-ocr page 1-

^_

-ocr page 2-
-ocr page 3-

door

II. COO PM A NS

Utrecht J. L. BEIJERS 1887.

-ocr page 4-

Stoomdruk van P. W. van dk Weiji-.h, (lt;; lllrechl.

-ocr page 5-

„Du choc des opinions jaillit la véritéquot;.

In liet begin van December verscheen te dezer stede eene brochure van den Heer Kooien: „Een woord naar „aanleiding van het ontwerp eener belasting op het „inkomen te Utrecht,quot; waarin de schrijver op verwerping van het aanhangige voorstel aandringt, en de bestaande heffing verdedigt.

Zijn ingezonden stuk in het Utrechtsch Dagblad, waarvan duidelijk en beslist het: „past op uwe beurzen,quot; de conclusie is, gaf mij aanleiding eenige regelen ten gunste der ingediende directe heffing neder te schrijven.

Ik heb gewacht tot dat meer bevoegde hand een pleit ten voordeele dezer belasting zou voeren, doch daar tot op heden niets in dien geest het licht zag, en ook de voorgenomen meeting tot de „pia votaquot; blijft behooren, heb ik niet geschroomd openlijk mijne meening, tevens die van velen, door bewijzen gestaafd, uittespreken.

Mijn hoofddoel is het onderwerp voornamelijk uit het oogpunt van het beginsel te behandelen en slechts hier en daar de pessimistische beschouwingen van den Heer Kooien te wederles\'sen.

-ocr page 6-

4

Het is mij voorgekomen dat de overgroote meerderheid der burgerij meer bezwaar ziet in de toepassing der voorgestelde heffing, dan in de heffing zelve, en ik geloof dat het gevoel voor eerlijkheid en billijkheid ten slotte zal zegevieren.

In beginsel is belasting op en naar den maatstaf van de inkomsten de eenvoudigste, redelijkste en meest billijke van alle belastingen.

Mr. S. Vissering.

Tot de instandhouding van iedere huishouding is geld benoodigd, dat op de eene of andere wijze moet worden verkregen. Zoo ook heeft de staat, (rijk, provincie en gemeente), ter beantwoording aan zijne bestemming uitgaven te doen, die jaarlijks geregeld tcrugkeeren. Kunnen deze uitgaven niet uit eigen fondsen als: domeinen en winstgevende ondernemingen worden bestreden, dan is hij verplicht daartoe bijdragen van de ingezetenen te vragen. Deze worden opgebracht uit het stamvermogen (kapitaal) of de vruchten van dat vermogen, met of zonder aanwending van arbeid verkregen, als winsten, loonen, renten.

Zal de belastingschuldige niet in vermogen achteruit gaan, dan zal hij de bijdragen aan den fiscus zooveel mogelijk uit zijne inkomsten moeten bestrijden; alleen enkele dezer belastingen zullen van het kapitaal afgenomen worden , zooals met het recht van successie.

-ocr page 7-

ö

Alle andere jaarlijks terugkeerende, onder welken naam ook geheven, ol op welk voorwerp gelegd, zullen uit het inkomen d. i. „de opbrengst van arbeid en kapitaalquot; moeten worden geput, omdat dit de eenige bron is waaruit zij geput kitnnen worden.

De belasting op de inkomsten wordt rechtstreeks uit iemands inkomen geput, de anderen langs een omweg. Staat men tusschen de keuze eener directe heffing en heffing langs een omweg, dan treden onmiddelijk drie belangrijke punten op den voorgrond :

1°. de billijkheid.

2°. de verstandige regeling.

3°. de druk voor den belastingschuldige.

1°. De billijkheid:

Bij de directe heffing betaalt ieder volgens en in overeenstemming met zijn inkomen. Bij andere belastingen zooals: Verteringsbelastingen, Accijnzen, enz. betaalt men niet naar zijne middelen maar naar zijne behoeften. Treedt dit niet treffend aan het licht daar waar deze het meest drukken op de onontbeerlijkste artikelen als: brood, vleesch, zout, enz.?

De meer gegoede kan hiervan dagelijks niet meer gebruiken dan zijn arme medebroeder; integendeel zal de laatste een grooter consumptie vragen. Voor den rijke wordt een betrekkelijk zeer gering deel van zijn inkomen afgezonderd, voor den arme een naar rato veel grooter.

Begeef U voor een oogenblik naar de schamele woning van een arm huisvader, die het dagelijksch brood mede

-ocr page 8-

6

moet verdienen voor vrouw en een groot aantal kinderen , om U daarna te verplaatsen naar de weelderig ingerichte appartementen van een rijk jong mensch. Wie zal dezen druk het meest gevoelen ? De eerste betaalt misschien 5%, de andere 1 per mille van zijn inkomen. Is er grooter contrast denkbaar ?

Is dit rechtvaardig, is dit billijk, is deze heffing op de eerste levensbehoeften te verdedigen?

