnoeid worden, op 50 centimeters als ze geschoren worden en slechts hoogte van 1.50 a 1.70 M. hebben, verwijderd van het eigendom van anderen, voor paalwerk en doode hagen in de scheiding; voor muur zonder afdak 5 centimeters van den eigendom, en voor reinpalen in de scheiding; boomen worden op twee meters van den eigendom van anderen geplant.

Art. 733. De breedte van een voetpad is één meter.

Art. 1Ö07, 1614, 1623. De termijn van opzegging is gewoonlijk 3, ook soms 6 maanden.

Art. r6i8. De betaling geschiedt in één termijn.

Art. 1Ö19. Die reparatiën zijn: vernieuwing van een paar gebroken glasruiten, dakpannen, brik- of mergelsteenen, een paar schoren aan het stroodak aanbrengen, eenige gaten in de leemvakken dichten, een deur of venster verven, enz.

Art. 1621 en 1623. Huur van huizen en woningen zonder grond of bouwland is één, soms drie jaar.

Art. 1622. Huur der landerijen is drie jaar en de overgang dient gedaan te worden in den staat, waarin de aanvaarding heeft plaats gehad.

Burgemeester en Wethouders.

f. Gemeente Eijgelshoven.

31 Maart 1887.

Wij hebben de eer u mede te deelen, dat alhier geene plaatselijke reglementen of verordeningen bestaan, waarop naar de in Prov. blad N0. 31 van dit jaar aangehaalde artt. der verschillende Wetboeken wordt verwezen. Voorts dat , alhier de volgende plaatselijke gebruiken bestaan omtrent: B. W. art. 733. Breedte van voetpaden 4 voet. » » 1607, 1614, 1623. Termijn van opzegging van huur Y,; jaar voor het eindigen van den huurtijd.

97

-ocr page 254-

gS gemkentk grathem.

1?. W. art. i6i8. Betaling van huur van huizen, per maand per half jaar en per jaar.

» » 1619. Voor rekening van den huurder komen de geringe en dagelijksche reparatiën der gebouwen.

» » 1621, 1623. Huurtijd van huizen en woningen bij \'t jaar.

® 8 \'635. Huur van landerijen, voor 3 of 6 jaar, en moeten bij \'t eindigen van den huurtijd in dezelfde of soortgelijke stoppelvelden als bij de aantreding liggen blijven.

Art. 857 Wetb. v. Kooph. Bij openbare verkoopingen van vaste goederen worden de gebouwen met aan-liggenden tuin en boomgaard gewoonlijk zamen in één lot tot verkoop uitgesteld en toegewezen, de overige goederen per kleine roede van 20 meter 52 centimeter.

Burgemeester en Wethouders.

g. Gemeente Grathem.

20 Met 1887.

Wij hebben de eer in antwoord op uwe circulaire van den 4en Maart 11., 2e Afd. B. Litt. 697/4 H., opgenomen in Provinciaalblad N0. 31 van dit jaar, betreffende de plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, UEdelGroot-Achtbare mede te deelen, dat geen plaatselijke reglementen of verordeningen hier de materie beheerschen, doch dat de volgende gebruiken of gewoonten ter zake bestaan:

a. dat de huur van huizen geschiedt bij \'t jaar en moet worden afgekondigd zes maanden bevorens, terwijl het gewone toustrecht van landerijen is 3 jaren, en dat de opkon-diging moet plaats hebben 6 maanden vóór het eindigen der huur;

b. deze verhuring geschiedt bij aanvaarding en bij het laten liggen steeds stoppelbloot;

r. de verkoop van roerende goederen geschiedt steeds in \'t openbaar bij opbod en tegen crediet;

(/. de verkoop van landerijen geschiedt bij de oude maat, zijnde 21 centiaren.

Het Gemeentebestuur van Grathem.

-ocr page 255-

gemeente cronsfeld.

h. Gemeente Gronsfeld.

2 Mei 1887.

Wij hebben de eer op uwe Missive van den 22 April ji. 2e Afd. B. litt. 697/4 S. te berigten, dat er in deze gemeente eigenlijk geene verordeningen of reglementen bestaan, betrekkelijk de in Prov.blad dezes jaars N0. 31 opgesomde artikelen van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel.

Evenwel bestaan er gebruiken en gewoonten, welke op eenige dier artikelen betrekking hebben en in voorkomende gevallen toegepast worden, bijvoorbeeld:

Art. 453. Verkoopingen van onroerende goederen worden gewoonlijk twee achtereenvolgende Zondagen geafficheerd en geschieden met voorbehoud van een of meerdere uren beraad om dezelve goed of af te keuren.

Art. 713. Voor het planten van heggen is het plaatselijk gebruik dat eene opgaande hegge op 2,/!! voet — 0,736 en eene geschoren hegge, welker hoogte 4 voet r= 1,180 is, op 1 \'/.2 voet = 0,4425 afstand van het naburige erf behoort geplant te worden.

Is de hegge in den rein geplaatst dan behoort dezelve van elk erf voor zoover de knoopen der bindtwissen zich aan den kant van dat erf bevinden, zoodat de hegge niet altijd aan ieder erf voor de juiste helft behoort; bij afscheiding van landerijen dient te worden bemerkt, dat volgens landsgebruik een strijksteen 5 duim — 0.1475 in het eigen erf ligt.

Een gevelmuur waarover geen dak heenschiet, moet geplaatst worden op 2,/3 duim - 0,074 der scheidslinie; een zijmuur waarover een dak heenschiet, moet geplaatst worden op 1 \'/2 voet — 0,4425 der scheidslinie en mag het dak slechts 8 duim — 0,234 overschieten, zoodanig dat de dakdrop valt op 7 duim 0,206 afstand van de scheidslinie; men mag het dak van een voormuur zoover als men verkiest laten overschieten, mits de dakdrop valle op minstens 7 duim 0,206 afstand van het naburige erf, volgens lands gebruik laat men die daken niet verder dan 18 duim —: 0.532 overschieten.

Art. 8iq. De gewoonte zoowel voor huizen als voor andere onroerende goederen is: dezelve te verhuren voor 3 of 6 jaren, met regt de verhuring bij verloop der eerste

99

-ocr page 256-

gemeente heel c. a.

3 jaren te doen eindigen, mits aanzegging van 6 maanden vóór het verloop van het 3e jaar.

Art. 1382 en 1383. Dit hangt af van den aard der overeenkomsten.

Art. 1547. Alleen betrekkelijk onderhandschen verkoop van vee, is landsgebruik een termijn van 40 dagen.

Art. 1607, 1614 en 1623. De termijn voor huizen, tuinen weilanden is 3 maanden vóór het verloop van een geheel jaar, en voor landerijen 6 maanden vóór het verloop van het 3e jaar; dit laatste is ook het geval, wanneer bij verhuur van een gebouw, tuin of weiland, tevens bouwland verhuurd wordt.

Art. 1621 en 1623. Volgens landsgebruik een jaar.

Art. 1635. Het land moet volgens landsgebruik bij einde toust overgegeven worden in denzelfden staat als waarin hetzelve zich bij aanvang bevindt.

Betrekkelijk de aangehaalde artikelen van het Wetboek van Koophandel en van Burgerlijke Regtsvordering bestaan geene plaatselijke verordeningen, noch reglementen, noch landsgebruiken; alleen bij openbaren verkoop van roerende en ook van onroerende goederen wordt steeds bij opbod en nooit bij afslag verkocht, alsook heeft de verkoop steeds in ééne zitting plaats, met voorbehoud van beraad gedurende één of meer uren.

Burgemeester en Wethouders.

i. Gemeente Heel c. a.

29 April 1887.

In antwoord op uwe circ. d.d. 4 Maart jl., opgenomen in het provinciaal blad Nü. 31 van dit jaar, betreffende de plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, hebben wij de eer UEdelGrootAchtb. mede te deelen, dat geen plaatselijke reglementen of verordeningen als voren bedoeld in deze gemeente bestaan, en dat de volgende gebruiken of gewoonten heerschende zijn:

1°. Binnen de zes weken heeft de kooper recht vernietiging van den koop van vee te vragen voor onzichtbare gebreken gedurende dien tijd ontdekt.

20. De huizen moeten worden opgezegd een half jaar bevorens.

ioo

-ocr page 257-

gemeente heythuysen,

3°. De huren worden betaald in twee termijnen, en wel met i October en met Paschen.

4°. De landerijen worden verpacht voor eenen toust van 4 jaren voor de leemgronden en voor drie jaren voor de zavelgronden

Het Gemeentebestuur van Heel en Panheel.

j. Gemeente Heythuysen.

26 April 1887.

Wij hebben de eer UEdelGrootAchtbare te berigten, dat in deze gemeente de volgende plaatselijke gebruiken bestaan:

Art. 1607. De termijn van opzegging voor huizen is een half jaar voor paaschen, de huur van landerijen wordt aangegaan voor den tijd van drie, zes, en negen jaren, steeds met drie jaar opklimmende, de termijn van opzegging is een half jaar voor het eindigen van de drie, zes of negen jaar. Behoort bij de landerijen eene bouwmanswoning dan geldt dezelfde termijn als voor deze laatste,

Art. 1614. Dan gelden dezelfde termijnen als voren.

Art. 1623. Blijft de huurder na het einde der huurjaren, bij schriftelijke overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde, zonder dat de verhuurder zich hiertegen verzet, dan blijft hij op nieuw huurder, van een huis voor den tijd van één jaar, van een huis met bouwland voor drie jaar.

Wetboek van Koophandel;

Art. 853, 857. Openbare verkoop van roerende en onroerende goederen heeft plaats bij opbod, na voorafgaande bekendmaking in de nieuwsbladen en bij aanplakking in herbergen.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering;

Art. 466, 684. Hierbij komen dezelfde plaatselijke gebruiken te pas als bij art. 853, 857 Wetboek van Koophandel.

De Burgemeester en Wethouders.

IOI

-ocr page 258-

gkmeknte houthem.

k. Gemeente Houthem.

28 April 1887.

Burgerlijk Wetboek:

Art. 45,^. Verkoop van onroerende goederen van minderjarigen toebehoorende: Hieromtrent bestaan geene plaatselijke reglementen of gebruiken.

Het gebruik alhier wil, dat die verkoopen geschieden in de gemeente, waar de goederen zijn gelegen, na advertentiën van twee op elkander volgende zondagen, in een café, tapperij of andere openbare plaatsen steeds op crediet van minstens 3 maanden.

Art. 690. Hieromtrent beslaan geene bizondere verordeningen noch plaatselijke gebruiken.

Art. 703. Idem.

Art. 713. Voor het planten van heggen is het vaste en erkende gebruik in deze gemeente; a. voor de niet opgaande geschoren doornen heggen op 2 Luiksche voeten, h. en voor de opgaande heggen op 2.5 voet van de scheidslinie van het aangrenzend erf.

Art. 733. Plaatselijk gebruik voor voetpad 4 Luiksche voet, voor dreef of weg 8 L. voet.

Art. 738. Hieromtrent bestaat geen plaatselijk gebruik.

Art. 792. Idem.

Art. 81O, 817 en 819, Hieromtrent bestaan geene andere gebruiken of gewoonten dan bij het Burgerlijk Wetboek is bepaald.

Art. 1201. Idem.

Art. 1255. Zooals hierboven aan Art. 453 is gezegd.

Art. 1382. Geene gebruiken bekend.

Art. 1383. Idem.

Art. 1547. Rechtsvordering in te spannen binnen 40 dagen na de sluiting van de overeenkomst voor alle gebreken, die de vernietiging van het koopcontract kunnen motiveeren.

Art. 1607, 1614 en 1623. Termijnen van opzegging «.voor huizen, gebouwen, tuinen, hooilanden, boomgaarden, en weilanden 3 maanden, b. Voor bouwlanden en pachthoeven en voor alle andere verhuringen, dal is te zeggen, waarbij bouwlanden met andere eigendommen gezamenlijk worden verhuurd 6 maanden.

Huur naar plaatselijk gebruik voor de goederen vermeld

I02

-ocr page 259-

gemeente ittekvoort,

aan letter a een jaar, en voor die vermeld aan letter b. 3 jaren.

Art. 1618. Bij het eitidigen van elk huurjaar.

Art. 1619. Geen bizunder plaatselijk gebruik.

Art. 1622. Idem.

Art. 1635. Deze zaken worden altijd bij de huurovereenkomst geregeld.

Art. 1654. Hieromtrent bestaan geene plaatselijke gebruiken.

Wetboek van Koophandel:

Aangaande de eigenlijke zaken van koophandel bestaan hier geene plaatselijke gebruiken, reglementen of verordeningen dan hiervoren bij Art. 453. Burgerlijk Wetboek is bepaald.

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

Art. 466 en 684. Idem als voren.

Opgemaakt door Burgemeester en Wethouders van Houthem den 28 April 1887.

/. Gemeente Ittervoort.

23 April 1887.

Wij hebben de eer, in antwoord op uwe circulaire d.d. 14 Maart, prov. blad N0. 31 van dit jaar, betreffende plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, UEdelGrootAcht-bare mede te deelen, dat dergelijke verordeningen of reglementen in deze gemeente niet bestaan, en dat eenige plaatselijke gebruiken, in de circulaire aangeduid, heerschende zijn, als volgt:

n. De opzegging van huizen moet steeds geschieden een half jaar bevorens, terwijl de betaling in den regel geschiedt in 2 termijnen, en wel op 1 October en met Paschen.

b. De huurtijd van huizen is van Paschen tot Paschen.

c. De landerijen worden verhuurd volgens de gewone toust, zijnde alhier drie jaren, volgens het gebruik van mest-recht, terwijl de huurtijd op elk dier tijdstippen eindigt stoppelbloot,

d. De openbare verkoopingen van landerijen geschieden steeds bij oude maat, dat is 20 centiare 72 honderdste, dat is eene oude roede.

Het Gemeentebestuur.

-ocr page 260-

i04 gemeente limbricht.

m. Gemeente Limbricht.

Plaatselijke Verordeningen, Gebruiken of Gewoonten in de Gemeente Limbricht, opgemaakt volgens voorschrift opgenomen in het Prov. Blad van 1887, Nft. 31.

Burgerlijk Wetboek:

Art. 453. Nadat de voogd de vereischte magtiging heeft aangevraagd en verkregen, geschiedt de verkoop in \'t openbaar door een Notaris in bijzijn van den toezienden voogd; na toewijzing heeft de verkooper nog een uur beraad om verkoop goed of af te keuren.

Art. 690. Hierover zijn geene bijzondere gebruiken of verordeningen ons bekend; de afsluiting van tuinen geschiedt door heggen, doorgaans van beide zijden geschoren, en hebben ongeveer eene hoogte van 15 palmen.

Art. 703. Over tusschenruimte bestaan geene verordeningen of gebruiken, echter wel op zaken die gevaar of hinder kunnen veroorzaken, zooals het plaatsen van stroo of hout op een afstand van 25 ellen, het toezicht bij bouwing van bakovens en stookplaatsen, enz.

Art. 713. Geene bijzondere gebruiken of reglementen ons bekend.

Art. 733. Bijzondere verordeningen bestaan hier niet; volgens gebruik is de breedte der voetpaden \'/^ meter; rijpaden of dreeven bestaan hier niet; de veldwegen hebben eene breedte van minstens 2Kl^ meter.

Art. 738, Geene plaatselijke verordeningen ons bekend; men houdt zich aan het door gebruik verkregen regt.

Art. 792. Bestaan hier niet meer.

Art. 816, 817 en 819. De vruchtgebruiker geniet de opbrengst en moet de gebouwen onderhouden; mag geen boomen afkappen, als alleen noodig tot onderhoud der gebouwen, en komt hij te overlijden, dan aanvaarden de erfgenamen alles in den staat waarin het zich alsdan bevindt.

Art. 1201. Dit geschiedt volgens de wet.

Art. 1255. Deze worden doorgaans vrij verkocht en de hypothecaire last wordt door den verkooper afgelost.

Art. 1382. Geene gebruiken hierover bij ons bekend.

Art. 1383. Hierover het bekende gebruik om b.v. bij het verkoopen van vee een gebruikelijk drinkgeld te betalen, ook

-ocr page 261-

GEMEKNTE LIMBRICHT.

wanneer zulks in tien koop niet bedongen is; b.v. voor een big 6 cents; voor een vet varken 24 cents; voor eene koe 48 cents en voor een paard 5 francs.

Art. 1547. Wanneer zulke zaken niet in der minne, meestal door tusschenkomst van een veearts, kunnen geregeld worden, wordt de beslissing aan den rechter overgelaten.

Art. 1607, 1614 en 1623. Wanneer de verhuring schriftelijk is aangegaan, regelt men zich volgens het contract; overigens volgens de wet.

Art. 1618. Deze geschiedt per half jaar, doch het meest per jaar.

Art. 1619. Het herstellen van vensterglazen, pleisterwerk, behangsels, witten en dusdanige kleinigheden, zijn voor rekening van den huurder.

Art. 1621 en 1623. De huurtijd is doorgaans zes tot negen jaren.

Art, 1622. Hier niet in gebruik.

Art. 1635. Dit bepaalt zich hoofdzakelijk bij verhuring van pachthoeven; het gebruik is, dat de aftrekkende pachter de wintergranen moet zaaien en dat hij bij den oogst de halve knop daarvan trekt; doch de nieuwe pachter moet de pacht daarvan alleen betalen. Wat de verpachting van landerijen in \'t openbaar betreft, is hier het gebruik, wat men ook wel eens misbruik kan noemen, de pachtsom vooraf vast te stellen; dan wordt de in het perceel zich bevindende beterij publiek geveild en de hoogstbiedende is aanpachter; het betalen dier beterij moet plaats hebben vóór of bij verval der eerste pacht; verder is de aanpachter meester van \'t land en hij is niet gehouden, bij het eindigen van den pachttijd, beterij of eene bepaalde vrucht of meststof er in te laten. Dit gelijkt wel op roofbouw.

Art. 1654. Daarvan is ons hier niets bekend.

Wetboek van Koophandel:

Art. 60 (61). Bestaan hier niet.

Art. 644, 755 en 853. Geene plaatselijke gebruiken ons bekend.

Art. 857. Volgens de wet.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering:

Art. 466. Dit komt hier zelden voor.

Art. 684. De verkoop geschiedt in het openbaar door

-ocr page 262-

GEMEENTE MAASBKEli.

een Notaris; aan den hoogstbiedende wordt, zonder waarborg voor fouten of\' gebreken, het opgeroepen roerend goed toegewezen, onder voorwaarde, dat de kooper een bekenden, solieden borg moet stellen.

//. Gemeente Maasuree.

30 Maart 1887.

Ter voldoening van het in inargine vermeld Provinciaal blad hebben wij de eer UEdel Groot Achtbare de opgave te doen, betreffende den aard der plaatselijke gebruiken of gewoonten, waarop in de verschillende wetboeken gedoeld wordt, te weten:

Burgerlijk Wetboek:

Art. 453. Na tweemaal afkondiging na de Zondagmis en in een Weekblad, wordt tot de veiling in de herberg overgegaan.

» 1547. Binnen zes weken.

» 1607. \\ Termijn van opzegging van huur voor Bouw-

» 1614. \' en Weiland, voor 1 October voor den laatsten

» 1623. ) oogst. Huizen drie maanden voor Paschen.

» 1618. Betaling van huur van huizen in eens met Paschen.

» 1 ö 1 (). Geringe reparatiën voor rekening van den huurder komen: vooral de ruiten inzetten en de pannen insteken.

» 1621. 1 . . . ,, .

1623 S Huurtijd van huizen en woningen is een jaar.

» 1Ö35. Huur van landerijen, bouwland voor drie jaren, hoeven, drie, zes of negen jaren. Inachtneming bij overgang van huur: niets.

Wetboek van Koophandel:

Art. 835. Verkoop van roerende goederen bij opbod, de uitroeper slaat door.

» 857. Verkoop van onroerende goederen bij opbod, de Notaris slaat door.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering:

Art. 466. Zondags na kerktijd tweemaal en in een Weekblad.

» 084. Als voren.

Burgemeester en Weihouders der Gemeente Maasbree.

io6

-ocr page 263-

gemeente maastricht. 107

0. Gemeente Maastricht.

13 Junij 1887.

Het in margine vermelde onderwerp, waaromtrent bij de aanschrijving, d.d. 4 Maart j.1., opgenomen in liet Provinciaal blad Nquot;. 31, van dit jaar inlichtingen werden gevraagd, heeft nasporingen vereischt, waarvan wij slechts nu in staat zijn de resultaten aan Uw Collegie mede te deelen.

De meeste der onderwerpelijke gebruiken, zoo niet allen, zijn hier ontsproten uit de oude Recessen der stad Maastricht. Voor zoover wij dit hebben kunnen ontdekken, worden hier bijna geene andere gebruiken in toepassing gebracht, zooals hierna zal blijken.

Uil de bedoelde Recessen nu, nemen wij hierna het volgende over:

Burgerlijk Wetboek:

Art. 453. De Recessen luiden omtrent dit punt als volgt: BI. 59 Art. 18. En sulx voorgegaen synde, sullen deselve bij publicque proclamatien aea den hoogstbiedende bij het uitgaen der brandende keersse werden vercogt op poene van nulliteijt, ingevalle anders kwam te gebeuren.

Deze bepaling is echter in onbruik geraakt. Thans, en sedert lange jaren, wordt de verkoop van onroerende goederen bij opbod — niet bij afslag — in ééne zitting met een uur beraad voor goed- of afkeuring.

Artt. 690 en 703. Volgens de Recessen:

BI. 36 N0. 10. De scheyds-muyren, die men noemt luyck-muyren, tusschen hoven, steenwegen ofte opene plaetsen, moeten ook half en half op gemeen erve ende tot gemeene kosten geleyt worden, ter hoochte van negen voeten boven de aerde, de welcke tot laste van de onwillige sullen gevonden worden, soo ende gelyck van de brant-gevels is geseyt.

BI. 36 N0. 11. Des sullen de selve scheyds-muyren op goede fondamenten gemetselt worden, om oock tot hooger timmer aen d\'een of d\'andere syde te kunnen dienen.

BI. 36 N0. 12. Soo wanneer eenen brantgevel geleydt wordt tusschen een huys van d\'eene syde, ende eene ledige plaetse van d\'andere syde, soo en sal den eygenaer ofte besitter van de ledige plaetse niet verder daertoe

-ocr page 264-

I08 GEMEENTE MAASTRICHT.

contribueren als ter hoochte van een luyck-muyr of van negen voeten boven de aerde.

BI. 37 N0. 13. Dan als de selve nabuyr de voorsz. brantgevel hooger sal willen gebruyken, soo sal hij, nae raete van het gebruyck, de helfte der kosten moeten dragen, ende betalen, met eenen voet muyrs boven het dack.

BI. 37 N0. 14. Indien yemand eenen gangh heeft nefïens syn naebuyrserve, ende dat deselve gangh niet meer als vier voeten of daeromtrent breet en is sonder meerder, soo en sal hij, in cas van opbouwinge van eenen muyr, niet meer als de breete van eenen halven brick behoeven te ontbeeren.

BI. 37 Nn. 15. Maer indien die gene die de gangh toekomt, noch eenich erff daer hadde, ende den gangh begeert te overtimmeren, soo sal den voorsz. muyr half en half moeten gheleyt werden op gemeyne erve.

BI. 37 Nquot;. 16. De gene die eene mestkuyl, poel of diergelijcke vuyligheyt heeft ende gebruickt tegen eens anders bebouwde erve, daardoor een kamer of keucken komt schade te lijden, is gehouden deselve vuyligheyt te ruymen, ende synen nabuyr buyten schade te stellen.

BI. 37 Nn. 17. Alle secreten staende onder een ander mans erve moeten gereynicht werden van de sijde daer die gebruyckt worden, ten ware dat bleecke van servituyt ter contrarie.

BI. 38 N0. 18. Degene die een secreet maeckt omtrent syns nabuyrs waterput of regenback, soodanich dat deselve daerdoor soude beschadight worden, is gehouden \'tselve secreet te verleggen, of synen nabuyr eenen anderen put of regenback te leveren, tot syne commoditeyt.

Art. 738. Omtrent het gebruik maken van erfdienstbaarheid bevatten de Recessen de volgende bepalingen:

BI. 39 N0. 24. De eygenaers van steen-wegen of plaetsen lijdende de servituyt van stillicidie en mogen deselve niet betimmeren, soo verre de druppen vallen, genaemt de osingdrop.

N0. 25. De ghene die eenigh servituyt heeft tot laste van sijns nabuyrs erve, van riool, goote ofte waterloop, en vermach daer door anders niet te laten loopen als hemels- ende put-water, ende geensints stinkende water, dreck of vuyligheyt.

-ocr page 265-

GEMEENTE MAASTRICHT.

Nü. 2b. De prescripten zijn in de voovsz. stadt gedi-rigeert tot dertich jaren, ende de servituten worden geprescribeert of niet geprescribeert, naa dat die zijn continuel of discontinue!, als nae rechten.

Art. 792. Nopens het heften van tienden bevatten de Recessen alleen het volgende:

So we theende heelt, van weme dat sy, ende meir neme, of mit onrechte suechte te nemen van den luidan dan voer synen tyt gewoende were geweest, denen man, sijne gesellen ende knapen sal men dar toe halden, dal sij dat mit honnen lijve beteren ende doen stoen alst voere stoent.

Art. 816. Omtrent het recht en \'t genot in dit artikel bedoeld, bestaan hier geene andere gebruiken, dan die overeenkomende met de bepalingen van het artikel zelve.

Art. 817. Het plaatselijk gebruik in dit artikel bedoeld brengt mede, dat bij rooijing of afkapping der boomen dezelve binnen het jaar door anderen worden vervangen.

Art. 8iq. Het gebruik in dit art. bedoeld brengt mede: verhuring van huizen voor één jaar, van bouwland voor 3 a 6 jaren, van weilanden en tuinen voor één jaar.

Artt. 1255, 1382, 1383 en 1547. Ten aanzien van den verkoop van roerende en onroerende goederen bevatten de Recessen geene bijzondere bepalingen ten aanzien van de onderwerpen, in deze artikelen bedoeld.

Misschien echter kan de mededeeling van enkele bepalingen daaruit zijn nut hebben. Zij betreden den evenbedoelden verkoop en luiden als volgt:

BI. 152 Nquot;. Soo wanneer erven met de brandende keersse verkocht zijn, soo en valt er geene rescissie ter oorsaecke van bedroch over tie helft.

Nu. 6. Een verkocht peert wordende binnen ses weecken naer het verkoop, bevonden snuyfachtig, demp-achtig, wormachtigh of maenoogigh, wort aen den ver-kooper gerestitueerd, en de koop-penningen gerepeteert.

Nü. 7. Goederen die verkocht worden door de kinderen proprietarissen, daer de ouders aen betochtight zijn, zijn subject aen caduciteyt, maer komende de tochtenaers voor de proprietarissen te overlijden, soo verkrijght het contract zijn volkomen effect.

Artt. 1607, 1614, 1618, 1619, 1621, 1623, 1622 en

-ocr page 266-

GEMEENTE MAASTRICHT.

1(j35- Over de in deze artikelen vermelde onderwerpen bevatten de Recessen de volgende bepalingen:

BI. 153 N0. 10. Huyshuren. Alle huren of tousten van huizen deser stadt moeten in en afgaen den 2en dingsdag in april en in October, ende de huysen donderdags daer aen volgende weesen ontruymt op poene van nulliteyt der hure, en dat den huurder en verhuurder sullen jeder vervallen in eene amende van 50 Gld. Geene huren binnen dese stadt en sullen subsisteeren, ten sy deselve in geschrift sullen wesen geredigeert, sullende so lange als daer van geen instrument sal weesen gepas-seert, partyen hine inde van haer mondeling gespreek mogen peniteeren en resilieeren en bij aldien op \'t zelve mondeling besprek den huurder het gehuurde al quam te bewonen ofte betrekken dat egter dezelve hure sonder schriftelike huurcedule, telkens met de eerste dingsdag in april of in october conform de recetten deser stadt, zonder verder obligatie van d\'een of d\'anderen pireren sal, waer tegons een jegelik sig met een behoorlik geschrift zal mogen en moeten voorsien.

In betref tot de hier behandelde onderwerpen kunnen welligt de volgende bepalingen der Recessen dienstbaar zijn. Zij zijn gesteld onder de Pro/erentien en Prescriptien.

Aanhangsel bl. 28. Alle opbouwers van steene tijdof bra.idgevels in plaetse van leeme of houte wanden, sig hebbende laten realiseren voor het toecomende een preferabel regt hebben aen alle anterieure reëele crediteuren tot laste van desselvs nabuurs bouw of huis, die in den opbouw van den gemenen tijd of brandgevel voor de helfte niet sal willen contribueren.

Aanhangel bl. 82. Iemand penningen ten interesse uitdoende ter incoop van eenig huys, hof of ander reëel pand, hij in materie van preferentie en concurrentie op dat huys geen preferentie sal hebben, voor alle andere gerealiseerde ophebbende en vercrijgende als voor, tensy dat in de acte van opneminge specialyk en nominatim staat of werd geïnsereert en geexprimeert, dat de opge-nomene penningen syn wetten genegodeert en opgenomen en tot incoop en betalingen van de voorstpanden reelyk geëmployeert en dat deselve haer specialyk daer voor syn verobligeer.

I IO

-ocr page 267-

gemeente margraten

De prescripten syn in deese stadt geredigeert tot 30 jaar; cnde servituten werden geprescribeert nadat die syn continueel of discontinueel als na regten.

Wetboek van Koophandel:

Omtrent de onderwerpen vermeld in de artt. 60, 644 en 755 van dit wetboek bevatten de stads Recessen geene by-zondere bepalingen. Voor zoover ons bekend, bestaan hier ter stede ook geene bijzondere reglementen en verordeningen of plaatselijke gebruiken.

Artt. 853 en 857. Wat ten aanzien van de plaatselijke gebruiken bij openbare verkoop van goederen bij ons bekend is, hebben wij hiervoor, bij art. 1255 en volgg. opgegeven. Burgerlijke Rechtsvordering;

Artt. 466 en 684. Nopens het plaatselijk gebruik, dat volgens deze artikelen moet worden opgevolgd, houden de Recessen geene bijzondere bepalingen in.

Thans worden ten aanzien van de onderwerpen dezer artikelen deze regelen gevolgd : in de buitengemeenten de gewone publicatie; openbare verkoop enkel bij opbod door notaris of deurwaarder; in Maastricht comptante betaling, in de buitengemeenten crediet.

Wij vertrouwen door het voorafgaande, zooveel mogelijk aan het verlangen van Uw Collegie en de Regeering te hebben voldaan.

Burgemeester en Wethouders van Maastricht.

p. Gemeente Margraten.

16 Mei 1887.

Ter voldoening aan UHEd.Achtb. Missive van 4 Maart La. 697/4\'76. 2 Afd. B. hebben wij de eer UHEd.Achtb. bij deze mede te deelen dat uit het ingesteld onderzoek betrefl\'ende hier bestaande plaatselijke reglementen, verordeningen, gebruiken of gewoonten het volgende is gebleken;

Volgens plaatselijk gebruik geschieden alle afkondigingen van gemeentewege te doen, \'s Zondags na de Hoogmis, op \'t plein voor de kerk, en aanplakking aan het oude gemeentehuis. Wanneer de ingezetenen verhuizen van de eene buurt naar

111

-ocr page 268-

GEMEENTE MARGRATEN.

de andere in deze gemeente, worden zijne goederen door de buren zijner nieuwe woonplaats kosteloos afgehaald, vervoerd en ter plaatse bezorgd; dit geschiedt eveneens zoo als een elders wonend huisgezin zich in deze gemeente komt vestigen.

De lijken van gehuwde personen worden door de buren van den overledenen kosteloos bewaakt, ter kerk gedragen en begraven, die der gehuchten \'t Rooth, Klein en Grootwelsden, Termaar en de Eijk worden door den daarvoor aangewezen landbouwer dier buurt op een wagen geplaatst en met drie paarden kerkwaarts gereden.

En, de hier bestaande Schutterij (St. Bastiaan) houdt hier jaarlijks een schietwedstrijd met buks op de stang, een zoo-genaamden schuttersvogel;

Degene die door zijn schot dien vogel met zijn zetel van de stang naar beneden werpt, is de koning der schutterij gedurende een jaar, geniet daarvoor eene premie in geld enz. en is gedurende dat jaar ontheven van het leveren van hand- en spandiensten, zoo hij paarden heeft, voor twee werkpaarden; hij die den vogel afschiet drie jaren achtereenvolgens, is keizer en geniet volle ontheffing.

De schutterij voormeld houdt eens in het jaar een optocht, door de straten der gemeente en wel met de kermis (Pronk Processie) \'s dinsdag, gekleed in uniform, enz.

Bij die gelegenheid planten de meeste ingezetenen een zoogenaamden Schuttersboom of paal ieder tegenover zijne woning op straat, liefst midden in den weg die de zoogenaamde bijlmannen (mineurs) der schutterij dan moeten afkappen, nadat de schutters der schutterij met hunne geweren hem eenige malen met loskruit bestookt en er op los gebrand hebben.

Tijdens het omkappen komt de planter met sterke dranken en bier voor den dag; sommige planters geven maar om gauw vooruit te komen, een paar flesschen sterken drank, likeuren of zoo iets, hetgeen dan terstond op die plaats ook door de aanwezigen genuttigd wordt en zoo gaat het voort tot dat de laatste schutterpaal afgekapt of uitgetrokken is. Overigens zijn ons geene gewoonten, reglementen of andere plaatselijke gebruiken bekend.

Burgemeester en Wethouders.

I 12

-ocr page 269-

gemeente meerssen.

q. Gemeente Meerssen.

ro Mei 1887.

Naar aanleiding van uwe Circulaire van den 4n Maart j.1, Provincieblad N0. 31, bepalen wij ons met te beantwoorden de artt. van het E\'. W., W. v. B. R. en W. v. K., voor zooveel het op deze gemeente betrekking heeft.

Burgerlijk Wetboek;

Art. 453. Aanplakken van allichen in de gemeente waar de goederen gelegen zijn en in de aangrenzende genieenten, 2 Zondagen voor den verkoop, alsmede in een of ander dag- of weekblad.

Die verkoopingen worden gehouden in de plaats waar de goederen gelegen zijn en het goed wordt toegewezen aan den hoogstbiedende; met of zonder beraad.

Art. 713. Boomen opgaande op eenen afstand van 2 Meter 8 voet van de scheidslinie en heggen op een afstand van 0.71 Meter.

Art. 1255. Men zie hierover art. 453.

» 1382. Worden aan den gewonen rechter onderworpen. Meer daarover is ons niet bekend.

Art. 1547. Bestaat hier alleen betrekkelijk verkoop van paarden. De paarden kunnen binnen 6 weken na den gesloten verkoop aan den primitieven eigenaar teruggebracht worden voor onzigtbare gebreken die niet door den ver-kooper aan den kooper bekend gemaakt zijn geworden bij het sluiten der overeenkomst.

Artt. 1607, 1614, 1623. De termijn van opzegging voor huizen, tuinen, weiland en boomgaarden is 3 maanden voor bouwlanden, 6 maanden voor het verstrijk van het eerste of derde huurjaar.

Art. 1618. De betaling wordt hier steeds bij overeenkomst bepaald — bij gebreke van overeenkomst is de gewone jaar-lijksche betaaldag St. Andreas (30 November).

Art. ióiq. Onder geringe reparation worden verstaan: het inzetten van gebroken vensterglazen, witten, verven en andere geringe herstellingen.

Artt. 1621, 1623. De huur van huizen naar het plaatselijk gebruik duurt een jaar.

Art. 1622. Een jaar.

1 \'3

-ocr page 270-

gemeente meyei,.

Art. 1634. Bij overgang van huur bestaat gewoonlijk hier het plaatselijk gebruik dat de afgaande pachter het goed iaat liggen leeg en \'2/.t bezaaid. Van de bezaaide harde vruchten krijgt hij de helft van den knop en de andere helft van den knop met geheel stof en stroo komt aan den nieuwen pachter. Deze tousten beginnen en eindigen gewoonlijk half Maart. Het plaatselijk gebruik brengt mede, dat bij het afgaan van den pachter, die alles op de hoeve moet laten, genoegzaam stroo, hooi, enz. voorradig is. Onder alles wordt hier verstaan ; hooi, stroo, mest, enz., terwijl de afgaande pachter zijne granen, vee, enz. kan vervoeren.

Wetboek van Koophandel:

Art. 853. Men zie art. 453 B. W. hiervoor.

» 857. Idem.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering;

Art. 466. Men zie art. 453 B. W. hiervoor. Het overige is voorzien bij voorschreven wetboek.

Art. 684. Idem.

Het is ons niet bekend, dat in deze gemeente verordeningen of reglementen bestaan, betrekkelijk de voorschreven artt. van de genoemde drie wetboeken.

Burgemeester en Wethouder van Meers sen.

NB. Zie de aanteekening in de Missive van den Rijks-Archivaris.

r. Gemeente Meyel.

16 April 1887.

Burgerlijk Wetboek:

Art. 453. Bij den verkoop van onroerende goederen aan minderjarige toebehoorende, zijn de voogden tegenwoordig, voorts als de gewone publieke verkoopingen.

» 738. Het plaatselijk gebruik van een regt van erfdienstbaarheid, bij gebreke van titel is, dat ieder zijn weg naar een perceel grond houdt, zooals zijne voorgangers die gebruikt hebben.

Art. 1255. Openbare verkoop van met hypotheek bezwaarde goederen heeft plaats volgens de gewone publieke verkoopingen.

ii4

-ocr page 271-

115

Art. 1607. \\ De termijn van opzegging van huur naar plaat-ygt; 1614. gt;• selijk gebruik is zes maanden vóór het ver-» 1O23. ) strijken van den huurtijd.

» 1618. De betaling der huur van huizen naar plaatselijk gebruik geschiedt bij jaarlijksche termijnen, eerst-maals na het verstrijken van het eerste jaar en zoo vervolgens,

De huurtijd van huizen volgens plaatselijk gebruik \' \' ^ is een jaar, van boerderijen 3, 6 of 9 jaren,

van landerijen 3 jaar.

» 1635. Bij overgang van huur van landerijen bij eene boerderij behoorende is het plaatselijk gebruik te aanvaarden het lenteland, weiland en woeste grond van 1 Februarij tot 15 Maart, den overigen grond den opvolgenden oogst stoppelbloot. De pachter, die eene boerderij verlaat, heeft het recht de woningen te blijven bewonen tot Paschen, hoewel dezelve meestal reeds worden verlaten in de 2e helft van November of later.

Wetboek van Koopiiandel:

Art. 853. Volgens plaatselijk gebruik bij openbaren verkoop van roerende goederen geschiedt zulks bij opbod, de goederen dadelijk te aanvaarden of voor risico van den kooper, betaling 10 pCt. boven den koopprijs na 6 of 15 maanden volgens goedvinden van den verkooper.

» 857. De onroerende goederen worden ook volgens plaatselijk gebruik verkocht bij opbod, binnen 8 dagen te betalen, ga 10 pCt. onkosten, de koopprijs binnen 3 of g maanden, de goederen worden ook aanvaard binnen 3 of 9 maanden.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

Art. 466 en 684. De bij deze artikelen bedoelde verkoopen komen zeer zelden voor en zijn daaromtrent geene plaatselijke gebruiken bekend.

Omtrent de overige artikelen, waaromtrent inlichtingen gevraagd worden, zijn geene plaatselijke gebruiken, verordeningen of gewoonten bekend.

N.B. Omtrent Mevel zie men de aanteekening bij den Heer Archivaris.

-ocr page 272-

gemeente montfort.

s. Gemeente Monteort.

Opgave van Plaatselijke Gebruiken of Gewoonten, bedoeld in de daarbij aangehaalde artikelen van het

Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Koophandel.

Burgerlijk Wetboek:

Art. 453. Aankondigingen van verkoopen van onroerende goederen aan minderjarigen toebehoorende, worden gedaan, minstens de twee voorafgaande Zondagen, aan de Kerk of op de voor bekendmakingen aangewezen plaats.

Art. 1255. Eveneens voor verkoopen in het openbaar van de met hypotheek bezwaarde goederen, wanneer die goederen voor de hypotheekschulden verkocht worden.

Art. 1607, 1614, 1623. De huur van huizen wordt gewoonlijk zes maanden te voren — en de huur van landerijen een jaar te voren opgezegd.

Art. 1618. De huur van huizen wordt gewopnlijk betaald met Paschen na de huurovereenkomst en vervolgens ieder jaar (van Paschen tot Paschen is een huurjaar voor huizen).

Art. 1619. De kleine reparatien aan huizen, tengevolge van wind of onvoorziene oorzaken, waarvan de kosten niet meer zijn dan een gulden, zijn voor rekening van den huurder.

Art. 1621, 1623. De eerste huurtijd van huizen of woningen wordt gewoonlijk gesteld tot Paschen en vervolgens van Paschen tot Paschen (Dinsdag na Beloken Paschen is de gewone verhuisdag).

Art. 1635. De huurtijd van landerijen (met uitzondering van die, welke tot eene pachthoeve behooren, en van grasland en tuinen) is gewoonlijk drie jaren, of wel drie, zes, negen of twaalf jaren; drie jaren wordt aangenomen voor mestrecht.

Wordt zonder tijdsbepaling verhuurd, dan kan de huurder na de opzegging der drie jaren scheren na de bemesting.

Wordt al zoo de huur opgezegd in het eerste jaar na de bemesting, dan heeft de huurder nog twee jaren daarna zijn recht; gebeurt de opzegging in het tweede jaar, dan nog één jaar daarna, en indien de opzegging minder dan een jaar te voren geschiedt, dan kan de huurder op nieuw mesten en daarna drie jaren scheren.

-ocr page 273-

gkmkente heeritter.

117

nieuwenhagen.

Gewoonlijk ga-in de landerijen over stoppelbloot, na den oogst van rogge, haver, boekweit enz.; de huurder heeft mot meer het recht om herfstgewassen (als tweede vrucht) te zaaien.

Wetboek van Koophandel:

Art. 857. De onroerende goederen worden gewoonlijk bij opbod verkocht; het bod wordt gedaan voor het geheele perceel in eens (niet per roede).

NB. Men vergelijke den brief van den Heer Archivaris.

/. Gemeente Neeritter.

23 April 1887.

Wij hebben de eer in antwoord op uwe circulaire d.d. 14 Maart jl., opgenoomen in Prov, blad N0. 31 van dit jaar, betrelTciule plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, UEdelGrootAchtbaren mede te deelen, dat dergelijke verordeningen of reglementen in deze gemeente niet bestaan, en dat eenige plaatselijke gebruiken, in de circulaire aangeduid, heerschende zijn, en wel als volgt:

n. De opzegging van huizen moet steeds geschieden een half jaar bevorens, terwijl de betaling in den regel geschiedt in twee termijnen, en wel op 1 October en met Paschen.

/gt;. De huurtijd van huizen is van Paschen tot October. c. De landerijen worden verhuurd volgens de gewone tousten, zijnde voor 3 jaren, terwijl de huurtijd op elk dier tijdstippen eindigt stoppelbloot.

lt;i. De openbare verkoopingen van landerijen geschieden steeds bij de oude roede.

Met Gemeentebestuur van Neeritter. NP. Zie de aanteekening van den Heer Archivaris.

h. Gemeente Nieuwenhagen.

10 April 1887.

Bij deze hebben wij de eer u mede te deelen, dat alhier gcene plaatselijke reglementen of verordeningen bestaan waarop in de in Prov. blad N0. 31 van dit jaar aangehaalde Artt. der verschillende wetboeken wordt verwezen; wel bestaan alhier de volgende plaatselijke gebruiken omtrent:

-ocr page 274-

gemeente nuth.

