G 3$
A
#
I T T~ . tlEl
])\' )l )R
A. fvOOSE,
Predikant te Woudsend e.
1 #
I
}
é T
A t.-V
0
• O •
155
6-33
U.B.U.
STREEK. — J. OAMl\'EN. 1886.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1083 6009
/56\' G
ET ~) ETE F^M INI SyWE
])lt; K )ii
/t. J-J. {~V O O S E ,
Predikant te Woudsend e. a.
SNEEK.
J. CA MI\'EN.
1SSG.
V O O R W () lt;) l-L 1).
Het Incr volgend opstel, is het referaat, dat, ter tnlei-ding cener discussie over Praedestinatic, Determinisme, Fatalisme, op de laatst gehoude/i vergadering der Ned. ITerv. predikanten-vercenigi)ig te Utrecht door mij voorgelezen is, en dat op verzoek der Broederen, thans zooveel mogelijk onveranderd door mi/ uitgegeven wordt.
■4\'
De titel van het hoekje- is aiulèfs dan het opgegeven onderwerp, maar, naar het mij voorlcwain, meer in overeenstemming met den inhoud.
En hiermede zij het aan de welwillende heoordeeling van den Lezer overgegeven.
Woudsend, 17 Mei 1886.
A. 11. ROOSE
Wij bolovcn met betrekking\' tot do beoefening der theologie een eigcniuirdigcn tijd. Ken tijd Wiiiiiiu bekende mannen ons doodleuk komen verzekeren; dat zij met do theologie hebben afgerekend; mannen, die in do praktijk uitmunten, een machtigen invloed uitoefenen en wier woorden als hamerslagen kunnen neerkomen, maar wier daden, krachtiger nog dan hunne woorden, ons luide doen hooren, dat zij nog wel zeer zeker aan theologie doen (1) Een tijd waarin wij vernemen van oen ander, (f) die ook op het gebied der theologische wetenschap werkt, en daar, evenals nog elders, als een machtige geest bekend is, hoe hij voor de kinderen van dezen tijd niets beters weet te doen dan het oude te reprodneeeren; en hoe hij niet schroomt te be-toonen, dat hij zijn verstand gevangen geeft onder de gehoorzaamheid aan wat de vaderen hebben geleerd. Hoewel, en dit is weer kenmerkend, dat juist daar, waar deze zelfde in de praktijk optreedt, hij die gehoorzaamheid aan der vaderen leer kort en goed opzegt.
Nog weer een ander verschijnsel is dit, dat vrome en vroede mannen zich vereenigen om een belangrijk werk te ondernemen, en verklaren dit alleen te mogen doen in ge-
1
Ik bodooi I[. Piorsou on J. van Dijk Mz.
(t) Dr. A. Kuiper.
(gt;
lioomaiulicid aan wat üo vaderen hebben gezegd, (:::) en dat nu de redacteur van een ons allen bekend weekblad platweg verzekert: „tusschen lum statuut en hunne praktijk „licht een afgrond.quot;
Wat leert ons dit alles?
Immers niets minder en niets anders, dan dat, door des Cicestes leiding, de geloovende gemeente van dezen lijd ontgroeid is aan do vormen van den ouden; dat er nieuwe tijden voldragen zijn in de christelijke levenspraktijk.
Wij leven toch in de eeuw der zending, inwendige en uitwendige, onder Israël en de volken, in de eeuw van den arbeid tot opzoeken van het verlorene; in do eeuw der revivals, der genezing op het gebed des geloofs, en, mag het vergeten worden? in een tijd waarin de verwachting der persoonlijke wederkomst van Christus weder meer op don voorgrond komt.
Nu blijkt het, dat wij behoefte hebben aan eene theologie, die ons de stelselmatige beschrijving der waarheid geeft naar de behoefte van onzen tijd; die, uit het leven der Gemeente geboren, van hot licht, dat de Uemeente in de waarheid heeft, rekenschap geeft en tracht naar het licht der Openbaring aan het leven der Uemeente weer vastheid en leiding te geven.
Het zal u niet verwonderen. Broeders, dat ik, met deze overwegingen in mij, en luisterende naar stemmen, die spreken van en met den eisch komen tot eene nieuwe zelfstandige dogmatiek (1) eenigermate schroomvallig word om de discussie in te leiden over een onderwerp als dat, hetwelk voor dit uur op de ,,agendaquot; is geplaatst, een onderwerp dat geheel een wereldbeschouwing vertegenwoordigt; dat
I
met liet gclieelo siimcustcl van hot tlicologiselio on korkclij-ko lovon in verband staal; dat do geinoedoron on gedaclitou bezig houdt, en daardoor welen doet, hoe het ook thans nog in het leven der christelijke protestantsclio üeinoento ocno grooto plaats inneeint.
Wat mij nog eenigo vrij moedigheid gaf om toch te spreken, het was de gedachtc, dat ik rekenen mocht op do welwillendheid der broederen; dat mijn woord alleenlijk dienen moest ter inleiding eener discussie, en dat het mij gelegenheid geven kon om het oordooi van dor zake kundige mannen over wat ik te zeggen heb to vernemen.
Het opgegeven onderwerp is: l\'raedestiuatio, Determinisme, Fatalisme. Het zij mot goedkeuring van het Mo-deramen, dat ik hierin een kleine wijziging breng en eerst spreek over Determinisme en daarna over Praodestinatie, om er aan het einde enkele opmerkingon aan toe te voegen.
Wat is Determinisme?
Prof. Opzoomkü boschrijft hot als hot geloof, dat alle.s wat geschiedt, juist zoo als hot geschiedt door God is gewild.
Prof. Sciiültk.n\' antwoordt: Het Determinisme is de leer dor ontkenning van den vrijen wil, omdat de monscli geacht wordt in zijn willen, in ieder oogenblik des zelfbe-wusten levens gedetermiiiecrd, d. i. bepaald te worden door den toestand waarin hij zich op dat oogenblik bevindt.
Als wij ni) ScnoLTiiN vorder hooren, konion wij te weten, dat hij dit „bepaaldquot; worden opvat in volstrekten (absolu-ton) zin, dus dat hot hetcokent: in- en uitwendig geheel en al door den toestand, waarin men zich bevindt, boheerscht te worden. Ook komt men dan to weten, dat die toestand zelf zóó en niet anders is geworden, ook zóó en niet anders kon worden dan zooals die geworden is, door de de-termineerende — absoluut bepalende — werking van weer
8
andere voorafgaande on golijktijdigo toestanden en gebeurtenissen, die op hunne beurt eveneens zóó gedetermineerd Avaren. En hierbij eindigt prof. Scholtkx Ion slotte ook weer in pods wil.
Tegenover deze leer stelt prof. Sciioltem het gevoelen dergenen, die loeren „dat de mensch geacht wordt in zijn willen door niets, zelfs niet door zijn eigen imvendigon toestand gedetermineerd d. i. bepaald te worden\'4or\\\\ijl men bij het lezen telkens den indiuk ontvangt of Sciioltkn elk uitoefenen van invloed detorinineeren noemt.
Tusschen die twee gevoelens, zegt dan prof. S. is geen demo; het gaat om do vraag: vrije wil (waarvan de de-linieering tamelijk gelijk siiiat met wat we in het gewone leven „losse grillenquot; zonden noemen) of determinisme d. i. een absoluut bepaald worden bij het vormen van besluiten.
Ofschoon nu de omschrijving van Prof. Opzoomi.r het door eenvoudigheid en klare beslistheid verre wint van die van Prof. Scholten, komen toch bij het einde beidon op hetzelfde neer, nl. do voorstolliiii!:, dat er is eene verborgene macht, die alles (in den absoluten zin, alles zonder ook maar de minste nitzondeiing; werkt, en uit welk werken alle (absoluut) verschijnselen der natuurlijke en zoogenaamd zedelijken levens, rechtstreeks voortkomen, en welk werken door die onbekende macht met niet te verstoren regelmaat en noodwendigheid geschiedt.
De leer der deterministen omvat dus meer dan do beschrijving van de stelling des menschen in zijn willen on werken met betrekking tot het geheel, waarin hij loeit. Zij is eene poging om alle verschijnselen, die zich aan ons voordoen, in hun worden te verklaren. Maar het telkens weer concentreeren van het vraagstuk om den mensch en do al of niet bestaande menscholijke wilsvrijheid levert ons het bewijs, dat de inonsch in de wereld, in het geheel.
O
oone ceiiti\'iile stolling iimooml; dat liij voor deng\'ono, tlio zich van do lovonsvorsoliijusolon fckcnsehai) poogt lo govon, iets anders is dan do hom (nnringondo wereld.
