• V \'V .Ï
-----------
_
LITTER ARISCHE
SCHETSEN EN KRITIEKEN.
1
DOOR
De Renaissance in Nederland. — Noord- en Zuid-Ne-derlandsche Letterbond. — De Bornier. — Virginie Loveling. — J. J. Cremer. — De Heldendaden van den Vernuftigeu Jonkheer de Ponthau. — Een Standbeeld voor Spinoza.
Mevrouw Van quot;Westrheene. — Een nieuwe roman. — Ben\\jd en beklaagd.
Januari 1880.
Benijd en beklaagd, door Mevrouw Van Westrheene. Twee deelen. Haarlem, quot;W. C. De Graaff (zonder jaartal).
De onvermoeid werkzame weduwe van Tobias Van Westrheene, sinds jaren gewoon de lezers van de(n) ...Tijdspiegelquot; op de hoogte te houden van de beste letterkundige gewrochten in het buitenland, niet lang geleden voor het eerst zelfstandig scheppende, toen ze hare „Oudveldersquot; uitgaf, schenkt thans van nieuws eene proeve harer vindingskracht in „Benijd en beklaagdquot; (1880).
Oorspronkelijke romans verschijnen er dagelijks, maar een kunstwerk van blijvende waarde komt maar eens in de vjjf jaren voor. Of „Benijd en beklaagdquot; nu juist dat uitgelezen boek zal worden, durf ik niet beslissen, al zou het mij nog minder passen op den Nederlandschen roman hooghartig neer te zien, als somtijds geschiedt door de verwaandheid van een of ander middelmatig theater-feuilletonist.
De oorspronkelijke Nederlandsche romanschrijvers of schrijfsters plegen gedurende hunne kunstenaarsloopbaan te weinig rozen te lezen en maken vaak genoeg kennis met booze doornen, door nydige handen op hun pad geworpen, dan dat men niet gaarne zou medewerken, om kunstenaar of kunstenares met sympathie te begroeten, zoodra het biykt, dat zij volharden ondanks alles. Mevrouw Van quot;Westrheene heeft
2 MEVKOUW VAN WESTBHEENE.
het recht verworven haar arbeid met onderscheiding en waardeering behandeld te zien. Hier zal zij dus niet onthaald worden op de hooghartige wijze door eene jongere school van beoordeelaars in praktijk gebracht, noch te lyden hebben van eene overgevoelige kiesohkeurigheid, door grijzer critiek sedert onlangs tot mode verheven.
Er is een geslacht opgegroeid, voor hetwelk waardeering eene verboden vrucht schijnt en \'t welk uitgaat van de onderstelling, dat kunstwerken-scheppen eene bijna lakenswaardige aanmatiging is. Voor dezen, wier onvruchtbaarheid zelfs der Sahara niets te verwaten overlaat, is de populaire methode weggelegd, om al schermend met eenige groote letterkundige namen — Shakespere. Molière, Goethe, Victor Hugo — al het nieuwe te verpletteren onder hun onnoozel: „La mort — (sans phrase)!quot; \')
Eene andere richting van ouderen datum wil gaarne waar-deeren, maar op voorwaarde dat er in een kunstwerk worde gemoraliseerd. Zij begrijpen, dat een tafereel van het mensche-Igk leven niet uitsluitend engelachtige wezens kan vertoonen, z\\j vergunnen dus ook plaats aan een daemonisch element, mits dat louter besta uit huichelaars, logenaars, woekeraars, gauwdieven of zelfmoordenaars — voor echtbreuk, overspel, ontucht evenwel zijn zij onverbiddelijk. Is woeker en diefstal dan zoo veel aethetischer dan echtbreuk of overspel? Zou men Molière moeten prijzen voor zyn Misanthrope en zijne Femmes Savantes, en wegens zijn Tartuffe en zijn George Dandin moeten laken, omdat in de twee laatsten van echtbreuk en schuldigen hartstocht sprake is?
Dit zonderling verschijnsel zou wellicht ook aan mevrouw Van Westrheene een onaangenaam oogenblik kunnen bezorgen. daar zij in haar jongsten roman „Benijd en beklaagd,quot; tot oplossing van den door haar gelegden knoop, eene ontvluchting van een echtgenoot met de gade van zijn vriend heeft gekozen. Het komt mij voor, dat de critiek voor
\') Ik zou deze regelen gaarne willen schrappen, want ze zijn zeer overdreven, maar toch schuilt hier iets, een zeker deel der waarheid, dat niet geheel kan geloochend worden (1887).
MEVROUW VAN WESTKHEENE. 3
dit feit alleen den kunstarbeid van eene begaafde auteur niet raag veroordeelen. Euripides en K a c i n e zouden niet meer mogen worden gelezen of vertoond, wanneer deze theorie zegevierde — de poëtische legende van Laura en Petrarea zou ter dood veroordeeld en do historische martelaressen Maria Stuart en Marie Antoinette zouden door de Dantes dezer richting moeten worden gesmakt in de buitenste duisternis hunner moderne hel.
Zoodat er by de beoordeeling van een roman onzer dagen misschien mag gerekend worden op een eenigszins onbekrom-pener standpunt....
Mevrouw Van Westrheene heeft de lotgevalion van drie jonge heldinnen beschreven : A u g u s t e Duitser, die de zuivere zelfzucht belichaamt; — Anna Van Meerwijk, die de gewone, of Hollandsche schaapachtigheid uitdrukt, en Elizabeth Aalout, die als ideaal van zelfopofferende liefde geldt. Het strekt der schrijfster tot hooge eer, dat zij juist lt;!e laatste type het voortreffelijkst heeft geschilderd.
Elizabeth heeft eene grootmama, die met hare kleinkinderen — Albert en zij zelve — wedijvert in de nobelste wegcijfering van eigen denkbeelden en eigen wenschen. Een proef hiervan te geven — is misschien niet onnoodig. Men heeft tegenwoordig zulk een haast, om alles, wat middelmatig en slecht schijnt, breed uit te meten, dat er geen tijd overschiet, om van het goede of het betere te spreken.
Grootmama Aalout — hot schijnt mij bijna of ik haar in de werkelijkheid had ontmoet — grootmama Aalout heeft in stilte, ten genoegen harer kleinkinderen, een plan beraamd. Albert en Elizabeth zullen oen reis ondernemen naar Zwitserland, in gezelschap van een deftig oud heer, oom Evengoed. Het gesprek, \'t welk nu volgt, acht ik een dei-beste bladzijden van dezen nieuwen roman. De grootmoeder begint:
„ „Oom heeft me daar juist een verzoek toegestaan (,) dat „ik hem deed. Kinderenlief, wat zoudt ge zeggen, als je eens „een mooie reis werd voorgesteld?quot;
„En op haar lief gelaat lag reeds de weergloed van de „blijdschap, welke zij opwekte.quot;
4
„„Grootma,quot; riep Albert opgewonden dankbaar, „hoe „komt het toch (,) dat u altijd weet te raden, w\'at ik het „liefste wensch?quot;
„Zie, dat was de eerste voldoening van haar te brengen ,, offer.
s „Het komt (,) omdat ik niet van je houd, mijn jongen,quot; antwoordde grootmama, en de klank van haar stem was verkwikkelijk om te hooren.
„Voor Elizabeth was de eerste uitwerking van het aangeboden genot — strijd.
„Haar hart klopte: wat kon haar heerlijker worden aangeboden! ,
„Doch zij had niet geleefd in een sfeer van zelfzucht. Hoe kon grootmama alleen blijven.
„„En wat zegt Elizabeth?quot; vroeg mevrouw A aio ut verwonderd.
„ „U bent een engel, grootma.... maar ik bedank; ik ga „ „niet mee.quot;
„„Hoor eens, kind,quot; hernam mama Aalout, „ „laat ons „„elkander nu eens niets wijs maken. Luister: ik weet zeer „ „goed, waarom je zoudt thuisblijven: het zou zijn voor mij, „„maar ga nu eens goed na; denk je wezenlijk, dat het mij „„aangenaam zou wezen al de weken, die Albert op reis „„was, te moeten denken: alles wat hij geniet, zou zij ook „ „kunnen hebben, als ik er niet was! Wil ik je precies „„zeggen, hoe ik er over denk?quot;
„Elizabeth keek mevrouw Aalout aan; er blonk iets „vochtigs in hare groote donkere oogen.quot;
„ „Dan zeg ik: bederf door tegenstand niet het genoegen, „ „dat ik er in heb je een groot genot te geven.quot;
„Elizabeth stond op en sloeg haar arm om mevrouw „Aalout heen. „ „U wil het me onmogelijk maken me ook „ „maar een enkelen keer voor u op te offeren,quot; zeide zij „diep aangedaan, „en u weet niet, hoe graag ik het doen zou!quot;
„„Weet ik het niet?quot; klonk het, en mevrouw Aalout richtte het hoofd van Elizabeth op, keek haar teeder aan en kuste haar.quot;
Dit huiselijk tooneel komt mij voor zeer talentvol geschil-
ö
derd te zijn. Door het goheele kunstwerk heen loopt de gouden draad van deze edelmoedige hartelijkheid. Mevrouw Aalout en hare kleinkinderen vormen eene zeer lieve groep. Dat de eerwaardige grootmoeder aan langzaam verval van krachten sterft, is binnen de grenzen der mogelijkheid, maar geeft aan het slot iets mats.
Tegen den hoofdinhoud, de hoofdgedachte van den roman, zijn bedenkingen gemaakt of te maken. Het beeld der zelfzucht, Auguste Duitser, is niet zeer duidelijk van omtrek. En zij is de hoofdheldin, op wie de titel: „Benijd en beklaagdquot; moet toegepast worden. Zij is schoon en egoïstisch, dat vernemen we, en daarbij blijft het. Zy trouwt met Albert Aalout uit dépit, wijl ze Tendal, den man van Anna Van Meerwijk, niet krijgen kan. Zij wil haar man, nadat hij door de kinderziekte geschonden is, niet terugzien. Daarna vlucht zij met Tendal en maakt ook dezen zeer ongelukkig. Dit alles is schetsachtig aangegeven — eene fijne studie op het egoïsme heeft de schrijfster niet geleverd.
Tendal, het beeld der mannelijke zelfzucht, is niet volkomen logisch opgevat. Hij is een dier welwijzen en verstan-digen, die in de residentie zich enkel vrienden, bevordering, aanzien, geld en voordeel weten te verwerven. Daar zjjne vrouw hem verveelt, wijl deze hoegenaamd geene verstandelijke beschaving bezit, zoekt hij verademing in den omgang met Auguste, de vrouw van Albert. Welke vergoeding hy in dien omgang vond, wordt ons niet meegedeeld. Plotseling gaan Tendal en Auguste vluchten. Het ware niet overbodig geweest aan te toonen, hoe de hartstocht op den man van berekening zegeviert, hoe hij alles, wat hij bezit en waaraan hij hecht, kan in den steek laten terwille van Auguste. Een diepe sluier is over de verhouding van dit tweetal egoïsten gespreid. Tendal schijnt door zijne liefde voor Auguste geheel veranderd — hij neemt zelfs zijn zoontje op de vlucht mee en wikkelt zich daarmee in bezwaren, welke een man van zijne wereld in de eerste plaats zou zoeken te vermijden.
Mevrouw Van Westrheene maakt daarenboven hare edele karakters noodeloos vervelend. Anna Van Vreeswijk
1
quot; MEVKOUW VAN WESÏRHEENE.
kan geen boek lezen, of ze valt in slaap, en Albert houdt niet van „phantasie-lectuur,quot; zoodat hij zich verveelt bij zyne lezende echtgenoot. Ondanks dit alles blijft de eindindruk gunstig, omdat de schrijfster haar doel bereikt — aan te toonen, dat de schatten van hart en gemoed kostelijker gaven zijn dan brandkasten vol effecten en bankpapier. In de teeke-ning van een fatsoenlijk binnenhuis, van welgegoede burgers — onbemiddelde lieden komen bij haar niet ter sprake — heeft mevrouw Van quot;Westrheene opmerkelijk talent aan den dag gelegd. Het doet mij echter leed hieraan te moeten toevoegen dat de stijl zeer veel te wenschen overlaat. Hiervan proeven te geven schijnt mij ditmaal overbodig. De geheele roman is zonder merkbare zorg voor den styi geschreven. Tautologieën en cacophonieën komen herhaaldelijk voor. Van schildering, van poëtische symboliek is nagenoeg geen spoor te vinden. Misschien heeft mevrouw Van Westrheene verstandig gehandeld, door den stijl dus van ondergeschikt belang te oordeelen. Velen, de meesten harer lezers, zullen er geen ziertje meer of minder om genoten hebben.
Conrad Busken Huet. — Zyn „Land van Rubensquot;. — Het Leven van Karei Van Mander door G. A. Bredere.
Het is nu juist vijf en twintig jaren geleden, dat Conrad Busken Huet te Haarlem zijne proeve van kerkgeschied-kundigo critiek uitgaf, die hij „Jacques Saurin en Théo-dore Huetquot; betitelde. Dit eerste werk draagt het jaartal 1855 en zijn laatste „Het Land van Rubens, Belgische reisherinneringenquot; verschijnt in 1880.
Vijf en twintig jaren van letterkundige werkzaamheid, waarin
CONRAD BDSKEN HUET.
leerredenen, theologische verhandelingen, brieven over den Bijbel, letterkundige en politieke vertoogen, aesthetische en critische opstellen, novellen en romans en ten slotte ook reisbeschrijvingen het licht zagen, getuigen van eene buiten-gewone werkkracht en zeldzame energie. En wanneer nu daarenboven van driekwart dezer opstellen zonder eenig gevaar kan beweerd worden, dat zij uitmunten door een meesterlijken stijl, dan is deze letterkundige zilveren bruiloft een bij uitstek heuglijke gebeurtenis in de geschiedenis onzer letteren.
Conrad Busken Huet heeft vooral in de tien laatste jaren der vijf en twintig eene hoogte bereikt in het meesterschap van den Nederlandschen stijl, waarop hij slechts zeer weinigen als zijne evenknieën behoeft te erkennen. In vernuftige wendingen, dichterlijke beeldspraak, verrassende woordenkeus komt niemand der levende schrijvers hem nabij. Zijn woordenboek is schatrijk en borgt zijne schoonste sieraden aan de Nederlandsche spreektaal ter eene, aan de classiekste auteurs ter andere ztjde.
Uit zijne gezamenlijke letterkundige schetsen kan eene geschiedenis der Nederlandsche letteren worden samengesteld, die de beste, wat den inhoud betreft, naar de kroon zou steken en naar den vorm ze al te zaam zou overtreffen. Behalve de middeleeuwen, heeft hij al de classieke perioden onzer litteratuurgeschiedenis behandeld; het uitvoerigst onze eigen eeuw. Hooft, Vondel en Cats wijdde hy belangwekkende studiën; zijne vertoogen over Poot, de Van Harens, Bilderdijk en Pieter Van Woensel behooren allen tot de 18ae of tot het begin van deze eeuw; over het geslacht, dat na 1830 optrad, gaf hij eene breede reeks van artikelen. Eene kleine aanvulling hier en daar — en onze letteren zouden haar vernuftigsten historiograaf gevonden hebben.
Dat Busken Huet hooge eischen stelde en somtijds von-nisde met onverbiddelijke gestrengheid, die bij wijlen tot bittere kastijding klom, was voor zijne lezers gemakkelijker te verklaren, dan te verdragen voor zijne letterkundige slachtoffers. Somtijds ook waren de slagen zijner critische tuchtroede zoo snerpend fel, dat er eene terugwerking ontstond bij de breede rij der gevonnisden en sommigen de hachelijke
7
8
poging waagden, om zijne schitterende gaven stoutweg in twijfel te trekken. Zijn roman „Li dewy dequot; kwetste de oud-Nederlandsche gevoeligheid, die geene Phaedra\'s en geene Cleopatra\'s in eene nationale vertelling duldt. De auteur, die elk kunstgewrocht, „waarin het gevaarlijk vuur van den hartstocht niet voor het minst smeult of sluimert,quot; voor doodgeboren hield, die zich zeer wel bewust was, dat hartstochten te beschrijven geen olie gieten was in de heilige lamp der deugd, verklaarde eenvoudig, dat „nut stichten en dadelijk nut stichten twee zeer verschillende zaken zijnquot;.
Inderdaad, de indruk door „Li dewy dequot; in 1868 en door „Het Land van Rubensquot; in 1880 gemaakt, getuigt van groot verschil. De moreele alarmisten, die, door een streng begrip van eerbaarheid verblind, de aesthetische waarde van den roman miskenden, zullen bij de lezing der laatste reis-heugenissen wel een weinig van hunne vroegere ontsteltenis bekomen zijn.
„Het Land van Rubensquot; is van de eerste tot de laatste bladzijde een stijlwonder. Daarenboven een meesterstuk van fijne en wetenschappelijke kunstwaardeering. Eindelijk eene reusachtige bonne fortune voor België, voor Vlamingen en Walen beiden. Juist daardoor zou het boek ijverzuchtig kunnen maken. Noord-Nederland heeft de pretentie, dat zijne kunstwonderen niet alleen door de Burgers, de Tal nes, de Do Amicis of de Havards behoorden geprezen te worden. Noord-Nederland zou eene kunstreis van dezen toerist op eigen vaderlandschen bodem als een evenement begroeten...\')
Intusschen begroet ik vooraf al de schoone bladzijden in „Het Land van Rubens,quot; die aan de oud-Vlaamsche bouw- en schilderkunst, aan Rubens en zijne school, aan de Zuid-Nederlandsche letteren na 1830 gew|]d zijn. Ik heb nog een anderen plicht: eene ontdekking te vermelden, die der geschiedenis onzer eigene letteren ten goede komt. Busken Hu et ontdekte in den oudsten herdruk van Karei Van Manders Schilderboek, 1618 uitgegeven, dat Bre-
\') Deze wensch is vervuld door het meesterstuk van Huet: „Het Land van Kembrandtquot; (1887).