2°. de verstandige regeling;

Wat zijn de voornaamste eischen die aan een goed belastingstelsel mogen worden gesteld? Voorzeker deze: dat de belasting zoo weinig mogelijk van den belastingschuldige afvrage, om toch zoo veel mogelijk in schatkist, provinciale of gemeentekas te brengen.

Deze eisch kan bij de directe heffing het best zijne toepassing vinden; bij die langs een omweg niet. Even als de rechte weg de kortste, de gemakkelijkste is, kost een omweg meer tijd, meer moeite en meer bezwaren. Eene directe belasting kost in verhouding tot de indirecte betrekkelijk weinig aan heffing, aan toezicht en formaliteiten, terwijl de laatste veel omslag en groote onkosten vordert, zoowel voor den vrager als voor den betaler.

Welk een heirleger commiezen is niet benoodigd , zoowel binnenslands als op de grenzen, om voor de overtredingen en ontduikingen op accijnzen en inkomende rechten te waken.

Het totaal bedrag wat jaarlijks aan dezen dienst moet worden betaald , en wat zeker vrij aanzienlijk zal zijn, gaat van de zuivere opbrengst, die eindelijk inde schatkist moet komen, af.

-ocr page 9-

/

Zelfs de scherpste controle verhindert niet dat lieden met een bijzonder ruim geweten, op allerlei wijzen, deze indirecte belasting trachten te ontduiken, en zeer dikwijls met goeden uitslag.

3°. de druk der belasting voor den belastingschuldige.

Ofschoon overtuigd dat men als staatsburger moet bijdragen in de kosten tot instandhouding van den staat, wil niemand gaarne belasting betalen, ja wordt het als een noodzakelijk kwaad beschouwd, waaraan eene groote meerderheid zich zooveel mogelijk wil onttrekken.

Alle belastingen, men noeme ze directe of indirecte, zijn een druk, in zoo verre echter dat de fiscus u een gedeelte van uw vermogen of inkomen afvraagt, dat gij liever tot andere doeleinden hadt willen gebruiken. Is dat deel nu niet onaanzienlijk, dan kan de druk zwaar worden. Wat is nu echter het verschil bij direcle heffing of bij elke andere ?

Bij de directe belasting op vermogen of inkomen heeft men alleen en uitsluitend met dezen druk te doen; zoodra is niet de aanslag betaald, of men is van alle verdere moeiten en bezwaren ontslagen Bij alle andere belastingen wordt ook iets van uw vermogen of inkomen gevraagd, maar daar de staat (provincie, gemeente) op de een of andere wijze eene zekere som moet verkrijgen, zal dit bedrag ten laatste even groot moeten zijn, als wanneer het rechtstreeks van u gevorderd ware. En welke hinderpalen worden u daarbij in den weg gelegd. Men werpt de voorstanders eener inkomstenbelasting het verwijt voor de voeten, dat bij invoering ieder een anders inkomsten kan berekenen, wat zoo uiterst scha-

-ocr page 10-

8

dclijk voor het crediet kan zijn, doch men vergeet dat thans de staat zich ook in al uwe handelingen mengt, uw arbeid en lusten belemmert en bezwaart. Een voorbeeld uit velen.

a. Gij wenscht een huis te bewonen, dat aan allen comfort en aan de eischen van de hygiène beantwoordt. Daarvoor zijn noodig goed verwarmde vertrekken , benevens veel licht en lucht. Wat eischt nu echter de belasting op het personeel ? dat gij voor elke deur, elk venster, eiken schoorsteen uw deel aan den fiscus betaalt. Ofschoon ongaarne, ziet men zich toch verplicht een minder geriefelijk huis met minder deuren, vensters en haardsteden te betrekken.

b. Hoe dikwijls komt het voor dat men door aankoop eigenaar wenscht te worden van eenig perceel, het zij luns, fabriek of boerderij. Na vele onderhandelingen, loven en bieden, is men tot een voor beide partijen gunstig resultaat gekomen. De koopsom is betaald

en.....het registratiekantoor biedt u een billet tot

kwijting aan, gelijkstaande met een boete van circa 4 Vu in hoofdsom van den koopprijs, ten behoeve van den staat.

c. Men wende zich met een verzoek om recht tot de Hooge Regecring, men diene een request aan de provinciale of stedelijke vertegenwoordiging in, of wel alle deze besturen wenschen eenig werk, hetzij het onderhoud van bestaande, of uitvoering van nieuwe werken ten behoeve hunner administratie, bij openbare aanbesteding te doen uitvoeren, steeds is men verplicht eene belangrijke boete in den vorm van zegelrecht te voldoen.

Met welk eene voorliefde heeft vooral de kleine

-ocr page 11-

9

handelsstand dc invoering der plakzegels begroet, eene belasting zoo evenredig drukkende op alle staatsburgers!

d. Welke nadeelige gevolgen heelt dc voormalige accijns op het gemaal uitgeoefend, die vooral onze lagere klassen tot het voor dc gezondheid zoo schadelijk aardappel endieet dwong. De thans nog bestaande accijns op vleesch, suiker, zout en wijn dwingt menigeen hiervan een zeer matig gebruik te maken, anderen tot eene totale onthouding, en werkt ten slotte de verspreiding van surrogaten onrustbarend in dc hand.

