N^derl.
\\(u. 2%0
UITGAVE van
L.J. VEEN-AMSTERDAM
Vl-RSllCRÜ IvN OP IIANDI\'KRS GEDRUKT DOOK
JULIUS DE PRAEÏERE
P lt;1
20 exemplaren op japansch Keizerlijk papier 100 exemplaren «gt;p Hollandsch van Gelder papier
AL DE EXEMPLAREN GENUMMERD
n 57 .
EERSTE VERZEN ZIJNDE
HET VADER-HUIS
KAREL VAN DE WOESTIJNE
BIBLIOTHEEK DER j RIJKSUNIVERSITEIT | U T R E C H T.
n M1 ^tiI i m- -ii* FrU\'iiB Jt
ti r (.;i:da( in icnissi: i;n
■
WIJDING AAN MIJN VADER.
o Gij, die kommrend sterven moest, en Vader waart, en mij liet leven, en me teeder leerde leven met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven, en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
— ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaart,
en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden wijd-suizend over \'t matte water, en de weiden zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...
Zoó vaart mijn leve\' in vrede en waan van dóód begeeren, tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.
lamp;jaifflimffiiSifttamp;\'a
■
—BI
- :--
1 C \' ■
\' \'\'\'
\'
VOOR-ZANG
mm
Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren, was stil, daar \'t in de schaduwing der tuinen lag en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
— Ik was een kind, en mat het leven aan den lach van mijne moeder, die niet blij was, en aan \'t waren der schemeringen om de hoornen, en der jaren
om \'t vredig leven van den roereloozen dag.
En \'k was gelukkig in de schaduw van dit leven dat naast mijn droomen als een goede vader ging....
— De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing, iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan, als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten die rustig-zwaar in \'t loof der stille hoornen staan.
... Toen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren als schaamle hloemen in den avond, o mijn kind. En \'k minde u. — En zoo \'k véle vrouwen heh hemind sinds dien, met moeden geest of smeekende geharen : ü minde ik; want ik zag uw kinder-oogen klaren om schuine bloemen in de tuine\', en uw aanschijn om mijn eenzelvig doen en denken troostend zijn, in \'t huis mijns vaders, waar de dagen trage waren...
\\
VERZEN EEXER LIEFDE
süHiiümi
\'k Ben eenzaam-droef, in \'t geel-teer avond-dalen...
Door \'t open venster hoor \'k. den donz\'gen val van klamme bloemen in kristallen schale...
— En \'k weet niet of ik haar beminnen zal, in \'t stil en licht bewegen harer leden, en hare goedheid in mijn vreemd bestaan...
\'k Ben droef, en \'k hoor haar stille voeten gaan en haar zacht neuren, in den tuin, beneden.
Wie weet, en zal mijn liefde in u niet dalen, kind, vreemd, kalm, en simpel-teer als de\' avond om de graven.. Want wie, die in gelatenheid zijn tocht begint,
wie weet de vrouw die langs de baan zijn lip zal laven met blijde vruchte\' en vredig-milde liefde-gaven ?
Want zie, ik denk aan u, al zijt ge vreemd me, al staat ge, simpel-teêr, kalm in mijn geest te leven,
met stillen aêm waarin geen liefde-schroom komt beven, en zonder éen gebaar dat naar mijn leven gaat:
ik denk aan uw\' grijs oog, zacht in uw wit gelaat.
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen,
mijn torve mond uw zacht-streelende daên ?...
— Op de effen lente-Leie zie \'k, blad-weemlend, gaan \'t verduisterd even-beeld van roerelooze abeelen
om \'t matte wit en eêle geel der vele water-leel\'en die, bij \'t gewieg van tragen avond, kallem staan en teêr-aan neigen in het zilver-stil getaan van schuine zonne-glanze\'in bevend schaüwe-spelen...
—- Hoe zal \'k uw leden streelen, ik die treurig ben
en, vreezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld,weerkaatst in moe dood water
(\'t beeld der abeelen speelt in \'t zilver-gele water)
— hoe smaakt mijn torve mond den wrangen, armen waan dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...
Gij zï]t de goede vrouw ter drempel mijner dood, — gij die me uw oogen als een zomer-nacht ontsloot vol wondre lichten en vol rust\'ge duisterheden; gij die me uw leden als de rijkste herfsten bracht, en, schooner dan een schemering, de zéekre kracht van vredig leven en zich goed bemind te weten.
Want gij, die weet hoe iedre vreugde tanen moet, gij mint me; — en \'lijk een god de dood der zon begroet met stille liefde, al heeft hij vreugde-vol geschapen die zon : zoo mint ge in mij wat ge in u-zelf voelt slapen en dat in mij voor eeuw\'gen slaap moe de oogen sloot, — ons moede liefde, o vrouw, ter drempel mijner dood.
Kom, laat ons gaan door \'t land der herfsten... Ooft-beladen
glooit, in haar vruchten-rust naar \'t laatste dage-rood,
glooit de Aarde, in\'tplooien-kleed der goud-zwaar\' herfstgewaden,
moede als een moeder is van voede\' en van verzaden,
zóo, moede en blijde, in de armen van de dood, —
in de open armen van de dood, zoet als de haven,
waar zware tochten zich aan hope komen laven;
in de open haven, zalig als een moeder-schoot...