9
dero de auteur was van het Leven des schrijvers, aan \'t slot van die uitgave ingelascht. — „Ik neemquot; — zegt hij — „de gissing voor mijne rekening, dat niemand anders de schrijver van het Leven des auteurs is, voor het eerst opgenomen achter den eersten herdruk van het Schilderboek, Amsterdam 1618. Bredero stierf er in dat jaar en het opstel dagteekent van de laatste maanden van 1617. Een rijm aan het slot is door hem en met zijne spreuk onderteekend. In die verzen komt eene woordspeling voor, welke men tot tweemalen toe ook in het levensbericht ontmoet. Van Mandei-was dichter genoeg, om den dichter Bredero aan te trekken, en Bredero genoeg oud-schilder, om behagen te vinden in het verheffen van een werk, dat ook zijn voormaligen leermeester Francesco Badens herdacht. De eenvoudige stijl, hier en ginds, het dramatische en kluchtige van sommige anecdoten, zijn aannemelijke inwendige bewijzen. Noord-Neder-land, bezat in 1617 geen anderen schrijver, schijnt het, die, tevens in de schilderswereld thuis, zulk teekenachtig proza leveren kon.quot;
Na oplettende lezing van „Het Leven van Karei Van Mander (1618, herdrukt 1764) schaar ik mij geheel aan de zijde van Busken Huet. Inwendige bewijzen zijn in zoo groot aantal te leveren, dat aan het auteurschap van Bredero niet meer te twijfelen valt. Ettelijke malen vond ik een substantief met geheel hetzelfde adjectief gekoppeld als in de voorberichten en aanspraken tot den goedwilligen Lezer, waarmee Bredero zijne kluchten placht in te leiden. Het vermoeden ligt daarbij voor de hand, dat de jonge Van Man der, door Bredero in het slotsonnet vermeld, dezen laatste heeft aangespoord het leven van den Haarlemschen dichter en schilder te schrij ven.
\'t Meest van alles sleept mij de stijl mee in „het Land van Eubensquot;. Telkens en telkens verrast de reiziger door een benijdenswaardig talent van natuurschildering. Het begint al op Franschen bodem. Reeds bij Chantilly, bij de viaduct over de Theve-vallei wordt een klein kasteel met het smaakvolst crayon geschetst. In modern-gothischen stijl gebouwd is het bestemd tot jacht-rendez-vous. „De vijvers, waarin het
10
„zich weerspiegelt, zijn les Etangs de Commelle, schoone, „natuuriyke plassen, vol leven en vol groen, onder het blad „van wier waterleliën de karpers schaduw zoeken, tusschen „het riet van wier oevers de snippen en do hoenders krielen.quot; Te Amiens blaakt de avondzon door de vensters der kathedraal, als onze reiziger van verre buiten de stad naar dat wonder van gothische bouwkunst opziet. „De zwarte romp „is van binnen vol licht. Apollo ontsteekt de kaarsen in hot „heiligdom van Jehovah. Zijne stralen nemen al de kleuren „der geschilderde boogvensters aan. De beelden van het por-„taal dragen vonkelende kroonen. Het schip is doorzichtig „geworden. Het koor schijnt één gloed. De goede dagen zijn „teruggekeerd, toen de ster in het oosten koningen en herders „naar de krib van Bethlehem geleidde, waar Onze Lieve „Vrouw het kind met den stralenkrans op den schoot hield.quot;
Atrecht verlatende, treft het den toerist, „hoe vredig van „verre in groenen krans, de kleine stad zich ligt te bakeren „in de zon. De horizont verbreedt zich, de bodem zwelt, gol-„vend graan volgt de lijn der golvende heuvelen. Frankrijks „noordelijke korenschuur ontsluit zich. Atrecht gaat smaragd „gelijken in ruischend goud gevat.quot; Te Eyssel toont hij zich even opgetogen bjj de beschouwing van een kunstwonder — tête de cire du temps de Raphael — nadat hij een oogenblik ingeslapen op den met zacht fluweel bekleeden divan, plotseling by het verkwikt ontwaken het Italiaansch meisjeskopje ontwaart. Een der beste bladzijden van het boek is aan de beschrijving van dien indruk gewijd. En dan de Medea van Delacroix, het binnenhuis van de Hooghe — twee geheel verschillende kunstproducten met de eigen virtuositeit en den eigen gloed gemaald.
Eerst bij het betreden van den Vlaamschen bodem, als het land van Rubens zich voor hem uitstrekt, vangt do auteur aan zjjn eigenlijk doel te treffen. Te Gent wordt het meesterstuk der gebroeders Van Eyck, de aanbidding van het Lam, te Brugge de Sinte-Ursula bewonderd. In Antwerpen treft hem voornamelijk het wonderschoon museum Plantyn-Moretus — de oude drukkerij der Plantyns, door de offervaardigheid van Staats- en Stadsbestuur behouden
CONEAl\' BUSKEN HUET.
voor de nakomelingschap. In de omstreken van de Scholde-stad doet hij eene beevaart naar de buitenplaats Steen, door Rubens bewoond. Daar plaatst hij de opmerking, dat Rubens zich overal op zijn gemak gevoelde, dat hij nooit jacht maakte op hetgeen bij de wereld voor pittoresk doorgaat. En aanstonds volgt daarop: „Wanneer de zon schijnt, is Rubens „leus, dan schijnt zij overal. Hij kent maar één maan, één „stergewelf, ééne avondschemering, één ochtenddauw. Alle „regendroppels, waarin een lichtstraal valt, doen hem aan „diamanten denken. Elk stoppelveld, waaruit een leeuwerik „opstijgt, juicht in zijne ooren. Aan zoovele vijverzwanen hy, „bij de aankomst op Steen, broodkruimels toewerpt, zoovele „malen gevoelt hij zich opgewekt, het schoonste lied zijner „kunst voor het laatst te bewaren.quot;
Wordt aan den meester zoo eene dichterlijke hulde gebracht, niet minder schoon is de figuur van den leerling getroffen. Anthoon Van Dyck is nooit zoo schilderachtig beschreven. Ik sluit hiermee de bloemlezing uit het „Land van Rubensquot; — voor ieder, die een greintje smaak heeft, tot in macht van bladzijden te vermeerderen: — „Een groot aantal geboren edelen en vorsten hebben het voorkomen en voeren den toon van onopgevoede handelsreizigers .... gevoelen niets voor wetenschappen of kunsten, koppelen een nutteloos dandy-bestaan aan de zeden en de voorkeur van een korporaal, doen aan ondergeschoven kuikens denken, het voorvaderlijk arendsnest onwaardig. Van Dycks vader deed maar in lijnwaden of kuloiüale goederen en bracht een burgerleken stoet van twaalf kinderen groot. Wie zal zeggen door welke speling der natuur één daarvan ter wereld is gekomen met den fijnen lichaamsbouw, de beschaafde manieren, de neigingen en behoeften van een edelman van den echten stempel?quot; — En dit is slechts de aanhef. Omtrent do karakteristiek van V a n Dyck leze men wat volgt. Do schimmen van Jan Steen en Gerard Don zullen er over jammeren, dat een n\\)dig lot hen eenmaal buiten Vlaanderen deed geboren worden!
11
12 EEKAISSANCE EN NEDERLANDSCHE LETTEREN.
RENAISSANCE EN NEDERLANDSCHE LETTEREN.
Prof. Moltzer over de Renaissance. — Licht en schaduw. — Oude en nieuwe Renaissance.
Februari 1880.
Een belangrijken dienst aan de geschiedenis der Neder-landsclie Letteren bewees onlangs Dr. H. E. Moltzer, hoogleeraar te Groningen, door hot eerste nummer uit te geven eener serie van „Studiën en Schetsen,quot; onder den titel „De invloed der Renaissance op onze Letterkundequot; \').
Geen onderwerp, dat in een vroeger tijdvak met meer geringschatting werd behandeld, dan juist de invloed der Renaissance op onze vaderlandsche poëzie en proza, \'t Is nauwelijks tien jaren geleden, dat oen dor nieuwste en uitvoerigste historieschrijvers onzer nationale letterkunde nog durfde volhouden, dat de inneming van Konstantinopel dooide Turken aanleiding was tot de vlucht van enkele Byzan-tijnsche geleerden naar Italië, en dat sedert het jaar 1462 de herleving dagteekent der nieuwere classieke studiën in West-Europa.
Op letterkundig, wetenschappelijk en wijsgeerig gebied greep geen belangrijker omwenteling plaats, dan juist die hernieuwde studie der Grieksche en Latijnsche oudheid, in Italië door Petrarca omtreeks 1350 begonnen. Middeleeuwen en moderne tijden worden door den invloed der Renaissance tot geheel verschillende, in denk- en schrijfwijze ver van elkander afliggende perioden gesplitst. Met Petrarca en zijne volgers —
\') Haarlem. Erven F. Bolin. 1880.
13
Boccaccio, Luigi Marsigli, Colluccio Salutato, Niccolo de Niccoli, Lionardo Bruni, Ambrogio Traversari en Poggio Bracciolini — begon een nieuw tijdvak in wetenschap en kunst. Tegenover de strenge autoriteit der kerk eischen deze bewonderaars van Cicero en Seneca het recht om hunne meeningen openlijk uit.temogen spreken. Zij vorderen voor de Grieksche wijsbegeerte, inzonderheid voor de Stoa, eene plaats naast de christelijke moraal. Petrarca wil niet anders dan verbinding dezer beide elementen. De Beiersche professor Dr. Georg Voigt heeft dit in zijn classiek werk: „Die quot;Wiederbelebung des clas-sischen Alterthumsquot; reeds in 1859 aangetoond. „Der Stoicismus und das Leben in Christo können allein der Seele den Frieden wiedergeben, sie dulden keine Hal bh ei t.quot; Zoo ontstond tegenover de autoriteitsleer der kerk het Humanismus. Petrarca\'s richting zou evengoed het individualismus kunnen genoemd worden, daar hij vooral het recht van den bijzonderen mensch om den weg tot zijn zieleheil zelf te zoeken op den voorgrond stelt. In dezen zin ligt de hooge beteekenis van Petrarca en van het Humanismus. Voigt zegt met vollen nadruk: Wir nennen Petrarca den Propheten der neuen Zeit, den Ahnherrn der modernen quot;Welt.quot;
Uit het Humanismus stamde de Hervorming, toen de eisch: vrijheid van denken, door Luther als vrijheid van geweten was opgevat. Het Humanismus bereikte daardoor de grens van zijne werkzaamheid op zedelijk en kerkelijk terrein in liet noordwesten van Europa. Maar Petrarca\'s streven was niet enkel wüsgeerig en zedelijk te noemen. Ook aesthe-tisch had zijne beoefening der classieke letteren eene voorname beteekenis. De beeldende en letterkundige kunst van Italië trad een geheel nieuw tijdvak in. De middeleeuwsche schilderkunst huldigde de idealen der kerkelijke mystiek, de Renaissance huldigt alleen het ideaal der schoonheid naar de openbaring der natuur.
Daar voor noordwestelijk Europa de invloed der Humanisten ophoudt, zoodra de Hervorming der kerk een feit geworden is, scheen deze geheele beweging voor Nederland
14
geen andere vruchten dan reformatorische te zullen dragen. De nieuwe studie der oudheid zou echter op kunstgebied zoo mogelijk een nog krachtiger invloed oefenen dan in de christelijke kerk. Heel beschaafd Europa gaat Latijn lezen en schrijven. Onze landaard bekommert zich in den aanvang niet veel om de aesthetische zijde van het vraagstuk dor Eenais-sance, daar ieder zich uitsluitend met de kerkelijke quaestie bemoeit. Later, als de strijd voor eene nieuwe Kerk en een nieuwen Staat eene beslissende wending genomen heeft, breekt het classieke tijdvak in onze lettergeschiedenis aan.
Dat sedert deze periode de Renaissance een heilzamen invloed heeft geoefend op onze letteren, getuigt Prof. Moltzer in zijn aangehaald geschrift, als hij schrijft; „het drama van Vondel, voor wie met de literatuur der vijftiende en zestiende eeuw bekend is, (wordt) een wonder van trant en toon .... Het is een verschil van dag en nacht.quot; Juist daarom heeft de Groningsche hoogleeraar eene uitmuntende keuze gedaan, toen hij omtrent den invloed der Renaissance een opzettelijk onderzoek instelde.
Na vooraf aangetoond te hebben, hoe lang de Nederland-sche rhetorijkerspoëzie van 1400 tot 1600 stond, schetst hij de opkomst der Renaissance aan de hand van Voigt en Perrens (Histoire de la littérature Italienne) en betreurt het — gelijk ik mede van ganscher harte — dat zijn bestek niet toelaat „den loop en voortgang der letterkundige beweging naar Frankrijk, Spanje, Duitschland, Engeland, Hongarije en Polen te aanschouwen te gevenquot;. Hij laat ter zijde „wie als do baanbrekers en wegbereiders zijn „aan te merken; wie als de apostelen der nieuwe leer optradenquot;. Hij vereenvoudigt daarvoor veelszins zijne taak en gaat over tot de behandeling van de Nederlandsche Renaissance sedert Erasmus en Coornhert. Hij staaft den heilzamen invloed van de beoefening der Latijnsche en Grieksche lettoren voor de Nederlandsche, en toont zeer terecht aan, dat „het contrast tusschen het Nederlandsche dicht en ondicht „van de eerste helft der zestiende eeuw en dat der zeven-„tiende zoo sterk is, dat wij ons in eene geheel andere wereld „verplaatst wanen en na de lezing van eenig zinnespel der
15
„rederjjkers de gedichten van Hooft en Vondel opslaande, „twyfelen of er niet meer, veel meer, dan honderd jaren „tusschen liggenquot;.
In eenige zeer warm geschreven bladzijden (13 — 18) heeft Prof. Moltzer de weldadige werking der Renaissance op onze nationale letteren in \'t licht gesteld. Uitvoeriger evenwel is hi] bij de behandeling der schaduwzijde (bl. 20 — 40). In de eerste plaats brengt de beoefening en navolging der clas-sieken den genadeslag toe aan de nationale letterkunde van de middeleeuwen. Vervolgens wordt de nationale lyriek verdorven door eene „zekere hoeveelheid krulwerk en klatergoudquot;. Ten derde wordt ons vaderlandsch treurspel onder den invloed gebracht van de gruwelstukken door Seneca nagelaten, en offeren onze dichters aan de classieke gewoonte om koren in hunne tragediën te vlechten zeer ten onrechte de bloem hunner poëzie. Ten vierde heeft het classicisme onzen oorspronkelijken aanleg voor het comische en de comedie verstikt, en ten vyfde lijden spraakkunst en stijl onder de al te slaafsche nabootsing der Latijnsche grammatica.
In het algemeen genomen is dit betoog volkomen juist. Op de bijzonderheden zou evenwel nog wel het een en ander af te dingen zijn. De Nederlandsche lyrische muze van 1600 — 1795 heeft niet onmatig gemythologiseerd. Vondel schreef: Wi 11-zang en Rhynstroom; Starter: Lofliedeke op Vrieslant; Camphuysen; Maysche Morgenstont; Poot: Akkerleven; Dirk Smits: Uitvaert van (zijn) dochtertje, en zy allen bezondigden zich niet aan den Olymp. Reien in tragediën onvoorwaardelijk te schrappen komt mjj te revolutionnair voor. Het Nederlandsche blijspel is te gronde gegaan, maar de Nederlandsche comische geest redde zich in het spectatoriale vertoog of in den roman.
Dat Prof. Moltzer met Voigt samengaat, als deze laatste beweert: „das Altherthum konnte doch nur ein Bildungsstoff „nicht een Lebenselement werdenquot; — verklaart ook, hoe hij, overal elders de humaniteit in persoon, in eene aanteekening een heftigen toon aanslaat tegen Alberdingk Thijm, wegens eenige uitspraken in dezes Littérature Neerlandaise, waaruit weinig ingenomenheid met de Renaissance spreekt.
16
Doch over dit laatste feit behoefde niemand zich te ergeren. Een man als Alberdingk Thijm kan de Renaissance niet bewonderen, omdat zij ten slotte zich als vijandin der kerk, meer nog als anti-christelijk moest openbaren. Om de laatste reden wil Voigt haar niet als: „Leb ens elementquot; maar alleen als „Bildungsstoffquot; waardeeren. Van zuiver christelijk standpunt moest men zoo oordeelen. De herleving der oudheid riep het kerngezonde Naturalismus der Grieken uit het vergeetboek, waarin ascetische monniken het met opzet hadden weggeborgen.
Het naturalisme als kunstleer zegevierde evenwel ondanks ^ en dikwerf met oogluiking der christelijke kerk. Raphael is zoo goed naturalist als Rubens, als Van Dijck, als Jan Steen, als Rembrandt, ieder naar de mate van land- r aard en tijdvak. Maar het naturalismus als wijsbegeerte en 1 moraal te huldigen ging niet aan in de 17ae en 18ae eeuw. ^ Eene dichterlijke geestdrift mocht zich somtijds bij mannen ^ van hart als Schiller en Heine openbaren, mocht zelfs ^ met geniale scherpzinnigheid worden vereenigd door Kamerling, van eigenlijke herleving der Helleensche humanistische en naturalistische wijsbegeerte kan slechts sprake z^\'n in de tweede helft der 19ae eeuw. Dat de menschelijke geest er thans op bedacht is de schoone harmonieën van de attische levenswijsheid opnieuw te gaan waardeeren, nu de wijsbegeerte der ontkenning en der vertwijfeling haar Mephistohoofd begint op te steken, is zulk een wonder niet. Petrarca wilde de Stoa met het Evangelie doen samengaan — de moderne Humanisten beproeven eene verzoening tusschen schoonheid en deugd — eene verzoening van den mensch met de natuur en met zich zeiven.
