-ocr page 1-

NIKT IN DEN HANDEL

S T U Dl E

OVER

e IJ S T P R IJ Z E N.

II, BESCHOliWINüEN OVER EEN LANDRENTESTELSEL.

III, TERRASSEN AANLEG.

IV, ZOUTMONOPOL! li.

DOOR,

li. a. i) e (.; si o 0 \'V

ASIM \\i Als r-CON TROLliè ii.

llS\'- • - •;» \'•,»

■, (, v\'. v

SOERABAIA ZZ, IT TJ «j. 1^. 2 — ww.

I . Ïïi 1»» »quot;• .

-ocr page 2-
-ocr page 3-

STU Dl K

OVFR

R IJ S T r R IJ Z E N.

-----^ W; gt;*

-ocr page 4-
-ocr page 5-

ONTOEREIKENDE RIJSTPRODUCTIE OP JAVA.

Vele inenschen gelooveu nog, dut Java een padilaml l)ij uitnemendheid is, dat ruiuischoots in de behoefte /.ijuer bewouers kau voorzien.

Dit is evenwel een dwaalbegrip, tie productie is daarvoor tea eeucmnale ontoereikend; doch het tekort kan niet ouder cijfers gebracht worden, aangezien de Vladoereezeu naast rijst ook veel djagoeug eten, en men zelfs beweert, dat de laatste hoofdvoedsel is, terwijl rijst weinig of zelden door hen verbruikt wordt.

In de residentie Probolinggo zag ik zeer vaak, dat iu den Westmoesson door de Madoereezen djagoeng, als eerste gewas op tegalans en pegagaus werd aangeplant; terwijl het feit, dat op de omliggende tegalans door de .lavaansche eigenaren met succes padi werd verbouwd , tot de gevolgtrekking kon leiden, dat de eerstbedoelde gronden zich evengoed eigenden tot den rijstbouw.

De opgaven in bijlage T. T. van het Kolonial Verslag van 1887 kunnen m.i. zekerheid geven aangaande de voorkeur, die de Madoerees voor dc djagoeng koestert

Terwijl iu 1885 in dc gouvernemeutsresideutien [Soera-karta, Djocdjakarta, Madoera en dc particuliere landerijen niet medegerekeiul] djagoeng geoogst is, zoowel als eerste, als tweede gewas van 577.1^0 bouw, deed men zulks enkel in dc afdeelingen Pamekassan cn Soemenap der residentie Madura van 28Ü.757 bouw, dus de helft ongeveer.

De residentien Pasoeroean, Probolinggo cu Besoeki, waar men vele Madoereezen aantreft. wijzen op ccne uitgestrektheid met djagoeng beplante velden van resp. 74.483, 75.444 en 89.082 bouw, terwijl in het veel meer bevolkte Soera-baja van slechts 46.460 bouw geoogst werd Oczc cijfers zijn dunkt mij sprekend.

-ocr page 6-

4

Om dus aan tc kunnen tooneu, dat de beboefte de productie overtreft, dienen wij ons tot een paar residenties te bepalen, waar geen of betrekkelijk weinig Madoereezen worden aangetroffen. Van de overige inboorlingen van Java is rijst het eenige hoofd voedsel, en bij voldoenden voorraad zullen zij zich geheel daartoe bepalen. De Europeanen alhier stellen wel andere voedingsmiddelen als brood en aardappelen naast de rijst, maar hun aantal bedraagt nog geen 38.000, waarvan wellicht twee derde gedeelte, de kleurlingen en vele personen in de binnenlanden, zich ook haast geheel aan de rijst houden.

Algemeen neemt men aan, dat een volwassen mensch een kati rijst voor zijn levensonderhoud behoeft, vooral doordat bij de gewoonlijke afwezigheid van vleeseh bij den maaltijd de hoeveelheid he1: gehalte van het voedsel moet vergoeden, üeze berekening volgt men ook op de particuliere landerijen, als de bevolking uitkomt om werk te praesteeren voor den kost alleen, en ook de huisbedienden, die, hetgeen in do binnenlanden regel is, aangenomen worden met vrijen kost, krijgen een kati rijst daags.

Vaak las ik of hoorde ik beweren, dat een gezin door elkaar bestaat uit man, vrouw en drie kinderen. Men kan aannemen, dat één hiervan beneden de vijf jaar is, één van vijf tot tien, en één van 10 tot 15.

Nu is het verkeerd te rekenen, dat een kind van 10 tot 15 jaar of ouder, dat reeds flink de handen uit de mouw moet steken, en de ouders bij moet staan op het veld, bij het beploegen, bibitkappen, koffieplukken, enz. enz., dat zoo\'n kind, dat in den leeftijd is, waarop het een „Viel-

fraszquot; gelijkt, minder zou eten dan volwassenen......

nl. als het maar voldoende kan krijgen. De hoeveelheid rijst, die het behoeft, kan ook gerust op 1 kati daags gesteld worden. Nemen wij voorts aan, dat de behoefte van een kind van 5 — 10 jaar kati bedraagt en voor één beneden de 5 jaar \'/4 kati (zuigelingen zelfs worden vaak gevoed met rijst, met pisang gemengd, of met nasi tim), dan verkrijgt men 3% kati als het dagelijksch verbruik per dag van een huisgezin van 5 personen, of gemiddeld kati per hoofd.

-ocr page 7-

5

Wat schoone theorie! Wat steekt daarbij de practijk treurig af! En toch moet u. b. m. die hoeveelheid de waarachtige behoefte vrij juist aangeven.

Om nu liet te kort der productie voor ecne residentie te kunnen berekenen, dien ik gebruik fe maken van de offi-cieele cijfers, verstrekt in liet Koloniaal Verslag van 1887, waarvan bijlage S. S. dc vermoedelijke opbrengst der met rijst beplante (geslaagde) velden aangeeft. Doch officieele (ij leis ol niet, deze zijn slechts uitvloeisels van een bloot \\eiiuoedeii der Rcgeering, en al komen deze cijfers onder de oogen der volksvertegenwoordigers, en al nemen deze alles ook voor goeden munt aan,........

Maar dat moet immers ook wel 1 Worden zij niet een-\\ on dig overbluft door productiecijfers als van Soerabaja, nd. / 303.501 pikoel. Doet die érne pikoel niet do deur toe\'. Moet men nu niet denken, dut wuar over eene massa \\,in luim zeven millioen een enkele pikoel angstvallig bij de haren er bij gesleept wordt, de berekening gemaakt is niet nauwgezette nauwkeurigheid, naar gegevens, die volkomen vertrouwbaar zijn?

bn in hoeverre zij vertrouwen verdienen, kan uit het volgende blijken.

liet spreekt van zeil, dat de productie der bouwvelden elk jaar varieert. De weersgesteldheid, de hoeveelheid ii iigatiew ater, ziekteverschijnselen en zoovele andere omstandigheden meer oefenen grooten invloed uit op den op-brengst. Ook de Regeering is daarvan overtuigd, want zij glt;il in IS85 een groote drie millioen pikoel padi meer op als vernioedelijkcn opbrengst dan in 1884.

Maai zoo waar, het is voor mij volkomen ondoorgrondelijk, hoe zij aan de cijfers komt. Men ga eens na.

\\ an 1SSI tot 18Sd zijn omvangrijke onderzoekingen ingesteld naar dc uitgestrektheid en den aard der bouwgronden, en linniie gemiddelde productie. De verkregen uitkomsten werden vervat in „résumés van het landrenteon-derzoekquot;, en zijn nu nog geldig. Wordt er een stuk bosch ontgonnen, en tot tegalan bijv. gemaakt, direct geeft het

-ocr page 8-

6

résumé opheldering aaugaaude de vermoedelijke jaarlijksche productie, het geldswaardig bedrag daarvan, enz.

Behoudens daar, waar nieuwe ontginningen of bestem-mingsverandering der gronden zulks noodzakelijk hebben gemaakt, vindt men in de tegenwoordige laudrenteleggers in de kolommen, daar de opbrengst in guldens is opge-teekend , nog dezelfde cijfers Aquot; als in den eersten landren-telegger onder den heer Gelpke opgemaakt En dat met ter zijde lating van het meer of minder gunstige van den oogst.

Padiproefsneden worden niet gehouden, behalve daar, waar buitengewone omstandigheden voor een landstreek verbeterde gegevens nopens de opbrengst noodzakelijk mak-en, Men kan wel denken en zeggen: „dit jaar is een beter jaar voor de padi geweest dan het vorigequot;, maar opgaven cu gegevens behoeven niet verstrekt te worden.

En toch ziet men in bijlage S. S getallen pronken van 8 cijfers, voorzien van eenheden!

Deed men dan niet verstandiger de residentien Japara , Probolinggo, Madioen en Kediri tot voorbeeld te nemen, waar opgaven verstrekt werden, slechts tot in duizendtallen nauwkeurig ?

En dit zelfs is nog veel te bepaald. Een kleine onnauwkeurigheid van 5% tast toch voor de meeste residentien reeds het cijfer aan dor honderdduizenden.

Voor de residentie Besoeki valt het onbetrouwbare der opgaven zeer duidelijk in het oog.

Gerekend tegen gemiddeld % kati daags per hoofd of 273% kati \'sjaars behoeven de 554.101 inwoners van Besoeki 1.510 851 pikoels rijst of 3.033.703 pikoels padi.

En volgens bijlage S. S. bedroeg de productie in dat gewest 3.247.273 pikoel padi, dus ruim 200.000 pikoels meer dan de behoefte, indien alle inwoners uilsluilend en tot versadiyiny toe sicl met rijst roeden.

* Dit jaav hebbo» zij vcvauJoiing ondergaan Jom het aannemen van lagere gemid. delde imdiiirijzen dan vroeger. Aan de opbrengst in padi is evenwel niet getornd.

-ocr page 9-

i

Men moet \\)ij do bci\'okenii\'gcn in AH opstel eeno onbeduidende onnauwkeurigheid ovev het hoofd zien, nl. dat het bevolkingseijfer op nlto. 1884 steeds gesteld is tegenover opgaven betreffende 1885, voorkomende in het Koloniaal Verslag van 1887. Men kan evenwel zelf nagaan, dat mijne cijfers door dit gemis aan de noodige bescheiden niet zoo sprekend zijn, als werkelijk het geval is, aangezien do bevolking in 1885 wel met ecu paar honderdduizend zielen zal zijn toegenomen.

Een rijst uitvoer tot zulk eeno hoeveelheid is onaannemelijk in een gewest, waar voor suikerriet en tabak vele gronden aan den rijstbouw werden onttrokken en waarop 89.082 bouw djagoeng werd geteeld.

En waar zijn die duizend millioen stuks djagoeng dan gebleven? Deze zijn toch ook geconsumeerd geworden, en mitsdien mag de overproductie van padi bost op ccnige honderdduizenden pikoels meer geschat worden dan boven is aangegeven.

Dat ik tot staving van de één of andere bewering niet met officieele cijfers mag aankomen, is dus zeer begrijpelijk.

Volgens dc oilicieelc cijfers zondou do schoone residenticn Semarang en Soerabajn in 1885 een tekort aan rijst hebben gehad, ieder van ruim een millioen pikoel. In 1886 kon men (altijd tegen % koli daags per hoofd gereVend) liet tekort voor Semarang stellen op 1 000.000 en voor Soerabaja meer dan 1millioen pikoel rijst.

Jammer, dat in ensu cijfers llict spreken.

Dat cr op Java waarlijk een te kort hccrsclit aan rijst, gevoelt een ieder in de binnenlanden, die hot van nabij weet, hoeveel ellende door talrijke huisgezinnen, ook van landbouwers, geleden wordt gedurende dc maanden, die een nieuwen oogst voorafgaan, /eer velen eten het geheele jaar door niet naar behoefte, en uit- en invoer van rijst buiten rekening gelaten, zouden, indien de totale productie wel verband hield met de werkelijke behoefte, bij het begin van een nieuwen oogst nog groole voorraden van den vorigen over zijn. Zulks is volstrekt niet het geval, en tot het jaar 1885 toe overtrof dc invoer op Java dc hoeveelheid van den uitvoer, wel een bewijs, dat aanvoer van elders den ontoereikenden voorraad diende te versterken.

In 1886 echter sloeg dit om ; doch hierover straks.

-ocr page 10-

s

Hijzing en daling (Ut rijslprijzon.

Het is een zeer bekend verschijnsel, dat overal op Java de rijstprijzen op één on dezelfde plaats enorm kunnen verschillen, dat zij het laagst zijn aanstonds na den oogst, langzamerhand rijzen en kort vóór den nieuwen oogst hun hoogtepunt bereiken.

De rijstprijzen zijn niet zoo afhankelijk van de gewone oorzaken en wetten, welke de prijzen van andere artikelen beheerschen.

Indien op Soerabaja de suiker op f S.— genoteerd staat, en op Semarang ƒ 9 doet, dan zou men eens zien, welke groote hoeveelheden naar de laatste plaats ten verkoop zouden vervoerd worden, indien na aftrek der transportkosten nog een iets beteekenend winstje kon overschieten. Maar dat prijsverschil zou voorzeker niet lang duren, de groote aanvoer toch zou den prijs weldra tot den normalen terug gebracht hebben.

Hoe geheel anders is zulks bij de rijst?

Volgens bijlage R. R. van het Koloniaal Verslag van 18S7, waarin voor de verschillende residentien de hoogste en laagste marktprijzen in 18S5 genoteerd staan, was in Januari IS85 op Semarang de hoogste marktprijs / 10.—, en in het naburige Japara slechts ƒ (5.50. Eu terwijl beide residentien zoo gemakkelijk gemeenschap met elkaar konden uitoefenen, zoowel over zee, als per stoomtram of kar over land, bedroeg de prijs op de eerste plaats in Februari toch uog ƒ 10.— en in Japara f 0.75— Van een overgrooten aanvoer, dien men zou mogen veronderstellen met het oog op het belangrijke prijsverschil, is dus niets gebleken.

Maar dit voorbeeld is nog veel te ver gezocht. Als in bovenbedoelde bijlage R. 11. vermeld staat, dat in de residentie Soerabaja in Januari 1885 de hoogste marktprijs / 7.75 bedroeg en de laagste ƒ 4.—, dan bcteekent zulks natuurlijk niet, dat op één en dezelfde plaats, de hoofdstad bijv, zulke schommelingen inden tijd van één enkele maand plaats gevonden hebben.

-ocr page 11-

O

Die marktprijzen zijn uit de vcrschilleiule maande]ijksclie rapporten der Controleurs nopens de voedingsmiddelen gehaald. Het hoogste, daarin aangetroffen cijfer, dat dei-hoofdplaats, was 7.75, enkele andere districten wezen lagere prijzen aan, cn het laagste cijfer van 4 gold zeker de afdeeling Djombang.

Als men nu nagaat, dat de afvoerplaats Plosso, de grootste padimarkt van Djombang, aan de breede Kali Brantas ligt op ± 60 paal afstand van Soerabaja, dat aan één der uitmondingen der Brantas, do Kali Mas, gelegen is, dan vermeen ik de transportkosten per prauw zeer ruim te schatten, door daarvoor ƒ 0.50 aan te nemen.

Welnu, moet men dan niet verwonderd staan van de ondervolgende prijsverschillen in de verschillende maanden van 1885 en 1880 tusschen Soerabaja en Plosso;

Maanden.

Jaar

Socrali

aja.

Plosso.

Jaar

Socrab

aja.

Plosso.

Jannari

1885

ƒ 7

75

ƒ

1 8gt;f)

/\' 7

50

ƒ 1

_-

Februari

j)

7

50

„ 5 50

»gt;

„ 7

00

50

Maart

})

„ 8

„ 1 50

7

50

O O

50

April

n

7

50

„ 5 -

»»

„ 7

50

„ 3| 50

Mei

gt;)

„ ?

50

„ •\'! quot;)0

gt;»

„ 0 50

3

_

.Imii

n

7

o

*-

75

•luli

}gt;

„ o

..

it

„ 5

50

.. 3

A ngustiis

,,

„ 0

50

.. 51)

gt; gt;

„ 3

September

gt;gt;

.. o

•25

3 -

»»

o

,, 3

-

October

)gt;

„ 6

50

„ :3 —

gt;gt;

„ 6

50

„ 3

-

November

gt;gt;

gt;. /

„ 3|50

»»

6

50

„ 3

-

December

quot;

„ 7

5(1

„ 4 —

j)

„ fi

„ 3

Gelijk men ziet, een prijsverschil van ƒ 2.50 tot ƒ 4 —, een verschil, dat vaak den kostprijs overtreft

-ocr page 12-

IO

Tnteressauter, karakterestieker cu voor deu oningewijde ondoorgrondelijker zijn de cijfers voor de residentie Semarang.

Maanden.

Jaar

liooitslc prijs.

laagsle prijs.

Jaar

hoogslfi prijs.

laagsle prijs.

Januari

1885

ƒ 10

__

/ 3 75

1886 ƒ 9

_

/ 2

_

Februari

n

10

„ 3

O r, ** ij

y y

„ 8

25

„ 2

--

Maart

a

„ 10

y y

„ 9

„ 1

50

April

„ 10

2 70

,, # V/

y y

M 7

50

„ 1

30

Mei

gt;gt;

„ 10

„ 2 70

y y

„ 7

50

„ 1

15

Juni

^ )

„ 10

„ 2

50

y y

.. 7

1

75

Juli

f gt;

„ 8

„ 2

50

yy

„ 7

50

1

70

Augustus

f )

„ 8

„ 2

50

y y

7

50

„ 1

75

September

f f

,, 8

„ 2

50

yy

„ 7

1

75

October

y gt;

„ 8

25

,gt; 2

50

y y

„ 7

„ 1

10

November

) gt;

„ 8

25

., 2

50

y y

6

75

„ 1

10

Decern her

y y

„ ^

50

„ 3

yy

„ 6

75

„ 1

10

Dus in 1886 had men in de residentie Semarang streken, waar de prijs ruim zes maal, zegge zes maal, zoo hoog was als op andere nabijgelegen plaatsen.

Waaraan is dit vreemde verschijnsel toe te schrijven?

Aan dure transportmiddelen? Voorzeker niet! Hoewel de vervoerkosten in Indie veelal vrij hoog genoemd worden, kunnen deze onmogelijk een dusdanig overweldigenden invloed op de prijzen uitoefenen, vooral niet bij goede breede wegen, als in Semarang bestaan, terwijl een spoorweg Zuidwaarts en een stoomtram Oostwaarts het gewest doorsnijden.

Eene aannemelijke verklaring van deze algemeen voor-komende groote prijsverschillen op betrekkelijk nabij gelegen plaatsen, kan n.b.m. geleverd worden door eene verdeeling van Java in vier groepen naar gelang van de rijstproductie.

Vermits die vier groepen in de residentie Soerabaja zeer duidelijk op den voorgrond treden, en deze residentie mij het meest bekend is, zal ik mij tot haar bepalen.

-ocr page 13-

11

Eerste groei».

[OVERPRODUCTIE J

Tot mijne eerste klasse behooren do afdeeling Djombang en ook voor ecu deel Modjokerto. Prachtige en goedbe-werkte sawahs prodneeeren liier veel nicer, dau voor dc behoefte vcreischt wordt.

Twee cn een half jaar als ambtenaar ter beschikking in Djombang doorgebracht hebbende, weet ik door eigen navraag en door raadpleging der iniandsche ambtenaren cn dessa hoofden dat gemiddeld l/2 bouw dc tjatue is van een gogol, d.w.z. het aandeel van een deelgorechtigde in de gemeentelijke sawahs. Producties van 4U tot 50 pikoels padi, droog gewogen, zijn daar geen zeldzaauiheid, ja, in 1885 nam ik in ± 20 dessas van het onderdistriet Pan-danwangi, district Modjoredjo, padiproefsneden, welke als de productie van eerste soort gronden getalleu aangaven van 75 a 80 pikoels nat gewogen.

Trekt men daarvan 20% af voor het iudroogen, dan verkrijgt men toch nog productiecijfers van 60 a (i t.

Indien wij de gemiddelde productie op 40 pikoel per bouw schatten, dan verkrijgt een gogol van zijn I bonw ongeveer GO pikoels padi. Voor snijluon dient hij V, deel van den oogst af te staan, of 12 pikoel; dus resten hem 48 pikoel j\'adi of 24 pikoel rijst; zijn yczin, uit vijf personen bestaande, behoeft er jaarlijks slechts ongeveer 13 of 14, dus houdt de landbouwer nog tien pikoels rijst over om te verkoopen.

Maar aan wie?

Geen zijner kennissen, die sawahs of tcgalans bezitten, heeft wat noodig.

Maar de smid dan, de timmerman, de karrevoerders, de fabrieksarbeiders...........

Gesteld deze personen bezitten geen gronden, hetgeen nog zoo zeker niet is, aangezien vele landbouwers gedu-rende den maaltijd als kocli in de fabrieken arbeiden. Zulks gaat best samen met zijn landbouwbedrijf, aangezien

-ocr page 14-

de fabrieken gewoonlijk malen van begin Juni tot medio October, en de orang tani dan eerst zijne kweekbedden kan aanleggen, omdat bij hot doorbreken van den Westmoesson dient af te wachten, en in Mei kan hij vaak zijn oogst reeds binnenhalen.

Wat hem „den luien Javaanquot; vaak verhindert zich als fabriekskoeli tc laten aanwerven, zal vermeld worden in het hoofdstuk „Toenemende armoede van de bevolking.quot;

Maar gesteld, dat die smeden, die karrevoerders, die fabrieksarbeiders, enz. geen grond bezitten. Hunne vrouwen evenwel helpen veelal dc sawahs van anderen mede beplanten, zij mogen daarom ook mede snijden van de rijpe padi, en hebben dan ook recht op de bawon of het snijloon, dat iu die streken een vijfde van het gesnedene bedraagt.

In icliaarsoh bevolkte streken bedraagt dat snijloon meer. In het bergdistrict Kaudangan dor afdeeling Loemadjang vernam ik, dat de bawon voor hen, die mede hadden geplant , oen derde en voor dc anderen ecu vierde vau het gesnedene bedroeg.

Bij goed werken brengt zij al licht twee peutjars of belahs [bossen] thuis van gezamentlijk 25 katis.

De oudste dochter helpt misschien ook mede, zoodat, al voorziet het loon der vrouwen ook niet in de behoefte van een gansch jaar, zij toch licht haar gezin daarmede een paar maanden voeden kan.

Een zoon, die bij een ander als angonjongen (herder) werkt, krijgt zijn loon in bossen padi uitbetaald.

Vele anggoerans, d. z. menschen, die wel een erf maar gecu bouwgronden bezitten; menoempangs, lieden, die slechts een hutje op eens auder\'s erf bewonen, en koem-poelans, die bij een ander inwonen; vele van die lieden bewerken de sawahs van anderen, tegen de helft van den oogst als loon (maro).

Met het bovenstaande wilde ik slechts aantoonen, dat bij de belangrijke overproductie van padi in Djombang, waar het meerendeel der bevolking landbouwer of bij den landbouw betrokken is, in de afdeeling zelve betrekkelijk üeer weinig afnemers zijn te vinden voor het product. Want

-ocr page 15-

18

de Europeanen, die op de suikerfabrieken werkzaam zijn ,

......wat beteekent die luttele vraag tegenover het

overstelpende aanbod?

Laat ons nu de tweede klasse in behandeling nemen, waartoe Soerabaja en omstreken gerekend kunnen worden.

Tweede groep.

(VRAAG ZONDER PRODUCTIE.)

Volgens den Regeeringsalmanak van 1888 telt de hoofdplaats Soerabaja 128.!)!)() inwoners, welk bevolkingscijfer eene jaarlijksche behoefte aan rijst daarstelt van ruim 350.000 pikoels.

Bouwvelden heeft natuurlijk de stad niet, dus moet de rijst van elders aangevoerd worden.

Gaan wij nu de omstreken van Soerabaja na, dan ontdekken wij, dat die geheel of voor het grootste deel tot particuliere landerijen behooren.

Volgens bijlage N. N. van den Regeeringsalmanak van 1888 wordt op verscheidene dezer particuliere landerijen ook suikerriet geplant dus worden vele gronden aan den rijstbouw onttrokken, zoodat op die landen zeker een tekort aan rijst moet bestaan.

Beschouwen wij nu eens eenige landerijen, alwaar enkel padi wordt verbouwd. Aangezien evenwel de staat wel de totale uitgestrektheid aangeeft, doch niet hoeveel grond wordt ingenomen door de erven, kan eene berekening aangaande de productie niet zuiver zijn.

Pesawahan is 137 bouw groot. De productie a 40 pi-koel bedraagt 5480 pikoel padi of 2740 pi koel rijst. De behoefte der 1264 opgezetenen kan men stellen, a 273% kati per hoofd, of 3400 pikoels rijst, derhalve staat do productie beneden de behoefte.

Drudjat is 13 bouw groot. De productie ii 40 pikoel bedraagt 520 pikoel padi = 2(50 pikoel rijst. De behoefte der 1715 opgezetenen is 4Ö94 pikoels rijst. Hier bestaat dus een groot tekort.

-ocr page 16-

14

Emhongmalang (volgens Reg. Alm. 1880) heeft eene bevolking van 1137 zielen. Behoefte is 3293 pikoel. Het land meet 55 bouw, waarvan de productie slechts 2200 pikoel padi of 1100 pikoel rijst bedraagt. De opbrengst staat dus verre ten achter bij de behoefte.

Ook Boehoe tan wijst een tekort aau. Daarentegen hebben Simo en Manoekan een betrekkelijk groot overschot.

Laten wij het hierbij laten. Met zal reeds voldoende gebleken zijn, dat le op de parlicaliere landerijen aanvoer van elders meestal een vereischte is, en 2e dat er zelden sprake kan zijn van ecu uitvoer naar de hoofdplaats, vermits, waar op die landen écu te veel padi heeft, twee zij-uer buren misschien te weinig hebben.

Dus moeten de meer dan 350,000 pikoel rijst voor Soe-rabaja van elders komen, en wel voor ecu groot deel van Djombang en Modjokerto.

Oecouomische toestand dor bevolking in Djomhang.

Aanstonds na den oogst vangt voor den landbouwer een tijd van onbezorgdheid aan. Zijne overtollige padi verkoopt hij zoo spoedig mogelijk; bij betaalt daarmede zijne schulden af, lost zijne iu pand gegeven sieraden of andere voor-werpen van waarde in, en koopt voor zich en zijn gezin de zoo hoog noodigc kleed eren. Nu kan bij, verruimd van hart eu zonder beslommeringen zijue dagen slijten, zijn loem-boeug is immers gevuld met de benoodigde padi tot een volgenden oogst, eu drie maal daags kunnen hij en zijn gezin zich naar hartelust te goed doen aau de dampende rijst.

Maar eerst koiut de vastemaand aau met hare onthouding over dag en de veelvuldige feesten bij nacht, en het Javaausehe Nieuwjaar mag hij toch niet onbemerkt voorbij laten gaan. Maar als hij niet iu heeren—, dessa—, cultuur—, of politiedienst behoeft uit te komen, kan hij ten minste nog wat verdienen met in de fabrieken of riettniueu te werken.

-ocr page 17-

15

Weer gaat een tijd voorbij, cn zie, in de boelan Besar moet een zoon besneden worden, oen dochter van hem moet trouwen, of hij is voor zijn fatsoen verplicht een slametan of sedekah te geven. Wederom belangrijke uitgaven!

Dan in October of Novomber maant liet dessa hoofd hem aan zijn padjeg aan te zuiveren, want het loopt tegen het eind van het jaar. En nu juist moet hij zeer veel in heerendienst uitkomen, en voor de jaarlijksche herstelling en begrintiug der wegen en voor liet herstel der dijken langs de Brantas en vele andere kleine riviertjes, en voor het uitdiepen der menigte waterleidingen, want de Westmoesson staat voor de deur.

Geld verdienen bij de suikerfabrieken kan hij dus niet

of slechts zelden;.....dan maar weer podi verkocht.

Hij heeft zóó al lang zijn voorraad in do loemboeng aangebroken, voorbij zijn de zorgclooze dagen. Den sterk verminderenden voorraad aanschouwend, bepaalt hij reeds na enkele maanden de rijstmaaltijden op twee per dag.

Het beplanten zijner sawahs verslindt ook een doel der padi, en de noodzakelijke uitgaven voor het huishouden

Na ons Nieuwjaar breekt voor hem een kommervolle tijd aan. De suikerfabrieken zijn alle gesloten, de riettuinen vereischen na de groote goeloetan (aanaarding) haast geen arbeid meer, nergens is geld te verdienen. Weer gaan eenige sieraden en poesakas [als deze in vorige jaren niet reeds verkwanseld zijn] naar den pandjeshouder, en de dagelijksche rijstmaaltijden slinken tot één. Dan moet dja-goeng of katela het ontbrekende aanvullen, maar dat kan ook nog niet altijd. Vaak vervoegt de landman zich dan tot den Chineeschen padihandelaar, en vraagt hij dezen padi te leen, onder belofte van na den oogst het dubbele aantal bossen terug te zullen geven. Zulks is een dagelijkse h verschijnsel.

Hoewel men deze transactie van den chinees veelal met den naam van woekerhandel bestempelt, immers voor één bos vraagt hij er na enkele maanden twee terug, is zij dat volstrekt niet. In Februari geeft de chinees een bos ter

-ocr page 18-

Ifi

waarde van 30 cents bijv. en hij vraagt in Juni dezelfde waarde terug, maar dan kan men voor 30 cents al licht twee zulke bossen koopen. Had de chinees geld gegeven, de handeling zou ongemerkt voorbij zijn gegaan. Neen, van winst is eigenlijk geen sprake, hoewel het anders schijnt. De hulp, die dc staartdrager verleent, verschaft hem gemakkelijk goede, nieuwe padi en vindt hierin zijne verklaring.

Tobbende; het hoofd vol zorgen, vaak hongerig en nooit verzadigd naar bed gaande, zoo brengt de landbouwer de voor hem O. zoo lange, bange maanden door vóór den nieuwen oogst.

Nu komt do snijtijd, en onder gejuich worden de geoogste padibossen zijn huis ingehaald, en met de bossen treden hier weder voor een tijd verpoozing en redding mede in. Wel moet een goed deel aangewend worden tot delging der gemaakte schulden, maar wederom kunnen hij en zijn gezin zich geheel overgeven aan het genot hunner geliefkoosde spijze.

Eenige weinige dier onbekommerde dagen zijn reeds toereikend den doorgestanen hangen tijd vol ontberingen ge-geheel uit de herinnering weg te vagen, en lichtzinnig, de toekomst vergetende en de opgedane ondervinding ver-onachtzamende, leidt de Javaan een lui, lekker leventje voort, dat hem onherroepelijk weder tot bekrimping on ellende moet voeren.

Aldus is het bestaan van een groot deel der gewone dessalieden en van deze omstandigheden weten de chineesche en andere rijsthandelaren profijt te trekken, om de prijzen te houden verre onder hot normale peil.

De baisse-partij iu de eerste groep.

Hebben enkele Chineezen al eenige padi in het vooruitzicht door het uitleenen in den duren tijd, of door het huren van sawahs, welke zij dan tegen afstand van de helft van het gewas door den eigenaar of een anggoeran

-ocr page 19-

laten bewcrkeu; deze hoeveelhedou zijn oubeteckoucud te noemen bij de voorraden, welke zij wouschen op te slaan.

De groote afnemers zijn voor het inoerendeel Ohineezen, sommigen zijn gemachtigden van Suerabajaschc landgenoo-ten, enkelen drijven voor eigen rekening handel. Soms komen er een paar Arabieren voor over, en al en toe lioudt een Javaan, een hadji of een loerah, er zich mede onledig.

üe opkoop is een rage in den oogsttijd ; \'s morgens om 5 nnr kan men vóór de huizen in het Chineescshe Kamp te Djombang en l\'losso de bewoners reeds zicMi zitten, niet een lampje vóór zich, en voorzien van een datjin om te wegen. Maar is de vraag al belangrijk, liet aanbod kan haast overstelpend genoemd worden. Vermits alle landbouwers verkoopen moeten, tot aflossing hunnci\' sclmldcn en inlossing hunner panden, ziet men uren aanéén van heinde en ver meusclien aankomen, beladen met een vracht padi. Eu niet enkel op gewono passerdagen, ééns in de vijf dagen, neen eiken dag, in Mei en Juni vooral, kan men ze voorbij zien komen.

Gelijk bijv in Europa de suikerfabriekanten tezamen uitmaken, hoeveel men voor de beetwortelen geven zal, zoo zal ook wel hier een dergelijke afspraak aan het in-koopen vooraf zijn gegaan. De geheele partij heeft voordeel van lage prijzen; niemand, behalve de producenten, die tegenover die partij staat; ooncurentie, die de prijzen op kan voeren, bestaat niet, want tegen één opkooper doen zich minstens honderd verkoopers op. Vrees voor onvoldoenden opkoop behoeft doorgaans niet te bestaan, eu een verkooper, die hoogere eisehen stelt, wordt kalm toegevoegd : „ga maar gerust voorbij, voor jou honderd anderen 1quot;

En de landbouwers moeten zich daar wel aan onderwerpen. Van verre gekomen, beladen met eene zware vracht, keeren zij ten eerste zeer ongaarne onverrichterzake terug, en ten tweede hebben zij het geld ook zoo hoog noodig. Zij staan geheel machteloos tegenover die partij van groote opkoopers, (van wier bemoeingen de kleinere natuurlijk mede profijt trekken), eu zij weten bovendien, dat er geen

-ocr page 20-

IR

andere afnemers zijn. Van dnng of morgen dienen zij zich toch weder met hangende pootjes tot hen te wenden, en daarom berusten zij in hun lot. Zoo komen de prijzen zoo buitensporig laag.

Maar langzamerhand raakt de voorraad eenigszius uitgeput; ook zijn de schulden afbetaald, de verkoop a tout prix is dan niet meer een dringend vereischte; er treedt eenige reserve op van den kant der producenten.

