Vak 3
WOORDEN VAN TROOST IN UREN VAN SMART.
UIT HET
DOOR EEN KRANKE.
JVT et e e n
quot;V oor quot;w oord.
J. A. SCllLTHMAN Jüllzn.
2
Gedrukt bij L. van Nifterik Hz. te Leiden.
Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting.
Die ons vertroost in al olt;uze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zeiven van God vertroost worden.
2 Corinthe 1: 3, 4.
AAN
DE NAGEDACHTENIS
VAN WIJLEN
MEVROUW DE BARONESSE
D\'ABLAING VAN GIESSENBURG,
GEB. BOREEL.
Eene mij bekende kranke, die weleer maanden lang aan ziekbed en ziekenkamer was gekluisterd, genoot in hare krankte gedurig weêr het voorrecht Haar te mogen zien, aan wier nagedachtenis dit boekske is opgedragen.
Hare kinderlijke eenvoudigheid, hare ongeveinsde belangstelling, hare hulpvaardige hand, maar bovenal haar warm kloppend hart voor den eenigen, onfeilbaren Arts van alle kranken, Jezus Christus, maakte
haar al spoedig voor die kranke zuster mijner gemeente tot eene moederlijke vriendin.
Bij een harer bezoeken, — \'t was het laatste, dat zij bracht, — liet zij een En-gelsch boekje achter, waaruit de kranke zoo menige bemoediging en vertroosting heeft ontfangen op haren vaak moeilijken beproevingsweg.
Zij ving al spoedig aan, om het boekje in de Nederduitsche taal over te zetten.
Het gaf haar eene nuttige bezigheid niet alleen, maar hoe langer zij bij lederen volzin stilstond, te meer vertroosting schonk die haar.
Weinig kon zij toen vermoeden, dat het boekje zoo korten tijd daarna aan de nagedachtenis dier edele vrouwe gewijd, in onze taal overgezet, zou worden uitgegeven.
Eene borstziekte sloopte haar voor velen zoo dierbaar leven. Van eene reis naar het
warmere Zuiden werd tot haar herstel nog eenige hoop gekoesterd. De Heer had het anders besloten. Zij ontsliep in den vreemde. Naar de getuigen van echtgenoot en kinderen is haar sterven geen sterven geweest. Psalmzingende is zij heengegaan naar haren Heer, waar voor eeuwig alle leed geleden is.
Nu liet mij onlangs die kranke zuster mijner gemeente die overzetting lezen, en betuigde op nieuw, dat de inhoud van dit
boekje haar zooveel goed had gedaan. Zij drukte hare hoop uit, dat de God van alle vertroosting, die haar vertroost in al hare droefenis, deze weinige bladzijden tot een middel mocht willen gebruiken, om ook andere kranken of beproefden met dienzelfden troost te troosten, met welke zij zelve was getroost geworden van God, en vroeg mij, wat. ik van eene uitgave in de Ne-derduitsehe taal zou denken, en indien ik er gunstig over dacht, of ik er dan
uiet een paar regelen aan wilde laten voorafgaan.
Wel bracht ik mijne bedenking in het midden, over de vele, en velerlei stichtelijke lectuur, die wordt uitgegeven, maar toen het mij bleek, dat het een wenseh haars harten was, om ook hierdoor de herinnering recht levendig te houden aan de ontslapene, moederlijke vriendin, wilde ik het haar niet ontraden en beloofde haar eenige regelen.
En toen ik haar vroeg, wat zij er clan van zeggen zou, indien ik voor haar de toestemming verzocht, om het aan de nagedachtenis dier vrouwe op te dragen, antwoordde zij met een traan in het oog, en verblijdde zich later zeer, toen zij vernam, dat dat verzoek met de meeste welwillendheid was toegestaan.
En zoo vinde dan ook dit boekje zijnen weg tot het hart van menigen beproefde en bedroefde, en drage er iets toe bij, om
de nagedachtenis in dankbaar aandenken te houden aan eene vrouwe, die veel lief had, en door velen bemind werd.
\'s Hage, Augustus \'64.
.1. A. SCHUURMAN JohZn.
INHOUD.
Blwk.
Oppermacht............................1
Een liefelijk doel......................5
De veilige schuilplaats..................9
De oorzaak der kastijding.......\'13
\' Onveranderlijkheid..........47
Goddelijk medelijden..........21
Eene genadige voorwaarde.......25
Nabijheid en rust...........30
De gever en de ontnemer.......34
Uitredding in nood..........38
Medelijdende liefde..........42
De gezegende hoop..........45
Eene gezegende verplaatsing......49
Ontsluierde geheimen.........54
De uitgezochte plaats.........59
INHOUD.
Biadz.
Geëindigd verdriet...........63
De blijvende vriend..........67
Niet begeerde tucht..........71
De dood overwonnen.........76
De grootste gift............80
Slapen en ontwaken.........84
Onzichtbare overeenstemming.....89
De onveranderlijke naam.......9*2
Kracht voor den dag.........97
Het overwonnen graf.........101
Eeuwige liefde............106
Onverbreekbare vriendschap......111
Beschermende tegenwoordigheid .... 116
Medegevoel..............1\'20
De spoedige komst..........1\'26
Eeuwige vreugde...........131
1ste Dag1.
„Mijnen hoog lieb Ik gegeven in de wolken!quot;
„ De lieer regeert.quot;
Ps. XCIII: 1.
Oppermacht.
Geen boog van belofte in den donkeren en bewolkten dag schijnt heerlijker dan deze; God — mijn God — de God, die ons Jezus gaf, regelt alle dingen, en bestuurt alles mij ten beste.
„quot;Wanneer Ikquot; zegt Hij, „ wolken over de aarde breng.quot; Hij wil de hand niet verbergen, die voor eenigen tijd de schoone gedaante der aarde beschaduwt. Hij is het, die de wolk voortbrengt, die ons er in brengt, en ons genadiglijk er door heen voert. Zijn koninkrijk regeert over alles. „ Het lot wordt in den schoot geworpen,
1
2
maar het geheele beleid daarvan is van den Heer.quot; Hij legt ons den last op. Hij doet ons dien behouden en zal hem op Zijnen tijd ons ontnemen. Vermoei u toch niet om te zoeken naar aanleidende oorzaken. Dit is de ergste vorm van \'t Atheïsme. Wanneer onze meest geliefkoosde plannen verijdeld zijn, onze schoonste bloemen verwelkt op onzen schoot liggen, laat dan deze overtuiging al onze overleggingen tot zwijgen brengen ; „ de Heer bereidde den worm!\'\' Wanneer de tempel der ziel door den bliksem is ter nederge-slagen, wanneer zijne pilaren scheuren ; — „De Heer is in Zijnen heiligen tempel!quot; Toeval, ongeluk, noodlot, vinden geene plaats in des Christens geloof. Zijn geloof is geen schip zonder roer, aan den storm prijs gegeven, geen kleed, ten speelbal gelaten aan de ruste-looze gol ven. „ Des Heeren stem gaat over de wateren!quot; Yoor al wat den
3
Christen overkomt, heeft hij maar eéne verklaring : „ Gij, o Heer! doet het, en daarom zal ik stom zijn en mijnen mond niet open doen lquot;
De dood schijnt voor het mensche-lijke oog de grilligste en meest toevallige gebeurtenis. Het is zoo niet. De sleutelen van den Hades zijn in de hand van denzelfden God, die regeert. Let op de gelijkenis van den vijgeboom. Zijn verlengd bestaan of zijne wegneming geeft stof tot samensprelang in den Hemel; de bijl kan niet aan den wortel gelegd wrorden, zonder dat God de volmacht geeft! Hoeveel te meer zal dit het geval zijn bij den boom der rechtvaardigheid, door den Heer geplant? Hij zal zorg dragen voor elke trillende vezel, en moet men vroegtijdig bezwijken onder den onvermijdelijken slag, „ Wie weet niet uit alle dezen, dat de hand des Heeren dit doet? (Job XII : 9.)
4
Dat het mijn streven dan zij, eigen wil in Zijnen wil te doen opgaan. Zijne wegen niet te bedillen, geen tittel of jota van dien wil te willen veranderen, maar stil mij in Zijne handen over te geven, — het bittere zoowel als het zoete aan te nemen, — wetende, dat de kelk, wordt gevuld door Hem, die geen enkelen droppel er zoude bijvoegen, die ons had kunnen worden bespaard.
Hoe kan het ons dan verwonderen, dat de psalmist van Israël, den blik van de geheele wereld trachtte te vestigen op de zachte tinten van dezen boog der belofte, toen hij de hemelen verduisterd zag — „ De Heer regeert, dat de aarde zicli verheuge!quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken!quot;
?2lt;ie Dag-.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„ De Heer, die lust heeft in den voorspoed Zijn knechts!quot;
Ps. XXXV: 27.
Een liefelijk doel.
Wat is „voorspoed?quot; Is het eene effene levenszee? Onbeperkte rijkdom ? Toejuiching der wereld? Och neen! Als deze ondankbaar worden ontvangen, zijn ze dikwijls strikken, die de ziel verduisteren. Met het geestelijk oog beschouwd, mogen wij van voorspoed spreken, wanneer God ons bij de hand in de vallei der vernedering voert, terwijl hij ons, zoo als eenmaal zijnen knecht Job, onze schapen, ossen, ka-meelén, gezondheid, welvaart en kinderen ontneemt, opdat wij voor Hem
6
ons in \'t stof zouden buigen en lee-ren zeggen: „ De naam des Heeren zij geloofd \\quot;
Juist op het tegenovergestelde, van hetgeen in het algemeen door de wereld als voorspoed wordt beschouwd, staat de boog der belofte. God lacht ons toe tusschen de regendroppelen en tusschen onze tranen door. Hij beeft ons te lief, Hij stelt te veel belang in ons, om ons te laten voortleven in hetgeen zoo verkeerd „ voorspoedquot; wordt genoemd. Wanneer Hij ziet, dat de plichten traag worden verricht of wel verzuimd, dat het hart krachteloos wordt, de liefde tot Hem verflaauwt, verdiept als we zijn in de zorgen van de wereld, dan legt Hij eenen doorn in onze rustplaats, om ons op de vlucht te drijven, opdat wij niet altijd in het stof zouden blijven kruipen. Al kan ik dan nu het „ waaromquot; niet doorgronden, al blijf ik weenend vragen : waarom deze
7
wreede verstoring van mijn aardsch geluk? Waarom worden mijne takken zoo vroeg gesnoeid ? Waarom mijne geliefkoosde vruchten zoo vroeg geplukt? — Het antwoord is duidelijk. De Heer heeft den voorspoed van uwe ziel op het oog. Geloof het, uwe Eben-Haëzers zullen opgetrokken worden in de on-middelijke nabijheid van uwe Jarephats (plaats der smeltovens.)
Zijne beproevingen zijn niet willekeurig. Er is eene rechtvaardige noodzakelijkheid in al Zijn doen. Wanneer Hij Zijne kastijdende hand op u legt, en u langs wegen voert, die gij niet kent en zelf nimmer zoudt gekozen hebben, dan fluistert Hij u met zachte woorden in het oor: „ Geliefde ! vóór alle dingen wensch ik, dat gij welvaart en gezond zijt.quot; quot;Vertrouw vast dat alles wél is. Mort nimmer over iets, dat u nader kan brengen tot Hem. Hij neemt uw tijdelijk en eeuwig ,, welzijnquot;
8
te veel ter harte, dan dat Hij u eenen overbodigen slag zoude toebrengen. Vertrouw daarom al het uwe aan Zijne zorg.
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
3de Dag.
„Mijnen Loog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„ En die man zal zijn als eene verberging tegen den wind, en eene schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in eene dorre plaats, als de schaduw van eenen zwaren rotssteen in een dorstig land.quot;
Jes. XXXII: \'2.
De veilige schuilplaats.
„ Die man.quot;
Dit eene woord geeft ons den sleutel tot dat voor ons zoo dierbare woord van Paulus, dat hij tot Timothëus spreekt: want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jesus.
Waar en wanneer wordt Hij aan Zijn volk geopenbaard als hunne Toevlucht? Het is als ten tijde van Elia in den stormwind en in het vuur. Zij zoeken hem niet bij helderen zonneschijn, on-
10
der lichte wolken, bij voortdurende welvaart! Maar wanneer de wolken zich beginnen sailm te pakken, en de zon aan hunnen hemel wordt verduisterd, wanneer zij leeren inzien, dat elke aardsche hulp te kort schiet, dan komt de bede over de lippen : „ mijn hart is overstelpt; leidt mij op eenen rotssteen, die mij te hoog zou zijn.quot; Ps. LXI; 3.
„ Eerst de aardbeving — de stormwind — het vuur ■— en dan „ het zachte suizen.quot;
Beproefde geloovige, gij hebt in waarheid eene zekere schuilplaats, eene sterke vesting, die niet wankelen kan ! De wereld heeft hare schuilplaatsen ook. Maar zij zijn niet bestand tegen den dag der verzoeking. De wind gaat er over henen, en zij zijn vergaan. Maar hoe zwaarder de orkaan, des te dierbaarder zal u de schuilplaats worden, hoe dieper in de klove van die Rots, hoe veiliger gij zijt.
11
Die man! Verdiep u dikwijls in de menschheid van Jezus — gij hebt eenen Broeder op den Troon, eenen levenden bloedverwant, Een, die uw maaksel kent, en dus door zijne verhevene menschelijke natuur de diepte van uw verdriet meer dan iemand anders peilt.
Daar komt een mensch in de beproeving tot u, maar hij heeft nimmer het lijden gekend, en kan daardoor in uwe droefheid niet komen. Maar daar komt een ander, hij is meermalen in den smeltkroes des lijdens geweest, zijn hart is verteederd als het uwe, hij kan met u gevoelen. Zoo is het met Jezus.
Als mensch heeft hij elk verdriet ondervonden. Hij zelf kent den storm, waartegen Hij u eene schuilplaats verleent. Hij is de Rotssteen en toch een mensch. Machtig om te behouden, en tevens machtig om mede te gevoelen ! „Immanuel! God met ons!quot; Hij is als de regenboog, welks top in de hemelen
12
is, maar welks einde op de aarde rust ; of gelijk de eik, die bestand is tegen den hevigen storm, en toch het zwakste vogeltje eene schuilplaats verleent op zijne takken.