B. W. Art. 733. Breedte vau voetpaden 4 voet.

B. W. Art. 1607, 1614, 1623, Termijn van opzegging van huur \'/^ jaar vóór het eindigen van den huurtijd.

» 1618. Betaling van huur van huizen per maand, per half jaar en per jaar.

» 1619. Voor rekening van den huurder komen de geringe en dagelijksche reparation der gebouwen.

» 1621, 1623. Huurtijd van woningen en huizen bij \'t jaar.

» 1635. Huur van landerijen voor 3 of 6 jaar, en moeten bij \'t eindigen van den huurtijd in dezelfde of soortgelijke stoppelvelden als bij de aantreding opgeleverd worden.

Wetb v. Kooph. Art. 857. Bij openbare verkoopingen van vaste goederen worden de gebouwen met aan-\'liggenden tuin en boomgaard gewoonlijk zamen en in één lot tot verkoop uitgesteld en toegewezen; de overige goederen echter per kleine roede van 20 meter 70 centimeter.

Burgemeester en Wethouders.

v. Gemeente Nuth.

14 April 1887.

Ter beantwoording van de bij Provincieblad N0. 31 dezes jaars gedane vragen, hebben wij de eer te berichten, dat in deze gemeente geene verordeningen en reglementen bestaan van gebruiken en gewoonten met betrekking op artikelen van het Burg. Wetboek, Wetboek van Koophandel en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Behalve dat op art. 713 van het B. W. voor het planten der heggen in deze gemeente als vast en van ouds aangenomen algemeen bekend gebruik langs naburige erven, wegen en voetpaden een afstand is bepaald van 71 centimeter of 2 \'/2 voet oude maat voor de opgaande of hoog opschietende heggen en van 43 centimeter of 1 Vj voet o. m. voor eene geschoren haag of heg, van af de scheidslinie.

Het Gemeentebestuur te Nuth.

118

-ocr page 275-

gem. oud-valken burg, oud-vrof.nhovkn, roermond. 1 10

io. Gemeente Oud-Valkenburg.

28 April 1887.

Wij hebben de Eer Uw Collegie te berigten wat betreft de plaatselijke gebruiken die in de gemeente voorkomen: 1°. Bij publieke verkoop zoodra de oproeper derde maal roept is het voorwerp verkocht. 2°. Ecne mondelinge verpachting loopt van drie tot drie jaren en komt voor onder dan naam van ploegsregt. 30. De landerijen die verpacht zijn moeten blijven liggen in denzelfden staat zoo als men ze aanvaard heeft. 40. De heggen die langs de gemeentewegen geplant zijn bezit de eigenaar, buiten de heg nog een halven meter.

Het Gemeentebestuur.

x. Gemeente Oud-Vroenhoven.

23 Mei 1887.

Als vervolg op ons schrijven d.d. 10 dezer N0. 7162, hebben wij de eer Uw Collegie, in antwoord op de aanschrijving d.d. 4 Maart 1.1. (Prov. blad 31), te melden, dat volgens bekomene inlichtingen van den Rijks-Archivaris te Maastricht, Recessen van Maastricht van kracht zijn geweest in het Graafschap Vroenhoven, waartoe het grootste gedeelte dezer gemeente behoort, naar welke Recessen, die in druk zijn uitgegeven, wij de eer hebben te verwijzen.

Burgemeester en Wethouders.

ij. Gemeente Roermond.

29 April 1887.

Naar aanleiding van Uwe aanschrijving van den 4 Maart j 1., Prov. blad N0. 31, betreffende het al of niet bestaan van plaatselijke reglementen, verordeningen, gebruiken of gewoonten, als in tal van artikelen van het Burgerlijk Wetboek, hel Wetboek van Koophandel en dat van Burgerlijke Rechtsvordering bedoeld, hebben wij de eer, in zoover de bij Uwe aanschrijving aangewezen artikelen betreft, voor zooveel alhier in aanmerking komende, de volgende mededeelingen te doen;

-ocr page 276-

GEMEENTE ROERMOND.

Artt. 453 B. W., 857 W. v. K. Verkoop van onroerende goederen. Het gebruik is dat bij opbod verkocht wordt en na het hoogste bod één of twee uren beraad wordt voorbehouden, om den verkoop al of niet goed te keuren.

Art. 690 B. W. Er bestaan geene bijzondere verordeningen.

Als gebruik wordt een muur gebouwd in de scheiding der erven. Een heg wordt geplant op een halve meter afstand van den eigendom van den nabuur.

Art. 713 B. W. Planten van boomen. Gebruik op een afstand van eene oude roede, van 7 voet. Planten van heg als bij vorig artikel vermeld.

Artt. 1607, 1614 en 1023. Termijnen van opzegging van huur, volgens gebruik, voor huizen en gebouwen drie maanden te voren, voor kamers één maand te voren.

Artt. 1621 en 1623. Huurtijd van huizen volgens gebruik per jaar, idem van kamers per maand.

Art. 1635. Huur van landerijen, opzegging volgens gebruik vóór 2 Februari om met oogst navolgend te eindigen.

Wat de overige aangewezen wetsartikelen betreft, worden de wettelijke voorschriften opgevolgd.

Wij moeten voorts wijzen op een overoud gebruik in deze gemeente, waarvan de oorsprong nist i.-i ontdekt kunnen worden als reeds vroeg uit de vorige eeuw dagteekenend n.l. het vaststellen van de Si. Andries Effractie bestaande uit de vaststelling der middenprijzen van de graansoorten op Uitquot;. November van elk jaar, waartoe genomen worden de prijzen op den Zaterdag vóór en op den Zaterdag na 30 November en zoo 30 November op een Zaterdag valt, dan over 3 Zaterdagen of beursdagen alhier. De uitkomst of de St. Andries Effractie wordt dan vastgesteld door B, en W. en algemeen bekend gemaakt.

Het is naar de dan vastgestelde Effractie dat de pachters in geld van landerijen of de afkoop berekend worden en bij levering in natura de prijs bepaald wordt. Zelfs treft men vele contracten van verpachting aan tot betaling naar het bedrag, welk door de jaarlijksche Effractie bepaald wordt en wordt deze steeds door alles als maatstaf en geldend betracht.

Burgemeester en Wethouders.

ï 20

-ocr page 277-

gemeente schimmert. - schin op geul. 12 1

z. Gemeente Schimmert.

27 April 1887.

In voldoening aan de circulaire van EdalGrootAchtbare Heeren Gedeputeerde Staten, d d. 4 Maart II., La. 697/4 H, 2e Afd. R. en aan de nadere herinnerings-circulaire van den 22en dezer maand, 2e Afd. B La. 697/4 P, hebben wij de eer mede te deelen dat na onderzoek gebleken is, geene reglementen of verordeningen, gebruiken of gewoonten, ge-zamentlijk of afzonderlijk in deze gemeente bestaan, welke betrekking hebben op de artikelen opgenoemd in de omschrijving van EdelGrootAchtbare Heeren Gedeputeerde Staten van den 4en Maart II., Provinciaal blad N0. 31, van het Burgerlijk Wetboek, van het Wetboek van Koophandel en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Wel bestaat alhier het gebruik, dat boomen van de scheidlinie van erven op twee meters afstand worden geplant, en hagen op afstand van vijf en zeventig centimeters.

Dat ten aanzien van den huurtijd van huizen, woningen en landerijen de gewoonte bestaat: de huurtijd begint en eindigt met half Maart, en gehuurd wordt voor drie of zes achtereenvolgende jaren; doch hiervan bestaat geen reglement of verordening, alleen een gebruik van overlevering.

Burgemeester en Wethouders.

na. Gemeente Schin op Geul.

2 April 1887.

Als vervolg op uwe aanschrijving hebben wij de eer UEd.G.A. mede te deelen, dat in deze gemeente geene plaatselijke verordeningen bestaan ter bedoelde zake betrekkelijk. Dal wat de plaatselijke gebruiken of gewoonten betreft, als daarbij bedoeld, dezelve zijn als volgt:

a. Breedte van voetpad minstens één meter.

Idem van dreef onbepaald.

b. Bij overeenkomsten, onderhandschen koop van vee, ook van vast goed, het geven van een godshalder.

c. Termijn van opzegging van huur, ten minste een half jaar bevorens.

-ocr page 278-

122 GEM liKMTE SJÏTAR1).

d. Huur van lautlcrijen, bij niet bepaling van tijd der huur, per drie jaren adoopende; de landerijen, bij afloop van den huurtijd, laten liggen in denzelfden toestand, wat inzaaijing enz. betreft, als bij den aanvang der huur bestond; bemesting om de drie jaren.

e. Bij openbaren verkoop van roerende goederen, toeslag na derde oproeping.

Betrekkelijk de overige punten bij voormelde aanschrijving aangehaald, hebben wij de eer mede te deelen, dat daat-omtrent hier geene bijzondere gewoonten of gebruiken bestaan.

Burgemeester en Wethouders.

bh. Giïmeente Sittard.

17 Mei 1887.

Burgerlijk Wetboek.

Art. 453. Bij den verkoop van onroerende goederen wordt op den verkoopdag door den stadsomroeper de verkoop met de bel bekend gemaakt, terwijl 2 Zondagen te voren daarvan aankondiging wordt gedaan in de plaatselijke nieuwspapieren; de verkoop geschiedt bij opbod met een uur beraad, de toewijzing volgt na zes malen uitroepen, waarvan de drie laatste malen door den instrumenteerenden Notaris. Bij gebreke van uitroeper geschieden de uitroepen slechts 3 malen en zulks door den Notaris.

Art. 690. De afsluiting tot afscheiding van eigendommen geschiedt bij landelijke eigendommen met scheid-steenen, waaronder 2 keisteenen als getuigen gelegd worden, geen hoogte van afscheidingsteenen komt hierbij in aanmerking.

» 713. Voor opgaande heggen 1 meter.

» 733, Mr. 1.15 breedte van voetpad, breedte van den weg Mr. 2.50.

» 12,55. Gelijk als gemeld bij art. 453.

» 1382. Indien bij overeenkomsten niet bedongen is, betaalbaar in Nederlandsch geld, maar de som slechts in guldens is aangegeven, verstaat men

-ocr page 279-

GEMEENTE S1TTARD.

betaling in Duitsch of Fransch geld volgens loopende koers.

Art. 1383. Indien niet bedongen is in Fransch geld te betalen, kan bij koop en verkoop van runderen in Fransch geld het bedrag tegen loopenden koers in Duitsch geld afgedragen worden.

» 1547. Rechtsvordering kan door den kooper worden aangelegd binnen 24 dagen.

♦ 1607. De termijn van opzegging is zoowel voor stedelijke als landelijke eigendommen en huizen bepaald op 6 maanden te voren.

» 1Ö14. Bij huur van een jaar of langer, 6 maanden bij huur van maand tot maand.

» 1623. Respectivelijk voor 1 jaar of 1 maand.

» 1618. Geen bekend.

» 1619. Voor het plaatselijk gebruik wordt daaronder begrepen al hetgeen kan geacht worden niet tot behoud van het pand tc strekken en slechts een gering bedrag aan herstellingskosten bedraagt in evenredigheid van het huurbedrag.

» 1621. Zoodanige huur is alhier niet bekend.

» 1622. Ten aanzien van de huur van gestoffeerde kamers wordt deze geacht bij de maand te zijn aangegaan.

» 1635. De pachter, die van de pachthoeve vertrekt, moet de gemaaide veldvruchten zoodanig op het land opzetten, dat de aantredende pachter gemelde landerijen met de minst mogelijke moeite behoorlijk kan beploegen. Hij moet het land stoppelbloot laten liggen. Overigens regelt zich alles volgens contract.

» 1654. Recht van beklemming en van altijddurende beklemming is in deze gemeente niet bekend.

Wetboek van Koophandel:

» 60. Daar hier ter stede geen beurs bestaat, bestaan geene gebruiken ten aanzien van het houden derzelve.

» 644. Geene.

» 755. Geene.

» 853. De plaatselijke gebruiken zijn anders als bij gewoon roerend goed, namelijk uitbellen en afkondigen

-ocr page 280-

gkmkknte thorn.

in de plaatselijke nieuwspapieren, behalve dat comptante betaling bedongen wordt.

Art. 8,57. Niet anders dan bij art. 453 B. W. hierboven is aangeteekend.

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordening:

» 466. Ingeval van verkoop van in beslag genomen goederen geschiedt de afkondiging door den stadsomroeper met de bei.

» 684. Dezelfde als hij art. 853 Wetboek van Koophandel is vermeld.

Burgemeester en Wethouders.

cc. Gemeente Thorn.

14 April 1887.

Wij hebben de eer in antwoord op Uwe Circulaire, d.d. 14 Maart j.l., opgenomen in 1\'rov. blad Nn 31 van dit jaar, betredende plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, UEdelGrootAchtbarc mede te deelen, dat dergelijke verordeningen of reglementen in deze gemeente niet bestaan en dat eenige plaatselijke gebruiken, in de Circulaire aangeduid, heerschende zijn en wel als volgt;

n. De opzegging van huizen moet steeds geschieden een half jaar bevorens, terwijl de betaling in den regel geschiedt in twee termijnen en wel op 1 October en met Paschen.

h. De huurtijd is van Paschen tot Paschen. f. De landerijen worden verhuurd volgens tie gewone tousten, zijnde 4 jareti voor do zavel- en 6 jaren voor de leemgronden, terwijl de huurtijd op elk dier tijdstippen eindigt stoppelbloot.

d. De openbare verkoopingen van landerijen geschieden steeds bij de oude roede, dat is 20 Centiaren 72 hon-derste deelen.

Het Gemeentebestuur van Thorn. NB. Men vergelijke de aanteekening van den Heer Archivaris.

124

-ocr page 281-

gemeente vaals. — valkenburg.

dd. Gemeente Vaals.

25 April 1887.

Ingevolge van U Edel Achtbaren aanschrijving d.d. 4 Maart j.l. (Prov. blad Nquot;. 31) hebben wij de eer te berichten dat in deze gemeente bij plaatselijk gebruik bestaan:

1°. De navolgende termijnen van opzegging van huur of bij pachthoeven bestaande uit bouw- en weiland, 6 maanden vóór het eindigen van den huurtijd van telkens 3 jaren, bij bouw- en weiland, waaraan bouwland is verbonden, idem.

2°. De navolgende ten laste van don huurder komende geringe reparatiën : vernieuwing van gebroken ruiten, en herstelling van deursloten, dit laatste met uitsluiting ten gevolge van verslijting.

3°. De navolgende op te volgen termijnen betreffende den huurtijd van huizen, woningen, enz , van Mei tot Mei, mits opzegging vóór 1 Februari.

Burgemeester en Wethouders.

ee. Gemeente Valkenburg,

10 Mei 1887.

Als vervolg Uwer aanschrijving, opgenomen in nevens-vermeld Prov. blad, hebben wij de eer UEdelGest. mede te deelen, dat in deze gemeente met betrekking tot bedoelde aanschrijving, geene plaatselijke verordeningen bestaan, dat wat de plaatselijke gebruiken of gewoonten betreft, dezelve zijn als volgt:

1°. Breedte van voetpaden, minstens één el.

2°. Bij onderhands koopen van vee of vast goed. als bewijsmiddel het geven en aa nemen van een godshalder.

3°. Gewone opzegging van huurovereenkomsten, ten minste een half jaar vóór derzelven afloop.

4°. Huurtijd bij niet bepaling van tijd: n. van landerijen drie jaar; h. weilanden één jaar, de landerijen bij einde van pacht in denzelfden toestand, wat bezaaijing betreft, laten liggen, als bestond bij aanvang pacht, de akkerlanden om de drie jaren éénmaal overmesten.

125

-ocr page 282-

gemeente wessem. — maastricht.

5°. Op openbare verkoopingen van roerende goederen, toeslag na driemaal herhaling van het laatste opbod.

Wat de overige punten betreft bij opgemelde aanschrijving-aangehaald, hebben wij de eer te melden, dat in deze gemeente daaromtrent geene bijzondere gewoonten of gebruiken bestaan.

Burgemeester en Wethouders.

ff. Gemeente Wessem.

15 April 1887.

Ter voldoening aan Uwe Circulaire d.d. 4 Maart 1887 (Prov. blad N0. 31), betreffende plaatselijke verordeningen, gebruiken of gewoonten, hebben wij de eer UEdelGroot-Achtbaren ter kennis te brengen dat soortgelijke verordeningen of reglementen in deze gemeente niet bestaan, dat eenige plaatselijke gebruiken in de Circulaire aangeduid, heerschende zijn en wel als volgt:

a. De opzegging van huizen moet steeds geschieden een half jaar bevorens, terwijl de betaling gewoonlijk geschiedt in één termijn en wel met Paschen van ieder jaar. h. De huurtijd der huizen is van Paschen tot Paschen.

c. De landerijen worden verhuurd in gewone tousten van 6 jaren, terwijl de huurtijd op dat tijdstip stoppelbloot eindigt.

d. De openbare verkoopingen van landerijen geschiedt steeds bij de oude roede, dat is 21 Centiar 22 honderste.

Het Gemeentebestuur van Wessem.

C. S c h r ij v e n van den Heer Archivaris v a n Limburg,

24 Mei 1887.

In antwoord op uw schrijven van 20 Mei 1887, 2e Afd. B. L. 2857, S. 4c. diene het volgende;

Wij bezitten verscheidene plaatselijke Reglementen en Coustuymen, die voor de Fransche Revolutie bij de Rechtbanken onzer Provincie in voege waren. Enkele dezer zijn in druk verschenen, andere hebben wij afgeschreven of af

120

-ocr page 283-

GEMEENTE MAASTRICHT.

doen schrijven om gedrukt te worden, terwijl er gewis nog een aantal onder de archieven der Banken en Heerlijkheden verborgen liggen.

Die, welke wij in het Archief in afschrift bezitten, zijn :

1°. Spaansche landen van Overmaas; Ordonnantiën op de metinge van wegen, straten, rivieren, alsmede van grachten, het visiteeren van hoornen, die te na staan, enz.

20. Ordonnantie van den hove van Brabant en de landen van Overmaas op het exerceeren der geometrie, overoud bij diverse gezwooren landmeters van den jare 1500 af geobserveerd ende geplogen, soo in de landen voors. als binnen de Stadt Maastricht, cointé de Loos en andere omliggende plaatsen. Over maten, gewichten, wegen, voetpaden, planting van hoornen, heggen, enz.

3°. Costuymen en Bankrechten der Heerlijkheid Meerlu, bovenkwartier van Gelderland.

4°. Costuymen en Bankrechten der Heerlijkheid Horst, bovenkwartier van Gelderland.

5°. Bankrechten van Heer en Keer, eene heerlijkheid van het kapittel van St. Servaas te Maastricht,

6° Wijsdom der Heerlijkheid Einrade, onder Vaals, land van \'s Hertogenrade.

70. De oude Costuymen der Heerlijkheid van Eyss bij Wittem.

8°. De ban van het grafelijk gerecht van den Vroenhojj\'.

Q0. Reglement voor de Heerlijkheid Rijkholt.

100. De landrechten der Heerlijkheid en baronie van Petershei m, Pamaken en Cauberg.

De costuymen en bankrechten, die in de Publications de la Société d\'hist. et d\'Archéologie het licht zagen, zijn;

r. Asselt bij Roermond, VI, p. 257 (Swalmen).

2. Beek, XVI 220.

3. Bemelen, IV 45.

4. Bergh bij Terblijt, IV 111.

5. Breust, XI 111 (Eysden).

6. Echt, IV 87, XII 394.

7. Geul, XVI 189.

8. Graatheide bij Sittard, XII 394 (Elsloo, Beek, Born, Geleen).

9. Gulpen, XVI 176.

10. Heerlen, XVI 196, 203,

127

-ocr page 284-

GEMEENTE MAASTRICHT.

11. Home, XVI 73.

12. Kessel, XVI 81, 98.

13. Klimmen, XVI 205.

14. Meerssen, Ainby, Uelestraten, IV 35, XVI 208, 218.

15. Meyel, IX 278.

16. Montfort, XVI 154.

17. Neeritter, IV 259.

18. Stevensweert, XIII 305.

19. Stein, XII 449.

20. Susteren, VI 535 (Meerlo, Keer, Vaals, Oud-Vroen-hoven, Ryckholt),

21. Thorn, VIII 195, IX 191.

22. Wittem, XIX 144.

In dezelfde Publications deel IX 343—345 bevindt zich een opstel getiteld: Anciens Reglements sur les routes, ponts, chaussées et sentiers dans le Brabant et le pays d\'Outre meuse en andere aanteekeningen uver oude wegen in deel XVIII, p. 38, 279—283.

De Archivaris in Limburg, Jos. HABETS.

D. Uittreksel uit het Schrijven van Gedeputeerde Staten aan ZEx. den Minister van Staat, Minister van Binnen 1. Zaken.

Tot vergemakkelijking van het overzigt laten wij hieronder eene opgave volgen van de gemeenten, waarvan in deze bij ons negatieve opgaven werden ontvangen, terwijl ons daarentegen door den Rijks-Archivaris werd medegedeeld, dat hem van die gemeenten Costuymen en Bankrechten

128

bekend zijn:

Swalmen.

Klimmen.

Beek.

Amby.

Bemelen.

Ulestraten.

Berg en Terblyt.

Stevensweert.

Eysden.

Stein.

Echt.

Susteren.

Geulle.

Meerlo.

Gulpen.

Heer.

-ocr page 285-

gemeente heerta, enz,

I

i2q

Heerlen.

Horn.

Kessel.

Ryckholt.

Horst.

Wittem.

Met het oog op de gesignaleerde tegenspraak en vooral op het belang, dat meer bepaald voor de Justitie kan gelegen zijn in de juiste en zoo mogelijk volledige kennis van de bedoelde gebruiken, gewoonten enz., zou het wellicht aanbeveling verdienen, omtrent het al of niet bestaan en nog van kracht zijn van zoodanige gebruiken enz., in de genoemde en wellicht meer andere gemeenten, door daartoe speciaal aan te wijzen geschikte personen, in overleg met den Rijks-Archivaris, een opzettelijk en desgevorderd plaatselijk onderzoek te doen instellen.

TWEEDE DEEL.

DE STRAFVERORDENINGEN.

Provincie Groningen.

1. Gemeente Beerta. Brand-Verordening 28 Fehr. 1883.

Art, 3 al, 2. Toepassing van art. 703 B, W.

2, Gemeente Bellingwolde, Brand-Verordening 9 Aug. 1879.

Art. 4. Toepassing van art. 703 B, W.

3. Gemeente Finsterwolde. Brand- Verordening 11 Maart 1881.

Art, 3, Toepassing van art, 703 B. W.

4. Gemeente Groningen. Alg. Pol. Verord. 17 Nov. 188O. Art, 102 al. 1. Toepassing van art. 690 B, W,

van art. 703 B, W. ten aanzien

« »2, ld, der Tusschenruimte, Strafbepaling ontbreekt.

-ocr page 286-

13°

5- Gemeente de Leek,

Alg. Pol. Verord. i Maart 1882.

Hoofdstuk VIII, art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

6. Gemeente Marum.

Alg. Pol. Verord. 28 Oct. 1886. Art. 55. Toepassing van art. 703 B, W.

7. Gemeente Oldekerk.

Brand- Verordening 6 Sep/. 1856.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

8. Gemeente Scheemda.

Alg. Pol. Verord. 14 Juni 1876.

Afdeeling VII, art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

9. Gemeente Uithuizen.

Alg. Pol. Verord. 26 Oct. 1886.

Art. 106 al. 1. Toepassing van art. 690 B. W.

» » 2. » » » 703 » (Tusschen-

ruimte).

Op elke overtreding van het artikel staat geldboete van ten hoogste Tien Gulden.

10. Gemeente Wildervank. Alg. Pol. Verord. 13 Juli 1887. Art. 10. Toepassing van art. 703 B. W.

11. Gemeente Winsum.

Alg. Pol. Verord. 19 Dec. 1887.

Hoofdstuk XI. Van Bouwen en Sloopen.

Art. 166. Toepassing van art. 703 B. W. » 167. Regeling van het recht van waterloop. » 168. Toepassing van art. Ö90 B. W.

Elke overtreding is strafbaar met hechtenis van ten hoogste vijf dagen of geldboete van ten hoogste J 25.—.

-ocr page 287-

gemeente meppkl, enz.

Provincie Drenthe.

i. Gemeente Meppel.

Politie- Verordening van 28 October 1885, gewijzigd 19 Mei en 1 Dec. 1886, 12 Oct. 1887, 23 Mei en 31 fnli 1888. Art. 6 bevat eene toepassing van art. 703 B. W.

Provincie Friesland.

1. Gemeente Acht-Karspelen.

Alg. Pol. Verord. van 11 Juni 1887.

Art. 83. Toepassing van art. 703 B. W.

Hoofdstuk VI, handelende over de »afsluiting van ervenquot;, behelst in:

Art. 168. Toepassing van art. 690 B. W. — overtreding strafbaar gesteld.

Art. 171 » » » 703 » — idem.

Art. 172 » » » 733 » — overtreding niet

strafbaar gesteld.

2. Gemeente Aengwirden.

Alg. Pol. Verord. van 24 Februari 1887. Art. 48. Toepassing van art. 703 B. W. Overtreding strafbaar.

3. Gemeente Bildt.

Alg. Pol. Verord. van 28 Juli 1887. Art. 97. Toepassing van art. 703 B. W. Overtreding strafbaar.

4. Gemeente Bolsward. Brand-Verordening van 10 Augustus 1881. Art. 5. Toepassing van art. 703. Overtreding strafbaar.

,5. Gemeente Dantumadeel.

a. Alg. Pol. Verord. 7gt;an 28 April 1887.

Art. 186. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 187 schrijft voor ijzeren traliën bij waterloop door een naburig erf of perceel.

•31

-ocr page 288-

gemeente dokkum, enz.

Art. 188 Toepassing van art. 690 B. W.

Deze bepalingen waarvan elke overtreding strafbaar is volgens art. 201 komen voor in Titel XI over bouwen en sloopen.

b. Brand- Verordening nan October 1887. Art. 3. Toepassing van art. 703 B. W.

6. Gemeente Dokkum.

Brand- Verordening van 13 Juni 1865. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

7. Gemeente Doniawerstal. Brand-Verordening van 15 Juii 1882. Art. 6. Bepaling omtrent art. 703 B. W.

8. Gemeente Ferwerderadeel. Brand-Verordening van 26 Augustus 1882. Art. 3. Toepassing van art. 703 B. W.

9. Gemeente Gaasterland.

Brand- Verordening van 16 Januari 1878. Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

10. Gemeente Hemelumer Oldephaert en Noordwolde. Brand- Verordening 7ian 7 April 1883, gewijzigd 13 Aug. 1883. Art. 70. Toepassing van art. 703 B. W.

11. Gemeente Hennaarderadeel.

Alg. Pol. Ver ord. van 1 December 1886 gewijzigd No7gt;eniber 1887.

Hoofdstuk VIII getiteld. Overige voorzieningen in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid.

Bevat in art. 95 al. 1. Toepassing van art. 690 B. W. » » » 95 » 2. Idem van art. 703 met de bijvoeging «behoudens de verplichting tot het

132

-ocr page 289-

gemeente idaarderadeel, enz.

nemen van zoodanige voorzorgsmaatregelen als B. en W. zullen voorschrijvenquot;.

Bevat in art. 95 al. 3. Idem van art. 733 B. W.

In art. 145 wordt ook ten aanzien van dit art. bevoegdheid gegeven tot het binnentreden der woningen tusschen zons op- en ondergang en wordt ook deze overtreding bij art. 146 strafbaar gesteld met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste f 25.—.

12. Gemeente Idaarderadeel.

A/g. Pol. Verord. van 29 Augustus 1887.

Art. 84. Toepassing van art. 690 B. W.

» 87 en 98 » » » 703 » » 88 » » » 733 »

Alleen overtreding van art. 98 is strafbaar met geldboete van ten hoogste f 20.—.

13. Gemeente Kollumerland en Nieuw Kruisland. Alg. Pol. Verord. van 6 Juni 1887.

Art. 18 luidt:

»De gemeene afsluiting bedoeld in art. 690 B. W. zal bestaan in eene schutting, een hek, stek, heg of ander rasterwerk, zoo noodig te bepalen door B. en W. ter hoogte van minstens een meter.quot;

Art. 87. Toepassing van art. 703 B. W.

Overtredingen van art. 18 en 87 zijn strafbaar met geldboete van ten hoogte f 20.—.

14. Gemeente Leeuwarden. Brand-Verordening van 12 Maart 1885, geivijzigd 16 Aug. 1887.

Art. 3 is eenigermate toepassing van art. 703 B. W.

15. Gemeente Leeuwarderadeel.

Alg. Pol. Verord. (Algemeen Huishoudelijk Reglement is de officiëele Titel) van 7 Juni 1886.

Art. 106. Toepassing van art. 703 B. W. Overtreding strafbaar.

133

-ocr page 290-

\'34

i6. Gemeente Oostdongeradeel.

Alg. Pol. Ver ord. [Alge meeti Huishoudelijk of Politie-Reglement) van 24 Januari 1887.

Art. 5,3 al. 2. Toepassing van art. 733 B. W. luidt:

»De breedte bedoeld bij art. 733 al 4 B. W. wordt bepaald voor een voetpad op één en voor een dreef of weg op 4 meterquot;.

Al. 3 luidt: »B en W. kunnen zoover noodig onder door hen te stellen voorwaarden afwijking van deze bepaling toestaanquot;.

Overtreding hiervan is strafbaar met boete van hoogstens / 10.—.

Art. 88 is toepassing van art. 703 B. W. Straf/20.— of 5 d. » 109 » » » » 690 » » f 15.— » 4 ^ »112» » » » 703 » (ten aanzien alleen

van den afstand) Strafbepaling f 20.— of 5 dagen.

17. Gemeente Opsterland.

Brand- Verordening van 16 Augustus 1886.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

Overigens komt in de Verordening van 8 April 1856, regelende de Politie op het Verhuizen, het volgende voor;

»Art. 1. De algemeene verhuisdag wordt gehouden als van ouds op 12 Mei van ieder jaar en zal ieder, die verhuist des middags ten 12 ure van dien dag, de door hem verlaten woning met de meubelen moeten ontruimd hebbenquot;.

«Art. 4. De overtreding van de artt. dezer Verordening zullen gestraft worden met eene boete van / 5,—quot;.

18. Gemeente Schiermonnikoog.

Alg. Pol. Verord. van 7 Maart 1887.

Art. 132 is toepassing van art. 703 B. W.

» 133 » » » » 690 »

Beider overtreding strafbaar met boete van ten hoogste/25.

19. Gemeente Schoterland. Brand-Verordening van 6 October 1885. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

-ocr page 291-

gemeknte sneek, enz.

20. Gemeente Sneek.

Alg, Pol. Verord. van 14 Juni 1887.

Art. 135 is toepassing van art. 690 B. W. » 134 ^ ^ ^ 703 *

» 135 » » » » 733 »

Overtreding van alles strafbaar volgens art. 172.

21. Gemeente Tietjerksteradeel.

Alg. Pol. Verord. van 8 Dec. 1886, gewijzigd 7 Fehr. en 6 Sept. 1887.

Hoofdstuk III Afdeeling IX ^Afsluiting van ervenquot; behelst in : Art. 78. Toepassing van art. 6qo B. W. Overtr. niet strafbaar. »81. » » » 703 » (Ten aanzien der tus-

schenruimte) Eveneens. » 82. » » » 733 » Overtr. niet strafbaar.

»92. » » » 703 » (Ten aanzien der in

richtingen). Overtreding strafbaar volgens art. 194 met boete van ten hoogste / 20.—.

22. Gemeente Utingeradeel.

Alq. Pol. Verord. van 6 September 1887.

Art. 93. Toepassing van art. 690 B. W. Overtreding strafbaar volgens art. 158 met boete van ten hoogste f 10.—.

23. Gemeente Westdongeradeel.

Alg. Pol. Verord. van 6 September 1887. Art. 71, Toepassing van art. 703 B. W.

24. Gemeente Weststellingwerff.

Br and-Ver ordening van 10 Maart 1883. Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

25. Gemeente Wonseradeel.

Alg. Pol. Verord. van 4 Juni 1887 gewijzigd 5 Nov. 1887. Art. no. Toepassing van art. 703 B. W.

135

-ocr page 292-

136 gemeente workum, enz.

26. Gemeente Workum.

Brand- Verordening van Juli 1885.

Art. 4. Toepassing van art. 703 B. W.

27. Gemeente Wijmbritseradeel.

Alg. Pol. Verord. van 1 Februari 1881, gewijzigd 3 Nov. 1883.

Art. 94 al. 2. Toepassing van art. 6go B. W.

» 122. » » » 703 »

Overtreding van beide strafbaar volgens art. 169 met boete tot / 15.— of gevangenisstraf van 1—3 dagen.

28. Gemeente IJlst.

Alg. Pol. Verord. van 31 Augustus 1882, gewijzigd 11 Maart en 24 Maart 1884.

Hoofdstuk III Afdeeling VIII, handelende over datgene wat door de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke verordeningen overgelaten is.

Art. 150 is toepassing van art. 690 B. W.

» 151 » » » » 677 en 701 B. W.

» 152 » » » » 703 B. W.

» 153 » » » » 733 B. W.

Overtreding van al deze artikelen strafbaar volgens art. 214.

Hoofdstuk IV »Over de Veiligheidquot;; Afdeeling II »Ter voorkoming van Brandquot; behelst in art. 163 het volgende.

»In den gemeenen muur bedoeld bij art. 684 B. W. mag de mede-eigenaar geene uitkapping voor haardstee of schoorsteen doenquot;.

Provincie Overijsel.

1. Gemeente Stad Almelo.

Alg. Pol. Verord. van 3 Aug. 1881, gewijzigd en aangevuld 18 Aug. 1884, 16 Sept. en 26 Dec. 1886.

Art. 90. Toepassing van art. 690 B. W. en van art. 703 B.W. ten aanzien van de tusschenruimte. Zonder strafbedreiging.

-ocr page 293-

gemeente deventer, enz.

2. Gemeente Deventer.

Verordening omtrent de gebouiven en getimmerten en hei gebruik maken van stoepen, straten, wegen en kleine woningen, d.d. 2 October 1876.

»Art. 18 5e lid. Hij, die in de nabijheid van een genieenen of niet geraeenen muur een put, een riool of een secreet laat graven, die aldaar een schoorsteen of eene stookplaats, een oven of fornuis wil metselen, er eenen stal of mestbak tegenaan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van zout of eene verzamelplaats van bijtende stoffen wil aanleggen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, is verpligt tusschen dien muur en het te maken werk eene tusschenruimte te laten, door B. en W. naar gelang van omstandigheden te bepalen, en in geval zoodanige tusschenruimte door B. en IV. niet noodzakelijk wordt geacht, zal hij in ieder geval aan den muur moeten aanmetselen eene dikte van 22 centimeter, ter plaatse waar het nieuwe werk imrdt aangebracht;

igt;Die een waterajloop heeft over het naast gelegen erf is verpligt in de opening van zijn muur, door ivelke het water wegloopt, een ijzeren rooster te metselen, van welke de spjlen 5 centimeter van elkander staan, met een vierkante kuil daarvoor ter diepte van 0.60 en ter breedte van 0.30 meter, tot opvanging van het vuilnis.quot;

Die laatste alinea is gewijzigd als volgt, bij Verordening d.d. 5 Maart 1877:

iiDie een waterajloop heeft over het naastgelegen erf, is verpligt in de opening door welke het wuter ivcgloopt, op de scheiding van zijn erf een ijzeren rooster te plaatsen van welke de spijlen eene breedte hebben van 2 centimeters minstens, tenvijl de ruimte tusschen de spijlen hoogstens 1 centimeter zal bedragen, met een vierkante kuil daarvoor ter breedte van 0.30 nieter en ter diepte van 0.40 meter tot opvanging van het vuilnis.quot;

3. Gemeente Enschedé.

Verordening op het bouweii, vernieuwen en afbreken van gebouiven, d.d. 9 Pebr. 1883, gewijzigd 24 Nov. 1886.

Art. 29. Toepassing van art. 690 en 703 B. W. ten aanzien der tusschenruimte, met strafbedreiging.

\'37

-ocr page 294-

gemeent,e hasselt, enz.

4. Gemeente Hasselt.

Verordening betreffende den gezondheidsloestand, d.d. 28 April 1882.

»Twecde Afdeeling, art. 6 Er mogen in de bebouwde kom geen stallen of hokken worden daargesteld, vergroot of door nieuwe vervangen zonder vergunning van B. en W.

»Art. 7. Rij het verleenen der vergunning voor het daar-stellen van nieuwe stallen of hokken moet in acht genomen worden:

a. dat het vee minstens 2 decimeter van een gemeen-schappelijken of eens anderen muur geplaatst moet worden;

b. dat het vloeibare der onreinheden, uit de stallen of hokken afkomstig, geloosd moet worden door een waterdicht onder den grond loopend riool of door een gemetselde goot, uitloopende in een gemeente-riool, of verzameld worden in een waterdichten vergaarbak;

c. dat die vergaarbak dagelijks moet worden uitgeschept en de inhoud gestort op de mestvaalt of in waterdichte karren, emmers, kuipen of dergelijke voorwerpen buiten de kom der gemeente gebracht moet worden, zoodat het vloeibare niet over het erf mag vloeien of zich verspreiden, opdat aan de belendende buren geen hindernissen worden toegebracht;

d. dat voor de verleening der vergunning de eigenaars en gebruikers der belendende perceelen worden gehoord, enz.quot;

»Art. io. Alle in de bebouwde kom der gemeente bij de stallen of hokken noodige mestvaalten moeten steeds beantwoorden aan de volgende voorwaarden;

a. de mestvaalten moeten minstens 2 decimeters van de belendende perceelen verwijderd zijn;

b. de oppervlakte moet eenigszins naar de goten afwaterende met op den kant staande steenen bevloerd worden en omringd zijn van een goot van klinkers of moppen, afwaterende in vergaarbak of riool, omschreven in art. 7 onder litt. i;

c. buiten de bevloerde ruimte mag geen mest gelegd of verzameld worden; het vloeibare der onreinheden moet behandeld worden als in art. 7 vermeld;quot;

»Art. 13. De bepalingen dezer Afdeeling zijn niet van toepassing op de inrichtingen geregeld door de Wet van 2 Juni 1875 (Stbl. N0. 95), wanneer daarin of daarbij dieren gestald of gehokt, of rottende of aan rotting onderhevige stoffen bewaard worden, ingevolge den aard der inrichting.quot;

-ocr page 295-

gemeente kampen, enz.

5. Gemeente Kampen.

Alg. Pol. Verord. ven 10 Jan. 1882, gewijzigd in 1883, 1884, 1885 en 1886.

Art. 9 sub 1°. Toepassing van art. 703 B. W.

6. Gemeente Lonneker.

liotnv- Verordening van 11 Aug. 1881.

Art. 7. Toepassing van art. 690 en 703 B. W. ten aanzien der tusschenruimte, zonder strafbedreiging.

7. Gemeente Tubbergen.

Alg. Pol. Verord. van 26 Febr. 1883.

Art. 60. Toepassing van art. 690 en 703 B. W. ten aanzien der tusschenruimte, zonder strafbedreiging.

8. Gemeente Zwartsluis.

Alg. Pol. Verord. van 12 Mei 1863, gewijzigd 25 Juli 1864 en 22 April 1884.

Art. 6i c. Wellicht toepassing van art. 703 B. W.

Provincie Gelderland.

1. Gemeente Apeldoorn.

Brand- Verordening van 7 Maart 1869, gewijzigd 10 April

en 10 Sept. 1869, 6 Üept. 1881. Art. 2. Toepassing van art. 703 B. W.

2. Gemeente Arnhem.

Rouw-Verordening van 26 Juni 1886, gewijzigd 26 Maart 1887.

»§ 9. Voorschrift bedoeld bij art. 703 B. W. Art. 47. Wie in de nabijheid van een (gemeenen of niet gemeenen) scheidings- of grensmuur eene der inrichtingen bedoeld bij art. 703 B. W., uitgezonderd schoorsteenen, wil maken, is verplicht eene vrije ruimte van minstens 0.22 M. te laten of te maken.quot;

Volgens art. 50 is de overtreding hiervan strafbaar.

139

-ocr page 296-

gemeente doesburg, enz.

Brand- Verordening Tan 21 Dec. 1881, gewijzigd 22 Juni 1885 en 14 Juni 1885.

Art. 9 al. 2 behelst eene toepassing van art. 703 B. W. ten aanzien van schoorsteenen of stookplaatsen tegen een genieenen muur geplaatst of opgetrokken.

3. Gemeente Doesburg.

Hoimi- Verordening van 7 Febr. 1882. Art. 16. Toepassing van art. 703 B. W., zonder strafbepaling.

Art. 17. Toepassing van art. 690 B. W., met strafbepaling. Vermoedelijk is de bedoeling anders geweest.

4, Gemeente Heerewaarden. Br and-Verordening van 21 Aug. 1884.

Art. 4 is toepassing van art. 703 B. W.

5. Gemeente Hoevelaken.

A/g. Pol. Verordening van 17 Mei 1887.

Art. 118 is eene toepassing van art. 703 B. W. ten aanzien der tusschenruimte.

De overtreding daarvan is volgens art. 134 strafbaar met boete van ten hoogste /2$.

6. Gemeente Wageningen.

Alg. Pol. Verordening van 9 Juli 1875,

gewijzigd 28 Sept. 1875, 27 Maart 1877, 31 Oct. 1881, 19 April 1882, 29 Febr. en 23 Dec. 1884 en 15 Juni 1885.

In Art. 20 wordt ter toepassing van art. 690 B. W. de hoogte der tot afscheiding dienende afsluitingen, bepaald op 2.20 el boven de gemiddelde oppervlakte van het hoogste erf.

»Art. 21. Wie in de nabijheid van den gemeen en of niet gemeenen muur van een naburig perceel of erf een put, riool, sekreet, oven of eenige andere inrigting in art. 703 B. W. genoemd, wil maken, is verpligt eene tusschenruimte te laten van 0.20 el; het in strijd hiermede bestaande moet, wanneer B. en W. het noodig achten, volgens dit voorschrift

140

-ocr page 297-

gemeente zevenaar, enz.

worden ingerigt. De afscheiding moet geschieden met onbrandbare stoffen en de tusschenruimte moet, voor zooverre zij onder den beganen grond loopt, met zwaren leem worden aangevuld, en voor zooverre zij boven den grond is, aan de lucht onbelemmerden doortogt laten; op kamer- en keuken-schoorsteenen is dit voorschrift niet toepasselijk.quot;

Volgens art. 22 zijn de overtredingen dezer artt. niet strafbaar.

7. Gemeente Zevenaar.

Brand-Verordening van 7 Aug. 18O9.

Art. 3 is toepassing van art. 703 B. W.

8. Gemeente Zutphen.

Alg. Pol. Verordening va7i 7 April 1884.

Art. 221 bevat ecne toepassing van art. 703 B. W.

Provincie Utrecht.

1. Gemeente Amersfoort.

Brand-Verordening van 30 Augustus 1886.

Art. 36. Toepassing van art. 703 B. W.

De ingetrokken Alg. Pol. Verord. van 14 Juli 185Ö had in Hoofdstuk XVII met den titel »Verplichtingen tusschen naburenquot; in art. 392 eene toepassing van art. 690 B. W. en in art. 393 eene van art. 703 B. W., evenwel zonder strafbepaling.

