-ocr page 1-

ni r*

jr

HISS HIT III

L E E R R E I) !•:

ÜEIIOUDEN IN DE DOMKEUK TE UTRECHT, DEN 2Ust™ J (J NI 1886, BIJ GELEGENHEID VAN DE VIERING VAN HET 503te LUSTRUM DER ITRECHTSCHE UNIVERSITEIT,

DOOR

Di\'. J. J. V. VALETON J\'.

Hoogleeraar.

UTR.EC HT,

KEMINK amp; ZOON,

over de Domkerk.

1880.

BIBLIOTHEEK. Duf? RIJKSUNIVERSITEIT U T R E C H T.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

11,1 CU ïi ■

ii

R

I JU

LEERKEDE

GEHOUDEN IN DE DOMKERK TE UTRECHT, DEN 20sten JIJNI 1886, BIJ GELEGENHEID VAN DE VIERING VAN HET 50^ LUSTRUM DER UTRECHTSCHE UNIVERSITEIT,

Jr.

DOOR

IX J. J. r. VALETON

Hoogleeraar.

UT R EG UT,

K E M INK amp; ZOON,

over de Domkerlt.

1880.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

-ocr page 4-

Voorzang; Psnlm ei,; 1 , 3.

Gelezen werd Psalm cxlv ; 1—13. Tusschenzang; Gezang n : 1 en Psalm xc ; 0. Slotzang; Gezang i,:4.

-ocr page 5-

M. II. Hot was den 13lt;lei1 Maurl 1636, dat van deze zelfde plaats het woord tot de gemeente gevoerd werd door den beroemden Gijsbertus Voetius. liet was een belangrijke dag. De Magistraat bad besloten de lllustre School, die reeds een tweetal jaren te dezer stede bestaan bad, in eene Hoogeschool te bersclieppen. Nog drie dagen, en de plechtige inwijding zal plaats bebben. Maar nu, op don Zondag te voren, is de gemeente samengekomen in bet buis des geheds om over g\'beel deze onderneming den zegen des Allerhoogsten te vragen. Aan Voetius is bet eene toepasselijke predicatie te houden. Hij stelt der gemeente bet beeld voor oogen van den 12jarigen Jezus, in den tempel gezeten in het midden der leeraren, hen boerende en hen ondervragende. Daaraan knoopt hij, naar de wijze dier dagen, eene breedvoerige verhandeling vast, handelende over de Nuttigheid der Academiën en Scholen, mitsgaders der Wetenschappen en Kunsten, die daarin geleerd worden. En als hij aan het einde daarvan nog een ernstig woord tot de gemeente, de overheid, de professoren en de studenten gericht beeft, stijgt zijne bede omhoog: „o God, laat uw werk aan uwe knechten gezien worden, en uwe heerlijkheid over hunne kinderen; en de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons, en bevestig Gij bet werk onzer handen over ons, ja hel werk onzer handen bevestig dat!quot;

-ocr page 6-

4

M. H., die bede is verhoord! 250 jaren zijn sedert, ver-loopen, maar wat er ook te niet is gegaan, en hoevele gevaren er van verschillende zijden ook dreigden, Utrechts Academie staat nog. Het is waar, de toestanden werden in allerlei opzichten anders. Geslachten kwamen en gingen; en mot de tijden zijn ook de dingen en de menschen veranderd. Tal van, niet zelden ingrijpende, wijzigingen kwamen tot stand; nieuwe verhoudingen werden geboren; banden losgemaakt en andere banden geknoopt. En dit niet alleen; ook beginselen, aan welker onwankelbare vastheid niet scheen te kunnen worden getwijfeld, traden allengs op den achtergrond, en maakten voor anderen plaats. Het leven werd anders, en met het leven ook de wijze van denken en bandelen, de waardeering der dingen, ja wat al niet meer. Ook onze Academie ging daarmede mee. En toch, wal er anders werd aan haar en in haar, zij zelve is blijven bestaan. En één ding is aan baar hetzelfde gebleven: bet is de liefde tot onderzoek, die haar steeds heeft bezield, bet streven naar waarheid, de begeerte om door bet verspreiden van kennis den lande ten zegen te zijn. In dit opzicht bleef zij zich zelve gelijk. En nog iets veranderde niet. Op den dag barer stichting werd der Academie een wapen gegeven, voorstellende eene zon, en daar om henen het randschrift: „Zonne der Gerechtigheid, licht over ons.quot; Welnu, wij weten het allen, die bede is nog bare zinspreuk, dat wapen baar heerlijk symbool!

