-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

XXXVII. Sprokkelingen nit het archief van het kapittel van St. Pieter te Utrecht.

I. Verklaringen over het heeedigen van schouten van

ambachtsheerlijkheden door den landsheer. 1535.

De hierbij afgedrukte stukken geven ons een staaltje van de wijze, waarop Karei V, nadat hij het Sticht van Utrecht in

1

-ocr page 4-

1528 had geannexeerd, te werk gingf om daar een nieuwen toestand te scheppen. Hij vond de teugels van het landsheerlijk gezag overal verslapt: de staat verkeerde in ontbinding en er was ruimschoots gelegenheid voor de centralisee-rende neigingen der regeering om zich te doen gelden. Wij vinden den keizer hier in strijd met de ambachtsheeren en zich bemoeiend, om den band, die hen aan den landsheer bond, nauwer aan te halen. Zooals uit deze getuigenverhooren blijkt, waren de door de ambachtsheeren aangestelde schouten ten tijde van het bisschoppelijk beheer gewoon geweest een eed te doen aan den persoon of het college, dat hen benoemde ; zij op hunne beurt namen weder de schepenen in den eed. Van eenen eed aan de bisschoppen was geen sprake, en de rechtspraak in de ambachtsheerlijkheden trad dus als eene geheel zelfstandige op, die niet in het staatsverband paste. Dienovereenkomstig deden de schouten dan ook recht „van skeysers wegen ende der heeren van sunte Peters (de ambachtsheeren) ende syns selfs als schoutquot;; van den bisschop geen sprake. Wellicht was deze toestand niet eens het gevolg van de onrustige regeeringen der laatste bisschoppen, wellicht was het in het Sticht altijd zoo geweest en was het den bisschoppen nooit gelukt, hunne landsheerlijke macht voldoende te vestigen, terwijl de vorsten der omliggende streken er steeds in geslaagd waren, zichzelven de tweede plaats tus-schen keizer en ambachtsheer te verzekeren. De eigenaars van heerlijke rechten in het Sticht matigden zich dusdoende (althans in den vorm) de „Reichsunmittelbarkeitquot; aan: zijstonden buiten het staatsverband van het Sticht, en het hing slechts van hunne macht af, of mettertijd, als hun kans schoon stond, het Sticht zich in verscheidene miniatuur-vorstendom-men zou oplossen.

Natuurlijk moest Karei V dadelijk krachtig tegen dergelijke pretensiën optreden: het was eene consequentie der politiek van zijne Bourgondisch-Oostenrijksche voorvaderen, dat zij, toen zij eerst de Nederlandsche vorsten éen voor éen hadden opgeruimd, langzamerhand zouden trachten, ook den tweeden scheidsmuur, die hen van hunne onderdanen scheidde, de eigenaars van heerlijkheden, op zijde te zetten. Eene hervorming, die een groot deel der natie tegen hen in het harnas moest jagen en dus uit den aard der zaak slechts met veel beleid en na lange jaren zou kunnen doorgevoerd worden;

-ocr page 5-

3

voorshands kwam het er voor hen op aan, zich te vestigen als landsheer, — om den heeren te leeren, zich leden te voelen van den modernen staat. In dien geest zien wij hier \'s keizers vertegenwoordiger, den maarschalk van het Nederkwartier Henrick van Harinxma, werkzaam. Hij eischte van de schouten , dat zij behalve aan hunne ambachtsheeren ook dadelijk bij de aanvaarding hunner bediening den eed zouden doen aan hem, als vertegenwoordiger van den landsheer; nog meer, zij moesten daarbij beloven, niet alleen hunne „voorseyde heerscapenquot;, doch ook den keizer trouw te zijn, en wel niet als keizer, maar „als erffheere der stadt, steden ende landen van Utrechtquot;, als landsheer van het Sticht. Trouw aan den vorst, onderdanigheid aan de wetten des lands, daarmede was een nieuw beginsel gesteld en aan het particularisme een eerste teugel aangelegd; het leenverband maakte plaats voor den onderdanenband

Dat de ambachtsheeren niet dadelijk geneigd waren, deze nieuwigheid goed te keuren, spreekt wel van zelf, te minder daar ook het recht op het onbeperkt genot van „alle vechtboeten , rechtboeten, schouboeten ende voirt alle andere profijten, die tot den gerechte behoirden ende te vallen plagen ,quot; niet geheel vreemd aan de quaestie schijnt geweest te zijn. De heeren van St. Pieter brachten hemel en aarde in beweging, om het ongehoorde van den gestelden eisch te bewijzen; een klein leger van oud-schouten en oud-schepenen werd door hen opgeroepen, om hun recht daartegen te staven. Of zij geslaagd zijn ? Het valt niet te gelooven: even als reeds voor jaren de ambachtsheeren van Cockengen en De Haer, zullen ook zij gezwicht zijn voor de pressie van het keizerlijk gezag.

S. Muller Fz.

i. Wij schout, borgermeysteren ende scepenen der stadt van Utrecht maken kondt allen luyden, dat op huyden datum sbriefs voer ons gecoemen is Ffrederick die Coninck, out wesende vijff ende veertich jaeren off dairomtrent, ende tuychde ende verclaerde b}^ zijnen eede, die hij lijfflicken aen den heyligen mit opgerichten vingeren volstaefts eedts voer ons dede ende wij volcomelicken van hem ontfengen, zoe hij daer mitten rechte toe gebrocht was van weghen die deken ende capittule van sunte Peters tUtrecht, alse: dat hem wel

-ocr page 6-

4

kenlycken is, dat hij deposant in voertijden, als hoechloeflicker memorie biscop Ffrederick van Baden noch veel jaeren daernae biscop van Utrecht was, schout geordonneert is g-eweest van den heeren tsunt Peters voirseyt over hoer g\'erechten van Proestie ende Aesdom tot Apcou, welcke gerechten hij naedat hij zijnen ede dairvan den voirseyden heeren gedaen hadde, bij hem selven off by zijnen substituyt bedient ende bewaert ende van skeysers van Romen der voerseyder heren van sunte Peters ende zijnen wegen als schout recht ende vier-schaere geboeden gespannen ende gehouden, den gerechts-luyden aldair geset ende verset nae zijnen gelieven, ede van hoer van den heeren wegen voirseyt ontfangen, alle recht-boeten vechtboeten bannen emolumenten ofte anders daertoe staende geëyscht ende gebuert heeft, zonder dat hij ofte zij yemant anders ede gedaen off dat anderen mairscalcken ofte bailjuwen zich der voirseyder gerechten ytsins onderwonden hebben, uutgesondert alleen dat die bailju in der tijt op Apcou duerende den tijt van die peerdemarckt aldair omtrent derthien dagen lanck alle die vechtboeten dan vallende plach te hebben, ende vorder nyet gekent worde, Welck alle hij deposant seyde, dattet bij zijnen tijden ende oeck daer te voeren, als hij dickwils van voirschouten ende andere oude mannen ge-hoert had, alsoe onderhouden is geweest, ende noyt ter contrarie geüseert. Ende want dit gelyck voirseyt staet voer ons gesciet getuycht ende verclaert is, soe certificeren wij dat eenen yegelicken des behoevende voer die rechte waerheyt. Ende hebben des toerkonde deser stadt signet, twelck wij dagelicks gebruycken, aen desen brieff doen hangen. Gegeven int jaer ons Heeren duysent vijffhondert vijff ende dertich opten negentienden dach in Februario.

Valentinus.

2. Wij schout, borgermeysteren ende scepenen der stadt van Utrecht maken kondt allen luyden, dat op huyden datum sbriefs voer ons gecoemen zijn Claes Janssoen Visscher, out omtrent vier ende vijftich jaeren, ende Dirck Dircssoen, out omtrent vijff ende veertich jaeren, beyde van Apcou in der heeren gerecht van sunte Peters tUtrecht woenende, ende tuychden eendrachtlicken bij hoeren eedcn, die zij lijfflicken aen den heyligen mit opgerichten vingeren volstaefts eedts voer ons deden ende wij volcomelicken van hem ontfengen.

-ocr page 7-

5

soe zij daer mitten rechte toe beset ende gebrocht waeren van wegen die deken ende capittule van sunte Peters tUtrecht, alse: dat hem kenlijcken is, dat die schout van de Proestye tot Apcou, der heeren gerecht van sunte Peters tUtrecht, van denzelven heeren aldair geordonneert, zynen eedt den voirseyden heeren altijt plach te doen ende nyemant anders, ende die scepenen van denselven gerechte plagen hem als schout hoeren eedt te doen, als zy tuygen oick selver als schepenen eertijts gedaan hebben. Ende die schout voirseyt plach altijt, alsoe langhe als hem hoecht, recht aldair the spannen ende te houden van skeysers wegen ende der heeren van sunte Peters voirseyt ende sijns zelfs als schout. Ende daerenboven plach dieselve schout thebben alle vechtboeten rechtboeten schouboeten ende voirt alle andere profijten, die tot dien gerechte behoirden ende te vallen plagen, sonder dat yemant anders van den biscoppen wegen van Utrecht, bailjuwen ofte mairscalcken, hem des enichsins plagen te onderwijnden, off dat hem enygen eedt van den schouten aldaer ofte den scepenen, alsoe lange als zij scepenen daer geweest zijn ende hem enichsins gedencken mach, gedaen is off oick oijt van hem geëyscht is geweest; dan in die marckt van Apcoude, duerende derthien daigen lanck, soe plach die bailju van Apcou off den tollenaer die vechtboeten, die doe vielen, alleen ende anders nyet van dien gerechte te hebben. Voert soe is Claes Janssoen voirseyt kenlycken, dat Henrijck I leerincksman , mairscalck in der tyt, nu den lesten rechtdach omtrent vijff weecken verleden den schout van de Proestye van sunte Peters voirseyt geëyscht heeft, dat hy hem van skeysers wegen eedt doen off gheen recht houden soude. Ende want dit gelyck voirseyt staet voer ons geschiet ende getuycht is. soe certificeren wij dat eenen yegelicken des behoevende voer die gerechte waerheyt. Ende hebben des toerkonde deser stadt signet, twelck wij dagelicx gebruycken, aen desen brieff doen hangen. Gegeven int jaer ons Heeren duysent vijffhondert vijff ende dertich opten seven ende tvvyntichsten dach in Eebruario.

Valentinus.

