-ocr page 1-

3C\'.n

7

- :i.

DE GODSDIHNST ONS LEVENSLICHT.

IN TIl E ÊirEI) 15

VAX

P. HE E RING,

PliEDIKAXT TIER UlOIONSTIiANTSCItK (iKMERNTK TE \'S GUAVENIIAGE,

U i t g e s P i\' O Iv e n 2:2 M e i 1H87.

(Uitgegeven ten voordeele van een liefdadig doel.)

quot;-----ooO^^OOC---

\'S (i RA VKNHAGK, CJ. O. V I S S K- 11

1887,

-ocr page 2-
-ocr page 3-

GODSDIENST ONS LEVENSLICHT. IN T H E Ê R E D E

van

P. HE E RING,

Predikant der Remonstrantsche Gemeente

TE \'S GRAVENHAGE,

TJitgesprolien r2:2 Mei 1887.

(Uitgegeven ten voordeele van een liefdadig doel.)

--ooo^jgooo —

\'S GR A VEN II AG K , G. O. V 1 S S K R 1887.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Psalm 30 : 10.

„Bij U is de fontein des levens, in Uw licht zien wij het licht

Bestuurders en Leden dezer Gemeente, en allen, die belangstellend tegenwoordig zijt,

Het is iets zeer aangrijpends, op de grens te staan, die twee levenstijdperken vaneen scheidt. Gij wendt liet aangezicht beurtelings naar de eene en naar de andere zijde. Herinnering voert u den ouden weg weer eens op, en verbeelding doet u verwijlen bij allerlei tooneelen der toekomst. Twee sterke gewaarwordingen zijn hot, die om den voorrang dingen; en met den dichter kunt gij uitroepen:

Er wonen, acl\\, twee zielen in mijn borst, Eu d\'eene wil van d\'andro zich niet sclieiden!

In deze stemming sta ik hier voor U. Ik heb een\' werkkring verlaten, die mij lief was; eeno gemeente vaarwel gezegd, wier belangstelling in den arbeid van haar\' voor-

-ocr page 6-

ganger boven mijn lolquot; is verheven, en die ook mijn werk en persoon eene liefde heeft toegedragen, veel grooter dan waarop ik aanspraak mocht maken. De nagalm van al die hartelijke afscheidsgroeten is met mij meegereisd tot in deze stad, weêrklinkt in mijn oor en mijn hart ook hier, aan deze plaats. Het bevreemdt U dus wel niet, dat mijn hart aan dat liefelijk verleden hangt, en ik ook nu nog van mijn besluit, om het beroep herwaarts aantenemen, zeg: Het is een héél besluit, een gewichtige stap geweest.

Maar ik heb het besluit genomen, den stap gedaan. Ook volgt er geenszins uit, dat ik niet met ingenomenheid mijne taak hier aanvaard. Oppervlakkig zou men zeggen: Neen, die twee aandoeningen gaan niet samen. Maar God heeft het menschelijk hart ruim genoeg gemaakt voor twee schijnbaar tegenstrijdige gewaarwordingen. De bruid lacht wel der toekomst tegen, al weent zij bij de gedachte aan het verlaten van het ouderlijk huis. De knaap, die naar zee wil, kan wel innig aan zijne moeder gehecht zijn en tevens hunkeren om de wijde wereld in te gaan. Welgemeend kan ik zeggen, dat bet mij aan bet hart ging den ouden werkkring vaarwel te zeggen, en met oprechtheid verklaren, dat ik met liefde mijn werk hier aanvang.

]|lt; zal niet trachten te bepalen, welke van deze aandoeningen nu hot zwaarste weegt. Wel moet ik erkennen, dat het optreden in een\'nieuwen kring met eenige aarzeling en vrees gepaard gaat; het is geen wantrouwen, maar het is bezorgdheid. En als iemand mij zou willen toeroepen: O, gij hebt volstrekt niet bezorgd te wezen, want als gij u voorneemt om uw plicht te doen, dan is immers alles goed en kunt gij gerust wezen! — dan wil ik de waarde van deze opmerking niet verkleinen, maar dan blijf ik toch peinzend stilstaan bij dat «uw plicht doen.» Immers een

-ocr page 7-

predikant is hierin zoo afhankelijk van de inonschen, van zijne gemeente. Niet in den slechten zin, dat hij in zijn gedragslijn en in zijne overtuigingen zich zon hebben te schikken en te plooien naar het welbehagen van de menschen . ... Eilieve, welk man van karakter zon zich dit ook maar eenigzins laten welgevallen! Maar in een\' anderen zin is hij zoo afhankelijk.

