//// \'i
Van den Schvijvcv.
O V K \\{ (i E I) R V K T
VJIAGEN DES TIJ I IS.
\\\'»/. \\ p)
MUNT- EN BANKBILJETTEN.
tn don liuitstcn tijd is nu en (hui (ic.iK! cconoinischc (|iiii(\'sti(\' ter sprukc. ^(ikoiiuiii , (ii(^) ofschoon iu huren oorsprong van pmctischon aard, vc^l interessanter is, naar hare theoretische zijde beschouwd; wat inii aanleiding geeft eene poging te doen om haar zoo al niet geheel tot klaarheid te brengen , ten minste iets tot haar oplossing hij te dragen. Als ik daarbij eenige iiieeningen en redeneeringen hespreek, die ik geloof te moeten verwerpen, geschiedt dit niet uit lust tot tegenspraak, maar uitsluitend om uit de verwerping van verkeerde opvattingen, waartoe men in deze zaak gemakkelijk schijnt te vervallen, het juiste inzicht van zelf voor den dag te doen komen. De enkele schrijvers, wier redeneering ten deze ik heb willen analyseeren , zullen met deze behandeling hunner begrippen, ter wille van de wetenschnp, om welke het ons allen te doen is, ongetwijfeld vrede hebben. Ik wensch deu invloed nn te gaan, dien de -uityi/le en de intrekking van inanlbiljetten door den Staat op de papier-circulatie der Circulatie-Bank nitoefenen.
Dat de quaestie in ieder geval theoretisch belangrijker is dan in hare beteekenis voor de practijk, blijkt aanstonds daaruit, dat het geheelc bedrag aan muntbiljetten, hetwelk de Staat der Nederlanden heeft uitgegeven, tot 15 inillioen gulden beperkt is, en het extra-voordeel, dat aan de Nederlandsclie Hank door intrekking der niniitbiljetten zou kunnen t()evlo((ien , gesteld dat hare biljetten-circulatie met dit geheele bedrag vermeerdert, zijne uiterste grens vindt in de rente van het kapitaal , waarmede de bank dientengevolge hare erediet-ope-
MUNT- EN UANKIUU KTTKN.
raüiin kan nitbroiden , i.e. 10 niillioen, volgens do vorhoiuliug die in het wetsvoorstel voor de metaaldokking is aangenomen. Wat de bank voor dit voordeel aan den Staat te vergoeden zou hebben , treedt geheel op den achtergrond hij de andere winsten der bank, die zij behaalt met de uitgifte van 200 millioen bankbiljetten, waartoe zij in ieder geval in staal is. Bovendien is de zaak practisch te regelen, zonder dat het antwoord op de theoretische vraag behoeft te worden afgewacht, en zullen all en het daarover gemakkelijk eens kunnen worden. Er bestaat toch geene enkele reden om het eene gedeelte van de winsten der bank, die zij uit haar privilegie als circulatiebank geniet, ten aanzien van de winstverdeeling, anders te behandelen dan het andere, en alles zal dus slechts neerkomen op eene bepaling die in het algemeen de verhouding vaststelt, waarin de winstverdeeling zal plaats hebben.
Hieruit ziet men aanstonds, met hoe weinig bezwaar de beantwoording onzer vraag buiten het gebied der practijk kan worden gehouden, hetgeen als een wezenlijk voordeel verdient te worden aangemerkt, aangezien de hoop om aan de theoretische staatshuishoudkunde voorlichting voor de practijk te ontleenen en de niet te vermijden noodzakelijkheid om te trachten die voorlichting te vinden, aan de kalme, onbevangen studie dezer wetenschap maar al te vaak in den weg hoeft gestaan.
Hij gelegenheid nu van het aan de orde komen van het vraagstuk betreffende vernieuwing van het bankoctrooi is mede de vraag opgeworpen, of de Staat niet bij deze gelegenheid tot de intrekking zijner muntbiljetten (eene feitelijk ongedekte papiercirculatie) behoorde over te gaan. Ongedekt, wanneer men zich althans niet laat misleiden door eenige inschrijvingen in de grootboeken, en dekking van eene schuldbekentenis door eene zoodanige, waarin debiteur en crediteur dezelfden zijn als in de eerste, niet ernstig opneemt. Men stelle zich toch voor, dat A. aan H. /1000 schuldig is en nu li. tot diens meerdere zekerheid verwijzen zou naar eene andere vordering die li. op hem heeft. Men zon het sterk vinden, maar toch zoo sterk niet als wanneer A. ter wille van eene schuld , waarvoor hij reeds eene bekentenis afgaf, aan
■)
MUNT- UN lUNKIUUKTTKN.
