ONZE KENNIS
VAN
SUMATRA\'SWESTKUST
OMSTREEKS DE HELFT DER ACHTTIENDE EEUW
D O O U
E. B. KIELSTRA.
UiTOKGEVKN
DOOR HKT KONINKLIJK INSITTUDT VOOR I)K TAAL-, LAND- KN
volken kun uk van nkdkrlan usdu-indi k.
\'S GRAVENHAGE, MART IN US N IJl lül\'i-\'. 1887.
\'v
ONZli KENJNIS
^r A N
SUMATRA\'SWESTKUST
OMSTREEKS DE HELFT DKI\' ACHTTIENDE FEUW
DOOR
E. B. KIELSTRA.
lUTOKClKVKN
UUOll lir.\'l\' KONINKLIJK I NS TfTU UT VOOll lil: TA AI,- , I, VOLK KSKIINDi; VAN NKDKIM.AN\' l)Sf:ll-lN DIK.
\'S GliAVKNIIAGK, MA 11TI XII.S M.lllOFJ\'\' 1SS7.
Van den heer B. W. Wttewaall van Wickerburgh ontving het Koninklijk Instituut onlangs twee handschriften, op Sumatra\'s Westkust betrekking hebbende.
Het eerste bevat ccne «beschrijving van Sumatra\'s Westkust//, omstreeks 1730 te Padang uit de daar beschikbare gegevens samengesteld; het tweede de #Radicaale beschrijving// van van Basel, in 1761 te Batavia geschreven.
Van dit laatste is het tweede hoofddeel, getiteld //Begin en voortgang van onzen handel en bezittingen op Sumatra\'s Westkust// openbaar gemaakt in het Tijdschrift van Ned. Indië , IXe jaargang, 4e deel, en het derde, tot opschrift voerende //Van de voordeden der Westkust, de redenen hunner vermindering en de middelen ter verbetering//, met eenige verkorting in het Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek, XlIIe deel, 7e stuk. l)och het eerste hoofddeel, «Rakende de gesteldheid van \'t land en deszelfs bewoners//, werd tot dusver niet gepubliceerd.
Het is hoofdzakelijk uit deze beide gegevens — het eerste hoofddeel van van Basel en de Padangsche beschrijving van 1730 — dat wij het ondervolgend overzicht hebben samengesteld. Beide waren te wijdloopig om onveranderd in het licht te worden gegeven; ons overzicht is te beschouwen als eene samentrekking van de genoemde bescheiden, waarvan alles wordt opgenomen wat ons thans nog belang kan inboezemen. Wij zullen daarbij steeds vermelden wie onze zegsman is geweest
1 Voor zoover do persoons- of plaatsnamen ons niet van elders bekend waren, hebben wij de spelling daarvan , in de handschriften voorkomemde, onveranderd behouden.
1
2
Wanneer men spreekt over Sumatra\'s Westkust in vroegere eeuwen, dan denkt men dadelijk aa?! liet eenmaal zoo maclitige rijk van Me-nangkabau.
Van Basel maakt editor onderscheid tussehen Menangkabau en het keizerrijk van dien naam. Onder het eerste verstaat hij geheel Midden-Sumatra, aan de oostzijde begrepen tussehen het koninkrijk Palembang en de rivier van Siak, aan de Westkust tussehen het rijk van Mendjoeto en de rivier van Singkel. Het land van Menangkabau bevatte dus, zoo zegt hij, \'/het koninkrijk Djambi en Indragiri, in het midden het keizerrijk van Menangkabau, op de westkust het keizerrijk van Tndrapocra, met alle verdere plaatsen die thans onze bezittingen op de kust uitmakenquot;. 1
Het keizerrijk vau Menangkabau was, volgens van Basel, sedert het jaar 1680 //door oneenigheid onder de opvolgers van den toen gestorven keizer Alpha in drieën gedeeld, t. w. Soengeitarab, Soe-roasso en Pagarroejoeng. Soengeitarab grenst aan de XTII kota\'s, maar Soeroasso heeft de eigenlijk genaamde plaats Menangkabau onder zijne verdeeling gekregen en wilde zich daarom nog wel als opperheerscher van al de stranden (gelijk :1e keizers van Menangkabau gezegd worden voorheen geweest te zijn) aangemerkt zien; zendende nog dikwijls zijne gezanten met trotsche brieven naar Padang, daar zij dan met een klein geschenk tevreden gesteld worden ter wille van den inlander, die in \'thuis van Menangkabau eene hoogepriesterlijke waardigheid erkent // . . .
Wat dit laatste betreft, merken wij op dat, volgens Francisde Menangkabausche vorsten volgens contract met de O. I. Compagnie alle drie jaren 1000 realen (ƒ2000) van ons genoten, welke inkomsten aan Soengeitarab en Soeroasso waren afgestaan.
De wijze, waarop het bestuur des lands onder verschillende vorsten verdeeld was, is in latere jaren, ten gevolge van nadere onderzoekingen , op andere wijze voorgesteld geworden: volgens Francis 2had men drie vorsten: Radja Alam, oppergebieder. Radja Ibadat, opperhoofd van den godsdienst, en Radja Adat, opperhoofd over de gebruiken; en werd hun gezag ondersteund door de hoofden van drie voorname plaatsen in Tanah datar, wonende te Soengeitarab, Soeroasso en Padang Gantieng. Van de vorsten zou de eerste te Pagar-
1
Vau Basel, I § 12.
2
• ld. bl. 07.
3
roejoeng, de tweede te Soempoer kadoes, dc derde te Boea verblijf hebben gehouden.
De rechtstreeksche macht van deze vorsten over de bevolking was niet groot en bepaalde zich tot het verlecnen van schuilplaats aan on-gclukkigen of misdadigers, en in het optreden als bemiddelaars tusschen twistende partijen. Zij hadden hunne eigene rijstvelden, welke zij deden bewerken door de misdadigers, aan welke zij genade geschonken hadden, doch die daardoor voor immer hunne lijfeigenen bleven, of door hunne eigen bedienden. Verder hadden zij de inkomsten van drie tolpoorten en schijnen ook dc rijken langs de oostkust hun van tijd tot tijd een huldcgift (om de jaar een kist opium, in natura of in waarde, zegt ï\'rancis) gezonden te hebben. 1In het begin der 18e eeuw schijnt men omtrent de werkelijke staatkundige toestanden in het rijk van Menangkabau nog nagenoeg niets geweten te hebben; men sprak van den «keizer van Menangkabauquot; als van iemand aan wien een uitgestrekte macht toekwam. Zoo schreef Valentijn in 1726 2:
quot; Landwaart in hieromtrent (nl. van Indrapocra) , naar \'t Oosten toe, heeft men zware gebergten, op welke de keizer van Menangkabau zich ophoudt. Deze is niet alleen over de Boven- maar ook over de Benedenlanden keizer, over welke hij ons opperhoofd te Padang als zijnen stadhouder uit naam van de K Maatschappij aangesteld heeft, behalve dat wij naderhand verscheidene dezer landen, die reeds onder de macht van den koning van Atjeh geraakten en tegen ons opgestaan waren, met het zwaard overwonnen en ons eigen gemaakt hebben.//
Het Padangsch handschrift meldt ons het volgende 3: //In Menangkabau liggen in \'t gebergte achter Priaman de VIII en IX kota\'s; wanneer men het gebergte beklommen heeft, heet de eerste plaats, die men aandoet, Batipoe. .Deze plaats wordt, met de onderhoorige negorijen Bonu Tony (Boenga Tandjoeng) en Sampo (Soempoer), voor liet grootste gedeelte bewoond door kooplieden, wier aantal vrij groot is. Het gatal inwoners wordt op omstreeks 4000 koppen geschat.
//Wat dieper landwaarts in ligt Limo-kouwen (Lima Kaocm), welke landstreek door vijf hoofden, onder den titel van koningen, geregeerd wordt. Met de onderhoorige plaatsen Boeket-Omba (Boekit Gomba)
1
Francis, III, bl. 68, 71, 72.
2
Besohr. van Sumatra, bl. 12.
3
Padangsoh handsohriffc, bl. 2 en 3.
4
en I kiln Ganjon (Balei Djaiigoli) vindt men hier wel 80.000 mcn-schen j die zich meest met den landbouw en verder ook niet de bearbeiding der goudmijnen bezig houden. Op zijde zuidwaarts treft men Prijliangen (Priangan), welk plaatsje wel 1000 koppen telt, die voornamelijk door den akkerbouw bestaan. Ter zijde van Prijliangen zuidwaarts ligt de hoofdplaats Menangkabau (dus naar het gansehe rijk genoemd), alwaar de keizer of vorst, onder den naam van Jang diper-toewan Sri Sultan Jndrama lloajath Sccli de liiel Loei Phiel Alam te boek staande, zijne residentie houdt. Even boven deze plaats ligt Soeroasso, zijnde vrij wat volkrijker dan Menangkabau: hier telt men omstreeks 1000, te Soeroasso wel 4000 zielen. Deze beide plaatsen zijn eigenlijk het allodiale goed van den keizer; de lieden aldaar zijn wel wat beschaafder en beleefder dan het gros der Ma-leiers, doch moeten almede door landbouw en mijnarbeid aan den kost komen.
// Hoven Soeroasso treft men Padang en Gantan (Padang Gantieng), waarvan het aantal inwoners op 10,000 gerekend wordt; deze voorzien op dezelfde wijze in hun levensonderhoud.
//In dit groote en wijd uitgestrekte Menangkabausche rijk, waar-ouder, zoowel zuid- als noordwaarts, nog zeer vele landen en plaatsen behooren — zijnde de bovengemelde slechts een klein begrip van dat gedeelte hetwelk wezenlijk den naam van Menangkabau draagt — vindt men kostelijke goudmijnen, doeh deze zijn voor \'t grootste gedeelte nog bij de O. 1. Compagnie onbekend//.
Wanneer men op de kaart der Padangsche Bovenlanden de ligging der genoemde plaatsen nagaat, dan valt de onbekendheid van den steller met den werkelijken toestand in het oog.
Dat meu den //keizer van Menangkabau\'/ nog in de vorige eeuw beschouwde als een persoon van hooge macht en gezag, is wellicht voor een gedeelte toe te schrijven aan de //hoogdravende eernamen//, welke hij zich in zijne brieven aanmatigde, waarvan van Basel — niet ten onrechte — schreef //dat men er van walgen moest// \' Marsden heeft 2 een paar voorbeelden gegeven van den briefstijl der Menangkabausche vorsten ; wij kunnen daaraan nog een toevoegen , getrokken uit de vertaling van eenen Maleisehen brief, den 18u December 1724 te Padang ontvangen uit Soeroasso, en door den
1 Van Basel, I § 30.
\' Marsden, Histury of Sumatra, p. 3;i8—339.
5
quot;Keizer// gericht aan den gezaghebber en zijnen Raad, benevens den Panglima en de twaalf panghoeloes te Padang.
Na eene wijdloopige Arabische voorrede ging de schrijver aldus voort: i
//Alle lof, prijs en eere zij den waren God, die de rust en welvaart gegeven heeft, en aan den goddelijken profeet Mohammed, na wieu geen profeet meer wezen zal. Amen.
//In voege voorschreven volgen wij verder het hoogwaardig en verheven bevel, spruitende uit een goed en toegenegen hart, als ook vergezeld van een oprecht en zuiver gemoed van Jang dipertoewan Padoeka Sri Sultan Jndrama Roajath Sech de Liel Loei Phiel Alam, zijnde een glans van den alvermogenden God, en kindskind of nazaat van Iskander, die als een goddelijke glans en kroon der wereld de twee deelen bezit; die aangebeden wordt door de kracht van God en den Profeet; die een zoon is van Abdoel Lacehia Alladingchia Abdoel lallahia Mohammed Ghia Mansorchie en Mala Parchia, zijnde boven alle anderen verheerlijkt, geëerd en verheven. De Sultan, die de welvaart zijner voorzaten van God voor zich verkregen heeft en boven alle koningen verheerlijkt en verheven is; zijnde hij een beeltenis aller menschen, en een kroon van \'t begin tot aan het einde der gansche wereld; zijnde hij een Heer die hoogverheven en grootmachtig is en genoegen geeft aan alle vorsten en hoofden, als bestemd om dagelijks over twee partijen recht te spreken en door alle vorsten en hoofden aangebeden te worden. Ja, de Toewankoe Joen Joen anko Sialam, of koning die boven de geheele wereld verheerlijkt is, die in de gedachte van alle menschen leeft en waardig is tot in de eeuwigheid; die ook alle de teekenen en heiligheden van den alkoran in zijn hart geprent heeft en bezit; die edel is op alle plaatsen en in alle eeuwen, gelijk de profeet Mohammed, die de godsdienst zelf is en wiens glans ook genoeg geschenen heeft.
//Door toedoen van dien profeet zal deze brief bij elke soekoe voortgedreven worden door een aangenamen morgenwind, met groote kracht en welstand, en onder een welriekenden reuk van allerlei schoone bloemen die in liet paradijs voorkomen.
//Daartoe heb ik, Sultan, ook van God macht en kracht verkregen over het aardrijk en over de zee; ik , die vrede en oorlog kan maken , maar ook gestadig den welstand betracht; de grootmachtigste Sultan, hierbeneden het hoofd van alle koningen en de kroon der gansche wereld, ik kom als een oude liefste, om aan de Hoogwaarde heeren
1 Padaugsoh haudsohrift, bl. 5 en vlg.
6
verhaal te doen van hetgeen tot heil en geluk des lands strekken kan.
//Deswege gloeit des Sultans hart van genegenheid en oprechtheid, als een ster genaamd Soera, die dag en nacht schijnsel geeft, ja zoo helder is als zon en maan; het hart van den Sultan, die de ware kroon Sangasang bezit, door God-zelven geschonken; die den Room Karnat heeft, welke in drie stammen verdeeld is; met hein de Turksche Sultan en de Keizer van China; die het zwaard Tjoemandang-gens bezit, dat honderd en negentig kerven of scharen gekregen heeft bij het dooden van Sikalemoena (den boozeu geest); die den boom Poenagan ïaroen bezit, uit zich-zelven gegroeid en van God geschonken; dit ook de werpspies Lambing Lamboera in eigendom heeft, waarvan de stok van een sagoweer-dissel gemaakt en almede door God geschonken is; die het weefgetouw van San Sata Kala bezit, hetwelk elk jaar slechts met een steek doorstoken wordt eu uit zich-zelf beweegt, zijnde versierd met parelen en karbonkelsteenen, die een vurigen glans verspreiden; die het goud Toemandang mantri bezit, als eene scheede uit de natuur voortgesproten en door God geschonken; die den vogel bezit, welke voor zich-zelven een gouden kooi maakt en door God geschonken is; die het anker bezit van Padoeka Tjake, om een kroon die in de diepe zee Kaljoem gevallen is weder op te visschen ; die de kris Sapienti orang gadang bezit, welke uit zich-zelf aangegroeid is en waaruit de blauwe bloemen Tjampaka biroe voortkomen ; die den liemelberg bezit, waar zich de heiligen ophouden; die het bamboebosch bezit \'t welk eene strafplaats voor het gevogelte is, alsook den berg, die goud met zilver vermengd uitlevert; die den berg met goud en koper doormengd mede bezit; die het allerkostelijkste goud Dajata djati bezit, hetwelk het hout, üalik genaamd , aan stukken breekt; die de mijn bezit welke koedarati van twaalf matou uitlevert, mede van God geschonken. Amen.
//Ja, de Sultan is de heer der gansche wereld, aan wien dat alles toebehoort en dit dat alles aanvaard heeft; daarentegen is hij den Panghoeloes van Mohammed een bode aller boden van zijnen godsdienst en van alle zijne bondgenooten.
//Voorts wordt dit bevelschrift van Padoeka Sri Sultan Indrama Roajath Sech op het hoofd gedragen van Maharadja Laksamana, mijn afgezant, in gezelschap van mijnen neef genaamd Sultan Bongsoe of liadja Passessir, en den broeder van Baginda genaamd Sultan Alam of Radja Gagarlaut, en de acht panghoeloes van het Menang-kabausche gebergte genaamd Soeroasso.
//De alvermogende God en zijn Profeet laten dezen brief, die van
7
den Sultan met een wit hart eu zuiver gemoed komt, geworden aan den heer gezaghebber, den Heer Buijk, zijnde eene afspiegeling van den Vorst die wijs en bestendig is en onder de heerlijkheid van de versterkingen der Edele Compagnie woont; die den persoon vertegenwoordigt van Zijne Edelheid, den lioogedelgestrengen heer Gouverneur-Generaal , om zijneutwege de zaken boven- en benedenwaarts te besturen; alsook aan den Panglima lladja, den medegemachtigde op de stranden der Westkust, die wijs en bestendig is in de negorij Padang, benevens aan de Europeesehe dienaren der Compagnie op het Padangsche strand, en aan de twaalf panghoeloes te Padang//. . . enz. enz.
Hoe groot het aanzien ook moge geweest zijn, waarin het Rijk van Menangkabau zich in vroegere eeuwen had mogen verheugen, zeker was het reeds belangrijk verminderd in het begin der 17® eeuw , toen de Nederlanders zich in den Indischen Archipel kwamen vestigen. Toen had zich daarentegen Atjeh\'s macht belangrijk uitgebreid, niet-alleen langs de Oostkust van Sumatra (over Heli en Siak) maar ook langs de Westkust, waar het, tot ten zuiden van Padang, stedehouders {wakih) had aangesteld die, door eenige gewapende lieden ondersteund, de Maleiers in bedwang hielden en den handel geheel beheerschten. Be vestiging der Compagnie langs de Westkust had dan ook plaats na de verdrijving der Atjehers.
Hoe waren deze echter meester van de kust geworden ?
Het Padangsch handschrift geeft ons dienaangaande de volgende overlevering, die ook, in andere bewoordingen, door Marsden wordt verhaald. •
//In den beginne is het district Priaman geregeerd en bewoond geworden door den Koning van Menangkabau; deze is naderhand komen te trouwen met de eerste eu oudste dochter vau den Koning van Atjeh, onder belofte van haar als zijne wettige en eerste vrouw
1 Padangsch handschrift, bl. 132. Marsden, History of Sumatra, p. 334. Deze zoKt: quot;Au Achinose monarch, under the sanction of a real or pretended grant, obtained from one of the Sultans (van Menangkabau), who, having married his daughter, treated her with nuptial slight and occasioned her to implore her father\'s interference, extended his dominion along tho western coasts, and established his panglimaa or governors in many places within the territory of Menangkabau , particularly at Priaman, near the great volcano-mountain. This grant is said to have been extorted not by the force of arms, but by an appeal to the decision of some high court of justice, similar to that of the imperial chamber in Germany, and to havo included all the low or strand-countries (pasisir barat) as far southward as Bengkaulu or Silebar. About the year 1613 however, he claimed no farther than Padang.. .quot;
8
to houden, doch gedurende den tijd van jaar verwaarloosde hij deze vrouw geheel en vermengde /-ich alleen met zijne bijwijven. Gemelde zijne vrouw werd daarover zoo misnoegd, dat zij eindelijk te rade werd, daarover aan haren vader, den Koning van Atjeh, te schrijven, die op deze klacht besloot zijne dochter weder thuis te roepen, en den Koning van Menangkabau over de door haar onder-gare beleediging een protest aan te doen. Dientengevolge heeft de Koning van Menangkabau al de zeestranden of benedenlanden, van Atjeh af tot Mendjoeto toe, als eene eeuwige en erfelijke bezitting aan den Koning van Atjeh opgedragen ....//
Dat strandgebied, in den loop der 17° eeuw onder de macht der Oost-Indische Compagnie gekomen, stond bij onze voorvaderen in een ongunstigen zin bekend; zoowel ten aanzien der gezondheid als als ten opzichte van den aard der bevolking.