Kom, laat ons gaan door \'t land der herfsten... Zomer-dagen laaien hun laatsten brand van zwaar gebroei... — o kind dat vóór mijn weze\' uw wijze liefde hebt gedragen,
en al de sterren weet die we in veel nachten zagen,
en de\' adem van den Tijd in de\' adem van den wind :
zomer laait uit nu, kind, in \'t staege licht-vervagen,
de aard laat de barens-daad in vlije rust vertragen,
en \'k voel dat de eeuwigheid in deze\' avond begint...
We zullen gaan door \'t land der herfsten, en, verloren in herfstige eenzaamheid, zal ons veel vrede zijn.
Zie, de avond graaft in de aard zijn laatste zonne-voren; en wij, — ons liefde werd in wetens-ernst geboren, — \'t geweten van den herfst zal om ons leden zijn...
Ons liefde is moe van lam gezeur en mooie logen... Wegaandoor \'tland van herfst,— o,sluituwlévendeoogen,— we gaan ter zoete dood in \'t kallem aard-gedein.
Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en \'t zoet verhaal van uwe dage\' en mijne dagen die vredig in ons leve\' als stille tuinen lagen in \'t teêre licht van late schemering gebaad,
wijl d\'hemel is om tuine-groen een stil gewaad van trage., kalme schaüwen, en de boomen dragen een laatste vogel-stem van lang-verglooiend klagen dat kwijnt en weêre wast en weêre kwijnen gaat...
Thans, o mijn kind, en leeft geen lied om ons, en leven geen vrede-dage\' als stille tuinen om ons heen;
geen scheernring bleef om ons vereenden droom geweven, en droeve schaüwen schuive\' om ons gescheiden leen...
En in den nacht zie \'k, laatste troost, alleen nog beven de matheid van uw wit gelaat, in stil geween.
Thans is het uur dat schaüwcn neigen, en de avond, als een teeder lied,
om huize\' en zielen zacht komt zijgen, en moede durend, stil vervliet in de open schoot van \'t schemer-zwijgen.
Thans is in al de zielen vree, en dank-gehed in al de huizen;
en zelfs wie wrange dagen leê,
voelt in zijn wezen kalmte suizen als een slaap-zware zomer-zee...
— o Pijn van hér-doorleefde pijnen... Alleen voor óns is vrede niet,
o mijn vér kind, in \'t trage deinen van \'t kallem-durend avond-lied over de dankende avond-pleinen.
De luchten hangen vol dagen, — de dagen hangen vol smart...
Ik zal te zwak zijn, om te dragen wat mij de wereld tegen-sart;
ik zal te ziek zijn, om te wezen wat uw wil star me tegen-slaat, o mijne dade\': alleene weezen die door \'t gewoel bang henen gaat.
Ik, die te trotsch ben om te leven in stalen palen enklen tijd :
ik zal te moe zijn om te weven het pal werk van een eeuwigheid...
En mijn leede armen moeten schrage de buischende onmacht die me tart uit luchten, dreigend vol dagen, veel dagen hangend vol smart.
— Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wegen...
— co Gij, mijn zoon, dié duldig leven mag
van \'t glooiend denken aan een verren liefde-lach :
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen. »...
— Ja, ik ben goéd. Maar \'k wilde vrédig zijn...
— «Mijn leéuwrik! Gij, die door de nachten héen-gedrongen, de vreugd van de eenig-eeuw\'ge zonne hebt gezongen, draagt ge de rust niet meer van de\' een\'gen zonne-schijn ? »
— Maar ik ben moé : \'k wou in uw woorden slapen...
— « Mijn loome bloem in avond-water; o mijn kind;... ik zal u sussen; gij zult rusten; gij zult slapen,
gij, die de Liefde draagt die niemand heeft bemind. »
KOORTS-DEUN.
\'t Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar-buiten,
— En wat de bloemen wégen in den herfst;
— en de oude regen lékend langs de ruiten...
Zwaai-stil staan grauwe boomen in het grijs,
dc goede sidder-boomen, ritsel-weenend;
— en \'t is de wind, en \'t is een lamme wijs van kreun-gezang in snakke tonen stenend..,
— Nu moest me komende oude drenteï-tfed, nu moest me \'t oude vree-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-tnoedertje om \'t diepe bed waar zich de warme koorts een licht dierf droomen, en \'t wegend wee in leede tranen berst...
... \'t Is triestig dat mijn droefheid thans moest komen, en loomen in \'t atone van de boomen;
— \'t is triestig dat het regent in den herfst...
Gezichten mijner dood, ik draag in mij
de klare blikken van uw teedre heerschappij,
en \'t warme streelen van uw glijdende gewaden...
Ik ken u niet, maar ben in u verblijd,
want gij blijft jeugdig door de tijden, en de tijd
breidt om uw haren heen de zachtste dageraden.
Ik min u. Ge zijt mijn; ik leef, ik leef van u,
gij, die mijn dagen als een bed spreidt, en zoo luw de\' aêm van uw nadering laat waren om mijn slapen... •— Ik wilde rusten; maar ik zie uw oogen staan zóo onbegrepen-goed met droeve vreugd belaen dat ik voor eeuwig in uw vrede nu wou slapen...
Gij komt. Ge zijt de beelden van mijn zachte dood... Hoe jóng ge zijt! Ik zie hoe zich uw mond ontsloot voor \'t simpel woord dat deze nieuwe vrede beidde... Ik ben zoo licht. Ik ben een knaap die needrig gaat in \'t zoete wijzen van uw goelijk wijzen raad; en mijne nieuwe jeugd die ademt aan uw zijde.
