VOOR HET
Koningrijk der Nederlanden
/
ZOOAU ZIJ DOOR DKN KONING IS BEKHACUTIGl), BIJ BESLUITEN VAN (i NOVEMBER 1887
ter vergelijking naast de Grondwet van 1848 gedrukt,
BENEVENS DE ADDITIONEELE ARTIKELEN
\' f \' \' gt; . \'
BK VATTEND li
het voorloopig kiebreglement en de nieuwo kiestabel.
TWEEDE I) R XI K.
\'Èntï-
r
HAARLEM, H. D. TJKENK WILLINK. 1887.
WW
i 1
-
vtY\'ih
;^i| •■••vi$l?ip$
aitai «.lt;■•/gt; vs.»\'1 • ■%
Koningrijk der Nederlanden
ZOOALS ZIJ DOOIt I) K N KONING IS IIKK RACIITKi I), 111.1 UKSHJITKN VAN fi NOVKJIUKK 1S87,
ter vergelijking naast de Grondwet van 1848 gedrukt,
BENEVENS DE ADDITIONEELK ARTIKELEN
liK V Aji\'TKX DE
hot voorloopig kiesreglement en de nieuwe kiestabel.
TWURDK n R n K.
Do Grondwetsherziening hoeft nu haar eerste stadium door-loopen.
De Tweede Kamer der Statcn-Genoraal heeft de wijzigingen vastgesteld die in de Grondwet zullen worden gebracht.
Die wijzigingen zijn vervat in 12 afzonderlijke wetsontwerpen. De Regeering heeft namelijk afzonderlijke wetsontwerpen gemaakt voor de verschillende Hoofdstukken of Afdeelingen der Grondwet. Het Zesde Hoofdstuk Van dan Godsdienst ondergaat geene verandering. Wel was door de Regeering aanvankelijk ook wijziging van dit hoofdstuk voorgesteld, doch het daartoe strekkende wetsvoorstel is nader door de Regeering ingetrokken. Ook het Elfde Hoofdstuk blijft onvera,nderd. Het Tiende Hoofdstuk Van het Onderwijs en het^Armbestmr is gewijzigd ingevolge het initiatief van Afcit lid dor Tweede Kamer, den heer Schaapman.
Al de wetsontwerpen worden nu aan de beslissing van de Forste Kamer onderworpen. Deze kan in de Grondwet niet meer veranderingen brengen dan waartoe de Tweede Kamer besloten heeft, doch de Eerste Kamer kan een of meer der itsontwerpen afstemmen. Daarvan behoeft het noodzakelijk ,evolg nog niet te zijn dat de geheele grondwetsherziening vervalt, maar do afstemming van een enkel hoofdstuk zou a11eeu ten gevolge hebben, dat de grondwetsherziening niet in haar geheel zóó tot stand kwam als door de Tweede Kamer v rlangd wordt. *
Als do Eerste Kamer de Grondwetsherziening heeft aan-
Do Grondwetsherziening heeft mi haar eerste stadium door-locmen.
De \' IVeedo Kamer dor Staten-Generaal heeft de wijzigingen vastgesteld die in de Grondwet zullen worden gebracht.
Die wijzigingen zijn vervat in 12 afzonderlijke wetsontwerpen. De Regeering heeft namelijk afzonderlijke wetsontwerpen go-maakt voor de verschillende Hoofdstukken of Afdeelingen der Grondwet. Hpt Zesde Hoofdstuk Van den Godsdienst ondergaat geene verandering. Wel was door de Regeering aanvankelijk ook wijziging van dit hoofdstuk voorgesteld, doch het daartoe strekkende wetsvoorstel is nader door do Regeoring ingetrokken. Ook het Elfde Hoofdstuk blijft onveranderd. Het Tiende Hoofdstuk Van liet Onderwijs en het*Armbestmr is gewijzigd ingevolge het initiatief van tk.\\t lid dor Tweede Kamer, den heer Schaepman.
Al de wetsontwerpen worden nu aan de beslissing van de Forste Kamer onderworpen. Deze kan in de Grondwet niet meer veranderingen brengen dan waartoe do Tweede Kamer besloten heeft, doch de Eerste Kamer kan een of meer der, ïtsontwerpen afstemmen. Daarvan behoeft hot noodzakelijk ,evolg nog uiet te zijn dat de geheele grondwetsherziening vervalt, maar do afstemming van oen enkel hoofdstuk zou a1,eeu teu gevolge hebben, dat do grondwetsherziening niet in haar geheel zóó tot stand kwam als door do Tweede Kamer v rlangd wordt. *
Als do Eerste Kamer de Grondwetsherziening heeft aan-
IV
genomen en do daartoe strekkende wetten zijn afgekondigd, worden, ingevolge art. 197 der bestaande Grondwet, de beide Kamers der Staten-Generaal ontbonden. Er worden daarna, volgens de nu nog bestaande kieswet, nieuwe Kamers gekozen en deze moeten, om de Grondwetsherziening mogelijk te maken, met twee derden der uitgebrachte stemmen zich voor die herziening verklaren.
Er zijn gedurende de behandeling der Grondwetsherziening zooveel veranderingen in den tekst gekomen, dat het ook voor den aandachtigen lezer der verslagen van de Tweede Kamer moeielijk is zich een duidelijke voorstelling te maken van de Grondwet in haar geheel, zooals zij na de daarin gebrachte wijzigingen luidt. Ecne uitgaaf van de gehcele gewijzigde Grondwet zal\' daarom waarschijnlijk aan velen welgevallig zijn. Naast de gewijzigde Grondwet is de bestaande ter vergelijking gesteld.
De nummering van de artikelen der nieuwe Grondwet kan nog eenige verandering, ondergaan. Vermoedelijk zal echter de aangegeven nummering wel juist zijn.
Haarlem , Juni 1887.
|
Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden volgens de herziening in 1848. EERSTE HOOFDSTUK, Van het Rijk en zijn Inwoners. An. 1. Tlot Koningrijk der Nederlanden besluat in Europa uit de tegenwoordige provinciën: Noordbrabant, Gelderland, Zuidholland, Noordholland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en lint Herlogdom Limburg, behondensde, betrekkingen van het Hertogdom Limburg, met uitzondering der vestingen Maastricht en Venlo en van hare kringen, tot het Duitsche Verbond. Art. 118. (Zie tegenover dit artikel ouk art. 122 van de nieuwe Grondwet.) De Grondwet en andere wetten zijn alleen voorliet lüjk in Europa verbindende, tenzij het tegendeel daarin wordt uitgedrukt. Art. 2. T)e wet kan provinciën en gerneenten vereenigen en splitsen. T)e grenzen van den Staat, van de provinciën en gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. Art. 3. Allen, die zich op het grondgebied van het Itijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. |
Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden volgens de herziening in 1887. EERSTE HOOFDSTUK. Van hel Kijk en zijn Inwoners. Art- 1. Het Koningrijk der Nederlanden omval het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere wereld-deelen. Art. 2. De Grondwet is alleen voor liet Rijk in Europa verbindende, voor zoover niel het tegendeel daaruit blijkt. Waar in de volgende artikelen hel lüjk wordt genoemd, wordt alleen het Uijk in Europa bedoeld. Art. 8. De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen. De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. Art. 4. Allen die zich op het grondgebied van het Kijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen. |
4gt; DE NIEUWE GKUNDWET VüOH HET KUNINOUUK DER NEDERLANDEN
|
De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen, en de alge-nieene voorwaarden op welke ten aanzien van hunne uitlevering, verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. Art. 4. De uitoefening der burgerlijke regten wordt door de wet bepaald. Art. 5. Om eenig burgerschapsregt te hebben moet men Nederlander zijn. Art. 6. Was gelijkluidend. Art. 7. Do wet verklaart wie Nederlanders zijn. Een vreemdeling wordt niet dan door eetlo wel genaturaliseerd. Art. 8. Wan gelijkluidend. Art. 9. Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uil naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege ligchamen , wettelijk zamen-gesteld of als zoodanig erkend, en in dal geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden be-hoorende. |
De wet regelt de toelating en de uilzetting van vreemdelingen en de algc-meene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. Art, 5. Ieder Nederlander is tot elke landshe-bediening benoembaar. Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. Art. 6. De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn. Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd. De wet regelt de gevolgen dor naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde. Art. 7. Niemand heeft voorafgaand verlof noo-dig, om door de drukpers gedachten of gevoelens le openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Art. 8. Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magl in te dienen. Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Onderteekening uitnaam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde vol magt. Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen lol hunnen bepaalden werkkring bohoorende. |
GEÜNDWKï VOOU HKï KONINGllIJK DEK NEDERLANDEN.
7
|
Art. 10. Js \'jelijlilnklcnct. TWEEDE HOOFDSTUK. Vaa den Koning. EERSTE AFDEELING. Van de troonopvolging. Art. 11. Is gelijl, luide ad. |
Art. 0. [let regt der ingezetenen tot vereeni-ging en vergadering wordt erkend De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. TWEEDE HOOFDSTUK. Van den Koning. EERSTE AFDEELING. Van de troonopvolging. Art. 10. De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit A\\ ii.i.mm f liKDElil k , Prins van Üranje-Nassaii, om door Hem en Zijne wettige nakoinelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. |
|
■ Art. 12. De wettige mikomelingen van den rege-rendeii Koning zijn de kinderen reeds geboren , ol\' die nog mogten geboren worden, uit zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Feedeiuka Louisa Wil-itELMtNA, Prinses van Pniisson; en voorts in liet algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een liuwelljk , door den Koning, met gemeen overleg der Staten-Genoraal aangegaan of toegestemd. Art. 13. De Kroon gaat over dooi regt van eerstgeboorte , des dat de oudste zoon van den Koning, of wel liet Mannelijk oir van den oudsten zoon bij representatie,\'opvolgt. |
Art. 11. De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande dat bij vóóroverlijden van een regtbeb-bende diens zonen of verdere inannelijke uil mannen gek omen nakomelingeii op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren lak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. |
Art. 14.
Dij ontstentenis van mannelijk uir uil den oudsten zoon gesproten, gaat de Kroon
8 DK BESTAANDE EN DE DUUU DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
over op diens broeder ol\' hun mannelijk oir, insftelijks door regt van eerstgeboorte en representatie. Art. 15. Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit liet llnis van Oranje-Nassan, gaat de Kroon over op do dochters van den Koning, door regt van eerstgeboorte. Art. IB. Ook doebters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste doebter van de oudste nedorgaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning di^ Koninklijke waardigheid in baar Huis over, en wordt bij vooroverlijden door hare arstanimelingen gerepresentcjerd. Art. 17. Zoo er geone mannelijke nedergaande lijn nit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedorgaande vrouwelijke lijn , des dat de mannelijke tak vAór de vrouwelijke tak, en do oudste vc\'iór de jongere, en in iedere tak mannen vóc\'ir vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben. Art. 18. Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het Huis van Oranje-Nassan overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijken Huize zijnde, op, en wordt mede, bij vóóroverlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd. |
Art. 12. liij ontstentenis van opvolgers in bet voorgaande artikel aangewezen, gaal de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstoverleden Koning bij regt van eerstgeboorte. Art. 13. Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van do nedergaande mannelijke lijnen uit den laatst overleden Koning en, bij gebrake ook van deze en van hare nakomelingen, gaat do Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen. In deze, gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór do jongere, de mannelijke tak vóór don vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren, en hebben in lederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang. Art. 14. liij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen lot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het buis van Oranje-Nassan behoorendo, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Fhkdeeik, Prins van Oranje-Nassan, het naast bestaat. Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene don voorrang. Is de bedoelde bloedverwante des Ko-nings vóór hem overleden, dan treden |
GRONDWET VUUlt MKT KUNINWitUlv DEU JSJSDKKLANüJiN.
U
bare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren. en in lederen tak mannen vóór vrouwen on onderen vóór jongeren gaan.
|
Art, 10. Wanneer ecne vrouw dn Kroon in wmi ander Hnis heeft overgobragt, tnïcdt dit Huis in alle do regten van het oorspronkelijk Stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir vóór allo vrouwen of vrouwelijke afstaminelingon erft, engoene andere lijn geroepen wordt, zoo lang iemand van hare nakomelingen in loven is. Art. 31. lüj ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Wn/LliM 1\'ue-derik van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over op deszelfs zuster. Prinses Fiieheuika Louise Wiliielmina van Oiianje, douair-riftro van wijlen Cakel George August, Erfprins van Brunswljk-Lunenburg, of bare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 12, mogt worden aangegaan. Art. 22. Indien ook de wetlige nakomelingsebap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het orf-regt over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden , en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, Insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie. |
Art. 15. lilj ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Wellburg, op gelijke wijze als in art. (11) ton opzigto van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Kredhuik , Prins van Oranje-Nassau, is bepaald. Art. 10. Alstand van dn Kroon heeft ten 0| y/,igle van do opvolging hetzelfde gevolg als overlijden. |
10 DE BESTAANDlfi EN DE DOOR DE ï WEK DE KAMER VASTGESTELDE
|
Art. 20. Eene Prinses, buiten tocstemining der Slaten-Gcnoruiil, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt lot de Kroon. Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, duel afstand van de Kroon. Art. 23. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige veranderingen in de opvolging van den troon noodzakelijk maken, is de Koning bevoogd, daaromtrent eene voordragl te doen, te behandelen op de wijze, ton aanzien van verandering in de Grondwet, in arlt. 196, 197, en 199 voorgeschreven. Art. 24. Hetzelfde vindt plaats, wanneer er geen bevoegde opvolger naar deze Grondwet bestaat. Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan ge- |
Arl. 17. Hel kind waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigto van hel regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. Art. IS. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming. Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon. Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, betzij ingevolge artt. 15, 19, 20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten. Art. 19. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen. T)e Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering. Art. 20. Waneeer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen. De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering. Art. 21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet be- |
GR0NDWJ3Ï VOUIt HET KONINGRIJK DKli NEDEKLANDEX. 11
|
scliicdl do benoeming door do Sliilon-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde -/.itting. Arl. 25. In de gevallen in artt. 21, 22, 23 en 21 omschreven, wordt de troonopvolging geregeld naar de bepalingen van artt. 13, 13, 14, 15, IC, 17, 18 en 19. ftrt. 26. Is gelijkluidend. TWEEDE APUEELING. Van het inkomen der Kroon. Art. 27. Behalve het inkomen nit de domeinen, door de wet van den 26sten Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staal teruggegeven, geniet Koning Willem 11 een jaarlijksch inkomen van één milloen gulden uit \'s Lands Kas. Hij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld. |
staat, geschiedt\'de benoeming regtstrccks door de Slatcn-Generaal, in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen een maand na het overlijden bijeengeroepen. Arl. 22. Al do bepalingen omtrent de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een dei-twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege dat bet nieuwe stamhuis ten opzigte van die opvolging van bom zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het luns van Oranje-Nassau dit volgens art. (10) doet uit wijlen Koning Willem kkkdekik , Prins van Oranje-Nassau. Ditzelfde geldt in bet geval van art. (15) ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses-caeoline van Ohakje. Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, niet dien verstande dat de Kroon eerst bij gebeele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat. Art. 33. De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg. In geen geval kan de zetel der Regering buiten het Rijk worden verplaatst. tweede afdeeling. Van het inkomen der Kroon. Art. 24. Hehalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van 2fi Augustus 1833 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem 11 tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. |
12 DE BESTAANDE EN DE DOOll DE TWEEDE ICAME 11 VASTGESTELDE
|
Art. 28.\' Js fjelijkluidend. Am. 2«. Is gelijkluidend. Art. 30. h gelijkluidend. Art. 31. h gelijkluidend. Art. 32. Js gelijkluidend. Art. 33. Du Prins van Oranje gonict als zoodanig uil \'a Lands kas ccn jaarlijkscli inkomen van /\'100,000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal Irebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op ƒ 200,000, na het voltrekken van een liuwolijk, overeenkomstig artikel 12 dezer Grondwet. DERDE AF DEE LING. Van de Voogdij des Konings. Art. 34. Di^ Koning is meerderjarig als zijn aelit-tiende jaar vervuld is. Art. 85. Zoolang de Koning minderjarig is, staat |
Art. 25. Don Koning worden tol deszelf\'s gebruik, zomer- en winter-verblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan/50,000 jaarlijks, ten laste van den Lande kunnen worden gebragt. Art. 2fi. De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van allo personele lasten. Geen vrijdom van eonige andere belasting wordt door hen genoten. Art. 27. De Koning rigt ziju Huis naar eigen goedvinden in. Art. 28. Het jaarlijkscli inkomen eeuer Koninginweduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kas is / 150.000. Art. 20. De oudste van des Konings zonen , of verdere mannelijke nakomelingen, die do vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Pkins van Okanje. Art. 3^, De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands kas oen jaarlijkscli inkomen van f 100.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op /\' 200,000, na het voltrekken van oen huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend. DUBDE AEDUELINO. Van de Voogdij des Konings. Art 31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is. Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Hegent wordt. Art. 32. De voogdij van den minderjarigen Koning |
GRONDWET VÜÜR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
13
|
hij ondei\' do voogdij vim eonigo leden van liet Koninklijk Huis on oonige uan-zicnlijko Nodorlandors. Arl. 36. J)o voogdij wordt geregeld on do voogden worden benoemd door eene wet. Over liet ontwerp dier wet nemen do Staten-Generaal hun besluit in eeno ver-conigde zitting: der beide Kamers. Art. 37. ft gelijkluidend. Art. 38. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in banden van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af: »lk zweer (beloof) trouw aan don Ko-»ning; ik zwoor (beloof) al de pligten, welke »de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, »en er mij bijzonder op te zullen toeleggen, »oni den Koning gehechtheid aan de Orond-»wet on liefde voor zijn volk in te boezemen. »Zoo waarlijk helpe mij God almagtiglquot; (»Dat beloof iklquot;) Art. 39. Ingeval de Koninghniten staatgeraakt de regering waar to neiuen, wordtin hetnoodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 3fi en volgende bepaald. VIERDE Al\'DEELING. Van het Regentschap. Art. 40. Is gelijkluidend. |
wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd hij eene wet. Over het untwerp dier wet beraadslagen en besluiten do Staten-Generaal in vereenigde Vergadering. Art. 33. Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogl dit niet zijn gesehied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning overdo regeling der voogdij gehoord. Art. 31. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de\'Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af: »lk zweer (beloof) trouw aan den Ko-»ning; ik zweer (heloot) al de pligten, welke »de voogdij tnij oplegt, heilig te vervullen, »en er mij bijzonder op te zullen toeleggen, »om den Koning gehechtheid aan de Grond-»wct en liefde voor zijn volk in te boezemen. »Zoo waarlijk helpe mij God Almagtiglquot; (»Dat beloof ik Iquot;) Art. 35. Ingeval de Koning buiten staatgeraaktde regering waar te nemen, wordt in hetnoodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. (32) bepaald. De wet bepaalt den eed of do belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen. VIEUDE Al\'DEELING. Van het Regentschap. Art. 36. Gedurende.de minderjarigheid van den Koning wordt het Koninklijk gezag waargenomen door eenen Kegent. |
14 DE BESTAANDE EN DE DOOR DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
All. 41. Ue Regent wordt benoemd dooi\' eene wet, die tevens de opvolging in het rogent-scliap, tot \'s Konings meerderjariglieid toe, kan regelen. Over tiet ontwerp dier wet nemen de Slaten-Generaal luin besluit in eene vereonigde /.itting der beide Kamers. De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Art. 42. Het koninklijk gezag wordt mede aan eenen Eegent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de Regering waar te nemen. Wanneer dit aan den llaad van Stale, vereenigd met de boofdnn der ministeriële departementen, na een naauwkeurig onderzoek , is gebleken, roept deze vergadering onverwijld de Slaten-Generaal in dubbelen getale bijeen, om hun van bel voorbanden geval verslag te doen. Art. 43. De Slaten-Generaal onderzoeken het verslag, en, zoo zij in een besluit, in ver-eenigde zitting der beide Kamers in dubbelen getale genomen, er de juistheid van erkend hebben, wordt in den vorm eener plegtig af te kondigen wel verklaard, dal bel geval, in hel vorig artikel bedoeld, aanwezig is. Art. 46. Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar vervuld beeft, is hij, in hel geval van arl. 42, van regtswege Regent. |
Art. 37. De Regent wordt benoemd bij eene wel, die levens de opvolging in hel regentschap, tol \'s Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over hot ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Slaten-Generaal in vereenigde vergadering. De wel wordt nog bij bet leven van don Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Art. 38. Hel koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning builen slaat geraakt de regering waar te nemen. Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade vereenigd, oor-deelon dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van Slate niet uitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen. Art. 39. Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij do Slaten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen , om hun, ouder overlegging van hel advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van hel voorhanden geval verslag te doen. Art. 40. Zijn de Slaten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat bet in art. (38), Isle lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last vuu den in art. (100), 2de lid , aangewezen voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt. Bij ontstentenis van dezen voorzitter wordt door de vergadering een voorzitter benoemd. Art. 41. In hel geval van art. (40) is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent. |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 15
|
Art. 44. Wanneer de Prins van Oranje zijn achl-liende jaar niel hoeft vervuld, wordt in hot regentschap, gelijk in artt. 40 en 41 is bepaald, voorzien voor zoolang de Koning lol het waarnemen dor regering buiten staat blijft, ou de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld. Art. 45 Do Regent logt, in eene veroenigde zitting van do beide Kamers der Staton-Gonoraal, in handen van don voorzitter den volgenden eed of belofte af; »lk zweer (beloof) trouw aan den Koning; sik zweer (boloof), dal ik in do waarneming »vau bet Koninklijk gezag, zoolang de Ko-«ning minderjarig is (zoolang de Koning «buiten staat blijft do regering waar te jnenien), de Grondwet van het Rijk steeds »zal oudorhouden en handhaven. »Ik zweer (beloof), dat ik de onafhanke-»lijkheid en het grondgebied dos Rijks »inet al mijn vermogen zal verdedigen en »bowaron; dat ik de algenioono en bijzon-»dere vrijheid, en de regton van alle des »Konings onderdanen, en van elk bunner «zal beschermen, en tot instandhouding en «bevordering van de algeraoene en bijzon-»dere welvaart alle middelen aanwenden , «welke do wetten ter mijner bescbikking «stellen, gelijk een goed en getrouw Regent «schil Idig is te doen. «Zoo waarlijk helpo mij God almagtig!quot; («Dat boloof ik!quot;) Art. 47- Tot dat iu bet geval, in art. 42 aangewezen, de Prins van Oranje of do benoemde Regent hot regentschap beeft aan- |
Art. 43. Ontbreekt een Prins van Oranje of beeft do Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld , dan wordt in het regentschap voorzien op do wijze in art. (37) bepaald; in het laatste geval tot aan hot tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld hooft. Art. 43. Bij bot aanvaarden van het regentschap logt de Regent in eeno veroenigde vergadering van do Staten-Gonoraal in bandon van den Voorzitter don volgenden eed of belofte af; «Ik zweer (beloof) trouw aan don Koning ; «ik zwoor (beloof). Jat ik in do waarneming «van het Koninklijk gezag, zoolang de Ko-«niiig minderjarig is (zoolang de Koning «buiion staat blijft do regering waar te «nomen), do Grondwet steeds zal ondorhou-«don en handhaven. «Ik zweer (boloof), dat ik de onafhanke-«lijkbeid en bet grondgebied dos Rijks mot al «mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; «dat ik do algomoeno en bijzondere vrij-«hoid, en de region van alle des Konings «onderdanen, en van elk hunner zal be-sschormon, en tot instandhouding en besvordering van de algemeene en bijzondere «welvaart alle middelen aanwenden , welke »do wellen te mijner beschikking stollen , «gelijk een goed en getrouw Regent sclml-«dig is te doen. «Zoo waarlijk helpe mij God almagtig Iquot; (Dat boloof ik 1quot;) Art. 44. Wanneer een Regent buiten staat geraakt hot regentschap waar te nemen, zijn de artt, (38), 2de lid , (39) en (40) toepasselijk. Is do opvolging in het regentschap niet geregeld, dan wordt art. (37), Isto lid, toegepast. Art. 45. Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State : 1. bij bot overlijden dos Konings, zoolang |
II) DU BESTAANDE EN DE DOOR DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
vaai\'d, wordt hot Koningklijk graag waar-goiiomcn (looriic vcrgadui\'ing, zamciigostcUl als in arl 43 is voorgesclireven. 1 lol/cHUc vindl plaals, zoo, liij overlijden des Konings, non Kogent voor den niindorjai\'igcn opvolger ol\' ook do bovocgde opvolger ontbreekl, tot dat dc benoemde Regent of opvolger de regering heeft aanvaard. De leden van deze vergadering leggen in banden van den door hen gekozen voorzitter, en deze in eene vereenigde zitling van de beide Kamers der Staten-Generaal, den volgenden eed of belofte af; »lk bezweer (beloof) dat ik , als lid (voor-«zitler) van dezen regeringsraad, in dewaar-»neming van het Koninklijk gezag, de »(i roiui wet zal helpen onderhouden en band-»baven. »Zoo waarlijk helpe mij God almagtig 1quot; (»I)al beloof iklquot;) Art. -IS. fs gcliJliUiidcncl. Art. 49. De Koning, op wien art. 43 is toegepast, borneemt zoodra mogelijk de waarneming der regering, krachtens eene wet, waarin die, welke in het genoemde artikel is bedoeld, wordt afgosobafl. |
niet in de troonopvolging volgens art. (21) is voorzien , voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of dc Troonopvolger of Regent afwezig is; 3. in de gevallen van artt. (40) cn (44), zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, \' zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard beeft; 3. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is. Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard. Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State hot daartoe strekkend ontwerp van wet in; in de gevallen, onder 1° en Squot; vermeld , binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag; in hot geval, onder 3° vermeld, binnen den tijd van eene maand, nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker to zijn. Art. 46. Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van bet regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op bet jaarlijksch inkomen van dc Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap. . Deze bepaling kan gedurende hel regentschap niet worden veranderd. Art. 47. Zoodra het in art. (38) omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. (40) vermeld, wordt afgekondigd. Art. 48. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal. Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK «ER NEDERLANDEN.
17
oninidcMIijk in vorocnigdn vci\'gndci\'iiiB bij-ocnromil.