B. oone tvveoilc tioluxldbekonteiiis, maar op laugeren termijn t(;r liaiul stolde, die hij beloofde te zullen honoreeren , in geval hij in het honoreeren der eerste te kort sehoot. En dit laatste wordt zelfs nog overtroffen, wanneer — gelijk bij de zoogenaamde dekking onzer muntbiljetten liet geval is — de tweede, tot zekerheid dienende schuldbekenteiiis onder de berusting van den schuldenaar blijft.
Maar dit daargelaten; de vraag wordt dan gesteld , of de Staat, bij de bedoelde gelegenheid, niet tot intrekking zijner 15 millioen mnntbiljetten behoort over te gaan. Ik voor mij zou daarop een bevestigend antwoord willen geven, en zelfs verder willen gaan, door te zeggen, dat de Staat daartoe iv ieder r/evnl behoort te besluiten, wat er ook van de regeling met de bank worde. Maar dit is niet de vraag, die ons thans bezig houdt. Onmiddellijk sluit zieh daarbij evenwel eene andere tweeledige vraag aan : Gesteld dat de Staat daartoe overgaat, welken invloed zal die intrekking uitoefenen op de biljetten-eireulatie der bank? Wat moei deze laatste deswege aan de schatkist vergoeden?
Gelijk ik eeliter reeds opmerkte, kan de winstverdeeling zeer goed geregeld worden onafhankelijk van hetgeen het onderzoek omtrent het eerste punt aan het lieht brengt, en tot dat eerste bepaal ik mij.
Algemeen wordt deze zaak zoo begrepen, dat tot een even groot bedrag als de Staat aan muntbiljetten uitgeeft, de in omloop zijnde bankbiljetten direct bij de bank terng-keoren , en dat omgekeerd de bank hare bankbiljetten-circulatie rechtstreeks meteen even groot bedrag kan en dientengevolge zal uitbreiden, zoodra de Staat muntbiljetten intrekt. Als dit zoo is, dan volgt er uit, dat, in de aannemelijke en voor ons theoretisch doel in ieder geval geoorloofde onderstelling, dat de bank bij terugkeer van bankbiljetten , zoo min mogelijk in hare crediet-operatiën wil beperkt worden , en bij mogelijk-gemaakte uitgifte van meer biljetten, zoo min mogelijk met hare metaaldekking het wettelijk minimum wil overschrijden, onder de bestaande bepalingen de intrekking van 15 millioen muntbiljetten en de uitgifte van een even groot bedrag aan bankbilletteu eene m/breidiuf/ van de crediet-
4 MONT- KN 1!.\\NKBII..IUTTKN.
operation dor hank mot leu hooyslc 1) millioeii ton govolgo zoiulon hebben, gelijk dan do uitgifte dor numthiljotten (üi bo-perking dor bankbiljetten-circulatie tot een bedrag van 15 millioeii, voor do crediot-operatiën dor bank met eene beper-k\'uijl tot ten hoof/xh\' 9 iniliioen hoeft gelijk gestaan.
Aangenoineii, dat deze directe working in togonovorgesteldon zin hij uitgifte (üi l)ij intrekking van muntbiljotten bestaat, is dit d(ï vrij eenvoudige positie. Toch is het er verre van af, dat degenen die dene tweeledige werking voor oogen hebben, zich de zaak overigens klaar zouden voorstellen.
Zoo liet de heer Gerritsen, in zijn in vele opzichten verdienstelijk werk over de Nederlandsche Bank, op blz. 49 zich als volgt uit: //Wanneer wij eens aannemen, dat de bank haar papier-circulatie met 5 millioeii zag veriniiideren, dan wilde dat zeggen, dat zij voortaan 2 millioen minder metaal-voorraad behoefde te honden. En lioe krijgt zij nu die overbodige 2 millioen uit hare kelders? Immers door lijdelijke verlaging van haren rentestand ... Zoodra er voldoende (goud) is weggevloeid, verhoogt (de bank) den rentestand weder, en zal dezen, doordien zij voortaan 5 millioen minder crediet kan verleenen, duurzaam op een hooger peil dan vroeger moeten houden.quot; Heb ik hier misschien aan eene drukfout te denken? Immers de heer Gerritsen betoogde in de eerste periode, dat de bank tegen de door terugkoer van bankbiljetten aanvankelijk met 5 millioen verminderde credieten, de vrij gekomen 2 millioen voor credieten gaat gebruiken, zoodat hare credietmiddelen slechts met 3 millioen verminderd zijn. Overigens is het duidelijk, dat de hoer Gerritsen van de onderstelling uitgaat, dat terugkeerende bankbiljetten uit de verleende credieten komen, die vervolgens uit de vrijkomende metaaldekking gedeeltelijk worden aangevuld.