VENUS EN ADONIS
(TUSSCMEN 7. AN G)
ADONIS
Deze avond is gelijk een stil verlicht paleis,
o wondre vrouw, in \'t trage schaüwen-gaan der boomen...
— Ik ben beklemd in vreemden slaap, hoor gaan en komen uw stem, o vrouw, gelijk een sussend-zoete wijs
die ik eens hoorde in vaders tuinen, grijs van peis...
VENUS
Adonis, uw effen haren zijn als zacht-neigende bronnen.— Ik weet niet hoe mijn mond uw teer lijf streelen moet... De avond is wijd... Ontwaak, en toon den doffen gloed
van uw jonge oogen, goude\' als mat-gedoofde zonnen.--
Ik weet niet hoe mijn hand uw leden streelen zal.
Adonis...
ADONIS
--Een ver, stil lied, in \'t vaderlijke vrede-dal;
het wast, en sterft, in smachtend-stille en hel\'re klanken...
— Vrouw,ge zijt vreemd; ik vind u vréémd. Als roze-ranken om jonge boomen, zijn uw woorden om mijn hoofd
met kleine blijde wonden... Was het waan ? \'k Geloofd\' in vreemden slaap dat mijne moeder zacht me streelde... Ik slaap vréémd...
VENUS
— De avond is groot van ongeweten liefde-weelde nü dat mijn lijf dit jonge lijf beminnen gaat. —
Adonis, als een rechte bloem is uw gelaat,
en stille vruchten voor mijn mond zijn uwe leden...
Ik wou de nieuwe blijheid uwer liefde lijden,
o lieve Adonis, die uwe oogen open laat als schemeringen naar een liefde-dageraad,
o mijn Adonis, die ik moet... die \'k wou beminnen, o Adonis...
ADONIS
— Ik weet niet, hoe uw woord in mij doet angst beginnen, vrouw, daar \'k u niet versta... Deze avond is
gelijk een stervens-huis, hoog-stil in treurenis...
Zoo wist ik huizen, en de vrouwen hadden tranen in zwijgend oog, — en ik was vreemd als thans. — —
VENUS
o Wanen,
Adonis, wanen dat we zijn in eeuwigheid de éenige liefde, lijk gij de éenige lieveling zijt,
en dat we heel den Tijd in onzen min doorbranden.
— Adonis, vlij mijn slapen, vlij mijn handen ;
Adonis, raak mij aan ; ik word gelijk een groot vuur...
ADONIS
Vrouw, vrouw, gij maakt mij bang...
VENUS
— Het schravend uur is loom van al het bloed dat liefde-menschen droegen in zware slagen die door hunne borsten ploegen als groote mokers. —... o Adonis, voelt ge niet hoe \'k, zonder uwe min, bezwijk ; hoe \'t leven vliet van haar die mensch werd om te minnen als de goden ?... Adonis...
ADONIS
Vrouw, ik ben zeer bang...
VENUS
Zie hoe mijn lijf u wacht en trilt op koele zoden!
— en deze nacht zal zijn als d\'eérste liefde-nacht.
— Kom, mijn Adonis, wijd is de avond, en de pracht van al de zomer-dagen, rust in deze schonken.
Gij zult gelukkig zijn, Adonis, stil gezonken in dezen schoot, Adonis, die uw min verbeidt en lijdt van sneller drift en noest-brandend verbeiden... — Adonis, leg uw bande\' op mijne beete zijden en voel hoe ik u hebben móet...
ADONIS
o Vrouw, ik ben zoo bang...
VENUS
Zie, ik gevoel hoe ik moet sterve\' in mensche-dood als gij niet zijtaan mij. Adonis, o mijn lijden... o kom, ik móet u hebben, \'k móet u...
ADONIS
Vrouw, vrouw, zijt gij de Dood?
VERZEN A AN HRNE VROUW
I
Gij die gebaard hebt, en in moeder-smart gestaan,
hoe ben ik als een tuin voor uw gepijnd verlangen?
Hoe gaat ge in barre hoop, hoe draagt ge onvruchtbren waan, en heeft uw liefde een liefde om mijn gelaat gehangen?,..
Al slaat in mijn moe hoofd uw zware zomer-geur,
vergeefs zult ge, als een roos, uw adem mijwaarts keeren ; want, ben ik üw door al de macht van uw begeeren, gij kunt niet mij zijn, daar\'k om eigen liefde treur.
Wees stil; kunt ge niet zijn gelijk een moeder is ?... U w mond is als een beek voor duizend kinder-vragen... De bijen zingen bij uw diepste treurenis;
en — heb ik niet, ^ls gij, mijn glijm-bch moe gedragen ?
Wees als een goede vrouw en die geen vreugde wensch\'. Zal \'k u beminnen ? — God die zal mijn dagen leiden... Wees stil. De hoogste liefde is stilte. — En wees een mensch gelijk een menscji die lijdt gelate\' om meerder lijden.
Wat baat het aan den dag dat ik beminnen mocht? -— De erinn\'ring Is een licht in laaie zomer-landen... Heb ik geleden ? Zie : ik heb mijn leed door-wrocht, en geene roos is schoon als deze noeste handen.
Ik heb mijn smart gemaakt een zwaren zomer-zang.
Ben ik niet blijde? — Ik heb toch óok mijn pijn geleden... Wees vredig, o mijn vrouw, en wisch op iedre wang de leede en teedre traan die trage heeft gegleden.