En nu,— wij staan gereed haar 5(gt;te lustrum te vieren. Met ingenomenheid hebben wij gehoor gegeven aan de uit-noodiging, ook tot de Ned. Herv. gemeente te dezer stede gericht, om in de openbare godsdienstoefeningen dit heu-chelijk feit te herdenken. En al is het, dat geen ambtsplicht den Hoogleeraar in de Godgeleerdheid meer roept, voor de gemeente op te treden, toch is het mij eene bijzondere vreugde heden door de welwillendheid van een uwer

-ocr page 7-

leeraren in staat gesteld te zijn, van deze plaats het woord tot ii te voeren en u te kunnen voorgaan in dankzegging en in gebed! Of zuilen wij zeggen, dat bij zoo gansch veranderde toestanden, nu de offlcieele banden, die de lloogescliool tot voor weinige jaren aan liet Ned. Herv. Kci\'kgcnootschup verbonden, zoo goed als geheel zijn verbroken, ei\' ook voor dit laatste geen aanleiding meer is om zicli te verheugen in haren bloei en te deelen in hare vreugd? Kr zijn er die het beweren, en die van onze Universiteiten veeleer schade dan voordeel voor het leven der gemeente schijnen te wachten. Maar wie ook zoo spreken, zeker niet zij, die zelve de Zonne der Gerechtigheid over zich hebben zien opgaan, en die mi het woord des Apostels verstaan; „bet is alles het uwe, en gij zijt van Christus, en Christus is Gods.\'

Over dat woord wenscli ik u heden te spreken. Gij vind! het in den lsU\'quot; brief van den Ap||tel Paulus aan de Corin-thiërs, bet IIJ(lu Iddst., het ^l3\'1\' tol en met het 233tü vers.

1 Cor. Ill ; 21b—215. „ai.i.es is hut uwe, hetzij

1\'au lus, hetzij apou.os, hetzij ce f as, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige , hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe; doch gij zijt van christus, en christus is gods.quot;

Ons tekstwoord is door den Apostel Paulus geschreven mei liet oog op de twisten en verdeeldheden in de Corinthische gemeente. Er waren daar, die zich naar hem noemden, anderen, die Apullos als hun leidsman erkenden, en wederom anderen, die zich hielden aan Cefas, en ieder dezer partijen beweerde natuurlijk de ware. Christelijke gemeente te zijn. Hiervan wil Paulus niets welen. Reeds

-ocr page 8-

6

n het l8te hfdst. van dezen brief heeft hij op dit roepon •van: ik ben van Paulus en ik van Apolios en ik van Cefas en ik van Christus, geantwoord met de vraag: i« dan Gliristus gedeeld? of is Paulus of iemand anders voor u gekruist? of zijt gij in den naam van iemand anders gedoopt?

Maar daarbij laat hij het niet. Deze dingen zijn in strijd met de waardigheid van de gemeente, met de hooge plaats, die zij innemen moet. Hierop wijst onze tekst. De kracht er van ligt in deze gedachte, dat men door het aannemen van iemands naam zich diens dienaar stelt. Men staat onder hem, men is niet meer vrij. En toch — dat laatste, de Christelijke gemeente is geroepen om het te zijn. Of; is zij niet gemeente van Christus? Op de woorden „zij zijn allen uwequot;, laat de Apostel volgen „doch gij zijt van Christus, en Christus is Cods.quot; Hierin lij.gt;t de grond voor wat hij eerst heeft gezegd. Het is het geheim van de vrijheid des Christens; liet is zijne heerlijkheid en zijne macht.

Of wat is dit; van Christus te zijn? M. H., indien ik trachtte wilde op die vraag een eenigzins volledig antwoord te geven, ik zou uren behoeven. Laat ik daarom nu dit alleen zeggen; van Christus te zijn, wat is het anders dan mede deel te hebben aan den onuitputtelijken rijkdom van Gods genade, die in Jezus Christus den menschen is opengesteld?

Zie, Paulus kan spreken zooals hij doet, omdat hij in Jezus Christus gelooft. Hij gelooft in Hem als den een-geboren Zoon van God, die in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken; die degenen, die hem hebben aangenomen, van de duisternis gebracht heeft tot Gods wonderbaar licht; die hun macht heeft gegeven om le zijn kinderen Gods. Paulus zelf heeft de ervaring van deze dingen opgedaan. Hij is gekomen tot de kennis van de heerlijkheid van de vrijheid der kinderen Gods; hij heeft

-ocr page 9-

7

hel woord Iccren verstaan: «indien de Zoon u heeft vrijgemaakt, zoo zult o-ij waarlijk vrij zijnquot;; hij weet zich verlost.

