-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

^7 AT\'

EVANGELISCHE^

G E Z A N GEN,

HET BOEK 1)ER PSALMEN

^ d k ;;

OPENBAREN GODSDIENST

i :r ui:

nederlandscue ii2rvormde gemeenten

gebruikt t -worden;

op u i t d r u k k e.l i.i k e n last

VAN ALLE DB SYNODEN

oer*

VOORNOEMDE GEMEENTEN

b ij k e n vekiameld en in ordereurafit in uk jaren 1803 , 1801 en 1805.

te amsterdam, b ij

J. Bkanht en Zoon.

te haarlem,

johannes. k n s c ii e D k em z o x e

te Groningen,

De\'Erve* r. j. Schi e nn ef.k ex De Keven De Wed. M. v. IIeïsiscen Bosch. 1 8 8 4.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

JiKa j

AAN~-BÉ NEDERDUITSCHE

HEEVORMDE GEMEENTEN

IN OSS VADEKLAND.

Gilirfdru in dtH liter Je: us C/\'il iiliit !

TT

Ijen der voornaainstt* xedeeUen van onze open!gt;nre ?ods-dicnatotfenius is het pemeouscbnppciijk srezan? : hierdoor brengt de geheele pinieente opoolijk hare hulde ton aan God en den Heere Jezus Christus, onzen dierbaren Znliffmaker, door •\'en Heiligen Geest ; hierdoor verklaart zij haar geloof in , en haar vertrouwen op Hein, die ons zoo lief heeft gehad, dat Hij zün\' ccngeboren Zoon voor ons heeft overgegeven , opdat wij zouden leven door Hen»; hierdoor wordt zij versterkt in het geloof aan die waai heden, diu een milde brou van allen wezenlijken troost en blijdschap ?ijn in leven en in sterven ; hierdoor wordt haar ijver opgewekt, aangevuurd en onderhouden, om het pad van geloof en godzaligheid , la afhangen van Gods goeden Geest, ste idvastig te bewandelen, hare heiligmaking te voleindigen, en zoo geschikt te worden voor die zaligheid, tot welke wij door Jexus Christus ge--rocpen worden. Trouwens, bij het openbaar kerkgezang ver-eenigen zi.rh niet alleen de dicht- en toonkunst, om de aandoeningen onzer zielen in beweging te brongen; :r.aar onk het gemeenschappelijk zingen, en onze bijzom\'ere deelneming daaraan , de menigte der stemmen , de plegtigheid der vergadering, de statelijkheid van de plaats en den tijd, de belangrijke inhoud, benevens het doel van het gezang, en andere omstandigheden meer, die , op het hart werken , geven aan het gezang den voorrang , boven andere deden der godsdienst-oeteuing. Niet ligt zal er iemand gevonden worden , wiens gemoed eenige indrukken van godsdienst heeft, die niet meermalen dezen veelvermogend en invloed van het gezang op ziju eigen hart onder-onden h?eft , en doc.r het zingen der P$al men, tot dus verre alleen onder ons in gebruik , ic. rcua aanmerkelijke mate gesticht is. De Psalmen, die dit boven alle andere dichtstukken vooruit hebben , dat zij van Ccuo goddelijke herkomst zijn , behelzen zoo veel schoons, zoo vele treffende uitboe/.emin^en vnn velerlei godsdienstigen aard, dat zij daardoor uitnemend geschikt zjjn , om het echt godsdienstig gevoel by ons te verwekken , te verlevendigen ea lo bcvesugeu,

Gaea

-ocr page 6-

Cicrn wonder üan , dnt Je NoJerlandsolie Kerk, orer{iiI?\'1 van de hooze wanrde der Psalmen, lot hare stichting van dezelve heeft grebruik gemaakt, en zich niet weinis: verheugde, toen zij, voor ruim derti? jaren , eene zoo srhoone berijming van dezelve ontvangen heeft; doch , dewijl de Christenheid , door alle eeuwen heen , geestelijke gezangen bij de Psalmen gevoegd heeft; daar al\'.e de Protestantsrhe Kerken buiten \'s lands Evargilischc Gezangboeken hebben; en de Hervormde Engeliohe en Waluche gemeenten in ons Land derzelver nuttig gebruik hebben ingevoerd; ja zelfs arhter ons gewoon Psalmbcck eenige gezangen gevoegd 7ijn; too is het niet vreemd, dat een aanzienlijk deel onzer gemeenten , opgewekt door de proeven van gezangen , in den geest en toon van het vervulde Evangelie gestemd, reeds lang n?.ar een Evangelisch Gezangboek verlangd heeft.

Alle do Nederlandsche Synoden hebben, om aan dit verlangen te voldoen , on* benoemd en gelast een zoodanig Evangelisch Gezangboek te vervaardigen. Wij , vereerd met dat vertrouwen, hebben deze zeer «noeijelijke taak , onder Goto fegen, ten einde mogen brengen , en danken den heinelschen Vader, dat Hij ons bewaard en onder dezen arbeid gesterht heeft; zoo dat wij allen, de Groninger lloogleeraar L U b-M E r a alleen uitgezonderd , die door zijnen medearbeid aaa de nieuwe Psalmberijming de Nederlandsche Kerk nan zicli verpligt heeft, het einde van ons werk mogten zien.

Sehoon wij meermalen in de geleganheid zijn geweest, te betreuren, dat de NederlanJache dichters over het geheel too weinig hebben gedaan voor het kerkgezang , hebben wij nogtans het genoegen gehad , eenige schoone gezangen teviu-den in de werken van Lodemte\'ijn, Vollenhoven, Sluitrr t Schutte, mn Alphen en anderen , die nog in leven zijn , welke , door de noodige veranderingen in den vorm, voor het kerkgebruik ziju gereed gemaakt, en nu niet weinig strekken tot aanprijzing van dezen bundel. Voor het overige hebben sommige leden onzer Vergadering, of oorspronkelijke stuk ken, of navolgingen en vertalingen geleverd, \'t welk ook door andere dichtcra en dichteressen geschied is, die wij openlijk daarvoor onzen dank betuquot; ;en ; wü hebben van dezen arbeid zoodanig gebruik gemaakt, als wij meenden me: de stichting onzer gemeenten mee?t overeentekomen, ronder dat wij eenigzins aan andere stukken , die niet door ons gebruikt zijn , den roem, dien zo als dichtstukken verdiener., willen onttrekken.

quot;Wij bieden aan onre Geloofsgenooten dit Evangelisch Ge-Mugboek , te hunnen dienste vervaardigd , met zoo veel te grootcr gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene undere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdini» der Kederlandsche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare for-

-ocr page 7-

rvA^.

tnuKcrcn, ovpreenkomen. Trouwens, pelijk wil voor on» ia deze belijdenin van harten instemmen, ico bc«effen wij teven», hoe weinitf wij haar belang zoikT-m lyehartigi! hebben, indien wij de leerstukken , die ouie belijdeni» kepmerken . en die een\' zoo verino?endcn invloed hebben op de heiliging van ons hart, en op onzen troost in leven en in sterven, niet klaar en krachtig had\'Jeu willen voorstellen.

Ja, wij meenden met grond te mogen vertrouwen , dat onze lifderen, aldus vervaardigd, onder Gods ze^en van jrroot nut zouden kunnen wezen , om de zuiverheid der leer , midden in den stroom van velerlei gevaarlijke nieuwigheden, ia onze gemeenten te bewaren; gelijk de oude en latere kerkgeschiedenis , zoowel als de ondervinding vrn den te^en-woordisen tijd , leeren, dat zulke liederen daartos altijd van groote nuttigheid geweest zijn.

Er zal eeniu onderscheid van toon ea wijs van spreken in - een en ander lied gevonden worden; in het eene, bij voorbeeld, een toon, die meer hoog en dichterlijk is, in het andere een toon, die meer eenvoudig is; d.m , en de onderscheidene dichterlijke vernuften , waaraan wij de gezangen verschuldigd zijn, en de natuur der onderwerpen zelve gaven daartoe aanleiding; wij konden juist hierdoor voor allerlei soort van kerkled»- gt; des te nuttiger zijn. Uitersten hebben wij getracht te verinydsn.

Wot taal en spelling betreft; resds bij den aanvang onzer werkzaamhe-\'en, in den jare 1E03 , hadden wij daaromtrent bepalingen gemaakt, die, gedurende den voortgang onzer ver-rigtingen , groo\'.-ndeels bevonden werden ovcreenlekomen met de on\'iangs algemeen aangenomen regelen, die door den Hoogleeraar Sieoenbeek zijn voorgedragen, en hebben getracht hierin met de meeste naauwkeurigheid te werk te gaan.

quot;Wat de Mclodijen aangaat; wy hebben ons niet alleen bediend van de aangenaamste onzer gewone psalimrijzen , maar ook vau dc meest bekende zangwijzen in de lïoogduitsche Kerken gebruikelijk ; doch hebben getracht te zorgen , zoo wel voor de gemakkelijkheid, als voor de welluidendheid ; en wen-schen hierdoor zoo veel te meer toegebragt te hebben tot opwekking var. den heiligen zanglust.

■Wij erkennen , ons werk zal op verre na niet volmaakt zijn; dan het hoofddoel onzer werkzaamheden , de stichting der Gemeenten , . en hare opbouwing in het geloof aan de genade . \'t welk heiligt en zaligt, heeft ons , in deze en gene gevallen , wel iets doen opofferen aan de uiterste kieschheid in de Dichtkunde , en deze wederom aan die dor Taal; zoodat wij ons wel eens vrijheden heb\'-en moeten veroorloven , welke wy enders niet zouden genomen hebben.

Evea

-ocr page 8-

vw

P.vrn lt;latzrlfde lichhen wij ons ook vfroorloofd t«n aan:ilt;?n ran den spreektoon in de liederen zeiven , die niet altijd de loon is v.m eene sprekende pemcente, maar toch altijd viui eenen spreker in en met de ; waarvan men nos

daarenhoven dit voordeel heeft , dat onderscheidene geianijen ook voor het mrer bijzonder of huisselijk ^enniik kunnen dirncn, waartoe wg dezelve ook mccnen te mogen aanprijzen.

Ontvangt dan , zeer pcliefde Geloofs^enooten ! dit tr\'\'znnK-boek , met hetwelk wij nogmaals op de plegti^ste wijze betuigen , niets anders, dan de eer van God en onzen pezegenden Zaligmaker , cn uwer aller Icerinf; en ware stichtinj» bedoeld te hebben •. de ondervinding z.nl u leeren vnn hoe proote nul titrheid hel voor uw hart, onder den goddolijken zegen, wezen zal, wanneer het zonder vooroordeel gebruikt wordt.

\\ergunt ons in het bijzonder de vrijheid, dat wij v onzen arbeid, bij de godsdienstige opvoeding uwer kiuderer. , met allen nadruk aanprijzen : jonge harten , in welke do zaden van godsdienstige kennis en godsvrucht vroeg gestrooid zijn, kunnen , onder Gods zejen , daarvan , zoo lang zij leven, groote nuttigheid hebben. Den troost voor onze harten te genieten, Jat wij in dit gewigtig stuk aan het welzijn van het opkomende jeslacht medegearbeid hebben , is een van ouio allervurigste wenschen.

God zecrene ons werk daartoe! Hij zegene zyne Kerk in dit Land, ook door het gebruik van deze pezangen, om tuna Zoons wil, door zynen Heiligen Geest! Amen.

Grytern in onze nliiemeene VtrgnJering in den Ilnny , delen 6 Sept. 1S05.

Uit aller naam A. vav Igt;KS ünr G , Praetet, J. A. LOTZI5, 5cri6n. J. SCliAllP, Hcribu,

-ocr page 9-

VEEKLARING

O K V O R G D ACHTER HET

A UT HE NTIQUE A FSCHRIFT

D g r

EVANGELISCHE GEZANGEM.

W ij onderijMt hrfvene Prnlikanten cn OiulcrIin?cn, »loor alle de Synoden der Ncdcrlanil«rhe Hervormde Gemeenten, volgens derzeiver liijzonderc Besolutlcn, jrei-oinmittcerd en geauclorizeerd tot het \\erzaniclcn en vcrvaardiuen van een KV*NOEI.isch gezangboek , om , benevens het Boek der H«al-men, l»ij den openharen Godsdienst se\'mdlU te «orden , daartoe opzettelijk alhier in den Uaa» vergaderd . verklaren de voorstaande Evangki.I\'CIIE gezangf.m , overeenkomitl; onze gedane keuze, gemankte vrranilcrinüen, aan^enomem spel- cn schrjjfreicels gehoekt te zijn . en dns voor het eenigt echte afschrift van dezelve te houden ; als mede dat w\\j me\', alle naaur.\'ken rilheid hel)!ien toeseamp;ien, dat daarin niets ino!;te voorkomen, peniyzins nlrijdi;; met de san^enoniene leer der Nederland^rho Hervormde Kerk , zoo als die naar Gods Woord , in den Heidelher^srhen Catrchismns, de Belijden!* des geloofs , en de Canones van het Synode N-tionaal, te Dordrecht in de jaren SfilS en \'.C19 gehouden, vervat i»; gelijk «ij ook in «jeinoede verklaren , dat in dezelve niets gevonden vtordt , in het allerminste afwijkende vnn de \'uoven-^emrlde Formulieren van eeniirheid; hetwelk alles wij Re-tuiden met ouderteekening onzer handen.

(/* grleekni\'l)

V/fgcns de Synode van Crhirrlnnd ;

AH A7.tIF.KTJS v*v ken BERG , Prfliknril le .-Irnhm, PETRUS ISAACUS i»e FUEMER1J , Pro/mor rn I\'redihrnt in Jrn Hotch.

Wegens de Synode van Zuid-Holl-ud:

JAN SCHARP, S, S. Thtol. Dodor en Predikant Cl RotterHnm.

WAillllAS JORISSCN, Piedik, in \'$ drnvenhrge. ^

-ocr page 10-

Ml,P,CTra,.P.o^r- « KAaTRT-l-E - O,,..

Ouderling i« \'» Hnüe-«r i» c;vnoOe van Noord-Hollnnd:

Z J0!L^ ..O—s, -

w\'s\',;::::^cs ADW-».—^

te Vrre. .-t /, Jterner. on Zoom.

PETRUS JANSSEN , Pr«Uquot;quot;lt; \'•

Wre„, d. Syoa. v» Wlr«W =

GEBH AUmlS MMMAf ■ P^ik™»

barend\'r^AIJ . Predikant te Rhmrn.

Wegens .Ie Synode van rrir.tnn.!:

. ^n.t-sri Pi-»,lifcniiMn dfnijwrden. MAEC\'^S JAN AIquot;quot;\' \' J\'ujj p„a. tw-\'*\'quot;-BEBNARDUS v«» WEEMKi» ,

TO-m, dt Sy«lt;quot;ls v»» O\'quot;1\'quot;\'\'\'

Mr. BHUNVIS FEITH,

Ween\' Synode -«n 5«d «» Oquot;-quot;\'\'quot;-

jOUANNliS RUTamp;ERSs. T\'quot;

Wcse„,de Synode v.nDrrnU.=

gebardus SMIT, 1quot;«.«™\' i\' quot;\'nquot;\'-

{Lnger llnot)

r;,c;éóïïuL?dr.r«oi.«.d. d„

Sept. »805.

mij present

j. s C h A r p. Scriba.

-ocr page 11-

EVANGELISCHE

GEZAlGEtf.

VAN GOD EN ZIJNE VOLMAAKTHEDEN.

1. A A N G O D.

Tli*^

-l-l» alléluja1

alléluja! lof zg den Heer\' Aanbidt den Va-der, ^eeft Hem eer. Den Schepper aller dingen\' Den roem van zijn bannharti^heid , Zijn wijcheld ,

ma^t en majesteit Moet al het schepsel zingen.

2. Halléluja\' lof z(j den Zoon !

Gedaald van \'s hemels houden troon ,

Tol heil van stervelingen ■

Hem. die voor on^e zonden stierf.

En \'t leven door zijn\' dood verwierf.

Moet al het schepsel zingen,

3. Halleluja 1 den Heest zij eer\'

Als in zijn tempel daalt IIij neör

In \'t hart van atervelinsen :

Hem, die ons troost en leert en leidt. En voor den hemel toebereidt,

Moet al het schepsel zingen.

4. IT. Vader. Zoon en Geest zij prgs!

U lof en dank op Kniflemvijs

Gebrasrt door stervelingen ;

Heer\' driemaal heilijr\' wees geëerd!

Uw\' roem , daar Gij als God regeert,

Moet al het schepsel zingen.

I»E

2. AAN GOD. W ij z k : Psalm 36.

^==S=

hooien God alleen z(j e

-ocr page 12-

\'

vaar behoedt, Moet al het schepsel prijzen. Heft aan , heft aan ! roemt zijn erena\' ! Hy sloe» ons mededoo-

il~r^i^zS:Z=^Es;;s::-3Ei~5=;Ès;3 send ga\'. Hij schonk ons zijn bescherming. Zingt dan

UB^=^:-=^=~======^S=^=^S£

hi?- 0-— ^-- ^—■- - ^-- --------- ——

Looft God ! looft zijn

2. .la. Vailer! ja, ons lip.1 /jjt Cü ! Wij rcren uwe heerschappij,

O Bron van licht en leven! Uw ifrcnzenlooze magt gebiedt;

Daar ryzen werelden uit niet,

•» li wijs en goed al wat Gij werkt, Gij herrschl. alom en onbeperkt,

H loven alle tongen !

1\', Vader! wien \'t heelal vereert, U danken wjj , dat Gij regeert,

Nooit wordt uw lof volzongen. 5. Geloofd zij \'s Vaders een^e Zoon \\ lUi hragt ons van zijns Vaders troon

De rÖKSfc zegeninsen :

Hem . onzen helper in den nood. Hem . onzen redder van den dood ,

Moet al wat ademt zingen.

Verlosser , Midlaar. Hoofd en Heer! Voor U knielt uw gemeente neer,

Lofzingend in uw wooning.

Fens wordt, alom II toesebragt Lof, eer en heerschappij en inaert; \'Aon heerscht G\' als aller Koning. 4. Pen Heil-ren GeeH zy eer en prijs! Hu wil door srodlijk onderwijs Ons in zijn waarheid leiden.

Hö , van ons erfileel \'t onderpand , Hij wil ons door zyn eigen hand

Ten hetnel toebereiden.

O Geest van God ! bestuur ons hart. Verbeter ons, troost ons in smart, Schenk moed en kracht in lijden ! Zoo zullen wij, door U •.•eleiV ,

Keus in volmaakte zalisrheid Ons eindeloos veiblijden.

i. Zinst , aard en hetnel ! zi\'njrt uw\' Heei Het driemaal heilig meld\' zijn eer!

1

C:

P: tt:

I

i fi:

2.

Di In

7.K OI

3.

Li

U u

4.

II

G

Aj 7.

5. L

n v

fi

o

urn liuu^ru uuu iCl i-rr ; nniiiiiiiL Jirin , huil;\' ii

-ocr page 13-

AAN GOD.

Zinjrt Hem op Tioo^p toonen ! I)c lof van God vervuil* \'t heelal, Die is, die was , die komen zal, En onder ons wil woonen.

3. AAN GO D.

Wijze : Psalm 89.

117quot;

7 ï 0 loven II, o God ! wij pryzen uwen naam!

U, eeuwig\' Vader! U verheft al \'t schepsel zaam. Zingt Serafs, Knglen zinijt! heft inagten aa» en troo-

I=^5=^i^$iË^5SË^?==^j=ÜgE=

nrn : Onafgcbrokcn rijz\' uw lied op hooge toonen \'

Gij , driemaal heilig z\\jt G\', o God der legerscharen !

p-l$=^BSl$5^s=S=^Ê~Ê^*i=$=

Dat aard en hemel steeds uw grootheid openharen.

2. T\' looft d\' Apostclschaar in heerlijkheid, o Heer!

Profeten , Martelaars vermelden daar uw eer.

Door heel uw Kerk wordt sfeds , daar hoven, hier heneden, In strijd cn zegepraal , uw sroote naam beleden;

Zij looft, o Vadvr\' U . oneindig in vermogen .

Onpeilbaar In verstand , onmeetbaar in ineëdoogen.

3. U, Vader! U zij lof, op een* verhoogden toon\'

I.of uwen eigenen , uw\' een-rehoren Zoon !

Lof uwen Geest, die ens ten Trooster i* gegeven , Ven I.fidsman op den weg naar \'t eeuwig zalig leven !

I\' looft uw Kerk alom , «aar Gij die ook vergaSrde,

U loov\', wat loven kan , in hemel eu op aarde.

♦.IJ, Christus onren Heer, bekleed met maiesteit • U . N Vaders eencen Zoon . zij lof in ccuwiahcid \' Het mensohdom lag in sehuld cn vloek voor God verloren , Gij werdt, den mensch tot heil. uit cene tuaaud geboren ;

fïij helit aan \'t kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen , Zoo baandet G\' ons den weg, om weêr tot God te komen.

5. Gi; zit in heerlijkheid aan \'s Vaders reïferhnnd ,

Tot dat G\' als Kegter eens de laatste vierschaar spint;

Laat ons in geenen nood uw\' bg-.Sand ooit ontberen 1 (ly kocht ons met uw bloed ; Idijf, Heiland ! ons regeren ,

Blijf ons , uw erfenis , door uwe maat bewaren ,

Wil, met uw heilgen , ous voor uwen troon vergSren.

6. Wij zegenen , o Heer! uw goedheid al den dag!

Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied IJ loven mag.

Geef. dat we by uw komst onstraflijk wezen mosreu :

Ontferm, ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen! Op U steunt onze hoop . o God van ons vertrouwen ! Ey worden nooit beschaamd , die op uw goedheid bouwen.

Ceï. 2 . 3.

-ocr page 14-

ftODS VOLMAAKTHEDEN.

fiez. 4.

t

2. Hfj i» , en hloft al wat HQ Is,

Tot in all\' eeuwfgheilcn ;

Wie zal zijns naams s;ehcimeni«

Ontdekken , ivic ontleden ? Wy menschen z\\jn van sristren , trü \' Maar, eer het aardrijk was , was Hij , Ja \' eerder, dan de heeinlen.

3. Zijn\' troon omnnjt een elansrijk lirht,

Te sehittrend voor onz\' oocen ;

Zelfs Enelen dekken \'t aangezi^t.

Aanbiddend neêrsrebo^en • Der heemlen lioot; omvat Hem niet. Hij is onzi-rtliaar , \'t schepsel ziet Hem enkel in zijn werken.

4. Waar waren wij , had zynr kracht

Ons niet gevormd ten leven\'

Hu kent ons, kent al \'t peen zijn magt

Ooit aanzijn heeft [jepeven :

By Hem is wisheid en verstand , Hij Hem is sterkte ; zijne hand Omlt;gt;|iant cn aard en hemel. 6. Hij is, hoe ver Hij srhQnrn mootr, Nahij , waar w\' ons hewewen ;

fïeen nacht bedekt ons voor zijn oog.

Hg ziet al wa lij plegen :

Voor Hem verbergt treen duisternis; Pe kiem zelfs der gedachten is Niet voor zijn oog verborgen. 6. Wie. Imiten U, zal voor den val Deez* aard, o God! behoeden 7 Wie , buiten U, dit gansch heelal

Altegenwoordig voeden?

Gg slaat de gan^-che schepping ga\'. Gij zyt barmhartig , vol gena\', Ken vader , een ont fermer.

•gt;. Giquot;) züt regtvaardig , heilig , goed , HO reinen wilt Gg wooneu ;

Hem , die uw\' wil met vreugde doet. Zult G\' oo\'lt; met vreugde kroonen:

4. GODS V O L M A A K ï II F, 1) E N. w ij 7. k : Mein Ilcrtzcnfi Jesu , mcine Lust!

-ocr page 15-

CM. 4,5. GODS VOLMAAKTHEDEN. 5

Gij hebt lt;1\' onsterflijVheiil alleen .

Hoogst zali\'ir zyt G\' in ee4iwi(;heèu ,

O ryke hron van vreugde !

8. Of, kou «Ie gloed dier majesteit My zondaar ook verteren?

Neen ! nu \'t geloof uw heerlijkheid

In Christus mag vereeren.

Nu klimt mijn lied ; de lieer is groot!

Do Heer is onuitspreeklijk groot!

Oneindig groot in liefde!

5. GODS GROOTHEID. W u ZB : Psalm 66.

\'t schepsel U altoos.

2. Zelfs gij kunt onzen God niet kennen ,

Gij Geesten van het hemelhof!

Gij zgue grootheid niet bevatten ,

En wat zou dan de zoon van stof?

Vrijmagtig, eeuwig, onbeschrijflijk

Voor menschentong en Englenstem ,

Bestaat Hij enkel door zich zeiven ,

Eu al, wat is, bestaat door Hem.

3. Hij wenkt. en millioenen wezens

En werelden , als \'t zand der zee .

Zijn door dien wenk aan \'t niet onttogen ,

En Hij deelt zich aan alien meê :

En zulk een God gedenkt ook mijner !

Hij schiep hel stof. Hij schiep ook mij.

Dacht Gij nok aan een\' worm . een made ? Oneindig\' God ! dacht Gy aan mg ?

4. Maar, toen die God voor mg, god looien ,

Zijn\' Zoon ter kruisstraf overliet ,

Zoo groot, zoo godlijk , zoo oneindig

Zie ik Hem in de schepping niet.

\'k Aanbid U , nooit begrepen Liefde

Ik zink, mijn Vader, God en Heer!

Voor U , in sprakelooz\' aanbidding ,

licdwelmd door uwe grootheid , iicct.\'

A 3 6. lt;

ig Hcdekt

-ocr page 16-

GODS EEUWIGHEID.

Gcz. 6.

G

O1

GODS EEUWIGHEID. W ij z k ; Gezaug 4.

neindig Wezen ! door geen\' tijd Beperkt, of

blijft steeds

2. Geen nieuwe zon schoot nog Laar licht

Op hare wereldbollen ,

Men hooide nog geen lofgedicht

Van Enjjlenloniicn rollen ;

Het drooge was nog niet, geen tneir Dreef nog op \'t vlakke ginds en wéér ,

En toen reeds waart Gij eeuwig.

3. Gij zaagt reeds van all\' eeuwigheid,

\'t Aanstaand heelal verschijnen;

Maar blijft dezelfde Majesteit ,

Wat word\', of moog verdwijnen.

Van d\' lin-rel tot don worm in \'t zand ,

Bepaalt Gij ieders lot en stand,

Ëa noemt het al by name.

4. Uw wereld duurt reeds eeuwen voort,

Door U steeds onderhouden ;

Haast komt haar einde naar uw woord ,

Reeds zien wij haar verouden :

Maar nimmer groeit uw jaartal aan,

Gij zult in eeuwigheid bestaan.

Gij zult dezelfde lilyven.

5. Ja, eeuwrg blijft Gij \'t ^-een Gij zijt.

Wat heb ik dan te vreezen ?

Gij zult, in nood en dood , aMijd Mijn rots, mijn toevlugt wezen.

Uw trouw en uw erbarming ia Zoo eeuwig, al» uw wezen is:

Heil mij die daarop bouwe !

0. Mijn ligchaam sterft, maar niet mijn geest,

Dien zal ik U vertrouwen.

O troost! daar Gij mij zelf op weest,

Eens zal ik U aanschouwen !

Mijn ligchaam rust slechts voor een poos .

Dan zal ik by U eindeloos ,

Volmaakt gelukkig leven.

1. Schoon alles om m(j heen vergaat,

\'k Heb geen vergaan te vreezen ;

Voer uwen troon , die eeuwig staat.

Zal ik ook eeuwig wezen.

Gg

-ocr page 17-

GODS EEUWIGHEID.

Ge*. 6-8.

7

Gij hebt lt;ie booste zaligheid Uiv\' vrienden eeuwig toegezeid ,

Ook mij , ook mij voor eeuwig ! 8. O God! die mij d\' onsterflijkheid Daar hoven eens zult srheaken ,

Houd ni(j voor uwe komst bereid ,

Laat mij daaraan steeds denken :

Die zij myo troost. mijn dierbaarst fjoed , Die sterke mij met kracht en moed , Om tot uw eer te leven.

0

GODS O VERA LTEG ENWCORO10 li KI D. Nieuwe zangwijze.

miner dwalen , Of zitten, daar is God ;

— , _. _.v„___, daar is God ;

ag en hoog verhc - ven, Ja, overal is God!

2. Zijn trouwe Vaderoogen

Zien alles van nabij ;

Wie steunt op zijn vcrmoiren ,

Dien dekt en ze-rent Hij:

Hij hoort de jonre raven.

Bekleedt met gras het dal,

Heeft zelfs voor wonnen saven ,

Ja, zorgt voor \'t ganseh heelal.

3. Gij aanlrijks woest gewemel.

Gij, die in \'t water zweeft.

Of oiuier zijnen hemel .

Of in zijn\' hemel leeft,

Gij alle zijne werken

Ontdekt by da? en naeht,

In \'t voeden . hoeden , sterken ,

De goedheid zijner magt.

4. Roem . Christen \' aan mijn slinke

En regterzüd\' is God ;

Waar \'k mairiloos nederzinke,

Of bitter lijd\', is God ;

Waar trouwe vriendenhanden Niet redden , daar is God ;

In dood en doodsrhe banden.

Ja , overal is God !

8. GODS ONVERANDERLIJKHEID.

-ocr page 18-

G\'alles, wat Gij heden zijt, Oneindi;;, nooit volprezen.

2. Rn dan , als van \'t gesloopt heelal Geen spoor meer over wezen zal ,

Zult (ii| dezelfde hieven ;

ITw tp-ootheid en uw wonrlerkrarht Verbergt geen oiuloorclrinjrlire nacht,

Zijn in Reen perk t\' omschrijven.

3. Gij zijt, en niets bestaat als Gg ,

En aanl en hemel gaan voorbij

Als dampen . die verdwenen :

Hun zijn is als d\' ontleende glans Der wolken aan den hemeltrans,

Van \'t zonnelicht beschenen.

4. Gij zijt al \'t geen Gij eeuwig waart,

Behoeft noch hemelheir . noch aard ,

Noch duizend wereldkloolen :

Geen schepping, hoe volmaakt z\' ook zy ,

Voegt iets tot uw volmaaktheid bij ,

Niet» kan haar ooit vergrooten.

5. II zelv\' genoeg, II zelv\' pelijk ,

Schoon alles I-uiten II bezwijk\',

Schoon werelden verouden ,

Gij blijft; uw Evangeliewoord Zal eeuwig met II ongestoord Zijn kracht en stand behouden.

C. Dat berg en heuvel nederslort\'.

Dat klip. en rots verbrijzeld word*.

Dat aard en zee verdwijnen •.

O God i uw eeuwig heilverbond Rust op een\' onvenvrikbren grond ,

Dien niets kan ondermgnen.

7. Wat klaag ik in \'t verdwaasd gemoed, Wat zucht ik dan om nietii; goed

Van \'t onbestendig leven !

Wat jaag ik naar een broos genot,

Als of mij van geen duurzaam lot Verzeekring waar gegeven !

6. Wat klaag ik , die uw woord ontving Van volle schuldvernietiging.

Door Jezus bloed verkregen ,

Van eeuwig erfdeel in het licht Van uw vertroostend aangezigt,

Ver boven aardschen zeifen !

9. Gewis , mijn misilrijf is geboet,

Gij hebt m\' om .lezus dierbaar bloed

Genailii; aangenomen ;

Uw liefile leidt mij bg de hand ,

En ik , ik heb het onderpand Van uw gena\' bekomen.

10. .Ia , TI behoor ik , U , mijn God ,

ikscbikher van geheel uign lot!

-ocr page 19-

Ger. 8, 9. GODS ONVERANDERLIJKHEID.

Van ü zal niots mij srhclden : Dc werehlvreutrd versaal met haar, Maar Gij zijt onveranderbaar ;

Uiv heil wil ik verbeiden.

hem weten ? Wat eindig schepsel noemt mij dien ?

2. Zoo ik d\' ontelbre starrcnheircn,

Elk deeltje vm het licht der zon ,

Elk zandj\' aan d\' oevers van de meiren ,

Van hunnen oorsprong, \'.ellen kon ;

Zoo zou ik monirlijk wQzer wezen,

Dan immer mensch of Enffel wordt.

Maar \'k schoot bij U. alwetend Wezen!

Ncsf onbegnjpluk veel te kort.

3. Uw alziend\' ooren , Heer\' doorloopen

\'t Heelal , hoe irrnot , hoe uitgebreid ;

Voor U ligt ieder schepsel open ,

En ieder punt van d\' eeuwigheid.

O Gü , die \'t al weet op te noemen ,

Wat was, wat i« , wat worden za! ,

Wie kan naar ei«ch uw kennis roemen ?

God ! uw verstand heeft geen getal.

4. Ja, IJ bewondren , TI vertrouwen

Is \'t eerst, dat mij mijn hart gebiedt;

Met eerbied ma? ik U beschouwen ,

Maar U besrypen kar. ik niet.

Naar \'t heerlijk licht van uwe wooning

Zoek ik met onverzaadbren lust ;

Dat ziet G\' rn brengt . tot mijn belooning.

Verstand en hart in U tot rust.

5. Uw alziend ooi» schrikt in\' af van \'t kwade,

Van zelfsbedrotr en huichlarij ;

Ik denk . God» oogen \'•laan mij gade,

Hoe diep ik ook verbomen zij.

Voor Hem kan mij ?een afgrond dekken.

Geen valsche «rh\\)n«bedriegt zijn oog ,

A 5 Dat

-ocr page 20-

GODS ALWUTENDHEtD. Ccz. 9 , 10. Dat oo!? s.ou mü r.oir schrik verwekken,

Waar \'t moo^lijk , «lat ik d\' aard outvloog. 6. Wie kan zijn eigen hart vertrouwen ,

Zijn hart, zoo vol nrjlistk\'heid ?

tiij blijft het. Heer! geheel doorschouwen.

Daar \'t voor U naakt en open leit.

Treft Gij mij aan op booze wegen ,

Zoo ieid mij op de re-rte baan;

Dan larht mij in het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan.

10. GODS A li M A G T. W ij z E : Preis , Lob, Ehr , Ruhm , Danck !

eer bedoel\'. Zijn niet beseff\', zijn onmagt diep gevoel\' f 9.- Uw oppermagt reikt verder. Heer!

Dan aarde , zee . en hemel reiken ;

Uw adem werpt den ceder néér,

En velt de honderdjarig\' eiken ;

Daar siddren wij . en toch vertoont die kracht De schaduw slechts van uw geduchte magt.

3. Natuur voelt op uw enkel woord Zich tot uw godlijk doel beperken ;

Gij zet uw wij-?.\' ontwerpen voort,

En \'t gansch heelal moet medewerken ;

Gij spreekt. het is; Gij wenkt, het staat reeds daar , Wat immer was , en zonder U nooit waar.

4. Uw wil riep zonnen uit het niet,

Daar dreven z\' op uw welbehagen ;

En waar het oog uw\' hemel ziet.,

Hij meldt de magt, die hem blijft schragen ; Meldt, dat de wenk , die hem heeft uitgerekt, Hem cn zijn heir ten eeuwgen pijlaar strekt.

5. Gij schreeft natuur haar wetten voor,

»Jn sints kon nifts haar\' loop beletten ;

Maar, waar \'t uw wijsheid ooit verkoor.

Onthief één wenk haar aan die wetten :

Dan staafdet Gij uw eindloos albestuur Als Opperheer en Schepper der natuur.

Maar meest in uw g\'-naderijk Vertoont uw almagt liefdemerken ;

Uw lokken is geen\' dwang gelijk.

Gij werkt het willen en het werken :

T\'w liefde wekt in ons dien liefdegloed ,

Dat ook ons hart U eeuwig lieven moet.

-ocr page 21-

Ger. 10, U. GODS ALMAGT U

7. Zoo vaak lt;lan \'t hart tot Jezus vlu^t.

En zich beveelt aan zijn ircnade ,

Of op uw woord vertrouwend zucht ,

Dat onlt;« uw bijstand koum tc stade ;

Dan breekt uw iiia?t der zonden heerschappij ,

Ka maakt de ziel ten eeuwtjen leven vrij.

8. Erbarmer ! o die liefdema^t Verheeilijk\' zich door heel ons leven!

Gg werkt al \'t goed , en elke kracht Ter deugd is ons door l\' negeven.

Hij , die \'t Refrouwst op aard zijn tflak verrigt, Is \'t meest aan U en uw gena\' verpligt.

11. G O D S 11 E I L I G 11 E 1 D.

W ij z e ; Psalm 42.

eilig* God ! voor wien steeds waarheid . Reinheid van het harte geldt ; Eeuwig Licht 1 daar niets dan klaarheid. Niets dan vlekloos licht uit welt, Laat uw

heilighekl, o Heer ! Onze harten meer en meer Zoo bc-

jijj^^5ig^^gs=giiig3=^Ë|

btialcn , zoo verhoogeu , Dat zij UciUk worden mogpn.

2, Heilig is , o God ! uw wezen ,

Reiner , dan het zonnelicht ;

Engten zelfs, hoe rein in wezen.

Dekken voo-r U \'t aangezigt:

Wij zijn nietig, onrein stof.

Onbekwaam tot uwen lof.

Vol van zonden. vol van vlekken ,

Die ona angst eu schrik verwekken.

3. Nooit kunt G\' iets beminnen , Vader!

Hoe

volkomen \'t ons ook schyn

Wat u

w heiligheid niet nader\',

II ni

et poog gelijk te zyn.

Och

\' neem U dan onzer aan ,

Die

op \'« levens donkre pa\'n

Vit on

s zeiven niets vermogen .

Niets, dat goed is in uw oogen.

Wat ii

iw rein versland ooit denko

Dat

is heilig . rein en goed ,

Wat u

w wil tot aanzijn wenke,

Dat

is heilig, rein eu goed ;

Ons verstand U zwak en klein,

Onze wil is diep onrein ;

Ach ! dit moet , bij zoo veel vlekken ,

Surart en vrees in ons verwekken.

5, O. verzacht die vrees, die -«mallen!

Is hier onze kracht tc klein,

Schep Gij zelf ons reine harl»n ,

Gy zut rein, maar nmakt ook rein;

A 6 W asclj

-ocr page 22-

12 GODS HEILIGHEID. Gcz. 11. 12.

Wasrh ons iliep ourcin ;;pinocd ,

Wasch het rein in Jezus bloed.

Heer! uw quot;neiie Geest Relpide Ons verstand en harte beide.

6. Hpl!i■;, God \' doe ons geluken

Naar uw podlijk dcugdcnheeld:

Heiligst\'! alle smet t\' ontwijken Zij , wat hier ons \'t meeste streelt ,

Gansch verlost door uwen Zoon,

Onder reine HeineUinjren ,

\'t Heilig, Heilig. Heilig zingen.

12. GODS GOEDHEID. W U Z E : Psalm 66.

v/ goedheid Gods! nooit regt geprezen! Hce\'.

hij een mensch , dien gij niet treft7

Hoe snood

ondankbaar moet hij wezen, Die \'

t hart niet

=Sc-;~--{c:g

vrolijk tot u heft! Neen! alles aan

God dank

^--

te weten Zü steeds myn pligt,

mijn werk ,

g— ^==^r—^z^s:z

mijn lied 1 De Heer heeft nimmer

mg verge-

---—9-

ten; Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!

2. Wie wou mij wonderbaar bereiden ?

Die God , die mij niet noodig heeft.

Wie wou my zoo geduldig leiden ?

Hij, wien mijn hart zoo vaak weêrslreeft. Wie sterkt in mijn gemoed den vrede,

Wie schoort mijn\' geest met nieuwe kracht , Wie deelt mij zoo veel zegen mede?

Is \'t niet zyn arm , zoo sterk van magt ?

3. Sla \'t oog, myn ziel! op \'t ander leven ,

Uw toegewezen erfenis,

Waar gij , met heerlijkheid omgeven ,

God eeuwig ziet , gelijk Hij is.

Die hoop mag u met regt verblijden,

\'t Is u ten iluren prijs gekocht Want daarom moest ile Christus lyden,

Opdat gij zalig worden mogt.

4. En dezen God zou ik niet eeren ,

Ik zou zgn goedheid niet verstaan?

Hi| zou niü raden , ik niet leeren \'

Deu weg , dien Hij mij wijst, niet gaaa ?

-ocr page 23-

Gez. li, 13. GODS GOKDHEID. IS

Zijn wil bestier\' mijn hart cn zinnen ,

Zijn woord blijv\' mij bestendig bij !

God moet ik boven alles minnen ,

En munen naasten , zoo als m^.

5. Dit is mijn dank , dit zijn beha^eu,

Ik moet volkomen zijn als lig ;

Ma^ ik mij naar dit doel sredra^cn ,

Dan jnijkt zijn heerlijk breid in mg :

Leeft zijne liefd\' in mijne ziele ,

Zij leert mij doen, wat Hij gebiedt.

En schoon ik vaak uit zwakheid viele,

Toch heerscht ia mij de zonde niet.

6. Dat uwe zore en trouwe hoede ,

Mijn God ! mö steeds voor oo^en zg !

Die sterke mij trestaA^ in \'t poede ,

Dat ik U heel mijn leven wij\' !

Die leide mij in blijde da-jen ,

Die trooste mg in tijd van nood ,

En leer\' mij zonder schrik verdragen Het aaklig denkbeeld van den dood !

13. GODS GETROUWHEID. Nieuwe zangwijze.

od sprak (men steil\' op berg en rots Zijn

woord in eeuwig schrift; En ieder, die dat

schrift aanschouwt, Die l^ze, wat liij sprak;) 2. „ Eens wordt de sterkste rots vergruisd, , En \'t hoogst ceberirt stort iu ;

B Maar mijn penaverbond met u,

, Oprepteu 1 wankelt niet.

■?. „ Treedt heen door trloeijend vuur en vlam ,

„ Door waterstroom en zee ;

, En \'i vuur verzendt u zelfs eeen hair,

B En \'t water schaadt u niet.

4. „Treedt stout door \'t ijslijk schrikdal heen

„ Der schaduwe des doods ,

, Vreest daar peen kwa^d , ik keu die paan ,

„ Ik zal daar hg u zyn.

5. , Schoon \'t alles \'t onderst boven raak ,

„ \'t Geberpt in zee verzink\',

, En d\' aaid zich uit haar plaats verzett\',

, Ik Z3l uw toevlupt zijn quot;\'

6. \'\'Ik leez\' dit als het woord van God,

En neem \'t fteloovis» aan :

Want eeuwip en onwankelbaar Is, wat Jehova spreekt.

7. Ja , zijn verbond staat eeuwig vast,

Zoo staat ({een berg, peen rots;

£n loeft Hij al. Hg kent zijn\' tijd.

Mg komt. Hg komt gewis.

A 7 Van

-ocr page 24-

LOF DES SCHEPPERS. Gez. U.

VAN DE SCHEPPING E N VOORZIENIGHEID.

LOF DES S C H E P P E 11 S. W jj z e : Psalm 36.

einde\'.oo/p Majesteit! W aanbidden uwe heer-lijkheid , Zoo proot, als onbefjenneu! Zijt Gij be-

lis

=^---

dekt voor \'t sterflijk 005, Uw Daa:n gloeit j den hemelboog In duizend, duizend

s , die jrecu Lri\'^el peilt, Eea eeuwig alvermogen.

2. Wie bragt, o licht! op \'t enkel woord ,

, Wees !quot; u uit zijne schatten voort,

Toen gij notr waart verborgen ?

O zon! wie teekend\' u het spoor Door d\' ongemelen ruimte voor,

En roept u eiken morsen ?

O starren die den donkren nacht Verhe\'-\'.ijkt door uw stille pracht,

Wien volgt pij op zijn wenken ,

En loopt en wendt in uwe vaart.

Als benden , die ten strijd geschaard ,

Op Jt woord huns veldheers zwenken 7

3. . God . God !quot; roept elk , , ons wrocht zyo hand , , Wij allen zijn van zijn verstand

„ Een enkele gedachte !quot;

Dus juichen z\' allen uwen lof.

En wij , wij voelen ons in \'t stof,

Oneindig\' ! uw geslachte.

Wat nacht zich om ons henen storf\'.

Een w\\vz\' en liefdrük\' oorzaak wor-dt

Ook vau den mensch geprezen.

O stervling 1 hoe eg hier ook schreit,

God riep 11 tot aanwezigheid .

üet doel moet godlijk wezen!

-ocr page 25-

LOF DES S C H F, P P E H S.

4. .la , groote Schepper van \'t hcel.il! W ontzonken door den (liepsten val

Aan onzen eersten luister.

De trekken van uw heerlijk beeld ,

Ons eens zoo glansrijk mefiredeeld ,

Verzwolg een aakli? duister :

Maar in dien nacht van \'t bangst verdriet Ontzonken w\' aan uw liefde «iet;

Wij durven wederkeeven,

Daar w\' U op eeu\' genadoiroon ,

Getrrond in \'t bloed van uwen Zoon , Ook als Herschepper eeren.

5. Noj; spreekt uxv alma^t: „ Rr zg licht !quot; En nacht en duisternisse zwicht

In onze donkre harten ,

En onder eenen tranenvloed ,

Dien \'t waar berouw ons weenen doet t

Kiemt ons eeluk uit smarten.

Dan zien w\' in Jezus onzen Heer,

In U den lieven Vader «eer.

Die alles heeft verseven ;

En ons, door U ter deusd bereid ,

Door deze zichtbre schepping Iciilt

Tot een onsterflijk leven.

fi. Hoe blinkt in bloem, in frras, in kruid, Dan een weldadig1 alinagt uit,

Waarop wij vcili:; houwen !

Hoe blinkt ons dan in zon en maan\' En starren loutr\' ontfennin;* aan ,

Die uitlokt to.t vertrouwen \'

Gij houdt wat G\' eenmaal schiept in stanJ/, En laat de werken uwer hand ,

Oneindige ! niet zinken.

Ook wij , een prooi des «liepsten noods.

Zien uit het lajre stof des doods,

Een eedler schepping blinken. 7. Hoe heerlijk zijn uw werken. Heer! U dank\', U loov\', U prijz\', U eer\'.

Wat is, wat was of worde!

Gij schept uit lijden hemelvreugd ,

Uit zond\' een\' hoosrer* trap van deugd ,

En uit verwarring orde.

O zaligheid van ons ireslacht!

Hoe zwijmt bij \'t heil ons aangebragt,

Hier lof en dank te gader !

In Adam door den dood geveld ,

In Jezus schooner weêr hersteld ! Lof, Halleluja, Vader!

15. LOF DES SCHEPPERS. W u z e : Psalm 3G.

oe blinkt uw majesteit alom In \'t onbe-grensde heiligdom Der schepping, eeuwig\' Koning! Straalt ons by nacht de hemel aan , Dan zien

CM. U. 13.

-ocr page 26-

2. Bö \'s werelds aanvan? sprak *iw mond ; „ Het licht zy daar!quot; en \'t was terstond.

De duisternis werd luister :

Zoo tal eens \'t heil ons toeijezeid ,

Op uw bevel , mK majesteit

Verruwen uit het duister.

Laat, Heer uw licht zijn\' zachten gloed In ons verkleumd en stui; gemoed ,

Door levencwekking , toonen ;

Dan zal ons hart, dat U verwacht,

In \'t licht uws aanschijns, ook bij nacht, Getroost en zeker woonen.

3. In mensch en dier . in bloem en kruid ISIinkt wijsheid en vermogen uit.

Uw liefde schept hun leven ;

Aan \'t schepsel reikt Gij voedsel toe. En , nimmer ledig, nimmer moê\'.

Stelt Gij uw err in \'t geven :

Dit predikt ons het gansch heelal,

En zee , en woud , en berg, en dal;

De stemmen vloeoen zamen ;

Zij roepen luide : wordt verlicht!

En ze-r. o mensch ! met toeverzigt Op Gods beloften , Amen.

4. Nog heeft de schepping schooner* clans Voor ons , nu wy aan \'s hemels trans

De wooningen aanschouwen Van Hem, die schuld om niet vergeeft. En daar als onze Vader leeft.

Aan wien w\' ons lot betrouwen: \'t Verhelderd oo:; zoekt nu alom,

Om Jezus in dat heiligdom ,

Door \'t stil Beloof, te vinden ;

Tot Hy ons zelf in heerlijkheid .

Door \'s hemels ruime velden , leidt Al» zijn verhoogde vrinden.

5. De rijke, vrolijke natuur Doe ons haar schoonheid, uur op uur.

Vollediger bevatten ;

Hoe meer zy ons den Schepper toont, Hoe meer zy onze vlyt beloont ,

Hoe hoojrer wij haar schatten.

Een zoon beschouwt zyns vaders matrt Zyn\' rijkdom , wy^heid , liefd\' en pracht.

Met oogen nooit verzadigd ;

Hoe scherp beluistert hy die stem,

I

T

-ocr page 27-

Gez. 15, 16. LOF DES SCHEPPERS.

Die van lijn\' vader spreekt tot hem,

Zyns vaders eer verdadigt.

6. Al» wij in stroom of waterval,

In 7ee, in storm, hij rots of «lal

Gods majesteit hewomlren ,

Dan zwelt een traan in \'t kinderoog; Ja, moedig hoeren wy omlioog

Den God der eere dondren.

Is Hg een God, die ons behoedt.

Maar eiken vijand vinkten doet

Als golven voor de winden ;

Dan is Hij \'t onk , aan wien w\' in nood. Ook in rten strgd met hel en dood , Ken rots der eeuwen vinden,

7. Vertoont ons worm, en rups, en mier. En vlies, en mug, ja \'t kleinste dier

Zijn wijz\' en eoede wetten ;

Dan stremt ons onze kleinheid niet. Om ons vertrouwen , hg verdriet

En leed. op Hem te zetten.

In Jezus Christus zijn wij groot, H\'j Midlaar, \'s Vaders Troongenoot,

Verhoogd\' ons tol zijn leden ; Zou God, daar Hij zijn\' Zoon liemint, Aan hen , die Hij in Hc-n hemint,

Zijn\' rijkdom niet besteden ?

8. Laat eens de glans van zon en maan Bii \'s werelds avond ondergaan,

Ons ral geen licht ontbreken.

Als \'t Lam de kaars is daar omhoog: Daar zal eerst voor \'t verhelderd oog

De schepping zigtbaar spreken Haar zal natuur op ieder blad ,

Dal zg o-j» aard verzegeld had ,

Geheimen ons doen leren.

Hier is de wijsgeer slechts een kind; M tar die hier Jezus meest bemint. Zal daar de wgsste wezen.

qm

GODS VOORZIENIGHEID. W u z K : Gott ist inein Lied.

w, od is nign lied. Hg is de God iler krach- ^

--:r~ —z:zz=z—=— ;

ten; Heer is zgn naam, groot zijn zgn wer-

ken t\' achten , liet gansch heelal is zgn gebied,

2. Hij spreekt als Heer,

En wereldstelsels worden,

11 ij spreekt als Heer, en uit zijn\' stand en orden Keert alles tot zgn niet straks weêr.

3. Zijn kleed is \'t licht,

En zijne keus de beste ;

Hg heersrht als God , en zijnes zetels veste Is op de trouw en \'t regt gesticht.

-ocr page 28-

13 GODS VOORZIENIGHEID. Gez. 16, 17.

4. Oueindi:; rijk ,

Volzalij; , nooit volprezen ,

Voor cl\' eeuwen God , om eeuwig God te wezen , O Heer! wie is aan U gelijk?

5. \'t Zij klein of gront Op aard , in zee of hemel,

Hij kent het al . al hun gemengd sewemel,

Wat is, of was ligt voor Hem lgt;loot. fgt;. Om njij in \'t roml Schept H ij mü rust en ze^en ,

Hij geeft mij kraent en hulp op al mijn wegen , ~ Ea mij , en u keat Hij gegrond.

7. Steeds aan mijn zij\',

Waar ik mij ook begeve ,

Waar ik omhoog, waar in de laagte zweve,

Al waar ik hen, verzelt Hij mü.

8. HO kent ons hart,

Ons wensrhen , bidden , nmaehlen , Wat kwaad wij doen , wat iroeil wij ooit betrachten , En ijlt ter hulp in onze smart.

9. Hj) woog mi) af ,

Wat mij zijn punst wou ijeven ,

Schreef in zyn hoek , hoe lang ik hier zou leven , ling, rer HQ my het aanzyn gaf.

10. Niets , niets is \'t mijn ,

Maar alles Gods geschenken ,

Mijn hart, o Heer! zal eeuwig aan U denken. Uw lof op mijne lippen zijn.

11. Wie kent de pracht.

Waarmee uw wondren pronken f

Elk stofje zelfs, dat G\' aanzijn hebt geschonken. Verkondigt zijnes Scheppers magt,

12. In gras en halm

Zien wü zijn wijsheid pralen ;

Gg lucht, cij zee . irij velden , liersen , dalen ! GO züt zijn lotlied , gij zijn psalm.

13. Gy drenkt het land ,

Schenkt blijdschap allerwegen ,

En dasr en nacht, en koorn en wón , en zegen Ontvangen wü van uwe hand,

14. Valt hier op aard

Geen musch , dan met uw\' wille ,

Heer \' dat mijn hart zich met dien troost dan stille. Dat d\' eigen zorg ook mij bewaart.

15. Is God mijn schil»! ,

Wil God mijn Kedder wezen ,

Wat heb ik dan met mijnen God te vreezen. Waf. woede lt;1* afgrond om mg spilt?

17. GODS V O O R Z I K N I G H E I D. Wijze; Wer nur den lieben Gott laszt walten.

-ocr page 29-

GODS VOORZIENIGHEID.

ÜÜ

by Hein veilig en geborgen. Dién redt Hg goillgk, wonderbaar: Wie op den hougen God

vertrouwt , Heeft zeker op geen zand gebouwd.

2. Wat baat ons al \'t zwaarmoedig vreezen ?

Wat baat ons \'l zuchten , wee en ach \' Vergeefs zou al ons kermen wezen ,

Al kermden w\' ook den iranschen dag :

De last des jammers, dien men draagt,

Drukt maar te meer, hoe meer men klaagt.

3. Men blijv\' eerbiedig God verbeiden ,

En zwijg* den Heer oolmoedi» stil;

Hij zal ons naar zijn\' raad geleiden ,

\'t Is goed en heilig, wat Hij wil;

Vertrouw het aan zijn wijsheid vrg ,

Hij weet, wat elk het nuttigst zy.

4. Zeg nimmer in uw droefenis«en ,

. De man , dien \'t wel gaat, is Gods kind ; n Ik moet gewis zijn liefde missen ,

„ Want voorspoed volgt dien God hemint.quot; Hoe donker hier Gods weg ook schijn\'. Hij toout eens, wie zijn kindren zijn.

5. *t Is ligt voor God , en wie zal \'t wraken ,

Wie klagen over ongelijk ,

Als Hij den rijken arm wil maken ,

Of ook den armen groot en rijk?

Ligt niet in \'t geen ons treuren doet Voor ons de kiem van \'t heilzaamst goed?

6. Treed vrolijk voort op \'s Ilecrcn wegen.

En neem uw\' pligt getrouw in acht;

\'t Wordt eindlijk alles u ten zegen ,

Wanneer gij biddend daarop wacht:

Wie steeds geloovig op Hem ziet ,

Begeeft, verlaat Hü eeuwig niet.

18. GODS VOORZIENIGHEID. \' W u z F.: Fransche Cantique 8fi.

CB (met verandering van den derden regel.)

-ocr page 30-

20 GO I)S V OORZ I E N I G 11 E I D. GM. 18,19.

2, Uw alziend oojf aanschouwt ons in penaile.

Het «laat ons steeds alom naauwkeuriu Rade ;

Terwijl uw ({quot;quot;\'\'t. waardoor al \'t schepsel leeft. Ons leven, vrced en vreugd , ja alles geeft.

3, Voor onze voel haant Gö ons effen wegen.

Die Gij bestrooit met heil en mildeu zegen ;

Dus leidt Gij ons , wat eer! met uwe hand .

Vol liefd* en trouw , naar \'t heinebch vaderlaud.

4, Nooit voelen wij de kleinste zielesmarte ,

De Uaauwste wensch ontstaat nooit in ons harte,

Die Gij , zoo \'t maar uw wijze liefde duldt,

Niet straks geneest, of liefderijk vervult.

5, Gij «iet de kracht, het woelen onzer lusten.