2. Gemeente Baarn.

De Algem. Pol. Verord. van 19 Juli 1888 behelst niets. Daarentegen bevatte die van 20 September 1875, gewijzigd 16 Mei en 11 November 1876, daarna in 1879, 1881, 1882 en 1884, in Hoofdstuk XI »Bepalingen van eenige bijzonderheden, welke de algemeene burgerlijke wetgever aan de plaatselijke reglementen overlaat.quot; Art. 110 was toepassing van art. 677 en 701 B. quot;W., art. 111 van art. 690 B. W., art. 112 van art. 733 B. W., art. 113 van art. 1607, 1614, 1618 en 1623 B. W., art. 114 van art. 1621, 1622 en 1623 B. W. en art. 115 bevatte omtrent den gewonen huurtijd van dienst- en werkboden, eene bepaling geheel gelijk aan art. 04 der straks te vermelden verordening van Loosdrecht.

141

-ocr page 298-

gemeente cothen, enz.

3. Gemeente Cothen.

Brand- Verordening van 8 December 1868.

Art. 3. Toepassing van art. 703 B. W.

4. Gemeente Eemnes.

Alg. Pol. Verord. van 7 Februari 1876,

aangevuld 2 Dec. 1876, 2 Maart 1880 en 10 Maart 1881, heeft in Hoofdstuk XI met hetzelide opschrift van art. 109—114 dezelfde bepalingen als art. 110 —115 van de oude verordening van Baarn. Zonder strafbepaling. Art. 116 echter luidt: Hetgeen in strijd met deze verordening is daargesteld, ondernomen of nagelaten wordt op last van B. en W. ten koste der overtreders weggenomen, belet of verrigt.

5. Gemeente Haarzuilens.

Alg. Pol. Verord. van 12 Augustus 1887,

bevat in art. 126 toepassing van art. 703 B. W., regelt in art. 127 het recht van waterloop en past op art. 128 art. 690 B. W. toe. Op overtreding daarvan stelt art. 147 straf.

6. Gemeente Hakmelen.

Alg. Pol. Verord. van 21 Augustus 1888.

Art. 183 is toepassing van art. 703 B. W., art. 184 regelt het recht van waterloop, art. 185 past art. 690 B. W. toe. Elke overtreding dezer artikelen is strafbaar met geldboete van ten hoogste ƒ 25,— (Art. 202).

7, Gemeente Kamerik.

Alg. Pol. Verord. van 6 Juli 1888.

Art. 160 is toepassing van art. 703 B. W., art. 161 regelt het recht van waterloop, art. 162 past art. 690 B. W. toe. Art. 180 stelt op overtreding van al deze artikelen geldboete van ten hoogste f 25.—.

8. Gemeente Kockengen.

Alg. Pol. Verord. van 22 Februari 1888.

Art. 136 is toepassing van art. 690 B. W., art. 157 van art. 703 B. W. Art. 152 stelt op overtreding van beide artt. hechtenis van ten hoogste 6 dagen of geldboete van ten hoogste / 25.—.

142

-ocr page 299-

gemeente loosdrecht, enz.

9. Gemeente Loosdrecht.

Alg, Pol. Verord. van 21 Juni 1856.

Hoofdstuk IX, dat geen opschrift draagt, behelst in art. qo eene toepassing van art. 6go B. W., in art. 91 eene van art. 733 B. W., in art. 92 eene van art. 1607, 1614, 1618 en 1623, t.w. de opzeggingstermijn «volgens plaatselijk gebruikquot; bij huur van huizen, gedeelten van dien en tuinen, in art. 93 eene van art. 1621, 1622 en 1623, betreffende den tijd van huur van kamers «volgens plaatselijk gebruikquot;. Alinea 2 zegt: «Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende tuinen in het even bedoelde geval tot den eerst-komenden gewonen huurtijd op 1 Mei of 1 November,quot; Art. 94 bepaalt den gewonen huurtijd van dienst- of werk-boden a. bij landbouwers (t. w. van 1 Nov. tot den laatsten Maandag in October), h. bij andere ingezetenen.

Strafbepaling ontbreekt.

10. Gemeente Maarssen.

Alg. Pol. Verord. van 29 April 1887.

Art. 107 is toepassing van art. 703 B. W. en voorzien van strafbedreiging van ten hoogste ƒ25.—; art. 108 past art. 690 B. W. toe zonder strafbedreiging.

11. Gemeente Maarsseveen.

De Alg. Pol. Verord. van 28 April 1887 is geheel eensluidend met die van Maarssen van 29 April 1887.

12. Gemeente Montfoort.

Brand- Verordening van 8 Juli 1856.

Art. 3 is toepassing van art. 703 B. W.

Eene nieuwe Policie-Verordening is in bewerking.

13. Gemeente Oudenrijn.

Alg. Regl. van Pol. van 12 Aug. 1887, gewijzigd 27 Juni 1888, behelst in art. 1Ó5 toepassing van art. 703 B. W., in art. 1Ó6 regeling van het recht van waterloop, in art. 167 toepassing van art. 690 B. W. Overtreding van een en ander strafbaar volgens art. 185.

•43

-ocr page 300-

gemeente soest, enz.

14. Gemeente Soest,

In de Alg. PoL Verord. van I Dec. 1856 kwamen in Hoofdstuk VII en art. 83—88 voor »Bepalingen van eenige bijzonderheden, welke de Algemeene Burgerlijke Wetgever aan de plaatselijke reglementen overlaatquot;. Art. 83 was toepassing van art. 677 en 701 B. W., art. 84 van art. 690 B. W., art. 85 van art. 733 B. W., art. 86 van art. 1607, 1614, 1618 en 1623 B. W., art. 87 van art. 1621, 1622 en 1623 B. W. Art. 84—87 waren gelijkluidend met art. 90—93 der Verordening van Loosdrecht. In art. 88 kwam evenzeer eene bepaling van huurtijd voor bij dienst- en werkboden, met deze wijziging, dat de duur bij die van landbouwers zich uitstrekt van 25 Oct.-—18 Oct. van het volgende jaar. Strafbepaling ontbrak.

Deze Verordening is vervangen door die van 20 Oct. 1887, welke in art. 85 toepassing van art. 703 B. W. met strafbepaling, en in art. 86 van art, 690 B. W. zonder strafbepaling behelst. Al het overige komt in de nieuwe verordening niet meer voor.

15. Gemeente Utrecht.

Deze bezit geene Alg. Pol. Verordening.

De Verordening op het Bouwen en Slooptn van 4 Maart 1886, gewijzigd 25 Nov. 1886, heeft in art. 28 eene toepassing van art. 703 B. W. met, in art. 29 eene van art. 690 B. W. zonder strafbepaling.

16. Gemeente Vi-euten.

Alg. Pol. Verord. van 12 Aug. 1887, gewijzigd 25 Juni 1888, behelst in art. 189 eene toepassing van art. 703 B. W., in art. 190 regeling van het recht van waterloop, en in art. 191 toepassing van art. 690 B. W. Overtreding van een en ander is volgens art. 209 strafbaar met geldboete van ten hoogste / 25,—.

17. Gemeente Wijk bij Duurstede.

Alg. Pol. Verord. van 3 Mei 1856 en 5 funi 1856.

Hoofdstuk IV behandelt de «Verplichtingen tusschen naburenquot;. Art. 89 past toe art. 690 B. W. Art. 90. »Die zijn erf verhoogt zal voor zijn kosten ook den muur of de

144

-ocr page 301-

gemeente zegveld enz.

schutting evenveel verhoogen en hem de noodige vastheid geven, dat hij niet wordt over- of\' doordrongen. Art. qi regelt den waterloop en verwijst naar art. 738 B. W. Art. 92 past art. 703 toe. Geenerlei strafbepaling komt voor.

18. Gemeente Zegveld.

Alg. Pol. Verord. van 18 Sept. 1888.

Art. röo past art. 703 B. W. toe. Art. ifti regelt den waterloop. Art. it)2 is uiting van art. (gt;90 B. W. Op overtreding van elke dezer bepalingen stelt art. 180 eene geldboete van ten hoogste y 25.—.

Provincie N.-Holland.

1. Gemeente Akersloot.

Alg. Pol. Verord. van 30 Dcc. 1857.

Hoofdstuk XI.

Bepalingen omtrent datgene, wat bij het Burgerlijk Wetboek aan bijzondere Verordeningen is overgelaten.

Art, 65. Toepassing van art. 690 B. W. » 66. » » » 703 »

» 67. » » » 733 »

Hoofdstuk XH.

Plaatselijk gebruik aangaande de verhuur van huizen en landerijen.

Art. 68. »Het plaatselijk gebruik omtrent den termijn, binnen welken de opzegging moet plaats hebben, bij verhuur van huizen en landerijen, bedoeld in art. 1607 B. W., is wat de huizen aangaat minstens zes weken vóór den dag waarop de huur expireert, en voor zooveel landerijen betreft, minstens drie maanden vóór dien dag.

[Iet plaatselijk gebruik ten opzichte van den tijd, voor welken huizen en landerijen verhuurd worden, is één jaar.quot;

Strafbedreiging ontbreekt.

2. Gemeente Alkmaar.

iïmnd- Vi rordening van 24 Mei 1870, gewijzigd 11 Aug. 1880.

Art. 4 al. 2. Toepassing van art. 703 B. W.

■\'45

-ocr page 302-

gemeente beverwijk.

3. Gemeente Beverwitk.

a. Alg. Pol. Verord. van 28 Maart 18O7.

Hoofdstuk VIII.

Regeling der verplichtingen en rechten tusschen naburen

Art. 73. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 74. »Iii de bestaande gewoonte, dat de in het vorig artikel genoemde afsluiting daargesteld en onderhouden wordt door den eigenaar van dat erf, dat aan de ZZOost-of ZWzijde ligt, en dat de palen, waaraan die afsluiting is gehecht, alsdan aan de Noordzijde van dezelve mogen geplaatst worden, wordt door deze verordening geen verandering gebracht.quot;

Art. 75. Verplichting tot verhooging der afsluiting bij verhooging van het erf.

Art. 76. Verplichting bij het houden van varkens en aanleggen van een mesthoop.

Art. 77. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 78. Regeling van recht van waterloop.

Art. 79. »Het is geoorloofd hoog opschietende boomen te planten op een afstand van een el, en heggen op een afstand van 3 palm van het naburig gebouw of erf.quot;

Art. 80. gt;.Het is geoorloofd tegen scheidingmuren of schuttingen tusschen open plaatsen en tuinen leiboomen te plaatsen.quot; b. Brand- Verordening van 29 ƒ?lt;«//24 Aug. 1883.

Art. 40. Toepassing van art. 703 B. W.

4. Gemeente Callantsoog.

Alg. Pul. Verord. van 16 Juli 1887.

Hoofdstuk IV, Afd. 2. Handelt over huur en verhuur.

Art. 32. Over de opzeggings-termijnen én bij huizen én bij landerijen.

Art. 33. Over den verhuisdag.

Art. 34. Verbod van verhuizen op Zon- en feestdagen.

Op overtreding van art. 34 alleen is straf gesteld

5. Gemeente Castricum.

Alg. Pol. Verord. van 18 Noik 188(1.

Hoofdstuk IX.

Regeling der verplichtingen en rechten tusschen naburen.

Art. 82. Toepassing van art. 6qo B. W.

146

-ocr page 303-

gemeente edam en vollenj)am, enz.

Art. 83, «Die zijn erf verhoogt, zal verplicht zijn, ook voor zijne kosten de bestaande afsluiting evenveel te verhoogen en de noodige vastheid te geven, dat zij niet over- of doorgedrongen worde.quot;

Art. 84. »Ieder die varkens houdt of een mesthoop wil aanleggen, mag zulks niet doen dan op minstens vijf decimeter afstands van de belendende gebouwen of erven, en is verplicht de uitvloeisels daarvan op zijn eigen grond te houden en te zorgen, dat daarvan geen hinderlijke stank verspreid wordt.quot;

Art. 8,5. Toepassing van art. 70,5 B. W.

Art. 86. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 87. »Het is geoorloofd hoog opschietende hoornen te planten op een afstand van een meter en heggen op een afstand van drie decimeter van het naburige gebouw of erf.quot;

Art. 88. »Hct is geoorloofd tegen scheidingsmuren en schuttingen tusschen open plaatsen en tuinen leiboomen te planten.quot;

(leenerlei strafbedreiging.

6. Gemeente Ru am en Volendam.

A/if. Pol. Verord. van 22 Oct. 1887, ivaarbij is ingetrokken de Verord. regelende de verplichtingen tusschen naburen, van 30 Juli 185(1 boven medegedeeld.

Art. iq7. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. i()8. Regeling van \'t recht van waterloop.

Art. 199. Toepassing van art. 6qo B W.

7. Gemeente Enkhuizen.

Alg. Pol. Verord. van 3 Oct. 1876, o[gt; dit punt ongeioyzigd.

Art. 13. Toepassing van art. (h^o B. W.

Art. 15. Regeling van \'t recht van waterloop.

Art. 16. Toepassing van art. 703 B. W. (Inrichting).

Art. 17. » » » 703 » (tusschenruimte).

Artt. 13, 15, lö zijn met strafbedreiging voorzien, art 17 niet.

8. Gemeente Haarlem,

Alg. Pol. Verord. van 28 December 1887, gewijzigd 27 Juni en 18 Juli 1888.

\'47

-ocr page 304-

148 \' gemeente haarlemmermeer. enz.

Hoofdstuk X.

Van de verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

Art. iqg. Toepassing van art. 690 B W.

Art. 200. Verplichting tot verhooging van schutting of muur bij verhooging van grond.

Art. 201. Regeling van recht van waterloop met verwijzing naar art. 738 B. W.

Art. 202. «Overeenkomstig de tot hiertoe beslaan hebbende verordening is hij, die eene opgaande haag wil planten, gehouden, de boomen drie decimeter van de heining of den muur te planten, en hij die buiten de kom der gemeente eene iepen- of olmenlaag wil planten is gehouden een meter van de heining te blijven (zie art. 713 B, W.).quot;

Art. 203. Toepassing van art. 703 B. W.

9. Gemeente Haarlemmermeer.

Alg. Pol. Verord. van 31 Mei 1883.

A f d e e 1 i n g VII.

Art. 84, sub 3. »Daar waar naburige erven van elkander worden afgescheiden, moeten de afsluitingen worden gemaakt door een heg of hek van niet meer dan i1/^ Meter hoogte. quot;

Art. 84, sub 5. »De rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven met betrekking tot de afscheiding, waterlozing en andere rechten der aan elkander grenzende eigendommen geregeld zijnde in den IVen Titel van het 2e Boek van het B. W., moeten de belanghebbenden zich daarnaar gedragen.quot;

Art. 84, sub 6. gt;-Ten einde den waterloop niet te stremmen zal hij die een sloot voor zich heeft en daarin een dam wil leggen, zulks niet vermogen te doen, tenzij de dam voorzien is van een vierkanten duiker, ter wijdte van 25 centimeter.quot;

Art. 88. Overtreding van art. 84, Nu. 1, 2. 3, 4 en (), wordt gestraft met eene geldboete van /\' 25 en een dag gevangenisstraf.

10. Gemeente Harem-Karspel.

A/g. Pol. Verord. van 4 Aug. l8t)6, gewijzigd 28 Juli 188O.

-ocr page 305-

gemeente heemskerk enz. 14()

Hoofdstuk HL

Van eeuige bijzonderlieden, die de Algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Art. 10 regelt het recht van waterloop.

Art. 11 is toepassing van art. óqo B. VV.

Art. 12 en 13 van art. 703 B. W.

Art. 14 van art. 733 B. W.

11. Gemeente Heemskerk.

Alg. Pol. Verord. van 19 April 1887.

Hoofdstuk X.

Regeling der verplichtingen en rechten tusschen naburen.

Art. 88—94 komen geheel en al overeen met art. 82—88 der Pol. Verord. van Castricum, behoudens deze uitzondering, dat art. 73 wordt gelezen als volgt:

»Het is geoorloofd hoogopschietende boomen te planten op een afstand van een meter en heggen op een afstand van drie decimeter van het naburige gebouw of erf en van aangrenzende wegen en heken.quot;\'

Ook hier ontbreekt strafbepaling.

12. Gemeente Hilversum.

Alg. Pol. Verord. van 23 Nov. 1881, gewijzigd 17 Jan. 1884. Art. 61. Toepassing van art. 703 B. W. Art. 66. Toepassing van art. 690 B. W.

Beide zijn voorzien van eene strafbedreiging van eene geldboete van f 1.— tot / 10.—.

13. Gemeente Hoorn.

Rotnv- Verordening van JunijOct. 1877. Art. 8. Toepassing van art. 703 B. W.

14. Gemeente Koedijk.

Alg. Pol. Verord. van 1 Nov. 1887. Hoofdstuk. V.

Openbare orde en veiligheid.

-ocr page 306-

gemeente koog aan de zaan, enz.

Afdeeling I.

Van huur en verhuur.

Art. 100. Omtrent opzeggingster-nijncn en ingang van week- en jaarhuur.

Art. 101. Omtrent verhuisdag voor week- en jaarhuur.

Art. 102. Verhuizing op een Zon- of algemeen erkenden christelijken feestdag is verboden.

Alleen art. 102 is met eenc strafbedreiging van hoogstens / 10.— voorzien,

15, Gemeente Koog aan de Zaan.

Rouiü- Verordening van 11 Af aart 1886.

Art. ló. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 19. Andere toepassing van art. 703 B. W.

16. Gemeente Krommenie.

a. Alg. Pol. Verord. van 14 Aug. 185O.

{op dil punt ongewijzigd.}

Art. 133. Toepassing van art. Ó90 B. W.

{niet strafbaar.)

Hoofdstuk IX behelzende één art. 158, ten opschrift dragend: Van Huur en Verhuur, behelst de opzeggingstermijnen en het oogenblik van aanvang.

b. Rouw-Verordening van Januari 1886.

Heeft in art. 22 eene Toepassing van art. 690 en in art. 23 eene van art. 703 B. W.

17. Gemeente Landsmeer.

Alg. Pol. Verord. van 4 Dec. 1886.

Art. 146. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 147. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 148. Toepassing van art. 690 B. W.

Zonder strafbepaling.

In de daaraan voorafgegane Alg. Pol. Verord. van Maart 1880 handelde Hoofdstuk VIII over de

-ocr page 307-

\'5 1

Regeling der verplichtingen en rechten lusschen naburen.

Art. i. is toepassing van óqo B. W.

Art. 2. gebiedt verhooging van afsluiting bij verhooging van grond.

Art. 3. regelt de verplichtingen van hen die varkens of eenden houdt of een mestvaalt aanlegt.

Art, 4. is toepassing van art. 70$ B. W.

Art. 5. regelt recht van waterloop.

18. Gemeente Sint Maarten.

A/ff. Pol. Verord. Tan 4 Febr. 185c).

in dit opzicht ongewijzigd.

Hoofdstuk V.

Van eenige bijzonderheden welke de Algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Art. 2f). Regeling van het recht van waterloop.

Art. 30. Toepassing van art. 6go B. W.

Art. 31. Toepassing van art, 703 B. W.

Art, 32. «Niemand mag onmiddelijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen, maar moet tusschen die muur of scheidingen de aan te leggen goot, een steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden, zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs den muur afloope of stilsta.quot;

Art. 33. Toepassing van art. 733 B. W.

Art, 34. Termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik bij huur en verhuur van huizen.

Art. 35. Huurtijd van gestoffeerde Kamers.

Art. 36. Plaatselijk gebruik ten opzichte van opvolging van huur van huizen.

Geen strafbedreiging.

19. Gemeente Medemblik.

a. Brand-Verordenh/g Mei\', Aug. 1858.

Art. 2. Toepassing van art. 703 B. W.

b. Alg. Pol. Verord. van 18 Oct. 1887.

Art. 110. regelende het recht van waterloop met strafbepaling.

-ocr page 308-

gemeente monnikendam, enz.

Art. in. Toepassing van art. 600 B. W.

Zonder strafbepaling.

20. Gemeente Monnikendam.

Brand-Ver ordening van u Juli. 1881. Art. 9. Toepassing van art. 703 B. W.

21. Gemeente Nieuwer-Amstel.

a. Alg. Pot. Verord. van 20 Afaart 1$%$, gewijzigd 11 Mei 1883, 8 Augus/us 1884, 28 Februari 188,5, 25 Mei 1886, 28 Juni 1887 en 30 Juli 1887.

Art. 214. «Onverminderd de bepalingen van de artt. 678 en 690 B. W. wordt de hoogte van muren en schuttingen, dienende tot afscheiding van naast elkander liggende erven, vastgesteld op minstens 1.70 meter. De gezamenlijke eigenaars kunnen echter, mits met wederzijds goedvinden, van deze bepaling afwijken.quot;

b. Brand-Verordening van 26 April 1887.

Art. 3. Toepassing van art. 703 B. W.

22. Gemeente Oosthuizen. Bouw-Verordening van 27 Mei 1876. Art. 13. Toepassing van art. 690 B. W.

23. Gemeente Oostzaan.

Alg. Pol. Verord. van 21 Decern her 1887.

Art. 130. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 131. Regeling vaii recht van waterloop.

Art. 132. Toepassing van art. bgo B. W.

Zonder strafbedreiging.

24. Gemeente Petten.

Alg. Pol. Verord. van 2b October 1870. Hoofdstuk III.

Handhaving van openbare rust en veiligheid.

1.52

-ocr page 309-

gemeente purmerend.

Afdeeling i. Vrijheid en veiligheid der openbare wegen.

» 2. Bepalingen betrekkelijk de Zon-en Feestdagen.

» 3. Van huur en verhuur.

Art. 1. »Met betrekking tot de verplichtingen, welke huur en verhuur opleggen, wordt verwezen naar de bij het B. W. vastgestelde bepalingen, wordende bij deze alleen de tijden geregeld tot het wederzijds opzeggen van mondeling aangegane huur, naar luid der Burgerlijke Wetgeving door de plaatselijke reglementen te bepalen en welke tijden worden aangegeven door het plaatselijk gebruik te zijn aangenomen als volgt;\'

In al. 2 en j komen de opzeggingstermijnen voor van weekhuren en jaarhuren, in al. 4 en 5 wanneer zij ingaan.

Art. 2. »De verhuisdag voor weekhuren wordt bepaald op Maandag en die voor jaarhuren op den eersten Mei, van des voormiddags 8 tot des namiddags j uur. Ingeval de verhuisdag voor een jaarhuur op een Zon- of Feestdag, of die der weekhuur op een Feestdag invalt, zal de verhuisdag op den eerstvolgenden werkdag moeten plaats hebben,

Art. 3. De overtreding van eene der bepalingen van art. 2 wordt gestraft met eene geldboete van f 3.— tot /quot; 12.—.

25. Gemeente Purmerend.

Alg. Pol. Verord. Tan 0 Septemher 1887.

Hoofdstuk VI.

Regeling der verplichtingen tusschen naburen.

Art. 83. Toepassing van art. 6qo B. W.

Art. 84. Afsluiting van erven aan den openbaren weg.

Art. 85. »Die zijn e::f verhoogt\' is verplicht ook den muur of de schutting evenveel te verhoogen, en die de noodige vastheid te geven, opdat zij niet worde over- of doorgedrongen.quot;

Art 8ö. Regeling van recht van waterloop.

Art. 87. Strafbepaling bij niet-voldoening aan het voorschrift van art. 84 of aan dat van art. 85, voorzoover de inhoud daarvan betrekking heeft op art. 84

Hoofdstuk VII. l\'olitie tot voorkoming van Brand en tot bevordering van de veiligheid bij Brand.

Art. ()6, al. 1. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 108. Strafbepaling op overtreding ook van art. gü.

-ocr page 310-

gemeente ransdorp, enz.

26. Gemeente Ransdorp.

Alg. Pol. Ver or d. van Ö Seplemher 188^.

Hoofdstuk IX

Regelins; der ver]ilichtingen en rechten tusschen naburen.

Art. 1. Toepassing van art. 600 B. W.

Art. 2. »Die zijn erf verhoogt zal verplicht zijn ook ten zijnen koste de bestaande afsluiting evenveel te verhoogen en die de noodige vastheid te geven, dat zij niet wordt over-of doorgedrongen.quot;

Art. 3. «Ieder die varkens of eenden houdt of een mestvaalt wil aanleggen, mag zulks niet doen dan op minstens \'/2 meter afstand van de belendende gebouwen of erven, en is verplicht om de uitvloeisels daarvan op zijn grond te houden en te zorgen, dat daardoor geen hinderlijke stank verspreid wordt.quot;

Art. 4. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 5 al. 1. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 5 al. 2. De overtreding of niet nakoming der bepalingen van dit hoofdstuk wordt gestraft met eene geldboete van f 5.— tot A 15 en gevangenisstraf van 1—3 dagen te zamen of afzonderlijk.

27. Gemeente de Rijp.

Brand- Verord. vat/ 31 Oct. 1854, gewijzigd 21 Aug. 1873.

Art. 4. Toepassing van art. 703. B. W.

28. Gemeente Schagen.

A/g. Pol. Verord, vait 14 Maart 1866 en 4 Maart 1867.

Hoofdstuk IV.

Van eenige bizonderheden, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen overlaat.

Art. 13. Verbod van verandering 111 den waterloop, uit watering, enz.

Art. 14. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 15. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 16. »Niemand mag onmiddellijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting van een ander, gelijkvloers eene goot aanleggen.

-ocr page 311-

\'55

Tusschen de nieuwe afscheiding en de aan te leggen goot moet eene steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden, zoodat het water in de aangelegde goot niet onrnid-delijk langs de muur of schutting afloop»; of stilsta.quot;

Art. 17. Toepassing van art. 733 B. W.

Art. 18. Termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik van huur van huizen, gedeelten daarvan en tuinen.

Art. 19. Duur van de huur van gestoffeerde kamers, wanneer geen bepalingen van huurtijd of zekere som bij het jaar. bij de maand of bij de dag zijn gemaakt volgens gebruik.

Evenzoo in al. 2 van huizen en daarbij behoorende tuinen.

Art. 20. Plaatselijk gebruik ten aanzien van opvolging van huur van huizen.

Art. 21. Plaatselijk gebruik omtrent reparatiën, die ten laste des huurders komen.

2g. Gemeente Spaarndam.

Alg. Pol. Verord. van 5 April 1888.

Hoofdstuk XI.

Van do verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

Art. 114. Toepassing van art. öqo B. W.

Art. 115. »Die zijn erf verhoogt is verplicht voor zijne kosten ook den muur of do schutting evenveel te verhoogen en die de noodige vastheid te geven, opdat zij niet worden over- of doorgedrongen,quot;

Art. 116, »Die een waterloop heeft over eens anders erf of door eens anders huis, moet op eigen erf, ter plaatse waar die waterloop zijn erf verlaat, een zinkput maken, gemetseld van goede klinkers en cement, ten minste drie decimeter diep, voorzien van een vasten ijzeren rooster, waarvan de roeden hoogstens één centimeter van elkander moeten staan, moetende die rooster zoo zijn geplaatst, dat het komen van vaste stoffen op buurmans erf daardoor worde voorkomen (zie art, 738 B, W.). \'

Geen strafbepaling.

30. Gemeente Texel. Alg. Pol. Verord. van 4 Mei 1888.

-ocr page 312-

i 50 gemeente uitgeest.

Hoofdstuk V.

Regeling der verplichting tusschen eigenaars van naburige erven en huizen.

Art. 48. »L)e afsluiting, dienende tot afscheiding van huizen, erven en tuinen, waartoe een ieder krachtens art. 6go B. W. zijne naburen kan noodzaken bij te dragen, bestaat in een houten schutting van 2 Meters hoogte: waar de beide erven niet even hoog zijn, te meten van den hoogsten grond.

De palen to plaatsen om den anderen op de wederzijdsche erven, tenzij eene schikking tusschen belanghebbenden plaats heeft gehad.quot;

Art. 4Q. »Erven, aan den openbaren weg liggende of aan slooten, welke tot openbaren weg worden gemaakt, moeten daarvan worden afgesloten, hetzij door muren ter dikte van minstens 0.22 Meter en ter hoogte van 2 Meter uit de straat, hetzij door schutting of rasters van dezelfde hoogte, de laatste in te richten volgens voorschriften door B. en W. te geven.quot;

Art. 50. Omtrent het verhoogen van het erf = art. 115 Spaamdam.

Art. 51. »Die een waterloop heeft over eens anders erf of door eens anders huis, moet op eigen erf, ter plaatse waar die waterloop zijn erf verlaat, ijzeren traliën of roosters doen stellen en onderhouden, die niet wijder mogen zijn dan I cM. en bovendien aan de zijde, vanwaar het water komt een waterdichte zinkput hebben, lang en breed minstens vijf Decimeters van gelijke diepte. De waterloopen langs muren moeten op minstens 0.3 Meter afstand worden gemaakt.quot;

31. Gemeente Uitgeest.

.44\'. /W. Verord. Tan 9 Juni 1857.

Hoofdstuk VIII.

Bepalingen omtrent datgene wat bij het Burgerlijk Wetboek aan bizondere Verordeningen wordt overgelaten.

Art. 75. »De afsluiting van huizen, open plaatsen en tuinen, bedoeld in art. Ö90 B. W., moet geschieden door een houten schutting ter hoogte van twee ellen.\'\'

Art. 76. »De tusschenruimte bedoeld in art. 703 B. W, is 1 El.quot;

-ocr page 313-

157

Art. 77. »De breedte van het voetpad, bedoeld bij art. 733 B. W., is 0.7 Ei, van de dreef 1.1 El en van den weg 2.30 El.quot;

Hoofdstuk IX.

Plaatselijk gebruik aangaande de verhuur van huizen en landerijen.

Art. 78. »Het plaatselijk gebruik omtrent den termijn, binnen welken de opzegging moet plaats hebben, bij verhuur van huizen, en landerijen, bedoeld in art. 1Ö07 B. VV., is, wat de huizen aangaat minstens zes weken vóór den dag, waarop tie huur expireert en voor zooveel de landerijen betreft minstens drie maanden vóór dien dag.

Het plaatselijk gebruik, ten opzichte van tien tijd voor welken huizen en landerijen verhuurd worden, is één jaar.quot;

Geen strafbedreiging.

32. Gemeessite Warmen huizen. Alg. Plaatselijke Pol. Verord. van () Der. iHög, 24 Januari 187a.

Hoofdstuk IX.

Van eenige bizonderheden welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen overlaat.

Art. 1. Regeling van den waterloop.

Art. 2. Toepassing van art. (gt;90 B. W.

Art. 3. Regeling van den afstand van art. 703 B. W.

De laatste alinea luidt:

»Allcs onverminderd de bizondere bepalingen omtrent de wijze van inrichting der schoorsteenen en stookplaatsen, vervat in Hoofdstuk XII van dit reglement.quot;

Art. 4. «Niemand mag onmiddellijk tegen eene gemeene scheiding, muur of schutting van een ander gelijkvloers een goot aanleggen, maar moet tusschen dien muur of scheiding en de aan te leggen goot een steenen rollaag van een staanden steen gesteld worden, zoodat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs den muur afloope of stilsta.quot;

Art. 5. »BLj een erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte van een voetpad 0.5 Meter, van een dreef 2 Meter en van een weg 4 Meter.quot;

Art. 6. »Van huur en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen binnen deze gemeente voor een jaar en langer

-ocr page 314-

158 gemeente weesp, enz.

aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik drie maanden vóór het eindigen der huur.

Van de huur voor kortoren tijd dan een jaar tot op die voor den tijd van een maand is de termijn een maand vóór het eindigen der huur, en van de huur voor een week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.quot;

Art. 7. »De tijd van gestoffeerde kamers, wanneer geen bepalingen van huurtijd of van zekere som bij het jaar, de maand of den dag zijn gemaakt, is volgens gebruik een maand.

Van dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende erven en tuinen tot den eerstkoinenden gewonen verhuisdag, namelijk 1 Mei.\'\'

Art. 8. ïHet plaatselijk gebruik, ten opzichte der opvolging-van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, het huis op den dag van het eindigen des huurtijds, des middags ten 12 ure moet ontruimen; dat hij verplicht is te zorgen, dat zijn huisraad opdat uur uit het gehuurde perceel verwijderd zij, en toelaten, dat de nieuwe huurder zijn huisraad van dat oogenblik af in het gehuurde perceel brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den nieuwen huurder de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting toesta. quot;

Geen strafbepaling.

,^,5. Gemeente Weesp.

Brand-Verordening Tan 27 Juui 18,56.

Art. 11. Toepassing van art. 703 B. W.

34. Gemeente Wijk aan Zek kn Duin.

Alg. Pol. Ver or d. van 21 Afnart 1857.

H o o fd s t u k IX.

Regeling der verplichtingen en rechten tusschcn naburen.

Art. 82. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 83. »Die zijn erf verhoogt zal verplicht zijn. ook voor zijne kosten, de bestaande afsluiting evenveel te verhoogen en die de noodige vastheid te geven, dat zij niet worde over- of doorgedrongen.quot;

Art. 84. «Ieder die varkens houdt of een mesthoop wil

-ocr page 315-

gemeente wormerveer, enz.

aanleggen, mag zulks, niet doen dan op minstens vijf\' palm afstands van de belendende gebouwen of erven, en is verplicht de uitvloeiselen daarvan op zijn eigen grond te houden en te zorgen, dat daarvan geen hinderlijke stank verspreid wordt.quot;

Art. 85. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 80. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 87. »Het is geoorloofd hoog opschietende hoornen le planten op een afstand van één El en heggen op een afstand van drie palm van het naburige gebouw.quot;

Art. 88. »Het is geoorloofd tegen scheidingsmuren en schuttingen tusschen open plaatsen en tuinen leihoomen te planten.quot;

Deze bepalingen zijn niet met strafbedreiging voorzien.

35. Gemeente Wormerveer.

Alg. Po/. Verordening van 27 Mei 1887.

Art. 178. Toepassing van art. 703 B. W.

» 179. » » » 6go B. W.

Zonder strafbedreiging.

30. Gemeente Zaandam.

Alg. Politie-Ver ordening van 30 Dec. 1879.

Art. 103 is toepassing van art. 703 B. W.

Aan het slot komt de bijvoeging:

«Hetgeen in strijd hiermede wordt daargesteld, moet, wanneer B. en W. het noodig achten, volgens dit voorschrift worden ingericht.quot;

Strafbedreiging tegen overtreding volgens art. 200 met eene geldboete van /10 tot / 25.

37. Gemeente Zaandijk.

Bouw- Verordening van 17 Januari 1887, gewijzigd 29 JnH 1887.

Art. 12. Toepassing van art. 703 B. W.

» 18. » » » 733 B. W.

Zonder strafbedreiging (zie art. 21).

1 59

-ocr page 316-

l6o GEMEENTE ZIJPE, ENZ,

^8. Gemeente Zijpe.

Alg. Pol. Verord. van i Februari 1887.

Hoofdstuk V.

Openbare orde en veiligheid.

Afdeeling I.

Van Huur en Verhuur.

Art. 49. Op/eggingsdagen bij weekhuur en jaarhuur en begin van week- en jaarhuur.

Art. 50. Verhuisdag voor week- en jaarhuur.

Art. 51. Verhuizing op een Zon- of algemeen erkenden christelijken Feestdag is verboden. Boete hoogstens J 3.—.

Art. 72. Toepassing van art. (gt;00 B. W.

In de vroegere Alg. Pol. Verord. van 6 Juni 1876 vindt men:

Art. I van Afd. II van Hoofdstuk IV = Art. 49 (van Huur en Verhuur) behoudens de bijvoeging aan \'t slot.

»Gezegde tijdstippen worden aangewezen in alle gevallen in welke de Burg. Wetg. tot de Plaatselijke Verordeningen of Gebruiken verwijst.quot;

Art. 2 ecnigzins anders als Art. 50 de verhuisdag regelend, hield tevens in de bepaling van art. 51.

Art. 3. De overtreding van eene der bepalingen van Art. 2 wordt gestraft met eene geldboete van f 3. tot f 12.—.

39. Gemeente Zuid-Scharwoude.

Alg. Pol. Verord. \'dan 13 Sept. 1866, (niet in druk).

Van eemge bizonderheden welke de Algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen overlaat.

Art. 10. «Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten aan deze gemeente toebehoorende, eenige verandering in den waterloop brengen of die wateren tot een ander einde dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van den raad dezer gemeente.\'

Art. 11. «Afsluitingen dienende tot afscheiding van huizen, opcne plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn mede-

-ocr page 317-

gemeente aarlanderveen, l6l

eigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van eene reeds bestaande en wanneer zulks door een der eigenaars begeerd wordt, op dezelfde wijze gemaakt of hersteld worden als die welke reeds vroeger bestond en ten minste eene hoogte hebben van één el zeventig duim.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaande, zullen, wanneer een der mede-eigenaars dat begeert, mede eene hoogte moeten hebben van i el 70 duim.quot;

Art. 12, »Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht den navolgenden afstand van den gemeenen of niet gemeeuen muur te bewaren.

Voor eene put, riool of secreet 150 duimen, voor een schoorsteen of stookplaats alsook fornuis (geene bakovens daaronder begrepen) 7 duimen, voor een bakoven 50 duimen.

Alles onverminderd de bizondere bepalingen omtrent de wijze van inrichting der schoorsteenen en stookplaatsen, vervat in Hoofdstuk 10 van dit reglement.\'\'

Art. 13 = art. 4 Warmenhuizen.

Art. 14. »Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte van een voetpad 5 palmen, van eene dreef 2 ellen en van een weg 4 ellen.quot;

Op overtreding is geene straf gesteld.

In het in art. 12 aangehaalde Hoofdstuk 10 vindt men geene bepaling, die alleen of met name het geval van eenen gemeenen muur behandelt.

De wijzigingen, bij de Verordening van 5 Mei 1886 aangebracht in de Politie-Verordening, hebben geene betrekking op deze artikelen.

Provincie Zuid-Holland.

i. Gemeente Aari,anderveen.

Alg. Politie- Verordening van 7 Maart 1887.

Art. 66, 67, voorkomende in Hoofdstuk IX, Regeling der verplichtingen en rechten tusschen naburen.

Art. 66. »De volgens art. 690 van het Burgerlijk Wetboek

-ocr page 318-

gemeente alken, enz.

te stellen afsluiting, dienende tot afscheiding van huizen, open plaatsen en erven, moet bestaan in een muur of schutting ter hoogte van minstens twee nieters, — waaide erven niet even hoog zijn, te meten uit den hoogsten grond.quot;

Art. 07. »Die zijn erf verhoogt, zal verplicht zijn ook te zijnen koste de bestaande afsluiting onmiddellijk evenveel te verhoogen en daaraan de noodige vastheid te geven, zoodat zij niet worde over- of doorgedrongen.quot;

2. Gemeente Alfen.

Art. 74 en 75 A/g. Pol. Verord., afgekondigd 7 Maart 1887.

Geheel gelijk art. öó en 67 Pol. Regl. Aarlanderveen.

3. Gemeente Nieuw-Beijerlanü.

Alg. Pol. Verord. 22 Januari 1887.

Art. 102. »Ten aanzien van de hoogte en wijze der afsluiting, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waaromtrent art. 690 van het Burgerlijk Wetboek naar het plaatselijk gebruik en de Verordeningen verwijst, wordt verklaard:

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van twee meter en twee decimeter boven de oppervlakte van het hoogste erf;

2°. dat alle erven van de publieke straten moeten worden afgesloten door middel van behoorlijke heiningen of muren, ter hoogte van twee meter en twee decimeter uit de straat.quot;

Art. 103. »Voor alle putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fornuizen, zoutbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen of andere zaken, in art. 703 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, die in de nabijheid van gemeene of niet gemeene muren gemaakt zullen worden, en waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel voor belendende gebouwen of eigendommen zouden kunnen ontstaan, wordt, ingevolge aJt. 703 van het Burgerlijk Wetboek, de afstand bepaald op 3 decimeter, gemeten uit den buitenkant der voorschrevene muren.quot;

-ocr page 319-

gemeente oud-beijerland, enz.

4. Gemeente Oud-Beijerland.

Art. 138 en 139 Aig. Pol. Verord. van 5 üclober 1885.

Zonder strafbedreiging.

Geheel gelijk art. 102 en 103 Pol. Regl Nieuw-Beijerland.

5. Gemeente Berg-Ambacht.

Als;. Pol. Verord. omtrent de Straten en Wegen van 12 December 1865.

Art. 10. »De afsluiting, waartoe, krachtens art. Ö90 van het Burgerlijk Wetboek, ieder zijn nabuur kan noodzaken bij te dragen, bestaat in eene houten schutting van twee ellen hoogte, gerekend van den hoogsten grond.quot;

Art. 15. »Voor zooverre daartegen bij geene wet, algemeene maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien, zullen de overtredingen dezer verordening worden gestraft als volgt:

Die van de artikelen 1 enz.

En die van art. 10 met eene boete van drie tot vijf en twintig gulden.quot;

6. Gemeente Berkenwoude.

Art. 72 en 75 al. 3 Alg. Pol. Verord. van 14 Novembtr 1862.

Geheel gelijk art. 10 en 15 Pol. Verord. Berg-Ambacht.

7. Gemeente Bleskensgraaf en Hofwegen.

Alg. Pol. Verord. van 28 Januari 1888,

Art. 125 ziet op art. Ö90, art. 12Ö en 127 op art. 703, art. 128 op art. 733 B. W.

Zij komen voor in Hoofdstuk VIII: »Van de verplichtingen tusschen naburen, en regeling van hetgeen volgens het B. W. aan het plaatselijk gebruik wordt overgelaten.quot;

S. Gemeente den Bommel.

Alg. Pol. Verord. van 28 Juli 1887.

Art. 2g. »Naar aanleiding van Art öqo van het Burgerlijk

-ocr page 320-

164 GEMEENTE DEN BOMMEL.

Wetboek wordt bepaald, dat de muren en heiningen tot afscheiding van erven binnen de kom der gemeente eene hoogte moeten hebben van minstens twee meter boven de oppervlakte van het hoogste erf,quot;

Art. 30. «Insgelijks wordt, naar aanleiding van Art. 703 van het Burgerlijk Wetboek, de afstand van een muur voor de daartegen aan te leggen werken, bepaald als volgt;

Voor een put, riool of secreet op 50 cM.

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis op 7 cM.

Voor een bakoven op 15 cM.

Voor een mestbak, open mestput, varkenshok, konijnenhok en dergelijke op 1 M.

Voor pakhuizen van zout of voor verzamelplaatsen van bijtende stoffen of andere werken, waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel van belendende gebouwen zouden kunnen ontstaan, op 50 cM.quot;

Art. 31. «Niemand mag onmiddellijk tegen een gemeene of niet gemeene scheiding, muur of schutting of die van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen.

Tusschen dien muur of die scheiding en de aan te leggen goot moet een steenen rollaag van een staanden steen worden gesteld, zoodanig, dat het water in de aangelegde goot niet onmiddellijk langs den muur of schutting loope noch stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen verrichten of stellen, waardoor het water of vuilnis van zijn erf, tegen zoodanige scheiding of op den grond van zijn nabuur loopt of komt te liggen.quot;

Art. 32. »Bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad één Meter, van een dreef twee Meter en van een weg vier Meter.quot;

Daarbij vervielen artt. 12—18 Politie-Reglement van 2 October 1878. Opmerkelijk is dat de afstanden in art. 30 voorgeschreven allen kleiner zijn dan de daarmede corres-pondeerende in art. 14 Pol. Regl. 1878. In art. 16 alleen kwam eene bepaling voor omtrent termijn van opzegging, in art. 17, omtrent des huurders reparatiën en in art. 18, omtrent de wijze van verhuizing, die in de nieuwe Verordening zijn vervallen.

-ocr page 321-

gebeente boskoop, enz. 165

9. Gemeente Boskoop.

Alg. Pol. Ver ord. van 21 Maart 1888.