Is de ziuing dor Kamers geslolen, dan zijn die leden bevoegd de oproeping -/elven Ie doen.
|
Tot aan deze afseballing zijn de hoofden der ministeriële departementen, gelijk de voogden, persoonlijk gebonden, aan de Kamers dor Stnten-Generaal, zoo dikwerf het wordt gevraagd , van dos Konings toi1-stand verslag te doen. VIJFDE AFDEELINO. Van de fnlnildiying des Konings. Art. 50. De Koning, de regering aanvaard lieli-bendo, wordt zoodra mogelijk plcgtig be-öedigd en ingobnldigd binnen de stad Amsterdam , in eenn openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten- Goneraal. Art. 51, In deze vergadering wordt door den Koning do volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd : »lk zweer (beloof) aan bel Nederlandsfhe «volk dal ik de Grondwet van bot Rijk steeds »zal ondorbondon en bandbaven. sik zwoor (beloof), dat ik doonafbanke-»lijkbeid en bel grondgebied des Kijks met al »mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; »dat ik do algemeeno en bijzondere vrijheid »en de region van alle mijne onderdanen »zal besebermon , en tot instandhouding en «bevordering van do algomeone en bij-»zondore wolvaart alle middelen zal aan-fwenden, welke de wetten ter mijner be- |
Art. 40. De hoofden der minisleriole departementen en do voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan do Kamers dor Staten-Gone-raal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den loostand van don Koning óf van den Regent verslag Ie doen. Art. (02), 3de lid, is ton deze ook op de voogden toepasselijk. Art. 50. Onmiddellijk na afkondiging van bot in art. (17) oinseliroven boslnit hernoemt de Koning de waarnoming der regering. VIJFDE AFDEELINO. Van de Inhuldiging des Konings. Art. 51. J)e Koning, de regering aanvaard hebbende . wordt zoodra mogelijk plegtig be-ëedigd en ingehuldigd binnen do stad Ani-stordam, in eene openbare en vereenigde vergadering der SUrten-Generaal. Art. 52. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd : »lk zwoer (beloof) aan bot Noderlandsche volk, dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven. «Ik zwoer (beloof), dal ik deonafhanke-»lijkhcid en hot grondgebied des Hijks met al «mijn vermogen zal verdedigen en bewaren ; »lt;lat ik de algomeone en bijzondere vrijheid »en de rogten van al mijne onderdanen »zal besebermen , en tot instandhouding on «bevordering van de algomeone en bij-«zondere welvaart allo middelen zal aandweilden, welke do wetten lo mijnor be- U |
18 DB BESTAANDE EN DE DOOR DE TWEEDE ICAMER VASTGESTELDE
|
»scliikkinf! stellen, 7,00 als 0011 goed Koning nscliuldig is te doen. »Zoo waarlijk helpe mij God alinagtig !quot; («Dal beloof iklquot;) Art. 53. /j gclijlduidend. ZESDE AF DEELING. Van de Magt des Konings.. Art. 53. /.« gelijkluidend. Art. 54. Is gelijkluidend. Art. 55. Is gelijkluidend. Art. 56. |
De Koning verklaart oorlog. Hij geel\'t «schikking stellen, zoo als een goed Koning »sclinlilig is te doen.quot; «Zoo waarlijk helpc mij God alinagtig 1quot; (»Dat beloof iklquot;) Art. 53. Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der loden, hoofd voor hoofd, hoë.cdigd of bevestigd wordt: quot;Wij ontvangen en huldigen, in naam »van bet Nederlandsche volk en krachtens »de Grondwet, U als Koning; wij zweren «(beloven), dat wij uwe onschendbaarheid »en de regten uwer kroon zullen handhaven ; »wij zweren (beloven) alles te zullen doen, »\\vat goede en getrouwe Staten-Generaal «schtddig zijn te doen. »Zoo waarlijk helpe ons God alinagtig Iquot; (»Dat beloven wij 1quot;) ZESDE AFDEELING. Van de Magt des Konings. Art. 54. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. Art. 55. De uitvoerende magt berust bij den Koning. Art. 5«. Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld. Bepalingen, door straffen te handhaven worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet. De wet regelt de op te leggen straffen. Art, 57. De Koning heeft bet opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen. Art, 58, De Koning verklaart oorlog. Hij geeft |
GRONDWET VOOR HUT KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
19
|
daarvan onmiddellijk kennis aan de beido Kamers der Slaten-Creneraal, niet bijvoeginfi; van zoodanige mededeelingen, als hij met hel helang en do zekerheid van het lüjk bestaanbaar acht. Art. 57. L)e Koning maakt en bekrachtigt vredes-en alle andere verdragen niet vreemde mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mode aan de beide Kamers der Staten-Genoraal, zoodra hij oordeelt, dat het belang en de zekerheid van het lüjk zulks toelaten. Verdragen, welke, hetzij afstand of ruiling van eenig grondgebied des liijks in Europa of in andere werelddeelen, hetzij eenige andere bepaling of verandering, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd, (tan nadat do Staten-Genoraal die bepaling of verandering hebben goedgekeurd. Art. 58. Is gelijkluidend. Art. 59. Is gelijkluidend. |
daarvan onmiddellijk kennis aan üe beide Kamers der Staten-Generaal, mot bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang van den Staat bestaanhaar acht. Art. 59. De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen niet vreemde mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beido Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt, dat het belang van den Staat het toelaat. Verdragen, die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenigo andere bepaling, wettelijke regten betreflende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na dooide Staten-Generaal te zijn goedgekeurd. Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich do bevoegdheid lot het sluiten van hot verdrag bij do wet heeft voorbehouden. Art. 60. De Koning beeft liet oppergezag over zee- en landmagl. De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd , ontslagen of op pensioen gestold, volgens de regels door de wet te bepalen. De pensioenen worden door de wet geregeld. Art. 61. De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen. De reglementen op hot beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. Het inuntslelsel wordt door de wet geregeld. Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld , zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. |
2ü DE BESTAANDE EN DE DOüR DE T WE li DE KAMER VASTGESTELDE
|
Art. 00. ft (jelijkhüdo.nd. Art. 61. Do Koning hcofl hol opporbostiim\' van do alponiccno ftoldmiddolon. Tlij rogoU do lii\'znldi}.\'ing van allo collodion on aniblo-naron, dio uil \'s lands kas wordon botaald. T)o wol rogolt do bozoldiginp van de ainbtonaron de| voglorlijko magt. Do Koning brongl do bozoldigingon op do bopi\'ooling dor Staalabohoofton. Do ponsioonon dor anibtonaren worden door do wet.poregold. Art. 03. As (jo.lijlduklend. Art. 03. Is (jclljlihiidend. Art. 04.. /.s gelijliluidend. Art. 05. Vroonido ordon , waaraan goonc vorplig-tingen verbonden zijn, mogen wordon aangenomen door don Koning, en, met zijne looslomtning, door do Prinsen van zijn Imi^. in geen geval mogon do ondordanon dos Konings vroonido ordeteokonon, tilels, rang (jf waardigheid aannemen, zonder zijn bijzonder verlof. |
Art. 02. Do Koning \'doet jaarlijks aan de Stnton-Oenoraal een omstandig verslag geven van bot beheor dier koloniën en bezittingen on van don staat waarin zij zich bevinden. Do wet regelt de wijze van beboer en verantwoording der koloniale geld middelen. Art. 03. Do Koning heeft bot opperbestuur van de algemeene goldiniddolen. Hij regelt de bezoldiging van allo collegiön en ambtenaren, die uit \'s Kijks kas wordon betaald. De wet regelt do bezoldiging van den llaad van State, van do Algeniecno Roken-kamer en van de regterlijko magt. De Koning brengt do bezoldigingen op do bogrooting dor Rijksnitgavon. Do ponsioonon der ambtenaren worden door de wet geregeld. Art. 64. De Koning hoeft hot rogt van de munt. Hij vermag zijne beoldtenis op de muntspeciën te doen stollen. Art. 65. De Koning verleent adeldom. Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen. Art. 00. Ridder-orden wordon door eone wet, op het voorstel des Konings, ingesteld. Art. 07. Vreemde orden, waaraan goen verplig-tingen verbondon zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, mot Zijne torstomming, door de Prinsen van Zijn Huis. In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vroomdolingen, die in Neder-landscho staatsdienst zijn, vreemde orde-teekonen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van don Koning. |
GRONDWET VUUR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
|
Art. 6(5. Do Koning heeft hot rept van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen opgelegd. Wanneer het veroordeelingen betreft tot drie jaren gevangenis en daar beneden\' en lol geldboete, hetzij te zamen, belzij afzonderlijk, oel\'ent de Koning dat regt uit, na geboord advijs van den regter die bet vonnis heeft gewezen; in de overige zaken , na geboord advijs van den Hoogcn Read. Amnestie en abolitie worden niel dan door eone wet toegestaan. Art. 67. I)is|)ensatie word t door den Koning sleeb ts verleend van eene bepaalde wet, in de gevallen door de wet omsebreven. Art. 08. De Koning beslist alle geschillen van bestuur, welke tusscben twee of meer provinciën ontstaan, wanneer hij die niet in der minne kan doen bijleggen. Art R9. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als hij noodig oordeelt. Hij heeft het regt, om de voorstellen, hein door de Staten-Generaal gedaan, al of niet goed te keuren. |
Art. 08. De Koning heeft bet regt van gratie van straffen, door regterlijk vonnis\'opgelegd. Ilij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter dai irtoe bij algetnoenen maatregel vau bestuur aangewezen. Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan. Art. 69. Dispensatie van wetsbepalingen kandoor den Koning slechts worden verleend met niagtiging van de wet. De wet, welke deze niagtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid lot dispensatie zich uitstrekt. Dispensatie van bepalingen van alge-ineene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden. Art. 70. De geschillen tusscben provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusscben provinciën of gemeeuteu en waterschappen, veenschap-pen en veenpolders; niet beboorende tot die, vermeld in art. (151) of tot die, waarvan de beslissing krachtens art. (132) is opgedragen aan den gewonen regter of aan een collegie, met administratieve regt-spraak belast, worden door den Koning beslist. Art. 71. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet hnn zoodanige andere voorstellen, als Hij noodig acht. Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren. . |
22 DE BESTAANDE EN DE DOOR DB TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
Art. llfi. Do wijze van afkondiging der wetten. en de lijd wanneer zij verbindende zijn, worden door de wet geregeld. liet formulier van afkondiging is liet volgende; »Wij, enz... . , Koning der Nederlanden, enz.. . . «allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salnll doen te weten: »Alzoo Wij in overweging geuoinen hebben , dat enz. (De beweegredenen der wet.) »Zoo is bet, dal Wij, den l?aad van Slate «geboord, en met gemeen overleg der Staten-»(ieneraal, hebben goedgevonden en ver-»staan, gelijk Wij goedvinden en verstaan »bij deze, enz. (Oe inbond der wel.) «Gegeven,quot; enz. Art. 117. Ten aanzien der algemeenc maatregelen van inwendig bestuur van den Slaat, bepaalt de wel insgelijks do wijze van afkondiging en bet tijdstip, waarna zij zullen werken. Art. 70. De Koning heeft bot regt om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk ol beide te zamen, te ontbinden. Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot bet zamon-komen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden. ZEVENDE AFDEEL1NG. Van dan Raad van State en de ministeriële Departementen. Art. 71. Er is een Kaad van State, welkszamoii\' |
Art. 73. Dn wijze van afkondiging dor wetten en der algemeone maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn worden door de wet geregeld. liet formulier van afkondiging der wollen is bet volgende; «Wij enz.... Koning dor Noderlanden «enz.... «Allen, die .deze zullen zien of hooren «lezen, salnll doen te weten: «Alzoo Wij in overweging genomen heh-«hen, dat enz. (De beweegredenen der wet.) «Zoo is het dat Wij, don Kaad van State «geboord, en motgotneon overleg dor Staten-«Generaal, hebben goedgevonden on vor-«staan, gelijk Wij goedvinden en verstaan «hij deze, enz. (Do inhoud dor wel.) «Gegeven,quot; onz. Ingeval eeno Koningin regeert of het koninklijk gezag door oen Regent of door den Haad van Slate wordt waargenomen, wordt do daardoor noodigo wijziging in dit formulier gobragl. Art. 73. Do Koning heeft hot rogl, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of boide te zamen, te ontbinden. Hel besluit, waardoor die ontbinding wordt uilgesproken, houdt levens den last in lot hot vtrkiozon van nieuwe Kamers binnen voorlig dagen, on lot hot zamon-komen der nieuw verkozen Kamers binnen twoo maanden. Do liaail van State( hot koninklijk gezag waarnemende, oefent hot rogl van oulbmdhig niet uil. ZEVENDE AFDF.EL1NQ. Van den Raad van State en de ministeriële Departementen. Art. 74. Er is een Raad van Stale, welks zamen- |
|
sldliii}; cn bovoogdhcid worde» gorogcld dour de wet. De Koning is voorzillor van den Raad, en benoemt de leden. De Prins van Oranje lieeft echter, nadat zijn achttiende jaar is Vervuld , zitting van regtswege en eenc raadgevende stem. Art. 72. De Koning brengt ter overweging bij den llaad van Stale alle voorstellen door hem aan de Staten-Generaal te doen, of door deze aan hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig be-sluur van den Staat en van zijne koloniën eu bezittingen in andere werelddeelen. Aan het hoofd dor uit te vaardigen wetten en bevelen wordt melding gemaakt dat de Hand van State deswege gehoord is. De Koning neemt wijders de gedachten vim den liaad van Slate in over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waarin hij zulks noodig oordeelt. De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den liaad. Art. 73. Is gelijkluideiul. |
2S stelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet. De Koning is voorzitter van den Raad en benoemt de leden. De Prins van Oranje hoeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad. Art. 75. Do Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal le doen, of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle s algemeene maatregelen van bestuur van het Uijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. Aan bet hoofd der nit to vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dal de Raad van State deswege gehoord is. De Koning hoort wijders den Raad van State over allo zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt. De Koning alleen besluiten geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State. Art. 76. De wet kan aan den Raad van State of aan eeno afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen. Art. 77. De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en j ontslaat die naar welgevallen. De hoofden der ministeriele departemen-len zorgen voor de uitvoering der firond-wet en dor andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt. Hunne verantwoordelijkheid wordt ge-; regeld door de wet. Alle Koninklijke besluiten cn beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen mede. onderteekend. GRONDVVJSï VÜOll HET KONINGlllJK DEK NEDERLANDEN. |
24 DE BESTAANDE EN DE DOOR DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
DERDE HOOFDSTUK, Van de Stalen-Generaal. |
DERDE HOOFDSTUK. Van de Staten-Generaal. |
EERSTE Al\'DEELlNG. EERSTE AFDKELING,
Van de zameiisletliiiy der Staten-Generaal. Van de zamenstelliny der Staten-Generaal.
|
Art. 74. Is gelijkluidend. Art. 75. In gelijkluidend. An. 76. ])u If\'tli ti dor Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin liet Kijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige Ingezetenen, Nederlanders, In liet volle genot der burgerlijke en burgerseliaps-reglen, en betalende In de directe lielastin-gen eene som , die, overeenkomstig mot de plaatselijke gesteldheid , doch niet beneden het bedrag van ƒ 30 noch boven dat van ƒ 100, In de kieswet zal worden verelscht. |
Art. 78. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk. Art. 70. De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer. Art. 80. De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke Ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatsehappelljken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twlnlig jaren mag zijn, hebben bereikt. De wet bepaalt, In hoever de uitoefening van bel kiesregt wordt geschorst, voordo militairen, beneden den rang van oHieicr, bij de-zee- en de landmagt voor den lijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden, Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regter-lljke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlljke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genóten en , voor zoover de kieswet, betzij zeker bedrag van den aanslag in eene ol meer Rijks-directe belastingen, hetzij het bezit van een el\' nieer grondslagen van zoodanigen aanslag als verelscble van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belaslingen niet hebben voldaan. |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
25
|
Art. 77. Hot golal van do leden derTweedeKamer wordt bepaald naar do bevolking, voor ieder 45,000 óón. De verdere regels ton aanzien van bel kiosregt stolt do kieswet. Art. 78. De Korsto Kamer bestaat uit 39 leden. Zij moeten beboeren tot de boogstaan-geslagenen in do Rijks directe belastingen. Hot getal dezer boogstaangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zM bepaald, dat op iedere drie duizend zielen éón, die tevens de overige voreiscbten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is. Deze overige voreiscbten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding; |
Art. 81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten. De verdeeling van het Hijk in kiesdistricten en alles wat verder hot kiesregt en de wijze van verkiezing betreft wordt door de wet geregeld. Art. 82. De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding; |
|
Noordbrabant..............5 Gelderland....................5 Zuidbolland..................^ Noordholland................fi Zeeland......................2 Utrecht.....•............2 Friesland......................3 Overijssel......................3 Groningen....................2 Drenthe........................1 Limburg......................3 |
Noordbrabant..............fi Gelderland...... ... fi Zuidholland......... 10 Noordbolland................9 Zeeland........................2 Utrecht........................2 Friesland......................4 Overijssel......................3 Groningen....................3 Drenthe........................2 Limburg.......... . . ■ 3 |
|
39 Ingeval van voreoniging of splitsing van provinciën, voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in do wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. |
50 • In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe voorziet do wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. Art. 83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkie/.en. liet besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag der verkiezing aan. |
2(5 DE BESTAANDJi JÏN DE DUUH DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
TWEEDE AFDEELING. 1\'«« dc Tweede Kamer der Stalen-Generaal. Arl. 70. Om tol lid der Tweede Kimierverkicsbaiir te zijn, wordt alleen vereischt dat men Nederlander, in hot volle penot der burgerlijke en burgerscliapsregten zij en den ouderdom van dertig jaren hebbe vervuld. Art. 81. De leden der Tweede Kamer liebben zitting gedurende vier jaren. De lielft van ben valt om dc twee jaren uit, volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar. Art. 83. De leden stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met ben, die benoemen. Art. 83. Hij bet aanvaarden bunncr betrekking leggen zij ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindbeid, den volgenden eed of belofte af; »Ik zweer (beloof) getrouwboid aan de Grondwet. »Zoo waarlijk belpe mij God almagtig!quot; («Dat beloof ik 1quot;) Alvorens tol dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af: »lk zweer .(verklaar), dal ik, om lol lid »van de Tweede Kamer der Staten-Generaal »le worden benoemd, directelijk of indi-»rectelijk, aan geeno personen, betzij in gt;soffc builen het bestuur, onder wat naam »of voorwendsel ook . eenige giften of gaven «beloofd of gegeven heb, noch beloven ol\' sgeven zal. |
TWEEDE AFDEELING. Van de Tweede Kamer der Stalen-Ceneraal. Art. Si. Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of hel beheer over zijne goederen bebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den oudrrdom van dertig jaren vervuld hebbe. Art. 85. De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. Art. 80. Dc leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen. Art. 87. liij liet aanvaarden hunner betrekking leggen zij don volgenden eed of belofte af; v Ik zweer (belool) getrouwheid aan de Grondwet. »Zoo waarlijk belpe mij God almagtig 1quot; («Dat beloof iklquot;) Alvorens tol dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af; »Ik zwoer (verklaar), dat ik om tol lid «der Staten-Generaal te worden benoemd, «directelijk of indircctelijk, aan geen per-«soon, onder wat naam of voorwendsel »ook, eenige giften of gaven beloofd of «gegeven heb. 1 i |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 27
|
wik zweer (beloof), ii;U ik, om iels «hoegenaamd in deze betrekking te deen sol\' le laten, van niemand hoegenaamd «oenige beloften of geschonken aannemen »zal, direclelijk of indiroctelijk. »Zoo waarlijk helpe mij God almagtiglV (»Dat verklaar en beloof iklquot;) Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering dor Tweede Kamer , in handen van den voorzitter, duartoe door den Koning gemagtigd. Art. 84. Is gelijkluidend. Art. 85. De leden genieten, tot vergoeding dei-reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld. Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van ƒ 2000 \'s jaars. Deze schadeloosslelling wordt, voorden tijd der zitting, niet genoten door hen , die gedurende de gehcele zitting afwezig hieven. DlitlDE AFDEELING. Van de eerste Kamer der Staten-Generaal. Art. 8fi. De leden der Eerste Kamers hebben zil-ling gedurende negen jaren. Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af, volgons een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk weder verkiesbaar. Art. 82 is op hen van toepassing. Zij leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, in handen van den Koning, gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald. Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. |
ïlk zweer (beloof), dat ik, om iels «hoegenaamd in deze betrekking te doen gt;of te laten, van niemand hoegenaamd »eeuige beloften of geschenken aannemen »zal, directelijk of indirectelijk.quot; »Zoo waarlijk helpe mij fiod almagtiglquot; («Dat verklaar eu beloof ik!quot;) Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of iu de vergadering der Tweede Kamer in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. Art. 88. De voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden op gave van drie leden. Art. 89. De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zill worden geregeld. Als verdere schadeloosstelling wordt hun (oegi legd eene som van ƒ 2000 \'s jaars. Deze schadeloosslelling wordt niet genoten door de leden, die bet ambt van Minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die,gedurende de geheele zitting afwezig bleven. DERDE AF DEELING. Vande eerste Kamer der Staten-Generaal. Art. AO. Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereischten voor het lidniaa\'scbap van de Tweede Kamer gesteld eu bovendien óf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de liijks-direete belastingen of eene of meer hooge en gewiglige openbare betrekkingen, hij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. liet gelal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algenieene vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftienhonderd zielen. |
28 DB BESTAANDE EN DE DUUK DK TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
Arl. 91.
He lotion der Eerste Kaïner worden po-kozen voor negon jaren. Art. (85) is op hou van toopassing.
Zij lopgon l)ij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eedon (beloften en verklaring) af, als voor de loden der Tweede Kaïner zijn bepaald, hetzij in banden van den Koning, betzij in de vergadering der Eerste Kaïner in handen van den voor-zitter, daartoe door den Koning gemagtigd.
Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens do wet.
Een derde gedeelte treedt om «do drie jaren af, volgens een daarvan te maken | rooster. De uitvallende loden zijn dadelijk 1 herkiesbaar.
|
Art. 87. ])( voorzitter wordt door den Koning benoemd, voor hot tijdperk coner zitting. VIEUDE AEDEELING. Beschikkingen aan beide Kamers gemeen. Art. 88. Niemand kan te gelijk lid dor beide Kamers zijn. Art- 80. Die te golijk of op moer dan iVne plaats tol lid van de Eerste of van de Tweede of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt. |
Art. 92. Do voorzitter wordt door den Koning nil de loden bonoemd, voor bet tijdperk eenor zitting. VIERDE AFDEELING. Jleschikkinijen aan beide Kamers gemeen. Art. 93. Niemand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn. Dio tegelijk of op moer dan iVmio plaats tot lid van do Eerste of van de Tweede Kamer of van boide Kamers is gekozen, verklaart welke di\'er benoemingen hij aanneemt. |
Art. 94.
Art. 89.
|
De hoofden dor ministeriële departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hohben alleen eene raadgevende stom, ton ware zij tot loden der vergadering mugten benoemd zijn. Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij sebriftelijk, de verlangdo inliebtingon, waarvan hol vcrleenen niet |
Do hoofden der ministeriele departementen bobben zitting in de beide Kaniers. Zij bobhen alleen eene raadgevende stom, ten ware zij tol leden dor vergadering mogton bonoemd zijn. Zij geven aan do Kamers, heUij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan hot vorloenon niel |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
29
|
strijdig kan worden geoordeeld mei hel belang en de zekerheid van hel lüjk, de koloniën en beziltingen van hel Kijk in andere werelddeelen. Zij kunnen door elke dor Kamers worden nilgenoodigd om le dien einde Ier vergadering tegenwoordig te zijn. Art. 90. De Tweede Kamer heeft het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet. Art. 91. De leden der Sta ten-Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden ol\' proenrenr-gene-raal van den Hoogen Raad, noch leden van de Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in de provinciën, noch geestelijken , noch bedienaren van de godsdienst. Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaalschap van eene dei\' beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dal lidmaal-schap van regtswege op nonactivileit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug. De ambtenaren, die tor verkiezing voorzitten, zijn binnen hel district, waarin zij voorzitten, niet benoembaar. Leden der Slaten-Generaal een bezoldigd staals-ambt aannemende ol\' bevordering in de slaats-dienst verwervende, houden op leden der Kamers te zijn , maar zijn dadelijk weder verkiesbaar. Art. 92. De leden der Kamers zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de advijzen , door hen in de vergadering nitgebragt. |
strijdig kan worden geoordeeld mol het belang van don Staal. Zij kunnen door elke der Kamers worden nilgenoodigd om le dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. Art. 95. Reide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in vereenigde vergadering, hel regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet. Art. 90. Een lid van de Slaten-Generaal kan niet tegelijkertijd zijn vice-president of lid van den Raad van Stale, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie. De wel regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaalschap van een der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uil \'s Lands kas bezoldigde ambten. Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaalschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dal lidmaatschap van reglswege op nón-acliviteil. Ophoudende lid te zijn, keeren zij lot de werkelijke dienst terug. Zij, die na binine\'verkiezing tot lid van de Slaten-Generaal een bezoldigd .Staatsambt, dal zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van reglswege het lidmaalschap, maar zijn herkiesbaar. Art. 97. De leden der Slaten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. |
30 DE ÜISSTAANDE EN DE DÜOR DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
An. 03. Is yelij/ilnidend. Art. 94. Elke Kiltlll!l, beiioomt haren grilflei\'huilen haar iniüdon. Art. 95. De Slaten-Gcneraal vergaderen ten minste eenmaal \'s jaars. Tlnnne gewone vergadering wordt ge-opend opden derden Maandag in September. De Koning roept de huitengewone vergadering hijeen, zoo dikwijls hij zulks noodig oordeelt. Art, 90. r.i gelijkluidend, met deze uilzomlc-ring dat in de eerste alinea het woord «zittingenquot; staal in plaats van »vorga-doringen.quot; ■ Art. 97. De Staten-Generaal hij overlijden des Konings ol\' hij afstand van de Kroon niet vergaderd zijnde, vergaderen zonder voorafgaande oproeping. Deze huitengewone vergadering wordt op den vijftienden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den allooi) der nienwo verkiezingen. Art. 98. Be vergadering der Staten-Generaal wordt, in vereenigde zitting der beide Kaniers, door den Koning of door eene commissie van zijnentwege, geopend. Zij |
Art. 98. Elke Kanier onderzoekt de geloofsbrieven barer nieuw inkomende leden, en heslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen. Art, 99. \' Elke Kamer benoemt haren griffier. Deze mag niet tegelijk lid van oen der Kamers zijn. Art. 100. Do Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'sjaars te zamen. Tlnnne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdag in September. De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt. Art. 101. De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers, en evenzoo de vereenigde vergaderingen , worden in liet openhaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt. De vergadering heslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd. Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. Art. 102. Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping. Deze buitengewone zitting wordt opden vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. Art. 103. De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde vergadering der heide Kamers, door den Koning of door eene commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op de- |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
31
|
wordt o,) (IczoU\'de wijze gesloten, wanneer liij oordeelt, dat liet belang van liet Kijk niet vordert de vergadering langer bijeen te houden. De gewone jaarlijksche vergadering blijft ten minste twintig dagen bijeen, tenzij de Koning gebruik make van bet regt in art. 70 omschreven. Art. 09. liij ontbinding van eene der Kamers of van beide, sluit de Koning tevens de vergadering der Staten-Generaal. Art. 100. De Kamers mogen, noch afzonderlijk, noch in vereenigde zitting, beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. Art. 101. Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt. Hij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. Tn deze, en even zoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. Art. 102. Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doeli bij het doen van keuzen of voordragten van personen, hij besloten en ongeteekende briefjes.\' Art. 103. Bij eene vereenigde zitting worden de beide Kamers als slechts éêne beschouwd en nemen hare leden naar willekeur, door elkander plaats. De voorzitter der Eerste Kamer heeft do leiding dor vergadering. |
zelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van don Staat niet vordert haar te doen voortduren. De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. (73) omschreven. Art. 104. Hij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal. Art. 105. De Knmers mogen noch afzonderlijk noch in vereenigde vergadering, beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. Art. 106. Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt. Bij staken van stemmen wordt bet nemen van een besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld. In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen , het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één der leden dit verlangt, en alsdan mondeling. Art, 107. \' De stemming over personen voor de benoemingen of voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten en ongeteekende briefjes. De volstrekte meerderheid dor stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot. Art. 108. liij eene vereenigde vergadering, worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats. De voorzitter der Eerste Kamer heeft de j leiding der vergadering. |
82 DE BESTAANDE EN DE DOOR DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
VIJFDE AFDEELING. ra» de Wetgevende. Mayt. Art. 10-t. Is gelijkluidend. Art. 105. Dr Koning zendt zijne voorstellen, hetzij vim wet, hetzij undere, aan dé Tweede Kamer, iiij eene seliriftelijke hoodschap, welke de redenen van liet voorstel inhoudt, of door eene\'coin missie\'. Art. IQfi. Over eenig ingekmnen voorstel des Ko-nings wordt door de volle Kamer niet beraadslaagd , dan nadat het is overwogen in de onderscheidene afdeelingen, waarin al de leden der Kamer zich verdeden en welke op gezette tijden liij loting vernieuwd worden. Art. 107. De Tweede Kamer heelt liet regt wijzigingen in een voorstel desKonings teiiiakfn. Art. 108. Wanneer de Tweede Kanier tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd , hetzij gewijzigd, heslnit, zendt zij het aan de Eerste Kanier met het volgende Ibr-nmlier; »De Tweede Kanier der Staten-Generaal «zendt aan de Eerste Kanier het hiernevens »gaande voorstel des Koninga, en is van «oordeel, dat het, zoo als het daar ligt, door de Sta ten-Oeneraal behoort to wor-»den aangenomen.quot; Wanneer de Tweede Kanier lot het niet aannenien van het voorstel besluit, geelt |
VIJFDE AI\'DEELINO. Van de Wetgevende Magt. Art. 109. I)e wetgevende magt wordt gezamenlijk door don Koning en do Staten-Generaal uitgeoefend Art. 110. JJe Koning zendt zijne voorstellen , hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene commissie. llij kan aan bijzondere door Hein aangewezen conimissarissen opdragen de mi-nisters bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan. Art. 111. Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf. De Kamer bepaalt in baar Hegleinent van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld. Art. 112. De Tweede Kamer alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal heeft bet regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken. Art. 113. Wanneer de Tweede Kamer tot nan-neining van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met bet volgende formulier: »De Tweede Kanier der Staten-Generaal «zendt aan de Eerste Kamer het hiernevens-sgaande voorstel des Konings en is van «oordeel, dat het, zooals het daar ligt, door »de Staten-Generaal behoort te worden aan-»genomon.quot; Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van bet voorstel besluit, geeft |
GRONDWET VOOR IT KT KONINGRIJK DEK NEDERLANDEN.