Rouwdrager, zet u met vreugde onder Zijne schaduw. Yerschuil u in Zijne wonden. De hand, die u doorboort, regelt ook de beproeving. Hij, die den storm doet opkomen, biedt er u tevens eene schuilplaats voor aan. Vestig, terwijl uw weg door donkere wolken bedekt is, immer het kwijnend oog op dezen heerlijken boog van belofte: „ waarom Hij, in alles den broederen moest gelijk worden; — want in hetgeen Hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien, worden in de wolken.quot;
1 «lc
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„Want wien de Heer lief heeft, dien kastijdt Hij!quot;
Heb. XII; 6.
De oorzaak der kastijdiiiquot;-.
Wat? God heeft mij lief, wanneer Hij mij pijnigt! Wanneer Hij mij alles ontneemt! Wanneer de zon mijner aardsche vreugde verduisterd wordt? Ja, beproefde, die door den wind heen en weder wordt geschud. — Hij kastijdt u, omdat Hij u lief heeft. Die beproeving komt van Zijne teedere hand, van zijn onveranderd hart.
Zijt gij op het ziekbed ter neder geworpen, zijn smartvolle maanden en slapelooze nachten uw deel? Het is, omdat Hij u lief heeft; leg uw kloppend hoofd op dat oorkussen neder. Is
14
uw hart gescliokt door een zwaar verlies, hebt gij eene ledige plaats in uwe woning? Hij bereidde die ledige plaats — Hij opende die groeve; — omdat Hij u liefheeft. Gelijk het zwakke en lijdende kind aanspraak heeft op de meeste teederheid en de grootste zorg der moeder, zoo hebt gij nu de tee-derste liefde en zorg van uwen kastij-denden, Hemelschen Vader aan uwe zijde. Hij heeft u lief in deze droefheid, Hij zal u steeds liefhebben. Er is geen willekeur in Zijne handelingen. Geen enkele droppel van Gods toorn is er in uwen beker. Gezegend zij Zijn naam ! Zijne roede ons te doen gevoelen, is een deel van Zijn verbond. Wat zegt onze Heer zelf? Niet toen Hij nog op deze aarde was, niet toen Hij nog rondwandelde in dit tranendal, maar gekroond in den Hemel: „Zoo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik !quot; (Openb. III : 19.)
15
Geloovigen! quot;Verheugt u, dat de roede, de kastijdende roede in de hand van uwen levenden Zaligmaker is, die u zoo lief heeft, dat Hij voor u stierf lquot;
Des konings groote weg is verdriet en toch is deze weg gebaand door liefde. Enkele bloemen worden gedrukt, voor dat zij hunne liefelijke geuren verspreiden ■, zoo ziet God de noodzakelijkheid in om u te tuchtigen. Sommige vogels, zegt men, doen hunne liefelijke tonen hooren, als een doorn hunne borst doorvlijmt. Zoo zendt Hij de beproeving, die uw hart verscheurt, om dat harte naar boven te trekken, en opdat gij in uwe hooge vlucht zoudt leeren zingen ; „Mijn hart is vast, betrouwende op den Heer !quot; Diegenen, zegt de vrome Leigh-ton, die Hij het meest bewerkt, wil Hij te heerlijker maken! Onze droefenissen, zegt een ander, schijnen in Zijn woord immer in zijne gedachten
16
te zijn. De meeste zijner geboden en de meeste zijner beloften, die Hij ons in Zijn woord geeft, worden ons gegeven in beproeving. Mochten wij maar leeren zeggen : „ Heer ik heb U lief, niet alleen niettegenstaande Uwe roede, maar om Uwe roede. Ik wil mij werpen in uwe kastijdende armen, wanneer uwe stem mij roept, zoo als eens Abraham, om een zwaar offer te brengen; leer mij dan te zeggen : „ Zie, hier ben ik Leer mij lezen in den boog, die mijne donkerste wolk omspant; „Hij kastijdt, omdat Hij lief heeft/\'
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
SjcIO üag1.
,,Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„Want Ik de Heer word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jacobs! niet verteerd.quot;
Mal. 111:6.
Onveranderlijkheid.
De onveranderlijkheid ran God 1 Welk een vast anker voor degenen, die door storm worden geteisterd! Veranderlijkheid is hier ons deel. Omstandigheden wisselen. Vreugde verdwijnt! En vrienden! Sommigen worden verre van ons gescheiden, anderen zijn naar hun eeuwig hais gegaan ! Wie reikhalst niet bij veel dat veranderd, naar iets blijvends, duurzaams. Het schip wordt telkens weder van zijn aardsche ankerplaats losgerukt. Wij zien verlangend naar eene veilige haven uit.
18
„Ik word niet veranderd!quot; quot;Vleesch en bloed mogen bezwijken — ja zullen bezwijken — maar er is een onveranderlijke God, die nimmer bezwijkt. Alle veranderingen in deze wereld vermogen niets op Hem. Onze veranderlijkheid verandert Hem niet. Wanneer wij ter nedergedrukt en onbestendig zijn — wanneer ons arglistig hart van Hem is afgekeerd, — blijft Hij zonder schaduw van omkeering. // God die niet liegen leanquot;, dit is het opschrift van Zijnen troon en staat geschreven op al Zijne handelingen.
ff Ik word niet veranderd.quot; Voor wie plaatst Hij dezen boog van belofte in de donkere wolken? Het is, voor de kinderen Jakobs, zijn eigen verbondsvolk. Degenen, die zoo als vroeger Jakob, gehuld zijn in het kleed van den „oudsten broederquot;, door wien zij ook hun geestelijk erfdeel ontvangen.
19
Dierbaar woord! Het is mij tot eenen vasten borg, dat niets mij kan overkomen, dan wat goed voor mij is. Ik kan aan Zijne trouw niet twijfelen, en mag Gods bestuur niet bedillen. Uit liefde, volgens zijn eeuwig verbond, verduistert mijn aardsche horizon. Hij is nu nog dezelfde als toen Hij „ Zijnen eenigen Zoon niet spaarde.quot; In plaats van mij te verwonderen over mijne beproevingen, moest ik mij veel meer verwonderen, dat Hij mij zoo lang verdroeg. Het is door \'s Heeren onveranderlijke goedheid, dat ik niet ben vergaan. Ware Hij een veranderlijk, wankelend mensch geweest zoo als ik, reeds lang zoude Hij mij he\'bben uitgeworpen en in \'t stof hebben doen kruipen.
// Maar mijne gedachten zijn niet uwe gedachten en mijne wegen niet moe wegenquot; spreekt de Heer! Hij is de Onveranderlijke. Ja! in deze donkere dagen wil ik mijne oogen vestigen op het
ao
teeken des verbonds en, hoewel met tranen in de oogen, zingen: „ Welgelukzalig is hij, die den God Jacobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachtivg op den Heer zijnen God is!quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
Ode Igt;ajsj.
„Mijnen boog kli Ik gegeven in de wolken!quot;
„ Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks. Ik heb hunne smarten bekend quot;
Exod. III: 7.
Goddelijk medelijileii.
Menschen kunnen dat niet zeggen. Zoo menige gevoelige snaar trilt u in de ziel, die door den besten aardschen vriend niet kan worden vernomen. Maaide groote Lijder, die ons voorging op het lijdenspad „ kent ons maaksel.quot; Wanneer de beste, aardsche vriend niet in alle bijzonderheden van ons lijden kan afdalen, weet dan dat Jezus het hem, dat Jezus het doet! Hij, die eens onze zonden droeg, draagt ook onze smarten. Dat oog, nu gezeten op den troon, was eens van tranen nat! In al mijne droefenissen mag ik mij troosten met de gedachte: „ook Hij heeft
22
droefheid gekend!quot; onder al mijne tranen; „ook Jezus weende!quot; Zoolang reeds ging Israël gebogen onder het juk der slavernij. 13e Heer deed alsof Hij het niet wist. Hij scheen te slapen even als Baiil, en toch was Zijn oog met medelijden gevestigd op Zijn volk in slavernij. Het was dat Hij zeide: Ik heb hunne smarten bekend!quot;
Het moge schijnen alsof Hij ons vergeet en verlaat; — terwijl wij uitroepen : „ Heeft God vergeten om genadig te zijn ?quot; toch neigt Hij zich in dien tijd vol liefde tot ons. Hij laat somtijds het water tot aan de lippen komen, opdat Hij Zijne helpende hand uit-strekke en Zijne genade in hare volheid moge openbaren. // Gij hebt het einde des Ileercn gezien, dat de Heer zeer barmhartig is en een Ontfermer T (Jak.Y : 11.)
Dat de Heer onze smarten kent, is een zekere waarborg, dat niets ons toegezonden wordt, dan \'t geen ons noo-
23
dig is. „Maar met u, zegt Hij, zal Ik geene voleinding maken, maar ik zal u kastijden met mate.quot; (Jer. XXX ; 11.)
Al hetgeen Hij ons toezendt is juist afgemeten, zeer wijselijk verdeeld. Er is niets toevalligs — geen doorn te veel — geen slag overbodig. // Hij legt onze tranen in Zijne fiesch,quot; (Psalm LVI: 9). Droppel voor droppel en traan voor traan is geteld — zij zijn geheiligde schatten voor onzen God!
Beproefde geloovige! het zwaard moge diep in uwe ziele zijn gedrongen, verheug u toch! groot is uwe eer, — gij hebt deel aan het lijden van Chistus. Zie op naar den heerlijken boog! Jezus, de medelijdende, deelnemende Jezus „kentquot; uwe vlijmende smart en heete tranen en Hij wil // komen om u te verlossen!quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
T\'tle Dag-.
„Mijnen boog heh Ik gegeven In de wolken!quot;
„ Zoo het noodig is.quot;
1 Petr. 1 : 6.
Eeue genadige voorwaarde.
Y/elk een gezegend opschrift boven de donkere wegen der beproeving! nZoo het noodig is.quot; Iedere pijl uit Gods koker daarmede gevleugeld ! Beproefd kind ! Schrijf het op elke beproeving, die uw God u zendt. Indien Hij u leidt van zonnige berghoogten in donkere dalen, dan roept Hij u toe; „Het is noodig!\' Indien Hij den beker van aard-sche welvaart van uwe lippen neemt, allen menschelijken troost u ontzegd, uwen overvloed vermindert, hoor hem dan zeggen: „ Ret is noodig.quot; Indien Hij door bittere verliezen diepe voren
25
trekt in uwe ziel, het eene licht na het andere uitbluscht, hoor Hem dan\' uw vlijmend verdriet verzachten met de woorden; „ Het is tiooclig.quot;
„Ja! geloof het, er is rede voor de beproeving, al wist gij nu nog niet waarom. Hij zal den oven niet heeter stoken dan het noodig is. Somtijds zijn Zijne wege ondoorgrondelijk. Dan kunnen wij met moeite de woorden spellen — God (Wie/ijfe / wij zien geen vriendelijk licht, geen schitterenden boog in onze wolk. Alom donkerheid, geen enkele lichtstraal breekt door! Maar neen! hoor wat Jehova spreekt: // Indien het noodig is.quot; Hij laat Zijn volk niet lang alleen, als Hij hunnen moeielijken gang aanschouwt. Hij gebruikt Zijne eigene middelen om hen van de wereld af te trekken, aan zich zeiven bekend te maken en hunne afgoden ter neder te werpen, die zich op den troon wilden plaatsen, die
26
Hem alleen toekomt. Wellicht heeft de Heer gezien, dat uw liefde verflauwde en uw ijver verkoelde. Gelijk de zon het vuur verdrijft, zoo had ook misschien de zon van aardschen voorspoed de vurigheid van uwen geest uitge-bluscht; uw licht scheen wellicht minder helder voor den Heer; wellicht hadt gij u te veel ingelaten met eene verleidende wereld. Toen zond Hij u de noodige kastijding; niets anders — niets minder had kunnen worden gekozen.
Wees stil en weet, dat de Heer God is! Herinner u dat de woorden // indien het noodig isquot;, geschreven staan in de handpalmen van de oneindige Liefde, de oneindige Wijsheid, de oneindige Macht. Vertrouw op Hem, in alle kleine, zoowel als in groote zaken — in nietigheden, zoowel als in de grootste aangelegenheden. Tracht naar een groot geloof. Ofschoon gij dan, indien u de
27
keuze ware overgelaten, wellicht andere wegen haddet gekozen, hoor naar Hem, die bij elke wending van den weg u toeroept: n Dit is de weg, wandel daarin.quot;
Wij mogen het nu nog niet begrijpen, maar de dag zal komen, dat wij de beproeving eene van Gods meest gezegende engelen zullen noemen, „ uitgezonden tot dienst om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen.quot; Door dat er wolken zijn, komt de loog aan den aardschen Hemel. Wel is de blaauwe hemel en het goud van de ondergaande zon liefelijker voor het oog. Maar wat zoude er van de aarde worden, indien er niet van tijd tot tijd donkere wolken over kwamen, om herleving en verfrissching te geven aan hare kwijnende planten? Is het dan anders gesteld met de ziel? Gewis de wolk van smart is noodig. Elk barer droppelen draagt een bewijs van liefde met zich.
28
Indien de wolken zich nu samenpakken, en de stormwind losbreekt, hef dan, beproefde, uwe oogen omboog; zie bet glanzende scbrift in de donkere wolken, en herinner u, dat Hij, die den boog van belofte aan den hemel plaatste, ook de wolken noodig keurde; waarop de boog rust!
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
s^sste Dng.
„Mijnen hoog lieb Ik gegeven in de wolken!quot;
Mijn aangezicht zal met u medegaan en u gerust stellen.
Exod. XXXIII: 14.
Nabijheid eu rust.
Mozes vroeg, dat hem de weg üou worden aangewezen, en in antwoord op die vraag spreekt de Heer: „Vertrouw mij — Ik zal met u gaan \\quot;
Beproefde! hoor de stem, die u van uit de wolkkolom tegenklinkt. Het is eene woestijn-belofte, die de God Jeshurun uog tot zijn geestelijk Israël spreekt. Hij, die oudtijds Zijn volk geleidde als eene kudde door de hand van Mozes en Aaron, zal ook jegens u dezelfde herderlijke liefde toonen. De weg mag geheel anders zijn dan wij
30
hadden gewenscld; maar de keuze is in goede handen. Hij heeft Zijne eigene, wijze doeleinden bij elke wending van den weg.