Maar daarom is het dan ook verre van hem zich wederom le willen plaatsen onder eenig menschelijk juk. Hij is vrij geworden van dien godsdienst, — ach, hoe had hij zich er vroeger met alle kracht op toegelegd! en wat had hij er de ongenoegzaamheid smartelijk van in zich zelf ondervonden! — die bestaat in een „raak niet, en smaak niet en roer niet aan.quot; Hij weel, dat hij staan moet boven en niet beneden de dingen; hij wil staan in de vrijheid, waarmede Christus hem vrijgemaakt heeft. Hoe moedig, maar ook hoe open spreekt hij zicli in dit opzicht uit. Er is in de gemeente van Rome oneenigheid ontstaan over de vraag of men den eenen dag stellen mag boven den anderen, en of men van alle spijzen gebruik maken mag. Hoor den Apostel: „die den dag waarneemt,quot; zoo schrijft hij, „die neemt hem waai\' den Heere, en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere; die eet, die eet zulks den Heere, en hij dankt God; en die niet eet, hij eet niet den Heere en liij dankt God.quot; Een ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd; of staat niet, en valt niet een ieder zijnen eigenen Heer?

Maar, zoo kan bij dan ook spreken, gelijk hij zulks doet in het woord van mijn tekst. Neen, men moet bij hem niet aankomen met allerlei inenschelijke bepalingen, met (jen zweren bij menschen of leuzen, of onderscheidingen van welken aard ook. Eén is zijn Meester, nl. Jezus Christus de Heer, die zich zeiven voor hem heeft overgegeven, en die hem vrijgemaakt beeft. En wat bij voor zich zeiven niet wil, dat wil hij evenmin voor anderen. O gij uitzinnige Galaten, zoo schrijft hij aan eene andere gemeente, die door Jezus Christus verlost, zich weder stellen wilde onder bet juk van de wet; wie beeft u zoo zeer betooverd, dat gij der waarheid niet gehoorzaam zoudt zijn\'? Ach men be-

-ocr page 10-

8

denke het toch; „de sabbat is om den mensch, niel de mensch om den sabbat;quot; de Christen is geroepen om boven de dingen, en niel er onder te staan.

Hooge eisch! M. H., wat staat er veel aan in den weg; in de dagen van Paulus en ook nog in de onze. Men staat nu eenmaal in eene zekere groep, en hoeft daardoor eene zekere leus; wordt bet niet dikwijls vergeten, dat iets dergelijks, ja in bepaalde omstandigheden misschien noodig, maar toch nimmer het noodige is? En dat is het eenige niet: wat zijn de gewoonten en modes, de publieke opinie en eenmaal aangenomene vormen vaak een machten, waardoor wij worden beheerscht! Wat staan wij vaak onder de overmacht van vermaken, in zichzelve onschuldig, maar die ons medeslepen, waar wij niet hadden willen komen; van verstrooiingen, die ons maken tot den speelbal van hartstochten, waarvoor wij in kalmer oogenblikken inderdaad bevreesd zouden zijn; van plannen en voornemens, die ons tot slaven maken van onze gewinzucht en eerzucht; van zorgen en drukten, die ons doen vergeten, dat ons leven niet is in onze eigene hand; van smarten natuurlijk en ten volle begrijpelijk, maar die ons alle veerkracht ontnemen, en die ons ongeschikt maken voor onze taak! En dan komen de omstandigheden, en dan komen de eischen des levens, en dan komt de vreeze des doods. Het verleden, het heden, de toekomst, zijn het niet zoovele machten, die ons medeslepen en die ons regeeren ondanks ons zelf?

En toch — „hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Gefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen de uwequot;; gij hebt boven die alle te staan. Welk een woord! En toch — hij die zoo spreekt, is geen man van afgetrokken bespiegelingen of onvruchtbare redeneeringen, maar wel degelijk een man van de praktijk. Hij had in zijn leven

-ocr page 11-

!)

veel ondervonden, en overvloedig gearbeid. Hij wist vernederd te worden en overvloed te hebben; in alles en alleszins was hij onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, overvloed te hebben en gebrek te lijden; en hij durft het neerschrijven: ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. En wat hij neerschrijft, hij bezegelt hel door de daad. Van allen vrij, is hij allen alles geworden om velen te winnen; den Joden werd hij een Jood, den Grieken een Griek, den zwakken een zwakke; hij heeft alles gehruikt voor zijn Heer. En daar slaat hij nu; hij is dikwijls in ketenen, en loch hij juichl in zijne vrijheid; hij is arm en van alles beroofd, en toch als alles bezittend; hij is alle dag in gevaar, en toch volkomen gerust. Met opgerichten hoofde gaat hij zijn weg, een koning, een priester, gelijk het past aan den dienaar van Christus; en der gemeente roept hij het toe mot woorden en daden: „alle dingen zijn uwe, want gij zijl van Christus, en Christus is Gods.quot;

M. H. Ik schijn afgedwaald te zijn van hetgeen heden morgen de bepaalde aanleiding voor mijn optreden is. En toch, verwondert het u, dat waar ik u wensch te wijzen op den zegen , dien de gemeente van Christus ook in de Hoogeschool te dezer plaatse bezit, ik uwe aandacht allereerst hij deze dingen bepaal? Maar is het dan niet vóór alle dingen het bewustzijn deze vrijheid te hebben, laat ik bet nog sterker zeggen: is het niet dit bewustzijn alleen, dat de gemeente van Christus zich kan doen verheugen in dit bezit?