Wat de gezondheid betreft, werd het door vele schrijvers voor het ongezondste land van Indië uitgekreten. Op gezag vermoedelijk van Elias Hesse, die eene Reisbeschrijving • uitgaf, verhaalt Valentijn ons het volgende 1:
//Zeker deel, waar het hoofdkantoor der Nederlanders is, wordt de Westkust van Sumatra genoemd; doch men mocht het wegens zijne ongezonde luchtstreek veel liever de Pest kust noemen , aangezien dit land zeer veel menschen , en vooral van de Europeanen, wegsleept; hoewel anders de inlanders (buiten diegenen die in de goudmijnen arbeiden , want daar sterven er mede zeer veel) er weinig afweten....
//Die hier van alle deze ongemakken niet spoedig sterven , gaan er aan langdurige ziekten kwijnen; en de menschen zien er zoo afgevallen, bleek, geel en gezwollen uit, dat zij reeds schijnen in het graf gelegen te hebben en soms aan levende geraamten doen denken.
//Men wordt er door zeer felle en brandende koortsen aangetast, die een mensch spoedig ijlhoofdig maken en buiten zijne zinnen brengen . . . . //
Van Basel schijnt de eerste geweest te zijn, die Sumatra\'s Westkust te dezen aanzien beter beoordeelde 2.
1
D\'aanmorcklycko Uoysen van Elias Hesse. Nao on iu Üoet-Indiön, van \'t jaar 1680 tot liïS\'l, voorkomende in quot;Drie secr aanmerokolijke reyeen na en door velerley Gewesten iu Oost-Indiën, gedaan door Frikius, Hesse en Schweitzer, vertaald door S. de Vries, 2o dr. Amsterdam, E. Solmans, 1705. Zie aid. bl. 238—239.
2
5 Van Dasel, I § 6 en 7.
9
«Het land is iiogtans — zoo zegt hij — aan alle oorden, die ter bewoning geschikt zijn, door een voldoend aantal inwoners bevolkt, waaronder soms stokoude lieden gevonden worden, die door hunnen hoogen ouderdom dit al te breed opgegeven vooroordeel (van ongezondheid) , althans wat de inboorlingen betreft, schijnen te wederleggen. Want ofschoon wij niet begeeren te loochenen dat dit eiland zoo wegens zijne ligging als inwendige gesteldheid gedeeltelijk niet onder de gezondste mag werden gerekend , waarvan ons ook de ervaring ten opzichte der Europeanen dagelijks overtuigt, zoo komt het echter voor dat die ongezondheid vrij wat grooter uitgemeten en het land daardoor verachtelijker afgebeeld wordt, dan inderdaad met de waarheid overeenkomt.
//Gelegen onder de evennachtslijn en op verscheidene plaatsen vervuld met moerassen en poelen, die met dicht kreupelbosch overdekt zijn, kan het niet anders of het moet met groote hitte en vele schadelijke dampen geplaagd worden. De sterke geur en uitwaseming der gomrijke boomen die daar in menigte groeien, en vooral de dampen die het met allerlei ertsstoö\'en vervulde aardrijk in menigte van zich geeft, schijnen de lucht nog ongezonder te maken, ca op vele plaatsen is het gebrek aan goed drinkwater de voornaamste oorzaak van de ongezondheid.
//Doch de weldadige natuur heeft tegen deze ongemakken, die, zoo ze met al hunne gevolgen vrijen loop en volle uitwerking mochten hebben, voor mensch en dier onverdragelijk zouden zijn, zorgvuldig voorzien en tegenmiddelen verschaft, die ze matigen en het land bewoonbaar maken. Niet-alleen wordt het van de hitte verschroeide aardrijk door afwisselende land- en zeewinden, en \'s nachts door een ongemeen sterken dauw verkoeld en bevochtigd, maar ook de menigvuldige en schrik aanjagende donderbuien, die velen mede voor dit land doet schromen en onder zijne plagen geteld worden, moet men onder de grootste weldaden der natuur tellen , want daardoor wordt het voor de bewoning geschikt gemaakt, daardoor worden de kwade dampen dagelijks verstrooid en vernietigd, daardoor de lucht verfrischt en gezuiverd.
\'/liet gebrek aan drinkwater wordt gedeeltelijk door de zware regens gedurende den kwaden moesson verholpen, gedeeltelijk ook vergoed door andere gezonde waterbeken, die doorgaans in de nabijheid der onreine rivieren worden aangetroilen.
//Ook is de ongezondheid op alle plaatsen niet even sterk. Dus zijn met name Indrapoera en Baros boven alle andere plaatsen op
i
10
de Westkust als ongezond berucht; Padang, PoeloeTjinkoeu Atjeh 1acht men daartegen redelijk gezond. De ongezondheid van Indrapoera wordt gedeeltelijk toegeschreven aau het drabbige water, die van Baros aan de menigte daar aanwezige kamferboomen.
//Voorts zijn de tijden ook in dit opzicht zeer onderscheiden, heerschende hier, gelijk in andere landen, somwijlen aanstekelijke ziekten, als kinderpokken, die, naar men zegt, alle zeven jaren woeden, felle brandende of bloedkoortsen die ook menschen verslinden, enz.; eu het komt ons waarschijnlijk voor dat de schrijvers, die over de ongezondheid van dit land zoo hevig klagen, alsof er een gedurige pest heerschte, zulk een noodlottigen tijd moeten aangetroffen en, naar hetgeen zij eens ontmoetten, een overhaast en voorbarig oordeel over het geheele land geveld hebben.
//Dat echter de Europeanen, eu ouder hen de dienaren der Maatschappij te dezer kuste, aan menigvuldige ziekten onderworpen zijn eu hier dikwijls in grooter getal sterven dan op andere plaatsen, zulks mag zeker wel voor een deel toegeschreven worden aan het niet zeer gezond en daarbij ongewoon klimaat; doch dat het ongeregeld leven hetwelk velen leiden de groote en naaste oorzaak daarvan is, heeft de heer Commissaris Balthasar Bort reeds voor honderd jaren aangemerkt bij zijn verbaal, aan deze regeering in den jare 1660 overgegeven.».....
Wat de inwoners des lauds aangaat, deze onderscheidt van Basel2in twee hoofdsoorten; de berg- en strand volken.
De bergvolkeren zijn de oude bewoners van het eiland , en //hunne oorsprong ligt in de duisternis der al-oudheid diep begraven.// Deze — zegt van Basel — zijn onbeschaafd, meest heidenen, of liever zonder godsdienst; de grooten uitgezonderd, die voor Mohammedanen willen gerekend worden. Zij zijn //moorddadig, roofziek, verraderlijk, doch tevens lafhartig cn bevreesd. Die gewoon zijn met hun goud naar de stranden af te komen en dit tegen andere benoodigdheden, vooral linnen, ijzer en zout, te verruilen, zijn door den omgang met de strandbewoners en vreemde handelaren wat beschaafder en handelbaarder geworden.//
1
Atjeh heette dus vroeger niet ongezond. Dit, in \'t voorbijgaan , ter bemoediging van hen die, om de tijdelijke ongezondheid van dat land, zelfs onze geheele stelling aldaar zouden willen verlaten. Onze voorvaderen hebben die reden nooit voor Sumatra\'s Westkust laten gelden!
2
Eerste hoofddeel, § 8.
11
Van de strand volkoren, die vermoedelijk van verschillende volkplantingen — uit China, Siam, Java, Malakka enz. — afstam Kien, geeft van Basel de volgende, zeker niet te gunstige beschrijving; //Lui zijn ze en traag, lomp in hunne meeste handwerken eu dageÜjk-schen arbeid, en zoo stijfkoppig omtrent hunne eenmaal aangenomen manieren dat zij, ook wanneer men hun de middelen aanwijst om hun werk gemakkelijker en beter te verrichten, toch van hunne oude gebruiken niet willen afgaan.
//Zij zijn wispelturig, wellustig en overdadig, verslingerd op het vrouwelijk geslacht, minnenijdig, trotsch en opgeblazen, valsch en trouweloos, moorddadig en roofziek, maar ook lafhartig en zonder onderneming. Kortom, in hunnen aard en zeden vertoonen zij een mengsel van al die grove gebreken welke de burgerlijke samenleving storen en verwoesten, en die ook voor onze beheersohing verderfelijk zijn zouden, indien hunne ongeloofelijke lafhartigheid, die ten onzen opzichte hun hoofddeugd uitmaakt, de kwade uitwerkselen daarvan niet terughield. Echter heeft de Maatschappij, zoowel als de Engelsche natie, meermalen de treurigste ondervinding van hunne trouweloosheid.//....
Omtrent de ontwikkeling der bevolking, voor zoover deze met ons in aanraking kwam, is het oordeel van van Basel mede verre van gunstig 1:
//Eene gebrekkige kennis van eenige ziekten en inlandsche hulpmiddelen daartegen; het lezen of liever zingen van eenige Maleische, met fabels en beuzelingen vervulde boeken, benevens vele bijgeloo-vige overleveringen en belachelijke ceremoniën, — ziedaar al hunne geleerdheid. Hun godsdienst is wel de leer van Mohammed, die zich, zooals bekend is, door het geheele Oosten verspreid heeft; doch zij zijn in de gronden daarvan slecht onderwezen, en, gelijk zij in \'t geheel geen werk van eenige geleerdheid maken, zoo wordt ook de onderrichting van den godsdienst bij de kinderen, en het onderzoek bij de volwassenen verzuimd; waaruit niet-alleen groote en grove onwetendheid noodwendig geboren wordt, maar waardoor ook allerlei dwaze en bijgeloovige bijvoegsels in den godsdienst inkruipen en deze ten eenenmale verbastert. De geleerdsten ouder hen kunnen den Koran in het Maleisch, weinigen in de grondtaal lezen. Hunne priesters, naar de Mohammedaansche wijze in verschillende klassen verdeeld, waaronder de voornaamsten en heiligsten zijn die
1
Eerste hoofddoel, § 9.
12
liet gral\' van den Profeet te Mekka bezocht hebben, zijn in de geleerdheid maar slechte helden, maar te bekwamer bedriegers van de schamele gemeente, die zich met allerlei belachelijke ceremoniën begoochelen en de oogen verblinden, hunne papieren met karakters beschreven voor talismans of een geheim middel tegen allerlei ongelukken en ziekten, en een deel leugens van dat slag voor heiligdommen verkoopen, ook bij kraamvrouwen en zieken den duivel verjagen, en dergelijke grollen meer.
//Voor het overige maken een duister begrip van eenig goddelijk wezen, een toekomend leven ter belooning en Mohammed\'s paradijs voor de Muzelmannen, waar zij witte rijst en vette hoenders eten zullen; het vieren van den djoemahat of sabbat, die op onzen vrijdag invalt, het onderhouden van de dagelijksche gebeden naar den rozenkrans, de besnijdenis, de groote vasten, bij hen poeasa genoemd, maar vooral de vrijheid van vele wijven en bijwijven te houden, het wezenlijke van hun Mohammedanen-dom uit. Van al de zede-kundige lessen dezer leer hebben zij geene of onzekere denkbeelden , veel minder eenige gemoedelijke aandoening. Instede daarvan houden zij zich met allerlei heidensche, bijgeloovige ceremoniën op, die zij onder hunnen godsdienst hebben gemengd //.
Omtrent de levenswijze der bevolking verhaalt van Basel ons het volgende 1 :
//Haar gewoon voedsel is rijst, die op verscheidene plaatsen zeer goed groeit, doch waarvan zij vooral niet meer plant dan zij voor haar onderhoud noodig oordeelt. De toespijs bestaat in een zout vischje, ook wel in wat inlandsche groente of moesgewas, of hoenders, al \'t geen de menschen met veel zout toebereiden. Op feestdagen slachten zij een buffel, \'t geen niet zonder veel ceremoniën toegaat, waarin, gelijk dat de wijze is, de priesters het grootste deel hebben. Hun gewone drank is water, sommigen onder hen lusten ook wel arak. Allen, zoo mannen als vrouwen, kauwen den gansehen dag de zoo bekende pinang en sirih. Hun grootste wellust is de amfioen of opium, die zij met tabak mengen en rooken. Hieraan zijn de meesten zoo gewoon, dat zij tot de tering vervallen , indien zij de amfioen moeten missen ï. Hunne huizen zijn slechte hutten,
1
Eoratc Hoofddeel, § 10.
1.3
doorgaans op houten palen getimmerd, van bamboe, welke hier in menigte groeit en van groot nut is. i)e huizen zijn met atap of dicht gevlochten kokosbladeren bedekt. Timmerhout is er genoeg, ook zoude het hun niet aan steenen en kalk ontbreken; maar hunne luiheid verbiedt hun, betere woningen te zoeken; ja, dat gaat zoo ver dat zij, naar het zeggen van wijlen den heer commandeur Her-zeele in zijne consideratiën van den 9n November 1756, hunne bouwvallige huizen niet verhelpen voordat deze boven hunne hoofden instorten.
//13e kleeding is nagenoeg niet van die der Javanen te onderscheiden; de grooten hebben wel badjoes van fluweel, ook kleedjes van zijden of gouden stof, doch de gemeene man gebruikt alleen bruin, blauw, zwart of ander linnen.
//Hunne grootste pracht bestaat in een kris, met een greep van goud of soewassa, (een mengsel van goud en koper, hier zeer in waarde), ook wel met eene van hetzelfde metaal overtogen scheede, wordende de beste te Salido vervaardigd. In het voeren van een grooten zonnescherm stellen zij de uiterste staatsie; zulks wordt dan ook alleen aan de hoofden en rijksgroot en toegestaan, na uitdrukkelijk verzoek daartoe aan de koningen en, voor zoover de landen onder de Maatschappij staan, van de regeering te Padang. Om hen meer prijs op de verleende toestemming te doen stellen, wordt deze meermalen zelfs verleend door de Hooge Regeering te Batavia; het voeren van een grooten pajong is herhaaldelijk een hoofdartikel geweest in de contracten, tusschen de Maatschappij en de inlandsche vorsten gesloten.
//Hun huisraad is naarmate van \'t andere, d. i. van weinig belang. Eenig grof porselein, koperen ketels, kapmessen en ander gereedschap van ijzer en staal maken het voornaamste uit; het overige weten zij uit bamboe en den zoo nuttigen klapperboom zeiven te vervaardigen.
//Hunne dooden wikkelen zij in een lap wit lijnwaad, zoodat zij, door de menigte, bij hun sterven nog meer lijnwaad noodig hebben dan zij dragen bij hun leven.//
//De regeeringsvorm — zoo verhaalt van Basel ons verder 2 — is eene mengeling van het monarchale met het aristocratische. Doorgaans hebben zij een hoofd, dat hier den naam van Radja, elders
1 Eoi ato Huofddocl ,§11.
14
dien van Sultan , T)atoc enz. voert, en verscheidene mindere regenten onder zich heeft, met welke hij in\'s lands bewind moet te rade gaan.
quot;Ue plaatsen, die onder ons gebied staan, krijgen hunne regenten door benoeming van den Commandeur en Eaad te Padang, die hen dan aan de Hooge Regeering voordragen, alles ingevolge de gesloten eontraeten. De erfopvolging blijft iu de geslaehten, doch is niet altijd aan het recht van erfgeboorte of \'t naaste bloed gebonden. In de landen der Maatschappij wordt zij door de Hooge Regeering meermalen aan verdere bloedverwanten opgedragen, wanneer de naaste troonsopvolger onbekwaam of niet te vertrouwen is, waartoe de panglima\'s, panghoeloes en andere rijksgrooten nog al gemakkelijk stemmen; overigens is het op de geheele westkust bezuiden Priaman de gewoonte, dat de zusterskinderen opvolgen.\'/
Be landstreken langs de westkust, waarmede de O. I. Compagnie iu betrekking stond, strekten zich, van Singkel af, zuidwaarts uit. Van het noordwaarts gelegen, onder Atjeh behoorend gebied was slechts bekend * dat zich daar negen goudmijnen bevonden, nl. die te Malaboeh, welke bij de Compagnie bekend was, en acht zuidwaarts daarvan gelegene: te Senagen, Tripa, Moeara Lama, Soesoeh, Laboean-Hadji, Laboean-Bangké (P), Loeboebaai (?) en Kloewat. Deze mijnen — zoo werd gezegd — leveren veel goud, dat echter //laag in toets valt\'/ en zelden boven de 18, meestal slechts Hi karaat haalt.
Omtrent de met de Compagnie verbonden of in betrekking staande landschappen vinden wij het volgende opgeteekend: 2
Singkel. De regeuten dezer landstreek hebben, den 14n Maart 1672, hunne gemachtigden naar Padang gezonden om uit hunnen naam eene overeenkomst met de Compagnie aan te gaan. De gemachtigden hebben bij het toen gesloten contract de kroon van Atjeii afgezworen, en daarentegen trouw gezworen aan de Compagnie. In het jaar 1681 hebben de regenten zich bij eene ampliatie vau bedoeld contract nader aan ons verbonden, en vervolgens nog nader in het jaar 1693.
Van Basel merkt hieromtrent op, dat de inwoners, ver van Padang verwijderd, weinig op het nakomen der gesloten contracten letten
1 Padnngsoh Imndaolirift, bl. 4.
2 Waar niet auclers ia vermeld, io hob hier vorder mcdogedeeldo getrokken uit hot Padangsclie handschrift.
15
en, hun grootste voordeel in rlen smokkelliaiiflel vhulcnrle, dien met de Atjehers in sterke mate dreven. 1
Het land levert kamfer en benzoë op.
De negorij Singkel lag //omtrent 12 mijlen ver opwaarts// aan de Simpang kiri; zij werd geregeerd door drie regenten, met name: Radja Lela Setia, van liet geslacht Comb;
Soera di Radja // // quot; quot;
Radja Setia // // quot; Tjapoe.
Aan de Simpang Kanan vond men eene grootere negorij, Kikim genaamd, welke bestuurd werd door vijf regenten, met name:
Radja Indra Moelia, van het geslacht Sibaroetoh,
Radja Setia Boekti, // // // Pinari,
Radja Setia Jangsor // // // //
Panghoeloe Kikim // // // l\'crbantim,
Panghoeloe Lemos // // // Boewang Manaloe.
Eerstgenoemde, Radja Indra Moelia, werd beschouwd als de hoofdregent van de geheele landstreek Singkel.
Tapoks. Deze negorij stond onder het gezag van Baros, en werd bestuurd door een regent, die van Baros gezonden werd. Zij lag //eene dagreis van het strand de rivier op//, leverde van de beste soort benzoë, doch minder goede kamfer.
B^iios. Den 25ri April 1668 heeft de regeering van Baros de Atjehsche kroon afgezworen en zich bij schriftelijk contract onder de bescherming der Compagnie gesteld. 2
Weldra werd hier eene factorij opgericht, doch in 1670 werden, op de verschijning van de Atjehsche vloot, de bedienden der Compagnie verdreven. Spoedig verscheen de commandeur Pits voor Baros, ten gevolge waarvan, den lu October 1670, de oude contracten vernieuwd werden. De onzen bouwden daarop eene nieuwe loge met twee bastions, bewapend met 8 metalen bassen.
1
Eereto Hoofddoel, § 14.