Die ons zoo zeer, zoo menigmaal ontrusten ;

Gy ziet het ook . hoe zeer dat kwaad ons smart, En kent den stryd daartegen van ons hart.

G. Gij weet, hoe graag wy naar uw voorschrift leefden , En naar het doel van onze roeping streefden .

En, welk een troost! als onze voet vertraagt , Dan voelen wij , dat uwe kracht ons schraagt.

7. Voert Gij ons ooit in ongeval of lijden ,

Of geeft Gy ons een\' zwaren strijd te strijden ,

Gij schikt den strijd altoos naar onze kracht , En \'t wordt ons heil, hetgeen men rampspoed dacht.

8. \'t Bepaald getal van onze levensjaren

Zult Gij ons . zelfs elk\' oogenblik , bewaren;

Zoo staat het vast, dat nimmer ongeval, Of menschenband ons leven korten zal.

9. Zoo ziet Gij ons, zoo hlyft Gy voor ons waken , Met eene trouw , die alles wel zal maken ;

Zoo leidt Gij ons , zelfs door den grootsten uood , Tot aan , tot in , tot over graf en dood.

19. GODS VOORZIENIGHEID. W ij z k : Auf dich , mein Vater ! will ich tranen, (veranderd.)

V\' God! gelyk Gy ons het leven Ten reg- ^

uren, Met wysheid, niatrt en meusdienuiin, 2. Wie, wie van alle menschenkindren Kan ooit uw\' vrijen raad verhindren ?

Geheel ons lot is in uw hand ;

ITw wenk doet. Heer! ons ademhalen.

Uw wenk doet ons ten trrave dalen ,

Uw wil, uw raad houdt eeuwig «tand.

-ocr page 31-

Gèt. 19,20, nODS VOOR 7.1 BN t 6 II B I t).

3. De maat van onzs Icvrn^jaren .

Van onze rampen en bezwaren .

Hehl Gij on« n-ijslijk foesrnleeltl ; Uw tuehtiiren wag enkel liefde ,

En , waar de smart ons immer griefde , Gij hebt die wonde weêr jreheeld.

4. Oü hebt, o a1l)e•.fierend, Koning!

De plaat* bestemd van ieders wooninR, Den krin?. waarin hy werken moet, De maat bepaald dier zefreniiiKen,

Die wu uit uwe hand ontvingen ;

Kn al , nat G(j bepaalt, is goed.

5. Wat tronnen zinken , Heer der heeren\'. Ofi blijft in eeuwigheid regeren ,

Uw is de kracht , de majesteit ;

\'I .Moet alles voor uw wenken hukken ,

Niels kan zich aan uw magl onlrukken;

Maar deze magt werkt zaligheid.

O Vader \' wat wij ooit bedoelen ,

Van IT afhanlilijk ons te voelen

7.0 onze blij(Uchap hier beneén ;

Wourtt O\' alt yd onzen wensch verhooren, Dan was \'t geluk voor ons verloren ; Uw wijdheid kent on« heil alleen.

7. Laat nimmer ons te dwaas begeeren ,

Dat O\' onze dagen moogt vermefren ,

Noch jagend wensrhen naar den dood ; In uwe hand z(jn \\v\' altgd veilig.

Al wat Hy doet is wijs en heilig,

Kn liefd\' is al, wat Gg besloot.

P. I.eer onquot; dan sleed» op U v Op uw bestelling hope bout

Geef ons, dat wij den kostbren tijd Getrouw in uwen dienst besteden , Oui door \'t geloof Hem natetieden, Door wien Gjj onze Vader zijt. 9, 7.oo zal ons hart den dood verachten , Kn vrolijk op uw toekomst wachten ;

Och \' houd ons steeds voor U bereid ; Zoo zj) ons sterven , vroeg of spade , Om Jezus bloed , door uw genade , Een ingaan in de zaligheid.

KUST IN GODS BESTUUR. Wijze: Psalm 131.

hart verheugt zich, dat bij God \'t Besluur

geheel ons lot. Dat Hij ons vreugd,

of ongeval, Naar wg behoeven , zenden lal,

2. Hij , die ons gansch bestaan doorziet.

Houdt ook de schaal van ons verdriet;

Zijn wijsheid weet, of ongeneugt Ons best bereidt voor hemelvieugd.

-ocr page 32-

RUST IN GODS BK STUUR. Gf». 20. 21. 3. Hy , die zijn\' ei.^en, wpï wil jaan , 7iet dwaallicht vaak voor Marren aan ,

En, (.\'«at hij op dat srhijnsel door,

Dan dwaalt hg ligt van \'t rcgte spoor.

t. God kent alleen het naa«te pad ,

Dat uitloopt op de hemel stad ;

!! u weet, wanneer in ons peinoed ,

Of smart, of hlgdschap voordeel doet.

5. Daar die verwachtin!; in ons leeft,

Rehaajt ons alles, wat Hij geeft;

Wijl elke la=t, ons opgeleid .

Ou* vormt tol hooger zaligheid.

Ti. Hij , die ons leidt door \'t aardsehe «lal , Die nimmer ons verlaten zal.

Heeft z.yne liefd\' en trouw verpand Voor onze komst in \'t vaderland.

7. Waar ons geen schepsel helpt, hslpt Mij, Als alles vlujrt, staat Hg nabij ;

In rust en vreued , in noorl en strijd ,

Hlijft 11 ij dezrlf.le t\' aller tgd.

8. \\ls wü de doodsvallei bctr»?n ,

Laat ons elk aardsehe vriend alleen ;

Maar Hij , de beste vriend in nood ,

Verzclt ons over graf en dood.

9. Komt! fre?n wg dan gemoedigd voort ,

In vast vertrouwen op zijn woord ;

Hoe moeilijk ons de weg ook schijn\'.

Het eind zal zeker zalig zijn.

21. TEVREDENIIKID IN GODS BESCHIKKING. W u z k : O gesegre\'.es regieren!

eilig , heerlyk Opperwazen ! Die het groot heei-al gebiedt, Alles inoog verdonkring vreezen . Maar dat vreest uw luister niet; Zitten wij in treurig

2. Gij alleen r.ijt alios waardig ,

Wij , die stof zyn . niet met al; Alles zij ten dienst U vaardig. Of het sta , dan of het vall\' , Zoo uw luister maar mag blinken ,

Doe dan vry al wat Gy doet; Of wij drijven , of wij zinken , Wat Gö doet is even goed.

3, Zou die ootmoed ons niet voegen ?

Wij zijn niet, dan vour den Heer;

-ocr page 33-

Cm. 21. TEVRKDENIIEID IN GODS BESCil FKKING. 23 In u\'v* wll is ons !;pnop*»cn,

En ons heil is in utv ecr ,

En nw t-pr in al uw tvprken ,

Zelfs als Gij on« zinken doet;

Kunnen wij uw» lof maar sterken .

Wat Gy doet is even jjoeil.

Diepe nijobeicl zijn uw (inden ,

Wijsheid zonder eind of wal Zijn , o hooj-\'o God ! uw daden ,

Zijn uw wesren allemaal;

Zgt;jn 7-C. zuuiheiii, zijn ze zoelheid,

Wy aanliidden , zwijgen slil :

Want de wezenlijke Goedheid Maakt het goed met «lat Zij \'t wil.

5. Wie zou dan uw doel bedillen ?

Kwaad , ze-jt somtijds ons gevoel 0|gt; uw godlijk doen en willen;

_ Maar de wyshcid mist haar doel.

Konden w\' ooit de reden ramen ,

Waarom dus de Hemel koos.

Ach! hoe zouden wij ons schamen.

Onze ziu bleek zinneloos.

6. Vaak , door eigenheid bedrogen ,

Waanden wu . des Heercn eer ,

Wijsheid , goedheid , alvermogen Bleek op andrc wijs veel meer ;

Maar wjj lieten ons verleiden ,

En wij feilden in dien vond ,

Omdat anders, dan wy zeiden ,

In dien raad geschreven stond.

7. Raad , dien srhepslen nooit doorgronden ,

Raad , waardoor de hemel slaat ,

Ouuitspreeklyk wijze vonden

Van des aardbol» wigt en maat ,

Waardoor \'t al is afgeteekend .

Kunstig op zyn plaats gesteld ,

Eeuv en dag en uur berekend,

Starrenheir en gt;tof geteld.

8. Onbegryplijk hoog beramen ,

Rnail , waarnaar de hemel zweeft,

Al het srhepslenheir te zamen

Zich beweegt en roert en leeft,

Die de raadren en de veren

Van dit magtig uurwerk drijft,

Zoo dat, in hun talloo» keeren .

Niets verwrikt, of aehterblyff.

3. Ja . wij bukken voor dien wijzen ,

Dien bepaalden raad , die nis AI ons lieven , al ons prijzen,

Meer dan alles waardig is;

Wie zou ooit, om ei-ren voordeel,

Wenschen . dat die keten brak ,

Of dal schatten in z.iin oordeel Ligter , drtn z.ijn ongemak ?

10. Nutter ging noir . een\' der dagen ,

Dit geheele wereldrond ,

Dan uw godlyk welbehagen ,

Dan een stip daarvan, te grond.

Dier verdwijnt, wat ooit inoo? blinken,

Vrienden , rijkdom , eer of slaat ,

Laat het vallen , laat het zinken Niels besta dan ilere raad.

?3. P E

-ocr page 34-

D R BESTE K E IT Z Ë. Gei. 22. itfi

22. DE BESTE KEUZE. W u 7. E : Glürk zu , Creutr . von Hertzen !

u»t, mijn zie!! uw God is Kouin?. Heel

wereld zijn gebied; Alles

—z:—z==^

zijn wenken, Maar Hg zelf verandl

2. Ieder woelt hier om verandrinpf.

En betreurt ze dai» aan dai; , H imkert naar het ceen hij zien zal, Wenscht terus \'t geen hij eens zag.

3. Rust, mijn ziel\' uw God is Koning,

Wees tevreden met uw lot;

Zie , hoe alles hier verandert, En verlang alleen naar God.

yym

23, TEGEN ONMATIGE ZORGEN Wijze- Wenn mein StQndlein vorhanden ist.

3M£=S=3E=i5aE=ig=gSSSli

, . at zwoegt een handvol stofs, tot mensrh

mm

Bezield voor oogenblikken, Om hier de toekomst

E5E5E5~=Ë

zijn\' wensch En klein ontwerp te schikken 1Daar wijsheid , die geen\' eindpaal heeft . En liid en

w

1

eeuwigheid doorzweeft, \'t Heelal bestuurt en re - geit.

-ocr page 35-

Get. 23, 2t. TEGEN ONMATIGE ZORGKN.

Uw Vndor weet, wat gij liehoeCt,

En zal \'t u zeker peven.

Alleen Hij kent mv duurzaam nut ;

Zijn wijsheid blijv» in nood uw stut ,

Op haar verlaat g\' u veilig !

5. Wat ziet pij van de toekomst torh .

Wat van den dag van mors-en \'

Uw vrees en hoop zijn zinbedrog.

En dwaasheid al uw zorgen.

Volbreng alleen getrouw uw\' pli:rt ,

En eeus wordt u het duistre licht ,

Wat d\' uitkomst hier moog wezeu. C. Uw verdre zorg is louter trots.

Uw pozen stout vermelen ;

Of waant g\' in \'t liefdrijk plan mvs Gods

Het miertje zelfs verirelen?

Keen , aan \'t geluk van \'t groot geheel Strekt ieders heil ten onderdeel,

Zijn liefd\' omvat die allen.

7. Zou ik , wie ooit hier twijflen moog,

^ITw trouw , mijn God \' verdenken ,

Nadat uw goedheid U bewoog,

Om my uw\' Zoon te schenken \' De Uaauw\'te twijllin^ waar hier hoon ; Cf zoudt Gij niet uw\' eigen\' Zoon Niet alles nan mij schenken ?

8. Maar , Vader \' daar wij om U heen

Een vlekloos licht aanschouwen ,

Wat, dan een rein gewiss\' alleen ,

Kan ooit op U vertrouwen ?

Och geef, dat mijn onrein gemoed , Ont^zondigd in mijns Meilands bloed.

Zich naar uw wetten rigtc !

9. Dan rust ik in uw\' Vaderschoot

Met al mijn nngst en zorgen;

Dïn hen ik boven nood en dood

In uwen Zoon geborgen ;

Dan blijft Gij, wat mij ooit ontvall\'.

Mijn rots, mijn deel , mijn eenig al ,

N oor dit en \'t eeuwig leven.

IÜ=

B E M O E D l G I N G. Nieuwe zangwijze.

Am

nacht van bange zorgen \'t Uitzigt uwer hoop bedekt, Al* de lichtstraal van den morgen

Ons, uit dezen nacht van zorgen, Slechts tot zorgen wekt: Ach! wie geeft dan nog voor mengcheu Troost in zulk een bitter lot ? Ja ,

-ocr page 36-

n E M o R n i G i N r.. c«. at.

=isi

aan d\' eindpaal uivcr wensr.hen, Christen! staat er

hulp voor incnsfhen , Slaat uw Vader en uw (lod,

2. O ! wat hoop aan u in \'t levcu ,

In dit vee?e jammerdal.

Op uw moeilijk pad treirevcn Tot een leidstar door dit leven ,

Als \'t u donker vallen zal !

Jezus! in uw majrlij:\' armen

Wordt de zoetste troost gesmaakt,

Al* zirh niemand srheen t\' erbarmen ,

Hebben uwe inaKtig\' armen IJzten ketens losgemaakt.

3. Hoop op Hem ! uit al de zorgen.

Die deez\' droevig aarde jjeeft ,

Rijst het lirht eena van lt;lien morpren,

Dat men , na een\' nacht van z or Ken,

Keuwiir zonder zonren leeft.

Sterveling! de weer door \'t leven.

Door «lit donkre tranendal,

Doe u niet voor d\' uitkomst beven ;

Kies «lien Leidsman naar dat leven ,

Waar men nooit meer zorgen zal.

25. ONDER RAMPEN. W u z e : Gezang 4.

^3

. Zou . met het oog tot U gewend ,

Mijn hart nog angstig klagen ? Gij hebt van mijn verdiend\' ellend

Den zwaren last gedragen.

Wat mij nog drukt, is weldaad. Heer! Het zuivert, heelt , maar doodt niet nu Geheiligd door uw Igden.

, Door U geleerd ken ik in God Den a!lcrbe*ten vader ,

En iedrf osspoed in myn lot Brengt mg zgn liefde nader;

-ocr page 37-

25 . 26. O K D E R K A M P B M. Iridt mij op door rqinp pii «Iruk , Tot ware dcu^d en rein ireluk; Daarvoor 7.al ik Hem danken.

Zou ik, in \'t prnn~en van mijn* nood.

Den bitlren neildrnnk gchroomen , Daar Gij door uw\' vcizoeniiifrvdood Het wran^st aan hebt ontnomen? Neen . starend op dat liefdepand , Kus ik lt;Ie vaderlijke hand , In \'t midden van mijn lijden.

5. Mo^t ik maar onder tepcnhecn

In deued en Rodsvrueht winnen. En U , mijn\' Leicisman hier beneén ,

Steeils vuriger beminnen !

Met 1) , wat zeït mijn aardseh\' ellend ? Met IJ bereik ik \'t zaligst end ,

Met U lilijf ik verwinnaar.

6. Zoo juirh ik midden in \'t verdriet,

Waar and ren an-csti?» vreezen.

Mijn Vader ! och verlaat mij niet, ?»x«tüd mij , waar \'t moet wezen ; Dat ik , voor eigenliefde doof, Aan uwe liefd\' alleen Reloov\',

Un aan uw trouw , o Vader !

ONDER RAMPEN.

w ij z E ; Psalm 130.

^ •gt; O-dgSjg

Gij \\ die mijn ellende, Mijn bange da-V ■ ^ —

. Ach, Heer! waar straalt erbarme Waar lacht mij redding aan , Dan in uw Vaderarmen ,

Die mij nog open staan T Mijn angst en al mijn zorgen ,

De nood , die \'t hart beknelt, Zijn niet voor U verborgen, Die mijne tranen telt.

. Och ! leer mij in mijn nooden Op U alleen Ie zien ,

Mijn\' eigen\' wil te dooden ,

Én d\' uwen hulde biên.

Toon mij bij al uw slagen , Dat (ïg nog vader zöt.

-ocr page 38-

OTJDKK HAMPER.

. .Ta , bron rn steun mijn» levens , Mijn Vader en mijn God ! Uw licfd* en wijsheid tevens

Bestuurden steeds mijn lot. Wat rampen mij bestrijden , Wat om mij zameimpnnt, De beker van «mjn lijden Komt van een vaderhand.

, Ook bij mijn bangste s

Blijft G\' op mijn heil bedaolit; Gij plaatfdet hooit van harten Het mensrhelijk pe«lacht : Het leeil, dat zelfs den booren

Hier strekt tot. turhtiirinsr, Werd door uw hand gekozen Tot. hnn verbeterint».

. Gij huwd\' aan zonde smarte , Ann zeedlijk kwaad hier pijn , Opdat in \'t eind hnn harte Kr aan pespeend zon zijn. D:i!i juiehen z\' om een lijden. Dat zoo veel heils vervin? , Daar Knirlen zich verblijden Om hun verbeterinff.

, Kn zon dan \'t hart versatren , Dat op uw\' naam vertrouwt. Als \'t onder uwe slasren

Een vaderhand aanschouwt \' Zou ramp de hoop vermindren Van \'t hart , aan TI pewijd \' Neen ! \'t zijn uw liefste kindren , Die Gij het meest kastijdt.

, Ja, Vader, trouwe Vader\'

Ges. 26 . 2?

Reeds juichen hart en mond ; Nooit was uw licfd\' ons nader, Dan toen G\' ons lijden zondt. Waf ons hier noj; verheide , Wij stellen \'t in uw hand , En treén op uw geleide Gerust naar \'t Tnderland.

«s»

ONDER RAMPEN. W u 7. e : Psalm 77.

J eer ons. Vader! U verbeidengt; Volgen, waa- Gij

Psalmen zingen in den nacht, Hooren , wat Cy ons wilt leeren , Uw bevel piet daden i

-ocr page 39-

Gez. 27 , 28. O N D E R R A M P E N. 23

d\' uitkomst willig blind , Stil zijn-ala \'t gcspeende^kind^^ 2. Leer ons warsrh zijn van het zorgen Voor don naderenden morsfen ,

Bg het kwaad , dat ons ontmoet.

Stil gelooven, Goil is goed :

Biddend waken , moediir strijden ,

IJeedritr wachten . hopend lijden.

Vrolijk zijn met stil ontzag,

Leer ons , Heer ! dit eiken dag.

28. TROOST IN TWIJFELMOEDIGHEID.

3. Is de nood zoo hoog gerezen ,

Dat trij nergens uitkomst ziet, Nog hebt gij geen kwaad te vreezen: Is de nood zoo hootr gerezen ,

Dat gij nergens uitkomst ziet, God, uw God vergeet u niet.

3. Vest in bang\' en droeve dagen

Al uw hoop op Hem alleen,

Srhroom niet Hem om hulp te vragen: Vest in bans\' en droeve dagen Al uw hoop op Hem alleen ,

Hij kan helpen , Hij alleen.

4. \'k Weet zyn woord is .Ta en Amen ,

Zijn beloften feilen niet,

Nimmer zal Hij ons beschamen : \'k Weet zijn woord is Ja en Amen , Zijn beloften feilen niet.

Zalig hij, die tot Hem vliedt\'

5. Ja , in duizend ban^e stonden

Heeft Hij steeds getroost, gered , Eeuwig wordt Hij trouw bevonden ; Ja, in duizend bange stonden Heeft Hij steeds getroost, gered] Op het kinderlijk gebed.

C. Wee dan met uw bange zorgen ,

Volg gehoorzaam zijn gebod ,

Vrees niet voor den dag van morgen , Laat Hem, uwen Vader, zorgru ;

Volg gehoorzaam zijn gebod ,

HU , uw Redder. i* uw God.

-ocr page 40-

30

reeds hier beneên, Wat ik

rd\'

i^heün.

2. Elke da»» geeft mij {fenoepren ,

Stof van danken ieder uur ,

Zelfs de smart, die mij deed zwoegen ,

Wordt unj zepen op den duur; Ruisschen in deez\' dorre landen Ook sreen bronnen door de zanden . Heeft de nacht niet zelf» zijn licht , Als de zon schuilt voor \'t gezipt?

3. Zijn niet alle mijne zinnen

Bronnen van vermaak voor mij \' Elk geluk , dat wij gewinnen ,

Wie verleent het ons . dan Gij *

Hebt (!ij , Heer ! mij met het leven Deze zinnen niet gegeven.

Mij genot voor elke kracht ,

Als een vader , toegebragt ?

4. Heer! hoe vele blijde dagen

Vloeiden zonder tesenheên ,

Zonder kommer . zonder klagen ,

Ais een klare beek daarheen 1 Kwelden m\' immer leed of zorgen , \'t Was slechts kort, en eiken morgen , Als mij uwe zon verheugt.

Spelt ze mij vernieuwde vreugd.

5. Wilt Gij , boven \'t ceen ik denken ,

Boven \'t geen ik bidden mag, Mij niet haav\' en voedsel schenken ,

Schut en hulp op eiken «lag?

Komt Gij mij met uwen zegen Onverwacht niet telkens tegen ,

Was U ooit gevaar te groot,

Waarin Gy geen\' bijstand boodt ?

6. Van de velden , uit de stroomen ,

Uit de diepten van de zee ,

Uit de wolken , van dc boomen

Deelt G\' ons milden zegen meS , Jaren, maanden, dagen, stonden. Altijd , Vader ! ondervonden Wij uw liefde, wg uw magt;

Eeuwig zu U eer gebjagl !

-ocr page 41-

9. 30. DANKLIKD.

7. gt;raar wat tvelilnAn ons omrincen ,

No? onllirrekt ons strrds , o smart ! \'t Wijs gpbruik dier ze^uinjjcn,

JFpi een rr^\'t tevreden bart:

Daarom vlieten , daarom vloten Rijke bronnen , pngennlen ,

Ons voiirbij aan alle ka:it ,

Als een kvoudstroom in het zand,

8. Veiligheid in onze landen ,

Deze Merke, vatte handen

Voor liet luetisnhelijk ({cslarht, Vrienden , die on* hart verblijden , Die ons troosten in ons lijden .

Kaad en hiil|lt;, ja eindloos meer. Hebben wij tan U, o Ilt-er!

9. Hebt G\' ons in dit droevig leven

Reeds zoo veel seluk bereid ;

O! wat heil zult G\' ons eens geven

In de zalig\' eeuwigheid ,

Als w\' aan \'t einde van dit -Irijden . Als verwinnaar» , ons verblijden Bij \'t ontvangen van de kroon Uit de hand van uwen Zoon • 10. Vloeit nu , laat u niet bedwineen , Stroomt nu onder \'t lofgezang. Dat wij God ter eete zingen .

Vreugdetranen van mijn\' dank! Tot een eeuwig zalig le\\en Is mijn aanzijn mij gegeven ;

\'k Voel verrukt, in \'t aardsrhe dal , Wat ik eeuwig wordeT zal.

30. BLIJDSCHAP IN GOD.

W ij z e : Psalm 33.

■ / eez\' aarde zij een tranendal, Verdriet en

moeite zij het al , WhL haar genot ons ooit kan

geven; De Christen mag er vrolijk leven. Hij

vindt, bij \'s werelds eb en vloed, In God voor

\'t hart een vaster goed , Een goed , dat met de rein-

stc vreugd Hem zelfs voor d* eeuwigheid verheugt. 3. .Ia , wereldvreugd is smart hieibij ,

Hoe streelend haar genot ook zij ;

Men vindt steeds doornen aan haar lor.en.

Zij doet in \'t eind van srhaamte blozen ,

Z\' ontrooft ons allen zielevreé ;

B l Ma».-

-ocr page 42-

Tï A N K Ti 1 K D.

K DANKLIED, z e : J cru , meinrs Lcbcns Lebcn !

loei nu , laat u niet bedwingen , Stille traan 1 v

Coil geschreid, Vloei nu, vloei nu ondrr \'t

m

a bet lieil «Ier \'lankbaarheid ; Tot een eeuwig zalic mijn aanzijn mij freReven . \'k Voel verrukt

yi

-ocr page 43-

9.30. DANKLIBD. ït

7. n-nt welilnSn ons omvinren ,

No? ontlircekt ons stpnls , o smnrt f

\'t Wijs |*pliruik ilirr ze^eiiinscn ,

Met ccn rcirt tevrnien hart:

Daitroin vlieten , daarom vloten Rijke bronnen , omrenoten ,

Ons vonrhij aan alle kant ,

Als een vvoudstrooni in het zaïitl,

8. Veiliüheitl in onze lamk n ,

Or.ie . u-et, en retrt , en wacht.

Der.e i-lerke, vatte handen

Voor het mensi-helijk gcslacht ,

Vrienden , die ons hart verblijden ,

Die ons troosten in ons lijden ,

Kaad en hulp , ja eindloos meer ,

Hebben wij tan U , o Heer!

9. Hebt G\' ons in dit drocvilt;; leven

Reeds zon veel se luk bereid ;

O ! wat heil zult fi\' ons eens geven

In de zalig\' eeuwigheid ,

Als w\' aan \'t einde van dit strijden. Als verwinnaars, nns verblijden Bij \'t ontvangen van de kroon Uit de hand van uwen Zoon !

10, Vloeit nu , laat u niet bedwingen .

Stroomt nu onder \'t lofgezang.

Dat wij God ter eeie zingen .

Vreugdetranen van mijn\' dank!

Tot een eeuwig zalig le\\cn Is mijn aanzijn mij gegeven ;

\'k Voel verrukt , in \'t aardsrhe dal,

Wat ik eeuwig worden zal.

30, B L IJ D S C 11 A P IN GOD.

w ij z n : Psalm 33.

ji=^is=si=^s-^ÉiÉl^Ê^=i^É

\'t hart een vaster goed, Een goed , dat met dc rein-

HiiilnilüiimÊSÈüïi—

ste vreugd Hem zelfs voor d\' eeuwigheid verheugt. 3. Ja, wereldvreugd is smart hierbij ,

Hoe streelend haar genot ook zij ;

Men vindt steeds doornen aan haar ror.cn ,

Zij doet in \'t eind van schaamte blozen ,

Z\' ontrooft ons allen zielevreê :

B t Ma

-ocr page 44-

sa B L IJ D S C II A P I N G O Igt;. Cez. 31, 31

Mnnr vreusd in Goil bronst 7.ielru^l mcfi , Kon zielrust, lt;lic s;ern tvoêrpji\' Lppft ,

Die voorsmaak van den hemel preft.

3. Al wordt de ziel door zonden«chuld Met droefenis en rouw vervuld ,

Pit treuren zelfs «reeft meerder vreugde.

Dan hier den zondaar ooit verheugde ;

liet vast peloof aan Gods (f^na*

Op \'t oiTerblord van Golpo\'.ha Geeft vreued aan \'t hart , hoe \'t oog ook sehreit, Zulk treuren zelfs is zaligheid.

4. Die vreutrd in \'t hart kweekt ware den cd ,

Geen deugd voor God , dan met die vreugd ;

Gij , Vader ! wacht die van uw kindren ,

En nooit zal zij in \'I hart vermlndren ,

Dat kinderlijk tot U zieh wendt ,

In Christus U als Vader kent ,

Kn , bij het vlieden van het kwaad ,

Zich daaglijks meer op U verlaat.

5. De zorg eens aardschen vaders spreidt Door \'t huisgezin tevredenheid ,

Dn kindren smaken stil trenoecen ,

Als zij naar \'s vaders wil zich voegen ;

Maar meer penoesen smaakt uw kind ,

Dal in uw zorg zijn rusie vindt,

Daar d\' almagt in zijn\' nood voorziet;

Zoo zorgen aardsche vaders niet.

6. Gij. die geen vogelken vergeet.

Ofschoon het van geen zaaijen weet,

En leliën , die nimmer spinnen.

Zoo kleedt , dat zij \'t van Vorsten winnen: Hoe waardig zyt Gij , dat ons hart ,

Ia hoe veel levenszorg verward ,

Op U voor voedsel , voor kleedij ,

Voor alles zonder kommer zij.

7. Wat immer ons op aard ontbreekt Is IJ bekend; uw almagt spreekt.

Straks dient ons alb-s op uw wenk?n :

Wat zult G\' ons met uw\' Zoon niet schenken ? Ja , hemel , aarde , leven , dood ,

Is alles \'t onz\'! In allen nood Is \'t vreugd in U, die sterkte geeft;

\'t Is ons genoeg. Gij , Vader! leat.

E L L K N I) E EN V E R L O S S I N G.

31. ONZE BESTE MM IN G.

W ij z e : Psalm 65.

sterveling ! gevoel u»r waarde; Wat ti in \'t stof

nog vleit. Uw hart is veel te groot voor d\' aard»,

Cij leeft voor d\' eeuwigheid : De tgil , die alles veg

doet

-ocr page 45-

Get. 31. ONZE B E S T K M M I N G. 33

}±—Xr

doet zinken , Bepaalt uw trrootheid niet

;; Gij ziet

|| mtx

voor u«v volmaking blinken Een eindeloos verschiet.

2. Zoudt k\' om een wuft peluk hier slaven ,

Dat hij \'t (fenot reeds vliedt,

En met een handvol stof* begraven Wat eeuwig* aanwinst biedt?

Uw hart, dat eindloos blijft brgeeren ,

Is niet bestemd voor «rhijn ;

Uw grootsohc taak hier te leeren Aan God gelijk te zyn.

3. Daartoe wordt g\', onder smart en strijden ,

Gevormd en opgevoed Daartoe vergoot, bij \'t vreeslijkst lijden ,

Uw Heiland eens zijn bloed;

Daartoe roept God en sterkt u tevens

Door il\' EvangelieblaSa ;

Daartoe biedt II ij den Gee^t des levens U als uw Vader aan.

. Dit aanzijn zal u ras begeven ,

O mensch ! cebruik het wijs;

Jlet heeft, verknocht aan \'t volgend leven ,

Een\' eindeloozen prijs:

De kleinst\' ontwikkling houdt haar waarde ,

Wat ooit de tijd verstoort;

Maar \'t zaad , dat hier verstikt in d\' aarde ,

Brengt nimmer vruchten voort.

5. Het stof moog met dei. wind verwaaien.

Tot vroeger stof vergaamp;rd ;

De mensch zal eenmaal zeker maaijen ,

Wat hij hier zaaid\' op aard ;

Mier hangen van geringe schreden Vaak deugd en ondeutrd af.

Van oogenblikken eeuwigheden

Aan gindsche zij\' van \'t graf.

6. Och ! dat wij nimmermeer vergeten ,

Als ons de zonde vleit,

Hoe zij der rust van ons ceweten

Haar doodlijk striknet spreidt,

Hoe diep wij van \'t geluk vervielen ,

Hoe duur wij zijn verlost ,

En wat de redding onzer zielen Aan Jezus heeft gekost.

7. O Gg , aan wien wij deugd en leven

En alles zijn verpligt ,

Getrouwe Heiland ! leer ons streven Naar \'t ryk door U geslicht;

Dat wij den prijs der menschheid voelen ,

Zoo hoog door U vereerd ,

En altijd dat geluk bedoelen .

Dat d\' eeuwigheid vermeêrt.

8. Dan zal ons hart het stof verachten ,

Dat dwazen aan zich boeit,

En naar de zalig\' oorden smachten ,

Waar \'t heil f^durig groeit;

Dan zullen w\', onder \'t aanlach gewemel ,

Op d\' aangewezen baan Voorspoedig rijpen voor den hemel,

En dien eens binnengaan.

B 5 32. STAAT

-ocr page 46-

beeld op aarde, Bestemd tot heil van hoo-Was, Heer\' II waardig , re^t en

F=ls==SliGl

, ....................... ........ Tot cl- ^

ken reinen pligt, U ter eere; Uw Adam

---1, Uw Eva was In alle neiging onbevlekt,

2. Geen de minste Iii«t tot zondrn Werd in \'t ontrbulditr hart gevonden,

7,1} minden U, U, Heer! alleen.

Vrij van sterven , vrij van zorgen,

En vrolijk nis do schoonste morsen ,

Die ooit d\' onsohuldis\' aanl bescbeen ;

Zij kenden ramp noch druk ,

Daar stroomen van geluk Voor hen vloeiden ,

Door dat penot Steeds meer tot God,

Meer tot volmaaktheid opgeleid.

3. Maar die rein geschapen menschcn ,

Gelukkig boven alle ivensrhen ,

Door helsrhe list te snood verleid ,

Durfden Gods trebod vertreden ,

En rtortten uit die zaligheden In jammer en ellendisheiil:

Die afval staat ons duur;

Daar , men«c-h 1 Is uw natuur Diep bedorven ,

Met zond\' en schuld Voor God vervuld ,

En onbekwaam tot cenig goed.

4. Treuren wij ! want wie zou \'t wagen De hoore Godheid anutekla-ren ,

De menseh is schuldig, God is goed;

Laat ons onzen val betreuren ,

Maar \'t hoofd ook dankbaar opwaarts beuren,

Zelfi

STAAT DHR REGTHEID EN VAL,

STAAT DEK REGTHEID EN VA L. W ij z k ; Wachet auf, ruft uns «lie Stimnic.

-ocr page 47-

Gez. 32 , 33. STAAT DER REGTHEID F.N VAL.

Zelfs nosf is God voor zondaar» goed : Door Jezus Christus bloed Is onze schuld irelioet,

Welk een liefde!

No? hier op aard,

Hoe zeer onwaard.

Vernieuwt zijn Geest ons naar zijn beeld.

noch beminnen, verstand verblind ,

Mijn wil een slaaf iler lusten ,

Laat, buiten \'t kwaad , dat hij bemint,

\'k Onlzeir aan Gods hevel gehoor.

Maar liefelijk klinkt in mijn oor De lokstem der verleiding.

3. Hoe vaak gaaft Gij mij raad en licht In mijne duisternisse;

Maar altijd wederstond ik i\'ligt.

Gevoel, verstand . gewisse :

Vol onrust , tot ik *t kwaad volbragt, Had wederstand hier zelden kracht.

De zoude zegepraalde.

•I. Wie deez\' ellend ookquot; loochnen moog.

Ik niet , o God ! mij nnnrn ,

Mij opend\' uw onlfenning \'t oog.

Geloofd zij uw erbarmen !

Ik kreeg verlichting, en mijn hart Gevoelde mijn bederf met smart, -Den jammer mijner zonden.

». Gij tro!U mij , Hoer ! en steldet mij Den weg des heils voor ooiren ;

Gij hebt , o ia ! zoo goed waart Gij ,

Mijn trotsch cemoed geboiren :

\'k Mam uw ^ena\' in Christus aau ,

En straks vond ik mij aanfrrdann Met lust en kracht ten goede.

6. Verbreek in mij nu , voor altijd.

De neiRin:; lot de zonden.

Geef mij , dat ik in dezen strijd Verwinnaar word\' bevonden ;

Versterk mijn kracht tot alle goed ,

V S

-ocr page 48-

Z B D R L IJ K B K 1) K R F. Gcz. 33, M.

Noif inuner zweef ik iu trevaar ,

Nu zwak , lt;lan traa^ in \'t werkquot;n ; O God 1 Gij kent dat ijroot gevaar ,

Bewaar mij , wil mij sterken ;

Maak mij voorzijftiff , welbedacht, En tesrcn \'t kwaad steeds op de wacht, Kn kloek van moed in \'t ktnjdcn.

S. Verflaauw ik , help mij zwakken traan , Och 1 blijf mijn krachten stijven , Bpoor zelf mijn hart tot bidden aan ,

Zoo moo? ik Maande blijven ;

Of val ik , Vader \' vat unjn hand , Dat ik naar \'t henielamp;ch vaderland Mijn reis met vreugd volbrcnge.

[\' besef verslagen : Ontferm U

, och!

ontferm

L) ,

^--1

| Heer1 Och hoor, \'

.erhoor o

ns klagf

en1 Wij

zijn

[--

lil!

| \'t niet waardis:. neen ,

, o neen \'

Dat

Gij ons

voor

SS

1

Ons hart , waann de zonde leeft,

Aan \'t kwaad ter prooi gelaten , Verwerpt den raad , dien Gij ons geeft,

Bemint. wat G\' ons leert haten. O Cïod 1 o God ! wat hulp, wat raad ! Waar vinden wij het ende Dier ellende ?

Ons denken zelfs is kwaad , Ja , tegen ü vijandig !

-ocr page 49-

Gez. 31-36. ZEDELIJK BRDEK7. Als zondaars tot U noodrn : Wij komen. Heer! op mv gt\'l)olt;l, O Heer \' wil ons verbeven ,

Schenk on» \'t leren ; Des zondaars «looil , o God ! Kan U toch niet lichamen.

BELIJDENIS VAN ZONDEN. Nieuwe zanjfwijzc.

gen en geboren , Geneigd tot kwaad , en die de kracht

verloren Tot alle goed , dat meerder i» , dan tchiju.

2. Dit diep bederf, die bron van all\' ellenden ,

Doet daaglijks ons uw reine wetten schenden ,

En woelt en woedt in opstand met uw eer .

Dit diep bederf blijft elke h»ilbron stoppen ,

Het doet in ons een bang geweten kloppen .

\'t Stort in een\' poel van jamren ons ter neêr.

3. Dan, Heer \' een waar eevocl van onze zonden , Een hartluk leed , dat w\' uwe wetten schonden ,

Doen ons voor IJ beschaamd , veroordeeld staan. Ontfermend\' God \' kom ons met uw irenaile In onz\' ellend en diep bederf te stade.

Gij , Gij alleen biedt ons nog redding aan.

4. Hoe (jansch onwaard w\' uw gunst ook wezen mogen. Verheerlijk nog aan ons uw mededoogen ,

O Gij 1 die steeds erbarmer zijt geweest;

Vertroost ona hart door vaderlyk vergeven , En schenk , vermeêr ons voorts door al on» leven De gaven , Heer ! van uwen goeden Geest.

5. 7.oo treur\' in ons een diep getroffen harte ,

Zoo voelen wij die ongeveinsde smarte,

Die ons steeds meer der zonde sterven doet; 7no zullen wij die eedle vruchten dragen ,

Die , o God 1 um Jezus wil, behagen ,

En blijken zijn van een vernieuwd gemoed.

36. HET EVAN G E L i E. W ij 7. n : Jesu, incine Ftcude !

^ * 1 cuiTclilke tndinir .

-ocr page 50-

S. Hoor zijn vredeboden

üoc-t Cod zondaars nooJen

Tot het hoogste poed :

God heeft ons vergeven, God schenkt ons het leven ,

Door des Heiland» bloed.

Ja, de llfcr Wil nop veel meer. Hoven bidden , boven denken ,

Alles aan ons schenken !

3. Hoe ook afgezworven,

Hoe peheel bedorven,

Hoe pehecht aan \'t kwaad ;

Wilt pij zaliï wezen ,

Niets hebt pij te vreezen ,

Hier is hulp en raad; God vereeefl , De Midlanr leeft,

Zelfs heeft Hij \'t rantsoen pevouden Voor de prootste zonden !

i. Zalip, die \'t pelooven !

Troost, hun nooit t\' ontrooven ,

Wekt hen steeds tot vreugd ; Kracht tot poede werken Voelen z\' in zich sterken.

Kracht lot liefd\' en deupd ;

Door Gods kracht, In hen volbragt, Komen rij eeduritr nader

\'t Beeld van hunnen Vader. 5. Woord , waarop wij bou\'ven ,

Daar wij op vertrouwen ,

Evanpe\'.iewoord !

Berden mopen wijken ,

Gij zult nimmer wijken ,

Want pij zijt Gods woord \' Dat ons, Heer! Den troo«t dier leer Geene twijtlinp ooit ontroove !

Sterk ons in \'t geloove !

37. ZONDE EN GENAD E. Nieuwe zangwijze.

-ocr page 51-

2. Die eeuwig» onrust van mijn harte,

Die s\'ille, «liep verborgen amarte ,

Die alle vreugd ontvlugt.

En mij ïoo vaak voor \'t beste Wezen Als voor een\' dtringpland doet vreezen, Is , tvreede zond\' ! uw wrange vrucht.

3. Ach! om mij voor \'t verderf te wiMien , Begoochelt zij m(jn wufte zinnen ,

En \'k zie \'t bedrog niet door;

Schoon \'k weet, dat zg met duurzaam wroegen Een vlugtig oogenblik genoegen Voor \'t hart beloont, dat haar verkoor !

4. Geen opzet baat . waar z\' aan komt lokken ; Mgn hart . van diep bederf doortrokken ,

Staat haar vervoering bij :

Daar zinken wil en krac hten beide,

En . wat ik gist ren nog beïrhreide ,

Wordt heden Hgt weer lust in mij.

5. Mijn Heiland 1 hoor mijn angstig E\'.neeken; Gij slechts, Gy kunt die banden breken.

Niet ik, niet ik, o Heer!

Och \' leer m\' «an (ïods gena\' gelooven , Dan kom ik eens haar kracht teboven , En zonde heen-cht in mij niet meer.

6. Schoon niets mijn snoodheid evenaarde , Genade ziet niet nefr op waarde ,

Daar allen zondaars zyn :

Nooit heeft ze, dan om niet, vergeven ,

Opdat zij . op «Ie zee van \'t leven ,

Voor alle vleesch ter noordstar schijn\'.

7. Hoe \'t ongeloof zich , onder \'t roemen. Getrouwheid met zich zelf inoog noemen.

En zijn gestalten kroon\';

Zijn needrigheiil is hoovaardije,

7.\' ontwringt gen*\' haar heer-chappije ,

Uw al betalend bloed ten hoon.

8. Zou \'t zondig stof aan zich nog denken ,

Waar God het godlijk wil beschenken?

Dit waar te snood een waan :

Gods liefil\' is aan zich zelv\' verbonden . Eén schuld en millioenen zonden Verzinken in dien oceaan.

9. Oneindig\' God ! bij uw genade

Wat komt in zich den ivorm te stade ?

Gij ziet op zondaars néér.

Ach ! eer ik \'t aanzijn mogt erlangen .

Had ik vergeving reeds ontvangen ;

ik ben hier niets; G\\j alles. Heer\'

10. Mijn Jezus! schoon \'k U niets kon toonrn , Daii zonden , die dit hart bewooneu ,

En niet een\' enklen traan ;

Och ! leer ni\' ook daar mij zelv\' vergeten . Om , aan uw\' kruispaal neêrgezeten ,

Niets dan gcosJe ga\' te slaau.

es

-ocr page 52-

7 O N D B EN GENADE. Gex. 37 , 38.

11. Dnn ïal «le zond\' in mij verkwijnen,

i).ni zal haar heersrhappij verdwijnen;

Of, sluipt z\' ook in mijn leén ,

\'k Zal, in U veilis en trebor-jen ,

Met al mijn nooden , al mijn zorgen ,

Tot een\' vergevend\' Vader treên.

12. Pan zal de dood mij niet verschrikken•

Al zonken ook mijn laatste blikken

No? op bederf ter ntêr ;

He (jrond , waarop ik eeuwig bouwe,

Lipt niet in mij , ligt in Gods trouwe En daar alleen op sterf ik. Heer \'

38. ALLES IS GENADE.

W IJ 7. E ; Sollt ich meir.nn Gott nicht sinjfen 7

A1

Englenstem\', Menschentong, verheerlijkt Hei

2. Met mijn\' zwaren val bewogen

Bood Gods liefde nijj de hand ; O ontfermend mededoogen ,

Liefde boven mjjn verstand !

Vijandschap was mijn bedenken ,

Vleeschiijk, onder \'t kwaad verkocht ,

llad ik niminFr Hein gezocht ,

Hij wou m\' eerst zijn liefde schenken ;

God is liefd\', o Englenstem Menschentong, verheerlijkt Hem\'

3. Zoo , zoo lief had God de wereld ,

Dat Hij zijnen eigen\' Zoon Voor die afgevallen wereld

Overgaf aan smaad en hoon ;

Ja , toen wij r.og zondaars waren ,

Schonk d\' Ontfermer ons gena\',

. Stierf zijn Zoon op Golgotha,

Stierf voor ons , die zondaars waren :

God is liefd\', o Englenstem ,

Menschentong, verheerlijkt Hem ! ♦. \'k Bleef Gods roeping nog weêrstrevei.

Maar , verzoend door Jezus bloed ,

Schonk IIq mg geloof ten leven ,

-ocr page 53-

Cm. 38. 39. ALLES IS GENADE.

En vernieuwing van fretnoed ;

\'k Za? mijn schuld met schaamt\' en rouwe, \'k Zas , waf God m\' in Christus gaf ;

\'k Lei mijn\' snooden argwaan af Kn geloofd\' aan *s Vaders trouwe :

God is liefd\', o Englenstem ,

Menschenlong, verheerlijkt Hem!

5. Om te sterven aan de zonden ,

Srhenkt rijn liefde mij den Geest,

Wiens vertroosting al de wonden Van mijn zondig hart geneert.

Die mij \'t waar geluk leert kennen ,

Mij vrvult met Christuszin ,

En door dankbic wedermin Mij aan zijnen dienst wil wennen :

God is liefd\', o Englenstem .

Mensrhentong, verheerlijkt Hem\'

6. Dit heet gadelooz\' ontferming,

Dat, genade , rijk rn vrij !

God schenkt redding, schenkt bescherming.

Schenkt z\' aan zondaars, schenkt z\' ook mij; Dm zelf» , als mijn onvermogen ,

Als myn diep bederf my smart .

Toont mij \'t godlijk Vaderhart Zijn verlossend mededongen :

God is liefd\', o Knglenstem .

Menscheutong, verheerlijkt Hem!

7. Kan een vrouw haar kind vergeten ,

Als haar zuigling schreit van pijn?

Zou z\' een ware moeder herten,

En zoo weinig moeder zijn \'

Maar , al kon dit mooslijk wezen ,

Vader! die mijn nooden ziet ,

Vader ! Gij vergeet mij niet ;

Neen . dit heb ik nooit te vreezen ;

God is liefd\', o Englenstem ,

Mensc.hentong, verheerlijkt Hem!

8. Zal eens \'t graf mijn stof verzaamlen ,

Juichend zal, in stervenspijn,

\'t Laatste woord , dat ik zal slaamlen ,

Vrye gunst , genade ! zijn ;

Ja . die zal ik eeuwig danken ,

Waar \'k den Vader en den Zoon Eeuwig lofzing voor den troon,

Dan herhaal ik nog die klanken :

God is liefd\', o Englenstem .

MenschentongJ, verheerlijkt Hein 1

T

O

V E R L O S S I N W u z e : Jesu , meine Zuversicht!

Hg

-ocr page 54-

42 V E R Ij O S S I N G. Gei. 39, H).

Ily hen gaan, Jezus ucenit ile zondaars aau!

2. Geen «enaile zijn wij waard ;

Maar in d\' Evan^eliebladen

Heeft ons God zijn gunst verklaard :

Dat wij , hoe met schuld beladen ,

Dan Kclooi-ig tot Hem traan!

Jezu* neemt de zondaars aan\'

3. Als een herder wil Hij trouw

\'t Schaap , in een woestijn aan \'t dwalen ,

Daar \'t zich zelf verliezen zou ,

Van den doolweg wederhalen,

Brengen op de rejte haan ;

Jezus neemt de zondaars aan \'

•i. Komt g(j allen , komt tot Hem \'

Zondaars, komt! wat zou u hindren 7

Jezus roept u , hoort zijn stem ,

Hij maakt zondaars tot Gods kindren :

Vrij mooirt gij tot Jezus gaan;

Jezus neemt de wndaars aan!

5. O ! dit freeft mij nieuwen moed Bij de grootheid van mijn zonden.

Door zijn godlijk oflrrldoed Heeft Hij mijn rantsoen gevonden :

Nu kan ik er vast op gaan ,

Jezus neemt de zondaars aan !

6. Ja , nu spreekt mijn hart mij vrij ,

Wie hij God mij aan mogt klagen :

Die eens vonnist over mij ,

Die heeft zelf mijn schuld gedragen.

Niets kan mij nu eeuwig gohaan ,

Jezus neemt de zondaars aan !

7. Jezus neemt de zondaars aan,

Mij ook heeft Hij aangenomen,

Mij den hemel opgedaan ;

\'k Mag vertrouwend tot Hem komen:

\'k Juich dan , zelfs aan \'t eind der baan ,

Jezus neemt de zondaars aan !

40. VERLOSSING.

W ij z e ; Ach Gott und Ilerr !

oo siaat G\' uw oog. Nog van- omhoo?,

O God! op zondaars neder! Het schuldig kind

Van Adam vindt in U een* vader weder [ 2. Zijn afval brast Al \'t nageslacht In cindclooz\' ellenden :

Ontaard als hij ,

Volharden wij Uw reine wet te schenden,

3. Doof

-ocr page 55-

Ge«. 10, A. VERY. OSSING.

3. Door zinlijkheid En tvaan verleid Tot onirerpstijrhciien,

Wordt d.i^ aan lt;lar Uw hoot; tfcza!»

T«? snood door ons vertreden.

. Ons wreevliV hart, Tn diep verward lu wereldllefd\' en lusten, O God \' onziet Uw hoogheid niet. Wil niet in U ben:aten.

5. Aan \'t aardsrh penot Verkleefd . o Goil 1

Ziet G\' ons de zonde dienen ; Zoo tergen w\' U ;

En kan dan nu Die ineiilt;ch nosr iets verdienen ?

6. Verdienen \' neen !

Gena\' alleen

Doet ons op redding hopen. Zet in uw\' Zoon Tot uwen troon Den weg voor zondaars open.

7. \'t Geloove juich\', Aantiidd\' en huig\'

Zic-h voor die liefde neder: Zoo komen wij , Van rrhulden vrij,

Tot U als Vader weder.

DE O N T F E R M E U. ij z K . Mir nach , sptirht Christus, verandering in den tweeden regel.)

pggg5;gi^gj===SE5gEg-=gi5^g

zelf gaf ons zijn\' Zoon Tot onzen troost in

de zonden

üi

H1\'-^ ■

ÊË^i^ËI

En \'t leve

=:;3E=^c=^;:

door zyn\' dood verwierf.

2. Wy hebben reit door dezen dood Op eeuwig etooreloos verblijden.

En zouden w\' om den minsten nood Dien w\' immer in dit leven lijden ,

Strak» klagen : „ach ! ile Heer vergeet, , Verlaat de zijnen in hun leedquot; ?

3. , Maar kan de moeder haren zoon , „ Haar\' lieven zuigliu^ ooit vergeten?

-ocr page 56-

DE ONT F K R M EE. Gcr. tl. 12.

_ Eu ware \'t nl, dat zij haar\' zoon , 0 Haar* eerst•rrlioorneu kon verbeten; , Ik, ze;rt «\'c Heer, verbeet u «iet, „ Ik, zc^t de lieer, verlaat u niet.quot; Dat hebt Gij zelf, o God ! verklaard Wij iiioquot;en \'t op uw woord pelooven ;

Wat ramp ons hier ook wedervaart, Niets kan ons van dien troost berooven ; Sterk dat peloof uw\' naam ter eer . Ja , Amen ! wij frclooven \'t, Heer 1

0§

42. TROOST DER VERLOSSING, W u 7, K : leh danck dir schon , durch deinen Snhn. (met eene kleine verandering in den tweeden regel.;

denkbeeld, dat ons leven geeft! Wat Bterv-jj-lt;*----^=^L—-Qi:—^-—7lt;tamp;zjLizz£zzzzamp;z-amp;:zz^:

ling waant u door te denken, Dat God 700 lief

dc wereld heelt, Om ons zijn\' Zoon te scheuken ?

2. Gij boven \'t perk der eindigheid Omringd van heilse duisteruisse ,

Gij treft ons door uw majesteit,

En stilt ous het gewisse.

3. Van \'t wonder zamenstel der zon Kon ik verstomd nooit reden geven ;

Maar *k zag haar schijnsel , en ik kon Bij hare warmte leven.

4. Zoo kan mijn geest Gods hoogen raad In .lezus olïer niet doorgronden ;

Maar \'t hart heeft van die liefdedaad Het godlijk\' oudervonden.

5. Als ik dien troost des levens mis,

Als Jezus niet voor mij wou sterven ,

Niet Go:! , niet mijn Verlosser is,

\'k Moet dan in wanhoop sterven.

6. Zoo \'k in zijn woord Gods zin niet keu,

Moet al mijn kennis dwaling heeten ,

En \'k zal , wat God is , wat ik beu En worden zal, niet weten.

7. Neen , dezen troost der Christenheid Zal mü geen spotter ooit ontrooveu ;

Neeu , ik gevoel zijn godlijkheid ,

\'k Gevoel z\', en blijf gelooven.

8. \'k Ben \'t eigendom van \'s Vaders Zoon,

Door wien ik \'t eeuwig leven erve ;

Dit is mijn troost, mijn roem, mijn kroon,

Mijn leven , als ik eterve.

■ 9. Hij geeft ons zijnen Geest, het pand .

Waaraan wij zijne liefde merken ,

En vormt ons door zijn eigen hand Tot alle b\'ocdc werken,

10. Ala

-ocr page 57-

Ger. 42.«. TROOST PER VERLOSSING. «

10. Al* ik met vreugd ïijn\' wil hrtrnrht ,

In goed Ir doen mij mns vermaken ,

\'k Voel dim een goddelijke kracht ,

\'k Ma:; rust en vrede smaken.

11. Als mij \'t gevoel der zonde krenkt,

Un ik fot .lezus kruis ma? treden .

\'k 7.ie daar, dat IIij aan mij gedenkt.

Mij hoort op mijn gebeden.

12. Ik weet het, dat mijn Heiland leeft ,

Rn dat ik , uit het stof verre7en ,

Als Hij zich ten ireri^f he^eefl ,

Bij Hem altijd zal wezen.

n. /on ons p.loof en liefde nu ,

Daar G\' ons zoo lief lubt, ooit verkouden?

Gerf, dat w\' in liefd\', o God • aan U

IS. .Ta, zoo

Bewaar Mij v

IVervul mijn hart met lof en d.-iiil Zoo dikwijls ik uw\' naam ook noen En maak , dat ik mij levenslang Bij elk in U beroeme.

k ooit mogt waardig zijn , i U hier smaad verbeidde ; jij , dat neen smaad of pijn i uw liefde scheide.

IC. Is \'t hart niet altijd even blij , T)e kracht van mijn geloof soms kleiner: Versterk , volbreng mv werk in mij , En innak mij daalt;rlijks reiner. 17. Schonk God ons zijn\' geliefden Zoon , Zoo mag ik op mijn sterfbed denken , Zou zulk een God ons met zijn\' Zoon Niet alle dingen schenken 7

ZI ELVER 11 EFFING TOT W u /. e • Psalm 42.

_____ Wat

a a—-«-e—

leven , lieven ,

hart niet waard : Wil

Hoog , omhoog , hel hart 2. Pracht en schoonheid moog wat schijnen , \'t Is aan d\' ydelheid gelyk ;

UT

-ocr page 58-

7.1RLVKRHEFFTN(Ï TOT .1EZIIS. Gpr. 43, 44.

Bij \'t ^eliruik zal \'t al verdwijnen , Goud cn zilver is als slijk :

Niets, o Jezus! clan uw bloed,

Ceeft voldoening aan \'t ri moed ; quot;Wat wij lieven in dit leven ,

Niets kan ons voldoening geven S. \'t Eeuwiff leven, eindloos hef»!Jjk, Dat ons na dit leven u-arht.

Is voor \'t Iwrt alleen he?rerlijk ,

Werkt onzi^tbaar, maar met kracht. Sluiten wij slechts \'t vleeschlijk ooj?, \'t Wave leven i» omhooir ;

\'t Leven , dat wij lieven . loven , \'t Heerlijk leven is daar boven !

4. Zaliquot; heil , dat w\' eenmaal erven!

Gode leven , zonder pijn .

Zonder moeite , ziekt\' of sterven , Eeuwig zonder zonde zijn .

Leven in volmaakte deugd ,

Vrolijk zijn in \'s hemels vreugd ; Loven , lieven wü dit leven ,

Dat ons Gods gena\' zal geven !

5. Jezus! bron dier hemelvreugde.

Die ons hart eens smaken zal; Wat ons ooit op aard verheugde. Gij verheugt ons boven al!

