-ocr page 1-

?\\UV

Vak

il

76

-ocr page 2-
-ocr page 3-

:■:lt; :•:lt; x-: xt

•: gt;x

:-x x-: xlt; gt;:•: :-x ;-x gt;:•: x-;

X-: X-: X-; x-: x-: ;•gt;; x-: x-; x-; x-: x-: x

nmmmvm mmmtmvmmtmmtmsmvmtmAs

■: x-: x-: x-: x-: x-: x-: x-: :-x :•gt;; x-; :lt;

igS5Bsa5SSB5aïBSBSB5BSBiJgSasasaSSgi

X-: x-: :-x x-: x-: x-: x-; :« :■gt;: gt;x

lyfësBSBSBSBSBSBSBAaiSBS^BSaiSBSBgBSaiSl p-x X-; X-: X-: x-: x-: x-: x-; x-: x-: x-: x-: x-: x-; x-: x-:

H5S5!lSBSB5SSBSgifBSasBSaïBifaiSHïHSBSI

X-: x*: X-: x-: x-: xlt; x-: x-; x-: x-: xlt;

isasBsssasasBKasasasaiSBgasBSBsasBSEi

X-: X-: X-: x-: x-: x-: :-x x-: x-: x-: x-: x-: x-: x-: x-: x

ISBSBSBSaSagBSBSBSBSBSBSBSaSaiSBSBSi

X-: X-: X-: x-; :-x x-: x-: x-; :-x x-: x-: x-: x-: x-: :•:lt; x i nï 5; B S B ï: a 5; B x B x B ï: B ï: ffl Si B ï B :i li ?: B 5 B x B ï 1 x-: x-; :-y. ;-x x-: x-: x-: x-; x-: x-: x-: :■gt;:

. x-: x-: : x :-x x-: x-: x-c

|5E3BSe!iB*aSBSBsaAffiSai?B5B*aSBiïaïBsaSi

JasiK^HBsisïftisisfisiisÏKisisiï

isisBsSKisïsiïisasasiïBsisisasasasi

ëmmmmmmmmmmmmimmzmmsE

§mlt;:E

5 ~:=h M •== gt;; i

\'.V •«••• *.*.* •.*.* ••••* *,V vv

IKBxBSixBiSBïBxBSExBSBxBxlïsHsiSBSaSi

X-: X-; :•:lt; :lt;■: :lt;■: :■gt;: x

■: : x-: x-: x-: x-: x-: x-: :-x x-: x-: :-x :lt;•:

mmmmmmmmmzmmsmmmm

IxBSil

vv. •-

immmmmmmmmmzmim :« gt;:•: gt;:•: gt;gt;: »: ^

imss

X-: X-: X-: x-; :-x x-: x-: x-: ;-x x-: x-: »: x

i ï: s s a s m s m s m z m m s m s m z m * b s b *1

■: X-: X-: ;-x x-: x-: x-; x-: xx x-; x-; x-:

isasasasBSBïïBSBSBSBSBsasasasi

•: xlt; xlt; gt;:■: x-: x-; x-; x-: x

?BKiSSBSi5SBSSsBSa5;aSBS:l?:ïïgSaï:gSSSBSS

X-: x-: x-: :-x x-: x-: x-; x-: x-; x-: x-: :-x x-: x

isagnsasasasBsasBsasagasasasBsasasi

:-x :-x x

?ilSaïSïaSBSBsSSBïBSBSaSBdSBSa£aSBSi

X-: X-: xx :■gt;: :■gt;: :■gt;: :lt;■: :■:lt; :lt;•: gt;:

mmzmmmmsamimmmimmmiimsmm

;-x X-: X-: x-: x-: x-: gt;x :« :« :-x x-: :■gt;: x-: x

ISBSaïaSBSSSBSBSBSBSBfiBSBSaSBSBSBïi

■: xlt; :-x X-: x-: x-: x-: x-; x-: x-: x-c x-: x-: x-: xlt; x-: x-c x

immmmmmmzmsmmmsmsi

| i :« x-: :« X-: :-x

-ocr page 4-

_

-ocr page 5-

Iquot;

-ocr page 6-

Zoo gij deelgenoot van Jesus lijden zyt, zult gij ook deelgenoot zijner heerlijkheid (vezen. Rom. iv. 8.

-ocr page 7-

DE NAVOLGINGw%a

sa

JESU8 CHRISTUS,

\'V

DOOR

THOMAS A KEMPIS,

•\'Uieuwe verbeterde druk.

Oefeningen en Gateden achter ieder Eoofdstuk

door den Eerw. Pater Gonnelieu. S. J./

r-j . - /

MET EEN -BIJVOEGSEL.

!0

__

^/\\T*

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORREDE.

Het -werkje, waarvan hier eene nieivwe Nederduit-Bche uitgave wordt aangeboden , onder den titel van: Navolging van Jesus Christus, is aldus genoemd wegens deszelfs aanhef in het lstc boek : die Mij navolgt (zegt de Heer) wandelt niet in de duisternis. (Joan. VIII. 12.)

Het bevat, hoezeer ook in den eenvoudigen stijl geschreven, de kern van het zuiverste en verhevenste onderricht. — Bij den eersten opslag treft het door zijne onvergelijkelijke eenvoudigheid. — Men vindt weinig aanlokkelijks in die reeks van spreuken. die daar zonder orde op het papier schijnen nedergeworpen. — Inderdaad heeft de spreukwijsheid van Thomas een zeer alledaagsch voorkomen- Men meent dat men gemakkelijk hetzelfde, op dezelfde wijze, zou hebben kunnen zeggen. Zelfs ontsnapt dikwijls op hot eerste gezicht het puntige, dat de eene gelijksoortige spreuk van de andere onderscheidt, aan het oog. — De spreuken van Thomas hebben den stillen glans van parels, waaraan zij , ook door hare opvolging aan het dikwijls verborgen snoer van des Schrijvers gedachte, niet kwalijk gelijken. Intusschen, liet duurt niet lang of men heeft ze als zoodanig herkend en geschat.— Men begint zich te verwonderen over zulk een\' diepen stroom van wijsheid , waaruit al die schatten zijn voortgekomen. — In dit opzicht vergelijkt men onwillekeurig den eenvoudigen Thomas a. Kempis met don wijzen koning van Jerusalem. Ja , misschien bestaat er geen werk , dat, na de heilige Schrift. meer lozers gevonden heeft dan dit zelfde boekske: Over de Navolging van Christus. — Yan het oorspronkelijke telt men meer dan twee duizend uitgaven. — De vertalingen. die er alleen in het Fransch van bestaan , gaan hot getal van duizend te boven, en worden nog dagelijks met nieuwe vermeerderd.— Er is geene bekende taal, waarin het niet is overgebracht. De lofspraken in zoo vele talen , aan dit

-ocr page 10-

VOOBEEDE.

kleine geschrift te beurt gevallen, zouden bijeenverzameld, een groot boekdeel vullen: ja, men heeft niet geaarzeld aan hetzelve een\' lof te geven, dien het met geen ander menschelijk geschrift deelt.

Immers, de vermaarde Fontenelle zegt er van : (1) quot; de Ifavolging van Christus is het schoonste boek , dat ooit uit menschen handen kwam , want het Evangelie is niet van menschelijke herkomst.quot;

Degroote Leibnitz drukt zicli aldus uit: quot; De Navolging van J. C. is een der voortreflijkste werken, die ooit geschreven zijn. Gelukkig hij , die den inhoud niet alleen bewondert, maar er ook zijn leven naar richt.quot;

De kundige Perponcher laat zich in zijne voorrede over de ^Navolging niet minder gunstig uit: quot;het boek quot; zegt hij , ■/ heeft genoog eigenwaarde, om geen // ander gezach of aanbeveling te behoeven. — Er // heerscht zoo veel kalmte in, zoo veelervaringsvrucht, quot; zoo veel helderheid , zoo veel opbouwings- en voe-« dingskracht; en is de inhoud zoo nuttig, zoo be-quot; langrijk , eenvoudig , zacht, bescheiden en liefderijk //is de stijl; maar ook hoe kort, krachtig en verhe-// ven tevens. hoe wel naar den toon der ware wijs-//heid.geschikt; hoe brandend in godsvrucht, hoe //geheel de zaligheid des hemels ademende!quot; (Xav. van Chr. voorr. xvm.)

Voegen wij hierbij nog de getuigenis van eenen schrijver die der Katholieke Kerk tot sieraad strekt, en bij haar zulke onwaardeerbare verdiensten heeft: het is die van den voortreflijken Bisschop van Regens-burg, Sailer. (2) Ik zocht eenen vriend,quot; zegt de waardige man, \'/ dien ik te huis steeds bij mij konde // hebben en ook op de reis licht mee konde nemen , quot; zonder den voerlieden reden te geven, om zich // over een zwaar gepak te beklagen. — Ik zocht // eenen vriend, die mij in alle gevallen de waar-// heid durfde zeggen, mij overal op den afgrond der // eigenliefde, en op mij zelven opmerkzaam maakte ; // eenen vriend, die den trage aanspoorde, en den ijve-// rige op het spoor hield ; die den treurige opbeurde , // en den blijmoedige betoomde, den dwalende bestraf-

(1) Vie du grand Corneille. (2) Lettr. p. 77«

6

-ocr page 11-

VOORBEDE.

// te, en den afgematte verkwikte. — Wel is waar, ik // wist wel, dat buiten God, nergens zulk een alom-// tegenwoordigen vriend te vinden was. Maar juist // daarom had ik eenen tweeden zichtbaren vriend noo-// dig, die mij den alomtegenwoordigen, onzichtbaren // vriend herinnerde en tot hem henen dreef. En dezen //getrouwen zichtbaren vriend, die mij op God aan-// dachtig maakte, en tot God aanspoorde, vond ik in // het boek van de Xavolqing van Christus. ISiet êén-quot; maal heb ik dezen vriend op vleierij kunnen betrap-// pen — Kiet eenmaal voegde hij aan de eigenliefde // een gunstig woordje toe; overal vervolgde hij haar, // en rukte haar honderderlei maskers van het aange-// zicht, of joeg haar met een scherp indringende roede // uit de geheimste schuilhoeken, waarin zij zich vcr-// borgen had, onbarmhartig weg. Niet ó\'nmaal verde-// digde hij de begoochelende verbeeldingskracht tegen \'/ de voorrechten van het heilig gebod in ons. ïueteen-// maal bracht hij aan de mode het oller. om door dunne // vernis der menschenliefde voor de goddelijke liefde quot; zelve te verkoopen; stout en koelbloedig noemde hij // zelfbedrog wat zelfbedrog, ijdelheid wat ijdelheid is. // Hij leerde mij de beste wenschen mijns harten be-// proeven, en zelfs de vroomste bewegingen van mij-quot; nen wil wantrouwen. Hij leerde mij droomen van // waarheid, en den vinger Gods onderscheiden van de // verborgene bedriegerijen der booze eigenliefde. Ge-// sterkt door dezen weldadigen invloed mijns vriends // op verstand en hart, kreeg ik hem meer en meer // lief, verstond ik hem beter en beter, en werd ik // eindelijk ook zijn vriend, zoo als hij laug de mijne // was geweest.quot;

Zoo spreekt Sailer, en in deze zijne taal stemmen zoo vele andere mannen mede, die door deugd en verstand zicli eenen onsterflijken roem verworven hebben. Ja de Navolging bevat niet alleen aanmerkingen, welke gefchikt zijn om de ziel te treilen, zij is daarenboven opgevuld met bewonderenswaardige raadgevingen in alle omstandigheden des levens. — In welk eene gesteldheid men zich ook bevinden moge, men leest ze nooit zonder vrucht. — De heer de la Harpe

7

-ocr page 12-

VOORREDE.

8

is een hiervan treffend voorbeeld; laat ons dezen eens hooren spreken : quot; Ik was in mijne gevangenis alleen in eene kleine kamer quot; zegt hij ((en diep bedroefd. \'/ Sedert eenige dagen had ik de Psalmen, het Evan-quot; gelie en eenige goede boeken gelezen. Derzelver uit-» werking was schielijk , ofschoon trapsgewijze. Reeds // was ik aan het geloof teruggegeven. Ik zag een nieuw // licht; maar ik ontstelde en werd neerslachtig , daar //het mij eenen afgrond, namelijk dien van eene « veertigjarige afdwaling aanwees. Ik zag de geheele » kwaal, maar nog geen redmiddel. Niets was er rond-// om mij, dat mij den bijstand van den godsdienst « aanbood. — Yan de eene zijde was mijn leven in mij-// nc oogen, zoo als ik het bij het licht der hemelsche // waarheid zag, en van eene andere zijde de dood, // dien ik dagelijks verwachtte, zoo als men dien toen u ontving. De Priester verscheen niet meer op het // schavot, om dengene, die sterven moest, te vertroos-« ten; hij beklom het niet meer dan om zelf te sneven. // — Vol van deze treurige denkbeelden , was mijn // hart verslagen, en wendde het zich tot God, dien ik u had weergevonden, en nognauwlijks kende. Ik zeide quot; tot hem : wat moet ik doen ? Wat zal er van mij wor-// den ? — Ik had op eene tafel het boekje der jSTavol-« ging, en men had mij gezegd, dat in dit uitmuntend //werkje, dikwerf het antwoord op mijne gedachten v zoude vinden. — Ik opende hetzelve onverschillig , « en mijne aandacht viel bij het openen op deze woor-quot; den : Zie mij hier, mijn zoon, \'ik kom tot u , omdat // gij mij geroepen hebt. Ik las niet verder, want de //schielijke indruk dien ik ondervond, is boven alle - uitdrukking verheven; en het is mij even onmogelijk, // dien mede te deelen als te vergeten. — Ik viel met het « aangezicht ter aarde, en zwom in tranen, onder het // aanheffen van een luid geschreeuw, en het uitspreken // van afgebrokene woorden. Ik gevoelde dat mijn hart // verlicht en meer opgeruimd was, maar tevens als // ware liet gereed te bersten. Overvallen door eene me-// nigte van denkbeelden en gevoelens , weende ik vrij \'/ lang, zonder dat mij eenig aandenken van dien toe-// stand overbleef, dan dat mijn hart nooit iets sterker

-ocr page 13-

VOOBREDE.

//en aangenamer gevoeld heeft; en dat de woorden: // Zie mij hier, mijn zoon , onophoudelijk in mijne ziel // weergalmden, en op eene krachtige wijze al hare // vermogens schokten. quot;

Hoe vele verborgene genaden moet dan niet het boek bevatten, waarvan eene enkele plaats, niet minder kort dan eenvoudig, eene ziel, die door filozofi-schen hoogmoed sedert langen tijd verhard was, heeft kunnen treilen! —

Dat men zich intusschen daarin niet bedriege. — Om die levendige en plotselinge indrukken, en zelfs een waarlijk heilzaam uitwerksel, voort te brengen, vereischt de Navolging een wol bereid hart. Men kan er tot een zeker punt het bekoorlijke van gevoelen, men kan het bewonderen, zonder dat uit deze onvruchtbare bewondering eenige verandering in den wil of in het gedrag voortvloeit.

Niets is voor de zaligheid nuttiger, dan hetgeen op de ootmoedigheid berust: indien men niet ootmoedig is, of tenminste niet verlangt het te worden, zal het woord van God op de ziel vallen, gelijk de dauw op eene dorre zandwoestijn. Als de Zaligmaker zijnen Leerlingen den hemel wilde aanwijzen, wat deed hij dan? Jesus nam een klein kind, plaatste het in hun midden en zeide:\'/ voorwaar, ik zeg u, indien gij niet wordt als kleine kinderen, zoo zult gij niet ingaan in het koningrijk der hemelen.quot; De man , die dit boekske schreef, had tot zinspreuk: Zoele onbekend te hlijven. (amo nescire., (De strijd, die sedert eeuwen tot op dezen dag over den waren Schrijver van dit werkje gevoerd wordt, is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de nederigheid van den maker, die zich in zijne handschriften alleen als afschrijver (hie liber elt scriptu-manu et characteribus Thomte a Kempis) doet voorkomen. En nochtans heeft deze ootmoedige man door dit zelfde boek, dat op elke bladzijde den roem der menschen veracht en verwerpt, in de geheele Christelijke wereld, eenen naam verworven, die misschien alleen voor dien der Apostelen wijkt. — Ziedaar ons van het boek gekomen op den Schrijver, bij wien wij nog een oogenblik willen toeven. Het is bekend, dat er

9

-ocr page 14-

VOOEEEDE.

van vroeger tijd af over den vervaardiger van dit beroemde werk hevige geschillen gevoerd zijn. Ja wellicht-is er geen werk, over welks Schrijver men meer getwist heeft, dan over dien van het boek van do Navolging van Christus. Meer dan twee eeuwen lang is men het daarover oneens geweest, en meer dan honderd boeken zijn daarover geschreven. Sommigen hebben den H. Kerkvader Bernardus als schrijver genoemd, doch zonder genoegzamen grond. Meer algemeen heeft men voor schrijver gehouden Joannes Gerson, een vermaard leeraar en Kanselier der Universiteit van Parijs: terwijl weder anderen en wel de meesten als schrijver noemen Thomas van Kempen.— of gelijk hij schrijft Thomas llamerlcen. (Malleolus.) Deze werd ten jare 13S0 geboren in het niet groote, maar in de uitgestrekte Rijnvlakte bij Keulen . bevallig gelegen stadje Ktvn-\'pen. Het is van dit plaatsje, dat hij naar de gewoonte der tijden. zijnen naam van Thomas van Kempen ontleent. Als kanunik regulier van de orde van den H. Augustinus leefde hij voorbeeldig, en is in het klooster van St Agnesberg, bij Zwolle, ten jare 1471 in den geur van heiligheid overleden. Wellicht zou men thans (na de verhandeling van den Eerw. Zeer Gel. Heer J. 13. Mallon, enz., enz., enz., (1) met meer zekerheid uitspraak kunnen doen : dan wij houden ons tevreden met het zoo schoone gezegde van den vromen schrijver, wie hij dan ook zij: onderzoek niet, wie het gezegd heeft, maar let op het gene gezegd wordt.

Wij voegen hierbij den wensch , dat dit gulden boekske ook thans nog in ons Vaderland hetzelfde vriendelijk onthaal moge vinden , dat het sedert vier eeuwen alom mocht ontmoeten, en onder den zegen van God veler harten geleiden op don weg der Navolging van Christus.

(1) Recherclies historiques et critiques sur le veritable auteur du livre de 1\'Imitation de J. C. —Louvaiu 1848.

10

-ocr page 15-

OND E EEIC H TIN G

betrekkelijk

HET HEILIG MISOFFER.

Het heilig Misoffer is eene offemide, waarin Jesus Cliristus zich als slachtoffer voor or.s opdraagt, door do bediening zijner Kerk, die zich aan het altaar, door den priester, zijn\' bedienaar, doet vertegenwoordigen. Jesns Christus heeft het heilig Misoffer ingesteld, om onder ons deze offerande te doen voortduren , welke hij aan het kruis, voor der menschen zaligheid heelt opgedragen , en om ons de genade toe te voegen, die hij daardoor verdiend heeft. Er is alletn verschil iu de wijze, waarop JesusChrisms, oi.s slachtoffer, zich voor ons aan God opdraagt : aan het kruis heeft Jesus Christus zich door zich-zelven opgedragen en is hij op eene bloedige wijze geofferd; op onze altaren draagt hij zich op door de bediening zijner Kerk, vertegenwoordigd door den priester, en hij wordt cp eene onbloedige wijze opgeofferd.

Deze offerande is een brandoffer, aan God opgedragen, om zijne goedheid en oppermacht over alle schepselen te erkennen; wij moeten die dan bijwonen, met de gevoelens eener diepe aanbidding en volmaakte onderwerping aan zijnen god-delijken wil.

Het is een offerande van dankzegging, om God te bedanken voor de weldaden, waarmede

-ocr page 16-

ONDERRICHTING

tij ons overladen heeft: wij mie ten dan, dezilve bijwonende, in levende gsvoslens van dankbiar-heid en liefde treden.

Het is een zoenoffer, opgedragen voor de kwijtschelding onzer zonden; niet in dezen zin, dat het toereikend zoude zijn, het heilig Misoffer met geloof bij te wonen om kwijtschelding onzer ongerechtigheden te bekomen, zonder dat het noodig ware onze toevlucht tot de biecht te nemen; maar omdat het een uitwerksel heeft otn Gods verbolgenheid te stillen, hem te bevredigen en do genade en gesteltenis te bekomen, die onontbeerlijk zijn, om het Sacrament vau hoet-vaardigheid met godsvrucht te ontvangen ; ten einde dit uitwerksel ten onzen opzichte te bekomen, moeten wij de heilige Mis hooren, met gevoelens van leedwezen, en met een vast voornemen van ons te beteren.

Het is eindelijk een verzoenoffer, dat is te zeggen , dat het Gode opgedragen wordt, om van hem al de tijdelijke en geestelijke hulp te verwerven, die ons noodig is; waaruit volgt, dat wij er met geloof, go Isvrucht, ijver en ■vertrouwen by moeten tegenwoordig zijn.

Alzoo vloeien de gesteltenissen, welke wij in deze verhevene otferande moeten bezitten, voort, uit de inzichten zeiven, welke de Kerk heeft, wanneer zij die opdraagt.

Het wordt aan Gnd alleen opgedragen, omdat het eene hulde is, die de oppermacht des Scheppers aanduidt : het aan anderen opdragen, zou een heiligsehendende eeredienst zijn, afgoderij door God verworpen. Wanneer men alzoo spreekt van eene Mis, ter eere van de heilige Maagd , van de Engelen of de Heiligen, is dit niet te

12

-ocr page 17-

BETREKKELIJK HET H. MISOFFER. 13

zeggen, dat men hun de heilige offerande opdraagt, maar alleenlijk, dat men daarin de gedachtenis van hen houdt, om God te bedanken voor de genade, welke hij hun gedaan heeft; en men smeekt hunne tusschenkomst af, opdat zij, met ons, dit offer opdragen aan Hem, wien het behoort.

Deze offerande wordt God opgedragen voor alle levenden en dooden : hiervan komt de gedachtenis {Memento) der levenden en de gedachtenis der overledenen , welke wij houden, om beide den Heer aan te bevelen.

Voor de levenden: het is voor allen, dat het heilig offer wordt opgeofferd, zelfs voor de on-geloovigen , de Joden en ketters, de scheurmakers, die in den kerkban zijn, omdat God de zaligheid van allen verlangt. De Kerk treedt in hare inzichten, dagelijks hare offerande vernieuwende, die eens is opgedragen voor de zaligheid van geheel het menschelijk geslacht. Die alge-meene wer.schen worden altoos uitgedrukt , wanneer wij aan het altaar zeggen : Geheiligd zij uw naam; onstoekome wc rijk. Uw wil geschiede. Gelied, vol ijveren liefde, dat, uitgesproken in het midden onzer heilige geheimenissen , de vurige wenschen uitdrukt, welke wij vormen , opdat alle menschen tot de kennis der waarheid en het rijk Gods geraken. Het is daarom, dat de Kerk in het openbaar, en voornamelijk op goeden vrijdag, bidt voor de bekeering der Joden, onge-loovigen eu anderen, die zich buiten den weg der zaligheid bevinden. Maar de levenden, voor welke zij bijzonder het heilig Misoffer opdraagt, zijn hare onderdanen en trouwe kinderen : voor deze is de bijzondere bede, welke de Priester

-ocr page 18-

ONDERÏIICHTING

hemelwaarts zendt, wanneer hij het vlekkelooze Lam, den eeuwigen Vader opdraagt : Ontvang, o heilige Vader! dit vlekkelooze en heilige slachtoffer, hetwelk wij TJ met alle getrouwe Christenen opdragen.

Voor de overledenen ■. de overledenen , voor welke wij de heilige offerande opdragen, zijn noch de Heiligen in den Hemel, (deze hebben geene gebeden meer noodig): noeli de verdoemden, (voor hen is geene verlossing meer) ; maar het is voor de zielen, die, nog niet geheel aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebbende , in het Vvgevuur, de plaats van zuivering, we-derhonden worden, tot dat zij gereinigd zijn van de lichte vlekken, waarmede zij uit dit leven gescheiden waren. Het is een punt des Geloots, dat zij geholpen, verlicht en zelfs verlost worden door de gebeden en het heilig Misoffer; in alle tijden heelt de Kerk het voor de overledenen opgedragen.

Dewijl de heilige Mis opgedragen wordt voor allen, en voor in de goddelgke genade in den Heer ontslapenen, volgt hieruit, dat, wanneer de geloovigen den priester verzoeken de offerande des altaars voor eenen levende, welken zij aanduiden, of voor de overledenen, in het bijzonder op te dragen, de andere levenden en overledenen daarom niet zijn. uitgesloten van de deelneming in de heilige geheimen; maar hierdoor wordt de priester verzocht God te bidden, dat hij zich in zijne groote barmhartigheid, gewaardige de vrucht der heilige offerande op eene bijzondere wijze toe te voegen aan de levenden of overledenen , welke hem in het bijzonder worden aanbevolen.

14

-ocr page 19-

BETREKKELIJK HET EI. MISOFFER

Over het altaar en zijn toebehooren.

üe altareu der katholieke Kerk zijn van de vroegste tijden; zij klimmen op tot den tijd der Apostelen, zoo als wij zien in den brief van den heiligen Paulus aan de Hebreeuwen. (Hoofdstuk XIIl, vers. 10.) Derzelver wijding of toeheiliging, is van de eerste eeuwen in gebruik geweest, en uithoofde van zich zeiven en alles wat er toe behoort, bieden zij den verlichten geest niets aan, dat zijnen godsdienst of zijne godsvrucht geen voedsel geeft. Inderdaad,liet altaar op zich zeiven genomen, brengt natuurlijk de herinnering bij, hetzij aan de heilige Tafel s aan welke Jesus Christus het laatste avondmaal met zijne Leerlingen nam, hetzij aan het kruis, aan hetwelk zijne liefde tot ons hem vasthechtte op den Calvarieberg, waar hij zijn leven voor de mensehen en voor hunne zaligheid wel wilde opofferen. De Kerk heeft bevolen, dat de altaren van steen zouden zijn, omdat zij, in eenen geestelijkenen figuurlijken zin, bijzonderlijk Jesus Christus verbeelden, die in de heilige Schrift genoemd wordt de hoeksteen, uithoofde zijner goddelijke sterkte; en omdat hij de vaste band is, die de twee volkeren, Joden en Heidenen, door dezelfde middelen van zaligheid vereenigt, welke hij beiden aanbiedt. De Kerk wil insgelijks, dat men overblijfselen der Heiligen in de altaren zoude stellen, om ons hunne innige vereeniging voor te stellen met Jesus Christus, die door bet altaar verbeeld wordt, en om alzoo te doen beseffen , hoe krachtig hunne voorspraak voor ons bij hem is. Dit gebruik is ook van de eerste lijden, en herinnert aan de dagen van vervolging,

15

-ocr page 20-

ONÜF.RKICIITING

wanneer men zich in de noodzakelijkheid bevond, van het heilig Misoffer in de onderaardsche plaatsen op de grafsteden der martelaren op te draden.

De doeken, waarmede het altaar overdekt is, verbeelden de linnen doeken, waarin het lichaam van Jesus gewikkeld was in het graf; het kruis , in het midden geplaatst, is een zegeteeken der overwinning, welke het goddelijk Lam over de geheele wereld, niet door het staal, maar door het hout behaald heett, even als de Profeten zulks voorzegd hadden, door de verdienstenvvan zijn lijden en van zijnen dood op den galgenboom des kruises. De brandende waskaarsen, die ter rechter- en ter linkerzijde flikkeren ,■ zijn een zinnebeeld van dien glansrijken dag, die de Joden en Heidenen verlicht heeft, en die hen van de duisternissen tot het wonderbaar licht van het Evangelie heeft doen overgaan : zij beteckenen dat goddelijk licht, hetwelk alle menschen verlicht, komende in deze wereld.

Over de Kelk en zijn toebehooren.

Wij zien in de oudheid kelken van hout, steen, glas, koper, tin, zilver en goud; maar sedert lang heeft de Kerk gewild, dat men gceue andere dan gouden en zilveren kelken zoude bezigen : eensdeels om de heiligschennissen of oneerbiedigheden te voorkomen, die door brooze stoffen konden veroorzaakt worden, en anderdeels voor den meerderen eerbied; tenminste moet de kuip van zulke stoffen zijn, en zoo zij van zilver is, moet zij van binnen verguld zijn; do kelk moet door den Bisschop of iemand, daartoe bijzonder

16

-ocr page 21-

BETREKKELIJK HET H. MISOFFEK. 17

gencachtigd, gewijd zijn : hetzelfde heeft plaats omtrent de pateen, die een klein, plat, rond sohoteilje is, zonder boord, dienende om daarop het lichaam van Jesus Christus te doen rusten; zij moet, even als de kelk, tenminste van zilver zijn en de oppervlakte verguld.

Het Fvrijicatorium: is een linnen doekje, hetwelk men op den kelk legt, dienende om den-zelven af te droegen en te zuiveren.

De Pallat, een linnen doek, over een vierkant bordpapier gespannen, dient om den kelk gedurende het Misoffer te dekken , opdat er niets invalle.

Het Velum of de kelkdoek, is een stuk van dezelfde stof, als het priesterlijk gewaad, om alles te dekken.

Eindelijk de Beurs, insgelijks van dezelfde stof en kleur, bevat eenen gewijden doek, Qorporaal genaamd, die van lijnwaad gemaakt is, welken men onder den kelk openspreidt, om het lichaam van Jesus Christus, en de kleine gedeelten, welke zich van de heilige Hostie zouden kunnen afscheiden, onmiddelijk aan te raken.

De H. Bonaventura, in zijne uitlegging van de heilige Offerande der Mis, vindt in den kelk het afbeeldsel van het graf van Jesus Christus; in de Fateen den steen, die den ingang van hetzelve sloot; in den Corporaal de zweetdoeken , waarin zijn heilig lichaam gewonden werd; en in het Purijicatorium, de spons met gal en azjjn gevuld, welke men hem aanbood, om hem, door eenen brandenden dorst verslonden wordende, te laven; de Kelkdoek eindelijk, herinnerde hem de duisternissen , die zich bij den dood des Zaligmakers over de aarde verspreidden.

2

-ocr page 22-

ONDERRICHTING

Over het priesterlijk gewaad.

Heeft de burgerlijke maatschappij verschillende kleederen voor de onderscheidene bedieningen der overheden, der legers, der pleitzalen, gerechtshoven, enz., — veranderen vorm en kleur volgens de plechtigheid der dagen , volgens de dagen van vrolijkheid en rouw ; — zon is het ook niet te verwonderen, dat de christelijke maatschappü onderscheidene gewaden bezigt voor het heilige aller geheimen : de zwakheid onzer Binnen vordert dien toestel, die den uiterlqken glans der goddelijke bedieningen verheft, zonder iets bij hare wezenlijke grootheid te voegen.

In het begin nochtans was dit gewaad gelijk aan de gewone kleedingstukken; om meer eerbied te betuigen , bediende men zich in de kerk van kleederen, die zuiverder, kostelijker en uitsluitend voor den eeredienst bestemd waren. Men heeft den ouden vorm, nochtans met eenige veranderingen, behouden. Zij moeten gewijd worden, alvorens men die voor den dienst gebruikt, en terwijl de priester zich kleedt, zegt hij gebeden, toepasselijk op de geheimzinnige beteekenis van elk stuk, waarmede hij zich kleedt.

Deze kleedingstukken zijn:

1°. De Amict, het schouderkleed, of de witte doek, waarmede de geheiligde bedienaars hunne schouders en hunnen hals bedekken : dit is een teeken, dat den priester herinnert aan de zedigheid en den eerbied, met welke hij tot de heilige geheimen moet naderen. Dit gewaad — zegt Paus Innocentius III, —brengtonste binnen,datJesus

18

-ocr page 23-

BETKEKKELIJK HET H. MISOFFER. 19

Christus zijne godheid onder den sluier onzer natuur heeft verborgen, om onze zaligheid te bewerken.

2°. De Jlhe, of het kleed van wit lijnwaad, hetwelk in het Roomsoh Keizerrijk de personen van onderscheid droegen, heeft de Kerk behouden; omdat het door zijne witheid de volmaakte zuiverheid aanduidt, waarmede de priester toi het altaar moet naderen en aldaar het vlekke-looze Lam opofferen.

Het kan ons het witte kleed herinneren, waarmede Herodes deu Zaligmaker uit spotternij deed omhangen, en leert ons, naar zijn voorbeeld, met geduld de spot en beschimpingen verdragen, waarmede de men^chen ons om onze deugd bejegenen.

3°. De Cingél of gordel, dienende om de albe op te houden, is het teeken der kuischheid, die de eerste deugd des priesters moet wezen : hij kan ons ook aan de koorden herinneren, waarmede de Zaligmaker gedurende zijne geeseling aan de kolom werd gebonden.

4°. De Stool, fijn lijnwaad, welke de rijken srebruiken om hunne aangezichten af te vegen. Reeds in de zesde eeuw veranderde men haar gebruik en vorm; van dan at is zij van stof gemaakt in eenen langen en smallen wimpel, zoo als nog heden, en zij werd een eerekleed en het zinnebeeld van de macht der priesterlijke waardigheid. Innocentius III beschouwt deze als het teeken van de gehoorzaamheid en dienstbaarheid, welke Jesus Christus omhelsd heeft, om ons de vrijheid van Gods kinderen weder te geven. De priesters droegen het onder het heilig Mis-

-ocr page 24-

ONDERRICHTING

offer gekruist over de borst, om aan te duiden, dat hunne macht al deszelfs vermogen uit het kruis van Jesus Christus trekt,

5°. De Manipel, voorheen een kleine doek, die de stool verving, toen deze niet meer dau een enkel versiersel geworden was, dienende alsdan , zoo als vroeger de stool, om het zweet van het gelaat te droegen. Sedert de twaalfde eeuw werd de manipel slechts een enkel versiersel, van stof gemaakt en aan den linker arm gedragen, maar behield zijne eerste beteekenis : die van den evangelischen arbeid, zweet en tranen.

6°. De Kasnifel was voorheen een geheel ronde mantel, waarin de priester als gesloten was , en die slechts één opening had, om er het hoofd door te steken. Wanneer men iets te doen had, lichtte men dien op en plooide hem op de armen , hij was aan de twee zijden opgerold, hing voor en achter naar beneden en had bijna den vorm van onze hedendaagsche kasuifels, waaruit men datgene heeft gesneden, hetwelk op de armen opgerold of gevouwen was. De dienaren, die den priester aan het altaar bijstonden, moesten dezen zwaren mantel ondersteunen bij de bewierookingen, aan de offerande en aan de opheffing; hei is om aan dat oude gebruik te herinneren, dat men nog de kasuifel opheft bij die verschillende deelen der Mis. Dit kleed verbeeldt de liefde, die den priester geheel moet bezielen; en het liefelijke juk van Jesus Christus, hetwelk de offeraar met vreugde en bereidwilligheid moet d?agen, wordt daarin aangeduid door het kruis, dat er zich van achter op bevindt.

7°. De Dalmatica was voorheen een kleed, geschikt voor dc dienaren, en is nu een gewaad

20

-ocr page 25-

BETREKKELIJK HET H. MISOFFER. 21

geworden, hetwelk de diakeu en subdiaken boven de albe dragen, wanneer zij den priester aau het altaar bijstaan.

80. De Koorkap was voorheen een mantel, welke men gebruikte in de processiëu, wanneer het regende, eu dien men den naam gegeven had van Pluniale; de se,help, die van achter is, was eeu kap om het hoofd te dekken. Deze mantel is in het vervolg een enkel versiersel geworden, voor de heilige plechtigheden bestemd, en kau, even als de kasuifel , de evangelische liefde be-teekenen, die den bedienaar der altaren als in een\' nieuwen meusch moet veranderen.

De inwendige gesteltenis der geloovigen moet gedeeltelijk met de deugden overeenkomen, eigen aan de offerande, welke zij met Jesus Christus en met zijnen vertegenwoordiger opdragen. De Amict moet hen doen gedenken aan de zedigheid der kleederen , en aan de ingetogen heidderstilzwijgendheid in Gods tempel; de Albe en de Cïngel of Gordel aan de zuiverheid en ootmoedigheid ; de Manipel aan het vrome leven en de werken des geloofs, welke zij methet heilig Slachtoffer moeten vereenisren; de Stool aan de waardigheid van hun ambt, hetwelk hen roept, om op aarde de offerande op te dragen , en in den hemel te heerschen ; de Kasuifel aan het zoete juk des geloofs , waaraan zy zich in alle omstandigheden moeten onderwerpen : eindelijk moet die uiterlijke toestel tot de oogen, maar nog meer tot, het hart spreken, om de grootheid der offerande, het langdurig gevolg barer voorbereiding en een overvloed der vrachten, welke men er uit m gt;et trekken, te verheffen.

Er blijft nog een woordje te zeggen, over de kleuren der heilige Misgewaden.

-ocr page 26-

ONDERRICHTING

Men bedient zich van het wit, voor de blijde en heerlijke geheimen, die tot Jesns betrekking hebben, en voor de feestdagen der allerheiligste Maagd en der Heiligen, die geencmartelaren zijn. Deze kleur beteekent de blijdschap, den glans en de zuiverheid.

Het rood wordt gebruikt op Pinksterdag, en op de feestdagen der martelaren , en duidt den geest van opoffering, de bloedstorting en de vurigheid der liefde aan.

Het groen is voor de zondagen en de gewone dagen, op welke men de getijden van feria of geen bijzonder feest heeft; van den feestdag der allerheiligste Drievuldigheid, van den Advent, en van Kersmis tot septuagesima; dit is het zinnebeeld van de vruchtbaarheid der velden , en van de vruchtbaarheid der geestelijke werken.

Het purper, treurige kleur, zinnebeeld der boetvaardigheid, is voor den tijd van den Advent van septuagesima en van de veertigdaagsche vaste.

Het zicart dient voor den rouw der Kerk en van hare kinderen.

Men verstaat door de Mis van Requiem zulk eene, die in zicart gewaad gedaan wordt.

Er is hiervoor gezegd, dat het heilig Misoffer steeds te gelijk voor alle levenden en overledenen opgedragen wordt; dat de priester het nochtans meer bijzonder opoffert voor eenen levende of eenen overledene, dien hij in zijne bedoeling aanduidt; hij kan aldus handelen, telken reize als hij de Mis opdraagt, welke dag en welk feest het ook zij, en de geloovigen zouden zich bedriegen, zoo zij meenden, dat een priester aan hunne meening niet voldoet voor eenen overledene, dien zjj hem bijzonder hebben

22

-ocr page 27-

BETREKKELIJK HET H. MISOFFER.

aanbevolen, als hij niet in zwart leest; er zijn dagen, op welke de Kerk hem het gebruik van zwart gewnad niet toelaat, zoo als op een groot getal feestdagen: het is de kleeding van den priester aan het altaar niet, die de zielen in het vagevuur verlichting verschaft, het is de toevoeging der verdiensten van het lichaam en bloed van Jesus Christus.

Over de zegening van en de hesproeiiag met het wijwater.

Des zondags, vóór de Hoogmis, zegent de priester, met het heilig gewaad bekleed, uitgezonderd de kasuii\'el, met wijwater, om daarmede de vergadering te besproeien.

De zegening met wijwater, het gebruik van daarmede het volk te besproeien , van het bij \'t ingaan der kerk te nemen, om daarmede op zijn voorhoofd het teeken van den Christen te maken, dit alles wordt door de ongeloovigen voor belachelijke, bijgeloovige oefeningen en nieuwe uitvindingen gehouden , die door de onwetendheid ingeslopen zijn, en welke wrij dwaaa genoeg zijn om aan te nemen. Dit zijn even zoo vele lasteringen der ongodsdienstigheid, die, volgens den heiligen apostel Judas, datgene lastert, wat zij niet kent.

Het gebruik van het wijwater met. het zout te zegenen, is van de eerste tijden. Baronius, schrijvende over het jaar 181 van J. C., bewijst, dat dit gebruik eene apostolische overlevering is; de oudste Kerkvaders spreken van dit wijwater. Wanneer men, zegt de H. Augustinus, een gebruik algemeen aangenomen ziet in de Kerk, dat gepleegd en onderhouden wordt bij al de volkeren die het geloof omhelsd hebben, en men

23

-ocr page 28-

ONDEEBICHTING

het begiu daarvan in den loop der eeuwen, die tussclien de Apostelen en ons zijn verloopen , niet kan aanduiden, kan men houden dat het tot de tijden der Apostelen opklimt. Dit algemeen grondbeginsel is op het gezegende water toepasselijk , waarvan men in de geheele katholieke Kerk gebruik maakt. Ismendannietmeer dan vermetel, wanneer men voor bijgeloovige en bespottelijke oeteningen houdt dezulke, die eenen zoo eer-biedwaardigen oorsprong hebben? dezulke, welke de Kerk, door Jesus Christus ingegeven , onderhoudt en alzoo aanbeveelt? En door die achtingswaardige oudheid is de geheimrijke beteekenis, aan de zegening van en de besproeiing met het wijwater verknocht, reeds voldoende, om te bewijzen dat er niets Injgeloongs in dit gebruik is.

De Kerk zegent het wijwater, opdat de duivelen , uit kracht der gebeden; welke zij hetzelve zegenende en bezwerende uitspreekt, geeae macht zonden hebben op hetgeen door dit water aangeraakt wordt, maar de heilige Geest zjjne heilig-makende kracht er over zou uitstorten. Zij vermengt gezegend zout met het wijwater, omdat het zont het zinnebeeld der voorzichtigheid en wijsheid is, zoo als Jesus Christus leert, (Marc. IX. 48, 49.) en de kracht hebbende om van bederfenis te beveiligen , en duidt zijne vermenging met het wijwater, het zinnebeeld der oprechtheid en zuiverheid, de heilzame uitwerkselen aan van Gods genade in onze zielen, de eenvoudigheid en zuiverheid der duif, de voorzichtigheid der slang, de ware wijsheid, die van het bederf der zonde behoedt.

Men besproeit met dit wijwater het altaar en het heiligiiom , om alles te verwijderen, wat de

24

-ocr page 29-

BETKEKKELIJK HET H. MISOFFER. 25

aandacht en ingetogenheid van den priester zou kunnen storen; het vergaderde volk, om het tot de offerande voor te bereiden , en om in aller harten de gevoelens van boetvaardigheid op te wekken, uitgedrukt in den psalm : ontferm U mijner, o God! welke men gedurende de besproeiing leest.

Men plaats dit water aan den ingang der kerken, opdat de geloovigen, als zij het uernen, aan God de genade zouden vragen, om gereinigd te worden van hunne zonden, ten einde hunne gebeden zuiverder en krachtiger te maken.

Het is goed dit water te nemen , als men opstaat en slapen gaat, vóór dat men zijn gebed begint, wanneer men bekoord wordt, als er een onweder woedt, en er de zieken en de dooden mede te besproeien, tot verlichting hunner ziel, en alle plaatsen, alwaar men de listen des duivels vreest; deze gebruiken zijn alle door de Kerk van Jesus Christus goedgekeurd , en deze kan niets aanbevelen noch goedkeuren, dan hetgene heilig is.

Maar, opdat het gebruik van het gezegende water heilzaam zij , moet men er zicb van bedienen met eenen geest van geloof en berouw over zijne zonden; omdat dit water niets door zich zelf, onafhankelijk van het geloof van hem die het gebruikt, gevoegd bij de gebeden der Kerk, uitwerkt. Men dient berouw te hebben , ten einde de genade te bekomen gereinigd te worden van zijne zonden , door zich met dit water te wasschen ; God schenkt nimmer den-gene de vergeving der zonden , welke niet van boetvaardigheid doordrongen zijn.

-ocr page 30-

ONDERRICHTING

Over de ïodsdienstige omgangen in het algemeen, en in het bijzonder over die, welke voor de parochiale Hoogmis geschiedt.

Hit woord Processie (omgaua:) komt van het latijn procedere , hetwelk beteekent: gaan, voortgaan; het is een tocht, welken de geestelijkheid en het volk met eenig godsdienstig voorwerp , biddende doen.

Wij vinden de omgangen reeds vóór het christendom in gebruik bij het Joodsehe volk , zoo als wij op verscheidene plaatsen van de heilige Schrift lezen; de christelijke Kerk heeft deze heilige oefening van den eeredienst reeds van de vierde eeuw aangenomen, zoodra zij, door het eindigen der eerste vervolgingen, den vrede en de vrijheid begon te genieten.

Natuurlijke redenen hebben in den beginne aanleiding tot deze plechtigheid gegeven. Alzoo ging men, wanneer men overblijfselen der heilige martelaren vond op eene plaats, alwaar zij gedurende de vervolging verborgen waren geweest , deze met plechtigheid halen, en men bracht ze zegepralend in de kerk , terwijl men psalmen en lofzangen zong ; men deed hetzelfde , wanneer die overblijfselen van de eene plaats naar de andere werden overgebracht.

Daar het niet zelden gebeurde, dat de Bisschoppen het heilig Misoffer in andere kerken hunner bisschoppelijke stad , dan in de hoofdkerk, plechtiglyk gingen opdragen, vertrokken ze uit deze, vergezeld van de geestelijkheid en gevolgd door het volk , onder het zingen van psalmen en andere gebeden, en men begaf zich alzoo naar de bedoelde kerk.

In openbare of algemeene noodwendigheden,

26

-ocr page 31-

BETREKKELIJK HET H. MISOFFER. 27

stortte men buitengewone gebeden; men ging in bedevaart naar de grafstede der heilige Martelaren, psalmen zingende, en men keerde op dezelfde wijze terug ; de gezangen werden Utanien, dat is smeekinr/cn geheeten: hiervan komt de naam van litanie der Heiligen, welken naam reen aan het gebed geelt, dat sedert geruimen tijd bij de wederinvoering der omgangen gezongen wordt.

Ziedaar, grootendeels den oorsprong der omgangen en hetgeen er aanleiding foe gegeven heeft. Later heeft men die ingevoerd, welke op de zon- en voornaamste feestdagen des jaars, vóór de parochiale Hoogmis gehouden worden; diegene, die plaats grijpen bij zekere bijzondere plechtigheden, altijd met een overeenkomstig doelwit; degene, die men doet rondom de steden en velden, zooals op de kruisdagen, om de goddelijke zegeningen voor de vruchten der aarde af te smeeken, en die in eenen geest van boetvaardigheid gedaan worden.

Die vóór de parochiale Hoogmis plaats hebben , werden voorheen rondom de kerk gedaan , of zelfs rondom de parochie, ten einde van God door de gebeden en het zingen der psalmen, het rijk zijner genade, zijne goddelijke bescherming over de gemeenten , de ruslt; der zielen van de afgestorvenen, wier stoflgke overblijfselen op de kerkhoven rusten, te verkrijgen; men droeg altoos gewijd water bij die omgangen , om de plaatsen ; waar men kwam , te besproeien , en die tegen de listen des duivels te beveiligen. Ten einde de goddelijke diensten te verkorten, heeft men zich later tevreden gehouden, die omgangen alleen binnen de kerken te doen.

Aan het hoofd van alle omgangen wordt het

-ocr page 32-

ONDEREICHTING

krais vaa Jesus Cliristas gedragen, om aan te duiden, dat liet de weg en de geleider is der geloovigen , en dat allen zicli ouder den standaard der zaligheid moeten scharen. De brandende fakkels ter rechter- en linkerzijde des kruises , zyn het zinnebeeld van Jesus Ctiristus, die het licht der wereld is ; en die welke door de geestelijkheid en het volk gedragen worden, zijn eene getuigenis van hun geloof\' in het geestelijke licht dat ons verlicht en geleidt.

De vaandels, op welk de lichamen van de heilige personen der Kerk afgeschilderd zijn, of hunne beelden, welke men in die omgangen ronddraagt, drukken het verlangen der geloovigen uit, om derzelver voorspraak bij God te verwerven.

De brandende wierook, die overal den goeden geur verspreidt, leert den geloovigen, dit zij , zoo als de H. Paulus zegt, overal den goeden geur van Jesus Christus moeten verspreiden. Men brandt er eene grootere hoeveelheid in de omgangen, iu welke Jesus Christus zelf, in zijn heilig Sacrament wordt omgedragen: dit is een tee-ken van aanbidding, naar het voorbeeld der Wijzen, die hem in zijne krib kwamen aanbidden.

De geloovigen moeten zulke omgangen met diepe ingetogenheid vergezellen en trachten in dien geest te treden, die dezelve deed instellen. Zij zjjn zeer geschikt, om ons te doen gevoelen , dat wij geene verblijfplaats op aarde hebben, dat wij onze toekomende woning opzoeken , dat de Christen een reiziger en bdling in de wereld is, dat de Hemel het ware vaderland is, wer-waarts hij streelt, onder het geleide van Jesus Christus, onder de schaduw en bescherming van

28

-ocr page 33-

BETBhKKH.lJK HET H. MISOFFER. 29

de allerheiligste Maagd en der Heiligen , door de oefening des gebeds en der boetvaardigheid, om alzoo tot het altaar des hemels te geraken , waar ongestoorde rust en het eeuwig heil aangetroffen worden : het is in deze godvruchtige gevoelens, dat de geloovigen de omgangen moeten beschouwen en volgen.

Al deze omstandigheden, in welke wij thans treden, bewijzen dan, dat er niets is van hct-gene de Kerk doet of bezigt in de plechtigheden van haren eeredienst, dat niet eerwaardig en hoogst geschikt is , rm het gelocf der Christenen np te wekken en hunne godsvrucht te voeden. Dat de Christen zich dan bevlijtige, om er den zin van te vatten, om in de heilige gesteltenièseu te trfden, welke de Kerk hem, door het zien harer plechtigheden wil inboezemen. Dat degoddeloozen eindelijk schaamrood worden over hunne vermetelheid, door ze als bijgeloovige en belacheiijke oefeningen te beschouwen, en ophouden vau datgene te lasteren, wat zij niet kennen.

Over de beste wijze om het heilig Misoffer met vrucht te hoeren.

De geschiktste wijze is, zich te vereenigen met de gebeden en plechtigheden der Kerk, door ons geei e andere inzichten voor te sUllen dan de hare, onzen geest te vestigen op de gedachten , waarmede zij wil dat wij ons zouden bezig houden ; en in ons geene andere gevoelers op te wekken, dan die, welke zy wenscht dat wij koesteren, om het voordeel te genieten van met haar te bidden en op te offeren , en de vrucht niet

-ocr page 34-

SO ONDERE. BETREKKEL. HET H. MISOFFER.

te verliezen, die gehecht is aan den geest der woorden en plechtigheden vol beteekenis en geheimenis, welke zij in dit verhevene werk bezit. Tot dat einde gaan wij eene reeks van gebeden geven, betrekking hebbende op de woorden en verrichtingen des priesters aan het altaar, en zullen er eenige uitleggingen bijvoegen. Tot meerdere duidelijkheid, zullen wij de gebeden en plechtigheden van het heilig Misoffer in zes plechtige deelen verdeelen , die zeer gemakkelijk te onderscheiden zijn.

Het eerste is : de openbare voorbereiding, die aan den voet des altaars gedaan wordt.

Het tweede begint aan den Introitws, en bevat de verrichtingen en gebeden , die aan het altaar geschieden tot na het Synibolmn of de geloofsbelijdenis; hetgene weleer de Mis van de leerlingen in den godsdienst of Catechumenen, ge-heeten werd, welke men vóór de offerande wegzond, benevens de openbare boetelingen , alt nog niet waardig zijnde bij de voltrekking der heilige geheimen toegelaten te worden. Dit deed aan deze goddelijke verrichting den naam van Mis, van het latijnsche woord Missio, hetwelk wegzending beteekent, geven.

Het? darde deel is de Offerande der Mis.

Het vierde is de Canon of de Consecratie.

Het vijfde begint aan den Pater noster en bevat de bereiding tot de Nuttiging en de nuttiging of Communie zelve.

Het zesde is, de dankzegging na de Mis.

-ocr page 35-

GEBEDEN

VÓÓR EN ONUER HET HEILIGE

MISOFFER.

Met uitlegqing mn deszelfs plechtigheden.

Gebeden vóór de Mii.

Ik geloof vastelijk, o mijn God! dat de heilige Mis het onbloedige offer is van het lichaam en bloed van Jesns Christus, uwen Zoon. Maak dat ik het heden met die aandacht, dien eerbied en die heilige vrees bijwone, welke zulke merkwaardige geheimen vorderen.

Ik vereenig mij met den priester en uwe Kerk, om U dit offer met dezelfde inzichten op te dragen, waarmede Jesus Christus het aan \'t kruis heeft opgedragen : ik draag het U op , om uwe oppermacht over mij en over alle schepselen te erkennen, en om U mqne groote dankbaarheid te betuigen voor al de weldaden, welke Gjj over mij hebt uitgestort.

Zoo gij de Mis bijwoont, met een bijzonder inzicht om God meer uitdrukkelijk te bedanken voor eene door zijne goedheid verworvene genade, zoo voeg er bij :

En namelijk, dat Gij mij dusdanige genade, om welke ik U smeekte, hebt vergund. Ik draag het U op, om door de einde) ooze verdiensten van het goddelijk Slachtoffer, dat op het altaar gaat

-ocr page 36-

GEBEDEN VOOB EN ONDKft

opgedragen worden, de vergiffenis van al de zonden te verwerven, waaraan ik het ongeluk heb gehad mij plichtig te maken. Laat niet toe dat ik de bruiloftszaal uws Zoons binnentrede, zonder met het bruiloftskleed versierd te zijn. Reinig van nu af mijne ziel. De heilige zaken zijn voor de Heiligen ; het is mij niet geoorloofd U zoo nabij te naderen, zonder mij, even als Mozes alvorens ontschoeid, dat is de aangekleefd-heid aan de zonde uit mijn hart verbannen te hebben. Ik verfoei dan al mijne boosheden en ongerechtigheden; ik vraag U daarvoor vergeving en verzaak ze voor altoos.

Eindelijk draagik U, met uwe Kerk, deze eerbiedwaardige offerande op, om van uwe goedheid al de genaden te verwerven, welke zij voor mij en voor al hare kinderen van U vraagt. Gij hebt mij, bij voorkeur boven zoo vele anderen, het geluk geschonken, in haren schoot geboren te worden en haar toe te behooren : verleen mij door de verdiensten van Jesus Christus , uwen welbeminden Zoon , de noodige hulp om mijne heilige roeping door werken, den Christen waardig, te verzekeren; gewaardig U, om mijner zaligheids wille, al die genaden toe te staan, welke ik heden bijzonderlijk van U verzoek.

{■iewaardigU ook, mij gunstig aan te hooren voor allen , voor welke de rechtvaardigheid en ds liefde het mij ten plicht maken te bidden.

Indien het uw voornemen ia de heilige Mis te hoeren , ten einde eenige bijzondere genade voor iemand te verwerven. zeg hier dan den persoon en de genade, welke gij voor hem verlangt te betomen, en herinner n altoos, dat. zoo gij om eenig tijdelijk goed bidt, gij het voorwaardelijk moet vragen, voor zoo verre

82

-ocr page 37-

HET H. MISOFFER.

die gunst met den goddelijken wil overeenkomstig en voordeelig voor uwe zaligheid is, of voor die van dengene, voor wien gij bidt.

Ik verzaak, vooral, o mijn God ! aan al de verstrooidheden die mijnen geest zullen komen overvallen; ik bid U, mij daarom te behoeden, opdat niets van het aardsche mij aan de liefderijke gemeenschap onttrekke , welke ik met U , o mijn Heer en mijn God! verlang te hebben. Amen.

In den naam des Vaders, en des Zoous, en des heiligen Geestes. Amen.

EERSTE DEEL DER HEILIGE MIS.

De openbare voorbereldlngr, die aan den voet des altaars gedaan wordt.

De aankomst van den priester aan het altaar, verbeeldt de komst van Jesus Christus in deze wereld , door de menschwording, en de priester, in zooverre hij mensch en zondaar is, herinnert wonderbaar aan de vernietigingen van het vleeschgeworden Woord, dat de gedaante van eenen slaaf aangenomen , en zich met al onze ongerechtigheden beladen heeft; en in gele-zene Missen schijnen de vernedering en vermindering van Jesus nog meer uit, door de eenvoudige en zedige treden van zijnen dienaar.

De priester begint met over zich op de uitgestrekt-ste wijze het heilig Kruisteeken te maken, hetwelk de aanwezenden gelijkelijk behooren te doen. Het gebruik van dit teeken klimt tot de Apostelen op, en reeds spreekt Tertulianus in de tweede eeuw van het

3

33

-ocr page 38-

GEBEDEN VOOE EN ONDER

teeken en. zinnebeeld der Christenen, die daarvan bij het begin en het einde hunner voornaamste werken gebruik maakten.

De priester begint met liet teekeu des kruises , omdat hij en het christenvolk aan de drie goddelijke Personen door het doopsel zijn toegewijd ; deu Vader, die hen heeft aangenomen voor zijne kinderen; den Zoon , in wien wij zijn aangenomen; den heiligeu Geest, door wieu wij zijn aangenomen, in den heiligen Doop herboren wordende.

De psalm, welken de priester aanstonds zegt, is eene bereiding tot het heilige olfer, door gevoalens van vrees, verlangen, vertrouwen en heilige vreugde.

Aan het Confiteor of schuldbelijdenis vouwt de priester zijne handen te zamen , blijft in eene neie-rige houding, die eenen zondaar past, en zich voor G-od beschuldigende, slaat hij op zijne borst, terwijl hij smeekt hem te reinigen, eer hij tot het altaar opklimt : ten dien einde biedt hij hem de verdiensten van Jesus Christus en van de Heiligen aan.

Ia den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes. Amen.

De psalm Judica.

Ik nader tot het altaar, Heer, Gij, die liet licht zijt van hen, die zich in duisternissen bevinden, en die mijne toevlucht zijt in al de rampen , welke mij omringen.

Gewaardig U mijne ziel te bezoeken, en mij de zaligheid aan te brengen, naar welke ik verzucht; wolken des hemels, zendt ons den Rechtvaardige , en dat de aarde den Zaligmaker voort-brenge.

Heilige Geest, teedere en edelmoedige Ver-

34

-ocr page 39-

HET H. MISOFFER. 35

trooster! boezem my gebecleu in , die waardig zijn verhoord te worden; bestier mijnen wil, versterk mijnen moed, opdat ik over de wereld en over mij zeiven moge zegepralen : maak dat ik steeds aan uwe inspraken onderdanig zij , maar vooral, dat ik U beminne !

Het Confiteor of de Schuldbelijdenis.

Ofschoon Gij, o mijn God, om mgne zonden te kennen, mijne belijdenis niet behoeft, en Gij in mijn hart al mijne ongerechtigheden leest, belijd ik die echter voor het aanschijn van hemel en aarde; ik beken dat ik U door mijne gedachten , door mijne woorden endoor mijne werken belee-digd heb. Ik beschuldig mij daarover, en bid U ootmoedig om vergeving. Heilige Maagd, Engelen des Hemels, Heiligen van het Paradijs ! bidt voor ons, vraagt voor ons genade, terwijl wij in dit dal van tranen en ellende zuchten, en verwerft voor ons de vergeving ónzer zonden.

Misereator.

ö Jesus 1 vergun ons de kostbare gave van het berouw en de vergiffenis, welke Gij zelfs aan de groote zondaars beloofd hebt, zoodra zij voor U hunne ongerechtigheden belijden en zuchten , omdat zij uwe eindelooze heiligheid beleedigd , uwe goedheid miskend, en uwe grenzelooze liefde veracht hebben.

De Priester klimt op bet altaar.

Gelukkig hy, die in zijne zwakheid, door uwe

-ocr page 40-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

genade ondersteund, waardig tot uwe altaren mag naderen!

Geef mij, Heer! die genade, door de verdiensten der Heiligen, die zoo veel deel hebben in uwe heerlijkheid.

Hij kust het altaar.

De kas van den priester, op het altaar, wordt te gelijk aan Jesus Christus, door het altaar verbeeld, gegeven, en aan de Heiligen, wier overblijfselen in het altaar rusten , en met Jesus Christus één en hetzelfde altaar zijn. De priester k ust het altaar op dit oogenblik, om de hoop te betuigen, welke hij koestert van voor zich en voor zijne geloovigen de vergeving te Terwerven , die hij zoo even aan den voet des altaars, door de verdiensten van Jesus Christus en door de voorspraak der Heiligen heeft gevraagd. Vereenigen wij ons thans met hem, door een heilig vertrouwen , en zeggen wij :

En gewaardig U ons, die de opvolgers van hun geloof en van hunne heilige verlangens zijn , de genade der verzoening te verleenen, die hier op aarde hst begin was van den vrede, welken eij nu in uwen schoot genieten.

Zoodra de priester het altaar gekust heeft, bewierookt hij, in plechtige Missen , hetzelve ; dit is om God te bidden, de gebeden des christenvolks aan te nemen, gelijk een wierook van goeden geur.

De priester, den wierook zegenende, zegt : wordt gezegend door hem., tot wiens eer gij gebrand wordt. Amen.

36

-ocr page 41-

HET H. MISOFFER.

TWEEDE DEEL DER HEILIGE MIS.

Gebeden en Onderrichtingen, van het oogen-

blik dat de Priester het Altaar opgaat, tot aan de Offerande.

De Introïtus.

De priester leest, aan lt;leu kaut des Epistels, het begin van eenen psalm , welken men voorheen geheel bad. ten einde den geest en de geuade des gebeds over zich in te roepen, die zoo noodig gedurende het heilig Misoffer zijn, als ook om den wenseh en het verlangen uit te (iruken , waarmede oude patriarchen naar de komst van den Messias haatten.

Gij zijt het, Heer! die den Heiligen van liet oude Testament zulke vurige verlansens insreboe-zemd hebt, om uwen eenigen Zoon op aarde te zien nederdalen : deel mij iets van die heilige vurigheid mede, en maak dat ik ondanks de ellendenen moeielijkheden van dit leven in mij een heilig verlangen ontware, om mij door eene vurige liefde met U te vereenigen.

Het Kyrie eleison.

Deze twee grieksche woorden beteekenen : Heer, ontferm V onzer, en die , welke volgen : Christus, ontferm U onzer. De Friester herhaalt die zoo dikwijls , om ons te leeren, dat het alleen door het aanhoudende gebed is, dat wij des Heeren bijstand in onze noodwendigheden kunnen verwerven.

87

-ocr page 42-

38 GEBEDEN VOOR EN ONDER

Heer! wij zouden uithoofde van de menigte onzer zonden, nintiner genoeg tot U kunnen zeggen, ontferm U onzer. Wij smeeken U om die genade, met het geroep van den blinde van Jericbo, met de volharding van de Cananeesche vrouw, niet de drift van al degenen, welke Gij U gewaardigd licht te verhooren, wanneer zij volhardend tot U roepen : lieer, onlfervi U onzer.

Het G-loria in Excolsis.

Deze Lof\'zaug, welks begin door de Engelen gemaakt en door hen. gedurende den Kersnacht, aan de men-schen geleerd is, is eene reeks van lofbetuigingen tot God en Jesus Christus. De priester heft, als hij den-zelven begint, de handen hemelwaarts, om aan te duiden , dat men de harten tot in het hoogste des hemeU moet verheffen, en hij vouwt die onmiddelijk daarna te samen, als reeds den vrede en den goeden wil bezittende, welke hij verworven en over de aarde getrokken heeft. Hij huigt zich daar, waar het gebed eene aanbidding. eene dankbetuiging wordt, of den naam des Zaligmajiers herhaalt, cn hij eindigt met het heilig Kruisteeken en met de aanroeping der allerheiligste Drievuldigheid. — Men zegt dezen Lofzang niet in tijden van boetpleging: hij ia voor plechtigheden voorbehouden.

Glorie zij God in den hocgsten, en op aarde vrede aan de raenschen, die van goeden wil zjjn. Wij loven U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U; wij danken U om uwe overgroote heerlijkheid. Heer, God, hemelsche Koning! God, almogende Vader ! Heer, eeniggehoren Zoon, Jesus Christus! Heer God, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontvang ons gebed; die zit aan de

-ocr page 43-

HET H. MISOFFEK.

rechterhand des Vaders, ontferm U onzer; want Gij zijt alleen heilig, alleen de Heer, alleen de Allerhoogste, Jesus Christus, met den heiligen Geest, in de heerlijkheid des Vaders. Amen.

Onder de plechtige Missen, zou men de volgende uitbreiding van dien lofzang kunnen lezen, terwijl hij gezongen wordt.

Glorie in de hemelen aan God, die in dit groote geheim de wonderen zijner wijsheid, barmhartigheid en macht op eene zoo onuitsprekelijke wijze heeft doen uitschitteren. Vrede aan de menschen op de aarde; het is de God des vredes zelf, die denzelven aan de wereld is komen brengen; heil den menschen van goeden wil, die hun hart voor dezen hemelschen en geheel goddelijken vrede openen, en die wel gesteld zullen zijn, om hem te ontvangen.

Groote God! God, eindeloos heilig, eindeloos goed! wat kunnen wij, op het zien van al de wonderen uwer teederheid doen, dan U onze lof-betuigingen, onze zegeningen, onze aanbiddingen en al de gevoelens onzer harten aanbiedeo ? Almogende God! Koning van hemel en aardel wij doen U de dankbetuigingen, welke wij uwer heerlijkheid en liefde verschuldigd zijn; maar daar wij onbekwaam zijn om U door ons zeiven waardige hulde aan te bieden, vereenigen wij ons met die, welke de Engelen en gelukzaligen U bewijzen in den Hemel.

O Jesus, eenige Zoon des hemelschen Vaders! Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer; o Gij, die in hoedanigheid van slachtoffer, reeds de zonden van het menschdom, in uwe tranen afwascht, en die dezelve eens door

39

-ocr page 44-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

uw bloed zult uitwisschen : gewaardig U onze gebeden te verhooren; ofschoon in onze oogen vernietigd, zit Gij aan de rechterhand uws Vaders in den hemel; wij smeeken U, erbarm U onzer, en kom onze kwalen genezen, door die met ons te deelen.

Wij erkennen U, o geboren wordende God! als alleen heilig, alleen de Heer, alleen groot, en eindeloos verheven boven alle grootheid. Gij heerscht met den heiligen Geest, in de heerlijkheid van uwen hemelschen Vader ; kom als Opperherder in onze harten heerschen; wij wijden ü die aan den voet van uwe kribbe toe, om U altoos toegenegen te blijven. Voor wien zouden wij voortaan zuchten kunnen lozen, tenzij voor U, onzen Zaligmaker, onzen Weldoener, den God vol minnelijkheid en goedheid! Wij willen U vau ganscher harte beminnen in den tijd, om niet op te houden U te beminnen in de eeuwigheid,

Dominus Vobiscum.

Door deze woorden, die beteekenen: De Heer zij met u, wenscht de priester aan het volk Q-ods zegeu ; en het is daarom dat hij zich tot hetzelve wendt. Hij kust eerst het altaar, om te toonen dat hij , weiisohende den vrede aan het volk te geven, denzelven eerst van Jesus Christus, door het altaar verbeeld, moet ontvangen. Het volk antwoordt met hem: en hij zij met uwen geest; drukt alzoo deszelfs erkentenis uit j egens den priester, en den geest van liefde en eendracht, die onder hetzelve moet heerschen, om gezamenlijk te bidden , en öod een lievig geweld aan te doen, door eene vereeniging van smeekingen.

Ja, wees met ons, Heer, en met uwen dienaar ,

40

-ocr page 45-

HET H. MISOFFER.

opdat wij met godsvrucht mogen bidden, en Gij ons ter uwer verheerlijking en ter onzer zaligheid moget verhooren.

Het Oremus.

De priester , aan den kant van den Epistel wedergekeerd zijnde , zegt : Oremus, dat is te zeggen : laat ons hidden , en hij maakt een;1 lichte buiging met het hoofd naar het kruis, om aan te duiden, dat het door do verdiensten van Jesus Christus is, dat wij de genade kunnen verwerven, welke wij van G-od vragen; ook eindigt hij het gebed , met onzen godde-lijken Zaligmaker aan te roepen door de woorden : per Dominv.m nostrum -Tesum Christum : door onzen Heer Jesus Christus. Hij zegt eeu of meerdere gebeden , volgens de dagen; de geloovigen moeten de meening hebben, van met hem te vrageu, Iietgene hij van God verzoekt. Het volk antwoordt : Amen , om te kennen te geven dat het de woorden des priesters bekrachtigt.

Ontvang, Heer, de gebeden, die voor ons hemelwaarts gestierd worden; verleen ons de genade en de deugden , welke de heilige Kerk , door den priester voor ons vraagt. Wij bekennen, dat wij niet verdienen door U verhoord te worden; maar gewaardig U echter in aanmerking te nemen, dat wij U al deze genaden vragen, door Jesus Christus uwen Zoon, die met U leeft en heerschappij voert, in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Geefmjj, Heer, de heilige vermorzeling des harten, opdat ik, aan den voet uwer altareu , mijne langdurige afwijking en schuldige zwakheid beweene; omgeef mij met uwe sterkte, opdat de arbeid, de gevaren , de hinderpalen, de vervolgingen der menschen, of de kwade voorbeelden mij nimmer van U scheiden.

41

-ocr page 46-

GEBEDEN VOOB EN ONDER

Ik smeek U om die genade, door de eindelooze verdiensten van Jesus Christus, mijnen Zaligmaker. Amen.

De Epistel.

Dp Joden begonnen de vergadering van den sab-bathdag, met de lozing van Mozea en de Profeten. De eerste Christenen volgden dit gebruik , in hunne vergaderingen op den zondag , en in al de eeuwen der Kerk heeft men lezingen gedaan uit de heilige Schrift, genomen uit de boeken van het oude Tea-tament of uit de werken en brieven der Apostelen, vooral uit die van den heiligen Paulus. De Kerk , vóór het Evangelie de schriften der Godsgezanten doende lezen, schijnt het voorbeeld van Jesus Christus na te volgen, die eenige zijner Leerlingen voor hem uitzond, om de geesten en harten voor te bereiden in de plaatsen werwaarts hij zelf gaan wilde.

Ik beschouw dezen Epistel, o mijn God ! als eenen brief, die van den hemel komt, om mij uwen aaubiddelijken wil te doen kennen. Vergun mij, bid ik U, de noodige kracht, om datgene te volbrengen, wat Gij mij beveelt. Gij zjjthet. Heer, die den Profeten en Apostelen ingegeven hebt, hetgene zij geschreven hebben : verleen mij eenig deel in hunne verlichtingen, en laat tevens in mijn hart een vonkje dalen van dat heilige vuur , waardoor zij ontstoken waren , om U, gelijk zij , te beminnen en te dienen op aarde.

In de groote Missen, wanneer de Epistel gezongen wordt, kan men de volgende lezing er bijvoegen:

Het is hoog tjjd dat wij uit onzen slaap ontwaken , want de dag gaat voorbij, en de nacht des doods nadert, wanneer er geen tijd meer zal zijn ,

42

-ocr page 47-

HET H. MISOFFER.

om aan onze zaligheid te werken. Laten wij dan de werken der duisternissen verwerpen , ons met Jesus Christus bekleeden, en de zinnelijkheden des vleesehes niet meer volgen. Dat ons leven rein, onze godsvrucht levendig zij ; wij verwachten onzen God en snellen hem te gemoet. De hemelen doen over de rechtvaardigen bij uitstekendheid der. dauw hunner zegeningen nederdalen : dat ons hart zich eindelijk opene, als eene dorre grond voor het water, en al de christelijke deugden voortbrenge. Hechten wij ons aan liet goede; onthouden wij ons zelfs van den schijn van het kwaad; dat. de God des vredes ons in alles heilige, ten einde onze ziel onberispelijk bevonden worde voor zijn aanschijn. De genf de van God, onzen Zaligmaker, is sedert lang verschenen, en leert ons de goddeloosheid en den geaet des tijds te vluchten : in deze wereld met matigheid, godsvrucht en rechtvaardigheid te leven, alzoo de gelukzalige hoop en de toekomst der heerlijkheid van onzen Heiland te verbeiden, dis zich geleverd heeft, om ons van alle ongerechtigheid vrij te koopen.

Het Graduaal.

Na den Epistel leest de priester nog eenige woorden van de psalmen, zoo als aan het IniróUus, om het gebed of de lofbetuiging te vereenigen met do onderrichting in den Epistel ontvangen. Die verzen noemde men Oradvaal, omdat zij gelezen of gezongen werden op de (rappen van de JvM of het toor. Het woord Alleluja, dat in het Graduaal voorkomt, van Septuagesima tot den paaschtijd uitgezonderd, is een hebreeuwseh woord en beteekent : Loof God! en het drukt tevens een gevoel van verrukking, van

43

-ocr page 48-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

vreugde uit. Men behoort, gedurende dit gebed, zijn hart hemelwaarts te verlieffeu, zich bij de Eugelen-kooren te Toegen, en te trachten hunne blijdschap op het zien van Gods weldaden, na te volgen.

Uwe lessen onderwijzen en behngen mij, Heer ! zij verheugen mij, en doen mij de hoop koesteren U eenmaal in den hemel, mijn Vaderland , te zullen zien.

Het overbrengen van het boek van de reohter-naar de linkerzijde des altaars.

Deze overbrenging doet ons zien, dat de Joden , geweigerd hebbende de Profeten eu Apostelen aan te hooreu, verlaten werden, eu dat de Apostelen tot de Heidenen gegaan zijn, wieu zij het Evangelie gebracht hebben. Bidden wij Q-od, dat hij nimmer toelate, dat wij door onze zonden gelijk de Joden verdienen, dat zijn licht ons ontnomen worde, om aan anderen gegeven te worden. G-edurende deze overbrenging van het boek, is de priester diep ne-dergebogen in liet midden des altaars, en hij doet een vurig gebed, om zijn hart en zijne lippen te zuiveren, vóórdat hij het heilig Evangelie leest.

Maar om dit hemelsche Vaderland te verdienen, zuiver. Heer, dit hart, iu hetwelk Gij uw verblijf moet nemen; reinig mijne lippen met het gloeiende vuur der heilige liefde, dat Gij ge-bruiktet om die van uw profeet Isaïas te reinigen, opdat Gij mij, na waarlijk uwe heerlijkheid op aarde verkondigd te hebben, eens moget toelaten, om die in den hemel te vieren. O Algoede ! behoed mij van de ongeloovigheid, die haar venijn onder ons verspreidt, en straf mij nimmer met mij de fakkel des geloofs te ontnemen.

44

-ocr page 49-

HET H. MISOFFER.

Dominua vobiacum, vóór het Eïaugelie.

Doe mij, Heer! uwen heiligen wil kennen : spreek , o mijn God ! uw dienaar hoort.

Het Evangelie.

In de plechtige Missen wordt het boek der Eyange-lien bewierookt, opdat de geur van den wierook het teek en zij Tan den goeden geur, welken God in die zielen verspreidt, welke zich door liet heilige Evangelie doen kennen. Men draagt brandende waskaarsen ter rechter en ter linkerzijde van het boek , om ons te doen kennen , dat Jesus Christus het ware licht is, dat ons door Zijn evangelisch woord verlicht. Wij blijven staande , gedurende de lezing van het Evangelie, om aan te duiden; dat wij bereid zijn Jesus Christus te volgen, als den eenigen Meester, welken wij moeten aanhoo-ren, en dien wij voortaan willen gehoorzamen.

Beschouw het Evangelie, hetwelk gij gaat hooren , als het richtsnoer van uw leven en uwe zeden. een richtsnoer, hetwelk gij beloofd hebt te zullen volgen door de in het Doopsel aangegane verbindtenissen, en waarnaar gij strengelijk zult geoordeeld worden. De priester maakt, vóór hij het Evangelie begint, een teckcn des kruises met den duim , op de eerste woorden van hetzelve, om te doen zien , dat de leer van Jesus Christus in de wereld niets uitgewerkt heeft, dan door de verdiensten van zijn lijden en zijnen kruisdood.

De drie kruisteekens, welke de priester op het voorhoofd, den mond en de borst maakt, en welke wij gelijkelijk naar zijn voorbeeld maken, zijn de teekenan van drie plechtige beloofsbelijdenissen. Wij maken het eerste op het voorhoofd , om aan te toonen dat wij ons voor het Evangelie niet schamen; het tweede op den mond , om te betuigen dat wij met den mond eeno hemelsche leer willen belijden, welke wij in het hart bezitten , en het derde op de borst, om te toonen, dat

45

-ocr page 50-

gebeden voor en onder

wij verlangen het kruis van Jesus Christus diep in ons hart te prenten, en onze aangekleefdheid aan het geloof door daden te willen bewijzen.

Men moet de wijsheid en do waarheid zelve aanbidden , in al de woorden van het Evangelie; Jesus Christus spreekt daar voor ons; en wien zouden wij aanhooren tenzij hem, die de woorden des eeuwigen levens bezit ? Na het lezen of zingen van het Evangelie, kussen de priester en de diaken het eerbiediglijk , om hunne verknochtheid aan die hemelsche woorden te betuigen.

Ik sta op , o opperste Wetgever, om te betuigen, dat ik bereid ben de eeuwige waarliedeu , die in het heilig Evangelie besloten zijn, ten koste van mijn leven zelfs, te verdedigen. Gij leert ons, dat niet allen die zeggen : Heer, Heer I (dat is die zich bevredigen uw Evangelie met den mond te belgden, zonder den vasten wil te hebben naar hetzelve te leven) het rijk der hemelen zullen binnen treden; maar dat alleen diegenen hetzelve zullen ingaan, die hunne werken volgens uwe geboden zullen verricht hebben.

Verleen mij dan de genade zoo veel getrouwheid te hebben in de vervulling van uw goddelijk woord, als Gij mij standvastigheid inboezemt in het te gelooven. Helaas! waartoe zou het mij dienen, wanneer ik voor U zal verschenen, het geloof te hebben gehad, zonder de verdiensten der liefde en der goede werken, tenzy om mijne veroordeeling vreeselijker en mijn eeuwig lot schrik-kelijker te maken ! O God der barmhartigheden ! oordeel mij niet naar de aanhoudende tegenstrijdigheid , welke ik tusschen uwe leer en mijn gedrag gesteld heb, en boezem mij den moed in, om te beoefenen hetgeen ik geloof. U, Heer ! zal al de roem daarvan toekomen.

46

-ocr page 51-

HET H. MISOFFER.

Wanneer het Evangelie in de plechtige Missen gezongen wordt. zou men intusscheu de volgende lezing, uit de heilige Evangeliën getrokken, geheel of gedeeltelijk kunnen doen.

Zoo iemand mij bemint, zegt Jesus Christus, zal hij miju woord bewaren, mijn Yader zal hem beminnen, wij zullen tot hem komen en in hem onze woning vestigen. Bemin den Heer uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten, ziedaar het eerste en grootste gebod. Het tweede is aau dit gelijk : gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven : doe zulks en gij zult leven. De geheele wet en de profeten zijn in deze twee geboden besloten. God is een geest, en hij wil in geest en waarheid aangebeden worden; want indien uwe rechtvaardigheid niet volmaakter is dan die der Pharizeën, zult gij het rijk der hemelen niet binnen gaan. Doe boetvaardigheid, want zoo gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen verloren gaan. Het rijk Gods nadert: de bijl is reeds aan den wortel van den boom gezet, en aan den kant, waar hij zal vallen, zal hij altoos blijven. Wees steeds bereid, want ik zal komen op het uur, waarop gij het niet verwacht. Heil hun, die van de goederen dezer wereld onthecht zgnl Zalig zijn de zachtmoedigen , de vreedza-men, die rein van harte en barmhartig zijn: zalig degenen, die met gelatenheid lijden , die dorstig zyn naar de rechtvaardigheid, want het rijk der hemelen behoort hun toe. Wat baat het den menssh het heelal te winnen, zoo hij zijne ziel verliest ! Niemand kan twee meesters dienen , vergadert geene schatten voor de aarde, maar voor den hemel ; zoekt voor alles het rijk

47

-ocr page 52-

GEBEDEN VOOa EN ONDER

Gods, en zijne rechtvaardigheid, het overige zal u als toemaat gegeven worden. Komt tot mij ; mijn juk is zoet en mijn last is ligt : leert van mij dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben, en gij zult de rust uwer zielen smaken. Zoo iemand mij wil volgen, dat hij zich zeiven ver-looehene, dagelijks zijn kruis opneme en mij nakome. Bemint uwe vijanden; vergeeft, en men zal u vergeven , vraagt, en gij zult ontvangen. De weg des verderfs is breed; maar die tot het eeuwig leven leidt, is eng, en weinigen volgen hem. De hemel lijdt geweld , men moet strijden om hem te bekomen; het is alleen door het lijden, dat ik tot de heerlijkheid gekomen ben, en er is voor u geen andere weg, want de leerling is niet boven den Meester. Die zich verheft, zal vernederd , die zich vernedert, zal verheven worden. Die uit God is, hoort Gods woorden. Zoo gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde verblijven, en gij zult daar zijn, waar ik zelf ben, waar ik u eene plaats ben gaan bereiden.

Deze zgn de heilige woorden: dat onze zonden uitgewischt worden door de kracht van het Evangelie , met oprechtheid in oefening gebracht.

Hot Credo.

Het Evangelie wordt op de Zou- en zekere feestdagen gevolgd door het Credo of de Oeloofshelijdenis, omdat het bijzonder op die plechtigheden is , dat de geloo-vigen vol van denzelfde geest voor de altaren; de aanbidding van onze heilige geheimen moeten vernieuwen , en een plechtig blijk moeten geven van hun volkomen geloof aan de waarheden des Evangelies, in het kort bevat in het Symbolwm.

48

-ocr page 53-

het h. misoffer.

Ik geloof in eenen God, den Vader, almogenden Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen; en in eenen Heer Jesns Christus, den eeniggeboren Zoon Gods, die uit den Vader voor alle tijden geboren is : God van God, licht van licht, waarachtig God van den waarachtigen God; geboren en niet gemaakt; van een wezen met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn; die om ons menschen en om onze zaligheid nedergedaald is uit den hemel, en is vleesch geworden DOOR den heiligen geest, uit de maagd maria; hij is menscli geworden; die ook gekruist is voor ons onder Pontius Pi-latus; hij is gestorven, begraven en den derden dag wederom opgestaan, volgens de Schriftuur; hij is opgeklommen ten hemel, zit ter rechterhand des Vaders, en zal wederkomen met heerlijkheid, om de levenden en dooden te oordeelen; wiens rijk geen einde zal hebben. En in den heiligen Geest, den Heer, die levend maakt; die van den Vader en den Zoon voortkomt; die met den Vader en den Zoon te gelijk aangebeden en verheerlijkt wordt; die door de Profeten gesproken heeft. En eene heilige, katholieke en apostolische Kerk. Ik belijd een Doopsel tot vergiffenis der zonden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het leven der toekomende eeuwen. Amen.

GEBED.

gedurende, het zingen van den Credo.

Hoe zal ikU, o mijn God! waardig bedanken voor de kostbare gave des geloofs, waarmede Gij mij, bij voorkeur van zoo vele anderen, die zuchten in de duisternissen der dwaalleeren,

4

49

-ocr page 54-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

50

begunstigd hebt? Maak, Heer! dat zij mij steeds dierbaar zij, die wonderbare gaaf, boog verbeven boven de eer, de rijkdommen, de vermaken en ijdelbeden dezer vergankelijke wereld. Geef mij eene volmaakte neiging voor alles, wat het geloof mij leert, opdat ik met gelijken eerbied aanbidde, al wat ik niet begrijp in uwe onuitsprekelijke geheimen, en al wat mijne geestvermogens te bovengaat. Dewijl mijn verstand zoo bekrompen is, dat ik my zeiven niet begrjjp, besef ik, eindelooze God! dat het nocb billik, noch mogelijk is, uwe goddelijke geheimen te doorgronden. Maar Gij hebt mij door uwe genade overtuigd van de kennis, getrouwheid en oprechtheid dergenen, door welke Gij uwe heilige aanspraken aan de wereld verkondigd hebt. De wereld heeft daaraan geloof gegeven; bet zou het grootste der wonderwerken zijn, zoo zij zonder wonderwerken die had kunnen gelooven. En werwaarts zou ik mij wenden, om meerdere zekerheid te verkrijgen? Indien ik mij bedrogen vondt, zoudt Gij het zelf zijn, die mij in dwaling gebracht hadt. Wanneer dan mijne zinnen en mijne verbeelding twijfelen, zullen echter mijne reden eu mijnen wil nimmer twijfelen. Dat geloof, o Jesus! dat geloof, hetwelk de Apostelen over de geheele aarde verkondigd, en zoo vele duizende Martelaren met hun bloed bezegeld hebben; dat geloof, hetwelk zoo vele heilige leeraars, in hunne onsterflijke schriften, verdedigd hebben, dat geloof van alle eeuwen, dat steeds den goeden geur zyner deugden over de wereld verspreid en den hemel met heiligen bevolkt heeft; dat geloof, dat nimmer het lijden zonder vertroosting, de kwalen zonder hulpmiddel gelaten heeft; dat verhevene geloof zal voor altoos

-ocr page 55-

HET H. MISOFFER.

het mijne zgn. Voltrek dan in mij, smeek ik U , o mijn goede Zaligmaker! voltrek uw werk ; niet alleen door in mijne ziel de fakkel des geloofs in al haren glans te behouden, maar ook, en wel vooral, door hetzelve werken des liehts voor mijne eeuwige zaligheid te doen voortbrengen. Amen.

Dominus vobiscum.

Mijn God ! dat uwe genade met ons en met den priester, uwen bsdienaar, zij, om U deze offerande waardig te kunnen opdragen.

DERDE DEEL DER HEILIGE MIS.

HET BEGIN DER OFFERANDE OF DE OPDRACHT.

Het Offertorium.

Ontvang, o heilige Vader, eeuwige en almogende God, dit vlekkelooze offer, dat wij, hoe onwaardig wij ook zijn mogen, U opdragen: ik draag het U op, als mijnen levenden en waren God, voor mijne tallooze zonden, beleedigingen en nalatigheden; ik draag het U ook op, voor alle geloovige Cliristenen, levenden en overledenen; opdat het hun en mij ter zaligheid ver-strekke. Amen.

51

-ocr page 56-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

Wanneer de priester den wijn en het water in den kelk giet.

6 God, die door een vreemd uitwerksel uwer macht, den mensch in eenen verheven graad van voortreflijkheid en uitstekendheid geschapen hebt, en die door een nog bewonderenswaardiger wonder uwer goedheid, U gewaardigd hebt dit werk uwer handen na zijnen val te herstellen ; verleen mij, door het geheim hetwelk de vermenging van het water met den wijn ons vertoont, de genade van te mogen deelen in de goedheid van Jesus Christus, uwen Zoon, die zich volgaarne met onze menschheid heeft willen bekleeden; Hij, die God zijnde, met U, in de eenheid van den heiligen Geest, leeft en heerscht, in alle eeuwen. Amen,

De opdi\'aeht van den Kelk.

Ik draag U, Heer! met uwen bedienaar, den kelk der zaligheid op, en smeek uwe goedheid hem als een reukwerk van goeden geur te doen opstggen tot den troon uwer goddelijke Majesteit, voor onze zaligheid en voor die van de geheele wereld.

Ik bied mij voor U aan. Heer! met eenen oot-moedigen geest en een rouwig hart; ontvang mij, bid ik U, en maak dat de offerande, welke ik U geheel uit eigenbeweging opdraag, in vereeniging met die van Jesus Christus, heden met U, op dusdanige wijze voltrokken worde, die U dezelve aangenaam kan maken, o Heer mijn God!

In de plechtige Missen bewierookt de priester het brood en den wijn, die opgedragen zijn geworden,zeggende : dat deze wierook, dien gij gezegend hebt,

52

-ocr page 57-

HET H. MISOFFER..

tot UopTclimme, Heer! en uwe harmhartlgheid over ons neder dale ! Vervolgens bewierookt liij het altaar en zegt: dat mijn jehed , Heer! tot U opTclimme gelijk deze toierooJc; dat de opJieffinq mijner handen U aangenaam zij, gelijk de hr andofferande. Stel, Heer! eene wacht aan mijnen mondden de omzichtigheid op mijne lippen. Laat niet toe, dat mijn hart vervoerd worde tot kwaadwillige woorden, om mijne zonden te ver-schoonen.

Terwijl hij het wierookvat aan den diaken wedergeeft , zegt hij : Dat de Heer hef vuur zijner liefde in ons ontsteke, en ons door eene eeuwige liefde doe branden, Amen.

Dat wij ons best doen, om in al die godvruchtige gevoelens te treden, en die heilige verlangens in ons te vormen.

53

Daarna bewierookt de diaken aanstonds den priester aan het altaar, Jesus Christus vertegenwoordigende, en in zijnen persoon het heilige goheitn opdragende.

De Priester waseht zijne vingeren

De priester, na zijne handen gewasschen te hebben , alvorens het heilig Misoffer te beginnen, wascht hier zijne vingeren, om in den geest van Jesus Christus te treden, die de voeten zijner Apostelen wiesch , vóór dat hij hun liet heilig Sacrament des Airaars toediende, ofschoon zij bevorens reeds zuiver waren. Dit toont ons, dat het niet genoeg is zuiver te zijn van gruweldaden, om aan de geheimen deelachtig te worden, maar dat men zich van de geringste vlekken der zonden moet zuiveren.

Mijn God! gewaar dig U mijne ziel te wasschen en te reinigen van alle vlekken der zonden : vernietig in mij de minste onvolmaaktheden, en

-ocr page 58-

GEBEDEN VOOB EN ONDER

maak mijne ziel, door uwe genade, zoo zuiver als zy het onmiddelijk na hot Doopsel was.

Vergun mij, Heer! de genade van de wereld te vergeten, die de strengheid uwer oordeelen moet ondergaan; van deze aarde te verachten, die ter prooi zal zijn aan uwe wraaknemingen , en van geene de minste aandacht te verlcenen aan die ontwerpen, aan die listen, die slechts de duurzaamheid van cenen dag, van eene minuut, van eene seconde lubben; dat ik onder de voeten vertrede die eer, die verlangens, die gevaarlijke vermaken, die den geest verlagen en bedwelmen; die valsche goederen, die de ziel in het verder! storten; die valsche bekwaamheden, die vermaken, dien valschen uitwendi-gen schijn van achting en vriendschap, die zoo veel rampzalige slachtoffers maken; en dat de eerste, de ijverigste mijner zorgen zij, den dag uwer wraakneming te voorkomen, op welken Gjj eene vreesdijke rekening over uwe weldaden en gunsten zult vragen! Hierom smeek ik U, o mijn God! door de eindelooze verdiensten van Jesus Christus. Amen.

Het Orate Fratres.

De jricsUT, na zijne vingeren gewasscben te heb-tcn , kemt weder in bet midden des altaar», en aldaar ncdergebogen, doet hij eene nieuwe opdracht van de offerai.de, welke bij der heilige Drievuldigheid gaat aanbieden. ter gedachtenis van het lijden, den dood. de verrijzenis en de hemelvaart van onzen Heer Jesus Christus ; en om do genade te verwerven Tan dit waardiglijk te doen, keert bij zich tot do orr.slardcre, 7eggende : bidt broeders, om hen te verwittigen, zich dcor hunne gebeden, met hem to

54

-ocr page 59-

HET H. MISOFFEE.

vercenigen, ten einde de offerande, welke hij aan God voor zich en voor hen gaat opdragen, aan Hem aangenaam te maken.

Heer! verlioor de gebeden van al uwe geloo-vigen, die vereenigd zijn om U dit verhevene ofl\'er op te dragen, hetwelk wij U bidden aan te nemen, tot verheerlijking van uwen naam, tot ons bijzonder voordeel en tot welzijn van nwe geheele Kerk. Gewaardig U,in onze harten te storten de noodige gesteltenissen, om met vrucht dit groote werk van onzen godsdienst bij te wonen : heilig den priester, die uwe heilige geheimen voltrekt, en reinig zijne handen en zijn hart: opdat hij in staat zij uwe gennde over zich en over ons te brengen.

De stille gebeden.

Ha liet Orate fratres, keert de priester zich naar het altaar, en zegt in stilte een of meer gebeden, die volgons den dag veranderen, en deze worden stille geleden genoemd, uithoofde hij die in stilte zegt : zij strekken bijna allen om aan God te vragen, dat hij de giften, die op het altaar zijn, goedgunstig aanneme, en hij ons door zijne genade in staat zoude stellen , als eene hem aangename offerande, hem te worden aangeboden.

Verander, o mijn God 1 deze offerande in uw lichaam en bloed, en herschep onze harten in U zeiven, dcor de kracht dezer aanbiddelijke geheimenis; dat uw heilig Woord op deze offerande, welke wij U opdragen , nederdale , opdat zij een heilzaam slachtoffer worde, dat uwer Majesteit aangenaam en uwen dienaren nuttig

55

-ocr page 60-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

zy, door de toepassing van het bloed van Je sus Christus.

Dat deze offerande overvloedige zegeningen over uwe geloovigen doe nederdalen , hunne harten verandere, de zonde en de aardsche geneigdheden daarin vernietige, en U aldaar een aangenaam brandoffer en eeno bestendige woning bereide, in vereeniging met U , en door de verdiensten van Jesus Christus, uwen Zoon en onzen Heer, die met U leeft en heerschappij voert.

VIERDE DEEL DER HEILIGE MIS.

De Canon of Regel der Consecratie, voorafgegaan door de Prefatie.

Aan het einde der stille gebeden verheft de priester zijne stem, zeggende; in alle eeuwen der eemoea , eene uitroeping, die de geloovigen uitnoodigt, om zich met hem te vereenigen en hem te antwoorden : Amen. Men heelt dit antwoord steeds met vurigheid gegeven : de heilige Hieronymus zegt, dat men dit woord Amen overal in de kerken als eeneu donder hoorde weergalmen.

De geloovigen geven hierdoor hunne bewilliging , aan al hetgeen de priester, in het geheim, van God komt te vragen.

De Prefatie is eene inleiding tot de gebeden van den Canon, die bij uitstekendheid genoemd wordt het gebed. Zij is eene uitnoodiging om de harten tot God te verheffen, en hem te danken voor het grootste wonderwerk, dat door de Consecratie uitgewerkt wordt.

56

-ocr page 61-

HET H. MISOFFER.

Eeuwige Vader ! zie hier liet oogenblik, waarop uw goddelijke Zoon, onze Zaligmaker Jesus Christus , uit rlen hemel op het altaar gaat nederdalen: niets, dat aardsch is, moet mij meer bezig houden; mijn hart moet niet meer verzuchten, dan naar zulk een zuiver offer, dat de zonden der wereld uitwischt; reinig het door het vuur uwer liefde, opdat het geenen smaak meer vinde, dan in de hemelscbe goederen. Door welke dankbaarheid zal ik immer al uwe weldaden kunnen erkennen, en voornamelijk die, van ons een verzoenoffcr te geven, dat dagélijks en meermaals elkeu dag, \\oor ons de offerande vernieuwt, welke het eens op den Calvarieberg heeft opgedragen , ten einde uwe barmhartigheid over ons te trekken. Het is, eeuwige Vader! door Jesus Christus, uwen welbeminden Zoon, dat al de Hemellingen U verheerlijken en U hunne hulde aanbieden. Neem goedgunstig aan, Heer! dat zondaars zoo als wij, hunne zwakke lofbetuigingen met die der heinelsche geesten vervoegen, en dat wij ons allen , met hart en geest, met hen vereenigende, in eene verrukking van vreugd, liefde, dankbaarheid en verwondering uitroepen :

Sanctus.

Heilig, eindeloos heilig, alleen waarlijk heilig is de Heer, onze God! het heelal is vol van z^jne heerlijkheid! Dat de gelukzaligen hem zegenen in den hemel , terwijl wij op de aarde Dengene aanbidden, die nederdaalt in den naam des Hee-ren, aan wien eer en heerlijkheid in alle eeuwen zij toegekend.

57

-ocr page 62-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

Na den Sanctus, aan den Canon.

De Prefatie wordt gevolgd door den Canon 1 dat in het grieksch orde of regel beteekent. Men heeft dezen naam gegeven aan de gebeden , die de Consecratie voorafgaan , vergezellen en onmiddelijk volgen, omdat zij in alle Missen dezelfde zijn: zoodat de regel daarvan bestendig, en de orde onveranderlijk is.

De voorschriften dezer gebeden zijn zeer oud en vol van de grootste gevoelens van godsvrucht; men ziet er al de vragen , welke de Kerk door de verdiensten van Jesus Christus doet, terwijl de voorspraak der heilige Apostelen en Martelaren er ook zeer bepaald in uitgedrukt is.