Zio ook do volgondo bopaling, dio wo nog overschrijven: „üetonninisimis bozoichnot die Ansicht nach welcher „die Willonsakto dnrch notwendig wirkendo Ursachen bo-„stiinmt sind, sodasz sie miter Voranssotzung dic5or Ursa-„chon nicht anders ansfallcu können.quot; Ook hier is „do „menschquot; weder behoorschend iniddolpimt van de beschouwing.
Het komt mij evenwel op grond van genoemde overwegingen voor, dut zoolang het detenniuisino op deze wijze gedefinieerd wordt, het in de ontwikkeling der definitie zelve ten slotte zijne woêrlegging vinden zal. De beschrijving van Prof. Opzoo.mkk komt mij yoor do meest consequente te wezen; ook de meest duidelijke; ook de moest fatale.
Wij hooren hom nog oven nader.
„Al wat gschiedt,quot; zegt hij, „is daar waar het geschiedt volmaakt, maar niet minder volmaakt zijn op hare „plaats de krachten, die het bestrijden en die het ten ondergang brengen. Al wat is (:i:) heeft, zoolang het is cn „zoover het reikt een Goddelijk recht van bestaan, want „het is door (Jod gewild. Maar het is niet zoo door (iod „gewild, dat het eeuwig zou moeten blijven. God heeft ge-„wild dat het zijn tijd zal uitduren, maar ook niet langer „dan zijn tijd: als eindig beeft Hij het gewild, eindig in „ruimte, zoodal het van alle kanten beleiumord, terugge-„houden wordt, on eindig in tijd, zoodat hot oen ontstaan „en een vergaan heeft. Maar om een einde te hebben moet „het tegengewerkt, en op het laatst door do togenworkon-„do krachten overwonnen worden. Alleen in den sameii-„hang met die krachten, is het door God gewild quot;
(*) Dus ook lt;1ü zonde.
10
Tussclion natuurlijke en ethisch (lotcrniinisnie is, wat hot wezen dor zaak betreft, volgens Opzoomer, geen onderscheid; Immers: „wat van do daden dor natuur geldt, dat „geldt ook van do daden der monschon. (Jolijlc Ootl de „eerste wil, zoo wil Hij ook de laatste.\' I\'jU later: „in do „groote koten der dingen zijn ook wij, hoe gering, hoe nie-rtig\' ook. schalmen, die wel zonder de overigen niet kun-„nen bestaan, manr die ook weder do overigen helpen sa-„menhouden.quot;
Tot recht verstand diono ook hot voorbeeld, door hem gebezigd, van oen vermoorde en waaruit ik de volgende zinsneden aanhaal: „\'«ij erkent dus. volgons Oods wil „moest do vermoorde op dat oogenblik en op die plaats „sterven. En gij zoudt de wijze van den dood aan (iods „wil onttrokken1? God zou wel het doel maai\' niet het inid-„del, wel het gevolg maar niet do oorzaak bobben ge-„wild!quot; Koon, immers het staat nog elders: „de erkenning „dor (goddelijke) almacht sluit hot aannemen der nionscho-„lijke wilsvrijheid volstrekt uit.quot;
Geen wonder, dat er ook gezegd wordt: „ik kan hot „zeer goed begrijpen, dat iemand .... in de gebeurtenissen dor wereld niets dan blinde noodwendigheid ziet, „maar .. . dat iemand ... in don waan verkeert.. . dat. .. „Gods wil gedv,arsboomd wordtquot; . .. dat schijnt het toppunt van onzin.
Do zonde is dan ook door God veroorzaakt en wordt door Kom veroorzaakt, zoo goed als hot natuurlijk lij,Ion
Hot kan ons bij dit alles niet bovroomdon, dat onder de dgeiischappoii Gods, de almacht en alwetendheid schiei alleen voor wezenlijke eigenschappen worden gehouden, voor zulke die bij de „oneindige weroldboschonwiiigquot; be-hooren, terwijl al do zoogonoemdo zedelijke eigenschappen in de „relatieve wereldbeschouwingquot; thuis hooron d. i. dat
zij niet in Gods wezen zelve maar in onze voorstolling van dat wezen bestaan, zoodat Gods heiligheid niet eene werkelijk bestaande, niet eene wezonseigenschap in God zon zijn.
Maar nn begrijpen wij niet hoe daar nog gezegd kan worden: „Geen noodlot bestaat er buiten ons, dat onherroepelijk heeft beslotenquot; .... en wat dan verder volgt. Of: „wij zijn ten deelo meester van ons lot en er is geene „kracht bniten ons, die togen onzen wil ons voortstuwt.quot; Hot komt ons eenigszints vreemd voor, dat het fatalisme, „do prediking van het noodlotquot; zoo positief afgewezen wordt. De levendigheid, waarmede het geschiedt, doet ons denken of men wellicht voelt, maar niet toestemmen wil, dat het doortrekken der lijnen er toch noodwendig toe leiden moot.
Uit het feit, dat do heiligheid (Jods niet erkend wordt tot Zijn wezen te bohooreu blijkt, dat do God der Openbaring wordt voorbijgegaan, en dat de bepalende oorzaak van alles niets anders is, dan de laatste grond der dingen, waarnaar de wijsbegeerte zoekt en die hier als hypothese aangonomen wordt. Men noeine haar „Godquot; of geve haar dosverkiozende een anderen naam; hoe zo ook genoemd worde, in den grond is zij toch niets anders dan de grooto Onbekende Macht, welke verondersteld wordtslles met noodwendigheid te doen plaats hebben.
En wordt het determinisme waarachtig geloofd, waartoe moet dit anders lijden dan tot totale lijdelijkheid. Gij zult doen dat, waartoe gij bepaald wordt. Gij kunt niet anders en zuil niet anders kunnen; wilt niet anders en zult niet anders willen dan dat, waartoe de samentreffuig der verschillende oorzaken u onvermijdelijk stuwt. Een schalm zijt ge, niets minder maar ook niets anders, in den groeten keten des geheels. Verantwoording en plicht valt weg, en als gij kwaad doet of zijt, of niets doet of zijt, hebt gij
12
u daarover niet to belcounuoren, belcommort gij u ook divarover niet, tenzij weer bepalendo werkingen op n\\v zoogo-noemd bewustzijn inwerken, dio n daartoe voeren.
Gij hebt niet te zeggen: „dan moeten wij maar macb mes
zijnquot; aij zijt bet, en zelfs wanneer gpe; inbeelding mocht
hebben,\'dat gij het niet zijt, is dit weer niets anders dan effect der teweegbrengende oorzaken. Het is noodwendigheid zonder moer. Oorzaken zijn er en gevolgen, die met andere oorzaken en gevolgen weer nieuwe oorzaken worden
voor verdere gevolgen. , , , .
Het is mij niet geoorloofd uitvoeriger over bet doternn-
nisme tc spreken. Ik mocht slechts de door enkelen ge-
o-cven beiialingen even nader bezien. Evenmin acht ik het op
ï? 1 • i .... in wil-
1 Uvv j»(tl lll-jV-\'l* v » v, ^ i * 4 \' 1 -f -\'l
mijn weg tc liggen, om daarvan uitvoerige kritiek te willen geven mede door bijeen te balen wat er tegen do deterministische redeneeringen is ingebracht, en waaitoo, om c
ffonover de genoemden slechts een drietal namen te noe-Uion, Gkamek, Doedks en de la Sausave ovcrvlocdigou
voorraad hebben geleverd.
Het zij mij vergund, met het oog op hot geheel van mijn
onderwerp, enkele bezwaren er tegen naar voren te halen.
1 quot; Bezwaar liet determinisme gaat uit van do ondei-
steUing, dut alles is zooals het moet zijn; het leert dus
dat alles goed is, immers alles is door üod gewerkt Het
brengt dus noodwendig mede de ontkenning der zonde als
het bestaan van toestanden of feiten, die niet door God
zijn gewild. Het kan hoogstens sproken van een door God
gewild „nog niet,quot; maar nimmer van een met door God
gewilden „val.quot;
2°. Het determinisme brengt mede do ontkenning van
scTndd. He gedachte; ik had, wij hadden, dat anders be-
hooron te doen, is daar onzin, zoodat voïootmoodigeiu
schuldbesef, erkentenis van strafwaardigheid er geene plaats
kan vindon, on zolfvoroovdooling niots dan dwivzo inbeolding kan worden g\'onoomd
Bit staat woei\' in verband mot
de ontkenning van hot persoon-zijn des mensclien on zijnor zodolijkc vorantwoordolijkheid voor gozindhodon on daden, terwijl liet door do overbrenging dor natuur, noodwendiglioid op hot gebied des zedolijken levens het geweten in don mensch öf negeert, èf voor waan verklaren moot. Hier letten wij er op, dat hot dotorniinisine hoilig-iieid en rochtvaardiglioid zeifin («od niet wezenlijk erken-non kan, en do almacht en do alwetendheid immer öf alleen öf eenzijdig op don voorgrond doet komen.