2
\'.Volgens van Basel (Tweede Hoofddeel, § 35) vielen, in Juli 1008, bij do verdrijving der Atjehers uit Tikoe en Priaman, do vluchtende Atjehsche panglima en acht landsgrooten van Baros in handen van een onzer kruis vaartuigen. Den pang-lima liet men zijns weegs gaan , daar men met Atjch niet in oorlog was ; de hoofden van Baros bodon aan, hunno gehoole landstreek hot Atjehsoh juk to doen afschudden mits men hen do vrijheid schonk. Diontengovolge kwam oen contract tot stand, waarbij Barns don vorst van Monangkabau als opporhoor, en de Maatschappij als bosohermheor erkende, en aan deze, met uitsluiting van alle anderen, den handel vergunde.
16
Den 5quot; Januari 1673 werd liet contract geampliëerd.
Kort daarna ontstonden er evenwel onlusten, doordien de toen mederegeerende Radja di Ilir en zijn broeder, genaamd Radja Lela Wangsa, zicli tegen de Compagnie verzetten. Laatstgenoemde werd eindelijk opgevat en naar de Kaap de Goede Hoop verbannen; daarna werden, in 1679, de vroegere overeenkomsten met een nader bijvoegsel op nieuw bekrachtigd, docli zonder medewerking van Radja di Ilir, die in 1681 mede opgevat werd en in onze versterking overleed. Zijn zooii volgde hem op, doch kreeg al spoedig verschil met de regenten, zoodat hij zich verplicht zag de wijk te nemen naar Sorkam, waar hij stierf.
Radja di Oeloe kwam thans aan het bestuur, doch ook hij nam van lieverlede eene vijandige houding aan, totdat eindelijk, in 1694, zijn zoon onzen chirurgijn om het leven bracht. Toen werd hij afgezet, en uit het landschap verdreven door de hoofden, die het opperbestuur, tot dusver steeds opgedragen aan twee personen — Radja di Ilir en Radja di Oeloe — in handen stelden van Mage Radja , zoon van Radja Lela Wangsa, welke nu als Radja Baros optrad.
Volgens van Basel werd sedert de Radja bij beurten uit de familiën di Ilir en di Oeloe gekozen, en de bandhara (rijksbestuurder) uit die familie waartoe de radja niet behoorde 1.
Onze loge werd in 1732, toen de oude door een hevigen bandjir vernield was, nieuw in steen opgebouwd.\' Hier werd een levendige handel gedreven in benzoë, welke door de Batta\'s werd aangebracht.
Baros werd, omstreeks 1730, bestuurd door eenen radja, eenen bandhara en vier panghoeloes, met name:
Radja Menoe-assa, als Radja Baros;
Radja Ibrahim, bandhara;
ürang kaja Balei, panghoeloe.
Maharadja moeda //
Radja setia moeda n Marmat ajer n
Behalve de hoofdnegorij, welke een half uur van het strand verwijderd was, vond men twee uren stroomopwaarts nog andere dorpen , waarvan de bewoners de tusschenpersonen waren in den handel met de Batta\'s.
SoiiKAM en Kolang, beide de opperheerschappij van Baros erkennende, leefden gedurende eene reeks van jaren in vijandschap, doch vereenigden zich in 1693.
1
Eerste Hoofddeel, § 15.
17
Zij leverclen eene grootc hoeveelheid benzoë, doch bruiuer en kleveriger dan die van Baros.
Het bestuur werd gevoerd door Iladja Moeda met eenige panghoeioes.
lil hoever vroeger afzonderlijke contracten met de Maatschappij gesloten zijn, blijkt niet; doch van Basel zegt dat, in J755, de //vroegere verdragen bevestigd werden. // gt;
Tapanof.l[ erkende mede het gezag van Eadja Baros, en werd geregeerd door een Radja met eenige mindere regenten.
Volgens van Basel namen de hoofden in 1755 de Nederlandsche heerschappij aan, doch verwierpen zij deze twee jaren later, toen de Engelschen zich hier vestigden en een voordeeligen handel dreven, //zijnde deze plaats rijk aan kamfer en benzoë.// Nadat, in 1760, de Engelschen door de Franschen verjaagd waren, erkenden de hoofden opnieuw //hunnen ouden en wettigen heerquot;, en werd hier, // om een wakend oog te houden //, een korporaal met eenige soldaten in garnizoen gelegd. \'
Siboeloean werd geregeerd door eenige regenten , onder het hooger gezag van Radja Baros; deze plaats leverde eene groote hoeveelheid bruine benzoë, evenals
Bediri, dat, onder Radja Baros, door eenige panghoeloes werd bestuurd.
Pinang Som\'; leverde geen benzoë, maar eene groote hoeveelheid kamfer, welke, evenals de bosehproducten van de overige plaatsen noordwaarts tot Baros toe, te Baros aan de markt werd gebracht.
De benedenlanden van Pinang Soré werden, onder de opperheerschappij van Radja Baros, bestuurd door eenen Radja Silagong van Toba en eenige mindere panghoeloes.
Batoe moendam. Deze negorij, een dagreis landwaarts in gelegen, werd bewoond door Maleische handelaars; zij behoorde tot het gebied van Radja Baros en werd bestuurd door Sri Magat. Verder landwaarts in lagen vijf negorijen, welke bewoond werden door Batta\'s van Angkola, onder gezag van eenen Hoeloebalang Prang.
Van deze landstreek (en het achterliggend gebergte) werd kamfer getrokken van inferieure hoedanigheid, alsmede was.
Onder het gezag van Radja Baros stonden verder nog:
slngkoeang,
ÏAiiüEjoENG, welks groote en diepe rivier (de Silibaroe) eene uitnemende schuilplaats aanbood aan de smokkelaars;
1 Eersto Hoofddoel, § 16.
2 ld. § 17.
18
Kok.vkoen eu
Natal. Nabij het strand vond men hier eene versterking, genaamd kota Malakka, waarin zich de Atjehsche handelaren ophielden. Een dagreis landwaarts in lag de negorij Lingabaja, waar de Malei-sche kooplieden gevestigd waren. Deze landstreek werd bestuurd door Eadja Bangke, Radja Indra Soetan en lladja Moeda.
Een etmaal reizen landwaarts in liggen goudmijnen, die door het volk van Eau bearbeid werden; het meeste goud — van hoog allooi doch in middelmatige hoeveelheid — werd naar Pasaman gebracht. De landstreek leverde eene redelijke hoeveelheid goede kamfer op.
Reeds spoedig na onze vestiging ter Westkust van Sumatra schaarden de regenten zich aan de zijde der O. I. Compagnie, en in 1693 sloten zij met deze een contract. Maar Natal was en bleef ten allen tijde een schuilplaats voor den smokkelhandel, waarin de Engelschen een groot aandeel hadden totdat zij eindelijk, in 1751, op de roepstem van een paar onwettige regenten, hier werkelijk postvatten.
Zij werden in i 70(1 door de Franschen onder d\'Estaing verdreven , en het gezag werd door dezen weder in handen gesteld van den wettigen regent-Baginda Maharadja Lela, die zich opnieuw onder de heerschappij der Compagnie stelde. Deze plaatste er een boekhouder met cenige soldaten, om van haar recht tot bezit te doen blijken\'.
Baïahan stond onder het gezag van twee regenten: den Orang Kaja Boengsoe en den Soetan Moeda. Bij contract van 1693 was deze landstreek aan de Compagnie verbonden.
Een etmaal reizens van het strand af liggen vier //rijke// goudmijnen , die door de lieden van Ran bearbeid werden. De inwoners van Batahan waren Batta\'s.
Ajerhangis. In het jaar 1665 trachtte de koopman Jacob Groencwegen de Atjehers van hier te verdrijven, waarin hij echter niet slaagde. Eerst in 1687 kwamen de regenten van Ajerbangis de Compagnie nitnoodigen, zich hier te komen vestigen en stolden zij het voor de oprichting van eene logie benoodigde terrein daartoe beschikbaar. Dit aanbod werd evenwel niet aangenomen, maar zes jaren later werd een schriftelijk contract van bondgenootschap gesloten.
De inwoners hebben zich //doorgaans als trouwe onderdanen gedragen// ; op hun verzoek stelde de Compagnie hier een gemachtigde aan, zijnde de zusterszoon van den hoofdregent Maharadja Indra, genaamd Radja Poetih.
1 Van Baeel, I § 19.
19
Toen do Engclsclien zicli te Natal gevestigd hadden, richtte de Compagnie in 1756 hier eene factorij op voor den handel in het uit de Bovenlanden aangevoerd goud en kamfer; doch deze handel he-teekende weinig, en drie jaren later werd het kantoor weder opgeheven. Om toezicht op de sluikers te houden werden een korporaal en eenige soldaten achtergelaten. \'
Het oude contract werd in 1755 vernieuwd \'.
De bevolking was gesteld onder een hoofdregent (Maharadja Indra) en drie mindere hoofden: Radja Ibrahim, Radja Setia Moeda en Datoe Oedana Setia. Zij leefde van landbouw en visscherij , en verder van den handel.
Sikabouw verbond zich in 1093 bij een schriftelijk contract aan de Compagnie. De voornaamste voortbrengselen van dit gebied waren peper en een weinig kamfer. Het stond onder het bestuur van twee regenten 1.
Sik n.anct werd bestuurd door een radja, genaamd Soetan Laoetap, en vijf panghoeloes, met name Maharadja Lela, Radja Magat, Radja Bongsoe Alam, Radja Iskander en Radja Kotatinggi. Van Sikilang tot Ajerbangis strekten zich voorheen talrijke pepertuinen uit, waarvan de vruchten te Padang ter markt werden gebracht; doch toen de Compagnie zich weinig aan den peperhandel gelegen liet liggen, zijn ze in verval geraakt. Wellicht, voegt van Basel er bij, hebben de inwoners toen hun peper aan de sluikers van Atjeh of elders verkocht 2.
Pasaman was verdeeld in twee regentschappen. Het eerste strekte zich uit langs de rivieren Moeara Pasaman, Loeboe Poetih en Moeara Tandjong; het tweede langs de Moeara Patapangan. Het eerste regentschap werd bestuurd door eenen radja, genaamd Orang Kaja Indra Moeda, en veertien panghoeloes; de namen van deze waren: Datoe besar, Maharadja Indra, Maharadja Lebeh, Radja Bongsoe, Sri Maharadja, Padoeka Iladja, Datoe berbangsa di radja, Datoe Sri Naras, Soetan Laoetapi, Datoe Gampoelan, Soetan Moeda, Datoe Lela Maradja, Datoe Moeda, Datoe Sri Naras V
Van het andere regentschap , welks bestuur op dezelfde wijze was samengesteld, droeg de Radja den naam van Soetan di Kinali; de panghoeloes waren: Maharadja Lela, Maharadja besar, Datoe Ban d-
1
ld. § 22.
2
ld. § 22.
20
ha ra, O rang Kaja besar, Datoc oembaug latigit, Magat mooda radja, Kandoli Maliaradja, Uandhara Setia, Datoc oedana Setia, Sri pada-garan, Bandliara, Setia Uwosi, Datoc radja ketim balang.en Maliaradja betocwa.
Drie dagreizen boven Pasainan ligt een goudrijk gebergte, vanwaar de E/aucnaren het gewonnen metaal zoowel naar Pasainan als naar Sumatra\'s Oostkust afvoerden. Pasainan zelf leverde rotan, dammar en peper.
Tikoe. Hier werd in vroegere jaren een belangrijke handel gedreven in goud, peper, iljne stroomatten en padi; maar sedert de Atjehers en andere vreemde handelaren vandaar verdreven waren, was die handel verloopen. llceds in 1663 zwoer Tikoe het Atjehsch gezag af, doch het bleek een onzer onstandvastigste bondgenooten te zijn.
Den 6n Januari 1665 stonden de regenten de oprichting eener factorij in hun land toe, doch reeds den 2!)n derzelfde maand deden zij een adsistent en twee onzer soldaten vermoorden. Ter bestraffing werd Tikoe den volgenden dag door Groenewegen verbrand. Toen, in 1666, Pau door quot;Verspreet veroverd werd, trad Tikoe met ons in bondgenootschap, doch liet werd bij herhaling weder afvallig wanneer het de kans daartoe schoon zag. Eindelijk—1684—werd het voor goed veroverd en werd Radja Ibrahim, de zoon van den Panglima Radja van Padang, hier tot panglima aangesteld.
Alles ging nu goed tot 16!)3, toen Eadja Ibrahim op Nias een vaandrig en drie soldaten om het leven deed brengen en, voor bestraffing beducht, naar Atjeli vluchtte \'.
In 1701 zeide Tikoe de Compagnie weder de gehoorzaamheid op, en het duurde tot 1712 voordat het, gewapenderhand, weder tot onderwerping gedwongen werd. In het jaar 1755 werd opnieuw een contract met dit landschap gesloten 2.
Het werd geregeerd door twee hoofd regenten:
Maliaradja di Radja van \'t geslacht Mandaïling, en ürangkaja Soeradja // n Djamba;
en door vijf mindere regenten — Hakiin —:
1 Hij kwam in 1699 11a verkregen vergiffenis to Padang terug, doch bogaf zich twee jaar later naar Indrapoora, waai- hij onze bezetting op een man na deed uitmoorden. Hij bleef zicli daar al zwervende ophouden tot 1711, toen hij in de grootste armoede overleed.
2 Van Basel, 1 § 24.
21
Radja Machinoed van \'t geslacht Djamba ,
Radja Indra Makota \'/ quot; //
Eandhara Moeda n // //
Sri Nata n // //
Soetan am As n n n
Onder Tikoe behoorde de landstreek Mengoppo, //waar vijf goudmijnen zijn // 1, en welk gebied door oen hoofd- eu zeven mindere regenten bestuurd werd. l)e hoofdregent was (1730) Kadja Gambiroe, van \'t geslacht Simage; van de regenten zijn ons zes bij name bekend, n.1.
Maharadja Lela, van \'t geslacht Gocgon,
Bidja Radja, // // Djamba,
Datoe besar n n Djamba,
Datoe Maharadja // n Sikoembang,
Laktiou Noana n // Goetjie,
Orangkaja itam // n Sikoembang.
Gas an. Deze negorij, waar de inwoners zich uitsluitend met den rijstbouw en liet weven van matten bezighielden, werd geregeerd door drie regenten ;
Maharadja, van \'t geslacht Tongsong,
Radja Indra Moeda // n Pilangan,
Radja Moeda // // Simagé,
Sokngki IjImau wordt \'/een der aangenaamste en vruchtbaarste landouwen\'/ genoemd welke op de westkust van Sumatra te vinden waren; de ingezetenen hielden zich onledig met den landbouw, do visscherij, de veeteelt en het vlechten van stroomatten, en van den hoofdregent (Soetan Manghoesi, van \'t geslacht Dalimbiang) en zijne voorouders wordt getuigd dat zij //altoos aan de K. Compagnie getrouw gebleven en overzulks een exempel geworden// waren.
Deze landstreek was in drie deelen verdeeld, waarvan een door genoemden hoofdregent, de beide andere door Radja Lela Palocwan van quot;t geslacht Kota, en Maharadja Sri Doewa van \'t geslacht Sikoembang bestuurd werden. Onder dezo drie hoofden waren nog mindere regenten, die aan het hoofd stonden van de verschillende negorijen.
Mangoen of Na has was reeds sedert l(i83 met de O. I. Compagnie verbonden, doch in het jaar 1701 spanden zijne regenten, en vooral de hoofdregent Soetan Padang Mangies, met Priaman,
1
Van lïaael, I § 24.
22
Tikoe, Oülakan, Kota tengah enz. samen en deden zij de vestiging der Compagnie te Priaman, nadat de bezetting daaruit verdreven was, in brand steken.
Eerst in 1713 kwam liet thans besproken landschap weder in onderwerping; de zoon van genoemden hoofdregent, Radja Ibrahim, kwam toen in zijne plaats. De vier overige regenten waren in 1730 : Bandhara, Radja Goemantrie, lladja Knaijen en Datoe handja Paloewan.
De artikelen van uitvoer bestonden uit rijst, vee en stroomatten.
Priaman. Toen (in het begin der 17e eeuw?) het strandgebied van Menangkabau aan den Sultan van Atjeh was afgestaan, plaatste deze een panglima aan het hoofd van het district Priaman. Deze panglima deed de hoofdpanghoeloes van de V, IX, VII en VIII kota\'s te Priaman samenkomen en stelde hen tot zijne raadslieden aan, zoodat Priaman, dat vroeger door 4 panghoeloes bestuurd werd, sedert 12 panghoeloes aan zijn hoofd zag.
In 1664 trad de O. I. Compagnie in de plaats van Atjeh, en werd de Atjehsche panglima vervangen door een panglima der Compagnie, /\'den • onvolprezen lladja di llir//, die het laud wtot groot voordeel en reputatie der Compagnie// regeerde.
Achtervolgend werden, in 1664, 1666, 1671 en 1678 contracten met de Compagnie gesloten. De factorij, hier opgericht, werd echter in 1670, toen tengevolge van binnenlandsche onlusten de handel stilstond, weder opgeheven.
Den 171 Maart 1683 werd een nieuw verbond aangegaan, dat den 30quot; Juni 1684 nader bevestigd werd; in de maand December van dit jaar werd te Priaman weder eene verschansing opgericht, welke met 3 metalen stukjes kanon en 3 metalen bassen bewapend en door een resident en 18 soldaten bezet werd.
Maar //deze wispelturige natie kon zich met geen minnelijk bondgenootschap tevreden houden, en moest naar allen schijn met harde sporen bereden worden//: in 1686 riep zij //op eene zeer trouwelooze wijze// de Engclscheu binnen, maar het volgend jaar werd zij door do wapenen ten onder gebracht. Zij moesten zich nu wel stil en rustig houden tot het jaar 1 703, toon zij van de gelegenheid gebruik maakten om de geheele bezetting te verjagen. De luitenant Kerkhoven, in 1705 naar Priaman afgevaardigd om over de oprichting eener nieuwe versterking te spreken, werd met geweld van wapenen afgewezen. In 1713 werd de plaats echter door de Compagnie veroverd en hier de schans Vredenburg opgeworpen, die de
23
bevolking sedert in bedwang hield. Zij was in 1780 nog met vijf man bezet in 1755 werden de oude verbonden vernieuwd.
liet landschap Priaman wordt genoemd //eene schoone, groote, vlakke landouwequot;, welke rijst en vee voortbrengt, terwijl de inwoners verder leefden van mattenvleehten, visschen en handeldrijven met de bergbewoners. In 16S2 heette Priaman de//spijskamer//van Padang, aangezien vandaar al de benoodigde rijst gehaald werd.
Het inlandsch bestuur bestond in 1730 uit een hoofd- en 12 mindere panghocloes; volgens van Basel in 1760 uit twee hoofdregenten en tien minderen.
Wij vinden als hoofden omstreeks 1730 opgegeven:
Eerste hoofdregent: Eadja Ibrahim, van \'t geslacht Loesong , Tweede // Maharadja moeda // // Melajoe,
Panghoeloes: Orangkaja Sirkamar moeda // // //
Orangkaja toewah // // //
Iladja di Ilir // // //
üatoe besar // // //
Baginda Ratoe // // //
Samporna alain \'/ // //
Iladja I)ewa // // Kota,
Radja Bajampoe // // Tjieniago,
Eadja Sctia Paloewan \'/ // Melajoe,
Eadja Tnigee (Tjieniago?) // quot; Djamba,en
Marah Djati // // Melajoe.
Een halve dagreis boven Priaman liggen de VII kota\'s, welker inwoners hun overvloed van rijst en vee naar Priaman brachten en hier tegen zout en lijnwaden inruilden. De regenten der VII kota\'s verbonden zich in 1682 het eerst met de Compagnie; zij vielen haar in 1701 af, doch vernieuwden het oude contract in 1712, na de verovering van Priaman. In 1730 werd deze landstreek geregeerd door een hoofdregent (Eadja Makota) en zeven panghoeloes: Eadja Indra Wangsa, Eadja Itam, Eadja Goey Mojang, Eadja Indra Paloewan, Soetan Makota, Maharadja di Loear en Sri Indra Makota.