Dit deel der heilige Mis wordt in stilte gezegd, omdat het bestemd is voor een meer aandachtig en uitwendig gebed. Ofschoon ieder in het geheim bidt, moet men daarom niet nalaten. zich in den geest met elkander en met den Priester te vereenigen, die altijd in den naam van allen tot God spreekt. De Priester maakt dikwijls het teeken des kruiaes over zich en over het opgedragene; want, wat is er natuurlijker dan dat men den gekruisigden Jesus dikwerf verbeeldt, in een werk , dat een aandenken is van zijnen smartelijken dood, en waarin hij zichzelven aan ons geeft, om onophoudelijk zijne offerande te vernieuwen.

Ziehier de letterlijke vertaling van die gebeden, tot aan öe Consecratie: laten wij die, met den priester, in den naam der Kerk , godvruchtiglijk lezen.

Te Igitur.

Wij bidden U dan, o allerbarmhartigsteVader! en smeeken U, door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, deze giften, deze offerande, dit rein en vlekkeloos offer aan te nemen en te zegenen.

58

-ocr page 63-

HET H. MISOl\'FEK.

hetwelk wij U voor uwe heilige Kerk opdragen, opdat het U behage haar den vrede te schenken, haar te bewaren, in de eenheid te behouden, en haar over de geheele aarde te besturen, en met hnar uwen dienaar N. onzen Paus, onzen Bisschop N.; eindelijk alle rechtgeloovigen, die belijdenis deen van het roomsch katholieke en apostolische geloof.

DE GEDACHTENIS DER LEVENDEN.

Memento.

De priester bidt hier voor het geheele genootschap der in leven zijnde geloovigen, en hijzonder voor die, welke hem verzocht hebben het heilig Misoffer tot hunne meening op te dragen. Laat ons , van onzen kant, in dit oogenblik bijzonderlijk aan God diegenen onzer levende broeders aanbevelen, aan welke wij verlangen, dat de vruchten der heilige Offerande, door do goddelijke barmhartigheid, meer bijzonderlijk toegevoegd worden.

Wees uwe dienaren en dienaressen N. en N. indachtig. Heer! en allen die hier tegenwoordig zijn, wier geloof en godsvrucht U bekend zijn, voor welke wij U deze offerande van lof opdragen, of die haar, zoo voor zich als voor hen aan welke wij verbonden zijn, opdragen voor de verlossing hunner zielen, voor de hoop hunner zaligheid ui behoudenis, en om TJ hunne hulde, als aan den eeuwigen, levenden en waren God, aan te bieden.

59

-ocr page 64-

GEBEDEN VOOK, EM ONDER

GEDACHTENIS BER HEILIGEN.

Communieantes.

In gemwenschap voreeuigd zijnde met al uwe Heiligen, eeren. wij de gedachtenis, ears tens van de verheerlijkte Maagd Maria, Moeder van God, Jesus Christus, onzen Heer, en van uwe gelukzalige Apostelen eu Martelaren, Petrus en Paulus , Andreas, Jacobus, Joannes, Thomas, Philippus , Bartholomeus, Matt heus, Simon en Tliad;eus , Linus: Cletus, Syxtus, Cornelius, Cyprianus , Laurentius, Chrysogonus, Joannes en Paulus, Cosmas en Damianus, en van al uwe Heiligen, door wier verdiensten en gebeden wij U smeeken , ons in alles de hulp uwer besehernaing te verlee-nen : dit is hetgeen wij U vragen, door deuzelf-den Jesus Christus onzen Heer. Amen.

VERTROUWEN IN DE OFFERANDE.

Hane Igitur.

Hier strekt de priester de handen uit over de giften , die geheiligd worden; en door de oplegging der handen , als lid der Kerk, vereenigt hij zich met het offer , om met hetzelve opgedragen en opgeofferd te worden , eu als bedienaar dor Kerk en priester van den Aller-hoogsten neemt en stelt hij zich, als het ware, in den naam en door het gezag van G-od, in bezit des slachtoffers , in zoo verre het de plaats der menschen genomen heeft, die het slachtoffer van Gods verbolgenheid en rechtvaardigheid moesten zijn. Het ia uit dezen staat van goddelijke veroordeeling, dat wij getrokken worden door de opoffering, welke Gods Zoon van zich zeiven aan zijnen Vader gedaan heeft, om de straf te

60

-ocr page 65-

HET H. MISOFFER.

dragen , \'welke wij door onze zonden verdiend hadden, en om hem eene genoegzame voldoening te geven, waartoe wij buiten staat waren.

Deze plichtpleging, welke de priester hier doet, met de handen over het op te dragene slachtoffer uit te strekken , is eene navolging van hetgcne Mozes van wcge God aan de priesters der onde Wet voorschreef. Wanneer men, zegt hij, eene offerande voor de zonde zal opdragen , zal de Priester de hand over het hoofd des slachtoffers uitstegen; en alsdan zal het gunstig aanqenomenv:orden en tot hoe te der zonden verstrekken. ( Levit. ch. 1,4.)

Wij smeekcn U dan , Heer! de hulde gunstig aan te nemen , welke wij 1\' bewijzen door deze opdracht, en welke ook die van uwe geheele Kerk is ; verleen ons, tijdens de dagen van dit sterfelijke leven, den vrede, die van U komt; behoed ons van de eeuwige verwerping, en stel ons onder het getal uwer nitveikorenen; door onzen Heer Jesus Christus. Amen.

• Quam Oblationem.

Wij bidden ü dan , Heer ! deze ofl\'erande te zegenen, haar te stellen onder het getal van die, welke Gij goedkeurt, haar aan te nemen, een waardig oft\'er er van te maken , waardoor wij U een redelij/te en geestelijke eeredienst bewijzen ; zoo dat zij voor ons worde het lichaam eu het bloed van uwen welbeminden Zoon, onzen Heer Jesus Christus. Amen.

Vcor ons, dat is te zeggen , om ons de gaven mede te deelen , welke Hg dcor de opoffering ven zyn lichaam en bloed verdiend heeft, de gen?de van de gtheele vergiffenis onzer zorden

61

-ocr page 66-

GEBEDEN VOOll EN ONDER

en van al de hulp, die ons noodig is, om liet werk onzer zaligheid te voltrekken.

Bij de Consecratie.

Dat de hemel zich opene, en de quot;Rechtvaardige op de aarde nederdale, en dat de zondaren de vertroosting genieten van aldaar hunnen Verlosser te zien. Kom Heer, kom liefderijke Hersteller der wereld! kom een geheim voltrekken, dat als het kort begrip van al uwe wonderdaden is; kom eene verandering uitwerken, welke wonderbaarder is dan de schepping van het heelal.

Bij de Opheffing.

Nadut Jesus Christus zich, volgens zijne belofte tegenwoordig gesteld heeft, aanbidt hem de priester met eene kniebuiging, en heft hem op, om hem aan het volk te toonen, en door hetzelve aangebeden te worden.

Vereenig in dit eerbiedwaardig oogenblik al uwe krachten, om in de verhevene gevoelens van aanbidding te treden, waarin zich de hemelsche Q-eesten bevinden , die het altaar omringen , eu zich voor den Opperheer van hemel eu aarde vernietigen. Zie hen, met de oogen des geloofs, door eene heilige siddering bevangen, en te gelijk verslonden door de vlammen der vurigste liefde voor den heiligen , oneindig bemin-aenswaardigen God, zoo mild in weldaden; denk , dat zoo hij wel van den troon zijner heerlijkheid wil nederdalen, zulks is, om u de schatten zijner genade te brengen. O, ontvang zijn weldoend bezoek niet vruchteloos ; eenmaal zoudt gij het vragen, gij zondt er naar verlangen, en welligt zou het te vergeefs zijn ! Aanbidding, berouw, liefde, dankbaarheid, onder-

62

-ocr page 67-

HET H. MISOFFER.

werping, hoop: ziedaar, wat gij op dit oogeublik uwen goddelijken Verlosser moet aanbieden, die vol zachtmoedigheid en met de belofte zijner eindelooze barmhartigheid tot u komt. Zondaren, wie gij ook wezen moogt, komt uwen God , uwen Zaligmaker te gemoet!

O salutaris Hostia... O sliichtott\'er der zaliglieid, dat ons den hemel opent ; de geest der duisternissen levert ons eenen geweldigen strijd; versterk ons tegen zijne aanvallen.

Eccepanis Anyeloruiu... Zie het brood der Engelen, dat het voedsel der menschen is geworden; het is waarlijk het brood der kinderen, dat den dieren niet moet toegeworpen worden.

Bone Pastor... Goede Herder! waarachtig Brood! Jesus, ontferm ü onzer. Wees ons voedsel en onze steun: doe ons de ware goederen genieten in het land der levenden. Wees onze geleider tot dat hemelsche Vaderland ; toon ons steeds den weg aan , die naar hetzelve geleidt; breng ons op het rechte spoor, zoodra wij er van afwijken; hond ons op dat heilige pad, tot dat wij in de haven komen , waar Gij de belooning nwer trouwe schapen zijt.

Vervolg van den Canon na de Opheffing.

Zoodra de priester den kelk , ua de opheffing, weder op het altaar gesteld heeft, bedekt hij dien, en maakt uit eerbied eene kniebuiging ; hij herhaalt dit tot aan de Nuttiging, telken reize dat hij den kelk ontdekt of dekt. Terwijl hij , ora zoo te spreken, Jesus Christus tusschen zijne handen heeft, bidt hij God zijnen Vader , voor de levenden en overledenen, vol vertrouwen

63

-ocr page 68-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

op de tegenwoordigheid raa Jesus , die voor ona spreekt, en onze gebeden allerkrachtigst maakt.

Letterlijke vertaling van het vervolg van den Canon tot ann den Pater Noster.

Unde et memores.

Nadat de priester, na do woorden der Consecratie van den kelk , het bevel, door Jesus Christus gegeven , toen Hij zijn eigen lichaam en bloed geconsacreerd had: xoo menigwerf gij dit zult doen, zult gij het doen ter mijner gedachtenis, uitgesproken heeft. vervolgt hij met deze woorden :

Het is hierom, Heer ! dat wij, uwe dienaren , en met ons, uw heilig volk, ons herinnerde aan het gelukzalig lijden van uwen Zoon, Jesus Christus, onzen Heer, aan zijne opstanding uit het graf, over de hel zegepralende, en aan zijne heerlijke opstanding ten hemel, uwe onvergelijkelijke Majesteit opdragen hetgeen de gift zelve is, welke wij van U ontvangen hebben :het zuivere offer, het heilige offer, het vlekkelooze offer, het heilige Brood des levens, dat geen einde zal hebben, en den kelk der eeuwige zaligheid.

Supra quae.

Gewaardig U , Heer 1 gunstig neder te zieu op de opdracht, welke wij U van de heilige offerande, van dit vlekkelooze Slachtoffer doen; gewaardig U die aan te nemen, gelijk het U behaagd heeft de geschenken van den rechtvaardigen Abel , uwen dienaar, de offerande van onzen Aartsvader Abraham, en die van Melchi-sedeeh, uw\' opperpriester, aan te nemen.

64

-ocr page 69-

HET II. MISOFFER.

Suplices te rogamus.

De priester buigt zich diep neder, om zich voor God te verootmoedigen, en hem de vurigheid van zijn gebed betuigende, zegt hij het volgende:

Wij smeeken U, o almogende God! te bevelen, dat deze geschenken door de handen van uwen heiligen Engel op uw verheven altaar gedragen worden, in de tegenwoordigheid uwer goddelijks Majesteit, opdat wij allen, wie wij ook zijn, die aan dit altaar deelachtig geworden zijnde, het Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen genuttigd hebben, vervuld worden met al uwe zegeningen en al de genaden des hemels : door onzen Heer Jesus Christus. Amen.

Gedachtenis der Overledenen.

Memento.

Wees ook, Heer ! gedachtig uwe dienaren en dienaressen N. en N., die geteekend met het teeken des Geloofs, hun sterfelijk leven voor ons hebben geëindigd, om in den slaap des vredes te rusten.

Hier blijft de priester een weinig stil, om in liet bijzonder aan God de overledenen aan te bevelen, voor welke hij wil bidden, en voornamelijk dengene, voor wien hij het heilig Misoffer moet opdragen. Daarna gaat hij voort;

Wij smeeken U, Heer! hun door uwe barmhartigheid, en aan allen die in Jesus Christus rusten , de plaats van verkoeling, licht en vrede te verleenen; door denzelfden Jesus Christus, onzen Keer.

65

-ocr page 70-

GEBEDEN VOOR EN ONDEU

Nobis quoque peecatoribus.

De priester zegt deze drie woorden op eeneu hoo-geren toon, opdat de omstanders dezelve zouden kunnen hooren, zicli met hem Tereenigen en gezamenlijk de goddelijke barmhartigheid afsmeeken.

Ook ous, zondaars, die uivo dienaren zijn en op uwe groote barmhartigheid hopen, ge-waardig U ons ook deel te geven in liet hemel-sche erfdeel, mei uwe heilige Apostelen en Martelaren, met Joannes, Stephanas , Matthias, Barnabas, Ignatius, Alexander, Marcellinus , Petrus, Pelicitas, Perpetna, Agatha, Lucia, Agnes, Cecilia, Auastasia, eu met al uwe Heiligen. Gelief ons in hun heilig gezelschap aan te nemen, en geen acht te geven op onze verdiensten , maar toegevend te zijn jegens ons, door onzen Heer Jesus Christus, door wien Gij, Heer! deze goederen steeds voortbrengt, heiligt, levend maakt, zegent en ons geeft. Dat U door hem, met Hem en in Hem, alle eer en glorie gegeven worde, o God, almogende Vader! in de eenheid van den heiligen Geest.

Deze laatste woorden : door hem, met hem en in hem, enz. zeggende, maakt de priester driemaal het teeken des kruises met de heilige Hostie over den kelk, om aan te toonen, dat God alleen, door de kracht der offerande, welke Jesus Christus aan het kruis heeft opgedragen, vereerd wordt. Vervolgens maakt hij er twee over het altaar, om aan te duiden , dat het door het kruis is (waarvan het altaar een afbeeldsel is, omdat gelijkelijk de offerande daarop voltrokken is) dat de heilige Drievuldigheid, die hier genoemd wordt, alle eer en glorie ontvangen heeft.

66

-ocr page 71-

HET II. MISOFFER.

7)eze woorden : V alle eer en glorie gegeven worde uitsprekende, heft de priester den Kelk en de heilige Hostie een weinig omhoog. Tódr de twaalfde eeuw, was er in de Mis geene andere opheffing Tan-het Inchaam en Bloed van Jesus Christus , dan deze. Alstoen verhief de priester dezelve hoog genoeg, dat het volk Jesus Christus konde zien en aanbidden , door quot;Wien de heilige Drievuldigheid alle eer en heerlijkheid bewezen werd. Deze kleine opheffing is nog een voetspoor en overblijfsel van liet oude gebruik.

Isa dit laatste gebed van den Canon geëindigd te hebben, spreekt do priester een weinig luider, om het volk zijne toestemming te vragen, in al hetgene hij in hunnen naam tot G-od zoo even heeft gezegd.

Vers. In alle eeuwen der eeuwen.

ylnl.it:. Amen.

VIJFDE DEEL DER HEILIGE MIS,

De bereiding tot de Nuttiging.

Voorre.de van het Oched des TTeeren. Oremus.

Door de licüzame voorschriften van Jesus Christus opgewekt, en door de goddelijke leering onderwezen , durven wij zeggen :

Pater Koster.

Onze Vader, die in de hemelen zijt; geheiligd zg uw naam. On? toekome uw rijk. Uw wil

67

-ocr page 72-

GEBIÏKBN VOOR KN ONDER

geschiede op dc aarde, als in den hnmel. Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons 7au het kwaad. Amen.

In de plechtige Missen zou men tijdeus het zingen van het Pater Nosier de uitbreiding van het Grebed des Hecreu kunnen lezen. (Zie de Inhoudstafel.)

Libera nos.

De priester, met eene stille stem Amen antwoordende , wil hierdoor zeggen : Ja, mijn God .\'ik vraag V, in den naam der geheele vergadering, dat O-ij ons tan alle hwaad gelieft te verschoonen ; en hij breidt daarna deze vraag uit, door een gebed , gedurende hetwelk men zal kunnen zeggen :

Libera noa.

Mijn God! verlos mij van de zonden van mijn voorgaand leven, en waarvan ik aan uwe rechtvaardigheid rekening most geven ; onttrek mij aan mijne kwade gewoonten, en aan mijne altoos voortdurende ongeregelde geneigdheden, die mij tot het kwaad uitlokken. Eindelijk, mijn (iod 1 verlos mij van den duivel, van de wereld , van het vleesch en van den eeuwigen dood.

De priester eindigt dit korte gebed, makende met de Pateen het teeken des kruises over zich ; daarna kust hij dezelve, dit ie, omdat de laatste woorden eene vraag bevatten, waardoor hij Q-ode den vrede vraagt, waarvan de Pateen het werktuig of zinnebeeld is, en wij dezen vrede, de vriendschap des Heereu niet kunnen bezitten, dan door de verdiensten van

68

-ocr page 73-

HET H. MISOFFKH.

het kruis. T)e Pateen is het zinuebeeld van dien vrede , omdat ze het schoteltje is , waarop men het Lichaam vanJesus Christus zet, dat tot teeken van vrede en verzoening moet uitgedeeld worden.

Xa het teeken des kruises eai den kus der Pateen, breekt de Priester de heilige Hostie, om Jesus Christus na te volgen , die het heilige brood brak , vóór dat hij het aan zijne Apostelen ronddeelde; hij laat een klein gedeelte in den kelk vallen, om de vereeniging van het Lichaam en Bloed vanJesus, in zijne heerlijke opstanding aan te duiden.

Vervolgens de oogen op de gedaante van het brood vestigende , drukt hij , terwijl hij op zijne borst slaat, op het zien van Jesus Christus . tot driemaal toe, de gevoelens uit die den H. Joannes den dooper bezielden, toen hij den Zoon Gods zag: Lam Gods r dat de zonden der ivereld wegneemt, ontferm U onzer !

Het Agnus Dei.

Mijn Zaligmaker, Jesus Christus! Gij zijt het ware Lam Gods, opgeofferd om onze zonden uit te wisschen : maak dat wij, door uwe genade , na de vergeving onzer zonden bekomen te hebben , een nieuw leven leiden, en verleen ons de liefde tot, en den vrede met onzen evennaaste, welken Gij zoo zeer aanbevolen hebt en die zoo noodzakelijk is, om deelgenoot te worden van de uitwerkselen der heilige Communie.

Na driemaal het Agnus Del gezegd te hebben, stiert de priester, diep nedergebogen, een gebed tot God. om hem te smeeken zijnen vrede aan de Kerk te vergunnen, en eene ware eendracht tusschen al hare leden daar te stellen : eene vereeniging van den geest en het hart; die liefde, waarvan Jesus Christus gezegd heeft, dat het door haar is, dat men zijne ware leerlingen zal kennen.

69

-ocr page 74-

GEBEDEN VOOR EN ONDER

In de plechtige Missen, staat de Priester, ua het altaar gekust te hebben, recht op en wenscht den vrede aan den Diaken, en door dezen aan de Geestelijkheiden het aanwezende volk. Hij kust het altaar, om aan te duiden, dat hij den vrede niet kan geven, dan na dien alvorens zelf van Jesus Christus, die door het altaar afgebeeld wordt, ontvangen te hebben. Gedurende den vredekus moeten de aanwezenden vragen, om met een ieder in vrede te leven , en nimmer door hunne schuld de eendracht te verbreken, die onder de Christenen , welke allen broeders en in Christus iugelijfd zijn, moet heerschen.

Het gebed voor den vrede is gevolgd door twee andere, door welke de priester van God de vrucht der Offerande en Communie afsmeekt.

Om in dit oogenblik volmaaktelijk in den geest der Kerk te treden, en zich inniger met den Priester te vereenigen, zoude het te wenschen zijn, dat al de aanwezenden rein genoeg waren, om werkelijk tot de heilige Tafel te naderen. Laat ons, zoo wij dit geluk niet hebben, Jesus Christus smeeken , dat Hij liet ons ten spoedigste verleene, en ons zeiven teedere genegenheden tot hem , een diep berouw over onze misdrijven, en een levend verlangen om hem te ontvangen, inboezemen; om alzoo tenminste geestelijk te commu-niceeren. Jesus Christus vergunt dikwijls, aan eene welgedane geestelijke communie, dezelfde genade, welke Hij aan eene werkelijke communie zou geven.

Het Domine non sum dignus en de iNuttiging.

Wanneer de priester gaat nuttigen , zegt hij driemaal met een diep gevoel zijner onwaardigheid: Heer! ik hen niet waardig daf Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord, en mijne ziel zal gezond worden. Deze woorden zijn die van den hoofdman des Evangelies nagevolgd , en passen volmaaktelijk den Christen, die, steeds der mededeelingen en genade van eene God onwaardig, geene andere aanspraak daarop

70

-ocr page 75-

HET H. MISOFFEB. 71

heeft, clan door zijue overgroote barmhartigheid; dat hij dan, door zijne ootmoediglieid en heilige gesteltenissen , trachte God te bewegen van op zijn gebed met de troostrolle woorden te antwoorden, die eertijds den melaatschen de gezondheid wedergayen: Ik wil het, tvees f/ezond.

Gebed voor de geestelijke Communie.

Heer Jesus ! ik beken, dat Gij het ware levend Brood zijt, van den hemel nedergedaald, en dat Gij met ziel en iicliaam en met uwe Godheid, door eene bewonderenswaardige goedheid, eene hartroerende barmhartigheid en wonderbare macht, wezenlijk tegenwoordig zijt onder deze gedaanten van brood en wijn, om oua met ü zeiven te voeden. Ik aanbid U aldus uit al de oprechtheid van mijn hart.

Ik geloof, dat Gij in dit aanbiddelijk Sacrament eiüdelooze schatten en hetnelsche genaden besluit, waaraan mijne behoeftige en ellendige ziel vuriglijk verlangt deel te hebben.

Ik geloof aan de woorden, welke Gij gesproken hebt : wie mijn Vleesch eet, en mijn Bloed drinkt, die hlijft in Mij en Ik in hem... hij zal in eewdyheid leven. Zie mij hier, o levend Brood! ellendig en kwijnend van honger en dorst, aan eindelooze zwakheden onderworpen. O, hoezeer verlang ik U te nuttigen, opdat ik met U, opperste Geneesheer onzer zielen, ver-eenigd zijnde , geheel en waarlijk door uw leven moge leven.

Ik beken nu, met schaamte overdekt en met een diep leedwezen over mijne zonden, dat ik niet waardig ben, dat Gij in mijne woning komt;

-ocr page 76-

72 , GEBEDEN VOOE EN ONDER

ik durf U dan mijne ziel niet laten binnentreden, om U aldaar te huisvesten, door werkelijk uw heilig lichaam te ontvangen; maar ik weet en geloof, met den hoofdman van het Evangelie, dat ofschoon Gü afwezend zijt, dat is te zeggen : ofschoon ik de heilige Communie niet ontvang, Gij echter met een enkel woord mijne ziel kunt reinigen van al wat haar onwaardig maakt om U te ontvangen.

Ach! gewaardig U dit woord van sterkte en heiligmaking uit te spreken; genees, door de almogende zalving uwer genade, mijne kranke ziel,-en haast U uw verblijf in haar te komen vestigen, om haar in haren honger te voeden en in hare uiterste zwakheid te versterken. Gij, die volgens den wil uws Vaders en de werking des heiligen Geestes, door uwen dood het leven aan de wereld hebt gegeven; voed mij, mr^ak mij levend, heilig mij door uw gezegend Lichaam en Bloed.

ö Beminnenswaardige God! Gij, wien ik voortaan boven alles wil beminnen : maak dat ik U nooit meer beleedige; vergun mij uwe genade om deze en die zonde te vluchten , aan welke ik mij zoo gemakkelijk, zoo dikwijls plichtig maak ; hecht mij aan U door de banden der vurigste liefde, en verzeker mijne getrouwheid hier op aarde, opdat ik het onuitsprekelijke geluk moge smaken ü in de eeuwigheid te beminnen en te bezitten.

Deze oefening van eene geestelijke Communie kan ook dienen voor de bezoeken aan het allerheiligste Sacrament, gedurende dec dag , bij voorbeeld, gedurende het Lof.

-ocr page 77-

HET H. MISOFFER.

Beknopt voorschrift door Fcnflon.

Heer! ofschoon ik , door mijne zonden en troawloosheden, onwuardis; ben tot uw altaar te naderen, en U door de heilige Communie te ontvangen, durf ik U nochtans smeeken mij eenig deel in uwe barmhartigheden te vergunnen. Ge-waardig U, mij de genade te verleenen van deelachtig te worden aan de verdiensten uwer offerande ; verlicht mijnen geest, versterk mijnen wil, en reinig mijn hart, opdat ik niet meer dan aan U denke, niets meer dan TJ alleen, uit liefde tot U beminne; maak, door uwe genade, dat ik niets meer verlange, dan voor ü te leven, te lijden en te sterven.

ZESDE EN LAATSTE DEEL DER H. MIS.

BEVATTENDE DE DANKZEGGING.

De Nuttiging wordt gevolgd door twee afwasachin-gen, uit eerbied voor het Lichaam eu Bloed van Jesus Christus: de eerste, opdat er niets iu den mond des priesters van overblijve; de tweede, opdat er niets blijve van de heilige gedaanten in deu kelk of aan zijne vingeren. Terwijl hij de afwassching nuttigt, vraagt hij nogmaals de vergeving der zonden, de genade van een heilig leven en deu prijs des eeuwigen levens. De gebeden, welke hij daarna zegt, zijn eene dankzegging , om God te bedanken voor de groote weldaad, welke hij hem en het christene volk daar even heeft bewezen, en tevens eene nieuwe betuiging van trouwheid. Al de aanwezenden moeten zich dan met den priester vereenigen, om hunne dankbaarheid te bewijzen. en hun oprecht voornemen te betuigen van voortaan een christelijk leven te leiden.

73

-ocr page 78-

74 GEBEDEN VOOR EN ONDER

De laatste Gebeden.

Wat zal ik U wedergeven, Heer! voor al de weldaden waarmede Gij mij overladen hebt ? Hoe zal ik Ü immer de dankbaarheid kunnen bewijzen , welke ik U voor zoo veel goedheid , voor zoo veel liefde verschuldigd ben? Ontvang, bid ik U, om in mijne onmacht te voorzien, de lotbetui-gingen der rechtvaardigen op aarde, van de allerzaligste Maria, de zuiverste der maagden, van al uwe Engelen en Heiligen in den Hemel.

Ik ga heen, zoo ik hoop, gezuiverd door uwe heilige geheimen, door uwe genade geholpen, zal ik trachten mij te beveiligen tegen al datgene, wat mij op nieuw zou kunnen bezoedelen; ik zal over mijne zinnen waken, opdat de dood, door de zonde, geenen ingang meer in mijne ziel vinde, en ik zal niet ophouden U ootmoedig en vurig te bidden, ten einde Gij mij, tot mijnen laatsten zucht, tegen de vijalideu mijner zaligheid verdedigdet. Maak mij getrouw aan deze heilige voornemens , welke Gij, o mijn God! o mijn Vader! mij hebt ingegeven; ik smeek U hierom, door Jesus Christus , uwen Zoon , onzen Heer.

Het !te Missa est.

Nadat de gebeden gedaan zijn, keert, de priester zich weder naar het midden des altaars; hij kust de plaats waar de overblijfselen der Heiligen rusten, keert zich om naar het volk, en na het de goddelijke gaven toegewenscht te hebben, door de woorden: Dominus vohiscum , zendt hij het weg, zeggende: Oaaf, de mis is geëindigd; en het volk dankt G-od, door deze woorden : Deo gratias : Gode zij dank.

-ocr page 79-

HET H. MISOFFER.

De priester, zich daarna weder naar het altaar om-keerende, buigt zich diep neder en stiert een laatste gebed tot de heilige Drievuldigheid, waarin hij haar op nieuw het toerlc hij ïdtstelcendheid, hetwelk hij zoo even heeft voltrokken, aanbiedt, terwijl hij haar vraagt, dat het onderpand zijner zaligheid en van die van het geloovige volk moge wezen. Vervolgens het altaar kussende, om zelf de zegening van Jesus Christus, door het altaar afgebeeld , te ontvangen, heft hij de handen hemelwaarts, om te toonen dat het aan dezen Opperpriester, die in den Hemel aan de rechterhand van den troon der opperste Majesteit gezeten is, toekomt, het geloovige volk, door de verdiensten van zijne geheimen en van zijn kruis , voor de eeuwigheid te zegenen. Hij keert zich daarna om tot het volk, en zegent liet in den naam van de drie personen der allerheiligste Drievuldigheid, terwijl hij er het kruisteeken over maakt, om te loeren, dat het slechts door het kruis is , dat wij in de he-melsche zegeningen kunnen deel hebben.

In de Missen, waarin de Gloria in excehis niet is gezegd geworden, zegt de priester, in plaats van ite mib\'m est, naar het altaar gekeerd:

Vers : Zaaf ons den Heer zegenen; waarop het volk, even als op ite missa est, antwoordt : Gode zij dank.

Terwijl de priester den zegen geeft, behoort het volk zich onder de hand des Heoren te verootmoedigen, en hem te smeeken, om het door de bediening des priesters te zegenen.

De godsvrucht der laatste eeuwen heeft het gebruik ingevoerd, hetgene door Paus Pius V. in eene wet is veranderd, van aan het altaar het begin des Evangelies van den H. Joannes te lezen, waarin de Grod-heid van Jesus Christus in de grootheid der eeuwige raadsbesluiten, die den Zoon Gods op de aarde hebben doen nederdalen, in zulke verhevene uitdrukkingen vermeld zijn. De geheele godsdienst is in deze woorden besloten. Het volk moet hetzelve recht staande en met eerbied aanhooren, en Jesus Christus vragen, dat hij ons de genade verleene, van tot den

75

-ocr page 80-

76 GEBEDEN\' OSDEK HET H. MISOFFER.

dood toe de hoedanigheid Tan kinderen Gods te behouden, welke Hij ons door zijne Menschwording , zijnen Dood, zijne Opstanding en Hemelvaart verdiend heeft.

Gebed hetwelk de priester in het midden des altaars

nedergebogen bidt, vóór dat hij den zegen geeft.

o Mijn God ! geef geen acht op raijne onwaardigheid; maar niets inziende dan uwe onuitputbare barmhartigheden en de verdiensten van het goddelijke Lam , dat opgeofferd is geworden om de zonden der wereld uit te wissehen, doe over mij den invloed uwer zegeningen nederdalen.

Gebed gedurende het laatste Evangelie.

Eeuwig Woord, waardoor alles is gemaakt, en dat, in de volheid des tijds voor ons Vleesch geworden zijnde, deze eerbiedwaardige en verhevene offerande ingesteld hebt : wij bedanken U hiervoor met den diepsten ootmoed. Dat alle Engelen en Heiligen des hemels U daarom loven, en maak dat wij zeiven beginnen U te zegenen op de aarde , door ons gedurende dezen dag en al den tijd, welken Gij ons nog in de wereld vergunnen wilt, op zoodanige wijze te gedragen als onze goddelijke aanneming waardig is.

Blijf na de Mis nog eenige oogenblikken overwegen, alvorens de kerk te verlaten; bedank God en vraag, dat het bijwonen des heiligen Misoffers voor u niet vruchteloos zij. Tot dankzegging kunt gij het Te Beum lezen. Zie Godvruchtige oefeningen voor den Zondag.

-ocr page 81-

êmm imifü.

»-lt;33«

EERSTE BOEK.

Nuttige lessen voor het geestelijk leven.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over de navolging van Christus eti de verachting van alle vjereldsche ij delheden.

1. Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis, zegt di; Heer. (Joan 8.) Dit zijn de woorden van Christus, waardoor Hij ons vermaant zijn leven en gedrag na te volgen , willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.

Onze voornaamste bezigheid zij dus over het leven van Jesus Christus na te deuken.

-ocr page 82-

78 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

3. De leer van Christus overtreft al de leeringen der Heiliscen. Wie zijn geest bezit, moet daarin een verborgen liernelspijze vinden.

Maar velen, na het Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen srroot verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.

Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaa.i en smaken , traehte zijn geheel leven Hem gelijkvormig te maken.

3. Wat baat liet u diepzinnig over de Drie-ëenheid te twisten, zoo het u aan ootmoed ontbreekt, en gij dus der Drieëenheid mishaagt?

Waarlijk, verheven woorden maken den heilige en rechtvaardige niet, maar een deugdzaam leven maakt behaaglijk aan God.

Ik wensch liever berouw te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te kunnen geven.

Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten met aide gezegden der wijsgeereu, wat zou u dit alles baten zonder de liefde en genade Gods?

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelïïeid, (Ecel. 1) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.

De hoogste wijsheid is deze: door de verachting der wereld naar het rjjk des hemels te streven.

4. Het is dus ijdelheid vergankelijke rijkdommen te zoeken eu daarop te vertrouwen.

Ook is het ijdelheid eergierig te zijn en zich tot eenen hoogen staat te verheffen.

IJdelheid is het de lusten des vleesches te volgen en datgene te verlangen wat eens zwaar moet worden gestraft.

Het is ijdelheid een lang leven te wenschen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.

-ocr page 83-

EERSTE BOEK.

IJdelheid is het alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.

Het is ijdelheid zich te hechten aan lietgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.

5. Denk dikwijls aan deze spreuk : het oog wordt niet verzadigd van zien, noch hei oor van hooren. (Eccl. 1.)

Tracht dan uw hart van de liefde tot het zichtbare af te trekken, om het te keeren tot het onzichtbare.

Want die hunne zinnelijkheid opvolgen , bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.

OEFENING.

Om Jesus Christus volmaakt te vereeren, en door de eer, die men Hem bewijst, den plicht van een oprecht Christen te vervullen, moet men zich bevlijtigen om Hem te kennen, te beminnen en na te volgen : dit is volstrekt noodzakelijk tot het eeuwige heil van al de Christenen, die slechts Christen zijn door de kennis, door de liefde en de navolging van onzen Zaligmaker. Zich laten voorstaan van den Heer behaaglijk te zijn door de verhevene kennissen , welke men van zijne Godheid heeft, zonder te trachten zijn voorbeelden te volgen en te leven zoo als Hij geleefd heeft, dat is de gevaarlijkste aller ijdelheden.

GEBED.

Dierbare Heiland! eenige weg tot waarheid en tot leven ! getrouwe leidsman op het pad der deugd ! aangenaam is mij uwe uitnoodiging. Ja

79

-ocr page 84-

SO I)B NAVOLGING VAN JESUS CHRI3TÜS.

ik wil U volden en zal dus niet in liet duistere dwalen. Uwe leer zal mij een fakkel, uw voorbeeld een gids zijn. Geene wereldsche ijdel-heid zal mijn hart meer boeien. Ik zal het daarboven trachten te verheffen, om het vrijer aan den heilzamen invloed uwer voorschriften over te geven. Zegen dit mijn besluit en help het volbrengen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de gering achting van zich zeiven.

1. Ieder tnensch is van nature begeerig naar kennis : maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods ?

Beter voorwaar is een nederig landman die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer die, terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der sterren naspoort.

Wie zichzelven recht kent, wordt gering iu zijn eigen oogen en vindt geen vermaak in den lof der mensehen.

Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik had de liefde niet; wat zou \'t mij baten voor God, die mij oordeelen znl naar mijne daden ?

2. Ontdoe u van een te grooten weetlust : want daarin wordt groote verstrooiing en bedrog gevonden.

Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Br is zooveel, waarvan de kennis weinig ot geen nut aan de ziel toebrengt.

En hij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt, dan op hetgeen zijne zaligheid bevordert,.

-ocr page 85-

EERSTE BOEK.

Yele woorden verzadigen de ziel niet; maar een goed leven verkwikt dtn geest, en een rein geweten geeft een groot vertrouwen op God.

8. Hoe meer en beter g^i weet, hoe strenger gij er naar geoordeeld zult worden , zoo gij niet heiliger geleefd hebt.

Verhef u alzoo niet op eenige gave of wetenschap ; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.

Meent gij veel te weten en vrij wel te verstaan; denk dat er nog veel meer is, dat gij niet weet.

Heb derhalve geen hoog gevoelen; manr erken liever uwe onwetendheid.

Waarom wilt gij u iemand voortrekken, daar er velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan gij ?

Wilt gij iets nuttigs weten en leeren, leer onbekend te zijn en voor niets geacht te worden.

4. De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wel te kennen en niets te achten.

Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is eene groote wijsheid en volmaaktheid.

Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen of zwaar misdoen, belioordet gij n daarom niet beter te achten ; want gij west niet, hoe lang gijzelf ia het goede kunt staande blijven.

Wij allen zijn zwak; maar gij, houd niemand voor zwakker dan uzelf.

OEFENING.

\'s Menschen wetenschappen , zegt de Heilige Schrift, zijn ijdel en nutteloos, zoo hij zich niet toelegt God te kennen en te beminnen, en

6

81

-ocr page 86-

82 DE NATOLGING TAN JE9US CHRISTUS.

om zichzelven te verajeten ea te haten. Het eenvoudige en levendige geloof van een menscli, die zonder aarzelen en zonder te onderzoeken , al datgene gelooft wat God wil dnf wij ge-looven, en die in zijn hart alzoo gesteld is om alles te doen, wat God wil dat wij voor onze zaligheid zouden verrichten, dit geloof, zeg ik, is verkieslijk boven de goddelijke en menschelijke kennissen, die, zonder dit levend geloof, den geest verhoovaardigen, het hart verdorren , en die tevens vruchteloos voor het eeuwige heil eens Christens zijn.

GEBED.

Ja, mijn God, nederig van mijzelven te ge-\' voelen, houde ik voor plicht. Al mjjn weten is eigenlijk een niet weten. En wat baat voor u ook de diepste kennis, zoo mijn wandel u mishaagt? Gij toch zult mij naar mijne daden oor-deelen. Laat dan nimmer eenige zelfverheffing bij mij huisvesten; maar doe mij, van mijne zwakheid bewust, steeds in ootmoed voor U wandelen, mijne daden naar mijne kennis inrichten, en toegeeflijk omtrent anderen zijn.

DERDE HOOFDSTUK.

Over de leer der waarheid.

1. Gelukkig hij, dien de waarheid door zich-zelve onderwijst, niet door beelden noch voorbijvliegende woorden, maar zoo als zij is !

Onze meening en onze zinnen bedriegen ons vaak; z\\j zien niet verre.

Wat baat veel twistens over verborgen en dnis-

-ocr page 87-

EERSTE BOEK,

tere zaken , welke uiet geweten te hebben ons in liet oordeel tot geen verwijt zal strekken.

\'t Is eene groote dwaasheid het nuttige en noodige te verzuimeu, om zich te meer met het mittelooze en schadelijke op te houden. Wij hebben oogen, eu zien niet!

2. Wat vermoeien wij ons met spitsvondige wijsgeerigc vraagstukken ?

Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt, wordt uit eene menigte gevoelens ontward.

Alles is uit dit éene Woord, alles spreekt daarvan. Het is het beginsel, dat tot ons spreekt; zonder dat verstaat niemand iets wèl of oordeelt juist.

Hij, voor wien dit éene alles is, die alles tot dit éene terugbrengt, en alles in dit éene ziet, die kan standvastig van harte zijn en in God bestendige rust genieten.

O God! Gij, die de waarheid zelve zijt! maak mij éen met U door eeuwige liefde 1

Het verveelt mij dikwijls veel te lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en ■wensch.

Dat alle leeraars zwijgen , dat alle schepselen voor uw aanschijn verstommen! spreek Gij alleen tot mij.

3. Hoe meer iemand ingetogen en eenvoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan : want van boven zal hij het licht des verstands ontvangen.

Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zich niet in veel arbeids verstrooien, omdat zij alles doet ter eere Gods en zich van alle zelfzucht tracht vrij te houden.

Wat hindert en bezwaart U meer dan de onbedwongen neigingen uws harten ?

83

-ocr page 88-

S4 DE NAVOLGING VAK JESTJS CHRISTUS.

Een vroom en godvruchtig mensch beschikt eerst bij zichzelven alles, wat bij uitwendig moet doen.

Hij laat zich bij zijne daden niet ten welge-valle zijner bedorven neigingen wegsleepen: maar hij schikt die naar de inspraak van het gezond verstand.

Wie heeft een harder strijd dan hij, die tracht zichzelven te overwinnen ?

En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn ; onszelven te overwinnen, dagelijks in krachten over^-onszelven toe te nemen en in het goede/€enigzinsite vorderen.

4. Alle volmaaktheid in dit leven gaat van eenige onvolmaaktheid vergezeld, en geen onzer beschouwingen is van alle duisterheid vrij.

Eene nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste nasporing eener wetenschap.

Daarom is niet de wetenschap, of elke eenvoudige kennis eener zaak te laken ; zij is op zich zelve beschouwd goed en door God verordend; maar een goed geweten en een deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.

Omdat nu de meesten meer haken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geene of weinige vruchten voort.

5. O, dat zij denzelfden ijver hadden om gebreken uit te roeien en deugden in te planter:, als om twistvragen op te werpen ! dan zou er niet zoo veel kwaads en aanstootelijks onder het volk, geene zoo grootc losbandigheid in de kloosters zijn.

Waarlijk, wanneer de oordeelsdag komt, zal

-ocr page 89-

EERSTE BOEK.

men ons niet vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet of wij wèl gesproken, maar of wij godvruchtig geleefd hebben.

Zegt mij : waar zijn nu al die heereu en meesters, die gij zoo wel hebt gekend, toen zij nog leefden en door hunne wetenschap beroemd waren?

Hunne plaatsen zijn nn door anderen bezet , en ik weet niet oi dezen wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iets te z^n ; en nu zwijgt men van hen.

6. Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij! Mocht hun leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gelezen en zich geoefend hebben.

Hoe velen gaan in de wereld niet verloren door hunne ijdele wetenschap, dewijl zij zich weinig bekommeren om den dienst van God !

En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld in hunne over-legsringen.

Waarlijk groot is hij , die eene groote liefde bezit.

Waarlijk groot is hij , die klein is bij zich-zelven en den hoogsten trap van eer ais niets acht.

Waarlijk wijs is hij die al het aardsche acht als vuiligheid, om Christus tewinnen. ( Philipp. 8.)

En hij is waarlijk wèl geleerd, die Gods wil doet en zijn eigen wil verzaakt.

OEFENING.

De waarheden bestuderen , niet zoozeer om ze te kennen, dan wel om ze te beoefenen; het eeuwige woord aanhooren, hetwelk meer tot het hart dan tot den geest spreekt, weten hetgene ter

85

-ocr page 90-

86 DE NAVOLGING VAN JBSUS CHRISTUS.

zaligheid is, eu het doen, ziedaar wat de wetenschap van den Christen moet uitmaken.

De bespiegelende kennis moede, die de nieuwsgierigheid van mijnen geest streelt, en die mijn hart noch treft noch verandert, verveelt het mij zoo vele dingen te weten , en zoo veel te hooren zeggen over de eeuwige waarheden en over mijne zaligheid, en zoo weinig te doen ter bewerking van mijn eeuwig heil.

GEBED.

Eeuwige Waarheid! aanbiddelijk Woord! waardoor alles het aanzijn heeft: maar al te zeer gevoel ik behoefte aan eene hooge verlichting. Zonder uwe inspraak baten mij de verhevenste lessen niet, is alles bij mij duister. Spreek Gij dan tot mg en houd mij met uwe leering bezig. Zoo zal een hemelsch licht mij op alle mijne wegen bestralen, mg ware grootheid en wijsheid leeren, en de edelste deugden zullen daarvan te wachten zjjn.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over een voorzichtig gedrag,

1. Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet een zaak voorzichtig en bedaard volgens God overwegen.

Helaas! dikwijls gelooft en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede; zoo zwak zijn wij !

Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verhaal: want zij weten dat de menschelij-ke zwakheid ten kwade overhelt en licht in woorden zondigt.

-ocr page 91-

EERSTE BOEK.

2. Het is eene groote wijsheid niet overijld te werk te gaan en niet hardnekkig zgn eigen hooi\'d te volgen.

Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloot\' geeft, en hetgeen men hoort of gelooft, niet aanstonds aan het oor van anderen overbrengt.

Pleeg raad met een verstandig en nauwgezet man , en zoek liever door eenen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen.

Een deugdzaam leven maakt den mensch wijs voor God en in vele opzichten ervaren.

Hoe nederiger iemand bij ziehzelven is, en hoe meer onderworpen aan God, hoe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.

OEFENING.

Niets is tegenstrijdiger aan de liefde en rampzaliger aan de zaligheid, dan de echte of valsche aanbrengingen van den eenen aan den anderen ; dewijl deze de gemoederen verbitteren, de harten ontroeren , de oneenigheden voeden, enden haat vermeerderen, en men daarover de vergeving van den Heer niet kan bekomen, zoo men in de biecht niet vast besloten heelt, het toegebrachte kwaad te herstellen en de personen te verzoenen , tusschen welke men tweedracht heeft verwekt. Men meet derhalve geene dingen overdragen of aan de aanbrengingen geen geloof slaan; en zoo men iets tegen den naaste gehoord heeft, moet men dit bij zich houden, en er aan niemand iets van zeggen.

GEBED.

Voorzichtig te zijn bij al mijne daden, is voor

87

-ocr page 92-

88 DE NAVOLGING VAN JüSUS CHRISTUS.

mij, o God! een gewichtige plicht. Hoe dikwijls moest ik de nadeelige gevolgen vau een onbezonnen gedrag ondervinden! Doe mij dau in alles voorzichtig te werk gaan. Kegel mijne keus in het verkiezen eens, vriends , wien ik al mijn vertrouwen schenken mag. Verstandig zij hij om mij raad te geven, deugdzaam om mij voor te lichten. Dat ik hem in eere houde, zijnen raad opvo\'ge en daardoor mijn geluk be-vordere.

VIJFDE HOOFDSTUK,

Over het lezen der Heilige Schrift.

1. Waarheid , geen welsprekendheid moet men in de Heilige Schriften zoeken.

Men moet de fi;eheele Heilige Schrift lezen met denzelfden geest, in welken zij gesteld is.

Wij moeten iu de Heilige Schrift meer trachten naar geestelijk voordeel dan sierlijkheid vau taal.

Wij moeten even gaarne godvruchtige en eeu-voudige boeken lezen als verhevene en diepzinnige.

Hond u niet op bij het gezach van den schrijver, of hij van kleine of groote geleerdheid zij ; maar liefde tot de zuivere waarheid zette u tot lezen aan.

Vraag niet wie dit gezegd hebbe , maar let op hetgeen gezegd wordt.

2. De menschen gaan voorbij; maar des Hee-ren waarheid blijft eeuwig.

Zonder aanzien van personen spreekt God tot ons op velerlei wijze.

Bij het lezen der Schriften hindert ons dik-

-ocr page 93-

EEKSTK BOEK.

wijls onze nieuwssjieri^heid, daar wij bevatten en beredeneeren willen wat wij eenvoudig moesten voorbijgaan.

Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig, eenvoudig en geloovig, en beoog nooit den naam van den geleerde.

Ondervraag gaarne , en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen; en dat de spreuken der Ouden u niet mishagen : niet te vergeefs toca worden zij bijeengebraclit.

OEFENING.

Lees de Heilige Sckrift en de godvruchtige boeken met denzelfden geest, in welken zij geschreven zijn; lees ze, om er de waarheid in op te sporen , om u te onderrichten, u te stichten, en om in u een oprecht christelijk leven te vormen. Lees de Heilige Schrift met geloof, ootmoed, eerbied en onderwerping ; bid daartoe den heiligen Geest, die ze heeft ingegeven, van ze te mogen verstaan, daarin smaak te vinden en ze in het werk te stellen.

GEBED.

Dierbaar, o God ! is mij uw woord. Het is mij het kostbaarste geschenk dat ik van uwe hand ontving, eene rijke bron van troost, eene fakkel op de paden mijns levens. Laat geen onverschilligheid mij deze gunst onwaardig maken ; vervul mij met eerbied voor uw woord. Verlicht mijn verstand zoo dikwerf ik het leze ; schenk mij den geest van nederigheid en godsvrucht, en laat den invloed van uw woord blijkbaar zijn uit mijn gedrag.

89

-ocr page 94-

90 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de ongeregelde harUtochten.

1. Zoodra een mensch iefs ongeregeld begeert, wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.

De hoogmoedige en gierige rusten nooit, maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.

De mensch die zichzelf nog niet volmaakt is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste, ja nietigste zaken overwonnen.

De zwakke naar den geest en die nog eeni-germate vleesehelijk is en tot het zinnelijke overhelt, kan zich moeilijk van de aardsche begeerlijkheden geheel losmaken.

Daarom heeft hij dikwijls droefheid, als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.

3. En heeft hij verkregen wat hij begeert; terstond wordt hij bezwaard door het verwijt van zijn geweten, omdat hjj zijner drift opgevolgd is; want dit brengt niets toe tot de bevrediging die hij zocht.

Door de driften alzoo te wederstaau , wordt de ware vrede des harten gevonden, niet door ze in te volgen.

Er is dus geen vrede in het hart van den vleeschelijken mensch, noch in dengene die aan het uiterlijke is overgegeven, maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.

OEFENING.

Na de genade Gods is de vrede des harten het grootste aller goederen, en niets mogen wij sparen, om dien in ons te onderhouden. Doch wij kunnen

-ocr page 95-

EERSTE BOEK.

dien vrede der ziel niet vinden , noch hem behouden , dan met aan onze hartstochten en ongeregelde verlangens wederstand te bieden; want hoe meer wij die willen bevredigen, des te minder znllen wij vergenoegd zijn; hoe meer wij die bestrijden , des te minder zij ons lastig zullen vallen; hoe meer wederstand wy haar zullen bieden; hoe meer zij ons in vrede zullen laten.

gebed.

Hoe belangrijk, o God! moet mij deze herinnering zijn ! Geen rust voor mij, geen ware vrede , zoo lang de driften in mij woelen en ik harer heerschappij onderworpen beu. Meer dan ooit zie ik de verplichting in om die te wederstreven en mijzelven af te sterven, wil ik deugdzaam worden en zachte kalmte genieten. Dit zal van heden af mijn ernstig voornemen zijn ; zegen het, o mijn God! Ondersteun mij in den strijd; stil de stormen mijner driften ; dat zij de inspraak mijner rede gehoor geven.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Vlucht de ij dele hoop en dm hoogmoed.

1. IJdel is hij , die zijne hoop op menschen of schepselen stelt.

Schaam u niet, uit liefde voor Jesus Christus , anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.

Sta niet op uzelven, maar vestig uwe hoop op God.

Doe wat in u is, en God zal uwen goeden wil ondersteunen.

2. Vertrouw niet op uwe wetenschap, noch

91

-ocr page 96-

93 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

op de doorslepenheid van eeuig sterveling, maar liever op de genade van God, die de nederigen helpt en de vermetelen vernedert.

Eoem niet op de rijkdommen, zoo gij ze bezit, noch op uwe vrienden, omdat zij vermogend ziju ; maar op God, die alles geeft en zichzelven boven alles wenscht te schenken.

Verhef u niet op de grootte of\' schoonheid des liehaams ; want de geringste ongesteldheid kau die verminken ot\' misvormen.

Heb geen zelfbehagen wegens uwe bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan God, wien alles toebehoort wat gij-van nature goeds bezit.

3. Acht \\i niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter bevonden wordt voor God, die weet wat in den rnensch is.

Verhef u niet op goede werken ; want de onr-deelen Gods zijn anders dan die der menschen. Hem mishaagt dikwjjls, wat den menschen behaagt.

Hebt gg iets goeds , denk van anderen beter , om den ootmoed te bewaren.

Het schaadt niet als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het, zoo gij u boven een eenigen stelt.

Bij den nederige is duurzame vrede, maar in het hart des hoog.noedigen dikwijls ijverzucht en toorn.

OEFENING.

Steun slechts op datgene, wat onwankelbaar is, namelijk op God , op wien men alleen kan staat maken; immers niets is zwakker, onzekerder en onstandvastiger dan de mensch, die slechts dedwa-

-ocr page 97-

EEKSTE 30EK.

ling, de arglist en de leugen ten aandeel heeft. Verhoop derhalve nllcs van God , en verwacht niets van u zeiven noch van anderen. Beroem u niet over uwe goede werken, noch over uwe kunde; maar geef in en van alle dingen de glorie aan God, aan wien zij alleen toekomt.

G E B E D.

Ja, op U alleen, o God! moeten wij in alle gevallen ons vertrouwen stellen. Alle schepsel is zwak, onstandvastig, der verandering onderhevig ; en wij gevoelen te zeer ouze eigene onmacht, dan dat wij ons op onszelven zouden kunnen verlaten. Boezem ons dan steeds een onwankelbaar vertrouwen op U in ; laat dit dat der menschen vervangen, en alle ijdel zelfvertrouwen verbannen. Van alles wat wij goeds bezitten , zij niet aan ons, maar ü alleen de eer, U dank in eeuwigheid !

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over eene te groote gemeenzaamheid.

1. Leg uio hart niet voor iedereen hloot; maar spreek over uwe zaken met den wijze en godvruchtige.

Wees zelden met jongelieden en vreemdelin-gen.

Vlei de rijken niet en verschijn niet gaarne voor de grooten.

Voeg u bij de nederigen en eenvoudigen, bij de godvruchtigen en vromen, en spreek over hetgeen stichtelijk is.

Wees met geene vrouw gemeenzaam; maar

93

-ocr page 98-

94 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

beveel alle goede vrouweninlietalgemeenaanGod.

Wensch met Gotl alleen en zijne Engelen gemeenzaam om te gaan ; ontwijk de aandacht der menschen.

2. Liefde moet men voor allen hebben ; maar gemeenzaamheid doet geen nut.

Somtijds gebeurt het dat een onbekend persoon door zijn goeden naam schittert, wiens tegenwoordigheid nochtans de oogen der aan-schouwers benevelt.

Wij denkeu somtijds anderen te behagen door onzen omgang, en wij beginnen eer te mishagen door de verkeerdheid van zeden, in ons opgemerkt.

OEFENING.

Vlied de wereldsche gezelschappen, de nutte-looze gesprekken, de uitstorting en de genegenheden des harten, die door Gods liefde noch geregeld, noch beheerscht zijn : want dit alles verstrooit eene ziel, verwijdert haar van God, onttrekt haar de ingetogenheid en den innerlijken geest, die zoo noodzakelijk ter zaligheid is, werpt haar in gevaarlijke gelegenheden van te zondigen , en leidt haar langzamerhand in de ongeregeldheid. Dat uwe vrienden personen zijn, die een godvreezend, geregeld en onberispelijk leven leiden, ten einde hun voorbeeld u tot de deugd brenge, en u van het pad der ondeugd ver-wijdere. Gelukkig is de Christen, die zich aan zijnen Zaligmaker, aan zyne plichten en aan zijne zaligheid gekleefd houdt, en die slechts van en voor God levende, hier reeds op aarde datgene begint te doen, wat hij in de eeuwigheid zal voortzetten.

-ocr page 99-

EERSTE BOEK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Over de yehoorzaamheid en onderwerping.

1. Het is een zeer groot iets onder gehoor-zaamheid te staan , onder een overste te leven en niet zijn eigen meester te zgn.

Hat is veel veiliger onderhoorige dan overste te zijn.

Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang dan uit liefde; ook hebben zij moeilijkheid en morren licht.

Zij zullen de vrijheid des geestes niet verkrijgen, voor zij zich om Gods wille van ganscher harte onderwerpen.

Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in eene nederige onderwerping aan het bestuur van uw overste.

De verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heeft velen bedrogen.

2. Het is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en dengenen meer genegen is , die van aijn gevoelen zijn.

Maar zal God in ons wonen, dan moeten wij ook somtijds om vredes wille ons gevoelen opgeven, ie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet?

Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen; maar wil ook gaarne het gevoelen van anderen hooren.

Is uw gevoelen goed, en geelt gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te volgen , gij zult daarvoor te meer voortgang maken.

3. Want ik heb meermalen hooren zeggen, dat het veiliger is raad te hooren en aan te nemen dan te geven.

95

-ocr page 100-

p-f). DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Het kiin zijn dat het ^evoehn van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teeken van hoogmoed en halstarrigheid.

o F, r E N i N G.

Welk geluk, niet af te hangen dan van God, in den persoon der oversten , die zijne plaats beVleeden ! Hoe verdienstelijk is de volstandige oefening der gehoorzafimheid, aangezien zij oen aanhoudend werk van verloochening, van verzaking aan zichzelven en van de volmaaktste liefde Gods is! Het is de gehoorzaamheid, die de uitmuntendheid, het geluk en de verdienste van het christelijk en kloosterlijk leven uitmaakt, en die God volkomen meester en eigenaar van onze harten maakt. Maar hiertoe wordt vereischt, dat de geest, het hart en de werken zamenspan-nen , om ons de gehoorzaamheid te doen oefenen ; de geest om ze goed te keuren, het hart om ze te beminnen, en de werken om ze spoedig, edelmoedig en standvastig te oefenen.

GEBED.

Ook ik, o God ! moet gehoorzaam en aan anderen onderworpen zijn. Als mensch, als burger, vooral als Christen, gevoel ik het billijke van dezen plicht. Geene samenleving zonder orde, geen orde zonder onderwerping. Laat mij steeds dit bewustzijn behouden en daarmede overeenkomstig handelen. Het voorbeeld van uw Zoon zij mij daartoe eene krachtige aansporing. De knecht is niet meer dan zijn heer, de leerling niet beter dan de meester.

-ocr page 101-

EEKSTE BOEK.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over het vermijden van. nuttelooze gesprekken.

1. Mijd, zoo veel gij kunt, het gewoel der menschen : want het behandelen van wereldsche zaken hindert grootelijks, al geschiedt het met een zuiver oogmerk.

Wij worden zoo ras door de ijdelheid besmet en gevangen!

Ik wensehte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd hadde.

Maar waarom spreken wij en onderhouden wij elkander zoo gaarne, daar wij zoo zelden zonder kwetsing dea gewetens tot het stilzwijgen wederkeeren ?

Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij elkander zoeken, en \'t door velerlei gedachten bezwaarde hart wenschen op te beuren.

Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of begeeren, of over hetgeen ons tegenstaat.

2. Maar helaas! dikwijls zonder nut en te vergeefs : want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwendigen en godde-lijken troost.

Daarom waak en bid, opdat de tijd niet ledig voorbij ga.

Staat het vrij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.

Een kwade gewoonte en veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak, dat wij geen wacht houden over onzen mond.

Echter bevordert niet weinig onzen geestelijken

97

-ocr page 102-

98 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRrSTüS,

voortgang een godvruchtig gesprek over geestelijke onderwerpen, vooral wanneer zich daartoe in God vereenigen personen, die ééns van hart en ziel zijn.

OEFENING.

Waken en bidden is het eenige middel, hetwelk Jesus Christus in het Evangelie aan eenen Christen geeft, om de zonde te vluchten, o;n aan de bekoring te wederstaan en zijne zaligheid te verzekeren. Weinig tot de schepselen en veel tot God spreken, de onnoodige en nieuwsgierige gesprekken vermijden, zijne tona: niet gebruiken dan om goede en nuttige dingen te zeggen, is een voortreffelijk middel om eenen inwendigen mensch te worden, om de zuiverheid des harten en den vrede des gewetens te behouden, eu om zich innig met God te vereenigen. Eene ziel, die te veel met de menschen omgaat, die gansch wereldsgezind is en zich met beuzelarijen ophoudt, vindt niet veel smaak in God, houdt zich niet veel met het gebed bezig, en oefent weinig de overweging (meditatie): zaken, die nochtans tot de zaligheid der Christenen nuttig en zoo noodzakelijk zijn. Wat doet gij, verstrooide en dolende ziel, zegt de heilige Augustinus, wanneer gy u door geschapene voorwerpen, vergankelijke vermaken en tijdelijke goederen tracht te bevredigen ? Zoek in uzelven, door de overweging, het ware en het opperste goed, hetwelk in u is en hetgeen alleen u kan bevredigen.

GEBED.

Ook ik, o God 1 wenschte dikwijls wat minder onder de menschen geweest te zijn, wat min-

-ocr page 103-

EERSTE BOEK.

der gesproken te hebben. Te vaak moest ik van mijnen omgang heillooze gevolgen ontwaren. Te vaak ging ik mij in gesprekken te buiten , en zondigde tegen U of tegen mijnen broeder. Dat geen ijdel geklap mij langer vertnake ! Dat ik leere mijne tong bedwingen; de lof vanU, de stichting van mijzelven en mijne broeders , zij het eenigstc doel bij mijne gesprekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de middelen iot vrede, en den ijver tot voortgang.

1. Veel rust en vrede konden wij hebben, wilden wij ons niet bemoeien met de woorden en daden van anderen, welke ons niet aangaan.

Hoe kan hij lang in vrede blijven, die zich met eens anders zaken bemoeit, die steeds buiten zichzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zeiden tot zichzelven terugkeert ?

Gelukzalig de eenvoudigen, want zij zullen overvloedigen vrede hebben.

2. Waarom zijn sommige Heiligen tot zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen ?

Omdat zg getracht hebben alle aardsche begeerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun hart Gode aanhangen, en zich vrij met zichzelven ophouden.

Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over hetgene voorbijsnelt.

Zelden ook overwinnen wij een eenig gebrek geheel, en wij worden niet tot dagelijkschen

99

-ocr page 104-

100 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHRISTUS.

voortgang aangevuurd : daarom blijven wij koud en lauw.

3. Waren wij ouszelven volkomen afgestorven en van binnen niet in verwarring, dan konden wij ook liet goddelijke smaken en iets van de hemelsche bespiegeling ondervinden.

Het grootste , ja cenige beletsel is , dat wij niet vrij zijn van driften en begeerlijkheden , en dat wij niet trachten den volmaakten weg dei-Heiligen in te slaan.

Als ons ook de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en wenden wij ons tot den troost der mensehen.

4. Deden wij ons best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden des Heeren hulp van den hemel over ons zien neerkomen.

Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij geeft ons gelegenheid tot strijden, opdat wij overwinnen.

Stellen wij onzen voortgang in \'t goede alleen in uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht zal dra een einde nemen.

Laat ons de bijl aan den wortel leggen en onze ongeregelde driften uitroeien, opdat wij een rustig gemoed mogen bezitten.

5. Mochten wij elk jaaréene ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn.

Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin van onze bekeering beter en zuiverder waren, dan wij nu, na vele jaren zijn.

Dagelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen , en nu schijnt het al veel, als iemand van zgu eersten ijver een gedeelte kan behouden.

-ocr page 105-

EEKSTE BOEK.

Deden wij ons in den beginne slechts een weinig gewelds, wij zouden daarna alles met gemak eu vreugde kunnen doen.

6. Zwaar valt het eene gewoonte af te leggen ; maar het is nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.

Zoo gij nn het kleine en lichte niet overwint, hoe zult gij het zwaardere te boven komen?

Wedersta in den beginne uwe neiging en ontdoe n van eene slechte gewoonte, opdat zij u niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.

O, zoo gij beseftet, welke rust gij uzelven en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wèl te gedragen! Ik geloof dat gij voor uw geestelijken voortgang meer bezorgd zoudt zijn.

OEFENING.

Even als er niets tegenstrijdiger is aan den waren vrede , aan het geluk en de rust des levens, dan zich aan zijne ongeregelde lusten over te geven en zich derzelver slaaf en slachtoffer te maken, alzoo is er niets geschikter om in ons eene ware gewetensrust voort te brengen , om het geluk van dit leven uit te maken, en onze zaligheid te verzekeren , dan onophoudelijk onze booze neigingen te bestrijden en te overwinnen , en in alle gelegenheden wederstand te bieden aan de ongeregelde begeerten van ons hart. Leg u dan ernstig toe om u te versterven, om datgene wat u tegenstrijdt te overwinnen, om aan de hevigheid uwer lusten te wederstaan en om in alles aan uwen wil te verzaken. En die oplettendheid, die zorg, en dat heilig geweld, zoo volstrekt noodig tot uwe zaligheid, zal u in den tijd en in de eeuwigheid gelukkig maken, aangezien er

101

-ocr page 106-

103 DE NAVOLGING VAN JÜSUS CHRISTUS.

geen ware vrede des gewetens, noch eenige verdienste te vinden is, dan in hetgeen men voor God, en tegen zichzelvea doet.

GEBED.

quot;Welke tevredenheid, o God! welke zielskalm-te zoude ik smaken, bijaldien ik mij met anderen wat minder bemoeide, en mst mijn eigen hart en zijn verzedelijking wat meer ophield! De heilrijkste gevolgen daarvan zouden zich in mijnen wandel vertoonen, en ik een hoogen trap van volmaaktheid bestijgen. Doe mij den eenigen weg daartoe inslaan. Leer mij de noo-dige middelen bezigen, mijzelven overwinnen en volkomen meester blijven.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het nvt der tegenspoeden.

1. Het is ons goed dat wij somtijds eenige moeielijkheden en tegenspoeden hebben.

Dikwijls roepen zij den mensch in zijn binnenste terug, inzooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.

Het is goed dat wij somtijds tegenspraak ontmoeten , en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wèl doen en het wèl meenen; dit bevordert dikwijls den ootmoed eu bewaart ons voor ijdele roemzucht.

Want dan, als wij van buiten door de men-schen veracht of niet wèl beoordeeld worden , zoeken wij beter God, als onzen inwendigen getuige.

-ocr page 107-

EEKSTE BOEK.

2. Daarom moest de mensch zich zoo geheel in God vestigen, dat hij niet uoodig had veel menschelijken troost te zoeken.

Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord of door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God het meest noodig heeft, zonder wien hij ziet dat hij niets goeds vermag.

Dan ook treurt hij, en zucht en bidt, over de rampen die hij lijdt.

Dan verdriet het htm langer te leven, en wenscht hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.

Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen veiligheid, noch volle vrede kan bestaan.

OEFENING.

Men moet den tegenspoed beschouwen als beproevingen der liefde, die haar zuiveren en bovennatuurlijk in ons doen worden. Indien een ieder de achting en het ontzag voor ons had, welke onze eigenliefde verlangt, en welke zij ons dikwijls wijs maakt te verdienen , zouden wij voor den evenmensch slechts eene verkeering hebben, die ons zou lastig vallen, als eene menschelijke erkentenis en een geheim welbehagen jegens ons zeiven. Maar God wil, dat wij overal tegenspaak, onverwachte toevallen en wederstand ontmoeten en lijden van degenen met welke wg leven, opdat wij hen alleen ten aanzien van Hem zouden beminnen, en omdat Hij hst gebiedt. Gelukkig is een hart, hetwelk door tegenspoed beproefd en door bekoringen gezuiverd wordt, zoo als het goud door het vuur beproefd en gezuiverd wordt. Het is hierdoor, zegt de Wijze-man, dat het

103

-ocr page 108-

104 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

waardig wordt met God te zijn, en bekwaam om volgens zijn hart te wezen.

GEBED.

Hoeveel mijne ziulijklieid daartegen bebbe, ik zie, o God ! meer dan ooit dat tegenspoeden mij nuttig zijn en myn heil bevorderen. Zij zijn de middelen, door U aangewend, om mij godsdienst en deugd beminnelijk, en voor hunnen troost vatbaar te maken. Laat dan nimmer toe, dat ik mij tegen uwe wijze oogmerken verzette of onder den last bezwijke, dien Gij op mijne schouders legt. Alles zij mij lief en welkom van uwe hand, in alles worde uwe goedheid geprezen !

Oi\'slS DEETIENDE HOOFDSTUK.

Over het weerstaan der hekorinytn.

1. Zoolang wij in de wereld leven, kunnen wij niet zonder kwelling en bekoring zijn.

Daarom staat er bij Job: \'smenschen leven op aarde is een strijd. (Job. 7.)

Daarom moest ieder bij zijne bekoringen op zijne hoede zijn, waken en bidden, opdat de duivel geene gelegenheid vinde tot verleiding : want die slaapt nooit, maar gaat rond, zoekende wien hij kan verslinden. (1. Petr. 5.)

Niemand is zoo volmaakt en heilig, dat hij niet somtijds bekoringen heeft; zelfs kunnen wij die niet geheel ontberen.

2. Hoe lastig en moeilijk de bekoringen ook vallen, zij zijn dikwijls den menseh zeer nuttig, omdat hij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.

-ocr page 109-

EERSTE BOEK.

Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan, en aldus volmaakt geworden.

Maar zij die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.

Geen stand is er zoo heilig, geen plaats zoo verborgen , waar geen bekoringen of wederwaardigheden zijn.

3. Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring ; want de bron der bekoring is in onszelven , daar wij met begeerlijkheden geboren worden.

W\\jkt de eene bekoring of moeilijkheid, de andere is daar; en altoos zullen wjj iets moeten lijden, daar wij het goed van ons eerste geluk verloren hebben.

Velen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daarin te dieper.

Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen , maar door geduld en waren ootmoed worden wij sterker dan al ouze vijanden.

4. Wie slechts van buiten ontwijkt en niet den wortel uitrukt, zal weinig vorderen; ja te eer zullen de bekoringen tot hem wederkeeren, en zal hij zich te erger bevinden.

Allengskens en door geduld en lankmoedigheid zult gij ze met Gods hulp beter overwinnen, dan door een hardnekkig en lastig tegenstreven.

Neem dikwijls raad bij de bekoring, en wil den bekoorde niet hard behandelen; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men u deed.

5. Onbestendigheid van geest en gering vertrouwen op God zijn de bron van alle kwade bekoringen.

105

-ocr page 110-

106 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

Want gelijk een sohip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt ; zoo wordt een kleinmoedig menscli, die van zijn voornemens afwijkt, op velerlei wijze bekoord.

^et vuur beproeft het ijzer, de bekoring den rechtvaardigen mensch.

Dikwijls weten wij niet wat wij kunnen, maar de bekoring toom wat wij zijn.

6. Nochtans moet men waken, vooral bij den aanvang eener bekoring : want lichter wordt de vijand overwonnen, als men niet duldt dat hij de ziel binnentreedt, maar hem, zoodra hij aanklopt, aan den drempel weert.

Daarom heeft iemand gezegd : wedersta het hegin : te laat komt de artsenij, wanneer liet kioaad door te lang verzuim, de overhand heeft gekregen.

Want eerst vertoont zich aan de ziel de enkele gedachte, dan eene sterke verbeelding, vervolgens het welbehagen, de kwade beweging en de toestemming.

Zoo treedt de booze vijand allengskens geheel binnen, als men hem niet in den beginne tegenstand biedt.

En hoe langer iemand wacht met weerstand bieden, hoe zwakker hij dagelijks in zichzelveu wordt en hoe sterker tegen hem de vijand.

7. Sommigen lijden zwaardere bekoringen in het begin hunner bekeering, anderen op het einde.

Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wyze en billijke schikkingen Gods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner uitverkorenen voorbeschikt.

8. Daarom moeten wij, wanneer wij bekoord

-ocr page 111-

EEKSTE BOEK.

worden, niet wanhopen, maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te staan : Hij toch zal, -volgens het gezegde van Paulus, met de bekoring ook de nit-komst geven om ze te kunnen verdragen.

Buigen wij dan bij alle bekoring eu wederwaardigheid onze zielen onder de hand van God : want Hij zal de nederigen van geest redden en verheffen.

9. Welken voortgang de mensch gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.

Het is niets groots dat een mensch godvruchtig en ijverig is, als hij niets zwaars gevoelt; maar wanneer hij ten tijde van tegenspoed het geduldig uithoudt, dan is er hoop op grooteu voortgang.

Sommigen worden voor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dagelijksche overwonnen ; opdat zij, vernederd, in het groote nooit te veel op zichzelven mochten vertrouwen , daar zij in het kleine zoo zwak zijn geweest.

o E r E N I N G.

De bekoringen dienen om ons te zuiveren van de geheime verkleefdheid, welke wij tot de ij delheid en de eigenliefde hebben, als ook van het vertrouwen, hetwelk wij in onszelven hebben , met ons het gewicht onzer ellenden te doen gevoelen , met ons van de voldoening eenen afkeer te geven , en met ons te verplichten op God alleen te vertouwen. Zij dienen daarenboven nog om ons te verootmoedigen, door de ondemn-ding onzer zwakheden, en door het gevoel van

107

-ocr page 112-

108 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHRISTUS.

den wortel van verdorvenheid, dien wij in ons dragen. Zij dienen, ten laatste, om ons te onderrichten over onze machteloosheid van iets goeds ter zaligheid te doen, of om ons van de zonde te bevrijden, zonder Góds hulp.

GEBED.

Dat de meusch aan veelvuldige bekoringen is blootgesteld, o God ! ondervind ik genoeg. Van alle kanten doen zich vijanden op en moet ik mij ten strijde gereedhouden. Doch, wel verre van deswegens ontevreden te zijn, eerbiedig ik ook hierin uwen heiligen wil. Ja de bekoringen zijn mij nuttig; want zjj oefenen mqne deugd. Gelukkig zij, zoo zij de proef uithoudt: Geef mij hiertoe uwe genade , o God ! waardoor ik alles vermag; help mij strijden en overwinnen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de licldvaardige oordeelvellingen.

1. Sla uw oogen op uzelven en wacht u de daden van anderen te beoordeelen.

Wie anderen beoordeelt werkt vergeefs, dwaalt veel en zondigt licht.

Maar wie zichzelven beoordeelt en beproeft , werkt altoos met vrucht.

Zooals eene zaak ons ter harte gaat, oordee-len wij veeltijds daarover : want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht van de waarheid af.

Ware God altoos het eenige doel onzer begeerten, wij zouden zoo licht niet ontroerd worden als men onzen zin weerstaat.

2. Maar dikwijls schuilt er van binnen iets

-ocr page 113-

EERSTE BOEK.

of doet zich iets van buiten op , dat ons nog medesleept.

Velen zoeken in hetgeen zij doen heimelijk zichzelven, en weten het niet.

Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan; maar valt iets tegen him wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.

Uit het verschil van meening en gevoelen ontstaat dikwijls genoeg tweedracht tusschen vrienden en medeburgers, tusschen geestelijke en godvruchtige personen.

3. Eene oude gewoonte laat zich moeilijk afleggen ; en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.

Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid, dan op de kracht uwer onderwerping aan Jesus Christus, gij zult zelden en laat een verlicht man worden.

Immers God wil dat wij ons volkomen aan Hem onderwerpen, en dat wij door eene brandende liefde alie redeneering teboveustijgen. ,

OEFENING.

Wij oordeelen veeleer door de neiging van ons hart, dan door het licht van onzen geest. Onze eigenliefde brengt gewoonlijk te weeg, dat wij in onszelven goedkeuren, wat wij in anderen ver-oordeelen, en wij zijn zooveel te scherpzinniger op de gebreken van den naaste, als wij te verblind zijn op de onze. Een geest, die zich gestadig met God bezig houdt, en eene ziel, die getrouw is aan de beweging zyner genade , eene ziel, die alzoo met God bezig en aan Hem gehecht is, houdt zich in haarzelve niet op dan

109

i

-ocr page 114-

110 DE NAVOLGING VAN .TESTIS CHRISTüS.

met God, en met haar in God; en daar zij haar hart tracht te bewaren , vergeeft zij niets aan ziehzelven en vergeeft alles aan anderen.

GEBED.

Mocht, o God! deze overweging op mijn hart van een weldadigen invloed zijn, mijn oog zich op ü gevestigd houden en uw wil mij steeds voor den geest zweven! dan zoude ik mij in vele opzichten voorzichtiger gedragen, en niet zoo vaak over mijn broeder een lichtvaardig oordeel vellen. Doe mij wijzer worden. Dat ik mij bezig-honde met mijzelven , zonder mij met anderen te bemoeien. U alleen te beminnen, te behagen zij mijn doel; mijn eigen heil te bevorderen, mijne hoofdbezigheid!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Over de werken uit liefde verricht.

1. Om niets ter wereld en ter liefde van geen eenig mensch mag raen iets kwaads doen.

Nochtans mag men vrij , ten nutte van hem die het noodig heeft, somtijds eenig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.

Op deze wijze toch gaat het goede werk niet verloren, maar in een beter over.

Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten.

Maar alles wat uit liefde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij, wordt geheel vruchtbaar.

Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die hij verricht.

2. Hij doet veel, die veel liefheeft. Ook doet veel, die iets wel doet.

-ocr page 115-

eekste boek.

Hij doet wèl, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.

Dikwijls scltjjnt iets liefde te zijn en is eerder zinlijkheid : want zelden laten natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op vergelding, baatzucht zich buitensluiten.

3. Wie eene ware en volmaakte liefde bezit, zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevordert worde.

Ook benijdt hij niemand, omdat hij geen vreugd bemint die hij alleen geniet.

Xiet in zichzelven wil hij zich verheugen , maar in (iod wenscht hij boven alle goederen zijne gelukzaligheid te vinden.

Aan niemand schrijft hij iets goeds toe, maar brengt het geheel terug tot God , uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en in wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten.

O! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aardsche vol ijdelheid is.

oefening

Men kan niet genoeg de woorden van den schrijver herhalen, die zegt, dat God zoo zeer niet aanziet hoeveel men doet, als uit hoe groote liefde het werk voortkomt, en dat men veel doet, als men veel bemint: dat is, dat onze woorden aan God waarlijk niet behagen, dan voor zooveel zij bezield zijn door het verlangen van aan Hem aangenaam te wezen en zij door het zegel der liefde gestempeld zijn. Doet, zest de heilige Pau-ius, al wat gg doet, door ingeving en beweging van de liefde Gods. Het is die levende en werkende liefde, wanneer zij menigwerf herhaald

-ocr page 116-

112 DE NAVOLGING VAN JESÜ3 CHEISTUS.

wordt, die de verdiensten van onze goede werken uitmaakt; en het geloof zelfs is zwak en kwijnend in ons, indien het door de liefde en door eene godvruchtige geneigdheid niet bezield is tot God, die ons deszelfs waarheden veropenbaard heeft. Laat ons dan trachten den Heer te beminnen in alles wat wij doen, en alles doen met God te beminnen. Heer! alles voor U en in U! Ziedaar hetgeen ons hart moet zeggen en onophoudelijk doen, om een bovennatuurlük en verdienstelijk leven te leiden, en om in den tijd te beginnen, hetgene wij in de eeuwigheid zullen voortzetten.

GEBED.

God der liefde! bron der zuiverste liefde! van wiens liefde alles wat aanzijn heeft getuigt, en die door liefde uwe redelijke schepselen ten hoogsten trap van volmaaktheid brengt, vervul mijn hart met zulk edel gevoel. Geef dat ik U boven alles, en mijnen naaste liefliebbe als mij-zeiven. Zonder liefde kan ik U nimmer behagen, geen leerling van Jesus zijn; zonder liefde is alles ijdel, en mijn Christendom eene her-senschim.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen der gelreken van anderen.

1. Wat de mensch in zichzelven of in anderen niet kan verbeteren, dat moet hij geduldig verdragen, totdat God het anders besehikke.

Denk dat het zoo wellicht beter is om u te beproeven en in lijdzaamheid te oefenen, zonder welke al onze verdiensten niet veel te achten zgn.

-ocr page 117-

EERSTE BOEK.

Nochtans moet gij bjj zulke bezwaren bidden dat God u te hulp kome, opdat ^ij ze goedwillig moogt verdragen.

2. Indien iemand, eens of tweemaal vermaand, niet luistert, wil niet met hem twistnn; maar geef het alles aan God over, opdat, zijn wil geschiede en Hij in al zgne dienaren verheerlijkt worde: Hij toch weet wel het kwade in het goede te verkeeren.

Beijver u geduldig te zijn in het verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen, daar ook gij veel hebt, dat anderen verdragen moeten.

Kunt gij uzelven niet zoo maken als gij wenscht, hoe kunt gg dan een ander naar uwen zin hebben?

3. Wij willen gaarne anderen volmaakt hebben , en wij verbeteren onze eigen gebreken niet.

Wij willen dat anderen streng bestraft worden, en wij willen niet dat men ons bestraffe.

Veel toegevendheid voor anderen mishaagt ons, en nochtans willen wg niet dat men ons weigere hetgeen wij vragen.

Wij willen dat anderen door regels in toom gehouden worden, maar zeiven willen wij in niets bedwongen zijn.

Dus blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven achten.

Waren allen volmaakt, wat zouden wij dan van anderen om Godswil te verdragen hebben ?

4. Maar nu heeft God het zoo geschikt, opdat wij leeren elkanders lasten te dragen.

Want er is niemand zonder gebrek, niemand zonder last, niemand zichzelven genoegzaam, niemand voor zichzelven wijs genoeg.

Daarom moeten wij elkander verdragen, elk-

8

113

-ocr page 118-

114 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

ander troosten, gelijk ook helpen, onderwijzen en vermanen.

Hoe groot dan de deugd van iemand zij, blijkt best ten tijde van tegenspoed.

Want niet de gelegenheden maken den mensch zwak, zij toonen wat hij is.

OEFENING.

Hoe heiligmakend is de oefening, en welk voortreffelijk middel om ons den hemel te doen bekomen is de beoefening van liefde, namelijk, van in ons en in anderen de zwakheden te verdragen, welke wij niet kunnen verbeteren! Want er is niets bekwamer om ons te verootmoedigen en ons voor God te vernederen, dan liet gevoel van onze ellenden; en niets is rechtvaardiger, dan van anderen te verdragen, hetgene men wil dat men van ons verdrage. Wij moeten dus alles , wat uit de gesteltenis van den naaste voortkomt, geduldig verdragen, en niemand iets door onze gesteltenis doen lijden. Het is alzoo, volgens den H. Paulus, dat wij elkanders last dragen en de wet van Christus volbrengen zullen, die de wet van liefde, van zoetheid en van geduld is.

GEBED.

Hoe verre nog, o God 1 ben ik van den geest dezer lessen verwijderd! Eigenliefde belet mij doorgaans mijne eigene gebreken te zien, en ik wil mij nochtans als verbeteraar mijns broeders opwerpen! Hoe strijdig is dit gedrag met de liefderijke voorschriften van het heilig Evangelie ! Laat toch deze voorschriften meer i ndruk op mij maken; leer mij anderen verdragen, gelijk zij mij verdragen moeten, overeenkomstig

-ocr page 119-

EERSTE BOEK.

de les van uwen Zoon : al wat gij wilt dat anderen u doen, doe hun desgelijks.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het kloosterleven,

1. Gij moet uzelven in vele opzichten leeren buigen, wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.

Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vereeniging te wonen, aldaar zonder klaehte te verkeeren en getrouw te volharden tot aan den dood.

Gelukzalig hij, die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft!

Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang maken , beschouw u als een balling en vreemdeling op aarde.

Om Christus\' wil moet gij als een dwaas willen beschouwd worden , zoo gij een godvruchtig leven wilt leiden.

2. Kap en kruiu doen er weinig toe ; maar verandering van zeden en volkomen versterving der driften maken den waren kloosterling.

Wie iets anders zoekt dan God alleen en het heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.

Ook kan hy er niet lang in vrede blijven, die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.

3. Gij zijt gekomen om te dienen, niet om te heerschen.

Weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om ledig te loopen of te klappen.

Hier dus worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.

115

-ocr page 120-

116 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Hier kan niemand het uithouden, tenzij hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.

OEFENING.

Men moet veel vermogen op zichzelven hebben , zich kunnen inhouden en zich in verscheidene gelegenheden kunnen overwinnen, om gelukkig te leven en aldaar krachtdadig aan zijne volmaaktheid en zijne zaligheid te werken. Even als de inborst van dengene, met wien men leeft, dikwijls met den onzen niet overeenkomt, moet de genade den vrede en de liefde onderhouden, door de sterkte die zij geeft, om de tegenstrijdigheid van inborst te lijden en te verdragen, even gelijk de natuur den vrede in de wereld door de tegenstrijdigheid der elementen onderhoudt. Zoo dat gij noch ware gewetensrust, noch verzekering der zaligheid zult vinden dan in de inwendige versterving, die u aanzet om u in alles te overwinnen, die u in de ware ootmoedigheid des harten aanmoedigt om alles tc verdragen.

GEBED.

Ook voor m$j, o God! schoon in de wereld levende, heeft deze les haar nut. In elke staat toch kan ik U dienen , en moet ik op het heil mijner ziel aandachtig zijn. Waar ik mij ook bevinde, ootmoed, godsvrucht en zelfbeheer-sching blijven voor mij gewichtige verplichtingen. Leer mij die meer kennen, en geef mij kracht om ze getrouw en standvastig ten uitvoer te brengen. Dat de wereld mij bespotte, zoo veel zij wii; ik heb aan uw welbehagen genoeg.

-ocr page 121-

EERSTE BOEK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Over het voorbeeld der heilige Vaders.

1. Vestig het oog op de levendige voorbeelden der heilige Vaders, die uitblonken ia de ware volmaaktheid en godsvrucht, en gjj zult zien hoe gering het is, ja bijkans niets wat wg doen.

Ach ! wat is ons leven bij het hunne vergeleken ?

De Heiligen en vrienden van Christus hebben den Heere gediend in honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten, in gebeden en heilige overdenkingen, in velerlei smaad en vervolgingen.

2. Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaan de Apostelen, de Martelaars, de Belijders , de Maagden eu al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen !

Want zij hebben in deze wereld hunne zielen gehaat, om die voor het eeuwige leven te behouden.

Welk een streng en verstervend leven hebben de heilige Vaders in de woestijn geleid! Wat langdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan ! Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld! Wat menigvuldige en vurige gebeden hebben zij Gode opgedragen, welke strenge onthoudingen uitgeoefend !

Hoe groot was hun gver en vurigheid tot geestelijken voortgang! Welken harden strijd voerden zij bij het beteugelen hunner gebreken!

117

-ocr page 122-

118 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling tot God gericht!

Des daags arbeidden zij, en den nacht brachten zij met lange gebeden door, schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te bidden.

3. Al hun tijd besteedden zij nuttig. Elk uur scheen hun te kort in den omgang, met God doorgebracht.

Ja, het lieflijke der bespiegeling deed hen de behoefte der lichamelijke verkwikking vergeten.

Van alle rijkdommen, waardigheden, eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand : zij begeerden niets van de wereld te bezitten.

Nauwlijks namen zij \'s levens nooddruft; de verzorging des liehaams, zelts in \'t noodzakelijke, viel hun lastig.

4. Zij waren dus arm in aardsche goederen , maar zeer rijk in genade en deugden.

Vanbuiten hadden zij gebrek, maar vanbinnen werden zij door de genade en den goddelijken troost verkwikt.

Der wereld waren zij vreemd, maar Gode zeer nabij en vertrouwelgke vrienden.

In hun eigen oogen waren zij niets en bij de menschen veracht, maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.

Zij volhardden in waren ootmoed; zij leefden in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamheid.

En daarom vorderden zij dagelijks in het geestelijk leven en verkregen van God groote genade.

Zg zijn aan alle kloosterlingen tot voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen.

-ocr page 123-

EERSTE BOEK.

tot gestadigen voortgang, dan de menigte lau-wen tot verslapping.

5. Hoe groot wes de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling 1 Hoe groot hunne godsvrucht bjj het gebed ! Hoe groot hun naijver tot deugd! Welke strenge tucht onderhielden zij! Hoe bloeiden, bij allen, eerbied en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters!

Nog heden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige en volmaakte mannen gew-eest zijn, die zoo dapper strijdende de wereld onder den voet gebracht hebben.

En nu wordt hij groot geacht die geen overtreder is, die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen.

6. O lauwheid en nalatigheid van onzen stand , dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken , ja wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden!

O, dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel in u mocht slapen, die dikwijls zoo vele voorbeelden van godvruchtigen onder het oog gehad hebt?

OEFENING.

Kiets is bekwamer om ons tot een deugdzaam leven aan te moedigen, dan het voorbeeld van hen die wel geleefd hebben. Dit voorbeeld maakt ons de deugd mogelijk, gevoelig en gemakkelijk, en de voorstelling in anderen die ze reeds geoefend hebben, toont ons haar gebruik aan; want wij moeten tot onszelven zeggen, wanneer wij de levensbeschrijvingen der Heiligen lezen of hunne voorbeelden aanschouwen : ziedaar wat

119

-ocr page 124-

120 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHKXSTÜS.

menschen, als wij, gedaan, verdragen en verlaten hebben om den hemel te verdienen, welken wij hopen. En wij, wat hebben wij tot dusverre gedaan ? Waarom zouden wij niet doen hetgene zij gedaan hebben , om dezelfde vergelding te verdienen ? Helaas ! hoe zeer moet ik niet vreezen, wanneer ik voor God zal verschijnen, dat Hy mij van den eenen kant mijn geloof, mijn godsdienst, en de voorbeelden der deugdzame menschen, die in denzelfden staat als ik geleefd hebben, zal toonen, en tot mij zal zeggen, wanneer Hij mij met deze getuigen zal vergelijken ; ziedaar wat gq moest gedaan hebben, en zie wat gij gedaau hebt : oordeel zelf, wat verdient gij ?

GEBED.

Schaamrood word ik, o God! als ik mij de voorbeelden uwer heilige vrienden herinner, en mijn wandel daartegen overstel. Zoo niet in alles , toch in vele opzichten konde ik hen navolgen, al ware het alleen door zuivere godsvrucht en liefde tot deugd in mijn hart te kweekeu. Maar ach ! hoe verre ben ik daarvan verwijderd 1 Wek dan bij mij den lust tot navolging op, ondersteun mg met uwe genade en help mij alle beletselen overwinnen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de oefeningen van den toaren kloosterling.

1. Het leven eens waren kloosterlings moet in allerlei deugden uitschitteren, opdat hij inwendig zij zooals hij uitwendig den menschen voortkomt.

-ocr page 125-

EERSTE BOEK.

Ja, inwendig moet hij veel meer zijn dau men uitwendig aan liem bespeurt.

Want die in ons binnenste ziet, is God, dien wij, waar wij ons bevinden, ten hoogste moeten eerbiedigen, en voor wiens aangezicht wij zuiver als Engelen moeten wandelen.

Elkeu dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot ijver opwekke\'.t , als waren wij eerst heden tot bekeering gekomen.

Wij moeten zeggen : help mij , Heere God, in mijn goed voornemen en in uwen heiligen dienst. Geef dat ik heden eens recht begitine; want, wat ik tot nu toe deed is niets.

2. Gelijk ons voornemen, zoo is de gang onzer vordering. Eu die wèl wil vorderen, moet groote vlijt aanwenden.

Want als hij die ernstig voorneemt dikwijls verflauwt, wat dan hij die zelden of min ernstig iets voorneemt ?

Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze , en ook het geringste verzuim in onze oefeningen heeft nauwelijks plaats zonder eenig nadeel.

Der rechtvaardigen voornemen hangt meer af van de genade Gods dan van eigen wijsheid ; wat zij ook ondernemen , op Hem vertrouwen zij steeds.

Want de mensch wikt, maar God beschikt, en \'s menschen weg is niet in zijn eigen macht.

3. Indien uit godsvrucht of om het nut eens broeders somtijds eene gewone oefening nagelaten wordt, zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.

Maar indien men ze te licht uit tegenzin of onachtzaamheid verzuimt, zoo is dat zeer te be-

121

-ocr page 126-

122 DE NAVOLGING VAN J£SUS CHRISTUS.

rispeu, en men zal het schadelijke ervan ontwaren.

Doen wij ons best, zooveel wij kunnen : nog in vele dingen zullen wij licht te kort schieten.

Desniettemin moeten wij altoos iets zekers voornemen, vooral tegen hetgeen ons het meest hindert.

Wij moeten zoowel het uitwendige als het inwendige onderzoeken en regelen ; want beiden helpen tot voortgang.

4. Kunt gij niet aanhoudend tot uzelven terug-keeren, doe het evenwel somtijds, ten minste tweemaal daags, des morgens en des avonds.

\'s Morgens maak uw voornemen ; \'s avonds onderzoek uw gedrag, hoe gij dien dag geweest zjjt in gedachten, woorden en werken; misschien hebt gij daardoor dikwijls God en den naaste beleedigd.

Omgord u als een man tegen de listen der duivels.

Bedwing de onmatigheid, en gij zult te lichter al de neigingen van het vleesch beteugelen.

Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig mei lezen of schrijven, of met bidden of overdenken, of met iets nuttigs voor het algemeen te doen.

Lichamelijke oefeningen nochthans moeten met omzichtigheid geschieden: zij zijn niet voor allen even dienstig.

5. Wat niet aan allen gemeen is , moet niet in het openbaar vertoond worden : want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.

Wacht u intusschen van traag voor het algemeen , en ijveriger voor het bijzondere te zjju.

-ocr page 127-

EEESTE BOEK.

Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht hebt, en u blijft nog tijd over, geef u aan uzelven terug volgens het verlangen uwer godsvrucht.

Niet allen kunnen dezelfde oefening hebben , maar den eene dient deze meer , gene eene andere.

Naar den eisch der tijden behaagt verschil van oefeningen ; want deze zullen op de feest-andere op de gewone dagen meer bevallen ; sommige hebben wij noodig ten t^\'de der bekoring, andere ten tijde van rust en vrede. Deze gedachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heer verheugen.

6. Tegen de voorname feestdagen moeten nuttige oefeningen vernieuwd en der Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.

Van den eenen feestdag tot den anderen moeten wij ons voorstellen, alsof wjj dan uit deze wereld perhuizen en tot het eeuwige feest overgaan zuilen.

Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, god-vruchtiger wandelen en te stipter al onze verplichtingen nakomen, alsof wij eerlang het loon onzes arbeids van God stonden te ontvangen.

7. En wordt dit uitgesteld , denken wij dan dat wij dan nog niet genoeg zijn voorbereid, en nog niet waardig die groote heerlijkheid, welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard , en trachten wy ons beter tot dien overgang voor te bereiden.

Gelukkig die knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn Heer bij zijne komst wakend zal vinden ! Ik zeg u voorwaar , Hij zal hem stellen over al zijne goederen.

123

-ocr page 128-

124 DE NAVOLGING VAN JB8US CHKISTUS.

O K F E N I N G.

O ! welk een groot vermogen hebben op ons de levende, krachtdadige en volstandige verlangens van onszelven te versterven, en ia en voor liod te leven, en dit om ons op te wekken om hetzelve in het werk te stellen; want men doet altyd wat men waarlijk wil; maar ons ongeluk is, dat wij dikwijls niet dan zwakke en kraehte-looze verlangens hebben om God te bevredigen , terwijl wij er zulke levende en krachtdadige vormen om onszelven te voldoen. Hierdoor geschiedt het, dat de nutteloosheid onzer wenschen en verlangens en groot beletsel tot onze volmaaktheid en tot onze zaligheid is. Men moet zich wel geheel aan God willen overgeven, maar men wil dit niet volstrekt; men wil dit ten tijde van het gebed en van de communie, en men wil dit niet meer in andere omstandigheden. Men wil zich niet dan gedeeltelijk en voor eenigen tijd van zijne plichten kwijten, hetgeen zooveel te weeg brengt, dat ons leven niets is dan eene aaneenschakeling van goede verlangens en slechte uitwerkselen, van beloften en ongetrouwheden. Indien men zoo leeft, is dit krachtdadig aan zijne zaligheid werken ?

GEBED.

Ook voor mij, o God! moet deze overweging belangrijk zijn. Als mensch en Christen heb ik de verhevenste bestemming. Wee mij, als ik in dit opzicht nalatig ben, en in deugd geenen of weinigen voortgang maak! Open mijn hart voor den invloed dier heilige leeringen, en laat mijn gedrag daarvan blijken dragen. Dan zal ik geen

-ocr page 129-

EERSTE BOEK.

dood behoeven te vreezen; in het zalig bewustzijn van steeds wakend bevonden te worden en het toegezegde loon te zullen ontvangen.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ovtr de liefde tot eenzaamheid en stilstcijgtnd-heid.

1. Kies een geschikten tijd uit om met uzel-ven bezig te zijn, en overdenk dikwijls de weldaden Gods.

Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer het hart roeren dan den geest bezighouden.

Zoo gij u onttrekt aan overtollige gesprekken en ledig rondloopen, aan het hooren naar nieuwigheden en geruchten; gij zult genoeg en bekwamen tijd vinden om u aan heilzame betrachtingen over te geven.

De grootste Heiligen, zooveel zij konden, vermeden den omgang met menschen en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.

3. Iemand heeft gezegd : ,, zoo dikwerf ik onder de menschen geweest ben, keerde ik minder mer.sch terug. quot; Dit ontwaren wij dikwijls , wanneer wij lang met elkander praten.

Het valt lichter geheel te zwijgen, dan in woorden zich niet te buiten te gaan.

Het valt lichter in huis te blijven , dan zich buitenshuis in acht te nemen.

Wie alzoo tot het inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jesus van de menigte afzonderen.

Niemand verschijnt veilig in het openbaar dan hij, die zich gaarne verbergt.