VAST-EICOUARD.
rgeren,
ce niet
- kerk, VAST-RICOUARD.
laatste
maar _
chris-ig der
en uit \'^quot;ervelende romansehrflvers. — „Le Tripot.quot; — Eene opzet schermutseling over het Naturalisme.
Een onaangenaam verschijnsel in de geschiedenis der moderne letteren is: naapen.
Toen Goethe zijn „Wertherquot; had uitgegeven, ving eene rij navolgers aan, waaronder zelfs een klein plaatsje behoort ingeruimd te worden aan den goedhartigen Zwollenaar Ehijnvis Feith. Het verschijnsel is niet zeldzaam. Nauwelijks was Richardson met zijne „Pamela,quot; zijne „Clarissa Harlowe,quot; zijn „Charles Grandisonquot; in Duitschland bekend, of aanstonds kwamen als zijne onmiddellijke navolgers, Gellert, Her mes, Knigge, Sophie von la Roche en eindelijk zelfs eene parodie van „Gr an dis onquot; door Musaeus. Hoe hooger men klimt in de geschiedenis van den roman, hoe duidelijker het verschijnsel zich laat waarnemen. De tal-looze navolgers van Sir Walter Scott, van Charles Dickens, zelfs van den ouden Dumas, komen in onzen tyd zich het spoedigst aan onze herinnering opdoen, doch de zaak zelve is bijna van alle letterkundige eeuwen.
Iets dergelijks neemt men in de jongste dagen waar op het gebied der naturalistische litteratuur in Frankrijk.
Over den term: Naturalismus, hoe eenvoudig, schijnt misverstand te kunnen ontstaan, als blijkt uit menig artikel in tijdschrift of dagblad, gedurende de eerste weken van Sprokkelmaand (1880). Voordat ik mij echter hier ga bezighouden met het wjjsgeerige deel der quaestie, schijnt het mij dankbaarder eerst op het historisch feit te wijzen, dat reeds het nauwelijks ten leven ontwaakt Naturalismus in de letteren zijne navolgers heeft gevonden.
Voorloopig houd ik mij bij het algemeen bekende feit, dat
VAST-HICOÜARD.
er in het tijdvak 1830 — 1850 als tegenwerking tegen de overdrijvingen der romantische school een realistische roman ontstond, die in verband staat met de namen; Balzac, Flaubert, Léon Gozlan, Champfleury en de Gon-court (Emile), dat sinds 1868 met Zola voor het eerst van naturalistischen roman is gesproken, en dat men eindelijk sinds 1875 reeds discipelen van de zoogenaamde naturalistische school het hoofd ziet opsteken.
De hier bedoelde discipelen zijn nog niet talrijk; Léon Hennique, J. K. Huysmans, Paul Alexis, Henri Céard en eindelijk de heeren Vast-Ricouard, de namen van welk laatste tweetal boven dit opstel mijn voornemen verraden meer opzettelijk over deze kunstbroeders (?) te spreken. Is de naturalistische roman een teeken, dat weersproken werd op onderscheiden wijze en heeft men het cri-tisch en aesthetisch recht partij voor of tegen te kiezen, niemand der voor- of tegenstanders zal partij kiezen voor een paar brekebeenen en naapers, die nu onlangs met hun derden roman: „Le Tripotquot; zulk een jammerlijk fiasco maakten.
Voor hen, die belangstellen in de geschiedenis der Euro-peesche letteren, is de naturalistische roman een voorwerp van studie. Zoo zjj daarbij termen mochten gevonden hebben om over de buitengewone gaven van een man als Emile Zola, ondanks de niet te ontkennen schaduwzijde van dit machtige talent, met bewondering te spreken, zal het hun vooral te onaangenamer wezen als enkele speculeerende waaghalzen in het gevolg van den meester worden gerangschikt.
Het tweemanschap Vast-Ricouard heeft het reeds gebracht tot eene zekere beruchtheid. Zij, die met hartstocht tegen het naturalismus in de letteren strijden, zullen zich veroorloven de namen van dit vrome paar als een debetpost in hun grootboek te schrijven. De billijkheid eischt, dat men echter met meer onderscheiding te werk ga. Daartoe mogen ook de volgende opmerkingen dienen:
Vast-Ricouard bedachten een lokkenden titel en traden op met een serie romans. Die hoofdtitel luidde: „Vices Pa-risiens,quot; njpt onaardig „gepeperd,quot; zooals het heeten zou in den armoedigen stijl van sommige journalisten en feuilleto-
18
VAST-EICOUAKD. 19
nisten, die op do werken van den monschelijken geest hunne keukentermen van „slechte kost,quot; „ongare kost,quot; „onverteerbare kostquot; met karaktervolle eentonigheid toepassen.
Onder den hoofdtitel: „Vices Pari si ensquot; verschenen: I. C1 a T r e A u b e r t i n —
II. Madame B é c a r d — en III. Le Tripot. —
De twee eersten zagen het licht van 1875 — 79 en vonden weinig bewonderaars. Voor den tweeden wisten ze zelfs een „Prefacequot; aan Zola af te persen, waarin deze hun verklaart, zonder er doekjes om te winden, dat hij hunne „Madame Bé cardquot; een volkomen mislukt gewrocht acht. Toch hadden de auteurs den zonderlingen moed die zeer ongunstige critiek vóór hun roman af te drukken, ten einde als reclame op den titel te kunnen plaatsen: „Avec preface d\' Emile Zola,quot; daarbij den naam van hungewaanden meester driemaal zoo groot, zoo vet, zoo in \'t oog vallend drukkend als den hunne.
Aan dezen trek herkent men den heer Vast en don héér Pticouard, twee „letterkundige deugnieten,quot; zooals Zola in een privaat gesprek mij zonder omwegen verklaarde. En nu pogen ze hunne twijfelachtige vermaardheid te bevestigen door een derden roman: „Le Tripot!quot;
Uit den eersten roman „Claïre Aubertinquot; wordt een jonkman Paul Servet en zijne echtgenoote Amélie opgevischt. Het huwelijksgeluk van dit tweetal wordt met eene zeer ouderwetsche terminologie tot in de wolken verheven. Ongelukkig komt nu het spel tusschen beide. Paul wordt go-bracht in een club, le Oercle Parisien genaamd, en daar verslaaft hij zich zoodanig aan het baccarat, dat hij in weinige maanden eenige honderdduizenden zoek maakt. Amélie kwijnt weg aan eene gevaarlijke ziekte, maar wordt gered door een schatrijk vriend harer jeugd, zekeren Savigny, die zijn beroemden naam alleen aan de vindingskracht der auteurs dankt. Servet speelt zonder rust of nadenken voort, tot alles is doorgebracht. Hij vervalt tot diefstal en knoopt zich op in het park van Savigny te Auteuil, waar de herstellende Amélie in de armen zinkt van haar ouden vriend.
20 VASÏ-EICOUAED.
terwijl het lijk van den speler ongemerkt boven hunne hoofden in de lucht slingert.
Dit laatste feit is zoo grotesk, dat Piet Paaltjes er een voorgevoel van had, toen hij „De Z e 1 f m o o r d e n a a rquot; schreef en eene uitstekende uitbreiding gaf aan het tête-a-tète van Savigny en Amélie, als een laars van Servet komt afzinken en beiden uitroepen:
„ „Al zijn leven, van waar „Komt die laars?quot;quot; — riep het paar, „En werktuigelijk keek het naar boven,
„En daar zag het met schrik „Dien meneer eens zoo dik ...
Ontknooping en inhoud van „Le Tripotquot; geven elkander niet veel toe. Vervelend en langdradig, zonder stijl of elegantie, is het ons eng te moede in die spelersclub: le Cercle Pari-si en, welke tot overmaat van ongeluk werkelijk bestaat, zoodat de auteurs na hun potsierlijk slot nog moesten vermelden :
„Au moment oü ils ont écrit ce livre, les auteurs igno-raient qu\'il existat un Cercle Parisien.
„II va de soi que ce Cercle Parisien, parfaitement honorable, n\'a rien de commun, avec celui du mème nom décrit dans le „Tripot.quot;quot;
„L\'ouvrage étant tiré, il est impossible d\'y rien modifier.quot;
\'t Is niet benijdenswaard met zulk een woord te moeten besluiten. De schrijvers zouden misschien willen volhouden, dat zij in hun roman eene ernstige les tegen den gevaarlijken hartstocht van het spel hebben gegeven. Maar waar blijft dan hun voorgeven, dat zij naturalistische romans schrijven?
„Le Tripotquot; is alles behalve naturalistisch, daar de speelwoede, die honderdduizenden verspilt op het groene tapijt, die vrouw en kind ongelukkig maakt en eindigt met zelfmoord, het meest te Spa, te Monaco, te Ostende of in enkele bijzondere gezelschappen wordt aangetroffen. En hoe duizendmaal heeft novellist of romanschrijver zich niet met dit treurige verschijnsel beziggehouden. Marcellus Emants gaf in zijne drie novellen onder den titel „Monacoquot; vrij wat beters.
21
Van het eigenlijk naturalistisch element, zooals dit verstaan wordt door Flaubert, Zola en Huysmans, geen spoor. En waarin moet dat eigenaardige naturalistische element bestaan ? Zoo vraagt ook de heer G. V a 1 e 11 e in een artikel: „Zula\'s kunstleer en werkenquot; (Banier, Februari 1880, blz. 150 — 178). Deze beklaagt zich, dat „Zola geen bondige en klare omschrijving van het begrip (naturalismus) geeft;quot; dat ook door mij „slechts eenige min of meer vage aanduidingenquot; gegeven zijn. De heer Valette komt nu zelf met eene definitie en stelt: „Naturalismus in de kunst is het volstrekt getrouw teruggeven van het leven en de natuur.quot;
Er behoort zekere naïveteit toe, om te meenen, dat er achter deze definitie wat nieuws of oorspronkelijks schuilt. Beschaafde lezers weten zulke dingen wel, men behoeft ze hun niet te zeggen. Ons publiek bestaat niet uit schooljongens.
Indien nu evenwel de vraag gesteld moet worden, met welk recht Zola en de zijnen hun werk naturalistisch noemen, zou iets anders moeten geantwoord worden. De naturalisten in de kunst zijn materialisten in de wijsbegeerte. Zij zien in den mensch een zuiver zoölogisch voorwerp. Het komt er alleen op aan het exemplaar en de soort, genus en species, nauwkeurig te beschrijven; daarbij doet het er niet toe of het sujet schoon of leelijk, maar wel of het juist of onjuist is voorgesteld. De materialisten en naturalisten kennen geene aesthetiek, omdat zij geen andere bron van kennis raadplegen dan het zinnelijk gevoel. Zij kunnen veel kennis, maar geen smaak aan den dag leggen. Doen zij het laatste, dan worden zij door hunne kunstenaarsnatuur onbewust tot inconsequentie gedreven. Dit laatste grijpt plaats met Zola, en dan is het hier:
„Naturam expellas furca, tamen usque recurrit.quot;
22
Een nieuwe druk van een meesterstuk. — Verband van dezen roman met de buitenlandsche Letteren.
Onder do boeken, die in 1879 het licht zagen, bevindt zich een merkwaardige herdruk: — „Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, uitgegeven door E. Bekker,Wed. Ds. Wolff en A. Deken. (Niet vertaald). Met een voorbericht van A. W. Stellwagen. \'s-Gravenhage, de Gebroeders Van Cleef. 1879.quot;
Geheel overeenkomstig de oorspronkelijke uitgave van 1782, werd onder toezicht van den heer A. W. Stellwagen de merkwaardige roman van Wolff en Deken nog eens in \'t licht gezonden. Dit is nu de zevende druk van Sara Burgerhart — en niet de vierde, als het voorbericht van 1879 zegt. De eerste is van 1782, dan volgt 1783, dan 1786, dan 1836 te Sneek bij P. Joling amp; C0., dan nogmaals 1836 te Amsterdam bij J. Immer ze el Jun.; eindelijk geeft de heer Roel an ts te Schiedam een zesden druk in 1856 uit, en volgt in 1879 dit voorbeeld de uitgevers-firma Gebr. Van Cleef, die oorspronkelijk in 1782 met Sara Burgerhart begonnen was.
Deze nieuwe vermenigvuldiging van dit oude kunstwerk schijnt mij een heuglijk feit, vooral sinds Cd. Busken Hu et in 1877 zijne „Oude Romansquot; schreef. Na de lezing van deze letterkundige studie over „Sara Burgerhartquot; en „Willem Lee vendquot; is in menig Nederlandsch hart de liefde voor Wolff en Deken weder ontwaakt. Haar talent kon niet meer harer waardig worden geprezen dan door den geestigen auteur van „Oude Romansquot;. Daarbij komt het verschijnsel, dat in de laatste jaren menig nieuwe bijdrage tot het leven
SAEA BURGERHART. 23
zoowel van Bet je als van Aagje werd geleverd. Het tijdschrift „Nederlandquot; gaf onderscheidene onuitgegeven brieven van beide vriendinnen. Reeds is de uitgave eener belangrijke verzameling van dergelijke stukken aangekondigd. Het leven en de werken der beide eminente vrouwen zullen, nu bijna oen eeuw verliep, sinds „Sara Burgerhartquot; werd uitgegeven, opnieuw met vrucht worden bestudeerd. Wolff en Deken komen weer voor goed in de mode.
Tot nog toe bleef evenwel één vraagstuk onaangeroerd: hoe kwamen Aagje en Betje aan haar plan een Neder-landschen roman in brieven te schrijven? Ter opheldering dezer quaestie zal misschien het volgende kunnen dienen. quot;Vooreerst geven de schrijfsters zei ven kostbare wenken in haar „Voorbericht aan de Nederlandsche Juffersquot; van 1782.
„\'t Is waarquot; — zegt Wolfje — „dat er iets zeer ongevalligs voor een, die zijn vaderland bemint, gelegen is, in te „zien, dat het grootste getal goede boeken vertalingen zvjn.quot;
„Verre zij het van mij tegen het vertalen te ijveren. Laten „wij liever die bekwame lieden bedanken, die onze ontaalkundige landgenooten in staat stellen, zich over de grootste „geniën van Europa te kunnen verwonderen. Zy zijn het, die „ons dierbare schatten aanbieden. Dit is myns oordeels de „weg, waar langs wij onzen Letterkundigen smaak „moeten verbeteren: vermits wij, in dat opzicht, nog het „minst gevorderd zyn. Men geve ons zoo lang de werken „van Jeruzalem, Niemeijer, Gessner, Wieland, Her-„mes. Klopstock, Pope, Richardson, Thomas enz., „totdat er Vaderlandsche Vernuften onder ons opstaan, wier „werken insgelijks door de buitenlanders verdienen vertaald „te worden.quot;
Duidelijk is het hieruit, dat Betje geheel op de hoogte der buitenlandsche litteratuur was. Trouwens, z\\j zelf getuigde elders, dat zij van haar twaalfde jaar alles las, wat er „keurlijks in vier talen geschreven werdquot;. De namen van Wieland, Hermes en Richardson leggen hierbij het meeste gewicht in de schaal. G-eou twijfel, dat de laatste met zijne romans in brieven hier als Vader van het kunstgenre is te begroeten. Sara Burgerhart getuigt in hare brieven
24 SABA RUBGEEHART.
aan Naatje Willis meermalen van hare ingenomenheid met de „goddelijkequot; Clarissa Harlowe. Van Richardson dagteekont dan ook de roman in brieven.
Bij den grooten Engelschen meester ontwikkelt zich de kunst, om romans in brieven te schrijven, trapsgewijze. In 1740 verscheen zijn „Pamela,quot; en ving hij aan den roman saam te stellen uit fragmenten aan een dagboek ontleend en uit enkele losse brieven. Pamela schrijft een dagboek voor hare ouders en ontvangt eenige brieven terng. Met den tweeden roman, „Clarissa Harlowequot; (1748) wordt Richardson\'s techniek volmaakter. De beide heldinnen, Clarissa en Anna Howe schrijven elkander over en weer brieven, afgewisseld door epistels van Lovelace aan zijn vriend Bol ford en vice versa. Brieven van Morden en van Lord M. komen tusschen beide. Geheel hetzelfde verschijnsel treft in „Graudi sonquot; (1753), waar de helden en heldinnen: Henriette Byron, Clementina van Poretta en Grandison over en weer brieven wisselen.
Vóór Richardson had Swift alleen in zijne „Letters of a draperquot; en in zijn „Letter to a very young ladyquot; het voorbeeld gegeven. De roman in brieven is evenwel door Richardson allereerst bearbeid. In Frankrijk volgde Jean Jacques het model der „Clarissaquot; met zijne „Nouvelle Héloïsequot; (1761). Brieven waren reeds in het Fransch dooide onnavolgbare madame de Sevigné geschreven, en weldra algemeen in de mode, zooals uit de „Lettres pers an esquot; van Montesquieuende „Lettres sur les Anglaisquot; van Voltaire blijkt. Duitschland zou evenwel het grootste aandeel bemachtigen in de aesthetische epistolographie. Betje noemt Wiel and en Her mes. Er zijn er meer. De eerste romanschrijver, die de brieventechniek huldigt, is vader Gel-lert, die in 1746, onmiddellijk na de „Pamelaquot; „Das Leben der schwedischen Grafin von G*quot;quot; schreef. Zoo ooit een bewonderaar van Richardson dezen aanbad, dan Gel-lert. In zijne „Moralische Vorlesungenquot; roept hij uit: „Ich habe ehedem über den siebenten Theil der Clarissa und den fünften des G-randisons mit einer Art von süsser Wehmuth einige der merkwürdigsten Stunden für mein
25
Herz verweint; dafür danke Ich Dir noch jetzt, Kichardson!quot;
Geil er t bleef evenwel op honderd mijlen afstand van Rousseau. „La nouvelle Héloïsequot; Is onsterfelijk en „Das Leben der schwedischen Grafinquot; reeds lang overleden. G-ellert wil een familieroman vol leerrijke moraal schrijven, en lijdt eene jammerlijke nederlaag. Rousseau stort al den rijkdom van een met hartstocht overkropt gemoed uit en behaalt den schitterendsten triumf.