In de rede van den Hoogleeraar Voetius, waarover ik sprak, wordt in het breede van de verschillende kunsten en wetenschappen ieder in het bijzonder betoogd, dat en in hoeverre zij door de Heilige Schriften worden aanbevolen en verondersteld, maar dan ook tot recht en heter ver-

-ocr page 12-

10

stand van deze kunnen en moeten worden gebruikt. Zouden er in onze dagen velen zijn, die, in de gansch veranderde toestanden, de wetenschap van uit dit oogpunt zouden willen beoefenen, en die zouden kunnen meenen, daarmede aan hare eischen te hebben voldaan? Of is hot niet veeleer een in onze dagen overal aangenomen beginsel, dat de beoefenaar der wetenschap zich bij zijne onderzoekingen alleen heeft te laten leiden door den aard van het voorwerp zijns onderzoeks, en dat hij daarin gansch en al vrij wezen moet? Zonder vrijheid van onderzoek, zoo zeggen wij, geen wetenschappelijke studie, en zonder deze laatste geen Universiteit

Maar daar staat de gemeente; heeft zij geen gevaar van dit alles te duchten? en is het wonder, dat vrees haar vervult? Of is hel niet alreeds honderde malen gebleken, dat de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in botsing kwamen met overgeleverde geloofsbegrippen, en dwongen tot herziening, nu eens op dit, en dan weer op dat punt, van de stellingen der kerkelijke leer? Zal bet aldus niet voortgaan, in altoos sterkere mate? Hoeveel dat den eenvoudige geloovige lief en dierbaar was, is door de wetenschap niet alreeds ondermijnd; hoeveel dat van den aanvang des Christendoms af als onbetwistbare waarheid was erkend en beleden, wordt niet op gronden, die de wetenschap aan de hand heeft gedaan, ontkend of betwijfeld! Hoeveel onzekerheid in hetgeen men geloofszaken noemt, is niet van haar het gevolg! En zal het ooit anders worden? schijnt niet alles te voeren tot een onverzoenlij-ken strijd?

M. H., de Apostel verklaart: «hetzij Paulus, hetzij Apol-los, hetzij Cefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe, doch gij zijt van Christus en Christus is Gods!quot; Zou het zijn buiten den geest des Apostels, wanneer

-ocr page 13-

wij or aan toe voegen; hetzij ook ontdekkingen op wetenschappelijk gebied? In den ouden Israëlietischen psalm heet het: »wat is de menscli, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt1?quot; En dan volgt er: „Gij hebt liem een weinig minder gemaakt dan de Godheid, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gij doet hem heerschen over de werken uwer handen; Gij hebt alles onder zijne voelen gezet, schapen en ossen, die allen, ook mede de dieren des velds, het gevogelte des hemels en de visschen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorwandelt. Heer, onze Heer, hoe heerlijk is uw naam over de ganscbe aarde!quot;

Hoe zeer zou deze opnoeming in onze dagen niet kunnen worden uitgebreid! Reuzenschreden zijn er gedaan, wat betreft de onderwerping van al het bestaande aan den mensch; en de wetenschap is daartoe het middel geweest. Hoevele geheimen in het leven der natuur en des geestes zijn door haar niet ontsluierd; hoevele natuurkrachten niet door haar ten dienste des menschen gesteld! Men heeft gowi\'oet in hel stof der eeuwen, en wat voor altoos in doodslaap scheen verzonken te zijn, weer in leven gebracht. Men heeft zijn blik laten gaan over het kleinste en het grootste. Planten- en dierenwereld, het onmetelijk starren-hoir en het gesteente der aarde, het menschelijk lichaam en de werkingen van zijnen geest, het is het voorwerp geworden van \'s menschen voortgezet en onvermoeid onderzoek; en dit onderzoek, ingesteld niet zelden met de grootste zelfverloochening en ton koste dor ontzaglijkste offers, het heeft hem niet onbeloond gelaten, het heeft vruchten afgeworpen, gelijk nimmer konden worden verwacht. Het aanschijn der aarde is veranderd geworden; schadelijke krachten, naar men ze oordeelde, zijn aangewend ten zegen der menscbheid; het schijnbaar ondenkbare is mogelijk geworden, en wie zegt, waar men eindigen zal?