88
|
zij daarvan konnis aan den Koning mot liet volgende forinnliei\'; »l)e Tweede Kamer der Staten-Generaal slietnigl den Koning haren dank voor zijnen »ijver in het bevorderen van \'s Rijks be- ; «langen, en verzöekl honi eerbiedig liet «gedane voorstel in nadere overweging to »nemen.quot; Art. 109. De Eerste Kamer overweegt, iliet in-achtneming van art. lOfi, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen. Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren: »Aan (ten Koning. »De Staten-Generaal betuigen den Koning «hunnen dank voor zijnen ijver in het he- 1 «vorderen van \'s Rijks belangen en vereeni- 1 «gen zich met het voorstel zoo als bet daar | «ligt.quot; *Aan de Tweede Kamer. «De l\'lerste Kamer der Stateil-Generaal «geelt aan de Tweede Kamer kennis, dat «zij zich heeft vereenigd met het voorstel «betrekkelijk......., op den.......aan «haar door do Tweede Kamer toegezonden\'\'. Wanneer do Eerste Kamer tot nieUum-neming van hot voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan don Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende for-niulioren: ygt;A(ui den Koning. »I)e Eerste Kamer der Staton-fienoranl «boliiigt den Koning haren dank voor zijnen «ijver in bet bevorderen van \'s Rijks be- j «langen, en verzoekt hem eerbiedig het «gedane voorstel in nadere overweging te «nomen.quot; ygt;Aaii de Tweede Kamer. «De Eerste Kamer dor Staten-Generaal «geelt aan de Tweede; Kamer kennis, dat «zij don Koning eerbiedig heeft vorzoebt bet «voorstel betrekkelijk. . . op don. . . aan i «baar door de Tweede Kamer toegezonden. «in nadere overweging te iiemen.quot; |
zij daarvan kennis aan don Koning mot het volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staton-Reneraal «betuigt don Koning baron dank voor zijnen «ijver in het bevorderen van de belangen «van den Staat en verzoekt llem eerbiedig «hot gedane voorstel in nadere overweging «to nemen.quot; Art. \\ 14. De Eerste Kamer overweegt, met in-aehtnemlfig van art. (109), het voorstel zoodanig als hot door de Tweede Kamer is aangenomen. Wanneer zij tot aanneming van liet voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan do Tweede Kamer met de volgende formulieren: ».!«« den Koning. » De Sta ten-Generaal betuigen den Koning «luinnon dank voor zijnen ijver in het bo-«vorderen van de belangen van don Slaat »on vereenigen zich met het voorstel zoo «als het daar ligt.quot; »/1«« de. Tweede. Kamer. »De Eerste Kamer der Staten-Gonoraal «gooit aan do Tweede Kamer kennis, dat «zij zich heeft vereenigd mot het voorstel «betrekkelijk........ op den......aan «baar door de Tweede Kamer toegezonden.quot; Walmeer de Eerste Kamer tot niot-aan-noming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan don Koning en aan de Tweede Kamer mol de volgende fornui-lioren: ».\'1«« den Koning. «De Eerste Kamer dor Staten-Gonoraal «betuigt den Koning haren dank voor zijnen «ijver in het bevorderen van de belangen «van don Slaat, en verzoekt Hom eerbiedig «hol gedane voorstel in nadere overweging «te nemen.quot; «/tft/i de Tweede Kamer. «De Eerste Kamer der Staton-Goneraal «geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat «zijden Koning eerbiedig hooft verzocht hot «voorstel betrekkelijk. . . op don. . . aan «haar door do Tweede Kamer toogozondon, «in nadere overweging Ie nonion.quot; |
34 DU BHSTAANDK EN DR DOOI? DE TWE 13DE KAMER VASTGESTELDE
|
Arl. 110. [s gelijkluidend. Ait. 111. Do voordrag! daartoe behoort nitsliiitcnd aan de Tweede Kamer, die liet voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is lic-paald, en. na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier: »De Tweede Kamer der Staten-Goneraal «zendt aan de Eerste Kamer het liiernevens «gaande voorstel, en is van oordeel, dat «de Staten-Generaal daarop \'s Konings be-«williging behooren te verzoeken.quot; Art. 112. Wanneer de Eerste Kamer , na daarover op de gewone wijze te hehben beraadslaagd , het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning mei het volgende Ibrmulier; »l)e Staten-Genoraal, oordeelemie dat het «nevensgaande! voorstel zon kunnen strekken «tot bevordering van \'s liijks belangen, ver-«zoeken eerbiedig daarop \'s Konings bewilli-«ging.quot; Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier; »l)e Eerste Kamer der Staten-Generaal «geelt kennis aan de Tweede Kamer, dat «zij zich heeft vereenigd met het van haar op «den.. . ontvangen voorstel betrekkelijk.. «en daarop namens de Staten-Generaal \'sKo-«nings bewilliging hoeft verzocht.quot; Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier; |
Art. 115. Zoolang de Eerste Kamer nog niet beeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken. Art. 116. l)c Staten-Generaal bobben bet regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. Art. 117. De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan tie. Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald , en , na aanneming aan de Eerste Kamer verzendt met bet volgende formulier; «De Tweede Kamer der Staten-Generaal «zendt aan de Eerste Kamer het hiernevens «gaande voorstelquot;, en is van oordeel, dat «de Staten-Generaal daarop \'s Konings be-«williging behooren te verzoeken.quot; Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op» te dragen. Art. 118. Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij bet aan den Koning niet bet volgende formulier: «De Staten-Generaal, oordeelende dat «het nevensgaande voorstel zou kunnen «strekken tot bevordering van de belangen «van den Staat, verzoeken eerbiedig daarop »\'s Konings bewilliging.quot; Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met bet volgende formulier: «De Eerste Kamer dor Staten-Generaal «geeft kennis aan de Tweede Kamer, dal «zij zich heeft vereenigd met het van haar «op den.....ontvangen voorstel betrek- «kelijk.....en daarop namens de Slaten- «Generaal \'s Konings bewilliging heeft ver-«zoebt.quot; Wanneer de Eerste .Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met bet volgende formulier; |
GKÜNDWEÏ VUUR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 85
|
»l)c; Eurslo Kamci\' der Stntcii-Genoraal »hooft gocne gonoogzaHio rodon gevonden »0111 ii|i liet hioniovons tnruggaande voor-»slol \'s Konings bewilliging te verzoeken.quot; Art. 113. Is gelijkluidend. Art. 114. /.lt; gelijkluidend. Art. 115. Alle voorstellen van wet, door den Koning oiï do beide KaniorS der Staton-Generaal aangenomen, verkrijgen kracht van wet cm worden door den Koning afgekondigd. De wetten zijn onschendbaar. Art. 118. De Grondwet on andere wetten zijn alleen voor hol Kijk in Europa verbindendé, tenzij hot tegendeel daarin wordt uitgedrukt. ZESDE AFDKEUNC. Van de lieg moling. Art. 119. h gelijkluidend. Art. 120 |
Do ontwerpen der algonieene bogroo-tingswotton worden jaarlijks van woge don Koning aan do Tweede Kamer aangolioden, dadelijk na het openen dor gewone vor-»Dé Kerste Kanier dor Staten-Generaal »heeft goene genoegzame roden gevonden »oin op het hiernevens ternggaando voorstel r\'s Konings bewilliging te verzoeken.quot; Art. 119. Andere voordragten, dan voorstellen va\'n wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan. Art. 120. Do Koning dool do Staten-Generaal zoo spoedig niogolijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aaugenoinen , al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met oen dor volgende formulieron: »De Koning bewilligt in het voorstel.quot; of:- »Do Koning^houdt het voorstel in overwoging.quot; Art. 121. Alle voorstellen van wet, door de Staton-Generaal aaiJgenomeii on door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kraoht van wet en worden door don Koning afgekondigd. Do wetten zijn onschendbaar. Art. 122. De wetleii zijn alleen voor (iet Kijk verbindende, voor zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andore worolddoelon vor-hindond zijn. ZESDE Al\'DEELlNO. Van de Hegrooling en de Itckening. Art. 123.- Door de wet worden de begrootiiigen van allo uilgaven dos liijka vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen. Art. 124. Do ontwerpen dor algemeone begroo-tingswetten worden jaarlijks van wego don Koning aan do Twoodo Kameraangobodoii, dadelijk na het npenon der gewone zit- |
fU) DE BKSTAANDE EN DE DOOK DE TVVHKDK KAM EB VASTGESTELDE
|
puliMMIl!,\' van (Ir SlalcMi-GriiciMiil, vuur den iiaiivan^ van lid jaur waiirvnnr di\'Ix^roo-llngon inouicn dionen. Art. 121. fs (jelijlthiiclond■ Ai\'l. 122. De vcranlwoonlirifj van di\'slaals-nilftavcn en (inlvaiiffslcn ovrr elk dirnsljaar wordl, undiM\' Bvorlcfrginj? van de door do Kekon-kanici\' Kui\'dfi\'i\'kciirdc rclicning, aan do wot-govendt; inagt \'godaaii. Hol slul dor rokoning wordt door do wot vastgostold. VIERDE HOOFDSTUK. r Van de ■ Provinciale Stalen en de Gemcénlebcsluren. EERSTE ATDEELTNfl. Van de zamenslelling der Provinciale Hiaten. Art. 128. Do lodon dor l\'rovincialo Staton worden voor \'/.os jaron, onmiddollijk door de in-gov.olenon , ho/.itlondo do voroisoliton in art. 7fi vorniollt;l, naar do liopalingon der wet go kozen. Do helft dier leden treedt om do drie jaren at\'. |
ling van do .Staton-Gonoraal, vóór don aanvang van liet jaar, waarvoor do begroo-tingon moeion dionon. Art. 135. Geen lioofdstuk dor bogrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algenioen bostmir behelzen. leder hoofdstuk wordt in oen of moer ontworpen vair wot vervat. Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan. Art. 126. 11e verantwoording van de lüjks-nitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van do door de Hekon-kamor goedgekeurde rekening, aan do wetgevende magt gedaan naar do voorschriften van do wet. VIERDE HOOFDSTUK. Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen. HEKSTE AEDEEUNCi. Vnn de :amenstelling der Provinciale Staten. Art. 127. Do loden dor Provinciale Stalen worden voor zes jaren regtstreeks gekozen dooide inannelijko ingezetenen dor provincie, tevens Nederlanders, die do door do wet loj hopalon kontookonen van gescbiklhoid en niiuitschappolijken welstand bezitten en don door die wet te bepalen leeftijd , welke niet boneden drie en twintig jaron mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en derde lid van art. (80) zijn hierbij van toepassing. De helft dier loden treedt om de drie ! jaren af. Om lid der l\'rovincialo Staten te kunnen i zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander on ingezeten dor provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak do be- |
GRONDWET VOÜR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
37
|
Arl. 124. Is gelljliluictend. Arl- 125. J)e loden dor Provinciale Stalen leggen, lilj hel aanvaarden luinnor belrekking, ieder üp de wijze zijner godsdiensligo gezindheid, den volgenden eed of belofte af: »lk zweer (belool) trouw aan de Grond-»\\vet en aan de wetten des Hijks. »Zoo waarlijk belpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof iklquot;) Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring of belofte) van zuivering, hierboven in art. 83 voor de leden der Staten-Generaal bepaald. Art. 126. De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. He vergaderingen zijn openhaar, niet hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 06 Art. 127. i)e loden dor Staten stemmen elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. Art. 128. Omtrent het beraadslagen en stemmen, gelden de regels, in de artt. 100, 101 en 102 ten aanzien van do Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven. |
schikking of bet beheer over zijne goederen bebbe verloren, noch van de verkiesbaar-beid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebhe. De verkiezing van de loden der Provinciale Staten heeft plaals op de wijze dooide wet te regelen. Art. 138. Niemand kan tegelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal\' en lid der Staten eenor provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. Art. 139. De leden der Staten leggen bij bet aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af; sik zweer (beloof) trouw aan deGrond-»wet en aan de wetten des\' Hijks.quot; «Koo waarlijk belpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof iklquot;) Zij worden lot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. (86) voorde leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald. Art. 130. Do Slaton vergaderen zoo dikwerf in hot jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de,vergadering dor Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. (99). Art. 131. De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die be-noërnen. \' Art. 132. Omtrent hel beraadslagen en slenimen gelden de regels in de arlt. (103, 104 en 105) ton aanzien van de Kamers der Slateii-Generaal voorgeschreven. |
38 DE BESTAANDE EN DE DÜOll DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
TWEEDE AT OF, li 1.1 NO. Van tic. magt der Provinciale Stalen. Art. 135. 1)« wijze waarop het goza^ en dc magt, aan dc Provinciale Stalen opgedragen, worden uitgeoefend, | wordt door de wet geregeld. .Art. 131. (al. 1 en 2) Aan do Staten wordt de regeling en het bestuur van liet provinciaal huislionden door de wet overgelaten. ■ Behoudens de voorschriften in art. 129 moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor hot provinciaal belang noodig oordeelen te maken, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen. Art. 130. , De Staten worden belast met de uitvoering der wetten en koninklijke bevelen, betrekkelijk tot die takken van algemeen binnenlanclsch bestuur, welke de wet zal uanwijzen, en zoodanige andere bovendien, welke de. Koning goedvindt hun op te dragen. Art. 129. (al. 3) Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorged ragen, vereisehen bekrachtiging door de wet. Art. 131. (al. 3) Zij (de Staten) zorgen dat de doorvoer, en de uitvoer naar en invoer uit andere provinciën geene belemmering ondergaan. |
TWEEDE AFDEELTNG. Van dc magl der Provinciale Staten. Art. 133. liet gezag en dc magt van de Stalen worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. Art. 134. Aan de Staten wordt de regeling en hel bestuur van dc huishouding der provincie overgelaten. Zij maken dc verordeningen, die zij voor hel provinciaal belang noodig oordeelen. Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. Art. 135. Wanneer dc wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, vevleenen de Stalen hunne medewerking tot uitvoering daarvan. Art. 136. Kik besluit der Staten tol het invoeren, wijzigen of afschalfen van ecne provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings. De wet geelï algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en deu invoer uit andere provinciën niet belemmeren. |
Art. 129. (al. 1 en 2)
Do Staten dragen jaarlijks de kosten van hun bestuur, voor zooveel liet Rijks-bestuur is, aan den Koning voor, die ze,
ingeval van goedkeuring, op de begroo- ! ^ ^
ting der staatsbehoeften brengt
De begrooting der enkel provinciale en Do begrooting der provinciale inkomsten huishoudelijke inkomsten en uilguven, door j en uitgaven, jaarlijks door de Staten op
TKK VERGELUKING NAAST DE (ïKüNDWET VAN 1848 GEDRUKT.
39
|
de Staten mede jaarlijks opgemaakt, ver-eischt \'s Konings goedkeuring. Art. 132. Zij trachten alle geschillen tusschen ge-ineeute-bestnren in der minne te doen hi j-leggen. Indien zij daarin niet slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur het reft, aan den Koning ter beslissing voor. Art. 131. Was (jclijkliiidcnd. Art. ISO. HVrv (jrlij/ilitidciitl. Art. 133. De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn . te schorsen ofte vernietigen. De wet regelt, degevolgen. Art. 137. De Koning stelt in alle provinciën commissarissen aan, met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de ver-rigtingen der Staten belast. Deze commissarissen zitten voor in de vergadering der Staten, en in die der Gedeputeerde Staten, en hebben stem in laatstgenoemd co llegie. |
te maken, behoeft de goedkeuring des Konings. De wet regelt hot vaststellen van de provinciale rekening. Art. I3S, De Staten kunnen do belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen hij den Koningen hij de Staten-fioneraal voorstaan. Art. 139. De Staten benoemen uit hnn midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij deStaten zijn vergaderd of niet. Art. UO, Demagt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. Art. 141. De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de ver-rigtingen der Staten belast. Deze Commissaris is voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem. Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der liijks-nitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Kijk komen. |
|
40 DR NIHUWE (TRONDWET VOOR HET DERDE AVDEEUNG. Van de gemeentebesturen. Art. 138. Do zamenstelling. ini\'lgtingonbevoegd-liciil dei-gemeeiitelwisturen wonion, nailat de Pi\'ovincialo Staten zijn gohoonl, (lom- de wet geregeld, met inai\'ht neming der\\ooi-schriften, in de volgende artikelen vervat. Art. 13!). Aan het hoofd der gemeente staat eeu raad, welks leden onmiddellijk door de ingezetenen, op de wijze door de wette regelen, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen. 11e voorzitter wordt door don Koning ook buiten de leden van don raad bo-noemd, en ook door hom ontslagen. Om kiezer in eeno gemeente te zijn, moot men do voreisohten bezitten in art. 7(5 gevorderd: de belastingsom , daar bepaald. wordt echter op de helft gebragt. Art. 140. Aan den raad wordt de regeling en bot bestuur van de buisbouding der goinoonto overgelaten. Op de verordeningen , welke hij te dien aanzien maakten aan de Provinciale Staten moet medodoelen , is art. i;lt;3 van toepassing. |
KONINKRIJK DER NEDERbANDEK. DERDE AFDEELING. Van de gemeentebesturen. Art. 142. Do zamenstelling, inrigting en bevoegdheid dor gemeentebesturen worden dooide wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. Art. 143. Aan het hoofd dor gemeente staat oen raad, welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen dooide mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kentoekenen van geschiktheid en maatsebappolijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet boneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en bet dorde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing. Om lid van don raad te luiniieii zijn wordt vereisebt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij. niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of bet beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. Do verkiezing van den raad hoeft plaats op do wijze door de wet te regelen. De voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de loden van den raad. benoemd en door Hem ontslagen. Art. 144. Aan den raad wordt de regeling en bet bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Hij maakt de verordeningen, die bij in het belang der gemeente noodig oordeelt. Wanneer de wetten , algomeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleonon de gomoentobestnreii hunne mode werking tot uitvoering daarvan. Wanneer de regeling en hot bestuur van |
GRONDWET VÜÜll HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.
41
de Imishomlinp pcnpi1 genicpnt^ jloor den goniuenUTHad grovelijk wordl verwaarloosd, j kan een\'e wel de wijze bepalen, waarop ■ in hot bestinir.dier gemeente, met afwijking van do beide eorste zinsneden van dit artikel, i wordt voorzien.
De wet bepaalt, wolk gezag het g»-[ meentobeslnnr vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in do uitvoering der wetten , der algenieene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen , te voorzien.
Art. 145,
Do magt des Konings om de besluiten [ van gemeentebesluren, die niet de wet of bet algemeen belang strijdig zijn, te schorsen j en te vernietigen wordt bij de w-el geregeld.
Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en regle-i menleii.
|
Art, 141. De besluiten der gemeentebesturen, rakende de; beschikking over geineente-eigen-dom en zoodanige andere burgerlijke regts-handelingen welke de wel aanwijst, alsmede de begroolingen van inkomsten en uitgaven , worden aan de goedkeuring der Provinciale Slaton onderworpen. Art. 148. De wet regelt ook het opmaken der begroolingen en het opnemen en sluiten der plaatselijke rekeningen. Art. 142. Het besluit van een geineentebestunr tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. De wet geeft algenieene regels ten aanzien der plaatselijke bekistingen. /ij mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. |
Art. 146\'. De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over geineenle-| eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtsliandelingen als de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en j uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen. Het opmaken der hegrootingen en\' het vaststellen der geineenlerekeningen wordt door de wet geregeld, Arl. 147. liet besluit \\yin een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschafVen eener plaalselijkquot; belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Stalen, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. De wet geeft algemeéne regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. |
42 DE BESTAANDE EN Df DOOK DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
Art. Ml. Is gelijkluidend. VIJFDE HOOFDSTUK. Van de Justilic. \' EEllSTE\' AFDEEl.INO. Algemeene bcschihklngcn. v / Art. I t5. Ei- wordt alom in (Je Nodcrlunden rogl gesproken in naam des Konings. Art. 1 tfi. Er is ccn algemeen wetboek van Imr-gerlijk regt, van koophandel, van straf- j regt, van bnrgclijke regis- en van strafvordering, en van de zaïnenslelling der rogterlijke magt. De wat regelt\' insgelijks liet regtsgebied over liet krijgsvolk en de scluitlcrijéii. Zij regelt ook do regtspraak over geschillen en overtredingen in zake aller be-lastingen. Art. 147. Niemand kan van zijn eigendom worden duizel, dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande seluideloosstelling. De wet verklaart vooraf dat liet alge-ineen nut de onteigening vordert. Eene alg emeene wet regelt de uitzondering op het vereischte van zoodanige verklaring ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel ol\'onderhoud van dijken , bij besmetting en andere dringende omstandigheden. De bovengeuoenide vereischten van voorafgaande verklaring door eene wel en van voorafgaande seliadeloosslclling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vorderen. Het regt van den onteigende op seliadeloosstelliiig wordt hierdoor echler niet verkot\'l. |
Art. 148. De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorslaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Stalen der provincie waartoe zij behooren. VIJFDE HOOFDSTUK. Van de Justitie. EEllSTE AFDKP.LI Nd. Algemeene bepalingen. Art. 140. Er wordt alom in liet Kijk regt gesproken in naam des Konings. Art. 150. Hel burgerlijk en handelsregt, hel burgerlijk mi militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der reglerlijke magt worden bij de wet geregeld iu algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te\' regelen. Art. 151. Niemand kan van zijn cigeudoni worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dal hel algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzokerde sohadcloostelling, een en ander volgens de voorschriften van eenu 1 algemeene wet. Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen, in welke de voorafgaande verklaring bij de wel niet wordt vercischl. liet vereischte r dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of ver-j zekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneining vordert. |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DHR NEDERLANDEN. 18
|
Art. 148. Allo twistgedingen over cigcndoin ol\' daaruit voortspruitende regten, over sclml-vordering en andere burgerlijke regten, bchooren bij uitsluiting tot do kennis van de rogterlijke inagt. Aan baar behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet Ie bepalen , de beslissing over burgorscbapsregten. Art. 119. Is gelijkluidend. Art. 150. J* (jelijdluldend. Art. lal. Buiton de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in liecbtonis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende do redenen der gedane aanhouding. 1)11 bevel moet bij, ol\'zoo spoedig |
Art. 132. Waar in het algemeen belang eigendom door hot openbaar gezag moot worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling , ton/ij do wet hot tegendeel bepaalt. liet gebruik van eigendom tot het voor-beroidiiii en het stellen van militaire imin-datiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt hij de wet geregeld. Art. 133. Alle twislgodingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en \'andere burgerlijke regten behooren bij uilslniling lot de kennisnoniiiig van de rogterlijke magt. Art. 134. • De wet kan de beslissing van twislgodingen, niet beboorendo lot die, vermeld in , art. (13J), hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegio met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen. Art. 155. Do reglerlijke magt wordt alleen uitgo-oofend door regters, welke de wet aanwijst. Art. 136.\' Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van don reater, dien do wet hom toekent. Do wet regelt do wijze waarop geschillen over bevoegdheid, tusschen de administrative en rogterlijke magt ontslaan , worden beslist. Art. 157. Buiten de gevallen in do wel bepaald, mag nieniand in heehlenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende do redenen der gedane aanhouding. Dil bevel mooi b\'j, of zoo spoedig |
■ii DE BESTAANDE EN DU DUUK DK TWJiUDJi KJVMEE VASTGESTELDE
|
mogelijk na do nanliomliitp betockond worden aan dcnftcnc, tegen wien liet isgerigt. De wel bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeien worden verhoord. Art. 152. Wanneer een ingezeten, in bnilenge-wone omstandigheden , door het politiek gezag is gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie plaats beeft gehad, gehoii(l;\'n daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerde binnen den lijd van drie dagen over te leveren. De erimineele regtbanken zijn verpligt, elk in baar ressort, te zorgen dat zulks stiptelijk worde nagekomen. Art. 153. Niemand mag de woning eens ingezeten diens ondanks binnentreden, dan op last eener niagt, door de wel bevoegd verklaard dien lasl le geven, en volgens de vormen in.de wet bepaald. Art. 154 Is (j dij li luidend. Art. 155. Op geene misdaad mag als slral\'gesleld worden de verbeurdverklaring der goederen \' den selmldige loebehoorende. Art. 156. Alle vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten, en in strafzaken de arlikelen dei1 wel, waarop de veroordee-ling rust, vermelde!!, en met upen deuren worden nilgesproken. |
De tereglzitliiigen zijn openbaar, be-mogelijk ua de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien bet is gerigt. De w\'et bepaalt den vorm van dit bevel en den lijd binnen welken alle alingebou-deneii moeten worden verhoord. Art. 158. liet hinnentreden iu eene woning tegen den wil van don bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens oenen bijzonderen ofalgemeeuen last van eene magt door de wet aangewezen. De wet regelt de vornien, waaraan de uitoelening van deze bevoegdheid gebonden is. Art. 159. Het gebeiin der aan de post of-andere openbare insteliiifÉpn van vervoer toevertrouwde brieven is onsehendbiiar, behalve op last des regters, in de gevallen iu de wel omschreven. Art. 160. tip gee.....isdrijf mag als stral gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige loebehooreudo. Art. 101. 1 Alle voniiissen moeten de gronden, waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften waarop de vorcMirdeeling rtisl. aanwijzen. De iiilspnuik mei open (Jcuroii. Ikïhoudons dt\' uil/untlcriiijicii duurdi; wel |
.GRONDWET VOOR IIKT KONINGRIJK DER KKDERLANDEN.
■15
|
hmiilcns du iiit/.ondoriiipcii in hel bolaiiR ilcr oponbai\'u oi\'do en zedelijkheid, dooi\' de wel viisl te stellen. TWEE DE APDE ELTNG. Van dm Hoogcn Raad en dc. Hcylcr-UJhe CollegMn. An. 157. Tli\' bostiiat voor liet goheole Hijk een opperste peregtshol\', onder den naam van llonge liaad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning, uit eene nominatie volgens art. 158, worden benoemd. •Art. 158. Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Stalen-Generaal kennis gegeven , die, ter vervulling daarvan , eene nominatie van vijl\' personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den president uit de leden van den Hoogen Raad en heelï de rogtstreeksclie aanstelling van den procnmir-generaal. Art. 159. De leden der Staten-Generaal, de hooiden der ininisleriele departementen, de gouverneurs-generaal of de hooge ambte-naren onder een anderen naam met gelijke magl. bekleed in de koloniën ol\' bezittingen des Rijks in andere werelddeelen , de leden van den liaad van State en de coinmissarlssen des Ivonings in de provinciën staan, wegens ambtinisdi\'ijven, Ier vervolging hetzij van Koningswege, heizij van wege de Tweede Kamer, Ie regl voor den Hoogen Raad. Art. 160. De wet bepaalt welke andere ambtenaren en leden van hooge collegien, wegens aniblsmisdrijven, voor den Hoogen liaad te regl staan. |
bepaald zijn de leregtzillingeu openbaar. De regler kan in liet belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel al-wijken. TWEEDE Al\'DKF.I.ING. Van dc Hcgterlijlte Mag!. Art. 102. Kr beslaat een opperste gereglsbof onder den naam van Hooge liaad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koiiiug overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. , Art. 163. Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan do Tweede Kanier der Slalen45eiieraal kennisgegeven die, ter vervulling daarvan, eene ^oordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den president en den vice-president uil de ledvn van den Hoogen Raad. Art. 16 t. De leden der Slalen-O.eneraal, de hooiden der ininisleriele deparlenicnten) de goiiverneurs-generaal en de hooge amhle-naren onder anderen naam met gelijke magt bekleed iu de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, do leden van den Raad van State en de Cnm-inissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ainblsmisdrijveii in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aflre-ding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer. De wet kan bepalen, dal nog andere amhlénaren en leden vau hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad Ir regt staan. |
40 de bkstaande én duor üe ïwerde kamer vastgestelde
|
• Art. Ifil. T)o Il0()}{0 Raad nonloclt over allo action, waarin do Koning, do lodon van hot Koninklijk Huis, ot\' don Staat alsgodaagdon wor-don aanposprokon, inot\'iiitzondoring dor roölo action, dio voor don gowonon rogtor worden beliandold. Art. 163. Do Hoogo Uaad hoeft hot toe/.igt op don gorogelden loop en do afdoening van regts-gedipgon, alsmede op hot nakomen der wetten hij alle regtorlijke collegien. Hij kan hunne handelingen, heschikkingen en vonnissen, wanneer dio met do wetten strijdig zijn, vernietigen en huiten werkingstollen, volgens de hepaling door de wet daaromtrent te maken. \\ Art. 103 Do leden en de procureur-generaal hij den lloopen Ifaad , de leden van do ge-regtshoven, zoo die er zijn, en van de reglhauken van eersten aanleg, worden voor hun leven aangesteld. Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden llji) zijn aangesteld, kunnen worden afgezet of ontslagen door regtorlijke uitspraak, in de gevallen in de wet te liepalen. /ij kunnen, op eigen verzoek, door den Koning worden ontslagen. |
Art. 165. De llooge Raad heeft het joezigtopden geregelder! loop en de afdoening van regts-gediugen, alsmede op hel, nakomen der wetten door de leden der regterlijke magt. Hij kun hunne handelingen, heschikkingen en vonnissen, wanneer die niet de wetten strijdig zijn, vernietigen en huiten werking stellen, volgens He hepaling door de wet daaromtrent te maken, en hehoudens de door de wet te, stellen uitzonderingen. De overige bevoegdhgden van don Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. Art. 166. De leden van de regterlijke magt worden door den Koning aangesteld. De leden van de regterlijke magt, met regtspraak belast, en de prociircur-gencraal , hij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld. Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak Van den Hoogen Raad in de gevallen bij. de wet aangewezen. Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen. Indien een collegie belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste rjjpsort voor het liijk , zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk. Zij k unncn worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen. Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, belioorende tot de zee- of landmagt of tot eenige andere gewapende magt, of met de beslissing van disciplinaire zaken. |
GRONDWET VOUE HET KUNtNlUUJK DER \'nIODEHLANDEN.
47
|
ZESDE HOOFDSTUK. Van de godsdienst. Art. 164. fs fjclijkhtidcnd. Ai\'t. 105 Is (jelijldiddend. / An. ififi. As (jelijlduidend. % Art. 107. Is (jcliJ/diddcnd. Art. 1(18.\' Is /jelijlduidend. Art. IfiO. Is (jelijlduidend. ■ |
ZESDE HOOFDSTUK. Van\' de Godsdienst. Art. 107. Icdor belijdt zijne godsdienstige meenm-g(ui met volkomen vrijheid., behondens de bcselicrming der niaatscliappij en barer leden tegen de overtreding der strafwet. Art. 10». Aan alle kerkgenootscbappen in bet Kijk wordt gelijke bescberming verleend. quot; Art. 100. belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsi\'egten, en hebben gelijke aanspraak op bet bekleeden van waardigheden, ambten, en bedieningen. Art. 170. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten , behoudens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust. Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd , waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. Art. 171. Ue tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een tractement toegelegd, of hel bestaande vermeerderd worden. Art. 172. De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich honden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. |
|
■48 DE BESTAANDE EK* DE DOOK Art. 170. Is (jcliilihlidcild. ZEVENDE HOOFDSTUK. Van de Financien. Art. 171. Gcotm belastingen knnnen ten heliocvo van \'s Lands kas worden gelieven, dan uit kraiiltle van eenc- wet. Art. 172. /.s geUjlduideiul. Art. 173. Is yclijlihnrtend. Arl. 171. fs i/vlijliliiidciKl. Art. 175. Is gclijlihiidrnd. Art. 17fi. Kr is oene Algemeene Rekenkamer, welker zaïnenstelling en taak door (Ir wet worden geregeld. Hij liet openvallen eener plaats in deze |
5 TWEEDS KAMER VASTUESTELDE Art. 173. De Uisselienkoinsl der Uegering wordt niet vereisclit hij de brierwisseling met do libolden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, heliouclens verantwoordelijkheid volgons do wel, bij do afkondiging van korkoiijko voorsclirit\'ten. ZEVENDE HOOFDSTUK. Van de Financiën. Art. m. Goon bolaslingon kunnen Ion bohoovc van \'s liijks kas wordon goliovon, dan uil krachle van 00110 wot. Doze bopaling is ook loopassolijk op holïingon voor hot gobrnik van Rijks-wor-kon on inrigtingon , voor zoovool do rogoiing van dio hoffingen niot aan don Koning is voorboboudon. Art. 175. GotMio privilogion kunnon in in-t sink van bolastingcn wordon vorloond. Art. 176. De vorbindtonisson van don Staat jogons zijno sclnddoischers wordon gewaarborgd. Do schuld wordt jaarlijks in overweging gonomen tor bevordering dor belangen van do scbnldoischors van don Slaat. Art. 177. Mot gewigt, do gehalte! 011 de waarde dor innntspoi\'iön wordon door do wol go-rogold. Arl. 178. Hol toezigt-on do zorg over de zaken van do Muni on do beslissing dor goscbillon over bet allooi, ossai en wat dies moer zij, warden door de wol geregeld. . Art. 179. Er is cono Algomoeno Hokcnkamor, wol-kor zamenslolling on laak door do wet wordon gorogold. lilj hol opoiivalion oonor planls in deze |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 19
|
Kamer zcndl dc \'l\'wcpdo Kamor der Slatcn-ficneraal ocno opgave van drie personen aan den Koning, die daaruit klost. De leden der Itekenkamer worden voor liirn leven aangesteld. Ilnnne bozoldiging wordt door de wet geregeld. Het 2de lid van art. 103 is op hen van toepassing. ACHTSTE HOOFDSTUK. Van de Defensie. Art. 177. Het dragen der wapenen lot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en tot beveiliging van zijn grondgebied blijfl een der eerste pligten van alle ingezetenen. An. 178. De Koning zorgt, dat er ten allen tijde eene toereikende Zee en T.andniagt onderbonden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Kuropa, naiir de omstandigheden. Art. 179. Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten-Generaal in dienst genomen. Art. 180. Kr is steeds eene nalionale inillitie. zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen, op de wijze in de wet bepaald. Art. 181. Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers, wordt dc militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen , die op den eersten Januanj van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De insebrijving geseliiedt een jaar te voren. |
Kamer zendt de Tweede Kamer der Slaten-fieneraal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt. De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld. liet .Ide lid van art. (Ifil) is op ben van toepassing. ACHTSTE HOOFDSTUK Van de Defensie. Art. ISO. Alle Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mode te werken lot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied. Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn , kan die pligt worden opgelegd. Art. 181. Tot bescherming der belangen van don Staat is er eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigon. De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij rcg( •li uok d»\' vnrpligtingcn die aan bon, die niet lot do zoo- of landmagt be-hooron, ton aanzien van \'s Lands verdediging opgelegd kunnen worden. Art. 182. Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen. |
1
ö , . DE BESTAANDE RN DE DüüH DE TWEEDE KAMER VASTOESTELDE
|
Arl. 183. Zij, ilii! uldns in dn miliüo te laud zijn ingelijfd, worden, in vvedeslijd, na ecno j vijljari(ie dienst omslagen. Is de Slaat in oorlog of in andere bniten-gowone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen , lien tot langere dienst verpligten. Art. 183. De militie te land komt, in gewone lijden, jaarlijks eenmaal te znnion, om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend , tenzij de Koning het raadzaam mogt oordeelen, dal zamenkomen geheel ol gedeeltelijk achterwege te laten. ^De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen , doen zamenhlijven. De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaall maanden onder de wapenen gehouden worden. Art. 186 Ben gedeelte der militie kan voor de dienst ter zee worden bestemd, op de wijze door de wet te bepalen. Voor dat gedeelte wordt, behalve andere door de wel toe te kennen voordeelen, een korter diensttijd bepaald. Het voorgaande artikel is op deze zeemilitie niet van toepassing. Art. 185. De lolelingen hij de militie te land mogen niel dan niet hunne loeslemming naar de koloniën en bezittingen van het liijk in andere werelddeelen worden gezonden. Art. 184. In geval van oorlog of andere hnitenge-wone omstandigheden, kan de Koning de militie te land, hetzij geheel hetzij ten deele, buitengewoon bijeenroepen. Ten zelfden lijd roept de Koning de Slaten-Generaal hijeen, opdat eene wol het zameniilijven der militie, zooveel noodig, bepale. |
Art. 183. De dicnslpligligen ter zee zijn bestemd om te dienen in en builen Europa. Aan de dienst, door ben in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen , worden door de wel voordeelen verbonden. Art. 1 Si- De dicnslpligligen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en hezittingen van het lüjk in andere werelddeelen worden gezonden. Art. 185. Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienslpligtigen die niel in werkelijke dienst zijn , door den Koning geheel of ten deele, buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Stalen-Generaal gedaan, om hel onder de wapenen blijven der dienslpligligen zooveel noodig Ie bepalen. |
GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DÉR NEDERLANDEN. 51
|
Art. 187. Al do knslon voor dn legers van hot Hijk worden uil \'s Lands kas voldaan. Do inkwartieringen en liet onderhoud van het krijgsvolk, do transporlen on leverantien, van wolken aard ook, voor \'s Konings legers of vestingen gevorderd, kunnen niet dan tegen schadeloosstelling, op den voel in de reglementen bepaald, ten laste van (Vil of meer inwoners of gemeenten worden gehragt. De uitzondering voor tijden van oorlog regelt de wet. |
Art. 186. Al de kosten voor de legers van hol Hijk worden uil \'s Hijks kas voldaan. De inkwartieringen en het onderhoud van hel krijgsvolk, de transporten en leverantien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van hel liijk gevorderd, kunnen niet dan volgens al-gemeene regels bij de wel te stellen en tegen schadeloosstelling len laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gehragt. De iiitzouderingen op die algemeene regels, voor hel geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere huilengewone omstandigheden , worden bij de wet vastgesteld. Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in \'s Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning. Art. 187. Ter handhaving van de uil-of inwendige veiligheid kan door of van wegeden Koning elk gedeelte van hel grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in slaat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop, en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen. Hij die regeling kan wordeirbepaald dal do grondweltelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of tendecle op hel militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de mililairo ondergeschikt worden. Daarbij kan wijders afgeweken worden van de arll. (7, 9. löSen 15^f) der Grond wet. Voor hel geval van oorlog kan ook van art. (15®, 1 sle lid worden afgeweken. |
Art. 188.