De heer inr. Treub heeft in de Vragen des Tijds van Maart 1888 eenige van de zienswijze des heeren Gerritsen afwijkende bladzijden aan hetzelfde vraagstuk gewijd, maar niet zonder, naar het mij voorkomt, in eenige begripsverwarringen te vervallen. Ook hij begint met als een vaststaand feit aan te nemen, dat in geval van uitgifte van muntbiljetten door den Staat een gelijk bedrag aan bankbiljetten direct naar de bank terug-
MUNT- KN ItANKIilIJK\'ITKN.
koert, en oiilgokoerd Iiij intrekking. Terwijl de; lieei\'(ierritscn eeliter blijkbaar uitgaat van een terugkeer van bankbiljetten , die aan eredietvraag hadden voldaan, gaat de heer Trcub uit van terugkeer van bankbiljetten tegen goud. Althans hij schrijft: „Wanneer-nu 5 inillioen baukbiljetteu uit den oniloop worden teruggedrongen, dan zal de bank haar metaalvoorrnad ook met 5 inillioen zien verminderen.quot; En dau gaat hij voort: //Ingevolge het Kon. besluit van Ki April 1804 {S/èl. n0 18) had zij daarvan evenwel 3 millioeu ongebruikt liggen tot dekking der uitgegeven 5 millioeu biljetten. Of zij deze 2 inillioen muntmetaal al dan niet in hare kelders heeft, maakt voor haar beschikbaar nietaalsaldo, voor hare crodietmiddelen derhalve geen verschil. Door de terugvloeiing der 5 inillioen biljetten worden deze 2 millioeu metaal echter vrij, zoodat de vermindering van den biljetten-omloop eeue onttrekking van 3 millioeu aan de credietmarkt ten gevolge heeft.quot;
Op deze redeneering heb ik het volgende aan te merken.
Door de terugvloeiing van 5 millioeu biljetten tegen metaal , die de heer Treub ons voorstelt, is, voor zoo ver ik kan nagaan , niet alleen de 2 millioeu goud die de bank //ongebruiktquot; had ./liggenquot;, maar nog bovendien 3 millioeu aan de bank onttrokken. Hoe daarvan nu een gedeelte vrij kan komen, is alles behalve verstaan!laar. De redenecring van den heer Treub is, als ik wel zie, e.ene samenkoppeling vau twee verschillende gevallen of punten van uitgang. Hij gaat uit van de onderstelling, dat de terugkeerende biljetten tegen goud worden ingeleverd , terwijl hij doorredeneert, alsof zij tot aflossing van genoten credieten binuenkwameu. Met het punt van uitgang van den heer Treub bad deze aldus moeten doorredeneereu. //De 5 millioeu bankbiljetten begimieu wel tegen verlies van goud bij de bank terug te keereu, maar aangezien de bank niet kan dulden, dat dit tot het volle bedrag der 5 millioeu plaats heeft, als wanneer zij hare bankbiljetten-circulatie tot 1 2V2 millioeu moest vcrniin-dereu door credieteu te doen afloopen, stelt zij tegen deu aandrang van tegen goud aangeboden wordende biljetten e\'ue tijdelijke verhooging van haar disconto over, tengevolge waarvan aandrang uit de verleende credieten komen zal tot-
.MUNT- EN liANKIilJ-IKTTKN.
