I Mr. HA TT INK «gt;
I M I S KO O R N
1 15
-
• ■. . -■ . ■
: ■ •. ■\'■ ■ • ■ ■\' \'• \'gt; ••■.-■
... -V :;
. -\'- •. --V . •\' - - ■, • ■-. ■\'. - ■ ..... - \' ■•
■*
-
quot; \' \' ■ \' gt;quot; \'■ • • . •
,
: ;■ \' -• ; .
■ ■ ■ -lt; - ■: w ■■
Vquot; , ; \' • •
SlWS
\' \'-■--■\'J \'t
.. ... »0 ■\' ■■■ : - ;• -v - • •. • •
■ ».
- i.quot; \'• r-
\' \' ■■ - \'■
• \'-■quot;...
-■quot;n. ,
v:jrv
gt;l\'i
»f V \'V-ii - ^
mmÊÊÊHÊÊI...........
^.^IÊg0$
■ ••
mt v : \'s f %i
gt; i -
:
i\'-\'.-k-
HET MISKOORN IN TWENTHE.
±^.■6 tiVq /
en*.- ^ ^
HET MISKOORN IN TWENTHE
DOOR
Mr. R. E. HATTINK.
Overgedrukt uit de
Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel, 10quot;\' deel.
HET MISKOORN U ÏWENTHE.
De praestatiën van rogge, boekweit, haver, vlas, enz., oudtijds door de inwoners eener parochie aan den pastoor der parochiekerk opgebracht, worden in Twenthe met den naam miskoom aangeduid.
Tan dit praestandum en het zoogenaamd hoendergeld heb ik reeds melding gemaakt in mijne „Bijdrage tot de kerkelijke geschiedenis van Tubbergenquot; !), maar sedert hieromtrent een en ander verzameld over het laatst dei-vorige en het begin dezer eeuw, dat mij in staat stelt mijne vroegere mededeelingen in menig opzicht te verbeteren en aan te vullen.
In 1236 gaf bisschop Otto III aan Heioiik van Almelo 1) vergunning eene kapel te Almelo te stichten, mits de annaria missalis jaarlijks volgens gewoonte voldaan werd aan den priester van Otmerschen, onder mens parochie de kapel behoorde; het woord missaticum komt voor in het door mij bewerkte Yisitatieboek van bisschop De Monte 2) en in een charter van 17 November 1469 (Bijlage A), op welks rugzijde staat: „vant misse-„koorn des convents erven to Albergen gehoort hebbende „onder den pastor tot Ootmarssen.quot; Bij de hierin vervatte uitspraak werd het klooster Albergen, dat weigerde
1
) Racer, Almolosche Oudheden, blz. 71.
2
quot;) Acta visitationis dioecosis Daventrionsis ab Aegidio de Moute factac 1571, blz. 92, 100.
2
aan den pastoor van Ootmarsum miskoorn te betalen^ dooide priors van de kloosters te quot;Windesheim en St. Agnieten-berg en nog twee andere scheidsmannen veroordeeld om jaarlijks ten tijde, als de andere paroolüanen dit doen, uit elk in de uitspraak genoemd erf, aan liet klooster behoorende, een halven iiiodius koorn aan de kerspelskerk en pastoor te Ootmarsum te betalen; zijnde het vorderingsrecht gegrond op de tot nog toe ongeschokt gevolgde, prij zonswaardige gewoonte.
In het aanhangsel op de Historia comitatus Benthe-miensis door Jttng komt een charter van 1246 voor waarbij Balduin, graaf van Bentheim, de collatie der kerk van Schutdorpe aan het klooster te Wietmarsem geeft en voorschrijft dat de aan te stellen pastoor o. a. het genot van de annona missalis moet hebben.
Het in 1236 gebruikte annaria missalis trof ik in de door mij geraadpleegde glossaria niet aan: de door Favre bewerkte nieuwste editie van het glossarium ad scriptores mediae et infimae latinitatis van Ducakge heeft op annarium eene verwijzing naar annona bij Diefen-bach, in wiens glossarium Latino-Grermanicum annarium (annonarium) korn heet, en op annona, annova, onder anderen de woorden; korn, jar-korn, jar-zins, traid-zyns, jarlicke frucht voorkomen.
Ducange heeft op missalis annona aangeteekend: „decima sic dicta quod missali presbytero seu curato „debeatur. Charta an. 1319 apud Ludewig to. 1. Eel. „MSS. p. 287. Cui videlicet plebano de agris suae par-„rocliiae decimam seu annonam missalem solventibus di-„midius modius siliginis praeter priorem decimam seu
\') Cod. Dipl. biz. 01.
„annonam missalem per totam parrochiam aniuuatim quo-„libet persolvatur.quot;
Hat.taus heeft in zijn Glossarium Germanicmn op het woord mess-kern aangeteekend: „In dipl. conventus „Holberg an. 1310: Ordimivimns ut in villa Zekeritz „adjacente parrochiae in Zuet ecclesia de novo fabricetur „tali modo, ut singulis annis de quolibet manso ejusdem „villae pro missali annona unus modius sibi detur in „Dni Kreysigii Beytr. zur Sachs. Hist. I, blz. 124.quot;
quot;Wat de oorsprong van het miskoorn is, ligt in het duister: door sommigen wordt het aangemerkt als een den bedienaar der hoofdkerk toekomend recht voor de missae parochiales pro communitate, welke hij op Zonen feestdagen moet opdragen.
Anderen vatten het niet als eene speciale belooning op en brengen het onder de flrmae competentiae, welke in de plaats der tienden opgebracht worden en stellen het miskoorn op ééne lijn met de in Drenthe, Friesland en Noord-Overijssel bekende vaste bijdrage in koorn of eetwaren ^ en met de elders gepraesteerde kerkepacht of pastoorspacht.
Vermoedelijk is het dan aan te merken als eene vaste jaarlijksche bijdrage, waarin de den parochus toekomende tienden bij wijze van uitkoop omgeschapen zijn, een be-schapen tiende 2), die haren bijzonderen naam zal ontleend hebben aan de omstandigheid dat ze oorspronkelijk achter in liet missale werd opgeteekend.
Een voorbeeld van het genot van zoodanige inkomsten door den pastoor der parochiekerk vindt men in de acte
\') Hogejian, De kerk to Runen, blz. 22. -) Racer, Ovorijss. Gedenkst. II, 84, 273, 274.
4
van fundatie ^ der opkomsten van de kerk te Tubbergen, toen in 157C de kapel aldaar tot parochiekerk stond verheven te worden. Tot de inkomsten van den aanstaanden pastoor worden daarbij gerekend de anderhalf schepel rogge, door iederen boer en kotter, die gewaard was in eene der onder de kapel behoorende marken, en de hoenderen, door ieder kotter of bijzitter opgebracht aan den pastoor te Ootmarsmn.
Deze en soortgelijke praestatiën schijnen opgeteekend te zijn geweest op de lijsten, welke de pastoors na de invoering der reformatie in Twenthe aan den Drost moesten inleveren en door het gewestelijk bestuur als kerkelijke inkomsten toegekend te zijn aan de predikanten, die de standplaatsen der pastoors innamen en, zoolang de gereformeerde kerk staatskerk was, weinig last met het innen dezer praestatiën hadden, als gerugsteund door het burgerlijk gezag.
Verschil van opvatting over de verdeeling van het miskoorn tusschen de predikanten werd door de classis beslist, zooals die van Deventer den 3en September 1639 reeds deed in het verschil tusschen den predikant Stokman en de weduwe Huijdewolt, waarbij aan deeerst-genoemden een vierde van het „miskorenquot; en van de andere „intredenquot; en tusschen denzelfden Stokman en Yroen wegens het „miscoomquot; binnen Losser, waarbij aan laatstgenoemden een vierde deel werd toegewezen 2).
In 1731 verstond de tijdelijke Drost van Twenthe op de klacht van den predikant te Tubbergen over achter-
■) Versl. en Meded. O. K. en G. IX, blz. 72.
-) Gerhardus Stokman was van Losser, waar Tlieodonis lïoen hem opvolgde, naar Enschede vertrokken als opvolger van Johannes Wilhelmus Hudewohl.
5
stallig miskoom uithoofde van liet stuksgewijze verkoopen van een half erf Ottink dat, indien de achterstand niet werd aangezuiverd en er geen waarborg voor het vervolg werd gesteld, een stuk land uit dit half erf moest worden aangeslagen en verkocht.
Op verzoek van denzelfden predikant, dat de richter van Ootinarsmn gelast zoude worden parate executie te verleenen tegen den heer Van Eschede 1) als eigenaar van De Horst en Brinkhuis, beschikte de Drost in 1739 dat beklaagde het koorn moest betalen als van ouds gebruikelijk was en dat, als hij reden tot tegenspraak mocht hebben, partijen gerenvoyeerd werden naar den gewonen rechter. (Bijl. B).
In 1740 verstonden Gedeputeerden dat alle lijftuchte-naars 2) oude en nieuwe gemaakte woningen, waarin vuur-steden zijn, dewelke aan den predikant geen koorn betalen, schuldig en gehouden zijn aan denzelven te betalen de zoogenaamde rookhoenderen 3) als van ouds.
Toen nu in het laatst der vorige eeuw de staatskerk voor vrijheid, gelijkheid en broederschap moest wijken en erkend werd dat alle Bataafsche zonen gelijke rechten in den Staat hadden, meenden de roomsche boeren in Twenthe dat zij niet meer behoefden bij te dragen tot het onder-
\') quot;Wolter Christoffcl van Escliede, zoon van Jan van Eschede uit dions don 2en December 1671 te Wierden voltrokken huwelijk met Lansbergh Sophia Molert.
\'-) Onder de lijftuchtenaars. volgons Mr. van Doorninck (Bijdr. X, hlz. 59) te verstaan de personen, die na hun erf aan hunne kinderen overgedaan te hebben, van het negendeels recht gebruik niakonde, een kloin huisje in de marke timmerden.
:\') ïe onderscheiden van de roockhoenderen, in Gelderland onder de Heerengelden behoorende (Schkassert, Codex Gelro-Zutphanicus; stucken en documenten blz. 196).
G
houd van gereformeerde predikanten en de redeneering, dat miskoom-praestatie liet lezen van missen en verriclitcn van kerkelijke diensten als contrapraestatie onderstelde, deed lien weigeren langer miskoorn te voldoen. Ook sloten anderen zich daarbij aan, die de meening voorstonden dat het opbrengen van miskoorn eene persoonlijke verplichting en niet een zakelijke last was, of wel dat het eene uit het leenstelsel afkomstige, nu vervallen, verplichting was, waaraan zij zich met recht konden onttrekken.
De eerste beschikking, door de Provisioneele Representanten des volks van Overijssel hieromtrent gegeven, is van 24 Maart 1796, waarbij op de adressen van predikanten en andere kerkelijke personen in Twenthe verstaan werd dat de betaling van het miskoorn moest door blijven gaan. (Bijl. C).
Den 26 Mei daaraanvolgende kwam een bezwaarschrift van onderscheidene boermannen van het Landgericht Oot-marsum tegen deze resolutie in, welke in handen der commissie voor de kerkelijke zaken gesteld werd. (Bijl. D).
Hun rapport werd in de vergadering van 2 Juni 1796 uitgebracht en strekte om bij de vorige resolutie te blijven persisteeren. De vergadering vereenigde zich, onder protest van den gecommitteerde uit het gerichte Ootmarsum J. E. L. F. A. von Bönninghausen, in zoover daarmede dat voor het loopende jaar de verplichting tot betaling gehandhaafd bleef en verzond de zaak op nieuw aan de commissie, vermeerderd met den gecommitteerde uit Zwolle Jacob Doijee en dien uit Enschede B. ten Pol. (Bijl. E).
Diensvolgens deden de predikanten Stulen en Van Loo te Ootmarsum eenige nalatigen voor het landgericht te Ootmarsum dagvaarden; bij decreet van 17 Juni 1796 veroordeelde de richter o. a. Gekvelink te Groot Agelo
tot voldoening van liet gevorderde vlas en van de waaide der rogge. (Bijl. F).
In de vergadering der Representanten van 23 Juni daaraanvolgende deed de gecommitteerde uit IJsselliam, Paaslo en Oldemarkt, de volgende propositie: „De ondergetekende „vind zig verpligt aan deze vergadering voor te dragen „dat de Eoomsch Catholijken in dese provincie nog moeten „blijven continneeren in \'t betaalen van \'t Miskoorn, een „stuk van dat uiterste aanbelang, twelke tot groot onge-„noegen van de Roomsch Catholijken betaald word, en „er werklijk reeds eenigen in deze provincie gerigtelijk „voor aangesprooken worden, zo zou de onderg. van oor-„deel zijn, dat er bij provisie surcheance van executie „van de resolutie van den 30 Maij 11. op dat stuk wierde „verleend, tot zo lang de zaak in zijn geheel was afge-„daan om alle verdere onaangenaamheden voor te koomcn „(was get.) Evert Keetel.quot;
De vergadering vereenigde zich hiermede en besloot daarvan bij uittreksel kennis te geven aan de belanghebbende gerichten.
Dit gaf aan de straks genoemde predikanten van Ootmar-sum aanleiding om zich weder tot de vergadering te wenden en bij hun, den 26 September 1796 ingekomen, adres betoogden zij, onder anderen onder beroep op de Proclamatie dor Nationale vergadering van 18 Augustus bevorens, welke had verstaan „dat de betaling der kerkleeraars „der gewezen heerschende kerk op den ouden voet be-„hoorde gelaten te worden of, als daarvan reeds was af-„geweken, in den vorigen staat teruggebrachtquot; dat de vergadering, onder intrekking der surcheance het landgericht te Ootmarsum behoorde te machtigen om de reeds verkregen vonnissen ten uitvoer te leggen en aan hen
8
liet effect van hun verkregen recht en van onvertogen landrecht te laten genieten. (Bijl. G).
Dit verzoekschrift werd 18 October 1796 gelezen en gestold in handen van de gecommitteerden tot de kerkelijke zaken.
In de vergadering van 25 October werd besloten een advies van J. H. Nieuwenhuis en H. R. Gr. Pagenstechek te Oldenzaal in te winnen, wier bericht (Bijl. H) in de vergadering van 25 October 1797 werd gelezen en in hoofdzaak Merop neerkomt dat, indien ook het miskoorn oorspronkelijk al een personeel praestandum voor te doene missen geweest is, dit echter misschien al vroeg en vooral in latere tijden, zoowel aan de zijde der gevers als aan die van de ontvangers, als een reëele last is beschouwd; doordien zelfs in sommige pachtbrieven is uitgedrukt dat het miskoorn door den huurman moest worden betaald; hetwelk, naar hun inzien, een begrip oplevert, dat men op het idee van reëele last is gevallen.
Zij hadden er aan kunnen toevoegen dat o. a. de Provincie in 17C2 bij den verkoop der boerenerven ïïindrink. Dierink en Ter Maete te Albergen, vroeger onder het klooster aldaar behoorende, in de veilingsvoorwaarden den last van „koorn aan den predikantquot; had uitgedrukt.
Voormeld bericht werd weder ten fine van examinatie en advies gezonden aan de gecommitteerden voor de kerkelijke zaken, evenals het op 19 October 1797 gelezen rekwest van de predikanten der gereformeerde gemeenten te Ootmarsum en Tubbergen en de wed. van den predikant van Loo te Ootmarsum, houdende, dat zij zich ingevolge de proclamatie van de Nationale vergadering van 18 Augustus 1796 volkomen bevoegd rekenende om van de ingezetenen der respective car spelen de voldoening van
a
zoodanige koorn- en andere praestanda te vorderen, als aan lien in hunne qualiteiten jaarlijks competeerde, diensvolgens dan ook met de invordering wederom op den ouden voet waren te werk gegaan, maar al wederom tot hun leedwezen en groote schade hadden moeten ondervinden, dat de ingezetenen, eenige wsinigen uitgezonderd, de betaling dier praestanda even halstarrig verweigerden, waarom zij verzochten dat de representanten daarin ten spoedigste geliefden te voorzien en zoodanig te disponeeren dat zij ten spoedigste in hunne traetementen werden hersteld, of dat daaromtrent zoodanige andere dispositie beraamd werd, dat zij voor het gemis derzelve schadeloos werden gesteld.
Zoo waren o. a. twee boeren door den emeritus predikant Meiling te Tubbergen als pandeischer voor het landgerichte Ootmarsum aangesproken wegens een tot zijn tractement behoorenden uitgang van haver uit de door hen aangekochte landerijen van het erve Harmelink, waarin den 17 Maart 1797 door den richter F. van Raet de verzochte denuntiatie van panding werd toegestaan.
Nog had de meergemelde commissie haar rapport niet uitgebracht, toen de verandering in het staatsbestuur voorviel, waarbij de tweede Nationale vergadering in hare zitting van 22 Januari 1798 zich als constitueercnde vergadering, representeerende het Bataafsche Volk, opwierp; hetgeen tot gevolg had dat de Provinciale Representanten zich ontbonden en zich provisioneel veranderden in het Intermediair administratif bestuur van het voormalig gewest van Overijssel, dat nu van de miskoorn-aangelegen-heden kennis nam.
In de vergadering van 2 Mei 1798 werd op het verzoek om inlichtingen van den gewezen rentmeester der
10
pastorie- en vicariegoederen van Zallancl, hoe hij zich had te gedragen ten opzichte van restanten van miskoom en zoogenaamde paaschpachten, beslist dat hij deze, met de meeste diligentie en des noods met middelen rechtens, moest invorderen; en werd voorts in behandeling genomen het rekwest van A. C. de Mol, wed. van den predikant van Loo, houdende: „dat het tractement van „haren eheman meest bestond uit koorn met eenig vlas „en geld, hetgeen jaarlijks op een bepaalden tijd door de „ingezetenen betaald wierd, doch welke zij gedurende de „drie laatste jaren bijna eenparig geweigerd hebben, zoo-„als ook de Markte Fleringen^ niettegenstaande gerichte-„lijke aanzage, in mora gebleven was zekere zes gulden „en zes stuivers, die tot het tractement van den oudsten „predikant behoorden te betalenquot;, waarin zij voorziening verzocht.
Na deliberatie werd goedgevonden de, bij resolutie der Provisioneele representanten van 23 Juni 179C verleende, surchéance van executie wegens de betaling van hetmis-koorn in te trekken en buiten effect te stellen en de re-kwestrante met hare vordering wegens onbetaald miskoorn te renvoyeeren naar den ordinaris cours der justitie, met kennisgeving aan den Provisioneelen Verwalter van het Drostampt Twenthe, om daarvan aan de gerichten mede-deeling te doen.
In overeenstemming hiermede werd in de zitting van 8 Mei 1798 de predikant Kaijser te Enschede ook naar de gewone procedure verwezen met zijn rekwest, houdende dat de roomschgezinde boeren onder het gericht Enschede geweigerd hadden het miskoorn en hoendergehl, dat sedert onheugelijke jaren als een reëele last gedragen was door ingezetenen van alle gezindheid en een deel van zijn
11
tractement uitmaakte, te betalen en verzoekende beraming van middelen, dat hij dit tractement konde erlangen.
In de vergadering van 18 Juni 1798 werd behandeld een rekwest van de ingezetenen des gerigts Ootmarsum, houdende dat zij met de uiterste surprise ontwaar geworden waren zekere notificatie van den Provisioneelen Venvalter van liet Drostampt van Twenthe, waarbij geordonneerd werd om aan de burgeres A. C. de Mol voornoemd al het ingehouden miskoorn, vlas en geld te voldoen, met wederintrekking der resolutie van 23 Juni 179G, hetgeen hen te meer verwonderde, daar het klaagrekwest van de weduwe van Loo niet in hunne handen gesteld was en zij het miskoorn beschouwden als een afgeperste contributie, die haren oorsprong enkel aan tijden van over-heersching verschuldigd was, en zij zich derhalve aan het Wetgevend Lichaam gewend hadden.
Zij vroegen wijziging der resolutie van 2 Mei bevorens; zoodat de surchéance zou voortduren, totdat het Wetgevend Lichaam beslist had, en voorts copien van de rekwesten en de daarop gerekwireerde berichten, concerneerende het miskoorn over het gerigte van Ootmarsum en van het informatoir rapport van de burgers Pagenstecher en Nieu-wenhuis.
Terwijl hun het laatste werd toegestaan, werd het eerste gedeelte van het verzoek betrekkelijk de surchéance van de hand gewezen.
In de vergadering van den volgenden dag werd gedelibereerd op het rekwest van J. H. Ltjink te Albergen, J. Elberink te Geesteren, B. Ottink te Tubbergen en B. Plijhtjis te Fleringen, dat bij appoiutement van het Uitvoerend Bewind van 25 Mei ten fine van bericht in handen dezer vergadering was gesteld, inhoudende dat
12
zij, die voor liet onderlioud van hunne kerk moesten zorgen, zich in 1795 aan de vergadering der Provisioneele Representanten geadresseerd hadden om redres te erlangen in het opbrengen van een gedeelte van hun koorn onder den titel van miskoorn, surchéance verkregen hadden en deze nu ingetrokken was, welke intrekking zij beschouwden als een daad alleen aan de wetgevende macht com-peteerende; weshalve zij buiten effectstelling verzochten van meergemelde resolutie van 2 Mei, hangende de de-liberatiën van het intermediair Uitvoerend Bewind. Het advies (Bijl. I) strekte dat do rekwestranten geene redenen hadden om zich te beklagen.
Bij decreet van 25 Juni daaraanvolgende confirmeerde liet intermediair Uitvoerend Bewind de op 2 Mei gedane opheffing van de surchéance en dientengevolge werd weder bij beschikking van 29 Juni daaraanvolgende op het rekwest van den kerkeraad der gereformeerde gemeente te Deldea door het interm. Admin. Bestuur goedgevonden den kerkeraad tot de ordinaris cours van justitie te verwijzen.
Hetzelfde bestuur was op 12 September daaraanvolgende in de noodzakelijkheid, naar aanleiding van een ingekomen rekwest van de weduwe van Loo, de zaak van het miskoorn op nieuw te behandelen. Zij beklaagde zich dat zij den 15 Juni bevorens den boor Epman had doen aanspreken, deze copie van den eisch had genomen en op den veertiendaagsohen termijn daarna ten protocolle had doen insereeren een eisch van cautie- en domiciliestelling; welk voorbeeld reeds door drie andere boeren was gevolgd en stellig door meerderen zoude gevolgd worden; zoodat zij in eene menigte van langwijlige procedures stond gewikkeld te worden, niet in staat was
13
deze te voeren en belang had bij spoedige betaling van den achterstand; waarom zij verzocht dat het bestuur middelen zoude in het werk stellen om haar eene spoedige voldoening der achterstallige koornpraestanda te bezorgen.
Overeenkomstig het rapport van de commissie tot de zaken van justitie (Bijl. K) werd besloten de weigerachtige ingezetenen, zoo des gerigts Ootmarsum als in het generaal van het geheele Drostambt van Twenthe, ten serieusten aan te schrijven en te gelasten hun verschuldigd miskoorn van af 1795 te voldoen.
Ingevolge dit besluit deed Mr. J. W. Racee, als provisioneel verwalter van het Drostambt van Twenthe, deze resolutie openlijk bekendmaken (Bijl. L); en, daags na het publiceeren hiervan, liet meergemelde weduwe van Loo bij de boeren rondrijden, zooals zulks van ouds gebruikelijk was geweest, doch ondervond tot hare groote verwondering, zooals zij in haar rekwest aan het Interm. Adm. Bestuur berichtte, dat dezelve allen geweigerd hadden aan die resolutie te voldoen en daarin alsnog bleven volharden. Zij verzocht derhalve dat gemeld bestuur in de reeds tegen eenige boeren geëntameerde procedures, waarin de tennijn van handelen op 12 October inviel, zoude intervenieeren en verder tegen de onwilligen zoodanige middelen van rechten gebruiken, als dienstig zoude worden geoordeeld.
Bij besluit van 12 October 1798 werd goedgevonden den Provisioneelen Verwalter voornoemd aan te schrijven en te authoriseeren om, bijaldien die ingezetenen van zijn Drostampt, welke tot betaling van het miskoorn van ouds zijn verplicht geweest, alnog mochten in gebreke blijven hun verschuldigd koorn of wel de waarde van dien te voldoen, voor of op den 24 dier maand, in dat geval de
14
nooclige bedienden aan te nemen om, namens dit voormalig gewest, conform de resolutie van 12 September bevorens, tegen de gebrekigen naar rechten te procedeeren.
Inmiddels verzamelden de boerrigters kondschappen en deden verschillende personen op vraagartikelen hooren, waarvan zij afschriften overlegden bij hun in October 1798 aan het Yertegemvoordigend Lichaam der Bataafsche Republiek ingediend rekwest (Bijl. M), dat den 19 October in de Eerste Kamer 1) werd gelezen en het verzoek inhield, dat zij zouden worden verklaard ongehouden en niet verplicht om het zoogenaamde miskoorn langer te voldoen, ten einde zij van deze hatelijke dienstbaarheid mogen worden gelibereerd, en dat, hangende de delibe-ratien over deze zaak, de deswegens door de weduwe van Loo geëntameerde procedures mogen blijven gesurcheerd en ten dien opzichte geen andere aangevangen. Dezestukken werden, om te dienen van consideratien en advies, in handen van de burgers Steun Paevé c. s. gesteld; van de ingewonnen kondschappen deel ik de sub 2° en 3° in het rekwest genoemd mede (Bijl. N en O).
Den 5 November daaraanvolgende werd in de Eerste Kamer 2) een rekwest gelezen van een aantal ingezetenen en boermannen, wonende in het quartier van Twente, allen van don roomsclien godsdienst, daarbij verzoekende dat zij van de praestatie van miskoorn, strekkende ten profijte en mede onderhoud van de bedienaars der gereformeerde kerk aldaar, mochten worden gelibereerd en vrij verklaard, met verzoek dat, hangende de deliberation, alles mocht worden gesurcheerd. Ook dit werd in handen
1
*) Dagverhaal 11. blz. 984.
2
) Dagverhaal UI. blz. 41.
15
der coinmissio Stei.tx Paevé gestold, ■\\velko commissie don G November rapport uitbracht, strekkende om te besluiten, tot surcheance van de procedures door de wed. van Loo aangelegd en tot inwinnen van inlichtingen van liet Administratief bestuur van Overijssel, voor de finale al-dooning.
Dienovereenkomstig werd besloten; gelijk ook, nadat bij resumtie gedelibereerd was over het daags te voren in advies gehouden rekwest, besloten werd do tegen deze rekwestranten aangelegde procedures te snrcheeren.
Het decreet op het laatste rekwest werd in de Tweede Kamer van den 8 November behandeld Na de bekrachtiging van de verklaring van onverwijlde noodzakelijkheid bracht de president het besluit zelf in omvraag.
Burger Banier verklaarde zich tegen de assertie, achtte de aangevoerde redenen van de rekwestranten te berusten op valsche gronden en stelde daarom voor do zaak commissoriaal te maken; nadat Auffmoeth en anderen dit ondersteund hadden, wérd het besluit der Eerste Kamer in handen gesteld van de burgers de Leeuw, Auffmortii en Florex, om te dienen van consideratie en advies; in handen van welke commissie den 10 November ook gesteld werd het decreet der Eerste Kamer op het eerst ingediende rekwest.
Deze commissie bracht den 20 dierzelfde maand rapport uit bij monde van burger de Leeuw, dat strekte om de besluiten tot surcheance van do Eerste Kamer te bekrachtigen ; maar na deliberatie conformeerde de vergadering zich er niet mede, maar werd besloten de twee bovengemelde besluiten van de Eerste Kamer niet
\') Dagverhaal III. blz. 62.
16
te bekrachtigen en werd aldus aohtervolgens art. 32 lit. d van het Eeglement B. der Staatsregeling op elk derzelve respective genomen liet volgend Decreet ^: „De Tweede „Kamer, overweegende dat het verleenen van eene sur-„chéance in deeze zoude zijn eene stremming van de ge-„woone rechtspleeging, en dat de beslissing of de gevorderde praestatie van miskoorn met de wetten en de-„creeten van het Wetgevend Lichaam overeenkomstig zij, „veilig aan de gewoone rechtbanken kan worden toebe-„trouwd.