SüENOKii, dat min of meer in de lotgevallen der omliggende streken deelde, stond in 1730 onder drie regenton van \'t geslacht Melajoe: Orang kaja besar, Maharadja Nadoe en Sri Maharadja; in 1760
Vau linsul, I § 26.
24
schijnt het eeu hoofdregent en 5 mindere regenten te hebben gehad
Oelakan. Dit landschap stond reeds sedert het jaar 1666 met de Compagnie in verbond, maar, gelijk de meeste, bleek ook deze streek weinig standvastig in zijne trouw. In 168Ü en in 1712 werden opnieuw tractaten gesloten, en in 1755 werden de oude overeenkomsten ook hier vernieuwd
De hoofdnegorij Kota Pandjang lag nabij het strand. Daar hield Radja Djohan zich op tusschen 1704 en 1713, toen hij zich wederrechtelijk van het gezag meester gemaakt en de wettige regenten verdreven had en , niets van de Compagnie willende weten, openlijk handel met de Atjehers dreef.
De handel bepaalde zich hier tot rijst en vee, welke uit de VII1 en IX Kota\'s werden afgevoerd.
Het bestuur was toevertrouwd aan een hoofdregent (Radja Band-hara) en tien panghoeloes: lladja Solejman , Radja Makota, Radja Malapa, Radja di üeloe, Padoeka Magé, Datoe Bongsoe, Datoe Maharadja, Datoe Maha Kaja, Datoe Radja Magé en Datoe Makota Maharadja.
Tapakis. Dit landschap , waar uitsluitend landbouw gedreven werd, stond onder het oppergezag van Oelakan en werd geregeerd door twee panghoeloes;
Radja Setia Wangsa van het geslacht Melajoe en Orang Kaja Moelia n // \'/ Simagé.
Aangezien de vijand in 1712 zich hier het meest versterkt had, werd in dat jaar de plaats door de wapenen der Compagnie veroverd en geheel geraseerd.
De beneden-viii en ix kota\'s strekten zich binnenslands uit: de beneden-VlIT kota\'s een uur boven Tapakis, de beneden-] X kota\'s eenige uren boven Oelakan. Deze landschappen onttrokken zich in 1666 aan het gezag van Atjeh en stelden zich tegelijkertijd onder de bescherming van de Compagnie; zij werden deze spoedig ontrouw, docli sloten in 1682 een nieuw contract.
De beneden-VUT kota\'s werden bestuurd door drie hoofdregenten, in 1730: Marah Alam , Orang Kaja Maharadja en Soetan Maharadja Lela; bovendien was er nog een groot aantal mindere regenten, die met het opzicht over de verschillende negorijen waren belast.
Van de beneden-IX kota\'s vinden wij dezelfde bestuursinrichting gemeld; de drie hoofdregenten waren daar:
\' Vau Basel, I § 27.
25
ürang Kaja besar van het geslacht Sikoembang , Maharadja Lela « // // üjamba, en lladja Lela Garang \'/ \'t n Mandaïling.
De boven-viii kn ik kota\'s waren met de Compagnie niet in bondgenootschap; landbouw, handel en veeteelt waren hier de bronnen van bestaan.
De boven-VIII kota\'s strekten zicli — ten noorden van liet meer van Singkaraq — uit van Soempoer tot Batipoe, welke laatste plaats de hoofdnegorij was. flet bestuur van Batipoe werd gevoerd door zeven opperregenten, waaronder een hoofd: Datoe Bandhara Pandjang (hoofd), Datoe Sri Na ras, Maharadja di radja, Orangkaja Maharadja, Maharadja Lela, Datoe Radja api, Datoe toewan Brokan. Be VIII Kota\'s werden bestuurd door 7 panghoeloes, onder het hooger gezag van Batipoe. Zij brstonden uit de negorijen: Soempoer, Boenga Tandjoeng, Malala, Pitalah, Goenoeng Radja, Saboe, Tandjong Beroelaq en Andalas.
De boven-IX kota\'s lagen ten N. van Batipoe, met Goenoeng als hoofdnegorij. Hier had men negen opperregenten : Datoe Pamontjak, Datoe Toewali en Datoe Bandhara, als hoofden te Goenoeng wonende ; Datoe Tongoe te Paninggahan, Sri Magat te Kota La was, Maharadja Lela te Djauh, Datoe Gadang te Tambangan, Radja nan betoeah te Ajer Anget en Bandhara te Pandej Sikat. De IX Kota\'s waren: Goenoeng, Paningahan, Djauh, Tambangan, Kota Lawas, Panjalajan, Ajer Anget, Pandej Sikat en Singgalang.
Moeara Aneii verbond zich in I6(i6 met de Compagnie, en op verzoek van den regent werd er het volgende jaar een koophuisje opgericht, om te zien welke handel hier zou kunnen worden gedreven; doch toen men daarvan geene vruchten plukte, werd de proef nog voor het einde des jaars weder gestaakt.
De panghoeloe van deze kleine negorij, uit 18 i\\ 20 huisjes bestaande , heette Radja Mohammed, uit \'t geslacht Djatnba.
Kota ïengAh. In het jaar llifi.\'i ondernam de koopman Groene-wegen den eersten handel met de ingezetenen dezer landstreek, die de onzen wel genegen bleken te zijn; Groenewegen sloot diensvolgens in 1664 eene mondelinge overeenkomst, welke, op verzoek der regenten, het volgende jaar in schrift werd gesteld. Maar in 1666, toen genoemde koopman overleden was, verbraken zij het gesloten contract op //trouwelooze\'/ wijze, en werd de logie der Compagnie \'/gespolieerd en in de asch gelegd.-/
26
Aldus zcgl; liet Padangsch handschrift. Maar van Basel 1 stelt de houding der bevolking van Kota tengah in een vrij wat gunstiger daglicht.
Volgens hein overleed Groenewegen den lu December 1 Ti05, en maakten de Atjehers van do gelegenheid gebruik om onze bond-genootcn tot afval op te hitsen; zij brachten het ook bij de veranderlijke Kota-tengahers zoover, dat zij op onze logie aanvielen maar mannelijk afgeslagen werden.
Aanleiding tot de //veranderlijkheid// of //trouweloosheid// van Kota tengah gaf echter minder de invloed der Atjehers dan // de schendige winzucht van de bevelhebbers onzer kruis vaartuigen, een gebrek, waarbij de Maatschappij ook in latere tijden merkelijk nadeel geleden heelt en waartegen niet genoeg gewaakt kan worden. Twee daarvan hadden hun werk gemaakt om niet-alleen inlandsche vaartuigen, die van behoorlijke passen voorzien waren, te berooven, maar zich zelfs verstout om de bevolking van Ajerbangis, die ons nimmer beleedigd had, gewapenderhand aan te tasten, en verscheidene inlanders, waaronder twee zonen van den Orang Kaja van Kota tengah, en anderen die te Padang thuishoorden, om hals te brengen. Men zond wel.de schippers dier vaartuigen geboeid naar Batavia, maar door diergelijke misbruiken waren de gemoederen zoodanig vervreemd, dat de geheele koophandel stil stond, en de Padangers, genoegzaam de eenigsten die de Maatschappij getrouw bleven, door de vereenigde macht van Atjeh en Pan bijna tot het uiterste gebracht werden //.....
Waarlijk geen wonder dat Kota tengah ons, bij dergelijke behandeling, de vriendschap opzei!
De opperkoopman Abraham Verspreet, die den lu September 1666 met 300 Europeesehe en 300 inlandsche soldaten 2 te Padang aankwam, herstelde, door de verovering van Pau (16 September) op zoo krachtige wijze het ontzag voor onze wapenen, dat verschillende landstreken, waaronder Kota tengah, zich haastten opnieuw een verbond met de Compagnie te sluiten.
Dit duurde echter niet langer dan tot Maart 1670, toen Kota tengah //een nieuw blijk van den ontrouwen aard der Sumatranen\'/gaf door //het juk van gehoorzaamheid van de schouders te schudden//
1
Tweede Hoofddoel § 31.
2
300 Europeanen onder don kapitein Ghriatiaau Poolman , 100 Bneginoezen ouder Radja Palakka en 100 Amboneezeu onder kapitein Jonker; te zamon 500 man, verdeeld over de S jachten Vlieland, Uilenburg, J nhcr, Kabeljauw cn Ulpcndam.
» Vau Bai-cl, II § 37.
27
Volgens van Basel waren de inwoners daartoe opgeruid door quot;een hoop van oproerige Pau-ers en Atjehers n; liet Padangsehe Iiand-schrift meldt dat // met toedoen van den ouden verdreven gouverneur Sri Radja Hoeloebalang nieuwe vexatiën// plaats hadden, //die door geweldige actiën opgevolgd werden , zonder dat de nieuw aangestelde Gouverneur Anachoda Poetih de bevolking daarin kon weerhouden.\'/ Om zich aan het dreigend gevaar te onttrekken, moesten de Hollanders hier //bedektelijk met zak en pak opbreken\'/, waarna, zegt van Easel, de bevolking des anderen daags //zelfs de stoutheid hadden van onze logie in de asch te leggen//.
De commandeur Jacob Joriszoon Pits herstelde echter //weldra het gekrenkte ontzag\'/. Tn allerijl waren 250 soldaten van Batavia gezonden, en met deze macht quot;begaf hij zich ter scheep naar Kotatengah , terwijl de trouw gebleven bondgenooten van den landkant naderden. En men viel de vijandelijke werken den ii7u Juli zoo hevig aan, dat alles binnen zeer korten tijd, en bijna zonder verlies, ver-meesterd en verbrand was//
De bewoners van Kotatengah zwierven nu als ballingen rond, zonder vaste woonplaats; //maar op de krachtige vertoogen van den Keizer van Menangkabau nam men hen weder in genade aan// en den 8U September 1671 werd een nieuw verbond gesloten 2.
Ook dit verbond hield niet lang stand, vooral tengevolge van de omstandigheid, dat men liet gezag van den Padangschen panglima over de strandplaatsen te Kotatengah niet wenschte te erkennen. Herhaaldelijk hadden daardoor vijandelijkheden plaats, die pas een einde namen toen, in 1705, de Hooge regeering bepaalde dat //al de volkeren op de Westkust// door hunne eigen regenten, zonder eenige opperhoofdigheid van Padang te erkennen, zouden worden bestuurd , en zij de volle bevoegdheid zouden bezitten om zich wegens hunne geschillen rechtstreeks tot den gezaghebber der Compagnie op de knst te vervoegen.
Na deze regeling was Kotatengah tevreden; de bewoners toonden zich in den vervolge steeds trouwe bondgenooten, en ondersteunden, in 1712, do Compagnie met wapenen en volk.
In 1755 werden de oude contracten vernieuwd4.
De landstreek, die slechts schaars bevolkt was, leverde planken en ander houtwerk, rotan en padi uit. Onderhoorig aan Kotatengah
1 Van Basel, II § 37.
2 ld § 88.
\' ld. § 28.
28
was liet negorijtje Kasan, flat aau den noordelijken arm der Moeara-djamba gelegen was. De zuidelijke lak van deze rivier stortte zich in de rivier van Pandjalinan uit.
Aan deze laatste rivier lag de groote negorij van Kotatengah, met nog zes kleine dorpen: Kota l\'andjang, Kota toea, Tandjong Auer, Boengapassan, Batang Koebang en Loeboe bintoeran.
Het bestuur werd gevormd door tien regenten;
Orang Kaja Maharadja , van \'t geslacht Baleimasiang, Maharadja Indra quot; quot; quot;
Maharadja besar quot; quot; quot;
Maharadja Lela » quot; Tongsong,
Padoeka Maharadja •gt; quot; Sikoembang,
Radja di ilir quot; quot; Tjieniago,
Sri Naras quot; quot; quot;
Datoe moelia quot; quot; Tongsong,
Negri besar gt;gt; quot; Tjieniago en
Lela wangsa quot; quot; Melajoe.
Het bovengenoemde landschap Kasan werd bestuurd door vier panghoeloes-:
Radja Indra Lela van \'t geslacht Sikoembang,
Prang Atjeh « quot; Melajoe,
Datoe Moeda quot; quot; Tongsong en
Soetan Timor •gt; » Baleimasiang.
Oedjano Karanh. Dit landschap, welks inwoners van landbouw en visscherij leefden, werd bestuurd door zes regenten, met name: Datoe Baginda Taïb van \'t geslacht Kota,
Tjaja Negri quot; quot; ikleimasiang,
Maharadja datoe quot; gt;gt; Melajoe,
Soenggoh Maharadja n quot; Baleimasiang,
Radja Panda porlan quot; quot; Goetjie en
Datoe Moeda quot; quot; Melajoe.
In dit landschap was Manggaló de eenige negorij van beteekenis; omtrent 3 uren gaans landwaarts in lag verder eene kleine kampong Kaloemboeq.
Pa da Nd. Omtrent onze vestiging ter hoofdplaats van Sumatra\'s Westkust bevat het Padaugsch handschrift tal van belangrijke bijzonderheden , waaraan wij het volgende ontleenen.
In het jaar IfifiO, toen de Nederlandsche hoofdresidentie nog in Atjeh was, werd de commissaris Balthasar Bort, die op zijne reis
39
derwaarts Parlang aaiidoefl, door den Atjelisclicn panglima liier aangezocht om liandel te drijven. Hort besloot dientengevolge tot het nemen van eene proef voorloopig den koopman Jakob de Kouter benevens een adsistent en vier matrozen te Padang achter te laten en hen in een geleend luiisje te doen wonen; hij beloofde daarbij, in den vervolge eene behoorlijke logic te zullen oprichten.
Maar toen de koopman Groenewcgen het volgend jaar van Atjeh terugkwam, vond hij wel een klein gebouwtje voor de onzen bc-* schikbaar gesteld, doch de inwoners wilden niet toelaten dat er een grooter koophuis van planken door de Compagnie werd opgericht. Groenewegen vertrok daarop naar Salido.
Het duurde evenwel niet lang, of de ondragelijke vexatien van den Atjehsehen panglima maakten de bevolking zoo afkeerig van het gezag dezer natie, dat de regenten samenspanden om middelen te beramen om daaraan te ontkomen. Zij spraken daarover met Groenewegen, en gingen met dezen een geheim verdrag aan; daarna zonden zij in 1663 een hunner, den Orang Kaja Ketjil, naar Batavia, om van de Hooge Jlegecring bijstand te verzoeken tot verdrijving der Atjehers, onder aanbod dat de Compagnie vrijelijk handel te Padang zoude mogen drijven. Deze afgezant kwam nog hetzelfde jaar zeer vergenoegd terug; alle gezamenlijke regenten hadden overigens nog eene\'nadere geheime samenkomst op Poeloe Pisang, waarbij zij alles zeer rijpelijk overwogen om tot de uitvoering der beraamde plannen te geraken. Zij verzochten Groenewegen, te Padang eene factorij op te richten, waaraan in het jaar 1665 gevolg gegeven werd.
Van Basel 1 verhaalt ons dat Groenewegen in April 1662 te Batavia kwam, van meest alle hoofdplaatsen der Westkust gezanten medebrengende. Hierop werd de laatste hand gelegd aan de voorgenomen afwerping van het Atjehsche juk, en met de gezanten een verbond aangegaan, waarbij de volkeren der Westkust zich ten eeuwigen dage onder de bescherming der Compagnie stelden, en deze hen tegen alle vijanden ter zee zouden beschermen. Aan de Compagnie werd daarbij het monopolie van den handel toegekend. Met de ge-teekende overeenkomsten vertrok Groenewegen in Juli naar de Westkust, maar bij zijne aankomst vond hij de grooten alom overhoop en elkander wantrouwende, daar niemand de eerste wilde zijn om den afval van Atjeh te proclameeren. Groenewegen vond het daarom geraden, de contracten nog wat bij zich te houden en zich tot het
1
Tweodo Houfddeol, § 29.
30
drijven van handel — inzameling van peper en goud, in ruil
tegen lijnwaden — te bepalen.
In 1664 besloot de Hooge llegeering, een sehip met drie jachten, waarop 300 soldaten ingescheept werden, onder den commandeur Jacob Gouw, naar de Westkust te zenden. In October 1664 kwam hij te Indrapoera aan, waar de Sultan zeer genegen bevonden werd eèu verdrag te sluiten, en Gouw verdreef vervolgens zonder belangrijken tegenstand de Atjehers van Salido, Padang, Fikoe en Priaman. Met de volken van deze landstreken, even als met die van Pau en Bajang sloot hij verdragen; hij bepaalde dat de Gompagnie vaste kantoren zou bezitten te Tikoe, Padang, Priaman en Poeloe Ïjinko, en liet op deze plaatsen eene macht van 100 soldaten en vijf kruisvaartuigen achter. Hij keerde daarop naar Batavia terug, spoedig gevolgd door twee jachten en twee fluiten, die eene aanzienlijke hoeveelheid peper,
goud, benzoë en kamfer aanbrachten.
De bevolking van Padang is, ook in de moeilijkste omstandigheden, steeds een trouwe bondgenoot der Gompagnie geweest. ^
Het hoofdkantoor van deze was aanvankelijk op Poeloe Tjmko gevestigd. Maar na den strijd, in 1666 tegen Pau gevoerd, werd het volgende jaar, met toestemming der Hooge Regeering, de zetel van liet Nederlandsch gezag ter Westkust door den koopman Jacob Jonszoon Pits naar Padang overgebracht.
Al spoedig begon de Gompagnie hier een groot steenen huis met pakhuizen op te trekken; maar toen de gebouwen tot aan het dak toe voltooid waren, brandden zij den 5quot; Augustus 1669 af tengevolge van //de onvoorzichtigheid van den garnizoensboekhouder van Marken, die in zijne kamer een looden lampje neergezet had dat
den zolder in brand stak//.
He Compagnie leed daardoor, wat hare koopmanschappen betrof, eene schade van //66 pakken katoen, 12 pakken parcallen, een deel rijst, 10 vaten spek en vleesch, 4 leggers arak en andere snuisterijen meer//, welke daags te voren aangebracht en in de nieuwe pakhuizen geborgen waren.
In 1670 werd onze vestiging door de bevolking van Pau en door de Atjehers zoodanig benauwd en ingesloten, dat //niemand een voet daarbuiten durfde te zetten //; maar weldra was de vijand verdreven, en den L!Jquot; November van genoemd jaar werd de eerste steen gelegd van een nieuw groot woonhuis; tot meerdere veiligheid werd de omwalling van vier bastions voorzien, en in 1673 was alles voltooid.
31
Ten einde de volkeren dor Westkust des te gemakkelijker aan ons te verbinden had Verspreet in lfi66, toen hij met verscheidene hunner overeenkomsten had aangegaan, een //staatkundig middel// toegepast. Hij gaf aan den Keizer van Menangkabau, die weleer opper-heerseher van de kust geweest maar door de Atjehers daarvan ontzet was, //kwanswijs den naam// van Koning over onze bondgenooten, mits hij de met hen reeds gesloten verbonden als wettig erkende, en ons hoofd te Padang als zijn eersten panglima of stedehouder aanstelde. Op dezen voet waren alle oude verdragen opgemaakt
Het monopolie der Compagnie werd al spoedig bedreigd door de vrije handelaars, die onder den dekmantel van eene zoutlading, waarvan de handel vrij was, lijnwaden invoerden. Hieronder//muntten inzonderheid de Chineezen uit //; de Padangsche bedienden verheugden zich daarom , dat de prijs van het zout tot 20 rijksdaalders het last gedaald was; en //om hun den handel nog onsmakelijker te maken, droegen de Padangsche regenten in Augustus 1671 ons het recht op om tien ten honderd voor inkomende rechten te heften, gelijk ten tijde der Atjehsche regeering altijd geschied was.// 2
De vesting der Compagnie lag een kwart mijl opwaarts van het strand, aan de Padang-rivier; omtrent een halve mijl hoogerop lag de hoofdnegorij Padang, waaronder nog 9 kleine maar goed bevolkte negorijtjes behoorden.