De naar Soerabaja vervoerde hoeveelheid is na eenigen tijd weder zeer geslonken, want eene massa van ruim 350.()()() pikoel rijst of 700.000 pikoel padi, bekomt men niet oj) éénmaal. Vnn den ééuen handelaar is de voorraad uitverkocht; cm ander liad in zijn pakhuis geen voldoende bergniimte voor oen zeer grooten opslag; een derde moest eerst zijne rijst van de hand gedaan hebben, om voor do ontvangen gelden een nieuwen voorraad tc kunnen opdoen, .... zoo komt liet, dat telkens in Djombang en Modjokerto zich wederom opkoopers vertoonen.

Maar nu staan zij voor eene meer gereserveerde houding der bevolking, zij moeten dus de prijs iets opslaan. Allengs verkrijgt men een toestand, waarin vraag naar rijst blijft bestaan (want de slokop, kotta Soerabaia, heeft een muil als een afgrond), cn de landbouwer zicii al meer en meer onwillig tot den verkoop toont, omdat hij angstig op zijn zeer verminderde en wellicht reeds ontoereikende hoeveelheid nederziet, doch af en toe door nijpenden nood toch tot den verkoop gedrongen wordt.

Zoo stijgen de prijzen langzamerhand, maar, steeds teruggedrongen door de gereserveerde houding, welke de afnemers nu mede aannemen, aangezien zij den immer was-senden nood van den Javaan inzien en daarop speculeeren, moeten de prijzen binnen zekere grenzen blijven.

Nu vindt men ook goniukkflijk de verkliu\'ing, wiinrom do rijsthaudel vnn Europeanen in die streken moet mislnkkcu. In den goedlcoopen tijd opkoopende, denken zij de pndi in don duren tijd na ons Nieuwjaar met flinke winst van de hand te kunnen zetten.

Doch de dessalieden zijn geen opkoopers, eu iu deu duren lijd is liet juist geldgebrek , dat hen tot den verkoop dringt.

-ocr page 21-

15)

Ea de groote Chiaeesche ea audere afnemers , die met leede ookch hunne onverwachte cononrcnteu gadeslaan, zouden immers wol gok zijn, als aij bij hem gingen koopon.

Bij geringe hoeveelheden lukt het wel eens am een fahriekskoeli of een karrevoe\'der iets te verkoopen, maar bij zulke wederwaardigheden geeft men den hendel spoedig op.

Nu en dan hoorde ik de opmerking, dat het ongerijmd was do moerassige gronden, die eerst na afloop van den Westmoesson beplant küiuieu worden, voor een geringer bedrug in de landrente aan te slaan, vermits toch de padi geoogst wordt in October of November, als de prijzen belangrijk hooger zijn dan in Mei of Juni, en dus het geldswaardig bedrag der productie gerekend kan worden haast gelijk te slaan met dat der betere soort gronden.

Ter weerlegging dezer oogenschijnlijk juiste redeneering diene het volgende;

le. is de padi van inferieure iiualiteit als gendjah;

2e. zijn de overige landbouwers tegeu dien tijd reeds platzak, dus koopcu z\'j ze ook niet;

3e. zij willen ze ook niet koopen, aangezien zij op hunne goede sawahs geen iu-

ferienre padi willen planten;

4e. zullen de Soerabajasche opkoopers, zoolang zij goede, duurzame soorten kunnen krijgen de inferieure soorten links laten liggen, en zoo hij ze ai moet opkoopen, er een minderen prijs voor besteden;

5e. kan men op goede gronden na don rijstoogst nog veelal een aanplant van polowidjo beproeven, terwijl de moerassige gronden slechts één oogst kannen afwerpen, aaugeziea in don Westmoesson alles weer onderloopt.

liet voordeel van dezen laten oogst is das geheel illusoir.

De luinsse-partij in de tweede groep.

Zoocvcn heb ik aangetoond, dat np de meeste landerijen in den omtrek van Soerabaja de consumtie in eigen boezem de opbrengst opslokt niet alleen, maar nog toevoer vun elders vereisclit. De hier gevestigde landbouwers kunnen dus weinig rijst ter markt brengen, en deze omstandigheid leidt tot het gevolg, dat dc verkoop van rijst, de voorziening van geheel Soerabaia, in de handen berust van de betrekkelijk weinige groothandelaren, die geld genoeg hebben, om de rijst in groote voorraden van elders te doen aanvoeren.

Men bedenke wel, dat, al zijn de kosten aan dien aanvoer verbonden, over de groote massa verdeeld, betrekkelijk gering te noemen, zij toch ecu bedrag uitmaken, dat velen van dien handel weerhouden zal.

Ten eerste moet men of zelf gaan, om gedurende langen tijd zelfde inkoopen te doen, en zooals men licht begrijpen kan, schikt eene afwezigheid van twee of drie maanden

-ocr page 22-

\'20

ceu elk niet; of men moet een gemachtigde aanstellen of

er één zenden, en deze doet zulks niet „pour les beanx ijeuxquot; van den Chinees.

Dan moet men toch dc contanten hebben, om inkoopen op grooto schaal te kunnen doen; dan komen do transportkosten per kar naar dc prauwen, dan dc prauwen zelf. Voorts moet men op Soerabaja ceu groot pakhuis hebben, en last not least, vermits enkel padi wordt opgekocht, moet deze nog ontbolsterd worden.

De moeiten en kosten, aan dezen handel verbonden, zijn uog al belangrijk, en al zijn ze onbcteekenend iu verhouding tot dc groote massa, zij kunnen toch don kostprijs aanmerkelijk opdrijven bij handel op geringe schaal.

Begrijpt men nu, die betrekkelijk weinige handelaren, welke tezamen misschien meer dan drie kwart van het benoodigde bezitten, die hebben liet heft in handen; die zijn het, welke de prijzen zoo hoog stellen en weten te houden, liet is dus een soort van monopolie door het bezit, waartegen verzet haast ondenkbaar is; een monopolie, waarvan slechts enkele kleinhandelaren mede profijt trekken, maar dc groote massa de dupe is.

Dc tweede-handverkoopers, die de rijst duur hebben moeten inkoopen bij dc groothandelaren, stellen bij den verkoop en détail de prijzen natuurlijk nog hoogcr, maaide enorme behoefte doet desniettemin de afzet geregeld plaats viüdcn.

De bovenbehandelde twee groepen staan lijnrecht tegenover elkaar, de ééne met overproductie, de ander zonder productie. Thans resten ons nog die streken met voldoende productie, welke streken wij weer kunnen onder verdeelen in twee groepen (\'t Spreekt van zelf, dat deze vier groepen niet scherp begrensd zijn, maar geleidelijk in elkaar loopen).

-ocr page 23-

Dcrdo groei».

In deze groep, waartoe ik Sidhoardjo rangschik, is de toestand eigenlijk het meest rationeel. Men heeft daar eene dichte bevolking, doch een gedeelte slechts behoort tot den landbouwenden stand. Van het andere deel vinden velen een ruim bestaan door de uitgestrekte tambaks of vischvijvers, anderen werken in de riettniuen, velen zijn karrevoerders, fabriekskoelis, handelaren, enz. Zoo kan de opbrengst der prachlige sawahs in de afdeeling zelve verbruikt worden.

Aan- en uitvoer van rijst zal hier niet die beteekenis kunnen hebben als in de andere klassen. Met \'/oo\'n toestand , aan deu éénen kant voldoend aanbod, aan den anderen kant voldoende vraag benevens vermogen tot inkoop, (welk laatste in Djombang luiast niet het geval is), kunnen knoeierijen of samenspanningen van groote rijsthande-laren geen belangrijke vlucht nemen; de omstandigheden

zouden die te veel tegenwerken.....men heeft hen

eenvoudig niet noodig.

De hier heerschende prijzen zou men normaal kunnen noemen , en hier kan men beweren, dat zonder belangrijke storende invloeden, de staathuishoudkundige les opgaat „dat de prijzen zich regelen naar vraag en aanbod.quot;

En in deze groep levert dc landbouw nog een goed bestaan op.

De coutrole-afdceliug Waroe moet niet tot deze groep gerekend worden. Xij vormt den overgang tusscben deze derde en de tweede groep. Zie mijne „Besehouwingen over een Landrentestelsel,quot;

Vierde groep.

In deze groep hooren thuis de streken, waar voldoende productie bestaat, maar waar iedereen gronden heeft, zoodat er geen afnemers zijn. Tot deze klasse reken ik 1° de Noordelijke afdeelingen Sedajoe en Lamongan,

-ocr page 24-

Door totale of haast algeheele afwoziglieid van irrigatiewater, oudauks Java\'s grootste waterader, de Solorivier, Sedajoe over hare geheele lengte doorsnijdt, treft men daar geen of weinig geirrigecrde sawahs (sorottans) aan, doch onkel tadalmns, welke van den regen afhankelijk zijn. In vele streken van Sedajoe staat in tien Westmoesson alles blank door gebrek aan afvoerleidingen; het land is dan in een moeras herschapen. Bij het doorbreken van den Oostmoesson kan men daar eerst beginnen te planten, en hoezeer de kwantiteit van den oogst dan van de droogte afhangt, behoef ik wel niette zeggen. Aan drinkwater zelfs heeft men vaak gebrek, eu men maakt ook veelvuldig gebruik van de wadoeks (groote waterreservoirs) voor het drenken van het vee.

De aanhoudende droogte brengt ook aandere verschrikkelijke plagen mede. In October 1884 zag ik in de onder-districten Blawie en Doekoen verscheidene velden van houderden bouws uitgestrektheid totaal verwoest door muizen , welke de droogte van de bergen naar de vlakte gejaagd had. De ar me bevolking! Want nu had zij niets meer, en geen enkele particuliere onderneming (op écn houtaan-kap na in Lamongan) is in die afdeelingen te vinden, waar zij geld verdienen kan.

Men zegt wei eens: „het is een leek niet aan het verstand te brengen, hoe een soldaat aan den kost komtquot;, doch onbegrijpelijker vaak is het, hoe een Javaan, overstelpt door zulke wederwaardigheden, nog het hoofd boven water kan houden, en zijn gezin voor den honger ......neen, voor den hongersdood kan vrijwaren.

Ik geloof niet, dat, zonder rampen van hooger hand als de zooevengenoemde muizenplaag, er te weinnig padi voor de behoefte geproduceerd wordt; want, al verkrijgt men ook per bouw eene geringere productie dan in de /uide lijke afdeelingen behaald wordt, waartoe ook op vele plaat sen de kalkachtige bodemgeaardheid medewerkt, daar staat tegenover, dat naar evenredigheid der bevolking eene groote uitgestrektheid bouwgrond aanwezig is. Men kan vrij wel

-ocr page 25-

23

aannemen, dat iedereen in Sednjoe en Lamongan (op eenigo visschers na en eigenaren van tambnks) landbouwer is, want wat zouden zij anders zijn bij de afwezigheid van fabrieken en particuliere ondernemingen?

Nevenbrijven zullen wel uitgeoefend worden, doelt de arme bevolking, waarvan jaarlijks duizenden tijdelijk hunne woonplaats verlaten, om in de drie levendige Zuidelijke afdeelingen geld te verdienen bij de suikercultuur, ter betaling van hunne belasting en bekostiging der noodzakelijke huiselijke uitgaven , heeft geen geld genoog om vele lieden te onderhanden, die uitsluitend van een handwerk leven.

Bovenstande is do algemeene toestand, en de padihandel kan niet belangrijk zijn; dc meesten hebben ter namver-nood voor zich zelf genoeg, en verkoopen hoogst ongaarne, zoolang hunne katjang, visch, enz. hen nog kunnen terughouden van het punt der hoogste ellende. Is dit punt evenwel bereikt; zijn zij gedwongen padi ter markt te brengen, dan zal de Chineesche opkooper er slechts een uiterst geringe som voor willen geven.

Tot deze klasse behooren ook eenige bergdistricten, als Soekapoera en Kandangan in dc residentie Probolinggo, en Djaboeng in dc afdeeling Modjokerto. Het zijn streken met een ijlgezaaide bevolking, die kofKecultuurplichtig is, en, zoo er al eenige koftieondernemingen gevestigd zijn, toch weinig gelegenheid heeft aldaar geld te gaan verdienen van wege de cultuur--, heeren— en dessadiensten. Sawahs treft uien er weinig aan van wege het geaecidcu-teerdc terrein en de mocielijkc irrigatie. De bewoners planten padi op slecht bewerkte pegagans, dat zijn drooge velden, welke na één jaar beplant te zijn geweest, twee of meer jaren braak blijven liggen. Dat zij zoo handelen is vrij natuurlijk, want voor een gering aantal menschen is eene haast onbegrensde uitgestrektheid woeste grond ter ontginning en bebouwing voorhanden.

Zie mijne verhandeling over Terrnsscnaaulcg.

De bevolking plant niet veel meer, dan voor hare con-sumtie noodzakelijk is, cn wel meestal doordat zij vaak

-ocr page 26-

24

niet den noodigen tijd daaraan kan besteden, dat de hoeren—, dessa- en vooral cultuurdiensten haar verhinderen meer bouwgronden in exploitatie te brengen.

Daar ieder genoeg heeft en slechts enkelen te veel hebben, heeft koop en verkoop weinig plaats, en de prijzen moeten dan vrij hoog zijn, daar do transportkosten do lagere prijzen van do vlakte toch ook hoog zonden opvoeren.

In smmige districten, zooals Soekapoora en Kandangan, waar de bevolking in een redelijk koffiejaar als 188(5 en dit jaar gemiddold ƒ 30 a/ 40 per gezin ontvangt; waaide talrijke arènboomen den bezitter / 10 a ƒ 15 per boom opbrengen; waar do boschproducten mot oen zoet winstje in de vlakte van de hand kunnen worden gezet; in zulke streken kan van oen verkoop a tont prix zelden sprake zijn. Daar weet men de rijst wol op waarde te houden, (in Kandangan van ƒ 4— ƒ 6.50 van Mei 1887 tot Mei 18b8) en nooit zal een rijsthandelaar zich ook wagen in zulke „onvoordoeligequot; oorden.

Toenomende armoede der bevolking.

Men ziet, hoovelo omstandigheden invloed doen geldon op de prijzen , hoe men bij de verklaring van oene oogon-blikkolijko daling of rijzing niet do geringste kleinigheid over het hoofd mag zien. Maar eöno zaak treedt toch overal overheerschond op, nl. dwang, do overmacht van den rijke over don arme.

Do boven uiteengezette invloeden hebben zich altijd voorgedaan , zoolang do groothandelaren in rijst op baisse en hausse speculeerden, zoolang zij zich met hun geld een soort van monopolie konden verschaffen, en zoolang de producenten niet tegen het kapitaal waren opgewassen.

Hoe moer die anno in wolvaart toeneemt, hoe minder hfi zich dien dwang, die overheersching zal laten aanleunen; maar daartegenover staat, dat hue hooger de ellende stijgt, hoe slechter zijne kansen staan in den ongelijken strijd tegen het kapitaal, hoe spoediger dc weerbarstige zich onderwerpen moot.

-ocr page 27-

I

25

Nu heeft zich in de laatste jaren, nu 18S3, het verschijnsel voorgedaan, dut allerwege op Java de prijzen achteruitgaan, en dat zij op vele plaatsen reeds zoo laag gezonken zijn, dut dc rijstbouw ouuiogelijk loonend kun zijn. Men beschouwe eens ons staatje over dc fluctuatie der prijzen in Semurang in 188G. Bij prijzen van / l.K) voor een pikoel rijst, vertegenwoordigt dc padiprodnetie van een bouw sawah, na aftrek van het snijlooti, ecne waarde van (40 — 8) X -- / 17.00.

Die algemeene daling wijst op grooteren dwang, op minder wecrstandsverinogen van den Javaan, en dus op grooterc armoede. Deze armoede blijkt ook vooral door de cijfers van

In-on Uitvoer.

Nooit is de linaucicele toestand van het gros der landbouwende bevolking, zelfs bij de hoogere prijzen, schitterend geweest, maar toch ook nooit zóó slecht, dat de padi, die zij los vilde laten, toereikend was voor de con-sumtic der niet-produceerende bevolking. Hoewel de steeds terugkeerende nood den landman en zijn gezin belette het gansche jaar door naar hartelust te eten, kende men toch een minimum, beneden hetwelk men niet wilde komen, ot wel vermeende niet te kunnen leven. Zóó behield dc landman dan ecne bepaalde hoeveelheid padi, welke voldoende was, om bijv. drie maanden lang drie maal daags rijst te eten, drie maanden lang twee maal daags, drie maanden lang één rijst-en één djagoengmaal en dc overige drie maanden djagoeng, slechts nu en dan door rijst afgewisseld.

Dc totale hoeveelheid padi boven dit minimum was, gelijk ik boven zcide, vroeger nooit voldoende voor de behoefte van het niet-produceereud deel der bevolking, en overtrof de invoer mitsdien geregeld den uitvoer.

In de Memorie van den heer Brooshooft lees ik, dat:

In 1875/77 werden nog 1\'/, millioen pikoels ingevoerd tegen een uitvoer van slechts 1v0.000 pikoels; in 1878/80 alweer 1,004.000 pikoels ingevoerd tegen een uitvoer van

I

-ocr page 28-

26

slechts 162.000; in 1881/83 werden zelfs tioec, millioen pi-koels meer ingevoerd dan uitgevoerd; eerst in 1884/86 kwam een uitvoer van eenige beteekeuis.

Do uitgevoerdo partijen zullen m.i. wol voor een groot deel afkomstig zijn van de particuliere landerijen, waarvan de eigenaren geen kans zagen, op Java hunne rijst van de hand te doen ; want in de binnenlanden verkoopt de Javaan wel, maar koopt hij niet (zie eerste groep) en op de hoofdplaatsen is de rijsthandel reeds in.handen van eenige groothandelaren , die zicli met hand en tand zullen verzetten tegen den „indpnger.quot;

En de chineezen, die hun voorraad op Java wel van de hand konden zetten , (zij moesten immers nog aanmerkelijke voorraden invoeren ook) zouden toch gek zijn, indien zij de rijst voor f 5 a f 0 in Europa of elders gingen aanbieden, terwijl zij op Java zelve er f 8 a ƒ10 voor kouden bedingen.

Volgens bijlage G.G.G. van het koloniaal Verslag van 1887 werden in 1884 van Java en Madoera uitgevoerd 166.521 pikoel rijst, maar daarentegen ingevoerd uit vreemde hinden, Saigonrijst oa, 551,024 pikoel; ergo bijna 400.000 meer, dan de uitvoer bedroeg, dus wel een bewijs, dat locii nog aanvulling van den voorraad uoodig was.

In 1885 steeg de uitvoer tot 451.766 pikoel, en daalde de invoer tot 477.590 pikoel; toch bedroeg de invoer nog een 25 duizend pikoel meer dan de uitvoer.

Nu komen wij tot het jaar ISsO, en zien wij, dat de uitvoer (Bijlage 11. H. 11. van het Koloniaal Verslag van 1888) tot 954 348 pikoel stijgt, dus ruim een half millioen pikoels meer dan in het vorige jaar, terwijl de invoer slechts 15.060 pikoel bedroeg.

Dus wij zien de rollen van uit-en invoer omgekeerd.

Was dat jaar 1886 dan zoo\'n buitengewoon gunstig padi jaar, dat toen voor het eerst de uitvoer den invoer overtrof, en wel met bijna een millioen pikoel ?

M. i. is dat onaannemelijk, en de officieele cijfers wijzen zelfs aan , dat de vermoedelijke opbrengst iu 1886 ruim drie millioen pikoel padi minder bedroeg dan in 1885.

In dat jaar is het zielental op Java met eenige honderdduizenden toegenomen. Iu 1886 had men dus meerdere behoefte en mindere productie dan in 1885, toen nog aanvoer van elders eenc vereischte was. En toch was do uitvoer zóó belangrijk!

-ocr page 29-

2?

De eenige verklaring voor dat feit, is n.b.m. de toenemende armoede van den landbouwenden stand sinds 1883, waardoor de landman het minimum, beneden hetwelk hij vroeger dacht niet te kunnen leven, elk jaar toch nog meer heeft ingekrompen. Hij liet dus elk jaar een weinig padi meer los dan vroeger, en zoo moest er eindelijk een oogenblik komen, dat de rijsthandelaren op Java genoeg konden opkoopen voor de cousumtie van de niet-producee-rende bevolking. Ju , dat punt werd nog overschreden , de bevolking bood in 1886 meer aan, dan de opkoopers eigenlijk noodig hadden. Wat te doen? Niet meer koopen , daar de niet-producenten niet meer behoefden?

Deze weifeling der afnemers, koopen of niet koopen, het ontbreken dus der noodzakelijkheid tot inkoop, had natuurlijk grooten invloed op de prijzen. In 1885 nog steeg de rijst op Djombaug of Plosso van Juni tot December van ƒ 3 tot ƒ 4, maar in 1886 bleef in die maanden de prijs van / 3 stationnair. Aanbod bestond zonder belangrijke vraag.

In de residentie Semarang werd het nog erger. Daar scheen geen vraag te bestaan, want hier deed zich een verschijnsel voor, ik geloof eenig in de geschiedenis der rijstprijzen. Terwijl nl. aanstonds na den oogst de prijs / 1.75 bedroeg, was zij in de drie laatste maanden gedaald tot ƒ 1.10.

Ja, met zulke ongehoord lage prijzen zouden de Clii-neezen dwaas doen, ook zonder behoefte op Java, niet op te koopen. Met zulk een inkoopsprijs moest men groo-te winsten kunnen behalen op de buitenlandsche markten. De gozainolijke pogingen der rijsthandelaren op Singapore of elders, om de onverwachte mededingers buiten te sluiten , moesten afstuiten op de prijzen, waarvoor deze de rijst aldaar ter markt konden brengen.

Zóó verklaart zich de belangrijke uitvoer van Java, en zóó toont deze u. b. m. onomstootelijk aan, boe diep ellendig ea armoedig reeds de toestand is van de landbouwende bevolking op dit eiland.

-ocr page 30-

28

Beden dor toenemende armoede.

De toenemende armoede der landbouwers is met aange-vangen met de lage prijzen , deze zijn daar hot gevolg van.

Gaan wij eens na, welke de oorzaken zijn van die verminderde welvaart, welke tot zulke uiterst treurige toestanden geleid heeft.

Die oorzaken zijn, volgens mijne meening, de sterke daling in de laatste jaren der prijzen van haast alle pro-dn eten voor de Europeesche markt, als kottie, suiker, thee en kina, de verwoestingen door de sereh-en de bladziekte, de roestziekte in de theeaanplantiugen, de aehternitgang van de hoedanigheid der tabak in vele streken, enz.

Vroeger, toen deze prijzen hoog waren, werden de koelis uit oen ruime beurs betaald. Wanneer zij goed op taak werkten in de riettuinen, konden zij met het graven van goten en het maken der plantgenlen een gulden en meer daagsverdienen.

In vele streken, waar tabak voor de Europeesche markt werd geteeld, verkreeg men toen door de sterke eoncuren-tie der tabakkers, van / 20 tot ƒ 40 in de loodsen voor de duizend planten. De landman, die een halve boaw met tabak beplant had, kon drie maanden later over / 100— / 200 beschikken.

De bevolking kon dus in dien tijd goed geld verdienen, zij kocht daar klceren voor, sieraden voor de vrouwen, mooie krissen, dure sarongs en hoofddoeken, enz. en al kwam zij later in het jaar door deze verkwisting ook weder in nood en zorgen, zij had toch altijd iets om te beleenen of te verkoopen. Na den oogst loste men de panden weder in, verkoopen moest men zijne padi wel, naar, aangezien men in de riettuinen een goed loon kon verdienen, kon men de rijst nog eenigszins in waarde houden; men had toen nog eenig weerstandsvermogen. Dit werd natuurlijk nog versterkt, waar men, gelijk in Djember en Loe-madjang, veel tabak voor de Europeesche markt teelde, of gelijk in Bodjonegoro voor de inlandsche markt. Met een

-ocr page 31-

tabaksoogst in liet verschiet, eu de prachtige verdiensten voor oogen, onderwierp men zich maar niet zoo klakkeloos aan de chiueesche opkoopers.

Maar sinds het jaar 1884. noopten de lage suikerprijzen de fabriekanten tot de grootste inspanning, tot noodzakelijke bekrimping van uitgaven, tot aanmerkelijke verlaging der looucn.

De koffieonderneiningon moesten daar ook toe overgaan, eu daar de bladziekte de productie zeer belangrijk deed slinken, zoo moest ook het aantal lieden afnemen, dat met den pluk en het transport een goed loon verdiende.

In de afdeeling Loemadjang wordt thans nog slechts ƒ 8 a 12 voor de duizend planten tabak betaald, minder dan de helft van vroeger, daar de tabak door de slechte (jnaliteit slechts geringe prijzen in Europa kan behalen.

Allerwege kwam minder geld onder de bevolking; vraag naar arbeid verminderde, terwijl dc looucn daarbij daalden.

Beschouwen wij nu nog de Gouvernemcnt\'s cultures. In 1883 en 1884 werd in de gouvernemcnt\'s residenticn op Java ±; 990.000 pikoels kottie gemaakt, doch in 1885 bedroeg de oogst slechts 477.950 pikoels. Dus kwamen ruim 7 millioon guldens minder in handen van den kleinen man.

In 1886 met een oogst van bijna 200.000 minder dan in 1883 en 1884 bedroeg dc betaling dus ruim twee en een half millioen minder.

En in het jaar 1887 produceerde men slechts 285.000 pikoels, ergo 700.000 pikoel minder dan in 1883 eu 1884 en verkreeg de bevolking ongeveer tien millioen gulden minder in betaling.

Wat de gouvernement\'s suikercultuur aangaat, deze gaat elk jaar met \'/l3 achteruit, om in 1890 te verdwijnen.

Als ik mij wel herinner, kreeg de bevolking in Djom-bang voor écu bouw aanplant ongeveer / 160.— uitbetaald, en als men nagaat, dat tegenwoordig de fabrieken iu vrije cultuur betrekkelijk weinig meer daarvoor betalen, dan zal men mij wel moeten toegeven, dat tegenwoordig de

-ocr page 32-

30

cultuur niet zoo drukkend is te noemen, en dat zij haast loonend is.

Elk jaar nu wordt \'/n van de uitgestrektheid, welke in 1878 in cultuurdienst werd beplant, aan de bevolking teruggegeven, maar nu krijgen de betrokken planters elk jaar ook \'/l9 minder betaling.

Jawel, kan men beweren, maar daarentegen kunnen zij ook meer geld bij de vrije suikercultuur gaan verdienen. Theorie, voor een deel althans !

De lieerendiensteu.

Gelijk aan ieder ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur bekend is, werd in 1886 een nieuwe heerendienstleg-ger gemaakt volgens een meer uitgebreid model.

In sommige residenties werd hot noodig geacht, voor het samenstellen daarvan min of meer nauwkeurige proeven te nemen, hoeveel M3 grint voor cene zekere oppervlakte weg ongeveer noodig zonden zijn, hoeveel het gewicht van een M3, door elkaar genomen, wel zou bedragen , hoeveel iemand per dag zou kunnen aanbrengen , enz.

Ook ik had veelvuldige proeven genomen en bijgewoond.

Stelt U dus mijne verbazing voor, toen ik eens een heerend ienstlegger van een zeer geaccidenteerd bergdistrict in handen kreeg, en o. a. opgaven daarin aantrof als volgt;

Dessa J. heeft voor haar wegaaudeel 200 MJ grint noodig ; de afstand van de inzamelingsplaats tot het wegaan-deel is 1 paal. Benoodigd 200 dagdiensten.

Dessa 7i. Benoodigd 150 M3; afstand als boven 2 paal; vereischt 150 dagdiensten.

Dessa C. Benoodigd 275 M3, afstand als boven 3 paal; vereischt 275 dagdiensten.

Uit bovenstaande opgaven ziet een elk, dat per M3 één enkele dagdienst wordt berekend, onverschillig of de afstand van de plaats van inzameling tot die van gebruik 1,2 ot 3 paal bedraagt.

-ocr page 33-

31

De regel is dat de krikil uit een riviertje wordt gehaald, dat beneden in een ravijn stroomt; en de enorme helling van de daarheen voerende paden in aanmerking genomen. is een gemiddeld gewicht van 50 pond reeds een zware taak voor den grintverzamelaar.

Tk nam in dat district vluchtig eenige proeven om tot het gewicht te geraken van 1 Ms. grint. Ik gebruikte als maat een petroleumblik, dat 34 cM. hoog en 34 cM. lang en breed was, dus een inhoud had van ± 0.019685 —

Als het gewicht van een blik verkreeg ik door elkaar 07 pond, dus weegt een M3. ± 3350 pond.

Tegen 50 pond per gang dient men dus voor 1 M3. meer dan 60 gangen te doen.

Stelt men den afsand van de plaats van inzameling tot hot wegaandeel van den heerendicnstplichtige 2 paal of 4 paal heen en weer, dan moot hij voor 1 M3 afleggen 60 X 4 — 240 paal.

Voor 3 paal aftand of (i paal per gang, moet hij 6 X 60 360 paal loopen, waarvoor hij ongeveer 120 uur behoeft.

En toch rekende men iu dien goedgekeurden en getee-kenden legger slechts één enkele dagdienst per M:i Verdere commentaren zijn m. i. overbodig.

In zeker district bestaat in eene vrij groote rivier een dam, die hot water opstuwt in eene leiding van vele palen lengte, welk water bestemd is voor twee Gouveruement\'s suikerfabrieken.

Een paar maal \'s jaars breekt die dam door, en honderden heorendionstplichtigen moeten dan uitkomen om, haast je rept je, dien dam weer te herstellen, waarvan zij zelve volstrekt geen voordeel hebben.

En.....sinds 1886 komt die dam niet meer voor in

den legger, aangezien daarvoor materialen benoodigd zijn, waarvoor de Regooring geen geld heeft toegestan. Zij erkent dien dam eenvoudig niet, daarvoor zijn geen heerendienstplichtigen uitgetrokken.

-ocr page 34-

Bestaat die dam dan niet meer?

Zeer zeker; sedert is zij vast reeds weer een paar maal doorgebroken, sedert leverde de bevolking meer dan eens de materialen voor de herstelling, nog steeds bestaat die leiding enkel tot voorziening in fabriekswater, want de fabriekant heeft recht daarop; maar in den legger merkt men van al dien gedwongen arbeid niet.

Men beschouwt dien ah dessadienst.—

Ik ken een bergdistrict, alwaar de verbindingsweg tns-scben een districts—en een onderdistrictshoofplaats niet in den legger is opgenomen , noch belangrijke karrewegen voor den afvoer van koffie van nit een pakhnis en een perceel.

Wel heeft de bevolking veel last met het onderhond dier wegen, wel komen daar jaarlijks honderden en duizenden voor uit, maar dat is slechts dessadienst.

Behoef ik meer voorbeelden aan te halen, om te bewij-zeu, dat de heerendienstleggcr meestal eene kunstige groe-pcering van cijfers is, die dient om „de vrienden van den verdrukten Javaanquot; tevreden te stellen, welke wijst op een belangrijk overschot der beschikbare dagdiensten, en die toch nergens tot handleiding wordt gebezigd voor het doen uitkomen der bevolking. Bovenstaande voorbeelden van de wijze, waarop de zóó gewenschte mystificatie wordt tot stand gebracht, kunnen tot den rechtmatigen twijfel leiden, of in waarheid de bevolking zóó weinig gedrukt wordt door de heerendiensten, als men het wil doen voorkomen.

Dat behalve deze nog de dessa—, politie—en vooral cul-tuurdiensten een groot deel van den tijd des Javaans in beslag nemen, is bekend en reeds door velen besproken eu gecritiseerd.

Mij rest slechte een enkel woordje te reppen over eene omstandigheid, welke een nog juister, maar ook nog hatelijker licht werpt over den druk der gedwongen diensten. Ik bedoel het willekeurig laten uitkomen van een aantal lieden, dat verscheidene maken grooter is dan het benoodigde getal dagdiensten voor het werk.

-ocr page 35-

33

Stel dat de oiulieiningeu (koeroengaus) der sclmduwboomen luugs de wegen beschadigd zijn, en dat voor de herstelling twee man noodig zijn gedurende één dag, \'/.06 zij iu he-taalden arbeid negen uren arbeiden. Dat men nu voor dat werk vier heercudienstplielitigen laat uitkoniep, soitl Die lieden werken zich natuurlijk niet de armen uit het lid. Maar nu zal men vaak zien . dat het dorpshoofd wvl twaalf lieden uitstuurt, oi\' drie maal het noodige aantal. Deze hebben dan, wel is waar, slechts drie uren gearbeid , maar ...... geen van hen kan dien dag meer geld

gaan verdienen, want wie wil in de fabriek bijv. ol n|) de velden een dagloon betalen aan iemand, die eerst om tien uur \'s morgens opkomt, op de koffiepereeelen houdt men rol om G uur \'s morgens, en neemt ineu daarna niemand meer aan , tenzij er nood aan arbeiders of pluksters bestaat.

Als zij geen taakwerk kunnen krijgen, zijn die heereu-dienstplichtigen dus wel genoodzaakt naar huis terug te keeren, en den verderen dag in ledigheid door te brengen.

In hetzelfde geval verkeeren de lieden, die de wegen of do koffiebeddingen moeten begieten.

Een dagloon wordt betaald voor een ganschen dag werken, en men neemt geen arbeiders aan, die tegen drie uur \'s namiddags heen moeten gaan, om de wegen te begieten. Daarbij komt vaak, dat een lulandseh ambtenaar of een dessahoofd van idee is, dat het begieten van ecu wee om 3 uur een nutteloos werk is van wege de warm-

O 0

te, en bevel geeft eerst tegen half vijf daarmede aan te vangen. Dat dan ook het dubbele aantal lieden daarvoor dient op te komen, bedenken zij niet of achten zij gering.