Thans zijt ge beter, daar ge vredig zijt, en kuisch, gelijk de dorpel van een frisch en duister huis. En zijn uw oogen droef, zij hebben klaar gesproken : ik heb de doornen van uw liefde-boom gebroken.,.
— Zóo is het góed, dat ge in mijn kalleme armen rust Een nieuwe lent kan thans om uw gebaren groenen... En zoo ge nóg mijn mond, herdcnken-lievend, kust: gij kust een schoone dood, de zoon van onze zoenen.
Ik zal u niet beminnen,
gij, die in vree-gewaad voorbij mijn torve zinnen langsheen mijn leven gaat.
Ik zie uw rustige oogen, en \'k weet hoe goed ge zijt : uw teederheid, gebogen over mijn eenzaamheid.
En \'k heb u niets verborgen van blijheid, drift en leed, en hoe uw plegend zorgen me in stilte weenen deed.
Maar — \'k zal u niet beminnen met brandend hart en brein ; ik wil u niet beminnen :
ik wil gelukkig zijn.
Als, bij moe-tanend avond-lichten, angst daalt in onze aanwezigheid, zijt gij \'t, die voor ons aangezichten de vree der avond-lampe breidt.
Wij zitten, en ons leden wegen, zwaar van stil-naêre dage-dood ; gij hebt zacht woorden die verplegen, en breekt het vredig avond-brood.
En wij, die uwe gaven eten, wij rusten in uw blijden haard, en zien, ons leed bijna vergeten, uw hand die stil de kruimels gaart;
en slapen in uw teêre zorgen, en raden niet hoe, troost-gewijd, gij, voor u-zelf misschien verborgen, van lijde\' een beetre liefde zijt.
Octobcr draagt in vree wie sober heeft genoten
de zomer-vruchte\', in lustelooze rustigheid.
Maar ik, wiens dagen als een vlucht van vooglen vloten,
steeds onvoldaan, naar u die de een\'ge Zomer zijt,
mij heeft de rille Herfst zijn wrangsten wijn gegoten...
Zult ge thans keeren ?... Mijn bezweren is te moe dat het de laatste reize om uwe liefde doe. — Misschien,misschien?... Ik voel in mij den tróóst bezinken dat beiden wij misschien, gesluierd, de oogen toe, denzelfden schampren wijn terzelfde schale drinken.
Wees niet de schroom\'ge die, in loomer avond-komen, herdenken zwijgen doet;
ben ik de pleger niet die met zijn eigen droomen zijn eigen treurnis voedt ?
_Treed nader, zie mij aan, en hoe mijn oog, gelaten
geen liefde vraagt, o kind ; —
ik heb de zeilen van \'t verlangen neêr-gelatcn
bij liggende\' avond-wind...
En weder teeder in uw deinend over-peinzen van ons geschéiden wee,
zal ons vereenden droom misschien ten einder deinzen der zelfde vrede-zee.
Want,kwam nog, wijlend, in uw kommrend oog gegleden
de schaduw van mijn vroeger lied, —
draag ik dan, rustig, \'t lévend leed van ons verleden
niet, niet ?...
---Wees niet de schroom\'ge...
Gij kunt niet wijken ; en ik zie uw lippen prijken, glans-vochtig als een vrucht in prillen morgen-tijd... Gaat thans niet, schoone, onze aarzel-vrome schuchterheid \'t lach-teedre doen van vreemde kinderen gelijken ?
— o Ween niet meer ; we zullen samen treurig zijn tot ons een nieuwe vreugde in stilte moog\' genaken. En hoop. Misschien wordt ons een liefde-nieuw festijn \'t herdenken dat we, traan aan traan, gezamen zullen smaken.
Gij zult mc niet meer kennen, die me kende\'...
Noch gij, die weet hoe \'k mijn begeeren wond en wendde om uw onachtzaam-reede of toeë schoonheid, lijk een welk\'ge winde rankt om een bezónden eik;
vreemde geliefden van mijn drift, bestemde vrouwen die voert in uw gelaat \'t verholen merk gehouwen dat mijn verlangen brandde uit iedren wrangen blik; zware, ongesmaakte en duistre vruchten-pracht, die ik, droef-moede beedlaar, in geen avond-tuin genaakte; o menigvoud\'ge vrouw die, dicht-omwaadde of naakte, herinn\'ring aan.mijn trots of mijn begeerte draagt,
en rilt wellicht bij \'t beeld dat ge in mijn oogen zaagt van schrik om vreugde en nijd om ongeleden pijnen ; en gij die, onbezeten-schoon, in u voelt schrijnen spijt om versmaadde, zomer-rijpe manlijkheid ;
vrouwen die zoenen-loom of bitter-wachtend zijt, nu lamme zomer óp naar torven herfst wil deinen, gij zult me niet meer kennen, vrouwen...
Noch gij, noch gij, die mij bemint, die mij bemint...
Gij weet het, o mijn vreemd en teeder-schromend kind, en, wetend hoe \'k mijn vreugd aan andre heb geschonken, toch treedt uw prille zoen bedeesd mijn lippen naêr...
— Thans zijn mijn leden, in hun moeheid, neêr-gezonken; ik zie uw rijpen mond, en \'t wegen van uw haar,
en \'k min u nóg, en ween, en ril u te beminnen, o simpel-schoone vrouw die ongeschonden zijt en draagt een liefde naar mijn moede dierlijkheid en zuivre wanen naar mijn schamper-matte zinnen...
Gij zult me niet meer kenne\', o gij, die vroeger waart
de stille vlamme in vaderlijken vrede-haard...