„Overweegende, dat dus deze zaak alleszints behoord „te worden overgelaten aan de rechtbank, waarvoor zij „hangende is, zonder dat hot noodig is dat het Wetgevend „Lichaam door eene politique dispositie tusschen beiden „kome, bekrachtigt het nevensgaand Besluit niet.quot; 2)
Den 21 November werd in de Eerste Kamer 3) gelezen
\') Besluitou van de Tweede Kamer en docreoten van het Vertegemvoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, IV deel. November 1798, blz. 349.
-) In strijd hiermede behelst het Dagverhaal (III. blz. 174) hieromtrent liet volgende: Hubeh rapporteert namens de commissie, in vier handen bij decreet van 0 October gesteld was het rekwest van sommige ingezetenen van Twcnt, in het voormalig gewest Overijssel, verzocht hebbende surchéance van executie voor de praestatie van het miskoorn: dat de commissie, dit verzoek geëxamineert hebbende, van advis zoude zijn, dat de bekrachtiging behoorde te worden geweigerd: en daarbij een decreet van weigering voorsloeg.
De Leeuw en anderen verklaren er zich tegen.
Do President zegt dat hij, indien er geen meer lodon het woord begeeren, het appel nominal zal institueeren, hetwelk geschied zijnde, het rapport wordt verworpen en alsoo het besluit gesanctioneerd.
quot;) Dagverhaal III. blz. 175.
17
het verzoek van A. Heggelaar c. sv zich beklagende over de afvordering van zekere belasting- onder den naam van miskoorn aan den predikant te Delden, om surchéance van de reeds hieromtrent voor het landgericht Delden ingestelde procedures. Ook deze werd verleend en de zaak ten principale gesteld in handen van het Uitvoerend Bewind om bericht. Doch ook dit besluit tot surchéance werd niet bekrachtigd door de Tweede Kamer, die in hare zitting van 23 November ^ een gelijk besluit nam als in die van 20 November.
In de zitting der Eerste Kamer van 26 November 2) en van 27 November 3) deelde de President mede dat hij do drie decreten der Tweede Kamer hiervoren vermeld, waarbij de besluiten der Eerste Kamer ongesanctioneerd worden teruggezonden, had ontvangen, welke weder gesteld werden in handen van Steyn Parvé c. s.
Den 21en December 1798 werd in de Eerste Kamer 4) een rekwest gelezen van onderscheiden roomschgezinde ingezetenen van Ootmarsum, Enschede on Delden (Bijl. P.) zich beklagende over het afvorderen van het zoogenaamd miskoorn, dat in handen der bekende commissie gesteld werd, met toezonding van afschrift aan het Uitvoerend Bewind; nadat de afgevaardigde van Oldenzaal, Dr. B. ten Pol hiervoren genoemd, gezegd had: „dat hij ten sterksten appuyeerde het verzoek der requestranten: deze zaak had bevorens een poinct der deliberation van de representanten van Overijssel uitgemaakt, welke dan ook in deze surcheance hadden verleend, dan het Intermediair
\')
2) 3) 4)
Dagverhaal 111. blz. 215. Dagverhaal 111. blz. 218. Dagverhaal DL blz. 230. Dagverhaal UI. blz. 501.
2
18
Administratif Bestuur had kunnen goedvinden, dezelve in te trekken en buiten effect te stellen, ofschoon hetzelve naar zijn inzien hiertoe in geenen deelen bevoegd was,
en dit de attentie verdiende van het Uitvoerend Bewind,
welke volgens den staatsregel verplicht was toe te zien,
dat de besturen in geenen deele hunne macht overschrijden; waarom hij dan ook voorstelde, dat dit rekwest zoude gesteld worden in handen van het Uitvoerend Bewind, om hierin te voorzien.quot;
In de zitting der Eerste Kamer van 22 Januari 179!) ^
bracht de meergemelde commissie rapport uit over de bovenvermelde drie decreeten der Tweede Kamer.
Daarbij 2) werd voorgesteld aan het Uitvoerend Bewind de bedoelde rekwesten en bijlagen toe te zenden, om ten spoedigste te dienen van bericht met overzending van de stukken, onder het bewind berustende en in deze eenigs-zins in aanmerking kunnende komen; ten einde in staat te zijn om met genoegzame kennisneming van zaken en tegelijk met den meesten spoed te kunnen oordeelen omtrent de mérites der principale quaestiën en tegelijk,
of eene surcheance in dezo noodzakelijk zij, ja dan neen; achtende de commissie dit het veiligst en meest bevorderlijk voor het belang der geinteresseerden.
Inmiddels was door het Uitvoerend Bewind bereids den 28en December 1798, volgons het in het Rijksarchief aanwezige handschrift, het volgende verhandeld; „Is ge- D „leezen het besluit van de Eerste Kamer van het Yer- vi „ tegenwoordigd Lichaam van den 21 deezer loopendc g\' „maand; waarbij aan dit Bewind wordt toegezonden, ten quot;W _ d
1) Dagverhaal UI. blz. 780.
2) Besluiten der Eerste Kamer, Jan. 1799 VI. 2e, blz. 903. ai
19
„einde daaromtrend zoodanig te handelen, als hetselve „zal venneenen te behooren, copie van de reqneste van „J. Sehoppcrt c. s., allen ingezetenen dezer republiek en „belijdende den roomschen godsdienst, woonende rcspec-„tivelijk onder of in den gerichten Ootmaarssum, Enschoede „en Delden, om daarbij geallegeorde redenon verzoekende, „dat \'t het Vertegenwoordigend Lichaam moge behangen „te verklaren, dat de door de voormalige provisioneele „representanten van het voormaalig gewest Overijssel wettig „verleende surcheance betrekkelijk het zoogenaamde mis-„koorn, dat zij requestranten alle jaaren tot soutien van „de bedienaars der gereformeerde kerk op voorzegde plaatsen moeten afgeeven, alsnoch subsistcert, en de door het „Intermediair Administratif Bestuur daarvan gedaane op-„hefflng van geen effect kan zijn, en voords dat de ten ,,voorz. reqileste gemolde geordonneerde interventie daadlijk „zal worden ingetrokken.
„Waarop zijnde gedelibereerd, is besloten, om copie van „het bovengemeld besluit en requeste te zenden aan het „Intermediair Administratif Bestuur van liet voormalig „gewest Overijssel, met last om te zorgen, dat gedurende „de deliberation van het Vertegenwoordigend Ligchaam, „over het voorz. verzoek bij gedagte requeste gedaan, do „zaak niet werde gebragt uit zijn geheel.quot;
Dientengevolge werden in statu quo gelaten de op 11 December 1798 door Dr. E. Dull, op last van den Pro-visioneelen Verwalter Drost van Twenthe voor het Drostcn-gericht van Twenthe aangebrachte zaken tegen de boeren Wesselman te Geesteren, Ottink te Tubbergen, Middendorp te Fleringen en As man te Albergen, waarin deze den 8 Januari 1799 o. a. exceptioneel hadden geantwoord dat uit de stukken van den aanlegger qq. niet
m, dezelve in icon hetzelve bevoegd was, rond Bewind, 3 toe te zien, lit overschrij-dit rekwest itvoerend Be-
anuari 1799 ^ uit over de [amer.
lerend Bewind inden, om ten mding van de l deze eenigs-einde in staat van zaken en ten oordeelen n en tegelijk, , ja dan neen; incest bevor-
i.
iwind bereids et Rijksarchief deld; „Is ge-van het Yer-ezer loopende igezonden, ten
. 2o. blz. 903.
20
bleek of de resolutie, waarop zijne praetense qnaliflcatie is gegrond, op last of order van liet Vertegenwoordigend Lichaam der nu een en ondeelbare Bataafselie Republiek is genomen, dan alleen op eigen gezag en auctoriteit van het Interm. Adm. Bestuur.
Ook werden de elders aanhangige gedingen, o. a. voor het Landgericht Enschede, waarin dezelfde Dr. Dull als intervenient voor den predikant Kaijser optrad en van zijde der gedaagden beweerd was dat het Interm. Adm. Bestuur tot het geven der resolutie van 12 October bo-vorens buiten last vau het Vertegenwoordigend Lichaam of van het Uitvoerend Bewind niet bevoegd was, geschorst.
Ondertusschen rekwireerde het Uitvoerend Bewind bij missive van den Agent van Justitie van 29 Januari 1799 inlichtingen van het Intermediair Administratif bestuur van Overijssel, dat deze bij brief van 29 Maart 1799 (Bijl. Q.) verzond en tot afwijzende beschikking en opheffing der surclu\'ance adviseerde.
In de zitting der Eerste Kamer van 20 Maart 1799 werd op de rekwesten van den emeritus predikant Meiling te Tubbergen en den predikant ten Kate te Ootmarsum ^; in die van 1 April 2) op gelijke rekwesten van de predikanten Houtkamp te Delden en Kaijser te Enschede, allen om opheffing der verleende surchéance verzoekende, besloten 3) tot verzending dier rekwesten aan het Uitvoerend Bewind om consideratien en advies, dat bij missive
\') In hot Dagverhaal (IV. blz. 252) vermeld als rekwest van J. Meijer om betaling van nüskoorn en gelijkluidend rekwest van J. ten Cato.
2) Dagverhaal IV. blz. 317.
3) Besluiten Eerste Kamer Maart 1799, blz. 947, 949, on April 1799, blz. 27.
21
van 12 April aan hot besluit der Eerste Kamer van 22 Januari bevorens voldeed, wordende deze missive in de vergadering van 18 April 1799 ^ gelezen en in handen gesteld van de commissie voor kerkelijke zaken, gelijk ook geschiedde in de vergadering van 22 April 2) met de missive van gemeld bewind op het voormelde rekwest Meiling en in die van 5 Juni 3) met gelijke missive op de rekwesten Houtkamp en Kaijser en met de missive van het bewind, verzoekende weder in zijne handen te stellen de stukken, teruggezonden bij voormelde missive van 12 April.
In de vergadering van 1 Augustus daaraanvolgende kwam een verzoek in van B. Ottink en andere boermannen te Ootmarsum en Tubbergen dat de door de vergadering gerekwireerde berichten, voordat eenige beslissing omtrent de betaling van het miskoorn mocht genomen worden, in hunne handen mochten gesteld worden om te dienen van contrabericht.
Het hierover door do commissie ad hoe den 26 Augustus uitgebracht rapport strekte om dit verzoek te wijzen van de hand, met vrijlating om nog binnen drie weken nadere bedenkingen in te zenden.
Nadat deze bij rekwest van boermannen van Ootmarsum en Tubbergen gesuppediteerd waren in hun rekwest (Bijl. R.) dat 27 November in de vergadering der Eerste Kamer gelezen en in handen der meergenoemde commissie gesteld werd, bracht deze den 26 Februari 1800 rapport uit, dat gedrukt werd om gedistribueerd en vier dagen na de distributie aan de orde sesteld te worden.
\') Dagverhaal IV. blz. 533. \'-) Dagverhaal IV. blz. 552. :\') Dagverhaal V. blz. 47.
22
Overeenkomstig dit uitvoerig rapport o. a. inhoudende: „dat liet miskoorn, wat ook deszelfs oorsprong zijn moge, sedert eeuwen is gehouden als een reeele last op den grond der erven gevestigd en dat de inkomsten daarvan, als voorheen tot de geestelijke goederen behoord hebbende, ook als zoodanig met dezelve aan het voormalig gewest Overijssel vervallen zijnde, aan de bedienaren van de voormaals heerschende godsdienst in stede van traktement zijn toegelegd, daar dezelve anders door de rentmeesters der geestelijke goederen hadden kunnen ingevorderd worden,quot; besloot de Eerste Kamer den 10 Maart 1800 3) de verschillende verzoekschriften om ontheffing van het miskoorn te declineeren en te wijzen van de hand en een extract van het besluit, met bijvoeging van het rapport, te zenden aan het Uitvoerend Bewind, met aanschrijving om te zorgen dat in alle opzichten conform het eerste der additioneele artikulen van de Staatsregeling gehandeld werd.
In de vergadering van het Uitvoerend Bewind van 14 Maart van dit jaar werd het voormelde besluit gelezen en besloten afschrift er van en van het rapport te zenden aan den Agent van inwendige politie, met last om daaraan de noodige executie te geven en in het bijzonder te zorgen dat aan het laatste gedeelte van het besluit worde voldaan.
Bij notificatie van 20 Maart 1800 deed het departementaal bestuur van den Ouden IJssel mededeeling van voormeld besluit, met last om den achterstand te voldoen en bij notificatie van 3 Juni d.a.v. (Bijl. S) gaf het eene nieuwe aanmaning met last aan alle rechters om met den meesten
\') Dagverhaal VIL biz. G88. Besluiten der Eerste Kamer Febr. 1800, XIX. 2e, blz. 1164, bijlage. (Bijl. Z.)
-\') Besluiten der Eerste Kamer Maart 1800, XX. Ie, blz. 283.
23
spoed in deze te procedeeren, quot;waarop den 23 Augustus het besluit van liet Uitvoerend Bewind volgde dat in do aanhangige miskoorn-procednres moest worden voortgeprocedeerd.
Diensvolgens verscheen voor den Provisioneelen Verwalter van het Drostambt van Twenthe Mr. H. Kjtypinga Cramer in het gerichte, gehouden den 1G September 1800 te Ootmarsum, Dr. E. Dull voornoemd, voordragende dat de door hem namens het voormalig gewest Overijssel geëntameerde procedures indertijd gestuit waren door een besluit van het Uitvoerend Bewind en dit hem nu gelast had tegen de onwilligen in den opbrengst van liet mis-koorn voort te procedeeren^ weshalve hij termijnsbepaling tot reassumtie verzocht. Deze werd gegeven en den 14 October d.a.v. verschenen Wesselman, Ottink, Middendorp en Asman voornoemd weder voor het gericht, waar de termijn geprolongeerd werd. Den 9 December 1800 antwoordde Dr. Dull op de laatste handeling der tegenpartij van 8 Januari 1799.
Yan de zijde der verweerders werd met vele uitstellen en exceptieve verweringen geprocedeerd, zonder op de hoofdzaak oene verdediging voor te dragen: een voorstel hunnerzijds in judicio gedaan, om slechts in ééne zaak vonnis te laten vallen en dit te doen gelden voor alle zaken, werd verworpen door den aanlegger, van wien ter terechtzitting van 8 December 1801 cautiestelhng door verweerders gevorderd werd, omdat Dr. Dull, zich cjuali-ficeerende als aangestelde bediende van het Interm. Adm. Bestuur van het voormalig gewest Overijssel als ratione sui interesse intervenieerende voor den predikant der gereformeerde gemeente te Tubbergen, op wiens naam en te wiens voordeele de conclusie genomen was, oen intervenient was, op wien het gestatueerde bij het landrecht toepasse-
24
lijk was, dat hij, die voor oen ander wil interven loeren, hetzelve mag doen, mits stellende cautie voor liet gewijsde.
Deze antwoordde hierop den 5 Januari 1802, maar de tegenpartij bleef zoo wel op den eerstvolgonden rechtdag (2 Februari) als op latere terechtzittingen weg.
De zaak van het miskoorn toch was hier een ander stadium ingetreden.
Het rekken der procedures verdroot den emeritus predikant Meiling te Tubbergen, die, in vele jaren geene betaling ontvangen hebbende, zich tot het Staatsbewind der Bataafsche Republiek wendde met een rekwest, dat 15 December 1801 in handen van den Agent van Inwendige Politie gesteld werd, overeenkomstig wiens rapport van 31 December d.a.v. het Staatsbewind den 7 Januari 1802 het besluit nam die ingezetenen van Tubbergen, welke verplicht zijn deze koornpraestanda te blijven opbrengen, alsnog aan te schrijven en te gelasten, om zonder verder verwijl liet door hen verschuldigde miskoorn aan den predikant te Tubbergen op te brengen, met last aan het Departementaal Bestuur van den Ouden IJssel om aan dit besluit de noodige executie te geven, en met aanschrijving dat dit de vereischte maatregelen in het werk zoude stellen dat de on-willigen daartoe bij parate executie wierden geconstringeerd.
Hierop volgde eene resolutie in dezen geest van liet Departementaal Bestuur van 14 Januari 1802, tengevolge waarvan de boerrichters van Albergen en Geesteren en gecommitteerden uit Tubbergen en Fleringen den 1 Maart daaropvolgende voor het Landgericht te Ootmarsum verschenen en zich, onder protest van hunne betalingsverplichting daardoor niet te erkennen, in eigene en hunner marken namen bereid verklaarden liet miskoorn of de waarde er van te betalen aan het gericht. (Bijl. T).
25
De meergenoemde verweerders voor liet Drostengerioht citeerden nu don emeritus predikant Meiling voor het voormeld Landgericht tegen 12 Maart 1802, ten einde door hetzelve hun aanbod van gereede betaling wegens zeven jaren achterstand van miskoorn te hooren van waarde verklaren. (Bijl. U).
Voor het Drostengericht bij herhaling niet verschenen en gecontumaceerd zijnde, voldeden zij echter aan de nadere oproeping om het sluiten der procedure te hooren bepalen en verschenen zij ter terechtzitting van 27 April 1802, waar hunnerzijds door ieder afzonderlijk werd voorgedragen; dat hij met do uiterste surprise uit eene aan hem geinsinueerde whete van 5 dezer heeft vernomen tegen dezen dag voor de tweede maal geciteerd ta worden tot liet zien en helpen sluiten der incidenteele procedure, en zulks, niettegenstaande de ingezetenen van het kersjjcl Tubbergen, waaronder hij comparant behoort, ingevolge het besluit van het Staatsbewind zijn aangeschreven om zonder verwijl hun achterstallig miskoorn op te brongen: dat hij diensvolgens het miskoorn hoeft doen consigneeren; maar dat uit een en ander mede volgt dat Dr. Dull (j.q. sedert 10 Maart 1800 ter dezer zake niet dan bij parate executie heeft mogen procedeeren; zoodat alles, wat sedert dien tijd is voorgevallen, strijdig is met het Staatsbesluit van 1800 en dus ipso jure nul en gevolgelijk liet vervolgen dezer procedure, zoowel incidenteel als principaal, geheel onnut, ja zelfs ongeoorloofd is.
Ofschoon door den aanlegger hiertegen werd aangevoerd dat naar bekende rechten, ons landrecht en vigeerendo praktijk oen gecontumacberde tot geene nadere gerichts-handeling mag worden toegelaten, besliste de Prov. Verw. Drost Cramer dat de termijn van sluiten ongepraejudi-
26
ceerd wordt gecontinueerd tot nader order, zoowel als liet nader decreet dat in deze casu quo over hot gehandelde vooraf nog zoude moeten vallen; zullende inmiddels hiervan aan Hooger Overheid worden kennis gegeven.
Hierover werd voortgeprocedeerd ^ en in zake Middendorp
\') De verwesring, den 27 April 1802 gevoerd, gaf tot zeer uiteenloopende beslissingen van het Drostcngorieht aanleiding.
1°. In de zaak tegen Ottink, welke ter beleering gezonden was aan Dr. II. W. Ravksteijn te Zwolle, verstond het gericht den 8 October 1802 dat het verzoek of eisch tot sluiting ter decisie dor incidenteoio procedure, geen plaats meer kon vinden en behoorde to worden afgewezen, voorbehoudens het recht van den aanlegger op do kosten der nu vervallen procedures.
2°. In de zaak Middondoip, ter boloering gezonden aan Dr. Klopmax to Zwolle, besliste hot gericht den 7 December 1802 dat met het sluiten dor procedure in deze zal worden voortgevaren als naar landrecht, zonder er bij te voegon oenigo andere stukkon als diegene, dewelke, voordat deze zaak voldongen was, hinc inde zijn ovorgegovon, met veroordoeling van den verweerder in de kosten.
Van dit laatste dooreet kwam do verweerder in hooger beroep bij hot Departementaal Hof van Justitie in Overijssel, dat het appèl desert verklaarde wegens niet inzending der boete en sportulon bij hot Landrecht gevorderd.
3°. In de zaak Asraan besliste het gericht den 3 Januari 1804, overeenkomstig het bijgetrokken advies van Dr. J. Jacobson te Deventer, dat de handeling van Asman vooralsnog niet kon worden aangenomen, maar dat dezelve uit de acten zal worden go-licht en hij tot geene handeling zal worden toegelaten, voordat hij met klinkend geld de contumacioole kosten voldaan had.
Nadat hij dit gedaan en zijne verwering van 27 April 1802 herhaald had, werd don 31 Januari 1804, overoonkomstig hot advies van Dr. A. J. JIouck te Deventer, verstaan dat aan den aanlegger zijn verzoek moest worden toegestaan en dientengevolge do onderhavige procedure in contumaciam moest worden gesloten.
Den gang dezer procedures kan men volgen in de protocollen van hot Drostengericht op het provinciaal archief, waar zo den elders niot voorkomendon titel hebben van Bailluwage vau Twenthe.
27
den 16 September 1806 door het Drostengericlit van Twentlic in naam van Z. M. don Koning- van Holland met toegetrokken advies van Dr. A. Sandbeeg te Zwolle de verweerder in zijne incidenteele eisch en conolnsie van 13 October 1801 niet ontvankelijk verklaard met last aan partijen om op den oorspronkelijken eisch voort te procedeeren.
Evenmin als in deze zaken is mij eene uitspraak ten principale bekend in de zaken, die voor het Drostengericht te Haaksbergen tegen zeven, voor liet Landgericht te Enschede tegen drie en voor liet Landgericht te Delden 1) tegen elf miskoornplichtigen 2) na de notificatie van 3 Juni 1800 (Bijl. S) hervat werden.
Toch schijnt er veroordeeling ot\' toepassing van de paratie executie plaats gevonden te hebben, daar de Drost van Haaksbergen en Diepenheim, J. B. Auffjiorth, zich over onveiligheid bij het vervoeren van goederen van de gecondemneerden in het betalen van miskoorn te Haaksbergen beklaagde bij het Departementaal Bestuur, dat hem volgens resolutie van 13 Mei 1803 berichtte dat er een detachement infanterie uit Deventer naar Haaksbergen gezonden zou worden om zich onder zijne bevelen te stellen.
\') Do grond dor bevoegdhoid vau hot Drostengericht in sommige en van liet Landgericht in andere gelieel gelijksoortige zakou is mij niet gebleken.
-) Tijdens de behandeling dezer zaken trof don advocaat Dull den 29 September 1800 do onaangename bejegening, dat tusschen Haaksbergen en Dolden zijn rijtuig aangevallen ou hij er uitgetrokken en op oeno allergeweldigste wijze geslagen werd door personen, die zich onkenbaar hadden gemaakt en herhaaldelijk riepen: „dat hora zulks overkwam uithoofde hij hen voor het miskoorn te Haaksbergen aansprak.quot; Bij notificatie van het Departementaal Bestuur van 2 October d.a.v. werd een nauwkeurig onderzoek naar de daders aan allo Schouten. Richters, enz. bevolen.
28
Bij missive van 3 Juni d.a.v. berichtte do Drost aan hot Departementaal Bestuur dat hij de bij voormelde resolutie gezondene waarschuwing ter kennis van de ingezetenen had gebracht, mot mondelinge instantie aan de voornaamste debiteuren van do uitgangen, genaamd miskoorn; dat hij, daar alle maatregelen zonder effect bleven, den advocaat Dull daarvan kennis had gegeven, ten einde de executie te bevorderen, maar dat deze hem in overweging had gegeven bij het Departementaal Bestuur de surrogatie van een onpartijdig gericht te vragen, daar Dr. Dull, doorliet gebeurde niet in staat was het gericht van Haaksbergen te frequent eer en, daar hetzelve partijdig was en niemand aldaar zoude zijn, die oen stuk goed bij executie zoude koopen en dus de goederen naar elders zouden moeten worden verzonden.
De Drost verzocht voorts de ingezetenen van de inkwartiering te ontheffen en finale afdoening der zaak te bevorderen; terwijl hij over het weigeren van sommigen om het miskoorn te voldoen zicli bij zijn adres van 30 Jan. 1804 mede tot het Departementaal Bestuur wendde.
Nadat Koning Lodewijk bij besluit van 11 Maart 1809 no. 4 verstaan had: dat geen inwoner des rijks, onder welk voorwendsel ook, meer mocht verplicht worden tot betaling van eenige taxe of schatting tot onderhoud van de kerkgebouwen of van den openbaren godsdienst eener andere gezindte 1), schafte hij later, zonder aan de consti-tutioneele wetten des rijks daartoe de bevoegdheid te ont-
\') Upey ou Dermout, Goschiodcnis dor Nederl. Herv. kerk IV. blz. 420. Dit bosluit (Bijl. V.) komt evenmin als dat van 27 Grasmaand 1810 in oonipc gedrukte verzameling voor: liet laatste is mij alleen uit de gedrukte kennisgeving van don Landdrost (Bijl. W.) bekend.
29
leeiien, do praestatie van liet miskoorn af bij decreet van 27 Grasmaand 1S10 no. 15, dat bij notificatie van den Landdrost (Bijl. quot;W) werd bekend gemaakt.
De dientengevolge bij hem ingekomen opgaven van nitgangen, koornlasten, enz. zond de Landdrost bij missive van G Herfstmaand 1810 aan den Minister van Binnenlandsche Zaken in, daarbij schrijvende: „Terwijl ik eindelijk omtrend do wijze van schadeloosstelling dei-personen, welke door het aangevoerde besluit in hunne inkomsten benadeeld worden, geen betere voet weet op te geven dan die mijn voorganger in officio bij missive van den 4 Slachtmaand 1809 heeft gesnppediteerd, hierin bestaande, dat aan de predikanten en andere personen,, welke tot hiertoe hunne tractemonten en inkomsten uit praestanda of uitgangen van zekere goéderen hebben gevonden, \'s Rijks wegen wierden schadeloos gesteld en de eigenaren der goederen verplicht dezelve voortaan aan het naast gelegen Domein kantoor te betalen, daar ik geen redenen vinden kan om de schuldplichtigen van den last, waarmede hunne eigendommen zijn bezwaard en waarop bij den inkoop is gerekend thans te ontslaan, waarom ik dan ook te minder bedenking hebben zoude, om dezelve inmiddels met de betaling te laten continueeren, tenzij dan op eene andere meer convenabele wijze in den dringenden nood van de belanghebbenden kan worden voorzien.quot;
Gevolg is hieraan niet gegeven; want spoedig volgde de vereeniging van het Koningrijk Holland met hetFran-sche Keizerrijk en stelde de hertog van Plaisance, als \'s Keizers Stedehouder, bij besluit van 24 Wijnmaand 1810 no. 15 (Bijl. X), het Koninklijk besluit van 27 Grasmaand bevorens buiten werking, bepalende, dat deze lasten provisioneel zouden worden vereffend en betaald, in afwach-
I
30
ting der nadere decisie, door den Keizer en het Wetgevend Lichaam te nemen.
Bij besluit van 1 Slagtraaand 1810 vond de Minister van Binnenlandsche Zaken diensvolgens goed „deze zaak als nu te houden voor vervallenquot; en afschrift van zijn besluit, waarin dat van den Prins Stedehouder was opgenomen, te zenden aan den Landdrost, om te zorgen dat er de noodige executie aan werd gegeven, dio bij besluit van G Slagtmaand 1810 gelastte dat do kennisgeving van hot besluit des Stedehouders zoude worden gedrukt \'), afgelezen en aangeplakt.
Eene eindbeslissing omtrent deze materie is nooit genomen.
Ofschoon niet in Twenthe maar in Salland gevoerd, meen ik hier te moeten melding maken van eeno procedure in 1545 voor den richter van Bathmen door den pastoor dezer plaats aangelegd, voor zoover deze uit do losso stukken, in hot Provinciaal Archief aanwezig, blijkt, bestaande uit eisch en antwoord (Bijl. Y) on een getuigenverhoor.
De pachters van het erve As sink hadden miskoorn opgebracht; de eigenaar, door den pastoor tot betaling aangesproken, beschouwde dit als eeno vrijwillige handedeling zijner meijers, waarvan hij niet wist; daar hij geen bezegelden brief kende, waarbij zijne plaats bezwaard werd. Eene beslissing is niet aanwezig, wel liet getuigenverhoor, waarbij drie personen, voor den richter Sweer Hülsinck
\') In do gedrukte notificatie staat het besluit des Kouings van Grasmaand 1810 vermeld als van Grasmaand 1809, welke fout ook in het verbaal van den Landdrost voorkomt, hetgeen aanleiding kan gegeven hebben om het iu Weekblad van het Rcgt no. 633 onder laatstgenoemd jaartal te vermelden.