Dr. A. Piekson zegt ergens: die geen determinist is, is geen donker en dat leidt ons tot oen nieuw bezwaar:
4°. nl. dat het determinisme de uitdrukking is der ty-rannieke heerschappij van hot donken over het zedelijk loven. Immers, waarom wordt daar de heiligheid niet erkend? Omdat absolute heiligheid niet te donken is samen met het bestaan van zonde, liet dotenninisino werpt zich op als de verstandelijke verklaring van het geheel dos levens, en maakt de protontie van oen logisch sluitend geheel op to leveren, waarin de raadselen zijn opgelost.
T)0. bezwaar is, dat men bij dit „denkenquot; steeds van de onderstelling uitgaat het „absolutequot; te kunnen vatton, on daartoe do onoindigheid van het bevattingsverinogon des menschen oiulorstellen moet, maar ten slotte in tegenstrijdigheden zich verliest. Immers, het absolute wordt niet gedacht, maar geloofd. Voor het denken bestaat hot „gegeven,\'\' voor ons denkon hot ons gogevene. Hot is wel natuurlijk, dat hier do alwetendheid albohoorschond op den voorgrond treedt, en dat, waiineor iets met hot begrip der absolute alwetendheid niet te rijmen is, het dan veroordeeld moet heeton.
14
En oen (gt;0 bezwaiir is, dat do deterministen zelve zich het voorkomen geven van geen ernst te maken met hun stelsel; dat het oenc verklaring is, die blijkt niet te verklaren. Laat mij dit niet een voorbeeld duidelijk maken. Prof. Opzoomer zegt, na zijne beschrijving van het deterministisch geloof gegeven to hebben, terstond dit: „Men „zou verwachten, dat onze godsdienstige stemming uit die „overtuiging geboren, altijd oen stemming van onvermeng-„do vreugde en dankbaarheid zou zijn. En toch is dit liet „geval niet.quot;
Men zou vragen; Staat dan die stemming buiten do bepalende oorzaken? Of opmerken; 1°. dat dan die genoemde stemming van onvermengde vreugde en dankbaarheid niet door God is gewild. Eu 2°. dat die bepalende oorzaken dan hier tegenstrijdig werken; immers men werd bepaald om te verwachten iets dat toch later weer bleek niet alzoo bepaald to zijn om te worden.
En wat beteekenen uitdrukkingen als deze; „Wat zouden „wij onze hoop op God zetten in alle omstandigheden des „levens, als wij er niet zeker van waren, dat geen onverbogen hem belet do plannen zijner wijsheid en liefde ten „uitvoer to brongen,quot; enz., daar het toch wel niet van ons afhangen zal of wij al of niet ouzo hoop op God zullen zetten. Wat bcteokonen do vermaningen en opwekkingen, waarbij oen lozer of een hoorder aangesproken wordt als iemand, of ondersteld wordt oên persoon te wezen, die zich zolf tot iets bepalen kon. Allo zelfbepaling onderstelt zelfbewustzijn en zolfbezit, en dat is persoonlijk bestaan en ligt niet onder do wet dor natuurnoodzakelijkheid. De onpersoonlijke schepping ligt onder die noodzakelijkheid, voor haar is deze een dwingende wot van bestaan en leven, (*) maar tot cene onpersoonlijke schepping richt men geene
(*) Zio Hoppe Clir. Ethiek, pag. 80, 87.
vorinaningcii, noch spreekt uien opwekkende woorden. De onderstelliiigdus, die aan dezo redenen ten grondslag ligt, past in liet detenninisine niet. Waar met hot noodwendig mootcn ernst genuiakt wordt blijft er niets anders over dan beschrijving, welke ook weer noodwendig is. Zoo spoedig men komt tot de aanwijzing van wat behoort, hooft men liet determinisme verlaten en staat de mensch als persoon, als in meerdere ol\' mindere mate zich zelf-bepalend wezen voor ons, met verantwoordelijkheid, met meer of minder mate van vrijheid. En de vraag kan niet meer worden geweerd, wat is er nu gemeend: het determinisme of de verantwoordelijkheid ?
Maar het is voor ons, die over praedestinatie te handelen hebben, vooral van belang om de vraag te stellen of\' het deterniinisme ook in de bijbelsche beschouwingswijze thuis behoort: en dan meen ik te mogen antwoorden met een beslist neen.
Laat mij om dit „neenquot; te rechtvaardigen op enkele punten uwe aandacht mogen vestigen. Daarbij ga ik uit van de stelling, dat de getuigenis der Heilige Schriften des Ouden en Kieuwen Verbonds één is.—
1°. In de II. S.; in den Bijbel, vindt men de leer, dat niet alles, wat er geschiedt en geschied is, al zoo door (Jod is gewild, maar dat er, ach, zooveel gebeurt, dat door Uod is veroordeeld. Het eigenaardige der zonde wordt er voorgesteld juist te bestaan in het willen en doen van wat door tied verboden is. Daar mogen plaatsen gevonden worden, die deterministisch „klinkenquot; bijv.: „Ik formeer het licht, en schep duisternis, ik maak den „vrede en schep hot kwaad. Ik, de HHEli, doe al deze din-„gen.quot; Maar er zal toch wel niemand zijn, die meent in den geest der Schrift te spreken, als hij dit woord ook zou willen overzetten in: Ik formeer do waarheiden schep de leu-
16
gon, cu dan al loon toch zou hot (lotorministiscli zijn. (Jod 1\' o r ui c e r t d o 1 o u g o n n i o t. Van waar do zon do is wordt niet gezegd; haar ontstaan wordt niot vorklaard.
Do zonde treedt op. Do verleider komt te voorschijn, maar als ecu anti goddelijk leugenachtig wezen, en hot „vanwaarquot; niet, maar alloon zijn optreden wordt or besproken.
Ton 2° wordt in do Schrift de schuld der zonde op don voorgrond gesteld; er wordt op gedrukt. Als schuldige wordt degene, die de zonde doet, veroordeeld, ou dat van don aanvang af. Dio schuld doet onderworpen zijn aan straf, en mot dio schuld en straf staat weer de bij-bolsche vorzoeningsloor in verband, het plaatsbekleedend on plaatsvervangend lijden van den Christus; do verkondiging van het Lam Gods, dat do zonde dor wereld wog-neoint, do boodschap van vergeving en vrede.
:50. De monsch wordt overal voor eigen daden en toestanden persoonlijk verantwoordelijk gestold; als redelijk iwezen van de rodolooze schepping geheel onderscheiden, \'tenzij men wellicht door schuldige overtreding komt in oen toestand, waarin „zij als onredelijke dieren do natuur volgen,quot; wy zouden zoo zeggen: godetermineerd worden. Men zoodanige toestand toekent Israels profeet Hosoa in Ca]). 8; 11: „Omdat Efraïm do altaren vermenigvuldigd heeft „tot zondigen, zoo zijn hein do altaren geworden tot zon-„digon.quot; — En Jezus bespreekt hot onder de zonde zijn als een k u echt schap. — En de spreuken loeren, dat do god-delooze wordt voortgedreven in zijn kwaad.
Met het persoon-zijn echter staat in verband do eisch van boete en bokeering en wedergeboorte. Reeds bij de schepping des monschen komt hot persoon-zijn op den voorgrond, wijl zijne vorming goschiedde naar den boeide Cods, en, om heerschappij te hebben.
17
4°. Niet het denken en de wetenschap is liet hoogste in de Schrift, maai\' liefde en gehoorzaam Qodsbetromven, uitkomende in drang en keuze en moed om te dienen. De wijzen worden gevangen in hunne arglistigheid. Alleen wanneer do kennis door de liofdo dienst bewijst, maakt ze niet opgeblazen, en terwijl voor do wijzen en verstandigon de vorborgeuhedon van hot hemelrijk gesloten blijven, worden die den kinderkens geopenbaard. Ja ook de Zoon des menschen is niet gekomen dan om te dienen zelfs als hot licht der wereld.
ijquot;, ft iet hot denkbeeld, alsot wij het absolute zouden kunnen vatten, wordt in de Schrift gesteund, mnar hot ten deele van ons kennen uitgesproken. Den Alimichligo kunnen wij niet doorgronden. God is groot en wij begrijpen Hem niet en zijne werken en wegen zijn onnasponrlijk. Do belijdenis der oneindigheid komt voor als uitdrukking des geloofs. De grootheid Gods wordt er verkondigd, betuigd, en aan den mensch betaamt geheelo gehoorzaamheid, algeheel vertrouwen op Gods woord, volstrekte toewijding, zuivere dankbaarheid; alles wat op zedelijk levensgebied thuis behoort. Daarom is het „volstrektequot; daar op to vatten in den zin van zuiver, louter, rein; wat overeenkomt met Gods volmaakte heiligheid en rechtvaardigheid als de-Liefde. Eigenaardig wordt er dan ook meer gesproken van k enne n dan van w e t e n.