Mitsdien beweer ik:

Ie. dat vaak enkele uren van gedwongen arbeid den op-gekomene verhinderen profijt te trekken van het overige van den dag, en hem tot rusten, tot ledigheid doemen ; en

Se. dat, indien van iemand de totale arbeid gesehat kan worden op 20 dagen van (.) uur werken, hij feitelijk 50 a 60 dagen is opgekomen.

-ocr page 36-

34

Tu do afdeel ing Dj omhang, waar ik verscheidene onderzoekingen v 1 den CoDtroleur lieb bijgewoond naar den druk dor onbetaalde diensten, wordt vaak ƒ 40 en ƒ 50 \'s jaars betaald voor een plaatsvervanger, voor den afkoop dus.

Als iemand gehoord heeft, dat in liet naburige district Djaboeng op een koffieperceel GO a 75 cents daags met den pink to verdienen valt, terwijl hij in de riettuinen er slechts 30 behalen kan , denkt gij, dat hij dan maar eens een maandje mag uitbreken, om naar dat perceel te gaan ?

„Halt, vriendje! roept hem dan de löerah toe. En hoe moet dat dan met de heerendiensten?

In de Christen-dessa Modjowangi moet zoo iemand voor één maand afwezigheid / 5 betalen aan het dorpshoofd, die voor dat geld een wakil bekostigt.

Men ziet uit het bovenstaande, hoe de Javaan lang niet altijd werken kan, als hij wil; dat men niet zeggen mag, gelijk zoo vaak beweerd wordt; ,,hnnne armoede hebben de Javanen zich zelve en hunne luiheid te wijten; waarom zoeken zij geen geld tc verdienen bij de suikercultuur?quot;

Zij zeiven willen dikwijls wel, maarzij kunnen niet vrijelijk over hun tijd beschikken. Van daag zijn zij voornemens den volgenden morgen in de tuinen te gaan werken, en \'s avonds beveelt de kebajan hun bijv de aarde onder een duiker een weinig nit te graven.

Het hangt grootendeels van de dorpshoofden dus af, of hunne ondergeschikten ook geld kunnen en mogen verdienen

En daarom vind ik het lang niet erg, dat „in Blitar de dessahoofden de achterstalligen in groepen, eu onder het geleide van één der bestuursleden van de dessa uit werken naar de koffielanden zenden , om met een deel van het loon dc landrente te betalenquot;.

Deze moet immers toch betaald worden, en liever dan dat de belastingschuldigen tot aanzuivering daarvan eene geit, een koperen kom of eene koe moeten verkoopen, zie ik, dat het dorpshoofd, zij het ook gedwongen, den kleinen man in staat stelt een goed loon te verdienen.

-ocr page 37-

35

Ziet men nu ook in, waarom ik het „theorie, vooreen deel althans!quot; noemde, te beweren, dat zij, die door de geleidelijk vermindering der Gouvernements-suikercultuur minder cultnurdiensten hadden te verrichten, ook meer geld in de particuliere riettuinen kunnen verdienen?

Het sovolg der toenemende armoede.

Wij hebben gezien, dat na 1883 door velerlei oorzaken vele millioenen minder onder ile bevolking kwamen.

Ik zal trachten in het kort het wedervaren te schetsen van een welvarenden landman uit Djombang van den oogsttijd 1884 af, zooals ik mij dat voorstel.

De man heeft 1 \'/2 bouw sawah, een span ossen, waarmede hij riet naar de fabriek vervoert, en eenige preciosas.

In April heeft hij het gewone voorschot van / 80.— van de fabriek ontvangen voor liet trekken van riet; in Juni heeft hij een boel padi verkocht tegeu normale prijzen, van / 1.50 bijv, alles gaat den gewonen gang gelijk in vorige jaren.

De man verdient voor een Javaan aardig veel geld met het riettransport, hij staat in aanzien bij zijn dorpsgenooten , en geeft nu en dan een slametan of sedekah, en koopt elk jaar het één of ander sieraad voor zijne vrouw.

Met de gewone zorgeloosheid van den Javaan, in het bewustzijn, dat zijn zaken tot nu toe goed zijn gegaan, spaart hij niets over. Hij gaat wel niet achteruit, maar door zijne levenswijze heeft hij elk jaar eenige maanden vóór den Westmoesson zijne sieraden moeten beleenen voor ƒ 30. bijv, en dat had hij dit jaar weder gedaan. Maar toen hij zijn ƒ 80.— voorschot had gekregen, loste hij zijn panden in , en betaalde daarvoor met inbegrip van 5% rente per maand voor vier maanden ƒ 36.

Zijn plaatsvervanger voor de heerendiensten ontving / 40

Alles gaat zijn gewone gang. Na aftrek van zijn voorschot ontvangt hij voor het riettransport nog ƒ 20 ; hij bewaart voldoende padi voor het gansche jaar, zijn gezin

-ocr page 38-

86

krijgt ook altijd voldoende te etcu, en voor zijne twintig pikoel overtollige padi, die hij langzamerhand van de hand zot, heeft hij ƒ 35.— gemaakt.

Maar dc huiselijke uitgaven, zijne slamctnns en zijne landrente maken, dat hij in Januari weer zijne sieraden moet beleenen voor ƒ 30. üeze som moet voor het huishouden dienen, want na Januari valt er niets meer bij de suiker te verdienen. Daar zijn wij in April, dc man wordt opgeroepen, om zijn gewoon voorschot tc ontvangen — de verschillende administrateurs hebben intusschen een vergadering belegd, hoe in die benarde tijden de fabrieken voor ondergang te kunnen behoeden — onzen vriend wordt medegedeeld , dat hij voortaan in plaats van ƒ 80.— slechts / 60 voorschot kan krijgen.

Nu beginnen de zorgen, Hij gaat aan het rekenen: ƒ 4,0,— voor den plaatsvervanger der heerendiensten, die betaling gedoogt geen uitstel. Hem lesten dus nog / 20, terwijl hij den pachter van het pandjeshuis / 36 moet betalen. Hij doet dus slechts ƒ 20 af en belooft den Chinees liet restant aan te zuiveren na den oogst.

Deze\'tijding bereikt de ooren der opkoopers—de pachter Pan Soei op Djombang is een groote rijsthandelaar — zij trekken daarop conclusies:

/oo, die Pak Kromo, en Pak enz., die toch vrij welvarend zijn, kunnen hunne schulden niet betalen; zij moeien daarvoor padi verkoopen. Dan moet toch de positie der minder welvarenden nog benarder zijn, voor hen is dan de verkoop eene volstrekte noodzakelijkheid, zij kunnen niet wachten.quot;

Dc oogst komt, en ziet .... de afnemers bieden niet meer ƒ 1.50 als vroeger, maar slechts / 1.25. Een korte tegenstand der producenten, het gros der landbouwers is arm en onmachtig, de onderwerping aan de macht vnn het kapitaal volgt haast aanstonds.

Dus, terwijl onze landman vroeger schoon stond op het oogoubiik van den oogst, begint hij thans mot / 16 schuld, die hij zonder dralen moet inlossen, wil hij zijne panden

-ocr page 39-

37

nog redden van den verkoop in het openbaar. Kon hij vroeger zijne overtollige 20 pikoels padi langzamerhand verkoopen, om mede te profitecren van de stijgende prijzen, thans kan hij niet wachten. Tegen ƒ 1.25 dient hij reeds 13 pikoels tc verkoopen voor zijne bedreigde sieraden. Kn de resteereude 7 pikoels verkoopt hij met een orn ann hnishondgeld te komen.

Kreeg hij vroegerö cents per pikoel riet, thans betaalt de fabriek er slechts 4, en bij gelijk vervoer als het vorige jaar, krijgt hij dus in het geheel / 20,— minder.

Als onze kennis nu aanstonds rekening had gehouden met de veranderde omstandigheden, dan zouden de zaken misschien niet zoo n vaart geloopen hebben. Maar hij begrijpt niet, dat hij, en met hem al zijne kennissen, zich op een hellend vlak bevinden .

Hij verbaast zich wel over de plotselinge verandering in zijne tinancien, maar daar het nooit zóó is geweest, kan die toestand slechts voorbijgaande zijn, denkt iiij, het volgend jaar zal alles weer tot het oude zijn teruggekeerd. De vroegere welvaart heeft behoeften geschept, die hij zich niet aanstonds afwendt, omdat hij het gevaar niet zoo dreigend inziet. Hij geeft zijne gewone slametans, maar. . . . tegen April had hij, tegen vroeger ƒ 30, reeds / 50 schuld aan den pachter.

IJn de padiprjs daalde noodwendig tot f 1,—

Eenige panden bleven oningelost, werden in het openbaar verkocht, en hij was eenige sieraden minder rijk.

Men komt mitsdien tot de conclusie, dat aanvankelijk een verminderde welvaart leiden moest tot eene daling der rijstprijzen. Deze op hunne beurt dompelen den landman in diepere armoede; deze armoede doet de prijzen, nog lager zinken, en zoo gaat het in een cirkel rond, totdat de prijzen tot zulk eene laagte gekomen zijn, dat landbouw eenvoudig totaal onmogelijk wordt en verlies veroorzaakt.

Tot zulk eene laagte zijn reeds zeer vele streken geraakt, behoorende tot onze eerste groep; en een betreurenswaardig, maar niettemin onvermijdelijk gevolg van het bestaan in

-ocr page 40-

38

enkele streken van con zoodanigen, ellondigen toestand, is dat andere streken, welke onder gunstiger gegevens ver-keeren, min of meer inedegesleept vioeten worden.

In Bodjonegoro bijv wordt zeer veel tabak voor de in-landsche markt verbouwd, naar ik bob vernomen wel tienduizend bouw.

Boven beweerde ik, dat „met een tabaksoogst in het verschiet, en do prachtige verdiensten voor oogen, men zich maar niet zoo klakkeloos aan de Cbineesche opkOopers onderwerpt.\'quot; Doch niettemin is hij toch verplicht zijne overtollige padi te verkoopen, maar nl kan hij ook gedurende eenigen tijd eene gereserveerde houding aannemen, bij de afwezigheid van particuliere ondernemingen kan hij niet lang bij die houding blijven volharden.

De rijslhandelaren, welke (gelijk in 188G) meer kunnen koopen dan benoodigd is voor de consuintie op Java, hebben natuurlijk zooveel haast niet, en beginnen eerst de armoedige streken te exploiteeren, waar zij voor 60 ii 70 cents padi in overvloed kunnen bekomen. Zij zullen eens zien, hoe lang die weerbarstige landbouwers, die ƒ 1 50 bedingen, hun kop blijven toonon. Duurt die tegenstand onverhoopt wat lang, dan slaan zij in de „voordeeligequot; streken den prijs op tot 80 en 90 cents, en verkrijgen op die wijze voorraad genoeg, om bijv. nog één maand geduldig te wachten.

Uit dien strijd treedt als resultante der medewerkende invloeden een prijs te voorschijn van ongeveer ƒ 1 , en zoo ziet men, dat, waar vroeger de producenten gezamelijk stonden tegenover de opkoopors, elke overwonneling willens of niet, zijn onderdrukker bijstaat tot het nedervellen van hen, die nog strijden.

Zoo moet, hot kan niet anders, de einduitslag gunstig uitvallen voor de opkoopors; zóó moet ten Eerste de prijs in de produceerendo landen dalen tot om en bij het minimum, beneden hetwelk niemand nog de hand aan den ploeg zal slaan.

-ocr page 41-

39

Hoe lang zulks voor sommige streken uog durcu kan? Zoolang de in vroegere welvarender tijden verzamelde voorwerpen van waarde nog niet allen door den pachter van het pandjeshuis voor de helft of een derde van de reëele waarde op publieke vendutie opgekocht zijn, en er nog een gering weerstandsvermogen bestaat; zoolang andere producten van landbouw den Javaan niet enkel afhankelijk maken van den rijstbouw; en zoolang de kleine man in staat is om bij den particulieren landbouw iets te verdienen, zoolang zal dat uiterste minimum niet bereikt worden.

Of echter thans in doorsnede de algemeene toestand nog hoog boven dat minimum staat, durf ik niet stellig te verzekeren.

llooge of lage prijzen.

In een streek, welke tot mijne vierde groep gerangschikt kan worden, waar ieder landbouwer is en slechts zooveel padi verbouwt, als voor eigen consumtie vereischt wordt, heeft do vraag, of hooge dan wel lage prijzen den voorkeur verdienen, natuurlijk volstrekt geen gewicht.

Deze vraag heeft enkel reden van bestaan, waar producenten tegenover consumenten staan.

In eene gezonde maatschappij dienen de loonen eenigs-zins verband te houden met de behoefte van den arbeider. Ik weet wel, dat zulks in Europa menigmaal niet het geval is, maar dat neemt toch niet weg, dat een arbeider bij goed werken een loon behoort te verdienen, dat hem in staat stelt voldoende te voorzien in liet levensonderhoud van hem en zijn gezin.

Eenige jaren geleden, toen de rijstprijzen hooger waren dan thans, bedroegen de loonen ook meer dan thans. En landbouwers en arbeiders konden toen goed naast elkaar bestaan.

Een fabriekskoeli in Sidhoardjo bijv, die toen 35 cents daags kreeg, betaalde aan rijst voor zijne dagelijksche behoefte a 7 cents het kati 7x3 3/, af 20 cents, en hield

-ocr page 42-

40

dus dugelijks nog ongeveer ecu dubbeltje over voor toespijs, tabak, en/.

De arbeidgevers verminderden toen de Iconen tot bijv. 25 cents, en bij prijzen van 7 cents het kati zou dus voor de koelis ecu ongezonde toestand geboren zijn, want behalve de rijst behoefden zij toch nog andere zaken, als zout, visch, klecren, enz, en wat zij aan rijst alleen zouden moeten besteden, overtrot dan reeds hunne verdiensten.

Gelukkig voor hen daalde toen, mede door die loonsverlaging, de prijs tot 4 \'/2 ccnts bijv, en de vroegere, irezonde toestand bleef voor hen onveranderd, terwijl de

o

landbouw er onder gebukt ging.

Naar alle waarschijnlijkheid zullen de loonen in den eersten tijd geene verhooging ondergaan , zelfs al behalen de producten voor de Kuropeesche markt hoogere prijzen.

Stijgen nu de rijstprijzen weder tot kunne vroegere hoogte, dan is de landman daar wel mede gebaat, maar dan wordt ook de toestand voor den nrUnder eenvoudig on-ho ad baar.

Staan dus beider belangen lijnrecht tegenover elkaar? is er geen toestand te bedenken, waarbij de landbouw, die noodzakelijk opheffing behoeft, gebaat wordt, en toch de arbeiders in geen slechter positie geraken?

Die toestand kan m. i. bestaan, en heeft ook alle reden van bestaan. Is cr iets onzinnigs, de mogelijkheid te ver onderstellen van prijzen, als ik in het ondervolgend staatje in den kolom „toekomstigquot; opgeef.

(.oiidiimie mm te,

Vrocitcr.

Ic^cinvoordig.

mkowki.

.

Djombang 1c groep

/ 4

/ 2\'a

/ 4

Sidhoardjo 3c. „

7

„ 4.\'/;

5

Soerabaja 2e. ,,

8

„ 5 %

ö /2

-ocr page 43-

II

Verzetten zich de trausportkosten tegen eene dergelijke combinatie? Inmers neen? En do rijsthandelaar kan dan toch nog een prachtige winst behalen.

Neen, het eenige, wat zich met hand en tand verzetten zal tegen dien toestand, dio èn voor landbouw cu voor industrie voordeelig is, dat is die machtige, die cenigc partij, die „baissequot; wil in Djombang en „haussequot; in Soerabuja.

En eerst als die partij vernietigd is, haar invloed ontzenuwd wordt of krachteloos gemaakt, dan eerst kan die gewenschte toestand levensvatbaarheid verkrijgen.

Mucht tegen macht.

Deze vernietiging, waarmede dc welvaart of de armoede der inlandsche bevolking ton nauwste samenhangt, behoort de ernstige aandacht der Regeei\'ing bezig te houden.

Moge ook dit opstel de attentie trekken van de Kamers van Koophandel of van de Maatschappij van Nijverheid en Landbouw, opdat bekwamer mannen dan ik eene goede oplossing kunnen verstrekken, op welke wijze de hausse-en baisse partij, welke slechts eene partij is, onschadelijk gemaakt kan worden.

En niet langzamerliand, maar zoo spoedig mogelijk, want ik durf haast beweren, dat hier pcriculum in mora bestaat. De bevolking heeft haast geen draagkracht meer en spoedig zal deze zonder tusschenkomst tot nul gereduceerd zijn.

Ik als leek zou denken „stel macht tegenover macht, èn daar, waar op baisse, èn daar, waar op hausse gewerkt wordtquot;, en gedachtig aan het spreekwoord „aux grands maux les grands remèdesquot;, kan één middel direct aldocu-de werken , nl:

„ De Regeering staat yedurende eeniye jaren toe de landrente desverkiezende in natura ie voldoenquot;.

Ik zal hierover niet verder uitweiden, het idee is misschien onzinnig, en in de practijk onuitvoerbaar, maar theoretisch moet dit middel zeker tot het gewenschte resultaat leiden.

-ocr page 44-

4:gt;

Eeuc ki\'iiclitige sameuwerkiiig, eeuc coöperatie dei\' producenten , is ook nl ondenkbanr, zoo lang deze nog niet op eeue goedkoope en gemakkelijke wijze gelden kunnen bekomen, bij wijze van voorscliot of hypotheek, op hunnen grond.

Om langzamerhand den gewenschten toestand te verkrijgen, dient men de cirkelvormige beweging „armoede-lagc prijzen-grooter armoede-lager prijzen nog grooter armoede-nog lager prij\'zen-euz te stuiten.

Aangezien een kwaal bezworen moot worden door de oorzaak daarvan weg te nemen, zoo behooren wij in dit geval te trachten de toenemende armoede der bevolking te stuiten, en zoo mogelijk een weinig te verminderen. De bovenvermelde cirkelvormige beweging zal door dien lichten stoot weder aanvangen, maar nu in omgekeerde richting. Zulks zal wel zeer langzaam, maar niettemin zeker, gaan, en elke vooruitgang is reeds aanwinst.

Alles is in alles, zoo ook hier. Niet céne bepaalde zaak, neen, tal van invloeden hebben medegewerkt tot het doen dalen der prijzen, en deze hangen af van zoovele omstandigheden, dat men met «//es rekening dient te honden.

Zeer wenschelijk zoude het o a zijn, indien het volgende betracht werd;

Ie. moet de landrente juist verband houden met de thans

beerschende hige prijzen;

2c. moetcu do heerendiensten gewijzigd of opgeheven worden , of wel moet de beschikking van bet dorpshoofd over de arbeidskrachten zijner onderhoorigen beperkt worden , opdat deze meer tijd overhouden om geld te gaan verdienen bij den particulieren landbouw; Jlc. moet de particuliere industrie, in plaats van belemmering door fiscale rechten, sterke aanmoediging ondervinden, opdat zij zich kunne uitbreiden, herlcve, waar zij achteruitgaat, verrijze, waar zij nog niet gezeteld is, en in staat zij meer geld onder de bevolking te brengen, meer welvaart onder hen te verspreiden. 4c. moet het eigendom van den Javaan, dat in dc pandjeshuizen beleend is, betere bescherming genieten tegen de schraapzucht van den pachter;

-ocr page 45-

i;5

5e. moet de korticciiltiiiii\' opgeheven worden, daar waar zij ten eenenmale niet— loonend is;

Ge. moet liet zoutmonopolie zóódanig gewijzigd worden, dat deze eerste levensbehoefte, niet zooals thans, dei-bevolking drie maal zooveel kost als waarvoor de He-geering zo verkrijgbaar stelt;

7e. verdient het overweging den termijn van 31 December, wanneer de landrente geheel moet aangezuiverd zijn, te verlengen tot 1 Mei, opdat de vele personen, die werkelijk padi verkoopeu om hunne landrente te betalen, hoogere prijzen daarvoor kunnen bedingen;

8e. dient zooveel mogelijk de bevolking van Mei tot November van heerendiensten ontheven te worden, aangezien zij vooral in die maanden geld kan verdienen. en de overige maanden weinig gelegenheid daartoe aanbieden;

9e. dienen de Europeesche en Tnlandsche ambtenaren de bevolking aan te sporen, tweede gewassen van eenige waarde als tabak, indigo, enz. te verbouwen, en ei-tevens zooveel mogelijk voor te waken, dat niet dooide gedwongen diensten de gunstige tijd voor de tweede beplanting verstreken is ;

10e. dient men in daartoe gunstige streken de cultuur aan te moedigen van kostbare producten, welke nog niet de attentie der landbouwers hebben getrokken.

Vele afgeschreven koffietuinen toch in de lagere streken eigenen zich misschien voor de teelt van staartpeper of ko moekoes, welke tegen de overgebleven dadapboomen kan opklimmen.

Vele streken zouden prachtige vruehtenlanden kunnen worden, maar deze cultuur wordt haast overal verwaarloosd, ook daar, waar men dicht bij ecne hootdplaats is, en het transport langs cene rivier kan geschieden.

Eu zoo voorts! Evenwel zal niet elk dezer voorwaarden afzonderlijk bij machte zijn, die toenemende armoede te stuiten, doch ik koester alle hoop, dat eenige of alle tezamen den gewenschten vooruitgang zullen teweegbrengen.

-ocr page 46-

44

De immtconversie.

Met angstige bclangstelliug heb ik uit hoofde van het, bovcustnande kennis genomen van de in de brochure van den heer A, E. U. W. Old, en in de onlangs door de Nederlandsch Indische Maatschappij van Nijverheid en Landbouw te Batavia ingediende Memorie aan den Minister van Koloniën, voorgestelde muntconversie in Indie cn daarbij ontwaard, hoe de degelijke bewijsgronden van den heer Mr. N. 1\'. van den Berg cn Mr. F. Brooshooft niet weerlegd, maar totaal genegeerd werden.

Hoe, men wil de loonen na eenc nieuwe muntregeling hetzelfde laten blijven, terwijl alle prijzen hier ± 35 % zullen stijgen?

En deze lage loonen, die de aanvankelijke oorzaak der toenemende armoede waren, zouden dan feitelijk nog 35 % dalen?

Indien de llegeering het oor leende aan de voorstanders dezer valsche leer, zou de draagkracht dei bevolking totaal gebroken, en den laatsten knak aan den landbouw toegebracht zijn, zelfs indien aan alle in het vorige hoofdstuk gestelde voorwaarden voldaan werd.

Men beweert, dat dan de gewenschte stijging der rijst-

prijzen bereikt zou worden,.....keeren wij weder tot

onze groepenverdeeling terug.

Tracht eens aan een Inlandsch hoofd uit te leggen, wat dépréciatie van den gulden is, en aan welke oorzaken de waardevermindering van het zilver is toe te schrijven. Hij zal ja en amen op Uwe redeneering zeggen, en toch denken: „gij moogt praten, zooveel gij maar wilt; als ik maar mijn gewoon aantal guldens ontvang.

Welnu, de handelaren , die in de eerste groep , in Djom-bang, den rijsthandel in handen hebben, zijn natuurlijk zóó gek niet te zeggen „goede lieden, ik betaalde U vroeger ƒ 35 per kojang padi; maar weet gij, de gulden heeft eigenlijk dezelfde waarde niet meer als vroeger, hier hebt gij er dus ./ 47quot;. Jaren zullen die eenvoudige Javanen noodig hebben, niet om tot die ontdekking te geraken,

-ocr page 47-

4;.

want dat doen zij nooit, maar om, overal londom hen verliooging van prijs ontwarende, ook die voor hun pro-

dnet op te slaan.......ten minste zooveel, als de

gezamelijke })()gingcu der opkoopers niet lgt;ij machte zijn te verhinderen. En intnsschen zal de armoede erg toegenomen zijn. Dat is dns eene categorie van personen, die minstens gediuende een paar jaar onder de conversie zouden lijden.

Nemen wij nu Soerabaja, de tweede groep. De chinee-sehe groothandelaren aldaar, die door hun handel op Singapore, China en elders reeds lang weten, dat de dollar, een muntstuk zoo groot als onze rijksdaalder, slechts •: / 1.80 waard is, weten cr nu al wat goed de reden van. Aanstonds na de conversie zal men de rijstprijzen met een derde zien rijzen, en wie pvofiteeren er van?

Alleen de groothandelaren, die in staat zijn de rijst uit de eerste hand te koopen; doch alleen op Soerabaja zouden dan een groote honderdduizend mouschen daardoor gedupeerd zijn. Dat is nu eene tweede categorie.

Nu nemen wij een streek als Sidhoardjo èn met producenten èn met consumenten. Krijgen de eersten meer guldens in handen, de laatsten betalen daarentegen zooveel te meer. Wie maakt nu uit, of deze stijging van prijs voordeelig is?

In de vierde groep treft men personen aan, welke juist genoeg voor hunne eigene eonsumtie verhouwen, bij wie koop of verkoop zelden plaats vindt. En wat kan het hun schelen, of er daling of rijzing intreedt?

De meerdere guldens voor de uitgevoerde rijst verkregen, komen niet aan de bevolking ten goede, maar aan de uitvoerders, landeigenaren en rijsthandclaren.

En zoo is mijne conclusie, moge Java behoed worden van eene nieuwe muntregeling, en mogen bekwame mannen in geschriften niet allen klem daartegen hunne stem doen hooren.

Hijsiprijzen cn laiulrentc.

Tot beëindiging mijner studie over rijstpiijzen laat ik hieronder een hoofdstuk volgen uit mijne in de Locomotief van 17 t/m 20 October 18^7 voorkomende verhandeling van

-ocr page 48-

-Ui

HEI TEGEiWVOORIIlG LANIIIIEi\\TESïELSEl

DOOR

I.I A1TCCISTA IT.

OPBRENGST IN GULDENS DER SAWA U\'S.

( . DE 1\'A DIP HIJ Z EN.

Deu derden factor voor de vaststelling der opbrengst iu guldens vormen de padiprijzen. Ook tnsschen deze en de waarheid ligt een groote afstand

Eene gemiddelde prijsbepaling is dan ook m. i. liet lastigste vraagstuk, dat in zake de nieuwe landrentcregeling, den ambtenaren van het B. B. ter oplossing is voorgelegd.

Voor eene gansche afdeeling moest toch écu enkel gemiddelde worden vastgesteld , eu , refcreerende aan hetgeen hierboven tegen gemiddelden is te berde gebracht, zou ik kunnen beweren, dat wijl door vele lokale invloeden in de desa\'s zelf de prijzen in een zelfden tijd van het jaar, nog al uiteenloopen, het aannemen van een gemiddelde al weder een onbillijken en ongelijken druk iu de hand moet werken.

Toch zou dit minder juist zijn, want de moeilijkheden zijn hier te overwinnen, en men kan, zonder te groote onnauwkeurigheid, ecu gemiddelde berekenen, terwijl dit niet dien invloed op den druk der belasting uitoefent, als bij de .productie.

In iedere afdeeling heeft men één of meerdere pasars, waar een belangrijke handel in padi wordt gedreven , vooral in zulke afdeelingen, waar de padiprodnetie de behoefte van de bevolking overtreft. Hier komen de verkoopers van heinde en ver hunne waar te koop aanbieden; en bier ook is de verzamelplaats der opkoopei\'s van streken, waar gebrek aan het voedingsmiddel is, waar de eigen productie verre beneden liet benoodigde voor de consumtie blijft.

-ocr page 49-

17

Vooral nu met dc prijneu op deze markten liccl\'t mou rekening te houden.

Zijn do prijzen elders, in dc desa zelve, iiooger dan op de markt, dan zal de opkooper liet natuurlijk niet in zijn hoofd krijgen, zich naar dc desa\'s tc begeven, om na veel moeite, hier wat en daar wat padi opdoende, het product nog duurder te betalen, dan waarvoor het hem op de markt in ruimen voorraad wordt aangehoden. Wat blijft er dus over voor iemand, die, ver van een pasar woonachtig, zijn product te gelde wil maken? Natuurlijk niet wachten tot er eens een domme kooper in zijne desa verdwaalt, maar zelf zijn product naar de verkoopplaats brengen.

In dezen toestand verkeeren de bewoners van vele berg-distrioten, waar door meerdere schaarschte van rijst dan in dc laaglanden — meestal een gevolg van de gebrekkige irrigatie—de prijzen vrij hoog zijn; want niemand wil zijn toch reeds meestal onvoldoenden voorraad graag verkoo-pen. Doch evenmin treft men aldaar koopers aan. Dc Javaan heeft zelf padi, en heeft hij ze niet, dan vergenoegt hij zich , bij gebrek aan geld , met tweede voedingsgewassen. De erfpachters laten meestal de goedkoopere rijst uit de vlakte komen met de terugkcerende koffie- of tabakskarren. Behalve de weinigen, die zulks niet doen, zijn het enkel dc Europeesche en Inlandsche ambtenaren, die zich uit hun omgeving van rijst voorzien (aannemende n 1. dat de laatsten niet kosteloos daarvan voorzien worden). Dooide verkoopen nu van die betrekkelijk geringe quantiteiten wordt de prijs bepaald; en dat die hoog moet zijn, ligt, behalve in de schaarschte van het voedingsmiddel, tevens in de omstandigheid, dat een aanvoer uit de vlakte bij geringe hoeveelheden zeer kostbaar zou zijn, en weinig menschen zich in staat bevinden, op ééns een belangrijke som daarvoor uit te geven. Hiervan profiteert dc producent, als er vraag is naar zijn product. Maar het kan ook verkeeren.

Komt eens de nood aan den man, moot de Javaan noodzakelijk geld hebben, bijv. om belasting te betalen, nadat

-ocr page 50-

is

het dorpshoofd is aaugezet dooi\' do luluudsche ambtenaren, wat beteekent dan de vraag in het district tegenover het belangrijke aanbod?

Dan moet do padi wel van boven vervoerd worden naar de vlakte, waar groote afnemers zijn. En hier maakt dc verkooper veel lagere prijzen, maar bovendien moet hij nog ongeveer een kwartje per pieol aan transportkosten betalen. Ook is hij met zijn tocht eenige dagen kwijt, als men het „time is money \' van toepassing acht op den Javaan.

Feitelijk beteekenen dus de hoogere prijzen niets, want op weinige uitzonderingen na, kan men daarvan niet pro-fiteeren. Ondanks de schijnbaar hooge prijzen in het gebergte of op andere plaatsen, moet men voor den gemiddelden prijs aannemen die van de pasars in de vlakte, nog verminderd met de transportkosten en het tijdverlies.

Daartegenover staat, dat hetzelfde ook geldt voor desa s, alwaar een overvloedige productie de prijzen gebracht heelt beneden die van de groote markt.

Dus, dc korte zin van bovenstaand betoog is, dat de gemiddelde padiprijs steeds moet blijven onder dien van dc markt, terwijl het hoeveel afhangt van allerlei omstandigheden , die en op de transportkosten , èn op het tijdverlies van invloed zijn.

Nu rijst nog de vraag, hoe op zekere markt de gemiddelde prijs bepaald moet worden.

Een ieder Aveet, dat aanstonds na den oogst de prijzen het laagst zijn, dat ze langzamerhand stijgen, tot ze ongeveer een maand vóór den nieuwen oogst op het hoogst zijn. Deze groote prijsverschillen treft men over geheel Java aan.

Dc ambtenaren van den heer Gelpke nu hebben nagegaan hoeveel in elke maand van het jaar de prijs bedroeg, men telde die prijzen op en verkreeg door 12 gedeeld een gemiddelde. Nemen wij een voorbeeld uit dc goedkoope streken.

-ocr page 51-

ID

Padiprijzen

in Januari

/

2.50

})

Februari

gt;gt;

2.75

i)

Maart

) y

2.75

gt;gt;

April

yy

2 25

1)

Mei

yy

1.50

igt;

Juui

yy

1.25

yy

Juli

yy

1.20

yy

Augustus

yy

1.30

yy

September

yy

1 70

yy

Oetobcr

y y

1.80

yy

November

yy

2.—

yy

December

yy

2.25

Tezamen

f

23.25

Door 12 gedeeld, verkrijgt men tot gemiddelden prijs per picol / 1.94.

Maar men heeft daarbij schier algeiiuen een eardinaal punt uit het oog verloren, en dat is:

„dat de landrente betaald wordt na den oogst, dus te beginnen met Mei of Juui, en geheel aangezuiverd moet wezen tegen medio December.quot;

Het zijn dus enkel de prijzen in die maanden, waarmede men rekening moet houden , en volstrekt niet die in de overige vier maanden, welke juist de duurste zijn. liet gemiddelde in de maanden Mei tot en met December zou , volgens bovenstaande noteenugen, slechts 1 ƒ 1.60 bedragen. Dus is de berekening ongeveer 20 % te hoog. Deze fout is bijna overal begmui.

-ocr page 52-
-ocr page 53-

BESCIÏOUVViNGEN

OVER EEN

-ocr page 54-
-ocr page 55-

HESCHOUWINGEN

over ken

LANDRENTESTELSEL.

-30C--

La ouitique est aisée, maïs l\'aut est difficile.

Nog altijd geen vaste regeling! Nog altijd moeten ile onder den heer Gelpke opgemaakte landrenteleggers tot leiddraad blijven dienen! Maar men weet immers wel, het is reeds van /,00 verschillende zijden betoogd, dat het tegenwoordige stelsel niet voldoet, (lat de landrente te hoog is, dat zij veel te drukkend is voor den kleinen mau! Kan men nu niet eens een ander stelsel verzinnen? Mij dunkt, dat is toch zoo moeielijk niet! Kijk eens, als men daarvoor aannam, hm.....als men, . . ja, als ....

Zidke uitroepingen, gezegden in dien trant, hoort men zoo vaak uiten; men moppert, men verwerpt, maar indien men vraagt voor het afgekeurde een ander beter stelsel voor te stellen, dan staan de meeste mot den mond vol tanden, en doen U aanstonds denken aan de „beste stuurlui aan walquot;.