31
geciteerd door Bartolt in den Delfft, pastoor toe Bathman, om te verMaren „wes kern wittich ende kondich ys van „Assinek, offt Assinck plaeliten mijscorne toe geven die „pastoren tho Bathman jn wortiden off nichquot; den 23 Januari 1545 verklaarden als volgt; Johannes Koster dat hem „wittich ende kondich ijs van dartich jaren lanck dat die „pastoren plaeliten van Assinck myescorne tho boren van „die meyeren op dat vursz. goet; Henrick Wylkinck „tngede van soeffentwiatich jaren lanck dat zalige gedachte „Heer Johan van Loen plachten tho boeren offt laten „halen van Assinck vursz.quot; en Jacop Diderinck „tngede „van achtendartich jaren lanck dat die pastoren plachten „oyck to boren van Assinck oer myescorne.quot;
Volledigheidshalve wijs ik op de navolgende, bij Mr. Boeles (De geestelijke goederen in de provincie Groningen, blz. 73) voorkomende, zinsneden; „In het volgende jaar „(1G05) was men ontevreden „„dat die Droste thoWedda „„den Predigers ijn die Heerlicheit tho Wedde wilde bespe-„„ren dat pachtkorn, offt so he secht, datt miss kom „„tho ontfangen. Achtet Synodus sulckes doent des Dros-„„ten onbehörlick tho sin, nnd ordelen dat diesulvige „„predigers aldaer, dat koren wel mögen ontfangen, be-„„sondern diewiele ijdt ehre middelen van underholt sin,quot;quot; en wat lager: „Dit pacht- of\' miskoren was meermalen „eene bron van twist tusschen leeraar en gemeente. Zoo „vertraagden eenmaal die te Vlagtwedde en Onstwedde „hot beroepen van predikanten; om van hunne goederen, „gedurende de vacature, aftetrekken „„die accidentalia „„van miskorn en andore.quot;quot;
Bijlage A. \')
Universis et singulis praesentia visiiris, lecturis, et sou audituris, Nos Theodoricüs de Grania in quot;Wyndessem ae Gheobgitjs de Antwerpia mentis sanctae Agnetae raonas-teriorum ordinis canonicorum regularium sancti Augustini priores, necnon Henricus Reymtjndis, canonicus ecclesiae collegiatae sancti Lebuini Daventriensis, et Egbertus ter Beek, presbyter, rector et pater domus fratrum seu cle-ricorum videlicet Florentii ibidem, Trajectensis dioecesis, arbitri, arbitratores seu amicabiles compositores per partes infrascriptas, quoad infrascripta decidenda et terminanda, specialiter electi et deputati, salutem in domino sempitornam.
Cum praeterita argumentum esse soleant futurorum ut igitur liominum calumpniis occurratur et memoriae con-suletur scripturae necessarium est amminiculum quo pro-culpellatur omnis dolositas et factorum series perhemp-netur. Hinc ad vestram et cujuslibet vestrum notitiam deducimus ac deduci volumus cupimus et seu desideramus per praesentes.
Quum orta et existens differentia causaque litis contro-versia seu quaestionis materia per et inter venerabilem et circumspectum virum magistrum Baldwijjum de Randen, dictae sancti Lebuini Daventriensis et sancti Plechelmi Oldenzalensis collegiatarum canonicum, parochialisque ecclesiae opidi seu loei de Otmerssem, partium Twenthiae,
\') Van deze uitspraak berusten twee exemplaren op het Oud-Provinciaal Archief. Zie Tijdrokcnk. Reg. IV. blz. 220.
33
dictae Trajectensis dioecesis rectorera, curatum seu pas-torem, ex una, et roligiosura virum fratrem Rey^erum de Texalia, priorem monastcrii, conventus seu loci de Alberch dioecesis et parocliialis ecclesiae praedictarum de et super noimullis juribus, censibusque annuis atque debitis, proprie dictis missatico et in vulgari miss-korn praetactae parochiali ecclesiae de Otraerssem ac illius pro tempore pastori, curato seu rectori ex antiqua laudabilique, hactenus inconcusse observata, consuetudine a paroehianis et subditis ejusdem ecclesiae de etexeorura praediis, campis, terris seu agris in et sub eadem con-stitutis et coraprehensis temporibus et locis adhocpositis et statutis solvi consuetis per eosdem priorera, monaste-riura et conventum de Alberch praefatos a quam pluribus annis tunc et nunc effluxis more caeteroruin parochianorum ex nonnullis praediis, niansis, terris seu agris vulgariter Uoeberch, dat Nijenkuijs, dat Zantlmijs, dat Hillinck, dat Laer et dat Dan nuncupatis et norainatis ipsis pertinen-tibus et spectantibus nondura solutis sou soluto sed solvi praetermissis et praeterraisso ac illonim occasione, partibus ex altera.
Per easdera quoque partes antedictas in Nos priores, canonicum et patrom praefatos tanquam judices, arbitros, arbitratores son amicabiles compositores differentiae litis causae controversiae seu quaestionis raateriae hujusmodi sub muleta pecuniaeque summa videlicet centum scuda-torum antiquorum monetae regis Franciae parti sententiam, laudum seu pronuntiationem nostras arbitrates de snper per nos unaniraiter ferendas et inirasciiptas laudanti, emologanti ratilicantique et approbanti irreraissibiliter ap-plicanda et solvenda in meliore et uberiore, qua de jm-e fieri potuit, forma ante omnia debite compromisso et seu arbitrate.
34
Tandem auditis per nos hinc indo partibus ipsis ac earum differentiae causae litis et controversiae pracdictarnm circumstantiis et meritis aliisquo attendendis de jure et ex acquitate rationibus merito et debite attentis litium aulractus possetenns amputare ac rancoribns, distnrbiis, disceptationibus et sou quaeremoniis majoribus et gravibns, quae ex tali inodico tales formidabantur oriri, obviare volentes.
Ne dicta parocliialis ecclesia sen illius pro tempore rector sou curatus jure suo missatico nuncupate penitus videtur frustrari ad nostras sententiam, laudum, et pro-nuntiatiouem arbitrales per ea quae videmus et cognovimus ac vidimus et cognoscimus de praesenti procedendum duximus et processimus ac tulimus verbo duntaxat et promulgavimus uti procedimus, ferimus et promulgamus in etfectu videlicet quod dictus frater Reynerus prior pro se ejusque conventu sen monasterio loci de Alberch praefati ac suis et illius successoribus infra hinc et festum beati Martini hyemalis proximo futurum comparabit, procurabit et assignabit sen comparare, procurare et assignare laeiet pro missatico hujusmodi seu loco illius in bonis, redditibus unum medium modium siliginis de et ex quodam praedio seu manso competenti et congruo et sub dicta parochiali ecclesia de Otmerssem situato et comprelienso (eidem ecclesiae et pastori de Otmerssem pro tempore, ex dictis sex supraspeciflcatis praediis seu mansis quomodplibet debitis perpetuo et infallibiliter temporibus et locis, quibus missaticum hujusmodi a parochianis praedictis solvi et dari est consuetum) solvendum atque realiter et cum effectu ex hujusmodi praedio exigendum, levandum et extor-quendum, dolo et fraude in praemissis semotis pariter et seclusis.
35
Quibus sontentia, laudo et pronuntiatione arbitralibus sic ut praemittitur facere clicti frater Reynerus prior pro se suuque convontu seu monasterio de Alberch ac suis et fratruin suorum successoribus atque magister Baldwinns canonieus, pastor et curatus etiam pro se et suis sueces-soribus, pastoribus sou curatis omnibus via, jure, modo, causa et forma melioribus quibus potuermit et debuerant easdem sententiam, laudum seu pronuntiationem hujusmodi ac omnia et singula in eis contenta et specificata lauda-verunt, emologarunt et approbarunt ipsis penitus acquies-centibus.
In quorum omnium Mem, robur et testimonium perpetuum et evidens praemissorum praesentes nostras litteras sen praesens publicum instrumentum sententiam, laudum et pronuntiationem ac alia suporscripta in se continentia seu continens exinde fieri mandavimus ac nostra et ip-sarum hincinde partium praedictarum propria sigilla eisdem praesentibus duximus appendenda et sunt appensa.
Actum et datum Daventriae in dicta domo clericorum seu fratrum ac camera hospitum ibidem sub anno a nati-vitate Domini millesimo quadringentesimo sexagesimo nono, indictione secunda, die vero quot;Veneris decima septima mensis Novembris hora vesperorum vel quasi, pontificatus sanctissimi in Christo patris et Domini nostri domini Pauli, divina providentia papae secundi, anno sexto; praesentibus ibidem religiosis viris fratre Reynero, con-fessore sororum in Oldenzael, et fratre Thilmanno, con-fessore etiam sororum in Elburch, saepedictae Trajectensis dioecesis, presbiteris et clericis quam pluribus alils fide-dignis testibus ad praemissa vocatis specialiter et rogatis.
3G
B ij 1 a g e B. 1)
HoogWelGob. Gcstrongo Heer.
Mijn Heer Wn.lem baron Bentixck tot Diejien-hoim en Sclioonliooten, Lanclclroste van \'t Twonthe en van Valkenbiu-g-, etc. etc.
Wolt. Dull, Praedicant van Tubbergen, remonstroerd met alle soorte van respect aan TJ H.W.G. hoe dat uit de Erven De Horst en Brinkhuis in do bourschap Tubbergen (beide toebehorende aan d\' HoogWelGeb. Heer Van Eschede) jaarlyx in de Pastorie van Tubbergen moet betaelt worden drie schepels rogge en drie schepels haver en uit jeder oud of negende deels huis drie strs.
dat welgemelten Heer van Eschede die beide erven hebbende verhuurd op die conditie dat niet de meijerluiden maar syn Hoog Wel Geb. sell\'s \'t voorn, koom sonde betalen.
Uit welken hoofde den remonstrant op den 31 Maart laastleden een speciflce rekeningo met de sakken aan siju Hoog Wel Geb. heeft gesonden en verzoek van vol-doeninge dewelke wel ten deele is geschied doch met inhoudinge van twee ende een half schepel haver onder praetext dat den remonstr. ten onrechte of te veel soude hebben ontvangen 24 strs in twee jaren als te sien sub A.
dies don remonstrant tot voorkominge van kosten en moejelijkheden op den 4 April door syne maagd aan syn Hoog W. heeft gesonden het dobbeld van de aangehogte memorie sub B, edoch daarop geen antwoord ontvangen.
Weshalve hij supplnt te rade wierd om sijn Hoog Wel Geb. door den gerichtsdienaar scriftelijk tot do voldoeninge te doen summeeren uti sub C.
\') Berustende iu het archief van het huis Heiinghaven.
37
Ecliter al wederom vruchteloos.
Daar nochtans (na luid van de fundatie en volgens constante practijk) liet koorn den tijdlijkcn Predicant vrij moot worden thuisgebracht, gelijk ook in de onderge-horende Boerschappen op de tourbeurte eenen bespannen wagen wordt geleverd (soo dat de gebrekige datelij k kon-nen worden geexecuteerd doordien beide liet soogenaamde miskoorn ende de soogenaamde Rookhoenders ofte drie stvs van de kleinen er huisen den tijdlijken Predicant door de Provincie in mindering van sijn tractement word aangerekend;
dus den remonstrant geene schade konnende lijden in sijn tractement noch ook gedogen (soo veel in hem is) dat worde verminderd het fonds, twelk daartoe door de provincie is geordonneerd concludendo seer reverentelijk versoekt dat U H.AV.G. den Heer beklaagden gelieve te belasten aan den Remonstrt. (sender eenige frivole exception te maken) het bovengemelte restant una cum expen-sis, soo reeds gedane ende als noch te doene promtelijk te voldoen, en dat sijn HoogW. ordre stelle, dat op den gesetten dag, als den tijdlijken Predicant de collecte doet in de Bourschap Tubbergen of op sijn Hoog Wel Geb. Erven, gelijk als op andere Erven geschied, ofte op sijnen huise het verschuldigde koorn promtelijk mach worden ontfangen of dat bij ontstentenis van dien, den Richter van Ootmarssen mach worden gerequireerd de parate executie te verleenen.
\'tWelk doende, etc. etc., (get.) quot;W. Dull.
In margine was geapostilleerd:
Do Heer Beklaagde sal het koorn hebben te betalen als van ouds gebrnijkelijk; so dan redenen ter contrarie
38
mogte hebben, worden de partien gerenvooieert an \'t 01-dinaris gerigte.
Almelo den 20 Augusti 1739.
(get.) W. Bentijtck.
Pro vera copia (get.) W. Nilamt.
Bijlage C.
Cainpen den 24 Maart 179G. Do Gecommitteerdcns tot de kerkelijke zaaken, aan dewelke commissoriaal gemaakt zijn diverse adressen, houdende klagten van Prodikanten en andere tot de dienst der Gereformeerde kerken betrekking hebbende uit het quartier van Twenthe, dat thans aan hun door diverse ingezetenen verweigerd zouden worden gedeeltens van tractementen of emolumenten zo aan hun door deselve te vooren onbespierd en ongestoord betaald zouden zijn; versoekende dat dezelve tot de continuatie der betaaling daarvan moogen gehouden en verpligt worden, alsmede de berigten daartegen ingediend: hebben vermeijnd eerst eenige generaalo aanmerkingen te moeten opgeeven en wel: Ten eersten, dat het zeeker zij, dat ieder eigenaar van ongereede goederen, waarop eenige uitgangen of andere jaarlijkse praestanda staan, dezelve goederen bij koop ge-acquireerd hebbende, op die bezwaaren gecalculeerd en dezelve goederen daarna aangekogt heeft, en dus om redenen dier beswaaren minder voor die goederen betaald heeft, dan hij anders zoude gedaan hebben, wanneer die goederen alzoo niet bezwaard waaren.
\'Twelk mede op de alzoo beswaarde goederen dooide Ingezetenen bij Erfenis-scheidinge geaequireerd appli-
39
cabol is, terwijl hot notoir is dat daarna de goederen bij taxation meerder off minder waardig geschat worden.
Dat ten tweeden de eigenaars van zodaanige goederen, waarop dergelijke lasten staan, of waaruit dergelijke jaarlijkse praestanda moeten betaald worden niet alleen zig niet beklaagen kunnen, alsof zij nu onverpligt zouden zijn, dio praestanda te voldoen, ma:ir dat in tegendeel zoude volgen, dat wanneer zodanige Eijgcnaaren van dio lasten zonder afkoop of vergoedinge door dese vergadering bevrijd wierden alsdan aan die Eijgenaaren buiten reden giften zouden worden gedaan.
Ten derden, dat inval dergelijke praestanda in plaats van aan de amptenaaren zelve, aan de Provintie betaald zouden worden, en aan die amptenaaren diesweegens de-doinmagomenten zouden gegeeven worden; dan iemand zoude bchooren aangesteld te worden welke, even als de ontfanger der Pastorij goederen in Zallaud, in Twenthe diergelijke betalingen ontfmg of deze vergadering zoude moeten goedvinden die praestanda te laaten afkoopen.
Oordelende Rapportanten ten vierden hier nog te moeten reflecteeren, dat de Consideration door sommige berigt-geveren voorgebragt dat zowel aan de Leeraren van andere gezindheden als aan die der gereformeerde gezindheid tracte-mont behoorde gegeeven te worden ; geen verandering omtrent de verpligtheid tot betaaling der bovengemelde jaarlijkse praestanda of lasten op zig zelve te weeg kunnen brengen.
Terwijl wanneer zulks binnen deze Republijcq of Provintie bepaald word, ook daartoe dan de nodige schikkingen on arrangementen zullen moeten gemaakt worden.
Deoze genoraale aanmerkingen nu hebbende laaten voorafgaan, zal de Commissie overgaan tot het praeadvisee-ren over de in hun handen gestelde Roquosten en berigten.
-10
Onder welke lom iu ile eerste plaats is te vooren ge-koomen, het request van A. H. J. Weerman, koster en voorsanger van de Gereformeerde Gemeente te Denekamj), aan de Ords Gedeputeerden gepraesentoerd, houdende versoek: dat de Boermannen der Parochie van Denekamp mogen worden gelast om haar verschuldigde vicarie of kosterie koorn te voldoen, zoals op Martini 1795 ver-scheenen is geweest; en dat bij onverhoopte verdere ver-weigering de suppliant moge worden geordonneerd, hoe hij zig dan zal hebben te gedraagen, waarop door de Ords Gedeputeerden den 17 Febr. 179G gcappoincteerd is; Do Beklaagden worden gelast den klaager klageloos te stellen, ten waare redenen ter contrarie hadden, welke alsdan kunnen inzenden in de tijd van drie weeken.
Alsmede hot daarop ingekoomen berigt van de Boer-rigters en zetters van de gezaamentlijke boerschappen en marken van \'t geheele Carspel Denekamp, houdende versoek, dat voormelde klaager met zijne ongegronde klagte mogte worden geweesen van de hand.
Welk een en ander de Commissie geexamineerd hebbende, van advise zoude zijn.
Dat de Beklaagdens goone genoogsaame redenen ter contrarie hebben ingebragt, en dat dientengevolge het bovengemeld appoinctement van de Ords Gedeputeerden van 17 Febr. 179G behoorde te worden gaaf verklaard en alzoo conform hetzelve de beklaagdens te worden gelast, den klaager klageloos te stellen, immers tot zo lange door dese vergadering andere voorzien in ge moge worden gemaakt.
Ten tweede een request van de Predikanten der Gereformeerde gemeente van Ootmarsum zig beklaagende dat verscheidene Ingezetenen des Carspcls van Ootmarsum, het door hun aan Eequestrantcn verschulde koorn, vlas
41
en geld, waarmede derselver Erven en Landerijen belast zouden zijn, verweijgerden uit te re ij ken en te doen geworden, en houdende versoek, dat dezelve Beklaagdens mogten worden geordonneerd zulks aan de klaageren uit-tereijken en te doen geworden en liet daarop ingediende bcrigt van beklaagdens, houdende versoek dat zij mogten verklaard worden onverpiigt te zijn, om aan de Bedie-naaren der Gereformeerde kerke van Ootmarssum voortaan eenig tractement hetzij in koorn of andersints te fourneeren.
Ten derden een request van de Predikant der Gereformeerde gemeente van Tubbergen houdende versoek, dat de ingezetenen van de markte onder het carspel van Tubbergen mogten worden gelost, om hunne jaarlijks verschulde praestanda van koorn en geld aan de klaager uijttereijken en te doen geworden, beneevens het berigt van beklaagdens, houdende versoek, dat zij mogten verklaard worden onverpiigt te zijn aan de Bedienaaren der Gereformeerde kerke van Tubbergen voortaan eenig tractement hetzij koorn of andersins te fourneeren en dat dienvolgens het versoek van requestrant als geheel ongefundeerd en strijdig met de gronden van gelijkheid en vrijheid zoude worden geweesen van de hand.
Ten vierden een request van Albert Berends, orgels-treder en windmaaker van \'t orgel der gereformeerde kerke te Ootmarssum, houdende versoek, dat hij bij zijn wettig verkroegen ampt met de daaraan verknogte opkomsten of emolumenten mogte worden gemaintineerd en het daarop ingediende berigt van de Ingezetenen van het Carspel van üotmarsum, houdende verzoek, dat \'t versoek van den Re-questrant H. Berends mogte worden geweesen van de hand.
De Commissie zoude ten aansien der boven gemelde tweede, derde on vierde zaaken van advise zijn dat do
42
boklaagdons behoorden te worden gelast, de klagers kla-geloos te stellen, immers tot zo lange door dese vergadering andere voorsieninge word gemaakt.
Waarop zijnde gedelibereerd, heeft de vergadering zig daarmede geconformeerd.
De Burgers ten Pol en Nijenhuis 1) hebben verklaard zig met het rapport niet te kunnen voegen, maar zig haare aantekeningen daarteegens te reserveeren.
B ij lage D.
Aan de Representanten van het Volk van Overijssel.
De ondergetekende en onder gehandmerkte Boermannon, van het Land Gerigte van Ootmarssum, hebben de Eer aan Uw Lieden met allen gepasten Eerbied aan hunne Representanten verschuldigd, en tellens met alle vrijmoedigheid die hun het vertrouwen op de welgegrondheid haarer klagten inboesemd voor te draagen; dat zij met de uiterste Surprise en Verbasing uit de Resolutie van de Provisioneele Representanten de dato Campen den 24 Maart 179C omtrend de klagten van enige Predicanten en andere tot den dienst der Gereformeerde Kerken betrekking hebbende Personen, over hot verweigeren van betaling van het zogenaamde miskoorn gevallen, gesien en gelezen hebben, dat welgomelte Representanten op Praeadvis en Rapport, door de Gecommitteerdens tot de kerkelijke zaaken uitgebragt, sig met het gezegde hebben gelieven te conformeeren, en dien ten gevolge Romon-
\') J. II. Meuwenhuijs liad zitting voor do stad Oldonzaal.
43
stranten te gelasten, die klageren klageloos te stellen, immers tot zo lange door deze Vergadering daar omtrend andere voorziening worde gemaakt; De ondergetekende vermeinen bereids bij dezelver Respective ingediende be-rigten, bondig betoogd te hebben, dat de thans aange-nomene en allenthalven verkondigde grondbeginselen, van Vrijheid en Gelijkheid niets dan ijdele klanken zouden zijn, bij aldien men hun nog langer wilde belasten met het onderhoud van Predicanteu en andere bediendens van eene Godsdienstige versameling, waarvan zij geen leeden, en waarvan zij gevolglijk geen het minste reciproque genot of voordeel trekken; zij zidlen derhalven daaromtrend ten einde in geen nutteloze herhalingen te vervallen, niet breed quot;ooriger uitweiden, nogte zig wijder elangeren over de behandelingen, den Eoomschgezinden straks naar dat deeze thans door Gods zeegen vrije Gewesten zich van de Spaansche overheerssing en geweetensdwang, met opoffering van hun Bloed en Leeven hadden vrij gevogten; waartoe de Roomschen zo uit hoofde van hun meerder getal, zo niet liet meeste althans het hunne hebben ge-contribueert, van tijd tot tijd aangedaan nog over de Kerken, goederen, besittingen en opkomsten tot derzelver onderhoud gegeven en bestemd, die men hun niet zonder schending van het Geheiligde Recht der Verbonden, daaromtrend bij de Unie van Utrecht en Pacificatie van Gent gemaakt en ingegaan, met overmacht heeft ontweldigd, en in desselfs plaats eenige bedekte vergaderplaatzen, alwaar zij nog niet eens ten allen tijde zeeker waaren, vergund, om God op hunne wijze te dienen, dewelke nog daarenboven tot vergoeding van het gemis, met Lasten bezwaard wierden, waarvan men de Godshuizen van bijna alle Protestantische Gezindheden onthief, zonder een
44
woord te reppen van de knevelarijen en die onversadelijke schraapzugt der Hoofdofficieren, Drosten en Amptenaars, waaraan men do Belijders van een Godsdienst, welke die van Onze Vaaderen was, zo door het sluiten van hun zo zeer verlaagde versamelplaatzen, in de snccessive zo we-derregtelijke als haatelijke Geëmaneerde Placaten, met den veragtelijken naam van kerkschuuren bestempeld, als bij het installeeren van een Nieuwen Priester of Capel-laaneu en andere gevallen heeft bloodgesteld en opgeofferd, maar zig bepaalen tot dat geene de commissie van de kerkelijke zaaken tot staaving van haar nitgebragt Rapport heeft aangevoerd; zij stelcl het namelijk dat liet volgens haar gevoelen zeeker is dat ieder Eijgenaar van ongereede Goederen waarop eenige uitgangen of Jaarlijkse Prestanda staan, dezelve goederen bij koop geacqui-reerd hebbende, op die bezwaaren gecalculeerd en dezelve goederen daarna aaugekogt heeft, en dus om redenen dier bezwaren minder voor die goederen betaald dan hij anders zoude gedaan hebben, wanneer die goederen alzo niet bezwaart waaren; liet welke mede op bezwaarde goederen bij erfnisscheidingc geacquireerd zoude aplicabel zijn, terwijl de goederen daarna meerder of minder geschat wierden, dog die commissie zegt nergens dat aan haar gebleekon is dat zodane uitgangen of belastingen op de goederen van Remonstranten leggen, dit dog hadden de origineele klageren en aanleggeren klaar moeten bewijzen, niet alleen, maar ook duidelijk moeten aantoonen dat die bezwaren daarop hetzij door vrijwillige toestemming van Remonstrantes voorzaaten of antecesseuren, of enige andre daad dezelve zijn gekoomen, en dan nog wel dat die uitgangen gedestilleerd waaren tot onderhoud van Predikanten, ministers, bediendens en kosters van de Gerefor-
45
moerde kerk; van dit zo allernoodzakelijkste betoog, cum nemo absque sue coucessu aut facto obligari qneat, hebben de origineele klageren geen scliijn nog schadu voor den dag gebragt; zoodat de betalinge van het zogenaamde miskoorn niet anders als een usurpatie en onder het vorig bestier door geweld afgeperste Praestatie moet worden beschouwd, waardoor dus de alzo wederregtelijk bezwaarde goederen in waardij vermindert, en derzelver Besitters wel degelijk benadeeld zijn, zonder dat het argument door de commissie der kerkelijke zaaken gebezigd, alsof die bezwaarde goederen bij Erfnisscheidinge door de gesamentlijke Erfgenamen daarna zouden worden berekend, liier in de minste consideratie kan koomen; want hoe wanneer er maar een Erfgenaam is? dan lijd deze zeeker liet nadeel alleen, en wanneer zij meer zijn, dan lijden zij ieder in haar Portie, omdat het goed door het daarop gelegde bezwaar notoir in waardij vermindert: het is dus zeer abusif dat, wanneer men de Remonstranten van deze hun opgedragen last bevrijde, men ingevolge het denkbeeld van welgemelte commissie gehouden moest worden, als of men buiten oorzaak iets zoude geeven, om redenen dat iemand van een onwettige schuld geli-bereerd worde, niet geagt kan worden daardoor verrijkt te zijn ofte hem iets te zijn gegeven; Remonstranten willen wel veronderstellen en houden het zeli\'s voor zeer waarschijnlijk, dat in vorige eeuwen toon den Roomschen Godsdienst hier te Lande nog do algemeene ja bijna de enige Godsdienst was, welke alhier beleden wierd, dein-gesetenen en onderhorige, van ieder Parochie of Kerspel zig geengageerd hebbende, om tot onderhoud van hunne Pastors en Priesters, die men in dien tijd waarschijnlijk niet gewoon was, zo als thans geschied, uit \'s Landscassa
4G
te salariseeren, eenig koorn, boter en verdere levensmiddelen te fourneeren, waartegen zodane Pastor of Priester, zig dan ook obligeerde om hunne kerken en gemeente te bedienen, en volgens het gebruik der Eoomsch gezinden de Misse te leezen, waarvan daan dat koorn ook op hoeden met de naam van miskoorn bestempelt, en onder dien titul gevorderd en ingezamelt is geworden; Dit was derhalve oen vrijwillige git\'te, of op zijn hoogst genoomen een tweeledig contract, do ut facias, waarbij de eene Partij zig verbond den Godsdienst te verrigten, en de andere daarvoor iets te betalen, en waaruit gevolglijk ten weerszijden eene verpligting ontstond die moest nageleeft en volbragt worden, en zo haast eene der contrahenten in gebreke bleef daaraan te voldoen, was volgens den aart van alle bilaterale contracten de wederpartije van alle verbintenisse gelibereerd en ontslaagen. Nu is het zeeker dat, naar dat de Eeformatie dit gemeenebest doordrongen, zig allengskens ten koste van de Roomschen tot den heerschenden Godsdienst verhief, de Bedienaars en Predikanten van dien Godsdienst den dienst der misse niet verrigten, nog uit hoofde van haare Godsdienstige begrippen konden verrigten, gevolglijk dat ingegaan contract met enige Parochianen die den ouden Godsdienst hunner vaderen bleeven aankleeven, niet langer konden adim-pleeren, in welk geval derhalven mede buiten tegenspraak de verpligting van laatsgenoemde tot eenige uitreiking, of betaling van miskoorn amp;c cesseerde en buiten verbindende kragt gesteld wierd, waartoe men hun evenswei in \'t vervolg door geweld en strenge Placaten togen regt en billijkheid aan heeft weeten te constringeren; uit dit alles ziet gij Lieden dus klaar, hoe verkeerdelijk men deze vrijwillige aanbieding, of op zijn hoogst Personeele
47
verbintenisse, om tegens het genot van een zeeker voordeel \'s jaarlijks iets te willen betaalen of\' praesteeren, als een reëlen last, bezwaar of uitgang, waarmede het goed zelfs behebt zonde zijn, heeft zoeken te doen voorkomen; Ook is het tegendeel daaruit baarblijkelijk, dat die collecten voor de Predicanten, kosters, organisten en andere bedienaars der Geref\'crmeerdc kerken, niet alleen van ondhoevige Huizen of Erven, maar ook van elke nieuwe woning zo geset, gevraagd en gevordert word, en dat zo rasch Erven gesplitst, de Landerijen verkocht, gedistribueerd en de wooning er af gebrooken zijn, daarvoor gelijk echter omtrend alle reële Belastingen, uitgangen en bezwaren plaats heeft, niet verder worden aangesprooken of vervolgd, uitwijzens een menigte voorbeelden hier voorhanden, die men zoude kunnen allegeeren, waaruit men kortheidshalven maar zal aanvoeren het Erve en Goed Nquot; ij kamp in Vasse, en Repink in Agelo gerigts Ootmarssum; Ook zij het den Remonstranten geoorlooft hierbij nog wijder aan te merken, dat do zoo wedërreg-telijke als Haatelijke te vooren hier te Lande ingevoerde Drostendiensten veel meer het aanzien en gedaante hadden van reële belastingen en uitgangen waarmede do goederen behebt waaren; alzo een ieder besittor of gebruiker van enig goed zonder onderscheid van Persoenen gehouden was zodane diensten als do tijdelijke Drosten gewoon waaren van dat goet te genieten, te praesteeren; dat egter Ridderschap en Steeden, de toenmalige staaten dezer Provincie, niettegenstaande en in weerwil der Pogingen en woelingen door enige belanghebbende daartegen ondernomen, beslooten hebben die wederregtelijk ingevoerde Dienstbaarheid af te schaffen, zonder dat men alstoen van gevoelen schijnd geweest te zijn, dat daar-
48
door die goederen, plaatzen, of Erven bevoordeeld en 1 consequenlie aan derzelver Eigenaren of Besitteren zond redenen gifte zoude zijn gedaan, neen maar dezelve s een onwettig opgedrongen bezwaar beschouwd, en als zc danig vernietigd zijn geworden, en zulks wel in een tijdsti toen het Ligt der Vrijheid nauwelijks begon te schemere En zoude dan onder een Eegeringsform, wier hooi gronden zijn Vrijheid, Gelijkheid, in dewelke men Regten van den Mensch erkend en Eerbiedigt; welke g volgelijk geen heerschende kerk, geen Preferente Goc dienst, veel min eenige daaruit profluerende onderdru king dulden kan nog mag, bezwaaren die der Eemc stranten voorzaten en andere eerst tegen een zeeker gei van te presterene diensten vrijwillig hebben op zig j. noomen te betalen, en welke Praestanda men hun nadi hand toen de reciproque diensten, waarvoor dezelve 1 taald wierden, ophielden en gevolglijk naar bekende regt mede de betaling voor dezelve buiten tegenspraak moest cesseren, heeft afgeperst, alsnog blijven voortduuren, zij Remonstranten bij continuatie verpligt worden i zoogenaamde miskoorn onder de voorgewende nai \'s jaarlijkse Praestanda of reëlen uitgang, waarvan eg niet het geringste is beweezen, en welks tegendeel uit 1 hiervoren geavanceerde zo duidelijk consteert te betale Neen Burgers Representanten, de Remonstranten v seeren in het vast vertrouwen dat zulks onder een I gerings Bestier, geboud op de Rechten van den Mens en Burger, en op gronden van gelijkheid en vrij he onder welke elke verdrukking, elke overheersing, misdac is, niet langer zal worden geduld en wenden zich d halven andermaal tot üw Lieden met Eerbiedig verso Dat gij Lieden de hiervoren aangetogene grond
49
en bij waarop zij remonstranten hunne klagte fundeeren, op nieuw
zonder zult gelieven in overweeging en Deliberatie te neemen in
ilvo als liet zeeker vertrouwen dat gij daardoor van de Eecht-
als zoo- matigheid derzelve overreed zult gelieven te verstaan; dat
tijdstip, zij Remonstranten ongehouden en onverpligt zijn, het zoo-
emeren. genaamde Miskoom ofte enige andre collecte aan de Be-
■ hoofd- dienaars van andere Godsdiensten te fourneeren, ofte uit
men do te reiken, te meer, daar zij Remonstranten reeds genoeg
3lke ge- gedrukt worden met het onderhoud van hunne eigene
e Gods- Pastores en Capelanen en verdere kerkbediendens, dewelke
lerdruk- kenlijk geen den minsten Pennink uit \'s Lands cassa,
Remon- waarin zij Remonstranten mede het hunne contribueeren,
er genot zoals die van de Gereformeerde kerk alnog blijven ge-
zig ge- nieten, kunnen profiteeren of trekken.