Na G-ellert deed zijn navolger Hermes — door Wolfje genoemd — zich gelden. Her mes was theoloog en had bijzonder behagen aan de moraliseerende richting van R i c h a r d-son. In 1766 verscheen zijne „Geschichte der miss Fanny Wilkes,quot; waarby op den titel allereigenaardigst gezegd wordt: „so gut als aus dem Englischen über-setzt?quot; V/as Gellert droog en in zijne gewaagde verwikkeling zonder opzet onzedelijk, Hermes vermijdt alles wat naar hartstocht of drift kan zweemen en wordt nog droger, nog ongenietbaarder. Een latere roman in brieven: „Sop hi ens Reisen von Memel nach Sachsenquot; wordt nog onuitstaanbaarder door gerekte vertoogen over het predikambt, de echtscheiding, de Israëlieten, de speelwoede, de mode en het duel. Over „pastorquot; Her mes behoeft men trouwens alleen maar te weten, wat hij van Goethe\'s Werther (1774) oordeelde, om hem zelf te oordeelen. Hij noemt Goethe\'s roman „eine Apologie des Selbstmords,quot; en zegt van een hoop eenden in de sneeuw (Sophiens Reisen) — „Mich dünkt dies waren Schriftsteller in Goethe s Manier.quot;
Naast Hermes (1738—1821) noemde Wolfje Wieland. Deze buitengewoon geestige Duitscher heeft ook een tijdlang met Richardson gedweept, als blijken kan uit zijn treurspel: „Clementina van Porettaquot; (1760). Later trad hij uit genegenheid voor Sophie von la Roche als beschermer en voorredenaar van haar roman: „ G e s c h i c h t e der F r ii u 1 e i n von Sternheimquot; (1771) op. Deze merkwaardige roman was zoowel naar het model van Richardson als naar dat van Rousseau bearbeid. Vooral in uitvoerige schildering van het landschap toont Sophie von la Roche zich eene discipelin
26 SARA BUEGERHAET.
van Jean Jacques. Evenals Wolff en Deken toont de Duitsche romancière hoeveel zij aan de lectuur van buiten-landsche schrijvers verschuldigd is. Zij noemt in haar „Frau-lein von Sternheimquot; van de Duitschers: Klopstock, G-essner, Matthison, Kleist, Claudius en Winkel-mann; van de Franschen: Rousseau, Gérard, Montaigne en Montesquieu; van de Engelschen: Pope, Thomson, Young, Richardson, Miss Barny, Goldsmith en Fielding. Mevrouw von la Roche vond met haar roman een bijval, welken men nauwelijks begrijpen kan, als men thans eenige der langwijlige hoofdstukken achter elkander leest. Herder citeert haar roman van den kansel en Goethe noemt haar boek geen boek maar „eine Men-schenseelequot;.
In de laatste helft der achttiende eeuw was de briefstijl aan de orde van den dag. Ge Hert gaf een modelboek voor jongelieden: „Briefe für junge Leutequot; (1751), dat herhaaldelijk opnieuw werd uitgegeven. Rabener schreef z\\jnekleur-looze satyren in brieven. Nog een groot aantal middelmatige Duitsche auteurs; Dusch, Timme, Priedel. Wezel. Trütschler, Müller en Knigge pogen romans in brieven te voltooien. Het spreekt van zelf, dat Goethe\'s „Leiden des jungen Werthersquot; (1774) ook als roman in briefvorm kon gelden, hoewel de techniek eenigszins eentonig is en alleen Werther de pen voert, als hij stukken uit zijn dagboek aan zijn vriend Wilhelm, of brieven aan Lotte en Albert schrijft.
Met het oog op deze feiten kan men het verschijnen van „.Sara Burgerhartquot; in brieven (1782) niet onverklaarbaar meer vinden. Wolfje was meer dan eenig harerletterkundige landgenooten op de hoogte der buitenlandsche literatuur. De geschiedschrijvers van de onze hebben evenwel van de vreemde zoo weinig werk gemaakt, dat de eerste Nederlandsche roman in brieven als uit de lucht schijnt te vallen in hunne geschiedverhalen. En toch heeft Willem De Clercq reeds in 1824 tegen deze eenzijdige richting gewaarschuwd.
4
NOOED- EN ZUID-NEDEELANDSCHE LETTERBOND.
NOORD- EN ZUID-NEDERLANDSCHE LETTERBOND.
Eene Nederlandsche „Société des gens de lettres.quot; — Hoe z\\j moet worden geregeld.
Maart 1880.
Te Mechelen werd op het laatste letterkundig congres besloten, tot de oprichting van een „Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterbond.quot;
Men benoemde eene commissie — gelijk van ouds. Do dagbladen hebben het feit vermeld, hier en daar werd zelfs een gunstig advies vernomen. Uit hetgeen men op het congres sprak, bleek duidelijk, dat men van plan was eene vereeniging in \'t leven te roepen, die voor Nederland en de Nederlanders in België eenmaal worden mocht, wat de Parijsche „Société des gens de lettresquot; voor de Franschen is.
Een dag of vijf lang hield dit denkbeeld enkele letterkundige gemoederen bezig, daarna ving een diep stilzwijgen aan, dat tot heden nog niet verbroken werd. Intusschen vroeg dezu uu gene somtijds: „Wat is er toch van dat plan met dien Letterbond geworden?quot; „Waarom hoort men er niet meer van?quot; „Men noemde eenige namen van personen, die het bestuur zouden uitmaken, en daarbj] is alles gebleven!quot;
Inderdaad is dit verschijnsel vry zonderling. De benoemde commissie van uitvoering deed tot nog toe niets van zich hooren. En dus schijnt alles langzaam weer in slaap te vallen, zoodat er van deze zaak niets overblijft dan de herinnering aan eenige min of meer, of zelfs in het geheel niet welsprekende redevoeringen op het congres te Mechelen.
Eerst op een volgend congres te Breda in 1881 zal het blijken, waarom met dit plan zoo weinig voortgang werd ge-
27
28
maakt. Ongetwijfeld zal het dan duidelijk worden, hoe moeielijk het is met eene veelhoofdige commissie iets te stichten als ieder bijzonder persoon eene bijzondere meening aankleeft; als men uit het bont verschil van gevoelens niet tot eene harmonische oplossing kan geraken. Tevens zal moeten blijken, dat de bestuurders der congressen niet angstig genoeg kunnen waken voor de juiste uitvoering der besluiten, en dat het in elk geval noodig is de gedrukte handelingen van eenig congres niet ad calendas graecas te verschuiven.
Hot denkbeeld van eene ïfederlandsche „Société des gens de lettresquot; schijnt mij zeer wel voor uitvoering vatbaar, zelfs buiten den steun van eenig letterkundig congres. En waarlijk, een Letterbond zou in Nederland en Vlaanderen geene laakbare weelde kunnen geschat worden. Wat bij andere standen en rangen van het maatschappelijk leven „esprit de corpsquot; heet, kan bij de ten onzent overal verspreide letterkundigen niet worden waargenomen. Van gemeenschappelijke belangen schijnt bij de onzen geen denkbeeld te bestaan. Toonkunstenaars, schilders, bouwmeesters, vereenigen zich in ons vaderland met prijzenswaardigen ijver — de beoefenaars der letteren alleen blijven verstrooid.
Hoe nuttig de werking van dergelijken Bond zou kunnen bl\\jken, valt het best in \'t oog, als men het lot van sommige bejaarde, achtenswaardige letterkundigen overdenkt. Geen dertigjarige redactie-dienst behoedde een talentvol grijsaard voor de ruwste afdanking, geen phantasie of geest zouden den onbemiddelden auteur vrijwaren voor het weinig benijdenswaardig lot van „uitgepersten citroen ....quot;
Het lidmaatschap der „Société des gens de lettresquot; waarborgt ouden van dagen, die de pen niet meer kunnen hanteeren, een hoogst aangenamen steun. Bovendien zorgt de „Sociétéquot; nog op velerhande manieren voor de linancieele belangen der leden. Een Nederlandsche Letterbond zou iets dergelijks moeten pogen tot stand te brengen. Ik stel mij de zaak voor, als volgt:
Het doel van den Letterbond is:
a. behartiging der zedelijke en stoffelijke belangen van de leden;
NOOED- EN ZUTD-NEDERLANDSCHE LETTEKBOND. 29
h. verbetering van het lot der Zuid- en Noord-Nederland-sche letterkundigen;
c. algemeene verspreiding van Zuid- en Noord-Nederlandsche dagbladen, brochuren, tijdschriften en boeken tusschen de leden onderling in de beide deelen van Nederland, en waar overigens onze taal gesproken wordt; (Oost- en West-Indië, Kaaplanden, Noord-Amerika, Fransch-Vlaanderen).
Om zijn doel te bereiken sticht de Bond:
a. eene letterkundige credietvereeniging;
h. eene hulpkas.
De Credietvereeniging verleent voorschotten aan de leden van den Bond tegen onderpand.
Het onderpand kan bestaan in een contract gesloten met een uitgever.
De Hulpkas strekt tot ondersteuning van hulpbehoevende letterkundigen of van hunne familiën.
Ieder lid van den Bond, dat den leeftijd van zestig jaren bereikt heeft en gedurende vijf en twintig jaren lid van den Bond was, geniet jaarlijks eene ondersteuning.
De leden van den Bond zullen alles beproeven wat mogelijk is, om de kas te stijven en wel door:
«. vrijwillige giften op eens (legaten);
h. jaarlijksche contributiën;
c. voordrachten;
d. tooneelvoorstellingen;
e. uitgaven van boeken of brochuren.
Tot leden van den Bond worden toegelaten Zuid- en Noord-Nederlandscbe, of elders gevestigde Nederlandsche letterkundigen in den ruimsten zin des woords. Zij moeten bij hunne schriftelijke aanvraag om het lidmaatschap ondersteund worden door twee leden van den Bond.
Het bestuur van den Bond beslist over de toelating van nieuwe leden met gesloten briefjes en meerderheid van stemmen.
Het bestuur is bevoegd op verzoek van een zijner leden onderhandelingen aan te knoopen met heeren uitgevers over de uitgaaf van oorspronkelijke werken en van vertalingen.
De beginselen, waarop bij het sluiten van contracten zal worden gelet, zijn de volgende;
30 NOORD- EN ZUID-NEDEELANDSCHE LETTERBOND.
a. iedere kopij wordt afgestaan voor één druk niet bepaling van de oplaag;
h. na uitverkoop van het bepaalde aantal exemplaren wordt de auteur weer eigenaar van zijn werk;
c. de Bond bepaalt bij contract welke controle (b. v. de handteekenmg van den auteur in ieder exemplaar) op den verkoop zal worden uitgeoefend.
Ieder lid van den Bond is verplicht een tweetal exemplaren van zijne geschriften aan het bestuur af te staan. (Archief en Bibliotheek).
De Bondsleden houden jaarlijks eene algemeone vergadering. Het bestuur bestaat uit vijf Zuid- en vijf Noord-Nederlanders met periodieke aftreding en plaatsvervangende leden.
Het tiental bestuurders verdeelt de werkzafunheden volgens huishoudelijk reglement. Het bureel zal moeten bestaan uit voorzitter, onder-voorzitter, twee secretarissen en twee penningmeesters.
Het bestuur vergadert zoo dikwijls het bureel dit noodig oordeelt. Het bestuur kan aan een of meer zijner leden volmacht geven tegenover derden op te treden.
Afdeelingen van den Bond kunnen in alle gemeenten van Zuid- en Noord-Nederland opgericht worden, zoodra er een genoegzaam aantal leden aanwezig is.
De afdeelingen kiezen hare besturen en regelen hare werkzaamheden naar de algemeene beginselen, in do statuten van den Bond uitgesproken.
Als uitgaaf van den Letterbond worden aan alle loden toegezonden Berichten, vermeldende:
a. notulen der algemeene jaarlijksche vergadering; h. aangeboden uitgaven en vertalingen;
c. voordrachten van candidaten tot het lidmaatschap. Zoo zoude in algemeene trekken de Noord- en Zuid-Neder-landsche Letterbond kunnen worden ingericht.
Het spreekt van zelf, dat men het ledental van den Bond zou moeten trachten uit te breiden door de beteekenis van het woord letterkundige zoo ruim mogelijk te nomen. Het talrijk personeel van lager, middelbaar en hooger onderwijs — leeraars en „leeraressenquot; — zou tot het goede doel
NOORD- EN ZUID-ÏIEDERLANDSOHE LETTERBOND.
ng kunnen medewerken. Men zou eene zeer gewaardeerde af-
deeling voor begunstigers van schoone letteren kunnen ope-\'dt nen, en nog ettelijke andere practische maatregelen kunnen
nemen.
de Mocht het hier medegedeelde plan op onvoorzienbare zwarig-
en heden stuiten, of, bij nader inzien, blijken onuitvoerbaar te
zijn, het zou in elk geval aanleiding kunnen geven, dat er 311 iets tot stand kwam. De letterkundige congressen gaven reeds
ef het leven aan het Noord-Nederlandsch Tooneelverbond, \'t welk
na 1869 al zooveel heuglijke uitkomsten mocht beleven. Ook g. is het niet volstrekt noodzakelijk, dat nogmaals het congres
i- worde geraadpleegd. Het particulier initiatief vermag in deze
zaak veel. Te Parijs heeft de heer Taylor niet alleen tot is de stichting der „Société des gens de lettres,quot; maar
i( ook tot oprichting van de „Société des auteurs drama-
i- tiquesquot; aanleiding gegeven.
Ook ten onzent zou een Letterbond in bovenbedoelden sr zin wezenlijk nut kunnen stichten, ware het alleen maar, om
31
de nog zeer gebrekkige relation op het terrein van den boekhandel tusschen Noord- en Zuid-Nederland te bevorderen, i Maar men zou daartoe in de eerste plaats mannen noodig
hebben, die met warme overtuiging dit plan wilden uitvoeren en verbeteren; mannen van autoriteit en populariteit in ons midden. Komt aan de zoodanigen dit opstel in handen, dan sta ik hun het geheele denkbeeld gaarne af. Samenwerking is noodig. maar kan wellicht niet verkregen worden op voorstel van een enkel auteur zonder gezag. Meer bevoegden be-hooren de hand aan den ploeg te slaan — deze akker ligt in Nederland nog volkomen braak.
DANIEL EOCHAT.
Een nieuw drama van Vietorien Sardou. — De stryd oveT het kerkelijk huwelijk.
April 1880.
Nog klinken de tragische zesvoeters ons in de ooren, zoo uitnemend schoon van klank en van duizenderlei schakeering van klank, als ze vloeiden uit den mond van Sarah Bern-hard t.
Een Nederlandsch publiek heeft het voorrecht gehad het bedorven kind uit het huis van Molière te bewonderen. En dat er nog eene goede dosis bewondering bij do al te oordeel-grage Nederlandsche schouwburgbezoekers voorhanden is, bleek uit de geduldige kalmte, waarmee men Donderdag, 25 Maart, naar den telkens verschoven aanvang van „Phèdrequot; wachtte.
quot;Ware het theater Van Lier in dat uur vol Franschen geweest en de fonkeling van eene beroemde buitenlandsche star beloofd, wellicht zouden de zaken minder rustig zijn afgeloopen. De Nederlandsche critiek gaat vooral in letterkundige aangelegenheden nogal eens aan den leiband van sympathie of antipathie voor of tegen personen. De Pransche critiek wordt door het oneindig grooter arbeidsveld onwillekeurig bepaald tot zaken.
32
Om dit eigenaardig verschil van kunst en critiek in beide landen met een even eigenaardig exempel te staven, zou men bij voorbeeld kunnen volhouden, dat „Daniel R och atquot; door een Nederlandsch publiek met groote welwillendheid zou ontvangen zijn geworden, dat dit blijspel (?) \') zelfs door do
\') Vietorien Sardou. de 1\'Académie fr an 9 ai se. Daniel Ro-chat, co mé die. Paris, Caiman Lévy, 1880.
DANIEL EOCHAI. 33
critiek met hoogachting zou zijn begroet. Moeielijk zou het gaan een tegenovergesteld voorbeeld te kiezen, daar het nimmer voorvalt, dat een Nederlandsch drama in het Fransch wordt vertoond.
„Daniël Rochatquot; is een boeiend drama van het begin tot het einde, maar Sardou treedt als rechter op in een proces van den dag en nu oordeelt het publiek in hooger beroep, dat zyn vonnis niet deugt. Talent of waardigheid helpen niet. Sardou heeft het vraagstuk van burgerlijk en kerkelijk huwelijk aangeroerd, omdat een bekend lid van het huis der afgevaardigden, Naquet, voorstelt de al ten onzent geldige, burgeriyke echtscheiding (la divorce) in te voeren, zooals dit trouwens reeds gedurende de eerste republiek in 1793 en 1794 plaats greep. Sardou trekt party voor de oude toestanden en handhaaft de onoplosbaarheid van het kerkelijk huwelijk. Was dit zeer moeielijk te doen in een blijspel, dat in de eerste plaats den toeschouwer op geestige wyze wil dwingen tot een smaakvollen lach, men mocht des te eer verwachten, dat Victorien Sardou, meester in het overwinnen van zwarigheden, deze gevaarlijke klip zou weten om te zeilen.