Wat is het werk van den predikant, wat doet hij onder jongen en volwassenen, onder zijne leerlingen en in het midden der gemeente? Als hij van God spreekt, is het dan genoeg, indien hij mededeelt, wat geleerde mannen van God hebben gezegd? Wanneer hij den persoon van Jezus teekent, kan hij dan volstaan met uitteleggen, wat de bijbel van hem vertelt? Is het voldoende, als hij liet heeft over de beteekenis van het leven, dat hij er eenige wijsgeerige beschouwingen over ten boste geeft? En bespreekt hij godsdienst in bet algemeen, is hot dan zijn werk alleen om bekend te maken, hoe in vroeger on later tijd de godsdienst werd opgevat?

Immers neen! Want het moet hem te doen zijn om leven te wekken, de macht van sleur en gewoonte te breken; de vonk van het heilige, die door Gods zorg in het hart gloort, aanteblazen tot een vlam; geestdrift te wekken voor het hoogste en beste. Spreekt hij over God, zoo zal bet er op aankomen, dat hij zegt, wat hij van God weet, wat hij van God heeft ervaren. Is er sprake van Jezus, zoo moet hij verklaren, wat hij zelf in dien verhevene heeft gevonden, welken indruk deze machtige van geest op hem beeft go-maakt. Als het de beteekenis van het leven geldt, zoo zal hij dienen uittespreken, wat het leven hem heeft geleerd, hem heeft geopenbaard, welke diepe aandoeningen en heilige overtuigingen het bij hem heeft gewekt. En handelt

-ocr page 8-

6

hij over godsdienst, zoo heeft hij er voor uittekomen, wat de godsdienst hem zeiven was en is, hem persoonlijk in

vreugde en strijd, in verzoeking en smart.....Dus is het

een aanhoudend openen van liet hart, een mededeelen van liet diepste en meest verborgene, dat er in zijne ziel omgaat.

Dit bedoelde ik toen ik zeide, dat een godsdiensleeraar zoo afhankelijk is van de gemeente. Genoodzaakt, om telkens uit het hart te spreken, dient hij de overtuiging te hebben, er vast op te kunnen vertrouwen, dat hij ook tot het hart spreekt. Wordt deze voorwaarde niet vervuld, zoo is hij met machteloosheid geslagen. Zelfs over Uw\' lievelingsschrijver kunt gij niet van gedachte wisselen met menschen, die hem niet weten te waardeeren. Het is U onmogelijk over een overleden vriend te spreken met iemand, van wien gij weet, dat hij hem niet genegen was. Al wilt gij, gij kunt niet. Niet waar? het is alsof IJ de keel wordt toegeschroefd, als werd IJ een slot op den mond geworpen. Het zal u derhalve niet verwonderen, leden dezer Remonstrantsche Gemeente, dat het eerste, waarmede ik tot U kom, is een beroep op Uwe belangstelling, een verzoek om Uw steun en toegenegenheid. O, hoezeer hoop ik, dat een hartelijk tegemoetkomen van Uwe zijde mij een oorzaak worde tot vrijmoedig uitspreken van het beste, dat ik weet, dat ik gevoel en heb!

En ik heb er wel moed op, dat deze wensch zal vervuld worden. Niet alleen op grond hiervan, dat Gij in het zoo eervol uitgebrachte beroep naar Uwe Gemeente mij een bewijs van bemoedigend vertrouwen hebt geschonken, waarvoor ik U mijn\' oprechten dank betuig. Maar ook en vooral, omdat de taal van den godsdienst de groote en machtige wereldtaal is; wijl de overtuiging in mij leeft, dat de snaar van den godsdienst trilt in ieder, ieder

-ocr page 9-

menschclijk gemoed, dat in den maalstroom der wereld zijn adel niet geheel inboette.