G0. Do alomvattende werkzaamheid Gods, als van het onbegrijpelijk, oneindig persoonlijk wezen, die tot zijne schepping in onafgebroken, alonderhoudcnde betrekking staat, zoodat Hem in Zijne werken niets ontgaat, wordt overal betuigd, maar met betrekking tot den mensch immer zoo, dat deze hierin grond en oorzaak voor zijn werken vindt; niet zoo dat do mensch hierdoor deterministisch in zijne gezindheid gedwongen wordt, en dat zijn persoon-
2
18
lijk bestaan on vorantwoovdolijklieid zon worden opgelost. De monsch wordt in do Schrift aangespoord om uit en door God te werken, terwijl er voorgesteld wordt, dat hij dit nalaten kan. De monsch kan zich tegen Uod verzotten, verharden, al heeft hij geen vrede en gelukt hem zijn pogen niet. Zegeningen en straffen worden aan zijn doen eu nalaten verbonden. Zelfs de alwetendheid en de almachl Gods hebben daar oen zedelijk karakter, wokken don rechtvaardige tot vertrouwen, den goddelooze tot vreoze. En do rechtvaardige mag steunen op (iods wetenschap, wijsheid, macht en trouw en verzekerd zijn, dat zijns do overwinning is. Het hoogste is, geheel en al, gewillig zich laten bewerken door God.
Hierbij nu sluiten volkomen aan do opwekkingen en waarschuwingen; de beloften en bodreigingon, zóó, dat deze juist door wat daar aangaande de verhoudingen van God tot den monsch geleerd wordt, gesteund worden. Hot oene maakt met het andere, omdat or geen dotenninismo is, oen geheel.
Voorzeker, daar wordt in do Schrift gesproken van Gods Raad, (iods voornemen; gesproken van verordenen, herkiezen, roepen, bewerken, maar altijd staan do persoonlijke verhoudingen daarbij voorop on niet liet deterministisch dwingen.
Trouwens, het is vaak gezegd: in Israël staat het persoonlijk reöole op don voorgrond; niet het abstracte. Israël is niet het volk waar de philosophic bloeide maar hot volk van den godsdienst der openbaring, en het determinisme is niet godsdienst, noch openbaring, maar philosophic.
De IHjbclscho beschouwing is dus voor het determinisme niet gunstig, maar praedostinatie is een bijbels leerstuk.
19
Het is evenwel niet te ontkennen, dat onze gewone voorstelling dor pracdestinatie-loer een sterk (om liet zoo maar te noemon) dcteriniiiistischen trek heeft.
Zoo wordt er beweerd. Laat ons kortelijk zien wat er van die bewering aan is.
l»e gewone leering der praedestinatie is deze:
\\\\ ij zien, dat er zijn, die gelooven, en dat er zijn, die niet gelooven.
Hoe komt dat?
Uit de meuschen zelf niet, want tal van personen, die even goed zijn als de anderen gelooven niet, en de anderen die even slecht zijn, gelooven wel.
Ts\'n moot worden erkend, dat (Jod in zijne voorzienigheid alle dingen werkt: van Hem gaat alles nit, derhalve is het gelooven Gods werk in don een, en het niet troloo-
\' O
ven Gods niet werken in den ander.
Dewijl nu Gods werk een eeuwig work is, zoo moet volgen, dat dit, wie wel en wie niet gelooven zal, eeuwig bij God vaststaat, en dat Hij in eeuwigheid bepaalt, of wellicht is bet beter te zoggen: dat Hij van eeuwigheid bepaald heeft, wie zijne genade deelachtig zal worden, en wie voor die gave der genade niet in aanmerking komen zal. Ihi wijl dit laatste om de zonde zal zijn, zoo moet deze ook dooi God zijn bepaald, zij bet dan ook door dos menschen eigen schuld.
Voor wij verder gaan merken wij op:
a. Dat dus hier de leer der Besluiten Gods te hulp go-roepen wordt om een antwoord te geven op de vraag waarom de eene mensch wel, de andere niet gelooft; en dat dus eigenlijk deze vraag het uitgangspunt is.
ii. Bat eigen schuld, waarvan het vooraf door eon boven ons staande en dwingend op ons inwerkende macht bepaald is, dat zij komen zou, ons toch moeilijk beider wil
\'20
worden, zoowel wamloel• we letten op „eigenquot; als wanneer we zien op „sclmldquot;.
Om nu te zien, of dit werkelijk de voorstelling is, dat alles in dezen van eeuwigheid bij Ood is bepaald, kunnen wij niet beter doen dan een uit velen to nemen en hoo-ren, hoe hij de praedestinatie delhiieert. Kiezen wij Willem a Bbakkl. Hot komt ons voor, dat deze jnist de gedachte weergeeft, gelijk zij ook bij anderen wordt gevonden.
In zijne „beschrijvingequot; van de praedestinatie zegt hij het volgende: „De praedestinatie of voorverordineringo „is een eeuwig, vrijwillig en onveriinderlijk besluit (iods, „om tot verhcerlijkinge van zijne vrije genade eenige inen-„schen te scheppen, onder de zonde te besluiten en door „Christus tot de zaligheid te brengen, en om tot verhcerlijkinge van zijne rechtvaardigheid anderen te scheppen, in „zonde te laten komen en om do zonde te verdoemen.quot;
Wij kunnen niet ontkennen, dat de hoofdgedachte van deze bepaling ook in de Dordtsche Leerregels en voorts bij alle voorstanders der Augustijnsclie praedestinatieleer gevonden wordt. De uitwerking der gedachte is verschillend. Het is niet geheel hetzelfde of men Augustinus hoort of Ootïschalk; of men Galvijn leest dan wel de moening van do Dordtsche Synode verneemt, maar dat eeuwige, dat onveranderlijke besluit lt;lods beheerscht bij allen alles. Uit dat besluit tracht men het al of niet behouden worden der menschen te verklaren. Van eeuwigheid is het bepaald, wie worden znl; van eeuwigheid wie behouden zal worden; van eeuwigheid wie (zij het dan ook door zijn eigen schuld) verloren zal gaan. Het eeuwig wol of wee dei\' menschen is de uitkomst van het eeuwig raadsbesluit Uods.
En niet alleen dat eeuwig wel en wee als einduitkomst, maar alle handelingen der menschen vallen daar onder.
Immers dat blijkt uit ccno imderc stelling, die hierbij behoort, en dio ook uitgesproken wordt, nl. deze: „Hij((!o(l) „besluit eerst het einde, de verheerlijking van zijne ge-„nade en rechtvaardigheid, en tot dat einde besluit God „de middelen om tot dat einde te bekomen, welke (mid-„delen) zijn: mensclien te sclieppen en onder de zonde te „besluiten.quot; En even verder; „ook al bevatten wij het „eene en het andere op zich zelf, en het eene na het an-„dere, zoo weten wij, dat God alles met een enkele daad „besluit en insluit.quot;
M. a. w.: alles is van eeuwigheid vast: gevolg en oorzaken, oorzaak en gevolgen. Dit nu is wel gemakkelijk voor het begrip, maar moet toch zuiver determiustisch worden genoemd.
l/ot dit besluit komen wij ook, wanneer wij de nadere bepalingen lezen van de verkiezing en do verwerping.
igt;e „beschrijvingequot; van de „verkiezingequot; luidt aldus: „De verkiezinge is eene voorvorordiueringe Gods, door „welke Go l van eeuwigheid vast en onveranderlijk besloten „heelt eenige particuliere mensclien als met name, zonder „eenig voorgezien goloove of goede werken, uit zijn enkel „vrij welbehagen, te brengen tot de couwigo zaligheid; tot „prijs der heerl\'jkheid zijner genade.quot;
A\'u willen wij vooraf doen opmerken, dat Brakioi. sprekende over de praedestinatie zegt: „dat het een vuile las-„teris te zeggen, dat de Kerk leert, dat do eene meusch „tot zaligheid en de andere tot verdoemenis geschapen is... „ t is enkel heiligheid meuschen, die door hnnne eigene „schuld zondigen in de zonde te laten liggen en om de zon-„de te verdoemen.quot; Doch daarna vragen wij verder den schiij\\er, wat is dan nu naar uwe voorstelling het andere deel dor voorvcrordineering, nl. de verwerping?