Ik ging : daar was een zón voor mijn begoochelde oogen;
— en thans, dat mijn gelaat, behoond en bloed-bespogen, herdenkens-strak, naar oude heerden keeren gaat,
voelt het de vlamme nauw die stil het tegen-slaat.
Ik hoor de nacht die nader-zijgt, — en beider zwijgen...
Ik voel uw hoofd naar mij geneigd, — zal \'t mijne neigen ?
Uw aangezicht is vreemdlijk stil in \'t schemer-leven...
Ik zie het laatste dag-geril in de avond-dreven.
— Is dit een einde of een begin ?... Uw handen glanzen;
uw blik is als violen in verslenste kranzen...
--Ach, is ons lijf voor eeuwig
en onze zinnen ?...
Mij, faalt de kracht, te zeggen hoe
\'k u durf beminnen.
Het weze dan, dat ik thans weer uw lief zal wezen, o spiegel die het beeld van mijnen glim-lach draagt; en dat mijn liefde, in schroom naar uwen schijn gerezen, met vroegre woorde\' uw liefde in schamele\' eerbied vraagt,
— meelijdend om haar-zelf, zoo als een vooglaar waagt met suizend fluite\' een kranke vogel te genezen...
Ik ben gewond; ik heb een wonde, en die nog bloedt, en die ik thans in liefde om uw geluk wou dragen...
— Ik weze uw lief, gij die geduldig zijt, en goed
dat gij mijn vreemden waan met eigen waan wilt schragen,
— meelijdend om de vooglaars die \'t genezen wagen, met zoet gefluit, van \'t vogelken dat sterven moet.
Wat deert me nieuwe liefdes-tijd; wat deren waan\'ge dagen ?
\'k Heb mij in bedden neer-geleid waar vreemde dooden lagen...
Wat schade aan hergenoten waan? Misschien zal ik vergeten hoe doornen langs een liefde-laan mijn lede\' aan stukken reeten...
— Ik ben 7,00 blij, ik ben vreemd blij, te kunnen stil geloóven in nieuw-aanblazend min-getij door oud-gekende hoven.
DE MOEDER.
Ik draag u aan mijn hart, al ben ik jaren-zwaar.
Voelt ge mijn adem als een vlamken op uw haar
DE ZOON.
Ach, zwijg : ge zijt een vróuw langs leêge levens-straten...
DE MOEDER.
Hoe, heb ik niet mijn zoen op uw gelaat gelaten f
DE ZOON,
Uw zoen is op mijn mond gelijk mijn tranen : zóut...
DE MOEDER.
Mijn zoon, mijn zóón; ik ben voor u als duister goud... Ziet ge me niet, om u zoo troostloos-droef te wanen ?
DE ZOON.
Mijn moeder, \'k zie u vréémd in \'t licht van mijne tranen...
DE MOEDER.
Bemint ge mij dan niet, mijn kind ?... Zie hoe ge leeft in iedren tragen traan die in mijne oogen beeft.
Ziet ge niet heel uw leve\' in mijn grijze oogen leven ?
DE MOEDER.
Ik draag u aan mijn hart, al ben ik jaren-zwaar.
Voelt ge mijn adem als een vlamken op uw haar?...
DE ZOON.
Ach, zwijg : ge zijt een vróuw langs leêge levens-straten..
DE MOEDER.
Hoe, heb ik niet mijn zoen op uw gelaat gelaten ?
DE ZOON.
Uw zoen is op mijn mond gelijk mijn tranen : zóut...
DE MOEDER.
Mijn zoon, mijn zoon; ik ben voor u als duister goud... Ziet ge me niet, om u zoo troostloos-droef te wanen ?
DE ZOON.
Mijn moeder, \'k zie u vréémd in \'t licht van mijne tranen
DE MOEDER.
Bemint ge mij dan niet, mijn kind ?... Zie hoe ge leeft in iedren tragen traan die in mijne oogen beeft.
Ziet ge niet heel uw leve\' in mijn grijze oogen leven ?
de zoon.
Neen, arme moeder...
de moeder.
Noch uw wonder-dolste daên die vredig als een herfst over triijn lippen gaan,
mijn zóón ?
de zoon.
Ik heb mijn wil een harder beeld gegeven ; een andre vrouwe leeft voor mijne onsterflijkheid... Des ben ik droef, o vrouw die mijne móeder zijt. Kan ik nog de\' uwen zijn ?
de moeder.
Helaas, de schoone dagen om uwe liefde en vreugde in deemoed stil gedragen ;... — enthans, in uwe aanwezigheid zoo gansch alléén... Ziet ge niet dat ik ween ?
de zoon.
Ziet ge niet dat ik ween
I.
I
li
/ A
L ■
^4^.. ■- , _•
ïuk v-^iAf .lt; mmmmm
, ...gt;.. . \'.M»-quot;»S- -
WjfffffiBi Mi
pa
De oude getouwen, en de smidse in blij bedrijf, en \'t zingend visschers-lied in de arme Leie-dorpen....
— God, ben ik uit den kreis van uw gena geworpen, dat ik zoo éénzaam bij de vree dier needren blijf?
— De avond, gelaat van rust aan mijnen kus gelaten, is droef der treurnis van mijn moede dierlijkheid ;
en \'t schamel brood, o God, dat mijne dagen aten,
werd buiten \'t plegen van uw zegening bereid.
En zwaarder weegt de last van uw bestaan me, en lóomer in de oogen \'t beeld van die in vredig werken staan...