Art. 76. »De volgens art. 690 van het Burgerlijk Wetboek te stellen afsluiting, dienende tot afscheiding van huizen, open plaatsen en erven, moet bestaan in een muur. schutting of heg, ter hoogte van minstens 1.80 meter, waar de erven niet even hoog zijn te meten uit den hoogsten grond.quot;

Art. 77. »Die zijn erf verhoogt, zal verplicht zijn ook te zijnen koste de bestaande afsluiting onmiddellijk evenveel te verhoogen en de noodige vastheid te geven, zoodat zij niet worde over- of doorgedrongen.quot;

Art. 78. »Hij, die in de nabijheid van eenen gemeenen of niet gemeenen muur eene der bij art. 703 van het Burgerlijk Wetboek genoemde inrichtingen wil maken, is verplicht eene tusschenruimte te laten, voor metselwerk en magazijnen van minstens 0.30 meter, voor een put. riool, secreet, stal of mestbak van minstens 0.50 meter.quot;

10. Gemeente Brandwijk.

Alg. Pol. Verord. van zg Maart 1879.

Hoofdstuk IX.

Verplichtingen tusschen naburen.

Art. 67 «Onder afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, open plaatsen en tuinen, waarvan art. 690 van het Burgerlijk Wetboek de regeling aan bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken overlaat, wordt bepaald:

1°. Die afsluitingen te vervaardigen van planken, steenen of doelmatig rasterwerk, de latten of openingen niet verder dan een decimeter van elkander en alles ter hoogte van 1.60 meter.quot;

Art. 68. »Ten einde schade aan naburige erven te voorkomen, wordt, ingevolge art, 703 van het Burgerlijk Wetboek, de afstand, welke iedere eigenaar verplicht is van den gemeenen of niet gemeenen muur te bewaren, bepaald als volgt:

Voor een put, riool of secreet één meter;

-ocr page 322-

l66 gemeente dordrecht, enz..

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis (bakovens daar niet onder begrepen) to centimeters;

Voor een stal- of mestbak, daaronder begrepen varkenshokken, konijnenhokken en dergelijken, twee meters.quot;

Art. 6q. »Voor het geval bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, bedoeld bij art. 733 van het Burgerlijk Wetboek, de breedte niet bij den titel is bepaald, is de breedte als volgt:

Voor een voetpad één meter; voor een dreef twee meters; voor een weg vier meters.\'\'

11. Gemeente Dordrecht.

Verordening op het bouwen en op de. verplichtingen van eigenaars van naburige erven, van 27 November 1877.

Art. 35 is toepassing van art. 6qo, art. 37 van art. 703 B. W.

Art. 38 luidt aldus; »Die een waterloop heeft over ot door een naburig erf of huis, moet in de opening van den muur, door welken het water loopt, vaste ijzeren traliën doen stellen en onderhouden, die niet wijder mogen zijn dan 0.01 M. en bovendien vóór die traliën, aan de zijde van waar het water komt, hebben eene waterdichten zinkput, van eene tot voorkoming van stank voldoende afsluiting voorzien.quot;

Overtreding hiervan is, volgens art, 42, niet strafbaar.

12. Gemeente Dubbeldam.

Alg. Pol. Verord, van 14 December 1886.

Hoofdstuk I daarvan behandelt: Bijzondere bepalingen naar aanleiding van het B. W.

Art. 1 is toepassing van art. 6go, art. 2 van art. 703, art. 3 van art. 733 B. W.

Geen strafbedreiging.

-ocr page 323-

gemeente evermngen, enz. iö7

13. Gemeente Everdingen

Atg. Pol. Verord. van 19 September 1878.

Art. 4 is toepassing van art, 703 B. W.

Overtreding is, volgens art. 40 al. 3, strafbaar met eene. geldboete van /10 tot y 25, met of zonder gevangenisstraf van één tot drie dager,.

Volgens al. 5 mag de rechter, bij aanneming van verzachtende omstandigheden, de bedreigde boete tot f 1 verminderen.

14. Gemeente Giessendam.

Atg. Pol. Verord. van 28 Mei 1887.

Art. 9. »In eenen muur mogen de binten, komende tegen eene haardstede of schoorsteen van het belendende gebouw niet dieper worden gelegd dan op de helft van de dikte of in het zoogenaamde hart van den muur, terwijl degene, die tegen eenen muur een schoorsteen of haardstede wil maken, gehouden is te zorgen, dat de binten van de belendende woning door minstens één steens metselwerk van den te stellen schoorsteen of haardstede blijven gescheiden.quot;

15. Gemeente Goedereede.

Artt. 24—27 Alg. Pol. Verord. van 19 December 1887. Gelijk art. 29—32 Alg. Pol. Verord. van den Bommel.

16. Gemeente Gouda.

Verordening op het Bouwen, enz. van 7 October 1887.

De derde Afdeeling luidt: Van de verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

Artt. 41 en 42 zijn toepassing van art. 690, art. 43 van art. 703 B. W.

Zonder strafbedreiging.

17. Gemeente Goudswaard. Alg. Pol. Verord. van 3 April j amp; Mei 1857. Van de verplichtingen tusschen naburen.

-ocr page 324-

l68 gemeente groot-ammers, enz.

Art. gg. »Ten aanzien van de wederzijdsche rechten en verplichtingen tusschen de eigenaars van naburige erven, betreffende licht, waterloozing, gemeenschap, enz., wordt bij deze, voor zooveel desnoods, verwezen naar het Burgerlijk Wetboek, de 4e titel van het 2e boek.quot;

Art. 100. »Ten aanzien van de hoogte en wijze der afsluiting, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waaromtrent art. 6go B. W. naar het plaatselijk gebruik en verordeningen verwijst, wordt verklaard:

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van twee ellen boven de oppervlakte van het hoogste erf.

20. dat bij vernieuwing of herstelling daarvan, de belanghebbenden onderling moeten bepalen, hoe en op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt en bij verschil daaromtrent het oordeel van Burgemeester en Wethouders inroepen.\'\'

Art. 101. »Voor alle putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fournmzen, zoutbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen, die in de nabijheid van gemeene of niet-gemeene muren gemaakt zullen worden, en waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel voor belendende gebouwen of eigendommen zouden kunnen ontstaan, wordt ingevolge art. 703 B. W. de afstand bepaald op vijf palmen, gemeten uit de buitenkant der voorschrevene muren.quot;

18. Gemeente Groot-Ammers.

Art. 125 Alg. Pol. Ver or d. van 4 November 1887.

Is gelijk art. g van Giessendam, behalve dat van »acht centimeter metselwerkquot; in plaats van één steens metselwerk wordt gesproken. Ook kwam zij overeen met art. 68 der vroegere van 26 Juli 1862, waarvan de overtreding strafbaar was gesteld bij art. 132 met een geldboete van/1.-- tot/3.—

ig. Gemeente Haastrecht.

Alg. Pol. Ver or d. van 30 Januari 1886.

Art. 54 is toepassing van art. 703 B. W. en komt geheel overeen met art. g Verord. Giessendam.

-ocr page 325-

gemeente hagestein, enz.

20. Gemeente Hagestein.

Alg. Pol. Verord. van 25 November 1887.

Art. 73. »Wie in de nabijheid van een al of niet gemeenen muur eene der bij art. 703 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde inrichting wil daarstellen, is verplicht eene tusschen-ruimte van minstens 0.22 Meter te laten, en bovendien zoodanige werken aan te leggen, als Burgemeester en Wethouders noodig zullen oordeelen tot vrijwaring van de naburige erven tegen schade.quot;

Art. 74. »De in art. 690 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde afsluiting, zal moeten geschieden door een muur of eene houten schutting van twee Meters hoogte, uit den be-ganen grond van het hoogste erf gemeten.quot;

In de vroegere Verordening van 1878 was art. Ó90 niet toegepast en de tusschenruimte van art. 703 (zie art. 73) op o.óo Meter bepaald, zonder nader voorschrift omtrent nieuwe werken door B. en W.

21. Gemeente Hazerswoude.

Arl. 74 en 75 Alg. Pol. Verord. van 27 Juli 1887.

Geheel gelijk art. 66 en 67 Pol. Reglement Aarlanderveen. De hoogte van 2 meters in art. 66 is in art. 74 tot 1 \'/j meter teruggebracht.

22, Gemeente Hellevoetsluis.

Verordening op het bouwen en op de verplichtingen van eigenaars van naburige erven, van 6 April 1888.

Art. 31. »Voor de toepassing van art. 690 van het Burgerlijk Wetboek wordt de hoogte der muren en heiningen, tot afscheiding dienende, bepaald op 2.20 meter.

Die muren of heiningen moeten geplaatst worden op de scheidingslijn van de wederzijdsche erven.

De zwiepingen en palen moeten om den anderen op die erven worden geplaatst, behoudens de onderlinge overeenkomst der eigenaars daaromtrent.quot;

Art. 33. »De afscheiding van den gemeenen muur voor stallen, putten, riolen, secreten (de secreetpijpen), roestbakken

169

-ocr page 326-

gemeente nieuw-hellevoet.

of bijtende stoffen moeten geschieden met waterkeerende en duurzame bouwstoffen, naar de voorschriften van Burgemeester en Wethouders.

De afstand dezer afscheidingen van den gerneenen muur en van ovens en fornuizen, met den daarbij behoorenden schoorsteen, wordt bepaald op 0.20 meter.

Ingeval deze afscheiding of ruimte noodig is voor de sterke mededeeling der warmte, moet daardoor onbelemmerde lucht-verversching plaats kunnen grijpen, en ingeval zij moet dienen voor de schadelijke werking van vochten, alsdan moet zij, voorzoover zij onder den beganen grond ligt, met zware klei aangevuld worden; hiervan zijn uitgezonderd kamer- en keukenschoorsteenen.quot;

Art. 34. »Die een waterloop maakt over of door een naburig erf of huis, moet in de opening van den muur, door welken het water loopt, ijzeren traliën doen stellen en behoorlijk doen onderhouden, die niet wijder mogen zijn dan 0.01 meter, en bovendien vóór de traliën, aan de zijde van waar het water komt, hebben een waterdichten zinkput, minstens lang, breed en diep 3 decimeters.quot;

In de vorige verordening van ] 870 vormden deze de art. 32, 34 en 35, en waren alle met strafbedreiging voorzien.

23. Gemeente Nieuw-Hellevoet.

Br andver ordening van 21 November 1861.

Art. q. Uitgezonderd de thans bestaande, zullen in eenen gemeenen muur geene schoorsteenen of haardsteden mogen gemaakt worden: zij zullen alleen tegen den muur mogen worden aangebouwd, en ook in dat geval zullen die maatregelen van voorzorg moeten worden in acht genomen, welke bij de opneming zijn voorgeschreven; op de plaats waarin of tegen eenen gemeenen muur een stookplaats of schoorsteen gemetseld is, zullen door den eigenaar van het aangelegen pand geene balken of bindten mogen worden gelegd, dan nadat die aan de uiteinden behoorlijk met dik plaatijzer bekleed zijn.quot;

Alles op eene boete van ƒ 6.—.

\'70

-ocr page 327-

gemeente herringen. i/i

24. Gemeente Herringen.

Alg. Pol. Verord. van ic) December 185(1.

Hoofdstuk IV.

Verplichtingen tusschen naburen en regeling van hetgeen volgens het B. W. aan plaatselijk gebruik is overgelaten.

Art. 28. »Afsluitingen. dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn mede-eigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer dezelve dienen ter vervanging van eene reeds bestaande, en zulks door den mede-eigenaar verlangd wordt, op dezelfde wijze worden gemaakt of gesteld als die, welke vroeger bestond, en minstens eene hoogte hebben van 1.75 el; hebben deze vroeger niet bestaan, zullen dezelve, wanneer een der mede-eigenaren dit begeert, tot gelijke hoogte worden opgetrokken.

Nieuwe afsluitingen, langs den openbaren weg, langs straten, pleinen, stegen en grachten binnen de bebouwde kom der gemeente, zullen moeten worden gemaakt van behoorlijke houten heiningen, ijzeren hekken of steenen muren, tot eene hoogte van minstens 1.75 el.quot;

Art. 29. »Ten einde schade aan naburige eiven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht den navolgenden afstand van den gemeenen of niet-gemeenen muur te bewaren:

Voor een put, riool of secreet, 1 El.

Voor een schoorsteen, stookplaats of fornuis (geen bakovens daaronder begrepen), 7 duimen.

Voor een bakoven, 50 duimen.

Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenskotten, konijnenhokken en dergelijke, waarvan de daarstelling niet verboden is. 1.50 El.

Voor het aanleggen van pakhuizen of magazijnen van zout, eene verzamelplaats van bijtende stoffen, eene bewaarplaats van bloed, of voor het aanleggen van andere schadelijke of gevaarlijke werken, waaronder ook de zoogenaamde, die uit derzelver aard schadelijke gedierten lokken, zooals bergplaatsen van beenderen, huiden enz., daar waar de inrichting daarvan niet verboden is, zal behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrichting voor te schrijven of voorgeschreven een dubbele muur moeten worden gesteld met eene tusschen-ruimte van 5 duimen.quot;

Art. 30 gelijk art. 31 Alg. Pol. Verord. den Bommel.

-ocr page 328-

gemeente hoogvliet.

Art. 31. »Bij het bestaan van eene gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop rechthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsonder- en opgang gesloten blijve en niet gebruikt worde anders dan met gemeene toestemming van de rechthebbenden.

Voor het ledigen van privaten en het uitdoen van beer, zal de toestemming van den mede-rechthebbende niet noodig zijn.quot;

Art. 32. »Alle in dit Hoofdstuk voorkomende bepalingen gelden alleen, zoover bij den titel van het Burgerlijk Wetboek, daartoe betrekkelijk, geene andere bepalingen zijn gemaakt.quot;

Extract uit de Wijziging der Pol. Verord. voor de Gemeente Herkin gen.

Art. 31 wordt ingetrokken en vervangen door het navolgende:

Art. 31. »Van huur en verhuur van huizen of gedeelten van dien en tuinen in de Gemeente voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging, volgens plaatselijk gebruik, drie maanden voor het eindigen der huur.quot;

25. Gemeente Hoogvliet.

Extract van de Alg. Pol. Verord. van 5 Mei 1857.

Bepalingen, opzichtens huur en\' verhuur van huizen.

Art. 1. «Met verwijzing naar de regels bij het Burgerlijk Wetboek vastgesteld, betrekkelijk huur en verhuur van huizen, wordt bij dezen ten aanzien van zoodanige huur en verhuur bepaald hetgeen volgt:

Weekhuur wordt verstaan in te gaan des Maandagsmiddags ten twaalf ure, en te eindigen op hetzelfde tijdstip van Maandag daa raan volgende.

Jaarhuur wordt vastgesteld in te gaan den 3en Mei, des middags ten twaalf ure van elk jaar en te eindigen op hetzelfde tijdstip van den 3en Mei, des eerstvolgenden jaars.

Weekhuren zullen wederzijds moeten worden opgezegd Maandag van de ingetreden week.

Jaarhuren vóór of op den 3en Februari van het te eindigen huurjaar.quot;

\\-]2

-ocr page 329-

173

20. Gemeente Katwijk

A/g. Pol. Verord. van 11 December 1884.

Toepassing van art. öqo B. W. is art. 50. (Strafbedreiging in art. 76).

Van art. 703 B. W. is art. 71 zonder strafbedreiging.

Het gemeentebestuur meent in nog meerdere bepalingen toepassingen van artt. 690 en 703 te hebben gezien, overigens nog aan art. 713 B. W. en art. 755 K. uitvoering te hebben gegeven. O. i. minder juist.

27. Gemeente Langerak.

Art. 73 Alg. Pol. Verord. van 5 Februari 1879.

Toepassing van art. 703 B. W.. geheel gelijkluidend met art. 54 Pol. Regl. Haastrecht.

28. Gemeente Leiden.

Alg. Pul. Verord. van 6 November 1879.

Art. 224 al. 1 en art. 227 zijn toepassingen van art. 703 B. W.

Strafbedreiging is art. 234 aldaar.

29. Gemeente Nieuw-Lekkerland.

Alg. Pol. Verord. van i December t886.

Hoofdstuk VIII heeft tot opschrift: Verplichtingen tusschen naburen.

Art. 121 is toepassing van art. 690 B. W.

Art. 122 van art. 703 B. W.

Art. 123 bepaalt ter uitvoering van art. 733 de breedte van voetpad, dreef en weg. terwijl art, 124 luidt: »Iedere overtreding van een der bepalingen van dit Hoofdstuk wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 3.—

gemeente katwijk, enz.

30. Gemeente Maasdam.

Alg. Pol. Verord. van 19 Juli 1887.

Art. 105, voorkomende in de Afdeeling, behelzende bepalingen ter voorkoming van brand, is gelijk art. g Verord. Giessendam.

-ocr page 330-

\'74

3i. Gemeente Melissant.

Al^. Pol. Verord. van 2b Augustus 1870.

Vierde Hoofdstuk.

Van de verplichtingen tusschen naburen.

Art. 27 verwijst naar Boek II Titel 4 B. W,

» 28 past toe art. Oqü B. W.

» 29 past toe art. 703 B. W.

» 30 maakt bepalingen omtrent vensters, deuren en poorten, aan openbare straten uitkomende.

Overtreding van al deze artikelen, zelfs van art. 27, wordt strafbaar gesteld in art. 134.

32. Gemeente Middelharnis.

Alg. Pol. Verord, van 3 Februari 1882. Art. 24—28 maken uit de Afdeeiing betiteld: »Van verplichtingen tusschen naburen en van het plaatselijk gebruik.quot;

Art. 24 verwijst in het algemeen naar Titel 4 Boek II B. W. en past toe art. Ó90 B. W.

Art. 25 en 26 passen toe art. 703 B. W.

Art. 27 voert art. 733 B. W. uit.

Art. 28 zegt, dat de in dat Hoofdstuk voorkomende bepalingen alleen gelden, voor zooveel bij de bestaande titels, of bij overeenkomsten of huurcedullen geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Geen strafbedreiging.

33, Gemeente Molenaarsgraaf.

Alg. Pol. Verord. van 15 Februari 1879.

Hoofdstuk IV.

Verplichtingen tusschen naburen.

Geheel overeenkomstig de bepalingen der Verordening van Brandwijk.

34. Gemeente Nieuwenhoorn,

Art. 7 Brandverordening van 2 April 1878,

Geheel gelijk art. 9 van Nieuw-Hellevoet, boven medegedeeld.

-ocr page 331-

\'75

35- Gemeente Nieuwkoop.

Alg. Po/. Verord. van 3 fuli 1886.

Hoofdstuk XI,

Verplichtingen tusschen naburen,

behandelt in art. qq en 100 art. 703 cn in art. 101 art. 733 B. W.

36. Gemeente Oegstgeest.

Art. 25 Alg. Pol. Verord. van 19 Januari 1888.

Past toe art. 703 B. W.

37. Gemeente Ooltgensplaat.

Alg. Pol. Verord. van 17 October 1856. § 12. Van verplichtingen tusschen naburen.

Art. 117 verwijst naar Boek 11 Titel IV B. W.

Art. 118 bevat eene toepassing van art. 690, art. ng van art. 703 B. W., terwijl art. 120 het geval regelt van vensters of deuren, die op den publieken grond openslaan. Strafbepaling ontbreekt.

38. Gemeente Ouddorp.

Alg. Pol. Verord. van 21 April 1857.

Hoofdstuk IV.

Van de verplichtingen tusschen naburen, en de regeling van hetgeen volgens het B. W. aan het plaatselijk gebruik wordt overgelaten.

Art. 29 verwijst in \'t algemeen naar Boek II Titel 4 B. W., art. 30 past toe art. öqo, art. 31 en 32 het art. 703, art. 33 het art. 733 B. W.

Art. 34 zegt hoelang de tijd van kap van wilgen kaphout *gt;is volgens plaatselijk gebruik.quot;

Ook de volgende artt. bepalen wat volgens plaatselijk gebruik is de termijn van opzegging (art. 35), de geringe en

-ocr page 332-

176

dagelijksche reparatiën (art. 36) en de opvolging in de huur of wei de wijze van verhuizing (art. 37).

Geene strafbedreiging.

39. Gemeente Oudewater.

Alg. Pol. Verord. van 15 Februari 1888. Art. 73 ziet op art. 6go, art. 74 op art. 703 B. V/.

40. Gemeente Overschie.

Alg. Pol. Verord. van 14 December 1885.

Hoofdstuk X

bevat in artt. 86— go de regeling der verplichtingen en rechten tusschen naburen.

Artt. 86 en 87 B. W. passen toe art. 690, artt. 88 en 89 art. 703 B. W. en art. go omtrent roosters bij den waterloop over of door eens anders huis of erf, in den geest, doch uitgebreider, als de Verordening van Dordrecht.

Geen strafbedreiging.

41. Gemeente Papendrecht.

Alg. Pol. Verord. van 18 Februari 1878.

Hoofdstuk X behandelt in artt. 142—146 de verplichtingen tusschen naburen.

Art. 142 is toepassing van art. bqo, art. 143 van art. 703, art. 145 van art. 733 B. W.

Art. 144 bepaalt: «Indien het opbokken of mesten van varkens hinder of nadeel aan de naburen toebrengt, moeten de hokken op de eerste aanzegging van B. en W. worden weggeruimd.quot;

Art. 146. »Onverminderd de verplichting tot wegruiming wordt iedere overtreding van eene der bepalingen van de artt. 142, 143 en 144 gestraft met eene geldboete van _/5.— tot / 10.— en eene gevangenisstraf van één tot twee dagen, te zamen of afzonderlijk.quot;

-ocr page 333-

gemeente piershill, enz.

42. Gemeente Piershill.

Alg. Pol. Verord. van 22 Mei 1857.

Artt. 108—ui vormen de Afdeeling van verplichtingen tusschen naburen.

Art. 108 verwijst naar Titel 4 van Boek II B, W., art. 109 is toepassing van art. 690, art. 110 van art. 703 B. W., art. 111 regelt het openstaan van vensters aan de openbare straat. Strafbedreiging in art. 119 sub II.

43. (jEMEENTE Poortugaal.

Art. 124 Alg. Pol. Verord. vuu 28 Juni 1887.

Art. 124. »Met verwijzing naar de regels bij het Burgerlijk Wetboek vastgesteld, betrekkelijk huur en verhuur van huizen, wordt het volgende bepaald:

Weekhuur wordt verstaan integaan des Maandagmiddags ten 12 ure en te eindigen op hetzelfde lijdstip van Maandag daaraanvolgende.

Jaarhuur wordl vastgesteld integaan den 3en Mei des middags ten 12 ure van elk jaar en te eindigen op hetzelfde tijdstip van den 3en Mei van het daarop volgend jaar.

Weekhuren zullen wederzijds moeten worden opgezegd Maandag van de uitgetreden week en Jaarhuren vóór of op den 3en Februari van het te eindigen huurjaar.quot;

Art. iöi stelt overtreding ook van art. 124 strafbaar met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste / 25.—.

44. Gemeente Rockanje.

Art. 9 Rraud- Verordening van 15 December \\ 859.

Geheel gelijkluidend met het boven medegedeelde artikel van Nieuw Helvoet.

45. Gemeente Rotterdam.

Verordening op het houiven en op de verplichtingen van eigenaars van naburige erven van 3 Maart 1887.

De Vijfde Afdeeling handelt in twee artikelen 49 en 50 over de Verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

177

-ocr page 334-

gemeente schiedam, enz.

Art. 4Q ziet op art. 690 en art. 50 op art. 703 B. NV. In de bij deze Verordening afgeschafte Verordening van 28 Juni 1860, behandelde de 5e Atdeeling hetzelfde onderwerp en in art. 41 de traliën bij den waterloop over of door een naburig erf. Al deze artikelen waren volgens art. 52 van strafbedreiging voorzien, welke in art. 53 der nieuwe Verordening is vervallen.

46. Gemeente Schiedam.

Verordening op het bouwen en de verplichtingen van eigen a at s van naburige erven, enz., van 29 Juh 1881.

üe Derde Afdeeling handelt in artt. 33quot;_37 ÜVer de Verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

Art. 33 is toepassing van art. (gt;90, artt. 35 en 37 van art. 703. Art. 34 behandelt de afsluitingen van erven aan den openbaren weg liggende en art. 36 de traliën bij den waterloop over eens anders erf of huis.

Art. 4Q voorziet ze allen van Strafbepaling.

47. Gemeente Sliedrecht.

Alg. Pol, Verord, van 4 December 1885.

Art. 135 in Hoofdstuk XIII »Van het voorkomen van brandquot;, bevat een reeds vroeger medegedeeld voorschrift omtrent binten in een gemeenen muur uitkomende tegen een haardstede of schoorsteen.

Hoofdstuk XXI1 (art. 256—261) is gewijd aan de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Art. 256 ziet op art. 677 en 701 B. W.

» 257 op art. 690 B. W.

» 258 en 259 op art. 703 B. W.

» 260 op art. 733 B. W.

Art. 261 bepaalt: »De in art. 256 tot en met 2Ó0 voorkomende bepalingen gelden alleen voorzoover bij den titel geen andere bepalingen zijn gemaakt. \'

48. Gemeente Sommelsdijk.

Alg. Fol. Verord. van 28 December 1882.

Hoofdstuk 5 handelt in art. 29—32 van de »Verplichtingen

178

-ocr page 335-

GEMEENTK SCHIEDAM.

tusschen naburen en regeling van lietgeen volgens het li. W. aan |)laatselijU gebruik wordt overgelaten.quot;

Art. 29 is toepassing van art. 690, art, en 31 van art. 703, art, 32 van art. 733 B. W,

In de oude Politieverordening van 14 Juli 1882 komen art, 39 42 in strekking overeen met de nieuwe bepalingen behoudens dat de afstanden soms veranderd werden. Zoo bepaalde art. 40 den afstand van den gemeenen muur »voor een secreet één meter, vooi een put of riool één decimeterquot;, terwijl art. 30 den afstand voor alle drie op 50 centimeter stelt.

Art. 43 luidde:

»Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waaronder ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zoude kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en in het andere pand kan plaats hebben, zal de eigenaar van het lijdende erf kunnen vorderen, dat de ramen worden afgesloten met matglas, zoo het eene erfdienstbaarheid van licht betreft, en met traliën in de kozijnen bevestigd, van ten minste één decimeter tusschen-ruimte, zoo het een erfdienstbaarheid van uitzicht betreft.quot;

Art. 44. »Bij het bestaan van eene gemeenschappelijke poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop rechthebbenden vorderen, dat de poort of uitgang tusschen zonsonder- en opgang gesloten blijve en niet gebruikt worde anders dan met gemeene toestemming van de rechthebbenden.

Voor het ledigen van privaten en het uitdragen van beer zal de toestemming van de mederechtverkrijgenden niet noodig zijn.quot;

Art 45. »A1 de in art. 42, 43 en 44 voorkomende bepalingen gelden alleen voorzooveel bij den titel van aankomst geene andere bepalingen zijn gemaakt.quot;

Art. 46 handelde over den tijd van hak van kaphout.

Art. 47 over den termijn van opzegging bij huur.

Art, 48 over de geringe en dagelijksche reparatiën.

Art 49 over den huurtijd van gestoffeerde kamers.

Art. 50 over den verhuisdag bij huur van huizen.

Art. 51 over de opvolging van huur van huizen.

Alles volgens plaatselijk gebruik.

-ocr page 336-

l8o gemeente sïau aan \'t haringvliet, enz.

49. Gemeente Stad aan \'t Haringvliet.

Alg. Pol. Verord, van 28 Juni 1883.

Hoofdstuk IV

handelt in artt. 40—52 »Van de Verplichtingen tusschen naburen en regeling van hetgeen volgens B. W. aan plaatselijk gebruik wordt overgelaten.quot;

Art. 40 is toepassing van art. 690.

Art, 41 en 42 van art. 703.

Ait. 43 van art. 733.

Art. 44. Erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, toepassing van art. 727 en 738 B. W.

Art. 45. Omtrent de gemeene poort.

Art. 46 bepaalt, dat zulks alleen geldt bij ontstentenis van bepalingen in den titel.

Art. 47 den tijd van hak van kaphout.

Art. 48. Termijn van opzegging bij huur van huizen of gedeelten daarvan.

Art. 49. Omschrijving van geringe en dagelijksche reparatiën.

Art. 50. Stilzwijgende termijn van huur van gestoffeerde kamers.

Art. 51. Opvolging van huur van huizen.

Art. 52 al. 1. Gewone huurtijd van dienstboden, al. 2 van knechts van landbouwers en vrouwelijke werkboden.

Deze Verordening is vrije navolging der Brielsche van 1853 — de 2e alinea van art. 52 ontbreekt aldaar.

De vroegere van Sommelsdijk was nog vrijer navolging. Daar ontbrak de geheele bepaling van art. 52; het voorschrift omtrent voorziening met matglas aldaar is karakteristiek.

Strafbepaling ontbreekt.

50. Gemeente Stellendam.

Artl. 21 — 24 Alg. Pol. Verord. van 17 Februari 1888.

Art. 21 past art. Ó90, art. 22 en 23 het art. 703 en art. 24 art. 733 B. W. toe.

In de vorige Pol. Verord. van 1856 was het 5e gelijk thans het 4e Hoofdstuk aan de Verplichtingen tusschen naburen gewijd.

-ocr page 337-

gkmeente streefkerk, enz.

Art. 32 bepaalde daarbij, dat de kosten van vernieuwen, herstellen en schoonhouden van gemeene riolen, waarvan art. 704 B. W. gewaagt, moeten worden gedragen in verhouding van het aandeel, waarvoor ieders erf, dat in deze riolen en goten uitloozing heeft, kadastraal is aangeslagen. Art. 33 past dezelfde maatstaf toe op onderhoud en herstel van kaden en de bestrating van erven, welke in de gemelde poorten, gangen of stegen een uitgang hebben.

In de twee volgende artikelen werd aan art. 690 en 703 B. \\V. uitvoering gegeven.

51. Gemeente Streefkerk.

Arlt. 72, 132, 133 en 134 Alg. Pol. Verord. van Januari itamp;Q.

Artt. 72 en 133 hebben betrekking op art. 703, art. 132 op art. 690 en art. 134 op art. 733 B. W.

52. Gemeente Strijen.

Art. 50 Alg. Pol. Verord. van 7 Januari 1888.

Art. 50 is toepassing van art. 703 B. W.

53. Gemeente Tonge (Nieuwe).

Alg. Pol. Verord. van 29 Juli 1858.

Art. 128. »Ten aanzien van de hoogte en wijze der afsluiting, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waaromtrent art, 690 van het Burgerlijk Wetboek naar het plaatselijk gebruik en verordeningen aanwijst, wordt verklaard:

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van minstens Meter boven de oppervlakte van het

hoogste erf,

2n. dat bij vernieuwing of herstelling daarvan, de belanghebbenden onderling moeten bepalen, hoe en op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt en bij verschil daaromtrent, het oordeel van Burgemeester en Wethouders inroepen;

3°. dat alle erven van de publieke straten moeten worden afgesloten door middel van behoorlijke heiningen of muren, ter hoogte van minstens 2 Meters uit de straat.quot;

Art. 129. »Voor alle putten, riolen, secreten, mestbakken.

181

-ocr page 338-

GEMEENTE TONGE (N[EUWE).

lt;3vens, fournuizen, zoutbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen, die in de nabijheid van gemeene of niet-gemeene muren gemaakt zullen worden, en waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel voor belendende gebouwen of eigendommen zouden kunnen ontstaan, wordt, ingevolge art. 703 van het Burgerlijk Wetboek, de afstand bepaald op 3 decimeters, gemeten uit den buitenkant der voorschrevene muren.quot;

Art. 130. »Geenc vensters of deuren zullen verder mogen openslaan dan het erf van den eigenaar van het huis, waartoe zij behooren; zij zullen ook niet tot hinder of nadeel van den naasten gebuur half open gelaten worden.quot;

Art. 131. ,gt;Voorzooverre de titel der erfdienstbaarheid daarin niet voorziet, wordt bij eene erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg derzelver breedte bepaald als volgt: van een voetpad op 1 Meter; van eene dreef op 2 Meter en van een weg op 5 Meter.

De voetpaden, dreven en wegen vanwege de gemeente op gemeentegrond aan te leggen, zijn aan bovenstaande bepalingen niet onderworpen.quot;

Art. 133. «Bij het bestaan van eene gemeene poort of uitgang, welke niet tevens is de hoofdingang van de daarin uitkomende panden, kan ieder der daarop rechthebbenden vorderen, dat die poort of uitgang tusschen zonsonder- en opgang gesloten blijve en niet gebruikt worde, anders dan met gemeene toestemming van de rechthebbenden.

Voor het ledigen van privaten en het uitdoen van beer, zal de toestemming van den rechthebbende niet noodig zijn.quot;

iVrt, 134. »De tijd van hak van wilgen en ander hakhout is volgens plaatselijk gebruik niet jonger dan vier en niet ouder dan zesjarig rijs zijnde.quot;

Art. 135. »Van huren en verhuren van huizen of gedeelten van dien, en tuinen in deze gemeente voor éen jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzeggen, volgens plaatselijk gebruik, drie maanden vóór het eindigen der huur.

Van huur voor korteren tijd dan één jaar, tot op die voor den tijd van ééne week. is de termijn van eene maand voor het eindigen der huur, en van de huur bij de week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huur.quot;

Art 136. «Volgens plaatselijk gebruik, is behalve de bij de wet bepaalde geringe en dagelijksche reparation, die voor rekening van den huurder van een huis of gedeelte van dien,

-ocr page 339-

gemeente tonge (oude), 183

komen ook nog te diens laste het schoonmaken en het witten van binnenmuren, de reparatie en het bruikbaar houden van putakers en daaraan behoorende touwen en kettingen, ladders en het onderhout van puthaken.quot;

Art. 137. »De tijd van huur van huizen en daarbij behoorende erven of tuinen, wanneer geene bepalingen van tijd, van huur of van eene zekere sorame bij het jaar, bij de maand of bij den dag zijn gemaakt, duurt tot den eerst-komenden gewonen verhuurtijd op den tsten Mei of den rsten November,quot;

Art. 138. »Het plaatselijk gebruik bepaalt ten opzichte van opvolging van huur van huizen, dat de huurder, wiens huur eindigt, het huis nog gedurende drie dagen kan blijven bewonen, doch dat hij verplicht is inmiddels de meubels en het huisraad te ontruimen en te gedoogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting daarvan afsta, zoodat de vorige huurder op den derden dag over niet meer dan één vertrek, te zijner keuze, kan beschikken.quot;

Art. 139. »De gewone huurtijd van dienstboden is voor een termijn van een half jaar, integaan met den 6en der maanden Mei, October en November, en voor hen die de dienst verlaten, te eindigen op den 3en dier maanden.

De gewone huurtijd van landbouwersknechts vangt aan, wanneer de termijn voor een jaar is aangegaan op den len Maart, en eindigt op den len Maart van het daaropvolgend jaar, en voor een termijn van negen maanden vangt dezelve aan den len Maart en eindigt met den 25011 November in dat jaar.quot;

54. Gemeente Tonge (Oude).

Alg. Pol. Ver or d. van 6 Maart 1883.

Hoofdstuk V aldaar behandelt in art. 37—48 de «Verplichtingen tusschen naburen en regeling van hetgeen volgens het B. VV. aan plaatselijk gebruik is overgelaten.quot;

Behalve eene kleine uitlating in art. 45, vinden wij op een enkel woord na de geheele Verordening van Sommelsdijk terug.

-ocr page 340-

gemeente valkenburg, enz.

55. Gemeente Valkenburg.

Art. 2 nl. 2 Verordening van 17 Maart 1862,

op het bewaren of vervoeren van afval van visch, grom,

visch tot bemesting gebezigd, secreet- of andere reuk-afgevende mestspeciën.

Art. 2, 2e al. »Deze kuilen of putten zullen, met goedkeuring van Burgemeester en Wethouders, zoo ver mogelijk van de woningen verwijderd en bepaaldelijk 20 meter van de wegen moeten aangelegd worden, en wel zoodanig, dat daardoor geen hinder of ongemak aan belendende eigendommen, vooral niet aan bron- of waterputten kan worden veroorzaakt, onverminderd het bepaalde bij het Reglement op de wegen en voetpaden in de provincie Zuid-Holland.quot;

56. Gemeente Vianen.

Alg. Pol. Verord. van 8 Februari 1887.

Art. 62 past toe art. 703 en art. 64 art. 6c)0 B. W.

57. Gemeente Vlaardingen.

Verordening o[) het bouwen en op de verplichtingen tmschen naburen, van 26 Maart 1886.

Eene afzonderlijke afdeeling omtrent het laatste onderwerp vindt men niet.

Art. 20 past art. 690 en art. 21 art. 703 B. W. toe.

58. Gemeente Vlist.

Art 47 der Alg. Pol. Verord. van 2 September 1879, voorkomende in Afd. VII, van het voorkomen van brand, is geheel gelijk art. 9 Verordening Giessendam.

59. Gemeente Waddinxveen.

Alg. Pol. Verord. van 27 Juni 1873, gewijzigd den 11 October en 18 November 1878.

Art. 8. «Voor de toepassing van art. 690 B. W., wordt de hoogte der afsluitingen, tot afscheiding dienende, be-

-ocr page 341-

gemeente woerden, enz. 185

paald op minstens 2 meters boven de oppervlakte van het hoogste erf.

Rij daarstelling, vernieuwing of herstelling moeten (Ie belanghebbenden onderling bepalen op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt.

Boete f 1.— tot y 5.—.quot;

Art. 9. »Wie in de nabijheid van den genieenen of niet gemeenen muur van een naburig perceel of erf een put, riool of secreet, of andere inrichting in art. 703 van het Burgerlijk Wetboek genoemd, wil maken, is verplicht eene tusschenruimte te laten van 0.60 meter.

Boete /5.— tot /\'15.--.quot;

60. Gemeente Woerden.

De derde Afdeeling der Alg. Pol. Verord. van ig October 18,54 heeft onder den Titel van Bijzondere Bepalingen; in art. tió eene toepassing van art. 690,

in art. 117 van art. 703,

in art. 118 van art. 733,

in art. 119 van art. 813 B. W.,

verklaart in art. 120 wat het plaatselijk gebruik is voor de opzegging van huur en verhuur van onroerende goederen, bedoeld bij artt. 1(107, 1614, 1616 en 1623 B. W.,

en wanneer de opzegging van pachthoeven en landerijen, alsmede van landerijen afzonderlijk zal moeten geschieden, behoudens de uitzonderingen van art. 1614 en 1616,

dan in art. 121 het plaatselijk gebruik bij reparatiën (art. 1619),

in art. 122 het plaatselijk gebruik, bedoeld in art. 1621, 1622 en 1623,

en in art. 123 de opvolging in huur (art. 1635 B. W,)|

61. Gemeente Wijngaarden.

Art. 67—6q Alg. Pol. Verord. van 17 April 1870.

Gelijk aan art. 132—134 der gemeente Streefkerk, behalve dat het Nquot;. 1 van art. 67 aldus luidt:

»Die afsluitingen te vervaardigen van planken, steenen of doelmatig rasterwerk, de latten of openingen niet verder dan

-ocr page 342-

gemeente zohterwoude, enz.

een decimeter van elkander, in alles ter hoogte van 1.60 meter;quot; in art. (18 wordt omtrent bakovens niets bepaald.

02. Gemeente Zoeterwoude.

Art. 15 al. 1 en 2 der Alg. Pol. Verord. Tan 25 Januari 1887, gewijzigd 12 Juli 1888, is eene toepassing van art. 70,^ B. VV.

03 Gemeente Zwammerdam.

Art. 75—77 der Alg. Pol. Verord. van 7 Februari 1877 vormen het Hoofdstuk IX. »Van de verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.quot; Zij zijn eene wijziging van art. 76—78 van het Reglement van Boskoop.

Provincie Zeeland.

t. Gemeente Sint Annalan».

Alg. Pol. Verord. van 26 Mei 1856.

Hoofdstuk XHI.

Van verplichtingen tusschen naburen.

Art. 155. Algemecne verwijzing naar Titel ,5 van Boek II B.W. Art. 156. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 157. Toepassing van art. 703 B. W.

Geen Strafbepaling.

Deze artikelen komen overeen met de na te meiden bepalingen 118 — 120 Sint Maartensdijk, behalve in. dat art. 156—1°. het laatste deel, d. i. wat volgt op de woorden »hct hoogste erfquot; wordt gemist — en dat in N0. 3 de hoogte is 2 el, terwijl insgelijks het laatste deel daarvan hier ontbreekt.quot;

2. Gemeente Arnkmuiden.

Alg. Pol. Verord. van 9 April 1873, gen). 1874, 1878 tn 1880.

Art. 8. Toepassing van art. 703 B. W.. gelijk art. 5 Baarland. (Boete / 5. -).

-ocr page 343-

gemeente axel, enz,

3. Gemeente Axel.

Alg. Pol. Verord. van 4 November 1887.

Art. (o. gt;Het is verboden zonder vergunning van den belendenden eigenaar, op minder afstand dan van een halven Meter van den scheidingsmuur, een put, riool, secreet of mestbak daartestellen of daartegen een magazijn of pakhuis van zout of eenige andere bij art. 2, Wet 2 Juni 1875(8.95), niet genoemd, schadelijke of gevaarlijke inrichting aan te leggen.quot;

Art. ii al. 1 art, 1 al. i Biervliet, art. 16 art. 15 Baarland.

Allen toepassing van art. 703 B. VV.

Strafbaar volgens art. 84 met boete van hoogstens /10.—,

4. Gemeente Baarland,

a. Brand- Verordening van 9 April 1853, gnv. 30 April 1853. ie Hoofdstuk.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 5. »In eenen gemoenen muur mogen de bindten, komende tegen eene haardstee of schoorsteen van den buurman, niet dieper worden ingelegd dan op de helft of in het hart van den muur, zullende degeen, die tegen eenen ge-meenen muur een haardstede of schoorsteen zal maken, gehouden zijn te zorgen, dat de bindten van des buurmans huis ten minste cloor een halve steen metselwerk van de te stellen schoorsteen worden gescheiden.quot;

Geldboete van f 1.— tot / 25,— of gevangenisstraf van 1 tot 3 dagen.

b. Bouw-Verordening van 7 Maart 1857.

Art, 8, »Muren en heiningen tot afsluiting van huizen, opene plaatsen en tuinen daartestellen, moeten eene hoogte hebben van 1 \'/.j el boven de oppervlakte van het hoogste erf,quot;

Boete f 3,— tot / 10.—.

Art. 9. »Hij, die in de nabijheid van gemeend of niet-gemeene muren een put, riool of secreet laat graven, eene stookplaats, oven of fornuis wil metselen, een stal of mestbak wil bouwen, een magazijn of pakhuis van zout of eene ver-

-ocr page 344-

188 gemeente fïiervl1 et, en7,.

zamelplaats van bijtende stolTen wil aanleggen, is verplicht eene tusschenruimte te laten of te maken van minstens drie palmen, gemeten uit den binnenkant der voorschreven muren.quot; Boete ƒ 3.— tot / 10.—.

5. Gemeente Biervliet.

Rrand- Verordening -gt;an 18 Sept. 1883, gew. 21 Oct. 1884.

Art. 1, al. 1. Toepassing van art. 600 B. W.

»De gevels en wanden van woonhuizen, schuren, stallen en dergelijke, tot de zamengetrokken gebouwen of de kom der gemeente behoorende en van andere gebouwen op minder dan 10 Meter afstand gescheiden, voorzoover zij aan de straten of wegen uitkomen, mitsgaders de scheidingen tus-schen voormelde gebouwen moeten worden gemaakt van steen en van zoodanige metselspecie, als naar den aard der gebouwen voor de veiligheid van personen en eigendommen ter beslissing van B. en W. noodzakelijk wordt geoordeeld. Boete f 7.—.quot;

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W. = art. 5 Baarland. Boete / 6.—.