dat do bcporking der circulatio met 5 millioeii is verkregen. Do heer Treub had ook kunnen inzien , dat een stroom van bankbiljetten tegen goud een veel grooterc beperking der bankbiljotteii-cirenlatie noodzakelijk makende, in strijd was mot de onderstelling, dat do muntbiljetten de bankbiljetten sleehts tot hun eigen bedrag nit de eircnlatie verdringen Men ziet, dat het tnssehon de beide; aangohaaldo schrijvers weinig moer dan een verschil van voorstelling betreft, ofschoon ik moet zeggen , dat. ik , waimoer do alles behoerschendo on-
1 Ecnig(! bladzijden vordor maakt do lieer Trcub zich aan oene gelijksoortige l\'out schuldig. Hier het geval besprekende van inlrekkiny der innnlbiljetteti door den Slaat en aannemende, dal de bank nu 15 millioen aan biljetten meer kan uitgeven, zegt bij ongeveer: »Voor 15 millioen biljetten ontvangt de bank 15 millioen metaal; daarvan moet (volgens het welsvoorstel) 5 millioen ongebruikt blijven, derhalve kunnen en zullen de credieten met 10 millioen uitgebreid worden.quot; Maar wanneer de bank werkelijk tegen bankbiljetten in bet bezit geraakt van 15 millioen metaal, is geene enkele reden te bedenken, waarom zij niet zon trachten hare credieten met 30 millioen nil le breiden, waartoe deze rijke melaalvoorraad haar volkomen in slaat zon stellen. Ook bier schijnt de uitweg slechts gevonden te zijn om den blijkbaren strijd tusscben de algemeene stelling en de vooropgezette meening dat de bankbiljelten legen metaal worden uilgegeven op le heften. Flier had de redeneering aldus moeten zijn: »door de intrekking van 15 millioen muntbiljetten zal de bank een even groot bedrag van baar credietpapicr kunnen uitgeven, zij zal daartoe in staat zijn en dat door tijdelijke verlaging van haar disconto bevorderen, zoodra zij (naar de bepalingen van het wetsvoorstel) 5 millioen barer biljetten tegen metaal heeft uitgegeven.quot;
De 15 millioen goud die de heer Treub in de bank ziet komen, hebben bij hem hun ontstaan te danken aan de omstandigheid, dat de bank tegen zijn eigen papier de muntbiljetten van den Staat zal intrekken, die daarna uit den verkoop der Oroot-boekinioh rij vingen met goud zullen afgelost worden. Er bestaat echter geene enkele reden waarom de Staat die aflossing niet met de biljetten der bank zal bewerkstelligen. Daarmede is deze operatie afgeloopen, die wij derhalve wel moeten houden buiten de daarna ontstaande vraag, of de Hank nu het nit de circulatie verdwenen staatspapier door het hare zal kunnen vervangen. Men merke tocli wel op, dat de quaestie, zooals zij zich voordoet, haar bestaan uitsluitend te danken heeft aan de omstandigheid, dat er voor de liquidatie der muntbiljetten als zoodanig geen goud noodig is. Loste de Slaat de muntbiljetten met goud in, dat hij uil zijn kasvoorraad nam ofwel in het buitenland leende, de quaestie of bankbiljetten in hunne plaats konden lieden, deed zich niet voor. De Staat betaalt eebter met retitedragende schuld, en wanneer nu A die schuld aan li verkoopt en 15 aan C, dan is daarvoor soms ruilmiddel noodig, maar niet meer dan er was, want er wordt altijd maar geruild. De liquidatie schept derhalve geene behoefte aan nienw ruilmiddel, maar de omstandigheid, dat ruilmiddel wordt ingetrokken tegen iets wat geen ruilmiddel is, doel voor de bank de quavsiie onlstaan om de 15 millioen opnieuw in omloop te brengen en te houden, waartoe zij 5 millioen goud behoeft. Hoe de bank dil doen kan, hoe zij aan dat goud komt, wordt ons door den heer Treub niet verklaard.
6
Ml\'NT- KN UAN K lil IJ KTTKN.
dcrstelliiig mij opgelegd was, dat hot eene liduciaire ruilniiddel direct het andere verdringt, aan de, mits gecorrigeerde, voorstelling van den heer Treub de voorkeur zou geven. Immers zou, aangenomen zijnde, dat inderdaad de muntbiljetten de biljetten der bank verjagen, bet proces direct de gewone circulatie en slechts indirect de markt van leen baar geld tretfen. In ieder geval zal men, bijzaken ter zijde latende, kunnen zeggen, dat, volgens het aangehaald gevoelen , beperking of verruiming van de circulatie-middelen der bank door uitgifte of intrekking van nmntbiljetten, beperking of verruiming barer crediet-middelen beteekent tot het bedrag van hot verschil tusschen de eerste en de daaraan beantwoordende metaaldekking.