-ocr page 14-

12

O, ik weet het; er is ook bij dit alles oorzaak tot ver-ootmoediging en schuldbelijdenis. Ik spreek nu alleen van de Hoogeschool, welker 50,e lustrum wij vieren, en die mede met eere onder de kweekplaatsen van wetenschap mag worden genoemd. Indien ik spreken mocht in haren naam, ik zoude niet aarzelen het ook op dezen feestdag mede uit haren naam te belijden, — en ik weet, dat ik spreken zou in den geest van hare grootste vertegenwoordigers uit vroege ren en tateren tijd, — dat ook zij schuldig staat voor het oog van den heiligen Ood. Hoe veel lichtzinnigheid bleef er over ook bij het ernstigst onderzoek; hoezeer ontbrak het niet zelden aan werkelijken ernst, aan nauwgezetheid in allerlei opzicht, aan volharding en zedelijken moed! Wat zocht men dikwijls zich zelf en was spoedig met zich zeiven tevreden; wat heerscbte er vaak een gebrek aan waarachtige nederigheid, aan erkenning van anderer verdienste, aan inzicht in eigen zwakheid en tekortkoming. Wat een eigenwaan vaak, wat een voorbij zien van deze eenvoudige waarheid, dat een mensch niets aannemen kan uit zich zeiven. tenzij het hem van boven gegeven zij; wat eene miskenning van de eer en de heerlijkheid Gods!

Neen, ik zal over deze dingen niet verder spreken; maar is er één onder u, mannen broeders, die met mij aan deze Hoogeschool zijt geplaatst, en die u heden ook in het huis des gebeds in den haar geschonken zegen verblijdt, die niet bereid zijt de belijdenis op de lippen te nemen : »zoo gij in \'t recht wilt treden, o Heer, en gadeslaan onze ongerechtigheden, ach, wie zal dan bestaan?quot; En wij voegen er stamelend aan toe; „wie zijn wij Heer, dat G\'ons gedenkt?quot;

En toch gemeente van Christus, zou iets van deze dingen u kunnen ontheffen van den plicht der dankbaarheid, die gij Gode schuldig zijl voor haar bezit? Onderzoek ook heden u zelf. Past ook u op dezen feestdag, die ter harer

-ocr page 15-

13

ecTO gevierd wordt, de loon van verootmoediging niet? Nog een enkele dag, en de vlaggen zullen wapperen van onze woningen, en onze stralen zullen stralen van licht. Wat zijt gij voor haar geweest?

O zeker niets is gemakkelijker dan u van haar af te wenden met de beschuldiging, openlijk uitgesproken of niet, van Godverzaking en ongeloof, en ten haren opzichte het Farizeërs-woord te herhalen: ik dank u God, dat ik niet tot haar behoor. Is dat werkelijk wat de Heer van u vraagt? Wat zijt gij voor haar geweest? voor die jonge mannen, die hier hunne opleiding kwamen zoeken, die eenmaal in staat en maatschappij en kerk de belangrijkste plaatsen zouden innemen, van wie zoo heel veel voor ons vaderland afhing, en onder wie er velen waren, die de aangebodene hand met beide handen zouden hebben aangegrepen, omdat zij zich hier eenzaam gevoelden en zonder leiding en steun? Wat zijt gij geweest voor het vele goede, dat er van onze Universiteit is uitgegaan, en dat behoefte had aan uwe ondersteuning en hulp? Hebt gij het werkelijk gesteund? door uwe belangstelling en uwe liefde? gesteund en gedragen, ook door uw gebed?

Zie, dat zijn vragen, die moeten worden gedaan. Wij spraken van gevaren, die van de zijde der wetenschap voor hel geloof van den Christen schijnen te dreigen, van eene klove, die al onoverkoomlijker scidjnt te worden tusschen wetenschap en kerk. Kunnen wij zeggen, dat de gemeente van Christus daar in allen deele onschuldig aan is? Is er nooit veroordeeld, waar zelfs niet geoordeeld mocht worden , omdat het te eenemale aan de noodige kennis ontbrak? En waar hu\' oordeel niet kon uitblijven, ging het daar steeds met liefde, mei welwillendheid, met een onderstellen en een zoeken van het goede hij anderen gepaard? Hoe vaak ontbrak het ons aan ruimte van hart, en daarom ook aan ruimte van blik! Hoe bekrompen waren wij dikwijls

-ocr page 16-

14

in onze Christelijke belijdenis, hoe gebonden aan eigene begrippen en formules en leerstellingen, iioe weinig vrij in ons oordeel, boe weinig verstandig in onzen strijd! Zouden wij durven beweren, dat er niet vele zijn afgeschrikt, die hadden kunnen worden gewonnen, en terug-gestooten, die waarlijk niet verre waren van liet Koningrijk Gods! Noen, ik zal ook over deze dingen niet verder uil-weiden; maar Broeders, die in Christus gelooft, is er iemand onder ons, die zich in dezen niet te beschuldigen heeft?