6. Gemeente Borssele.

Alg. Pol. Verord. Tan 20 Dcc. 1856, gew. 13 Maart 1872 en 24 Dec. 1875.

Afdeeling 3, van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. 26 en 27. Gelijkluidend met de artt. 8 en q der Bouw-Verordening van Baarland.

Boete f 3.— tot ƒ 10.—.

7. Gemeente Breskens.

a. Brand-Verordening van 31 Juli 1877.

Art. 1 al. 1 (= art. 1 al. 1 Biervliet) en art. 6 ( art. 5 Baarland). Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 1 boete f 7.—, art. b boete /quot; 6. -.

-ocr page 345-

gemeente brouwershaven, enz. l8()

b. Alg. Pol. Verord. van Februari!April 1877.

Art. 22. Toepassing van art. 703 B. W. komt overeen met art. 15 Philippine, behalve dat de afstand in het eerste lid één Meter is.

Boete f 3.— tot f 2,5.— of gevangenisstraf van 1—3 dagen.

8. Gemeente Brouwershaven.

Brand- Verordening van 28 November 1853.

Hoofstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 6. Gelijkluidend met art. 5 Brandwezen Baarland.

Boete f 6.—.

9. Gemeente Bruinisse.

Alg. Pol. Verord. van 4 December 1882/22 Mei 1883.

Art. 7. Toepassing van art. 703 B. W. (Gelijk art. 5 Baarland). Boete/quot; 6.—.

10. Gemeente Cadzand.

a. Alg. Pol. Verord. van 30 April/19 Mei 1859. ie Hoofdstuk.

Van het slechten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen en afsluitingen.

Art. 3. »Het is verboden zonder vergunning van den aan-grenzenden eigenaar, een varkenshok of secreet te plaatsen, binnen een Nederl. el afstands van de scheiding tusschen de aanpalende eigendommen, behoudens nog de toestemming van B. en W. bij art. 39 gevorderd.quot;

Art. 4. »Het is verboden, zonder vergunning van den eigenaar van een aangrenzend gebouw, binnen één Nederl. el afstands van dat gebouw, dieper dan 5 Nederl. palmen uit- of om te graven.quot;

Art. 13. »Ue afsluitingen, bedoeld bij art. Ö90 B. W., moeten zijn blinde houten schuttingen ter hoogte van 2 ellen of muren van ten minste 25 duimen dik en twee ellen hoog,

-ocr page 346-

iqo gemeente cortgene, enz.

voor/.ooveel de huizen en opene plaatsen betreft, en eene behoorlijke doorn- of andere haag of heining van een el boven den beganen grond, voorzoover de tuinen betreft.quot;

6e Hoofdstuk.

Van bijzondere eigendommen.

Art. 71. «Mestvaalten, secreten of verzamelplaatsen van andere onreinheden, moeten zoodanig ingericht zijn, dat die onreinheden of het daarvan afloopende water op de erven der aanbelendende eigenaren niet kan wegloopen, ten ware deze daartoe schriftelijk vergunning hebben verleend.quot;

Boete van artt. 3, 4, 13, 71 /3.—.

Het in art. 3 aangehaalde art, 39 luidt : »Het is verboden om langs de openbare straten ol den achterweg, secreten, varkens en hoenderhokken te stellen, noch vuilnishoopen aan te leggen, dan op zoodanige plaatsen, die daartoe door B. en W. zijn goedgekeurd.quot;

b. Brand-Verordening van 29 Ahi 1S57, ge-iv. 22 Maar! 1875,

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. (). Geluikluidend met art. 5 Brand wezen Baarland. Boete /\' ().—.

11. Gemeente Cortgene.

lirand-Verordening van 28 Augus/us 1882.

Art. 1 al. 1 ( art. 1 al. 1 Biervliet) en art. 6 ( art. 5 Baarland).

Boete art. 1 / 3.- tot / 7.— , art. 6 /6.— tot / 10.—.

12. Gemeente Dreischor.

a. A/g. Po/. Verord. 7lt;an 2q Augustus 1856,14 November 1877.

Hoofdstuk 5.

Over de Politie op de straat en de voertuigen.

Art. 56 oud, thans 52. »Dc hokken of stallen der varkens zullen zoodanig moeten verzekerd en ingericht zijn, dat daardoor geen hinder aan do buren wordt toegebracht, in welk

-ocr page 347-

GEMEENTE DREISCHOR. igi

geval die dadelijk zullen worden opgeruimd, onverminderd de beloopcn straf en schadevergoeding, /,00 daartoe, ingevolge de wet. termen zijn.quot;

H oofdstuk 13.

Van verplichtingen tusschen naburen.

Art. 136. Ten aanzien van de wederzijdsche rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven, betreffende licht, waterloozingen. gemeenschap, enz., wordt bij dezen voorzooveel desnoods, verwezen naar het B. W., 2e Boek, 3e Titel.quot; (Dit art. is bij de wijziging ingetrokken).

Art. 137 oud, thans 113. »Ten aanzien van de hoogte en wijze van afsluiting, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waaromtrent art. 6qo B. W. naar het plaatselijk gebruik en verordening verwijst, wordt verklaard :

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van 2 M. 2 dM. boven oppervlakte van het hoogste erf;

2° dat, bij vernieuwing of herstelling daarvan, de belanghebbenden onderling moeten bepalen, hoe en op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt, en bij verschil daaromtrent, het oordeel van B. en W. inroepen;

30. dat alle erven van de publieke straten moeten afgesloten worden door middel van behoorlijke heiningen of muren, ter hoogte van 2 M. 2 dM. uit de straat,quot;

Art. 138 oud, thans 114. »Voor alle putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fornuizen, aschbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen, die in de nabijheid van gemeen hebbende muren of heiningen gemaakt zullen worden, en waaruit bederf, vocht, ongemak of nadeel voor de belendende gebouwen of eigendommen zouden kunnen ontstaan, wordt, ingevolge art. 703 B. W. de afstand bepaald op 1 M., gemeten uit den buitenkant der voorschreven muren of heiningen.quot;

Boete art. 52 / 2,—.

b. Brand- Verordening van i! Noij. 1853, gew. 19 Oct. 1877.

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 6. Gelijkluidend met art. 5 Brandwezen Baarland.

Boete /\' 6.- .

-ocr page 348-

gemeente driewegen, enz.

13. Gemeente Driewegen.

Alg. Pol. Verord. van 12 Juni 1858, gew. 1872, 1873, l^77-

A i deel in g 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. 2() en 27. Gelijkluidend met artt. 8 en 9 Bouwverordening Baarland.

Boete van /quot; 3.— tot f 10.—.

14. Gemeente Eeue.

a. Alg. Pol. Verord. van 19 November 1858, gew. 11 Dec. 1858.

1 e A f d e e 1 i n g.

Van de gebouwen in het algemeen.

Art. 1, geivyzigd. »Geene gebouwen, enz. —, ook zullen geene stallen of andere gebouwen, onmiddellijk aan woonhuizen gehecht, met riet of stroo mogen worden overdekt, terwijl ook geeno varkenshokken of varkensloopen zullen mogen worden geplaatst op minder dan een el afstands van de scheiding tusschen de aanpalende eigendommen of gebouwen van anderen.quot;

Voorzoover niet is voorzien bij wet, enz. boete / 1.— tot/3.--.

2e Ai\'deeling.

Van de straten, wegen, voetpaden en andere openbare plaatsen en waterputten, watergangen of waterleidingen.

Art. 22. »Binnen een el afstand van eens anders gebouw zal de grond niet dieper dan vijf palmen worden omgegraven, zonder toestemming van den eigenaar van dat gebouw.quot;

Boete als boven.

b. Brand- Verordening, vastgesteld 11 November 1853.

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art. 2. »De schoorsteenen der woonhuizen, of andere tot stookplaats gebruikt wordende gebouwen, zullen van steen en kalk behoorlijk moeten worden gemetseld, en ten minste een el boven het dak des gebouws moeten opgetrokken

ig2

-ocr page 349-

gemeente ellewoutsdijk, i0nz.

worden, terwijl geen houtwerk, van welken vorm of naam ook, in dezelve mag worden gemetseld of vastgemaakt; terwijl de verbinding met andere gebouwen, indien die in eenen schoorsteen of stookplaats valt, op niet minder dan door een halven steen van dezelve gescheiden, zal mogen daargesteld worden.quot;

Boete f \\.— tov, _/\' 7.—.

15. Gemeentk Ellewoutsdijk.

Alg. Pol. VeronL, vastgesteld 17 Juni 1858.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Art. 2b. »Muren en heiningen, tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen daartestellen, moeten eene hoogte hebben van één en eene halve el, boven de oppervlakte van het hoogste erf.quot;

Boete / 3.— tot ƒ 10.—.

Art. 27. »Hij, die in de nabijheid van gcmeene of niet gemeene muren een put, riool of secreet laat graven, eene stookplaats, oven of fournuis wil metselen, een stal of mest-bak wil bouwen, een magazijn of pakhuis van zout, of eene verzamelplaats van bijtende stofïen wil aanleggen, is verpligt eene tusschenruimte te laten of te maken van minstens drie palmen, gemeten uit den buitenkant der voorschreven muren. Art. 703 Burg. Wetb.quot;

Boete ƒ 3.— tot ƒ 10.- .

16. Gemeente Goes.

Bouw- Verordening 7Jan 19 Sept.j^ Oct. 18S1).

Art. 22. »Het is verboden schoorsteenen te bouwen tegen den scheidsmuur van een aangrenzend gebouw, indien die scheidsmuur eene mindere dikte heeft dan 16 centimeter, tenzij tegen dien scheidsmuur over de geheele breedte en hoogte van het te bouwen werk een muur wordt aangezet, ter dikte van het ontbrekende.quot; Boete J\' 1.— tot f 10.—.

Art. 23. »Hct is verboden in een scheidsmuur tegen een bakoven, schoorsteen of stookplaats van een aangrenzend

-ocr page 350-

gemeente gr a a uw.

gebouw houten bindten of balken te stellen, tenzij tusschen het eindlt;- van het houtwerk en den bakoven, schoorsteen of de stookplaats een muurwerk overblijve van minstens 11 c.M.quot; Boete /quot; l. - tot ƒ 10.—.

Art. 2ö. »Voor de toepassing van art. óqo B. W. wordt de hoogte der afsluitingen of afscheidingen, daar bedoeld, bepaald op minstens i .80 centimeter boven de oppervlakte van het hoogste erf.\'quot; (Geen boete.)

Art. 27. »Het is verboden in de nabijheid van den ge-meenen of niet-gemeenen muur van een naburig perceel of erf een put, riool of andere inrichting, in art. 703 B. VV. vermeld te hebben, dan op een afstand van 70 centimeter, en bij bakovens of smidsen van 22 centimeter.quot; (Art. 27, lid 2, j 1. tot ƒ 5.— boete. )

Art 28. »Wie het recht van waterloop of -drop over en door een naburig erf of huis bezit (artt. 729 en 738 B. W.), moet, tenzij bij zijnen titel anders is bepaald, in de opening van den muur, door welken het water loopt, ijzeren tralies doen stellen en behoorlijk onderhouden, die niet wijder uit elkander staan dan 1 centimeter en daarvóór aan de zijde vanwaar het water komt een waterdichte zinkput hebben van minstens 30 kubieke decimeter.quot; Geen boete.

Addenda tot de boven sub XXXI bl. 75 medegedeelde Verordening. Deze is gewijzigd, doch alleen ten aanzien van een hierboven niet medegedeeld artikel.

17. Gemeente Graauw.

Brand- Verordening, vastgesteld 3 September 1878.

Art. 7. »In eenen genieenen muur mogen de bindten, komende tegen een haardstede of schoorsteen van den buurman, niet dieper worden gelegd dan op de helft of in het hart van den muur, zullende degene, die tegen een gemeenen muur eene haardstede of schoorsteen zal maken, gehouden zijn te zorgen, dat de bindten van des buurmans huis, ten minste door een halfsteens metselwerk van de te stellen schoorsteen worden gescheiden.quot;

Boete f 4 — of twee dagen gevangenisstraf.

I()4

-ocr page 351-

105

iiS, Gemeente \'s Gravenpolder.

Alg. Pol. Verord. Tan 13 Sept.j 15 Nov. 1880.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Art. 22. Gelijk aan art. 20 van Ellewoutsdijk.

Boete /3. tot / 10.—.

Art. 23. Behoudens de bepalingen der Wet van 2 Juni 1875 (Stbl. Nu. 95) moet hij die, enz., evenals art. 27 van Ellewoutsdijk. Boete J 3.— tot f 10.

iq. Gemeente Gkoeue.

a. Alg, Pol. Verord., vastgesteld 20 Juni 1859.

3e Hoofdstuk.

Van het stichten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen en afsluitingen.

Art. 35. »Het is verboden, zonder vergunning van den aangrenzenden eigenaar, een varkenshok of secreet te plaatsen binnen eene El afstands van de scheiding tusschen de aanpalende eigendommen.quot; Boete /quot; 4.—.

Art. 3(3. «Binnen eene El afstand van eens anders gebouw zal de grond niet dieper dan vijf palmen worden uit- of omgegraven, dan met toestemming van den eigenaar van dat gebouw,quot; Boete J 3.—.

Art 46. »Dc afsluitingen, bedoeld bij art. O90 B. W., moeten zijn. blinde houten schuttingen ter hoogte van 2 El of muren van 1V-2 steen dik en 2 el hoog.quot; Boete /3.— .

0e Hoofdstuk.

Van liet vee en de bijzondere eigendommen.

Art. 80. «Mestvaalten, secreten of verzamelplaatsen van andere onreinheden, moeten zoodanig zijn ingericht, dat die onreinheden of het daarvan afloopende water op de erven der aanbelendende eigenaren niet kan wegloopen, ten ware deze daartoe schriftelijk vergunning heeft verleend.quot;

Boete /\' 3. .

lgt; Brand- Verordening van 19 December 1855.

Hoofdstuk I.

Bepalingen tot voorkoming van Brand.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandwezen Graauw. Boete /6.—.

-ocr page 352-

gemeente \'sheer abtskerke, enz.

20. Gemeente \'sHeer Abtskerke.

Verordening op de Mestvaalten van ig Februari 1883.

Art. 1. Toepassing van art. 703 B. W.

»Het is verboden zonder toestemming van B. en W. en inachtneming der door hun Collegie te geven voorschriften, mestvaalten, modder- en niet behoorlijk afgesloten secreet-putten aan te leggen of te hebben, binnen den afstand van 10 Meters van de gebouwen, straten, pleinen, wegen, voetpaden en scheidingen der gronderven.

Deze bepaling is niet van toepassing op de mestvaalten eener hofstede of boerderij, mits zij op minstens 2 Meter afstand van de gebouwen, niet tot deze hofstede of boerderij behoorende en van de straten, pleinen, wegen, voetpaden en scheidingen der gronderven zijn geplaatst.quot;

21. Gemeente \'sHeer Arendskerke.

Alg. Pol. Verord. van 22 Maart 1862.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. 2() en 27. Gelijk aan artt. 2ö en 27 Pot. Verord. Ellewoutsdijk. Boete eveneens J 3.— tot /\' 10.—.

22. Gemeente \'s Heerenhoek.

Alg. Pol. Verord. vaii 2 Deo. 1876, gewijzigd Maait 1S77.

Art. 26. Toepassing van art. 6go B. W.

Art. 27. » » » 703 »

Geheel overeenkomstig artt. 26 en 27 Ellewoutsdijk, met gelijke strafbedreiging.

23. Gemeente Heinkenszand.

Alg. Pol. Verord. van 17 Dec. 1856.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen. Artt. 2() en 27. Evenals\'s Heer Arendskerke. Boete eveneens.

-ocr page 353-

gemeente hoeiïekenskerke, enz.

24. Gemeente Hoedekenskerke.

Bouw- Verordening van 27 April 1883.

Art. 10. Toepassing van art. hgo R. W., gelijk art. 2(1 Eilewoutsdijk.

Art. 11. Toepassing van art. 703 B. W., gelijk art. 27 aldaar.

Zonder strafbedreiging

25. Gemeente Hoek.

A/g. Pol. Verord. van MaartjApril 1879.

Art. 13. Toepassing van art. 703 B. W.

»Alle ovens en fornuizen, die tot eenige nering of bedrijf gebruikt worden, moeten, voorzooverre de voorwaarden der oprichting niet bij andere wettige verordeningen zijn bepaald, gesteld worden op een afstand van minstens 1 \'/2 decimeter van den gemeenen muur. Hun achterwand moet hebben de dikte van 1 decimeter en 12 millimeter tot de hoogte van de muurplaat: de pijpen boven de inuurplaat uitkomende kunnen verminderen tot op de dikte van 8 centimeters.quot;

Boete ƒ 10.— tot ƒ 25. .

26. Gemeente Hoofdplaat.

a. Alg. Pol. Verord. 7gt;an 19 December 1856. 3e Hoofdstuk.

Van het stichten, uitbreiden herstellen en sloopen van gebouwen.

Art. 16. »Geene varkenshokken zullen worden geplaatst op minder dan een meter afstands van de scheidingen tusschen aanpalende eigendommen van anderen, zonder vergunning van den aangrenzenden eigenaar.quot; Boete /4.—.

Art. 17. «Binnen een meter afstand van eens anders gebouw zal de grond niet dieper dan vijf decimeter worden omgegraven, zonder toestemming van den eigenaar van dat gebouw.quot; Boete ƒ 3.—.

b. Brandverordening van 14 December 1855, Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art, 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete _/6.—.

197

-ocr page 354-

1q8 ÜKMEENTK KAl\'ULLE, KisZ,

27. Gemeente Kapelle.

A/g. Pol. Verord. van December 1856.

Afdeel in g j.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Arlt. 26 en 27. Gelijk aan artt. 26 en 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete /3. tot J 10.- .

28. Gemeente Kattendijke.

Alg. Pol. Verord van 23 Januari 1857.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Art. 26. »Mureii en heiningen, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, moeten eeno hoogte hebben van twee el boven de oppervlakte van het hoogste erf.quot; Boete f y tot yquot; 10.—.

Art. 27. Gelijk aan art. 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete ƒ 3.— tot f \\o.~.

29. Gemeente Kerkwerve.

Alg. Pol, Verord. van 3 Dec. 1879. gewijzigd 27 Ocl. 1883.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W. ~ art. 5 Baarland. Boete / 6.—.

30. Gemeente Kloetinge.

Alg. Pol. Verord. van 17 Oct. 1881, gewijzigd 12 Dec. 1881. Hoofdstuk XV.

Van eenige bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Art. 134. gt;-Afsluitingen, dienende tot afscheiding van huizen, open plaatsen en tuinen, moeten eene hoogte hebben van 1 \'/2 meter boven de oppervlakte van het hoogste erf\'.

Nieuw aan te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs de openbare en bestrate gemeentewegen in de aaneengebouwde gedeelten der

-ocr page 355-

gemeente kkai3bend1jke, enz.

gemeente, of tusschen bijzondere eigendonimen, niet aan de openbare straal grenzende, alleen kunnen geschieden door steenen muren, hagen of houten heiningen. Art. Ogo B. W.1\'

Art. 13,5. »Hij, die in de nabijheid van een gemeenen of niet gemeenen muur een put, een riool of een secreet laat graven, een schoorsteen of een stookplaats, een oven of fornuis wil metselen, een stal of mestbak tegenaan wil bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van zout, of eene verzamelplaats van bijtende stoffen wil aanleggen, of daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, is verplicht, waar de inrichting er van niet bij eene wet, een maatregel van algemeen bestuur, eene provinciale of plaatselijke verordening is verboden, eene tusschenruimte te laten of te maken van minstens 30 centimeters, gemeten uit den buitenkant der voorschreven murenquot;

Art. 136, »Bij erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad 1 meter, van eene dreef j\'/a meter en van een weg 3 meter. Art. 733 B. W.quot;

Art, 140. »De bij deze verordening bedreigde boeten en straffen worden toegepast, voor zoover tegen de overtreding bij geene wet, algemeene wet, algemeenen maatregel van bestuur of provinciale verordening is voorzien.

Bepalingen waaromtrent door den hoogeren stralwetgever voorzieningen gemaakt zijn, worden slechts geacht aan deze laatste te herinneren.quot;\'

31. Gemeente Krabben dij ke.

A/ir. Pnl. Verord. van J-| Dec. 1856, gewijzigd 18(17. 18(18, 1872.

A f d e e I i n g 2.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. 26 en 27. Gelijk aan artt. 26 en 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete/3.— tot /10.—.

32. Gemeente Kruiningen.

Alg. Pol. Verord. van 3 Mei 1878, gewijzigd 22 Augnsius 1879

Hoofdstuk XVJfl.

Van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen overlaat.

-ocr page 356-

O KM KKNTK KRU1NINGEN.

Bepalingen tot voorziening.

Art. 201. «Niemand mac; in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan de gemeente of aan particulieren toebehoo-rende, of in eene gemeente-waterleiding of waterkeering eenige verandering aan den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte, tot een ander einde, dan waartoe zij volgens den daaraan gegeven loop bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van het gemeentebestuur, wanneer de genoemde wateren aan de gemeente toebehooren, en van de daarop rechthebbenden, wanneer zij particulier eigendom zijn. Art. 677 B. W.quot;

Art. 202. «Afsluitingen, dienende tot afsluiting van huizen, open plaatsen en tuinen, waartoe ieder eigenaar zijn medeeigenaar kan noodzaken, moeten, wanneer de te stellen afsluiting moet geschieden ter vervanging van reeds bestaande, en wanneer zulks door een der mede-eigenaren verlangd wordt, op dezelfde wijze gemaakt worden of gesteld worden, als die, welke reeds vroeger bestonden, en ten minste eene hoogte hebben van twee meter.

Nieuw t-an te leggen afsluitingen, niet ter vervanging van reeds bestaan hebbende, zullen langs de openbare en bestrate gemeentewegen in de aaneengebouwde gedeelten der gemeente, of tusscben bijzondere eigendommen, niet aan de openbare straat grenzende, alleen kunnen geschieden floor steenen muren, hagen of houten heiningen, en zulks, wanneer een der eigenaren het begeert, ter hoogte van twee meter. Art, 690 B. W.quot;

Art. 203. »Ten einde schade van naburige erven te voorkomen, is ieder eigenaar verplicht den navolgenden afstand van den gemeenen of van den niet-gemeenen muur van een naburig pand te bewaren:

a. Voor een bakoven, welput, riool of secreet, 75 een timeters;

b. Voor een stal of mestbak, daaronder begrepen varkenshokken en dergelijke, waar het daarstellen volgens deze verordening niet is verboden, 50 centimeter;

c. Voor het aanleggen van een magazijn of pakhuis van zout of een verzamelplaats van bloed, of voor het aanleggen van andere gevaarlijke of schadelijke werken, waaronder ook de zoodanigen, die uit hun aard schadelijke gedierten lokken.

200

-ocr page 357-

GKMEENTK KRUIN\'INGIÏN

zooals bergplaatsen van beenderen, lompen, enz., daar, waaide inrichting er van niet bij een wet, maatregel van algemeen bestuur, provinciale of plaatselijke verordening verboden is, behoudens de bepalingen omtrent de wijze van inrichting bij de wet, den maatregel van algemeen bestuur, de provinciale of plaatselijke verordening vastgesteld, 75 centimeter. Art. 703 B. W.quot;

Art, 204. »Niemand mag onmiddellijk tegen eenegemeene scheiding, muur of schutting, of tegen een muur of schutting van een ander gelijkvloers eene goot aanleggen. Tusschen dien muur of scheiding en de aan te leggen goot moet eene rollaag van een staanden steen van minstens 10 centimeters breedte gesteld worden, zoodanig, dat het water in de aan te leggen goot niet onmiddellijk langs den muur of de scheiding afloope of stilsta.

Ook zal de eigenaar van een naburig erf niets mogen verrichten of stellen, waardoor het water of de vuilnis van zijn erf tegen zoodanige scheiding aan of op den grond van den eigenaar van het naburige erf afloope.

Niemand mag tegen een gemeenen scheidingsmuur, haag of schutting, of tegen een muur, haag of schutting van een ander een maaskuil, mestvaalt of iets dergelijks aanleggen of hebben, zonder eene tusschenruimte te laten van minstens 50 centimeters, en, tenzij die tusschenruimte met aarde of andere vaste stof, ter hoogte van den beganen grond van het naburig erf is aangevuld, zoodanig, dat daaraan geen hinder of nadeel kan worden veroorzaakt. Art. 703 B. W.quot;

Art. 205. »Bij erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg is de breedte van een voetpad 1 meter, van een dreef 2 meter en van een weg 3 meter. Art. 733 B. W.

Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende pand vorderen, dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën, bevestigd in de kozijnen; de traliën zullen ten hoogste een decimeter tusschenruimte de eene van de andere mogen hebben

Bij erfdienstbaarheid van riool van een secreet, uitloopcnde in dat van een naburig pand, mag van het secreet in het

JOI

-ocr page 358-

gumekntu sint laurens, enz.

hecrsdiundc pand geen ander gebruik wurden gemaakt, dan waar loc liet uit den aard der zaak bestemd is, alleen zal de afvoerbuis, wanneer dit noodzakelijk is, mogen worden doorgespoeld. waarbij echter niet meer dan het noodige water mag worden gebruikt.quot;

Art. 206. »Dc in de artt, 203, 204 en 205 voorkomende bepalingen gelden alleen, voorzoover l)ij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.quot;

33. Gemeente Sint Laurens.

Hrand-Veroideuing van 31 Angnsius 1853, /yw. 1853, i87().

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 6. Gelijk art. 7 Brandwezen Graauw. Boete f b.

3-1. Gemeente Sint Maartensdijk.

a. A/if. Pol. Veroni. van 24 April 1857, gewijzigd 1870.

Hoofdstuk XIII.

Verplichtingen tusschen naburen,

Art. 1 18. »Ten aanzien van de vvederzijdsche rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven, betredende licht, waterloozingen, gemeenschap, enz., wordt bij deze, voorzooveel noodig, verwezen naar het Burg. Wetb. II boek 3 titel.quot;

Art. 119. »Ten aanzien van de hoogte en wijze der afsluiting, dienende tot scheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen waaromtrent art. 690 B. W. naar het plaatselijk gebruik en verordening verwijst, wordt verklaard:

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van 2 el boven de oppervlakte van het hoogste erf. tenzij door de geburen, tot beider genoegen, eene mindere hoogte voldoende wordt geacht;

20. dat bij vernieuwing of herstelling daarvan de belanghebbenden onderling moeten bepalen hoe en op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt en bij verschil daaromtrent het oordeel van Burg. en Weth. inroepen;

3quot;. dat alle erven tusschen de gebouwen, van de publieke

202

-ocr page 359-

gemeente middelburg, enz. jo,,

.straten moeten afgesloten worden door middel van behoorlijke steenen muren, ter hoogte van _gt; el uit de straat, zullende de thans bestaande en aan de straat uitkomende houten heiningen binnen jo jaren, na het in werking komen dezer verordening, door steenen muren moeten vervangen zijn.quot;

Art. i 20. aVoor alle putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fournuizen, aschbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen, die in de nabijheid van gemeen zijnde muren gemaakt zullen worden en waaruit bederf, vocht, ongemakken of nadeel voor de belendende gebouwen of eigendommen zouden kunnen ontstaan, wordt ingevolge art. 703 B. W,, de afstand bepaald op 3 palmen, gemeten uit den buitenkant der voorschreven muren.quot;

b. Brand- Verordening van 4 Maart 1856.

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art ü. Gelijk aan art. 7 Brandwezen Graauw. Boete / ö.—.

35. Gemeente Middelburg.

Alg. Pol. Verord. van 18 April 1883, gewijzigd 22 Aug. 188^.

Art. ly. Toepassing van art. 703 B. W.

Het eerste gedeelte is gelijk art. 13 van de Verord. van Hoek. Daarop volgt: »De wanden der schoorsteenen van de ovens en fornuizen, vuorzoover die schoorsteenen binnen het dak komen, moeten opgemetseld worden ter zwaarte van een halven mopsteen (Waalvorm), terwijl die boven het dak kunnen worden opgetrokken ter zwaarte van een halven steen (IJsselvorm).quot;

Boete / 1.— tot f 25.— of 1 tot 3 dagen gevangenisstraf.

30. Gemeente Ter Neuzen.

Alg. Pol. Verord. van 1878.

Den 3oen Januari 1885 is art. 45 daarvan tot eene toepassing van art. 703 B. W. ingericht. (Voorzieningen bij varkenshokken in den trant der Verordening Hasselt, bl. 138).

-ocr page 360-

204 gemeente kieuw- en sint joosland. enz.

37. Gemeente Nieuw- en Sint Joosland.

Brand-Verordening van 18 Juli 1887.

Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W. is gelijk art. 5 Oost- en West-Souburg.

Boete /quot; 3. - of 1 dag gevangenisstraf.

38. Gemeente Nieuwerkerk.

Atg. Pol. Verord. van 4 Sept. 1855, gewijzigd 2() Mei 1856 cn 23 April 1875.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W. art. 5 Baarland. Boete j 6.—.

Hoofdstuk XI1L Van verplichtingen tusschen naburen.

Art. J55. Verwijzing naar Titel 3 Boek 11 B. W. Art. 156. Toepassing van art. 690 B. W.

Art. 137. Toepassing van art. 703 B. W.

Artt. 156 en 157 zonder strafbedreiging.

Gelijk artt. 155—157 Sint Annaland.

30. Gemeente Nieuwvliet.

a. Alg. Pol. Verord. van 6 September 1859. 3e Hoofdstuk.

Van het stichten, ontbinden, herstellen en sloopen van gebouwen cn afsluitingen.

Artt 35, 36 en 46. Gelijk aan de artt. 35, 3b en 46 Politie Verord. Groede. Boete eveneens.

6e Hoofdstuk.

Van het vee en de bijzondere eigendommen. Art. 75. Gelijk aan art. 80 Politie Verord. Groede. Boete eveneens.

b. Brand-Verord. van 3] Juli 1856. Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand. An. 6. Gelijk aan art. 7 Brandwezen Graauw, Boete Jö.

-ocr page 361-

gemeente nisse, enz.

40. Gemeente Nisse.

Alg. Pol. Verord. van 14 Nov. 1873, gewijzigd 22 Aug. 1878.

Afdeeling III.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Art. 22 en 23. Gelijk aan art. 26 en 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete /3.— tot /10.—.

41. Gemeente Noordgouwe.

Alg. Pol, Verord. van 24 Nov. 1879, gewijzigd 28 Oct. 1885.

Art. 14. Toepassing van art. 703 B. W. — Art. ,5 Baarland. Boete f 6.—.

42. Gemeente Oostburg.

a. Alg. Pol. Verord. m/i 27 Januari 1858, gew. 1806, 1875, 1882.

Hoofdstuk I.

Van het stichten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen en afsluitingen.

Art. 3. Gelijk aan art. 35 Alg. Pol. Verord. Groede, met de bijvoeging aan het slot: «behoudens nog de toestemming van Burgemeester en Wethouders, bij art. 47 gevorderd.quot; Boete/3.—.

Art. 4. »Het is verboden, zonder vergunning van den eigenaar van een aangrenzend gebouw, den grond binnen eene Nederlandsche el afstands van dat gebouw dieper dan 5 Ned. palmen uit- of om te graven.quot; Boete /3.—.

Art. 15, gewijzigd vastgesteld 3 Mei i86(). »De afsluitingen, bedoeld bij art. 690 B. W., moeten zijn levende hagen of blinde houten schuttingen, beide ter hoogte van 1\'/j Ned. el, of muren van 30 Ned. duimen dik en 1\'/j Ned el hoog.\' Boete f 3.—

Hoofdstuk VI.

Van het vee en de bijzondere eigendommen.

Art. 101. Gelijk aan art. 80 Alg. Pol. Verord üroede. Boete/3.—.

205

-ocr page 362-

r.EMRENTK OOSTFRt.ANn.

b Tirandnerordening van 15 Oc/. 185^1, gmt. i8fio, 1868, 1886.

Hoofdstuk I.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete /\'ö.—.

43, Gfmeknte Oosterland.

Alg. Pol. Verord. van 3 Sept. 1878.

H oofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art, 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graanw. Boete _/6.—.

Hoofdstuk IV.

Van de politie op de straat en de voertuigen.

Art. 66. »De hokken en stallen voor dieren zullen zoo moeten ingericht zijn, dat door deze geen hinder aan de buren worde toegebracht. Is dat niet het geval, dan moeten zij dadelijk worden opgeruimd. Onverminderd de beloopen straf en schadevergoeding, indien daarvoor termen bestaan.quot; Boete / 2.—.

Hoofdstuk XI.

Van de verplichtingen tusschen naburen.

Art. 108. gt;»Ten aanzien van de hoogte en wijze der af sluiting, dienende tot afscheiding van huizen, opene plaatsen en tuinen, waaromtrent art. öqo B. W. naar het plaatselijk gebruik en verordening verwijst, wordt verklaard:

1°. dat de muren en heiningen moeten hebben eene hoogte van 2.2 meters, boven de oppervlakte van het hoogste erf;

2°. clat bij vernieuwing of herstelling daarvan, de belanghebbenden onderling moeten bepalen, hoe en op welke wijze de afsluiting zal worden gemaakt, en, bij verschil daarover, het oordeel van Burg. en Weth. inroepen;

30. dat alle erven van de straten moeten afgesloten worden door middel van behoorlijke heiningen of muren, ter hoogte van 2,2 meters uit de straat.quot;

Art. 109. »De afstand, waarop putten, riolen, secreten, mestbakken, ovens, fornuizen, aschbakken of verzamelplaatsen van bijtende stoffen moeten gesteld worden van een gemee-

-ocr page 363-

gemeente oost- en west-souburg, enz. 2c7

nen of niet gcmcenen muur, wordt, ingevolge art. 703 B. W., bepaald op 0,3 \'neter, gemeten uit den buitenkant der voorschreven muren.quot;

44. Gemeente Oost- en West-Souburg.

Br andverordening van 2b Februari 1853.

Hoofdstuk I,

Bepalingen tot voorkoming van brand.

Art. 5. »Alle balken, gebindten of ander houtwerk in, aan of tegen schoorsteenen, ook in het geval dat zij mochten staan tegen eenen gemeenen muur, moeten bemetseld worden, ten minste met eenen halven steen, en bovendien met lood, zink, blik of ijzer beslagen zijn.quot;

Boete /1. - tot f \\o—, gevangenis 1 tot 3 dagen, te zamen of afzonderlijk.

45. Gemeente üudelande,

Alg. Pol. Verord. van 24 April 1874, gewijzigd 187O, 1884.

A Idee ling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. 26 en 27. Gelijk aan artt. en 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete J 1.— tot y 15.—.

40. Gemeente Oud-Vossemeer.

Urandverordening van 21 April l88().

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art. (). Gelijk aan art. 7 Brandverordoning Graauw. Boete _/ 6.—.

47. Gemeente üuwerkerk.

Alg. Pol. Verord. van 23 Ocl. 1885.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W. — Art. 5 Baarland. Boete / 6.—.

-ocr page 364-

2o8 gemkicntu ovezande, enz.

48. Gemeente Ovezande.

Alg. Pol. Ver or d. van 12 Dec. 1873.

Art. 26. Toepassing van art, 6qo B. W.

Art. 27. Toepassing van art. 703 B. W.

Geheel gelijk artt. 2ö en 27 Alg. Pol. Verord. Ellewoutsdijk, met gelijke strafbedreiging.

49. Gemeente Philippine.

Alg. Pol. Verord., vastgesteld 5 Juni 1879.

Art. 15. »Ieder houder van mestvaalten, putten of hoopen is verplicht te zorgen, dat daardoor aan de belendende buren, hunne woningen, erven of afschuttingen geene schade of overlast wordt veroorzaakt, en mitsdien moeten zorgdragen, dat zoodanige mestvaalten, putten of hoopen ten minste 50 centimeter van gemeene muren of heiningen of eens anders gebouwen verwijderd zijn, en dat het daarvan afkomende water of vuil niet in of op belendende erven van anderen niet kunne loopen.

Ook zal het op gelijken afstand van minstens 50 centimeters van gemeene muren of heiningen of eens anders gebouw aan niemand vrijstaan een secreetput, varkenshok of varkensloop te stellen.quot; t

50. Gemeente Sint Philipsland.

Alg. Pol. Verord. van 29 April 1880.

Art. 98. Uitvoering van art. 690 B. W. Gelijk art. 113 aanvang en Nquot;. 3 Alg. Pol. Verord. Dreischor.

Overtreding strafbaar, volgens art. 104 al. uit., met boete van ƒ !•-- tot / 6.—.

51. Gemeente Poortvliet.

Brandverordening van 8 Maart 1855.

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van brand.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete f 6.—.

-ocr page 365-

gemeente retranchement, enz.

52. Gemeente Retranchement.

a. Pol. Verord. van 25 Aug./20 Sept. 1877.

Art. 3. Toepassing van art. 703 li. W., behoudens Redactiewijziging, overeenkomende met art. ,55 Alg. Pol. Verord. Groede. Boete/2.—.

Art. 12. Toepassing van art. 690 B. W. Gelijk art. 46 Alg. Pol. Verord. Groede. Boete/2.

b. Rrandverordening van 24 Dec. 1881.

Art. 4. Toepassing van art. 703 B. W.

53. Gemeente Rilland—Bath.

Alg. Pol. Verord. van 13 Dec. 1856, gewijzigd 1867, 1872,

A f d e e I i n g 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Art. 26 en 27. Gelijk aan de artt. 2b en 27 Alg Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete y 3.— tot /10.—.

54. Gemeente Ritthem.

Bmndverordening van 7 October 1887.

Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W. = art. 5 Alg. Pol. Verord. O.- en W.-Souburg. Boete f 3.—.

,55. Gemeente Scherpenisse.

Alg. Pol. Verord. van 25 Juli 1888.

Hoofdstuk X.

Bouwen en Sloopen.

Art. 147. -gt;De in art. 690 van het Burg. Wetb. bedoelde afsluiting zal moeten geschieden door eenen muur of eene houten schutting van twee meters hoogte, uit den beganen grond van het hoogste erf gemeten.quot; Geen boete.

-ocr page 366-

2IO

56. Gemeente Schoündijke.

Alg. Pol, Verord. van 17 December 1857, gewijzigd 1870.

Hoofdstuk III.

Van het stichten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen.

Art. 36. »Geene werken of stichtingen, bedoeld bij art. 703 B. W. zullen mogen worden aangelegd of daargesteld, dan op een afstand van 7 palmen 5 duim van de scheiding tus-schen aanpalende eigendommen of gebruiken van anderen, zonder vergunning van den aangrenzenden eigenaar.

Secreetputten en andere, waarin bijtende stoffen worden verzameld of bewaard, zullen bovendien met zware trasmortel worden gemetseld, en de muren minstens 33 duim dik moeten zijn. De hierboven bepaalde afstand van 7 palm 5 duim is niet toepasselijk op schoorsteenen, als welke tegen de scheidingsmuren zullen mogen worden aangebouwd.quot; Boete f 4.— tot ƒ6.—.

Art. 37. »Bij toepassing van de bepaling van art. 690 B. W. zullen de daar te stellen afsluitingen moeten worden vervaardigd van steenen muren ter dikte van een steen, voorzooveel de huizen en opene plaatsen betreft ter hoogte van 1 el 70 duim; en eene behoorlijke doorn- of andere haag of heining, voorzoover de tuinen betreft, ter hoogte van 1 el boven den beganen grond.quot; Boete J 2 — tot f i\\.—.

Art. 38. «Binnen 1 el afstand van eens anders gebouw zal de grond niet dieper dan 5 palm mogen worden omgegraven. dan niet toestemming van den eigenaar van dat gebouw.\'quot; Boete / 2.50.

57. Gemeente Sc hork.

Alg. Pol. Verord. van 2 November 1878.

Hoofdstuk XVIII.

Van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Artt. 201, 202, 203, 204, 205 en 206. Gelijk aan dezelfde artikelen Alg. Pol. Verord. Kruiningen.

-ocr page 367-

2 11

58. Gemeente Serooskerke oi\' Walcheren.

Brand- Verordening van 5 Aug. 1853, geivyzigd 1876. Art ö. Toepassing van art. 703 B. W. art. 5 Baarland. Boete / 6.—.

59. Gemeente Sluis.

a Brand- Verordening Oct.I Nov. 1858, geiv. 4 Mei l8()g, 31 Oct. 1887.

Art. 8. Toepassing van art. 703 B. W. art. 5 Baarland. Boete /quot; 6.—.

b. A/g. Pol. Verord. Apriljjuni 1874. 4e Hoofdstuk.

Regeling der verplichtingen tusschen naburen.

Artt. (39 en 70. Toepassing van art. 690 B. W. artt. 1 en 2 Edam (bl. 32).

Art. 71. Toepassing van art. 738 B. W. (waterloop) art. 3 Edam.

Art. 72. Toepassing van art, 703 B W. art. 4 Edam met eenige wij/.iging.

Zonder strafbedreiging.

60. Gemeente Stavenisse.

Alg. Poi. Verord., vastgesteld 16 Oct. 1878, gew. 1 Fehr. 188(1. Hoofdstuk T.

Bepalingen ter voorkoming van Brand. Art. (). Gelijk aan art. 7 Brandwezen Graauw. Boete/6.—•. Hoofdstuk XH.

Van verplichtingen tusschen naburen.

Art. 137. Gelijk aan art. 108 Pol. Verord. Oosterland. Art, 138 Gelijk aan art. 120 Pol. Verord. Sint Maartensdijk

61. Gemeente Tholen.

Brand- Verord. Tan 23 Maart 1883 H o o I\'d stuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

-ocr page 368-

gemeente vlissin\'gkn, enz

Art. 4, al. 8. »In een gemeenen muur mogen geene bindten, balken of ribben, komende tegen de haardstede of schoorsteen van eenen buurman, dieper worden gelegd dan op de helft van den muur, zoodat het hout steeds door een halfsteens muurwerk is bedekt.quot;

Art. 4, al. 9. «Evenmin mag tegen een gemeenen muur eene haardstede of een schoorsteen worden gemaakt, tenzij de bindten, balken of ribben van des buurmans huis, daartegen komende, met een halfsteens muurwerk zijn of worden bedekt.quot;

Boete f 2.— tot ƒ 6.—.

62. Gemeente Vlissingen.

a. lhand-V er or (1. van 15 Maart j\\2 Mei 1873, gew. 13 Ocl.

1873, 1 Dec. 187(1, k) Dec. 1877, 20/22 Dec. 1879, 7 Dec. 1883, 28 Mei 1884 en 27 Nov. 1885,

Hoofdstuk I.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 4. ,gt;Alle ovens of fornuizen, tot eenige nering of bedrijf dienende, moeten gesteld worden op een afstand van minstens 20 centimeter van den gemeenen muur, de achterboezem ter dikte van 112 inillimeter hoogte van de muurplaat; kunnende de pijpen, boven de muurplaat uitkomende, verminderen tot op een dikte van 8 centimeter.quot; Boete /3.—.

Art, 9. »In eenen gemeenen muur mogen de bindten of balken, komende tegen eene haardstede of schoorsteen van een belendend gebouw, niet dieper worden gelegd, dan tot op de helft of in het hart van den muur en moet het einde van den balk met metaal bekleed worden.

Hij, die met toestemming van den naburigen eigenaar tegen eenen gemeenen muur eene haardstede of schoorsteen wil maken, zal gehouden zijn de bindten of balken van des gebuurs huis even zoover weg te hakken, met metaal te be-kleeden en met een halven steen te bemetselen.quot; Boete_/\'3,—.

b. Hotnv-Verordening, vastgesteld 27 Oct.jt) en 11 Dec. 1874,

gewijzigd 29 Juli 1870, 19 Dcc. 1877, 29 Dec.