Hoe handig nu evenwel „Daniël Rochatquot; is ontworpen en afgewerkt, het publiek van Molières huis draagt zijn staatkundig hart soms hooger dan zijne letterkundige sympathieën. De critiek veroordeelde en „Daniël Rochatquot; viel. Vraagt men of er geene termen waren, dan zou kunnen herinnerd worden aan den langdurigen strijd van 1813 tot heden voor de burgerlijke echtscheiding (divorce). George Sand heeft er zich een geheel menschenleven mee beziggehouden, de republikeinsche gedeputeerden en journalisten zijn voor het denkbeeld gewonnen. De voortreffelijkste dramatische auteur zou dus altijd, wanneer hij zich geroepen waande een blijspel over burgerlijk of kerkelijk huwelijk te schrijven, met de stemming van het publiek hebben af te rekenen.
Sardou heeft daarom de zaak zooveel mogelijk omsluierd en het hoofddenkbeeld van „Daniël Rochatquot; is dan ook alleen, dat eene edelmoedige en welopgevoede vrouw zich niet in den echt verbonden acht. zoodra haar huwelijk niet
L 3
34 DANIEL EOCHAT.
kerkelijk is ingezegend. Op deze wijze wordt het burgerlijk huwelijk zoo ongunstig mogelijk voorgesteld, en de held, Daniel Rochat, die alle kerkelijke banden verscheurde, z:oo stiefmoederlijk mogelijk behandeld. Eigenaardig is het, dat Sardou, om de teergevoeligheid van zjjn publiek te sparen, de handeling naar Zwitserschen bodem overbrengt, evenals Augier dit voor eenige jaren met „Madame Caverletquot; deed.
De heldin, miss Léa Henderson, is eene Engelsch-Amerikaansohe jonge vrouw, die uit een protestantsch oogpunt geen huwelijk heilig acht dan het kerkelijke. Zij deelt de denkbeelden van den beroemden afgevaardigde en staatkundigen redenaar Daniel Rochat; die wederom evenals Ra bag as, eene zeer partijdige en eenzijdige caricatuur van G-ambetta schijnt te moeten leveren. Miss Henderson is buitengewoon ingenomen met eene rede bij het eeuwfeest van Voltaire, door Rochat uitgesproken. Beiden ijveren tegen de oppermacht van priesters en kerkelijke partij. Miss Léa bedoelt daarmee de oppermacht der katholieke partij. Omtrent den protestantschen predikant Septimus Clarke koestert zij geheel andere denkbeelden. Zoodra miss Léa hare hand heeft toegezegd aan Rochat, zegt deze ronduit aan de tante van zyn bruid: „Mistress Powers vous me serez pas surprise qu\'un homme qui vient de faire l\'éloge de Voltaire, ait rompu net avec l\'é-glise et qu\'il soit bien résolu a ne pas lui deman-der de bénir son mariage.quot; Dit alles wordt door de dames uitgelegd ten voordeele der protestantsch-anglikaansche kerk, zonder dat de welsprekende vrijdenker er het minst van vermoedt.
Als nu omstandigheden het huwelijk vervroegen, en Daniel zich ten huize van Mistress Powers in den echt verbindt, komt het oogenblik, dat men hier terecht het „psychologischequot; zou kunnen noemen. De anglikaansche „reverendquot; Clarke verschijnt ten tooneele en bewijst aan Daniel Rochat, dat, zoo de dames niet van priesters gediend zijn, dit evenwel hunne hoogachting voor dominees niet vermindert. Daniels geleerde vriend Par gis verklaart den
DANIEL ROCHAT.
toestand zeer eenvoudig: „Pour une protestante: Pas de prêtre et pas d\'église — cela veut dire: — Place au pasteur et gloire au temple.quot;
De strijd tusschen Daniel en Léa levert de grondstof voor de echt dramatische tooneelen, die in het vierde bedrijf van Sardou\'s latere blijspelen zulk een verrassenden indruk maken. Dora treedt tegenover haar echtgenoot, Fabrice tegenover de barones de Saint-André, zijne moeder, niet in spannender verhouding op dan hier Léa tegenover Danie 1. Daar beiden evenwel bij hunne meening volharden, blijft de bevredigende oplossing achterwege — het pas gesloten huwelijk wordt, omdat men zich in Genève bevindt, door echtscheiding ontbonden.
Alles te zaam genomen kan „Daniel R och atquot; de vergelijking met „Dora,quot; „Les Bénoitonsquot; en „Pont-Arcy\'gt; niet zegevierend doorstaan, maar er bestaat bijna de zekerheid, dat een Nederlandsch publiek dit stuk met meer welwillendheid zal ontvangen dan een Fransch. Zelfs zal de meerderheid der toeschouwers ten onzent eer op de zijde van Léa dan aan den kant van Daniel staan. Het kerkeiyk inzegenen van een huwelijk is voor de meerderheid ten onzent een vroom gebruik, dat met eerbied besproken, maar nimmer een twistappel tusschen politieke partijen kan worden.
Daarbij komt, dat in dit nieuwe drama allerlei personen van den tweeden rang voorkomen, die flink en geestig zijn geteekend. In de eerste plaats, Rochats vriend, „le doc-teurquot; Bidache, een dier welbekende naloopers van celebri-teiten, gelijk men er hier en daar in het bezadigde Nederland ook wel vindt. Het portret van Bidache wordt in het eerste bedrijf zeer uitvoerig door F ar gis geteekend.
Treffend is het vonnis over dezen staatkundigen klaplooper uitgesproken: „(c\'est) un de ces bien avisos, qui ne s\'illusionnant pas sur leur propre mérite, sautent en croupe d\'un plus habile, pour atteindre avec lui des hauteurs oü leur propre monture serait incapable de les porter.quot; Door het geheele drama heen komt de moreele tafelschuimerij van den verloopen dokter Bidache op de aardigste wijze uit, hoewel eene geheime
35
36
antipathie van den auteur hem al te gemakkelijk tot verguizing der Republikeinen brengt.
Naast Bidache staat de tractaatjes verspreidende mistress Powers, eene rijke weduwe, die in Genève volksbibliotheken, voordrachten, soepkaartjes en bijbellezingen in de mode brengt. F ar gis zegt van haar, dat zij in 1854 met een ambulance naar de Krim is getrokken. Het lastigste is, dat zij iedereen met tractaatjes vervolgt. Een jongmensch Casimir Fargis, broeder van den geleerde, vindt er onmiddellijk een in zyn hoed met den titel: „Lisez moi, je suis si petite!quot; een tweede komt uit zijn sigarenkoker met het opschrift: „Jetez ce poisonquot;: en het motto: „La fumée est montée dans ses narines et de sa bouche est sorti un feu dévorant.quot; Psalm 18 vs. 2. Een derde wordt hem over de post gezonden met de woorden: „Un mot sur vos era-v a t e s,quot; een vierde met de aanbeveling: „N\'oubliezjamais vos mains dans vos poch es.quot;
Laat men het weinig bevredigend slot buiten rekening, dan zal de vertooning van „Daniël Eochatquot; menig genotvol oogenblik aanbieden. Men mag het betreuren, dat een zoo bekwaam artist als Sar do u zich in het gedrang der politieke en godsdienstige ijveraars op den voorgrond poogt te stellen; men moge de schoone dagen van „Les Pattes de mou-che,quot;van „Benoiton,quot; „Pont-Arcy,quot; „Doraquot; en „l\'On-cle Samquot; spoedig een nieuw morgenrood toewenschen, toch blijkt ook weder uit deze jongste proeve van den rykbe-gaafden blijspeldichter, dat hij zijn laatste woord niet gezegd heeft en wellicht nog menige verrassing voor vrienden en vijanden zal bereiden.
37
De Borniers tweede treurspel. — Schoone episoden. — Succès d\'estime.
De burggraaf Henri de Bornier doet op dit oogenblik te Parijs zjjn tweede treurspel: „Les Noces d\'Attila,quot; in den schouwburg van het Odéon vertoonen.
Dit feit is der vermelding waardig, omdat in 1875 zijn „Pille de Eolandquot; zulk eene schitterende aanwinst voor het répertoire van het Théatre frangais en tevens voor de Fransche letteren geweest is. Na de grievende vernederingen van 1870 en 1871 klonk uit deze dramatische behandeling van het aloude Kolands-epos eene kloeke vertroosting voor de geslagenen. Het Fransche hart zwol van trots, als het den edelen zoon van G-an el on het lied der beide zwaarden — Durandal en Joyeuse — hoorde aanheffen. Een mengeling van ridderiyke, chauvinistische, en naar revanche strevende gewaarwordingen openbaarde zich in „La Fille de Roland,quot; juist geschikt, om de gedrukte stemming der overwonnenen een weinig op te beuren.
De uitstekende vertolking van Prof. Alberdingk Thijm bracht de dochter van Roelant ook op het Nederlandsch tooneel, en mochten wij al geen Sarah Bernhardt bezitten, orn ons Bertha voor te tooveren in al hare koninklijke fierheid, wij hadden toen mevrouw Ellenberg^er, die de alexandrijnen van den Nederlandschen vertaler met smaak en gevoel voordroeg.
Zullen wjj ooit „De Bruiloft van Attilaquot; in het Nederlandsch hooren vertoonen? Misschien is eenige twijfel geoorloofd. De tweede tragedie van de Bornier schijnt mij in alle opzichten bij de eerste achter te staan, en voor den auteur niets anders geweest te zijn dan „un beau succès
LES NOCES D ATTILA.
d\'es timequot;. Een enkel woord over den gang van het stuk moge hier zijne plaats vinden.
Het eerste bedrijf verplaatst naar de oevers van den blauwen Donau te midden van Attila\'s kamp. De „geesel Godsquot; komt met buit beladen van een strooptocht terug. Herklé, priesteres van Odin — een zonderling verschijnsel onder de Hunnen! — zegt van de krijgsgevangenen, die Attila brengt:
„Ces femmes, ces enfants des Germains, des Romains, „Des Burgondes, des Francs, vont tomber en nos mains.quot;
Onder deze is een Burgundische koning Herrie en zijne dochter Hildiga. Bij de verdeeling der gevangenen ontstaat strijd tusschen Attila\'s zonen Hernock en Ellak over Hildiga. Hernock is de zoon van eene Skythische moeder, Ellak van eene Germaansche. Als Attila de strijdende broeders verzoenen wil, weigert de eerste zijne hand ter verzoening uit te strekken. Vervolgens houdt de Burgundische koning Herrick eene rede tot Attila, waarin weder het oude streven naar revanche tegen Duitschland om den hoek gluurt, vooral in de volgende alexandrijnen:
„La patrie est en nous!
„On ne la perd jamais quand on garde son culte,
„Quand on prévoit sa gloire après la longue insulte,
„Oui, pour sauver enfin ce grand peuple éperdu,
„Surgira dans la nuit quelqu\'un d\'inattendu;
„Le monde, frissonnant sous le fléau qui marche,
„Ne voit que le déluge aujourd\'hui. ... Je vois rarche!quot;
Een Frankisch krijgshoofd, quot;Walter, verschijnt om Herrie en Hildiga los te koopen. Vergeefsche poging. Zelfs moet de Frank als krijgsgevangene achterblijven.
Het tweede bedrijf, in het paleis van Attila de handeling verplaatsend, bevat hoofdzakelijk het optreden van den Romein-schen consul Maximinus, die uit naam des keizers komt aankondigen, dat een ontworpen huwelijk tusschen Ho nor ia, Theodosius\' zuster, en Attila niet kan plaats grijpen. Attila deelt nu plotseling mede, dat hij zich met Hildiga
38
LES NOCES D\'ATTILA. 39
tuk in den echt wil verbinden. De prinses weigert, zij heeft haar hart aan den Frankischen krijgsoverste geschonken. De koning ren der Hunnen dreigt nu al zijne krijgsgevangenen en den koning isquot; Herrie voor de leeuwen te doen werpen. Hildiga stemt 1 é, toe, maar wordt door hare christelijke stamgenooten vervloekt, de Bij het begin van het derde bedrijf komt een wichelaar dei-
Ia Hunnen, Mundo, den koning aanzeggen, dat iemand in zijn paleis het plan smeedt, om Hildiga te schaken. Attila doet een streng onderzoek. H e r n o c k blijkt onschuldig, evenzoo Ellak. Het verlovingsmaal volgt. Allen moeten de bruid met een beker hydromel begroeten. De hand van Walter beeft — Attila ziet in hem den schuldige. Mundo zingt:
ie
„Qu\'il chante l\'épée ou le glaive,
„Le poète grec ou romain;
„Ces armes qu\'un vieillard soulève,
„Qu\'un enfant pèse dans sa main; 6 „Mon vers sauvage les méprise!
„Mais l\'arme, qui perce et qui brise, g „ Bonne a tout gigantesque effort,
j. „Qui vole, broie, enfonce, arraehe,
„Je l\'aime. Et je chante la hache „D\'Attila, frère de la mort!quot;
Attila verklaart al de krijgsgevangenen vrij na zijne verloving met Hildiga. Niemand wil er gebruik van maken. Walter trotseert den Hunnenkoning en zegt hem, dat hy Hildiga liefheeft. Aanstonds wordt hij ter dood veroordeeld, maar antwoordt fier:
„Adieu done, roi des Huns; je vais calme a la tombe;
„Ce n\'est pas mon houneur, c\'est ma tête qui tombe!quot;
Het vierde bedrijf vertoont „la chambre nuptiale,quot; waarin Hildiga door de priesteressen van O din (sic.) wordt gebracht. De Burgundische prinses heeft geen wapen, maar Gérontia, eene gevangene uit Lutetia, brengt haar de bijl van Attila. Nadat Hildiga al haar haat in woedende verzen heeft uitgesproken, doodt zij Attila met een slag der bijl. Zieltogend beweert de Geesel Gods, dat hy zich zelf in een aanval van krankzinnigheid in zijn bijl heeft gestort. Stervend gebiedt hy Hildiga als koningin te erkennen.
LES UOCES D ATTILA.
Uit dezen inhoud kan men reeds eenigszins opmaken, dat „Les Noces d\'Attilaquot; ver achterblijft by „La fille de Kol and.quot;
In de eerste plaats was de stof niet zoo dankbaar. De historische figuur van At til a weegt niet op tegen de reuzengestalte van Charlemagne. De toeschouwer kan zich voor den koning der Hunnen niet zoo gunstig gestemd voelen als voor den grondlegger der Frankische grootheid. Hildiga en al de verdere personages zijn uit de phantasie van den dichter te voorschijn gekomen en moeten dus enkel door deze leven, terwijl Ganelon, le due Naymes, Berthe door de overlevering werden gesteund. Hildiga speelt eenvoudig de rol van Judith, maar verheft zich niet tot de tragische hoogte van Alfieri\'s heldin.
De vier bedrijven zijn met te veel episoden doorvlochten. De verschoning van Gérontia, de Lutetiaansche gevangene, is eene uitmuntende speculatie op de ijdelheid en patriotsche geestdrift der Parijzenaren, maar strikt noodzakelijk is ze niet. Ieder ander gevangene kon de bijl van At til a aan de koninklijke bruid brengen; ook haar optreden met haar kind •in het eerste bedrijf is alleen episodisch schoon, hoewel niet ontkend kan worden, dat by de vertooning juist dit fragment groeten indruk zal maken.
Men verdeelt de buit, de slavin Gérontia met haar kind valt in de handen der priesteres Herklé. Men gelast het kind in den Donau te werpen. Herklé bekommert er zich niet om. Gérontia verdedigt haar kind, zy smeekt de priesteres niet om genade:
„Je devine
„Que rien d\'humcain ne bat dans ta fauve poitrine;
„Mais vous, je vous supplie, hommes! Quoique païens,
„Vous êtes hommes vous! — Qu\'on amène vos chiens,
„Qu\'on leur montre l\'enfant et ce que l\'on prépare,
„Et tes chiens sauveront l\'enfant, foule barbare!quot;
Herklé.
„Nous avons déja trop de nos enfants a nous;
„Que ferais-je du tien?quot;
40
41
Gérontia (repoussant toujours ceux qui veulent lui prendre son enfant).
„Oh! non. — A deux genoux!
„Laissez-moi vous prier!.... Eéliéchissez-encore !
„Si vous saviez! .... Chez nous, un fils — cela s\'adore!
„Le voir englouti la, sous le flot étouffant....
„Vous ne le Toudrez pas ....quot;
Hernock.
„Au Danube l\'enfant!quot;
Gérontia (courant au pont, son fils dans ses bras).
„Au Danube l\'enfant! — Ah, fleuve du supplice!
„Sois maudit, toi qui sers aux monstres de complice !
„Et vous, guerriers sans coeur, femmes, princes, bandits,
„Démons, que renierait Satan, soyez maudits!
„Soyer maudits deux fois dans votre joie amère;
„Le fleuve aura l\'enfant, mais il aura la mère!
„— Allons, mon fils! II dort: il ne souffrira pas!quot;
Herklé.