3. Ofïiciael shoefs van Utrecht rechter ordinarys doen condt allen luyden, certificerende eenen yegelycken voir die gerechte wairheyt, dat wy then versouckc van den weerdighen

-ocr page 8-

6

heeren deken ende capittule der kercken van sunte Peters bynnen Utrecht by ons hoefs voirseyt gezwoeren cursoer voir onsen lieven getrouwen Jacob Stoop, openbaere notarys ende desselven hoefs gezwoeren scrijver, daertoe by ons sonderling gecommitteert, gerechtelyeken hebben doen dach-vaerden die eersame Gheryt Wilhemssoen, schout tot Zuylen van wegen ende uuyt den naeme des graven van Rennen-borch heere tot Zuylen etc., Wilhem Claessoen, schout tot Brue-kelen van wegen joncker Wilhem Turck heere van Nyenroede etc., ende Gheryt Sijmonssoen, schout tot Cockengen ende aen De Hair van wegen des heeren van Montfoert, Dyrcx van Zuylen van der Hair, Fredericx Vuytenham ende joufrou Fredericx van Lochorst, omme der wairheyt getuychgenisse te gheven tot een ewige toecomende memorie up tinhouden van zekere articulen, van wegen des dekens ende capittels voirseyt voir ons exhibeert ende overgelevert, welcke ge-tuygen, alsoe gedachvaert ende voir den voirgenoemden onsen commissarys geproduceert wesende, hebben by hoeren eede, die de voirgenoemde commissarys van elcx van hem in forme van rechte ontfangen heeft, geseyt ende deposeert als hiernae volgende is. In den eersten Gher}^ Wilhemssoen, schout tot Zuylen, ouwt wesende als hy seyde ontrent drie ende veertich jaeren: als dat hy in taccepteren van tschout-ampt voirseyt den voirgenoemden greeff van Rennenborch behoerlycken ende gewoentlycken eedt gedaen heeft ende nyemants anders, ende noyt den mairscalek van tNederquar-tier tslants van Utrecht enigen eedt gedaen en heeft off daertoe van wegen desselven mairscalcx nyet versocht is geweest tot desen dage toe. Item Wilhem Claessoen voirgenoemt, schout tot Bruekelen, oudt wesende eils by seyde vyff ende dertich jaeren off daerontrent, heeft getuycht ende geseyt by zynen eede: als dat hy joncker Wilhem Turck als heere van Nyenroede eenen eedt gedaen heeft int aennemen van zyn officie, als andere schouten the doen plagen, mer en heeft noyt den mairscalck des Nederquartiers tslants van Utrecht enigen eedt gedaen noch en is oick dairtoe van wegen desselven mairscalcx nyet versocht geweest. Item Gheryt Symonssoen voirgenoemt, oudt wesende ontrent veertich jaeren, heeft getuycht ende deposeert: als dat hy deposant in taccepteren van syn officie voirseyt den voirgenoemden heere van Montfoert, Dyrck van Zuylen van der Hair, Frederick Vuytenham ende joufrou

-ocr page 9-

7

Frederick van Lochorst eenen eedt gedacn heeft, tewetenen: „dat hij die Keyserlycke Majesteyt, als hertog-e van Brabant, „grave van Hollant ende erffheere der stadt steden ende „landen van Utrecht, ende sijn voirseydcn heerscapen gehout „getrouwe ende onderdanich sail syn, ende insgelycx. den „stadthoudere ende raidt der Keyserlycke Majesteyts, bynnen „Utrecht residerende; ende den scepenen ende bueren recht te „vermanen the doen ende texecuteren; ende dat hy dordinantie „van der Keyserlycker Majesteyt, onlanx upten platten lande „gepubliceert \'), onderhouden sail; ende voirtz alle the doen „dat een goet onde getrouwe schout sculdich is te doen.quot; Seyde oick mede: dat hy Henrick van Harinxma, maerscalck van tNederquartier tslants van Utrecht, int begin van syn officie eenen eedt gedaen heeft, mer en wiste tinhoudcn van denselven eedt nyet te verclaeren, soe hem deposant daer geen copie van gegeven en is geweest. Anders en wisten desen deposanten nyet te tuygen ofte deposeren upte voir-genoemde articulen. Want dan redctycken is ende behoer-lycken, der wairheyt getuychgenisse te gheven, als men des versocht wert, soe ist dat wy officiael voirseyt, des versocht synde, ter relatie ons commissarys voirgenoemt certifficeren eenen yegelycken des noot synde, allen tghene voirseyt staet alsoe gedaen geschiet ende getuycht te zyn. Ende hebben des toirconde desen tegenwoirdige certifficatie daervan doen maicken ende by denselven commissarys onderteykenen ende myt shoofs van Utrecht voirseyden segell doen segelen. Gegeven int jaere ons Heeren duysent vyffhondert vyff ende dertich, aengaende die commissie ende depositie van den voirgenoemden Gheryt Wilhemssoen upten vyfthiensten, ende die depositie van Wilhem Clacssoen ende Gheryt Symonssoen voirgenoemt upten sesthiensten dagen der maent Septembris.

Jac. Stoop notarius scripsit.

II. Ordonnantie van het kapittel van St. Piktkr voor

het dagelijksch gerecht van Breukelerveen.

31 Maart i 498.

Het gerecht van Breukelerveen heeft van overoude tijden aan het kapittel van St. Pieter behoord. Reeds in 1318 gaf

1) Nam, de ordonnantie van 23 Maart 1530. (V. d. Water, Placaatboek. II p. 1179-)

-ocr page 10-

8

het kapittel de tienden en het gerecht aldaar in pacht aan Ghiselbert van Ruële \'). Toen Herman van Marsen in 1243 aan het kapittel overdroeg den groven en stnallen tiend, het gerecht en den tins van Tienhoeven in Maersenrevene, verklaarde de bisschop bij de goedkeuring van dien koop, dat deze goederen waren „contigui bonis in Broecledervene, capitulo beati Petri in Traiecto pertinentibusquot;. En reeds bisschop Andries van Cuyk besliste in 1139 s) een geschil over „quaedam decima ecclesie beati Petri in Traiecto apud villam que Bruochlede dicitur et apud Ottersporequot; (onder Tienhoven). Deze tienden behoorden aan den proost van het kapittel en waren hem door zekeren Theodericus Giselberti filius betwist voor zooveel den gehcelen tiend te Otterspore en de helft van dien te Bruochlede betrof; de bisschop besliste nu, dat voortaan van de betwiste tienden een derde aan Theodericus Giselberti, twee derden aan het kapittel zouden behooren „libere et sine re-spectu propositi suiquot;. De proost bleef dus slechts in het bezit van den halven tiend te Bruochlede, en denkelijk is het deze tiend, die als „pars decime de Ottersporequot; omschreven wordt in een charter van April 1228, waarbij de proost ook dit deel aan het kapittel afstaat 1).

De tienden van Breukelen en Otterspoor in Tienhoven (waaronder gewis het tusschenliggende Breukelerveen begrepen is) behoorden dus voor 1139 aan den proost van St. Pieter; daar het gerecht, de tins en de tiend destijds veelal in dezelfde hand waren en inderdaad in 1318 tezamen aan het kapittel behoorden, zal men moeten aannemen, dat ook het gerecht reeds in 1139 aan den proost van St. Pieter toekwam. Is dit het geval, dan is het waarschijnlijk, dat deze goederen deel hebben uitgemaakt van de dotatie van het kapittel bij de oprichting daarvan door bisschop Bernulf (1027—1054): ook de Drenthsche goederen, die bisschop Bernulf in 1040 van keizer Hendrik had verkregen (Heda. p. 120), bevonden zich toch later in het bezit van den proost van St. Pieter. Hoe dit zij, hoogstwaarschijnlijk zijn het gerecht en de tienden van Breukelerveen van den bis-

1

Oorspr, charter d.d. Apr. 1228. Archief van St, Pieter.

-ocr page 11-

schop afkomstig; immers ook gerecht en tiend van de aangrenzende landen in Tienhoven en Maarsenveen had de bisschop voor 1243 aan Herman van Marsen in leen gegeven, blijkens het zooeven vermelde charter.

Zooals ik boven zeide, gaf het kapittel het gerecht en de tienden in Breukelerveen in 1318 in pacht aan Ghiselbert van Ruële; in 1331 volgde een pachtcontract met Arnout Loef, proost van St. Jan, in [347 met Ghisebrecht van Nywenrode Met dezen ontstond een geschil (eerst in 1381 bij vonnis van den officiaal van Utrecht geëindigd) en in 1375 verpachtte het kapittel aan Wouter van Miinden het gerecht en de tienden van Breukelerveen, met die van Tienhoven en met de tienden van Breukelen Proosdij \'). Sedert schijnt het kapittel deze bezitting in eigen beheer genomen te hebben: wij vinden geene verdere pachtbrieven vermeld en in 1498 zien wij het kapittel zelf eenen schout van Breukelerveen aanstellen, hetgeen denkelijk reeds lang voor dien tijd geschiedde. In deze wijze van administratie kwam geene verandering: het kapittel bleef tot het einde toe in het bezit der ambachtsheerlijkheid en stelde daar zelf eenen schout aan.

Merkwaardig is het, dat in de hierbij afgedrukte ordonnantie met geen enkel woord gerept wordt van de rechtspraak van schout en schepenen. Het stuk is niet, wat wij eenen schouwbrief noemen: naar het schijnt bevat het eene nieuwe regeling, en wel in zooverre, dat de rechtspraak der buren hier vervangen wordt door die van eene vaste schepenbank van vijf schepenen ■). In een dergelijk handvest zou dus eene instructie van het nieuwe college op hare plaats geweest zijn; doch wij vinden alleen, dat schout en schepenen „dat dagelicxe recht doen ende houden sellen\'. I Iet was bekend, dat het schouwen van wegen en weteringen (wel te onderscheiden van den schouw der tot een waterschap behoorende dijken en kanalen, die gevoerd werd door heemraden, veelal met den schout als voorzitter) een belangrijk deel van de werkzaamheden van schout en schepenen uitmaakte ^). Doch het zal niet veel voorkomen, dat in een

1) Oorspr. charter in het archief van St. Pieter.

2) Dat het huurrecht te Breukelen van ouds inhcemsch was, blijkt uil het charter van Karei V dd. 18 October 1533 (Van de Water, Plaeaatb. 11 p. 1196), waarbij dit voor Breukelen-Nijenrode door liet schepenrecht wordt vervangen.

3) Zie Mr. G. de Vries Az., in deze Versl. en Meded. I p. 291,

-ocr page 12-

io

stuk als het hier afgedrukte de hoofdwerkzaamheid der schepenbank slechts met een enkel woord wordt vermeld, terwijl al het gewicht gelegd wordt op het voeren der schouwen. De aard van den grond, die den schouw hier van bizonder belang maakte, zal daartoe het zijne hebben bijgebracht.

S. Muller Fz.

Wij deken ende capittell der kercken van sunte Peters tUtrecht doen kont allen luiden, alse dat wij voir ons ende voir onse nacomelingen, om nntscap orber ende profijt ons gherechts van Broikelreveen, gheset ende gheordiniert hebben vijff scepenen uuyt den bueren des voirseyden gherechts, dairbij ende dairmede den schout van onsen gherecht dat dagelicxe recht doen ende houden sellen, die wij dairop gheëedt hebben nae behoiren, welke scepenen wij ende onse nacomelinghen altijt opten heilighen Beloiken Paischdach ver-setten ende verkiesen sellen, ende alsoe voirt van jair the jair then ewighen daghen.

1. Des zeil onsen schout gehouden wesen opten Beloiken Paischavont alle jair the comen bij ons, presentierende den bueren in scryft om den koir van den scepenen dairuuyt the nemen ende the kiesen, welke scepenen (wij) bynnen achte daghen naedat wij die ghecoren hebben ceden off doin eeden sellen, welken eedt dueren sell een jair lanck naedat zij gecoren sellen wesen.