Wie kan zonder dank terugzien op de vorige leidingen van den Heer. Wanneer de schapen op ruwe wegen en doornige paden worden geleid, Hij, hun herder, „ging hen voor.quot; Wanneer de vacht werd gescheurd en hunne voeten pijnlijk werden vermoeid, — heeft Hij hen op zijne armen gedragen. Zijne nabijheid heeft elk kruis verlicht en elke zorg verzacht. Vertrouw op Hem in eene onzekere toekomst. Andere, geliefde reisgenooten mogen ons hebben verlaten, Één die beter is dan de beste, gaat voor ons uit in Zijne genadige wolkkolom. Met Hem zullen wij gelukkig zijn; laat Hij ons ontnemen wat Hij wil, wij kunnen ons opheffen boven het verlies van de aardsche gift, in het zekere bewustzijn van een edeler
31
bezit en erfdeel, dat wij genieten in den Grooten Gever. Hij zag wellicht de noodzakelijkheid in om de leemen afgoden ter neder te werpen, opdat Hij, de Algenoegzame, als Opperheer kon re-geeren. Hij zag de noodzakelijkheid in, om menschelijke steunsels ons te ontnemen, opdat wij meer Hem zeiven genieten zouden, en meer zouden gedrongen worden tot het gebed; „ Indien uw „aangezicht niet medegaan zal, doe „ons van hier niet optrekken!quot; Hij duldt niet, dat wij hier vaste woningen bouwen, waarop wij schrijven zouden : n Dit is mijne ruste.quot; Neen, hier het wonen in tenten — daar het nisten! Maar „ vrees nietquot; roept Hij u toe, gij wordt niet zonder vrienden en zonder troost op uwen weg gelaten. Pelgrim in uwe vreemdelingschap! „ mijn aangezicht zal met u medegaan.quot; In al uwe donkere, bewolkte dagen, — in de uren van angst en zwakheid, —
33
in verlatenheid en eenzaamheid — in leven en in dood! En als de reize ten einde en de wolkkolom niet meer noodig is, „ zal Ik u ruste geven.quot; De bedeeling der genade zal worden gevolgd, door het vruchtgebruik der Heerlijkheid.
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden ih de wolken.quot;
Öcle Dag1.
„Mijnen boog licb Ik gegeven in de wolken!quot;
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd !quot;
job. 1:21.
De Gever eu de Outnemer.
Welk een geloof! Neer te knielen eu te bidden ! Sabeërs, — vuur, — stormwind, — zwaard, — alles werd voorbij gezien, en alleen die eene band aanschouwt. De patriarch herkent alleen „ den Heer,quot; die gaf, en „ den Heer, die nam ! Wat mag toch de bron van zoo groote neergedruktheid, droefheid en onwaardig morren zijn in de uren van beproeving? Is het niet zoo als Eutherfordt zegt: omdat wij te veel op de tweede oorzaak letten en vergeten tot de eerste op te klimmen;
3
34
omdat wij weigeren te zeggen ; „Uw wil geschiede !quot; en Zijne stem niet hooren; Zijne stem, die liefelijk is ook te midden van den stormwind: „Ik ben het!quot;
Is er eenig kwaad in de stad, dat de Heer niet heeft gedaan? Is er een bittere droppel in onzen beker, dien de Heer niet heeft gemengd ? Hij bemint Zijn volk te zeer, dan dat Hij hunne belangen aan anderen zou overlaten. Wij zijn slechts leem in de hand van den pottenbakker — vaten in de hand van hem, die het zilver zuivert. Hij geeft ons ons deel. Hij wijst ons de plaats onzer inwoning. „De Heer smeedde de roede.quot; „ de Heer verwekte den worm. Hij is de bewerker, beide van zegen en smart, van voorspoed en kruis. Hij blaast ons den geest des levens in, en het is op Zijne roepstem, dat de geest terugkeert tot Hem, die hem gaf
O! dat wij meer en meer bedachten,
35
dat ons eigen leven en dat van die ons dierbaar zijn ons slechts is ter leen gegeven. God is de groote Bezitter, die als het Hem goeddunkt, de gave kan terugnemen, ofde huur kan intrekken.
„Hij gaf!quot; Al de zegeningen, die wij ontvangen, zijn geleende zegeningen, door Hem gegeven — door Hem steeds vermeerderd — door Hem ons gelaten.
En hoe vaak ontneemt bij ons iets, opdat Hij zelf het ledige in ons hart moge aanvullen met Zijne gezegende nabijheid en Zijne liefde ! Geen verlies kan opwegen tegen Zijn gemis; maar Hij vergoedt elk verlies. Laat ons op Zijne liefde en Zijne trouw steunen, zoowel wanneer Hij ontneemt, als wanneer Hij geeft. Dikwijls wordt de natuurlijke mensch verzocht om te zeggen: „Niet aldus Heer!quot; Maar het geloof, vasthoudende aan de belofte.
36
kan zich verheugen in den boog, die de donkerste wolk omspant, en zeggen : „Ook aldus Vader! want het schijnt goed in uwe oogen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze hoog zal gezien worden in de wolken.quot;
lOtle Dag;.
„Mijnen boog kb Ik gegeven In de wolken!quot;
Roep mij aan in den dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren.
Psalm L: 15.
Uitredding1 iu nood.
In hoevele verscliillende vormen ko-raen de beproevingen niet tot ons? Ziekte, met hare uren van rusteloosheid en zwakte. Gemis, met zijne ontnomen schatten en pijnlijk kloppende harten. Verlies van rijkdommen — vermindering van aardsche goederen, of erger nog dan dit alles, wonden van vrienden, dieons bedriegen; van vertrouwen, dat geschokt wordt; wenschen, die niet vervuld worden; liefde, die verkwijnt als de bladeren in den herfst!
38
Maar, „God is een toevlucht en sterkte, waarlijk eene hulp in benaauwd-heid.quot; Hij laat het beproefde kind niet lang onbeschermd in den storm. „ Roep mij aan \\quot; Hij roept u in Zijne nabijheid! Beter het bittere Mara-wa-ter met Zijne genezing, dan de helderste fontein dezer aarde en geen God ! Beter de heetste vlammen in den oven met Eén bij ons in de gedaante des Zoons van God, dan dat het schuim zich zoude vermengen, en de ziel werde overgegeven om zich aan het stof te binden ! Hij, die het zilver loutert, staat bij die vlammen om hunne woede te temperen. Ja, Hij geeft de bepaalde belofte: „ Ik zal er u uithelpen.quot; Het moge dan niet die redding zijn, welke wij hadden gedacht, waar wij om hadden gebeden, welke wij hadden ge-wenscht, maar zouden wij het bitterste lijden niet willen verduren, indien het gevolg van Zijne liefdevolle kastijding
39
is: — „Dat wij Hem zullen eeren?quot; Hem eeren! Hoe? door een klein en zwak geloof? — Door wel zonder morren, maar met moeite te berusten in zijne leidingen, — terwijl juist deze leidingen ons hart te meer aan onzen Heiland moeten verbinden?
In alle tijden werden de heiligen juist door de beproevingen er toe gebracht om Hem te eeren. David zou nimmer zijne gevoelvolle psalmen gedicht, noch Paulus zijne kostbare brieven hebben geschreven, indien de Heer hen niet beiden in de smeltoven des lijdens gelouterd had. Om de toekomstige kerk te onderwijzen, moesten zij de school des lijdens doorgaan. Indien Hij ons dan soms een\' zwaren last oplegt, laat ons dan trachten Hem te eeren door werkdadige gehoorzaamheid, zoo wel als door stille berusting. Geef u zeiven niet over aan zelfzuchtige en ongevoelige droefheid,
40
maar volg uwe verhevene roeping, (uw werk en uw strijd), en leer te meer de, waarde des tijds en het groote doel uwer bestemming waardeeren. Geef den Heer uwen God de eere, voor dat Hij u in de duisternis brengt; en voor dat gij uwen voet op de donkere rotsen stoot; opdat het licht, waarnaar gij zoekt, niet verandere in de schaduw des doods, en nimmer meer uitgebluscht worde 1
„En het zal geschieden, als Ik. wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken!quot;
Xltle l
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, onttermt zich de Heer over degenen, die Hom vreezen.
Psalm CI11:13.
Medelijdende liefde.
Het „ Abba Vaderquot; is een woord uit bet Evangelie. Een vader, die zich over zijn zwak of stervend kind buigt, eene moeder, die haren zuigeling aan hare borst drukt, ziedaar de aardsche voorstelling van God. „Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.quot; Als een die door zijne moeder vertroost wordt, zoo wil Ik u vertroosten.quot;
Wanneer wij in groote droefheid geneigd zouden zijn te zeggen: nimmer
42
heeft iemand zooveel geleden als ik, nimmer was iemand zoo verlaten, laat dan de gedachte: „ het is uws Vaders welbehagen,quot; elk morren stillen. De liefde en het medelijden van den teedersten, aardschen vader, is slechts een flauwe afschaduwing van de liefde Gods. Indien de glimlach van uwen Hemelschen vader voor een oogen-blik verandert in eene kastijdende roede, wees dan verzekerd dat er voor die kastijding een dringende noodzakelijkheid bestaat.
Indien het hart van den aardschen vader onuitsprekelijk lijdt, wanneer het lancet het kind moet verwonden, — nog oneindig meer lijdt uw God, indien Hij uw hart zulke diepe wonden moet toebrengen.
Eindige wijsheid vindt geene plaats in Zijne beschikkingen. Een aardsche vader moge dwalen, maar „Zijne wegen zijn volkomen.quot; De verklaring van
43
elk Zijner leidingen is deze : Uw Herael-sche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft!
Vertrouw hem, als gij Hem niet kunt begrijpen. Tracht niet door de wolk heen te zien, die Hij over de aarde brengt. Houdt uw oog gevestigd op den boog. Godes is de verborgenheid, uwe, de belofte. Bedenk, dat het doel van Gods bestuur wellicht dient om u meer vertrouwend te maken. Wentel uwen weg op den Heer zonder voorbehoud. Dan zal Hij, vooral in tijden van droefheid tot zulk een kind van Zijn Verbondsvolk zeggen, wat Hij tot Efraïtn sprak: „ Ik zal Mij zijner gedenken.quot;
Terwijl nu uw hoofd als het riet ter nedergebogen wordt, terwijl uw hart gebroken is, bedenk dat Zijn medelijdend oog op u geslagen is. Leer gij zeggen, zij het met door tranen
44
verduisterde oogen: „Vader! uw wil geschiede lquot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aai de brenge, dat de boog zal gezien worden in de wolken.quot;
ISide Dag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groo-ten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.
Titus II; 13.
De g-ezeg-eiule hoop.
Welk een heerlijke boog voor eenen stormachtigen hemel. Hoop is eene blijde gewaarwording. De dichtkunst bezingt haar, de munijk tracht haar uit te drukken; maar de hoop geeft helaas ook aanleiding tot vluchtige droomen, die verschijnen en dan verdwijnen. Aan den morgen groeien en bloeien die bloemen des levens, maar aan den avond komt er een geheimzinnig licht, en zij liggen als ver-
46
welkte kransen voor onze voeten: Het grootste verlangen van een menschen-leven schijnt vervuld, — één golf van tegenspoed overvalt ons, en wischt alles uit! Maar, daar is eene „ zalige hoopquot; boven het bereik van storm of verval — „de zalige hoop van de heerlijkheid Gods, de hoop „ die niet beschaamd maakt,quot; — „ de heerlijke verschijning van den Grooten God onzen Zaligmaker ?quot;
Indien wij hier op aarde verlangen naar de terugkomst van eenen broeder of vriend, die door zeeën of landen voor jaren van ons gescheiden was, — indien wij de weken dan tellen, die nog verloopen moeten, voor hij terugkeert in de ouderlijke woning, hoe moet dan de christen niet verlangen naar de terugkomst van den ,, Broeder aller broederen,quot; den Vriend aller vrienden. Hij heeft ons beloofd : „ Ik zal wederkomen, om u tot Mij te nemen
47
O gezegende dag! wanneer Hij zal worden verheerlijkt door zijne heiligen, wanneer Zijn volk geen lijden en geen zonde meer zal kennen. Dan geene ziekbedden meer, geene kloppende hoofden, geene koorsachtige slapen, geene opene graven, of bittere tranen, en beter nog dan dat alles, geene zondige verwijdering, en geene onheilige harten. Het zal de bruidsdag der ziel zijn. Terwijl het lichaam sluimert in het stof, zal de verloste ziel vereenigd worden met een verheerlijkt lichaam. Het graf zal voor immer overwonnen, de dood veranderd zijn in eeuwige heerlijkheid.
„ Zoo zullen wij altijd bij den Heer zijn?quot; Lezer, hebt gij Zijne verschijning lief? „Ziet gij verlangende uit als degenen, verwachtende en haastende tot de toekomst van den\' dag Gods.quot; (2 Pet. 3:12.)
Nog een kleinen tijd en Hij zal komen,
48
en wil komen ! Zijt gij Zijn kind, een kind des Yerbonds, vertrouwende op de nabijheid van den troon der genade, en niet bevreesd voor den troon der heiligheid ? Wel is Hij „de groote Godquot;, maar Hij is ook „onze Zaligmaker.quot;
Een bloedverwant en Verlosser is gesteld om de geheele wereld recht-vaardiglijk te oordeeleu. Ja! vestig dikwerf uwen blik op dien boog, die eene heerlijke toekomst omspant; — want bedenk, dat Hij „ten laatste zal verscliij-nen ter zaligheid aan hen, die op Hem zagen!quot;
„En hot zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
i; ïlt;lc l);i lt;r.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
De rechtvaardige wordt weggeraapt vóór het kwaad, hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hunne slaapsteden.
Jes. LVII: 1, 2.
Eene g-ezegende verplaatsing.
