„de tipin Jer ïeneeiie Hies en Weiltn van Gooilauilquot;,
door
a. n. j. fabius,
(F. A. BUIS)
Arcliivaris van naarden.
ü?m snip
aan
Mr. F. A, MOLSTER,
Advocaat-Procureur te, Amsterdam^
naar aanleiding van zijn brochure
„ie eipdom ier pieeiie Hiei en WeiJen vat Gooilauf,
a. n. j, fabius,
(F. A. BUIS) Archivaris van naarden.
/t / {-
if. A gt; i
v,. è
Oodrukt by JOH». GERADTS A COMP., to UiLVKituu.
Wel Edel Gestrenge Heer,
Met groote belangstelling maakte ik kennis met uwe brochure over „de(n) Eigendom der gemeene Heiden en Weiden van Gooilandquot; (Amsterdam Jac. G. Robbers 1888) eene brochure, die naar ik hartelijk hoop niet alleen vele lezers zal vinden, doch ook zal medewerken tot den bloei van het heerlijke Gooi.
Mijne belangstelling in uw arbeid zult gij voorzeker niet vreemd vinden, evenmin als de instemming, waarmede ik uwe conclusiën begroet.
4
Tot heden stond ik in den strijd voor het goed recht der gemeente alleen, en zie, daar vind ik u geheel onverwachts aan mijne zijde.
Gelijk gij terecht opmerkt is dat recht der gemeenten op de heiden en weiden van Gooiland eerst in deze eeuw door Jhr. Mr. C. Backer als een nog nooit verkondigde nieuwigheid voorgestaan. Al sjDoedig evenwel zijn de opmerkingen van dien wakkeren man in het vergeetboek geraakt, en mocht Mr. Rinkel ze voor zijn academisch proefschrift nog even nit de Bibliotheek te voorschijn halen, slechts weinigen van hen, die in Gooiland belang stellen, wisten dat de stichter van Larenberg over de eigendomsquaestie heeft geschreven; een enkele misschien herinnerde zich wat Mr. Backer heeft betoogd.
„Het boek van Perkquot; was langzamerhand geworden de bijbel der erfgooiers; men geloofde in Perk, men zwoer bij Perk.
Toen kwam de Markenwet tot stand, en waar ik al een enkel maal in geschrifte had betoogd, dat de tegenwoordige toestand der heiden en weiden verandering behoefde, greep ik toen de gelegenheid aan om het goed recht der gemeenten te staven.
Mijne artikelen over „de heiden en weiden van
Gooilandquot; — door u zoo hoogst welwillend beoordeeld — verschenen als feLiilleton in het Weekblad de Gooi- en Eemlander (ze werden later ook afzonderlijk als brochure verkrijgbaar gesteld) en al koesterde ik niet veel hoop heel spoedig mijne denkbeelden verwezenlijkt te zien, ik ben te lang een inwoner van het Gooi geweest, om niet te weten, hoe ook in schijnbaar onvruchtbaren bodem een enkel zaadje vrucht kan dragen.
Veel eerder dan ik had verwacht, gebeurde er iets —- het is natuurlijk verre van mij om te beweren post hoc ergo propter hoc — dat mij hoop gaf voor de toekomst.
De verwikkeling, die ik bedoel, is U bekend, en ook voor het groote publiek behoef ik hier niet verder in bijzonderheden te treden over het geschil tusschen de gemeente Hilversum en de Verofaderinof
O O
van Stad en Lande naar aanleiding van een contract door eerstgenoemde met de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij gesloten.
1 och is het juist in verband met dit geschil, dat ik de vrijheid neem dezen brief tot U te richten.
De houding der gemeente Hilversum heb ik niet kunnen billijken: zoolang zij de verbintenis niet had opgezegd, bleet zij een deel uitmaken van het
6
geheel, en waar zij — toen het conflict reeds dreigde — nog pogingen deed om haar contract met de Spoorweg Maatschappij gesloten aan de Vergadering van Stad en Lande te endosseeren, erkende zij wel deugdelijk de rechtspersoonlijkheid van de ver-eeniging.
Over die rechtspersoonlijkheid wil ik niet tvvis-ten; gij gelooft er niet aan, doch al ware zij eene fictie, dan nog had m. i, Hilversum ze niet in het proces mogen mengen, omdat zij niets met de eigenlijke quaestie had te maken, omdat zij een captie was.
Heeft Hilversum ten slotte evenwel iets anders gewild — en uwe brochure versterkt mij in die reeds lang gekoesterde meening — iets anders dan eene bevoegdheidsquaestie, met andere woorden, wilde Hilversum scheiding, waarom dan niet met open vizier gestreden ?
Waarom niet onmiddellijk op grond der Marken-wet scheiding gevraagd ?
Een voordeel zal althans het jongste proces opleveren : dat het opnieuw aantoont hoe dwaas de toestand thans is.
Wat is toch o. m. nu het geval: de gemeente Hilversum is veroordeeld in de helft der kosten van het
7
geding, een betrekkelijk niet geringe som. Wel is waar heeft de Hollandsche Spoorweg Maatschappij toegezegd die kosten te zullen dragen, doch ik neem natuurlijk aan, dat het bestuur van Hilversum zóózeer van zijn goed recht overtuigd was, om óók de tusschenkomst van den rechter in te roepen, voor het geval, dat de Spoorweg Maatschappij geen vrijwaring hadde beloofd. En wie zouden dan de kosten hebben moeten dragen: de belastingschuldigen van Hilversum, die eigenlijk niets met deze zaak hebben te maken, ja, die in het geval, dat het proces ware gewonnen, niets van de lusten hadden te verwachten, want deze worden bij de tegenwoordige regeling aan de erfgooiers toegekend.
Laat ons nu zorgen in de toekomst dergelijke dwaasheden te voorkomen; de weg daartoe is reeds aangewezen: scheiding op grond der wet van 10 Mei 188ü (Staatsblad N0. 104).
Met mij zijt gij het volkomen eens, dat de onverdeelde heiden en weiden zijn gemeente-eigendom, en waar ik nu een paar jaar geleden den strijd voor het recht der gemeenten heb aangebonden, kunt gij wellicht als rechtsgeleerde, die —blijkens Uw voorbericht — „geroepen werd een onderzoek in te stellen naar de vraag wie de eigenaars zijn,quot;
8
der gemeente Hilversum al dadelijk uw onwaardeerbaren steun verleenen, waarop ik te eer meen te mogen rekenen, wijl blijkens dat voorbericht de heer Burgemeester van Hilversum zijne instemming met het ook door U verkregen resultaat tc kennen gaf.
Met uwe brochure deedt gij een goed werk, maar laat het daarbij niet blijven!
Geloof mij intusschen met de meeste hoogachting
WelEdel Gestr. Heer
Uio zeer diens tv. dienaar,
A. N, J FABIUS.
Naarden, 12 December 1888.
-nr-^ : ^
i
L________-
1