A\\ ij lezen zijn antwoord onder punt XIII in de volgen-
99
de „bosclirijvingequot;: „De verweipiuge is eeuo voorveror-„diuoringe van sonnuigo particuliere ineiiGclion als met na-„me, tot het eeuwig verderf; uit enkel vrij welbehagen tot „bctooning van Gods rechtvaardigheid in ben om hunne „zonden te straffen.quot; En even verder zegt Brakei/. „dc-„ze verworpenen zijn in getal onbedenkelijk te boven gaan-„de het getal der uitverkorenen, welke in tegenstelling van „deze, ja zelfs van de geroepenen weinig genoemd worden.quot;
Wij lezen dus goed: het besluit der verwerping is, dat oen getal nienschen, zoo groot, dat het \'t getal der uitverkorenen onbedenkelijk te boven gaat, voorverordineerd is, persoonlijk als met name, lot hot eeuwig verderf, uit enkel vrij welbehagen lot botooniug van Gods rechtvaardigheid in hen om hunne zonden te straffen.
Voorts lezen wij later: „Hij die het einde besluit, bo-„sluit meteen de middelen tot hot einde.quot;
Hot is hier ergens dat Bkakkl, zegt met het oog op deze redeneeringen: „Die met God twisten wil doe liet.quot; Dat nu wenschen wij niet te doen, maar wij constateeren eenvoudig, dat alzoo de leer der voorverordineering zuiver deterministisch is.
Wel is er in het geheel der beschrijvingen ook nog eone andere gedachte opgenoiuen wijl Bkakkl, zooals we. reeds zagen, ontkent, dat God do oorzaak der zoude zou ziju, en die wc ook vinden in uitdrukkingen als deze: „God „laat toe, dat zij door hunne eigene schuld van God afvallen en zich slaven van de zonde makenquot; waarin zooals we zien de aroorafbepaling wordt omgezet in een toelaten, maar dit kan ons doen opmerken, dat er in het geheel der beschouwingen dualisme heerscht en dat men met zijn eigen redenecring geen vrede heeft.
Hoeft dus do kerkelijke praodestiuiitioloor 0011 dctcrininis-tisch karakter, on is do levensbeschonwing naar do Scliril\'t bepaald niet dotenuiiiistiscli, dau wijten wij dit aan het uitgangspunt en staan voor do belangrijke vraag: Kunnen wij een uitgangspunt vinden, waarbij uit do voorstelling dor praedesliuatio liet dotonninisino wegvalt en do Sehrittleer tot haar recht komt.
Maar waar moeten wij dat zookon\'?
Naar het mij voorkomt moeten wij eenvoudig hot groud-beginsei, do grondstelling van Auau.srixus naar voren brengen, nl. dit, dat alles behoerscht wordt door onze voorstelling van de verhouding waarin de Schepper staat tot zijn schepsel — laat ons zeggen - sediepping, en daar ook opmerken, hoe in do Schrift als voorwerpen van Gods welbehagen of toorn immer personen van oen bepaald karakter worden aangewezen.
Bij het nagaan van de leerstellingon van Au(ius,rixus(:|:) kwam hot mij voor, dat, naar hot ideaal van den grooton kerkvader, het geheelo thoologiseh stelsel wezen moost als een schoone boom, die voortkomt uit don zaadkorrel in hot eerste der 12 geloofsartikelen vervat.
Wij wenschen zijne aanwijzing te volgen, maar nomen do vrijheid om bij de ontwikkeling onzen eigen weg te gaan, ook al is het, dat wij weten slechts in staat te ziju o:n naast hot majestueuse werk van den inachtigen denker een zwak schetsje van nog onzekere potloodlijnen te plaatsen.
Dat wij onzen eigiT. weg gaan, blijkt u terstond, wanneer wij niet do macht en de wetenschap van den Schepper, maar diens Kocht op den voorgrond plaatsen. Dit is iots, dat wij naar do Schrift moeten doen, wijl ook da,ar do voorstelling van het souvereine Kocht des Seheppers alles bo-heerscht. Daarmede worden de zedelijke (s. v.v.) oigenschap-
(*) In Noaudors kurkgoschiodonis.
24:
l)eii des Scheppers in do eerste plaats in \'t licht gestold.
Het Godsbegrip dor Schrift is — het is dikwijls gezegd -Heilige Liefde.
En nu, van dezen Schepper — die God en Vader, die Heilige Liefde is, en die als de Almachtige door het Woord do wereld geschapen hooft — hrengon wij zijn Recht niet tegenover het sc liep sol, maar op zijne schepping voor onze gedachte naar voren.
De stelling, dat do Schepper souvercin Recht op zijne schopping, het werk zijner handen, heeft, zal toch wel door niemand worden geloochend.
Dat do Schepper, als oen Rechtvaardig God, dat recht op zijne schepping vasthoudt, spreekt wol van zelf. Gods rechtvaardigheid komt allereerst hierin uit, dat Hij (vergun mij do uitdrukking) rechtvaardig is jogens zich zelf en het recht op het zijne niet prijs geeft.
Dat dan ook do ontkeuning van dat Recht in do praktijk, m. a. w. de zonde dos monschen door de vorleiding des Boozon dat Recht zelve niet vernietigt is duidelijk; alleen blijkt ons daaruit, dat do zonde naar haren aard als onge-hoorzaamheid, rechtsschennis moot worden genoemd. Do zonde is de ontkoaning, dus schennis van Gods recht, van hot Recht. Als wij dit verstaan, vatton wij Johannes woord: „de zonde is do ongorochtigheid.quot; Hoeft nu al do mensch, en dat in zijne betrekking, waarin hij door God tot hot geheel geplaatst was, zich tot zonde laten verleiden, het kan ons niet vonvondoroii, dat de Hoiligo Liefde door die zonde zich zijn eigendom, de wereld, niet laat ontnemen, maar het, iiiettegenstaando do inkomst der zonde, zal doen beantwoorden aan zijne bestemming, d. i. Zijne verheerlijking.
De grondlijnon onzer voorstelling van het scheppingsplan liggen in onze belijdenisschriften. Zie Gat. Hoid. vr. en
25
aiilw. (i: „God heeft don inenseli naar zijn beeld gosclia-„pon opdat hij God zijn Sclieppcr rccht kennen, Hom van «harte liefhebbon on niet Hem in de oenwige zaligheid lo-„von zoude om Hem te loven en te prijzen.quot;
I\'jii in de Belijdenis Art. 12 wordt gezegd: ./Wij goloo-ven dat do Vader door het Woord. d. i. door zijn Zoon, „don hemel, do aardo en allo schopselon nit niet hoeft „geschapen, als het Hom hoeft goodgodacht, oen iegelijk „schepsel zijn wezen, gestalte on gedaante en verscheide-„no ambten gevende om zijnen Schopiior todionen.quot;
Hierbij nu nemen we vorder do uitdrukking in Art. 13: »^iJ gelooven, dat die goede God, nadat Hij alle dingen „geschapen had, dezelve niet hoeft laten varen .. . maar zoo voegen wij er aan loo: niottogonstitando do zonde inge-koaion is, zijne Liefde voor en zijn Recht op zijne schopping behouden en aan zijn oorspronkelijk „goeddenkenquot;, dat alles Hem dienen zal, vastgehouden hooft.
„Alzoo lief heeft God do wereld gehad, dat enz. — hoe verklaren wij het, dat God do wereld zoo liet hoeft geluid?
Immers nadoniaal do wereld hot Zijne, Zyno schepping is.
Hieruit vorkhiren wij nu hot goddelijk plan ter verlossing ons door don Apostel I\'anlus voorgesteld in den Eph. briel, cap. I: 9, 10, als hij zegt: „ons bekend gemaakt „hebbende do verborgenheid van zijnon wil, naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zich zei ven; om „in de bedoeling van de volheid der tijden wederom alles „tot één to vergaderen m Christus, beide dat in den hemel „en dat op de aardo is.quot; Vergelijk hiormedo Col. I: 20, waar gezegd is . . . „allo dingen verzoenen zou tot zich „zolven, hetzij de dingen, die op de aardo, hetzij de dingen „die in de hemelen zijn.quot;
2()
Hiervan hoorcu wij reeds iets in do belofte aan Abraham trcdaau, als er gezegd wordt, dat in zijn zaad alle vol.on zullen worden gezegend. Tot do vervulling van dat vooi-,,0111011 moet Israels verkiezing dienen, gelijk dan ook bij Israels profeten dat nuiversiilisino verkondigd wordt
Opmerkelijk is, in verband hiermede, dat do AUorhoog-sto altijd door over de heidenen, die Hem met kennen, zijne Sonvoreiniteit als Scheppor en Koning handhaaü; do volken gebruikt, oordeelt, zegent en straft, bedreigingen en
beloften toekomen doet.