ii nader- \'t Welk doende:
elve be- (got.) X Dit is merk van Jan Egberiuk, Boerrigter
le regten van Albergen.
moesten Gereijet Jan Kbukhaae, gekomtert uit Gesteren,
uren, en X Dit is merk van Engbeet Braakman, Boer
den het rigter van de Boerschap Tubb.
e naam Alheetus Mensijnk, Boerrigter van Fleringen.
au egter Berent Leferink, Boerrigter van Reutem.
el uit het Jan Rasink, als borrigter van Vasse.
betalen? Albeet Beungee, als boerrigter van Kien agol.
vten ver- Jan Amsink, als boerigter van Mander.
een Re- Heeuen Aenick, als borrigter van Tilgto.
l Mensch Heemans Koks namens Borrigter van Nutter
vrijheid, ooiden Ootmorsum.
misdadig Gaeeijt Veili.ink, Boerrigter van Hesingen.
zich der- Beeent Lutke Veltman te Brekeloncamp, gee-
versoek. komiterde.
gronden, Jan Wiggee nam. Latterop.
4
50
Bijlage E.
Campen den 2 Junij 1790.
De Gecommitteerden tot de Kerkelijke zaaken ingevolge resolutie commissoriaal van den 20 deser, hebbende ge-examineerd de requeste van verscheiden Boermannen van het Landgerigte van Ootmarssum, houdende beswaaren tegen onse Resolutie van den 24 Maart 11. omtrent de klagten van eenige Predikanten en anderen tot den dienst van de Gereformeerde kerken betrekking hebbende persoenen over het verweigeren van betaling van het zogenaamde miskoorn met versoek dat wij die zaak in nadere deliberatie geliefden te neemen en te verstaan, dat zij ongehouden en onverpligt zijn het zogenaamde miskoorn of eenige andere collecte aan de Bedienaars van andere Godsdiensten te fourneeren of uittereiken te meer daar zij reeds genoeg gedrukt werden met het onderhoud van hunne eigene Kerkbediendens: hebben ter vergadering-gerapporteerd, dat aan hun geene redenen zijn voorge-koomen waarom bij de gemelde resolutie alnog niet zoude worden gepersisteerd, te minder, wijl het miskoorn in Zalland zoo wel als in Twenthe word betaald terwijl hetzelve in het quartier van Zalland door den Rentmeester der Pastorij e- en Vicarij goederen word ingevorderd: wes-halven zij Gecomm. van advise zouden zijn dat de vergadering alnog zoude behooren te persisteren bij haare resolutie van den 24 Maart laatstl: en diensvolgens de requestranten te gelasten zig exactelijk dien conform te gedragen.
quot;Waarop zijnde gedelibereerd, heeft de vergadering zig in zo verre met \'t voorscr. rapport geconformeerd, dat voor hot loopende jaar het daar bij gementioneerde mis-
51
koom nog als te vooren zal worden betaald; wordende voorts dese zaak nogmaals gerenvoijeerd aan de commissie tot de Kerkelijke zaaken aan welke nog worden toegevoegd de Representanten Doijer en ten Pol, ten fine om de-selve nogmaals grondig te ondersoeken en te rapporteeren, op welke wijze zij zouden vermeijnen dat hier omtrent naar billijkheid finaal zonde behooren te worden geresolveerd.
B ij 1 a g e F.
Gericht gehouden den 17 Junij 179G.
Richter, F. van Raet.
Assessoren, G. Oosteewijk. G. van Assen.
Compareert in dit Gericht de Predikant G. B. Stulen zeggende Hoe aan compt. in zijne qualiteit als Predikant der Gereformeerde gemeente te Ootmarssum door Gekve-link, als bouwman van het Erve Gervelink in Groot Agelo, jaarlijks en wel op Michaëlis moet worden uitgereikt twee spind rogge benevens twee winden gehekeld vlas;
dat de uitreikinge daarvan op Michaëlis laatsleeden door Gervelink zo wel, als veele andere bouwlieden en boermannen des earspels Ootmarssum, is geweigerd geworden;
dat compt. om hierover in geene wijdloopigheeden te vervallen en om zeeker te weezen dat de boermannen verpligd waaren, dit Praestandum, gelijk te vooren, en van ouds alnog te praesteeren benevens zijnen Ambtgenoot de Predikant J. van Loo, die met hem in hetzelve geval was, te raade is moeten worden zich ter deezer zaake bij de Representanten des Volks van Overijssel te ver voegen^
52
hetgeen dan ten gevolge gehad heeft dat welgemelde Repraesentanten na Examinatio van hot bericht der boermannen, op dat request afgegeeven, de beklaagdens hebben gelast de klagers Idageloos te stellen en dus bij con-tinnatie dit praestandum te botaalen bij resolutie van den 24 Maart 179G hierbij per copiam authenticam sub A.
dat desniettemin voornoemde Gervelink nevens anderen tot nog toe in gebreke is gebleeven, om aan de allezins billijke orders van den Souverein te voldoen, en liet gemelde praestandum of wel de rechtüjko waarde van dien aan den Compt. niet betaald heeft: waarom dan de Compt. genoodzaakt is geworden, den gemelden Gervelink tegens heeden te doen citeeren, uti sub B. om van hem betaling te erlangen van gemelde twee winden gehekeld vlas en van de waarde van gemolde 2 spind Kogge, welke waarde na bekende rechte gelijk do citant door deskundigen onderricht is, moet geaestimeert worden, na den hoogston prijs, welke de rogge zedert den tijd van de mora van den debiteur, dat is Michaolis laatsleeden tot den tijd of dag van de effectieve praestatie toe heeft gegolden, en welke bekendlijk inmiddels over de vierdehalve guldens per schepel heeft bedragen.
En verzoekt derhal ven de citant dat Partijen in deezen de plano bij decreet volgens nader regiem, van 1719 art. 3 te vinden achter het Landrecht no. 2 mogen worden ontscheiden en de geciteerde gecondemneert om hot gemelde Vlas en de gemelde Waarde der Rogge na Taxatie, welke Jüer volgens de regulen van regten moet plaats hebben, door dit gerichte te flxeeren, promptelijk te moeten betalen met de kosten.
Verzoekende hiertoe aaneischinge van den geciteerden en bij uitblijven of geen genoegzame handeling decreet
53
van contmnacie tegens clenzelven ten fine en effecte als na Landrechte.
Decreet.
De Geciteerde hierop zijnde aangeeischt, doch niet gecompareert, word gecondemneert om \'tge-eischte vlas en de waarde van de rogge te voldoen, welke waarde bij dit gerichte word getaxeerd op 3 fl. 3 st. t scheepel en zulks met de kosten salva purga.
Bijlage G.
Aan de Provisionele Representanten des volks van Overijssel.
Geeven aan ÜL. met verschuldigden Eerbied te kennen de ondergeteekenden Predikanten van de Gereformeerde gemeente te Ootmarssum.
Hoe zij, op den herfst van het gepasseerde jaar 1795 bevonden hebbende, dat veele Ingezetenen des Carspels Ootmarssum verweigerden, het door hun aan de ondergetekende, in derzelver qualiteit, jaarlijksch verschuldigd koorn, en andere praestanda uittereiken, en te doen geworden, zich dieswegens aan UL. bij klaagrequeste hebben geaddresseerd, op zulk eene wijze als bij UL. Resolutie hierbij per Copiam Authenticam sub.. patet, van don 24 Maart dezes jaars 179G is genarreerd.
Dat Gijl. daarop gehad hebbende het gerequireerd Bericht van de Beklaagdens, bij welgemelde Resolutie van den 24 Maart 179C, de laatstgemelde uitdruklijk gelast hebben, de klagers klageloos te stellen.
Dat zij ondergetekende, ofschoon met zulke eene dui-
54
delijke verklaaringe en Resolutie van UL. (welke nog bij eene nadere Resolutie van UL. in dato den 30 Malj daaraan volgende, gelijk zij vernoomen hebben, niettegenstaande de onwillige Beklaagden zig daarover nader aan UL. hadden geaddresseerd is geinhaereerd) gemunieord, nogthans bij continuatie, verweigeringe van betaalinge aan zijden van die Debiteuren ontmoetende, genoodzaakt zijn geworden, om den weg Landregtens tegens deezen Do-biteuren in te slaan.
Met dat gevolg, dat tegens deeze Debiteuren, door het Landgerigte van Ootmarssum Condemnatoire Decreeten zijn geslaagen op den 17 Junij jongstleeden, gelijk hierbij te zien sub A 1° en A 2°.
Dat zij ondergeteekenden, dit vonnis, in rem judicatain ergaan, meenende ter Executie te doen stollen, tot hunne surprize zijn ontwaar geworden, dat UL. bij Resolutie van den 23 Junij jongstleden hebben verleend Surchcancc van Executie bij provisie, waardoor zij dus genoodzaakt zijn geworden, met het verzoek van Executie te super-sederen uti sub B.
Dan, terwijl vervolgens gepubliceerd is de Proclamatie van de Nationale vergaderinge, in dato den 18 Aug. waarbij uitdrukkelijk verklaard word, dat in het bijzonder de betalinge der kerkleeraars, en andere beampten der gewezen heersehende kerk, op den ouden voet behoord te worden gelaten of voor zo verre daarvan reeds mogte af-geweeken zijn, in den voorigen staat terug gehragt, immers voor als nog, eensdeels.
En anderendeels er, onder reverentie, geene redenen ter waereld zijn, waarom de Surcheance den 23 Junij verleend alsnu (welke inrigtingen en Bepaalingen ten deezen opzichte in \'t vervolg ook mogten worden vastge-
55
stold) nog verder zoude blijven voorduuren; inzonderheid daarbij in aanmerking genoomen, dat deeze praestanda geenzins personele Belastingen zijn; alsmeode dat, volgens den regten, deeze zaaken behooren, ouder de Caussae favorabiles, welke geen vertoog of onnutte Suroheance lijden.
En in de derde plaatze, dat do Suppl. reeds eene overmatige schade van kosten en interessen geleeden hebben, gelijk hierbij sub C 1° en C 2° te zien, welke het Eecht en billijkheid vorderd dat aan hun door de gebrekigen gerembourseerd worden.
Zoo zijn de ondergeteekendon te raade, en genood-drongen geworden, daar tog de Nationale Conventie bij voorgemelde Proclamatie zig zoo energicq heeft geëxpliceerd, hierbij respectueuslijk te verzoeken;
Dat Gijl. alsnu, met intrekkinge van de Suroheance van den 23 Junij 1796, het Landgerigte van Ootmarssum, mogen auctoriseren, en zo verre injungeren, om met de reëele en effective Execution voort te vaaren, en alzoo aan de Suppl. het Effect van haar verkregen recht, en een onvertogen Landrcgt te laaten genieten ofte etc. (get.) Jacob van Loo, Predikant.
Gtekuard Bernaku Stulen, Predikant.
Bijlage H.
Bericht voor J. H. Nieuwenutjis en H. R. G. Pagen-stechee te Oldenzaal over den oorsprong van het zoge-naamde miskoren en of hetzelve een reële dan wel een personele last zij?
Ingezonden den 15 Maart 1797. 1)
\') Naar hot concept, op hot Prov. Archief aanwezig (Domeinarch. no. 110), waar hot origiuool ontbreekt.
56
Burgers, Provisionele Representanten van het Volk van Overijssel.
De ondergesclireeven, bij Uwe Eesolutie van den 25 October 1790 verzogt en geqnalificeerd om ton naauw-keurigsten te onderzoeken, waaruit de korenpraestanda, bekend onder de naam van miskoren in de gerichten van Ootmarssum, Endsclieide en Haaksbergen oorsprongelij k herkomstig en of dezelve een reële dan wel een personele last zijn en van luinne bevindingen daaromtrent zoo spoedig doenlijk aan deeze vergadering bericht in te zenden; hebben ingevolge en ter voldoeninge aan dezelve op een en ander voorgemeld geinquireerd, en, alzo gein-formeerd wierden, dat, ter voorn, plaatsen zeiven nog wel eenig naricht dienaangaande zou te bekomen zijn aldaar op dat sujet naarvorschingen gedaan, waarvan de reke-ninge van Transport en verteeringe hiernevens gaat sub A. met verzoek, om daarop eene ordonnantie te mogen erlangen; en komt al het geen, wat zij rapportanten omtrent den oorsprong van dat zogenaamde miskoren hebben kunnen ontdekken, op een geheel onzeker uit.
Te zeggen dat het zogenaamde miskoren zijn oorsprong verschuldigd is aan de meerdere uitbreidinge van den Roomscli-Catholijken Godsdienst vóór den tijd, dien men der Reformatie noemt, en op dien grond reden te geven waarom te Oldenzaal, bij voorbeeld, alwaar de Roomsch-Catiiolijken toen genoegzaam onderhoud voor hunne zielverzorgers uit die goederen zullen gehad hebben, welke toen in hunne macht waren, en waarvan een genoegzaam deel tot dat einde zou zijn afgezonderd geweest, geen zogenaamd miskoren is gegeeven, heeft naar inzien van de rapportanten wel eenigen schijn.
Wanneer men eens wilde vooronderstellen dat de zaak
57
omtrent de kerken in de bij voorz. Eesolntie benoemde districten, dus gelegen zou kunnen zijn. te weeten, dat te Oldenzaal een catheclrale kerk geweest is, dat te End-sclieide, Ootmarsum, Haaksbergen en Denekamp zogenaamde moederkerken en te Losser en Tubbergen zogenaamde dochterkerken geweest zijn, en wel de eerste van Oldenzaal en de tweede ran Ootmarsum. Dat voor de kerke te Oldenzaal genoegzaam onderhoud voor alle de geestelijken uit de capittelgoederen is geweest, maar te Endsoheide, Ootmarsum, Haaksbergen en Denekamp, slechts een vast opkomen voor één priester, dat in de laatstgenoemde plaatsen de gemeentens van tijd tot tijd aan-groeijende, men adjuncten in den dienst of capellaans lieeft aangesteld, waarvoor de gemeentens zich verbonden om aan de priesters jaarlijks toelagen te geeven: terwijl voor het onderhoud der priesteren te Losser en Tubbergen meestal door diegeenen moest worden gezorgd, welke bij de bisschoppen in de tijd verzogten, om de kapellen aldaar in parochiekerken te veranderen, gelijk zulks omtrent Tubbergen in eene nog voorhanden zullende zijn fundatiebrief van die kerke zou kunnen geblijken; gelijk dan ook uit eene andere brief, aldaar mede voorhanden zullende zijn, zou blijken dat de marken Tubbergen, Al-bergen, Vieringen en Geesteren, welke om eene parochiekerk te Tubbergen verzegt hadden, ten gevolge van den last door den bisschop bij de voor fundatie brief van die kerke gegeven, aan den eerstaangestehlen priester van Tubbergen en aan alle zijne opvolgeren hebben gecedeerd, getransporteerd en overgegeeven alle opkomsten, welke zij marken voorn, aan den Roomsch priester te Ootmarssum of deszelfs capellaan voorheen hadden gegeeven, en waaronder ook is een zekere hoeveelheid koren jaarlijks door
58
de gewaarden en ongeveer 150 hoenders door de onge-waarden in voorn, marken te praesteeren.
Intussclien laat liet zicli niet wel begrijpen, dat in die tijden geen genoegzaam bestendig fonds uit vaste goederen voor den priester en onderhorigen in den dienst te Ootmarssum, Tubbergen (te Denekamp zou de zaak van koren van den koster vicarius zodanig gesteld geweest zijn als eenigzins kan blijken uit nevensgaande documenten sub B en C) Endscheide, Haaksbergen en Losser onder Oldenzaal, alwaar ook miskoren is gegeven, maar in het laatstverlopen jaar ook genoegzaam van alle meijeren is verweigerd, zou hebben kunnen vastgesteld worden; en is ook de vraag of het niet wel mogelijk zou kunnen zijn, althans in die van de voornoemde plaats of plaatsen, alwaar de Roomsch priester of priesters, ten tijde der reformatie van religie misschien zijn gechangeerd, dat van wegens hoog gezag in die tijd, ten fine van een ruimer bestaan of om andere redenen, schikkingen tot hun tractement zijn gemaakt, welke, hetzij dan om welke redenen ook, den naam van miskoren hebben behouden of gekreegen: hetwelk eens gesteld zijnde, uit die Reso-lutiën en placaten, welke daaromtrent alstoen mogelijk zullen zijn genomen en gemaakt, zo dezelve nog voorhanden waren, naarder misschien zou kunnen blijken; gelijk daaruit alsdan ook misschien meerder licht zou kunnen opdagen omtrent een gevoelen, dat namelijk, niettegenstaande ten tijde der reformatie, aan het oogmerk, waartoe die korenpraestanda voorheen waren gegeeven, niet langer voldaan wierdt, de Besitteren van erven in de voornoemde plaatsen en districten evenwel zouden hebben moeten voordvaaren met dezelven aan gereformeerde leeraren te voldoen.
59
Het zou kunnen zijn, dat, ja, voor de Reformatie om erheft\'elijke redenen, zo aan zijden der Roomsch Catho-lijke geestelijken als aan zijden dor hun aanbevolen gemeenten in voornoemde plaatsen en districten, na destijds behoorlijk verkregen conzent, zekere con venanten waren gesloten tot opbreng van. een zekere fjuantiteit koren voor priesters of derzelver adjuncten in den dienst; waarvan eehter de rapportanten niet meer hebben bevonden, als hierboven gemeld, als zullende wel, naar hun inzien, daartoe niet gebracht kunnen worden die lijsten, waarnaar het zoogenaamde miskoren tot hiertoe is ontvangen; hoewel het misschien waar zou kunnen zijn, dat die lijsten hunnen oorsprong aan zulke of zoortgelijke inrichtingen, als voorzeid, verschuldigd waren.
Wat nu betreft de wage, of die korenpraestanda, bekend onder den naam van miskoren, een reële, dan wel een personele last zijn?
Hierop kunnen de rapportanten evenmin zeker iets andwoorden, als op de vrage naar derzelver oorsprong.
Dat het wel waar zou kunnen zijn, dat de bedoeling bij derzelver eerste inrichting geweest zij, dat de geestelijken, in cas van wanbetaalinge, zich kost en schadeloos aan het goed zelve zouden hebben kunnen verhaalen, is naar den aart der zaaken en omstandigheden van die tijden niet geheel onwaarschijnlijk; hoewel aan de rapportanten niets ten bewijze hiervoor is voorgekomen; neen; maar voor tegendeel misschien zou kunnen pleiten de alnog zullende standgrijpen manier van inzamelen van mis of collecte koren in het hier aangrenzend platteland van Munsterland, te weeten; dat men die geenen aldaar , welke niet in staat zijn te geven, voorbijgaat en misschien bij nieuw ingekomen ingezetenen aangaat; ge-
60
stekl namelijk dat de collecte van koren daar te lande door of van wegens priesteren of anderen thans gedaan wordende, in alle gevallen, paralel staat met het onderhavige zogenaamde miskoren: terwijl wat betreft de predikanten in de, bij gemelde resolutie, genoemde districten en plaatsen, alsmede te Losser, kunnen dezelven zich geen een geval rappelleeren, waarbij do executie op het goed zelve, in geval van wanbetaling van dat miskoren, is gedirigeerd geworden, als zijnde zulks niet dan bij de bekende gelegenheden geweigerd ; en welke verweigering dan ook de bekende gevolgen gehad heeft; maar zijn de rapportanten door de predikanten van Oot-marssum, Endscheide en Haaksbergen tevens geinformcerd, dat in alle gevallen de lijsten, waarnaar dat miskoren is ontvangen, voor zo veel zij weeten, niet zijn vermeerderd niet nieuwe inkomelingen in de marken, noch verminderd door geheele of gedeeltelijke splitsingen van erven, voor zo verre die op de lijsten staan, als zullende, bijvoorbeeld, onder Enscheide en Tubbergen hebben plaats gehad dat, in cas van splitsinge van een erve, waarop nog een bouwman bleef, de aankoperen van de stuklanden van zodanig erve pro quota het miskoren op de zogenoemde saaistede hebben gebracht, van waar het de tijdelijke predikant liet afhalen, en dat, in het geval, wanneer een erve geheel verbijsterd wierdt, zo als daarvan aldaar twee voorbeelden en te Tubbergen een voorbeeld voorhanden zouden zijn, het miskoren echter van een van de erven onder Enscheide maar niet van het andere onder Enscheide en ook niet van dat onder Tubbergen, hoewel ze alle drie op de respectieve lijsten staan, is gegeeven: terwijl onder Ootmarssum bij voorbeeld honderd en meer jaren honderd en vier schepels
Gl
miskorer) zijn ontvangen, waartoe niet alle erven zouden gecontribueerd hebben. zullende in Agelo, eene boerschap onder dat gericht, eenige welgezeten boeren zijn, die niet betaalen, en in eene andere boerschap onder datzelfde gerielite, Brekkelenkamp genaamd, weer kleinere boeren, die wol betaalen, hoewel hiervoor misschien ook wederom een andere reden van nabij of ver af gelegenheid, hetwelk de rapportanten echter niet willen bepaalen, zou kunnen worden bijgebragt; terwijl onder Haaksbergen alle be-zittoren van Erven miskoren zouden hebben gegeeven, uitgezonderd hot zogenaamde Hoferve, hetwelk als gesplitst zijnde en daarop geen bouwman meer zijnde, van het miskoren bij verloop van tijden misschien is geëxi-meerd; althans wordt hetzelve niet op de lij ste bevonden.
Het komt den rapportanten onder eerbied en verbetering voor, dat, gesteld ook, dat of uit den aard der zaak zelve of met andere valide bewijsen kon worden daar-gedaan, dat het zogenaamde miskoren ten aanzien van do origine oen personeel praestandum voor missen te doen geweest is, hetzelve echter misschien al vroeg en vooral in latere tijden, zo wel aan zijden van de geevers als aan zijde van de ontvangers, als een reële last is beschouwd, doordien, zo als rapportanten geïnformeerd zijn, zelfs in sommige of zekere pachtbrieven zou zijn uitgedrukt dat het miskoren door den huurman zal moeten worden betaald, hetwelk, naar inzien van de rapportanten een begrip oplevert, dat men op hot idee van reële last is gevallen; en doordien het is gebeurd, dat in het jaar 1731 door den tijdelijken Drost van Twente op de klagte van den toenmaligen predikant te Tubbergen, wegens het niet betaalen aan hem qc|a van drie spinden rogge miskoren door het stukswijze verkoopen van een half erve
C2
Ottink veroorzaakt, is geappointeerd: om in cas van niet betalinge van den achterstand of van niet geeven van securiteit voor de vordere betalinge van dat miskoren, een stuk land van dat halve erve Ottink aan te slaan en te verkoopen. Welk een en ander laatst voorgemeld, schoon misschien geen volledig bewijs, evenwel, zo als gezegd, liet begrip van dien tijd, daaromtrent oplevert.
Oldenzaal den.....
Bijlage I.
MISSIVE aan het Intermediair Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek.
Mede Burgers!