Anderen geven voor de vuist weg een stelsel aan, waarvan men reeds aanstonds inziet, dat „le mieux est souvent rennemi du bienquot;.

En de bescheidene onder de mopperaars antwoorden dat zij zelf er nog niet over hadden nagedacht, dat zij er ook niet voor waren aangesteld, maar wel de Hoofdinspecteur Knneman ; en dat zij niet begrijpen, hoe een kundig man als deze, die kon voortbouwen op de uitvoerige en belangrijke gegevens van iemand, die /,00 goed op de hoogte was van de inlandsche huishouding als dc heer Sollewijn Gelpke, niet aanstonds met een practisch, rechtvaardig en goed afgewerkt voorstel kon voor den dag komen.

-ocr page 56-

Ik erken eerlijk een korten tijd tot die mopperaars behoord te hebben; do zaak was te verleidelijk, daar niemand U tegensprak. Doch toen ik eens ernstig er over nadacht, of zoo\'n regeling wel zoo gemakkelijk te ontwerpen was, kwam ik al meer en meer tot de overtniging, dat „hoe klaarder de zaak U voor oogen staat, hoe duisterder zij wordtquot;, en dat het „la critique est aisée, l\'art est difficilequot; ook van toepassing is op inijiie bespreking van „liet tegen woordige Landrentestelselquot;, welke als hoofdartikel voorkwam in de Locomotief van 17 t/m 19 October 1887.

Oehrekeu van liet tegenwoordig Landrentestelsel.

Van mijne afbrekende cvitiek neem ik niets terug; in het kort laat ik hieronder do gebreken volgen, welke dat stelsel aankleven, en welke ik in bedoelde verhandeling uitvoerig aantoonde.

a. Het beginsel der tegenwoordige helling, met uitzondering der kringenverdeeiing, is zeer gelukkig gekozen, maar de uitvoering daaavan laat zeer veel te wenschen over, hetgeen te wijten is aan den haastigen spoed der onderzoekingen en aan het aannemen vun onjuiste cijfers.

ft. Dc padiproefsneden verdienen weinig of geen vertrouwen, daar de controle daarop alles te wenschen overliet, c. De kringenverdeeiing is zeer willekeurig gemaakt, en wat de zoogenaamde nauwkeurigheid te beteekenen heeft, kan blijken uit het feit, dat het bergdistrict Kaudaugan (afdeeling Loemadjang) met slechts 21. des-sas in kringen is verdeeld, terwijl er in het district Modjoagoeng (afdeeling Djombang) met 308 dessas er slechts drie worden aangetroften.

(f. De gehouden padiproefsneden dienden niet, om bij gelijke bevindingen eenige desstis samen te voegen, doch om , na eene voorafgaande verdeeling in kringen , afgaande op eenige algemeene omstandigheid (als moe-

-ocr page 57-

0 O

rassighcki, kalkachtigeu bodem, enz), voor een kriug de gemiddelde padiopbrengst vast te stellen, liet is duidelijk, dat liet wezen der zaak dus geheel is omgekeerd , en de bedoeling, die op den voorgrond stond , nl de landrente zooveel mogelijk gelijkmatig te doen drukken, geheel voorbijgezien is. Waarom, als men het aldus wilde aanleggen, die kringenveïdeeling niet eenvoudig achterwege gelaten, en zich gehonden aan de reeds bestaande in onderdistrieten, en dan daarvoor gemiddelden berekend? Dat lag meer voor de hand, en hield lang zulke bezwaren niet in.

Door hot aannemen van gemiddelden lokt men het zeil\' uit, dat in de ééne dessa de druk veel zwaarder is dan in de andere.

Daarom dient de kringeuverdeeling te vervallen, en elke dessa afzonderlijk beschouwd te worden.

Daar voor elk der drie grondsoorten in eene dessa een verschillend productiecijfer is aangenomen; daar uit den aard der zaak slechts liet dorpshoofd cenigszins in staat is op te geven , hoeveel bouws tot elke soort dienen gebracht te worden; daar eindelijk deze opgaven in geenen de.ele te controleeren zijn, en dus eene eenvoudige verklaring van het dorpshoofd als zuivere waarheid dient te worden aangenomen, komen wij tot de conclusie, dat deze tweede factor voor de opbrengst in guldens der sawahs mede niet strekt tot navnv-keurige bepaling daarvan.

Deze ouderscheiding in drie soorten dient geheel te vervallen, en vermits zij van geen practisch nut is, (daar de omslag der belasting in de dessa toch niet naar de, het dorpshoofd onbekende cijfers plaats grijpt) en slechts lastige berekeningen voor den legger ten gevolge heeft, is het m i. verstandiger, geheel hiermede le breken, en zich te houden aan ééue gemiddelde productie voor de dessa. Ouder de factoren tov berekening der geheele padiopbrengst heeft men dan slechts te maken met één enkelen, die niet volkomen vertrouwbaar is.

-ocr page 58-

56

Bij de tegeuwoordig gevolgde wijze moet men daarentegen rekening houden niet zes onnauwkeurige groot-beden, nl de gemiddelde cijfers voor de productie en de uitgestrektheid van elk der drie grondsoorten.

(j. Over den derden factor, de padiprijzen, leze men liet laatste hoofdstuk mijner studie over rijstprijzen.

h. De productie der erven is haast overal veel te hoog geschat; maar hoe bar de cijfers daarvoor ook mogen lijken, slechts zeer weinigen zijn daarvan het slachtoffer. Zulks is te danken aan de toepassing dezer belasting, waardoor voor erven van geringer uitgestrektheid dan een kwart bouw geen belasting verschuldigd is, en erven van grootereu omvang vrijstelling genieten voor een kwart bouw.

Een erf van bijv. 130 Q R. Roeden (1845 M2)

betaalt belasting voor 5 [j R. H, bedragende bij een percentage van 10 en een geforceerde opbrengst van ƒ 100. per bouw, tien cents \'s jaars.

Strookt deze opvatting wel met de bedoeling? Waar sawahs en tegals noodzakelijk vermindering behoeven, zal eene verhooging der ervenbelasting door niemand gewraakt worden.

i. De percentages houden lang niet overal rekening met den meer of minder gnnstigen oeconoinischen toestand der streek.

/. Met de perequatie is zoo handig omgesprongen, dat terwijl in 1883 na aftrek van afschrijvingen en vrijstellingen dc landrente ƒ 17.271.411 bedroeg, zij in 1884 met eene vermeerdering van meer dan twee millioen steeg tot ƒ 19.305.002.

/■, Ue landrenteleggers wijzen veel lagere percentages aan, dan vroeger, toen de druk der landrente algemeen als zeer zwaar bekend stond. Dus was door de perequatie een verminderde druk verkregen (volgens de staten altijd) iu weerwil van eene belangrijk vermeerderde belasting bij aanmerkelijke daling der prijzen.

-ocr page 59-

51

l. Deze tegcustrijdigheid is mogelijk geweest, doordat bet percentsgeeijfer het quotient is van eene deeling, waarvan de opbrengst iu guldens de deeler, en het bedrag der landrente het deeltal is.

Het eerste, het quotient, moest dalen, dat stond Hink, logenstrafte een elk, die het beter meende te weten, en legde het stilzwijgen op aan hen, die het de Regeering te lastig maakten.

Het bedrag der landrente, het deeltal, moest minstens constant blijven, zoo mogelijk hooger opgevoerd worden (en die mogelijkheid is schitterend bewezen).

Natuurlijk bleef er niets anders over, dan den deeler door allerlei goocheltoeren zoo hoog mogelijk op te drijven. Eu dat is dan ook met succes volbracht, terwijl bovendien de nationale rijkdom, de productiviteit van Java, een elk verstomde, en leidde tot verbazing over de vroegere onwetendheid en bewondering over de ontdekking.

De slotsom mijner verhandeling moest natuurlijk wezen, dat zonder deze fouten het stelsel beter zou wezen, en ik was zeer verblijd door de gedachte, dat bet vraagstuk cener billijke landrentercgeling afdoende door mij opgelost was.

Dan, een weinig dieper nadenken sloeg al spoedig deze illusie den bodem in, en gaf mij de overtuiging, dat mijn voorstel wel tot betere resultaten zoude voeren, maar ook, dat daardoor geen strikte rechtvaardigheid, geen gelijkmatige druk verkregen kon worden.

Pnrtiprijzon als maatstaf der landrente.

Zie, oogenschijnlijk is het zoo rechtvaardig mogelijk vast te stellen, dat de landrente zal zijn een zeker percentage van het geldswaardig bedrag der productie; en men zou er misschien op durven te zweren, dat als en in Sidho-ardjo en in Djombang de productie per bouw sawab 40 pikoel padi bedraagt, als de prijzen resp. / en / 1.50 zijn, en er in de eerste afdeeling / 1(5 landrente wordt geheven tegen slechts ƒ 8 in de laatste, dat dan de druk even zwaar is, aangezien hier slechts de helft wordt out-

-ocr page 60-

58

Vangen van hetgeen daar de landman voor zijn padi verkrijgt.

Nu treft men echter vele dessas in Sidhoardjo aau, waar het aandeel van den deel gerechtigde in de gemeentelijke sawahs slechts een halve bouw bedraagt, waarvan hij dus hij eene productie van 40 pikoels padi per bouw slechts 10 pikoels rijst verkrijgt.

In een jaar behoeven hij en zijn geziu 1 IS\'/j pikoel rijst, dus meer dan zijn sawah hem opbrengt; dus zal hij van zijn rijst niets verkoopen.

Hetzelfde is in Djomhang ook het geval; en wat zien \\vij dus?

Om enkel zooveel rijst te verbouwen, als zijue behoefte vereischt, of anders, voor het recht om enkel in zijn levensonderhoud te voorzien, betaalt een landman in Sidhoardjo ƒ 8,—\'sjaars, en in üjombang / 4.

Daar zij om hunne landrente te betalen, als koeli moeten gaan werken, moet de eerste a 30 cents per dag 26 dagen arbeid verrichten en de laatste slechts 3.

Nog meer valt het onbillijke op, waar (zoonis in Waroe, naar ik gehoord heb) de aandeden slechts een kwart bouw groot zijn, en dz 5 pikoel rijst produceeren. De bezitter dient er dus nog rijst bij te koopen, en deze hooggeroemde hooge prijzen, die do reden zijn van de opgevoerde belasting, zijn dus juist tcf/cn den producent gekeerd; deze moot er juist onder lijden.

Ik vermeen dus met allo reden te mogen twijfelen of het wel rechtvaardig is, al bedraagt dc gemiddelde padi-prijs ook / 3, deze prijs als maatstaf aan te nemen voor de bepaling der landrente:

Ergo deugt ook dit stelsel niet in olk opzicht.

Ontwerp Landrente - Ordonnancie ran rim heer Gelpke.

Volgens dit ontwerp 1 zal geheven worden:

1

Hiervan treft men in de Indieclio Gids van Jnnnari en Februari jl. een ciitiek aan van den Oud-Inspccteur Wessclt.. Over de theoretische verdienste van het stelsel kan ik echter geeu oordeel velleu.

-ocr page 61-

59

le. eeu vast recht vau / 2 per bouw voor velden, die geirrigeerd kunnen worden, en van / 1 voor gronden, welke van den regen afhankelijk zijn; eu. 2e. een gedeelte, varieerende van 8 tot 10 percent van de gemiddelde opbrengst na aftrek der productiekosten.

Als men nu evenwel bedenkt, dat de gegeveus, welke voor de thans heerschende regeling benoodigd zijn , reeds zóó willekeurig en onjuist zijn , en bij het nieuwe ontwerp men nog bovendien te doen krijgt met nieuwe percentages en productiekosten; dat men dus een vraagstuk uit te werken krijgt met nog meer onbekenden eu onnauwkeurige grootheden; dan kan ik begrijpen, dat men zoo\'n ontwerp idet aandurft, dat men huiverig bedenkt, dat elke verandering nog geen verbetering is.

Kadastrale en Statistieke Opname.

in weerwil van degenen, die zooveel heil verwachten van eene statistieke opname der bouwvelden op Java, beweer ik, dat deze arbeid onduurzaam, en in vele streken volkomen nutteloos zou zijn, vooral daar, waar pegagans worden aangetroften.

Stel eens, dat de pegagans van eene dessa met 60 grondbezitters zullen opgenomen worden. De gronden grenzen niet aan elkaar, elk landbouwer heeft drie of vier plekken, welke hij beurtelings bebouwt. Er zijn er dus ongeveer 200, die opgemeten moeten worden.

Volgens eene circulaire van den Directeur van Binnen-landsch Bestuur behoeven de door de bevolking geoccupeerde gronden.niet afgebakend te worden, hetwelk ook een nutteloos, onbegonnen werk zou zijn, aangezien niemand er toezicht op kan houden.

Men stelle zich nu de taak eens voor van den landmeter, die met de opmeting belast is; hoe hij eerst de 200 plekken moet opsporen, welke links en rechts verspreid liggen, waarvan sommige zich diep in het bosch, verre van do dessa bevinden; anderen door het braakliggen gedurende

-ocr page 62-

lt;50

twee ol\' ilrie jaren zoo geheel met kreupelhout bedekt zijn, dat uieu waarlijk met weet, of zij al dan niet tot bouw-groudeu dienen gerekend te worden; terwijl er vast nog enkele plaatsen zullen voorkomen, waarvan het dessahoofd zelf met eens zeggen kan, of zij wel kennelijk verlaten zijn, aangezien de bezitter wel is waar een jaar geleden vertrokken is naar eene andere dessa, maar misschien nog kan terugkomen.

Docli nemen wij eens aan, dat die ingewikkelde zaak tot alier voldoening is opgelost, en de uitkomst is, dat de uitgestrektheid pegagans 2UU bouw bedraagt. Nu verhuizen drie lanaüouwers, zij verlaten de dessa, negen plekken bouwvelden zonder bezitter achterlatende. De eerste twee jaren kan men ze, hoewel oubeplant blijvende, nog bouwvelden noemen, maar dan treedt een toestand in, dat de gronden kennelijk verlaten zijn, en meer op bosch gaan lijken. Zij dienen geschrapt te worden uit de uitgestrektheid bouwgronden, maar wie doet de opmeting der negen plekken? Men kan toch niet bij elke verhuizing van een landbouwer een landmeter naar de dessa sturen! Mijn conclusie is, dat de kostbare en lastige opmeting reeds binnen weinige jaren alle aanspraak op nauwkeurigheid moet verliezen,

Üocli reecis van den aanvang af heeft de gansche opmeting geen jjructisch nut.

De bevolking betaalt slechts belasting voor de velden, die üeuouwd zijn geworden; dus bovenbedoelde dessa voor circa /U bouw. Men heeft dus jaarlijks alleen na te gaan, wat ueplant is geworden, en heeft gansch niets uit te staan met die zoo nauwkeurig opgemeten totale uitgestrektheid velden. Blijkt hieruit niet duidelijk het onnutte der opname?

Jaarlijks wordt een door den Wedono en Assistent-We-dono onderteekend proces-verbaal ingediend, waarin zij verklaren, dat zij overal in de dessas zijn rondgeweest, en bevonden hebben, dat er zooveel bouw gronden onbeplant gt;.ijn gebleven, welke in aanmerking komen voor eeno af-sch.ujving van landrente.

-ocr page 63-

Waarom toch vergt men zulk ccne leilgeuachtige verklaring van de inlandsche ambtenaren? Men kan immers toch wel nagaan, dat zij die duizenden onbeplante en reeds met alang-alang en rimboe begroeide plekken onmogelijk bezocht en opgemeten kunnen hebben; dat zulk eene jaarlijksehe opgave voor elk dessa hoofd apart reeds ondoenlijk is?

Weet men, wat het gevolg soms is van dergelijke opgaven? Dat sommige Controleurs en Aspirant-Controleurs ze vertrouwen, dat ook de door het districtshoofd opgegeven uitgestrektheden voor afschrijving voorgesteld worden, en dat men feiten ontdekt, als volgt.

Voor eene dessa is in den legger landrente berekend voor 200 bouw.

In de maandstaten der Wedonos wordt ook opgegeven , hooveel bouws in elke maand beplant zijn geworden. Deze opgaven zijn verkregen van de dorpshoofden, en die onnauwkeurige gegevens worden een weinig verbeterd door den mantri aër. De netto landrente der dessa moet natuurlijk over deze uitgestrektheid berekend worden, en mitsdien wordt een der leden van het dessabestuur in de eerste maanden van het jaar belast met de opmeting in het ruwe van de beplante gronden. Zulks kan lang duren, maar houdt toch geen practisch bezwaar in.

Een ieder begrijpt nu, dat de beplante uitgestrektheid, waarvan de netto landrente betaald wordt, gevoegd bij de in het procesverbaal van afschi ij ving opgegeven onbeplante velden, natuurlijk gelijk moet zijn aan de totale uitgestrektheid pegagans waarvoor in den logger de (bruto) landrente is berekend, dus in casu 200.

Welnu, ik deel hierbij als waarheid mede, dat ik zelf menigmaal cijfers heb aangetroffen, als volgt:

Dessa A. \' in 18h3 1884 1885 1886

licplaiilfi velileu 70 (58 75 7:)

oulieplaiile veldcii i b5 j 110 i 71 | 92

tolale uiigcslrckllieid : 155 i 178 MO 165

-ocr page 64-

02

Behalve, dat lueu hieruit ontwaart, dat de Controleur geen goed inzicht van de zaak had, blijkt er duidelijk uit, dat door de dessa A in ls83 voor bouw, in 1884 voor 22 bouw, in 1885 voor 54 \'bouw en in 1880 voor 35 bouw te veel landrente heeft betaald, en dat mitsdien do landbouwer nu eens ƒ 4, dan ./\' 5, dan weer J per bouw pegagan moest betalen.

Is het nu niet eenvoudiger in zulke streken den Wedono te vragen, hoeveel bouw» er bvplanl zijn geworden , en zelf de uitgestrektheid te berekenen , waarvoor afschrijving van landrente dient te worden verleend?

En is het nu ook niet duidelijk , dat het eijfer van 200 bouw, dat met zoovele moeielijkheden verkregen is geworden, met sueeès vervangen kan worden door elk willekeurig getal als 100, 110, enz dat eenigszins hooger is dan het grootste aantal bouws, dat in de laatste jaren in die dessa beplant is geworden?

Eene statistieke opname in de dichtbevolkte laaglanden . waar de geabandonneerde gronden aanstonds door andere lieden geoccupeerd worden, heeftontegenzeggelijk meer en duurzamer nut; maar toeh zal zij ook hier na verloop van jaren onbetrouwbaar zijn geworden door dc hervorming van erven in tegals en omgekeerd, of van tegals in sawahs. En daarom juist wettigen de betrekkelijk geringe onnauwkeurigheden der in 18N2 en 1883 door de controleurs en inlandsohe ambtenaren gedane opmetingen n b. m. geenszins eene zeer kostbare eu tijdrjovende statistieke opname, waarvan de urgentie aan twijfel onderhevig is, de duurzaamheid slechts betrekkelijk kort is te noemen.

Berelieiiing der opbrengst in guldens der pegagans en tegalans.

in sommige residenties komen de pegagans en tegalalis veelvuldig voor.

Beschouwen wij nu eens een streek , waar individueel grondbezit heerseht; Waar naast de Javaansche landbouwers ook vele Madocrcesehe gevestigd zijn, eu waar veel tabak wordt verbouwd.

-ocr page 65-

fi3

Men neeuit min of weer willekeurig aan, dat er 100 houw pegagans zijn.

De Madoereezcn planten in den Westmoesson djagoeng, de Javanen padi als eerste gewas. Hoe nu te handelen?

Of wol allo 100 houw beplant worden , doet niets terzake , dat zal men wel met de afschrijving vinden. Maar hoe de opbrengst in guldens te berekenon? Alleen djagoeng rekenen? of rijst? of allebei? \'t spreekt van zelf, dat naar gelang van bet aantal Madoero/.on of Javanen meer of minder van één dier gewassen zal verbouwd worden. Men hakt den knoop door, en neemt bijv de helft aan voor ieder.

Maar nu de kostbare tabak? Hoeveel bouw daarvoor aan te nomen? De petinggi /.egt, dat er soms ö houw, soms 10 en soms 15 bouw met tabak als tweede gewas beplant worden. Nu, dan zal men maar 20 houw aannemen.

En nu de andere tweede gewassen, waarmede de gronden voor de tweede maal beplant worden?

Die moeten maar genegeerd worden, elders rekent men daar wel 10 of 20 % voor, maar dat zon dan in casu te ingewikkeld worden.

Nu volgt de berekening:

50 bouw padi a 35 pikoel a ƒ 2—. . . . f 3500 50 „ djagoeng a 10 mille a ƒ 1.50. . . ,, 1200

20 tabak a 10 mille a f 12.—.....2400

Totaio opbrengst der guldens der pegagans ƒ 7100, en nu leest men in staat /. Z. dat hij een pereentage van 10 de belasting f 710 bedraagt, dus per bouw ƒ 7.10.

Men ga nu eens na, wat de controleur doen moet, indien hij uit des Wedouo\'s proces-verhaal van onheplant gebleven gronden bemerkt, dat er 43 bouw onheplant zijn ueblevon.

Do Controleur, die de opbrengst berekend heeft, kan eenige aanteekeningen over de becijfering gemaakt hebben , maar zijn opvolger kan uit geen enkelen staat te weten komen, hoe men aan dit eindcijfer is gekomen. Hij stelt dus eene afschrijving voor van 43 X ƒ 7.10 en dc netto-belasting dor dessa wordt vastgesteld op 57 gt;\' / 7 10 .; / 404.70.

-ocr page 66-

01

De werkelijke aanplant was bijv als volgt:

20 bouw padi a 35 pikocl a / 2.—.....ƒ 140U

37 „ djagoeng fi 16 mille a / 1.50 ..........888

ü „ tabak a 10 mille a ƒ 12.—.....1080

Totale opbrengst üi guldens / 3308, waarvan slechts ƒ 330.80 belasting verschuldigd is, of ƒ 08 minder dan wat zij feitelijk betaalde De geheven landrente is dan ± 20 % te hoog.

Het bovenstaande dient slechts als bewijs, hoe willekeurig en onzuiver vaak de heffing geschiedt.

Omslag iu lt;le (lessa.

Het dorpshoofd, dat geen inzicht krijgt van de becijferingen, dat niet begrijpt hoe de uitgestrektheid onbeplante velden wordt berekend, en dat dus de netto-landrente zijner dessa niet eens weet, en zulks eerst bij het einde van het jaar te hooren krijgt; dat dorpshoofd nu is met den omslag in de dessa belast van het hem nog onbekende bedrag der landrente.

Iedereen zal aanstonds inzien, dat men voor dc uitvoering van een dergelijke taak lang «iet dom moet zijn. Maar die taak, welke voor den beroeuulsten tinaucier eene onmogelijkheid is, houdt voor het dessahoofd volstrekt geen bezwaar in Ziehier ongeveer zijn gedachtengang:

Verleden jaar, toen ik er nog maar een slag in moest slaan, liet ik iedereen, die tabak verbouwde / 1.50 voor elke duizend planten betalen , en alle pegagan bezitters ƒ ö per bouw, onverschillig of de velden met de goedkoopo djagoeng of met de duurdere padi beplant waren, want met zulke kleinigheden kan ik mij niet inlaten (dit is een feitl. Toen hield ik op het eind van het jaar, na afdraging bij den Onder collecteur van het netto-bedrag der landrente, nog bij toeval (?) ƒ 100 over. Daar had ik er dus haast op toe moeten leggen; dus, je kunt nooit weten, hoeveel wij dit jaar moeten betalen, ik zal nu maat voor alle securiteit / 5.25 vragen voor een bouw pegagan en

-ocr page 67-

05

/ 1.75 voor de duizend tubaksboouieu. Bovendien moet mijn zoon het volgend jaar besneden worden.quot;

Dat jaar houdt de petinggi weer bij toeval over, maar nu ƒ 150, en zoo gebeurt liet zeer vaak.

Ik zelf heb het bijgewoond, dat na ecne belangrijke reductie der landrente, welke in een koempoehin in de kawedanan aan de dorpshoofden was medegedeeld, de bevolking van vele dessas daarvan onkundig werd gelaten, zoodat zij dezelfde belasting als tevoren moest opbrengen , en de reductie door de petinggis werd opgestoken.

Hoe zulks mogelijk was?

Leg een belasting maar eens uit aan eene bevolking, die zóó dom is, dat zij niet weet, hoe groot ecu bouw is, voor wie deze maat onbekend is.

Vroeg ik aan iemand, hoe veel oppervlakte zijn pegagan had, dau heette het bijv. 7 tiban 5 tjeklek. Eerst moet men maar weten dan een tiban 5 Roe en een tjeklèk \'/j ^ÜC lang is, maar nu geef ik toch aan ieder tc raden, wat zulks beteekenen moet, dat ecne oppervlakte met een lengtemaat wordt aangegeven.

De beteekenis van 7 tiban 5 tjeklèk is, dat tic Oostelijke plus de Zuidelijke grens van het veld tezamen zoolang is, dus bijv. 4 tiban 1 tjeklèk en 3 tiban 4 tjeklèk, of 3 tiban .\'3 tjeklèk en5 tiban 2 tjeklèk, enz.

Heb nu maar eens eene voorstelling van de oppervlakte, vooral als men niet weet, of de vorm een rechthoek, ecu trapezium, een paralellogram of iets anders is!

Wat geeft het zulken geleerden mede tc deelen, dat zij voor een bouw slechts bijv. ƒ .\'5 verschuldigd zijn?

Maar die fraudes, denkt gij, kunnen licht ontdekt worden door dc bedragen, welke op de gezamelijke pipils zijn genoteerd, op te tellen en te verifieeren met de bij den Onder-Collecteur gestorte belasting.

In de ééne dessa komen geen pipils voor, en het dorpshoofd verontschuldigt zich met dc bewering, dat hij lezen noch schrijven kan.

In eene andere dessa begint men wel daaraan, maar

-ocr page 68-

sulieidt er gauw mee uit; de petinggi heeft niut altijd tijd zich niet dergelijke beuzelachtige zaken bezig te houden.

Weer elders noteert de petinggi of de dorpsschrijver een verkeerd bedrag op de pipil, en de domme Javaan weet daar niets van, totdat bij een onderzoek zulks toevallig blijkt.

Al lieeft een Controleur benevens de Wedono ook de heilige overtuiging dat de petinggi of loerah zich huulren-tegelden heeft toegeëigend, nooit of zelden kan hij achter het ware bedrag van den diefstal komen, en voor den Landraad verschijnende wordt do beschuldigde dan nog meestal vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigende bewijzen.

In vele lage streken, waar de dichte bevolking genoopt heeft, alle gronden in bebouwing te brengen, en zoo mogelijk in sawahs te herscheppen, gaat de omslag heel eenvoudig, daar waar gemeentelijk bezit wordt aangetroffen.

/00 zag ik in de afdeeling Djombang menigmaal, dat als de landrente ƒ 320.— bedroeg, en het aantal deelge-rechtigden in de gemeentelijke sawahs 40, elk hunner ƒ 8 moest betalen; en dat de erven en de weinige togalans ecuvuudig belastingvrij bleven.

Hoe vreemd zulk een hoofdelijke omslag ook moge schijnen, sluit hij billijkheid en rechtvaardigheid volstrekt niet buiten.

In vele dessas vindt men eene onderscheiding der deel gerechtigden in gogol ngarep en gogol boeri, waarvan de eerste bij de jaarlijsche verdeeling de keuze hebben der gronden, maar den laatsten wel is waar gronden van mindere hoedanigheid worden toegewezen, doch daarentegen ook van meerdere uitgestrektheid. Door eene dusdanige regeling wordt betracht, aan ieder eene ongeveer gelijke productie te verzekeren , zoodat derhalve eene gelijke belasting voor ieder ook billijk is.

Slechts de weinige erfbezitters, die geen landbouwer zijn, eu de eigenaren van tegalgronden, welke in Djombang echter weinig worden aangetroflen, worden door deze regeling bevoordeeld.

-ocr page 69-

07

Aangezien nu in Djorabang door de goede irrigatie haast nooit gronden van landrente behoeven vrijgesteld te worden wegens misgewas of onbeplant- blijven, kan de bevolking indien de Controlear haar hare belasting opgeeft (na aftrek der landrente voor gronden, welke op hoog gezag met suikerriet beplant zijn), aanstonds zelf uitrekenen, hoeveel een ieders aandeel bedraagt. Knoeierijen en afzetterijen van den loerah kunnen dus niet geschieden zonder medeweten van den kleinen man, en als deze zwijgt en geen klacht indient, is het zijn eigen schuld.

Toch ziet men dit vaak, en is dit stilzwijgen te wijten aan de vrees, die men koestert voor het dessahoofd en voor zijne macht, de bevolking naar willekeur onbetaaldeu arbeid te doen verrichten. Als ééns eenige lieden, doordat de boog te sterk gespannen werd, hunne vrees overwonnen hebben en een aanklacht wagen, dan komen er op éénmaal zoovele vexaties aan het licht, welke tot vijf, zes jaren geleden gepleegd zijn, dat men tot het inzicht komt, dat, al hoort men er niet veel van, in de inlandsche maatschappij vele vuile zaken en rotte toestanden worden aangetroffen.

Aan de knoeierijn in zake landrente kan n. b. in. niet anders paal en perk gesteld worden, dan door de dessa-hoofden te ontheffen van hunne bemoeienis met den omslag en de inning. en daarmede bezoldigde inlandsche ambtenaren te belasten (onder den titel van mantri padjegbijv), welke niet de geringste macht over de bevolking uitoefenen.

Keno laudrenteregoliüg.

Wat is eene goede landreiiteregeling ? Waarom noemt men die van Britsch-Indie zoo voortreffelijk? Omdat daar de grondslagen zoo gelukkig en billijk gekozen, en zoo zuiver berekend zijn?

Mijns inziens enkel, omdat daar de belasting zoo laag is, nl ongeveer een derde van hetgeen gemiddeld op Java geheven wordt.

-ocr page 70-

08

Indien Java\'s kadrente getierceerd ware in den tijd der batige saldos, toen zulks nog licht kon geschiedeu, zonder dat de uitgaveu de mkomsteu behoefden te overtreffen, dan bad ik dien maatregel timk en rechtvaardig gevonden. Maar doet men het in den tegenwoordigen tijd, dan blijft de handeling wel is waar humaan, maar is zij noch verstandig noen politiek.

Het is zoo licht te zeggen: „de kofliecultuur geeft in menige streek een onvoldoend loon aan de planters, zij verarmt do bevolking; dus weg er mee;quot; of: „de verder-velijlce opmmpolitiek richt de bevolking te gronde, weg daarmede 1quot; enz.

Ifet is waar, en een ieder moet zulks beiimen, de be volkuig zoude door de ophelfiug enorm gebaat zijn, maar dat neemt toch niet weg, dat deze baten vooreerst nog onmisoaar zijn, dat liet gemis daarvan tot een bankroet moet leiden.

„Jaquot;, werpt men U tegen, dat komt, doordat vroeger

liet afkeuren en schelden op hetgeen vroeger gedaan is, brengt ons geen stap verder. De nieuwe landvoogd staat voor liet feit. dat overal hervorming uoodig is, maar deze niet tot stand kan komen, zonder dat de verhouding tus-sclicn inkomsten en uitgaven immer ongunstiger wordt.

En zoo kan de bekwaamste financier, de kundigste Hooidinspecteur geen yovde landrenteregeling verzinnen, zoolang zijne tuuuleu door eeu door de Regeeriug vastgesteld mmimumoedrag geOonden zijn.

Vergt deze bijv. 15 millioen, dan kan de Hoofdinspecteur uileen nog tracluen, deze belasting zoo billijk en gelijkmatig mugcujk te doen drukken.

iiuliea ziuk.s met guustigen uitslag bekroond wordt, is dan de regeling niet goed, alleen wijl het totaal te hoog is?

En indien de strikste rechtvaardigheid betracht is, moet dan de regeling verworpen worden ais een prul, wijl de daardoor verkregen cijfers belangrijke verschillen aanwijzen met di\' vroegere belastingeijfers ?

-ocr page 71-

na

Ik moet hierbij onwillekeurig deuken aan de algemeeue veroordeeling van de landrenteordonnanc.e van 1872, in het bijzonder aan hetgeen de heer Mr. P. Brooshoofl in zijne Memorie daarover mededeelt.

„De hoofdfont van de ordonnanoie van 1872, was, dat „zij hoegenaamd geen rekening hield met de bostamde „toestanden.

„De te Batavia uitgedachte grondslag voor de belasting „kwam zoo weinig overéén met het tot heden geheven en „werkelijk—niettegenstaande de theoretische zwakheid van „het admodiatiestelsel — vrij billijk cijfer, dat zulk eene „plotselinge verandering in eeu land als Java en trouwens „in ieder ander land, kort en goed onuitvoerbaar was.

„In dit benarde geval werd als altijd een uitweg gehouden. De cijfers van padiprijzen en brnto-opbrengt der „gronden, die eigeulijk naar het gemiddelde der laatste „drie jaren hadden moeten worden berekend, werden door „de meeste Controleurs en hoofden eenvoudig zóó gesteld , „dat de daaruit voortvloeiende classificatie, door vijf gedeeld, „ongeveer juist het oude aanslagcijfer opleverde.quot;

Ik wil volstrekt niet de grondslagen dier ordonnancie verdedigen, maar wel twijfel ik aan de waarde van bovenstaande redeneering, en wijl op dezelfde gronden ook een strikt rechtvaardige regeling kan worden afgemaakt, zal ik trachten het onjuiste daarvan aan te toonen.

liet uitgangspunt, de basis der redeneering is „het tot heden geheven, en werkelijk—niettegenstaande de theoretische zwakheid van liet admodiatiestelsel—vrij billijk cijfer.quot;

Maar wie levert het bewijs dier billijkheid? Waarom zou dit admodiatiestelsel juist billijk zijn?