Wat is nu de conclusie?

Iedere belasting en alle belastingen te zamen worden uit het vermogen of inkomen der burgerij geheven. De directe heffing in evenredigheid met ieders aandeel in dat gezamenlijk inkomen is de rechtvaardigste, de eenvoudigste, minst kostbare cn tevens minst drukkende voor den belastingschuldige.

Het is aan te nemen dat er nooit heftiger strijd in zake een nieuw belastingstelsel is gevoerd dan juist tusschcn voor- en tegenstanders eener directe heffing op het inkomen; een strijd die reeds vele jaren de gemoederen warm houdt, en waarschijnlijk nog een ge-ruimen tijd zal duren voor en aleer haar de zege is gegund, waardoor ten slotte het gevoel voor rechtvaardigheid en eerlijkheid tot zijn recht zal komen.

Van waar dan nog altijd dc voorkeur die dc tegenstanders aan een samenstel van andere belastingen boven de inkomstenbelasting geven; van waar de strijd die, zij het in mindere mate, ook tegen de theorie wordt gestreden ?

Ongetwijfeld vordert hare invoering velerlei inge-

-ocr page 12-

1(1

wikkelde wijzigingen op administratief gebied, en kan men aannemen dat menig college geene ernstige klachten over het heerschende stelsel vernemende, niet dan noode tot de behandeling van een nieuw overgaat.

Is men echter tot de overtuiging gekomen dat de inkomstenbelasting de rechtvaardigste en minstdrukkende voor de burgerij is, dan mag ook niets een beletsel zijn om onverwijld plannen tot reorganisatie van het bestaande stelsel in te dienen.

Wat wordt door hen die bevreesd zijn voor een verhoogden aanslag dikwijls vergeten? Met een oogopslag-ziet men het bedrag dat men overeenkomstig het be-lastingbillet aan directe heffing in eens moet betalen; men ziet niet, of wil ten minste niet zien het bedrag dat men iederen dag aan accijns en inkomende rechten voor verbruikte artikelen betaalt; men rekent volstrekt niet met het verschuldigde voor zegel en registratierechten.

Rekent men dit alles te samen en vergelijkt men dit met het bedrag aan directe heffing in eens, dan komt men gewis tot gansch andere uitkomsten. Zijn er die zich verbeelden dat men die andere belastingen wel kan ontduiken, of den last daarvan op anderen schuiven, dan vergeet men dat, waar allen hetzelfde beproeven, ten slotte ieder op zijne beurt ondervindt dat de last op hem nederkomt.

En zoo getroost men zich dan om maar liever, zoo als het heet „onmerkbaarquot; veel meer te betalen dan men anders zou doen, om daarenboven nog allerlei hinderpalen te ondervinden.

Moet ieder college hiermede geen rekening houden, moet het, met deze zwakheden vooroogen, niet trachten

-ocr page 13-

11

liever langs allerlei omwegen, zij het dan oollt; tegen eigen overtuiging in, veel te ontvangen dan minder langs den directen weg? Worden dien ten gevolge niet meelde zaken dan de personen getroffen, en de handelingen (-lie zij in hun eigen belang moeten verrichten ?

Wanneer straks het ontwerp ecner inkomstenbelasting in de raadzaal zal worden behandeld, en bij de vertegenwoordigers der burgerij de overtuiging levendig geworden zal zijn, dat aan dit in alle opzichten eerlijk en billijk stelsel de voorkeur is te geven boven het samenraapsel van eene eensdeels drukkende, anderdeels impopulaire heffing, dan vverke men met ernstige studie en de kracht der overtuiging samen ter verkrijging van deugdelijke grondslagen.

Het fundament is op goeden en hechten grond gebouwd; aan de bouwmeesters thans de schoone taak dit tot een solied gebouw op te trekken.....

Welke is de groote kwestie die ook door den heer Kooien met aandrang op den voorgrond is gesteld;

De bewering dat het onmogelijk is iemands inkomen met voldoende zekerheid te schatten, niet alleen voor derden doch ook voor den betrokken persoon zeiven, Is dit wel zoo zeker?

Vreemd dat men zulks in het gewoon dagelijksch leven nimmer bespeurt , doch alleen gereserveerd blijft bij de berekening voor een aanslag in de belasting, leder ontwikkeld en verstandig man weet toch vrij goed zijne vertering en manier van leven in overeenstemming met zijne inkomsten in te richten.

Bestaat datzelfde bezwaar ook wanneer eene industriöele

-ocr page 14-

1 2

of winkelzaak wordt overgedaan, kan dan ook het inkomen niet met voldoende juistheid worden bepaald?

Houdt men in den handelsstand met deze bewering ook rekening wanneer een nieuwe compagnon wordt opgenomen, worden hier ook alle bezwaren op een goudschaaltje gewogen?

Vrij zeker durf ik beweren dat doorgaans zeer nauwkeurig de zuivere winst der zaak kan worden berekend.