2. Item soe sel die scout mit een van den heren ende een van den gheërfden van Broikelreveen, bynnen Utrecht woen-aftich, mitten vijff scepenen off mijt dat meerredeell van hem alle jair die schouwe aenlegghen opten Meyavont, ende sellen dat voirt uuytschouwen tusschen die tijt ende sunt Jan te Midsomer, dats the weten die weteringhe ofte weere van den veen off tottie Vecht toe; welke scouwe dat yerste jair alsnu die gheërfde maken off doin maken zeilen ende tjair dairnae die bruikers van den lande, ende alsoe voert ommegaende van jair the jair duerende then ewighen daghen, op zulke koeren ende broiken als hiernae bescreven staen.

3. Item noch sellen maken die bruikers van den lande alleen die weteringhe van der lantscheidinghe tusschen die Proistie \') ende Broikelreveen. Item noch die weteringhe mit-

1) Nam. Hreukelen St. Pieters,

-ocr page 13-

1 I

ten dijck voir den huisen, welke weteringhe alsoe wijt wesen zeil, dat men dair mijt schouwen doervairen mach.

4. Item noch sel men schouwen den ouden Lodijck mitten waterganck aen de oisterzijde. Item den nyen Lodijck mittie waterganck aen de oistzijde. Item noch den opstalle optie weer, die sell elcx alsoe hoich maken, dat die gheschickte van den heren ende van den gheërfden mijt die vijff scepenen off dat meerendeell van hem duncken bij horen eede, dat men dairmede volstain mach. Item noch den opstalle van den nyen Lodijck off aen beyden eynden totte derp toe. Item die meent van den derpe tot die brugghe aen ïienhoven toe.

5. Item soe wie ther yerster scouwe bescouwett ofte bekoirt wert, die sell verboren enen Vleemschen, van de anderde scouwe twee Vleems, van de derde scouwe vier Vleems, die vierde scouwe acht Vleems, te wete negen Utrechtsche wit-gens voir eiken Vleemschen gherekent, ende die vijfte scouwe zeil wesen die boite ende die is vijfthien stuvers; ende die sellen zij mijt malcanderen verteren.

6. Item die anderde schouwe, van all dit voirscreven weder the scouwen, sel men aenleggen op sunte Bertelmeus dach, ende sell uuytghescouwet wesen tusschen die tijt ende sunte Meertijns dach in den winter. Ende sell gemaict werden dat yerste jair van den bruikers der landen, dat anderde jair van den gheërfden ends soe voirt ommegaende van jair the jair then ewighen daghen; ende dit sell all wesen op alsulke koeren ende broiken, the verboren ende the verteren als voirseyt is.

7. Voirt soe zeil die scout mitten scepene oick alle jair scouwen over die anderde sloite mitten anderde scouwe voirseyt, te wete zes voit wijt. Ende dit sell all wesen op zulke koeren ende broike, als die scout mitten bueren tot heertoe gescouwet hebben.

8. Ende wairt dat wij deken ende capittell off onse nacome-lingen dit tot eniger tijt vermeerren verminren ofte verbeteren wouden, dat sellen wij altijt moigen doen mitten gheërfden ons gherechts voirseyt. Ende in desen scouwe en sell den eyghen van den lande niet vercort wesen. Alle dinck sonder arghelist.

Des toirconde hebben wij deken ende capittell der kereken van sunte Peters voirseyt ons capittels seghell aen desen brieff doin hanghen. Ende wij Jan van Zij 11, Aernt Ram, Aernt Taetz als gheërfde, Jan Snellertssoen schout ende die gemeen

-ocr page 14-

I 2

buer des gherechts van Broikelreveen lien ende kennen voir ons ende voir onse nacomelinghen, alsoe dese ordinancie ende overdracht van der scouwe voirseyt bij onsen raide wille ende consent gheschiet is, ende die houden naegain ende achtervolgen willen in alle manieren alss voirseyt is, soe hebben wij gheërfde ende schout voirseyt des toirconde onse segelen mede aen desen brieff gehangen, twelck wij ghemeen buer voirseyt oirconden ende tuighen onder des scouten seghell voirseyt, ende hebben hem ghebeden desen brieff mede over ons the besegelen mijt zinen zeghele. Ghegeven int jair ons Heren duisent vierhondert acht ende tnegentich opten lesten dach in Meerte.

Visa per me Gerardum de Turri decanum.

III. Handvrede. — Stadvrede.

Het hierbij afgedrukte charter schijnt mij voor de geschiedenis van den „gelegden vredequot; in het Sticht van Utrecht zeer merkwaardig. In mijne inleiding- voor de Rechtsbronnen der stad Utrecht zette ik op p, 49 vlg. uiteen, wat men onder dezen vrede te verstaan heeft en hoe dit rechtsinstituut zich sedert 1300 te Utrecht gevestigd en ontwikkeld heeft. Ik betoogde, dat deze instelling aldaar op abnormale wijze, in verzet tegen den landsheer, ontstaan is, en dat zich uit dezen oorsprong laat verklaren, waarom de raad der stad, aanvankelijk aarzelend optredende, eerst langzamerhand de voor de krachtige ontwikkeling van het vredeleggen noodige stappen heeft gedaan. Het achterstaande charter bevestigt mijne redeneering geheel door ons mede te deelen, hoe onder normale omstandigheden do handvrede werd ingesteld.

Te Utrecht schijnt - naar ik ter aangehaalder plaatse uit de vredekeur van 1300 trachtte te bewijzen — het vredegeven op \'s raads gebod aanvankelijk eene vrijwillige daad van partijen geweest te zijn. Vredeweigering werd wel is waar , als elke andere overtreding der bevelen van den raad, met eene geldboete gestraft, maar het vredegeven bleef dan toch in zooverre vrijwillig, dat de weigerende partij door betaling dier boete zich van de verplichting daartoe kon ontslaan en dan ook vrij-bleef van de op het vredegeven gegronde exceptioneele crimi-peele procedure bij vredebraak. Eerst meer dan eene halve

-ocr page 15-

13

eeuw later vond ik sporen eener verandering van dezen primitieven toestand, daar het bleek, dat de raad toen niettegenstaande vredeweigering den vrede „namquot; of oplegde, en wel door de weigerende ptirtij met gevangenis of verbanning te straffen \'). De reden, dat men eerst zooveel tijd na het maken van de vredekeur tot dezen voor de doelmatige uitvoering daarvan noodzakelijken maatregel overging, scheen mij gelegen te zijn in het feit, dat de macht om vrijheids-, lijf- en levensstraffen op te leggen behoorde bij den bezitter van het hooge gerecht, den bisschop, en dat derhalve de bevoegdheid daartoe alleen bij delegatie van hem kon verkregen worden. En zulk eene delegatie was in dit geval allerminst te hopen, daar men niet, zooals natuurlijk ware geweest, aan \'s bisschops rechter, den schout, maar (in navolging der groote Duitsche steden) aan den raad de handhaving van den vrede - daarom hier „stadvredequot; genoemd — had opgedragen.

Ziehier nu den tegenhanger van dezen gang van zaken. In 1391 wenschtc men te Abcoude den hand vrede in te voeren. Hoe ging men daarbij te werk? Evenals te Utrecht in 1300 maakte men eene keur „van vrede te eysschen.quot; Doch men waagde het niet, dit verdcichte instituut zonder verlof van den bisschop in te voeren: niettegenstaande de ambachtsheer, de proost van St. Pieter, de keur reeds had goedgekeurd, verzocht men den bisschop haar nog uitdrukkelijk te bekrachtigen, gewis omdat men zich bewust was , hier de grenzen van het hooge gerecht te naderen, wellicht te overschrijden. De bisschop verleende inderdaad zijne toestemming, doch niet dan aarzelend. De proost mocht de boeten, op vredeweigering gezet, door schout en schepenen doen inwinnen en die behouden. Wat beteekent dit? Zeker, de proost als ambachtsheer zal ook zonder \'s bisschops machtiging het recht gehad hebben, de door hem bekrachtigde keuren door zijnen schout te doen uitvoeren, en de beperking van dit recht tot drie jaren, of zooveel korter als de bisschop zou goedvinden, klinkt vreemd. De zaak wordt echter opgehelderd door het vervolg van het charter: bij voortdurende vredeweigering na de betaling der boeten werd het als eene zaak, die van zelf sprak,

1) 1. c. p. 51 Noot 2, 3

-ocr page 16-

14

beschouwd (men schreef 1391 , bijna eene eeuw na de Utrecht-sche vredekeur!), dat de schout dan de ■weerspannigen zou gevangen nemen, om door eene crimineele vervolging- aan zijn bevel tot het houden van den vrede kracht bij te zetten. Dit was eene grootere, ongewone concessie, en de bisschop gaf dit recht, dat tot de bevoegdheid van den maarschalk, als ambtenaar van het hooge gerecht, behoorde, niet geheel uit handen: de gevangenen zouden „ wesen tot onser behoefquot;, m. a. w. zouden door den schout uitgeleverd worden aan den bisschop, om door hein gestraft te worden.

Zoo kwam een nietig dorp in het Sticht op éénen dag in het bezit van een rechtsinstituut, dat de machtig-e hoofdstad zich eerst door eene halve eeuw van strijd kon veroveren. Maar daartegenover staat, dat hier in dat instituut niet de kern verborgen lag, die het vatbaar maakte tot eene vèr-reikende ontwikkeling en die aanleiding kon geven, dat daaruit eene zelfstandige crimineele rechtspraak groeide. Niet de stadsraad, maar de heerlijke ambtenaar, de schout, was hier met de handhaving van den vrede belast, en die handhaving geschiedde niet op eigen gezag, maar, voorzoover ze kon gelden als uitoefening V2in het hooge gerecht, krachtens machtiging van den landsheer. Niet het dorpsbestuur als zoodanig, doch de bisschop leg\'de den vrede op; de bisschop was daartoe bevoegd en men had dus de vrijwillige onderwerping van partijen niet noodig om het rechtsinstituut te vestigen. Alles bleef te Abcoude binnen de perken van een normalen rechtstoestand, en evenmin als in de Hollandsche steden, waar de handvrede steeds bij grafelijke handvesten werd ingevoerd, zich daaruit eenigszins belangwekkende resultaten hebben ontwikkeld, evenmin kon dit het geval zijn te Abcoude. De handvrede te Abcoude was volkomen dezelfde instelling als die te Utrecht; maar hij was te Utrecht, op andere wijze ontstaan, en hij was daarom daar, wat de Abcouder vrede niet was en niet werd: een stadvrede.