De Compagnie had aanvankelijk geen ander eigen grond dan die terreinen waarop de vesting, het sla venkwartier, de smidswinkel, het kerkhof, de stal, de Maleische kerk en het wees- of armhuis stonden. (Laatstgenoemd gebouw was, als niet meer benoodigd, in 1730 reeds afgebroken), li ij die terreinen werd in Ifi8i2 door den commandeur Johan van Leene, voor de som van 300 rijksdaalders, het stuk land dat //thans de Compagnies-tuin is// aangekocht van den Panglima Radja //gelijk alles toen uit handen van dien Gouverneur moest gebroken worden//.
Maar — zoo verhaalt onze geschiedschrijver van 1730 — dit
1 Van Basel, II § 33. Do Oraug Kaja Ketjil van Padang bewees ons in 16C6 mzonderlinge getrouwheid cn goede dienstenquot; en werd, tot belooning, door Verspreet benoemd quot;tot Gouverneur van Padang en onderhoorige landen en plaatseim , en door iiden Koning van Mcnangkabau gehonoreerd met den titel van panglimaquot;. De Hooge regeering bevestigde hom den 18 Aug. 1607 in deze qualiteiten cn legde hom eonige inkomsten toe (^\'j dool van allo bij de Compagnie te ontvangen peper). Zie Da Stuers, Vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra I, bl. 9.
2 Van Liasel II § 38.
32
laatste was toe,li wel wat aanstootelijl^, en nadat gemelde commandeur lierliaaldclijk met den panglima had geconfereerd, werd eindelijk, den l.\'5n Februari IfiSö, bepaald dat de Compagnie het stuk land waarop hare vesting gebouwd was, tot aan de rivier, voortaan in vollen eigendom zoude bezitten, met recht van het te verkoopen of te laten bewonen door wien zij wilde. De bewoners van dat land, zoomede alle vreemdelingen te Padang, zouden onder de jurisdictie van de Compagnie staan.
Voorts werd bepaald dat een aan de overzijde der Padangrivier (zuidkant) gelegen stuk grond niet mocht worden verkocht, bebouwd of bewoond, dan met toestemming vanwege de Compagnie.
Voor een en ander werden den Panglima eenige //geschenkjesquot; vereerd, bestaande uit acht stukken lijnwaad ter waarde van co. 40 rijksdaalders.
Een klapperbosch, noordoostwaarts van het bovenbedoeld Oom-pagniesterrein gelegen , werd later door van Leene gekocht voor 300 rijksdaalders en door dezen weder verkocht voor het dubbele dier som en eene — later afgeschafte — recognitie van 100 rijksdaalders per jaar, -aan den inlandschen krankbezoeker Anthonij Gillisz en den mardijker Anthonij de Costa; beide kregen met dezen koop het recht van soerie //tijff\'eren// en van azijmnaken, en het monopolie van den verkoop der versche soerie, mits //niet ge-obat of met sterke kruiden vermengd.quot;
Bij resolutie van 5 Februari 1685 (?) werd bepaald, dat de terreinen der Compagnie konden worden verkocht //aan de bewoners en andere ingezetenen van Padang// voor een rijksdaalder de vierkante roede , onder voorwaarde dat, bij wederverkoop, de Compagnie steeds 5 pCt.\'s Heeren-gerechtigheid zou genieten. //Ten einde in dit melancholieke, sobere en ongezonde gewest eenige uitvlucht te kunnen hebben// stond de Commandeur nog verschillende gedeelten grond af, nadat het terrein door hem in een park was herschapen.
De oppervlakte van deze stukken grond was nog al belangrijk: een was 64 roeden diep en 30 roeden breed; een was een driehoek, waarvan de zijden 14, 32 en 36 roeden lang waren, en het derde, //zijnde hot erf waarop het graf der huisvrouw zaliger// van den Commandeur gebouwd is, was 15 roeden lang en 7 roeden breed.
Padang werd geregeerd door een panglima of gouverneur, eeu rijksbestierder onder den titel van Datoe Bandhara en elfpanghoeloes of regenten. In J73Ü waren zij:
33
Soetan Amas Radja Gandam Radja di Padang Radja di Ilir Radja Jalheer (?)
Maharadja Lela Maharadja Indra Magé Setia Radja Datoe Kaja Radja Boedjang Malim Kaja Anachoda Setia Simara Pangkat
De Compagnie had te Padang krachtens de tractaten eene onbetwiste opperheerschappij, en genoot omstreeks 1730 in- en uitvoerrechten op den volgenden voet:
Invoerrechten:
Een baar (330 katti\'s) peper......rijksdaalder
Een tail (41,1197 gram) goud.....^
Honderd baren peper, per vaartuig aangebracht
Een baar katoen..........
Een corgie (20 stuks) stroomatten ....
Klapperolie, per tail-waarde......
Een katti kamfer..........
Zoutvaartuigen , per scheepsvadem ....
Slaven en slavinnen van Nias, met inlandsche
vaartuigen aangebracht........
Uitvoerrechten:
Een kojang zout..........
De Compagnie betaalde voor elke tail-waarde welke in de pakhuizen omgezet werd |, voor elke baar peper die uitgevoerd werd f rijksdaalder.
!
Pau. Het landschap van dezen naam, omstreeks vier mijlen ten N. van Padang liggende, bestond uit 10 negorijen: Lambong Boekit, Kampong pinang, Kota Baroe, Kota Pandjang , Kaloeraboeq , Pau, Koerandji, Loeboe Kilangan, Doekoe en Silimou-limou.
Al deze negorijen lagen op eenigen afstand van elkander, zoodat zij gezamenlijk een groot oppervlak besloegen. Zij leverden enkel rijst uit, 7naar ontleenden haar groot gewicht aan de omstandigheid
3
uit het geslacht PangoesaM, panglima, quot; bandhara, Dj amba, pan ghoeloe,
5 pCt.
| rijksdaalder
1 quot;
{- quot;
1 //
16
H
i
34
dat de bergvolkercn, die uit de XIIT kota\'s naar Padang ten handel kwamen, door de landstreek van Pau moesten trekken. De handel met die //bergvolkercn\'/ stond dus geheel stil, zoodra Pau met Padang of met de Compagnie in oorlog was , aangezien de wegen dan dadelijk afgesloten werden. De hoofdweg naar de XTTT kota\'s voerde over Kota Ilalang.
Pau werd geregeerd door 14 panghoeloes: \'Radja Peraq, lladja Lebeh, Soetau Mamoelia, Soesaka Besar, Maharadja Moeda, lladja Bansawang , Maharadja Lela, lladja Bongsoe, lladja Medan, Maharadja Besar, Maharadja di lladja, Orang Kaja Mamoelia, Soetan Besar, Radja Begaben.
Reeds //van aloude tijden// brachten de inwoners van deze landstreek veelvuldig schade toe aan hunne naburen, de bewoners van Boengoes, Padang en Kota tengah, zoo door rooverijen en strooperijen , als door andere vijandelijke handelingen.
Toen, in 1665, Padang de Compagnie als zijn beschermheer had erkend, liet Pau de verdreven Atjehers zich hier verzamelen, en werd besloten deze te hulp te komen.
Om ons gezag te handhaven kwam de Commissaris Jacob Grays in 1666 met eene krijgsmacht van 131 Europeesehe koppen — een //machtig getal volksquot;, zegt van Basel — te Padang aan; met de hier aanwezige soldaten kon hij over 200 Europeanen beschikken.
quot;Van Basel verhaalt 1 dat Grays den 29,! April 1666 aan de inlandsche hoofden te Padang bekend maakte dat hij denzelfden dag den vijand, die wel twee uren vandaar verwijderd was, wilde gaan opzoeken; de hoofden verklaarden daarop, dat liet hun onmogelijk was dien dag, omdat liet sabbat was, hun volk te verzamelen, maar dat zij den volgenden dag 2000 man in gereedheid zouden hebben.
Gruys wilde echter van geen uitstel hooren en rukte in den namiddag ten 2 uur op, slechts, behalve door zijne soldaten, door 42 inlanders vergezeld. Eer hij het wist, was hij de vijandelijke werken genaderd en werd hij onverwacht aangetast. Hij dreef den vijand terug en drong zelfs in diens verschansingen door, maar toen de duisternis inviel en al liet kruit en lood verbruikt was, gaf Gruys last tot den terugtocht, die in zulk eene wanorde toeging dat de vijand, dit merkende, de onzen in de rijstvelden op het lijf vielen 130 hunner, waaronder Gruys zelf en de meeste officieren, om hals bracht.
Het Padangsch handschrift meldt, dat Gruys dadelijk na aankomst met een gevolg van Padangers naar Pau marcheerde om //dat gespuis
1
Tweede Hoofddeel, § 32.
35
op de vlucht tc drijvenquot;, docli het ongeluk wilde dat de onzen \'/bij surprise totaliter geslagen werden//, doordien Gruys de onvoorzichtigheid had gehad , Pau na verovering weder te verlaten en door de modderige rijstvelden terug te marcheeren.
Door deze overwinning werd de bevolking van Pau «zeer trotsch en hoogmoedig//; zij plaagde de Padangers nog meer dan te voren en dreven deze //in de uiterste engte//, Maar lang duurde dat niet, want weinige maanden later moest zij haren overmoed met eene smartelijke nederlaag boeten; den lO September Ifififi tastte Verspreet de Pauers zoo krachtig aan , dat er 300 op de plaats dood bleven en de overigen op de tijding hiervan niet alleen het veld, maar al hunne negorijen verlieten. Deze werden onmiddellijk door de onzen tot den grond toe afgebrand, zoodat de bewoners nog lange jaren daarna als ballingen hebben rondgezworven.
Maar — zoo verhaalt ons de Padangsehe geschiedschrijver — //de wraakgierige en oproerige aard der Pauers kon zich na de geleden nederlaag en de ruïne hunner landen nog niet gerust houden//. Van tijd tot tijd verzamelden zij zich weder, en iu 1679 verontrustten zij Padang opnieuw en sloten zij de gemeenschap met de XIII kota \'s af\'.
De Compagnie zag zich diensvolgens genoodzaakt, de //saamgerotte muitersquot; (in Maart 1680) met een gevolg van Padangers in hunne schuilhoeken op te zoeken; maar daar onze soldaten «door misleiding tot even buiten \'svijands werken geen kans zag op den vijand eenig voordeel te behalenquot; en er gevaar ontstond dat zij omsingeld zouden worden , trokken zij, na 8 dooden en verscheidene gekwetsten bekomen te hebben, tijdig terug.
In 1682 werd //de optocht naar Pauquot; hervat, en nu met beteren uitslag; de onzen maakten zich aanstonds meester van //het sterke nest Lam bong Boekitquot;, slechtten dit tot aan den grond toe, verbrandden alle omliggende negorijen, en brachten Pau aldus ten tweeden male geheel ten onder.
Dat de quot;moedwilquot; der Pauers nog niet geheel //getemdquot; was, bleek in 1688, toen zij zich opnieuw oproerig betoonden; maar dit oproer werd in zijne geboorte gesmoord door hun eene boete van 200 rijksdaalders op te leggen.
De Hooge Regeering had intussehen gelast, nooit toe te staan dat de verbrande en vernielde negorijen weder herbouwd werden; deze moesten woest eu onbewoond blijven, „en jwApr het opzicht van den Panglima en de panghoeloes van Padang wonden gesteld. Vijfpang-hoeloes van Pau onderwierpen zich aan deze regeling, maar de negen
36
anderen, met hunnen aanvoerder, den «befaaindeu roervinkquot; Malta-radja Setia, weigerden, onder voorwendsel dat zij wel ouder de Compagnie, maar niet onder do Padangsche regenten wilden staan.
Langzamerhand geraakte Pau intusschen //wegens de goede situatie der landen// weder geheel bevolkt, en konden Maharadja Setia en zijne makkers de Padangers opnieuw verontrusten; zij roofden buflels en koebeesten, die zij \'s nachts //in menigte// wegvoerden, verdreven de Padangers van hunne velden, zeggende dat deze van rechtswege aan hen toekwamen, enz.
Herhaaldelijk deden zij aanzoek om hunne landen weder te mogen bebouwen, maar zulks werd, op grond der Bataviaasche bevelen, telkens geweigerd; echter werd hun medegedeeld dat, indien zij zich aan het inlandsch bestuur van Padang onderwierpen , hun geen velden (waaraan zij trouwens toch geen gebrek hadden) zouden ontbreken. Het was hun eigenlijk ook niet om die velden te doen, maar wel om den volke te kunnen toonen, dat de regenten van Pau door de Compagnie weder in hunne vroegere positie hersteld waren.
Om dit doel te bereiken //bewogen zij hemel en aarde//, en namen zij den Padangsehen panghoeloe Maharadja Indra in den arm , die een gezworen vijand van den Panglima Radja was. Maharadja Indra was de regenten van Pau in 1691 zelfs in zooverre behulpzaam, dat hij met hen een complot smeedde om den Panglima van Padang om hals te brengen.
De 5n September van dit jaar kwam hij, des avonds ten 11 ure, onder een zwaren regen, in gezelschap van den boven reeds genoemden inlandschen krankbezoeker Anthony Gillisz, voor de vesting; en, binnengelaten zijnde, bracht bij den gezaghebber le Sage de (verdichte) tijding dat Panglima lladja zich uithoofde van eenig opgevat misnoegen gereedmaakte om do vlucht te nemen, zijne meubelen en goederen in stilte liet wegdragen , de woning van hem, Maharadja Indra, met 3U man had laten bezetten en hem met den dood had bedreigd als hij niet medeging. Maar hij was daartoe niet genegen geweest en had, met achterlating van vrouw en kinderen, de vlucht genomen naar de vesting, waar hij nu aan le Sage verzocht hem een geleide van eenige soldaten te verstrekken, waardoor dan tevens de vlucht van den Panglima zou worden verijdeld.
Om in den uacht geene opschudd.v.ig te maken, bepaalde de gezaghebber er zich toe, ■ M\'uJfiaTuJ.ya Indra te bevelen buiten de vesting te gaan en \'\'den nacht-- bij Anthony Gillisz door te brengen; den volgenden dag kon de V ak dan ook behoorlijk worden onderzocht.
37
Weldra bleek dat de panghoeloe alles verzonnen had, en , toen hij zich naar de vesting hegal\', had laten uitstrooien dat hij soldaten ging halen om don Panglima gevangen te nemen. Hij rekende er op, dat deze, als hem zulks ter oo ren kwam , het hazenpad kiezen zoude; maar gelukkig was dien nacht do rivier zoozeer gezwollen door de zware regens, dat niemand haar kon overtrekken. Naar men later vernam, hadden eenige Pauers aan den overkant der rivier gereed gestaan, om Panglima \'Radja met de zijnen, wanneer zij den overtocht gewaagd hadden, den hals te breken.
«Waarlijk een fijne streek, waarvan men het onvermijdelijk gevolg den volgenden dag zoude gezien hebben, indien de Goddelijke voorzienigheid zulks door gemelde sterke afwatering niet verhinderd hadde...quot;
Naar het schijnt, werd Maharadja Indra over die //fijne streek// niet lastig gevallen, want nu deze mislukt was, verzon hij een nieuw schelmstuk. Hij verdichtte een brief in naam van den Menangka-bausehen vorst, waarin hij verscheidene leugens bij elkander raapte en alle redenen bijbracht, die dienen konden om Panglima Radja uit de regeering te stootcn en zijn persoon als de geschikte opvolger aan te wijzen. Maar verscheiden omstandigheden deden dezen brief kennen als een gefingeerd geschrift, zoodat hij de gehoopte uitwerking miste.
Er werden nu andere middelen in het werk gesteld om, hoe dan ook, Padang moeielijkheden te berokkenen. Daartoe maakte de bevolking van Pau een soort van buskruit, en kocht zij zooveel schietgeweren op als zij maar machtig konden worden. Maharadja Indra hielp hen hierin getrouw; liij kocht o. a. 12 musketten, die toevallig te Padang verkrijgbaar waren, en zond hun die toe.
De vijandelijkheden kregen nu al spoedig een ernstiger aanzien, zoodat Panglima Radja en de panghoeloes in de vesting verschenen met de verklaring, dat zi j de beleedigingen en buitensporigheden der Pauers niet langer konden dulden ; zij wenschte deze krachtig te keer te gaan, daar het anders te vreezen was dat zij nog overvallen en Padang in de ascli gelegd zou worden; de Pauers toonden, door dreigen, uittarten en door zich ten getale van 50 il 60 man tegelijk welgewapend te Padang te vertoonen, genoegzaam hunne kwade bedoelingen.
Terzelfder tijd verscheen ook de aanvoerder der Pauers, Maharadja Setia, in de vesting om eenige klachten bi j het Europeesch bestuur in te brengen; dit verwees hem echter naar de Padangsche regenten. Hij nam den schijn aan, dezen raad op te volgen en begaf
38
zich tot den Pangliina Radja, inet rle mededeeling dat liij zich eindelijk liet oppergezag der Padangsche regenten wilde laten welgevallen, daar de Compagnie zulks toch begeerde. De Pangliina Radja was over dit besluit zoo tevreden, dat hij Maharadja Setia ecne som van 50 rijksdaalders ten geschenke gaf, .in de hoop, hein daardoor voor goed aan zich te verbinden. Maar zoodra was Maharadja Setia niet bij de zijnen teruggekeerd , of hij strooide alom uit dat de Pangliina lladja hem schatplichtig geworden was en reeds 50 rijksdaalders had opgebracht.
Weinig tijds daarna werd hij opgeroepen om in de vesting te verschijnen, ten einde op tegen hem ingebrachte klachten te worden gehoord; hij antwoordde dat hij eerst zijn volk moest bijeenbrengen en des anderen daags wel komen zoude. Maar den volgenden dag verscheen hij niet; en toen hij twee dagen later ontboden werd, gaf hij den boodschappers ten antwoord dat //hij den Duivel aan de E. Compagnie haddequot;; aan een dier boodschappers werd de kris afgenomen en , toen deze de vlucht nam, werden hem nog een paar schoten nagezonden.
De Panglima Radja, een cn ander vernemende, betoogde nu aan den gezaghebber en zijnen raad, dat het meer dan tijd werd om aan de uittartende houding van Pau een einde te maken; niet alleen hij, Panglima Radja, maar ook de Compagnie zelve was beleedigd, en die //schampere hoon// diende gewroken te worden. Hij rekende zich daartoe sterk genoeg, ook zonder de adsistentie der Compagnie.
Dit vertoog werd zeer billijk gevonden, en de Panglima Radja kreeg de gevraagde vergunning om tegen Pau op te trekken; echter met de uitdrukkelijke waarschuwing dat hij op de hulp der Compagnie volstrekt geen staat moest maken, vermits //wegens de zwakheid van het garnizoen geen volk te missen was.quot;
In den nacht van 1 op 2 Juni 1692 gingen de Padangers dien tengevolge op marsch naar Pau, waar zij in den vroegen morgen aankwamen. Maharadja Setia en de zijnen waren op hunne hoede, maar werden zoo krachtig aangegrepen dat zij , nadat van weerszijden verscheidene gekwetsten gevallen waren , de vlucht moesten nemen. De negorij Pau werd nu //tot den grond afgebrand en ten eenemale geruïneerd.quot;
Na deze nederlaag hielden de Pauers zich eenige jaren rustig, totdat, in het jaar 1700, de oude Panglima van Padang overleed.