Omdat de Controleur voor den aanslag met de hoofden en oudsten der dessa een overeenkomst moest treffen, met inachtname van de omstandigheden v;iu iedere dessa, den druk der heerendiensten, enz?

Maar was de Controleur dan een ahmtegenwoordig wezen, dat hij van alle dessas in zijne controle afdeeling de omstandigheden kan beoordeelen?

-ocr page 72-

70

Kn wut de lieerendieustcn aangaat, ieder, dio mijne studie over rijstprijzen aandachtig heeft gelezen, zal kunnen begrijpen, dat al is de feitelijke taak der dessa A. ook geringer dan. d\'.e van dessa li. eene onoordeelkundige ver-deeling van den arbeid den druk te toch veel /waarder kan doen gevoelen.

Mn de Controleur kan eenvoudig niet bij machte zijn alle omstandigheden te kennen, en der bevolking draagkracht te schatten in 458 dessas als in de controle afdeeling Mo-djokerto, 430 dessas als in Modjosarie, 747 dessas als in Djombang, enz.

Ken dessahoofd deelt hem bijv mede, dat twee of drie maal \'s jaars de kali -f -| | zijne gronden overstroomt. „Kassian\', denkt de Controleur in het admodiatie-tijdperk, en was zijn oorspronkelijk idee, dat ƒ 700 behoorlijk was, un stelt hij de landrente op ƒ 500 Met dessahoofd keert huiswa- rts, in zijn vuistje lachend......de overstroomingen toch liepen steeds zoo spoedig af, dat de aanplant geen schade leed niet alleen, maar door het vruchtbare slib, dat achter bleef, veel ruimer oogsten afwierp, dan men in de andere dessas bohnalde. En juist hier was de landrente hooger gesteld wegens de ve ligheid tegen overstroomingen.

Indien de taxatie der opbrengst in 1873 in waarheid rechtvaardig was geschied, en er uit bleek, dat dessa A. welke in 1872 slechts / (500 landrente had betaald, thans moest worden aangeslagen voor ƒ 1.200.—, terwijl de belasting der dessa B welke steeds/ 1000 had betaald moest verminderd worden tot / 500, dan bleek daaruit tevens dat deze laatste dessa steeds vier maal zoo zwaar is belast geweest als de eerste, al mochten de draagkracht der bevolking en de druk der heerendiensten, ook verschillend zijn, ik betwijfel ten sterkste, of deze viervoudige belasting wel gerechtvaardigd is

N b m. geelt juist dit groote verschil het overtuigend bewijs, niet alleen van tie theoretische, maar ook van de practische zwakheid van het admodiatiestelsel, en dat twee

-ocr page 73-

71

ouder dezelfde ouistaudighedeu verkeereude dessas een ho-langrijk verschil kunnen vertoonen, indien het ééue dorpshoofd beter kou afdingen dan het andere, eu ecu ver-sehrikter, bedroefder gezicht kon zetten.

Ik wil niet beweren, dat eeue plotselinge vermeerdering of vermindering der belasting gerechtvaardigd is, maar slechts aantoonen, dat indien goede grondslagen eeue zekere belasting aangeven, men niet mag terugdeinzen voor het verschil met do vroegere cijfers, maar moet trachten geleidelijk dat cijfer te bereiken, want anders is rechtvaardigheid en hillijkheid slechts illusoir.

Vroeger ouder den heer Gelpko moest de belasting haast overal verhoogd worden ; eenigo maanden geleden heeft eeue reis van den Hoofdinspecteur Kunenmn geleid tot cene id-gemeene verlaging der Inudrente.

Deze verlaging was ook hoog noodig op de vieesle plaalsc.ii, eu dat zij nog niet afdoende is geweest, zal gelegen hebben aan de omstandigheid , dat men gebonden was aan een maximum van verlaging.

Maar nu rijst de vraag, of een atf/eviee/ic verlaging wel urgent was, of in sommige streken de landrente niet constant had kunnen blijven, ja verhoogd worden, om in andere streken eene belangrijker verlaging te kunnen toestaan.

Halen wij eens eenige voorbeelden aan, die mij bekend zijn, eu die het vermoeden wettigen, dat er nog wel menig ander zal bestaan, welk mij niet bekend is.

In het district Kandangan waar men weinig sawahs en voel pegagnus aantreft , meende men zeker bij de opmaking van den landreutelegger, dat men op de pegagans slechts djagoeng plantte, en heeft men mitsdien voor de opbrengst in guldeus van een bouw aangenomen [16 mille a /\' 1.50 ƒ 24] Hierbij gevoegd een willekeurig percentage van ongeveer 10 % voor tweede beplanting, werd do opbrengst gesteld op i / 26 50 voor alle pegagans.

Nu wordt er wel liier en daar djagoeng als eerste gewas verbouwd, maar de regel is toch. dat inden Westmoesson padi geplant wordt, en op den/elfden grond eerst na den oogst djagoeng.

-ocr page 74-

\\ au eeu bouw middelmatig gucde pegagau hault men di 30 pikoel jnuli, welke in de maand Juni jl. ƒ 1 50 de pikoel deed op Loemadjaug (in het district zelf was de prijs liooger).

Stelt men den gemiddelden prijs dus op ƒ 1.50, dan bedraagt de opbreust in guldens van één bouw pegagan ± ƒ 45 -|- f 15 voor djagoeng als tweede gewas (10 mille a / 1.50) — / 60.

Ware het percentageeijfer nu billijk (8 of 10 % bijv), dan zoude n l) m. de landrente geleidelijk verhoogd kunnen worden tot het dubbele bedrag.

Nu is de belasting nog met \'/„ verminderd!

En deze vermindering gold ook de sawahs, terwijl de padiprijs oorspronkelijk gesteld was op / 2.75 en men nu daarvoor ƒ 1.50 kan aannemen. In enkele dessas betaalde men vroeger / 14 per bouw sawah , thans % x 14 = ƒ 11.6G.

Bij eene geringe verhooging der landrente van de pega-gaus, had men die der sawahs tot / 7 kunnen terugbrengen, en het totaal bedrag der belasting voor de dessas. die haast enkel sawahs bezitten, zou dan ongeveer gehalveerd zijn. Is door dit groote verschil de regeling nu ondeugdelijk en onpractisch, dan wel rechtvaardig?

In de afdeeling Bodjonegoro 1 bedroeg vroeger de landrente in doorsnede nog geen ƒ 2.50 per bouw. De Assistent-Resident had mitsdien bezwaar tegen eene vermindering, vooral wijl in de afdeeling op 1 10.000 bouw tabak verbouwd werd voor de inlandsche markt, en de opbrengst per bouw op c\'rca ƒ 100 kon worden geschat.

Een landrente van ƒ 2 50 onderstelt, tegen een pcr-ccutagecijfer van 10, eene waarde der opbrengst van / 25, hetgeen zeker niet hoog te noemen is voor een padioogst. De uitgebreide tabaksteelt zou dus zeker eene belangrijke verhooging wettigen, en toch verminderde men de landrente. Hier had men geen vermindering noodig; waarom werd daarmede geen andere streek gebaat, waarvoor eene grootere vermindering urgent was?

1

Zulks vertelde mij oen zeer bevoegd persoon. Is de^nictU^eiiHtuHude het mede^o-deelde ouwaar, dau is zulks uiet miju schuld.

-ocr page 75-

73

Zoo verkrijgt nieu nooit een gelijkmutigeu druk. liet percentage zij overal hetzelfde, bijv. 10; men houde geen rekening met „draagkrachtquot; en „druk der heerendieusten waarover de meest uiteenloopemie meeningeu heerschen.

Van personen uit Sidho-ardjo hoorde ik, dat in deze afdeeliug, welke als zoo welvarend geroemd wordt van wege de talrijke tambaks en suikerfabrieken en de prachtige sa-wahs, en onder de landbouwers èn onder de koelis groote armoede heerscht. Velen zullen een minachtend schouderophalen als antwoord op deze bewering geven: maar zij, die mijne verhandeling gelezen hebben, en zich nog het verband herinneren tusschen hooge rijstprijzen en lage loo-nen, en ook hoe de hooge prijzen, welke aanleiding gegeven hebben tot eene hooge landrente, in het nadeel zijn van den landbouwer, die een voor zijne behoefte onvoldoenden of even voldoenden oogst maakt, zij zullen, hoop ik, de omstandigheden beter kunnen beóórdeelen, en niet zoo\'n onvoorwaardelijk geloof slaan aan die welvarendheid.

Slechts daar, waar de bevolking cultuurplichtig is, en de koftieoogst haar een zeer onvoldoend loon verzekert, daar zal buiten kijf zwaarder druk bestaan, daar is een verlaagd percentage cijfer van bijv. 8 wel gereclitvaardigd.

En zoolang de landrente geen belasting op den grond is, maar op de opbrengst, geloof ik het billijk, om, indien van twee naast elkaar liggende gronden de één beplant wordt eerst met padi (ƒ 43) en voor de tweede unal met tabak (/ 100), en de ander enkel met djagoeng (ƒ 25), van de eerste / 14.50 te heffen en van de tweede slechts / 2.50 per bouw te trekken.

Dan is er eerst gelijkmatige druk, al zijn de gronden even vruchtbaar.

Mnniri jiadjek.

Met idee van den lieer Brooshooft, om de inning der landrente op te dragen aan bezoldigde inlanders, welke bijv ƒ 20 \'s maands ontvangen, lijdt uit een linanciecl oogpunt geen bezwaar.

-ocr page 76-

74

T)c desahoofden, van deze werkzaamheid ontheven, moeten dan natuurlijk do 8 % collecteloon derven, welke over oen bedrag van ongeveer 15 millioeii gulden / 1.200.000 bed raagt.

Ontvangt de mantri padjek nog ƒ 5 toelage voor paar-dentourage, dan kost ieder f 300 \'s jaars, en kan men van het collecteloon ongeveer 4000 inantris bezoldigen.

Hierbij komen dan nog de mantris aër, die dan wel gemist kunnen worden, en men verkrijgt dus op elke 500 landbouwers ongeveer een inlandsch ambtenaar, die niet zooals de dorpshoofden vele andere werkzaamheden en bemoeienis heeft, en die zich dus beter aan zijn taak kan wijden. Hij kan behalve de inning do gronden en erven opmeten; de productie eenigszins taxeoren, wanneer deze aanmerkelijk lager is dan de veronderstelde, en aanleiding kan geven tot eene vermindering van landrente; hij kan de algegeven pipils goed bij honden, hij krijgt rapport van de dorpshoofden, wie als tweede gewas djagoeng, tabak, katjang, indigo, enz geplant hebben, hij kan die gronden opmeten en den landbouwer dan vermeerdering van belas-

ting geven, hij kan.....zooveel meer, als men hem

maar wil opdragen en toevertrouwt.

Door de benoeming van deze mantris zouden voor de talrijke magangs, waaronder zeer bekwame zijn, een goede toekomst geopend zijn , en zij zouden van veel nut kunnen zijn aan het Bestuur, maar .... is er ook geen keerzijde van de medaille?

Zal het dorpshoofd, dat het collecteloon moet derven, die bekrimping zijner inkomsten niet op zijne onderhoo-rigen verhalen?

Kan de mantri padjeg niet zelf knoeierijen plegen, en ouder één deken schuilen met het dorpshoofd?

Zal zonder de bemoeienis van den loerah de landrente wel aangezuiverd worden , vooral als hij de bevolking verhindert uit werken te gaan?

Dat zal de toekomst moeten leeren.

-ocr page 77-

Ik vevmcon hier mijne beschouwingen over een landrentestelsel te kunnen belindigen.

Mogen de lezers hier in en in mijne studie over rijstprijzen het één of ander aangetroffen hebben, dut strekken kan tot het vormen van een beter begrip over deze aiin-gelegenheid!

En mogen thans de bekende beste stunrlni tot liet besef\' gekomen zijn, dat hier als overal elders „la critique est aisée, mais Tart est difficilequot;.

-ocr page 78-
-ocr page 79-

TERRASSEHAAKIiES.

-ocr page 80-
-ocr page 81-

TERRASSENAANLEG.

Artikel 5 van Staatsblad 1874 No. 79 (outginuingsorclmi-nancio) luidt:

„De vergunning (tot ontginning) wordt verleend onder voorwaarde:

Ie. voor een aanvruMg van drie bouw of minder, dat binnen twee jaar de grond in bebouwing zij gebracht: Indien do aanvraag enz.

~e. dat de verkrijger den grond dadelijk door duurzame

grensteekenen zal afbakenen ;

3e. hij hellend terrein, zoo er gevaar beslaat voor afspoe-hn/i van de bouivkruin, dut de aanleg geschiede tur-rasgewijze, en voorts onder zoodanige voorwaarden, als ■plaatselijke omstandigheden wensehoïijk maken

Bij gebleken onwil of onvermogen, om de gestelde voorwaarden na te komen, wordt de vergunning door den Resident ingetrokken

Nu is liet tocli opmerkelijk, dat niettegenstaande die verordening reeds 14 jaar van kracht is, dit artikel zóó stellig luidt, en de Circulaire van den Directeur van Bin-nenlandsch Bestuur, ddo 21 Februari 1870 No. 1814 (Bij-bli.d 21)63), bij de Hoofden van Gewestelijk Bestuur er zóó sterk op aandringt, men nog zoovele plaatsen aantreft, waar het voorschrift van terrasseeren niet is nagekomen, en de gronden in vele bergdistricten als pegagan of hoemaks in gebruik zijn genomen, om na één jaar beplanting één of meerdere jaren braak te blijven liggen.

Deze nalatigheid alleen wijst in. i. reeds op groote bezwaren, die de uitvoering in den weg staan; want al moge de Javaan ook iets ten achter staan bij den Balinees, wat den rijstbouw aangaat, (zie „De rijstcultuur op Baliquot; van den Controleur Liefrinck, o. a. aflevering Januari 1887

-ocr page 82-

80

ïndiselie Gids), bckeud is het, dat ook de Javaan niet tegen eene kleinigheid opziet, waar het geldt verbetering aan te brengen aan zijne bouwvelden.

En het bevel vuu terrasseeren is haast nergens betracht, waar van bestuurswege niet telkens en telkens daarop is aangedrongen bij de dessahoofden.

En toch zijn haast nergens de gronden den ontginncr ontnomen!

Ik zeg „ontginncrquot;, Avant „individueel bezitterquot; wordt hij eerst als volgens artikel 7 van bedoeld Staatsblad aan alle voorwaarden voldaan is, bij de ontginning gesteld, ......dus ook aan het terrasseeren bij hellend terrein.

Nu is tegen het midden ongeveer van het vorige jaar wederom eene aanschrijving gedaan, om tot tegengaug van den roofbouw het artikel 5 streng op te vatten, en bij niet nakoming der gestelde voorwaarde van het aanleggen van terrassen de gronden den ontginner te ontnemen.

Ik kan wel eenigszins nagaan, welke uitwerking deze aanschrijving, en de daarop gevolgde lozing van Bijblad 2963 op ambtenaren, die veel dienstijver willen toonen, zal hebben te weeg gebracht.

„Ajo, Wedono, aanstonds alle hens aan het werk zetten, en spoedig terrassen gemaakt! Ik geef de lui 2 of 3 maanden den tijd.quot;

„Maar, kandjeng, dat gaat niet, de tijd is te kort.

„Kom, Wedono, dat gaat wel; geen uitvluchten s. v. p. Als de Inlandschc Hoofden sembrono of tlèdor zijn, dan moet de kleine man wel slabakken. Dus niet sembrono, hoor!quot;

„Hinggih kandjeng.quot;

„Dus over drie maanden overal terrassen, hoor!

„Ook die lui, welke geen soerat idin hebben (vergunningsbewijs tot ontginning), maar alleen tanah jasa of poe-saka (gronden vóór 1874 zeil ontgonnen, of door erfenis verkregen) ? quot;

„Ja, laten die lui het ook maar doen, dan krijg je in eens een gezonden toestand. De Directeur schrijft in zijne

-ocr page 83-

81

circulaire: „Ook die landbouwers, welke outginuiugsrech-ten uitoefenen, die vóór de ordonuaucie dagteekeuen, en tegenover wie dus slechts van overreding sprake kan zijn, trachte men tot een beteren aanleg van hunne gronden te bewegenquot;. Geen roofbouw meer, luidt dus de prentah van boven; iedereen hoor, wedono, zonder uitzondering! Of, wordt er goedig aan toegevoegd, neen, de lui, die geheel vlak terrein hebben, behoeven zulks niet te doen.quot;

En, verblijd over die toegevendheid, gaat de Wedono tevreden heen. (?)

En de kleine man.......

Nu, voor zulke dienstijverige ambtenaren in de eerste plaats is dit opstel geschreven, in de hoop, dat het dan uog niet overal te laat zal zijn. Maar al kan het voor het tegenwoordige geen nut meer doen, voor de toekomst zal zulks misschien wel het geval kunnen zijn.

Ook de voorstanders van het terrasseeren zullen na lezing een weinig minder bout spreken, hoop ik.

En ook, naar aanleiding van de in bedoelde circulaire voorkomende zinsnede; „Slechts bij uitzondering zijn tegen het voorschrift ernstige bezwaren geópperdquot;, wensch ik die uitzonderingen met ééne te vermeerderen, en er het mijne toe bij te dragen tot opheffing dan wel wijziging van dat art. 5 alinea 3 van Staatsblad 1874 No. 79.

Ten eerste rijst de vraag, welke toch de nadeelen zijn, welke aan eene beplanting zonder terrassen verbonden zijn , en dermate doen ijveren voor dien aanleg.

Aanstonds klinkt het antwoord: „roofbouw en wegspoeling van de vruchtbare bouwkruin.quot;

Laat ons deze twee bezwaren eens aan eene korte behandeling onderwerpen. Het spreekt van zelf, dat het voornamelijk de bergdistricten zijn, welke bij eene beschouwing aangaande terrassenaanleg op den voorgrond treden.

Roofbouw is eigenlijk het zonder vergunning ontginnen en bebouwen van woesten grond; maar men zou ook zoo kunnen betitelen de gewoonte van den bergbewoner, om

-ocr page 84-

82

(ie drooge velden één jaar te beplanten (veelal voor twee

oogsten, égt;:n van gogopadi of djagoeng, en één van polo-widjo) om ze dan één. twee, soms drie jaar braak te laten liggen. Deze braakligging is het gevolg van roofbouw.

Men trekt in één jaar zooveel als de slecht bewerkte bodem kun opleveren , en door ondervinding wetende , dat de grond een tweede jaar sleehts een geringen oogst van hetzelfde product zal afwerpen, laat men hein eeni^en tijd rust. Deze gewoonte heeft tot gevolg, dat gemiddeld één landbouwer drie maal zooveel grond moet bezitten, als hij beplanten wil voor zijne behoefte.

Zulks is ontegenzegjelijk een ongezonde toestand .... .... in st. eken niet eene groote bevolking, indien de opbrengst van don bebouwden grond niet in de behoefte daarvan k m voorzien Maar zulk een toestand kan aldaar immers ook niet geboren worden! Aanstonds toch zouden talrijke liefhebbers de gronden aankoopen, en in intensieve bebouwing brengen

Zulk een toetand kan alleen reden van bestaan hebben in bergstreken, waar voor eene zeer schaarsche bevolking eene groote uitgestrektheid woeste gronden ter outginning beschikbaar ligt.

En hoe onbeteekenend is roofbouw dan in zulke streken!

Wie worden daardoor benadeeld?

Sommigen opperen het bezwaar, dat bij toename van bevolking der.e in de uitgeputte gronden geen voldoend middel van bestaan zal kunnen vinden.

Maar deze tegenwerping raakt kant noch wal. Ten eerste kan in haast allo bergdistricten de bevolking verdubbelen, verdriedubbelen lt;\'u meer zelfs, zonder dat er een tekort aan beschikbare bouwgronden zal ontstaan.

En ten tweede. sinds hoevele jaren reeds neemt Java\'s bevolking jaarlijks met een paar honderdduizend zielen toe, en doet die vermeerdering zich gevoelen in de bergdistrieten?

Neen, of onmerkbaar; (enkele streken, zooals misschien in P.isoerocau zijn hiervan uitgezonderd); het zijn de lage, vruchtbare streken, de welvarende sleden en dessas, die

-ocr page 85-

steeds in zielental toenemen, van 18^4 tot 1^86 nam de bevolking der bergresidentie Kedoe toe van 7:U 000 tot ± 740 ü()t) zielen, dus in twee jaren tijd met 11/4%. terwijl in hetzelfde tijdsverloop het bevoikiugscijior in de residentie Semarang met ongeveer 5 % en Soerabaja met bijna 5 % toenam.

Mjii moet in som nige streken de dessas in het geberg\'e bezocht hebben, eenzaam boven op een heuvel gelegen, palen verwijderd van eene andere dessa, en nog verder van een pasar; waar hel water voor de dagelijksche behoefte in goembeugs of golongs (bamboezen kokers) moet worden gehaald uit een soember bron) in een tjoerah (ravijn); waar vaak in den Oostmoesson het water zóó schaarseh is, dat tot baden geen gelegenheid bestaat; en last not least, v .ar de koffiecultuur haar zetel gevestigd heeft; en men zal licht begrijpen , dat zelden iemand uit de vlakte naar zulke ongezellige streken zal verhuizen, dat de geboorten met. moeite het bevolkingscijfer op hoogde kunnen houden, zóóvele uienschen ontvallen der dessa, hetzij door den dood , hetzij door verhu zing naar levendiger oorden.

En in zulke streken nu vreest men voor roofbouw? Daar, waar duizenden en nog duizenden bouws slechts wachten op ontginning?

„Ja maar die gronden raken uitgeput, uitgemergeld,quot; werpt een voorstander van terrasseiinauleg in het n idden „want de bouwkruin spoelt door den regen af l mgs de bellit gen quot; Verder hoort men nog iets mompelen van \\er-mindering van nationaleu rijkdom.quot;

Deze bewering is m i. niet juist. Hoevele tientallen, misschien honderdtallen van jaren, zijn deze gronden reeds zonder terrassen beplant, en worden zij nu niet nog steeds, 7,ij het ook met eene tusschenperiode v. n rust, voor den landbouw gebezigd? Eens in de drie jaren werpen die yron-den img steeds twee betrekkelijk bevredigende oogsten af, en wie wee*., hoe lang zij nog beplant kunnen worden. Die rustperiode is dus alleszins voldoende te noemen; ten einde dien „uitgemergeldenquot; gronden hunne krachten terug te geven.

-ocr page 86-

64

In ue maand Mei jl zijn door mij iu het district Kan-dangan na de rijping der padi op de pegagans proefsneden, gehouden, welke aantoonden, dat indien men 40 pikoel aanneemt als gemiddelde productie van een bouw vrij goede sawah, men voor redelijke pegagans gerust als zoodanig het cijfer van 30 mag stellen. (De proeven werden genomen na een droogen dag, eu de verkregen productiecijfers verminderde ik met 20 % voor indroogiug der padi.)

Ook houde men in het oog, dat terwijl men van 10 kati sawalipadi ± 4 % a 5 katis rijst verkrijgt, dat gewicht aan hogopadi van 5 tot 6 katis rijst oplevert.

Ik koos voor mijne proefsneden slechts gronden uit, die grensden aan de woningen der dessalieden; gronden, waarvan men dus onderstellen mag, dat zij het eerst in gebruik zijn genomen na het ontstaan der dessa.

De omstandigheid, dat deze bouwvelden misschien reeds langer dan een eeuw om de twee jaren beplant zijn geworden, en dan telkens twee oogsten afwierpen, en dat zij heden uog geen spoor van uitputting vertoonen, sterkt mij in mijne overtuiging, dat al dat gepraat en gescherm over afspoeling van de bouwkruin niets te beteekenen heeft, waar het goede gronden betreft, en eene braakligging gedurende twee jaar voldoende is, om de vruchtbaarheid aan den bodem terug te geven.

Ja, er zijn wel vele onvruchtbare streken op Java.

In de Juni-en Juliafleveringen van den Indischen Gids van dit jaar, schrijft de heer J. W. II. Cordes in eene verhandeling over „Het boschgebied op Java\'s bergen, en zijn belang voor de irrigatiequot;, dat;

„Met het vellen of verbranden der bosschen is overal, waar daarvoor geen bestendige cultuur in de plaats is gekomen , langzamerhand ook de vruchtbare humusrijke bouwkruin verdwenen. Afspoeling en uitdrooging zijn de noodwendige gevolgen van ontwouding, indien de vvederont-wikkeling van plantengroei gestadig belemmerd wordt.quot;

Verder:

„De lagere bergstreken van Bantam zijn met het verdwijnen

-ocr page 87-

85

der bosschea voor de hoemabcultiuu\' overal totaal verarmd. Onverhinderd oefeut thans de zou daarop haar uitdroogeu-deu invloed uit.

Hoe langer de ontwoude grond aan den iuvloed der zon is blootgesteld, des te meer neemt de onvruchtbaarheid toe. Zelfs de dikste lagen teelaarde zijn op den duur niet bestand tegen de aanhoudende inwerking der felle hitte. Slechts alaug-alang en daaraan verwante hooge grassoorten kunnen nog op den uilgedroogden bodem tieren.quot;

Verder volgt dat teelaarde onder den rechtstreekschen invloed der zon tot droog poeder vervalt, en bij feilen wind als stof wordt opgejaagd en weggewaaid.

Die uitdrooging is dus eene geheel andere oorzaak voor de onvruchtbaarheid dan afspoeling van de bouwkruin, en diiiiraan zal men op vele plaatsen de schuld moeten geven van het grondbederf.

Al was Java oorspronkelijk ook geheel met bosch bedekt, daarom waren alle gronden nog niet even vruchtbaar.

De heer van Gorkum schrijft in zijne „Oost-Indische culturesquot; op page 16 .

De uitgestrekte oorsponkelijke bosschen, die men nog allerwege in den O. I. Archipel aantreft, worden meestal geacht, de vruchtbaarste maagdelijke gronden aan te bieden. Toch staat er soms reusachtig woud op een bodem, die nauwelijks een paar decimeters dikke laag teelaarde l)evat. Wie zal zeggen , hoevele eeuwen voor de ontwikkeling van zulk een woud noodig waren, en moet men daarbij ook niet in het oog houden, dat de natuur eene keuze deed, wat gausch iets anders is, dan onze prétentie om denzelfden grond onafgebroken aan een willekeurig door (jus te kiezen cultuur dienstbaar te maken?

De teleurstellingen bij eene exploitatie van dergelijke terreinen zijn dan ook talrijk en grievend geweest, enz.

De heer Cordes maakt melding van groote branden. waardoor uitgestrekte bosschen herschapen werden in alang-alang en glagahvelden.

Maar waarom herrijst op de eene verbrande plek een nieuw bosch en elders slechts alaug-alang?

-ocr page 88-

S6

üanr waar de grond oorspronkelijk goed was, zulks bemerkte ik in Kandangan, is die ook goed gebleven, en werd de humuskag tegen de felle zonnewarmte beschermd eerst door krenpélhout, daarna door den padi of djagoeng-aanplaut, en vervolgens door het snol opschietend goedaardig onkruid, als bajera, ramon, kraktok, varens, en/. Slechts een korten tijd, tusschen de ontginning en het opkomen van het gewas, ligt het terrein voor bederf bloot.

Maar men kan ook gronden hebben, die zelfs zonder ooit bebouwd te zijn geweest, aanstonds hunne mindere hoedanigheid verraden, o. a. alang-alang eu glagahgronden. Bij de zorgvuldigste ontginning en uitroeing der alang alang ziet men deze spoedig weer verrijzen, eu goedaardig onkruid bijft weg.

Als men de vele kale henvels aanschouwt, bijv. in de omstreken van Semarang Bergottai, die in vroegere tijden wellicht ook met bosch begroeid waren. eu waartegen

o O

thans slechts kort gras of alang-alang aangetroffen worden, moet men zulks dan toeschrijven aan afspoeling van de bouwkruin?

Maar hoevele vlakten in de laaglanden van Bantam, Loemadjang, enz. en in het gebergte toonen aan, dat die onvruchtbaarheid ook intreedt, zonder dat er hellingen zijn, zonder dat afspoeling kan plaats vinden.

Die kale heuvels, die heiden mogen m i. niet toege» schreven worden aan afspoel ng van de laag teelaarde maar zijn het ongelukkig gevolg geweest van de ingekankerde gewoonte van den Javaan, om op liet laatst van den Oostmoesson de alang alang in brand te streken waarmede verlies vau humus gepaard moest gaan.

Als die gronden bebouwd werden, waar de ondergrond onvruchtbaar was, waar geen goedaardig onkruid den bodem voor de uitdroogende zonnestralen kon vrijwaren, waar irrigatie volkomen onmogelijk was, daar moest het ouver-mijdelijk, onafwendbaar einde van die bebouwing zijn een algeheel onvruchtbaar worden.

Had door eene terrasseering die uitdrooging voorkomen

-ocr page 89-

87

kunnen worden? Ik verwijs slechts naar mijne teekeniug I, om de veranderde ligging aan te toonen vaa de teelaarde na den terrassenaanleg.

Ik voor mij geloof, dat zonder irrigatie en zonder bemesting zulke gronden als bouwgronden te niet moeten gaan geheel afgescheiden van het al of niet aanleggen van terrassen, doch dat dit proces nog bespoedigd wordt door de afspoeling van do teelaarde . welke , niet beschermd dour onkruid en onzamenhangeud, boven ligt. Op goede gronden evenwel ondervindt die afspoeling groeten tegenstand . doordat de teelaarde vastgehouden wordt door tie ontelbare wortels der spontane vegetatie, en dat door deze omstandigheid de humus niet tot stof kan vervallen, terwijl de kracht van den wind aanmerkelijk gebroken wordt.

Keeren wij thans weer tot de pegagaus terug, en tot den roofbouw.

Slechts daar, waar het bevolkingscijfer geen rust duldt, is het begrijpelijk, dat men ouverpoosden arbeid van den grond eiseht Maar waarom zou men in weini^bevolkte bergdistricten van een tiende wellicht der aanwezige gronden zulken arbeid vergen, (terwijl negen tienden tot rust gedoemd blijven i, indien men hetzelfde resultaat kan verkrijgen , door drie tienden afwisselend tot voortbrenging geschikt te maken? Liggen daar dan niet nog zeven tienden doelloos?

Maar ook tusschen liet vergen van ouverpoosden arbeid en het vermogen daartoe van den bodem , ligt vaak eone wijde spanne.

Waarom heeft men in vele streken [o. a. het district Tempel» in de afdeeliug Loemadjang] zooveele braakliggende gronden op vlak terrein?

Omdat de bevolking padi uoodig heeft, en zij bij ondervinding weet, dat die gronden, door gemis van irrigatiewater, waardoor slechts eene gebrekkige substitutie in den ondergrond kan plaats vinden. een tweede jaar geen bevredigende productie kunnen afwerpen. Daarom verwisselt men van gronden, als men ze heeft, dat geschiedt dus uit

-ocr page 90-

88

noodzaak. Want deukt men, dat, indien door eenigen meerderen arbeid dezelfde grond voortdurend met padi bebouwd kon worden, men zulks niet van zelf doen zou ?

„De geheele leer van de voeding van den bouwgrond berust op substitutie, schrijft van Gorkum. Een oplossing van potasch of sodazouten, in aanraking komende met een kalkhoudenden zeolith, substitueert een deel der kalkaarde. Deze wordt vrij, en de alkaliën treden in hare plaats. Daar heerschen allerwege actie en reactie, chemisme en metamorphose.

De stoffen, die in het bodem- of atmospherisch water opgelost voorkomen, rcageeren gestadig op het zeolithisch gesteente.quot;

Het is duidelijk, dat irrigatiewater, dat langzaam van het eénc sawahvak naar het andere stroomt, eeu machtige factor is voor eene krachtige substitutie. Maar waar dit ontbreekt, en waar telkens van den akker afgenomen wordt, zonder dat eenige toevoer van buiten in den vorm van bemesting aangebracht wordt, daar blijkt overal, dat de substitutie te langzaam in haar werk gaat, en dat de bodem zich niet voldoende herstellen kun, om elk jaar een padioogst te kunnen afwerpen, en zulks onverschillig of het terrein vlak dan wel hellend is.

Ik wil hiermede niet beweren, dat de afspoeling geheel denkbeeldig is, maar enkel slechts aantoonen, dat de mate van hot grondverlies sterk overdreven wordt, en dat de vaak geopperde bewering, dat het jaarlijksch verwisselen van bouwgronden het onwederlegbaarst bewijs oplevert voor het nadeel, dat door afspoeling van de vruchtbare bovenkruin aan den bodem wordt toegebracht, vrij ongegrond is te noemen.

De landbouwer ziet wel degelijk de schade in, welke zijne gronden door afspoeling kunnen beloopen, en mitsdien tracht hij die ook tot een minimum te beperken. In September of October kapt hij den te beplanten grond open, en de struikgewassen en boompjes, waarmede de grond gedurende twee jaren braakligging begroeid is, worden verbrand.

-ocr page 91-

SI)

Hier en daar worden de gekapte struiken eu takken opgehoogd, en dan in brand gestoken. Slechts op enkele plaatsen dus heeft do humus van de warmte to lijdon , een zeer belangrijk verschil met de alangalanggrondcn, welke over hunne geheele uitgestrektheid met de vlammen in aanraking komen.

Hoewel eene langzame vermolming en verrotting ontegenzeggelijk veel moer nuttige, voedende bestanddeeleu aan den grond zouden hebben geschonken, zijn de in de asch voorkomende zouten, welke door do wortels van diep uit den grond gotrokken werden, een lang niet te verachten aanwinst. Ook zijn gedurende de braakligging vele nuttige bestanddeeleu uit den ondergrond capillair opgezogen naar boven, en hebben hot bouwveld verrijkt.

Eene grondbewerking hoeft haast niet plaats; niet eenig schoffelen, om den grond schoon te maken voor het plan ten, loopt meestal alles af; maar op weinig hellende terreinen ziet men ook wel eens eene lichte, ondiepe omwerking van een paar duim met den ploeg.