1879, 13 Febr.js en 10 Juni 1880.

Art. 43. »Waar de toepassing van art. 690 B. W. gevorderd wordt, is de hoogte der tot afscheiding dienende afsluiting

212

-ocr page 369-

GEMEENTE VLISS1NGEN. 2 13

bepaald op 2 Meter boven de gemiddelde oppervlakte var; het hoogste erf.

Indien een der belendende eigenaren zijn erf langs de afsluiting verhoogt, is hij verplicht de kosten te dragen van de daardoor noodzakelijk geworden verhooging der afsluiting.quot; Geen boete.

Art. 44, zinsnede 1, 2 en 3. »Wie in de nabijheid van eenen gemeenen muur of niet-gemeenen muur, van een naburig perceel of erf, een put, riool, oven of eenige andere inrichting, in art. 703 B. W. genoemd, wil maken, is verplicht eene tusschenruimte te laten van 0.2 Meter, het in strijd hiermede bestaande moet, wanneer B. en W. dit noodig achten, volgens dit voorschrift worden ingericht.

De afscheiding moet geschieden met onbrandbare stoffen en de tusschenruimte moet, voorzoover zij onder den beganen grond loopt, met zware klei worden aangevuld en boven den grond aan de lucht onbelemmerden doortocht laten.

Op kamer- en keukenschoorsteenen is dit voorschrift niet toepasselijk.quot; Geen boete.

Art. 45. »Wie gootrecht over of door een naburig erf of perceel bezit, moet, tenzij bij zijnen titel anders is bepaald, in de opening door welke het water loopt, ijzeren traliën doen stellen en behoorlijk onderhouden, die niet wijder van elkander zijn dan 1 centimeter, en daarvóór, aan de zijde vanwaar het water komt, een waterdichten zinkput hebben van minstens 16 vierkante decimeter oppervlakte en de door B. en W. bepaalde diepte.quot; Geen boete.

Art. 46. »Geene lozing van vochten mag in eene snijding tusschen twee aan elkander grenzende perceelen worden aangebracht dan door pijpen, die tot aan den grond naar de bestaande vergaarbakken of riolen doorloopen en geheel luchtdicht van steen of metaal zijn vervaardigd.

Deze snijdingen zullen ten allen tijde goed onderhouden en rein moeten zijn. De liggende goten in de snijdingen moeten van hardsteen of van metaal, behoorlijk op afschot gesteld, vervaardigd zijn en aan de zijmuren boven de goten verglaasde tegels in sterken tras over de geheele lengte der muren worden aangehaald. Zij moeten met steen overdekt zijn.quot; Boete / 3.— tot ƒ 10.—.

Art. 51. »Bij slooping, uit- of afbreking, optrekking van fundeeringswerken, ontgravingen en soortgelijke werken, waar-

-ocr page 370-

üemlijinte waarde, enz.

door aan belendende perceelen schade toegebracht kan worden, moet hij, op wiens kosten de werkzaamheden gedaan worden, zorgen voor uitwendige schoeiing, ondervanging, stutting of beveiliging van het belendende, bij gebreke waarvan R. en W. liet werk kunnen schorsen totdat daarin voorzien is.quot; Boete f 3.— tot ƒ 10.—.

63. Gemeente Waarde.

Alg. Pol. Vcrord, Tan 18 December 185(1, gew. l8\')7, 1872.

Afdeeling 3.

Van het bouwen en herstellen van bijzondere eigendommen.

Artt. en 27. Gelijk aan artt. 26 en 27 Pol. Verord. Ellewoutsdijk. Boete f 3. — tot f 10.—.

64. Gemeente Waterlandkerkje.

a. Alg. Pol. Vcrord. van 24 Juni 1856, gewijzigd 1857, 1870, 1876, 1B83, 1888.

3e Hoofdstuk.

Van het slichten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen.

Art. 17. «Binnen een nieter afstand van eens anders gebouw zal de grond niet dieper dan s decimeter worden omgegraven, dan met toestemming van den eigenaar van dat gebouw.quot;

Boete f 3.—.

b. Brand-Verordening, vastgesteld 22 Augustus 1855.

Hoofdstuk 1.

Bepalingen ter voorkoming van Brand.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandwezen Graauw. Boete ƒ 6. .

65. Gemeente Wemeldinge.

Pol. Verord. van 21 November 1876.

Art. 46. »De hoogte van afsluitingen of afscheidingen tus-schen naburige erven wordt, voor de toepassing van art. 690 B. W., bepaald op 1 \'/.2 meter boven de oppervlakte van het hoogste erf.quot;

-ocr page 371-

GliMEUNTK WESTDORPK, ENZ. 2 15

Art. 47. «Putten, rioolen of andere inrichtingen, in art 703 B. W. bedoeld, mogen niet nader aan den muur van het naburig erf gemaakt worden dein go centimeters.quot;

Overtreding van beide, volgens art. 52, strafbaar met geldboete van _/1.— tot /25.

66. Gemeente Westdorpe.

A/g. Pol. Verord. van 4 Mei 1880.

Art. 41 N0. 1. Toepassing van art. 703 B. W.; luidende;

»Het is verboden: 1quot;. bij een scheidingsmuur of gebouw, zonder vergunning van den belendenden eigenaar, op minder afstand dan van één meter, een put, riool, secreet of mestput daar te stellen, of daartegen een magazijn of pakhuis van zout of eene verzamelplaats van bijtende stolï\'en of andere schadelijke of gevaarlijke werken aan te leggen.quot; Boete ƒ 1.— tot ƒ 10. —.

67, Gemeente Wisse kerke.

RrandTerordening Tan 13 September 1888.

Hoofdstuk 1.

Bepalingen tot voorkoming van brand.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete /\'6. ten hoogste.

68. Gemeente Yerseke.

a. Verordening o/gt; de Mestvaalten, Modder- en Secreet putten,

van 6 Maart 1885.

Art. 1. Toepassing van art. 703 B. W. Overeenkomstig art. 1 der overeenkomstige Verordening van \'s Heer Abts-kerke, behoudens verandering in de afstanden en een nieuw voorschrift in al. 2 omtrent afsluiting door steenen muren. Boete/1.— tot /15. .

b. Plaatsel. Pol. Verord. van 13 December 1856, gew. 1872,

1875, 1876 en 1878. Art. 27. Toepassing van art. 703 B. W. =. art. 9 Alg. Pol. Verord. Baarland. Boete ƒ 3.— tot ƒ 10.—.

-ocr page 372-

210 GEMEliNTE IJZENDIJKE, ENZ.

69. Gemeente IJzendijke.

Rnindvet ordening van 18 Februari 1884.

Hoofdstuk I.

Bepalingen tot voorkoming van brand.

Art. 6. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete I ö.— of 2 dagen gevangenis.

70. Gemeente Zaamslag

Brandverordening van 8 Nov. 1867, gewijzigd 31 Dcc. 18C17 en 19 Oei. 1883.

Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W. — art. 5 Alg. Pol. Verord. Baarland. Boete ƒ5,— tot /\'25.—.

7:. Gemeente Zierikzee.

Brandverordening van 30 December 1886.

Art. 3 sub /! Toepassing van art. 703 B. W. Behoudens redactiewijziging, overeenkomstig art. 5 Alg. Pol. Verord. Baarland, edoch met de bijvoeging aan het slot: »De in den muur gebrachte houtdeelen moeten vooraf met lood of zink bekleed worden.quot; Boete ten hoogste /25.—.

72. Gemeente Zuiddorp.

Alg. Pol. Verord. van 21 November 1882.

Art. 28—1. Toepassing van art. 703 B. W. Gelijk art. 41 — 1 Alg, Pol. Verord. Westdorp. Boete /2.— tot f 10. — .

73. Gemeente Zuidzande.

a. Alg. Pol. Verord. van 26 October 1859. Hoofdstuk T.

Van het stichten, uitbreiden, herstellen en sloopen van gebouwen en afsluitingen.

Art. 3. Gelijk aan art. 35 Alg. Pol. Verord. Groede, met toevoeging van : «behoudens nog de toestemming van Burg. en Weth., bij art. 38 gevorderd.quot; Boete f 3.—.

-ocr page 373-

GKMEENTIi ALI\'HliN UN Kll-.l..

Art. 4. Gelijk aan art. 4 Alg. Pol. Verord. Oostburg. Boete/3. .

Art. 13. »De afsluitingen, bedoeld bij art. 690 B. W., moeten zijn: blinde houten schuttingen ter hoogte van 2 el, of muren van 1 \'/a steen dik en 2 el hoog, voorzooveel de huizen en open plaatsen betreft, en ecne behoorlijke doorn-of andere haag of heining van 1\'/j el boven den beganen grond, voorzoover dc tuinen betreftquot;. Boete / 3. -.

b. Brandvcrordening Tan 2 Dec. 1850/18 Mei 1857.

Hoofdstuk I.

Bepaling ter voorkoming van brand.

Art. ö. Gelijk aan art. 7 Brandverordening Graauw. Boete /6.—.

Provincie Noord-Brabant.

1. Gemeente Alphen en Kiel.

Alg. Pol. Verord. van 28 December 1887.

Hoofdstuk XV.

Bepalingen van gebruik.

Art. 11Ö. »De tijd van hakken van si hoorhout is volgens plaatselijk gebruik eenmaal in de () jaren.\'\'

Art. 117. »Van huur en verhuur der huizen, gedeelten van dien en tuinen, bouw- en weilanden voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens» plaatselijk gebruik van a. huizen, gedeelten van dien en tuinen, verhuurd voor een jaar en langer, vóór den len November; de opzegging van dergelijke overeenkomst voor korteren lijd dan een jaar, maar langer dan een maand, geschiedt eene maand vóór het vervallen van den huurtermijn; c. huur voor een jaar van bouwlanden moet opgezegd worden vóór den 25611 Juli, ook dezelfde huur van weilanden, die met half Maart aanvaard zijn, heeft dien opzeggingstermijn, die echter met 11 November (St. Maarten) aanvaard zijn, daarvan moet de huur vóór dienzelfden datum worden opgezegd, dus vóór 11 November (artt. 1607, iC)14 en 1(323 W.).quot;

Art, 118. »De tijd van ontruiming van tuinen is vóór of op half Maart, die van bouwlanden, oogst bloot aan de

-ocr page 374-

GEMKENTK liKRCUCN nP ZOOM, ENZ.

stoppelen, die van half Maart of in speciale gevallen van aanvaarding met i i November (artt. i\'~U3 en 1633 B. W.).quot; Zonder strafbedreiging.

2. Gemeente Bergen op Zoom.

Alg. Pol. Verord. van 5 October 1888.

Art. 53, al. 1. Toepassing van art. 6go B. W.

Art. 33, al. 2. » » » 703 » ten aanzien

der tusschenruimte, zonder strafbedreiging.

3. Gemeente Berlicum.

Verord. op de Openbare Wigen en Voetpaden lum 21 Oct. 1871.

Art. 15 bepaalt, met het oog op de algemeene belangen in verband met plaatselijke behoeften en aanwezige toestanden, de minste breedte voor rijwegen en voetpaden.

4. Gemeente Besoijen.

Atg. Pot. Verord. van 14 Februari 1872.

Art. 49. Toepassing van art. 703 B. W. Art. 50. » » » 690 »

Zonder strafbedreiging.

5. Gemeente Breda.

Atg. Pol. Verord. van 28 Dcc. 1864, gewijzigd 18 Aug. en 4 Sept. i8(ygt;, 19 Der, 1868, ,23 Nov. 1869, 15 Jan. en 1 Oct. 1870, 31 Maart en 30 Juni 1877.

Art. 88 en 92. Toepassing van art. 703 B. W., met strai-bedreiging.

Art. 93. Toepassing van art.090 B. W., zonder strafbedreiging.

6. Gemeente Empel en Meerwijk. Brandverordening van 23 Oct. i 882. Art. Toepassing van art. 703 B. W. Overtreding strafbaar.

-ocr page 375-

gemeente fij n aa kt kn hkijn1ngen, enz.

7. Gemeente Fijnaart en Heijningen.

Alg. Pol. Verord. van 22 Maart 1887.

Art. 113. »Wie in de nabijheid van een al of niet ge-meencn muur een schoorsteen of eene stookplaats, een oven of een fornuis wil metselen, is verplicht eene tusschenruimte van minstens 0.22 Meter te laten en wie aldaar eene der overige bij art. 703 B. W. bedoelde inrichtingen wil daar-stcllen, is verplicht eene tusschenruimte van minstens één Meter te laten en bovendien zoodanige werken aan te leggen, als B. en W. noodig zullen oordeelen tot vrijwaring van de naburige erven tegen schade.quot;

Art. 114. Regeling van het recht van waterloop.

Overtreding van art. 113 is niet, van art. 114 wel strafbaar.

8. Gemeente Geertruidenberg.

Alg. Pol. Verord. van 12 April 1871, gew. 11 Dec. 1871) cn 14 ^ov. 1887.

Art. 133. Toepassing van art. 6go B, W.

Art. 134. » » » 703 »

Met stial bedreiging.

9. Gemeente Geldrop Alg. Pol. Verord. van 18 Januari 1878.

Hoofdstuk XIV.

Van de bepalingen, welke tie algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

A f d e e I i n g 1.

Bepalingen tot voorziening.

Art. 107. Omtrent den waterloop. Art. 677 en 701 B. W,

Art. 108, Toepassing van art. 6cp B. W.

Art. 109. Toepassing van art. 703 B. \\V., ten aanzien van den afstand.

Art. 110 al. 1, 2 en 3. Omtrent het aanleggen van een goot tegen een gemeenen muur.

Al. 4. Omtrent het aanleggen van een sterfput, moos-kuil, mestvaalt of iels anders tegen een gemeenen muur. Art. 703 B. W.

-ocr page 376-

GEM EENTK GELDKOl\'.

Ail. in al. i. Toepassing van art. 733 B. W.

Al. 2. Regeling van erfdienstbaarheid van licht of uitzicht.

Al. 3. Erfdienstbaarheid van riool of secreet.

Art. 112. Vermelding dat die bepalingen alleen gelden zoover bij den titel geen andere bepalingen zijn gemaakt.

Afdeeling II.

Bepalingen van gebruik.

Art. 1 13. Toepassing van art 813 B. W., «volgens plaatselijk gebruik.quot;

Art. 114. Termijn van opzegging van huur, «volgens plaatselijk gebruik.quot;

Opzegging van huizen, enz., bij het jaar gehuurd, moet geschieden vóór of op 21 December, van afzonderlijke tuinen, bouw- en weilanden, voor een jaar gehuurd, vóór 25 Juli.

Art. 115, Toepassing van art. 1619 B. W., «volgens plaatselijk gebruik.quot;

Art. 116 al. 1. «De tijd van huur van gestoffeerde kamers.

wanneer geene bepalingen van tijd van huur of van zekere som bij het jaar, bij de maand of bij den dag zijn gemaakt, is, volgens plaatselijk gebruik, één maand. Volgens dat gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoo-rende tuinen, in het evenbedoeld geval, tot den eerstkomenden gewonen verhuurtijd, zijnde Beloken Paschen. Artt. 1621, 1622 en 1623 B. W.quot;

Art 1 17. Het plaatselijk gebruik omtrent opvolging van huur. Art. 1635 B. W.

Art. 1 18. «De tijd van ontruiming van tuinen is vóór of op half Maart; die van bouwlanden, oogst bloot aan de stoppelen, ook al bevindt zich daarop naschaar; die van wei- of hooilanden, met half Maart. Artt. 1623 en 1Ö33 B. W.quot;

Geene strafbedreigingen.

-ocr page 377-

gemeente helmond, enz.

io. Gemeente Helmond.

Br andver or dening van 23 Maart 1882. Art. 5. Toepassing van art. 703 B, W.

11. Gemeente \'s Hertogenbosch.

Plaatselijke Verordening, tegen wier overtreding straf is bedreigd, van 2() Juli 1861.

In het bij Raadsbesluit van 29 Januari 1886 nog voortdurend geldig verklaard Hoofdstuk TV, komt voor:

A f d e e 1 i n g V.

Van de verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven.

Art. 71. Toepassing van art. 690 B. W.

Artt. 73 en 74. Idem van art. 703 B. W. Art, 75. Regeling van het recht van waterloop. Overtreding van al deze artikelen volgens art. 77 strafbaar.

12. Gemeente Heusden.

Alg. Pd. Verord. van 11 ]\\fei 1888.

Art. 122. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 123. Idem » » 690 »

Niet strafbaar.

13. Gemeente Hoeven en Sint Maartenspolder.

Brandverordening van 13 I\\fei 1857.

(Schijnt niet gedrukt).

Art. 6. -gt;In een gemeenschappelijken muur mogen de bindten, komende tegen een haardstede of schoorsteen van den eigenaar of buurman, niet dieper worden gelegd dan op de helft of in het hart van den muur, zullende hij die tegen een gemeenen muur eene haardstede of schoorsteen zal maken, gehouden zijn te zorgen dat de bindten van des buurmans of eigenaars huis ten minste door een halfsteens metselwerk van de te stellen schoorsteen worden gescheiden.quot;

221

-ocr page 378-

222

14. Gemeente Huybergen.

Reglement op de openbare wegen van 28 April i860.

Art. 15 is gelijkluidend aan het bovenmedegedeelde art. 15 der Gemeente Berlicum.

15. Gemeente Klundert.

AJg. Pol. Veronl. van 11 Maart 1882, gewijzigd 2 Nov. 1883 en 15 Febr. 1884.

Art. 04. Toepassing van art. 6qo B. W.. met straf bedreigd.

Dit art. komt voor in du afdeeling betrekkelijk het voorkomen van brand.

16. Gemeente Liempde.

Alg. Pot. Vsrord. van 10 A/aart 1886.

Hoofdstuk XIII.

Van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Afdeeling I.

Bepaling met voorziening.

Art. 100. Toepassing van artt. 677 en 701 B. W.

Art. 101. «Niemand mag tegen eene gemeene scheiding, muur, haag of schutting, of tegen een muur. haag of schutting van een ander een sterfput, mooskuil, mestvaalt of iets dergelijks aanleggen of hebben, zonder eene tusschenruimte te laten van minstens 50 centimeters en, tenzij die tusschenruimte met aarde of andere vaste stof ter hoogte van den beganen grond van het naburig erf is aangevuld zoodanig, dat daaraan geen hinder of nadeel kan worden veroorzaakt. Art. 70,5 [lees 703] B. W.quot;

Art. 102 al. 1. Toepassing van art. 733 B W

Art. 102 al. 2. »Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het

-ocr page 379-

GEMKENTli ST. OEDENRÜDE.

lijdende pand vorderen, dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën, gevestigd in de kozijnen; de traliën zullen ten hoogste één decimeter tusschenruimte mogen hebben.quot;

Art. 103. »De in de artt, 101 en 102 voorkomende bepalingen gelden alleen voorzooveel bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.quot;

Afdeel ing II.

Bepalingen van gebruik.

Art. 104. Toepassing van art. 813 13. W.

Art. 105. »De huur en verhuur der huizen en aanhoorig-heden, gedeelten van dien en tuinen, bouw-, wei- en hooilanden, voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging, volgens plaatselijk gebruik, van:

11. Huizen en tuinen, als de landbouwers- en overige woningen of gedeelten van dien, St. Thomas, drie dagen vóór Kerstmis (25 Dec.), namelijk den vervaldag voorafgaande;

/gt;. De huur voor eene week aangegaan, moet eene week bevoi ens worden opgezegd ;

c. De huur van bouwland, te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, moet opgezegd worden vóór St. Thomas, dus drie dagen vóór Kerstmis;

lt;/. De huur van weiland en bouwland, te half Maart, Pinksteren, of te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, moet opgezegd worden vóór St. Thomas, drie dagen vóór Kerstmis. Artt. 1Ö07, 1614 en 1623 B. VV.quot;

Art. 106. Opvolging van huur, art. 1Ö35 B. VV., »volgens plaatselijk gebruik.quot;

Art. 107. »De tijd van ontruimen van tuinen is vóór of op half Maart; die van bouwlanden, oogst aan de stoppelen, al bevindt zich ook daarop naschaar; die van bouwland wei- en hooilanden, met half Maart, Pinksteren, of oogst aan de stoppelen, of St. Maarten, naar gelang der aanvaarding. Artt. 1623 en 1633 B. W.quot;

Geen strafbepaling.

17. Gemeente St. Oedenrode.

Hr andver ordening van 27 Januari 1853.

Art. 3. Toepassing van art. 703 B. W.

Deze is echter vervallen door de nieuwe Algemeene Plaatselijke Politie-Verordening van 18 Augustus 1888.

~2i

-ocr page 380-

gemeente oss.

18. Gemeente Oss.

Algemeene Strafverordening van io Februari 1866.

De Algemeene Strafverordening in de Gemeente Oss van i8()6, is de algemeene titel voor twee afzonderlijke deelen t. w. ie Strafverordeningen 2e Bepalingen van Burgerlijk Recht, die op zonderlinge wijze samenhangen.

De aanvang van liet werkje luidt aldus:

»De Raad der Gemeente Oss heeft in zijns openbare vergadering van heden besloten vast te stellen, de volgende verordening;

ALGEMEENE STRAFVERORDENING.

Hoofdstuk I.

Verdeeling der Gemeente in wijken en het nummeren der huizen.quot;

Daarna volgen nog veertien andere hoofdstukken, te zamen 148 artikelen, behelzende eene slotbepaling omtrent het in werking treden, de vaststelling op 10 Februari 1866, met onderteekening van Burgemeester en Secretaris, het mecle-deelen in afschrift aan Gedeputeerde Staten benevens van de afkondiging met gelijkluidende onderteekening.

Alsnu volgt:

/gt;De Raad der Gemeente Oss heeft besloten: Hoofdstuk XVI.

Verordening houdende bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen overlaat:

§ 1. Bepalingen tot voorziening.quot;

Art 149. Toepassing van artt. 677 en 701 B. W. art. 1 Verordening Brielle.

^ 150. Toepassing van art. ógo al. 2 B. W. de eerste al.

al. 1 van art. 2 Brielle, de 2e al. eene wijziging van al. 2 art. 2 Brielle, de 3e al. omschrijving van de kom der Gemeente.

» 151. Toepassing van art. 705 B. W. is eene 1 avolging van art. 3 Brielle, met belangrijke verandering-der afmetingen.

224

-ocr page 381-

22,5

Art, 1,52. Insgelijks toepassing van art. 703 13. W. ten aanzien der goot, geheel gelijk art. 4 Brielle.

» 153. Toepassing van artt. 733 en 738 servituut van wegen en van uitzicht, geheel gelijk al. 1—5 cn en 8 van art. 5 Brielle, behalve dat de breedte van dien weg op vier ellen is gesteld.

§ 2. Bepalingen van gebruik.

Art. 154. »(813). De tijd van hak van wilgen kaphout en van andere op stoven staand hout, is volgens plaatselijk gebruik eenmaal in de vijf jaren.\' (Niet onbelangrijke afwijking van art. 6 Brielle.)

Art. 155. »(Artt. 1604, 1(107, 1616, 1O23.) Van huur- en verhuur van huizen, gedeelten van dien en tuinen, bouw-, weien hooilanden binnen deze Gemeente voor een jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik van: a huizen, gedeelten van dien en tuinen in de maand December vooraangaande het eindigen der huur: b bouw-, wei- en hooilanden die voor een jaar zijn verhuurd, drie maanden en die voor meerdere jaren zijn verhuurd een jaar voor het eindigen der huur.

Van de huur voor korteren tijd dan een jaar tot op die voor den tijd van één week is de termijn eene maand vóór het eindigen der huur en van de huur voor eene week is de termijn acht dagen vóór het eindigen der huurquot;.

(Belangrijke afwijking van art. 7 Brielle),

Art. 156 (art. 1619 B. W.) Geheel gelijk art. 8 Brielle, behalve dat niet opgelegd wordt het onderhoud van lantaarns, watertonnen en ladders.

Art. 157. (Artt. 1Ö21, 1622, 1623). Overeenkomstig art. 9 Brielle met de bijvoeging aan het slot »en van tuinen op den 1 Maart of den 1 Novemberquot;.

Art. 158 »(i()35). Het plaatselijk gebruik ten opzigte van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is, op den dag van het eindigen der huur de meubelen en het huisraad te ontruimen en te ge-doogen, dat de nieuwe huurder zijn meubelen en huisraad in het gehuurde brengt, alsmede dat tie vorige huurder daartoe ter beschikking van den nieuwen huurder de noodige ver-

-ocr page 382-

220 gemeente ravestein.

trekken met de middelen tot afsluiting daarvan afsta, zoodat op dien dag ten 12 uur des middags de vorige huurder over niets meer kan beschikkenquot;.

(Zeer aanmerkelijke afwijking van art. 10 Brielle).

Art. 139 »(1639). De gewone huurt\'jd van dienstboden is voor een termijn van een halfjaar, voor hen die in dienst treden in te gaan en te eindigen met den 1 of 24 van de maand Februari, Mei, Augustus en Novemberquot;.

(Insgelijks groote afwijking van art. 1 t Brielle).

»Aldus vastgesteld door den Raad der Gemeente Oss, in zijne openbare Vergadering van Zaterdag, den iü Februari i8()().

De Raad voornoemd, (w. g.) Dr. v. d. Steen, Burgemeester.

» » E. H. v. d. Heijden, Secretaris.

Zijnde deze Verordening aan Heeren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, volgens hun bericht van den 16 Februari 1866, G No. 72 in afschrift medegedeeld.

En is hiervan ingevolge art. 169 der Gemeentewet, met inachtneming van het in art. 173 dier wet voorgeschreven formulier alkondiging geschied, op de wijze bepaald in de plaatselijke verordening ter uitvoering van art. 172 derzelfde wet — vastgesteld door den Gemeenteraad den 22 April _ ter gewoner tijd en plaatse, op Zondag 18 Februari

1866.

Burgemeester en Wethouders der Gemeente Oss, w. g. Dr. H. v. d. STEEN, Burgemeester. w. g. E. H. v. d. HEIJDEN, Secretaris.quot;

NB. Niet alleen dat dit 16e Hoofdstuk op denzelfden dag als de 15 vroegere tot stand kwam, maar zij werden tegelijk opgezonden aan Gedeputeerde Staten. Dezelfde brief van laatstgenoemden berichtte beider ontvangst en de afkondiging geschiedde ook op denzelfden dag.

19. Gemeente Ravestf.in. B r andver ordening van 25 September 1855. Art. 1. Toepassing van art. 703 B. VV.

-ocr page 383-

gemeente rosekdaai, en nispen, enz.

20. Gemeente Rosendaal en Nispen.

Alg. Pol. Verord. van 17 i\\fei 1887.

Art. 227. Toepassing van art. 703 B. W.

Art. 228. Toepassing van art. Ö90 B. W.

Zonder stral bedreiging.

21. Gemeente Schijndel.

Alg. Pol. Verord. van 14 Februari 1877.

Hoofdstuk XVI.

Van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen overlaat.

Afdeeling I.

Bepalingen niet voorziening.

Art. 147. Toepassing van artt. 677 en 701 B. W.

Art. 148. Toepassing van art. 690 B. W.

Al. 1. Omtrent afsluitingen, moetende dienen ter

vervanging van reeds bestaande. Al. 2. Omtrent nieuw aan te leggen afsluitingen.

Art. 149. Toepassing van art. 70,3 B. W., nopens de tusschenruimte.

Art. 150, Toepassing van art. 703 B. W., nopens de aan te leggen goot en nader voorschrift omtrent het aanvullen der tusschenruimte tusschen den muur, de haag of schutting en de aan te leggen sterfput, mooskuil, mestvaalt of iets dergelijks.

Art. 151, al. 1. Toepassing van art. 733 B. W.

» 151, » 2. Omtrent de erfdienstbaarheid van licht of uitzicht.

Art. 152 meldt dat de in artt. 149, 150 en 151 voorkomende bepalingen alleen gelden voorzoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.

Afdeeling II.

Bepalingen van gebruik.

Art. 153. Toepassing van art. 813 B. VV,

Art. 154. »I)e huur en verhuur der huizen en aanhoorig-heden, gedeelten van dien en tuinen, bouw-, wei-, hooilanden en afzonderlijke strouwsel- of krabvelden, voor een jaar en

227

-ocr page 384-

gemeente tilburg.

langer aangegaan, is de termijn van opzegging volgens plaatselijk gebruik van:

a. huizen, gedeelten van dien en tuinen als de landbouwerswoningen (boerderijen) vóór St, Jacob (25 Juli) en de overige woningen vóór Kerstmis (25 December) namelijk den vervaltijd voorafgaande;

b. de huur voor eene week aangegaan moet eene week bevorens worden opgezegd;

c. de huur van bouwland te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, moet opgezegd worden voor St. Jacob, dus vóór 25 Juli;

(/. de huui van weiland, te half Maart, Pinksteren of te oogst aan de stoppelen aanvaard zijnde, moet opgezegd worden vóór St. Jacob dus vóór 25 Juli;

e. weiland en afzonderlijke strouwselvelden of bosschen, den nen November (St. Maarten) aanvaard zijnde, moeten vóór 11 November worden opgezegd, (artt. 1607, 1614 en 1623 B. W.).quot;

Art. 155. »Bij plaatselijk gebruik is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is op den dag van het eindigen der huur de meubelen en het huisraad te ontruimen en te ge-doogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den huurder, zooveel doenlijk, de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting daarvan, afsta, zoodat op dien dag ten 12 uur des middags de vorige huurder over niets meer kan beschikken. (Art. 1635 B. W.).quot;

Art. 156, »De tijd van ontruiming van tuinen is voor of op half Maart; die van bouwlanden oogst bloot aan de stoppelen of St Maarten, ook al bevindt zich daarop naschaar; die van wei- en hooilanden met half Maart, Pinksteren, oogst aan de stoppelen of St. Maarten, naar gelang der aanvaarding. (Art. 1623 en 1633 B. W.).quot;

Strafbepaling ontbreekt, evenals eene bepaling dat B. en W. het in strijd met de Verordening tot stand gebrachte mochten verwijderen.

22. Gemeente Tilburg.

Alg. Pol. Voord, van 14 December 1887.

(Geheel overeenkomstig die van 10 Juli 1876.)

228

-ocr page 385-

GEMEENTE TILBURG

Hoofdstuk XVI.

Van de bepalingen, welke de algemeene burgerlijke wetgeving aan de plaatselijke reglementen en gebruiken overlaat.

Afdeeling I.

Bepalingen met voorziening.

Art. 175 (oud 199). «Niemand mag in eenige waterloopen, grachten of slooten, aan de gemeente of particulieren toe-behoorende, of in eene gemeente-waterleiding of waterkeering eenige verandering aan den waterloop brengen, of die wateren ten zijnen nutte tot een ander einde, dan waartoe zij, volgens den daaraan gegeven loop, bestemd zijn, aanwenden of bezigen, zelfs niet door onzichtbare werken beneden den gewonen waterstand, zonder uitdrukkelijke vergunning van het Gemeentebestuur, wanneer de genoemde wateren aan de gemeente toebehooren, of van de daarop rechthebbenden, wanneer zij particulier eigendom zijn. (Art. 677 en 701 B. W.)quot;

Art. 176 (oud 200) past art. 690 B. W. toe.

Art. 177 en 178 (oud 201 en 202) passen art. 703 B. W. toe. Art. 201 geeft aan den afstand tot den gemeenen muur, art. 202 bepaalt een en ander omtrent het aanleggen eener goot, en van een sterfput, mooskuil of mestvaalt.

Art. 179 (oud 203) luidt: »Bij erfdienstbaarheid van voetpad, dreef of weg, is de breedte van een voetpad één meter; van eene dreef, twee meter, en van een weg, drie meter. (Art. 733 B. W.)

Bij eene erfdienstbaarheid van licht of uitzicht, waarvan de ramen zoodanig zijn geplaatst, dat daardoor het eene pand niet geheel afgesloten zou kunnen worden, of gemeenschap tusschen personen in het eene en het andere pand zou kunnen plaats hebben, kan de eigenaar van het lijdende pand vorderen, dat die ramen worden afgesloten met dichte ijzeren traliën, gevestigd in de kozijnen; de traliën zullen ten hoogste één decimeter tusschenruirate de eene van de andere mogen hebben.

Bij erfdienstbaarheid van riool van een secreet, uitloopende in dat van een naburig pand, mag van het secreet in het heerschende pand geen ander gebruik worden gemaakt, dan waartoe het uit den aard bestemd is; alleen zal de afvoerbuis, wanneer dit noodzakelijk is, mogen worden doorgespoeld.

-ocr page 386-

230

waarbij echter niet meer clan het noodige water mag gebruikt worden. (Art. 738 B. W.)quot;

Art. 180 (oud 204). »De in de art. 201, 202 en 203 voorkomende bepalingen gelden alleen, voorzoover bij den titel geene andere bepalingen zijn gemaakt.quot;

Afdeeling II.

Bepalingen van gebruik.

Art. 181 (oud 205). Verklaring van hetgeen is »volgens plaatselijk gebruikquot;, is, ten aanzien van tijd van hakhout, enz., toepassing van art. 813 B. W.

Art. 182 (oud 206). »Van huur en verhuur der huizen, gedeelten van dien en tuinen, bouw-, wei- en hooilanden, voor één jaar en langer aangegaan, is de termijn van opzeg-zcgging, volgens plaatselijk gebruik, van:

a. huizen, gedeelten van dien en tuinen, verhuurd voor een jaar of langer, vóór den 16 October, doch kan nog op dien dag geschieden vóór den middag, mits alsdan het uur door getuigen kan bewezen worden of in het exploit bepaaldelijk wordt vermeld;

b. de opzegging van dergelijke huurovereenkomst, voor korter tijd dan een jaar, maar langer dan eene week, brengt ook dezelfde eischen mede, wanneer die voor korter tijd aangegane huur op den gewonen tijd eindigt; voor het overige wordt de beslissing, of eene opzegging tijdig is geschied, ter beoordeeling van den rechter overgelaten;

Huur, voor eene week aangegaan, moet eene week bevorens worden opgezegd;

c. de huur voor een jaar van bouwlanden moet opgezegd worden vóór St. Jacob en St. Anna, dus vóór 25 Juli; ook dezelfde huur van weilanden, die met half Maart aanvaard zijn, heeft dien opzeggingstermijn; die echter met 11 Nov. (St. Maarten) zijn aanvaard, daarvan moet de huur vóór dienzelfden datum worden opgezegd, dus vóór 11 Nov. (Art. 1614, 1607, 1616, 1623 B. W.)quot;

Art. 183 (oud 207). Verklaring van de geringe dagelijksche reparation »volgens plaatselijk gebruik.quot; (Art. 1619 B. W.)

Art. 184 (oud 208). »De tijd van huur voor gestoffeerde kamers, wanneer geene bepalingen van tijd van huur, of van zekere som bij het jaar, de maand of bij den dag zijn gemaakt, is volgens plaatselijk gebruik één maand. Volgens

-ocr page 387-

GEMEENTE TILBURG.

d:it gebruik duurt de huur van huizen en daarbij behoorende tuinen, in het evenbedoeld geval, tot den eerstkomenden gewonen verhuurtijd, van huizen op iO April, vóór 12 uur des middags, en van tuinen 15 Maart. Art. 1621, 1O22 en 1623 B. W.)quot;

Art. 185 (oud 209). »Het plaatselijk gebruik van opvolging van huur van huizen is, dat de huurder, wiens huur eindigt, verplicht is op den dag van het eindigen der huur de meubelen en het huisraad te ontruimen, en te gedoogen, dat de nieuwe huurder zijne meubelen en huisraad in het gehuurde brenge, alsmede dat de vorige huurder daartoe ter beschikking van den huurder zooveel doenlijk de noodige vertrekken met de middelen tot afsluiting daar van afsta, zoodat op dien dag, ten 12 ure des middags, de vorige huurder over niets meer kan beschikken. (Art. 1635 B. W.)quot;

Art. 186 (oud 210). »De tijd van ontruiming van tuinen is vóór of op half Maart; die van bouwlanden, oogst bloot aan de stoppelen, ook al bevindt zich daarop naschaar; die van wei- en hooilanden, met half Maart, of in de speciale gevallen van aanvaarding met 11 Nov. (St. Maarten), ook ontruiming met 11 Nov. (Art, 1623, 1633 B. V/.)quot;

Art. 187 (oud 211). »De dienstboden worden gerekend gehuurd te zijn voor één jaar, met halfjaarlijksche opzegging; d. i. de dienstbode treedt den 3011 Mei in dienst, en wordt met Kermis (laatste Zondag in Augustus) geen kermis (huurpenning) aangeboden en aangenomen, dan moet de dienstbode den dienst met 2 November verlaten, na het afwasschen der vaten, zoo dit tot de werkzaamheden behoort. Indien met Nieuwjaar een nieuwjaarsfooi wordt aangeboden en aangenomen, alsdan wordt de huur gerekend weder voor een jaar te zijn aangegaan, terwijl overigens de huur, zonder dat, op het einde van het dienstjaar (2 Mei) eindigt. Daarenboven zijn, volgens plaatselijk gebruik, de huurovereenkomsten gesloten met het recht van weerszijden, 0111 do huurovereenkomst met de 0 weken op te zeggen. (Art. 1383 B. W.)quot;

NB. Van strafbepaling is geene sprake; dit hoofdstuk vormt eene toevoeging aan het publiekrechtelijke deel.

23I

-ocr page 388-

gemeente uuen, en/,.

23. Gemeente Uden. Alg. Pol. Verord. van 23 October 1882. Art. 5. Toepassing van art. 703 B W.

24. Gemeente Werkendam,

Alg. Pol. Verord. van 23 Mei 1884.

Art. 68, al. 3. Toepassing van art. 690 B. W., met strafbedreiging.

Art, 71, Toepassing van art. 703 B. W., inet strafbedreiging.

25. Gemeente Willemstad.

Verordening op hel bouwen en sloopen van 26 Augustus 1856, gewijzigd 8 Juli 1862 en 23 Mei 1879.

Art. 4. «Wanneer iemand bouwt en de stellingen niet gevoegelijk op zijn eigen erf kan plaatsen, mag hij dezelve o]) de geschiktste wijze stellen op het erf van zijn buurman, mits dat hij de vuiligheid hiervan ten zijnen koste wegruime en zoo er schade is veroorzaakt, die vergoede.quot;

Art 6, »Niemand mag in een gemeenen gang iets leggen of stellen, waardoor de eigenaren in het gebruik zouden worden belemmerd, zullende men zelfs daarin geene deuren of vensters naar buiten opengaande maken, zonder consent van dezelve,quot;

Art, 7. »Bij het bouwen van regenbakken, privaten, mestputten of iets dergelijks tegen een scheidsmuur van zijn buurman moet men zorgen er eenen goeden steensmuur tusschen te metselen, zoodanig, dat daardoor geene vochtigheid kan doordringen bij den buurman en deze dus geene schade krijgen door de onreinheid, mogende hij ook in geen geval een luchtgat in dien scheidsmuur maken, terwijl de afstand bij art, 703 B. W. bepaald wordt gesteld op 7 palmen.quot;

Art. 9. »De hoogte van de muren en afscheidingen, waaromtrent art. 690 B, W. naar bijzondere Verordeningen verwijst, wordt bepaald op 2 ellen.quot;

Art. r8. »Ieder is verplicht om het water van de daken, goten of gootsteenen op straat, door middel van pijpen tot op den grond te leiden.quot;

232

-ocr page 389-

GliMEENTE ZEVENBERGEN, ENZ.

Art. K). »Een ieder moet zorgen dat het water van zijne daken niet op eens anders erf kome.quot;

Volgens art. 26 zijn alle overtredingen tegen dit reglement strafbaar.

26. Gemeente Zevenbergen.

Alg. Pol, Verord. van 28 Maart 1877, gewijzigd -\\ Fehr. en 9 April 1887.

Art. II. Toepassing van art. 703 B. W., ten aanzien van put, riool, secreet, met strafbedreiging.

Art, 13. Toepassing van art. 690 B. W., zonder strafbedreiging.

Art. 19. Toepassing van art. 703 B. VV., ten aanzien van stookplaats, oven of schoorsteen, met strafbedreiging.

27. Gemeente Hooge- en Lage-Zwaluwe.

Bij de lirandverordening van 13 Maart 1888 is vervallen eene toepassing van art. 703 B. W., tot dien tijd toe geldig krachtens Hoofdstuk IV, Afd. III, Art. 5 Alg. Pol. Verord. van 23 September 1856.

Provincie Limburg.

1. Gemeente Amby.

Alg. Pol. Verord. van 15 Sept. 1861.

-3j

Art. 27—e. Toepassing van art. 703 B. VV.

2. Gemeente Amstenrade. Br andver ordening van 1 Sept. 1861. Art. 1 —e. Toepassing van art. 703 E. VV.

3. Gemeente Arcen en Velden. Alg. Pol. Verord. van 26 Januari 1888. Art. 23—e. Toepassing van art. 703 B. W.

-ocr page 390-

gemeente beek, enz.

4. Gemeente Beek. Br andverordening van 4 Dcc. i8t)i. Art. 1—o. Toepassing van art. 703 B. W\\

5. Gemeente Berg en Terblijt. Brandvcrordening van 14 April 1887. Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

6. Gemeente Bergen. Alg. Pol. Ver or d. van 30 Juli 1862. Art. (). Toepassing van art. 703 B. W.

7. Gemeente Bingelradk. Br andverordening 13 Januari i86j. Art. 1—e. Toepassing van art. 703 15. W.

8. Gemeente Borgharen. Brandverordcning 18 Feb. 1876. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

9. Gemeente Broekhuyzen. Alg. Pol. Verord. van 25 Feb. 1867. Art. 40 d. Toepassing van art. 703 B. W.

10. Gemeente Bunde. Brandverordcning 9 Dec. 1861.

Art. i e. Toepassing van art. 703 B. W.

11. Gemeente Eysden. Brandverordcning 18 Mei 1864.

Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

-ocr page 391-

•235

12. Gemeente St. Geertruid.

Brandv er ordening van 15 April 1862.

Art. I —e. Toepassing van art. 703 13. W

13 Gemeente Geleen. Brandverordening van 9 Oct. 1866.

Art. 3 en 6. Toepassing van art. 703 B. W.

14. Gemeente Grathem. Brandverordening van 21 Oct. i860. Art. 6. Toepassing van art. 703 E. W.

15. Gemeente Grevendicht. Brandverordening van 5 Juli 1861.

Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

16. Gemeente Gronsfeld. Brandverordening van 10 Januari 1862. Art. 1—c. Toepassing van art. 703 li. W.

17. Gemeente Grubbenvorst.

Alg. Pol. Verord. van 29 Oct. 1863, gew. 27 Nov. 1865. Art. 43 sub d. Toepassing van art. 703 B. W.

18. Gemeente Gulpen. Brandverordening van 10 Dec. 1862.

Art. i- e. Toepassing van art. 703 B. W.

19. Gemeente Helden.

Alg. Pol. Verord. van 11 Dec. 1863, gew. 18 Dcc. 1866. Art. 44—c. Toepassing van art. 703 B. W.

-ocr page 392-

gemhente horn, enz.

20. Gemeente Horn.

Rrandvcrordening van 15 April 1858.

Art. O. Toepassing van art. 703 B. W.

21. Gemeente Horst.

Alg. Pol. Verord. van 16 Juli 1863, gew. 28 Sept. 1865 en 4 A[gt;ril 1876.

Art. 44—c. Toepassing van art. 703 B. W.

22. Gemeente Houthem.

Alp. Pol. Verord. van 24 Juni 1862.

Art. 6—c. Toepassing van art. 703 B. W.