Deze had de Compagnie groote diensten bewezen , //ofschoon hij ook bij sommigen in geen goed blaadje stond, inzonderheid bij den
39
gezaghebber Beerniiik , die liem in zijne memorie van overgaaf leelijk afschildert.// Men ondervond al spoedig wat men aan hem verloren had, toen zijn opvolger — zusterszoon — Radja Alam reeds in het volgende jaar met zijne onderhoorige panghoeloes in twist geraakte en oenige dezer zich naar Pau begaven.
Toen begonnen de vijandelijkheden opnieuw, en weldra werd Padang ernstig bedreigd door de lieden vau Pau, gevolgd door die van Kotatengah, Priaman en Boengocs. Toen minnelijke aanmaningen niet baatten, trachtte de gezaghebber Ducam hen met geweld tot rede te brengen en trok hij, den 13quot; December, met eene vereenigde wacht van Nederlanders en Padangers op Pau aan, doch met zulk een ongelukkigen uitslag, dat hij, met verlies van verscheidene dood en en gewonden, in groote wanorde moest terugtrekken. Het gevolg der door Pau behaalde overwinning was, dat ook de volken van de quot;VTII, IX, VII en V kota\'s en ïikoe zich aan zijne zijde schaarden.
De toestand bleef alzoo voor de Compagnie hoogst ongunstig, totdat, in 1705, eenc regeling getroffen werd waarbij, als boven onder Kotatengah vermeld, het oppergezag van den Padangsehen Panglima over de landstreken buiten Padang word opgeheven. Bovendien werd toen lladja Alam afgezet en door Moeara Laoet vervangen.
Openlijke vijandelijkheden hadden nu voorloopig geen plaats, maar Radja Poetih, die zich tijdens de jongste onlusten tot hoofdregent van Pau opgeworpen iiad, veroorzaakte telkens moeielijkheden totdat hij eindelijk (1712) met zijne aanhangers uit Pau verdreven werd door de ons getrouw gebleven regenten onder lladja Peraq, met behulp der Padangers.
lladja Poetih nam nu de vlucht naar het gebergte; nog eenmaal verscheen hij in Pau, maar hij werd andermaal door eenc vereenigde macht van Pauers en Padangers op de vlucht gedreven. Toen hield hij zich eenigen tijd op te Kota Ilalang, waar bij zekeren Radja Soeroasso, een neef van den Menangkabanschen Keizer Radja üagar Alam, tot zijne belangen overhaalde. Die Radja Soeroasso kwam //met eenc groote macht bergvolkeren// binnen het land van Pau, en deed , tengevolge van de \'/ingebeelde heiligheid van zijn stam// \' de bevolking en hare regenten trouw zweren om de Compagnie van de kust te helpen verdrijven. Radja Poetih keerde nu ook terug en kwam, den 21quot; Februari L71 •\'}, tegen den middag aan het hoofd
i Van Basel, II § 79.
40
van eeu zware macht, waaronder wel 500 geestelijken of priesters, alle in \'t wit gekleed en met den rozenkrans in de rechterhand, met Radja Soeroasso voor Padang aan, nadat hier den vorigen dag meer dan 300 buflels en 5 veehoeders geroofd en medegevoerd waren. De Padangers, thans door 120 Boegiueesche soldaten en Europeesche matrozen ondersteund, vielen den vijand echter zoo krachtig aan dat hij hals over kop den vlucht nam en zelfs het district Pau verliet, dat, voor zoover de tijd het toeliet, verbrand werd.
Den volgenden dag werd de overwinning voltooid door een goedgeslaagden aanval op de negorij Kota Baroe en de daar op een steile klip gelegen versterking. De luitenant Gaspar Oenen kreeg den last, met een detachement van 30 Europeesche soldaten, 40 busschutters met handgranaten gewapend, 70 Boegineezen, de vrije JNiassers en verder met de Padangsche hulptroepen van Boengoes naar Kota Baroe te marcheeren, dit zoo mogelijk te veroveren, de bedoelde versterking te slechten en bij den terugmarsch alles te verbranden wat in Pau den vorigen dag nog was blijven staan.
Deze last werd volledig uitgevoerd; de vijand, die in groote menigte aanwezig was, nam op de nadering der onzen de vlucht, en de sterkte van Kota Baroe, die met weinig volk tegen eene groote overmacht verdedigd had kunnen worden, viel ons zonder tegenstand in handen en werd geheel geslecht. Verder werden alle huizen en houtwerken in het geheele district zoodanig vernield dat er, volgens het verslag van Oenen, //zijns wetens geen een woning overgeschoten was//.
\' Radja Soeroasso had, zooals nu bleek, ook te Padang zelf reeds vrij wat aanhangers gewonnen. Deze werden na zijne vlucht weder in genade aangenomen; maar de, Panglima van Padang werd door het grootste gedeelte zijner panghoeloes zoo eenstemmig van ontrouw en knevelarij beschuldigd, dat hij, met een zijner panghoeloes, opgevat en naar Batavia gezonden werd. Toen hier zijne verstandhouding met Kadja Soeroasso duidelijk gebleken was, werd hij naar Banda verbannen.
Nadat in 1715, de uitgeweken bevolking van Pau te vergeefs getracht had eenige onrust te stichten, zette zij zich het volgend jaar, na verkregen vergiffenis, op de haar aangewezen plaatsen neder. In 1720 poogde zij een en andermaal hare verlaten en door de
1 Hetgeen tliane omtrent Pau verder wordt medegedeeld , is getrokken uit het tweede Hoofddeel van Van Basel, §§ 79 eu vlg.
4t
natuur versterkte woonplaatsen weder te bebouwen, maar zulks werd telkens zonder veel inspanning belet.
Naar het schijnt, werd in 1724 een contract met de bevolking van Pau gesloten, waarbij word bepaald dat deze landstreek niet mocht worden bewoond; toen het volgende jaar zich toch sommigen daar kwamen vestigen, werden zij gewapenderhand verdreven. Eenige panghoeloes weken toen naar het gebergte uit en spanden met de XITT. kota\'s en andere bergvolkereu samen tegen de Nederlanders. Maar toen zij, in 1726, werkelijk naar de bcnedcnlanden kwamen en Padang bedreigden, stelde eene tijdig van Batavia aangekomen versterking der militaire macht de onzen in staat, de muitelingen tegemoet te trekken, en deze werden zonder veel moeite verstrooid. Evenwel werd nu ontdekt, dat vele ingezetenen van Padang aan het verraad medeplichtig waren, en onder hen in de eerste plaats de Panglima en zijn Bandhara of rijksbestierder. Toen hun schuld overtuigend was aangetoond, werden beide naar Batavia gezonden; doch de Panglima, die nu werd aangesteld, bleek niet beter dan zijn voorganger en vluchtte weldra naar het gebergte, om gemeene zaak met onze tegenstanders te maken. Om de strooperijen van deze tegen te gaan, werd bij kampong üoerie, drie mijlen van Padang, aan den voet van het gebergte, eene schans aangelegd, die met 20 Europeesche en 20 Boegineesche soldaten bezet werd.
In Maart 1727 kwamen evenwel de uitgeweken Panglima, de panghoeloes van Pau benevens de regenten van de XX en de XIII kota\'s vergiffenis vragen bij onzen gezaghebber, waarschijnlijk tengevolge van het gebrek aan zout, dat ontstaan was doordien men te Padang den verkoop daarvan opzettelijk gestaakt had. Hoe dit zij, men was te Padang zeer tevreden met de onverwachte onderwerping, herstelde den Panglima in zijn gezag, en sloot met de XIII en XX kota\'s een verbond van vriendschap. De verschansing bij kampong Doerie werd nu weder verlaten en geslecht.
Na dien tijd liet de Compagnie zich niet veel meer aan Pau gelegen liggen. Reeds in 1728 gaven zijne inwoners //nieuwe blijken van ongehoorzaamheid//, door zich weder op de verboden plaatsen te vestigen, het water der rijstvelden af te tappen en den handel der XIII kota\'s te bemoeielijken. Maar men liet dit alles ongemerkt voorbijgaan, om niet opnieuw in oorlog gewikkeld te worden. Later vinden wij nog slechts vermeld dat Pau zich, in I7\'l\'0, schaarde aan de zijde van Abdoel Djalil die, zich uitgevende voor een Menangkabausch vorst van den Pagarroejoengschen stam, de
42
vaan des opstauds plantte en o. a. Priaman bij herhaling bedreigde. In 1742 werd die opstand bedwongen eu aan verschillende landstreken, tot straf voor hunnen afval, eene geldboete opgelegd. Vermoedelijk behoorde ook Pau onder deze landstreken, van eene andere bestraffing blijkt althans niet.
//Sedert de herhaalde kastijdingen houdt Pau zich redelijk gerust//, schreef van Basel in 1761 1 en men dient het «bij die vreedzame gedachten te bewaren// opdat de gemeenschap met de XT1I kota\'s open blijve. In 1755 was, bij een nieuw verbond, onze heerschappij over Pau erkend.
De xiir kota\'s werden geacht eenen aanvang te nemen boven Kota Ilalang, eene dagreize N.-O. waarts van Padang gelegen; zuidwaarts strekten zij zich tot boven Salido uit. Zij bestonden uit de volgende negorijen:
1. Ooegoe, bestuurd door 3 regenten.
2. Tjoepak, // // fi //
3. Talang, // // 4 //
4. Kota Anau, // // 3 //
5. Gantoeng Tjiri , // // fi //
fi. Kinari, // // fi //
7. Moeara Panas, // // fi »
S. Kota Paree, // // fi //
9. Selajoe, // » fi «
10. Solok, // // 8 //
11. Gaoeng, // // 3 //
13. Panjakalan, // // fi //
13. Keitandang, // // 3 //
Te zamen fifi //
De bevolking voorzag in haar levensonderhoud door den landbouw en door het goudzoeken; zij kwam //dagelijksquot; met haar goud te Padang en ruilde dit tegen lijnwaden in. De //vermaardste en rijkste mijnen// waaruit het goud gehaald werd, waren:
die van Siroekam behoorende onder Silamlei,
\'/ \'/ Hoekit panjaboengan // » Soepajaug,
\'/ // Patang paroeanjang // // Kadjeij,
\'/ // Batang Sipinjei // // Sibarombaug,
quot; // Patang Tabileh // // Siloenkang en
\'/ \'/ Ajer Lawas, waaraan de volgende zes negorijen gelegen
1
Kerfete Huufcldeel, § 29.
43
waren; Siaroe en Aroc, Soengeidoeriau, Rimpang Loepada, Siaroung Taroeng, Pelangei en Koia Baroe.
De hier genoemde elf negorijen behoorden tot de XII I kola\'s en werden geregeerd door 34 regenten, nl. :
|
Silamlei |
door |
3 |
Siaroe en aroe |
door |
1 |
|
Soepajang |
// |
6 |
Soengeidoerian |
// |
l |
|
Kadjei |
// |
2 |
Rimpang Loepada |
// |
1 |
|
Sibarambang |
// |
2 |
Siaroeng Taroeng |
// |
1 |
|
Siloenkang |
// |
5 |
Pelangei |
// |
6 |
|
Kota Baroe |
// |
6 |
Heeds in 1681 werden — krachtens resolutie van 25 October — de XIII kota\'s onder het getal onzer bondgenooten aangenomen, • en in 1714 werd een verdrag van bondgenootschap aangegaan. 1 Dit verdrag werd in 1725 verbroken, toen dit landschap, zooals boven vermeld, met Pau samenspande om de Nederlanders te verdrijven; maar in 1727 werd het vernieuwd, en na dien tijd werd de goede verstandhouding niet meer verbroken.
Van Basel deelt ons mede dat de verschillende negorijen, doorgaans wel met elkaar in bondgenootschap maar door geen centraal gezag vereenigd, dikwijls met elkander overhoop lagen en hunne geschillen met de wapens beslechtten. 2
Boengoes werd in 1682 door de wapenen der Compagnie veroverd en, met behoud zijner eigen hoofden, onder het inlandsch bestuur van Fadang gesteld; in 1705 werd het onafhankelijk van Padang gemaakt, zoodat het rechtstreeks aan den gezaghebber ondergeschikt was.
De inwoners leefden van landbouw en vischvangst; de baai Boengoes en de zuidelijk daarvan loopende rivieren Soengei Pisang en Soengei Pinang waren //de vischrijkste wateren van het geheele zuidergedeelte der eilands.quot;
Boengoes telde drie negorijen : lïoengoes, Tintaki en Talok Kabon over welke de hoofdregent van eerstgenoemde het oppergezag voerde. Boengoes had verder 9, Tintaki .\'5, Talok Kabon 4 mindere panghoeloes.
Troesan was een koninkrijk quot;dat in de oude tijden altoos op zich-zelf gestaan heeft\'/; het strekte zich ten N. tot Soengei pinang, ten Z, tot het landschap Bajang uit, en bestond uit tien negorijen, welke elk vier panghoeloes hadden.
1
\' Id. I § 29.
44
Die tien negorijen waren : Soengei Talang (de residentie van den koning, die liet oppergezag over de 40 panghoeloes iiad), Loeboe Gangoe, Ampang Poetih, Kota Poetih, Nanggalo, Barang, Batoe Atnperdocka, Balanti, Doesoe en Sigoentoer.
Dc koning, Radja Itain genoemd, stond in 1667, met den keizer van Indrapoera en de regenten van Bajang, het landschap Salido en het eiland Tjinko aan de Compagnie af. In 1680 en 1681 toonde hij de Compagnie zijne goede gezindheid door haar den doortocht van troepen naar Bajang toe te staan; en toen, in Januari 1682, de onzen op de bevolking van Bajang eene volkomen overwinning hadden behaald, onderwierp hij zich geheel aan de Compagnie, nadat hij, in overleg met de regenten, vooraf reeds Soengeikapajang, Soengei Sira, Mocara Tambang, Soengei poetih, Soengeibarangan en de daaronder behoorende goudmijnen aan de Compagnie had opgedragen.
Na de onderwerping in 1682 nam de Compagnie //possessie\'/ van het rijk van Troesan, en wierp zij hier eene verschansing op, die aanvankelijk met 1 korporaal en 8 man bezet werd en 200 voet in \'t vierkant groot was. Het terrein, voor de versterking benoodigd, werd in vollen eigendom afgestaan tegen betaling, aan de eigenaars, van de waarde der daarop staande huisjes.
Voor den handel was de schans eigenlijk niet noodig, want die met dc bovenlanders kon zeer goed te Padang, te Salido of op Poeloe Tjinko gedreven worden; maar hare oprichting werd wenschelijk geacht, zoowel wegens de hier in groote hoeveelheid beschikbare houtwerken, als vooral om een wakend oog tc houden op Poeioet-Poeloet en Bajang, ter bewaring van den vrede met die lastige landschappen.
In 1683 werd hiertoe dc boekhouder Jordaan Teding met 16 minderen te Troesan geplaatst. Hij kreeg de opdracht, om dc veertien dagen, en minstens eenmaal per maand, een tochtje naar Poeloet-Poeloet en Bajang te maken om te vernemen of daar ook iets kwaads gebrouwen werd en, als er iets bijzonders gaande was, daarvan dadelijk bericht aan de regcering te Padang te zenden.
In 1694j werd de bezetting van Troesan //ter vermindering van lasten// echter opgeheven en de schans onder de bewaking van 2 mardijkers gelaten. Deze werden vier jaren later, toen zij over land van Salido naar Troesan gingen, aan de monding der Bajangrivier vermoord; daarna werd onze geheele vestiging te Troesan verlaten.
Radja Itam werd in 1699 door zijne panghoeloes uit zijn rijk verdreven en hield zich voorloopig te Padang op, totdat hij in.
45
1703, met behulp der vaartuigen en manschappen van de Compagnie, weder in zijn gezag werd hersteld. 13c oude tractatcu werden ook hier in 1755 vernieuwd.
Hajang. De 16 panghoeloes, die dit landschap in 1663 bestuurden, sloten destijds een handelsverdrag met de Compagnie en boden, in hetzelfde jaar, hunne hulp aan tot de verdrijving der Atjehers. Dientengevolge werden zij in 1665 ook opgenomen in de geheime overeenkomst, //hetwelk het Painansche tractaat genoemd werd.//
In 1678 raakt de bevolking van Bajang in oorlog met die van Salido, en viel zij deze aan, tot zelfs binnen het bereik van ons geschut der redoute. De aanvallers werden door dit geschut verdreven , maar dreigden daarop met eenen aanval op de sterkte en de goudmijn der Compagnie.
Aan deze bedreiging werd geen gevolg gegeven, doordien zij onder elkander verdeeld raakten en sommige hoofden, die tot rust genegen waren, zelfs de hulp der onzen inriepen. Maar de meeste bleven het oorlogsvuur aanstoken en brachten de Compagnie veel schade toe, totdat eindelijk, in 1683, afdoende maatregelen werden genomen. Toen werd Bajang //ter oorzake van de ongehoorzaamheid der inwoners// door de onzen //ten eenemale geruïneerd en verwoest//; de 16 panghoeloes werden afgezet en, toen het land van lieverlede weder bevolkt raakte, vervangen door den panglima Radja Paloe-wan en 12 regenten.
Aan de vroegere bevolking werd, nadat zij tot inkeer gekomen en opnieuw trouw aan de Compagnie beloofd had, eene boete van 400 rijksdaalders opgelegd; toen zij deze betaald had, kreeg zij vergunning, weder in haar land te wonen. Het landschap werd weder bevolkt door lieden uit Troesan, Kinari, Kota Anau en Moeara Panas in de XIII kota\'s, die genoemden panglima als hun hoofd erkend hadden.
Bij een contract, den quot;21 n December 1684 gesloten, werden de woningen en landerijen op de volgende wijze verdeeld:
1«. De //Panglima van de E. Compagnie// zal voor zijn deel in Bajang bezitten de landerijen van de vier hoofdrebellen Radja Toe-wakil, Iman betoewah, Sri Maharadja en Anachoda Paloewan.
2o. De //acht panghoeloes van de E. Comp. in Bajang met hunne geslachten en het geslacht van den Panglima// zullen bezitten en, met de lieden, afkomstig uit Kota Anau, Moeara Panas en de andere bergstreken welke tot de bondgenooten der Comp. behooren, onder elkander verdeden al de landerijen , gelegen van de hoofd-
46
negorij Ko\'ta Brapoe opwaarts tot do negorij Kebongan, het gebergte Loeboe talian daaronder gerekend.
3o. ])e ] 6 panghoeloes of verdreven onderregenten van Bajang met hun gevolg, welke zich den 26n Februari 1683 zijn komen verootmoedigen en toen weder in genade werden aangenomen, zullen genieten de landerijen, strekkende van Kota lirapoe tot aan het strand.
4o. Al de onderdanen, die vergunning mochten erlangen om zich in den vervolge te Bajang neder te zetten, zullen zoodanige landerijen, behoorende tot het tweede en derde gedeelte ontvangen, als bevonden zal worden te behooren, quot;gelijk nu met de 50 huisgezinnen van Troesan is geschied\'/.
5o. In de hoofdnegorij Kota Merapa zullen wonen : de Panglima en twee panghoeloe\'s: een uit Kota Anau, en een uit Moeara Panas, benevens nog de panghoeloes Kouwei en Tandil; verder twee panghoeloes (een uit Kota Auer en een uit Moeara Panas) in elk der negorijen Loeboe Gambir, Kepingjong opwaarts, en Kapas pintjeh nederwaarts.