Op bladzijde 14 zijner veelgelezen brochure stemt de heer Kooien volkomen toe, dat in beginsel de inkomstenbelasting de rechtvaardigste is die kan worden geheven, dat echter de heffing niet uitvoerbaar is, wijl het onmogelijk zou zijn het inkomen met voldoende juistheid te berekenen.

Mijns inziens ligt het zwaartepunt hier meer in het materialisme dat de meerderheid der tegenstanders in dien geest doet schrijven en spreken.

Waarom maar ik deze conclusie trekken?

O

Het ingezonden stuk in het Utrechts Dagblad geeft hierop het antwoord:

„Het doel was Utrechtsch ingezetenen toe te roepen ; „ „past op uwe beurzenquot; en dat mag nu zeer materia-„listisch van mij zijn, toegegeven, het geld is nu een-„maal de spil waar alles om draait.quot;

Mag ik aannemen dat deze regelen in een onbewaakt oogenblik aan de pen van den schrijver zijn ontvloeid? |a voorzeker! want ook hij zal de eerste zijn te erkennen dat volksbelang boven eigenbelang moet worden gesteld.

Gaarne geloof ik dat men het bestaande stelsel liever niet veranderd ziet, daar aan iedere nieuwe heffing in

-ocr page 15-

13

den beginne moeielijkheden zijn verbonden, zoowel voor het dagelijksch bestuur als voor de belastingschuldigen. Door onderlinge samenwerking is het voorzeker niet moeilijk ook deze kleine bezwaren op te lossen.

Utrecht is in de laatste jaren in zielental belangrijk vooruitgegaan, dank zij hare fraaie ligging, hare prachtige omstreken, en „last not leastquot; door de goede zorg die het Gemeentebestuur aan den aanleg en de verfraaiing der plantsoenen heeft besteed. Daarover is slechts één roep zoowel van hier als uit den vreemde, en hierdoor wordt deze gemeente meer en meer het middelpunt waar gegoede familiên zich metterwoon vestigen.

Zal de heffing eener inkomstenbelasting alhier ten gevolge hebben dat vele dezer familiën onze gemeente zullen verlaten om de weinige guldens die door hen meer betaald moeten worden ter wille der eerlijkheid en billijkheid? Zal het een reden zijn dat anderen van hun plan tot vestiging alhier afzien ?

Neen! ook dit kan geen ernstig gemeend motief zijn.

De Heer Kooien beweert verder dat de afschaffing der „accijnzen op het geslacht (varkens- en schapenvleesch) „op het gemaal en op de brandstoffen aan de mindere „klassen ten goede zijn gekomen.quot;

Wel is waar zijn in 1865 de gemeentelijke accijnzen afgeschaft, doch werd er tevens langzaam maar zeker uit de rijks-accijnzen meer getrokken.

Nu moge het aantal accijnzen kleiner zijn dan vóór 22 jaren, de gezamenlijke opbrengst der thans nog bestaande is veel grooter dan vroeger. Het bewijs: Mr. Goeman Borgesius, deelt in de 2dc aflevering van het sociaal weekblad onder het opschrift: een eisch van

-ocr page 16-

14

recht mede, dat in het jaar 1864 tic gezamenlijke accijnzen circa 20 millioen opbrachten, terwijl in 1885 ruim 4272 millioen werd ontvangen.

Hoewel nu de mindere klassen niet in alle accijnzen evenveel betalen, is het een feit dat juist die waartoe zij het meest bijdragen ook het meest zijn vooruitgegaan.

Waar blijft nu het argument van bevoorrechting dier klassen? |uist de mindere en kleine neringdoende stand hebben zich te beklagen.

Is er schooner gelegenheid voor den machthebbende in den staat en staatsrechterlijke corporatiën (gemeente en provincie) om in deze tijden van beroering en ontevredenheid met den gang van zaken, juist op het gebied der belastingen meer in den geest der billijkheid en der eerlijkheid tot hervorming over te gaan ? Gedachtig aan de schoone en zoo ware woorden van den grooten Adam Smith: „Ieder moet in de belastingen bijdragen „in verhouding tot zijne draagkracht.quot;

De groote mannen op het gebied van het belastingwezen en der staathuishoudkunde zijn het eens dat de fiscus van kleine inkomsten een veel aanzienlijker deel vraagt dan van de groote. Is nu een maatregel die eene meer billijke verdeeling van lasten beoogt, in het belang der minder gegoede klassen, ook voor onze gemeente, niet toe te juichen?

Zoo lang het Rijk de eerste levensbehoeften blijft belasten, zal de invoering eener inkomstenbelasting dezen druk niet kunnen wegnemen ; toch zal er reeds veel in de goede richting zijn gearbeid, en menig kleine neringdoende dankbaar erkennen dat ook hem de meer billijke verdeeling is ten goede gekomen.

-ocr page 17-

15

Mogen nu deze belangen worden opgeofferd aan de tijdelijke bezwaren, onafscheidelijk van elke nieuwe regeling, der tegenstanders, die meer de wijze van heffing dan de heffing zelve bestrijden?