126

-ocr page 130-

126 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Niemand spreekt veilig dan liij, die gaarne zwijgt.

Niemand is veilig overste dan hij, die gaarne onderdanig is.

Niemand gebiedt veilig dan hij, die wel geleerd heeft te gehoorzamen.

3. Niemand verheugt zich veilig dan hij, die de getuigenis van een goed geweten in zich heeft.

Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vreeze Gods.

En zij waren daarom niet minder bezorgd en nederig, omdat zij in groote deugd eu genade uitschitterden.

De gerustheid der boozen daarentegen komt van hoogmoed en vermetelheid voort, en gaat eindelijk in zelfbedrog over.

Beloof u nimmer gerustheid in dit leven , al schijnt gij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.

4. Zij die in het oog der mensehen zeer heilig waren, liepen dikwijls te grooter gevaar wegens hun te groot vertrouwen.

Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven, maar dikwijls bevochten worden ; opdat zij niet te gerust zijn , zich niet tot hoogmoed laten vervoeren, ook niet te licht tot uitwendigen troost hun toevlucht nemen.

Welk een goed geweten zoude hij hebben , dien ooit naar eene voorbijgaande vreugde zocht, die zich nooit met de wereld ophield 1

Welk een grooten vrede en rust zoude hjj bezitten, die alle ijdele zorg afsneed, om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op God alleen.

-ocr page 131-

EERSTE BOEK.

5. Niemand is den hemelschen troost waardig gt; tenzij hij zich ijverig in een heilig berouw geoefend hebbe.

Wilt gij hartelijk geroerd worden, treed iu uwe kamer en sluit het gedruisch der wereld buiten, gelijk er geschreven staat: Iteht herouw op uwe legerstede. (Ps. 4.)

In uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.

Veel bewoond, wordt de cel steeds aangenaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.

Hebt gij haar in het begin uwer bekeering wèl bewoond en gehouden, zij zal u daarna eene geliefde vriendin en zeer dierbare troosteres worden.

6. In de stilte en rust maakt eene godvruchtige ziel voortgang , eu leert de geheimen der Schriften kennen.

Daar vindt zij stroomen van tranen, waarin zij zich alle nachten wascht en reinigt, opdat zij met haren Schepper te gemeenzamer worde, hoe meer zij zich van al het gewoel der wereld verwijdert.

Wie zich alzoo van zijne vrienden en bekenden afzondert, dien nadert God met zijne heilige Engelen.

Het is beter verborgen te blijven en voor zich te zorgen, dan wonderen te doen en zich te verwaarloozen.

7. Het is loffelijk in een kloosterling dat hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden, ja de menschen niet wil zien.

Waarom zoudt gij willen zien hetgeen gij niet moogt bezitten ? De wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid. (Joan. 2.)

127

I

-ocr page 132-

128 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

De trek der zinnelijkheid lokt u tot uitgaan; maar wanneer het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart ?

Een vroolijk uitgaan baart dikwijls een treurig tbuiskomen. En een vroolyke late avond maakt een droeven morgen.

Zoo treedt alle zinnelijk vermaak aangenaam binnen , maar op liet einde kwetst en doodt het.

8. Wat kunt gg elders zien dat gij hier niet ziet? ziedaar den hemel en de aarde en al de hoofdstoffen : daaruit is toch alles samengesteld.

Wat kunt gij ergens zien, dat onder de zou lang kan staande blijven ?

Gij denkt misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet komen.

En al zaagt gij ook alles voor uw oogen, wat zoude het anders dan een ijdel gezicht zijn?

Hef uwe oogen tot God in de hoogte, en bid voor uwe zonden en nalatigheden.

9. Laat den ijdele het ijdele en let gij slechts op hetgene God n gebiedt.

Sluit uwe deur achter u en roep tot Jesus , uwen geliefde.

Blgf met Hem in uwe cel : want nergens zult gij zooveel rust vinden.

Waart gij niet uitgegaan, noch hadt gtj naar geruchten geluisterd, gij zoudt beter in goede rust gebleven zijn.

Tan het oogenblik dat gij vermaak hebt om somtijds iets nieuws te hooren, moet gij ook daarvan de kwelling des harten dragen.

OEFENING.

De uiterlijke eenzaamheid is niet toereikend om

-ocr page 133-

EERSTE BOEK.

129

een iiart bezig te houden en te bevredigen, dat zich alleen van de schepselen zou ontmaken, om met zich zelf bezig te zijn ; neen , men moet er de inwendige eenzaamheid bijvoegen, welke in heilige overdenkingen en in het gebed gelegen is. Eene ziel, die van alle zinlijke vermaken is afgescheiden, zoekt en vindt in God die vol-komene voldoening, welke zij in geen schepsel kan aantreffen. De geest van dusdanigen persoon houdt zich gedurig bezig met een eerbiedig aandenken aan de tegenwoordigheid van zijnen God; zijn hart is bezield door een levendig en vurig verlangen om Hem te behagen en zijne liefde waardig te worden. Du ziel bekommert zich niet dan met Hem alleen, en al het overige is niets voor haar. In hare aangename eenzaamheid geeft zij zich geheel aan God over, en is geheel in Hem verslonden. Zij is door zijne liefde vervuld : zy vergeet alles, om steeds aan Hem te denken ; zij zucht gedurig in de tegenwoordigheid van haren God, geheel doordrongen van droefheid over hare ongetrouwheden ; zij haakt onophoudelijk naar het geluk om Hem te zien, te beminnen en Hem in den hemel te bezitten ; zij voedt zich met het lezen der heilige boeken en met de oefening des gebeds; zij heeft geen verdriet, wanneer zij met God over de zaken harer zaligheid spreekt, of wel zij verdraagt ootmoedig het verdriet, dat zij in die handelingen heeft; en om zijne opperste heerschappij te eeren door de vernietiging der zonde in zich, ziet zij gaarne af van haar eigen vergenoegen, om Hem te bevredigen.

9

-ocr page 134-

130 DE NAVOLGING VA.N JESUS ClIftlSTUS.

GEBED.

Mocht, o goede Vader! deze overweging voor mij heilzaam zijn, eu ik iu een stil, ingetogen , ja sointijds afgetrokken leven behagen vinden 1 Ook midden iu de wereld zoude ik mij onbesmet bewaren en het heil myner ziel als mijn hoogste doel betrachten kunnen. Uw bijzijn zoude mij alle opoffering vergoeden, eu een blik op eene zalige toekomst alles verzachten. Geef mij hiertoe uwe genade, en doe op mijnen wensch uw \'zegen rusten.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het berouw des harten.

1. Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vreeze Gods, wees niet te vrij , maar houd al uwe zinnen onder tucht en geef u niet aan dwaze vreugde over; schik u tot een hartelijk berouw, en gij zult de godsvrucht vinden.

Het berouw geeft toegang tot veel goeds, dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.

Het is te verwonderen, dat een mensch ooit in dit leven recht vroolijk kan zijn, als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.

2. De lichtzinnigheid des harten en de onoplettendheid op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet ontwaren ; dikwijls lachen wij dwaselijk, daar wij met reden moesten weenen !

Er is geene ware vrijheid noch rechte vreugde , tenzij in de vreeze Gods en in eeu goed ge weten.

-ocr page 135-

EERSTE BOEK,

Gelukkig hij , die alle verstrooiende hindernis afwerpen en de krachten zijner ziel tot een heilig berouw verzamelen kau !

Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaren.

Strijd moedig! eene gewoonte wordt door eene gewoonte overwonnen.

Kunt gij u ontdoen van de menschen, ook zij zullen u uw werk laten doen.

3. Trek u de zaken van anderen niet aan, noch meng u in de aangelegenheden der grooten.

Heb voor alles steeds het oog op uzelven, en vermaan uzelven bijzonder boven al uwe vrienden.

Hebt gij de gunst der tneuschen niet, wees daarover niet bedroefd; maar dit valle u zwaar, dat gij u zoo wèl en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Rods en vromen kloosterling betaamt.

Dikwijls is het nuttiger en veiliger dat de mensoh in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesche.

Nochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien ontwaren, is onze schuld; omdat wij het berouw des harten niet zoeken er den ijdelen uiterlijken troost niet geheel verwerpen.

4. Erken dat gij den goddelijken troost onwaardig en eerder velerlei kwellingen waardig zijt.

Wanneer een menseh waarachtig berouw heeft, dan valt hem de geheele wereld zwaar en bitter.

Een rechtschapen menseh vindt stofs genoeg om bedroefd te zijn en te weenen.

Want hetzij hij zichzelven beschouwt, hetzij over zijnen naaste nadenkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart, en hoe nauwkeu-

131

-ocr page 136-

133 DE NAVOLG TNG VAN .1ESÜS CHRISTUS.

riger hij zichzelven gadeslaat, hoe bedroefder hij is.

Stoffen eener rechtmatige droefheid en van een innerlijk berouw zijn onze zonden en ondeugden, waarin wij zoo verstrikt liggen, dat wij zelden hemelsehe dingen kunnen beschouwen.

5. Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dachi, ongetwijfeld zoudt gij met meer ijver u verbeteren.

Zoo gij ook de tockorncnde straffen der helle of van het vagevuur ernstig overwoogt, dan , gelooi ik , zoudt gij arbeid en smart gewillig verdragen en geene gestrengheid vreezen.

Maar omdat dit niet tot het hart doordringt, en wij nog gehecht zijn aan \'t geen ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.

6. Het is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo lichtelijk klaagt.

Bid dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van berouw geve en zeg met den Profeet : Spijs mij, o Heer ! met tranenhrood, en laat mij in overvloed tranen drinken. (Ps. 79.)

OEFENING.

Kunnen wij onze ellende gevoelen zonder ze te beweenen, zonder ons daarover voor God te vernederen en zonder onophoudelijk tot Hem onze toevlucht te nemen, opdat Hij ons ondersteune en bevrijde van Hem te vergrammen? Het is dit gevoelen van ootmoedigheid en die toevlucht vol vertrouwen tot God, die den geest van berouw uitmaken, waarover de schrijver in dit hoofdstuk spreekt. Hoe is het mogelijk een oogenblik van blijdschap in dit leven te genieten, waarin men altijd lijdt, altjjd zondigt, waarin men als ban-

-ocr page 137-

EEKSTE BOEK.

neling van hot Paradijs leeft ? Ach met hoe groote reden heeft de H. Augustinus gezegd, dat een ware Christen het leven verdraagt en naar den dood verlangt, die een einde aan de zoude zal stellen en hem voor altijd aan zijnen God zal onderwerpen. Hoe verdrietig is het, te gevoelen , dat men altijd geneigd is om God te vergrammen, en altijd in gevaar van verloren te gaan! O leven ! hoe zeer strekt gij tot last aan eene ziel, die waarlijk haren God bemint, en die verdriet vindt in gescheiden van Hem en als uit het Paradijs gebannen te ziju. O dood! hoe aangenaam zyt gij voor eene ziel, die niet dan naar God verzucht, en die niet meer wil leven zonder Hem te bezitten !

G E B E 1).

Mocht ik, o God! den toestand mijns harten kennen en tegelijk de misdaden overwegen die het bevlekken , met de menigvuldige gebreken die daarin als ingeworteld zijn ; tranen van berouw zouden mijn aangezicht bedekken, en meer dan ooit zoude ik de verbetering mijns wandels ter harte nemen. Doe mij voor deze zelfkennis vatbaar worden ; geef mij een berouwhebbend hart, vervul het met eene heilige vrees eu verban daaruit alle aardsche gezindheden.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Beschouwing der menscheüjke ellende.

1. Waar gij ook zijt en werwaarts gij u wendt, zoo gij u niet tot God keert, gij zult ellendig zgn.

Waarom wordt gij ontsteld, wanneer het u niet gaat naar wil en wensch ?

133

-ocr page 138-

184 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHKISTUS.

Wie is hij die alles uaar zijnen wil heeft ? Noch gij, nocli ik, noch eeuig mensch op aarde.

Er is niemand ter wereld zonder eeuigen druk of kwelling, hij zij koning of paus.

En wie is er het beste aan? Voorzeker, die iets voor God kan lijden.

2. Vele onverstandigen eu zwakken zeggen : wat heeft die mensch een goed leven! hoe rijk is hij ! hoe groot! hje machtig! hoe verheven!

Maar let op de goederen des hemels, en gij zult zien dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tot last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.

\'s Menscheu geluk bestaat niet in overvloed van tijdelijke goederen tc hebben ; de middelmaat is hem genoeg.

In waarheid , het is eene ellende op aarde te leven.

Hoe meer dc mensch naar het, geestelijke tracht, hoe bitterder hem het tegenwoordige leven wordt : want te meer gevoelt hij en te klaarder ziet hij het gebrekkige zjjner bedorven natuur.

Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, arbeiden, en al dc andere behoeften der natuur onderhevig te zjjn , is waarlijk eene groote ellende en droefheid voor den godvruchtigen mensch, die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.

3. Inderdaad de inwendige mensch wordt in deze wereld door de lichamelijke behoeften zwaar gedrukt.

Daarom bidt de Profeet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden, zeggende : Heer! red mij uit mijne nooden. (Ps. 34.)

-ocr page 139-

EERSTE BOEK.

Maar wee hun, die hunne ellende niet kennen! En nog meer wee hun, die dit ellendig en vergankelijk leven beminnen !

TVant sommigen zijn daaraan zoo gehecht, schoon zij nauwelijks door arbeid of bedelen het noodige hebben, dat zij, mochten zij hier altoos leven , zich om het rijk van God niet zouden bekommeren.

4. o Dwazen en ongeloovigen van harte, die zoo diep in het aardsehe liggen, dat zij in niet dan in het vleeschelijke smaak hebben!

Maar die ongelukkigen zullen tot hunne smart op het einde ontwaren, hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.

De Heiligen Gods daarentegen en alle getrouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen liet vleesch behaagde, noch op hetgeen in deze eeuw in aanzien was; maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen.

Al hun verlangen streefde naar boven, naar het duurzame en onzichtbare, opdat zij niet door liefde fot het zichtbare naar de laagte mochten getrokken worden.

5. O Broeder! verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in het geestelijke : gij hebt gt; nu nog tijd en gelegenheid.

Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin oogenblikkelijk en zeg : nu is het tijd om te werken , nu is het tijd om te strijden ; nu is het de bekwame tijd om mij te verbeteren.

Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.

Gij moet eerst door vuur en water gaan, voordat gij tot verkwikking komt.

13B

-ocr page 140-

136 DE NAVOLGING VAN JESUS CHEISTÜS.

Zoo gij u geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meuster worden.

Zoolang wij dit brooze licliaam omdragen , kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.

Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de zonde de onschuld verloren hebben, is ook het ware geluk voor ons verbeurd.

Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterflijke verslonden worde door het leven.

6. Ach! hoe groot is de raenschelijke zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd !

Heden belijdt gij uwe zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.

Nu neemt gij voor u te wachten, en een uur daarna gedraagt gij n als hadt gij u niets voorgenomen.

Met recht dan kunnen wij ons verootmoedigen en nooit eenig hoog gevoelen van onszelven hebben, daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.

Ook kan spoedig door onachtzaamheid verloren gaan, wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks gewonnen hadden.

7. Wat zal er nog op het einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn.

Wee ons, indien wij nu al zoeken te rusten, als ware er nu reeds vrede en veiligheid , daar er zich noch geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!

Het ware wel noodig dat wij ons , als goede beginners, vannieuws tot betere zedequot; lieten

-ocr page 141-

EEKSTE BOEK. 137

opleiden, of er nog koop mocht zijn op eeai-ge toekomende verbetering en grooteren voortgang in de deugd.

OEFENING.

Welk geluk en welke verdienste, het hart vau eenen barmhartigen God te mogen zoeken en te kunnen vinden, om daarin al zijne ellenden af te leggen en er als van ontslagen te worden! En hoe gelukkig is men, wanneer men begrijpt en smaakt, dat het ware geluk, en als het aardsehe paradijs, bestaat iu voor God te lijden, en onder alle kwellingen diegene het liefste te verdragen, welke ons het meeste tegenstr^jdt en verootmoedigt! Want er is niets dan de liefde Gods, die ons kan aanmoedigen om die te verdragen. Boe ongelukkig is het, de ellenden dezes levens niet te kennen of ze niet te beminnen, en niet onophoudelijk naar het ware geluk van het toekomende leven te zuchten ! Met reden heeft de heilige Gregorius gezegd, dat meu den honger en zijn ongeluk bemint, en dat men zijne verzadiging en zijn geluk niet zoekt. Is het mogelijk, steeds de onstandvastigheid en zwakheid zijns harten te gevoelen, hetwelk zoo gemakkelijk zijne goede voornemens vergeet, en byna niets doet van hetgeen het aan God beloofd heeft, zonder zich in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen , en Hem, in de gelegenheid zelve, even als Judith te bidden om ons te versterken en ons getrouw te maken ?

GEBED.

Ja, mijn God! dit leven is aan velerlei ellende onderhevig. Er is niemand of hij heeft

-ocr page 142-

13S DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

zijne kwelling, van welken rang of stand hij zij. En nochtans zijn wij aan dit leven zoo zeer verslaafd, dat wij het overmatig beminnen, ja vaak tot ons hoofddoel maken. Leer ons toch dit leven uit het ware oogpunt beschouwen, ais eene voorbereiding tot een beter; dat het gevoel onzer ellende ons losmake van hetaardsche, en het verlangen naar het hemelsche opwekke.

DEIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Overdenking des doods.

1. Hier zal het weldra met u gedaan zijn ; zie maar hoe het met u gesteld is : heden is dc mensch, en morgen verschijnt hij niet meer. En is hij eens uit de oogen, dra is hij ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid van het men-scheiijk hart, dat men slechts aan het tegenwoordige denkt en het toekomende niet meer vooruitziet!

Gij moest u bij al uw doen en denken zóó gedragen, als moest gij heden sterven.

Hadt gij een goed geweten, gij zoudt den dood niet \\eel vreezen.

Het ware beter de zonden te vermijden dan den dood te ontvluchten.

Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij het morgen zijn ? Morgen is een onzekere dag, en hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult ?

2. Wat baat het lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren.

Ach! een lang leven maakt niet altoos beter, maar vermeerdert dikwijls de schuld.

-ocr page 143-

EEUSTE BOEK.

O, mochten wij ook maar een dag in deze wereld wel geleefd hebben !

Velen tellen de jaren sedert hunne bekee-riug; maar dikwijls is de vrucht van verbetering gering.

Is het verschrikkelijk te sterven, het zal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.

Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor oogen houdt en zich dagelijks tot sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een mensch sterven, denk dat ook gij denzelfden weg gaan zult.

3. Rijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen zult; en is de avond daar, durf u den dag van morgen niet beloven.

Wees dus altoos gereed, en leef zoo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts : want des mmschen zoon zal komen op een uur, ah men het niet denkt. (Luc. 13)

En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven anders beginnen te denken, en u zeer beklagen dat gij zoo traag en onachtzaam geweest zijt.

4. Hoe gelukkig en wijs is hij, die nu bg z\\jn leven zoo tracht te zijn, als hij bij zijnen dood wenscht bevonden te worden I

Want een groot vertrouwen op een gelukkigen dood geven een volkomen verachting der wereld , een brandende ijver om in de deugd voort te gaan , liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening, en het geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.

Veel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond

189

-ocr page 144-

140 DE NAVOLGING VAN JK3Ü3 CHRISTUS.

zigt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen, weet ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen , zelden heiliger worden.

5. Vertrouw niet op uwe vrienden en bekenden, noch stel uw heil tot in de toekomst uit: want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtyds te voorzien en eeuig goeds vooruit te zenden, dan op de hulp van anderen te hopen.

Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in het vervolg voor u bezorgd zijn?

Nu is het een kostbare tijd, nu zijn het de dagen des heils, nu is het een aangename tijd.

Maar ach! dat gij dien niet beter besteedt, daar hjj u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen, dat gij een dag, ja éen uur ter verbetering zult terugwenschen, en ik weet niet of gij het verwerven zult.

6. Ach, zeergcliefde! uit hoe groot gevaar kunt gij u redden en van hoe groote vrees u bevrijden , zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zoo te leven , dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

Leer nu der wereld afsterven , opdat gij dan moogt beginnen met Christus te leven.

Leer nu alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kunnen gaan.

Tuchtig nu uw lichaam door boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

-ocr page 145-

EERSTE BOEK.

7. o Dwaas! waarom denkt gij lang te zullen leven, daar gij van niet éenen dag zeker zijt?

Hoe velen worden bedrogen en onverwaclits uit het licliaam gerukt!

Hoe dikwijls hebt gij niet hooren zeggen : „ deze viel door het zwaard, die is verdronken ; „ deze viel van eene hoogte en brak den nek , „gene stikte in het eten, deze vond zijn eind „ onder het spel 1quot;

De eene kwam om door het vuur, een ander door het staal, een ander door de pest, een ander door struikroovers. En zoo is het einde van allen de dood , en \'s mensehen leven gaat als eene schaduw schielijk voorbij.

8. Wie zal uwer na uwen dood gedenken en wie zal voor u bidden?

Doe dan, zeergeliefde! doe nu al wat gij doen kunt; dewijl gij niet weet, wanneer gij sterven zult, en evenmin wat er na den dood volgen zal.

Terwijl gij nog tijd hebt, vergader u onvergankelijke schatten.

Denk aan niets dan aan uwe zaligheid; behartig slechts hetgeen Godes is.

Maak u nu vrienden door Gods Heiligen te vereeren en hnn daden na te volgen , opdat zij u, wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonsteden opnemen.

9. Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niet aangaan.

Houd uw hart vrg en gericht naar boven tot God : want gij hebt hier geen duurzaam verblijf. (Hebr. 13.)

Richt daarheen dagelijks uw gebeden, uw zuchten en tranen, opdat na uw dood uwe ziel

141

-ocr page 146-

142 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS,

waardig z|j een gelukkigen overgano- tot den Heer. Amen.

OEFENING.

üjn dood vreezen, zonder de zonde te sclui-wen, die alleen hem voor ons rampzalig kan maken, is den dood vruchteloos ter zaligheid vreezen; want als men dien als een Christen vreest, dan maakt men van de vrees des doods den regel en de beweegredenen van een vroom leven. Het groote geheim en de beste oefening om wèl te sterven, is, in dien staat te leven, waarin men wensoht in het uur des doods te wezen, en waarin men wenscht dat God ons zou vinden. Men moet dan alle goed doen en alle deugden oefenen, gelijk wij in het uur des doods zouden wenschen gedaan te hebben. Tracht u dagelijks in iets te versterven van hetgene gij in het uur des doods zult moeten verlaten. Heil dien Christen, wiens hart voor dat lichaam sterft! Zijn dood zal heilig en dierbaar in de oogen des Heeren wezen.

GEBED.

Niets zekerder, o God! dan dat ik eens zal sterven, niets onzekerder dan wanneer dat oogen-blik zijn zal. Aan U alleen is het bekend ; heil mij, wanneer ik hieraan dikwijls denk en mij bijtijds tot mijnen overgang voorbereid ! Dan heeft de dood niets verschrikkelijks. Hij is mij een vriend en leidsman tot een beter leven. Geef mij, o God! daartoe uwe genade, en doe my steeds zoo handelen, als ik bij mijnen dood wenschen zal gehandeld te hebben.

-ocr page 147-

EERSTE BOEK.

VIEK EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het oordeel en de straffen der zonden.

1. In alle zaken zie op het einde en hoe gg voor den strengen Rechter verschijnen zult, wien niets verborgen is ; die door geen geschenken bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens hetgene recht is.

6 Ellendige en dwaze zondaar 1 wat zult gij antwoorden aan een God, die al uwe verkeerdheden kent, gij die soms het aanschijn ducht van een toornig mensch ?

Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen den oordeelsdag, wanneer niemand door een ander zal kunnen verontschuldigd of verdedigd worden ; maar eenieder zichzelven tot last genoeg zal zijn.

Nu kan uw werk noch vrucht dragen, uw geween aangenomen, uw zuchten verhoord worden, uwe droefheid tot voldoening en reiniging strekken.

2. Een groot en heilzaam vagevuur heeft een geduldig mensch die, beleedigingen ontvangende , meer de verkeerdheid van een ander dan het hem aangedane ongelijk betreurt; die gaarne voor zijne wederstrevers bidt en van harte het leed vergeeft; die zelt niet aarzelt anderen vergiffenis te vragen; die lichter tot ontferming dau tot toorn overgaat; die zichzelven dikwijls geweld aandoet en het vleesch geheel aan den geest tracht te onderwerpen.

Het is beter zich nu te reinigen van de zon-

143

-ocr page 148-

144 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

den eu de ondeugden uit te roeien, dan ze voor de toekomstige reiniging te bewaren.

Waarlijk wjj bedriegen onszelven door de ongeregelde liefde, welke wij tot het vleesch hebben.

5. Wat toch anders zal dat vuur verslinden dan uwe zonden ?

Hoe meer gij nu uzelven spaart en uwe zinnelijke lusten opvolgt, hoe zwaarder gij hierna zult gestraft worden en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.

Waarin de mensch gezondigd heeft, daarin zai hij het zwaarst gestraft worden.

Damp;ar zullen de tragen met groote prikkels gestoken , en de gulzigen met grooten honger en dorst gekweld worden.

Daar zullen de wellustigen en ontuchtigen met brandend pik en stinkende zwavel overstort worden, terwijl de nijdigen als woedende honden zullen huilen van smart.

4. Ja geen ondeugd zal er zijn , die niet hare eigene foltering hebbe.

Daar zullen de hoogmoedigen met allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door het grootste gebrek benauwd worden.

Daar zal een uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening.

Daar zal geen rust, geen troost voor de veroordeelden zijn; terwijl men hier soms van zijnen arbeid uitrust en den troost van zijne vrienden geniet.

Wees dan hier bekommerd en bedroefd over uwe zonden, opdat gij ten oordeelsdage met de gelukzaligen moogt veilig zijn.

Want dan zullen de rechtvaardigen met groote

-ocr page 149-

EERSTE BOEK.

vrijmoediyheid optreden tegen degenen, die hen beangstigd en verdrukt hebben. (Sap. 5.)

Dan zal hij die zich hier aan het oordeel der menschen nederig onderwierp, zelf opstaan om te oordeelen.

Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven.

5. Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was, die geleerd heeft om Christus\' wil dwaas en veracht te zijn.

Dan zal elke geduldig verdragen wederwaardigheid vreugde geven, en alle boosheid de mond gestopt worden.

Dan zal elk godvruchtige juichen en elk ongodsdienstige treuren.

Dan zal het gekruisigde vleesch zich meer verheugen, dan wanneer het steeds in liefde was gekoesterd geweest.

Dan zal het grove kleed schitteren , en het fijne gewaad zyn glans verliezen.

Dan zal de armoedige stulp boven het vergulde paleis geacht worden.

Dan zal standvastige lijdzaamheid meer baten dan alle aardsche macht.

Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid verheven worden boven alle wereldsche sluwheid.

6, Dan zal een rein en goed geweten meer vreugde geven dan eene groote geleerdheid.

Dan zal de verachting van rijkdommen zwaarder wegen dan de schatten der menschen.

Dan zal een godvruchtig gebed u meer troost geven dan de smakelijkste maaltöd.

Dan zult gij u meer verheugen over het be-waaide stilzwijgen dan over een lang gesprek,

10

145

-ocr page 150-

146 DE NAVOLGING VAN JE3Ü3 ClIRISTCS

Dan zullen heilige werken meer gelden dan vele schoone woorden.

Dan zal een streng leven en zware boetpleging meer behagen dan alle aardsche vermaken.

Leer derhalve nu een weinig verdragen , om dan het zwaardere te kunnen ontgaan.

Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.

Kunt gij nu zoo weinig verdragen , hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan?

Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakf, wat zal dan de hel doen ?

Zie in waarheid, tweederlij vreugde kunt gij niet hebben : hier in de wereld u vermaken, en naderhand met Christus heerschen.

En hadt gij eens tot den huidigen dag steeds in aanzien en wellust geleefd, wat zoude u dat alles baten zoo gij op het oogenblik moest sterven ?

Alles is dus ijdelheid, behalve God lief te hebben eu Hem alleen te dienen.

Hij toch, die God van ganscher harte liefheeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde eenen veiligen toegang tot God geeft.

Maar dis nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo hij den nood en hel oordeel vreest P

Intusschen is het goed dat, zoo de liefde u van het kwade nog niet terughoudt, ten minste de vrees voor de hel u beteugele.

Maar wie de vreeze Gods terzijdestelt kan niet lang in het goede staande blijven, maar zal welhaast in de strikken des duivels vallen.

-ocr page 151-

EERSTE BOEK.

OEFENING.

Hoe bekwaam is bet aanscbouwen en de vrees van Gods oordeeleu en van eene ongelukkige eeuwigheid, om onze driften te beteugelen, om de gramstorigheid van onzen inborst tegen tebouden, en om ons te dwingen de vermaken en aanlok-selen der zonde van ons te verwijderen ! Waartoe (zouden wjj somtijds moeten zeggen,) waartoe zal bet zondige vermaak van die wraak, van die onkniscbheid , van die grnmstorigbeid, van die onreehtvaardigbeid en van die kwaadsprekend-beid dienen ? Alleen om mij een oogenblik te bevredigen. En wanneer ik steri\', na mij bieraan overgegeven te hebben, en dit zonder Saeramen-tei\'. of zonder bekeering, zoo als dit geschieden kan, en zoo als bet aan vele stervelingen is geschied, waarop zal die voldoening der zoude dan uitkomen ? Op eene ongelukkige eeuwigheid 1

Een oogenblik vau voldoening, — eene eeuwige pijn! Neen, ik zal mij niet blootstellen, om voor een kortstondig vermaak voor altijd ongelukkig te zijn. Ach ! het is maar al te waar, hetgene de Wijze-man zegt, namelijk : dat, om niet te zondigen, ten minste uit gewoonte, men alleen de uitersten van den mensch behoort indachtig te wezen. Waut als men dikwijls en innig overdenkt, dat meu eens rekening zal moeten geven over den staat van ons geweten, over onze levenswijze, en over al onze zonden, en dit aan eenen Eechter die alles kent en niets vergeet, wie is er dan die, over dit oordeel en over die geduchte rekening verschrikt zijnde, op zichzelven niet zal waken en zijn leven verbeteren ? Wij moeten dan overtuigd zijn, dat het ware middel ora in

147

-ocr page 152-

148 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHKI3TÜS.

het andere leven niet veroordeeld te worden, is : onszelven hier te oordeelen en te straffen.

G E B K I).

Op den dood volgt het Oordeel, loon of straf; dit is eene waarheid waaraan niet valt te twijfelen. Gij, o Jesus ! zult de Eeehter zijn en eenieder loon naar werken doen toekomen. Welk ecu gewichtig oogenblik, waarvan ons lot voor eene eeuwigheid afhangt ! Laat deze gedachte bij mij steeds levendig blijven en mij van het kwade afhouden; en wanneer dat oogenblik genaakt, wees mij een Heiland, Gij, die onder ons verschenen zijt om zondaren te behouden en uw bloed voor hen deedt stroomen.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de ijverige verbetering onzes levens.

1. Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van God en denk dikwijls ; waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten? Was het niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te worden?

Wees dus vurig om voort te gaan; want spoedig zult gij het loon van uw arbeid ontvangen, en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen n aderen.

Gij hebt nog een weinig te arbeiden, en zult eene groote rust, ja eeuwige blijdschap vinden.

Blijft gij getrouw en ijverig in wel te doen. God zal ongetwijfeld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.

S. Gij moet steeds de goede hoop koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt

-ocr page 153-

EERSTE BOEK.

u daarvan uiet verzekerd houden , om uiet te verflauwen noch hoogmoedig te worden.

Iemand beangstigd en dikwerf tusschen vrees en hoop dobberende, op zekeren tijd door droefheid overmand, wierp zich in de kerk voor een altaar biddend neder , bij zichzelven denkende en zeggende : o ! mocht ik weten dat ik .zoude „ volharden.quot; En terstond hoorde hij vau bin-„ nen dit goddelijk antwoord : „ zoo gij dit wist, „ wat zoudt gij willen doen ? — Doe nu het-„ geen gij dan zoudt willen doen , en gij zult „ zeker genoeg zijn.quot;

En aanstonds vertroost en versterkt, gaf hij zich aan den wil van God over, en-—zijn angstig dobberen hield op.

En hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken om te weten, wat hem overkomen zoude; maar beijverde zich te meer om te wetenl welke de welbehagelijke en volkomen wil van God zij, om alle goed werk te beginnen en te voleinden.

3. Vertrouw op dtn Heer, en doe hef goede , zegt de Profeet, en (jij zult de aarde hen\'onen , en gevoed worden met haren rijkdom. (Ps. 86.)

Iets is er dat velen terughoudt van voortgang en ijverige verbetering ; de vrees voor moeielijkheden of de last van den strijd.

Inderdaad maken zij boven anderen in de deugd den meesten voortgang die, wat hun het zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinnen.

Want daar vordert de mensch meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzelven meer overwint en naar den geest afsterft.

4, Niet allen hebben evenveel te overwinaeu en af le sterven.

148

-ocr page 154-

150 DE NAVOLGING VAN JliSUS CHKISTÜS.

Maar altoos zal een ijverig strever, al heeft hij ook meer driften, beter in staat zqn tot voortgang, dan een ander die, ofschoon van goede zeden, echter minder ijver heeft voor de deugd.

Twee dingen vooral helpen zeer tot verbetering, te weten, zich met geweld aan datgene te onttrekken, waartoe de bedorven natuur overhelt, en ijverig te streven naar dat goede, wat ons het meest ontbreekt.

Zoek ook datgene het meest te vermijden en to overwinnen, wat u in anderen het meest mishaagé.

5. Beoog in alles uwen voortgang. Ziet of hoort gij goede voorbeelden , word ter navolging ontstoken.

Merkt gij daarentegen iets berispelijks op, wacht u hetzelfde te doen; of hebt gij het somtijds gedaan, tracht u ten spoedigste te verbeteren.

Gelijk uw oog anderen beschouwt, zoo wordt gij ook van anderen opgemerkt.

Hoe aangenaam en liefderijk is het broeders te zien, alle ijverig en godvruchtig, en even rein van zeden als gehoorzaam aan de tucht !

Hoe bedroevend en smartelijk er te zien van een ongeregelden wandel, die niet volbrengen waartoe zij geroepen zijn!

Hoe schadelijk is het niet \'t oogmerk zijner roeping te verwaarloozen, en de zinnen te stellen op datgene waarmede men niet belast is !

6. Wees uw genomen besluit steeds gedachtig en stel u het beeld van den Gekruiste voor.

Gij moet wel blozen, wanneer gij het levea van Jesus Christus overweegt, dewijl gij u nog

-ocr page 155-

EERSTE BOEK.

niei meer begverd hebt om Hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij reeds lang op den weg van God geweest zijt.

Dc kloosterling, die zich aandachtig en godvruchtig met het allerheiligst leven en lijden des Kecren bezighoudt, zal daar alles wat hem noodig en nuttig is in overvloed vinden, en behoeft buiten Jesus niets beters te zoeken.

O, mocht de gekruiste Jesus in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijn !

7. Een ijverig kloosterling draagt wèl en neemt alles aan wat hem opgelegd wordt.

Een nalatig cn lauw kloosterling heeft kwelling op kwelling en vindt zich van alle zijden benauwd, omdat hij den inwendigen troost mist, terwijl hem belet wordt den uitwendigen te zoeken.

Een kloosterling die zich aan de tucht onttrekt , stelt zich bloot aan zwaren val.

Wie gemak en toegevendheid zoekt zal altoos in het nauw zijn : want of het eene of het andere zal hem mishagen.

8. Hoe maken het zoo vele andere kloosterlingen , die onder kloosterzucht vrij streng ge -bonden zijn ?

Zij gaan zelden uit, zg leven afgetrokken; zji eten zeer schraal, gaan grof gekleed; zij arbeiden veel, spreken weinig, waken lang, staan vroeg op, doen lange gebeden, lezen veel en onderhouden in alles den regel.

Let op de Karthuizers, op de Bernardijnen , op de broeders en zusters van verscheidene orden , hoe zij alle nachten opstaan om den Heer te loven.

151

-ocr page 156-

152 DE NAVOLGING VAN JESUS CHÜISTÜS.

Het zoude dus wel schandelijk zijn, zoo gij zulk heilig werk traag verrichtet, als zulke groote menigte kloosterlingen Gods lof begint te zingen.

9. Ö, mocht gij niets anders te doen hebben dan onzen Heer en God met geheel uw hart en mond te loven !

O, dat gij niet behoefdet te eten, noch te drinken, noch te slapen; maar altoos God kou-det loven, en u -.illeen met geestelijke oefeningen bezighouden , dan zoudt gij veel gelukkiger zijn dan nu, daar gij het lichaam in allerlei behoeften dient.

Ach! bestonden die behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikkingen der ziele, welke wij helaas ! zelden genoeg smaken.

10. Wanneer de mensch zoo ver gekomen is dat hij zijnen troost by getmerlei schepsel meer zoekt, dan eerst begint hij God volkomen te smaken, en dan zal hij weltevreden zijn met alles wat gebeurt.

Dan zal hij zich over het groote niet verblijden noch over het kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van God, die hem alles in alles is; voor wien niets sterft of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wieus wenk alles onverwijld gehoorzaamt.

11. Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.

Zonder zorg en vlijt, zult gij nooit deugden bekomen.

Zoodra gjj begint te verflauwen zult gij beginnen het kwalijk te hebben; maar geeft gij u aan uwen ijver over, gij zult grooteu vrede vinden ea den arbeid lichter gevoelen, wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd.

-ocr page 157-

EERSTE BOEK.

Een ijveria; en vlijtig mensch is tot a\'lea gereed .

Het is grooter arbeid ondeugden en driften te wederstaan, dan onder lichamelijk werk te zweeten.

Wie kleine gebreken niet vermijdt zal allengs-kens tot grootere vervallen.

Gij zult u altoos des avonds verheugen, als gij den dag met vrucht besteed hebt.

Waak over uzelven, spoor uzelven aan, vermaan u zei ven, en wat er ook van anderen zij, verwaarloos gij uzelven niet.

Naarmate gij uzelven geweld aandoet zal ook uw voortgang zijn.

O E F E N I N G.

Volgens den ijver, dien men heeft voor zijnen voortgang, trekt men voordeel uit al hetgene men ziet dat goed is, om hetzelve in het werk te stellen en zich tot God te begeven. Om voortgang in de deugd te maken, moet men zich zeiven overwinnen, aan alles verzaken en aan de geneigdheden zijns harten versterven; het is zeker, dat men in den dienst van God niet vordert, dan voor zooveel men zich geweld aandoet. Laat ons dus de ongeregelde genegenheden bestrijden en overwinnen; die ons tot kwaad of tot verslapping brengen ; hierdoor zullen wij onze zaligheid verzekeren. Een levend, volstandig en edelmoedig geweld, dat men aanwendt om zich zeiven te overwinnen, doet eene ziel op den weg der zaligheid en volmaaktheid meer voortgang maken , dan honderd ijdele verlangens eeuer ziel, die zich geheel aan God zou willen overgaven, en die niets doet van hetgene zij zou willen ver-

153

-ocr page 158-

1B4 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

richten. Hoe meer men zichzelven versterft, hoe meer men voor God leeft; en hoe meer voldoening men aan zichzelven ontzegt, des te meer men aan God geeft. Gelukkig, als men zijn leven doorbrengt, zonder zichzelven te bevredigen, en God in alles voldoet. Hoe zeker is men hierdoor van ee.ne gelukkige eeuwigheid te bekomen!

GEBED,

quot;Welk een schat van nuttige lessen bevat o God! voor mij deze overweging! Mooht ze op mijn hart van gewenschte werking zijn ! Mocht ik met ijver de handen aan het werk slaan, op den weg der deugd voortgang maken en ten einde toe volharden! Pat het met dien wensch tot vervulling kome! Ondersteun mijne zwakheid ; leer mij gebreken uitroeien en in hunne plaats deugden aankweeken, opdat ik aizoo het doel mijner bestemming nadere, heilig en zalig worde. Amen.

-ocr page 159-

«SBI iHMtVii.

gt;-lt;DS»—o

TWEEDE BOEK.

Vermaningen die tot het inwendige werken.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over den omgang met zichzelven.

1. Het rijk Gods is binnen u, zegt de Heer. (Luc. 17) Wend u van ganscher harte tot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en uwe ziel zal rust vinden.

Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven, en gij zult het rijk Gods u zien komen.

Want het rijk Gods is vrede en vreugde in den H. Geest, (Kom. 14) en dat wordt dep. godde-loozen niet geschonken.

Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken , zoo gij Hem van binnen eene waardige woonplaats bereidt.

Al zijne heerlijkheid en schoonheid ia van binnen en daar vindt Hij welbehagen.

-ocr page 160-

156 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Dikwijls bezoekt Hij den inwendigeu menscli ; liefelijk is zijn onderhoud, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.

2. Welaan dan, getrouwe ziel! bereid uw hart\'voor dezen bruidegom, dewijl Hy zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.

Dus toch spreekt hij : zoo iemand Mij liefheeft, hij zal mijn tcoord onderhouden, en mijn Vader zal hem lief heiben; en wij zullen tot hem komen en eene woning hij hem maken. (Joau. l-t)

Maak dan plaats voor Christus, en weiger al het overige toegang.

Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk, en Hij is u genoeg.

Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt op menschen te hopen.

Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus blijft in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.

3. Er is geen groot vertrouwen te stellen op een broos en sterfelijk mensch, al is hij nog zoo nuttig en geliefd.

Ook mag men zich niet te zeer bedroeven , zoo hij soms tegenwerkt of tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.

Vestig uw geheel vertrouwen op God; Hij zij het voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wèl beschikken, zooals het best zal zgn.

Gij hebt hier (jeene blijvende stad; (Hebr. 13) en waar gij zijn moogt, gij zijt een vreemdeling

-ocr page 161-

TWEEDE BOEK.

en pelgrim en zult nergens rust hebben, tenzij gij met Christus inniglijk vereenigd zijt.

4. Wat ziet gjj hier rond, daar dit de plaats uwer rust niet is ?

In den hemel moet mve woning zijn; al het aardschc moet, als in het voorbijgaan, beschouwd worden.

Alles gaat voorbij, en gij tevens daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet hecht, opdat gij niet gevangen wordt, en u in het verderf stort.

Uw gedachte zij bij den Allerhoogste, en uw gebed onophoudelijk tot Christus gericht.

Kunt gü nog niet hooge en hemelsche dingen beschouwen, blijf bij het lijden van Christus, en houd u gaarne bij zijne wonden op.

Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare lidteekenen van Jesus uw toevlucht neemt, zult gij eene groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren, en u weinig aan de verachting der menschen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.

5. Ook Christus werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten.

Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets klagen ?

Christus heeft vijanden en tegensprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben ?

Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gÜ geen tegenspoed ontmoet ?

En zoo gij geen tegenstand wilt lijden , hoe zult gij een vriend van Christus zijn ?

157

-ocr page 162-

158 OE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerschen.

6. Waart gij eens volkomen doorgedrougen tot het hart van Jesus en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde geproefd, dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren , maar veeleer u over den aangedaneu smaad verblijden; want de liefde tot Jesus maakt dat de mensch zichzelven versmaadt.

Wie Jesus en de waarheid liefheeft, wie waar-Ijjk inwendig en vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrjj tot God wenden, zich in den geest boven zichzelven verheffen en ge-noegelijk rusten.

7. Hij die alles waardeert naar hetgeen het is, niet naar hetgeen men er van denkt of zegt, is waarlijk wgs en onderwezen meer door God dan door de menschen.

Hij die weet met zichzelven om te gaan en hetgeen buiten hem is gering te schatten, ziet niet om naar plaatsen noch wacht op tijden om met godvruchtige oefeningen bezig te zijn.

Een inwendig mensch is ras tot zichzelven teruggekeerd, dewijl hij zich nooit geheel naar buiten uitstort.

Geen uitwendige arbeid, noch van tijd tot tijd noodzakelijke bezigheid hindert hem; hij schikt zich naar alles zoo als het komt.

Wie inwendig wèl gesteld en geregeld is, stoort zich niet aan de wonderlijke en verkeerde handelingen der menschen.

Iemand wordt gehinderd en verstrooid naarmate hij zich de zaken aantrekt.

8. Waart gij wél gesteld eu wél gereinigd ,

-ocr page 163-

TWEEDE BOEK.

alles zoude zich ten uwen beste en tot uwen voortgang schikken.

Veel toch mishaagt u en ontroert u vaak, omdat gij uzelven nog niet volkomen afgestorven zijt en niet geheel aan al het aardsche onthecht.

Niets bevlekt en hindert zoo \'s menschen hart als eene onreine liefde tot de schepselen.

Ziet gij af van de uitwendige vertroostingen, dan kunt gij het hemelsche beschouwen en dikwerf inwendig juichen.

O E F E N I N a.

Deze woorden van den schrijver : Open uw hart voor Jems Christus, en sluit het voor odhet overige; laat de uitwendige zaken daar, en houd u met de inwendige lezig : deze woorden, zeg ik , toonen ons dat het ware geluk en de ware verdiensten dezes levens gelegeu zijn, in zich te keeren tot ziju gemoed en zich tot God te begeven , door een eerbiedig aandenken aan zijne tegenwoordigheid, eu door eeue gedurige verheffing zijns harten tot Hem. Een ingekeerde geest en een getrouw hart, ziedaar het kentee-ken van eenen inweudigeu persoon, en vau etn Christen die den Heer in geest en in waarheid aanbidt; dat is te zeggen , die Hem die inwendige dienst bewijst, welke men aan zijne opperste goedheid verschuldigd is , en die zoo noodzakelijk is voor eene ziel, die al wat zij is, niet is dan om uit liefde voor God te leven. Het is de woning van God in de ziel, die vaste woning van de ziel in God, door verheffing des harten, door smeekingen, door zuchten, door overgevingen van zichzelven aan Hem, die haar door een inwendig, bovennatuurlijk en verdienstel(jk

159

-ocr page 164-

160 DE NAVOLGING TAN JESUS CHRISTU3.

leven doet leven, die haar als een parades op deze wereld doet leven, en die voor haar als eene voorafgaande bezitting van het hart en van het geluk van God zeiven is. Mijn voornemen is : mijne zinnen te versterven, mijnen geest met geene ijdele en nuttelooze gedachten op te houden , er. over mijn hart te waken , om er niets in te laten binnenkomen , dan hetgene mij opwekt om Jesus Christus te vreezen of te beminnen. Al het overige zal voor mij wezen alsof het niet aanwezig ware; en voornamelijk wil ik mij bevlytigen om Jesus Christus te kennen , te beminnen en na te volgen, tevreden zijnde om alles voor Hem en gelijk Hij te lijden , om eens met Hem te heersehen. O mijne ziel! haak niet dan naar zijne liefde, leef niet dan voor Hem , en verlang niet dan het geluk van Hem te bezitten.

GEBED.

Mocht ik, o God ! de kunst verstaan om mij met U en met mijzelven bezig te houden , hoe zegenrijk zouden daarvan de gevolgen zijn! Gij-zelf zoudt bij mjj uwen intrek nemen en mij met uwen hemelschen troost verkwikken. Maar ach! mjjn hart is nog te zeer gehecht aan het aard ache en laat zich niet dan bezwaarlijk daarvan losrukken. Verander dan dat vleeschelijke hart, maak het gevoelig voor zjjne ware belangen , doe het vatbaar worden voor uwe zegeningen.

-ocr page 165-

TWEEDE BOEK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de nederige onderwerping.

1. Geef er weinig om wie voor u of tegen u zij; maar doe zoo en zorg dat God met u zg in alles wat gij doet.

Heb een goed geweten, en God zal u wel beschermen.

Want wien God wil bijstaan, dien kan niemand s boosheid schaden.

Weet gij te zwijgen en te lijden , dan zult gij ongetwijfeld \'s Beeren bijstand ontwaren.

Hij weet den t\\jd en de wijze om u te verlossen , en daarom moet gij u aan Hem overgeven.

Het komt God toe u te helpen en u van alle schande te bevrijden.

Dikwijls is het zeer nuttig, om ons in te grooter ootmoed te houden , dat anderen onze gebreken weten en bestraffen.

2. Als een mensch zich over zijn gebreken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.

God beschermt en bevrijdt den nederige. Den nederige heeft Hij lief en vertroost Hij. Tot den nederige buigt Hij zich neder, aan den nederige schenkt Hij groote genade en verheft hem na zijne verdrukking tot heerlijkheid.

Een nederige openbaart Hij zijne geheimen en trekt hem zachtelijk en noodigt hem tot zich.

De nederige, al wordt hij versmaad, blflft vast gevestigd in vrede : want hij steunt op God en niet op de wereld.

161

11

-ocr page 166-

162 DE NAVOLGING VAN JRSUS CHKISTUS.

Denk niet dat gij iets gevorderd zijt, tenzij gij u beneden allen acht.

OEFENING.

Wanneer men van een ieder geacht eu geprezen wordt, dan is het gemakkelijk te zeggen, dat men die eer niet waardig is en men niet dan smaad verdient. Om te weten ot\' men de waarheid zegt, moet men inzien of men het in de versmading zegt. Mijn voornemen op dit punt is, om al het kwaad, dat men van mij zal zoggen of mij zal aandoen, van de hand Gods te aanvaarden, als iets dat ik verdiend heb; en verre van daarover te morren, zal ik de Heer zegenen, dat Hij gedoogt dat men mij rechtvaardigheid doe, om mij barmhartigheid te kunnen bewijzen. Ik zal mij gelukkig achten in den geest der men-schen te sterven en uitgedoofd te worden , eu slechts in den geest van God te leven, door de versmading in dank aan te nemen , en in Zijn hart, door de oefening der ware ootmoedigheid.

GEBED.

Mocht, o goede Vader! deze les mij wèl ter harte gaan en bij mij gevoelens van gelatenheid eu ootmoed teweegbrengen ! Te zeer toch liet ik mij aaa de gevoelens der menschen gelegen zijn , te zeer stoorde ik mij aan hunne oordeelvellingen. Dat het voortaan mijn hoofddoel zij U alleen te behagen. Leer mij zwijgen en verdragen. Dat ik mij wegens mijne gebreken verootmoedige en met ijver aan mijne verbetering arbeide.

-ocr page 167-

TWEEDE BOEK.

DERDE HOOFDSTUK.

De yoede vreedzame mensch.

1. Houd gij u eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen bevredigen.

Een vredelievend mensch is nuttiger dan een zeer geleerde

Een liartstoclitelijk mensch hoort zelfs het goede in het kwade eu gelooft licht het kwade.

Een goed vredelievend mensch keert alles ten goede.

Die in den vrede wel gevestigd is voedt van niemand argwaan; maar die onvergenoegd en licht geraakt is, wordt door allerlei argwaan rondgedreven; hij heeft zelf geen rust en laat anderen niet rusten.

Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen, en doet hij wat hij niet behoorde te doen.

Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest doen.

IJver dan eerst voor uzelven, en dan zult gij terecht ook voor uwen naaste kunnen ijveren.

2. Uw eigen daden weet gij wel te verontschuldigen en te verbloemen, eu de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen.

Het ware billijker uzelven te beschuldigen en uw broeder te verschoonen.

Wilt gij dat men u verdrage, verdraag ook een ander.

Zie, hoe verre gij nog verwijdert zijt van de ware liefde en van de nederigheid, die zich vertoornen of verontwaardigen kan over niemand dan over zichzelve.

3. Het is niets groots met goede en zacht-

163

-ocr page 168-

164 DE NAVOLGING VAN JFSUS CHRISTUS.

moedige menschen te verkeeren, want dit behaagt natuurlijk aan allen; ook leeft elk gaarne in vrede, en heeft hen het meest lief die van zijn gevoelen zijn.

Maar met stuursohe en booze, met ongeregelde en ons wederstrevende menschen vreedzaam te kunnen leven is eene groote genade , eene zeer roemwaardige manhaftige zaak.

Daar zijn er die zichzelven in vrede houden, en ook met anderen vrede hebben.

Daar zijn er ook die noch vrede hebben; noch anderen met vrede laten; zij vallen anderen lastig, maar zichzelven altoos lastiger.

Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden, en anderen tot vrede terugbrengen.

Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in \'t niet gevoelen van wederwaardigheden.

Wie \'t best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de overwinnaar van zichzelven en de heer der wereld , de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels.

OEFENING.

Wanneer men dien grondregel vau den schrijver aanneemt, namelijk, dat de ware vrede veeleer bestaat in de grootmoedige onderwerping aan wat ons tegenstaat, dan in niets te vinden hetgene ons tegenstrijdt, dan moeten wij besluiten den vrede te zoeken in de tegenspraak, en de rust in de onheilen; met al het kwaad dat men ons zou kunnen aandoen of van ons zou kunnen zeggen, met zulk een geduld en eene zoetaardigheid te verdragen, die alle vervolgin-

-ocr page 169-

TWEEDE BOEK.

gen overwint. Eene ziel die waarlijk ootmoedig is, weel. op niemand iets te zeggen dan op zich zelve ; zij legt ziek toe om anderen te verontscliui-digeu en zichzelve te beschuldigen, en is nooit vergramd dan op zichzelve. Mijn voornemen is dan, in vrede met God te leven en Hem in alles gehoorzaam te wezen; jegens mijnen naaste : om het gedrag van niemand te berispen, mij met de zaken van een ander niet te bemoeien ; en jegens mijzelven ; om in alle gelegenheden de neigingen en tegenstrijdigheden m\\jns harten te bevechten en te overwinnen.

GEBED.

Vrede, o God ! ja vrede, is een behoefte voor mijn hart. Vrede met U, vrede met myzelven, vrede met mijnen evenmensch, wat kan er voor mij heilzamer zijn? Intusschen ben ik nog verre van zulken toestand. Ik wederstreel uwen wil, volg mijne neigingen op, weet mijnen broeder niet het minst toe te geven; en hoe zoude dan bij mij vrede kunnen wonen ! God des vredes ! boezem mij andere gevoelens in , en duurzame kalmte zal in mijne ziel heerschen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in bedoeling.

1. Op twee wieken verheft zich de mensch boven het aardsehe, te weten ; eenvoudigheid en reinheid.

Eenvoudigheid moet in de bedoeling, reinheid in de neiging zijn. Eenvoudigheid zoekt God, de reinheid vindt en smaakt Hem.

165

-ocr page 170-

16fi Dl; NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Geen goede daad zal u hinderen, zoo gij inwendig van ongeregelde neiging vrij zijt.

En zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan Gods welbehagen en uws naasten nut, gij zult de innerlijke vrijheid genieten.

TV are uw hart oprecht, alle schepsel zoude u een levensspiegel zijn en een boek van heilige leering.

Geen schepsel is er zoo gering en ongeacht, dat Gods goedheid niet vertoont.

2. T\\\'aart gg inwendig goed en rein, gij zoudt alles onbelemmerd zien en recht vatten.

Een rein hart dringt door hemel en hel.

Zooals een ieder inwendig is, zoo beoordeelt h^j het uitwendige.

Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.

En is er ergens smart en angst, oen kwaad geweten kent ze het best.

Gelijk het ijzer in het vuur gelegd zijn roest verliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook demcnsch, die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in een nieuwen mensch veranderd.

3. Wanneer de mensch begint te verflauwen, dan vreest hij den geringsten arbeid en ontvangt gaarne uitwendigen troost.

Maar heeft hij begonnen zichzelven te overwinnen en moedig op den weg Gods te wandelen , hij acht gering wat hij te voren bevond zwaar te zijn.

OEFENING.

De zuiverheid des harten bestaat in eene afgescheidenheid van alles wat het zon kunnen

-ocr page 171-

TWEEDE BOEK.

bevlekken. Eene vrijwillige ontrouw, eene zonde door het gezicht bedreven , eene afgekeerdheid van God, prenten in de ziel eene vlek, die hare schoonheid verduistert en haar voor de oogen van God mismaakt doet worden. Zalig zijn degenen, zegt Jesus Christus, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God zien. Zij zullen Hem door een levend geloof in dit leven kennen , hetwelk hun , gelijk van Mozes gezegd is , het gezicht van den Onzichtbaren zal doen verdragen, alsof zij Hem met hunne oogen aanschouwden, en zij zullen Hem in het andere leven door het licht der glorie aanschouwen. Men moet dan op dit punt een besluit nemen , van zoomin mogelijk zonde te bedrijven , of tenminste er geen gewoonte van aannemen, vermits zij de zuiverheid eener ziel verdooft, haar tot slaaf van hare eigenliefde maakt, haar aan de vermaken der zinnen vasthecht en ongeschikt maakt om zich tot God te verheffen. Om die zuiverheid des harten te bekomen, moet men ze daarenboven onophoudelijk aan God vragen, en Hem mrt den koninklijken Proleet bidden ; schep in mij, o mijn God! een zuiver hart, en hernieuw in het binnenste mijner ziel eenen oprechten geest en eene zuivere meening, die niets anders zoekt dan U in alles en boven alles te behagen. Eindelijk, men moet zich aan niets dan aan God en aan zijnen wil hechten; want alle verkleefdheid aan het schepsel besmeurt eene ziel en maakt haar onbekwaam en onwaardig om met God vereenigd te worden.

GEBED.

Schep in mij, o God! een rein hart en ver-

167

-ocr page 172-

168 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTÜS.

nieuw den rechten geest in mjjn binnenste, zoo, o Vader! raag- ook ik ü bidden. Mochten mijne gevoelens steeds zuiver zija, triyne bedoelingen eenvoudig op U gericht blijven, om U te beminnen en U alleen te bezitten ! Mocht mijn hart, vrij van alle onedele neigingen , alleen voor U, mijn hoogste goed, kloppen! dan gewis zoude ik mij boven al het aardsche hemelwaarts verheffen, en niets mijne vlucht hinderen. Geef, o God! mij daartoe uwen zegen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de heschouwing van zickzelven.

1. Wij mogen onszelven niet te veel gelooven , dewijl het ons dikwijls aan genade en verstand ontbreekt.

Een zwak lichtje is in ons, eu dit verliezen wij spoedig door onachtzaamheid.

Ook merken wij veeltijds niet dat wjj inwendig zoo blind zijn.

Dikwijls doen wij kwaad, en maken het, door verschooning, nog erger.

Somtijds spoort de drift ons aan en wij nemen het voor ijver.

Het geringe berispen wij in anderen, en het grootere bij ons gaan wij voorbij.

Ras genoeg gevoelen en wegen wij hetgeen wij van anderen verdragen, doch wij letten niet hoeveel anderen van ons verdragen moeten.

Wie zyu eigen daden wèl en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeelen.

2. Een inwendig mensch stelt de zorg over zichzelven boven alle andere zorgen; en die vlij-

-ocr page 173-

TWEEDE BOEK.

tig op zickzelven let, zwijgt licht vau auderea.

Nooit zult gij iuwendig eu godvruchtig zijn , tenzij gij van anderen zwijgt eu bijzonder op uzelven let.

Zoo gij u geheel met uzelveti en met God bezighoudt, zal u weinig treffeu hetgeen gij buiten opmerkt.

Waar zijt gij, als gij niet bij uzelven zijt? En wanneer gij alles doorloopeu, maar uzelven voorbijgezien hebt, wat hebt gij gewonnen?

Als gij waren vrede wilt hebben en met God vereenigd zijn , moet gij al het overige terzijdestellen en uzelven alleen voor oogen houden.

3. Gij zult alzoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg; maar gij zult zeer achteruitgaan, zoo gij iets tijdelijks acht.

Niets zij u groot; niets verheven, niets aaa-genaam, niets gcnoegelijk , tenzij God alleen of wat God betreft.

Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkele ijdelheid.

Eene ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.

God alleen, de eeuwige en oneindige , de alles vervullende, is de troost der ziele en de ware vreugde des harten.

OEFENING.

De onnoodige bemerkingen op onszelven en op de uitwendige voorwerpen doen ons veel tijd, genade en verdiensten verliezen. Indien wij ons best deden om de eerbiedige gedachte aan God te stellen in de plaats van die gdele en moeielijke gedachten jegens onszelven en jegens de schep-

169

-ocr page 174-

170 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

selen, dan zouden wij altijd heilig bezig zijn. God in zichzelven aanscliouwen en zichzelven aanschouwen in God; onder de oogen des Zaligmakers leven door de betrachting; tusschen zijne handen, door de onderwerping aan zijnen wil; aanzjjne voeten, door ootmoedigheid en de oprechtebelijdenis onzer ellenden; ziedaar wat wij moeten doen om als ware Christenen te leven , die niet zijn al wat wij zijn, dan door de ver-eeniging met Jesus Christus. Waarom zich dan zoo sterk en zoo menigmaal bezia; houden met nieuwstijdingen , met nieuwsgierigheden en ijdel-hedeu, en zich zoo weinig en zeldzaam ophouden met zijnen God , met zijne plichten en met zijne zaligheid ? Het is, omdat men onverschillig is voor de zaken der eeuwigheid, en te zeer verkleefd aan het tijdelijke. Laat ons dan beginnen met te zjjn hetgene wij eens zullen wezen , dat is, alleen bezig met, voor en in God.

GEBED.

Niets is heilzamer voor mij, o God, dan mij-zelven gade te slaan en mij in zelfkennis te oefenen. Mocht ik steeds dit bewustzijn hebben , welken voortgang zoude ik maken ! Veel zoude ik te verbeteren vinden en, genoeg met mijzel-ven hebbende te doen, zoude ik aan alles wat buiten mij is vreemd worden en mij zalig achten U met een rein hart te mogen bezitten. Stort dan , bid ik U , mij zulk eene neiging in en maak mij meer en meer los van het zinnelijke.

-ocr page 175-

TTTEEDE BOSK.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de vreugde van een goed gemoeten.

1. De roem van een goed mensch is de getuigenis van een goed geweten.

Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben.

Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.

Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.

Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.

Verheng u niet tenzij wanneer gij wel gedaan hebt.

De boozen hebben nooit ware vreugde, noch gevoelen den inwendigen vrede; want er is geen vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer. (Is. 57.)

En zeggen zij : wij zijn in vrede, geen kwaad zal ons treffen en wie zoude ons durven schaden ? geloof hun niet : want eensklaps zal Gods toorn zich verheffen, al hunne daden zullen tot niets gebracht en hunne gedachten verijdeld worden.

2. Hem die liefheeft, valt het niet zwaar in de verdrukking te roemen : want zoo te roemen is te roemen in het Kruis des Heeren.

• Kortstondig is de roem die van menschen gegeven en ontvangen wordt.

De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.

Der braven roem is in hun geweten en niet in den mond der menschen.

171

-ocr page 176-

172 DE NAVOJLGINS VAN JE3US CHRISTUS.

De vreugd\'! der rechtvaardigen is van Grod en in God, en hun vermaak in de waarheid.

Wie na ir den waren en eeuwigen roem verlangt; acht den tijdelijken niet.

En wie naar tijdelijken roem verlangt, of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hemelschen weinig bemint.

Hij bezit eens groote rust des harten, die zich om der menschen lof noch blaam bekommerd.

3. Licht zal hij tevreden en genist ziju wiens geweten rein is.

Gij zijt niet heiliger omdat men n roemt, noch slechter omdat men u laakt.

Wat gij zijt, zijt gij ; en grooter moogt gij niet genoemd worden, dan gij zijt voor God.

Wanneer gij let op hetgeen gg inwendig bij uzelven zgt, dan zult gij er u niet aan storen wat de menschen van u zeggen.

De mensch ziet hetgeen in het oog valt, maar God ziet in het hart. (I Keg. 16.) De mensch ziet op de daden, maar God woegt de bedoelingen.

Altoos wèl te doen en zichzelven weinig te achten kenmerkt een nederig gemoed.

Geen troost van eenig schepsel te willen is het teekeu van groote reinheid en inwendig vertrouwen.

4. Wie voor zich geene getuigenis van buiten zoekt, toont dat hij zich geheel aau God heeft overgegeven.

Want, gelijk de H. Paulus zegt, niet hij die zichzelven aanprijst, maar dien de Heer aanprijst , is beproefd. (2 Oor. 10.)

Inwendig met God te verkeeren en uitwendig door geene geneigdheid gebonden te zijn, is de staat van den inwendigen mensch.

-ocr page 177-

TWMDE BOEK,

O F, r Ë N I N G.

De vrede, van een goed geweten neemt niet altijd de ongerustlieden weg, die de bekoringen en inwendige kwellingen in den geest veroorzaken; maHr hij brengt zooveel voort, dat onder al de beroerten, die hierin ontstaan, het hart onderworpen en getrouw is aan zijnen God: onderworpen om de kwelling te Jijden , en getrouw om ze niet in te volgen, maar om te wederstaac , om te strijden en om niets uit kracht van de kwelling te veronachtzamen. Het is alzco, dat eene bedroefde en onderworpene ziel, volgens den koninklijken Profeet, een aangenaam slachtoffer is voor God, die nooit een vermorzeld en verootmoedigd hart verwerpt; — verootmoedigd van zich onderworpen te zien aan het gevoelen zijner ellenden , en vermorzeld over de gelegenheid , aan God gegeven , van ze hem te doen gevoelen. Laat ons daarom een vasten volstandig besluit nemen, nooit door onzen val, noch door onze kwellingen, noch door ondervinding onzer ellenden den moed te laten zinken; maar van ons voor God te verootmoedigen, dat wij zoo ellendig zijn; van Hem vergiffenis te vragen over de zonden die wjj bedreven hebben met geenen wederstand te bieden, zoo als wij dit moesten doen, tegen de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid ; van er ons zoo aanstonds over te straffen , met ons eenige voldoening te ontzeggen. Laat ons daarna in vrede zijn; want het gerust geweten is zulk een , dat vrij van zonde, is door de getrouwheid , of dat door de boetvaardigheid gezuiverd is.

173

-ocr page 178-

174 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

GEBED.

Een rein geweten, o GorJ, is een groote seliat en eene onuitputbare bron van troost. Wat toch zai mij hinderen, als mijn geweten zich in oenen goeden staat bevindt? Menschen mogen mij ver-oordeelen , lasteren en vervolgen , geen nood, zoolang ik de getuigenis van een rein geweten bezit. Gerust zal ik het hoofd mogen opiieffen tot U, die mijne onschuld kent en aan het licht zult brengen. Doe dit bewustzijn steeds in mij leven en laat mij den troost daarvan ondervinden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over de alles overtreffende liefde tot Jesm.

1. Gelukkig hij die weet wat het is Jesus te beminnen, en zichzelven te versmaden om Jesus wille.

Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten : want Jesus wil alleen boven alles bemind worden.

De liefde eens schepsels is bedriegeljjk en onbestendig ; maar de liefde van Jesus getrouw en bestendig.

Wie zich aan het schepsel hecht valt mot het zwakke schepsel; maar wie Jesus omhelst staat eeuwig onbewegelijk.

Bemin Hem en houd Hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet zal verlaten, noch dulden dat gij op het einde verloren gaat.

Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles gescheiden worden.

2. Houd u aan Jesus bij leven en dood, en

-ocr page 179-

TWEEDE BORK.

geef n aan de trouw van Hem over die, wanneer alies u verlaat, u alleen kan helpen.

Uw beminde is van dien aard, dat Hij geen anderen naast zich duldt; m-iar hij wil uu\' hart alleen bezitten en er zetelen als een koning op zijn eigen troon.

Wist gij u van alle schepsel recht te ontledi-digen, Jesus zoude gaarne b^j u willen wonen.

Gij zult alles bijkans geheel als verloren bevinden , wat gij buiten Jesus bij de mensohen zoekt.

Vertrouw noch steun op een riet, dat door den wind bewogen wordt. Want alle vlecsch is gras, en al zijne heerlijkheid valt af ah de veld-hloem. (Is. 40.)

3. Dra zult gij bedrogen worden, zoo gij alleen het uitwendig voorkomen der menscheu aanschouwt.

Want zoo gij uw troost en voordeel bij anderen zoekt zult gij dikwerf schade vinden.

Zoekt gij in alle^ Jesus, gij zult Hem gewis vinden.

Maar zoekt gij uzelven, gij zult ook uzelven vinden, maar tot uw verderf.

OEFENING.

Leg geheel uwen geest toe om Jesus Christus te kennen, geheel uw hart om Hem te beminnen , en al uwe zorg om Hem na te volgen, daar het hiertoe alleen is dat gij Christen zgt. Welke moeite zult gij vinden in onzen God-mensch te beminnen, die alles wat Hij is, niet is dan om u te beminnen en u zalig te maken ? Maak dan het voornomen, u met Hem bezig te houden , Hem in al zjjne werken te be-

175

-ocr page 180-

170 DE NAVOLGIHG VAN JESÜS CHRISTUS.

studeeren, zijne inzichten te doordringen, en de gevoelers en den geest zijner geheimen te omhelzen , en tracht even als Hij te wandelen , te lijden en te leven ; want al de verdiensten van den Christen in dit leven bestaan in de gelijkvormigheid , welke hij met Jesns Christus moet hebben; en het is deze, welke zijn geluk in het andere leven zal uitmaken. Zoo hij in Zijn ootmoedig en lijdend leven tracht deel te nemen, zal hij ook aan zijn glorierijk en onsterfelijk leven deelachtig worden.

GEBED.

Ja wel gelukkig h^ , mijn Heiland! die weet Wr.i het zij U boven alles lief te hebben, alles aan uwe liefde op te offeren, alles om U te verdragen 1 Zalig in alle opzichten mag men zijnen totstand noemen, boven alles wat de wereldbezit of geven kan. Maak mij vatbaar voor die zalige genoegens. Trek mij meer en meer af van het zwakke en onbestendige schepsel; dat ik U in alles zoeke en vinde; dat ik niets be-ooge dan het bevorderen van uwe eer.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ovtr den vertrouKelijken omgang met Jesus.

Als Jesus tegenwoordig is, dan is alles wél en niets schijnt moeftilijk ; maar is Jesus niet tegenwoordig, alles valt zwaar.

Als Jesus van binnen niet spreekt, alle troost is niets; maar spreekt Jesus slechts een woord, men gevoelt een groeten troost.

Rees Maria niet aanstonds op van de plaats, waar zij weende, toen Martha tot haar zeide :

-ocr page 181-

TWEEDE BOEK.

de Meester is Haarden Hij roept u. (Joau. 11.)

Gelukkige stond, wanneer Jesus van het wee-neu tot de vreugde des geestes roept!

Hoe dor en ongevoelig zijt gij zender Jesus! Hoe dwaas en ijdel, zoo gij iets builen Jesus verlangt!

Is dit giene grootere Ecliade dan de geheele wereld te verliezen?

2. Wat kan u de wereld geven zonder Jesus?

Zonder Jesus te zijn, is eene ondragelijke hel;

met Jesus te zijn, een genoegelijk paradijs.

Wanneer Jesus met u is, geen vijand kan u schtden.

Wie Jesus vindt, vindt een goeden schat, ja ei-n goed boven alle goed.

Maar wie Jesus verliest, verliest Dovenmate veel, ja meer dan de gansche wereld.

Wie zonder Jesus leert is zeer arm; die wèl met Jesus staat is zeer rijk.

3. Het is een groote kunst met Jesus weten om te gaan, en Jesus te kunnen bij zich houden eeiie groote voorzichtigheid.

Wees nederig en vreedzaam, en Jesus zal met u zijn.

Wees godvruchtig en rustig, en Jesus zal bij u blijven.

Gij kunt Jesus ras verwijderen en zijne genade verliezen, zoo gij u tot het uitwendige wilt keeren.

En hebt gij Hem verwijderden verloren, tot wien zult gij uwe toevlucht nemen en wien tot vriend kiezen ?

Zonder vriend kant gij niet wel leven. Maar zoo Jesus niet boven allen uw vriend is, hoe bedroefd en verlaten zult gij zijn !

Dwaas handelt gij dus, zoo gij in iemand anders vertrouwen of vreugde stelt.

177

12

-ocr page 182-

178 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Het ware rerkieslijker de ganscbe wereld tegen te hebben dan Jesus te beleedigen.

Onder al uwe geliefden dan zij Jesus alleen uw bijzonder geliefde.

4. Uat allen bemind worden om Jesus\' wil; maar Jesus om Hemz^lven.

Jesus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt.

Om Hem en in Hem behooren, zoo vijanden als vrienden, u lief te zijn; en voor allen moet gij bidden, opdat allen Hem kennen en liefhebben.

Verlang nooit b^j uitsluiting geprezen of bemind te worden : want dit komt (rode alleen toe, die zijns gelijke niet heeft.

Begeer ook niet dat iemand zijn hart met u vervulle, en gij, laat uw hart niet met liefde voor iemand vervuld worden; maar Jesus zij in u en in elk goed mensch.

5. Wees rein en vrij van binnen, zonder gehechtheid aan eenig schepsel.

Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.

6. Doch inderdaad zult gij niet daartoe geraken , tenzij gij door zijne genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat gij, met terzijdestellen en verwijdering van alles, met Hem alleen vereenigd wordt.

Want wanneer Gods genade tot den mensch komt, dan wordt hij tot alles bekwaam; maar wijkt die, hij is arm en zwak, en als alleen tot slagen overgelaten.

In dezen moet hij niet moedeloos worden

-ocr page 183-

TWEEDE BOEK.

noch wanhopen, maar zich welgemoed naar den wille Gods schikken, en alles wat hem overkomt ter eere van Jesu\'i Christus lijden; want op den winter volgt de zomer, op den nacht volgt de dag en op den storm groote kalmte.

OEFENING.

Hot is moeielijk te leven , zonder iemand te hebben aan wien men zijn hart kan openen en zijne geheimen toevertrouwen. Nu. aan wisn kunt gij beter uw hart openen dan aan Jesus, die van al de vrienden, welke gij onder de stervelingen kunt aantreffen, de getrouvvste en stand-vastigste is, en die het meest uw vertrouwen verdient ? Zoek dau uwen troost en uwen vrede niet dan in hem ; stort onophoudelijk uw hart in zijne tegenwoordiglieid uit : neem uwe toevlucht tot Hem in al uwe wederwaardigheden; laat den moed niet zinken om zijne schijnbare verstootingeu, die niets dan uitwerkselen zijner liefde tot u, en beproevingen uwer getrouwheid tot Hem zijn. Bid , verzoek , smeek zijne goedheid om u te hulp te komen , en wees verzekerd dat Hij u vroeg of laat de uitwerkselen zijner goedheid zal doen gevoelen. Maar houd uw hart vrij en onthecht van alle schepselen ; bemin niets dan Hem, uit liefde tot Hem, en bemin niets dan hetgene u opwekt om Hem te beminnen. Dat de wederwaardigheden het ongeluk , de droefheden en verootmoedigingen de heerschende voorwerpen van uw hart worden , gelijk zij het van het hart van Jesus geweest zijn. Dat de achting en lof der mcnschen voor u een voorwerp van schrik en versmading worden , daar zij het ook voor .Tesns geweest zijn.

179

-ocr page 184-

180 DE NAVOLGING VAN\' JES1/3 CHRISTUS.

Eindelijk, span alles in om Hem te kennen, om met Hem te spreken, om Hem te beminnen en aan Hem te behagen, opdat, aldus in de heilige oefening der liefde van Jesus levende, de laatate beweging uws harten eene oefening van zijne liefde moge wezen.

GEBED.

Zonder ü, o Jesua! heb ik niets, met U alles. Gij zijt mijn beste vriend en hebt mij het treffendst bewijs van uwe liefde gegeven door uw leven voor mijn heil op te offeren. Wat is er billijker dan dat ik U mijne wederliefde toone ? Ik geef U dan mijn hart; het zij ü boven alles gewijd, maak het tot eene U waardige woning. Heertch daarin als op uwen troon ; beschik daarover geheel; dat ik voor U leve, door U leve, eeuwig met U leve.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Over het missen van allen troost.

Het valt niet zwaar menschelijken troost te versmaden, als de goddelijke daar is.

Maar het is groot en zeer groot zoowel den menschelijken ais goddelijken troost te kunnen ontberen, en tot Gods cere de ballingschap des harten gewillig te verdragen, in niets zichzelven te zoeken, noch op eigens verdienste te zien.

Wat groots is erin gelegen opgeruimd en godvruchtig te zijn, als de genade komt ? Yoor allen is die stond wenschelijk.

Hij rijdt vrij gemakkelijk wien (iods genade draagt.

En wat wond: r dat hij den iast niet gevoelt.

-ocr page 185-

TWEEDE BOEK.

die door ilen Almachtige gedragen eu door den oppersten Leidsman geleid wordt ?

3. Gaarne hebben wjj iets tot onzen troost , en bezwaarlijk ontdoet.de raensch zich van zich-zelven.

De heilige martelaar Laurentins nochtans heeft de wereld en zijnen priester overwonnen; want hij versmaadde alles wat in de wereld genoeglijk scheen, en duldde zelfs gaarne, ter liefde van Christus, dat Gods Opperpriester Sixtus dien hij hartelijk liefhad, van hem weggenomen wierd.

Door liefde tot den Schepper overwon hij de lie!de tot den mensch, en verkoos Gods welbehagen boven den menschelijken troost.

Leer gij dus ook een noodzakelijken en geliefden vriend ter liefde Gods verlaten.

En laat. het u ook niet te zeer treffen, als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.

3. Vee! en lang moet de mensch in zichzelven strijden, eer hij leere zichzelven volkomen te overwinnen en zijne geheele liefde tot God over te brengen.

Zoolang de mensch nog op zichzelven steunt zal hij licht vervallen tot den troost der menschen.

Maar de ware vriend van Christus eu ijverige deugdbetrachter valt niet op vertroostingen, noch zoekt zulke zinnelijke genoegens, maar veeleer moeielijke oefeningen en zware beproevingen om Christus\' wille door te staan.

4. Wordt u dan geestelijke troost van God geschonken , neem dien met dankzegging aan ; maar weet dat het een geschenk van God is , en niet uwe verdienste.

Wil u niet verheffen , wil u niet te veel ver-

181

-ocr page 186-

182 D£ NAVOLGING VAN JESÜS CHIUSTUS.

heugen noch iets ijdelijk laten voorstaan; maar v. ces wegens die gift te nederiger en te omzichtiger en behoedzamer in al uwe daden : want deze stond zal voorbflgaan en de bekoring volgen.

Als de troost ontnomen is geef den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduid het bezoek des Hemels af; want God is machtig om u een overvloediger troost terug te geven.

5. Dit is niet nieuw noch vreemd voor de in Gods wegen ervarenen ; want ook de grootste Heiligen eu aloude Profeten hebben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.

Daarom sprak een hunner, als de genade bij hem was : Ik zeide in mijnen overvloed: in eeu-wigheid zal ik niet wankelen.

Maar als de genade week, voegde hij er bjj wat hij ondervond, en zeide: Maar toen Gij uw aangezicht van mij ajictnddet, icerd ik ontroerd,.

Intusschen verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer en zeide : Tot U, o Heer / zal ik roepen, en mijnen God zal ik bidden.

Daarop verhaalt hij de vrucht-van zijn gebed en getuigt dat hij verhoord werd, zeggende : De Heer heeft mij verhoord, en zich mijner ontfermd; de Heer is mijn helper geworden.

Maar waarin ? Gij hebt, zegt hij, mijne klachten veranderd in nejuich, en mij met vreuqde omgeven. ( Ps. 29)

Is aldus met groote Heiligen gehandeld, dan mogen wij, zwakken en ellendigen, niet wanhopen, als wij ons nu ijverig, dan weder koud be-vir.den ; want de Geest komt en vertrekt volgens zijn welbehagen.

-ocr page 187-

TWEEDE BOEK.

Daarom zegt de heilige Job : Gij hezoekt den mensch in dtu morgenstond; maar spoedig beproeft yij hem weder. (Job. 7.)

fi. Waarop kan ik dan hepen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsche genade alleen ?

Want hetzij ik bij mij hebbe deugdzame men-scheu of godvruchtige broeders, of getrouwe vrienden of heilige boeken, of schoone verhandelingen of liefelijke gezangen en liederen ; dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigene armoede overgelaten ben.

Dan is er geen beter middel dan geduld en zellonderwerping aan den wil Gods.

7, Nooit vond ik iemand zoo vroom en godvruchtig, die niet nu en dan onttrekking der genade had of geene vermindering van ijver gevoelde.

Nooit was er een Heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna in bekoring viel.

Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eenig leed geoefend werd.

Want eene voorafgaande bekoring is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.

Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de hemelsche troost toegezegd : Wie overwint, zegt de Heer, ik zal hem geven dat hij ete van den boom des levens. ( Openb. 2.)

8. De Goddelijke troost nu wordt gegeven, opdat de mensch te sttrker zij tot het doorstaan van tegenspoed.

Ook volgt de bekoring, opdat hij zich over het gcede niet verheffe.

183

-ocr page 188-

184 BE NAVOLGING VAX JESUS CHRISTUS.

Da duivel slaapt niet, en het vleesck is no» nie: dood. Daarom koud niet op u tot den strijd te bereiden : want aan uwe rechter- en linkerhand staan vijanden die nimmer rusten.

OEFENING.

Even als men door het geloof, en niet dooide zinnen, tot God nadert, en dat het geloof uit zichzelven dor en duister is, moeten wij niet verwonderd zijn, dat wij ons nu eens dor en mistroostig en dan weder in vertroosting en blijdschap gevoelen. Alles bestaat in den troost met ootmoedigheid te ontvangen, in ds mistroostigheid kloekmoedig te verdragen. Het goud en zilver, zegt de Wijze-man, zuivert men door het vuur, en de zielen die zich waardig maken in het hart van Jesus aangenomen te worden, worden door de moeielijkste en vernederendste kwellingen gezuiverd en beproefd, en die door de onderiverping, met welke men ze verdraagt, zoo veel uitwerken, dat God ons zijner waardig maakt en vindt. Verneder dan uw hart onder de almogende hand Gods, en doorsta met geduld de beproevingen des Heeren, die u door het bevechten der bekoringen ootmoedig, klein en van Hem afhankelijk maakt, en die wil dat gij Hem , volgens het voorbeeld der heilige Martelaars , al lijdende bemint, en dat gij, met Hem te beminnen, lijdt, en gij Zijne grootheid eert door de vernietiging van geheel nzelven.

GEBED.

Dierbaar, o Vader! is mij uw troost, hij is de grootste verkwikking voor mgn hart. Niet dan met droefheid ontwaar ik zijn gemis. Doch

-ocr page 189-

TWEEDE BOEK.

zoude ik daarom den mosd opgeven? Dili zoude ik U niet om uzelven, maar om uwe weldaden beminnen. Niet mijn wil, o Vader, maar de Uwe geschiede\' Wilt Gij mij troost schenken , ik zal die weldaad waardperen. Wilt Gij mij dien onttrekken, ook hierin zal ik berusten en uwen wil eerbiedigen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Ooar dn dankbaarheid voor de genade Gods.

1. Waarom zoekt gij rust daar gij geboren zijt om te arbeiden.

Zet u meer tot geduld dan tot troost, en meer tot het dragen van het kruis dan tot blijdschap.

Welk wereldsch mensch toch zouds niet gaarne geestelijke troost en vreugde ontvangen, zoo hij die altoos konde bekomen ?

Want de geestelijke vertroostingen overtreffen alle wereldsche vermaken en wellusten des vlee-sches.

Al de wereldsche vermaken toch zijn of ijdel of schandelijk; de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk; zij vloeien voort uit de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.

Maar niemand kan deze goddelijke vertroostingen altijd naar zijn weigévallen genieten, omdat de tijd van bekoring niet lang uitblijft.

3. Hetgeen nu het hemelsche bezoek veel tegenwerkt is eene valsche vrijheid des geestes e i een groot zelfvertrouwen.

God bewijst eene weldaad wanneer Hij da genade der vertroosting schenkt; maar de mensch

1S5

-ocr page 190-

186 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

handelt kwalijk, als hfl niet alles tot God met dankzegging terugbrengt.

En daarom kunnen de genadegaven op ons niet vloeien , omdat wij jegens den Schenker ondankbaar zijn en niet alles tot de oorspronkelijke bron terugbrengen.

quot;Want altoos wordt de genade geschonken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige pleegt gegeven te worden.

3. Ik wil geen troost die mij het berouw ontneemt, noch zoek die hooge aanschouwing welke tot zelfverheffing voert.

Want niet al het verhevene is heilig, noch al het wenschelijke rein, noch al het dierbare Gode aangenaam.

Gaarne ontvang ik eene genade, waardoor ik steeds nederiger en godvreezender en gereeder tot zelfverzaking worde.

Wie door de gave der genade geleerd en (ioor den geesel harer onttrekking onderwezen is, die zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.

Geef Godu wat Gods is, en schrijf u toe wat het uwe is, dat wil zesgen : dank God voor de genade, en erken dat de zonde u alleen toebehoort en de rechtvaardige straf der zonde.

4. Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven; want het hooge bestaat niet zonder het lage.

De grootste Heiligen bij God zijn bij zich-zelven de geringsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.

Vervuld van de waarheid en hemelache heer-

-ocr page 191-

TWEEDE BOEK.

lijkheid zijn zij niet begeerig naar ijdelen roem.

In God gezegend en gevestigd kunnen zij op gcenerlei wijze hoogmoedig zijn.

En die Gode alles toeschrijven wat z}j goeds ontvangen hebben, zoeken geen roem bij elkander , maar willen slechts den roem die van God komt, en wenschen dat God in hen en in alle Heiligen boven alles geprezen worde, en hiernaar is voortdurend hun streven gericht.

5. Wees dankbaar voor het geringste en gij zult waardig zijn het grootere te ontvangen.

Het geringste z\\j u a!s het grootste, en het meest verachtelijke eene bijzondere gunst.

Als de waardigheid van den Gever overwogen wordt, zal geene gave gering noch te verachtelijk schijnen : want niets is gering wat van den allerhoogsten God komt.

Ja al zond Hij kastijdingen en plagen , het zoude ons moeten aangenaam zijn; want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.

Wie Gods genade wenscht te behouden, zij dankbaar voor de ontvangene genade en geduldig bij de onttrekking; hij smeeke dat zij we-derkome, en zij behoedzaam en nederig, opdat hij ze niet verlieze.

OEFENING.

Berotm u nooit\'over Gods gaven, die dikwijls gevolgen van uwe zwakheid, altijd uit-wtrksilen van zijne goedheid, en gewoonlijk boven uwe verdiensten zijn. Wanneer gij nu , na God vergramd te hebben , gevoelt dat uw hart over uwe ondankbaarheid en uwe onge-trouwheid geraakt is, moet gij u voor God ver-

187

-ocr page 192-

188 DE NAVOLGING VAN JE3U3 CHRISTUS.

ned ren en verootmoedigen , omdat gij u zoo vol goadheid dn uaeWen zio vol boosheid ziet. Doordrongen van droefheid, van het hart eens Zaligmakers gewond te hebben, die n zelfs opwekt als gij Hem vlucht, en die u met zijne genade vervult, als gij u die onwaardig maakt, keer tot Hem terug door eene ware boetvaardigheid, vraag H^m vergiffenis over uwe zouden , en denk niet m;;er dan om Hem te wreken en uzelven te straffen.

GEBED.

Hoe groot, o God! zijn de vertroostingen door U den reinen van harte ingestort! Maar zoo groot die weldaad is, zoo groot is ook d; verplichting welke op mij rust. Ik moet IJ dankbaar zijn, en omdat ik mij van deze verpliolitiug niet genoeg kwijt, daarvoor blijf ik vaak van uwe weldaden verstoken. Ik wil U voortaan geven wat U toekomt, dankbaar zjjn voor de geringste zoowel als voor de grootste gunst; (-rij zuit mij dan uwe milde hand niet onttrekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

Ooer de weinige vrienden van Jewiz\' Kruis.

1. Jesus heeft thans wel vele beminnaars van zijn hemelsch rijk , maar weinige dragers van zijn kruis.

Velen heeft Hij die naar troost, maar weinigen die naar lijden verlangen.

Velen vindt Hij die aan zijne tafel, maar weinigen die aan zijn vasten deelnemen.

-ocr page 193-

\'IWEEDE BOEK.

Allen willen zich met Hem verlieiigen, weinigen willen voor Hem iets lijden.

Velen volgen Jcsus tot aan het breken des broods, maar weinigen tot aan het drinken van den lijdensbeker.

Velen eerbiedigen zijne wonderdaden, weinigen volgen den smaad zijns kruises.

Velen hebben Jesus lief zoolang hun niets ongunstigs bejegent.

Velen loven en prijzen Hem zoolang zij etui-gen troost van Hem ontvangen; maar verbergt zich Jesus en verlaat Hij hen een oogenblik, dan vervallen zij of tot geklag of tot groote moedeloosheid.

2. Zij die Jesus om Jesus liefhebben en niet om eenigen eigen troost, prijzen Hem in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den grootsten troost.

Ja, al wilde Hij hen nooit troost geven, evenwel zouden zijHem altoos dank willen toebrengen.

3. O, hoeveel vermag eene reine liefde tot Jesus, met geen eigenbaat of eigenliefde vermengd !

Zijn zij niet allen huurlingen te noemen die altijd troost zoeken?

Betconen zij zich niet meer beminnaars van zichzclven dan van Christus, die altoos aan eigen gemak en voordeel denken?

Waar vindt men hem die God om niet wil dienen ?

4. Zelden vindt men een zoo geestelijk mensch dat hg ontbloot van alles is.

Waar toch vindt men den waren arme van geest en los van alle schepsel? Verre en op de uiterste grenzen is die schat te zoeken.

189

-ocr page 194-

190 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Al gaf de mensch zjjn geheel vermogen weg , het is nog niets.

En al deed hij groote boetvaardigheid, het is nog weinig.

En al verkreeg hij alle wetenschap, het is er nog verre af.

En al bezat hij groote deugd en de brandend-ste godsvrucht, nog ontbreekt hem veel, te weten , het eenige (vat hij het meest behoeft.

En dat is ? Dat hij, alles verzaakt hebbende , zichzelven verzake en geheel uit zichzelven uitga , niets van zijne eigenliefde overhoude, en dat hij, alles gedaan hebbende wat hij meende te moeten doen, gevoelde niets gedaan te hebben.

Dat hij het niet veel rekene wat veel konde geacht worden, maar zich in waarheid een onnutten knecht noeme, gelijk de Waarheid zegt : Wanneer gij zult gedaan hebben , al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: loij zijn onnutte knechten, en hebben slechts gedaan loat wij schuldig maren te doen. (Luc. 17.)

Alsdan zal hij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen ; Ih hen eenzaam en behoeftig. (Ps. 24.)

En nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij , die zichzelven en alles weet te verzaken en zich op de laagste plaats te stellen.

OEFENING.

Hoe vele Christenen zijner, die Jesus Christus arm in zijne krib, en lijdende op het kruis aanbidden, en die zeiven niets willen lijden noch aan iets gebrek hebben ! En echter is Hij in armoede en pijnen geboren; Hij heeft geleefd en

-ocr page 195-

TWEEDF. BOEK.

is gestorven , om ons de ontblooting van alles en het geduld in druk en lijden te leeren; om ons noodzakelijke deugden der zaligheid te leeren; om ons die door zijne woorden en voorbeelden te leeren, en om er ons de oefening dnor zijne genade van te verdienen. Wat baat het u, Jesus Christus, uwen Zhligmaker en uw voorbeeld te aanbidden, indien gij Hem niet navolgt en geheel uw vertrouwen in Hem niet stelt? Maak dan het voornemen, de ontbering van alles te oefenen, door san uwe zinnen de gevaarlijkeen nuttelooze vermaken te ontzeggen; door aan uwen geest alle ijdelheid en vrijwillig welbehagen over ziehzelven in alle gelegenheden te onttrekken. Zet zelfs die inwendige armoede en ontblooting zoo verre voort; door in alles aau uwen eigen wil te verzaken, om niet dan dien van God te verlangen en te volbrengen. Het is aldus, met in alle gevallen u aan God te onderwerpen , dat gij Hem als den meester en eigenaar van uw hart zult aanstellen , en door de oefening dier gestadige ontblooting. God zeiven in eeuwigheid tot aandeel zult hebbeii-

GEBED.

Ja, Jesus! ook ik erken mijne schuld: ook ik behoor onder die loontrekkende dienaren, die meer ziehzelven dan U liefhebben. In dagen van voorspoed roemde ik een leerling van U te zijn; maar weldra sluipten ontrouw en moedeloosheid in mijn hart, als aij mijne liefde door tegenspoed beproefdet! Meer dan ooit verfoei ik dit gedrag, voortaan wil ik U getrouw blflven ook in de donkerste dagen en dan vooral tooneu dat ik ü om Uzelven liefheb.

191

-ocr page 196-

192 DE NAVOLGING VAN JEST3S CHEIS1ÜS.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Ovtr dm koninMijlcen weg des heiligen kruisen.

1. Telen schijnt dit gezegde hard : Verloochen vzelven, neem uw kruis op en volg Jesus. (Matth. 16)

Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te hoeren ; Gaat n eg van mij, gij vervloekten ! in het eeuwige vmir. (Matth. 25)

Zij toch die thans gaarne het woord des kruisen hooren en volgen, zullen dan niet te vreezen hebbeu voor het woord der eeuwige verdoemenis.

Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn, wanneer de Heer ten oordeele komt.

Dan zullen iil de dienaren des kruisen , die zich in hun leven den Gekruiste hebben gelijkvormig gemaakt, tot Christus, den Rechter, met groot vertrouwen naderen.

3. Wat vreest gij dan het kruis op te nemen, daar het ten rijkszetel voert?

In het kruis is heil, in het kruis het leven, in het krnis bescherming tegen de vijanden, in het kruis overv\'oed van htmelschen troost, in het kruis zielskracht, in het kruis geestesvreugde, in het kruis het toppuct der deugd , in het kr\'i\'s , de volmnking der heiligheid.

Er is geen heil voor de ziel noch hoop op het- eeuwig leven, dau in het kruis.

Neem dan uw kruis op en volg Jesus, en gij zult tot het eeuwige leven gaan.

Hij ging voor , torsende zijn kruis, en is voor u aim het kruis gestorven, opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en trachten aan het kruis te sterven.

Want zijt gij met Hem gestorven, gq zult

-ocr page 197-

TWEED13 BOEK.

ook met Hem leven, en zijt quot;rij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult het ook van zijne heerlijkheid wezen.

8. Zie, alles is in het kruis opgesloten en alles bestaat in het sterven.

Er is geen andere weg tot het leven en tot den waren invvendigen vrede, dan de weg van het heilige kruis en eener dagelijksche versterving.

Ga werwaarts gij wilt, zoek wat gij wilt, gij zult boven u geen hoogeren, noch beneden u eenen veiliger weg vinden, dan dien van het heilige kruis.

Beschik en regel alles naar uwen wil en goed-diniken, en gij zult bevinden dat gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, en dus zult gÖ immer een kruis aantreffen.

Of gij zult in het lichaam smart gevoelen, ot naar de ziel geesteskwelling lijden.

4. Somtijds zult gij van God verlaten, somtijds door uwen naaste geplaagd worden , en wal nog erger is, gij zult dikwijls uzelven tot last zijn.

Nochtans zult gij door geenerlei middel noch troost kunnen verlost of verlicht worden, maar zoolang God het wil, zult gij het moeten dragen.

Want God wil dat gij smart zonder troost leert lijden, en dat gij u geheel aan Hem onderwerpt , en dat gij door lijden nederiger wordt.

Niemand gevoelt zoo hartelijk het lijden van Christus, als hij wien het te beurt viel iets dergelijks te lijden.

Er is alzoo altoos een kluis gereed en het wacht u overal op.

Gij knnt het niet ontvluchten werwaarts gij

13

193

-ocr page 198-

194 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

loopt; wanf^ waar gij komt gij draagt uzelven mede en vfcidt uzelVen overal.

Wend u naar boven, wend n naar beneden, wend u naar buiten; wend u naar binnen, overal vindt gij het kruis en overal moet gij geduld oefénen, wilt gij innerlijk vrede hebben en de eeuwige kroon verdienen.

5. Zoo gij uw kruis gewillig draagt, het zal ook u dragen en ten gewenschten einde brengen , waar namelijk het lijden eindigen zal, ofschoon het niet hier zal wezen.

Draagt gg het onwillig, gij maakt u eenen last en bezwaart uzelven te meer, en toch moet gij het dragen.

Werpt gij een kruis van u af, gij zult ongetwijfeld een ander en wellicht zwaarder vinden.

6. Denkt gij te ontwijken wat geen sterveling heeft kunnen ontgaan ?

Welk heilige is op aarde zonder kruis en lijden geweest ?

Zelfs immers is Jesus Christus, onze Heer, zoolang hij leefde, geen uur zonder lijdenssmart geweest. Be Christus moest lijden zeide Hij, en van de dooden opstaan en alzoo ingaan in zijne heerlijkheid. (Luc. 24)

Hoe zoekt gij dan eenen anderen weg, dan dezen koninklijken weg, den weg des heiligen kruisen P

7. Het geheele leven van Christus was kruis en marteling, en gij zoekt voor u rust en vreugde?

Gij dwaalt, gij dwaalt, zoo gij iets anders zoekt dan tegenspoed te lijden ; want dit geheele sterfelijk leven is vol ellenden eu met kruisen omringd.