Behalve de genoemde vier negorijen zullen nog mogen worden bevolkt en bewoond de negorijen Kapoedjang opwaarts en Loeboe Anau, Kota toea en Siaboe nederwaarts.
fio. De negorijen van Kapoedjang en Loeboe ïaban opwaarts tot Kota Baroe en Koebang mogen nog niet uitgedeeld of bebouwd worden, evenmin bevolkt of bewoond. Idem de negorij Bidar Alam en de landerijen van twee hoofdvijanden Soetan Mamoelia en Datoe Setia.
7o. De panglima en panghoeloes van Bajang mogen voortaan geen inwoners van Troesan opnemen zonder voorkennis en toestemming van den // panglima en mangkoeboemi // (?)
8°. De panghoeloes en inwoners van Poeloet-Poeloet zullen voortaan bezitten en bebouwen de landen van Kota Baroe en Koebang in Bajang \'/opwaarts van en beneden hun land, en voorts bovenwaarts.//
9°. Om alle verschillen tusschen Bajang en Salido te voorkomen zal het landschap Lompo zijne eigen panghoeloes hebben , welke de Commandeurs aldaar zullen aanstellen, met kennisse van den landraad , en welke panghoeloes, evenals die van Salido, ondergeschikt zijn .san liet opperhoofd te Tjinko.
Nadat de nieuwe panglima, Radja Paloewan, enkele jaren geregeerd had, kwamen twee zwervers, in de papieren onder den naam van Radja Doea Silas bekend en zich voor zonen van den keizer
47
van Menangkabau uitgevende, in de zuidelijke kustlaiulcïi der Westkust oiiruststoken. Zij werden door de Engelsehen, wier belang zulks medebracht, als wettige vorsten van Menangkabau erkend, doeh vielen, in 1687, in onze handen. De commandeur le Sage gaf hen, op de opeisching van den keizer van Menangkabau, aan diens zendeling over, maar deze stelde hen, tegen onze verwachting, op vrije voeten. 1
Met deze //gewaande landsheeren van Menangkabau// sloot de panglima van 15ajang een verbond, in strijd met zijne verplichtingen tegenover de Compagnie. Na de gevangenneming der Eadja Doea Silas nam hij, uit vrees voor bestraffing, de vlucht.
Bajang hield zich nu rustig tot het jaar 1703, toen de in 1682 afgezette panghoelocs weder van zich lieten hooren. //Tegen alle vermaningen , waarschuwingen en dreigementen van den toemnaligen gezaghebber// Jordaan Teding, voerden zij oorlog tegen Salido, welks negorijen nagenoeg geheel vernield en grootendeels verbrand werden. Toen deze aanslag zoo wel gelukt was, werd ook een aanslag gewaagd op onze verschansing te Sa lid o, waarbinnen de panglima van dit landschap zich had teruggetrokken. 13e aanvallers zagen zich verplicht te wijken; maar toen kort daarna de bezetting van Salido naar Poeloe Tjinko was overgebracht, kwamen zij terug en verbrandden zij de Hollandsehe vestiging.
De lieden van Bajang verdeelden zich daarop in twee partijen, waarvan de eene overland naar Pau marcheerde en zich met de bevolking van dit landschap vereenigde om het die van Padang lastig te maken; de andere partij wendde zich naar Troesan en richtte daai //allerlei insolentiën// aan.
In 1704 werd de rust tijdelijk hersteld, doch twee jaar later begonnen //deze roervinken opnieuw vijandelijkheden tegen Salido te ondernemen.// Deze vijandelijkheden werden echter spoedig gestuit, en in den vervolge kreeg Salido wat rust, doordien de 16 verdrevene en de 12 wettige regenten van Bajang met elkander overhoop lagen. In 1710 werd een der laatste, genaamd Eadja di Ilir, met zijne volgelingen van have en goed beroofd en uit Bajang verdreven. Hij vluchtte naar Padang, en werd in 1711 met behulp der Compagnie//in zijne bedieningen en goederen// hersteld. Toen werd eene schikking gemaakt, die vele jaren stand hield, en krachtens welke Bajang zou worden geregeerd door 3 hoofdregenten en 12 mindere panghoelocs 2.
1
Van Basel, II § B3.
2
Dozo regeling beatoiid img in 1761. Van Banel, T § 82.
48
T)ic hoofdregenteu waren, omstreeks 1730:
Uatoe Kopia, alias Soetau Mamoelia, van \'t geslacht Kinari,
Datoe Maharadja......quot; quot; quot; Moeara Panas, en
Datoe Setia........n n n Kota Anau.
Yan de 12 mindere panglioeloes zijn ons 10 met name bekend, n. 1 Datoe lladja, Datoe Maharadja Besar, Bagindo Maharadja Lela, Radja Bandhara, Soetan Belebéh, lladja di Ilir, Radja Indra Mamoelia , Soetan Paloewan, Padoeka Maharadja en Orangkaja besar.
Lompo was een klein landschapje in het gebergte, tusschen Bajang, Poeloet-Poeloet en Salido gelegen; de inwoners leefden \'/stilletjes//, voornamelijk van den landbouw. Bajang en Salido maakten beide aanspraak op deze streek, maar, zooals uit punt 9 van het boven medegedeeld contract van 1684 blijkt, werd het onder een zelfstandig bestuur (van vier panghoeloe\'s) gesteld.
Poeloet-Poeloet ligt rondom in het gebergte, aan de landzijde van Bajang. Door den vorm van de bergen was de negorij //genoegzaam ongenaakbaar en van natuur zeer sterk //; door het oprichten van de benting of borstwering op een heuveltje, ruim 400 roeden van de negorij gelegen, konden de bewoners de berglieden , waarmee het volk van Bajang dikwijls overhoop lag, den pas geheel afsnijden. Poeloet-Poeloet was dus een bolwerk voor Bajang tegen de kwaadwillige bovenlanders.
Het bestuur werd gevoerd door:
een radja of hoofdregent, .Tang Fertoewan Malatta,
vier panglioeloes: Datoe Sri Pada Besi, Datoe Goenoeng Kaja,
Datoe Moeda en Datoe lladja di Atjeh, en drie mindere regenten : Radja Beganti, Datoe Kaja en Bandhara Radja.
Tambang. Een goudmijn , omtrent 2[ uur van Salido, //waarvan men zich altijd groote schatten en aanzienlijke voordeden beloofd heeft//. Zij is echter //van den beginne dat zij bearbeid geworden is tot aan het jaar 1729\'/, toen zij verlaten werd, //een grondelooze poel geweest, daar de E. Compagnie groote sommen gelds in kwijt geraakt is //.
Van Basel spreekt \' van //de beruchte Tambang of goudmijn , welker bearbeiding der maatschappij zoo duur is te staan gekomen//. In 1729 werd de mijn aan den Panglima van Salido verpacht
1 T, § 34.
49
voor 80 rijksdaalders per jaar; kort daarop werd nog eene poging gedaan tot exploitatie der mijn voor rekening der Compagnie, ingevolge een uit Patria ontvangen last, doeli zonder beter gevolg dan vroeger. Men voerde eene bezending slaven van Madagascar aan, doeli //de uitkomst deed eenige jaren later zien dat deze laatste poging , om het goud voor rekening der maatschappij in den schoot der aarde te zoeken, evenmin als de vorige hier of\'elders gelukt is//gt;.
Salido kwam in L64lt;6 liet eerst in aanraking met de Nederlanders , toen deze van de Koningin van Atjeh de vergunning erlangden, hunnen handel van Indrapoera naar Salido te verplaatsen, //hetgeen zekerlijk om de ongezondheid van eerstgemelde plaats zal verzocht zijn //.
Tien jaren later werd het personeel der Compagnie te Priaman, Salido en Tikoe gewelddadig gevangen genomen en zelfs in den ketting geklonken. Maar toen van Voorst, den lln April 1657, met vijf schepen en drie sloepen voor Salido verscheen, slaagde hij er hier weldra in, onze logie te veroveren en negen gevangen Nederlanders te bevrijden. De logie werd versterkt, maar te vergeefs trachtte van Voorst met \'s lands grooten een minnelijk verdrag aan te gaan 2,
Het //koophuis// stond //op den hoek, bij den ingang der rivier//. Op aanraden van een Orang kaja ketjil verhuisde de koopman Ketting in 1664, veiligheidshalve echter in stilte met den ganschen omslag der Compagnie naar Poeloe Tjinko. De bevolking van Salido werd kort daarna door die van Bajang verdreven, en liet land bleef voor-loopig wild en woest liggen.
Doch toen, in 1667, door het verjagen der Atjehers, de zaken ter Westkust een anderen keer genomen hadden, werd de negorij weder herbouwd en aan zekeren Sri Marah, onder het hooger gezag der Compagnie, de regeering opgedragen.
Kort daarop (Juli 1667) werd de geheele landstreek, van de rivier Lompo tot aan het Painansch gebergte, met het eiland Tjinko aan de Compagnie in vollen eigendom afgestaan door den Sultan van Indrapoera , den Radja van Troesan en de panghoeloes van Bajang, blijkens het hier volgend accoord:
//In het jaar na Mohammed\'s geboorte 1078, zijnde bij ons Christenen het jaar 1667, hebben Achmed Shah, Sultan van Bajang, Mohammed Shah, Sultan van Indrapoera, lladja Troesan en de ge-
1 Van Busel, II § 90. s ld. II §§ )i0 eu 24.
4
60
zaineulijke panghoeloes van Hajaiig cu Troesau, de negorij Salido, met alle de daaronder sorteereude landerijen en plaatsen, van de rivier Lompo noordwaarts af tot Painan zuidwaarts, benevens het eiland Tjinko, aan den Commandeur Jacob Jorisz. Petü (bij de Maleiers genoemd Bandliara Radja) opgedragen, zoodat hij Sultan Bajang, en hij Sultan Indrapoera, benevens Sadja Troesan, gezamenlijk afstand doen van al hunne verdere pretentiën die zij op voorsz. landen hadden, onder beding dat zij, noch iemand van de hunnen, of hunne nakomelingen nu of te eenigen tijde of dage iets op dezelve zullen mogen eischen. Ook zal de lieer Commandeur na dezen niet bevoegd zijn gezegde landen aan iemand van de hiervoor genoemde Sultans van Bajang of Indrapoera wederom over te geven, maar gehouden zijn die landen, indien hij ze niet langer behouden wil, aan den IIoogEdelen Heer Gouverneur-Generaal te Batavia op te dragen.
//Dit is besloten ten eilande Tjinko binnen \'s Comp8 logie, den 25n dag der maand Djoema Hadil, zijnde naar der Christenen rekening der maand Juli, ter presentie van de navolgende getuigen: Orang Kaja Panglima Radja, Gouverneur; Sri Naras, Francis Bakker en Johannes Meiman. Geschreven door Chatib Moeda en bezegeld met een cachet van den Koning van Menangkabau, genaamd Padoeka Sri Sulthan Achmet Shah Ibiroe Binoe Ali Iskander Doel Koeroeini Kiajat Shah Hoela Silalam//.
In 1669 werd eene overeenkomst getroffen tusschen de regenten van Padang, Salido en Indrapoera, betreffende de gerechtigheden van de peper, die uit Indrapoera op Tjinko ten handel gebracht zouden worden. De Sultan van Indrapoera zou daarvoor negen schellingen (1| rijksdaalder) per baar genieten.
In het jaar 1674 richtte Petz te Salido, in de plaats van het vroeger vermelde //koophuis//, dat geheel vervallen was, eene redoute op van 30 voeten in het vierkant, welke sterkte, den 7n November, met zes soldaten bezet werd.
Het was hier, dat in 1687 de bovengenoemde Radja Doea Silas werden gevangen genomen, toen zij zich op zekeren nacht in het huis van den panglima Sri Naras ophielden.
De gebeurtenissen, die in 1703 en 1704 te Salido voorvielen, hebben wij boven (onder Bajang) reeds medegedeeld. Wij hebben daarbij nog slechts te voegen dat in 1705, op last van den gezaghebber Abraham Schepmoes, eene nieuwe versterking te Salido werd opgericht, die van geschut en eene behoorlijke bezetting voorzien werd.
51
Zij had aanvankelijk veel overlast van de woelende Bajangers, maar nadat deze in 1707 onder elkander twist kregen, konden «de inwoners van Salido evenals voorheen weder gerustelijk wonen, en werd de koophandel op den ouden voet hersteld.//
De boven medegedeelde acte van afstand werd eerst in 1681, en later nog in 1755 vernieuwd.
De negorij werd geregeerd door een panglima en 8 panghoeloes, waarvan er 4 uit de geslachten der Ampat Soekoe (Kampei, Panei, Melajoe en Tigalaras in de Sapoeloe Boea Bandar) en 4 uit de geslachten der XIII kota\'s gekozen moesten worden. Tusschen de negorij en de sterkte der Compagnie had de bevolking hare barong-barong of handelplaats, waar, behalve eetwaren, goud werd aangebracht. Het laatste, uit de naburige mijnen gegraven, was «van een zeer slecht allooi.//
Painan , een landschapje aan eene baai tegenover Poeloe Tjinko gelegen. De oude hoofdregent, genaamd Soetan Samporna, was de eerste van alle ingezetenen der westkust die de Compagnie oprechte vriendschap bewees. In 1(563 zwoer hij de Atjehers af en zond hij een der zijnen met Groencwegen naar Batavia. Deze trouwe bondgenoot stond in 1681 zijn geheele land met de daaronder behoorende goudmijn aan de Compagnie af bij eene formeele opdracht, «voor welke gulhartigheid hem door de Compagnie een tegengeschenk gedaan werd van 103 rijksdaalders en 5 schellingen.// Deze landstreek, die altijd in rust en vrede gebleven was, en welks bevolking zich in geene inlandsche twisten mengde, werd echter in 1703 en 1706 door de woedende Bajangers, tegelijk met Salido, verwoest.
Volgens van Basel werd Painan (in 1761) geregeerd door 4 panghoeloes, //welker hoofd den eernaam voert van Radja Karbouw.\'/ i Poeloe Tjinko was //de eerste vastigheid tot een secuur verblijf voor \'s Comps ministers en handeldrijvende bedienden//, in 1666 onder \'t gezag van Verspeet behoorlijk //gefortificeerd.// Dit eiland, rondom klipachtig en met eene goede reede aan de Oostzijde, heeft in \'t midden een rotsig bergje, waarop eene beknopte sterkte en waarnevens eene gepalissadeerde logic lag; maar de bezetting , (in 1761) uit slechts 20 soldaten bestaande, werd wat zwak geacht 2. Het bolwerk op den berg en de palissadeering waren beide quot;rijkelijk
1 I § 34.
5 Vftii Bnael, I § 35.
52
met gcscliut voorzien//, «zoodat, in geval van overrompeling op Padang, dit eiland tot eenc bekwame retraite voor\'sComp. dienaren en goederen zoude kunnen strekken//en, indien het genoegzaam bezet was, //een harden stoot zou kunnen uitstaan.//
Poeloe Tjinko was het handels-centrum van \'t zuidergedeelte der Westkust, en werd, volgens van Basel, voornamelijk bezocht door de kooplieden van Soengei Pagoe
ïelok Bajano werd in 16955 door den Commandeur Boudens gekocht voor oen sommetje van 100 rijksdaalders. Hij deed hier weldra beginnen met den bouw van een groot steenen huis en liet het land tot een pleizierplaats aanleggen; maar toen het huis nog niet half voltooid was, werd Boudens naar Batavia ontboden en, in 1697 , op bijzonderen last der llegeering te Batavia, zijn huis wederom tot den grond toe afgebroken. Na dien tijd was de landstreek onbewoond. doch zij bleef het eigendom der Compagnie.
Vermoedelijk had Boudens Telok Bajang gekocht en willen inrichten in het belang zijner persoonlijke handelsoperatiën, welke met de belangen der Compagnie in volstrekten strijd waren. Althans hij werd afgelost omdat hij met de Engelschen heulde 2.
Anakan , een negorijtje dat onder het hooger gezag van Batang Kapas stond, was //zeer dicht met huizen bebouwd//, en werd geregeerd door vier panghoeloes uit de Ampat Soekoe (Kampei, Panei, Melajoe en Tigalaras). De bevolking leefde van den landbouw en hield zich niet met eenigen handel op.
Batang Kapas was de voornaamste der tien handelsplaatsen (Sapoeloe boea Bandar), waartoe verder Taloe, Tarata, Serantei, Amping Parak, Kambaug, Lakitan, Plangei, Soengei Toenoe en Poenggasan behoorden.
Als de grootste handelsplaats der lieden van Soengei Pagoe werd Batang Kapas, na de verdrijving der Atjehers, door de Compagnie zeer gewichtig geacht. Een der hoofden vergezelde Groenewegen in 1663 naar Batavia.
In 1680 werd een formeel verbond aangegaan, waarbij ook de Sapoeloe Boea Bandar aan de jurisdictie der Compagnie onderhoorig werd. Zes jaar later werd, wegens de plannen en verrichtingen der Engelschen te Batang Kapas //bij provisie postgevat//; en ook nadat de Engelschen weder verdreven waren, bleef de plaats bezet,
1 Van Basel, I § 35.
» ld. II § 62,
53
«als zijnde rle voornaamste vergaderplaats fier afkomende bergen zuid-handelaars//. In 1687 werd zij behoorlijk versterkt, maar reeds in IfiOl werd goedgevonden tie logic hier te //lichtenquot; om de Compagnie //van dien omslag te ontheffen//. //Om den Tingel-schen den vrijen toegang te verhinderen//, werden echter een korporaal en vier soldaten in de sterkte achtergelaten. Deze werden in 1693 vervangen door een matroos en vier slaven, en ook deze //bezettingquot; werd in 1696 opgeheven. De plaats werd toen voor goed verlaten.
De inwoners, die vroeger goudhandel dreven met de lieden van Soengei Pagoe, leefden in 1730 bijna geheel van den akkerbouw: //zijnde de peperplant, die van oudsher hier met ijver was gecultiveerd, tegenwoordig van weinig of geen belang, gelijk ook in \'t geheel langs de kust het aankweeken van den peperkorrel, omdat de Compagnie er zich weinig aan laat gelegen liggen, is verwaarloosd. De inlander kan zijne rekening vrij wat beter maken bij de padivelden dan bij de pepertuinen, die eerst na vijf jaren vrucht geven en dus al dien tijd niets afwerpen, maar integendeel, door \'t kostende van de bearbeiding en het schoonhouden van de boomen en van den grond, voordat de ranken flink dragen, een lastpost zijn.//
De negorijen, tot Batang Kapas behoorende, waren acht in getal en werden derhalve de VIII kota\'s genoemd. Zij heetten: Kota toea, Anakan, Inoenang, Limoumanis, Soengei Papan, Soengei Djala, Toeiek en Loebomboe, en werden geregeerd door 4 panghoeloes uit de reeds vermelde Ampat Soekoe. Deze panghoeloes hadden nog mindere regenten onder zich.
Evenals die van Batang Kapas werden ook de panghoeloes der overige districten der Sapoeloe lioea Bandar — van elk district 4 — uit de Ampat Soekoe gekozen. Volgens van Hasel geschiedde die keus door den Commandeur en Raad te Padang. 1
Taloe bestond uit 4 negorijen, met 4 panghoeloes; hierbij behoorden voorts nog 2 //groote, afgezonderde negorijen//, die mede door 4 panghoeloes uit de Ampat Soekoe werden bestuurd.
Tarata telde meer dan 200 huizen, welke wegens netheid en grootte quot;naar den inlandschen trant voor fraai kunnen doorgaanquot;. Rondom was de negorij omgeven door groote vlakke landerijen die tot padivelden dienden.