Is liet den ontwerpers ernst, dan werke men met het schoone en groote doel voor oogen, eendrachtig samen, en mocht het blijken dat het ingediende ontwerp werkelijk leemten bevat, dan zullen ook deze gewis worden opgelost.

Met den Heer Kooien ben ik het volkomen eens dat de staatsburgers meer belangstelling moesten en konden betoonen in de behandeling van gewichtige maatschappelijke vraagstukken; de meerderheid is te onverschillig en door niets uit hare rustige rust wakker te schudden. Gelukkig wijzen de laatste weken op eene verbetering in de goede richting, de apathie schijnt te wijken om plaats te maken voor eenige belangstelling in de publieke zaak.

De corypheën der liberale partij hebben weder sedert het begin dezes jaars, door de uitgifte van het sociaal weekblad, eene nieuwe poging gedaan om de natie omtrent sociale vraagstukken voor te lichten en ter bestudeering op te wekken , eene poging die ieders ondersteuning overwaard is.

Dat zij hierin aanvankelijk slagen, bewijst de sympathie waarmede alom in den lande het nieuwe orgaan wordt begroet, welks streven zelfs door politieke tegenstanders, zij het schoorvoetend , wordt gewaardeerd.

-ocr page 18-

i6

Ieder moet in de belastingen bijdragen in verhouding tot zijne draagkracht.

Adam Smith.

Elke belasting en alle belastingen te zamen worden uit het vermogen of inkomen der burgerij geheven. De directe heffing in evenredigheid met ieders aandeel in dat gezamenlijk inkomen is de rechtvaardigste, de eenvoudigste, minst kostbare, de minst drukkende voor de burgerij.

Prof. Mr. S. Vissering.

Het beginsel eener belasting op de inkomsten, ongetwijfeld overal de belasting der toekomst, handhave men, omdat het is een beginsel van werkelijk recht voor allen.

Prof. H. Wefeks Bkttink.

Het zwaarst gedrukt zijn de gezeten arbeiders, kleine

neringdoenden en kleine industrieelen.

Mr. II. Goeman Horgesius.

Niet zij die aan gegronde grieven willen tegemoet komen, maar wel zij die blind blijven voor het dreigende gevaar en afkeerig zijn van elke verandering welke hun eigen belangen zou kunnen schaden, zijn de wegbereiders voor de vreeselijke revolutie, die op den duur alléén wordt voorkomen, indien ook in het staatsbestuur (en der staatsrechterlijke corporaties) tegenover allen en in alles de strikte rechtvaardigheid wordt in acht genomen.

Sociaal Weokhiad.

-ocr page 19-

Zitting van den Utrcchtschcn Gemccntcraail op Donderdag 19 November 1874.

Redevoering van den Heer van Hall.

.....Ruim een jaar geleden is hij bij gelegenheid der

begrootingsdiskussies en, naar aanleiding van de toen voorgestelde verhooging der plaatselijke direkte belasting, bij vernieuwing opgekomen tegen het beginsel, dat aan die heffing ten grondslag ligt. Werden Spr.\'s denkbeelden toen over het algemeen zoo al niet met weerzin, dan toch met weinig ingenomenheid begroet, dankbaar en met voldoening, niet voor zich zeiven maar alleen in het belang der zaak, konstatcert Spr. een feit, dat blijkbaar van eenige toenadering tot zijne zienswijze getuigt. Zoo straks toch zal worden beslist, of wij het vigeerend stelsel zullen behouden of niet. Voorwaar reeds ec:ne schrede nader tot het doel, dat Spr. beoogt. Hij zal voor zich geen oogenblik aarzelen om te stemmen tegen het bestaande naar zijne meening, vitieuse beginsel. Verlangt men motiveering van Spr.\'s stem, zoo verwijst hij naar de verslagen van de begrooting-diskussies van het vorige jaar. Spr. heeft niets te voegen bij en ook niets terug te nemen van hetgeen hij bij die gelegenheid heeft gezegd. Werpt men Spr. op nieuw tegen dat het door hem toen uitgesproken oordeel hard was, zoo antwoordt Spr. Het zij zoo. De waarheid is menigmaal hard: „ce n\'est que la vérite qui tue.quot; Met de hand op \'t hart zal Spr. stemmen tegen het behoud van een beginsel, dat naar zijne overtuiging in strijd is met letter en geest en bedoeling van de gemeente wet, gelijk die met de