Hoe zeer vertroost ons deze gedachte, als wij denken aan het droevigste scheiden hier op aarde. De vroeg, de te vroege graven (zoo als wij zoo vaak geneigd zijn te zeggen) van onze dierbare afgestorvenen, zij sparen hen voor veel verdriet, veel lijden, en veel zonde! Wie kan u zeggen, wat donkers voor hen lag? Het schoonste schip, bevracht met de schoonste beloften, kan toch nog schipbreuk lijden
4
50
op de verradelijke wereldzee. Mijn God wist wat het beste was. Indien Hij zijne lelie vroeg plukte, \'t was om haar ruwe rukwinden te besparen. Indien Hij zijn lam vroegtijdig in de schaapskooi bergde, \'t was om te zorgen, dat de vacht niet werd bedorven door het verderf dezer aarde. Indien de veilige haven vroeg werd bereikt, \'t was omdat Hij dreigenden storm voorzag, dien wij met ons beneveld oog niet konden zien. „ Zoo bracht hij hen naar de voor hen bestemde haven!quot;
Ja! de veilige haven! De stormen des levens zijn voorbij. De rust van dat strand wordt niet verstoord door bruisende golven. „Hij is tot zijnen vrede ingegaan, tot de rust, die blijft in eeuwigheid!quot; Indien de verloste dooden bij hun heengaan in geheele vergetelheid wegzonken en slechts eeuwige stilte erfden, droevig zoude dan voorzeker het afscheid zijn! Maar „ween
51
niet! zij is niet gestorven, maar slaapt!quot; Ja! ween niet! Zij is niet dood, maar leeft! In hetzelfde oogenblik, dat hier onze tranen vlieten, verheugt zich de ziel in het licht van eenen eeuwigen dag, veilig geborgen, veilig te huis! Het lichaam blijft in de aarde. Het graf is zijne rustplaats. Wij nemen er een lang afscheid van, maar in de blijde verwachting van eene heerlijke hereeniging ten tijde van de opstanding der dooden, „dien dag zonder wolkenquot; wiens zon niet onder zal gaan!
Kind der beproeving! rouwdragende over het verlies van geliefde panden. Droog uwe tranen. Een vroege dood is een vroege kroon ! De band, hier verbroken, verbindt u daar aan den troon van God. Gij hebt eenen broeder, eene zuster, een kind in den Hemel ! Gij hebt eene bloedverwante, die verlost en heilig is.
52
Wij zijn trotsch op de bevorderingen, die de onzen hier maken, maar wat zijn de grootste bevorderingen hier, in vergelijking met die, van den geloo-vige bij zijnen dood, van den staat der genade tot die der heerlijkheid, van zijnen pelgrimsstaf tot de eeuwige rust?
Vergelijk dikwerf, terwijl gij treurig ter nederzit, de zekerheid van eene tegenwoordige zaligheid, met de mogelijkheid van eene toekomst van lijden, verdriet en zonde; de vreugde, die nu reeds wordt genoten, tegenover het kwade, dat over hen kon komen. Nu treurt gij wellicht gelijk eens de Sunamitische met betraande oogen over een afgevallen bloesem, maar wanneer u de vraas werd gedaan : „ Is het wel met u ? Is het wel met uwen man? Is het wel met uw kind ?quot; mocht ook gij dan in het vaste vertrouwen, dat zij in hunne
53
ruste zijn ingegaan, vrolijk kunnen zeggen : „ Het is wel.quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
14lt;ie üag1.
„Mijnen hoog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.
Joh. XII ; 7.
Ontsluierde geheimen.
Veel is er in de leidingen Gods met ons, dat ons verbijsterd en verlegen doet staan. Dikwijls zijn wij geneigd om uit te roepen : „ Hoe ! had deze beker niet minder bitter, die beproeving niet minder zwaar, de weg niet minder ruw en treurig kunnen zyn?quot; „ Houdt op,quot; zegt de Heer, met uwe vragen, „ oordeel niet wantrouwend over de juistheid Mijner handelingen. Alles zal u eenmaal openbaar en helder worden, in den spiegel der eeuwigheid lquot;
55
„Wat ik doe.quot; Alles is Mijn werk. Mijne bestelling. Al uw weten, is stukwerk, en uw kennen, ten deele. Gij ziet slechts verijdelde plannen, zware lasten en heerlijke schakels verbroken. Maar Ik zie het einde van het begin. „ Zal de Eechter der aarde geen recht doen ?quot; En „gij zult verstaan!quot; Wacht op het „na dezen.quot; Een aardsche vader vermoeit het oor van zijn kind niet met ingewikkelde vraagstukken; hij wacht tot den mannelijken leeftijd, om hem alles te openbaren. Zoo ook God. Wij zijn nu in onze minderjarigheid. Kinderen, die in hunne eerste jeugd slechts kunnen stamelen over het doel Zijner wegen. Wij zullen in de volmaaktheid der eeuwigheid de grooten daden Gods leeren verstaan! Christus vertoont zich nu dikwerf in eene schaduw, één oogen-blik en Hij is verdwenen! Maar de dag zal komen, dat wij Hem zullen zien gelijk Hij is, wanneer elk duister
56
letterschrift in de rol der Yoorzienig-heid zal zijn uitgelegd en verklaard!
Het is onbillijk om een half voltooid schilderstuk te beoordeelen, om een half ontwikkeld plan te berispen, of te veroordeelen. Gods plannen zijn hier nog in ontwikkeling. „Wij zien quot;zegt Rutherford „ slechts gebrokene schakels uit de keten van Zijne Yoorzienigheid. Laat de vormer Zijn leem maken in den vorm, dien hij verkiest.
„Maar een stroom van licht zal ons van den saffiren troon tegenstralen. In uw licht, o God! zien wij het licht.quot; De noodzakelijkheid, nu voor ons bedekt, zal ons dan worden geopenbaard, en zal glinsteren van liefde.
Wellicht behoeven wij niet eenmaal op de eeuwigheid te wachten, om deze belofte vervuld te zien. Wij kunnen reeds hier soms hare vervulling erlangen. Niet zelden zien wij reeds in deze wereld onverklaarbare lotgevollen uit-
57
loopen op ongedachte zegeningen. Nimmer had Jacob Jozef teruggezien, indien hij niet van Benjamin had willen scheiden. Dikwijls zouden de geloo-vigen den waren Jozef nimmer zien, indien zij niet scheidden van hunne geliefden. Dan roepen wij even als Jacob uit: „Ik ben beroofd! Alle dingen zijn tegen mij!quot; Maar de lotgevallen juist, die ons zoo rampspoedig schenen, deden ons nog vóór den dag des doods, den Hemelschen Koning in Zijne heerlijkheid zien.
Veel wordt ons toegezonden om ons te vernederen, om ons té beproeven. Het moge ons dan nu geen goed schijnen, de belofte is ons gegeven van het „ naderenquot; Ik zal mij niet vermeten, mijnen God Zijne wegen voor te schrijven. De patient schrijft de geneesmiddelen den medicijnmeester niet voor, hij weigert de geneesmiddelen niet, omdat zij bitter zijn, — hij weet zij zijn hem goed.
58
en neemt ze in vertrouwen aan. Ons geloof moet berusten in hetgeen God doet. Laat ons Zijne liefde niet miskennen en Zijne Getrouwheid niet ont-eeren, door te denken, dat er een enkele droppel te veel is in den beker, die Zijne liefderijke Wijsheid ons mengt.
// Nu kennen icij ten deele, maar dan zullen wij kennen, gelijk wij gekend worden !quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
Dag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„ Ik heb u gekeurd in den smeltkroes dei-ellende.
Jes. XLVIII: 104.
De uitgezochte plaats.
De smeltkroes der ellende! Daar ontmoet de Heer Zijn volk. „Ik heb u geleurdquot; zegt Hij. Daar zal Ik u laten, totdat de loutering voltooid is, en indien het noodig is, breng Ik u in een vuurwagen naar den hemel! Somwijlen strekt het vuur tot vernietiging, maar dit is ter loutering. Hij, de Louteraar is bij den oven. Hij regelt de vlammen, tempert de hitte, en neemt niet meer van bet goud af dan wat Hem lief is. Het bosch is brandende, maar Hij is midden in de vlam-
60
men; — een levende God in het brandende bosch, — eene levende Heiland in den oven!
Heeft Hij niet in alle eeuwen immer zoo gehandeld met zijn volk? Eerst — de beproeving, daarna zegen. Eerst moeilijkheid, dan verlossing : Egypte, plagen, donkerheid, de steenovens, de Eoode zee, veertig jaren van ontbering in de woestijn, — Kanadn! Eerst de vuurvlammen in den oven, dan de verschijning van „ een als den Zoon van God!quot; Of zooals met Elia op den Karmel, het antwoord is eerst door vuur, dan door regen. Eerst de zware beproeving, dan de zachte invloed des Geestes, die gelijk de zachte regen nederdaalt op het gras en gelijk de regenvlaag het aardrijk bevochtigt.
Geloovigen! vraagt u zei ven af, zijn mijne beproevingen geheiligd ? Maken zij mij heiliger, reiner, beter, zachter,
61
toegevender, meer hemelschgezind, aan mijnen Heiland meer gelijk? Tracht God ook in de vuurvlammen te verheerlijken. Geduld is eene genadegave, die de engelen niet aan den dag kunnen leggen. Het is eene aardsche bloem, zij bloeit niet in het paradijs! Zij heeft verdriet noodig tot haren groei en wordt gekweekt in wind en hagel en storm. Wees geduldig, bedenk dat gij, die een zondaar zijt, door stille onderwerping uwen God kunt verheerlijken op eene wijze, als voor de engelen niet mogelijk is. Hij neemt u in de binnenkameren van Zijn verbondstrouw. Zijn doel is om het schuim van u te doen en als Zijn beeld u uit den oven te nemen, geschikt tot de heerlijkheid! Zij, met wie de Heer groote oogmerken heeft, zijn veeltijds in den smeltkroes. „Zijne kinderen,quot; zegt Eomaine, „ noemen de lijdenschool eenen gelukkigen tijd.quot; Nimmer zijn
63
zij zoo nabij hunnen Vader, zoo vrij in hunnen omgang met Hem, of hebben zulke hemelsche zegeningen van Hem, als onder het kruis!quot;
„ Geliefde ! acht de zware beproeving niet vreemd, maar verheug u.
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
l*»lt;lc Dag-.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
En de dagen uwer treuring zullen een einde hebben.
Jes. LX : 10b.
Geëindigd verdriet,
De geloovige heeft dagen van rouw. De plaats zijner omwandeling is een tranendal. Adam trok weenende uit zijn Paradijs, wij trekken weenende naar het onze. Uwe tranen zijn echter geteld, droevige pelgrim, nog enkele zware zuchten, nog enkele donkere wolken, en de zon, wier licht nimmer meer zal verduisteren, zal over u schijnen ! Het leven moge u toeschijnen als een lange, eenzame weg, spoedig zult gij de welluidende klanken van de torens
64
van het nieuwe Jeruzalem hooren, die tot u zeggen : „ Ga in, in de vreugde des Heeren \\quot; „ God zal alle tranen van uwe oogen afwisschen \\quot;
„De dagen uwer treuring!quot; Het is eene vertroostende gedachte, dat deze dagen geteld zijn en worden toegemeten. Het wordt u gegeven te lijden, zegt de Apostel. Ja, en indien gij Gods kind zijt, zijn juist de dagen uwer treuring, dagen vol van zegeningen, en een groot voorrecht. Voor den ongeloovige zijn die dagen voorboden van eeuwigdurend verdriet, voor den geloovige voorboden van eeuwige heerlijkheid! Droefheid is voor den eenen een wolk zonder boog, voor den anderen is zij een wolk, stralende van belofte en hoop. Lezer! zijt gij één uit het groote gezin van rouwdragers? Wees getroost! spoedig zal de lange nachtwake, het lijden, de ziekte, zwakte en vermoeidheid
65
voorbij zijn. Uwe ziel zal niet meer in het duister zitten. Spoedig zult gij nergens meer van verlost behoeven te worden, uwe tegenwoordige verliezen, uw kruis, \'t zal alles veranderen in eeuwige winst. De tranen, die dauwdruppelen van eenen in weenen doorgebrachten nacht, zullen weldra als diamanten schitteren in den morgen der eeuwigheid! Spoedig zult gij de voetstappen van uwen Meester hooren, als Hij u toeroept: „De dagen uwer treuring zijn geëindigd, ontdoe u van uwe treurigheid en omgord u met blijdschap. Uw leven moge u, tot op dat oogenblik toe een lange, treurige dag schijnen, indien gij eens de gouden portalen zijt ingegaan, zal het oog niet meer verduisterd worden; de fontein uwer tranen zal zijn opgedroogd! Het tijdperk uwer treuring wordt geteld bij „dagen,quot; dat van uwe verlossing bij jaren en eeuwen! „ Wat buigt gij u dan
5
66
neder mijne ziel! en zijt onrustig in mij? hoop op God!quot;
Ik wil mijnen betraandcn blik ves-tigen op dezen hemelscben regenboog en den psalm, dieu de Heer, die mijne tranen zal afdroogen, mij op de lippen heeft gelegd, in den nacht zingen.
„ En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn : want de eerste dingen zijn weggegaan!quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
ITVle Dag.
,Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Hebr. XIII: 5.
De blijvende Vriend.
Geen onzer aardsche vrienden kan dat zeggen. De vaste en dierbaarste banden kunnen breken, ja zijn gebroken. De afstand verwijdert ons, de tijd vervreemdt ons, het graf scheidt ons. Geliefde aardsche blikken zenden u slechts zwijgende glimlachjes toe, van het afbeeldsel aan den wand. Maar er is één machtige, onveranderlijke, onwankelbare quot;Vriend. Bedroefde! te midden der vernietiging van elke aardsche vreugde, die gij nu beweent, komt er
66
neder mijne ziel! en zijt onrustig in mij? hoop op God!quot;
Ik wil mijnen betraandon blik ves-tigen op dezen heraelschen regenboog en den psalm, dien de Heer, die mijne tranen zal afdroogen, mij op de lippen heeft gelegd, in den nacht zingen.
„ En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn : want de eerste dingen zijn weggegaan!quot;
„En liet zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
Ifde Dag.
,Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Hebr. XIII: 5.
De blijvende Vriend.
Geen onzer aardsche vrienden kan dat zeggen. De vaste en dierbaarste banden kunnen breken, ja zijn gebroken. De afstand verwijdert ons, de tijd vervreemdt ons, het graf scheidt ons. Geliefde aardsche blikken zenden u slechts zwijgende glimlachjes toe, van het afbeeldsel aan den wand. Maar er is één machtige, onveranderlijke, onwankelbare Vriend. BedroeMe! te midden der vernietiging van elke aardsche vreugde, die gij nu beweent, komt er
68
een boodschap van uwen God tot u: „ Ik zal u niet begeven, en ik zal u niet verlaten!quot; Uwe bloem is verwelkt, maar Hij, die baar u gaf, blijft. Geef u over aan Zijn bestier. Hij wil u Zijne Al-genoegzaamheid voor uw geluk toonen.