S. Muller Fz.

Florens, bi der genaden Goeds bisscop tUtrecht, maken kond allen luden : want onse lieve neve her Roelf van Ysen-deren proefst onser kercken tsente Peter tUtrecht ende die bure in sinen daghelix gerechte tot Apcoude wilcoren ge-maect hebben van vrede te eysschen, soe bekennen wij,

-ocr page 17-

15

dat wi om gonste ende liefde wille onss liefs neven des proefsts voorscreven overgegeven hebben ende gheven over ende gunnen hem mit desen brieve: soe wes boeten daeraf verschinen nae state ende geleghenheit dier wilcoer voerseyt, dat die proefst voerseyt die mach inwinnen mit sinen scoute ende mitten scepen tot Apcoude tot syns selfs behoef, durende drie jaer lang naestcomende, ten weere dat wi hem dat eer opsoyden of opseggen deden; behoudelic ons, of men om weygeringe van vrede yemant aentaste ende vencge, dat die gevancgen tot onser behoef sal wesen. Al argelist hieruyt gesproken. In orconde des briefs besegeit mit onsen segel. Gegeven tUtrecht int jaer onss Heren duysent driehondert een ende tnegentich des achtienden dages in Augusto.

Per me ipsum.

IV. Kenning.

Het hierbij afgedrukte getuigenverhoor levert ons voor het woord „kenningquot; eene nieuwe beteekenis. Hoewel het stuk niet volkomen duidelijk is, schijnt er toch uit te blijken, dat onder „kenningquot; hier verstaan wordt: revisie. De gang van zaken was toch aldus. Een vonnis was in het gerecht van Abcoude Aesdom gewezen, de dingwaarder wenschte daarvan in appèl to komen Waarheen dit appèl zou gaan, blijkt niet, doch het beroep zou „uutwesenquot; en „van dair veerderquot; gaan, dus op eenen hoogeren rechter buiten het dorp. Partij, in wier voordeel het vonnis gewezen was, eischte daarentegen, dat een „kenninghequot; zou worden „gheknochtquot; (zooals de term te Leiden luidde). En de asigen stelden partij in het gelijk: een „kenninghequot; was in Abcoude Aesdom „dat hoechste rechtquot;, „men mocht dair ghien beropen oerdell maeckenquot;. In verband mot de mededeeling, dat zulk eene kenning gelijk staat met het „wedercomen (der zaken) in denselven gherechtequot; om „aldair uutghewesen te wordenquot;, kan men onder „kenninghequot; hier moeielijk iets anders verstaan dan revisie: eene hernieuwde behandeling der zaak door dezelfde rechtbank, die het eerste vonnis gewezen hoeft.

S. Muller Fz.

Allen denghenen, daer desen onsen certificatie voir ghetoent ende ghelesen zall werden, saluyt ende alle ghoet mit sekere

-ocr page 18-

16

kennisse des waerheits, vermits twecken wy Claes Claessocn, scout, Claes Jan Vischers, Ghysbert Dircksoen ende Tyman Ghysberts, scepcnen tot Abcoude in der Proestie, der heeren g-herechte van sinte Peter tUtrecht, certificeren mits descn voir die rechte waerheyt, dat op huden datum van desen voir ons g-hecompareert syn in den gherechte voirscrevcn Cornelis Volpertsoen, woenende in den gherechte van Aesdom , out wesende vyff ende sestich jaeren , ende Heynrick Jansoen , onsen ghoeden buirman, sestich jaeren out wesende. Ende hebben aldair ghetuget ende mit hoeren eede gheaffirmeert mit opgherechte vingheren vollstaefs eedts lieflick ten heyli-ghen zwerende, dair sy van die waerssman in Aesdom mit recht thoe ghebrocht worden, als dat sy well ghehoert hadden van haer ouders ende oeck mede selver beleeft, by aen ende over gheweest hebben, dat in tyden voerleden Jacob Coster van Bruekelen erstmael ende dairnae Jacob Utenbroeck

dingweerders ende.....1) hebben ghedonghen een beroepen

oerdell voir den gherechte van Aesdom, der voirscreven heren gherechte; ende die wederpartye donghen dairteghen een kenninghe, ende seyden , dat die kenninghe dat hoochste recht was ende dat men dair ghien beroep hebben en sonde; dair die asinghe ende vollichasinghe in denselven gherechte op wyssden voir rechte, als dat een kenninghe dat hoochste recht was ende dat men dair ghien beropen oerdell maecken mochte; ende die voirscreven dingweerders wordt doe ter tyt alsulck onderwys hieroff ghedaen, alzoe dat syt hebben laeten rusten ende niet veerder versocht en hebben. Ende dat Ghoert die Koninck zaliger ghedachten, doe ter tyt balju was tot Abcou, oeck naederhant dit versocht heeft; mer niet veerder comen mochte dan voirscreven staet. Ende noch terselver tyt syn mede voir ons ghecomen in den voirse3\'den gherechte Sweer Willemsoen, out wesende een ende tachtich jaeren , Jacob Dircksoen, neghen ende seventich jaeren, ende Dirck Claes-soen, ses ende sestich jaeren out wesende, ende hebben mede ghetuget ende mit hoeren eede ghestarket mit opgherechte vingeren volstaefs eedts liefflick ten heyligen zwerende, dair sy mede van den waersman voerseit recht toe ghebrocht worden. In den eersten zoe tuiehde Zweer Willemsoen voir-

1

Hier schijnt een woord uitgevallen te zijn.

-ocr page 19-

\'7

screven, dat hij well ghehoert haddc van vecll ghoede mannen , dat een kenninge in Aesdom dat hoochste recht was ende van dair niet veerder heropen mochte. Ende zoe tuichden Jacob Dircksoen ende Dirck Claessoen voerseit, dattet beroep in Aesdom voirseyt dicwyls versocht ende uutgheweest is, mer weder in denselven gherechte ghecomen is ende aldair uut ghewesen wordt sonder arch off list. Ende want men van alle warachtighe zaicken een kennisse des waerheits sculdich is the gheven, bysonder wanneer des versocht wert, soe hebben wy Claes Claessoen scout ende Tyman Ghysbertsoen scepen voirseyt onse zeghelen van des gherechts wegen eon yghe-lick bysonder aen desen tegenwoerdighen certificatie ghedaen , over ons selven ende mede over onse medescepenen voir-genoemt om hoere bede wille. Ende want wy Claes Jan Vischers ende Ghysbert Dircksoen scepenen voirseit selver ghien zeghelen en ghehruicken op dese tyt, zoe certificeren wy onder onsen scouten ende scepen voirseyde segellen, ende hebben hoir ghebeden desen certificatie mede over ons the willen bezeghelen mit hoeren zegelen. Actum in den jaere vyftienhondert ende acht ende twyntich den neghensten dach in Decembri.

V. NOTARIEELE GERECHÏSBRIEVEN. - BETERSCHAP. -VREDEBAN.--STOKLEGGINCt.

Het hierbij afgedrukte charter schijnt mij in vele opzichten merkwaardig. De zaak, waarover het handelt, is van geen belang; het is de akte van overdracht van het erfpachtsrecht aan zes morgen land te Lopik , behoorende aan het kapittel van St. Pieter te Utrecht, door de gebroeders Aelberen Botter en Jan Oppel aan den gemachtigde van het kapittel, ten behoeve van de door Aelbert van der A in de kerk van het kapittel gestichte vicarie op het altaar van St. Maria Magdalena en St. Catharina dd. i Maart 1370. Maar andere overwegingen maken het stuk de mededeeling waardig.

In de eerste plaats is de vorm van het stuk van belang: het is een gerechtsbrief van Lopik, doch opgemaakt niet door den secretaris van het gerecht, maar door een notaris, een ambtenaar dus van het geestelijke gerecht. Ik voeg er dadelijk bij, dat het stuk in dit opzicht geenszins alleen staat en inte-

2

-ocr page 20-

16

kennisse des waerheits, vermits twecken wy Claes Claessoen, scout, Claes Jan Vischers, Ghysbert Dircksoen ende Tyman Ghysberts, scepenen tot Abcoude in der Proestie, der heeren gherechte van sinte Peter tUtrecht, certificeren mits desen voir die rechte waerheyt, dat op huden datum van desen voir ons ghecompareert syn in den gherechte voirscreven Cornelis Volpertsoen, woenende in den gherechte van Aesdom , out wesende vyff ende sestich jaeren , ende Heynrick Jansoen, onsen ghoeden buirman, sestich jaeren out wesende. Ende hebben aldair ghetuget ende mit hoeren eede gheaffirmeert mit opgherechte vingheren vollstaefs eedts lieflick ten heyli-ghen zwerende, dair sy van die waerssman in Aesdom mit recht thoe ghebrocht worden, als dat sy well ghehoert hadden van haer ouders ende oeck mede selver beleeft, by aen ende over gheweest hebben, dat in tyden voerleden Jacob Coster van Bruekclen erstmael ende dairnae Jacob Utenbroeck

dingweerders ende.....\') hebben ghedonghen een beroepen

oerdell voir den gherechte van Aesdom, der voirscreven heren gherechte; ende die wederpartye donghen dairteghen een kenninghe, ende seyden, dat die kenninghe dat hoochste recht was ende dat men dair ghien beroep hebben en sonde; dair die asinghe ende vollichasinghe in denselven gherechte op wyssden voir rechte, als dat een kenninghe dat hoochste recht was ende dat men dair ghien beropen oerdell maecken mochte; ende die voirscreven dingweerders wordt doe ter tyt alsulck onderwys hieroff ghedaen, alzoe dat syt hebben laeten rusten ende niet veerder versocht en hebben. Ende dat Ghoert die Koninck zaliger ghedachten, doe ter tyt balju was tot Abcou, oeck naederhant dit versocht heeft; mer niet veerder comen mochte dan voirscreven staet. Ende noch terselver tyt syn mede voir ons ghecomen in den voirseyden gherechte Sweer Willemsoen, out wesende een ende tachtich jaeren, Jacob Dircksoen, neghen ende seventich jaeren, ende Dirck Claessoen, ses ende sestich jaeren out wesende, ende hebben mede ghetuget ende mit hoeren eede ghestarket mit opgherechte vingeren volstaefs eedts liefflick ten heyligen zwerende, dair sy mede van den waersman voerseit recht toe ghebrocht worden. In den eersten zoe tuichde Zweer Willemsoen voir-

i) Hier schijnt een woord uitgevallen te zijn.

-ocr page 21-

7

screven, dat hij well ghehoert had de van veell ghoede mannen , dat een kenninge in Aesdom dat hoochste recht was ende van dair niet veerder beropen mochte. Ende zoe tuichden Jacob Dircksoen ende Dirck Claessoen voerseit, dattet beroep in Aesdom voirseyt dicwyls versocht ende uutgheweest is, mer weder in denselven gherechte ghecomen is ende aldair uut ghewesen wordt sonder arch off list. Ende want men van alle warachtighe zaicken een kennisse des waerheits sculdich is the gheven, bysonder wanneer des versocht vvert, soe hebben wy Claes Claessoen scout ende Tyman Ghysbertsoen scepen voirseyt onse zegholen van des gherechts wegen een yghe-lick bysonder aen desen tegenwoerdighen certificatie ghedaen , over ons selven ende mede over onse medesceponen voir-genoemt om hoere bede wille. Ende want wy Claes Jan Vischers ende Ghysbert Dircksoen scepenen voirseit selver ghien zeghelen en ghebruicken op dese tyt, zoe certificeren wy onder onsen scouten ende scepen voirseyde segellen, ende hebben hoir ghebeden desen certificatie mede over ons the willen bezeghelen mit hoeren zegelen. Actum in den jaere vyftienhondert ende acht ende twyntich den neghensten dach in Decembri.