Br bestaat echter tusschen de twee aangehaalde schrijvers verschil van opvatting ten aanzien van het gevolg eener op muntbiljetten bernstende beperking in de uitgifte van bankbiljetten en van eene op intrekking van muntbiljetten berustende uitbreiding daarvan voor het disconto en voor de inkomsten der bank. De heer Gerritsen beweert, dat or in het eerste geval zal zijn eene lijdelijke verlaging van het disconto om de vrijvallende 2 millioen metaal af te zetten , maar daarna blijvende vorhooging, hooger dan te voreu, omdat de credietmiddelcn verzwakt zijn. n 1 lot aldus verkregen resultaat kan niet anders zijn dan dit: de aandeelhouders der bank worden in bumie inkomsten volstrekt niet geschaad.quot; De heer Treub daarentegen, wel definitieve vorhooging van het disconto, maar aangezien de Neder!andsche Bank niet de eenige credietgeefste.r is, zal zij het niet in hare macht hebben, den credietprijs op een zoodanig peil te houden, dat in de prijsverhooging eene volledic/e vergoeding voor de rentederving der verloren 3 nnilioen zou liggen opgesloten.quot; Beiden verwachten derhalve van beperking in de baukbiljotten-circulatie onder de bekende omstandigheden delinitieve vorhooging van het disconto, van verruiming daarvan, krachtens de oorzaken die ons bezig honden, delinitieve verlaging daarvan , met dit onderscheid alleen, dat do een meent, dat de verhooging van den geldprijs bij de bank haar voor de beperking barer operatien geheel schadeloos stellen, terwijl de ander dit ontkent. Nu worden wel prijzen bepaald
7
MUNT- KN liANK111 I..I UTTKN.
door (lo dubbole working van vraag en aanlwd, maar zij hebben in vele gevallen eenc grens. Waar, gelijk op de markt van leenbaar geld , vraag en aanbod zich tegen elkander bewegen totdat zij in evenwicht zijn gekomen bij zekeren stand van den huurprijs van dat geld, daar kan men wel zeggen, dat de prijs zich naar vraag cn aanbod regelt, maar toch stellig niet, dat de prijs toe- of afneemt in omgekeerde reden viin het aanbod, gelijk de heer Gerritsen hier stelt. Evenmin echter mag men zeggen dat dit niet gebeuren kan en dat niet zelfs bij beperkt aanbod de aanbieder soms beter dan bij een ruimer aanbod kan af zijn, gelijk de heer Trenb meent. In het algemeen is er absoluut niets van te zeggen, hoe het zal uitvallen.
Er is echter iets anders. Men neemt aan, dat de Staat door muntbiljetten uit te geven de bank belemmert in hare uitgifte van bankbiljetten en dat (zonderling genoeg) de belemmering onder alle omstandigheden, d.w. z. bij eiken rentestand , juist met den omvang der niuntbiljetten-circulatie overeenkomt. Maar dan is daannede de bankbiljetten-circulatie toch in het algemeen nog niet tot een vast bedrag teruggebracht of vastgelegd. Zij is in allen gevalle, zeg 15 millioen, kleiner dan anders het geval zou kunnen wezen, en de eredietiniddelen der bank 10 millioen geringer; maar daarmede is niet het geheele opcratie-veld der bank eens voor al afgebakend. Nu zoowel als te voren zal ze kunnen trachten hare credietgevingen uit te breiden of in te krimpen naar gelang van de omstandigheden. Anders uitgedrukt; zij is, in de hier steeds gevolgde onderstelling, even vrij als te voren , behoudens dat zij steeds 15 millioen biljetten minder kan uitgeven dan anders het geval zonde geweest zijn.
Maar dan is het, ook volkomen onjuist, aan te nemen, dat van deze beperking eene definitieve verhooging van het disconto het gevolg zou moeten zijn. Met aanbod van crediet vanwege de bank, die voorname factor tegenover de vraag naar crediet, zal vooral niet afnemen omdat omstandigheden buiten de crediet markt gelegen aan de bank eenc belemmering in het verleen en van crediet in den weg stellen. Integendeel zal zij, voor zoover de belemmering bemerkbaar is, daartegen door vcrlaf/iny van
MUNT- UN UANkmUHTTKN.
haren geldprijs rcagcorcn, zonder dat evenwel te zeggen is, in hoeverre zij er zoodoende in zal kunnen slagen , haar verlies geheel of gedeeltelijk op te heften.
Omgekeerd zal, de directe beteekenis van de eenesoort van papier-circulatie voor de andere aaiigenomen zijnde , intrekking dei\' muntbiljetten eene verhooging van het disconto ten gevolge moeten hebben.
In het eerste geval werd door anderen beweerd definitieve verhooging met tijdelijke verlaging, terwijl wij vonden definitieve verlaging (als middel om don omvang der crediet-operatiën te doen toenemen) met tijdelijke verhooging (als middel om den metaalvoorraad te bescbevmen). In het tweede werd beweerd definitieve verlaging, terwijl wij vonden deti-nitieve verhooging met tijdelijke verlaging (zie de noot op blz. 270).