Wanneer gij menigmaal in stilte en in de eenzaamheid de klacht uit: „Jozef is niet meer en Simeon is niet meer lquot; Denk aan Hem die beloofd beeft „den eenzamen te zullen zetten in een huisgezin en hem eenen naam en eene plaats te zullen geven, beter dan die van de zonen en dochteren! Ps. 68: 7.quot;
Alleen! gij zijt niet alleen! Vergeet u zeiven, en zie op Jezus. Het is, het kan geen nacht zijn, wanneer de zon uwer ziel immer u nabij is ! In den morgen komt Hij met de eerste lichtstralen, die uwe kamer binnen dringen. Wanneer de schaduwen des nachts u omringen. Hij, voor „wien licht en duisternis één zijnquot;, is aan uwe zijde.
69
Wanneer in den stillen nacht de slaap van uwe oogen wijkt, en uwe geliefde afgestorvenen voorbij u heengaan, gelijk schaduwen op den wand. Hij, de Hoeder Israëls, die nimmer sluimert, waakt over uwe sponde en fluistert u in het oor: „Vrees niet, want ik beu met u !quot; Gij raoogt dan met Paulus uitroepen: „ zij hebben mij allen verlatenquot;, maar met hem zult gij in den uitersten nood er kunnen bijvoegen: „ maar de Heer heeft mij bekrachtigdquot; 2 Tim. IV : 16, 17. Zijne genade is het leven. Hij kan elk aardsch verlies vergoeden door Zijne liefderijke nabijheid Zonder de wetenschap van Zijne liefde, zoude de kleinste beproeving u verpletteren. Met Hem in uwe beproeving, terwijl Hij u ondersteunt, ja terwijl Hij in de plaats komt van hen, die gij beweent, zult gij een oneindig en onuitputtelijk deel ontvangen, voor een dat eindig en veranderlijk is.
70
In het rijk der natuur zien wij menige wolk zonder boog, maar nimmer in het rijk der genade. Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hehben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. (Ps. 94: 19.) Indien uwe aardsche zon in het felste verdriet schijnt te zijn ondergegaan, verheldert een inwendig, maar niet minder werkelijk licht uw verbrijzeld hart. De stroom uws levens moge vergiftigd zijn, maar gezegend zij Zijn naam, indien het u doet uitroepen : „ De Heer is mijn deel, op Hem zal ik hopen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
ISde Dag.
„ Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Want Hij plaagt of bedroefd de men-schenkinderen niet van harte.
Klaagl. III: 33.
Met begeerde tucht.
Zoo dikwerf komt teu tijde van beproeving, onder het ondoorgrondelijk Godsbestuur, de morrende klacht in ons hart op: „Al deze dingen zijn teyen mij!quot; Had deze zware slag mij niet bespaard kunnen worden ? Had deze donkere wolk, die mijn hart en mijn leven overschaduwd heeft, niet afgewend kunnen worden ? Hadden mijne beproevingen niet minder streng kunnen zijn ?
72
„Waarlijk de Heer heeft vergeten genadig te zijn!quot;
Neen, deze beproevingen zijn stille boden der genade! Hij plaagt uietvan harte. Er is geen willekeur of grilligheid in Gods handelingen. Onuitsprekelijke teederheid is de karaktertrek van Zijne bedoeling! De wereld moge onvriendelijk worden, — vertrouwde vrienden mogen ons verraden, — een broeder moge met onnoodige hardheid en gestrengheid tot ons spreken : maar de Heer is overvloedig in goedheid en waarheid. Hij veroorzaakt geen\' noodeloozen angst. Wanneer Zijne stem, gelijk die van Jozef had mogen klinken, de liefde is er toch de grondtoon van. De harde uitdrukkingen worden gebezigd, omdat Hij dierbare lessen te leeren geeft, die anders niet kunnen geleerd worden.quot;
Wees verzekerd, er bestaat noodzakelijkheid voor al wat Hij doet. In den kalender van ons verdriet kunnen wij bij
73
elk uur van beproeving deze schitterende handteekening plaatsen : „ Het was noodigquot;. Elke overtollige tak van den boom moet gesnoeid worden. Enkele lasten moeten overboord geworpen worden, om het schip te verlichten en verdere ongelukken te voorkomen. Rouwdrager ! Hij had nog geheel anders met u kunnen handelen! Hij had u als eenen onvruchtbaren boom kunnen uitroeien! Hij had u kunnen overgeven aan de begeerlijkheid uws harten. — Verbonden aan uwe afgoden had Hij n „alleenquot; kunnen laten en u een eeuwig heil kunnen doen verbeuren! Maar hij had u te lief. Het was liefde, oneindige liefde, die uw schoonste bloesem deed bederven en uwen weg tus-schen doornen deed gaan. „Zonder dezen doornenhaag aan onze rechter-eu linkerhandquot;, zegt Eichard Baxter, „zouden wij moeilijk den weg ten hemel kunnen blijven bewandelen.quot;
u
Wij mogen in ongeloof spreken van beproevingen, die ons hadden kunnen bespaard worden, — kastijdingen, die noodeloos gestreng waren, de dag zal komen, dat elk van \'s Heeren handelwijzen zal worden gerechtvaardigd, en dat wij zullen toestemmen, dat elk ondervonden verdriet een onuitsprekelijk dierbaar en belangrijk deel bevat van de geschiedenis onzer ziel. Ja ! — kind van God, de bode des verdriets heeft eenen olijftak in de eene hand, — een teeken van liefde geplukt in bet paradijs, — en in de andere eenen beker, gemengd door Eénen, te liefdevol en te genadig, om er een enkele bittere droppel te veel in te doen.
Bedenk, dat elke droppel van toorn uit dezen beker is weggenomen door uwen Verlosser. Als u de beker in de hand wordt gegeven, zoek dan troost te putten uit de woorden, die een nog grooter Lijder, in een nog donkerder
75
ure zoo krachtig staande hielden : —
// de drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft zal Ik dien niet drinken ?quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat de boog zal gezien worden in de wolken.quot;
19lt;le üag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Ik ben die leel. en ik ben dood geweest; en zie, Ik ben in alle eeuwigheid, Amen, En ik heb de sleutels der hel en des doods.
Openb. 1:18.
De dood overwonnen.
Een gekroonde Heiland spreekt! „Ik ben die leef!quot; (of, de levende). Anderen zijn voorbijgegaan, maar Ik leef altijd en heb u immer lief! Ik leef nu \\ een persoonlijke Heiland — „Christus uw leven!quot; Zit gij ter neder gebogen, omdat eene windvlaag een geliefd leemen huis in een puinhoop heeft veranderd? Ih deed die windvlaag opkomen. Ik bracht u den harden slag toe. Ik bestelde het doodskleed en opende het graf! Zet de woor-
77
den : noodlot toeval en ongeluk, niet in het woordenboek van uwe beproeving. Ik ben de Heer van den dood, zoowel als van het leven. Ik heb de sleutels der hel en des doods aan mijnen gordel hangen.
Alleen door Mij wordt het graf ontsloten. Laat anderen spreken van de macht van den koning der verschrikking, hij heeft geene macht dan door Mij. Nog meer bedroefde! „Ik wan dood.quot; Ik zelf trad eenmaal in dat donkere voorportaal ! Ik heiligde en wijdde het graf in door Mijne tegenwoordigheid! — Ik was de bewaarder van het graf. Dit lichaam, nu verheerlijkt, werd ook eens door menschenhanden in het graf gelegd ! Kunt gij vreezen om de vallei te betreden, die de Heer betrad? — Den laatsten vijand te ontmoeten, door Hem bevochten en overwonnen? De dood is door hem veranderd in een overgang ten eeuwigen leven.
70
In het rijk der natuur zien wij menige wolk zonder boog, maar nimmer in het rijk der genade. Als mijne gedachten binnen in mij verw,enigvuldigdiverden, hehben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. (Ps. 94: 19.) Indien uwe aardsche zon in het felste verdriet schijnt te zijn ondergegaan, verheldert een inwendig, maar niet minder werkelijk licht uw verbrijzeld hart. De stroom uws levens moge vergiftigd zijn^ maar gezegend zij Zijn naam, indien het u doet uitroepen : „ De Heer is mijn deel, op Hem zal ik hopen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
l^de Dagj1.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Want Hij plaagt of bedroefd de men-schenkinderen niet van harte.
Klaagl. Ill: 33.
Niet begeerde tucht.
Zoo dikwerf komt teu tijde van beproeving, onder het ondoorgrondelijk Godsbestuur, de morrende klacht in ons hart op: „Al deze dingen zijn teyen mij!quot; Had deze zware slag mij niet bespaard kunnen worden? Had deze donkere wolk, die mijn hart en mijn leven overschaduwd heeft, niet afgewend kunnen worden? Hadden mijne beproevingen niet minder streng kunnen zijn ?
72
„Waarlijk de Heer heeft vergeten genadig te zijn!quot;
Neen, deze beproevingen zijn stille boden der genade! Rij plaagt niet van harte. Er is geen willekeur of grilligheid in Gods handelingen. Onuitsprekelijke teederheid is de karaktertrek van Zijne bedoeling! De wereld moge onvriendelijk worden, — vertrouwde vrienden mogen ons verraden, — een broeder moge met onnoodige hardheid en gestrengheid tot ons spreken : maar de Heer is overvloedig in goedheid en waarheid. Hij veroorzaakt geen\' noodeloozen angst. Wanneer Zijne stem, gelijk die van Jozef had mogen klinken, de liefde is er toch de grondtoon van. De harde uitdrukkingen worden gebezigd, omdat Hij dierbare lessen te leeren geeft, die anders niet kunnen geleerd worden/1
Wees verzekerd, er bestaat noodzakelijkheid voor al wat Hij doet. In den kalender van ons verdriet kunnen wij bij
73
elk uur van beproeving deze schitterende handteekening plaatsen: „Eet loas noodigquot;. Elke overtollige tak van den boom moet gesnoeid worden. Enkele lasten moeten overboord geworpen worden, om het schip te verlichten en verdere ongelukken te voorkomen. Rouwdrager ! Hij had nog geheel anders met u kunnen handelen! Hij had u als eenen onvruchtbaren boom kunnen uitroeien! Hij had u kunnen overgeven aan de begeerlijkheid uws harten. — Verbonden aan uwe afgoden had Hij u „alleenquot; kunnen laten en u een eeuwig heil kunnen doen verbeuren! Maar hij had u te lief. Het was liefde, oneindige liefde, die uw schoonste bloesem deed bederven en uwen weg tus-schen doornen deed gaan. „Zonder dezen doornenhaag aan onze rechter-en linkerhandquot;, zegt Richard Baxter, „zouden wij moeilijk den weg ten hemel kunnen blijven bewandelen/\'
74
Wij mogen in ongeloof spreken van beproevingen, die ons hadden kunnen bespaard worden, — kastijdingen, die noodeloos gestreng waren, de dag zal komen, dat elk van \'s Heeren handelwijzen zal worden gerechtvaardigd, en dat wij zullen toestemmen, dat elk ondervonden verdriet een onuitsprekelijk dierbaar en belangrijk deel bevat van de geschiedenis onzer ziel. Ja! — kind van God, de bode des verdriets heeft eenen olijftak in de eene hand, — een teeken van liefde geplukt in het paradijs, — en in de andere eenen beker, gemengd door Eenen, te liefdevol en te genadig, om er een enkele bittere droppel te veel in te doen.
Bedenk, dat elke droppel van toorn uit dezen beker is weggenomen door uwen Verlosser. Als u de beker in de hand wordt gegeven, zoek dan troost te putten uit de woorden, die een nog grooter Lijder, in een nog donkerder
75
ure zoo krachtig staande hielden: —
// de drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft zal Ik dien niet drinken ?quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat de boog zal gezien worden in de wolken.quot;
lOde Dag1.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Ik ben die leef. en ik ben dood geweest; en zie, Ik ben in alle eeuwigheid, Amen, En ik heb de sleutels der hel en des doods.
Openb. 1:18.
De dood overwonnen.
Een gekroonde Heiland spreekt! „Ik ben die leef!quot; (of, de levende). Anderen zijn voorbijgegaan, maar Ik leef altijd en heb u immer lief! Ik leef nu \\ een persoonlijke Heiland — „Christus uw leven lquot; Zit gij ter neder gebogen, omdat eene windvlaag een geliefd leemen huis in een puinhoop heeft veranderd? 7^ deed die windvlaag opkomen. Ik bracht u den harden slag toe. Ik bestelde het doodskleed en opende het graf! Zet de woor-
77
den : noodlot toeval en ongeluk, niet in het woordenboek van uwe beproeving. Ik ben de Heer van den dood, zoowel als van het leven. Ik heb de sleutels der hel en des doods aan mijnen gordel hangen.
Alleen door Mij wordt het graf ontsloten. Laat anderen spreken van de macht van den koning der verschrikking, hij heeftmacht dan door Mij. Nog meer bedroefde! „Ik was dood.quot; Ik zelf trad eenmaal in dat donkere voorportaal! Ik heiligde en wijdde het graf in door Mijne tegenwoordigheid! — Ik was de bewaarder van het graf. Dit lichaam, nu verheerlijkt, werd ook eens door menschenhanden in het graf gelegd ! Kunt gij vreezen om de vallei te betreden, die de Heer betrad? — Den laatsten vijand te ontmoeten, door Hem bevochten en overwonnen? De dood is door hem veranderd in een overgang ten eeuwigen leven.
78
u Ik ben het die dood tvas.quot; — „ Ik hen die leefquot; Wat kan de Christen meer wenschen dan deze tweevoudige verzekering? Op den grooten verzoendag werd niet alleen de grond, maar ook den genadetroon met bloed be-sprengd; — de stem des bloedskwam van omlaag van den grond beneden, en van omhoog van den genadetroon. Zoo is het ook met de stem des bloeds van onzen Oudsten Broeder.