V. NoTARIEELU GERKCHTSBRIEVEN. BkTKRSCHAI*. Vredeban. — Stoklegging.

Het hierbij afgedrukte charter schijnt mij in vele opzichten merkwaardig. De zaak, waarover het handelt, is van geen belang : het is de akte van overdracht van het erfpachtsrecht aan zes morgen land te Lopik , behoorende aan het kapittel van St. Pieter te Utrecht, door de gebroeders Aelberen Botter en Jan Oppel aan den gemachtigde van het kapittel, ten behoeve van de door Aelbert van der A in de kerk van het kapittel gestichte vicarie op het altaar van St. Maria Magdalena en St. Catharina dd. i Maart 1370. Maar andere overwegingen maken het stuk de mededeeling waardig.

In de eerste plaats is de vorm van het stuk van belang: het is een gerechtsbrief van Lopik, doch opgemaakt niet dooiden secretaris van het gerecht, maar door een notaris, een ambtenaar dus van het geestelijke gerecht. Ik voeg er dadelijk bij, dat het stuk in dit opzicht geenszins alleen staat en inte-

-ocr page 22-

18

gendeel een uit vele voorbeelden in het kapittel-archief is, met dien verstande, dat allen betrekking- hebben op stukken grond ten platten lande, geen enkel op perceelen in eene stad gelegen. De reden van dezen abnormalen vorm kan men zoeken in de onkunde der boeren: wellicht was er onder de leden van de dorpsgerechten en zelfs in het geheele dorp niemand, die de kunst van schrijven verstond, en was dus de tusschen-komst van eenen geestelijke eene noodzakelijkheid. Waarschijnlijker heeft men hier echter te doen met eene usurpatie van het geestelijke gerecht ten koste van het wereldlijke , gepleegd op aandringen van het kapittel als kooper, en wel met het doel om den Utrechtschen officiaal competent te maken tot het doen van uitspraak in mogelijke geschillen over deze zaak. De aanmatiging is zeer merkwaardig en, zoover mij bekend is, elders niet opgemerkt. Overal gold de regel, dat vast goed alleen voor het gerecht der plaats rechtsgeldig kon overgedragen worden, en ook te Utrecht werd dit beginsel nog in 1411 in een proces voor de schepenbank duidelijk aldus geformuleerd: „Niemant en mach gheens goets weerloes werden, ten sel mit ghiften of mit vertichten gheschien in den gherechte, daert gheleghen isquot; \'). Ook hier werd deze regel nog gevolgd: de overdracht van het goed had inderdaad voor het gerecht plaats, doch door het opmaken der acte door eenen notaris werd de rechtspraak over eigen en erf aan het wereldlijke gereeht onttrokken -). Zooals bekend is. was de invloed van het geestelijke gerecht in sommige deelen van ons vaderland zeer groot, en naar het schijnt hebben de meeste lage gerechtsbesturen deze nieuwe aanmatiging, die hen van het laatst overgeblevene terrein hunner bevoegdheden verdreef, niet kunnen keeren.

Merkwaardig is verder dit charter, omdat de veelbetwiste quot;) beteekenis van het woord „beterscapquot; daaruit bizonder duidelijk blijkt. Ik definiëerde het begrip in het glossarium op de Rechtsbronnen van Utrecht (dat ter perse is) aldus: „Beterscap is de waarde, die een vast goed heeft voor iemand,

1) Rechtsbr. van Utrecht. II p. 120.

2) De regel was , „dat men die goede soeken sel in den gherechte , daer die goede gheleghen siin , alse recht is.quot; (Rechtsbr. van Utrecht. II p. 106.)

3) Zie het artikel van Bijsterbos in : Versl. van de 52ste verg. van het Overijss. genootschap, p. 10.

-ocr page 23-

IQ

die daarop een zakelijk recht heoft, dat geen eigendom is, na aftrek van alle uitkeeringen, gedaan krachtens de op dat goed rustende zakelijke rechten.quot; Deze omschrijving wordt door het thans ontdekte charter alleszins bevestigd. Reeds de namen, waardoor het begrip aangeduid wordt, geven dit aan: naast de vertaling van het woord beterscap „melioracioquot; vinden wij toch hier het woord „magis Valenciaquot;, éénmaal „majoracioquot; opgenomen, die beiden wijzen op het begrip van de meerdere waarde der zaak. Ook hier heeft de persoon, die de beterscap overdraagt, slechts een zakelijk recht op den grond: ook hier staat de beterscap tegenover den eigendom. Terwijl er echter gewoonlijk sprake is van een perceel, bezwaard met verschillende huisrenten, betreft het contract hier een stuk grond, dat eenvoudig tegen een erfpachtscanon is uitgegeven. De noodzakelijkheid om eenen term te vinden voor hetgeen overgedragen wordt, springt hier dus minder in het oog; de quaestie blijft echter natuurlijk dezelfde: de ver-kooper kan de zaak niet overdragen, want die behoort hom niet, hij draagt dus over hetgeen hem van de zaak behoort: hetgene de zaak heter is dan de daarop klevende geldelijke lasten, de beterscap. Men gaat hier zelfs vorder: hot vrije genot kon men niet overdragen, want het was door de lasten bezwaard; doch men draagt over de vrije beterscap („libera melioracio ac magis Valenciaquot;).

Nog een ander betwist begrip ontvangt uit dit charter eenige toelichting: de vredeban \'). Wel worden de nieuwe eigenaars hier niet in den grond gebannen en de vredeban daarover uitgesproken, maar de rechter bant althans de oude bezitters daaruit.

Eindelijk de vorm van overdracht. Er blijkt uit dit charter, dat-nog in 1370 voor het gerecht de overoude symbolische wijze van overdracht in gebruik was door het wegwerpen van een halm („cum calamo recepto, tradito et projectoquot;); de halm verving hier de festuca, de stok, en de wijze van overdracht wordt in het stuk dan ook nog „effestucarequot; genoemd. Het zij hier ter loops vermeld, dat deze formaliteit in Drenthsche charters der 15de eeuw „stockleggingequot; genoemd wordt ■!).

S. Muller Fz.

1) Zie R. Fruin, in; Versl. Kon. Acad. Lett. 2de Reeks XII p. 99.

2) Charter van St. Mart. av. 1454: de schout van Meppol verklaart, dat N 6 mud

-ocr page 24-

2 O

In Dei nomine amen. Anno nativitatis ejusdem millesimo trecentesimo septuagesimo, indictione octava secundum stilum et consuetudinem civitatis et dyocesis ïrajectensis, mensis Marcii die prima, hora nona vel quasi, coram discreto viro Nycolao dicto Edel, judice parrochie ac ville de Lopic, in judicio ad reddendum jura pro tribunali sedente, et pluribus parrochianis et incolis dicte ville et parrochie de Lopic, dictis lantghenoten et buerlude, et in mei notarii publici subscripti testiumque subscriptorum ad hoe specialiter vocatorum et rogatorum pre-sencia personaliter constituti propter hoe in judicio predicto discreti viri dominus Hugo de A, vicecuratus dicte ecclesie de Lopic, procurator ut asseruit venerabilium virorum dominorum decani et capituli ecclesie sancti Petri Trajectensis et procuratorio nomine pro eisdem et vice nomine et mandato dicte ecclesie sancti Petri, et Aelbernus Botter et Johannes Oppel ejus frater parrochiani ecclesie de Lopic predicte. Idem dominus Hugho requisivit Nycolaum dictum Edel predictum judicem ibidem presentem, et ab eodem petivit cum affectu et per vicinos et lantghenoten hujus (?), si melioracionem ac mag-is valenciam sex jugerum terre, ad dictos dominos decanum et capitulum ecclesie sancti Petri Trajectensis et eorum ecclesiam jure dominii et proprietatis spectancium et pertinencium, sitis in parrochia ecclesie de Lopic sepedicte inter terram venerabilium virorum dominorum decani et capituli ecclesie sancti Salvatoris Trajectensis a parte inferiori et inter

rogge uit een goed in Drenthe verkocht heeft aan het kapittel van St. Pieter, „ende heeft de voer my ende buere hierna bescreven opgelaten ende den stock daervan gelecht als lantrecht is in den lande van Drenthe to behoef van enz.quot; — Charter van Dinsdag voor St. Peter ad cath. 1462: de schout van Dieveren verklaart, dat N heeft „averghe-ghevenquot; een erf in Drenthe aan het kapittel van St. Pieter, „van dessen vorseyden gucde heft N den stock geleget voer mij ende den bueren van D. als lantrecht is tot behoeff van enz.quot; — Charter van den deken van Drenthe dd. Üonred. na St. Ag. 1418 : N heeft ten behoeve van den proost van St. Pieter over een emmer boter uit een perceel land in Drenthe ndcn stoc gheleghet voer den bueren van Coldervene ende opghelaten als lantrecht is in den lande van Drenthe.quot; — In dit laatste charter herkent men weder hetzelfde streven van het kapittel als te Lopik, doch in anderen vorm: de overdracht van het goed had, evenals daar, plaats voor het gerecht of althans voor de buren van Coldervene. De overdragende partij kwam nu later voor den deken van Drenthe (NB. „als een gheestelic richter des landes van Drenthequot;, zooals er uitdrukkelijk bijstaat!) en „be-candequot; voor hem („lyedequot;, zou men te Utrecht gezegd hebben) in tegenwoordigheid van eenige buren, die de stoklegging hadden bijgewoond, dat de acte geschied was; de deken maakte daarop van het feit een brief op onder zijn zegel. In Drenthe was deze vorm minstens even gebmikelijk als het geven van eigenlijke gerechtsbrieven , zooals de talrijke charters in het kapittel-archief van Si. Pieter bewijzen.