Het verlossingsplan moet dus dienen om liet scheppingsplan, dat door de zonde verbroken schoen, to volvoeren, in dat licht moeten allereerst voorverordiueering en verkiezing molden gezien. Daarom worden /.ij, die door do verlossing tot hunne bestomminu-, in \' !ods scheppingsplan gelode n, wonh n ^ -bracht.uitverkorenen in Christus voorde grondlegging dor wereld genoemd. Daarom is er sprake voor do verlosten \\aii een Koninkrijk van voor de grondlegging der wereld boieid.
Zoo zien we, dat niet do zaligheid van enkele particuliere personen bij het verlossingsplan op den yoorgrom staat in de besluiten Uods, in zijn wil en welbehagen, m zijn voornemen, maar Gods recht, Gods eon in zijiu w waarvan de behoudenis der goloovigen, der gehoorzamen in het bereiken der van God gewilde bestemming de natuurlijke, d. i. do door God gewerkte vrucht is.
Infralapsarisme en snpralapsarisine vervallen Iner beide iiidiikelijk, en de verlossingsgedachte Gods blijkt van ( en beginne aan universalistisch, wijl zij toi \\ol\\oiiin0
zijn scheppingsplan dient.
\' Het blijft dan Gods wil als heilig Hecht en eeuwige Lietde, dat zijn werk aan zijn doel beantwoorden zal. Maar dam-toe moot de zonde, wederrechtelijk ingekomen, uit zijne stopping worden uitgewerkt en daar zijn Kocht worden hersteld.
Wiuirdoor zal dat gescliicdon ?
Waardoor anders, dan dat in dio stdioppiug do volle orkeiuiing\' viiu dat Itecht, do volstrekte golioorzaainlioid iu liefde, do ongoroclitighoid overwint.
Door dat werken immers, dat zich stelt in volstrekten zin tegen dio machtig\'e drijving van zonde en dood, die als een vloek in de schepping wederrechtelijk hoerscht, en dat met het besliste doel om dien stroom op te nemen, te breken, te doen vordwijnen. Daartoe moet het zoonotï\'er worden gebracht; de vollo uitwerking ton verderve van dio reclits-schonnis, van dat ongohoomam zijn, worden aanvaard, worden gesmaakt in don dood; moet de strafschnld der zonde worden weggenomen door ze te dragen; waarna en waardoor de dood zal zijn overwonnen, het leven zal heerschen, en do opstanding zal zijn aan liet licht gebracht.
Hieiuit zien wo, dat noch van bijzondere noch van alge-meeno verzoening als zoodanig kan worden gesproken.
Maar wie zal dat doen?
Uit do menschhoid zelve kan in haar gevallen toestand een zoodanige niet voortkomen. Haar hoogtepunt onder de leidingen Gods is bereikt in de zuivere ontvangbaarheid, waarvan Maria\'s woord de uitdrukking is: „Zie do dionst-„maagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; Doch \\uo anders zal het zijn dan dezelfde door wien de Schepper de wereld gemaakt heeft ?
Jgt;e Middelaar der schepping is ook de Middelaar der herschepping, der verlossing (zie Coll. I.)
liet Woord wordt vleesch. De Zoon komt in de wereld, quot;oidl mensch en handhaaft in de wereld des Scheppers lecht op de wereld. Hij is dus niet gekomen opdat Hij de weield mderve, maar behoiide. Dat komen is de herstelling van Gods recht in den mensch door den mensch Cluistus Jezus, den Middelaar Gods on der menschen. Ditgt;
28
herstelling wordt, omdat Hij onze Middelaar is, hot deel van ons geslacht en daarom wordt het door Hem volbrachte levenswerkelijkheid door den Heiligen Geest in den-
gene, die gelooft.
Op den Zoon is Israels verkiezing, Israels volksbestaan en geschiedenis aangelegd. Daarom is dat volk Godseeist-geborene onder de volken. Maar daaiuit \\0l15t ook, dat die verkiezing en geschiedenis een voorbereidend karakter heeft; en dat Israels verkiezing niet als voorbeeld kan dienen voor het leven van den enkelen mensch, waai\\oot het toch ook veel te rijk is, maar waarom liever in Israël als type het beeld der menschheid moet worden gezocht.
Ook volgt hier, dat mi do verkiezing van enkele men-schen op zich zelve met nitslniting van anderen vooral, onder de Menw-Testamcntischc bedeeling inoeiolijk kan worden volgehouden, overmits in Christus Jozns, den Middelaar Gods en der menschen, do zegening van Abraham tot de heidenen komen moot, dewijl in Hem do heidenen medeéilge-namen zijn der beloften Gods. Daarom moet het bevel des Heeren na zijne opstanding gegeven, om het Evangelie aan alle volken of creaturen te prediken, als ernstig worden opgevat, d. i. het moet worden uitgevoerd met het doel, dat in allen, dat overal in de menschenwereld dat recht Gods zal worden erkenden zal worden horstelcl. Met besclnninji als zoodanig; niet de bekeering van zoo of zooveel zielen is eerste doel dier prediking, maar de erkenning van het souvereme li echt Gods op allen. Gelijk dan ook Paul us te Athene verkondigt, dat God, met het oog op de voltooiing van het verlossingsplan in de toekomst van Christus, allen menschen alom laat prediken, dat zij zich bekeeren.
Christus is dus de eerst verordineerde; do uitverkorene, en in Hem en in de zijnen vallen voorverordineering (tot een voorrecht) en uitverkiezing (tot een roeping) immer
20
samen. Do voorverordineovdeu tot kindorcu zijn do uit-vorkoicuon tot arbeid.
wie zijnde zijnen?
]!et antwoord, dat Jezns zelf liierop geeft, is niet dub-bolzhmig- en hot drukt uit, wat heel do Sclirift door wordt geloerd. „En iemand zeide tot hom: zie uwe moeder en „uwe broeders staan daar buiten, zoekende n te sproken. „Maar bij, antwoordende, zeide tot dengone, die hom dat „zeide: AVie is mijne moedor, en wie zijn myne broeders?quot; „En zijne hand uitstrokkoudo over zijne discipelen zeide hij: „ziet mijne moedor en mijno broeders. Want zoo wie den „wil mijns Vaders doet, die in do hemelen is, dezelve is „mijn broeder en zuster en moedor.quot;
Toestanden en daden worden op den voorgrond gezet. Personen van oen bepaald karakter aangewezen. En dat niet afgetrokken, maar alles is reëel. Zie Matth. 5, G, 7. Zalig de armen van geest; enz. Zoo wie do geboden zal gedaan en geloerd hebben, die zal groot zijn; enz: „Die vijanden liofheeft, vloekonden zegent, hatenden weldoet, voor gewelddoeners bidt, die is kind van den Vader in do hemelen. Die waarachtig aalmoezen doet in de vreezo Gods; wien het in hot gebod om God te doen is; wie in hot verborgen vast, den naaste vergeeft, die ontvangt zegen van God. En niet een iegelijk, die zegt: Hoore, Ileere, maar die doet den wil des Vaders gaat in in het Koninkrijk der Hemelen, terwijl de werkers dor ongerechtigheid buitengesloten blijven. Degene, die Christus woorden hoorton doet, blijft, en die hoort en niet doet gaat onder.
En daar is veel meer, doch dit weinige is aangehaald om te doen zien, hoe dat woord van Jezus aangaande de discipelen aanduidt den aard dergenen, die hot Koninkrijk Gods beërven.
Woidl dan hierdoor niet de verdienstelijkheid dor goede
30
wcrkon golconl? Wat do .Schrift betreft, wij gcloovon vaste! ijk : neon, 011 wat ouzo aanlialing1 betreft, die is om to doen zien, hoe vlo hier genoomdon geen andere zijn dan waarvan gezegd moet worden, dat in hen en door hen bij aanvang het Recht des Scheppers op en in zijne schepping wordt erkend in de praktijk; hoe door dezen als door dogenen, die zijn wil doen, zijne souvereiniteit over zich wordt geëerd. Dat zijn degenen, die God kent; gelijk Hij zoekt die Hem in geest en waarheid bidden.
Wy kunnen hier de vraag niet weren: van wie der men-schenkiudcren eischt God wel, dat zij naar zijne, geboden, of wat wel hetzelfde zal zijn, naar den eisch hunner bestemming leven zullen? Van wie der menschonkinderen wil God wol, dat zij heilig en onberispelijk zijn zullen? Wat doet God, do rechtvaardige God, met do ongehoor-zamen ?