Ons voorgangers der gemeente gelukt het niet altoos den rechten toon aan te slaan, stellig ook omdat wij zelvcn niet immer genoeg van God en het heilige vervuld zijn. Maar als wij het wel zijn, en wij slagen er dientengevolge in, de taal der waarachtige, eerbiedige vroomheid te sproken, dan vindt die in ieder hart eenigzins weerklank. Ook zij, die zich afkeerig van den godsdienst betoenen; zelfs zij, die met even zoovele woorden den godsdienst verwerpen, wij honden er ons van verzekerd, dat zij het dikwijls slechts «uit godsdienstigheid» doen. Hoe zou ik mij ook een mensch kunnen denken, die eenigermate rnensch is, en die geen gevoel zou hebben van aanbidding, van berouw, geen gevoel — zij het ook slechts nu en dan — van aangegrepen te worden door hooger macht en geest. Waar is de mensch, wien niet soms eene huivering van ontzag door de ziel vaart, wanneer de vrome zanger in de snaren grijpt, en aanheft: Bij U, Heer, is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht!

Elke taal, ook die van den godsdienst, heelt hare dialekten, hare tongvallen, waaronder er zijn, die u haast niet meer aan de oorspronkelijke taal doen donken. Ook heeft elke taal hare geschiedenis; in den loop des tijds ontwikkelt zij zich en erlangt nieuwe vormen; doch ze wordt tevens misvormd en met vreemde bestanddeelon vermengd, zoodat ook hier telkens behoefte bestaat aan taalzuivering. En daar de taal is gansch het volk, de taal van den godsdienst die van het diepste gemoedsleven, komt zuivering der taal voor het grootste deel neer op reiniging van het inwendig bestaan.

-ocr page 10-

s

En daar is werkelijk in onze dagen groote behoefte aan. W annoer liet hoofd der confessioneelen in ons vaderland ten aanhoore van geheel het volk verklaart: «Het kan niet goed gaan in den lande, voordat er weer vrees voor de hel en den duivel heerscht. Een andere geest zal in onzen kring komen, als er weer siddering door uwe zielen vaart. Dan zullen wij weèr, even als onze vaderen, met verrukking leeren uitzien naar den dag des oordeels en der wrake, waarop de Heere, de rechtvaardige Rechter, « zijne en onze vijanden » zal verdoen ! » — dan ontzetten wij ons over deze taal, we worden er door verschrikt, en vragen, of er nog wel eenige klank van den godsdienst in wordt vernomen. En als door denzelfden leidsman onze landgenooten worden opgeroepen, om terug te keeren tot de leer van Kalvijn, ook derhalve tot de leer van «het verschrikkelijke besluit», waarbij God de meerderheid der menschen, dus ook tic meerderheid der blijde, onschuldige kinderkens bestemde om voor eeuwig, ja voor eeuwig, verloren te gaan, — dan wordt ons hart van ontferming bewogen, en we roepen uit: O mijn God, wie spreekt toch weêr tot ouden en jongen de beschaafde, heilige, liefdevolle taal van don godsdienst? Wie leidt het arme volk op gezonde godsdienstige wegen?

En we zijn blijde, dat wij zullen trachten hier een\' anderen, beteren toon aan te slaan. We zeggen dit geenszins met zelfverheffing. Wij weten te goed, dat wij liet niet uit ons zeiven hebben, maar dat het ons is geschonken. We zijn er blijde om en dankbaar voor, dat wij hier met elkander zullen zoeken en voorstaan een\' godsdienst, die sticht, die vereenigt, vertroost en verheft; een\' godsdienst, die een weldadige warmte van bewondering. liefde en eerbied in onze harten zal uitslorten.