Daar Gij ons reeds hier bereidt Voor des hemels heerlijkheid ,

Waar w\' TI eeuwig lieven . loven; Jezus ! trek ons hart naar boven. C. Och! dat aller men\'chen tongen,

Aller Englen zang. o Heer! Zamenstcmden , zamen zongen Eeuwig tot uw\' lof cu eer !

Zonder einde geeft uw lof,

Jezus! ons de rijkste stof:

Trek tot TI ons hart naar boven , Dat w\' U eeuwig lieven , loven.

41. AAN J E Z U S. W ij z E : Die Wanderschaft in dieser Zeit.

leden, En eeren U als ouzen Heer, Met liedren en gebeden. Dat alle magt, hoe hoog , hoe f»root, Voor TJ , o Gods getui - ge , O eerstge-

g--^:=3E;^=3aS^j ~

«5

-ocr page 59-

Cez. 4V, 45. AAN JEZUS.

2. Die ons , gewnssrhen In uiv liloeil,

Tol Priesters hel)t verheven ,

En ons den hoogen ran?, den mocd

Van Koningen ifejreven ;

U zij de roem . U zij de lof!

U lt;1\' eerkroon opgedragen .

Geheel deez* aard en \'t hemelhof Moet van uw rer geiragen.

3. U, die als lieer der heerlijkheid

Verreest tot heil der volken ,

Verwachten wg in majesteit Kens weder op de wolken.

Hij komt ! elks ooge zal Hein zien.

Ook die Hem heeft doorsteken ;

Kik zal Hem juichend hulde biêu ,

Of om ontferming smeeken.

4. Hoe ras of traag de tijd verdwijnt ,

Die dag zal zeker komen ;

Het lirht , dat aan de kim versrhnut,

Wordt reeds van ver vernomen. Ja. Halleluja! ja Hij komt !

Juirht. nienschen , Engten, zamen 1 Juicht met een vreugd , die \'t al verstomt , Juicht allen , Amen I Amen !

45. AAN J E Z U S.

W u 7. F. : Gezang 19.

a^Müüüiüiii^i

\\_^ y Jezus! die ten troon verheven. Door duizend ,

duizenden omgeven , Geplaatst zijl aan Gods vegtcr-hand , Kn daar uw vreugde ziet volmaken , Nu al die

(luizenden reeds smaken De vruchten van uw offeraud ;

2. Gij *iet ooh duizend , duizend zielen Hier op uw voetbank nedcrknielen ,

En hij die duizenden nok mij ;

Voor U, die met uw Idned en tranen Den toegang on* tot God woudt hanen ,

Voor uwe voeten knielen wy.

3. Wij knielen neder op die aarde ,

Die aan \'t heelal een schouwspel baarde,

Waar al wat groot is voor verdween ;

Toen bij \'t gejuich der Heinellingen ,

Die \'t heil der aardbewoners z.ingeji ,

D\' Oneindig\' in het vleesch verscheen.

4 Die eer was aan deez\' aard beschoren,

Hier werdt Gij, Jezus! Gij geboren.

Gij , die ons beter zijt . dan \'t licht;

Hier zien w\' uw liefde nederdalen ,

En hier met al haar\' luister pralen God» gioothcid in uw aanj-eiigt.

ft. Dit

-ocr page 60-

A A ?T J E Z tT S. Gez. 45. 46.

W is

5. Pit aar»lrijk. ja \' heeft IJ r.5en leven ,

Maar doornen U in \'t \\-lecsrh gegeven , Met zat? uw lieW* en \'t zas; uw\' strjjil;

liet hefft uw bloedzweet Ingedronken . En \'1 ra?, dat Gy . aan \'t kruis geklonken, \'i Vertrouwen van kef. mensohdom zgt.

C. Al nioe«t het transrh heelal lier wij ken , De liefde , die G\' op aard liet blijken,

Is duurzaam als irv majesteit :

Zij, met nw*mensehheid niet geboren,

Ginc; met uw\'sterfuur niet veiloren,

\'/j\' ia \'t kenmerk uwer godlijkhcid.

7. Hier op drrz\' aard. die wij bewoonen,

Daar zoiul\' en dood haar krarhten toonen ,

Hier toont C\' ons, wat genade zij;

En op deez\' aard , waar Gij wouilt. lijden , En ons van zond\' rn dood bevrijden ,

Uier zingen , hier aanbidden wij.

46. JEZUS GROOTHEID.

W ij z E ; Irh danck dir schon , durch deinen Sahn. EKKSTE A r IJ K F. I. I N G.

C-rr-W

zijn heerschappij. Al is ren sta

2. Zijn grootheid schittert niet door pracht,

Zijn kroon is niet bcpereld ; Zyn koninprijk . zoo lanir verwacht,

Is niet van deze wereld.

3. De sToolheid , daar de mensch op ziet.

Daar Vorsten roem op dragen.

Die is de ware grootheid niet.

Die Jezus kan behagen.

4. Een Vorst heet groot , wien alles dient ,

Wien gansche volken vreezen ;

Maar Jezus komt, om \'s menschen vriend. En \'s Vader» knecht te wezen.

5. Hij komt, behoeftig en gering.

Én zendt zijn Englen henen ,

Opdat zy , aan den veldeling.

Niet bij zijn krib, verschenen.

C. Hij , die der zee haar palen zet,

Als God der eere dondert,

Woont in \'t verachte Nazaret,

Miskend cn afgezonderd.

7. Hier leert Hij ons reeds in zijn jeugd , Wat mensch te zyn , beteekent,

Hij , die de godsvrucht en de deusd , Als mensch , zgn grootheid rekent.

-ocr page 61-

Cez. 46. JEZUS GROOTHEID.

8. Hier ?af prn zachte necdrishfid ,

Die zich met wijsheid paarde ,

Aan d\' ijver voor Gods majesteit Ken onbekende waarde.

9. Ja,_\\vie met podsvrucht immer spott\'.

Hier blonk zij zonder zonden.

En hier heeft z\' ook frena\' bij God ,

En bg den mensch gevonden.

T W K K D K AFDEK I. ING.

10. Geen heerschzucht vormt Hein tot den troon.

Maar ootmoed tot het lijden ;

HH wacht uit \'s Vaders hand zijn kroon,

Maar wacht die kroon na \'t strijden.

11. En al zijn strijd is voor Gods eer,

Dat elk zijn\' Vat\'er prgze ;

Gods liefd\' is d\' inhoud van zyn leer ,

Gods wil te doen zijn spgze.

12. Hij, gansche nachten in \'t gebed ,

Wil in weldadigheden ,

Alom, waar Hij zijn voeten zet.

Den ganschen dag besteden.

13. Die alle lofspraak scherp verbood ,

Maar God in \'t weldoen diende ,

Verbreekt de kluisters van den dood.

En maakt de blinden ziende.

14. Als bursrer van zyn vaderland ,

Als Leeraar toont zijn leven ,

Dat in zijn binnenst ingewand Gods wetten zijn geschreven.

15. Zün wensch is d\' eisch van Gods gebod.

Hij kent geen andre wenschen ;

HH doet al wat Hij doet, om God,

En niets om gunst van menschen.

16. Al vloekt de boosheid Hem het meest.

By \'t zien der grootste krachten ;

Hij blijft ontfermend , en peneest All\', die zgn hulp verwachten.

17. Hij , schoon met almagt aangegord ,

Hij duldt , vol mededoogen ,

Hoe fel Hij ook beleedigd word\'.

Zijn haters voor zijn oogen.

18. Hij , die de zonde nooit verbloemt

In vreemden noch in vrinden ,

Maar \'t onregt altijd onre-rt noemt,

En Isrels leidslién blinden ;

19. Die onverschrokken , wee u ! zept,

Verflaauwt niet in \'t vermanen;

Maar stort, daar d\' ondeuzd doornen vlecht Om hun gevaar, nog tranen.

20. Geen\' mensch, hoe proot zijn schuld ook waar.

Ontzegt Hy zijn ontferming;

Den diepst verachten Tollenaar Verleent Hij zyn bescherming.

il» Hij , vol van God , aan allen goed,

Brenet hen der Godheid nader ,

•t Zy Hy bestraft, of wondren doet;

Die Hem ziet, ziet den Vader,

i

-ocr page 62-

JEZUS GROOTHEID. Gez. 46.

UEKDE AFDEELINO.

22. O 7lt;oon van God ! o cenwi» Woord !

Wicnn oospn \'t al regeren .

Wiens stem «le sansrhe schepping hoort.

Dien w\' als den Vader eeren !

23. Hoe «rroot IJ uw verneedring maakt

Kan God alleen waarderen ;

Uw Vader weet, wat Gy verzaakt ,

Die kan alleen U ceren.

21. Hu , die zelf Ood , wat Hod is. weet ,

\'t Geen schepsels vruchtloos wenschen ,

Hij keut den vr|js. d\'\'n ^\'j \'gt;esteedt t O eeuwig God ! voor menschen.

25. Gij , die quot;t «resternt voor U ontbiedt,

De zonnen maakt tot lichten ,

En d\' Engten in uw njksjrehicd Gebruikt als bliksemschichten;

26. Gij vindt. daar Gij Gods troon verlaat ,

En sterven komt op aarde • ,, . , ..

Daar G\' U met \'s menschen schuld belaadt , In niets, dan menschheid , waarde.

27. Wij zinken voor uw voeten neer ,

Terwijl de Hemellingeo Als \'t hoosste toppunt van uw eer , Uw zondaarsliefde zingen.

23. Gij , door die liefd\' ondenkbaar groot,

Gn schuwt geen\' smaad , geen lijden , . , . Geen\' angst, eeen kruis , geen\' vloek , geen» doof. Zoo \'t zondaars kan bevrgden.

29. Zoo \'t zondaars redt , zijt Gij bereid

De zond\' op \'t kruis te dragen ;

Gij \'t beeld van \'s Vaders heerlykheid, Gij *9 Vaders welbehagen !

30. Gij , die , als Hij, dc zonde haat,

Wilt U zoo diep verzaken ,

Dat G\' onbesmet U zeiven laat Voor ons tot zonde maken.

31. Uw liefd\' is groot. is groot als Gy ,

Door d\' eeuwen nooit volprezen ;

UOOr Cl rennen nuuiv ■quot;•iquot;--quot;-

OneindiR als uw heerschappij,

Onpeilbaar als uw wezen.

VIERDE AFDKEI. ING.

32. Bui?, zondig menschdom ! buig u neêr

Ons heil is in \'t gelooven ,

Zins Jezus liefde, zins zijn eer.

Al gaat z\' uw\' lof te boven.

33. Bidt aan . verbaasd , verrukt van geest .

Bidt aan , verloste scharen !

Ziet , hoe uw zonden \'t allermeest Zyn grootheid openbaren.

3t. Aanliidt Hem, zondaars! als uw\' vriend Aanbidt Hem in zyn wonden ;

Ziet in zijn\' dood . wat gü verdient\', lly sterft voor uwe zonden!,

35, Ziet, hoe geducht zijn lijden in, En leert de zonden haten ;

-ocr page 63-

JEZUS GROOTHEID. Hij wordt, in nare duisternis.

Om haar van God verlaten.

36. En daar ook blijft uw Jezus ^root;

Men spot, daar Hij vertrouwde, En eispht, bjj \'t prriinmen van den dood, , Dat Hij zirh zelv\' hehoude.quot;

37. Maar Hij , wiens adem \'t aardrijk schudt.

Die dood en eraf deed beven , Die mensch werd tot njns vijands nut, Wil sterven en vergeven.

38. Hij sterft, gelijk H»j ieeft geleefd ,

Gelasterd , maar geduldig,

Behoeftie, maar aan God verkleefd , Menschlievend en onschuldig. 30, Hij sterft en geeft zijn\' Vader d\' eer ,

Door \'t menschdom snood geschonden , Hij sterft, en treeft aan \'t menschdom mee; Dan z\' ooit in Eden vonden,

40. \'t Heelal zag nooit irehoorzaainheid Tot zulken top eeklommen ,

Daar d\' Englen voor de majesteit Van Jezus deugd v

41. Z\' aanhiddeij Hem als *i

Terwijl zij \'t kruis omi En met gedoken aaneezigt Hem driemaal heilig zingen.

42. Ja, d\' Englen zineen daar een lied.

Schoon met onzigibre keren , Het klinkt, al hoort «Ie Jood het niet. Den Heiden zelfs in d\' ooren.

43. Gods Englen zweven Jezus na,

✓ Min om zijn Godhei,l t\' ceren , Dan om van Hem op Golgotha Gehoorzaamheid te leeren.

44. Ja , uw gehoorzaamheid zoo groot,

Als nooit Gods oogen zagen , Immanuël! verwint den dood ,

En doet ons d\' eerkroon dragen. VIJFDE AFDEEIilNO,

45. Uw Vader is met U voldaan ,

Dat \'s in uw heilig\' ooeen , O Heiland ! op uw gloriebaan ,

\'t Geen \'t meest U kan verhoogen. 46 Hij zelf verheft uw heiligheid ,

Én wil uw menschheid kroonen Met. zulk een\' elans en majesteit. Als slechts bij God kan woonen.

47, Hij plaatst U aan zijn regterhand, Terwijl de Hemellingen ,

Ter eere van uw offerand ,

Deez\' nieuwen lofzang zingen :

43. , Het Lam, voor ons op aard geslagt, . Is eeuwie waard t\' ontvangen , De wgsheid , rijkdom , eer en kracht, , En dankbre lofgezangen !

49. , Hij overwon met leeuwenmoed s De hel en al baar maeten.

C *

werelds licht,

-ocr page 64-

JEZUS GROOTHEID. Gex. 46.

, Hij korht on* Gode met zijn bloed , Uit allerlei geslachten.

50. .Triomf! als Priesters naadren wij,

, Gereinigd van de zonden .

„Als Koningen gekroond en vrij,

„ Van allen dwang ontbonden !

51. , Het Lam verwon al wat op aard

, Met Godsrijk zorht te stuiten ;

„Triomf! triomf! het Lam is waard , Gods zegelen t\' ontsluiten !quot;

52. Komt , strijdgenooten ! ook een lied

Hier in deez\' aardsche wooning.

Al zien wij Jezus luister niet,

Hij is ook onze Koning!

53. Hier opent Hij Gods raadsbesluit.

Beslist het lot der staten ,

Srhept natiën . delgt volken uit,

En vormt zich onderzaten.

51. Al d\' eeuwen liggen bloot voor Hem,

Zijn wijsheid bindt die zamen;

Hij zal door d\' Evangelicstem Het ongeloof beschamen.

55. Zijn Kerk , gevestigd in zijn bloed ,

Zal voor geen\' vijand bukken ;

Geen list, geen magt, hoe fel zij woed\'.

Zal z\' ooit aan Hem ontrukken,

56. Hij , die als Hoogepriester leeft ,

Kn met zijn\' Geest ons zegent,

Hij is \'t, die moed en sterkte geeft,

Wat kwaad ons ook bejegent.

57. Hij meet de maat van al de smart,

Die ooit ons hart bestormde ,

En heeft den toegang tot dat hart.

Dat Hjj ais Schepper vormde,

58. Die in ons oog de moeite leest.

Toont ons zijn medelijden ;

Hij is, als wij. verzocht geweest.

En sterkt ons, als wij strijden.

59. Hij is \'t, die al om lief en leed

Beschikt , of wil gehengen ,

Om op het spoor, dat Hij betreedt.

Ons weêr tot God te brengen,

60. Triomf! die voor ons stierf regeert!

Hij brengt ons telkens nader.

En , als het graf ons stof begeert, f

Voor eeuwig bij den Vader.

ZESDE AFDEELING.

61. Triomf\' die ons het graf ontsloot

Vernietigde de zonden !

Triomf! voor eeuwig is de dood Door Jezus dood verslonden !

B2, Hij is \'t , die op de wolken komt!

Buigt, Christnen ! buigt u neder Voor Hem, voor wien \'t heelal verstomt;

Hij komt! ja, Hg komt weder!

03. Hij komt en draagt de gloriekroon.

God toont zijn welscvallen.

-ocr page 65-

Gez. 4C, 47. JEZUS GROOTHEID. 5i

En sjecft a.«ii Hem, des menschen Zoon, Hel ooTdeei over allen.

Cl. Al \'t hemelheir, seheel de hel,

Al d\' aard voor Heto gebogen,

Erkennen Hem d\' Innnanuël.

Wiens Rrootiiei\'d wg verhoogen.

65. Hy vonnist , en de hemel juicht:

„Hg ia die eere waardig !quot;

Hg vonnist, en \'t heelal petui^t:

, Zgn vonnis is regtvaardi? !quot;

CC. Hij vonnist. Hij, de vriend van God,

De vriend ook van de inensehea !

Waar kau de zondaar heter lot,

Waar heter\' Regter wenschen? 67. Kom , Christenschaar! kom , waken wg !

Hij Iet op onze gangen ,

Hij , onze Regter , is nabij ,

Hij , \'t voorwerp onzer zangen!

JEZUS LOF OP AARDE. W ij z e : Psalm 36.

an Gods eisch voldeed , Hier zij zijn lof gezongen. 2. Gij Zoon van God ! Gg mensch , als wij ,

Gij Jezus! onze roem zgt Gij,

Gg \'s Vaders eer op aarde !

Gij grootst, daar Gg U diepst verzaakt,

Hebt hier door lijden U volmaakt,

En gaaft der menschheid waarde.

O welk een heil, o welk een eer 1 Valt , volken ! valt voor Jezus neêr,

Aanbidt den Zoon des menschen.

O us heil staat vast voor d\' eeuwigheid,

G 4 God

-ocr page 66-

34 JEZUS LOF OP AARDE. Gez. 47, 48, Gods Zoon voldeed Goda majesteit;

Wat kan men grooter wenschen ?

3, Deez\' aard , waar Gij uw lijden leedt ,

Uw lessen traaft , uw wondren deedt,

Waar \'s Ketters vloek U griefde;

Deer\' aarde , die uw bloedzweet dronk ,

Waarin uw lijk ten grave zonk,

Vcrkondiü\' uwe liefde:

Dat elke knie voor II zich buig\'.

Dal elke long uw\' lof getuig*.

Elk hart, (J opgedragen,

\'Zij U een lied, zij U tot vreugd.

En wij . och \' dat w\' in liefd\' en deugd,

Uw beeld op aarde dragen.

48. AAN DEN VERLOSSI W U z E : Psalm 81.

Redders lof, Waar ook menschen woonen.

2. Zingt des Hoopsten Zoon,

Ons van God gegeven \'

Van zijn\' boogen troon ,

Op gena\' gegrond ,

Stroomt vopr \'t wereldrond Eeuwig heil en leven.

3. Juicht dien Koning aan.

Die , hoe hoo? verheven ,

Zondaars wil ontslaan ;

Elk . die tot Hem vlugt,

Welk een straf hij ducht\'.

Alles wil vergeven.

4. Die ons door zijn bloed Kocht tot onderdanen ,

En ons stug gemoed ,

Tot de reinste deugd ,

Tot de hoogste vreugd ,

Hier den weg wil banen.

5. Die ons. bij de hand ,

Door dit moeilik leven ,

Leidt naar \'t vaderland ;

En, wie op Hem bouwt.

Woord en trouwe houdt Tot in \'t eeuwig leven.

6. Ach ! ons schamel lied.

Vurigst aangevangen ,

Meldt uw liefde niet.

Och, vergeef ons, Heer!

Onzen dank , onz\' eer ,

Onze lofgezangen.

-ocr page 67-

Get. 48, 49. AAN DEN VERLOSSER. Wat is hifr uw lof!

Van \'t verlossin-rswerk ,

Jezus ! ziet uw Kerk Slechts een stip op aarde.

8. Wat Gij ons peslarht.

Torn lt;le dood U priefde ,

Heer? hebt aantrebraijt,

Meldt slechts d\' epuwifrheid •. Niets, dan d\' eeuwicheid.

Meldt een eeuwge liefde.

9. Welk een licht hier schijn\'. Wat wij heilrtjks wenschen ,

Alles, wat wij lijn.

Zijn wij U verpli-ft,

U alleen verplifft ,

Redder van de menschen •

W. Ja, IJ kiest ons hart Eeuwig tot zijn\' Koning!

Onder vreiiird en smart Geld\' uw liefd\' ons \'t meest, Slrekk\' ons hart uw\' Geest Eeuwig tot een wooning!

geen zondaar

«. AAN JEZUS DEN VERLOSSER.

Nieuwe zanjjwnze.

erloKsrr, Vriend

Gij laai

——-c—jfc-4fc:£:£-.

geen\' bidder staan , Gy hoort in Heineliingen

Verloste zondaars zingen -, O 1 neem het aan, 2, Ja, \'t was uw lust, een mensch te zijn !

Uw Vader heeft, op uw gebed,

Zijn eer gehandhaafd , on1» gered ;

Uw liefd\' ontzag, noch leed , noch pjjn :

Daar traadt Gij op, met moed en kracht,

Tot heil van ons geslacht,

Wy zyn verlost,

C 4 Maar

-ocr page 68-

AAN JEZUS DEN VERLOSSER. Get. 49, 50,

Maar \'t heeft uw\' dood frekost,

Gij leeft, Gij leeft! en \'t levea Wordt ons teruspegeven;

Wij zijn verlost!

3, Nu leeft Gods Zoon in mensrhlijk vleesch! Hij stierf voor ons, maar leeft bij God, En sterft niet meer. O ralig lot!

Gods Zoon , dat d\' aard haarquot; Schepper vreez\'! Gods Zoon , verhoogd in heerlijkheid.

Heeft mij daar plaats bereid ;

Ik ben zijn vriend !

Hij , wien al \'t srhepsel dient.

Der Englen Hoofd en Koning,

Verwacht mij in zijn wooning;

Ik ben zijn vriend !

4, Bedreigt mij leed . ontmoet mij smart,

Ik vrees peen kwaad, maar klaap het Hem: Hoe proot in eer. Hij hoort mijn stem ; Hoe ver van d\' aard , Hij kent mijn hart,

Gods Zoon verpeet den broeder niet.

Dien Hij op aarde liet;

Hjj is mijn hoop ,

Hij wiesch mij met zijn\' doop,

Hy peeft mij brood en beker,

\'k Ben van zyn liefde zeker ;

HO is mijn hoop !

5, Waar is een vreupd , een kalmt\', een heil, Zoo zalip, als dit hoopst penot ?

Het vloeit uit God , en keert tot God ,

Het heeft, noch maat, noch perk, noch peil;

In Jezus is mgn zalip lot

Verborpen hij mijn\' God;

Hij is mijn lust.

Ook als mijn stof eens rust.

O ! prijst Hem. mijn pezanpen!

Ik blijf zijn komst verlangen;

H ij is myu lust! ^

50. AAN JEZUS. W ij z E : Gezanp 38.

==^3E~

-ocr page 69-

^ Gez. 50, 51.

heelal eens eerca zal,

2. Halleluja? onze znntron

Zijn voor eeutvi? Hem gewijd.

Die het Godsruk heeft ontvangen ,

Als den loon op zijnen strijd ;

Die aan \'t kruis zich liet verhoogen ,

Kn ons minde tot den dood ,

Met een liefd\' ondenkbaar proot,

Met een jrodlijk mededoogen ;

Hem , die ons onrein gemoed Heeft gewassrhen in zijn bloed.

3. Halleluja ! \'t loflied rijzc !

Hem , die onze banden slaakt,

Hem, die ons, zijn\' naam ten prijze.

Koningen en Priesters maakt;

Die ons opkweekt onder lijden ,

Kn ons, door zijn\' Geest bestuurd.

Door zijn\' kruisdood aangevuurd ,

Waken , bidden leert rn strijden :

Hem zij heerlijkheid en mast.

Eeuwig , eeuwig toegebragt.

4. Amen! Jezus Christus! Amen!

Ja , Gy zult in \'t groot heelal \'t Rijk der duisternis beschamen.

Tot het niet meer wezen zal.

Woon , o Heiland ! in ons midden :

Onder uwe heerschappij Zijn wy zalitr , zijn wij vrij ;

Leer ons strijden . leer ons bidden!

Amen ! heerlijkheid en magt Word\' U eeuwig toegebragt!

51.

JEZUS TR OUW W IJ z E : Psalm 38.

E.

T ^--

i is mijn Heer en Koning, Die mij

wooning

ëE^EEEÈiE

In zijns Vaders hui

ontbreken , In die streken Wacht mij rust en . Zonde , zwakheid , angst en zorgen Voor den morgen Van den das;, die no? niet is,

Mogen aan mijn blijdschap knagen ; \'t Licht zal dazen Midden uit de duisternis.

. Mijn verwachting zal niet wyken ,

Niet bezwijken ,

\'k Sla op eene rots gegrond ;

Jezus heeft mijn\' naam ten leven Opgeschreven ,

Hij, die nooit beloften schond. . Dit geeft lust, en moed , en krachten , Om te wachten O 5

-ocr page 70-

JEZUS TROUWE. Ge*. 51, 52.

Tot mijn proeftijd is vervuld,

Vol te hniKlcD in het strijden.

En , in \'t lijden ,

Hoop te voegen bij geduld.

5. Als gevaren mij omringen ,

Wil ik zingen Van genaile, trouw en magt;

Zelfs in onbewoonde streken Vloeijen beken ,

Lichten starren nacht op nacht.

Dat mijn ziel , met woord fa daden ,

Op mijn paden Zich dan ganscn aan Hem gewenn\';

tjant vooral mijn laatste dagen Blijken dragen .

Dat ik Jezus eigen hen.

GELOOF eb V U R T R O U W E N.

52. DE GELOOFSARTIKELEN

W ij 2 E : Gezang 21.

ËÉ^:*=S5

us Christus,

geboren\' Zoon vnn God ,

Door wien alles is geworden ,

\'t Woord bij God , en zelf ook God ; \'k Eer dien Zoon , gelijk den Vader ,

\'k Buig mij dankbaar voor Hein neêr , Die mij vrijkocht en verloste,

Hem erken ik voor mijn\' Heer.

Van den Heilgen Geest ontvangen. En geboren uit een maagd ,

Is Hij vleesc.h voor ons geworden. Hij zoo diep voor ons verlaagd; Ja, Gods zoon werd onze broeder.

Zon bemint H ij Englen niet;

Englen zijn wel hooger wezens,

Maar Gods Zoon hun broeder niet,

4. Jezus , onze Zaligmaker,

Leed vervolging, smaad en hoon; God verzoende zich de nrereld

-ocr page 71-

Wy Gez. 52. DE GELOOFSARTIKELEN.

Door den kruisdood van zyu* Zoon: Onder Pontius Pilatus

Heeft Hij onze schuld betaald, Is gestorven , is bestraven ,

Is ter helle neergedaald.

5. Hij verrees ten derden dage ,

Wien de dood niet houden kon,

Dr-e , door sterven en herleven ,

Dood en eraf en hel verwon ;

Zoo bieek Hij Gods Zoon te wezen.

Zoo is Hem ons heil betrouwd , Hem , wiens sterven ons verzoende , Hem . wiens leven ons behoudt.

6. Hij voer op ten hoogst en hemel ,

Door de heemlen dooi gegaan;

Aan Gods regterhand gezeten

Nam Hij \'t roer der schepping aan; Zoo werd Hij ten Heer en Christus,

Door Gods Englen toegejuicht , \'t Voorwerp van der menschrn hulde, Voor wien eens \'t heelal zich buigt,

7. Eenmaal zal Hij wederkomen ,

Eenmaal houdt Hij, \'s menscheu Zoon,

Plegtig oordeel over allen ,

Rigt Hij levenden en doón ,

Elk naar \'t geen hij deed in \'t ligchanm,

Zoo beslist Hij ook mijn lot •

Maar dit troost mij , Hij , mijn Re-rler, Heeft mijn schuld betaald bij God,

8. Ik geloof van ganscher harte In den Heilgen Geeat, dien Geest,

Die Gods Kerk en heilgezanten

Steeds ten heeraar is geweest;

Die ook mij wil troosten , leiden ,

En , betracht ik eenig goed,

Beide \'t willen en \'t volbrengen Godlijk in mij werken moet.

9. Ik geloof een Kerk , die heilig ,

Christlijk is , en algemeen ,

In geloof, en hoop, en liefde.

En in zalig uitzigt één ;

Ook der heiligen gemeenschap,

Zamen één van zin en hart ,

Deelend\' in elkanders vreugde ,

Deelend\' in elkanders smart,

10. Ik geloof de schuldvergeving Enkel om des Midlaars bloed;

In mijn eigen werk en waarde

Is geen troost voor mijn gemoed ,

Alles , alles is genade :

Hoe strafschuldig ik dan zij.

Ja, mijn Vader \' ik geloove ,

AI mijn schuld vergeeft Gg mij.

11. Ik geloof, dat dit mijn ligchaam ,

Schoon tot stof en asch vergaan ,

In den jongsten aller dagen

Weêr verheerlijkt op zal staan ; Dan onsterflijk , on vergank! ijk ,

Kent het geen verderfenis ,

Dan zal \'t schoon en hrerlijk wezen, AU muns Heiland» ligchaam ia,

C 6

-ocr page 72-

DE GELOOFSARTIKELEN. Gex. 52 , 53.

12. Ik pcloof ren eeuwitr leven ,

Mij «loor Jezus xelv\' bereid,

Onsekenlt;lc heinelvteuKde,

Stooreloozc zaligheid ,

Leven ronder ooit te sterven ,

Vreugde zonder eind of va®l-Zond\' en dood ! waar is uw prikkel T Graf! waar is uw zegepraal?

13, Eeuwif», onheirrüplijk Wezen ,

Vader , Zoon en Heiige Geest!

Leer mij daaglyks meer U kennen ,

U eelooven allermeest;

\'t Heil van zondaars voert uw liefde

Tot den allerboogstrn top;

Amen ! godlik Evangelie !

Amen! zegt mijn ziel daarop.

GELOOF AAN GOD. W ij z e : Psalm 36.

gi=is========jj;==£=g=^=3sij

Schoon ook geen star meer voor njjj blink\'.

vall\' of zwicht\', Myn deugd beveiligd wezen. 2. Gij . algonoegzaam in U zelv\'.

Die \'t wormpje schiept, en \'t stargewelf

Met zonnen hebt ontsteken .

Zijt ook mijn Schepper, ook mijn stof Bezield\' uw liefde tot uw\' lof ,

Niets kan dien band verbreken.

Gedachte , die mijn ziel verrukt,

Hoe diep in \'t slof ter neergedrukt,

In troost met aftemeten \'

, Ik nietig stipjeu in \'t heelal .

. Ben,

-ocr page 73-

Ge*. 53, 51. G E L O O F A A N G O D.

„Ben, onder \'t maMloos srhepMrr.ia!, , Niet van inuu\' God vcrjjelcu !quot;

3, O ! zoo myn hart, nosr afpeleid Uoor mijne diep\' onwaardigheid ,

Uw liefde kon niislromven ; Doe zinkt mijn laatxte tnryflinET ncór , Als ik op uw (reyrhenk , o Heer!

De p-ft uws Zoon.*, matf srhouwen ; Orh ! dat ik starend\' op dieu Zoon, Altijd tot uw\' geuadetroon

Vertrouwend , vrolijk nader\'. En , veilig in uw\' liefdesrhoot, \' Tot U noir stamel\' in den dood ,

, Mijn Schepper en mijn Vader !quot;

5*. NOODZAKELIJKHEID DES GELOOFS IN JEZUS CHRISTUS.

rsieuwc zangwijze.

\'W\'

\' \' aartoe toch al c

l dat angstig schroomen ? Komt ^ twijfelzucht ons ooit te sta\' ? Wie moet niet als een zondaar komen , Niet enkel leven door gena\' ? O zalig hij, die, uit zijn nooden Tot Jezus en zijn heil gevlo-

P^Ë=z_____

den , Daar dankbre liefdetranen schreit! Op \'t woord

des Vaders te vertrouwen , En door \'t geloof den Zoon

t\' aanschouwen Is hier de weg tot heiligheid.

2. Geen heiligheid wordt hier gevonden ,

Die niet op dezen wortel groeit ;

Hieraan is alle deugd verhonden.

Die immer voor den hemel bloeit.

Vergeef» is al het moedloos duchten ,

Vergeefs \'t wanhopig kermen , zuchten ,

Niets buiten Jezus heelt de smart;

De vrees van een gepranpd geweten Moog naar God» wet uw daden meten,

\'t Geloof alleen vertroost het hart.

3. \'t Geloof, ja, leert ons heilig leven ,

Daar \'t pligt uit dankbaarheid betracht,

Maar \'t werken kan die rust niet geven,

Waarnaar de ziel zoo hygend smacht.

Hoe diep g\' uw schuld voor God moogt voelen. De xonde zal steeds feller woelen,

C 7 Zoo

-ocr page 74-

63 NOODZAKELIJKHEID DES GELOOFS. Gez. 51. 55

Zoo lan:? gy niet op Jpzus ziet.

Riift, waar g\' ook henen wilt, uw crangen, Als zondaar moet ku frunst ontvangen,

Uw eigen deugd verdient die niet,

4. Arh ! zal dit boore vleesrh nog woelen ,

Wanneer mijn laatste stond genaakt,

En zal ik stervend no? gevoelen ,

Dat zonde mij ellendi? maakt !

Maar . o mijn Vader 1 wat 111007 wijken ,

Uw vast verhond zal niet bezwijken ,

Uw eed wordt nooit van krarht beroofd ;

Uw Zoon voldeed aan uw bevelen ,

Volbragt uw wet in al haar deelen;

Eu ik, ik heb in Hem geloofd.

5. O Gij , die onze schuld woudt boeten

Door uwe tradelooze pijn,

O Heiland \' leer mij aan uw voeten

In eijjen oosr een zondaar zijn.

Mrt al mijn deugd , bij al mijn werken ,

Vind ik ^een* troost, die mij kan sterken,

Geen hoop , dan die ik op U bouw:

Op uw genade zal ik leven ,

Op uw c:ena\' den doodsnik (reven,

O Heer! aan wien ik mij vertrouw.

55. VASTE GROND DER HOOP. W ij z E ; Psalm 42.

2. Trotsche bergen zullen wijken ,

Vaste rotsen eens vergaan ,

Zijne trouw zal nooit bezweken ,

Zijn verbond blijft eeuwlf» staan;

Laat de wereld zelfs vergaan.

Zijne trouw blijft eeuwig staan ; Wat ooit wanklen moog of wijken.

Zijn verbond zal nooit bezweken.

3. Treurigen , het hoofd naar boven !

\'t Hoofd naar boven, hoopt op God! Wat H(j zweert moet g(j gelooven ,

Zelfs in \'t hacblgkst levenslot.

-ocr page 75-

«, VASTE GROND DER HOOP. Vest uw vaste hoop op God ,

Zelfs in \'t hachlijkst levenslot;

Heft blijiiioeili!; \'t hoofd naar hoven! Wat God zweert moet gij gelooven.

G

56. OPWEKKING TOT KINDERLIJK VERTROUWEN. Nieuwe zan^wij^e.

lüüiimü

____ dwaze vrees bekleinin\' uw harte: Of wan-

hoopt ooit een kind 1 Gevoelt het niet iu al zijn

smarte , Dat hem zijn vader min* ? Geen dwaze vrees

1

Wu mogen alles van Hem wachten;

Geen vader is zoo mild :

Hij geeft op ons gebed de krachten ,

En helpt, zoo gij maar wilt.

Bid , zondaar ! bid , laat God niet wachten ; Die Vader is zoo mild.

-ocr page 76-

64 OPW. TOT KINDERL. VERTROUWEN. Ger. 56, 57. Gevallen Englen mopjen heven,

Maar gg , vrees gij geen\' nood •

Gg kunt met Jezus eeuwig leven.

Voor u is hel, noch dood.

9. Geen dwaze vrees heklemm\' het harte,

Of wanhoopt ooit het kind ?

Het voelt, te midden zijner smarte ,

Dat hem zijn vader mint :

Geen dwaze vrees heklemm\' dan \'t harte,

Uw Vader kent zijn kind.

57. B Ij IJ D S C II A P DES G E L O O I W u z E : Gezang 36.

hoe big te moede, Gevel -O- lt;\\

Maakt Gg mij het hart! Die op U ver rouwen Doet G\' uw heil aanschouwen. Redt G\' uit alle smart. Nimmermeer Doet Gg , o Heer, Vriend c

2. \'k Zal met zin en lusten In uw\' wil berusten ,

Wat Gg wilt is goed:

Niets vermag nign pogen ;

Maar uw mededoogen Rust mij toe met moed.

Als \'t heelal Zich neigt ten val. Als uw oordeel ang«t zal wekken , Zult Gij mg bedekken.

3. Aan mijn laatste snikken Denk ik zonder schrikken ,

Mijn Verlosser leeft! \'t Ligchaam moog verderven , \'k Weet , ilat Hij . na \'t sterven , \'t Heerlijk wedergeeft.

Range dood , O laatste nood ! Doe vrij \'t hart van zondaars siddren, Wat heb ik te siddren ?

4. Ook voel ik met smarte Zonde , die in \'t harte

Mij met kracht bestrijdt:

. Doch uit al dit kwade Redt mij uw genade ,

Naar uw woord . altijd.

\'t Zuchtend hart, Dat in zijn smart Redding van uw gunst blgft nachten , Zult Gg niet verachten.

-ocr page 77-

Ge*. 57. 58. BLIJDSCHAP DES GELOOFS.

Vrij tot U ma» treón;

Dat ik , als ik stprve,

Uwen hemel erve,

Komt van U nllrcn.

Dat uw hand Mij houdt in stand, Dat Gij mij behoedt voor \'t kwade, O ! dat ia genade.

b. Jezus , die uw leven Voor mg hebt gegeven.

Opdat nimmer nood Hopeloos mij priefde,

Groot is uwe liefde,

Sterker dan de dood •

En ik. Heer! Zou tot uw eer In uw heil mij niet verhlijdpn ,

U m(jn hart niet wyden?

7. U opretrt te vrecren

Moet ingn blijdschap wezen ,

Zonde mijn verdriet:

Wereldsch verRenoepen,

O ! dat is \'t genoefjen Mijner ziele niet;

Mijn c-emoed Kan al het poed. Waar hier dwazen ooit naar trachten, Ryk in U , verachten.

8. Heeft het poed der aarde Wezenlijke waarde ,

Schept het vroed in \'t hart? Neen ! wat zfn vermaken ,

Daar wjj hier naar haken ? IJdelheid en smart. Gij verheugt Met ware vreugd; Gij zult allen, ilic U coren .

Eeuwig weder eeren,

9. Vol van uw genade,

Trouw behoed voor \'t kwade,

Leef ik in TT blij :

Dat die vreugd mijn harte,

In de grootste smarte ,

Steeds tot sterkte zij ! Zoo verblijd Wacht ik den tijd , Om het doodsdal door te streven Naar het eeuwig leven.

-ocr page 78-

hart mij al verklagen, Nogtann vat ik moed

üuiart: God is meerder, dan niyn

2. Hij, de kenner van \'t verborgen.

Kent ook mij , en weet alleen,

Hoe ik hier in al mijn zorgen

Hij-;\' naar r.ynen dienst alleen.

•Ia, Hij weet, hoe diep mijn zonden Steeds op nieuw mijn ziel doorwonden;

Niet nujn ongeloof en waan.

Mijn geloof dat riet Hij aan.

3. Mij heeft lig zijn\' Zoon gegeven,

Door \'t geloof nam ik Hem aan;

Ja , ik weet het, ik zal leven ,

En door Hem ten hemel gaan.

Zelf* eer ik nog was geboren ,

Heeft mij God in Hem verkoren.

Eer de stem van zijne magt Immer iets had voortgebragt.

i. Wie zou dien nu nog verklagen,

Wien God zelf verkoren heeft?

Wie zou daar \'t verdoemen wagen ,

Waar God zelf de vrijspraak geeft?

Neen, sreen hel kan mij vervaren,

Wien God zelf wou vrij verklaren,

Wien geen schuld , hoe Kroot, verdoemt. Haar mij God regtvaardig noemt.

5. Jezus Christus is gestorven ,

Is verrezen ook voor mij ;

H»cft de zr^rpiaal verworven , Die verworven ook voor mtf.

Aan Gods reglerhand gezeten,

Zal llij nimmer mij vergeten;

Neen, uit deernis met mijn lot.

Treedt Hij voor mij in bij God.

6. Trots de wereld en haar* laster,

Trots de hel en al haar woön,

Steun ik op Gods liefde vaster ;

God zal mij getrouw behoên.

Niets dat mij van God kan seheiden . \'k Zal, wal ramp mij moog verbeiden , Juichen midden in de pijn ,

Meer dan overwinnaar zijn.

7. Ruwe stormen mogen woeden ,

Alles om mij heen rij nacht.

God , mijn God ral mij behoeden ,

God houdt voor mijn heil de wacht.

Moet ik lang zijn hulp verbeiden ,

Zijne liefde blijft mij leiden :

Door een\' nacht, hoe zwart, hoe «ligt, Voert Hij mjj in \'t eeuwig licht.

8. Ja , verleidend is \'t vermogen ,

Op ous hart , van \'s werelds «joed,

Glans van eer verbijstert d\' oogen,

Weeldeteugen smaken zoet;

Vleijend is de gunst der grooten,

Vaak met Kroot gevaar genoten :

Hooge lof leidt ligt van Got!,

En nog ligter bittre spot.

-ocr page 79-

Gcr. 58. 59. G E L O O F S R O E M. B7

9. Maar , wat lot, of dood of leven ,

Smaad of eer, mij ooit ycrwachf,

Jezus zal mij nooit begeven ;

Hen ik zwak, hij Hem is kracht:

Gunst van menschen , raad van vrinden,

BilIre haat van kwaad^ezinden ,

Hoogte, diepte, vreuifd of rouw.

Niets ontrooft mü aan Gods trouw.

HET DANKBAAR LEVEN VAN DEN CHRISTEN.

59. WERKDADIG GELOOF. w ij z e ; Mir nach , spricht Christus, unser Held.

2. \'t Geloof, dat door het woord ontstaat.

Dat moet ook liefde werken ;

Hoe hooger uw vertrouwen gaat,

Hoe meer het die moet sterken;

\'t Geloof verlicht ons niet alleen ,

Het sterkt, en reinigt ons met een.

3. Gezuiverd door des Heiland* bloed.

Schenkt God ons zgn genade ;

Die dit vertrouwen op Hem voedt.

Die wacht zich ook van \'t kwade :

Hij wordt dus daaglijks, meer en meer.

Gelijk aan \'t beeld van zijnen Heer.

4. Zij zijn \'t., die God in gunst aanschouwt,

Die zich gehoorzaam toonen ;

In elk., die Gods geboden houdt, m

Moet ook de liefde woonen :

Een daaglijks werkzaam Christen toont Het «acr geloof, dat in hem woont.

5. God blijft in ons, en wij in Hem,

Als w\' in de liefde blijven ,

Door haar voelt zich der Englen stem

Tot Gods verheffing drijven ;

God is de liefd\', en Hg bemint Gecu hart, waar Hij geeu liefd\' in vindt.

CO. BEON

-ocr page 80-

BRON VAW GOEDE WERKEN.

Gei. CO.

68

------------

ontbreken; Zoo wellust, vleeschlOk overleg , Of

i ten goede raden, Al doet gy ook de

--=^-TV-.

beste da - den ,

2. Wees , door de grootheid van uw\' geest, liet wonder en \'t geluk der menschen ,

Bedoelt g\' u zelv\' in alles meest,

Is d\' eer het wit van uwe wensrhen , Is \'t niet Gods liefde , die u drijft, Zoo vtrft . dar. pij . hij \'t grootst vermogen, üij Englenwijsheid , in Gods oogen Niets meer, dan klinkend koper, zyt.

3. Sticht huizen , geef daar d\' armoe\' brood, Deel kleedren uit, die naakten dekken ,

Ontruk de weduw aan haar\' nood ,

Blijf \'t wcpskrn tot een\' vader strekken,

Deel_ ouder hen uw haav\' en goed ; Nog niets hebt g\' in Gods oog gegeven , Zoo liefd\' en dank uw hart niet dreven, Niels, dat u eenig voordeel doet.

4. Beschaam den grootsten heldenmoed , Red steden , volken , heele landen ,

Vergiet voor \'t vaderland uw bloed ,

Laat voor de waarheid u verbranden ;

Voert niet de liefd\' in u \'t gebied. Te dwaas zoudt p\' u daarop verluien;

\'t Kan alles u voor God niet baten ,

Hij acht all\' uwe werken niet.

5. Was doen bij Hem alleen de pligt, Zoo kon Hg ons tot alle dingen ,

Door banden der natuur, zeer ligt.

Door krachten zyner almagt , dringen :

Voor Kern, die alles geeft en maakt.

Geldt wijsheid niets, niets gelden kraciteu; Hij wil het doel zyn van uw trachten ilg eischt, dat gg in liefde blaakt.

6. Een hart, voor dwaze zeUsmin doof.

Voor ijdlen hoogmoed niet verheven ,

Vernieuwd tol liefd\' uit waar geloof.

60. BRON VAN GOEDE WERKEN. W u z E ; Wcna zur Vollführunj deiner Pflicht.

-ocr page 81-

Ge*. 60. 61. BRON VAN GOEDB WERKEN. 63

Door zuivre godsvrucht, aanjfrdreven ;

Dat is \'t, wat God iu ons hrhaagt, En, zoo wij niet dat hart bezaten Zoo zou een leven ons niet baten-. Dat roem op Englendaden draagt.

7. Vergrijp u dus niet aan den schijn ,

Noch aan den klank der ijdle namen ,

Vraag niet slechts, wat uw daden zijn. Vraag meer uit welk een hart zij kwauica ,

Doorzoek voor God , die alles riet, Of \'t ook door liefde zij ontsteken ; Hij , wien \'t aan liefde blijft ontbreken. Heeft ook het waar geloove niet.

8. Bezielt u liefde jegens God ,

Zij zal u in het goeddoen sterken ,

Gij zult de kracht van haar genot Aan liefde tot den naasten merken ;

De liefde, die gij oefnen zult,

Is goedig . zonder list of treken ,

Lacht nooit om \'t aanzien van gebreken. Zij zwelt niet op, z\' is zelfs geduld.,

9. Zij sluit het oog voor \'s naasten kwaad, Neemt nimmer in zijn\' val behagen ,

AVerkt nooit uit schandlijk\' eigenbaat, Kan \'t al gelooven, hopen , dragen ;

Zij is \'t, die ons met kracht voorziet. Om naar volmaakte deugd te streven , Zij maakt Gods wil uw vreugd en leven , En namaals zelfs begeeft z\' u niet.

61. WE\'TVAN GOD.

w ij z e : Gezang 54.

Jlli

dev wet bevryden, Dat is volbragt op Golgotha,

Neen!

-ocr page 82-

WEt VAN GOD.

Gez. 61.

70

Nern ? .lozus! wien \'k mijn\' Heiland noeme ,

Dat leert uw Evangelie niet I •t Gebod is heilig . wijs , restvaardi» ,

•t Geloof maakt mij tot goeddoen vaardig,

\'k Gehoorzaam uit erkentenis ;

\'k Geloof, en toon t»raa^ in mijn daden.

Dat, die mijn schuld op zich wou Iaden,

Geen dienaar van dc zonden is,

S. Al hen ik niet als Abrams zonen \'t Eiryptisch diensthuis uitgeleid ,

God wil mij grooter gunst betoonen ,

Voor vloek schenkt H ij mij zaligheid;

Hij wil mij al mijn schuld vergeven.

Opdat ik tot rijn eer zou leven ,

Dan , dan ben ik in waarheid vrij :

Geef mij , mijn God ! dat ik uw wetten Ten regel van mijn doen moog zetten , Uit dankbaarheid gehoorzaam zij.

4, Ik ben den dienst der valsche goden ,

• Ik ben der groov\' afgoderij,

Bij \'t licht der waarheid , wel ontvloden,

Daar is geen ander God , dan Gij ;

Maar , ach 1 het snood bedrog der zinnen , En \'t zondig eigen t\' overwinnen ,

Dat valt mij zwaar , en baart mij smart:

Och ! mogt, wat ooit mijn driften streelde ,

Geboorte . rijkdom , eer of weelde ,

Nooit afgod wezen voor mijn hart,

5, Geen beeldendienst kan mij bekoren ,

Ik huig voor hout noch steen de kniên;

Maar of ik daarom naar behooren

II steeds in geest en waarheid dien\' \'

Ach \' neen , ik blijf in \'t pligt betrachten Tc vaik mon etsen «iaden achten ,

Naar \'t geen voor mensc4ien deugdzaam scheen : Naar \'t geen in uw oog niets beteekent,

Heb ik mijn\' godsdienst vaak berekend ,

Gij , God ! ziet op het hart alleen.

6. Laat nimmer mij iets zwaarder wegen (

Dan uw geduchte naam , o God !

Nooit worde laf door mij gezwegen ,

Wanneer men uwen naam bespot;

Behoed mij voor ligtvaardig zweren ,

Voor misbruik van den naam des Heeren,

Wanneer ik met mijn\' naasten spreek ,

En , kan ik uwen eed niet mijden ,

Leer mij dan liever alles lijden ,

Dan dat ik ooit dien eed verbreek,

7. Uw eerdienst zij mijn zielverlangea ,

Zij steeds mijn eer en zaligheid ,

Dat uwe heilleer, daar ontvangen.

Mij voor den hemel toebereid\' :

Mijn arbeid eindig\' in zes dagen.

En mijn gezin , van werk ontslagen ,

Vier\' dan den rustdag nevens mij.

Uw roem , mijn Schepper\' zij geprezen ,

Maar dat, nu .lezus is verrezen .

Die rustdag Hem geheiligd zy !

8« Geef, Heer! dat ik mijn oudera eere.

Voor hunne zorge dankbaar zy ,

Uit hun ervaring wijsheid leere ,

Door liefd\' en eerbied hen verblü».

Dat

-ocr page 83-

WET VAN GOD.

Dat elk , wat sang hij ook beklwile, Zgn kracht tot aller heil bestede ,

Ed nuttig zij in zijnen stand ,

Opdat, door U, o God van orde !

Elk naar uw woord «rezetrend worde In C2n gelukkig vaderland.

9. Partijschap, haat en zucht tot wreken.

Wanneer men mg beleedicd heeft,

Blijv\' eeuwig ver van mij treweken ,

Daar Gij injj al mijn schuld vergeeft:

Mijn Heiland bad voor moordenaren.

Voor hen , die zijne beulen waren , In \'t midden van de felste pijn ;

En ik , zou ik , om beuzclin?en ,

Mijn\' medemensch naar \'t leven dingen, Ik liever \'t beeld des satans zyn ?

10. Heer! reinig Gü mijn hart en daden;

Ook dan , wanneer ïeen mensch my ziet, Vest Gij uw oog op al mijn paden ,

En donkerheiel bedekt mij niet :

Laat mij het huwlijk heilig wezen ,

Leer mg d\' afschuwlijk\' ontucht vreezen ,

Ontzag voor II behoede mg ;

Help mg verzoekingen verwinnen ,

Beteugel drift en lust der zinnen ,

Geef, dat ik biddend waakzaam zij.

11. Geef, Heer! dat ik in al mijn\' wandel

De trouw en eerlijkheid beuiinn\', Opregtheid heersch\' \'n al ingn\' handel;

Zoo tracht ik nooit naar vuil gewin , Zoo drijf ik, door mijn braafheid kloeker, Met mijn bezitting nimmer woeker.

Pleeg nooit bedrog met waar of maat, Sla gierigheid en spilzucht tpjren . En \'t goed , in uwe gunst verkreiren ,

Blijv\' nog ten zegen voor mgn zaad.

12. Bewaar mijn tong voor logenspreken !

Gij , die de God der waarheid zijt,

Zult vroeg of laat de valschheid wreken;

Opregten rgst het licht altijd !

Dat ik nooit twist of tweedragt zaaije ,

Mijns naasten wooril noch daad verdraaije,

Nooit anders spreke , dan ik denk ;

Moet ik een prooi des lasters wezen ,

O God ! die in mijn hart kunt lezen . Dat mij uiv gunst vertroosting schenk\' !

13. Heer\' maak mij in mgn lot tevrede

Met wat ik heb , en wat ik ben .

En deelt G\' aan and ren gaven mede,

Die ik niet heb , ja zelfs niet ken ;

Leer mij dan uw bestelling prgzen , \'k Verdien niet een der gunstbewgzen,

Die Gij aan mij genadig biedt ;

Leer m\' U voor alles dankbaar eeren , O God ! zoo zal ik nooit begeeren

Mgns naasten goed, ook \'t minste niet.

14. Ja, \'k weet het, U geheel te minnen ,

U boven al, mijn Heer en God ! Met kracht, gemoed , verstand en zinnen ,

Is \'t eerst en tevens \'t groot gebod :

Maar \'k weet ook , dat ingn\' medemenschen Te doen, te willen en te wenschen ,

Al wat mgn hart voor mg verlangt,

Gee. 61.

-ocr page 84-

■pi WET VAN GOD. G«. «1. 62.

Daarititn Kelijk stnat, Go.-l «Ier goilen !

En dat aan lt;le2e twee Relioden De hoofdsom mijner plinten han^t.

15. O God ! ik heef! zoo moest ik wezen ,

Maar wat hen ik ? wat zijn mijn daan ?

\'k Moest uw Redurhtste straffen vreezen.

Zoo Gij mün schuld wondt gadeslaan ;

Maar, eeuwig dank ! voor al mijn zonden Wordt bij mijn\' Jezus heil gewonden ;

Vernieuw mijn hart door zijne kracht,

Ontsteek dat hart tot ware liefde ,

Want in dit ééne woord I» E liefde Wordt uw geheele wet volhragt.

62. JEZUS VOORBEELD. W ij z e ; Gezang 32.

eil{*e Jezus! mij ten leven, Ter heiliquot;-

raaking mtj gegeven, Hoe heerlijk z\\jt G\' in hei-

11^11=

ligheid ! Hemelsch voorbeeld! al de luister Van

vè.-a--tv-

Dat ik als Gij

Englenhei ligheid wordt duister, BO \'t licht van uwe heiligheid : O Gij ! zoo onbesmet, Gij zgt myn Hoofd en wet; Heiige Jezus! O, heilig

i wandel heilig tij.

Vaders wil was hoven allen ,

O Jezus! steeds uw welgevallen , Gij zweegt voor Hem op alles stil; Och ! mogt, all\' mijn levensdagen , Wat Hen» behaagt ook mij behagen.

Mijn wil zich voegen naar zijn\' wil. Dat ik met al mijn\' lust In zijnen wil berust\' ;

Hoor mijn zuchten,

O , heilig m(j!

- Dat ik als Gij In alles onderworpen zö.

3. Steeds arbeidzaam , vol van zorgen , Waart G\' altijd bezig, van den morgen Tot aan den laten avondstond ;

\'s Vaders wil was daags uw spijze, \'t Gebed uw nachtrust, Hem ten prijze: Och ! dat G\' ook mij nooit ledig vondt,

2.

-ocr page 85-

Gtz. 62. JEZUS VOORBEELD.

Maar werkuwm narht en dag.

Waar ooit uw oos mg zag ;

Leer mij wakrn ,

O . hfilii» mij1 Dat ik als Gij Ook in mijn roeping wakker rij.

♦. Welk een liefde , wal meédoosen ,

Wat teederheid hlonk m uw ooKcn , Wat minzaamheid in uw gelaat ;

Haters zelfs, 700 wel als vrinden ,

Elk most II willitf, vaardig vinden Tot troost of hulp, uiel raad en daad:

Orh \' waar die minzaamheid Ook in mijn doen verspreid;

Dieilire Heiland!

O , heili? mij 1 Dat ik nlü Gij In al mijn\' omgang minzaam zij.

5. Go , o Jezus\' Gij onschuldig Verdroeirt het scherpste leed geduldig,

Gij scholdt nirt weder, wie H schold;

D\' eer uws Vaders aan te randen Mogt uwen ijver doen ontbranden.

Gij zweegt wanne r \'t uw eere eold ;

Geen terciiiir stoord\' uw rust ,

Vergeving was uw lust:

Lieve Jezus 1 O , heil 17 mij !

Dat ik als Gij Zachtmoedig, graag vergsvend zij.