Tk heb geineend dit een en ander te mogen in het midden brengen als correctie in de beweringen van hen die een reehtstreeksch verband stellen thsschen de veranderlijke papier-circulatie der bank en de vaste papier-circulatie van den Staat. I let wordt nu tijd te onderzoeken . in boever deze nauwe betrekking al dan niet aanwezig is.
Te recht werd m. i. door de Nieuwe Rolferd. Cowmnt in haar nummer van 25 October 1887 tegen deze npopttlar failaci/quot; aangemerkt, dat de bank in hare papier-uitgifte van allerlei omstandigheden afhankelijk is, die met de uitgifte van eene zekere hoeveelheid papiergeld door den Staat niets te maken hebben, n.1. van de hoeveelheid metaal die haar wordt aangeboden , van den omvang harer rekening-courant saldo\'s en (vooral) van de behoefte van het credietvragend publiek. Dat dit blad niettemin twee dagen te voren de op dezelfde „popular failaci/quot; berustende redeneering van den heer Gerritsen als argument tegen de uitgifte van muntbiljetten te hulp riep wegens de hoogere rente, welke dientengevolge, naar het ten onrechte heet, door het credietgenietend publiek aan de bank moet worden opgebracht , is wol geschikt om als opluisterend voorbeeld te dienen voor mijne bewering, dat de practische behoeften der Staatshnishondknnde aan eene loeic/ixchappeljkf behandeling dezer wetenschap maar al te vaak in den weg staan.
!)
MUNT- K.N liANKHIJJKTTKN.
Toch is, hoezeer de tegenstelling van de bank als crediet-verleenende instelling tegen den Staat, die een papieren ruilmiddel uitgeeft, veel tot verheldering van het inzicht in het wezen der zaak dienstig moge zijn, deze tegenstelling zelve noch volkomen juist noch afdoende.
Men moet toch in de werkzaamheid der bank twee zaken nauwkeurig onderscheiden, hoe nauw het verband tusschou deze laatste ook wezen moge. De bank verleent crediet, wat zij ook doen kon wanneer zij geene andere credietmiddelcn bezat dan het kapitaal harer aandeelhouders en de deposito\'s. Maar zij schept ook ecu ruilmiddel, waarin zij op eene lijn staat met de rijksschatkist, die papiergeld uitgeeft. Dat de laatste met zijne belofte-bewijzen geweren of salarissen of andere zaken betaalt, terwijl de eerste de zijne uitleent, verandert aan het feit niet, dat door beide soorten het ruilmiddel des lands wordt uitgebreid; ook de omstandigheid, dat het publiek het bankpapier vertrouwt, omdat het gedeeltelijk door metaal gedeeltelijk door schuldvorderingen gedekt blijft, doet geen afbreuk aan de waarheid , dat tweeërlei plaats heeft; creatie van ruilmiddel, en uitleening van dat ruilmiddel tegen onderpand.
Om nu goed in te zien, hoe deze twee zaken samenhangen , moeten wij onderscheiden de bank, voor zoover zij als eene gewone credietinstelling met reëele credictmiddelen werkt, en de bank, voor zoover hare credietoperatiën op de bankbiljetten-circulatie berusten. In het laatste opzicht is de eene functie met de andere op het nauwst verbonden.
Als gewone credietinstelling is zij de bewaarster van metalen ruilmiddel, dat zij tegen vergoeding van rente aan anderen te leen geeft. Het metalen ruilmiddel nu, vastgelegd kapitaal zijnde, dat aan de productie geen rechtstreeksch deel heeft, kost aan de natie jaarlijks rente in den vorm van derving der winst die er mee te behalen ware geweest in geval het aan de productie had deelgenomen, en het is dat renteverlies slechts waard, in zoover het ruilmiddel medewerkt om de omstandigheden , waaronder de productie plaats heeft, te verbeteren en aan bet geproduceerde eene hoogere gebruikswaarde te verleenen, door de verdeeling gemakkelijker te maken. Wie ruilmiddel ongebruikt houdt liggen,
10
MUNT- KX HANK lil IJKTTKN.
lijdt: daarom de wuistdorving in zich üelvcu zonder de vergoeding te genieten; maar hij kan de winstderving ontgaan door, den eigendom van het ruilmiddel behourlende, het voor zekeren tijd aan do circulatie af te staan en zich daarvoor de waarde van zijn functie van ruilmiddel in dien tijd te doen uitkeeren in den vorm van disconteering- of beleening-rente. Zóó concentreert zich in den uitleenor van geld op de markt van leenbaar geld eenerzijds het verlies dat op het ruilmiddel als renteverslindend kapitaal geleden wordt, anderzijds de waarde die het als ruilmiddel voor het verkeer heeft. In deze tweeledige rol zien wij de gewone crediet-bank voor ons en de Nederlandsche Rank voor zoover zij gewone credietbauk is.