Het riep eerst van de aarde, en roept nu van den Hemel j Zijne stervende liefde leeft nu voor eeuwig, — onvergankelijk en onwankelbaar als Zijn wezen 1 Evenmin als de regenboog kan ophouden te verschijnen, zoo kan ook dan alleen de boog van het Eeuwig Verbond en al hare zegeningen ophouden, wanneer Christus, de Zon der gerechtigheid ophoudt te schijnen, en ophoudt te zijn! Met zulk eenen boog, die de toekomst omspant, —
79
terwijl het eene deel in de landen der levenden blijft, en het andere zijne kleuren samensmelt met de diepe schaduwen van de vallei des doods,
// zal ik geen kwaad vreezenquot; // want Gij, o God zijt met mij, uw stok en uw staf vertroosten mij!\'
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
SOste Dag.
„Mijnen boog lieb Ik gegeven in de wolken!quot;
Die ook Zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
Rom. VII: 32.
De grootste gift.
Dat zijn verbazingwekkende woorden ! God — de Oneindige — die, (om zoo te spreken) zich vereenzelvigt met het menschelijk verdriet, en elke klacht stilt met het onwederlegbare antwoord : // Ih spaarde Mijn eigen Zoon niet!quot; Ik gaf mijne grootste gift voor u, wilt gij niet bereidwillig het beste van het uwe Mij afstaan? Kunt gij Mij, nadat Ik u deze onuitsprekelijke gave mijner lief-
81
de gaf, in kleiuere dingen niet vertrouwen? Ja, deze groote gave is ons wel een onderpand, dat Hij ons het mindere niet zal onthouden.
Hij belooft ons alle dingen te schenken, en al deze dingen zijn in Zijne handen. Zij worden uitgezocht en toebedeeld door Zijne liefdevolle wijsheid; het kruis zoowel als de zegeningen — verdriet en tranen, zoowel als vreugde en gejuich! Eouwdrager, juist deze beproeving, die nu uw oog verduisterd, is een van „ al deze dingen.quot; Vertrouw op Zijne getrouwheid. Hij zoude evenmin den Zoon zijner liefde wonden als u.
Hoe zal Hij ons niet geven? Het is eene gezegende onmogelijkheid na de Gave aller gaven, dat Hij eene onnoo-dige beproeving zou zenden of eene noodige gave zou onthouden. Denk aan zijne liefde toen Hij zijnen Izaak offerde op het altaar.
G
82
Die liefde is dezelfde ook in dit uur. Oneindig — onwankelbaar. Wel mogen wij bij het gemis van aardsche zegeningen bedenken, dat Hij, die ons Jezus gaf, zulks wilde. Terwijl wij ons vol vertrouwen in Zijne genade-armen werpen, zeggen wij Heer! alles met Uwe liefde, — alles, behalve uwen toorn!
„ Alle dingen,quot; Al onze nooden en behoeften zijn Hem bekend. De zorgen die Hij wenscht, dat wij op Hem zullen werpen, zijne al mijne zorgenquot; — de nooden al mijne noodenquot; Dit is zijne eigene persoonlijke belofte. En God is machtig alle genade in u overvloedig te doen zijn; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. 2 Corinth. IX: 8.
Hij zal mij niets geven, noch mij iets onthouden, dan hetgeen mij goed is. Bedil zijne liefderijke bedoelingen
83
niet en wondt Hem niet door ontee-rende twijfelingen. Vertrouw Hem in kleine, zoowel als in groote aangelegenheden. Na het onderpand zijner liefde in Jezus ons gegeven te hebben, kan niets kwaads uit Zijne hand ons overkomen. Worden wij van tijd tot tijd aangevochten, om morrende gedachten te kweeken, dat dan één blik op het kruis die gedachten verdrijve. Terwijl ik op den boog in de wolken staar, waar de woorden mij tegenklinken: // Hij heeft mij lief en gaf zich zélvenvoor mijquot; dat ik dan moge leeren spreken:
Kom treên wij dan gemoedigd voort, In vast vertrouwen op Zijn woord: Hoe moeilijk ons de weg ook schijn. Het eind zal zeker zalig zijn.
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken!quot;
Ölste Dagp.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Degenen, die ontslapen zijn in Jezus, zal God wederbrengen met Hem.
1 Thess. IV: 14
Slapen eu ontwaken.
Of, zoo als deze woorden ook vertaald worden: „Degenen die in Jezus te slapen gelegd zijn.quot;
Wij wenschen eenen aardsclien vriend goeden nacht, in de blijde verwachting, hem den volgenden morgen weder te zien. üe heiligen zijn te slapen gelegd in het graf bij Jezus, in de vaste en zekere hoop Hem in den morgen der opstanding te zullen ontmoeten.
Kind van God! ween niet over hen die weggegaan zijn, om met Christus te wezen. Zij hebben het nu veel beter.
85
Beschouw hen niet als weggegaan. Dat woord is uitgewischt uit het woordenboek des Christens, en wordt wellicht door menigeen te veel gebruikt in den heidenschen zin van vernietiging. Zoek de levenden niet onder de dooden, en denk liever, dat ter nauwernood hier op aarde de laatste zucht de borst ontglipte, of de lofzang werd aangeheven in den hemel. De geest nam zijne vlucht te raidden der dienende Engelen. Hoor die stera, die in het zachte gefluister der hemelsche muziek uw oor bereikt en u zegt; „Indien gij Mij lief luidt, zoo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot Mijnen Vader !quot; Het lichaam, het omhulsel van dat onsterfelijk kleinood, wordt voor eenen tijd aan de vernedering van het graf blootgesteld, maar het is slechts voor eene korte nachtwake. Ook dat stof is kostbaar, omdat het op zal staan. Het bloed van Christus kocht bet lichaam
86
zoowel als de ziel vrij. Engelen bewaken die sluimerende asch; — en de dag zal komen, dat God zijne Engelen zal uitzenden met bazuingeschal, en zijne uitverkorenen zal bijeenvergaderen uit de vier winden, van alle uiterste einden des hemels. O, indien er reeds vreugde is onder de Engelen over eénen zondaar, die zich bekeert, hoe groot zal dan de vreugde niet zijn van die gezegende wezens, over die millioenen opgewekte dooden, die zich haasten om de roepstemmen te volgen en hunne kronen en tronen te ontvangen!
Christen rouwdrager! „uw broeder zal weder opstaan.quot; Wensch hem niet terug, te midden van de stormen der wildernis. Wees veeleer dankbaar, dat de tarwe niet meer aan storm en regen is blootgesteld, maar veilig is ingezameld — eeuwig te huis. Gij zondt toch die gezegenden niet terug wenschen, al ware het mogelijk? —
87
Gij zoudt hen niet willen vergen die hemelsche taal weder af te leeren, om nog eenmaal zich in het stof der strijdenden te bewegen? Neen, „ verheug u veel meer in de zalige hoop der heerlijkheid Gods.quot;
De dood is geen eeuwige slaap. Nog eenen kleinen tijd, „ en Hij die komen zou, zal komen en niet uitblijven.quot; Jezus fluistert u nu dat groote geheim in de ooren, verborgen voor jaren en geslachten, maar Hem geopenbaard als zijnde de overwinnaar des doods. „Uwe dooden zullen leven, en zullen met Mijn gestorven lichaam opstaan.quot; Hij wijst u op dat feestuur, wanneer al Zijne slapende heiligen de roepstem zullen hooren; Ontwaakt en zingt, gij, die in het stof rust!quot;
O gezegende dag! als ik mijnen Heiland en mijnen God zien zal in al de heerlijkheid van Zijn verheven menschheid; en met Hem de eens ge-
88
liefden maar verlorenen, nu de geliefden en verheerlijkten, die nimmer meer verloren gaan! ,/ De Heer mijn God zal komen, en al Zijne heiligen met Hem,quot; — Geen enkele zal er gemist worden. Te samen met hen, wier tongen nu nog zwijgen op aarde, zullen wij dan instemmen in den lofzang der overwinnende kerk. „Dood! waar is uwe prikkel ? Hel! waar is uwe overwinning? Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heer Jezus Christus.quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken!quot;
ÖSste Dag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
En wij weten, dat diegenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn.
Rom. VIII: 28.
Onzichtbare overeensteniming;,
quot;Wij zijn zoo licht geneigd om den Heilige Israëls te verkleinen, en te zeggen: enkele dingen werken ten goede voor mij. God zegt „alle dingen \\quot;
Vreugde, droefheid, kruis, verliezen, voorspoed, tegenspoed, gezondheid, ziekte; de rijpende zoowel als de verwelkte bloesem; de gevulde, zoowel als de geledigde beker; het langdurige ziekbed, zoowel als het vroegtijdige graf!
Menigmaal zou ons oog en ons gevoel ons doen twijfelen aan deze be-
90
lofte. In menig geval zien wij slechts een flauwen weerschijn van liefde. Een nuttig leven opgeëischt — bloesems te vroeg geplukt — geestelijke steunsels ontnomen — heerlijke vooruitzichten vernietigd. Maar de Apostel zegt niet: „wij zien,quot; maar wj weten.quot; Het is de bediening des ge-loofs, God ook in de duisternis te vertrouwen. De oningewijde, de onkundige kan de bewegingen en wendingen van de verschillende raderen eener ingewikkelde machine niet begrijpen of uitleggen; maar zij vertrouwen op de kennis van den werkman, dat alles bestemd is om een groot en nuttig doel te bereiken.
Dat wij slechts boven elk ondoorgrondelijk raadsbesluit leeren schrijven: // Ooh dit komt van den Heer der Heirscharen, die wonderlijk van raad en heerlijk van daad is.quot; Dat wij „stil zijn en weten dat Hij God is.quot; Wij hebben
91
eenen geneesheer, die uit de waarheid is, die al uwe ziekten geneest.... Hij vordert slechts één ding, en wel om alles te nemen wat Hij voorschrijft, het bittere zoowel als het zoete. Hij wil zijne getrouwheid en zijne rechtvaardigheid in onze beproevingen openbaren; onze zielen zullen er te beter om zijn en Hij zal er door geëerd worden.
Het schijnt alsof Hij ons zegt: „twijfel niet aan mijne liefde, de dag zal komen, waarop u alle geheimen geopenbaard en alle verborgenheden ontdekt zullen worden, en deze zelfde beproeving zal blijken een van „al de dingenquot; te zijn, die u medewerken ten goede. Menschen zien in de wolken geen heerlijk licht „maar het zal geschieden, dat aan den avond licht zal zijn \\quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
S3ste Dag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
„Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.quot;
Heb. XIII; 8.
De onveranderlijke naam.
Alles verandert hier. Het leven is gelijk een kaleidoskoop, gemaakt van telkens veranderende vormen, — nieuwe tooneelen, — een andere smaak, — nieuwe gevoelens, nieuwe vereenigingen — eene wisseling van wolken en zonneschijn, storm en windstilte. Zijne vreugde is gelijk aan eene waterbel, door het zonlicht gekleurd ; zij verdwijnt als wij haar aanraken. Wij kunnen getuigen van ledige plaatsen aan onzen huis-selijken haard — en welbekende en ge-
93
liefde klanken worden niet meer door ons gehoord. Dikwijls als wij denken eenen vasten grond gevonden te hebben, brokkelt de grond onder onze voeten af; de steun, waar wij zoo lang ons op verlieten, ontvalt ons, en wij gevoelen ons te midden van den vree-selijken stormwind.
Maar is er dan niets duurzaams te midden van al die onbestendigheid ? — Niets zekers en blijvends te midden dier schaduwen die verdwijnen? Ja! Jezus is de onveranderlijke. Achttien honderd jaren zijn daar voorbijgegaan sedert Hij de wereld verliet. Die wereld is veranderd, maar Hij bleef dezelfde tot op dit uur. Als wij Hem volgen op zijnen liefdevollen pelgrimstocht op aarde, dan zien wij de boetvaardigen aan zijne voeten, wier zonden worden vergeven; — de bedroefden, die zijne voetstappen met tranen volgen, en wie de tranen worden gedroogd en het ge-
94
broken hart geheeld wordt; — de lijdenden en kranken, die met verbleekte lippen en vervallen aangezicht Hem om redding smeeken, — en krankheid en kwalen verdwijnen op zijn Almachtig bevel! En Hij, die nu op den troon in den Hemel is gezeten, is „diezelfde Jezusquot;. Zijne heerlijkheid heeft Zijn onveranderlijk hart niet veranderd. In Hem hebben wij eenen rotssteen, onwankelbaar vast tegen de golven des te-genspoeds. De woedende golven kunnen ons niet meer bereiken, en doen ons de zekere haven des te meer waarderen !
Hoe vaak doet God den stormwind opkomen, om ons van alle aardsche hulp te doen afzien en tot zich te trekken? Hoe vaak vergiftigt Hij den stroom, of maakt dien troebel om ons de eeuwige bron te doen zoeken en vinden. Wij mogen veel hebben verloren, maar indien wij TJ hebben ge-
95
vonden, o gezegende Jezus, bezitten wij oneindig meer dan wij hebben moeten missen. Wij mogen aannemen, dat niets ons van uwe liefde kan scheiden. Zelfs bij onze beste aardsche vrienden, kan één blik vervreemding, — één onbedachtzaam woord verwijdering baren, — het graf moet scheiden j maar de Heer leeft in eeuwigheid, gezegend zij mijn rotssteen, dat de God mijns heïls worde verheerlijkt. Wat Gij gisteren, ja vóór eeuwen waart, dat zijt Gij heden en zult het voor immer zijn! Wanneer wij op den boog uwer beloften staren, dan zien wij ze allen in U vervuld. Gij, die Ja en Amen zijt! Gij roept ons toe van Uwen troon, van dien troon, waarvan in de Openbaring wordt gezegd, dat zij als omgeven is van eenen regenboog van diamanten, (het zinnebeeld der eeuwigheid) en zegt: „Vrees niet: Ik ben die leef en Ik ben dood geweest; en
96
zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid \\quot; „ Omdat Ik leef, zoo zult ook gij leven!quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
S4st© Dag1.
„Mijnen hoog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Eu uwe sterkte zal zijn gelijk uwe dagen.
Deut. XXXIII: 25.
Kracht voor den dag.