En hoe meer iemand in het geestelijk leven

-ocr page 199-

TWEEDE BOÈK.

gevorderd is, hoe zwaarder kruisen hij dikwijls vindt : want de ellende zijner ballingschap neemt toe naar zijne liefde.

Nochtans is deze zoo veel geplaagde niet zonder opbeurenden troost: want naarmate hij zijn kruis draagt, gevoelt hij de heerlijkste vruchten ervan toenemen.

Want daar hij zich gewillig daaraau onderwerpt , gaat ook al de last des lijdens in vertrouwen op den goddelijkeu troost over.

En hoe meer het vleesch door het lijden verzwakt wordt, te meer wordt de geest door de inwendige genade versterkt.

Ja somtijds wordt men door den lust tot ramp en tegenspoed, uit zucht naar gelijkvormigheid aan het kruis van Christus zoodanig versterkt, dat men niet zonder smart of lijden zoude willen leven ; daar men \'gelooft dat men zich te meer bij God aangenaam maakt, hoe meerder en zwaarder last men om zijnentwil kan dragen.

quot;Dit is niet het werk des menschen maar der genade van Christus, die op het booze vleesch zoo veel vermag en uitwerkt, dat het met ijver des geestes aangrijpt en bemint, hetgeen \'t van nature altoos haat en vlucht.

9. Het is den mensch niet eigen het kruis te dragen, het kruis te beminnen , het lichaam te tuchtigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zich-zelven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tegenheden en verliezen te lijden , en naar geenerlei voorspoed op deze wereld te verlangen.

195

-ocr page 200-

196 BE NAVOLGING VAN JESUS CHKISTUS.

Indien gij op u zeiven ziet, zult gij niets van dat alles vermogen.

Maar vertrouwt gij op den Heer, dan zal u de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.

Zelfs den vijand, den duivel, zult gö niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend , en met het kruis van Christus geteekend zijt.

10. Bereid u dan, als een goed en getrouw dienaar van Christus, om het kruis uws Hee-rer. ,uit liefde voor u gekruist, moedig te dra-

Sen-

Bereid u om in dit ellendige leven velerlei tegenheden en allerhande ongemakken te verdragen : want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen, en gij zult het dus in waarheid bevinden waar gij u ook versehuilt.

Het moet zoo zijn ; en er is geen middel om den druk der rampen en smarten te ontgaan dan die te verdragen.

Drink met blijdschap den kelk des Heeren, indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hem hebben.

Laat het troosten aan God over; Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.

11. Wat u betreft, zet u tot het verdragen van tegenheden en stel daarin uwen grootsten troost: ■want het lijden van dezen tijd is niet te achten om te verdienen de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard, (2. Cor. 12) al komlet gij het ook alles alleen verdragen.

Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat de tegenspoed u zoet is en om Christus wil wél smaakt, denk dan dat het met u wel is; want gij hebt op aarde een parades gevonden.

-ocr page 201-

TWEEDE BOEK.

12. Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan, zoolang zal het met u kwalijk zijn , en het lijden dat gij vlucht zal u overal volgi n.

Schikt gij u, waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zelfversterving, zoo zal het ras beter worden en gij zult vrede vinden.

Al waart gij met Paulus tot in den derden hemel opgevoerd, gij zoudt daarom niet verzekerd zijn van niets tegenstrijdigs te lijden. Ik zal hem, zegt Jesus, loonen hoeveel hij om mijnen naam. moet lijden. (Act. 9.)

Lijden moet gij dus zoo gij Jesus bemiuueu en Hem voor altoos dienen wilt.

13. O, mocht gij waardig zijn iets voorden naam van Jesus te lijden ! Welk eene groote glorie zoude u wachten, welke vreugde zoude het voor alle Gods Heiligen en welk eene stichting voor uw evenmensch zijn 1

Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon weinigen slechts willen Ijjden.

Terecht behoordet gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.

14. Houd het voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft, te meer begint hij voor God te leven.

Niemand is bekwaam om het hemelsche te bevatten, tenzij hij zich onderwerpe aan het dragen van rampen om Christus\' wille.

Niets is aangenamer aan God , niets u heilzamer op deze wereld dan gewillig voor Christus te lijden.

Ja zoo gij te kiezen hadt, moest gij liever

197

-ocr page 202-

198 DF. NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

wenschen voor Cbristus rampen te lijden, dan door velerlei troost verkwikt te worden : want zoo zoudt gij meer geljjk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.

Want onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en troost gelegen, maar eerder in het dragen van groote moeielijkheden en rampen.

15.. Ware er iets beters en lieilzamers voor den mensch dan te lijden, zeker zoude Christus dat door leer en voorbeeld aangewezen hebben.

Maar Hij vermaant zijne leerlingen die Hem volgden, en allen die Hem willen volgen, uitdrukkelijk om hun kruis te dragen zeggende : Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloocliene zich-zelven, neme zijn kruis op en volgeMij. (Matth. 16.)

Na alles dan wèl doorlezen en onderzocht te hebben zij dit eindelijk het besluit; Wij moeien door vele verdrukkingen Ingaan in het rijk Gods. (Act. 14.)

OEFENING

Kan men de wonderbare voordeden van het kruis en de groote verdiensten van den druk en het lijden, die de schrijver hier aanhaalt, lezen , gelooven en doordringen , zonder opgewekt te worden om de wederwaardigheden van de \'hand en het hart van Jesns Christus te ontvangen , en zich te onderwerpen om te lijden al wat Hij zal willen en zooveel Hij zal willen P Veel lijden en wél lijden is trouwens een volstrekt noodzakelijk middel om zalig te worden, en het gevoeligste en krachtigste uitwerksel van Gods goedheid jegens u, die ons de tijdelijke kwellingen overzendt, om ons van de eeuwige

-ocr page 203-

TWEEUE BOEK.

te bevrijden! Het is, volgens den H. Paulua, een zichtbaar kentecken van eenen voorbeschikte , gelijkvormig aan Jesus Christus te wezen, dat is te zeggen, aan eenen verootmoedigden , vervolgden en lijdenden God; het is zich zijn glorierijk leven waardig maken, met deel te nemen in zijn lijdend leven ; het is de pijn, welko men voor zijne zonden schuldig is, uit-wisschen, door eene volmaakte oefening van boetvaardigheid; het is het hart van Jesus Christus winnen , zijne liefde verdienen, Hem wreken en ons straffen, Hem eeren door onze vernedering , en zijn welbehagen voor onze voldoening stellen. Is dit alles niet geschikt om den Christen in zijne kwellingen te troosten en hem aan te moedigen wtl te lijden ? Zeg dan lijdende, om icd te mogen lijden: de hel, die ik verdiend heb , is schrikkclijker dan al wat ik kan lijden; mijn Zaligmaker heeft veel meer dan ik geleden, en het Paradijs is zeker wel eenig lijden waard.

GEBED.

Tot hiertoe, o God ! ik moet het bekennen, verklaarde ik mij als vijand van het kruis. Het had voor mij iets verschrikkelijks ; daarom wilde ik het ontvluchten, en ik ellendige zag daardoor den last meer en meer toenemen. Doe mij verstandiger worden. Neen, er is geen andere weg des heils voor mij, dan die des kruisen. Laat mij dien weg dan moedig betreden en uwen Zoon, mijnen grooten Meester navolgen, die voor mij aan het kruis gestorven is. Amen.

199

-ocr page 204-

Jiiü imiTü,

DERDE BOEK.

Over de inwendige vertroosting.

EEESTE HOOFDSTUK.

Over het inwendige onderhoud van Christus met de geloovige ziel.

1. De Geloovige. Ik zal hooren naar hetgeen de Eeere God in mij spreken zal (P.s. 84.)

De Heee. Zalig de ziel die naar den Heere hoort als hij in haar spreekt, en uit Zijn mond het woord van troost ontvangt!

Zalig de ooren die het gefluister van het god-delgk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen !

Ja wel zalig de ooren die niet luisteren naar de stem welke daar buiten klinkt, maar naar de waarheid die van binnen leert!

Zalig zjjn de oogen die voor het uitwendige gesloten, maar op het inwendige gevestigd zijn !

-ocr page 205-

derde boek.

Zalig zij die tot het binnenste doordringen en zich, door dagelijksche oefeningen , meer ea meer trachten bekwaam te maken tot het bevatten der hemelsche verborgenheden !

Zalig zij die vurig verlangen met God om te gaan en zich van alle hindernis der wereld ontdoen !

2. De Gelooviöe. Let hierop, rajjne ziel! en slnit de deuren uwer zinnelijkheid; opdat gij hooren moogt naar hetgeen de Heer uw God in u spreekt.

De Heer. Dit ^egt uw Geliefde : Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven.

Houd u aan Mij en gij zult vrede vinden.

Laat al het vergankelijke daar, zoek het eeuwige.

Wat is al het tijdelijke tenzij verleiding? En wat baten al de schepselen, zoo gij van den Schepper verlaten zyt ?

Alles dan verlatende, maak u behagelijk en getrouw aan uwen Schepper; opdat gij het ware geluk moogt verwerven.

oefening.

De ziel bereidt zich wel om te aanhooren, het-gene den Heer haar inwendig zegt, als zij in da eenzaamheid, in stilzwijgendheid en gebed leeft, niet meer verlangt dan alleen met haren God te wezen, en als zij Hem in zich door een levend en eerbiedig geloof zoekt; als zij aandachtig en getrouw is aan de bewegingen zijner genaden, aan den indruk zijner tegenwoordigheid , en aan de betrachting zijner liefde. Derhalve, eenen aandachtigen geest hebbende en eene getrouwe liefde, den geest aandachtig op hetgene

201

-ocr page 206-

202 DE NAVOLGING VAN JESUS CH1USTDS.

God vau ons begeert, en het besluit in het hart van hetzelve te doen, dit is zich krachtdadig voorbereiden om God te aanhooren, en om die in de innigste mededeeling van zijnen geest te ontvangen. God spreekt onophoudelijk tot ons door zijne ingevingen en de heilige voornemens , die Hij ons geeft om onszelven te versterven en voor Hem alleen te doen leven. Maar wjj luisteren naar Hem niet, of wij luisteren alleen in het voorbijgaan : en onze ziel, geheel door de zinnen verslonden, geheel door hare driften ontroerd en met uitwendige zaken bezig, maakt zich ongeschikt en onwaardig om de inwendige werkingen van God te gevoelen. Men moet dan den geest een besluit doen nemen , van weinig aan de schepselen te denken en van hen te spreken, van het stilzwijgen en de eenzaamheid te beminnen, van onze ziel met de tegenwoordigheid Gods, en ons hart met z\\jne liefde te voeden, en van in al!es voor Hem en onder Zijne oogen te werken, om een inwendigen mensch te worden, die uit en voor God leeft, gelijk ieder Christen moei doen om zalig te worden.

GEBED.

Ja wel gelukkig hij, mijn God! die zijn hart voor den zaligen invloed uwer goddelijke inspraak open houdt! Gelukkig hij, die naar uwe stem hoort en de leiding uwer genade volgt! Hoe veel bezit zulk een, waarvan hij de waarde nimmer beseffen kan! Niets van al het aardsche is daarbij iets te achten. Laat ook mij dat geluk ontwaren. Woon Gy bij mij , en maak mijn hart vatbaar voor den invloed van uwe ver-

-ocr page 207-

derde boek.

troostende stem. Gij zijt miju heil, vrude en leven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dc Waarheid spreekt in ons zonder rjeluid van woorden.

1. DeGkloovige. Spreek, o Heer! uk dienaar hoort. ( 1 Reg. 3.) Ik hen uk dienaar ; geef mij verstand, opdat ik uwe getuigenissen kenne. (Ps. 118.)

Neig mijn hart tot de rooorden uws nionds ; (Ib.) dat uwe rede als de morgendauw vloeie.

Weleer zeiden Israëls kinderen tot Mozes : spreek gij tot ons, en wij zidlen hooren; maar dat God tot ons niet spreke opdat wij niet sterven. (Exod. 20.)

Niet alzoo, o Heer! niet alzoo bid ik ; liever smeek ik met den Proleet Samuël ootmoedig en vurig : spreek, o Heer ! want uw dienaar hoort.

Dat niet Mozes uoeli een der Profeten tot mij spreke, maar spreek Gij liever, Heere God! ingever en verlicliter van al de Profeten : want Gij alleen kunt mij zonder hen volkomen onderrichten, terwijl zij zonder U niets vermogen.

2. Woorden kunnen zij wel doen klinken; maar den geest scheuken zij niet.

Zij spreken voortreffelijk; maar zwijgt Gij, zij ontvlammen het hart niet.

Zij geven letters, maar Gjj ontvouwt den zin.

Zij dragen geheimenissen voor, maar Gij doet de beteekenis van het beteekönde vatten.

Zij maken de geboden bekend, maar Gjj helpt die volbrengen.

203

-ocr page 208-

204 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

Zij wijzen den weg, maar Gij sterkt om dien te bewandelen.

Zij werken sleelits van buiten, maar Gij onderricht en verlicht het hart.

Zij begieten uitwendig, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.

Zij spreken luid door woorden, maar Gij geeft aan het gehoor het begrip.

3. Dat dan niet Mozes tot mij spreke, maar Gij, Heere mijn God! de eeuwige waarheid, opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve , als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.

Opdat het mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en niet gedaan, gekend en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben.

Spreek Gij dan, o Heer ! want uw dienaar hoort, en Gij hebt de woorden des eewoiaen levens. (Joan. 6.)

Spreek Gij tot mij tot eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijnen geheelen wandel, U tot lof en roem en eeuwige eer.

OEFENING.

God spreekt tot den geest door zijn licht, en tot het hart door zijne ingevingen. Alles, wat ons de Profeten zeggen door het lezen van de Heilige Schrift, en de predikers door de waarheden, welke zij ons verkondigen, dit alles overtuigt geentju geest, noch raakt een hart, indien God niet tevens door zijne genade tot hem spreekt. Men moet dan den Heer bidden dat Hij tot ons inwendig spreke, als wij uitwendig de heilige waarheden hooren verkondigen of ze lezen ; uit vrees van voor zijne oogen nog plich-

-ocr page 209-

berde boek.

tiger te worden, indien wij het woord Gods aan-liooren , zonder het te onderhouden ; als wij de waarhtden kennen, zonder ze te volgen ; als wij zijnen wil kennen, zonder dien te volbrengen.

GEBED.

Ja spreek Gij tot mij, o God! en dat alle schepselen zwegen! Spreek tot mijne ziel ; maak haar uwen heiligen wil bekend en geef haar de kracht om dien te volbrengen. Wat toch baat mij uwe Heilige Schrift, zoo G^j mij niet daarvan den zin opent? Gij, Gij alleen onderricht den geest, ontvlamt het hart en sterkt den gang. Daarom spreek Gij, o Heer ! uwr dienaar hoort. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; Gij zijt mijn licht en sterkte.

DERDE HOOFDSTUK.

Het woord Gods moet wet ootmoed gehoord Korden: velen nemen het niet ter harte.

1. De Heek. Mijn zoon ! hoor naar mijne woorden; woorden vol lieflijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden en wijzen dezer wereld.

Mijne woorden zijn geest en leven (Joan. 6), en mogen niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.

Ook msg men daarin geen ijdel behagen zoeken, maar men moet ze in stilte aanhooren en met allen ootmoed en groote liefde opnemen.

2. De Geloovige. Gelukkig is hij, o Heer ! dun Gij onderricht en uwe wet leert om htm in bange dagen te verkwikken (Ps. 93), en opdat hij niet op aarde verlaten zij.

205

-ocr page 210-

206 de navolging van je3us christüs.

3. T)e Heer. Ik teb van den beginne af de Profeten onderwezen en tot nu toe koude ik niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijne stem en verliard.

Velen hooren liever de wereld dan God, en volgen liever de lusten huns vleesches dan het welbehagen Gods.

De wereld belooft het tijdelijke en geringe eu wordt met grooten ijver gediend : ik beloof het hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud.

Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede men de wereld en hare hee-ren dient ?

Bloos, o Sidon / zegt de zee. (Is. 23.) En vraagt gij de reden, hoor, zij is deze :

Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; voor het eeuwige leven willen velen nauwlijks een voet van den grond oplichten.

Men streeft naar een slecht gewin; om een stuk gelds wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en eene beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.

4. Maar, o schande! voor een onvergankelijk goed, voor een onwaardeerbaren prys, voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doen!

Bloos dan, traag en klaagziek dienstknecht! daar genen ijveriger tot hun verderf dan gij ten leven bevonden wordt.

Zij smaken meer vreugde bij de ijdelheid dan gij bij de waarheid.

En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op Mij betrouwen ledig wegzendt.

-ocr page 211-

derde boek.

Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mjjne liefde getrouw blijve ten einde toe.

Ik ben het die alle braven beloon. Ik, die de vromen sterk beproef.

5. Schrijf m^jne woorden in uw hart en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring zullen zjj zeer noodzakelijk zijn.

Wat gij bij het lezen niet verstaat j zult gij begrijpen ten dage van mjjn bezoek.

Ik pleeg mijn uitverkorenen op tweederlei wijze te bezoeken, door beproeving namelijk en vertroosting.

Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, de eene door hun gebreken te berispen, de andere door hen op te wekken tot voortgang in de deugd.

Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt, heeft een\' die hem vonnissen zal ten jongsten dage.

6. De Geloovige. Heere mijn God! al mijn goed zijt Gij. En wie ben ik dat ik tot U durf spreken ? Ik ben uw armste dienstknecht en een nietig aardworm , veel armer en verachtelijker dan ik weet of zeggen durf.

Gedenk toch, o Heer! dat ik niets ben, niets heb en niets vermag.

Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig. Gij vermoogt alles, Gij geeft alles, Gij vervult alles, den zondaar alleen ledig latende.

Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade; Gij die uwe werken niet ledig wilt laten.

7. Hoe zal ik in dit ellendig leven den last van mijzelven dragen, als uwe ontferming en genade mij niet ondersteunen ?

207

-ocr page 212-

308 DE NAVOLGING VAN JESUS CHIIISTU3.

Wend uw aanschijn niet van mij af; wil uw bezoek niet uitstellen; wil mg uwen troost niet onttrekken , opdat mijne ziel voor U niet worde als een land zonder Kater. (Ps. 142)

Heer! leer mij uwen teil doen, (Ib.) leer mij voor U waardig en in ootmoed wandelen.

Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend hebt, voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.

OEFENING.

Het is verwonderlijk te zien, hoe veel eene ijdele en bedrieglijke hoop aan de menschen voor een tijdelijk en vergankelijk goed doet ondernemen, en het weinige dat eene vaste en zekere hoop, gegrond op het woord van God zeken, aan de Christenen voor een geestelijk eeuwig goed doet ondernemen. Het vooruitzicht van eenig belang, en de hoop van eenige goederen te winnen, hoe onzeker ook, moedigt alle harten aan, behaagt ons zeer, droogt alle tranen af en ondersteunt ons in alle moeilijkheden; en men acht zich voor zijnen arbeid wel beloond , als men de eer behaald, het vermaak genoten of het goed bekomen heeft, hetwelk men verlangde. Er is niets dan de hoop op het pnradijs en het vooruitzicht van een eeuwig geluk, hetwelk door het geduld en door de goede werken kan verdiend worden, hetgeen niemand aanmoedigt, ondersteunt, noch troost; en men is alzoo neerslachtig en moedeloos op het aanzien van den hemel, dien men kan winnen met te trachten wel te Ifden, alsof de hemel niets ware. Hoe komt dit ? Het is, omdat men te veel verkleefd-

-ocr page 213-

derde boek.

Leid voor de tegenwoordige zaken, en te veel onverschilligheid voor de toekomende heeft; en die zwakheid van onze hoop komt uit de kwijning van ons geloof voort.

GEBED.

Beschamend, o God! is voor mij deze overweging. Een verkeerde geest die mij zoo vaak bezielt, belet uwe woorden toegang tot mijn hart, dat zich ook meer genegen toont om der wereld gehoor te geven en zich aan haar te verbinden. Mocht deze verblindheid ophouden, en ik mjjn zelfbedrog ontwaren ! Doe mij de wereld in hare ware gedaante beschouwen. Dit zal genoeg zijn om haar mjjn hart te ontrukken en het tot U over te brengen, die alleen het kunt bevredigen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen.

1. De Heek. Zoon! wandel voor Mij in waarheid en zoek mij altoos in de eenvoudigheid uws harten.

Wie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen booze aanvallen beveiligd zijn, en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den laster der kwaadwilligen.

Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ijdele woorden der menschen geen acht geven.

2. De Geloovige. Heer! het is gelijk Gij zegt; dat, bid ik, mij dus geschiede; dat uwe

14

209

-ocr page 214-

210 DE NAVOLGING VAN JESUS CHBISTD3.

waarheid mij leere, dat zij mij beware en tot een heilzaam einde behoude.

Dat zij mij vrij make van alle kwade neiging en ongerrtgelde verkleefdheid; dan zal ik mst TJ in groote vrijheid des harten wandelen.

3. De Hrer. Ik, zegt de Waarheid, zal u leeren wat recht en mij behagelijk is.

Overweeg mei een groot mishagen en droefheid uwe zonden, en acht n nooit iets te zijn om uwe goede werken.

Inderdaad, gij zijt een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.

Uit nzelven helt gij altoos over tot het niet; spoedig valt gij, spoedig wordt gij overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigt.

Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarover gij u moet vernederen : want gij zijt veel zwakker dan gij bevatten kunt.

4. Van alles dan wat gij doet, schijne u niets groot : houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- of roemenswaardig; want niets is verheven, niets waarlijk prijzenswaardig en begeerlijk dan hetgeen eeuwig is.

Dat de eeuwige waarheid u boven alles be-hage, uwe overgroote onwaardigheid u steeds mishage.

Vrees, veracht en vlucbt niets zoo zeer als uwe gebreken en zonden, waarvan gij meer afkeer moet hebben dan van aller zaken verlies.

Sommigen wandelen voor Mij niet oprecht; maar, door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijne verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zichzelven en hun heil verwaarloozen.

Dezen, daar Ik Mg tegen hen stel, vallen

-ocr page 215-

DERDE BOEK.

dikwijls door hoogmoed en nieuwsgieriglieM in groote bekoringen en zonden.

5. Gjj, vrees Gods oordeelen, sidder voor diii toorn des Almachtigeu.

Wil niet de werken des Allerhoogsteu bïior-deeleu ; maar doorzoek uwe ongerechtigheden , in hoeveel gij misdaan, en hoeveel goeds gij verzuimd hebt.

Sommigen stellen hunne godsvrucht alleen in boeken, sommigen in beelden, anderen in uitwendige teekenen en vormen.

Sommigen hebben Mij in den mond, maar weinigen in het hart.

Er zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd , altoos naar het eeuwige hijgen : zij willen nauwelijks van het airdsohe hooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur.

En deze gevoelen wat de geest der waarheid in hen spreekt.

Want hij leert hen \'t aardsche versmaden en \'t hemelsche beminnen, de wereld veronachtzamen en dag en nacht onophoudelijk naar deu hemel verlangen.

OEFENING.

Niets zal u beter doen beseffen wat Gij zijt, dan het gevoelen uwer ellenden. Even als gij niets dan neiging tot het kwaad gevoelt, zoo moet gij u door geene gevoelens van ijdelheid of welbehagen verheffen. Gelukkig eeneziel, die zich tracht te kennen, en weet te zuchten over al de zwakheden, ellenden en ongeregelde neigingen, die zij in zich vindt! Want dit is het, wat haar aan God onderwerpt, wat haar dringt dik-

811

-ocr page 216-

212 de navolging van jesus christus.

wijls tot Hem hare toevlucht te nemen en zich onder zijne almogende hand te vernederen. Het is dat onophoudelijk gevaar, waarin zfl zich bevindt, van onder de bekoringen te bezwijken , hetgene zooveel voortbrengt, dat zij , ten opzichte van God zich in eenen staat van gedurige afhankelijkheid en van eene oprechte en volstandige ontblooting behoudt. Maak van nu af het voornemen , alle beproevingen, welke Hjj u zal overzenden, van Gods hand te aanvaarden, zijne inzichten te volbrengen, en u aan zijn welbehagen te onderwerpen.

GEBED.

Dierbare Heiland ! Vriend der oprechten en eenvoitdigen van harte ! mocht ik zoo gelukkig zijn onder het aantal dezer uwer uitverkorenen te behooren, en mijn hart de krachtige inspraak uwer eeuwige waarheid gevoelen ! Dan zoude ik mij licht boven al het zinnelijke kunnen verheffen, mijn hart beter leeren kennen en mtj mijne verbetering meer aantrekken. Dat het toch eens daartoe kome. Uwe waarheid zij mfine geleidster, zij brenge mij tot een eeuwig zalig leven !

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de toonderhare werking der goddelijke liefde.

1. De Gbloovige. Ik zegen U, o hemelsche Vader! Vader van mijnen fleer .Tesus Christus ! dat Gij U verwaardigd hebt mij arme te gedenken.

-ocr page 217-

dekde boek.

o Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting! U zij dank dat Gij mi}, allen troost onwaardige, nu en dan met uwen troost verkwikt.

U zegen ik en verheerlijk u met uwen eenig-geboren Zoon en den Heiligen Geest, den Trooster, in de eeuwen der eeuwen.

o Heere God! mijn heilige minnaar! wanneer Gij komt in mijn hart, dan zal alles wat in mij is zich verheugen.

Gij zijt mijn roem en de vreugde mijns harten; Gij zijt mijn hoop en toevlucht ten tijde mijner benauwdheid.

2. Maar omdat ik in de liefde nog zwak ben en in de deugd onvolmaakt , daarom behoef ik volstrekt door U versterkt en getroost te worden.

Bezoek mij dan dikwijls en onderwijs mij in uwe heilige leeringen.

Bevrijd mij van kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingen; opdat ik, van binnen genezen en wèl gereinigd, bekwaam worde om U te beminnen, sterk om te lijden en standvastig om te volharden.

3. De Heer. de liefde is iets groots , een zeer groot goed.

Zij allen maakt licht al wat zwaar is, en draagt al het ongelijke gelijkelijk.

Want zij draagt den last zonder last, en maakt al het bittere zoet en smakelijk.

De liefde tot Jesus is edelmoedig, drijft tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.

De liefde streeft naar boven en laat zich door niets laags wederhouden.

De liefde wil vrij zijn en van alle wereldsche

21a

-ocr page 218-

21-i Dü NAVOLGING VAN JESTJS CHKISHIS.

gehechtheid oiitheven, opdat haar inneilijke blik niet verhinderd worde, opdat zij om gee-iierlei tijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwgke.

Er is niets zoeter dan de liefde, niets krachtiger , niets verhevener, niets uitgebreider, niets genoegelijker, niets vollediger, niets beter in hemel en op aarde

W ant de liefde is uit God geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.

4. Wie bemint, loopt, vliegt en is verheugd; hij is vrij en wordt niet wederhouden.

Hij geeft alles voor alles en heeft alles in alles, dewijl hij boven alles in het eenige hoogste rust, uit helwtik alle goed vloeit en voortkomt.

y.iet niet op giften, maar wendt zich boven alle goederen , tot den gever.

De liefde kent dikwijls geene maat, maar brandt bove alle mate.

De liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid; zij tracht naar meer dan zij vermag, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat baar alles mogelijk en geoorloofd is.

Zij is dus tot alles in staat; z\\j volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, te kort schiet en bezwijkt.

5. De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.

Yeimceid , is zij niet afgemat; geprangd, wordt Z5 niet ingedrukt; verschrikt, ontsteld zij zich nitt; maar gelijk een levende vlam en brandende tootts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.

Wie bemint weet wat deze stem roept. Ook is het een sterk geroep in het oor van God,

-ocr page 219-

derde boek.

wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept: Mijn God! mijne liefde! G\\j geheel de mijne, ik geheel de uwe.

6. De geloovige. Bereid in mij de liefde uit, opdat ik met den inwendigen mond des harten leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te smelten en te zwemmen!

Mccht ik door liefde zoo bevangen worden , dat ik door haar gloed en overmaat boven mij-zelven vervoerd werd!

Mocht ik het lied der liefde zingen en U , mijn Geliefde! in de hoogte volgen; mocht mjjne van liefde juichende ziel onder uwen lof bezwijken!

Mccht ik U meer dan mijzelven beminnen en mijzelven alleen om U, en in U allen die TI waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde van U afkomstig, gebiedt!

7. De Heeb. De liefde is vlug, ongeveinsd, vroom, becallig en aangenaam, sterk , geduldig, getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zichzelve zoekende , want waar iemand zichzelven zoekt daar valt de liefde weg.

De liefde is omzichtig, nederig en oprecht, niet lafhartig, niet lichtzinnig noch opijdelheden bedacht, ingetogen, kuisch, bestendig , bedaard en wachthoudende over alle zinnen.

De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten, in haar eigen oog gering en ongeacht, Gode gewijd en dankbaar, altoos hopende en vertrouwende op Hem , ook als zij voor God geen smaak gevoelt; want zonder smart leeft men in de liefde niet.

8. Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te schikken , verdient den naam van minnaar niet.

315

-ocr page 220-

216 \' DE NAVOLamp;ING VAN JESUS CHRISTUS.

Een minnaar behoort zich gaarne om zijnen geliefde al het harde en bittere te getroosten, en door geene voorvallende tegenheden van hem te laten aftrekken.

OEFENING.

Wie zal ooit de wonderbare uitwerkingen der liefde Gods in eene ziel, die aan hare indrukken en beproevingen getrouw is , kunnen begrijpen en uitleggen? Het is beter ze te gevoelen dan te bespreken, en het is volmaakter ze in het werk te stellen dan die te gevoelen. Wat werkt de liefde Gods niet uit, als zij levend, sterk en volledig is in eene ziel, die door de schoonheden en goedheden van haren Schepper is ingenomen, en door de vurigheid van zijne heilige liefde bezield? Zij denkt dikwijls aan Hem, want men kan niet vergeten wat men bemint; zij onderneemt alles om Hem te behagen; zij verdraagt alles om zijne liefde, zjj vermijdt zorgvuldig de lichte onvrijwillige gebreken : want hoe kan men God beminnen en Hem willen mishagen ? Zij wenscht den Heere alle goed wat hij bezit en wat hij is; zij zou willen, dat al de harten der menschen maar een hart waren, en dat dit éene hart van eenen seraf ware; zij verblijdt zich over al den lof en de eer, die Hem in den hemel en op de aarde gegeven wordt; zij noodigt alle schepselen uit om Hem te beminnen en te loven, zij zou Hem met verlies van haar leven, en van haar wezen zelfs, eene vermeerdering vau geluk der voldoening willen bezorgen, indien dit konde wezen; zij kan zich over Zijn verlies niet troosten ; zij zucht onophoudelijk uaar het geluk van Hem te aanschouwen; zij aanziet het leven als

-ocr page 221-

BERDE BOEK.

eene ballingschap, welke de wil alleen van haren God voor haar verdraaglijk maakt; zij aanziet met vreugd den dood als het eenig middel om Hem te bezitten en Hem nooit meer te vergrammen ; zij brandt door een geheim, hevig en gloeiend vuur, dat haar in Gods tegenwoordigheid , in en voor God verteert; zij behoort aan zich r.elve niet meer, maar aan Hem dien zij meer dan zichzelve bemint; zij zoekt, zij vindt, zij ziet overal haren God; hare vreugde en haar geluk in deze wereld is : te lijden, zich te vernederen , zichzelve te verzaken, zich te versterven, en aan alles wat zinnelgk is te sterven , om het hart van haren God te winnen. Zjj gelooft, zij hoopt, zij bemint ten hoogste, door den eerbied , de achting en verkleefdheid, die zij voor den bewerker van haar geloof, van hare hoop en van hare liefde heeft. God bestaat, zegt zij, en dat is genoeg voor mjjn geluk, voor mijnen troost en voor mjjne blijdschap. God verdient dat men Hem diene; Hij wil dat ik dit of dat voor Hem doe en lijde; Jesus Christus heeft het wel voor mij gedaan en geleden : ziedaar de beweegredenen, die haar doet werken en lijden. Zij houdt zich niet tevreden met zich in alles aan Gods geboden te onderwerpen, maar volgt nog zijne genegenheden in, en rekent het zich tot eene wet zijn welbehagen te volbrengen. Kortom, eene ziel, die haren God bemint, leeft niet meer, maar God leeft in haar.

GEBED.

Kan ik U, o God der liefde! wel te dikwijls om liefde bidden, daar van haar mijne volmaaktheid en zaligheid afhangen? Mocht ik zoo gelukkig

217

-ocr page 222-

S18 de navolging van jesus christus.

zijn de ware liefde te kennen en haren krach-tigen invloed te ontwaren ! Mochten de echte kenmerken daarvan zich meer en meer bij mq vertoonen; welk een groot, onwaardeerbaar goed zoude ik bezitten ! God der liefde! stort mij eene reine, alles overtreffende liefde in. Wees Gij de mijne, en ik zij de uwe, eeuwig de uwe , alleen de uwe.

ZESDE HOOEDSTUK.

Odkt den toetssteen der ware liefde.

1. De Heer.. M^jn zoon! gij zijt uog geen sterk en welberaden minnaar.

2. De Geloovige. Waarom, Heer?

3. De HEtE. Omdat gij wegens eeue geringe tegenheid uw opzet laat varen en te gretig naar vertroosting omziet.

E6u sterk minnaar staat pal bij de bekoringen eu slaat aan des vjjands listige ingevingen geen geloof. Gelijk Ik hem behaag in voorspoed, zoo mishaag Ik hem niet in tegenspoed.

4. Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gifte als op des gevers liefde.

Hij hecht meer aan het hart dan aan het geschenk, en hij stelt al de gaven beneden den beminde.

Een edelmoedig minnaar berust niet in het geschenk, maar in Mij boven alle geschenken.

5. Daarom is alles niet verloren, al gevoelt gij u eens jegens Mij of mijne Heiligen minder welgezind dau gij wenschtet.

Die goede en liefelijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel der aanwezige genade cn zekere voorsmaak van het

-ocr page 223-

DERDE BOEK.

hcmclsch vaderland, doch waarop gij niet te veel nr.oogt steunen : want zij gaat, en zij komt.

Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten , en de ingevingen des Satans te verachten, is een teeken van deugd en groote verdienste.

6. Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen, omtrent welke zaak ook ontstaan.

Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot God gericht.

Ook is het geen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd en aanstonds tot de gewone ongeremdheden des harten wederkeert : w ant dezen lijdt gij meer tegen uwen ziu dan dat gij ze bewerkt. En zoo lang zij u mishagen en \'gij tegenstreeft, strekken ze u tot verdienste en niet tot schade.

7. Weet dat de oude vijand op allerlei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trekken ; namelijk van de vercering der Heiligen , van de zalige overweging mijns lijdens, van de zoo nuttige herinnering uwer zonden, van de werkzaamheden over uw eigen hart en van het vast voornemen om in de deugd voort te gaan.

Daarom dringt hij u vele kwade gedachten op om u verdriet en afgrijzen te veroorzaken, ten einde u van het gebed en het godvruchtig lezen af te leiden.

Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuldbelijdenis. Ja indien hij konde, hij zoude u »an \'s Heeren tafel afhouden.

Geloof hem niet noch stoor u aan hem, hoe dikwijls ook hg u zijne bedriegelijke strikken spanne.

219

-ocr page 224-

220 DE NAVOLGING VAN JSSUS CHEIJTÜS.

Werp ze hem met verachting terug als hjj u kwade en onreine gedachten ingeeft, en zeg tot hem : „Weg onreine geest! bloos, rampzalige! gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen in het oor te blazen.quot;

„Wijk van mij, snoodste verleider! gij zult geen deel aan mij hebben; maar Jesus zal als een krachtig strijder met mij zijn, en gij zult beschaamd staan. quot;

„ Liever wil ik sterven en alle smart lijden dan met u instemmen.quot;

quot; ^wijg en verstom ! Ik zal niet meer naar u hooren\', hoeveel moeielijkheden ook gij mij aandoet. De Heer is mijn licht en mijn heil, wien zoude ik vreezen ? De Heer is mijne levenskracht: voor wien zoude ik sidderen ? Al stonden er ook legers tegen mij op, mijn hart zoude niet vreezen. De Heer is mijn helper en mijn verlosser. (Pi. 16.)

8. Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren en vertrouw op mijne overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.

Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.

Dat de val dier hoogmoedigen, die zich dwaselijk zooveel verbeelden, u tot behoedzaamheid en steeds tot ootmoed strekke.

OEFENING.

Ik begrijp, dat de ware liefde voor God meer kan bestaan, in voor Hem de dorheid des geestes , de smakeloosheden en lastige bekoringen te verduren , zonder ze nochtans te volgen, dan in bet

-ocr page 225-

DERDE BOEK.

221

ontvangen ^an den inwenrligen smaak, de zoelheid en Tertroostingen ; want in deza laatste ontvangt men veel van zijnen God, maar in de eerste geeft men Hem veel. In de eene bemint men de gaven Gods, en in de andere bemint men Hem zeiven en zijnen heiligen wil, bij voorkeur van al zijne gaven; en de liefde, die ons God doet beminnen voor hetgene Hij is, is volmaakter dan die, welke ons Hem doet beminnen voor hetgene Hij ons geeft. O, welk groot vermaak schept God in het aanschouwen van eene ziel, die altijd op zichzelve waakt, om haar hart van de minste gebreken te bevrijden ; die zich altijd met hare plichten bezig houdt, uit eerbied voor zijne geboden en door verkleefdheid aan zijnen heiligen wil; en die altijd edelmoedig is om al de ongeregelde bewegingen te bestrijden, welke hare begeerlijkheid en de bekoringen des duivels in haar doen oprijzen ! Eene ziel, die aan zichzelve niets toelaat of zich niets vtrgeeft; die haar best doet om te beantwoorden aan de inzichten, die God over haar heeft, om zich in al wat menschelijk ia te vernietigen, en in zich het rijk der eigenliefde uit te roeien, zulk eene ziel neemt tot regel van haar gedrag deze grondstelling van de ware liefde : Alles om aan God ie lehcgev, m niets om mijzelve te voldoen. Maar wat het hart van God verrukt, is, te zien, dat die ziel, waarlijk door de sterkte en de genade van zijnen geest bekleed , in den strijd tegen hare driften , niets kan verdragen wat aan het welbehagen van God zou strjjdig wezen ; van te zien, zeg ik, dat zij geenen troost noch eenige zichtbare hulp vraagt, zoekt of ontvangt, en haar vermaak stelt in het genoegen, dat God neemt van haar te zien lijden, zonder

-ocr page 226-

222 ue navolging van jesus C!iaiSTÜ3.

zelfs verzekerd te wezen dat Hij er vermaak in neemt. Hare onderwerping en vergeving zjjn haar troost en hare hulp; zij acht zich gelukkig , een slachtoffer voor de liefde van haren God te wezen.

GEBED.

Ja, myu God.! nog veel heb ik te leeren, eer mijne liefde gezegd kan worden de proef te hebben doorgestaan. Nog in vele opzichten moet ik haar gebrekkig noemen. Ik heb U lief, maar is het niet veelal om uwe gaven, om eenig voordeel ? De minste bekoring, het minste ongeval doet mij wankelen. Wil mij in uwe liefde sterker maken en van eigenliefde zuueren ; dat ik U liefhebbe om Uzelven, dat niets in staat zij mg van U af te trekken !

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dit men dn genade ondtr de hoede der nederigheid moet verbergen.

^1. De Heer. Mijn zoon ! het is voor u nuttiger en veiliger de genade der godsvrucht te verbergen, n daarop niet te verheffen noch veel daarvan te spreken en u niet te veel te achten , maar eer uzelven te verachten en te vreezen dat zij eenen onwaardige gegeven is.

Men mag niet te veel hechten aan eene gesteltenis, welke zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.

Bedenk bij het genot der genade ho,e ellendig en beroofd gij zonder de genade pleegt te zijn.

Noch ligt de voortgang van het geestelijke

-ocr page 227-

DERDE BOEK.

leveu alleen daarin , dat gij de genade dar vertroosting bezit; maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt; zoodat gij dan niet in het ge-gebed vertraagt; noch uwe overige gewone oefeningen geheel terzijdestelt; maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt en u wegens de dorheid of benauwdheid, welke uwe ziel ontwaart, niet geheel verwaarloost.

2. Velen toch zijn er die, zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.

\'s Mensohen weg is immers niet altoos in zijne macht; maar het komt God toe te geven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien flc wil, volgens zijn welbehagen en niet meer.

Eenige onvoorzichtigen hebben zich wegens de genade der godsvrucht in het verderf gestort , omdat zij meer wilden doen dan zij vermochten; geen acht gevende op de mate hunner geringheid, maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.

En daar zij meer ondernamen dan Gode be-hagelijk was, daarom hebben zy de genade spoedig verloren.

Aldus werden zij die in den hemel wilden nestelen, beroofd en aan hunne nietigheid overgelaten , opdat zij, verarmd, leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijne vleugelen te schuilen.

3. Zij die in den weg des Heeren nog nieuwelingen en onervaren zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden, tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.

223

-ocr page 228-

224 I)B NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven , dan zal hun einde gevaarlijk zijn, zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.

Zij die zichzelven wijs genoeg zijn, laten zich zelden nederig door anderen geleiden.

Beter is weinig kennis en een gering veratand met ootmoed , dan groote schatten van geleerdheid met ijdel zelfbehagen.

Beter is weinig te hebben, dan veel waarover gt) u kondet verhoovaardigen.

Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde overgeeft: vergetende zijne vorige armoede en de ingetogene vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de aangeboden genaden te verliezen.

En hij is ook niet sterk genoeg van geest die zich , ten tijde van tegenspoed en het geringste ongeval, te wanhopig gedraagt en minder vertrouwelijk dan het behoort omtrent Mjj denkt en gevoelt.

5. Wie in vredestijd te gerust heeft willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslachtig en te vreesachtig bevonden worden.

Wist gij altoos nederig en bij uzelven klein te zijn, en uwen geest wel te regelen en te besturen, gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aanstoot vinden.

Het is een goede raad : ontwaart gij in u den geest van godsvrucht, overweeg hoe het zal zijn als dat licht u verlaten heeft.

En gebeurt dit, denk dat het licht dra kan wederkomen, hetwelk Ik u voor een tjjd ontnomen heb tot uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.

-ocr page 229-

DERDE BOEK.

5. Eene zoodanige beproevinpf is dikwijls nuttiger dan dat het u altoos welga naar uwen wensch.

Want de verdiensten zijn niet daarnaar te meten, of iemand velerlei openbaringen en vertroostingen hebbo, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst; maar of hij in waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen beooge, ot hij zichzelven niets achte en waarlik versmade, en meer behagen vinde in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.

o E F E K I N G.

In den staat van onschuld, zou de mensch God met gewilligheid, gemak en volheid zijner liefde gediend hebben, omdat alles in hem zonder liefde aan zijne geboden zou onderworpen geweest zijn; maar in den staat van zonde, waarin wij zgn, kunnen wij God bijna niet dienen dan met onophoudelijk tegen onszelven te strijden : noch Hem beminnen zonder onszelven te haten : en wij doen bgna niets voor Hem, dan dit, hetwelk wij tegen ons doen. Derhalve moeten wij ons ootmoedig aan de smakeloosheden, aan de dorheid en aan het verdriet, dat wij in onze oefeningen var. godsvrucht ontmoeten, onderwerpen : wij moeten in de inzichten van God treden, en ons eene verdienste maken van Hem zoeken te behagen , zonder onszelven te bevredigen; en als slachtoffers zijner liefde, onze vernietiging aanvaarden, om Hem te eeren ; wij moeten gelijk zijn aan de lamp, die voor het allerheiligste Sacrament brandt, en aan de kaars gedurende het

15

225

-ocr page 230-

226 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

heilige misoffer, die door het vuur allengs vernietigd wordt, om de vernietiging van den Zaligmaker o)3 het Altaar te eereu. Indien eene oprechtChristene ziel kende, hoe zeer een bedrukte staat een heilige en zaligmakende staat kan wezen , een staat van zuivere en beproefde liefde voor God, eindelijk een staat, waarin men zich zeiven noch zoekt, noch zich iu iets vindt, en waarin men alleen God zoekt en vindt, welke achting zou zij voor zulk eenen staat niet hebben ! Welke zorg zou zij niet dragen om er nut uit te trekken, dat wil zeggen, om met geduld te lijden, om met kloekmoedigheid den Heer te verdragen, en om niets uit kracht van kwellingen na te laten! Indien men wel overtuigd en doordrongen ware van de voortdurende verdiensten van den staat van dorheid, als men dieu zonder morren verdraagt, dan zou men ongetwijfeld trachten aan de inzichten van God te beantwoorden, die ons hierdoor wil brengen om ous zeiven menschelijkerwijze in iets te zoeken, om Hem in alles te bevredigen en ons eene ware verdienste van zijn welbehagen te maken. Men zou zich gelukkig achten de voldoening vau ziju hart voor die van het hart van God op te offeren, van voor Hem te wijken, en zich van zyne plichten te kwijten, zonder het vermaak te genieten van te weten dat men Hem behaagt.

GEBED.

Ook ik, o God ! mag mij niet verheffen op een voorrecht dat ik zoo spoedig kan verliezen, op eene gesteltenis welke zoo ras voorbij kan zijn. Welke groote gunsten mij ook te beurt vallen; ik behoor mij ootmoedig te gedragen en

-ocr page 231-

deude boek.

het geringste van mijzelven te denken. Zulk een gemoedsgesteldheid is U aangenaam, en verzekert mij van uwe goedgunstigheid. Dat zij mij dan steeds onderselieide; dat ik in ootmoed wan-dele en daarin gevestigd blijve !

ACHTSTE HOOFDSTUK.

%Hoe gering mm zich moet achten in het oog van Ood.

1. De Geloovige. Ik zal spreken tot Mijnen Heere! hoewel ik stof en asch hen. (Gen. 18)

Zoo ik mij voor iets meer acht, zie, Gij stelt U tegen mij, eu mijne overtredingen geven eene ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.

Maar verneder ik mij , en maak ik mij tot niets; leg ik alle zelfverbeelding af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben , dan zal uwe genade mij gunstig en uw licht mijn hart nabij zijn.

En dan zal alle zelfverbeelding, hoe gering ook:, in de diepte mijner nietigheid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.

Daar vertoont gij mij aan mijzelven, wat ik ben, wat ik was en waartoe ik gekomen ben ; want ik ben niets, eu ik wist het niet!

Worde ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid; maar werpt Gij spoedig weder een blik op mij, dan wordt ik aanstonds sterk en met nieuwe vreugde vervuld.

En hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder worde opgebeurd en zoo vriendelijk door u ontvangen, ik, die door eigene zwaarte steeds naar beneden hel.

227

-ocr page 232-

238 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHRISTUS.

3. Dit is het werk uwer liefde , die my onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoedt, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.

Want door mijzelven verkeerdelijk te beminnen heb ik mijzelven verloren, maar door U alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mijzelven en tevens u gevonden, en ben door liefde in mijne nietigheid nog dieper gezonken, omdat Gij, o Beminnenswaardigste! aan mij weldoet boven alle verdienste, ja boven hetgeen ik zonde durven hopen of bcgecren.

3. Wees dan gezegend, o mijn God! dat, hoezeer ik al uwe weldaden onwaardig ben, uwe edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wèl te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van U afgewekenen.

Doe ons tot U wederkeeren, opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn : want Gij zijt ons heil, ouze kracht en sterkte.

OEFENING.

Wanneer men eenige gevoelens van ijdelheid of welbehagen jegens zichzelven ontwaart, moet men slechts een oogeublik den onuitputtelijken grond zyner bedorvenheid aanmerken en als den afgrond zijner ellenden peilen, om die beweging van hoovaardigheid vau het begin af uit te doo-ven. Immers, hoe zou men zich dit algemeene onvermogen, hetwelk men voor het bovennatuurlijke goed gevoelt, kunnen voorstellen, die ongeregelde neiging en helling tot het kwaad, die verblindheid van onzen geest, die boosheid van ons hart, die woede der driften welke altijd

-ocr page 233-

DERDE BOEK. 229

tegen de rede opstaan ; kortom , hoe zou men sdcli kunnen voorstellen wat men is, en wat men gevoelt te zijn , zonder ziclizelven klein te acli-ten en onder alle schepselen te verootmoedigen ? Maar als men zich beschouwt ten opzichte van God, indien men denkt op hetgeae Hij is, en wij voor zijne oogen zijn , namelijk een niet, zondaars, maar zondaars met duizende schelmstukken beladen, die wij wel weten bedreven te hebben, maar die wij niet weten of ze ons vergeven zijn geweest, zwakke en brooze schepselen, die zoo ongestadig in het goede eu zoo gestadig in het kwaad zijn; helaas! misschien stervelingen, die voor de oogen van God leveu en sterven in den staat van zonde, en verdienen het voorwerp van zijnen eeuwigen haat te wezan : hoe is het mogelijk , wanneer wij dit overwegen , dat wij aan eene gedachte van ijdelheid kunnen toegeven? Ach! het is maar al te waar, dat als men voor zichzelven eenige achting heeft, men zichzelven miskent en vergeet.

GEBED.

God! ook ik raag vragen : wie ben ik om met U te spreken? Ik, stol\' en asch. Ja ik gevoel mijne nietigheid en erken het openlijk dat mijne lippen niet rein genoeg zijn om uwen heiligen naam te noemen. Maar zul dit bewustzijn mij ternederslaan? Neen ! Gij zijt mijn Vader eu houdt niet op mij wèl te doeu. Dat dit gevoel mij steeds beziele, en ik onberispelijk voor U wandele. Dan zal ik onbeschroomd mogen naderen en U met recht Vader mogen noemen.

-ocr page 234-

230 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS,

NEGENDE HOOFDSTUK.

.Dat men alles tot God, ah het laatste eindt moet terugbrengen.

1. De Heer. Mijn zoon! ik moet uw hoogste en laatste einde wezen, zoo gij waarlijk gelukkig wilt worden.

Door deze bedoeling zullen uwe neigingen gezuiverd wordendie zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nederbuigen.

W ant zoodra gij in iets uzelven zoekt verkwijnt gij en verdort.

Breng dus alles tot Mij als de bron terug : want ik ben het die alles geeft.

Beschouw alles als vloeiende uit het hoogste goed; waarom ook alles tot Mij, als tot zijnen oorsprong, moet worden teruggebracht.

2. Uit Mij putten klein en groot, arm en rijk levendig water, als uit eene levende bron; terwijl zij die Mij vrij en gewillig dienen, genade voor genade zullen ontvangen.

Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder goed zijn vermaak nemen, zal niet in de ware vreugde bevestigd worden noch opgeruimd van harte zijn ; maar liy zal op velerlei wijze belemmerd en benauwd worden.

Gij moogt u dan van het goede niets toeschreven; ken ook aan geen mensch de deugd toe, maar geef alles aan God, zonder wien de mensch niets heeft.

Ik heb alles gegeven. Ik wil alles terughebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.

3. Dit is eene waarheid waardoor de ijdel-heid der roemzucht verdreven wordt.

-ocr page 235-

DERDE BOEK.

En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd , noch kwelling des harten, noeli eigenliefde plaats vinden.

Want de goddelijke liefde overwint alles en ontwikkelt al de krachten der ziele.

Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen : want niemand is goed, dan God alleen, (Matth. 19) die boven alles te loven en in alles te prjjzen is.

OEFENING,

Heb in al uwe werken eene zuivere en oprechte meening om den Heer te behagen, en tracht hem al den roem van het goed. dat Hy verricht, te geven, daar Hij de oorsprong en de volheid is van alle goed. Uraag nergens roem op dan in uwe ellenden, en stel uwe eer in ze menigmaal aan eenen barmhartigen God op te offeren, die behagen schept in eene ziel, die door de overweging harer nietigheid getroffen is. Houd u niet op met gedachten van ijdelheid en welbehagen jegens uzelven , of met het verlangen om van anderen geacht en geëerd te worden; want God , zegt de koninklijke Profeet, ovedekt met schaamte en verachting degenen, die den lof der mensehen najagen en hen willen behagen. Het eenige middel, dat gij bezit om God te behagen en zijn hart te winnen , is uzelven te versmaden en te haten.

GEBED.

Gij mijn God 1 zijt mijn hoogste goed , Gij behoort ook mijn hoogste doel, mijn laatste einde te zijn. Wat heb ik dat ik van U niet heb

331

-ocr page 236-

232 DE NAVOLGING VAN J5SUS CHRISTUS.

ontvangen, Wat goeds bezitten de schepselen waarvan Gij de bron niet zijt? Van ü komt «alle goed, in U zijn wij, leven wij en bewegen wij ons. Dat deze gedachte by mij levendig blijve en mtj tot dankbaarheid aanzette. Wees Gij mijn hoogste goed ; wees Gij ook mijn hoogste doel waarnaar ik onophoudelijk streve.

TIENDE HOOFDSTUK.

Hoe genoeglijk het zij, met verachting der wereld. God te dienen.

1. De Geloovige. Nu, Heerl zal ik andermaal spreken en niet zwijgen. Ik zal in de ooren van mijnen God, van mijnen Heer en Koning, die in de hoogte is, zeggeu ;

Hoe groot is het goed, o Heer ! dat Gij hebt weggelegd voor hen die U vreezen. (Ps. 30)

Maar wat zijt Gij voor hen die U beminnen, wat voor hen die U van ganscher harte dienen!

Waarlijk onuitspreeklijk is het genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan hen die U beminnen.

Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat Gij mij het aanzijn gegeven hebt toen ik nog niet was, en mij toen ik verre van U afdwaalde tot uwen dienst teruggebracht hebt, en m\\j bevolen hebt U te beminnen.

2. o Bron der eeuwige liefde! wat zal ik van U zeggen ?

Hoe zoude ik U kunnen vergeten, die U verwaardigd hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en bedorven was ?

Gij hebt boven alle hoop uwen dienstknecht

-ocr page 237-

DERDE BOEK.

barmhartigheid bewezen , en hem , boven, alle verdienste , genade eu vriendschap betoond.

Hoe zal ik U die gunst vergelden ? Het is toch aan allen niet gegeven om met verzaking van alles der wereld vaarwel te zeggen eo het kloosterleven te omhelzen.

Is het dan iets groots dat ik U diene, wien alle schepsel dienen moet ?

Het mag mij niet groot schijnen U te dienen; maar dit liever schijnt mij groot eu bewonderenswaardig , dat Gij U verwaardigt zulk een arme en onwaardige tot uwen dienstknecht op te nemen en onder uwe geliefde dienstknechten te plaatsen.

8. Zie, al wat ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.

In waarheid, Gij dient mij omgekeerd meer dan ik U.

Zie! hemel en aarde, welke Gij tot \'s menscheu dienst geschapen hebt, staan gereed en doen dagelijks hetgeen Gij hun hebt opgelegd.

En dit is nog weinig. Ook de Engelen hebt Gij ten dienste des menschen bestemd.

Maar wat dit alles nog te boven gaat, Gij hebt ü zelfs verwaardigd den mensch te dienen en beloofd üzelven aan hem te zullen geven.

4. Wat xal ik U voor al die ontelbare weldaden wedergeven ?

Ach ! dat ik ü dienen mocht al de dagen mijns levens! Ach! dat ik slechts een dag U waardig dienen koude !

Inderdaad Gij zijt allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.

Waarlijk Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht U uit alle krach-

233

-ocr page 238-

234 DE NAVOLGING VAN JBSTIS CHRISTUS.

ten te dienen en mag nimmer in uwen lof verflauwen.

Dit wil ik, dit verlang ik ; en wat mij moclit ontbreken, verwaardig Gij dat aan te vullen.

5. Het is een groote eer, een groote roem U te dienen en om uwentwille alles te versmaden.

Want zij die zich gewillig aan uwen allerheiligsten dienst onderwerpen, zullen groote genade bekomen.

Zij die om uwentwil alle vleeschelijke genoegens hebben verzaakt, zullen den aangenamen troost des H. Geestes vinden.

En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den engen weg hebben ingeslagen en alle wereldsche zorgen versmaad.

6. O aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt!

o Heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid , die den menseli gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God, geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig!

o Aannemens- en altoos wenschenswaardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en eene eeuwigdurende vreugde verkregen wordt.

OEFENING.

Zich alle genaden onwaardig oordeelen ; aan al diegenen beantwoorden, welke men van God ontvangt; Hem al de glorie geven van de getrouwheid, die men voor Hem heeft; Hem dikwijls bedanken voor de goedheid, welke Hij gehad heeft, van ons in onze dwaling op te zoeken, en ons na zoo vele zonden te ontvangen;

-ocr page 239-

derdf. boek.

alles van zijne barmlartigheid te hopen, en zich geheel in zijne handen stellen : ziedaar wat eene oprecht christene ziel moet doen , die weet wat Jesus Christus voor haar is, en wat zij voor Hem moet wezen.

Gelukkig als men in zich niets ontmoet, hetwelk eenig gevoelen van ijdelheid of zelfbehagen kan voortbrengen! Gelukkig eene ziel, die niet verplicht wordt uit zichzelve te gaan, dan om in God te verblijven ! O, hoe geschikt is het gevoelen zijner ellende, om ze in het hart van eenen barmhartigen God te stellen ! En hoe zeer verplicht ons de ondervinding, die men heeft van het onvermogen tot alle goed , en van de neiging tot alle kwaad, het alleen met God te houden, en dikwijls tot Hem onze toevlucht te nemen !

GEBED.

Hoe zoude ik U, o God! kunnen vergeten zonder de ondankbaarste uwer schepselen te zijn ! Wie zal de weldaden optellen mij onwaardige bewezen ? En ik zoude U niet dienen , U, die allerlei dienst, allerlei eer waardig zijt en dezen dienst met de beste zegeningen bekroont ? Laat mij nimmer zoo ondankbaar zQn. Uw wil zij mijn genoegen, dien te volbrengen mijne zaligheid! Gij zijt mijn Heer, ik ben uw dienaar; Gij mijn Vader, ik uw kind.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dal rntn de hgeerten zijns harttn mott toetsen en matigen.

1. De Heer. Mijn zoon! gij hebt nog veel

235

-ocr page 240-

236 de navolging van JE su 3 christus.

te leereu dat gij nog niet genoeg geleerd hebt.

De Geloovige. Wat is dat Heer?

De Heee. Dat gij uwe begfeerten geheel naar mijn wil schikt en geen minnaar van uzelven zijt, maar een ijverig nastrever van mijnen wil.

Uwe begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg of gij meer te mijner eere dan te uwen voordeele aangedreven wordt.

Ben Ik uwe bedoeling, dan zult gij wel tevreden zijn hoe Ik ook besehikke; maar schuilt er nog iets van eigenbelang ouder , zie dat is het wat u hindert en bezwaart.

3. Wacht u dan dat gij u te veel verlaat op eene begeerte, opgekomen zonder Mij raad te vragen, opdat u naderhand niet berouwe of mis-hage hetgeen u tevoren beviel en waarvoor gij, als het beste, ijverdet.

Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook niet alle tegenovergestelde beweging aanstonds vermeden.

Het is nuttig zich somtijds ook bij goede oefeningen en begeerten te beteugelen ; opdat gij niet door ontijdigheid tot verstrooiing des geestes vervalt, of door tuchteloosheid anderen aanstoot geeft, of ook door den tegenstand van andereu onverwachts verward en ternedergesla-gen wordt.

3. Somtijds zelfs moet men geweld gebruiken er. der zinnelijke neiging kloeken wederstand bieden, zonder te letten op hetgeen \'t vleesch al of niet wil, maar dit alleen behartigende, dat het vleesch ook zijns ondanks den geest onderworpen zij.

Ja zoolang moet gg het tuchtigen en tot on-

-ocr page 241-

DERDE BOEK.

derwcrping dwingen, totdat liet tot alles gereed zij en leere zich met weinig te vergenoegen, in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.

OEFENING.

Men moet zijne begeerten volgens den wil van God regelen, ze volgens de beweging zijner genade matigen, en ze allen scliikken om aan Hem te behagen. De ware boetvaardigheid des harten bestaat ; in de vurigheid zijner begeerten te bedwingen, in hare hevigheid tegen zichzelven te keere.n, en in ze allen te vereenigen om God te behagen. De heilige oefening der zelfverloochening, die volstrekt ter zaligheid aller Christenen noodig is, en die den geest des Evangelies, den plicht van ons Doopsel en de onvermijdbare ver-bindtenis van eenen Christen uitmaakt; die oefening , zeg ik, bestaat geheel, in het bedwingen zijner ongeregelde neigingen , in het schikken van zijne onverschillige en natuurlijke begeerten tot een bovennatuurlijk einde, en in het verzekeren zyner begeerten ter zaligheid , door de volbrenging der goede voornemens; dewijl een bovennatuurlijk en verdienstelijk leven, waarin men de begeerte met de werking verecnigt, tot de zaligheid noodig is.

GEBED.

Ook ik, o God ! heb nog veel te leeren. Te vaak heb ik van mijne begeerten de beste gedachten , zonder mijne bedoelingen wèl beproefd te hebben; terwijl een blinde ijver, door eigenliefde geleid, mij tot gevaarlijke uitersten mede-sleept. Doe mij toch in alles voorzichtig zijn.

237

-ocr page 242-

236 de navolging van jesus christus.

Dat ik mijne begeerten eerst wel beproeve, van alle eigenliefde zuivere en aan uwen wil onderworpen houde ; dat geene zinlijkheid m^j beheer-sche, maar in haar meester blijve.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het oefenen der lijdzaamheid en het bestrijden der kwade lusten.

1. De Geloovige. Mijn Heer en mijn God ! gelijk ik zie, is geduld mij zeer noodzakelijk ; in dit leven toch ontmoeten ons vele tegenheden , en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren, mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.

De Heeb. Zoo is het, mijn zoon! Ook wil Ik niet dat gij zulken vrede zoekt, die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ontware; maar dat gij ook dan denkt den vrede te hebben gevonden , als gij door velerlei tegenheden beproefd wordt.

3. Zegt gij, dat gij niet veel kunt verdragen; hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?

Van tweederlei kwaad moet men altoos het minste kiezen. Om dan de eeuwige pynen der toekomst te ontgaan, tracht de tegenwoordige ongevallen om Gods wille geduldig te verdragen.

Meent gij dat de lieden dezer wereld niets of weinig te lijden hebben ? Dit zult gij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.

3. De Geloovige. Maar zjj hebben toch vele genoegens, zij volgen hun eigen zin en daarom achten zij weinig hunne kwellingen.

De Heer. Dit zij zoo. Zij hebben wat zij willen : hoe lang, meent gij, zal dat duren P

-ocr page 243-

DEBDE BOEK.

Zie, als rook zullen de rijken dezer eeuw verdwijnen , en van de vroegere vreugde zal geene herinnering overig zijn.

Maar zelfs terwijl zij nog leven, kunnen zij niet zonder bitterheid, verdriet en kommer erbg berusten.

Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken, vinden zij dikwijls eene gevoelige straf.

Eu bun geschiedt recht dat zij, daar zij ongeregeld vermaken zoeken eu volgen, zich daaraan niet zonder schande en bitterheid overgeven.

4. O, hoe kortstondig, hoe bedriegelijk, hoe ongeregeld en schandelijk zijn deze allen !

En nochtans zoo dronken en verblind zijn zg dat zij het niet beseffen; maar, als stomme dieren, veroorzaken zij hunner ziele den dood, en dat om een weinig geuots in dit vergankelijk leven !

Gij dan , mijn zoon ! willig meen luüen niet in, maar beteugel wee heg eerten. (Eccli. 18.)

Verlustig u in den Heer, Hij zal u geven icat uw hart verlangt. (Ps. 36.)

5. Inderdaad, wilt gij waar genoegen smaken en overvloedig door Mij getroost worden , zie, het verachten van al het wereldsche en het verwerpen van alle lage genoegens zal u tot zegen zijn en overvloed van troost geven.

En hoe meer gij u aan der schepselen troost onttrekt, te geaoegelijker en sterker troost zult gy bij Mij vinden.

Maar daartoe kunt gij niet aanstonds zonder eenige droefheid en een moeielijken strijd komen.

Eene ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, doch deze zal door eene betere gewoonte overwonnen worden.

239

-ocr page 244-

240 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Het vleesch zal daartegen morren, maar de ijver des geestes zal het beteugelen.

De oude slang zal u aanzetten en tergen ; maar door het gebed zult gij haar verjagen, en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.

OEFENING.

De ware vrede bestaat, in de ootmoedige en standvastige onderwerping aan Godswil, in de hevigste kwellingen, in de grootste bekoringen, en als gij in uzelven niet meer zult vinden dan opstand, onrust en verdriet, en dit alles in de handen van God stelt. Het is hierin dat gij de ware rust van eene ziel znlt vinden, die, op zichzelre niet steunende , niet anders dan in God bestaat, door het vertrouwen en de onderwerping. Zich ontmaken van alles wat ons behaagt, alles wat ons kwelt van de hand des Heeren aanvaarden , alles wat ons tegenstaat overwinnen, ziedaar het ware middel om in vrede te wezen.

GEBED.

Hoe troostend, o God! zijn mij uwe woorden! Ja, geduld en moed zijn mij onontbeerlijk, wil ik onder den last des levens niet bezwijken. Yeel heb ik te dragen, veel te bestrijden; maar wie is er op aarde die geene tegenheden heeft? Niemand, zelfs de slaaf der ondeugd niet. Laat dan , bid ik U, uwe genade mij steeds vergezellen. Versterk mjj in den strijd, dien ik tegen mijzei ven voeren moet. Door U vermag ik alles, zonder U niets.

-ocr page 245-

berde boek.

DEETIBNDE HOOFDSTUK.

Over de gehoorzaamheid van een nederig onder-hoorige, naar het voorbeeld van Jems Christus.

1. De Heee. Mijn Zoon! wie zich aan de gehoorzaamheid zoekt te onttrekken, onttrekt zich aan de genade, en die zijn bijzonder voordeel zoekt, zal het gemeenschappelijk verliezen.

Wie zich niet gewillig en vanzelf zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vlecsch hem nog niet volkomen gehoorzaamt, maar dat het nog dikwijls mort en tegenstreeit.

Daarom leer u aanstonds aan uwen overste onderwerpen, zoo gij uw vleesch wilt ten ouder brengen.

Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer de inwendige mensch niet in wanorde is.

Geen lastiger nog slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt, als gij met dea geest niet wèl samenstemt.

Wilt gij over vleesch en bloed zegevieren, gjj moet inderdaad tegen uzelven eene ware minachting opvatten.

Want omdat gij uzelven nog te ongeregeld bemint, daarom aarzelt gij u volkomen aan den wil van anderen te onderwerpen.

3. Maar wat groots is het dat gij, die stof zijt en nietigheid, u om Gods wil aan een mensch onderwerpt, daar Ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit niets geschapen heb , Mij om uwentwil den mensch ootmoedig onderworpen heb.

241

-ocr page 246-

242 DE NAVOLGING VAN JESUS CIITIISTDS

Ik ben de nederigste en geringste geworden , opdat gij door mijnen ootmoed uwen hoogmoed zoudt overwinnen.

Leer gehoorziimeu , stof I Leer u vernederen , slijk en aarde! en u onder de voeten van allen buigen.

Leer uwen wil verbreken en u tot alle onderwerping schikken.

3. IJver tegen uzelven en laat geen hoogmoed in u leven.

Toon u zoo onderworpen en gering, dat allen over u kunnen gaan en u als het slijk der straten vertreden.

Wat hebt gij te klagen, nietig menseh ? Wat kunt gij, snoode zondaar, inbrengen tegen hen die u bestraffen, gij die God zoo vaak beleedigd en de hel zoo dikwijls verdiend hebt?

Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht, daarom heeft mijn oog u gespaard , opdat gij mijne liefde zoudt erkennen en voor mijne weldaden steeds dankbaar zijn, en opdat gij u altoos tot ware onderwerping en tot ootmoed zoudt schikken, en de verachting, u door anderen aangedaan, geduldig verdragen.

OEFENING.

Men moet zich niet tevreden stellen met uitwendig te gehoorzamen, en in zaken die gemakkelijk zijn, maar men moet ook uit ganseher harte en in de moeielijkste dingen gehoorzaam wezen. Want hoe lastiger het ons valt te gehoorzamen , hoe meer verdienste men heeft. Zou men zich niet kunnen onderwerpen aan eenen menseh, om God, nadat men gezien heeft, dat

-ocr page 247-

derde boek.

God zich voor ons aan de menschon hooft onderworpen, ja aan zyne beulen zelfs P

Jesus Christus heeft geheel zijn leven willen gehoorzaam wezen, ja gehoorzaam tot deu dood des kruises ; en ik zou mijn leven niet willen doorbrengen met te gehoorzamen, en van de gehoorzaamheid mijne verdienste eu mijn kruis maken ? De onafhankelijkheid is hot aandeel van eeneii God, en Hij is mensoh geworden om van een ieder al te hangen, en om de afhankelijkheid in zich te heiligen. Ik wil mij dan naar het voorbeeld van eenen onderdauigen, athaukelijkeu en gehoorzamen God schikken, en over niets in m\\j, noeh zelfs over mijnen eigen wil beschikken.

g e b e u.

Hoeveel, o mijn Heiland! doet zieh bij mij nog te overwinnen op. Hoe meer ik uwe lessen aanhoor, hoe meer ik daarvan de waarheid gevoel. Neen, ik ben mijzelven nog geen volkomen meester, anders zoude ik mij gerecder too-nen om mijn eigen wil te verbreken en aan anderen onderworpen te zijn. Leer mij ook hierin mijzelven beheersohen. Dat uw voorbeeld mij beschame en dat uw ootmoed mijn hoogmoed overwinne !

VEEKTIENDE HOOFDSTUK.

De overioegini/ van de verhorten oordeden Goi/s, een middel tegen zelfverheffing.

1. De Geloovige. Gij dondert, o Heer! over mij uw oordeeleu en schudt al mijne beenderen van vrees en schrik; mijne ziel is zeer ontsteld.

243

-ocr page 248-

344 UE NAVOLGING VAN JJSSU3 CHRISTUS.

Ik sta verbaasd, en overweeg dat ook de hemelen niet zuiver zijn in uw oog.

Hebt Gij in uwe Engelen boosheid gevonden en hen niet gespaard, wat zal van mij worden ?

Sterren zijn van den hemel gevallen, en ik stof, wat vermeet ik mij ?

Menschen wier werken lofwaardig schenen zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwjjnendrat.

2. Er is dan geene heiligheid, zoo Gij o Heer! uwe hand onttrekt.

Geene wijsheid baat, zoo Gij nalaat haar te besturen.

Geene sterkte is vermogend, zoo Gij ophoudt die te ondersteunen.

Geene kuischheid is veilig, zoo Gij haar niet beschermt.

Geene eigene behoedzaamheid baat, zoo uwe heilige hoede niet daarbij komt.

Want door U verlaten, zinken wij en vergaan, maar doorU geholpen, richten wij ons op en leveu.

Want wij zijn onbestendig, maar worden door U versterkt; wij zijn lauw, maar worden door U ontvlamd.

O, hoe nederig en laag moet ik van mijzelven denken, hoe gering het achten, zoo ik iets goeds schijn te hebben.

O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heer! daar ik in mij niets anders vinde dan een niet, ja louter niet.

o Zware last 1 o grenzelooze zee 1 waarin ik van mij niets terugvinde dan een volstrekt niet I

Waar is dan eene schuilplaats voor roem? Waar het betrouwen op eigene deugd ?

-ocr page 249-

DEIUIF BOEK.

In de diepte uwer oordeelen over mij is alle ijdele roemzueht verzwolgen.

3. Wat is alle vleescli voor uw aangezicht? zal liet leven roemen tegen zijn tormterder. (Is. 39. Rom. 9.)

Hoe kan liij, wiens hart waarlijk Gode onderworpen is , door vleitaal hoogmoedig worden ?

Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansche wereld niet verhoovaardigen; en die op God zijne geheele hoop gevestigd heeft, zal door den lof ook van allen niet bewogen worden.

Want ook zij die spreken, zijn allen niets; zij gaan met den klank hunner woorden voorbij. Maar des Heer en waarheid blijft eeuwig. (Ps. 116.)

OEFENING.

De ondoorgrondelijkheid der oordeelen Rods , voor wiens oogen alle mensch slechts een niet en zonde is, moet alle gevoel van trotschheid in onze ziel uitdooven en haar treffen bij het besef van Gods heiligheid en zuiverheid , en het gedenken aan den grond van onzuiverheid en verdorvenheid, dien wij in ons dragen. Een engel zondigt. God kan hem niet verdragen; Hij verwerpt hem om eene enkele zonde uit zijn hart en uit zijn parades. De meusch zondigt, en Hij verdraagt hem; Hij opent voor hem zijn hart en zijnen hemel, indien hij door eene spoedige en oprechte bekeering tot Hem wil wederkomen. Laten wij uit het eene eenen diepen afschrik voor de zonde en eene heilzame vrees voor Gods rechtvaardigheid opvatten, eu uit het andere een vast vertrouwen in zijne barmhartigheid stellen , niet om haar te misbruiken, met onze boetvaar-

245

-ocr page 250-

24(3 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

digheid uit te stellen, maar om nns aan te moequot; digen haar te beoefenen, en met te trachten eene volkomene erkentenis voor al zijne weldaden te hebben.

GEBED.

Geen beter middel, o God! tegen zelfverheffing dan te overwegen wat ik ben. Ja, ik ben een niets, een zwak ellendig schepsel; aan mij-zeiven overgelaten, verval ik tot allerlei dwaasheden en ongeregeldheden. Uwe hand alleen kan mij staande houden , uwe hoede mij beveiligen. Ach ! onttrek mij dan uwen bijstand niet, en laat het bewustzijn dien niet te kunnen ontberen alle opwellingen van hoogmoed bij mij onderdrukken.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe men zich lij al het wenschelijke moet gedragen , en hoe men moet lidden.

1. De Heer. Mijn zoon ! bij alles moei gij zeggen : „ Heer! als het ü behaaglijk is, dat het dan dus geschiede!

„ Heer! zoo dit strekkc tot uwe eer, het geschiede in uwen naam !

„ Heer 1 zoo het U dunkt dat het mij voegt en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik het tot uwe eer aanwende.

„ Maar ziet Gij dal iets mij schadelijk en hot heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.quot;

Want niet elke begeerte is van den H. Geest, al schijnt zij den menseh recht en goed.

Het is moeielijk naar waarheid te beoordeelen of een goede dan een kwade geest u aanzette

-ocr page 251-

derde boek.

om dit of dat te begeeren, alsmede of gij door uw eigen geest bewegen wordt.

Velen werden op het einde bedrogen , die in den beginne meenden door een goeden geest gedreven te zijn.

2. Wat zich dan ook aan uwen geest als weu-schenswaardig vertooiie, gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten weu-scheu en vragen; vooral rnoet gij, met zelfverzaking, alles geheel aan Mij overlaten en zeggen :

„Heer! Gij weet wat het beste zij. Dat dit of dat geschiede naar uw welbehagen.

„Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt.

„Doe met mij volgens uwe oogmerken, zoo als U het meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.

„ Plaats mij waar Gij wilt, en beschik in alles vrij over mij.

„ Ik ben in uwe hand, draai en wend mij om en om.

„Zie! ik ben uw dienstknecht, tot alles bereid : want niet voor mij, maar voor U begeer ik te leven; mocht ik dat waardig en volmaakt doen!quot;

3. De Geloovige. Goedertierenste Jesus! geef mij uwe genade, opdat zij met mij zij en met mij arbeide en mij ten einde toe bijblijve.

Geef dat ik altoos wensche en wille hetgeen ü het aangenaamst en meest behaaglijk is.

Uw wil zij de mijne, en mijn wil volge altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.

Laat mgn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen ; dat ik nooit iets anders kunne willen of niet willen dan hetgeen Gij wilt of niet wilt.

247

-ocr page 252-

248 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

4. Geef mij aftesterven alles wat wereldsch is, en om uwentwil gaarne in deze wereld veracht en onbekend te zijn.

t5eef dat ik, boven alles wat ik wenseh, in U ruste en mijn hart in U vrede vinde.

Gij zijt de ware vrede des harten, Gij de eenige rust. Buiten U is alles zwaar en onrustig.

In Hezen vrede dan, dat is in U, het eenigst hoogste en eeuwige goed, zal ik slapet/ en rusten. ( Ps. 4.) Amen.

OEFENING.

Dewijl God alles wil wat ons overkomt, en dat Hij het wil voor ons welzijn en voor onze zaligheid, zoo moeten wij ons in alles aan zijnen heiligen wil overgeven , dat wil zeggen in de oefening : 1° Met niets te willen dan hetgeen God wil, en het willen gelijk Hij dit wil en als Hij dit wil. 2° Ons nooit van zijnen heiligen wil door eene vrijwillige ontrouw verwijderen , en nimmer aan ons hart toelaten iets te zeggen of te doen, wat met den wil van God strijdig is. 8° Nooit uit eenig inzicht zondigen, en ons niet tegen God stellen in hetgene HU van oas wil.

Er is slechts een sterk en standvastig voornemen noodig om alles te doen, te laten en te lijden hetgene Hij wil of van onze getrouwheid zou willen, om ons slachtoffers van zijne liefde en van zijn welbehagen te maken , en ons op aarde datgene te doen beginnen, wat wij hopen in den hemel te blijven doen. Laat ons dus den Heer dikwijls bidden, dat zijn wil in ons hier op aarde geschiede, gelijk hij in ons in eeuwigheid zal geschieden.

-ocr page 253-

DERDE BOEK.

GEBED.

Vader! uw wil geschiede ! Uw wil is de beste, de wijste. Gy weet het beste wat ons dienstig is, terwijl wij maar al te vaak het noodige doorzicht missen. Dat dan van nu af uw wil alleen het richtsnoer mijner begeerten zij : dat mijn wil aan den uwen volkomen onderworpen blijve. Doe met mij in alles naar uw heilig welbehagen. Zie, ih ben in uwe hand, uw dienstknecht tot alles bereid. Uw wil zij de mijne; want Gij zijt mijn vader, en ik ben uw kind.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Bat men hij God alleen waren troost moet zoeken.

1. De Geloovige. Alles wat ik tot milieu troost verlangen of bedenken knn, wacht ik niet hier maar in de toekomst.

Want al had ik alleen al de verkwikkingen der wereld en al konde ik al de genoegens genieten , zoo is het zeker dat zij van geenen langen duur kunnen zijn.

Gij dan , mijne ziel! kunt geen volkomen troost, geen volmaakt genosgen vinden tenzij bij God, den trooster der armen, den beschermer der ootmoedigen.

Wacht, mijne ziel! een weinig, wacht op de beloften van God, en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.

Maar zoo gij de tegenwoordige te ongeregeld najaagt, dan zult gij de eeuwige en hemelsche verliezen.

Het tegenwoordige zij tot uw gebruik, het eeuwige trekke uw verlangen.

249

-ocr page 254-

250 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHEISIUS.

Geen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

2. Al bezaat gij ook alle geschapene goederen, zoo zoudt. gij niet gelukkig noch zalig kunueu zijn; maar in God, die alles geschapen heeft, is uw volkomen zaligheid en uw geluk gelegen.

Niet zooals die den dwazen minnaars der wereld toeschijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloovigen van Christus verwachten, en waarvan de geestelijkgezinden en zuiveren van harte , wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.

3. IJdel en kortstondig is alle menschelijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarheid ontvangt.

Een godvruchtig mensch draagt overal zijn trooster Jesus met zich om, en zegt tot hem;

„ Blijf mij bij, Heere Jesus! in alle plaatsen en tijden.

„ Dit zij mijn troost, allen menschelijken troost gaarne te willen ontberen!

„ En wordt ook uw troost onthouden, dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grootsten troost uitmaken.

„ Gij zult toch niet altoos vergramd zijn en niet eeuiciglijk bedreigen. (Ps. 102.)

OEFENING.

God is het middenpunt onzer harten, zegt de H. Augustinus , en zij zullen altijd onlustig leven, zoo lang zij in Hem niet zullen rusten; dit is , zoo lang als zij, aan zichzelven en aan de schepselen verkleefd, hun geluk buiten God zullen zoeken. Men moet zich dan onthechten aan alles wat God niet ia, zich van alles aftchei-

-ocr page 255-

dekde boek.

den, als dood zijn voor alles, om het ware geluk 1c bezitten , hetwelk eene ziel in God vestigt. Zeggen wjj dus niet, gelijk de wereldlingen ; gelukkig zij, die alles wat zij verlangen in overvloed hebben, en aan welke noch goederen, nocli wcreldsche vermaken ontbreken ! Laat ons liever zeggen : gelukkig een hart, voor hetwelk God alleen genoegzaam is ! Gelukkig een Christen, die niet bemint, dan datgene, wat hij altijd zal beminnen I

GEBED.

Ja, Heer! waaraehtig is uw woord. Hoe dikwerf dacht ik mij aan het aardsche te bevredigen en zag ik m^j bedrogen! Het is zooals Gij zegt, al de aardsche goederen te samen kunnen mjj niet bevredigen, dewijl ik voor verhevener en meer duurzame goederen ben bestemd. Gij, o God ! kunt alleen mijn trooster en volkomen bevrediger zijn. Wees Gij \'t dan ook en bliit mij bij ; zoo zal ik allen menschelijken troost kunnen ontberen.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men Me zorg op God moet icerpen.

1. De Heek. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Ik wil. Ik weet wat u dient.

Gij denkt als een mensch, uw gevoelen is in vele dingen volgens hetgeen menschelijke aandoeningen ingeven.

2. De Geloovige. Heer! het is waar hetgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is grooter dan alle zorg die ik voor mijzelven kan hebben.

Hij toch staat zeer waggelend, die niet al zijne zorgen op U werpt.

251

-ocr page 256-

252 de navolging van jssus christus.

Daarom, o Heer! als maar mijn wil oprecht en vast aan U gehecht blijft. doe dan met mij wat U behaagt.

Want wat Gij met mij doet, het kan niet dan goed zijn.

Wilt Gij dat ik nog in de duisternis blijve, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in het licht zij, wees insgelijks gezegend.

Verwaardigt Gij U mij te troosten , wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees evenzeer gezegend.

3. De Heer. Mijn zoon 1 zoo moet gij gesteld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.

Gij moet even bereid zijn om te lijden als om n te verblijden; gij moet even gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven.

4. De Geloovige. Heer! wat U ook behage over mij te laten komen, ik zat het voor XT gewillig lijden.

Ik wil onverschillig het goede en het kwade, het zoete en het bittere, het blijde en het droevige van uwe hand aannemen , en U voor alles wat mij overkomt danken.

Behoed mij voor alle zonden, en ik zal dood noch hel vreezen.

Verwerp mij slechts niet voor eeuwig en schrap mij niet uit het boek des levens, dan schaadt het mg niet, welke kwellingen ook over mij komen.

OEFENING.

Om den vrede in onrust te bewaren , moet onze wil in God onwankelbaar zijn en God altijd tot doeleinde hebben, dat wil zeggen, dat men in de oefening moet geschikt zijn, om alles van de

-ocr page 257-

dekde bosk.

hand en van het hart van God, van zijne rechtvaardigheid en goedheid, met eene ootmoedige onderwerping aan zijn welbehagen te ontvangen. Goed en kwaad, gezondheid en ziekte, voor-eu tegenspoed, vertroosting en mistroostigheid, bekoring en vrede, inwendige vertroostingen, beproeving en kastijding, alles moet in eene ziel met ootmoed; geduld en onderwerping ontvangen worden, als komende van de hand Gods; en dit is het eenige middel om den vrede te midden der grootste beroerten aan te treffen.

GEBED.

Aan wien , o God ! zoude ik mijne zorgen beter kunnen toevertrouwen dan aan U, die de lotgevallen uwer kinderen zoo wijselijk bestuurt? Ik leg dan al mjjne zorgen in uwen schoot neder. Gij weet wat mij het beste is. Belieft het U my met voorspoed te zegenen, ik zal U loven; wilt Gij mij met tegenspoed bezoeken, ook daarvoor zal ik U danken. Bewaar mij voor het allergrootste kwaad, de zonde; al het overige zij U overgelaten 1

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Bat men de rampen des levens, naar het voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen.

1. De Heeü. Mijn zoon ! otn uwer zaligheids wille ben Ik van den hemel nedergedaald : Ik heb uwe ellenden op Mij genomen niet uit dwang maar getrokken door liefde, opdat Gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.

253

-ocr page 258-

254 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Want van het uur mgner geboorte, tot mijn verscheiden aan het kruis, ontbrak het Mij nooit aan lijdenssmart.

Ik hel) groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klachten over Mij gehoord.

Met zachtmoedigheid verdroeg Ik beleedigin-gen en smaaa ; voor weldaden ontving Ik ondankbaarheid , voor wouderwerken laster, voor mijne leer berispingen.

3. Dk Geloovigt:. Heer! dewijl Rij in uw leven geduldig waart en daardoor vooral het bevel uws Vaders volbracht, zoo is het billijk dat ik , ellendige zondaar, naar uwen wil in geduld het uithoude, en den last van dit verderfelijk leven om mijner zaligheids wille zoolang drage, als het. U zal believen.

Hoe zwaar ook de last vlt;m het tegenwoordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdienstelijk gemaakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het den zwakke draaglijker en helderder geworden.

En ook is daaraan meer troost verbonden dan voorheen onder de Oude Wet, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, toen zoo weinigen moeite deden, om het hemelrijk te zoeken.

Zelfs ook zij, die toen rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren , konden het rijk der hemelen niet binnengaan, voordat door uw lijden en heiligen dood de schuld afgedaan was.

3. O, hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij U verwaardigd hebt mij en allen grloo -

-ocr page 259-

DERDE BOEK.

vis;en den rechten en zekeren weg naar het eeuwig koninkrijk te toonen!

Want uw leven is onze weg, en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt.

Waart Gij ons niet voorgegaan en hadt Gij ons niet onderwezen, wie zoude moeite doen om te volgen ?

Helaas! hoevelen zouden niet verre achterblijven , zoo zij op uw heerlijk voorbeeld niet konden staren !

Zie! wij blijven nu nog lauw, nadat wij zoo vele wonderwerken en leeringen gehoord hebben; wat zoude het zijn , indien wij zulk een groot licht niet hadden om U te volgen?

OEFENING.

Dikwijls moeten wij op het smartvol lijden des Zaligmakers denken, die voor ons de straffen, welke wij schuldig waren, heeft geboet, en dit om ons op te wekken om behoorlijk te lijden. Het Ijjden dat God ons overzendt, zijn proef-r.quot;mingen om onze getrouwheid te doorgronden, ot\'rechtvaardige straffen om onze ongetrouwheden te tuchtigen. Wij moeten het met eene ootmoedige onderwerping en in den waren geest van boetvaardigheid aannemen. Gelukkig nog, dat wij aan de goddelijke rechtvaardigheid in den tijd mogen voldoen, om Gods goedheid in eeuwigheid te mogen aanschouwen.

De grootste kwelling die wij hebben, is ons zolven te verdragen. De opstand onzer driften, de bitterheden van ons hart, de droefgeestigheid van onzen aard, de ongeregeldheden onzer gedachten, en geheel ons eigen is zoo strijdig aan God, zouden een kruis wezen dat zeer moeie-

255

-ocr page 260-

256 1)E NAVOLGING VAN JKSUS CHKiaiUS.

lijk te dragen is, tenzij wij menigmaal dachten aan het geduld, waarmede God ons verdraagt; en dat wij moeten navolgen, ia onszelven te verdragen. Laat ons dan trachten in kwellingen te leven en ze geduldig aanvaarden, om met den troost te sterven , dat onze zonden door het goede gebruik der smarten van dit leven uitge-wischt zijn , welice het noodzakelijkste geduld is tot de zaligheid van eenen Christen.

GEBED.

Hoe kan ik, o God! over eenig lijden klagen, daar ik in Jesus uwen Zoon een voorbeeld heb! Hij droeg den zwaarsten last I verdroeg allerlei lijden , en mij zoude reeds het geringste lijden ondraaglijk vallen ? Dat mijn oog op dezen groeten voorganger gevestigd blijve, eu ik mij bevlijtige zijn voetspoor te drukken. Dat ik van Hem geduld leere : zoo mag ik m\\j in waarheid een leerling van Hem noemen, en zie ik mijn geduld door Hem bij U bekroond.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen van smaad.

Be ware geduldige.

1. De heer. Wat zegt gij, mijn zoon? Houd op met klagen b;j de overweging van mijn lijden en dat mqner Heiligen.

Gij helt immers noy niet tot hloedvergietens toe gestreden.- (Hebr. 12)

Wat gij lijdt is weinig in vergelijking van hen, die zooveel geleden hebben, die zoo hevig bekoord , zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.

-ocr page 261-

DERDE BOF.K.

Gij moet u dus het zwaardere van anderen voor den geest brengen, opdat gij het geringere te lichter moogt dragen.

En komt het u zoo gering niet voor, zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.

Doch het moge klein of groot zijn, beijver u om alles geduldig te dragen.

2. Hoe beter gij u tot lijden schikt, zooveel te wijzer handelt gij en te meer verdient gij.

Ook zult gij alles lichter dragen , als gij u door moed en oefening daartoe voorbereidt.

Zeg niet : „ dit kan ik van dien mensch niet verdragen, ook behoef ik zoo iets niet te lijden; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mg dingen waaraan ik nooit gedacht heb. Van een ander zonde ik gaarne verdragen, wat ik zoude meenen te moeten verdragen.

Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gedulcls niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden, maar eer let op personen en aangedane beleedigingen.

3. Hij is de ware geduldige niet, die niet wil lijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien het hem belieft.

Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, of hij zijn overste of zijnsgelijke of een mindere, of het een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig mensch zij.

Maar hoeveel en van welk schepsel ook en hoe dikwijls hem eenig kwaad overkome, alles neemt hij zonder onderscheid uit Gods hand met dankbaarheid aan en houdt het voor een groot gewin : want niets, hoe gering ook, indien men het slechts om Gods wil Ijjdt, kan bij God onbeloond blijven.

257

17

-ocr page 262-

258 de navolging van j£süs christüs.

4. Wees derhalve steeds bereid tot deu strijd, zoo gij de zege wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij de kroon des gedulds niet bekomen.

Wilt gij niet lijden, gij wilt niet gekroond worden; maar verlangt gij gekroond te wordeu , strijd dan kloekmoedig, verdraag met gednld.

Zonder arbeid komt men niet tot rust; zonder strijd behaalt men geene overwinning.

5. De (teloovige. Dat mij, o Heer! door uwe genade mogelijk worde: wat mij van nature onmogelijk schijnt.

Gij weet hoe weinig ik verdragen kan eu hoe ras ik bij het opkomen van den geringsten tegenspoed terneder! igge.

Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wenschelijk worden : want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.

oefening.

De oefening van het geduld bestaat: 1. In alle wederwaardigheden van de hand Gods te ontvangen. 2. In alles met onderwerping te lijden,

3. In nooit over eeuige tegenspraak te klagen.

4. In te gelooven , dat er ons , na de hel verdiend te hebben, geen ongelijk noch onrechtvaardigheid kan wedervaren. 5. In geene klachten dan over onszelven te doen. fi. In niets te zeggen als men ontsteld is. 7. In God voor het kwaad, zoo wel als voor het goed te bedanken. 8. Eindelijk , en dikwerf met Job te zeggen : De Heer had het mij gegeven, de Heer heeft het mij ontnomen, zijn naam zij geprezen. Ziedaar, welke de oefening moet wezen, die ter zaligheid van

-ocr page 263-

detvde boek,

alle christenen noodzakelijk is, en die nochtans in de christene wereld zoo zeldzaam gevonden wordt; want er is niemand, of hij lijdt veel, en weinigen die behoorlijk lijden.

Een lang en standvastig geduld in de wederwaardigheden , is eene zeer krachtige boetpleging om de zonden uit te wisschen , welke God niet tweemaal straft; en wanneer Hij ons in dit leven tuchtigt, toont Hij ons hierdoor, dat Hij ze in het andere niet zal straffen.

GEBED.

Hoe meer ik, o God! uw woord overweeg, hoe meer ik mijzelven beschouw , hoe noodzakelijker ik voor mg de oefening van geduld houde. Maar ach! hoe verzet zich daartegen m^jne zinlijkheid! Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe dra ik , bij het geringste windje van tegenspoed bezwijke. Leer mij meer en meer mijzelven overwinnen, en laat mij door uwe genade datgene mogelijk worden, wat mijner zinlijkheid zoo vaak onmogelijk schijnt.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ovn- de hekmtenis van eigene zwakheid en over de rampen des levens.

1. De Geloovige. Ik sal tegen mij mijne ongerechtigheid belijden; (Ps. 31) ik zal, o Heer! voor U mijne zwakheid belijden.

Dikwijls is het eene geringe zaak , welke mij terueerslaat en bedroeft.

Ik neem voor mij kloekmoedig te gedragen; maar als eene geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.

259

-ocr page 264-

3fi0 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Somtijds is het een allerellendigst ding, waar-tut eene zware bekoring ontstaat.

En wanneer ik mij, omdat ik niets gevoel, een weinig veilig acht, dan bevind ik mg somtijds door een klei» windje bijna overwonnen.

2. Zie dan, o Heer! neder op mijne zwakheid en broosheid , U door en door bekend.

Ontferm U mijner en trek mij uit het slijk dat ik daarin nkt blijve deken (Ps. 68), opdat ik niet teenemaal neerslachtig blijve.

Dit is het dat mij zoo vaak ternederslaat en voor U beschaamt, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijne driften.

En al komt het niet geheel tot toestemming, is mij echter hunne aanvechting lastig en moeilijk , en het verdriet mij zeer alzoo dagelijks in twist en strijd te leven.

Ook daaruit wordt mijne zwakheid mij bekend, dat de verfoeilgke voorstellingen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.

3. Ach! zeer vermogende God van Israël! — jjveraar der getrouwe zielen ! zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in alles wat hij onderneemt.

Versterk mij met hemclschc kracht, opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet geheel onderworpen, niet de overhand krjjge, tegen hetwelk ik zoolang zal mouen strijden , als ik in dit zeer ellendige leven adem-hale.

Ach! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken en vijanden.

Want de eene kwelling of bekoring wijkt niet, of de andere is daar ; ja, terwijl een vorige

-ocr page 265-

DERDE BOliK.

strijd noj; duurt, komen er onvenvaclits meer a!;dere op.

4. Hoe kan men dan eeu leven beminnen , dat zooveel bitterheids heeft en aau zoovele rampen en ellenden onderhevig is ?

Hoe noemt men het nog- een leven, dat zooveel dood en verderf teelt ?

En nochtans bemint men het, en velen zoeken daarin hun genoegen.

Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrie-gelijk en ijdel is ; nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.

Want iets anders trekt tot het beminnen, iets anders tot het verachten der wereld.

Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens; maar de daarop billijk volgende straffen en de ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.

5. Doch helaas! de kwade begeerte sleept de wereldschgezinde ziel mede, die het een wellust acid op doornen te liggen (Job 30), omdat zij de liefelijkheid van God en de innerlijke genoegens der deugd noch gekend noch gesmaakt heeft.

Zij daarentegen die dc wereld volkomen versmaden en voor God onder eene heilige tucht zoeken te leven, zyn niet onbekend met de goddelijke liefelijkheid, toegezegd aan alle ware ver-zakers, en zien het duidelijker in hoezeer de wereld dwaalt en op hoevelerlei wijze zij bedrogen wordt.

261

-ocr page 266-

262 DE NAVOLGING VAN JBSÜS CHRISTUS.

OEFENING.

Het is niet genoeg zijne zwakheid cn ellende te gevoelen en te kennen, als ook het gedurig gevaar waarin men zich bevindt, van zijne driften te volgen en in zonden te vallen ; men moet zich nog hierover in Gods tegenwoordigheid verootmoedigen, met vertrouwen tot Hem zijne toevlucht nemen , steeds over de kwellingen onzer ballingschay) zuchtou, zich in de armen van den Zaligmaker werpen en op zijne goedheid steunen, tot Hem wederkeeren zoodra men gevallen ia, zich na den val weder oprichten , en nooit in den staat van zonde, noch van lauwheid, of trouweloosheid , waartoe onze zwakheid ons aanzet, blijven voortgaan.