— Deschromple menschen gaan naar\'t einde van denZom ik ben de vreemdeling die naar den Herfst moet gaan.
Keer niet uw oog van wie ge in vrede leven liet. God, die mijn dage\' eens wilde als spiegel-stille meren, met glans-getaanden gang van dage- en avond-keeren en de enkle rimpling van een simpel-aadmend lied ; gij, die me in vrede lijden liet, zóo dat niet éene haar weenen dragen kwam naar mijn verholen weenen ten veil\'gen vijver van mijn lijdzaam-zacht verdriet;
gij, die ik lief kreeg om uw teeder-troostend zwijgen, o God, die om mijn aangezicht uw liefde neigen en in mijn handen uw geweten wegen deed ;
gij, die \'k mocht vinden met uw oogen in mijn oogen. Vader, als de oude pijn ter schoot van uw meêdoogen, en \'t moede denken in uw zoet verplegen wogen,
en op uw gode-mond de woorden van mijn leed...
Keer niet uw oog, keer niet uw zegen van mijn zegen... — Als de arme hoere, die, in \'t maffe bed gezegen,
haar geilheid biedt en om haar schamper leven lacht, maar — in den koppig-loome\' en langen liefde-nacht van lammen driften bitter-goor gezoen bezeten, — de slechtheid van haar vleesch en smaadlijk lijf vergeten, eenvoudig als een vrouw de ontvangenisse wacht :
zóo wacht mijn weiflend meê-geleefd dat uw genade, sidderend als een nieuwe beek, mün geest door-wade, o God die in uw daên als duizend beken zijt....
Wij zijn, die wachten, van verlangen ongenezen, dat, louter rijzend, en het wezen in uw wezen,
ons passie uwe rust in de oogen moge lezen,
en \'t weten van óns eeuwigheid, uw eeuwigheid.
Zegen deze\' avond, God : ons handen rusten ;
en, kenden onze leden \'t kleed der vreemdste lusten en ons verlangen \'t pad van de\' ongewoonsten waan, thans zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan....
— Stil-wegend staat uw leve\' op de onbewogen blaên ; om iedren boomgaard gaat de vrede vau uwe oogen ; en wij, die elke vrucht in onze handen wogen
en lachten, zijn als vreemdelingen, die gebogen onder uw vrede en \'t leven uwer oogen staan....
Zegen deze\' avond. God.... In iedre voren
laat het gebaar van uw meêdoogen rustig zaad ;
uit uwe liefde is kalm een rozen-meer geboren ;
uwe genade laat de zon meewarig gloren ;
en in mijne oogen brandt de vreê van uw gelaat....
— En wij zijn treurig. God, al liet ge dalen
om de oude plooien van ons wegend drift-gewaad, zoeter dan ooit een liefde om ons haar teerheid laat, de teere goedheid van uw warende avond-stralen....
—*tai
Zegen deze\' avond; zégen. God. Wij zullen zwijgen. — Gelaten en verzoend in de avond-zoete dood,
zal onze torve zin naar uwen boezem zijgen gelijk, een slaap-zwaar kind ter zaal\' gen moeder-schoot. Zégen.... Uw rust zweeft, zeegnend, om gebogen twijgen, die wiegen, naar de slaap der vooglen aadmend gaat. Zégen.... De zuivre nacht zal om ons leven stijgen, en ü-waarts de eenzaamheid van onze dagen neigen, als naar een dag van weelde een rust\'ge dageraad.
Er gaat een goede beedlaar langs den weg..
— God, ik en weet niet hoe ik zoo kon lijden, als gij wel wist dat ik deze\' avond leven mocht.
— Zacht-wuivend gaat uw liefde door de weiden ; en \'k voel me vrédig, wijl ik deze woorden zeg, onder de goedheid van de\' oneindig-stillen loeht.
Goedheid, góedheid gelijk een zuster aan mijn zijde, hoe heb ik u verbeid, — die ik niet vragen dierf,
sinds, kommrend om mijn vreemd bestaan, mijn vader stierf, en uw gezoen, o lief, mijn doode liefde zeide....
— Maar God zal mij misschien genadig zijn, genoeg voor \'t pover horizontje heil dat ik hem vroeg, en góed, o Góedheid, voor wie moeizaam en bedrogen, wou slapen gaan met üw gelaat in zijn moede oogen....
Ik weet niet wat ik heb gedaan,
ik weet niet wat ik heb geleden,
om uit de huizen van \'t verleden weer naar een liefde-feest te gaan.
— Deze avond draagt op plane vlerken het wegen van een milder tijd;
En \'k voel mijn blijheid in me sterken bij \'t staren in uw teederheid.
Ik weet me zoo beraden rusten,
o schóone, in onsveréenigd zijn,
en vredig, als een veegen schijn op \'t aanschijn van verre avond-kusten.
— En God, die mij misschien begrijpt, die om mijn weze\' üw stem liet suizen, is als een vrucht die in me rijpt...
— De vlier-struik geurt naast al de huizen
Wij zullen blijde zijn.... De boomen blozen
van vruchten. En ons hoofd is schoon als duizend rozen,
nu wc overvloedig zijn van zwenkend zomer-bloed...
o God, Gód, ik en kénde u niet, en was verlóren ;
maar nu ge uw adem door mijn adem deinen doet,
is uw gedaante ménig-voud in mij herboren,
\'lijk, beken-veel door \'t barstend lente-land, een vloed.