In de gemeenten worden sehutlerijen op-gerigt. Zij dienen in tijd van gevaar en oorlog lot verdediging des vaderlands en ten allen tijde tot behoud der inwendige rust.
Art. 189.
Te slerkte en inrigting der militie en der schulterijen worden geregeld door de wel.
52 DE BESTAANDE KN DE DÜOB DE TWEEDE KAMER VASTGESTELDE
|
NEGENDE HOOFDSTUK. Van den Waterstaat. Art. 190. Di\' Koning lioelï het opporloezigt over alles wat betreft den waterstaat, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Lands kas of op eene andere wijze gevonden. Art. 191. De wet regelt het algemeene en het bijzondere bcslunr van den waterstaat in den bovengemelden omvang. Art. 192. De Provinciale Staten hebben binnen hunne provinciën het toezigt op alle wateren , bruggen, wegen, waterwerken en waterschappen; zij zijn bevoegd, onder goedkeuring des Konings, in de bestaande inriglingen en reglementen der waterschappen , behoudens de bepalingen dor twee voorgaande artikelen, veranderingen te maken en nieuwe vast te stellen. De be-, sturen dezer waterschappen kunnen aan de Staten daartoe voordragten doen. Art. 193. De Stalen hebben het toezigt ovïr alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen , mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie, behoudens de bevoegdheid des Koningsom het onmiddeN lijk toezigt, daarover te voeren, aan anderen op te dragen. |
NEGENDE HOOFDSTUK. Van den Waterstaat. ArtO 188. De wet geeft rogels omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat. Art. 189. De Koning lieeft hot oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'sKijks kas of op eene andere wijze gevonden. Art. 190. De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen. veenschappen en voenpolders. Nogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen. De Staten zijn bevoegd , mot goedkeuring des Konings, in de bestaande inriglingen en reglementen der waterschappen, veen-schappen en veenpolders veranderingen te maken , waterschappen , veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen. |
Art. 191.
De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, iu het Imis-hondelijk belang van die instellingen verordeningen maken.
TER VERGELIJKING NAAST DE GRONDWET VAN 1848 GEDRUKT. 53
TIENDE HOOFDSTUK,
TIENDE HOOFDSTUK.
Van het Onderwijs en hel Armbestuur, Van hel Onderwijs en het Armbestuur.
|
Art. m. Was (jelij/duidend. Art. 195. Was gelijkluidend. ELFDE HOOFDSTUK. Van veranderingen. Art. 196. Was getijldiiidend. Art. 197. IWi.s- gelijkluidend. |
Art. 102. Ili\'t openbaar omlorwijs is ccn voorwerp van lie aanlioiiilciule /.org dor lie-gering. Do Inrigtlng van liet openbaar omlorwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door do wet geregeld. Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven. Het geven van onderwijs is vrij , behoudens het toezigt dor overheid, en bovendien voor zoover hot middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te. regelen. DeKoningdoet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan do Staten-Goneraal geven. Art. 193. liet armbestnnr is een onderwerp van aanhoudende zorg iler Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Slaton-Oene-raal geven. ELFDE HOOFDSTUK. Van veranderingen. Art. 10 1. Elk voorst el tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde veranderinguit-! drukkelijk aan. De wet verklaart, dat er | grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen. Art. 195. Na de afkondiging dezer wol worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen i |
ADDITIONEELE ARTIKELEN.
54
|
Art. 198. IVas gelijkluidend. (Ingevolge de wel van 5 December 1884 Slaalsblad flo. 228). Art. 199. IVas gelijkluidend. |
mot tweo dorden der uitgebragte stemmen de aan luiar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen. Art. 196. Gedurende een Regentschap kan inde troonopvolging geene verandering worden gebragt. Art. 197. Do veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en l)i,i de Grondwet gevoegd. |
ADDITIONEELE ARTIKELEN.
Art. 1. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.
Art. II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtereenvolgens door andore worden vervangen.
Art. III. De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.
De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.
Art. IV. Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden , waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening , zoowel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.
Art. V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totd.it de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.
Art. VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kaniers zoo als die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld , bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn vóór dien dag ver-
AJJDITIOMJiKLK AUTIKELEN.
Koning bepaalt het tijdstip der opening van de niouvvo Kamers , zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld.
Art. VII. Met afwijking van bovenstaand art. II worden in de wet van 4 Julij 1850 (,SU/. n0. 37 ,) tot dat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen gebragt:
Art. 1 wordt gelezen als volgt:
De leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders , die:
ft. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hen ter bewoning gebruikte huis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde dan die, welke volgens art. I , litt. a en b, van de wet van 24 April 1843 [Staatsblad n0 15) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen, en dien aanslag ten volle hebben betaald;
b. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden en dien aanslag ten volle hebben betaald;
c. hetzij hoofden van gezinnen of alleen wonende personen zijnde, van don inwonenden eigenaar of eersten huurder van een woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, waarvan de huurwaarde voor de personele belasting ten minste op het dubbel gesteld is van het laagste in de gemeente voor den vollen aanslag vereisebte bedrag, gedurende negen maanden, voorafgaande aan den 15l|en Februarij , een gedeelte in huur hebben gehad en bewoond, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaarlijksche huurwaarde , ongestoffeerd , in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a bedoelde bedrag van den vollen aanslag bereikt;
niet dien verstande dat op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst:
zij wien het kiesregt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak, die in kracht van gewijsde is gegaan;
zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren;
en zij die in het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling dei-kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur hebben genoten.
Het kiesregt wordt niet uitgeoefend door degenen die in gevangenschap of hechtenis zijn.
Voor het kiezen van leden der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld , met dien verstande , dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kiezer van leden der Provinciale Staten, en ingezeten der gemeente , om kiezer van leden van den gemeenteraad te wezen.
Art. 2 wordt gelezen als volgt:
Deze wet houdt: voor Nederlander hem, die het is volgens de wet,
O O
ADDITtONKKLli ARTIKELEN.
verklarende, wie Nederlanders zijn ; voor meerderjarig, die vóór of op den dag der sluiting van de lijsten dei\' kiezers den leeftijd vau drie en twintig jaren heeft bereikt; voor ingezeten des Rijks, die zijne woonplaats gedurende de laatste aan die sluiting voorafgaande achttien maanden hier te lande of in de koloniün of bezittingen vau het Rijk in andere werelddeelen gehad heeft; voor ingezeten der provincie of der gemeente, die zijne woonplaats gedurende het laatste aan de genoemde sluiting voorafgaande jaar binnen de provincie of de gemeente gehad heeft.
Door den aanslag in de grondbelasting en dien in de personele belasting in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Rijksopcenten verstaan.
De avtt. 3 en 5 vervallen.
Art. 7 wordt gelezen als volgt:
De Ijjsten worden opgemaakt naar aanleiding der jaarlijks vóór den Februari) aan den voorzitter van den gemeenteraad door de ontvangers der directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente, die in de gemeente over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van hunne woning in de personele belasting zijn aangeslagen naar uene hoogere huurwaarde, dan die welke volgens art. 1, litt. u en b, van de wet van 24 April 1843 (Staatsblad n0. 1 5) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen , alsmede alle mannelijke inwoners der gemeente , die wegens eigendommen in de gemeente gelegen in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden, worden opgenomen , mits hunne aanslagen ten volle zijn voldaan.
De voorzitter van den gemeenteraad noodigt, bij kennisgeving, de mannelijke inwoners der gemeente uit, om, zoo zij in eene andere gemeente over het laatstverloopen dienstjaar in de personele belasting tot het in de vorige zinsnede bedoelde bedrag of in de grondbelasting in eene andere gemeente of in meer gemeenten te zamen tot een bedrag van ten minste tien gulden zijn aangeslagen, daarvan door overlegging der voor voldaan geteekende aanslagbiljetten, vóór den 15den Februarij te doen blijken. Deze aanslagbiljetten worden na de vaststelling dei-kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven.
De man wordt in de grondbelasting geacht te betalen den aanslag zijner vrouw, de vader dien zijner minderjarige kinderen, wegens de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.
Aanslagen in de grondbelasting wegens onverdeelde onroerende goederen gelden ook voor den mede-eigenaar, wiens naam niet bij den aanslag in het kohier is vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslag ten minste tien gulden bedraagt.
Bij dezelfde kennisgeving als vorengemeld noodigt do voorzitter van den gemeenteraad de mannelijke inwoners der gemeente , die op grond van het bepaalde bij art. 1, sub c, of krachtens het vorig lid van dit artikel, aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijsten, uit, daarvan vóór 15 Februarij aangifte te doen.
liet model dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld.
De bewijsstukken, bij zoodanige aangifte overgelegd, waartoe in
5(5
ADDITIONJ5ELE ARTIKELEN.
het. geval van het 4e lid van dit artikel moeten behooren het aanslagbiljet of authentiek afschrift daarvan, eene opgaaf van het bedrag van het aandeel in den aanslag en de bescheiden betrekkelijk het gemeenschappelijk bezit worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden teruggegeven. Het bedrag der jaarlijksche huurwaarde van de hier bedoelde gedeelten van woonhuizen, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, onge-stoffeerd , in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis, wordt bepaald door eene schatting van drie beëedigde schatters. Kan het bedrag der schatting niet bij meerderheid der schatters worden bepaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste, noch de laagste is.
De wijze van aanstelling van deze schatters, de door hen af te leggen eed (of belofte), de regeling van en de belooning voor hunne werkzaamheden, zoomede de wijze van onderzoek omtrent het aandeel in de aanslagen bedoeld in het 5de lid van dit artikel, worden door Ons bij algemeenen maatregel van bestuui vastgesteld.
Art. 9 wordt gelezen als volgt:
De lijsten vermelden, behalve den naam en do voornamen van den kiezer, de plaats en dagteekening zijner geboorte en de dagteekening zijner naturalisatie, zoo deze heeft plaats gevonden, en het bedrag van de huurwaarde der woning, waarvoor hij in de personele belasting (eersten grondslag) over het laatstverloopen dienstjaar is aangeslagen en bij gebreke daarvan het bedrag van zijn aanslag in de grondbelasting of het bedrag van de jaarlijksche huurwaarde, waarop het door hem bewoonde gedeelte van een woonhuis ingevolge het laatste lid van art. 7 is geschat.
Achter art. 10 wordt ingevoegd een nieuw artikel lObis, luidende als volgt:
Op don dag van de vaststelling van de lijsten zendt do secretaris der gemeente een afschrift of afdruk daarvan aan het bestuur van elke der in de gemeente gevestigde instellingen van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld in art. 3 der wet van 28 Junij 1854 {Staatsblad nquot;. 100). Deze besturen zijn verpligt binnen veertien dagen aan den gemeenteraad opgave te doen van de namen van alle op de lijsten voorkomende personen , welke in het burgerlijk jaar, aan de vaststelling der lijsten voorafgaande , van hunnentwege onderstand hebben genoten.
Aan art. 11 wordt het volgende toegevoegd:
Betreft het bezwaarschrift de schatting der jaarlijksche huurwaarde van gedeelten van woonhuizen , bedoeld in het voorlaatste lid van art. 7 , dan zorgt de voorzitter van den raad onverwijld voor herschatting door drie befiedigde herschatters, ten aanzien van welke toepasselijk is het laatste lid van art. 7. De kosten der herschatting zijn voor rekening van dengene, die het bezwaarschrift indient; deze is verpligt het bedrag daarvan , hetwelk ook bepaald wordt bij den bovengenoemden algefheenen maatregel van bestuur, te gelijk met de indiening van het bezwaarschrift, bij het gemeentebestuur te storten. Verzuimt hij deze storting, dan wordt op het bezwaarschrift betreffende de schatting geene beschikking genomen.
57
ADDITIONEELE ARTIKELEN.
Achter art. 12 wordt ingevoegd een artikel 12bis , luidende als volgt:
De secretaris der gemeente doet in het geval onder nquot;. I. van art. 11 bedoeld, binnen 24 uren na het inkomen van het bezwaar, aan do besturen van elke der in art. lObis bedoelde instellingen mededeeling van den naam van degenen wier plaatsing op de lijst verlangd wordt. Deze besturen zijn verpligt binnen 7 dagen aan den gemeenteraad kennis te geven van het feit — indien het zich voordoet — dat deze personen in het burgerlijk jaar aan de vaststelling der lijst voorafgaande van hunnentwege onderstand hebben genoten.
Het eerste lid van art. 14 wordt vervangen door de volgende bepalingen;
De raad beslist over de bezwaren tusschen den achtsten en den veertienden dag nadat zij zijn ingediend en verbetert de lijsten, zooals hij vindt te behooren. Heeft het bezwaar de schatting van gedeelten van woonhuizen betroffen, dan wijzigt de raad de kiezerslijsten iu overeenstein-ming met de uitkomst der herschatting, zoo deze daartoe aanleiding geeft. Kan het bedrag der herschatting niet bij meerderheid dor her-schatters worden bepaald, dan geldt de schatting, die noch de hoogste noch de laagste is.
De raad geeft van zijne beschikking op de bezwaren , met redenen omkleed, terstond kennis aan de belanghebbenden.
Achter art. 36 wordt ingevoegd een nieuw artikel 3()bis, luidende als volgt;
De bestuurders van instellingen van weldadigheid , die niet voldoen aan de voorschriften vervat in de artikelen lObis en 12bis, worden gestraft -met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.
Het opschrift van de Ilde afdeeling wordt gelezen als volgt;
Van de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en van hunne aftreding.
Art. 71 wordt gelezen als volgt:
Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, don ouderdom van dertig jaren vervuld hebben en óf bo-hooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen óf een of moer hooge en gewigtige openbare betrekkingen , door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Deze betrekkingen worden voor de eerste maal aangewezen bij algemeenen maatregel van bestuur , welke van kracht blijft tot dat die door eene wet wordt vervangen. Hot voorstel van zoodanige wet wordt binnen twee jaren na het in werking treden der veranderingen in do Grondwet bij de Staten-Generaal ingediend.
De laatste zinsnede van Art. 72 wordt gelezen als volgt;
De bepaling van Art. 4 is daarbij van toepassing.
Do aanslag dor vrouw in de directe belastingen wordt beschouwd als staande ten name van haren man, dio van minderjarige kinderen als staande ton name van hunnen vader, voor zooveel botroi\'t do goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.
58
ADDTTIONEEf.E AHÏIKELEN\'.
Do eerste //nsnede van Art. 73 wordt gelezen als volgt:
Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks in de eerste helft der maand April naar aanleiding der jaarlijks vóór 1 April aan Gedeputeerde Staten door de ontvangers der directe belastingen in te zenden door hen te waarmerken opgaven , waarin elk belastingschuldige op hunne tot de loopende dienst behoorende kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor hij in elke belasting afzonderlijk is aangeslagen, wordt aangewezen.
Art. 74 wordt gelezen als volgt:
Gedeputeerde Staten brengen op de lijst zoodanig getal personen, binnen de provincie wonende, dat op iedere vijftien honderd inwoners der provincie i5én tot lid der Eerste Kamer uit dezen hoofde verkiesbaar zij.
Art. 75 vervalt.
Art. 78 wordt gelezen als volgt:
Elk Nederlander die niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen heeft verloren, noch van do verkiesbaarheid ontzet is, is bevoegd tegen do lijst bezwaren in te dienen, wanneer daarop 1° zijn naam of die van een ander in strijd met de bepalingen van artt. 72 tot 76 niet of niet behoorlijk voorkomt; 2°. do naam is gebragt van iemand die oen of meer der in art. 71 vermelde vereischten, om als hoogstaangeslagene verkiesbaar to zijn, mist.
In art. 88 wordt het woord Maandag vervangen door Dingsdag.
Art. 94 wordt gelezen als volgt:
De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien hij voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, nevens zijn geloofsbrief, aan do Kamer over een uittreksel, voor zooveel zijn persoon betreft, van de provinciale lijst van hoogstaangeslagenen waarop hij gebragt is en oene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende allo openbare betrekkingen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op do lijsten der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en de verklaring vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters, of bij gemis daarvan eene acte van bekendheid , waaruit do tijd en plaats zijner geboorte blijken en oene verklaring, vermeldende welke der hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, hij bekleed heeft.
De eerste zinsnede van art. 96 wordt gelezen als volgt:
Een lid der Eerste Kamer, op geeno dor geslotene provinciale lijsten van hoogstaangeslagenen meer genoemd, noch daarop, ten gevolge van regterlijk eindvonnis hersteld, of daarvan ten gevolge van zoodanig vonnis geschrapt, houdt op lid te zijn, tenzij hij eene of meer der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71 bekleedt of bekleed heeft.
Do eerste zinsnede van art. 97 wordt gelezen als volgt:
Hetzelfde vindt plaats, wanneer oen lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 71 vermelde vereischten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens de verkirzing vervulde.
Art. 98 wordt gelezen als volgt:
Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn niamielijke Nederlanders, die niet bij regterlijke uitspraak do beschikking of het beheer
59
ADDITIONJCKLE ARTIKELEN.
over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld.
Het derde lid van art. 99 vervalt.
De tabel bedoeld in art. 99 wordt gelezen als volgt:
GRONINGEN 3. Gmiiugcn, Ilaron, Noorddijk, Beilmn, Ten Hoer, Shicliteven, llougczimd.
ZUIDHOUN 1. Znidhorn, Adunvd, Ezinge, Leciis, 1\'lruin, Oldcliove, Grijpskevk, Oldckci\'k, Groolegnstj Marum, Adorj), Hoogkerk, Leek, Kloosterlmren, Winsum.
AI\'I\'INGEDAM 1. Appingcdntn , Delfzijl, \'l Zimd , Bicnim . l illiuizerineedcii, Uilhuizcii, Usquerl, WurH\'mn, Eonrura, Jiull», Steduin, Middelstum, Knnlens, Loppersum.
WINSCHOTEN 1. Wiuseholen, Termuntou , Nieuwe Sohnus, ilcciia, Nieuwoldn, iMid-woldn, I\'instenvolde, Noordbroek, Zuidbroek, Sehccmda, Belliugwolde, Wedde.
VEENDAM 1. Veeudnm, Meeden, Sappemcev, Muuleudam, Oude Pekela. Nieuwe l\'ekela, Vlagtwedde, Onstwedile.
ASSEN 1. Assen, Wildervnnk, Zuidlarcn, Aulo, Gieten, Gasselto. Roden, Peize, Eelde, Norg, Vries, Holde.
EMM EN 1. Emmen, Borger, Odoorn , Sehoonebeek, Dulen, Zweelo, Sleen, Oaster-liesselen , Coevorden, Westerbork, Bellen.
LEEUWARDEN 1. Leeuwarden, Leenwiirderadeel, Idaarderadeel.
HARLINGEN 1. Ilarlingen, J3arratleol, Wonseradeel, Bolsward, Workiun, llindeloopen.
FRANEKER ]. Franeker, Frauekeradeel, \'t Bildt, Alenaldiunadeel, Baarderadeel, liennaarderadeel.
SNEEK 1. Sneek, Wijmbrilseradeel, Stavoren, Hemelumer-Oldepliaert, 1.11(3, Gaaster-land, Sloten, Kauwerderhem, Doniawerstal.
SCHOTERLAND 1. Scholerland, Utingeradeel, Opsterland, Haskerland, iEngwirden.
DOKKUM 1. Dokkum, Oosidongeradeel, Westdongeradeel, I}antuinadeel, Ferwerdera-deel, Ameland, Schiermonnikoog.
BEIU11JM 1. Kollnmerlaml, Acht karspelen, Tietjerksteradeel, Smallingerland.
WOLVEGA 1. Ooststcllingwerf, Weststellingwerl\', Lomstevland, Smilde, J)icver, Vledder, llavelte.
STEENWiJK 1. Steenwijk, Steenwijkerwold, Oldemarkt, Kninre, Blankenham, Blokzijl, Stad-Vollenhove,. Ambt-Vollenhove, Giethoorn, Waniieperveen, Zwartsluis, Staphorst, Hasselt, Genetnuiden, Nieuwleusen.
MEPPEL 1. Meppel. Dwingelo, Nijeveeu, Ruinen, lluinenvold, Hoogeveen, Zuid-wolde, de Wijk, A vereest.
ZWOLLE 1. Zwolle, Zwollekerspel, Dalfsen, Wijhe, Heino.
KAMPEN 1. Kampen, Kamperveen, Grafhorst, IJsselrnuiden, Wilsum , Zalk en Vee-caten , Oldebroek, El burg, Doornspijk, Heerde, Hattem.
OMMEN 1. Stad-Ommen, Ambt-Ommen, Gramsbergen, Stad-Hardenberg, Ambl-IIar-denberg, den Ham, Hellendoorn, Vriezenveen, Kaalte, Holten.
ALMELO 1. Stad-Almelo, Ambt-Almelo, Tubbergen, Ootmarsum , Denekamp, Wierden, Weerselo, Borne, Rijssen.
ENSCHEDE 1. Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hengelo, Lonneker.
DEVENTER 1. Deventer, Diepenveen, Bathmen, Voorst, Olst.
LOGHEM 1. Lochem , Markelo, Goor , Stad-Delden , Ambt-Deldcn, Diepenheim , Gorssel, Laren, Borculo, Neede, Eibergen, Runrlo, Groenlo.
ZUTPHEN 1. Zutphen, Vorden, Warnsveld, Brummen, Hengelo, Steenderen, Hnm-melo, Doesburg.
DOETINCHEM 1. Stad-Doetinchem, Ambt-Doetinchein, Winterswijk, Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem, Gendringen.
RHEDEN L. Rheden, Zevcnaar, Rozendaal, Westervoort, Duiven, H nissen, Didam, Angerlo, Bergh, Wehl, Herwen en Aerdt\'.
ARNHEM 1. Arnhem.
ELST 1. Eist, Wageningen, Doorwerth, Renknm, Valburg, Heteren, Hemmen, Bemmel, Gent, Pannerden, Ewijk, Beuningen.
NIJMEGEN 1. Nijmegen, Millingen, Ubbergen, G roesbeek, 1 leumen.
DRUTEN 1. Druten, Overasselt, Wijehen, Balgoij, Batenburg, Bergharen, Horssen, Appeltern, Driel, Hurwenen, Rossum, Zaltbommel, Ammerzoden, Brakel, Zuilichem, J^edcroijeu, Hedel, Kerkwijk, Gaineren, Dreumel, Wamel, Ileerewaarden.
TI EL 1. Tiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenoijen, Est en Opijnen, Ophemert, Varik, Deil, Beesd, Waardenburg, Haafteu, Maurik, Lienden, Uzcndoorn, Echteld, Dodewaard, Kesteren.
60
ADD[T10KE10L10 ART[KE1.10N.
WJJK Hl.l DUURSTEDE 1. Wijk bij Duurstede, Driebergen, Hijsen burg, Langbroek, (\'otlieu, Werkhoven, Oilijk, Ilouleu, Schalkwijk, Tuil en \'l Waal, Jutphaas, Vreeswijk, Usselsleiu, Lopik, Jaarsveld, Benschop, Willige Langerak, Monll\'oort, rioenkoo]), Polsbroek. Willeskop, Snelrewaard, Cule.nborg, Jieusiehem, Buren, Buurmalsen.
EDE 1. Ede, Barneveld, Nijkerk, Seherpenzeel, Kenswoude, Veenendaal, llhenen, A nier on gen , Leersum , Hoevelaken.
AiMEUSFOORT 1. Amersfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn , Hoogland , Soest, Stouten-burg. Lensden, Woudenberg, Maarn, Zeist, Doorn.
APELDOORN 1. Apeldoorn, Epe, Ermelo, Harderwijk, Putten.
UTRECHT 2. U treclit, de Bildt, Maartensdijk, Bunnik, Oudenrijn, Achttienhoven, Westbroek.
BREUK EL EN 1. Br enkelen-N ij en rode, Brenkclen-St. Pieters, Nieuwveen , Nieuwkoop, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude-Proostdij, Abcoude-Baambrugge, Loosdrecht, Vinkcveen, Vreeland, Loenen, Loenersloot, .Mijdrecht Wilnis, Maarsseveen, Maarssen, Tienhoven, Zuilen, Vleuten, Laagnieuwkoop, Kockengen, Kamerik, Zegveld, Haarzuilens, Ruw iel, Harmeien, Veldhuizen, Linsehoten.
HILVERSUM 1. Hilversum, Ouder Amstel, Watergraafsmeer, Diemen, Muiden, Naarden, Huizen, Blaricm, Laren, Bussum, Wees]), Weespercarspel, Ankeveen, Nederhorst den Berg , Nigtevecht, Kortenhoef, \'s Graveland.
HOORN 1. Hoorn, Zwaag, Berkhout , Avenhorn, I rsem . Selierrnerhorn, Oudendijk, Beets, Beemster, Oosthnizen, Warder, Middel ie, K wad ijk, Pur merend , Edain , Kalwoude , Monnikendam, Marken.
ENKHUIZEN 1. Eukhuizen, Medeniblik, Opperdoes, Twisk, Abbekerk . Hoogwoud, Winkel, Opmeer, Spanbroek, Obdam, Hensbroek, Sijbekarspel, Wognuin, Nibbixwoud , Midwoud, Wervershoof, Andijk, Bo ven karspel, Grootebroek, Hoogkarspel, Westwoud, Blokker, Schellinkhout, Wijdenes, Venhuizen, Urk.
ALKMAAR 1. Alkmaar, Fleilo, Bergen, Schoorl, Warmenhuizen, Harenkarspel, St. Maarten, Schagen, Wieringerv.aard, Barsingerhorn, Nieuwe Niedorp, Oude Niedorp, Heerhugowaard, Oudkarspel, Noord Scharwonde, Zuid Scharwoude, Broek op Langen-dijk, St. Pancras, Koedijk, Oudorp, Oterleek.
HELDEU 1. den llehler, Texel, \\\'lieland, Terschelling, Wieringen, Anna Paulowna Zijpe, Callantsoog, Putten.
AMSTERDAM 0. Amsterdam, Nieuwer Amstel.
HAARLEM 1. Haarlem.
BEVERWIJK 1. Beverwijk, /andvoort, Bloemendaal, Schoten, Spanrndam, Haarlem-merliede en Spaarmvoude, Vel/en, Assendelft, Westzaan, Krommenie, Wijk aan Zee en Duin, Heemkerk, Uitgeest, (\'astricum, Akersloot, Limmen, lOgmond binnen, Rgmond aan Zee.
ZAANDAM 1. Zaandam, Kooga/d Zaan, Zaandijk, Wormerveer, Wormer, Jisp, Graft, de Kijp, Zuid- en Noord-Schermer, Wijdewormer, Oostzaan, llpendam, Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieuweudam, Ransdorp.
HAARLEMMERMEER 1. Haarlemmermeer, Sloten, Heemstede, Bennebroek, Aalsmeer, Uithoorn, Leirnuiden, Lisse, Hillegom, Alkemade.
LEIDEN 1. Leiden.
KATWIJK 1. Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Sassenheim . Voorhout, Oegstgeest, Warmond, Rijnsburg, Valkenburg, Leiderdorp, Rijnsaterwoude, Woubrngge, Oudshoorn, Koudekerk, Zoetervvoiule, Voorschoten, Veur, Wassenaar.
GOUDA 1 Gouda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen, Moordrecht, Niewerkerk a/d IJssel, Ouderkerk a/d IJssel, Krimpen a/d IJssel, Krimpen a/d Lek, Gouderak, Lekkerkerk.