Ingevolge Appoinctement van het Uitvoerend Bewind van den 25 Maij laatstleeden in onze handen ten iine van Berigt zijnde gesteld de requeste van vier Ingezeetenen des Landsgerigts Ootmarssum houdende klagte over ons quot;appoinctement van den 2 Maij 1.1. geslaagen op de Requeste van A. C. de Mol wed. van wijlen J. van Loo in leeven Predikant te Ootmarssum, zal het noodig zijn Ulieden een succint verslag te doen van het geen ter vergadering van de voormaalige Provisioneele Representanten des Volks van Overijssel met opzigt tot liet zogenaamde miskoom is voorgevallen. Reeds terstond na de Revolutie van den Jaare 1795 weigerden veele Roomsch-gezinde Ingezeetenen in het Quartier van Twenthe, en voornaamelijk in het Gerigte van Ootmarssum de betaaling van het zogenaamde miskoorn aan de Predikanten en Costers der Gereformeerde Gemecntens, welker inkomsten
G3
voor een groot gedeelte uit hetzelve miskoorn bestaan, ofschoon hetzelve buiten allen twijfel eene overoude reëele last is, liggende op den grond der Erven van die geene, welke hetzelve tot dien tijd toe liadden betaald, waarvan de prothocollen der onderscheidene Grerigten in Twenthe genoegzaame bewijzen zouden kunnen opleeveren en hetwelk tot de Geestelijke Goederen behoorende, door de voormaalige Staaten van dit Gewest in Twenthe aan de Predikanten en Costers in plaats van Traetement was toegelegd, en in Zalland onder het Rentampt der Pastorijen en Vicarijen Goederen gebragt, zodat zij zig zelve van de voldoening daarvan nimmer op eene zodanige willekeurige wijze konden ontslaan.
Weshalven zij ook geene andere reedenen voor deeze verweigering konden produceeren, dan alleen het voor-geeven, dat zij de bedienaaren van hunnen Godsdienst zelve moetende onderhouden, zig onverpligt reekenden eenige betaalingen te doen aan de Bedienaaren van den geweezenen heerschenden Godsdienst.
De gemelde Predikanten en Costers zig bij Requeste aan de voormaalige Provisioneele Representanten hebbende vervoegd, wierd door dezelve bij Resolutie van den 24 Maart 179G aan de weigeragtige Ingezeetenen gelast met de betaaling hunner verschuldigde koornpraestanda voort te gaan.
Deeze Resolutie had geene andere uitwerking dan eene herhaalde weigering van betaaling gepaard met een adres van de Boermannen des Landgerichts Ootmarssnm teegens dezelve; waarop door dequot; gemelde Representanten op den 2 Junij deszelven jaars 1790 wierd geresolveerd, dat het Miskoorn nog voor het loopende jaar zoude moeten worden betaald, en dat de zaak zelve nog nader zoude worden
C4
onderzogt, dog aan welke Resolutie de weigeragtige In-gezeetenen almeede niet konden goedvinden te voldoen.
In het laatst van dezelve Maand Junij de bewuste verschillen over het toen ter tijd in deliberatie geweest zijnde Concept Regeerings Reglement tusschen de Leeden van meergemelde Vergadering van Representanten zijnde ontstaan, wierd geduurende dezelve op den 23 dier maand door een der Leeden een voorstel gedaan tot het ver-leenen van Surcheance van Executie weegens de betaaling van het miskoorn welk voorstel ook daadelijk in eene Resolutie wierd geconverteerd, iets hetgeen in den eersten opslag aan een ieder vreemd moet voorkoomen, die de voorige op dit stuk genoomene Resolutien met deeze vergelijkt, dog waarvan de reeden mogelijk geleegen was in de plaats hebbende verschillen, zijnde er vrij wat grond om te vermoeden, dat zommige Leeden welke anderzints van een geheel teegengesteld gevoelen waaren hiervan gebruik maakten om Leeden van den Roomschen Godsdienst daardoor tot hunne parthij in de zweevende verschillen over te haaien, hetgeen ook werkelijk naderhand scheen gebeurd te zijn.
Uit het gezegde zal Ulieden ten klaarsten kunnen ge-blijken dat de Requestranten het door de Provisioneele Representanten in deezen verrigte zeer te onregt hebben voorgedraagen; schijnende zij het Ulieden zoodaanig te willen doen voorkoomen als of de resolutie van den 23 Junij 1796 genoomen was uit bezef van hunne onver-pligtheid tot betaaling, waartoe zij ook een diep stilzwijgen bewaaren omtrent de beide voorige resolutien van den 24 Maart en 2 Junij, welke zij zeekerlijk en met grond zullen geoordeeld hebben niet ten hunnen voordeele te kunnen strekken.
05
In- Wij zullen verder overgaan, Ulieden de reedenen voor
en. te draagen, welke ons bew.oogen hebben, tot liet opheffen
\'er- dor surcheance van betaaling waarover de requestranten
!cst zig inj Ulieden hebben beklaagd.
ien Reeds hebben wij gezegd, dat hot onderhaavige mis-
ndo koorn moeste aangemerkt worden als eone reëele last, en
and waarmeede dus niet de persoon, maar de grond der Erven
fer- zoederd Eeuwen is bezwaard geweest, en welke dus altoos
ling moeten worden voldaan, zonder dat do religieuse gevoelens
\'ene van den tijdelijken Eijgenaar daarbij eenigzints in consi-
sten deratie kunnen koomen.
■ de Deezo inkomsten, oorspronkelijk tot de Geestelijke Goe-ver- deren behoord hebbende, waaren met dezelve aan dit voor-was maalig Gewest vervallen, welks Staaten goedvonden de-rond zelve in hot Quartier van Twenthe aan do Bedienaaren sints van den ge weezenen heerschenden Godsdienst in steede rvan van Tractement toe te leggen in plaats van dezelve door rods- do Rentmeesters der geestelijke goederen te doen invor-ver- deren, door de godaane verweigering wierden nu verhand scheiden predikanten en Costers van hot grootst gedeelte hunner Inkomsten teegen alle regt en reeden verstooken. i Se\' Do geweezene Nationaale Vergadering bij doszelfs Pro-neele elamatio van den 18 Augustus 1790 de afscheiding van 3bben kerk en staat hebbende gedecreteerd, bepaalde eevenswel lig te daarbij, dat do Bedienaaren van den geweezen heerschen-sn 23 don Godsdienst egter hunne Tractementen provisioneel aiver- moesten blijven behouden en dat alles wat daar teegeus Izwij- reeds mogt zijn gedaan, weeder op den voorigen voet m den moeste worden hersteld.
grond De Acte van Staatsregeling voor \'tBataafsche Yolk be-
icle te paald moede in hot Isto additioneele Articul, dat de Gemeenten der voormaals hoerschondo kerk geduurende
5
GG
tie eerstkoomende drie jaaren na- de aanneming der Staats Regeling- de Traetementen hunner Leeraaren li ij wijze van pensioen zullen blijven genieten.
Er waaren dus geenerliande reedenen voorhanden waarom de Rerjuestranten en andere, welke tot de betaaling van het miskoom verpligt zijn, en dit zeederd de revolutie van 1795 op eene allezints willekeurige wijze haddon verweigerd, daarvan verder zouden blijven bevrijd en die-geone welke hetzelve wettig toekomt, verder van hun inkoomen verstooken blijven.
Daar nu de door de voormaalige Representanten verleende surcheance door het gestatueerde bij do Proclamatie der Nationale vergadering van den 18 Augustus 179G cn de Acte van Staatsregeling reeds werkelijk voor zo goed als ingetrokken moest worden gehouden, vermeenden wij geenzints onze magt te buiten te gaan, door het gestatueerde bij dezelve Proclamatie en Acte van Staatsregeling in doezen effect te doen sorteeren maar zelfs inteegendool daartoe verpligt te zijn.
Wij vermeenen genoeg te hebben aangevoerd om te bewijzen dat do Roquestranten geene reedenen hebben om zig over ons gemelde Appoinctoment van den 2 Maij 1.1. te beklaagen, en dit nog te minder daar wij aan hun alnog den weg van rechten hebben open gelaaten, bijaldien zij vermeendon dat hunne Erven met zodaanigen Last van ouds niet waaren bezwaard geweest.
Weshalven wij ook in het vaste vertrouwen verseeren, dat Gijlieden de klaageren met hunne ongefundeerde klagte zult wijzen van de hand.
quot;Waarmede etc.
07
Bijlage K.
Woensdag den 12 September 1708.
Praeside do Burger M. Sels.
Post alia:
Do gecommitteerden tot do zaaken van Justitie, hebben ter vergadering gerapporteerd.
Dat zij ingevolge resolutie commissoriaal van den 11 dezer hadden geëxamineerd de requeste van A. C. de Mol, wed. wijlen Ds. J. van Loo, in leeven oudste Predikant der Gereformeerde Gemeente te Ootmarssum, houdende, dat zij op den 15 Junij 1.1. den boer Epman in Olden Ootmarssum gerigtelijk had doen aanspreeken voor de botaaling van zoodaanige koompraestanda, of wel de waarde van dien, als aan haar in qualiteit als erfgenaame van wijlen haar olieman van den gemelden boor Epman nog competeerde.
Dat gemelde Epman copie van dien eijscli genoomen en op den veertiendaagschen termijn daarna eene handeling ten prothocollo had doen insereeren, waarbij hij van de requestrante eijschte cautie beneevens domicilium citandi et insinuandi zoo als konde geblijken uit de ten requeste geannecteerde Documenten.
Dat dit voorbeeld reeds door drie andere boeren te weeten: Bodde, Scholte Splixterink en Elfeeman, alle in olden Ootmarssum uit den gemelden hoofde, meede door do requestrante aangesprooken zijnde, was gevolgd.
Dat zij door zoortgelijke handelwijzen, welke zeekerlijk door de overige boeren, welke aan haar koorn praestanda schuldig waaren, zouden worden gevolgd in eene meenigte van langwijlige proceduures stond gewikkeld te worden.
Dat zij, eene weduwe met vier kinderen zijnde, niet in
08
staat was zoodaanige kostbaarc proceduures te voeren, en haare bclangens ogter eene spoedige betaaling dergemen-tioneerde agterstallen vorderde.
Dat zij, om deeze redenen, de vrijheid nam te verzoeken:
Dat wij zulke middelen zouden gelieven in liet werk te stellen, als meest geschikt waaren, om aan haar eene spoedige voldoening der achtersteedige koorn praestanda te bezorgen, zonder dat zij daarom in langwijlige proceduures wierd gewikkeld.
Dat zij noodig geoordeeld hadden voor en aleer over te gaan tot het adviseeren over deeze requeste, eenige voorloopige aanmerkingen over het miskoorn in hot generaal aan deeze vergadering voor te dragen;
Foor eerst., dat het niet ontkend kan worden, dat het gedagte miskoorn is oen reöelc last, niet liggende op de persoonen of huisgezinnen dier geene, welke hetzelve tot nu toe hebben betaald, maar wel op den grond der Erven welke door hun bewoond worden; op welken grond ook de diverse resolutien der voormaalige provi-sioneele Representanten van het Volk van Overijssel, waarbij de weigeragtige Ingezeetenen des Gerigts Oot-marssum gelast wierden hun agtersteodig miskoorn te voldoen, genoomen zijn.
Ten anderen, dat die koorn praestanda door de geweezene Staaten van dit voormaalig Gewest aan de Bedienaar en van den Gereformeerden Godsdienst zijnde toegeweezen om aan hun insteede van Contante penningen voor Tractement te verstrekken, het ook notoir van zelve volgd dat zolang de betaaling der Bedienaaren van de geweezene heer-schende kerk uit \'s Lands Casse, niet is koomen op te houden, die Bedienaaren regt hebben de betaaling van dit miskoorn te vorderen, en zij dus, indien het zelve niet
G9
verder wierd betaald daarvoor van \'s Landsweegen zouden scliaadeloos gesteld moeten worden.
Dat de weigeragtige Ingezeeteuen déeze hunne weigering altoos seederd de revolutie van den jaare 1795, daarop hebbende gegrond, dat zij zich onverpligt agtedon eenige betaalingen te doen aan de Leeraaren der geweezen lieer-schende Kerk, dezelve dus wel schijnbaar ingerigt is tee-gen deeze Leeraaren, maar in der daad teegen de \'s Lands Casse, als welke daardoor eenig en alleen bezwaard zoude worden.
Dat deeze aanmerking thans, na de aanneeraing dei-Staatsregeling, zo veel te meer gegrond is, daar bij dezelve aan de meergemelde geweezene heerschende kerk, bij wijze van pensioen, voor den tijd van (hie jaaren, allo de tractementen hunner Leeraaren en verdere bedienden zijn toegelegd, en al verder vastgesteld, dat wel alle Cijns, Thijns, en andere regten van dien aard zullen worden afgeschaft, maar, dat daarvoor egter eene behoorlijke schaadevergoeding zal moeten worden betaald, zodat bijaldien de betaaling van het miskoorn thans cesseerde, niet alleen de waarde van dien van af den jaare 1795 tot het einde van die drie jaaren aan de Leeraaren en bedienden der (xereformeerde Gremeentens uit \'s Lands Casse zouden moeten worden voldaan, maar het Bataaf-sclie Volk ook teevens verstooken zijn, van deszelfs regt van schaadeloosstelling weegens de vernietiging der gemelde reëele lasten.
Eindelijk dat do gemelde weigeragtige Ingezeetenen uit liet besluit van het Intermediair Uitvoerend Bewind dor Bataafsche Republiek, van den 25 Junij 11., waarbij aan hun den weg regtens is oopengclaaten, bijaldien zij mogten vermeenen dat zodaanige reëele last niet op hunne
70
Erven was liggende, hetwelk alleen moet verstaan worden van zodaanige Ingezeetenen welke, schoon zij te vooren goon miskoorn hadden betaald en zig daartoe dus met grond onverpligt konden reekenen, daarvoor egter aange-sprooken wierden, aanleiding schijnen te zoeken om teegen de duidelijke intentie van dat besluit zelve langdurige proceduures te entameeren over den aart van het miskoorn om dus doende die geene aan welke hetzelve competeerd van de invordering af te schrikken, de reeds gemelde resolutien van de voormaalige representanten illusoir te maaken, en zig niet alleen van de betaaling der agter-stallen maar ook van de eventueele schaadeloosstelling te ontslaan.
Dat zij Grecommitteerden, dit alles in ernstige overweeging genoomen hebbende, van oordeel zijn;
Dat deeze Vergadering deeze zaak met geen onverschillig oog kan en mag aanzien maar in teegendeel verpligt is, tot conservatie van het goedhebbend regt der requestrante, als tot maintien der regten van het Bataaf-sche Volk, zig dezelve ten ernstigsten aan te trekken, en de pogingen der weigeragtige Ingezeetenen om teegen alle regt en reeden zig van eene deugdelijke schuld te ontslaan, te beteugelen.
Dat zij derhalven van advijse zouden zijn:
Dat de weigeragtige Ingezeetenen, zo des Grerigts Oot-marssum, als in het generaal van het geheele Drostampt van Twen the, ten serieusten behoorden te worden aange-schreeven, en gelast, hun verschuldigd miskoorn of wel de waarde van dien, van af den jaare 1795 tot heeden, binnen den tijd van zes weeken na dato deezes te voldoen, en daarmeede vervolgens te continueeren, met inthimatie, dat deeze vergadering bij alnog onvermoedelijko weigering,
71
n zig geuoodzaakt zal zien voor die geene welke hetzelve
n competeerd, te interveniëeren en teegen de weigeragtigen,
gt;t zodaanige middelen regtens te werk te stellen, als meest
gt;- geschikt zullen geoordeeld worden, om hen tot de betaaling
n van dien te constringueren.
e Dat Mervan bij Extract deezes aan den Provisionelen
ii Verwalter des Drostampts van Twenthe zoude behooren
d te worden kennis gegeeven, met last om daarvan bij noti-
e flcatie de Ingezeetenen van zijn Drostampt te informeeren.
e Dat zij Gecommitteerden al verder noodig geoordeeld
hadden, aan deeze vergadering te proponceren, om ten \'r einde het regt des Bataafschen Volks bij eene eventueele
schaadeloosstelling voor de afschaffing van het miskoorn i- te kunnen handhaven, den provisioneelen verwalter des
Drostampt van Twenthe aan te schrijven en te gelasten, om zoo spoedig eenigzints doenlijk zal zijn, hetzij van ■1 de onderscheidene Rigteren in zijn Drostampt, hetzij van
r de Leeraaren en verdere bedienden der Gereformeerde
Gemeenten te requireeren, naauwkeurige lijsten van al ; het miskoorn hetwelk van ouds pleeg betaald te worden,
;i daaromtrent verder alle mogelijke recherches te doen en
e dezelve lijsten teevens met zijne consideratien aan deeze
vergadering in te zenden.
Waarop zijnde gedelibereerd, heeft de vergadering zig met het voorschreeven rapport geconformeerd.
t ------
B ij lage L.
1
Ik J. W. Racer, provisioneel verwalter van het Drost-
s
, ambt van Twenthe, doe mits desen, ingevolge het bevel
van het Intermediair Administratif Bestuur van het voormalig gewest Overijssel bij Resolutie van den 12 Sep-
72
tember 1798 aan mij gegeven, aan de ingezetenen van het gelieele Drostampt van Twentlie ten serieusten gelasten, hun verschuldigd miskoorn, of wel do waarde van dien, van af den Jaare 1795 tot heden, binnen den tijd van ses weken na den voorzeiden 12 September 1798 aan de Leeraaren en verdere bedienden van de Gereformeerde gemeenten in voorzeide Drostambt, te voldoen en daarmede vervolgens te continueeren, met intimatie dat wel gemelde intermediair administratif Bestuur bij alnog onvermoedelijke weigeringe van die genen, welken hetzelve oompeteerd, zal intervenieren en tegen de weigeragtigen zodanige middelen van regte te werkstellen, als meest geschikt zullen geoordeeld worden, om hen tot betalinge van dien te constringeren.
Voorts gelast ik, in gevolge het gemeld bevel en resolutie, aan alle Leeraaren t en verdere bedienden der Gereformeerde Gemeenten in gemelde Drostampt, ten spoe-digsten en immers binnen veertien dagen na dato dezes, op te maaken naanwkeurige lijsten van het miskoorn, twelk van ouds aan denzelven pleegt betaald te worden en dezelve lijsten te stellen inhanden van den Eichter van liet Landgerigte waaronder degene, die het voorzeide miskoorn pleegen te betalen, woonagtig zijn; wordende de Eichters gelast om zorg te dragen dat deezo Registers in behoorlijke order worden bevonden, en dezelve binnen acht dagen daarna aan mij in te zenden. En zal deze worden gepubliceerd en geafflgeerd.
Actum Oldenzaal den 30 September 1798.
(get.) J. W. Kacek qq*.
■
73
Bijlage M.
Aan liet vertegenwoordigend Ligcliaam der Bataai\'sehe Republiek.
Burgers!
De Boermannen en Kotters van de kerspels van Oot-marssum en Tubbergen vinden zig in de noodzakelijkheid aan UL. met allen verschuldigden eerbied te moeten voordragen.
Dat zij sedert de Spaansche Revolutie of wel sedert dien tijd, dat de Gereformeerde Religie hier te lande praedominante of heerscliende is geweest, zig onder veelvuldige andere onderdrukkingen [dewelke uitwijzens de onpartijdigste geschiedrollen van dien tijd, hunne voorvaderen zeker niet hadden verdient, en dewelke met het denkbeeld van eene vrije Republiek zoo als men ze nog-tans goedvind te noemen, in geenen deele bestaanbaar waaren] hebben moeten laaten welgevallen, genoodzaakt te worden; niet alleen de hen met alle de daaraan of liever aan limine gemeente behorende opkomsten en vaste fondsen afgenomen, kerken en Pastorielmijzen, te moeten onderhouden, maar ook nog bovendien de bedienaars van dien heerschenden Godsdienst hun traetement te besorgen; door aan deselve, dat geene op te brengen, waarmede zij te voren hunne eigene Priesters of wel derselver adjuncten en Capellanen voor het vemgten van de gewone of ordinaire kerkdiensten hadden gesalarieerd.
Dat, ten dien einde, door de Gereformeerde Praedikan-ten van Ootmarssum en Tubbergen van hen Remonstrantie \'s jaarlijks onder de benaming van Miskoorn is ge-vordert en opgehaald respectively k koorn, geld en vlas, zoo als te over bekend is.
74
Dan bij niemant, clie niet te eenemaal van een waar denkbeeld van natuurlijk Recht en billijkheid verstooken is, zal liet een oogenblik in twijfel getrokken kunnen worden, dat met deselve in geenendeele bestaanbaar en overeentebrengen is — en nog veel weiniger met de grondbeginselen van Vrijheid en Gelijkheid (men swijge met de Broederscliap) dat in een Gremenebest, op sulke grondbeginselen gebaseert, waarin de kerk van den Staat is afgescheiden, en dus geen praedominante of heerschende Godsdienstige gesindheid langer kan plaatse hebben of geduld worden, dat zeggen Remonstranten bij niemand zal kunnen in twijlTel getrokken worden of met dat alles zoude ten eenemaal onbestaanbaar zijn, dat Lecdrn van dc ccne Godsdienstige gesindheid de Bedienaars van eene andere, nu niet langer gcbeneficeerde of p-aedominantc Gods-dienstige gesindheid, hnnne tractementen zouden moeten betaal cn.
Dan hoe ongerijmd en direct sti-ijdig snlks ook met de natuurlijke Rechten, de grondwetten van dezen staat en de nu aangenomen staatsregeling ook moge zijn, moeten nogtans zij Remonstranten tot hunne uiterste verbaasdheid ondervinden, dat dit zogenaamd Miskoorn alnog, door de Bedienaars van den voormaals heerschenden Godsdienst bij voortduuring van hen gevordert worde, en dat men geen zwarigheid schijnt te maaken hen Remonstranten, bij Regtmatige verweigering, deswegens in Rechten te betrekken, zijnde reeds daarover, tegen zommige van hen en wel tegen ij der in het bijzonder, van Eisch gedient; zodat daarover indien daartegen door UL. niet voorzien worde, enige honderden ruineuse procedures staan geboren te worden: redenen waarom zij Remonstranten (schoon zij andersints aan de gegrondheid van hunne
daartegens ondernomen oppositie en den voor hen gun-stigen uitslag der procedures niet kunnen twijffelen) ge-oordeelt hebben deze zaak direct ter kennisso en beslissing van IJL. te moeten brengen, in dat geruste vertrouwen, dat IJL. kunde en Eegtvaardigheid (waarop de geheele Bataafsche Natie met zooveel grond haar vertrouwen heeft gesteld, en van waar zij nu, na menigvuldige teleurstellingen en schokken het vredig genot van haare onvervreemdbaare Rechten verwagt) niet zal willen gedogen dat zij Remonstranten alsnog bij voortduuring het juk van dienstbaarheid op hunne nu andersints ook vrije halsen zouden moeten torssen.
Het is waar, Burgers Representanten! dat zij Remonstranten niet willen nog durven vermoeden, dat er iemand onder de Bedienaars van de voormaals heerschende Godsdienstige gesindheid onkundig of schaamteloos genoeg zoude kunnen gevonden worden, die zoude willen of durven beweeren, dat sulks met de grondwetten van desen nu eerst waarlijk vrijen staat, nog niet de eenvoudige wetten der Regtvaardigheid, zoude kunnen bestaan, ten zij men als eene bewezene waarheid wilde aannemen, dat dit zoogenaamde Miskoorn is een reëel bezwaar, uitgang of praestandum in de Erven of raste goederen gevestigd, en dus van eene recele fundatie, en dese schijnt thands waarlijk het eenigste preetext of schijngrond te zijn, waarop men alnog, bij voortduuring, de betaaling van dat zogenaamde Miskoorn van hen vordert.
Dan Remonstranten houden zig volkomen versekert dat dese stellinge niet alleen geensints (zoo als nogtans naar Rechten zoude moeten geschieden) voldoende beweesen maar dat zelvs daarvoor geen de minste waarschijnlijkheid zal kunnen bijgebragt worden.
76
Dan sonder dat Remonstranten zig willen vermeeten nog zig ook daartoe eenigsints verpligt willen gehouden hebben (de quo fit humillima protestatio) den eersten oorsprong en herkomstc van dit zogenaamde Miskoorn, met voldoende geschiedkundige of andere bewijzen te kunnen aantoonen; vertrouwen zij nogtans vastelijk, dat aan UL. bij onderzoek en overweging van deze zaak, selvs meer als hoogst waarschijnlijk zal voorkomen: dat den oorspronk en herkomste van dit miskoorn daarin te vinden is. Dat voor den tijd der Reformatie bij de meerdere uitbreiding of aangroeij der Leeden van den Roomsch Catholijken Godsdienst, natuurlijk ook meerdere Bedienaars van denzei ven zijn noodzakelijk geworden, en dat alstoen op de plaatsen daar zulks vereischt wierde, aan de ordinaire of gewoone Priesters tot derselver hulpe, anderen of zogenaamde oapellaanen zijn geadjungeert geworden, tot welkers onderhoud de tot de kerken behorende vaste fondsen of opkomsten niet genoegzaam waaren, en dat alstoen tot het vinden van de ontbrekende opkomsten, tot onderhoud dier Adjuncten of Capellanen, een quotisatie of Register is geformeert, waarin de Leeden, tot zodaane kerk of parochie behorende, na evenredigheid van hun vermogen of uitgebreidheid van hunne huijsgezinnen zijn aangoslaagen geworden, gelijk sidks ook alzoo nu zedert eenige jaaren op plaatsen, daar te voren geen R. 0. kerken en dus daarvoor ook geene vaste fondsen of opkomsten waaren, als te Almelo, Enter en op meerandere plaatsen, bekendlijk is gesclued.
Dit word nog te meer waarschijnlijk, wanneer men hierbij in opmerking gelieft te nemen, dat in liet üier ailernaats gelegen gerigt Oldenzaal, alwaar bekendelijk eene Cathcdrale kerk niet zeer veel opkomsten of fondsen
77
begiftigd geweest is, dit zogenaamd iniskoorn nimmer is betaald, — waarvoor geene andere redenen schijnen uitgedagt te kunnen worden, dan dat de opkomston uit de Capittol-goederen toereikende genoeg zullen geweest zijn, tot onderhoud van alle de aldaar nodige Priesters, en verdere Geestelijken; terwijl zulks te Ootmarssum, Tubbergen en op eenige andere plaatsen, alwaar miskoorn betaald is, het geval niet is geweest; zooals dit kan worden opgemaakt uit hetgeen door J. Lindkborn in zijn bekende werk Historia sive Notitia Episcopatus Daventriemis daarvan is aangetekend.
Waaruit dan zeker klaar genoeg manifesteert, dat den oorsprong van dit zogenaamde Miskoorn aan geene reëele fundatie, gelijk de overige fondsen en praobenden, dewelke voor de reformatie aan de R. C. kerken of gemeen ton hebben toebehoord en aan deselve, bij uiterste willen of donaticn voor altoos gegeven waaren, kan toegeschreven worden; gelijk zij Remonstranten ook wol volkomen zeker zijn, dat nimmer zal kunnen aangetoond nog bewesen worden.
Zoodat dan gevolgolijk ook zij Remonstranten, met de betalinge van hetzelve niet langer kunnen of mogen belast blijven. Hiertegen te willen inbrengen „Dat zij Romon-„stranten of wel hunne voorouderen, indien zij zig tot „betalinge van dit zogenaamd Miskoorn, aan de Bedienaars „van den heerschenden Godsdienst onverpligt hadden ge-„ oordeelt, deselve dan reeds voor lange daartegens zouden „zijn en hebben moeten opkomen of zulks verweigeren, „maar dat do Bedienaars van den voormaals heerschenden „Godsdienst het Recht, om dat miskoorn te vorderen nu „gerust en vredig bezittenquot; etc. zoude zeker evenveel onkunde in de geschiedenissen van desen staat in liet
78
bijzonder, met betrekking tot de Roomsch Catholieken als in liet Recht verraaden en klaar aan den dag leggen. Want wie, die in de eene niet geheel een vreemdeling is, kan het onbewust zijn.