Eu waar lag het aan? Niet ook hieraan, dat wij niet genoeg doordrongen waren van de waarheid van het woord des Apostels: „alle dingen zijn uwe, want gij zijl van Christus, en Christus is Gods.quot; Och dal wij leerden er ernst mede te maken! Wij gelooveu aan het Koningrijk Gods; wij gelooveu, dat het i«, dal het komen zal, dal het komt; een rijk van leven en liefde, van gerechtigheid en vrede, van waarheid en licht. Is het waarlijk zoo moeilijk om op te merken, dal God ook Utrechls Hooge-school tot bevordering van dat rijk heeft gebruikt?

O, ik weet het wel, er zijn zoo velen te allen tijde geweest, helaas ook nog in zoo grooten getale in onzen tijd, die het Koningrijk Gods niet anders schijnen te kunnen opmerken dan waar het zich vertoont in de vormen, die zij er zich voor hebben uitgekozen, waaraan zij gewend zijn geraakt, en die zij nu beschouwen als behoorende lot het wezen er van; die o zoo gaarne, indien het in hunne macht stond, met een van \'s Heeren discipelen zouden willen zeggen: „Meester, wij hebben eenen gezien, die in uwen naam duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij met ons niet volgt;quot; maai\' die nog nooit geluisterd hebben naar het antwoord des Meesters: „verbied het hem niet, want. wie tegen ons niet is, die is voor onsquot;; zoovelen die blind zijn en doof voor alles wat zich niet beweegt langs hun rails! Is hel niet, omdat men

-ocr page 17-

15

de les vim het kruis nog nicl genoeg heeft geleerd\'? omdat men het eigene ik met zijne inzichten, zijne berekeningen, zijne begrippen nog altoos stelt in de plaats van den Heer, en niet sterven wil aan zich zelf? En dat laatste — het is toch de eisch, Gods gedachten zijn nu eenmaal niet onze gedachten, en Gods wegen niet onze wegen; maar zooveel de hemelen hooger zijn dan de aarde, zooveel zijn zijne wegen hooger dan onze wegen, en zijne gedachten hooger dan onze gedachten en Hij komt op eene wijze, die wij niet hadden verwacht.

Laat ons het toepassen willen ook op onze formuleeringen, ook op onze begrippen, ook op de vormen van ons geloof. Ook deze moeten de vuurproef doorstaan. Ook bij deze moet hel wezenlijke van het onwezenlijke gescheiden worden , en ook te hunnen opzichte geldt het, dat het leven eerst verrijst uit den dood.

O, ik weet het, deze dingen gaan met zonder strijd. Het is geen gemakkelijke zaak een open oog te hebben voor verschijningen zoo gansch en al in strijd met wat wij, immers uit liefde tot Christus, zouden hebben gewenscht en verwacht. Het is niet gemakkelijk het oor niet gesloten te houden voor stemmen, die ons opschrikken uit onze rust, die ons dwingen voorstellingen en leerstellingen te herzien , die wij misschien als de waarheid zelve beschouwden, en telkens weer aan het onderzoeken te gaan. En toch, kan dit alles ons worden bespaard? Hebben wij ons rekenschap gegeven van den strijd, dien ook Paulus doorgemaakt heeft?

Zeker, er is verscheidenheid van gaven, en gelijk deze, zoo is er ook verscheidenheid van roeping. iNiel ieder heeft zich met deze dingen intelaten; en verre is het van mij te meenen, dat zich te mengen in den strijd der meeningen de plicht van iedereen, ook van den eenvoudigsten Christen zou zijn. Maar wat ik wel ineen, en wat ik wensch uit te spreken zonder eenigen schroom, het is dit, dut waar God

-ocr page 18-

16

ons op onzen weg mot wetenschappelijke studiën en onderzoekingen in aanraking brengt, wij ons niet uit naam van godsdienst en Christelijk geloot er vijandig tegenover mogen stellen, alleen omdat het met overgeleverde heschouwingen strijdt. Ach, van hoeveel, dat eenmaal beschouwd werd als noodzakelijk bestanddeel der Christelijke leer, is de on-boudbaarheid niet reeds duidelijk gebleken, en van hoeveel zal het dat wellicht niet nog? Dat valt den geloovige zwaar. Dat kan hem uren en dagen en tijden kosten van strijd en onzekerbeid; er kan twijfel door ontstaan in zijn hart. Tocb, laat ons ons troosten met deze gedachte: Jezus Christus valt niet weg, stort niet in. Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid; maar Hij ook alleen. Zoo laat ons dan ons vertrouwen enkel stellen op Hem!