„Attends! jo sauverai ton enfant du trépas;
„Je vous prends tous les deux, car tu m\'a décidée,
„Par ton ardent courage ....quot;
Wanneer dit tooneel in het Théatre francais door Sarah Bernhardt ware vertoond, zou het stuk gered zijn, in het Odéon echter moest de totaal-indruk alleen worden geraadpleegd. In „Home Va in cuequot; heeft Sarah Bernhardt in de kleine rol der blinde Posthumia een vrij middelmatig stuk voor een waarschijniyken val behoed. Zij zou ongetwijfeld de sympathieke, maar vrij overtollige personage van Gérontia ten koste van Hildiga naar den voorgrond hebben gebracht. In het Odéon was maar één acteur van naam, de kleine, dikke Dumaine, die van At til a een indrukwekkende verschijning wist te vormen.
Bij de lezing van de Borniers laatste stuk stuit men herhaaldelijk op moeiljjk te scandeeren alexandrijnen en op sommige onlogische beelden. Maar een enkel voorbeeld. Walter zegt:
LES NOCES D\'ATTILA.
„Ce n\'est pas mon honneur, c\'est ma tête qui tombe,quot; — een vers, dat fraai zou zyn, als het werkwoord tomb er zich even fraai bij het substantief honneur, als by het substantief tête kon aansluiten. De uitdrukking: „c\'est mon honneur qui tombequot; is onmogelijk.
Nieuwe Novellen. — Nieuwe lauweren. — Kromme Cies.
Mei 1880.
In November van het vorige jaar gaf Virginie Leveling een derden bundel „Novellenquot; uit \'). De beide eersten schreef zij in gezelschap van hare zuster Eosalie. Nu de onverbiddelijke dood haar die kunstzuster ontnam, treedt zij voor het eerst geheel alleen op.
Hare drie novellen zijn getiteld; „Vreemde invloed,quot; „Mijn goede Faam,quot; „Kromme Ciesquot;.
Als vroeger vindt men in deze trits de schoone eigenschappen van het zusterpaar Leveling terug: schilderachtige stijl, fljn omschreven gevoel, buitengewone kennis van zekere toestanden en karakters.
42
Tot nog toe is door de critiek bijna geene notitie genomen van dit nieuwe kunstwerk. En juist schijnt het door liefelijken eenvoud, door reinheid van inhoud en vorm, volkomen te voldoen aan de tegenwoordige eischen van die beoordeelaars in ons midden, welke zich met naïef optimisme voor idealisten houden. Misschien derft Virginie Leveling de eer
\') Drie Novellen van Virginie Loveling. Haarlem, Erven Bohn. 1879.
43
van hoogere belangstelling, omdat zij niet met haar eersteling ten tooneele verschijnt, en er ten onzent altijd meer werk van debutanten dan van bekende kunstenaars wordt gemaakt.
Het zal dus geen overbodig werk zijn, aan hare „Drie Novellenquot; een woord van waardeering te wijden.
Het eigenaardige van den stijl en wijze van voorstelling in deze novellen is, dat alles in de hoogste mate sober en eenvoudig is gehouden. De personen worden ons aanstonds bekendgemaakt met een enkelen voornaam, eene zeer spaarzame aanduiding van uiterlijk, stand, betrekking of karakter. Maar onmiddellijk worden wij goede bekenden, zoo goed, dat deze schepsels der phantasie tot onze levende vrienden en kennissen schijnen te behooren.
In „Vreemde invloedquot; treedt eene jonge vrouw op, die door de zusters van haar echtgenoot tot wanhoop wordt gebracht. Het thema, de noodlottige invloed van vrouwelijke familieleden op den gang van zaken in een gezin, wanneer zij na het huwelijk van hun broeder bij hem blijven inwonen, is met de uiterste fijnheid behandeld.
Alexis, tout court „leeraar aan de school van Hofbouwkunde te G-ent,quot; is gehuwd met Justine, tout court. Alexis\' moeder en twee zusters, Henriëtte en Eugénie, wonen bU het jonge paar. De zusters zyn veel beschaafder dan Justine en laten het haar bij alle gelegenheden merken. Justine was „eene kloeke, onsierlijke veldbloem bij half verflenste maar uiterst fijne serreplantenquot;. De dames Henriëtte en Eugénie spreken met hare moeder Fransch, de arme Justine kent het Vlaamsch beter en wordt weldra door de zusters voor eene volkomen nulliteit gehouden. Hare roode handen worden een voorwerp van spot. „Arme zuster,quot; zegt Eugénie — „zou men niet zeggen de hand een er boerenmeid, zoo rood, zoo opgezwollen van de koude! Doet dat geen zeer, Justine?quot; — „Met heel veel,quot; was het antwoord. „Neen, neen, Eugénie, niet half zooveel als de doornsteek uwer woorden in dat teeder gemoed.quot;
Schatryk is de schildering der kleine bijzonderheden, die bijdragen om Jus tines leven te verbitteren. Een der zusters spreekt soms Engelsch tot haar man, de andere „verzorgde
44 VIRGINIE LOVELING.
zijn lijnwaad en bracht zijne kleederen in ordequot;. De zusters spreken over botanie met haar man, zij begrjjpt er niets van. Spoedig gevoelt zy zich verlaten, ongelukkig. Zij vertrekt een poos naar het dorp Maseghem, waar zij eene tante heeft, omdat de dokter verandering van lucht voorschrijft. Maar die tante munt niet bijzonder door hartelijkheid uit. Op Justine s vraag of zij een paar dagen blijven mag zegt tante: „Zeker, het bed staat er toch; het is juist gelyk of gü er in slaapt of niet, juist gelijk!quot; Dit was zoo hare beleefdheid. Een brief van Alexis, de eerste, welken zij van haar man ontving, doet haar besluiten onmiddellijk naar huis terug te keeren. Zij doet haar uiterste best, om met hare zusters op den besten voet te komen, zy neemt van de eene les in het Engelsch, van de andere in de botanie. Dit mislukt ten volle, daar de geleerde dames geen tact hadden om te onderwijzen.
De geboorte van een zoontje, tegen Jus tin es zin Dieu-donné genoemd, brengt niet veel verandering. De zusters maken zich meester van het kind. Zij passen een opvoedingsmethode met koude baden en koude lucht toe — het schaap sterft. Beide echtgenooten zijn wanhopig. Intusschen trouwt Eugénie en Henriëtte gaat naar Engeland. Maar geen toenadering komt tusschen man en vrouw. „Vreemde invloed had hem geleerd zijne vrouw, zijne verkleefdste vriendin, te miskennen en te minachten, het kind alleen vormde tusschen hen een band van liefde en een onderwerp van onuitputtelijk gesprek — het kind was heen, de band verbroken en hun levensheil scheen voor immer vernietigd.quot;
Weldra komt hevige oneenigheid, Alexis barst bij zekere aanleiding in woedende drift los. Justine verlaat zijn huis en gaat logeeren bij Alexis\' broer Q-eorge, een advocaat met eene ryke vrouw en veel practijk te Brussel. Meer dan twee jaar blijven de echtgenooten gescheiden. Justine wordt door den Brusselschen zwager en schoonzuster met voorkomendheid behandeld en herleeft. Zy weet zelfs een wel-dadigen invloed op het Brusselsche gezin te oefenen, daar zij beter huishoudster is dan hare gastvrouw. Eindelijk komt Alexis uit Gent. Eenzaam en ongelukkig wil hij de hand der verzoening aanbieden. Een klein romantisch incident wordt
VIRGIN IE LOVELING.
hier geplaatst. Een broeder van Justines schoonzuster is uit Amerika gekomen en maakt het hof aan de verlaten vrouw. Maar zij weigert op zeer besliste wijze. De verzoening met Alexis volgt.
Het is niet te ontkennen, dat in dit fijn gepenseeld miniatuurbeeldje enkele zwakke toetsen zyn aangebracht. De schrijfster heeft alles met de uiterste nauwkeurigheid bestudeerd, maar toch in eene hoofdzaak zich neutraal verklaard. Zij geeft geene rekenschap, waarom de jonge man zoo spoedig de vrouw, die hij liefheeft, aan de heerschzucht zyner zusters overlaat. Zij vergeet, dat Alexis en Justine elkaar met hart en ziel aanhangen en laat er in hare geheele novelle niets van merken, dan aan het slot. Zij plaatst den man en echtgenoot geheel in de schaduw en spreekt alleen van den broeder en den zoon. Hare opvatting van de huwelijksliefde verschilt van Vondels:
„Twee zielen, gloende aaneengekleeft „of vastgeschakeld en verbonden „In lief en leed.quot;
De twee novelle; „Myne goede faamquot; is eene landelijke idylle. Reeds terstond boeit de eigenaardige styl door de schilderachtige woordenkeus. Het verhaal begint aldus:
„Wy waren met vijf dochters, mijn vader was koehouder en vlaskoopman. Ons hofstedeken lag aan de kalseide, juist in de ommedraai te Klenke, een kwartiertjen eer men het dorp in is. Het was er een schoon wonen, ons gebruik was tamelijk groot, er gingen drie koebeesten uit, daarenboven hadden wij een rund en twee kalvers, die wij vetten. Mijne zusters en ik werkten in den zomer bij den boer voor het labeur; \'s winters speldenwerkten wij. Wij waren met te veel vrouwvolk, daarom gingen Zeunia en Lie, de oudsten, gewoonlijk dienen vóór Allerheiligen, als het landwerk gedaan was; maar zoodra de korenwiedtljd aankwam, waren zy weer te huis om by den hoop te zijn op het land. Zy hadden den naam, dat zij geene dienst konden dragen en dat was ook waar; onder ons, zij hielden te veel van het plezier en het uitloopen. Ik was de voorlaatste.quot;
45
46 VIEGINIE LOVELING.
In dezen toon is het geheele doodeenvoudige verhaal. Het Oost-Vlaamsche dorpsleven met al zijne bekrompenheden en bijgeloovigheden wordt naar het leven geschilderd. Virgin ie Leveling is er te wel mee vertrouwd, om met haar diepen, doordringenden blik er niet al de schuilhoeken van te hebben doorvorscht. Zij toont zich hier opnieuw de voorspraak der kleinen en geringen, der armen van geest, rijk in kinderlijke liefde, in schatten van onbegrepen teederheid. In dit opzicht is de Vlaamsche schrijfster het best te vergelijken met haar Franschen kunstbroeder Prangois Coppée, die zich als de advocaat van de zwakken en de verdrukten een beroemden naam heeft verworven. Het best blijkt dat uit de laatste novelle „Kromme diesquot;. Evenals de bultenaar Philip po uit „le Luthier de Crémone,quot; is hier de schoenmaker „Kromme Ciesquot; de held van het drama. Uit zijn dorp verdreven door de kwaadwilligheid zijner kameraden, werkt hü te Brussel op een zolderkamertje in Sint Joost ten Noode. Hy kweekt bloemen en houdt er dieren op na, die hem gezellig omringen. Kanarievogeltjes, een kraai, een hondje zijn zijne vrienden. Van tijd tot tijd gaat hij Zondags naar een herberg en drinkt „eenen druppel brandewijnquot;. Met wanhopigen moed strydt hij tegen zyne neiging voor sterken drank.
In dezen toestand van zaken valt hem eene vreemde ontmoeting te beurt gedurende den zomer van 1866. Te Brussel is een feest voor scherpschutters. Vele Engelschen zouden komen. Kromme Cies is ook by het Noorder-station. De trein komt laat. De schoenmaker troost zich met „eenen druppelquot;. Toen de schutters eindelijk verschenen, gevoelde Cies zich niet wel en rustte hij uit op eene bank van den boulevard. Als hij ontwaakt, vindt hij een klein kind, dat nauwelijks alleen loopen kan, aan zijne knieën staan. De schoenlapper trekt zich het lot van het kind aan. Hij houdt „Alfonsquot; — zoo is zyn linnengoed gemerkt — bij zich. Door de zorgen van dit kind wordt hij van zijne neiging tot dronkenschap genezen.
Eene klant van Cies, Madam Haze, komt met hare dienstmeid, Filomene, schoenen brengen. De beide vrouwen zien het knaapje. Pil om ene is zeer ontsteld en komt nu van tijd tot tijd terug. Er ontstaat vriendschap tusschen Cies en
VIRGINIE LO VELING.
F il om ene. Zij gaan des Zondags met Alfons wandelen. Weldra komt het geheim uit — het kleine kind, F ons ken, is door Filomene te vondeling gelegd. De arme kreupele wil nu de moeder huwen. Maar er komt een welgemaakt jonkman in \'t spel. De diep teleurgestelde Cies dreigt tot wanhoop te vervallen, nu Filomene haar kind opeischt en met een ander wil trouwen. Hij grijpt een oud pistool, als men hem zijn pleegkind wil ontnemen, en kwetst de moeder. Cies komt voor den rechter en zegt steeds: „Doe met mij wat ge wilt, het is mij nu al om het even!quot; Maar de herstelde Filomene verklaart, dat zij zelve het pistool had gegrepen en dat Cies haar bruidegom is. Hierna eindigt alles — „pour le mieux dans le meilleur des mondesquot;.
Misschien is dit slot wat alledaagsch, maar niemand zal kunnen ontkennen, dat het binnenhuisje van den schoenlappersgezel met groot talent is geteekend.
Z\\jn leven en schriften. — Het proces over „Madame Bo varyquot;.
Zaterdag, 8 Mei 1880, overleed aan beroerte Gust ave Flaubert, de beroemde Fransche romancier. Hij vertoefde op zijn buitengoed le Croisset in de omstreken vanRouaan, als naar gewoonte. Den geheel en voormiddag had hij schijnbaar volkomen gezond doorgebracht, eene lichte onpasselijkheid noopte hem zich ter rust te begeven. Toen de in allerijl ontboden arts binnentrad, was hij reeds een lijk.
G-ustave Flaubert is een zeer buitengewoon en zeer oorspronkelijk schrijver geweest. Bijna zestig jaren oud, heeft hij evenwel eene zeer beknopte letterkundige bagage achter-
48 GÜSTAVE FLAUBERT.
gelaten. Hij was een dier auteurs, die naar Horatius voorschrift eerst na jarenlange voorbereiding tot de bekendmaking van een kunstwerk besluiten. Van hem zijn verschenen:
1. Madame Bovary, moeurs de province. 1857.
2. Salammbö................... 1862.
3. L\'Education Sentimentale —Histoire d\'un jeune homme............. 1869.
4. La Tentation de Saint-Antoine . . . 1874.
5. LeCandidat, comédie en quatre actes 1874.
6. Trois Contes................. 1877.
Hij laat een bijna voltooid handschrift na van een omvangrijken roman, die tot titel zal voeren;
7. Bouvard et Pécuchet.
Reeds uit de verschillende jaartallen zou het kunnen blijken, hoe geduldig en ingespannen deze schrijver aan zijne kunstwerken arbeidde. Het is overigens bekend, dat hg dagelijks aan zyne handschriften bezig was; dat hy elke bladzijde van zijne romans ettelijke malen overschreef; dat hij nimmer voldaan was over zyn werk; dat hij telkens nieuwe onderzoekingen instelde, waar hij den minsten twijfel voedde; dat \'hy zijne verschillende manuscripten in fraaie doozen bewaarde, om ze telkens opnieuw te lezen en te verbeteren.
Zooveel ijver en degelijkheid wordt zeldzaam bij den gewonen romanschrijver aangetroffen. Flaubert beschouwde zyne taak als eene buitengewoon gewichtige. Zijne romans waren wetenschappelijke onderzoekingen, die jaren lang duurden. Eene reis naar Algiers bracht hem op het denkbeeld een roman over Oud-Carthago te schrijven. Daarom vertoefde hij lang ter noordkust van Afrika, om op de plaats zelve met alle mogelijke wetenschappelijke hulpbronnen gewapend de ruïnen van Hannibals vaderstad te bestudeeren. In Januari 1863 schreef hij in „l\'Opinion Nationalequot; een brief aan Guillaume Froehner, die zijn werk gegispt had, en verklaart hij: „J\'ai lu Falbe et Dureau de la Malle \') sur les ruïnes mêmes de Carthage.quot;
De buitengewone studie, door Flaubert aan zijne romans
\') ïwee Fransche geleerde auteurs over Carthago.
GÜSTAVE FLAUBERT. 49
gewyd., vestigt zich hoofdzakelijk op het lokale en individueele leven. In „Madame Bovaryquot; wordt het leven ten platten lande in Normandië, in „Salammboquot; Carthago, in „Education Sentimentalequot; het Parysvan 1840 —1848geschilderd. Later gaf hy in zijne „Trois Contesquot; eene beschrijving van een klein landstadje in Normandië, Pont-l\'Evêque, van een middeleeuwsch kasteel, en van de kusten der Doode Zee in Palestina. Telkens zyn de kleuren van landschap en figuren verrassend waar en maakt het geheel een onvergetelijken indruk.
Deze buitengewone eigenschap van zyn talent hing samen met zijn eigenaardigen aanleg en maatschappelijken rang. Gustave Flaubert\'s vader was een zeer bekend chirurg, „chirurgien en chef\' van het groote hospitaal te Rouaan, prosector tevens van den beroemden professor Dupuytren. Gustave erfde van zyn vader een groot vermogen entevens een buitengewonen lust voor anatomische sectie, toegepast op letterkundige kunst. Door zy\'n vermogen was hy in staat naar hartelust te studeeren in letteren en rechten. Later reisde hij van 1848 tot 1852 door Italië, Egypte, Palestina en Klein-Azië. Van 1852 tot 1856 hield hy zich bezig met zijn eersten roman, „Madame Bovary,quot; eene psychologische studie met de omstreken van Rouaan tot achtergrond. Na 1857 reisde hy in Algiers, Tunis en Marocco, een tocht, die hem het plan voor een Carthaagschen roman aan de hand deed. Van 1863 tot 1869 bewerkte hy de herinneringen uit zijno jeugd en studententijd te Parjjs doorgebracht in zijn derden roman „Education Sentimentalequot;. In het tyd-perk 1870 tot 1874 bearbeidde hy eene schets, in vroeger jaren ontworpen, en maakte er zijne „Tentation de Saint-Antoinequot; van — geen roman, maar eene fraai gestyleerde fantasie, die een Nederlandsch lezer niet onvruchtbaar zou kunnen vergelyken met Bakhuizen van den Brinks „Verzoeking van den heiligen Antoniusquot; (Tessel-schade, 1836), het romantisch meesterstuk van onzen onvergetelijken meester. Drie jaren gebruikte hij, om drie korte novellen te voltooien (1874—1877), maar ook in dat kleine kader blonken Flaubert\'s ongemeene uitvoerigheid en nauw-
50
keurigheid uit. Sedert de laatste drie jaren had hij aan zijn nog onuitgegeven roman „Bouvard et Pécuchetquot; gewerkt, maar de schielijke dood, als een dief in den nacht hem verrassend, nam hein de pen uit de handen, voordat hij het laatste hoofdstuk had geschreven.