-ocr page 11-

9

Wel terecht klaagde onlangs de l\'orsche strijder, dien wij zoo even aanduidden, over «het voortwoekerend Remonstrantisme». Inderdaad, getrouw aan liet Remon-strantsch verleden zweren wij noch bij Kalvijn, noch bij de vaderen, noch zelfs bij den geëerbiedigden naam van Jezus, wetende dat al wat zij gezegd hebben van God en het heilige slechts stamelen is geweest, gelijk een mensch het hierin nooit verder brengt dan tot kinderlijk stamelen; wetende, dat wij tot de bron kunnen gaan, waaruit ook zij geput hebben, het getuigenis van den Heilige in het menschelijk binnenste. Goddank, dat wij het nadenken het zwijgen niet opleggen, en het licht der tegenwoordige kennis vrijelijk laten schijnen over wereld en leven, en nochtans in den godsdienst eeren den inwendigen heiligen drang, die bestaan en streven in de eenig goede richting stuurt. Goddank, dat ofschoon allerlei vormen, uitdrukkingen, geloofsartikelen voor ons zijn voorbijgegaan, de zon der gerechtigheid niet voor ons onderging; dat. ofschoon we geheel en al kinderen zijn van onzen tijd, hot geloof in het hoogere ons niet ontzonk. Met diep gevoel van onze onvolkomenheid; beseffende onze geestelijke zwakheid, onze zedelijke armoede: doordrongen van het bewustzijn dat ons hart reiniging noodig heeft, ons leven innige behoefte heeft aan hoogere wijding, stemmen wij in met het psalmwoord: Bij U is de fontein des levens, in Uw licht zien wij het licht!

Er zijn tijdgcnooten genoeg, die niet gaarne ons zoo hooren spreken, die er zelfs ongeduldig bij zouden worden. Zij zouden ons staande willen houden, en zeggen: Goede vrienden, gij beweert menscheu te zijn van onzen tijd, en gij bewijst zeiven, dat gij het niet zijt. Met den

-ocr page 12-

10

éénen voet staat ge in de oude, en met den anderen in de nieuwe wereld. Uw karakter is, dat gij niet durft. Gij durft niet als die anderen de wetenschap in het aangezicht slaan, de beschaving weerstreven; en gij durft evenmin, als de vrije denkers van onze dagen. God opgeven, den godsdienst ter zijde stellen als een overblijfsel van vroegere onwetendheid en bijgeloof.

Werkelijk, de menschen die zoo spreken toonen ons goed te kennen. Inderdaad, wij durven niet. Wij durven de wetenschap en beschaving niet weerstreven. Het vrije onderzoek heeft te groote weldaden aangebracht; het licht van het denkend en onderzoekend verstand beschijnt te heerlijk onze tegenwoordige wereld, dan dat wij het niet dankbaar zouden eeren, en zeggen: Ook dit licht is van God! — En omgekeerd durven wij God niet opgeven, durven we niet breken met den godsdienst. Immers de geschiedenis leert, dat met het dalen van den godsdienstzin het volksleven ten ondergang neigt. En in overeenstemming daarmede zijn wij overtuigd, dat als wij dezen zuurdesem, dezen prikkel tot heilige inspanning, deze drijfkracht tot het edele missen, het lagere in den mensch allengs zijne ontzettende macht openbaren en de ziel des volks overweldigen zal. Daarom durven wij met godsdienst niet breken.

Mocht iemand willen beweren: Wat geeft godsdienst\'? Ten slotte is het ons allen toch maar om zedelijkheid te doen; en als wij rechtschapene menschen trachten te zijn, is godsdienst immers overbodig! — dan nemen wij gaarne aan, dat hij, die zoo spreekt, een braaf mensch is. Wij nemen aan, dat hij in de maatschappij, in den kring waarin hij verkeert, allerlei goede dingen steunt en helpt lot stand brengen. Maar wij zouden hem willen vragen: Wat zult gij doen.

-ocr page 13-

als het goede mislukt, als de itienscheu 11 tegenvallen, als ondank uw loon is, en de wereld haar\' hchtzinnigen gang-gaat, geen acht gevende op uwe wenken, uwen goeden wil? Wat zult gij dan doen? Gij zult eindigen met moedeloos te worden, met het werk op te geven en bitter misnoegd uit te roepen: Gaat dan den weg des verderfs, indien gij niet luisteren wilt! i3at zult gij doen, ongetwijfeld ... . ten zij liet godsdienstig geloof — onbewust misschien— in u leeft; het geloof aan een heiligen geest in de wereld; het geloof aan God, bij wien al het edele veilig is en geborgen, die den ondergang van het waarachtig goede niet gedoogt. Dan staat gij mede aan de bron, waaruit gij moed, volharding, vrede erlangt, ook bij het mislukken uwer pogingen; de bron, waaruit ook Jezus de kracht putte, om bij zijne schrikkelijke nederlaag te zeggen: Ik heb overwonnen !....