Dat Remonstranten even weinig als hunne vooronderen, gedurende het voorig bestuur, nimmer in eene gesteldheid of gelegenheid geweest zijn, dat hot voor hen eenigsiuts raadzaam waare, zig desweegens slechts te durven beklaa-gen, men swijge zulks te durven verweigeren — daar zij zig, als maar al te bekend en waaragtig is, nog zeer gelukkig moesten rekenen daarvoor hunne Godsdienstoei\'e-ningen in algelegen en daartoe zeer ongeschikte plaatsen, als Boerenhnijsen en Stallen, en dan nog wel (zoo als men zich niet schaamde het te noemen, getuijge hiervan eene menigte deswegens geemaneerde Placaten) conuivendo te mogen verrigten; terwijl zij dan nog daarenboven menigvuldige onderdrukkingen vexatien en knevelarien, zeer geduldig moesten verdragen en zig laaten welgevallen! —
Nu zal ook zeker niemand, die, zoo als men zegt, de Rechtsgeleerdheid slechts van den drempel gegroet heeft, willen beweren, dat in zodanige situatie of gesteldheid van zaaken praescriptie of verjaaring kan plaatse hebben: immers dicteert ook de natuurlijke billijkheid zoo wel als de bekende Rechten, dat liet eene schreeuwende ja Hemeltergende onregtvaardigheid zoude zijn, iemand die in de volstrekte onmogelijkheid gesteld is geweest zig tegens eenen hem met geweld, door zijne medeburgers opgelegden last, te kunnen beschermen en daarvan vrij temaaken, juist om reden, dat hij dien slaafschen last veele jaaren geduldig heeft moeten torssen, verpligt te verklaaren; zulks bij continuatie alnog te doen; terwijl men hem nogtans toe-roept gij ztjt vnj, gij zijt met alle Uwe medeburgeren gelijk!
79
Dan daar het niet te vermoeden is, dat het ligt iemand zonde durven wagen, met deze of dergelijke sotte en ongerijmde voorwendselen ol\' argnmentatien bij HL. Burgers Eepresentanten der Bataafsche Republiek! voor den dag te komen: zoo zullen Remonstranten zig kunnen dispenseren, daartegons, ten minste vooralsnog, verdere repli-ques te maaken.
Het blijft derlialven hier eenvoudig de vraag of dit zogenaamde Miskoom, even als andere zogenaamde kerkelijke goederen en fondsen, aan eene rrïelt fundatie zijnen oorsprong verschuldigt is, dan niet?
Het laatste vertrouwen Remonstranten, dat uit de hoogst waarschijnlijke herkomste, zo wel als uit de benaming van hetzelve, hier te voren reeds genoegzaam zoude betoogd zijn, immers met meerderen grond, als voor het tegendeel zal kunnen aangevoerd worden.
Dan schoon zij Eerbiedig vermeinen in desen tot geen bewijs, naar Rechten verpligt te zijn de quo ergo fd auh-missa protestatio: vertrouwen zij nogtans volkomen, dat zij niet alleen met hooge waarschijnlijkheeden, maar zelvs met valabele en in Rechten voldoende bewijzen, hunne sustenue kunnen staven en aantoonen; dat ja zelvs de Bedienaars van den voormaals heerschende Godsdienst, dit zogenaamd Miskoorn geensints als van eene, reeds vóór de Reformatie plaats gehad hebbende, reëcle fundatie hebben aangezien, en alzoo doen opvorderen. Hieraan zal zeker geen ogenblik lange;.\' kunnen getwijft\'eld worden, wanneer men uit de hierbij gevoegde kondschappen No. 1, 2, 3, 4, 5, quo brevitatis am ore submissa rclatio ten klaarsten zal hebben gelieven te vernemen, dat men dit miskoorn (waaronder ook vlas en geld, dat van kotters en zogenaamde kleinen gevordert wierde, verstaan word)
80
niet slechts van ondlioevige Erven, dewelke voor de reformatie waarschijnlijk bestaan hebben of liever de bewoners derzelve, heeft doen invorderen en opbeuren; maar ook wel degelijk van alle andere plaatsjes en Huijsjes, dewelke sedert nieuws zijn gecnltiveert en aangebouwd, ja zelvs van desidke die nog maar zedert weinige jaaren geexsisteert hebben of getimmert zijn — terwijl men integendeel van notoir oudhoevige Erven, waarvan zedert eenigc jaaren de Huijzen zijn afgebrooken do Landerijen gesplitst of bij stukken verhuurt, geen miskoorn nog van den Eigenaar nog iemant anders heeft gevordert nog ontvangen: welk een en ander ten duidelijksten bewijst, dat dit zogenaamde miskoorn van geene voor de Reformatie reeds plaats geluid hebbende, reéele fundatie is, niet alleen, maar dat het zelvs als zodanig bij de Bedienaars van den voormaals heerschenden Godsdienst niet eens is aangezien of daarvoor gehouden, zoo als het egter nu schijnt, dat men het tegen beter weeten, zoo wel als de Rechten on de billijkheid, zoekt te draaijon. In welk denkbeeld zij Remonstranten te meer bevestigd zijn geworden door de sub No. G hierbij per copiam gevoegde Resolutie van het Intermediair Administratif Bestuur van liet voormalig gewest Overijssel; welke resolutie, zij niet ontveinsen kunnen, aan hen ten uitersten vreemd te zijn voorgekomen; dewijl zij niet kunnen begrijpen, op welke authoriteit dit nu slechts administrative Bestuur bevoegd zoude zijn dergelijke bevelschriften af te geven: nog ook in welke qualiteit, zoo zulks andersints hier al konde te pas komen, zij voor eenige bedienaars van de voormaals heerschende Godsdienstige gesindheid, zouden kunnen intervenieeren, sonder daartoe van UL. als alleen Repraesentanten van het geheele Bataafsche volk gemagtigd te zijn? op welke
81
magtiging men zig ogter ook niet heeft beroepen; en dewelke Remonstranten, ook gerustelijk vertrouwen niet aanwezig te zijn. Dan Remonstranten zullen zig dienaangaande niet verder uitlaaten, maar liever sulks aan liet verligt oordeel en doorsigt van UL. overlaaten, daar tog ook in allen gevalle de sub- en obreptive verkregen Resolutie aan het regt niet geven of nemen, en dus ook aan hen Remonstranten geen de allerminste praejudicie toebrengen kan; en derhalven ook van even weinig ge-wigt kan zijn, als blooto gezegdens, in den schaal der gerechtigheid, tegen volkomen bewijzen kunnen opwegen. Jaa Burgers Repraesentanten der Bataafsche Republiek, hot zij den Remonstranten geoorlooft aan UL. met den uitersten eerbied en submissie, openhartig te verklaaren: dat zij wol ten uitersten bereid en vaardig zijn, hun schot en lot neffens hunne Medeburgeren te fourneren, ja, dat zij des noods zig nimmer zullen onttrekken om tot behoud van het dierbaar quot;Vaderland en de tegenswoordige orde van zaaken, goed en bloed gewillig op te offeren; dog dat zij dit zogenaamde Miskoorn (waartoe zij als getoond naar Rechten en Billijkheid niet verpligt zijn) egter nimmer dan gedwongen langer zouden kunnen voldoen; — Maai\' zij Remonstranten vertrouwen volkomen op UL. kunde en Regtvaardigheid, in wiens schoot zij gerust haare zaake durven nederleggen en wenden zig derhalven tot UL. mot eerbiedig verzoek:
§
Dat Gijl. suit gelieven te decreteren en te verstaan, dat zij Remonstranten ongehouden en on verpligt zijn, het hiervoren gementioneerde zogenaamde Miskoorn langer te moeten voldoen; en zij dus ook van dezo haatelijke dienstbaarheid zijn gclibereort en dat hangende UL. deliberation
G
over deze zaak, de deswegens door de Weduwe van wijlen Ds. J. van Loo in leven Praedikant der gereformeerde gemeente te Ootmarssum reeds geëntameerde Procedures, zullen blijven gesurcheert, en deswegens geene andere aangevangen — met wijder versoek, dat zoo ouvermoedelijk, na hierop, door UL. gerequireert en ingekomen Bericht of Consideratien nog eenigen twijtfel, omtrent het accorderen van dit hun verzoek, bij UL. mogto plaatse hebben, dat alsdan Remonstranten moge worden gesteld met een sortabelen termin, om daarop te kunnen dienen van contra-Bericht of contra-consideratien — Ofte dat Gijl. daaromtrent, ten hunnen goede, sodanig suit gelieven te decreteren en te verstaan, als Gijl. in uwe Rechtvaardigheid suit vermeinen te behooren.
\'t welk doende;
(get.) Jannes Nijuuis als boerrigter van Groet Agelo.
Jan Hijndieik Hofstije namens Borijter van Lattrerop.
J. H. Loonk namens Albergen.
G. Geerehan namens Vasse.
J. Wolberink namens Mander.
J. Elberink namens Geesteren.
Derck Steggeman namens Tielligte.
Berent Ottink naams Tubbergen.
Bekent Plijhttis namens Fleeringe.
H. Roepen namens Brekkelenkamp.
L. Roeten Bererg namens Nutter.
Jan Bennink namens Reutum.
J. Droost namens Hesinge.
83
B ij lage N.
VRAAG ART IKULEN
om daarop ter instantie van do Boen-igtors van Albcrgen, Flecringen, Tubbergen cn Geosteren namens hunne respective marken na voorgedaane wettige citatie, lien-inneringe van de straffe des meineeds, en daarop in fonna geprae-steerden Eede te hooren.
Geruit Reinebink en
Berend Jan Bos.
1.
Onderdom en verwandschap te vraagen.
Ad 1. Eerste getuige verklaard ruim 50 jaar oud te zijn en onverwand te wcesen.
Tweede getuige zegd ruim 40 jaar oud en onverwand te weesen.
2.
Hebben getuigen zedert eenige jaaron, voor de Gereformeerde Predikant van Tubbergen niet liet zoogenaamde Miskoom helpen invorderen cn ophaalen, en wol eerste getuige door het geheele Carspel van Tubbergen, dog tweede getuige alleen in Albergen?
Ad 2. Eerste getuige deponeerd, dat hij zedert eenige jaaren voor de Gereformeerde Predicant van Tubbergen het zogenaamde Miskoom door het geheele kerspel van Tubbergen heeft helpen invorderen en ophaalen.
Tweede getuige verklaard, dat hij zedert eenige jaaren voor de Gereformeerde Predikant van Tubbergen het zogenaamde Miskoorn door het geheele kerspel van Tubbergen heeft helpen invorderen en ophaalen.
84
O
Zoo Jaa, weeten getuigen dan ook niet zeer wel, dat zo wel van do Bewooneren van kleine en zedert 40 of 30 of nog mindere jaaren aangebouwde of nieuw getimmerde huijsjes als van de groote en oudlioevige Boeren dit Miskoorn of ook geld is gevordert en door deselve is betaald?
Ad 3. Eerste getuige zegd, zeer wel te weeten, dat zoo wol van do bewoneren van kleine en zeedert 40, 30 of nog minder Jaaren, aangebouwde, of nieuws getimmerde huijsjes, als van de groote en oudlioevige Boeren geld is gevordert en betaald maar geen zaat.
Tweede getuige verklaard zeer wel te weeten, dat zoowel van de bewoneren van kleine, en zedert 40, 30 of nog minder jaaren, aangebouwde of nieuws getimmerde huijsjes als van de groote en oudlioevige Boeren geld is gevordert en betaald, maar geen zaat.
NB. op 4o, 5e cn Ge art.: Eerste getuige alJeen te vraagen.
4.
Immers zal gfetuige nog zeer wel weeton, dat miskoorn of geld is gevraagd en betaald van Jan Kotkamp en Jan Lohuis en andere dergelijken onder Tubbergen?
Ad 4. Eerste getuige verklaard nog zeer wel te weeten dat geen miskoorn maar wel geld is gevraagd en betaald van Jan Kotkamp en Jan Loohuis en ander dergelijke andere onder Tubbergen.
5.
Van Jan Morshuis en Jan Boerrigter don ouden en andere dergelijke onder Tubbergen?
Ad 5. Eerste getuige zegt, als ook van Jan Morshuis
85
on Jan Boemgter den ouden en andore dergelijke onder Tubbergen.
C.
Van Lucas in den Hof en Haar Jan en moer dergelijke onder Floeringe?
Ad C. Eerste getuige zegd, mitsgaders van Lucas in den Hof en Haar Jan en meer dergelijke onder Floeringe.
NB. op Art. 7 en volgende beijde getuigen te booren.
7.
Als mede zullen getuigen zig nog wel weeten te ber-rinnoren, dat dit miskoom of geld is gevraagd en opgehaald van Gerrit Haagenvoort, Gerrit Haarhuis en meer dergelijke kleinen onder Albergen?
Ad 7. Eerste getuige zegd, dat hij zig nog wel weet te liorrimieren, dat geen miskoorn maar geld is gevraagd en opgehaald van Gerrit Haagenvoort, Gerrit Haarhuijs en meer dergelijke kleinen onder Albergen.
Tweede getuige verklaard, dat hij zig nog wel weet te herrinneren dat geen miskoorn, maar geld is gevordert on opgehaald van Gerrit Haagenvoort, Gerrit Haarhuijs en meer dergelijke kleinen onder Albergen.
8.
Wierd aan getuige ook een lijst of Kegistor meede gegeven, waarna zij dat miskoorn moesten vorderen of op-haalen.
Ad 8. Eerste getuige verklaard, dat aan hem oen Lijst of Register wierd meede gegeven waarna zij dat miskoorn moesten vorderen en ophaalen.
Tweede getuige deponeerd dat aan hem een Lijst of Register wierd mede gegeven, waarna zij dat Miskoorn moesten vorderen en ophaalen.
SC
9.
Zoo Ja, waaron op dat Register, niet zoowel do kleinen en telkens nieuw getimmerde liuijsjes, als de grooto eu oudhoevige Booren gezet?
Ad 9. Eerste getuige zegd, niet precies meer te weeten of de kleine en telkens nieuw getimmerde huijsjes op dat Register zoowel waren gezet als de groote en oudhoevige Boeren, dan niet.
Tweede getuige verklaart dat op dat Register niet do kleijnen en telkens nieuw getimmerde Huijsjes zo wel als de groote en oudlioevige Boeren gezet waaren maar dat de eersten onder die geplaatst wierden, van dewelke geld, maar geen miskoorn gevraagd en betaald wierd.
Ik F. van Raet, Richter des Landgerichts Ootmarsum, certificeere bij doezen, dat voor mij en assessoren Gr. Oos-terwijk en G. van Assen na voorgaande wettige citatie in den Gerichte gecompareerd is do twee vorenstaande getuigen Gerrit Reinerink en Berend Jan Bos en hebben na voorgaande herrinneringe van de zwaare straffe des mein-eeds^ en aldaar op in forma gedane gepraesteerdon Eede, op ieder der voorstaande vraagartikulen gedeponeert, zo als in het lange staat geregistreerd.
Des ten oircondc hebbe ik Richter voorn, deezen eigenhandig getekend en gezegeld.
Actum Ootmarssum den 8 October 1798.
(get.) F. van Raet, Richter.
87
B ij 1 a g o O.
VRAAG ARTIKULEN
om daarop tor instantio van de Boerrichters van Albergcn, Fleoringo, Tubbergen on Greestcren namens hunno respective marken na voorgedane wettige citatie, herrinneringe van de straffe des meineeds en daarop in forma geprae-steorden Eede gericlitelijk te hooren.
1. Jan Kqttcamp on
2. Jan Loonuis uit Geosteren.
3. Jan Moeshuis en
4. Jan Boereigtek, den ouden, in Tubbergen.
5. Lucas in den Hoff en
C. Haak Jan in Fleeringe.
7. Gerrit Hagenvookt en
8. Gerrit Haarhuis in Albergen.
].
Ouderdom en verwandschap?
Ad. 1. Eerste getuige zegd ongeveer 50 jaar oud en onverwand te weezen.
Tweede getuige verklaard omtrend 52 jaar oud en onverwand te weesen.
Derde getuige zegd- omtrend 45 jaar oud en onverwand te weesen.
Vierde getuige verklaard ongeveer 80 jaar oud en onverwand te weesen.
Vijfde getuige verklaard omtrent 40 jaar oud en onverwand te weesen.
Zesde getuige zegd over de ö0 jaar oud en onverwand te weesen.
88
Zevende getuige zegel omtrent 60 jaar oud en onver-wand te weesen.
Achtste getuige verklaard omtrent 50 jaar oud en on-verwand te weesen.
2.
Wonen getuigen niet in Huijzen of Huijsjes, dewelke zedert 50 of veel minder jaaren, zulks zo na doenlijk te bepaalen, nieuws gezet of getimmert zijn?
Ad 2. Eerste getuige zegd, dat hij in een huisjen woond, dat ongeveer zeedert Elf jaar nieuws is getimmert.
Tweede getuige verklaard, dat hij in een huisjen woond, dat nog voor geene 20 jaar nieuws getimmerd is.
Derde getuige zegd, dat hij in een luüjsjen woond, dat voor ongeveer 10 of 17 jaar nieuws getimmerd is.
Vierde getuige verklaard, dat hij in een huijsjen woond, dat voor ongeveer 30 jaar nieuws getimmerd is.
Vijfde getuigde zegd, dat hij in een huijsjen woond dat voor ongeveer 10 jaar nieuws getimmerd is.
Zesde getuige verklaard, dat hij in een huijsjen woond, dat voor ongeveer 61 jaar nieuws getimmerd is.
Zevende getuige zegd, dat hij in een huijsjen woond, dat voor ongeveer 27 jaar nieuws getimmerd is.
Achtste getuige verklaard dat hij in een huijsjen woond, dat voor ongeveer 30 jaar nieuws getimmerd is.
3.
En wel op plaatzen, daar te voren geene Huijzen hebben gestaan, daarvan zo verre weten, de gesteldheid op te geeven.
Ad. 3. Eerste getuige zegd, en wel op eene plaatze daar te vooren geen huijs hoeft gestaan, maar alwaar gedeeltelijk nieuwe, gedeeltelijk oude zaaijgrond bij is.
Tweede getuige zegd, en wel op eene plaatze daar te
89
vooren geen hnijs heeft gestaan maar alwaar de groen-grond in zaaijland verandert is.
Derde getuige verklaard, en wel op eeno plaatze, daar te vooren geen Inüjs heeft gestaan^ maar alwaar de groen-grond gedeeltelijk in zaaijland verandert is.
Vierde getuige verklaard, en wel op eone plaatze, daar te vooren geen huijs heeft gestaan, maar alwaar te vooren wel eenige zaaijgrond is geweest.
Vijfde getuige zegd, en wel op eene plaatze, daar te vooren geen huijs heeft gestaan, maar alwaar te vooren zaaij- en hooijgrond geweest is.
Zesde getuige zegd, en wel op eene plaatze daar te vooren geen Huijs heeft gestaan, maar alwaar te vooren wel eenig zaaijland is geweest.
Zevende getuige verklaard, en wel op eene plaatze, daar te vooren geen huijs heeft gestaan, maar alwaar te vooren zaaij liooij en gemeene grond geweest is.
Achtste getuige zegd, en wel op eeno plaatze, daar te voren geen huijs heeft gestaan, maar alwaar te vooren zaaijland geweest is, die aangekogt is.
4.
Is echter van getuigen niet \'s jaarlijks het zogenaamde Miskoorn of geld door of namens de Gereformeerde Predikanten van Ootmarsum en Tubbergen respective ge-vordert en opgehaald\'?
Ad 4. Eerste getuige zegd, dat van hem geen zogenaamd Miskoorn maar wel geld door of namens de Gereformeerde Predicant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Tweede getuige zegd, dat van hem geen zogenaamde Miskoorn, maar wel geld door of namens den Gereformeerden Predikant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
90
Derde getuige verklaard, dat van hem. geen zogenaamde Miskoorn maar wel geld, door of namens den Gereformeerden Predikant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Vierde getuige zcgd, dat van hem geen zoogenaamd Miskoorn maar wol geld, door of namens den Gereformeerden Predicant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Vijfde getuige zegd, dat van hem geen zogenaamde miskoorn maar wel geld door of namens den Gereformeerden Predicant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Zesde getuige verklaard, dat van hem geen zogenaamde Miskoorn, maar wel geld door of namens den Gereformeerden Predikant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Zevende getuige zegd, dat van hem geen zoogenaamde Miskoorn maar wel geld door of namens den Gereformeerden Predikant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Achtste getuige verklaard, dat van hem geen zoogenaamde Miskoorn, maar wel geld door of namens den Gereformeerden Predikant van Tubbergen is gevordert en opgehaald.
Tk F. vajt Raet, Richter des Landgerichts Ootmarsum, certifieeere bij deezen, dat voor mij en assessoren G. Costerwijk en G. van Assen, na voorgaande wettige citatie in den gerichte gecompareerd zijn, de acht vooren-staande getuigen Jan Kotkamp en Jan Loohuis in Geesteren, Jan Morshuis en Jan Boerrigter den ouden in Tubbergen, Lucas in den Hof en Haar Jan in Fleringo,
91
Gerrit Hagenvoort on Gerrit Haarhuis in Albergen, cn hebben na voorgaande herrinneringe van de zwaare straifo des meineeds, en aldaar op in forma gedane gepraes-teerden Koomschen Eo\'de, op ieder der voorenstaando vraagartikulen gedoponoert, zo en als in het lange staat geregisteerd.
Dos ton oirconde heb ik Eichter voornoemd dezen eigenhandig getekend en gezegeld.
Actum Ootmarsum den 8 October 1798.
(get.) F. van Raet, Richter.
B ij lage P.
Gelijkheid, Vrijheid, Broedebsciiap.
den Haag den 20 December 1798 \'t 4de Jr. d. B. V.
Aan d\'eerste kamer van het Wetgeevend Lichaam der Bataavsche Republicq.
Door de hoogste Nood gedrongen neemon een groot aantal Bataavsche Burgers, met naamcn J. Schoppert, J. Krikhaar, Sander Vaneker, J.. Hondk. Amelink, Berend Bökker, Jan Eetgerink, Hendricus Lecfcriuk, en meer andere ingezeetenen deezer Republic^, Belijderen van den Roomsehen Godtsdienst, woonende respectively k onder ol\' in den Gerichten Oostmaarsum, Endscheede en Delden, de vrijheid aan uw Lieden voor te dragen, dat Remonstranten en derzelver voorzaaten onder het voormalig willekeurig stadhouderlijk bestuur, onder hetwelk het een bevoorrechte kerkgenoodschap zig gemagtigd zag andre van hetzelve in Gevoelens verschillende t\' onderdrukken niet alleen, maar ook tot onderhoud van deszelfs kerk
92
Beampten dienstbaar te maken, gedwongen zijn geworden \'s jaarlijks en alle jaar tot sontien van de Bedienaars of Predicanten der Gereformeerde kerk af te geeven en te betaalen een schepel Eogge, onder den zeer oneigenaar-tigen Naam of titiü van miskoorn; dat zij met deeze afgaave in weerwil van herhaald aldaar tegen gedane ver-toogen hebben moeten continueeren tot het zo merkwaardig als Heilrijk jaar van 1795 toen de Nee velen der dwing\'-landij door de zon der vrijheid wierden verdreeven, toen Gelijkheid sig van de plaatz van overheering meester maakte^ toen het aankleeven van Godtsdienstige Gevoelens geen voorregte meer teweeg bragt. Als wanneer zij ver-meinden, die zo wederregt\'lijk van hun afgeperste afgaave voormeld te moeten weigeren, \'t welk ten gevolge hadde differente gerichtelijke Aanspraaken, ter erlanging van dik gemelte praestandnm ontgonnen, gelijk meedc verzoeken, klagten, berigten en debatten over die zaak ter Tafel van de toenmalige representanten van Overijssel gebragt, met dien eft\'ecte, dat gemelde Representanten na nauwkeurig onderzoek van zaaken, ja na een inge-koomen Bericht of Rapport van eene door hun genomineerde Commissie, om na den aart en oorsprong van die afgaave de scrupuleuste perquisitie te doen, zo ik meen in de maand Julij /7.96\' besloeten en goedgevonden hebben , alle de ter zaake van het miskoorn reeds geenta-meerde of nog te beginnene Procedures te surcheeren, en de respective Schouten en Rigters te gelasten, zodane Procedures voor derzelver Regtbank niet te permitteeren tot nadere dispositie.
liet zal derhalven onnoodig zijn Uwlieden Burgers Representanten. de verbaazing en aandoening te schilderen, welke zij Remonstranten gevoelden toen hun reeds in de
93
maand Junij, lüj publicatie wierd bekend gemaakt, dat liet Intermediair adndnistratif Bestuur van het voormalig Gewest Overijssel, haddc kunnen goedvinden, die na rijpe overweeging, en onderzoek van zaakon verleende surehenge op te heffen en in te trekken, Eene daad, een stap Burgers Representanten! waarvan \'t overboodig zoude zijn uwLieden hetzij met Eerbied gezegd, de onwettigheid en nulliteit te betoogen, want wie uwer voelt niet dadelijk, dat het opheffen van eene door den wettigen en eonigen souverein, wolk qualiteit de toenmalige Representanten van het voonnaalig gewest Overijssel in die tijd bekleeden, Een daad van Souvereijniteit is, en die alleen door do hoogste magt kan worden uitgeoeffend, gevolglijk met geen het minste effect, door een administratil\' Bestuur kan worden daargesteld, het blijkt dus klaar, dat het administratif Bestuur, salva reverentia, door die daad de paaien van haar magt overschreeden en ietz gedaan heeft, waartoe zij onbevoegd was, gevolgelijk die opheffing als nul en nietig moet worden beschouwt.
Dan hierbij Burgers Representanten heett gezegde Bestuur het niet gelaaten, niet genoeg door deeze in effecte nietige opheffing der uit de volheid van Souvereine Magt geaccordeerde schorsing, den weg wederom opengezet te hebben tot veelvuldige procedures, niet genoeg aan de Ingezeetenen bij een politique Resolutie gelast en bevoolen te hebben, het miskoorn te betaalen, Is hetzelve eindelijk veel verder gegaan en heeft van zig kunnen verkrijgen, den Provisioneelen Verwalter van het Drost-ampt van Twenthe, den Burger .1. W. Racer, bij speciale resolutie te qualificeeren en te gelasten,, om voor de Preclicanten de Eischers en aanleggers, te intervenieeren; dewelke dan ook ter nakooming van dien aan hem gedelereorde
94
last niet in gebreeken is gebleeven, den Advocaat Mr. E. Did te qualifieeeren; de Remonstranten tot botaaling van dit gemelt miskoorn door rechtsmiddelen to constringeeron, met dat gevolg, dat gezegden Advocaat indie zijne qua li-teit, tegen den Remonstranten voor derzei ver respective gerichte pleitgedingen heeft geentameerd.
De Remonstranten vermeinen zig veilig te kunnen dispenseeren, van bij deeze breedvoerig uit te weiden, over de handehvijze van het Administratif Bestuur van Overijssel over de nadeelige gevolgen, welke zodane interventie moet hebben, over het praejudicie hetwelk hunne zaak daardoor word toegebragt, over den invloed welke het op den Rigter die eindelijk deeze zaak zal moeten beslissen moot hebben. Want wie Uwer Burger Representanten voelt niet leevendig, hoe hart het den Remonstranten valt, te moeten ondervinden, dat een Bestuur hetwelk het regimen namens het Souverein Gouvernement in handen heeft, sig opentlijk als intervenient voor een der litigeerende Partije verklaard? dat die interventie waarschijnlijk op kosten van den Lande, ten laste van de algemeene Cassa loopt, zodat Remonstranten, welke meede het hunne daartoe contribueeren, langs dien weg gedeeltelijk, door de door hun zweet en arbeid vergaarde en opgebragte Penningen, in vexature en kostbaare Procedures worden gesleept, die meede zo als gezegd is op hunne kosten worden gevoerd, en dus als \'t waare met hunne eigene waapens worden bestreeden, onder deeze omstandigheeden Burgers Representanten hebben Remonstranten geenen anderen uitweg gezien, dan zich bij Uw-Lieden te addresseeren met Eerbiedig verzoek.
Dat het Uw Lieden goed gunstigst behaagen moge, te verstaan, dat de door de voormalige provisioneele
95
Eepreseutantcn van liet gewest Overijssel wettig verleende siircliance als nog snbsisteerd en de door het Intermediair Adniinistratif Bestinir daar van gedane opheffing van geen cffcct kan zijn, en voorts de geordonneerde hiervooren gelibelleerde interventie dadelijk zal worden ingetrokken.