-ocr page 20-

18

veranderde tijdsomstandigheden, na 1848, is tot stand gekomen , en sedert dien onder meerder ook door dc daarin gebrachte wijzigingen, ten gevolge van de afschaffing der gemeente akzijnsen, nader is ontwikkeld en uitgebreid. Deelt men Spr.\'s overtuiging in dit opzicht, zoo zal men moeten erkennen, dat het vonnis, door Spr. verleden jaar over het beginsel onzer belasting geveld en thans door hem bevestigd, zij het dan ook hard, desniettemin rechtvaardig is. Spr. wenscht eenige van de voornaamste argumenten, door den heer Fruin aangevoerd tot behoud van het bestaande stelsel, te weerleggen. Deze heeft gezegd, dat algemeen niet zoozeer het beginsel als wel het verhoogde cijfer van de belasting wordt bestreden, en dat men eene bestaande en goed werkende belasting alleen dan moet afschaffen, wanneer die zeer drukkend wordt. Spr. gelooft, dat eene diskussie over het eerste, als een feit, gestelde punt thans weinig vruchtbaar mag heeten. Wat echter het tweede punt aangaat, zoo herinnert Spr. zich met genoegen den tijd, waarin de heer Fruin, omtrent de afschaffing van bestaande belastingen , eene andere leer was toegedaan dan die, welke afschaffing alleen dan aanprijst, wanneer eene belasting te zwaar drukt. Niet omdat de dagbladzegel-belasting uitermate drukkend was , niet omdat het publiek het zegel voor de nieuwsbladen en voor de advertenties niet meer kon betalen, vereenigde Spr. zich, op de roepstem van den heer Fruin, met dezen en anderen tot het vormen van een anti-dagblad-zegel-verbond, maar omdat het beginsel van die belasting vitieus en onbillijk was, werden hier ter stede en elders krachtige pogingen tot hare afschaffing aangewend , pogingen die ten slotte met gunstigen uitslag werden bekroond. Spr. hoopt, dat het niet de laatste maal zal geweest zijn, naast en met den heer Fruin te hebben mogen strijden voor de afschaffing van bestaande, onbillijke belastingen, ook al drukken die niet buitengewoon zwaar. Door den heer Fruin is wijders Rotterdam genoemd als eene plaats, waar eene

-ocr page 21-

10

inkomstenbelasting bestaan, maar niet goed gewerkt heeft. Deze bemerking lokt Spr. onwillekeurig op een terrein, waarop hij zich, omtrent de al of niet wensehelijkheid eener inkomstenbelasting , zoude moeten verklaren. Daartoe is het echter, volgens Spr\'s meening, nog geen tijd. Eerst zal de meerder-lieid van dezen raad tot loslating van het naar Spr.\'s ovei*\' tuiging, onhoudbare stelsel moeten hebben besloten. Spr. zal zich voorloopig dus onthouden van cenc bepaalde uitspraak over de grondslagen welke zijns inziens, ingeval van verwerping van de bestaande grondslagen onzer heffing, in aanmerking zouden kunnen komen. — Zich bepalende bij het gezegde, dat eene inkomstenbelasting te Rotterdam niet goed gewerkt heeft, wil Spr. voor het oogenblik geheel ter zijde stellen de vraag, wie als bevoegd beoordeelaar ten dezen is aan te merken. Gesteld eens, Spr. neemt het oordeel aan, zelts zonder den naam te kennen van hem die het uitspreekt. Doch zelfs dan meent Spr. er op te mogen wijzen, dat de toestand hier en te Rotterdam zeer verschilt, waardoor elke vergelijking komt te vervallen. Wat te Rotterdam niet goed werkt, zoude misschien te Utrecht wel goed kunnen werken. Wat voor den Rotterdamschen koopman wellicht ecne levenskwestie, een onoverkomelijk bezwaar oplevert, is mogelijk voor den Utrecht schen rentenier niets meer dan eene zaak, die hij minder aangenaam vindt. De heer Fruin beroept zich ter verdediging van de billijkheid en wettigheid van het bestaande stelsel, op wijlen den minister Thorbecke en op den tegenwoordigen minister van binnenlandsche zaken. Spr. heeft veel eerbied voor wijlen den eerstgenoemde, den onvermoeiden baanbreker, die niet krachtige hamerslagen het oude, naar het algemeen oordeel, bouwvallige staatsgebouw voor een groot deel heeft uitgebroken en het nieuwe overeenkomstig de eischen des tijds, heeft ingericht en hooger opgetrokken. Spr. waardeert niet minder de volhardende pogingen van den minister Heemskerk, tot behoud en bestendiging van al dio fundamenten, muren en