O, het opgeven van den godsdienst, hot zich afwenden van vroomheid en godsvrucht — het is zoo\'n ramp voor de wereld, zoo\'n ramp voor het volk, voor de huisgezinnen. Die niet ziende blind is in onzen tijd, die ziet hoe ongodsdienstigheid, ongeloof den weg baant voor het lagere leven; het leven waaraan hoogere wijding, hooger bedoelen al meer gaat ontbreken. Die niet ziende blind is, die ziet wat al veroveringen het leven voor het stoffelijke maakt, voor kleeding en opschik; een bestaan, waarin de hoogste klanken zijn meêdoen en genieten. Bij het zien van deze dingen zouden ook wij schier vertwijfelen, doch er is ééne zaak. die ons voor vertwijfeling behoedt: het is wederom ons geloof. De mensch kan het hoogere niet weerstaan. hij kan niet bij brood alleen leven. Do kruik gaat zoo lang te water tot dat ze breekt. In vele kringen zal de nood gaandeweg stijgen, en de zondvloed van dit wereldsche streven eindelijk

-ocr page 14-

12

eene hoogte beivikou, dat do monschen bang worden voor zichzelvcn, bang voor bunne toekomst en die van hunne kinderen, en uitroepen: Waar is redding te vinden? Dan zal de ure slaan, waarin weêr naar God zal gevraagd, Zijne wegen weder gezocht zullen worden.

Hoe schoon is dus niet de arbeid, die mij wacht onder U; een arbeid, waaraan in allerlei kringen beden ten dage zoo groote behoefte bestaat! Met kracht en klem te verkondigen, dat zonder de wijding van den godsdienst den staat, dei\' gemeente, het volk, bet huisgezin eene donkere toekomst wacht; dat geene opvoeding kan slagen, geene verbetering van maatschappelijke toestanden is te wachten, geene genezing van de krankheden der samenleving mogelijk is, wanneer niet eerbied voor Gods heiligen wil de grondslag is van alle pogingen, wanneer niet allen gebracht worden tot het ootmoedig besef van eigen geringheid, van eigen diepe behoefte aan verheffing, — dat besef, dat aanbiddend doet zeggen; Bij U, Heer, is de fontein des levens, in Uw licht zien wij het licht!

2de buud. Gezang 4 : 4, 7«, 8^. (Ev. Goz. 4).

Ziet ge, zegt menigeen in onze dagen, ik zou wel godsdienstig willen zijn.....Nu, dat behoeft waarlijk niemand

ons te verzekeren. Geene zaak spreekt zoo van zelf als deze, dat men godsdienstig wenscht te zijn. Zonder dat is er zoo\'n treurige leegte in het hart, zoo\'n smartelijk gevoel van onvoldaanheid.

-ocr page 15-

43

Ik wil wol godsdienstig zijn, zegt men, maar ziet ge — als ik nu maar zeker kon zijn van Gods bestaan , als men mij God konde bewijzen! —Doch ik bid u, wat zou het u baten? Al zouden wij u God bewijzen, zoo zelfs dat er geen woord meer tegen in te brengen ware, alle tegenspraak op uwe lippen verstomde, wat liadt gij dan nog? Dan hadtgijeen God voor uw boofd, een God om te beredeneeren, en dien bebt gij niet noodig, althans niet in de eerste plaats. Wat gij allereerst en allermeest noodig hebt, is een God voor uw hart, een God om door te leven, een God om in te rusten, een God om in eiken, ook in stervensnood, een vertrouwend beroep op te doen. Een God, die u een drijfkracht is ten goede, eene macht die den boozen wil in u breekt; een gebieder, die door het verhevene en heilige van zijn gebod u de ziel schreien doet van berouw, die u dwingt partij te kiezen in den grooten strijd tusschen goed en kwaad; een, die tot u zegt: Gij zult!.... en dit zegt op gansch onweerstaanbaren toon!.,..