BODEGRAVEN 1. Bodegraven, Aarlanderveen, Hazevsvvoude, Alphen, Zwammerdam, Rietveld, Woerden, Waarder, Barwontswaarder, Papekop, Lange-Rnige Weide, Reeuw ijk, Oudewater, Hekendorp, Haastrecht, Vlist, Stolwijk, Schoonhoven, Bergambacht, Ammerstol, Berkenwoude.
DELFT 1. Delft, Hof van Delft, Pijnacker, Vrijenban, Berkel, Bleiswijk, Zevenhuizen, Bergschenhoek, liillegersbcrg.
LOOSDUINEN 1. Loosduinen , \'s Gravesande, Maassluis, Maasland , de Lier, Naaldwijk, Schipluiden, Monster, Wateringen, Rijswijk, Voorburg, Stompwijk, Nootdorp, Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen.
SCHIEDAM 1. Schiedam, Overschie, Schiebroek, Kethel, Vlaardingen, Vlaardinger-ambacht.
(U
ADDITION BEL10 ART[KELEN.
ROTTERDAM f). liotlenlnm, Kraliugon, Cliavlois, Capollc a/d JJsscl.
HIUKLLK 1. Jirielle, (icn Jiumniel, Oollgensplaat, Stad aan\'t Haringvliet, Oostvoorne, Vierpoldcrs, Nieuwenlioorn, liellevoetsluis, Nicuw-Helvoet, Uockaujc, Hecnvliet, Geervliet, Zwai\'tewaal, Spijkenisse, Hekelingen, Znidland, Abbenbroek, Oudenhoorn, Rozenburg, Pernia, Hoogvliet, Poortugaal, Goudswaard, Picrshil, Znid-Bcijerland,Nieuw-lieijerland.
\'sGHAVENHAGE 3. \'s Gravenhage.
DOHDHECHT 1. Dordrecht, Dubbeldam, Zwijndreeht, Papendreelit, Heerjansdam.
lUDDEHKEUK 1. Ridderkerk, Barend recht, Hendnk-Ido-Ambacht, Usselnionde, Rhoon, \'s Gravendeel, Strijen, Maasdam, Puttershoek, Heinenoord, Oud-Beijerland, Mijnshecrcn-land, AVestmaas, Klaaswaal, Numansdorp.
GOR1NCI1EM 1. Gorinchem, Herwijnen, Vuren, ^edcrhemert. Wijk- en Aalburg, Veen, Op- en Neer-Andel, Giessen, Rijswijk, AVoudriehem, De Werken en Sleeuwijk, Werkendam, Schelluiueu, Arkcl, Kedichem, Heukelum, Asperen, Hardinxveld, Giessen-Nieuwkerk , Giessendam , Molenaarsgraaf, Hoogblokland , Hoornaar, Noordeloos, Nieuw land.
SLIEDRECHT 1. Sliedrecht, Vianen, Hagestein , Evcrdingen, Sclioonrewoerd, Leerdam , Hei- en Boeikop, Leerbroek, Lexmond, Meerkerk, Ameide, Tienhoven, Langerak, Goudriaan Nieuwpoort, Groot Ammers, Ottoland, Peursum, Brandwijk, Bleskensgraaf, Wijngaarden, Streefkerk, Nieuw-Lekkerland, Alblasserdam, Oud-Alblas.
MIDDELBUUG 1. Middelburg, Vlissingen, Veere, Oostkapelle, Domburg, Vrouwenpolder, Serooskerke, Aagtekerke, Grijpskerke, Westkapelle, St. Laurens, Meliskerke, Zoutelande, Biggekerke, Oost- en West-Souburg, Koudekerke, Ritthem, Nieuw en St. Joosland.
OOSTBURG 1. Oostburg, Cadzand, Retranehement, Zuidzande, Sluis, Aardenburg, Eede, St. Kruis-, Waterlandkerkje, Uzendijke, Breskens, Groede, Nieuw vliet, Schoondijke , Hoofdplaat, Biervliet, Neuzen, Hock , Philippine, Westdorpe, Zaamslag, Sas van Gent, Axel.
GOES 1. Goes, Arnemuiden, \'s Heer Arendskerke, \'s Heer Abtskerke, Wolphaarts-dijk, Heinkenszand, \'s Gravenpolder, Kattendijke, Kloetinge, Wemeldinge, Wissekerke, Colijnsplaat, Kortgene, Kats, Tholen , Oud Vossemeer, Poortvliet, St. Anualand, Stavenisse, St. Maartensdijk, Scherpenisse, St. Philipsland.
IIONTEMSSE 1. Houtenisse, Overslag, Zuiddorpe, Koewacht, Boschkapelle, Hulst, Cliuge, St. Jansteen, Stoppeldijk, Hengtsdijk, Graauw en Langendam, Ossenisse, Rilland-JJatb, Waarde, Schore, Kruiningen, Krabbendijke, Yerseke, Kappelle, Borsselen, Driewegen, Nisse, Ovezande, Hoedekenskerke, \'s Heereuhoek, Oudelande, Ellewoutsdijk, Baarland.
Z1ER1KZEE 1. Zierikzee, Haamstede, Noordwelle, Rencsse, Serooskerke, Burgh-Elkerzee, Ellemeet, Brouwershaven, Zonnemaire, Duivendijke, Kerkwerve, Noordgouwe, Dreischor, Oosterland, Nieuwerkerk, Ouwerkerk, Bruinisse, Goedereede, Ouddorp, Stellendam, Dirksland, Melissant, Middclharnis, Sommelsdijk, Oude Tonge, Nieuwe Tonge, Herkingen.
BEUGEN OP ZOOM 1. Bergen op Zoom, Woensdrecht, Osseudrecht, Huibergen, Putte, Nieuw Vossemeer, Wouw , Halsteren , Rosendaal en Nispen, Steenbergen en Kruisland.
RUEDA 1. Breda, Rucphen en Vorenseinde, Hoeven, Etten en Leur, Princenhagen, Terheyden.
OOSTERHOUT 1. Oosterhout, Zundert, Rijsbergen, Ginneken en Bavel, Teteringen, Dongen, \'s Gravenmoer, Loon op Zand, Gilze en Reijen, Chaam, Baarle Nassau.
ZEVENBERGEN 1. Zevenbergen, Dinteloord en Prinsland, Oud- en Nieuw-Gastel, Fijnaart en Heiningen, Willemstad, Klundert, Standdaarbuiten , Oudcnbosch, Hooge en Lage Zwaluwe, Gecrtruidenberg, Made en Drimrnelen, Raamsdonk,
WAALWIJK 1. Waalwijk, Almkerk, Dussen, Munster en Muilkerk, Waspik-Meeuwen, Hill en Babylouienbroek, Heesbeen, Eethen en Geuderen , Drongelen , Hangoort, Gansoijen en Doeveren, Besoijen, Baardwijk, Drunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Empel en Meerwijk, Engelen, Bokhoven, Hedikhuizen, Herpt, Oudheusden, Heusden, Capclle, Sprang, Vrijhoeve Capclle, Cromvoirt, Helvoirt, Udenhont, Berkel, Haaren.
TILBURG 1. Tilburg, Oisterwijk, ^loergeslel, Hilvarenbeck, Goirlc, Alpen en Riel, Diessen, Oost-, West- en Middelbeers.
EINDHOVEN 1. Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Reusel, Bladel en Netersel, Oirschot, Liempde, Vessem, Wintelre en Knegsel, Zeelst, Strijp, Woensel, Best, Stratum, Gestel en Blaarthem , Hoogcloon , Hapert en Casteren, Duizel en Stcensel, Eersel, Lnyksgcatel, Borkel en Schaft, Bergeyk, Dommelen, Westerhoven, Veldhoven en Mereveldhoven, Riethoven, Oerle, Valkenswaard.
HELMOND 1. Helmond, Tongelre, Nunen, Gerwen en Nederwetten, Zesgehuchten, Bakel en Milheeze, Denrne en Liesel, Vlierden, Geldrop, Mierlo, Liérop, Asten, Someren ,
62
A DDIT [U NKEL 12 ARTïKELEN.
Leende, Ueeze, Maavliecze, Soerendonk, Slerksel eu Gusscl, J kid el, Aalsl, Waulre, Stiphout, Aavle-llixtel.
MAASTRICHT 1. Maastricht, St. Pieter, Oud-Vroeuhoven, Mccrssen, Amby, Heer, Gronsveld, Eysdeu.
GULPEN 1. Gulpen, Mesch, llijekholt, St. Geertruid, Mhcer, Noorbeek, Slenaken, Wittem, Vaalst, Boeholtz, Simpelveld, Wijlre, Valkenburg, Oud-Vnlkenburg, Margraien, Cadler en Keer, Bemelen, Berg en Terblijt, llouthem, Kerkrade, Voerendaal, Seliin oj) Geulle, Heerlen, Sehaesberg, Klimmen.
SITTARD. 1. Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde, Geulle, Elsloo Stein, Urmond, Obbieht en Papenhoven. Grevenbielit, Limbrieht, Born, JSieuwstadt, Broeksittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Spanbeek, Schimmert, Hulsberg, Wijnandsrade, Nuth, L\'lestraten, Seliinnen, Amstenrade, Hoensbroek, Brunssum, Schinveld, Jabeek, Bingel-rade, Merkelbeek, Oirsbeek, Eygelshoven, Ubaeh over Worms, Nieuwenhagen.
ROERMOND. 1. Roermond, Susteren, Roosteren, Edit, Ohé en Laak, Stevensweert, Vlodrop, Poslerholt, St Odilienbcrg, Melliek en Herkenbosch, Montfort, Maasbraeht, Linne, Herten, Maasniel, Horn, Beegden, Heel en Panheel, Wessem, Thorn, Swalmeu, Beesel.
VENLO. 1. Venlo, Grubbenvorst. Areen en Velden, Broekhuizen, Meerlo, Wansum, Ven ray, Bergen, Ottersum, Gennep, Mook, Sambeek, Vierlingsbeek, Maashees en Over-loon, Oploo, St. Anthouius en Ledeaker, Belfeld, Tegelen.
WEERT. 1. Weert, Hunsel, Stramproy, Nederweert, Roggel, Heythuizen, Neer, Kessel, Meijel, Helden, Seven um , Maasbree, Horst, Ruggenum, Nunliem, Haelen, It-tervoirt, Neerritter, Baexem, Grathem.
GRAVE. 1. Grave, Boxmeer, Alem, Maren en Kessel, Lith, Litiioijen, Geffen, Oss, Oijen eu Teeüeleu, Megen, Haren en Maeliaren, Dieden, Demen en Langel, Deursen en Denuenburh, Huisseling en Neerloon, Berghem, Herpen, Heeseh, Seliayk , Ravenstein , Reek, Velp, Eseharen, Gassel, Beers, Linden, Cuyk en St. Agatha, Oelicit, Haps, ]3cugen en Rijkevoort, Wanroy , Mill en St. Hubert, Nistelrodc.
\'S HERTOGENBOSCH 1. \'s Hertogenboseh, Vught, den Diingen , lierliemn, Rosmalen , Nuland, Boxtel, Esch.
VEGHEL 1. Veghel, Uden, Zeeland, St. Miehielsgestel, Sehijndel, St. Oedenrode, Dinter, Heeswijk, Erp, Bockcl, Gemert, Son en Breugel, Lieshout, Beek en Donk.
Het tweede lid van art. 100 wordt gelezen als volgt:
Alsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden , die met den volgenden derden Dingsdag van September moeten aftreden.
Het opschrift van § 3 wordt gelezen als volgt:
Van de aftreding der leden van de Eerste en Tweede Kamer.
Art. 113 wordt gelezen als volgt:
Een derde gedeelte van de loden der Eerste Kamer treedt om de drie jaren af.
Het eerste aftredende derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden , Gelderland 2, Zuidholland 4, Noordholland 3, Utrecht 1 , Friesland 1 , Overijssel 1 , Gfoningen 1 , Drenthe 1 en Limburg 1 , te zamen 17 leden.
Het tweede bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2 , Zuidholland 8, Noordholland 3, Zeeland 1, Utrecht 1 , Friesland 1 , Overijssel 1 , Groningen 1 , Drenthe 1 en Limburg 1 , te zamen 17 leden.
Het derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2 , Zuidholland 3 , Noordholland 3, Zeeland 1 , Friesland 2 , Overijssel 1 , Groningen 1 en Limburg 1 , te zamen 16 leden.
Art. 114 vervalt.
Art. 115 wordt gelezen als volgt:
Bij ontbinding der Eerste Kamer begint de rooster van aftreding
A Oü IT r O N K HI, JS ART IK HLKN.
telkuiis op nieuw t,e werken over twee jaren, te beginnen met den eerstvolgenden derden Dingsdag in September.
15ij ontbinding der Tweede Kamer treden de leden af drie jaren na den eerstvolgenden derden Dingsdag in September.
Art. 11C wordt gelezen als volgt:
Hot lot bepaalt den tijd, waarop elk lid der Eerste Kamer naar den rooster aftreedt, zooverre deze dien tijd niet zelf heeft aangewezen.
Art. 117 wordt gelezen als volgt;
Die ter vervulling eener buiten den gewonen tijd van aftreding opengevallen plaats tot lid der Eerste of Tweede Kamer is verkozen , treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is verkozen, moest aftreden.
Art. VIII. Na de afkondiging van de wetten , houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen , overeenkomstig de wet van 4 Julij 1850 {.Staatsblad n0. 37), gelijk zij bij art. VII is gewijzigd.
Voor de herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1. sub. c, en van art. 7 dier wet gesteld op den 21 sten dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na die afkondiging.
Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op den 49sten dag na bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten, en gesloten uiterlijk op den 105den dag na die afkondiging.
Do eerstvolgende herziening van do kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889.
Art. IX. De verkiezingen voor do nieuwe Kamers der Staten-Generaal hebben plaats binnen vier maanden na die afkondiging.
Art. X. Het tweede lid van art. 5 van de wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad n0. 85) vervalt.
Art. XI. Aan de verkiezingen van loden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten , bedoeld in art. VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet.
Art. XII, Do Koning is bevoegd don tekst dor herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in do artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen , de veranderingen van nummers aan te brengen , welke noodig blijken te zijn.
()4
DE GRONDWET
!
VAN HET
■ i\':: \' ~ . i ,\' • quot;
Koningrijk der Nederlanden
EN DE
Regeermgsvoorstellen tot wijziging der Grondwet,
ter vergelijking naast elkander gedrukt,
GEVOLGD DOOK
DE MEMORIE VAN TOELICHTING DIER VOORSTELLEN.
* HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK amp; ZOON
Prjjs 40 cent
I) K (i ROND W ET.
Typ. Firma Ruijgkok amp; Co. — Haarlem.
GRONDWET
VAN IIKT
Koningrijk der Nederlanden
KN Di-:
Regeeringsvoorstollen tot wijziging der Grondwet,
ter vergelijking naast elkander gedrukt,
GEVOLGD DOOR
DE ME MORT K VAN TOELIGHTING DJ ER VOORSTELLEN.
n A A R I; K M
H. D. TJEENK W1JJJNK amp; ZOON 11)07
DE
EERSTE HOOFDSTUK.
Van hel Rijk en zijn Inwoners.
Art. 1.
Ifet Koningrijk der Nederlanden omvat het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
Art. 2.
De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.
Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen liet Rijk in Europa bedoeld.
Art. 3.
De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen.
De grenzen van liet Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd.
Art. 4.
Allen die zich op hot grondgebied van het Kijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.
De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten.
Art. 5.
Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.
Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet.
Art. 6.
De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.
Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd.
De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde.
li
Art. 7.
Nicmiuul heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Art. 8.
Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.
Elk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn. Ondertee-kening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt.
Wettig bestaande lichamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende.
Art. 9.
ITet regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.
De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde.
TWEEDE HOOFDSTUK
Van den Koning.
kekstu apdeelinq.
Van de troonopvolging.
Art. 10,
De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Wili.em Fkedkrik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen.
Art. 11.
De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, niet dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.
Art. 12.
Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstover-leden Koning, bij regt van eerstgeboorte.
7
Art. 13.
Bij ontstentenis ook van de dochters, in liet voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatst overleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de nedergaande vrouwelijke lijnen.
Tn deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.
Art. 1.4.
Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot tie Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatst-overleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning Wii.usm Feedeuik, Prins van Oranje-Nassau, liet naast bestaat.
Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.
Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vl\'ouwe-lijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan.
Art. 15.
Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot do Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem dun Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Feedeuik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald.
Art. 16.
Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.
Art. 17.
Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben bestaan.
Art. 18.
Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg niet de Staten-
8
Generaal, of door oen Prins of Prinses van liet regerend Stamhuis buiten de bij do wet verleende toestemming.
Zoodanig huwelijk aangaande, doet eeno Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.
Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge art. 16, 19, 20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden deze be-palinge|| alleen voor de huwelijken, na hot tijdstip van dien overgang gesloten.
Art. 19.
Wanneer bijzondere omstandigheden oenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, .is do Koning bevoogd daaromtrent oen voorstel te doen.
J)e Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in voreonigde vergadering.
Art. 20.
Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eeno wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.
De Staten-Genoraal, daartoe in dubbelen gotalo bijoengoroepen, bo-raadslagon on besluiten daarover in vereonigdo vergadering.
Art, 21.
Wanneer bij overlijden dos Konings geen bevoogde opvolger naar do Grondwet bestaat, geschiedt tie benoeming regtstreeks dour do Staten-Generaal in vereonigdo vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na hot overlijden bijeengeroepen.
Art. 22.
Al de bepalingen omtrent do erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtons oen der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege dat hot nieuwe Stanmuis ten opzigte van die opvolging van Hem zijnen oorsprong neemt oj) gelijke wijze en mot dezelfde gevolgen als hot Huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wijlen Koning Wilj,km Fkedkuik, Prins van Oranje-Nassau.
Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ton opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje.
Plet geldt evenzeer ton aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van hot Stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.
Art. 23.
De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.
In geen geval kan de zetel dor Regering buiten het Rijk worden verplaatst.
!)
tweede af i) eel1n0.
Van hel inkomen der Kroon.
Art. 24.
lielmlve hut inkomen uit do domeinen door de wet van 26 Augiislus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II lot Kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld.
Art. 25.
Den Koning worden tot deszelt\'s gebruik, zomer- en wintor-verblijven in gereedheid gtbragt, voor welker onderhoud echter niot meer dan /\'50,000 jaarlijks, ten laste van den Lande kunnen worden gebnigt.
Art. 26.
De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten. Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door Hen genoten.
Art. 27.
De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in.
Art. 28.
Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kus is /\'150,000.
Art. 20.
De oudste van des Konings zonen, ol\' verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Ohanje.
Art. 30.
De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit\'s Lands kas een jaarlijksch inkomen van f 100,000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld ; dit inkomen wordt gebragt op /\' 200,000 na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.
derde afdeeling.
Van, de Voogdij des Konings.
Art. 31.
De Koning is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.
Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt.
Ill
Art. 32.
Do voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd ol\' voogden worden benoemd bij eeno wet.
Over bet ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Qeneraal in vereenigde vergadering.
Art. 33.
Deze wet wordt nog bij liet leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord.
Art. 34.
Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af;
„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zwoer (beloof) al de „pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij „bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid aan „do Grondwet en liefde voor Zijn volk in te boezemen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtiglquot; („Dat beloof ik!quot;)
Art. 35.
Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodigo toozigt over Zijn persoon voorzien naar do voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald.
Do wet bepaalt don eed of do belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af to leggen.
VIKltni\', AFDKKI.IHd.
Van hel liegentschnp.
Art. 36.
Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het Koninklijk gezag waargenomen door oenen Regent.
Art. 37.
De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot \'s Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over hot ontwerp dier wet beraadslagen en besluitende Staten-Geno\' raai in vereenigde vergadering.
De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gomaakt.
Art. 38.
Met Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt do regering waar te nemen.
11
Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade ver-eenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State met uitnoodiging om binner, een bepaalden termijn advies uit te brengen.
Art. 39.
Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen /.ij de Staten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van her, voorhanden geval verslag te doen.
Art. 40.
Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig is. dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last vim den in art. 108, 2de lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.
Bij ontstentenis van dezen Voorzitter wordt door de vergadering een Voorzitter benoemd.
Art. 41.
In het geval van art. 40 is do Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent.
Art. 42.
Ontbreekt een Prins van Oranje of beeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in het Regentschap voorzien oji de wijze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft.
Art. 43.
Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af;
„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof), dat ik in „de waarneming van het Koninklijk gezag, zoolang de Koning minder-„jarig is (zoolang de Koning buiten staat blijft de regering waar te ne-„men), de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied „des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik „de algemeene en bijzondere vrijheid, en de regten van alle des „Konings onderdanen en van elk hunner zal beschermen en tot in-„standhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking „stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtigIquot; („L)at beloof ik!quot;)
Art. 44.
Wanneer een Regent buiten staat geraakt het Regentschap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 3\'.) en 40 toepasselijk.
12
Is de opvolging in hot Regentschap niet geregeld, clan wordt art. 37, 1ste lid, toegepast.
Art. 45.
Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State:
1. hij het overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;
2. in de gevallen van artl. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft;
3. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.
Deze waarneming houdt van regtswege op, :;oodra do bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.
Wanneer in het Regentschap moet worden voorzien, dient do Raad van State hot daartoe strekkend ontwerp van wet in:
in de gevallen, onder 1°. en 2°. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;
in het geval, onder 3quot; vermeld, binnen den tijd van eene maand, nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.
Art. 46.
Een wet bepaalt, bij do benoeming van don Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaar-lijksch inkomen van do Kroon zal worden genomen voor do kosten van het Regentschap.
Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.
Art. 47.
Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door do Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard hij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.
Art. 48.
Dit besluit wordt genomen op voorstel van don Rogent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal.
Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.
Is de zitting der Kamer gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zelve te doen.
Art. 49.
Do hoofden der ministeriele departementen en do voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamer der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen.
13
Art. 94, 3tle lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.
Art. 50.
Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit hernoemt de Koning de waarneming der regering.
VIJFDE AFDUUMNG.
Van de Inhuldiging des Konings.
Art. 51.
De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Oeneraal.
Art. 52.
In deze vergadering wordt door don Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:
„Ik zwoor (beloofi aan het Nedorlandsche volk, dat Ik do Grondwet „steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en hot grondgebied „des llijks mot al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren ; dat Ik do „algemoone en bijzondere vrijheid en de regten van allo Mijne onderdanen „zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algomeone „en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetlen „te Mijner beschikking stellen, zoo als oen goed Koning schuldig is te doen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)
Art. 53.
Na het aüoggen van dozen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier Voorzitter de volgende plogtige verklaring uitspreekt, die vervolgons door hem on elk dei-leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:
„Wij ontvangen en huldigen, jn naam van het Nedorlandsche volk „en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zworen (beloven), dat „wij Uwe onschendbaarheid en de regten Uwer kroon zullen handha-„ven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen, wat goede on getrouwe „Staton-Genoraal schuldig zijn to doen.
„Zoo waarlijk helpe ons God almagtig!quot; („Dat beloven wij!quot;)
ZESDK AFDKUMNO.
Van de Magt des Konings.
Art. 54.
De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.
Art. 55.
Do uitvoerende magt berust bij den Koning.
12
Is de opvolging in het Regentschap niet geregeld, dan wordt art. 37, 1ste lid, toegepast.
Art. 45,
Hot Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad vim State:
1. hij liet overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;
2. in de gevallen van artl. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft;
3. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.
Deze waarneming houdt van regtswege op, ;;oodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.
Wanneer in het Regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:
in de gevallen, onder 1°. en 2Q. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;
in hot geval, onder 3quot; vermeld, binnen den tijd van eene maand, nadat do troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn.
Art. 40.
Een wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, do som, die op het jaar-lijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor do kosten van hot Regentschap.
Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.
Art. 47.
Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door do Ötaton-Goneraal in veroenigdo vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den Voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.
Art. 48.
Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ton minste twintig loden der Staten-Genoraal.
Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in veroonigde vergadering bijeenroept.
Is de zitting der Kamer gesloten, dan zijn die leden bevoogd do oproeping zelve te doen.
Art. 49.
De hoofden der ministeriele departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan do Kamer der Staton-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen.
13
Art. 04, 3(le lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.
Art. 50.
Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regering.
VIJFDE A FDEEHNG.
Van de Inhuldiging des Konings.
Art. 51.
De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Oeneraal.
Art. 52.
In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:
„Ik zweer (beloofi aan het Nederlandsche volk, dat Ik de Grondwet „steeds zal onderhouden en handhaven.
„Ik zweer (beloof; dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied „des Kijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren ; dat Ik do „algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle Mijne onderdanen „zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene „en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke do wetten „te Mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning schuldig is te doen.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)
Art. 53.
Na het alleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door do Staton-Generaal, wier Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgons door hem on elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:
„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk „en krachtens do Grondwet, U als Koning; wij zweren (beloven), dat „wij Uwe onschendbaarheid en de regten Uwer kroon zullen handha-„ven; wij zworen (beloven) alles te zullen doen, wat goede en getrouwe „Staton-Generaal schuldig zijn to doen.
„7joo waarlijk holpo ons God almagtig 1quot; („Dat beloven wij!quot;)
ZESDE AFDEEL1NO.
Vtm de Magt des Konings.
Art. 54.
Do Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.
Art. 55.
De uitvoerende magt berust bij den Koning.
14
A rt. 56.
Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld.
Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.
De wet regelt de op te leggen straffen.
Art. 57.
De Koning heeft het opperbestuur der buitenlandsohe betrekkingen.
Art. 58.
De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beida Kamers der Staten-Gsneraal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Ilij met het belang van den Staat bestaanbaar acht.
Art. 69.
Do Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan do beide Kamers der Staten-Goneraal, stoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.
Verdragon, die wijziging van het grondgebied van don Staat inhouden, die aan hot Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niol bekrachtigd dan na door de Staten-Goneraal te zijn goedgekeurd .
Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich do bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden.
Art. 60.
Do Koning hooft het oppergezag over zee- en landmagt.
Do militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gestold, volgens do rogels door de wet te bepalen.
Do pensioenen worden door do wot geregeld.
Art. 61.
De Koning heeft het opperbestuur dor koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werolddeelen.
De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door do wet vastgesteld.
Het muntstelsel wordt door do wet geregeld.
Andore onderwerpen deze koloniën en bezittingen botroffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt to bestaan.
Art. 62.
De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Genoraal een omstandig verslag geven van het beheer dior koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.
15
De wet regelt de wijze van beheer en verantwoordina; der koloniale geldmiddelen.
Art. 03.
De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit\'s Rijks kas worden betaald.
De wet regelt de bezoldiging van don Raad van State, van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt.
De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven.
De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.
Art. 04.
De Koning beeft het regt van de munt. Hij vermag Zijne beeldtenis op de mumspeoien te doen stellen.
Art. 05.
De Koning verleent adeldom.
Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen.
Art. 00.
Ridder-orden worden dooreene wet, op hot voorstel desKonings ingesteld.
Art. 07.
Vreemde orden, waaraan geen vorpligtingon verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met Zijne toestemming, door do Prinsen van Zijn Huis.
In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen, die in Nederlandsche staatsdienst zijn, vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning.
Art. 08.
De Koning heeft het regt van gratie van straffen door regterlijk vonnis opgelegd.
Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen.
Amnestie of abolitio worden niet dan bij eene wet toegestaan.
Art. 09.
Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtiging van de wet.
De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt.
Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.
16
Art. 70.
De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153 of tot die, waarvan do beslissing krachtens art. 154 opgedragen aan den gewonen regter of aan een collegie, met administratieve regtspraak belast, worden door den Koning beslist.
Art. 71.
De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet hun zoodanige andere voorstellen als Hij noodig acht.
Hij heeft het regt de door do Staten-Gonernal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren.
Art. 72.
De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende, te zijn, worden door de wet geregeld.
liet formulier van afkondiging der wetten is het volgende :
„Wij enz. Koning der Nederlanden, enz.
.,Allan, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen to weten:
„Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz.
(De beweegredenen der wet.)
„Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen „overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk „Wij goedvinden en verstaan bij dezequot; enz.
(De inhoud der wet.)
„Gegevenquot;, enz.
Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door ilen Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.
Art. 73.
De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.
Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kaniers binnen twee maanden.
De Raad van State, het Koninklijk gezag waarnemende, oefent bot regt van ontbinding niet uit.
ZEVENDE AFDEELINQ.
Van den Raad van State en da ministeriele departementen.
Art. 74.
Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.
17
De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.
De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad.
Art. 75,
De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van Slate dsswege gehooid is.
De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt.
De Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.
Art. 70.
De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.
Art. 77.
De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.
De hoofden dor ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.
Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.
Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen mede onderteekend,
DERDE HOOFDSTUK.
Van de Staten-Generaal.
EERSTE APDEELINQ,
Van de zamenstelling der Staten-Generaal.
Art, 78,
De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk, OUDE WET, NIEUWE WET,
Art, 79, Art, 79,
Do Staten-Generaal zijn verdeeld Do Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer, in eene Eerste en eene Tweede
Kamer,
Do Eerste Kamer bestaat uit vijftig, de Tweede Kamer uit honderd leden.
18
Art. 80,
Art. 80.
|
De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatsehappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van oflicier bij de zee-en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden. Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien datregt bij regterlijke uitspraak is ontzegd ; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling dei-kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Riiks-directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. Art. 81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten. De verdeeling van het Kijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. |
De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de kiezers die de wet aanwijst. Art. 81. Alles wat de uitoefening van het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. Indien de wet bepaalt, dat de leden der Tweede Kamer in kiesdistricten worden gekozen, regelt zij tevens de daarvoor noodzakelijke verdeeling van het Rijk. |
19
|
Art. 82. De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende ver houding: Noordbrabant .... 6 Gelderland............6 Zuidholland.....10 Noordholland .... 9 Zeeland..............2 Utrecht..............2 Friesland .... . 4 Overijssel............8 Groningen............8 Drenthe..............2 Limburg..............3 50 In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. Art. Wanneer de Staten-Generaal in pen, wordt aan de gewone leden vai wone leden toegevoegd, op dezelfde Het besluit der bijeenroeping wijs TWEEDE A Van de Tweede Kam OUDE WET, Art. 84. Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt, dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe. |
Art. 82. De loden der ICerste Kamer worden gekozen door de Provinciale Staten in de volgende verhouding: Noordbrabant.... 6 Gelderland..........6 Zuidholland.....10 Noordholland .... 9 Zeeland..............2 Utrecht..............2 Friesland............4 Overijssel............3 Groningen............3 Drenthe..............2 Limburg..............3 50 In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. 83. dubbelen getale worden bijeengeroe-i elke Kamer een gelijk getal buitenge-wijze als de gewone te verkiezen. L tevens den dag der verkiezing aan. PDEEUNG. er der Staten-Generaal. NIEUWE WET. Art. 84. Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men Nederlander zij, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe. |
20
Art. 85.