6. Ootmoed deed U , Heer der heeren !

Den lof van menschen ligt on?lieren ,

Uws Vaders ene zocht Gij maar;

Waar men aard\'chen ro^in of voordeel Ooit voorkeur eaf, uw wikkend oordeel Besti\'urdo juist den evenaar :

Gij , d\'e ceen hoosheid zocht,

Hoe «rioot G\' ook wezen mogt, Gy . d\' ootmoed zelf!

O , heili? mij !

Dat ik als Gij Voor God cn incntch ootmoedig zij.

7. Reine Jezus ! geene toeten

Van \'t vleesch . reen driften overmogten De reinheid immer van uw hart ,

Kuischheid heerscht\' in al uw leden ,

Nooit waan Gii, door lietreerlijkheden ,

Of lusten in haar\' strik verward;

Uw doen was naar Gods wet.

Uw denken onliesmet:

Kuische Jezus!

O , heilis mij !,

Dat ik als Gg Ook kufscb van hart en wandel rij.

8. Matig in uw levenswijze

Mat U de rede drank en spijze.

Nooit dartelheid of lekkernij ;

Niets, dat meer uw\' hon?er stilde ,

Dan \'t doen van \'t geen uw Vader wilde t Dit was uw spijs , uw lekkerny ; In zelfsverloochening Vondt G\' uw verzadiging :

Heiige Jezus*

D O,

-ocr page 86-

JJ5ZÜS VOOI

O , heiliquot; mij !

Dat ik als Gij In drank en spijze matig zij.

9. lleiljfe Jezus! vorm mijn leden.

Mijn krachten en bejreerlijkheden,

Dat aan mij alles U gelijk\',

\'t Oog gt;n \'t zien , de voet in \'t wandlen ;

Dat in mijn denken, spreken, handlcu ,

Ju alles uwe beeldnis Wijk\' :

Hervorm vooral , volmaak Mijn hart quot;aar uwen smaak;

Heiige Jezus!

O , heiliff mij !

Tot ik als Gij Geheel volmaakt en heilig zij.

63. L I E F D K TOT GOD.

2. Wie kan uwe liefde peilen ?

Neen , wij kunnen *t. nimmermeer, Ensrlendoorzigt zou hier feilen ,

Kik staat hier verstomd, o Heer\' O genaderijk ervaren ,

Onuitspreeklijk zalig goeil,

Dat Gij ons hier smaken doet! O weldadig zorgen , sparen ,

liiefdrijk weldoen aan een kind , Dat U veel te flaauw bemint!

3. En wij mogen ons beroemen

In dat heerlijk kinderlot, U in Christus Vader noemen ,

Vader , U , oneindig\' God ! Wö , wij wederspannelingen , Wij, bedorven van natuur, Overtreders ieder uur.

: L D. Gez. G2, 63,

-ocr page 87-

Gez. 63. 61. L t E P D E T O T G O D.

Wi) van zulk cpn voorregt zinpcn! Nimmer geven w\' U , o Heer! Van die gunst, naar waarde, d\' eer.

4. Wjj weérspannig , tegenstrevend ,

Spottend met uw hoog gezag; Gn verschoonend , graag vergevend ,

Steeds ontfermend al den dag ; Wij gevoelen, wy gevoelen.

God ! daar is geen God , als Gy , Gy alleen zljt waard . dat wy Onze liefd\' en ons bedoelen Kenig risten naar U heen,

Vader! ja, naar U alleen.

5. Orh \' drong eens dat alvermogen

Uwer liefd\' alomme door;

Open aller blinden oo^en ,

Open aller dooven oor ;

Geef, dat alle stervelingen,

Oeef, dat ouderdom en jeugd.

Jood en Heiden, eens verheugd. Van uw liefd\' in Christus zingen , Juichen om uw heerschappy ,

Meer U minnen nog, dan wij.

6t. LIEFDE TOT JEZUl quot;W ij z e : Pnalm 77.

2. Waar blykt ons opregt verlangen ,

Om uw gunstbewys t\' ontvangen ?

Waar is liefd\' in U alleen ,

Nergens buiten U , tevreên ?

Dank voor uw verzoenend lijden ,

Kracht, om voor uw eer te strijden, quot; Vreugd , die tich in U verlust.

Moed , op uw gena\' gerust ?

3. Waar is vlijt, die uw behagen Trouwlyk dient , niet los bij vlagen ,

Schrik voor \'t kwaad , dat U verstoort,\' Ootmoed , bevend voor uw woord ,

Hart en hand , tot hulp ontsloten D S

75

-ocr page 88-

LIEFDE TOT JEZUS. Gei. 64,85.

Van uw annp trunstsrnootpn ,

Deiitrd , die uit uw lirfde ivrlt, Kwanil met weldoen vroom vergeldt?

4. Waar blijkt onseduld , onl«trken Als men II te na durft spieken lt;

Waar eeduld , dat lief en leed U ten dienst treheel vergeet ?

Dit , dit re*;te liefdeteeken Zien w\' ons overal om breken ;

Vreuird en rouw , ierkeerd peau\'.d, Mord en vrees ontdekken schuld.

5. Onze liefde doelt op voordeel ,

Zoekt ons zeiven slerhts . uw oordoel.

Eer en liefde peldt daar minst,

Waar srewinzurht vlamt op winst; Wereldliefde, die ons prikkelt ,

En in zoo veel kommer wikkelt, Si-hoon van ouds uw vijandin,

Wint, betoovert hart en ziu.

6. Heiland! Liefdebron vol liefde.

Die U diep in \'t harte tfriefde ,

\'t Leven kostte met uw bloed ,

Stook , och stook een liefdegloed In ons koud semoed genadig,

Sterk dat liefdevuur gestadig.

Dat het, in geluk en nood ,

Altijd gloJije tot mijn\' dood!

65. LIEFDE TOT JEZUS.

W IJ z K ; Psalm 116.

«jj XJL eh Jezus lief! Hy is mijn licht en kracht. Waarheen ik mij in aagat en droefheid wende ; ^ Och , wU rd alom dien Redder uit ellendequot;.

-ocr page 89-

LIEFDE TOT JEZUS.

Gcz. 65 , 66.

77

6. \'k Hrb J«us lirf? Hij zal mö «loor zgn\' raad Geleiden tot den laatsten mijner «la-jen;

Dan wordt mijn ziel van alle zond\' ontslacren , Dan dank ik Hem voor al \'t geleden kwaad.

7. \'k Heb Jezus lief\' de blijde da? cenaakt,

Die alles voor en in mij zal volenden ;

\'t Gewormte tnoosr in \'t jrraf mijn litrrhaam schenden ,• Geen nood , daar Hij , Hij zelf mijn stof bewaakt.

8. Verlosten , juirht1 hebt Jezus lief, dat wy ,

Dat w\'j ons zaam in dat gevoel vereenen ;

Laat dankbaarheid aan zijne voeten weenen ,

Wie, wie verdient die tranen , zoo als Hij ?

66. AFMAKING VAN DE ZON Dl W u z e : Die Seele Christi heil\'gc mioh !

uw\' Zoon gaaft in deu dood , Gij eischt, dat deugd eu heiligheid Ons h.er ten hemel \\oorbereid\'.

3. Wat. oogst de mensrh hier zonder deugd ?

Een lar.-j berouw na korte vreuird :

Bedwelming wijkt , verdooving zwicht,

En nu , nu dreigt het jongst gerigt.

4. Wie hier zijn kracht der zonde wijdt.

Wijdt een bedriesrlijk werk zijn vlijt:

\'t Geluk , dat hij zoo aniretig zoekt ,

Wordt vaak zelfs bij \'t genot vervloekt.

5. Maar die op uw genade bouwt.

En dankbaar uwe wetten houdt,

Vindt hier de rust reeds in \'t gemoed ,

En eens bij U het hoogste goed.

6. Bij eiken pligt, cetrouw betracht,

Verliest de zond\' iets van haar kracht,

Bij eiken lust hier eens voldaan ,

Wint zij te meer in krachten aan.

7. Algocde God \' oc h . leer ons zien ,

Dat wo , waar wij de zonde vlién.

En ons oniworstlen aan haar juk ,

Den «veg betreén tot waar geluk.

8. Leer ons , hoe \'t zaad , met smart trezaaid, Eerlang met blijdschap wordt gemaaid ;

De zaaijer hier -lechts uren schreit ,

De maa:jer juicht voor d\' eeuwigheid,

D. Leer ons, hoe \'t kwaad ons zelv\' verlaagt,

Aan \'t waar pcluk des levens knaagt.

En , onder al de vreugd der aard,

In \'t eind toch niets , dan wroeging baart.

D 3 . 10, Leer

-ocr page 90-

AFMAN1NG VAN DE ZONDE. Gez. 10. Leer ons, hoe hij al \'t aardsrh verdriet, Hij toch het zaligst lot Reniet,

Die een perusl Eeweten heeft,

En voor geen\' dood of oordeel beeft.

11. Leer ons , dat wie U Vader noemt .

Daar hij in \'t kruis van Jezus roemt,

Bij \'t licht, dat zijne leer verspreidt,

Hier doaglijks rijpt voor d\' eeuwigheid.

12. O Vader ! Gij , die op \'t gebed

Van zoadanrs , om uws Zoons wil , \'et. Sta ons in onze noodrn hg ,

En maak ons van de zonde vnj.

67. O O T M O E D. W u z e ; Gezang 29.

2. Leer mjj stil op paden wandlen ,

Waar uw oog alleen mu ziet,

Stil verdragen , zwijgend nandlen ,

Al ziet mij de wereld niet ;

Jezus! Gij kunt, door uw leering.

Harten vormen tot bekeeiintr;

Bron van ootmoed ! leer Gij mg Stil, ootmoedig zijn als Gij.

3. Schoon \'k vergeten , ongeprezen ,

Bitsen hoon te Igden had.

Schoon \'k tnpn\' broedren vreemd mogl wezen ,

Elk van mij terugge trad ,

\'k Zou nog vrolijk juichen mogen ,

Sloeg ik maar gedurig d\' oogen,

Jezus! op het geen Gg deedt,

Toen Gij alle» voor ugt;g leedt.

4. God des needrigen en stillen,

Wien geen inenschenroem behaagt.

Die , wat G\' ooit moogt doen of willen ,

Eenzaam doet, of eenzaam draagt .

God van hen , die nimmer klagen ,

Als zij zware lasten dragen.

Die , hoe hoog ook \'t leed moog gaan, Zwijgend d* oogen op U slaan !

God \' Gij zgt mijn God , ik kniele

Vol van vreugd voor «wen tronn, Gg verkwikt, vertroost myn ziele

5.

-ocr page 91-

OOTMOED.

In het annsrhijii van u«\' Zoon. Jezus\' «lie U telv\' verzaakte, Gij gezegend\' en volmaakte,

Maak mij naar uw voorbeeld. Heer! Regt ootmoedig tot uw eer.

C3. ZELFS VERLOOCHENING. w ij z e : Liebe, die du mich zum Bilde.

Igk en stil Ons te voegen naar zga\' wil.

2. I» ons ziclverdervend eigen

Nog zoo dikwerf ongezind ,

Om zich tot dien wil te neigen ,

Waar het hart maar rust in vindt;

Werp die trotschheid dan, o Heer!

Door uw\' Geest in ons ter neêr.

3. Wat wij hebben , of vermogen ,

Wat ons lief is , wat ons lust,

Al \'t begeeren onzer oogen,

Ons genoegen, onze rust,

Wat men deuke, spreke , doe ,

Alles boort den Hemel toe.

4. Niets met al, niets zijn wij waardig;

Eischt Gij dan uw giften weêr,

Nimmer is dit onregtvaaidig,

Alle ding behoort zijn\' Heer;

Leendet Gg ons eenig goed ,

\'t Was uit goedheids overvloed.

5. U te danken zijn wij schuldig,

Maar ook, eischt Gij ons iets af.

Niet» te weigren ongeduldig ;

\'t Keert terug tot Hem , die \'t gaf :

Gg , o Heer ! zoo wijs als trouw ,

Weet best, wat ons schaden zou.

G. Vragen wy , wat goed of kwaad is.

Voor \'t geloof is alles goed ;

Al wat d\' uitvoer van uw\' raad is.

Vader! dat is alles goed ;

Altijd goed en wijsheid is \'t,

Wat de Wysheid zelv\' beslist.

7. Mag uw naam maar eer ontvangen,

\'t Ga ons slecht, of \'t ga ons goed ,

Dat alleen is ons verlangen ,

Trouwe Vader! wat Gy doet:

Eer is \'t ons, hoe laag het schijn\'.

Zalig, niets voor U te zyu.

D l 69. B K O E-

-ocr page 92-

BROEDERLIEFDE. Ger. 69 , 70.

63. BROEDERLIEFDE. Vf u z k ; Psalm 21.

en leven Is Jezus aantekleven;

zijn w\' allen eensgeziml , In Hem

11^=1

r^r:~i5:S.-E^5lF=

\' allen ét^n, Ên

2. Wij naderen tot é^nen troon,

Als \'t kroost van éénen Vader,

Dooi héllen Oce«t te ?ader ,

Toi éi\'nen God door ziinei. Zoon ,

Die een», vooi allèr whuld ,

Gods eisrhen heeft vervuld.

3. In Hem is God onz\' aller God;

Eén Heiland , één behoeder Is onzer aller broeder Één uitziet i» onz\' aller lot.

Één Geest , die allen leidt In \'t spoor dei zaligheid.

4. Als één van ziel , als één van zin ,

Die één belansf gevoelen ,

Die \'t zelfde wit bedoelen ,

Verbinden w\' ons in broedermin ;

Zoo dat w\', in vreugd en pijn ,

Elkandren alles zyn.

5. Komt , wandelaars op *t zelfde spoor !

Wtl reizen met elkandren .

Wij helpen d\' een den andren;

Één vriend . één leidsman gaat ons \' oor, In Hein . en dooi zijn kracht.

Maakt eend ragt meerder magt.

6. Komt , steiken wij dien 1\'efdeband !

Eén strijd is \'t , dien wij strijden Eén lijden , dat wij lijden ,

Op rei» naar \'t henielsch vaderland ,

Waar w\' eenmaal binnentreén ;

Daar zijn wi) eeuwig één.

7. Gö . .\'ez-.i* 1 die ons zaam verbind! ,

Wil zelf dien band versterken ,

Laat liefde liefde werken ;

Dat, waar ons ooit de wereld vinJI ,

Zij, uwen naam Ier eer.

Van ons ook liefde leer*.

L I K F D E TOT V IJ A N D E N. W u z k . Abglantz aller Majeslat!

3£3E=3E| ^ g y ==^--

od ! oneindig

-ocr page 93-

Gez. 70, 71. LIEFDE TOT VIJANDEN. 01

om , uw hnatren ,

—r^iEEEr^C^^rjSE:^^:^:—rr^—^quot;3^:—az^

ga\', Schrnkt G\' afvalligen het leven , Hoe helaamt

ïns, lt;iat wij Ook versevend zijn, als Gy.

2. Ja • uw liefd\', uw zondaarsmin Stort ons liefde tot verdrasfen,

Naar uw lt;;od!ijk voorbeeld , in ;

Wie ons haten , lastren , plasen ,

Wij ver?even erraa?, o Hser!

Ons vergeeft Gij eindloos meer.

3. Wie zal hg uw majesteit Zijn •rerinirheid ooit tfpvoelen ,

Kn no? wraak en hitterhttid In zyn harte laten woelen\'

Ootmoed maakt het hart sedwee ,

Duldt geen\' wrok , zoekt liefd\' eu vrc

4. Lijifen w\' immer om uw zaak ,

Gij zult zelf uw zaken rifften ,

Nimmer slaat aan ons de wtaak;

\'t Blijft de valiisf on^er pliiften ,

Dat wij ook in lijd/aamheid Volgen , waar hel Lam ons leidt.

5. Geef onquot;, dat wij in seloof Op des Heilands voorbeeld staren;

Hij, voor smaad en laster doof.

Bad zelfs voor zijn moordenaren ,

Toen men Hem aan *t kruis verhief; Zoo had Hij zijn\' vijand lief.

LIEFDE TOT VIJANDEN. W ij /, e ; Psalm 65.

wil ik nooit vervloeken, Ofschoon hij mij ver-vloekt. ZarhtmociÜB wil ik hem bejeejjnen ; Al dreigt hij , \'k dreig hem niet, Eu scheldt hij mij ,

I^ÈSË5=ESË=^^^==SËK$iil

ik wil heui zeegueu, Omdat mijn lieer \'t gebiedt. 2, Mijn Heiland, aan geen misdaad schuldig.

Vergold met liefde haat,

D 5 Ca

-ocr page 94-

85 LIEVDE TOT VIJANDEN. Gez. 71, 72.

En leed zachtinoedi;; en geduldig

Het allergrootste kwaad.

Zou ik, rijn leerling, wederschelden ,

Daar Hg nooit wedersrhold ,

Ik niet met liefde haat vergelden ,

Gelijk Hij haat vergold?

3. \'t Is waar, mishandling te vergeten

Blijft steeds een zware pligt;

Maar, als voor God een gotd geweten

Ons vrijspreekt, valt het ligt.

\'k Wil mij verbeetren, en niet klagen.

Dan leert mijn vijand m(j,

Dan leer ik wijzer mij gedragen ,

Hoe leed hem dit ook zij.

4. \'k Zal dan met zorg den misslag mijden ,

Dien hij van mij verzon ,

En ook dat kwaad in mij niet lyden ,

D:»t hij niet weten kon.

Zoo wil Hc mij zachtinoeilig wreken ,

Zijn\' lof elk doen verslaan ,

En sluiten \'t oog voor zijn gebreken ;

Kan hij mij dan uog smaamp;n ?

5. Om hem zijn\' wrevel moe\' te maken ,

Vergeef ik hem mijn leed ,

En hen , waar \'t ooit zijn heil moog raken ,

Tot zgnen dienst gereed.

En wordt hu , tot mijn leed en sehade ,

Door weldoen meer verwoed ,

\'k Wil voor hem bidden om genade Tot God, die my behoedt.

72. MEDEDEELZ AAMHEI D.

\\9 IJ z K : Gezang 4.

TT el hem, die rieh verstandig draagt ,

SV ±—

Waar d\' armoe\' zit

te kwijnen ,

Of,

-

\'t donker kermt of

klaagt,

Een\'

straa\' van

--——E

-----

^---

■ roo-st doet i-chijnen,

Wiens

hart

om \'s naa- ^

sten Igden bloedt,

En die

-dïL

graag , met

:=5ia

raad of goed. Uit al zijn uiagt wil h:lpeu.

2. Wil ons op aard , ontfermend\' God !

Voor broodsgebrek bevrgden ,

Maai geef , dat w* uit een ruimer lot

D\' ellende mild verblijden •

Och ! Uat ons elk in nood, of pün,

Cl

-ocr page 95-

Ccz. 72 , 73. MEDEDEELZAAMHEID.

Of armoe\' strak* trr hiilpe ryn , En Jezus voorbeeld volgen.

3. O Jezus, troost in alle leed ,

Getrouwe Vriend der armen!

Al wat Gij hier aan mcnschea deedt

Was eindeloos erbarmen ;

Voor ons zelfs (jaaft G\' IJ in den doud ,* Wat moeten wij dan in den nood Niet Kraag aan armer geven ?

4, Maak ons volvaardig op hun klajjt.

Tot hulp in hunne smarte ,

En , zoo \'t ons ooit ontbreekt aan magt.

\'t Ontbreek ons nooit aan \'t harte; Elk liefdewerk word\' in uw kracht, In uwen naam , door ons volbragt, Dan zal het God behagen.

73. W A A K Z A A M II E 1 D. W ij z.e : Gezang 17.

2. Zoo lang ik omzwerf door dit leven ,

Ben rk een kind . dat wagglend gaat;

\'t Past elk bedachtzaam acht te geven ,

Die , als zyn naaste valt, nog staat:

Zelfs een bestreden booze lust Wordt nooit in ons geheel gebluscht.

3. Da tijd kan ook verbeetnng baren ,

Is dan verbeetring altijd deugd?

Het wordt bedaardheid met de jaren ,

Wat heete drift was in de jeugd;

En. ach ! hoe vaak ziet onze waan Voor deugd het werk der jaren aan !

4. Vaak is het kunst en pralen,

Het geen men godsvrucht in u acht;

De nijd , of snoode zucht tot smalen Had u welligt in haat gebragt ;

Gy wilt voortaan voorzigtig zijn ,

Vliedt niet de laakzucht, maar den schijn.

5. Omdat een drift u niet kan roeren ,

Die sterk in \'t hart van andren leeft,

Waant gij . geen drift kan u vervoeren ,

Daar toch elk hart zön wereld heeft;

Hem , wien noch goud . noch eerzucht roert,\'

Heeft vaak eea lonk , een woord vervoerd.

D 6 6. Vaak

S3

-ocr page 96-

WAAKZAAMHEID. Gei. 73 , 74.

6. Vaak slaapt in \'t hart de drift ten kwade ,

Gij schynt zarhtaardi? van (remoed ; Nu kunt zij dulden , dat men smade ,

Maar straks stuift crij weer op. en woedt. En srheldt zoo liefdeloos . zoo heet , Ms die u eerst schold immer deed.

7. Vaak waant rij , in het eenzaam leven ,

II deuirdzaain in de stille rust.

Naauw he!gt;t s\' u in \'t trewoel licKeven, Of aanstonds werkt de boo\'e lust; Dan wordt Rij ras het waken moe\'. En -jeeft aan \'t kwade strafbaar toe.

8. Gij offert zwakkre driften Gode ,

Door strenjjlfid in uw levenswijs,

Waar helit uw liefste lusten noode ,

Zeer noode , voor zijn liefde prijs;

Dit is het ooi?. dit is de voet,

Die f;lj u zelv\' ontrukken moet.

9. Gij zijt rejrtvaard\'!» , ook bescheiden\'

Mint matigheid: maar ook treduld? Gg laai jreen\' armen hulp verbeiden ; Verireeft g\' uw\' vijand ook zijn schuld ? Uw hart, hoe «roed het u ook schijn\'. Moet aller zonden vijand zijn.

10. Ach \' \'t hart is vol van «noode listen,

Vol van bedros in eiken hoek Dus past de waakzaamheid den Christen, En daairlijks ernsti? onderzoek;

Hoe vaak ziet onze dwaze tvaan Den schyn van deu?d voor \'t wezen aan.

11. God kan alleen dat hart dooreronden :

Maar \'.oekt jjij , voor zijn aansezijjt, Opretrt naar uw verborcen zonden , Hij geeft u telken* meerder licht;

Oan is uw werr en san? cewis . Dan wandelt p\' in treen duisternis.

12. Wees niet vermetel , waak ten strijde.

Zes nooit , ik heb senoeir iredaan; Elk hart herft zijne zwakke zijde.

Daar valt de zirlevijand aan .Zoralon\'heiil ilreiüi u met den val.

Waak daarom steeds, waak overal.

13. Wil mij . door uw genade . sterken

Tot al wat aan uiijn roeping past ,

En zet . op \'t pad var. goede werken , O God m^n wankle schreden vast. En houd mijn hart. in waakzaamheid, Altijd voor uwe komst bereid.

71. GEESTELIJKE S T R IJ D. Wijzen Gebed des Heeren.

oe naauw ik mg aar, U verbind\'. Wat zaligheid ik in U viud\'. Nog houdt d» lust

gi=:É:——rètrCt

^ tw \'t tondiK viecach Myn hart, o God ! ge-

«UAjf

«1

-ocr page 97-

2. De deu?d . o ja • ik vind ze schoon ,

Zij strekt zich zelv\' ten irnioten loon,

Ik volif haar paii niet vreu?d en moed, Ik weet, dat, die treen zonde doet,

Die zijne plizten niet ver-reet,

Met reden hoogst Rclukkit; heet.

3. Maar, o hoe ras word ik ontrust Door onderdrukten boezen lust!

Die zet mij tot zorcloo-heid aan ,

Tot hoo\'-r irevoel en trotschen nrar.n;

Gelukt hem dit, ik dwaas \' dan schijn Ik straks mij zelv\' cmi held te zijn.

4. Een held ? maar ach 1 wat hen ik ras T liij valt welhaast, die zor-rloos was,

lig steunt zoo op zijn ei-ren kracht.

Dat hij treen hulp van hoven wacht.

Versmaadt zijn looze weerpartij.

Wordt loom en traafj, zelfs sluimert hij.

5. Hoe na is hij dan bij zijn\' val.

Als hij, verzocht van overal.

Van builen , in zijn ei-ren hart,

Door drift , tloor winzucht, vrees of smart, Aan \'t strijden moet . hoe liet , hoe ligt Verliest hij alle kracht , en zwicht1

6. Ik voel mijn zwakheid , ja, mijn God\'. Hoe li-rt verleidt re vaar en spot, Verstrooijinz, driften, frotsche waan.

Kwaad voorbeeld , weekheiil van bestaan , Een lijn gevoel voor weeld\' of smart,

Hoe lisrt verleiden zij het hart \'

7. Wie kan mij helpen\' Gij alleen,

Gg zijt mijn hoop, en anders ;reen:

Och 1 dat myn zwakheid immer mij, Ten mijnen nutt\'. voor oosren zg ;

Och ! dat ik op U bouw\' in nood ,

Aan U getrouw tot in den dood.

75. TOEVLUGT IN VERZOEKINGEN. W ij zp.: Gebed des Heeren.

ze heimlijk loert, ïlet zwakke vleesch -te—

lelf vervoert. De kracht der zinnen lokt en

P 7

-ocr page 98-

, Vaak nemen zonden d\' overhand , En overstroomen \'t pansche land ;

Wees op uw hoede, \'t jonast (jerifrt JJrengt al \'t verborgen aan het licht; Wees door \'t s^loof altoos bereid , Ea bid met ernst om waakzaamheid, !. De wereld kleedt haar schandlijk kwaad Voor \'t ooj? sointgds in deugdsgewaad , l\'rijst ons \'t cenot des levens aan ,

Houdt vroomheid voor bedrog en waan ; En wie verwacht standvastigheid Van hem , die zelf graag wordt verleid ? . Mijn opzet is wel toetezien ,

Maar hoe zal \'k al dat kwaad ontvIiCn , Daar ik gevaren bij gevaar,

En strik bij strik, alom ontwaar ?

Mijn vijand dreigt aan alle zij\';

Waar vlugt ik heen ? waar berg ik mij 7 . Gij Jezus! moet ons hulpe biên ,

Ik blijf vertrouwend op U zien;

Ben ik niet een van uwe iccn, Uw broeder. Heer! uw vleesrh en been? Verlaat mij niet in dezen staat.

Opdat ik U ook niet verlaat.

i. \'k Erken , \'t geloof is zwak , maar Gij , Gij sterke Held! Gij staat mij by. Ik weet, wat ik van U verwacht,

Wal ik vermag door uwe kracht; Op U verlaat In allen nood Mijn hart zich vast tol in den dood. . Met U , o Heer • kan ik bestaan ,

Al zou de wereld zelfs vergaan; De huichlaar beev\', de zondaar schrikk\'.J Maar ik , ik vrees geen\' ootrenblik:

Want hji. wiens toevlugt bg U is,

Komt nimmer in verdoemenis.

. Gij zijt het dan\', op wien ik hoop In \'t moeilijk perk van mijnen loop, Tot daar de kroon in \'t eind mij wacht, Waarnaar mijn hart zoo hijgond smacht: Heer ! sla in allen strijd mij bij ,

Dat ik door U verwinnaar zy.

76. OM BIJSTAND VAN GODS GENADE. Wijze: Psalm 51.

-ocr page 99-

2. Zoo uw pena\' niet voor mij henen gaat,

Geen\' aanvang maakt, niet wekt , niet meê wil werken , Niet bij mij blijft, wie zal myn\' arm dan sterken Helaas , mijn God 1 dan weet ik troost noch raad. Schenkt Gij geen licht, zoo kan mijn oog niet zien. En zie ik niet, wat goeds zal ik bedrijven ?

Verlaat Gij mij, dan zal ik moeten vlién.

En moet ik vliên, hoe zal ik by U blijven?

3. Uw goedheid werk\' het willen en het doen,

Zoo werk ik ook met vreczcn en met beven,

Gij zelf hebt mij uw\' eigen\' Zoon gegeven ,

Gedenk , o God ! aan Hem en aan zijn\' zoen ,

Gaaft Cy Hem niet om onzent wil len dooil 7 Wat hebben wij dan niet van U te wachten \'

Ik weet. dat Gij geen\' snieekeüng verstoot; \'t Gebroken hart zult Gij toch niet verachten.

4. Dat uw gena\' met zachte kracht mijn hart,

Myn ziel , mijn\' zin beweeg en buig* ten goede ,

In heil cn ramp beschaduw\' door uw hoede .

Zoo sta ik pal in blijdschap en in smart.

Doe mij verstaan, hoe ver uw goedheid gaat. Wat Gij belooft; zoo krijg ik nieuwe krachten. Dat sterkt mijn hart in on^pned en in smaad , Dat leert mij, U ter eer, myn\' pligt betrachten.

5. Och ! mogt mijn pligt mij steeds ter harte gaan , Eu wordt die eens aan uwen wil gewogen ,

Laat mij dan ook voor uwe heilig\' oogen ,

Door uw gena\', in Jezus bloed bestaan!

Gij hebt uw hulp mij dikwyls aangeboön ,

Gij zondt mij die zoo menigmaal van hoven ,

Verleen mij die nu weder in uw\' Zoon ,

Zoo zal myn hart, zoo zal myn mond U loven.

77. CHRISTENPLIGT. W IJ z E : Psalm 8t.

-ocr page 100-

GS CHRISTENPLIGT. Ger. 77, 78.

bevolen werk , Standvastig, onbcn-pesrlijk , sterk , ^^Volyvrig, alt^d overvloedig: Uw arlieiJ zal in

onzen lieer Niet ijdel wezen; Hem zij d\' eer!

2. Vocir, Christen \' hij peloove deusrd ,

Den lieren moed in smart rn vreugd ,

Om steeils het kwaad te wederst reven ;

Voee bij de deutrd pen kloek verstand , D:it ei-renrin en waan verbant ;

Bij kloek versland een malisr leven;

Voeg bij lt;le matigheid geduld ,

Als God wil , dat gij lijden zult.

3. Voel* bij geduld godzaligheid ,

Opdat. daar -rij uw licht verspreidt,

De mensrhpn op uw voorbeeld staren ;

Blijf, naar \'t volmaaktst en «rroot gebod. Met liefd\' en eeibied jesens God ,

De hroedprlijke liefde paren.

En . nipt dien bropdprlijkpn zin ,

Ook d\' al^emeeuc menseheriuiin.

4. O God \' Ma met uw* Geest ons bij , Opdat dit alles in ons zij ,

Sleed* meerder in ons word\' bevonden; Dan zullen wij met naar gevoel Het huliir, I\' belaamlijk doel Van \'t \'/r\'.iot verlowoiiirlt;werk doorgronden. Och \' dat on« zoo de jonaste dag Niet ledig, niet onvruchtbaar zag.

5. Dan , zoo eeheilitrd in \'t seinocd , Zoo voor den hemel opsrevoed ,

Dan zien w\' ons ri|keli)k bp\'rhorea Den iiitrans in uw eeuwig ryk ;

O God 1 die zoo cenadislijfk In .le/.us ons hebt uitverkoren:

Hein zii de lof, door al \'t Keslacht , Hier en daar boven toegebragt!

78. DE WARE CHRISTEN DE BESTE BURGER. W U z E : Psalm 100.

JL\\. omi, c

Dat, wie de ware godsvrucht smaad , Eon Chris-

ten zonder huirhlary Altyd de beste burger zg. Jï. Zich zijner roeping steeds bewust Werkt hg in zijnen knne met lust;

IIij streeft naar crootheid , gelil , of goed ,

Nooit hooger, daa hg streven moet.

3. Zoo.

-ocr page 101-

Gcz. 78 . 79. DE WARE CHRIST, DE BESTE BURGER. 89

3. Zoo , vlijt is in zijn eisen werk .

Jaast hi| naar ran-» in Staat . noch Rerk ; Wat Go\'! hem ireev\', of wat hij mis*\'. Hij sohaamt zirb nooit hetgeen hij is.

4. Erkenlnis van Goil* alhestuur Dooft in hein al \'t onedel vuur Van wrok , partijxi-hap, vleijerg ,

Wie ook aan \'t roer van zaken zg.

5. Hij seeft eewillisr schot en lot.

Hij biiit voor \'t heil des lands tot God; Getrouw, gelioórzaam aan \'l !relgt;icd , Schendt hij zijn heiliffquot; ecden niet.

6. Of, roept hem God tot hooier\' staat , Om nut te doen met raad of daad . Dan is hij edel , deugdzaam , vrij ,

De steun en d\' eer der maatschappij.

7. Zoo, Heiland\' zijt (!ij voors-ejraan , Zoo hebt Gij zelf ons voorgedaan ; Gij , die de Vorst der Vorsten waart , Werdt dienstknecht op uw eisen aard.

8. O ! dat uw voorbeeld elk en mij , AU mensch en \'mrirer, heili? zij; Dan woidt nooit , in den liurserstaat, Uw naam , om mijnentwil , gesmaad.

9. Verheerlijkt op den troon van God Bestuurt Gij a\'ler volken lot ;

En orde, rest, en veiligheid Komt ons van U , door d\' overheid.

10. IMost. overheid en bursrer nu Eerbiedig bukken. Heer\' voor U;

Elk vreez\' dien God , die \'t iransch heelal Door U reijtvaardisr riitien zal.

11. Zoo bidden w\' U . voor wie reseert, Wie Rest er is. wie God-dienst leert. Zoo hidden w\' II voor eiken stand ;

Geef orde ; heil zg \'t vaderland !

OEFENING ENVOORDEELEN DES GE IJ EDS.

79. NUTTIGHEID DES G E B E W ij z k : o Ewiskeit! du Freudenwort !

-ocr page 102-

klaagt, En uit elk onheil redding vrangl 1. Wat heil voor zondaars, welk een eer, Tot aller hoeren Opperheer

Als kind te mo^en «preken ,

Van Hem vertroosting, kracht en licht,

Bij elk bezwaar, tot eiken pligt

Vertrouwend aftesmeeken !

Zulk hidden in de grootste smart Dat is reeds troost voor \'t biddend hart. 1. Dat dan Reen donker ooirt-nMik \'t Kleinmoedig hart vervuil\' met schrik ,

Geen onheil ons doe wijken !

Neen ! voor den troon , waar God onlt; wacht, Is raad , en troost, en moed, en kracht:

Welk I Art zou dan bezwijken ?

\'t Is Go« die onze tranen telt,

En \'t smet. .end kind ter hulpe snelt.

t. Stort ei^eu dwaasheid ons in smart,

O , dat geen vrees ons weenend hart

Verwijder\' van Gods oogen !

God is een vader, die vergeeft.

Die blijdschap in verlossen heeft.

Een God «-ol mededoogen ,

Die , op het stil geloofsgebcd,

Het zuchtend kind uit angsten redt.

. O Jezus! die den strgd volst reedt,

Die Igdend badt, en biddend Iccdt,

Wil Gü ons bidden leerrn ;

Uw Geest vuur onzen ijver aan ,

Die leer\' ons tot den Vader gaan ,

En Hem als Vader ee»en ;

Zoo worden wij reeds hier ber?id Voor \'t eeuwig lied der dankbaarheid.

80. K I N D E R L IJ K T O E V E K Z I G T. Nieuwe zangwüze.

-ocr page 103-

Gcz. 80,81. KINDERLIJK TOEVEKZIGT. SI Die \'l K\'en ik heb misdreven Mg altijd wil vergeven.

3. Mijn Roede Vader stelt lijn eer

In eindeloos ontrennen,

Hij luistert naar mijn kermen :

Kopi ik tot Hem in Christus wéér.

Met tranen en met zuchten ,

Zoo heb ik niets te duchten.

4. BekoimncriEgen ken ik niet

Voor heden of voor morgen ;

Ik laat mijn\' Vader zorgen ;

Mijn Vader, die mgn nooden ziet.

Zal mij , door heel mijn leven ,

Al wat mij nut is geven.

5. O zaligheid ! wanneer mijn hart,

Gespeend aan zijne lusten ,

In \'» Vaders wil kan rusten,

Zijn\' wensch kan missen zonder smart,

En zich kan vergfnoegen ,

Hoe Hij het ook wil voegen.

C. Schenkt Hij nyj hier een sober deel.

Dat doet Hij uit genade.

Iets meerder deed mij schade ;

\'k Heb weinig, want mij nut niet veel;

Zou Hij niet best het weten ,

Hoe Hg \'t mij toe moet melen?

7. Schiet ik aan moed of kracht te kort,

Om tesen \'t kwaad te strijden ,

Mijn Vader ziet mijn lijden ;

Ja , zelfs de tranen , die ik stort.

Wil Hij met zorg vergfiren ,

En in zijn flesch bewaren.

S. Zijn immer zonden mij tot smart,

Die ik , hoe zij m\' ook knagen ,

Nooit aan ten\' mensch durf klagen,

\'k Ontlast bij Hem mijn zwoegend hart;

Want Hij geneest mijn smarle.

En reinigt mij het harte.

9, Al blijft in alles , wat zij zegt,

Mijn stramme tong schier steken ,

\'k Durf tot mijn\' Vader spreken ,

Hij kent mijn taal, al spreek ik slecht, Tot staamlen neigt Hij d\' ooren,

Zelfs zwijgen wil Hy hooren.

10. Wil Hy mij somtijds door verdriet

En rampen zwaar kastijden ,

\'k Draag met geduld dat lijden; Een\' bastaardzoon kastijdt Hg niet:

En zou \'k die liefdeslagen Dan als zijn \'kind niet dragen ?

11. Ik mag, hoe zeer een ander schrikk\'.

Wanneer hij God hoort noemen ,

Ik mag m\' in Hem beroemen :

Ik vrees voor Hem geen\' oogenblik ,

En waarom zou ik vreezen ?

Hg wil mijn Vader wezen.

81. OM OPGEWEKTHEID TOT BIDDEN.

w ij z E : Gezang 23.

EËÏÊiigquot; _

God ! hoe zalig is \'t voor \'t hart Zijn

poo-

-ocr page 104-

12 OM OPGEWEKTHEID TOT BIDDEN. GM. 81, 62.

U naar \'t hemelliof, In geest en waarheid,

ë=^=i====ÊsËg=^===iS=^ji|§

onzeu lof Vertroutrlyk op te ren - den!

2. Maar, arh ! ons hart, zoo hard als steen ,

Zelfs lnj \'t seziift van zonden ,

Wil niet tot II naar bo^en , neen •

\'t Is vast aan \'t stof gebonden ;

\'t Ontbreekt ons, Hrer\' aan lust cn moed. Wij kunnen \'t losse vleesrh en bloed Tot bidden naauwlijks dringen.

3. O God ! dat kwaad grieft ons zoo zeer,

Meer dan all\' Mrdsche smarten ;

Woont dan uw goede Geest niet meer

In hard\' en koude harttn 7 Is Hij dan met zijn onderrigt,

Vertroosting, aandrift , kracht en licht.

Bedroefd , van ons geweken ?

4. \'t Is waar, wij durfden vaak zijn stern

En leiding wederstreven ,

Zoo hebben wij , wij zelv\' aan Hem

Daar reden toe gegeven Wij pleegden met het vlecseh steeds raad ,

Dies woog de neisit.g tot het kwaad In onj gedurig over.

5. Zie ons dan, Vader\' in den nood

Tot uwen schoot gedreven ;

Wat aardsrhe vader zou , voor brood,

Zijt\' kindren steenen geven \'

En Gij , zoudt Gij niet nos veel mec-r Den Geest, waarom w\' II smeeken, Heer!

Ons op ons bidden schenken ?

s Ac—r^j £=-.■;

aller nood Ootmoedig in uw\' Vaderschoot.

n op uw woord ,

e zondaars hoort,

iMei om onr- eigen waardigheén ,

Maar om uw* Zoon . om Hem alleen.

3, Geef ,

-ocr page 105-

DAGBLIJKSCH GEBEO.

3. Geef, dat wg op uw Vmlcrtrouw, Hoe schuldi!; zirh ons hart hei-rhouw\', Niet twijfelen , of Jezus bloed

Heeft al die schuld voor ons gelioet.

4. Dat steeds in ons dit vast ireloof De liefde tot het kwaad verdoov\'. En dalt;relijks ona meer geleid\'

Tot Chiiülendeiiic.l en heiligheid,

5. Geef ons, dat uw (retui?enis

En woord , dat eeuwig zeker is, Ons alles zij in vreugd en smart ,

Als \'t eenig rustpunt van ons hart.

6. Dat steeds, o hoogste Majesteit! Ons hart uw tegenwoordigheid ,

Bij al zijn pogen , diep gevoel\'.

Opdat het U alleen bedoel\'.

7. Stort ons die liefde tot II in ,

Die zirh vertoont in niensrhrnmin : Opdat, waar w\' op uw aard ook treên, Wij vreugd verspreiden om ons heen.

8. Dat onze hand graag tranen droog*. Weldadigheid ons hart verhoog\'. En, onder hooL\' of laag bedrijf.

De meiisrhhcid ons steeds heilig hlijv*.

9. Sterk , waar verzoeking lokkend lacht , Ons zinlijk hart door uwe kracht ,

En geef ons lot de deugd steeds moed , Al kost z\' ons welvaart, eer en goed.

10. Lacht ons op narde voorspoed aan , Dat tvij naar dankbren ootmoed staan; Of vloeit ons ramp op r?:iip hier toe. Dat z\' ons uw\' Zoon gelijken doe.

11. Dat-slechts, bij voorspoed of bij leed. Ons hart geen\' oogenblik verseet, Hoe . zonder zelfsverloochening ,

Geen stervling ooit ten hemel ging.

12. Dat wij in welstand of in nood Gedurig denken aan den dood ,

En die gedacht\' ons daaulijks meer Bedachtzaamheid en wijsheid leer\'.

13. Zal onze leeftgd hier voortaan Uit oogenhlikken slechts bestaan , Zoo vind\' de dood ons vroeg bereid , En njp voor U en d\' eeuwigheid.

14. Of we-l bestemd\' uw albestier Ons eene langie loopbaan hier,

Begeef, wat immer ons ontschiet\'. Ons dan ook in de grijsheid niet!

15. En is ons eind eens daar, o Heer! Zie dan genadig op on« neer ,

En dat . om Jezus dierbaar bloed , Uw vrede heersch\' in ons gemoed.

83. BEDE OM GELOOF EN HEILIGHEID. W u z e : Fransche Cant. 101.

od, eukel licht, Voor wiens gezigt Niels

«ui-

Gez. 82 . 83.

-ocr page 106-
-ocr page 107-

Gcz. 8t. ZUCHT OM MEERDERE HEILIGING. 95

3. Duizend bittre h.irtetrancn ,

U alleen bekende smart,

Doen de vreugd mijns levens tanen;

Duizend bittre hartetrancn ,

ü alleen bekende smart ,

Knagen rustloos aan mijn hart.

4. Moest miju eigen deugd mij schoren,

\'t Regt hier gelden , geen geua\'.

Ach ! ik waar gewis verloren ,

Moest mijn eigen deugd mij schoren ,

\'t Regt hier gelden , treen geua\'.

Als ik voor uw vierschaar sta.

5. Zelfs mijn tranen en gebeden

Keercn schuldig tot mij wéér,

Als ik tot uw\' troon mag treden ;

Zelfs mijn tranen en gebeden Keercn schuldig tot mij wéér .

Smeeken om vergeving. Heer!

C, Hoe ik dieper poog te delven,

Hoe ik meer bederf ontmoet;

Ach ! ik wanhoop aan mij zeiven :

Hoe ik dieper poog te delven ,

Hoe ik meer bederf ontmoet,

Daar myn kracht voor zwichten moet,

7. Heiland , eindloos van ontfermen !

Die geen\' zondaar ooit versmaadt;

Heiland , eindloos van ontfermen !

\'k Werp mij raadloos in uw aruien :

Nu mij alles hier verlaat,

Daar, en daar alleen is raad.

8. Ja, in U is redding, leven.

Schuldvergeving, kracht tot deugd.

Van uw\' Vader mij gegeven ;

Ja , bij U is redding , leven ,

Schuldvergeving, kraclit tot deugd.

Ware zielrust, reine vreugd.

9. O ! dat kinderlijk vertrouwen ,

Dat, bij al \'t gevoel van schuld,

Op Gods Vadertrouw blijft bouwen;

O ! dat kinderlijk vertrouwen ,

Dat, bij al \'t gevoel van schuld ,

In \'t gemoed geen twglling duldt!

10. Dit geloof geeft moed en krachten ,

Staaft. dat God waarachtig is :

O ! hoe blijft mijn harte smachten ,

Hoe naar dat geloove trachten.

Dat, bij voorspoed en gemia,

Leeft op Gods getuigenis!

11. Dierbre Heiland! hoor mijn smeeken.

Wek in mij dien kinderzin ;

Dan mootr alles mij ontbreken :

Dierbre Heiland ! hoor mijn smeeken.

Stort mijn hart dien kinderzin Voor uw liefd\' en bijstand in!

U. Blijf. in leven en in sterven ,

\'t Eenigst rustpunt van mijn hart!

Wat, wat kan mijn ziel niet derven,

Blijft G\' in leven en in sterven ,

Ónder voorspoed , onder smart,

\'t Eenigst rustpunt van mijn hart!

85. G E-

-ocr page 108-

2. Zie mij voor unt\' troon gebogen,

Sla uw oojren Gunstig neder op mijn smart; •t Woelen lt;lrr verdorvenheden In mijn leden.

Zond\' op zond\' ontrust mijn hart.

3. Naauw ben ik gevaar ontvloden,

Of mijn nooden ,

Nieuwe nooden trroeijen aan ;

Nieuwe heiren van verzoeking.

Wier verkloekinj»

Ik , helaas ! niet kan weerstaan.

4. Strijden moest ik , maar mijn krachten

Zijn slechts klakten ;

Ach ! waar berg, waar hers \'k mij 1 \'t Hart, steeds morrend , ontevrede , Strijdt niet mede ,

Groot\' Out fermer! sta mij bij,

5. Aller schepslen mededoogen

Eu vermogen Schiet te kort in mijnen nood : Vader\' Gij alleen, o Vader,

Licht en Rader 1 Gij zyt Redder uit den dood.

6. Jezus Christus heeft ereleden,

Heeft volstreden ,

Overwonnen , ook voor my ,

Helschc \'ist en mast tretiondcn,

Dood en zonden

, ook voor mij.

7, Jezus streed , en leed onschuldig

En geduldig,

Klaaïde , dat Gy Hem verliet: Zoudt Gij , Vader \' urj verlaten 7 Mij verlaten ,

Nu G\' in Jezus op mij ziet ?

8. Geef mij Jezus Geest in \'t Igden ,

En in \'t strijden Jezus afkeer van het kwaad • •k Zal Hem dan standvastig volgen, Hoe verhollen Ook de zee van rampen slaat.

96 GEBED IN V E RZ Ö E K 1 N G EN. Gei. 85.

GEBED IN VERZOEKINGEN, W u z E : Psalm 38.

-ocr page 109-

Gez. 86, 87. TEGEN VERSTR. VAN GEDACHTEN. 97

gt;6. TEGEN VERSTROOIJ ING VAN GEDACHTEN, in^wiize.

2. Niet slechts bij aardsche heziirheden

Kwelt ons die zwerfzurht van hi t hart, Maar dan zelfs , als wij niet irtliedcu Of dankerkentnis tof U t\'edcn ,

Gevoelen wij die bittre smart.

3. Bij onze (rodsdienMoefcninsen,

In \'t eenzaam en in \'t oprnbnar, Is d\' aandacht naamvlijks ie bedwingen , GrstaA^ verra*t door beuzelineen ;

Helaas \' wat valt die last ons zwaar,

4. Wie helpt ons dit met moed bestrijden,

Wie breekt de kracht der ijdelhcên, Wie zaï ons treuri? hart verblijden. Wie zal ons van dien last bevrijden , Van zulk een zwerfzucht \' Gij alleen!

5. Och ! zie ons aan uw voeten wcenen ,

O Jezus ! zie op onze «mart,

Och \' wil ons vaardii; hulp verleenen ; Nooit zondt fïij kla-rer* hulploos benen. Nooit kon U dat van \'t liefdrhart,

6. Leer Gij ons dan ootmoedi? smeeken ,

Gij , die d\' ontfermini; zelve zijt,

Help ons de kracht der zwerfzucht breken ; Dan wordt ons denken en ons bpreken Geheel , alleen aan U gewyd.

, Amen! Vader, ja! Gij slaat ons smeeken ^a\' Gij zult ons niet beschamen ; Het woord van uw sena\'

Blyft, Vader! eeuwig Ja, In Chrmtus, Ja S. Gij , die ons bidden tiet,

Verlangt ook, dat wy niet

-ocr page 110-

08 [. K Ger. 87 . 88.

SIfrfel*1 vrarpn , maar vcrtvarhten ;

Ons hiildpn is cpPn wensrh ,

Die opgaat tot ern\' inenslt;-h ,

Wien \'l laait aan wil, of krachten.

3. On» cos» is op uw\' Zoon,

Die ons tot mven troon,

AN Midi aar , in nil leiden;

Al nat ons hart lirjfcert,

flflijk zijn voorschrift leert.

Dat mag \'t geloof verbeiden.

4. fïeeft ware Christnsjiin Ons reine wensrhen in,

II erft die ons hart genezen ,

Dan moet de transrhe ziel ,

Die biddend nederviel,

Bij \'t opslaan , Amen wezen.

5. Dit Amen geeft U rer.

Dit Amen vraatrt niet meer.

Zou God mijn bede schenken ?

Dit Amen stelt gewis.

Dat Hij , die d\' Amen is.

Zijn waarheid nooit zal krenken.

15 IJ DE V I E II 1 N G V A H DEN OPENBAREN GODSDIENST.

VOORTREFFELIJK HEID DER OPENBARING BOVEN DE REDE.

W IJ ZE; ^salm 113.

dezen kinderstaat, Ons meerder ian \'t geloof

1

Zoo \'t niet, in zgnen donkien nacht,

-ocr page 111-

Gcz. 88, 89. VCORTR. DER OPENB. BOV. DE REDE. 93

4. Wat wisten wij inet ïrltPihoiil

Van nl!cs. wat na \'t praf ons tieiilt, Slechts door het rcilelicht omgeven ? Waar leerlt;Jcn wij ilie plinten aan , Die ons , in dit ons eerst beslaan , Reeds vormen voor een hooier levea ?

5. Ja, uw bevel is weldaad , Heer !

Waar zou , was hier \'t peloof niet racer, Onz\' eindisrlieid de rust verbeiden ï Neen ! in ons tenenwoordi-r lot Kan on\'.iepaald geloof aan God Alleen tot hooier\' stand ons leiden.

6. \'t Zetrt weini?, of de peest in \'t end , , In \'t peen hij van uw werken kent,

Eén slip meer van \'t coheel versader\';

Maar, da», van \'t eindloos sehepslental Geen muschjen ooit op aarde val\'*.

Dan met uw\' wil, dit troost ons , Vader !

7. \'t_Ze?t weinip, dat ons zoekend oog Ec?n star te meer ontdekken moog,

Waar millioenen \'t oo-.\' ontvlu^teu ;

Maar, dat dezelfde Majesteit.

Die t.\' allen voert, ook ons geleidt.

Dit doet ons voor geen rampen duchten.

8. \'t Geloof aan God verhoogt den moed. Het troost ons hart in teeenspoed ,

En leent in nood en dood ons krachten. Och ! dat w\' ootmoedig, neei.rig , kleen , Met dit geloof ons pad betrefn.

Van dit gcioove troost verwachten !

9. S!ort, Vadert ons dien kinderzin. Dat onbepaald vertrouwen in

Op uwe leiding door dit leven Dat wij gerust aan uwe hand , Hier spoeden naar het vaderland ,

En op uw woord den doodsnik geven.

89. VOORTREFFELIJKHEID VAN JEZUS LEER.

-ocr page 112-

100 VOORTREFPELUKH. VAN JEZUS LEER. Gez. 89.

ware deu^d , En vormt uw ziel voor hemelvreugd.

2. O \' voel de waarde van dien schat,

Die \'1 srootst Kesrhenk in zich bevat,

Pat m het slof u kon verheiden,

Ken pift der hootjste liefde waard ,

(•od saf ze door z\'jn\' Zoon aan d\' aard , Om menschen tot Hein opteleiden :

Zij wijst. inj al den aardschen druk ,

Den zeckren we;» tot waar peluk.

3. Lacht u hier ware grootheid aan ,

Hij kunt z\', op uwe levensbaan.

Alleen van haren invloed wachten ;

Z\' i» juist geschikt voor uwen stand,

Slaat met uw\' aanleg in verband ,

En is berekend naar uw krachten •

Mensch \' zoo zij u geen\' bijstand biedt ,

Bereikt gij uw bestemming niet.

4. Beproef, of ooit in schooner licht Volmaakter beeld voor uw geziat

Van mcnschelijke grootheid zweefde.

Dan d\' ei hte Christen wezen zou ,

Die, aan zijns Heilands leer getrouw.

Haar met zijn hart en daSu beleefde.

En daasrlijks in die deuirden won,

Die hij door haar bereiken kon.

5. Waar vindt gquot; een\' God, een Majesteit. Zoo vlekkeloos in heilisheid ,

Zoo boven allen lof verheven ,

Zoo vreeslijk voor het boos gemoed ,

Maar voor \'t boetvaardig hart zoo goed ,

Zoo rijk . zoo mild in \'t schuld ver-reven \' Kom, toon m\' een\' Hod, zoo groot, zoo goed. Als Jezus leer aanbidden doet.

6. Waar dringt de reinste menschenmin Met zoo veel kracht ten boezem in ,

Waar zijn de driften min verbolgen.

Dan daar . waar \'t hart geen\' vijand heeft.

Voor haatren bidt, altijd versreeft ,

En \'t beiquot;te Wezen na leert volgen ,

Waar spreidt menschlievcndheid zoo schoon. Zoo goddelijk een\' glans ten toon ?

7. Baart liefd\' alleen hier reine deugd ,

Slechts Jezus leer, die \'t hart verheugt.

Doet haar ter bron der deugd verstrekken; Wie zonder liefd\' om d\' eerkroon loopt,

Wordt ligt door loon of straf genoopt. Kan hooinnocd tot zijn taak ligt r :kken:

Voor liefde, ware liefd\' alleen,

Was pligt en zaligheid steeds ét\'j,

8. De liefde tot den hoogen God Vereent ons hart met zijn gebod ,

Doel ons Hem dienen zonder vreezen;

De liefde lot den eveiiniensch Maakt zijn gelu\'k tot onzen wensch,

Doet ons hier alles voor hem wezen ;

Waar is een deucd , die meer bekoort.

Waar vloeit z\' uit reiner bronnen voort ?

9. Waar wordt aan uw beklemd gemoed Vergeving, om een godlgk bloed ,

Voor

-ocr page 113-

Gez. 89 , 90. VOORTRRFFEL. VAN JEZUS LEER. 101

Voor al uw schuld om nfet ccsrhonV.rn ? Waar wil cph Ocpft , door niets beperkt, Die \'l willen en \'t volhrensrn werkt, Uw hart, uw maatloos hart ontvonken? Waar looprn Gods volkoineiiheêa Zoo met ons waar geluk in een ?

10. Waar vindt de mensch in zijn verdriet Den troost, dien Jezus leer hem biedt?

Waar is in \'t lijden God hein nad-r ?

Waar ziet zijn ons; in schooner licht, Ook waar de tuchtroe\' nimmer zwicht. Het doel van een\' vergevend\' Vader ?

Waar is zijn eeuwig zaliir lot Gegrond op d\' eer van zijnen God?

11. O stervlinz I wat u ooit ontzink\'. Dat deze leer nosr voor u blink\'.

Waar gij uw\' jonssten snik zult geven ; Zij is het licht voor uwe voet,

De staf, die u voor wanklen hoedt. Uw zeekre gids tot beter leven ;

Met haar zijt pij in eiken kring,

In eiken stand Gods kweekeling.

VOOR DE PREDIK A Til W ij z e : Psalm 66.

kracht vau uw verrijzenis, is met uw vrinden ,

uie voor uw trodlijk aanziet staan ,

Door liefd\' en door geloof verbinden ,

Vermelden u-.ve HofdedaAn ;

Hier , waar uw heilsen zich verzaamlen,

Hier zingen w\' U ons needriir lied.