\'t Welk doende,
(get.) .1. A. Keuciienius, als gelaste.
B ij 1 a g e Q.
Jlede Burger!
Ingevolge Uwe missive van den 29 Januarij 1.1., waarbij in onze handen gesteld word het decreet van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks van den 22en daar te vooren, geslagen op de Eecpiesten van Boermannen en Kotters der karspelen Ootmarsnm en Tubbergen en van Roomschgezinde Ingezetenen en boermannen woo-nende in het quartier van Twenthe, alsmede van H. Heg-(tElaer c. s. onder Delden betrekkelijk het zoogenaamde miskoorn, ten einde daarop te dienen van Bericht, waaromtrend wij U aanvanglijk moeten doen observeren, dat wij niet weeten wie men te houden hebbe voor de Refjuestranten zich noemende Ingezetenen en hoennannen woonende in het quartier van Twenthe om dat die requeste niet door do requestranten zelfs, maar door P. H. van Haaren qq. getekend is, zijnde de verdere hier boven gementioneerde Requestranten ook alle Ingezetenen van Twenthe, zo dat de voorzeide Manier van Reqnestreeren schijnt uitgedagt te zijn om maar berichten te doen reqnireeren en dus de zaaken zonder afdoening te houden.
9G
Wij zullen dan ten aanzien van liet gerequireerde Bericht niet in liet breede behoeven uit te weiden 0111 do onwaare en nietige positien der Requestranten te refu-teeren aangezien dezelve eene genoegzame oplossing en wederlegging vinden in onze missive van den lOen Junij 1.1. aan het Intermediair Uitvoerend Bewind geschreven, en copielijk luer bij gevoegd onder No. 1 waar bij een detail gegeven is van den loop der zaaken over het zogenaamd miskoorn en kosterienkoom bij de Provisioneele Representanten des volks van Overijssel voorgevallen, tot staving van het welke wij hier bijvoegen de resoliitien der voor-zeide Provisioneele Representanten van 24 Maart en 2 Junij 179G onder No. 2 en 3, als mede onze resolutie van den 12 September 1.1. geslagen op de requeste van A. C. de Mol, weduwe van wijlen J. van Loo, in leven oudste predikant der Hervormde G-emeente te Ootmarssnm, onder No. 4 van allen welke wij de lectuure zeer aan-beveelen, en ons overtuigd houden dat de hatelijke insi-mulatien bij eenige van die Requesten ten opzichte dezer vergadering gebezigd als spruitende uit eenen euvelmoed en neiging om do beste pogingen door het Bestuur aangewend tot maintien van goede orde en policie struikelblokken in den weg te leggen, do indignatie van het Vertegenwoordigend Lichaam zullen verdienen.
Den aart en oorsprong der belasting van het zogenaamd miskoorn is buiten alle redelijke tegenspraak eene reëele belasting, en wij zouden nutteloos den tijd verspillen, dit alhier breedvoerig te betoogen, daar dit ook al bij voorn, onze missive van den 19 Junij 1.1. van het Intermediair Uitvoerend Bewind getoond is; doch waartoe wij ten overvloede eenige bewijsen, en onder anderen ook uit de Griffie van dit voormalig gewest, en dus uit archiven
97
van staat, hier bij zullen voegen onder No. 5, G, 7, 8, 9,10. Dit ook blijkt uit het rapport van de Burgers Pagon-stecher en Nieuwenhuis, hier bij onder No. 11 t\'welk eenige der Requestranteii om het perzoneele van deze belasting te betoogen, abusivelijk allegeeren.
Van alle sijden is deeze belasting ook als eene reëele belasting beschouwd geweest en betaald, en daarmede hadden de requestranten behooren te continueeren, en zo zij meenden zich daar van te kunnen vrije dingen, dan hadden zij dit door den ordinaris Cours van Justitie moeten zoeken, maar niet door strafwaardige eigenrichting en willekeurige weigering, dit zijn niet de daaden van stille ingezetenen, die zij echter voorwenden te zijn, doch wij willen wel geloven dat de tuimelgeest van heethoofden, de meenigte liet pretense personeele dezer belasting diets maakt, en dat de pleiters hier onder mij en om de baatzucht te voeden.
Eu hier mede zouden wij dit Bericht kunnen sluiten ware het niet dat jvij ons verplicht vonden nog met een enkel woord aan het Vertegenwoordigend Lichaam te doen reflecteeren dat deze jaarlijksche belasting van het zogenaamde miskoorn ten minsten bedraagt 134 mudden, een schepel, drie en een quart spind rogge, 248 gasten rogge een mudde drie schepel drie en een half spind garst, zeven mudden drie schepel en drie spind boekweit en elf mudden drie schepel haver, behalven nog verscheiden kleine posten in geld en het welk tot aan de aanneming der staatsregeling buiten eenige redelijke tegenspraak vervallen is ten voordeele van de leeraren der Hervormde Gremeentens, of die liet toen aldus wettig genooten en naar de aanneming der staatsregeling een effect geworden
98
is van het Bataafsche Volk, ten wiens behoeve hetzelve voortaan zal moeten opgebragt eu betaald worden.
Om allen welke wij vertrouwen dat het Vertegenwoordigend Lichaam de reqnestranten met hunne onbillijke klagten zal wijsen van de hand, en ten gevolge van dien verleende surcheance intrekken en opheffen.
B ij lage R.
Aan het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafsehen Volks.
Burgers!
Aan de gezamentlijke Boermannen en Kotters, van de kerspels Ootmarssum en Tubbergen, is eerst voor ongeveer veertien dagen, ter handen gekomen een aan hen door den Richter van Ootmarssum, op last van den Agent van Justitie, toegezonden Extract uit liet Register der Vies luiten, van de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam dos Bataafsehen Volks, jongsleeden, waarbij het door hen Remonstranten gedaane versoek, „dat voor en „aleer, eenige dispositie nopens de betaling van het „zogenaamde Miskoorn mogte vallen, het ten requeste „vermelde Adres van Ds. ten Gate, almede de door doze „vergadering, dienaangaande gerequireerde Berigten mogten „worden gesteld, in handen van hun Requestranten; ten „einde daaromtrent te kunnen dienen van Contra Bericht oi\' Contra Consideratienquot; — pro ut jacet, is gedeclineert en zij Requestranten daarmede gewezen van do hand — met vrijlating egter om des goedvindende, ter adstructie of verificatie van hunne sustenuon aan deze vergadering
99
iii te zenden, sodanige bedenkingen of bewijzen, als zij zouden te rade worden en mecnen te beliooren.
Dat zij Remonstranten, schoon zij gerust meenen te mogen vertrouwen, bij hun vorig Request, nopens de betaling van liet zogenaamde Miskoorn, de gegrondheid van hunne sustenuen en regtvaardigheid van hunne zaak, zooverre de omstandigheden sulks toelaaten, ten klaarsten te hebben aangetoond en betoogd, egter nog mot weinige, van de gemelde vrijlating, willende gebruik maaken, vooraf cii eer zij daartoe overgaan, mot allen schuldigen eerbied, moeten aanmerken.
Dat Remonstranten zig nu vloijen en gepersuadeert houden dat er bij UL. hoegenaamd geene adressen, Berichten of Consideration zijn gerequireerd of ingekomen, dewelke de gegrondheid van hunne sustenuen, omtrent het Miskoorn, eenigsints in twijffel hebben kunnen doen trekken, of waarop, bij dispositie over deze zaak eenige reflexie kan worden geslagen, dewijl ÜL. zoo beroemde kunde en regtvaardigheid, hen niet toelaat, slegts een oogenblik te vreesen; dat bij UL. bij dispositie of decisie, over de gemelde zaak, op addressen. Berichten, Consideration of iets hoe ook genaamd, dewelke zij Remonstranten niet hebben kunnen examineren en rencontreren, eenige reflexie ten hunnen nadeele, zal geslagen worden; als direct strijdig, zoowel met de natuurlijke billijkheid als de eerste beginselen van het Recht.
Onder inhaesie dan, van hun vorig Request, over deze zaak, en daarbij gedaane protestation, zullen Remonstranten hunne sustenue, omtrent het stuk of poinct, waarop het in desen alleen schijnt aan te komen, namentlijk of dit zogenaamde Miskoorn is van eêne reëele natuur en fundatie., en, dus een bezwaar, uitgang of praestandum in de
ion
Erven of vaste goederen gevestigd, waaruit het derhalven ten allen tijde sonder respect op de besitteren of Eigenaren heeft moeten betaald worden ? dan of liet slechts van ouds herre, is geweest eene personeele praestatie, de welke volgens eene daarvan onderling gemankte qnotisatie of Eooster, of slechts, volgens een door. langduurig gebruik ingevoerde gewoonte door de Ingezetenen, van de Marken of Boerschappen, aan hunne tijdelijke Priesters of derselver adjuncten, voor het verrigten van ordinaire dagelijksche kerkdiensten heeft moeten gegeven worden? nog wat nader te adstrueren.
Wat aanbetreft den oorspronk van dit zogenaamd Mis-koorn, ton dien opzichte hebben zij Remonstranten, na alle aangewende moeijte en navorsing niets anders of naders kunnen ontdekken, dan het geene zij daarvan bij hun vorig Rerpiest hebben opgegeven en aangevoerd, waartoe zij zig derhalven bij desen alnog gedragen; en ook daaruit, vertrouwen zij, zoo gerust als eerbiedig, dat overtuigend kan worden opgemaakt, dat dit zoogenaamd Miskoorn, nog in zijnen oorspronk en fundatie van tenen reëelen natuur is geweest nog ook xelvs naderhand immer als zoodanig is beschouwd en ingevordert.
Sulks openbaard zig nog klaarder en wordt genoegzaam buiten het bereik van rechtmaatige twijöeling gesteld; wanneer men onbevooroordeelt in betragting gelieft te nemen: Dat, zoowel volgens de positive als natuurwetten, alle Landerijen en Erven, niet minder als Persoenen, woorden gepraesumeert vrij en dus zonder eenigen last, beswaar of servitiüt te zijn; sodanig en met dat effect, dat die geene, door wien het tegendeel gesustineert word, snlks met zeer valabel en klaar bewijs moet aantoonen; — terwijl zij Remonstranten wel volkomen gerust zijn, dat
101
n niemand in staat is, om, selvs met eenigo, op het Eocht
n gegronde praesumtien en dus veol weiuiger met voldoend
Is bewijs, aan te toonen, dat in de Erven en Landerijen in
;e de kerspels van Ootmarssum en Tnbbergen, zodanen reëelen
)f last of servituit geleegen of gefundeert is — Selvs vald
k liet niet eens wel te begrijpen, lioe of op welke wijze.
of door wien, immer zodaanen reëelen last of servituit, op de Erven en vaste goederen zouden gelegd of gefundeert zijn; en nimmer zal daarvan eenigen giftbrief, versegelingen of zogenaamde Richtersbrieven en fundatiën kunnen geproduceert worden; dewelke nog tans volgens Land Eecht 2e deel tit. 8 art. 3 tot liet leggen van eenig reëel beswaar, op vaste goederen vereischt worden.
jf Ook zal niet kunnen aangetoond worden, dat bij ver-
ij kopingen van Erven of vaste Goederen nog in do daarvan
^ gepasseerde overdragten en transportbrieven den last of
n bezwaar van dit Miskoorn te moeten botaalen, speciaal
^ en als daarin gerealiseert of gefundeert, is opgegeven, niottcgenstaando zulks, indien liet waarlijk een reëelen
n last waare geweest, volgens Land Recht parte et titulo
r citato articido sexto, op poene van nulliteit niet heeft
mogen nagelaaten of verswegen worden, n Trouwens zoude na liet inzien van hun remonstranten,
[j ook niet wel een meer doorslaand blijk, voor degegrond-
e heid van hunne sustenue kunnen bijgebragt of gevordert
^ worden, als hierin gelegen is, dat men dit zogenaamd
, Miskoorn niet alleen van de oudhoevige Erven, dewelke
^ waarschijnlijk voor de Reformatie hier te lande bestaan
; hebben, gevordert en opgehaald heeft, maar ook telfens
[ wel degelijk van alle naderhand nieuws gecultiveerde
plaatsjes en aangebouwde huijsen, dewelke nog maar t slegts weinige jaaren hebben geexsisteort; daar integendeel.
102
van ouclhoevigo Erven, dewelke gesplitst of stukswijze verkogt of verhuurd zijn geworden in liet geheel geen miskoorn is gevordert of opgehaald 2iog daarvoor op do Landerijen is geprocedeert geworden; gelijk sulks bij vorig Request reeds is betoogd en met de kondschappen aldaar is geapplieeert sub No. 1, 2, 3 en 4 overtuigend beweesen.
Waaruit derhalven onwedersprekelijk moet volgen, dat, al konde dit Miskoorn (:als zeker neen;) ten opzigte van de oudhoevige Erven, al eens als eenen reëelen last of bezwaar worden aangemerkt, dan nogtans sulks, met betrekking tot de naderhand nieuwe gecultiveerde landen en aangebouwde huijzen, volstrekt het geval niet zoude kunnen zijn.
Wanneer nu dit alles samen bij U.L. Burgers Eepre-sentanten! in onbevooroordeelde overweging word genomen, vleijen Eemonstranten zig, dat er geen de minste twijffel zal kunnen overblijven of dit zoogenaamd Miskoorn is slechts origineel niets anders, dan een Personeel prae-standum voor de Reformatie hier te Lande, door de R. C. Ingezetenen aan hunne Priesters of derzelver adjuncten, voor het verrigten van dagelijksche kerkdiensten, \'s jaarlijks betaald, maar integendeel geensints van oenen rocelen natuur, sodanig, dat dien last of bezwaar in de Landerijen gerealiseert of gevestigd is.
Hier\' tegens kan zeker niet het allerminste opereren, dat (zooals Remonstranten van ter zijde zijngeinformeert geworden) men aan de andere kante zoude hebben voor-gebragt en zig daarop tot goedmaking van de tegengestelde sustenue willen beroepen, naamlijk; dat eenige Goeds Heeren of derzelver Rentmeesters in de Huur of Pagtccduls van hunne Boeren, zouden hebben bedongen.
103
dat dit miskoorn door hunne Boeren of Bouwlieden zoude moeten betaald worden; dewijl tocli zodane pacta priva-torum aan het Recht of de natuur van de zaak niets ter wereld geven of nemen kunnen en sulks schijnt alleen gesclüed te zijn tot praeventie van alle mogelijke dispuiten, dewelke deswegens tusschen die Land Heeren en hunne Boeren zouden kunnen ontstaan, terwijl het tog onder het vorig bestuur buiten alle bedenk zeker was, dat dit miskoorn hoe onbillijk en van welken natuur het ook mogte zijn, evenwel moeste betaald worden; —dan welk bestaanbaar argument of bewijs daaruit voor de realiteit van hetzelve zoude kunnen getrokken worden, moeten Remonstranten bekennen niet te kunnen penetreren. Immers, daar als bekend, eenige goedsheeren niet hebben versuimd en alnog niet nalaaten, om, ten opzigte, van de reeds voor jaaren afgeschafte Drosten diensten, sulks almede in pagt of huurceduls te bedingen, zoo zoude men dan met evenveel grond en gratie, voor de realiteit dei-Drosten diensten kunnen pleiten.
Even weinig kan het tot bewijs van realiteit van het miskoorn bijdragen, dat in don jaare 1731 door den tij de-lijken Drost van Twenthe op de klagte van den toenma-ligen praodikant te Tubbergen, wegens het niet botaalen van drie spinden Rogge miskoorn, door het stuks wijze verkoopen van een halt Erve Ottink veroorzaakt, zoude zijn geappoincteert, om in cas van niet betalinge van den agterstand of niet geven van securiteit voor de vordere betaling van het miskoorn, oen stuk Land van dit halve Erve Ottink aan te slaan en te verkoopen, vermits daaruit niets anders te haaien zoude zijn, dan dat den toenma-ligen Drost van Twenthe zoude hebben goedgevonden, om, door zodanig bevelschrift den Praedikant van Tub-
104
bergen de voldoening van het miskoorn te doen geworden, zeer wel verzekert zijnde, dat lioe nul en wederregtclijk sulks ook mogte zijn, zig toen daartegens niemand zonde durven versetten of tegons in oppositie komen — dog daardoor konde even zeker geen de minste verandering, omtrent den aart en natuure van liet miskoorn te weeg gebragt worden; nog ook daardoor dat misschijn de een of ander t\' eeniger tijd van begrip zoude geweest zijn, dat dit miskoorn een reëelen last zoude zijn en dus liet-zelve als zodanig is beschouwd geworden; dewijl liet tog geen betoog verdient, dat zodaane erroneuse opinien naar Kechten niets tor wereld kunnen afdoen; nog daardoor het miskoorn, dat als betoogd, origineel niets anders dan een personeel praestandum kan geweest zijn, bij verloop van tijd in eenen reëelen last of bezwaar, in de Erven gerealiseert, te veranderen; vermits tog hier geensints de vraag is of kan zijn, hoedanig door sommigen, onder het voorig Bestuur, dit miskoorn is beschouwd en gehouden worden, maar integendeel, van hoedaanen aard en natuure hetzelve origineel geweest is en waaraan hetzelve zijnen oorspronk is verschuldigt.
Daar nu hier te voren en ook vooral bij ons vorig, hierover gemaakt adres, zooverre de duisterheid van deze zaak sulks eenigsints mogelijk maakt, klaar is gedemon-streert en betoogd, dat dit zogenaamde miskoorn, voor de Reformatie hier te Lande, door de Ledematen of Huijs-gozinnen, tot de R. C. kerk behorende, bij quotisatie of omsetting, gelijk nu op verscheiden plaatsen, daar sedert eenige jaren R. C. kerken zijn gebouwd, en Priesters aangesteld, is geschied, aan hunne Priesteren of adjuncten voor het waarnemen der dagelijksche kerkdiensten is gegeven geworden; en dat het altans nimmer een reëelen
105
last of bezwaar in do Erven of Landerijen behoorlijk ge-realiseert of gevestigd kan geweest zijn; zoo zullen Remonstranten, onder eerbiedige inhaosie van hun vorig Rcijuest en daarbij genomen conclusie, hiermede hunne sustenue nader houden geadstrueerd of geverificeert met
herhaald versoek en impl oratie.
§
Dat tog zij Remonstranten, ook in dit opzigt, met de overige Ingezetenen der Bataafsche Republiek mogen worden gelijk gesteld en gevolgelijk van dien hatelijken en servielen last van zogenaamd miskoorn te moeten betaalen, mogen gelibereerd en ontheven worden. Oi\'te etc.
T welk doende (get.) Hehdiujk ScuurPEKS Namens Tilligte.
Bekent Ottink Boerrigter van Tubbergen.
dit is liet -f- meerk van de Boerrigter van Agelo.
Be rent Hofsti.t tot Vasse als borrigter.
Gerbit Wesselink als gekommeter van die markte Geesteren.
Woltek Vleebkatte als borrigter van Mander.
LI a n Bkueger boeriet van Heesinge.
Bekent Lt:tke Veltman als geekommiteerde van der market Breclencamp.
Herent Agtekeossler iju Olden Otmorsen.
Jan Hinderk Tijsciiolten als bor Rigter van Latterop.
Jan Jeurnink.
dit is hot -f- van Jan Jeurnink als Boerrigter van Fieri inge.
Jan BoTTHtrus namenenes Albergen.
dit is liet van Jan Pape als Boerrigter van Rutum.
106
B ij 1 a g e S.
Gelijkheid, Vrijheid, Bkoederschaj.\'.
Notificatie.
Hot Departementaal Bestuur van clen Ouden IJssel aan deszelfs modeburgeren iu het gewezene Quartier van Twentlie Heil en Broederscliap! doet te weeten: Dat wij bij onze Notificatie van den 20 Maart 11. kennis gegeven hebbende van het Besluit der Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks van 10 Maart 11. waarbij de gedaane verzoeken, om ontheffing van de verdere betaling van het miskoorn worden gedeclineerd, en alle des verpligte gelast hun agterstedige te spoedigsten te voldoen, niet anders hadden kunnen verwagten, dan dat dit Besluit naauwkeurig zoude zijn nageleefd. Dat wij echter ondervonden hebben, dat er veele zijn, die alnog weigeren volgends de beveelen van het Vertegenwoordigend Lichaam deze wettige schuld te voldoen en wij ons dus genoodsaakt hebben gezien dit ter kennis van het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republicq te brengen. Dat het gemolde Bewind beslooten hoeft, dat omtrent die gene welke alnog mochten weigeren zodanig zal worden gehandeld, als zulks zoude moeten geschieden wanneer er nimmer eenig verschil over den opbrengst van het miskoorn ware gerezen noch aanwezig gWeest.
Weshalven wij alle en een iegelijk Ingezeten van het gewezene Quartier van Twenthe, welke tot nu toe ten dezen opzichte in gebrceke zijn gebleeven, alnog bij dezen ten ernstigsten vermaanen en gelasten, om ten spoedigsten hun verschuldigt miskoorn te voldoen. Gelastende wij bij dezen alle Municipaliteiten, Schouten en Richteren die
107
zulks zoude mogen aangaan, om op verzoek van de daar toe gerechtigde tegen de weigeragtigen met den meesten spoed te procedeeren zo als bij het Landrecht van Overijssel omtrent kleine zaaken is bepaald, en zooals te vooren altoos met de invordering van het miskoorn van het mis-koorn heeft plaats gehad. En opdat niemand hier van cenige ignorantie zal kunnen praetendeeren, zal deze in dat gedeelte van dit Departement, hetwelk te voren het Quartier van Twentlie uitmaakte worden gepubliceerd en goafflgeerd waar men zulks te doen gewoon is.
Aldus gedaan te Zwolle den 3 Junij 1800. Het zesde jaar der Bataafsche vrijheid.
W. Waaxders, Vt. ter ordonnantie van Wclgemold Bestuur •T. ter Pelkwijk.
B ij 1 a g e T.
Noodgericht gehouden den 1 Maart 1S02.
Richter F. van Eaet van Bogelskamp.
Assess. F. Rtjmmel en Tu. Waarnink.
Compareeren in dit gerichte Gr. Histvekt, Boerrigter van Albergcn, B. JIensmax, Boerrigter uit Geesteren, B. Otman, gecommitteerde uit de boerschap Tubbergen en Berend Lentfert, gecommitteerde van Fleringe-, alle kerspels Tubbergen in eigene en hunner Marken naamen, voordragende, dat ingevolge gerechtlijk gedaane korkeuspraakon, hunne mobile goederen voor Miskoorn gedeeltelijk zijn verkogd ol\' nog staan verkogd te worden: dat, hoezeer zij Compten en hunne committenten vermeinen dit Miskoorn naar recht en. billijkheid niet verschuldigd te zijn en dat naa hun
108
insion, hetzij mot den schuldigen eerbied en ondonverping-gezegd, de verdere betiding van dien last, die zij oor-deelen onder hot voormalig bestuur alleen bij overheer-sching gevorderd is en betaald hooft moeten worden, nog met de grondbeginselen van onse jongste revolutie, nog met vrijheid en gelijkheid bestaanbaar en overeen te brengen is.
Dat (zeggen zij Comparanten en eigenen en hunner Marken Naamen) zulks niettegenstaande zij zig nu genoodzaakt vinden, dat miskoorn weder to betaalen, dewijl hen zulks onder bedreiging van parate executie bij besluit van liet Staatsbewind, in dato den 7 January jongstleden gelast is, waardoor gevolgelijk alle middelen van defensie daartegen zijn afgesneden geworden die men hen te voren door \'t entameeren van zooveel Procedures, als er Persoo-nen zijn, waarvan men dit miskoorn praetendeerd, en door oene resolutie van eene allesints daartoe onbevoegde commissie van Finantie van \'t voormalige gewest Overijssel, waarin de gerichten en Municipaliteiton wierden gelast, aan hunne Partijen tot uitdragt van zaaken de Jura te crediteoren, zoo moeijelijk was geraakt; waarom dan zij, comparanten in eigene en hunner Marken naamon verklaa-ren vaardig en bereid te zijn, dat miskoorn, of wel do waarde van dien, behoorlijk getaxeerd, datelijk aan dit gericht te betaalen en tegens behoorlijke quitantio uit te tellen, tgeen zij tot praeventie van executie en meerdere kosten alzoo verzoeken; terwijl zij mede degerichtskosten, zoo die er mogten zijn, aannecmen te voldoen. (Hoewel eenige sich liever wilden laaten verkoopen). Dog dit alles onder eerbiedig protest, van daardoor niet te willen hebben erkend dat zij naa rechten verplicht zijn tot de betaaling van dit miskoorn. Nog sich daardoor te willen hebben
109
verbonden of verpligt gereekend het selve in het vervolg-te betaalen; waartegens zij onder reserve van alle wettige middelen daartegens ten kragtigsten protesteeren bij desen. Met verzoek dat dit ten protocolle dezes gericlits moge worden aangeteekend en daarvan aan hnnl. comparanten een authentiq extract uitgereikt om ten allen tijde te kunnen strekken als naar rechten. Q. C.
B ij 1 a g e ü.
Gericht gehouden den 12 Maart 1802.
Richter F. van Eaet tot Bögelscamp.
Assessoren Gr. van Assen en G. J. quot;Waaenink.
Compareert in dit gericht Geruit AVesselman uit Geesteren, Bekend Ottink uit Tubbergen, Middendohp uit Fleringen en Asman uit Albergen, alle geadsisteerd met Procr. W. Berends; voordragende dat zij, comparanten, en wel ijder in het bijzonder, op den Sen dezer, aan den Praedicant van de gereformeerde Gemeente te Tubbergen Ds. J. Meiling in voldoening van zeven jaaren resteerend zogenaamd Miskoorn, gerechtelijk en onder reserve als daarbij gemeld, hebben doen aanbieden, de eerstgemelde Gerrit Wesselman een en dertig gulden en tien stuivers. Berend Ottink dertien gulden twee stuijvers en agt penningen, Middendorp en Asman ijder zes en twintig gulden en vijf stuijvers, dus alle te samen zeven en negentig gulden twee stuijvers en agt penningen, dog ingeval van nonacceptatie Ds. J. Meiling q.cp tegens heden te hebben doen, citeeren, ten einde de gedagte penningen in het gericht te zien consigneeren, si vellet, gelijk sulks dit gericht bekend is, en des nodig, ton allen tijde zal kun-
110
non consteeren, uit liet deswegens afgegeven relaas van den onderrichter. Dat zij comparanten, daar Ds. Meiling voormeld niet heeft goedgevonden de gedagte penningen, ten fine als gemeld te accepteeren deselve alhier in het gericht alnog alzoo aanbieden en dat in cas van verder refnis of non acceptatie, dese gemelde penningen bij dit gericht in consignatie mogen worden aangenomen en dat, om sulks bij te woonen en te zien verrigten, Ds. J. Meiling meergemeld moge aangeeischt worden: in dien val zulks ad Decretum stellende onder protest van kosten.
Decreet.
De Praedicant .T. Meiling te Tubbergen zijnde aangeeischt en nog zelve en nog iemand zijnent-wegen zijnde gecompareert, zo word dezelve ge-contumaceerd en de hierboven vermelde penningen worden bij den gerichte als verzogd in consignatie aangenomen.
Bijlage V.
Louis Napoleon, par la Grace de Dien et de la Constitution du Royaume Rol do Hollande.
Nous avons décrété et décrétons ce qui suit.
Art. 1°.
Aucun habitant du Royaume ne pourra êtro soumis a payer des taxes pour 1\'entretien des temples ou objets relatifs aux cultes réligieux d\'une autre communion sous cpiel prétexte que ce soit.
2°.
Toutes ces taxes cessoront d\'etre payees a compter de ce jour, tout ce qui pourroit être du pour eet objet, sera consideré comme acquitté.
Ill
3°.
Notre ministre des cultes nous présentera un rapport détaillc précis et exact sur los meülenrs moyens a prendre pour que cela ne nuisse pas aux propriétés etquecepen-dant notre but soit parfaitement atteint.
Donne a Coeverden ce 11 Mars de 1\'an 1809 do notre regne le quatrième.
(get.) Louis.
B ij 1 a g e W.
Land drostambt van O v e r ij s s e 1.