Art. 85.
|
De leden der Tweade Kamer worden gekozen voor vier jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. Art. 86. De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen . |
De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vijf jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. Art. 86. Zie achter artikel 07 nieuwe ivet. |
Art. 87.
Bij hot aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.
„Zoo waarlijk helpe mij God almagtiglquot; („Dat beloof iklquot;).
Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
„Ik zweer (verklaar), da.t ik, om tot lid der Staten-Generaal te wor-„den benoemd, directelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat „naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb.
„Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking to „doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal, directelijk of indirectelijk.
„/,oo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat verklaar en beloof ik!quot;) Deze oeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in do vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door don Koning gemagtigd.
|
ÜUDE WET. Art. 88. De Voorzitter wordt door don Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit oono door de Kamer aangeboden opgave van drie leden. Art. 89. Do loden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting zoodanige som, als naar do afstanden door de wet zal worden geregeld. Als verdoro schadeloosstelling wordt hun toegelegd oono som van f2ÜÜ0 \'s jaars. Deze sohadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die hot ambt van Minister bekloeden, noch ook, |
NIEUWE WET. Art. 88. Dit artikel vervalt. Art. 89. De loden genieten reis- en verblijfkosten volgens do wet. Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eeno som van f^OUO \'s jaars. Deze schadeloosstolling wordt niet genoten door do loden, die het ambt van Minister bekloeden, noch ook. |
21
|
voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven. |
voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven. |
DERDE APDEEUNG.
Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.
|
OUDE WKT, Art. 90. Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereisohten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien of behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen of eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algeineene vereisohten bezit om lid der St:iten-Generaal te zijn, op iedere vijftienhonderd zielen . Art. 91. De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Art. 86 is op hen van toepassing. Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, lietzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering dei-Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. |
NIEUWE WET. Art. 90. Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereisohten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld. Art. 91. De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. De wet kan de aftreding volgens den hierbedoelden rooster provincie-ge-wijs regelen. De leden leggen bij het aanvaarden hunner betrekking geliike eeden (.beloften en verklaring) ai, als voorde leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemachtigd. Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet. |
22
|
Art. 92. De Voorzitter wordt door den Koning uit de leden benoemd, voor liet tijdperk eener zitting. VIERDE AFDEEMNG. Beschikkingen aan heide Kamers gemeen. |
Art. 92. Dit arllkel vervalt. VIERDE AFDEELING Van beide Kamers en van de Vereenig de Vergadering. |
Art. 93,
Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.
Die te gelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart, welke dier benoemingen hij aanneemt.
Art. 94.
De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.
Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk,de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat.
Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn.
NIEUWE WET. Art. 95.
OUDE WET. Art. 95.
Beide Kamers hebben, zoowel ie- Elke Kamer heeft het recht van
der afzonderlijk als in vereenigde onderzoek (enquête), te regelen door
vergadering, het regt van onderzoek de wet.
(enquóte), te regelen door de wet.
|
Art. 96. Een lid van do Staten-Generaal kan niet te gelijker tijd zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Alge-meene Rekenkamer, nooh Gommis saris des Koningsin eene provincie. De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit \'s Lands kas bezoldigde ambten. |
Art. 96. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tegelijkertijd zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie. De wet kan bepalen, dat eenig ander ambt, bezoldigd uit de kas van het Kijk of van de koloniën en bezittingen in andere werelddee-len, onvereenigbaar is met het lidmaatschap van eene der beide of van beide Kamers der Stalen-Generaal. |
23
|
Krijgslieden in werkelijke dienst het lidmaatschap van eene der heide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regts-wege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug. Zij, die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar. Art. 97. De leden dor Staten-Generaal zijn niet geregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. Art. 98. Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven barer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen. |
De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers niet ambten, bezoldigd uit de kas van bet Rijk of van de koloniën en bezittingen in andere v -e-relddeelen, niet in het eerste of krachtens het tweede lid uitgesloten. Krijgslieden in werkelijken dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamersnan vaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot den werkelijken dienst terug. Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, het ambt van minister uitgezonderd, aannemen, verliezen, tenzij de wet anders bepaalt, van rechtswege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar. Art. 97 De leden der Staten-Generaal, de ministers en de krachtens het tweede lid van art. 110 aangewezen commissarissen zijn niet gerechtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering der Staten-Generaal hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd. Nieuw artikel (art. 86 oud). De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen . Art. 98. Elke Kamer beslist over de toelating barer nieuw inkomende leden, na onderzoek hunner geloofsbrieven. Kent de wet beroep tegen de verkiezing toe bij de rechterlijke macht of bij een college met administratieve rechtspraak belast, dan beslist de Kamer niet dan na het verstrijken van den termijn van beroep of nadat daarop onherroepelijk is beslist; in het laatste geval met inachtneming van deze beslissing. |
\'24
|
Art. 99. Elke Kamer benoemt haren griffier. Deze mag niet tegelijk lid van een der Kamers zijn. Art. 100. De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'sjaars te zamen. Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdag in September. De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt. Art. 101. De afzonderlijke vergaderingen dei-beide Kamers, en evenzoo de ver-eenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden. De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig keurt. De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd . Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. |
Art. 99. Elke Kamer benoemt voor het tijdvak eener zitting haren Voorzitter en hare ondervoorzitters uit huar midden. Zoolang die benoeming niet heeft plaats gehad, bekleedt het oudste lid in jaren dat aanwezig is, het voorzitterschap en belegt de vergaderingen. Elke Kamer benoemt haren griffier en hare commiezen-griffier. Mede worden door haar of van harentwege de verdere ambtenaren en beambten, bij de Kamer werkzaam, benoemd. De aldus benoemden mogen niet tegelijkertijd lid van eene der Kamers zijn. Elke Kamer stelt haar Reglement van Orde vast. Art. 100. Do Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'sjaars te zamen. Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dinsdag in September, of op een dag binnen twee maanden na eene ontbinding van de Kamers der Staten-Generaal, of van eene van beide, indien deze ontbinding binnen twee maanden voor den derdon Dinsdag in September heeft plaats gehad. De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt. Art. 101. De vergaderingen der beide Kamers worden in het openbaar gehouden . De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig keuit. Do vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd . Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen en geheimhouding worden opgelegd. |
Art. 102.
Is bij overlijden des Konings of bij afstand van do Kroon do sitting gesloten, dan vergaderen do Staten- Generaal zonder voorafgaande oproeping.
Deze buitengewone zitting wordt op don vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen.
Art. 103.
De zitting dor Staten-Generaal wordt in vereenigdo vergadering der beide Kamers door den Koning of door eene commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang vim den Staat niet vordert haar te doen voortduren.
Do gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van hot rogt in art. 73 omschreven.
Art. 104
Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning-tevens de zitting der Staton-Goneraal.
|
OUDE WET. Art. 105. De Kamers mogen noch afzonderlijk noch in voreenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zuo niet meer dan do helft der leden tegenwoordig is. |
NIEUWE WET. Art. 105. Do Kamers mogen niet beraadslagen of besluiten, indien blijkt dat niet moer dan de helft van het bij art. 79 bepaalde getal leden tegenwoordig is. |
Art. 100.
Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stem-monde leden opgemaakt.
Mij staken van stemmen wordt het nomen van een besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.
Jn deze, en evenzoo in oene voltallige vergadering, wordt bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.
De stemming moot geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één der loden dit verlangt, on alsdan mondeling.
Art. 107.
De stemming over personen voor de benoemingen of voordragton in do Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten en ongoteekendo briefjes.
De volstrekte meerderheid dor stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot.
OUDE WET. Art. 108.
NIEUWE WET. Art. 108.
Bij oene voreenigde vergadering Behoudens het bepaalde in art. worden de beide Kamers als slechts 1 39 en in art. 48, wordt de vereenigdo
26
|
ééne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats. De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering. |
vergadering der Staten-Generaal, in de gevallen waarin de Grondwet haar vordert, bijeengeroepen dooiden Koning. Op de vereenigde vergadering zijn van toepassing de artt. 04, 95, 99, derde lid, 101, 105, 100 en 107. In eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers als siechts éóne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats. De leiding der vergadering is bij tien Voorzitter der Eerste Kamer. De vereenigde vergadering bepaalt in haar Reglement van Orde wie, voor andere gevallen dan in art. 40, tweede lid bedoeld, bij afwezigheid van den Voorzitter diens plaats zal bekleeden, alsmede wie het griffierschap zal vervuilen. |
VIJFDE AFDEELING.
Van de Wetgevende Magt.
Art. 109.
De Wetgevende Magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.
Art. 110.
De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene Commissie.
Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen commissarissen opdragen de ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan.
Art. 111.
Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf.
De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.
|
OUDE WET. Art. 112. De Tweede Kamer, alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal beeft het regt wijzigingen in een voorstel dos Konings te maken. |
NIEUWE WET. Art. 112. De Tweede Kamer heeft het recht wijziging in een voorstel des Konings te brengen. |
27
Art.. 113.
Wiinneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:
„De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer „het hiernevensgaande voorstel des Konings en is van oordeel, dat het, „zooals het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden aangenomen.quot;
Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen vim het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgend formulier:
„De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren „dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den „Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere over-„weging te nemen.quot;
Art. 114.
De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen.
Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:
„Aan den Koning,
„De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor Zijnen „ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat en vereenigen „zich met het voorstel zooals het daar ligt.quot;
„Aan de Tweede Kamer.
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer „kennis, dat zij zich heeft vereenigd met het voorstel betrekkelijk.... „op den....... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden.quot;
Wanneer de Eerste Kamer tot nietaanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:
„Aan den Koning.
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren „dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den „Staat, en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere over-„weging te nemen.quot;
Aan de Tweede Kamer.
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer .kennis, dat zij den Koning eerbiedig heeft verzocht het voorstel betrek-
„kelijk..... op den......aan haar door de Tweede Kamer toegezonden,
„in nadere overweging te nemen.quot;
28
Art. U5.
Zoolang de Eerste Kanier nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.
Art. 116.
Du Staten-Generaiil hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen.
Art. 117.
Do voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'sKonings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:
„Do Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer ,,het hiernevensgaande voorstel, en is van oordeel, dat do Staten-Gene-„raal daarop \'s Koninga bewilliging behooren te verzoeken.quot;
Zij is bevoegd aan een of meer Van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.
Art. 118.
Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, hot voorstel goedkeurt, zendt zij hot aan den Koning met hot volgende formulier:
„Do Staten-Generaal, oordeelende dat het nevensgaande voorstel /,ou „kunnen strekken tot bevordering van de belangen van den Staat, „verzoeken eerbiedig daarop \'s Konings bewilliging.quot;
Voorts gooft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer mot het volgende formulier:
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal gooft kennis aan de Tweede „Kamer, dat zij zich hoeft vereenigd met het van haar op den.... ont-, vangen voorstel betrekkelijk..., on daarop namens do Staten-Generaal „\'s Konings bewilliging heeft verzocht.quot;
Wanneer de Eerste Kamer hot voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan do Tweede Kamer met hot volgende formulier:
„De Eerste Kamer der Staten-Generaal hooft geeno genoegzame „reden gevonden om op hot hiernevens teruggaande voorstel \'s Ko-„nings bewilliging te verzoeken.quot;
Art. 119.
Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.
NIEUWE WET.
Nieuw artikel.
Do Koning zendt de voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, door Hem aan de vereenigde vergadering dor Staton-Goneraal te doen, bij eene
29
schriftelijke boodschap ofdooreene commissie aan haar toe.
Op deze voorstellen zijn van toepassing de artt. 110, tweede lid, 111 en 112.
Van de aanneming en de niet-aanneming van voorstellen geeft de vereenigde vergadering kennis aan den Koning, met gebruikmaking van de, voor zooveel noodig gewijzigde, formulieren, in art. 114 voor deze kennisgeving vastgesteld.
Art. 120.
De Koning doet de Staten-Genernal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of Hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende fornuilieren:
„De Koning bewilligt in het voorstel.quot;
of:
„De Koning houdt het voorstel „in overweging.quot;
Art. 121.
Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen en dooiden Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en wordendoorden Koning afgekondigd.
De wetten zijn onschendbaar.
Art, 122.
De wetten zijn alleen voor het Rijk verbindende, voor zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen verbindend zijn.
|
OUDE WET. ZESDI1 AFDEELING . Van dc Begrooting. |
NIEUWE WET. ZESDE AFDEELING . Van de Rijkahegrooling, het verder beheer en de verantwoording der Rijksgeldviiddelen. |
Art. 123.
Door de wet worden de begrootingen van allo uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen.
|
OUDE WET. Art. 124. De ontwerpen der algemeene be-grootingswetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de |
NIEUWE WET. Art. 124. De ontwerpen der algemeene be-grootingswetten worden jaarlijks door den Koning bij de Tweede Kamer ingediend bij het openen der gewone zitting van de Staten-Gene- |
30
|
Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoorde begrootingen moeten dienen. |
raai, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begroetingen moeten dienen. |
Art. 125.
Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.
Ieder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat. Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.
|
Art. 126. De verantwoording van de Rijksuitgave i en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende Magt gedaan naar de voorschriften van de wet. |
Art. 120. Het verder beheer en de verantwoording der Rijksgeldmiddelen worden door de wet geregeld, met dien verstande dat de jaarlijksche rekeningen der uitgaven en ontvangsten, ook al worden zij niet bij de wet vastgesteld, onverwijld door den Koning aan de Staten-Generaal worden toegezonden. |
VIERDE HOOFDSTUK.
Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen.
KURSTU AFDEELIXG.
Van de zamenstelling der Provinciale Staten.
|
OUDE WET. Art. 127. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing. De helft dier leden treedt om de drie jaren af. Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlanderen ingezeten |
NIEUWE WET. Art. 127. De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren rechtstreeks gekozen door de kiezers die de wet aanwijst. De helft dier leden treedt om de drie jaren af. Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander en ingezetene der |
31
|
der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het helleer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. Art, 128, Niemand kan tegelijk zijn lid dei-Eerste Kamer van de Staten-Gene-raai en lid der Staten eenerprovincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. |
provincie zij, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen bebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. Art. 128. Ontbinding van de Eerste Kamer beeft van rechtswege ontbinding van de Provinciale Staten tengevolge. Het besluit, waardoor de ontbinding van de eerste Kamer wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het kiezen van nieuwe Provinciale Staten en tot het samenkomen der nieuw gekozen Staten, een en ander binnen vijf en dertig dagen.quot; |
Art. 129,
De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:
„Ik zweer (beloof) trouw aan de „Grondwet en aan de wetten des „Rijks.quot;
„Zoo waarlijk helpe mij God „almagtig!quot; („Dat beloof iklquot;)
Zij worden tot dien eed ;belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art, 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.
Art. 130,
De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen ,
De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art, 101,
Art, 131,
De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen.
Art, 132,
Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven.
32
|
TWEEDE A Van de magt der Art. Het gezag en de magt van de met inachtneming van de voors* dezer afdeeling vervat. Art. 134. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten. Z:j maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen. Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet worden geweigerd dan bij een niet redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. Art. 135. Wanneer de wetlen of de alge-meene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. |
FDEELING. Provinciale Stalen. 133. Staten worden door de wet geregeld iriften in de volgende artikelen Art. 134. Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding dor provincie overgelaten. Zij maken de verorderingen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen. Art. 135. Wanneer de wetten of de alge-meene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. De wet bepaalt, welk gezag de Staten vervangt, wanneer deze in gebreke blijven de gevorderde medewerking te verleenen. |
Art. 136.
Elk besluit der Staten tot hot invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen. Deze belastingen mogen don doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andore provinciën niet belemmeren.
Art. 137.
De bogrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks dooide Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings.
De wet regelt het vaststellen van do provinciale rekening.
Art. 138.
Do Staten kunnen do belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij do Staten-Generaal voorstaan.
NIEUWE WET.
OUDE WET.
|
Art. 139. De Staten benoemen uit hun midden een collego van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet testellen, de dagolijksche leiding t,n uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet. |
Art. 139. De Staten benoemen een college van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens regels door de wet te stellen, de dagolijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij do Staten zijn vergaderd of niet. |
Art. 140.
De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij do wet geregeld.
Art. 141.
Do Koning stelt in elke provincie oen Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en met hot toezigt op de verrigtingen der Staten belast.
Deze Commissaris is Voorzitter van do vergadering dor Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd col-legie stem.
Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen.
DERDE AFDEELINQ.
Van de gemeentebesturen.
Art. 142.
Do ziiinonstolling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld mot inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.
|
Art. 143. Aan het hoofd dor gemeente staat een raad, welks loden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wot to bepalen kon-teekenen van geschiktheid en mant-schappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt. Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing. Om lid van don raad te kunnen zijn |
Art. 143. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks loden rechtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door do kiezers die de wet aanwijst. Om lid van don raad te kunnen 3 |
34
|
wordt vereisoht dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie on twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet fe regelen. De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van don raad, benoemd en door Hem ontslagen . Art. 144. Aan den raad wordt de regeling en hot bestuur van do huishouding der gemeente overgelaten. Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. Wanneer de wetten, nlgemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan, Wanneer de regeling en het bo-stuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eeno wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de heide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien. Do wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in do uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. |
zijn wordt vereischt dat men Nederlander en ingezetene der gemeente zij, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe. De verkiezing van een raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen. De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van den raad, benoemd en door Hem ontslagen. Art. 144. Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provin-ciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan. Do wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft de gevorderde medewerking te verleenen. Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop daarin, niet afwijking van het eerste en het tweede lid van dit artikel, wordt voorzien. Behoudens do uitzonderingen door de wet bepaald, zijn de vergaderingen van den raad openbaar. Art. 131 is op de leden van den raad van toepassing. Nieuw artikel (art. 147 oudi. Elk besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene plaatselijke be- |
35
|
Art. 145. De niagt dos Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of\' het algemeen belnnj? strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. Die magt is onbeperkt ten aanzien van do plaatselijke verordeningen en reglementen. Art. De besluiten der gemeentebestu over gemeente-eigendom of\' zoodai lingen als de wet aanwijst, alsmede uitgaven, worden aan de goedkeur worpen. Het opmaken der hegrootingen en door de wet geregeld. Art. 147. Het besluit van oen gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of\' afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder Wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. Art. 148. De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij lasting behoeft de goedkeuring des Konings. |
De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. Art. 145. r/Ae achter artikel 148 nieuwe wet. 146. ■en, rakende zoodanige bos\'hikking lige andere burgerlijke regtshande-de begrootingen van inkomsten en ng der Gedeputeerde Staten onder het vaststellen der rekeningen wordt Art. 147. Zie nieuw artikel onder art. 144 nieuwe wet. Art. 148. De gemeentebesturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij |
36
|
den Koning, bij de Staten-Ger.emal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren. |
den Koning, hij de Staten-Generaal en bij do Staten der provincie waartoe zij behooren. Nieuw artikel, (art. 145 oud). De magt des Konings om do besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of hot algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. |
VIJFDE HOOFDSTUK.
Van de Justitie.
EERSTE AFDEKT.ING.
A Igemeene bepalingen.
Art. 149.
Er wordt alom in het Rijk regt gesproken in naam des Konings.
Art. löO.
Het burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen.
Art. 151.
Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat hot algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eeno algemeene wet.
Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt.
Het voreischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij. geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eeno onverwijlde inbezitneming vordert.
Art. 152.
Waar in het algemeen belang eigendom door hot openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit togen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt.
Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundation, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij do wet geregeld.
Art. 153.
Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering ou andere burgerlijke regten behooren bij uilsluiting tot de kennisneming van do regterlijke Magt.
37
Art. 154.
De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art, 153, hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij .quot;egelt de wijze van behandeling cn de gevolgen der beslissingen.
Art. 155.
De regterlijke Magt wordt alleen nitgeoefond door regters, welke de wet aanwijst.
Art. 156.
Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.
De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tusschen de administrative en regterlijke Magt ontstaan, worden beslist.
Art. 157.
Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig nio-gelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.
De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord.
Art. 158.
Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.
De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is.
Art. 159.
Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven.
Art. 100.
Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende.
Art. 161.
Alle vonnissen moeten de gronden waarop zij rusten inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.
De uitspraak geschiedt met open deuren.
Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar.
De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.
38
TWEUDE AFDKELISO .
Van de Regterlijke Macjt.
Art. 162.
Er bestaat een opperste geregtshof\' onder den naam van Hoogen Haad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd.
Art. 1()3.
Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven dio, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.
De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Raad.
Art. 1(34.
De leden der Staten-Generaal, do hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere wereiddeelen, de leden van den Haad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven, in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Koningswege, hetzij vanwege de Tweede Kamer.
De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Eaad te regt staan.
Art. 165.
Ue Hooge Kaad heeft het toezigt op den geregeldcn loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op hot nakomen der wetten dooide leden der regterlijke Magt.
Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens do bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens do door de wet te stellen uitzonderingen.
De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet.
Art. 106.
De leden van de regterlijke Magt worden door den Koning aangesteld.
De loden van de regterlijke Magt, mot regtspraak belast, en do procu-rour-goneraal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.
Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.
Op eigon verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.
Indien een collogio belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste ressort voor het Kijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op do loden daarvan toepasselijk.
89
Zij kunnen worden afgezet of ontgingen op de wijze en in de gevallen bij de wet aangewezen.
Dit artikel is niet toepasselijk op lien die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, behoorende tot de zee- of landmagt ■gt;{ tot eenige andere gewapende inagt, of met de beslissing van disciplinaire zaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
Van do Godsdienst.
Art. 167.
Ieder belijdt zijne godsdienstige ineeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en hare leden tegen de overtreding der strafwet.
Art. 108.
Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
Art. 109.
De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
Art. 170.
Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodigo maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.
Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.
Art. 171.
De traktementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzel-ver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.
Art. 172.
De Koning waakt, dat allo kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.
Art. 178.
De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met do hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.
40
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Van de Financien.
Art. 174.
Geene belastingen kunnen ten behoeve van \'s Rijks kas worden geheven, dan uit kraohte van eene wet.
Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden
Art. 175.
Geene privilegien kunnen in het stuk van belastingen worden verleend.
Art. 176.
Do verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen, ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat.
Art. 177.
Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspecien worden door de wet geregeld.
Art. 178.
Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden dooide wet geregeld.
Art. 17Ü.
Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld.
Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.
Do leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld.
Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing.
ACHTSTE HOOFDSTUK
]Tan de Defame.
Art. 180.
Allo Nederlanders daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.
Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd.
41
Art. 181.
Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen.
De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt behooren, ten aanzien van \'s Lands verdediging opgelegd kunnen worden.
Art. 182.
Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen .
Art. 183.
De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Kuropa. Aan de dienst, door hen in de koloniën cn bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden door de wet voordeelen verbonden.
Art. 184.
De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen worden gezonden.
Art. 185.
Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen.
Art. 186
Al de kosten voor de legers van het Kijk worden uit \'s Rijks kas voldaan.
De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en de leverantien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Kijk gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.
De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.
Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in \'s Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning.
Art. 187.
Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Kijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen vnnrin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.
4-2
Bij die regeling kim worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of\' ten deele op het militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.
Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. 7, 9, 158 en 159 der Grondwet.
Voor het geval van oorlog kan ook van art. 156, 1ste lid worden afgeweken.
NEGENDE HOOFDSTUK,
Van den IValerstaal.
Art. 188.
De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, niet inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat.
Art. 189.
De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Rijks kas of op eenc andere wijze gevonden.
Art. 190.
De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders. Xogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.
De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen en veen-polders veranderingen te maken, waterschappen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen.
Art. 191.
Do besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken.
TIENDE HOOFDSTUK,
Van het Onderwijs en het Armbestuur.
Art. 192.
Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Hegering.
De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging-van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.
Kr wordt overal in het Kijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover hot middelbaar en lager onderwijs betreft,
43
behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.
De Koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.
Art. 193.
Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Kego-ring en wordt door de wet geregeld. De Koning doei van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.
ELFDE HOOFDSTUK
Van veranderingen.
Art. 194.
Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart, dat er grond bestaat, om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen.
Art. 195.
Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.
Art. 196.
Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging geene verandering worden gebragt.
Art. 197.
De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij do Grondwet gevoegd.
44
ADDITIONNELE ARTIKELEN.
Art. I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.
Art. II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in do Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtereenvolgens door andere worden vervangen.
Art. III De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.
De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.
Art. IV. Art. 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van anrdhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de ver-pligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoo wel als uit anderen hoofde, in 1886 rustte.
Art. V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.
OUDE WET. NIEUWE WET.
|
Art. VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers derStaten-Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zoonis die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe |
De Additionnele Artikelen VI tol en met XII der Grondwet, ivorden, voor zoover zij niet reed» als vervallen zijn te beschouwen, ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen; Art. VI. Met afwijking van bovenstaand art. II, worden in de Kieswet, totdat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen gebracht; Art. 99 wordt gelezen als volgt; „Leden der Eerste Kamer kunnen alleen zijn Nederlanders, die niet bij |
45
|
Kaniers. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden deze overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen, üe Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nieuwe Kamers, zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld. |
rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld.quot; De artt. 100 tot en met 114 worden ingetrokken. Art. 122 wordt gelezen als volgt: „De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel uit de geboorteregisters, bij gemis daarvan, eene akte van bekendheid, waaruit tijd en plaats zijner geboorte blijken, en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen, die hij bekleedt.quot; Art. 125, eerste lid, wordt gelezen als volgt: „Wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 99 vermelde vereischten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing vervulde, het ambt van Minister uitgezonderd, houdt hij op lid te zijn.\'\' In art. 120 wordt geschrapt het woord „mannelijkequot;. Art. 144, eerste lid, wordt gelezen als volgt: „Wanneer ccmi lid der Tweede Ka-mor ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 126 vermelde vereischten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens (.lie verkiezing vervulde, het ambt van Minister uitgezonderd, houdt hij op lid te zijn.quot; |
4ö
|
Art. VII. Dit artikel, houdende wijziging der wet van. 4 Juli 1800, is met die wet vervallen door de ivet van 7 September 1896, tot regeling van het kiesrecht. Art. VIII. Na de afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene ber-zienins; plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overeenkomstig de wet van 4 Julij 1850 (Stuatshtdd nquot;. 37), gelijk zij hij art. VII is gewijzigd. Voor do herziening der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub c, en van art. 7 dier wet gesteld op den 21sten dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 4i)st™ en gesloten uiterlijk tip den 77:,\'equot; dag na die afkondiging. Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 78 dier wet gesteld op den 49st™ dag na do bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op don 77sten en gesloten uiterlijk op den lOó\'ie11 dag na die afkondiging. De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen beeft plaats in 188\',). |
In art. 146, tweede lid, wordt, in plaats van „drie jarenquot;, gelezen „vier jarenquot;. Art. VII. De wet van 12 Augustus 1890 (Staatsblad n0.148) tot aanwijzing van de hooge en gewichtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 90 van de Grondwet, wordt ingetrokken . Art. VIII. Met afwijking van bovenstaand art. II, worden in do Provinciale wet, totdat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen gebracht; Aan art. 7 wordt een lid toegevoegd van den volgenden inhoud: „Hot bepaalde in dit en in hot vorig artikel is niet toepasselijk in geval van ontbinding der Provinciale Staten ingevolge art. 128 der Grondwet. Alsdan geschiedt de verkiezing binnen twee en dertig dagen na de dagtoekening van het besluit tot ontbinding van do Eerste Kamer.quot; In art. 17 wordt geschrapt het woord „mannolijkequot;. Aan art. 24 wordt een lid toegevoegd van den volgenden inbond: „Bij ontbinding dor Provinciale Staten ingevolge art. 128 der Grondwet, begint de rooster van aftreding telkens opnieuw te werken, over twee jaren te beginnen met den eerstvolgenden eersten Dinsdag der maand Juli.quot; Aan art. 52 wordt eene zinsnede toegevoegd van den volgenden inhoud : „niet dien verstande, dat bij ontbinding der Provinciale Staten ingevolge art. 128 der Grondwet, de Gedeputeerde Staten eerst aftreden |
47
veertien diigen na den dag waarop de nieuw gekozen Provinciale Staten samenkomen.quot;
Aan het artikel wordt voorts een lid toegevoegd van den volgenden inhoud:
„De verkiezing der nieuwe leden geschiedt alsdan, met afwijking van het bepaalde in art. 47, uiterlijk op den dag waarop de oude aftredenquot;.
Tusschen hot tweedo en het derde lid van art. 59 wordt ingelascht eon lid van den volgenden inhoud:
„Bij ontbinding der Provinciale Staten ingevolge art. 128 dor Grondwet, treedt do helft af twee jaren na den eorstvolgonden eersten Dinsdag der maand Juli, do andere helft drie jaren later.quot;
|
Art. IX. De verkiezingen voorde nieuwe Kamers der Staten-Goneraal hebben plaats binnen 4 maanden na die afkondiging. Art. X. Hot tweede lid van art. ö van de wet van 29 Junij 1851 (Staatsblad n0. 85) vervalt. Art. XI. Aan de verkiezingen van leden van Provinciale Staten on ge-meenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art, VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet. |
Art. IX. In art. 19 der Gemeentewet wordt geschrapt het woord „mannelijkequot;. Art. X. De Koning is bevoegd den tekst dor herziene Grondwet bekend te doen maken onder inachtneming van de in van Regee-ringswege uitgaande stukken go-volgde spelling, in oene doorloopend genummerde reeks van artikelen, met wijziging dienovereenkomstig van de aanhalingen daarin van artikelen of gedeelten van artikelen en met doorloopende nummering van de leden van ieder artikel. |
Art. XII. De Koning is bevoogd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen, do veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn.
Memorie van Toelichting.
A L G E ME E N J5 BESCHOUW I N G E N.
§ 1. De redenen welke de Regeering bewegen, Grondwetsherziening voor te stellen, zijn bekend. Niet langer mag de Grondwet het beletsel zijn vcjor de oplossing van het kiesreclUvraagstiik. Het zijn twee hoofdgronden, welke, in onderling verband, naar het oordeel der Regeering, het voorstel tot op-ruiming van do belemmeringen welke de artt. 80, 127 en 143 behelzen, volkomen rechtvaardigen.
Die gronden komen hierop neder:
lo. dat de bestaande grondwettelijke formule, beoogende de taak van den kieswetgever te omschrijven, aan zoodanige gebreken lijdt, dat zij daartoe onbruikbaar moet worden geacht:
2(). dat die grondwettelijke formule eene rationeele regeling van het kiesrecht, overeenkomstig de overtuiging van de meerderheid der Volksvertegenwoordiging, in den weg staat.