In Israël ging men in tot de getelden naar do wijze, waarop dat daar geschiedde, die hiertoe komt, hierin looft, die is ingegaan, persoonlijk, tot de vergadering der kinderen Gods, die om den Zoon zijn vereenigd, tot den Zoon zijn getrokken, aan den Zoon zijn verbondon door de banden van geestelijke verwantschap. Dat zijn do nitverkore-neu iu Cluistus, of do uitverkorenen naar de voorkennis (niet voorwetenschap, welke wo niet ontkennen, onuuu- ;vc de oneindigheid Gods met ons beperkte denken niet kunnen bevatten, maar waaraan we in dit geval toch niets hebben. Buakel zegt ook zeer teiecht, dat voorkennis iels anders is dan voorwetenschap, nl. een kennen in liefde en welbehagen.) Gods; de uitverkorenen in heiligmaking des Qeestes; dat zijn de voorverordineerden naar den beeldo des Zoons; de voorverordineerden die tot kinderen en erfgenamen zijn gestold.
En hierbij kunnen wij weder de vraag doen: Van wie
31
incoiit gij, zou God willon, dat zij in lioiligmaking dos Goes* tos zullen waudolon 1 Wat doet God met dogcuoii. die het niet doen?
/00 is ook te verklaren de bekende plaats in Kom, S: 2S. wEu wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, al-Je dingen medewerken ten goede, dengenen, die naar zijn „voornemen geroepen zijn,quot; enz. Degenen, die God liefhebben zijn zij, die naar zijn voornemen geroepen zijn, IsTn leert men vaak, dat zij God liefhebben, omdat zij naar zijn voornemen geroepen zijn; of dat zij naar zijn voornemen geroepen zijn, omdat God vooruit geweten heeft, dat zij Hem zouden liefhebben. Maar geen van beide staat er. De constructie van dezen zin is dezelfde als die van vers ! van dit hoofdstuk: „alzoo is er geene verdoemenis „voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar „hot vleesch wandelen, maar naar den Geest.quot; Ook hier vindt uieu twee beschrijvingen van dezelfde personen, maar van gelijke kracht en beteekenis en waarbij geen eerste en tweede aangegeven wordt. /00 ook die God liefhebben zijn degenen, die naar zijn voornomen geroepen zijn. Die God liel hebben zijn de voorgekenden, voorverordineerden naarden heelde des Zoons, de geroepenen, de go rechtvaardigden, do vorheorlykton; daarom hebben zij God lief, noen, daarom moeten hun alle dingen medewerken ton goede. Zij zijn gekomen, persoonlijk, in de rechte verhouding tot don Schepper, die den mensch naar zijn beeld gemaakt hoeft en daarom zal, wat macht er ook komo, door do ver-vnliing van het verlossingswerk in hon het scheppingsplan worden volbracht,
Hoe men or toe komt om een liefhebber Gods te wezen, wordt hier niet besproken, alleen maar do vastigheid en hot voorrecht diergenen wordt aangewezen.
Do beantwoording van deze laatste vraag behoort niet
32
ondor het liooldstuk dor Bosluitou Gods, maiu\' oudor dat hetwelk door van üosteuzee „de lioilswcgquot; of „subjee-tiovo sotcriologiëquot; genoemd is eu zal daar waarschijnlijk nog lang tot do „verborgene dingenquot; moeten gerekend worden, gelijk alles, wat levensaanvang is, nog niet is verklaard. Immers zoo bokenneu wij ook allen, dat wij hot punt niet bepalen kunnen, waar do werkzaamheid Gods en do verantwoording dor menschen samenvalt. Maar daarom heffen wij niet oen dier beiden op. Hot stellenen beantwoorden dier vragen op de wijze, zooals hot geschiedt, kunnen wij niet aanzien dan als blijk van groot) nieuwsgierigheid onder do menschen, waaraan de Heer niet toegaf, maar waar tegenover Hij stelde: strijden om in te gaan. Bogeeren wij ernstig ter eero Gods en tot \'s naasten heil de wogen Gods te kennen en zijne gangen eerbiedig na te speuren, dan zal dit zeker het boste goschiedou door den weg te volgen door onzen Heiland aangewezen, als Hij, met het oog op iets anders, zoide: „zoo iemand wil des-„zelfs wil doen, die zal bekennen.quot;
Geheel hiermede overeonkomeiulo is ook de voorstelling in do Schrift gegeven van wat en wie God verkoor. Stond er ergens ecu uitspraak des Hoeren of zijnor Apostelen, dio ongeveer aldus luidde: Want het is u bekend, dat God van voor de tijden dor eeuwen onherroepelijk hoeft vastgesteld aan welke personen, mot name, Hij het eeuwige loven geven zal, wij zouden hot zwijgen er toe doen; maar Hij hooft gezegd: „die gelooft hooft het eeuwige leven.quot; En wie zal golooven? „Die zijne ziel bij \'t leven nu niet „meer hoeft kunnen houden.quot; Wie geeft zich over, immers degene, die hot niet meer uithouden kan. Die begeert, wat hij zelf niet bezit, en dat hij het voorwerp dos
g\'cloofs aanscliouwt. En wie zal dat tloon? Daarop iion wij geen algcnieon antwoord geven; de verscheidenheid der levenstoestanden is zoo oneindig groot en wij willen ons ook niet aanstellen alsof\' wij den omneel haren rijkdom van het volle leven cn Gods werken daarin binnen de enare wan-den van ons klein begrip kunnen samenvatten. Maar die be-hoeftigen zijn de verkorenen; die behoudt God; die gebruikt liij in zijn werk. Daarom spreken wij niet van „een voorgezien geloof\' maar zingen met de gemeente: „\'t Behoeftig „volk, in limine nooden, In hnn ellende en pijn, Gansdi hnl-„peloos tot Hem gevloden. Zal liij ten redder zijn.quot;
En dat kunnen wij verstaan. De Schepper handhavende zijn souvorein Recht oj) het Zijne, kan geen opgeworpen souvereiticn naast zich dnlden. Daarom volgde op de poging om te zijn als God, doch buiten God, de nitdrij-ving uit het paradijs en do verspel ring van den weg naar den Boom dos levens door hot zich omkeorende vlamniende lemmer eens zwaards. Naar dezen regel handelt God nog immer, en daaruit verstaan we, da\' do goddelooze in don dag des toorns den schat ontvangt, dien liij zich zei ven vergaderde in het tegenstreven van Gods wil en het schonden van Gods Recht, wanneer hem zijne plaats gewezen wordt in het eeuwige vnur, dat niet hem, maar don duivel en diens engelen bereid is.
Geheel do Schrift is dan ook vol van gedachten en uitspraken in don trant als deze: „op dezen zal Ik zien, op „den arme en vorslagene van geest, en die voor mijn Woord „beeft.quot;
Als we dit zien, verwondert het ons niet meer, dat de Apostel Jakobus, do uitverkiezing besprekende, zegt: „Heeft „God niet uitverkoren do armen dezer wereld, rijk in het „geloof, en erfgenamen des Koninknjks, hetwelk Hij be-„looft, dengenen, die Hem liefhebbend\' Mn ook niet, dat
wij van Paulas hooren: „Hot dwazo der wereld heeft God „uitverkoren, opdat Hij do wijzen beschamen zou; en hot „zwakke dor worold heeft (Jod uitverkoren, opdat Hij het „sterke zou beschamen. En liet onedolo dor wereld, on hot „verachte hooft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat „Hij hetgeen is, te niet zou maken; opdat geen vleesch zou „roemen voor Hem,quot; Opdat alzoo do volstrekte opperhoogheid dos Scheppers naar recht zou worden erkend.
Daarom komt hot er op aan, persoonlijk geheel te lee-ren afzien van zich zeiven, en van het zijne; persoonlijk te gelooven zijne bestemming door God in hot geschapen-zijn naar zijn beeld en gelijkenis, en daaruit zijne persoonlijke voorverordineering tot kind, en hiermede zijne uitverkiezing tot heiligheid, tot zaligheid.
Dan zien we, hoe onze voorverordineering en Gods scheppingsdoel samenvallen; en do erkenning van het Kocht Gods op ons persoonlijk, en do persoonlijke bewustheid onzer voorverordineering, onzer uitverkiezing in Christus van voor do grondlegging der wereld zijn eveneens onafscheidelijk verbonden. Op dio persoonlijke bewustheid, niet op de uitsluiting van andoren vooraf door God, heeft do Apostel liet oog als hij zegt „wijquot; en „onsquot;.
Laat ons trachten in het licht van I Oor. 1 hot negende kapittel van den brief aan de Romeinen te lezen, en dan hooren hoe Paulus aan hot op zijne voorrechten trotsche Israël de waarheid, het feit, tot zijne verootmoediging voorhoudt, dat het alleen geworden is, wat het werd, door Gods verkiezing. Dat God juist in hen bewezen hoeft het kleine voor hot groote, hot mindere boven het meerdere te stellen, opdat het voorrecht zou zijn niet uit den werkende, maar uit don roepende, en opdat aldus het voornemen Gods naar de verkiezing zou vastblijven. Hieruit moet voor Israël volgen, dat nu zijn ijde! zelfverhef-
:i5
feu oorzaak van zijuo vorworping zal blijken. Daartegenover zal dan thans met do heidenen worden gehandeld, gelijk vroeger aan hracl is gcsdiied en het geringe boven het meerdere worden voorgetroK\'ken. Gods zegenen en behouden is niet naar werken maar naar genade.