Dit leven is zoo vol bekoringen, wederwaardigheden en ellenden, dat het ondraaglijk wordt voor eene ziel, die haren God bemint en Hem vreest te beleedigen. Het middel, roept zij uit, van te leven zonder te zondigen ! maar het middel van te zondigen en te leven? Hoe 1 altijd vallen, altyd zich weder oprichten , altijd zijne driften bestrijden en altijd aan de ongeregelde neigin-gens zijns harten wederstaan! Pat is geen leven , dit is zonder ophouden sterven. Laat ons niet ophouden onze heersehende driften in te toornen, te bevechten en te overwinnen, aangezien hierin de verdienste van een bovennatuurlijk leven bestaat, hetwelk den hemel waardig is.

GEBED.

Opnieuw belijde ik voor U, o God! mijne zwakheid. Zwak ben ik; dagelijks ontwaar ik daarvan de blijken. Niet slechts is de geringste

-ocr page 267-

derde boek.

tegenspoed in staat om mij terneder te slaan , maar ook de geringste bekoring om mij te overwinnen. Ik ken het bedriegelijke der wereld, en echter laat ik mij door haar schijnschoon verleiden. Dat dit bedrog eens ophoude! Versterk mij door uwe kracht en doe mij over wereld en vleesch zegevieren.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in God hoven alle goederen en gaven moet rusten.

1. De Geloovige. Gij dan, mijne ziel! rust boven alles en in alles steeds iu den Heer: want Hij is de rust der Heiligen.

Geef, o allerliefste en beminnelijkste Jesus ! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven alle gezondheid en schoonheid, boven allen roem en eer, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde en blijdschap, boven alle faam en naam, boven alle genoegens en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven alle giften en gaver welke Gij kunt geven en uitstorten, boven alle vroolijkheid en verrukking welke de ziel vatten en voelen kan ; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen en boven het gansche hemelsch heir; boven alle zichtbare eu onzichtbare dingen en boven alles, wat Gij , mijn God ! niet zijt.

2. Gij toch, Heere mijn God! zijt boven alles de beste; Gij alleen de allerhoogste, Gij alleen de machtigste; Gij alleen de allergenoegzaamste en rijkste; Gij alleen de allerlieflijkste en troost-

263

-ocr page 268-

264 DE NAVOLGING VAN JESUS CH1USTDS.

rijkste; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste; Gij alleen de alleredelste en aller-roemrijkste; in Wien alle goed, tegelijk en volkomen is, eu altoos was en zijn zal.

Daarom is alles gering en ongenoegzaam, wat Gij mij buiten Uzelven schenkt, of van Uzelveu openbaart, of belooft, zoolang ik U niet aanschouwen noch volkomen genieten mag.

Want mijn bart kan niet waarlijk rusten noch ten volle bevredigd worden, tenzij het in ü ruste en zich boven alle gaven en boven alle schepsel verhefl\'e.

3. o Jesus Christus ! dierbaarste bruidegom ! zuiverste minnaar! Heer van al het geschapene 1 wie zal mij vleugelen ucner ware vrijheid geven om tot U te vliegen en in U te rusten ?

O, wanneer zal het mij vergund worden, geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijt, Heere mijn God !

Wanneer zal ik mij volkomen met U vereenigen , zoodat ik door liefde tot U mijzelven niet gevoele, maar U alleen, boven allé besef en mate, op eene wijze aan allen niet bekend.

Doch thans zucht ik dikwijls en draag mijn ongeluk met smart : want in dit dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat mij dikwijls ontstelt, bedroeft en benevult, dat mij dikwijls hindert en aftrekt, aanlokt en verstrikt, zoodat ik geen vrijen toegang tot U hebbe en die genoe-gelijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.

Mochten mijne verzuchtingen eu de menigvuldige kwellingen hier op aarde U bewegen!

4. o Jesus! glans der eeuwige heerlijkheid ! troost der ziele iu hare vreemdelingschap ! voor

-ocr page 269-

derde boek.

U is mijn mond zonder spraak, maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.

Hoe lang toeft mijn Heer nog tot mQ te komen ?

Dat Hij kome tot mij, zijn armen dienstknecht, en mij verblijde; dat Hij zijne hand uit-strekke en een ellendige rukke uit allen angst!

O kom! kom ! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur ; Gij zijl mijne vreugde en zonder U is mijne tafel ledig.

Ik ben ellendig gekerkerd en met kluisters beladen, totdat Gij mij door het licht uws bij-zijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft en mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.

5. Dat anderen in plaats van U iets anders zoeken wat zij willen ; mij behaagt intusschen niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn God! mijne hoop, mijn eeuwig heil.

Ik zal niet zwijgen noch ophouden met bidden, totdat uwe genade terugkeere en Gij inwendig tot mij spreekt.

De Heee. Zie, hier ben Ik. Zie Ik kom tot u, daar gij Mij hebt aangeroepen. Uwe tranen en de begeerten uwer ziele, uwe vernedering en droefheid des harten hebben Mij bewogen en tot u gebracht.

6. De Geloovige. Ja Heer! ik heb U geroepen, en ik heb verlangd U te genieten, gereed om alles om uwentwille te versmaden. Gij toch hebt mij eerst opgewekt, dat ik U mocht zoeken.

Wees dan gezegend, oHeer! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt naar de menigte uwer barmhartigheden.

En wat heeft uw dienstknecht voor U nog meer te zeggen, dan dat hij zich voor I1 diep

233

-ocr page 270-

266 DE NAVOLGING TAN JESÜS CHRISTUS.

vernetlere, steeds indachtig zijner ongereclitig-heid en nietigheid.

Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is Uwsgelijke niet.

O vergoed zijn uwe werken, billijk uwe oor-deelen, en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.

Daarom , o wijsheid des Vaders! zij U lof en heerlijkheid. Dat mijn mond, mijne ziel en al het geschapene te samen U loven en prijzen.

OEFENING.

Men moet God stellen boven alles wat bestaat, en niet is wat Hij is; dat wil zeggen, dat men in de oefening zich moet toeleggen om zichzel-ven te verlaten, zich in alles te verloochenen, alle zelfvoldoening af te sterven , en zich hon-derde geoorloofde vermaken te ontzeggen, om zich te straffen over de zondige vermaken, welke men genoten heeft. Zich versterven, zich verlaten en zich voor God opofferen ; zich boven al het geschapene verheffen , om tot God te kunnen naderen en zich geheel in Hem te verliezen; in zich een voortdurenden staat behouden van inwendige en opperste aanbidding voor God, voor wien alles in ons moet wyken ; Hem door onze werken en door de opoffering van alles, wat ons behaagt, als den volkomen Meester en den God van onze harten aanstellen ; door de liefde Gods in zoo verre doordrongen zijn , dat men niets meer smake dan Hem, in het paradys dezer aarde, en als een voorsmaak van de eeuwigheid. Maar om hiertoe te geraken, moet men zich ontdoen van de vermaken des geestes, die denzelve verstrooien en van God aftrekken , van

-ocr page 271-

DERDE BOEK^

de verkleefdheid des haTten, die hetzelve aau het schepsel hecht, opdut de ziel ganseh vrij en ontslagen van het slavenjuk harer driften, zoo als de\'koninklijke Profeet zegt, vleugels van eene duif neme, om tot God te vliegen en in Hem alleen to rusten.

GEBED.

Mocht ik zoo gelukkig zijn in TJ , o God ! boven alles mijne rust te zoeken en ook te vinden 1 Konde ik mij boven het aardsche verheffen om mii te nauwer aan U te verbinden! Doe dat oogenblik waarnaar ik zoozeer verlang, dra verschijnen. Kom toch, HeereJesus! kom, verbreek de banden, die mij binden en in mijne vlucht belemmeren. Kom, troost mijn naar licht begecrig hart en verbind het aan U door zuivere, onbepaalde, allesovertrefïende liefde.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het gedenken van Gods vienigvuldige weldaden.

1. De Geloovjöe. Heer! open mijn hart voor uwe wet en leer mij naar uwe geboden wandelen.

Geef mij dat ik uwen wil versta en met groo-ten eeried en eene ernstige overweging uwe weldaden zoo in het algemeen als in het bijzonder , gedenke, opdat ik ü daarvoor waardig dank betuige. a.

Maar ik weet en beken dat ik ook voor de geringste zaak U de schuldige dankzegging niet kan toebrengen.

Ik ben verre beneden al de goederen mg ge-

267

-ocr page 272-

268 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

schoukeu, en als ik let op uwe verheveuheid, dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid.

2. Alles wat wij hebben naar ziel en lichaam, en alles wat wij uitwendig of inwendig op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze bezitten, is uw geschenk en kondigt U aan als den liefderijke , weldadige en goede, van wien wij alle goed ontvangen hebben.

Al lieeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, en zonder U kan men niet het minste bezitten.

Hij die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste noch zich boven andoren verheffen, ook niet den mindere bespotten; want deze is de grootste en beste, die zichzelven het minste toeschrijft en in het bedanken het nederigste en ijverigste is.

En wie zich voor den geringste van allen houdt en als den onwaardigste oordeelt, is het geschiktst om grootero gaven te ontvangen.

3. Die nu minder ontvangen heeft mag zich niet bedroeven noch kwalijk nemen, noch den meer bedeelde benijden : maar liever moet hij op U zien en uwe goedheid te meer prijzen ; dat Gij uwe geschenken zoo mild, zoo om niet en zoo gewillig, zonder aanzien van personeu uitdeeld.

Alles is uit U en daarom zijt Gij in alles te loven.

Gij weet wat eenieder nuttig is te geven, en waarom deze minder en die meer hebbe staat niet aan ons te beslissen, maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.

4. Daarom, Heere God! acht ik het ook eene groote weldaad niet veel te hebben, waaruit naar

-ocr page 273-

UEKDE BOEK.

liet uitwendige en volgens den mensch lof en roem voortkomt; zoodat iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid, dea-wegens niet alleen geen bezwaar of droefheid of misnoegdheid mag gevoelen, maar eer troost en groote vreugde, omdat Gij, o God! de armen en nedcrigen en bij do wereld verachten tot uwe vertrouwelingen en huisgenooten verkoren hebt.

Getuigen zijn uwe Apostelen ze!ven, die Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.

Echter, verkeerden zij in de wereld zonder klagen, zoo nederig cn eenvoudig en zoo vreemd van alle list en bedrog, dat zij zich zelfs verheugden om uws naams wille smaad te lijden cn datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsdon.

5. Niets derhalve moet hem, die U bemint en uwe weldaden kent zoo verheugen, als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.

Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de. minste zoude willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn ; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaats als op de eerste; en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam en faam , als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven.

Want uw wil en de ijver voor uwe eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost en genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken.

OEFENING.

Gelukkig eene ziel, die zich in hare oogen

269

-ocr page 274-

270 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

gering aokt; die evenzeer tevreden is ouder anderen te staan, als anderen tevreden ziju boven allen geacht te worden; die al hare verdiensten en haar geluk stelt in onbekend, verworpen en versmaad te wezen; die even vurig verlangt de verachting en als afschrik der wereld te wezen , als anderen weuschen door haar geacht en geëerd te worden! Want die ziel stelt haar vermaak in het hart van God; zij is groot in de oogen van zijne Majesteit, en verdient door hare ootmoedigheid zijne grootste genaden. Om tot dieu graad vau volmaaktheid tc komen, moet men gaarne een onbekend en verworpen leven leiden : niets doen uit inzicht van geacht of geprezen te worden; zeer gaarne eeue versmading en eenen slechten uitval aanvaarden als iets dat wij verdienen, en rnet eene ootmoedige onderwerping de minachting, tegenspraak en den laster ontvangen; zich met schande voeden, gelijk Jesus Christus zich daarmede heeft gevoed, en het zich tot eer rekenen aan Hem gelijkvormig te zijn.

G E B E n.

Hoe zal ik, o God I al de weldaden optellen die ik van U ontvangen heb? Ik verlies mij iu deze diepte. Alles wat ik bezit, is uwe gave. Hij die meer bezit, mag zich daarop niet beroemen, gelijk hij zich niet beklagen mag die minder heeft: Gij toch weet hem dit te vergoeden. Laat dit geloof mij steeds bezielen en tevredenheid inboezemen. Bewaar mij in voorspoed voor zelfverheffing en in tegenspoed voor mismoedigheid.

-ocr page 275-

derde boek.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Be vier dingen die den wede grootelijks bevorderen.

1. De Heek. Mijn zoon! nu zal ik u i!en weg des vredes en der ware vrijheid leeren.

2. De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt: want ik hoor het gaarne.

3. De Heee. Leg u toe, mijn zoon! om liever den wil van een ander dan den uwen te doen.

Verkies steeds liever min dan veel te hebben.

Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.

Wensch steeds en bid dat de wil van God in u volkomen geschiede.

Zie, zulk een man treedt het gebied des vredes en der rustlt;; binnen.

4. De Geloovige. Heer! deze uwe korte rede bevat in zich eene groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden , maar vol van zin en overvloedig in vruchten.

Konde ik ze maar getrouw nakomen, dan zoude niet zoo licht ontroering in mij ontstaan.

Want zoo dikwijls ik my onrustig en bezwaard gevoel; bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben.

Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele steeds ter harte gaat, Termeerder uwe genade te meer, opdat ik uw voorschrift nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.

5. De Geloovige. Heere miju God! verwijder U niet van mij; o mijn God! zie op te mijner hnlpe. (Ps. 70) want zoo velerlei bedenkingen zijn bij

271

-ocr page 276-

272 de navolging van jestjs christus.

mij opgekomen en groote angsten, welke mijne ziel benauwen.

Hne zal ik er onbeschadigd doorkomen ? lioe er doorbreken ?

De Heek. Ik zal u voorgaan en de trotschen der aarde vernederen. (Is. 43) Ik zal de deuren des kerkers openen en n verborgen schatten openharen. (Is. 45.)

De Geloovige. Heer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze gedachten voor uw aanschijn vlieden.

Dit is mjjne hoop en eenige troost, in alle benauwdheid tot U mijn toevlucht te nemen, op U te vertrouwen , U uit het binnenste des harten aan te roepen en uwen troost geduldig af te wachten.

6. Verlicht mij, goede Jesus ! met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.

Beteugel de veelvuldige verstrooiingen, en verijdel de bekoringen die mij geweld doen.

Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedoel de verlokkelijke begeerlijkheden , opdat er door uwe kracht vrede zij, en uw heilige tempel, die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs vveergalme.

Gebied den winden en stormen; zegt tot de zee: wees stil, en tot den noordenwind : blaas niet meer , en er zal groote stilte zijn.

7. Zend mij uw lichten moe waarheid: (Ps. 42) dat zij de aarde beschijnen ; want ik ben een ledige en woeste aarde, totdat Gij my verlicht.

Stort van boven uwe genade uit, en doortrek myn hart met uwen hemelschen dauw. Giet de wateren der godsvrucht om de oppervlakte der

-ocr page 277-

DERDE BOEK.

aarde fe besproeien, opdat zij g;oede en zeer goede vruchten yoortbrenge.

Beur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten hemel, opdat het mij, het liefelijke eener boogire zaligheid gesmaakt hebbende, verdriete aan het aardsche te denken.

8. Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergankelijken troost der schepselen; want niets dat geschapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertroosten.

Hecht mij aan U door den onverbreekbaren band der liefde : want Gij alleen z|jt den beminnende genoeg en buiten U is alles nietig.

OEFENING.

Niemand kan zich aan het gezicht, noch aan de rechtvaardigheid Gods onttiekken; men moet dan, 1° onophoudelijk over zichzelven waken; 2o aan zich niets vergeven noch toelaten wat den Heer mishaagt ; 8° order zijne oogen en onder zijne hand leven, dat wil zeggen , alles in zflne tegenwoordigheid doen en met het inzicht van Hem te behagen ; 4° in alle omstandigheden de beweging zijner genade volgen, geen wederstand aan zijnen heiligen wil bieden, en geen oogen-blik uitstellen om dien te volbrengen, zoo dat men geenen tusschentijd stelle tusschen te kennen, te willen en te doen, wat God wil dat wij doen. Niets is zoo aangenaam aan den Heer, dan zijn vertrouwen in Hem te stellen, alles op Hem te verlaten, en zich geheel aan Hem over te geven, en in alles van Hem af te hangen. Gelukkig die ziel, welke, alles van de hand Gods aannemende, zich in alles aan zijnen heiligen wil

18

373

-ocr page 278-

274 de navolging van jesüs christus.

onderwerpt, die niets wil dan hetgeen God wil, en alles wil wat haar overkomt, omdat God het akoo wil.

GEBET).

Heere Jesus ! weinig zijn uwe woorden, maar ruim in beteekenis. Dierbaar zijn zij voor mijn hart, daar zij de middelen voorschrijven waardoor de ware vreugde verkregen wordt. O, mocht het dra daarvan de vruchten ontwaren ! Maar ach! Gij weet wat mij tot beletsel is: Gij kent het geweld mijner driften. Verlos mij daarvan en van hare verderfelijke gevolgen. Spreek slechts een woord en kalmte zal in mijn binnenste heerschen.

VIEU EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat man moet vermijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken.

De Heer. Mijn zoon! wees niet nieuwsgierig en voed ^eene ijdele zorgen.

Wat raakt u dit of dat ? Volg gij Mij.

Wat toch gaat het u aan, of deze dus of zoo gesteld zij, of gene dus of zoo handele of spreke?

Gij behoeft voor anderen niet te verantwoorden , maar zult voor uzelven rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan in ?

Zie, ik ken allen : Ik zie alles wat onder de zon geschiedt. Ik weet hoe het met een ieder gesteld is; wat hij denkt, wat hij wil en wer-waarts zijne bedoeling gaat.

Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, houd u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.

-ocr page 279-

DERDE BOEK,

Wat hij gedaan of gezegd zal hebben zal op hem nederlcomen ; want Mij kan hij niet bedriegen.

2. Wees niet bezorgd om de schaduw van een grooten naam , om de gemeenzaamheid met velen, noch om de bijzondere genegenheid der menschen ; want daaruit ontstaat verstrooiing en aroote duisternis des harten.

Gaarne zoude ik mijn woord tot u richten en v geheimen openbaren, zoo gij zorgvuldig acht gaat\'t op mijne komst en Mij de deur uws harten opendet.

Wees omzichtig, waak in het gebed en verneder u in alles.

OEFENING.

Om den waren vrede der ziel te genieten, moet men : 1° alle nieuwsgierigheid vlieden , wegens alles wat den naaste aanjaat; 2° met geduld de kwellingen aanvaarden, die ons door de rechtvaardigheid Gods of door de onrecht-vaardrgheid der menschen overkomen ; 3° zich aan het lijden gewennen, alsmede aan de beroo-vine: van zijnen zin en van de vertroosting; 4° aan God »1 de voldoening van onzen geest, van ons hart en van onze zinnen opofferen, en Hem bedanken, dat Hij niet toelaat dat wij iets ter onzer bevrediging buiten Hem vinden.

G E B E u.

Uw woord is waarheid, o God! te vaak liet ik mij roet zaken in die mij vreemd waren, en matigde ik mij een oordeel aan , dat U alleen toekomt. Bezorgd omtrent ijdele zaken, was ik zorgeloos omtrent mijn eigen heil en ondermijnde

275

-ocr page 280-

276 dü ka volging van jesü3 clieistüs.

ik de rust mijns harten. Doe mg voorzichtiger en waakzamer worden, en boven alles bekommerd zyn omtrent het éene noodige, mijn eeuwig heil. Dat zij mijne hoofdbezigheid, daaraan ofFere ik alles op.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan.

1. De Heeu. Mijn zoon! ik heb gezegd: vrede laat ik u; mijnen vrede geef ik u , niet gelijk de wereld geeft, geef ik u dien. (Joan. 14.)

Allen verlangen den vrede; maar niet allen zorgen voor hetgeen tot waren vredo dient.

Mijn vrede is met de nederigen en zachtmoe-digen van harte; uw vrede zal zijn in groote lijdzaamheid.

Zoo gij naar Mij hoort en mijne stem volgt, zult gg grooten vrede kunnen genieten.

3. De Geloovige. Wat moet ik dan doen ?

3. De Hkeh. Let ia alles op uzelven , wat gij doet en wat gij zegt ; en richt al uwe bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen en buiten Mij uiets fe begeeren of te zieken.

Vel ook geen lichtvaardig oordeel over de woorden of daden van anderen, en wikkel u met in zakeu welke u niet zijn toevertrouwd; zoo is het mogelijk dat gij weinig of zelden onrust ontwaart.

Maar nooit eenige onrust te ontwaren en nooit eenige ziels- of lichaamskwelling te lijden behoort niet tot dezen tijd, maar tot den staat der eeuwige ruste.

-ocr page 281-

df.kde bdtk.

Denk derhalve niet den waren vredo gevonden te hebben, wanneer gij geencn druk gevoelt, of dat dan alles goed is als niemand u tegenstreeft, of dat dit volraaaktbeid is, waanneer alles ilaar uwen zin gehikt.

Denk ook niet dat gij dan iet? groots zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eene groote godsvrucht, en vertroosting ontwaart ; daaraan toch wordt de ware vriend der deugd niet gekend, en daarin bestaat niet \'stnen-schen voortgang en volmanktheid.

4. De Geloovige. Waarin dan Heer?

Dr. Heek. In nzelven van ganschcr harte aan den wil Gods over te geven, in niets het uwe te zoeken , noch in het kleine noch in het groote , noch in den tijd nocb in de eeuwigheid : zoodat gij, met een gelijk gelaat alles in dezelfde schaal afwegende, zoowel in tegenspoed als voorspoed Mij blijft danken.

Wanneer gij zoo sterk en in de, hoop volhardende zijt, dat gij bij de onthouding van inwen-digen troost zelfs uw hart toerust om nog meer te verdragen, en gij nzelven niet rechtvaardigt als behoordet gij dit en zooveel niet te lijden, maar Mij in al mijne schikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ontwijfelbare. hoop dat gij weder raet vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.

En zijt gij tot eene volkomen zelfversmading gekomen, weet dat gij alsdan zulk een overvloed van vrede zult genieten , als met uwe vreemdelingschap bestaanbaar is.

277

-ocr page 282-

378 DE NAVOLGING VAN JJiSÜS CHamp;ISÏÜS.

OEFENING.

Men mout zicli geheel en al aan den goddelij-ken wil onderwerpen, en alles evenzoo willen als God wil, dat wil zeggen : in de beoefening lo niets wenschen dan hetgeen God wil; 2o niets weigeren van de rampen, welke God ons overzendt ; 3° zich stellen in eeue volkomene versmading van zichzelven , zelfs tot de vernedering en tegenspraak aan te nemen, als iets dat wij moeten lijden; 4quot; sterk, getrouw en standvastig blijven in datgene wat God van ons wil, alhoewel men noch vertroosting, noch smaak, noch gerustheid gevoelt; 5o in één woord , vermaak scheppen in het vermaak van Gods hart, dat is: de volbrenging van zijnen heiligen wil.

GEBED.

Ook ik, o God! heb dikwijls naar vrede ge-wenscht, maar dien niet gezocht langs wegeii, waarop ik dien konde vinden. Gij wijst mij daartoe den eeuigen waren weg, dien van zelfverloochening. Hard is voor mijne zinlijkheid die eisch ; maar mijn hart heeft behoefte aan vrede. Ik wii alzoo den weg betreden, door U mij aangewezen , hoe moeielijk hij ook moge schijnou. Vestig Gij daarop mijne treden en laat my nimmer daarvan afwijken.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de hooge waarde van een vrij gemoed, dat mm eerder verkrijgt door nederig hidden dan door veel lezen.

1. De Geloovige. Heer! dit is \'t werk van

-ocr page 283-

DEKDE BOEK.

een volmaakt meusch, zijn hart nooit af\' te trek-\' keu van het streven naar het hemelsche en tua-schen de veelvuldige zorgen als zonder zorg door te gaan ; niet uit traagheid, maar door eeu zeker voorrtcht van eene vrije ziel, zich aan geen schepsel door eene ongeregelde liefde hechtende.

2. Ik smeek U , mijn allergenadigste God ! behoed mij voor de zorgen dezes levens, opdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lichamelijke behoeften, opdat de wellust mij niet overmeestere; voor al de hindernissen der ziele, opdat ik niet door kwellingen ontmoedigd, bezwijke.

Niet slechts bedoel ik zulke dingen, welke de wertldsche ijdelheid met alle drift najaagt; maar ook die ellenden, welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgesproken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wilde.

3. o Mijn God ! onuitsprekelijke zoetigheid ! verkeer voor mij in bitterheid allen vleeschelij-ken troost, die mij van de liefde tot het eeuwige aftrekt en mij ongelukkig tot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig genot.

Dat toch, o mijn God ! dat toch geen vleesch en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide ; dat de duivel met zijne listen mij niet versehalke.

Geef mij kracht tot tegenstai.d, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volharding.

Geef mjj voor al den troost der wereld de al-lerlieflijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleeschelijke liefde stort in mij de liefde tot uweu naam.

279

-ocr page 284-

380 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

4. Zie, spijs, drank, kleeding en de overige benoodigdheden, tot onderhoud des licliaams behoorende, zijn eeue naar den hjtnel smachtende ziele tot last.

Geef dat ik mij van al zulke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te driftig aaa te hangen.

Alle raag ik uiet verwerpen, omdat. dgt; natuur ondersteund moet worden; maar het overtollige te zoeken en hetgeen \'t meest vermaakt, verbiedt uwe heilige wet : want anders zoude het vleesoh over den geest da overhand krijgen.

Dat dan, smeek ik ü, uwe hand mg by dat alles geleide en mij leere het overtollige te vermijden.

O E F E N I N O.

De versterving der zinnen en de overwinning en eigenzinnigheid zijn een zoo wezenlijke plicht voor eenen Christen ter zaligheid, dat rue.u mag zeggen, dat de ziel, dia zich met uiterlijke voorwerpen ophoudt en dikwijls meer met zichzelve dan met God bezig is, niet verdient in Hem te bestaan en voor Hem te leven ; om lat zij, door zich aan hare driften over te geven , als niet rekent aan God te behagen. Ach! hoe zal zij in het uur des doods van gevoelen en gedachte veranderen, als zij, alleen met haren God, van Hem dit verwijt zal moeten hooren : Ik ben voor u niets geweest gedurende uw leven; Ik zal voor u ook niets zijn in de eeuwisfheid : gij hebt uw zingenot boven het geluk van Mij te behagen gesteld, het is billijk dat gij aan de ijsselijkhedeu eenerongelukkige eeuwigheid overgeleverd wordt. (1) Aldus werd geantwoord aan den rijken vrek ,

_ (I) Recepiste bona in vita tua. XVI. v. 24.

-ocr page 285-

derde boek.

toen hij iu de hel over de strengheid der pijnen jimmsrde ; en liet zal tot die zinlijke zielen gezegd worden, die zich niet bedwingen, noch zich in iets versterken, tenzij z:j trachten het geluk der eeuwigh ;id hooger te achten dan de vermaken dezes levens, en den hemel door het in-tuomea der driften te verdienen.

g e b k d.

Zoude ik , o God ! met deze bede niet instemmen? Ja ook ik vvensch, van alle aardsclie afleidingen bevrijd, mij onophoudelijk met U en mijne eeuwige belangen bezig te houden ; maar ach ! nog te zeer word ik door mijne zinlijkheid en aardsche zorgen gestoord. Trek dan mijn hart meer en meer van het aardsclie af en breng het tot het eeuwige over. Doe mij het noodige slecht? ah mid lel, niet ais doel, matig gebruiken te uwer eer.; en tot h^il m\'jnsr ziele.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt.

1. De Heer. Mijn zoon 1 gij moei alles voor alias geven, en in niets uws zelfs zijn.

Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan eenige zaak ter wereld.

Naar de liefde en genegenheid die gij hebt, zal elke zaak u meer of min aankleven.

Is uwe liefde rein, eenvoudig en wèl geregeld, gij zult aan niets verslaafd wezen.

Begeer niet wat gjj niet raoogt bezitten ; wil niec bezitten wat u kan hinderen en van de inwendige vrijheid berooven.

281

-ocr page 286-

282 UK NAVOLGING VAN JESUS CHJ11SÏÜS.

Het is zonderling dat gjj u niet vau ganscher harte met alles wat gij kunt wenschen of bezitten aan Mij toevertrouwt.

2. TV\' aarom u door ijdelen kommer verteerd? \\\\ aarom door overtollige zorgen vermoeid ?

Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.

Indien gij dit of dat zoekt en hier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar uwen eigen zin te leven, zoo zult gij nooit in rust noch vrij van kommer zijn : want in alles zal eenig gebrek gevonden worden en op elke plaats zal iemand zijn, die u tegenstreeft.

3. Het is dus dienstig niet allerlei tijdelijic goed te verkregen of te vermeerderen , maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar tot den wortel uit uw hart te roeien.

Dit moet gij niet alleen verstaan van het bezit van geld en rijkdommen, maar ook van de zucht naar ijdelen lof en roem, die alle met de wereld voorbijgaan.

Eene plaats geeft weinig veiligheid, zoo de geest des ijvers ontbreekt.

Eu de vrede van buiten gezocht, zal niet lang bestaan, zoo de staat uws harten den waren grondslag mist, dat is : zoolang gij niet op Mij rust.

Gij kunt wel van plaats veranderen, maar ü niet verbeteren : want zoo ras de gelegenheid zich opdoet en gij u daarvan bedient, zult gij vinden hetgeen gy ontvlucht en nog meer.

4. De Geloovige. Bevestig mij, o God ! door de genade van den Heiligen Geest.

Geef dat de kracht in den inwendigen meusch versterkt worde, en dat miju hart zich van aiie

-ocr page 287-

DJiRDE BOEK.

onuoodige zorg en an^st ontledige; dal ik niet door allerlei begeerten naar welke zaak ook, gering of kostbaarj getrokken worde, maar alle zaken als voorbijgaande beschouwe en mijzelven als voorbijgaande met haar.

Want er is niets bestendigs onder de zou: alles is ijddheid tn kwelling des geestes. (Eccli. 1)

De Heek. O , hoe wijs is hij die dit aldus inziet!

5. De Geloovige. Geef mij, o Heer! de he-melsche wijsheid, opdat ik leere U boven alles te smaken en te beminnen, en al het overige zoo in te zieu, als het naar de orde uwer wijsheid waarlijk is.

Geef dat ik den vleier voorzichtig verniijde ea den tegenstrever geduldig verdrage.

Want dit is eene groote wijsheid , niet door allen wind van woorden bewogen te worden, noch htt oor te kenen aan het gevaarlijk gevlei van vidtche ménden; zoo toch zet men den ingeslagen weg veilig voort.

o E p E N I N G.

Zich gohtel zonder eenige uitzondering aan Gcd overgeven, is; 1° zich niets te verwijten, in iels wat men Hem gegeven heeft; 2° in alle gelegenheden zich aan Hem overgeven, en Zijnen wil stellen boven de genegenheden tot eigenliefde ; 3o niets aan zich toelaten of zich in niets verschooxien, helgene men weet aan God te mishagen; 4° Hem den volstreksten meester en als eigenaar van ons hart maken , zoodat Hij over alles beschik kc wat in ons is en ons toebehoort, en zelfs van onzen geheelen persoon, volgens zijnen heiligen wil ; 5° leven in eene

283

-ocr page 288-

284 DS NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

afhankelijkheid en gedurige ondervrerpiug aan de bewegingen der genade.

Aan God aldus geheel en zonder uitzoudering toebehooren, is het ware middel om Hem te bezitten en in vrede te leven. Dan , helaas ! hoe weinige zielen worden er aangetroffen, die alzoo aan God geheel overgegeven zijn ! En hoe velen zijn er, die aan Hem slechts half toebehooren , die hun hart tusschen God en het schepsel, tusschen de liefde Gods en hunne eigenliefde verdeeleu, alhoewel zij weten dat alle verdeeling liet liart van God kwetst, en Hem belet geheel en al te heerschen in onze harten, waarvan Hij de meester niet is, tenzij Hij alleen het bezit, en waarin Hij als God niet heerscht, wanneer Hij er niet alléén heerscht en in alles den voorrang bekomt.

GEBED.

Ja, o God ! eene overdreveae liefde tot mij-zelven stoort vaak mijne rust en doet mij meer nadeel dan ai mijne vijanden mij kunnen doen. Zij bindt mij aan het vergankelijke, kwelt mij met tallooze zorgen en verwijdert mij meer en meer van mijn doel. Wie zal mij van hare heerschappij verlossen ? Wie die sterke banden verbreken ? Wie anders, dan Gij! Doe dit dan, o Heer! breng mijn hart geheel tot U over en houd het onveranderlijk op U gericht.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen kicaaduprekende tongen.

1. Da Hekr. Mijn zoon! het verdriete u niet

-ocr page 289-

UERDJ5 BOEK.

als sommigen van u kwaad denken en zeggen wat gij niet gaarne hoort.

Gij moet nog erger van uzelven denken en niemand zwakker dan uzelven achten.

Verkeert gij inwendig met uzelven, gij zult weinig aan voorbijvliegende woorden hechten. .

Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich tot Mij te keeren en zich door geen menscheljjk oordeel te iaten ontrusten.

3. Dat uw vrede van der menschen mond niet afhange; want of ze iets wel of kwalijk uitleggen , gij zijt daarom geen ander mensch.

Waar is ware vrede en waren roem? Is het niet bij Mij ?

W ie den menschen niet zoekt te behagen noch vreest te mishagen , zal veel vrede genieten.

L7it ecne ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en des geestes.

OEFENING.

Niets is bekwamer om ons te ontrusten en te storen, dan de oordeelvellingen en gesprekken van anderen jegens ons. Wij achten ons gelukkig wanneer wij hun bchagui, tn ongelukkig als wy door hen versmaad worden; en nochtans, wat is de achting of smaad der wereld, daneene schaduw, een rook, een voorbijvliegende damp, die niets kan bijzetten aan hetgene wij zijn of moeten wezen! Wij zijn slechts datgene, wat wij voor de oogen van God zijn , en moeten al de goede of slechte gevoelens, die men ven ons heeft, als een niet rekenen. O menschelijk opzicht! wanneer zult gij in ons voorde eer, die wij onzen God schuldig zijn, onderdoen ? Helaas!

285

-ocr page 290-

280 dt3 navolging van jesus christus.

hoezeer werpt het menschelijk opzicht in ons ailes omver, waardoor wij aan God zouden kunnen behagen! Wat zal men van mij zecrgreu, indien ik dit of dat zeg of doe? Maar wat zal de Zaligmaker zeggen, indien ik dit of dat niet zeg of doe? is het niet beter aan God dan aan de menschen te gehoorzamen, en aan God dan aan de wereld te behagen ? Waarom doe ik dan znlks niet ?

GEBED.

Zoo min ik mij, o God! np den lof van vleiers mag verheffen , zoo min mag ik mij aan lastertaal storen. Welk nadeel zullen woorden mij aanbrengen die als de wind vervliegen? Ik blijf die ik ben, en Gij, Alwetende! zijt de getuige mijns harten. Laat dit geloof bij mij steeds leven dig zijn , wanneer ik door laster vervolgd worde. Mijn oog zij op U gevestigd , die alles gadeslaat en ieder beloont naar zijn werken.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Hop men in inederwaardiqltsden God moet aanroepen en zegenen.

1. De Geloovige. Heer! eeuwig zij uw naam gezegend, die gewild hebt dat deze bekoring en kwelling over mij komen zouden.

Ontvluchten kan ik ze niet; maar tot U moet ik mijne toevlucht nemen, opdat Gij mij moogt helpen en ze mij ten goede keeren.

Heer! thans beu ik in lijden; het is mijn hart niet wel, maar ik word door het tegenwoordige lijden zeer gekweld.

En nu , geliefde Vader ! wat zal ik zeggen ?

-ocr page 291-

DKKBE BOEK.

Tk ben omgeven van benauwdheden. Verlos raij uit dit. uur.

Doch daarom ben ik in dit uur gekomen, opdat Gij zoudt verheerlijkt worden , nadat ik dieper vernederd en dan door U verlost zal zijn.

Heer! dat het U heJiage mij te redden ! (\'Ps. 39.) want ik arme, wat kan ik doen en waarheen zal ik gaan zonder ü ?

Reef geduld, o Heer! ook ditmaal.

Help mij, mijn God! dan zal ik niet vreezen, hoezeer ook bezwaard.

2. Doch wat zal ik intusschen zesrgen ? — Heer ! nn wil geschiede! (Matth. fi.)

Ik heb wel verdiend gekweld en bezwaard te worden : ik moet dus wel verdragen : o mocht het geduldig zijn, totdat het onweder voorbijga en het beter worde.

Overigens !■lt; uwe almogende hand machtig genoeg om ook deze bekoring van mij weg te nemen of haren aandrang te matigen , zoodat ik niet geheel bezwijke; zooals Gij, mijn God! mijn ontfermer! tevoren dikwijls met mij gedaan hebt.

En hoe zwaarder mij deze beproeving valle , des te lichter valt u zulk eeve verandering ran de rechterhand des Allerhoogüen. (Ps. 76.)

OEFENING.

Men moet hevig en gedurig aan de bekoring wederstaan , maar tevens moet men ook tot God met vertrouwen zijne toevlucht nemen, om ze te overwinnen. Dikwijls laat God toe, dat wij zoo lievig aangevallen en zoo zwaar onder het gewicht onzer ellenden gedrukt worden , dat wij geen middel zien om staande te blijven en wederstand te bieden, dan ons krachtig met Hem ver-

287

-ocr page 292-

288 de ïiavolgikg van jesus chkistus.

eenigd te houden en ons als afhankelijk van de hulp zijner genade te beschouwen. Derhalve, hoe minder hulpmiddelen wij in ons ontmoeten, des te meer moeten wij van Hem verwachten ; en wanneer wij op het punt zijn van onder de bekoring te bezwijken en te vergaan, tot Hem zeggen : Heer ! red ons , wij vergaan ; onze oogen zij opgeheven tot U, Gij die onze God zijt, en die ons kunt helpen; Gij die onze Vader zijt, en ons wilt helpen; Gij die onze Zaligmaker zijt, en in deze hoedanigheid hiertoe verplicht zijt. Wij rekenen op U. Hoe zwakker ik mij uit mijzelven gevoel, des te meer verwacht ik van U de sterkte om te wederstaal). Uwe verheerlijking en uw voordeel hebben er belang bij om mg bij te staan , aangezien mijne, ziel het werk uwer handen en de prijs uws bloeds is.

GEBED.

Dat, o God! deze bede ook de mijne zij, zoo dikwijls het U believen zal mij met rampen te bezoeken. Zij is mjj als mensch en Christen waardig en kenschetst het onderwoipen hart, in de school van uwen Zoon gevorn d. Welaan dan, lieve Vader ! ik wil daartoe mijn best doen. Heer! uw wil geschiede ! Zoo zal ik hartelijk bidden, gelijk Jesus, mijn Heiland gebeden heeft; en ik zal verlichting ontwaren.

DEKTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men Gods hulp moet afsmeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen.

1. De Heek. Mijn zoon! Ik ben de Heer,

-ocr page 293-

DERDE BOEK.

die sterkte geeft ten dage van verdrukking. (Nah. 1.) Kom tot Mij, als het u niet wèl gaat.

Wat wel het meest den hemelschen troost verhindert, is dat gij u zoo laat tot het gebed begeeft.

Want alvorens Mij vurig te bidden, ziet gij intusschen naar veel anderen troost om en zoekt verkwikking in het uiterlijke.

En vandaar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Ik het ben die degenen redt die op Mij hopen, en dat er buiten Mij noch krachtige hulp, noch nuttige raad, noch bestendig redmiddel is.

Doch nu na den storm uw geest bekomen is, herstel u in het licht mijner ontfermingen : want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles niet slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te herstellen.

2. Of is Mij wel iets moeielijk ? (Jer. 32.) Of zoude Ik gelijk zijn aan hem die zegt en niet doet ?

Waar is uw geloof? sta vast en volhard.

Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen.

Wacht op Mij, wacht : Ik zal komen en u genezen.

Het is eene bekoring die u kwelt, en eene ijdele vrees welke u verschrikt.

Waartoe dieut die zorg over hetgeen in de toekomst gebeuren mag, dan om u droefheid op droefheid te baren ? Elke dag heeft genoeg aan zyn eigen kwaad. (Matth. 6.)

Het is jjdel en nutteloos zich te bedroeven of te verblijden over iets, dat nog komen moet en wellicht nooit komen zal.

289

19

-ocr page 294-

290 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

3. Maar het is menschelgk door zulke voorstellingen misleid te worden, en een bewijs van een nog zwakken geest zoo licht aan de ingevingen des yijands gehoor te geven.

Hem toch is het om het even of hij door het ware dan door het valsche begoochelde en misleide; of hij door liefde tot het tegenwoordige dan door vrees voor het toekomende ten val brenge.

Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof in Mij en vertrouw op mijne barmhartigheid.

Dikwijls als gij meent dat gij van Mij verwijdert zijt, beu Ik het dichtst bij u.

En wanneer gij bijna alles verloren acht, is er dikwijls de meeste winst te doen.

Het is niet alles verloren, als eene zaak tegenvalt.

Gij moogt niet oordeelen naar het eerste gevoel , noch ook zooveel hechten aau eenig bezwaar, vanwaar het kome , of het zoo opvatten , als ware alle hoop op uitkomst ontnomen.

4. Denk niet dat gij geheel verlaten zijt, als Ik u voor een tijd eenigen druk laat toekomen , of ook den gewenschten troost onttrek : want dus komt men tot het Hemelrijk.

Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoefend te worden dan wanneer gg alles naar wensch hadt.

Ik weet de verborgenste gedachten, en dat het voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijds smakeloos gelaten wordt : opdat gij u niet bij voorspoed verheffen mochtet, en zelfbehagen willen zoeken in hetgeen gjj niet zijt.

-ocr page 295-

DEKDE BOEK.

Wat Ik gegeven heb, kan Ik afnemen en het teruggeven als het Mij believen zal.

5. Als Ik het gegeven heb, is het \'t mjjne ; als Ik het terugneem, ontneem Ik het uwe niet: want alle goede gave en alie volmaakte gifte is het mijne.

Indien Ik u eenig bezwaar of tegenheid toezend, word daarover niet misnoegd en dat uw moed niet bezwijke : ras kan Ik helpen en alle smart in vreugde veranderen.

Intusschen ben Ik rechtvaardig en verdien grooten lof als Ik zoo met u handel.

6. Indien gij recht wijs zijt en naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren, maar eer u verblijden en danken, ja dit als uwe eenigste vreugde achten, dat Ik u met smarten verdrukkende , u niet spaar. (Job 6.)

Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, alzoo heb Ik u ook lief, (Joan. 15) zeide Ik tot mijne geliefde leerlingen, die Ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond ; niet om geëerd maar om veracht te worden; niet tot lediggang maar tot arbeid; niet om rust te hebben maar om veel vrucht te dragen in Igd-zaamheid.

Wees, mijn zoon! deze woorden gedachtig.

OEPENINB.

Ik ben , zegt de Heer, door cenen Profeet, ik ben de God, die sterkte geeft in den dag der verdrukking, eu diegenen uit het gevaar verlos, welke op mij vertrouwen. Hoe geschikt zijn de«e woorden om eene ziel in de bekoring en in de wederwaardigheden te vertroosten , te ondersteu-

291

-ocr page 296-

392 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

uen en te versterken, als zij slechts getrouw en standvastig blijft in alles wat God van baar eiscbt! Eu dit is het, wat de H. Schrift noemt: den Heer verbeiden en langmoedig afwachten.

Geloof in mij, zegt de Zaligmaker, en dat uw hart noch ontsteld , noch bevreesd zjj. Derhalve moet men in de gelegenheden van in- of uitwendige kwellingen, 1. met vertrouwen tot Godzgne toevlucht nemen; 2. zich aan zijnen heiligen wil onderwerpen; 8. niets van de oefeningen achterlaten ; 4. zich overwinnen, beteugelen , zich iu alles verzaken om eenstemmig met God voort te gaan; 5. zijn geluk en zijne verdienste stellen in Gods majesteit te verheerlijken; 6. eindelijk, tevreden zijn met een gekruist en Igdend hart te dragen, hetwelk met smarten en bitterheid overladen , en de gesteldheid is van het hart van Jesus op het kruis.

G E B E 1).

Ja wel zal ik, o God! deze woorden gedachtig zijn en dikwijls overwegen. Vaak toch zoude ik uwe hulp ontwaren, wist ik mij daarvoor wat meer gereed te houden en die geduldig af te wachten. Gij toch zijt, ten dage mijner verdrukking, mij met uwen troost nader bij dan ik mij verbeelde. Dit zij dan steeds mijn troost, wanneer Gij mij met ongevallen bezoekt. Daardoor gesterkt, zal niets mij ontrusten, veel minder den moed benemen.

-ocr page 297-

derde boek.

EEN EN DEET1GSTE HOOFDSTUK.

Om. dm schepper te kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen.

1. De Geloovige. Heer! wèl heb ik grootere genade noodig, moet ik nog daartoe komen dat mij geen mensch noch eenig ander schepsel meer kan hinderen.

Want zoolang mij nog iets wederhoudt, kan ik niet vrij tot U vliegen.

Vrij wenschte hij te vliegen die sprak: Ach, hadde ik toch vleugelen als eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrusten. ( Ps. 54) Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en wat vrijer dan hjj, die niets op aarde verlangt ?

Men moet zich dan boven alle schepsel verheffen en zichzeiven geheel verlaten, en in den geest opgetogen blijven om te zien dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeens hebt met de schepselen.

En al wie nog niet van alle schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op het goddelijke kunnen toeleggen.

2. De Heeb. Daarom, mgn zoon! worden er weinigen geschikt gevonden voor het beschouwend levend, omdat weinigen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen.

Daartoe wordt eene groote genade vereischt, welke de ziel opbeurt en boven haarzelve vervoert.

En zoolang de mensch in den geest niet verheven is, los van al het geschapene en geheel met God vereenigd, alles wat hij weet, ook wat hij heeft is van weinige waarde.

293

-ocr page 298-

394 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Lans; zal hij klein zijn en op den grond liggen, die nog iets hoogacht behalve het eenige, oneindige, eeuwige goed.

Want alles wat God zelf niet is, is niets en moet voor niets gehouden worden.

Er is een groot verschil tusschen de wijsheid van den verlichten en godvruchtigen mensch , en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.

Veel edeler is de kennis, welke van boven door goddelijke ingeving nederdaalt, dan die door menschelijk vernuft met moeite wordt verkregen.

3. Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.

Een groote hinderpaal is dat men te veel blijft staan bij het uiterlijke en zichtbare en weinig werks maakt van eene volkomene versterving.

De Geloovige. Ik weet niet wat het is noch door welken geest wij gedreven worden, en wat wij voorgeven, die als geestelijken willen doorgaan , dat wij zooveel arbeid en zoo groote zorg besteden aan voorbijgaande en nietige zaken, 1 en zoo zelden met eene volkomen ingetogenheid van zinnen aan ons inwendig denken.

4. Helaas! na een weinig overwegens storten wij aanstonds \'weder naar buiten, zonder onze daden door een streng onderzoek te wegen.

Wij letten er niet op, waaraan onze neigingen ■hechten, en wij betreuren niet dat alles zoo onrein is.

Toen alle vleesch zijnen weg bedorven had , volgde de groote watervloed.

Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven

-ocr page 299-

derde boèk.

is, moet ook de daaruit volgende daad, ten Mijke van gebrek aan innerlijke gezondheid, bedorven zijn.

Uit een rein hart komen vruchten van een goed leven voort.

B. Men vraagt hoeveel iemand gedaan heeft; maar men onderzoekt zoo vlijtig niet met welk goed oogmerk hij handelt.

Men vorseht na of iemand dapper, rijk, schoon, bekwaam is, of hij wel schrijft, wèl zingt, wèl werkt; maar hoe arm hij is van geest, hoe Ijjd-zaam en zachtmoedig, hoe godvruchtig en inwendig, daarnaar wordt door velen niet gevraagd.

De natuur ziet op het uitwendige des men-schen ; maar de genade keert zich tot het inwendige.

Geene wordt vaak bedrogen; deze vertrouwt op God om niet bedrogen te worden.

oefening

Niets is waardig door het hart eens Christens bezeten te worden, dan wat eeuwig is, en wfl moeten slechts datgene lief hebben, wat wij altijd zullen beminnen. Laat ons derhalve trachten 1. het welbehagen van God boven al onze voldoeningen te achten; 3. in alles slechts zijn welbehagen te zoeken ; 3. alle druk en lijden, dat Hij ons overzendt, met ootmoedige onderwerping van zijne hand te ontvanger.; 4. dikwijls met geestelijke zaken in Gods tegenwoordigheid bezig te zijn, en in alles van Hem af te hangen.

Waarom ons met beuzelarijen en ijdele overwegingen op onszelven en met ongerustheid jegens anderen onledig houden, terwijl God, in

295

-ocr page 300-

296 de navolging van jüsds christus.

ons zijnde, de eerbewijzingen onzer harten en het offer van onzen geheelen persoon verwacht? Hoe vele genaden ontsnappen er aan eene ziel, die verstrooid is en bijna geene aandacht neemt op hetgene God van haar verzoekt! En echter weet men hoe gevaarlijk het misbruik der genaden voor de zaligheid is.

GEBED.

Ook ik, o Vader! heb eene bijzondere genade noodig, eer ik mij op dien trap van volmaaktheid bevinde, dat niets van het aardsche mij in mjjne vlucht tot ü kan hindereu. Hoe vreemd ben ik nog aan die edele vrijheid, uweu kinderen zoo zeer eigen! Doe mij dien zaligen toestand kennen; schenk mij vleugelen als van eene duif, dan zal ik boven alle schepselen tot U vliegen, om eeuwig in U alleen te rusten en in uw genot zalig te zijn.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de zelfverloochening en verzaking van alle hegeerlijkheid.

1. De Heer. Mijn zoon! gij kunt geene volkomen vrijheid bezitten, tenzij gij uzelven geheel verzaakt.

Gekluisterd zijn alle eigenbaatzuchtigen en zelfminnaars; zij zijn begeerlijk , nieuwsgierig en ongestadig; zij zoeken steeds hun gemak en niet wat Mij behaagt; z\\j ontwerpen en ondernemen vaak dingen die geen stand houden; want alles wat van God niet komt, zal vergaan.

Onthoud dit korte en alles bevattende woord :

-ocr page 301-

deede boek.

verlaat alles en gij zult alles vinden ; leg de begeerlijkheid af, zoo vindt gij rust.

Overweeg dit bij uzelven, en wanneer gij het zult volbracht hebben, zult gij alles verstaan.

2. De Geloovige. Heer! dit is geen werk van een dag noch kinderspel; ja in dit weinige is alle volmaaktheid eens kloosterlings opgesloten.

De Heee. Mijn zoon! gij moet zoo aanstonds niet afkeerig noch moedeloos worden, zoortra gij van den weg der volmaaktheid hoort; maar te meer tot het hoogere opgewekt worden of ten minste daarnaar vurig verlangen.

Och, of het zoo met u gesteld ware ! of gjj zoo verre gekomen waart dat gij uzelven niet meer bemindet, maar u volkomen naar den wenk van Mij en van uwen overste schiktet 1 dan zoudt gij mij zeer behagen en uw geheel leveu slijten in vreugde en rust.

Nog veel hebt gij te verlaten ; en tenzij gij Mij alles volkomen afstaat, zult gij niet verkrijgen wat gij vraagt.

3. Ik raad u dat gij van Mij koopt, goud, door het vuur beproefd, opdat gij rijk moogt worden , (Apoc. 3 ) te weten : de hemelsche wijsheid, die al het aardsche onder de voeten treedt.

Geef haar de voorkeur boven de aardsche wijsheid, boven alle menschelijk en eigen welbehagen.

4. Aldus zeg ik u : koop hetgeen gering is bij de menschen voor hetgeen kostbaar en verheven is in hunne schatting.

Want zeer lang en gering en bijkans vergeten schijnt de ware hemelsche wijsheid, die van zichzelve niet hoog denkt noch op aarde zoekt verheven te worden.

297

-ocr page 302-

298 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Vele prijzen haar met den mond, maar wijken er verre af in hun gedrag.

En toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.

OEFENING,

Wat is : alles verlaten ? Het is 1. zich verloochenen en afsterven; 2. het is : zijne zinnen, zijnen geest en zijn hart versterven; 3. het is : zich van alles onthechten wat ons behaagt, en met ootmoedige onderwerping al datgene aannemen, wat ons moeilijk valt; 4. het is : zijne vrienden in God , en zijne vijanden voor God beminnen, en zichzelven haten; 5. het is ; aan niets dan aan zijnen God, aan zijne plichten, en aan zijne zaligheid verkleefd zijn; 6. het is ; al de bewegingen des harten tegen zich, en alleen voor God te doen dienen ; 7. het is : zich slechts ophouden met de zorg om Hem in alles te bevredigen, en met de vrees van Hem te mishagen; 8. het is : zijn geluk en zijne eer te stellen in de winst van Zijn hart en in het bezit van Zijne liefde.

Hoe gemakkelijk zegt men : ik zou gaarne alles verlaten, om geheel voor God te wezen ! maar hoe moeilijk stelt men het in het werk, tenzij men alle getrouwheid gebruike om zich van alles te ontdoen , wat ons niet tot God geleidt. Een weinig liefde tot God in een hart gedrukt, maakt dien afstand en die zelfopoffering aan God voor het hart mogelijk en gemakkelijk. Men moet ze willen en vragen, en zonder ophouden in het werk stellen.

-ocr page 303-

derde boek.

a e b e d.

Ik ?-ie, o God! dat er, om waarlijk vrij te zijn , van mij nog veel gevorderd wordt. Ik moet om vrij tot U te vliegen mgzelven als afsterven, volkomen verlaten, dat is, mijne eigenliefde aan uwe liefde geheel opofferen. l)it is de ware wijsheid welke van zoo weinigen wordt op prijs gesteld en zoo groote waarde heeft. Leer mij deze heilzame kunst, deze hemelsche wijsheid kennen; dat zij mij een kostbare parel zij, voor wier bezit ik alles overheb.

DEIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de onstandvastiykeid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.

1. De Heer: Mijn zoon ! vertrouw niet op uwe tegenwoordige gemoedsgesteltenis : want zij zal ras in eene andere overgaan.

Zoolang gij leeft, zijt gij ook uws ondanks der veranderlijkheid onderworpen; zoodat gij nu eens blijde , dan treurig; nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu ijverig, dan traag; nu ernstig dan lichtzinnig zult bevonden worden.

Doch de wijze en in den geest wèl onderwezene blijft, bij al deze afwisselingen , staande.

Hij let niet op hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dat de geheele bedoeling zijns gees-tes naar het behoorlijke en gewenschte einde strekkc.

Want dus, door het eenvoudig oog zijner bedoeling bij zoo velerlei voorvallen, onafgewend

299

-ocr page 304-

300 DE NAVOLGING TAN JB8U8 CHRISTUS.

op Mij te vestigen, zal hij éen en dezelfde en onwrikbaar kunnen blijven.

2. Hoe reiner nu het oog der bedoeling is, hoe standvastiger men tusschen velerlei stormen doorgaat.

Maar bij velen is het oog eener reine bedoeling beneveld : want alras vestigt het zich op iets genoeglijks dat zich voordoet.

Daarom vindt men zelden iemand geheel vrij van de vlek der zelfzucht.

Dus kwamen weleer de Joden naar Bethanié tot Martha en Maria, niet om Jesus alleen, maar ook om Lazarus te zien.

Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig en oprecht zij en het, boven al hetgeen slechts middel is, op Mij alleen richten.

OEFENING.

Om de ongestadigheid van ons hart, ia datgene wat den dienst Gods en de zorg der zaligheid betreft, te bepalen, moet men 1. zichzel-ven mistrouwen, en zijn vertrouwen op God stellen; 2. tot God z^jne toevlucht nemen, en zyn bijstand in de gelegenheid verzoeken; 3. dikwjjls zijne meening hernieuwen van God te bevredigen , zonder zichzelven te willen bevredigen; 4. sti eds bestrijden wat ons tegengaat; 6. niets willen dan wat God wil, en het krachtdadig willen; 6. zijn hart aan de liefde Gods gewennen , en ons de heilige vriendschap voorstellen , welke Hij met ons in eeuwigheid hebben wil; 7. nauwkeurig de ingevingen en bewegingen der genade volgen.

-ocr page 305-

DERDE BOEK.

GEBED.

Neen, mijn God! ik kan noch mag te veel vertrouwen op eene gesteltenis , welke aan zoo vele veranderingen onderbevig is. Ook hierin behoor ik mijzelven te verlaten en het oog mijner bedoeling op U alleen te vestigen. Gij zijt onveranderlijk dezelfde die Gij van eeuwigheid waart; in Ü alleen kan mijn hart volkomen rusten. Dat dan mijn oog zich boven alles ver-heffe; dat het zuiver zij van alle eigenbelang, oprecht en onveranderlijk tot U gekeerd.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De ware minnaar vindt bij alles en boven alles in God zijn genoegen.

1. De Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al! Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wenschen ?

o Zoet en liefelijk woord ! doch voor hem , die het Woord des Vaders en uiet de wereld noch hetgeen in de wereld is, bemint.

Mijn God en mijn al! genoeg gezegd voor hem die het verstaat; terwijl de veelvuldige herhaling ervan genoegelijk is voor hem die bemint.

Want zijt Gij tegenwoordig, alles is genoeglijk; maar zijt Gg afwezig, alles mishaagt.

Gij geeft de rust des harten, een grooten vrede en eene feestlijke blijdschap.

Gij doet over alles wèl denken en U in alles loven.

Zonder U kan niets lang behagen ; maar zal iets aangenaam zijn en wèl smaken, zoo moet

801

-ocr page 306-

302 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

uwe genade daarbij zjjn en de kruiderij uwer wijsheid dat toebereiden.

2. Wat zal hem niet smaken, die in U smaak vindt ? En wat zal hem genoegen kunnen geven , die in U geen smaak vindt ?

De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot het vleesch worden door uwe wijsheid te niet gedaan : want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleesch is de dood.

Maar zij, die ü door de verachting der wereld en afsterving des vleesches navolgen, worden bevonden ware wijzen te zijn, omdat zij zich van de ijdelheid tot de waarheid en van het vleesch tot den geest laten overbrengen.

Deze vinden smaak in God; en, welk goed zij bij de schepselen vinden, zij brengen het geheel over tot hunnen Schepper.

Intusschen is er een verschil en groot verschil tussehen den smaak voor den Schepper en het schepsel, voorde eeuwigheid en voor den tijd, voor het ongeschapen licht en het meegedeelde licht.

3. o Eeuwig Licht, al de geschapene lichten overtreffende 1 schiet uit de hoogte stralen, die tot geheel het binnenste mijns harten doordringen.

Reinig, verkwik, verlicht en verlevendig mijne ziel en hare vermogens, zoodat zij zich aan U in juichende verrukking vasthechte.

O, wanneer zal dat zalige en gewenschte uur komen, dat Gjj mij met uw bijzin zult verzadigen en mij alles in alles zijn !

Zoolang mij dit niet wordt geschonken , zal m^jn vreugde niet volkomen zijn.

4. Maar helaas! nog leeft de oude mensch in

-ocr page 307-

DERDE BOEK.

mij ; hij is niet geheel gekruisigd , niet volkomen gestorven.

Nog altoos begeert hij sterk tegen den geest, verwekt inwendigen oorlog en laat aan het rijk der ziel geene rust.

Maar Gij, die heerscht over de woede der zee en het geweld harer golven stilt, (Ps. 88) sta op te mijner hulpe. (Ps. 43) Verstrooi de volkeren die hehist zijn op oorlog; (Ps. 57) verpletter ze door uice macht. (Ps. 58.)

Toon, bid ik U, uwe grootheid, en dat uwe rechterhand verheerlijkt worde : want geene andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God !

OEFENING.

Niet beminnen dan God, en Hem boven alles beminnen, is : geen behagen hebben dan in Hem alleen; is niets dan Hem alleen zoeken ; is uit liefde tot Hem verzaken aan alles, wat ons uit de natuur kan bevredigen , volgens deze woorden van den koninklijken Profeet : mijne ziel verwerpt den troost der menschen; zij heeft zich tot God gekeerd, en in Hem alle voldoening en haar verlangen gevonden.

Om aldus niet dan God te beminnen, moet men zijne zinnen versterven, zijnen geest bedwingen , zijn hart beteugelen , zijn lichaam in bedwang houden, en zich duizende wereldsche voldoeningen ontzeggen, om alleen aan het hart van God te behagen. Heil de ziel, die tevreden is met dtn gekruisten staat, in welken het lichaam van Jesus Christus zich op het kruia bevond, om met den Apostel te kunnen zeggen : ik leef om Christus alleen, en het is voor mij

303

-ocr page 308-

304 db navolging van jesds christos.

eene winst aan alles te sterven, om alleen voor Hem te leven.

GEBED.

Op nieuw , mijn God ! vereenig ik mij met deze bede. Hoe gaarne wenschte ik voor U alleen smaak te gevoelen, U mijn God en mijn al te noemen, en in U als mijn hoogste goed te rusten ! Wanneer zal dat blijde oogenblik voor mij komen ? Maar ach ! de oude mensch leeft nog in mjj, en is niet geheel gedood ! Vandaar die hindernissen, welke ik ontwaar. Kom mjj dan te hulp; verlicht, bestraal mijn hart; dat uwe genade in mij verheerlijkt worde.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen.

1. De Heer. Mijn zoon! in dit leven zijt gij nooit veilig, maar hebt, zoolang gij leeft, altoos geestelijke wapenen noodig.

Gij verkeert onder vijanden en wordt rechts en links aangevallen.

Zoo gij dus niet van alle kanten het schild des gedulds gebruikt, zult gij niet lang onge-wond blijven.

Daarenboven, houdt gij uw hart niet vast tot Mij gericht, met den zuiveren wil om alles voor Mij te lijden, dan kunt gjj die hitte niet doorstaan , noch den palmtak der gelukzaligen bekomen.\'

Gij moet dus moedig door alles heengaan en een krachtigen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.

-ocr page 309-

DERDE BOEK.

Want aan den overwinnaar wordt het manna gegeven, maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.

2. Zoo gjj in dit leven rust zoekt, hoe zult gij dan tot de eeuwige rust komen ?

Zet u hier niet tot veel rust, maar tot groote lijdzaamheid.

Zoek den waren vrede niet op aarde maar in den hemel; niet bij de menschen of de overige schepselen, maar bij God alleen.

Om Godswil moet gij alles gewillig ondergaan , te weten : arbeid en smarten, bekoringen en kwellingen, benauwdheden en behoeften, krankheden en beleedigingen, tegenspraak en berispingen , vernederingen en bcschamingen, bestrwffingen en versmadingen.

Dit alles helpt tot deugd, stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemelsche kroon.

Ik zal voor kortstondigen arbeid eeuwig loon , en voor eene voorbijgaande beschaming onvergankelijke heerlijkheid schenken.

3. Meent gij dat gij steeds de geestelijke vertroostingen naar wil tn wensch zult genieten?

Mijne Heiligen hebben deze niet altoos gehad : maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en groote moedeloosheden.

Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan op zichzelven vertrouwd; wetende, dat al het lijden van dezen tijd niet te achten is om de toekomende heerlijkheid te verdienen. (Hom. 8 )

Wilt gtj aanstonds hebben, wat zoo velen na %ele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben bekomen ?

305

20

-ocr page 310-

306 DE NAVOLGINÖ VA.N JTESUS CHRISTUS.

Wacht op den Heer, gedraag u mannelijk en houd moed. ( Ps. 26.)

Wantrouw niet, wijk niet af; maar geef standvastig lichaBm en ziel tot Gods eer ten beste.

Ik zal zeer rijkelijk vergelden; ik zal met u zijn in allen nood.

OEFENING.

Bereid uwe ziel voor op de bekoring, zegt de Wijze-Man, dat is : 1. stel uw geluk niet, in bevrijd te z\\ju van kwellingen, maar in Ais wel te verdragen; 2. stel u niet bloot aan de bekoring , noeh aan de gelegenheden van zondigen; maar indien gij u door de eene aangevallen en in de andere gewikkeld ziet, bied dan wederstand , strijd, vlucht en ueem met vertrouwen uwe toevlucht tot God; 3. waak, bid, verneder u voor God, en wees doordrongen van eene ootmoedige vrees in zijne tegenwoordigheid, en van eeu heilig mistrouwen in uzelven, om al uwe sterkte te stellen in God, die u tegen de aanvallen van de vijanden uwer zaligheid zal verdedigen.

Eene oprecht ehristene ziel moet haar verblijf op Galvarië en in de wonden van Jesus Christus vestigen, om met geduld, met sterkte en getrouwheid de wederwaardigheden te lijden, welke Hij haar overzendt. Want om een ware Christen te zijn en de plichten van zijnen staat te volbrengen, moet men altijd bereid zijn om voor zijnen God te lijden en te sterven, aangezien de Christenen , zoo als de heilige Cyprianus zegt, de erfgenamen van den Gekruiste zijn.

GEBED.

God! Gij zijt voor mij onuitputbaar in troost

-ocr page 311-

derde boek,

en schenkt mij dien naar uehoefte. Neen, er is voor mij geene ware rust noch veiligheid, tenzij ik mjj tot strijden gereed houde en mg bereid toone alles om uwentwil te lijden. Zoo toch was het lot van uwe beste vrienden, en ik durf mij geen ander toezeggen. Welaan ! ik ben bereid, en wil mij dapper gedragen. Handel met mij volgens uwe belofte en laat mij niet alleen in den strijd.

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ijdele heoordeelingen der viensclten.

1. De Heer. Mijn zoon ! vestig uw hart vast op den Heer eu vrees des menschen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed eu onschuldig houdt.

Het is goed en heilzaam dus te lijden, en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart, dat meer op God dan op zichzelf vertrouwt.

Velen spreken veel : eu daarom moet men er weinig geloof aan hechten.

Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.

Ofschoon Paulus zocht allen in den Heere te behagen en allen alles werd, achtte hij het toch niet het minste door het menschelijk gericht geoordeeld te worden.

2. Hij heeft genoeg gedaan, zooveel in hem was en hij kende, tot stichting en heil van anderen ; maar hij konde niet beletten, dat hij somtijds van anderen geoordeeld ja veracht werd.

Daarom gaf hij alles aan God over die alles wist, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond dergenen, die kwaad spraken ,

307

-ocr page 312-

308 DE NAVOLGING VA.N JE3DS CHRISTUS.

of het ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden.

Nochtans heeft hij somtijds geantwoord, opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen mochten geërgerd worden.

3. Wie zijt gij, dat gij een sterfelijk mensch vreest? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.

Vrees God, en gij zult der menschen bedreigingen niet vreezen.

Wat vermag een mensch teoen u met woorden of lasteringen ? Hij benadeelt zichzelven meer dan u, en , wie hij zij , Gods oordeel kan hij niet jmtgaan.

Houd gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.

Al schijnt gg ook voor het tegenwoordige onder te liggen en onverdieaden smaad te Igden , wordt daarom niet verstoord, noch verminder uwe kroon door ongeduld.

Maar zie liever hemelwaarts tot Mij , die machtig ben om u te redden uit allen smaad en be-leediging en eenieder te vergelden naar zijae werken.

^OEFENING.

UE.m Christen, die aan de lastertaal en boosaardigheid der menschen is blootgesteld, mogen deze beproevingen eigenlijk welkom zijn, aangezien zij hem iu de gelukkige noodzakelijkheid stellen, zijne toevlucht tot God, en niemand dan Hem tot getuige van zijn geweten te nemen. Want alhoewel wij overtuigd zijn, dat de achting of versmading, de goede of kwade oordeelvellingen der menschen ons noch gelukkiger

-ocr page 313-

derde boek.

noch ongelukkiger maken, zoeken wij uoclitans niet dan hunne goedkeuring te bekomen. Ach , waarom trachten wij ons niet veeleer te stellen in den geest en in het hart van God, die Opperheer onzer eeuwigheid is!

GEBED.

Uw woord, o God! is balsem voor m\\jn hart Hoe vaak toch stoorde ik mij aan de beoordeelingen van anderen , zonder mijn oog tot U te heffen en vandaar mijnen troost te outleenen ! Geen wonder alzoo, dat ik mij steeds in onrust bevond. Doe mij verstandiger worden, en laat het voorbeeld van uwen Apostel op mijn hart van eene krachtige werking zijn! Dat mijn oog alleen op ü gevestigd blijve , dan vrees ik niets, daar Gij mij een helper en redder zijt.

-ZÉVEN EN DEKTIGSTE HOOFDSTUK,

Over den zuiveren en geheelen afstand van zich-zelven, om de vrijheid des harten te lekomen.

1. De Heer. Mijn zoon! verlaat u, en gij zult Mij vinden.

Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.

Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking, zal u grootere genade worden toegevoegd.

2. De Geloovige. Heer! hoe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten ?

3. De Heer. Altoos en elk uur, in het groote zoowel als in het kleine. Ik zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden.

Hoe anders kunt gij de mijne en Ik de uwe

309

-ocr page 314-

310 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS.

zijn, zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgeschud hebt.

Hoe eer gij dat doei, hoe beter gij het hebben zult, en hoe volkomener en oprechter, hoe meer gij Mij zult behagen en winst doen.

4. Sommigen staan zich af, doch met zeker voorbehoud: want zij vertrouwen God niet volkomen en trachten daarom zichzelven te verzorgen.

Sommigen ook geven zich aanstonds geheel aan Mij over; maar naderhand, als de bekoring hen overvalt, keeren zij tot het eigene terug , waarom zij in de deugd het minst niet vorderen.

Dezulke zullen niet tot de ware vrijheid van een zuiver hart, noch in de gunst mijner genoeglijke verkeering geraken, tenzij zij zich geheel hebben afgestaan en dagelijks aan Mij opofferen, zonder hetwelk geene zalige vereeniging met Mij bestaat, noch kan bestaan.

B. Dikwijls heb Ik u gezegd en Ik herhaal het nogmaals: verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig grooten vrede hebben.

Geef alles voor alles; zoek niets, vorder niets terug; houd u zuiver en zonder aarzeling aan Mij en gij zult Mij bezitten; gij zult vrij zijn van harte en de duisternis zal u niet overschaduwen.

Streef daarnaar, bid hierom en wensch dit, dat gij u van al het eigene moogt ontdoen, en naakt den naakten Jesus volgen, uzelven afsterven en voor Mij eeuwig leven.

Dan zullen alle ijdele voorstellingen, slechte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.

Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.

-ocr page 315-

DEBDE BOEK.

OEFENING.

Wat is zichzelven verlaten, zich verzaken en zich geheel aan God overgeven , zonder iets te behouden ? Het is ; 1° niet handelen dan door de ingeving zijner genade, en door een werkelijk verlangen om Hem te behagen, welk verlangen zeer dikwijls moet gevoed en hernieuwd worden. 2° Zich geheel in alle gelegenheden aan God overlaten, en Zijne voldoening voor de onze stellen. 3° In allea zijnen eigen wil verzaken, om niet dan die van God te volgen. 4° Vermaak scheppen in het vermaak van Zijn hart, en in niets belang stellen dan in zijne verheerlijking. 5° Het is eindeljjK, gehoorzamen aan de ingeving van den heiligen Geest en de bewegingen van zijne liefde volgen. Maar helaas ! wie is er die alzoo leeft? wie is er, die zich alzoo verlaat en zich geheel zonder uitzondering aan God overgeeft ? Men verlaat zich zei ven in eenige omstandigheden, en in andere blijft men aan zich verkleefd; men verzaakt zich zeiven voor eenen tijd, en later zoekt men zich •weder. De geest des Heeren , zegt de koninklijke Profeet, trekt alleen door zekere zielen ; maar hij houdt zich in deze op, en als hg wederkomt, kent hij zg\'ne plaats niet meer; dat is, dat hij eene ziel ontmoet, die meer aan zich dan aan haren God is overgegeven.

GEBED.

Nog veel, o God 1 bljjft mij over te doen, eer mijn hart eene volkomen vrijheid bezit. Ik moet van mijzelven als uitgaan en mij geheel, met alles wat mg betreft, aan U overgeven. Ik zie

311

-ocr page 316-

312 DE NAVOLGING VAN JBSÜS CHBISTÜS.

de waarheid van uwe vermanino; in; maar ik gevoel te gelijk mijne zwakheid. Overwin die door uwe almogende genade. Dat mijne eigenliefde zich in uwe liefde geheel verlieze, en dat uwe zalige vereeaiging mij alle opoffering vergoede.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over een goed bestuur in het uitwendige, en hoe

mm in gevaren zich tot Ood moet hegeven.

1. De Heer. Mijn zoon! vlijtig moet gij daarnaar trachten, dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft, dat alles aan u onderworpen zij, en gij aan niets.

Daardoor zult gij heer en bestuurder van uwe daden zijn, geen dienstknecht of slaaf; maar liever een vrij en waar Hebreër, tot het erfdeel en de vrjjheid van Gods kinderen overgobraeht.

Die zich verheffen boven het tegenwoordige en op het eeuwige zien, die het voorbijgaande met het linker oog beschouwen, en het hemel-sche met het rechter; die zich door het tijdelijke niet laten trekken, om daaraan te hechten; maar het veelmeer trekken, opdat het wèl diene, zoo-als het door God verordend en door den oppersten werkmeester ingesteld is, die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.

2. Indien gij u ook bjj alle gebeurtenis niet ophoudt by den uiterlijken schijn, noch hetgeen gij ziet of hoort, met een vleeschelijk oog beschouwt; maar terstond bij iedere zaak met Mozes in den tabernakel treedt, om den Heer raad te vragen, dan zult gij somtijds een

-ocr page 317-

DERDE BOEK.

goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terug-keeren.

Mozes immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlucht en zocht hulp in het gebed, om uit de gevaren en de kwaadwilligheid der menschen gered te worden.

Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten, om den goddelijken bijstand vurig af te smeeken.

Want wij lezen dat Jozue en de kinderen Is-raéls door de Gabaonieten zijn misleid geworden, omdat zij niet te voren den mond des Heeren om raad hadden gevraagd , maar vleiende taal te licht geloovende, zich door valsch mededoo-gen lieten verleiden.

O E F E N I N G.

De uiterlijke bezigheden trekken de ziel dikwijls tot het uitwendige, en beletten haar ingekeerd te zijn en zich voor Gods tegenwoordigheid te houden, voornamelijk als men zich geheel aan die uitwendige zaken overgeeft, zonder zijn hart vrij en aan den Heer gehecht te houden. Indien men echter zich met die uitwendige bezigheden niet ophoudt, dan om hierdoor den wil van God te volbrengen, welke ze ons oplegt , dan is men er niet in verstrooid en doet in die onderscheidene bezigheden slechts eene zaak, namelijk Gods wil bevredigen. Men heeft altijd den vrede, als men altijd vergenoegd is; men heelt dien altijd , als men alles heeft wat meu verlangt; en men heeft dien altijd, als men slechts aan God tracht te behagen. Derhalve kunnen ai

318

-ocr page 318-

314 de navolging van jesus christus.

die uitweudige werken eene ziel niet verstrooien, die alles tot de eenheid brengt, dat wil zeggen, die niet zoekt dan den Heer te behagen, en die alles in Hem vindt.

GEBED.

Hoe vele afleidingen, o God ! heb ik in dit leven te bestrijden, eer ik eene zoozeer gewensehte vrijheid geniete! Wil ik waarlijk vrij zijn, dan moet ik, ook van al mijne verrichtingen, meester blijven; maar ach, hoe vaak ben ik daarvan de slaaf! Dat uwe vermaning mjj ter harte ga. Dat ik bij alles wat ik onderneem, met U raadplege en uwen raad opvolge. Dit zal mij voor bedrog bewaren en omtrent vele zaken inlichten.

NEGEN EN DEKTIGSTE HOOFDSTUK.

Bat men zich over zijne zaken niet mag kwellen.

1. De Heer. Mijn zoon! vertrouw mij altoos uwe zaak toe; Ik zal op zijnen tijd wèl beschikken.

Wacht mijne beschikking af, en gij zult daarbij voordeel vinden.

2. De Geloovige. Heer! gaarne genoeg vertrouw ik U alle zaken toe : want mijne overlegging kan weinig baten.

O, mocht ik aan toekomende gebeurtenissen niet veel hechten, maar mij bereidwillig aan uw welbehagen overgeven!

8. De Heer. Mijn zoon! dikwijls is de mensch zeer bekommerd over iets, dat hij verlangt; maar heeft hij het bekomen, hjj begint er anders over te denken; want de neigingen blijven niet

-ocr page 319-

DERDE BOEK.

altoos bij hetzelfde, maar drijven eer van het eene tot het andere.

Het is dus niet gering, ook in het geringste zichzelven te verloochenen.

4. \'s Menschen ware voortgang bestaat in zelfverloochening, en een zichzelven verloochenend mensch is zeer vrij en veilig.

Maar de oude vijand , al het goede wederstrevende, laat niet af te bekoren, maar legt dag en nacht gevaarlijke lagen, om den onbehoedzame in zijn bedriegelijk net te kunnen verstrikken.

Waakt en hidt, zegt de Heer, opdat gij niet in bekoring komt. (Matth. 26.)

OEFENING.

Te vergeefs is men voor het toekomende bekommerd , en laat men den moed zinken op het aanzien zijner ellende ; alles bestaat, met zich in alles op God te verlaten, en op Hem te rekenen, en zich aan zijnen wil over te geven, en niet te ontzien om aan Hem te behagen. Het gebeurt dikwijls, dat God wil of toelaat, dat wij ons in eenen staat bevinden, waarin wij vermeenen dat alles verloren is, om ons te verplichten in Hem alleen al ons vertrouwen te stellen. Immers, hoe minder onderstand wij bij de schepselen ontmoeten, des te meer vinden wij er bij God , die het zich tot eer rekent en er vermaak in schept ons bij te staan, als men zich in alles op Hem verlaat. Laat ons dan trachten al de ongerustheden opzichtens onze zaligheid in het hart van onzen Zaligmaker over te storten, overtuigd zijnde dat Hjj er zorg voor draagt: en laat ons alles aanwenden om aan zijne inzichten te beantwoor-

315

-ocr page 320-

316 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHEISTÜS. den, door onze getrouwheid in het volgen derzeive.

GEBED.

Kan ik, o God! wel aan iemand mijne belangen beter toevertrouwen, dan aan U ? Zelfs de geringste uwer schepselen ontgaat uwe Vaderzorg niet; en ik, uw edelst schepsel, zoude rnjj niet aan ü toevertrouwen ? Hoe dikwijls mocht ik niet de teederste blijken ontwaren, dat G^j in alles uwe kinderen gadeslaat en hun welzijn beoogt! Boezem mij dan een kinderlik vertrouwen in; dat ik alles aan U overgeve en mij aan uwe beschikkingen onderwerpe.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de mensch uit zicJizelven niets goeds heeft en over niets kan roemen.

1. De Geloovige. Keer ! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt ? of des rnenschen zoon , dat Gij hem bezoekt! (Ps. 8.)

Welke verdienste heeft de mensch, dat Gij hem uwe genade bewijst ?

Heer! hoe kan ik klagen, als Gij mg verlaat? of wat kan ik billijk inbrengen , wanneer Gij niet doet hetgeen ik verzoek ?

Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen: Heerl ik ben niets, ik kan niets, ik heb niets goeds van mijzelven , maar schiet in alles te kort en streef altoos naar het niets. En zoo Gjj mij niet helpt en inwendig versterkt, word ik geheel lauw en los.

2. Maar Gij, o Heer! zijt altoos dezelfde, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed, rechtvaardig en heilig, goed, rechtvaardig en heilig

-ocr page 321-

DERDE BOEK.

in alles wat Gij doet, en alles met vastheid beschikkende.

Maar ik , die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet laug in denzelfden staat volharden : want ik ben aan veelvuldige verandering onderhevig.

Nochtans wordt het ras beter, als het U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt : want Gij alleen kunt zonder menschelijke hulp helpen en zoo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig verandere , maar dat mijn hart tot U alleen zich wende en in ü alleen ruste.

3. Daarom, wist ik allen menschelijken troost weg te geven, hetzij ter verkrijging van godsvrucht, hetzij uit noodzakelijkheid, die mij aandrijft ü te zoeken, daar geen mensch mij troosten kan ; dan zoude ik terecht op uwe genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.

U zij dank, van wien alles komt, zoo dikwijls het mij wel gaat.

Ik immers beu voor U ijdelheid en niets, een onstandvastig en zwak mensch.

Waarop kan ik dan roemen ? Of waarom wensch ik te worden geroemd? Om een niet? Dat ware de grootste ijdelheid.

4. Waarlijk, de ijdele roemzucht ia eene erge pest, eene zeer groote ijdelheid : want zij trekt af van den waren roem en berooft van de hemelsche genade.

Want zoolang de mensch zichzelven behaagt mishaagt hij ü, en zoolang hij jaagt naar men-schenlof, is hij van ware deugd beroofd.

5. Maar de ware roem en heilige bljjdschap is in U te roemen en niet in zichzelven , zich

317

-ocr page 322-

318 DE NAVOLGING VAN JESU3 CURISTÜS.

te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd, en geen genoegen in eenig schepsel te nemen tenzij om Ü.

Uw naam worde geloofd, niet de mijne; uw werk worde verheerlijkt, niet het mijne; uw heilige naam worde gezegend, maar mij worde van \'s menselien lof niets toegeëigend.

Gij zijt mijn roem, Gg de vreugde mijns harten. In U zal ik roemen en mij verblijden den geheelen dag ; doch voor mij is getn roem dan in mijne zwakheden. (2 Cor. 12)

6. Dat de Joden roem van elkander zoeken ; ik zal dien zoeken, die alleen vaa God is.

Want alle menschelijke roem, alle tijdelijke eer, alle wereldsche grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheidj, is ijdelheid en dwaasheid.

o Mijne waarheid en barmhartigheid ! mijn God! gelukzalige Drieëenheid 1 U alleen zij lof, eer, kracht en heerlijkheid tot in de eindelooze eeuwen der eeuwen.

OEFENING,

Ik gevoel mijne ellenden, die mij ongeschikt maken tot eenig bovennatuurlijk goed en bekwaam tot alle kwaad; maar ik offer ze op aan eenen barmhartigen God, die veel van weinig, en alles uit niet kan maken. Derhalve is het niet genoeg te weten, dat ik niet uit mijn eigen beu, en mij niet dan in ü moet beroemen, o mijn •God! maar het gewichtigste is, in de gelegenheden, de heilige bewegingen van ootmoedigheid en vertrouwen in U te volgen, aan wien niets onmogelijk is. Als ik ze niet bij de menschen vind; dan word ik tot de gelukkige noodzake-

-ocr page 323-

derde boek.

lijkheid gebracht mijne toevlucht totGodte nemen en van Hem af ie hangen. Gelukkig ben ik , Heer! als mij alles buiten U ontbreekt, om alles in U te vinden. O, hoe wèl heeft de heilige man Job gezegd : Uwe oogen zijn op mij gevestigd, en ik zal in mij niet meer bestaan. Want als ik aan U denk , o mqn God ! gevoel ik in mg een vurig verlangen om aan Ü te behagen, en alles verdwijnt voor mijne oogen, zoodra Gij in mijn hart verschijnt.

GEBED.

Ja, mijn God! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? Wat is \'s menschen zoon, dat Gij hem zoo gunstrijk bezoekt? Wat heb ik, dat Gij zoo genadevol op mij nederziet ? Niets heb ik van mijzelven , waarop ik mij voor U zoude kunnen beroemen. Dat dan geene ijdele roemzucht bij mij wone ; dat ik mij in U alleen beroeme, en over de goedheid, mij betoond. U alleen zij lof en eer en dankzegging in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

EEN EN VEEETIGSTE HOOFDSTUK.

Over de versmading van alle tijdelijke eer.

1. De Heeb. Mijn zoon ! trek het u niet aan als gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar uzelven veracht en vernederd.

Verhef uw hart hemelwaarts tot Mij, en het zal u niet bedroeven op aarde van de menschen veracht te worden.

2. De Geloovige. Heer! wij zijn verblind en worden ras door de ijdelheid verleid.

Wanneer ik mijzelven recht beschouw, dan

819

-ocr page 324-

820 DB NAVOIiGIKG VAN JE8Ü3 CHBTSTÜS,

is mij nog nooit iloor eeuig scliepse! onrecht ge-daaü : derhalve lieb ik ook geeu reden om mij voor U te beklagen.

Integendeel, omdat ik tegen U dikwijls en zwaar gezondigd heb j wapent zich met recht alle schepsel tegen mij.

Mij komt dus terecht smaad en verachting toe, maar U lof, eer en heerlijkheid.

En tenzij ik mij daartoe bereide, om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden te worden, kan ik niet inwendig bevredigd en bevestigd , noch naar den geest verlicht, noch volkomen mot U vereenigd zijn.

OEFENING.

Het gezicht van God op ons moet eenen diepen eerbied voor Hem teweegbrengen, en de oogen onzer zi(;l opheffende tot God, moet ons dit volkomen vertrouwen op Hem inboezemen. God ziet mij; hoe zou ik Hem kunnen vergr.-vmmen, als ik aan Hem denk? Ik aanzie God; hoe zou ik kunnen moedeloos worden als ik aan Hem denk ? God !.....ziedaar wat toereikend moet wezen om in alle ongenoegen een oprecht ehristene ziel te troosten, aangezien zij God meer om Hem, dan om zichzelve moet beminnen. Maar God is myn Vader; is er iets meer noodig om al mijne ongerustheden te stillen ? En is het niet genoeg te denken, dat Hij de goedheid zelve is, om zich op Hem te verlaten en op Zijne zorg te rekenen? Hij kent, bestuurt, schikt alles voor mijne zaligheid : kan die zaligheid beter zyn dan in het hart van mijnen Zaligmaker?

-ocr page 325-

deede boek.

GEBED.

Moch, o God! deze waarheid mij wèl ter liarte gaan, zoo dikwijls ik de verachting mijner medemenschen ontwaar! Neen, eigenlijk geschiedt mjj geen onrecht, daar de overtredingen waaraan ik mij voor U schuldig bevind , zoo groot en menigvuldig zijn, en de billijkheid dezer tuchtiging bewijzen. Leer mjj dan meer en meer den staat mijns harten kennen, en in den vuuroven geduldig zijn, opdat ik daaruit gelouterd te voorschijn kome.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Bat men zijnen vrede niet bij de menschen moet zoeken.

1. De Heee. Mijn zoon I indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt, omdat hij met u van een gevoelen is en met u wèl weet te leven, gij zult onbestendig en onrustig zijn.

Maar noemt gij uwen toevlucht tot de steeds levende en bestendige waarheid, geene scheiding of dood van eenen vriend zal u bedroeven.

In Mij moet de liefde van eenen vriend gevestigd zijn, en om mijnentwil moet gij beminnen eenieder, die u als goed voorkomt en in dit leven bijzonder dierbaar is.

Zonder mij is geene vriendschap goed noch duurzaam; en het is geene ware en reine liefde, waarvan Ik niet den band toehale.

Gij moet soortgelijke genegenheden voor geliefde personen zóó afgestorven zijn, dat g\\j, wat u aangaat, allen omgang met menschen zoudt willen derven.

821

21

-ocr page 326-

323 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Hoe verder een mensch. zich van allen aard-schen troost verwijdert, hoe meer liij God nadert.

Ook hoe dieper hij in zich nederdaalt en hoe geringer hij bij ziehzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.

2. Maar wie ziehzelven iets goeds toeschrijft, belet Gods genade tot hem te komen : want de genade des Heiligen Geestes zoekt altoos een nederig hart.

Wist gij u volkomen te vernietigen en van alle liefde tot het geschapene te ontledigen, Ik zoude in u met groote genade nederdalen.

Wanneer gij uw oog op de schepselen vestigt, wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.

Leer u in alles, om des Scheppers wil, overwinnen ; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.

Hoe gering ook iets zij, wordt het ongeregeld bemind of begeerd, het houdt van het hoogste goed af en besmet.

OEFENING.

Hoe dieper men in den afgrond van zijn niet nederdaalt, des te meer verheft men zich in het hart van den Schepper; dat wil zeggen, dat men in de oefening 1. zich klein, ootmoedig en afhankelijk van God moet maken, om zich in zjjnhart te vestigen ; 2. dat, hoe meer ellenden men in zich gevoelt, men ze des tc meer in den schoot van Gods barmhartigheid moet brengen en uitstorten; 3. dat, hoe minder men in zich het goede bevestigd ziet, hoe meer men zich voor God moet verootmoedigen, met alles van zijne goedheid af te wachten ; 4. dat \'s menschen hart

-ocr page 327-

derde boek.

zich niet moet hechten dan aan zijnen God, zijne plichten en zijne zaligheid; en dat hjj moet trachten niet te beminnen, dan hetgene hjj altijd zal beminnen , en beginnen met in zijn leven te doen , wat hij in de eeuwigheid rnoet voortzetten. Alle vriendschap die niet in en om God is, is berispelijk, aangezien wij God moeten beminnen , en Hem alleen van ganscher harte beminnen. Men moet dan zijn hart vrij en onthecht van alles behoeden , om het niet te houden dan met God, die alleen het middenpunt onzer harten is, en ze alleen kan bevredigen.

GEBED.

Ook deze vermaning, o God! is voor mij belangrijk. Mocht ik ze steeds ter harte nemen ! Hoe dikwerf toch stel ik mijn vertrouwen op menschen en zoek ik in hunne vriendschap mijnen troost, zonder naar dien troost om te zien welke alleen van U komt. Dat niet langer deze lichtzinnigheid mij beheersche. Wees gij mijn dierbaarste vriend, mijn beste trooster. Dat aan uw bezit alle vrienden , ja alle schepselen opgeofferd worden. Waarlijk als ik U bezit, heli ik genoeg.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ijdele wetenschap der wereld.

1. De Heee. Mijn\' zoon ! laat u niet vervoeren door de schoone en spitsvondige redenen der menschen , want niet in woorden maar in kracht is het Godsrijk. (I Cor. 4.)

Let op mijne woorden, die het hart ontsteken

323

-ocr page 328-

324 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

en den geest verlichten ; die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaffen.

Lees nooit iets om geleerder en wijzer te kunnen schijnen; rnaar leg u toe om uwe gebreken te dooden. Dit zal u meer nut dosn, dan de kennis van vele moeilijke vraagstukken.

2. Na veel gelezen en verstaan te hebben, moet gij altoos tot het eenige grondbeginsel terugkomen.

Ik ben het, die den mensch wetenschap leer, (Ps. 93) en aan de kleinen helderder doorzicht geef, dan men vau menschen bekomen kan.

Hij, tot wlen Ik spreek, zal ras wgs zijn en in den geest grooten voortgang maken.

Wee hun, die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de menschen, en er zich weinig over bekommeren hoe zij Mij moeten dienen.

De tijd zal komen dat de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, verschijnen zal om allen de les te overhooren, dat is : om elks geweten te onderzoeken.

En dan zal Jeruzalem, met fakkelen worden doorzocht; (Soph. 1) dan zal hetgme in de duisternis verborgen was, aan het licht komen, en de menschelijke redeneerinnen zullen verstommen. (1 Cor. 4.)

3. Ik beu het, die den nederigen geest in een oogenblik zoo verhef, dat hij vau de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan wanneer hij zich jaren lang in de scholen geoefend hadde.

Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden , zonder verwarring van gevoelens , zonder redetwist.

Ik beu het, die leer het aardsche verachten, van het tegenwoordige walgen, naar het eeuwige

-ocr page 329-

DEEDE BOEK.

zoeken, het eeuwige smaken, eerbetoon vluchten, ergernis dragen, alle hoop op Mij stellen, niets buiten Mij begeeren en Mij boven alles vurig beminnen.

Want door mij innig te beminnen, leerde iemand het goddelijke kennen en daarover wonderlijk spreken.

Door alles te verlaten , vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.

4. Aan sommigen nu zeg Ik algemeene, aan sommigen bijzondere zaken; aan sommigen openbaar Ik Mij zachtelijk, door teekenen en beelden ; aan anderen stel Ik de geheimen in eeu groot licht voor.

De stem der boeken is wel dezelfde; maar zij onderwijst niet allen gelijkelijk : want Ik ben de inwendige leeraar der waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten , de bevorderaar der daden, eenieder gevende wat Ik billijk acht.

OEFENING.

God deelt zich weinig mede aan de trotsche en laatdunkende gemoederen, die een ijdel zelfbehagen gevoelen, omdat zij Hem de eer ontnemen, welke Hem alleen toekomt. Maar hij deelt zijne vurigste en krachtigste genaden aan de ootmoedige zielen uit, die , zichzelven mistrouwende en, in zich niet dan gebreken en ellenden ontmoetende, alleen steunen op Hem, die haar zijne liefde kan doen waardig worden.

Waartoe dient het eene christene ziel, de zaken van den godsdienst te bestndeeren en te kennen, wanneer zij zich niet toelegt om ze in het werk te stellen ? Waarop komen zoo vele

825

-ocr page 330-

326 de navolging van jesü3 christus.

twistredenen aangaande de kracht en werking der genade uit, wanneer men niet alles aanwendt om hieraan getrouw te wezen , en nauwkeurig de ingevingen van den heiligen Geest te volgen ? Men weet genoegzaam , hetgeen Jesus Christus in het Evangelie voorhoudt, dat diegene die zegt : Heer ! Heer ! in het rijk der hemelen niet zal koinen, indien hij in alles den wil van God niet tracht te volbrengen en de deugden vau zijnen staat te beoefenen. Men weet dit, en nochtans doet men er meer noch minder om.

GEBED,

Uw woord is waarheid , mijn God ! al mijn lezen en onderzoeken is ijdel, tenzij Gij mijn hart bestraalt. Gij moet tot mij spreken, zal ik nut doen met hetgeen ik lees. Hij, tot wien Gij spreekt, wordt ras wijs en verlicht. Schenk mij dan dat licht, hemelsche leeraar! Eeuwige waarheid! open mijn hart voor uwen invloed, en doe mij voortgang maken in die heilzame kunst, van welker beoefening mijn zedelijke volmaking en hierna mijne zaligheid afhangt.

VIEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Bal men zich het uitwendige niet moet aantrekken.

1. De Heek. Mijn zoon ! omtrent vele dingen moet Gij onwetend blijven en u aanzien als een doode op aarde , voor wien de geheele wereld gekruisigd is.

Ook moet gy veel met doove ooren voorbijgaan, en liever bedenken hetgeen u tot vrede dient.

-ocr page 331-

/ deude boek.

Het is nuttiger de oogen af te wenden van hetgeen mishaagt en eenieder zijn gevoelen te laten, dan zich met woordentwisten op te houden.

Zoo gij wèl staat met God en op zyn oordeel ziet, gij zult te lichter verdragen overwonnen te zijn.\'

2. De Geloovige. Ach, Heer! waartoe zijn wjj gekomen ! Zie , om een tijdelijk verlies weent men; men arbeidt en draaft om eene geringe winst, en geestelijke schade vergeet men, en nauwelijks komt men laat daarop terug.

Men let op hetgeen weinig of in het geheel geen nut doet, en het hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorbij.

Want de mensch geelt zich geheel aan het uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in het uitwendige liggen.

oefening.

Zich aanzien als een persoon, die aan de wereld gestorven en gekruist is, is ; 1. zich aan niets hechten dan aan God, aan zijne plichten en aan zijne zaligheid; 2. alle dingen in het voorbijgaan zien en tot zichzelven zeggen : Heden ben ik hier, morgen zal ik er niet meer zijn. Wat zullen voor mij die eer, die rijkdommen, die voldoening in het uur des doods wezen ? Hctgene ik wil, is, dat zij dit voor mg zijn gedurende mjjn leven.

Gelukkig de Christen, wiens hart aldus voor het lichaam sterft, en die dagelijks met verdienste aan eene der zaken tracht te sterven, welke hij in zijnen dood moet verlaten! Die gelukkige stervende, is zeker eens wél te sterven.

Men beweent een tijdelijk verlies, men houdt

327

-ocr page 332-

328 db navolging van jesus christus.

er zich gedurig mede onledig, het kost moeite om er over getroost te worden : en men vergeet dat men zijne ziel verliest, voor welker verlies men ongevoelig is, en hetgeen alleen eenen Christen zou moeten treffen. Uat is te zeggen , o mijn God! dat alle menschen geen gsed dan met spijt verliezen , en dat er niets is dan ü , die het opperste goed zijt, dien zij zonder droefheid verliezen.

GEBED.

Ook ik, mijn God! mag uitroepen : waartoe hen ik gekomen! Nog heeft het zinnelijke bij mij de overhand. Het geringste tijdelijk verlies gaat mij ter harte , en wat het verlies mijner ziele, de hoofdzaak, betreft, dat trek ik mij weinig aan. Hoever ben ik van mijne bestemming afgeweken! Open mijne oogen, breng mijn hart van het zinnelijke tot het bovenzinnelijke over. Wat kan mij de geheele wereld baten , als ik schade aan mijne ziel lijde ?