23. Gemeente Hunsel.

Bmndverordening van 26 Februari 1870.

Art. ö. Toepassing van art. 703 B. W.

24. Gemeente Itteren.

Brandverord. van 29 October 1874.

Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

25. Gemeente Kessel.

Br andverordening van 9 Juli 1852, geiv. 30 April 1855. Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

26. Gemeente Klimmen. Brandverordening van 13 Mei 1802.

Art. i-- E. Toepassing van art. 703 B. W.

27. Gemeente Margraten. Brandverordenins, van 24 December 1868, »«70. 30 Juni 1880. Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

236

-ocr page 393-

gemeente meerlo, enz.

28. Gemeente Meerlo.

Alg. Pol. Verord. van 26 Februari 1867. Art. 40—d. Toepassing van art. 703 B. W.

29. Gemeente Meerssen.

Brem dv er or den ing van 11 December 1882.

Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

30. Gemeente Meyel.

Alg. Pol. Verord. van 21 April 1888. Art. 49. Toepassing van art. 690 B. W.

31. Gemeente Merkelbach. Br andverordening van 3 September 1878. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

32. Gemeente Mheer.

Brandverord. van 9 Maarl j 20 April 1852, gew. 15 A/W 1855. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

33. Gemeente Munster-Geleen.

Br andver ordening van 26 ATei 1852. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

34. Gemeente Neeritter.

Br andver ordening van 18 November 1877. Art. 6. Toepassing van art, 703 B. W.

35. Gemeente Nieuwstad.

Br andverordening van 27 Maarl 1852. Art. 5. Toepassing van art. 703 B. W.

237

-ocr page 394-

238

36. Gemeente Noor bf.ek.

Br andver ordening van n Feb. 1862, geiv. 8 Oct. 1873. Art. 1—E. Toepassing van art. 703 B. W.

37, Gemeente Obbicht en Papenhoven. Br andver ordening van 23 Juni 1802, gew. 27 Sept. 1886. Art. 1—E. Toepassing van art. 703 B. W.

38. Gemeente St. Odilienberg.

Alg. Pol. Verord, van 10 October 1881.

Art. 26—C. Toepassing van art. 703 B. W.

39. Gemeente Oud-Valkenburg. Br andverordening van 9 Jrdi 1885.

Art. 1—E. Toepassing van art. 703 B. W.

40. Gemeente Oud-Vroenhoven.

Br andver or d. van 23 Juni 1862, gew. 28 Sept. 1878. Art. ö. Toepassing van art. 703 B. W.

41. Gemeente Roermond. Brnndverordening van 18 October 1881.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

42. Gemeente Schimmert.

Alg. Pol. Verord. van 27 December 1867, Art. 32 sub e. Toepassing van art. 703 B. W.

43. Gemeente Schinnen.

Brandverord. van 15 Juni 1861, gew. 12 Dcc. 1866«« 14 Dec. 1877 Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

-ocr page 395-

gemeente sevenum, enz.

44. Gemeente Sevenum.

Alg. Po/. Verord, ^an 26 Oct. 1863, geiv. 25 Nov. 1865. Art. 43 sub d. Toepassing van art. 703 B. W.

45. Gemeente Slenaken.

Br andverordening van 9 Dec. 1861.

Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

46. Gemeente Span beek.

Brandverordening van 22 Maart 1858.

Art. 6. Toepassing van art. 703 B. VV.

47. Gemeente Stein.

Brandverordening van 25 [utii 1861.

Art. i- - e. Toepassing van art. 703 B. W.

48. Gemeente Stevensweert.

Alg. Pol. Verord. van 25 Januari 1877.

Art. 26 -c. Toepassing van art. 703 B. W.

4g. Gemeente Susteren.

Brandverordening van 12 Sept. 1866.

Art. 1 e. Toepassing van art. 703 B. W.

50. Gemeente Urmond.

Brandverordening van 31 Mei 1861.

Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B, W.

51. Gemeente Venray.

Alg. Pol. Verord. van 29 Oct. i860, gew. 13 April 1876, 14 Juni 1877, 5 Juli 1877, 1 Maart 1879, 1 September 1885.

Art. 44- 0. Toepassing van art. 703 B. W.

239

-ocr page 396-

gemeente vlodrop, enz.

52. Gemeente Vlodrop. Brandverordening van 19 December 1861. Art. 1—e. Toepassing van art. 703 B. W.

53. Gemeente Wanssum. Alg. Pol. Verord. van 28 Februari 1867. Art. 40 sub d. Toepasssing van art. 703 B. W.

54. Gemeente Weert. Alg. Pol. Verord. van 22 Mei 1868. Hoofdstuk IV. Art. 6. Toepassing van art. 703 B. W.

55. Gemeente Wylre, Brandverordening van 4 April 18(17. Art. 3. Toepassing van ert. 703 B. W.

56. Gemeente Wijnandsrade. Brandverordening van 7 Juli 1861. Art. 1 —c. Toepassing van art. 703 B. W.

BIJVOEGSELEN.

Onder hei drukken zijn mij nog ter kennis gekomen de volgende Verordeningen.

Provincie Utrecht.

Gemeente Veldhuizen. Alg. Pol. Verord, van 8 Oclober 1888. Hoofdstuk X.

240

-ocr page 397-

gemeente amsterdam.

Bouwen en Sloopen.

Art. 143. »Wie in de nabijheid van een al of niet ge-meenen muur eene der bij art. 703 B. W, bedoelde inrichtingen wil daarstellen, is verplicht eene tusschenruimte van minstens 0.22 meter te laten, en bovendien zoodanige werken aan te leggen, als B. en W. noodig zullen oordeelen tot vrijwaring van de naburige erven tegen schade.quot;

Art. 144. Regeling van het recht van waterloop.

Art. 145. Toepassing van art. 690 B. W.

Overtreding van al deze artikelen strafbaar, volgens art. 162, met geldboete van ten hoogste f 25.—.

Provincie Noord-Holland.

Gemeente Amsterdam.

1. Makelaars.

Besluit Gemeenteraad van 1 Februari 1854.

Verordening omtrent de voorwaarden van aanstelling en de wijze van schorsing en vervallenverklaring der Makelaars, vastgesteld door den Gemeenteraad, bij besluit van 1 Febr. 1854.

»Art. 1. De Raad bepaalt het getal van de makelaars, die, hetzij in het algemeen, dat is in alle, hetzij in bijzondere vakken, naar gelang der behoefte des handels, en in verband tot de tijdelijke omstandigheden vereischt worden, na in elk voo\'komend geval het gevoelen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken gevraagd te hebben.

Art. 2. Van alle aanvragen om aanstelling tot makelaar wordt eene lijst, naar tijdsorde der gedane aanvragen, opgemaakt en bijgehouden, waarop de Raad bij het doen eener keuze zoodanig acht slaat, als hij vermeent te behooren.

Art. 3. Zij, die als makelaars wencchen aangesteld te worden, moeten zijn inwoners dezer Stad, meerderjarig of meerderjarig verklaard, van onbesproken gedrag, kundig in den handel en gedurende minstens drie jaren werkzaam geweest in het vak of in de vakken, waarin zij de makelaardij wenschen uit te oefenen.

Geenc uit Rijks of Stedelijke kas bezoldigden worden als makelaars aangesteld.

241

-ocr page 398-

GEMEENTE AMSTERDAM

Art. 4. Ieder, die als makelaar wenscht aangesteld te worden, legt bij zijn daartoe strekkend verzoekschrift aan den Raad over:

a. het bewijs, dat hij den ouderdom van 23 jaren bereikt heeft, of dat hij gehuwd is, of eene acte van bekomen ven ia actatis ;

h. eene verklaring van inwoning, afgegeven door het

Gemeentebestuur;

c. eene verklaring, tot bewijs van liet laatste vereischte, in art. 3 gevorderd, geteekend door 2 geaccrediteerde kooplieden, of door twee deskundigen in het vak of de vakken, waarin hij werkzaam is geweest.

Art. 5. Van elke aanstelling tot makelaar wordt door den Raad kennis gegeven aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

Art. 6. In de gevallen, waarin de toepassing der in art. 70 van het Wetboek van Koophandel bedreigde schorsing of vervallen-verklaring van een makelaar vereischt wordt, benoemt de Raad uit zijn midden eene commissie van vijf leden, ten einde, na een nauwkeurig onderzoek en na den makelaar te hebben gehoord of tot verhoor te hebben uit-genoodigd, den Raad voor te lichten.

Art. 7. Het besluit van den Raad tot schorsing of vervallen-verklaring moet met redenen omkleed zijn en in eene openbare vergadering worden genomen.

Het wordt binnen veertien dagen, nadat het is genomen, in afschrift medegedeeld aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken.quot;

2. Reglement voor de Stedelijke Geadmitteerden en Beiiedigde Werkers, Meters, Wegers, enz., van 14 November 1827 en 20 Februari 1828.

Art. 1. De geadmitteerde en beëedigde Stedelijke Werkers, Meters, Wegers, enz., zijn de volgende:

Werkers voor den Handel (Waagdragers).

Turfdragers.

Turfhevers.

Turfvulsters.

Turfraapsters.

Korenmeters.

242

-ocr page 399-

GEMEENTE AMSTERDAM. .?^3

Korendragers.

Kalkdragers en Kalkmeters.

Steenzetters en Steentellers.

Houts- en Steenkolenmeters.

Steenkolenwegers en Hooivvegers.

Uit deze Grondwet (sit venia verbo) volgden een aantal bijzondere bepalingen, onder anderen:

A. Besluit van 1.4 November 1827, betreffende Inkomstegelden en Contributien.

Clontribntio Inkoms Igo Ido n. Jaarlijks.

Koornmeters........../100,00 /10,00\')

Stads Werkers voor den Handel of

Waagdragers.........

» 100,00

» 10,00

Turfdragers...........

» 50,00

» 5,5°

Turfhevers...........

/ 25,00

/ 2,50

Turfvulsters of Meetsters .....

» 75,00

» 7 0°

Turfraapsters .........

IO

Cy»

quot;Q

O

» 2,50

Koorn dragers..........

» 6o,00

» 6,00

Kalkdragers en Kalkmeters . . . .

» [ 00,00

» 10,00

Steen- en Houtskolenmeters en Steen

kolenwegers..........

» 100,00

» 10,00

Hooiwegers...........

» 100,00

» IO,(X^

Steenzetters en Steentellers.....

» 100,00

» 10,00

B. Loontarieven van 14 November 182

7, 5 en 28 Maart en

8 Mei 1828, 27 September 1844. 18 Julif 1850, 20 Fcbr. en 2b Mei 5851, en 17 fun ij 1857.

C. Instructie voor de Afeters en Wegers van Steenkolen, van 30 October 1845.

Art. 1 verwijst naar de verplichtingen, bij het algemeen reglement vastgesteld.

Art. 2 schrijft voor de werktuigen, die zij behooren te hebben.

Art. 3 en 4 wat bij wegen en meten van steenkolen in acht te nemen is.

Art. 5. »De Meters en Wegers van Steenkolen, zullen bij

1) Bij besluit van 7 neccmber 1836 verminderd tot ƒ2. --,

-ocr page 400-

244

elk werk behoorlijk aanteekening houden van hetgeen door hen verwerkt wordt, en zulks door het stellen met zwarte inkt, van eenen streep voor elke maat en elke wik in een van wege de administratie der stedelijke accijnsen aan elk hunner uit te reiken gequoteerd en geparafeerd zakboek.quot;

Art. 6. Werkzaamheden ten opzichte der Stads-accijnzen.

D. Besluit van 18 Mei 1848,

waarbij aan Stads geadmitteerde Werkers, Meters, Wegers, Tellers, Dragers, Hevers, enz. en hunne vrouwen verboden wordt in die voorwerpen handel te drijven of doen drijven.

E. Besluit van 4 October 1849,

luidende: »de lossing van Kluiten en Molm van Steckturf zal voortaan niet mogen geschieden, dan ten overstaan van de daarvoor aangestelde beambten van de Turfmarkt, en de aflevering niet anders plaats hebben dan bij de Ned. Mud.quot;

Tevens werd het loon bepaald.

F. Reglement van de Spaarkas.

»Art. 1. De Spaarkas zal zijn zamengesteld uit hetgeen voor inkomstgeld betaald en als jaarlij ksche toelage op gezette tijden door elk Lid wordt bijgedragen.

Art. 2. Geene acte van admissie zal worden uitgereikt dan op bewijs dat de eed is afgelegd en de inkomstgelden, benevens de kosten van zegel en registratie, zijn voldaan.

Art. 3. De jaarlijksche bijdragen moeten vóór of uiterlijk op den eersten April van elk jaar aan de overlieden van elke corporatie worden betaald, op poene dat de nalatigen dadelijk van hun lidmaatschap vervallen zullen worden beschouwd.

Art. 4. Hetgeen als inkomstgeld of jaarlijksche bijdragen in de Spaarkas is ingebracht, is en blijft de onherroepelijke eigendom der geheele corporatie.

Art. 5. Geene teruggave noch bij overlijden, noch bij vrijwilligen of gedwongen afstand en verlating van de corporatie, zal daarvan immer plaats hebben.

Art. 6. Hetzelfde zal mede plaats hebben ten aanzien van beboetingen, wegens pligtverzuim of anderzins, welke in het vervolg ter handhaving van goede orde zullen worden vastgesteld, alsmede omtrent donatiën of makingen, ten behoeve van de corporatie.

-ocr page 401-

GEMEENTE AMSTERDAM.

Art. 7. De Spaarkas strekt tot het goedmaken van schade door eigen toedoen of nalatigheid veroorzaakt en tot onderstand dergenen, welke door ouderdom of lichaamsgebreken buiten staat geraken hunne function verder te blijven waarnemen.

Art. 8. Van schade, zonder eenig eigen toedoen of nalatigheid veroorzaakt, zal geene restitutie worden verleend.

Art. g. De beslissing of de schade al of niet, en zoo ja, tot welk bedrag dezelve zal vergoed worden, hangt van de onderlinge overeenkomst en bepaling van de overlieden der corporatie met de belanghebbenden af, en zoo dezen het deswegens niet eens kunnen worden, zal de kommissie uit de Regering, na zich alvorens met de wederzijdsche redenen en gronden bekend gemaakt te hebben, desaangaande beslissen.

Art. 10. De schade getauxeerd zijnde, zal dezelve dadelijk bij wijze van voorschot, voor elke individuëele rekening uit de Spaarkas worden voldaan, doch zal degeen, die de schade veroorzaakt heeft, dat gedane voorschot ten spoedigste en uiterlijk binnen den tijd van zes weken, te rekenen van het oogenblik, dat hij daarvan schriftelijke kennisgeving heeft bekomen, wederom in de kas der corporatie moeten inbrengen, op poene van demissie en onverminderd van daartoe in regten te zullen worden geconstringeerd.

Art. 11. Wanneer het twijfelachtig is, door wiens toedoen of nalatigheid de schade is veroorzaakt, zullen allen die te zamen het werk verrigt hebben, tot vergoeding verbonden zijn en elk daarvoor, hoofd voor hoofd, zijn aandeel moeten opbrengen, onder straf en bepaling als boven.

Art. 12. Eene genoegzame hoeveelheid van disponibele penningen voorhanden zijnde, zullen dezelve terstond met vooi kennis en goedvinden van de kommissie uit het Stads bestuur in inschrijving op het Grootboek der Nationale Werkelijke Schuld worden belegd, en desgelijks zal ten aanzien van de niet benoodigde renten geschieden, om zoodra mogelijk tot kapitaal te worden aangelegd.

Art. 13. Gereedschappen of andere benoodigdheden voor elke corporatie zullen voor algemeene rekening uit de Spaarkas aangeschaft en onderhouden worden.

Art. 14. Diegenen, welke den ouderdom van 60 jaren hebben bereikt of vroeger door ligchaams-zwakheden zonder eigene schuld of toedoen, buiten staat zijn geraakt de ver-

245

-ocr page 402-

G EM KENT E A11 ST ER DAM.

eischte werkzaamheden te blijven verrigten, kunnen zich bij overlieden, ter bekoming eener wekelijksche toelage, aanmelden.

Art. 15. Zij zullen echter, ten minste gedurende den tijd van vijftien jaren, leden der corporatie moeten geweest zijn; daarvan door het overleggen van hunne akte van admissie moeten doen blijken en daarbij voegen eene akte van geboorte en een attest van deskundigen van den staat van hun gebrek of onvermogen,

Art. 16. Het genot eener jaarlijksche toelage zal aan een bepaald getal personen worden toegestaan en het gezamenlijk jaarlijksch montant moet altoos beneden het zuiver jaar-lijksch rendement der inkomsten blijven.

Art. 17. De beoordeeling en beslissing desaangaande en het montant der toelage, zal jaarlijksch, na gedane rekeningen verantwoording, bij de kommissie uit het Bestuur, met de overlieden of administrateuren een opzettelijk onderwerp van onderzoek en overweging uitmaken.

Art. 18. De overlieden der corporation zijn belast met de directie en administratie der Spaarkas, met de ontvangst der inkomst-gelden en van de jaarlijksche bijdrage, alsmede met de invordering der gedane beboetingen, en met de uitgaven van alles, wat ten algemeenen nutte der corporatie dient, desgelijks ook van de wekelijksche toelage in der tijd vast te stellen; doen zich daarvan kwitantiën naar behooren uitreiken en leggen dezelven bij hunne verantwoording, tot justificatie over.

Art. 19. Eenmaal \'sjaars, of zoo dikwerf zulks van hen zal worden gevorderd, zijn zij gehouden van alle hunne ver-rigtingen en van den staat der kas opgave, mitsgaders rekening en verantwoording aan de kommissie uit de regering te doen; en deze rekening en verantwoording goedgekeurd zijnde, zal dezelve voor den tijd van 14 dagen, op eene geschikte plaats ter visie van de leden der corporatie gelegd worden.

Art 20. De bewijzen, de boeken, de gelden, de effecten enz., zullen door overlieden in een kast of kist, van drie verschillende sloten voorzien, geborgen en bewaard worden; en zullen de drie oudsten in rang zijnde overlieden, ieder één sleutel na zich nemen en bewaren.

Art. 2i. Jaarlijksch na de gedane rekening en verant-

-ocr page 403-

GEMEENTE AMSTERDAM.

woording, zal één van de overiieden aftreden, en door een ander Lid, uit eene nominatie van 3 leden, door overlieden ingeleverd, van wege de kommissie verkozen, vervangen worden: zullende de rang en orde van aftreding in de eerste bijeenkomst van overlieden, door het lot beslist worden.

Art. 22. Overlieden zullen voor hunne moeite en administratie alleen vrijdom van jaarlijksche bijdragen genieten, zonder meer, doch verschotten en uitgaven voor boeken, papier, enz., in rekening brengen, mits de som van vijftig guldens niet te boven gaande.

Art. 23. Het stedelijk bestuur behoudt aan zich het regt dit reglement, des goedvindende, te allen tijde nader uit te breiden, te wijzigen of te veranderen, zoo als zulks bevonden zal worden te behooren.quot;

G. Het Reglement voor de Koornmeters en hunne Overlieden, van 26 Maart 1857,

werd op 23 Juni 1875 vervangen door een

Reglement voor de Koormvegers en Meters.

De reden was, dat in het oude reglement geene sprake was van wegen.

Het nieuwe luidt aldus:

»Art. 1. Te dezer stede zal het wegen van granen, zaden en peulvruchten regel, het meten daarvan uitzondering zijn.

Mogt het noodig wezen de maat te bepalen, zal ten dien einde van de partij, na elke weging van 10,000 kilo\'s, één hectoliter gewogen worden, tenzij tusschen kooper en ver-kooper meting der geheele partij bedongen is.

Art. 2. Ten gerieve van den handel wordt tot het wegen en meten van granen, zaden en drooge peulvruchten, door Burgemeester en Wethouders een vast personeel, onder de benaming wegers-meters, aangesteld, verdeeld in: 30 wegers-meters ie klasse en 30 wegers-meters 2e klasse.

Alle personen, daartoe genegen en door de Commissie voor den Graanhandel tot die betrekking geschikt geoordeeld, worden op eene lijst geplaatst, volgens welke, naar orde der plaatsing en na hernieuwd onderzoek naar die geschiktheid, tot de benoeming van wegers-meters wordt overgegaan.

247

-ocr page 404-

GEMEENTE AMSTERDAM.

Art. 3. Niemand kan tot weger-meter worden aangesteld, dan die behoorlijk kan lezen, schrijven en rekenen, inwoner der Gemeente en meerderjarig, doch niet boven de 36 jaren oud is. Dit laatste is echter niet van toepasssing bij bevordering van weger-meter der tweede tot weger-meter der eerste klasse. Bij het aanvaarden zijner betrekking stort hij eene som van /100.— in het thans bestaande Metersfonds en voldoet daaraan jaarlijks / 2.—. Het beheer van dit fonds is opgedragen aan den commissaris, den boekhouder en de hoofdlieden, nader vermeld in art. 5, op zoodanige wijze, als bij afzonderlijk reglement door Burgemeester en Wethouders is of zal worden vastgesteld.

Art 4. Alvorens hunne betrekking te aanvaarden, leggen de wegers-meters voor de Arrondissements-Rechtbank den volgenden eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof) in mijne bediening te zullen handelen met eerlijkheid en onzijdigheid, van niemand iets te zullen aannemen boven het bij tarief vastgestelde loon, en mij in alles te zullen gedragen naar de gemaakte of nog te maken verordeningen voor de koornwegers en meters. Zoo waarlijk, enz.quot;

Art. 5. Aan het hoofd der wegers-meters staan een commissaris, een boekhouder en twee hoofdlieden. De beide eersten worden door de Commissie voor den Graanhandel telkens voor den tijd van drie jaren benoemd; de beide laatsten worden uit de wegers-meters der eerste en tweede klasse, door Burgemeester en Wethouders, uit eene dubbele aanbeveling voor elke betrekking door de Commissie voor den Graanhandel, voor den tijd van drie jaren benoemd.

Zij mogen geene andere betrekkingen waarnemen en moeten zich, althans gedurende de uren bij artikel 7 te vermelden, geheel aan de belangen van den graanhandel wijden, terwijl de hoofdlieden als wegers-meters geene diensten verrigten.

De bepaling van de iste alinea van dit artikel is niet van toepassing op den tegenwoordigen boekhouder, die bij besluit van 6 November 1861 voor zijn leven is aangesteld.

Art. 6. Den commissaris is de administratie opgedragen, en wordt hij daarin, voor zooverre noodig, bijgestaan door den boekhouder. Ingeval van ontstentenis vervangen zij elkander wederzijds.

248

-ocr page 405-

GEMEENTE AMSTERDAM.

De hoofdlieden zijn belast met het dagelijksch toezigt over ai de ploegen, ter plaatse waar zij voor eenig werk zijn aangesteld. Zij zijn in de eerste plaats verantwoording schuldig aan den commissaris over alle klagten die mogten worden ingediend, en deze laatste weder aan de Commissie voor den Graanhandel, aan welke het toezicht is opgedragen over al hetgeen tot het wegen en meten der granen enz. betrekking heeft. De hoofdlieden kunnen persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor gepleegd verzuim, behoudens verhaal op den schuldige.

Art. 7. De wegers-meters moeten in het wegers-metershuis tegenwoordig zijn, gedurende de maanden Maart, April, Mei, Junij, Julij, Augustus, September en October, van des morgens 6 tot des avonds 7 uur, en gedurende de maanden November, December, Januarij en Februarij, van des morgens 7 tot des avonds 5 uur. Zij mogen zich van daar niet verwijderen zonder toestemming van den commissaris of den boekhouder die hem vervangt

Indien in het belang van den handel werkzaamheden buiten deze uren noodzakelijk zijn, zullen de wegers-meters daartoe verpligt zijn. In dat geval echter zal het loon, volgens bij dit reglement vastgesteld tarief, met 50 0/0 worden verhoogd.

De Zondag wordt niet als werkdag beschouwd.

Art. 8. De wegers-meters der eerste klasse hebben ieder in het Wegers-metershuis eene lei, zigtbaar aanwezig, waarop behalve hun naam, die van den weger-meter der 2e klasse staat vermeld, met wien zij het werk gezamenlijk verrigten. Op deze leijen moeten zij, bij verkregen werk, aanteekenen het pakhuis en den zolder alwaar, of het vaartuig waarin zij dat werk verrigten.

Art. 9. De dienst der wegers-meters geschiedt bij beurten, volgens rooster, door den commissaris, in overleg met den boekhouder, op te maken. Het verdeelen der werkzaamheden is opgedragen aan den commissaris, in overleg met den boekhouder en de hoofdlieden, echter met dien verstande, dat bij verschillende werkzaamheden aan boord van één schip de daartoe bestemde wegers-meters zich tusschentijds niet zullen mogen verwijderen, opdat die werkzaamheden geregeld en zonder oponthoud kunnen plaats vinden.

Art. 10. Geen weger-meter mag zich naar eenig werk begeven zonder voorzien te zijn van eene weeg- of meet-cedul.

249

-ocr page 406-

GEMEENTE AMSTERDAM.

door den afleveraar of diens gemagtigde behoorlijk geschreven, geteekend en door den boekhouder gecontrasigneerd.

Art. ii. Wanneer de weger-meter op den daartoe bepaalden tijd ter plaatse aankomt, alwaar hij zijn werk moet verrigten, en de werkzaamheden geenen aanvang kunnen nemen tengevolge van gebrek aan een toereikend getal koorn-dragers, afwezigheid van den op wigt of maatpasser of andere geldende oorzaken, is hij verpligt, na een half uur uitstel te hebben verleend tot de regeling van het werk, naar het Wegers-metershuis terug te keeren. In geen ander geval mag hij het hem toevertrouwde werk, zonder dringende noodzakelijkheid, verlaten.

Indien met de werkzaamheden van het wegen of meten, één half uur na den bepaalden tijd, geen aanvang kan gemaakt worden, door de schuld van dengenen die de wegersmeters heeft besteld, moeten de transportkosten van de maten en gewigten, ten bedrage van 50 centen, door dezen worden vergoed.

Art. 12. Geen gewogen of gemeten goed, dan hetgeen overgeslagen is, mag na de weging of meting los of in zakken op de zolders of in de vaartuigen verblijven, maar moet daarvan of daaruit vervoerd zijn. alvorens de wegers-meters het werk verlaten. Deze moeten zich hiervan vóór hun vertrek overtuigen en mogen geene afwijking dezer bepaling toelaten, tenzij gemagtigde van den afleveraar daartoe vergunning verleent.

Art. 13. De wegers-meters zijn verpligt in hun werk een onderscheidend en van Stadswege goedgekeurd teeken zigt-baar te dragen, ten einde voor een ieder als beëedigd werker kenbaar te zijn. Buiten hun werk mogen zij dat teeken niet dragen, en bij schorsing, afzetting, overlijden of bedanken, moet het aan den commissaris afgegeven worden.

Het gebruik van sterken drank en het rooken van tabak, gedurende het werk, is ten strengste verboden.

Art. 14. De toestellen voor de weging zijn :

1. Een ijzeren weegbak voor granen of zaden die op een bepaald gewigt worden toegewogen;

2. Twee schalen voor de weging van granen of zaden in zakken;

3. Een balans en de noodige geijkte gewigten, benevens een tarragewigt.

250

-ocr page 407-

GEMEENTE AMSTERDAM.

Die voor de meting:

1. Een geijkte halve hectoliter met eenen ronden houten geijkten strijker;

2. Twee houten schoppen.

Art. 15, De Commissie voor den Graanhandel verstrekt de noodige weeg- en meettoestellen bedoeld bij art. 14, doch het onderhoud is voor wegers-meters rekening, onder controle van den commissaris. Eiken weger-meter der eerste klasse wordt een toestel verstrekt, met uitzondering der schalen bedoeld bij art. 14 sub Nquot;. 2. Het vervoer der toestellen naar en van het werk is aan de wegers-meters der tweede klasse opgedragen. Gedurende het gebruik derzelven is de weger-meter daarvoor aansprakelijk, en na afloop der werkzaamheden brengt hij die terug naar het Wegers-metershuis.

Art. 16. De weging geschiedt zonder eenigen uitslag (de evenaar in het huisje) door den weger-meter der eerste klasse, in het bijzijn van dien der tweede klasse.

Bij het werk met de weegbak wordt het getal van iedere waag, zoowel als van iedere, volle 30 waag, en bij het nawegen van zakken het gewigt van iedere zak luide door hem uitgesproken en terstond opgeteekend.

De meting geschiedt door de beide wegers-meters met gelijke scheppen uit de partij in den zooveel mogelijk waterpas staanden \'/2 hectoliter zonder aanstooten, tot zoolang de maat geheel gevuld is. De scheppen moeten kort bij de maat gedaan en niet hooger opgeligt worden dan noodig. Het afstrijken geschiedt door den weger-meter der eerste klasse, in dier voege, dat de strijker den rand en de balk der maat geheel rake en ontbloote, zoodat door inkorting of rolling van een strijker, geene holte of indrukking ontsta.

De wegers-meters moeten ieder hectoliter van het eerste last op de achterzijde van de schop, kort bij den steel, met krijt aanteekenen en bij de meting van het tweede last, bij ieder hectoliter de gestelde schrapjes één voor één uitwisschen en zoo vervolgens.

Na het meten van ieder last, wordt het getal der van de partij gemeten lasten luide door hem uitgesproken en terstond opgeteekend. De gevulde en afgestreken maat wordt door beide wegers-meters in den zak overgestort. Onderdeden van den \'/a hectoliter of het restant eener partij, worden met het nederlandsche schepel van 10 liter genieten.

2,51

-ocr page 408-

GEMEENTE AMSTERDAM.

Indien het laatste schepel niet behoorlijk gevuld kan worden, wordt dit aan den ontvanger toegewezen.

Bij het nameten van granen enz. in zakken, moet de zak door den weger-meter kort boven de maat opgeheven en het graan langzaam in de 1/2 hectolitermaat gestort worden totdat die overloopt, zoodat zij gelijk kan afgestreken worden; de tweede \'/2 hectoliter met het overschot niet vol zijnde, wordt uit de eerste niet de heele en halve liter aangevuld, om de ondermaat te bepalen.

Art. 17. Indien onder het werk het getal werkers vermeerderd of verminderd wordt, indien deze hunne volgorde veranderen of het een of ander voorvalt, waardoor verwarring kan ontstaan, is de weger-meter verpligt het werk te staken.

Art. 18. De wegers-meters mogen het werk, hetzij geheel of gedeeltelijk verlaten, alvorens zij in een daartoe bestemd boekje aanteekening hebben gedaan van het gewigt of de maat en het soort van graan, de namen van den afleveraar en ontvanger, van den zolder, het schip, de schuit of den ligter, waaruit en waarin zij werkzaam waren.

Dit boekje, op elke bladzijde van een volgnummer voorzien, moet, vol geschreven zijnde, aan den commissaris worden ter hand gesteld, en ten minste een jaar en drie maanden op het wegers-metershuis bewaard worden.

Art. 19. Na afloop van het werk moet de weger-meter eerste klasse aan den alleveraar volledige opgave doen naar den inhoud van zijn boekje en een uittreksel naar een vastgesteld formulier (weeg- of meetcedul) aan den boekhouder overhandigen, die het in zijn register inschrijft. De afleveraar, zoowel als de ontvanger, kan ten allen tijde een gezegeld uittreksel uit dit register bekomen tegen betaling van 50 ct. voor den boekhouder.

In geval van eenig verschil geeft de weger-meter hiervan zoo spoedig mogelijk aan den commissaris kennis, en mogt door een der bij de weging of meting belanghebbende partijen op grond van zulk een verschil eene herweging of hermeting verlangd worden, zal deze op kosten van ongelijk door eenen anderen weger-meter geschieden.

Art. 20. De gemagtigden van kooper en verkooper hebben het regt om, wanneer gedurende het werk huns inziens niet naar behooren gewogen of gemeten of het belang hunner principalen gepraejudicieerd wordt, de weging of meting

-ocr page 409-

C: K M KEN TE A M S TER DAM.

dadelijk te doen staken; de weger-meter eerste klasse moet dan het reeds gewogene of gemetene duidelijk met schrijfinkt op de weeg- of meetcedul en contra-cedui uitdrukken, deze beiden met zijnen naam onderteekenen en ten spoedigste aan den commissaris inleveren.

Art. 21. De weger-meter is verpligt de gediend hebbende en door den boekhauder gestempelde weeg- en meetcedul bij den afleveraar of diens gemagtigde in te leveren uiterlijk den dag na dien waarop het werk heeft plaats gehad, of op aanvraag terstond na de boeking. De contra-ceduls blijven onder bewaring van den commissaris.

Art. 22. Het loon voor de verschillende werkzaamheden der wegers-meters wordt geregeld door het bij dit reglement gevoegd tarief.

Het weeg- of meetloon wordt door den afleveraar voldaan aan den weger-meter, die het werk heeft verrigt, tegen afgifte van den door dezen onderteekenden weeg- of meetcedul, als in art. 19 vermeld, door den commissaris gestempeld en van een volgnummer voorzien. De weger-meter is gehouden zich daarmede binnen 24 uren bij den belanghebbende te vervoegen.

Art. 23. Wanneer een weger-meter der eerste of tweede klasse, wegens ziekte of andere oorzaken, ter beoordeeling van den commissaris, tijdelijk zijne werkzaamheden niet mogt kunnen vervullen, zal hij zich door eenen anderen wegermeter, uit de klasse waartoe hij behoort, doen vervangen, met toestemming van den commissaris.

Art. 24. Ingeval van veelvuldige werkzaamheden en wanneer zulks in het belang van den handel gevorderd wordt, zal het werk met toestemming van den Voorzitter der Commissie voor den Graanhandel, in plaats van door twee be-ëedigde wegers-meters, mogen verrigt worden door één hunner, met medehulp van een geschikt werkman, daartoe door den commissaris aan te wijzen.

Wanneer, volgens oordeel van den afleveraar, bij de werkzaamheden een derde man tot inscheppen vereischt wordt, zal daarvoor 10 cents per 30 waag of 30 hectoliter, dooiden afleveraar betaald worden, zijnde een der wegers-meters verpligt den gevulden zak te helpen heven.

Art. 25. Ieder, die klagten heeft over eenen weger-meter, kan die bij den commissaris inbrengen, die daarvan den

253

-ocr page 410-

GEM RENTE AMSTERDAM.

Voorzitter der Commissie voor den Graanhandel kennis geeft. Kiagten over den comtnissaris, boekhouder of hoofdlieden, moeten bij de Commissie voor den Graanhandel ingediend worden, die daarvan, zoo noodig, Burgemeester en Wethouders kennis geeft.

Art. 2ö. Wegers-meters, die zich aan pligtverzuim, dronkenschap of ongepast gedrag hebben schuldig gemaakt, worden, naarmate der overtreding, gestraft met:

a. schorsing van ten langste 30 dagen;

b. ontslag uit hunne betrekking.

De straf van schorsing wordt op voordragt van den commissaris door de Commissie voor den Graanhandel opgelegd, met regt voor den gestrafte op hooger beroep bij Burgemeester en Wethouders.

Het ontslag geschiedt alleen door Burgemeester en Wethouders, op voordracht der Commissie voor den Graanhandel.

Art. 27. Alle vroegere resolutiën en reglementaire bepalingen, met deze in strijd, zijn opgeheven.

Art. 28. Zij, die bij de vaststelling van dit reglement reeds op het register der ingeschrevenen tot eene eventueele benoeming voorkomen, worden bij volgorde tot aanstelling-voorgedragen, voorzooverre zij aan de vereischten voldoen, bepaald bij art, 3.

Art. 29. Waar in dit reglement gesproken wordt over last, wordt daarmede bedoeld eene hoeveelheid van 30 hectoliter of 3000 liter. Een schepel wordt gelijk gesteld aan 10 liter.quot;

H. Reglement voor de Koorndragers en hunne Overlieden van 26 Maait 1857.

»Art. 1. Ten gerieve van den handel worden tot het lossen, op- en afdragen van granen, zaden en drooge peulvruchten, naarmate der behoefte, door Burgemeester en Wethouders koorndragers aangesteld.

Alle personen daartoe genegen en door de Commissie voor den Graanhandel tot die betrekking geschikt geoordeeld, worden geplaatst op eene lijst, volgens welke, naar orde van plaatsing en na hernieuwd onderzoek naar de geschiktheid, tot de benoeming van dragers wordt overgegaan.

Art. 2. Niemand kan tot koorndrager worden aangesteld, dan die is geboren Nederlander of bij wetduiding daartoe

254

-ocr page 411-

GEMEENTE AMSTERDAM,

verklaard en inwoner der gemeente, die behoorlijk kan lezen, schrijven en rekenen, en niet beneden de 18, noch boven de 30 jaren oud is. Alvorens zijne betrekking te aanvaarden, legt hij voor de Arrondissements-Regtbank den volgenden eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof) in mijne bediening te zullen handelen mot eerlijkheid en onzijdigheid, dat ik van niemand iets zal aannemen, boven het in het tarief vastgestelde loon, en mij in alles zal gedragen overeenkomstig de gemaakte of nog te maken verordeningen voor de koorndragers. Zoo waarlijk, enz.quot;

Bij het aanvaarden zijner betrekking stort hij eene som van /60.- in het bestaande koorndragersfonds en voldoet daaraan jaarlijks /6.—.

Art. 3. Het toezigt over hetgeen tot het verwerken dei-granen betrekking heeft, is opgedragen aan de Commissie voor den Graanhandel, die vertegenwoordigd wordt door overlieden, door Burgemeester en Wethouders, op aanbeveling der Commissie, te benoemen uit de koorndragers. De overlieden zijn 4 in getal, ieder jaar treedt één van hen naar volgorde af en is dadelijk weder benoembaar.

Art. 4. De overlieden zijn verpligt, op aanvraag de be-noodigde koorndragers aan te wijzen en hun werk tevens te regelen; zij verbinden zich tot dagelijksrh en dadelijk toezigt, zonder oogluiking, en kunnen persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor gepleegd verzuim, behoudens verhaal op de schuldigen.

In twijfelachtige gevallen raadplegen zij de meergemelde Commissie en zijn haar in alles ondergeschikt. Het beheer van het koorndragersfonds is aan hen opgedragen, op zoodanige wijze, als bij afzonderlijk Reglement door Burgemeester en Wethouders is of zal worden vastgesteld, en waarbij tevens het bedrag hunner geldelijke belooning geregeld is.

Art. 5. De koorndragers staan onder overlieden en zijn verpligt hunne bevelen, in betrekking tot dienstzaken, met nauwgezetheid op te volgen; zij mogen zich onderling tot het verrigten of aannemen van werk vereenigen, onder ver-pligting, zich te gedragen volgens het hierbij gevoegde tarief.

Art, 6. De koorndragers zijn verpligt in hun werk een onderscheidend en van stadswege goedgekeurd teeken, zigt-baar te dragen, ten einde voor ieder als stedelijk werker

255

-ocr page 412-

256

kenbaar te zijn; buiten hun werk mogen zij dat teeken niet dragen en bij schorsing, afzetting, overlijden of bedanken moet het aan overlieden afgegeven worden.

Het tabak rooken gedurende het werk is verboden.

Art. 7. Het is verboden gemeten granen, zaden en drooge peulvruchten bij andere hoeveelheden te dragen, dan bij zakken van twee halve mudden; geen koorndrager mag het getal der werkers gednrende het werk vermeerderen, noch zijne beurt in de volgorde veranderen, vóór dat een geheel last gemeten en afgewerkt is.

Art. 8. De benoodigde gereedschappen, als: zakken, trappen, gangen en ladders, worden door het koorndragersfonds geleverd; voor het gebruik der gereedschappen wordt per last voldaan:

bij het op- en afdragen zes cents,

» » overslaan en overdragen vijf en een halve cent, welke onder het draagloon zijn berekend.

Art. 9. Een der dragers is verpligt den zak op te houden, waarin de meters het gemeten graan of zaad storten.

Art. 10. Hij, die den ontvanger van eene gemetene partij vertegenwoordigt, moet het bedrag der maat daarvan nazien, en met den meter en den gemagtigde van den afleveraar vergelijken.quot;

Art. 11 bepaalt het aantal dragers en hun loon, met inbegrip der in art. 8 vermelde onkosten voor gereedschappen en van den in art. 9 vermelden ophouder.

»Art. 12. Ieder, die klagten over eenen koorndrager heeft, kan die inbrengen bij de overlieden, bij de Commissie ol bij Burgemeerster en Wethouders.

Art. 13. Koorndragers, die zich aan pligtverzuim, dronkenschap of ongepast gedrag hebben schuldig gemaakt, worden, naarmate der overtreding, gestraft met:

a. eene schorsing van ten langste 30 dagen;

b. ontslag uit hunne betrekking.

Art. 14. De straf van schorsing wordt door de Commissie opgelegd, met regt voor de gestraften op hooger beroep bij Burgemeester en Wethouders.

Het ontslaan geschiedt alleen door Burgemeester en Wet-houders.

Art. 15. Die, om welke reden ook, ophoudt koorndrager

-ocr page 413-

gemeente langerak, enz.

te zijn, verliest alle aanspraak op de gelden en eigendommen van het koorndragersfonds.

Art. 16. Alle vroegere resolutiën en reglementaire bepalingen, met deze in strijd, zijn opgeheven.quot;

Provincie Zuid-Holland.

Gemeente Langerak.

Alg. Pol. Verord. van 18 October 1888.

Deze, welke de boven bl. 173 vermelde van 1879 vervangt, heeft in art. 113 dezelfde bepaling als art. 73 der vroegere.

Gemeente Rotterdam.

Verordening van 4 Jtin ij 1852 voor de Refactienie esters van den Tabak.

»Art. 1. Ten gerieve van den Tabakshandel zijn beëedigde Refactiemeesters.

Art. 2. Hunne benoeming geschiedt door den Raad, uit eene, door Burgemeester en Wethouders, na ingewonnen advies van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, opgemaakte voordragt van drie in dat handelsartikel bekende deskundigen.

Art. 3. Het getal der Refactiemeesters wordt geregeld naar de behoefte des handels, na advies der Kamer van Koophandel en Fabrieken.

Art. 4. De Refactiemeesters zullen refactie of vergoeding rekenen voor al de natemelden gebreken en ondeugden, die zich aan tabak in bladen of aan tabakstelen bevinden, als: voor versche of oude beschadigdheid door zee- of zoet water; voor los gruis, zand, steentjes of ander vuiligheid, en voor hetgeen is vergaan, verstikt of asschig.

Art. 5. Voor alle gebreken of ondeugden, die aan het monster zigtbaar zijn, of op het nommerkaartje van het monster voldoende uitgedrukt staan, wordt geene refactie gegeven.

Onder deze gebreken en ondeugden worden verstaan: broei, druk, oudelijk, onfrisch, beslagen, waterig, kaalstelig, verhageld, gruizig, brokkelig, glassig, groen, bevroren, wankleurig, sterk of slecht van lucht, en afgesneden.

257

-ocr page 414-

GEMEENTE ROTTERDAM.

Art. 6. Indien echter Refactiemeesters bevinden, dat bovengenoemde gebreken of ondeugden aan het monster niet genoegzaam kenbaar of op het nommerkaartje niet voldoende uitgedrukt zijn, of wel dat zij zich op nog ongetrokken plaatsen voordoen, of sedert het trekken van het monster toegenomen zijn, wordt door hen van dat meerdere refactie berekend.

Ingeval de monsters niet bij den pikkel zijn, of te zeer verhavend worden bevonden om nog van dienst te kunnen wezen, worden de ongetrokken plaatsen naar de getrokkene beoordeeld, en in die mate de refactie opgemaakt.

Art. 7. Wanneer de kooper of verkooper, of beide met de bepaalde refactie niet tevreden zijn, kan zij, ten koste van hem die het verlangt, door twee andere Refactiemeesters herzien worden, mits men zich uiterlijk binnen vierentwintig uren deswege verklare.