Hoe minder do helling bedraagt, hoe dieper ook de grondbewerking geschiedt.

En deze expresselijk verzuimde of oubctcekenende grondbewerking nu op de meeste hellende pegagans, verhindert eene belangrijke afspoeling. Dra toch verspreiden zich de wortels van de gogopadi of djagoeng (de polowidjo wordt haast altijd als tweede gewas verbouwd) in alle richtingen dicht onder de oppervlakte van den grond, daar zij niet diep doordringen, en dragen er hot hunne bij tot vasthouding van do aarde, die door schotfelen of broedjoelon is losgeraakt.

Slechts de eerste regens zijn dus schadelijk voor de bouw-kruin, en veroorzaken eene min of meer belangrijke afspoeling; doch na één maand geloof ik niet, dat zij aan een dusdanig beplante pegagan veel meer nadeel zullen toebrengen dan aan een grond , met bosch, alang-alang of glagah begroeid.

Vermits do wortels van padi of djagoeng zóó weinig

-ocr page 92-

88

noodzaak. Waut deukt meu, dut, indien door eeuigen meerderen arbeid dezelfde grond voortdurend niet padi bebouwd kon worden, uien zulks niet van zelf doen zou ?

„De geheele leer van de voeding van don bouwgrond berust op substitutie, schrijft van Gorkum. Een oplossing van potaseh of sodazouten, in aanraking komende met een kalkhoudenden zeolith, substitueert een deel der kalkaarde, Deze wordt vrij, en de alkaliën treden in hare plaats. Daar heerschen allerwege actie en reactie, chemisme en metamorphose.

De stoften, die in het bodem-of atmospherisch water opgelost voorkomen, reageeren gestadig op het zeolithisch gesteente.quot;

Het is duidelijk, dat irrigatiewater, dat langzaam van het ééne sawahvak naar het andere stroomt, een machtige factor is voor eene krachtige substitutie. Maar waar dit ontbreekt, en waar telkens van den akker afgenomen wordt, zonder dat eenige toevoer van buiten in den vorm van bemesting aangebracht wordt, daar blijkt overal, dat dc substitutie te langzaam in haar werk gaat, en dat de bodem zich niet voldoende herstellen kan, om elk jaar een padioogst te kunnen afwerpen, en zulks onverschillig of bet terrein vlak dan wel hellend is.

Ik wil hiermede niet beweren, dat de afspoeling geheel denkbeeldig is, maar enkel slechts aantoonen, dat de mate van het grondvcrlies sterk overdreven wordt, en dat dc vaak geopperde bewering, dat het jaarlijksch verwisselen van bouwgronden het onwederlegbaarst bewijs oplevert voor het nadeel, dat door afspoeling van de vruchtbare bovenkruiu aan den bodem wordt toegebracht, vrij ongegrond is te noemen.

De landbouwer ziet wel degelijk de schade in, welke zijne gronden door afspoeling kunnen beloopen, en mitsdien tracht hij die ook tot een minimum te beperken. In September of October kapt hij den (e beplanten grond open, en de struikgewassen en boompjes, waarmede de grond gedurende twee jaren braakligging begroeid is, worden verbrand.

-ocr page 93-

Si)

Hier eu daar worden do gekapte struiken en takken opgehoogd, en dan in brand gestoken. Slechts op enkele plaatsen dus heeft de humus van de warmte te lijdon , oen zeer belangrijk verschil met do alangalanggronden, welke over hunne gehoele uitgestrektheid mot de vlammen in aanraking komen.

Hoewel eene langzame vermolming en verrotting ontegenzeggelijk veel moer nuttige, voedende bostanddeelon aan don grond zouden hebben gosehonkon, zijn do in do aseh voorkomende zouten , welke door do wortels van diep uit don grond getrokken worden, een lang niot te voraohteu aanwinst. Ook zijn gedurende do braakligging vole nuttige bostanddeelon uit den ondergrond capillair opgezogen naar boven, en hebben hot bouwvold verrijkt.

Eene grondbewerking hoeft haast niet plaats; met eenig schoffelen, om den grond schoon te maken voor het plan ton, loopt meestal alles af; maar op weinig hellende terreinen ziet men ook avoI eens eene lichte, ondiepe omwerking van een paar duim met don ploeg.

Hoe minder de helling bedraagt, hoe dieper ook de grondbewerking geschiedt.

En deze oxpresselijk verzuimde of onbetoekenondo grondbewerking nu op de meeste hellende pegagans, verhindert eene belangrijke afspoeling. Dra toch verspreiden zich de wortels van de gogopadi of djagoeug (do polowidjo wordt haast altijd als tweede gewas verbouwd) in alle richtingen dicht onder de oppervlakte van den grond, daar zij niot diep doordringen, en dragen or hot hunne bij tot vasthouding van do aarde, die door schoffelen of brocdjoolen is losgeraakt.

Slechts de eerste regens zijn dus schadelijk voor de bouw-kruin, en veroorzaken eene min of meer belangrijke afspoeling; doch na één maand geloof ik niet, dat zij aan een dusdanig beplante pegagan veel moer nadeel zullen toebrengen dan aan oen grond, mot bosch, alang-alang of glagah begroeid.

Vermits do wortels van padi of djagoeug zóó weinig

-ocr page 94-

00

(liep doordringen, en het voedsel dus aan do grondlaag vlak onder de oppervlakte moeten onttrekken, is het m. i. zeer begrijpelijk, dat na een padioogst deze dunne laag eeuigszins uitgeput rankt door liet achterwege blijven van een ietsbeduidende grondbewerking.

Uit hoofde van hot bovenstaande geloof ik dus, dat niet de afspoeling van de bouwkruin oene jaarlijksche grond-verwisseling noodzakelijk maakt, doch juist de ter voorkoming der afspoeling nagelaten omspitting van den grond, welke voor eone krachtige substitutie in den bodem bevorderlijk zou hebben kunnen zijn. Verstaat me wel , de grond is niet geheel onvruchtbaar geworden , hetgeen men veronderstellen zou bij eone afspoeling, doch slechts arm aan de bcstanddeelen , welke voor de padi noodzakelijk zijn. Immers, oene tweede beplanting aanstonds na den rijstoogst, doch dan mot tweede gewassen, hetzij djagoeng, katela pohong, katjang tjina en artak, ketimoen, kedelei, ontjor, widjon, tabak, enz, wordt gewoonlijk met goeden uitslag bekroond, en zulks is wel een bewijs, dat van „uitmergelingquot; geen sprake is, doch wel van eene tijdelijke ongeschiktheid voor do rijstcultuur. Wisselbouw is dan ook na dezen tweedon oogst volstrekt niet onmogelijk, en soms gebeurt hot )ok wol, dat op een veld, dat reeds eenmaal met padi beplant is geweest, in een volgenden Westmoesson djagoeng verbouwd wordt.

Op verscheidene plaatsen hoorde ik, dat gronden van slechts weinige graden helling twee, drie jaar achtereen beplant worden. Men vertelde mij, dat eene weinig bo-toekenonde omwerking van don grond in don Wostmooson plaats vond, on ocno diepere omspitting in don Oostmoesson, wanneer do weinige regens in den grond doordringen, on hot water niet of in slechts geringe mate langs do holling afstroomt-. Kn deze laatste grondbewerking was voldoende om eone beplanting te boworkstolligon (mot kans op een goeden oogst) ongeveer als volgt: Westmoesson padi; Oostmoesson: djagoeng; W. ni; djagoeng; O. m: polowidjo; W. m: padi; O, in; polowidjo. Nu blijft do grond één

-ocr page 95-

91

jaar, soms twee jaar braak liggen, cn kan men weer van voreu af aan beginnen.

Daarom geef ik nog maar /00 dadelijk niet toe, dat zelfs op vrij lielkiule pegagans eene bebouwing in een tweeden Westmoesson niet meer mogelijk is; alleen niet met rijst of djagoeng (nl. als deze laatste ook reeds ééns is verbouwd geworden). Want als 111 den Oostmoesson de grond nog bijv. een goeden katjangoogst heeft afgeworpen, waarom zou hij zich in den daaropvolgenden Westmoesson ook niet geschikt toonen voor katela? Meerdere afspoeling heeft immers niet plaats gevonden?

Eu waarom zulks nooit of zoo zelden voorkomt? De reden ligt enkel in de landrente, verschuldigd voor de bebouwde velden.

Na een padioogst in den Westmoesson, kan men van denzelfden grond in den Oostmoesson nog eeuige soorten tweede gewassen trekken. Doch vangt men aan met in den Westmoesson polowidjo te planten, dan heeft eene beplanting met gogopadi in den Oostmoesson haast geen kans van slagen, en moet men zich vergenoegen met op denzelfden grond een ander soort tweede gewas te verbouwen.

De landrente per bouw is gewoonlijk berekend naar de waarde van een padioogst plus (hier en daar) die van eene veel goedkoopere polowidjoproductie. Eu deze zelfde landrente zou de landbouwer dan moeteu betalen voor twee oogsten van geringe waarde? Neen, daar bedankt hij voor als hij grond geuoeg heeft eu dat uog daargelaten, moet hij loch padi voor zijn levensonderhoud verbouwen, eu zou hij daarom landrente voor twee stukkeu grond dieueu te betalen.

• Drooge velden, die jaarlijks beplant worden, de tegulans, komen hot meest voor in streken met eene dichte bevolking, waar geen grond onbonnt mag blijven. Maai\' men denke niet, dat zelfs bij diep omploegen elk jaar rijst kan verbouwd worden, Hier moet de landman zich wel getroosten landrente te betalen voor twee oogsten van geringere waarde dan njstgt; maar ik dien er bij te voegen, dat bij de berekening van het bedrag der landrente haast overal slechts gerekend is op eene beplanting met polowidjo.

Deze omstaudighedeu tezamen hebben dus den bestaan-deu toestand in het leven geroepen. Eu zóó is het altijd geweest, eu kan het nog wie weet hoe lang duren; eu

-ocr page 96-

0:2

ieder die het hoveastaaiule heeft gelezen, zal het hoop ik met mij eens zijn, dat de nadeelcn, welke aan eene beplanting zonder terrassen worden toegeschreven, haast geheel denkbeeldig zijn, dat achteruitgang in vruchtbaarheid op goede gronden niet plaats heeft, dat waar gronden onvruchtbaar geworden zijn, zulks aan andere invloeden moet toegeschreven worden, en dat, zooals de toestanden zijn, de urgentie volstrekt niet bestaat tot toepassing in alle ge-strenghcid van art. 5 al. 8 van Staatsblad 1,874 No, 79.

-la maar, de ordonnancie beveelt het, en daarom moet het \'mgt;o.

Deze tegenwerping is helaas maar al te gegrond doch ik voorspel, dat als in waarheid de controleerende ambtenaren dit bevel streng doordrijven:

Ie. de meeste soerat idin betreffende hellende gronden

zullen worden teruggegeven;

2e. de landbouwer eerst trachten zal, of zijne tanah jasa en poesaka voldoende in zijn levensonderhoud kunnen voorzien; en

3e. indien zulks onmogelijk blijkt, dat \'ut vele hergdistriele) i (/root volksverloop zal plaats vinden.

Want men schijnt niet • te beseffen, wat zulk een eenvoudig bevel inhoudt, welke geweldige taak den reeds zóó zwaar door de koffiecultuur .belasten bergbewoner weder wordt opgelegd.

En zulks, terwijl de nood niet daartoe dringt!

Enkel, wijl een artikel zulks voorschrijft!

Hen idee te geven nu van deze tank is het doel geweest van dit opstel.

Kene tom\'née iil het gebergte gedurende de eerste maaii\' dén van het jaar voert U in de nabijheid der dessas vaak lungs pegagans van meer of minder helling, die met padi beplant zijn; en vaak zult gij Uwe .handen inéén slaan, nis gij bemerkt, dat do laud bouwer niet teruggeschrokken is voor hellingen van 15 graden zelfs. Ik heb nu niet het oog op hoogvlakten, maar op hot werkelijke gebergte met

-ocr page 97-

93

zij no steilten en ravijnen, met zijne gi\'ootendeols hellende bouwgronden, en waar de vlakten zeldzaam zijn; zooals bijv. de bergdistrieten in de i\'osidentie i\'roboiingji\'o.

Stellen wij eens, dat tb; werkzaamheden zijn at\'geloopen, dat de terrassen bestaan, en gaan wij nu eerst eens na, of zij leiden zullen naar eene verhoogde productie. Nemen wij tot voorbeeld aan een stuk grond van 30° helling, en een bouwkrnin van 1 1 dM., eene dikte, welke vroeger voldoende was voor de wortels der padi.

Hoewel de taluds der terrassen gewoonlijk eenigszins schuin staan, om instortingen tegen te gaan, zal ik in dit opstel slechts loodrechte aannemen , ten einde de constructie der liguren makkelijker zij, en de berekeningen eenvoudiger worden. Ook oefent deze onnauwkeurigheid haast geen merkbaren invloed uit op de juistheid der cijfers.

Fis. I-

Schaal 1 \\oct — 1 cM.

Hypotenusa A. B. — 6 voet.

Eene beschouwing van bovenstaande figuur maakt l aanstonds duidelijk, dat door eene eenvoudige terrasseering de driehoek A, B. C. verandert in deu rechthoek A. C. 1). E; dat van de oorspronkelijke driehoek A.. B. C. het stuk B. F. 1). wordt uitgekapt, en de daaraan gelijk en gelijkvormige driehoek A. E. E. wordt toegevoegd.

-ocr page 98-

94

Laat ons nu eens nagaan, wat van de oorspronkelijke bouwkruiu A. ah B. geworden is, hoe deze verdeeld is over den rechthoek A. C. O. K.

De figuur toont reeds duidelijk aan, dat de rechtsche helft f. D. reeds aau de oppervlakte uit onvruchtbaren ondergrond bestaat, terwijl ook onder de oppervlakte geen korrel van de vruchtbare bouwkruin te vinden is. Vermits zulks zich op elk terras zal voordoen, eu wel over de ge-heele lengte daarvan, is het duidelijk, dat ongeveer de helft van den grond haast geen product zal afwerpen.

De helft ongeveer van de bouwkruin, nl AafF. loopt van de oppervlakte Ff. tot lvoet ouder den grond.

Als men aanneemt A. H. is (5 voet; / H. A. C. = 30°, dan is B. C. = 3 voet, en D. C. of A. E. l/2 voet.

De Javaan beploegt den grond, of\' spit dien om vau 5 tot 8 duim diep, en uit vrees voor instorting van het terras durft hij niet te dicht bij den buitenkant A. B te pa-tjoelen maar blijft daar minstens een voet van daan. Mitsdien raakt een goed deel van de bouwkruin onbenut onder den grond bedolven.

De afgekapte driehoek F. B. 1). wordt op A. 1\\ gehoopt eu vormt den driehoek A. E. F. Bu de bouwkruin F. f. b. B. verliest zich in de massa f. b. D. van deu onvruchtbaren ondergrond.

Ziehier dus, hoe er met die teelaarde wordt omgesprongen !

Is het \'niet treurig te noemen, dat een artikel eener ordonnancie tot zulke uitkomsten moet leiden, terwijl het toch het weren van een weinig beteekenend nadeel beoogt.

Kan men zulks niet noemen „vau Scylla iu (Jharyb lis vervallenquot;? Afspoelen mag niet, maar ten deele begraven, ten deele onbruikbaar maken, dat mag niet alleen, dat is zelfs voorgeschreven.

En het bovenstaande is niet slechts theorie, de practijk zal, treurig genoeg, de waarheid helder doen uitkomen. Toen ik den iulandschen ambtenaren en den dorpshoofden het bevel tot terrasseering mededeelde, verklaarden zij al-

-ocr page 99-

95

Ion eenstcumiig, dat zulks noodzakelijk tot mislukking van ilcii oogst leiden zou.

Voor do koffiecultuur moge al eeue vermenging vim de vruchtbare hovenkruin mot don onvruchtbareu ondergrond geweusclit zijn (ofschoon iuboetingen op geterrasseerde gronden herhaaldelijk moeten geschieden), zulks is voor de padi met hare korte wortels volstrekt niet het geval , of slechts in zeer geringe mate, althans op pegagans, welke niet tc irrigeeren zijn.

Ja, daar waar men levend water op die gronden brengen kan, dat zoowel in opgelosten als ouopgelosten toestand nuttige bestanddeeleu aanvoert: daar, waar die pegagans herschapen kunnen worden in sawahs, daar kan de grond mettertijd meer voordeel geven, dan thans hot geval is.

Maar het meerendeel der gronden in het gebergte kan niet geïrrigccrd worden, vermits de riviertjes beneden in de ravijnen gevonden worden.

üeze gronden, worden zij geterrasseerd, zullen jaren lang een slechts luttel product afwerpen; jaren lang dienen zij, voor zoover de breedte der terrassen zulks veroorlooft, diep te worden omgespit; dienen zij aan den gunstigen invloed van zou, wind en regen blootgesteld te zijn geweest, om weder een eeuigszins bevredigenden oogst te kunnen opleveren. En dat alles zonder noodzaak. Alleen dat artikel! Nu leest men wel in Bijblad No. 2903 :

„Vele ambtenaren hebben in strijd met hetgeen op blz. (gt; der Handleiding omschreven is, al dadelijk zeer breede terrassen van 5-6 voet gevorderd quot;, en voorts:

„Men legge dan steeds 2,3 a 4 voet „djadiquot;, d. w. z. de horizontale, niet de verticale projectie.quot;

Maar als men (lig 1) aanneemt A B. 3 voet, en de dikte van de bouwkruin blijft 1 d M. dan wordt bij eene helling van 30° de onvruchtbare bovenlaag der terrassen fl) wel geringer, maar bedraagt bij toch nog meer dan een vierde der terrasbrcedte. Ook het overige gedeelte fE bestaat wel uit meer vruchtbaren bovcn-dan onvrueht-baren ondergrond , maar deze laatste zal toch niet nalaten een slechten invloed uit tc oefenen op de productie,

-ocr page 100-

Ook zal dc Javaan er niet licht toe overgaan, om terrassen te maken van 2 en 3 voet hvecdtc\', vermits deze niet in stand kunnen blijven, /ij licbhen alle kans om in tc storten, bijv. als oen man er op loopt, om te planten, patjoelen ot\' wieden. En hoe nog zon men bij zulk eene geringe breedte goed kunnen patjoelen; men moet minstens een voet van den kant afblijven.

Neen, in de practijk gaat een terrassenaanleg, ais voorgesteld bij Bijblad 21)63 niet op, en is eene breedte van 5 a 6 voet wel het minst, wat men nemen kan.

Zie beneden de twee laatste alinea\'s der broehure van den gewezen Hoofdinspecteur Heijting.

En thans de taak, die een landbouwer moet verrichten om één enkele bouw geterrasseerden grond tc verkrijgen bij eene helling van 30°, welke dikwijls voorkomt.

Flfr.II.

Schaal 1 voet = 1 c. M.

Stel A. H. is de te terrasseeren grond.

Langs de helling en zooveel mogelijk over de geheele lengte van het terrein maakt men met den patjol op evenwijdige afstanden horizontale voren.

-ocr page 101-

i»7

Stel de unclerliuge al\'stuiulen der voren, als A. B. en B. II. = 6 Rijulandsche voet, gelijk de voorgeschreven wijdte van talud tot talud moet zijn voor de Gonvernemeuts kot-fietuinen. Nemen wij eerst aan eene oppervlakte te terras-seeren grond van één bouw met 40 voren van 25 roeden lang, dus 500 vierkante Rijnl. Roeden.

Voor elk terras dient een stuk grond uitgekapt te worden, dat den vorm heeft van een driezijdig prisma, hetwelk den driehoek F. B. 1). of H. .!. L. tot grondvlak heeft en eene hoogte van 25 11. R.

Als l_ H A. C. 30quot;, en de hypotenusa A. B. 6 voet, dan is de eene rechthoekzijde H 3 voet en de,

andere A. C. Z7 (A IVJ — B. C2. Z7 (3()-9) f\' ~1 ±. 5.3 voet.

De inhoud van B. F. 1). — Va F. I). X B. I).

\'/a X 2.6 X 1.5 = 1.95 vierkante voet.

Voor elk terras van 25 R. R. lang of 300 R voeten moet dus uitgekapt worden 300 x 1.05 -= .)8ö kuhieke voet. l)ns voor 40 terrassen 23400 kubieke voet.

De Meter gerekend op voet, bedraagt het grondverzet _ 631.8 M \'.

Doch dan heeft men nog geen bouw geterrasseerden grond; daartoe dient men (531.8 M\'. nog te vermenigvid-digen met % 2 729 M

Dus om één bouw geterrasseerden grond te verkrijgen, dienen

le. !- 729 M\'. grond uitgekapt te worden;

2e. t 729 Mgrond gelijk horizontaal opgehoogd te worden -, 3e. dz 1200 R Roeden of 3 paal taluds van 3 voet hoogte stevig aangestampt, of met graszoden belegd te worden , om het instorten te voorkomen. Dat is, let wel, eene oppervlakte van meer dan 4000 M\'2.

Al leest men ook in meerbedoeld Bijblad: „het beplanten der kanten met gras, enz is niet noodig, alleen in koffietuinen is het aan te bevelen,quot; naar bescheiden meening zal de practijk den landbouwer wel dwingen, om de steile taluds eerst stevig aan te stampen (dit dient toch

-ocr page 102-

98

altijd to geschieden; en daarna graszoden niet stokjes tegen den grond vast te steken.

Ku dan. nog al de bezwaren, die men in de practijk zal ontmoeten!

Met bovenstaande getallen voor oogen kan ieder nagaan, hoevele honderden dagen arbeids voor deze taak van den houder van een vergunningsbewijs zal worden gevorderd.

Begint mijne voorspelling van zoo even, die niet „volksverloopquot; eindigde, niet meer waarschijnlijk te lijken?

Ik zeide, dat hellingen van 30quot; iets zeer gewoons zijn bij do pegagans, en zells komen er verscheidene landbouwers voor in het bezit van vergunningsbewijzen van 45quot; helling, waarop nog met succes padi wordt verbouwd.

De taak van deze lieden is nog bezwarender, en wijl zich hier nog een andere hinderpaal voordoet, die eenvoudig onoverkomelijk is, wil ik nog deze berekening maken.

-ocr page 103-

99

Uit dc twee driehoeken A. B. C. en C. D. E, ontstaan de terrassen A. F. G. II. I.

Nomen wij weer aan 40 terrassen van Ü5 R. R. lang. Als A. C. = 6 voet, dan zijn de gelijke reehthoekzijden A. B. en 1?. (\'. / y3 A. ^ 18 - 1 4.24 voet.

De luhond van ^ K. G. C. — /, K. (i. gt; G. C. /2 X 2.12 — 2,2ö vierkante voet.

Het grondverzet bedraagt dus in M3. berekend als zoo even;

40 X 25 X 13 X 2.35 X 37 ^,)()

ÏÜOO quot;* (w».

Om één bouw geterrasseerdeu grond te krijgen, dient men 722 M\'. nog te vermenigvuldigen met \'/4 24 en verkrijgt men dus als grondverzet 1031 M\'. Dus het wordt al mooier 1

Doch vestigen wij nu de aandacht op eene andere omstandigheid, die in de praetijk een onoverkomelijke hinderpaal zal zijn. Men maakt de terrassen van onder al\', en bij 45° helling is do hoogte van het ééne hoven het andere 4\'Z, voet. Hoe komt nu iemand van het ééne op het andere, zonder een eerste acrobaat te zijn , en zonder dat de terrassen inéénstorten ?

Ja, men zou op sommige plaatsen aarden trapjes kunnen maken, om naar boven te gaan, maar mag ik niet met alle recht vragen, of zóó iets in de praetijk mogelijk is?

Noen, geloot ik, en de verguuningsbevvijzen voor gronden van 30quot; en hoogor zullen wel allen teruggegeven ot\' ontnomen worden.

En zóó zal eene strenge naleving van bedoeld art. ö al, 3 tot hot resultaat leiden, dat gronden, die thans een redelijken oogst kunnen afwerpen , gedoemd worden tot eeuwige rust, tenzij dat al. 3 zelf daartoe veroordeeld wordt.

Want een eventueole ontginner moet I,innen twee jaar de gronden in bebouwing brengen, doch tevoren eerst torrassen maken, hetgeen haast ondoenlijk is. Krgo zal zich ook geen ontginner opdoen.

Nu moet ik wol bekennen, dat hellingen van 4511 uitersten zijn, en dat die van 30quot; ook al boven het gemiddelde zijn, alhoewel deze laatste toch veelvuldig voorkomen (ik

-ocr page 104-

nam ze ook hoofdzakelijk wegens de gemakkelijke berekeningen), doch bij hellingen van 15 en 10 graden zouden do werkzaamheden toch nog zeer aanmerkelijk wezen.

En deze werkzaamheden zouden door den .lavaahschen landbouwer moeten worden verricht:

I c. zonder dut nood of grondgebrek daartoe dwingt, 2e. zonder dat de afspoeling langs de hellingen nadeel van

langen duur toebrengt;

;W. om het prachtige resultaat te verkrijgen, dat de gronden minstens gedurende de eerste jaren een luttelen

oogst zullen afwerpen.

Zullen de voorstanders der terrasseering nog het laatste

woord willen hebben .J

Daar wordt mij de in 1883 door den toenmaligen Hoofdinspecteur der koffiecultuur J. Heijting geschreven brochure over het maken van terrassen voor de voeten geworpen, cn daar liet daarin geopperde idee werkelijk aardig en goedgevonden is, zoo geloof ik den lezer geen ondienst te doen, door deze hieronder op te nemen, evenwel met weglating der bijbehoorende teekeningen.

Terrassen maken op terreinen, waar slechts een dunne laag vruchtbare bovengrond bestaat, dien men bij het ter-rasseereu niet verloren wil hebben onder den om ruehtba-

ren ondergrond.

Langs de helling en zooveel mogelijk over de geheele lengte van het terrein maakt men met den patjol op evenwijdige afstanden horizontale voren, waarvan de lijnen door middel van andjirs (staken of bakens) vooraf op het oog, dan wel met een eenvoudig waterpas-instrument zijn uitgezet. De onderlinge afstanden der voren worden kleinei of 15rooter genomen naar gelang men tie terrassen breeder

of smaller wil hebben.

Nu plaatst de arbeider zich beneden de onderste voor, cn van daar uit met den patjol den grond binnenwaarts naar boven uitkappende tot aan de tweede voor (van beneden gerekend) maakt hij zich het onderste terras. Bij

-ocr page 105-

lol

het uitkappen worden de kluiten fijn gemaakt, de ruigte en wortels verwijderd, en de steenen langs den buitenrand van het terras gevleid.

Zoodra het bencdenterras voldoende waterpas is , patjolt de arbeider tusschen de 2\'10 en 3do voor al de bovenaarde naar beneden, en spreidt die van ruigte eu wortels ontdaan en fijngemaakt op dat terras. Ook de steenen, die men mocht aantreffen, worden langs de buitenzijde van het terras gevleid.

liet beiiedenterras heeft nu gelieel do vruchtbare aardkorst ontvangen van liet daarboven tusschen de 2ac en 3lle voor gelegen terreingedeelte, waar niets anders dan de on-vruchtbare ondergrond overblijft.

Thans gaat de arbeider dit terreingedeelte terrasseeren, en patjolt daarna op de bovenomschreven wijze de vruchtbare aardlaag tusschen de 3de en 4ile voor naar beneden op het tweede terras van onder af gerekend.

Op den overgebleven onvruchtbareu ondergrond tusschen de 3\'le en 4dl! voor wordt nu het derde terras gemaakt, dat daarna bedekt wordt met de vruchtbare bovenkruin van de helling tusschen de 4\'1quot; en 511\'\' voor.

Op gelijke wijze voortgaande maakt men steeds terrassen op den onvruchtbareu ondergrond, en bedekt die daarna met de vruchtbare aardlaag van het boveugelegen terrein.

De bovengrond blijft dientengevolge de bouwkruin dei-terrassen vormen, en de ondergrond welt niet naar boven, maar blijft onder liggen. De aldus gemaakte terrassen zijn als tegalvelden onmiddellijk geschikt voor beplanting met polowidjo, omdat in den regel daartoe geene diepe bouwkruin vereischt wordt.

Wil men echter een gedeelte van den ondergrond met bovengrond mengen, zooals voor de koffie in den regel wenschelijk geacht wordt, dan is daartoe te geraken door eene gewone grondbewerking met den patjol tot de diepte, die men verlangt.

Voor Gouvernements koffietuinen moet de onderlinge afstand der voren zes Rijnl. voeten genomen worden, als zijnde de voorgeschreven wijdte van talud tot talud.

-ocr page 106-

loè

Maai\' voor tegalvelden kan men de afstanden veel grooter nemen, ca dienovereenkomstig de terrassen veel breeder maken, steeds zal de bovengrond boven, de ondergrond onder blijven.

Niets belemmert dus den landbouwer zijne terrassen dadelijk 12 ot\' 15 voeten, ju nog breeder te maken, zoodat hij den grond beploegen kan, terwijl op de tegenwoordige wijze ontginnende met smalle terrassen, die geleidelijk breeder gemaakt worden, de bewerking jaren lang met den patjol moet geschieden, alvorens de terrassen breed genoeg zijn voor eene rationecle cultuurwijze.

Ik zeide te voren, liet idee is waarlijk aardig, en terrassen, zóó gemaakt, zullen ook m. i. aanstonds geschikt zijn voor eene beplanting met rijst en tweede gewassen.

En ik beken, dat dan één mijner bezwaren komt te vervallen, maar ook dat alleen, terwijl .... wij moeten wederom rekenen.

De gansche bouwkruin wordt verplaatst, en als ik voor hare dikte l dcM. aanneem, zal niemand mij kunnen beschuldigen van te groote cijfers aan te nemen.

Welnu, liet grondverzet van de bouwkruin alleen over één bouw of 7096 M2. bedraagt dan .... 709.0 M3.

Wederom honderd en zooveel dagen arbeid!

En dat behalve het terrasseeren zelf!

Zal men daartoe overgaan in de practijk? Ik geloot, dat menigeen met mij zich slechts Z\'d bepalen tot het „mooi vindenquot;, maar ook tot niets meer.

Het spreekt van zelf, dat zulks voor de koffiecultuur wel degelijk kan en zal toegepast worden, aangezien de ambtenaren het toch maar voor bevelen hebben, m men daardoor het verknoeien van den grond ontegenzeggelijk tegengaat. Men verlieze evenwel niet uit het oog, dat bij een jaarlijkschen maximumbijplant van 50 hoornen en eene plantwijdte van 0 op H voet, slechts \'/:t0 bouw ol 10 vierkante R. 11. de taak per koffiecultuurplichtige is. Dat scheelt nog al iets!

-ocr page 107-

103

Eu nu nog iets betreffende de twee laatste aliueas der brochure.

leu eerste moet liet iedereen opvallen bij vergelijking dier regelen met de raadgeviugeu, voorkomende in de (voor de zooveelste keer) bedoelde Circulaire van den Directeur van Biunenlaudsch Bestuur, dat de gevoelens ten eenen male uitéénloopeu. Men kan dus met recht zeggen, dat ook hier „de geleerden het niet eens zijn.quot;

Verder beweert de schrijver kalm, dat niels den „landbouwer belemmert, zijne terrassen al dadelijk 12 of 15 voeten, ja nog breeder te maken.quot;

Doch een ieder zal het toch wel met mij eens zijn, dat bij hellingen van 25 en 80quot; de terrassen moeielijk breeder kunnen gemaakt worden, daar de hoogte van het (\'éne boven het andere reeds 3 voet bedraagt bij eene breedte van 5 % voet.

Moet deze breedte 10 /2 voet worden, zal ook de hoogte verdubbelen tot 6 voet, alszoo meer dan menschenlengte.

Doch bij hellingen van een 10 a 15 graden zou zidks best gaan. Alleen toont eene beschouwing van nevenstaande figuur duidelijk aan, dat indien men de terrassen twee maal zoo breed maakt, het grondverzet eu daarmede de. taak van den landbouwer ook verdubbelen zal

Fig. IV,

Immers, maakt men terrassen van de A. B. (\' en C. I). E. dan moeten de a F !. C. en H. G. K we|kc gelijk en gelijkvormig zijn, uitgekapt worden.

Wil men de breedte dubbel hebben, dus gelijk A. K. iu plaats van A. B. dan moet men de C. D. E. wegkap-

-ocr page 108-

104

pen, die \\iit 4 drielioeken bestaat gelijk en gelijkvormig aan ^ II. G. E. dus het dubbele van hot vorige grondverzet.

Fig. V.

yM

■ Vquot;

L. - ■ \'

M .7i

Wil men de breedte verdrievoudigen, dus in plaats van de £ A. B. C, C. D. E. en E. E. G. in eens £ A. O. G. torrasseeren, dan heeft men iu het eerste geval slechts .\'5 driehoeken gelijk en gelijkvormig N. M. G. te verzetten, en in het laatste geval de ~ L. 1\'. G, welke bestaat uit drie driehoeken van de grootte van N. iVl G. plus drie rechthoeken van de dubbele grootte, dus uit !) maal de 6. N. M. G. Het grondverzet bij eene drievoudige terrasbreedte is dus ook 3 maal zoo belangrijk.

Het voordeel van te kunnen ploegen op die breede terrassen is ontegenzeggelijk van groot belang, doch van wegc den dubbelen of drievoudigen arbeid, welke daaraan verbonden is, zal men vaak daarvoor terugdeinzen, en op de gewone wijze terrasseerende, zal ook bij elke verbreeding meer onvruchtbaren ondergrond vermengd raken niet de bouwkruin.

Men ziet dns uit het bovenstaande, dat de zinsnede „niets belemmert den landbouwer, enzquot; wel wat te haastig is nedergesehreven.