— Ik ben geheel; ik wéét u ; en mijn droomen zijn gaanderijen voor uw stem. En heel mijn lijf is \'t duizel-ruischend huis en eindloos-wijd verblijf waar uwe zomerheên als vaarten vreugd door stroomen. Want thans is zomer zwaar der daden uwer Daad, en \'k voel, ik die gelukkig ben, hoe door de boomen bremstig uw godlijk sap naar bast en blaêren slaat.
THANATOS l \\ Dit VREEMDELING
(KIND-ZANG)
I
.
DE VREEMDELING.
Open de deur. Ik ben een vreemdling. Ik ben moe....
Al is uw mond gelijk een veege wonde toe,
ik zie de sleutels in uw dor-gesloten handen.
Open de deur; —want hij, die doolde in vréemde landen,
en at het brood van lijde\', en dronk den wrangen wijn
waarvan de liefde-dagen droef de druiven zijn ;
wiens lippen d\' heeten dorst van \'t leven drinken dorsten ;
wiens moeheid vreugde zocht op even-moede borsten ;
en — wien de nacht thans eindelijk den spiegel bood
waarin zich \'t beeld van zijne bitterheid ontsloot;
hij, met de pij van drift en treurigheid omschorste,
hij staat ter deure, o Dood. . . .
Was het üw stem niet uit de holten, üw geschater
dat mijn verwaandsten lach naar uwe lippen riep ;
niet het verglijdend licht van uw gelaat, dat sliep,
diep, toen ik peilend staarde in \'t lijdzaam-levend water ?...
— Thans ben ik moe : ik wéét niet meer of ik u zag ;
\'k herken uw voorhoofd, noch het galmen van uw lach,
noch, door den nacht, den weg waar uw verlokken leidde...
Ik kom tot u... Gc zult me uw zorg tot bedde spreiden, dat ik moog\' slapen als een liefde-omademd kind... ... Gij zwijgt?
— Ik zie uw haar gelijk een laag-gelaten wind; uw glimlach als een houw in uw gelaat gewrcten ; en de onverschilligheid van uwe luie leden... Beziet ge mij ? — Ge zijt gelijk een aarden beeld...
— Hebt gij dan niet mijn jeugd reeds met uw hoop gestreeld, uw hoop die, \'lijk de water-lelie in haar wone
van water, \'t dubbel schoon van hare bloem komt toonen, en wijlt, en schooner steeds haar puurheid open-luikt,
maar, neigt de schaduw van den avond, neêre-duikt, en, voor wie kijken blijft, nauw weêrschijn van haar wieglen laat blanken onder \'t tanend plein der water-spieglen,
— zóo was de hoop die, kwijnend kind, ik heb gezien en al te duldig-teeder heb bemind, misschien...
Thans ween ik. Want ik werd een man, en zag u dalen, hoop, als een water-leel\' in wadende avond-stralen.
hoop op jong dood-gaan, — ik die, staande, leven moest in mijne driften, met, in \'t hart, uw grijns geroest : een masker...
— En tóen, toen zou mijn vader sterven, die me kénde, en zijne dagen gelijk spannende ossen mende,
en mijne dagen zag gelijk een jonge zon boven zijne oogen, blijde om \'t breedeen blijde leven dat iedren morgen aan een nieuwe kim begon waarheen zijn droomen, door de bonkige akkers, dreven \'lijk spannende ossen.— Ik, die al zijn hopen droeg, ik zag zijn daden als een goede\' en trouwen ploeg voor mijne hande\', en was gelukkig en tevréden...
— Zijn vingren hebben nutteloos het hecht gesneden ; het snijdend ijzer werd vergeefs in vreugd gesmeed ; en vruchtloos de oude grond door blijden wil gekneed; hij stierf... En ik, die \'t mooi-beraamde werk moest erven in vreed\'ge sterkte, ik zag zijn zuivere oogen sterven,
en kon niet denken. Dood, hoe gij gekomen waart...
— Helaas, geen ossen heeft mijn wil voor \'t juk gepaard;
geen akker lachte in \'t flitsend helmen van mijn zweepen ; ik heb het leven als een wijf om \'t lijf genepen,
en wie me kende, heeft mijn laffen drift gekend...
Want, als een ruiter, die de sterkste paarden ment,
lacht, en zijn lachen striemt en bijt de woeste paarden die trille\' en steigrend staan tegen de gloe\'nde klaarte des avonds, die zijn brand over de steden breidt en blaakt en pal blijft in zijn bralle oneindigheid,
wijd hijgend door het zwaar gebouw der wolk\'ge luchten, over het needre weven van de steê-geruchten die schuilen in de schaüwen van het hard gelaai;
— zoo, als een ruiter, die met éenen arrem-zwaai
de paarden temt en ment, en lacht, en laat den steden het snuivend razen van zijn grillig willen weten,
— maar, is \'t begeeren van zijn kokend brein voldaan, in iedren ader \'t haamren van zijn dood voelt slaan,
en, lacht hij nóg, zijn lach door de\' ijlen deun moet wringen die stervens-diepten door zijn holle hersens zingen:
— zóo, als een ruiter, heb ik \'t leven dóor-gemaakt...
— En dan heb ik de diepe en dure vreugd gesmaakt
van uw gelaat dat zweeg, o ziekte , en \'t zalig wegen van uw zorge\', o vrome zuster, en uw zegen...
Waart gij niet duister in uwe oogen, en uw lach gelijk een verre vrouw die men niet minnen mag ?...