Art. 8. De Refactiemeesters moeten hunne betrekking in persoon en bij beurten vervullen. Hunne inkomsten worden gelijkelijk onder hen verdeeld. Een hunner is boekhouder, ontvangt en verrekent de verdiende loonen, en houdt eenen nauwkeurigen rooster der beurten.

Art. 9. Hij, die refactie verlangt, vervoegt zich daartoe schriftelijk bij den boekhouder, welke den aan de beurt zijnde Refactiemeester, zoo spoedig mogelijk, schriftelijk kennis geeft, om op den bepaalden tijd en plaats aan den pikkel te komen.

Art. 10. Elke pikkel wordt door één Refactiemeester bediend, tenzij kooper of verkooper, ingeval van zware beschadiging, er twee verlangen.

Art. 11. Wanneer een of twee Refactiemeesters, bij eene partij tabak werkzaam, zich bezwaard vinden om over den omvang der beschadiging te oordeelen, zijn zij verpligt er nog een Refactiemeester bij te roepen, ten einde gezamenlijk de vergoeding nauwkeurig te kunnen opmaken.

Art. 12, De Refactiemeesters zijn verpligt, bij het opmaken der refactie zoodanig merk en nommer van ieder vat tabak op te nemen, als de verkoopers opgeven, en daarachter te stellen de wigt en de refactie, door hen daarop berekend. Zij zullen bij elke 10 vaten aan verkooper en kooper of hunnen vertegenwoordiger de refactie opgeven, of wel, des-gevorderd, bij ieder vat of vóór dat het gedekt wordt.

258

-ocr page 415-

gemeente st. oedenrode.

Art. 13. De Refactiemcesters moeten, behalve de opgave in art. 12 vermeld, binnen 24 uren nadat een partij tabak onderzocht is, aan kooper en verkooper eene onderteekende lijst bezorgen van de merken, nommers, de wigt en de refactie. Eene lijst behoeft niet meer dan vijftig nommers te bevatten.

De kooper en verkooper zullen ieder voor elke zoodanige lijst dertig cent betalen.

Art. 14. Het loon der Refactiemcesters is vijfenzeventig cent per vat, en van allen tabak in bladen of van tabakstelen, die in pakken, balen of matten vervat is, en door hen wordt onderzocht, dertig cent per honderd pond. Wanneer op verlangen van partijen door twee Refactiemeesters wordt gerefactioneerd, wordt gezegd loon met de helft verhoogd.

Het loon der Refactiemeesters is door kooper en verkooper, ieder voor de helft, verschuldigd, doch moet door den verkooper ten volle aan de Refactiemeesters worden voldaan.

Art. 15. De Refactiemeesters kunnen bij overtreding dezer verordening of van hunne instructie, en bij opgekomene ongeschiktheid, door Burgemeester en Wethouders geschorst en door den Raad afgezet worden. Zij ontvangen hunne instructie van Burgemeester en Wethouders, en worden door hen beëedigd.

Vervallende met het in werking treden dezer alle vroeger voor de Refactiemeesters van den Tabak bestaan hebbende ordonnantiën.quot;

Provincie N.-Brabant.

Gemeente Sint Oedenrode.

De op bl. 88 medegedeelde Verordening is thans vervangen door de navolgende:

»De Burgemeester en Wethouders van Sint Oedenrode doen te weten:

dat door den Raad dier Gemeente in zijne Vergadering van den i8en Augustus 1888, Nquot;. 2^ is vastgesteld de volgende

VERORDENING van de Bepalingen, welke de Algemeene Burgerlijke Wetgeving aan de Plaatselijke Reglementen en Gebruiken overlaat.

2 59

-ocr page 416-

GEMEENTE ST. OEDENRODE.

»Afdeeling I.

Bepaling met voorziening.quot;

Art. i. Toepassing van art. 690 B. W. = Art. 2 der oude Verordening (Art. 1 is vervallen).

Art. 2 aanvang, a en b gelijk art. 3 aanvang, a en b der oude Verordening. Toepassing van art. 703 B. W.

c komt overeen met c, behalve dat weggelaten zijn de tusschenzinnen (daar — vastgesteld) en dat de 25 centimeter zijn verhoogd tot 75 centimeter.

Art. 3. Evenzeer toepassing van art. 703 — Art. 4 oude Verordening.

Art. 4. Toepassing van art. 733 B, W. en regeling van erfdienstbaarheid van licht en uitzicht, gelijk art. 5 oude Verordening.

»Afdeeling 11.

Bepalingen van Gebruik.quot;

Art. 6. Toepassing van art. 813 B. W. = art. 7 oude Verordening.

Art. 7. Toepassing van art. 1607, 1614 en 1623 B. W., opzeggingstermijn gelijk art. 8 oude Verordening.

Art. S. Toepassing van art. 1635 B. W. -- - art. 2 oud.

Art. 9. Toepassing van art. 1623 en 1633 B. W., tijd van ontruiming, gelijk art. 10 Oude Verordening.

Art. 10 (nieuw). »De dienstboden worden in den regel gehuurd voor één jaar om in dienst te treden; ie die der landbouwers den 24 Februari (Sint Mathijs); 2e die van andere bedrijven van heeren en burgers den 3 Mei. De wederinhuring moet gevraagd of de huur opgezegd worden als van de eerste met Allerheiligen (1 November) en den tweeden met Kerstmis (25 December). Niet gevraagd of geen huurpenning aangeboden en aangenomen zijnde, dan eindigt de huur der eersten den 23 Februari en der tweeden den 2 Mei van het eerstvolgende jaar, eveneens bij opzegging.quot;

Aldus vastgesteld ter openbare Raadsvergadering te Sint Oedenrode, den 18 Augustus 1888 en is hiervan afkondiging geschied waar het behoort den 5 September 1888.quot;

De Voorzitter Schindler.

De Secretaris J. M. Kemps.

26o

-ocr page 417-

ordonnantiën van ijsselstein.

II. Verbeteringen.

BI. 48. De Verordening van Meerkerk is niet vastgesteld 14 December 1S81 maar 14 December /S56.

Bi. 49. De Verordening van \'sGravenhage heeft bij vergissing nummer XVIII gekregen, hetgeen de Verordening van Aarlanderveen reeds had. De fout is eerst hersteld in vel 6. Al de Verordeningen van bl. 49—80 moeten dus een nummer hooger worden gesteld.

Bl. 73. Eene Verordening van \'s Gravendeel is er blijkens hetgeen daarop volgt niet. De datum geeft alleen den dag der mededeeling door B. en W. aan ZEx. den Minister gedaan te kennen.

Bl. 89. Aan het slot van art. 3 moet in plaats van »vijf en twintig centimeterquot; worden gelezen »vijf en zeventig centimeterquot;.

Bl. 107. Van de Recessen van Maastricht is eene uitgave verschenen bij Lamdert Bertus, Stadsdrucker 1719.

Bl. 133. De medegedeelde artt. 84—88 uit de Politie-Veror-dering van Idaarderadeel komen voor in Hoofdstuk X »Van afsluiting van Ervenquot;.

Bl. 134. De artt. 109—112 der Verordening Oostdongera-deel komen voor in Afdeeling VII »Afsluiting van Ervenquot;.

Bl. 162. Artt. 74 en 75 der Politie-Verordening Alfen komen voor in Hoofdstuk X «Regeling der verpligtingen en rechten tusschen naburenquot;.

Bl. 177. Voor »art. 124quot; der Verordening Poortugaal moet gelezen worden art. 1 van Hoofdstuk II »Van huur en verhuur van huizenquot;.

III. Mededeeling van Gedeputeerde Staten van Utrecht omtrent Oude Verordeningen.

Burgemeester en Wethouders van Bunschoten vestigden de aandacht van Gedeputeerde Staten, dat in het Groot Utrechtsch Placcaatboek, deel I, bl. 425, eene ordonnantie voorkomt, regelende de costumes en usantiën in het kwartier Eemland.

201

-ocr page 418-

ordonnantiën van ijsselstein.

Burgemeester en Wethouders van IJsselstein zonden afschriften van de volgende Ordonnantiën;

a. Op Timmeringe;

b. Wegens het bepoten van boomen, grienden, heggen enz.;

c. Rakende het verdeylen en inmennen der grove ende smalle Tienden etc. in de Baronnie IJsselstein;

d. Op de Verhuystyd;

e. Van Hure van Huysen, Landen ende dienstboden.

f. Op het Verthienen van de Lammeren, Beyen en Bag-gelen in de Baronnie IJsselstein vallende. Mitsgaders Orde en Regule waarnaar de Beyerluiden Haar in het setten en verplaatsen van Haar Immen en Beyen sullen hebben te reguleeren.

Den len Juni 1675 zijn door Prins Willem III vastgesteld de Handvesten der Stad en Baronnije van IJsselstein. Daarvan bestaan twee drukken van 1675 en 1710 en niet meer. (Zie de Geer, Bijdragen tot de Bibliographie onzer Stad- en Landrechten van I550--I7g5 in Bibliographische Adversaria II, bl. 152, Fockema Andreae noemt ze in het geheel niet).

De sub a medegedeelde is daarvan woordelijke copij. De artt. 3, 5, 6, 8, 9, 16 behandelen den gemeenen muur en heining, art. 11 den waterloop over eens anders erf (voorschrift van de ijzeren tralie), art. 13 het gemeen privaat, art. 14 aan wie de vruchten toekomen van overhangende boomen.

De sub e medegedeelde komt ook voor in bedoelde Handvesten: daaraan zijn twee toevoegingen gedaan, de sub d vermelde van 1725 en eene van 1757. Ook die sub b, c en f zijn van de 2e helft der 18de eeuw, en wijl niet blijkt dat zij immer gedrukt zijn, geef ik daaraan hier eene plaats.

1. Alteratie op de Verhuystydt van 28 April 1725, {zie boven d.).

De Hoogfurstelijke «voogden over de nagelaten furstelijke weesen van Hoogheijd den Heere Prince van Orange en Nassauw Johan Wilhem Friso gl. Mem. considerende dat het voor vreemde Familienpersonen die genegen soude mogen weesen haar met ter woon tot IJsselsteijn te etabliceeren veel meer gemak sal geven dat den tijdt van de verhuijsinge werden gesteldt op de middag van den eerste May dan wel op den derde van dezelve maandt, gelijk bij de Hand-

202

-ocr page 419-

ordonnantiën van ijsselstein.

vesten is gereguleert, vinden in dien opsigten de voorz. Handvesten te altereeren, en dat vervolgens voor het toekomende den tijdt van verhuijsinge of vervaeringe sal zijn en blijven vast gestelt tegen den eerste May ende November op den middag tensij anders waren geconditioneert, en au-thoriseeren mits desen den Drossard, Schout en Burgermeesters der steede en landen van IJsselsteijn omsulks bij publicatie en affixie daart behoort allesints bekent te maken.quot;

Actum Leeuwarden den 28 April 1725.

(en was getekent) M. L. Princesse van Orange onder stond, Ter ordonnantie van de Hoogvorstelijke voogden, abs. graph, en was getekent:

P. Drijfhout.

2. Reglement van 5 Maart 1757 {Slot van c bovengenoemd).

»Door haere Doorlugtige Hoogheyd Mevrouw Princesse van Orange etc. is dit navolgende Reglement gestatueerd;

Maria Louise, Princesse Douairière van Orange en Nas-sauw etc., geboore Princesse tot Hessen, etc., etc., etc.

»Alzo de Regenten van de Stadt en Baronnie van Ysselsteyn aan ons hebben voorgedragen, dat veel inwoonders derselver Stad en Baronnie dikwijls eenige weeken, maanden of ook jaeren huur ten agteren zijnde, sig van een andere wooninge in stilte voorsien, en daerin trekken, sonder den eersten Verhuurder, uyt wiens getimmerte sij vertrekken, de verschuldigde hure te voldoen ofte denselven eenige goederen op sijn grond te laten, waeruyt hij tot betaelinge der verschenen en nog overige huur, jegens sodanig een gebrekige huurder soude kunnen ageeren. So ist dat wij de saken overwogen hebbende, mitsgaders daerop gehad het advies van onsen Rade, conform xhet voorstel van voorn. Regenten van onse Stad en Baronnie van IJsselsteyn, om soveel mogelijk is, schaden en nadeelen van de respective eygenaren te verhoeden, goedgevonden hebben het navolgende Reglement te statueren, so als wij bij provisie goedvinden en statueeren bij desen, dat van nu voortaen gene possesseurs ofte administrateurs van eenige huysen, kameren of andere getimmertens, deselve sullen mogen verhuren bij de week, maand, ofte op eenige andere wijse, ofte ook toelaten, dat deselve onder eenig

263

-ocr page 420-

ordonnantiën van ijsselstein,

pretext in hare huysen, kameren of andere getimmertens trekken, tensij alvorens van de te makene huren, of aan-staende inwooninge aen den eygenaer, en opsigter der huysen etc. waerin diergelijke nieuwe huurder binnen onse Stadt of Baronnie woonagtig mogt zijn, of in huure gebruykt, kennisse gegeven te hebben, ten eynde deselve sig alsdan intijds soude kunnen versekeren voor de betalinge der verschalde Huurpenningen. En opdat de goede ingesetenen des te minder tot het aanwenden van regtsmiddelen mogen werden genoodzaakt, vinden wij bovendien goed, dat, ofschoon de verhuringe met behoorlijke voorkennisse en conformite als hier bovengemeld mogte zijn geschied, den laatsten verhuurder egter niet zal vermogen toe te laten dat den Huurder sijne gehuurde wooninge ofte getimmerte komt te betrekken ofte gebruyken, tensij alvorens quitantie of eenig ander blijk vertoont is, waaruyt de totale voldoeninge der voorige huure consteert, alles op peene dat bij nalatigheid van dien sodanig een eygenaer, administrateur enz. der nieuw verhuurde, of reeds betrokkene en aanvaarde getimmerte verpligt en geobli-geert zal zijn, de agterstallige huurpenningen immediaat aan den voorigen Verhuurder te voldoen, en daervoor bekomen cessie van actie tot lasten van den origineelen schuldenaar, en zal bij weygeringe van betalinge paratelijk daervoor door den voorigen verhuurder werden geëxecuteert.

Aldus gearresteerd op ons Hoff te Leeuwarden den 5den Maart 1757.

(was getekent) M. L. Princesse van Orange.

Aldus gepubliceert uyt den Raadkamere van \'t Stadhuys van IJsselsteyn ten overstaan van de Heeren Schout en Schepenen derselver Stadt, na voorgaende klokluydinge, den I3den Maart 1757.quot;

(was getekend) E. Frieswijk, Secretaris.

3. Ordonnantie wegens het bepoten van hoornen, grienden, heggen, enz., van 15 November 1754. (b.)

«Wij Maria Louise Princesse Douairière van Orange en Nassau etc., geboren Princesse tot Hessen etc., etc., etc.

Alzo de Regenten van onse Baronnie IJsselsteijn aan ons

264

-ocr page 421-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

hebben geremonstreert dat de noodsakelijkheijd wel vereijste dat door ons vastgesteld en bepaald wierden volgens welke en op hoedanige wijse de geenen die bij vervolg ondernemen hunne landen met grienden Boomgaarden, Heggen of ander Houtgewas te bepoten sig bij vervolg souden hebben te reguleeren wijlen daerdoor seer dikwijls de naastgelegene buren besonder in den Schoutampte van IJsselsteijn alwaer de Landen meest Oost en Westvvaards strekken seer benadeelt worden en wel insonderheijd de Landen gelegen aan de Noordzijde grotelijks werden benomen de zonnen gelijk ook uijt de Landen so aan de eene als andere kant gelegen en welke dikwijls maar met een scheijvoore of nauwe en ondiepe gruppel gesepareert zijn bij vervolg dan insgelijks moeten ondergaan, dat deszelfs buurmanshout de wortelen schiet in \'t naast aangelegen Land en de vaag of vettigheyd uyt het selve wegneemt.

So ist, dat wij naar ingenomen advies, van die van onsen Raade hebben goedgevonden te ordonneren en statueren so als wij ordonneren en statueren bij dezen.

Dat bij vervolg alle bomen, grienden of ander houtgewas op de Landen gelegen in dese Baronnie sullen moeten werden geplant ten minste agt stigtse voeten van de scheyvoren of gruppels van \'t Land, gelegen aan de Oost, Noord, Oost-Noord, of Noord-Westkant van \'t Land waer op de be-plantinge geschied (except Heggen die niet boven de vier voeten hoog sullen gelaten worden) dog so wanneer er tus-schen beiden legt een scheijsloot ses voeten wijd, en drie voeten diep sal er tot op vier voeten na aan de slootkant mogen werden geplant, en is de sloot twaalf voeten wijd, dat alsdan de beplantinge tot de kant van so eene sloot sal mogen geschieden mits nogthans dat de takken tot over de helft van de sloot of scheijdinge hangende door den Eijgenaar ter begeerte van desselfs gebuur, ten eerste sullen moeten worden opgesnoeijt.

En ten opsigte van de Zuijd-Oost, Zuijd, Zuijd-West en Westkant van de Landen, bij vervolg te beplanten, sal men insgelijks moeten blijven vier voeten van de scheijvoren of gruppels dog so er een scheijsloot tusschen beijden legt wijd ses en diep drie stigse voeten, zal er tot de kant van so een sloot, mede mogen worden geplant, mits mede sig regulerende nopende de overhangende takken invoegen als voren.

265

-ocr page 422-

ordonnantiën van ijsselstein.

Alles op een boete van vijftig guldens en dadelijke amotie daarenboven van \'t geplante, so haast den naasten gebuur \'t laatstgemeld zal requireren.

Ook zal op de begeerte van de geburen van sulke Landen die bij vervolg sullen werden beplant of bestoken op gemeene kosten ten allen tijden een scheij sloot moeten worden gegraven, wijd ses en diep vier stigtse voeten en ook altoos op die weijten en diepten worden gehouden.

Als welke artikelen wij willen dat sullen worden geobser-veert en naergekomen, mitsgaders tegens de overtreders ge-procedeert, so als bevonden sol werden te behoren.

En ten eijnde niemand hieraf enige ignorantie sal kunnen pretenderen sal deze op de gewoone plaatsen werden ge-publiceert.

Aldus gedaan op ons Hoff te Leeuwarden, den 21 Nov. 1754.quot;

(was getekent) M. L. Frincesse van Orange.

Gepubliceert van de puye van \'t Stadhuys van Ijsselsteyn ten overstaan van de Heeren Schout en Schepenen van Ijsselsteyn op den 15 November 1754 bij mij onderschreven Secretaris (was getekent) C. Bruyningh.

Gepubliceerd van de Geregtskamer van Benschop den 17 November 1754. (was getekent) A. Slenk, Secretaris.

Door mij onderschreven Geregtsbode van de Geregtcamere in Noordpolsbroek den 24 November 1754.

(was getekent) J. C. Heisse.

4. Ordonnantie rakende het verdeylen en inmennen der Groove ende Smalle Tkienden etc. in de Daronnie JJsselstein, van 17 April 1785. (c.)

»Wij Willem, bij de gratie Gods Prince van Orange en Nassau, Grave van Catzenelnbogen, Vianden, Dietz, Spiegel-berg, Buuren, Leerdam en Culenborg; Marquis van Veere en Vlissingen; Baron van Breda, Diest, Beilstein, der Stad Grave en Lande van Kuik, IJsselstein, Kranendonk, Eindhoven en Liesveld; Onafhankelijk Heer van de vrije en Souveraine Erf-Heerlijkheid Ameland; Heer van Borculo, Bredevoort, Lichtenvoorde, \'t Loo, Geertruidenberg, Klundert,

206

-ocr page 423-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

Zevenbergen, de Hooge en Laage Zwaluwe, Naaltwijk, Pola-nen, Sint Martensdijk, Soest, Baarn en Ter Eem, Willemstad, Steenbergen, Montfort, St. Vith, Butgenbach en Daasburg; Erf-Burg-Graaf van Antwerpen; Erf-Marschalk van Holland; Erf-Stadhouder, Erf-Gouverneur, Erf-Capitein en Admirael-Generael der Vereenigde Nederlanden; Erf-Capitein-Generael en Admirael van de Unie; Ridder van de Kousseband en van den Swarten Adelaar, etc., etc., etc.

Alle de geene Die deese sullen sien ofte hooren leesen Salut! Doen te weeten, alsoo tot Onse kennisse gekomen is, dat in Onse Baronnie van IJsselstein meenigmaal klagten ontstaan en twisten komen te rijsen over de Thienden uit de Landen en Hofsteeden gaande, soo wegens het verdeylen als inmennen van deselve, zoo hebben Wij na deliberatie goedgevonden, orame daar inne te voorsien, te arresteren en te statueeren de Articulen hier na volgende:

Art. I. Dat de Thiend-Schuldige aan den Thiend-Heer aan Wicn den Thiend uit de Thiend-pligtige Landen met recht toekomt, sullen moeten laten volgen de Thiende Hoek of Gerf onder de naam van Grove en Smalle Thiend, van allerhande soort van Koorn, als van Weijt, Garst, Spelt, Rogge, Boekwijt, Erweten, Boonen, Haver, Wieken ende Linsen, aismeede van Hennip, Vlas, of hoedanig het ook soude mogen worden genaamt, doch in \'t reguarde van \'t Raap of Kool Zaad het elfde Mudde, ten aansien van de onkosten, die de Thiendschuldige moeten aanwenden in \'t selve Zaad op \'t Veld te laten of dorssen, t\' huys voeren en schoonmaken, welk Saad de Thiendschuldige niet sullen mogen laten schoonmaken, als in het bijweesen van den Thiend-Heer of sijnen Pagter, en dat men in reguard van den krijt enden Thiend, soo van Lammeren, Varkens, als Bijen, sig strictelijk sal reguleeren na de Ordonnantie deesen aangaande, bij Ons geëmaneert of te emaneeren.

Art. 11. Dat men de Thienden niet alleen sal moeten geeven van de Landen welke altijd bebouwt sijn geweest, maar ook van alle Novalia of Landen die steriel sijnde, onder de Ploeg gebragt ende tot de culture bekwaam gemaakt sullen worden, gelijk ook mede van uitgeroijde Bossen, Boomgaarden, Grienden en Rijsweerden, item van Weij- en Hooijlanden die gebrooken en besaaijt worden, alwaar \'t

267

-ocr page 424-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

schoon, dat a!le deselve Landen boven de dertig en meerdere Jaaren, en selvs boven geheugen van Menschen, niet onder de Ploeg of besaaijt geweest waaren.

Art. III. Indien den Thiend-Schuldigen oordeelt dat het Koorn rijp genoeg is om aangement te konnen worden, sal Hij gehouden sijn den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter te vermaanen, om te komen verthienen, ende soo die binnen ses uuren niet en kwaeme om den Thiend uit te tellen, sal men Hem de weete andermaal door twee Gebuuren of Getuigen laten doen, om alsnog binnen ses uuren te komen, ende kwam Hij alsdan nog niet, sal men Hem voor de derde en laatste maal, door Getuijgen die weete laaten doen, om alsnog binnen ses uuren te komen, en indien den Thiend-Heer ofte den Pachter alsdan nog in gebreeken bleef om te komen, sal het Thiend-Schuldigen vrijstaan ten overstaan van twee Gebuuren ofte Getuijgen den Thiende Gerf of Hoek eene groene tak of ander sigtbaar teeken te stellen, waarna den Thiend-Schuldigen sijn eigen Koorn onbekroont sal mogen aannemen, ende t\' huis doen voeren, ende als den Thiend-Heer ofte den Pagter op een van die drie waarschouwingen komt, om den Thiend uit te tellen, soo sal Hij mogen beginnen aan welke hoek van het Koorn Hij sulks goedvind, dan als Hij heeft begonnen te tellen ende te verthienen, sal Hij voorts moeten continueren, sonder aan een ander einde te mogen beginnen.

Art. IV. En of het mogte gebeuren, dat de Thienden gepagt wierden bij Menschen, Die buiten het District waaronder de Thienden geleegen sijn, woonen, sal den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter gehouden zijn lemant in \'t selve Gerecht woonende, te qualificeren aan wien de Thiend-Schuldige de Waarschouwinge sal konnen doen, Die ook geauctoriseert sal moeten weesen om in Desselvs absentie den Thiend uit te setten, ende waar \'t saake, dat de Thiend-Schuldige sig onderstond, het geheele Koorn, of een gedien van \'t Veld weg te voeren ende t\' huis te brengen sonder den Tiend-Heer ofte den Pagter of Geauctoriseerde, als voorsz. te waarschouwen, ende sijn Thiend-Recht te voldoen, contrarie tegens een van de voorsz. Articulen, sal daar door komen te verbeuren eene boete van Vijftig Guldens, te appliceren een Derde voor den Officier die de Calange sal doen, een Derde voor den Aanbrenger en een Derde voor

208

-ocr page 425-

ordonkantien van ijsselstein.

den geenen die de schade sal komen te lijden, boven de Actie van den Beschadigden.

Ordonneerende alle Onse Officieren, Justicieren ende andere die \'t geene voorsz. is, soude mogen aangaan, dat Sij Huu na den inhoud deeses sullen hebben te reguleren. Ende opdat Niemand hiervan ignorantie moge pretendeeren, ontbieden Wij den Drossard en andere Officieren in Onsc Baronnie van IJaselstein, deesen aldaar te verkondigen en publiceren ter Plaatse daar men gewoon is soodane Publicatie te doen, reserverende aan Ons de verdere voorsieninge, verldaringe ofte alteratie, die namaals in deesen souden mogen werden vereischt.

Aldus gedaan en gearresteert op Ons Hof in \'s Gravenhagc den 17. April 1785.quot;

Was ge teekent,

W. Pr. v. Orange.

Onder stond,

(L. S.) Ter Ordonnantie van Zijne Hoogheid,

Was gecontrasigneert, A. Ardesch.

5. Placaat ende Ordonnantie, (f.)

»Op het Verthienen van de Lammeren, Bijen en Baggelen in de Baronie IJsselstein vallende. Mitsgaders Ordre en Regule, waarnaer de Bijëluiden Haar in het setten en verplaatsen van haar Immen en Bijën sullen hebben te reguleeren van 17 April 1785.

Wij Willem enz. (geheel gelijk de aanhef der vorige Ordonnantie).

Alle de geene Die deesen sullen sien of hooren leesen Salut; Doen te weeten: Alsoo tot Onse kennisse is gekoomen, dat in onse Baronnie van IJsselstein veele ende verscheidene querellen en twisten koomen te rijsen over het verthienen van de Lammeren, Bijën en Baggelen, vallende in deselve Baronnie, uit oorsaaken dat die Schapen, Bijën en Baggelen, uit het eene Quartier van dien dikwils in een ander (ofte

269

-ocr page 426-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTlilN.

270

andere Quartieren) buiten de Plaetse van haar Principaal onderhoud, voedinge en ruste bij den Schaapherder, Eigenaars, Huijrluiden, Dienaren ofte anderen werden gedreeven, verbragt, gehoet ende aldaar ësuelijk koomen te lammeren, swermen ofte werpen, ende want men verstaat dat de Eigenaars van al soodanige Schapen ende Lammeren, Bijen en Baggelen, met den Thiend-Heer aldaar colludeerende, Den-selven met eenen kleinen Penning voor Denselven Thiend dik wils contenteeren in fraude van den Thiend-Heer ter Plaatse daar haare Ooijen ende Lammeren, Bijën en Baggelen, anders ordinair hebben te rusten, te staan, ende onderhouden te werden: Dat ook die Huisluiden, woonende op onvrij-Land, somtijds een hoeksken van Thiend-vrij-Land, niet verre van Heure Hofsteede geleegen, koopen ofhuijren, een Schaeps- of Varkenskot, ofte Heure Bijen daar op setten ofte doen setten, om alsulks den Thiend-Heer over die Bouwing, daar uit de voors. Ooijen, Bijën en Soggen onderhouden en gevoed worden, van \'t genoeg uit saake van Heure Hofsteede vallende, te fraudeeren; Dat mede de Geene die woonende sijn binnen de Stad of gemelte Baronnie IJsselstein, Heure Schotten en Bijën-plaatsen ten platten Lande hebbende, Heure Schaapen, Varkens en Bijën in de Twaalf Nagten binnen de voors. Stad, Baronnie ofte andere alhier Thiend-vrijs-plaatsen, binnen ofte buiten deese Baronnie transporteeren of doen brengen, pogende al sulks en door het middel van dien effectuelijk daar toe tragtende omme des waaragtigen Thiend-Heers Gerechtigheid en sijne Emolumenten instructueus te maaken: Dat insgelijks de voors. Huisluiden de Thiend-Heeren ende Heure Pagters de hef-finge van de voors. Heure Thiend difficulteeren soo door d\' onseekerheid wanneer die Ooijen lamineren, de Bijën swermen ende Soggelen baggelen, als andersints, opdat de voors. querellen ende geschillen (voor soo veel het mogelijk is) mogen werden verhoet ende geamputeert, de oorsaaken van de voors. ende andere Practijken dienende tot verwekkinge van Processen ende kosten, mitsgaders meer andere incon-venienten die daar uit souden moogen rijsen, soo hebben Wij omme daar inne te voorsien, goedgevonden te ordon-neeren ende te verklaaren, als Wij ordonneeren ende ver-klaaren mits deesen.

-ocr page 427-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

Art. I. Eerst, dat die Lammeren in de voors. Onze Baronnie IJsscistein Verthiend sullen worden ter Plaatse en Schaapstal dciar de Ooijen voor den meesten tijd van den Jaare rusten, eeten en sonder arglist gevoet werden, \'t sij of de Ooijen lammeren binnen denselven Thiend ofte daar buiten.

Art. II. Ten tweeden, dat die Lammeren bij den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter, tot alle. tijden als het Hem belieft Verthiend sullen moogen werden, naer dat die Ses Weeken oud geworden sullen sijn, en soo verre den Thiend-Heffer ofte sijne Pagter sulks niet en deeden, sullen de Eigenaars der Lammeren voornoemt na de expiratie van de voors. Ses Weeken aan den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter eene gerechtelijke Weete moeten laaten doen, omme te komen ver-thienen, die als dan binnen den tijd van Drie Dagen na de voors. Weete gehouden sal weesen sulks te doen, ende indien den Thiend-Heer ofte sijne Pachter binnen den voors. tijd niet komt verthienen, soo sal het den Eigenaar der Lamineren na de expiratie van de voors. tijd vrij staan sijne Lammeren door Twee Neutrale Lieden te laaten taxeeren en naar advenant dier taxatie den Thiend te betaalen waar meede den Thiendenaar gehouden sal weesen genoegen te neemen.

Art. III. Ende of het gebeurde dat den Eigenaar sijne Lammeren ofte eenige van dien kwamen te verkopen ofte veralieneeren eer die Ses Weeken oud waren geworden, ofte ook eer Hij de Weete omme te koomen Verthienen hadde gedaan ende verwagt den tijd tot het Verthienen gepraefi-geert, in alsulke gevallen, sal den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter den Thiend van het veralieneerde Lam of Lammeren onder sijnen Eed (is \'t nood) moogen begrooten naar advenant van de Lammeren daar omtrent gevallen, naar welke begrootinge den Eigenaar der veralieneerde Lammeren gehouden sal weesen den Thiend te betalen, ten waare hij promptelijk poogde te bewijzen die gedaane begrootinge enorme laesie meede te brengen, daarover Parthij en som-mierlijk gehoort, die begrootinge en questie sal werden ge-modereert.

Art. IV. Item, als de Thiendenaars sullen koomen Thienden, soo sullen de Eigenaars der Lammeren eerst vier Lammeren moogen uitkiezen, en sal dan aan den Thiendenaar geoor-looft sijn uit de resteerende ses Lammeren Een uit te kiezen

271

-ocr page 428-

ORDONNANTIËN VAN 1JSSELSTEIN.

tot Thiende Lam, en op de voors. wijze of manier daar in continueeren, tot alle die Lammeren sullen gethiend sijn, ten waare den Thiendenaar met den Thiend-Gelder in Gelde wilde accordeeren, dat alleen blijft ter geliefte van den Thiendenaar en niet van den Thiend-Gelder.

Art. V. En sal den Eigenaar, ten tijde men die Lammeren verthiend, gehouden weesen, deselve sijne Lammeren te stellen op eene ruime lichte plaatse, soo, dat men tussen die Lammeren sal kennen doorgaan en die Lammeren be-kwaamlijk handelen na gelegenheid van het Schot of Schuure daar de voors. Lammeren in sijn.

Art. VI. Item, dat die Bijen sullen werden Verthiend ter Plaatse daar dieselven Bijën staan als se swermen, mits dat den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter betaalen sal die waarde van den Korf en daarenboven Twee Stuijvers voor het Spijlen van den Korf; Dat die Bijëluiden gehouden sullen weesen den Thiend-Heer ofte sijnen Pagter een gerechtelijke weete te doen, omme te koomen verthienen alleer Sij uit de Plaatse daar heure Bijën geswermt hebben sullen moogen vertrekken, op poene van te verbeuren Twee Caroli Guldens op ieder Swerm, die versweegen sal weesen ten profijten van den Pachter.

Art. VIL Ende in gevalle den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter binnen Vier en Twintig Uuren na die gedane Weete, niet en komt, sullen de Bijënluiden met haare Bijën vrijelijk moogen vertrekken, en laaten aldaar soo veel Gelds onder den Gerechte daar de Bijën geswermt hebben, als Sij bij Eede verklaaren sullen den Thiend van de geschepte Swermen waardig te sijn, op poene van op Ieder Swerm ten behoeve van den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter te verbeuren Twee Carolie Guldens.

Art. VIII. Ende aangaande die Baggelen: Dat deselve sullen werden Verthiend, na dat se Ses Weeken oud sullen weesen, ende dat uit de Hofsteede daar die Sogh voor het meestendeel van den Jaare sender arch, op ende uitgespijst en gevoed is, daar van den Eigenaar gehouden sal weesen den Thiend-Heer ofte Sijne Pachter eenen gerechtelijken Weete te doen om die Baggelen te koomen Verthienden, na dat de voors. Baggelen Ses Weeken oud sullen weesen geworden, die gehouden sal sijn binnen Drie Daagen daar na Ie koomen Verthienen, ende soo verre den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter als dan niet en komt, sal den Eigenaar

272

-ocr page 429-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

Sijne Biggelen moogen verkoopen ende veralieneeren, mits doende als van de Lammeren hier voeren gesegt is.

Art, IX. Ende overal, en sal Niemand Bijen ofte Baggelen moogen vervoeren, verkoopen ofte eenigsints moogen veralieneeren, voor ende aleer deselve sullen weesen verthiend, ofte eene geregtelijke Weete daar toegedaan ende verwagt, als hier vooren van de Lammeren is gesegt, ende dat op gelijke poene daar beneffens hier vooren gestatueert.

Art. X. Ordonneeren voorts, soo wanneer tusschen den Eigenaar der Thiendbaare Goederen, ten Eenre, ende den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter ter anderen zijde, questie valt op die weerde van eenige Thiendbaare Goederen, en Sijlieden het daar over in der minne niet kunnen eens worden, dat als dan den Eigenaar van deselve Goederen gehouden sal weesen, die te prijseeren, ende dat den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter vrij sal staan omme \'t Sijnre. optie deselve Goederen voor al sodanige Prijsen aan te nemen, ofte den Eigenaar van dien daar voor te laaten, ende naar advenant van deselve Prijseeringe Sijn Thiend te genieten, welver-staande dat den Thiend-Heer ofte Sijnen Pachter gehouden sal weesen, de voorschreeve verklaringe ende optie te doen binnen den tijd van tweemaal Vier en Twintig Uuren na de voors. Prijseeringe, ende soo verre Hij de geprijseerde Goederen aan Hem neemt, dat Hij benefiens Sijne verklaaringe promptelijk ende in gereede Gelden sal betaalen hetgeene na die deductie van den Thiend den Eijgenaar daar aan komt te resteeren, gelijk ook den Eijgenaar gehouden sal sijn bij aldien den Pachter Hem de Thiendbaare geprijseerde Goederen laat houden, van den Pachter den Tienden Penning promptelijk ende in gereeden Gelden te betaalen, ende soo Hij dat niet en deede sal het den Pachter vrijstaan de voors. Thiendbaare Goederen selvs te prijseeren, mits promptelijk ende in gereeden gelden als boven gesegt, aan den Eigenaar betaalende hetgeene hem na de deductie van den Thiend daar aan komt te resteeren; ende of het gebeurde dat Iemand eenige Lammeren ofte Baggelen in het aanbrengen van den Thiend versweege ofte andersints verduisterde soo sal Hij op Ieder versweegen Lam ofte Baggel verbeuren Twee Caroly Guldens, ten behoeve van den Pachter.

Ordonneerende alle Onse Oflicieren, Justicieren ende anderen die, \'t geene voors. is, soude moogen aangaan, dat Sij Hen

273

-ocr page 430-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTEIN.

na den Inhoud deeses sullen hebben te reguleeren; ende opdat Niemand hier van ignorantie moogen praetendeeren, ontbieden Wij den Drossard en andere Officieren in Onse Baronnie van IJsselstein deesen aldaar te doen verkondigen en publiceeren ter plaatse daar men gewoon is sodane Publicatie te doen, reserveerende aan Ons de verdere voor-sieninge, verklaaringe ofte alteratie, die namaals in deesen souden mogen werden vereischt.quot;

Volgt nu de Ordonnantie of Ordre en Regule, waar na de Bijëluiden haar in het setten ende verplaatsen van haare Immen ende Bijen sullen hebben te reguleeren.

»Art. I. In den Eersten: Dat Niemand voortaan met sijn Immen een ander sal moogen besetten op eenige Plaatsen, ten sij dat hij wijke van een ander Mans Bijën, die lengte van Hondert Roeden, op poene, dat die geene die Sijne Immen een ander te na heeft gestelt, gehouden sal sijn op te breeken ende ruijmen binnen Vier en Twintig Uuren en daarenbooven verbeuren sal Ses Guldens, het Een Derde deel voor den Officier die de Executie doen sal, het Tweede deel ten behoeve van de Geïnteresseerden, en het Derde deel ten behoeve van den Armen, ende indien de ruijminge niet en geschiede binnen Vier en Twintig Uuren, sal men binnen Vier en Twintig Uuren daar na verbeuren Dubbeld, ende indien hij daar na blijft in gebreeken, sal den Officier van de Plaatse geauctoriseerd sijn, gelijk Hij geauctoriseerd werd bij deesen, deselve Immen op te breeken ende te brengen ter Plaatse daar Niemand en is bij geïnteresseerd ofte verhindert, alles tot kosten van den Gebreekigen.

Art. II. Dat ook alle Bijëluiden gehouden sullen weesen een Merkteeken van een Rant ofte stuk van een Bijëkorf uit te hangen, ter Plaatse daar Haarluyder Bijën staan, omme een Iegelijk daar moede te vertoonen, dat Sij die Plaatse sullen moeten wijken.

Art. III. Dat voorts aan alle oude Bijën-Steeden binnen de lengte van Hondert Roeden pracferentie sullen genieten voor de nieuwe, welverstaande, dat voor geen oude Steeden sullen werden gekent, dan die bij eenen Bijënman; Sijn Weduwe ofte Erfgenaamen Ses continueele voorgaande

2 74

-ocr page 431-

ORDONNANTIËN VAN IJSSELSTF.IN.

Jaeren met Immen beset sijn geweest, ende sulken Bijenman, Sijn Weduwe ofte Erfgenaamen sullen aan deselve Plaatsen de praeferentie hebben den tijd van nog andere Ses Jaaren, na laps of expiratie van dewelke alle de Plaatsen bequaam om Bijen te setten, een Ieder sullen even na sijn, ende gebruikt moogen werden bij dengeenen die Hem bij den Gerechte (daar onder de Plaatse geleegen is) eerst sal hebben doen aanteijkenen.

Art. IV. Dat ook voortaan Niemand op een Bijë-Steede meer Immen of Bijën sal moogen setten dan ten hoogsten Vijftig, maar wel daar onder.

Art. V. Dat ook Niemand minder Immen op een Plaats sal moogen setten als Twintig, indien hij der sooveel ofte meer heeft.

Art. VI. Ende een Bijëman die geene Twintig Immen en heeft, sal evenwel Sijn Plaatsen moogen besetten met soo veel Immen als hij heeft, tellende van Vier Immen ende niet van minder opwaarts.

Art. VII. Dat Niemand eenige nieuwe Bijë-Steeden ten Velde ofte aan eenige Heggen sal moogen setten ofte maaken, ofte sal een ander moeten wijken de lengte van Hondert Roeden, ten waare bij consent van den geenen die daar bij geïnteresseerd soude moogen sijn, ook sal Niemand vermoogen Sijne Bijë-Steeden nader aan de gemeene Weg te setten, dan op een distancie van ten minste Twintig Roeden, op poene bij het eerste Articul gestatueert.

Art. VIII, Item dat een Daghuurder geen Land ofte minder Lands dan een halve Hoeve gebruikende, Bijë-Steeden en sal moogen verhuuren in praejudicie van een ander, maar sal selvs op Sijn Steede Bijën moogen houden, ingevalle Hij een halve Hoeve ofte meer Lands gebruikt, sal sijn Bijë-Steede moogen verhuuren als anderen.

Art. IX. Dat Niemand Swermen sal moogen scheppen omme Eygendom daar aan te praetendeeren binnen de lengte van Honderd Roeden daar Ymants Bijën staan, ten sij saake dat men kan bewijsen, dat se Vier en Twintig Uuren gehangen heeft, ten waare de Swermen bij den Eigenaar op de staande voet ende continuelijk vervolgt werden, in welke gevallen het den E3\'genaar vrij sal staan deselve te scheppen, daar Hij die vinden en krijgen kan.

Art, X. Dat Niemand in praejudicie van een ander op

275

-ocr page 432-

ordonnantiën van ijsselstein.

cenige Plaatsen, daar van Hij Sijnc Immen weggevoert heeft, eenige Honing ofte drooge Vellen daar nog Wasch in is, sal moogen laten staan ofte blijven, nogte eenige der voors. Vellen of Honing setten of brengen op eenige Plaatsen dan gestopt sijnde, soo dat er geen Bijën in en moogen, alles op poene als hier vooren in \'t Eerste Articul gesegt is.

Art. XI. Item, dat Niemant Sijne Bijën sal moogen voeden met eenig vervalschten Honing, om andere Bijën daar meede te bederven, op poene van vergoedinge van schaaden aan den Beschadigden, boven de poene hier vooren gestatueerd.

Ordonneerende alle Onse Officieren, Justicieren ende anderen die het geene voors. soude moogen aangaan, dat Sij Hen na den inhouden deeses punctuelijck sullen hebben te regu-leeren. Ende opdat Niemand hier van ignorantie moogen praetendeeren, ontbieden Wij den Drossard en andere Officieren in Onse Baronnie van IJsselstein deesen aldaar te doen verkondigen en publiceeren, ter plaatse daar men gewoon is soodanige Publicatie te doen, reserveerende aan Ons de vordere voorsieninge, verklaaringe ofte alteratie, die namaals in deesen soude moogen werden vereischt.

Aldus gedaan en gearresteert op Ons Hof in \'s Gravenhage den 17 April 1785,quot;

Was geteekent,

W. Pr. v. Orange.

Onder stond,

(L. S.) Ter Ordonnantie van Zijne Hoogheid,

Was gecontrasigneert, A. Ardesch.

276

Blijkbaar achten B. en W. van IJsselstein alle deze Verordeningen geheel, althans grootendeels, rechtsgeldig. De beide laatste behooren zeker tot degenen, waarop art. 802 B. W. wijst.

ƒ

-ocr page 433-