-ocr page 25-

2 I

competens.

terrain Jacobi Scoute a parte superiori, extendenciurn se in longitudine ad terram vulgariter dictam Jaerscalker-lantke-ringhe ab uno fine, et ad fossam dictam Benscoper-weteringhe ab alio fine, quam predict! Aelbernus et Johannes Oppel fra-tres et eorum progenitores ab eisdém dominis decano et capi-tulo in perpetuum annuum pactum duodecim librarum nigrorum Turonensium ab antique , ut asseruerunt, habuerunt et tenuerunt ac habent et tenent, quam melioracionem et omne jus, eis in eisdem et ad eadem sex jugera terre (competens), domino Aelberto de A vendiderunt, adeo libera foret et ad ipsos Johannem et Aelbernum fratres predictos pertinuisset et per-tineret, sibi lucidius judicaretur et interpretaretur, ut de ea scilicet melioracione hujus (?) et jure libero disponere predicti Aelbernus et Johannes possent secundum libitum suarum volun-tatum, et prescripto domino Hughoni ad opus altaris dicti domini Aelberti de A, siti dotati et fundati in honore omni-potentis Dei, beate Marie virginis et beatarum Marie Magdalene et Katerine virginum in ecclesia sancti Petri predicta siti et erecti, et ulterius ad opus ac usum dictorum dominorum decani et capituli ecclesie sancti Petri predicte libcre possent possessionem molioracionis ac magis valcncie et possessionem dictorum sex jugerum terre effestucando tradere et resignare, Quod idem Nycolaus dictus Edel judex a Theoderico filio Johannis, lantghenote et vicino ibidem, cum consensu et voluntate aliorum vicinorum, lantghenoten et buerluden ibidem , juxta consuetu-dinem usum morem et observanciam dicte ville de Lopic judicare et dicere requisivit et petivit. Quam quidem melioracionem seu magis valenciam dictorum sex jugerum terre Theodericus filius Johannis predictus, aliquali deliberacione prehabita, ad requisicionem judicis prescripti necnon per assensum vicinorum et lantghenoten astancium ibidem, adeo libere dixit judicavit et reputavit. ac idem judex similiter, quod de ea libere disponere possent et ordinare, et quod ad ipsos et ad nullum alium predicta ejusdem melioracionis ^lc magis valencie dictorum sex jugerum terre ordinacio et disposicio pertineret. Quo facto Aelbernus et Johannes fratres sepedicti cum calamo recepto judici prescripto melioracionem ac magis valenciam dictorum sex jugerum terre et omni juri, eis in eisdem seu ad eadem competenti\'), resignaverunt, tradiderunt

i) Lees: ,,01111110 jus, eis

-ocr page 26-

22

et deliberaverunt, ut idem judex possessionem, melioracionem ac magis valenciam terre predicte et omne jus eis competens ad eadem liberas domino Hugoni procuratori predicto ad opus dictorum dominorum, ut est dictum, assignaret, supportaret, traderet et deliberaret. Et judex prescriptus majoracionem ac magis valenciam terre predicte ac juri eis qualitercumque competenti \'), per dictos Aelbernum et Johannem fratres sup-portatam, traditam et assignatam, domino Mughoni procuratori predicto ad opus dictorum dominorum cum calamo sibi tradito et deliberato libere tradidit, assignavit et delitaeravit. Et dicti Aelbernus et Johannes fratres cum projecto calamo possessioni in dicta melioracione ac magis Valencia terre predicte et omni iuri, sibi in eadem seu ad eandem quovismodo competenti, renunciaverunt effuscando \'1). Post hec judex prescriptum Aelbernum et Johannem fratres predictos ex dicta melioracione ac magis Valencia dicte terre et ejus possessione bannivit, prout postulat juris ordo, et prout secundum consuetudinem, usum, morem et observanciam ville de Lopic predicte facere tene-batur. Et ab Henrico filio Theoderici siscitabatur :!), si dictos Aelbernum et Johannem fratres a predicta possessione, melioracione ac jure hujus (?) terre predicte abdicasset et abdicavit ac bannivit et dictos dominos et procuratorem nomine ante-dicto induxisset et induxit et stabilivit, quod proprietas, dominium \') et possessio libera ac melioracio terre sepedicte ad predictos dominos perpetuis temporibus immobiliter et libere pertinere deberet atque posset. Extunc Henricus filius 1 heo-derici prescriptus, per assensum vicinorum et lantghenoten astancium hujus (?). interposito decreto r\') cum auctoritate pre-dicti judicis, proprietatem, dominium et possessionem, liberam melioracionem ac magis valenciam terre predicte ad requestam et diligentem instanciam judicis predicti, et dictus judex domino Hugoni procuratori prescripto ad opus dictorum dominorum adjudicavit pleno jure, addens quod de cetero predicti Aelbernus et Johannes fratres vel aliquis alius preter dictos dominos

1

Lees : „ac jus eis.......competens.quot;

-ocr page 27-

2 3

in terra predicta, possessione, melioracione et magis Valencia terre predicte quicquam juris non poterint vel poterit vcndicare. Insuper dicti Aelbcrnus et Johannes fnitres ob majorem secu-ritatem constituerunt eidem domino Hugoni procuratori pre-scripto ad opus dominorum predictorum fidejussores, videlicet Theodericum filium Johannis et Henricum filium Theoderici parrochianos ville de Lopic predicte, pro securitate et debita warandia melioracionis ac magis valencie predicte, dictis do-minis per annum et diem facienda, etpro plena mensura melioracionis ac magis valencie sex jugerum terre, dictis dominis quandocumque requisierint infra annum ostendenda, mensu-randa et solvenda, et quod eisdem dominis ab omni inpeticione cujuscumque libere et perpetue ipsa terra remanebit. Super quibus omnibus et singulis premissis dictus dominus Hugo a me notario publico subscripto sibi fieri petiit unum vel plura publica instrumenta ad dictamen cujuslibet sapientis. Acta sunt hec in dicta villa de Lopic, in domo habitacionis Wilhelmi dicti Weyten, sita in jurisdiccione dominorum decani et capituli ecclesie beate Marie Trajectensis, presentibus ibidem viris discretis ac honestis Theoderico filio Johannis, Henrico filio Theoderici. domino Hughone de A presbytero ac pluribus aliis testibus fidedignis prelibatis, ad premissa vocatis specialiter et rogatis.

Et ego Hermannus de Welle, clericus Trajectensis dyocesis, publicus imperiali auctoritate notarius, premissis omnibus et singulis, prout per me posita sunt et con-scripta, una cum prenominatis testibus presens interfui, eaque sic fieri vidi, audi vi et in banc formam publicam manu propria redegi, signoque meo solito et consueto signavi rogatus et requisitus, in testimonium veritatis omnium premissorum. Et illam dimidiam diccionem „rinequot; cum illis duobus diccionibus „inquot; et „virginum,quot; inter quintamdecimam et sextamdecimam lineas positis, ex certa sciencia approbo \'),

i) De bedoeling van den laatsten volzin is, do in het oorspronkelijke stuk later gedane bijvoeging der woorden „beatarum Marie Magdalene et Kattvv///\' virginum in ecclesia sancti Petriquot; (zie hiervoor p. 480) te waarmerken.

-ocr page 28-

VI. Zeventuig.

In de hierbij afgedrukte acte, die eene duidelijke voorstelling\' geeft van de werking van het zeventuig, vinden wij denzelfden merkwaardigen vorm terug, dien wij in het voorgaande stuk opmerkten, ook hier weder in eene zaak , waar het den eigendom van erf en eigen betreft, doch ditmaal op het zeventuig toegepast. De zeven aangelanden verschijnen voor den schout ter terechtzitting, waar acht buren als getuigen tegenwoordig zijn; doch de schout vervult hier geheel geen rol: hij zwijgt en ziet toe. De notaris, mede ter terechtzitting tegenwoordig, maakt de acte op en certificeert door zijn merk, dat het feit geschied is. Men gevoelt, dat wij hier met een overgangsvorm te doen hebben; het wereldlijke gerecht is bezig af te treden en plaats te maken voor het geestelijke; komt er geschil over den eigendom, dan zullen wij deze laatste macht reeds alleen als gezaghebbende zien optreden.

Het heeft mijne aandacht getrokken, dat in beide hier afgedrukte stukken een keizerlijk, geen pauselijk notaris optreedt. De gelegenheid ontbreekt mij thans om na te gaan, of dit in alle andere hier aanwezige notariëele gerechtsbrieven ook het geval is. Doch naar het mij voorkomt, kan deze omstandigheid ook in de bedoeling, waarmede men dezen vorm zal aangewend hebben, geene verandering gemaakt hebben. Het Stichtsche lantrecht \') maakt geen onderscheid tusschen beide soorten van notarissen: beiden waren beambten van de geestelijke rechtspraak, en een keizerlijk notaris instrumenteerde in de terechtzitting van den officiaal „de mandate do-mini officialis in testimonium premissorumquot; even goed als een pauselijke 1). Het kan bovendien niet betwijfeld worden , dat instrumenten van keizerlijke notarissen evenmin als die van pauselijke eenige bizondere bewijskracht bij de schepenbanken hadden, zooals dit met schepenbrieven het geval was r\').

S. Muller Fz.

1

Zie o. a. een charter van 17 Aug. 1359 in het arch, van het kap. van St. Pieter.

-ocr page 29-

In Dei nomine amen. Anno nativitatis ejusdem millesimo trecentesimo quinquagesimo sexto indiccione nona mensis Julii die ultima hora nona vel quasi, constituti in mei notarii publici subscript! et testium infrascriptorum ad hoc vocatorum et rogatorum presencia discreti viri Wernerus de Drakenborch, Johannes Meynaert, Johannes Sloyer, Ludekinus hlius Oede pro matre, Lubbe dictus Snuic pro Ghiselberto de Vyanen et de Ghoy, Gerardus famulus Jutte domicelle uten Werde nomine dicte domicelle, necnon Egidius filius Gerardi nomine Huberti de Sconouwen, procuratorio nomine ut asseruerunt, vulgariter die zeven nuncupati sive justiciarii \'), Egidii filii Ghesen ex una parte, et Johannis filii Ernesti, procuratore venerabi-lium virorum dominorum decani et capituli ecclesie beati Petri Trajectensis, ut asserit et nomine procuratorio pro eisdem, ex altera, coram discrete viro Waltero dicto Wii, seniore sculteto Huberti de Sconouwen predicti, ad reddendum jura pro tribunali presidente. Die et hora predictis septem jam prenominati, dicti die zeven sive justiciarii, in judicio compa-rentes, juxta quod per certiorem veritatem et discrecionem suam inquisicione a prudencioribus patrie illius terre noticiam habentibus, dederunt in Dei nomine per suum prestitum jura-mentum decano et capitulo ecclesie beati Petri Trajectensis predictis proprietatem dicti dimidii mansi, jacentis in parrochia de Scalcvvijc in loco dicto Vulcoep, iiltra fossam dictam weteringhe a parte inferiori, inter terrain quondam J ohannis de Bosinchem armigeri et terrain quondam Theoderici Broylants a parte superior!, sicut jacebat in longitudine et in latitudine cum omnibus suis pertinenciis. Acta sunt hec in parrochia de Scalcwijc predicta, in loco dicto Op die weteringhe, in domo inhabitacionis Johannis de Beesde cujusdam tabernarii, sub anno, quot;indiccione, mense, die et bora quibus supra, presentibus ibidem discretis viris Johanne de Landaest, Hermanno Teyaert, Theoderico de Sconenvelt, Wilhelmo filio Lammen, Ghiselberto Scade de Vulcoep, Arnoldo uter Hoeve, Theoderico

Wolf et Waltero filio Ecberti, laycis dicte dyocesis....... ,

ad premissa vocatis specialiter et rogatis.

Et ego Wilhelmus dictus Buer, clericus Trajectensis dyocesis, publicus imperiali auctoritate notarius, premissis

i) Er staat: „justiciariorum.

-ocr page 30-

26

omnibus et singulis una cum prenominatis testibus ipsis presens fui, ea vidi, audivi et in banc publicam formam redegi, manu propria, ex jussu requisicione et mandato domini Riquardi de Arnhem presbytero, nomine decani et capituli sancti Petri Trajectensis predictorum, scripsi signo-que meo solito et consueto signavi rogatus et requisitus, in testimonium veritatis omnium premissorum.