A(/ lni/i. De Grondwet wil, dat de kieswet de „kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstandquot; zal bepalen, welker bezit voorwaarde voor kiesbevoegdheid zal zijn.
Deze formule, door den Minister HeemskKkk te berde gebracht, heeft — het is niet te ontkennen — een gelegenheidssucces gehad. Moeilijkheden, waarvan een ieder tijdens de laatste Grondwetsherziening zich bewust was, werden aanvankelijk door die formule ter zijde gesteld. Zij fungeerde als comprvmin, waarmede, ter beslechting van den gevoerden strijd, vooralsnog vrede konden hebben zoowel degenen, die van zeer ruime uitbreiding af-keerig waren, als zij, die volledige vrijheid momentaneel onbereikbaar moesten achten. Eene destijds in politieleen zin gelukkige vondst schoof eventueele bezwaren op de lange baan; voorkwam aldus, dat de voltooiing van eene algemeen verlangde stnatkundige hervorming schipbreuk leed. Geen wonder, dut toenmaal gretig de gelegenheid werd aangegrepen om een uiterst lastig geschilpunt schijnbaar op te lossen en daarmee het groote werk der Grondwetsherziening te redden.
Nauwelijks evenwel kwam gedachtenwisseling over uitwerking van de nieuw aangenomen formule aan de orde, of du onmogelijkheid van rich-tige toepassing bleek. Terwijl sommigen in die formule het middel zagen om feitelijk het algemeen kiesrecht in te voeren, meenden anderen in de grondwettelijke formule een onoverkomelijken hinderpaal daartegen te ontmoeten. Het schijnt overbodig in den breede te betoogen, dat het caout-chouc-artikel, gelijk het niet ten onrechte is betiteld, de bron is geworden van onoplosbare moeilijkheden. Zoodra het op de praktijk aankwam, is dat artikel — getuige de behandeling van het ontwerp van den Minister Tak van Poortvliet en die van de vigeerende kieswet — vrij algemeen afgekeurd en veroordeeld. Duidelijk is daarbij aan het licht getreden, dat de opdracht, welke do grondwetgever in deze materie aan den gewonen wetgever deed, geen aannemelijk houvast aanbiedt. Wijl de Grondwet omtrent don (/raad van geschiktheid of van welstand zwijgt, beroepen zich ver-dedigors van de meest uiteenloopende inzichten met even veel, of even weinig, recht op de grondwettelijke formule. Dit feit toont aan, dat de zeer
■)lt;)
elastieke formule geon deugdelijken gromlslag voor (I13 rogeling van hel kiesrecht oplevert.
Toen dan ook do hoogleeraar Büys, sprekende van den wetgever, het beeld gebruikte: „Zeker, hij moet kenteekenen aannemen en grenzen stellen, maar hij is bevoegd vrede to hebben met een muur. waar een kind overheen staptquot;, {ilv Grondwet. 1888, III, bladz. 147) stelde hij de staatsrechtelijke schijngestalte van het grondwettelijk voorschrift duidelijk in het licht. Voorzeker is het niot euvel te duiden, dat door niet weinigen aan den vondst van wijlen den Minister H10kmakurk een remmende strekking werd loegokend. Een wezenlijk richtsnoer, een betrouwbaar kompas zoekt men er echter te vergeefs in. Hare onbewuste onoprechtheid heeft daadwerkelijke levensvatbaarheid aan haar onthouden. Waarheid in de politiek vordert gebiedend, dat niet langer de regeling van het kiesrecht afhankelijk zij van eene orakelspreuk, die voor een oogenblik de gemoederen tot rust bracht, doch die, op de koper beschouwd, don wetgever in het duister laat.
Ad 2uiti. Is de bestaande grondwettelijke formule niet houdbaar, van eene poging, 0111 haar, met behoud van hare beperkende strekking, door een behoorlijk gepreciseerde te vervangen ~ aangenomen dat do poging niet ijdel zou blijken — moet, naar het oordeel der Kegeering, op gronden van staatsbelang worden afgezien.
Dat belang brengt mede, thans den laatsten stap te zetten op den weg van geleidelijke ontwikkeling van onze constitutioneele bepalingen betreffende het voornaamste staatsburgerlijk recht en het eindpunt te bereiken in do evolutie welke de regeling van het kiesrecht in onze hoogste staatswet onderging.
I5ij vergelijking van het samenstel der voorschriften, die naar de Grondwet van 1818 golden, met de in 1887 aangebrachte veranderingen, treedt terstond in het licht het feit, dat naar losmaking van de grondwettelijke banden op het stuk van het kiesrecht is gestreefd. Slechts oen zeer rekbare band is overgebleven. Volledige vrijmaking ligt alzoo in de lijn van den historischen ontwikkelingsgang.
Blijkens liet Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over hot derde der voorstellen van de Regeering tot Grondwetsherziening werd reeds in 1818 door somtnige leden het denkbeeld geopperd, dat het wenschelijk ware, bij de Grondwet züo min mogelijk in bijzonderheden omtrent het in te voeren stelsel van verkiezingen te treden en wat slechts eenigszins daarvoor vatbaar schijnt aan de wet over te laten. In de schets van wijlen den Minister Kai\'PEYNi; van 1879 in zake Grondwetsherziening, werd ten opzichte van het kiesrecht voorgesteld, do vereischten daarvoor aan den gewonen wetgever over te laten. Gelijke strekking had een bij brief van 20 Augustus 1884 door het lid der tweede Kamer, mr. S. van Houten, ingediende wets-voordracht betrotlende herziening van de Grondwet. Op 2o Maart 1887 verwierf liet amendement van de hoeren van IIoijtk.v en de Ruiteh Zi.ii.kek, om art. 7(gt; der Grondwet te lezen: „De leden der Tweede Kamer worden gekozen door de kiezers, die de wet aanwijst en op de wijze bij do wet te bepalenquot;, 21 stemmen van leden van verschillende partijen. De hoogleeraar Buys had trouwens roods in zijn standaardwerk De Grond/vet (editie van 1883, Irrte deel, 1ste stuk, blz. 419) de conclusie in het licht gesteld : „Schrijft men in art. 76 (oud): De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door hen, die de vereischten bezitten, welke de wet stolt en op de wijze in die wet voorgeschreven, dan staat dunkt mij, alles uitgedrukt wat de Grondwetgever bepalen moet.quot;
Men mag aannemen, dat aan de pogingen tot vrije regeling van het kiesrecht het besef ten grondslag lag, dat de aard van dat recht niet vordert het trekken van grenslijnen in de eenige onzer wetten, waaraan door bemoeilijking van verandering eene excoptioneelo stabiliteit is toegedacht. Dit besef vindt gereede verklaring. Meer en meer is het bewustzijn doorgedrongen, dat de Grondwet op den duur niot in den weg mag staan, aan vervulling van voorheen onbekende desiderata. In den aanvang strekte invoering, in navolging van andore rijken, van eene constitutie, tot versterking van een oudtijds niet bestaanden en bij de vestiging van het koningschap
4
50
wenschelijk geoordcelden staat van zaken . Die staat van zaken heeft zich in den loop van welhaast honderd jaren geconsolideerd. Op menig punt van aanbelang heeft de Grondwetgever daarna van zijn prerogatieven afstand gedaan en den gewonen wetgever de vrije hand gelaten, geleid door de ondervinding, dat verouderde voorschriften in hinderlijk knellende banden moesten ontaarden. Het karakter van de herziening van 1887 werd voornamelijk door deze overweging bepaald.
Het oogenblik is, naar de overtuiging der Regeering, thans gekomen, om ook de vaag belijnde beperking, die met betrekking tot het kiesrecht alsnog in de Grondwet behouden is gebleven, daaruit te verwijderen.
De tegenwerping, dat het kiesrecht is een hoogst gewichtig staatkundig recht en om die reden in de Grondwet behoort geregeld te zijn, is niet afdoende.
Deze opvatting, ofschoon veel verbreid, berust, bewust of onbewust, op de onderstelling, als zoude de Grondwet voor alle aangelegenheden, die voor den Nederlandschen burger bijzonder gewichtig zijn, normen moeten stellen.
Klaarblijkelijk doet zij dat echter niet en, voorzoover sporen van zoodanige opvatting in de Grondwet waren aan te wijzen, zijn die van lieverlede daaruit verdwenen. ïer zake van oude en nieuwe vraagstukken, waarbij de geestelijke en de stoffelijke belangen van schier ieder Neder-lander op het nauwst zijn betrokken, stelt de Grondwet geen enkel richtsnoer. Bij art. 150 verwijst zij voor het gansche burgerlijk en handelsrecht, alsook het geheele strafrecht, naar den gewonen wetgever. Zuiver stant-kundige vragen van primairen aard, nis: wie Nederlanders zijn; onder welke voorwaarden het recht tot vereeniging en vergadering wordt uitgeoefend, laat de Grondwet eveneens aan den wetgever te beoordeelen. In de regeling van den verplichten krijgsdienst, aanvankelijk in hoofdtrekken vastgelegd, is thans volgens art. 181 de wetgever ten eenenmnle vrij.
Zij die (le tegenwerping maken, verliezen daarenboven uit het oog, vooreerst dat de Grondwet zelve ook ten opzichte van het kiesrecht den band voor den gewonen wetgever reeds losser maakte, en ten tweede: dat zoo men inderdaad meent, dat stelsel en beteekenis der Grondwet tot recht-streeksche bemoeiing met het kiesrecht moeten leiden, men ook genoopt is, scherpbelijnde hoofdbeginselen neer te schrijven, in stede van eene korte formule, vatbaar voor de meest uiteenloopende interpretatie en, volgens het oordeel van velen, naar bedoeling en inkleeding kortweg onuitvoerbaar .
Op hetgeen tot dusver in het midden is gebracht, moet te sterker nadruk worden gelegd, nu tijdens den kortstondigen levensduur van de in de Grondwet vastgelegde formule, in ruimen kring nieuwe inzichten aanmerkelijk in kracht hebben gewonnen. Mag men het streven naar steeds grooter uitbreiding van het kiezerskorps als een „waan van den dagquot; brandmerken? Zijne langdurigheid en wassende kracht pleiten voor het tegendeel. Die stroomingen zijn veeleer het natuurlijk uitvloeisel van eene ongekende evolutie, in de laatste tientallen van jaren doorloopen. Het volksonderwijs, de pers, de middelen van verkeer, het vereenigingsleven en de dooreenmenging der standen hij het leven buitenshuis — in vroeger tijden bleven de denkbeelden, gewoonten en zeden van eiken kring veelal binnen vier muren besloten — hebben in alle lagen der bevolking meer ontwikkeling en beschaving gebracht. Meer algemeene mondigheid is ingetreden, Terzelfdertijd heeft de werkzaamheid van den Staat zich op oudtijds ongedachte schaal uitgebreid. En het streven, om op de richting waarin die werkzaamheid wordt geleid invloed uit te oefenen is, naar de overtuiging der Regeering, alleszins verdedigbaar. Zoolang de bemoeiing van den „état gendarmequot; zich bepaalde tot onderwerpen, welke in de geestelijke en stoffelijke belangen van ons volk in al zijne geledingen minder diep ingrepen, werd het gemis van medezeggingsrecht veel minder dan thans gevoeld.
Onder dien samenloop van omstandigheden, zoo oordeelen velen, mag thans eene splitsing der natie in twee deelen, het eene met recht van
51
niedespreken, liet andere zonder direoten invloed, nog alléén berusten op duidelijk vvaarneemlmro en begrijpelijke gronden van uitsluiting, liet streven om, ongerekend persoonlijke eigenschappen, voor liet kiezerscorps een te voren met meer of minder angstvalligheid getraceerd kader te scheppen, moge alsnog in kleiner of grooter kringen bijval vinden, de itmtlahele vraag, of die methode van kiesrechttoebedeeling in het openbaar belang nog reden van bestaan heeft, behoort vrijelijk — zonder grondwettelijk ge-garandeerden voorsprong voor de aanhangers dier methode — Ie kuni.en worden beslist.
Naar het gevoelen van een aanzienlijk deel van ons volk bereikt de zedelijke kracht der wet eerst haar hoogtepnnt hij algemeene medewerking; werd onder liet engbegrensde kiesstelsel van 1850 aan de behoeften en nooden van het volk achter de kiezers onbewust niet de rechtmatige aandacht geschonken; is de vrees voor scheiding van het Nederlandsche volk in bemiddelden en mingegoeden, die wederzijds aaneengesloten tegenover elkander in het politieke strijdperk zouden treden, een hersenschim ; leveren Denemarken en Zwitserland, landen, waarmede het onze, ook politiek gesproken, zich gevoegelijk laat vergelijken, geen schrikbeelden op, gelijk zij, die aan grondwettelijke beperking zich vastklampen, schijnen te nieenen; en vertoont het oude Nederlandsche volkskarakter een gehéél van eigenschappen, hetwelk geen reden tot beduchtheid oplevert voor getrouwe afspiegeling van die eigenschapgen, goede en minder goede, in de Volksvertegenwoordiging.
Zij die van de hier geschetste overtuiging zijn doordrongen, zien in het tegenwoordig Grondwetsartikel een opzettelijk tegenover bet bereiken van hun doelwit geplaatsten slagboom. „De beperking, waarmede men zich tevreden steldequot; — zeide mr. Buys — is „eene papieren decoratie zonder zweem van weerstandsvermogen\'\' {(/« Grondwet, 1Ö88, UI, bhulz. 148).Toch belemmert zij, in het licht der geschiedenis, algeheele vrijheid van regeling.
Al evenmin mogen de voorstanders van het zoogenaamde hnismans- of gezinshoofden- kiesrecnt er vrede mede hebben, dat de Grondwet het antwoord op ile prealtddc vraag, welk beginsel moet voorzitten bij de toebedeeling van het kiesrecht, aan zich trekt of althans poogt te trekken. Indien eene meerderheid dit stelsel in de kieswet zou willen huldigen, zou do Grondwet, die zich op individualistisch standpunt plaatst, met zekere voorkeur voor kennis en bezit, zicli daartegen verzetten.
En eindelijk; de Grondwet sluit de vrouw ten eenenmale van het kiesrecht uit. Of al betoogd worde, dat de vrouw als individu evenzeer geschikt, ja meer geschikt kan zijn om op de huishouding van staat, provincie of gemeente invloed uit te oefenen; dat, met name de zelfstandige ongehuwde vrouw, niet door een echtgenoot vertegenwoordigd, gelijk, ja grooter moreel of geldelijk belang kan hebben bij het bestuur van staat, provincie of gemeente dan de man, de (irondwet onthoudt haar zelfs de mogelijkheid om door een andersdenkenden wetgever althans niet geheel te worden achtergesteld.
Indien de meerheid in den lnnde na het veeljarig beraad dat voorafgegaan is, zich mocht verklaren ten gunste van het stelsel van algemeen kiesrecht, van gezinshoofden- of huismanskiesrecht, van vrouwenkiesrecht, staat het niet aan den Grondwetgever in andere richting te sturen; de minderheid der natie preferent te verklaren en als deskundige tegenover leeken de materie te blijven beheerschen.
De critiek hier op het bestaande grondwettelijk voorschrift uitgeoefend, treft, voor zooveel aangaat afkeuring van vrijheidsbeperking, ook de opneming van het woord „mannelijkquot; in het artikel, de leeftijdsgrens en de uitsluitingen.
Naar de meening der Uegeering hebben ook zij, die de tijden voor een meer of minder uitgebreid vrouwenkiesrecht nog niet rijp achten, zich te verzoenen met het denkbeeld om, mocht de rechtsovertuiging van het Nederlandsohe volk zich gewijzigd hebben, hare uitspraak niet bij voorbaat met onmacht te slaan.
Ook ten opzichte van den leeftijdsgrens en de uitsluitingen, acht zij vrijheid voor den wetgever raadzaam. Leert bijvoorbeeld in den loop der
52
jaren de ondervinding, dat hel wenschelijk is de leeftijdsgrens te verhoogen, of wel, dat die grens .veilig zoude kunnen worden verlaagd, waartoe zou alsdan de Grondwet tegen wijziging een beletsel moeten vormen ? Evenzoo komen bij de uitsluitingen tal van praktische vragen ter sprake, waarvan de beantwoording niet vooraf voor eene gansche reeks van jaren behoort te worden geketend aan een Grondwetsartikel. Moet gevangenisstraf van zekeren duur, ook al is den veroordeelde het kiesrecht niet bij rechterlijke uitspraak ontzegd, tot onthouding van het kiesrecht leiden? Zoo ja, voor hoe lang? Behoort bij recidive de termijn van uitsluiting te worden verlengd? Welken invloed zal gratie op den duur der uitsluiting moeten hebben? Moeten zij, die wegens landlooperij en bedelarij zijn veroordeeld, voor eenigen tijd van de stembus worden geweerd? Moet aan recidive in geval van openbare dronkenschap tijdelijk verlies van het kiesrecht worden verbonden? Behoort ook andere bedeeling, dan die van overheidswege geschiedt, uitsluiting na zich te slepen?
Waarom zoude de Grondwet de regeling van do schorsing van het kiesrecht voor de militairen beneden den rang van officier wel. en de beantwoording van vragen, als boven aangeduid, niet aan den gewonen wetgever mogen overlaten? Naar het der Regeering voorkomt behoeven dergelijke vragen allerminst door de Grondwet te worden geprej udicieerd.
Slechts daar, waar do toebedeeling van het actieve kiesrecht niet aan den gewonen wetgever wordt overgelaten, is ook de regeling van de uit-sluitingen in de Grondwet zelve op hare plants.
Inderdaad, wil men gewaarborgd zien, dat Regeering en Volksvertegenwoordiging eventueel bij machte zullen zijn hunne gemeenschappelijke overtuiging ter zake zoowel van principieele, als van utiliteitsvragen in de wet te belichamen en te doen toepassen, zoo is het onvermijdelijk allereerst de deur te ontsluiten, waarachter thans de Grondwet hot onoplosbaar probleem van geschiktheid en welstand, de disqnalificatie van de vrouw en een bepaalde leeftijdsgrens, benevens speciale uitzonderingen, onder hare hoede neemt. Niet langer onttrekke zvj aan vrije beslissing datgene, wat voor zorgvuldig wikken en wegen rijp is. Met gelijke wapenen worde de strijd over principieele vragen en over andere van meer ondergeschikten aard uitgevochten. En de mogelijkheid om eene voorbarig of verkeerd gebleken beslissing zonder belemmering te herzien, worde vrijelijk opengesteld.
Op do bovenomschreven gronden acht de Kegeering opruiming van de grondwettelijke staketsels eene conditio sine qua non voor het verkrijgen van eene rationeele regeling van het kiesrecht. Van eene regeling, die, hoe zij ook moge uitvallen, niet mank gaat aan het euvel van gedwongen uitwerking van een volstrekt ondoorgrondelijk voorschrift ; van eene regeling, die ook overigens verwezenlijking van wellicht wisselende, doch zekerlijk op ernst en ervaring gegrondveste, inzichten van het heden en van de toekomst waarborgt.
§ 2. Reeds uit dezen hoofde is de omvangrijke arbeid aan een herziening der Grondwet verbonden, ten volle gewettigd. Toch dringt zich als van zelf de vraag op, of do gelegenheid niet dient benut te worden om tegelijkertijd andere wijzigingen aan te brengen, voor zoover althans ook daarvan de noodzakelijkheid aan het licht ware getreden. Dienaangaande meende de Regeering een beslissing niet te moeten nemen, dan nadat een keur van bij uitstek deskundigen zich zou hebben uitgesproken. Vandaar hare voordracht tot de benoeming eener Staatscommissie welke, bij Koninklijk besluit van 23 October 1905, n0. 56 ingesteld, onder dagteekening van 20 December 1906 een verslag uitbracht, dat in ieders handen is.
Het resultaat van den zoo voortvarend volbrachten, hoogst gewichtigen arbeid versterkte do Regeering in haar aanvankelijke meening, dat alleen de Hoofdstukken III en IV in de beoogde herziening zijn te betrekken. Allerminst omdat ook ten aanzien van andere onderwerpen niet der rijpe overweging waardige denkbeelden door de Staatscommissie of door hare individuëele leden zouden zijn opgeworpen — het tegendeel is het geval. 01\' — om enkele vraagstukken, bij wijze van voorbeeld, te noemen — de uitlevering van Nederlanders al dan niet geoorloofd moet zijn, of de voor-
53
dnicht voor (Icüi Hoogeu Raad nan de Tweede Kamer dient te worden ontnomen, of de bedenkingen welke het aan den godsdienst gewijde hoofdstuk oproept, kunnen bezworen worden, of eindelijk het wijzigen der Grondwet ware te vergemakkelijken — het zijn alle vraagpunten van onmiskenbaar gewicht. Maar dat mol het aanroeren hiervan tekortkomingen der hoogste Staatswet zouden zijn blootgelegd, die do ontwikkeling van ons staatkundig leven zóózeer bedreigen, dat onmiddellijke voorziening noodig is, is een bewering die wel niemand voor zijn rekening zal nemen.
Zijn er dan wellicht aan don arbeid der Staatscommissie perken gestold welke haar hebben belet, haar onderzoek verder uit te breiden? Het valt alsmede te betwijfelen. Zij is, overeenkomstig den wensoh dor Regoering, afgezien van do bekende kiesrecht-bepalingen, alleen die onderwerpen stilzwijgend voorbijgegaan, „waaromtrent bij de generale Grondwetsherziening van 18S7 onderzoekingen hebben plaats gehad, die tot \'t zij positieve,\'t zij negatieve beslissingen hebben geleld welke tot heden öf geheel onaangevochten zijn gebleven, óf althans, met slechts enkele afwijkingen, algemeen geoordeeld worden gehandhaafd to moeten blijven.quot;
Elk vraagstuk derhalve dat de publieke opinie aan zich getrokken heeft, viol binnen haar sfoor. Hot stilzwijgen dienaangaande staaft dan ook opnieuw de stolling, dat, buiten de problemen welke de samenstelling en bevoegdheid der vertegenwoordigende lichamen raken, geen praedispositie dor geesten, veel minder drang in de richting van Grondwetsherziening besl aat.
Zou het onder deze omstandigheden van beleid getuigen het terrein waarop straks de onvermijdelijke strijd staat gevoerd te worden, te vor-ruimen? Aan de vele twistappels nieuwe too te voegen? Aldus de kans op herziening tier bepalingen welke vóór alles verbetering behoeven, te verminderen ?
Voor do Regoering is hot antwoord niet twijfelachtig en de aangeboden wetsontwerpen beperken zich dan ook tot do Hoofdstukken 111 on IV en do daarmede onmiddellijk verband houdende bepalingen in enkele organieke wetten.
tj 3. Bij hot ontworpen der wijzigings-bepalingon van de Hoofdstukken 111 on IV on hare toelichting is hot verslag tier Staatscommissie grooten-deels gevolgd.
De oenstommige meening, dat do Eerste Kamer diont gehandhaafd te blijven, is ook dio der Regoering. Zij beaamt oveneens, dat do grondwettelijke regeling die de Provinciale Staten als kiescollege oproept, de minst gebrekkige is.
Voor evenredige vertegenwoordiging de mogelijkheid te openen, aan do verkiesbaarheid van vrouwen niet langer den pas af te snijden, don kring dor verkiesbaren voor de Eerste Kamer zoo brood mogelijk uit te zotten — al deze voorstellen zijn door hot Kabinet in do horzieningsvoordracht opgenomen.
Niet overgenomen daarentegen is het voorstel van de meerderheid der Staatscommissie, om aan do Eerste Kamer een recht van amendement toe te kennen.
De Regeering miskent niet hot nut, dat zoodanig recht in sommige go-vallen zou kunnen opleveren. Inderdaad laat het zich denken — de wetgeving, ook van de laatste jaren leverde voorbeelden — dat de Eerste Kamer hare sanctie afhankelijk meent te moeten stellen van wijzigingen, welke, schoon niet van betooketiis ontbloot, toch geen onoverkomelijk verschilpunt opwerpen. Ook kan het zijn, dat zij technische tekortkomingen constateert, welke vlugger bij wijze van amendement, dan door een novelle zijn uit den weg te ruimen. Splitsing eindelijk van een gecombineerd voorstel, dat men ton dooie verwerpelijk acht, wordt langs dezen weg mogelijk .
Na aandachtige overweging van de wijze waarop het nieuwe instituut zou behooron te worden geregeld en van de gevolgen, welke de invoering er van zou hebben op hot karakter en do botoekenis van onze Eerste Kamer en op don gang der wetgeving, heeft de Regoering evenwel
54
geen vrijheid kunnen vinden ten deze het initiatief tot vemndering lo nemen.
Volgens liet ontwerp der Staatscommissie, nou de regeling van liet instituut in het kort hierop neérkomen: de Eerste Kanier zou wijzigingen in de daarvoor vatbare voorstellen des Konings kunnen maken; de Tweede Kanier zou vervolgens, zonder nieuwe wijzigingen te mogen aanbrengen, hebben te kiezen tussohen de oorspronkelijke door haar vastgestelde en de door do Eerste Kanier gewijzigde artikelen; verwierp zij de door de Kersto Kamer aangebraebte wijzigingen of één of meer daarvan, dan zou de Eerste Kamer ten slotte het aldus ongewijzigd gebleven of slechts gedeeltelijk overeenkomstig haar inzichten gewijzigd voorstel hebben aan te nemen of te verwerpen
Naar het den endergeteekende toeschijnt, moet dezu regeling echter, ook in di\' oogen van de voorstanders van het beginsel, weinig bevredigend voorkomen. Zij zou in elk geval, in zoover gewijzigd moeten worden, dat aan do Tweede Kamer oen onbeperkt recht van amendement verzekerd werd ten aanzien van de wijzigingen door de Eerste Kamer in het oorspronkelijk voorstel aangebracht. In het belang van een doeltrefTende prac-tijk der instelling, ter bevordering van het gemeen overleg tusschen de beide takken der Volksvertegenwoordiging en ter voorkoming, zooveel mogelijk, van tijdverlies, zou iiet voorts onmisbaar zijn, dat de bevoegdheid geopend werd tot mondeling overleg tusschen van weerszijde benoemde Oommissiën.
Doch hoe ook uitgewerkt, de bezwaren aan het instituut verbonden, komen der Regeering overwegend voor.
Het geheel eigenaardig karakter dat de Nodcrlandscho Kerste Kamer bezit, zou, indien haar het recht van amendement werd toegekend, niet bewaard kunnen blijven. Dal karakter hangt ten nauwste samen met den werkkring haar door de Grondwet opgedragen, die door Tiiokhiockk aldus werd omschreven: „de eigenlijke bestemming der Kerste Kamer is, om een tweede aanleg of instantie van wetgeving te zijn. om het besluit der andere Kamer op den toets van een nieuw, bezadigd, rijper en reeds voorgelicht onderzoek te brengenquot;. J)e Kerste Kamer is geroepen, er voor te waken, dat geen door Kegeering en Tweede Kamer voorbereide maatregelen tol wet worden, welke zouden strijden met de wezenlijke, duurzame, belangen van den Staat, met de welbegrepen wenschen en behoeften des volks. Haar taak is te voorkomen, dat onder een valsche leus of onderden waan van den dag, maatregelen tot stand komen, welke niet het duurzaam goed der natie kunnen worden. De haar aangewezen werkzaamheid bestaat in dc bevordering van een regelmatigen ontwikkelingsgang der wetgeving en do zorg, dat het evenwicht der verschillende belangen in den Staat niet verbroken worde.
In dat stelsel behoort het recht van amendement niet thuis. Wordt de deelneming van do Kerste Kanier aan den wetgevenden arbeid, zoodanig uitgebreid, dat hot haar recht — on dus haar plicht — wordt, zich met de détails van het wetsontwerp en met de redactie der artikelen bezig te houden, dan wordt in haar werkkring zulk een ingrijpende verandering gebracht, dat niet alleen haar arbeid, maar daarmede haar boteekenis als tweede en hoogere instantie van wetgeving, onvermijdelijk van karakter zou veranderen. Ken verandering ten nadeele van haar moreel gezag en van de hooge positie die zij inneemt.
Waar de taak door de Grondwet aan de Kerste Kamer opgedragen gedurende bijna een eeuw onveranderd is gebleven, gelijk zij oorspronkelijk in onze Constitutie was vastgelegd, en waar noch in 1840, noch in 1848, noch in 1887, pogingen zijn gedaan, om in de macht, die zij op do wetgeving uitoefent, wijziging te brengen, daar meent de Kegeering, dat toekenning van het recht van amendement in meer dan óén opzicht oen proefneming zou moeten genoemd worden, waaraan gevaren verbonden zijn on waartoe een afdoend motief ontbreekt.
Of zou, met do meerderheid der Staatscommissie, dit motief wellicht moeten worden gezocht in de vrees, dat de uitbreiding der kiesbevoegdheid voor de Tweede Kamer ten gevolge zal hebben, dat onberaden beslissingen minder zeldzaam zullen worden? Do Kegeering deelt die. vrees niet. Zij werd ook in 1848 en 1887 door sommigen gekoesterd en is niet bewaarheid
56
guwoiden. Muur ook ül ware zij ditmual gegrond, ile liegoering ziel niet, lioe het gevreesde kwaad, door toekenning van het recht van amenidement aim de Eerste Kamer zon kunnen worden geneutraliseerd. Do beslissingen welke de Commissie op het oog heeft, zouden in haar gedachtengang immers tot verwerping van het wetsontwerp in zijn geheel moeten leiden; aan de gebreken van zoodanige beslissingen zou toch in den regel nie\' door toepassing van liet recht vnn amendement zijn tegemoet te komen.
Komt de Regeering derhalve, op grond van het aangevoerde, tot de conclusie, dat toekenning van het recht van amendement aan de Eerste Kamer niet raadzaam is tc achten, zij aanvaardt deze conclusie te eerder, omdat tusschen den ietwat tragen gang onzer wetgeving en het recht van amendement een niet te miskennen causaal verband bestaat. Zij zou, door de oorzaak te versterken, aan het gevolg ongetwijfeld nog grooter uitbreiding geven, üok die overweging stemt tot omzichtigheid.
De Eegeering kan zich overigens in hoofdzaak vereenigen met de gewichtige bedenkingen door den hougleeraar Opi\'Eviiijim, in zijn afzonderlijk advies, tegen de invoering van het nieuwe instituut ingebracht.
Aan het advies der Staatscommissie is door de Eegeering toegevoegd het voorstel, dat ontbinding der Eerste Kanier van rechtswege ontbinding der 1\'rovincialo Staten zul ton gevolge hebben.
Dczo bepaling komt, bij behoud van de ontbindhaarheid der Eerste Kamer en van de Provinciale Staten als kiescollege, onmisbaar voor.