Als men Gods bestaan mij maar bewijzen kon! — Maar neen, dit is de verkeerde weg. Men slaat dien dikwijls in en redeneert over God tot in het oneindige. Doch Hem, van wien ge zelfs eerbiedig vraagt: «Wie zal hem noemen?» Hem kan niemand bewijzen, gij kunt het niet en ik evenmin. God zelf echter bewijst u zijn bestaan; luister naar Hem, en gij zult overtuigd worden, zoodat gij geen woord van tegenspraak meer vindt. Daal af, als gij mensch zijt, daal af tot de diepten en geheimenissen van uw eigen inwendig leven, en beproef eens God niet te denken. God niet te beseffen.

Gij denkt, gij leest en onderzoekt; gij doorvorscht den sterrenhemel en de diepten der zee peilt ge; de wetten van het stolfelijk leven speurt ge na en do wetten der

-ocr page 16-

geestelijke wereld .... en gij, verheven wezen, gij denker en onderzoeker, gij zoudt geschapen zijn door eene domme blinde natuurkracht!

Gij zijt mensch, en daarom is er hooge adel in uwe ziel. De zinnelijke genietingen versmaadt gij niet, maar uwe hoogste verkwikking, uwe edelste vreugde vindt gij in de schoonheid van Gods schepping, in den zegen der vriendschap, dor liefde en des huiselijken levens; met heilige opgetogenheid slaat gij gade het oog van uw kind, de schoone daad van den harmhartigen mensch, de on-schuld van het jonge leven.... en gij, gewijd schepsel, gij mei uwe verhevene gewaarwordingen, gij zoudt niet van hoogen oorsprong wezen, niet meer dan een kind des stofs!

Bovendien, gij hebt lief; en met eene liefde, die tot elk offer in staat stelt. In de ure des gevaars, en als de nood aan den man komt, wat zult ge niet geven, wat niet opofferen voor uw vaderland, uw eigen haard, uw kroost! Het recht bemint gij met hartstocht, en als de strijd er voor aangebonden wordt, zegt ge: Ik zal niet wijken, al zal het mij het leven kosten!.... En gij , held in liefde, worstelaar voor het recht, gij zoudt slechts een voortbrengsel wezen van eene redelooze kracht, een onbestuurd toeval, geen kind van heilige, liefderijke herkomst!...

God zelf bewijst u zijn bestaan. In de diepte van uw eigen wezen zult gij zijne schitterende, aangrijpende openbaring vinden. En gij zult in God gclooven, niet op grond van eene verstandelijke redeneering, die morgen misschien wordt omver geredeneerd, maar omdat gij zelf Hem hebt ontmoet, omdat gij zelf u hebt gebogen voor zijne macht en majesteit. Gij zult u kind van God gevoelen, en de uren zullen niet ontbreken, waarin gij, als Jezus worstelende met de taal om den onuitsprekelijk Heerlijke een\' naam te geven.

-ocr page 17-

15

zult uitroepen: O mijn licht, mijn leidsman, mijn Vader!

Daarom is het godsdienst, die diepte, beteckenis geeft aan ons bestaan, die een hooger licht werpt op al onze verschillende levensbetrekkingen. Door het licht van den godsdienst zien wij van alles de heilige strekking, den verheven zin.

In het papier zijn soms kleurlooze letters afgedrukt, die alleen zijn te zien, als gij het tegen het licht houdt. Er zijn schermen, waar figuren en tafereelen op geteekend of in geborduurd zijn, die eerst in al hunne schoonheid zichtbaar worden, als men er een licht achter ontsteekt. Op dat papier, op deze schermen gelijkt het leven. Zoo gezien, op de gewone alledaagsche manier, hebben allerlei dingen een onbeduidend voorkomen, maar als daar achter het licht voor ons opgaat, dan blijken zij van dieper beteekenis, hooger bedoeling te zijn dan oppervlakkig wel scheen.