XXXVIII. Merkwaardig raadsvonnis van Utrecht betreffende de verhouding van den raad tot de schepenbank.

In mijne onlangs verschenene monographic over „Recht en rechtspraak te Utrecht in de middeleeuwenquot; vermelde ik op p. 293 een raadsvonnis, dat twee merkwaardige staaltjes gaf van de wijze, waarop de Utrechtsche raad in de middeleeuwen zijne oppermacht staafde tegenover de schepenbank zelfs in zaken van rechtsbedeeling. Ik deelde daar slechts den hoofdinhoud van het vonnis mede, omdat het afdrukken en toelichten van den tekst aanleiding moest geven tot eene min of meer omvangrijke bespreking der feitelijke quaestie, die daar niet op hare plaats was. Toch acht ik het wenschelijk, dat die tekst gedrukt worde en ik laat hem dus hier volgen met de noodige toelichting over de bedoeling van het vonnis, te liever omdat de feitelijke toestanden mij thans duidelijker zijn dan vroeger het geval was.

„Des Saterdaghes voer Lichtmissen 1478.

„Alzoe Alydt, die Splinters van Meghen wyff te wezen „plach ende nu meyster Henricx wyf van Alcmar is, anno „1466 lestleden des Donredages op sunte Victoers avont, voer „den schout ende scepenen van onser stadt gheeyghent is „gheweest aen alle Willems van Toorns ruerende goede ende „tylbaer have, om van hem te wetenen, of hij vertegen gehadt „heeft tot behoef Elyas van Oestrum ende Kathrinen zynre „moeder van dode Jans van Toorns zyns vaders; ende diezelve

-ocr page 31-

„ Alydt dairnae, int jaer van 67 oic lestleden des Donredaghos „nae Beloiken Paischen, oick gheeyghent is aen zekere husinge „ende hofstede binnen onser stadt ende aen alle recht, dat „ Willem van Toorne daeraen hadde, om van hem oick te „wetenen, of hij vertegen ghehadt had als voerseyt is; ende „die raidt out ende nywe anno 68 des Dinxdages na Petri „ende Pauli ghesleten hebben aldus: „Sleten ende overdroe-„„gen die raide out ende nywe, dat men meyster Henrick „„van Alcmair ende Alydt zyn wyff tot ghenen tyden ghenen „„nywen vertichtbrief geven en sell uut der scepenen boick, „„want die rait ter waerheyt bevonden heeft, dat Alyden vader „„ende moeder die vertichtbrieve zelve gheschoert hebben by „„horen levenden livequot;. Ende zoe dan meyster Henrick van „Alcmair mit desen eygenscappen na deser slitinge anno 73 „ruminge geboden heeft aen zekere husinge ende hofstede, „ende die hem laten leveren van der heerlicheyt wegen, mit „alle rechts ende toezecghens, dat Willem voerseyt daeraen „had, na innenhout der eygenscap; dairom heeft die raidt out „ende nywe ghesleten; Dat die eygenscappen ende zulke recht-„vorderinge, voer ende nae der slitinge gheschiet, van gheenre „weerden wezen en sullen; ende hebben zij op malcanderen „yct te zecgenen, dairvan moigen zij malcanderen bespreken „mit rechte, daer zij winnen wanen.quot;

Ik zeide reeds, dat de in het vonnis vermelde feiten eenige toelichting noodig hebben, en inderdaad, zij zijn niet geheel duidelijk. Ziehier hoe ik meen, dat deze vork in den steel zat. Omstreeks 1440 overleed te Utrecht zekere Jan van Toorn en liet bij zijne echtgenoote Kathrine eenen zoon Willem na. De weduwe wenschte eerlang te hertrouwen, en zij trad daarom, zooals behoorlijk was, vooraf voor schout en schepenen en „be-gheerde sciftinge sceyding-c ende deylinge als recht is op hoor kintquot; Zij deed daarna „rekeninghe ende bewisinghequot;als boedel-harster van haren echtgenoot en de boedel werd gescheiden. Blijkbaar werd volgens het gebruik nu een „cedelequot; opgemaakt, „daer die scepene hoor seghelen opghedruct hebbenquot; ten bewijze dat de scheiding had plaats gehad :i). Naar het

1) Rechtsbr. v. Utr. II. p. 268 ^

2) R. v. U. II. p. 62.

3) R. v. U. II. p. 63.

-ocr page 32-

28

schijnt was bij die scheiding gevolgd de toenmaals gebruikelijke vorm van uitkoop, waarbij de boedel aan de weduwe verbleef tegen betaling der halve waarde aan den mede-erfgenaam. De moeder was dus thans „gescheyden mit horen kyndequot; \'). Thans volgde de tweede formaliteit: de zoon moest „vertyen\' (afstand doen) van zijn recht op de aan zijne moeder verblijvende goederen. Ook dit had plaats: de „vertichtbrief werd voor schout en schepenen gepasseerd 1) , en de weduwe was nu ook „vertegen mit horen kyndequot; *): de boedelscheiding was geheel afgeloopen quot;). Vrouw Kathrine hertrouwde nu met Elyas van Oestrum, en uit dit tweede huwelijk sproot eone dochter Alydtr\').

Intusschen was bij de boedelscheiding blijkbaar niet alles in orde gekomen. Denkelijk was de uitkoopsom niet betaald, en daar de vertichtbrief tevens als quitantie voor de betaling dier som gold 2), achtten vrouw Kathrine en haar man het redelijk, dit voor de financiëele positie van hunnen voorzoon zoo compromittante stuk te vernietigen: zij „schoerden\' (vernietigden) het. Daarna verliepen vele jaren: Alydt van Oestrum huwde eerst met Splinter van Meghen, daarna met Mr. Henric van Alcmaer; en nadat dit tweede huwelijk gesloten was, overleden hare beide ouders. Waarschijnlijk was het bij de beredding van hunnen boedel, dat de quaestie van het ver-ticht ter sprake kwam. Denkelijk waren vrouw Kathrine en haar zoon in het gezamenlijk bezit van den boedel

1

Zie voorbeelden van vertichtbrieven; R. v. U. II. p, 61.

2

R. v. U. II p. 63: „want hi noch nergent vertegen en heeft, noch oec engheen goet van siinre moeder goet (lees: doet) gheheven en heeft.quot;

-ocr page 33-

2 9

gebleven \'). Alydt, die uit de „cedelequot; zag, dat de geheele boedel aan hare moeder toebedeeld was, vorderde, dat haar halfbroeder het goed zou ruimen; doch zij miste den ver-tichtbrief, die als haar eigendomsbewijs gold en wiens gemis haar dus in de vrije beschikking over de goederen moest belemmeren. Willem van Toorn zal denkelijk beweerd hebben, dat zij tot zulk eene beschikking ook geen recht had, daar de uitkoopsom niet betaald was of op andere wijze de boedelscheiding niet was uitgevoerd; doch Alydt, die, toen de vertichtbrief gepasseerd werd, nog niet geboren was, heeft wellicht daarvan niet veel geloofd. Hoe dit zij, men kreeg hooge woorden en het eind was, dat Alydt met de „cedelequot; pandde aan het roerende goed van Willem van Toorn, „om van hem te wetenen of hy vertegen gehadt heeft tot behoef Elyas van Oestrum ende Kathrinen zijnre moeder van dode Jans van Toorns zijns vadersquot; ^). .Schepenen deden recht op de „cedelequot;: het pand werd tweemaal „verbodenquot;, Alydt „zwoer hoer scout recht te wesenquot; en overdwarsnacht werd zij „gheëygentquot; aan het goed \'\'). Dit geschiedde op St. Victors avond 1466. Willem van Toorn schijnt zich stilgehouden te hebben: hij kon geen wettelijk bewijs bijbrengen en moest dus lijden wat niet te keeren viel. En ook na de eigening bleef hij stilzitten; blijkbaar heeft hij zich liever het verlies van zijnen inboedel getroost, dan mede te werken tot eene zoo nadeelige handeling, als het passeeren van een nieuwen vertichtbrief voor hem zou geweest zijn. Zoodoende kwam ook Alydt niet tot haar doel: naar het schijnt heeft zij

1) Alydt werd later toch slechts geöigend „aen alle recht, dat Willem van Toorne haddequot; aan het bewuste huis , dat wel tot den boedel behoord zal hebben.

2) Men vindt zulke vertichtbrieven wel bij de eigendomsbewijzen van huizen, die bij erfenis zijn overgegaan.

3) In mijne bovengenoemde monographic nam ik aan, dat Alydt gepand had en ge eigend was met een duplicaat van den vermisten vertichtbrief. Dit is echter stellig onjuist: de vertichtbrief kon niet tot eene eygenscap aanleiding geven, want zij stond daarmede in kracht gelijk, men was daardoor reeds „geöygent.quot; Met een vertichtbrief kon men alleen „ruminge bieden quot; — Dat men met een „cedelequot; van boedelscheiding panden kon om de uitvoering der boedelscheiding te verkrijgen, blijkt uit het vonnis, afgedrukt: R. v. U. II. p. 62/3. (Zie ook eene panding met een stadbrief om het verticht te verkrijgen , vermeld aid. II p. 167.) — Overigens kan Alydt het proces zelfs door dagvaarding begonnen hebben, en de bewuse „cedelequot; alleen als bewijs overgelegd hebben; doch de vorm der mededeeling wijst meer op directe panding met den brief zonder voorafgaande dagvaarding.

4) K. v. U. II p. 233 § 7.

-ocr page 34-

het dan ook versmaad, zich eenigszins schadeloos te stellen door zich een maand na de „eygenscapquot; den inboedel van haren halfbroeder op den omg-ang- te laten „leverenquot; \'). Integendeel , zij ging- verder en pandde (denkelijk bewerende, dat het roerende goed onvoldoende was om haar schadeloos te stellen) „aen alle recht, dat Willem van Toorne haddequot; aan een huis, dat vermoedelijk tot den boedel van Jan van Toorn behoord had, ook al weder „om van hem te wetenen of hy vertegen ghehadt had als voerseyt isquot;. Natuurlijk gelukte ook ditmaal de toeleg; op Donredach na Beloiken Paischen 1467 werd zij „gheeygentquot; aan het recht, dat haar halfbroeder op het huis had. Thans achtte deze het blijkbaar geraden het hoofd in den schoot te leggen: nu hij zijn aandeel aan het huis verliezen moest, verklaarde hij zich bereid mede te werken tot het passeeren van een nieuwen „vertichtbriefquot; 1).