-ocr page 22-

2U

gebinten van hetzelfde staatsgebouw, welke, van uit zijn standpunt gezien, niet alleen nog bruikbaar maar zelfs onmisbaar zijn. Doch zelfs wanneer men de woorden van deze beide groote staatslieden zou kunnen stellen tegenover de zoo duidelijke bewoordingen van de wet, zou Spr. hunne autoriteit verwerpen en zich houden aan de wet, het eenige en waarachtige bolwerk van den Nederlandschen Staat. Maar, en daarop komt het hier aan, in welken zin moet men hunne woorden opvatten ? Spr. maakt uit hunne woorden, gelijk die door den heer Fruin zijn geciteerd, volstrekt niet op, dat zij eene met Spr.\'s meening strijdende uitlegging aan de gemeentewet hebben willen geven. Integendeel, juist de mislukte poging van den heer Thorbecke, om de gemeentewet op dit punt te doen wijzigen, versterkt Spr. in zijne meening, dat die uitstekende Staatsman, met Spr.\'s opvatting en uitlegging van de op dit punt niet gewijzigde gemeentewet, volkomen instemde. Die voorgestelde wijziging zou dan ook overbodig hebben kunnen hceten, indien eene uitlegging van de wet, zooals de heer Fruin die thans meent te kunnen toelaten, ook naar het oordeel van den toenmaligen minister mogelijk ware geweest. Alleen het belang der schatkist, voor zooverre het betrof de konkurrentie van de rijksbelasting op het personeel met eene eventueele gelijksoortige gemeentebelasting, maakte het behoud van verbodsbepalingen in de gemeentewet, naar Thorbecke\'s meening, wenschelijk tot op het oogenblik, dat dit belang, door afstand van het grootste deel der rijkspersoneele belasting, aan de gemeenten, bijna geheel voor de schatkist was komen te vervallen. Daarom stelde de heer Thorbecke eene wijziging voor, welke echter door de Kamer werd verworpen, met andere woorden, de Kamer persisteerde bij het behoud van die uitdrukkelijk in de wet opgenomen verbodsbepalingen, en dat wel tegen den wil en tegen den wensch van den ouden aanvoerder. Deze achtte wijziging van de wet noodig, nu de voorname reden was opgeheven, waarom het

-ocr page 23-

•J 1

verbod , zijns inziens in die wet was opgenomen. Zijne wijziging wordt afgestemd. Nog andere redenen dan het belang dei-schatkist pleiten dus, naar het oordeel van de Kamer, voor behoud van het verbod. Aldus blijft het verbod in de wet en het is niet mogelijk die wettelijke en door de Kamer opnieuw bekrachtigde bepaling te niet te doen, alleen op grond dat er, naar de meening van den heer Thorbecke en eenigc andere personen, eigenlijk geen rede meer bestond haar, in het belang der schatkist, te behouden. Spr. iioudt zich dan ook vast overtuigd , dat ieder minister de thans ongewijzigde wetsbepaling zal handhaven, gelijk de heer Thorbecke dit zeker zou gedaan hebben, na zijne mislukte poging, om langs wettelijken weg tot wijziging te komen.

Spr. komt thans tot een ander argument, aangevoerd voor de wettigheid van het vigeerend stelsel. Op de bepaling omtrent de talrijkheid van het gezin is gewezen om aan te toonen , dat niet uitsluitend tot grondslagen zijn genomen die voor \'s rijks personeele belasting. Spr. zal hier niet op nieuw betoogen, dat die bepaling eigenlijk geen grondslag kan heeten. Evenmin zal Spr. herhalen, wat tegen het argument zelve is in het midden gebracht door den heer van Doorn, met wien Spr. ten dezen opzichte geheel instemt. Doch Spr. kan niet nalaten bij deze gelegenheid te wijzen op het ongerijmde van die bepaling. Daardoor toch wordt de mogelijkheid ge boren, dat een schatrijk man, hoewel aangeslagen voor eene flinke som in de eigen direkte belasting, toch niets aan de gemeente zal behoeven te betalen. Spr. noemt hier den naam van een rijk man, die ztch in het bezit van 24 kinderen mocht verheugen. Dergelijke gevallen, waarin rijke lieden niets zouden behoeven te betalen, zijn, dit erkent Spr. gaarne, uiterst zeldzaam, maar minder zeldzaam is het toch, dat zeer rijke lieden een zoo groot aantal kinderen hebben, dat zij weinig meer dan niets bijdragen in de lasten der gemeente. Nog is door den heer Fruin gewezen op den uiterlijken staat,

-ocr page 24-

22

als uitnemende maatstaf tot betaling van vermogen of inkomsten. In de praktijk gaat die redeneering volstrekt niet op. Vele personen hebben een groot vermogen en ruime inkomsten, terwijl toch de uiterlijke staat, dien zij voeren , zulks in het geheel niet verraadt, maar gesteld eens, de uiterlijke staat en nog wel een staat, gelijk die door het aanslagbiljet voor \'tpersoneel wordt bepaald, ware ook een geschikte maatstaf van vermogen of inkomsten , getuigd het dan van wijsheid en voorzichtigheid (om hier nu niet weder van wet en van billijkheid te spreken), zoodanigen uiterlijken staat als eenigen grondslag voor heffing aan te nemen ? Ieder toch , die zulks wil, kan zich onttrekken aan \'t betalen van zelfs de minste of geringste bijdrage in onze gemeentebelasting, door wegneming van de oorzaken, die hebben geleid tot zijn aanslag in \'s rijks-personeele belasting. Ten slotte is zoowel door den heer Fruin als door andere voorstanders van het bestaande stelsel gezegd, dat, bij verwerping van dat stelsel, alleen eene inkomsten-belasting denkbaar is. Spr. wil de mogelijkheid niet ontkennen, dat dan wellicht geen andere keuze zal overblijven. Maar aan hen die aldus rede-neerende tot de slotsom komen, dat men zal moeten kiezen tusschen het bestaande stelsel of eene inkomsten-belasting, evenals aan de voorzichtigen, die wellicht zullen zeggen , dat wij eerst moeten overwegen, wat wij in de plaats van het bestaande zouden kunnen stellen, roept Spr. toe : Wij hebben niet vooraf te beoordeelen wat wij zouden kunnen doen, maar wij moeten in de eerste plaats beslissen, dat wij niet langer zullen doen, wat wij niet mogen en dus niet behooren te doen. Vóór alles moeten wij afscheid nemen van het vermolmde en vicieuse steunpunt onzer gemeente financien en zonder verwijl een beginsel ter zijde stellen dat, naar Spr\'s innige overtuiging, indruischt tegen de billijkheid en ook is tegen de wet. Daarna zullen wij met den meesten ernst en , zoo noodig met opoffering van tijd en arbeid , overwegen op