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men niet aan allen geloof mag geven , en over het licht struikelen in woorden.

1. De Geloovige. Schenk Gij , o Heer ! ons redding uit den nood: want menschenhulp is ijdel-heid. (Ps. 59.)

Hoe dikwijls vond ik geene trouw , waar ik ze dacht te vinden !

Hoe dikwijls vond ik ze ook, waar ik ze niet vermoedde !

IJdel is dus de hoop op menschen : bij U, o God! is der rechtvaardigen heil.

-ocr page 333-

DERDE BOEK.

Wees Gij dan, Heere mijn God! gezegend in alles, wat ons overkomt. Wij zijn zwak en onbestendig; licht worden wij bedrogen en veranderen wij.

2. Wie is de man, die zich in alles zoo omzichtig en behoedzaam weet te gedragen , dat hij niet somtijds tot eenige misleiding of verlegenheid vervalle ?

Maar wie, o Heer! op U vertrouwt en U met een eenvoudig hart zoekt, valt zoo licht niet.

En al komt hij in eenig lijden, op welk eeue wijze hij ook ingewikkeld worde, hij zal toch schielijk door U gered of vertroost worden : want Gij verlaat dengene niet, die op U ten einde toe vertrouwt.

3. Zeldzaam is een trouwe vriend, die bij al de rampen zjjns vriends standvastig blijft.

Gjj, o Heer, Gij alleen zijt in alles de aller-getrouwste en buiten Ü is er zoo geen.

O , hoe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide : mijn hart is bevredigd en in Christus gegrondvest ! ( S. Agatha.)

Ware het zoo met mij gesteld, geene men-schenvrees zoude mij zoo licht kwellen en geene bitse woorden mij ontroeren.

Wie kan alles voorzien? Wie de toekomende rampen voorkomen ?

Zoo ook hetgeen men voorzag dikwijls grieft, hoe zwaarder zal niet het onvoorziene treffen ?

4. Maar waarom heb ik mij ellendigen niet beter verzorgd ? Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd ?

Maar wij zijn menschen en niets meer dan brooze menschen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.

329

-ocr page 334-

330 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Wien dan, o Heer! zal ik gelooven ? Wieu anders dan U ? Gij zijt de waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kuut worden.

Daarentegen is alle mensch leugenachtig ( Ps. 115) zwak, onbestendig en licht struikelende, vooral in woorden , zoodat men nauwelijks aanstonds gelooven mag, hetgeen op het eerste oogen-blik als waarheid schijnt te klinken.

5. Hoe wijselijk hebt Gij vermaand zich voor de menschen te wachten , en dat ook \'s mcnscJien huisgenoot en zijne vijanden zijn; (Matth. 10) en dat men niet gelooven moest zoo iemand zeide ; Zie, hier of daar is hij ! ( Matth. 24.)

Door mijne schade heb ik geleerd , en ach , mocht het mij zijn tot grootere voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.

„ Wees omzichtig,quot; zegt iemand, „wees omzichtig; houd voor u wat ik u zeg.quot; En terwijl ik zwijg en het verborgen acht, kan hijzelf niet zwijgen hetgeen hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zichzelven en gaat henen.

Behoed mij, o Heer! voor zulke snapachtige en onvoorzichtige menschen; dat ik niet in hunne handen vallc, of ooit zelf zoo handele.

Leg in mijnen mond ware en onveranderlijke woorden en geef mij een grooten afkeer van eene arglistige tong.

Wat ik niet lijden mag, daarvoor moet ik mij alleszins wachten.

6. O, hoe goed en vredebevorderend is het van anderen te zwijgen en niet onverschillig alles te gelooven, noch te licht te verspreiden , zich bij weinigen uit te laten en steeds naar U , den kenner der harten, om te zien ; zich niet

-ocr page 335-

DUBDE BOEK,

door allen wind vau woorden te laten omvoeren , maar te wensehen dat al hetgeen in en buiten ons is naar het welbehagen van uwen wil geschiede !

Hoe veilig is het ter bewaring van de he-melsche genade de vertooning onder de menscheu te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten verwondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te jagen, wat verbetering van leven en ijver bevordert!

Hoevelen was het schadelijk dat hunne deugd bekend en te vroeg geprezen werd!

Hoe nuttig darentegen de genade stilzwijgend te hebben bezwaard in dit gebrekkige leven, dat geheel in bekoring en strijd wordt doorgebracht.

OEFENING.]

Wat is, opJesus Christus gegrond en in Hem sterk gevestigd zijn, zoo als de heilige Agatha in hare pijnigingen zeide? Het is 1. zich op Hem alleen vertrouwen en slechts op Hem rekenen ; want men mag bijna op de beloften der men-schen geen staat maken; 2. het is, zijne genade en liefde stellen boven de vriendschap en achting van alle stervelingen der wereld; want er is geen waarachtig goed, dan in vriendschap te zijn met zijnen God; 3. het is, dikwijls met Hem in onze ziel handelen, tot Hem met vertrouwen in alle kwellingen onze toevlucht nemen, en ons hart, om zoo te zeggen, vormen om Hem te beminnen, opdat wij in het oogenblik des doods, wanneer wij voor Hem moeten verschijnen, in Hem eenen Vader van barmhartigheid ontmoeten en eenen Zaligmaker, dien wij reeds gekend en bemind hebben, en niet eenen vreeselijken Rechter

831

-ocr page 336-

332 de navolging van jesus christus.

en onbekenden God, die tot ons zou zeggen : gij hebt ii niet toegelegd om Mjj tijdens uw leveu te kennen en te beminnen : Ik ken u niet om mij toe te behooren , en gij zult niets voor mij in eeuwigheid wezen.

GEBED.

Ik kan, o God! uwen raad niet genoeg ter harte nemen, dat ik mij voor de menschen moet wachten. Neen, ik mag hun niet lichtzinnig geloof geven, noch onbepaald vertrouwen schenken. Zij zijn als de wind, aan verandering onderhevig; en wat is hun bijval anders dan eene ydele schaduw? Trek mijn hart van dat ijdele, onbestendige af, en doe mij in alles op mijne hoede zijn. Dat ik op U vertrouwe, U met een oprecht hart zoeke; ik zal mij daarbij wèl bevinden.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Bat mm bij scherpe woorden op God moet vertrouwen.

1. De Heer. Mijn zoon! sta vast en hoop op Mij : wat toch zijn woorden dan woorden ? Zij vliegen door de lucht, maar bewegen eenen steen niet.

Zijt gij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.

Zijt gij u niets bewust, denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen.

Het is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij, die nog geene zwaardere slagen kunt verduren.

En waarom treffen u zulke kleinigheden tot in het hart, tenzij omdat gij nog vleeschelijk

-ocr page 337-

DERDE BOEK.

zijt en meer let op de meuschen dan behoort; want omdat gij vreest veracht te worden, wilt gij u niet over uwe verkeerdheden laten berispen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.

2. Maar beschouw uzelven heter, cn gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den menschen te behagen.

Want dat gij niet wilt vernederd noch over uwe gebreken beschaamd worden, bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch der wereld recht afgestorven, noch dat de wereld voor u gekruisigd is.

Maar hoor naar mgn woord, cn gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.

Zie, al wierd tegen u gezegd alles wat men boosaardigst verzinnen kan, wat nadeel zoude het u doen, zoo gij dat liet voorbijgaan en het niet meer dan een strootje teldct ?

Zoude het u ook éen haartje kunnen uittrekken ?

8. Maar wie zijn hart niet ingekeerd noch God voor oogen heeft, wordt licht door een smaadwoord ontroerd.

Doch die op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil staan, zal zonder menschen-vrees zijn.

Want Ik ben de rechter cn kenner van alle geheimen. Ik weet hoe de zaak is geschied ; Ik ken den beleediger en dien het verdraagt.

Van Mij is dat woord uitgegaan, door myne toelating is dat geschied, opdat de gedachten van veler harten zouden geopenbaard worden. (Luc. 2.)

Ik zal den schuldige en den onschuldige oor-deelen; maar beiden wilde ik eerst door een heimelijk oordeel beproeven.

333

-ocr page 338-

334 DE NAVOLGING TAN JESD3 CHRISTUS

4. Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal standhouden en niet omvergeworpen worden.

Meestal is het verborgen en bij weinigen tot in het bijzondere gekend ; het faalt nochtans nimmer en kan ook niet falen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.

Bij alle oordeel dan moet men zijne toevlucht tot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken stexmen.

Want de rechtvaardige zal niet gestoord worden , Kat hem, ook van Gods wege overkome. (Prov. 10.)

En al wordt iets ten onrechte tegen hem ingebracht, hij zal zich dat niet veel aantrekken.

Maar ook zal hij zich op goede gronden niet ijdel verblijden, al wordt hij door anderen verschoond.

Want hij overweegt dat Ik die harten en nieren doorzoek, (Apoc. 2.) niet oordeel naar het uiterlijke van den menschelijken schijn.

Want vaak wordt in mijne oogen berispelijk bevonden, wat naar het oordeel der menschen loffelijk gehouden wordt.

5. De Geloovige. Heere mijn God 1 rechtvaardige Eechter ! machtige, lankmoedige ! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte, mijn gansch vertrouwen : want mijn geweten is mij niet genoeg.

Gij weet wat ik niet weet; en daarom moet ik mij bfl alle berisping vernederen en ze zachtmoedig verdragen.

Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zoo gedragen heb, en geef mij weder de genade van een grooter geduld.

Want uwe overvloedige barmhartigheid baat

-ocr page 339-

DERDE BOEK.

mij meer ter bekoming van vergiffenis , dan mijne ingebeelde gerechtigheid ter verdediging van een verborgen geweten.

En al ben ik mij niets bewust, toch zoude ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen : want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 143.)

o E F E N I N G.

Het is moeilijk geen leedgevoel te ontwaren, als men ons berispt, misprijst of minacht; maar de ware ootmoedigheid van een\' Christen bestaat, in het niet onderhouden noch volgen van dat leedgevoel, dat wil zeggen : 1° men moet zich niet ophouden met de droevige en versmadende gedachten, die in ons oprijzen jegens onze be-leedigers; 2o de droefheid, welke wij er over gevoelen, in ons uitdooven en aan God opofferen; 3o die personen met goedheid behandelen , met hen spreken, en hun in alle gelegenheden dienst bewijzen ; hun zoo veel goed doen als wij ge-looven dat zij ons schade hebben toegebracht. Maar helaas! hoe weinig personen worden er gevonden, welke die ware ootmoedigheid uitoefenen , en een goed gebruik van de opspraak en versmading maken, alhoewel allen gelooven, dat zonder de ware ootmoedigheid het onmogelijk is zalig te worden.

GEBED.

Ja, mijn God! wat zijn des menschen woorden anders dan woorden en ijdele klanken , die met den wind vervliegen? En met dat al laat ik mij daardoor ontrusten , en beklaag mij voor »U, hoezeer ik dikwerf berisping verdien. Ver-

335

-ocr page 340-

336 de navolging van jesüs cheistus.

geef het mij, o genadige God! dat ik mij niet zoo gedragen heb als ik behoorde. Dat ik bij verongelijkir.gen op U het oog houde, kenner des harten ; dat ik mij in geduld oefene en zorgvuldig verbeterc, wat er aan mij berispelijk is.

ZEVEN EN VEEETIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen.

1. De Heer. Mijn zoon ! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gg om mijnentwil op u genomen hebt, en dat geene kwellingen u ooit ternederslaan ; maar dat mijne belofte bij alle voorvallen u trooste en versterke.

Ik beu genoegzaam om te vergelden boven alle maat en grenzen.

Gij zult hier niet lang arbeiden, noch altoos door smart gedrukt worden.

Wacht een weinig, en dra zult gij het einde uwer kwalen zien.

Eens zal een tijd komen, dat alle arbeid en onrust zal ophouden.

Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd.

2. Doe wel hetgeen gij doet; arbeid getrouw in mijuen wyngaard : Ik zal uw loon zijn.

Schrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenheden moedig : het eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waardig.

Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend, en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuwig licht, eindelooze klaarheid, vaste vrede en verzekerde rust.

-ocr page 341-

DERDE BOIK.

Dan zult pij nirt zrpg\' n : Wie zal mij verlosten vit dit lichaam des doods? (Rrm. 7) n^cli roepen : Ach mij! dat mijne vreemdelingschap zoo lang duurt. (Ps. 119.)

Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebrolfen zijn; geenerlei angst doch volmaakt genoegen in een liefelijk en sehittrrend gezelsehap.

3. O, hadt gij de nnwelkbare kronen der Heiligen in den hemel gt zien , alsook in welke heerlijkheid zij nu ju\'chen, die weleer in deze wereld versirasd, ja als het leven onwaardig geacht worden — wanrliik gij zoudt u terstond tot in het stof vc-rn- deren en liever traehten aan allen onderworpen te zijn, dan over ernen gesteld te wezen.

Ook zoudt gij in dit leven geene blijde dagen hegeeren, maar liever u in lijden om Rods wil verblijden, ja hr t voor een zeer groot gewin houden bij de menschrn nis niets geacht te worden.

4. O, mocht gjj hierin smaak vinden en het diop tot in uw hart doordringen, hoe zoudt gjj ook maar erns durven klagen ?

Moet men nvt rm het eerwige leven allen arbeid verdragen ?

Het is geen kleinighi id het rijk Oods te verliezen of te winren.

Hef dan uw gezicht naar den hemel. Zie Mij daar en al mijne Heiligen met Mij, die in dere wereld eenen zwnren strijd gehad hebben. Thans verhrugfn zij zieh, thans worden zij getroost, thans zijn zij veilig, thans rusten zij en zullen zonder einde met Mij in het rijk mijns Vaders verblijven.

337

22

-ocr page 342-

338 DE NAVOLGINB VAST JSSÜS CHRISTUS.

OEFJBNING.

JHoe pijnlijk is dit woord : men moet altijd lijden, zich. altijd bestrijden, altijd aan zichzeUquot;an verzaken en altijd aan zielizelven sterven; zonder dit is er geene zekerheid voor de zaligheid! Maar hoe zeer is het geloof en de hoop van een eeuwig geluk, hetwelk wij door de wederwaardigheden en onverwachte toevallen dezes levens moeten bekomen, geschikt om ons aau te moedigen , om de eene te verdragen en ons aan de andere te gewennen; aangezien het zeker is, dat er ons bij den dood niets meer zal vertroosten, dan wat ons gedurende het leven smart heeft veroorzaakt, indien wij alles hebben aangewend om er een goed gebruik van te maken; want alsdan zullen wij zien, dat wij voor God niets gedaan hebben, dan hetgene wij tes:en onszelven hebbel gedaan, en dat een oprecht christelijk leven, een leven van kruisen en zelfverloochening is.

GEBED.

Uw woord is waarheid, o God! en troostvol voor mijn hart. Wat beteekent hier al het lijden, bij de toekomende heerlijkheid vergeleken? Wat beduiden e.lle rampen bij de vraagde, waarmede Gij ons geduld beloont? Het lijden gaat voorbij met den tijd; terwijl da belooning die ons wacht, eeuwig, onverginkelijk is. Welke troost vo )r mijl Waarlijk, dat geeft mij moed in lijden. Dat deze overweging bij mij steeds levendig zij en rijke vruchten voortbrenge.

-ocr page 343-

derde boek.

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den day der eeuwigheid en de ellenden van dit leven.

1. De Grloovtgi:. o Allerzaligst verblgt dar hemelsclie stad ! o allerhelderste daa; der eeuwigheid, die geen nacht verduistert, maar de opperste Waarheid steeds bestraalt; altoos blijde dag, altoos veilig en nooit van stnat veranderende !

O, ware die dag reeds aangebroken en hadde al het tijdelijke een einde genomen !

IVoor de Heiligen ja, schittert hij met eeuwigen, luistervollen glans; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.

2. De burgers des hemels weten hoe zalig dat alles is; de zonen van Eva zuchten over het bittere en vervelende van hunne ballingschap.

De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer, als waarin de mensch door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt, door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen geprangd, door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid, in velerlei ijdelheden gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid afgemat , door bekoringen gedrukt, door wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt!

3. O, wanneer zal het einde van deze rampen zijn? Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlost worden ?

Wanneer, o Heer! zal ik alleen uwer gedenken , wanneer mij volkomen in U verblijden?

Wanneer zal ik zonder eenigen hinder in ware

339

-ocr page 344-

340 BE KAVOT.GING VAN JFSUS CHRT8TUS.

vrijheid zijn, vrij van alle bczwnar naar geest en lichaam ?

Wanrecr z 1 er vaste vrede zijn, een onver-stoor^are en zekere vrede, vr.-de v n binnen en van buiten, een van alle zijden gevestigde vrede?

Ooede Je us! wnnne\'r zal ik vonr U staan om U te zien ? Wanneer zal ik de heerlijkheid van r.w rijk aanschouwer.? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn ?

O, wanneer zal ik mot U zijn in uw rijk, hetwelk Oij voor uwe geliefden van rauwigheid hebt bereid !

Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig \'and, waar dagelijksehe strijden en zeer groote rampspoeden zijn.

4. Vertroost mijne ballingschap, vtrzaeht mijne smarten; want al mijn verlangen hijgt naar U, omdat alles wat de wereld troostrijks aanbiedt, mfl geheel tot last is.

Ik verlang U innigljjk te genieten ; maar ik kan er niet toe komen.

Ik wcnsch mij aan het hemel\'che te hechten; maar de tijdelijke zaken en nnversterven driften frekkan mij terneder.

Met den geest wil ik over alles heerschen ; maar door het vle?sch word ik mijns ondanks tot onderwerping gedwongen.

Zoo ben ik, ongelukkig mensch ! met mfzeiven in strijd en ben mijzelven tot last geworden, daar de ge\'st naar lieven, en het vleesch naar ben den wil.

5. Ach! wat lijd ik inwendig, als ik mot den geest het hemelsche overweg, en ras een drom van vleeschdijke gedichten mij nnde.r het bidden bestormt!

-ocr page 345-

DUKÜE BO -K.

Mijn God ! wees niet ver van mij (Ps. 70) en wijs UiOen dienstknecht niet af in uwen toorn. ( Pi, 26.)

Schiet uwe bliksems, en verdrijf ze, zend uwe pijlen a/, (Ps. 143) eii dat alle inj^evingeu des vijands verstrooid worden.

Vestig al mijne zinnen weer Dj) U, d je mij ■a bet wereld-cue vergeten; geef dat ik dadelijk de zondige voors elling n af wijze en veraclite.

Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geene ijdelheid mij ontroere.

Kom neder, hemelscue zoetheid! en dat alle onreinhei l voor uw aanschijn vliede.

Vergeef mij enk en veróch ion mij genadig z io dikwijls ik in h \'t gebed aan iets anders dan aan U denke.

In waarheid, ik beken dat ik gewoonl.jk zeer verstrooid bon.

Want veeltijds ben ik niet d;\'ur, waar ik lichamelijk sta of zit; m;iar veeleer beu ik daar werwaaris d-.; gedichten mij voeren.

Ik ben daar, waar mijae ge lachte is; en mijue gedachte is doorgaans da r, waar is hetgeen ik bemin.

Datgene vert )o:it zich terstond aan mij, wat mij natu-irlijk behaagt of door gewoon\'e bevalt.

6. Daarom hebt Gij, o Waarhe\'d ! d adelijk gezegd ; Waar uw schat is, daar is ook uio hart. (Matth. 6)

Bemin ik den hemel, ik denk gaarne a in het hemelsehe; bemin ik de wereld, ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over haren tegenspied.

B;miu ik het vleesch , ik deuk dikwijls aan hetgeju des vleesches is; bemin ik den geest, ik vind vermaak in geestelijke overd ■ukingen.

3-il

-ocr page 346-

343 DK ÜAVOLGliNG VAK JEfcliS CHKIS1US.

Want -van hel geen mij lief is, daarvan spreek ik en hoor ik gaarne, en draag ervan de beelden met raij naar huis.

Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer! aan alle {■chepselen vaarwel zegt, die der natuur geweld aandoet en door deu ijver des gtestes de lusten des vleesches kruisigt; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden op-drage, en zoowel van binnen als van buiten al het aardsehe uitgesloten hebbende, waardig zij tot de leien der Engelen toegelaten te worden.

OEFENING.

Wat zou het baten de ellenden dezes levtns te ge\\oeien en te btweenen, en naar de goederen van het andere te haken, indien wij niet iTtehten door het geduld een goed gebruik van de tijdelijke kwellingen te maken, met ze van Gcds hand te aanvaarden eu tc erkennen dat wij ze verdienen te lijden, en indien wij ons door eene aanhoudende getrouwheid niet toeleggen om die eeuwige goederen te bekomen, waarnaar wij zoo vurig haken? O zalige dag! o eeuwige vreugd! oueindig en altijddurend geluk! o vaste woning! o volheid van God in ons, en van ons in God! o verrukking! o gelukzaligheid! o verandering van eene gelukzalige ziel in haren God, die voor haar ailes is! wanneer zal ik U bezitten? Maar wanneer zal ik U waardig wezen? Van mijzelven en van de nutteloosheid mijner bigeerten vermoeid, haak ik vmig naaru, o Paradijs ! en i ehter doe ik zoo weinig om dat eeuwig geluk waardig te worden, hetwelk Gij mö voorhielt. Mijne ziel, laat ons de verdienste van het

-ocr page 347-

BERDE BOEK,

Paradijs met cle achting van het Paradijs ver-eenigen. Laat ons hetzelve aanzien als eene kroon, die men moet winnen door het geweld, (iat wij onszelven moeten aandoen , en als eene vergelding, die men door een oprecht, boveu-natuurlijk en verdienstelijk leven moet bekomen.

G E B E 1).

Mijn God ! mijn al! mocht ik ook reeds in het zalige genot van uw aanschijn deelen ! wanneer zal die dag voor mij aanbreken! wanneer zullen de banden mijns lichaams ontbonden zijn ! Hoelang zal mijne vreemdelingschap nog duren r L)at het gezegend uur mijner verlossing dra kome; dat mijn oog onaigtbroken op mijn vaderland gevestigd blijve. Wees Gij mijn steun zoolang mijne vreemdelingschap duurt, en houd mij op den weg die ten leven leidt.

NEGEN EN VEERTIGSTE HGOIDSTUK.

Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders hdoofd zijn.

1. De Heek. Wiju zoon! wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente des lichaams te verlaten, opdat gij mijnen glans zonder schaduwe vau verwisseling moogt aanschouwen , verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.

Betuig den ruimsttndank aan de hoogste goedheid , die dus genadig met u handelt, u zoo

343

-ocr page 348-

841 DJ NAVOLJING TAN JESÜ3 CliRUTÜS.

goedig bezoekt, zoo vurig opwekt, zoo kraclitig ouJersteuut, opdat gij niet djor eigen z.yaarte naar het aardschs moogt nedorzinken.

Want dit hebt gij niet aan eigen bele\'d of paging te danken, maar alleen aan de gunst der hemulaclie genade e;i van den aanblik Gods ; opdat gij iu deugden en meerdjren ojtai\'jed zoude vorderen, u tot toek jraeu len strijd bereiden en u toeleggen om M.j uit al de n iging uws harten a.ui te hingen en met brandenden ijver te dienen.

2. Mjn zoon! veeltgds brandi. het vuur; maar de vlam stijgt niet op zjnder nok.

Zoo ook brauden s Jinmigen van verlangen naar het hemelsclie, en nocii;aiis zjn z] niet vry vaa de bekoring eeiier vleesciielij ce begeerlijkheid.

Daarom g.iau zij niet geheel zuiver om G ids wil alleen te werk in h .\'tgeen zij v.m Hem zoo vurig afsmeeken.

En dusdanig is ook dikwijls uw verlangen , hutwolk gij als zoo hevig h -bt opgegeven.

Want al wat met eigenbelang is besta--t, is noeh zuiver noch volmaakt.

8. Vraag dan niet hetgien u g ;ii legl Jk eu voordeelig is, maai\' wat H.;m behaagt en verheerlijkt.

Want zoo gj recht oordeelt, miet g\'j mij ie beschikking bovou uw verlangen, j i boven al het verlangdj, stellen en najagen.

Ic ken uw verlangen en 1c heb uwe menigvuldige verzachtingen gehoord.

Gij zoudr, reeds in het bezit der vrijheid, der hoerlijkheid van G idi kinderen willen zijn; gij schept reeds b.hagen in het eeuwige huis, in het hom ihch vreugdevol vaderlanl.

-ocr page 349-

DERDiJ BOEK.

Maar die uur is nog niut gekomen; thans is het een aiid:;re tijd, te weteu, een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.

GJ wenscht met het hoogste goed verzadigd te worden; maar d iartoe kunt gij nog niet komen.

li ben dat goe 1. Wacht op Mij, zegt de Heer, totdat het Godsrijk kome.

4. Gij moet nog op aar.le beproefd en in vele dingou geoefend worden.

Nu en dau zal u troost gege/en, maar geeue volkomen verzadiging vergund worden.

Versterk u dan en houd moed, (Jos. 1) zoo om te doen als om te lijden, hotgeen der natuur tegenstaat.

Gj moet den nieuwen mensch aandoen (Eph. 4 ) en in een ander man verandor! worden.

Dikwijls moet gij doen wat gij niet wilt, eu laten wat gij wilt

Wat anderen behaagt, zal wel slagen; wat u behaagt, zal niet gelukken.

Wat anderen zoggen, zil gehoor vindon; wat gij zegt, als niets geacht worden.

Aideren zullen vragon en verkrijg\'n; gij zult vragen en niet bekomen.

5. Anderen zulleu groot ziju in den mond der monschen, maar van U zal men zwijgen.

Aan anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, maar u zal men tot niets geschikt achten.

Da irover zal de natuur zich somtijds bedroeven , en het zal u groot voordeel doen, als gij hat zwijgende verdraagt.

In dit en meer dergelijks wordt de getrouwe dienstknecht des Koeren doorgaans bepro ;fd, hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles braken.

345

-ocr page 350-

346 1)£ NAVOLGING VAN JÜSDS CHKISTUS.

Er is nauwelijks iets, waarin gjj u zoo moet afsterven, als in het zien en dulden van hetgeen met uwen wil strijdt, vooral wanneer er dingen bevolen worden, die u onvoegzaam en min nuttig schijnen.

En daar gij, onder een ander staande, geen hooger gezag durft wederstreven, daarom schijnt het u hard toe u naar den wenk eens anderen te schikken en alle eigen gevoelen er aan te geven.

6. Maar, mijn zoon ! overweeg de vrucht van dezen arbeid, het naderend einde ervan en de overgroote belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkrachtigsten troost van uwe lijdzaamheid.

Want voor het gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe; zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.

Daar toch zult gij alles vinden wat gg begeert, alles wat gij kunt verlangen.

Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.

Daar zal uw wil, altoos met den Mijnen éen, niets vreemds noch bijzonders begeereu.

Daar zal niemand zich tegen u verzetten, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets u in den weg staan; maar alles wat gij wenscht zal aanstonds daar zijn, en uwe geheeie begeerte voldoen en op het volkomenst vervullen.

Daar zal Ik voor geleden smaad heerlijkheid, voor droefheid een eerekleed, voor de laagste plaats eenen zetel in het eeuwige rijk wedergeven.

Daar zal de vrucht der gehoorzaamheid blijken; daar zal de smart der boetvaardigheid in

-ocr page 351-

jDERUE BOEK. 347

vreugde veranderd en de nederige onderwerping heerlijk gekroond worden.

7- Buig u dan nu nederig onder de hand van allen, en let er niet cp, wie dit gezegd of bevolen hebbe.

Maar zorg bijzonder daarvoor, dat gij, hetzij uw overste, hetzij uw minder, hetzij uwsgelijke iets van u vraagt of verlangt, alles ten goede opneemt en het met oprechten wille tracht na te komen.

Dat de eene dit, de andere dat zotke, de eene hierover en de andere daarover zich be-roeme, en duizende malen worde geprezen, verheug gij u ncch in het een ncch in het ander, maar in dc geriiigachting van uzelven en in het wellelagen en de verheerlijking \\an Wij alleen.

Dit moet gij wenschen, dat zoowel bij leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt worde.

OEFENING.

Men Hordt moide de beprcevingen van God te verdragen , en men zou gaarne onophoudelijke vertroostingen van Htm ontvangen; dech de vertroostingen worden slechts gegeven om de beproevingen te ondersteunen, en de zoetheden der vertroostingen zijn de sterkte, welke de Heer ons geeft, om de oogentcLijiilijke ttrecgheden zijner opregte goedheid te verdragen, welke bestaan in ons de tijdelijke kwellingen over te zenden , om ons van die der eeuwigheid te bevrijden. Verbeeld u dan niet, dat gij van God verwerpen zijt, wanneer gij niet dan tegenzin in zijnen dienst ontmoet; maar verricht dan, om Hem te behagen, wat gij zoudt doen indien g\\j smaak in zijnen

-ocr page 352-

3t3 BK .SA.TOUHSG VAN JEiüS (MllISTUS.

dienst voult. Vjraotinoediij u dun, nut u onwaardig te oordeeltn eenige vertroosting te ont vangnn, eu vcrd-ua^ den H;er, die vermaak schept in te zien dat gij Hem zondir sra.iak dient, en dat gij uwen walg voor het goede, uwe genegenheid tot htit kwade overwint, alle;u uit enkele zucht om Hem te beh igen, eu u\'t eene oprechte vrees van Hem te vergrammen. Hoe ïeer zullen d; kwellingen dezes levens d )or eene gelukzalige eeuwigheid vergjed W)rd;ii, indien men ze met vertrouwen, m it getrjuviieid ei geduld lydt. Schep dan mied, mjne ziel! er is sl ;chts éen oogenblik m ;er te lijd n, eu wij zulleu eeuwig gelukkig zijn.

GEBED.

Neen, miju God! mijl verlangen naar den hemel is niet zuiver ei w;rklalig genoeg. Het is nog m\'.r, elgenliefd! besmet en beroof ! va:i die vruchten, welse hot miesten vergezellen. H leveel arbeids blijft mij overig, hwveel heb ik nog te overwinnen, eei- ik uwer heerlijkheid deelachtig w jrde! Rünig m\'jne verlang ms en doe ïe werkdadiger warden. Rist m j uit met uwe kracht, oplat ik vlijtig arbeide, moedig str\'jd; en alz gt;0 de kroon der overwinning erlange.

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK..

Hoe de troDÜdooze vi -mcU zich in G jdi hui l mgt;et oocrgevKH.

1. Dii Geloovige. H ;ere God! Heilige Va Ier ! wees nu en in eeuwigheid geiegend : want gelijk G j\' wilt, dus is geacliied, en wat Gij d )et is goed.

-ocr page 353-

DERDK HOT K.

Bat uw dirnstkniclit zich verheuge in U, niet in ziclizelven nlt; ch in iemand arders ; want f;ij alleen, o Heer! zijt de ware blijdsch.p, Gij m^jne hoop en mijne kroon, Gij mijne vreugde on mijne eer.

Wat hei ft uw dienstknecht, hetgeen hij v: n U niet ontving, ook zonder zijne verdienste?

Alles wat Gij gaaft, alles wat gij deedt is het uwe.

Ik hen arm en in verdrukkingen ran mijne jeugd of. (Ps. 87) en mi\'ne ziel b\'droeft zich somtijds tot weenens toe ; dikwijls ook wordt zij in zichzelve ontroerd wegens het lijden dat haar dreigt.

2. Ik verlang naar de vreugde des vredes; ik «mei k om den vrede uwer kinderen , die door U met het lieht vr.n uwen troost worden verkwikt.

Irdien Gij den vrede \'chnkt, indien Gj] mij de heil\'ge vreugde instort, dan zal de ziel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en U vurig loven.

Maar onttrekt Gij U, gelijk Gij zeer dikwijls gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer gebeden niet wandelen; iraar vee\'eer buigt hij de l.niiën om zich ep de borst te slaan, omdat het met h m niet meer geste\'d \'s gelijk gisteren en eergisteren, toen uw licht scheen over zi\'n hoc fd, en l ij onder de fch dv,we uwer vlcugden tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was.

3. Rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader ! het uur is gekomen dat uw dienstkn\' ebt beproefd zal worden.

Beminneuswaaidige V::der! het is billijk dat v.w dienstknecht in dit uur voor U ü ts lijde.

849

-ocr page 354-

350 T)E NA.VOLGING VAN JRSD3 OfTRTSTÜS. 5

Immer aanbiddelijke Vader! het uur is gekomen , door U van eeuwigheid voordien, dat uw dienstknecht naar het vleeseh voor een weinig tijds bezwijke, maar naar den geest voortdurend bij U leve.

Hij moet een weinig bij de menschen gering-geacht, vernederd en ontmoedigd, door lijden en smarten vermorzeld worden , opdat hij met U in den dageraad van een nieuw licht weder verr\\jze en in den hemel verheerlijkt worde.

Heilige Vader! Gij hebt het zoo beschikt en zoo gewild, en het is geschied wat Gijzelf bevolen hebt.

4. Dit is toch voor uw vriend eene genade , in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden, zoo menigmaal en door wien Gij dat laat geschieden.

Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.

Hef is mij goed, o Heer! dat O ij mij vernederd kebt, opdat ik uwe (/erechtirfhedert leere. ( Pj. 118.)

Het is mij nuttig dat schande mijn aangezicht bedekte, opdat ik liever bij U dan bij de menschen mijn troost zoeke.

Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk oordeel te vreezen, daar Gij den rechtvaardige met den boosdoener bedroeft, docli niet zonder recht en billijkheid.

6. Ik dank U dat Gij mijne verkeerdheden niet verschoond maar mij met zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uit- en inwendig benauwdheden toe te voegen.

Van allen die onder den hemel zijn is er niemand die mij troosten kan, tenzg Gij, Heere ,

-ocr page 355-

DKRDK BOEK.

miju God! hemelsche arts der zielen, die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.

Uwe tucht over mjj en uwe roede zelve zal mij tot leering zijn.

6. Zie, geliefde Vader! ik ben in uwe hand; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.

Sla mijnen rug en mijnen nek, opdat ik mijn onbuigzamen wil naar uwen wil buige.

Maak van mjj een vroom en nederig leerling, gelijk Gij zoo wèl weet te doen, opdat ik naar al uwe wenken wandele.

Ik geef mij en al het mijne ter verbetering aan U over; het is beter hier dan hierna gestraft te worden.

Gij weet alles in \'t gemeen en in \'t bijzonder en niets is voor U in \'s menschen geweten verborgen.

Gij weet het toekomende eer bet geschiedt, en Gij hebt niet noodig dat iemand ü onderwijze of berichte aangaande hetgene op aarde gebeurt.

Gij weet wat tot mijtien voortgang dient en hoeveel de kwelling bijdraagt om den roest der ondeugden af te schuren.

Doe met mij naar uw wil en welbehagen; versmaad mij niet om mijn zondig leven, aan niemand beter en vollediger bekend dan aan U alleen.

7. Geef mij, o Heer! dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat U meest behaagt; dat ik achte wat voor ü kostbaar, verachte wat in uwe oogen verachtelijk is.

Duld niet dat ik naar den uiterlijken schijn der oogen oordeele, noch naar het hooren zeg-

351

-ocr page 356-

3B2 DE NAVOI.GING VAN JESÜS CHTÏISTUS.

gen van onverstandige menschcn vonnis veile ; maar flat ik volgens ren juist oordeel het zinnelijke en geestelijke onderscheide, en boven alles altoos den wil nws wclbrhngens betrachte.

8. Vaak laten de menschen zich bij hun oordeel door de zinnen misleiden.

Ook bedriegen zich de bcm\'nnnars der wereld door tilleen het zichtbare aan te hangen.

Hoe! is daarom een mer.sch beter, omdat hij door een mensch voor ^root gehouden wordt ?

De b\'driegir misleidt den bedrieger, de ijdele den ijdele, de blinde den blinde, de kranke den kranke, als hij hem dus verheft, en door hem ijdelijk te prijzen onteert hij hem inderdaad te meer.

Immers, wat een mensch in uwe oogen :s, zooveel is hij en niets meer, zegt de ootmoedige H. Franciscus.

OEFENING.

Gelijk God de opperste zuiverheid en in zijn wezen de heiligheid zelve is, zoo is Hij brzorgd,dat de zielen\', om Hem in den hemel te bezitten, in dit leven door de drukkendste en ootmoedigste kwellingen, en in hot vagevuur door de smartelijkste en hevigste pijnen gezuiverd worden. Het is hierdoor, dat hg ze tot dion graad van zuiverheid brengt, welke zij moeten hebben om bet eeuwige en gelukzalige bezit zijner heiligheid binnen te treden. Derhalve moet eene trouwe ziel, om aan de inzichten van God, wegens hare voldoening en hare zaligheid, te beantwoorden, het volgende doen : 1. in eene zuiverheid des harten leven , die haar verwijdert van alle vrijwillige zonden, van alle men?chelijke verkleefdheid, en

-ocr page 357-

DERDE BOEK.

voornamelijk van alle aanzoekingeu der eigenliefde , van hare gewone gebreken en van de volbrenging van haren wil. 2. Zij moet zich opwekken, om met onderwerping van de hand en van het hart van Jesus Christus de veroot-moedigendste en aan onze genegenheid tegen-strijdigste kwellingen te ontvangen. 8. Zij moet de geweldigste en lastigste bekoringen lijdenen onophoudelijk strijden, met geduldig hare toevlucht tot God te nemen en een edelmoedig vertrouwen in zijne goedheid te stellen. 4. Zij moet in hare kwellingen eenen geest van leedwezen, van versterving en afschrik van de zonde hebben , eene gesteltenis die haar belet\'er in te bezwijken. 5. Zij moet zonder ophouden op hare zinnen en op haar hart waken, om de te zinlijke en te menschelgke voldoeningen eruit te sluiten. 6. Eindelijk moet zij ootmoedig, afhankelijk, gering en als vernietigd onder de hand van God worden, om niet anders te willen dan hetgeen Hij wil, en tevreden te zijn met hetgeen Hij wil, zelfs te midden der grootste kwellingen.

GEBED.

Hoeveel reden heb ik, o God! om over uwe beschikkingen tevreden te zijn 1 In alles wat mij overkomt, beoogt Gij mijn heil. Zelfs als Gij slaat, tuchtigt Gij als Vader en beoogt de verbetering van uw kind. Ik erken en belijd dat uwe oordeelen rechtvaardig zijn, als Gij mg door lijden bezoekt. Ik onderwerp mij volkomen aan uwen wil. Zie, ik ben in uwe handen. Zuiver mij hier in den smeltkroes des lijdens, opdat ik geschikt worde om uw aanschijn te aanschouwen.

353

23

-ocr page 358-

3 54 de navolging van jesus christus.

BEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat mm zich op geringer werken moet toeleggen ah men in verhevener te kort schiet.

1. De Heeb. Mijn zoon! gij kunt niet altoos in het vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoogsten trap van beschouwing staande houden; maar, wegens uwe oorspronkelijke bedorvenheid, moet gij somtijds tot het lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven, ook uws ondanks en met verdriet, dra-gcn.

Zoolang gij het sterfelijke lichaam omdraagt, zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.

Dus moet gij in het vleesch onder den last des vleesches dikwijls zuchten, omdat gij u niet onophoudelijk met geestelijke oefeningen en hemelsche beschouwingen kunt bezighouden.

2. Alsdan is het u nuttig tot mindere en uitwendige oefeningen uwe toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen, met een vast vertrouwen mijne komst en hemelsch bezoek af te wachten, en uwe ballingschap en dorheid des geestes geduldig te verdragen, totdat gjj weder door Mij bezocht en van allen angst bevrijd wordt.

Want Ik zal u uwen arbeid doen vergeten en inwendig rust doen smaken.

Ik zal voor u de weiden der Shriften ontsluiten , opdat gij met een verruimd hart op den weg mijner geboden moogt beginnen te loopen.

En dan zult gij zeggen ; het lijden van dezen tijd is niet te achten hij de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard. (Hom. 8.)

-ocr page 359-

»

DERDE BOEK.

OEFENING.

Hoe groot is het verschil tusschen de heiligheid der gelukzaligen in den hemel ea die der stervelingen op aardel De eene is vrij van alle kwellingen en vol zoetheid, de andere is met bitterheid en ellenden vervuld; de eene is eigen aan het aangename verblijf van ons vaderland , en de andere betaamt aan de droevige verblijfplaats eener ballingschap; in de eeuwigheid zullen wij God beminnen, met Hem te bezitten en het geluk van zijn hart te genieten : en in den tijd beminnen wij Hem, met voor Hem te lijden en het kruis van Jesus Christus met geduld te dragen. Duar zullen wij met God tevreden zijn en verzekerd wezen, altijd door Hem bemind te worden; hier weten wij niet of wij Hem bevredigen en beminnen. Laat ons dus in onze dorheden en verdriet, ons met eenige uitwendige zaken om God bezighouden , aangezien wij in ons niets vinden wat ons gevoelen tot Hem we-derbrengt; maar laat ons tevens niets van onze inwendige oefeningen des gebeds, van den iu-wendigen geest, en van onze gedurige toevlucht , die wij tot God moeten nemen , veronachtzamen om ons staande te honden.

GEBED.

Het is zoo, oGod! gelijk Gij zegt. Vele zijn de verstrooiingen, welke ik op den weg der deugd ontmoet. De last des vleesches drukt mjj vaak ter neder, zoodat mijn geest bij zijne beschouwingen binder ontwaart en licht tot moedeloosheid vervalt. Doch ik wil uwen raad opvolgen en mij met het mindere vergenoegen ,

355

-ocr page 360-

35fi dk navolging van jesüs chr13tüs.

als ik mij tot het meerdere niet in staat gevoel. Help dit besluit ten uitvoer brengen en verkwik mij daarbij met uwen hemclschen troost.

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men achte zich geen troost, maar eer straf waardig.

1. De Geloovige. Heer! ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk bezoek waardig : daarom handelt Gij naar recht met mij, wanneer Gij mij arm en hulpeloos laat.

Want al konde ik als eene zee van tranen storten , nog zoude ik uwen troost niet waardig zijn.

Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestraft te worden, omdat ik ü zwaar en dikwijls beleedigd heb en in vele dingen zeer misdaan.

Zoodat ik, alles wèl overwogen, zelfs den geringsten troost niet verdien.

Maar Gij , o genadige en barmhartige God! die niet wilt dat uwe werken vergaan , opdat gij den rijkdom uwer goedheid jegens de vaten uwer barmhartigheid zoudt toonen , Gij verwaardigt U uwen dienstknecht, zelfs zonder eenige verdienste en boven alle laenschelijke mate, te troosten ; want uwe vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der menschen.

2. Wat heb ik dan, o Heer! gedaan, dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken ?

Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben ; maar wel, dat ik altoos tot het kwade genegen en traag ter verbetering was.

Dat is de waarheid, en ik kan het niet out-

-ocr page 361-

DEUDE BOEK.

kennen. Sprak ik anders , Gij zoudt legen mij opstaan, en niemand zoude mij verdedigen.

Wat heb ik voor mijne zonden verdiend, tenzij de hel en het eeuwige vuur ?

Ik belijde het oprechtelijk dat ik allen smaad en spot waardig ben, en dat het mij niet voegt onder het aantal uwer dienaren genoemd te worden.

En hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mijzelven mjjne zonden belijden, opdat ik te eer bij U barmhartigheid mogo vinden.

3. Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben «n geheel van schaamte bedekt.

Ik heb geen mond om te spreken dan dit eenige woord : ik heb gezondigd , o Heer ! ik heb gezondigd; ontferm U mijner, vergeef mij.

Gun my nog em oogenhlik, opdat ik mijne ellende beweene, eer ik heenga naar dat duistere land, omhuld met de schaduwe des doods (Job 10 )

Wat eischt Gij van zulk een schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hnrt om zijne zonden vernedere?

Door de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop van vergiffenis gaboren, het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen , de mensch tegen den toekomenden toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met een heiligen kus ontmoeten.

4. Der zondaren nederige vermorzeling is U , o Heer! een welgevallig offer, voor uw aangezicht veel liefelijker riekende dan brandende wierook.

Zij is ook die aangename balsem , dien Gij

357

-ocr page 362-

358 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS.

over uwe heilige voeten hebt laten storten : want het vermorzeld en verootmoedigd hart. hebt Gij nooit versmaad.

Daar is eene schuilplaats tegen de woede des vijands; daar wordt alles verbeterd en afgewaa-sehen wat misdreven was en besmet.

OEFENING.

Alhoewel wij ons altijd zeer onwaardig moeten achten om van God eenigen troost in onze wederwaardigheden te ontvangen, en moeten oor-deelen dat wij de grootste straffen verdienen, na zoo menigwerf de hel verdiend te hebben, is het nochtans voordeelig in onze ballingschap te zuchten , en in het gevoelen onzer ellenden onze toevlucht te nemen tot den barmhartigen Vader en God van alle vertroosting; want de bede of verzuchting van eene ziel, doordrongen van erkentenis voor Gods goedheid , en door eene groote droefheid over hare zoude, is bekwaam om zijne gramschap tc ontwapenen, zijne barmhartigheid te bewegen, en Hem op te wekken om haar vergiffenis te verleenen.

Eene ziel, hoe diep zij onder het gewicht barer boosheden zucht, o hoe getroost en zeker is z^j van Gods goedheid, zoodra zij door eene ware droefheid over hare zonden, door een vast voornemen ze te verlaten en van leven te veranderen , tot Hem wederkeert! Alsdan houdt God, die meer genegen is om ons vergiffenis toe te staan, dan wij om ze af te smeeken , op haar rechter te wezen ; Hij wordt haar Vader, Hij vergeet wat zij geweest is, en wordt gedachtig hetgene is; Hij behandelt haar met zooveel goedheid, alsof zij Hem nooit beleedigd hadde.

-ocr page 363-

deedf. boek.

o e b e d.

Mijn God ! ja ik wil der waarheid hulde doen en eene getuigenis tegen mij zeiven afleggen. Ik ben een zondaar, niets meer dan een zwakmensch, aan vele dwalingen onderhevig, met vele gebreken besmet. Ik ben de minste gunst van U niet waardig, maar heb uwe rechtvaardige straffen verdiend. Doch uwe ontfermingen zjjn gren-zenloos : dat geeft mij moed. Ja, ik durf hopen en roep dus met den Profeet : ontferm U mijner , wees mij genadig!

DEIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat Gods genade niet heataanhaar is met aardschgezindheid.

1. De Heer. Mijn zoon! kostbaar is mgne genade; zij laat zich niet met uitwendige dingen noch aardsche genoegens vermengen.

Gij moet dus afwerpen alles wat der genade hinderlijk is, indien gij wenscht dat zij u ingestort worde.

Zoek de afzondering, verkeer gaarne met u alleen, tracht naar het onderhoud met niemand, maar stort liever voor God een vurig gebed, opdat gg een vermorzeld hart en een rein geweten moogt behouden.

Acht de geheele wereld als niets; stel den omgang met God boven al het uitwendige.

Want gij kunt u niet met Mij bezighouden en te gelijk u in het vergankelijke verlustigen.

Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen en uwen geest van allen tijdelijken troost vrijhouden.

369

-ocr page 364-

860 DE NAVOLGING VAN JE3ÜS CHRISTUS.

Zoo toch vermaant de Heilige Apostel Petrus de geloovigen van Christus, dat zij zich in deze ■wereld als reizigers en vreemdelingen onthouden {van dn lusten des vleesches, die tegen de ziel strijden.) (1 Petr. 2 )

2. O, welk een vertrouwen zal een stervende hebben, die door geenerlei gehechtheid aan iets in de wereld teruggehouden wordt!

Doch dus Let hart van alles los te houden , bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinnelijk mensch de vrijheid van den in-wendigen mensch kent.

Nochtans, wil hij waarlijk naar den geest leven, hij moet zoowel van het afgelegene als nabij zijnde afzien en zich voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.

Hebt gij uzelven volkomen overwonnen , te lichter zult gij het overige ten onder brengen.

Over zichzelven te zegevieren is de volko-menste zegepraal.

Wie nu zichzelven zoo onderworpen houdt , dat de zinnelijkheid aan de rede en de rede in alles aan Mij gehoorzaamt, die is in waarheid overwinnaar van zichzelven en heer der wereld.

3. Wilt gij tot dat toppunt klimmen, gij moet met mannenkracht aan het werk gaau en de bijl aan den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen en ongeregelde neiging tot uzelven en tot alle bijzonder en stoffelijk goed.

Want aan dit gebrek, dat de mensch zichzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heeft te overwinnen. Heeft hij dat kwaad overwonnen en ten on-

-ocr page 365-

DERDE BOEK.

dergebracht! er zal aanstonds groote vreugde en gerustheid zijn.

Maar omdat weinigen trachten zichzelven volkomen af te sterven en geheel van zich uitgaan, daarom blijven zij in zich gewikkeld en kunnen zich niet in den geest boven zichzelven verheffen.

Wie dan met mij in vrijheid verlangt te wandelen , moet noodzakelijk al zijne verkeerde en ongeregelde neigingen docden, en aan geenerlei schepsel met eene bijzondere liefde hartstochtelijk gehecht zjjn.

OEFENING.

Om zijn hart van vele dingen en van zichzelven af te scheiden, moet men: 1. het dikwijls tot God verheffen, en opwekken om niets te zoeken noch te beminnen dan Hem alleen, en dit in alles en boven alles; 2. het vrij behouden van alle vrijwillige verkleefdheid aan het schepsel, en van alle geneigdheid voor zichzelven; 3. het ontbinden en verwijderen van de voorwerpen , die het natuurlijk behagen, met het te verplichten alle zaken te aanschouwen als een reiziger en vreemdeling op deze aarde , die zich met niets ophoudt wat hg op zijne reis ontmoet, omdat hij slechts doortrekt.

Een Christen die door deze woorden van den Apostel wel doordrongen is : Wij hebben hier geene blijvende stad, maar zoeken er eene in het toekomende; een christen zeg ik, die dat gevoelen heeft, hecht zich weinig aan de goederen , aan de ijdelheden en vermaken der wereld, aangezien hij begrijpt dat alles voorbijgaat en de dood hem eens alles moet ontnemen. Het is gemakkelijk , zegt de heilige Hieronymus, al

361

-ocr page 366-

362 de NAVOLGING VAN JKSU3 CHUISTUS.

het aardsche te versmaden, als men denkt dat men moet sterven en het verlaten.

Waarom dan, gelijk de heilige Paulusspreekt, maakt de schijn der wereld, die voorbij vliegt en uit onze oogen verdwijnt, zooveel indruk op ons hart ? en waarom maken de ware goederen der eeuwigheid, die alleen onvergankelijk zijn, zoo weinig indruk? Waarom hechten wij ons zoo sterk aan datgene; wat wij alleen in het voorbijgaan genieten en in bewaring hebben ? en waarom hechten wij ons zoo weinig aan datgene ; wat ons toebehoort, en dit voor altijd , namelijk aan het eeuwige geluk ?

GEBED.

Neen, mijn God! er kan geene gemeenschap tusschen een aardschgezind hart en tusschen uwe genade plaats hebben , zoo min als er gemeenschap tusschen U en de wereld kan bestaan. Doe deze herinnering bij mij steeds levendig en van eeneu werkdadigen invloed zijn. Maak mij los van al wat wereldsch is; leer mij mijzelven meester worden en stel mij door den omgang met U schadeloos voor de opofferingen, welke Gij billijk van mij eischt.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verschillende neigingen der natuur en der genade.

1. De Heer. Mjjn zoon! geef vljjtig acht op de neigingen der natuur en van de genade : want zij werken zeer tegenstrijdig, en dat zoo fjjn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geeste-

-ocr page 367-

DERDE BOEK.

lijkeu en innig verlichten mensch onderscheiden worden.

Alle menschen zoeken wel het goede en wenden bij hunne woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schjjn van het goede bedrogen.

3. De natuur is listig; zij trekt, verstrikt en misleid er velen, en heeft altoos zichzelve ten doel.

Maar de genade wandelt in eenvoudigheid, mijdt allen schijn van kwaad, zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.

3. De natuur wil ongaarne zichzelve afsterven, noch gedrukt, noch bedwongen, noch onderworpen, noch onder het juk gebracht worden.

Maar de genade legt zich op zelfversterving toe, wederstaat de zinnelijkheid, zoekt onderworpen te zijn, verlangt overwonnen te worden , wil geene eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden.

Zij begeert over niemand te hoerschei!, maar altoos onder God te staan, te leven en te zfln, en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle menschelijk schepsel nederig te bukken.

4. De natuur werkt om haar eigen voordeel, en let er op welke winst zjj van een ander kan trekken.

Maar de genade ziet niet op hetgeen haar nuttig en voordeelig is: maar meer op hetgeen velen van nut kan zijn.

5. De natuur ontvangt gaarne eer en hulde.

Maar de genade wijst getrouw alle eer en

roem Gode toe.

6. De natuur vreest schande en smaad.

363

-ocr page 368-

364 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Maar de genade verheugt zich om Jesus\' wil smaad te Ijjden.

7. De natuur bemint ledigheid en lichaams-rust.

Maar de genade kan niet ledig zijn ; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.

8. De natuur tracht het zeldzame en fraaie te bezitten; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.

Maar de genade vindt vermaak in het eenvoudige en nederige ; zij schuwt het ruwe niet , noch weigert een versleten kleed te dragen.

9. De natuur ziet op bet tijdelijke, verblijdt zich over aardsche winst, is over verlies bedroefd en wordt toornig over een gering smaadwoord.

Maar de genade let op het eeuwige, hangt niet aan het tijdelijke; zij laat zich door geen verlies van zaken ontroeren, noch door harde woorden verbitteren, omdat zij haren schat en hare vreugde in den hemel plaatst, waar niets vergaat.

10. De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.

Maar de genade is liefdadig en mededeelzaam. Zij mijdt het bijzondere, is met weinig tevreden en oordeelt dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. (A.ct. 20.)

11. De natuur neigt tot het schepsel, tot het eigen vleesch, tot ijdelheden en rondloopen.

Maar de genade trekt tot God en tot de deugd, ziet af van de schepselen, vlucht de wereld , haat de lusten des vleesches, beperkt het rondzwerven en schroomt in het openbaar te verschijnen.

-ocr page 369-

DERDE BOEK.

12. De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen, waarin de zinnen zich verlustigen.

Maar de genade zoekt haren troost in God alleen, en haren lust in het hoogste goed boven al het zichtbare.

13. De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of beters , of lof of gunst te bekomen, en begeert dat men hare daden en giften hoogschatte.

Maar de genade zoekt niets tijdelijks, noch eischt ter belooning een anderen prijs dan God alleen, ja verlangt van de aardsche nooddruft niets meer, dan zooveel haar ter verkrijging van het eeuwige dienen kan.

14. De natuur verheugt zich in vele vrienden en nabestaanden, roemt wegens adel en hooge geboorte, is beleefd jegens de machtigen, vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.

Maar de genade bemint ook hare vijanden, en verheit zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.

Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige; zij verheugt zich met den oprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.

15. De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak.

De genade draagt de armoede geduldig.

16. De natuur brengt alles op zichzelve terug, strijdt en twist voor zichzelve.

Maar de genade brengt alles weder tot God,

365

-ocr page 370-

866 ÜE NAVOLGING TAN JESUS CHRISTUS»

van wien het oorspronkelijk afdaalt; zjj schrijft zich niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan; zij twist niet noch stelt haar gevoelen boven dat van anderen; maar bij al hare gevoelens en begrippen, onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.

17. De natnur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden tc hooren; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen ondervinden; zij wenscht bekend te zijn en te doen wat lof en bewondering baart.

Maar de genade zoekt niets nieuws noch zeldzaams te vernemen; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid, daar er niets nieuws en duurzaam is op aarde.

Zij leert alzoo de zinnen beteugelen, ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden, het roemen bewonderenswaardige nederig verbergen, en bjj al ons doen en weten nuttige vruchten en Gods lof en eer beoogen.

Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God in zgne gaven geprezen worde, die alles uit loutere liefde schenkt.

18. Deze genade is een bovennatuurlijk licht en eene bijzondere gave Gods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen cn het onderpand der eeuwige zaligheid; zij, die den mensch van het aardsche tot de liefde voor het hemelsche verheft en van vlecschelijk geestelijk maakt.

Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door vernieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.

-ocr page 371-

UERDK BOEK.

OEFENING.

Wat is dat, in God, als in ziju laatste einde rasten? Het is : niets wenschen, niets zoeken en niets beminnen dan Hem ; het is, alles voor Hem doen en lijden; in alles aan zijnen wensch voldoen ; niets willen dan hetgeen Hij wil; zich nooit verwijderen van den weg zijns welbeha-gens; eindelek, zijn geluk en zijne rust stellen in Hem te bevredigen; maar deze handelwijze is strijdig aan de natuur, en de genade alleen kan dit voltrekken.

1. De natuur heeft altijd tot doeleinde hare eigene voldoening, en de genade zet ous altyd aan, om ons geweld aan te doen, dat is, om ons in niets te voldoen, en ons in alles te versterven.

2. De natuur wil noch sterven, noch zichzelve bedwingen, noch onderworpen zijn; de genade integendeel, wil, dat de ziel zich bedwinge, zich matige, en zich onderwerpe aan datgene, wat voor haar het moeilijkste en tegenstrijdigste is ; dat zij in alle gelegenheden aan hare eigene vrijheid verzake; dat zij hare inborst bestrijde; dat zij voor God wijke, en, om zijne opperste heerschappij over haar te eeren, aanvaarde verootmoedigd, onderworpen ea beteugeld te worden.

3. De natuur wil altijd over anderen heerschen ; de genade maakt, dat eene ziel zich onder de almogende hand Gods verootmoedigt , en dat zij, om deszelfs liefde , zich aan de personen onderwerpt, die zijne plaats bekleeden.

4. De natuur werkt altijd voor haar eigen belang , om zich te bevredigen en zich te vestigen : maar de genade werkt niet dan voor de belangen van God, waakt gedurig op de bewegingen des

367

-ocr page 372-

368 DB NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

harten, om het van zonden te bevrijden, en doet het geene vaste woonplaats zoeken dan in het hart van Jesus Christus.

5. De natuur schept haar behagen in de achting en den lof der menschen, welke zij meent te verdienen; maar de genade doet zooveel, dat men dezelve onwaardig acht en de eer van alle dingen aan God geeft; en zij is zoo moeilijk op die zaak, dat zij aau eene ootmoedige en getrouwe ziel geene de minste beweging van ijdelheid jegens zichzelve toelaat, ait vrees dat ïij eenig welbehagen trekke uit het goede wat zij verricht.

6. De natuur vreest en vliedt de verachting en den slechten uitval in hare ondernemingen ; en het is datgene , wat de genade verdraagt en aanneemt als zaken, die ons zondaars betamen; zij moedigt ons zelfs aan om Jesus Christus te bedanken, dat Hg ons datgene wil overzenden , wat het vermaak zijns harten uitmaakt.

7. De natuur bemint de rust van een zacht, ledig en nutteloos leven; maar de genade zoekt slechts den\' arbeid; zij vreest en vermijdt de nuttelooze woorden, gedachten en werken; en in eene ziel de ledigheid des harten en des gees-tes niet kunnende verdragen, moedigt z\\j deze aan om zich met Gods tegenwoordigheid te vervullen, gene om door zijne liefde te leven.

8 De natuur legt zich toe op al wat groot, schoon, voortreffelijk en gemakkelijk is; de genade versmaadt en vlucht dit alles, en oordeelt niets zoo groot, dan wat goddelijk, bovennatuurlijk en eeuwig is.

Maar hoe meer de natunr bedwongen wordt, des te overvloediger wordt de genade in eene ziel

-ocr page 373-

DEEDE BOEK.

gestort, welke zij door eenen invvendigen geest hernieuwt, en haar volkomen in God vestigt.

G E B E I).

Ja, mijn God! er is een groot onderscheid tusschen uwe genade en mijne zinnelijke natuur. Hoe edel is de eerste, hoe gebrekkig de andere! Terwijl wij door onze zinnelijkheid tot nietigheden vervallen, doet uwe genade ons boven het zinnelijke hemelwaarts stijgen eu naar gelijkvormigheid aan het oorspronkelijke beeld trachten. Dat ik dat onderscheid steeds wèl besefte en eene gave waardeere, die alles wat de aarde heeft, oneindig overtreft.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke cjenade.

1. De Gploovige. Heere mijn God! die mij naar uw beeld en uwe gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke Gij mij getoond hebt zoo voortreffelijk en te mijner zaligheid zoo noodig te zgn, opdat ik mijne zeer booze natuur, die mg tot zonde en verderf wegsleept, over-winne.

Want ik gevoel in mijn vleesch de wet der zonde, die de wet mijns gemoeds wederstreeft, en mij gevangen wegvoert om aan de zinnelijkheid in vele dingen te gehoorzamen; en deze hare aandrift kan ik niet wederstaan, tenzg uwe allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.

2. Uwe genade, ja eene groote genade is er

369

-ocr page 374-

370 DE NAVOLGING VAN JESUS CHEI3TUS.

noodig om de natuur te overwinnen, die van de jeugd af altoos ten kwade geneigd is.

Want sedert zij door den eersten mensch Adam ten val gebracht en door de zonde verdorven is, gaat de ?traf dier vlek op alle menschen over, zoodat diezelfde natuur, welke door U goed en recht geschapen was, nu vervangen is door het gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging , aan zichzelve overgelaten, tot het kwade en aardsche trekt.

Immers de weinige kracht, welke haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.

Dat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het. oordeel tusschen goed en kwaad en de onderscheiding tusschen waar en valsch nog overhoudende, ofschoon zij onmachtig is om al hetgeen zij goedkeurt, te volbrengen, en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid harer neigingen geniet.

3. Vandaar, o mijn God! dat ik naar den inwendigen mensch vermaak vind in moe wet, (Kom. 7.) wetende dat uwe bevelen goed, rechtvaardig en heilig zijn, (Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zonde moet vluchten.

Maar naar het vleesch dien ik de wet der zonde, (Ib.) daar ik meer aan de zinnelijkheid dan aan de rede gehoorzaam.

Vandaar dat wel het goede te willen hij mij is, maar het te volbrengen, dat vind ik niet. (Ib.)

Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem, maar omdat mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid ontbreekt, wijk ik bij den geringsten tegenstand en bezwijk.

Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid

-ocr page 375-

DERDE BOEK.

ken en klaar genoeg zie hoe ik handelen moet; maar neergedrukt door het gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot het volmaaktere op.

4. O, hoe volstrekt noodig is mij dan uwe genade, o Heer! om het goede te beginnen , voort te zetten en te voleindigen!

Want zonder haar kan ik niets doeu ; maar door uwe genade versterkt kan ik alles in U.

o Waarlijk hemelsche genade, zonder welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te achten zijn!

Noch kunsten noch wetenschappen, noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden bij U, o Heer! iets zonder de genade.

Want de gaven der natuur zjjn aan goeden en kwaden gemeen , maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave : wie daarmede gekenmerkt zijn, worden het eeuwige leven waardig geacht.

Zoo voortreffelijk is die genade, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van wonderteekenen, noch eenige beschouwing hoe verheven ook, iets te achten is.

Ja, zonder deze liefde en genade is noch geloof, noch hoop, noch eenige andere deugd U behaaglijk.

6. o Zegenrijke genade , die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde nederig van harte doet zijn : kom, daal in mij neder en vervul mij vroeg met uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.

Ik smeek ü, o Heer! laat mij genade vinden

371

-ocr page 376-

372 1)E NAVOLGING VAN J£3US CHRISTUS.

in uwe oogeu : want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.

Al word ik dan bekoord en door vele tegen-heden gekweld, zoolang uwe genade bij mij ia, zal ik geen kwaad vreezen.

6. Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.

Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer

dan alle wijzen.

7. Zij is de leermÈesteres der waarheid, de leidster tot tucht, het licht des harten, een troost in druk; zij verbant de droefheid, verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht, en brengt tranen voort.

Wat beu ik zonder haar, tenzij een dor hout en een onnutte stam , die uitgeroeid moet worden ?

Dat dan , o Heer! uwe genade mij altoos en voorkome en volge. Zij doe mij steeds bedacht zijn op goede werken, door Jesus Christus uwen Zoon. Amen.

OEFENING.

Wij doen onszelven recht, met onze eigene krachten te mistrouwen, en wij doen recht aan God, met vast vertrouwen in de hulp zijner genade te stellen. Die genade ontbreekt ons nooit; maar wij ontbreken dikwijls er aan te beantwoorden; en het eenige middel om onze zaligheid te verzekeren , is, aan de bewegingen der genade getrouw te zijn, aangezien deze getrouwheid de oefening der deugden en van alle middelen der zaligheid iu zichzelve besluit.

Daar de menschelijke natuur door de zonde van den eersten mensch werd bedorven, is de

-ocr page 377-

DERTJE HOEK.

straf\' van die bedorvenheid, alsook de vlek van zijne zonden, in alle menschen overgegaan; en dit verpliclit ons onophoudelijk de ongeregelde bewegingen der natuur te bevechten, om die der genade te volgen. Zonder dien heiligen haat van onszelven, die ons opwekt om onszelven te verzaken eu te ovenvinnen j is het onmogelijk zalig te worden; want, daar in den staat van onschuld cilles in den mensch geregeld was, en hij aan God. door Jesus oorspronkelijke rechtvaardigheid was onderworpen , zouden de driften tegen de rede niet opgestaan zijn; maar dewijl in den staat van zonde, waarin wij ons bevinden, onze begeerlijkheid en neiging tot het kwaad onze grootste vijand is, moeten wij niet ophouden ze te bestrijden zoo lang wij leven.

GEBET).

Ook ik, o God ! gevoel het licht uwer genade iioodig te hebben, bij alles wat ik onderneem, bij alles wat ik wensch tot een gelukkig einde te brengen. Zonder den bijstand uwer genade vermag ik niets, mijner bestemming waardig, en door haar vermag ik alles; zonder haar zijn alle andere gaven weinig te achten, Dat ik dan genade in uwe oogen vinde; dat zij mij steeds vergezelle , mijnen wandel geleide en mij voere tot een zalig einde.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Bat wij onszelven moeten verloochenen en Christm op den teeg den l-ruines volgen,

1. Dr Heer. Mijn Zoon ! hoe meer siij van

373

-ocr page 378-

374 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTDS.

uzelveti kunt uitgaan, hoe meer gij tot mij kunt ingaan.

Gelgk het den inwendigen vrede bevordert niets uitwendigs te begeeren, zoo vereenigt men ïich met God door zich innerlijk te verlaten.

Ik wil dat gij leert u volkomen verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klaehte.

Volgt Mij. (Matth. 8.) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. (Joan. 14.)

Zonder weg gaat men niet, zonder waarheid kent men niet, zonder leven leeft men niet.

Ik ben de weg, dien gij moet volgen, de waarheid, die gij moet gelooven , het leven , hetwelk gg moet verhopen.

Ik beu de onbedriegelijke weg, de onfeilbare waarbeid, het onvergankelijke leven.

Ik ben de rechtste weg, de opperste waarheid, het ware, zalige, ongeschapen leven.

Indien gij blijft op mijnen weg, gij zult de waarheid ketmen en de waarheid, zal u vrij maken, ( Joan. 8.) en gij zult het eeuwige leven verwerven.

2. Wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden. (Matth. 19.)

Wilt gij de waarheid kennen, geloof in Mij. ^Viltgij volmaakt zijn, verkoop alles. (Matth.

Wilt gij mjjn leerling zijn, verloochen uzelven. (Luc. 9.)

Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.

Wilt gij in den hemel verheven worden , verneder u op aarde.

Wilt gij met Mij heerschen , draag het kruia met Mij.

-ocr page 379-

derde boek.

Want alleen de dienaars van het kruis vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.

3. De Geloovige. Heere Jesus! daar uw weg eng is en door de wereld veracht, geef dat ik U ook met verachting der wereld volge.

Want de leerling is niet hoven den meester, noch de dienstknecht loven zijnen heer. (Matth. 10.)

Dat dan de dienstknecht zich in de navolging van uw leven oefene : want daarin is mijn heil en ware heiligheid.

Wat ik leze of hoore buiten uw leven , verkwikt noch verlustigt mij geheel.

4. De Heek. Mijn zoon ! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt.

Die mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft. Ooh Ih zal hem lief hébben en Mijzelven aan hem openbaren. ( Joan. 14 ) en zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk mijns Vaders.

5. De Geloovige. Heere Jesus! het geschiede gelijk Gij gezegd en beloofd hebt en moge het mg gelukken zulks te verdienen.

Ik heb het kruis opgenomen; ik heb het uit uwe hand ontvangen. Ik zal het dragen, ja, dragen tot aan mijn dood, zooals Gij het mij opgelegd hebt.

In waarheid het leven eens vromen klooster-lings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt.

Ik ben begonnen; teruggaan mag ik niet, en stilstaan betaamt niet.

6. Welaan, broeders! laat ons te zamen voortgaan ; Jesus zal met ons wezen.

Om Jesus namen wij dat kruis op : laat ons

375

-ocr page 380-

376 DE NAVOLGING VAN JESTJS CHRISTUS.

om Jesus bij dat kruis volharden. Hij zal onze helper zijn, die onze aanvoerder en voorganger is.

Zie! onze Koning gaat ons voor : Hij zal voor ons strijden.

Laat ons moedig volgen ; dat niemand iets verschrikkelijks duchte ! Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven ; laten wij onzen roem de smet niet aandoen dat wij voor het kruis zouden vluchten.

OEFENING.

Datgene wat Jesus Christus in het Evangelie zegt, namelijk dat hij die tot Hem wil komen , zich moet verloochenen. zijn kruis opnemen en Hem volgen, behelst in zich de oefening van een oprecht christelijk leven, en eenen zekeren weg tot de zaligheid, vermits Jesus Christus de weg, de waarheid en het leven is; de weg, dien wij moeten volgen; de waarheid, welke wij moeten gelooven , en het leven, dat wij moeten hopen. Want om als een waar Christen te leven en zijne zaligheid te verzekeren, moet men beginnen met aan zichzelven te verzaken en te versterven : en het is die verzaking en die geest van verloochening, welke het grondbeginsel van het Evangelie, de grondwet van het Christendom, de wezenlijke plicht van den Christen en een volstrekt noodzakelijk middel ter zaligheid zijn. Het is die inwendige versterving, die besnijding des harten, welke bestaat in het ontzeggen van alle strafplichtige, gevaarlijke of nuttelooze voldoening, die het onderscheid der uitverkorenen en der verdoemden uitmaakt. Het kenteeken van onzen staat, die een staat van zonde is, moet

-ocr page 381-

derde boek.

een staat van boetvaardigheid , het doel des Christendoms en de zekerheid der zaligheid wezen.

Zijn kruis met Jesus Christus dragen, is, van een ieder alles verdragen, zonder iemand te doen lijden; het is, van de hand en het hart van Jesus Christus al de kwellingen des geestes en des lichaams aanvaarden; het is, met geduld al het kwaad verduren, dat wij van de rechtvaardigheid Gods en van de onrechtvaardigheid der menschen ontvangen; het is de versmading aannemen als iets wat men verdient, en als een groot ongeluk rekenen, niets te lijden voor God, en als het grootste geluk des levens, altijd voor zijne liefde te lijden.

g e b e ».

Neen, mijn Heiland! er is geen beter, geen veiliger weg voor mij om tot deugd en zaligheid te komen , dan Gijzelf zijt. Gij zijt de weg, de waarheid en het leven. Maar hoe zal ik dien weg vinden ? Heil mij ! Gij hebt mij dien aangewezen ; ik moet mijzelven verloochenen, mijner zinnelijkheid geweld aandoen, mijn kruis opnemen en ü navolgen. Geleid mij op dien weg, vestig daarop mijne schreden en dat ik nimmer daarvan afwijke.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

De mennek zij niet te neerdacMig wanneer hij in eenen mkdag valt.

1. De Heiie. Mijn zoon ! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer, dan veel troost en ijver in voorspoed.

377

-ocr page 382-

37S de navolging van jesus Christus.

Waarom bedroeft u eene kleinigheid, die tegen u gezegd wordt ?

Al ware liet iets groots geweest, het had u niet moeten ontroeren.

Laat het dan nu voorbijgaan. Het is niet het eerste noch iets nieuws, het zal ook het laatste niet zijn, zoo gij lang leeft.

Zoolang u niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad en weet anderen door woorden te versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur, het ontbreekt u aan raad en sterkte.

Let op uwe groote broosheid, welke gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.

Intussehen geschiedt het alleen tot uw heil, wanneer deze of soortgelijke dingen u treffen.

3. Stel het, zoo goed gij kunt, uit uw hart; en heeft het u geraakt, dat het u niet terneder-sla noch lang hindere.

Draag het ten minste geduldig, zoo gij het niet blijmoedig kunt.

Ook zoo gij het ongaarne hoort en u verontwaardigd gevoelt, bedwing u en laat niets onbehoorlijks uwen mond ontvallen, dat den zwakke aanstoot geeft.

Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren, en de inwendige smart door de terugkomende genade verzoet worden.

Want Ik leef nog, zegt de Heer, bereid om u te helpen en buitengewonen troost te schenken, zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roept.

3. Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.

Alles is niet serioren , al gevoelt gij u dik-wglg gedrukt of zwaar bekoord.

-ocr page 383-

derde boek.

Gij zijt een raensch, en geen God; gij zijt vleesch, geen Engel.

Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten mensch in het Paradijs niet heeft mogen gebeuren.

Ik ben het die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid kennen tot mijne Godheid opvoer.

4. De Geloovige. Heer! gezegend zij uw woord, mij zoeter dan honig mi honigzeem in den mond. (Ps. 18.)

Wat zoude ik onder zoo vele rampen en benauwdheden doen, tenzij Gij mij door uwe heilige woorden versterktet ?

Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is er aan gelegen\' wat en hoeveel ik geleden heb ?

Geef een goed einde, geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.

Gedenk mjjner, mjjn God! en geleid mij langs den rechten weg naar uw rijk. Amen.

oefening

Wanneer het ons verdriet altijd en veel te Iqden, moet men zich herinneren, dat de ootmoedige onderwerping aan de kwellingen onvergelijkelijk aangenamer is aan God, dan de zoetheid van zijne vertroostingen, en dat alzoo de grootste vertroosting voor eene ziel is, van alle vertroostingen beroofd te zjjn, en evenwel niet na te laten God getrouw te blijven.

Als men tot zonde bekoord en aangedreven wordt, moet men ze trachten af te weren, aan zijne zondige neigingen met alle kracht en alle

379

-ocr page 384-

380 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

mogelijke dapperheid tegenstand bieden , en aanstonds zijne toevluchl nemen tot den Heer en tot de allerheiligste Maagd, om door hen geholpen te worden. Nochtans moet het gevoel van het kwaad ons niet neerslachtig maken noch den moed benemen, maar het moet, bij eenen groo-ten afschrik voor de zonde, ons met een des te vaster vertrouwen tot God verheffen ; men moet, zooveel mogelijk, den geest van de oneerlijke voorwerpen, die hem treffen, en ons hart van het strafplichtig vermaak, dat het opwekt om aan de zonde toe te stemmen , aftrekken. En om in de tegenspraak getrouw te wezen, zoo tracht niets met een ontsteld gemoed te zeggen, eu doe al het mogelijke, om de droevige bemerkingen en aandoeningen van wraak tegen de personen die u beleedigen , aan God op te offeren , overtuigd zijnde, dat alles, wat gij denkt, wat gij wilt, en wat gij tegen hen zegt, dat dit alles tegen Jesus Christus geschiedt.

Herinner u in uwe inwendige k vel linzen . dat alles niet verloren is, omdat gij geweldig bedrukt en bekoord wordt. Maar bied wederstand aan de bekoring, onderwerp u aan de vernedering , en stel u voor dat gij, om tot de vereeniging met God verheven te worden, alvorens tot in het diepste uwer ellenden moet vernederd worden.

GEBED.

Denk, o God! voor dezen troost. Ja uw woord is mij zoeter dan honig. Gezegend, welkom zjj het mij! Dat het mij dierbaar blijve en bjj lijden met troost verkwikke. Zie, ik ben tot alles bereid. Geen lijden zal mij te mijeielijk vallen, zoo uwe genade mij vergezelt en ik eens raag

-ocr page 385-

dküde boek.

aanlanden in de veilige haven mijner zaligheid. Geleid mij toch daarhenen, en geef dat mijn verscheiden uit deze wereld gelukkig zij.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men mag getne te verhtctu zaken noch de ver-horgen raadtsbeduUen Gods onderzoeken.

1. Df. Heek. Mijn zoon ! wacht u over te hcoge zaken en de verborgen oordeeleu Gods te redetwisten : waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde ; waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde.

Dat gaat al \'s menschen bereik te boven; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.

Wanneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, of wel sommige nieuwsgierige menschen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet ; rechtvaardig zijl Gij, o Heer! en billijk is uw oordeel : (Ps. 118 ) alsook : des Heeren oordeeleu zijn waarachtig, rechtvaardig allemaal. (Ps. 18 )

Myne oordeelen moet men vreezen, niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor \'s menschen verstand.

3. Wil ook niet onderzoeken noch twisten over de verdiensten der Heiligen, wie hunner heiliger of grooter is in het hemelrijk.

Dit brengt dikwijls onnutte twisten en kra-keelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijde-len waan, waaruit nijd en tweedracht ontstaan, daar de eene dezen Heilige, gene eene anderen trotschelijk tracht te verheffen.

Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den

331

-ocr page 386-

382 DE NAVOLGING VAN JE3US CHHJSTÜS.

HeUigen, wijl ik geen God ben van tweedracht, maar van vrede, welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing bestaat.

3. Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menscbelijk dan goddelijk is.

Ik ben degene, die alle Heiligen geschapen heb ; Ik heb hun genade gegeven; Ik heb hun heerlijkheid geschonken.

Ik ken ieders verdiensten en heb hen met mqne heilzame zegeningen voorkomen.

Ik heb voor eeuwen mijne geliefden gekend; Ik heb hen uit de wereld verkozen, niet zij hebben eerst Mij verkozen.

Ik heb hen door genade geroepen, door barmhartigheid getrokken; Ik heb hen door velerlei bekoringen heengevoerd.

Ik heb hun groote vertroostingen ingestort; Ik heb hun volharding verleend; Ik heb hun geduld bekroond.

4. Ik ken zoowel den eerste als den laatste ; Ik bemin ze allen met onschatbare liefde.

Ik moet in al mijne Heiligen geprezen worden; Ik moet boven alles gezegend en in elk hunner vereerd worden , die Ik zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb , zonder eenige voorafgaande eigene verdiensten.

Wie dan éen mijner geringsten veracht, eert ook den grootste niet : want Ik heb den geringste en den grootste geschapen.

En wie éen Heilige te kort doet, doet ook Mij en al de overigen in het hemelrijk te kort.

Want zij zijn allen éen door éen band der liefde; zij hebben éen gevoelen, èen wil, en beminnen elkander in éenen, in Mij.

-ocr page 387-

DERDE BOEK.

5. Ja, wat meer is; zij bemiunen Mij meer dan zichzelven en hunne verdiensten.

Want, boven zichzelven verrukt en aan alle eigenliefde onttrokken, gaan zij geheel in mijne liefde over, waarin zij ook genoegelijk rusten.

Niets is er dat hen kan aftrekken of neder-drukken, daar zij, met de eeuwige waarheid vervuld, door het vuur eener onuitbluschbare liefde branden.

Dat dan vleeschelijke en zinnelijke menschen ophouden over den staat der Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te beminnen.

Zij geven of ontnemen hun volgens hunne neiging, niet gelijk het der eeuwige Waarheid behaagt.

6. Bij velen is het onkunde, vooral bij hen die weinig verlicht, zelden iemand met eene volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.

Zij worden nog te zeer door natuurlijke neiging en menscheljjke vriendschap tot dezen of genen getrokken; en gelijk zjj zich in het aard-sche gedragen, zoo deuken zij ook over het hemelsche.

Maar er is een oneindig verschil tusschen de gedachten van onvolmaakten en hetgeen verlichte mannen door eene hoogere openbaring zich voorstellen.

7. Wacht u dan, mijn zoon! u met zulke zaken, welke uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig in te laten; maar beijver u liever en leg u hierop toe, dat g|j ook maar de minste in het rjjk van God moogt bevonden worden.

En al wist iemand, wie boven anderen heilig en groot in het hemelrijk gehouden wordt, wat

383

-ocr page 388-

384 DE NAVOLGING VAN JKSUS CHBISTÜS.

zoude hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger vvierd en opgewekt om mijnen naam te meer te loven ?

Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen af is , doet een Gode veel behaaglijker werk, dan hij die over huunc meerderheid of minderheid twist.

Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan roepen en hunne heerlijke voorbidding nederig af te smeeken , dan door een ijdel onderzoek hunne geheimen uit te vorschen.

8. Zij zijn wèl en zeer wél tevreden : wisten de menschen maar wel tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te bedwingen!

Zij roemen niet in hunne eigen verdiensten, daar zij zichzelven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.

Zij zijn met zulke groote liefde tot de Godheid en met zoo eene overmaat van vreugde vervuld , dat er niets ontbreekt aan hunne heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.

Alle Heiligen , hoe meer zij in heerlijkheid verheven, hoe nederiger zij in zichzelven en hoe nader en geliefder zij Mij zijn.

Daarom vindt gij geschreven : zij wierpen hunne kronen neder voor God en vielen op hunne aangezichten voor het Lam, en aanbaden Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft. (Apoc. 4 en 5.)

9. Velen onderzoeken wie de grootste zij in het rijk van God, zij , die niet weten of zij waardig zullen zijn onder de geringsten gerekend te worden.

-ocr page 389-

DERDE BOEK.

Het is groot ook de geringste in den hemel te ztjn, alwaar allen groot zijn, omdat zjj allen Gods kinderen genoemd worden en zijn zullen.

Be geringde zal er iot duizend worden, terwijl ook de honderdjarige zondaar sterven zal. (Is. 60 en 65.)

Want toen mijn leerlingen Mij vroegen, wie de grootste ware in het hemelrijk, vernamen zij dit antwoord : tenzij gij n hekeert en wordt als de kinderen, zult gij niet ingaan in het rijk der hemelen. Al wie zich derhalve zal vernederen, gelijk dit kind, die is de grootste in het rijk der hemelen. (Matth. 18.)

10. Wee hun die weigeren zich gewillig met de kinderen te vernederen; want de lage poort van het hemelrjik zal hun niet laten binnengaan.

Wee ook den rijken, die hier hunnen troost weghebben : want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan , zullen zij buiten staan en weenen.

Verblijdt u, gij nederigen! juicht, gjj armen! want u is het rjjk van God, mits gfl in waarheid wandelt.

OEFENING.

Om aan de Heiligen de verschuldigde eer te bewijzen, moet men hen aanroepen en navolgen, zonder te twisten over de grootheid hnnner heerlijkheid in den hemel. Men moet trachten de goede voorbeelden na te volgen, welke zij ons op aarde gegeven hebben; en men eert volmaak-telijk de Heiligen, als men zich, even als zij, heilig maakt. God heeft al de Heiligen naar het voorbeeld van het Mensch geworden Woord, zijnen Zoon, gevormd, en het is onmogelyk het

25

385

-ocr page 390-

38*5 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

voorwerp van Gods liefde te zijn , zonder dat men Jesus Christus tot voorbeeld onzer navolging neme ! Hij heeft gewild dat er heiligen uit alle standen der wereld zouden wezen, om aan de menschen te doen verstaan, dat zij zich kunnen zalig maken en heiligen, met heilig en christelijk , ieder in zijnen staat, te leven. (De H. Cyprianns.) Hij geeft ons de Heiligen tot beschermers en voorbeelden, om ons te helpen, en ons den hemel, dien zij bezitten, te leeren verdienen, aangezien het waar is dat zij onze gebeden aanhooren, en dat, verzekerd van huu geluk, zooveel hun staat het toelaat, zij voor het onze bezorgd zijn.

Laat ons dan trachten te leven en te lijden gelijk zij, om eens met hen te leven en te heer-schen, en bedenken wij dat er maar één weg is om tot het gelukkia: einde te geraken, tot hetwelk de Heiligen gekomen zjjn; en die weg is, volgens de opmerkingen van het Evangelie, een boetvaardig, afgestorven en van de wereld afgezonderd leven ; elke andere weg is, volsrens Jesus Christus zei ven, een weg van verderf.

GEBED.

Billijk , o Heer ! is deze uwe vermaning. Het twisten over de geheime wegen Gods bevat geen nut en kan ons licht tot hoogmoed en vermetelheid vervoeren. Wijs is hij, die slechts eenvoudig de gaven aanwendt, door U hem medegedeeld. Hij is voor ü de grootste in uw rijk, naarmate hij de geringste in zijn eigen oogen is. Boezem mij zulke nederige gedachten in en maak mij waardig ook de geringste plaats in uw he-melsch rijk.

-ocr page 391-

derde boek.

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat mm alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen.

. 1. ])e Geloovige. O Heer! welk is in dit leven mijn vertrouwen ? Of welk is mijn grootste troost te midden van alles wat onder de zon bestaat? Zijt Gij het niet, Heere mijn God! wiens barmhartigheid grenzenloos is ?

Waar bevond ik mij ooit goed zonder U? Of wanneer konde het mij kwalijk gaan ? als Gij bij mij waart ?

Liever wil ik arm zijn om U, dan rijk zonder U.

Liever verkies ik op aarde met U om te zwerven , dan zonder U den hemel te bezitten.

Waar Gij zijt, düar is de hemel, en waar Gij niet zijt, de dood en de hel.

Gij zijt mijn verlangen ; daarom moet ik tot U zuchten, roepen en smeeken.

Eindelijk, er is niemand op wien ik volkomen kan vertrouwen om mij in mijnen nood te rechter tijd te helpen, dan op U alleen, mijn God!

Ja Gij zijt mijne hoop, Gij mijn vertrouwen, Gij mijn trooster en in alles mijn getrouwste vriend.

2. Allen zoeken het hunne : Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voortgang en doet mij alles ten goede keeren.

Ook wanneer Gij mij aan velerlei bekoringen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste. Gij die gewoon zijt nwe geliefden op allerlei wijze te beproeven.

Bij deze beproeving moet Gij niet minder be-

387

-ocr page 392-

38.S DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTOS.

mind en geprezen worden , dan of Gij mij met uwe heraekche vertroostingen vervuldet.

3. Op U dan, o Heere God! stel ik al mijne hoop en mijn vertrouwen; op U werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten U opmerk, als zwak en ongestadig bevinde.

Want noch vele vrienden kunnen baten, noch machtige beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven, noch de boeken der geleerden troosten, noch kostbaarheden van welken aard ook redden , noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen , zoo G jjzelf niet nabij zijt, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en bewaart.

4. Want alles wat den vrede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder U niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.

Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed. Gij de volheid des levens, de bron der wijsheid, en op U boven alles te hopen is de krachtigste troost voor uwe dienaren.

Tot U zijn mijne oogen gericht; op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden!

Zegen en heilig mijne ziel met uwe hemelsche zegeningen, opdat zij U eene heilige woningen uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat er in dezen tempel uwer opperwaardigheid niets gevonden worde , dat het oog uwer Majesteit mishaagt.

Zie op mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van uwen armen dienstknecht , die verre van U , als balling in het land van de schaduw des doods omzwerft.

Bescherm en bewaar de ziel uws armen dienst-

-ocr page 393-

DERDE BOEK.

knechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven ; dat uwe genade haar vergezelle en kaar leide langs den weg des vredes naar het vaderland des eeuwigen lichts, Amen.

O E F E K 1 N G.

Wanneer wij bemerken , dat wij bedrukt of met inwendige kwellingen , met lichamelijke smarten eu uiterlijke wederwaardigheden overladen worden, of met al deze ongelukken te samen, laat ons dan met vertrouwen onze toevlucht tot God nemen, die alleen ons kan helpen en bijstaan, en laat ons met de Maohabeërs tot hem zeggen : Heer! Gij kent de voornemens, welke de vijanden onzer ziel en van onze zaligheid tegen ons opvatten; hoe zullen wij hun ooit tegenstand kunnen bieden , tenzij Gij ons te hulp komt ? Wij heffen dan onze oogen en ons hart tol U op, tot U die ons kunt helpen, want Gij zijt onze Zaligmaker ; die ons wilt helpen, want Gij zijt onze Vader; en wij verzoeken uwe hulp, om niet te bezwijken noch verloren te gaan.

GEBED.

Mijn Godl mijne hoop! mijn vertrouwen 1 mijn al 1 Op wien zal ik vertrouwen , zoo ik op U niet vertrouw ? Tot wien mijne toevlucht nemen, zoo ik uwe hulp niet verwacht? Neen; zonder TJ kan alles, wat de aanle iron-trijks heeft, niet baten; geene menschelijke hulp helpen. Heil mij, dat ik eenen Vader heb, op wien ik in allen nood mag hopen! Goede Vader! bevestig iu mij dit geloof; wees mij met uwe hulp nabij en breng mij eindelijk over in de gewesten des vredes.

889

-ocr page 394-

iisit santtis.

VIERDE BOEK.

Over het Allerheiligste Sacrament.

EERSTE HOOFDSTUK.

Vurige mlnoodigivg tot de heilige Communie. — Met welken eerbied men Christus moet ontvangen.

1. De Heer. Koud allen tot Mij, die vermoeid en heiast zijt, en Ik zal u verkwikken. (Matth. 11)

Het brood dat Ik geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld. (Joan. 6)

Neemt en eet : dit is mijn lichaam-, dat voor u zal overgegeven worden. Doet dit tot mijne gedachtenis. (Matth. 26. Luc. 22. 1 Cor. 11)

Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem. (Joan. 6)

De Koorden die Ik tol u gesproken heb, zijn geest en leven. (Ib.)

2. De Geloovige. Dit zijn, o Je sus Christus! eeuwige Waarheid, uwe eigene woorden, ofschoon niet op eenen tijd gesproken, noch op éene plaats geschreven.

-ocr page 395-

VIERDE BOEK.

Daar zij dan de uwe eu waarachtig zijn, mout ik ze alle dankbaar en geloovig aannemen.

Zij zijn de uwe, omdat Gjj ze hebt voortgebracht ; zij z\\jn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.

Gewillig neem ik ze uit uwen mond aan, opdat zij te dieper in mijn hart geprent worden.

Woorden zoo teeder, zoo vol zoetigheid en Heide wekken mij op ; maar mijne verkeerdheden schrikken mij af, en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.

De liefelijkheid uwer woorden lokt mij; maar de menigte mijner gebreken hindert mg.

3. Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, zoo ik deel met U wil hebben, eu het voedsel der onsterfelijkheid te nemen, zoo ik het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid wil bekomen.

Komt, zegt Gij, allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.

o Liefelijk eu vriendelijk woord in het oor des zondaars, dat Gij, Heere mijn God! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam !

Waar wie ben ik, o Heer! dat ik mij verstoute tot U te naderen ?

Zie, de hemel der hemelen omvat U niet, eu Gij zegt : Komt allen tot Mij !

4. Wat wil die liefderijke toegevendheid en eene zoo vriendelijke uitnoodiging ?

Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zoude mogen ondernemen ?

Hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die

891

-ocr page 396-

392 DE NAVOLGING VAN JE3US CHRISTUS.

eoo dikwijs uw goedertierenst aanschijn beiee-digd heb?

De Engelen en Aartsengelen zijn vol eerbied ; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen , en Gij zegt ; Komt allen tot Mij !

Zoo Gij, o Heer! het niet zeidet, wie zoude het voor waar houden ? En zoo Gij het niet gebood, wie zoude durven naderen ?

B. Zie Noë, een rechtvaardig man , werkte honderd jaren aan het maken eener arke , om met weinigen gered te worden : en ik, hoe zoude ik mij in een uur kunnen voorbereiden om den Bouwheer der wereld eerbiedig te ontvangen ?

Mozes , uw voortreffelijke dienstknecht en bijzondere vriend, maakte eene kist van onverderfelijk hout en overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen der wet er in te leggen : en ik, verdorven schepsel, zoude U, den Gever der wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen ?

Salomon, de wijste der koningen Israels, bouwde zeven jaren aan eenen prachtigeu tempel, ter verheerlijking van uwen naam. Acht dagen lang vierde hij het feest der inwijding; duizende dankoffers slachtte hij : onder trompetgeschal en gejuich bracht hij de Verbondskist plechtig ter plaatse, haar bereid.

Eu ik, ongelukkige en armste der menschen , hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die nauwelijks een half uur godvruchtig weet door te brengen ? En mochte het ook maar eens een half uur waardig geschieden!

6. o Mijn God! hoeveel hebben deze niet getracht te doen om U te behagen! Ach ! hoe weinig is het wat ik doe! Hoe weinig tijds

-ocr page 397-

VIERDE BOEK.

besteed ik, als ik mij tot uwe Tafel voorbereid!

Zelden ben ik geheel in raijzelven gekeerd, zeer zelden vrij van alle verstrooiing.

En voorwaar, in uwer Godbeids heilrijke tegenwoordigheid, moest geene onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.

7. Intusschen is er een zeer groot verschil tusschen de Verbondskist met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichuam met zijne onuitsprekelijke krochten; tusschen die offers der wet, louter afbeeldsels van het toekomende , en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers.

8. Waarom dan ben ik niet vuriger bij uwe aanbiddelijke tegenwoordigheid ?

Waarom bereid ik mij niet met meer zorg tot het ontvangen van uwe, heilige aeheimen, daar die oude heilige Aartsvaders en Profeten, zelfs Koningen en Vorsten, met al het volk, zooveel godvruchtigen ijver voor den dienst van God hebben getoond ?

David, de allergodvruchtigste koning, danste uit al zijne krachten voor de arkc, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend. Hij deed velerlei speeltuig vervaardigen, dichte liederen en liet die met vroolijkheid zingen: hijzelf, bezield door de genade van den Heiligen Geest, zong die dikwijls bii de harp, hij leerde Israels volk God van ganscher harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.

Werd toen zooveel godsvrucht betoond en voor de Verbondkist de lof van God vermeld, welken

393

-ocr page 398-

39-!- UE NAVOLGING VAN JJSSUS CHlllSïüS.

eerbied eu godsvrucht behoor ik en het gansche Christenvolk dau nu te hebben, in tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament, bij de mutiiging van het allerkostbaarst Lichaam van Christus !

2. Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der Heiligen overblijfsels te bezoeken ; zij zijn bij het hooren hunner daden verwonderd; zij be-lichtigen de sierlijke tempels hun ter eerc gebouwd , en kussen hunne heilige, in zijde eu goud gewikkelde beenderen.

En zie ! hier zijt Gij bij mij op het Altaar tegenwoordig , mijn God ! de Heilige der Heilt-geu, de Schepper der menschen , de Heer def Engelen !

Dikwijls is het de nieuwsgierigheid der menschen , eu de nieuwheid van hetgene zij niet gezien hebben, die hen tot die reizen uitlokken; ook wordt er weinige vrucht van verbetering weggedragen, vooral als die tochten zoo lichtzinnig, zouder waar berouw geschieden.

Maar hier in het Sacrament des Altaars zijt Gij , Christus Jesus ! God en mensch, geheel tegenwoordig; daar ook oogst men eenen overvloed van vruchten des eeuwigen heils, zoo dik-wen\' men U waardig en godvruchtig ontvangt.

En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid, noch nieuwsgierigheid, noch zinnelijkheid, maar een vast gelooi, eene levendige hoop en eene oprechte liefde.

10. o God! onzichtbare Schepper der wereld ! hoe wonderlijk handelt Gij met ons! Hoe min-raam en genadig gaat Gij met uwe uitverkorenen te werk, aan wie Gij Uzelven in het Sacrament tot spijze voorstelt!

-ocr page 399-

VIERDE BOEK.

O, dit gaat alle verstand te boven; dit voorai trekt de harten der gcdvruchtigen en ontvlamt hunne liefde.

Immers uwe ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden, ontvangen dikwijls in dit allerheiligst Sacrament eene groote genade van godsvrucht en liefde tot de deugd.

11. o Wonderbare en verborgen genade van dit Sacrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouweu en zondedienaars niet kunnen ondervinden.

Door dit Sacrament toch wordt de genade des H. Geestes geschonken, de verloren zielskracht hersteld en de schoonheid, welke door de zonde ontsierd was, terugbekomen.

Zoo groot is wel eens deze genade, dat, wegens de volheid der bekomen godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam , vermeerdering van krachten ontwaart.

12. Intusschen is zij zeer te betreuren en te bejammeren onze lauw- en onachtzaamheid, dat wij niet met sterkere drift getrokken worden om Christus te ontvangen , op wien alle hoop en verdienste dergenen, die zalig zullen worden, rust.

Hij toch is onze heiligmaking en verlossing; Hij de troost der reizigers en het eeuwige genot der Heiligen.

Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en het behoud der gan-sche wereld.

o Blindheid en verhardheid des menschelijken harten, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door dagelijksch gebruik tot onachtzaamheid vervalt 1

39S

-ocr page 400-

396 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

13. Wierd toch dit allerheiligst Sacrament slechts op éene plaats gevierd en slechts door éenen Priester over de geheele wereld geconsacreerd, met welke geestdrift meent gij, zouden niet de menschen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen , om de goddelijke geheimen te zien vieren !

Maar nu zijn er vele Priesters aangesteld en wordt Christus op vele plaatsen geofferd, opdat Gods genade en liefde tot den mensch te meer uitblinken, naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.

Dank zij U, o goede Jesus! eeuwige Herder! dat Gij ü verwaardigd hebt ons, arme ballingen , met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken, en zelfs tot het ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond te noodigen, zeggende ; Komt allen tot Mij, die vermoeid en helast zijt, en Ik zal u verkwikken.

OEFENING.

Wie zal ooit kunnen begrijpen of uitleggen , de uitmuntendheid der goddelijke gave, die de Zoon Gods ons schenkt, met ons zijn Lichaam en zijn Bloed in het allerheiligste Sacrament des Altaars te geven, aangezien het zeker is, dat wij hierin geheel de grootheid en majesteit van eenen God, al de volmaaktheden en de volheid zQner Godheid, al de deugden en genaden zijner menschheid, en al de verdiensten van eenen God-mensch ontvangen? Met den heiligen Au-gustinus mag men zeggen, dat God, hoe almogend Hij ook zij, ons niets meer kan geven , dan zich aldus aan ons te geven; dat hoe rijk en milddadig Hij ook moge wezeu, die gave

-ocr page 401-

VIERDE BOEK.

alleen welke Hjj ons doet van zjjn Lichaam en Bloed, en van geheel zijnen persoon, al de schatten zijner milddadigheid uitput, en dat Hij, alhoewel Hij de ongeschapene en vleeschgewor-dene wijsheid des Vaders is, geen krachtiger middel heeft kunnen vinden om onze harten te winnen, dan ze door de heilige Communie binnen te treden, om ons met zijn hart te vereenigen en ons in Hem te veranderen.

Maar wat onze geest en ons hart moet verrukken, is, dat Hij in de heilige Hostie, en zelfs in het kleinste gedeelte, al de schatten zijner goedheid, wijsheid en liefde heeft besloten, om ze ons mede te deelen, om ons in het mededee-len derzelve te doen leven door een bovennatuurlijk en goddelijk leven, met te leven en ons met eenen God te voeden ; want het is met dit inzicht, dat Hij op onze altaren een nieuw leven aanneemt, om het ons door de heilige Communie in te drukken, door welke Hij, volgens de Kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde in onze ziel uitstort. Ja, mqn Zaligmaker ! na ons al de goederen der natuur en der genade gegeven te hebben, voegt Gij Uzel-ven nog bij uwe gaven en geeft U geheel aan ons in het allerheiligste Sacrament des Altaars; dat wil zeggen, dat Gij, na milddadig geweest te zijn in uwe goederen ten onzen opzichte, welke, hoe kostelijk zij ook mogen wezen, altijd veel minder zijn dan Gij zijt, in dit aanbiddelijk Sacrament Uzelven ten beste geeft.

Wie zou na dit alles aan zijnen God kunnen wederstaan, en Hem niet dat hart geven, waarvan Hij-zelf bezit komt nemen, als van een goed dat Hem rechtmatig toebehoort ?

397

-ocr page 402-

898 de navolging van jesus christus.

g e b e 1).

Dierbare Heilaud! wie kan uwe liefde bevatten? (rij noodigt mij tot U te komen en stelt mij uw eigen Vleesch tot spijze voor, om U al-aoo op het nauwst met mij te vereenigen. Ik kan slechts aanbidden, bewonderen en zwijgen. Maar ach ! hoe zal ik U waardig ontvangen, die mijner misdaden bewust ben? Reinste! maak mij rein van alles wat onrein is; Heiligste ! maak mij heilig; Liefde! leer mij liefhebben en nwe weldaad waardeeren.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de yroote goedheid en liefde, door God in het heilig Sacrament den mensch hewezen.

1. De Geloovige. o Heer! vertrouwende op uwe goedheid en groote barmhartigheid , nader ik kranke tot mijnen redder, hongerige en dorstige tot de bron des levens, behoeftige tot den Koning des hemels, dienstknecht tot mijnen. Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mgnen liefderijken trooster.

Maar vanwaar gebeurt mij dit, dat Gij tot mg komt? Wie ben ik, dat Gij Uzelven aan mij schenkt ?

Hoe durft een zondaar voor U verschijnen ? En Gij, hoe verwaardigt Gij U tot eenen zondaar te komen?

Gij kent uwen dienstknecht, en weet dat hjj niets goeds aan zich heeft, waarom Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.

Ik beken dan mijne onwaardigheid ; ik erken

-ocr page 403-

VIERDE BOEK.

uwe goedheid; ik prijs uwe barmhartigheid en dank U wegens nwc overgroote liefde.

Want Gij doet dns om uwszelfs wille, niet om mijne verdiensten , opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik in liefde te meer ontstoken , en de ootmoed te volkomener aangeprezen worde.

Daar dit dan U behaagt en Gij het dus verordend , hebt, behaagt mij ook deze uwe goedgunstigheid. O, moeht mijne ongerechtigheid geen beletsel zijn !

2. o Allerminnelijkste en liefderijkste Jesus ! hoeveel eerbied en dankzegging met onophou-delijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam , welks hooge waarde te verklaren\' geen mensch in staat bevonden wordt.

Maar welke zullen mijne gedachten zijn bij deze Communie, bij het naderen tot mijnen Heer, dien ik niet naar waarde kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen ?

Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al voor U te vernederen en uwe oneindige goedheid jegens mij te verheffen.

U loof ik, mijn God! en verheerlijk ik in eeuwigheid. Ik veracht mijzelven en onderwerp mij aan U in den afgrond mijner nietigheid.

3. Zie, Gij zijt de heilige der Heiligen, en ik ben de slechtste der zondaren.

Zie, Gij buigt U tot mij neder, die niet waardig ben tot Ü op te zien.

Zie, Gij komt tot mij; Gij wilt met mg zijn ; Gij noodigt mij aan uwe Tafel.

Gjj wilt mij hemelsche spijze, het brood der Engelen, te eten geven, ja, geen ander dan ü-

399

-ocr page 404-

400 DE NAVOLGING VA.N JKSUS CHRISTUS.

zei ven , het hrood des levens, van den hemel nedergedaald , dat aan de wereld het leven geeft. (Joan. 6)

4. Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont! Welken grooten dank en lof zijn wij U niet daarvoor schuldig!

O, hoe heilzaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit instelde!! Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal, toen Gij Uzelven tot spijze gaaft!

O, hoe wonderbaar is uwe werking, o Heer! hoe vermogend uwe kracht! hoe onfeilbaar uwe waarheid!

Want Gij spraakt, en alles is geworden, en wat Gij geboodt is uitgevoerd.

5. Wonderlijke zaak en alle geloof waardig, maar \'s menschen verstand te boven gaande, dat Gij, Heere mijn God 1 waarachtig God en mensch, geheel onder de geringe gedaante van brood en wijn bevat wordt, en van dengene die U ontvangt genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.

Gij, Heer van het heelal I die niemand behoeft, hebt nochtans door uw Sacrament in mij willen wonen; bewaar mjjn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweten, dikwijls uwe geheimen moge vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen, hetwelk Gij bijzonder te uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.

6. Verheug u, mijne ziel! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzonderer troost, u in dit tranendal nagelaten,

Want zoo dikwijls gij dit geheim viert en het Lichaam van Christus ontvangt, zoo dikwijls

-ocr page 405-

VIEKDE BOEK.

vernieuwt gij het werk uwer verlossing, en wordt gij al de verdiensten van Christus deelachtig.

De liefde van Christus toch vermindert nooit en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.

Daarom moet gij u altoos met eene geheele vernieuwing des harten daartoe voorbereiden, en dat groote geheim des heils met eene groote opmerkzaamheid overwegen.

Ja, hetzij gij de H. Mis leest, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet het u schijiien, alsof op dienzelfden dag Christus voor het eerst in den schoot der Heilige Maagd nederdalende mensch wicrd, of aan het kruis hangende, voor het heil der menschen leed eu stierf.

OEFENING.

1. Overweeg, wanneer gij tot de heilige Tafel nadert, welke de grootheid en majesteit is van Hem dien gij gaat ontvangen , en welke de verworpenheid en onwaardigheid van een gering schepsel is, hetwelk zijnen God ontvangt. Verootmoedig u in zijne tegenwoordigheid en zeg Hem: Wie ben ik, Heer, om tot U te durven naderen? En wie zijt Gij-zelf, om ü zoo zeer te vernederen van tot mjj te komen ? Indien ik van den eenen kant de uitmuntendheid uwer heiligheid en zuiverheid , en van den anderen de bedorvenheid en ongerechtigheid mijner ziel overweeg, dan erken ik in uwe tegenwoordigheid, dat ik geheel onwaardig ben U te ontvangen, en zonder vermetelheid U in mijn hart niet kan doen binnenkomen. Maar vermits ik de overmaat uwer goedheid aanzie, alsook de noodwendigheid, U tot

26

401

-ocr page 406-

402 DE NAVOLGING VAN JESUS CHB1STÜS.

mijne voldoening en tot mijne zaligheid te bezitten , zal ik tot U, o mijn Zaligmaker! met een heilig vertrouwen naderen, wel wetende wat Gij in het Evangelie gezegd hebt : dat de zieken meer dan de gezonden den geneesheer noodig hebben, en dat Gij tot ons komt om diegenen op te zoeken en zalig te maken, welke zich van ü verwijderd hebben en die in gevaar waren verloren te gaan; tot U, die alles wat Gij zijt, niet zyt dan om ons te beminnen en zalig te maken; tot U, eindelek, wiens grootste genegenheid is voor een geraakt, veranderd en waarlijk boetvaardig hart. Wel is waar, ik ben zondaar, maar ik wil het niet meer wezen. Ik vind noch troost, noch smaak in uwe tegenwoordigheid ; maar ik gevoel mijne ellenden en breng ze voor eenen barmhartigen God, en dit is voor mij genoeg.

2. Van waar komt mij de eer en het geluk, dat de opperste Majesteit van eenen God zich zoo zeer wil vernederen, om het voedsel en het leven mijner ziel te wezen? O! dit komt uit de groote ootmoedigheid vaneenen God-mensch, die zijne vernietiging zoo verre heeft voortgezet van niet meer te schenen, ik zeg niet een God, maar zelfs niet een mensch, en van den luister zijner grootheid te verduisteren, om in dit aanbiddelijk Sacrament niet dan een overmaat zijner goedheid en de bekoorlijkheid zijner liefde te doen uitschjjnen. O mijn Zaligmaker! Gij verbergt uwe goddelijke volmaaktheden voor onze oogen, om ze niet te verblinden; maar Gij doet aan onze harten de grootte uwer ootmoedigheid gevoelen, om ons op te wekken haar na te volgen! O mijn hart! kunt gij verlangen uittemunten, ziende eenen God,

-ocr page 407-

VIERDE BOEK.

die voor onze oogen in het allerheiligste Sacrament als verdwijnt? En hoe zou een aardworm als ik zich willen verheffen, overwegende dat een God zich vernietigt in dit geheim, om hem het kenteeken zijner ootmoedigheid in te drukken?

3. Chriatene zielen! zegt niet dat gij zoo dikwijls tot eeuen zoo grooten en geduchten God niet durft naderen. Gij zijt hiertoe onwaardig, zulks is waar, en zult bij voortduring onwaardig wezen, tenzij gij alles werkstellig maakt om het niet te zijn, door eene gedurige waakzaamheid op uzel-ven. Maar dit brood der Engelen is geen vergift, zegt de H. Augustinus, het is een voedsel tot uw gebruik, en noodzakelijk tot zaligheid van uwe zielen. Ontvangt het dikwijls, voedt er uwe harten mede; maar dat dit hemelsohe vleesch bij u hetzelfde uitwerksel niet hebbe van het lekkere vleesch dezer aarde, waaraan men zich gewent, en waarvan men door de gewoonte den smaak verliest. De heilige gesteltenis, waarin gij moet wezen , als gij dezen heiligen God ontvangt, moet aangroeien naarmate gij tot zijne Tafel nadert. Het komt ons niet toe dien voortgang te kennen, maar het is altijd voortgang, als wjj altijd meer en meer ons best doen, om door de waakzaamheid en ootmoedigheid heiliger te worden.

GEBED.

Vanwaar, o Heiland! komt mij het geluk dat Gij mij bezoekt ? Wie beu ik, dat Gq U aan mij wilt schenken P Gij weet dat ik een zondaar ben en deze gunst onwaardig; ik verneder mij voor U in het stof en verzink in den afgrond mijner nietigheid. Ik bewonder uwe liefde en barmhartigheid. Juist dit doet mij vertrouwend

403

-ocr page 408-

404 de navolging tan jesüs christus.

tot U naderen, als de kranke tot zijnen redder. Dat ik genade vinde in uw oog en uwe heilige geheimen waardig behandele.

DEKDE HOOFDSTUK.

Hoe nuttig hat is dikwijls te communiceer en.

De Geloovige. Zie, ik kom tot U, o Heer! opdat uw geschenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen maaltijd verheuge, dien Gij, o God, door uwe goedheid voor den arme hereid hebt. (Ps. 67.)

Zie, in U is alles, wat ik kan en moet verlangen : Gij zijt mijn heil en mijne verlossing, mijne hoop en sterkte, mjjne eer en roem.

Verblijd dan heden de ziel van uwen dienstknecht ■. want tot U, o Heere Jesus , verhef ik mijne ziel. ( Ps. 85)

Thans verlang ik U godvruchtig en eerbiedig te ontvangen ; ik wensch U in mijn huis binnen te leiden, opdat ik met Zacheus verdiene door U gezegend en onder de zonen van Abraham gesteld te worden.

3. Mijne ziel haakt naar uw Lichaam en mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.

Schenk U aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost; zonder U kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.

En daarom moet ik dikwijls tot U naderen en U als een middel mijner zaligheid ontvangen , opdat ik niet bij gebrek dier hemelsche spijze op den weg bezwijke.

Zoo toch hebt Gij, o allerbarmhartigste Jesua! toen Gij den volke prediktet en verscheidene kwalen genaast, eens gezegd : Ik wil hen niet

-ocr page 409-

VIERDE BOEK.

nuchter naar huis laten gaan, opdat zij onderweg niet bezwijken. (Matth. 15)

Handel dan ook zoo met mij, Gij, die U tot der geloovigen troost in het Sacrament nagelaten hebt.

Want Gij zijt eene liefelijke verkwikking der ziele, en wie ü waardig eet, wordt deelgenoot en ertgenaam der eeuwige heerlijkheid.

3. Mij toch, die zoo dikwijls val en zondig, die zoo ras verflauw en te kort schiet, is het volstrekt noodig , dat ik mij door een veelvuldig bidden eu biechten en door het ontvangen uws heiligen Lichaams hernieuwe, reinige en ont-vlamme; anders mocht ik door een te lang verzuim van mijn heilig voornemen afwijken.

Want van der jeugd af zijn \'s menschen zinnen ten kwade geneigd, (Gen. 8) en tenzij dat god-delljk geneesmiddel te hulp kome, vervalt de mensch dra tot erger.

Dus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in het goede.

Indien ik toch nu reeds zoo dikwijls onachtzaam en lauw ben, als ik communiceer of de H. Mis lees, wat zoude het zijn, als ik dat geneesmiddel niet gebruikte en eene zoo krachtige hulp niet zocht ?

En al ben ik eiken dag niet bereid noch behoorlijk gestemd om het heilig Misoffer op te dragen, zal ik echter mijn best doeu om op gepaste tijden de heilige geheimen te ontvangen en eener zoo groote genade deelachtig te worden.

Want de eenige voorname troost voor eene geloovige ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaalt, is dat zij dikwijls haren God gedachtig zij en haren Geliefde met een godvruchtig hart ontvange.

405

-ocr page 410-

406 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS.

4. o Wonderbare voorkomendheid van uwe goedheid tot ons, dat Gij, Heere God! Schepper en Levensbron van alle geesten ! U verwaardigt tot eene arme ziel te komen en haren honger met uwe geheele godheid en menschheid te verzaden !

o Gelukkig hart en zalige ziel ! welke waardig is U, haren Heer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te worden !

o Welk een groot Heer ontvangt zij 1 welk een beminnelijken gastvriend neemt zij op! welk een aangenamen medegezel bekomt zij! welk een getrouwen vriend vindt zij! welk een schoo-nen en edelen, boven alle geliefden en boven al wat wenschelijk is beminnenswaardigen bruidegom omhelst zij !

Dat, o dierbaarste Beminde! hemelen aarde met al hunne schoonheden voor uw aanschijn zwijgen : want wat zij lofwaardigs en schoons hebben , is een geschenk uwer milddadigheid, en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams nabijkomen, wiens wijsheid ge ene palen heeft. (Ps. 146)

OEPBNINO.

Vurig verlangen om te communiceerer, of ten minste da noodzakelijkheid gevoelen om dit te doen of dikwijls te doen.

Wij hebben ren groote reden om ons te verootmoedigen en ons voor onzen Heer Jesus Christus te schamen, als wij in ons niets dan koelheid en onverschilligheid gevoelen om tot Hem te naderen, en als het de gehoorzaamheid alleen is, en niet de vurigheid orzer verlangens, die ons

-ocr page 411-

VIERDE BOEK.

407

tot de heilige tafel doet naderen. Immers, mijn Jesus! hoe kan men U kennen, zonder U te beminnen , en U beminnen, zonder te verlangen met uw hart vereenigd te worden, en zich in Ü door eene goede en dikwijls herhaalde communie te veranderen? En nochtans, o mijn God! hoe menig-werf heb ik voor U niet dan eene ongevoeligheid, die mij bedroeft en mij moedeloos zou maken, indien ik niet wist, dat G\\j, bij gebreke van deze liefde, welke ik zou willen bezitten, die ik mij niet kan geven, en welke ik verzoek, tevreden zijt als ik U ontvange uit inzicht van eene gehoorzaamheid met ootmoedigheid gepaard! Wat zou er van mij geworden, o mijn God! in de dorheid waarin ik mij bevind, indien ik niet wist dat de groote ellenden mijner ziel uwe barmhartigheden over haar trekken, en dat Gij vermaak schept in een hart te verblijven, hetwelk zich onwaardig kent om U te ontvangen, en doet wat in zijn vermogen is om het niet te wezen ? Inderdaad , de ootmoedige belijdenis van onze onwaardigheid, na de volledigste biecht waartoe een Christen bekwaam is, vergoedt het gebrek der vurige begeerten tot de heilige Communie; en wij kunnen het hart van onzen God niet beter eeren, noch beter bevredigen, dan met ons voor Hem en in zijne tegenwoordigheid te vernederen. Wij moeten ons dan van de heilige Communie niet verwijderen , omdat wij geene godsvrucht of vurige begeerte gevoelen om tot haar te naderen; maar wy moeten zoo menig-werf te communie gaan als onze biechtvader het gebiedt, dien wij voorzichtig en wijs hebben moeten verkiezen, en Jesus Christus ontvangen uit gehoorzaamheid aan den priester, gelijk Hfl-zelf op

-ocr page 412-

408 de navolging van jesus christus.

het altaar tegenwoordig komt uit gehoorzaamheid, welke Hij aan de stem des priesters toont.

Is er iets gemakkeljjker en vertroostender voor ons, wanneer wjj ons ten beste tot de heilige Communie bereiden, dan te bedenken wat Jesus Christus in het Evangelie gezegd heeft, namelijk dat de zieken en niet de gezonden den geneesheer noodig hebben ?

GEBED.

Ja wel, o Godl heb ik een krachtig ziele voedsel noodig, zal ik op den weg des levens niet bezwijken. Ik weet hoe licht ik in het goede verzwak, hoe dikwijls ik val en struikel, o Gij, wiens barmhartigheid grenzenloos is, voorzie in de behoefte van uwen dienaar. Doe hem aan uwe heilige Tafel dikwijls verschijnen en aldaar de noodige krachten vinden. Verkwik zijne ziel met dat hemelsche voedsel; dat der woning zgns harten heil geschiede.

VIEEDE HOOFDSTUK.

Over de groote voordeelen aan eene godvnicldige Communie verhonden.

1. De Geloovige. Heere mijn God! voorkom uwen dienstknecht met de zegeningen uwer goedheid , opdat ik verdiene tot uw hoogwaardig Sacrament waardig en godvruchtig te naderen.

Wek mijn hart tot U op en ontdoe mij van die groote loomheid. Bezoek mij met uwe heilrijke genade, om in den geest uwe zoetheid te smaken, die in dit Sacrament, als in eene bron, overvloedig schuilt.

Verlicht ook mijne oogen om zulk een groot

-ocr page 413-

VIERDE BOEK.

geheim te aanschouwen, en versterk mij om het met een onwankelbaar geloof te gelooven.

Immers is het uw werk, geen werk der men-schen; uwe heilige instelling, geen instelling van den meusch.

Ook is niemand uit zichzelven bekwaam om dit te bevatten en te verstaan, dat zelfs het vernuft der Engelen te boven gaat.

Wat zoude ik dan, onwaardig zondaar, stof en asch, van zulk een hoog en heilig geheim doorgronden of bevatten kunnen ?

2. Heer ! in de eenvoudigheid mijns harten, met een oprecht vast geloof, en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied, en geloof waarlijk dat Gij als God en mensch hier in het Sacrament tegenwoordig zijt.

Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en mij in liefde met U vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en U smeeke mij deze bijzondere genade te geven, dat ik geheel in ü ver-smelte, mij in uwe liefde verlieze en mij in geen anderen troost meer inlate.

Want dit verhevenste en hoogwaaniigste Sacrament is een heilmiddel voor ziel en lichaam, eene artsenij voor allerlei geestelijke kwalen. Daardoor worden mijne gebreken genezen, de driften beteugeld, de bekoringen overwonnen of verzwakt, eene grootere genade ingestort, de ontlokene deugd vermeerderd, het geloof bevestigd , de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid.

3. Want Gij, mijn God! steun mijner ziel, hersteller der menschelijke zwakheid en schenker van allen inwendigen troost, hebt in dit Sacrament aan uwe geliefden, die er godvruchtig deel

409

-ocr page 414-

410 DE NAVOLGING VAN JE3Ü3 CHRISTUS.

san nemen, vele goederen geschonken en schenkt hun die nog dikwijls.

Gij toch schenkt hun velerlei troost tegen veelvuldige wederwaardigheden: Gij verheft hen uit de diepte hunner neerslachtigheid tot de hope op uwe bescherming; Gij verkwikt en verlicht hen inwendig door eene nieuwe genade, zoodat zij, die voor de Communie zich eerst beangstigd en liefdeloos gevoelden , zich daarna, door die hemelsche spijs en drank verkwikt, in betere menschen veranderd bevonden.

En Gij handelt zoo vrijgevig met uwe uitverkorenen , opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak zjj uit zichzelven zjjn , en hoeveel goedheid en genade zij van U ontvangen.

Want uit zichzelven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdienen zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.

Wie toch nadert ootmoedig tot de bron der zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg ?

Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte van ?

Gij nu zijt eene altoos volle en overvloeiende bron, een altoos gloeiend en nooit verflauwend vuur.

4. Daarom, is het mij niet geoorloofd uit de volheid dier bron te scheppen en tot verzadigens toe te drinken , zal ik toch mijnen mond aan de opening der hemelsche ader stellen, om er ten minste een drupje van op te vangen ter lessching van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.

En, kan ik nog niet geheel hemelsch, noch

-ocr page 415-

VIERDE BOEK.

brandende zijn zoo als de Cherubs ea Serafs, zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen , en mijn hart voor te bereiden, opdat ik dit levendmakend Sacrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur bekome.

Wat mij nog ontbreekt, vul Gij dat, goede Jesus ! heiligste Verlosser! voor mij liefderijk en genadig aan, die U verwaardigd hebt allen tot U te roepen, zeggende: Komt allen tot Mij, die vermoeiden beladen zijt: Ik zal U verkwikken.

5. Ik toch arbeid in het zweet mijns aan-scbijns; de smart mijns harten foltert mij; ik ben beladen met zonden ; ik word door bekoringen ontrust, door vele kwade driften gekluisterd en gedrukt; en er is niemand die helpt, niemand die verlost en redt, dan Gjj, Heere God, mijn Verlosser, wien ik mijzelven en al het mijne toevertrouw, opdat Gij mij moogt bewaren en tot het eeuwig leven brengen.

Neem mij aan tot lof en verheerlijking vau uwen naam , die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank bereid hebt.

Geef, Heere God, mijn Heiland! dat, naarmate ik aan uw geheim deelneem, de gevoelens mijner godsvrucht toenemen.

OEFENING.

Om van onzen Zaligmaker een levend geloof aan zijne wezenlijke tegenwoordigheid In het allerheiligste Sacrament des Altaars, en eene vurige liefde tot Hem te verzoeken.

Ik geloof. Heer! dat Gij in het aanbiddelgke Sacraimnt, hetwelk ik ga ontvangen, met ziel en lichaam tegenwoordig zijt; dat Gij mjj in de hei-

411

-ocr page 416-

412 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISIÜS

lige Communie deelachtig maakt aan de verdiensten van uwe heilige Menschheid, en dat wij hierin verzadigd worden door de volheid uwer Godheid. Verander dan, Heer! verander de onverschilligheid mijns harten voor U, in eene vurige begeerte om U te beminnen, te behagen en te bezitten. Laat niet toe dat ik U met koelheid aanschouwe en ontvange, Gij die in mij komt om mijne ziel door uwe liefde te ontsteken. Vervul wat aan mijn geloof voor dit geheim ontbreekt, wat voor het menschelijk verstand onbe-grijpelyk is; beziel mijn geloof met een levenden indruk voor uwe tegenwoordigheid , en maak dat mijn hart U met eerbied ontvange als zij -^ nen God, met vertrouwen als zijnen Zaligmaker , met liefde als zijnen Vader.

Is het mogelijk, o mijne ziel! dat gij, die als omringd en vervuld zijt met al de vurigheid der goddelijke liefde voor u, dat gij nog ijskoud zijt te midden van zoo veel vuur? Helaas ! mgn Jesus, hoe ongelukkig ben ik, zoo veel vurigheid te hebben om mijzelven te bevredigen, en zooveel traagheid om ü te behagen ! Heer! indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen; zeg dan tot mij, zoo als aan den melaatsohe, die U dit gebed toestierde : Ik wil het, wees van uwe lauwheid en ongevoeligheid jegens mij genezen.

GEBED.

Hoe groot, o Heiland! zijn de goederen, welke gij uwen vrienden mededeelt! hoe groot de gunsten, welke zij aan uwe heilige Tafel ontvangen ! Alles wat hen troosten, versterken, bevredigen kan, is in deze hemelsche spijs te vinden. Niemand die waardig nadert, keert van deze levens-

-ocr page 417-

vierde boek.

bron ledig terug. Doe mij dan ook tot U waardig naderen, en laat mij bij het genot uwer liefde in liefde tot U overgaan en mijn gedrag daarvan blijken dragen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat.

1. De Heeb. Al hadt gij de reinheid eens Engels en de heiligheid van den heiligen Joannes den Dooper, nogzoudt gij niet waardig zijn dit Sacrament te ontvangen of te behandelen.

Want aan der menschen verdiensten is men het niet verschuldigd, dat een mensch het Sacrament van Christus consacreert en behandelt en het Brood der Engelen tot spijs neemt.

Groot geheim! en groote waardigheid der Priesters, wien vergund is wat den Engelen niet wordt toegestaan.

Want alleen de Priesters, in de Kerk wettig gewijd, hebben de macht om de H. Mis te lezen en het Lichaam van Christus te consacreeren.

De Priester is wel de dienaar van God , gebruikende het woord van God, volgens Gods bevel en instelling; maar God is aldaar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat Hij wil, en alles gehoorzaamt als Hij beveelt.

2. Daarom moet gij bij dit hoogwaardigste Sacrament, meer den almachtigen God dan aan uw eigen zinnen of eenig zichtbaar teeken ge-looven.

En daarom ook moet gij met vreeze en eerbied tot dat werk naderen.

413

-ocr page 418-

414 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Neem u dan in acht, en bedenk wiens bediening u door de oplegging van \'sBisscliops handen is toevertrouwd.

Zie, gij zjjt priester geworden en gewijd om de H. Mis te doen; zie dan toe dat Gij God op zijnen tjjd met geloof en godsvrucht het offer daarbrengt en uzelven onberispelijk gedraagt.

Gjj hebt uwen last niet verlicht, maar zijt aan een nauwer band van tucht gelegd en tot een hoogeren trap van heiligheid verplicht.

3. Een Priester moet met allerlei deugden versierd zijn en aan anderen een voorbeeld van een goed leven geven.

Zijn omgang zjj niet met het volk, noch met het gemeen der mensclien, maar met de Engelen in den hemel of met volmaakte menschen op aarde.

Een Priester, met het heilige gewaad uitgedost, bekleedt de plaats van Christus, om God voor zichzelven en voor al het volk eerbiedig en nederig te smeeken.

Hij heeft voor en achter zich het teeken van \'s Heeren kruis, om zich het lijden va;1. Christus steeds te herinneren.

Hij draagt van voren op de kazuivel het kruis, opdat hg de voetstappen van Christus vlijtig naga en die ijverig poge na te volgen.

Hij is van achter met het kruis geteekend, opdat hy allerlei tegenheden hem door anderen aangedaan , om Gods wille geduldig verdrage.

Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijne eigene zonden betreure; van achteren, opdat hij ook die door anderen bedreven uit medelijden beweene, en wete dat hjj als middelaar tusschen God en den zondaar gesteld is , en «lus

-ocr page 419-

TIERDE BOEK.

in het gebed en heilige offer niet verflauwe, totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.

Wanneer een Priester de H. Mis leest, dan eert hij God, verblijdt de Engelen , sticht de geioovigen, helpt de levenden, bezorgt den doo-den rust en maakt zichzelveu aan allerlei goed deelachtig.

OEFENING.

Over de heilige voorbereiding, welke een Priester moet in het werk stellen, om waardig het heilige Misoffer op te dragen-, en van die welke een Christen moet hebben, om het godvruchtig te hooren en er voordeel nit te trekken.

De Priester heeft door het merkteeken zijner wijding de macht ontvangen, eenen God op het altaar te oonsacreeren, zoo dat, volgens den H. Augustinus, die God eenigerwijze meusch wordt en een nieuw leven aanneemt in de handen van den Priester, door de kracht van zijn woord. Het is deze macht, die hem in zekeren zin boven de Engelen stelt, eu die de uitmuntendheid zijner waardigheid boven alle schepselen plaatst; die hem deelachtig maakt aan het opperste geluk van den eeuwigen Vader, die van alle eeuwigheid hetzelfde Woord voortbrengt, hetwelk de Priester in den tijd voortbrengt, en die hem deel doet nemen in de maagdelijke vruchtbaarheid van Maria, om eeu nieuw wezen aan eenen God te geven. Dit zijn juist de twee groote voorbeelden, welke een Priester in zijn gedrag moet volgen, en de twee verbindtenisseu, die zijn merkteeken hem geeft om heilig te zijn, te weten : de, heiligheid van den eeuwigen Vader , en de zuiverheid van Maria; aangezien hij de eer heeft

416

-ocr page 420-

416 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

op het altaar denzelfden Zoon Gods voort te brengen , welken zij, de eene in eeuwigheid , en de andere in den tijd voortbrengen.

Begrijpt hieruit, Priesters des Heeren, liet uitmuntende uwer waardigheid en de grootheid uwer verbindteniasen. Zjjt gedurende den gehee-len dag, hetgene gij aan het altaar tracht te wezen, dat wil zeggen, vereenigd met God, bezig met Zijne tegenwoordigheid, getrouw aan Zijne genade, ijverig tot uwe plichten, en hebbende voor Jesus Christus, gedurende den loop van den dag, eene voorbereidingen als eenen staat van slachtoffer, geheel aan zijne verheerlijking en de zaligheid der zielen overgegeven , gelijk gij hetzelve moet doen gedurende het heilig misoffer.

Wanneer gij dit aanbiddelijk offer opdraagt, tracht lo in uw hart te doen wat Jesus Christus op het altaar doet, u te vernederen, u op te offeren en te bidden. 2« Vereenigt het offer van uwe ziel met dat van het Lichaam van Jesus Christus ; neemt zijne gevoelens en gesteltenis aan; en bedienaars van het ofler, dat Hij aan zijnen Vader door en in u opoffert tot zaligheid der menschen, maakt u slachtoffers van de liefde van eenen God, die Zichzelven slachtofler van uwe liefde maakt. Houdt op aan uzelven toe te behooren, om geheel voor Hem te wezen, gelijk Hij ophoudt op het altaar te wezen, en Zijn sacramenteel leven in uw hart aanneemt, om daarin het groote werk uwer zaligheid te voltrekken.

Een Priester, die van eenen God leeft, en zich dagelijks met zijn Lichaam en Bloed voedt, moet niet dan voor God leven, zegt de H. Augus-

-ocr page 421-

TIERDE BOEK.

tinus : en indien de priesters der oude Wet verplicht waren heilig te leven, omdat zij brood en wierook aan den Heer opdroegen, hoeveel volmaakter moet de heiligheid van de priesters der nieuwe Wet niet wezen, zij, die dagelijks op het altaar eenen God aan God-zei ven opofferen! Hoe zuiver; zegt de H. Chrysostomns, moet de hand van den Priester niet wezen, en hoe onbevlekt zijne tong, aangezien de eene het Lichaam van het Vleeschgeworden Woord slachtoffert, en de andere met zijn Bloed geverfd is, en hij in zijn hart al datgene ontvangt wat een God-Mensch is.

Gedenk dan. Priester des Heeren, dat Jesus Christus, de opperste priester, het heilig misoffer door u opdraagt, en dat, daar Hij u met zijne macht bekleed heeft om Hem op het altaar te consacreeren, gij door zijnen geest moet bezield wezen en door zijn leven leven. Overweeg, wanneer gij de woorden der consecratie uitspreekt, dat gij u geheel aan Hem moet overgeven, en Hem uw hart schenken, gelijk gij Hem uwe tong leent.

Als gij uw priesterlijk gewaad aantrekt, denk aan de geheimen van het lijden van Jesus Christus, hetwelk dit verbeeldt, en vraag Hem vergiffenis over uwe zonden , die er de oorzaak van geweest zijn.

Als gij naar het altaar gaat, denk dat gij Jesus Christus naar den Calvarieberg vergezelt, en dat gij Hem door de oogen van uw geloof en door uwe handen gaat zien sterven.

Vraag, als gij aan den voet des altaars staat, vergiffenis over uwe zonden en over die van al de geloovigen, wier plaats gij bekleedt en wier zaakbezorger en middelaar gij zijt.

417

27

-ocr page 422-

418 Bis NAVOLGING TAN JESUS CHEISIUS.

Bid Hem onder het Gloria in excelsis, u en allen die in het heilig offer tegenwoordig zijn, eenen krachtigen wil voor de zaligheid te ver-leenen.

Wek, aan den Epistel, in u eene heilige begeerte op, om Jesus Christus op het altaar en in al de harten te doen geboren worden ; eene begeerte, welke de Profeten hadden naar de komst van den Messias, en die de Apostelen hadden, om Jesus Christus in de harten voort te brengen.

Verlevendig, aan het Evangelie, uw geloof en uwen ijver: uw geloof om het Evangelie te geloo-ven en in het werk te stellen , en uwen ijver om er u de grondstellingen van in te boezemen.

Bid, aan het Credo, den Heer, dat uw leven met uw geloof overeenkomstig moge zijn.

Offer, aan de Offerande, het heilige Misoffer op, om God te eeren , om Hem te bedanken; om de vergiffenis uwer zonden en de noodzakelijke deugden ter zaligheid te bekomen, en tot lafenis der zielen in het vagevuur.

Begeef u, aan den Canon, met uwen geest in den hemel; tracht de gesteltenis der heilige Maagd en van de Apostelen in u op te wekken, om Hem op het altaar en in ai de harten te doen geboren worden.

Aan de Consecratie, dat alles in u wijke voor eenen God, die op des priesters stem op het altaar komt, en door zijne woorden op hetzelve een nieuw leven aanneemt. Vereenig u met Christus inzichten, bid door Hem : geef u geheel aan Hem over, en offer Hem, van zijne liefde doordrongen , aan zijnen Vader voor de levenden en voor de dooden op.

-ocr page 423-

VIERDE BOEK.

Aan het Pater noster, wek in u al de gevoelens van een volkomen vertrouwen in Jesus Christus op.

Als men de heilige Hostie verdeelt en als eenen geestelijken dood aan Jesus Christus toebrengt, bid Hem, in u den dood aan uzelven, een heilig leven en eenen goeden dood voort te brengen, en niet te dulden dat gjj voor Hem slechts een verdeeld hart en eene uitgezonderde liefde hebt.

Aan de Communie, hernieuw uw geloof jegens eenen God, dien gij ontvangt; uw vertrouwen jegens uwen Zaligmaker, en uwe liefde voor eenen Vader, die bezit van uw hart gaat nemen, met u het Zijne te geven als een erfdeel hetwelk Hij aan u verschuldigd is, en zeg Hem : wees de God mijns harten en mijn aandeel in eeuwigheid.

Na de Communie, bedank Jesus Christus, dat Hjj zich geheel aan u heeft overgegeven, en bid Hem, dat niets u van zijne genade en liefde verwijdere.

Eindelijk, Bedienaars des Heeren, na het heilige Misoffer opgedragen te hebben, en gij Christenen, na daarbij tegenwoordig geweest te zijn : tracht door een leven, afgescheiden van de ijdel-heden en vermaken der wereld, verstorven aan uwe driften en geheel aan uwe plichten besteed, tracht u, geljjk de H. Ambrosius zegt, priesters des Heeren te maken volgens den geest, en zijne slachtoffers volgens het vleesch; tracht u, gij die de heilige Mis hoort, priester te maken, niet door merkteekenen en macht, maar door de meening van u te vereenigen met de inzichten van Jesus Christus op het altaar. Weest indachtig, indien zelfs de Heidenen van Calvarië henen gingen , doordrongen van een levend geloof aan Jesus Christus, van droefheid over hunne zonden

419

-ocr page 424-

420 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

en waarlijk bekeerd, dat gij, na het heilig misoffer, dat hetzelfde offer van Calvarië is, opgedragen of na hetzelve gehoord te hebben, dat gij waarlijk geslachtofferd, bekeerd en vol geloof, liefde en jjver voor Jesus Christus moet wezen.

GEBED.

Hoe rein, o God, moet hij zijn die tot uwe Tafel wenscht te naderen, hoe rein hij aan wien Gy het uitdeelen uwer aanbiddelijke geheimen hebt toevertrouwd ! Hoeveel ontbreekt mij nog, wanneer ik den toestand van mijn hart oprech-t el ijk overweeg I Zie genadig op mij neder, en vul liefderijk aan hetgeen mij mocht ontbreken. Rust al uwe bedienaren met den waren geest van godsvrucht uit; dat zij, overeenkomstig hunne roeping, hun ambt waardig bekleeden.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ondervraging naar eene oefening vóór de H. Communie.

1. De Geloovige. Wanneer ik, o Heerl uwe waardigheid overweeg, dan sidder ik zeer en sta over mijzelven beschaamd.

Want treed ik niet toe, ik vlied het leven ; dring ik mij onwaardig op, ik val in ongenade.

Wat zal ik dan doen, o mijn God! mijn helper en raadgever in den nood ?

2. Leer Gij mij den rechten weg; schrijf mij eenige korte oefening voor, op de heilige Communie passende.

Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig U mijn hart zal voor-

-ocr page 425-

vierde boek,

bereiden, om uw Sacrament met vrucbt t« ontvangen , of ook om zulk een groot on goddelijk Offer op te dragen.

OEFENING.

Eene der beste gesteltenissen, welke gij kunt hebben om eene goede communie te doen, is bij u vast te stellen, om Jesus Christus in uw hart te doen heerschen, zuo dat Hij er volstrekt als God in heerscht; dat wil zeggen, Hem in alles te gehoorzamen en Hem niets te weigeren van alles wat Hij van u vraagt. Want het is in hoedanigheid van koning, en van eenen koning vol van goedheid, dat Hij tot u komt, gelijk er in de heilige Schrift geschreven staat, dat is : dat Hij in uw hart komt, en eene nieuwe geboorte aanneemt, om er over uwe driften en geneigdheden te heerschen.

GEBED.

Ja, mijn God! leer mij den rechten weg, de ware wijze kennen , hoe ik mij met de meeste vrucht tot uwe heilige Tafel zal voorbereiden. De zaak is van het grootste aanbelang. Niets minder dan mijn eeuivig heil staat daarmede in verband. En wie zal mij beter tot leidsman strekken , dan Gij, de bron van licht en waarbeid? Open dan mijn hart, opdat ik met geestdrift uwe lessen aanneme, die voor altoos in mijn hart prente en ze getrouw nakome.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering.

1. Dk Heek. Voor alles behoort fiods Priesier

421

-ocr page 426-

432 PB NAVOLGING VAN JKSUS CHRISTUS.

om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te ontvangen, zich met den grootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een vol geloof en met het zuivere oogmerk van Gods eer daartoe te begeven.

Onderzoek nauwkeurig uw geweten, naar uw vermogen reinig en zuiver het door een oprecht berouw en eere ootmoedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iets knage of den vrijen toegang verhindere.

Heb afkeer van al uwe zonden in het gemeen, en bedroef u en zucht meer in het bijzonder over uwe dagelijksche overtredingen.

En , laat de tijd het toe, belijd dan voor God, in het binnenste uws harten al de ellenden uwer driften.

2. Zucht en betreur, dat gij nog zoo vlee-schelijk en wereldsch zijt, zoo weinig uwe driften afgestorven, zoo vol ongeregelde bewegingen.

Zoo weinig waakzaam over uwe uiterlijke zinnen, zoo vaak ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen ; zoo overhellende tot het uiterlijke, zoo onachtzaam omtrent het innerlijke.

Zoo licht vervoerd tot lachen en ongebondenheid , zoo verhard tot weenen en berouw; zoo vaardig tot verslapping en vleeschelijk gemak , zoo traag tot strengheid en ijver.

Zoo driftig om iets nieuws te hoorei) en iets schoons te zien, zoo flauw om het lage en verachte te omhelzen ; zoo begeerig om veel te hebben , zoo karig in het geven, zoo taai in het behouden.

Zoo onbedachtzaam in het spreken, zoo onwillig tot zwegen ; zoo ongeregeld van zeden , zoo ontijdig in uwe handelingen.

-ocr page 427-

VIEEDE BOEK.

Zoo gulzig bij het eten, zoo doof bij het woord Gods ; zoo gretig naar rust, zoo traag tot deu arbeid.

Zoo wakker bij ijdelen klap, zoo slaperig bij het heilige nachtgebed ; zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.

Zoo onachtzaam bij het opzeggen der getijden, zoo lauw bij het Mislezen, zoo dor bg het com-municeeren.

Zoo licht verstrooid, zoo zelden volkomen ingetogen; zoo ras in toorn ontstoken, zoo geneigd om anderen misnoegen te geven; zoo gereed tot oordeelen, zoo streng in het berispen.

Zoo uitgelaten in voorspoed, zoo temederge-slagen in tegenspoed ; zoo dikwijls veel goeds voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.

8. Wanneer gij deze en andere gebreken met berouw en een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebt, maak dan een vast besluit om steeds nw leven te verbeteren en in het goede voort te gaan.

Offer vervolgens met een volkomen afstand en een oprechten wil uzelven ter eere mijns naams op het altaar van uw hart als een gedurig braud-offer, door namelijk mij uw lichaam en ziel getrouwelijk over te geven : opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen, om Gode het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam met vrucht te ontvangen.

4. Want er is geen waardiger offer noch groo-tere voldoening ter uitwissching der zonden, dan zichzelven zuiver en volkomen met het offer van Christus\' Lichaam, onder de Mis en bij de Communie, Gode op te dragen.

Heeft de mensch gedaan, wat in hem is , en

423

-ocr page 428-

424 UK NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

heeft hij een waar berouw, zoo dikwijls hij bij Mij om vergeving en genade komt, zoo waar ik leve, zegt de Heer, ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich hekeere en leve „■ Ik zal zijner overtredingen niet meer gedenken ; (Ezech. 22 en 33) alle zullen hem kwijtgescholden zijn.

OEFENING.

1. De gesteltenis, waarin men moet wezen om waardig de heilige Communie te ontvangen, is de zuiverheid des harten, welke het onthecht van alle vrijwillige zonden en van alle genegenheid tot zonden. Het is in dezen zin dat de heilige Augustinus, sprekende tot de priesters en de geloovigen die het Lichaam des Heeren ontvangen, zegt, dat men de onschuld tot het altaar moet brengen. Onderzoek derhalve omstandig uw geweten nopens uwe gewone gebreken. Onderzoek, in de tegenwoordigheid Gods, of uwe ziel met geene groote zonden beladen is, en zoo ja, belijd ze met eene oprechte droefheid; want in dit geval, zegt de Kerkvergadering van Trente, is het niet genoeg eene oefening van berouw te verwekken, maar men moet xijne zonden biechten vooraleer meu ter Communie gaat; het is aldus, dat zij deze woorden van den Apostel uitlegt: dat de mensch zich heproeve , en zich bereide om waardig dit hemelsche Brood te ontvangen en het niet onwaardig te nuttigen.

2. Maar stel u niet tevreden, met voor de Communie te zien of uw geweten u geene groote zonde verwet: onderzoek voor God, en verfoei de lichte gebreken, die gij zoo gemakkelijk bedrijft, en bijzonder die welke gij met opzet en tegen uw

-ocr page 429-

vierde boek.

voornemen doet; verfoei de zonden van gewoonte, van verkleefdheid, en dezulke die het meest met uwe natuurlijke gesteltenis overeenkomen; verfoei de vreemde zonden , tot welke gij aanleiding geeft en waarin gij deel neemt; verfoei de geheime zonden, enz.; vraag hierover vergiffenis aan Jesas Christus vóóraleer gij Hem ontvangt, en bid Hem, dat Hij u de genade verleene om n hiervan te beteren en er u over te straften.

gebed.

Ja, dierbare Heiland! ik belijde het voorU, dat ik een onreine, een zondaar, een groot zondaar ben. 6ij kent mijne zonden en nalatigheden beter dan ik ze ken. Ik verneder mij deswegens , en gevoel het hartelijkste berouw, ó Gij, die geen lust in den dood des zondaars hebt, maar daarin, dat hij zich bekeere, betoon ook aan mij uwe barmhartigheid. Heer! zoo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Wasch mij af van mijne zonden , wees mij genadig, vergeet\' mij !

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ovtr de opoffering van Christus aan het krui» en de opoffering van zichzelven.

1. De Heer. Geljjk ik Mijzelven naakt met uitgestrekte armen aan het kruis voor uwe zonden vrijwillig aan mijnen hemelschen Vader heb opgedragen, zoodat in Mij niets overig bleef, dat niet geheel in een offer ter verzoening met God overging, zoo moet gij ook uzelven dagelijks bij de H. Mis vrijwillig uit alle uwe kracht en neigingen, op het innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan Mij opdragen..

425

-ocr page 430-

426 DE NAVOLGING VAN JESUS CHEISTUS.

Wat eisch Ik meer van u, dan dat gij u toelegt om uzelven volkomen aan mij af te staan ?

Alles wat gij Mij buiten uzelven geeft, acht ik niet; Ik tocb. zoek niet uwe gaven, maar u.

2. Gelijk het u niet genoeg zoude zijn alles te bezitten buiten Mij, zoo kan ook Mij niets van alles wat gq geeft behagen, zoo gij uzelven niet aanbiedt.

Offer ii aan Mij op en geef uzelven geheel voor God : dan zal uw offer behagen.

Zie, Ik heb Mij geheel aan den Vader voor u opgeofferd; Ik heb u ook geheel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven , opdat Ik geheel de uwe zij, en gij de mijne moogt blijven.

Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw offer 2al onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeniging zijn.

Eene vrijwillige overgave van uzelven in de hand Gods moet dus al uwe werken voorafgaan , zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven.

8. Want daarom worden zoo weinigen verlicht en innerlijk vrij, omdat zij zichzelven niet volkomen weten te verzaken.

Mijne uitspraak blijft vast : Wie niet alles verzaakt, lean mijn leerling niet zijn. ( Luc. 14.)

Wilt gij dan mijn leerling zijn, zoo offer uzelven aan Mij op met al uwe neigingen.

OEFENING.

Wil niet van die Christenen wezen, die in de Communie geheel voor God, en na dezelve geheel voor zichzelven zijn, en die, hun leven in goede begeerten en in slechte uitwerkselen doorbrengende , nooit vast staan in de vrees of in de

-ocr page 431-

vierde boek.

liefde Gods. Het is van die zielen, gierig jegens oenen God die Zich-zelven geheel voor haar ten beste geeft, dat de Profeet spreekt als hij zegt :

om de boosheid hunner gierigheid, waardoor zij mij een hart ontnemen hetwelk zij mij gegeven hebben, heb ik hen met blindheid en ongevoeligheid geslagen, en geheel haar leven wordt in de onachtzaamheid en in ijdele verlangens naar hare zaligheid doorgebracht.

GEBED.

Geen behaaglijker offer kan ik U brengen, o God ! dan mijzelven. Al het overige wat ik U aanbiede, heeft voor U geene waarde, tenzij het met de volkomenste zelfopoffering gepaard ga. Leer mij deze heilzame kunst kennen en in navolging van uwen Zoon, in uitoefening brengen ; opdat ik alzoo waardig worde aan uwe groote geheimen deel te hebben, en, van alle afleiding ontheven, in de volkomenste vereeniging met U mijne hoogste zaligheid vinde.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat wij ons in al het onze moeten opofferen en voor allen bidden.

1. De Geloovige. Heer! alles, wat in dea hemel is en op de aarde is het uwe.

Ik verlang mijzelven aan U tot een vrijwillig offer op te dragen en eeuwig de uwe te blijven.

Heer I heden offer ik U mijzelven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, U te gehoorzamen en een offer van eeuwigdurenden lof te worden.

Neem mjj aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar Lichaam, hetwelk ik U heden

427

-ocr page 432-

428 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

k

in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag, opdat het mij en al den volke tot heil strekke.

2. Ook leg ik, o Heer! al mijne zonden en overtredingen, die ik voor ü en voor uwe heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik het eerst heb kannen zondigen tot nu toe, op uw zoenaltaar neder; opdat Gij die alle in het vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwisschen, mijn geweten van alle misdrijf reinigen, mij uwe, door de zonden verbeurde, genade teruggeven, door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus van vrede barmhartig op te nemen.

8. Wat anders kan ik voor mijne zonden doen , dan ze nederig belijden, beweenen en onophoudelijk uwe barmhartigheid inroepen ?

Ik smeek U dan, verhoor mij genadig nu ik voor U sta, o mijn God!

Al mijne zonden mishagen mij zeer. Nimmer wil ik ze weder begaan. Ik betreur ze en zal ze betreuren zoolang ik leef, bereid om boete te doen en voldoening te geven naar mijn vermogen.

Vergeef mij, o God! vergeef mij mijne zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij met uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.

Zie, ik vertrouw mij aan uwe barmhartigheid en geef mij over in uwe handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en ongerechtigheid.

4. OoK offer ik U op alles wat ik goeds heb, ofschoon het zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij het moogt verbeteren en heiligen , het met welgevallen aannemen en U behaaglijk maken; opdat G|j het steeds tot een hoogere vol-

-ocr page 433-

TIERDE BOEK.

maaktheid en mij uw tragen , onnutten , nieti-gen menseh tot een gelukkig en loffeljjk einde brengen moogt.

5. Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wenschen der godvruchtigen ; de noodwendigheden van mijne ouders en vrienden , broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook van hen die mij of anderen uit liefde voor U eenig goed gedaan hebben; desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzocht hebben dat ik gebeden en de H. Mis zoude opdragen voor hen ot de hunnen , hetzij dat ze nog leven of reeds gestorven zijn.

Ik bidde dat zij allen door deze heilige Offerande mogen ondervinden de hulp uwer genade, den steun uwer vertroosting, de bescherming in de gevaren en de bevrijding van hunne straffen, opdat zij, aan alle onheil onttrokken, U blijmoedig den ruimsten dank toebrengen.

fi. Nog draag ik U gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen, die mij in menig opzicht beleedigd , bedroefd, gesmaad, of mij eenige schade of moeielijkheid toegebracht hebben; alsmede voor allen, die ik somtijds bedroefd, ontrust, bezwaard of geërgerd heb, door woorden of daden, wetende of onwetende, opdat Gij ons allen gezamenlijk onze zonden eu we-derzijdsche beleedigingen moogt vergeven.

Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan, verbittering, toorn, twist, en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheid verminderen.

Ontferm U , o Heer! ontferm U over allen die uwe ontferming afsmeeken; schenk genade aan allen die ze behoeven, en doe ons zoodanig

429

-ocr page 434-

430 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

worden, dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.

OEFENING.

Vermoeid van de slavernij onzer driften, en afgemat van de vruchteloosheid onzer verlangens, waardoor wij aan God beloven wat wij niet volbrengen , en waardoor wij aan Hem verlangen toe te behooren, zonder na te laten aan ons, aan de wereld en aan de ijdelheden verkleefd te blijven , laat ons dan eindelijk een vast voornemen maken, ons aan God over te geven, na Hem ontvangen te hebben, en ons voor altijd aan zijne liefde vast te hechten. Het is tijd, o mijn Zaligmaker 1 dat mijn hart, hetwelk Gjj geschapen hebt om U te beminnen, en door uw dierbaar bloed is vrijgekocht, voor altijd ophoude aan zichzelven toe te behooren en zich geheel aan U door een onherroepelijk geschenk overgeve. Ik beloof hier aan uwe voeten, dat het mijn wil is dat dit alzoo geschiede. Dit hart heeft U ontvangen, o mijn Jesus, en Gij wilt er het nieuwe leven in voltrekken, wat Gij op het altaar hebt aangenomen, om er een slachtoffer uwer liefde van te maken. Offer dan aan uwen Vader uw heilig en mijn misdadig leven, en gedoog niet dat ik ooit dit hart terug-neme , hetwelk zich heden aan U overgeeft.

GEBED.

Ja mijn God ! alles wat ik goeds aan mij heb, is het uwe. Alles moet dus ook , door vrije onderwerping des harten, het uwe zijn. Neem mij als een behaaglijk offer aan. Ik wijd mij geheel aan U toe. Heersch over mijn hart en reinig het van

-ocr page 435-

vierde boek.

alles wat ü mishaagt. Tegeljjk diaag ik Ü de belangen van de mijnen, ja van alle menschen op. Vader der menschen! zie genadig op hen neder , ontferm U over allen en breng allen tot het eeuwige leven.

TIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten.

1. De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goed- en reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden, en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.

De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigst geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijze en bij alle gelegenheid , zooveel hij kan, de geloovigen en godvruchtigen af te trekken en te verhinderen.

3. Sommigen inderdaad, als zij zich tot de heilige Communie trachten voor te bereiden, ontwaren dan de ergste ingevingen des Satans.

Want die kwade geest komt, gelijk er in het boek Job geschreven staat, midden onder de kinderen Gods, opdat hij ze door zijne gewone arglistigheid in verwarring brenge, of te zeer bevreesd en verlegen make, om alzoo huune liefde te verminderen, of door zijne aanvallen hur het geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie geheel mogen achterlaten , of met lauwheid naderen.

Maar men moet zich aan zijne listen en voor-

43i

-ocr page 436-

432 DE NAVOLGING VAN JBSÜS CHKISTUS.

stellingen , hoe schandelijk en afgrijslijk ook , hoegenaamd niet storen, maar hem al die inge-Tingen in het aangezicht terugwerpen.

Verachten moet men den ellendeling en bespotten, en om zijne aanvallen en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geen-zins nalaten.

3. Dikwijls ook wordt men verhinderd door eene te groote bezorgdheid om godsvrucht te hebben , en door eenen zekeren angst omtrent de voorafgaande biecht.

Handel volgens den raad van verstandige men-schen en leg uw angst en bezwaren af ; want deze verhinderen de genade Gods en verstoren de godsvrucht des gemoeds.

Wil niet om eene kleine entrusting of bezwaar de heilige Communie achterlaten, maar ga des te eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hunne beleedigingen.

Of hebt gjjzelf iemand beleedigd, vraag hem nederig om vergeving, en God zal u gaarne vergeven.

4. Welk nut doet het met biechten lang te wachten of de heilige Communie uit te stellen.

Reinig u ten eerste, werp spoedig het vergift uit en haast u de artsenij in te nemen : gij zult n daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen !

Indien gij het heden om deze reden uitstelt, morgen zal er zich wellicht iets gewichtigers opdoen, en zoo kondet gij lang van de Communie afgehouden en te ongeschikter worden.

Ontdoe u, zoodra gij kunt, van de tegenwoordige bezwaren en loomheid : want het baat niets lang in angst en ongemstheid voort te

-ocr page 437-

VIERDE BOEK.

leven, en zich door dagelijksche beletsels van de goddelijke geheimen te laten afhouden.

Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen, want doorgaans brengt het groote lauwheid teweeg.

5. Helaas! sommige lauwen en ongebondeneti stellen gaarne het biechten uit en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zichzelven te houden.

Ach! hoe weinige liefde en zwakte godsvracht hebben zij, die de heilige Communie zoo licht verschuiven !

Hoe gelukkig en Gode behaaglijk is hij, die zoo leeft en zijn geweten zoo rein bewaart , dat hij bereid en wel genegen zoude zijn om zelfs eiken dag te comrauniceeren , wierd hem dat veroorloofd en konde hij het zonder opspraak doen.

Indien iemand somtijds uit ootmoed of om eenig beletsel terughlijft, hjj is om zijnen eerbied te prijzen.

Maar loopt daaronder lauwheid , hij moet zichzelven opwekken en doen wat hij kan; 3n God zal zijn verlangen te gemoct komen om zijnen goeden wil, waarop Hij inzonderheid ziet.

6. Wordt iemand wettig verhinderd , dat hij dan een goeden wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communiceeren; en dus zal hy van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.

Want ieder godvruchtige kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, in deu geest , tot den Maaltijd van Christus naderen.

Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde, het Lichaam zijns Verlossers wei--•;------ , 28

433

-ocr page 438-

434 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS,

kelijk met hartelijken eerbied ontvangeu, en meer Gods lof eu eer beoogen dan zijn eigen troost zoeken.

Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar verkwikt, zoo dikwijls men het geheim van de menschwording eu het lijden van Christus godvruchtig overweegt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.

7. Wie zich anders niet voorbereidt dan bjj het naderen van een feest of door gewoonte gedwongen , zal dikwijls onbereid zijn.

Gelukkig hij, die zich den Heere ten brandoffer opdraagt, zoo dikwijls hij de H. Mis leest of communiceert t

Wees gij intusschen, bij het Mislezen, noch te langzaam noch te overhaastig: maar volg het gewone goede gebruik dergenen , onder welke gij leeft.

Gij moet anderen geen last noch verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen, eu meer het nut van anderen dan uwe eigen godsvrucht of genegenheid beoogen.

OEFENING.

1. Het vurige verlangen, hetwelk Jesus Christus toont om in onze harten te komen, er bezit van te nemen en ais God in te heerschen, moet ons overtuigen, dat men hem een groot genoegen verschaft, als men zich dikwijls waardig maakt om de heilige Communie te ontvangen. Door eenen oogenschijnlijken eerbied en uit traagheid zich van de heilige Tafel verwijderen, gelijk zoo vele Christenen doen, is Jesus Christus van de voldoening berooven, welke Hij neemt.

-ocr page 439-

VIERDE BOEK.

van in ons te verblijven, gelijk Hij ons betuigt door deze woorden : mijn vermaak is, te zijn met de kinderen der menschen. Het is, zich stellen tegen de inzichten zijner wijsheid, het is de keten verbreken van onze voorbeschikking, omdat men zich berooft van een der krachtigste middelen om onze zaligheid te verzekeren , welke is in ecne goede en dikwijls herhaalde Communie; (immers men mag nooit deze twee zaken van elkander scheiden ), en het is zich blootstellen aan het verlies van de beslissende genaden der eeuwigheid, als men door zijne schuld de heilige Communie verzuimt.

2. Nu, de wezenlijkste gesteltenissen voor eene goede en dikwijls herhaalde Communie zijn : 1. tot de heilige Tafel te naderen , zonder den wil van te zondigen; 2. na de biecht een vast voornemen gemaakt hebben om zich van zijne gebreken te beteren en een oprecht christelijk leven te leiden ; 3. te hopen, dat de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in onze zielen , en de kracht zijner genade in ons dit dubbel voornemen zal behouden; derhalve moeten de zondaars, die uit gewoonte de zonde bedrijven en ter oorzake hunner onwaardigheid slechts zeldzaam tot de heilige Tafel naderen , hunne slechte gewoonten verzaken , en zich in staat stellen om waardig te communiceeren. De wereldsche zielen, die, om niet dikwijls het Lichaam des Heeren te ontvangen, tot verontschuldiging hunne verkleefdheid aan de wereld voorgeven , zijn verplicht de ijdelheden, de tooneelen en aangek)eefd-heid aan het wereldsche te verlaten, om zich te bereiden waardig en dikwijls te communiceeren ; en de godvruchtige personen, die vreezen dik-

435

-ocr page 440-

436 de navolging van jesds christus.

wijls slecht de Communie te ontvangen, moetea zich, uit eene verkeerde ootmoedigheid, niet van de heilige Tafel verwijderen , maar zich vernederen en ter communie gaan , zoo als het de Schrijver van het boek der Navolging zegt.

o e b 3 d.

Heer! het i? waar, ik kan mij tot uwe heilige Tafel niet genoeg voorbereiden. Maar zal dit mij van U verwijderd houden ? Neen, ik moet tot de bron der heiligheid en genade mijne toevlucht nemen. Immers het zijn de kranken, die de hulp van den arts behoeven. Ik wil tot U dar. dikwijls naderen, omdat ik uwen bijstand zoozeer noodig heb. Mocht ik die gunst meer en meer waardig worden en daarin een versterkend middel voor mijne zwakheid vinden !

ELFDE HOOFDSTUK.

Lat het lichaam van Christus en de heilige SchriJ\'t voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn.

1. De Geloovige. o Beminnelijkste Heere Jesus ! hoe groot is het genoegen van eene godvruchtige ziel, die met U eet aan uwen disch, waar haar geen andere spijs te eten wordt voorgesteld dan Gij , haar eenig Beminde , wensche-lijk boven al de verlangens haars harten 1

Ook mij zoude het genoeglijk zijn in uwe tegenwoordigheid uit het diepst mijns harten tranen te storten, en met de godvruchtige Mag-dalétrn uwe voeten met tranen te besproeien.

Doch waar is die godsvrucht? waar die overvloed van heilige tranen ?

Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aan-

-ocr page 441-

VIEllDE BOEK.

schijn en dat uwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen.

Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.

2. Want TJ in uwe eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mjjne oogen niet kunnen uithouden, ja de geheele wereld zoude tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet bestand zijn.

Hierin derhalve voegt Gij U naar mijne zwakheid , dat Gij U in het Sacrament verbergt.

Ik bezit in waarheid en aanbid Hem, dieu de Engelen in den hemel aanbidden; maar ik in-tusschen nog door het geloot\', en zij van aanschijn en zonder sluier.

Ik moet mij met het licht des waren geloofs vergenoegen en daarin wandelen, totdat de dag der eeuwige klaarheid aaubreke en de schaduwen der beeldnissen verdwijnen.

Maar is datgene gekomen, dat volmaakt is, dan zal het gebruik der Sacramenten ophouden : want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer het geneesmiddel der Sacramenten.

Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods, daar zij zijne heerlijkheid van aanschijn tot aanschijn aanschouwen. En, van klaarheid tot klaarheid der oneindige Godheid overgaande, smaken zij het vleeschge-worden Woord van God, gelijk het waa van den beginne en in eeuwigheid blijft.

3. Als ik deze wonderen overdenk, dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost een groot verdriet : want zoolang ik mijneu Heer in zijne

437

-ocr page 442-

438 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik alles, wat ik op aarde zie of hoore, als niets.

Gij ïgt mijn getuige, o God! dat niets mij vertroosten, noch eenig schepsel mij bevredigen kan ; tenzij Gij, mjjn God, dien ik eeuwig wensch te aanschouwen.

Maar dit is niet mogelijk, zoolang dit sterfelijk leven duurt.

Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al m^n verlangens aan ü onderwerpen.

l\\ant ook uwe Heiligen, o Heer! die nu reeds in het hemelrijk zich met U verblijden, hebben gedurende hun leven de toekomst uwer heerlijkheid met gelooi en groot geduld verbeid.

Wat zij geloofd hebben, geloof ik ook ; wat zij gehoopt hebben , hoop ik ook ; waar zij aangeland zijn, vertrouw ook ik door uwe genade te zullen komen.

Intusschen zal ik, door het voorbeeld der Heiligen versterkt, in het geloof voortwandelen.

Ook zal ik de heilige boeken tot troost en levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst Lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.

4. Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven, zonder welke dit ellendige leven mij ondraaglijk zou wezen.

In den kerker dezes lichaams opgesloten, beken ik twee zaken nondig te hebben , voedsel namelijk en licht.

Derhalve hebt Gfl mij, zwakke, uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam, en mij uw woord tot eene fakkel voor mijne voeten gesteld.

-ocr page 443-

VIERDE BOEK.

Zonder deze beide dingen zoude ik nietwèl kunnen leven : want het woord van God is het licht mijner ziel, en uw Sacrament het brood des levens.

5. Ook kunnen deze genoemd worden twee tafels in de schatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.

De eene tafel is die des heiligen altaars, waarop het heilige brood, dat is liet kostbare Lichaam van Christus rust.

De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer, die ons in het waar geloof onderricht, en met vasten tred tot binnen het voorhangsel, waar het Heilig der heiligen is, henenleidt.

6. Dank zij U, Heere Jesus ! Licht van het eeuwige Licht! voor de tafel der heilige, leer, welke Gij ons door uwe dienaren de Profeten , de Apostelen en andere leeraren hebt aangericht!

Dank zij U, Schepper en Verlosser der men-schen \' die om der gansche wereld uwe liefde te bewijzen, een groot Avondmaal hebt aangelegd, waar Gjj ons geen zinnebeeldig Faaschlam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt, verblijdende door dat heilige gastmaal al uwe geloovigen, en hen verkwikkende door den beker des heils, welke al de genoegens van het Paradijs bevat; terwijl ook de heilige Engelen met ons gastmaal houden, ofschoon met zaliger genoegen.

7. O, hoe groot en waardig is het ambt der Priesters, wien het gegeven is den Heer der heerlijkheid door de heilige woorden te consa-creeren , met hunne lippen te zegenen, in hunne handen te houden, met hunnen mond te nemen en aan anderen toe te reiken !

O, hoe rein moeten die handen, hoe rein de

439

-ocr page 444-

440 DE NAVOLGING VAN J£SÜS CHRISTÜS.

mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart eens Priesters zijn, bij wien zoo dikwijls de bron van reinheid haren intrek neemt.

Uit den mond eens Priesters mag geen woord voortkomen dat niet heilig, niet eerbaar en nuttig is , daar hij zoo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt.

Zijne oogen moeten eenvoudig en kuisch zgn, welke het Lichaam van Christus gedurig aanschouwen.

Zijne handen moeten zuiver en ten hemel geheven zijn, welke zoo dikwijls den Schepper van hemel en aarde aanraken.

Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd : Weed heilig; want Ik de Heere uw God hen heilig. ( Lev. 19.)

8. Dat dan uwe genade ons helpe, almachtige God ! opdat wij die het Priesterambt op ons genomen hebben, U waardig en godvruchtig, met alle reinheid en een goed geweten mogen dienen.

En kunnen wij ons leven in zoo eene onschuld niet doorbrengen als wij moeten, geef ons ten minste dat wij de misdrijven , die wij hebben begaan, behoorlijk beweeneu en ü voortaan in den geest van ootmoed, alsmede met het voornemen om het goede ijveriger te willen dienen.

OEFENING.

Over hst lezen der heilige boeken, hetwelk moet dienen

om ons tot de heilige Communie te bereiden en er de vrucht van te behouden.

God gaf eertijds in de woestijn aan de Israëliten eene vurige en heldere wolkkolom, om hen te verlichten, en het manna, om hen gedurende

-ocr page 445-

VIERDE BOEK.

de reis naar het land van belofte te spijzen. Al-zoo heeft onze Heer aan de Christenen de heilige boeken gegeven, om hen te verlichten , en hec aanbiddelijke Lichaam en Bloed, om hen in hunnen doortocht tot den hemel te versterken. Zij moeten die beide menigtverf gebruiken om er toe te geraken : de lezing der heilige boeken om niet ie dwalen, en het allerheiligste Sacrament des Altaars, ter versterking op den engen weg die tot het Paradijs geleidt.

Het is hierom zeer nuttig, \'s avonds vóór dat men ter Communie gaat en op den dag dat men tot de heilige Tafel is genaderd, een godvruchtig boek te lezen, dat van het allerheiligste Sacrament des Altaars handelt, om in zijne ziel diea geest van vurigheid, getrouwheid en liefde tot God te onderhouden , alsook dat heilige vuur, hetwelk Jesus Christus er is komen of zal komen ontsteken. Men kan het gesprek lezen, dat Jesus Christus met zijne Apostelen, na de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars hield; maar men moet de heilige boeken lezen in den geest met welken de heilige Geest ze geschreven heeft : met geloof, met eerbied en met die onderwerping welke zij waardig zijn , en ook degenen inboezemen, welke ze dikwijls lezen. Men moet ze lezen met die aandacht, welke men aan de tegenwoordigheid Gods verschuldigd is, met een vurig verlangen om er nut uit te trekken en er sich mede te voeden, en met eene toevlucht vol vertrouwen in den heiligen Geest, die ze heeft voorgeschreven.

GEBED.

Hoe goed zijt Gij , o Jesus ! hoe liefderijk is

441

-ocr page 446-

442 de navolging van jesüs chbistüs.

uwe zorg voor mij! Gij schenkt mfl licht eu voedsel. Uw woord is mijn licht, uw Lichaam mijn voedsel. Hartelijk dank voor deze groote weldaden. Dat zij mij niet tevergeefs geschonken zijn! Dus voorgelicht en versterkt, wandel ik rustig voort, totdat ik kome waar geloof in aau-fchouwen en hoop in genot overgaat.

TWAALPDE HOOFDSTUK.

Bat degene die communiceereu wil, zich met groote vlijt moet voorbereiden.

De Heer. Ik ben de minnaar der zuiverheid en de gever van alle heiligheid.

Ik zoek een rein hart : daar is de plaats mijner ruste.

Bereid mij eene groote versierde eetzaal, en Ik zal met mijne leerlingen bij u het paaschmaal houden. (Mare. 14. Luc. 32)

Wilt gij dat Ik tot u kome en bjj u blijve ? zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws harten.

Sluit de geheele wereld en het gewoel der ondeugden buiten.

Zit als eene eenzame musch op het dak en overdenk in de bitterheid uwer ziele uwe overtredingen.

Want al wie liefheeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats -. daaraan toch wordt de genegenheid van hem, die zijn vriend ontvangt, gekend.

2. Weet nochtans dat gjj door de verdienste uwer werken niet aan deze voorbereiding voldoen kimt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.

-ocr page 447-

VIERDE BOEK.

Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mjjne Tafel te naderen; evenals wierd een bedelaar aan de tafel eens rijken geuoodigd , en hij niets anders had om diens weldaden te vergelden : dan ootmoedige dankzegging.

Doe wat gij kunt, en doe het vlijtig. Ontvang, niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en liefde het Lichaam van uwen geliefden He ere God , die zich verwaardigt tot u te komen.

Ik ben het die genondigd heb; Ik heb bevolen dat het geschieden zoude; Ik zal aanvullen wat u ontbreekt; kom en ontvang m\\j.

3. Wanneer Ik u de genade der godsvrucht schenk, dank dan uwen God : niet omdat gij ze waardig zijt, maar omdat ik Mij overU ontfermd heb.

Hebt g^j die niet, maar gevoelt gij u veeleer dor, volhard in het gebed , zucht en klop, en laat niet af totdat g\\j verdient een kruimeltje of druppeltje der heilrijke genade tc ontvangen.

Gij hebt Mjj noodig, Ik heb u niet noodig. Ook komt gij niet om Mij te heiligen, maar Ik kom om u te heiligen en te verbeteren.

Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en om opnieuw ontstoken te worden ter verbetering.

Wil deze genade niet verzuimen, maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen Geliefde bij u binnen. r

4. Overigens moet gij u niet slechts voor de Communie tot godsvrucht voorbereiden, maar

443

-ocr page 448-

444 DE NAVOLGING VAN JESTJS CHRISTUS.

die ook zorgvuldig bewaren na \'t ontvangen vau het Sacrament

En geene mindere behoedzaamheid wordt daarna vereischt, dan te voren godvruchtige voorbereiding.

Want eene goede behoedzaamheid daarna is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.

Daardoor toch wordt iemand zeer ongeschikt, ais hij zich aanstonds te veel aan uitwendige verkwikkingen overgeeft.

Vermijd het veelvuldig gepraat; blijf afgezonderd en geniet uwen God; want Hem bezit gij, dien de geheele wereld u niet kan ontnemen.

]k ben het aan wien gij u geheel moet overgeven, zoodat gij voortaan niet meer in uzelven , maar in Mij zonder de minste bezorgdheid voortleeft.

OEFENING.

Op welke wijze men het Lichaam en Bloed van Jesus Christus moet nuttigen.

Gelijk het allerheiligste Sacrament des Altaars een Sacrament is dat ons den hemel op aarde en God-zelven in ons doet vinden, en dit het groote wonderteeken van de liefde Gods jegens de stervelingen is, zoo ook moet men, om er voordeel uit te trekken, daartoe naderen met een levend geloof, met eene vaste hoop en met eene vurige liefde voor Jesus Christus. Maar tevens moet men hopen, dat Hij in ons zal aanvullen het gebrek van het gevoel dezer drie deugden, met ze in ons te drukken als wij dikwijls tot de heilige Communie zullen gaan, en als wjj zullen doen wat mogeljjk is om er waardig

-ocr page 449-

VIERDE BOEK.

toe te naderen. Derhalve, zij die zich van de heilige Comnmnie verwijderen, omdat zij niet den heiligen indruk der deugden , noch de vurigheid tot Jesus Christus voelen, moeten hierom de Communie niet nalaten, welke hun nocdig is, om hen op te wekken ten einde de christelijke deugden en de plichten van hunnen staat uit te oefenen ; maar zij moeten Jesus Christus ontvangen, omdat zij Hem gedurig noodig hebben.

De heilige Martelaren der eerste Kerk waren gewoon, vooraleer zij voor hunne rechters verschenen om de geloofswaarheden voor hen te verdedigen , eerst het Lichaam des Heeren te ontvangen ; volgens den heiligen Cypriamis vermeenden zij onder dit niet in staat te zijn of de sterkte niet te hebben om den marteldood te onderstaan. Zoo ook moeten de Christenen, om hunne hartstochten te bestrijden en aan de bekoringen des duivels te wederstaan, zich beklee-den en zich als voeden met de kracht van het Lichaam en Bloed van Jtsus Christus, zonder welke zij in gevaar zijn te bezwijken en zich in hun verderf te storten.

GEBED.

Ik weet het, mijn Heiland ! dat er eece grocte voorbereiding gevorderd wordt om van uwe gunsten gebruik te maken. Dan ik weet ook hoe weinig ik daartoe uit mijzelven vermag. Daar Gij dan zoo liefderijk in mijiie behoeiten voorziet , zoo wil ik ook al het gebrekkige bg mij aanvullen. Geef mij de genade der godsvrucht. Dat ik die zorgvuldig beware, daarmede getrouw arbeide en aldus waardig worde U en met U de heilrijkste, zegeningen te ontvangen.

445

-ocr page 450-

446 de navolging van jesus christus.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Dat eene godvruchtige ziel van gansciter harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament.

1. De Gbloovige. Wie, o Heer! geeft mij dat ik U alleen vinde, dat ik U mjjn geheel hart opene en U geniete zooals mijne ziel begeert, zoodat niemand mjj verachte, noch eenig schepsel mij bewege of op mij acht geve, maar Gij alleen tot mij spreket en ik tot ü, gelijk eea geliefde gewoon is tot den geliefde te spreken, en de vriend met den vriend te ver-keeren.

Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met U vereenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en dat ik door de heilige Communie en het menigvuldig Mislezen meer en meer leere het hemelsche en eeuwige te smaken.

Ach, Heere God! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en in U verslonden zijn en mijzei-ven geheel vergeten ?

Gij in mij, en ik in ü! vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven!

Gij zijt waarlijk mijn geliefde, uit duizenden uitverkoren, (Cant. 5) bij wien mijne ziel verlangt te wonen al de dagen haars levens.

Waarlijk Gij zijt mijn bevrediger, in wien de hoogste vrede en ware rust, buiten wien niets dan last, droefheid en eindelooze ellende gevonden wordt.

Waarlijk Gij zijt een verborgen God. (Is. 45.) Uw raad is niet met de goddeloozen: uw onder-

-ocr page 451-

VIERDE BOEK.

houd is met de ootmoedigen en eenvoudigen.

O, hoe liefelijk , o Heer! is uw geest, die om uweu kinderen uwe teederheid te toonen, U verwaardigt hen te verkwikken met het smakelijkste brood, van den hemel nedergedaald.

Waarlijk, ei- is geen ander volk, hoe groot ook, hetwelk Goden heeft, hun zoo nabij, gelijk Gij, onze God! nabij zijt (Deut. 4) allen uwe geloo-vigen, aan welke Gij, om hen dagelijks te troosten en hun hart hemelwaarts le heffen, üzelven te eten en te genieten geeft.

3. Want welk ander volk is zoo geacht als dat der Christenen? Of welk schepsel onder de zon is zoo geliefd als eeue godvruchtige ziel, tot welke God zijnen intrek neemt om haar met zijn heerlijk Vleesch te voeden ?

o Onuitsprekelijke genade ! o wonderlijke goedheid! o onbegrensde liefde den mensch alleen betoond!

Maar wat zal ik den Heer voor die genade, en voor eene zoo uitnemende liefde wedergeven ?

Niets aangenamers kan ik geven , dan dat ik aan mijn God mijn hart geheel schenke en met Hem op het nauwste vereenige.

Dan ook zal geheel mijn binnenste juichen, als mijne ziel volkomen met God zal vereenigd zijn.

Dan zal Hij tot mij zeggen ; wilt gij met Mij zijn. Ik wil met u zijn , quot; en ik zal Hem antwoorden : „ Verwaardig U , o Heer, bij mij te blijven : ik wil gaarne bij U zijn. Dit is al mijn verlangen, dat mijn hart met ü vereeniïd

zij.quot;

447

-ocr page 452-

448 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRT3TU3.

OEFENING.

Over de inzichten van Jesus Christus in het verblijven op onze altaren, en over de godvruchtige gevoelens waarmede wi] in de Mis en in het Lof of hij andere Bezoeken moeten tegenwoordig zijn.

1. De Zoon Gods wil op onze altaren verblijven buiten den tijd van het heilig Misoffer en van de heilige Communie : 1. om aldaar onze gebeden te aanhooren en ze te verhoeren, en om het ambt van middelaar tusschen God en demeuschen voort te zetten, hetwelk Hij op het kruis hectt uitgeoefend ; 2. om onze bezoeken, onze eerbewijzin-gen en aanbiddingen te ontvangen ; de Christenen, die Hem zeldzaam, koel, uit gewoonte en als onverschillig bezoeken, zijn dus zeer te berispen, als zij voor hunnen God, hunnen Zaligmaker en hunnen Rechter verschijnen, zonder Hem te eerbiedigen, te vreezen en te beminnen; 3. om ons in onze verdrukkingen te troosten en in onze kwellingen te helpen, en onzen twijfel te belissen en weg te nemen, volgens hetgene er geschreven staat.- laat ons tot den Zoon van Jozef gaan, en Hij zal ons vertroosten, eu volgens hetwelk een Profeet zeide aan eenen vorst, die iemand gezonden had om eenen val-schen God te rade te gaan : Is er dan geen God in Israel 2 4. om ons tot spijs te dienen gedurende het leven, en tot reisgeld in den dood.

2. Een Christen, die met vlijt, eerbied en erkentenis in het allerheiligste Sacrament zyneu koning, zijnen God, en zijnen Zaligmaker aanbidt; die nooit, als het hem mogelijk was, het heilige Misoffer heeft verzuimd, maar in de Mis en in het Lof getracht heeft met eenen geest van godsvrucht tegenwoordig te wezen , en die altijd ge-

-ocr page 453-

VIERDE BOEK.

troffen, bekeerd en beter daaruit is wedergekeerd : zulk een Christen, zeg ik, die getrouw is aan zijne godvruchtige plichten jegens Jesus Christus, welke voor hem op onze altaren geslachtofferd wordt, moet zijne hoop in de goedheid en barmhartigheid van dien God stellen, in zijn leven en in bet uur van zijnen dood. Integendeel, zal de Zoon Gods eens geene reden hebben aan vele Christenen, die verwaarloozen Hem in het allerheiligste Sacrament te bezoeken of dit met zoo weinige godsvrucht doen , hunne oneerbiedigheden en weinig geloof te verwijten en tot hun te zeggen : reed-i zoo lang ben Ik met u, en gij hebt Mii niet gekend; gij verzuimt te kennen en eenen God te bezoeken, die in het midden van u is. Het is te vergeefs dat Ik in het alleiheiligste Sacrament des Altaars wonderen van almacht, wijsheiden goedheid uitwerk, om uwe harten te winnen : Ik heb u nog niet kunnen bewegen om uwe huiselijke zaken en uwe vermaken te verlaten, om Mij uwe eerbewijzing te komen betoonen.

Om dan te beantwoorden aan de inzichten, welke Jesus Christus jegens ons heeft in het allerheiligste Sacrament, moet men Hem bezoeken, in de Mis tegenwoordig zijn en het Lof bijwonen, en dit verrichten met de onderwerping en den eerbied van eenen hoveling voor zijnen koning, met de ingetogenheid en vurigheid der Engelen voor hunnen God in het Allerheiligste rustende, met de ootmoedige vrees van eenen misdadige voor zijnen rechter, met het vertrouwen op de liefde van een kind voor zgnen vader.

GEBED.

Dierbare Jesus! hoe meer ik uwe liefde in het

29

•14-9

-ocr page 454-

4S0 de navolging van jbsus christus.

heilig Sacrament overweeg, boe meer ik die bewonder en hoe meer ik naar U verlang. Wat zal ik U voor zoo eene overmaat van liefde wedergeven? Ik kan ü niets aangenamers schenken, dan mijn hart, om het alleen te bezitten en daarin alleen te heerschen. Welaan! hetzij, het blijve U geschonken! Wees Gij bij mij : Ik wil gaarne bij U zijn. Vereenig mij met U door den band eener allesovertreffende liefde.

VEEKTIENDE HOOFDSTUK.

Over het vurig verlangen van sommige god-vruchtigen naar het lichaam van Christus.

De Geloovige. Hoe veelvuldig, o Heer, is het goed dat Gij weggelegd hebt voor die U vreezen. (Ps. 30.)

Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige god-vruchtigen met de grootste godsvrucht en liefde tot uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mijzelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilige Communie toetrede; dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.

Ik word verlegen dat ik voor U, mijn God ! niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruchtigen waren, die wegens hun overgroot verlangen naar de Communie en hevige liefde des harten zich van tranen niet konden bedwingen; maar tegelijk met den mond des harten en des lichaams , naar U, o Gnd! de levensbron, innig haakten, hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen , dan nadat zij uw Lichaam met de

-ocr page 455-

VIERDE BOEK.

hoogste verrukking en \'t vurigst zielsverlangen ontvangen hadden.

2. O, hun waarlijk brandend geloof strekt tot een overtuigend bewijs van uwe heilige tegenwoordigheid !

Want zij erkennen waarljjk hunnen Heer bij het breken des broods, wier hart zoozeer in hen brandt, als Jesus met hen wandelt.

Maar, ach! dikwijls zijn zulke aandoeningen en tulke godsvrucht, zulke sterke liefde en gloed verre van mij!

Wees mij genadig, goede, beminnelijke en goedertieren Jesus! • en vergun aan uwen armen bedelaar bij de heilige Communie ten minste somtijds een weinig van dien liefdegloed jegens U in zjjn hart te ontwaren, opdat mjjn geloof meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde, eens wél ontstoken en met dit hemelsch manna gevoed, nimmer bezwijke.

3. Uwe barmhartigheid immers is machtig om mij ook deze gewenschte genade te bewijzen , en mij, wanneer de dag uws welbehagens zal gekomen zijn, met den geest van vurigheid aller-genadigst te bezoeken.

Want al brand ik niet van zulk een verlangen als uwe zoo bijzonder godvruchtigeii, verlang ik echter door uwe genade zulk een brandend verlangen te hebben, wenschende en smeeken-de dat ik van al deze uwe ijverige beminnaar» deelgenoot en onder hun heilig gezelschap me-degerekend worde.

461

-ocr page 456-

463 DE NAVOLGING VAN JSSÜ3 CHRISTUS.

OEFENING Om waardig de Geestelijke Communie te doen.

De geestelijke Ootnniunie, welke de heilige Kerkvergadering van Trente goedkeurt; aanraadt en den Christen ea aanbeveelt als eene vanging van het sacramenteele en lichamelijke ontvangen van Jesns Christus, kan ten allen tijde en op alle plaatsen geschieden, hetzij men zich in de tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament des Altaars bevindt of van dit geluk beroofd is. Men kan ze op ieder uur van den dag doen, of na een Wees gegroet, hetwelk men ter eere van de heilige Maagd en Moeder Gods zal lezen, in vereeniging met de heilige gesteltenissen, waarin zij was om Jesus Christus in haren kui-schen schoot te ontvangen. Men vormt in zijnen geest een eerbiedig aandenken aan onzen Heer in het allerheiligste Sacrament; men aanbidt Hem in hetzelve, en keert zijn hart tot Hem, gelijk Daniël het zijne tot den tempel keerde; men geeft zich geheel aan Hem over, met het vurige verlangen Hem in het heilige Sacrament te ontvangen; en vermits men dit niet kan doen of hiertoe niet gesteld is, verzoekt men Hem hierin te voorzien, door de mededeeling van zijnen geest, in plaats van die zijns lichaams.

Maar de geschiktste tijd om wel de geestelijke Communie te doen, is, als men in het heilige Misoffer tegenwoordig is, onder de. Communie des priesters; want een Christen, alsdan met een levendig en dadelijk geloof in de tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament bezield, alsook met een vurig verlangen OTt zich innig met Hem te vereenigen, toont het

-ocr page 457-

v1ekde boek.

eene en andere, met zicli nederig in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen; en terwijl hij zich onwaardig kent om Hem wezenlijk te ontvangen , bidt hij Hem , door het geloof in zijnen geest te komen en te blijven, en in zijn hart door de liefde en erkentenis zijner goedheid, en van zooveel in Hem te weeg te brengen , dat zijne ziel nist meer leve dan door en om God.

GEBED.

Ook ik, mijn God 1 word schaamrood, als ik overweeg hoe anderen tot uwe heilige Tafel naderen. Hoe levendig is hun geloof, hoe vurig hunne godsvrucht, hoe zuiver hunne liefde! Daarentegen hoe dor en ongevoelig blijit mijn hart! hoe traag en koud bij het deelnemen aan uwe heilige geheimen ! Wees mij genadig, Barmhartige ! dat de godsvrucht van anderen bij mij godsvrucht opwekke en mijn hart in liefde ontsteke.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Bat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.

1. De Heer. Gij moet de genade der godsvrucht ernstig zoeken, vurig afsmeeken, geduldig en met vertrouwen afwachten, dankbaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden, en aan God den tijd en de wijze van het hemelsche bezoek overlaten, totdat Hij komt. ,

Gij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig of geene godsvrucht gevoelt, maar er niet te neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.

453

-ocr page 458-

454 DE NAVOLGING VAN JfiSUS CHBISTÜ3.

Dikwijls schenkt God in een oogenblik wat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geeft Hjj op het einde des gebeds wat Hij in den beginne uitstelde te geven.

3. Wierd de genade altoos onverwijld geschonken en ware zij naar wensch steeds daar, de zwakke nieisch zoude zulks niet wèl dragen kunnen.

Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederige verduldigheid worden afgewacht; nochtans wijt het uzelven en uwe zonden, wanneer zij u niet gegeven of ook heimelijk onttrokken wordt.

Het is somtyds iets gerings, dat de genade hindert en verbergt, zoo men het gering en niet eerder groot moet noemen, hetgeen een zoo groote weldaad onthoudt.

Maar hebt gij dat geringe of groote uit dea weg geruimd en geheel overwonnen, dan zal uw wensch u geworden.

3. Want zoo ras gij u van ganscher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit of dat naar uwen eigen zin of lust begeert, maar u geheel aan Hem overlaat, zult gij u ver-eenigd en bevredigd vinden; want niets zal u zoo wèl smaken of behagen, als het welbehagen van den goddelijken wil.

Wie dus zijne bedoeling in eenvoudigheid dea harten omhoog tot God gericht en zich van alle ongeregelde liefde of misnoegen over eenig geschapen voorwerp zal ontdaan hebben , die zal het best geschikt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.

Want God zendt zijnen zegen daar, waar hij ledige vaten vindt.

-ocr page 459-

VIERDE BOEK.

Eu hoe volkomener iemand van het aardsche afziet, hoe meer hij door zelfversmadiug zich zeiven afsterft, des te schielijker komt de genade, des te overvloediger dringt zij door en des te hooger verheft zij het vrije hart.

4. Dan zal hij zien en overvloeien en verwonderd staan, zijn hart zal zich verwijden, omdat des Heeren hand met hem is, en hij zich geheel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.

Zie, zoo wordt de mensch gezegend die God van ganscher harte zoekt en zijne ziel niet zet op ijdelkeid. (Ps. 23)

Zulk een verdient bij het ontvangen van het heilige Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, omdat hij niet ziet op eigen godsvrucht of troost, maar boven alle godsvrucht en troost op Gods eer en verheerlijking.

OEFENING.

Hoe men zich moet bereiden om de eigene genade der heilige Communie te ontvangen en daaruit nut te trekken.

Het doeleinde des goddelyken Sacraments is, ons met Jesus Christus innig te vereenigen, en in onze zielen als eene zedelijke menschwording van zijnen geest en van zijne deugden te vormen, hetwelk de heilige Vaders dwingt dit aanbiddelijk Sacrament eene uitbreiding der menschwording te noemen ; het is, om in ons het rijk zjjner genade en zijner liefde te doen voortduren , en ons altijd te doen leven door een bovennatuurlijk en goddelijk leven in en door Jesus Christus. Dus is de genade, welke de heilige Communie in ons voortbrengt, overeenkomstig met het doeleinde van dit Sacrament, dat wil zeggen, volgens hetgene Jesus Christus in het Evangelie er van

455

-ocr page 460-

456 I)E NAVOLGING VAN JESUS CHIUSTOS.

zegt : 1. dat Hij ons in Hem doet blijven, door in onze zielen het karakter zijner deugden te vormen en in te prenten , zooals een zegel de trekken van zijne inëtsing op het was teekent; 2. dat Hij ons voor Hem en door Hem doet leven, dat is te zeggen, dat Hy ons alleen doet handelen om aan Hem te behagen en door den indruk zyner liefde; 3. dat Hij ons altijd doet leven door het leven der genade ; zoodat de genade, die Jesus Christus ons door de heilige Communie mededeelt, is van zich in ons te vestigen, van ons in alles door Hem en voor Hem te doen handelen en leven, en van ons eeuwig te doen leven. Men moet zich bereiden om de genade en de drie uitwerkselen eener goede Communie te bekomen : 1. met zich af te scheiden van allen wil tot zonde ; 2. met onophoudelijk aan zichzelven te verzaken en te sterven; 3. met zich altijd in de getrouwheid zijner genade en in het bezit zijner liefde te houden.

GEBED.

Dank, dierbare Jesus! voor dit onderricht. Nu weet ik hoe ik de gave der godsvrucht het best zal verkrijgen en behouden. Ik moet vlijtig bidden , geduldig aanhouden , vertrouwend afwachten en mijn hart, vry van alle bijoogmerken , op U alleen richten. Leer mij , bij het gemis uwer genade, tot deze middelen mijne toevlucht nemen. B.;\\vaar mij voor moedeloosheid; doe mij in het gebed volharden en bekroon mijne bede met uwen zegen.

-ocr page 461-

VIERDE BOfK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat wij onze hehoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade afsmeeken.

1. De Geloovige. o Allerzoetste en bemiQ-nelijkste Heer, dien ik nu wensuli godvruchtig ie ontvargen : Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood; Gij weet hoevele kwalen en gebreken ik onderworpen ben ; mijne menigvuldige zwarigheden , bekoringen, ontsteltenissen en zonden z^n U bekend.

Ik kom bij U om een hulpmiddel, ik smeek U om troost en verlichting.

Ik spreek tot den Alwetende, wien geheel mijn binnenst bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en helpen.

Gij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm aan deugden ik ben.

2. Zie, arm en naakt sta ik voor U, smee-kende om genade en barmhartigheid inroepende.

Verkwik uwen hongerigen bedelaar, ontvonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.

Doe mij al het aardsche in bitterheid, alle bezwaar en tegenheid in geduld , al het lage en geschapene in verachting en vergetelheid overgaan.

Hef mgn hart tot U hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.

Wees Gij alleen van nu af tot in eeuwigheid mijn vermaak : want Gij alleen zijt mfln spijs en drank , mijne liefde en vreugde, mijn genoegen en eenigst goed.

457

-ocr page 462-

458 DE NAVOLGING VAN JESÜ3 CHRISTUS.

3. Ach, mocht Gij mij door uwe tegenwoordigheid geheel ontgloeien , ontbranden en in U doen overgaan, zoodat ik een geest met ü wierd door de genade eener innerlijke vereeniging ea de samensmelting eener vurige liefde !

Duld niet dat ik hongerig en dorstig van U vertrekke; maar handel met mij barmhartiglijk, gelijk Gij dikwijls met uwe Heiligen wonderlijk gehandeld hebt.

Wat wonder dat ik door U geheel ontvlamme en in mijzelven vertere, daar Gij een vuur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat, een liefde welke het hart reinigt en het verstand verlicht.

OEFENING.

Van dit en het volgende Hoofdstuk.

De Heiland, na met zyne woorden onderwezen , met zijne voorbeelden geleerd en door zijne genaden de wezenlijke en noodzakelijke deugden ter zaligheid van eenen Christen verdiend te hebben , heeft het allerheiligste Sacrament des Altaars willen instellen, om ze zelf in onze harten te drukken. Onder deze christelijke deugden is eeue der eerste de ootmoedigheid, waarvan Jesus Christus ons een allerschoonst voorbeeld geeft in het allerheiligste Sacrament: want Hij blijft hierin verborgen , vernietigd en onbekend Gedurende zijn leven waren al de volmaaktheden zijner Godheid verborgen en als in zijne menscti-heid vernietigd, maar in het allerheiligste Sacrament is zijne menschheid zelve nog voor onze oogen bedekt, en niets vertoont er zich van eenen God-mensch, dan aan de oogen van ons geloof. Ziedaar wat wij op de wereld moeten

-ocr page 463-

VIEHDE BOEK.

wozeii, en waarin wij die ootmoedigheid en vernietiging van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament moeten navolgen : I. het verborgen en verworpen leven beminnen ; 2. den lof, de achting en de eer vluchten en versmaden, en de versmading gaarne ontvangen als eene zaak, die aan zondaars, als wij, verschuldigd is; 3. trachten wel te leven, zonder het te willen schjjnen, en onze werken doen, niet om van de menschen gezien en geacht te worden, maar alleen om aan God te behagen ; 4. overtuigd zijn dat de mensch God niet voortreffelijker kan eeren , dan met zich voor Hem te vernederen en te verootmoedigen; 5. wijken voor de oploopen-de menschen , om den vrede te behouden ; 6. nooit uit menschelijk opzicht voortgaan, maar door den indruk van eene eerbiedige vrees, die men voor God moet hebben ; 7. noch goed van zichzelven, noch kwaad van anderen zeggen.