Uw kind heeft zijne gebreken, zijne zwakheden en overtredingen; soms werkt het door zijne lastige eigenschappen wellicht op uw humeur, zoodat gij volstrekt niet in eene stemming zijt, om in dezen «zegen des Heeren » te roemen. Maar valt er een straal van het hoogere licht op dat jonge leven, zoo ziet gij den diamant schitteren door den bolster heen, het kind Gods, den engel glimlachen door den dichten sluier der verkeerdheden en gebreken, en zoowel met vreezen en beven als met diepe erkentelijkheid denkt gij aan het heilige werk, dat gij aan uw kind hebt te volbrengen.

Uw huis, uw taak, uw dagelijksche arbeid, er is oppervlakkig niets bijzonders aan to zien, niets dat u toelacht of stemt om te spreken van voorrechten, die gij geniet. Wat zou er ook bijzonders aan zijn? Duizende menschen hebben zoo\'n huis, zoo\'n taak. Doch zoodra gij u stelt onder den invloed van den godsdienst, van dat eerbiedige en vrome, dat van zelf uit uw hart opwelt, dan wordt

-ocr page 18-

16

plotseling alles anders, het staat verheerlijkt voor U, met licht omstraald. Uw huis is een heiligdom, gij zelf een priester, een leidsman der uwen. Uw gezin, uw leven en streven is een middenpunt, van waar licht en zegen moet uitgaan over de wereld om u heen.

Ons leven is vol van verzoekingen. Niet van die grove verzoekingen om te stelen, te lasteren, bedrog te plegen, maar van die kleine, stille verzoekingen, die ongemerkt ons nader sluipen. In uren van mindere opgewektheid doen zij ons voor zich buigen. Dan zijn we eigenzinnig, onvriendelijk, wij zoeken ons gemak, willen liever gediend worden dan dienen, — en als maar even nog ons beter gevoel ontwaakt, zijn we geneigd om dit weg te dringen en te zeggen: Kom, kom, wat beteekenen al die kleinigheden!... Maar als werkelijk het beste in mij aan het woord komt; als die machtige stem zich doet hooren, die verschrikkelijke en toch zoo heerlijke, die ontzettende en toch o zoo dierbare stem, gebiedende: Gij zult het goede getrouw zijn, gij zult bet kwade niet aanhangen! — dan word ik bedroefd, beschaamd, en uit de diepte roep ik: o God, leid mij niet in verzoeking, en verlos mij van bet booze!...

O gezegend afdalen in de diepte van bet eigen wezen! O gezegend ontmoeten van den boogen geest, den beerlijken leidsman, in het heiligdom der eigen ziel; dat heiligdom, waarin onder al wat er verkeerds, onreins is in ons bestaan, door eene genadige besturing de psalm weerklinkt: Bij U, Heer, is de fontein des levens, in Uw licht zien wij liet licht!

-ocr page 19-

17

Door hot behandelde heb ik getracht als mot den vinger te wijzen naar de taak, die mij in uw midden wacht.

Die taak is, in dezen kring de banier van den godsdienst omhoog te houden; den godsdienst naar de eischen cn behoeften van onzen tijd, den godsdienst der vrijheid en verdraagzaamheid; den godsdienst, die predikt, niet dat zalig is die deze ol\' gene lettor aanhangt, maar: Zalig zijn de reinen van harte, zij zullen God zien. En dezen godsdienst voor te staan, is dat niet de banier van het christendom omhoog te houden?

Tloe zou ik niet met liefde die taak aanvaarden! Als gij in deze dagen des morgens buiten komt en gij ontvangt van het jeugdig groen den goddelijk jongen groet, dan doet blijdschap u juichen:

De morgenstond is gekomen,

Ik groet u, o vriendelijk lioht,

Gij trooster, gij baadt mij in stroomen Van kracht liet aangezicht!

Wanneer ik er aan denk, hoe wij hier een\' weg samen zullen zoeken, waarop wij ons vrij houden van bijgeloof, bekrompenheid, onverdraagzaamheid; vrij evenzeer van ongodsdienstigheid, ongeloof dat allengs hartelooze menschen van ons zou maken, het leven in ons dooden zou op den duur, — dan wordt de gedachte in mij wakker aan een\' anderen morgenstond, den morgenstond in het godsdienstig leven van ons volk, die mij met hoopvolle vreugde vervult.