Het is evenwel duidelijk, dat men van dat dure ruilmiddel niet meer in omloop begeert te hebben dan noodzakelijk is, en elk middel aangrijpt dat dienen kan om er op te besparen ; van daar boekcredioten , wisseloperaties, bankbiljetten ; en zulks niet zoo weinig mogelijk, naai1 de onderstelling van hen die aan de muntbiljetten eene temgstootende kracht tegen bankbiljetten toeschrijven, maar zooveel mogelijk. Wat men toch aan fiduciair ruilmiddel in de plaats van reëel stellen kun, bespaart een deel van het renteverlies, dat op metaal geleden zou worden. Die taak zoo ruim mogelijk te vervullen, draagt het nederlandsche volk aan de bank op, waaruit onmiddellijk volgt dat het eene ongerijmdheid is, deze voor het volbrengen van die taak het geheele bedrag der besparing te laten behouden ■—-ongeveer alsof men iemand aanstelde om een schat te bewaren en hem den geheelen schat tot bolooning gaf.
De bank, als orgaan van het nederlandsche volk, realiseert de besparing die door de uitgifte van bankbiljetten op het ruilmiddel verkregen wordt, in den vorm van de rente die zij ontvangt over den tijd gedurende welken zij het plaatsvervangend ruilmiddel aan credietvragendcn te leen geeft, welke rente de gebruikswaarde vertegenwoordigt die het ruilmiddel ids zoodanig voor het verkeer heeft. Naar gelang de bepalingen der bankwet meer of minder doehreH\'end luiden, realiseert zij deze besparing voor het nederlandsclu\' volk , welks orgaan zij is, of voor hare aandeelhouders.
KN HANK lij IJ i;iquot;l\'KN.
\\2
MUNT-
Wanueor men dit alles in het oog houdt, zal men aanstonds willen toestemmen , dat in de opmerking, volgens welke do credietoperatiön der bank afhangen van allerlei zaken die met de uitgifte van muntpapier niets te maken, er niet op gelet is, dat de credietmiddelen eener bank die niet alleen credietbank maar tevens circulatiebank is, nietmtshdlendvan dc genoemde factoren afhangen , maar ook van den omvang waartoe het publiek haar plaatsvervangend ruilmiddel wil opnemen , dat m. a. w. hare functie van credietbank van Imre functie als circulatiebank afhankelijk is.
De eigenlijke vraag is derhalve niet, of de credietoperatiën der bank van de uitgifte van muntpapier door den Staat afhankelijk zijn , maar of de papier-circulatie der bank door de papier-circulatie van den staat beperkt wordt, of zich bij intrekking van deze uitbreidt op de boven omschreven wijze.
Hosehouwen wij eerst den directen invloed, en wel in geval van uitr/ifte van muntbiljetten. Dien moet ik bepaald ontkennen, en wel om de reeds genoemde reden, dat het publiek tiduciair ruilmiddel toelaat, niet tot een zoo gering mogelijk, maar tot een zoo groot mogelijk bedrag, zoo lang het namelijk van de inwisselbaarheid verzekerd is. Deze laatste voorwaarde mag niet onvervuld zijn, maar heeft natuurlijk met de betrekking van twee soorten van fidueiair ruilmiddel tot elkander niets te maken.
Welke reden zou er ook bestaan, waarom het bankpapier naar de bank zou terugkeeren ? Zoodra de muntbiljetten-uitgifte voelbaren invloed op den geldsomloop heeft, openbaart zij zich in prijsverhooging der goederen, waarvan invoer van deze, uitvoer van metaal het gevolg is, geheel overeenkomstig de oude loer, dat het echte ruilmiddel steeds door het minwaardige wordt verdrongen. Vijftien millioen muntbiljetten dringen 15 millioen metaal het land uit, waarmee het evenwicht is hersteld.