3. De Zoon Gods geeft ons nog, in het allerheiligste Sacrament des Altaars , het voorbeeld eener volmaakte gehoorzaamheid en verduldigheid , die wederstaat aan al de beleedigingen welke Hij in hetzelve ontvangt, door eene nauwkeurige, volstandige en wonderdoende gehoorzaamheid aan den priester, met op het altaar tegenwoordig te komen, zoodra de woorden der Consecratie gesproken zijn, en er te verblijven tot dat de mensch verlangt Hem in zijn hart te ontvangen. O groote God, wiens kenteeken en aandeel de onafhankelijkheid en opperheerschappij zijn : welke schaamte voor ons, te zien, hoe groote God Gjj ook zijt, dat Gij zonder uitstel aan eenen mensch gehoorzaamt, terwijl de mensch weigert of uitstelt zijnen God te gehoorzamen.

459

-ocr page 464-

460 T)E NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

O mijn Zaligmaker! ik wil dan voortaan, om uwe volmaakte gehoorzaamheid in het allerheiligste Sacrament te eeren en na te volgen, spoedig , edelmoedig en volstandig aan alles gehoorzamen , wat Gij mij door uwe ingevingen, door mijne oversten en door mijne plichten zult gebieden.

3. Eindelijk, Jesus Christus leert en boezemt ons het geduld in, met hetzelve in het allerheiligste Sacrament des Altaars uit te oefenen, alwaar Hij het voorwerp is van de versmading en de onzedigheden der stervelingen, van de ver-getenheid der Christenen, van de onverschilligheid eener menigte harten, die weinig aan Hem, veel aan de wereld, en geheel aan zichzelven toebehooren; alwaar Hij zich blootgesteld ziet aan slechte of vruchtelooze communiën van zoo vele zielen, die een leven leiden, of wel gansch strafbaar door de gewoonte en gelegenheid der doodzonde, of geheel vruchteloos voor den hemel. Hij verdraagt nochtans deze beleedigingen met een onverwinnelijk geduld, en verdraagt ze alzoo, om ons te leeren en aan te moedigen, gelaten de tegenspraak en de beleedigingea te verdragen.

4. 6 Mijn Jesus, Slachtoffer onzer zaligheid en onzer zonden ! moeten wij dan dagelijks door onze onzedigheden, onze verstrooiingen en ongodsdienstigheden de beleedigingenhernieuwen, welke Gij op het kruis hebt ontvangen, en die zelfs hernieuwen op het aanzien van dien staat, waarin Rij voor ons het kruisoffer hernieuwt ? Vergiffenis , mijn Jesus ! vergiffenis voor al de ongevoeligheden, onverschilligheden en ongodsdienstigheden , waarmede wij tot de heilige Communie

-ocr page 465-

VIERDE BOEK.

zijn genaderd, wij, die niet altijd het gebod des Evangelies hebben gevolgd vau ons te verzoenen voor de heilige Communie; vergiffenis lieg voor onze onverduldigheden en oploopendheden, die door onze Communiën in ons niet veranderd zqn, omdat wij er geen nut uit trekken. Gedoog niet dat onze tong, die als het rus taltaar is van uw heilig Lichaam, en die zoo dikwijls met uw Bloed is geverwd geweest, het werktuig onzer gramschap en lastertaal zij. Wel hoe, Heer! Gij, die gedurende uw leven de ongeneeslijkste ziekten hebt genezen , zult Ge deu vloed onzer tong niet tegenhouden, met haar aan te raken om in ons hart over te gaan? Ja, mijn Zaligmaker! om nut uit mijne Communiën te trekken , wil ik niets meer zeggen als mijn hart ontsteld is, en in de gelegenheid een woord voor eenen God opofferen, die voor mij al zijn bloed heeft ten beste gegeven.

G R B E D.

Mocht ik , o Heiland! dra voor het zalige genot uwer vereeniging vatbaar zijn! o Gij, die alles weet, die tot mijn binnenste ziet. Gij kent ook mijne zwakheid, en weet wat mij nog ontbreekt. Opgebeurd door uwe taal, kom ik tot U om hulp en troost te vinden. Laat mij niet ledig van U vertrekken ; verlicht mijn verstand, ontvonk mijn hart door eene brandende liefde, opdat ik een met U worde en eeuwig met U mijn God en mijn al I vereenigd blijve.

46 i

-ocr page 466-

462 DE NAVOLGING VAN JE8US CHEISTÜS.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de. gloeiende liefde en brandende begeerte om Christun te ontvangen.

1. De Geloovige. Heer! ik verlang ü met de meeste godsvrucht en eeue vurige liefde, met al de genegenheid en den gloed des harten te ontvangen , zooals vele Heiligen en godvruchtige personen bij de Communie naar U hebben verlangd ; die U door de heiligheid van hun leven zeer behaagd en in de brandendste godsvrucht verkeerd hebben.

o Mijn God! eeuwige liefde! mijn eenigst goed en eindelooze gelukzaligheid ! U begeer ik met het allervurigst verlangen en den diepsteu eerbied te ontvangen, als ooit eenig Heilige gehad heeft of gevoelen konde.

2. En schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben , draag ik U echter geheel de aandoening mijns harten op, ais bezate ik alleen al die vurige en U behaaglijke verlangens.

Ook alles wat eene godvruchtige ziel bedenken en verlangen kan , bied ik U aan en draag ik U op met den diepsten eerbied en den innigsten ijver.

Niets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al het mijne ü gewillig en zeer gaarne opofferen.

Heere mijn God! mijn Schepper en mijn Verlosser! met zoodanig gevoel, eerbied, lof en eer, dankbaarheid , waardigheid en liefde , met zulk een geloof, hoop en zuiverheid, \\erlang ik U heden te ontvangen , als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de verheerlijkte Maagd Maria,

-ocr page 467-

TIERDE BOEK.

naar U verlangd en TJ ontvangen heeft, toen zij den Engel die haar het geheim der menach wording boodschapte, nederig en godvruchtig antwoordde : Zie des Heeren dienstmaagd ! mij geschiede naar uv: woord. (Luc. I)

3. En gelijk uw gelukzalige voorlooper, de voortreffelijkste onder de Heiligen , Joannes de Igt;ooper bij uwe tegenwoordigheid, in de vreugde des heiligen Geestes vroolijk opsprong, toen hij nog in \'s moeders lichaam opgesloten was, en Jesus vervolgens onder de menschen ziende wandelen , zich diep vernederende, met teedere aandoening zeide : De vriend des bruidegoms, die ataat en hem aanhoort, verblijdt zich zeer over des bruidegoms stemme, (Joan. 3) evenzoo wensch ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van ganscher harte aan U voor te stellen.

Daarom draag ik ü op eu bied ü aan het gejuich, de vurige aandoeningen, zielsverrukkingen, bovenzinnelijke verlichtingen en hemelsche .visioenen van alle godvruchtige zielen, met al de deugden en lofzangen door al de schepselen in hemel en op aarde aangeheven en nogaan tehetfen:, voor mij en voor allen die zich mijner voorbede hebben aanbevolen, opdat Gij door allen waardig ttoogt geloofd en eeuwig verheerlijkt worden.

4. Neem, Heere mijn God! mijn wenscheu aan, alsmede mijn verlangens om Ü in het oneindige te loven en bovenmate te zegenen, zooals U, wegens de grootheid uwer onuitsprekelijke waardigheid met recht toekomt.

Die bied ik U aan en verlang ik U aan te bieden eiken dag en elk oogenblik. Ook noodig ik int en smeek ik door innige gebeden al de

463

-ocr page 468-

464 DE NAVOLGING VAN JESDS CHRISTUS.

hemelsche geesten en al uwe geloovigen, om met mij U lof en dank toe te brengen.

6. Dat alle volken ^ geslachten en tongen Lr loveii en uwen heiligen en liefelijken naam met vroolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen

Dat ook allen, die eerbiedig en godvruchtig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met een volkomen geloof ontvangen, genade en ontferming bij U mogen vinden, en voor mij zondaar ootmoedig bidden.

En als zij de gewenschte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben , en wèl getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelsche Tafel wederkeeren, dat zij dan zich verwaardigen mij hehoeftigen te gedenken.

OEFENING.

Dezelfde als van het voorgaande Hoofdstuk, bladz. 458.

GEBED.

Mocht ik , mijn Heiland! mocht ik met dezelfde godsvrucht tot uwe Tafel naderen, welke vele uwer heilige vrienden onderscheidde! Hoe weinig ik ook nog daarvoor vatbaar ben, wil ik toch alles doen wat ik kan. Neem mijnen goeden wil welbehaaglijk aan. Zie op de voorbede uwer geliefde vrienden , dat zij mij helpen in uwen lof te verbreiden! Laat mij aan hunne godsvrucht deel hebben, gelgk mede aan de zegeningen waarmede Gij hen zoo wonderbaar bedeelt.

-ocr page 469-

vierde boek.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Bat de mevsch uunguande ld Sacrurmnt niet

nieuKsgierig mag onderzoehev,, mnar dat hij Ohriftus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof ondericerpen.

1. De Heeb. \'W\'acht u naar dit ondoorgrondelijk Sacrpmert nieuwsgierig te onderzopken , wilt eij niet in eenen afgrond van twijfel storten.

Hij die Gods Majesteit teil doorgronden, zal door den glana onderdrukt worden. (Prov. 25.) God kan meer doen dan de mensch begrijpen kan.

Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen, mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichten en trachte Tolgens de gezonde leer der Vaderen voort te gaan.

3. Gelukkige eenvoudigheid, welke de moei-l^ke paden deï vraagstukken verlaat en den etfen en zekeren weg van Gods geboden bewandelt 1

Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij verheven dingen wilden doorgronden.

Men eischt van u geloof en oprechten wandel, geen diep doorzicht noch doorgronden van Gods verborgenheden.

Verstaat gij niet noch bevat gij vat beneden u is, hoe zult gij begrijpen wat boven u is?

Onderwerp u aan God, en buig uwe zinnen onder het geloof; en u zal het licht der ken-nisse gegeven worden , zooveel u nuttig en noo-dig is.

8. Sommigen worden ten aanzien van het geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan hen maar liever den vjjand wijten.

4*55

30

-ocr page 470-

4fc6 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Stoor er u niet aan noch twist met uwe bedenkingen en antwoord-niet op de twijfelingen, door den vijand ingeblazen; maar geef geloof aan de woorden van God; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van u vluchten.

Dikwijb is het zeer voordeelig dat Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd wordt.

Want ongeloovigen en zondaren brengt hij niet in bekoring, als welke hij reeds zeker bezit; maar geloovigeu en godvruchtigen bekoort en kwelt hy op versckeiden wijzen.

4. Ga dan voort met een eenvoudig en onwankelbaar geloof, eu nader met diepen eerbied tot het Sacrament.

Wat gij niet begrijpen kunt, laat dat gerust aan den almachtigen God over.

God bedriegt u niet, maar hij bedriegt zich, die zichzelven te veel gelooft.

God wandelt met de eenvoudigen ; Hij openbaart zich aan de nederigen; Hij geeft den kleinen verstand. Hij opent den geest aan reine zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en hoogmoedigen.

\'s Menschel! rede is zwak en kan falen; maar het geloof is waarachtig en kiin niet dwalen.

5. Alle rede en natuurlijk onderzoek moet het geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden.

Want geloof en liefde heerschen hier bovenal en werken in dit allerheiligste en allervoortref-lijkste Sacrament op verborgen wijzen.

God, de eeuwige en onmeetbare en oneindig almachtige, doet groote en ondoorgrondelijke dingen in den hemel en op aarde, en er is geen onderzoeken aan zijne wonderbare werken.

Waren Gods werken zoodanig, dat zij van

-ocr page 471-

VIERDE BOEK.

\'smenschen rede licht konden bevat worden, men toude ze niet wonderbaar noch onuitsprekelijk kunnen noemen.

OEFENINö.

Het geloof doen zegepralen over de zinnen en over de rede, met vastelijk te iplooven, en ootmoedig het Lichaam en Bioed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament te ontvangen.

1. Dit zeker grondbeginsel aangenomeu zijude , dat God meerdere dingen kan doeu dan de measck kan begrijpen; dat het verstand van den mensch kan bedrogen worden, maar dat het geloof ons aiet kan bedriegen ; en dat wij eindelijk Jesus Christus en zijn woord moeten gelooven, als Hij aan zijne Apostelen zegt : Bit ü mijn Lichaam, hetwelk voor u zal geÏKverd worden ; dit is mijn Bloed, dat voor u zal vergoten worden, moeten wij zonder twijfel de wezenlijke tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament des altaars gelooven; eu zonder de verborgenheid van dit geheim te willen doorgronden, dat voor het verstand onbegrijpelijk eu voor den geest van den mensch oudoor-grondeHjk is, moet het geloof de gebreken onzer zinnen vervangen, en, ons bevredigende met te denken dat God dit heeft kunnen doeu, eu Hij ons verklaard heeft het gedaau te hebben, moeten wij ons alleen bezig houden met Jesus Christus , in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, te vereeren en te ontvangen.

3. Welk geluk alzoo , in de geheimenis vau ons geloof\', even als in al de anderen van onzen godsdienst, al het licht van het menschelijk verstand te mogen offeren voor de waarheid van het

467

-ocr page 472-

468 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS.

Woord Gods, alsook al de verkleefdheid van \'s menschen hart, voor de oneindige liefde welke de Zaligmaker ons toont in de instelling en het gebruik van het allerheiligste Sacrament, in hetwelk Hij, volgens den H. Bernardus, geheel liefde voor ons is; waarin hij, volgens de heilige kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde in onze harten uitstort, maar van eene milddadige, grenzelooze liefde, welke Hem opwekt om er zich geheel in ten beste te geven. Want het is, zegt de heilige tekst, in dit Sacrament, hetwelk Hij op het einde zijns levens heeft ingesteld, dat Hij ons de aandoenlijkste en wezenlijkste teekens zijner liefde heeft gegeven , door zich innig met ons te vereenigen, om van nu af bezit te nemen van onze harten en ons hierdoor een onderpand te geven van het bezit hetwelk Hij in eeuwigheid ervan zal nemen.

3. Ziedaar de wonderbare inzichten van Jesus Christus in het allerh. Sacrament! Het is aan ons, te trachten hieraan te beantwoorden, door een waardig en dikwijls herhaald gebruik van hetzelve. Een oprecht en eerbiedig geloof, een christelijk en van de wereld afgescheiden leven , eene groote ootmoedigheid, eene eenvoudige buigzaamheid om te gelooven, eene werkende gehoorzaamheid om niet aan Jesus Christus te weigeren hetgene Hij van ons verzoekt, als Hij door het heilige Sacrament in onze zielen komt; eene opoffering van geheel onszelven, om zijne vernietigde grootheid te eeren en de vurigheid zijner liefde te erkennen : ziedaar al wat Hij van ons verzoekt, en al wat wjj moeten doen om ons in dit Sacrament wel te bereiden en er nut uit te trekken. Maar laat ons altijd indachtig

-ocr page 473-

VIERDE BOEK.

wezen, dat Hij ter voorbereiding tot de Communie niet datgene verzoekt, wat er het uitwerksel van is, en dat, voor zoo veel wij daartoe naderen met een oprecht voornemen om ons te bekeeren, te kennen gegeven door eene goede biecht en door eene v.iste hoop, dat Jesus Christus ons door zijne tegenwoordigheid in zyne genade en liefde zal behouden, en dat wij ons raceten opwekken om dikwijls met vertrouwen de heilige Communie te ontvangen, om in ons den moed te doen ontstaan en te behouden ous-zelven te overwinnen, de getrouwheid in onze godvruchtige oefeningen, de volharding in de genade en in de liefde van God, die het ware uitwerksel eeaer goede en dikwijls herhaalde Communie zijn.

GEBED.

Goddelijke Jesus ! ook deze laatste les wil ik mij te nutte maken. Ik geloof aan uw woord; want uw woord is waarheid en kan mij niet bedriegen. Gaarne wil ik aan hetzelve mijne zwakke rede onderwerpen. Doe mijn geloof steeds levendig blijven, vooral als ik mij tol uwe heilige Tafel begeef. Heer! ik geloof, versterk mijn geloof, laat het nimmer wankelen. Gij zjjt de Zoon van God, en hebt de woorden des eeuwigen levens. Amen.

469

-ocr page 474-

L!c^—0

Volgorde of indeeling van het Boek der Navolging.

Men bemerkt eene alsreineene en natuurlijke indeeling in geheel dit boek; want het begint van den eersten trap of de onvolmaakte navolging van Christus, en klimt allengs op tot den hoogaten.

Het handelt vooreerst, en wel in de eerste twee boeken , van den zuiver enden weg, die het beginsel en de grondslag is der volmaaktheid ; het stelt hier den Meester van het geestelijk leven als sprekende en leerende voor; want dit leven gaat niet zoo hoog, dat het den goddelijken Meester zoude noodig hebben, en de Leerling is nog zoo onwetend in de geestelijke zaken, dat het hem meer betaamt te hooren en te luisteren, dan te vragen en te spreken.

Daarna handelt dit boek van den verlichtenden weg, welkeeen geheel geestelijk onderwijs behelst; en daarna wordt hier, namelijk in het derde boek, Christus voorgesteld als sprekende tot den. mensch , omdat daar leeringen gegeven worden , dieGode waardig zijn, en de leerling, nu gevorderd zijnde, hoort niet alleen deze goddelijke leeringen , maar hij volbrengt ze ook met werken. Doch terwijl hij hierin groote bekoringen en moeielijk-heden te verdragen heett, neemthij zijne toevlucht tot God, Hem nu genade en hulp, dan weer raad vragende, of Hem om vergiffenis biddende.

Ten derde handelt dit boek van den vereenigen-den weg, en dit is het vierde boek, waarin de ziel met God vereenigd wordt, hetgeen het aller-mees t geschiedt door de heilige Communie,

0—43quot;

-ocr page 475-

1NDEE1ING DEB LEERING VAN DIT BOEK. 471

Van den zuiverenden weg.

Om nu tot elk dezer drie wegen in het hijzonder te komen. verdeelt het loek den zuiverenden weg in twee deelen. Het eerste hoek handelt geheel over de hegin-selen ran den zuiverenden ireg, heqrepen in vijf trappen of hoofdstukken.

lo. Wat het is : Christus navolgen. In de hoofdstukken 1, 2, 3, 4.

2o. Dat men, om niet te dwalen in de navolging, eenen meester of leidsman moet hebben. Hoofdst. 5, 6, 7, 8, 9, 10.

3o. Terwijl de meester niet baat, wanneer de leerling de begeerte niet heeft om te leeren , zoo wordtin hem opgewekt de begeerte om zijne kwade, driften te overwinnen. Hoofdst. 11, .12, 13, 14.

4o. Uit deze begeerte en overwinning volgt een krachtig voornemen van niet te zondigen. Hoofdst. 15, 16, 17, 18, 19, 20.

5». Dit voornemen wodt versterkt door de vreeze Gods in de vermorzeling des harten. Hoofdst. 21, 22, 23, 24, 25.

Het tweede hoek hehandelt geheel den zuiverenden weg . over den voortgang, voor de gevorderden m dit leven. Het wordt begrepen in vier andere trappen of hoofdstukken.

lo. Uit de vreeze Gods komt voort, de haat der wereld, die tegen God strijdt. Hoofdst. 1, 2.

2o. De wereld veracht zijnde, vervolgt zij den dienaar Gods, die, om zich te behouden, het geduld in den tegenspoed en de vervolgingen noodig heeft. Hoofdst. 3, 4, 5, 6.

3o. Diegene , welke deze tegenspoeden en ver-

-ocr page 476-

473 INDEELING DER LEERING

drukkingen kloekmoedig lijdt, vloeit over van liefde tot Christus en ia zoetheid des geaaoeds. Hoofdst. 7, 8, 9, 10, 11.

4. Doch hij moet zich iu dit leven eerder tot den weg des krnises en van Christus begeven, dan tot de vertroostingen ; en daarom wordt hier geleerd, den weg van het kruis en van de versterving te verkiezen, welke het einde en de voltrekking is van het zuiverende leven. Hoofdstuk 13.

Van den verlichtenden weg.

De verlicjitende weg , waarover geheel het derde boek handelt , bestaat gansch in de navolging van Christus, welke om volmaakt en volkomen zuiver te lijn, nondig heeft :

lo. De zamenspraken met God, en de inwendige verkeering in het gebed. Hoofdst. 1, 2.

2o. Uit deze verkeering volgt eene vurige liefde van ootmoedigheid. Hoofd. 3.

Sc. De ootmoedigheid verfoeit alle geveinsdheid, en brengt de zuiverheid des harten en de oprechtheid mede. Hoofdst. 4.

4». De oprechtheid openbaard zich in de liefde Gods en des naasten. Hoofdst. 5, 6

50. Uit deze liefde volgt de haat van zichzel-ven. en de oefening van boetvaardigheid. Hoofdstuk 7, 8, 9 , 10.

6°. Opdat deze oefening niet hindere , moet zij gematigd worden door de begeerte van den wil Gods te volbrengen. Hoofdst. 11, 12.

7o. Opdat iemand den wil volbrenge , omhelsd hij de gehoorzaamheid met grooten vlijt. Hoofdst. 18, 14.

8». Deze gehoorzaamheid kan niet volmaakt

-ocr page 477-

VAN DIT BOEK.

zijn, tenzij men onverschillig is ia alle diugen. Hoofdst. 15 tot 22.

9o. Uit deze onverschilligheid volgt een gedurige vrede der ziel. Hoofdst. 23 tot 32.

10o. Uit dezeu vrede volgt de vrijheid des guesies. Hoofdst. 33 tot 47.

llo. Uit deze vrijheid des geesten volgt, het verlangen om naar Christus te vliegen , het juk des lichaams af te leggen en tot de gelukzaligheid te komen. Hoofdst. 48 tot 52.

12». Dit niet kuunende geschieden, zoo verlangt de ziel de eenzaamheid, en is begeerig om alleen zijnde, met God te verkeereu ; zij vraagt ook de verachting van alle geschapene dingen. Hoofdst. 53, 54, 55.

13o. In deze eenzaamheid zoekt zij niet nu gelukzalig te zijn, maar wel den medegezel van het lijden en kruis van Christus , die door het kruis tot zjjnen Vader is opgeklommen. Hoofdstuk 56, 57 , 58.

14o. Met dezen hoopt zij vereenigd te zijn, niet door hare eerdiensten, maar door de genade en barmhartigheid van God; want hoe heilig ook iemand zij, hij moet al zijne hoop stellen op de genade en barmhartigheid Gods : en dat is het einde van alle volmaaktheid. Hoofdst. 59.

Van den vereenigen den weg.

De vereenigenAe weg bestaat in de volmaakte ver-eeniging met God, welke het allermeest hekomen wordt door het ontvangen van het heilig Sacrament, waartoe vereischt wordt eene drievoudige voorhereiding.

1. De verder afgelegen bereiding. 2. De nabij gelegene. 3. En die welke gepaard is met de

473

-ocr page 478-

474 INDEELING DEK LEERING

heilige Communie. Elk derhalve behelst drie-deelen , te weten :

De verder afgelegene bereiding bestaat, ten le ia de kennis van zijne eigene verworpenheid en de allergrootste eerbiedigheid tot dit heilig Sacrament. Ten 2e in de kennis van zijne eigene onvolmaaktheid en de dankzegging voor zulke groote weldaad. Ten 3e in het verlangen om Christus te ontvangen in het huis zjjns harten. Van Hfd. 1 tot 6.

De nabij gelegen bereiding bestaat, ten le in het onderzoek des gewetens, de biecht en het goed voornemen. Ten 2« in de opdracht van zichzelven en de overgeving in den wil Gods, gelijk Christus gedaan heeft aan het kruis. Ten 3e in de begeerte niet alleen van te communiceeren, maar om dikwijls te communiceeren. Hoofdst. 7 tot 11.

De derde bereiding bestaat, ten le in het zuiveren van alle onze gedachten en aangelegenheden , daartoe helpt, zich vergaderd te houden niet alleen vóór , maar ook na de communie, hetgeen de menseh niet doen kan dan door de genade. Deze genade vraagt hij vuriglijk; namelijk om met God vereenigd en in Hem verslonden te zijn , zoo als vele heilige mannen, die met groote godsvrucht hebben gecommuniceerd, terwijl zij hunne groote begeerte en geestelijken honger met konden verzadigen, dan door Christus te ontvangen. Hoofdst. 12, 13, 14.

Ten 2e bestaat deze derde voorbereiding, in de genade der godvruchtigheid te verzoeken, geduldig te verwachten, met dankbaarheid te ontvangen , ootmoedig te bewaren en naarstig met dezelve mede te werken; aan God den tijd

-ocr page 479-

VAN MT BOÏ:K.

eu de wijze zijner bezoeking aanbevelende, die dezelve dan eens lang uitstelt of op eenmaal geert. Hoofdst. 15.

Deze voorbereiding kan demensch uit zichzelven niet hebben. Hij moet God vragen, dat Hij hem, hongerigen bedelaar, spijze en met het goddelijk vmir ontsteke, hem met zijne klaarheid verlichte, en voor hem alle tijdelijke zaken in bitterheid en allen tegenspoed in verduldigheid verandere. Hoofdst. 16.

Ten 3e bestaat zij, in eer uitvloeisel van liefde, waardoor de ziel, ontstoken zijnde, wenaoht te communieeeren met die voorbereiding, waarmede de heiligen hebben gecommuniceerd; ja met die begeerte, dien eerbied, lof, eer, dankbaarheid, geloof, hoop, liefde, ootmoedigheid en zuiverheid, met welke de heilige Maagd het. eeuwig Woord in haren schoot heeft ontvangen. Hoofdst. 17.

Na deze zoo groote liefde volgt eene zware bekoring, om Gods geheimen nieuwsgierig te willen onderzoeken , waardoor velen de godvruchtigheid hebben verloren. Doch bij diegenen, welke door het geloof en de ootmoedigheid overwonnen zijn, daalt God zoetelijk in de ziel en wordt met haar vereenigd. Het ware te vergeefs, te willen zeggen , hoe en wat God uitwerkt in zulk eene ziel; het is genoeg aan te toonen, op welke wijze de mensch tot deze vereeniging komt. Hoofdst. 17 en 18.

Men ziet hieruit de schoone orde , die Thomas a Kempis in zijne leering houdt, en de manier en de wegen, op welke en door welke God eene ziel geleidt tot het. geestelijk leven, tot de volmaaktheid en tot Hem.

475

-ocr page 480-

\'M, M. -M. \'M, tM,

BIJVOEGSEL

BEHELZ 3NDE VERSCHEIDENE ZOO ALUEMEENE ALS BIJZONDERE GRONDREGELS EN ZED BLESSEN.

Getrokken jit de werken van den H. Franoiscus de Sales.

§ 1-

Christelijke zedelessen jegens God.

I. Men mig njoit van Gid iioc\'a vnawoll!-Igke zaken zonder acliting en opletieadlieid spreken, maar altijd met groots acktiug en nederig gevoelen.

II. Meu vraagt ons geheime en krachtige middelen om voortgang te doen in de volmaaktheid. Doch ik keu geene andere, dan Goi te betnin-nea, God liet te hebben uit ganscker harte, en den naaste als zichaelven.

III. Aan wien God alles is, aan zulk eenen is de wereld een niet.

IV. Men moet Gods oordeelen vreezjn zonder den moed te verliezen , en bemoedigd zijn zonder den moed te verliezen, en beinojdigd zijn zonder op ziehzelven te steuaen.

V. Het beste middel om eenvoudig te worden, is zijn hart met God, die een allereenvoudigst Wezen is, te vereenigen.

VI. Keer uiv gelaat gestadig tot God, en tot uzelven, en gij zult God nooit zonder giedheid , noch uzelven zonder ellen le vinden.

-ocr page 481-

BIJVOEGSEL.

VIL Men moet in al zijne werken niets anders betrachten dan wat God wil, en als mea hetzelve kent, met blijdschap of ten minste met mannenmoed trachten uit te werken , ja zelfs dien wil van God beminnen.

VIII. Men moet in het gebed volharden, hetzij met God aan te zien , of eenipre andere zaak om God, hetzij met Hem aan te zien zonder bemerkingen, eenvoudigljjk blijvende waar Hij ons gefteld heeft, gelijk een ongevoelig beeld op zijne plaats.

IX. Acht nooit eenige zaak , dan volgens de wijze waarop zij aan God behaagt.

X. Laat ons zijn hetgene God wil, als wij maar aan Hem behagen; maar laat nns nooit tegen zynen dank zijn hetgene wij willen.

XI. Ik ben, zal zijn, en wil nimmer aan de goddelijke besturing onderdanig wezen, zonder dat mijn eigene wil daar eenig ander deel in neme dan dien te volgen.

XII. God heeft geen behagen dan in de harten, die vernederd zijn door ootmoed en uitgebreid door liefde.

XIII. Ik kan niet dulden, dat men zegt: meu moet liever dit dan dat doen , wijl dit grootere verdietste in zich besluit : men moet alles ter eere van God verrichten.

XIV. Men mag zich in de beproevingen niet ontstellen , maar vastblijven in de welgeplaatste en zoete overgeving aan Gods wil.

XV. Het groote voordeel der zielen in het oefenen der deugd, is niet gelegen in veel op God te denken , maar in Hem veel te beminnen.

XVI. Overdenk dikwijls, dat God in het midden van uw lijden u met een minnelijk oog aan-

477

-ocr page 482-

BiJTOEGSEL.

schouwt; om te zien hoe gij u in zijnen wil gedragen zult; oefen u dan ten tijde der beproevingen met genoegen in zijne liefde.

§ 2

Christelijlcc zedelessen jegens onze naasten.

I. De ziel van onzen naaste is als de boom der kennis van goed en kwaad; het is ons op groote straf verboden de hand daaraan te slaan om haar te veroordeelen, dewijl God dat oordeel aan zich gehouden heeft.

II. Het is eeue geestelijke onrechtvaardigheid het onze te verbeteren.

III. Als men den naaste vermaant, om datgene te doen wat men zelf niet doet, moet men spreken als afgezant van God, alzoo in zijnen , en niet in eigen naam bevelen.

IV. Aanzien wij onzen naaste met een eenvoudig oog, zonder te willen onderzoeken wat hij doet, of wat er van hem zal geworden.

V. Handelen wij gelijk de bijen, die honig uit alle bloemen zuigen ; dat is : laten wij onze oogen vestigen op de goede begaafdheden van onze naasten , en ons bevlijtigen om die na te volgen.

VI. Indien wij eenige gebreken in den naaste bemerken , laat ons die aanzien met medelijden, en trachten wij ze te verbeteren.

VII. De vriendschap tot den naaste moet op de liefde gegrond zijn, en alsdan zal zij veel vaster staan dan alles , wat op vleesch en bloed of menschelijk ontzag gebouwd is.

VIII. Wg moeten elkander beminnen op deze

478

-ocr page 483-

BIJVOEGSEL.

wereld, gelijk wij elkander iu den hemel zullen beminneu.

IX. De Heidenen beminnen degenen die hun beminnen : maar de Christenen moeten ook diegenen liefde bewijzen, die hen niet beminnen.

X. Wij kunnen nooit onzen naaste te zeer beminnen , noch de rede hierin te buiten gaan; maar wij kunnen hem ivel uitwendig eene al te groote liefde bewijzen.

XI. Wij moeten onzen naaste niet beminnen uit genegenheid , noch omdat hij goed is, of hoop geeft van goed te worden ; maar voornamelijk omdat zulks Gods wil is.

XII. Het verdragen der gebreken van onzen naaste is een der voornaamste deelen van de liefde, die wij hem schuldig zijn.

XIII. Onze Zaligmaker heeft van zijn dierbaar bloed, hetwelk Hij aan het kruis vergoten heeft, eenen heiligen en krachtigen wortel gemaakt, om de steeneu zijner heilige Kerk, dat is, de geloovigen, onder elkander te vereenigen, ineen te smelten, en als één te maken.

XIV. Wij moeten onze naasten zoo verre beminnen , dat wij hem in alle zaken boven ons stellen in de liefdebewijzing, zonder hem iets te weigeren hetwelk tot zijn voordeel kan strekken, behalve onze eigene verdoemenis.

XV. Wij moeten onzen naaste uiterlijk ook be-tuiiren dat wij hem liefhebben ; maar met heilige en onberispelijke betuigingen.

XVI. Wie zijnen naaste voorkomt met allen zoeten zegen, die is een oprecht navolger vau onzen Zaligmaker.

479

-ocr page 484-

BIJVOEGSEL.

§ 3.

Christelijke zedelessen jegens onszelven.

I. Wie zijre meiifclielijke neigingen meest bedwingt , rlie zal allermeest de bovennatuurlijke inspraken tot zich trekken.

II. quot;Wij moeten alle werken in Gods tegenwoordigheid doen , opdat onze ziel wel geschikt zij.

III. Wij moeten op deze wereld leven, alsof onze zielen in den hemel, en onze lichamen in het graf waren.

TV. Wie vergenoegd wil zijn met het weinige dat hij bezit, moet niet letten op degenen die meer, maar op hen die minder hebben dan hij.

V. Als men iets misdaan heeft, moet men zich voor God vernederen en aanstonds opstaan, en daar niet verder op denken , dan om telkens aan God zijne schuld te beladen.

VI. Wie oprecht ootmoedig is, die denkt nimmer dat men hem ongelijk doet.

VII. Wij moeten ons niet ontblooten van onszelven, om naakt te blijven ; maar om ons met den gekruisigden Christus te bekleeden.

quot;VUL Wij moeten onze nietigheid wel bekennen , maar in onzen niet niet blijven ; want wij moeten onszelven slechts vernietigen, om ons met ons al, dat is met God, te vereenigen.

IX. Wij mogen van onszelven niet oordeelen volgens het goede gevoelen , hetwelk een ander van ons heeft; want die gevoelens gaan doorgaans buiten de waarheid.

X. Bezie uwe kruisen nooit, dan te midden door het kruis van Christus, en gij zult die zoo vertroostend , of tenminste zoo aangenaam vin-

480

-ocr page 485-

BIJVOEGSEL.

den , dat gg die meer zult beminnen dan al de vertroosting der wereld.

XI. lu het huis van den rechtvaardige is alles bezig -. niets is er onnuttig of ledig.

XII. De bekoringen ontstellen ons slechts, om dat wij er te zeer aan denken en wij die te zeer vreezen. De bekoringen kuuneu geenszins hem, die bemint, ontstellen.

XIII. Verblijdt u, dat de wereld op u geen acht slaat; doch indien zij u in achting houdt, lach haar dan blijmoedig uit, terwijl gij hare oordeelen en uwe ellende aanziet.

XIV. Men moet zijne gebreken haten ; doch met eenen bevredigenden en bedaarden, maar niet met eenen grammoedigen en onstuimigeu geest.

XV. Overweeg dikwerf de langdurige eeuwigheid , en geene voorvallen van dit sterfelijk leven zullen u ooit ontrusten.

5 4.

Algemeene lessen om wel te leven.

I. De mensch, die om God geschapen ia, moet in God leven; en hoe meer hij in God leeft, des te meer hij aan de wereld en aan zichzelveu zal sterven.

II. Het baat weinig aan den mensch dat hij leeft; maar wel te leven, daarin is alles gelegen. Derhalve is het hem meer noodig wel en heilig te leven , dan te leven.

III. Om wel te leven, moet men zijne natuur bevechten en zijne geneigdheden verloochenen. Hoe meer men die wederstaat, des te meer men door de beweging der genade leeft.

481

31

-ocr page 486-

BIJVOEGSEL.

IV. Leven en sterren moet hetzelfde zijn aan een godminnend hart; maar het is veel beter eens teel te sterven, dan altijd kwalijk te leven.

V. Om wel te leven, moet men op sterven denken; en om wel te sterven, moet men zoo leven alsof men alle oogenblikken den dood verbeidde.

VI. Wie het laatste oordeel niet wil vreezen, die moet ziehzelven veroordeelen ; hoe strenger hij zich veroordeelt, des te zachter hem Christus oordeelen zal.

VII. Om nooit in de hel te komen , moet men dikwijls aan de hel denken, en ernstig overwegen, dat men, om eene eenige doodzonde, daar eeuwig zal branden.

VIII. Om in den hemel te komen, moet men nederdalen en zich vernederen; want hoe meer men ziehzelven veracht heet, des te grooter de eer zal wezen.

IX. Wie de versmading niet bemint, die kan niet zeggen dat hij volmaakt God bemint. Het begin der liefde is de haat van ziehzelven.

X. Wie ziehzelven te zeer bemint, die zal zich in het verderf storten, en wie ziehzelven om Jesus wille verliest of haat, die zal ziehzelven behouden.

XI. Duizend werelden zijn niet te schatten bjj eene ziel, die in de genade leeft; maar voor die, welke in de zonde verkeert, begint van nu af hare hel.

XII. De straf der zonde is veel grooter dan de genoegens, die de zonde vergezellen.

XIII. De ware moed van eenen Christen is gelegen in de zonden te wederstaan; het is eene allergrootste lafhartigheid die te bedrijven.

482

-ocr page 487-

BIJVOEGSEL.

XIV. Wie God bemint zoo het behoort, die kan zelfs aan eene enkele da^eljjkaclie zoude geene toestemming geven. De doodzonde en de liefde vinden zich nooit te samen in hetzelfde hart.

XV. Zijne onvolmaaktheden beminnen, is zich-zelveu verraden; die te verschoonen, is zich plich-tig maken ; en die in iets te voeden, is voedsel geven aan de helsche vlammen.

XVI. De zonden zoeken, is zijne eigene ziel willen verderven; en zich in gevaar stellen van te zondigen, is zichzelven in eenen afgrond werpen , uit welken men zonder veel moeite niet kan geraken.

XVII. Het is eigen aan eene vrome ziel weinig werk te maken van alles wat tot God niet leidt, en vervreemd te zijn van al hetgene ons van God aftrekt.

XVIII. Een dag alleen, ja zelfs een uur doorgebracht in Gods tegenwoordigheid , is meer te schatten dan duizend jaren nutteloos in de tegenwoordigheid der schepselen.

XIX. Hoe meer de mensch zichzelven mistrouwt, des te bekwamer is hij om wonderheden uit te werken; en hoe meer hij op de menschen vertrouwt, des te meer wankelt hij.

XX. Duizende schatten zijn niet te waardeeren bij een goed geweten ; wie dit bezit, die mag zich op zijnen rijkdom beroemen , al ware het dat hem alles ontbrak.

XXI. Niemand weet, hoe zoet het is wel te leven, dan hij, die aan de wereld gestorven zijnde, heilig leeft in God.

XXII. Het is veel lastiger kwalijk, dan wel te leven; want om wel te leven, moet men slechts wilien.

483

-ocr page 488-

BIJTOE03EL.

XXIII. Het goede leven is nimmer zonder eenig lijden. Hij geeft altijd zijnen vervolger, die sleehts dient om het goede leven te voltrekken.

XXIV. Wie begonnen is wel te leven, die zal geenzins verflanwen, zoo hij denkt dat hij eeuwig moet leven.

XXV. Men kan de zoetheid van het heilige leven niet smaken , indien men in zonde blgft; en men kan niet heilig leven , zoo men de zia-nelelijkheid bemiut.

XXVI. Voor God en voor de wereld leven , is eene onmogelijke zaak; men moet aan het eene sterven, zoo men voor het andere wil leven.

XXVII. Alles doen om God , en in tegenwoordigheid van God , is het eenige middel om wel te leven.

XXVIII. Die eeuwig wil leven , moet wel leven, en niets doen wat hij in zijn sterven zoude wenschen niet gedaan te hebben.

XXIX. Aan het kwade leven zijn meer doornen dan rozen gehecht: indien zijn nu niet steken, zal echter de tijd komen dat zij hare scherpe punten wel zullen doen gevoelen.

XXX. Hem, die wel leeft, zal het nooit berouwen , maar wie kwalijk leeft, moet gewis eenen altijd knagenden worm verwachten.

§ 3.

Bijzonders lessen om in de goddelijke genade getrouw te blijven volherden.

I. Het is veel gemakkelijker in Gods genade dan in het vermaak der zonde te leven. De zonde brengt altijd hare straf en de genade hare genoegens mede.

484

-ocr page 489-

BIJVOEGSEL.

II. Om iu Gods genade te leven; moet men slechts willen, en niets is er zoo licht aan hem, die zulks waarlijk wil.

III. De genade en de zonde kunnen geenzins in de ziel te samen beerachen. Daar, waar de genade de overhand heeft, kan de zonde niet bestaan.

IV. De minste genade is meer waard, dan al de goederen der wereld.

V. Die in de genade leeft, raag zich beroemen dat hij het kenteeken van Gods kinderen en van zijne uitverkorenen bezit.

VI. Die lang in de genade wil blijven volharden , moet zijne natuur bestrijden en zijne neigingen bedwingen.

Vil. Om in de genade te leven, moet men eene drievoudige vrees hebben. De vrees van haar te verliezen , als men die heeft; de vrees over haar verlies, als men haar niet heeft ; en de vrees van haar wederom te verliezen , als men ze herkregen heeft.

VIII. Een enkel oogenblik van genade , kan het begin eener gelukkige eeuwigheid wezen.

IX. Het gebed te beminnen en het dikwijls te oefenen , is het middel om in de genade te leven.

X. De genade is zoo dierbaar, dat men ze niet kan versmaden, of men moet te gelijk het Bloed van Christus versmaden.

XI. De doodzonde alleen kan de genade vernietigen. Versmaadheden, ziekten en smarten dienen meer om die te vermeerderen, dan om ze weg te nemen.

XII. Men kan Gods genade op één oogenblik verliezen, en men kan haar ook op één oogenblik herkrijgen.

485

-ocr page 490-

BIJVOEGSEL.

XIII. Wie op zijne hoede is, om de genade van God niet te verliezen, die verliest haar zelden; maar wie niet waakt, die verliest haar zeer lichtelijk.

XIV. De genade van God te verliezen om het vermaak van de zonde, is tene uiterste dwaasheid ; maar zich niet bevlijtigen om haar weder te krijgen door de boetvaardigheid, is verstoktheid.

XV. Op wat tijd de zondaar zich zal bekeeren en Gods genade verzoeken, zal God hem met opene armen ontvangen en hem genade bewezen.

XVI. De genade van God wordt in het leven door deze vier elementen behouden: door het vuur der liefde, door de lucht der godsvrucht, door het water der boetvaardigheid en door de aarde der nederigheid.

XVII. Te vertrouwen dat men in Gods genade zonder zijne hulp zal volharden, is laatdunkendheid ; maar die hulp niet te verhopen , is een at te groot mistrouwen.

XVIII. Hoe meer eene ziel in de genade leeft, des te meer zij de zonde vreest; en hoe meer zjj die vreest, des te meer is zij verzekerd van in de genade te sterven.

XIX. In de genade te sterven, is beginnen te leven ; maar buiten de genade te sterven, is voor eeuwig sterven.

XX. Het kan den mensch niet baten lang geleefd te hebben, indien hij in de genade niet sterft; en bijaldien hij daarin sterft, is hij verzekerd dat hij God eeuwig zal genieten.

5 6. Verscheidene christelijke grondrejels yan den heiligen Franciscus de Sales.

1. Vier dingen weinig gt; en twee veel maken

-ocr page 491-

BIJVOEGSEL.

den mensch heilig : 1. weinig weten; 2. weinig denken; 3. weinig verlangen; 4. weinig spreken. Veel beminnen en veel doen.

II. Van twee zaken, die men doen mag, diegene verkiezen, welke meest aan God behaagt.

III. Niets doen om lof en eer, zelfs niet de heiligste werken, maar alles om aan God te behagen.

IV. In alle aangelegenheden onderzoeken wat Christus in zulk een geval gedaan zou hebben.

V. Wij zullen nooit vrede met onszelven hebben , tenzij wij in vrede met God zijn.

VI. Alle godsvrucht, die strijdig is aan onzen roep, is eene valsche godsvrucht.

VIL Het treflijkste sieraad van een goed hart is de onverschilligheid, niet alleen om dit of dat. te doen, maar ook wegens den uitval aller zaken, God aanbiddende in alles wat er geschiedt, zelfs in de toelating van onze gebreken; want zulks dient om ons te vernederen zonder moedeloos te worden.

VIII. De godsvrucht , die eigenzinnig is, is geene ware godsvrucht maar eigenliefde.

IX. De godsvrucht moet niet alleen plaats hebben in de kerk, in het gebed en in de overdenking; maar men moet haar bewerkstelligen en leven gelijk men in zijnen tjver beloofd heeft. Als er dan een smaad-, een hard woord of iets kwaads voorvalt, moet men dat omhelzen met een bevredigd gemoed, en God aanbidden in de stilte van zijn hart.

X. Daarom is er op de wereld geene andere vermakelijke, oprechte, duurzame en smartelijke zoetheid te vinden, dan die van de godsvrucht komt. De aardsche genoegens gaan niet

487

-ocr page 492-

BIJVOEGSEL.

verder dan de huid, maar die van den inwen-digen vrede dringen tot in het binnenste der ziet.

XI. Ben hart moet, om waarlijk goed te wezen, zuiver, trouw , kloekmoedig, standvastig , zoet-aardig, eenvoudig, gelijkvormig, onwrikbaar naar Gods hart, en volkomen ootmoedig zijn.

XII. Niets verlangen en niets weigeren, is onverschillig en waardig zijn ten opzichte van alles , zonder aangekleefdheid aan zjjne eigene gedachten , hoe heilig zij aan onze eigenliefde mochten schijnen.

XIII. Niemand verachten : een werkman kan niet dulden dat men in zijn bijzijn zijn werk veracht; doch God is overal eu de mensch is zijn maaksel.

XIV. Wel overtuigd zijn , dat er geen ander kwaad in de wereld is dan de zonde , ja dat slle oneer, armoede, ziekte en de hel zelfs zoo groot kwaad niet is als eene eenige doodzonde.

XV. De rijkdommen, de eereambten en genoegens zijn geene groote zaken; want indien zjj te bekomen waren voor eene enkele dagelijk-sche zonde, zou men ze zoo duur niet mogen betalen.

XVI. Daarom ware het beter de geheele wereld te laten vergaan, dan eene enkele leugen te spreken.

XVII. Niets ondernemen zonder raad, is het middel om niet te falen en altjjd gerust te zijn.

XVIII. Als iets wel uitvalt, moet men al de eer daarvan aan God toeschreven en de menschen daarvan niet spreken; zoo iets slecht uitvalt, moet men rechtzinnig onderzoeken, of men daar eenige schuld in heeft, om God vergiffenis te

488

-ocr page 493-

BIJVOEGSEL.

vragen en ziet te beteren; bijaldien men geene schuld bevindt, evenwel denken, dat het om onze zonden geschiedt, en zich voor de goddelijke goedheid vernederen.

XIX. Men moet door eene kloekmoedige verachting het gepraat der menschen versmaden, voornamelijk die rampzalige woorden : Wat zal ■men zeggen ? Wat zal men denken ? Men zal dit doen. Men. zal mij uitlachen. Men moet zich gewennen op God en op zijne Engelen te denken, denkende: wat zal Hij zeggen ? enz. en verder niet.

XX. Men moet gestadig leven in eene teedere kinderlijke vrees, zonder zich veel op zijne goede meening te vertrouwen; want er is niets zoo gevaarlijk, als het goed gevoelen van zichzelven, sn de glans eener goede meening: die schitterende zonnestralen hebben de oogen van vele menschen verblind , die , niets anders meenende te zoeken dan God alleen, zichzelven gevonden hebben, en door de jjdelheid zijn verloren gegaan.

XXI. Dewijl de geest menigmaal verfanwt, moet men zich gewennen zijne goede meening dikwijls te vernieuwen , zijne gedachten te zuiveren, zijn hart recht tot God te stieren , en voor Hem alleen te leven , Hem al onze werken op te dragen, en zich wachten van die uit enkele gewoonte te doen.

§ 7- Bijzondere grondregels tot het bewaren van den inwendigen vrede.

I. Niet wenschen naar eenen groeten naam, noch naar de eer der wereld.

II. Niet verkleefd zijn aan de vertroostingen of de vriendschap der menschen.

489

-ocr page 494-

BIJVOEGSEL.

III. Het leven niet beminnen, en al hetgene wat aan de natuurlijke geneigdheden pijnlijk valt, verachten.

IV. Manmoedig de lichamelijke pijnen en ziekten verdragen, door zich. aan Gods wil te onderwerpen.

V. Op het oordeel der menschen geen acht nemen.

VI. de ongenadige oordeelvellingen der menschen zwijgend verdragen.

VII. U niet verontrusten wegens hetgene men van u zal zeggen ; maar Gods oordeel afwachten en uwe veroordeelaars verwijzen.

Vin. Overdenken voor wie gij uwe werken doet; en zij, die u wenschen te stooren, zullen daartoe geen vermogen hebben.

IX. Waar eenig geestelijk gewin te doen is, moet men geene schande ontzien.

490

-ocr page 495-

MANIE R

OM DEK ROZENKRANS TE BIDDEN-

In den naam des Vaders, en*.

Ik geloof in God den Vader, enz.

Eere zij den Vader, enz. OnzeVader, enz.

Ik groet u. Dochter van God den Vader. Wees gegroet, enz.

Ik groet u. Moeder van God den Zoon, Wees ge\'groet, enz.

Ik groet u. Bruid van God den heiligen Geest. Wees gegroet, enz.

Eere zij den Vader, enz.

DE VIJF BLIJDE GEHEIMEN.

I. De Boodschap des Engels.

De namen van Jesus en Maria moeten zijn gezegend, van nu af tot in eeuwigheid. Onze Vader, enz.

1. De heilige Drievuldigheid heeft toegestemd in de menschwording van Christus, wees gegroet, enz.

2. Maria is tot Moeder van Christus ver- 32 kozen, S

3. De Engel Gabriël bracht Maria de blijde ^ boodschap, jg

4. Maria was in de eenzaamheid in haar gebed, 3

5. De Engel zeide : Wees gegroet, vol van J5-genade, w

6. Maria was verbaasd, als zij den Engel S hoorde.

-ocr page 496-

H. KOZENKRANS.

7. De Engel zeide : Maria, wil niet vreezen, want gij zult ontvangen van den heiligen Geest, wees gegroet, enz.

8. Maria zeide : zie de dienstmaagd des Heeren , mij geschiede naar uw woord, wees gegr. enz.

8. Maria is van den heiligen Geest overlommerd geworden, wees gegroet, enz.

10. En het Woord is vleeseh geworden, eu het heeft onder ons gewoond, wees gegroet, enz.

Eere zij den Vader, enz.

II. De bezoeking van Maria aan hare nielit Elisabeth.

De namen van Jezus en Maria, enz. Onze Vad.,enz.

1. Maria ging uit ootmoedigheid hare nicht Elisabeth bezoeken, wees gegroet, enz.

2. Maria bestuurd door den heiligen Geest,

3. Maria, mei haast opstaande, ging over het gebergte,

4. Maria werd met veel liefde door hare nicht Elisabeth ontvangen, lt;1

PT . , ,

5. Joannes is gezuiverd en van blijdschap ^ opgesprongen in zijns Moeders lichaam, -■§

6. Elisabeth zeide ; gezegend is de vrucht § uws lichaams,

7. Maria heeft uitgeroepen : mijne ziel maakt ^ groot den Heer 1 §

8. Elisabeth zeide : wat geluk geschiedt mij, dat de Moeder des Heeren tot mij komt,

9. Het huis van Zacharias is door de komst ■ van Jesus en Maria gezegend,

10. Maria heeft hare nicht drie maanden met veel liefde gediend,

Eere zij den Vader, enz.

492

-ocr page 497-

H. ROZENKRANS.

III De geboorte van Christus.

De namen van Jexm en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Maria heeft gebaard en zij is Maagd gebleven, wee» gegroet, enz.

2. Maria heeft Jesus in eenen stal gebaard en in doeken gewonden,

3. Maria heeft Jesus met liefde en verwondering aanschouwd,

4. Maria heeft Jesus omhelsd en aan haar hart gedrukt, ^

B. Maria heeft Jesus met hare heilige borsten °° gevoed, ||

6. Maria heeft Jesus in eene krib gelegd, 2

7. Jesus lag op hooi en stroo tusschen os §-t n ezel, ^

8. De Engelen hebben gezongen : Glorie zij n aan God in het allerhoogste, en vrede op anrde aan de menschen van goeden wil,

9. De herders zijn het Kind komen bezoeken ,

10. De drie Koningen hebben het Kind komen aanbidden en hunne giften geofferd,

Eere zij den Vader, enz.

IV. De opdracht van Christus in don tempel.

Be namen van Jesus en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Maria ging om haar heilig Kind te offeren, wees gegroet, enz.

2. Jeeua en Maria onderwierpen zich aan de wet van Mozes, wees gegroet, enz.

3. Maria ging door moeielijke wegen naar Jeruzalem, wees gegroet, enz.

«3

-ocr page 498-

BE H. ROZENKRANS.

4. Maria heeft Jesus op hare armen gedragen, tcees gegroet, enz.

B. Maria vervolgde al biddende haren weg,

6. Maria heeft Jesus in den tempel geofferd , ^

7. Maria heeft aan de wet voldaan met de 3 offergift der arme menschen, ^

8. Anna, de profetes, loofde God voor de verlossing van Israël,

9. De oude Simeon heeft Jesus omhelsd en quot; op zjjne armen gedragen , s

10. Simeon ïeide : Heer! laat uwen dienaar, ■* volgens uw woord, in vrede gaan ,

Eere zij den Vader, enz.

V. De vinding van het verloren Kind Jesus.

De namen van Jems en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Maria heeft haar lief Kind verloren, wees gegroet, enz.

2. Maria heeft haren schat gemist,

8. Maria heeft hem al weenende gezocht,

4. Maria heeft Jesus langs alle wegeu en straten gaan zoeken,

B. Maria heeft Jesus na drie dagen gevonden, j|

6. Maria vond Jesus in den tempel, ^

7. Jesus, twaalf jaren oud zjjnde, leerde de Leeraren, «

8. Maria zeide : Zoon, waarom hebt Gij ons bedroefd,

9. Jesus is met hen afgegaan en was hun n onderdanig,

10. Maria bewaarde in haar hart al de woorden, die Jesus tot haar sprak ,

Eere zij den Vader, enz.

494

-ocr page 499-

H. K0ZEMKRAN3.

GEBED.

O Maria, allergoedertierenste Moeder! verkrijg mjjn hart eene ware droefheid, en voor mijne oogen tranen vau berouw, om te bewee-uen dat ik Jesus door de zonden zoo dikwijls heb verloren; vergun mij Hem weder te vinden en altijd te behouden. Amen.

DE VIJF DKOEVIGE GEHEIMEN.

i. De benauwdheid van Christus in het hofje.

De namen van Jesun en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Jesus ging naar het hofje van Olijven , wees gegroet, enz.

2. Jesus viel plat ter aarde neder,

S. Jesus volhardde in het gebed,

4. Jesus was bedroefd tot den dood toe,

5. Jesus zweette water en bloed, ^

6. Jesus stelde zijnen wil in den wil van zijnen hemelschen Vader, ^

7. Jesus vermaande zijne Leerlingen om te ^ waken en te bidden, 2

8. Jesus werd door zijnen Apostel met eenen j*-kus verraden, ^

9. Jesus werd door zijn bemind volk gevan- S gen genomen ,

10. Jesus werd vreeselijk gebonden en gesleurd van den eenen rechter tot den anderen ,

Zoo lief heeft God den mensch gehad, dat Hij zijnen eenigen Zoon niet gespaard heeft, maar

495

-ocr page 500-

4Jb H. ROZENKRANS.

Hem overgeleverd heeft tot den dood, ja tot «en dood des krnises.

II. De geeseiing van Christus.

Be namen van Jesus en Maria , enz. Onze Vader enz. \'

1. Jesus werd door de Joden aan de Heideneu overgeleverd, wees gegroet, enz.

2. Jesus werd bij Pilatus valschelijk beschuldigd ,

3. Jesus werd van zijn volk achter Barrabas ^ gesteld, ^

4. Jesus, alhoewel onschuldig verklaard 1

. 7er(1 geleverd om gegeeseld te worden,\' S

0. Jesus kleederen werden uitgerukt, ^

6. Jesus stond daar naakt en bloot,\' S.

7- Jesus aan eene kolom gebonden,

8. Jesus werd wreedaardig gegeeseld, |

9. Jesus bloed vloeide langs de aarde,

10. Jesus is gewond om onze zonden,

Zoo hef heeft God den mensch, enz.

III. De krooning van Christus.

De namen van Jesus en Maria, enz. Onze Vader enz.

1. De soldaten hebben Jesus eene doornen kroon bereid, wees gegroet, enz.

2. Zij hebben de doornen kroon in Jesus hoofd gedrukt, wees gegroet, enz.

8. Jesus hoofd langs alle kanten doorwond, wees gegroet, enz.

1

gegroet, enz.

-ocr page 501-

H. EOZENKKANS.

5. Jesus met een\' purperen mantel bespot, iDees gegroet, enz.

6. Zij hebben Jesus een riet tot schepter in ^ de hand gegeven , ^

7. Zij hebben met het riet op het gekroonde ^ hoofd van Jesas geslagen

8. Zjj hebben in Jesus geheiligd aangezicht 2 gespuwd. j*-

9. Jesus overladen met versmaadheden ,

10. Pilatus heeft Jesus aan het volk ver- § tcond , zeggende : Ziet den mensch ,

Zoo lief heeft God den mensch, enz.

IV. De kruisdraging van Christus.

De namen van Jesus en Maria, enz. Onze Vader enz.

1. Jesus werd veroordeeld om gekruisigd te worden, wees gegroet, enz.

2. Jesus heeft zijn kruis met liefde omhelsd,

3. Jesus heeft zijn kruis op zijne doorwonde schouderen gedragen,

4. Jesus werd tusschen twee moordenaars opgeleid, ^

5. Jesus bezweek onder het kruis om onze £ zonden.

6. Jesus, beladen met het kruis, ontmoette \'S zijne bedroefde Moeder, g

7. Jesus werd beweend door de godvruch-tige vrouwen van Jeruzalem, § 8. Jesus zeide haar : handelt men zoo met • het groene hout, wat zal dan met het dorre geschieden?

9. Niemand wilde Jesus zijn kruis helpen dragen,

497

32

-ocr page 502-

H. ROZENKRANS.

10. Jesus klom voor ons op den berg van Cal-

varië, tcees gegroet, enz.

Zoo lief heeft God den mensch, enz.

V. De kruisiging van Christus.

De namen van Jems en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Jesus werd onmensehelijk op het kruis uitgerekt, wees gegroet, enz.

3. Jesus handen en voeten doornageld ,

3. Jesus werd aan het kruis opgericht, en zijne wouden vloeiden van het bloed,

4. Jesus bad voor zijne vijandeu, ^

5. Jesus beloofde den moordenaar het Pa-radijs. ^

B. Jesus beval den H. Joannes aan zijne Moeder, 2

7. Jesus, dorst hebbende, werd met gal en Jquot;quot; azijn gelaafd, ct,

8. Jesus heeft uitgeroepen: mijn God, waar- r» om hebt Gij mij verlaten?

9. Jesus zeide : Het is volbracht,

10. Jesus heeft zijnen geest gegeven, en zijn hart voor ons laten openen,

Zoo lief heeft God den mensoh , enz.

G E B E 1).

O Jesus! ik bid U, door uwe smarten en uwen bitteren dood, door uwe doornagelde handen, doorboorde voeten, doorstokene zgde, en ai uwe gezegende wonden, ontferm U mijner, en druk uw heilig lijden zóó in mijn hart, dat mij niets anders behage dan Gij, mijn Jesus! die voor mij gekruist zijt. Amen.

498

-ocr page 503-

H. ROZENKftANS.

DE VIJF GLOKIEEIJKE GEHEIMEN.

I. De verrijzenis van Christus.

Be namen van Jems en Maria, enz. Onze Vader enz.

1. Jesus is ten derden dage heerlijk verrezen , weett gegroet, enz.

2. Jesus heeft dood en liel ovenvouneu ,

3. Jesus heeft de oudvaders getroost en verlost,

4. Jesus verblijdde zijne heilige Moeder,

5. Jesus verscheen als een hovenier aan Maria Magdaleua, g

6. Jesus vertoonde zich aan Petrus , ^

7. De Leerlingen van Emaüs zeiden: waren ^ onze harten niet van liefde brandende, § als Hij tot ons sprak ? J*

8. Jesus stond in het midden zijner Leerlin- g gen en wenschte hun allen den vrede, y

9. Jesus toonde zgne heerlijke wonden aan den H. Thomas,

10. Thomas riep uit : O mijn Heer en mijn God!

Geiootd en gedankt zij Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars.

II. De hemelvaart van Christus.

De namen van Jesus en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Jesus voer heerlijk ten hemel, wees gegr. vm.

2. Jesus klom op door zijne eigene macht, wees gegroet, enz.

499

-ocr page 504-

H. ROZENKRANS.

3. Tesus scheidde v«n zijne lieve vrienden, roees gegroet, enz.

4. Jesus beloofde met hen te blijven, tot het einde der wereld ,

5. Jesus beloofde hun den heiligen Geest,

6. De Leerlingen hebben Jesus aanschouwd, g en Hij heeft hen allen gezegend, ^

7. Jesus heeft voor ons den hemel geopend, «S

8. Jesus zit aan de rechterhand van zijnen o hemelschen Vader , -Tquot;

9. Jesus toont zijne heilige wonden voor ons g aan zijnen hemelschen Vader,

10. Jesus is onze middelaar in den hemel,

Geloofd en gedankt, enz.

III. De zending van den H Geest.

Be namen van Jesus en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Jesus heeft den heiligen Geest gezonden, wees gegroet, enz.

3. Jesus heeft den Trooster gezonden,

3. Jesus heeft het vuur op de wereld gezonden , ^

4. De heilige Geest heeft de harten met liefde | ontstoken, ^

6. De heilige Geest beeft de verstanden ver- lt;§ licht, 1

6. De heilige Geest heeft de harten versterkt, -Tquot;

7. De heilige Geest heeft verschillende talen § doen spreken, _ •

8. De heilige Geest heeft zijne gaven uitgedeeld ,

9. Kom heilige Geest, bezoek de harten uwer geloovigen ,

500

-ocr page 505-

H. ROZENKRANS.

10. Kom heilige Geest, ontsteek in ons liet vuur uwer liefde, wees gegroet, enz.

Geloofd en gedankt, enz.

iV. De hemelvaart van Maria.

De namen van Jesm en Maria, enz. Onze Vader , enz.

1. Maria is opgenomen ten hemel, wees gegroet . enz.

2. De hemelsclie Vader ontving zijne geliefde Dochter,

3. Jesus omhelsde zijne lieve Moeder, ^

4. De heilige Geest verwelkomde zijne lieve Bruid, ^

5. De Serafijnen groeten Maria, \'S

6. De Engelen dienen Maria, o

7. Geheel de hemel is verblijd door Maria, r-

8. Maria zit het naast bij Jesus, g

9. Maria is onze Moeder en middelares in ^ den hemel,

10. Maria is onze voorspreekster bij haren lieven Zoon,

Geloofd en gedankt, enz.

V. De krooning van Maria.

Be namen van Jesm en Maria, enz. Onze Vader, enz.

1. Maria is heerlijk gekroond in den hemel, icees gegroet, enz.

2. Maria gekroond om bare serafijnsche liefde, wees gegroet, enz.

3. Maria gekroond om bare engelachtige zuiverheid , wees gegroet, enz.

501

-ocr page 506-

502 H. ROZENKRANS.

4. Maria gekroond om hare groote ootmoedig-heid , tcees gegroet, enz.

5. Maria gekroond om hare volmaakte gehoorzaamheid ,

6. Maria gekroond om hare heilige voorzichtigheid,

7. Maria gekroond om hare groote verduldigheid ,

8. Maria gekroond om hare ijverige dankbaarheid,

9. Maria gekroond om hare volharding in alle deugden,

10. Maria boven alle Engelen en Heiligen in den hemel gekroond, gelijk de Moeder van God toekomt.

Geloofd en gedankt, enz.

G li B E igt;.

In de vereeniging van al uwe deugden, verdiensten en volmaaktheden, draag ik u , zuivere Maagd en verheerlijkte Moeder Gods Maria ! deze geestelijke kroon van gebeden en groe-tenissen op; gewaardig ze met al de lofzanger., die op aarde en in den hemel gezongen worden , aan te nemen, en vraag voor mij en allen , voor welke ik verplicht ben te bidden, van uwen beminden Zoon de genade om wel te leven en de eeuwige zaligheid te verwerven. Amen.

Een onze Vader, tot dankbaarheid dat God ons de genade verleend heeft van den Rozenkrans te bidden. Onze Vader, enz.

Een Wees gegroet, opdat Maria ons verstand opdrage aan den hemelschen Vader, en wij in eeuwigheid zijner barmhartigheid mogen gedenken. Wees gegroet, enz.

-ocr page 507-

H. ROZENKUANS.

Een Wees gegroet, opdat Maria onze memorie opofiFere aan haren Zoon, en wij gedurig zgn leven en bitter lijden indachtig mogen wezen.

Wees gegroet, enz.

Een Wees gegroet, npdat Maria onzen wil moge toeëigenen aan den heiligen Geest, en deze gedurig in ons van liefde moge branden. Wees gegroet, enz.

Het Geloof zullen wij bidden, opdat ons gebed aan God moge aangenaam zijn; dat het moge strekken tot zijne meerdere eer en glorie, tot welzijn der heilige Kerk, tot bekeering der zondaren en afgevallene Christenen, en tot welzijn der gemeenten. Ik geloof in God den Vader, enz.

De almogendheid des Vaders beware ons. De wijsheid des Zoons onderwijze ons. De liefde des heiligen Geestes ontsteke in ons. In den naam. des Vaders, enz.

503

-ocr page 508-

»i^gïTTIi

OEFENING VAN DEN H. KBUISWECK

«D8gt;-=

Voorbereiding.

o Mijn God! het is mij van harte leed, dat ik U, mjjn opperste Goed, ooit vergramd heb... Tot uwe meerdere eer en tot mijne zaligheid offer ik U deze heilige oefening op, met inzicht van de aflaten te verdienen die er aan gehecht zijn, zoo voor mij als voor de zielen in het vagevuur, bijzonderlijk voor de zielen van N. N.

I. STATIE.

Jtsus loordt tot den dood des kruizes verwezen.

v. Wij aanbidden en loven U, Christus.

R. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.

oJesus! mijne misdaden hebben het onrechtvaardig doodvonnis over U uitgesproken. Ik zou van droefheid over mijne zonden moeten sterven... Geef mij genade, opdat ik niet ophoude dezelve te beweenen.

Onze Vader , Wees gegroet, enz.

Ontferm U onzer, Heer, ontferm U onzer.

God ! wees ons zondaren genadig.

II. STATIE.

Jems neemt het kruis op zijne schouderen.

v. Wij aanbidden, enz. gelijk hier voren.

6 Jesus, die U gewaardigd hebt den zwaren

-ocr page 509-

DE H. KRUISWEG.

boom des kruiaes op uwe verscheurde schouderen te nemen : verleen mij de genade, om met verduldigheid de kruisen te dragen, welke uwe Voorzienigheid mij overzendt.

Onze Vader, enz. gelijk hiervoren.

III. STATIE.

De eerste val van Jesus onder het kruis.

v. Wij aanbidden, enz.

ö Jesus, die beladen met den zwaren last mijner zonden, vermoeid onder uw kruis ter aarde zijt nedergevallen : ach ! Iaat niet toe, bid ik U, dat ik in dezelve nog hervalle.

Onze Vader, enz.

IV. STATIE.

Jesus ontmoet zijne M oeder.

v. Wij aanbidden, e7iz.

O allerbedruktste Moeder ! verkrijg mij van uwen lieven Zoon tranen van eene ware boetvaardigheid over mijne zonden, die de oorzaak zijn geweest van zijn en uw lijden.... Sta mij bij in al de ellenden van dit leven.... Verlaat mij niet in de ure des doods.

Onze Vader, enz.

V. STATIE.

Simon van Syrenen helpt Jesus het kruis dragen.

Wij aanbidden , enz.

ó Jesus! geef mij sterkte, om met liefde het kruis mijns lijdena op te nemen en om met kloekmoedigheid ü na te volgen.... Ik zal mij

505

-ocr page 510-

T)E H. KRUISWKO.

gelukkig achten U in iets te gelijken en uwe smarten door de mijne te eeren.

Onze Vader, enz.

VI. STATIE.

Veronica droogt het aangezicht van Jems af,

v. Wg aanbidden , enz.

ó Jesus ! druk de gedachtenis van uw smartelijk lijden zoo levendig in mijn hart, dat ik hetzelve gedurig overwege en aangemoedigd worde om uwe bloedige voetstappen op te volgen.

Onze Vader, enz.

VII STATIE.

De tweede val van Jesus onder het kruis.

v. Wij aanbidden , enz.

ö Jesus ! mflne hoo vaardigheid heeft U neder-geworpen onder den last des kruises... Ach! leer mij zachtmoedig en ootmoedig van harte zijn-Ik wil alle verootmoedigingen en versmadingen verduldig lijden, opdat ik , U navolgende in uwe vernederingen, met U deel moge hebben in de glorie.

Onze Vader. enz.

VIII STATIE.

Jesus troost de weenende vrouwen.

v. Wij aanbidden, enz.

6 Jesus ! geef eene bron van tranen aan mijne oogen , opdat ik dag en nacht mijne zonden be-weene. Ach! gewaardig U mij meer en meer van

50{i

-ocr page 511-

DE H. KRUISWEG.

mijne ongerechtigheden af te wasschen en mij van mijne zonden te reinigen.

Onze Vader, enz.

IX. STATIE.

Derde val van Jezus onder hel kruk.

v. Wij aanbidden , enz.

6 Jeans! reik mij eene helpende hand toe, in het midden rier gevaren aan welke ik blootgesteld beu, opdat ik in de zonde niet valle... Verdedig mjj tegen de vijanden mijner zaligheid, opdat ik onder het geweld hunner bekoringen niet bezwjjke.

Onze Vader, enz.

X. STATIE.

Jems wordt van zijne kleederen ontbloot en met edik en gal gelaafd.

v. Wij aanbidden , enz.

ö Jesus! dat ik al mijne booze gewoonten af-legge, mijn hart onthechte van al wat aardsch en vergankelijk is, mijn dartel vleesch kastijde, mijne zinnen verfterve, en gaarne met ü uit den bitteren kelk des lijdens drinke.

Onze Vader, enz.

XI. STATIE.

Jems wordl aan het kruis gehecht.

v. Wij aanbidden , enz.

6 Jesus! hecht mij met U aan het krui?.; ik wil met U, gelflk Gij, en om U lijden, opdat ik levende, lijdende en stervende in uwe liefde,

507

-ocr page 512-

DE H. KBUISWEG.

eeuwig met U au door ü moge gelukkig zijn.

Onze Vader, enz.

XII STATIE.

Jtam sterft aan het kruis.

v. Wij aanbidden , enz.

ö Jesus! door de bittere smarten, welke Gij voor mij aan hat kruis geleden hebt, bijzonder als uwe ziel uit uw gezegend lichaam is gescheiden , ontferm U over mijne ziel, als zij van deze wereld zal scheiden.

Onze Vader, enz.

XIII. STATIE.

Jesus wordt van het kruis afgenomen en in den schoot van zijne Moeder gelegd.

v. Wij aanbidden, enz.

ó Maria I laat mij toe dat ik, tusschea uwe armen, mijn gekruiste Zaligmaker, uw lieve Zoon, aanbidde en mijne tranen met de uwe menge... Door uwe machtige voorspraak, bewaar mij van het ongeluk van Jesus door mijae zonden wederom te kruisigen, en dus uw moederlijk hart met een nieuw zwaard te doorsteken.

Onze Vader, enz .

XIV. STATIE.

Jesus wordt in het graf gelegd.

v. Wij aanbidden, enz.

Ik zal eens sterven en eens begraven worden gelijk Gjj, o mijn Zaligmaker! Ge waardig U, in mijn sterfuur, mij door uwen kruisdood te ver-

608

-ocr page 513-

DE H. KRUISWEG.

troosten en mijn lichaam, wanneer Gij het weder zult opwekken, met uwe glorie te verheerlijken.

Onze Vader, enz.

Hierna zal men bidden : vijfmaal het Onze Vader, vijfmaal het Wees gegroet, en ook vijfmaal Glorie zij den Vader, ter eere van de vijf wonden van Jesus, en een Onze Vader en Wee» gegroet, met Glorie zij den Vader, enz. ter intentie van Z. H. den Paus van Home.

509

-ocr page 514-

Ofi VESPER-PSALMiiï VOOR OE» Z0\\»AG.

ö God ! kom mij te hulp. — Heer! haast. U mij te heipeu.

Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest ; gelijk in den beginne, zoo nu, en altijd , en in eeuwigheid. Amen.

Lof zij LT, Heer, Koning der eeuwige heerlijkheid !

psalm 109.

De Heer heeft gesproken tot mijnen Heer; zit aan mijne recnterhand, tot dat ik uwe vijanden stelle tot een voetbank uwer voeten.

De schepter uwer macht zal de Heer uit Sion doen komen; heersch in het midden uwer vijanden.

Bij U is het vorstendom ten dage uwer kracht, met vollen luister van heiligheid; voor de mor-gensterre heb ik ü uit den schoot geteeld.

De Heer heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen : ,/ Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de orde van Melehisedech.quot;

De Heer is aan uwe rechterhand, en zal koningen vernielen, ten dage zijner gramschap.

Hij zal gerecht houden over de volken ; Hij zs! de verwoesting vermeerderen, en de hoofden van vele landen verdelgen.

Uit de beek aan den weg zal Hjj drinken; en daarom zal Hij zijn hoofd verheffen.

Eere zij den Vader, enz.

-ocr page 515-

be ve8pek-psalmem voor den zondag. 511

psalm 110.

Ik zal U loven. Heer, met geheel mijn hart; in den raad der rechtvaardigen en ia de vergadering.

Groot zijn de werken des Heeren: uitgelezen naar zijnen volmaakten wil.

Lofwaardig en heerlijk is zijn werk ; en zijne rechtvaardigheid duurt eeuwiglij k.

Ben gedeukteeken zyner wonderen — heeft de genadige en barmhartige Heer gesteld ; Hij heeft spijze gegeveu aau degenen die hem vreezen.

Hij gedenkt in eeuwigheid zijn verbond; de kracht zijner werken heeft Hij zijnen volke bekend gemaakt.

Terwijl Hij hun het erfdeel der Heidenen gegeven heeft; de werken zijner handen zijn waarheid en rechtvaardig.

Al zijne bevelen zijn getrouw, voor alle eeuwen bevestigd, gemaakt volgens waarheid en billijkheid.

Hij heeft verlossing aan zijn volk gezonden : Hij heeft voor eeuwig zijn verbond vastgesteld.

Heiligen ontzaglijk is zijn naam; de vreeze des Heeren is het begin der wijsheid.

Het verstand is goed voor allen, die er naar doen; zijn lof blijft in eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz.

psalm 111.

Gelukzalig de man, die den Heer vreest; die groot genoegen vindt in zijne geboden.

Zijn zaad zal machtig zijn op aarde; het geslacht der oprechten wordt gezegend.

-ocr page 516-

de vesper-psalmen.

Eer en rijkdom zullen in zijn huis zijn; en zijne rechtvaardigheid duurt in eeuwigheid.

Voor de oprechten is een licht opgegaan in de duisternis; want de Heer is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

Gelukzalig de man, die medelijden heeft en uitleent; die zijne woorden met oordeel schikt; want hij wankelt niet.

De rechtvaardige zal in eeuwig aandenken zgn ; hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen.

Zijn hart is bereid en hoopt op den Heere ; zijn hart is versterkt, hij vreest niets, tot Hij op zijne vijanden kan nederzien.

Hij deelt uit en geeft den armen ; zijne rechtvaardigheid duurt ecuwiglijk ; zijn hoofd wordt in heerlijkheid verhoogd.

De boosdoener zal het zien en toornig worden; hij zal op zgne tanden knarsen en uitteren; de begeerten der zondaren zijn verloren.

Eere zij den Vader , enz.

psalm 112.

Looft den Heer, gij zijne dienaars, looft den naam des Heeren.

De naam des Heeren zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid.

Van den opgang der zon tot haren ondergang zij de naam des Heeren geloofd.

Verheven boven alle volken is de Heer, en zijne heerlijkheid boven de hemelen.

Wie is gelijk de Heer onze God, die in de hoogte woont; en het nederige in den hemel en op aarde gadeslaat P

Die den geringe opricht uit het stof, en uit den drek den arme verhoogt.

512

-ocr page 517-

VOOR DEN ZONDAG.

Om hem te plfiatsen nevens de vorsten, nevens de vorsten zijns volks.

Die de onvruclitbare doet wonen in een huisgezin, en haar maakt tot eene blijde moeder van kinderen. Alleluja.

Eere zij den Vader, enz.

PSALM 118.

Ais Israël uit Egypte toog; Jacobs geslacht uit een vreemd volk :

Toen werd Juda zijn heiligdom ; Israël zijne heerschappij.

De zee zag het en vlood; de Jordaan keerde terug.

De bergen sprongen op als rammen; en de heuvels als jonge lammeren ?

Wat is n, o zee, dat gij vliedt, en u, Jordaan , dat gij terugkeert ?

Dat gij, bergen, opspringt als rammen, en gij, heuvels , als jonge lammeren ?

Voor het aanfchijn des Heeren beefde de aarde ; voor het aanschijn van Jacobs God, die de rots in eene waterbron verandert en de steenen in waterwellen.

Niet ons , o Heer , niet ons , maar geef de eer aan uwen naam, om uwer barmhartigheid en waarheid wil; opdat de heidenen niet zeggen : waar is hun God? Want onze God is in den hemel; Hij doet al wat Hem behaagt.

De afgoden der Heidenen zijn zilver en goud ; werken van menschen handen.

Zij hebben eenen mond, maar spreken niet; oogen hebben zij, maar zien niet.

Zij hebben ooren, doch hooren niet; eenen neus hebben zfl, doch ruiken niet.

33

513

-ocr page 518-

DE VESPJBK-PSALMEN.

Zij hebben hauden, docb. tasten niet; voeten hebbea zjj, doeh kunnen niet gaan; zij geven met hunne keel geen geluid.

Die dezelven maken worden huu gelijk ; en allen die op hen vertrouwen.

Het huis van Israël hoopt op den fleer ; Hij is hun helper en beschermer.

Het huis van Aaron hoopt op den Heer; Hij is huu helper en beschermer.

Die den Heer vreezeu, hopen op den Heer; Hij is hun helper en beschermer.

De Heer is onzer gedachtig en zegent ons; Hij zegent het huis van Israël; Hij zegent het huis van Jacob.

Hij zegent allen die den Heer vreezen; kleinen en groeten.

Zijt gezegend van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.

De hemel der hemelen is voor den Heer; maar den menschenkinderen heeft hij de aarde gegeven.

De doodeu zullen U niet loven, o Heer, noch die in den kuil nederdalen.

Maar wij, die leven, zullen U loven, o Heer, van nu af tot in eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz.

Gezegend zij God, de Vader onzes Heereu Jesus Christus, de Vader der ontfermingen en de God van alle vertroosting, die ons troost in alle droefenissen.

Bemint elkander, gelijk Ik u bemind heb. Daaraan zult gij erkennen dat gij mijne volgelingen zijt, indien gij u wederkeerig lief hebt. — Weest daarom weldadig, barmhartig, toegevend jegens elkander, gelijk God in Christus zich

514

-ocr page 519-

VOOtt DEN ZONDAG.

goedertieren en genadig jegens ons bewezen heeft... Volgt God na, als zjjne geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons heeft lief gehad en zich voor ons heeft overgegeven tot eene offerande, die aan God welgevallig was.

1^1 a 0 n i f i c a t.

Mijne ziel lofprijst den Heer, eu mijn geest juicht tot God, mijnen Heiland.

Dat Hij de nederigheid zijner dienstmaagd gadesloeg; zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.

Want Hij, die machtig is, heeft groote dingeu aan rnjj gedaan; en heilig is zijn naam.

En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte, over degenen die Hem vreezen.

Hjj liet zijnen arm machtig werken; Hij verstrooide degenen, wier hart vol hoogmoed is.

Hij stiet machtigen van den troon en verhoogde de nederigen.

De behoeftigeu vervulde Hij met goederen , en de rijken zond Hij ledig henen.

Hij heeft Israël zijnen Zoon opgenomen, indachtig (gelijk hij beloofd heeft) zijner barmhartigheid over Abraham en zijn zaad, tot in eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz. Alleluja.

Hoe zal ik Uloven, o mijn God! Daar Gij zonder mijn toedoen mij geschapen hebt naar uw welbehagen, zoo bestaat ook uw lof zonder mgn toedoen. Voor U, o fleer, zijt Gij zelf uw lot ! Volgens uwe onmeteljjke grootheid, moeten U uwe werken loven! Uw lof is onuitsprekelijk, wijl

515

-ocr page 520-

DE VESPBS-PSALMEN

uwe grootheid onuitsprekelijk is. üw lof laat zich niet bevatten in het hart, niet meten met den mond, niet vernemen door het oor; want dit alles gaat voorbij : maar uw lof blijft eeuwiglijk. Onze menschelijke gedachten beginnen en eindigen; het woord wordt gehoord en de klank vervliegt; maar uw lof staat eeuwig vast.

Wie zoude nu uwen lof waardiglijk kunnen verkondigen ? Diegene looft U, die gelooft dat Gij zijn lof zijt; diegene looft U, die van zich zeiven overtuigd is, dat hij niet in staat is uw lof te vermelden. Niet wij loven U, o Heer ! Gij looft door U en looft üzelven. Wij bezitten slechts dau waren lof, wanneer wij door U geloofd worden. Zoo dikwijls wij van eenen anderen dan van U lof zoeken, verliezen wjj den uwe. Verlangen wij de onvergankelijke eer, dan kunnen wij de vergankelijke niet beminnen. O Heer! laat mij ü bezitten, dan kan ik U loven. Want, wat ben ik uit mijzelven , dat ik U zoude loven ? Stof en assche ben ik, een worm en verrotting ! Hoe kan het vleesch den geest loven. die aan alle vleesch leven geeft? Kan de duisternis het licht loven of de dood het leven ? Kan een ijdel niets de loutere waarheid loven ? Zal mijne bouwvalligheid U waardig loven, of mjjn sterfelijk wezen, dat heden is en morgen verdwijnt ? Heer! hoe zoude de mensch, die in zonden ontvangen en geboren is, U betamelijk kunnen loven? Zekerlijk klinkt het woord lof niet schoon in den mond des zondaars 1 Daarom love U, o Heer, mijn God! uwe onnaspeurlijke macht, uwe onbegressde wijsheid en goedertierenheid; U love uwe alle gedachten te boven gaande barmhartigheid , uwe eeuwige kracht en godheid. Op uwe

516

-ocr page 521-

VOOK DEN ZONDAG.

517

goedertierenheid vertrouw ik, want door haar hebt Gij mij geschapen. Laat uw schepsel, dat door uwe liefde gevormd is, niet te gronde gaan in de ellende der zonde. Bewaar, o Heer, wat Gij geschapen hebt; onderhoudt Gij mij niet, dan keer ik in het niet terug. Het was niet mijne verdienste, dat Gij mij het aauwezen gaaft, maar uwe liefde. O mochte deze zelfde liefde U doen besluiten, mij te leiden en te regeeren. Eed mij, Heer! uwe hand is niet verkort, dat zij mij niet zoude kunnen helpen, en uw oor is niet hard, dat het niet zoude hooren. Heer ! verhoor mjj, Heer! om uws naams wille. Amen.

-ocr page 522-

....... gt;■quot;-:-—

0—lt;0...........................\'tl..................................

INHOUD.

Bladz.

Voorrede...........5

Onderrichting betrekkelijk het heiliquot;; Misoffer.............11

Over de beste wijze om het heilig Misoffer

met vrucht te hooren.......29

Gebeden vóór en onder het heilige Misoffer. Met uitlegging van deszelfs plechtigheden. 31

DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, ffictrötc fSock.

Nnltigi- lessen voor het genstelijk leven.

Hoofdstuk. Blsdz

1. Over de navolging van Christus en

de verachting van alle wereldsche ijdelbeden........77

2. Over de geringachting- van zichzelven. 80

3. Over de leer der waarheid. ... 82

4. Over een voorzichtig gedrag ... 8^5

5. Over het lezen der H. Schrift . . 88 fi. Over de ongeregelde hartstochten . 90

7. Vlucht de ijdele hoop en den hoog

moed ..........91

8. Over eene te groote gemeenzaamheid. 9S

9. Over de gehoorzaamheid en onder

werping .........95

-ocr page 523-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

10. Over het vermeden van nuttelooze

gesprekken.........97

11. Over de middelen tot vrede en den

ijver tot voortgang......99

12. Over het nut der tegenspoeden . .103

13. Over het wederstaan der bekoringen. 104

14. Over de lichtvaardige oordeelvellingen. 108

15. Over de werken uit liefde verricht . 110 Ifi. Over het verdragen der gebreken van

anderen..........11

17. Over het kloosterleven.....115

18. Over het voorbeeld der heilige Vaders. 117

19. Over de oefeningen van den waren

kloosterling........120

20. Over de liefde tot eenzaamheid en

stilzwijgendheid.......125

21. Over het berouw des harten . . . 130

22. Beschouwing der menschelijke ellende. 133

23. Overdenking des doods.....138

24. Over het oordeel en de straffen der

zonden..........143

25. Over de ijverige verbetering onzes

levens..........1 8

igceh.

Vermaningen tot het imvendiy leven. Hoofdstuk. Bladzijde.

1. Over den omgang met zichzelven. . 155

2. Over de nederige onderwerping . . l^l

3. De goede vreedzame mensch . . .163

4. Over de reinheid des harten en een

voudigheid in bedoeling .... 185

5. Over de beschouwing van zichzelven. 16S

-ocr page 524-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

6.

Over de vreugde van een goed ge

weten ..........

171

7.

Over de alles overtrefifende liefde tot

Jesus ..........

174

8.

Over den vertroawelgken omgang met

Jesus ..........

176

9.

Over het missen van allen troost. .

180

10. Over de dankbaarheid voor de genade

Gods...........185

11. Over de weinige vrienden van Jesus\'

Kruis..........188

12. Over den koninklijken weg des hei

ligen kruises........192

flexrï»® gaeh.

Van den inwendig en troost.

Hoofdstuk. Bladzijde.

1. Over het inwendig onderhoud van

Christus met de geloovige ziel. . 200 3. De Waarheid spreekt in ons zonder

geluid van woorden.....203

3. Het woord Gods moet met ootmoed

gehoord worden; velen nemen het niet ter harte........205

4. Men moet in waarheid en ootmoed

voor God wandelen......209

5. Over de wonderbare werking der god

delijke liefde........212

6. Over den toetssteen der ware liefde . 218

7. Dat men de genade onder de hoede

der nederigheid moet verbergen. . 222

8. Hoe gering men zich moet achten in

het oog van God......227

-ocr page 525-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

9. Dat men alles tot God, als het laatste

einde moet terugbrengen .... 230

10. Hoe genoegelijk het zij, met verach

ting der wereld, God te dienen . 232

11. Dat men de begeerten zijns harten

moet toetsen en matigen .... 23B ]2. Over het oefenen der lijdzaamheid eu

het bestrijden der kwade lusten . 238

13. Over de gehoorzaamheid vau een ne

derig onderhoorige, naar het voorbeeld van Jesus Christus .... 241

14. De overweging van de verborgen oor-

deelen Gods, een middel tegen zelfverheffing ......... 243

15. Hoe men zich bij al het wenschelijke

moet gedragen, en hoe men moet bidden..........246

16. Dat men bij God alleen waren troost

moet zoeken........249

17. Dat men alle zorg op God moet wer

pen ...........251

18. Dat men de rampen des levens, naar

het voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen . . 253

19. Over het verdragen van smaad. De

ware geduldige.......256

20. Over de bekentenis van eigene zwak

heid en over de rampen des levens. 259

21. Dat men in God boven alle goaderen

en gaven moet rusten.....263

22. Het gedenken van Gods menigvuldige

weldaden.........267

28. De vier dingen die den vrede groote-

lijks bevorderen.......271

-ocr page 526-

INHOUD.

Hoofdstuk. BUAzijl.\',

24. Dat men moet vermeden naar eens

anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken ...... : . .274

25. Waarin de duurzame vrede des har

ten en de ware voortgang bestaan. 276

26. Over de hooge waarde van een vrij

gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen...........27S

27. Dat de eigenliefde van het hoogste

goed ten sterkste aftrekt . . . .281

28. Tegen kwaadsprekende tongen. . . 234

29. Hoe men in wederwaardigheden God

moet aanroepen en zegenen. . . 28fi

30. Dat men Gods hulp moet afsmeekeu

en op de wederKomst der genade vertrouwen.........28S

31. Om den Schepper te kunnen vinden,

moet men alle schepsel laten varen. 293

32. Over de zelfverloochening en verza

king van alle begeerlijkheid. . .296

33. Over de onstandvastigheid des harten,

en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.........299

34. De ware minnaar vindt bij alles en

boven alles in God zijn genoegen. 801

35. Dat men in dit leven niet veilig is

voor bekoringen.......304

36. Tegen de ijdele beoordeelingen der

menschen.........807

37. Over den zuiveren en geheelen afstand

van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen......S09

38. Over een goed bestuur in het uitwen-

-ocr page 527-

INHOUD.

Hoofdstnk. Bladzijd^

(lige en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven.....312

39. Dat men zich over zijne zaken niet

mag kwellen........314

40. Dat de mensch uit zichzelven niets

goeds heeft en over niets kan roemen ...........31S

41. Over de versmading van alle tijdelij

ke eer..........318

42. Dat men zijnen vrede niet bjj de men-

schen moet zoeken......32!

43. Tegen de ijdele wetenschap der we

reld ...........323

44. Dat men zich het uitwendige niet moet

aantrekken. ........ 32fi

45. Dat men niet aan allen geloof mag

geven, en over het licht struikelen in woorden........328

46. Dat men bij scherpe woorden op God

moet vertrouwen......332

47. Dat men alle lijden om het eeuwige

leven moet verdragen.....336

48. Over den dag der eeuwigheid en de

ellenden van dit leven. . . , . 339

49. Over het verlangen naar het eeuwige

leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn ...... 343

50. Hoe de troostelooze mensch zich in

Gods hand moet overgeven . . . 348

51. Dat men zich op geringer werken

moet toeleggen als men in verhevener te kort schiet.....364

52. Men ach te zich geen troost, maar eer

straf waardig. . ......356

-ocr page 528-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

63. Dat Gods genade niet bestaanbaar is

met aardscht^ezindheid.....359

54. Over de verschillende neigingen der

natuur en der genade.....382

B5. Over de verdorvenheid der natuur en

de kracht der goddelijke genade . 369 56. Dat wij onszelven moeten verloochenen en Christus op den weg des

kruisen volgen.......373

67. De mensch zij niet te neerslachtig,

wanneer hij in eeuigen misslag valt. 377

58. Men mag geen te hooge zaken noch

de verborgen raadsbesluiten Gods onderzoeken........381

59. Men moet alle hoop en vertrouwen

op God alleen stellen.....387

gash.

Over hd H. Sacrament det Altaars.

Hoofdstuk. Bladzijde.

1. Vurige uitnoodiging tot de heilige

Communie. — Met welken eerbied men Christus moet ontvangen . . 890

2. Over de groote goedheid en liefde ,

door God in het heilig Sacrament den mensch bewezen.....398

3. Hoe nuttig het is dikwijls te commu-

niceerea.........404

4. Over de groote voordeelen aan eeue

godvruchtige Communie verbonden. 408

-ocr page 529-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde,

5. Over de waardigheid van het Sacra

ment en over den priesterlijken staat..........413

6. Ondervraging naar eene oefening voor

de H. Communie......420

7. Over het onderzoek des gewetens en

het voornemen ter verbetering . 431

8. Over de opoffering van Christus aan

het kruis en de opoffering van zich zei ven........425

9. Dat wij ons en al het onze moeten

opofferen en voor allen bidden . 427

10. Dat men de heilige Communie niet

licht moet achterlaten . . . .431

11. Dat het Lichaam van Christus en de

heilige Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn . . 436

12. Dat degene die communiceeren wil,

zich met groote vlijt moet voorbereiden..........442

13. Dat eene godvruchtige ziel van gan-

scher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament........446

14. Over het vurig verlangen van som

mige godvruchtigen naar het Lichaam van Christus.....450

15. Dat de genade der godsvrucht door

ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.......453

16. Dat wij onze behoeften aan Christus

moeten blootleggen en zijne genade moeten afsmeeken.....457

17. Over de gloeiende liefde en bran-

-ocr page 530-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde,

deude begeerte om Christus te ont-

vaugeu.........462

18. Dat de tnenscli aangaande liet Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken, maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloot\' onderwerpen. 4ö5

Volgorde of indeeling van het Boek der

Navolging..........470

Van den zuiverenden weg......471

Van den verlichtenden weg. 472

Van den vereenigenden weg.....473

gtfxtcegskel

5 1. Christelijke zedelesseu jegena God . 476 § 2. Christelijke zedelessen jegens onze

naasten.........478

§ 3. Christelijke zedelessen jegens ons zeiven...........48Ü

§ 4. Algemeene lessen om wel te leven. 481 § 5. Bijzondere lessen om in de goddelijke genade getrouw te blijven volharden..........4S4

§ 6. Verscheidene christelijke grondregels van den heiligen Pranciscus de

Salea..........486

§ 7. Bijzondere grondregels tol het bewaren van den inwendigen vrede . . 489 Manier om den Rozenkrans te bidden . .491 Oefening van den H. Kruisweg .... 504 De Vesper-psalmen voor den Zondag . . 510

-ocr page 531-

TCoJ

amp;

Excudi et in lucem edi permittitur.

EüH^munDjE , 8 Dtcembris 1883.

P J. H. RUSSEL, Can. et Prof.

ad hoe dflegutun.

-ocr page 532-
-ocr page 533-
-ocr page 534-

gt;m t-K »: x-: :« :-x :•gt;: »: :•gt;: »: »: :•gt;: J

:-gt;: :•gt;: :« :« :•gt;: :•:-: xlt; »: :•:-: gt;:•: gt;:-: gt;:•: I

gt;:•: »:

:-x gt;:•: :•gt;: gt;:•: :•?: I

»: :%•: ■

mzmmmmmmmmmzmmmmmzmmti

1

:lt;•: 1

I

gt;y. »: |

mmmzmmmmmzmmzmzmmmmsmmiM

1

gëSiiSiiiiySSilSHSSISiiSffliSaSëïliSHiïiOïSiiSa

-l

sSBgH5ü3iiSSSg5g5HSÜSgSaSe5;aSiiSg5Ba

x-: \'J

:|

SB5BSBSBSBgSïliSISSSKB5B5BgaSBiïBa

:o: :i

BSB J; BS H S B S HS H 5 B S üi S B S: B ï: 11S11 Ji 11A B 5 B 5: B 31

:-.r- \'.•1

J: B ü lü ï B S B S B S B S li S: is A B 5: M 5: IS H W. i: II M ï: W. :i S ïa

;•

»: :• mmmmmmzmmmmzmmmmmmzmti

mmmmmmmmsmmismsmmmmmmm

:lt;■: J

BgSSBSBSBSBSBSBSBSBSBïBïBKiiiïBfiBSBa

mmmmmiimimmmmmMsemMsmmimm

J

mmmmmmmmsmzmxmmmmsmmmm

:J

B ï B S B S B S B 5 IS 5 B ;i B S B S B S B S B SB ?• B ï IS S li S B? 9

5K ;J

B 5: B x B li B S B A B S B :i B li B £ li S B S B S B S B S B S B S BIS gt;:•: ;j BSBSBSBSBïHSBSBKBSBKBSHSBSagBSBSBïi

»: :■:lt; 56

mmmmmmmmmmmiimiimmmmmm

;-x x-: x-: :-x x-; :-x H B :i B ?: B li B S B S B S B 5; B \'A B S B A B S S x B S B ï: B x B 5 Mm Ki :-x X-: X-: xlt; gt;x gt;x x-: x-: x-: x-: gt;k x-: :« :■gt;: gt;x-4} a£BSBS3SBSBSBxBSB5ilSB5B2agBÉ

tm

-ocr page 535-

Nil KS ft is KS * g ïï ^ S \' SSSB ïï PS K m \'A :::ss®;? \'-fS ■lx-; »:

^ y x quot; SSS

I

IP

|k : \'■ ■ ki

Ij ;;; /:

eê: i ■ - mlii

...

ise \' .

km T:. - m

:-x ;-xl

pa mm m s ma

gt;:■: :•gt;: ,

iSBsasssBKHsggasasaïgftHsasasi quot;• — •- •- -

-ocr page 536-