-ocr page 109-

105

Een ieder, die dit opstel aandachtig gevolgd lieei\'t, zal tot de overtuiging gekomen zijn (hoop ik), dat het bedoeld art. 5 al 8 niet van zóó algemeenen aard mag zijn, want dat het bij strenge naleving vele hellende gronden van bebouwing uitsluit, en vaak den landbouwer dwingt tot honderden dagen zwaren arbeid. om de gevraagde gronden minstens gedurende de eerste jaren ongeschikt te maken voor den teelt van voedingsgewassen.

Op grond van mijn vorenstaand betoog denke men nu evenwel niet, dat ik een absoluut tegenstander van terras-senaanleg ben ; ik koester volstrekt geen bepaalde voorliefde voor de algemeen gevolgde gebrekkige cultuurwijze of de pegagans.

Een elk, die eenigen tijd in het gebergte heeft doorgebracht, zal weten, dat de taloenans, d. z. braakliggende op verlaten bouWvelden in twee jaren tijd geheel bedekt zijn met alang-alang, gelagah, laag struikgewas en jong geboomte. En de jaarlijksche verwisseling van bouwgrond heeft tot natuurlijk gevolg, dat ook jaarlijks een tiental dagen aan de ontginning moet worden besteed, aan het openkappen en verbranden. Door de betrekkelijk veel geringere productie dan die van sawahs dient de bergbewoner, om voldoende in het onderhoud van hem en zijn gezin te voorzien, ook eene grootere uitgestrektheid te ontginnen en te bebouwen , dan bij sawahs het geval is. Heeft dan ook de eigenaar van eeen bouw sawah veelal nog padi over om te verkoopen, bij den bezitter vaneen bouw pega-gan zal zulks slechts zelden het geval zijn. En al wacht in het gebergte nog eene groote uitgestrektheid woeste grond op ontginning, zoo vereischen de koffiecultuur, de hee-ren — en de dessadiensten reeds zooveel van de krachten van den bergbewoner, dat het meestal ondoenlijk voor hem is, meer tijd te wijden aan zijn eigen landbouw. Bekend is het, dat veelal slechts de ontginning voor rekening van den man komt, en dat al het andere werk op de pegagans door de vrouw moet worden verricht.

Deze nadeelen zie ik volstrekt niet over het hoofd, en

-ocr page 110-

106

^iet zou ook werkelijk een groot geluk voor den landbouwer zijn, indien hij bijv. een bouw goeden, geterrasseer-den, irrigeerbaren grond bezat. Waar de irrigatie mogelijk is, daar kan dus liet voorsohnft gunstig werken, om mogelijke luiheid of gemakzucht van den Javaan tegen te gaan; ofschoon ik vermeen, dat hij er wel van zelf toe zal overgaan , indien hij inziet, dat zulks hem voordeel kan bezorgen. Hiervoor zijn de geterrasseerde bergsawahs, welke van vóör de ontginningsordounaneie dagteekenen, een onomstootelijk bewijs.

Doch noodzakelijk moet den ontginner een bekwame tijd worden gelaten, bijv. één jaar voor elke 1quot;(J Kijnl. Koeden, want geloof het vrij, zulks is bij een eeuigszins belangrijke helling reeds een zware taak.

Maar niet irngeerbarc pegagans zender noodzaak moedwillig te laten bederven , zonder nog de zekerheid te hebben , dat ze zelfs na verscheidene jaren een beteren oogst

zullen afwerpen, dan nu het geval is,.....moeten dan

aan een artikel alleen duizenden en duizenden ar eidskraeh-ten opgeofferd worden?

Had men dan nog maar verkregen, dat die gronden geregeld elk jaar verbouwd kunnen worden, doch dit zelfs betwijfel ik ten sterkste

Noch op erfpachtsperceelen, waar tot ■gt;■gt;quot; bouws ontgonnen worden, noch voor de gouvernements-, noeh voor de monosoekokoffiecultunr is terrassenaanleg een vereiselite. Waarom dan hiermede wel den Javaanscheu hindman belast?

Als men iets wil doen, dan zij het te zorgen voor eene betere verdeeling vau het irrigatiewater en voor den a;ui,eg van nieuwe leidingen, kunstwerken waar het noodig is.

Door water, door irrigatiewater alleen, kan men de thans uitgeputte gronden hunne \\ruchtbaarheid terugschenken, en in deze richting valt nog zeer veel te doen.

Ook kunnen gronden door flinke bcmes\'ing productieuT gemaakt worden, maar n. b. m moet de nood al zeer gestegen zijn (en dan in de eerste plaats in do dicht bevolkte laaglanden), vóór de landman op Java daartoe zal overgaan.

-ocr page 111-

107

Ik vermeen hier to konnen eindigen. Zal ik mijn doel

bereikt hebben? Zullen de oogen geopend zijn voor de

ernstige bezwaren, aan hel maken van terrassen verbonden? Zullen de dienstij verige ambtenaren terugdeinzen voor het spook „volksvcrloopquot;, dat noodwendig verrijzen zal door het vigoureus doordrijven van algemeeuen terrassenaanleg ?

En zal dat art. 5 al. 3 van Staatsblad 1874 No. 79 vervallen of gewijzigd worden?

Ik wil het hopen. In elk geval zal het niet aan eene waarschuwing ontbroken hebben.

E J n d e.

Bij het inzien één dezen dagen van eenige door beheerders van erfpachtsperceelen ingediende staten betredende de productiekosten vaneen bouw kofllcboomeu, viel mijn oog op het bedrag van f 00, dat bij ceu dagloon van *10 canta berekend werd voor het terrasseeren van één bouw.

Dus groote en kleine holliugeu dooreéagerekend, 1B0 dageu arbeid van 10 ureu ouder goed toezicht voor ééu bouw l

Was het du» enkel theorie, die ik voren verkondigde?

-ocr page 112-
-ocr page 113-

——

-ocr page 114-
-ocr page 115-

EElMGE OnmmXGEN

OVER HET ZOUTMOWOPOLIB.

------JOt-

In de maand Mei n. p. verscheen van \'mijne hand eeue brochure, getiteld: „Het. Zontnionopolie, zijne werking en het wenscheüjke der vervanging door Verpachtingquot;, door Mang (iistun. Het opstel werd geschreven gedurende ik wegens ziekte in het hospitaal moest verblijf houden, en vermits ik noch staatsbladen of bijbladen, noch koloniale verslagen tot mijne beschikking had, en mij vergenoegen moest met eenige tevoren gemaakte aanteekeningen, heb ik eenige kleine onjuistheden begaan, en waren mijne cijfers slechts uitkomsten van eene ruwe berekening van wege het gemis aan nauwkeurige gegevens. Toch zijn alle mij bekende beöordeelingen van dagbladen en tijdschriften mij gunstig geweest, een bewijs dat men voor kleine tekortkomingen gaarne het oog sluit, indien belangrijker zaken de opmerkzaamheid op zich weten te vestigen en de aandacht te boeien.

En ik heb n. b. m, belangrijke zaken aan het licht gebracht. Ik heb schandalen duidelijk aangetoond, waarvan het Land en de iulandsche bevolking beide de dupe zijn; en ik waagde het te beweren, dat:

„Al moet ook het gansche stelsel opgeheven worden, „en al kan zulks niet dan met hevige schokken gepaard „gaan; daar, waar de belangen van het Gouvernement en „den kleinen man samengaan , mag de Regeering niet voor „moeielijkheden terugdeinzen, en ter wille van betrekkelijk „weinige bedriegers zich zelf benadeelen, en haar milliooneu „onderdanen in de verdrukking houden.quot;

-ocr page 116-

1 12

Heeft de Regeering blijk gegeven, ook van deze opinie

tC Achttien maanden, zijn sinds verloopen, en nog niets, niet is er gedaan , om verandering in den ellendigen toestand te brengen , en nog telkens leest men m de couranten, hoeveel spillagen die en die aannemer of pakhuismeester

in rekening mag brengen.

Ja eenige maanden geleden was een gerucht 111 omloop, als zou de Directeur van O. E. en N. een voorstel hebben ingediend, om het zout in kistjes van één kati gewicht verkrijgbaar te stellen. Van dat voorstel hooren wij gelukkig niets meer.

Later deelden de couranten mede, dat in overweging zou worden genomen, of het niet wenschelijk zou zijn het zout in plaats van bij de maat voortaan bij het gewicht

te verkoopen. . .

Halt! Daar lees ik op bldz. 215 van het koloniaal

Verslag van 1884: . n-

„Verder wordt onderzocht, of niet de verkrijgbaarstelhug van gouvernementszout door vermeerdering van het aantal verkoopplaatsen dient te worden vergemakkelijkt, en „t ten aanzien van de spillage, toegestaan aan zoutpakhuismeesters on transpoïtaanncmers, geen nadere regelingen noodig zijn om te voorkomen, dat zij die spillage ten eigen bate aanwenden, ten nadeele van het gouvernemeutsdebiet. Eindelijk wordt ook nagegaan, of het met wenschelijk zou ziju het zont voortaan te wegen in plaats van te meten .

Bovenstaande toont duidelijk aan, dat de Rcgeermg\\ol-strekt niet onbekend was met de zwakke punten van lie zoutmonopolie, terwijl het onderzoek een gevolg was um eeue belangrijke debietsvermindering m 18h3. Dit onderzoek, hetwelk zoo hoog noodig en gewenscht was, zou dan eindelijk ingesteld worden.

Maar was het der Regeering waarlijk ernst daarmede. Ik vermeen hieraan ten sterkte te moeten twijfelen. Üen

onderzoek is zoo eenvoudig toch , en........

Volgens het Koloniaal Verslag van 1885 was men nog

-ocr page 117-

11 a

bezig aan het „onderzoekenquot;, maar was men reeds zoover, dat proeven, door den ambtenaar van hot ijkwezen genomen , hadden doen zien, dat de spillage bij meting zeer wisselvallig, die bij weging daarentegen veel constavfc- en veel geringer is.

Dns dat punt was uitgemaakt; de spillage kon dus reel geringer zijn, de tegenwoordig toegestane is dus veel te hoog.

Maar als de llegeering dat toch inzag en beaamde, waarom dan (zie Kol. Verslag van 18S()) hij Indisch besluit ddo. ~7 Maart I8b7 No. .\'5, met bestendiging van hetgeen feitelijk reeds plaats vond , voor het zont dat in de door-voerpakhuizen was opgeslagen, dezelfde spillage (4%) toegestaan, als voor dat, geborgen in verkojp- en dépotpakhuizen? Zulks geschiedde dus ongeveer een jaar na beëindiging van het rapport van den ambtenaar van het ijkwezen, Dit was in het begin van IbSO reeds ingediend, en dat jaar bleef dat rapport - - - - in overweging.

In 1887 (zie Kol. Verslag pg 200) was de vraag, of de zoutspillage in het algemeen , ook die aan transportaannemers toegestaan, geen herziening vordert, en of het niet beter zijn zou voortaan te wegen in plaats van te meten,

......nog in overweging.

Thans, twee en een halfjaar na de beëindiging van het rapport, is die vraag nog .... in overweging.

Maar dat is immers een onmogelijke, ongezonde toestand of het rapport was een prul, (maar dat betwijfel ik), en dan moest een ander onderzoek noodwendig gelast worden;

of het rapport was degelijk, en behelsde de zekerheid, dal de spillages niet, te hoog waren, maar dan behoefde er ook niets in overweging genomen te worden;

of uit het rapport bleek duidelijk, dat de toegestane spillages té hoog waren, maar dan kon er nog minder sprake zijn van „overweging quot;, want men overweegt niet met knoeiers.

Kr ligt iets duisters over de zoutaangelegenheden gespreid. Een reden te vinden, waarom de Regeering de bestendiging wenscht van den bestaanden, ongezonden en schadelijken toestand, zou moeielijk gaan.

-ocr page 118-

111

Rij elke andere belasting ondervindt de Regeering de moei.\'lijkheid, dat, wil zij den druk van den belastingschuldige verlichten , zulks gepaard moet gaan met verminderde inkomsten; en, wil zij de schatkist gevulder zien, de druk der bevolking daarmede zwaarder moet worden.

Maar hier? Kn het Land èn de inlander zijn met eene wijziging ten zeerste gebaat, ilicr bestaat niet als elders de keuze van het „jnste milieuquot;. Wat weerhoudt de Regeering dan van deze wijziging?

Is het onverschilligheid omtrent de zaak ?

Is het lt;lc moeielijkhcid der keuze van een nieuw stelsel, en laat men, omdat men het beste niet zoo op eenmaal kan uitkiezen, het slechtste maar steeds voortbestaan?

Of is het personeel, aan het Departement van O. 15. en N. belast met zoutaangelcgenheden, niet berekend voor zijne taak?

Het kistjesstelsel.

Dit laatste zou men haast gaan denken, indien men het zout voortaan in kistjes van één kati te verkoopen, aan eene korte beschouwing onderwerpt

le. Volgens bijlage 1\' F. F. van het Koloniaal Verslag van 1 Sb7 zijn in 1886 in het geheel verkocht geworden 1.140 43!) pikoels, dus heeft men noodig 114.()43.(J()0 kistjes van één kati gewicht. Stel deze worden gemaakt op Soerabaja. dicht luj Madocra, van hout, afkomstig van Java (zulks om de transportkosten te verminderen); dan moeten dagelijks aangeinaakt worden meer dan 300 000 stuks, of bij een arbeidsduur van tien uren da«gs ongeveer dertig duizend per uur. lloevele la-brieken zijn daar niet voor noodig , hoeveel duizenden menschen moeten daar niet voor aan het werk gezet worden !

2e. Deze kist jes moeten naar Madoera gestuurd worden, om gevuld te worden. Stel een kistje van l kati of % K ü., neemt een volume in van Va dM3. De leege

-ocr page 119-

115

kistjes, die niet in elkaar knnnen worden geschoven, nemen een totaal volume in van 57.3:22 M8. Berekende nuttelooze transportkosten eens daarvan! 3e. Te Madoera moeten per uur circa dertig duizend hoe-veelheden van I kuti worden afgewogen, even zoovele kistjes gevuld, gesloten en dichtgeplakt worden, dat zijn ongeveer 50U in de ininnnt Moevele weegtoestellen, hoeveel personeel, enz enz dient men zich daarvoor aan te schaffen.

4e De inlandsche bevolking, die thans nog alleen maar het zout heeft behoeven te koopen, zal nu nog gedwongen worden de kistjes en de zeer verhoogde transportkosten er bij te betalen. Stel de kosten, die op één kistje vallen, op 3 of 4 cents (ik neem zulks uit onbekendheid geheel willekeurig aan; zou die som te hoog zijn?), dan bedragen de totale kosten f 3.439,317 of J 4.585.750. In ISM) bedroeg de winst op het zout over geheel ludie 1 ƒ 5.248 000, waren de uitgaven volgens de begrooting van 1880

----/ 2.198 005 en was er in de pakhuizen verkocht

voor ƒ 7.445 9 tl.

Om ouder dit „kistjesstelselquot; dezelfde bate te behalen , zou de inlandsche bevolking veel meer dan het dubbele daarvan moeten opbrengen, en n b. m. kan eene belasting moeielijk goed genoemd worden , indien het netto door het tarra belangrijk overtroffen wordt. 5e En als men al de bovenvermelde bezwaren nog licht telt. wat heeft men dan nog verkregen?

Meer verkoopplaatsen? Maar hoe?

En de som van 1 12 cents, die de Uegeering dan wel gedwongen is voor één kati te vragen , om verlies te vermijden , is immers nog te hoog voor den gewonen dessa-man, om op éénmaal te betalen In de binnenlanden kan men aannemen, dat het gemiddelde dagelijksehe loon voor een man 25 en voor eene vrouw 15 a 20 óents bedraagt. Wat zoude er dan gebeuren? De walidjos of djoeragans, de verkoopers uit de tweede hand, die vroeger, indien zij

-ocr page 120-

\\ rfi

ecue hoeveeldeid zout voor ~ l cculs in een pakhuis had-deu gekocht, die weer in het klein voor 50 of CO cents van tie hand deden, zouden dan voor diezelfde hoeveelheid zelf 1 40 cents moeten betalen, maar .... en dat is zoo zeker, als twee maal twee vier is . . . , de verkoopprijzen in het klein zouden door hen tevens op 100 of 120 cents gesteld worden Zij zouden dan ongeveer verdubbelen.

Ik wil het hierbij laten, meer bezwaren zal ik wel niet behoeven op te sommen, een elk zal helder ingezien hebben, dat een dergelijk voorstel niet van een gezonden, praetischen zin getuigt.

Gelukkig is de Regeering niet daarop ingegaan, en de kleine man zij met de afwending van het dreigende gevaar hartelijk geluk gewenscht

Moge het voorstel voor immer in den suippermand blijven!

Juisl krijg ik eeu ooimmt iti haudeii, waarin vermeld wordt, dut den Residenten door de Regeering de vraag is gesteld, of het niet wonschelijk zou zijn de inland-ache pakhuismeesters door Karopeesche te vervangen.

Hopen wij, dat in het Koloniaal Verslag van 1888 niet iets, ongeveer in dit genre znl voorkomen;

„In liet al\'gcloopen jaar heeft de Kegeering een proef genomen met de vervanging „der inlsndsche pakhuismeesters door Europecsche, welke in zich zelf meer waarhor-„gen opleveren voor eene riehtige en eerlijke administratie. Hoewel deze proef nood „wendig tot vermeerdering van uitgaven moest leiden, heeft de Regeering gemeend „voor geone bezwaren van geldelijken aard te moeten terugdeinzen, waar het gold „aan de bestannde misbruiken paal en perk te stellenquot;.

Bravo! zal er dan worden geroepen, en met zoo\'u kluitje worden de mopperaars dan in het riet gestuurd, en wel voor een paar jaar, want men moet immers de uitkomsten van de proef afwachten.

Want wat zou deze maatregel anders zijn dan eene vervanging vaa kleine door groote dieven? Neen, in die inlandsche pakhuismeesters zit\'m het kwaad niet, maar wel .... beleefd wordt verwezen naar page 10 mijner brochure over het Zontmo nopolie. ___

Verlies door spillage.

Om eenigszins te kunnen oordeelen over het verlies, dat het Land lijdt door het toestaan van hooge spillages, stel ik voor na te gaan, indien er uit een pakhuis 20 kojaïig verkocht wordt, hoe groot de oorspronkelijke hoeveelheid is geweest, indien alle spillages in rekening zijn gebracht (hetgeen ik vrees, dat voor een groot deel wel het geval zal zijn).

-ocr page 121-

Nemen wij eens ccu paar frappante voorbeelden, bijv, de zoutverkuoppakhuizen te Tjiamis eu Kwali in de residentie Clieribon.

Stel men ve.ikoopt aan de bevolking 20 kojang of 600 |)ik()el.

(i. Daar de spillage \'van den verkooppakhnismeester 4 % bedraagt, was de ontvangen hoeveelheid \'0%0 X 000 025 pikoel.

b. Dat zuut was geleverd door den transportaannemer van nit liet doorvoerpakhnis te Bandjar. Spillage — 5 %, oorspronkelijk ontvangen \'0f%5 X 025 -— 657.89 pikoel.

c. In het doorvoerpakhnis te Bandjar is 4 % gespilleerd, dus ontvangen lquot;0/JO x 057.89 = 085.30 [)ïkoels.

d. Deze hoeveelheid was aangebracht door den trans-portaaunemer van uit Tjilatjap. Zijn spillage bedraagt 5 %, dus oorspronkelijke hoeveelheid x 085.30 = 721.37 pikoels.

e. \'l\'e Tjilatjap (in het doorvoerpakhnis?) is gespilleerd 4 %, dus aanvankelijk ontvangen van boord der schepen l0%0 X 721 37 = 751.43 pikoel.

f. Deze hoeveelheid is over zee vervoerd van uit de hoofddépotpakhuizen te Boender en Soemenap, en van wege den grooten afstand vermeen ik, dat de spillage 7 % bedraagt; dus ontvangen op Madoera l0%,, X 751.43 — 807.99 pikoel.

(]. In de hoofddépots mocht men 4 % spilleeren, dus bedroeg de oorspronkelijke hoeveelheid, waarvan bij den verkoop te Tjiamis en Kwali nog slehts 000 pikoel waren overgebleven, ,0%0 x 807.99 = 841.05 l)ikoel, dus 241.05 pikoel meer. Ongeveer ol\'hij-na 30 % is dus aan spillage verloren gegaan; of beter, zooveel kan verloren zijn gegaan, daar het verlies binnen de door de Regeering zelf gestelde grenzen ligt.

Slechts aan het Departement van O. E. en N. zou men de totale, feitelijk gespilleerde hoeveelheid kunnen nagaan, en die in verband brengen met de totale hoeveelheid, in de hoofddcpotpakhuizcn ingenomen zout.

-ocr page 122-

118

Ik heb gepoogd, die spillages uit de ufiicioele gegevens op te sporen, maar ten

gestuit op zulke rare cijfers, dat er y-eker eene mij onbekende fout in de berekeningen moet zijn geslopen

Voor de curiositeit laat ik hieronder enkele volgen:

SpillageberekeniiiK voor 1885 (zio Kol. Verlag van 1885).

Aanwezige zoutvoorrnud in de hoofddepots op Madoern op 81 December 1884 \'............... 155.545 kj.

In verkoop-en doorvoerpnkhnizen, plus hetgeen derwaarts onderweg was op 31 December 1884 .............. 28.308 M

Ingeleverde hoeveelheid zout in 1885 .............58.926 tgt;

Dus zoude men, ware er niet verkocht of gespilleerd, op ulto. 1885 een voorraad moeten hebben van......... • • 242.77^ kj.

Die voorraad bedroeg slechts;

In de hoofddépots te Madoera........ 170.429 kj.

Elders of zeilende............23.017 »

Tezamen .... 193.446 „

Het verschil is dus ontstaan door verkoop en spillage..... 49.333 kj.

of 1.479.990 pk.

De verkoop in 1885 bedroeg (Kol. Verslag 1887)...... 1.139.993 „

Dus is er a»n spillage verloren gegaan..........i 340.000 pk.

of 11.333 kojang ter waarde van ongeveer 2,/4 millioen.

Hoewel ik van meening was, dat deze redenering als een bus sloot, leidde d\'t hooge cijfer mij tot twijfel.

Werd met „ingeleverde hoeveelheid zoutquot; soms bedoeld de hoeveelheid, welke in de droogloodsen was opgeslagen; welke van de zout makers opgekocht was?

Dan zoude in de 11 333 kojang, behalve de spillages, ook de smelting begrepen zijn van de zoutzure en zwavelzure magnesia in de droogloodsen, en van het zout in de depotloodsen , welke smelting belangrijk kan zijn.

Maar...........

Spillagoberekening in 1883 (Koloniaal Verslag 1884).

Voorraad op ulto. 1882 in de hoofddépots op Madoera..........85.600 kj.

Voorraad elders en zeilend op ulto. 1882............26.128 „

Ingeleverde hoeveelheid zout in 1883 ......................8*.66\'lt; quot;

T O T A A 1..........106.586 kj.

Aanwezige voorraad op vilto. 1883 :

In do hoofJdepots............ 12(.970 kj.

Elders en zeilende............ 38.972 „

Tezamen .... 161.912 „

Het verschil is dus verkoop in 1883 -f- spillage -f- smelting. . . 34.641 kj.

De verkoop in 1883 bedroeg (Kol. Verslag 1886)..............85.394 „

Dus do verkoop alleen bedraagt reeds circa 750 kojang meerl Geven spillage en smelting dan toename van voorraad?

Maar wat is dan toch het geval? Ik kan er geen mouw aan passen.

-ocr page 123-

I 19

Orn mijne opmerkingen over spillages te beëindigen, vestig ik de aandacht op den toestand der zoutzakken na een transport.

Als in een kar 15 pikoel wordt geladen, bedraagt de spillage a 5% ... :/4 pikoel. Indien nu de smelting feitelijk had plaats gevonden, dan moest immers het zout, door die zakken heendruipeude, de kar totaal nat gemaakt hebben?

En de zakken zijn steeds totaal droog, ietwat kleverig!

Hoe is het zont dan toch uit de zakken verdwenen?

In bijblad No. 2806 lees ik, dat er een besluit bestond van 11 Mei 1871 No. 6, waarbij was bepaald, dat het voor de biiinenlandsche pakhuizen iu do residentien Banjoemai en Hagelen bestemde zont aan den transportaanneiner zou worden afgeleverd in genummerde, behoorlijk gesloten, voor elk pakhuis bepaaldelijk aantrewezen zakken, welke in geen geval zouden mogen worden geopend ot\' veiwisseld.

Eene flinke bepaling m i., die veel geleek op de artikels 11 en 14« von Staatsblad 1819 No. 38, en die misschien nog cenige beperking zou hebben gebracht iu de knoeierijen.

En......ee maand later diende de aannemer daartegen bezwaren in, m. i.

heel natuurlijk, wijl die bepalingen hem in zijne onweMiye: winsten aantastten.

En waarachtig, aanstonds werden de Residenten van Banjoemas en Hagelen aangeschreven, het besluit voorloopig buiten nitvoe ing te laten; «mi bij besluit ddo. 15 Maart 1873 No. 33 werd — op overwegingen, die geheel niets tc maken hadden met dat nummeren en sluiten, enz. der zakken — het bedoelde besluit ingetrokken.

AVie kan daar nu een mouw aan passen? Ondoorgrondelijk zijn der Hegeering besluiten.

Zouttransporten.

In het Koloniaal Verslag van 1881 betuigde de Regeering haar grootc ingenomenheid met de voordeelige voorwaarden, waarop voor het belangrijke zouttransport van Madoera naar Java\'s Noordkust on de Huitenbezittingen gedurende de jaren 188i3 t/m 18si) gecontracteerd was, nl. voor respectievelijk ƒ 15 en f ^3 do kojang, wel te verstaan van reede tot reede.

De Hegeering meende, dat,\'vergeleken met het vroegere contract van hoolddepot naar verkoop-of doorvoerpakhuis, ongeveer een kwart millioen minder zou behoeven te worden uitgegeven.

Doch in het Koloniaal Verslag van 188(5 kon nog niet opgegeven worden, op hoeveel het vervoer naar en van

-ocr page 124-

1:20

boord der schepen zou komen te staan; eu het Verslag van 1887 rept geen woord noch over deze contracten noch over do verkregen besparingen.

Zou er dan nog twijfel bestaan aangaande het voordeelige der contracten?

Ik weet het niet, maar vermeen op grond van het on-dervolgende daar wel aan te moeten twijfelen

Zooeven deelde ik reeds mede, door hoevele handen het zout diende te gaan , aleer het verkocht werd.

De tegenwoordige contracten voor het transport over zee hebben dat aantal nog doen toenemen.

Thans bestaat er een aannemer voor het transport van de hootddépots te Boender en Soemenep naar de op de reede liggende schepen; en te Karangantoe, Batavia, Che-ribon , Tegal, Tandjocng, Oeloedjami, Pekalongan , Seuui-rang , Banjoewangi en Koetjoer (Fatjitan), en op de meeste plaatsen op de Buitenbezittingen, waar liet monopolie heerscht, bestaan er contracten voor het transport van de op de reede aangekomen schepen naar de strand pakhuizen.

Mij is onbekend, of voor die transporten vun reede naar wal en vice-versa ook noif spillages zijn toegekend. Indien wel, dan heeft men de puntjes op de i. «re/et (?).

Stel nn, dat de aannemer X. vroeger zout moest vervoeren van A. over B. C. I), en E. naar F. aan administratiekosten n. beta!, 1 de, en met ecne winst tevreden was van m. gulden.

Nu stelt men aannemers aan van A. naar B, van B. naar C. enz, en zou men dan denken, dat de vijf admi-nistratien der vijf aannemers tezamen beneden n. gulden zouden blijven, of zelfs daaraan gelijk zijn? En dat de vijf aannemers gezamelijk minder winst zouden willen behalen, dan de aannemer X. alleen?

M. i. is dat ondenkbaar, en is het buiten kijf, dat bij grootere winsten en hoogere administratiekosten de aannemingsbedragen ook booger gesteld zullen worden, zoodat het Gouvernement in den regel duurder bediend zal worden

Ook leidt dit scheppen van meer tusschenpersonen slechts tot meerder verlies door spillage, en tot meerder oponthoud bij de verzending van wege het telkens overrneteu,

-ocr page 125-

De pakhuizen in Japara, Rembang en Sucrabaja worden immers wel direct voorzien van uit Madoera door één enkelen aannemer, en hot vervoer naar de pakhuizen Plosso en Modjoagoeng (afdeeling Djombang) geschiedt wel achtereenvolgens per prauw over zee, per spoor en eindelijk per kar.

Dus waarom zou zulks voor vele andere pakhuizen ook niet het geval kunnen zijn?

Over deze transporten dien ik nog een onbegrijpelijk feil mede te deelen , dat m. i. wel behoort te leiden naar ecne scherpe controle en ontleding der bestnande contracten.

Voor het vervoer van koffie, zout, gelden en goederen in de residentie l\'robolinggo van 1886 t/m 18.H8 is contractant de chinees Tan Soe King; dus ook van l\'robolinggo naar Loemadjang.

Dat transportkosten vrij hoog kunnen zijn in streken zonder particuliere industrie, wanneer het vervoer per kfu-dient te geschieden, is begrijpelijk. De karren moeten van elders komen, zij kunnen geen retourvracht bekomen, enz.

Doch in Probolinggo treft men een buitengewoon gun-stigen toestand aan. Terwijl men op de hoofdplaats, de karren reeds bij honderden telt, komen er van uit de afdeeling Loemadjang ook nog honderden en honderden, beladen met padi, tabak van de talrijke loodsen, koffie van de particuliere ondernemingen en suiker van de fabriek Soekodhono.

Welnu, de prijs per kar vooreen tocht van Loemadjang naar Probolinggo, een afstand van 31 paal bedraagt slechts f 4 a ./\' 5.

Lastiger is het voor de tjikürvoerders, om een retourvracht te bekomen naar Loernadjang; dus grijpen zij gretig de gelegenheid aan, indien de aannemer hun daarvoor zout aanbiedt. Een kar laadt makkelijk opeen goeden weg 15 pikoel, en die kosten dus den aannemer ongeveer ƒ 4.

En voor welk bedrag heeft nu de Kegeering hem tie aanneming gegund?

-ocr page 126-

Voor 16 cents per paal en per pikoel, of voor een afstand van 81 paal, per pikoel ƒ 4.96. Dus per kar bij eenc lading van 15 pikoel ongeveer / 75.

De aannemer heeft dus per har i / 70 winst.

Men kan er zeker van zijn, dat bij zulk een contract bet Land niet allien geen cent profijt trekt van de 6800 pikoels, welke door liet pakhuis te Loemadjang verkocht worden, maar er waarschijnlijk nog op toe moet leggen.

Nu vertelt men wel, dat zulks ecne speculatie is ge-weest van de Regeering, want dat de aannemer het koffie-transport voor minder heeft aangenomen dan in vorige jaren; maar ligt speculatie wel op den weg der Regeering?

In elk geval zal de aannemer het vorige jaar, toen de afdeeling Loemadjang haast geen koffie opleverde, aardig in zijn vuistje hebben gelachen.

Om dit hoofdstuk te beëindigen, geef ik in overweging, of het niet mogelijk zou zijn, in streken als Probolinggo, alwaar niet de minste moeielijkheid ondervonden wordt in het verkrijgen van karren , een transportaannemer eenvoudig weg te laten; den pakhuismeester te Probolingo de zorg voor het zoutvervoer op te dragen, en de kolficpakhuis-meesters, desnoods met behulp van het districts-en onder-districtshoofd, te belasten met den afvoer der door hem opgekochte koffie.

M. i. kunnen daartegen geen redelijke bezwaren ingebracht worden, en het Land zou op vele plaatsen groote bezuinigingen kunnen aanbrengen, door meer profijt te trekken van den drom ambtenaren, zoowel Europeesche als inlandsche, die het bezit.

Verpachting ran bet ZoutdeMet.

Thans een enkel woord over het in mijne vorenbedoelde brochure voorgestelde pachtstelsel.

Aan het Departement schijnt men dit niet verkiezelijk te vinden, ik gaf dit ook voor beter, mits slechts ecne verandering ten (joede werd aangebracht. (Ik cursiveer,

-ocr page 127-

123

omdat het voorgestelde kistjesstelsel weer de waarheid heeft aangetoond van het spreekwoord, dat elke verandering nog geen verbetering is).

Men kan tegen de verpachting verscheidene bezwaren opperen, o. a.

a. Men moet op vele plaatsen Chineezen toelaten, die daar thans niet mogen wonen Dit motief wordt vaak overschat, want ten eerste wonen op de meeste belangrijke plaatsen reeds Chineezen (al ware het alleen reeds de gemachtigde van den opiumpachter); ten tweede zie ik het groote kwaad nog niet in, dat zoo\'n. Chineesche zoutverkooper zon kunnen stichten, aangezien toch reeds vele rondventende Chineezen de des-sas buiten de hun aangewezen wijken bezoeken; en ten derde is het nog geen uitgemaakte zaak, dat de slijters of gemachtigden van den pachter overal Chineezen zuilen zijn.

b. Men kan eene verpachting als belasting afkeuren, daar de opbrengst niet zuiver in de schatkist vloeit, maar voor een gedeelte als winst in handen van den Chinees blijft hangen. Maar wordt deze winst niet voor een groot deel opgewogen door de bekenddure administratiekosten in IndieP En men treft in Indie genoeg verpachtingen aan, om voor dit motief niet de schouders op te halen, vooral als men inziet, dat, hetgeen de inlander thans voor het zilt betaalt, zóó hoog is, dat die winst van den pachter plus wat de bevolking onder het pachtstelsel zal moeten betalen, daar nog verre beneden zullen blijven.

Het is hier de plaats om aan te teekenen, dat ik mijne meening intrek, dat de op pag 29 sub. art VI mijner brochure vermelde prijzen voor een gantang en onderdee-len daarvan zeer in het belang der bevolking zouden zijn.