Bij intrekkivji van muntbiljetten kunnen wij blijkbaar de redeneering niet eenvoudig omkeeren en zeggen : derhalve zal ook bij intrekking van muntbiljetten goud in het land terug-koeren, niet bauk-biljetten zo vervangen, aangezien dealgemeene
MUNT- KN HANK lil UKTTKN.
waarheid, dat de natie het fiduciair niilmiddel zoo ruiiu mogelijk toelaat bij intrekking van innntpapier, aan het bankpapier ten goede zon komen. Er is echter eene reden die dc bank belet van de haar geimande ruimte gebrnik te maken: de noodzakelijkheid eener voldoende metaaldekking, het bezwaar waarop wij hoven (zie de noot op blz. 270) stuitten, toen wij de redeneering die op den rechtstreeksehen invloed bij intrekking van muntbiljetten gegrond was, naar behooren aan-vnlden. 1 Deze rechtstreeksche invloed bestaat dan ook evenmin als die van muntbiljetten direct op de credietgevingen,
De werking is direct op het metaal. Hij uitgifte van muntbiljetten wordt metaal uit het land verjaagd, bij intrekking keert het, om de zooeven genoemde reden daarin terug, liet geval dat de Staat de muntbiljetten tegen goud zou inwisselen, hetzij uit een ruimere kas, d.i. uit metaal dat feitelijk aan de circulatie onttrokken was, hetzij door verkoop van sclmld-brieven of andere zaken in het btiitevland, blijft buiten be-schouwing, en staat zelfs, zooals wij reeds in de noot op blz. 27(i opmerkten, geheel binten deze. quaestie. liet vraagstuk doet zich slechts dan voor als de zuivere tegenstelling tot dat van mtf/ifle van papieren geld, wanneer de intrekking zou geschieden, zooals in caxu, bij ons zou plaats hebben, tegen iets dat geen ruilmiddel is: rentedragende staatsschuld.
l;i
Wat zal nu gebeuren bij uilyifte van muntbiljetten? Prijzen zullen rijzen, goederen worden in-, goud uitgevoerd. Maar dat goud zal allereerst gevraagd worden bij de algemeene bewaarster van metaal; de bank. Deze ziet haren goudvoorraad verminderen en begint al aanstonds hare credietge vingen te beperken, wat haar door de ontstaande speculatie op de aan-staande daling der prijzen gemakkelijk wordt gemaakt totdat, redeneerende naar de bestaande wettelijke bepalingen — voor 2/ü van het bedrag der uitgegeven muntbiljetten aan goud uit het land is gegaan, nl. uit de bank, terwijl in de circulatie- mnntbiljetten het bankpapier hebben verdrongen. Daarmede is dan het\' evenwicht hersteld.
1
Wij mueten iiatmirlijk slceds van di* (jiidcrsU\'lling iiiigaan dut de bank liaro
2
^rij) daaromlrenl haar beperkt.
MUNT- KN HANKUIIJK\'I\'TKN.
14
Bij intrekking van inuntbiljotten dalen prijzen , goedoron worden uit-, goud ingevoerd, maar dit goud komt allereerst in de kelders der Nederlandsche Bank en deze maakt gaarne aanstonds van de gelegenheid gebruik, om bankbiljetten te verschaffen aan de speculanten op de aamtmnde rijzing. Onder de; bestaande bepalingen kan zij het volle bedrag der ingetrokken biljetten door de hare vervangen , zoodra Vs van dat bedrag aan metaal bij haar is binnen gekomen. Omdat de bank steeds in staat zal wezen aan de credictaanvragen ten volle te voldoen, is verlaging van het disconto niet noodig, en omdat na die bevrediging het evenwicht hersteld is, ook nu niet.
Mijne conclusie is derhalve: uitgifte of intrekking van muntbiljetten werken direct noch op de crcdictgevingen noch o]) de circulatie van de bank, welke laatste invloed, indien hij bestond, geheel anders zou wezen dan men zich dien gewoonlijk voorstelt en aan tegenstrijdigheden lijdt. De werking is daarentegen direct op den metaal voorraad des lands, maar aangezien de goudzeudingen van en naar het buitenland over de bank plaats hebben, is die tevens indirect op do crcdictgevingen en op de papier-circulatie der bank, en wel zóó, dat dc circulatie toeneemt of afneemt met het bedrag, waartoe muntbiljetten worden ingetrokken of uitgegeven en de crcdictgevingen naar gelang van de wettelijke bepalingen, maar zonder dat dit eenigen invloed heeftop den discontostand.
Amstuhdam. Maart 1888.
.IACO 15 Dli HAAS Jr.