Siuantet was zeer volkrijk en telde elf negorijen en vlekken. Boven de 4 panghoeloes stond hier een radja, uit het geslacht
1
Van Basel, I § 38.
54
Soeugei Pagoe-Kampei. Taratta Timboelan was de hoofdplaats van dit landschap.
Amping Pa ra k had slechts een geringe bevolking, die van den landbouw en van den verkoop van atap leefde. Er waren 5 negorijen; de radja, aan het hoofd der 4 panghoeloes, werd gekozen uit het geslacht Soengei Pagoc-Melajoe.
Kam bang telde tien negorijen; ook hier was een radja aan het hoofd, die genaamd werd Had ja lioekit en behoorde tot het geslacht Soengei Pagoe-Kampei. Behalve de 4 panghoeloes waren er nog 4 mantries, tot hetzelfde geslacht als de radja behoorende.
Lakitan werd bestuurd door eenen radja uit het geslacht Soengei Pagoe-Melajoe, onder den naam van Jang di Pertoewan, en vier panghoeloes. Dit rijkje was weinig bevolkt en telde zes negorijen.
Planoki bestond uit elf negorijen en 12 gehuchten, en leverde jaarlijks eene groote hoeveelheid padi uit. Boven de 4 panghoeloes stond ook hier een radja, uit den stam Soengei Pagoe-Tiga laras.
De vier radjas van Kambang, Amping Parak, Lakitan en Plangei werden genoemd de Eadja ampat Kadoedoekan, en hadden onder elkander rang in de hier opgenoemde volgorde hunner landen.
Soengei ïoenoe had 7 negorijen of vlekken.
Poenggasan of Moeara Lagan telde 13 negorijen, en had, behalve de vier panghoeloes, nog 3 mindere regenten.
Soengei Pagoe, de achter de Sapoeloe Boca Bandar gelegen bergstreek , werd gezegd zich //zeer wijd// binnen\'slands uit te strekken en zeer goudrijk te zijn. Veertien negorijen, allen dichtbij elkander gelegen, waren bij name bekend.
Omtrent de goudmijnen van Soengei Pagoe schreef men in 1730 ; //Deze landstreek is vermaard door het groote getal van goudmijnen, waarom zij ook den naam draagt van Sariboe tiga ratoes Tambang (de 1300 goudmijnen). Deze mijnen leveren groote stukken massief goud uit, waaronder somtijds eenige die 2 a 3 ponden zwaar zijn, houdende gemeenlijk den toets van 22 il 221 karaat; hoewel er nu en dan ook stukjes uitkomen die volkomenlijk 24 karaten kunnen houden.//
Het gebergte van Soengei Pagoe was even volkrijk als vruchtbaar, en werd geregeerd door de Ampat Soekoe, eigenlijk de stamhuizen der inwoners der Sapoeloe Boea Bandar. De Compagnie was met de lieden van Soengei Pagoe steeds in goede verstandhouding, maar oefende geenerlei suprematie uit.
55
Ajer Hadji. Wanneer men de rivier van Ajer Hadji opvoer, trof men drie negorijen aan. De eerste lieette Kota Pauei, en werd bestuurd door drie regenten, allen uit het geslaelit Panei jang tiga iboe, onder het gezag van den radja Ajer Hadji. De tweede negorij, Kota Marapa, bestond uit slechts weinige huisjes en had een regent. De derde, Loeboe Eoeaja, was de hoofdplaats der landstreek; hier woonde de Radja, uit evengenoemd geslacht afkomstig, en in 17!30 Radja Mangsoer genoemd, en voorts 4 panghoeloes, behoorende tot de Ampat Soekoe van Soengei Pagoe. Behalve de drie genoemde negorijen vond men in dit landschap nog zes vlekken.
Sedert de Compagnie in 1711 hier eene factorij oprichtte, kwam het volk uit Korintji er dagelijks ten handel; het versterkte koophuis stond niet ver van de hoofdnegorij en was bezet met //een sergeant als posthouder, een adsistent als secunde voor de negotie, en een korporaal met eenige gemeene soldaten.//
Van oudsher was Ajer Hadji onderhoorig aan den keizer van Indrapoera, doch een radja Alam Hoemi, uit het geslacht Panei jang tiga iboe, verklaarde zich onafhankelijk. Die onafhankelijkheid van het landschap werd eerst tijdens de regeering van den opvolger van genoemden radja erkend door de regenten der Sapoeloe Boea Bandar, en naderhand (1682) ook door den Commandeur Joan van Lecne, toen liet land aan de Compagnie werd opgedragen.
In 1685 werd hier, op last van genoemden Commandeur en zijn vervanger Jacobus Coupert, post gevat door den sergeant Johannis van Velzen met eenige soldaten; //om een wakend oog te houden op de Engelschen// voegt van Basel hierbij. 1
Toen de Engelschen, in 1693, geheel van Indrapoera en Mendjoeto opbraken, was dit doel vervallen en werd al spoedig tot de opheffing van den post te Ajer Hadji besloten. Officieel had die opheffing dan ook in 1694 plaats; maar de commandeur Abraham Boudens hield den post gedurende 21 maanden door een inlandsch sergeant en 12 Maleiers //voor zijne particuliere speculatie// bezet en betaalde het volk uit zijne eigen beurs.
In 1796 werden de Engelschen te Mendjoeto weder //met open armen ontvangen//, en men vertrouwde Indrapoera niet; daarom werd Ajer Hadji opnieuw bezet, thans met een sergeant, 12 Europeesehe en 12 inlandsche militairen. 2 De reden dier bezetting moet wellicht
1
I § 39.
1 Vau Basel, II § 63.
56
ook gedeeltelijk gezocht worden in de omstandigheid dat Roudens vervangen was wegens zijne \'/particuliere speculatien//, en zijn opvolger meende dat, waar het eigenbelang van Boudens het aanhouden van den post gewettigd had, ook het handelsbelang der Compagnie daarmede gebaat zou zijn.
De Padangschc geschiedschrijver zegt dat de sergeant Miclüel Schreuder den post bezette «om de Sapoeloe Boea Bandar beter van Indrapoera af te scheiden en op bet gedoente van beide een wakend oog te houden//, en voorts vooral om de Engelschen te observeeren.
Het duurde echter niet lang, of\' de post werd opnieuw, ter bezuiniging op de uitgaven, verlaten. Doch toen de Engelschen daarna «op de noodiging van eenen uitgeweken malcontenten oppasser// in de versterking te Ganting, aan de overzijde der Tudrapoera-rivier kwamen huishouden, werd in 1704 de post te Ajer Hadji weder bezet met een sergeant, 12 Europeesche en 8 Boegineesche militairen. Na dien tijd bleef hij behouden; in 1711 werd hier een resident geplaatst en, op verzoek van den Radja, het bovenbedoeld koopbuis opgericht, dat //tot een groot gemak van de Korintjiërs en andere zuidelijke volkeren// strekte.
Volgens van Base! verbond het tractaat van 1755 de bevolking opnieuw «aan de gehoorzaamheid jegens de Maatschappij//, die er (in 1 7(i l) nog 12 Europeesche en even zooveel inlandsche soldaten onderhield, en werden, in 1756, verscheidene middelen beraamd om den handel te bevorderen en do inlanders zooveel mogelijk van de Engelschen te ontwennen. 1
In de nabijheid van Ajer Hadji en ten zuiden hiervan lag ecu klein landschap Bantajan, dat in 1687 door Boudens, ten behoeve der Compagnie, voor 200 rijksdaalders formeel gekocht werd van een gemachtigde des konings van Menangkabau, den radja van Ajer Hadji en van Sultan Saladin, Ie hoofdregent van Rajang, die het gewapenderhand veroverd hadden. De Regeering keurde dezen koop echter niet goed, en evenmin de daarop gevolgde bezetting in twee verschansingen; de bezetting werd in 1693 opgeheven, en bet volgende jaar werden de kooppenningen, op last der HoogEdele Heeren, door Boudens in //\'s Gomps cassa\'/ teruggestort.
De negorij van dit landschap, Pongoe, werd door 4 regenten bestuurd: een van Again, een van Batipoe, een van Koemboengan en een van Rau.
1
I § 39.
57
Ïndkapoera. Dil landschap, eertijds een der voornaamste rijken van de Westkust, was in 1 730 quot;genoegzaam woest en weinig bewoond, en ook zeer slecht bebouwd\'/. Zijn bloeiende peperhandel van vroeger jaren was geheel verloopen , nadat de Engelschen zich langs de zuidkust vestigden en het land, tengevolge zijner herhaalde trouweloosheid, gedurig in oorlogen gewikkeld werd.
In 1668 was Mohammed Shah hier Sultan. Met toestemming der landsgrooten sloot hij met den commissaris Balthazar Bort een contract of handelstractaat, tengevolge waarvan te Indrapoera eene factorij of koophuis werd opgericht. De handel werd hier echter door de Compagnie niet lang voorgezet, zoo wegens de ongezondheid der plaats als wegens de aanhoudende //vexatiënquot; der Atjehers. Binnenlandsche beroeringen — Sultan Mohammed Shah werd zelfs tijdelijk uit zijn rijk verdreven — droegen hiertoe vermoedelijk bij.
In 1685 viel Indrapoera ons af. Eene Engelsche sloep verscheen hier in Januari 1685, terwijl de Sultan tegen Mendjoeto oorlog-voerde. Op aanmoediging van twee zijner neven namen de Engelschen bezit van de handelsplaats; en toen de Sultan terugkwam, werd hij, met zijne hofgrooten, door kracht van geschenken tot de Engclsehe partij overgehaald en sloot hij een verbond , waarbij hij zich en zijn rijk aan de Engelsehe Maatschappij overgaf, en beloofde aan deze alle peper te zullen leveren. Dit slechte voorbeeld werd weldra gevolgd door de Sapoelo Boea Bandar en door Mendjoeto.
Het schijnt wel, dat de ommekeer van Indrapoera minder aan de trouweloosheid des Sultans dan aan de handelingen der onzen moet worden geweten. Althans de commandeur van Leene werd door de Regeering te Batavia afgelost, omdat hij in zijn gedrag ten deze //weinig genoegen gegeven had//; en toen zijn opvolger, Jacob Coupert, een brief aan Mahommed Shah en zijne mantries schreef om hen hunne verplichtingen jegens de Compagnie voor oogen te houden, ontving hij een antwoord, vol van klachten over van Leene, die den Sultan niet alleen alle hulp tegen zijne vijanden geweigerd, maar hem ook in zijne gerechtigheden grootelijks verkort had. De Sultan was intusschen wel genegen ook de Nederlanders weder tot den handel toe te laten, maar verklaarde tevens, de Engelschen, die hem in de stri jd tegen Mendjoeto met volk en krijgsvoorraad hadden bijgestaan, niet te kunnen doen verhuizen. \'
Van lieverlede veranderden de toestanden echter in ons voordeel.
1 Van Basel, 11 § 52.
58
De Sultan Mahommed Sliah werd, wellicht tengevolge van de intriges van den ons toen zeer genegen lladja Adil van Mendjoeto, afgezet en vervangen door lladja Mangsoer Shah, die, eeu goed vriend der Compagnie zijnde, teweeg bracht dat de Engelschen in 16(J3 verplicht waren op te breken.
Doch Mangsoer Shah overleed in 1696. Hij werd opgevolgd door lladja Pasisir (een kleinzoon van lladja Parampoewan, de weduwe van den gewezen Padaugschen panglima lladja Alam) die nauwelijks zes jaren oud was en onder de voogdij van Mohammed Shah werd gesteld. In den aanvang gaf dit geen bezwaar, doch Mohammed Shah bleek niet meer voor zijne taak geschikt. Het gezag ging langzamerhand over in handen van lladja Ibrahim (boven onder Tikoe genoemd) en diens oom, lladja Achmed Shah, en werd daarmede zeer vijandig tegen de Compagnie. Den 6u Juni 1701 werd de kleine bezetting, die wij te Indrapoera hadden, verraderlijk overvallen en op een man na, die de tijding te Padang bracht, geheel uitgemoord.
Ter bestraffing van deze handeling werden troepen van Padang gezonden, welke //alle ingezetenen, met den keizer en de man tries//, noopten naar • het gebergte te vluchten, en alle huizen en tuinen aan de vlammen opofferden; zoodat //dit eertijds bloeiende land eer een wildernis dan eene vruchtbare streek geleek//. De toestand bleef aldus tot 1705, toen de bevolking op haar dringend verzoek vergunning verkreeg haar land weder te bewonen en te bebouwen, en Sultan Pasisir in de regeering hersteld werd.
Deze schijnt de Compagnie wel genegen te zijn geweest. Toen de Engelschen weder herhaalde pogingen aanwendden om zich in Indrapoera te vestigen, riep hij, in 1715, de hulp der onzen in en verzocht hij om eene bezetting. Het Padangsch bestuur wilde den post te Ajer Hadji naar Indrapoera verplaatsen, maar de Hooge Regeering was daartoe niet genegen, en gaf slechts toestemming om eenige soldaten, bij wijze van lijfwacht des Sultans, van Ajer Hadji te detacheeren. 1
In latere jaren wordt van het weinig meer beteekenend Indrapoera slechts zelden gewag gemaakt. In 1755 verbond het bestuur, bestaande uit den Sultan en 20 mantries, zich, //op \'t krachtigste// aan de Compagnie. 2
Als //overblijfsel van eerbewijs en bescherming// had de Sultan, in latere jaren, nog slechts één Europeesch soldaat als eerewacht.
1
Van Baael, II § 81.
2
gt; Id. I § 39,
59
Deze werd, in 1792, door den sergeant-posthouder te Ajer Hadji teruggeroepen; toen de Sultan hiertegen bezwaar maakte, rukte de sergeant met zijne kleine macht tegen Indrapoera op en doodde daar, op de mantries en andere personen vurende, negen personen. De Sultan vluchtte naar Moko-Moko en verder naar Bengkoelen, waarbij zich onder de bescherming der Engelschen stelde en in 1824 overleed. 1 — Aldus ging, door de onverantwoordelijke handeling van een onderofficier. het Sultanaat van Indrapoera te niet.
Mendjoeto was, in 1665, eene onderhoorigheid van Indrapoera, doch toen verdreven de mantries, onder aanvoering van Radja Adil, Sultan Mohammed Shah en zijnen zoon uit hun gebied. Deze handelwijze werd door de Compagnie zoo hoog opgenomen, dat Groent-wegen met een escorte van «de geheele militie die op het eiland ïjinko in bezetting lag// naar Mendjoeto overstak, Radja Adil verdreef en Mohammad Shah in het bewind herstelde. In 1667 maakte de commandeur Petz een einde aan de jaren reeds durende geschillen tusschen den Sultan en Radja Adil, waarop laatstgenoemde den eed van trouw aiiegde.
Toen wij , in latere jaren, den Sultan bij zijne verdere twisten met Radja Adil niet meer ondersteunden, was deze laatste ons steeds welgezind. In 1677 ging hij een nieuw contract met de Compagnie aan, en in 1680 was hij, met Mohammed Shah, den Panglima van Padang, de hoofden van Salido en Kota tengah en de ondergeschikte regenten bereid om het tractaat te sluiten, waarbij de stranden van Ketaun af tot Ajer bangis toe aan de Compagnie werden afgestaan. De Engelschen vestigden zich in 1685 te Mendjoeto, maar werden in 1693 weder verdreven. Vier jaren later namen de Engelschen het land weder in bezit, totdat zij, in 1711, opnieuw moesten aftrekken , met achterlating van hun geschut en eene groote hoeveelheid peper.
De hoofdregent van Mendjoeto onderwierp zich nu aan zijn wettigen heer, den Sultan van Indrapoera. Hij vroeg, voor weerwraak van de Engelschen beducht, hulp van Padang; maar deze werd niet verleend , omdat de onzen strikte orders hadden , met die mededingers in geene openlijke vijandschap te geraken 2.
In 1760 werd Mendjoeto door 18 mantries bestuurd, die zich in \'t geheel niet meer om den Sultan van Indrapoera bekreunden 2.
1
Fraucie, Heriuueriugon III bl. 147; de Stuers, Veatigiug eu uitbreiding, enz. I bl. 2B.
2
» Id. I § 40.
60
Omtrent de eilanden, tot Sumatra\'s Westkust behoorende, vinden wij het volgende opgetcekend:
Ntas werd zeer volkrijk en vruehtbaar genoemd, en als de spijskamer van Baros beschouwd. Rijst, boontjes, aardvruchten, hoenders en varkens waren steeds in groote hoeveelheden beschikbaar; verder werden jaarlijks tal van slaven van Nias afgehaald, meest door de Atjehers die hen in de goudmijnen van Malaboeh enz. te werk stelden.
De eersten die zich hier met de Compagnie verbonden waren de regenten van Rarago met de daaronder hoorende 33 dorpen; zij gingen in 1669 een contract met de onzen aan, dat in 1693 vernieuwd werd. Toen voegden zich de regenten van van Limbobo en Bo-oo, aan de rivier Boeso; van Goenoeng Sitoli, aan de rivier Noouw, van Gaüa lello boeloekoe, aan de rivier Afie, en van Siladara, aan de rivier Taa daarbij.
In hetzelfde jaar 1693 werd een accoord aangegaan met de verdere regenten des eilands; de namen hunner districten worden opgegeven als volgt:
lo. Onona Javagoe, tot Lahogio toe;
2°. Gomboe, van Lahumi tot Onona Javagoe toe;
3o, Lahumi en Lahoesa met 30 onderhoorige dorpen; 4«. Malahera en Telok Dalam met de onderhoorige dorpen, tot aan de rivier Idano-hoe;
5». Naaij, van Siladara tot Goenoeng Limbo.
Francis deelt mede dat Telok Dalam bij deze gelegenheid (15 April 1693) geheel aan de Compagnie werd afgestaan en daar een paar jaren lang eene bezetting gelegen heeft. 1
De tractaten van 1693 werden in 1755 plechtig vernieuwd; te Goenoeng Sitoli werd, om het indringen der Engelschen te beletten, in 1757 eene versterking, met eenige soldaten bezet, opgericht. Men beproefde hier den handel in lijnwaden, maar deze gaf zoo weinig dat men den post reeds twee jaren later weder ophief
Maiios en Inako, waartoe nog een zestal andere eilandjes behoorden, liggen ten westen van Nias; zij zijn volkrijk en vruchtbaar, en leverden groote hoeveelheden kokosolie.
De regenten (2 hoofden eti vele minderen) zijn in 1669, op hun verzoek , met de Compagnie in bondgenootschap getreden; dit contract werd in 1693 vernieuwd en over alle eilandjes uitgebreid.
De Batok-eilandkn waren 67 in getal; daarvan werden 10 he-
1
Heriunenugen, III blz. 88. \' Van Btusel, I § 24.
61
woonrl, n. 1. Amasa, Lorang, Tojaga, Bintoean, Sigatta, Simoe, Orvia, Baligé, Leboeasi en Mori. l)c meeste (lezer eilanden hadden overvloed van kokosolie en varkens; enkele der onbewoonde eilanden gaven sago en was.
Van de bewoners wordt gemeld dat zij in aard en omgang niet veel van de Niassers afweken, maar veel beleefder, fatsoenlijker, gemakkelijk van humeur en in den handel, en ook vreesachtiger van natuur waren.
In 1693 werden deze eilanden veroverd door Moeara Padang, die panglima van Tikoe was en door de Niassers geholpen werd; zij bleven onder de heerschappij van Tikoe tot 1712, toen zij, op verzoek van den verdreven Radja Boekit, door den gezaghebber Hoffman daarvan verlost werden. Radja Boekit werd daarop in zijn gezag hersteld.