Deze prijzen, welke gelijkstaan met / 9.(50 de pikoel, zout, indien het bij hoeveelheden van \'/,0 gantang en van / 12. indien het bij \'/,on gantang verkocht wordt, zijn Zeker lager, dikwijls veel lager, dan er thans voor betaald Wordt, doch desniettemin kunnen zij hoog genoemd worden.

-ocr page 128-

124

liulieu echter die, welke op de voorlaatste pagina opgegeven worden, ul.

1 pikoel voor ƒ 0.40 1 gantang (% p.) ,, 0 80 \'A „ • ■ „ 0 40

\'/,0 „ , . „ 0.09 (overeenkomende met / 7.20 de pk.)

/i........ ,, 0 01 ( „ „ „ 8 „ „ )

aangenomen worden, dan vind ik liet stelsel nog zoo kwaad niet, vermits dan bovendien op alle hoofdplaatsen van residenties, afdeelingen, districten en onderdistricten, en op vele belangrijke passars en op middelpunten van industri-ecle ondernemingen, zout van wege den pachter verkrijgbaar zal zijn, en er nog bovendien daarbuiten genoeg plaatsen zullen overblijven, waar eene particuliere zontver-koopster (ook tegen bovenvermelde prijzen verkoopend) een behoorlijk dagloon kan verdienen.

Vindt men laatstbedoelde prijzen te laag, en vreest de Regeering, dat zich dan geene liefhebbers voor de pacht /uilen opdoen, dan zou men ook de volgende prijzen kunnen stellen.

De pachter koopt het zout van het Gouvernement a ƒ 6 de pikoel op Madoera, en verkoopt het weer:

1 pikoel tegen ./quot; 8.—

\'/.O .. - » 0-80 5 katis ,, „ 0.40

2 kati „ „ 0.20

1 „ „ „ 0,09 (overeenkomende met / 9 de pk.) \'/ 0 021)

/i / i n s

T

I

1

ke beweringen in het wilde weg, zonder door eenig bewijs gestaafd te worden, laten een gezonddenkend mensch koud.

-ocr page 129-

125

ludien iemand gegronde redenen aanvoert, en bewijzen kan, dat mijne „Voorwaarden voor de verpacliting van den verkoop van zoutquot; niet bij machte zijn, knoeierijen te voorkomen, zal ik de eerste zijn mij ook tegen de verpachting te kante», want ook ik ben er verre van af, te willen beweren, dat dit nu het beste stelsel is. .

Dat ik bij bet door mij aangegeven stelsel niets gezegd heb over den voorkeur, dien moet worden toegekend aan bet verkoopen bij het gewicht boven dat bij de maat, ligt in de nutteloosheid eener keuze. Verkoop bij het gewicht is voorzeker nauwkeuriger maar aangezien bij den verkoop in het klein meestal bij /0 gantang eu \'/ n(l gantang zal gedebiteerd worden, kunnen met die kleine maten geen beduidende knoeierijen plaats grijpen. Met spillages heeft men niets te maken, behalve in de hoofddepots op Ma-doera. Verkiest men toch het wegen, mij goed, of beter nog mij liever; bet stelsel behoeft daarom niet veranderd te worden.

Een groot voordeel van de verpachting is bovendien het ernstige tekeergaan van sluikhandel eu clandestiencn aanmaak door de bevolking. In mijne brochure schreef ik op pg 20:

„Tn alle stranddessas vindt men clandestien aangemaakt „zout, en heeren varkensjagers zullen het kunnen getuigen, „dat daar net zooveel clandestien zout voor bet maken van „dengdeng is te verkrijgen, als men maar verkiest, (bijv. „in de afdeeling Sedajoe).

„Hoewel het wel hard is te noemen, dat menschen, „die het zout als het ware voor het oprapen hebben, dat „op enormen afstand moeten gaan halen, eu het schrikkelijk duur moeten betalen, belasting is belasting, en een „nauwkeariger controle zou lang niet schadelijk zijn voor „het debiet.quot;

Die nauwkeurige controle zou dan door den pachter en zijne slijters kunnen worden uitgeoefend. Zout is een zaak van voortdurende, dagelijksche behoefte (er bestaat mitsdien niet de minste overeenkomst tnsschen zout en opium),

-ocr page 130-

12(5

en ecu slijter kan al hooi spoedig nagaan, hoeveel ongeveer de nmandelijksche behoefte per gezin en per dessa bedraagt, en als de aanvraag eener dessa in den Oostmoesson belangrijk beneden het behoeftecijfer blijft, heeft een slijter aanleiding genoeg tot verdenking, en alle reoht om die maatregelen te treffep, welke hij noodig acht en de Regeering hem toestaat, ten einde pogingen tot benadeeling van zijn zontdebiet te verijdelen.

Omgekeerd zullen pogingen van den pachter om zich dóór elandestienen aanmaak van zont te voorzien, al zeer spoedig in den kijker loopen. Zout heeft niet, als opium, cene groote waarde bij klein volumen, en tot verkrijging van eene eenigszins beduidende hoeveelheid daarvan zon hij pannen moeten aanleggen; het zeewater zou weken noodig hebben voor de verdamping; het zout moet uitgeloogd worden, enz, en het zou wel wonder zijn, indien in al dien tijd den Europeesehen en Inlandschen ambtenaren dan wel den dessahoofden van dien aanmaak niets ter oore was gekomen.

Stappen wij thans van de verpachting af, en leggen wij den tegenstanders daarvan (hetzij gemotieveerd of onge-motieveerd) een ander „systeemquot; voor, dat dit voordeel heeft, dat het tegenwoordige stelsel geen algeheeie verandering behoeft te ondergaan.

De Heer P. Brooshooft gal\' reeds in zijne Memorie over den t eest nan d in Indie mee enkele woorden dit stelsel aan.

Verkoop in het groot uit de pakhuizen.

Verkoop in het klein, onder toezicht, poor i\'articuliëren.

Een dringend vercischte in dit stelsel is bij alle transacties het gewicht en niet de maat te laten besliseu Met eerste toch laat zich niet gelijk de laatste door handigheid foppen.

Eene tweede „levenskwestiequot; zoude zijn het vaststellen, na ecu nauwkeurig onderzoek, van spillages, die het werkelijk geleden verlies door smelting zoo nabij mogelijk komen , oin knoeierijen binnen zeer enge grenzen te beperken.

-ocr page 131-

Mijne beschouwingen diennangannde zijn reeds voren uiteengezet ; alleen vermeld ik nog, dat naar mijne meening de Regeering zou kunnen volstaan :

a Voor de pakhuizen met Vj0 % voor elk maand dat het zout opgeslagen blijft. Men vergete niet, dat het zout alleen aan dc buitenzijden met de lucht in aanraking komt.

h. Voor transporten over land % voor eiken dag, dat de karren onderweg zijn tot een maximum van 1 % ; en c. Voor transporten over zee \'/4 % voor eiken dag rei-zcns tot een maximum van 3 %.

\'t /011 mij zeer verwonderen, indien de uitkomsten van den ambtenaar voor liet ijkwezen aanmerkelijk hoogere percentages aangeven.

Aangezien de commissies van opname toch volkomen onbetrouwbaar zijn, worden deze opgeheven, en als nutteloos weggelaten, en alszoo eene bezuiniging verkregen van circa / 13.000 \'sjaars. Doch thans wordt streng dc hand gehouden aan liet nummeren, sluiten, verzegelen, niet verwisselen, enz. dor zakken.

De zoutinname heeft plaats in tegenwoordigheid van den zontverkooppakhuismeester en den gemachtigde van den transportaannemer. Na zich overtuigd te hebben van den toestand der zakken , beveelt de pakhuismeester alles te wegen, en indien men gewichten heeft tot gezamelijk 500 katis, zal de inname spoedig zijn afgeloopen.

Bij geschillen tusschen pakhuismeester en aannemer, wordt eene commissie benoemd.

l\'akhuisuieestors.

Tot bepaling hunner bezoldiging diene men zich eerst de vraag te stellen, welke positie men hun toe wil kennen , met welken rang in de ambtenaarswereld men hen gelijk wil stellen in verband met hunne werkzaamheden, wetenschappelijke opleiding, enz.

-ocr page 132-

Als men nu in overweging neemt, dat de tegenwoordige funetionnarissen voor het nieerendeel tot de ludo-Kuropeanen behooren, weinig opvoeding hebben genoten, en slechts het zoogenaamd kleiiuunbtcuaarscxauieii hebben afgelegd; dat va] vroeger militair, klerk, soms commies zijn geweest; dat hunne administratie, vooral niet behulp der aanwezige antecedenten, eenvoudig en bet werk van een bekwaam controleursschrijver veel lastiger is; dan geloof ik, dat de verkooppakhuismeesters geassimileerd moeten worden aan den rang van onderofficier, klerk of derde commies, ten minste zij, welke aan het hoofd staan van minder belangrijke pakhuizen, waarvan het jaarlijksch debiet bijv. beneden de 10.000 pikoels blijft.

Hunne geldelijke verantwoordelijkheid loopt gemiddeld over een 40 a 50 mille, en men treft er onder de inland-sche koffiepakhuismeesters verscheidene aan, wien bij een opkoop van 5000 pikoels koffie en meer, jaarlijks ƒ 70 000 en meer door de vingers gaan. Eu deze laatste genieten slechts / 30.— \'s maands plus /240.— \'s jaars aan procenten voor duizend pikoels koffie en een dubbeltje voor elke pikoel daarboven. Eu verkoopen zal toch wel niet ingewikkelder zijn dan inkoopen?

Heeft men het punt van positiebepaling uitgemaakt als boven, dan kan een daarmede overeenstemmend tractement worden toegekend.

Aangezien een pakhuis slechts open behoeft te zijn van 7 uur \'s morgens tot één uur na den middag, en Zondags gesloten blijft, heeft een pakhuismeester een makkelijk leven, terwijl flinke jongelui, die eeue goede opvoeding hebben genoten, voor ƒ 70 en / 100.— op suikerfabrieken en koffieondernemingeu zwaar moeten werken. Noch de aard noch de duur der werkzaamheden vereischen dus eeue hooge bezoldiging; liefhebbers zullen zich genoeg opdoen.

Zeer wenschelijk zoude hei zijn bij de vaststelling der tractementen rekening te houden met den meerderen verkoop en de daarmede gepaard gaande drukkere werkzaam-

-ocr page 133-

129

heden, zoodat er in dat ..corpsquot; ook promotie mogelijk is, en zulks een prikkel zal zijn voor nauwgezette plichtsbetrachting (nl. nadat men alle aanleiding tot verleiding zal hebben uit den weg geruimd).

Bij Staatsblad 1851 No. 2 is bepaald, dat voor pakhuizen met eeu minder jaarlijksch debiet dan 200 kojang (G000 pikoel) bij voorkeur eeu inlander tot zoutverlcooppakhuis-meester zal worden benoemd. Soit, daar moet een grens zijn.

Volgens het Kolomaal Verslag van 1887 zijn er op Java 8 pakhuizen, waar het gemiddelde debiet gedurende de jaren 1884, 1885 en 1886 belangrijk beneden de 6000 pikoel is gebleven, en waar toch een Europeaan aan het hoofd st»nt, en 17 pakhuizen, die zouden moeten worden opgeheven, aangezien het debiet geblrnen is onder de 48 kojang of 1440 pikoels. Het laten voortbestaan was zeVer toe te schrijven aan de omstandigheid, dat anders de afstanden der pakhuizen ouderling te groot tonden worden.

nu de tractementen niet ongeveer zóó kunnen

Debiet tot

van 2000 vaii 4000 van (5000 van 8000 van 10 000 van 15.000

van 20.000 tot 30.000 (Batavia, Bandjermasiu)

daarboven (Soerakarta,

Priamanen Palembang)

Deze tractementen moeten echter zuiver door de func-tionnarissen genoten worden; de Regeering zal mitsdien de kosten dragen van het personeel en eene kleine vergoeding schenken voor het aanschaffen van schrijfbenoodigd-heden.

Daar waar het jaarlijksch debiet minder dan 1000 pikoel bedraagt, (dat is dus minder dan 3 pikoel daags) kan do mantri alleen wel alles af. Zoo kan men één meter toestaan, twee meters, twee meters en eeu geldtelier, enz. naar gelang van het debiet.

Zou men regelen:

m pikoels 2000 tot 4000 tot 0000 tot 8000 „ 10.000 15,000 20.000

Bezoldiging \'s maands

Voor inlanders.

ƒ

30

gt;»

40

gt;»

50

75

»»

100

»»

150

gt;»

200

gt;»

250.

a / 300

gt;)

350.

a „ 400

Voor Europeanen

-ocr page 134-

180

Eene niaandclijkscho betaling van / 10.— is zeker ruim voldoende, aangezien schier overal in de binnenlanden het koelieloon slechts 25 cents bedraagt; op de hoofdplaatsen kan men het tracteinent wel op / 15.— stellen.

Ik beaam ten volle, dat bij eene dusdanige betaling bet artikel „Miniinmutractementen, pikoelgelden en transportkosten van de zoutverkooppakhuismoesters, en daggelden van gecommitteerdenquot;, waarvoor op de begrootingen ± 2 ton is uitgetrokken, thans misschien één ton meer kosten zal, (ik kan zulks met de voorhanden gegevens niet zuiver berekenen), maar eene behoorlijke bezoldiging is niettemin één der hoofdfactoren, zonder welke geen legeling tot een gezonden toestand kan leiden.

Toch zullen èn deze vermeerderde betaling èu eene mogelijke verhooging van transportkosten èn zoovele andere mogelijkheden meer, naar alle waarschijnlijkheid, die aan zekerheid grenst, meer dan opgewogen worden door de groo-te winsten, die een sterk vermeerderd debiet, ontstaan door belangrijk lagere prijzen, vermindering der spillages en tegengang van sluikhandel en verboden aanmaak, het Gouvernement zullen doen behalen.

Verkoop voor \'sLands rekening.

Voor de pakhuizen zullen dezelfde flinke en zuivere weegschalen aangeschaft worden, als in gebruik zijn bij de koffiepakhuizen , doch men vermijde toch de aanleiding tot allerlei kleine afzetterijen bij den inkoop van koffie ten koste van den producent, nl. het wegen bij ponden, die bij den Javaan niet bekend zijn.

Evcnnim als hij U begrijpen zal, als gij hem vraagt; hoeveel mijlen of kilometers gij nog van eene bepaalde plaats verwijderd zijt; even vreemd, als een koffieplantende Javaan op zal kijken, als de Controleur hem bevel geeft, te planten l.S^.S op 2.511 Meter (6 op 8 voet), even zoo onbekend is hem onze Amsterdamsche pond. Hij weet wel, dat hem rechtens / 14 voor elke pikoel koffie toekomt,

-ocr page 135-

131

maar hij ziet bij de lever-ng in hot koffiepakhuis eenige gewichten op de schaal doen, hij hoort een bepaal,l gewicht opnoemen, hetwelk hij niet veritieoren kan, en kon hij dit ook, zou het hem niets geven, aangezien hij voor hem ingewikkelde vraagstukken, als: „één pond kost 11.2 cents, hoeveel kosten dan 78% pond?quot; noch uit liet hoofd noch op papier (hij kan gewoonlijk lezen noch schrijven) kan oplossen?

Zulke fouten nu diene men te vermijden bij den zout-verkoop, en gewichten van I pikool, en \'/4 pikoel, 10, 5, 2, l. \'/j gt; \'A en kati zijn in den c mstructiewinkel te Soerabaja zoowel als elders even gemakkelijk te gieten als ponden, meervouden en onderdeelen daarvan.

De prijs per pikoel zout 111 het pakhuis zal /quot; 7.— bedragen, en de minkuumhoeveelbeid, welke men aldaar bekomen kan, wordt op één kati gesteld, eene waarde vertegenwoordigende van 7 cents.

Zoo zal de bevolking uit den omtrek van een verkooppakhuis tegen een zeer billijken prijs in het bezit kunnen geraken van zout, daar een som van 7 cents wel binnen het bereik van vele lieden zijn zal.

Zulks, wat den verkoop in het groot aangaat voor gou-vernement\'s rekening.

Verkoop in liet klein door pavticulieren.

Thans treft men op Java duizenden personen aan , die eene zeer voordeelige negotie drijven, door het zout in kleine hoeveelheden te verkoopen tot prijzen, welke ongeveer varieeren tussehen het dubbele en het drievoudige van het kostende in het pakhuis. En verreweg het grootste gedeelte der bevolking is wel gedwongen daarin te berusten vermits zij soms tot 20 palen van het naaste pakhuis afwoont, en de som van 21 cents, het laagste be lrag, waarvoor zij daar terecht kan, te hoog voor haar is, om op éénmaal voor één enkel artikel uit te geven.

-ocr page 136-

lèi

Dus de verkoopers in het klein zijn reeds aanwezig, uü komt het er alleen nog maar ü|) aan, hunne ongehoorde eischcn binnen paal en perk te h inden.

Zon men niet evengoed, gelijk in Nederland en elders met den verkoop van jenever enz geschiedt, op Java toezicht kunnen houden op maat of gewicht en prijs van het zont?

Toezicht houden is misschien minder juist, ik bedoel; straffen, geldboeten stellen op de overtreding van eene regeling op gewicht en prijzen.

Men kan bijv vaststellen:

I. Zij, die voortaan zich onledig wenschen te houden met don verkoop van zout in het klein, zullen zich met hun verzoek wonden tot het hoofd van het onderdistrict (of tot den Wedono of Controleur), die hun aanstonds een vergnnningshewijs uitreikt.

Hiervan wordt aanteekening gehouden in een „Register van Zoutverkoopers,quot; en tevens kennis gegeven aan den beheerder van het verkooppakhuis, alwaar de betrokken personen voornemens zijn, hunne inkoopen te doen.

II. Dit vergunningsbewijs moet op eene duidelijk zichtbare plaats vóór het verkoophuis worden opgehangen, en vermeldt, behalve de vergunning, de prijzen, waartoe bij gewicht verkocht zal worden, zijnde:

1 kati.....i) cents

\'/4 kati.....2\'a cents

\'/k, kati.....1 cent.

(Zie de prijzen onder Verpachting).

III. De eerste keer, dat de verkooper in het zoutpakhuis een inslag doet, zullen hom op verzoek aanstonds door den verkooppakhuismcester een weegschaal benevens de noodige gewichten worden ter hand gesteld, natuurlijk tegen betaling.

Deze weegschalen zullen zoo eenvoudig en goedkoop mogelijk moeten zijn; aan de hoofden van Gewestelijk en Plaatselijk Bestuur zal worden opgedragen te zorgen

-ocr page 137-

1:53

dat steeds ccn voldoende voorraad vvecgschaloii, l»;-hoorlijk geveriticenl, in de pakimizeu voorhanden is.

Nu moeten eeni^e berekeningen nog uitwijzen, oi\' deze maatregel voor verwezenlijking vatbaar is, en wat voor uit komsten men daarvan mag verwachten.

liet zoutmonopolie heerseht op geheel Java, behalve in do Vorsteulaudeu en eeuigc dessas in het district Keradcnau, afdceling Grobogan (hoewel het Land ook te Soerakarta een zeer belangrijk pakhuis heeft, waar bij minstens ecu halve pikoelmaat verkocht wordt).

Volgens het Koloniaal Verslag van Ib87 zijn in het jaar 188() op Java en Madoera, behalve de Vorstenlanden, 909.479 pi koels gedelücteerd geworden, en bedroeg daar de bevolking 21,9lt;)7.25!) — 1.718.^18 20.283.441 in. weners. Zulks geelt per hoofd een jaarlijkseb debiet van 4.5 kati.

Deze luttele hoeveelheid, de helft of misschien wel een derde van hetgecu in andere landen per hoofd geconsumeerd wordt, vindt wel voor een deel hare verklaring in de enorm hooge prijzen, welke in de dessas vaak voor het artikel betaald worden, maar verdient in geenen deele het volstrektst vertrouwen, aangezien het zout voor den Javaan haast „toespijsquot; bcteekent bij de gewoonlijke of veelvuldige afwezigheid van vleeseh, visch of andere bijgerechten. Dat lage gemiddelde wijst m. i. duidelijk op groote kwantiteiten clandestien zout, zoowel afkomstig van de overgehouden spillages als van verboden aanmaak. Ik geloof niet erg optimistisch te schatten, als ik bet gemiddelde debiet bij ecne goede zoulregeling, stel op minstens (i ka-tis per hoofd.

Een gezin, uit vijf personen bestaande, behoeft dan jaar-lijkscli 30 katis, dus 2% kati in de maand. Dit cijfer geeft aan, dat haast nooit bij grootere hoeveelheden dan 1 kati zal ingekocht worden.

Nemen wij nu aan, om ccnigszins te kunnen nagaan, welke de winsten kunnen bedragen van een zoutverkooper, dat de helft verkocht wordt bij katis [dus overeenkomende

-ocr page 138-

I :i I.

met ƒ 9.— de pikoelj en do undoro helft bij kwart en tiende deelen daarvan ^dus a ƒ 10. de pikoel), dan verkrijgt men op de 100 personen:

Jaarlijksehe behoefte......100 x \'» 000 katis

= 0 pikoel.

Verkoop 3 pikoel a ƒ i) / 37

8

„ 80 4.3

10

Totale verkoopsprijs Inkoopsprijs 0 x 7

Winst / 15

Rekent men hiervan af /., gulden per pikoel voor transport-en andere kosten, dan zien wij dat de winst op elke honderd personen ongeveer ƒ 1 3.— \'s jaars kan bedragen, of maandelijks ƒ 1.—

Op 450 personen, bij een winst van ƒ 4.50 \'s maands of 15 cent per dag, kan een vrouw van den verkoop reeds bestaan, en is die winst voor een waroenghoudster makkelijk meegenomen.

Op 600 personen wordt reeds 20 cents daags verdiend , en wordt het bedrijf looneml, vooral als men bedenkt, dat het een gemakkelijk werk is, hetwelk andere bezigheden niet uitsluit, en licht met eene andere nering samen kan gaan.

Volgens mijne onderstelling zou men verder krijgen: Op 750 personen een winst van 35 cents daags.

„ 900 ...... „ 80 „

n 10 lt;) 0 ,, ,, ,, ,, 8«) ,, ,,

Slaan wij thans ken iu,ik of onderstaand staatje.

kaïn der Rcsidenlic.

aanlal

dessas.

licvolkings-

gemiil-

lll\'lll |mt des,sa.

a a n t a i

(lislric-leii.

oiidcrdis 1 rid en.

Bantam Batavia Kravvang Preanger

1564 4002 560 1479

545.847 1.018.884 881 688 1.654.886

849 258 593 111 9

22 11* 18 62

58

13

142

[laKluii 7. (iii.

6 4 6 30

-ocr page 139-

135

.

i ii •

ffClllid-lll\'lll |)(T

AANTAL.

kam dor Rosiilmlie.

aaiilal

i„ „,

limlkniüs-cijfcr.

ilislric-

onilcrdis-

nalliui-

dessas.

di\'ssa.

1(111.

Iriclcii

I

7. I\'ll.

Cheribon

1367

1.369.1 53

1001

33

58

9

Tegal

1053

1 006 556

955

18

41

6

Pekalongan

1 204

538,9 78

447

1 l

28

3

Semarang

2592

1.412.335

51-5

24

55

8

Japara

1247

85 S. 166

688

16

34

5

Rembang

2017

1 196.402

593

23

45

6

Soera baja

5184

1.8H9.366)

364

28

1 14

13

Pasoeroean

1757

H38 947

477

24

53

13

Probolinggo

559

506.013

905

14

30

3

Besoeki

686

591.700

862

20

44

8

Banjoemas

1328

1.112.] 20

837

1!)

51

8

Bagelen

266!)

1.272 532

477

23

50

8

Kedoe

2862

740.278

258

12

35

6

JVladioen

1490

1.021.995

686

26

63

/

Kediri

1 5 li

979 301

618

28

72

8

JVladoera

1 196

1.403 394

1 173

21

42

10

Totaal

459

1027

157

Wij zien, dat in vier residentien het gemiddeld nantal inwoners per dessa minder dan 450 bedraagt, waarbij eerst de zoutverkoop loonend wordt, maar (behalve voor Bantam) waar de dichtheid der bevolking, zijnde 7996, 17256 eu 19900 inwoners per j j geogr. mijl, aantoont, dat de dessas vlak bij elkaar moeten liggen, zoodat zonder bezwaar één debitant twee of meerdere dessas kan bedienen.

Verder tellen 6 residentien gemiddeld van 450 tot 600 inwoners per dessa, alwaar dns de negotie even looueiul is; en drie residentien van 600-750 inwoners\' per dessa, alwaar het bedrijf een winst van 20-25 cents verzekert.

In de overige zeven residentien, alwaar de dessas gemiddeld van 750 tot 1175 inwoners tellen, is de neriug goed loonend, van 25-40 cents.

De cijfers in de kolommen „aantal districten en onder-districtenquot;, toonen aan, dat onder bet stelsel van Verpach-

-ocr page 140-

I 36

ting (behalve de 157 verkooppakluvizeu) op Java op 1480 plaatsen \\evkooplokalen zullen verrijzen behalve nog de honderden andere punten, waar men suikerfabrieken, particuliere ondernemingen, hontaaukappen, enz aantreft.

M. i. meen ik boven voldoende te hebben toegelicht, dat men geen bezwaar zal ontmoeten bij het debiet in het klein, en dat in een zeer groot aantal dessas op Java de slijters met de vastgestelde prijzen een voldoend of ruim bestaan kunnen hebben.

Indien op (iOO personen één zontverkooper kan bestuan, zal men er (his in de gouvernementslanden op Java \'; 34.000 kunnen hebben.

Hoe op de Buitenbezittingen de verkoop buiten het pakhuis mogelijk is. verklaar ik niette kunnen aangeven wegens onbekendheid met de daar heerschende toestanden.

Clandestien zout.

Indien bij het toestaan van spillages rekening wordt ge-honden met de feitelijke smelting, behoeft nog enkel de inname in de hoofddepots van zout uit de depotloodsen aan eene strenge controle te worden onderworpen; want alleen hij deze handeling kunnen nog knoeierijen gepleegd worden, door bijv 45500 kojang in te nemen en er slechts 45000 te verantwoorden. Daar behoeft geen haan naar te kraaien, indien de beheerders of de opzieners het eens zijn met de transportaannemers.

Maatregelen tot bewaking van loodsen en pakhuizen, en controleering van de innamen zullen m. i. wel door den Resident van Madoera kunnen worden genomen, indien men hem daarvoor eonige duizenden guldens toeslaat, en de commissien van inlanders afgeschaft worden.

Doch eene eerste vereischte is, den hoofddépotpakhuismeesters, die eene betrekking van zóó groot vertrouwen vervullen, niet op hunne tegenwoordige, vaste bezoldiging van ƒ 200- a / 250-te laten, maar hun ecu goed inkomen van bijv ƒ 500,- te verzekeren.

-ocr page 141-

IB)

Clandestiene aanmaak op ccnigszius helangrijkf! schaal kan naar mijne meening uiterst zelden voorkomen. De voorbereidende maatregelen daartoe, de lange duur van het verdampen, het transport, enz, zonden spoedig genoeg in het oog vallen.

Maar dat het Land eene belangrijke winstderving ondervindt , doordat de meeste, zoo niet alle stranddessas zich haast niet tot de pakhuizen vervoegen om zout, is gewis; en zulks komt, wijl ieder gezin voor zich zelf alleen, of hoogstens voor enkele andere bovendien, zout aanmaakt uit zeewater.

Voren reeds rekende ik uit, dat de maandelijksche behoefte van een gezin ongeveer 2 \'/2 kati bedraagt. Aangezien het zeewater ± 2 !/a % zout bevat, zijn ± 10U katis zeewater voldoende tot het verkrijgen van de benoodigde hoeveelheid; en behoeft een gezin wekelijks slechts ±; 25 katis water op te koken. Zulke geringe kwantiteiten onttrekt men gemakkelijk aan het oog; eu al bracht de politie die bij ecu onderzoek ook aan het licht, voor hoeveel moet men dan wel eeu gezin beboeten, dat voor \'/, kati zout in huis heeft, ter waarde van 3 % cents hetwelk door verschil in kleur en grootte der kristallen zich onderscheidt van het gouvernementszout, en dus vermoed wordt van eigen aanmaak afkomstig te zijn ?

Vermindert de aanmaak van één gezin het gouverne-ment\'s debiet slechts met ± 30 katis, men vergete niet, dat er houderden stranddessas zijn met tienduizenden gezinnen. Hoe nu dien aanmaak eenigszins te beperken, en den omvang daarvan na te gaan ?

De pakhuismeester krijgt van den controleur eene opgave van het aantal inwoners van alle dessas, die gewoon zijn /ich uit dat pakhuis van zout te voorzien, benevens eeu staat van alle personen, die vergunning hebben tot den verkoop.

Nu kan de zoutverkooppakhuismeester nagaan , dat het behoeftecijfer der dessa X met 632 inwoners a 0 katis per hoofd, jaarlijks ± 38 pikoel moet bedragen of maandelijks -i- 3.10 pikoels. Zoolang de maandelijksche aanvraag van

-ocr page 142-

188

den slijter nog 3, zeg 2 x/.1 pikoel bedraagt, zwijgt de pak-huisraeester. Doch blijft de opkoop daar beneden, dan wordt de. zaak verdacht, en moet die deasa in bet oog worden gehouden. De slijter zal meestal, om niet al zijne dessagenootcn tegen zich in het harnas te jagen, de schuldigen uiet willen verklappen, al kent hij ze ook.

Politie daarheen sturen? Als meu ze maar van verre ruikt, is er iidtuurlijk in de heele dessa niets te vinden.

Neen,, er zit niet anders op, dan eiken pakhuismeester jaarlijks bijv / 100 spionneugeld te geven (een uitgave dus van ongeveer / 16.000), of wel het dorpshoofd voor de controle aansprakelijk te stellen; want is het monopolie eenmaal op een billijken grondslag gevestigd, dan komt „medelijden met den armen Javaan, kassian tochquot; volstrekt uiet te pas.

Jaarlijks geei\'t de pakhuismeester aan den Assistent-llesi-dent of den Resident kennis, hoeveel pikoel door elke dessa is geconsumeerd , en deze staat kan dan tevens uitwijzen of er in sterke mate verboden aanmaak heeft plaats gehad, en of de pakhuismeester met behoorlijken dienstijver en doelmatigheid gebruik gemaakt heeft van het spion-uenfonds.

Hiermede vermeeu ik mijne opmerkingen te kunnen beëindigen. Mijn hartelijke wensch is, dat zij mogen bijdragen tot het scheppen van een gezonden toestand, welke ten bate is èu vau de Regeering èu van de inlandsche bevolking.

SENDOËRO 4 Augustus 1888.

-ocr page 143-

Vorbeleriiigeii on a

nviillingcii.

Pg- 5

rn. 13 v. o sta

it; den opbrengst; 1

s: de opbrengst

I\'fS

5

rg. 9 v

0, J,

vermoed olij ken;

vermoedelijke

1\'b\'

0

rg. (i v

1gt;-

daar

waar

I\'t!

7

rg. 9 v. b. „

waarop

waar op

Pg

12

rg. 14 v

Ü- „

kan

kunnen.

PS

16

rg. 7 v

b. „

zij no ;

hare

Pg

I\'J

rg. 2 v

b. „

hem

hen

Pg

iy

rg, 19 v

b. „

hi) /.r al moet;

zij ze al moeten

Pg

19

rg. 18 v

0- ,(

iiansse-partij

hausse-partij

Pg

■22

rg, 7 v

0. „

weinnig ;

weinig

Pg-

au

rg. 11 v

1). „

onderhanden ;

onderhouden

Pg-

23

rg. 13 v.

b.

ternnnivernood;

ternauwernood.

Pg-

28

rg. 7 v

u. „

naar

maar

Pg-

32

rg. 7 v.

b. „

niet ;

niets

Pg-

32

rg. 0 v.

(i. ()

sleehte

slechts

Pg-

35

rg. 4 v.

b. „

hadden

hebben

Pg-

54

rg. 10 v.

b. „

19

20

Pg-

54

rg 0 v.

0- ,

dessas er ;

dessas

Pg-

50

rg. 17 v.

1). „

geforceerde ;

getaxee rde

Pg-

5quot;

rg. 2 v.

b. „

pereen tsg^eijfer;

percenla^ecijlVr

Pg-

58

rg. 18 \\.

!gt;- n

3 ;

13

Pg-

82

rg. 5 \\.

b. „

heeft ;

i s

pg.

70

rg. 7 \\.

0. „

al mochten ;

en al mochten

Pg-

71

rg. S v.

(). „

10 mille a f 1,50—

24 ; lees 1 0 mille a f 1.

Pg-

1

rg. 3 v.

I). „

f 1.\')0 ; 1(

f 1.1-0

1\'g-

7-1

rg. 1(gt; v.

Ü. „

geven ; M

opleggen

Pg-

75

rg. 2 v.

b. M

belindigen ; „

bceindigen

Pg-

7\'J

rg. 8 v.

o.

hoenuiks ; w

hoemahs

Pg-

83

rg. 1 v.

b. „

vau gt; i»

Van

pg.

81

rg. 11 v.

b. „

hogopadi ; „

gogopadi

Pg-

98

rg, 12 v.

b.

v ergnn n i ngsbewijzen; ,

gronden

Pg-

102

rg. 7 v.

o. „

voor bevelen hebben . „

voor het bevelen heblx

Pg-

10(1

ig. 14 v.

0 „

53° bonws ;

550 bouws.

Pg-

114

rg. 18 v.

b. „

indien n:cn het zout enz; lees: indien men het

het zout enz.

Pg-

118

rg. 5 v.

b. staat

: 1833 (zie Kol. Verlag

van 1885 ; lees:

1885 (zie Kol. Versla!.

van 1880)

Pg-

119

rg 9 v.

. Staat

ietwat kleverig; lees. hoogstens ietwat kleverig.

-ocr page 144-
-ocr page 145-
-ocr page 146-
-ocr page 147-