Doch genoog om aan te toonen wat ik bedoelde met te zeggen, dat niet individuen als zoodanig, maar in het algemeen personen van bepaald karakter als de voorverordineerden voorkom en.
„Maar dan is onze troost weg.quot; „We misson de vastigheid.quot;
Daarop zeggen wc eenvoudig en kort: a. Uw troost is niet do hoofdzaak, maar het feit, dat de Schepper de herstelling van zijn geschonden recht wil. b. Do troost wordt werkelijk alles overtreffend, en do vastigheid als do „Rots der eeuwenquot; wanneer gij mot aanbidding verstaan leert, hoe de Scliopper van hemel en aarde, in de handhaving van zijn heilig Recht op u en do uitdrijving van de zonde uit het Zijne, ook uwe persoonlijke behoudenis en zaligheid wil; ook met u wil gaan door heiligheid tot zaligheid. Juist voor armen en behoeftigen en ellendigen, voor wie daar treuren en weouen, en voor wie dus alleen troost noodig is, is hier do ware troostgrond gegeven.
Vergun mij nu, voor ik eindig, nog enkele opmerkingen.
(iods Recht hoe vaag en onbestemd is het menigmaal, wat daar bij wordt gedacht. Hoe vaak komt liet voor als de tegenstelling zijner genade, terwijl wij toch zingen: „Uw „troon blijft onbewogen van rechten van gericht zijn vas-„ten steun ontleenon;quot; en dan daarop volgende; „en waarheid en gena gaan voor uw aanschijn henen.quot;
Gods Recht. Hoe wordt, het in den regel alleen ver-
36
staan togonover don zondaar; en Gods rechtvaardigheid aanschouwd in het straffen van den zondaar of van den Middelaar in de plaats des zondaars.
Laat ons, als uitgangspunt, voorop stellen Gods, des Scheppers Hecht op zijne schepping, dus ook op den zondaar, op iederen zondaar, zoodat wij gevoelen leeren, dat een mensch geen recht heeft om zondaar te zijn — dan zien wij in Gods rechtvaardig vasthouden aan zijn Hecht den grond voor zijne genadehetooning. Dan zien wij Gods rechtvaardig vasthouden aan zijn Recht, om erkend te worden door don zondaar openhaar worden als toorn tegen de zonde. Barmhartigheid voor den boetvaardige blijkt ons openbaring der reebtvaardigheid Gods. Gods eigen vasthouden aan zijn Kocht op allen doet ons het woord, en het feit, verstaan; „Hij doet zijne zon opgaan over boo-„zon en goeden, en regent over rechtvaardigen en ourccht-vaardigen.quot; lloo wordt in dit licht elke zegen en elke ramp voor den zondigen mensch een prediking tot bekeering. Paulus\' woord en l\'etrus\' prediking worden beide verstaan: „de goedertierenheid Gods leidt tot bekoel ing.quot;
En welk een ruim veld zien wij ons hier geopend voor do levenspraktijk. Geheel de Ethiek kan op dezen grondslag worden opgetrokken.
Wat is zonde 1 Miskenning in de praktijk van Gods Recht op ons; en dat van dien God, die Liefde is.
Wat is schuldbesef? Smartelijke zelfveroordeeling, wijl wij het Recht van onzen rechtvaardigen en liefdevollen Schepper hebben geschonden.
Wat is bet geweten? Een diep besef in den mensch van dat gebleven Recht Gods op den zondaar, den mensch.
Wat is wedergeboorte? Het verkrijgen van die gestalte, waarin het erkennen van dat Recht ons leven is,
Wat is bekeering? Het komen tot het volvroolijk er-
87
kennen van dat (iodsrecht op ons, in do praktijk.
Wat is heiligmaking, christelijk leven? Het loven der ehristciykc gehoorzaamheid, het vrijwillige, blijde leven in dadelijke erkenning van het Hecht Gods.
Wie is do Christus (Ethiek) Degene, die Gods Rccht o]) ons handhaafde en ons toeroept: volg mij op dezen weg.
Welke toekomst verwacht gij? Ken nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. De vervulling van het woord „en uw volk zullen allen te zanten „rechtvaardigen zijn.quot; En ziet, Broeders, dan gaat het psalmboek open en wij heffen aan: „\'( Rechtvaardig volk „zal welig groeien, daar twist en wrok verdwijnt, Zal alles „door den vrede bloeien.quot; enz.
Doch daar is meer, gij denkt aan de zonding onder Israël en do volken, en hoort van het Recht Gods op allen, en hoe Hij zelf daaraan vasthoudt; en voelt dat hierin drangrede lot arbeid en grond voor vertrouwen beide gevonden worden, en wat het te betoekenen heeft een medearbeider Gods te vezen. Eu gij spreekt reeds: „wie zou „U niet vreezen. Gij koning der heidenen, want hot komt „U toe, omdat niemand U gelijk is.quot;
Gij ziet een zondaar in zonde verzinkend, en overlegt voor ii zelvou en voor don zondige daar: „God hoeft recht „op u. Gij moet Hem erkennen. Niettegenstaande uw zon-„do hield God zijn Recht op u vast; betoonde dat in de zen-„ding dos Zoons en in de gave des Gcestos. Daarom kunt „i\'ij Hem erkennen.quot; Van oen ding zijt gij dan bovenal zeker: dat de bekeering des zondaars Gods wil is. Ja, hier verstaan wij: „Zoo waarachtig als Ik loef, spreekt de Hee-„ro Ho.)re, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozon! „maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekoerc „en leve!quot;
Gij spreekt over do opvoeding onzer kinderen in Zijne
:38
vreozc on herinnert n allereerst: liet is Gods Hecht, dat wij onze kinderen voor Hem groot brengen; en de christe-lijko opvoeding der kinderen wordt behartigd.
Overal, waar ook, op het terrein van christelijken arbeid, hebben wij hier grond onder den voit. Ook geldt naar den aard dor zaak hier het: God eerst, en den naaste als zich zeiven. Wij begrijpen nog wel niet alles, maar in don weg dor erkenning van het Uodsrecht is ons do weg om tot kennis, tot al meerdere kennis te komen, aangewezen. En wij kunnen onbelemmerd gelooven. Daar is ook vrucht van alles, wat in Zijnen Tv\'aam wordt gedaan, al ware hot alleen dit, dat althans in en door dengene, die gelooft, het Kocht Gods op zich in do praktijk wordt erkend . . . „Wat „u aangaat. Hij wordt verheerlijkt.quot;
En dan gewis is er ook nog plaats voor het voelen van den teederen band, die Gods kinderen samen verbindt.
Laat ons hier ook nog even de aandacht mogen vestigen op de groote plaats, die do Gemeente, do christelijke gemeenschap, in do wereld inneemt als middel ter vervulling van Christus\' werk.
Zij vormt, in zich steeds uitbreidendon kring, de omgeving, waarin de enkele optreedt; waarop hij wederkeorig invloed uitoefent.
Het komt mij voor, dat veel van wat de deterministen aanvoeren, on dat indruk maakt, in verband mot, het ge-nioentoleven moet worden beschouwd.
De Gemeente zelve en ieder barer leden, heeft de heerlijkste roeping, nl. al arbeidende, opdat Gods Recht worde erkend, hare roeping en verkiezing vast te maken.
Het is dor Gemeente goed, te hoeren hoe in het „Hooge-priosterlijk gebodquot; Jezus, haar Hoofd, voor haar pleit bij den Vader. Het geeft haar moed en kracht.
Maar die innerlijke verheuging wordt geestelijk egoïsme,
:}9
■lis zij liet vergeet, dat do Hoer voor haar zooveel begeert opdat do wereld goloove 011 liokenno, dat Hij de gezon-donc dos Vaders is.
Zoodan: niet liet geestelijk welzijn of do zaligheid van sommige personen, maar do verbroking van de werken dos duivels in do wereld, do wering dor zondo on hour verderving uit haar, de verheerlijking van Gods naam, do volledige herstelling van Zijn Recht, is inhoud van des Heilands gebod, is dool van het vorlossingsplan Gods.
Dat zal geschieden, want „Gods raad zal bestaan en Hij „zal al zijn welbehagen doen.quot;
Ziet, „Jezus moot als Koning heerschen, totdat Hij al „do vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben; en wan-„ncer Hem allo dingen zullen onderworpen zijn, dan zal „ook do Zoon zelf onderworpen worden Dien, die Hom „allo dingen onderworpen hooft, opdat God zij alles in al-„len.quot;
mnHH
\'
■