Al kunnen wij uw\' lof maar staamlen ; \'t Ootmoedig hart versmaadt Gij niet.

3. Hier danken w* U , met al uw leden ,

Hier wordt uw liefdestem gehoord ,

Hier zemlen w\', in uw\' nr.am , jrebeden Tot Hem . die ons als Vader hoort :

Zend uwen GeeM nu in ons midden ■.

Verlicht , vertroost ons hart , o Heer!

Dan zal ons zingen , hooren , bidden Ous zalig zun , rn TJ tot eer.

E 3 91, VOO

D®!

U dcez\' dag, o Jezus\'

-ocr page 114-

102 VOOR D F, PREDIKATIE. Gcz. 91, 92.

VOOR DE PREDIK A Til W u ze: Psalm 8t.

ij wijiirn , Kunstrijk\' Oppcrherr ! Dsei\' frest-

C-==^. ::^::7g!

«las aan uw\' dienst en eer: lleh dank! uw B\'xl-

Vergunt ons rust van beiiff-

quot;I3—^

1.ri,.rk_3;—,---—\\

In ii

boven \'t stof. En stem bet, Heer! 2. O Vid-r \' dat uw vriendlijk oog Ons hart hcstrale van oinhoo\'^! wij met c ize snieekffelieden,

i Zoc

wlijk naadre O milde Kron van zali^hcdei

Stort, in den njkstcn overvloed , Uw\' ze^cn uit in ons |:cmoed. 3. Orh \' dat uw Geest den Leeraar sterk\', liet zeeel zett\' op al zijn werk ;

Dan zal uw woord ons hart doordringen, Dan brenjft het sehoonc vruchten voort: Door dankhren ijver aangespoord Zal onze mond dan vrolijk zingen;

Dan is ons leven , voor altijd .

Geheel nan uwen dienst pt.vyd.

troon:

92. VOOR DE PREDIKAÏl E.

-ocr page 115-

Gez. 92—91. VOOR DE PREDIKA TI E.

2. Repa.il Gij zelf ons ztverfziek hatt, Zon lijrt in zond\' en 2or{r verward ;

Verleen Gij zelf ons luistrend\' ooren , Doe ons de waarheid reift verstaan , Eu laat ons diep ter harte paan, Wat Gij ons tot ons heil doet hooren.

3. Maak , door uw woord . ons zoo bekend Met ons bederf en diep\' ellend ,

Dat wjj in ootmoed die betreuren , En greef, dat uw eetui-renis Van \'t se\'-n uw Zoon voor zondaars is, Ons uit die droefnis op mooi? beuren.

4. Wil . door een vast geloof, ons hart, Bij lief en leed , bij vreugd en smart,

In Hem vertroosten en versterken ; Ontsteek «lus , in ons kom! sremoed , Een\' onuithluschhren ijvergloed Tot dankbaarheid en goede werken.

5. Uw eer . ons hei! zij \'s Leeraars doel , Verwek in hem een warm gevoel

Tot krachtig spreken , vurig bidden : Gij hebt ons immers zelf verklaard , „Al waar men in mijn\' naam vergaSrt, „ Daar ben ik zelf ook in uw midden.quot;

. VOOR DE PREDIKATIE. W u z B : Liebster Jesu \' wir sind hier.

in ons midden , Rij ons danken, by ons bidden.

2. Heiland ! Gi; hebt aan uw Kerk Uwen Heiliren Geest gegeven.

Die \'t geloof in \'t harte werk\'

Door uw woord ten eeuwgen leven;

Dat ons nimmer iets op aarde Bij uw heilleer kooin in waarde.

3. Zet ons harte door dien Geest Voor uw liefdelessen open ,

Dat wij daaïlijks onbevreesd Op uw heilbeloften hopen ,

103

Tot dat G\' ons geloofsvertrouwen Ken», verwisselt in aanschouwen.

\'OOR DE PREDIK A T l E. W u z F. : Psalm 3S.

-ocr page 116-

NA DE PREDIKATIE.

W ij z e : Psalm 13S.

i!z~:

srgrgnz______________

Vader ! U rij lof en prijs Voor \'t onderwijs , ■====^=

waarheid maak

/

2P;

Uw woord , u

=0^

ons vrij. En blijv\' ons bij. Door al ons leven:

yiÉi^5=iiilL.S^x=^=r- ^ ^

Doe ons, o Opperniajesteit!

Uw\' wil betrachten, En steeds (

96. NA DE PREDIKATIE.

W ij z e : Ilerr und Aeltster deiner Creutz-Gimeine !

Lof, aanbid-

-- V^-

alleluja ! eeuwig dank en eer

wijsheid , kracht,

den hemel, Heere ! Voor

~*:-9 » .^=

Word\', op aard

liefd\', U toegebragt ! liefde gade; Zoon des


Vadeu! scheuk ona uw genade; Uw ^emeenschnp,

Geest

-ocr page 117-

zg ons eeuwig lot.

97. B IJ DEN DOOP.

W ij z k : Gehang 40.

quot;God en Heer! Zij eeuwig eer, \'Wij

roemen uw genade; üntlerureud slaat Gij

i^ggs——ipsg^gigi===Ü ook ons zaad. Om Jezus otler, gade.

2. Hoe zondi» zij Ook zijn , tl» wij ,

Onrein voor U Kriioteii ; Gij , zalig lot \'

Gij zijt hun- God , Aan wien zij toebehooren.

3. Heeft uwe hand Den Doop, trn pand

Van uw verbond , pegeven , Die hlijde t

Doet i

ons dit kroost,

Met vreugd

, U overgeven.

4. Uw zo

indaarsmin

Stort

hlod\'-rhap in ,

En lust , en

moed , en krarhten

Der o

udren pliirt,

Hoe z

waar , wordt llift

Voor hen , die op U wachten. 5. Wil ons beleid

Met waakzaamheid , Ons kroost uw\' zesen geven : Z\'gt;o zullen zij , Zoo zullen wij U hier , en eeuwig leven.

IA DEN D quot;W ij z E : Psalm 103.

-o vV j

WE

ij danken U, bannhnrtig\' God en Vader\' Dït G\' uit gena\' ons en ons kroost te gader. Om

lt=$=~=^=Ë*j^==SË\';5:-$ï==~

\'t bloed utvs Zoons, all\' onze schuld vergaalt , Ons

-ocr page 118-

103 PA PEN DOOP. Gei. 98, 99.

Tct leên uv*s Zcon^, tot kindrpii aangenomen,

ï. ■. óoor lt;ïri! Doop dit \'icil ons plêjjtig staaft.^quot;quot;

2. Wij hidden TI, wil ons om Jezus hooren ,

Aaiisrliouw het kroost, thans door den doop hcihoren!

Dat hen uiv Geest, uw llrilse Geest re-jeei ,

Opdat het , vroom en Christlok op?eto?eu ,

In ware deugd sieeds w.mdle voor uw ooiron,

Kn wassen mooir in Christus , hunnen Heer.

3. Zoo word\' uw •Minst, uw Vader^unst peprezen ,

Die G\' ook , o. Heer\' ons allen hebt bewezen ,

Zoo stciniu\' ons hart steeds met uw wellen ia ,

Opdat het trouw , in nlle deii»dbetooning,

Zijn\' Heiland vols\', als Lecraar, Priester, Kotin», J£n onder Hem , wat zonde kweekt, venvinn\' ,

4. Opd.it uw Nanm , o eindloos croede Vader,

O Zoon , o Geest, o eeniif* God te pad er !

Door hen en ons altijd verheerlijkt word\' ;

Opdat ons hart U dankbaar eer bewijze.

Uw vrolijk roem\', U lustloos loov\' en prijzc,

Tot dat de tijd in d\' eeuwi^huid zich stort.

93. BIJ DE BISIil\'JDEN 1SP11EDIKATIii.

TV\' ij z z : Psalm Cfi.

/j** ie onsquot; tc zaam uw\'quot;naam belijden, O GodT

met eerbied voor uw\' troon, Ons zeiven ü ten

dienste wijden In Christus uwen lieven Zoon,

Vcreeniffd in gevoel van zinden, lu uitziet

op zijn schiildrant.«oen; Och! dat w\', in liefde

zaamverbonden, Uw liefde dankbaar hulds doen,

2. Ja . zondaars zijn wij , diep bedorven ,

W* erkennen dit voor fl met smart ;

Maar Jezus, aan het kruis gestorvrn ,

Geeft rust en troost aan \'t schuldig hut: Die waarheid is \'t , die o s te zninen

Aan U. en uwen wil vr hecht,

Waarop ons hart geloovi\'^ , Amr-n,

Met al uw kindren , Aui-n zegt.

3. Door A\'nrn lieer zijn onze harten,

lloor tfênen Geest en iloop vereend ,

hêa Truotter is het , die m sni;«icu

Ons

-ocr page 119-

Gez. 99,100. BIJ DE BELIJDENISPREUIKATIE. i07

Ons isnipn sterkt, rn hulp verleent; \'t Is één ireloof, waardoor wij levcu ,

Efn hoop op uwe zaligheid ;

tén hart wilt Gij ons allen eeven,

Dat hebt Gij zelf ons toe^ezeid.

4. Orh \' heili!? ons dan in uw waarheid ,

Zij voer\' in ons steeds heerschappij , Uw woord , o Vader 1 is de waarheid ,

Zet Gij ons licht en ijver hij ,

Zoo zullen w\' uwer ons nooit schamen , Wien hart en mond Rchcul helioort , Zoo , zoo verbinden w\' ons te zamen Ia trouw nan U, eu aan uw woord.

5. Gedenk aan onze nieuwe leden,

Die , door *t belijden van uw\' naam , Met ons nu in verbindnis treden ;

O Vader! heilig z\' in uw\' naam , Dat niets hun\' yver ooit verdoove ,

Uw liet\'d\', uw waarheid blijv\' hua bij. Dat hun peloof oprejrt geloove ,

11 un keus de keus des harten zij.

C. Bewaar, o God ! hun ziel en zinnen, Dat, hoe de wereld vleijeu inoog. Zij boven alles U beminnen .

In vreeze wandlen voor uw ooj : Zoo ri-ften zij cetroost hun treden

Op Jezus spoor, hoe zwaar \'t ook schijn\'. Zou zal , op \'t geen zij nu beleden , 11 un wandel \'t nprckeudst Amen zijn.

100. BIJ DE VOORBEREIDING TOT HET AVON DM AAI* W ij z E Mein Hertzens Jesu , meine Lust! (met herhaltr.\'; der drie laatste regels.)

heuglijk tijdstip nadert weer , Dat w\' in

uw bitter lijden. Met diepen ootmoed, ous, o

Heer! Aan \'t Avondmaal verblijden. Wil ons,

■ bij \'t naadren van dit feest, Den invloed van uw\'

guedt n Geest Ter voorbereiding schenken, Opdat

w\' aan uw\' verzoeningsdood, Die zoo veel heils

▼oor ous ontsloot, Niiar waarde uiogen deid.en.

E 6 2. Vsr

-ocr page 120-

J03 BIJ DE VOORB. TOT HET AVONDM. Gez. 100, 10U

2. Uw liefde, die aan ons no? dacht

In \'t bitterst van uw lijden.

Toen G\', in den aller\'»an!;slen nnebt.

Uw* laalsten strijd sinsct sfrijden : Uw liefde schonk ons dezen disch ,

Daar wij , lot uw tred-nrhtenis ,

Ons z.aain vereenen zouden ,

ICn , met het oosr op die eena\'.

Die G\' ons heweest op Golgotha, Uw liefdeleestmaal houden.

3. Ontfermer! nooit verdienden wij

\'t Geringste inededoosen ,

Gena\', oneinditr eroot en vrft ,

Wilt Gij aan ons veihoosen :

Verslaafd aan \'t zinnelijk ,

Geheel afvalligen van God ,

Verlreders van zijn wetten.

Had ons de hoogte Majesteit Ten doel van haar (rerefrliijhcid En straffen kunnen zetten.

4. Uw tussrhenkomst liebb\' eeuwig eer !

Verteeder maar ons harte,

Dan vallen w\' nan uw voeten neêr ,

Dan voelen wij , met smart e , Met weedom , voor uw aanireziirt, Wal snoodheid in dien afval ligt,

Wat hoosheid in de zonden Bewaar ons bij dat «ntartgevoel,

Oplat w\' oolmocdisr. naar uw doel, Uw* liefdedood verkonden.

5. Geen ontrouw, die Gij in ons ziet.

Geen Haauwheid in het strijden ,

Geen misdaad blijv\' er , die wij niet

U weenrnde belijden ;

Oprejrlheid , die Reen kwaad verbloemt, Geen zonden immer zwakheên noemt ,

Beziel\' ons voor uw ooKen :

Gij , die voor ons aan \'t kruis voldeedt, Wiens liefde van «reen wanklen weet. Zult onze tranen droogen.

6. Of zouden w\' aan uw liefdemaal,

U , Jezus \' noir vei denken ,

U, bij dit vriendelijk omhaal ,\'

Noz jreen vertrouwen schenken? Och 1 leer ons hier , bij brood cn wijn, Die panden mv;r liefde zijn ,

Uw liirchaaiii onderscheiden , T.n dankliaar, in verbindteuis Mei al uw volk , aan dezen disch Uw\' roem naar eisch verbreiden.

101. B IJ HET AVONDMAAL.

W ij z E ; Gezang 39.

roeders , komt! de Heiland nooiU , Laat ons

zijnen dood verkouden, Komt, gedoopt in zijnen dood,

Komt I

-ocr page 121-

Gez. 101, 102. B IJ II E T A V O N D M A A L. 109

Komt! door Hem verlost van zoinlcii Geven «rij Hein

hart en hand ; Zijn verbond houdt eeuwig st.mJ.

2. Neemt en eet, pij eet zijn brood ,

Jezus Christu» werd pepeven

Voor den zondaar in den dcod ;

Neemt en drinkt, pij drinkt ten leven.

Ja, Hij paf zich in den dood,

In den bittren zondaaramp;dood.

3. Laat, di; zich met toeverzipt,

Jezus ! in uw heil verblijden ,

Eeuwip wnndien in uw licht ,

Eeuwip aan uw\' dienst zich wijden;

Dat hun hart van hoo-rmoed vry ,

Vol van uwen ootmoed z^.

4. Help de ziel, die raadloos schreit,

Naauwlijks op uw aeil durft wai-hten.

Help haar. Heer der heerlijkheid\'.

Geef haar zwak vertrouwen krachten:

Die bedrukt van verre staan ,

Neemt Gtf met ontfenninp aan.

5. Halleluja! Jezus dood

Wordt de wereld door verkondigd ,

Jezus dood , die ons , hoe snood ,

Hoe ontaard , bij God ontzondisrt :

Zondaars \' zwaar met schuld belaan ,

Neemt zijn heil geloovip aan.

6 Ja , tot in den hemel drinpt Ons pezanp met blijde klanken ,

Waar, van Enpelen omringd.

All zalipen Hem danken ,

E-uwip juichen van srena\'.

Van zijn liefd\' op Golpotha.

102, B IJ HET AVONDMAAL. W ij z E : Psalm 51.

omt, hclleu w\' ons eerbiedip hemelwaart !

Zyn menscbcnlicfd\', op Golgotha gebleken,

E 7. Nu

m

Daar leeft de Heet . wiens zoendood wij

-ocr page 122-

110 li IJ 11 ET AVONDMAAL. Gei. 103—ICi.

Nu Hg zijn\' disc-h voor zonJanrs heeft bereid,

Hun van die gunsl ten onderpand en tecken.

2. Dat niemand zesa:\', ik lï«b te ttvaar misdaan!

Of is II ij voor cod looien niet gestorven ,

En heeft Hij niet hun* zoen bij God verworven, Kn wijst Hij ons dit aan zijn\' di««:h niet aan?

Laat schuldgevoel, hij zijne liefd\', uw hart Tot meer geloof en sterker liefde drinjrea ;

Zoo wijkt de vrees, zoo lenigt zich de smart, En rust en vreugd zal ons met kracht omringen.

3. Ik neem , geloof, en val aanbiddend neêr ;

Wat zal ik , Heer ! tol al uw goedheid zeggen? Ik kan mij slechts voor uwe voeten leirifcu ,

Gij kent mijn hart; ik heb eeen woorden meer. Geeft Gij II zclv\' aan mij , ik mij aan ü ,

Sterk mijn geloof, dat werk van uw vetmosen,

Aan uwen disch , en \'k leef alleen , om U In leed ca vreugd ab Redder tc veihoogen.

103. B IJ HETAVONDMAA L. W u z E • Psalm 138.

» erhoogde Heiland ! trek ons hart Uit vrees en

smart Tot U naar boven ; Laat ons , door uwen Geest

geleid, In ueedricheid Uw woord gelooven ■. De

illlliiiipsililliilliliiï

waarheid straal ons helder aau , Leer\' ons verstaan , Wat Gü wilt t-chen - ken , Opdui wij bij dat godUjk licht. Naar lust en pligt, Uw\' dood gedenken.

10». BIJ HET AVONDMAAL.

W IJ z E : Gezang 28.

VOOK UK BEDIENING.

JL-I aat on*. Heer\' uw* dood gedenken, \'t Leven

vinden in uw\' dood , Wil ons licht en toegang sch;n-

kca i

-ocr page 123-

B IJ HET AVONDMAAL. UI

Ê=ÊË5i§ËbÉ

krn ; Laat ons

iiiiiiii

krn ; Laat on* uwca dood tjcilenk

iden in uw* tiood , Ej ;t genei .an wfjn c

2. , Is\'pemt, het brood wordt u tregeven ,

Ilepr ! dit wan uw cisren taal , ,\'k Hpl» mij zelv\' voor u !r«-scvcn , , Nppint dm wijn , ffij drinkt ten leven Heer! dit was uw eisen taal In den nacht aan \'t Avondmaal.

3. Werwanrts zouden wij ons wenden ,

Tliepl Gij ons, o Heiland 1 niet. Zoo vol nooden en ellenden ? Worwaarts zouden wij ons wenden , Wisten wij , o Heiland \' niet ,

Dat G\' op zondaars nederzict?

4. Zwaar zijn onze wanbedrijven .

Onze schuld is veel on groot.

Maar wie zou tcru-rcrctilijvrn Om zijn zware wanbedrijven ?

Onze schuld zij nog 100 groot, Zulken zijn het, die Gij noodt.

5. Waren w\' in onz\' eigen oogen

Niet bederf, van top tot teen. Gij zoudt ons hier niet gedoogea;

Niet bederf, van lop tot teen. Dan zondt Gij ons ledig heen.

G. Vol van schulden en van zonden Komen wij , met waar berouw, Gij hebt on» rantsoen gevonden: Vol van schulden en van zonden Komen wij , met waar berouw , Op uw woord . Gij zijt getrouw.

na de bbbiening.

7. U te loven, Ü te danken ,

Steeds te leven tof uw eer, Met opregte vreugdeklanken U te loven. U te danken,

Steeds le leven tot uw eer.

Zij nu al ons heil , o Heer!

8. IJdel was , o ja 1 ons pojren ,

Steunen wij op eigen kracht;

Maar uw eindloos alvermogen Ondersteunt het tlaauwe porten ,

Helpt en sterkt de zwakke kracht Van de ziel , die H verwacht.

9. Wacht, quot;o ziel ! dan met vertrouwen

Op den Heer, als Hij verbeidt.

Blijf op Hem uw hope bouwen;

Zulk een wachten met vertrouwen. Zelf» wanneer de Heer verbeidt, Strekt Hem incest tot heerlijkheid.

10. Ja. die keus is nu bezwoien

Bij \'t -rriiruik van brood en wijn : Heer ! wil on« gebed vorhooren ,

Sterk ons in die keus , bezworen l\'ij \'t gebruik van brood en wijn , l).«n zal zij voor eeuwig ziju.

-ocr page 124-

BIJ HET AVOND ri AAL.

Ger. 105 . 106\'

213

U vreczen; Uaar wil mijn hart ook wezen,

2. Mijn Heer en Heiland ! welk een dank

Betaamt mij in deez\' uren !

Wat hooge toon voegt aan mijn\' zang. Om \'t geen Gij moest verduren!

Gij mindet mij ,

Gij ïtierft voor mij ,

Gij hebt voor mijne zonden Den zoen bij God gevonden.

3. En U , mijn Vriend ! U zou ik niet

Al* mijn\' Verlosser roemen?

Niet üvriï doen. wat Gy gebiedt,

U al mijn ueil niet noemen ?

Niet hand aan hand,

In naauw verband Met all\' uw ware vrinden,

M\' in liefd\' aan U verbinden ?

4. Orh ! wil mij hier. bij brooil en wijn,

Jn \'t waai (reloof versterken.

Om U steeds meer getrouw Ic zijn.

Steeds naar Gods wil te werken:

Zoo word ik. Heer!

Steeds meer en meer Gelaten , zacht en goedig ,

En naar uw beeld ootmoedig.

5. Eens komt lt;le tijd , o ja ! zoo wis

Wij zaair hier zijn gezeten ,

Dat ik met U , aan uwen di«ch Daar boven . eens zal eten ;

O zalig goed !

Hoe groeit mijn moed ,

Tot hopen en vertrouwen :

Geloef wordt eens aanschouwen,

1U6. B IJ HET AVONDMAAL. W ij z e : Schmürke dirh , o liebe Seele !

(Naar het Beilijnsrh Choraalboek).

-fl- reed nu toe, verloste xiele ! Zit hier aan , ver-

-ocr page 125-

iSE3E5ES==—;SESE=£E^;$5c^;$:

al zijn vrinden. Wéér op nieuw aan Hem verbinden.

2. Snel Hem , ziel ! KPloovii» tejren .

Neem uit zijne hand zijn\' zetren ;

Kom, Hij wil u hier verblijden Bij \'t eedeukm ann zyu Igilen ,

Aan zijn tafrl s|iljzeD , drenken ,

Uit zijn volheid alles schenken ;

Kom, kom vol geloof en liefde,

O hoe groot was zijne liefde!

3. Ik verheujr mij , Heer! met beven,

*k Neem u.it uwe hand het leven.

Hier wilt Gij II met uw vrinden ,

Ook met mij , op \'t naauwst verbinden.

Mijne srhuld niet meer gedenken ,

U , U zelv\', mij eeuwlï si-henkcn ;

Uw irena\' is onafmrellijk ,

O ! zij is mij onvergeetlijk.

4. Heiland \' laat mij vaardig komen.

Drinken uit uw ievensstrromen;

Ja , Gij zult ook mijne kla-nen

Nu verhooren, nooit verarhlen:

Ach 1 hoe vaak zat ik te dor«len,

Naar U , Levensbron \' te dorsten ;

Nu mag ik blijmoedis komen ,

Drinken uit uw levensstroomen.quot;

5. Gij , wien \'s hemel» reine scharen Die als ik ook zondaars waren,

Dank en lof en eere zinsen ,

Dat z\' eens hier dat brood ontvingen;

Jezus! \'k val hier aan uw voeten.

Doe mij waardiir 1\' ontmoeten.

Eten van uw hemelxpijze,

Mij tot heil en U ten prijzc.

6. \'k Vier gedachtnis van uw lijden,\'!

Tot een proef van dat verblijden ,

Dat Gij hebt voor mij verworven ,

Toen Gij zijt aan \'t kmis Bestorven\',

Zoon des Vaders, Licht en Leven !

Godslam , ons ten zoen sreireven ,

Godlijk offer voor mijn zonden ,

Schuldig om mijn schuld gevonden !

7. \'k Zal mij in uw heil verblijden,

Eeuwisr, eeuwig my U wijden ,

Om alleen voor U te teven ,

Naar volkomenheid te streven;\'

\'k Zal U eens , o Meer ! daar boven Beter kennen , beter loven ,

Beter , vuriser beminnen ,

Help mij , help nm ovci winnen l

11)7. DANK.

-ocr page 126-

1Ï4 DANKZEGGING N.V HET AVONDMAAL. Ger. 107.

107, DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Nieuwe zanjovuzc.

clgt; aan \'* Heiland* disch gezeten, \'k Htb^ ^

gege^i Van het brood, dal ricrlcn voedt; Daa» ,

daar werd mij wijn geschonken, Die, gedronken .

Zielvcrkwikking smaken doet: Jezus zelf had door

zijn boden Mij doen nooden, Ik verscheen op

boog ontbod , Pin was welkom; dank zij God !

2. \'t Brood . het welk ik daar zag breken ,

Werd m\' een leeken Van zijn H^ehaam , dal weleer quot;Werd voor mij aan \'l kruis verbroken , En doorstoken ;

\'k Zag d~r. kruisdood van mijn\' Heer:

In den wijn , dien \'k ui\', zag gieten ,

Zag ik \'t vlieten Van zijn toen vergoten bloed ;

\'k Zag door Hein mijn srhnld geboet.

3. Laat ons zaam . met blijde klanken,

Jezus danken ;

Christenseliaar \' die ook van Hem \'t Heil. dat Hij mij deed erlangen.

Hebt ontvangen ,

Loof den Heer met hart en stem !

Laat de dankbre vreugdegalmen ,

Stijgen voor des\'Vl oosten troon ,

Zing ter eere van Gods Zoon !

t. Lof zij Hem, die ons onthaalde.

En bestraalde Met gena\' en majesteit;

Lolquot; zij .lezu* , door wiens sterven Wij verwerven Eindelooze zaligheid \'

Jezus stierf aan \'t kruis geklonken;

Hi), gezonken In het trraf. en opgestaan.

Heeft nan *s Vaders eisch voldaan.

5. Lof zy Hem , die, opgetogen In der hoogen Aan des Vaders leglerhand ,

Ons nog , door een zigtbaar tceken ,

Toe wil spreken;

Brood en wijn ons geeft ten pand ,

Dij \'t heidenken van zijn lijden.

Van zjjn stryden.

-ocr page 127-

Gcz. 107, 10?. DANKZ. NA HET AVONDMAAL. 115

Te^11 zonde, ilooil en hel :

Dat al d\' aard zyn\' lof vcrtcll\'!

6. Wie zo-» Ilcm kcpd\' danU bewijzen ,

He.» niet iirijzen ,

Hem niet loven ? »vie zirh niet Aau dien Herder overgeven.

Die zijn leven Voor zijn rebapen niet ontziet?

V/ie Hem niet tot Heer liegccrca,

Mem niet eeren ,

Die ons van \'t verderf behoedt,

üus gekocht heeft door zijn bloed ?

7. \'t Lust ons , naar zijn welbehagen ,

Sterds te jauen Kaar de hoo-.\'sle heiligheid ;

\'t Lust ons Hein niet vaste schreden Na te treden,

Dtnr Hij otis ten hemel leidt;

\'t Lust ons Hem het oor te leencn,

Ons te spenen Van de wreldsch\' i;,delhei\'n ,

Hem te dienen , Hem alleen.

8. Dierbre Jezus I zoo weldadig.

Zoo genadig,

Dierbre Zuligmaker ! Gg ,

Die \'t geloof, dat G\' in ons werktet,

Heden sterkfet ,

Sta met uwen Geest ona bjj,

Die verleen\' ons moed en krachten !

Al ons trachten N.-.nr volmaking vordert niet,

Zoo uw Geest geen\' bijstand biedt.

ten, Den lofzang aan der hoogste Majesteit. 2. Gij hebt ons. Heer! oneindig veel ver-reven ,

Om Jezus dood vei sunt Gij ons het leven.

Die onze schuld verzoende door zijn bloed !

Zie ons dan hier , vol dankbaarheid en vreugde Vol van den roem tier hoop, die ons verhetiyde. Met nieuwe kracht by wiju en brood gevoed.

3, Cis

-ocr page 128-

B IJ HET AVONDMAAL.

)

*

I

amp;

Middelaar\'! De schat is daar. Van allen, die

vreczen; Daar wil mijn hart ook weze

2. Mijn Heer en Heiland ! welk een dank

Belnamt mij in deez\' uren !

Wat booge toon voegt aan mijn\' zang. Om \'t geen Gij moest verduren!

Gij mindet mij.

Gij Ftierft voor mij ,

Gij hebt voor mijne zonden Den zoen bij God gevonden.

3. En U , rnijn Vriend ! U zou ik niet

AN mijn\' Verlosser roemen?

Niet ijvriï doen. wat Gg gebiedt,

U al mijn heil niet noemen ?

Niet hand aan hand,

In naauw verband Met all* uw ware vrinden ,

M\' in liefd\' aan U verbinden ?

4. Orh ! wil mij hier , bij brood en wijn,

In \'t waar geloof versterken.

Om II steeds meer getrouw tc zijn,

Steeds naar Gods wil tc werken :

7oo word ik , Heer !

Steeds meer en meer Gelaten , zacht en goedig ,

En naar uw beeld ootmoedig.

5. Eens komt de tijd . o ja ! zoo wis

Wij zaam hier zijn gezeten ,

Dat ik met U , aan uwen disch Daar boven , eens zal eten ;

O zalig goed !

Hoe groeit mijn moed ,

Tot hopen en vertrouwen ;

Geloef wordt eens aanschouwen.

1U6. B IJ HET AVONDMAAL. W u z e : Schmücke dich , o liebe Seele (Naar het Berlijnsch Choraalboek).

L reed nu toe, verloste xiele ! Zit hier aan , ver-

Gez. 105. 106-

-ocr page 129-

BIJ HET AVONDMAAL.

113

Gez. 106.

___

i^«!^aóci=^;ssa=5ji^5E^l;;ii

al zijn vrinden. Weer op nieuw aan Hein verbinden.

2. Snel Hem , ziel ! geloovii; te^en,

Neem ui\' zijne hand z^n\' ze^en ;

Kom, Hij wil u hier verblijden Bij \'t tredenken aan zyu lyilen,

Aan zijn tafel spijzen . drenken ,

Uit zijn volheid alles schenken ;

Kom, kom vol geloof en liefde,

O hoe groot was zijne liefde !

3. Ik verheug mij. Heer! met beven,

\'k Neem u-it uwe \'nand het leven,

Hier wilt (Jij U met uw vrinden ,

Ook met mij , op \'t naauwst verbinden.

Mijne srhuld niet meer gedenken ,

U, U zelv\', mij eeuwis srhenken;

Uw gena\' is onafmeellijk ,

O ! zu is mij onvergeetlijk.

4. Heiland 1 laat mij vaardig komen.

Drinken uit uw ievensstrromeu;

Ja, Oi; zult ook mijne klneien

Nu verhooren . nooit verachten:

Arh 1 hoe vaak zat ik te dorsten,

Naar U, Levensbron ! te dorsten;

Nu mag ik blijmoedis komen ,

Drinken uit uw levensnrooinen.\'

5. Gij, wien \'s hemels reine scharen,

Die als ik ook zondaars waren ,

Dank en lof en eere zins^n ,

Dat z\' eens hier dat brood ontvingen;

Jezus\' \'k val hier aan uw voeten,

Doe mij waardij; U ontmoeten ,

Eten van uw hemelspijze,

Mij tol heil en U ten prijie.

6. \'k Vier gedachtnis van uw lijden Tot een proef van dat verblijden ,

Dat Gij hebt voor mij verworven.

Toen Gij zijl aan \'t kruin seslorven\'.

Zoon des Vaders , Licht en Leven !

Godslam , ons ten zoen geireven,

Godlijk offer voor mijn zonden ,

Schuldig om mijn schuld gevonden!

7. \'k Zal mij in uw heil verblijden,

Eeuwisr, eeuwig my U wijden ,

Om alleen voor U te leveft ,

Naar volkomenheid te streven

\'k Zal U eens , o Heer ! daar boven Beter kennen , heler loven ,

Beter , vurisrer beminnen ,

Help mij , help nm ovei wiuneu l

107. DANK-

-ocr page 130-

114 DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Ger. 107.

107. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Nieuwe zan^rüzc.

—-ö- cb aan *s HcilamU tlisoh gezeten, \'k Heb

het brood, dal tielcn

-■lt;.-=lt;==e=3r^-;-=^

ÜHii

daar werd mij wijn gcschouken , Die, gcdroikcn, Ziclvcrkwikkin? smaken doet: Jezus zelf had door Mij doeu noodeu, Ik verscheen op

i;f ontbod , En wa» welkom; dank zij God!

2. \'t Brood . het welk ik daar zas breken,

Werd m» een treken Van zijn liKchaam , dal weleer Werd voor nitj aan \'t kruis verbroken , En doorstoken ;

\'k Zas d~n kruisdood van mijn\' Heer:

In den wijn . dien \'k ui\', za^ gieten ,

Za*» ik \'t vlieten Van zijn toen verboten bloed ;

\'k Zaï; door Hem mijn sc-huld geboet.

3. Laat ons zarun , met blijde klanken ,

Jezus danken ;

Cbristcn«rhaar ! die ook van Hem \'t Heil, dal Hij iruj deed erlangen,

Hein ontvanjen .

Loof den Heer met hart en stem !

Laat de dankbre vremrdcgaliiicn ,

Liedren . galmen Sfijtren voor des 11 oogsten troon.

Zing tor eere van Gods Zoon !

(. Lof zij Hem , die ons onthaalde.

En bestraalde Met •rena* en majesteit;

Lolquot; zij Jezus, door wiens sterven Wij verwerven Eindelooze zaligheid \'

Jezus stierf aan \'t kruis geklonken:

Hij, gezonken In het «rraf, en npirestaan ,

Heeft aan \'s Vaders eiseh voldaan.

b. Lof zy H^m, die, opgetogen In der hootren Aan des Vaders nv.\'lerhand ,

Ons nog, door een zi(;tbaar leeken ,

Toe wil spreken:

Brood en wijn ons geeft ten pand ,

BÜ \'t hei deuken van zijn lijden.

Van zijn streden.

-ocr page 131-

Ccz. 107, 10?. DANKZ. NA HET AVONDMAAL. 115

Tejjen zonde , ilooil en hol :

Dat al d\' aard ziju\' lof vcrtcll\'!

6. Wie zou Mem cceo\' dan!; bewijzen ,

Ilcm niet prijzen.

Hem niet loven? wie zich niet Aan dien llenlrr overgeven.

Die zijn leven Voor zijn schapen niet ontziet?

Wie Hem niet tol Heer bcgccrcn ,

Mem niet eeren ,

Die ons van \'t verderf lirhoeilt,

üus gekocht heeft door ziju bloed ?

7. \'t Lust ons , naar zijn welbehagen ,

Stecils te jauen Naar ile hoosrste heüitrheid ;

\'t Lust ous Hem met vaste schreden Na te treilen.

Daar II ij ons ten hemel leiilt;

\'t Lust onn Hem het oor te leenen,

Ons te spenen Van de werehlsch\' ijdelhcên ,

Hem te dienen , Hem alleen.

8. Dierbre Jezus! zoo weldadig.

Zoo genadig ,

Dierbre Zaligmaker ! Gy ,

Die \'t geloof, dat G* in ons werktet,

Heden stevkfet,

Sta met uwen Geest ons bij ,

Die verleen\' ons mo?d en krachten !

A! ons trachten N.-.ar volmaking vordert niet,

Zoo uw Geest geen\' bijstand biedt.

108. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. W ij z E : Psalm 103.

Y y ij hebben zaam aan Jezus disch g«

Zijn\' wijn gecinaakt en van zijn brood f;ege-

ten, Den lofzang aan der hoogste Majesteit. 2. Gij hebt ons. Heer! oneindig veel vergeven.

Om Jezus dood veigunt Gij ons het leven ,

Die onze schuld verzoende door zijn bloed !

Zie ons dan hier , vol dankbaarheid en vreugde Vol van den roem der hoop, die ons verheugde. Met uk uwe kracht bij wijn en brood gevoed.

S, Dia

-ocr page 132-

16 DANKZ. NA HET AVONDMAAL. Gez. 10S—110.

3. Die krnrht lij 11. zij U allren treheiHffd ,

Kn door \'l p\'loof, iu uwe kracht , heveilitrd ,

Voor rik ten hlijk wat Jezus ilooil vermag;

Pan zullen wij al« broed»quot; zanicmvootien ,

Zijn heili-r lieeld in on* seilray vertoonca En kinderlijk U dienen niet ontza».

4. Genaakt de tijd , dat onze ziel , ontbonden

Van \'t losse vleesch, die kweekplaats van de zonden.

Niet langer deelt op aard aan \'t Avondmaal! Dan zullen w\' U , o God van ons vertrouwen! Van aanirezi-rt tot aangezigt, aanschouwen Bij \'t lied des La ns aan \'l beter Avondmaal.

109. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. W u z E ; Sieh , hie bin ich , Ehren - König ?

Zoo genadig. Aan uw\' feestdiich hebt gevocu ?

2. Meer verkwikking smaak ik nimmer.

Wat mij ook de wereld bied\' :

Arme wrreld ! wa?r \'k mij immer

Dwnaslijk door verleiden liet.

Wat m\' ooit lustte, Zieleruste Vond ik , buiten Jezus , niet.

3. \'k Zal zijn liefde nooit verseten ;

Hij , wiens dood mijn leven is.

Deed mij naadren , nemen, eten.

Drinken aan zijn\' liefdetlisrh ,

Gaf m\' in handen D\' onderpandea Van mijn schuldvergitfenis.

4. Amen 1 Amen! ik peloove;

Jezus! peef. dat schuld noch strijd Immer mij dien troont ontroove :

Blijft het hier beproevingstijd ,

Uw genade Slaat mij gade ,

\'k Weet , dat Gij mijn Heiland zyt.

5. Blijf mij in lie hoop versterken ;

Zalig, dat Gij eeuwig leeft!

Most maar elk aan mij bemerken ,

Dat de troost , dien Gij mij eeeft.

Op mijn\' handel, Op mijn\' wandel, Tot verbeetring invloed heeft.

110. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL.

W ij 7. e : Psalm 2V.

-ocr page 133-

2. Nu juirhen wij uit onzen nood ;

Wij lairen midden in den dood,

Maar vonden \'t leven in uw liefde ;

Och 1 dat ons hart het nooit verwet,

Wat Gij , Getrouwe 1 voor ons dcedt,

Toen U de docdschicht voor ons griefde.

3. O \' vierden wij gedachtenis

Van eer.e üefd\' aan uwen di?ch ,

Die duizend levens niet terireldpn;

Hoe moesten w\' in het larre stof,

Door onzen wandel , uwen lof,

Uw gadelooze gunst vermelden !

4. Ontvlam , mijn ziel\' ontvlam voor Hem,

Paar dankbaar voot Hem hart en stem ,

Zijn eer zij eeuwig uw bedoelen 1 Dat, wat in zond\' en wereld blink\'.

Bij U voor cene liefde zink\'.

Die zelfs de dood niet kon vei koelen.

5. Ja, dierbre Jezus, vriend in smart\'

Gij slechts hebt aanspraak op ons hart.

Gij hebt ze door uw bloed verkregen ; f

Ja, dierbre Jezus\' ja voortaan Moest elke polsslag voor U slaan ,

Moest Gij ons meer, dan alles wegen.

6. Maar, ach \' Gij kent uw maaksel, Heer! Gij weet, hoe ras \'t zich van IJ keer\',

Naanw door 11 aan den dood ontrezen ;

Och \' dat uw liefd\' ons tot U trekk\'!

Wat uit ons voortvloeit blijft gebrek.

Wat G\' in ons werkt zal heilig wezen.

7. Och \' dat de Geest, door-U beloofd,

Die in ü is, cezegend Hoofd!

Ook ons uw leden meer doe leven!

Dan leven wij, getrouwe Heer!

Tot uw en tot uws Vaders eer,

En ons geloof zal vruchten geven.

OP CHRISTELIJKE FEESTDAGEN.

111. JEZUS VRIJWILLIGE VERNEDERING.

W u 7. E : Psalm 103.quot;

mmauuél! o doelwit onzer zangen! Wij

■cheps-

Gez. 110, 111. DANKZ. NA HET AVONDMAAL. 1TJ

-ocr page 134-

118 JEZUS VRIJWILLIGE VERNEDEIIING. Gcz. UI.

schrpslen , wij, die \'t aanzijn slechts ontvan-

1

God dit vlugtig levi

Wij ccrcn U, voor ons in \'t vleesch gdiorcn, Gij hebt U zelf de stertlijkhcid verkoren , Gij

:g=^

Keuwge! kiest een inensch te zijn, en leeft.

2. Gij , op den troon van \'t f»root heelal frezetcn ,

Zaasrt reeds vooruil de lan-re jamnn rkelen ,

Die \'t schandlijk kruis met uwe kribue paart ;

Gij hebt voor U die jamren zelf berekend ,

Gij zelf \'t ontwerp van al uw leed seteekend ,

Gij kent uw lot, o Licfd\'! en komt op aard.

3. Schoon \'t kinderhart geen weet heeft van gevaren.

Geen zorgen kent van rijper levensjaren ,

Maar van elk uur zyn ei;cn vreugd geniet;

G(j Jezus ! moijt hier zulk ren vreugd niet smaken , Gij zaa^t reeds toen uw lijdensuur genaken .

Gij zaagt uw kruis, maar Gy onttrokt U niet.

4. Dc tijd snelt aan , en Gij voorspelt uw banden ,

Gö ziet van ver uw\' vijand knerssetanden ,

Gij weet, hoe leeds zijn list en boosheid woedt, Gij ziet uw kruis, Gij telt de naadreod\' uren ,

Maar trekt vol moeds naar \'s wreevlen vijands muren , Daar G\' openlijk een plegtig\' intree doet.

5. Gij . die op zee de stormen doet bezwijken ,

Gij kunt de maart uws vijands wel ontwijken ,

Gij, sterke Held! die \'t Enjrlenheir gebiedt. Gij , wiens bevel uw volgelingen spaarde,

Wiens woord , „ Ik ben *t,quot; uw vansren wierp ter aarde. Gij toont uw inagt, maar Gij ontvlugt hen •aiet.

6. Immanuël\' o doelwit onzer zanden!

Al zien wij TI in \'t slof door angsten prangen ,

Daar, in dat stof, ontvouwt G\' uw majesteit; Gö klaagt, cn lijdt met ren gevoeli? harte ,

Gij lijdt . maar lijdt gewillig al die siuarte ,

Uw lijden is bij God gehoorznamheid.

7. Men hoort, als Rod zijn gramschap toont , U klagen. Gij kunt dien last niet onverschillif; drazen ,

\'t Geen ons verplet , daartegen worstelt jjj ;

Gij ziet met antrst het woón der hel penaken ,

ï^n Gij verzoekt uw vrienden . dat zij waken ,

Gö Jezus ! hebt een tnenschlijk hart als wij. S. Ja , Jezus 1 Gij trevoelt, en daarom strijd: Gij ,

Gij eert Gods wil, en daarom, Jezus! lijlt Gij,

Dat vrij \'t heelal verstomd U worstlen zie,

Gij ript U op, cn trcelt;H uw\' vijand nader;

Ja , boe G\' ook weent en smeekt. Gij zegt, ,myn Vader! .Niet mijn, niet mijn, uw wil alleen !jcS(;hic\'.quot; 9, Gods wil ceschiedt. Wat schriktooneel op aarde!

Teen om U heen d\' ontboeide hel zich scuaarde ,

-ocr page 135-

Get. UI, 112. JEZUS VRUW. VERNEDERING. 119

U hoonde met haar bitse spotternij ,

Met vreugd, van ilorst , U Jezus! hoorde klagen. En diepst vemeèrd aan ntren Vader vragen ,

, Mijn God , mijn God ! waarom verlaat G(j mij?quot; 10. Ja. Je?iis ! Gij gevoelt, en daarom klaasrt Gij ,

Gij hebt ons lief, en daarom, Jezus! draagt Gö ,

Uw lust is, ilat Gy \'t leven ons verwerft; \'t Is vruchtloos wat het wo-fn der hel U verpe,

Hoe z\' U verzoek\', en hoe z\' U last rend tertre ,

Het is vergeefs , Gg Jezus ! zwijgt, en sterft.

D

sJ. GEZANGEN oi» JEZUS GEBOORTE.

112. OP JEZUS GEIIOORTR.

W u z E ; Vom Himmcl horh.

it is de «lag, dien God ons schenkt, Waar-

aan thans ieder Christen denkt; Hem viere , wat

^ .....^ ZSS3S3E»=^^

in \'t groot heelal Door Jezus is en wezen zal.

2. Men had hein eeuwen lang verwacht,

Tot dat Gods tijdperk was volhragt ,

Toen zond Hij ons van zijnen troon Het heil der wereld, zijnen Zoon,

3. Als ik dit wonder vatten wil,

Staat mijn verstand vol eerbied stil,

\'t Verstomt hij \'t eeen het niet doorziet, \'k Aanbid, maar ik doorgrond het niet.

4. Opdat de zondaar leven inoog ,

Daalt zelfs de Schepper van omhoog,

Verbergt zijn hooge majesteit,

Wordt vleesch , wordt onze zslighcld.

5. TT, die voor ons geboren zijt ,

U zij ons harf , ons l-ed gewyd ,

Wij voegen juichend onze slem I5ij \'t Englenheir van Bethlehem.

6. Geloofd , die komt in \'s Heeren naam ! Wij Christnen zeeirnen U te zaam ,

U Vredevorst! der vaadren wensch,

U Zaligmaker, God cu uienscb gt;

7. Gij , al ons heil , ons hoo-rsle troed !

Vcreenigt U met vleesch en bloed ,

Wordt onze vriend en broeder. Gij,

En, o! Gods kindren worden w(j.

0. Gedachte vol van zaliirheid ,

Die ons de ware vreugd bereidt.

Gedachte vol van majesieit.

Die heel ons hart ten hemel leidt!

V, Door (\'ene misdaad vielen wij ,

Door één\' Verlosser zyn wü vrvJ;

-ocr page 136-

OP JEZUS GEBOORTE.

Wie vrrest noi», die crn\' llrilnnd heeft. Die voor om bij den Vader leeft?

10. Roem , hemel \' dien peboorteda!» , Den srhoonsten , dien de wereld za». Juich, aarde! nu s\' nw\' Konins ziet. Zing Hein een nooit gezonden lied.

Gez. 112, 113.

120

11. Dit is de dag, dien God ons srhenkt, Waaraan eens heel de wereld denkt; Hem viere, n-at in \'t eroot heelal Door Jezus is en wezen zal.

Dal dankhre tranen i

113. OP JEZUS GEBOORTE. W IJ z E : Psalm 36.

quot;quot; uirht, Chnslnen 1 juicht tot God omhoo!» •

r ooi» Voor Hem d\' Al-

=$55=

Viert vrolijk dezen blijden

—4--

goedheid vloeijen !

=23SnEiS

i5;^-:SJE5£==_^f=rquot;^35SÊS;£

dag, Den schoonsten , dien de wereld zag

. Wij voelen \'t, Vader\' onze iof Zinkt bi| uw liefile weg in \'t stof;

Wie kan haar waardig denken !

Toch klimt ons danklied tot uw\' troon, Gij schonkt ons uwen eigen\' Zoon ,

Gij zult ons alles schenken.

O Jezus, Broeder, Red.Ier, Heer!

Wij vallen \\oor uw kribbe neèr ,

Daar voelen w\' onze waarde :

Maar, wat ons in de toekomst beid\'.

Gij blijft al onze heerlijkheid ,

Gy , troost en licht der narde !

, Hoe duur Is \'t menschdom U verpligt! \'t Verstand . door uwe leer verlicht,

Kwam straks der waarheid nader :

Üüï:

-ocr page 137-

OP JBZUS GEBOORTE.

Gij brast ons tot Gods liefde wéér ,

liet srhuliligsl hart valt in U ueèr

Voor een\' vergevend* Vader.

Het rijk dei doods verloor zijn ma^t , •t Verslindend irraf rijn\' donkrea uacht,

\'t Gordijn werd opffehevrn ,

En \'t oojr zasr aan zijn jrindsche kust , Na pene korte, zoete rust ,

\'t Onsterflijk , eeuwig leven.

4. Wie had in \'t wecmlcnd stof lt;lrs doods, Bij too veel schuld , in zoo veel noods,

Die uitkomst durven wenschen ? Ontvlamd van ^odiijk liefdevuur,

Naamt Gij der Encclen natuur

Niet aan , maar die der mensrhen : Gij heft z\' uit haar* verachten stand; Gij voert ze tot Gods reffterhand ,

Niets kan haar eer venrrooten. Wij staren op uw rijksjrebied ,

En zien een eindeloos verschiet Van heil voor ons ontsloten.

5. O God ! dat zoo veel liefd\' ons trcCf\', Dat haar ons ecnwiir lied verheff\'.

En dankbaar tot U rijze !

Maar dat vooral ons hart haar eer\'. En elk , naar Jezus reine leer ,

IJ door zyn\' wandel prijze ■. Wat schijnirenot het stof mooi; bièn , Dat wij op onzen Broeder zien ,

En onze prootheid voelen :

Of zou de menschheid , quot;.n uw\' Zoon Verheven tot den wereldtroon ,

Voortaan iets laags bedoelen?

w

lU. OP JEZUS GEBOORTE.

W ij z F. Psalm 134.

og juicht ons toe die zaalge nacht , Waarin \'t

gestarnt met nieuwe pracht, En \'l Englenheir met

uieuwe vreugd, Zich over Jezus komst verheugt.

2. Hij komt, die \'t beeld des Vaders draagt.

Geboren uit een r^ine maaird ,

Gods Zoon in \'t vlcesch , tier Englen Heer,

God zelf. Hij komt, elk zing\' Hein eer!

3. O Zoon van God • den tnentch gelijk .

Voor ivie verlaat G\' uw\' troon en rijk ,

Voor wie wordt Gij in \'t stof verneèrd ,

Die met een\' wenk \'t heelal regeert ?

4. Voor wie\' voor heilig\' Englen ? neen\'

Die zingen \'t heil der aard alleen •

Voor zondaars daalt der Englen Heer,

Voor arme zondaars daalt IIij néér.

5. \'t Is hier, waar niets dan zonde woont.

Dat God z\\ju welbehagen toont:

F .Ge-

Gei. 113, lit.

-ocr page 138-

122 OP JEZUS GJJBOORTE. CM. 1U, 115.

.GfliiV voor d\' aarrl , «len mpn»ch gena* !quot;

Zoo juicht Gods koor: Ualléluja!

6. Ons hart herhaal no? eens dat lied,

Wij hoorcn \'t, inaar doorgronden \'t niet!

Geiiaquot; den incn»ph , Gods Zoon daalt neür,

Geluk , o aarde ! God ajj d\' eer !

7. Kom , Chriülenschaar ! kom , iin;en wg !

Het is voor ons, voor u , voor mij ,

I)at God zijn\' Zoon Reitcven heeft ,

Het is voor ons, dat Jczua leeft.

8. God mensch voor ons! voor meuschrn ? ja!

O diept\', o rijkdom van Rena\' !

Buit:, zondig menschdom I biiij» u nefr ,

Aanbid Gods licfd\', en zing Gods eer !

9. Wij buigen ons op Gods bevel,

Voor U , voor U , Iinmanuël!

Voor U , die smart en armoe\' lijdt,

Omdat Gg onze Heiland zijt.

10. Vcrbere hier vrjj uw majesteit,

Ons hei! is in uw sterflijkheid;

Wat zou uw leven zijn voor d\' aard ,

Zoo Gij als mensch niet sterflijk waart 7

11. Dies loven w\' U, Immanuël!

Uw dood verwint en dood en hel,

Uw dood maakt ons van zonden vrg :

Dies juichen en aanbidden wij,

12. Geloofd zg God , die ons bemint,

Om U in ons behagen vindt.

En d\' aard vervult met zijn gena\'.

Geloofd zij God! Halléluja!

=3CE=:=:3E=

115. OP JEZUS GEBOORTE. W ij z E ; O Jesu Christ! dein Kripp\'ein ist.

ygi|i

blij van geest , Vier \'s Heilands feest. Zing, Christen! Hem ter eer op schoo-ne wgzen; De liefde zij De mclodg, Waar-

op wg Hem , den God der liefde, prijken!

2. Juich in uw lot\'

Zoo mind\' ons God ,

Dat Hij zgn\' Zoon der wereld wilde geven;

O ! wie zijn wg .

Afijn God ! dat Gij Uw\' eigen\' Zoon der wereld wildot geven!

3, Hij, God , werd mensch;

Der vaadren wensch

Werd onze vriend, toen wij zgn haters waren,

Werd ons gelgk.

-ocr page 139-

Gez. 115,116. OP J EZUS GEBOORTE. 113

Om \'t sodlijk rijk En \'s Vadcre liefd\', ia \'t vleexcb on* t\' openbaTcn.

4. Geloof Gods «torn !

Neem deel aai\' IIPm ,

Die, ons tot heil , zich zelvén wou verzaken.

Hij paat u voor Op \'t hemelspoor ;

Vol?» vol^ Hem na! Hij zal ons zalig mpken, -

5. \'k Zal . in uw lefn ,

Uw vleesrh en lieen ,

U , Zoon van God ! U kierden , spijzen , drenken ; Der armen hart In hunne ^mnrt Vertroosten , Heer ! en U daarbij gedenken.

6. Door uwe mast Is voort?ebrast

Al wat bestaat op aard en in den hoogen;

Uw* roem verbreidt De Christenheid ,

En alle knie wordt eenmaal IJ gebogen.

7. Loof, niensrh ! uw\' God:

Juich in uw lot.

Nu Jezus komt. om voor uw schuld te lijden!

HaUéluja !

Halleluja !

\'Wil, menschdoin ! u in Jezus komst verblijden!

116. OP JEZUS GEBOORTE. Wijze: Psalm 150.

■ * * of en dank cn heerlijkheid Zij der hoogste

Majesteit, Die in \'t ou^enaakhaar licht ®ij-

|E!H5|HIÏIFsl=pilES||g^Ëg

nen zetel heeft gesticht ; Eeuwig blijde hemel-

iii^==^H3s=$=S5E52E^5E=^r;S;!5r

koren ! Zingt een nooit gezongen lied , Zingt het

Ei$;5Si2=55=ÊiÊÜS;sÊ|^Ê|i

wonder nu geschied, Jezus, Jezus is geboren!

2. Aarde! zing des Hoogten lof.

Nimmer hadt gij schooner stof;

Hij verscheen , der vaadren wenech ,

\'I Woord wordt vleesch , (Jods Zoon een mensch: Wat eel uk hebt gij verkreiren !

•t Zaligst heil , den waren vreê Brengt u Jezus komsle meê ,

Aarde ! juich oui dezen zegen.

3, Menschen , juicht! de hooge God ,

Diep bewoiren uiet uw lot .

Schonk u zijn* geliefden Zoon ,

*t LoÜied ryze tot den troon :

F % God

-ocr page 140-

Mi OP JEZUS GEBOORTE. Ce*. 116—118,

God hreft in dpn mpnsrh behagen !

Lof cn dank cn hrrrlijkheid Zij der hoosste Majesteit,

Eeuwip, eeuwig, opgedragen!

117. ENGELENZANG.

W u z B : Psalm 150.

alleluja! looft deu Heer, Hoogste heemlen

p=ii=$s^Sl===lÊl=iïs!=quot;=iÉ

m eer! Halleluja! loof Hem aard! God a-eeft zijnen Zoon aan d\' aard; God hreft iu drn inensch

behagen. Vreed op aarde, Jerus leeft! Allea loov\'

Ü=SS^^=iÊi^£E3E^Ï=Éi

wat adem heeft: God heeft in den mensch behagc

Ji. LIJDENS-GEZANGEJV.

118. OP HET L IJ DEN VAN JEZUS. w ij z e : Hcrtzliebster Jesu ! was hast du verbrochen !

llesr ! uw lijden regt betrach - ten ,

In deze zee verzinken mijn gedach - ten , O Liefde 1 lie,

1

om zondaars te bevnj - den , Zoo zwaar woudt Irden.

-ocr page 141-

Gez. 118. OP HET LIJDEN VAN JEZUS. 12 \'t Meldt mg mijn bril, dio van Gods tcscustaadcr In vriend verander.

6. fk buk in \'t stof, op U mijn\' rotssteen bouw ik.

Ik zie uw bloed , eu op dat bloed vertrouw ik ;

\'k Verlies mij relv\', lt;la.ir \'k vod , boe ik U griefde, In uwe liefde.

7. Zij overklimt o-.z\' eindige (rednrhfen,quot;

Maar \'k moet van God iets goddelijks x-erwachtcn;

Ik ben een mrnsrh , zou die zich ouderwindea Haar uittevinden ?