Hebt gij dat niet ondervonden, ge-loovige? Hebt gij langs moeilijke wegen geene planten gevonden, druipende van balsem? Werd niet menige steun en hulp verleend, waaraan gij niet hadt gedacht, totdat de storm losbrak en de dag der beproeving aangebroken was? Maak u geene zorgen over eene u onbekende en duistere toekomst; maar werp al uwe zorgen op den Heer. „Onze schoen,quot; zegt een heilige, nu in de heerlijkheid, „zij
7
98
bestand, tegen den meest ongebaanden weg. Zijn naam is: God van alle genade. Hij zal voldoende blijken te zijn bij elke dringende behoefte van Zijn volk, ieder oogenblik en elk uur bereid voor hen, die tot Hem komen. Hij voert ons nimmer naar de bittere Marabronnen, of ontdekt ons ook het verborgen hout. Paulus werd ter neder gerukt uit den derden hemel, om de smarten van den doorn in het vleesch te oudervinden, maar stond als een reus op uit zijnen val, zich verheugende in de genade van eenen algenoegzamen God.
De heerlijke bizonderheid van deze belofte is, dat God zijne genade even-redigt naar den aard en den tijd der beproeving. Hij geeft ons niet te voren eene versterking van genade, maalais de tijd gekomen is en de noodzakelijkheid daar is, dan wordt de bestemde kracht en hulp verleend. Hij zendt niet de boog vóór de wolk,
99
maar als de wolken komen, dan wordt de boog daarin gezien! In den dag der beproeving doet Hij u aan de genade vasthouden, en in de ure des stervens doet Hij u op die genade den doodsnik geven.
Lezer! Peins niet te veel over de toekomst, vertrouw op de belofte! Wanneer de morgen met zijne beproevingen komt, dan is de Heer ook daar. Voor elke beproeving heeft Hij een genadeblijk. quot;Vertrouw op den Heer ook voor de toekomst. Wij verheerlijken Hem niet door de beproeving vooruit te loopen, maar door ons aan Zijne getrouwheid vast te houden en op Zijne belofte te vertrouwen, dat geene verzoeking onze krachten te boveu zal gaan. Zelfs al ziet gij weder andere wolken opkomen na den regen, leer dan zeggen: „ih zal geen kwaad vreezen, want Gu zijt met mj!quot;
Ontoereikend zijn uwe krachten.
100
bij elke beproeving — maar „ uwe kracht is van den Heer.quot; Hij zegt niet „ JJwe genade/\' maar Mijne genade zij u genoeg. O, verlaat u op Zijne algenoegzaamheid in alle dingen. Jehova—Jireh, „de Heer zal voorzien.quot; Boven elk uur van beproeving staat geschreven, „ God zal moe sterkte zijn
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien •worden in de wolken.quot;
£i£5ste Dag.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen. Ik zal ze vrij maken van den dood: o dood! waar zijn uwe pestilentiën ? hel! waar is uw verderf ?
Hozea. XIII: 14.
Het overwonnen graf.
Christen ! het graf is verlicht door de liefde van onzen Immanuel. De donkerste wolk, die nog over het rijk des doods hangt, heeft den heerlijksten boog in zich. Die donkere planken woning zal niet altijd het verbroken lichaam tot verblijfplaats strekken. In het land, waar uw schat ligt begraven, heerscht geen onafgebroken duisternis, noch verderf, maar eene heerlijke lente; die opstanding is be-
102
loofd, als dit verderfelijke lichaam onverderfelijkheid, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan. Be opstanding des lichaanis! Ja, dit is de voortzetting van het werk van Jezus ; bet toppunt Zijner heerlijkheid. Paulus stelt ons eene zuchtende kerk voor, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.
Het was de hoofdinhoud zijner prediking. „En hij predikte hun Jezus, en de opstanding der dooden.quot; Het was het geliefdste deel zijner geloofsbelijdenis, hetwelk zijn heiligst verlangen opwekte, „of ik ook eenigzins moge komen tot de wederopstanding der dooden.quot; Met deze vertroosting kon hij ook anderen vertroosten. Het was niet met de gedachte aan de onmiddelijke zaligheid van de scheidende ziel in de ure des doods, dat hij sprak: — „daarom vertroost elkander met deze vertroosting-,quot;
103
maar verwijlende bij „ de laatste bazuinquot; als de dooden onverderfelijk zullen worden opgewekt en bekleed met een verheerlijkt lichaam om den Heer te ontmoeten.
Gezegende dag! — het groote Paasch-feest der opstanding! de dageraad van den Sabbath-morgen! het feest van eene overwinnende kerk! Beproefde Christen! ga niet heen naar het graf om daar te xoeenen. Ook het stof wordt verlost door het offer op Calvarië; en de groote overwinnaar des doods wacht slechts op de toebrenging van Zijne uitverkorenen, om de Aartsengelen uit te zenden naar alle heiligen met de boodschap, die eens aan een zijner heiligen werd gebracht: Ontbindt hem, en laat hem heengaan!quot;
En wie kan zich de heerlijkheid der opgewekte lichamen voorstellen, her-eenigd met hunne verheerlijkte zielen, naar den heelde van hunnen Heer ge-
104
vormd? Elk zintuig, elk vermogen, — gereinigd, — verheven en geheiligd; ijverende in Zijn dienst; vurig verlangende om Zijnen wil te doen; en hoewel de eigenaardigheden en gelaatstrekken van deze aarde behoudende, nu vereenigd met hunne, door den dood gescheidene vrienden, met banden, die niet meer kunnen verbroken worden; — geen verdriet, noch tranen zullen op hunne aangezichten zijn, en geene klachten zullen meer over hunne lippen komen! En het Lam, te midden van den troon zal hen leiden en voeden, en terwijl Hij hen steeds verder brengt op het pad des levens, bij elke schrede hen toeroepende: „Ik zal u grootere dingen dan deze doen zien
Zijne opstanding is de waarborg van de opstanding Zijns volks. De groote schoof is voor den troon gelegd, als de eersteling van den oogst. Christus
105
de eersteling, daarna zij, die bij Zijne Icomst des Ileeren zijn. Gezegend en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding !quot;
„En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
gt;26ste D.-itiquot;.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Ik heb u lief gehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
Jer. XXXI: 3.
Eeuwige liefde.
Geloovige! zoudt gij aan Zijne liefde twijfelen? Kunt gij Zijne voetstappen niet ontdekken in de nachtelijke schaduwen, door welke Hij u voert? Bedenk het. Hij ziet op u neer, van voor uwe geboorte, ja van voor alle eeuwigheid ! Al wat nu vaak niet anders dan de werking eener verborgene kracht schijnt te zijn, is het besluit van Zijne eeuwige liefde. Ik beminde u, zegt Hij, ook in deze beproeving; Ik zal u blijven liefhebben, en als Mijn doel met
107
u bereikt is, zal Ik u toonen, dat Mijne liefde van eeuwigheid tot eeuwigheid is!
Kind van God! Indien de oppervlakte van den stroom is bewogen, ga tot zijne hoofdbron, die enkel liefde is. God is getrouw. Hij kan zich zelveu niet verloochenen. Hij heeft een wijs doel met u, indien donkere wolken de heerlijke stralen onderscheppen.
„Voor een\' klein oogenblik heb Ik u verlaten; maar met groote ontferming zal ik u vergaderen. In eenen kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij uwer ontfermen, zegt de Heer, uw Verlosser. Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat die wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.
108
Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid ual van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de fleer uw ontfermer.quot; Jes. LTV ; 7—10.
God plaatst Zijnen boog in den donkeren hemel, en alsof het niet genoeg ware, dat zijn volk mag staren op dien boog met al zijne vertroostingen en verschillende beloften, neemt ook Hij deel in het beschouwen van dit teeken des verbonds. „Als deze hoog in de wolleen zal zijn, zoo zal Ik hem aanzien om te gedenken aan het eeuwig verbond. Gen. IX: 16. Hij wil zich (om zoo te spreken) Zijn verbond herinneren. Wanneer de geloovige in donkere en bewolkte dagen alleen meent te staren op het teeken der belofte, is ook Gods oog daarop gevestigd. Het is alsof Hij zegt: „Ik zal op Mijne beloften zien, zij zullen Mij
109
gedenkteekenen zijn van Mijne eeuwige liefde!
Ook is Zijne liefde geen liefde in het algemeen voor al Zijne schepselen. Neen, ons tekstwoord spreekt van elk lid van het quot;Verbondsvolk in het bi-zonder. // Ih hel u lief gehadquot; „Vader!quot; zegt Mevr. Guyon „het is mij somtijds als vergat Gij ieder uwer schepselen, om alleen te denken aan mijn ontrouw en ondankbaar hart.quot;
Beschouwen wij onze beproevingen als koorden Zijner liefde, waarmede Hij ons tot zich wil trekken, ja ons zal trekken. Wie weet, welk een onschatbare zegen gelegen is in datgene, wat ons nu doet treuren en weenen ? Wij zijn zoo geneigd Zijne wegen en bedoelingen te miskennen.
Wij noemen Zijne daden zware beproevingen, Hij noemt ze bewijzen Zijner liefde.
Bedroefde geloovige! Vestig uw oog
110
op den regenboog, die rondom den troon van God is, en lees daar tot vertroosting de heerlijke verklaring; —
t/De genade des li eer en is van eeuwigheid tot eeuwigheid over allen, die Hem vreezen,
„ En het zal geschieden als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
S^ste Dag1.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
quot;Want daar is een vriend, die meer aankleeft dan een broeder.
Spreuken XVIII: 24.
Onverbreekbare vriendschap.
De band, die den broeder aan den broeder verbindt, is wel hecht te noemen; als speelgenooten der jeugd hebben zij in elkanders vreugde en droefheid gedeeld; in gelaatstrekken één, hebben zij dezelfde heilige indrukken van Js levens eersten morgen in hunne harten gegrift.
Maar de tijd van scheiden komt. De vogels moeten het ouderlijke nest verlaten, en zelf hunne vleugelen beproeven, buiten de vallei, waar zij zijn geboren. De wereld roept tot
112
werken, of de krijgsdienst is onverbiddelijk. Het oude huis is als een verlaten schip aan stukken gebroken, en de bewoners, even als de planken van het schip, worden ver uit elkander op den oceaan verspreid. De plichten der zamenleving verwijderen enkelen, vervreemden anderen van elkander; maar allen worden eenmaal door het graf gescheiden.
Maar Één is er, wiens vriendschap en liefde niet kan verminderen, die door geen afstand zich laat tegenhouden, en door den dood niet kan gescheiden worden. De liefste onzer aardsche vrienden kunnen van dezen oudsten Broeder zeggen, zooals Boaz tot Ruth sprak: „Het is wel waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser nader dan ik.quot; Hij is uw Broeder, ja meer dan broeder, uw Yriend, uw Raadgever, uw Deel, uw Geneesmeester en uw Herder! Wel
113
ons, wanneer wij, als menschelijke hulp ons begeeft, Hem, wiens getrouwheid onwankelbaar is, hoeren zeggen: „ Ik zal u niet begeven noch verlaten!quot; Wel ons, als de oude steunsels afbrokkelen, wij een vast anker hebben dat niet losgerukt kan worden. Eens sprak een groot geloovige, nadat hij lang de stormen en moeiten des levens had ondervonden en eindelijk de veilige schuilplaats gevonden had, „ nu leg ik mij ter ruste op de Rots der eeuwen !quot;
Beproefde geloovige! Hij heeft u nimmer verlaten en zal u nooit verlaten. Zijne liefde wankelt niet. Het riet moge bewogen worden, maar de rots staat onwankelbaar vast. Hij is zelf de „ Boog in de wolhen.quot; De belofte en de schrift zijn even zoo menigvuldig, als de verschillende kleuren in den natuurlijken regenboog. Maar al deze belofte zijn „in Hem.quot; 2 Corint. 1: 20.
8
114
Het is juist in bewolkte dagen, dat de boog het schitterendst te voorschijn komt. Nimmer zouden wij Christus hebben leeren kennen als onzen Broeder in de beproeving, dan juist door de beproeving. In de beproeving leeren wij eerst recht Zijne liefde kennen. Wanneer onze liefde voor aardsche vrienden ten grave is gedaald, openbaart de liefde van den hemelschen Vriend zich teederder dan immer. Eens werd Jonathan verkwikt door het eten van honig, dien hij vond aan een boom, toen hij vermoeid en hongerig ronddoolde in het woud en gij vermoeide en beladene ziel, zet u op uwen doornigen weg onder Zijne schaduw neder, en laat Zijne vrucht u verkwikken ! Van dezen boom des levens druipt balsem af voor elk gebroken, gewond en bloedend hart -— voor elke ternedergedrukte ziel. Ja, Jezus wil Zijne woorden en belof-
115
ten in deze uren van smart en verlatenheid voor u waar maken : „ Zoek dan honig en honigzeem.quot; Ofschoon Hij nu op den troon is gezeten, waar eeuwige lofzangen Hem tegen klinken, toch verloochent Hij Zijn broederharten Zijne broederliefde niet. „Hij schaamt zich niet ons Zijne broeders te noemen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
S^ste Dag1.
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken.
Jes. XLIII: 2.
Beschermende tegenwoordigheid.
quot;Welk een verscheidenheid van smarten in deze wereld! — „Water, rivieren, vuur.quot; De Christen wordt hier gewaarschuwd, dat hem een dier beproevingen in de eene of andere gestalte zal ontmoeten, hetzij door gemis van gezondheid, verlies van welvaart, verlies van vrienden, teleurgestelde vooruitzichten, of vervlogen hoop. Maar
Tl 7
welk eene heerlijke gedachte, dat deze beproevingen hare grenzen hebben. De rivieren zullen u niet overstroomen, het vuur zal u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. De Heer zal zeggen: „tot hiertoe en niet verder.quot; Maar wat nog meer zegt, Jezus zal in deze beproevingen met n zijn, en die nabijheid zal u blijken genoegzaam te wezen. Te midden der hoogste smarten zullen wij des Meesters voetstappen hooren. Hij is zelf door deze vlammen heengegaan. Hij heeft deze stroomen getart, en Zijn onschuldig hoofd ontbloot voor deze stormen. Even als Hij tot Zijne discipelen kwam te midden van eenen hevigen storm, zoo komt Hij ook tot ons en zegt: „quot;Vreest niet. Ik ben het.\'\'
Geloovige 1 wat is uwe ervaring? Is het niet die der overwinnende Israëliten ? ullj heeft de zee veranderd in het drooge; zij zijn te voet doorgegaan
118
door de rivier-, daar hebben wij ons in Hem verblijd.quot; Ps. 66 : 6.