— o\'t Vreemd en teeder lied dat heeft mijn mond gezongen een avond, waar de koortse\' als zware vruchten hongen,
en uw gebaar dat maatlijk vruchte-plukkend ging en om mijn haren warme vruchte-kransen hing... Ik druilde, en had uwaêmop mijn gesloten oogen naar \'t gaan van uw gebaar, en naar uw armen bogen boven mijn slape\', en naar het deinen van uw borst als van een lief die schroomde en niet te zoenen dorst...
— Zal ik om de\' ouden zoen van uw zoet plegen vragen ? Ik heb de felle kroon van eigenwil gedragen...
Zal \'k in den boomgaard van uw herfsten wonen gaan ? \'k Heb nijdig in het woud van eigen drift gestaan,
en, ben \'k alléén: mijn koppig leven zal \'t niet wagen te weenen om een leed dat niet meer wezen mag...
— De erinn\'ring is een huis in stillen zomer-dag:
gordijnen voor de lage rame\', en rustig lichten der late zon in de ooge\' en op uw aangezichte ;
gij waart mijn zuster, en ik was een heel vreemd kind, o goede ziekte...
— En \'k leefde eenzelvig-kalm en heb een vrouw bemind...
Gelijk twee vaarten in éen avond-meer gezonken,
— al heeft een andre dag om hun gelaat geblonken,
hoewel een andre zon hun beider weze\' omvloot :
Zij zinken in denzelfde\' en schoonen avond-schoot, hun waatren parend, die van beider dag-gelaten den glim-lach of de lijdens-lijn verglijden laten
in de\' een\'gen vrede-blik van de\' een\'gen dage-dood;...
— o mijne vrouw, gelijk twéé menschelijke zangen
in andre woorden weene\' om \'tzelfde moe verlangen : zóo liet gescheiden leve\' ons éene liefde erlangen,
en heeft eenzelfde liefde een dübblen waan genood...
--Wij kwamen, en,, al zijn we elkander vreemd gebleven,
al weet mijn leve\' alleen den schaduw van uw leven, we zijn gezamen naar éen vrede-meer gegaan,
en zagen aan den lucht denzelfden hemel staan...
Helaas, de waan heeft dubble liefde-loot gescheiden ; eenzelfde vreugde is opgegroeid tot dubbel lijden,
en, hoe we elkander minne\', \'et is geen liefde meer...
— Gij ziet me, o mijne vrouw, en zet u naast me neer,
en wilt me troosten ?... NeeUj \'t herdenken zingt het dóode: ons liefde is in de laatste zee, den nacht, gevloden...
— Gij moet niet lachen, domme Dood, zoo \'k willig leed :
was ik de leider mijner dade\', en, wat ik deed,
was ze niet schoon, toen ikhaarwêer zag, in haar schromen?...
Ik denk aan haar, en draag de krone mijner droomen :
eenzelvig koning, die, als éenge zekerheid,
zijn króne draagt die hem tot eigen koning wijdt;
en — \'k denk aan u, o Dood, en dat mijn duur bezweren
mijn droomen in een wijzer slapen moge keeren,
en mijn droeve ure\' in de eeuwige ure van den tijd...
— Want zie: ik sta ter deure, o Dood, met brandende oogen, in rillen nacht die zwijgt en geene sterren voert.
Zie : \'kheb de bittre pij om \'t pijnlijk hart gesnoerd,
en de aarde heeft het bloed van stap aan stap gezogen, en \'k was niet bang toen ik uw grijnzen heb gezien...
—Wilt ge nog meer?—Mijn lichaam is nog schoon misschien en jong genoeg, dat het uw geilheid moog\'verblijden : ik wil uw bóer zijn, — want ik ben te moe van lijden dat ik als vroeger zinge om nieuwe treurenis...
— Nochtans : en was ik niet als \'t zweerdig-werend lisch, (ik die mijn lijf bied), als de lisch-bloem die de waarde van hare schoonheid waart in scherpe blaêre-zwaarden.
en, toont z\'haar schoon: geen hand die hare schoonheid naakt Zóo was ik, — thans aan u : onder mijn droetheid, naakt voor \'t kwijlend reutien van uw afgeleefd behagen.
Is het genoeg ? Ik vraag dat ge mijn lijf zoudt vragen, en mij dan rusten laat in simpele eeuwigheid...
Gij zwijgt ? — Open de deur toch. Dood ! Het is de tijd dat ik moet slapen gaan — gelooft ge \'t niet ? — daarboven. Ik lééf niet meer ; \'k bemin niet meer, noch kan gelóoven... Zeg, vindt ge zélf niet dat het tijd wordt ?
THANATOS.
— Ach, malle jongen !
liii ■■■■■■■■■
■L
■
V.^ J.
rhji
i
cf) #ï ^
Bm^i.
—rrt-l*!- •« -quot;\'.n- i
i
|!
gff ■ \'^ HffggP^MBPf - r
Él
■• t\'- • mMÉ Pamp;ffe\'
Hl
«
.
MWiMMmMiiiiM
■^■n . ■ ■ -■ Ii ■-: ■
HH| , WtÊm -
II
jyi \'/jiwi(^»-3lt;wi\'s
11
IN\' VOORDKRiUOIN»VAN\' Zr l.VUl N SCUUlfVlCU :
DK BOOM( iAARD Dl-R VOGI-LEN EN DER VRUCHTEN.
HANDPERS
UITGAVE TAN
L. J. VEEN- AMSTERDAM