-ocr page 25-

welke wijze het best kan worden voorzien in de behoeften van onze gemeentekas.

Redevoering van den Heer van Eelde.

Hij wil bij het reeds vergevorderde uur, niet alle beschouwingen van den Heer VerLoren volgen. De algemeene indruk, dien hij er van kreeg was deze, dat de heer VerLoren gesproken heeft tegen iedere inkomstenbelasting en dat hij te kennen gaf, welke bezwaren daartegen bestaan. Spr. moet zeggen, dat, als de heer VerLoren die rede gehouden had, toen de gemeentewet behandeld werd , hij wellicht een grooten indruk zou gemaakt hebben op de leden der Tweede Kamer, zoodat misschien art. 243 ware afgestemd. Spreker acht zich niet opgewassen tegen alles wat zoo welsprekend door den heer Fruin in \'t midden is gebracht, maar wel heeft hij daaruit opgemaakt , dat zelfs dat geachte lid niet ontkende, dat, welke de belasting ook zij, die men kiest, het vermoedelijk inkomen der ingezetenen datgene is, waarnaar men belasten moet en een groot deel van wat de heer VerLoren zeide , is ook steeds toepasselijk op iedere belasting, die het inkomen treft. Dat komt Spr. voor het zwakke punt van het betoog van den heer VerLoren te zijn, dat al wat hij als bezwaren tegen eene inkomstenbebelasting, bij eigen aangifte, aanvoerde ook op iedere belasting, die het inkomen treft, toepasselijk is, derhalve ook op het voorstel der kommissie. In economische beschouwingen zal Spr. ook niet treden, al wil hij met een enkel woord opmerken, dat het strijdt met alle mogelijke stellingen der ekonomie, een belasting te hoog op te voeren. Een goed belastingstelsel moet niet bestaan uit een impót unique, omdat als men verschillende belastingen heeft, licht de druk van de eene door den minderen druk van een andere geneutraliseerd wordt. — Daarom gelooft Spr.; dat men de bepaling der

-ocr page 26-

gemeentewet zóó moet opvatten, dat men niet wilde, dat de gemeentebelasting het personeel als \'t ware zou verdubbelen, Nu weet Spr, wel, dat door volgende cirkulaires de kracht van het artikel ondermijnd is, maar dat is zoo \'n gewoon verschijnsel, dat men zich daarop niet beroepen kan. Spr.\'s groote bezwaar, en daarmee zal hij besluiten, is een praktisch bezwaar, en dat kan Spr. beoordeelen zoo goed als ieder ander lid. Als men een kohier opslaat, en in Spr.\'s afdeeling had men het voorrecht, een kohier te hebben, bewerkt naaide nieuwe verordening, ziet men, dat in den regel de ingezetenen , die in de lagere klassen vallen, goed aangeslagen zijn, maar dat de schatting van hen, die een vermoedelijk inkomen van meer dan ƒ 3000 hebben, te laag is. — Spr. roept alle leden, die in zijne afdeeling waren, tot getuigen. — Namen wil Spr. niet noemen, maar hij kan ze met name aanduiden, wier inkomen geacht kan worden 5, 6 maal zoo groot te zijn als \'t op de kohieren voorkomt. De belasting drukt dus de middelklasse, die in den tegenwoordigen tijd al zoo gedrukt is, onevenredig. Spr. meent dit te moeten zeggen , al moge men hem daarom nu verdenken van een demokraat of een aanhanger der Internationale te zijn; Spr. geett wel toe, dat een inkomstenbelasting bij eigen aangifte ook bezwaren zou hebben, maar Spr. ziet niet in, dat er geen voorzorgen te nemen zijn, om die bezwaren zoo weinig mogelijk merkbaar te maken. Nog een enkel woord, Spr. weet niet, wie van de leden tot de meerderheid en wie tot de minderheid behoorden ; Spr. wil dat liever ook niet weten, maar het rapport heeft hem toch verrast, omdat, als hij de leden nagaat, er z. i. meer vóór dan tegen een inkomsten-belasting moesten geweest zijn. De leden, die vroeger in anderen zin gestemd hadden dan nu, zouden zeker hun medeleden verplichten, als zij de goedheid wilden hebben, mede te deelen, op welke gronden zij tot eene andere meening gekomen zijn.

-ocr page 27-

I —-