Gij waart in staat onverschrokken de dreigende golven te trotseeren, ja zelfs met eenen lofzang op de lippen! Van waar deze zedelijke kracht — deze raadselachtige blijmoedigheid? Het was, omdat de Heer in Zijne wolkkolom u nabij was. Uwe blijdschap was in Hem. Hij maakte u „ meer dan overwinnaar.quot; Al zijt gij omringd door menigen machtigen tegenstander, als daar is — „droefheid, smart, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, zwaard.quot;
Een is er te midden van vuur en vlammen machtiger dan die allen, en met Hem aan uwe rechterzijde kunt gij stoutmoedig uitroepen, met uitdaging tot de hoogte boven u en de diepte beneden u; — „ Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus?quot; „O mijne geliefden !quot; zegt Thomas Brooks, „een gekruiste Jezus weegt rijkelijk op tegen
119
al de beproevingen, moeilijkheden en behoeften van Zijn volk.quot;
» En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge. dat deze boog zal gezien worden in de wolken!quot;
SOste Dag-.
„Mijnen Loog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.
Hebr. IV: 15.
Medegevoel.
„Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzoo waa de gedaante van den glans rondom ; dit was de gedaante van de gelijkenis des Heeren.quot; Eze-chiel 1: 28.
Welk eene verhevene waarheid. Het medelijden van Jezus den God-mensch, den waren Boog in de wolken, met onze smarten! Welk eene bron van vreugde voor ons gebroken en verlaten hart! welk eene groene weide om uit te rusten, te midden van zware stormen of bewolkte dagen.
121
Het medelijden van menschen beurt ons op en vertroost ons; maar „ tot hiertoe en niet verderquot; geldt ook daar. Dat medelijden is eindig, begrensd — dikwijls baatzuchtig. Daar zijn smarten op deze aarde, die buiten het bereik zijn van elke aardsche hulp.
Alleen het medelijden van Jezus is rein — verheven — oneindig — ontdaan van alle eigenbaat. Hij heeft zelf elk lijden ondervonden. Droefheid of angst kunnen mij niet zoo diep ter nederdrukken, of Zijne armen zijn nog lager. Hij wordt de groote, medelijdende Hoogepriester van zijne kerk genoemd, over wien alle droefheid, vervolging en lijden van zijn volk heengaan.
Beproefde! Er klopt een mensche-lijk hart voor u op den troon, en Hij heeft uwen naam op dat harte geschreven. Hij zorgt zoo voor u, alsof niemand anders Zijne zorg behoefde.
122
Als de Hoogepriester gaat Hij tusschen de lampen zijns tempels, — terwijl Hij deze nu eens met olie aanvult, dan gene weer gereed gemaakt, maar alles, opdat zij te helderder en aanhoudend branden, n Hij 2vas in alle dingen beproefd.quot; Gezegende verzekering! — Mij kan geen verdriet overkomen, in hetwelk „de man van smartenquot; niet dealen kan. Eerder wil ik te raidden der zwaarste beproeving luisteren naar de woorden van een lijdenden Verlosser. — „ Is daar eenige smart gelijk de mijne!quot; En toch vergeet Hij niet den beker te ledigen. Toch deinst Hij niet terug voor het hem voorgestelde kruis! Zijn besluit staat vast om naar Jeruzalem te gaan; — en toen Hij aan het kruishout hing, weigerde Hij nog den edik, die zijnen brandenden dorst zoude hebben gelescht en het lichamelijk lijden zou hebben verminderd. Zoudt gij gaan morren onder de kastij-
123
dende hand Gods? Aanschouw Hem, die verdroeg, opdat gij niet vermoeid of ternedergedrukt zoudt zijn. Zouden wij aarzelen het kruis op te nemen, dat onze Heer en Meester ons wil opleggen, wanneer wij denken aan het nog oneindig zwaarder kruis, dat Hij zachtmoedig en zonder morren voor ons droeg?
Beproefde! quot;Vestig uw oog op dezen glinsterenden boog in de wolk van uw verdriet, en terwijl gij, als eens de discipelen op den berg der verheerlijking, zoudt vreezen de wolk binnen te gaan, hoor de stem die u daaruit tegen-klinkt: „deze is mijn geliefden Zoou! hoort Hem.quot; Jezus spreekt tot u uit deze wolken. Hij verzekert ons, dat onze zorgen Zijne zorgen zijn; ons verdriet Zijn verdriet. Hij heeft een wijs en heilig doel met elk Zijner kastijdingen. De stem des Heeren roept: Hoort de roede en wie ze besteld iieeft. Micha YI: 9.
124
Zijn hart is te liefdevol om ons noodelooze pijn te veroorzaken. O, dat wij in waarheid die stem uit de wolken mogten hooren, opdat de beproevingen, die Hij ons toezendt, aan ons harte mogen worden geheiligd. Laat ons ons zeiven niet bedriegen, meenende dat de droefheid en beproevingen zelve, de weg ten hemel zijn. De wolken maken den regenboog niet. Die heerlijke kleuren komen alleen van de stralen der zon. Zonder de zon zouden wij slechts zwarte wolken en zware regenbuien zien.
Niet daarom genieten zij, die in witte kieederen gekleed zijn, de zalige nabijheid des Heeren, omdat zij uit groote verdrukking Twmen; maar omdat zij hunne lange Ideederen hebben gewas-schen en wit gemaakt in het bloed des Lams. Openb. Vil: 14.
Dan alleen mogen wij roemen in de verdrukking, wanneer die verdruk-
125
king het middel is geweest om ons nader te brengen tot den Heer, en ons te voeren, tot de geopende fontein.
Bedreigt mij leed, ontmoet mij smart, Ik vrees geen kwaad, maar klaag het Hem Hoe groot in eer. Hij hoort mijn stem; Hoe ver van d\'aard, Hij kent mijn hart;
Gods Zoon vergeet den broeder niet,
Dien hij op aarde liet.
Hij is mijn hoop,
Hij wiesch mij met Zijn doop, Hij geeft mij brood en beker,
\'k Ben van Zijn liefde zeker,
Hij is mijn hoop!
„ En het zal geschieden, als Ik Wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.quot;
30ste Dag1,
„Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
Nog een weinig tijds, en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
Heb. X: 37.
De spoedige komst.
Nog een weinig tijds en de onmatige droom des aardschen levens is voorbij, en de onbewolkte morgen breekt aan. Nog eenige slingeringen op de golven der zee en de veilige haven zal bereikt zijn. Nog eenige nachtwaken, en de Heer zal aan den oever des hemels staan, zoo als Hij eens stond aan den oever van het meer, en eenen hemelschen maaltijd hebben bereid voor zijue „hinderen.quot; Ja! „ Hij komtquot; dat is de hoop der
127
kerke. Het is de stem en de nabijheid harer „ Geliefde,quot; die de schaduwen des doods in het licht van den morgen zal veranderen, De dooden — de vrijgekochte dooden — „ zullen Zijne stem hooren en uitgaan,quot; en hen, „die in Jezus ontslapen zijn,quot; zal God met Hem wederbrengen. Zijne laatste uitnoodiging is niet: „ Ga, gij gezegende naar eene voor u toebereide zalige plaats der engelen;quot; maar, „kom, deel mijne heerlijkheid, wees deelgenoot Mijns koningrijks, ga in, in de vreugde uws Heerenquot;. Paulus beschreef zijnen hemel in twee woorden: „met Cristüs.quot; En Johannes sprak van twee liefelijkheden -— gelijkenis aan Jezds, en deelgenootschap met Jezus. „Wij zullen Hem gelijk zijn, en Hem zien gelijk Hij is.quot; In zijne heerlijke Openbaring lezen wij, dat, toen „de deur in den hemel geopend was, zijn starende blik het
128
eerst gevestigd werd op „Eenen, die op den troon zat,quot; en „ een regenboog was om den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk.quot; Openb. IV : 2, 3.
Ons geluk zal niet volkomen zijn, tenzij wij Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen. In dit verwijderde land worden wij gevoed van uit het rijk des Konings, maar wij zullen niet eerder tevreden zijn, tenzij dan, dat wij den Koning zeiven zien. Jacob ontving wagens vol geschenken van Jozef, maar ,hij rustte niet voor hij hem met eigene oogen aanschouwd had; toen bij hem zag, herleefde de oude man. Ook wij ontvangen menig onderpand der genade van den waren Jozef, in het buis onzer vreemdelingschap, maar wij verlangen „Zijn aangezicht te zien in rechtvaardigheid.quot; Dan eerst zullen wij tevreden zijn, wanneer wij „opstaan in Zijne gelij-
129
kenis!quot; „ Kom ! Heer Jezus, kom haas-tiglijk !quot; „ Hij zal niet vertoeven!quot; Elke dag, die zich neigt, brengt ons nader aan die heerlijke voleinding. De tijd nadert met reuzenschreden. Het rouwgewaad van eene zuchtende schepping zal spoedig veranderd worden in het witte kleed, dat een sabbathsvolk zal sieren 1
Gezegende dag! Wanneer „de boogquot; in een edeler zin „ in de wolken zal gezien wordenquot;; niet de boog der belofte, maar Hij, in Wien al de beloften Ja en Amen zijn.quot; „Ziet, Hij komt op de wolken!quot; Wees altijd wakende. Dat het geloof onze ooren open houde, voor de naderende komst van den wagen, gelijk de moeder van Sisera; opdat, wanneer het geroep zal uitgaan: „Zie Hij is hetquot; wij vrolijk kunnen antwoorden : „ Ja! het is- de Heer, onze God, op Wien wij wachtten,quot;
t. Zalig zijn de dienstknechten, welke
9
130
de Heer, als Hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar ik zeg u, dat Hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende zal Hij hen dienen.quot;
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat de boog zal gezien worden in de wolken.quot;
31ste Dag:.
, Mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken!quot;
En de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren eu tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen, vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.
Jes. XXXV: 11.
Eeuwig-e vreugde.
Geloovige, vestig niet langer alleen het oog op den „ hoog in de wolken maar denk, terwijl uw oog rust op „den regenboog rondom den troon,quot; (Openb. IV ; 3) aan de heerlijke weder-keering naar Sion van de vrijgekochten des Heeren, waar elke traan wordt gedroogd en elk verdriet wordt vergeten 1
Let op de geschiedenis van hen, „ die in de woestijn dwaalden, in eenen weg
132
der -wildernis,quot; „die gebonden met verdrukking en ijzerquot; „ handel doende op groote waterenquot; (Ps. CTVII: 4, 10, 13). God wordt niet alleen voorgesteld als versterkende hunne terneder gedrukte zielen, hunne banden verbrekende, en hen in staat stellende woedende golven te stillen; maar Hij leidt hen in „eene stad ter woning.quot; Hij brengt de gevangenen terug uit de duisternis en de schaduwen des doods; Hij brengt den door den stormwind geteisterden zeeman in eene veilige haven, en legt den eeuwigen lofzang op aller lippen: „ Dat men den lieere Zijne goedertierenheid love, en Zijne wonderwerken r:oor de kinderen der menschen!quot; (Ps. CVII; 7, 14, 30). Bedroefde, die heen en weder geslingerd wordt op de woelige levenszee, spoedig zult ook gij die haven bereiken. Al uwe beproevingen zullen u eenmaal toeschijnen als bi-
133
zondere blijken van de getrouwheid van uwen Hemelschen Vader, omzoomd met een stralenkrans van liefde 1 Gij moogt nu wellicht met tranen zaaien, eenmaal zult gij met gejuich maaien!
Sommige zaden moeten hier op aarde door het water geweekt worden, voordat zij kunnen groeien, zoo moet ook somtijds het onsterfelijke zaad in tranen worden week gemaakt. Maar „ zij, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.quot; Ofschoon de tranen gedurende den nacht vloeien, zal de morgen vreugde brengen! „ Gij staatquot; zegt Rutherford, „ aan den ingang van een hemelschen oogst, de verliezen, waarvan ik schrijf zijn slechts zomerbuien, maar de zon van het nieuwe Jeruzalem zal ze spoedig op-droogen. De psalmen in den nacht zullen zich ineenmengen met de he-melsche lofzangen en de ware, heer-
134
lijke beteekenis zal worden geopenbaard, die nu voor het geloofsoog verborgen is.quot;
„Droefenis en zuchting zullen weg- -vlieden!quot;
„Geen ziekte, geen verdriet, geene smarten meer,quot; zegt een gelöovige, die nu reeds is ingegaan in die heerlijke werkelijkheid; „ maar nu weten wij slechts, wat niet zal wezen. Wat zal o Heer! de werkelijkheid zijn?quot; „Lofzangen, eeuwige vreugde en blijdschap.quot; Lofzang op lofzang, vreugde op vreugde, blijdschap op blijdschap. Die hemelsche lofzangen zullen steeds schooner worden. De verloste zal steeds vorderen in genade en van heerlijkheid tot heerlijkheid gaan.
Lezers! zijt gij treurende over het verlies van hen, die niet meer zijn, wier stemmen gij hier niet meer vernemen zult en die u op uwe reize alleen hebben gelaten? Nog enkele
135
zuchten, nog enkele tranen, en gij zult hen bij het aanbreken van den dag in heerlijkheid ontmoeten! Ja, nog meer; zij zijn u slechts vooruit. Indien zij u hebben achtergelaten, om voor eenen kleinen tijd uwen psalm in den nacht te vervolgen, „denk dan met een van vreugde kloppend harte aan dien eeuwigen dag, wanneer ook gij terug zult zien op de drijvende wolken der vallei en zult mogen instemmen in den lofzang die gezongen wordt door de vierentwintig ouderlingen, als zij zien op den troon, waar rondom een regenboog is, in het aanzien den steen smaragd gelijk, want zij hebben geene rust dag en nacht, zeggende; Heilig, Heilig, Heilig is de Heere God, de Almachtige! (Openb. IV: 3, 8.)
Daar zullen wij den troon omringen,
Waar God zich heerlijk openbaart,
Het heilig, heilig, heilig zingen
136
Hem, die voor ons eens stier! op aard,
En heel der Engelen zalig koor Juicht, prijst Hem al do heemlen door.
„ En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken; zoo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond.quot;
„En een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk.quot;
Openb. IV: 3.