En wederom als het ochtenduur van een nieuwen, veel-belovenden dag is het mij, nu een nieuwe werkkring zich voor mij opent en ik den arbeid aanvaard met blij vooruitzien. Met kracht roep ik mij zeiven toe:

-ocr page 20-

18

De morgenstond is gekomen,

Scliud af alle loomheid , ontwaak!

Met blijdschap en moed ondernomen De dankbre levenstaak ! (1)

Doch ik gedenk opnieuw, hoe een voorganger bitter weinig vermag zonder de belangstellende medewerking der gemeente, en nogmaals vraag ik dringend: Vrienden, laat mij op u kunnen rekenen; laat mij bij het godsdienstonderwijs, bij onze samenkomsten hier, bij heel mijn werk in uw midden, ondervinden en gevoelen, dat uwe ziel de mijne tegemoetkomt, dat ik met n als schouder aan schouder sta bij het zoo goed mogelijk volbrengen van deze schoone, maar niet gemakkelijke taak!

Bestuurders dezer Gemeente! Tot U vooral richt ik het verzoek, waarmede ik tot de gemeente kom. Wil ik van mijn\' kant gaarne, ofschoon met alle bescheidenheid, beloven te doen wat ik kan, om het welzijn der gemeente te bevorderen, ik bid U, schenkt gij mij Uwe welwillendheid, — waar ik die behoef. Uwe verschoonende welwillendheid. Ten zeerste hoop ik, dat er hartelijkheid zij in onze verhouding, dat wij met elkander zullen omgaan als mannen, die in bedoeling en streven zich één gevoelen , en die bij hetgeen wij zullen beramen tot nut der gemeente, aan Uwe en mijne zorgen toevertrouwd, de handen broederlijk inéénslaan. Nu ik in Uwen kring word toegelaten en opgenomen, beveel ik mij dringend aan in Uwe toegenegenheid.

Maar ik kan niet eindigen zonder een woord tot U, hooggeachte Ambtgenoot, uit wiens handen ik heden de

1

Woorden van dr. A. Picrson.

-ocr page 21-

19

taak als voorganger dezer gemeente heb overgenomen, en van wien wij allen zoo goed begrijpen, dat Uw hart daarbij met weemoed vervuld was. Dat woord kan niet anders wezen dan een woord van hartelijken dank voor het werk, dat gij lieden op mijn verzoek hebt verricht; van hartelijken dank nog meer voor do wijze, waarop gij mij zoo even bij de gemeente hebt ingeleid. Deed ik een dringend beroep op den steun en de welwillendheid van de gemeente en haar bestuur, bij U heb ik reeds de meest vriendschappelijke tegemoetkoming gevonden Niet alleen nu, maar ook vóór dezen dag. Met dankbaarheid herdenk ik de wenken en inlichtingen, die ik reeds mocht ontvangen; de bemoedigendi\' voorspelling ook, die gij mij onlangs deedt hoeren ten aanzien van mijne toekomstige verhouding tot de gemeente. Sta mij toe verder op Uwe voorlichting te rekenen, waar die mij noodig is. Ik weet dat gij ze mij schenkt met volkomen eerbiediging mijner zelistandigheid. waarom ik ze ook met vrijmoedigheid kan vragen. God geve 1\' het voorrecht, nog menig jaar der rust in ons midden door te brengen, en moge Uw ouderdom gezegend zijn!

Gemeente! Ik mocht heden een gewichtig verbond met U sluiten. Het geldt hier eenc taak. die ik niet alleen aanvaard, doch die wij te zaïnen ondernemen. Aanvaarden wij die taak met blijdschap, met heide en moed, daarbij den zegen verbeidende van Hem, bij wien de fontein des levens is, de bron van alle licht en kracht!

Amen.

Sde bund. Gez. ö3 : 3, (Ev, Ge/,. 99

-ocr page 22-
-ocr page 23-

MMÊM

.

m n