Voor velen, en ik denk hierbij in het bijzonder aan onze jonge mannen, die de wetenschap beoefenen willen, is bel tegenwoordig in dit opzicht een moeilijke tijd; en wie zal zeggen, hoe velen bezwijken? Maar laat ons niet vergeten, dal er toch ook een zegen in ligt, deze zegen, van telkens weer te worden gesteld voor de vraag, of wij bel wagen durven met Jezus Christus alleen! Die Hem beeft, vreeze niet. Hij is ons gegeven tot wijsheid, lot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en lot verlossing, maar wederom Hij ook alleen; geen menschelijke bepalingen kunnen er in zijne plaats gesteld worden; en in Hem te gelooven, is eene zaak van bet hart.

Doen wij bet? doen wij het waarlijk? dringen de vele vragen des levens ons telkens dichter tot Hem? is liet ons waarlijk te doen om zijne gemeenschap? willen wij worden geleid door zijn Geest? Zoo laat ons rustig onzen weg blijven gaan! laat ons niet vreezen voor eenig nauwgezet, wetenschappelijk onderzoek; alle waarheid is uit en tot God! In den brief aan de Hebreen wordt het woord van den psalmdichter, waarover wij spraken: „gij hebt alle

-ocr page 19-

17

dingen onder zijne voeten gestoldquot;, op Jezus overgebracht. En dan volgt er: „doch nu zien wij nog niet, dat alle dingen hem onderworpen zijnquot;, maar wat wij zien, het is; Jezus Christus met heerlijkheid en eere gekroond. En dio heerlijkheid wordt eens openbaar; en zijn Koninkrijk komt, ook door de wetenschap!

Ik kom op onze feestvierende Academie terug; en ik herhaal mijne vraag; is het waarlijk zoo moeilijk op te merken, dal God ook haar gebruikt tot bevordering van de komst van zijn rijk? 250 jaar liggen er achter ons; welk oen stroom van goeds, in geestelijk zoowel als in natuurlijk opzicht, dat gedurende die lange reeks jaren door hare bemiddeling over stad en land uitgegaan is!

Jn de woorden, die onmiddellijk aan mijn tekstwoord vooraf gaan, lees ik; „niemand roeme op menschenquot;. Maar kost het geen moeite hier te zwijgen van zoovele mannen uit vroegeren en lateren tijd, en tol: op onzen tijd toe, die als lichten geschitterd hehben aan onzen Acade-mischen hemel, sieraden der wetenschap, een zegen voor ons land en ons volk! Hoevele namen zouden er niet kunnen worden genoemd! En dan denk ik aan die instellingen van verschillenden aard , meer of minder rechtstreeks uit het leven onzer Academie gesproten, en die de tastbare vruchten opleveren van wal de wetenschap, onder den zegen van God, tot leniging van smarten vermag. Hoe velen hebben er niet reeds voor gedankt! En dan denk ik aan die onderzoekingen van de natuur, die ook aan onze Universiteit met eere werden en worden ingesteld, en die in zoo ruime mate lot bevordering van de welvaart onzes volks hebben medegewerkt. Hoe veel licht is er niet door verspreid! En dan denk ik aan dat heir van personen uit allerlei stand, die, aan de lloogeschool te dezer stede gevormd, thans in tal van betrekkingen overal in den

-ocr page 20-

18

lande verspreid zijn, en die de handhavers zijn van recht en gerechtigheid; aan wie onze vele en velerlei volksbelangen in bijzondere mate zijn toevertrouwd; die weer anderen vormen in hoogere en lagere scholen; of die rondgaan, helpende en ziekten bestrijdend, en die dankbaar terugzien op wat zij hier hebben geleerd. En dan denk ik — en dat waarlijk niet bet minst. — aan wat onze Academie ook voor onze kerk is geweest. Wie zal ze tellen, de velen, aan wie het Evangelie der verzoening gebracht is door mannen, bier in de dingen van het Koningrijk Gods onderwezen, en die hier voor bet Leeraarsambt zijn gevormd.