Gustave Flaubert had zich van den aanvang af openlijk voor de richting van Balzac in den modernen roman verklaard. Hij was een psychologisch realist. De naturalisten huldigen in hem een hooggewaardeerd chef sinds 1866. Tegenover de welbekende aanvoerders der romantische school, stelden de aanhangers van Balzac sinds 1857 Flaubert. Men noemde van 1857 tot 1866 de kunstwijsbegeerte der nieuwe school; het Realisme. Na de verschijning van Zola\'s „Thé-rèse Raquinquot; in 1866 verwisselde men dien term voor Naturalisme, maar beide woorden duiden ditmaal geheel dezelfde zaak aan. Die zaak is overvloedig bekend. Een drang naar waarheid in letterkundige scheppingen, vooral in romans, tegenover den uitsluitend phantastischen aanleg der oudere school deed zich gelden. Men verlangde, dat de romanschrijver zich zou toeleggen op studie van den mensch en der natuur; dat hü geene tafereelen zou ontwerpen van de menschen-wereld, zonder vooraf zyne levende modellen te hebben gekozen. Men verlangde, dat hij alles zou beschrijven, het belangrijke en het onbeduidende; dat hij forsche, sprekende kleuren zou weten te bezigen, en dat hij aan de beschrijving vooral van landschap en figuur zyne hoogste aandacht zou wijden.
Dat deze nieuwe wijsbegeerte der kunst in Frankrijk niet oogenblikkelijk op algemeenen bijval kon rekenen, ondervond Gustave Flaubert na de uitgave zyner „Madame Bovaryquot;. Hij werd gedaagd voor het tribunal-correctionnel van Parijs, beschuldigd van „offenses a la morale publique et a la réligion.quot; Zijn vervolger was de beruchte vriend van Napoleon III, „l\'avocat impérialquot; Mr. Ernest Pi nar d. Maar de verdediger, Maitre Sénard wist zoo nadrukkelijk de gezochte beschuldiging te weerleggen, dat het tribunaal hem op de glansrijkste wijze vrijsprak. In elk geval mag het zeer zonderling geacht worden, dat het openbaar
GUSTAVE FLAUBEET.
ministerie gedurende het tweede keizerrijk zoo fijngevoelig was voor de onzedelijke strekking van een roman, terwijl men niet geaarzeld had de moordenaars der onschuldige slachtoffers van den 3aen en 4den December 1851 op de meest hoffelijke wijze te bewierooken.
„Madame B ovaryquot; blijft stellig een der beste proeven van Flauberts talent. Het onderwerp is eigenaardig Fransch — de getrouwde vrouw tot velerlei echtbreuk vervallend. Het is dikwijls aangetoond, dat de Fransche gebruiken omtrent verloving en huwelijk, dat de onoplosbaarheid van den echt, door de kerk ingezegend, er toe zou hebben kunnen bijdragen om echtbreuk tot eene chronische kwaal der Fransche maat-schappij te maken. George Sand heeft in tallooze werken voor de herstelling der burgerlijke echtscheiding geijverd; weldra zal dit onderwerp aan de orde der dagelijksche politiek worden gesteld, als de wenschen van den volksvertegenwoordiger Naquet in vervulling gaan.
Moge ook deze stof juist niet aantrekkelijk zijn voorbuiten-landsche, voor Nederlandsche lezers, zelfs dezen zullen moeten erkennen, dat het zielkundige portret in de hoofdpersoon van „Madame B ovaryquot; geleverd met de fijnste analyse en nauwkeurigste studie is volbracht; dat de plaatsbeschrijving van het Normandische leven ten platten lande met meesterhand is afgewerkt. Dat Flaubert in de kunst een aarts-realist was, dat hij daarby groote sympathieën voor het wijsgeerig pessimisme aan den dag legde, zal niemand ontkennen; dat hij door deze eigenaardige gesteldheid zijner denkbeelden velen tegen zich heeft ingenomen is evenmin aan bedenking onderhevig; maar desniettemin zullen alleen de voorstanders eener belachelijke letterkundige en wijsgeerige onverdraagzaamheid zich vermeten het eerbiedwaardig talent van den gewetens-nauwen auteur in twijfel te trekken.
Een schrijver als Gustave Flaubert is bovenal instaat, om het kruideniersvooroordeel omtrent de algemeene oppervlakkigheid van den Franschen romanschrijver afbreuk te doen. Het moge waar zijn, dat in „S al am mboquot; enkele archeologische onjuistheden met groote wetenschap kunnen worden opgespoord, maar daarom is het niet geoorloofd met de schie-
51
GUSTAVE FLAUBERT.
lijke pedanterie eener pas aangeleerde wetenschap over enkele onzekere bijzonderheden den staf te breken. Men leze zyne historische novelle „Hérodiasquot; van 1877 en waardeere den schat van studie in deze weinige bladzijden bijeengebracht.
Flauberts realisme heeft tegenkanting gevonden. Het is moeielijk te ontkennen, dat van wetenschappelijk aesthetisch standpunt grieven kunnen worden aangevoerd tegen zijne methode. Als realist wil hij alles, het onbeteekenende, het alledaagsche, het leelijke tot onderwerp zijner schildering kiezen. Zijne kunst — \'t is met de naturalisten evenzoo — spreekt te veel tot de zintuigen en te weinig tot de rede. De verheffende kracht der kunst, het optrekkend vermogen, waardoor aan den geest vleugels gegeven worden, om de ideale schoonheid een oogenblik in \'t aangezicht te zien, ontbreekt bij Flaubert. Daarentegen is bij geen der groote romanschrijvers dezer eeuw een zoo krachtig talent, om de werkelijkheid met woorden na te bootsen en personen te scheppen, wier bestaan met zoo sprekende trekken voor de verbeelding leven.
De Gentsche Studenten. — Julius Vuylsteke. — Anton Bergman. — Paul Frédéricq.
Jaarboekjes voor muzenzonen boezemen in den regel alleen belangstelling in aan muzenzonen.
Zeer dikwijls zoude eene ruimere waardeering niet ongepast schijnen, vooral met het oog op de grootere of kleinere bijdragen, geleverd door jongelieden, wier letterkundig talent iets voor de toekomst belooft. De meesten onzer levende schrijvers begonnen hunne loopbaan in den Studenten-Almanak.
52
EEN STUDENTEN-ALMANAK.
Eene nalezing der almanakken, aan Nederlandsche universiteiten verschenen, zou dus eene niet onbelangrijke bijdrage leveren tot de geschiedenis onzer letteren na 1830, inzonderheid bij de nasporing van de ontluikende knoppen, die later vrucht droegen.
De belangstelling wordt nog verhoogd, wanneer de studenten in hun jaarboekje aan vorige geslachten, aan leiders hunner vroegere bewegingen en worstelingen, hulde brengen. In dit opzicht onderscheidt zich de:
„G-entsche Studenten-Almanak, uitgegeven door het taalminnend Studenten-Genootschap: \'t Zal wel gaan. (22ste jaargang) 1880 \').
Deze almanak levert een fraaisteendrukportretvan Mr. Anton Bergman, met een flink geschreven levensverhaal door Paul Frédéricq.
De veel betreurde en vroeg verscheiden Tony was eenmaal lid van het Gentsche Studentenkorps. De jongelui van 1880 hebben hem niet vergeten en gepoogd door de bekwame pen des Luikschen professors Frédéricq2) de geschiedenis te vernemen van Anton Bergmans jongelingsstreven en studentenidealen.
Op zichzelf zou reeds dit feit volstaan om de „G-entsche Studenten-Almanakquot; van 1880 eene bijzondere aantrekkelijkheid te verleenen. Maar er is meer.
De „Gentsche Studenten-Almanakquot; heeft eene historische beteekenis, welke de Noord-Nederlandsche studentenalmanakken hem mogen benijden.
De Gentenaar dagteekent van 1854.
De almanak van dat jaar heeft eene bijzondere geschiedenis.
53
Onder de leerlingen der hoogste klassen van het Gentsch athenaeum — (ons gymnasium) — vormde zich den 21sten Februari 1852 een genootschap ter beoefening der Nederlandsche taal en letteren. Men vergaarde in een kamertje der derde verdieping van eene taveerne op de Vogelmarkt te Gent, en wel des Zondags, van twee uur af, als de jongelui vrij mochten uitgaan. Ze dronken er bier, een hield er voor-
\') Gent. Boekhandel J. Vuylsteke. :) Nu te Gent (1887).
54 EEN STUDENTEN-ALMANAK.
drachten over Vlaanderens glorie in de middeleeuwen, Breidel en De Coninck, Artevelde, de Clauwaerts en dergelijke stoffen. In dat onaanzienlijk zolderkamertje, met een dakvenster op een zijstraatje uitziende, stortte Anton Bergman al de schatten van zijne frissche luim uit.
Het waren de leden van dit clubje, die, twee jaren later student geworden aan de Gentsche academie, het denkbeeld opvatten uit te geven „Een jaarboeksken voor 1854quot;. Dit geschiedde uit naam der club: „Het taalminnend Genootschapquot; met het hupschedevies „\'t Zal wel gaanquot;. Julius Vuylsteke schreef er z\\jne verzen in, Anton Bergman zyn eerste proza.
Maar niet alleen uit letterkundig oogpunt was deze almanak belangwekkend, hij was meer dan letterkundig, hij was een wapen. Een wapen in de hand der Nederlandsch-gezinde jongelieden, om voor hunne nationaliteit te strijden. Omstreeks 1850 begon de Nederlandsche bevolking van België, vooral de jongelingschap, zich te verzetten tegen de heerschappij van de Fransche taal in alle uitingen van leven, geest, maatschappij en politiek. Dit alles was evenwel de noodzakelijke vrucht der omwenteling van 1830; die met hulp van Fransche wapenen was gelukt. Fransche denkbeelden, door de Walen hartstochtelijk voorgestaan, maakten de regeering van koning Willem I hatelijk. Geen wonder, dat de triomfee-rende Fransche geest, gesteund door de van Louis Fhi-lippe geleende bajonetten, niet veel plaats overliet aan het Nederlandsch element in België. De academische jongelingschap te Gent, de Nederlandsche letterkundige congressen, vormden sinds 1850 het volkomen verklaarbare feit der „Vlaamsche Bewegingquot;. De jongelui der taalclub met de spreuk: „\'t Zal wel gaan!quot; hadden zich vol geestdrift bij de beweging aangesloten. Reeds in 1854 verkregen de Gentsche studenten eene belangrijke uitkomst. Zij zonden een verzoekschrift — Tony was er by — aan den Rector-Magnificus en een tweede aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, om een leerstoel voor de Nederlandsche taal en letteren te Gent. Het verzoek schijnt wel in alle opzichten billijk gevonden te zijn — de Belgische regeering stelde weinige maanden
55
later twee hoogleeraren tegelijk aan, twee uitnemend begaafde mannen, Serrure en Heremans.
De geestdrift der jongelieden, die ondervonden, dat hun devies: „\'t Zal wel gaan!quot; niet te veel had voorspeld — de geestdrift bü de openingsredevoeringen van de beide nieuwe hoogleeraren was onbeschrijfelijk. De studenten hadden hier den stoot gegeven tot het doen aanstellen van twee nieuwe hoogleeraren — deze gebeurtenis schjjnt in het noorden van ons vaderland bijna ongeloofelijk. De studenten kozen party voor het verwaarloosde nationale levenselement — taal en letteren. Zy yverden met alle kracht voor het „Neerlandis-mus,quot; geluk een hunner, Emiel Moyson, het eenmaal noemde. Anton Bergman streed volijverig mede. In 1855 kwam het jaarboekje voor het eerst met den naam van „Studenten-Almanakquot; uit. „\'t Zal wel gaanquot; hield nu geregeld groote vergaderingen op Zaterdag en behandelde niet alleen Nederlandsche taal en letteren, maar ook Belgische liberale politiek. Prof. Frédéricq verzekert, dat Tony in zyn roman „Ernest Staasquot; de portretten der leden dezer vergaderingen naar de natuur heeft geteekend.
Tot nog toe was de strijd van de vrienden uit den kring van „\'t Zal wel gaan!quot; uitsluitend patriotisch geweest: weldra kwam een nieuw belang zich ter verdediging voordoen aan de strijdhaftige jongelingschap. Vier clericale studenten beschuldigden den hoogleeraar Brasseur, dat hij in een zijner lessen de godheid van Christus geloochend had. Geheel België daverde van het gerucht, dat om deze zaak werd gemaakt. De academische Senaat, de drukpers, de beide kamers, de bisschoppen van Gent en Brugge hadden er handen vol werks mee. „\'t Zal wel gaan,quot; met Vuylsteke en Bergman aan \'t hoofd, benoemde eene commissie, om maatregelen tegen de clericale verklikkers te nemen en de vrijheid van het hooger onderwijs te handhaven.
De taalstrijd werd evenmin in den steek gelaten. Naast den almanak van 1856 zag eene verzameling van proza en poëzie het licht onder den titel „Noord en Zuid,quot; waarin eenige bijdragen van Noord-Nederlandsche studenten voorkwamen. De tegenwoordige (1880) minister Eolin-Jacquemyns
EEN STUDENTEN-ALMANAK.
schreef er in met Vuylsteke, Versnaeyen en Bergman. In den strijd van liberalen en clericalen over de Gentsche studenten-almanakken mengde zich thans de hoogste autoriteit der kerk, de Paus. De commissie voor den index brandmerkte den bundel „Noord en Zuid,quot; 9 Mei 1857. Paul Frédéricq deelt den Latynschen titel mede, zooals die door de index-commissie is vertolkt: „Septentrio et Meridies, miscellanea academica, in lucem edita Gandavi ab alumnorum Societate philologica vulgo dicta „\'t sal wel gamquot; (sic) ex consensu alumnorum variarum, Hollandiae et Belgii uni-versitatum.quot;
Na deze veroordeeling kwam er ongunstige tegenwerking. Sommige ouders zonden hunne zonen naar Leuven, anderen naar Brussel. Men poogde de strijdlustige jongelingschap van Gent zedelyk te dooden. Anton Bergman was in 1857 student te Brussel, maar bleef ijverig meewerken aan de bevordering van het „Neerlandismusquot; onder zijne Zuid-Neder-landsche landgenooten. Te Gent werd de studentenbeweging vooreerst gestuit. De Studenten-Almanakken hadden in de jaren 1854, 1855, 1856 en 1857 eene geheel eigenaardige belangstelling gewonnen, men beschouwde ze als de luidruchtigste uiting der nieuwe „Vlaamsche bewegingquot;. In de kamer der afgevaardigden werden zjj vermeld door den minister Piercot.
Deze overmaat van belangstelling werkte zeer nadeelig. Eene machtige partij vormde zich tegen alle uitgaven der studenten. In 1858 was er te Gent geen uitgever meer voor „Noord en Zuid,quot; noch voor den Studenten-Almanak. De Brusselsche studenten deden nog één bundel, het tweede deel van „Noord en Zuid,quot; in 1858 verschijnen, maar de studenten-vereeniging „\'t Zal wel gaanquot; werd in 1859 ontbonden, de strijdende jongelingschap gaf den moed verloren.
Deze ontmoediging was niet van langen duur. ,/t Zal wel gaanquot; stond als een phenix uit zyn asch op, als Tony schreef in 1860, en in 1861 verscheen de Gentsche „Studenten-Almanakquot; opnieuw en hield er mee vol tot 1880.
Het eigenaardig kenmerk nu van dezen laatsten is niet
56
EEN STUDENTEN-ALMANAK. 57
alleen het fraaie portret van Anton Bergman, de uitmuntende studie over zjjn leven en studententijd door Prof. Frédéricq, maar tevens een onuitgegeven fragment van Tony onder den titel van „Leven en lotgevallen van Jan Stoppelaarsquot;, \'t Zijn maar vier bladzijden, doch zelfs in dezen is een tafereeltje vol humor. Mijne lezers zullen het my dank weten, zoo ik als eene hulde aan den jonggestorven genialen Tony er hier ten slotte het bewijs van geef.
Het tooneel is te Aberdonck in Vlaanderen.
Personen: pastoor De Doover en zijne meid Trees.
„Alle dagen te vier uur stond de meid daar:
„ „Mijnheer pastoor, hier is uw hoed en uw stok. (Of uw „pirrepluquot; volgens het weder).
„Ik dank u. Trees.
„Denk er nu eens op, mijnheer....
„Waarop Trees?
„Wel, ge weet wel, mijnheer, daar ik u gisteren van gesproken heb!.... Dat de zoon van pachter J a n in de herberg gezegd heeft, dat ik het dorp in rep en roep zette. Gij hadt immers beloofd bij zijnen vader er uw beklag te zullen over doen.