Gelijk reeds de heer C. J. C. H. vax Nispen tot Skvf.naku, lid der Staatscommissie van 1883, in zijn afzonderlijk advies opmerkte, is in het stelsel, waarin do leden der Eerste Kamer niet rechtstreeks door de kiezers der Tweede gekozen worden, de thans voorgestelde ontbindbaarheid noodzakelijk, om aan liet recht van ontbinding der Eerste Kamer een wezenlijke beteokenis te verzekeren. Inderdaad kan, zonder die ontbindbnarheid, de bevoegdheid der Kroon ten deze niet tol haar volle recht komen. Immers, waar in verband met cone ontbinding dor Eerste Kamer de samenstelling der Provinciale Staten in den regel geen verandering zal ondergaan, daar kan de verkiezing der ICorste Kamerleden, die op de ontbinding volgt, in \'t algemeen niet als een uitspraak van het kiesgerechtigd dool der natie in het gerezen conllict worden beschouwd. Vermits aldus do nieuwe samenstelling der Kamer den waarborg mist. dat zij is geschied overeenkomstig zoodanige uitspraak, ontbreekt aan het ontbindingsrecht juist datgene, wat hot zijn volledige waarde zou geven. Eerst wanneer de kiezers van eersten aanleg lot de stembus worden geroepen, ten einde in de gewichtige aangelegenheid, die het conllict in het leven riep, van hun gevoelen te doen blijken, zal aan het vertrouwen, waarmede de natie do beslissing der nieuwe Kamer aanvaardt, niets in den weg staan. Eindelijk zal alleen dan niet langer, zooals onder hot tegenwoordig stolsel het geval is, mot vrij grooto zekerheid do samenstelling der nieuwe Kerste Kamer reeds bij de ontbinding kunnen worden gekend en die wetenschap dus do houding dor Eegeering beheerschen.
Uit het aangevoerde bleek reeds dat dit voorstel allerminst aanspraak op oorspronkelijkheid maakt. Ook do bedachtzame senrijver van (/lt;■ l\'rak-lijk onzer OrondivKt noemde het een leemte (deel I, png. 135), dat de Koning wèl de Eerste Kamer, maar niet de Provinciale Stalen kan ontbinden. Sedert is het denkbeeld herhaaldelijk aanbevolen en ook onder de loden der Staatscommissie heeft het in den lieer Wn.r.ixge, getuige zijn afzonderlijke nota, een pleitbezorger gevonden.
De practische zwarigheden waartoe de toepassing van het beginsel kan leiden, laten zich door oen eenvoudige aanvulling van de Provinciale wet ondervangen en do politiek kan in de Statenverkiezingen moeilijk dieper worden gemengd dan thans reeds het geval is. Mocht in de toekomst de bezetting van het College van dagolijksch bestuur hiervan nadeel ondervinden, dan kan de wetgever do vrijheid benutten welke de voorgedragen wijziging van art. 13!) hom toedenkt: hij opone den Staten gelegenheid ook buiten hun midden de Gedeputeerden te kiezen.
j! 4. Mochten de voorgedragen wijzigingen tot stand komen, dan ligt het
56
voor do band, dut zij ook onmiddellijk, voor zoover geen nadere wettelijke uitwerking vereischt wordt, haar invloed doen gelden. Waarom dan b.v. de verkiesbaarheid van vrouwen langer tegengegaan, de Eerste Kamer alleen voor hoogstaangeslagenen en niet hen gelijk gestelden toegankelijk gehouden, een tot Minister benoemd Kamerlid tot aftreden genoopt?
Toch zou, indien enkele organieke wetten ongewijzigd bleven, een bekende uitlegging van art. 11 der Additionnele Artikelen hieraan in den weg kunnen staan.
Verdient het reeds om deze reden aanbeveling de Kieswet, de Provinciale wet en de Gemeentewet aanstonds in overeenstemming te brengen met de Grondwet, daartoe kan te gereeder worden overgegaan, omdat enkele voorzieningen zullen zijn te treffen welke in geen geval uitstel dulden. Met name het voorstel dat de ontbindbaarheid der Provinciale Staten beoogt, zou zonder gelijktijdige wijziging der Provinciale wet, niet te dulden leemten oproepen.
Vandaar dat do Regeering in een derde wetsontwerp een aanvulling van de Additionnele Artikelen der Grondwet heeft annhangig gemaakt, welke aan een en ander tegemoet komt.
Artikolon van het wetsontwerp tot het in overweging nemen van een voorstel van verandering in het lilde hoofdstuk der Grondwet.
2 en 5 (ad artt, 79 en 82). De Grondwet regelt voor de Tweede Kamer hot actieve kiesrecht en de bepaling van het getal barer leden in andere volgorde dan voor do Eerste Kamer. Hot komt wonscholijk voor dezelfde volgorde voor beide Kamers te aanvaarden.
Do wijziging in artikel 82 van het woord „verkozenquot; in „gekozenquot; bevordert, de eenheid van terminologie.
S 3 (ad art. 80) Vgl. § 1 der Algemeene beschouwingen.
i? 4 {ad art. 81). De geldende grondwettelijke bepalingen bemoeilijken de invoering van evenredige vertegenwoordiging. Het is gewenscht, dat do Grondwet den wetgever in volle vrijheid do beslissing late over do vraag of on op welke wijze dit stolsel van vertegenwoordiging zal worden aanvaard.
De verplichting tot verdoeling in kiesdistricten moet dus in elk geval vervallen. Volstaan kan worden mot do bepaling, dat de kiesdistricten, zoo zij behouden blijven, door de wet worden vastgesteld.
Sj (1 {ad art. 84). Do Grondwet dient aan do verkiesbaarheid van vrouwen voor hot lidmaatschap der vertegenwoordigende lichamen geen be-lemmoring in den weg te leggen.
i; 7 («(/ art. 85), De wijziging van artikel 85, eerste lid, beoogt, den zittingstijd der Tweede Kamer met oen jaar te verlengen, een donkboeld roods in de schets van Kappkvne aanbevolen. De gestadig toenemende inspanning van Kamer en Eegeering gevorderd, moet er toe leiden, dat wetsontwerpen welke breede studio eiscben, niet tijdig in behandeling kunnen komen. Gaat dan na hot verstrijken van liet vierjarig tijdperk, de vernieuwing der Kamer met wisseling van Ministerie gepaard, dan is de daaraan besteed tijd goeddeels verloren. De vruchtbaarheid van don wetgevenden arbeid kan dus niet anders dan verhoogd worden, indien der Kamer een langer levensduur wordt gegund.
8 en 12 (ud artt. 88 en 92). De artikelen 88 en 92 vervallen, in verband met do nieuwe bepaling voor beide Kamers gezamenlijk in do vierde afdeeling van het Derde Hoofdstuk op te nemen.
§ 9 {ad art. 89). Hot nieuwe, door de Staatscommissie voorgedragen eerste lid van art. 89 vermindert wel is waar bet geldelijk voordeel, aan het wonen te \'« Graven/iai/e of in do onmiddellijke nabijheid verbonden, maar
\'II
heft dit niet op. Alken voor een heen-en terugreis eeniniuil per week zouden nl. reiskosten geleden worden, terwijl verblijfkosten niet voor vergoeding in nanmerking komen. Wie dus, hetzij eiken avond naar zijn woonplaats terugkeert, hetzij (e \'s Gravenhage lijdelijk nachtverblijf houdt, wordt slechts zeer gebrekkig geïndenmiseerd. Een bepaling welke, op het voetspoor van art. 01, derde lid, den wetgever vrijheid laat volledige vergoeding voor reis-en verblijfkosten te verleenen, verdient daarom de voorkeur. Zij werd ook door de Staatscommissie van 1883 voorgedragen.
tj 10 (ml art. 90). Waar do keuze voor bet lidmaatschap van de Kers te Kamer is opgedragen aan de Provinciale Staten, komt het niet noodig voor deze colleges in de keuze in meerdere mate te beperken dan thans het geval is met de kiezers voor do Tweede Kamer. Do in het tegenwoordig artikel 90 dor Grondwet voorgeschreven beperking van de verkiesbaarheid is volstrekt geen waarborg voor eene deugdelijke samenstelling der Kamer. Zij laat niet allo geschikte personen toe en sluit niet alle ongeschikte personen uit. Verwacht mag worden, dat do verruiming van de verkiesbaarheid ten goedo zal komen aan den zedelijken invloed van het gekozen lichaam.
i? li {ad art. 91). De laatste zinsnede van het artikel der Staatscommissie welke ten aanzien van do reiskosten een gelijksoortige regeling beoogde als voor de Tweede Kamer was ontworpen, heeft bij de formuleering, welke de Regeering aan art. 89, eerste lid gaf, geen zin. Zij is daarom geschrapt.
Daarentegen is aan het tweede lid een bepaling toegevoegd welke voor evenredige verkiezing der Eerste-Kamer-leden, gelegenheid opent. Vermits aan verkiezing door de gezamenlijke Provinciale Staten niet valt te denken, moet onbetwistbaar zijn s wetgevers bevoegdheid om de gelijktijdige aftreding van een genoegzaam aantal of zelfs van alle leden in een zelfde gewest te verzekeren.
§ 13. Het opschrift van de vierde afdeeling van het Derde Hoofdstuk is niet volledig, daar do vereenigde vergadering niet wordt genoemd. Voor wijziging is te meer reden nu voorgesteld wordt do bepalingen over de vereenigde vergadering aan te vullen.
S 1-1 (m/ art 95). Hoewel de Staatscommissie geen wijziging van artikel 95 der Grondwet voorstelde, gebiedt de consequentie hier, evenals in de artikelen 101 en 105, niet meer vnn de vereenigde vergadering te spreken en in artikel 108 naar artikel 95 te verwijzen.
§ 15 (ad art. 96). quot;Uit de bepaling van bet tweede lid van het tegenwoordige artikel 96 der Grondwet wordt afgeleid, dat het eerste lid limitatief de betrekkingen noemt, welke niet tegelijk met het lidmaatschap der Staten-Generaal mogen vervuld worden, zoodat de wet deze incompatibilitoiten niet kan aanvullen. Dit laatste schijnt niet gewenscht: vandaar dat in een nieuw tweede lid uitdrukkelijk de bevoegdheid aan don wetgever verleend wordt om andere ambten onvereenigbaar te verklaren met bet Kamerlidmaatschap. Het voorschrift bepaalt zich er tuo deze bevoegdheid aan don wetgever toe te kennen, voor zoover betreft ambten uit do ka.s van bet l!ijllt; of de koloniën bezoldigd, daar met betrekking tot ambten, door de besturen der onderdeelen opgedragen en uit de kassen der onderdeelen bezoldigd, deze besturen zullen moeten oordeelen over do wenschelijkhoid der vereeniging en de gevolgen daarvan regelen.
De aanvulling van het volgende (nu derde) lid houdt mot het nieuwe voorschrift verband.
Voorgesteld wordt in het laatste lid op den daarin gesteldon regel eene uitzondering te maken voor de aanvaarding van het ambt van Minister, omdat in de practijk herhaaldelijk is gebleken, dat een benoemd lid der Staten-Generaal door het bestaande voorschrift in groote moeilijkheid kan worden gebracht ten opzichte van het aannemen van eene ministerieele portefeuille. Hij kan zich moeilijk aan eene herkiezing onderwerpen zoo hij niet eenige zekerheid bezit omtrent den uitslag en zoo hij zich daarom niet verkiesbaar stelt, is veelal de kans groot dat de zetel voor zijne richting
5«
verloren gaat. Hot kan niet in hel belang van het land zijn, dat vaak de meest ervaren mannen uit liet parlement moeten worden voorbijgegaan bij de vorming van een ministerie.
De op zich zelve heilzame bepaling van hot laatste lid laat zich mot hot stolsel van evenredige vertegenwoordiging niet gemakkelijk vereonigon, al zijn oplossingen aan de hand gedaan, waardoor samengaan mogelijk wordt. De voorzichtigheid gebiedt den weigever, mocht bij hot ijroportionool kiesrecht aanvaarden, gologonheid te schenken de onbolemmorde toepassing te stollen boven onverkorte handhaving van het bestaande voorschrift,
§ lü {nel en-I.\'.)7), Hot hier voor do loden der Slak\'n-Generaal aangenomon stolsel behoort ook voor do Ministers en de Kogoeringsconimissarissen te golden, Uit het thans geldend stelsel vloeit ook voort, dat de Ministers, leden der Staten-Generaal, niet, hunne ambtgenooten daarentegen wel vervolgbaar zijn.
ij 17 (ad iirl. 8(1). Het voorschrift van artikel 80 der Grondwet behoort naar de vierde afdeeling te worden overgebracht, omdat het voor beide Kamers geldt.
gt;5 18 {uil urt. 98). De Grondwet sluite do gelegenheid niet uit om de beslissing over de geloofsbrieven, welke betwist worden, op to dragon aan oen onafhankelijk rechterlijk college. Mocht dit beginsel door den wetgever worden aanvaard, dan behoort de beslissing der Kamer over betwiste geloofsbrieven te worden opgeschort, totdat over het beroep is beslist. De uitspraak van don rechter behoort bindend te zijn voor de Kamer.
l\'j {ud art. D\'.t). Do keuze van een voorzitter behoort uit den aard der zaak tot dt bevoegdheid van elke Kamer. Voor de Tweede Kamer is de benoeming door do Kroon tot nog toe altijd geweest de bekrachtiging van do keuze der Kamer; ten aanzien van de Eerste Kamer brengt zij ten onrechte een deel der verantwoordelijkheid voor de goede leiding bij den Minister van Hinnenlandsche Zaken. Het komt derhalve gewenscht voor inmenging der liegoering hij de samenstelling van het bureau der Kamers te doen ophouden\'.
De aanwijzing wie hij afwezigheid van den voorzitter de leiding der vergadering zal voeren, wordt tot nu toe in het reglement van orde van elk iler Kamers gevonden. Het schijnt wensebelijk haar in de Grondwet te regelen en eene rechtstreeksehe benoeming der ondervoorzitters voor te schrijven. Kene zoo gewichtige zaak behoort niet te worden beslist door het reglement van orde, dat door een besluit van de meerderheid der leden kan worden gewijzigd of tijdelijk buiten werking gesteld.
Ook dient de Grondwet te voorzien bet geval dat nog geen benoeming van voorzitter en ondervoorzitters beeft plaats gehad. De bepaling daaromtrent sluit zieb aan bij art. 1 van het reglement van orde voor do Tweede Kamer.
De Staatscommissie stelt voor het tweede lid van art. igt;\',) aan te vullen met betrekking tot de benoeming van eommiezen-griflier. Volledigheidshalve zijn ook de andere ambtenaren en beambten der Kamers in de bepaling te begrijpen, waardoor tevens grondwettelijke sanctie wordt verleend aan art. \'J, voorlaatste en laatste lid van het reglement van orde voor de Eerste Kamer en aan art. 14 van dat voor de Tweede Kamer.
De bevoegdheid der Kamers om haar eigen reglement van orde vast te stellen, wordt tot nu toe in do Grondwet niet opzettelijk vermeld, al geeft artikel 111 dor Grondwet dan ook een aanknoopingspunt. Het komt gewenscht voor de bevoegdheid uitdrukkelijk in deze afdeeling op te nemen.
!; 20 (ad art. 100) Indien tusschen den derden Dinsdag van Juli en den derden Dinsdag van September tot eene ontbinding van een der Kamers of van beide wordt besloten, kan de bepaling van artikel 100, tweede lid, der Grondwet tot moeilijkheden leiden Dit geval heeft zich reeds eenmaal in 1850 voorgedaan. De bijvoeging strekt om voor dergelijke gevallen van den vasten dag te kunnen afwijken.
gt;5 21 (ad art, 101). Do aanvulling van het vierde lid van artikel 101 der
50
Grondwet heeft de strekking aan artikel öl vim het reglenient v.m unie dor Eerste Kamer en de artikelen 114 en 115 van dat der Tweede Kamer een steunsel in de Grondwet te geven
Door verwijzing naar artikel 101 in nrtikcl 108 wordt het voorschrift ook voor de vertenigde vergadering toepasselijk verklaard, zoodat de uitdrukkelijke vermelding daarvan in het eerste lid van het artikel kan vervallen.
tj 22 [ud art. 105). De voorgestelde wijziging van artikel 105 der Grondwet beoogt in de eerste plaats wettiging van de hestnande praotijk, He-zwaar is hieraan niet verhonden, daar deze bepaling opening der vergadi-ring, vóórdat meer dan do helft der leden tegenwoordig is, niet zal kunnen mogelijk maken, omdat alsdan uit do prosontielijst zou blijken, dat aim het voorschrift niet is voldaan, liovendien wordtthans duidelijk uitgedi ukt, hoeveel leden aanwezig moeten zijn en tot een besluit meewerken.
Ook artikel 105 is door wijziging in artikel 108 voor do voreenigdo vergadering toepasselijk verklaard.
23 en 25 (ad artl. 108 en 119). Behoudens ten aanzien van enkele punten hint de bestaande Grondwet hel instituut van do voreonigde vergadering der Staten-Goneraal vrijwel ongeregeld. Hot verdient aanbeveling artikel 108 aan te vullen en na artikel 119 een nieuw artikel op te nemen. In hot eerste artikel worden samengevat de voorschriften betrokking bobbende op de organisatie dor voreonigde vergadering, het nieuwe artikel regelt hare wetgevende taak. Boido artikelen zijn niet dan gewijzigd en aangevuld ontleend aan het ontwerp der Staats-commissie.
S 24 {((d iirt. 112). Aan de veroenigde vergadering bliivo, in overeenstemming mot do daaromtrent voorgedragen formeelo wijzigingen, hel recht van amendement verzekerd door verwijzing in het nieuwe, achter artikel 119 in te voegen artikel.
fi 26. Hol opschrift der zesde afdeeling van het Derde Hoofdstuk is onvolledig. Ook do aanvulling der Staatscommissie voldoet niet geheel.
5; 27 {ail iirt. 124). De voorgestelde wijziging in artikel 124 der Grondwet heeft de strekking het tijdstip van do aanbieding dor begrooting oenigszins te vervroegen.
§ 28 {ad arl. 12(gt;). De onder ij 71 door do Staatscommissie voorgedragen aanvulling is niet overgenomen, terwijl aan art, 120 Grondwet een gansch andere redactie is gegeven dan onder ^ 72 werd geformuleerd.
Eerstbedoelde bepaling beoogt te ondeivangen het bezwaar dat de meeste begrootingswetten niet tot stand plegen to zijn gekomen op I Januari van bel jnar, waarvoor zij moeten dienen. De Staatscommissie wenscht alsdan voor een tijdvak van zes mnanden de oude bogrooting te bestendigen. Gevolg hiervan zou wezen, vooreerst dat do thans bestaande prikkel om de vaststelling der begroeting, zoo veel mogelijk, te bespoedigen, word verstompt en bovendien dat veel noodeloozo arbeid werd verricht, daar immers de aanvankelijk op de oude begrooting aangewezen uitgaven Inter weer naar de nieuwe moeten worden overgebracht. De moeilijkheden voor welke de administratie zich thans in de eerste maanden van het jaar geplaatst ziet, kunnen, voor zoover de praktijk zo niet reeds uit don weg ruimde, door een nieuwe comptabiliteitswotgeving geheel worden ontgaan.
De wijziging van art. 126 welke de Staatscommissie beoogt, kiest partij voor een bepnald stelsel van comptabiliteit. De ervaring onder de Grondwet van 1848 opgedaan, loert, dat dergelijke keuze ontijdig kan zijn. Bovendien behelst het voorgedragen artikel bepalingen, ten dooie overbodig, ten deele niet geheel juist. Overbodig is het laatste lid, dat in een comptabiliteitswet thuis behoort en dan ook in do artt. 14 en 15 der wet van 5 October 1841, Staatsblad no. 40, vollediger uitdrukking vond. Minder juist schijnt zoowel het eerste als het tweede lid. De rekeningen der uitgaven rosultooren n,l, onder een stelsel, gelijk de Staatscommissie op het oog heeft, uit reeds genomen beslissingen van de Algemeone Rekenkamer. Vooreen
no
nuclei\' onderzoek en op/.eUelijJio vaststelling is dus geen ruimte. Kn de bepaling, dat de wet zid hebben te beslissen over niet-verevende uitgaven en ontvangsten, doet — daargelaten dut ontvangsten niet verevend worden — donken aan appèl op een hoogere macht. De vorm waarin een dergelijk beroep pleegt te worden gekleed, de suppletoire begrooting, draagt nochtans in negen van de tien gevallen een gansch ander karakter. Daar zij onvermijdelijk is bij weigering van het College om tot een uitgaaf mede te werken, is een voorschrift dienaangaande bovendien onnoodig.
De redactie welke de Eegeering aan art. 126 gaf, beoogt hetzelfde als het tegenwoordig artikel, nl. vrijheid voor den comptabiliteitswetgever. Zij doet slechts die bedoeling beter tot haar recht komen.
Artikelen van hot wetsontwerp tot het in overweging nemen van een. voorstel van verandering in het IVdo hoofdstuk dor Grondwet.
4; 2 {ad art. 127). Voor do wijziging van het eerste en tweede lid van artikel 127 der Grondwet zie men ij 1 der Algeiueone Beschouwingen.
Het schrappen van het woord „mannelijkquot; vóór „Nederlanderquot; in het vierde (thans derde) lid, sluit zich aan bij de verandering in artikel 84.
§ 3 (ad art. 128). Voor de motiveering van het nieuwe artikel 128 der Grondwet zie men S 3 der Algemeeno Beschouwingen.
Daar de verkiezing voor de Eerste Kamer, ingevolge artikel 73, tweede lid, binnen veertig dagen na de ontbinding moet plaats vinden, kan voor de verkiezing en het samenkomen der nieuwe Provinciale Staten geen langer termijn dan vijf en dertig dagen worden gegund.
Voor de schrapping van het bestaande artikel 128 pleit het volgende.
Kr schijnt geen voldoende reden te bestaan om in het algemeen bij de Grondwet do vereoniging van het lidmaatschap van de Eerste Kamer der Staten-Generaal mot dat van de Staten eener provincie te verbieden. De aard der werkzaamheden dezer lichamen maakt dit niet noodzakelijk. Wèl zal hot verbod wensohelijk blijven om lid van de Staten der provincie to zijn door welke men als lid naar do Eerste Kamer is afgevaardigd, doch het is niet waarschijnlijk, dat de wetgever dit verbod zal doen vervallen
Het lidmaatschap van de Staten van twee verschillende provinciën wordt onmogelijk gemaakt door het vereisohte van ingezetenschap der provincie voor liet lidmaatschap in artikel 127 dor Grondwet gestold.
S 4 (ad art. 134». Voor de handhaving van het preventieve toezicht dei-Kroon over de provinciale verordeningen naast een repressief toezicht bestaat geen voldoende reden. Repressief toezicht is voldoende. Heeds do Staatscommissie van 1883 keurde het verschil in dit opzicht door de (irond-wet. gemaakt „ten aanzien van do bepalingen omtrent de besturen der provinciën en omtrent de geineontebesturenquot; af. Dit toezicht veroorzaakt daarenboven meestal aanzienlijk tijdverlies. Op grond hiervan wordt voorgesteld het derde lid van artikel 134 der Grondwet te schrappen en aldus den wetgever te machtigen het bewuste goedkouringsrecht prijs te geven.
Kon dergelijk voorstel kan geschieden, zonder dat artikel 190 wijziging ondergaat, omdat do wetgevende macht der staten over waterschappen oen eigenaardig karakter draagt en niet geacht kan worden te behooren tot de regeling der zuiver provinciale huishouding in artikel 134 bedoeld.
S 5 {ad art. 135). Het schijnt wenschelijk aan artikel 135 der Grondwet een zelfde bepaling toe te voegen als ton aanzien van het zelfbestuur der gemeentebesturen in artikel 144 wordt aangetroffen.
tj Ct (ad art. 139). Do schrapping van de woorden „uit hun middenquot;, ook in do Nota van den Voorzitter der Staatscommissie bepleit, kan-- er werd reeds in t; 3 der Algemoene beschouwingen op gezinspeeld — van onberekenbaar nut zijn, indien bij de provinciale verkiezingen eens het gewestelijk belang geheel op den achtergrond werd gedrongen. Afgezien hiervan behoort de
61
wetgever der toekomst gelegenheid te vinden de verkiesbaarheid tot het steeds aan gewicht en omvang toenemend ambt van Gedeputeerde, naar welgevallen te regelen.
§ 7 {lt;id art. 143). Voor de wijziging van liet eerste on tweede lid van artikel 14.\'i der Grondwet zie men ^ 1 der Alg\'erneene Beschouwingen.
Het schrappen van het woord „mannelijkquot; vóór „Nederlanderquot; in liet derde (thans tweede) lid, sluit zich aan bij de veranderingen in de artikelen 84 en 127.
§ 8 (itd art. 144). Het vijfde lid van artikel 144 der Grondwet slaat op het derde terug en behoort dus daarop te volgen. Aan het nieuwe vierde lid behoort dezelfde redactie te worden gegeven als aan het nieuwe lid van artikel 185. De zinsnede, dat de wet de wijze kan bepalen „waarop in het bestuur dier gemeente wordt voorzienquot;, is onduidelijk en dubbelzinnig tengevolge van do dubbele beteekenis, die het woord „bestuurquot; hebben kan. Is dnarmede hetzelfde bedoeld als met „regeling en bestuurquot; in den aanhef, of ziet het op het orgaan der gemeente met de bestuurstaak belast\'? Mocht dit laatste het geval zijn, dan is het voorschrift onjuist, daar vervanging van het orgaan volstrekt niet altijd noodig zal zijn. l)e strekking van het voorschrift is, dat de wet zorg zal dragen, dat de verwaarloozing ophoude. Door de voorgestelde wijziging zal dit voortaan duidelijk blijken.
De beginselen van de openbaarheid der raadsvergadering en van de onafhankelijkheid der leden schijnen belangrijk genoeg om daaraan eene plaats in de Grondwet te geven, evenals dit voorde Provinciale Staten is gesohied. Toepasselijk verklaring van het tweede lid van artikel 130 der Grondwet zonder meer is echter niet mogelijk, omdat de wetgever de vrijheid moet behouden do behandeling met gesloten deuren van sommige zaken te verbieden.
§ 9 (ad art. 147)., Eene gelijkluidende redactie als van artikel 130 dei-Grondwet verdient voor artikel 147 de voorkeur. De vraag of de tufschon-komst van Gedeputeerde Staten bij de aanvraag om goedkeuring voreischt wordt, kan aim wettelijke regeling worden overgelaten.
Omzetting der artikelen 14(5 en 147 der Grondwet wordt voorgesteld, omdat het wenschelijk schijnt van de rol der gemeentebesturen op burgerrechtelijk gebied eerst te gewagen, als hunne publiekrechtelijke taak is afgehandeld .
ii 10 {ad art. 148). Ook in dit artikel behoort op het voorbeeld der voorafgaande gelezen te worden; „gemeentebesturenquot;.
Sj 11 (ud art. 145). Gelijk artikel 140 der Grondwet is geplaatst aan het eind dor voorschriften, die over de bevoegdheid der Staten handelen, zoo behoort artikel 145 de reeks van de bepalingen betrekking hebbende op de gemeentebesturen te besluiten. Het tweede lid staat aan het scheppen van een goed verband tusschen het vernietigingsrecht en de onafhankelijke adminislra- tieve rechtspraak in den weg. Het worde daarom geschrapt.
Artikelen van het wetsontwerp tot hot in overweging nomen van een voorstel van verandering in do Additionnele Artikelen dei-Grondwet.
Artt. VI on VII. De wijzigingen in de artt. 99 en 122 der Kieswet, zoomede de introkking van de artt. 100 tot en met 114 dier wet en van de wet van 12 Augustus 1890 (Staatsblad no. 148), zijn een rechtstreeksch gevolg van het voorgedragen art. 90 dor Grondwet
Tevens is bij de formuleering van het nieuwe art. 99, het woord „mannelijkequot; weggelaten, welk woord mede is geschrapt in art. 126, een en ander in verband met do voorstellen tot wijziging der artt. 84 en 90 der Grondwet.
De artt. 125, eerste lid en 144, eerste lid zijn in harmonie gebracht mot de wijziging, op hot vijfde lid van art. 90 dor Grondwet voorgesteld.
rgt;2
Eindelijk is in art. 140, tweede lid, rekening gehouden mot do verlenging vin don zittingduur dor Tweodo Kamer wolko hot ontworpen eerste lid van art. 85 der Grondwet.beoogt.
Art. VIII. Bohoudens do voroischto overeenstemming tusschen art. 17 der Provinciale wet on hot (o wijzigon derdo lid van art. 127 dor Grondwet, concontreeron de veranderingen in do Provincinie wet zich om bot nieuwe art. 128 der Grondwet
Do mogolij khoid eener ontbinding van do I\'rovincialo Staten vordert in ile eerste plaats een voorbehoud op de artt. (5 en 7. In dat goval toch is de termijn, voor do verkiezing gegund, kortor dan twee maanden, terwijl do dagen van verkiezing, stemming en herstemming in liet ontbindingsbosluit worden bepaald.
Jliet ongewijzigd kunnen in donzolfden godaohtengang blijven do bepalingen nopens don rooster van aftreding der Provinciale Stilten. IJe daartoe voorgedragen aanvulling van art. 24 correspondeert met art 14ö Kieswet.
Om voor do hand liggende rodenon dient gewaakt, dat niet, zooals uit art. 52 zou voortvloeien, do onlbinding der Provinciale Stalen tegelijk do Gedeputeerde Staten van hun ambt berooft. Tevens eischt do verkiezing dor nieuwe loden en hunne aftreding voorziening. Eon en ander wordt go-rogold in do voorgedragen aanvulling van art. 52 en van art. 5!t.
Arc. IX Do wijziging van art. 19 Gomoontewet correspondeert met do nieuwe, aan art. 143, tweede lid der Grondwet to geven lozing.
Art. X. Het schijnt twijfeluchtig, of het bestaande art. XII der Addition-nelo Artikelen alloon betrekking hoeft op de herziening van 1887, dan wel van verder strekking is. Ton einde dienaangaando zokerlioid te schonken, eenheid van spelling te bevorderen en de aanhaling te vergemakkelijken, wordt oen nieuw artikel voorgedragen.
De bij lagen dezer Memorie verschaft oen overzicht van de beslaande Grondwet, de voorstellen der Staatscommissie en de Regeeiings-ontwerpen, een en andei- voor zooveel de in de wijziging betrokken hoofdstukken aangaat, mot uitzondering echter van do Addition nolo Artikelen, voor welke oeno dergelijke vergelijking elke waarde zou missen.
Uk Mhiibler van liinneiilaiidsche Zaken, P. K 1 N K.