8. \'t Is \'t (rrootst in God penade Ie bewijzen;

\'t Is \'t crootst in ons ootmoedig die te prijzen,

Tc zien boe hoos . als wij •rena\' verknjgtn ,

Gena\' kau stijgen.

9. ^fijn Heiland! laat uw\' Geest mij telkens leeren,

Hoe \'k in geloof uw\' kruisdood moet vrreereu,

Om in mijn hart de liefdevlam t\' ontiteken

En aaatekweeken.

10. Het goed te doen , het kwaad met zor-; te mijden,

Heer! dezen pliirt leert mij uw heili? lijden ;

Zou \'k tevens mij het kwaad verooieloven Eu \'t kruis gelooven ?

11. Daar G\' 11 voor mij hebt in den dooil gegeven,

Hoe zou ik dan naar mijnen wil iog leven?

Zou \'k Ü , o Heer! die voor mijn schuld woudt lijden, Myn hart niet wijden 7

12. Zou ik mijn leed in kommerlijke dagen ,

Het drukkendst kruis me» lijdzaamheid niet dragen?

Daar Gij zoo veel uit liefde wilde*, dulden Voor mijne schulden.

13. Hoe zond\' ik ooit mijn broeders durven haten.

Voor wie Gij zelf uw leven hebt gelaten ?

Neen, \'k zend als Gy voor ben. die mij vertreden. Tot God gebeden.

It. Ik wil geen\' haat met wederhaal vergelden,

Niet die mij scheldt ooit grimmig wederschelden ; \'S Gy Heer, óns Hoofd\' Gij hebt nooit kwaad vergolden. Nooit weêrgescholden.

15. Och ! dat. mijn hart naar \'t uw\' in reinheid zweeme , En in Gods kracht ik U ten voorbeeld neme:

Uit is ie dank . dien \'k voor uw bitter lijden U toe moet wijden.

16. Oneindig heil \' Gij leedt voor ons ten goede,

Ik ben verzoend in uwen dierbren bloede ;

Myn heil bij God hebt Gij . aan \'t kruis gestorven,

Voor mij verworven.

17. Dit maakt mij hier reeds zalig door gelooven ,

Dus zal mij niets , mets ooit dat heil oniroovcn ,

Ik zal, door U met heerlijkheid omgeven ,

Voor eeuwig leven.

18. Dit moet mij tot den strijd steeds moedig maken.

Mij in \'t geloof en in \'t gebed doen waken ,

\'k Heb dan . zoo waar als Jezus leeft, den zegen Zijns doods verkregen.

19. Lekt mij \'t gevlei der lusten in zijn strikken.

Pan doe uw kruis mij voor de zoude schrikken.

En zoo ik ooit vertlaauw\' in goede werken,

Moog \'t kruis mij sterken.

F 3 20, Hot

-ocr page 142-

120 OF HET LIJDKN. VAN JEZUS. Ger. 118,119.

20. Hoor \'k ooit uw knus iloo.- wercldirijïen doemen, efn Pru\'Ttiis of ffnc iliv.i.i-heid iiopiii»,ii ;

Och ! dat hol mij , wie ooii «r spot uieè drijve , God» wijsheid lilijve.

21. Vertoef\' orh wil \'die «potters niet verteren!

Orh \' moi-i noï een dier ilwaien lirh hokecren,

Zoo viude hi) liij l\' , dien hij vetsuiaadde,

Ó Heer» genade.

22. Orh ! nis ik , lieer! om mijne ronden beve ,

Dat dan uw kruis mij weder ruste peve :

Dat kruis zij ini) dan vreed en vreugde tevens,

O God mijns levens !

113. OP II ET LU DEN VAN JE IS US. W u ze : O Jesu , Quel der Gutigkeit!

02

nlsluit , o Heer! ontvlam ons hart. En wil

B\'ËS=l=iÈi=lÊÉÊ=S=—

ons kracht verleenen ! Wij denken aan uw lij-denssmart, Aan uwe Ilefd\' en weenen ; Wat wen-dren van barmhartigheid Hebt Gij voor ons ten toon gespreid , En aan het krui* bewe - zen ! Uw jiel\'ii\' en trouw , die \'t al volbragt, Hier nooit gc-

noeg door ons herdacht, Zij eeuwiglijk geprezen!

2, Srhoon Gij God zelf, Gods eenge zü^,

Gij in het vleesch gekomen ,

Gij hebt , daar Gij voor zondaars lijdt.

De schuld op U genomen.

■t Verraad barst los . de hel genaakt, De vrienlt;lquot;(-hnp rlaapt, de woede blaakt,

(Jij wordt beansrst , vernlasen :

.Mijn Vader\' zoo het mooirlijk zij,

„Och ! deze beker ga voorbij \'quot;

Zoo moet de Godmensch klagen.

3. Uw zweet wordt bloed, Gij bukt in \'t slof

Gelijk een worm ter neder;

En Gij . Gij Vorst van \'t hemelhof

Hervat bet bidden weder:

Gij voelt , daar onze straf U trelt ,

En d\' ani»»t der ziele zich verheft,

Uw hart in liefd\' ootbianden ;

onttrekt U niet aan onze schuld.

Maai cee-ft met coddelijk geduld U in der boozeu hauden.

-ocr page 143-

Gez. 119. OP HET L IJ DEN VAN JE^US. Vil

4. Gij Isiels Vorst, Gods ei^en Zoon!

Gev.msrn en Rfbondcn .

G\' ontvanirt iter overtrrrclren loon ,

En Gij , Gij kent eeen inmlen ;

Men lastert U, Gij Kroot van moed Verdraast cn zwijst: men eischt uw bloed ,

Gij laat liet willis Mioomen.

Oni met dat bloed tot God tc t;aan ,

Zijt frij , met onzen vloek belaan ,

In \'t uur des dooda gekomen.

5. Verachtelijk ten toon gesteld ,

Maar altijd jrroot van harte ,

Verdraait Gij valschheid . smaad , geweld

En d\' allerwreedste nmarte;

Men ziet in II . srlioon lans verbeid.

Thans Reen ifedaant\' of heerlijkheid ,

Durft zelfs uw Godheid .nrhennen ;

Voor U . wiens trouwe nimmer zwicht,

Vrrberjrt uw vriend zijn aan^ecigt,

Eu veinst U niet te kenucn.

6. Gij \'t offer, dat aan God behaagt,

Waarop a! d\' offers zazen ,

Dat ïlsar Gods raad de zonden draagt.

Gij draagt ook onze plagen ;

Gij d\' onschuld zelv\'. Gij duldt en zwijgt.

Daar Gij voor ons ten kruisbers stijgt.

Gelijk een lam ter singling:

Gij ondergin-rt liet doodsgeweld,

En duldt , dat U de woede velt,

U . Israels verwachting.

7. Hoe klimt de nood ! zij hebben wreed

Uw hand en voet door-raven .

En als IJ dorst , staan zij gereed ,

Om U met tral te laven ;

Uw smart ontvlamt hun spotternij .

Roept Gij tot God, dan lagchen zij.

Zij last ren uw vertrouwen:

„ Hij heelt ,quot; du* wordt uw hoop bespot, „ Hij heeft vertrouwd op zijnen God !

„ Wal is nu zijn vertrouwen ?quot;

8. Bij \'t zwijmen van het zonnelicht.

Verlaten van zijn vrinden ,

Verbergt Hem God zijn aangezigt ,

Waarin Hij troost moest vinden;

Hij riep en zweeg, nu klaart Hij weêr.

Hij roept , Gij antwoordt niet , o Heer!

Hoor aarde\' hoor Hem klasen ;

„Mijn God\' waarom verlaat Gij mij?quot;

De boosheid spot •. en Gij , ook Gij ,

Mijn God ! Gij laat Hem klagen.

9. Ziet heenilen, ziet Gods eengen aan,

Vau Zijnen God verlaten \'

Die smart heb ik Hem aansedaam.

Om mij werd Hij verlaten De inensrh . die IJ dien arbeid kost,

Wat is de mensch . dien Gij verlost ?i

Wat hebt G\' in hem gevonden?

Mijn Jezus\' \'t is trena\' alleen ,

Och ! dat ik nooit wéér. als voorheen,

U kruisigquot; door mijn zonden !

10. W\' aanbidden U ! Gij wankelt niet ,

Gij treedt den dood zelfs nader;

F 4 tn,

-ocr page 144-

128 OP tIET LIJDEN VAT* JEZUS, Get. It9, 120

En , «laar fïo»!» wil aan TJ gescliiödt,

Noemt G\' onten Refter, Vailcr ;

Gij nci^\'t het hoo\'.Vl, en \'t aardrijk beeft,

Gij sterft , en \'i veeze nienschdom leeft,

Gij \'I eind der otferanden !

Het voorhanu fcheurl , de wear staat vrij ,

Het is volbraït\' de heerschappij Dra doods ligt nu aan hahden.

11. Gij sterft , en laat dien troost ons na,

De zonden zijn verbeven ;

Gij hebt voldaan op Col^otha ,

F)it ?eeft ons kracht teu leven :

U.v zoendood lenigt ome .-mart ,

Verkwikt, vertroost, verstei kt ons bart ,

Niets heeft zoo ^root een waarde.

TUv zoendood zij mijn steun in nood ,

Mijn heil in druk , en in den doud Mijn laatste troost op aarde.

M

liO. J E Z US LI E F D E IN Z IJ N L IJ 1) E N. W ij z k : Gezans 21.

iiliielpunt van ons verlangen , \'T.-oo^ter vim \'t ontn.st gemoed , Jezus ! onze dankbre zanden Lo-ven uwen liefdegloed, G:j wouilt van den hemel da-len Op deez\' diep bedorven aard , En voor ons

fi;=^=sü5s=i^Ej£E^3E;^ig-=pi

de schidil betalen , Die ons bang gemoed bezwaart.

2, Liefde! met wat medelijden

Zaact Gij Ailams kindren aan !

Voor die snooden wondt Gij strijden,

Zulken van den vloek ontslaan;

Ja . Go storttet bloed en tranen In het bang Gethzemantf,

Naar \'t trewest van rust én vreó.

3, Liefde! Gij moest spottaal hooren.

Die U dronir door nierir en been ;

Ja, Gij droe?t wxr Vader» tooren ,

Gij voor allen , Gij alleen :

Welk een\' bexer morst Gij drinken

Op het aaUiir Golgotha \'

Dnar liet G\' 1\' aan \'t kruishout klinken,

Daar aanbidden w\' uw gena\'.

4, Liefd\'! in U is al ons leven .

Gij, Gij zijt ons hoo-rste irped ;

Ja . uw krui» heeft ons sesreven Wat ons eeuwis juichen «loet.

O hoe zijn w\' aan l) verbonden ,

Jezus, Redder, \'s Vaders Zoon!

Onre harten . onze munden Juichen dankbaar tot uw\' troon.

121. J E-

-ocr page 145-

Gez. 121, 122. JEZUS GROOTHEID IN ZIJN LIJDEN. 129

121. JEZUS GROOTHEID IN Z UjN L 1J D E N. WuzK: Psalm 2V.

J-»- nirlt, Christiien! voor uw\' Redder ncêr,

Geeft aan den prooten lijder eer, Wien Englen zelfs hun\' lofzang wijden; Hoe diep Hij ook vernederd zg, Geen Engel was zoo {rroot als

Hij , Te midden vamp;u zijn {;ruwzaamst lyden.

2. O Jezus \' prooi, waar \'t no? hier staart, Gij spreekt , zoo spreekt peen mond op aard ,

Gij zwijsrt, uw zwijiren velt ile snoodheid ; Uw grootheid njst tiij spot en hoon ,

Uw kruis strekt U ten plorietroon ,

Hier is veel meer , dan mensehenjrrootheid.

3. Gij strijdt, zoo als tr^en mensrh ooit streed, Gi| lijilt , zoo als «reen mensrh ooit leen,

Niels deed U ooit uw zfe\'Tst. derven;

Gj kent. Gij voelt en kiest uw loc.

Gij sterft, en wie U ook bespott\'.

Gij redt een wereld in uw sterven.

4. Kniel, aarde\' kniel voor Jezus neêr,

Geef. hemel! treef Hem ceuwi-r* eer.

Hij , Hij moet aller Inf-ontvangen :

Maar pij , o mensrh ! aanbid in \'t stof.

Wijd uwen Redder al uw\' lof,

Zijn grootheid eeuwig uw gezangen.

122. JEZUS ONSCHULD.

Wijze: Mein Hertzcns Jesu, meine Lust! (met weglating der herhaling.)

slof, Z\' is \'t lied der llemellingen.

2, Wat Jezus deed was welgedaan;

Hu vlekloos, zonder zouden

F 5 UÜ

-ocr page 146-

JEZUS ONSCHULD. Gez. 122, 123.

Ilij kon in \'t strfnirst pprifrt bestaan,

Kn werd. al viel Hein d\' afgrond aan, Onstrattelijk bevonden.

3. Geen aankU\'jt laat Jeruzalem

Noch Galilea hooren :

, Ik vind pren si-huid, niets kwaads in Hein Zoo klinkt Pilatus Re^terstefn Der Priesterschaar in d\' oc\'e.n.

4. Eu hij , die Jezus panden weet v

Zelfs zijn verborgen paden ,

Sprak , toen hij stervend gt;lt;-hi.ld beleed . Eu aan de waarheid hulde deed ,

,\'k Heb d\' onschuld zelv* verraden!quot;

5. Maar. o\' wat haalt petuigeni*

Van Reëler ea verrader Bij \'t ceeu oneindig meerder is ?

Hij heeft, in zijn verrijzenis.

De vrijspraak van den Vader.

6. Ja, Jezus1 Gij, ja Gij alleen

Zijt rein in \'s Vaders ootren ,

Uw rieu-rd blinkt door de wolken heen , En , door haar\' plans , wordt hier bcneêu De Heiden zelfs bewogen.

7. Ja , Jezus is beproefd als \'t poud,

Al braakt de helireest laster ;

Hct is voj-ïcefs , wal kwaad men brouwt, Wat list de boosheid zich verstout ,

\'t Maakt Jezus deugd te vaster.

8. Hij wwd , zelfs toen Hem God verliet.

Aan \'t vloekhout rein bevonden; De schepping, die zijn lijden ziet.

Bezwijkt, maar Jezus wankelt uiet Bij al \'t gewigt der zonden.

9. Zijn onschuld is \'t, die voor ons strijdt,

Kn ons de kroon zal geven ;

Zij maakt , dat Dij , die ons bevr^dt ,

Voor ons , niet voor zich zeiven, lijdt,

Z\' is \'t leven van ons leven.

E DEN M E N S C H. Haupt, voll Blut und Wunden!

dien smaad , die slagen ? Hij , God ! uw eigen Zoon !

-ocr page 147-

Ccz. 123 , 121. ZIE DEN M E N S C H.

Ik «Ine «Int klrcd Hem clraccn, Dal riet, «lic doornenkroon. Ik sloejr Hem nl ilie wonden ,

Voor mij moet Hg da.ir slaan. Ik dred door mijne ronden , Hem al die jamren aan.

3. O Jezus! man van smarten. Gij aller vaadren wensch , Herinner aller liartrn

\'t Aandoenlijk, , lie «leu mensch Laat mij toch nooit vergelen

Die kroon , dat kleed , dat riet; Dit trooMe mijn ceweten ,

\'t is al voor mij geschied.

-ocr page 148-

133 DE VERLOSSER AAN HET KRUIS. Gcz. 124, 1»,

TrooMloos klagen ?

Klatfen ? uppii ! bij «lit Rpzitft Valt mijn zwaarste last mij li^t. 9. Mijn Wrlooser hantrt aan \'t l ruis; Hem verheerlijk\' al mijn bande) , AI mijii wandel ;

Hem , die met zijn hloed mij kocpt, lu wiens doüd ik licn gedoopt. 10. Mijn Verlosser han^t aan \'t kruis: \'k Heli mij, Heer! iu dood en leven U peseven;

•k Leef, in vreugd en tepptiheên , \'k Leef en sten voor U alleen.

125. KRUISLIED.

W IJ Z E : Psalm 17.

Davids Zoon en Heer ! Wat zou mijnquot; lust, mijn tong bedwingen , Om van uw\' kruisdood niet te zingen , Waar \'k zoo veel nuts en

- £\'a\'

Mijn\' levensdroom vol (jdelhc-id , Den lust, die vlei-

jende verleidt, Den valschcu waan van veel te weten,

2. Daar hangt mijn Midlaar, Zoon van God,

Den ai men inenflt; h tot heil {je« honksn ,

Aan \'t ijslijk mourdliout vastgeklonken ,

Den Heiden en den Jorxl ten spot.

Daar zie \'k dat hoofd , dat een- met stralen Zoo heerlijk blonk van hemelzlans ,

Gekroond met eenen doornenkrans,

Waar stroomen bloeds hij nederdalen.

3. Daar zie \'k zyn lijf gescheurd . mismaakt,

Hel lijf van Hem, die \'t vee met huiden.

Den mensch met kleêren . \'t veld met kruiden ,

De lueht met starren dekt . gan-rh naakt.

Zijn hemel-eh aanzigt , elks verlangen .

Zoo srhoon als immer aanzigt was ,

Bestierf daar, als een bloem in \'t gras.

Die \'t hoofd verllenst laat nederhangen.

4. Maar \'k wijt het aan eeen Pharizeen ,

Geen Triestersrhaar op Hem gebeten ,

Geen\' Reirter over Hem gebeten ;

\'t Is onre schuld , \'t is d\' onz\' alleen :

Wij zondaars . wij , wij zelv\', wij schonken U , Heer \' dien kelk , zoo wrang, vol gal ,

Dien fïij aan \'t kruis geheel en al ,

Ten bodem toe, hebt leêg gedronken.

S. Regt-

-ocr page 149-

Gez. 125 . 126. KRUISLIED. 133

5. Rrstvaanlisjheid liielil aan om straf,

Ccn.ule doiij? om vrij .

Hier trad Gods wijsheid tussrhen beide.

Die z\' alle hei\' voldoenin? ijaf.

O wonderbare giinsthetooninï!

O licht, dat zirh van M krui» verspreidt!

Ilier wrllittert Gods Erereirtijrheid ,

Hier straalt geDadi^e versrhooniug.

6. Hem looft nu onze blijde ton;?.

Hem loven onze dankbre zielen ;

Komt , laat ons zaam voor Jezus knielen ,

Die voor ons aan den kruispaal hong ;

Hier hebben wij \'t bewijs gevonden Van volle schuldvcrgii.\'cnis ;

Daar hanjrt . «aar Hu eekvuisigd is.

\'t Gescheurde handschrift van lt;Ie zonden.

7. Komt, volgen w\' onzen Heiland na .

Komt, dat tv\' ons kruis , met welbehagen ,

Ook achter Hem geinordi-rd draden 1

Na \'t kruis vol^t ook ile kroon weldra:

Zoo kan men best de kruisleg leeren,

Zoo dooilen w\' ook den ouden mensch,

Zoo zal in ons de nieuwe mer.srh Zijn krachten daaglijks zien veruicSien.

126. JEZUS OP GOLGOTHA. W ij 7. K : Gezang 138.

I jj !■ iji i

quot; a, Halleluja! \'t is volbmgt! De bange nacht ^

Is ganse h verdwenen; De zon heeft weer van \'s hemels trans, Met nieuwen jrlaiis, liet kruis

beschenen. Het is volbragt, Iinmanuëi Heeft dood

life

en hel Hun prooi onlno-men. Het is volbrazt! van

Golgotha Doet Gods gena\' Vertroosting stroonien. 2. Wat Jezus doen moest is volbragt.

Zijn deuird hield kraclit Door heel zijn leven ;

\'t Geen Hij moest lijden is geleen ,

De slrijlt;l volst réén ,

De vreé hergeven.

Nu zal, daar alles is volbragt.

Geen bange klairt Ons \'t hart doorboren.

Triomf, triomf! van Golgotha Zal nu weldra quot;De wereld hoeren.

V 7 3. Ge-

-ocr page 150-

13V JEZUS OP GOLGOTHA. Gcx. 126, 127,

3. Gevallen rornl.iar»! zirt op Hem, II lokt njn »iein ,

Om loe te treden;

Ilij Itjdr . Hij utrrft . Hij overwint, 11 iv hril bfjint Voor eeunriitheilen.

Triomf, triomf! tin? wereldrond. Hit Wnen mond ,

II ij schenkt ons \'t leven ! Ja, lUlleliija ! \'t is vollirafft !

Wacht, «lervling! wacht •t Onsterflijk leveu.

127. HET IS VOLBRAGT. \\V u z E : Gezang 9.

J omt, knielen wij voor Jezus zanten. Met vro-

lyk uitziet op onslot! liet is volbrapt, volbragt,

met smart verwacht. Dat is volbra^t. Juich hemel,

aarde! Juicht zomlaars! *t is voor u volbragt.

2. Gij Jezus! hebt «len last pedrazen ,

Dien zond\' en schuld te dra-ren gaf,

God zaïr uw werk met welbehagen ,

En wendt van ons rijn straffen nf:

Wij scbuldii», snood, van God verdreven ,

Wij bleven ver van Eden «taan ,

Maar \'t kruis werd ons de boom van \'t leven,

Dien wees uw Vader zelf ons aan.

3. Wat d\' onde eodspraak deed verwachten ,

Wat ooit God» rest gevorderd had ,

Hebt Gij volbragt met al uw krachten,

Volbragt op *t moeilijk lijdenspad ;

Geen vlek. cecn\' mistred zagen d\' oogen

Der vlekkelooze Majesteit ,

En \'t vonnis , «lat ons zal verheoeen, Is d\' uitspraak der regtvaardigheid.

4. Gods heiligheid , op aard verdonkerd

Door Adams diep ontaard geslacht ,

daagt op met nieuwen plan* , en flonkert

Bij \'t heilrijk woord , , Met is volbragt!quot; J Men hoort den Seraf lof betalen

Aan uw verheven menschendeuird ,

Ja . van uw menlt;chheid schijnen stralen ,

Waarin de Godheid zich verheugt.

5. Wi| willen need rig Gode leven ,

U volsren. waar Gij ons geleidt,

O us U geheel ten offer geven

-ocr page 151-

GM. 127—129. HET IS VOLRRAGT.

Met nooit volbraifte lt;lankhaarhrid. Getrouwe Lriillt;aian 1 sla mn ,

Voleinder\' laat, door uwe kracht. Het heerlijk werk van Gods quot;enade In ona ook eenmaal zijn voliirn^t.

W ij 7, f.: Psalm 66.

Ti$^=ü5l5==~=====ï==~Ê=

^ a. Halleluja! wat vcrkeere, Dat God

belooft houdt eeuwig kracht; Ja, Halleluja!

U zij cere, Verlosser, Redder! \'t is volbia^t 1 Wat voorgevoel van eeuwig leven Wekt deze zegeloon in my ! Ja! mijne zonden ziju

vergeven, Opdat ik mg ia God verblg\'.

2. Zou ik door ongeloof vernnaden

Hem, die zyn trouwe nimmer krenkt,

Kn mij , hoe zwaar met - huid beladen ,

Van alle schuld vergeving schenkt ?

Zou \'k , met uw eigen woord sezegend ,

Door twijfelzucht van verte staan?

Dn . daar mij zoo veel gunst bejegent,

Niet vrolijk tol een\' vader gaan ?

3. Ja. \'t is volbratrt ! en Gij , mijn Vader!

Berust in \'t offer van uw\' Zoon ;

Och ! dat ik op uw roepstem nader\'.

En U door twijfling niet meer hoon\' I Uw gift is uit genade, Heere!

Uit onverdiende gunst alleen ;

Wat kan een zondaar, U ter eere ,

Dan op uw woord slechts toetetreén ?

4. Leer mij, o Heer! dien plitrt betrachten.

Door kinderlijk geloof treleid ,

Dan zal mijn hart van liefde smachten.

Dan lt; ind ik kracht tot l eiligheid ;

Dan zal mijn hoop mij nooit beschamen ,

Daar \'k alles van uw waarheid wacht.

Dan zeg ik needrig , dankbaar, Amen Op \'t woord uws Zoons: , Het is volbragt !quot;

129. DE STERVENDE JEZUS. W U z e : Psalm 65.

sterft, aan \'t kruis geklonken.

Daar

135

-ocr page 152-

136 DE ST ER VEN D E JEZUS. Gcr. 129, 130.

Daar II:j «1c zonde torscht; Zijn hool\'d hanfft

?—=Tlt;---

moeide -•C-xS-r^

lijjt gezonken Op

borst. Zijn\' geest beveelt 11 ij aan zijn\' Vader,

;z3^^zïtz±z*±:=zz±zz±=d=zz2:—y Q— hart en ader. En Jezus leeft nie\'. meer.

on5lt; , o Christenscharen !

vloeit Jezus bloed ,

Zijn dood redt. ons uit doodsgevaren,

Daar Hij voor zondaars boet :

Och ! dat uw hait Hem dankbaar nader\',

Wien zoo veel liefde dnjft ;

Gij vindt door Hem in God een\' vader.

Die eeuwig vader biijft.

3. Komt, vallen wij voor Jezus neder ,

Hij hoort ons dankgebed.

Zijn sterven sehonk ons \'t leven weder.

Zijn dood heeft ons gered :

Wou H ij voor ons aan \'t kruishout sneven,

Voor ons geen\' smaad ontzien ,

Och ! dat wij eeuwig voor Hem leven.

Hem eeuwig hulde biên !

4. Zie, «laar wij in uw\' naam vergiren,

O Jezus 1 op ons neêr \'

Uw Geest, daar w\' op uw\' kruisdood staren ,

Ontvlamm\' ons tot uw eer ;

Och ! dat wij zoo uw\' dood gedenken,

Dat steeds uw liefd\' ons leid\'.

Dat zij ons kracht tot deugd moog schenken. En eens de zaligheid.

130. DE STERVENDE JEZUS.

W ij z e ; Psalm 42.

-EZiÉ

D\'

Hij sterft v

gjS!E=*5^£=^^^==3E=*

», o God 1 in \'t stof gebogen. Schuldig

|Eg=gE*ag=3E*£g

uw hoog gengt, V\'.oeijen tra Dekt de schaamt\' ons aangezigt.

=3Ez^:iz

„ uit o,.-

Zondig s\' of ont-

van?l gena\', Jezus sterft op Golgotha\' \\ oor wereld diep verloren quot;-j ---------•------•

-ocr page 153-

Gez. 130. 131. DE STERVENDE JEZUS.

2. Heilig , hpili:» , heiliquot; Wozen !

Ann uw netten i* voMaan;

Heilie, heilijr , heilig Wezen!

Siildrinp prijpt ons zondaars aan. O hoe yrhHklijk lianül Goils Zoon Voor lt;Ie zonde hier len toon ! God ! om *1 kwaad door ons bedreven Moest uw Zoon aan *t kruishout sneven.

En Hij redt uil al hun nooden Adams kindrrn door zgn bloed.

Knglen staamien zijnen lof.

Ach\' wat kan hier \'t nietig stof? Wij verzinken in die liefde ,

Die voor ons aan \'t kruis Hem griefde.

4. Kan het hart die liefde roemen ,

Dat de zonde «oir bemint?

Neen, wie ooit uw\' naam uioog noemen, Jezu? ! zij als fïij «rezind.

Wie zich op uw bloed verlaat.

En de zonde schuwt noch haat.

Zal zijn snood ver» rouwen boeten ; Hij vertreedt uw bloed met voeten.

5. Om van zond\' ons te bevrijden ,

Stierf Gods Zoon den wreedston dood; Wie zijn hart Hein toe wil wijden Houde, wat zijn mond gebood:

Hoe de zond\' on« ooit omring\',

Jezu*! ! dal uw llefd\' ons dring* ;

Woudt G\' uit liefde voor on!quot; «neven, Dat wij eeuwig voor U leven!

6. Jezus\' xiw verzoenend sterven

Blijft het rustpunt van ons hart.

Als wij alles , alles derri-n,

Blijft uw liefd\' ot** bij in smart. Och \' wanneer mijn oos een« breekt, \'t An-rstii; doodzweet van mij leekt. Dat uw bloed mijn hoop dan wekke ,

En mijn schuld

voor God

bedekke

7. Vader. vol van

in ededoos

ren !

Zie ons arme

zondaars ?

■an

Sia op ons uw ■

irriendlijk\'

oo^en;

Jezus heeft v,

Id:,an .

Ja \' Hij heelt

God neemt ot

i- als zond

\'t Zelfde reirt ,

dat llei.i .

Schenkt ons \'t

ecuwig zal

ig leven.

131. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. Wijze: Maria\'s Lofzang.

at bitter zielverdriet, O Jezus\' leedt ---lt;

-ocr page 154-

liS GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. Gez. 131. 132.

smaït aan \'t kruis, wat spot Hebt Gij, o

Zoou vau God! Niet met geduld verdragen! , 2. Dat duMon in uw smart Stilt in ons zwellend hart De drift . die los wou breken ;

Daar zelfs de Heiland /.weeg,

Moe hoot» het lijden Mee?,

Past mij daar ooit het spreken?

3. I.aat mij, o lieer! altijd.

Maar meest in zwaren strijd.

Op II in \'t lijden staten !

D it zal in mijn (;emoed ,

11 oe zeer ook \'t onrogt woed\'.

Het stil geduld bewaren.

4. Dan dulden w\' allen haat,

Al wordt met srhand\' en smaad Zelfs onte trouw versolden ;

Al word ik onverdiend ,

Zelfs van mijn\' oudsten vriend.

Gelasterd cu gescholden.

5. Dan draag ik allen last ,

Dien G\' op mijn schouders past,

Hoe zwaar die vall\' te dragen;

Dan zal ik in mijn\' nood ,

Al duurt die tot mijn\' dood.

Niet morren , zelfs niet klagen.

6. Dan drink ik met eeduld ,

Den kelk . dien Gij mij vult,

Gy zult dien heilzaam maken ,

En mij . hoe wrang hij vall\',

Hoe zeer doormengd met gal ,

Uw liefd\' er in doen smaken.

132. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. W u z E : Psalm 73.

w

. viel mijn\' Heiland kruis te zwaar, Hoe drukkend dan dat kruis ook waar, IIij bleef altijd met welbehagen , Wat Hem zijn Vader oplei\', dra-gen: Geen enWel onbetaamlijk woord Werd ooit uit zijnen mond geboord ; Hij, die nooit kwaai\' met

-ocr page 155-

Gez. 132 , 133. GEDULD NAAR JEZUS VCOHBEELD. 130

2. Orh ! vols*!\' ik slrrds «Int voorbeeld na , Dal voorherld ^oncl^■^ wrdrr^a1;

Orh moi»l ik Mrpdn dat R|.oor helleden , Al i.« \'t met onirel ike schreden , \'k Weet , dM mijn vleryrh daartrcen stieeft, Kn mij jraiifrh andre wetten ^eeft ;

Maar tjeef. o Heer! mij lust en kracht. Dat ik kloekmoedig cKe veracht\' lt;

3. Dan draa? ik al wat mij de lieer Heeft ougelegd , al waar \'t no? meer ;

Zou Hij mij met een\' last herwaren ,

Die niet in(jn kracht *ou cveu.iren ?

Dies zwyt; ik Hem; al wat Hij doet Is altijd heili:;, wijs en goed :

Drukt mij zijn hand ren poos ter ne^r. Ik viecs niet. want Hij rc.U mij weêr.

4. Aan hoe veel kwaads ik schuldiir sta.

Mijn Regter zelf schenkt mg sena\' ;

En ik , zou ik z(ja Vaderslairea .

Als zijn trehoorzaam kind, niet dragen? O God ! op wien mijn hoop idijft staan , Leer mij op U mijn ooiren slaan ,

Op U . die mij door keilen druk Hier opkweekt voor het hoogst geluk.

m e n s c 11 e 1. ij k e zwakheid. w u z e : psal 11 38.

2. Jezus vrienden zelfs bezweken.

Stout in \'t spreken ,

In \'t beloven wonder ?root:

Maar zij zien Hem pas gegrepen Henen sleepen.

Of z\' ontvlugten Hem in nood.

3. Ach! hoe zwaar viel Hem dit lijden.

Dus te strijden Ongetroost en onverzeld !

Maar deez\' zwakheid toont Hein krachtig Kn alma-tisr ;

Gansch verlaten houdt Hij \'t veld.

4. Christen , schaam u dan , die hoozer

Kn trouwloozer ,

Christus, vri) «\'an ramp, verlaat:

Schaam j. ..Is dien Heer onwaardig. Die niet vaardig Om zijn\' dienst het liefste haat.

5. Nog zgn ons veel zwaarder pl\'iglen

Te verritten;

Ach ous aiuieu ! wie houdt stand

-ocr page 156-

MENSCHELIJKE ZWAKHEID. Gez. 133-135.

Te^cn \'s werolds «Irpicren , hoonen, Vlcijci) , loonen \'

Uird , o l)ied ons, lieer! de bnnd.

6. Gij , van allen pfns verlaten ,

Wie ons haten ,

Of ontwijken , blijf ons bij !

Blijf on? met uw liefd\' omarmen. En bcsohermen ,

Schoon ons alles ontrouw zij.

7. Leer ons hart zijn ontrouw kennen

En ontwennen ,

Sterk ons in den jonasten nood ; Daar ons iroed , en bloed , cis leven Gan*ch begeven .

Blijf ons bij , ook in den dood.

OP JEZUS BEGRAFENIS

a

ngstig zijn

voor graf en dood ?

. Hij.

voor uw schuld

aan \'t kruis gestorven ,

Na

m ook tien vloek

der zond\' in *t giaf;

Zoo i

r verworven ,

Zoo sterft g\' ook e(

[•ns tier zonden af.

. Hier

rust Hij uit van

i al zijn lijden ,

Mii

pr eindigt al z.jn

simad en schand\'.

Zon ;

aanstonds volgt i

Ie kroon op \'t strijden.

Z.J1

;i ceest is reeds i

n \'s Vaders hand.

. Dit irraf houdt Urm

niet lang geliorgen ,

Wat zegel ook den

grafsteen sluit\' ;

Hij v

vacht slechts tot

den derden morsen , *

En

stapt dan als vs

rwinnaar uit.

. Nu i

tal u \'t eraf ten

rustbed strekken;

C. GEZANGEN 0igt; JEZUS OPSTANDING.

135. DE OPSTANDING VAN JEZUS.

W u 7. n ; Gc-zan? 112.

crinner u mei vreugd, mijn geest ! Den

-ocr page 157-

triootc ChrisU\'iifrrst ; Houd Jezus

in gcdnc-htrnis, Zing Jezus, die verrezen is.

2. Voet allo dankbaarheid voor Hem ,

Als hoordpt r\' in dit uur zijn stem.

Als sprak lltf , .dat u vrede zij Verblijd u zoo , mijn geeM • in mij.

3. Zie naar omhoog ru bid Hem aan 1 Hij leidt de starren op haar liaan.

Hij leeft, en herrscht in \'t hoogst bewind; Hij is uw Kouinf; en uw vrind. .

4. De ma^t, de lof, d\' eerbiedt-nis Zij Hem. die «as en eeuwiir is.

Zijn naam word\' overal verbreid ,

Zgu roem verdure d\' eeuwigheid !

5. Oloof\' cu heft ons hriueUvaart ,

Wat wordt de grootheid dezer aard,

Wanneer mijn \'„\'eest bel heii bedenkt,

Dat God , in zijnen Zoon, ons schenkt?

6. »nH zonder zonde, ramp of pijn.

Als Knglen eeuwig zaliir \'ijn ;

I» mij , ook inu , die heerlijkheid ,

Oneindig\' God 1 door U bereid !

7. Mijn hart bezwijkt van vreugd daarbij. Verwondring , liefde drin-ren mii ;

Kn vol van eerbied , dank en pligt Val ik , o God ! op \'t aangezigt.

13G. DE OPSTANDING VA N J 15 ZUS. Nieuwe zangwijze.

11

werven: God en een eeuwigheid 2. Laat ons Hem met aanbiddingeeren, Hein nooit door twijfeling onteeren , Hij leeft, -.vij eindeloos met Hem, Hij leeft , o hoove zielerusle !

Hij leeft , wat ons nu ooit reinste. Al wat wij doen , doen wij door Hem.

-ocr page 158-

DE OPSTANDING VAN JEZUS. Gei. 136, 137.

Een srhtik 3Ü ons , wat U mishaa-rt : Ons moet , wat Gij niet lt;1 peilt voor dezen. Wat (Jij verliiedt, een helle wezen.

Schoon ieilereen er roem op draagt.

4. Ja. Jezus leeft! dat voelt ons harte. Als \'t Hein (feloovis» zoekt in smarte;

Het {rraf besluit llem langer niet; Hop meer wij Hem a^nhiddend ecrcn , En zijne Uefd\' in \'t hart venneèren, Hoe meer Hij op ons nederziet.

5. Ja, Jezus leeft! veel duizend harten Gevoelden in de bangste smarten

Den hoogen troost, dat Jezus leeft; In heeien strijd met boezemzonden, In banjren doodstrijd , ondervonden Veel duizend harten, dat Hij leeft. C. Gij leeft. o Jezus ! welk verblijden , Wat zielvprkwikkins:, als wij lijden.

Hoe zacht e^ii troost in alle pijn! Gö leeft , Gij leeft en \'n den hoogen Aanschouwen w\' U met deez\' onz\' oogea, Als w\' eens met U onsterllijk zyn.

137. DE OPSTANDING VAN JEZUS. W ij z E : Gezang 30.

ezus leeft, en ivij met Hem, Dood! waar is

schrik gebleven ? Jezus leeft, en. zijne stem Roept ook ons een# weer in \'t leven, Zal ons

eens met eer bekleén ; Dit is onze troost alleen.

2. Jezus leeft, zijn i« het rijk ,

Elk moet Hem als Koninsr eerea;

Wij ook zullen Hem gelyk ,

Eeuwig eens met Hem reireren.

Zou Gods woord ooit wanklen 7 neen !

Dit is onze troost alleen.

3. Jervi* leeft , wie nu no? vreest ,

Zou . en Hem , en God onteeren;

Zondaars mosen onbedeesd Zich tot rijn genade keeren.

Jezus zendt geen zondaarü heen :

Dit is onze troost alleen.

4. Jezus leeft, ons hoogste goed ,

Hem behoort trehee\'. on» leven;

Ons past reinheid van cemoed ,

Ons , hef kwaad te wederstreven.

Jc \'us sterkt der zwakken srhreèn:

Dit is onze troost alleen.

5. Jezus leeft . dit is trewis ;

Waar ons pad ook heen moog leiden ,

143

-ocr page 159-

Get. 13^. 138, DB OPSTANDING VAN JEZUS.

Zrlf» prcn ma?t dfr duifferni», Nif* zal ons v«n Jnus vrliridpn: \'t Steunen op rijn mo^eaüheta , Dit is oue troost allren.

6. Jezus lepft, nu is tie dood Ons een itiiran» tot het leven ; \'

Welk een rust in sienrentinood Zal dit woord ons h-irte seven: „ Gij , o Heiland ! Gij alleen , , Gy zijt onze troost alleen.quot;

3. DE OPSTANDING VAN JEZUS. W ij z E ; Tsalm 47.

J

verklaart Hei

111=1

-lt;r-=;55:=— helsch Reweld Zijn ter ncér geveld; Heer-

-ocr page 160-

DE OP?TANniNO VAN JEZUS. Gez. 138—140.

Hemel, zin^ triomf! Aarde, salm triomf!

Onze woonplaats is Thans lijn erfenis ;

En^len , juicht triomf! 0 Menschcn , roept triomf! Daar zijn rijkftroon is.

List oti7.\' erfenis;

Eeua-isr leven wij Opsewckt als Hij.

139. DE OPSTANDING VAN JEZUS.

W U ZB: Psalm 21.

JLjL Omt , hellen w\' onzen lofzang aan ! De

Deer is waarlijk opgestaan; Ons past gt, •quot;H ^ in plaats quot;van klagen , De Levensvorst heef^ door zijn kr.vht Den dood den doodsteek toe-

gebragt . Dc laatste vijand ligt versltgen.

2. Hij , die voor ons zijn leven gaf,

Voor ons de kluisteis brak van \'t graf.

Hij heeft voor ons den strijd volstreden ;

Nu ziju wij met Hem opgestaan.

Nu vangt het weuwe leven aan ,

Dat w\' eeuwig in zijn\' dienst besteden.

3. Dat vrees noeh ancst ons hart heknell\';

Hij leeft voor ons linmanuël Kan . wil, norh zal ons ooit hegeven ;

Verwon Hij niet voor on« den dood?

En nu, wat zegt onz\' aardsrhe nood?

Wij zullen eeuwig met Hem leven.

MO. DE OPSTANDING VAN JEZUS. \\V U z K : Sollt ieh «neinem Gott nicht singen 7 (met weglating van de herhaling.)

T p$;==:p=^=;5=5ig^sg!=i;

- ooft Gods Zoon, den doodvertreder! Hij,

die stierf op Golgotha , Geeft zirh zelv het leven weder: Looft zijn\' naam, Halléluja1

Ziet, ll(j stierf op Golgotha! L^ft, aanbidt

-ocr page 161-

2. Laat ons lijne grootheid rin-ren ,

Dat ons \'t hart van blijdschap beeft!

Laat ongt; lied ten hemel drinstn Hem , die stierf en eeuwitr leeft,

Dat ons \'t hart van blijdschap beeft!

Laat ous, Iaat ons vrolijk zingen

Hem , .lie stierf en eeuwi» leeft,

Hem , di \' ei ierf en eeuwig leeft!

3. Door uw leven vrijsesproken ,

Zingen ,vij verrukt uw\' lof!

Door dal heil tot ernst ontstoken ,

Kukt C.c geest lit-h los van \'t stof.

Stijgt zijn dank naar \'t hem-lhof :

Door uw leven vrijsesiirokon ,

Looft (T, Godmensen ! aller mond,

U , dio stierft en (

lt;•. Toen In d\' ochtendschemerinsen

Koe het luislrenü aardrijk zweeg.

Toen uit \'s hemels hco?e kringen \'s llecren Entrcl nederree? ,

En bij \'t graf aanbiddend zweeg,

Stondt Gij op • de Heinellin-ren Zongen straks in \'t Enirlenhof, Doodvernietiger! uw\' lof.

5. Om Hem in het graf te vinden ,

Ging nj heen, waai Christus sliep:

Maar wat moest zu ondervinden,

Toen Iljj zacht, , Maria1quot; riep.

En toen zij , , Rabbonni !quot; riep ?

Heer! ik zal U ook eens vinden In het einde van mijn lot,

Waar uw Go.1 is ea in0n God.

6. Breekt G\' eens van ons graf de kluister,

/ Is G\' ons met uw komst verblijdt;

\'k Zie uw aanschijn dan vol luister ,

Met de kroon op uwen strijd;

\'k Zie U dan pelijk G(j züt;

Breekt G\' eena van ons eraf de kluister O ! dan ben ik in uw rijk U , mijn Heiland ! U gelijk.

7. Looft den Heer, zinsrt Hem nu psalmen!

Jezus Christus overwon !

Vlecht den overwinnaar palmen,

Dien de dood niet houden kon:

Jezus Christus overwon ,

Z;nst Hem hoore zeirepsalmen !

\'t Lied van \'t overwinrtnkoor Galmt den wijden hemel door.

II. DI2 OPSTANDING VAN JEZUS. Vf u 7. K : Psalm 3G.

-ocr page 162-

!♦« DE OPSTANDING VAN JEZU8. Gtt. UI, 1«.

2. Triomf! wij zien op \'t moordveld nefr. Maar Jezus hangt aan \'t kruis niet meei;

Reeds is de dood verslonden :

Daar, waar het zoekend oog Hem mist, Hangt, maar voor eeuwig uitgewischt,

Het handschrift van de zonden.

Triomf! triomf! op Golgotha Oulspringen stroomen van gena\'.

Geen donder laat zich hooren ; In \'t suizen van een\' zachten wind Spreekt God als vader tot zijn kind. Nu langer niet verloren.

3. Triomf! de Heer is opgestaan. Wij kunnen vrolijk grafwaarts gaan.

Zijn liefde zal ons wekken ;

Hij , d\' eersteling in zijnen staad.

Kan ons ten zerkren onderpand

Van ons/verrijzen strekken : TriomfJtfCncmf! wat hier bezwijk\',

Hens zullen wij , aan Hein gelijk ,

Verklaard , onsterflijk wezen , Ja, opstaan , opstaan zal ons stof;

Zin-jt, stervelinscn ! Jezus lof!

Z.Jn naam blgft onvolprezen.

D E

OPSTANDING VAN JEZUS. Nieuwe zangwijze.

-ocr page 163-

Gez. 1«. 113, DE OPSTANDING VAN JEZUS. 147

voldaan, Wat zou nog ons geluK vertraijeu?

2. Hij stond j»ewilli(» \'t leven af.

Zoo wou Hij ome «chuld betalen:

Nu ry*t Hij heerlijk uit het Riaf,

Opdat wij , vrij van zond\' en straf,

Op dood en graf eens zegepralen.

3. O Jeüus! doe ons meer de kracht Van uw verrijzing in ons merken ;

\'t Geloof aan \'t freen Gij hebt volhragt.

Dat gord\' ons aim met moed en magt , Tot wederliefd\' en goede werken.

4. Dat sterk\' ons in den vasten grond ,

Waarop w(j onze hope houwen ,

De hoop op dien (rewensrhten stond,

Dat w\', opirewekt door uwen mond,

U in uw heerlijkheid aanschouwen.

5. Welzalig die U toebehoort,

Dien kan «een dood of graf doen heven ,

Die gaat zijn\' weg cremoedigd voort,

Daar hij zich vast houdt aan uw woord :

, Die My gelooft zal eeuwig leven.quot;

V. GEZANGEN OP JEZUS HEMELVAART.

DE HEMELVAART VAN . Wijze: Psalm 81.

arde ! zucht niet meer , Kom den hemel nader , is Redders eer: Hij, de Vorst der aard,

Jezus Christus vaart Tot run\' God, zijn\' Vader

2. Starren , zon en maan !

Dient Hem op zijn wenken,

Heemlen ! bidt Hein aan,

Englen ! hoort zijn stem ,

Mensch ! vertrouw op Hem ,

Die aan u hlijft denken.

3. Ziet, Hij zesepraalt.

Die als Plaatsbekleeder

Onze schuld betaalt;

Hij , die uit ons oos Heenvaart naar omhoog.

As

Zendt zijn Engten neder.

Zingt uw» Redders eer: Hij , het heil «Ier aard, Jezus Christus vaart •*01 uw\' God, uw\' Vader, G 2

-ocr page 164-

143 DE HEMELVAART VAK JEZUS. Gez. 1«, 1 4.

5. Hij . clrlt;« iiipnlt;rheii Zoon,

lli), «lip \'i al volbract heeft.

Hij lgt;pkliint den (roon ;

Hij , de Zoon van God,

Hij lipHfhikt ons lot ,

Hij . die alle mast heeft.

6. Ziet, o ziet Hem na!

Hij . die onze zonden

Droeir op ColLTotha ,

Leeft en l)idl ook nu ,

Ook , mijn «iel ! voor u ,

Hij droef» ook uw zonden.

7. Srhoon treen ooi Hem ziet.

Wat zou \'t zien hier baten ?

Hij versreet mij niet :

Schoon \'k zijn bijzijn mis ,

\\oor den Godmensrh is \'t Heengaan geen verlaten.

8. Deed Hij aan het kruis Ons zijn liefde blijken ,

In zijns Vaders huis,

Waar Hij \'l heil voltooit.

Zal zijn liefde nooit ,

Nooit weêr van ons wijken.

C. Zondaar\' hoor zijn slem,

Unir u voor Hem neder.

Waak. en warht o[gt; Hem!

Hij, die voor onlt; «fierf,

\'t Leven ons verwierf,

Jezus komt eens weder.

-0. Leef, o Koninr\' leef!

Brene tot IJ ons nader.

Leef in ons en reef,

Hat ook eenmaal wij ,

Ops-ewekt als Gij ,

Leven bij uw\' Vader!

11. O 1 die dn? breekt aan ,

\'k Zie zirh lt;1* Entrlen scharen Lanlt;ngt; d\' hemelbaan ;

Hij , die ons geleidt,

H ret\'l den we? bereid,

Is vooruitgevaren.

Looft Hem , die

IU. DE HEMELVAART VAN JEZUS. W ij z E : Gezang 32.

_B J ooft den Koning , alle volken \' Lc

\'.£ÏX=3PÏ====^lt;F^ --

eigen\' Zoon! Looft utv\' Heiland, Christenscharcn ! 3S;-

Ziet Hem voor u teu hemel v

-ocr page 165-

Gei. lit, 145. DE HEMELVAART VAN JEZUS. UO

P^5E^EE^Êsig;gËa:ss:^;=^i

tien voor Gods troon : Verheft zijn majesteit Met .

diep\' eerbiedigheid , Halleluja ! Loof wereldrond !

MüüMiMispif

Uit dénen mond , Loof Jezus Christus , tvereldiond ! 8. Mensohheid ! tot Gods troon verheven ,

Wie alle nia^t rpeits is peireven

In J:-2us, waar God srhepslen heeft,

Mensohheid juich , trevoei uw waarde ,

Uw lot is r-iet bepaald aan d\' aarde ,

Eens leeft s\' omhoog, waar Jezus leeft:

Hoe zaliff is \'t verschiet ,

Waar \'t oocr den Koning ziet In zijn\' luister.

Weg slof iler aard ,

Een hart onwaard ,

Dat eens tot Cod ten hemel vaart,

3. Jezus , Redder onzer zielen !

Zie ons aanbiddend nederkuielen ,

Gij werdt voor ons, voor ons treslagt:

Danlt , aanbiildi , eeuA-ig\' eere .

Lof, dank, annbüTufng, eeuwig\' eere.

Word\' IJ, Verlosser\' toesrebragt.

Na lijden , hoon e^ spot Woi It lieerli.i\'iheid ons lot.

Halleluja 1 Deusrd triomfeert.

Want Hij re-.\'eert,

Ja, Halleluja! Gij regeert!

m.

115. DE HEMELVAART VAN JEZUS. W ij z e : Gezang 8.

tijg nu mijn lodicd 1 daar de Heer Ten hemel

voer met eeuwig\' eer. Hij do..\'\'- en helvcrwinnaar;

Ëea wolk ontvoert Hem aanquot; het stof. En ijlings

ÈÊSÉSÊ—:T|i

juicht het hemelhof, Lof zij den overwinnaar!

2. Des hemels Heer, des n-.ensrhen koon Stijft in triomf op s Vaders troon,

1\'u juichen alle tioonen Hij komt, de Meer der heerlijkheid,

Hij komt , bekleed met majesteit ,

Om eeuwig hier te woonen.

3. Heel \'t Englenheir knielt voor Hem neCr,-\' Eu juicht, Messias , onze Heer ,

ü 3 . Geeft

-ocr page 166-

150 DE HEMELVAART VAN JEZUS. Gez. 115. IKJ. Geeft m^nwhen Enrlcnwaarde.

Hij heeft bet erootste werk volüragt,

Zijn is de wijsheiil en ile kracht In heinel en op aarde !

4. Hoe heerlijk igt G\', o Heer, mijn God! quot;Wij dee\\cn in uw heilrijk lot ,

Voor on» voert Gg ten hemel;

Gij Hoocepriesier ! treedt vooraan ,

Voor ons 7ijt G\' eenmaal ingegaan.

Wij volden U ten hemel.

5. O Heer! die hemel , zee en aard AImlt;lt;?tii; riept, en no? bewaart,

O Heer ! door wien wij leven :

Zoo Ian;» wij zwoesen in het stof,

Blijv» steeds ons hart naar \'t hemelhof.

Van \'t stof, tot U verheven.

6. Onttrek ons hart door uwe kracht.

Die \'t alles werkt, daar \'t al op wacht,

Aan \'t aard.-ch\' , waar \'t aan blijft hangen,

Laat ons van uw\' senadetroon ,

O Zoon des Vaders , \'s mensrhen Zoon ! Tot strijden kracht ontvangen.

7. Ja , Gij pedenkt aan onzen nood ,

Gij . die voor ons gioït in den dood.

Dat wij dit nooit versreten :

Gij zult, schoon G\' in den hemel woont, En \'t Enfflenheir uw grootheid toont,

Uw broeders nooit vergeten.

113. DE HEMELVAART VAN JEZUS. W IJ 7. E : Psalm 36.

JL riomf. Halleluja! triomf! Ja, tot in eeuwigheid

triomf! O glorie aller dagen ! Halléluja ! Halléluja!

Wij slaan niet meer op Golgotha , Maar bij den zege-

4i i

wagen. Die onzen Vorst, met blij geschal, Door lucht

vrienden voor te gaan , Die hier den 8lr\\jJ begenaen. 2. Triomf, Halléluja! triomf!

Ja . tot in i uwigheid triomf!

De strijd is afgestreden ;

De dood en h\' lt; knielt voor Hem ueèr.

De gansche he ;iel geeft Hein eer,

Ntt

-ocr page 167-

üet. 1«. 147. DE HEMELVAART VAN JEZUS. 151

Nu Hij xal binnen treden :

Hij komt, zoo roept de Seraf uit.

Hij komt, roept heel de hemel uit,

AI d\' En?1en knielen zamen ;

Elias, Enoch, Abraham En Mozes knielen voor het Lam,

\'t Juicht alles daukend , Amen !

3. Triomf, Halleluja! triomf!

Ja, tot in eeun-iirheid triomf!

Nu staat de toejranp open ;

De Renter is peen Refter meer,

Wie wil, iiiap veilig op zijn\' Heer,

Als op zijn\' Vader, hopen.

Snelt aan {rij allen , wien de schuld Het bevend hart met vrees vervult.

Uw sterkte zij vertrouwen :

Berust in *t peen li ij heeft volbragt,

Wie hier op Gods penade wacht Zal eeuwig Hem aauschouwea.

4. Triomf, Halléhijn ! triomf!

Ja, tot iu eeuwigheid triomf!

Nu is de Zoon cezeten Als Midlaar aan Gods repterhaud,

Nu is de hemel vaderland ,

Dat map verlossen heeten !

Nu vindt het iici-riredrukt pemoed Een\' rijken troost in tepenspoed ,

Voor duizende peslachten ;

Miljoenen zullen , Hem pewijd ,

In druk beproefd , voleind in str^d,

Zijn toekomst zalip wachten.

147. DE HEMELVAART VAN JE W U z K : Psalm 36.

:z US.

Y »-» -Kr-3EE^=iSSS=^-

\' erheft u, Christnen ! boven \'t stof.

— Ver-

0 -lt;suO=rg:jL

--—-7^

eenipt u tot Jezus lof. Nu wij Hem zie

hoogen; De luister van zijn majesteit Straalt, in .

-ocr page 168-

153 DE HEMELVAART VAN JEZUS. Gez. 1«, 148.

2. Wij bniitcn ons oolmopdlsf nefr Voor U , tremlfde Vorst fn Heer!

Elk juich\', He Konin-r leve !

Dat uw ernadehrfiKrliapiiij Al lt;1\' rruwfn door \'.\'rzpsfnd lij ,

En hfil aan \'t aardrijk geve :

0lt;-h \' dat tic klank van \'•lt; Koniags woord Bij allp vo\'^pn word\' irehoord,

En elk zijn berldnis drase.

Wij , pi-uwiir aan uw\' dirnst gewijd. Verlansen liidilend naar dien tijd ;

Orh ! dat ilie heiloeuw daje.

3. Ons hart, dat zich op U verlaat,

Srhioomt trcen vervol-rin?, hoon of smaad.

Wij kunnen rustis ziniren ;

Nu (ïij reseert, is alle* wel ,

De zonde. wereld . dood en hel

Zijn uw verwonnelinffcn.

Wij wachten \'I heil door U beloofd. Wij zijn uw leden. Gij ons Hoofd,

Gij zult ons nooit begeven;

Gi] hebt den hemel ons bereid ,

Waar wij mei U in heerlijkheid Ook eeuwij» zullen leven.