Ik moet thans kortelijk een en ander zeggen over de verhouding van de schepenbank tot den raad te Utrecht. In mijne boven aangehaalde monographic kan ieder belangstellende uitvoerig lezen, hoe de raad in den loop der i4deceuw langzamerhand een groot deel van de bevoegdheden der schepenbank veroverde, en hoe bepaaldelijk de geheele crimi-neele jurisdictie, het hooge gerecht, aan den raad overging. Doch er was meer: de raad matigde zich in sommige gevallen eene macht aan, die hem niet naast, maar boven de schepenbank stelde, en hij ontleende aan die macht de bevoegdheid, om zeker toezicht op de rechtspraak van schout en schepenen te oefenen. In eene arbitrale uitspraak van den bisschop en de acht oversten van 1379 vinden wij bepaald, dat, wanneer er „onreckelike dinghe (de redactie in een later stadboek leest „onredelike dinghenquot;) ghescieden in den ghe-rechte in den zaken, die ten rechte horen,quot; de raad oud en nieuw dit zou „uutgaen ende berechtenquot; s). De i-aad, of liever raad oud en nieuw, aan wien in alle gewichtige gevallen de oefening van \'s raads rechtspraak was opgedragen \'\'), zou dus, wanneer de rechtspraak der schepenbank aanleiding gaf tot

1

Zonder medewerking van partij kon gewis .ijeen nieuwe vertichtbrief uit het register gegeven worden. Zie een analoog geval: Recht en rechtspr. te Utr. p. 270.

-ocr page 35-

3\'

onbillijkheid, in die zaken vonnis wijzen. In verband met andere voorbeelden zette ik uiteen \'), dat men in deze be-palingf eene pogingquot; moet zien, om de nadeelig\'c gevolgen van het strikt formeele karakter van het oude proces te voorkomen, — eeno erkenning van de waarheid der spreuk „summum jus summa injuriaquot; , die herinnert aan het optreden van den Romeinschen praetor tegenover het jus civile, en die ook in overeenstemming is met de geheele werkzaamheid van den raad, wiens rechtspraak, ontstaan uit arbitrage, dat karakter nooit geheel verloochende.

In het hier uitgegevene vonnis meende ik van dit optreden van den raad twee zeer duidelijke bewijzen te vinden. Wat toch deed Willem van Toorn, die door zijne halve zuster gedwongen was, mede te werken tot hot passeeren van een nieuwen vertichtbrief over het vaderlijk erfdeel, terwijl zijne moeder hem daarvan had willen vrijstellen door den origineelen brief te verscheuren ? Hij wendde zich tot den raad en klaagde zijnen nood. Vermoedelijk heeft hij toen overgelegd hot een of ander onderhandsch geschrift, waarbij zijne moeder uitdrukkelijk verklaarde, waarom zij den vertichtbrief verscheurd had. In hot proces voor de schepenbank legde een dergelijk stuk geheel geen gewicht in de schaal: de bewijsmiddelen waren daar geheel formeel. Zelfs wanneer vrouw Kathrine bij de bedoelde acte erkend heeft, dat zij den uitkoopsom aan haren zoon nog schuldig was, dan nog kan Alydt onder eede verklaren, dat zij niets schuldig was, en de zaak daardoor uitmaken 1). Do schepenbank had op dergelijke onder-handsche stukken niet te letten: zij had voor zich een schepenbrief, waarbij de scheiding van Jan van Toorns boedel werd uitgesproken , en zij kon niet anders dan, nu Alydt daarmede pandde, haar recht doen door haar te eigenen aan het goed van haren halfbroeder. Tegen schepenbrieven werd geen tegenbewijs toegelaten dan alleen door andere schepenbrieven; het Scepenrecht zeide uitdrukkelijk: niemand zal panding met schepenbrieven „uutdoen,quot; „ten sy mit scepen-quytanciën off quuijtsceldingen, die in steden van recht gesciet waeren. dair die scult mede quuijtgescouden wair, off dat die scult opter

1

a) 1. c. p. 274/5.

-ocr page 36-

32

plechten bescreven stonde, dat se betailt wairquot; \'). Bij den raad was dit anders, hij was aan geene vaste bewijsregelen gebonden, en toen hij, op welke wijze dan ook, „ter waer-heyt bevonden hadde, dat Alyden vader ende moeder die vertichtbrieve zelve gheschoert hadden by horen levenden live,quot; was hij volgens de uitspraak van 1379 volkomen bevoegd tusschen beiden te komen en de onbillijkheid, die gepleegd zou worden, te voorkomen. En zoo geschiedde het; op Dinsdach na Petri ende Paiüi 1468 „sleten ende overdroegen die raide out ende nywe, dat men Mr. Henrick van Alcmair ende Alydt zijn wijf tot ghenen tyden ghenen nyvven vertichtbrief geven en sell uut der scepenen boick.quot; Daarmede had de zaak een einde: Alydts doel was gemist en Willem van Toorn was vrij van de aanspraak.

Jaren verliepen en partijen mochten zich vleien , dat de geheele zaak vergeten was. Dien kans nam Mr. Henric van Alcmaer, Alydts echtgenoot, waar: hij had aan eene universiteit gestudeerd en was blijkbaar ervaren in de kronkelpaden der toenmalige praktijk 1). De gelegenheid tot het veroveren van een nieuwen vertichtbrief was door het raadsvonnis afgesneden, doch hij meende langs een anderen weg van zijnen zwager althans eenig geldelijk voordeel te kunnen verkrijgen. De panding met de „cedelequot; had eenvoudig gediend als dwangmiddel, om Willem van Toorn te noodzaken, mede te werken tot uitvoering daarvan, en de eischers hadden er dan ook niet aan gedacht de „eygenscap,quot; die daarvan het gevolg geweest was, te doén executeeren. De raad had dan ook natuurlijk bedoeld, dat de geheele quaestie met zijn vonnis zou geëindigd zijn. Doch noch steeds lag daar die „eygenscapquot; aan „het recht, dat Willem van Toorn hadde aen zekere husinge ende hofstede binnen der stadtquot; en Mr. Henric was in het bezit van den bezegelden schepenbrief, die deze „eygenscapquot; bevatte s). Plotseling, alsof er vroeger niets gebeurd was, verscheen Mr. Henric nu in 1473 voor den schout op den omgang, „bootquot; viermaal „ruminge aen der husinge ende hofstede mit zijnre eygenscapquot; (nadat zij gewis jaar en dag te voren „ter clocken

1

Ik meen mij le herinneren, hem ergens als „voersprakequot; (advocaat) vermeld gevonden te hebben , doch ik kan de plaats niet terugvinden.

-ocr page 37-

.33

gekundichtquot; was), en liet daarna het huis door den schout „rumen van der heerlicheyt wegenquot; \'). Zoo had dus Willem van Toorn niettegenstaande \'s raads tusschenkomst belangrijke schade geleden: hij had toch zijn rechtop het bedoelde huis verloren ^1). Er was niets tegen te doen: schout en schepenen moesten de in hunnen eigenen schepenbrief vervatte „eygenscapquot; ten uitvoer leggen. Zij waren gebonden aan de door het Sce-penrecht volgens de oude usantiën voorgeschrevene vormen , aan al die vormen was voldaan, de zaak was formeel perfect in orde, al bleek het ook nog zoo overtuigend, dat de eisch van Mr. Henric zeer „onredelicquot; was.

Op nieuw klaag-de Willem van Toorn nu bij den raad, doch ditmaal was de zaak moeielijker te beslissen : het wetboek stelde in dit geval met volkomene duidelijkheid den eischer in het gelijk. Wat deed men in zulk eene verlegenheid? Het redmiddel was zeer eenvoudig: men endosseerde de zaak aan den raad van het volgende jaar, en wanneer deze „de sake oec niet wijs werden en konquot;, dan besloot men , dat „de sake ende slitinge liggende bliven sell ter tijt toe die raet, die nu is off namails comen sell, eendrachtelic des wijs wartquot; a). Zoo deed men blijkbaar ook ditmaal: de zaak bleef liggen totdat een latere raad „des wijs wordenquot; zou. De omstandigheden waren voor de afdoening dezer zaak niet gunstig; van 1474 tot 1477 ging men te Utrecht gebukt onder den looden scepter van bisschop David van Bourgondië, aan den raad waren alle rechterlijke bevoegdheden ontnomen, en de schepenbank, die door den bisschop met het op hare mededingster veroverde terrein begiftigd was, kon natuurlijk niets tegen haar eigen vonnis doen. Doch de raad van 1478, opgetreden na de contra-revolutie van 1477, waarbij de stad niet langer in toom gehouden door de macht van \'s bisschops broeder Karei den Stoute - hare rechten hernomen had \'), schafte hulp. Niet langer behoefde men de schepenbank te ontzien, de raad stapte nu evenals vroeger

1

Denkelijk liep het eerste proces juist over den vertiehtbrief van dit huis; men zal dien noodig gehad hebben om het huis te vervreemden. Werd Mr. Henric nu op den omgang in het bezit gesteld, dan had hij een titel even goed als een vertiehtbrief en kon dien dus missen.

-ocr page 38-

34

over het formeele bezwaar heen en verleende Willem van Toorn restitutio in integrum bij vonnis van Saterdach voer Lichtmisse 1478. Dit vonnis bepaalde: „dat die eygenscappen ende zulke rechtvordringe, voer ende na der slitinge (van 1468) gheschiet, van gheenre weerden wezen en sullenquot;. Krasser dan vroeger greep de raad ditmaal in: hij verklaarde thans eene rechtshandeling, die verricht was door de bevoegde macht, met inachtneming van alle gebruikelijke vormen, geheel volgens de door het wetboek gegevene voorschriften, nietig-, enkel en alleen omdat het opvolgen dier voorschriften hier aanleiding tot eene onbillijkheid zou gegeven hebben. En de raad hechtte er aan te constateeren, dat hij geheel wenschte te blijven binnen zijne bevoegdheid, die hem „het corrigeren van onredelicheyt in den rechtenquot; ten plicht stelde \'). Hij wenschte geene beslissing te nemen in de erfenis-quaestie tusschen Mr. Henric van Alcmaer en zijnen zwager: quaestiën over „erfnisse ende besterfnissequot; behoorden van ouds tot de bevoegdheid der schepenbank 1), en de raad voegde dus uit-drukkelijk aan zijn vonnis toe, dat partijen, wanneer zij „yet op malcanderen te zecgenen hebben, malcanderen dairvan bespreken moigen mit rechtequot;, d. i. voor de schepenbank.

Heeft Mr. Henric zijnen zwager later op nieuw voor deze rechtbank lastig gevallen? Het valt niet te gelooven, want zijne wapenen waren hem één voor één uit de hand geslagen. Zekerheid over dit punt kunnen wij bij het ontbreken der schepenregisters van dien tijd niet verkrijgen, doch wij behoeven dit niet te betreuren. De quaestie verliest thans haar belang: het was mij slechts te doen, om de beteekenis van het optreden van den raad tegenover de schepenbank uiteen te zetten. Ik meende ter toelichting daarvan eene voorstelling der feiten te moeten geven, zooals mij die volgens het vonnis waarschijnlijk voorkwam en zoo als zij volgens de rechtsboeken kon geweest zijn. Valt ook over elk feitelijk punt geene zekerheid te krijgen, dit is van weinig beteekenis: de hoofdzaak staat vast, zooals ik die in mijn bovenvermeld werk reeds kortelijk mededeelde en hier meer uitvoerig uiteenzette.

S. Muller Fz.

1

1. c. p. 264/5.

-ocr page 39-
-ocr page 40-
-ocr page 41-