Ik weid over deze dingen niet uit. Neen, voorwaar, onze Academie is niet ongezegend gebleven, en is tot een zegen geweest. Stroumon van goedertierenheden Gods zijn over baar uitgestort, en zij is kunnen worden lot eene uitdeelster daarvan. Mare zonden zijn haar niet toegerekend; baar streven is ruimschoots beloond. En nog staat zij daar, en nog straalt haai- licht! Bange dagen gingen over haar heen, en moeilijke omstandigheden maakte zij door, maar tiaar zon ging niet onder, en hare kracht bezweek niet. Zoo loof dan den Meer, onze ziel. Barmhartig en genadig is Mij geweest, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en zijne goedheid is nog groot over ons. Zoo laat ons dan vroolijk en blijde zijn! Laat van de dankbaarheid, die ons bezielt, onze feestvreugde getuigenis geven, en — ach dat er geen wanklanken werden gehoord! — worde zij Gode gewijd! Tot Mem stijgt ons danklied omhoog, en dan met ons danklied de vurige bede: Zonne dor Gerechtigheid blijf over baar lichten, en door haar over ons!

En met die bede gaat nog eene andere gepaard. Wij vierden ons Pinksterfeest; wij belijden te gelooven in den Meiligen Geest. „Geest des Heeren, daal van bovenquot;, zoo bidt de gemeente ook nu. Zoo veel, zoo onnoemelijk veel

-ocr page 21-

10

kon anders, kon beter, kon heiliger zijn. God make het zoo door zijn Geest!

Hij leide en besture ons, een ieder op zijne post. Hij zij n nabij, hooggeplaatste mannen, aan wie door \'sKonings vertrouwen, de behartiging van de belangen onzer Universiteit meer in bet bijzonder is opgedragen, en die zoo beel veel voor haar kunt zijn!

Hij verlichte en bekwame u, mannen broeders, die met mij met het geven van onderwijs in de verschillende vakken van wetenschap belast zijt. Hoog is de taak, die ons is toevertrouwd, groot onze verantwoordelijkheid, en klein onze kracht! Leere God ons, ons allen, óf voor het eerst óf bij voortduring, onze sterkte le zoeken bij Hem, wiens alleen de wijsheid en de wetenschap is. Hij leide ons in onze studiën, en geve ons getrouw te zijn in onze taak. Dan zal ook zijn zegen blijven rusten op de Hoogescbool, die ons lief is; en er zal een zegen van blijven uitgaan voor ons land en ons volk!

En wie daar in de eerste plaats in zult deelen, dat zijt SÜ» .ionKe mannen, studenten aan onze Universiteit. Ook op dezen dag, ja ik durf zeggen, op dezen dag meer dan ooit, stijgt het gebed der gemeente voor u omhoog. Groote verwachtingen worden van u gekoesterd, en bet Vaderland rekent op u. Maar zal bet dit met grond kunnen, bedenkt dan wat God van u vraagt. Het is heerlijk de wetenschap met jeugdige krachten te kunnen beoefenen en zich le wijden aan haren dienst, maar nog heerlijker is bet zich met zijne wetenschap in den dienst te stellen van den Koning der eeuwen en zijn weg achter Jezus te gaan. Gedenkt dan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap. Wordt mannen in het verstand, en kinderen in de boosheid. Leert de les van het kruis. Laat oprechtheid en vroomheid u aan alle zijden omringen; laat reinheid van zeden uwe eer zijn, en vastheid van karakter uwe kracht! En houdt dan

-ocr page 22-

20

uwen blik op de Zonne der Gerechtigheid gericht; wandelt voort onder hare vriendelijke stralen, en verheugt u in haren glans!

En gij gemeente van Christus, verblijdt u in den Heer uwen God. Ach het beeft er vaak nog zoo weinig van, dat werkelijk alles bet onze zou zijn, want wij zelve, wat zijn wij vaak nog weinig des Heeren! Laat bet onze bode zijn, dit altoos in meerdere mate te worden, en op te wassen tot de mate van de grootte van de volheid van Christus, tot eenen volkomenen man. En in dezelfde mate zullen wij ons rijk gevoelen en vrij; wij zullen verre zijn van alle bekrompene vrees. Wij zullen de wieken uitslaan met blijmoedig vertrouwen; wij zullen leven uit het geloof. God geve het ons! Hij bevestige wat Hij aan ons gewrocht heeft, en storte in milden overvloed zijnen Geest over ons uil! ,,Üe tijd vergaat, Gods gunst kent geen veroudenquot;, zoo blijven wij zingen, en terwijl wij al onze kronen, onze talenten en gaven willen nederleggen voor zijne voeten, stijgt lot Hem ons lollied omhoog, het loflied der dankbare aanbidding: Hem zij heerlijkheid en eere tot in eeuwigheid !

Amen.

-ocr page 23-
-ocr page 24-