148. DE HEMELVAART VAN JEZUS. W u 7, e : Psalm 105.

omt Christnen! laat ons Jezus loven,

Komt heffen wij het hart naar boven! Daar

zit de Konin? op zijn\' troon, Daar zegeviert

Gods piooie Zoon; Daar zij ons hart, da?r

is de seha^-. Die al ons heil in zich bevat. 2. Is Hij ons Hoofd, zijn wij zijn leden, Dan vorst het ons Hem naletreden: Al zwerven wij in tesenheên En vreemdlin-rn-hap noï hier heneên; Ons burrerreirl is niet op aard ,

Hij baande \'t spoor ons hemel waart.

3. Hij jrinit ons

voor met lijdzaam lijden.

Hij irinu\' ons lt;

•oor in \'t moedi? strijden

Nu aan Gor

Is rcL\'lerhand gekroond ,

Ziet Hij zijn

i\' arbeid rijk beloond :

Komt . volu\'i

fn wij ons heerlijk Hoofd

Ook ons is i

:ulk een loon beloofd.

4. Wil , Heer • i:

n ons dien ijver wekken.

Wij voelen on

s naar d\' a-arde trekken ;

Maak . Jezu

s \' maak ons los van d\' aa

Trek zelf on

is harte hemelwaart,

Schenk ons den fïeest , door II beloofd , Dan volden w\' U, gezegend Hoofd !

-ocr page 169-

Ge*. 149, ISO. DE UITST. VAN DEN H. GEEST. 155

E. GEZANGEN OP DE UITSTORTING van den HEILIGEN GEEST, en VERDERE GEVOLGEN van JEZUS VERHOOGING.

.149. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. w ij 7, e : gezang 8.

J._/ c Heer is waarlijk opses-iaan. En heerlijk

uit lijn fjraf ^e^aan , Dc vijand la;» ver?la?en ; Gods

kuilen daalden iieêr oji d\' aaid. Niet langer met ^----——3^—

den vloek liezivaard, Dien had H ij wr^edragen.

2. Hy voer weêr op, \'t trestarnt voorbij,

En heeft , ten loon , de heerschappij

Uit \'s Vaders hand verkreiren ;

Die Jezus kennen zijn verheuird,

Gods En?1en doelen in htm vreugd,

Al \'t schepsel in hun\' zegen.

3. Elk heff\' met ons eei\' lofzantr aan!

Gods Zoon heeft aan Gods resrt voldaan,

Hij heerscht als alier Konin?;

Hij zendt zijn\' Geest, den Trooster, neër :

Zingt, Halleluja! zinït zijn eer,

\'t Is \'t feest van Jezus krooning.

4. Wie zou , daar Jezus voor ons stierf.

En ons den Geest ten troost verwierf.

Wie zou zijn beeld niet draden ,

En vol van God , die in ons woont,

Den Geest , die ons zijn vriendschap toont.

Niet zoeken te behagen ?

5. Wij moiren \'t heil voor Jezus Kerk ,

ijes Vaders lust, des Geesies werk.

Al d\' eeuwen door verwachten :

Hem, die bij God voor zondaars spreekt. Hem, wien \'t aan liefde nooit ontbreekt. Ontbreekt het nooit aan krachten.

150. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. W ij 7. e : Psalm 22.

J__l. et hart omhoog 1 wg vieren \'t beugiykst

-ocr page 170-

2. Zoo zegepraalt op aarde Jezus eer,

Zoo daalt van Hem een stroom vau ze^en neéi , Zoo blykt Gods trouw, zoo keert de vrede wefcr; Zingt Gode psalmen !

Elk tempelkoor moet van \'t gejuich weórjralmen Deez\' aard herleeft! Wij deelen in dien zegen ,

Nu God zijn\'_ Geest, pelijk een\' milden regen Na droogte , geeft.

3. Juich , Christen ! juich , in uwen God verheugd ! Dat alle vleesch thans deel\' in onze vreugd ,

Dat rijk en arm , dat ouderdom sn jeugd

Voor God zich buisen !

Het laatst geslacht moet van dit heil getuigen ,

Valt, volken ! néér, Bukt voor Gods alvermogen, Die Davids Zoon met luister wou verhoogen Tot aller Heer!

4. Ja , Jfezus heersrht ! het onjreloof verstomm\'.

De leer van \'t krui» verspreid\' haar kracht alom, Heel \'t aardryk word\' dien Heer ten eigendom,

Zijn haatren zwichten :

Trots alle magt zal God zijn\' zetel stichten;

\'t Geloof verbeid\'. Dat elk Hem eere geve.

Hem hulde doe, en juich\', de Koning leve In eeuwigheid !

151. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. W U z E : Psalm 81.

\\y Geest van Vader en ria Zoon ! D

illfiiiiliiii

den weg wijst tot den troon, Getrouw\' Bestierder

dc waarheid leidt,

(randen ! U , die (

U , die ons \'t hoogst geluk bereidt, U laven

-ocr page 171-

Get. 151, 152. DE UITST. VAN DEN H. GEEST.

werkt, Scwaart, vermeerdert ea versterkt,

2. Toen Jezus alles hier op aard Volhrast had, voer Hij henielwaart,

En schonk U , om zun Kerk te planten ; Bij sterken wind, die *t huis doordrong, Zap; elk verbaasd een vuurffe tong Op \'t hoofd van uwe heilgezanten ;

Straks waren zij met kracht omgord,

En hun uw gaven ingestort.

3. Straks loerdet Gij door hunnen mond ,

Dat elk verstomd , verbijsterd stond,

In velerhande vreemde talen;

Straks wrocht Gij ivondren door hun hand , Genezing , overal door \'t land , Van ongeneesseltjke kwalen:

Dus bleek, wal grootheid Hij bezat,

Die U en hen gezonden had.

4. Nu zegepraalde Jezus leer ,

De Jood aanbad Hem als zijn\' Heert Vervuld met schuldbesef en boete ; De Heidenen, bij schaar op schaar,\'. Vergruisden afgod en altaar ,

En vielen smeekend Hem te voete;

Zoo weid zijn rijk in korten tijd Verbreid , gevestigd , wjjd en zijd.

5. Wij zelv\', wier vaderen voorheen Hier knielden voor een hout of steen ,

Wjj zelv\' z(jn sprekends bewijzen ,

Ook hier hebt Gij uw rijk pesticht.

Ook ons bestraalt uw godlijk licht;

Wat tong kan U naar waarde prijzen ?

Niet ojs , o Heer ! niet ons , o Heer !

Uw naam alleen hebb\' eeuwig d\' eer.

G. Och! brak die dag ook spoedig aan , Dat Kaffer, Moor en Indiaan Dï knie voor U, o Jezus! bogen:

O Geest ! o Geest! breek door , breek door! Dat alle volk zijn heilleer hoor\';

Zoo blijkt uw irodlijk alvermogen ,

Zoo wordt zijn godsdienst fión alom,

En heel deez\' aard zijn heiligdom.

ü^l

152. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. W IJ z E : Psalm 19.

dankbre Christenschaar , Verhoogde Midde

laar! Juieht in uw heerlgkheid; Van uwen troon

vol eer Zondt Gij deu Leeraar neêr, Die

^ -fr-—O—■ ,/

waarheid leidt: Uw woord hpudt eeuwig stand,

G 6 Gij

-ocr page 172-

156 DE UITST. VAN DEN IT. GEEST. Gei. 152.

Gg hebt uw Kerk geplant, Gg blijft hnar lot be-slieren. Gij schenkt haar uwen Geest, Waarvan

Ir—*

wij , op dit feest, Verhei de! f^edachtuis vieren.

2. Toen kindsch\' eenvoudigheid ,

Door dezen Geest geleid,

Het lii-ht der aard ontstak.

De Galileesc he mond ,

Voor \'t ruime wereldrond,

In vreemde talen yprak ,

Toen vielen volken neêr,

Gewonnen voor een leer ,

D- eer noch wellust baarde;

De tempels stortten om ,

Het weerloos Christendom Verwon de magt der aarde.

3. Och ! dat die heilfontein ,

Zoo fjodlijk , mild cn rein ,

Niet vruchtloos voor ons vloeij\' ;

Dat door «Ie zaligheid ,

Zoo ruim ons toe?«gt;zeid , \' * Ons dankbaar hart oiit^loeij\'.

O Levensvorst ! heb dank ,

Dat w\' onder \'t blij f»klank D\'T beilmaar zijn sreboren,

i.n voor een\' schooner\' da?.

Dan iuuner \'t menschdoin zag,

Door U zijn uitverkoren.

4. Och ! waren w\' aan uw\' Geest Altijd iretrouw treweest,

Hoe rein waar onze vreugd:

Ach ! elke socóe zucht Was van dien Geest de vrucht,

Zijn lokstem tot de deugd.

O Heiland ! leer ons zien ,

Dat wij , door \'t licht te vliên ,

Altijd uw\' Geest weerstreven;

En dat aan ons jremoed Elk aandrang tot het sroed Was door dien Geest gegeven.

5. Geef nu , dat voor zijn licht Het blind vooroordeel zwicht\'.

Het b-jtreloof verzink\'.

Uw eijren leer ons leid\'.

En deugd en heiliirheid Uit mv verlosten blink\';

Dat nooit het diep gevoel Van onmaict ons verkoel\',

Klaar w\' aan uw woord gedenken :

, De proede Vader let , Op \'t kinderlijk pebed ,

, Hij zal zijn\' Geest u schenken.quot;

6. Dat ras al d\' aard U roem\'.

De Jood zich naar U noen»\'.

De Heiden voor U huig\'.

En , waar het oog zich wendt ,

Ook \'s werelds uiterst cad

V«a

-ocr page 173-

Gez. 152—114. DE UITST. VAN DEN H. GEEST.

Van uw\' Irioinf ifetuis^ ?

O Jezus, trouwe lieer! Het i!iL-ntlt;chiloui vols\' uw leer. Die \'t menst-lxlom moet verhoogen: O Koniiit; van uw Kerk !

Bekroon uw eisen werk ,

Uw wenk ia alvermogen.

153. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. w ij z e : Psalm 66.

zes Konin^s trouw. Daar Hij den 0.

=»» ■ *:zzamp;

doet dalei:, Den Geest, dieu Hy ons zenden zou 2. De vreemdste volken zelfs iretuifren,

Hier werkt, hier spreekt Gods majesteit.

Daar scnaren zich aanbiddend buitceu

Voor Jezus ma!;t en heerlijkheid .

Triomf ! zoo leeft . zoo henscht de Koning,

Zinst zijn*; zefrepra.»l -«.loin !

De Geest , het p.tnd van zijne krooning,

Maakt zich het hurt ten heiligdom.

S. Dankt, feest trenoolen ! dankt den Vader,

Geeft eer aan \'s Vaders (rrooten Zoon ,

Sijn Geest brengt ons der Godheid nader,

En voert ons lotlied voor den troou; U, U , Herschepper van ons harte i

U , trouwe Lridsman , goede Geest ! TJ , Wuarheidaleeraar , Troont in smarte ! U wijden wij dit hruglyk feest.

4, Bewaar ons , dat w\' U nooit bedroeven , Uw invloed is ons toeuezeid ;

Gij weet en \'chenkt, wat wij behoeven ,

Gij blijft ons bij in een wisheid :

Zoo mankt G\' ons vrolijk, moedig, heilig. Zoo sterk! G\' ons in den bangsteu aood; Met uw geleide zijn wij veilig ,

En gaai. wy juichend in den dood.

15t. UITBREIDING DER KERK.

W ij z E : Gezang fgt;8.

0ö

iiu, het hart naar boven\'! \'t Is do

ü 7 d.iy

-ocr page 174-

p—damp;r—0

dou ouden dag Alles slechts door neevlen zag,

2. Maakte God , in vroeger jaren ,

J-akoh slechts zijn noord bekend;

Nu wil Hij zich openbaren.

Zelfs tot \'s werelds uiterst end:

*t Heuglijk Evangeliewoord Wordt van volk tot volk gehoord. ■

3. Zij , die nooit van Jezus hoorden,

Hridnen blind en woest van aard.

Ver in \'t Zuiden , ver in \'t Noorden,

Worden tot Gods Kerk /ergaard ;

Netrer, Moor en Indiaan Diddcn ook den Heiland aan.

4. Goddelijke liefdekoorden

Trekken hen naar Jezus heen.

Maken uit verschillend\' oorden ,

Wie z\' ook zyn , hen met ons een ,

Ken in Heer, geloof en doop,

Een in keuze, liefd\' en hoop.

6, Nieuwe broeders , Jezus leden !

Ja, wij zijn nu lotgemeen;

Smelten tv\' onze smeekgebeden Voor elkaAr dan ook in een ,

Een in wensch , in hart en zin:

Dij \'t geloof voegt broedermin.

m

Volken, hoort! zijn heilstsi

einde tot u door; Al wat leeft dank\' Hem daarvoor. \'

2. Jezus wil zijn\' roem verhoo^en,

Jezus, Gods en \'s menschen Zoon;

In zijn hand is alvermogen ,

Men*chenlicfd\' omringt zijn\' ♦roon :

Welk een stof tot lof eii vreugd !

Hemel, aarde , weest verheugd !

3, Ja, wij zien ontelbre fcharen

Luibiren naar zijn liefdestem,

-ocr page 175-

Get. 155 , 156. UITBREIDING DER KERK.

llirr hpsrhaafdcn . daar harharen.

Vrijen, slaven (lienen Hem;

Dalen rüsl ! linkt herben ne#r!

Baant den weg voor onzen Heer!

4, Ziet\' Hij komt, oin alle volken

Mild te zeejrtien , als hnn God ; Met Hem dalen uit de wolken Stroomen nefr van heilgenot:

Zelf» in \'t land van slavernij Maakt de Zoon in waarheid vrq.

5. Zoo , roo rien wij \'t Godsrijk komen ,

\'t Koom steeds meerder eiken dag! Amen, zcfreen alle vromen ,

Kom , ja kom , o blijde da? •

Dat al \'t menschelijk ircslncht Aan den Heer word\' toegebragt!

156. BEWARING DER KERK. W ij z k : Ein veste Burff ist unser Gott. (met verandering in dea 1. en 3. regel.)

2. God ziet zelfs Vorsten op deu troon Zirh tegen Hem verzetten.

Hij ziet hen zijn* gezalfden Zoon Versmaden in zijn wetten ; Zij srhamen zirh de leer Van Jezus onzen Heer,

Zijn kruis is Inui ten spot;

Maar hoe belarht hen God ! Zij mogen zich verzetten. S. De spotter mag de waarheid smaftn , Ons kan hy haar niet rooven , D\' onrhristen mag haar tegenstaan , Wij blijven haar gelooven : U Jezus, U zij d\' eer!

Die U verkiest tot Heer, Uw woord opregt betracht,

Dien kan geen helsche magt De zaligheid ontroovea.

-ocr page 176-

160 BEWARING DER KERK. G«. 156. 157,

4. Gö . Christen! die op Hem vertrouwt,

Gij most sreea drcisrcn vreezen;

Die God , die van den hemel schouwt.

Zal on* een toevluKt weien;

Der lezersr.haren Heer Waakt voor 7.ijn woord en eer.

Geeft ons geduld in nood.

En kracht, en moed in dood.

Wie zou dan dreigen Treezen ?

157. OM BEKEERING VAN ZONDAARS. W u z E : Gebed des Hecren.

I k wil niet, dat de zondaar sneev*,quot; Zoo^

^ zweert God zelf, „maar dat hij leev\'ïlij

roept, .bekeer, hekeer u dan Tot Mij, die u

^^quot;„hehouden kan. Verlaat, verlaat uw kwade

-ocr page 177-

Get. 157, 158. OM BEKEKRTNG VAN ZONDAARS.

7. Gij «chonkt hun no? oneimlii; mrer; Och ! doe \'t hun re^t beseffen , Heer ! Gij schonkt hun uwen lieven Zoon , Hij , neêrireilanlil van uwen troon ,

Veriroot voor zondaars eens zijn hloed ; Maar , ach zij treden \'i niet de voet.

8. O God ! {reef onze hrê jrehoor,

Och ! open hun liet har» en oor,

Toon hun nl \'t iroed , door hen veracht. Eu wat verschrikkin!» hen verwacht;

Bewerk hen tot treloof, hekrer ,

Bekeer Gij zelf den zondaar , Heer!

158. HET LAATSTE OORDEEL. W ij z e : Psalm 8t.

O1-

Jezus! dat ik nooit verjreet, Dat G\' over alles, wat ik deed. Hierna de Regter eens zult wezen; Opdat ik hier, bij eiken plist. Hij ieder

|£is==gl^;ï^s5=£=g^g=^^;ig

werk, door mij verrifft, Uw uitspraak afwacht\' zonder vreezeu, En juich\', daar ik uw toekoinst

Ü$S^=ES^=ÊSËï*=3E^==pii

eer: Kom, Jezus! ja, kom haastig. Heer!

2. O das van schrik en heerlijkheid!

Als voor uw\' slans en inaieMeit

De slans drr zonnen zal verdwijnen.

De lt;100!! II als verwinnaar eert,

Het si of ten leven wederkeert,

Gij op de wolken zult verschijnen ;

Als .aard en hemel voor IJ vliedt ,

En al wat leeft, U hulde biedt!

3. Hoe rilt , hoe beeft op dat sreztet.

Wie willens blind voor \'t srodbjk licht,

Dat ieder een\' in d\' oolt;;cn stroomde.

Uw roepstem smaadd\'. uw bloed vertrad.

En , waar \'t jreweten prikkels had ,

Zich alles sraarn\' als fabel droomde.

Hij ziet U . ijst , -rilt uit : . Hij is \'t!quot;

Hij voelt zijn eeuwig lot beslist.

4. Maar wie, o God 1 ral daar bestaan,\'

Daar hier zelfs onze beste daSn .

Getoetst aan on/en pli:rt , bezweken ?

Wie zal bestaan , waar \'t heiliirst regt Het lot van jroot en klein beslecht,

En waarheid \'t vonnis uit za! spreken ,

Terwijl \'t eeweten voor \'t heelal \'t Rcgtvaardig vonnis slaven zal 7

-ocr page 178-

16» HET LAATSTE OORDEEL. Gei. 158, 159.

5. Hij , lt;lie , tiaar hem zijn dcu?d begeeft. Zijn\' Midlaar in zijn\' Resrter heeft.

Tot wien \'t celoof hem had sedreven, En isinU lijn vreusd en wellust vond, Om , naar de leer uit Jezus mond,

Hier dankbaar voor zijn\' God te leven. Hij ziet pernst het oordeel aan;

Gods waarheid doet hem veilig staan.

6. Wie beev\', hij beeft niet voor \'t pcerigt Hij wandeld\' in het godlijk licht ;

En . sloeg \'t bederf hem duizend wonden |!ij weet . hij voelt in rijn gemoed , Hem reinigt Jezus Christus bloed ,

Het reiniirt hem van alle zonden;

Geen vonnis baart hem vrees of smart; Hij heeft de vrijspraak in zijn hart.

7. Mijn Heiland ! dat uw toekomst mij Tot troost in mijne loopbaan zij ,

Tot baak en rigtsnoer van mi^n\' handel, Ter noordstar, die mij veilig leidt Op mijne reis naar d\' eeuwigheid;

Opdat ik als een wijze wandel\'.

En juich\', daar ik uw toekomst eer: Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer!

OP BIJZONDERE T IJ DEN EN GELEGENHEDEN

159. OP HET NIEUWE JAAR. W ij z E : Es ist das Heil uns kommen her.

a God, die \'t licht heeft voortgebragt,

De zon en maan doet rij - zen , Om ons \'t verloop

2. U, groole God ! die eeuwig leeft,

Van wien wij \'t licht ontvonken ,

Die ons een veilge woouing geeft,

U zij een lied rrezongen!

U , die ons vreed en welvaart schenkt, Met raad en troost aan ons gedenkt ,

U loven onze tongen.

3. Wil in dit jaar, weldadig1 Heer !

Üus ook un\' zegen geven ,

-ocr page 179-

19. 160. OP HET NIEUWE JAAR. En uwen Geest, om U ter eer

In uwe vrees te teven;

Gij deelt ons aanlsr.he welvaart meê, Al* wij maar, met ons lot tevreê.

Naar \'t ware heilgoed streven.

4. Geef ons , naar uwe liefd\' en trouw ,

Genoepehjke tijden ;

Manr , zoo die vreugd ons schaden zou,

Geef ons dan kruis en lijden ■

Versterk met lijdzaamheid ons hart, En laat ons nooit in druk en smart, Gelukkiger\' benijden.

5. Toon Neêrlands volk uw Vaderhart,

Gelijk in oude dagen ,

Vertroout bedrukten in hun smart,

Die IJ hun nooden klagen;

Begunstig ieder goede daad ,

En wil, o God ! met heil cn raad Onz\' overheden schragen.

6. Dat wijsheid hier haar majesteit,

En \'t regt zijn* luister toone; Dat godsvrucht en tevredenheid

In onzen lande woone;

Dat trouw en liefde hij ons zij : Dit, lieve Vader ! bidden wij In Christus uwen Zone.

ICö. OP HET NIEUWE JAAI W ij z e : Gezang 21.

. dagen , maanden , .\'areli Vliegen als een

schaduw heen ; Ach ! wij vinden ,

2, Voorgeslachten kwijnden henen ,

En wij bloeijen op hun graf;

Ras zal \'t nakroost ons bnrrenen :

\'t Menschdom valt als blaadren af.

•t Stof, door eeuwen zaaingelezen,

Houdt het zelfde graf bewaard:

Buiten U , o eeuwig Wezen !

Ach ! wat was de mensch op aard !

3. Maar door U aan \'t niet onttogen ,

Liet uw gunst hem niet alleen;

Godlyk licht omscheen zijn oogen ,

En zijn nietigheid verdween ;

Onder uw genadeleiding Wordt hem deze levensbaan

-ocr page 180-

/

OP HET NIEUWE JAAR. Gcz. 160, 1*1.

4. Dat de lijd hirr \'t al verover*.

Aan {rri-n tijdperk hanjrt mijn lot; Gij, Gij blijft mij altijd over.

Gij blijft -eindeloos mijn God: Welk ecu ramp mij hier ook nader*, \'k Vind in O-mijn rustpunt wcêr; Gij blijfl_ in uw\' Zoon mijn Vader, Wat verindcr*, wat verkeer\'.

5. Vader , onder al mijn uooden ,

Vader, ónder heil en straf. Vader, ook in \'t rijk der dooden, Vader, ook in \'t zwijsrïnd ?rraf; Waar ilj ooit verandriu-f schouwe , . Gij , o God ! houdt eeuwig stand: Ook mijt stof ru:5t, op uw trouwe, \' Sluimert in uw Vaderhand !

6. Snelt .dan , jaren , snelt vrij henen

Met uw blijdschap en verdriet; Welk een ramp ik moo^ beweenen. God , mijn God , verandert niet i Blijft mij alle* hier betreven,

Vooitsreleid door ïijne hand Schouw ik, uit dit nietijr leven, in mijn eeuwig vaderland.

0

161. OP HET NIEUWE JAAR. W URE: Gcrangr 17.

! d-»t quot;an mijne levensdagen Ge^n uur pc-

heel verloren ga! Vei toren uren, zij doorknagen liet

hart door naberouw te spa\'. Lik levensuur , daar vliegt

het heen, \'t Keert nocit terug op ons geween

2. Dat ieder ooirfnblik van \'t leven

Mij boven alles dierbaar zij !

Gem uur, mij tot m:jn nut rregeven,

Ga iinmer ontrebruikt voorbij.

Noir i« het das ; straks komt de nacht ,

Mijn taak zij voor zijn komst volbragt.

3. Ik zie mijn* tijd di r henen snellen,

O Heer van tijd en eeuwigrheid !

Leer mij mijn ooircnblikken tellen.

En houd mij tot uw komst licreid:

Elk stipje van mijn\' levenstijd Zij U geheel , alleen gewijd!

4. Leer mij naar mijn vo\'makintr streven.

En in mijn rocpin? al den dag Steeds waakzaam door \'t geloove leven.

Tot ik U daar aauschouweu uiag,

Waar

-ocr page 181-

Gei. 161-163. OP HET NIEUWE JAAR. Itó

Wnar^pens de mensrh te rijker maait,

Hoe iheer hij hier op aarde zaait.

162. OP HET NIEUWE JAAR. Wijzk. Psalm 113.

wg

Wat onheil in dit jaar ons beid\'. Gij zult ons

nooddru.i , veiligheid, Gy lult in ChrUtus alles geven.

2. Gij , Gij vtrandcrt ninimennfer;

Mot vaderliefd\' en trouw, o Heer!

Bestuurriet G\' onze lotgevallen ;

IVTet wijsheid ha.lt Gij die bepaald,

En nimmer heeft uw raad eêfaald :

Uw alziend oog waakt over allen.

3. ITw Hefd\', Ontfermer 1 kent ireen peil. Gij «orrdet teeder voor ons heil,

Gij . die ons uwen Zoon woudt sreven ,

Die eens voor onre jonden r-ti.-if. Uw Vadergunst voor ons verwierf, • \'

En ons hier vormt voor \'t heinelleven,

4. Wel zal is hij , die op U houwt,

Geheel zyn lot aan II vertrouwt,

En da^ aan da? op IT lii.jft wachten.

Die das, resterkt in U zijn\' God ,

Ook kinderlijk uw rein sel.od •In zi, c roeping blijft betrachten.

5. Wanneer \'t seloofsoog op U ziet.

Dan kwelt de donkrc toekomst niet,

Dar. is zeen nacht voor on« te duister; Dan juichen tv\' op onelfen paan .

En zien, bi.i d\' uilkomst van uw daftn,

Uw liefd\' en wysheid in haar\' luister.

6. Gord Gij ons aan met nieuwen moed.

Gij, Gij almairtig, wijs en goed!

Blijft ieder\' avond , ieder\' «norren Ons uilzitrt , ook In banden nood ;

/*1 trof dit jaar ons zelfs de dood.

Gij kunt. Gij zi.lt voor eeuwig zorgen.\'

7. Dat ieder dan het zortren slaak ,

Geen\' kommer voed\', maar biddend waak.

Zijn\' pliirt betracht\', U blijv\' «relooven , Dan slt;-hrikt ons hart voor reen sevaar;

En niets zal, in \'t vernieuwde jaar ,

Uw gunst . o Vader 1 ons ontrooven.

163. O P D E L E N T F.,

W ij 7. k : Allein Gott in der Hoh sey Ehr\'

Liü,

-LJ oof

ooft God! laat ons, zyn\'

-ocr page 182-

die , wat Hij schiep, bewaart , Eu alles z

lijn\' aard ; Looft, looft Hem al lijn werquot;- ken!

2. De cond , die lans verstorven lag,

Ontwaakt ten leven weder ;

Daar gtrooint, met eiken nieuwen dag,

Ken nieuwe ze^en neder :

De rups , die op een blaadje leeft,

De voirel , die de lucht doorzweeft,

Verheugt zich in zijn leven.

3. Den mensch verkwikt een zachter lucht;

De bloemen , rijk in kleuren ,

Doorwasemen die zachter lucht

Met zoele baVsemgeuien ;

Het vee, ontiveken aan de stal.

Vindt jeujrdi!» croen lanffs berg en dal. Kn huppelt door de velden.

4. \'t Gelaat van \'t aardrijk is verheugd,

\'t Geboomte lacht ons tegen ,

De groenend\' akker juicht van vreugd ,

En proeit by \'s Hemels zepen :

Want Cod , wiens hand aan al wat leeft Het aanzijn en het leven peeft,

Uetoout zich allen gunstig.

5. Looft God ! want Hij is ons nabij ,

Zinpt alle zijne heiren !

De Heer is ons alom nabij

In heemlen , aarde , mei ren :

II looft, o God ! oris hart en mond ; G\' omringt ons, waar wij zijn in \'t rond, Met uwe gunst en liefde.

6. Gij roept de wolken over \'t land,

Dat zij de velden drenken ,

En ons de gaven van uw hand In ryken voorraad schenken ;

Dauw , repen , wind en zonneschijn , Die dienaars van uw almapt zijn,

Verkondigen uw goedheid.

7. Daar stroomt zelfs uit uw donderlueht,

Als al uw schepslen beven,

Versterkinp, wasdom , rijke vrucht ,

Gezondheid , voorspoed , leven ;

Dan breekt de zon op nieuw weer door, En mensch , en vee, en vooglenkoor Zijn weder in U vrolijk.

8. Gij peeft al wat ons hier verheugt,

Gij, Gever aller gaven !

Maar wil ons eens met hooger vreugd,

-ocr page 183-

164. O P Ü E L E N T E.

Uit Jczu» volheid , laven :

Omhoog looft ü der Kn^len «rhaar, En och ! dat wü U ook eens daar, Als zü onsterflijk , loven.

OP DEN ZOMER. W u z e : Gezang 17.

2. Waarheen in \'t rond onz* ootren weiden ,

Maakt Gö uw wondre goedheid groot ; Der kiniden peeft Gij ruime heiden , En uwen menschenkindren brood ; Gij zorpt voor elk : de rups, de bij, Den kleinsten worm verzadigt Gij.

3. Met uwe zomerzon stroomt leven

In elke borst, in elke plant;

De vreugd gaat door de d.-.len zweven , Hec rundvee dartelt op het land ; Bezield door haren zarhten gloed, Vermaakt de visch zich in den vloed.

4. Onz\' akkers juichen van uw\' zegen,

Als hun de dauw verfrissrhing schenkt. Of hen na droogt\' een malsche regen Tot zwelling hunner airen drenkt; De beek , die door de dalen zwiert, Verkwikt den wandlaar en \'t gediert\'.

5. Zoo heffen da\'en , wouden , velden ,

Vereenigd U het loflied aan;

Daar staan ze, die uw eer vermelden , Het groeijend ooft, het rijpend graan; Wat plantje, dat Gtf niet voorziet? Het kleinste zelfs vergeet Gg niet.

6. Wij blijven op uw voorzorg bouwen ,

En , met den landman , bij zijn vlijt, Den oogst aan uw bestel vertrouwen : Bew ar ons zijn\' gezellen tijd ,

Uw heil verblijd\' ons! nooit veracht Gij *t hart, dat op uw\' zegen wacht.

7. Wat leeft en ademt loov» den Heere!

Zingt nu deez\' aard reeds zulk een lied , Hoe zal zij juichen Hem ter eere,

Als zij zien eens herschapen ziet!

Eerst dan rijst. Vader ! uit het stof. Voor uwe goedheid , hooger lof.

-ocr page 184-

OP t)EN HERFST.

Gez. 165.

168

165. OP DEN HERFST. W U 7. K : Gezang 119.

I)

\\^i ccds daalt, met een omwolkt Kez\'St, De

roejjtijdijï neder, En later toont haar zwak-

H^se:

ker licht Ziih aan den hemel weder: Het schoon

heenjesneld, En reeds wordt cp het dorre veld De ruwe storm verno - men ; I\'et Hatstc

|=Éï==^=S=S5=^=Ê=^=i:^3

En

bloempje neigt ter aard, En d\' adem van den

oatblaart De schaduwrijkste hoouiea.

2. Zoo wijkt de zomer met zijn pracht,

Maar niet, o God ! uw re-ren •

Neen , boom en weid\' en akker smacht

Der wint errust leed» tegen ;

Die ruft mankt nieuwen gioei pereed , Ook loont de dorschvloer \'s landmans zweet:

Geen spijs zal ons onfhfeken ,

Daar Oorl in aller nood voorziet;

Of leidt li ij zelfs de vooglen niet.

Om spijs , in wanner streken ?

3. Uw voorraadschuren onent Gij ,

O God ! voor menschenkindren,

De ruwheid van het jaargetij

Zal nooit uw zorg vermindren;

Al wierd uw liefde menigmaal Door ons miskend bij \'t mildst onthaal,

Gij wilt die schuld verseven :

Och ! geef ons. dat w\'. in on» gedrag, U vruchten «Iraircn dag aan dag,

Eu dankbaar voor U leven.

4. U, die ons steeds ten vader zijt,

U blijven wij verwachten.

Al nadert \'s levens wintertijd ,

Al slijten onze krachten ;

Ook in dien herfst des levens zal Ons hart , bij smart of ongeval ,

Niet vruchtloos op U bouwen :

Gij blijft den ouderdom len staf.

Gij blijft tot aan , tot over \'t graf, lu Christus, ous veiuouwen.

-ocr page 185-

OP DEN WINTER.

ru luister, Verhellen zijne liefd\' en mngt.

S. Hij riep de zon en sprak : koer weder Terug op uwe wijde bann !

Tij ging, zonk daatrlijks vroeger neder.

En lacht\' ons halfrond schaars meer aan.

7\'ij riep de winden , en zij brulden ;

Se sneeuwwolk , en haar vlokken vulden

Den grond, ca jaagden rustloos bij.

Eij sprak; gij stroomen stolt! zij stolden ;

Gij meiren woedt ! rn ijlings rolden Hun golven , ijlings bruisten zü.

S. Van haren arbeid rust onz\' aarde ,

Zij sluimert , door Gods hand bedekt,

O pil at zij nieuwe kracht vergaarde ,

Tot dat de lent\' op nieuw haar wekt.\'

De landman heeft, liet lale koren Vertrouwd aan haar geploegde voren ,

De Schepper waakt ook over \'t grain ;

Dood liirt het daar, de zon zal H leven Bij haar terugkomst wedergeven ,

En bloeycnd tal \'t op d\' akker staan.

4. Zoo zinken wij in \'t eind ook mede ,

Vermoeid én afgemat, in d\' aard.

En sluimren daar in stillen vrede ,

Door Hem , die nimmer slaapt, bewaard.

Opdat ons stof herrijz\' in waarde ,

Geeft Hy het afgeteld aan d\' narde ,

En eischt het eens van d\' aard weêr af;

Zijn ceuwge lentedag zal komen ,

Dan. dan verlaten zijne vromen Vol nieuwe levenskracht hel graf.

U 5. O

Gei. 166.

lCrgt;. OP U K N W 1 N T E II. W IJ 7. F. : Gezang öt.

-ocr page 186-

OP DEN WINTER. flez. 166—163. 6. O das «les levens . day der weelde!

Hoe wensrht mijn hart uw heil nabij !

Verrijsniszon ! wier hoop mij streelde ,

Wanneer zult c\' opzaan over mij ?

\'k Moet eerst verrottins; nojc aanschouwen, \'t Verpanklijk\' eerst aan \'t stof vertrouwen ,

liet zaatl moet sterven , eer *t ontspruit:

7.om ik , eea Christen , \'t sterven vreezeu ?

Neen \' welkom , zalii» zal \'t mij tvezen ,

liet loopt in eeuwig leven uit!

Iö7. IN DEN OOGST.

W u z E : Gezant, 13G.

2. Om ons hij \'t leven te bewaren ,

Schenkt Gij ons volle korenairen ,

Maakt Gij haar korlen zwaar en trroot; liet voedzaam brooil , dat zij ons schenken , Dort ons aan uwe goedheid denken , Die, die alleen verleent ons biood.

3. Gij schept de vrucht van struik en boomen, Gij hebt ile knopjes voort doen komen ,

Gestoofd in wanne zomerlucht, De inalsche vruchten . die on* laven ; Wat boomgaard , weid\' en heid\' ons gaven , Van U is \'t al, en vee, en vrucht.

4. Gij, Heer\' schenkt alles; Gij verzadigt. Gij helpt. Gij sterkt , Gy begenadigt

\'Jw schepslen door uw grensloos rijk ; Al waar II uwe werken prijzen.

Wilt Gij U groot en goed bewijzen;

Wie is , o God ! aan U gelijk ?

5. Laat ons die weldaAn uit uw handen Ontvangen . als gewisse panden

Van uwe punst in Christus bloed ,

Waarin w\' uw Vaderliefde smaken ,

En in ilie liefde tot U blakeu ,

Die Gij ten dank ontvangen moet.

168. IN DEN OOGST. w ij z e : Gezang 8.

0

Vader! die uw kindrea voedt. Wie is als Go ,

-ocr page 187-

Gcr. 168, 169. IN DEN OOGST.

boud is \'t lied , Al strooml uw gunst ons ti s brood, r kicmtjc srlioot, Wondt G\' in den grond bewaren: Bij repen . dauw en zonnerohijn Do-t Gij haar\' halm geladen zijn Met vette korcuaireli.

. Verzorger! God van al wat leeft,

Die ons zelfs boven bidden geeft.

Wie mort uw\' naam niet prijzer » Och ! mogt de toon van \'t staamler.d lir.l , Het welk ons zondig hart U biedt ,

Tot U ten hemel rijzen.

Dat steeds ons hart op U vertrouw\'.

Steeds op uw Vaderzorge bouw\'.

En nooit U mooT verdenken Cïij schonk\'t or-\'lt; uwen ei?en\' Zoon ; Wat zult Gij, Vader! van uw\' troon Ons met dien Zoon niet scheuken ?

OP EKNEN BEDEDAG. W u z E : Psalm 53.

Bij \'t roemen van Gods groote . Wij juichen. Heer! om uwe daden, Gü hebt ons Land en Kerk gespaard. Ons boven duizenden bewaard ,

En met uw weldaan overladen ,

Bevoorregt met uw heilig wooid , Met uw pena\', alom gehoord. . On* land lijt in geen\' vloed bedolven , Nog tiert op heid\' en weid\' ons vee , (Jod hoedt de scheepvaart op de zee , Fn leidt ze door de woeste golven , HO schenkt der nijverheid het brood , Eu maakt alom zijn vroedheid groot, 11 2

-ocr page 188-

OP BKNEN BEDEDAG. Gcz. 1G9, 170.

4. Laat ons ïijn trouw , zijn ^unst\' verheffen ,

Hij keerde zware rampen af.

Hij inengile zoet in bittre straf;

En , welke smart ons ooit mo^t txeffen ,

Zijn roede bleef een vaderroe\'.

God wordt het weldoen nimmer moe\'.

5. Maar arh ! men bleef zijn troedheid tergen ,

Hoe schaars erkende \'t Vaderland In alles zijne poedc hand ;

De zonde steef; tot hooRe bergen ,

Zijn dienst werd roekeloos vertreén,

Zijn waarheid schandelijk bestreëo,

6. O ia ! dat moeten wij belijden

Voor U , o God ! die alles weet,

Och ! dat het elk in waarheid deed ,

Elk U \'t verslagen hart mojft wijdt» ,

En pleiten om vergiffenis .

Die in uw\' Zoon oneindig is.

7. Leer elk , hos hij is af*rewek?n ,

Bekeer ons iflt;ter tot zijn* pl\'fr:,

Och ! treed met ons niet in \'t k*quot;\'\'\'!?\' quot;gt;

Wil tot ons hart van vrede sptrien ,

Stort uwen Geest op Neêrland neèr,

Opdat het tot U wcderkeci\'.

8. Dan zult Gij \'t Vaderland verscloonen ,

Dan blijft ons d* oude zepen bij ,

Dan roemen , ja , dan juichen quot;.vij :

„ Der vaadren God blijft bij on? v.-oonen ,

„ Wij zijn een volk , een erfenis ,

„ Wiens God de Heer dor heeren is.quot;

170. O 1\' KENEN BEDEDAG. W u 7. K : Psalm 51.

h k zal dan , op dce:

k zal dan , op dcez\' stateiijken dag , Eenstem-

lig welbehagen , \'t Vereend gebed, uit allen onze

nood, In Christus U gcloovig op te dragen. 2. Gü ziet mij bij de zaamgevloeide r.ehaar,

Maar diep beschaamd om mijn oml;.nkbaarheden ; •t Heb duizendmaal uw wetten oveitreden ,

-ocr page 189-

Gtz. 170. 171. OP EENEN BEDEDAG. 1 Mijn zondenschuld ui.iakt mró de lanil«srhuld zwaar: Geef, dat ik die, met allen hier vergaard,

In \'t hart gevoel\', en openlijk helijile,

Opdat uw trunst dnt hart, met srhuld bezwaard.

Door uwen Geest, door uwen troost verblijde.

3. Ontferm, ontferm, o Heer! ontferm U toch! O llegler, zoo genitdig als reertvaardis» !

•t Is waar, wij ziju uw straffen dubbel waardig.

Maar onverdiend spaart uwe Land .-ns no-r;

Geef, dat die hand ons tot bekeerin:» leid\';

Och geef! och geef, dat wij , in die verscbooning,

Den Vaderwenk van uw lauirnioedigheiti Eikenueu met opregte dankhetooning.

4. Zoo inosen wij , naar \'t voorschrift van uw woord , Uw gnnsteu en kastudinir regt betrachten.

Uw\' wil ons heil , uw\' dienst ons hoofddoel achten. Door uw geduld en weldoen aangespoord :

Zoo mogen wij in uwe vrees voortaan Den besten wrg , dien Gij ons wijit, betredeu ,

F.n uw bevel eerbiedig padeslaan ,

Als d\' eerste wet voor volk en overheden.

5. Ja, dan alleen , dan zullen wij gewis Een volk van U bemind , gezegend wezen ;

Aan hen , o God ! die II in waarheid vreezen ,

Bevestigt Gü al uw beloftenis:

Dan zult g(j vreed en welvaart en gft luk Bondom ons heen gebieden en verlengen ;

Dan zullen wij , bevrijd van ramp en druk,

U offers, die IT welgevallen , brengen.

C. Verlicht daartoe genadig ons verstrnd ,

Bestuur ons hart , verteeder ons geweten !

Dat w\' U , den God der vaadren , niet vergeten In huisgezin , in kerk , in vaderland ;

Dat w\' aan uw eer, aan uwen dienst altijd \'t Bijzonder en gemeen belang verbinden ,

En, \'t zij uw hand ons zegen\', of kastijd\'.

Ia uwlt; gunst ons waar genoegen vinden.

7. Zoo zij voor ons deez\' dank- en bededag.

Voor \'t gansche land , tot een verblijdend teeken , Hoe veel bij U het waar boetvaardig sineeken , Ontfermend\' God ! om Jezus wil, vermag :

Zoo blijk\', dat Gij aan schuldigen vergeeft Op smeeksrebeên , in Hein V opgedragen:

Zoo blijk\', dat Gij , de God der vaadren , leeft ,

En bij ons blijft met gunstig welbehagen.

-ocr page 190-

2. /To« nipti^ klein was hun \\

Hoe proot «le taak door hen vo!ecd , \\Val ramp is hen voorlig gevloden , Wat rpdilins; hleei hun onijekeuil!

Gij waart hun steun l)ij \'t gruwzaamst wee ■ Zoo staat fjeen rots in \'t hart der ree.

3. Colt;l ! zou ons hart het ooit verdelen.

Wat Gij voor ome vaadren deedt ,

Toen dwin^Iandij het vrij icevvetcu IVIel al dc uia^t der aard bestreed , Uw alina^t, uw ontfenniu? bood Him \'t eeni^st uitziet in den nood.

4. Hier inoe»teu zij \'t pewcld verduren

Van oorlotr , hongersnood en jiest;

Daar rezen wieede martelvuren.

En moordschavotten door \'t püvcbt; En overal doorweekt\' in \'t rond Het edelst bloed dsn hangen grond. 6. Maar Gij , Gij streedt met h:mnigt; scharen. En be..Jen slonken om hen heen;

Pest, o irlo-; , honger, moordenaren I\' \\ bluedgcrijrt werd af^estreón ,

En uit den zv.a-rtsten nacht van nooJ Veirecs het lieflijkst morgenrood.

6. Nu eens scheen zelfs de hoop verloren.

Daar slechts een wonder redden kon ;

Maar Gij, Gij hadt hun hulp beschurcu, En \'t zinkend Vaderland verwon :

Zolfr» eeuwEC weiter. der natuur Eerbiedigden uw aibestuur.

7. Dan scheen de zee hun aan te wrokken

En dreigd\', op \'t buldren van d\' orkaan, rfgrond inteslokkcn ,

Of a

_

aft es

r rees de Gij wenkt, et

8. O Gij , der vaadren va«t vertrouwen,

Hun hulp en toevlugt in \'t gevaar!

Waar kan ons ootr deez\' grond aanschouwen, Daar r.iet uw almairt zigtbaar waar ?

Geheel het oude Nederland Was steeds eeu wonder van uw hand.

9. Hoe diep in \'t stof zonk \'i nakroost ceder,

Sints \'t U der vaadren God verliet : Och God ! och God ! keer tot ons weder , Wij zinken , redt uw almagt niet ;

Reeds oogsten w\' op onz\' eigen paan De wrange vruchten onzer daan.

10. Wij pleiten. Heer! op uw genade.

Die nooit den boeteling verstojt;

Ook zij kwam \'t voorgeslacht te stade. En blijft nog altijd eindloos g-oot; Wij pleiten, knielend voor m»\' troon. Op \'t bloed vau uwen lieven \'ioon.

11. lied, schraag, versterk door u.v vcrinoiren

Wat cniR uw hand gewrocht heeft. Heer! Eu \'t Vader laud slaat daakbaai\' uogeu

-ocr page 191-

Ger. 171—173. OP E E N E N BEDEDAG-.

Van nieuws o;gt; U , ïyn\' Redder, wrAr : 7.olt;gt; word\' door voor- en nageslacht Uw\' naam de [jlorie toeeebra^t.

---:—° «—^=5

schijnt. En over hen, en over troeden resem.

2. Gij , Gij behoudt natuur in haren stand ,

AlmaTtiR\' God ! Gij wenkt, daar zinkt zij neder ,

Gij wenkt op nieuw, daar rijst haar schoonheid weder; Wat is en wordt bestaat door uwe hand ;

quot;W* erkennen , Heer! uw oppermajesteit.

Wat ons ook trelf\', uw oordeel is retrtvaardig;

Wij pleiten steeds op uw meédoogendheid ,

Al zijn wij zeil» uw zwaarste slagen waardig.

3. Gij toch , o Heer! die slaat , en ook geneest. Gij tuchtigt ons, maar plaagt ons niet van harte; Gij waart van ouds een toevhigt onder smarte ,

Ontfcrmer is uw naam altijd geweest:

Och ! om uws naams en om uws Zoons wil. Heer! Verkwik het land door eenen milden regen ,

Zie niet op ons, maar op zijn offer neêr,

En geef, o God! onwaardigen uw\' zegen.

175

173. B IJ OVERVLOEDIGEN REGEN. Wij ZB ; Wo Gott der Herr nicht bey un» halt.

Dat d* ,

Het ligt als

God ! bewaar het veldgev

kers ons voorspel - der

-ocr page 192-

BIJ OVERVLOEDIGEN REGEN. Gez. 173, 174.

iiü=

Gebied de wolken,

iiat zij niet Des laudinans hoe p vcrwoe - sltu.

2. Ontsluit uw zegenrijke hand ,

Verkwik , in onze dalen ,

Eens wrër het halfverdronken land

Met warme zonnestralen :

Geef droo\'.\'e weiden aan ons vee ,

En deel een\' rijken voorraad meê

Van voedzaam brood voor mcnschen.

3. \'t Is waar, wij hebben zwaar misdaan.

Altijd RcherUt aan \'t kwade ;

Ma.ir zie ons in ontferming aan ,

Verleen ons. Heer! penade :

Zoudt Gij , die ons het hemel.\' -h brood . In uwen Zoon. zoo Runstijj bcodt.

Ons \'t aardse.he brood onthouden ?

4. Orh ! hoor ons, en bewaar on:i, Heer!

Dan oo^st en zijne tijden ;

Sc hraag onze wnnkle hope wéér,

Dat w\' ons in U verblijden ,

Als \'t -fraan , met zoo veel zorg gezaaid , In volle srhoven , blij Kemnaid ,

Gevoerd wordt in de schuren.

IN WATERSNOOD. Wijze; Psalm 31.

ft-1*- -6--v-—-------^---—yy

vloed groeit immer aan, Behoed ons, wij ver-

gaan! Och! wil ons toch genadig wezen, Gij ,

Redder uit gevaren, Gij kuut .\'.Heen bewaren.

2. Oatfenner ! zie ons biddend knielen

Voor uw\' gensdetroon ,

Aanschouw ons in uw\' Zoen ;

Ach ! zou de vloed ons land vernielen.

De vrucht des velds doen sterven,

En haav\' en vee verderven ?

3. Beveilig onze vastigheden ,

Schraae die door uwe ha id ,

Houd dijk en dam in stand ,

Bestraf, o Hoorder der gebeden !

\'t Geweld van wind en stroomen.

Een wtnk zal die bctoomen.

-ocr page 193-

Ccz. 17i. -76. NA STORr.f EN WATERSNOOD.

2. Poor dfr stormen loeijeuJ v

Storttpn vloodfii,

Honjf ppxfe^cn, plotxlin? nrfr; Wg , door d* on^rteinde golven Srliier bedolven ,

Zagen nergens uitkomst mrer.

3. Maar Cü Heer! wondt U ontfermen.

Op ous kermen;

Op ons roepen , wij vergaan ! Tooi.ilet fïij uw alvcttnogen : Opgetogen Zien wij onze redding nan.

4. Ijlings wondt Gij uitkomst ïchcnlrcn

Op uw wenken Toonde \'t. al gelioorraamlieid : Gij gèboodt, de winden zwejjen.

Voor die stem der inajestcit.

5. Nu , nu juichen onze harten .

Vtij van smarten ;

lieer! wat zijt Gij gord en sioot! Gij , door eind-loos inededoogen Straks bewogen ,

Schenkt ons leven uit den dood.

6. Wil nu aan verleegnen denken ,

H ulpe schenken ,

177

Waar men nog geen uitkomst ziet, Leer ook daar uw redding wachten ; Donkrc nachten Worden licht, als Gij \'t gebiedt.

176. IN O O R L O G. IJ 7. E : Singen wir aus Hcrtzcn Grand \'

een God als Gi

-ocr page 194-

waterplas Op onze drassclic vel - den. ü Gij !

Hfe==3^—______________

die onzcu kommer ziet, Gebied de wolken,

jlat zij niet Des laudinans hoop verwoe-sten.

2. Ontsluit uw zeRenrijke hand ,

Verkwik , in onze dalen ,

Eens weêr het halfverdronken land

Met warme zonnestralen :

Geef drooue weiden aan ons vee ,

En deel een\' rijken voorraad inef

Van voedzaam brood voor menschen.

3. \'l Is waar, wij hebben zwaar mitdaan,

Altijd pchecht aan *t kwade :

IVIa.ir zie ons in ontferming aan ,

Verleen ons , Heer ! trenade :

Zoudt Gij , die ons het hemclsrh brood ,

In uwen Zoon, zoo Kunstig boodt.

Ons \'t aardsche brood outho iden ?

4. Orh ! hoor ons, en bewaar ons , lieer

Den ootrst en zijne tijden ;

Schraag onze wankle hope weêr,

Dat w\' ons in U verblijden ,

Als \'t quot;fraan , met zoo veel zorg gezaaid,

In volle srhoven, blij gemaaid ,

Gevoerd wordt in de schuren.

vloed groeit immer aan. Behoed ons, wij ver-gaan! Och! wil ons toch genadig wezen , Gij ,

p=gigEgiigs===^ii^g=s$^Ëp

Redder uit gevaren, Gij kuat alleen bewaren.

2. Ontfenner ! zie ons biddend knieier

Voor uw\' genudetroon ,

Aanschouw ons in uw\' Zoon Ach ! zou de vloed ons land vernielen ,

De vrucht des velds doen sterven,

En haav\' en vee verderven ?

3. Beveilig onze vastigheden ,

Schraa? die door uwe hand ,

Houd dijk en dam in stand ,

Bestraf, o Hoorder der pebeden

\'t Geweld van wind en stroomen,

Een wenk zal die betoomen.

-ocr page 195-

Gcz. 17£, j76. NA STORM EN WATERSNOOD.

173. NA STORM EN Y/ A T E R S N O O D. vf ij ze: Psalm 3S.

•namp;jSÊ»

I / at nu elk d\' Algoedheid pnjze, \'t Lof-

/C?:—

lied rijze! Zingen wij r.u God

11 cm. die, rn wind

rrn~ Knielt Voor iFcTu aaiibhïjTnd i^êr.^quot;

2. Poor dfr stormfn lorijeud wooden ,

Stortten vloeden,

Hontr pexte^en , pio\'slins nrêr;

Wij , door d\' on-reUmdc golven Schier bedolven ,

Zagen nergens uitkomst mrer.

3. Maar Gü Heer ! woudt U ontfermen.

Op ons kennen;

Op ons roepen , wij vergaan !

Toondet Gij uw alvermogen :

Opgetogen Zien wij onze redding aan.

4. Ijlings woudt Gij nitkomst sehenlrcn ;

Op uw wenken Toonde \'t al gehoorzaatnlieid ;

Gij geboodt, de winden zwegen.

Voor die stem der majesteit.

5. Nu , nu jnieben on-e harten,

lieer ! wat zijt Gij goed en croot!

Gij , door eindloos mededoogen Straks bewogen.

Schenkt ons leven uit den dood.

6. Wil nu aan verleegnen denken ,

Hulpe schenken .

quot;Waar men nog geen uitkomst ziet,

Leer ook daar uw redding wachten ; x

Doi\'Kre nachten Worden licht, als Gij \'t gebiedt.

z

170. IN O O R L O G.

w\' ij 7. e : Singen wir aus llcrtzcu Grund !

Liquot;quot; ie erbarmend op ons ncêr ! Om erbarming,

God en Heer ! Om erbarming smeeke

-ocr page 196-

2. D\' oorlogsvlam stijft in de lucht, Vrede , vreugd en zegen vluirt; \'

\'t Krijif^lieir stroomt aan alle kant, Als een zondvloed , over \'t land ,

Alles smijt het in zyn vaart.

Als een hagelslorm , ter aard ;

Bloed en dood begeert zijn zwaard.

3. Arh! daar onrejrt cn geweld Ook den besten krijg verzeil,

AVie . o God ! wie siddert niet,

Als hij aan all\' oorden ziet.

Dat ook ware heldenmoed

Straks uit heefe wraakzucht wondt! Wat vergiet hij ? broederbloed !

4. Zien wij al die gruwlen aan,

Siddrcnd moeten wij vergaan ! Om erbamiihg rmfeken wij; Ken erbarmend God zijt Gij ! Och 1 gedenk niet aan de 8« huid , Die ons hart met schrik vervuil ; Red ons spoedig ! schenk geduld !

5. Allen, volk en overheen ,

Dringen tot U met gebeên :

Wat is onze zwakke magt Tegen uw geduchte kracht?

Zoo Gij in \'t gerigt wilt gaan , Ach! hoe zouden wij bestaan ? Wij vergaan ! ach ! wij vergaan !

6. Jezus Christus ! met het bloed , Dat voor snoode zondaars boet, Treedt G\' uit lontre meiischenmii\\ Voor hen bij den Vader in ;

Wees daar onze Voorspraak, Gy -Om erbarming ameeken wy ;

Och \' om redding smeeken wij.

7. Schenk ons uwen Geest, wiens kracht \'t Hardst gemoed als was verzacht. Van den vijand broedren maakt ,

Tn wier hart de liefde blaakt;

Zend dien Geest ons van omhoog t Allen slaan wij \'t schreijend oog Smeekend tot U naar omhoog !

8. Gij , almagtig\' God ! wiens wil Tot de stormen spreekt: weest stil ! Spreek nu ook op onze beé

Tot het zwaard • keer in de !che5! Spreek nu fot de tweedragt: wijk ! Weer het oorlog uit uw rijk !

Want de wereld is uw rijk, 0, \'t Menschdom om die gun«t verheugd Looft dan uwen naam vol vreugd ; Met de harpen in de hand Dankt IJ \'t volk van ieder lam;.

Hoor ons! hoor ons\' smeeken wij ; Ken ontfermend God zijt Gij ! Och \' om vrede smeeken \\vg.

rs I N O O R L O G. Ccz. 176. G

-ocr page 197-

IN VREDE.

Gei. 177.

179

177. IN V R E ü E. W U Z E : Psalm 150.

:^:-3CE^rifc= rrces en smart, Onzen Redder juichead danken.

2. Loof Hem, dierbaar Vaderland!

Dank ootmocdi?, dank de hand ,

Die aan \'t woedend krosf^eweld Kindlyk perk en palen stelt!

Die ons aan den last ontrukte ,

Aan den last, voor ons 200 ban^.

Aan den last , die nu zoo lan?

Onze zwakke schouders drukte !

3. Looft IIem , visschers aan het strand !

Steekt Rerust en blij van land !

Vreest {reen onrust op de zee ,

Alles, alles is in vree!

Loof Hem , zeeman ! Ian?s de baien Kunt gij weer , uit ieder oord ,

Oost of west of zuid of noord ,

Voorraad voor uw land vergaren.