De Landdrost in het Departement Overijssel, brengt hier mede ter kennis van de belanghebbenden, ten einde zicli daar naar te gedragen,
Dat Zijne Majesteit, betrek! ijk het invorderen en betalen van het zoogenaamde Miskoorn en dergelijke Prae-standa, op verscheidene Plaatsen van dit Departement, kenlijk een gedeelte van liet Tractemont on Emolumenten der Hervormde Predikanten uitmakende, bij Besluit van den 27 Grasmaand heeft gedecreteerd als volgd.
Art. 1.
„De jaarlijkse Koornlasten en andere Praestanda, ten „behoeve der Gereformeerde Predikanten ingevorderd wor-„dende, zullen worden aanbetaald tot den 1 Louwmaand „1810.
Art. 2.
„Te rekenen van den 1 Louwmaand 1810 zullen geene „betalingen van Koornlasten en andere Praestanda mogen „geheven worden, wordende overzulks alle zoodanige bemalingen door hot geheele Rij k gesupprimeerd.
En worden do Personen, welke door dit Koninklijk
112
Besluit in derzelver inkomsten nadeel mogten lijden, bij dezen opgeroepen om binnen zes weken na dato, aan de respective Heeren Drosten van het Kwartier; waaronder zij beliooren, of voor zoo verre dezelven in liet derde Kwartier mogten wonen, direct aan den Landdrost in te zenden, eene naauwkenrige en specifieke opgave der Koornlasten en andere Pracstanda, welke zij tot den 1 Louwmaand hebben genoten als een gedeelte van hun tractement of emolumenten met aanwijs van de Erven, Landerijen, of Goederen, die met deze uitgangen zijn bezwaard, en bijvoeging der namen, zoo van de Eigenaars als Meierlieden respectivelijk.
En zullen de Heeren Kwartier Drosten deze opgave met hunne consideratien, binnen de eerstvolgende veertien dagen, bij den Landdrost moeten inzenden, ten einde een voordragt tot schadeloosstelling te kunnen doen.
En op dat niemand lüer van eenige onkunde voorwende, zal deze worden afgelezen en aangeplakt, waar men zulks to doen gewoon is.
Zwolle den 11 van Bloeimaand 1810.
De Landdrost voornoemd P. Hofstede.
Bijlage X.
Extract uit liet verbaal der besluiten van den Prins, Algemeenen Stedehouder van Zijne Majesteit den Keizer.
Den 24 van Wijnmaand 1810.
De Prins Algemeene Stedehouder van Zijne Majesteit den Keizer ontvangen hebbende een Rapport van den Minister van Binnenlandsche Zaken van den 19 dezer
113
maand no. 1, houdende dat onder de inkomsten van eenige der Hervormde Predikanten in deze Landen en wel speciaal in het Departement Overijssel zich sedert onheuchelijke tijden bevonden zekere uitgangen van koorn, vlas en driestuiversgelden benevens andere praestanda, veelal bestempeld met den naam van Miskoorn, welke gedragen worden door de Eigenaars, Pachters, Meijerlieden of Bruikers van Landerijen of Erven, en met welke uitgangen die Erven of Landen altijd werden verkocht en ge-acquireerd, strekkende dezelve nitgangen of opbrengsten tot onderhoud der Predikanten of andere objecten van den Hervormden Eerdienst dan daar er van tijd tot tijd geschillen ontstonden bijzonder in het Departement Overijssel, wegens de invordering der voorn. Lasten Zijne Majesteit den Koning bij Besluit van den 27 van Grasmaand no. 15 bepaald heeft.
1°. dat de jaarlijksche koornlasten en andere praestanda, ten behoeve der Gereformeerde Predikanten ingevorderd wordende, aanbetaald zouden worden tot op den 1 van Louwmaand deezes loopenden jaars 1810.
2°. dat te rekenen van dien datum er geene betalingen van koornlasten en andere praestanda zouden mogen worden geheven, wordende overzulks alle zoodanige betalingen door het geheele Rijk gesupprimeerd — dragende wijders welgemelde Minister een tweeledig voorstel voor, ten einde in den nood der belanghebbende door het ophouden of de weigering van de betaling der boven gemelde koornlasten en andere praestanda te voorzien;
Heeft besloten te bepalen gelijk geschiedt bij dezen, dat de bovengemelde lasten provisioneel zullen worden vereffend en betaald evenzoo als zulks bevorens heeft plaatsgehad, in afwagting van de nadere decisie deswegens door Zijne
8
114
Majesteit den Keizer en liet Wetgevend Ligchaam te nemen.
En zal Extract dezes worden gegeven aan den Minister van Binnenlandsclie Zaken tot informatie en narigt en om hier aan de nodige Executie te geven.
Accordeert met voorschr. verbaal.
Do eerste Secretaris van liet Gouvernement, (get.) Vekheijen.
Bijlage Y.
Judex Ckuse, testes Aeknt van Oldeneel unde IIeneick tek Spillen.
Oj) dinsdach na puriflcationis Marie A0 XLV is gecomen int gericlite Her Baktolt van Delff, pastoer to Bathman mijt Henkick Huininck sinen gecoren momber ende vor-spraeck, ansprekende Zwedeb Assinck soe als dat goat to Assinck aver vele jaeren den pastoer to Batlunan jaerlix drie scepel roggen plecht toe geven toe miscoern als de pastoer wal bewisen can, want alle volhovige erven geven iij scepel roggen to miscoern unde kaetters l\'/o scepel, seggende voert: Angesien dat Zweders voervaderen dat vorscz. miscoern van den guede to Assinck den pastoren inder tijt gegeven unde betaelt hebben (als he bewisen can) sal Zweder vorscreven sculdich wesen sulx voert an to betaellen, gelijck sijn voervaderen gedaen hebben. Unde seggen sulx recht to wesen.
Hierop antwort Zweder vorsc. mijt AVixolt van Doesten sinen vorspraeck, dat hie niet toe en stiet den pastoer enige rente wt den goede to Assinck to hebben ten sij
115
dat hie sulx mijt segele uncle breve bewisen can als recht is, hebben dije meyers nnde bouluden op Assinek wonende den pastoren in der tijt wes gegeven dat mach hie wal lijden: dat en roert hem niet, nnde hie mach oeck wal liden dat hem die meyer gift soe vele als hie wil. Unde secht sich daer om onsculdich der anspraeck nnde den scaden mijt rechte. Unde seggen sulx recht to wesen.
Dit ordel wort bestadot an Gerit Bruninck, die nam daer van toe wijsen over xiiij dage nementlick op dins-daoh to vastelavont.
Ghecorr|ig]iert bij richte[r] Lijtgen Cruse endo koer-noten als vursz.
Bijlage Z.
Burgers Representanten!
Reeds in den maand October des jaars 1798, adresseerde zich aan deeze Vergadering, by drie onderscheide Requesten, de Boermannen en Kosters van de Kerspels van Ootmaarssum en Tubbergen, verscheide Roomsch-gezinde Ingezetenen en Boermannen, woonende in het Quartier van Twente, alsmede eenige Ingezetenen, woonende in den Gerichte Delden, alle in het voormaalig Gewest Overyssel, verzoekende, dat het Yertegenwoordi-gend Lichaam des Bataafschen Volks verklaare, dat zy Requestranten ongehouden en niet verpligt zyn het in die Requesten vermelde zoogenaamde Miskoom langer te voldoen, en dat intusschen, hangende de deliberatiën daarover, de deswegens tegen sommigen hunner geëntameerde
11G
Procedures mogten worden gesurcheerd, en ten dien opzichte geene andere geëntameerd, en eindelijk, dat zoo onvoormoedelyk, na hierop door deeze Vergadering gere-qnireerd en ingekomen bericht of consideratiën, nog eenige twytt\'el omtrent het accordeeren van dit hun verzoek raogte overblyven, zy alsdan deswegens nader in hunne belan-gens zouden mogen worden gehoort.
Deeze Kequesten vervolgens door Ulieden successivelyk gesteld zynde in handen van Uwe Gecommitteerdens tot de Kerkelyke Zaaken, wierd door dezelve op G November daaraanvolgende geadviseerd om die Kequesten te zenden aan het Uitvoerend Bewind, om bericht, en inmiddels hangende de deliberatiën van het Vertegenwoordigend Lichaam de verzogte surcheance, met relatie tot de reeds geëntameerde Procedures te verleenen, docli omtrent do gevraagde voorziening ten opzichte van nog niet begonne, doch slegts door de Requestranten gevreesde Procedures gedifflculteert.
Deeze Vergadering verëenigie zich hierop wel met dit advis van haare Gecommitteerden, dan het Besluit deezer Kamer, voor zoover de surcheance betreft, wierdt by de Tweede Kamer niet bekrachtigt, uithoofde \'er, naar liet oordeel derzelve, geene redenen waren, om de loop der Justitie eenigzins te stremmen, aan welke deeze zaak behoorde te worden overgelaten.
Dit onbekraclitigt Besluit vervolgens wederom gesteld zynde in handen van uwe Commissie tot de Kerkelyke Zaaken, zoo meende dezelve ter bespoediging der zaak veel liever in die redenen van weigering te moeten berusten, en Ulieden te moeten adviseeren tot het requi-reeren van het bericht van \'t Uitvoerend Bewind zonder surcheance, als wel door het insteeren op de surcheance
117
de zaak zelve langer optehouden, gelyk dan ook door Ulieden op het Rapport uwer Commissie daartoe besloten zynde, in de maand April des voorigen Jaars door het Uitvoerend Bewind, deszelfs bericht is ingezonden, te gelyk met een Eequeste, \'t welk reeds op de 25 Mey 1798, ten fine van bericht aan het toenmaalig Intermediair Bestunr van het voormaalig Gewest Overyssel verzonden, en op den 25 Jnny daaraanvolgende, bij liet Intermediair Uitvoerend Bewind was ingekomen, en ten zelfden lino tendeerde, doch waarop vervolgens ten zeiven dage, by hetzelve Bewind eene Eesolntie was gevallen, waarby het gedaan verzoek om surcheance is gedeclineerd, en de Requestranten gerenvoyeerd naar de Ordinaris Justitie, zoo zy vermeende dat hunne Erven met de last van het Mis-koorn niet waren bezwaart.
Wy hebben gemeend dit laatste hier te moeten aanstippen, niet om daar door eenigzins te praeoccupeeren, maar omdat de Requestranten by hun Request om surcheance aan deeze Vergadering geen gewag gemaakt hebbende van een verzoek tot dat zelfde einde ook aan het Inconstitutioneel Uitvoerend Bewind, door eenige van hunne Mede-Ingezetenen van het Gericht Ootmaarssum te vooron gedaan, en door het opgevolgd Intermediair Uitvoerend Bewind van de hand gewezen alzoo \'t zy met opzet hetzy zonder bepaald oogmerk deezer Kamer ignorant gehouden hebben van de toedragt der zaak, tot dien tyd toe plaats gehad hebbende, en deeze Kamer, indien dezelve geweten had, dat ter dier zaak reeds door het Intermediair Administratief Bestuur van \'t voormaalig Overyssel bericht was ingezonden en de surcheance daarop geweigerd, mo-gelyk minder noodzaaklykheid voor het verleenen van eene surcheance zoude gevonden hebben, zoo als dit misschien
118
ook by de Tweede Kamer, daarvan geïnfbrmeert zyude, van dien invloed kan geweest zyn.
Vervolgens adresseerde zich op den 1 Augustus des voorigen jaars aan deeze Vergadering eenige zicli noemende Gequalificeerdens van de gezamentlyke Boermannen en Kotters van de Kerspels van Ootmaarssum en Tubbergen, verzoekende, dat alvoorens eenige dispositie of decisie in deeze mogte vallen de gerequireerde berichten in hunne handen mogten worden gesteld ten fine van contra-bericht.
Waarop dan ook, ofschoon door de Vergadering wierd gedifflculteert, om dit verzoek zoo als het was liggende te accordeeren, echter aan de Eequestranten is vrygelaten, om ter adstructie of verificatie van hunne sustenue zoodanige bedenkingen of bewyzen in te zenden, als zy zouden te raade worden, en meenen te behooren.
Gelyk dan ook dien ten gevolge op den 27 November laatstleden een nader Adres houdende eene inhaesie en nadere adstructie van hun voorig gedaan verzoek door de gezamentlyke Boermannen en Kotters van de Kerspels Ootmaarssum en Tubbergen is ingezonden geworden, \'t welk even als alle de voorige stukken tot deeze zaak betrekkelyk, mede door Ulieden ten fine van informatie in handen van uwe Commissie tot de Kerkelyke Zaaken gesteld zyude, zoo is de zaak daardoor thans gebragt in die termen, dat wy ingevolge den ons opgelegden last Ulieden ten principale zullen moeten dienen van onze consideratiën en advis, en mitsdien onderzoeken,. of het verzoek der Eequestranten om van de praestatie van liet zoogenaamd Miskoorn gelibereerd te worden aan hun kan worden geaccordeert; ja dan neen.
AVat is oorspronkelijk liet Miskoorn, en welk is deszelfs origine of fundatie? Dit is eene questie die reeds zedert
119
vijf jaaren geventileert word, maar tot heden toe nog niet is beslist.
Reeds in t jaar 1786 wierd die vraag geöppert, en daalde volgende omstandigheden van tyden toen de uitspraak daarover verhinderden, zoo is thans, en van hot begin dei-Revolutie van 1795, wanneer men reeds de praestatie daarvan weigerde, de duisterheid der zaak zelve oorzaak, dat die questie nog nimmer volledig beantwoord, veel min finaal is afgedaan geworden.
Zoodra was die Revolutie niet daargesteld, of de Roomsch-Catholyke Ingezetenen dier plaatsen, alwaar het Miskoom betaald wierd, weigerden de voldoening van hetzelve zich beklagende, dat zij onder de naam van Miskoom de Tractementen van de Bedienaars der voormaals Heer-schende Kerk betaalen, en daartoe respectivelyk hun Koorn, Geld en Vlas moesten opbrengen. Dit, zeiden zy, streed tegens de tegenwoordige grondbeginzelen tegens de Vry-heid en Grelykheid, en het is op dien grond, dat zy, hoewel daartoe aangemaand en zelfs gelast, desniettegenstaande in hunne weigering evenwel volharden, zoodat eindelyk op de menigvuldige klagten hiertegens ingebragt de provisioneele Repraesentanten van het Volk van Over-yssel zich die zaak aantrekken, en tot een onderwerp hunner serieuste deliberation maaken moesten.
Ten dien einde wierd reeds in den Jare 1796 by dezelve eene Commissie benoemd, om ten naauwkeurigste te onderzoeken, waaruit de Koornpraestanden bekend onder de naam van Miskoom oorsprongelyk herkomstig waren, en of dezelve als een reëele, dan wel als een personeelo last moesten worden beschouwd.
Dan ook deeze Commissie brengt der zaak niet veel ligt aan, en moest na op de plaatsen zelve, alwaar dat
120
Miskoorn betaald word, alle mogelyke navorschingen. te hebben gedaan eindelyk na eenige maanden onderzoeks rapporteeren, dat al hetgeen, hetwelk zij omtrent de oorsprong van dat zoogenaamde Miskoorn hadden kunnen ontdekken, op een geheel onzeker uitkwam, doch dat wat de zaak zelve betrof het hun voorkwam, dat, gesteld ook, dat of uit den aart dor zaake zelve of niet andere valide bewyzen kon worden daargesteld, dat het zoogenaamde Miskoorn, ten aanzien van deszelfs origine, eene perso-neole praestandum geweest waaro voor het doen van Missen, hetzelve echter misschien al zeer vroog, en vooral in latere tyden, zoowel aan de zyde van de (reevers, als aan die van de Ontfangers, als een reëele last was beschouwd geworden.
En dit. Burgers Repraesentanten! is thans ook ons gevoelen, dit is ook het resultaat, hetgeen wy, na een naauwkeurig onderzoek van alle de in onze handen gestelde Stukken uit dezelve hebben gemeent te moeten opmaaken.
Wy zullen evenwel op liet voetspoor van de zoo even-gemelde Commissie van Onderzoek na de origine van het Miskoorn niet beginnen met ülieders attentie te fatigecren door diverse gissingen, wat toch al de herkomst van dat Miskoorn zoude kunnen zyn, daar wy doch even als dezelve Commissie in het onzekere zonden moeten eindigen, maar ons alleen borneeren, om dat geen, hetwelk wy hierboven voor ons gevoelen aannamen, een wynig nader te developpeeren.
Wy stellen voor een oogenblik, dat dit Miskoorn voorheen en oorspronkelyk door de Roomsch-Catholyken aan hun eigene Priesters of wel derzelver Adjuncten en Cap-pelaanen voor het verrigten van Kerkdiensten ware uitgereikt geworden, t geen de sustenue der Reques trant en
121
nopens de origine van het Miskoorn, ofschoon dezelve ook alleen op opinie en praesumtie berust, geheel en al is toegegeven.
Dan is nog zeker die personeele en misschien eerst vrywillige last door verloop van tyden en zaaken in eene reëele en perpetneele last verandert, en zoo ook ten deezen quod prius erat voluntatis posted necessitatis geworden, zoodat de acticeele klaagers zich noch op de origine noch op het oogmerk en de presnmtive strekking van dit van hen gevorderd Miskoorn kunnen beroepen.
Wy vinden wel geen genoegzaame grond, om met het Intermediair Administratif Bestuur van het voonnaalig Overyssel by deszelf\'s bericht stellig te poseeren, dat do aart en oorsprong der belasting van het Miskoorn buiten allo tegenspraak is reëel, dit is ons niet volledig- gebleken, evenmin als het contrarie van dien, hetgeen door de Requestranten wordt gesustineert; maar wy meenen, dat het thans buiten tegenspraak zijn moet, dat reeds misschien vom\\ immers in den 16de Eeuw en vervolgens dit Miskoorn als eene reëele last is beschouwt en als zoodanig by verkoop van Landeryen en Huizingen of Wooningen, welke daarmede bezwaart waren, van den eenen bezitter op den anderen is overgebragt, blijkens diverse Extracten uit de Oude Registers en het prothocol van overdragt des Landsgerichts van Ootmaarsum, welke als Bijlagen by liet bericht van het Intermediair Administratif Bestuur van het voormaalig Overyssel zyn gevoegd, gelyk ook dit Miskoorn niet is eene opbrengst, welke de Roomsch-Catiiolyke Ingezetenen in die plaatsen (qua tales) als zoodanig ten behoeve van de Bedienaars der voormaals Heer-schende kerk moeten doen, maar iets, hetwelk zoowel door Gereformeerden als Roomsch-Catholyken, wier Erven
122
daarmede belast zyn, moet werden gepraesteert, en alzoo is deeze invordering gcenzins het werk van onderdrukking van een byzonder Kerkgenootschap, zooais de Requestran-ten hot willen doen voorkomen, maar een reëele last, waartoe ieder bezitter, welk eene Grodsdienst hy ook be-lydt, noodwendig verpücht is, blykens niet alleen hetgeen door het Intermediair Administratif Bestuur by deszelfs bericht daaromtrent stellig geafflrmeert word; maar ook blykens de overdragten der Erven in de bovengenoemde Eegisters en Prothocollen te vinden.
Te willen zeggen, dat dit maar is een byzondere opinie van die koopers en verkoopers, en dat het niet volgt, om dat die het als een reële last hebben beschouwt, dat het daarom zoo zyn zoude,, is meer een uitvlugt, welke de Kequestranten by hun laatst ingedient Request hebben te baat genomen, als wel een voldoende grond van tegenspraak, een legaal transport toch in publicque Registers geinsereerd heeft niet alleen alle legaliteit voor zich, maar levert ook eene genoegzame preuve op, dat die lasten niet alleen by de koopers en verkoopers, maar ook algemeen als reëel beschouwt en inderdaad publice daarvoor zyn gehouden geworden.
Maar zeggen de Requestranten deeze Belasting is doch personeel, want liet Miskoorn wordt niet alleen van ond-hoevige Erven, maar ook van nieuwe aangebouwde Huizen gevordert, terwyl integendeel van oudhoevige Erven, dewelke gesplitst of stuksgewijze verkogt zyn, geen Miskoorn word gevorderd; dan gesteld, dat dit al eens in facto zoo waare, zoo blyft toch altoos nog de vraag over, of de grond der Erve, waai1 op die nieuwe Huizingen gebouwd zyn, niet reeds voorheen met dië last waren bezwaard, en of by de splitziug of stuksgewyze verkooping
123
der Ouclhoevige, niet het een of\' ander deel daarmede is belast gebleven, doch zoo dit al abnsivelyk van verkeerde Erven die voorheen niet belast geweest zyn gevorderd wierd, dan blyl\'t den weg van rechten nog open voor die geen, welke meenen, dat hunne Erven daarmede niet ge-graveert zyn of behooren te worden, gelyk de Resolutie van het Intermediair Uitvoerend Bewind op de eerste klagte van sommige der Roquestranten genomen, daartoe ook speciaal tendeert; terwyl eindelyk bovendien dit ge-heele argument der Requestranten evenmin iets uitdoet ten faveure van de sustenue, dat deeze last personeel als dat dezelve reëel zoude zyn, want toch is het even moeijelyk zoo niet nog moeijelyker te bepaal en, waarom, indien de last personeel ware, zommige der Ingezetenen van hetzelfde District daaraan niet contribueeren, en anderen wel als waarom zommige Huizen of Landen thans daarin deelen en anderen weer niet.
Dan wat hier ook van zy, dit meent Uwe Commissie uit liet bovengem. te mogen vaststellen, dat dit Miskoorn; welke ook deszelfs origine zy geweest, en ofschoon daarmede ook alëens verkeerdelyk deeze of geene Erven, welke daartoe niet verplicht zyn mogten, worden bezwaart, (tot redres van \'t welk de weg van rechten open is) echter in het generaal en wat deszelfs aart aangaat, zedert Eeuwen herwaarts is gehouden als eene reële last op de grond der Erven gevestigd, en dat de inkomsten daarvan als voorheen tot de Geestelyke Goederen behoord hebbende, gelyk by het bericht van het Administratif Eestuur van het voormaalig Overyssel gezegd wordt, dan ook als zoodanig met dezelve aan dat voormaalig Gewest vervallen zynde, aan de Bedienaaren van de voormaals heerschende Godsdienst in steede van Tractement zyn toegelegd, daar
124
dezelve anders door de Rentmeesters der Geestelyke Goederen hadden kunnen ingevordert worden.
Maar, is dit dan nu zoo, en is de praestatie van dat Miskoom geene personeele, maar eene reëele Last op de Gronden der Erven gevestigd, zonder dat de religieuse gevoelens van den tydelyken Eigenaar daarby eonigzins in consideratie komen, dan waarlyk vervalt alle tegenspraak, en is de voorgewende hardigheid en onbiEykheid dat de Roomsch Catholyken de Tractementen der Gere-ibrmeede Predicanten zouden betaalen, in deeze niet meer als een louter praetext om zich aan de voldoening van een deugdelyke schuld te onttrekken; en deingeroepeneprincipes van Vryheid en Gelykheid zyn als dan ten deeze even weinig van applicatie, als wanneer men die wilde inroepen om de voldoening van andere reëele Lasten, waartoe men verplicht is, te ontduiken.
Het is toch zeker, dat ieder eigenaar van zulke Goederen, waarop eenige Lasten of jaarlyksche praestanda staan, bij de koop derzelve op die bezwaaren gecalculeerd, en dezelve daarna heeft aangekogt, en \'er is dus niet alleen geene onbillykheid in, dat die Lasten, welke hy vooraf wist dat op zy2i Goed gevestigd waren, van hem worden ingevorderd, maar \'er zoude zelfs, by aldien zonder afkoop of vergoeding die Eigenaars daarvan wierden gelibcreert, aan dezelve buiten eenige reeden eene beneficie gegeven worden, \'t geen in eft\'ecte een groote onge-lykheid, en ten opzichte van anderen eene hardigheid zyn zonde, terwijl bovendien zodanige eene Gifte zoude strekken ten merkelyken nadeele van \'s Lands Kas, want toch, daar dit Miskoorn voorheen aan de Bedienaaren der voormaals heerschende Kerk verstrekte voor Tractemont, cn die Bedienaaren nlle/i tol de aanneming der Staatsregeling, en zelfs de
125
Predikanten nog drie Jaaren na dezelve liet recht hebben, om die betaaling hunner Tractementen te vorderen,, zoo zoude liet Miskoorn afgeschaft of wol van zelfs vervallen zijnde, zooals de Eeqnestranten snstineeren, het gemis daarvan uit \'s Lands Kasse gesuppleert moeten worden, en het Land alleen de schade dragen, maar niet de Bedienaars der voormaals heorschende Kerk, ofschoon die uit het provenu daarvan betaald worden.
En het is ook door deeze aanmerking, dat, naar ons inzien, vervallen moet het strydige met de tegenwoordige orde van zaaken, hetwelk men anders by eene oppervlakkige beschouwing in de betaling van dit Miskoorn zoude mogen meenen te ontdekken, daar het toch thans, en na de aanneming der Staatsregeling niet zyn de Eoomsch-Catholyken, voor zooverre zy onder die geene behooren, welke het Miskoorn moeten opbrengen, maar het Land zelve, hetwelk de Leeraars der voormaals Heerschende Kerk hunne Tractementen voor als nog betaald, en ook even daarom en daardoor verplicht is om die Fondsen, welke daartoe voorheen gediend hebben, en geaffecteerd geweest zyn, en zoo ook het Miskoorn te laten voortduu-ren, tot tyd en wyle die betaling volgens de Staatsregeling zal ophouden, en omtrent de verdere opbrengst van deeze belasting indien dezelve voor die tyd door geene andere vervangen is, nader of anders zal zyn voorzien.
En daar dan nu alzoo naar ons oordeel de verplichting tot de voldoening van liet Miskoorn moet gehouden worden nimmer gecesseerd te zyn, maar, integendeel alsnog te blyven voortduuren, zoo volgt daar uit ook van zelve, dat voor de aanneming der Staatsregeling alles dien aangaande op den ouden voet gebleven zijnde, hetzelve alzoo tot die tyd toe vervallen is, ten behoeve van die Bedienaren
12G
der Hervormde Gemeentens, welke hetzelve voorheen genoten en na de aanneming der Staatsregeling, ten behoeve van den Lande, om daaruit by wyze van Pensioen do Tracteraenten der Leeraaren te voldoen, ingevolge het 1ste der Additioneele Articulen van de Staatsregeling, en dat alzoo de ten deeze gedane verzoeken om van de Praestatie van het Miskoorn gelibereerd te worden zyn ongegrond, en mitsdien niet behooren te worden geaccordeerd.
Weshalven wy dan ook van advise zyn, dat deeze Kamer, disponeerende op de Eequesten van de Boermannen en Kotters van de Kerspels van Ootmaarssum en Tubbergen, op den 19 October des Jaars 1798 ingedient; alsmede op de Eequeste van verscheiden Ingezetenen en Boermannen in het Quartier van Twenthe, gelyk nog op de Eequeste van eenige Ingezetenen in den Gerichte van Delden, den 5 en 21 November deszelven Jaars respective ter deezer Vergadering ingeleverd, mitsgaders op de Eequeste van J. Schop pert en andere Ingezetenen deezer Eepubliek onder de Gerichten van Ootmaarssum, Enschede en Delden, op den 21 December 1798 gepraesenteerd, en eindelijk op de Eequeste van Boermannen en Kotters van de Kerspels van Ootmaarssum en Tubbergen op den 27 November laatstleden ingediend, de verzoeken by dezelve Eequeste gedaan, zoude behooren te declineeren en te wyzen van de hand.
En dat voorts Extract van deeze declinatoire Besluiten zoude behooren te worden gezonden aan het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Eepubliek, om te strekken totdeszelfs informatie en tevens te zorgen, dat in deeze conform het eerste der Additioneele Articulen van de Acte van Staatsregeling, mitsgaders de Decreeten van het Vertegenwoor-
127
digeud Lichaam mot betrekking tot de betaling der Bedienaars van de voormaals Heerscbende Kerk in alle opzichten worde gehandeld.
Onderwerpende enz.
D. J. Steyn Parvé.
P. Verhoïsen.
H. van Eg yen.
Joan Bannier.
S. Gerlsma.
Dion Werner.
L. E. Diert van Melissant.
W. T. van Bennekom.
J. J. SCHliUITER.