4. Land- en veeman ! looft nu God,

Juicht in uw jrezegend lot!

Zendt uw rundren in de wei\'.

Drijft uw schapen op de hei\'.

Gaat cerust uw akkers zaaijen :

\'s Vijand? hand sleept thans uw vee Langer niet geweldig meê ;

Cij zult zelv\' uw koren maaijen.

5. Stedelingen\' laoft den Heer!

Hoopt op d\' oude welvaart -.veér ;

Voor dert koopman druk vertier ,

Nerin? voor den winkelier ,

Bezigheid voor handwerkslieden ,

En , voor schamel\' armen , brood :

God , die ons den vreè gebood ,

Wil zijn heil daartoe gebieden !

6. Mogt vooral ons hart van dank Gioeijen al ons leven lang !

Mogt voorvaderlijke deugd

In de Nederlaads-cbe jeugd ,

Met den Godsdiennt, wéér herleven Most hier spaarzaamheid en vlvt Woonen, als iu vroeger\' tijd !

Dat ^ou hoon op welvaart geveu.

li 6 7. Sclient:

-ocr page 198-

IN VREDE. Gei. 177. 178.

7. Schenk daartoe uw\' Geest, bekeer. Heer ! dit volk , uw volk weiter; Geef nan d\' Evan^elieatem ,

Op lt;le harten , kracnt en klem. Ürh , dat veleu die gelooven !

Dat 7al onii, na hanpreu druk , Zegenen met dat lt;;e1iik ,

Uat ^ecn oorlog ons zul roovcn.

178. IN VREDE.

W ij z K : Wie schön leuchtet der Morgenstern !

Zijn almagt sprak ,

lieer! Halleluja! Halleluja! Dat uiv klanken

Hem , den God des vredes , danken!

2. Heft aan ! Golt;l geeft ons juiehensütof: Wat juichen kan verheff* zijn\' lof!

Heft aan! Hij };ee!\'t ons vrede;

Hij heeft de vlam des krijgs gebluscht,

\'t Keert alleK nj» zijn\' wenk tot rust , Het zwaard keert in de schede.

Uit. nood Ku dood Heeft Hij *t leven On* hereeven !

Steden, velden ,

Alles muct zijn heil vei melden.

3. Keer , handlaar! zee- en landmaa ! keer Nu dankend tot uw ruste weCr;

God zelf heeft z\' u geschonken ;

vl\'jt en godsvrucht zal ons lai d Herleven , al# ia vroegren stand ,

Hoe diep ook nu gezonken.

Zoo eroeij\'

En bloeij\'.

Bij God» zegen,

Allerwegen ,

Door den vrede ,

Neérlands welvaart op uw bede!

4. .fa , God des vredes ! blijf ons bij ;

Uw viced, u.» gutal iu Christus ztf

180

-ocr page 199-

179. IN VREDE.

Ons uitzitrt, nller vreugde.

Dnt elk , lt;l«t jeu\'/d en ouderdom Zii-h , liij dit vrolpfrcst , nlom ,

iu U alltfii verheugde ;

Dat nu Tot U \'t Halleluja ,

•t Halleluja Hooier rijze!

llnlkluja ! U ten jii ijre.

,79. M O R G E N Z A N G. t. e ; Was nicin Gott will das g\'scheh allzcit!

Suustbewijzen; Ik leef, bewees m\' en ben

\'icm , Zou quot;ik mijn\' God niet iuijzcTi?^^ . Ja , Schepper van dit wereldrond ,

Maar in uw\' Zcun mijn Vader !

Duld . ilat ik in deez\' orhteudstond

Eerbiedig tot IJ nader\' :

Deez\' dat» zij heel aan II frewijd ,

Uat blijven al mijn darren !

Dan zal ik , door uw gunst verblijd ,

Mijn\' onspoed vrol:jk dragen.

. Is voorbereiding \'t groote doel Van flit kortstondig; leven .

D.^t ik den prijs des tijds gevoel\',

Mij tot die taak geseven !

Oc-U ! dat ik vlijtig woekrea leer*

Met d\' afsewosen uren ;

liet eens vervloosne keert niet weèr ,

Maar wat het wrocht blijft duren.

Ik ken \'t verderf, dat in mij woelt ,

En mijne kleine krachten ;

Maar als mijn hart zijn\' pliirt bedoelt ,

Durf ik uw\' bijstand wachten.

Ach ! zou ik ansstis voorwaarts treên ,

En bij uw heilwoord vreezen \'

Gij wilt mijn leidsman hier beneên ,

Waar \'k feil, mijn Vader wezen.

. Met. II verzoend in Jamp;zus dood ,

En door zijn bloed geheiligd ,

la, en in voorspoed, en in nood.

Mijn pad door U beveiligd.

\'k \'iiecd dus op mijn bcïtcmuiing aan ,

11 7 Door

-ocr page 200-

MORGENZANG. Gei. 179 . 18^ Door lirf pn IpciI te trader,

Eu ook de stil geweenile traan fiien^t mij baar telkens nader.

G. Door uwen goeden Geest {jeleid ,

En moedig door uw\' zegen,

Voel ik mij tot myn taak bereid ,

Juich ik dee*\' das weêr tegen ;

Dat ik , met kinderlijk ontzag ,

Slechts aan uw wetten hange ,

En een , mijn roeping waard , gedrag Miju morgenlied vervange!

ISO. AVONDZANG.

zegeningen! Zulk ecu ontfermer waart Gij mij. Uw trouwe tors wou mij bewaren .

Uw hand heeft .nij gevoed , geleid;

Gij waart nabij in mijn beznaren,

Naby in elke moeilijkheid :

Deez\' avond loept mij , na myn zorgen ,

Tot rust voor ligrhaam en voor geest. Heb dank ! reed» van den vroegen morgen Zijt Gij mijn heil en hulp geweest.

3. Dvik . Vader ! dank voor die gcn?dc !

Verdiend\' ik zulks, ik zondaar? neen!

Sloeirt Gij naar \'t regt mijn tonden gade ,

Waar bergd\' ik mij , waar vlugtt\' ik heen ? Maar neen ! ik mag, ik wil niet vreezen,

Gij spreekt mij vrij om Jezus h oed :

Dit zal \'t verslagen hart genezen ,

Zoo smaak ik rust voor myn gemoed.

4. Laat uwe hand mij nu ook dekk\'n,

\'k Verlaat m\' op U , ook in den nac ht; U word\', ah Gij mij weêr zult wïkken,

Op nieuw mijn lofzang toegebragt;

Eu zoo ik nooit weêr uiogt ont.vaken ,

Aan U beveel ik dan mijn\' geest.

Om voor den troon die rust te smaken ,

Die hier mijn uitzigt is geweest.

5. Ik «eet. aan wien ik mij vertiouwe.

Al wiamp;bclcn ook dag en nacht;

-ocr page 201-

Gez. 180, 181. AVONDZANG. IS3

Ik krn de rots, waarop ik liouwe ,

Hij feilt niet, «He uw heil venvacht.

Erns, aan den avond van mijn leven ,

Brcnjr ik , van zorjc on Ftrijdon ipoc\'.

Voor eiken da?, mij hier gegeven ,

U hooger, reiner lollied toe.

Igt; O O D EN E E ü W 1 G J1 E I Ü.

N ROOD.

W ij z e : Gezang 173.

E5E;?=

oc zal \'t mij dan , o dan eens zyn ! Als ik.

Van dat leven , Ziel ! dat God u daar zal gcvei 2. \'k Verheug m\', en echter heeft mijn hart , Zoo drukt mij nog het juk der smart,

De vloek der zon.Ie neder :

Maar God , God zelf verligt mijn Juk ,

Mijn hart versterkt zich door den druk , Gelooft, verheft zich weder.

levei

U te sterven ,

\'t Ryk uw» Vaders eenmaal t\' erven.

3. Veracht den doodschrik dan , mijn gec?t I De donkre doodsweg , dien gij vreest ,

Is \'t pad tot blij aanschouwen ; Wat heeft, wat ijst gij voor uw lot ? De donkre doodsweg voert tot God , H(j voert tot bljj aanschouwen: Die rust,

Gods rust Gaat ons denken ,

Al ons denken En gelooven Onuitspreeklijk ver te boven.

4, \'k Weet niet, wat uur het wezen moo?. Dat. Heer! bij \'t breken van mijn oog,

MÜ tot uw dooden zamelt;

Vcelligt omgeeft my ook hun nacht,

* » oc zal \'I

i smart en igt;ijn , Ontwaak tot hoosrer waarde ,

-ocr page 202-

134 O P D E N D O O D. Gcr. 181, 182.

Eor ik «IfM* bpde heb volbragt,

Uw\' lof heb uitgestameld.

Vader!

Ik be\\cle ,

Ik bevcle In uw hnnden Nu iniju\' fjeest in uwe liandpn.

5. T.ijrt bipckt dat uur nojj lanit piet nan ,

\'k Pen lii\'t nos ver van \'t eind der baan ,

Waar d\' eerekrnonrn blinken ;

Maar zal, terwijl ik TI verheid ,

D\'! hulie mijner sterflgkheid Eerlt;:t laat in d\' aarde zinken :

Wil Gij Dan mij ,

Vnvlci ! Sterken;

Pat mijn werken v Mij daar volsren ,

Voor den troon des Refters volften.

6. Hoe 7al \'t mij dan, o dan eens rijn !

Als ik-, verlost van pniart en piju ,

Hem heler loof naar «aarde.

Volmaakt In onbesmette denpd ,

Een deelgenoot der hemelvreugd ,

Niet meer de mensch van aarde ;

Heilig,

Heilig,

ITeiüir zingen W\' ü daar , zinsen Prijs cn eere ,

U , die waart en zijn zult , eere.

81

182. OP DEN DOOD. W ij 7. F.: Gezang 21.

tille rustplaats van Gods dooden ! \'k Denk aan

ii met zoete vreugd , Eindpaal van verdriet en nooden.

Unstplanis na den strijd der deu^d ! Zouden wij voor •t\'sterven heven, Siddren voor dien jonga.en nood? .Ie-

1

rus üet voor ons zijn leven , Jezus overwon den dood.

-ocr page 203-

Ger. iB2—18-t, o P DEN DOOD.

•» Wil allenn voor Jezus Irvcn .

Die mijn hooji Kehcel verzaadt:

Wereld , a.-h ! wat is uwVaarde

Hij \'t volzalig bemclhof?

Wijk , ja wijk , o nietip* aarde !

Wijk al wat my boeit aan \'i stof.

4. Vrome , vroej* gestorven vrinden !

Slechts zi.it py quot;quot;iij wat vooruit,

\'k 7.nl u allen wrdervinden ,

Als ons Jezus \'t praf ontsluit;

Eerlanj; ral ik nirt ii rusten,

\'k Uijp al vast \\oor il\' eeu wisheid ,

\'k Staar vast op die hüjde kiistrn ,

Daar mij \'t hoogst geluk verbeidt.

1S3. O P D K N D O O i). W ij 2 E : Psalm 119.

f f ijk aardgt;ch geluk vol wiaselvalliirhecn ,

Ontwijk ons oog! wat hei! kunt gij ons geven ?

Al wat ons hart nog aantrekt hier beneên Is

ijdle damp, waar dwazen slechts naar streven:

Niets houdt hier stand , niets dan de dood alleen ,

gr: ■?=**--quot;j ^ lt;■ ƒ 7: yV

Het zeker eind van \'t nietig jnensehlyk leven.

2. Oneindig* God ! wiens onbegrensde «nagt Der mensehen tyd zoo juist heeft afgemeten ,

Och ! dat ik steeds aan mijne broosheid dacht\'. Och ! dat ik nooit mijn sterfuur mogt\' vergeten ;

Zoo ijl ik \'t lot, dat mij hierna verwacht,

Blijmoedig toe met eeu gerust geweten.

3. Om Jezus wil maak ons van schulden vrij ,

De band is sterk . die ons aan \'t stof blijft knellen ,

De zondedienst is d\' ergste slavernij ,

Hij knelt te meer, hoe meer de jaren snellen ;

Zoo vliegt de dag der zaligheid voorbij ,

Eu ijlings zal de zeis des doods ons vellen.

4. Vorm tot uw\' dienst ons ha»t, o heilig* God : Dan zal in ons een vuur van ijver branden ;

Uw dienst alleen eeeft onvermengd genot.

En maakl ons vrij van droeve zondenbandea :

Dan juichen wij in ons toekomstig lot ,

En stellen ons blijmoedig in uw handen.

181. OP DEN DOOI).

W ij z e ; Gezang 23.

Is ik, wanneer mijn sterfuur slaat , Het

-ocr page 204-

Gcz. ISi, 185.

D F. N

DOOD.

:lt;N-

ail des doods betrede , Dan gaat Gij , ==.^^1=^

miju toeverlaat,

Gij nnjn toevlugt steeds geweest, Ook dan be-

c=^:=3E5;

I ik U mijn\' geest,

2. Mijn schuld is zwaar, en veel, en

Maar dal dort mij met sa^en ; Ik vrees wel, in den laatsten nood ,

Noj» veel gewetenssla^en :

Maar aan nw\' dood zal mijn gemoed En aan uw godlijk offerbloed Dan nog met vreugd gedenken.

3. Ik hen uw lid. Gij zgt mijn Hoofd,

Noch Engel, dood , noch leven , Niets, dat mij ooit aan U ontrooft ,

Gü hebt m\' uw woord gegeven ; Kn sterf ik mi, ik sterf den Heer, Gij zelf hebt mij het leven wéér Door uwen dood

Gij zult hein wel lgt;cwa- ren.

groot,

. Omdat Gg uit het graf verreest, Zal ik ook eens verrijzen , En , waar Gij mij een erfdeel wecst,

Verheerelijkt Ü prijzen :

Dan kom ik hij ü in uw rijk, En leef met U onsterfelijk ;

Daarop ontslaap ik blijde.

Wan

Waar dan uw prikkel , zonden ! Hier leggen wy de wapens af.

Na zoo veel strijd en wonden; En is de doodslaap eens volbragt, Dan wekt Gij ons door uwe kracht,\' O Jezus! voor den hemel.

1C3. OP DEN DOOD.

w u z E : Gezang 23.

? ï gt;1 nnj ,

wanneer mijn sterfuur naak, O Je-

|T

-ocr page 205-

Ger. 165. 1SG. OP DEH DOOD.

dierbaar bloed Aan \'t kruishout bebt vergo - ten.

2. O IIcilniKl ! dooil van onzen dood ,

En leven van ons leven ,

Incücn myn schuld, zoo zwaar, zoo gi

UTijn hait dan no^ doet beven .

Laat in ij dan alles , nat Gij deedt,

Wat Gü voor my zoo bittei —cdt,

Tot mijnen troost gedenken.

3. Zoo \'t hart dan no? voor sterven vrers En voor de laatste snikken ,

Och ! imifrt inü dan uw goede Geest

Met heil en vreugd verkwikken •.

Weer allen banden antrst dan wijd ,

Opdat ik, in den laatst en strijd.

De zege weg inoog dragen.

4. Vcrkivi-k mij , in den laatsieu nood ,

Met uwe laatste pijne,

Uw ziel, voor mij bedroefd ten dood ,

Vertrooste dan de mijne :

Mijn lleilnpd ! och ! verlaat mij niet ,

Wanneer ik , in dat zwaar verdriet.

Daar lig van elk verlaten.

5. Men rag uw bloedzweet in den hof Op d\' aarde nederdruipen,

En U , gelijk een worn; in \'t ^tof,

Vol biltren zielangst kruipen :

Geef, «Int mij dit tot sterkte zij ,

En , dekt het koude doodzweet mij ,

Ik dan nog op U none.

G. Het vlecch is zwak; doch doet Gij ui: Den eeest gewillig wezen.

Dun zal ilt, zelfs in geen gevaar,

Hoe schriklgk cok , oo:t vreezen : Hoe donker \'t dal des doods ook zij,

Gaat Gij maar met en nevens mij ,

Dan kom ik ras ten einde.

7. Uw vree, bij mij sn laatsten snik ,

Bewaar mijn hart en zinneu ,

\'k /al dan kloekmoedig allen schrik

En smart des doods verwinnen ;

Geef mij t*dat ik , met vol verstand .

Mijn\' geest beveel in \'s Vaders hand ,

Uw\' ti oost gevoel\' in \'t harte.

B. Laat zorg of liefde mijn gemoed

Aan \'t aardsrho niet doen hnng ,

Doe mij naar U, mijn eeuwig gooi. ,

Met al ie krncht verlangen ;

Dan roep ii. onophoudelijk ,

Kom, haal m\', o Jezus ! in uw rijk , Ja , Amen ! ja , kom spoedig !

8^

186. OP DEN DOOD. W u z E : Gezang 58.

-------

pocdig zal het uurtje kouieu , Dat my uit dee;

-ocr page 206-

5EE=:=_______

jamrpii Laait; 13ij Gods zacht ontslapen vro-uieu

s~

Is de rust mij reeds bepaald ; Waarom dan zoo bauj

==5:---

^cklaa^d , Daar mijn

2. Treurig\' oo^enhlikken lijdens

Rren^eo mij in rust en vreugd;

Weinig oo^renblikken strijdens Leevrcn injj de kroon der deugd ,

Die de Heer elk\', die gelooft,

Zelf eens drukken zal op \'t hoofd.

3. On:e korte , droeve dagen ,

Vol van jannen en geween ,

Snellen spoedig ouder \'t klagen Ongemerkt als droomen heen ;

Want ons leven en ons leed Zijn een hand , een hand slechts breed.

4. Heiligen van vroeger* jaren

Kivijnden hier, gedrukt van kruis: Nu zijn z(j , bij d\' Englenseharen ,

Eeuwig bij hun\' Vader t\' huis;

Schoon hun vleesch , in \'t graf veriecxd , Tleeds tot stol\' is weêrgekcerd.

5. Word ik ook bij mijne vandreu In het graf ter ueérgeleid ;

God zal eens mijn slof vergaadren ,

Leven doen voor d\' eeuwigheid Daar verwacht mij vol genot Hij ui\'.m\' IIeiland en iiiijn\' God.

DOOD W IJ Z K :

Den dood hier

1

heil

AN DEN CHRISTEN, i ruhen alle Walder.

w

zonder schroomen Blijmoedig lege

Den zondaar -^czzz:

=^~=3EEi*=È5=

Daar vangt de vreugd des Christ

2. De dood verbreekt zijn handen. Hij heft zijn dankhre handen

Tot God , zijn\' steun en hoop , Die hem geen\' troost laat derven , Maar vreugdevol leert sterven Na eenen welvolbragten loop.

3. Zijn kalm , gerust geweien Wordt niet van een gereten

Door bange vrees voor straf;

-ocr page 207-

Gcz. 187 , 188. DE DOOD VAN DEN CHRISTEN. ISO liet licht van Coils pcnaile Komt zijnen uarht to stade.

En glanst hem voor tot over \'t graf.

4. Niets iloet lijn heilzon tanen ;

Uier vlieten geenc tranen

Van angst, hier steent geen klagt;

Zijn hart, tot God verheven.

Schouwt in het ecuwig leven,

En zielrust schudt zijn Kterfbed zacht \'

5, Hij troost en leert de zijnen.

Die om zijn leger kwijnen

In tranen en verdiiot ;

7.ijn zegen ttroonit hun tegen,

En God vervult dien zegen ,

En wijkt ook van de zijnen niet.

G. Nu dalen , onder zangen ,

Om zijne ziel t\' ontvangen ,

Gods Englen om hem heen;

Hij stemt in hunne koren ,

Doet d\' eer huns Konintrs hooren,

Duor hem als Redder aangcbcén.

7. Leer mij , o God ! hier streven Naar dat regt Christ lijk leven.

Dat zulk een eind verwerft ,

Opdat ik , na dit zwerven ,

Ook eenmaal moge sterven ,

Zoo als ds ware Christen sterft!

183. HET TEGENWOORDIGE EN TOEKOMENDE LEVKN W ij z E ; Gezang 1C3.

^lt;y. » . 6—^

X k hen ,

een vreemdling op deez\' aard , En kort

—-0—Enr-lk—:amp;■ ■ .

zijn mijne da

- gen, En last op last, die mij he-

g --

zwaart, Vermeert mijn stof tot kla - jrfn : Maar eeuwig heil, voor\'s Vaders troon. Verstrekt mij

cent ten heerlijk\' loon , En Reeft mij moed in lij - den. 2. Thans nog gedrukt duor \'t zwaar gewigt.

Door \'t lastig pak der zenden ,

Vergeet ik telkens mijnen pligt;

Wie kent, wie telt mijn zonden?

Maar eens word ik van zonden vrij ,

Eens heilig, zalig, Heer! als Cij ,

Wat troost voor mij in \'t leven ! S. De spotter smaadt uw\' Zoon, o God ! Den Zoon , voor ons gestorven ,

Versmaadt, om \'t nietig aardsch genot,

Het heil, door Hem verworven :

Maar eens, eens heeft der spotnen tal.

-ocr page 208-

190 HET TEOENW. EN TOEKOM. LEVEN. Gez. 1S8, 189.

Drvnr Hij als Rcprter zittrn zal,

Eu wij, wij eeuwig juichen.

4. Hier klaa^ ik vaak TI, claij en nacht ,

Met tranen m^jne zor~en ,

En \'t hart herhaalt dezelfde klajrt,

Bij \'t licht van eiken morden;

Een blik ten hemel trooH mijn hart , En eens verbeet ik alle sinnrt In \'t eeuwig zalig leven.

5. Denk ik , wat ramp mij hier nog wacht\',

Wat smart in verre daprn;

En vraag ik , ach ! van waar dan kracht,

Oin al dien last tc dragen ?

Dan maakt een blij vooruitgeziirt Op d\' eeuwigheid mijn lasten lint, En geeft mij moed en krachten. C. Wanneer de dood , \'t zij traag of ra*, Tot mijne sponde nadert,

Wanneer tot mijner vaadren asch God ook mijn a^ch vergadert. Dan sterf ik blij : voor Jezus troon Vindt elk, die overwint, zijn\' loon , Ook ik zal dien duar vinden.

7. lieer! wat Gij over ons bescheidt. Scheuk ons dim troost in \'t harte; Zoo sterk\' de hoop op d\' eeuwigheid

Ons in onz\' aardsche smalte:

Dit zij mijn heil , wanneer ik sterf. Het deel, dat ik voor eeuwig erf.

Voor eeuwig, ja, voor eeuwig!

isa, DE HOOP DER ZALIG U El W IJ 7. K ; Psalm CC.

oo blij de landma

z

\'t ploegen De n

E5E:]

verschijnm, Hoe lang ook hijgend i igewacht, 2. Eens zullen wij met Jezus leven ,

Dan voelt, dan kent men geen verdriet; Dat uitzigt moet ons nooit begeven ;

Zij die gelooven haasten niet.

De dood zal ons die ruste schenken ,

Dies stappen wij met vreugd naar \'t graf; Blijmoedig aan het graf te denken

ï» ook een vrucht, die \'t kruis ors g if.

i. Zinkt

gend\' avondschaduw groet;

-ocr page 209-

Get. 189, 190. DE HOOP DER ZALIGHEID.

3. Zinkt ha.ist ons vlecsch in \'t graf ter neder,

In \'t ffraf is geen vennoeijinff meer;

Eens hooren ivij de wekstem weder Tot hooier heil hij onj.en lieer;

En dsn , dan worden w\' al fe gader

Door Hem voUali? ingeleid In \'t ceuwiiC huis van zijnen Vader;

Daar heeft IIö telf ons plaats berei\'l.

4. Nooit kan \'t geloof te veel verwachten ,

De* Hcilands woorden zijn gewis;

\'t Faalt aa-dsehen vrienden vaak aan krachten ,

Maar nooit een\' vriend als Jezus ia ;

Wat zou ooit zijne magt beperken ?

\'t Heelal staat onder zijn gebied ,

Wat zijne liefde wil bewerken ,

Ontzegt Hem zyn vermoKcn niet.

5. Die hoop leert wijs en heilig leven ,

Zij lenigt zelfs den zwaarsten druk ,

Zij zal a^n \'t. hart voldoening geven , Dat smachtend uitziet naar treluk ;

Zij geeft gelatenheid in \'t lijden ,

Als \'t kwaad ons aangrijpt of belaagt,

Zij leert in boeijen zich verblijden ,

Als d\' onschuld die om Jezus draagt.

fi. Die hoop moet al ons leed verzachten ;

Komt reisgenooten ! \'t hoofd omhootr!

Voor hen , die \'t heil des Heeren wachten gt;

Zijn beriren vlak en zeeën droog.

O zaligheid niet aftemeten !

O vreutrd , die alle Mnart verbant!

Daar is de vreemdlingschap verreten ;

En wü gt; wij zijn in \'t vaderland !

190. HET VERLANGEN NAAR DEN HEMEL. W u 7. K ; Psalm 79.

ïï

B3E5

oe hggt ons \'t hart, om , van dit vleesch ont

ooit met grooter smert Verlangt naar waterbeken. 2. Och ! of ons God haast derwaarts t\' huis wou halen , lu \'« Vaders huis, het eind van alle kwalen ,

Waar

-ocr page 210-

102 RET VERL. NAAR DEK HEMEL. Gc*. 190. 191.

W.iar Iljj ons zelf de trnnen van onz\' oo!»en ,

Hier rood pesrhreid , Icêrhartip nf zal droogen ; lï.iar, waar wij vrij van pijn ,

Bevrijd van moeite zijn ,

En eciiwiff vrij van klagen ;

Daar , waar wij voor altijd ,

Als winnaars van den struil ,

Pc zegekroonen dragen :

3. Daar zal na \'t lirht geen duisfernis meer komen , Daar wordt geen vreugd door droefheid weggenomen , Daar beeft men voor geen krankheèn ooit te vreezen , De zwakste zelfs zal daar heldhaftig wezen;

Daar heeft geen srhoouheid vlek ,

Genoegen geen gebrek ,

De liefde geen verkoeling;

Daar vreest de roem geen\' nijd ,

Daar kent men gern verwijt Van lage «elfsbedoeling,

4. Armzalig\' aard! verblijf van leed en rampen, Waarmeê wü hier, zoo lang wij leven, kampen. Wij zijn u maV ; och ! wierden w\' eens ontMa\'.\'ui Van \'t zware juk , dat gij ons hier doet dragen ;

Verlos ons van dit kruis .

lieer! haal ons spoedig t\' huis.

Die hijgend naar U smachten;

Maar neen ! leer G:j ons stil,

Gelaten in uw\' wiT ,

Met lijdzaamheid U wachten.

191. DE OPSTAND IS G. W u z n : Gezang 29.

Slsls=3Êii

overwon zijn krachten. Hij

lm

\'t Hoofd van al zijn leen. Zijne zeeg* is hun gemeen. . Neem dan vrij myn stof, o aarde \'

Tot het stof, dat gij bedekt;

Eens herrijs ik weêr in waarde,

Door Gods almagt opgewekt.

Jezus zal zijn woord dan staven . Hij beheenrht het slof der graven :

Wie in Hem gelooft , verbeidt I.even en ousterfiijkheid.

. Dierbre Heiland ! die mijn smarte,

Dielt;inijn schulden hebt getors^ht,

Dierbre Heiland ! ook nvjn harte

Eert U als den Levènsvorst.

Zouden uw bclofcenissen ,

-ocr page 211-

Gei. 181, 192. DE OPSTANDING. W3

Uwe noorden iminpr mi*quot;quot;quot;!! ?

Ncrn , miljoenen kwijmlen heen ,

Moedig op uw tiouw alleen.

4. Op \\iw litem , *laat op «rij «iooilen !

Staat de dood zijn Tee^\' U atquot;;

Op uw Klem , Mnnl op \'/ij dooden!

Kij-il het leven uit het irraf:

Leven , leven , eeuuij» \'e*eu Zal uw liefde mij dan geven ,

Kn srcen zonde. smart o!\' pijn Zal in eeuwigheid meer zijn.

5. Kon \'t geloof aan uwe liefde

My hier steihen in «len nood,

Kon \'t preloof nnn uwe liefde

Mij doeu juichen in den dood ,

V/at 7.al \'t rijn, nis mi\'n vertrouwaa Eens verwisselt in nansrhonwrn,

En een liefde mü bestn-alt ,

Daar geloof noch wcnsch bij baalt!

6. Och ! versterk in mij die hope ,

Opdat ik, niet nieuwe kracht.

Juichend mijne loopbaan loope,

Aan wier eind de kroon mij wacht:

Met het ooif op U treMairen ,

Kan !»ecn laat mijn\' loop vortrnrren ;

AVat is \'t leed . dat. hier ons beiiii ,

Hij de vrcusyd der eeuwigheid ?

192. TROOST DE3 EEUWIGEN LEVENS.

W u z k ; Gezang 17.

1 1 a cene i)roe( van weinig d^gen Is ons ceu eeu-

■en deugd , Die d\' eeuwigheid bekroont met vreu

2. \'t Is waar , de vrome smaakt op aarde

Reeds menig blij , ja zalig uvr;

Maar al die blijdschap, van wat waarde, Is onvolmaakt en kort van duur:

Hij blijft ren mensch , \'t bedaardst gcinccd Is wisselbaar als eb en vloed.

3. Nu plaagt hem veege liirchaamssmarte :

_Dan kwelt Lein \'s werelds woest gerucht; Nu kampt eens binnnn in zijn harte Een vijand , die meer wint, dan vlugt ; Dan zinkt hy weêr, door \'s naasteu schuld, In kommer en in onsreduld.

4. Hier , waar de godsvrucht vaak moet lijden ,

Waar d\' ondeugd vaal op rozen treedt. Waar zich de welvaart ziet heiiijdrn.

Waar \'t hart bedrukten ligt vergeet;

Jioe kan eea mensch hier vrij van p|jn, Kur vrij van eigen zwakheid zyu ?

-ocr page 212-

101 TROOST DES EEUWIGEN laSVENS- Cc:. 1-3 5, IHrr zorVrn w(J, \'t wordt Hmls pevonden,

D.inr zullen wij, in \'t bcili^st licht.

Al \'t podlijic schoon der deuird dnoru\'ionJc.i, Waarvoor al «ndre schoonheid zwicht.

Als v.ij den God der liefde rien,

Kn ccuv-.ig, ecuivi;; huido biêu.

o. Daar zal Gods heili-je bc^chikkin!?

Mijn wil 7 ij li , en mijn znliuheid;

Daar vind ik eenwi-re verkwikking,

2n al wat mij omringt, vei spreid ;

Daar doet streds nieuwe beilwiust nij Gevoelen, dat ik ceuwi*; zij.

7. Da*r znl k in helder licht hetrachteu,

Wat bitr op aa-.de donker «cheea;

Daar wonderba .r en beilisr achten ,

Wat niemand doorzag bier heneên;

Daar eert mijn ziel , met lofgezang,

Gods schikking in haar* zauienbung.

8. Daar zullen wij den troon omring/ïD ,

Waar God zich heerlijk openbaart,

liet iicilicr, heilig, heilig zineen Hem , die voor ons eens stierf op aar-li En heel der Enelcr. zalig koor Juicht, prijst Hem al de heemlen docr.

0. Dr.ar zal ik net «le blijde scharen,

Gelijk in licht en reinheid , staan,

En \'t nooit ges\'ot rd geluk ervaren Met heil\'-ren heilig omtegaan;

Daar wordt , tot eeuwiiro geneuet IIun heil mija hjil, mijn vreugd hun vrcnfrl*

10, \'k Zal daar den vriend wijn\' dank betaler:,

Die ing den heilweg wijzen wou ,

En hem , zelfs miUioenen malen ,

Nog zeetrnen voer zijn liefd\' en tromt;

Daar vind ik bij mijn\' \'-o-\'. en Heer,

Diea tiouwslen vrivn.a op aaxö» , •*-eir,

11, Dmr roept, o most mij God dit geven\'

VeelHfrt een zalie\' ook tot mij ,

„Wees welkom, gii helit mij het levea.

, De ziele mij behnuden , g\'j !\'*

O Cod \' wat zaligheid, iioo groot!

Een ziel te redden van den doodc

12, Wal züt irij , oedennaanscbe kwalen,

Bij al den glans «ier majesteit,

Die ons «laar boven zal omstralen,\'

. Door «Her eeuwen eeuwigheid ?

Wat is een oozenblik van druk,

ÜU zulk een eindelcos geluk ?

-ocr page 213-

L IJ S T

DER

EVANGELISCHE

GEZANGEN.

—«SgS/\'CPSe—

Van GOTVE\'» ZIJNE VOLMAAKT il KOEN\'.

Gez.

1. Aan God.

2 .--

3. -

4r, Cods Volmaakt Inden.

5. - Groolhoid.

6. - Eeuwigheid.

7. - OvpraUegenwoordiif-

heid.

8. - Onveranderlijkheid.

9. - Alvretendheid.

10. - Alinagt.

1!. - Heiligheid.

12. - Goedheid.

13. - Getrouwheid.

VAN nü SCHEPPING en VOORZIENIGHEID.

Ge*.

14. Lof des Srheppers.

15 .---

16. Gods Voorzienigheid.

17 .--

18 .----

19 .--

20. Rust in Gods bestuur.

21. Tevreilenheid in GoJs be-

22. De beste keu^e.

23. Tegen onmatige zorgen. 21. Bemoediging.

25. Onder rampen.

20. --

27. -

2S. Troo«t in twijfelmoedigheid.

19. Danklied.

30. Blijdschap iu God.

3.

ELLENDE KV VERLOSSING.

Oez.

31. Onze bestemming*.

32. St^nt der regtheid en val. .\'\'•S. Zedelijk bederf.

35. Belijdenis van zonden.

36. Het Evangelie.

C7. Zonde en genade.

38. Alles is renade. quot;■-O. Verlossing.

40 .--

41. De Cntfermer.

12, Troost der verlossing. 43. Ziclverheffing tol Jezus. 41. Aan Jezus.

45. -

4fi. Jezus grootheid.

t7. Jezus lof op aarde.

48. Aan den Verlosser.

49. Aan Jezus dea Verlosser.

50. Aan Jezus.

51. Jezus trouwe.

GELOOF en VERTROUWEN.

Gez.

52. De Geloofsartikeleu,

53. Geloof aan God.

Ge»


-ocr page 214-

EVAN G. G E Z A N G E K.

Gez.

54. Noodzakeliikhcid lt;1\',9 pe-

loofs in Jezus Christus. S3. Vaste Rronrt der hoop.

55. OpweJckiasf tot kinderlijk

57. Blydschap des geloors.

58. Geloofsroem.

Bij dk VTF.RTNO van DEN* OP KM BAREN GODSDIENST.

Ger.

88. Voortveffelijkheid ili.i Openbaring boven de

Rede.

80. Voortreffelgkheid vr»n Jezus leer.

00. Vóór de Predikatie.


Gez.

59. Werkdadig geloof.

60. Bron van ffordc werken.

61. Wet van God.

62. Jezus voorbeeld.

63. Liefde tot God. 61. Liefde tot Jezus. 65. -

60. Afmaning vau de zonde.

C7. Ootmoed.

63. Zelfsverloochening.

69. Broederliefde.

70. Liefde tot vijanden.

71 .-——--

72. Mededeelzaamheid.

73. V/aakzaamneirt. 71. Geestelijke strijd.

75. ToevUigt in verzoek!n-sn.

76. Om hijstand van Gods ;-c-

nade.

77. Chrisienpligt.

78. De ware Christen de bes!

burger.

ï Predikatie.

97. Bij den Doop.

93. Na den Doop.

09. Bij de Belijdenispredikalle. 1Ü0. Bij de Voorbereiding tot

het Avondmaal.

101. Bij het Avondmaal.

102 103. -101. -

05. Na 00. -


Gez.

79. Nuttigheid des Relieds. 60. Kinderlijk toeverzi;ft. 81. Om opgewektheid tot bid-

111. Jrrris vrijwillige verne

dering.

A. Ge:quot;quot;;/quot;\' quot;/gt; Je\'Ht Ge-Ouirle,

Gez.

112. Op Jezus feboorte.


82. Dacelijksrh gebed.

83. Bede om geloof ei

heilig-meerJere heili-

113 .---

114 .----

115. -—-

116. ----

117. Engelenzang.

B. Lijdt }itgez-angcn,

Gez.\'

118. Op hat l|jdea van Jezus.

Gez,


-ocr page 215-

lil J S T DEK EVAN G. GEZANGEN.

Cct.

11\'.\'. Ojgt; het lijden vmi Jezu».

120. Jezus liefds in zijn 10lt;,pn-

121. Jezus grootheid in zijn

lijdpn.

122. Jezus on=chuW.

123. Zie drn inensrh.

121. De Verlosser aan het kruis.

125. Kruislied.

126. Jezus oigt; Golgotha,

127. Het is vollira^t. isa.---

129. Pc gtervende Jezi\'s.

130 .-----

131. Geduld naar Jezus voorb.

132 .----

133. Menscheljjke zivakhcid. 13t. Op Jezus begrafenis.

C. Grrnnyni op JrtVi

Opstnndinn.

Gez.

133. De opstanding van Jezus.

13C.---------

li/.---------

138 .--

139 .--

110.---

UI.----

142. —-----

D. Grzrn\'irn op Jexvt

Hemel unru /,

Gez.

113. De hemelvaart van Jezus.

Hi.---

IK. -

146 .--

147 .--

148 .--

E. Gettmgm op dr viUfar-ling vnn drn If. Gerst , en verdere tjrvnlneti ven Jexui verlioogUig,

let.

■10. De nitstortincr van den Heiligen Geest.

150 .----

151 .--

152 .---

153 .-----

154. Uithreidiu^ der Kerk. 153.---

Ge«.

155. Bewarintr der Ketk.

157. Om hekecrin? van zon

daars.

158. liet laatste oordeel.

0.

Oi\' mJZONDERK TIJDEÏ

EX GlvLKG EN HEDEN. Gez.

159. Cp het nienwe Ji\'.ar,

160 .-------

161.-----

1fi2.------

103. Op de Lente.

161. Op den Zomer. 165. On den Herfst. 160. Op den Winter. 167. In den Ooijst.

169. Op ecr.cn Cededa-r.

170 .-

171 .-----

172. In r\'roote droogte.

173. Bij cvervloedi-.\'cu regen. .In watersnood,

175. Na rï\'-nu en watersnood 171«. In Oorlog.

177. In Vrrde.

178 .---

179. MorTenzr. £.

180. Avondzang.

10.

DOOD F.y EEUWIGHEID. Ges.

181. Op den dood.

182 .-

183 .-

184 .--

185 .-

186 .---

137. De dood van den Chris

188. Het tcrenwoordi\'.\'e en

toekomende leven. 1S9. De hoop der taligheid. 100. Het verlangen naar den hemel.

191. De opstanding.

192. Troost des eeuwigen le

vens.


-ocr page 216-

L IJ S T

VAN DE

EYANGELISGKE

GEZANGEN

NAAK KANO VAN «KT A. B. C.

Gcz,

Aarde! zucht niet ........................................................................ï\'iS-

Arh ! hoe iltvaas is \'t met vertrouwen........................................133,

Alle roem is ui\'.?eslotsn \'..................................................................38.

Al\'nar\': 3\' v o \' \' .^oor waar lierouw bewogen..........................33.

Als do -.lacht van han-s rorijcn......................................................quot;t.

Al» ik, v/anneer my jterfuur slaat,..........................................15-i,

Al wii Gods woord niet houdt, ea zejjt....................................53,

B.

Broeders, komt! de Heiland noedt...................... 101,

D.

Daar laat Gods liefdestem .:ich hoorsn................... J69.

Dat nu elk d\' Algoedheid prij?e,........................175.

Dat w\' U dcez\' lt;lag, o Jezus! v.yden .................... 00,

Deez\' aarde zi) een tranondnl............................. 30,

De Heer is God, en niemand meer;..................... 4,

De lieer is God , dc Heer is God !.......................178.

De Ileei is waarlijk opsestaan ...........................119.

Den hooien God alleen zy eer!.......................... 2.

Diep, o God ! in \'t stof gelio^cn ....................... 130.

Dit is de dag, dien God ons schenkt..................... 112,

E.

Een snder zij vervuld met schrik,........................CO,

G.

Geef, Jezus! dat ik in mijn\' nood................................................23.

Geen dwaze vrees heklemin\' uw harte;......................................S5.

Gy Jezus! die ten troon verheven........................ quot;i\'.

God, enkel licht,........................................ S3,

God heeft ous zijn wogrd gegeven........................ rgt;S.

God

-ocr page 217-

I.IJST V. DE EV. GEZ. NAAR RANG V. HET A. 3. C.

God in mijn lied .......................................... 15.

God ! oneindig in na\',.................................. 70,

God sprak (men steil\' op benr en rots.................... 13.

God wenkt, daar storten rcscnvloeden................... ICO.

H.

IIMleTnja! eeuTT:^ dank en cerc,......................... 03.

Ilnlleluja ! lo^czonsrcn................................... 50.

Hnlléluja! lof zij den Heer!.............................. 1.

Halleluja! looft drn Heer,............................... 117.

\'k Ilfib nan \'s Heilands disch pezeten.................... 107.

\'k Heb Jezus lief! Hg is mijn lirht en kracht,........... 65.

\'t Heelal getuijfquot; vr.n .leztis lof!.......................... 122,

Heer ! ut \'ïch^ppins; , aard en hemel..................... 32.

Hsilgp J\'-zxis1 ni(j ten leven .............................. lt;»2,

Heilig\' God! voor wiep siceds waarheid,................. 11.

Heilig, heerlijk Opperwazen!............................. 21.

Helaas , dat zwei-ven der gedachten !..................... SC.

Help God ! de nood is hoog gprezen .....................171.

Hennner u met vreugd , inün geest ?......................135.

Het aardrijk dorst, het zucht tot Gcd omhoog,......... 172.

Het \'lart omhoog! wij viertn \'t beuglijkst feest.......... 150.

Het beusüjl; tijdstip aadjjt wcêr ......................... 100.

Heugelij!.e tijding ......................................... 36.

Hier hen ik , oin aan uwe smart.........................105.

Hier is bet nog beproevingïtijd........................... 75.

Hei blinkt uw majesteit al cm............................ 15.

Hoe hijgt ons \'t hart, o.n , van uit vleesc\'1 ontbonden,,. 100.

Hoe nanaw ik mij aan U verbind\'......................... 74.

Hoe za^ht zien wij de vromen............................ 187.

Hos zal \'t mij d-n , o dan eens zyn !.....................181.

Hoog , omhoog , het hart nriar boven !................... 43.

Houdt Chriatus zijne Kerk in stand ....................... 156,

I.

.la, Amen! Jezus Is in \'t leven!......................... 136.

Ja, Amen ! Vader , ja !................................... 87.

Ja, Halleluj .! \'t is volhragt!............................. 126.

Ja, Halleluja! wat verlxerc .............................. 123.

Ja ! Jezus sterft, aan \'t kruis geklonken .................. 129.

Jezus, die voor doemclingen,............................109.

Jezus is mijn Heer en Koning............................ 51.

Jezus leeft, en wij met Hem.............................. 137.

Jezus neemt de zonJaars aan !............................ 39.

Ik ben een weemüling op deez\' aard,....................158.

Ik geloof in God den Vader,............................. 52.

Ik nader voor uw heilig\' oogec.......................... Cl.

Ik vind mij , Heer ! zoo broos, zoo zwak van aard ....... 76,

, Ik «vil niet, dat de zondaar si.oev\',quot;.................... 157.

U

-ocr page 218-

L IJ S T VAN DE E V A N G. GEZANGEN

Ik zal Ann, op decs\' stalelijken dapr,.................... 170.

tmmanuël ! o doelwit onzer zanden!.....................lil.

lu welken oord men vromen vindt........................ C9.

Ii dat , is dat mijn Koning!..............................123.

\'t Is God, die \'t licht beeft voortgebrajjt................ 159.

Juich nu, ChristenscLaar!............................... 133.

Juicht, Christuen! juicht tot God omhoog!............. 113.

Juicht hecuilcu op ecu\' hoogcu toon..................... 41.

K.

Knielt, Chrlstnen ! voor uw\' Redder ncêr ...............................121.

Kom , Chriïtenscliaar ! kom , kuieleu wij....................................46.

Komt, Christneu I l.iat ons Jrzus loven......................................143.

Komt, Christ ucn ! toont met woord cn daad....................78.

Komt, hetfen w\' ons eerbiedig bemelwanrt!............................102.

Komt, hellen w\' onzen lofzang aan !............................................139.

Komt, knielen wy voor Jezus zamen........................................127.

L.

Laat ons, lieer! uw\' dood gedenken,.................... 104.

Laat ons van uwe voorzorg zingen........................ 164.

Leer mij , o Heer ! uw lijden regt betrachten ....... ..... 118.

T.cer ons , Vader ! U verhelden ........................... 27.

Liefdevolle Hemelvader !................................. 85.

Lieve Jezus! zie ons zaam................................ 93.

Lof en i\'ank cn heerlijkheid............................... 116.

Looft den Koning, alle volken I.......................... lii.

Looft God ! laat ons, zij^ iwar.i ter eer................. Ï66.

Looft God met vcrrnktcii peest !.......................... 177.

Looft Gods Zoon, den doudvertreder!...................110.

M.

Middelpunt van ons verlangen .....................................................120.

Mij naar allrs stil te voegen,..........................................................07.

Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid ...............................................179.

Myn God ! hoe krachtloos , hoe oatar.rd..................................33.

Mijn God! wat ooit in mij verdoov\',..........................................53.

Mijn Heiland, Davids Zoon cn Heer!......................................125.

Mijn Verloer hangt aan \'t kruis ...............................................124,

Moet gij steeds met onspoed strijden.........................................28.

N.

Na eene proef van weinig dagen....................................................192.

Neen! \'k heb den prijs nog niet verkregen..............................73.

Nog juicht ons toe die zaa\'ge nacht,........................................114.

Nooit viel myn\' Heiland kruis le zwaar....................................132.

O.

O I dal van luijae Isvensdagou............................ lid.

U

-ocr page 219-

NAAR RANG VAN HET A. B. C.

O denkbeeld, dat ons levca geeft!..............................................42.

O eiadelooze Majesteit!......................................................................14.

O Geest van Vader en van Zoon!................................................151.

O Gij! die mijn ellende,..................................................................215.

O God! bewaar het veldgewas............................173.

O God ! die, eindloos goed ea groot........................................65.

O God ! eer \'t aardrijk was gegrond..........................................8.

O God ! gelijk Gij ons het leven..................................................19.

O God! hoe zalig Ls \'t voor \'t hart..........................................81.

O goedheid Gods ! nooit regt geprezen !....................................12.

O groote God , die t\' aller tijd......................................................6J.

O Heer! hoe heuglijk is het lot;................................................79.

O hoe blij te moede,..........................................................................57.

O Jezus ! dat ik nooit vergeet.......................................................158.

O mensch , geloof aan uwen God!............^....................68.

Oneindig\' God ! het nietig stof......................................................10.

Oneindig, onbegrijplijk Wezen!......................................................3.

Oneindig Wezen 1 door geen\' tgd................................................6.

Ons hart verheugt zich, dat bij God........................................20.

Ontsluit, o Heer! ontvlam ons hart,........................................119.

Op bergen en in dalen .....................................................................7.

Op, nu op, het hart naar boven!..............................................154.

O sterveling! gevoel uw waarde,..................................................31.

O Vader! die uw kindren voedt,-........................168.

O zonde ! bron van al d\' ellende ...............................................37.

R.

Reeds daalt, met een omwolkt ge?.igt.......................................165.

Rust, mijn ziel! uw God is Koning............................................22,

S.

Sla , o God vol mededoügea!........................................................gt.

Spoedig zal het uurtje komen .............................185.

Stflg nu mijn !oflied! daar de Heer............................................ItS,

Stille rustplaats van Gods doodeu !..............................................182.

T.

Treed nu toe, verloste ziele !..........................................................106.

Triomf! Halldluja ! triomf!..............................................................] tg.

Triomf! triomf! Imraanuël................................................................1H.

\'iVylling zwijg, zwijg bange suiartc !............................................58.

/

-ocr page 220-

LIJST VAN DE EVANG. GEZANGEN If.

Ü, God cn Heer!......................................... 97.

U loov\' cn dank\' wat in ons is,.......................... 110.

Uren , da^en . maanden , jaren............................ 160.

U, Vader! U zij lof en prys............................ 95.

Uw dankbre ChnV.enschaar.............................. 1S2.

Uw Heiland wordt in \'t graf geborgen................... 131.

V.

Vader , vol van mededoo^en !............................. Kt.

Verheft u, Christnen ! boven \'t stof,...................147.

Verhef, verhef uw zegezangen,.......................... 153.

Verhooïde Heiland! trek ons hart....................... 193.

Verlosser, Vriend! o hoop, o lust....................... 49.

Vier , blij van geest........................................ 115.

Vloei nu , laat u niet bedwingen ......................... 29.

\\V.

Waak, Christen! waak, blijf in \'t geloof,........ ............77.

Waartoe toch al dat angstig schrooiuen ?................................54.

tTaar zijn de wijzen , die mü zeggen..........................................9.

Wat bitter zielverdriet,............................. .....131.

Wat zwoegt ceu handvol slofs, tot mensch............................23.

Wat zwoegt g\', o mensch! naar goud of eer........................80.

Wel hein, die zich verstandig draagt........................................72.

Wie blijft U geen liefde schuldig ...............................................64.

Wie maar den goeden God laat zorgen ...................................17.

Wij, allerhoogste Majesteit!..............................

Wij danken U. barmhartig\' God en Vader!..........................OS.

Wij hebben zaam aan Jezus disch gezeten ..............108.

Wijk aardsch geluk vol wisselvalligheên...................................183.

Wij knielen voor uw\' zotel ueêr....................................................44.

Wy loven U, o God! wij prijzen uwen naam!....................3.

Wij treên een\' nieuwen tijdkring in,..........................................162.

Wij wei pen ons voor U ter neêr...............................................34.

Wij wyden , gunstrijk\' Opperheer !.................................91-

Wil, groote God! in onze lofgezanRen..................................13.

Wil mij , wanneer mijn sterfuur naak\'...................185.

•k Wil nimmer iemands nadeel zieken,................... 71.

\'k Wil U, o God! mijn\' dauk betalen,.................180.

.. Gl. Zalig

Z.

Za\' een kind zjjn\' Vader minnen

-ocr page 221-

NAAR RANG VAN HET A. B. C.

Zallf», caltg, niets te wezen,............................. 68.

Zie erbarmend op ons neer!.............................. 176.

Zie onn ootmoedig tot U naadren ........................ 171,

Zie ons )e r.aam uw\' naam belijden ...................... 93.

Zin?, Christenschaar! de schoonste stof,................ 47.

Zinjjt, pü afffelejten landen!.............................. 153.

Zin^t, ïingt blij te moe\',................................. 48.

Zoo blij de landman moe\' van \'t ploegen................ 189.

Zoo brak \'t Rewenschte tijdstip aan,..................... 142.

Zoo {rij , in yver tot uw\' pligt........................... 60.

Zoo slaat G\' uw oo? ..................................... 40.

Zoo wijd op aarde schepslen leven,...................... 167.

Zou mij dood en gr alquot; doen beven ?....................... 191,

-ocr page 222-

L IJ S T

DER

EVANGELISCHE

GEZANGEN

DIE OP EENERLEI WUZE GEZONGEN WORDEK,

EN DCIl

OORSPRONGLIJ ii E ZANGWIJZEN.

• o.

1. Nieuwe zanCTvijTe.

2. li, 15, 47, 53. 113. 141, UC, U7. Ps- SG

3. Ps. 80.

4. 6. 25, 33 , 72. Mein Hertzens Jesu!

5 . 12 , 90 , 90 , 120 , 153 , 189 , Ps. 66.

7. Nieuwe zantrwy te.

8. 155. 1W. 163. Frnnsche Cant. 65. (verand.) 9 . 127, 180. O füsscr Stand!

10. Prfis , Lob , F-hr , Rubin !

11 , 43. r.S , 130. Ps.

13 Nieuwe zan-rwijzc.

16, Gott ist mein Lied.

17, 73, 161, 161, 171 , 193. Wtr nur den lieben Gott.

18, Frnnsche Cant. 86. (verand.)

19, 4quot;.. Auf dirk, mein Vater! (verand.)

20, 114. Ps. 134.

21 , 52 , 120, 160 , 182. O gescirnetes regieren !

22. Glück zu, Creutx, von ganizem Hertzcn!

23 , 81, 184, 185. Wenn mein Stündlein vorbanden iet. 2t. Nieuwe zangwij\'e.

Ps. 130.

27, 6^, Ps 77.

23, 8t, 104. Nieuwe zanpwijze.

20, 58, 67. 191. Jcsu , meines Lebens LcUen!

30. Ps. 35.

31 , 71, 129. Ps. 65.

32, 62, 14*. Wacbet auf, ruft uns die feiimme.

31. Irb ruf zu dir.

S5. Nieuwe zangwijze.

36 , 57. Jesu , meine Freude!

-ocr page 223-

LIJST DER KV. GEZANGEN OP BENERLBI WIJZE. No.

\'57. Nieuwe wmerwijze.

33 , 50, 63. Soilt ich mfrinem Gott nicht singen T quot;30, 101, 137. Jesu , meinc Zuversioht!

40 , 97. Ach Gott und Herr!

41. Mir nach , spricht Christus, (vcrand.)

42. Ich danck dir snhon. (verand.)

41. Die Wnnderschaft in dieser Zeit.

40. Ich danck dir schon , «lurch deinen Sohn.

48, 143. Ps. 81.

49. Nieuwe zanjrwijze.

51, 85, 9i, 133, 173. Ps. 38.

51, 61, 166. Nieuwe zansrwijze.

59. Mir nach , spricht Christus.

60. Wcnn zur Vollfuhxung deiner Pflicht.

65. Ps. 116.

66. Die Seele Christi hcil\'ge mich !

63, 151, 155 , 186. Liebe, die du minh lam Bilde.

69. Ps. 21.

70. Ahglantz aller Majestat!

7t, 75, 157, Gebed des Hecren.

76, 102, 170, 172. Ps. 51.

77 , 89 , 91 , 151 , 138. Ps. 81.

73. Ps. 100.

79. O En ipkeit! du Freudenwort;

80. Nieuwe zanjrwyze.

82. Herr Jesu Christ! dich zu uns wend!

83. Frarsche Cant. 101.

86. Nieuwe zantrwijzo.

87. Simeons Lofzang.

88. 162. Ps. 113.

92, 110, 121, 139. Ps. 21.

93. Liebster Jesu! wir Bind hier.

95, 103 , 126. Ps. 138.

96. Herr und A eist er deiner Creutz-Geineine 98, 108, UI. Ps. 103.

100. Mein Hertzens Jesu ! (verand.)

105. Wass Gott thutt, das ist wohlgethan.

106. Schmücke dich , o liebe Seele!

107. Nieuwe zangwijze.

109. Zieh, hie bin ich, Ehren-König!

112, 135. Voui Hlinmel hoch.

115. O. Jesu Christ! dein Kripplciu ist.

116, 117, 177. Ps. 150.

118. Heitzliebster Jesu!

119, 165. O Jesu, Quel der Gütigkeit!

122. Mein Hertzens Jesu! (verand.)

123. o Uaupt, voll Blus uud Wanden*. ,

121

-ocr page 224-

LIJ3T DER EV. GEZANGEN OP EKNEELE1 WIJZE. No.

134. Nieuwe zangwiiae.

123. Ps. 17.

131. Maria\'s Lofzang.

132. Pa. 73.

131. Nieuwe zangwijze.

136, 167. Nieuwe zangwijze.

138. P». 47.

IVO. Sollt ich meineui Gott. iverncd )

142. Nieuwe zangwijze.

148. Ps. 105.

150. Ps. 22.

152. Ps. 19.

156. Ein veste Burg. (verand.)

159. £a ist das Heil.

163, 188. Allein Gott ia der Hi5h sey F.lir!

169. Ps. 58.

173. Wo Gott der Herr nicht bey uns halt.

174. Ps. 31.

176. Singen wir aus Hertzen Grund !

178, 181. Wie «chön leuchtet der Morgens .era!

179. quot;Wass mein Gott will.

183. Ps. 119.

1amp;7. Nun ruhcD alle Wilder.

90. Pb. 79. ,

-ocr page 225-

\\(V)

/ i»

W

r-:-

\\ 1