„Ik zal er op peinzen, als ik hem tegenkom.
„Ja, mijnheer, maar dat ik in uw plaats was, ik zou toch ook eens een woordeken tegen den notaris zeggen. Zijn klerk doet niets dan tegen het geloof spreken; hy\' zegt altijd, dat de liberalen gelijk hebben.
„Waar heeft hij dat gezegd. Trees?
„Wel in het huis van den notaris zelf. \'t Is mij bij den ossenboer verteld.
„Trees, geef mij myn getyboek.
„Ja, mijnheer.quot;
En Trees zoekt rond, om tyd te winnen.
„Maar, mijnheer, moeder Stoppelaars is weeral hier geweest. Zoudt gij nu toch niets voor die menschen doen! Zy spreken altijd met zooveel lof van u; en niet later dan gisteren is Janneken nog met een heelen korf peeren gekomen en zijne moeder heeft my zelfs een chamoizen rok medegebracht van Turnhout. Het zijn zoo brave menschen.... en
58 EEN STUDENTEN-ALMANAK.
toch in alle geval kan ik het huishouden zoo moedermensch alleen niet blijven doen; gij zult toch iemand moeten bijnemen. „Ja, ja Trees. G-eef mij myn boek maar.quot;
„Trees brengt het boek, mijnheer de pastoor steekt zijn stok onder zijnen arm en Trees trekt de deur open.
„Om halfzeven juist zal het eten gereed staan, mijnheer. Zorg dan, als \'t u blieft, dat gij thuis zijt, anders is het maar koude kost.quot;quot;
Dat de pen, die zoo geestig wist te toetsen, na dit begin uit de vingeren van den schrijver moest worden weggenomen door den dood.... Helaas! Zoo er eenige vergoeding voor dit onherstelbare gemis mocht gesmaakt kunnen worden in de belangstelling van hen, die achterbleven, dan zou de ge-heele G-entsche Studenten-Almanak van 1880 daarvan ruimschoots de blijken geven.
Cramers dood. — Zijn talent als spreker. — Zjjne Betuwsehe novellen.
Juni 1880.
Hoe gelukkig zag hjj er uit, hoe tintelde zjjn oog, hoe hartelijk glimlachte hij!
Het was op Zaterdag 26 Mei 1877.
Eenige vrienden in Den Haag waren op zijn beleefd verzoek bijeengekomen om hem een feestavond „ter gedachtenisviering van zijn Vijf en Twintig-jarig Huwelijkquot; te helpen vieren.
De zilveren bruidegom naast de zilveren bruid, omringd door zyne bevallige dochters, omstuwd door eene breede schaar van gelukwenschenden! Wat sprak er eene voldoening uit
JACOBUS JAN CEEMEE. 59
zijne vriendelijke, blauwe oogen; hoe opgeruimd klonk zijne buigzame stem!
Men was vereenigd in de bekende zaal van Diligentia, die zoo menigwerf getuige was geweest van zijne triumfen.
Op dien Zaterdagavond mocht hy „rusten op zijne lauwerenquot; in den aangenaamsten zin van het woord. Misschien maakte hij in stilte eene vergelijking tusschen de feestelijk versierde zaal van Diligentia en de met menschen volge-drongen zaal, als hij optrad.
Inderdaad, Diligentia\'s groote zaal bleek veel te klein, zoo dikwerf C rem er optrad. Het bekende genootschap „Oefening kweekt kennisquot; mocht herhaaldelijk het voorrecht smaken C rem er onder hare „sprekersquot; te tellen. Ongeloofeiyk was de toevloed der hoorders. ZU zaten en stonden, waar maar een voetbreed plaats was overgebleven; zij vulden de zaal achter zijn rug; zij schaarden zich aan zijne voeten; zij belemmerden hem in zijne bewegingen. En rustig, kalm, zich zeiven volkomen meester, begon de groote kunstenaar met zijne heldere stem en sobere gebaren een Betuwsch tafereel te schilderen, te tooveren liever, want plotseling vingen zyne personen aan te leven, te spreken met eigen stem en eigen natuur, alsof zij ten tooneele verschenen.
De schildering door stem en geste, door gelaatsuitdrukking en houding bereikte bij Cremer eene volmaaktheid, zooals zeldzaam bij eenig Nederlandsch redenaar of tooneelkunstenaar voorkwam. Hy had de gave, om met een enkelen trek een persoon te teekenen, zoodat de gestalte zichtbaar werd voor de fantasie van alle hoorders. Zijne schoone welluidende stem drukte alles uit, wat hij wenschte te doen hooren. Kinderen, vrouwen, grijsaards traden op met eigenaardig stemgeluid; hij bootste den slag der roeispanen in de rivier na, hy deed vuurpijlen opgaan; hy deed de zweep knallen over dravende paarden — en dit alles zonder inspanning schijnbaar, met eene kleine aanduiding, juist ter snede gekozen.
Men heeft veel lof overgehad voor een Duitsch acteur, die heele tragediën van Shakspere „aus dem Gedachtnissquot; wist voor te dragen, maar inderdaad bleef deze in schakeering van stem en toon ver bij Cremer achter. Weemoedige ge-
60
dachte, dat zulke heerlijke gaven door een vroeg verscheiden met den uitstekenden man ten grave dalen....
Uitstekend was Cremer inderdaad, als kunstenaar, als mensch, als vriend. Mocht men eenmaal met recht van onzen populairen Van Zeggelen beweren; „H\\j had geen vijanden !quot; — van Cremer zou met hetzelfde recht kunnen gezegd worden; „Hij had enkel vrienden!quot; Cremer was door heel Nederland geliefd en gezien. Men ving aan met den kunstenaar te waardeeren, weldra had men hem lief om zijn edelmoedig, rond karakter. Het was een genot Cremer te ontmoeten en een lang gesprek met hem aan te knoopen, niet minder een brief of een briefkaart van hem te ontvangen. De goedheid van z^n hart straalde in eiken regel door, het was of zijne vriendelijke oogen ons bij ieder woord toeknikten ....
Slechts één voorbeeld.
Het genootschap „Oefening kweekt kennisquot; stelde er den hoogsten prijs op eene voordracht van Cremer te kunnen aankondigen. In September 1876 viel mij de eer te beurt hem daartoe schriftelijk uit te noodigen. Hij bevond zich toen te Scheveningen. Wat hij my antwoordde moge getuigenis geven van zijn goed hart.
„Toen ik de eerste regels van uw vriendelijk briefje gelezen „had, toen dacht ik: bravo! ik kan hem een genoegen doen — „Het Bestuur van Oefening wilde u zoo gaarne.... las ik „verder en \'t gezicht (of wilt ge \'t gelaat) betrok. In Oefe-„ning lezen. Dat is dus, \'t geen gij van mü verlangt.
„Ellendiger kon \'t niet treffen. Gij weet niet hoe ik \'t „vorige jaar heb moeten vechten, om getrouw te blijven aan „mijn vast genomen besluit, om in dat spreekseizoen geen „enkele maal (zoo min buiten als binnen Den Haag) voor \'t „publiek op te treden. Ja, \'t kostte mij toen reeds heel wat „moeite al die zeer uitlokkende aanzoeken van de hand te „wjjzen. Maar ik achtte het om vele redenen beter.... En „nü!? \'t Muurvaste besluit van \'t vorige jaar is nog niet „genomen; maar toch dezelfde redenen bestaan ook nü. Eeeds „heb ik vroeger (1874) toegezegde spreekbeurten opnieuw „afgezegd, en, wie mij voorts weder uitnoodigden kregen eene
61
„vriendelijke dankzegging. Het spreken in Oefening is voor „mij bijzonder vermoeiend, en bovendien de couranten ver-„tellen \'t aan de buitenwereld, zoodat de vrienden elders mij „van onoprechtheid gaan beschuldigen of de aanzoeken ter-„ stond hernieuwen, \'t Is waarlijk een belabberde geschiedenis! „Was ik nog als vroeger, ik weigerde zeker niet....
„Of ik dan finaal weiger. Neen! Indien ik dezen winter „ergens le es, dan zal ik ook in Oefening optreden. Ik hoop, „dat gü met dit antwoord voorloopig genoegen zult nemen. „Méér te zeggen kan ik waarachtig niet.quot;
Uit ieder woord spreekt hartelijkheid en vriendelijke stemming des gemoeds! Zyne zwakke gezondheid was de natuurlijke oorzaak van zijne aarzeling om nieuwe triumfen te behalen als spreker in de laatste jaren zijns levens. Met mannenmoed streed hy tegen het lichamelijk lijden, dat hem zoo vroeg een graf dolf. Weemoedig klinkt de verklaring uit zijn mond: „Was ik nog als vroeger 1quot; Hij klaagde nooit, was altijd opgeruimd — zonder erg ontsnapt hem het woord: „Was ik nog als vroeger!quot;
Nederland heeft door den dood van C rem er een onherstelbaar verlies geleden. Menschen van zyne gaven, met zijn karakter zijn hoogst zeldzaam. Onze letterkundige geschiedenis zal eene zeer bijzondere, eigenaardige plaats aan Cremer hebben toe te kennen. Hij moge voor het tooneel, voor den roman, voor de poëzie hoogst waardeerbare kunstwerken hebben geleverd, zijne kracht was de Overbetuwsche novelle, — dit erkent ieder.
Een nomenclatuur zijner werken te geven, zijn gelukkig kunstenaarsleven te beschrijven, is overbodig. In de „Bloemlezingquot; van J. P. De Keys er zyn beide op voldoende wijze vermeld. Misschien zou hier nog een enkel woord over de letterkundige waarde zijner Betuwsche verhalen mogen worden bijgevoegd.
Cremer heeft voor de Nederlandsche letteren gedaan, wat in het buitenland door mannen als Jeremias Gotthelf, Fritz Reuter, Charles Sealsfield, Erckmann-Cha-trian, Sacher-Masoch, Moritz Jokaï en Fernan Cabalero is tot stand gebracht. Van 1830 — 1850 hield de
62 JACOBUS JAN CREMEH.
romantische beweging alle letterkundige gemoederen bezig. De overdrijving der richting in het onnatuurlijke pathos der historische helden met wit satijnen mantels, abrikooskleurige wambuizen en breede hoeden met struisveeren deed een terugwerking ontstaan, die naar schildering der frissche natuur zonder kostuum en decoratiën vroeg.
Eene der bekwaamste artisten uit de romantische school, George Sand, gevoelde dit en leverde eene reeks idyllen uit Berri, waar haar kasteel Nohant gelegen was. Die idyllen, hoe fijn gepenseeld ook, als b. v. in „Franijois le Champi,quot; bewogen zich nog te veel naar de oude „fi cel lesquot; der romantische school. Men kon er den geur der bloeiende linden, van het verschgemaaide gras niet in bespeuren. Vandaar dat Bert hold Auerbach aller harten won, toen hij plotseling zyne lezers midden in het Schwarzwald verplaatste en het leven en lyden der weinig bekende landlieden plotseling voor het naar nieuws hunkerende publiek werd geopenbaard.
Een oord der beschaafde wereld, weinig bekend, plotseling voor honderdduizenden van lezers te doen leven met al zijne eigenaardigheden, met het dialect incluis, werd na 1850 een levensteeken der Europeesche litteratuur. Jeremias Gotthelf (Albert Bitzius) deed voor Zwitserland wat Auerbach voor zijne boeren gedaan had, en een Neder-landsch predikant, Van Schaik, probeerde tevergeefs Gott-helfs „Uli der knechtquot; als den Drentschen Geert te doen optreden. Cremers „Wiege-miequot; droeg in 1853 daarentegen ieders goedkeuring weg. Terwijl Reuter aanving in de Voor-Pommersche „Mundartquot; zijne Olie karn ellen te schiften, gaf C rem er het bewijs, dat onze vaderlandsche letteren niet tevergeefs naar eene schildering van Overbetuwsche volkszeden in Overbetuwsch dialect behoefden te wachten. Cremer had zijne jonge jaren in de Betuwe doorgebracht, de herinneringen zijner jeugd bewezen hem onschatbare diensten.
De boeren van alle landstreken kwamen meer en meer in de mode. Daarbij voegde zich de beschrijving van uitheemsche zeden en landschappen, als Sealsfield van Texas, Gustave
JACOBUS JAN CEEMEE.
Aimard van Mexico, later Mark Twain van Californië begonnen te geven. Moritz Jokaï bleef in de Boheemsche bergen, Sacher Masoch in de Karpathen — allen streefden er naar een onbekend plekje van den aardbodem voor nieuwsgierige lezers te onthullen.
Alleen aan C r e m e r is het ten onzent gelukt iets dergelijks voor zijne goede vrienden de Betuwers te doen. Juist het dialect vormde hier een der „great attractionsquot; van zijne scheppingen, te meer nu hij door zijne vlekkelooze voordracht er geur en kleur aan wist bij te zetten. In zjjn roman „Anna Roozequot; is de episode van Hanneke Schaffels, de boerendeern uit de Veluwe, het aantrekkelijkst. Zijne deftige Hollandsche heeren en dames, zijne heldin Anna Rooze, moesten bescheiden uit den weg gaan voor dit G-el-dersche kind. Het zou bekrompen zyn niet te erkennen, dat C rem er in zijne romans bladzijden genoeg voltooide, welke hem als schrijver een beroemden naam hadden kunnen verzekeren, maar C rem er, de Betuwsche novellist, heeft het niemand euvel geduid, zoodra men zijn arbeid hooger schatte dan dien van Cremer den Nederlandschen romanschrijver.
HET NEDERLANDSCH TOONEEL IN DE RESIDENTIE.
De campagne 1879—1880. — S. of Z. — De kat van den Tower.
In Duitschland wordt nu beweerd door een letterkundige van den tienden rang, die „Jonckbloets Geschiedenisquot; vluchtig inzag, dat ten onzent de domste onkunde heerscht
63
64
op dramatisch gebied en dat wij in \'t geheel geen drama voortbrengen of voortgebracht hebben.
Met het oog op deze verbazende grondigheid van oordeel past het ons voor den geest terug te roepen wat de Neder-landsche dramatische kunst in het vervlogen seizoen te genieten gaf. Als ooggetuige van hetgeen er in de campagne 1879 — 1880 voorviel in den schouwburg der residentie, bepaal ik mij tot dit deel der voorstellingen onder leiding der V e r-eeniging: het Nederlandsch Tooneel.
In het geheel was de schouwburg zestigmaal geopend voor de geabonneerden en werden om de veertien dagen volksvoorstellingen gegeven.
Het repertoire bestond uit:
1. Dokter Klaus. - 2. Idem. - 3. Niemand sterft van blijdschap, gevolgd door Dokter tegen wil en dank. — 4. De Algerijn. — 5. Vrouwen-Studenten.— 6. Niemand sterft van blijdschap en De Diplomaat van de oude school. — 7. Moederzegen of de parel van Savooien. — 8. Dokter Klaus. - 9. Narciss. -10. Komeo en Julia. — 11. Lena. — 12. Narciss. — 13. Romeo en Julia. — 14. Twee vriendinnen en Niemand sterft van blijdschap. — 15. De Sprookjes van de koningin van Navarre. — 16. Don César de Bazan. - 17. Dokter Klaus. - 18. De Sprookjes van de koningin van Navarre (veranderdin Vrouwen-Studenten). - 19. Romeo en Julia. - 20. Pakketten van dames en De Buren. - 21. De Sprookjes van de koningin van Navarre. — 22. Amerikaansch of niet? — 23. Deborah. — 24. De Algerijn en De twee Vriendinnen. — 25. Amerikaansch of niet? en Het Blakertje. — 26. Vrouwen-Studenten. — 27. Gijs-brecht van Aemstel en Cloris en Roosje. — 28. Dokter Klaus. - 29. De Algerijn. - 30. Romeo en Julia. — 31. De Demi-Monde. — 32. S. of Z. — 33. Kunstavond. De viool van Cremona; Niemand sterft van blijdschap en De werkstaking. — 34. De De mi-Monde. — 35. S. of Z. - 36. Tweede kunstavond, hetzelfde programma als de eerste met Een Blakertje. —
65
37. Marguerite G-authier. — 38. Hélène de la Seig-lière. — 39. Vrouwen-Studenten. — 40. Ameri-kaansch of niet? — 41. Hélène de la Seiglière. — 42. De Demi-Monde. — 43. Lena. — 44. Grin g oir e en Het Blakertje. — 45. Marguerite Gauthier. — 46. S. of Z. — 47. Dokter Klaus. — 48. De kat van den Tower. — 49. De kat van den Tower. — 50. De wereld vergaat en De Viool van Cremona. — 51. Hélène de la Seiglière en De Viool van Cremona.— 52. De Demi-Monde. — 53. Narciss. — 54. S. of Z. — 55. Tartuffe. — 56. Marguerite Gauthier. — 57. Tar-tuffe en Het Albumblad. — 58. Onschuldig veroordeeld. — 59. Dalila. — 60. Jean Baudry. — 61. Het melkmeisje van Voorburg (kermisstuk).
Eijkdom, afwisseling, verscheidenheid van voorstellingen alzoo in de ruimste mate!
En welk byzonder karakter spiegelt zich in dit schatryk repertoire af? Pessimisten en wijsneuzen zeggen natuurlijk: „gebrek aan oorspronkelijke stukkenquot;. Intusschen hadden we twee geheel nieuwe oorspronkelijke kunstwerken: eerst „S. of Z,quot; daarna „De kat van den Towerquot;.
De heer Justus Van Maurik bezit eene meer en meer zeldzaam voorkomende gave voor het dramatische en comische. Zelfs in eene onschuldige klucht als „De Burenquot; komt zijn gelukkige aanleg uit. In „S of Zquot; heerscht het dramatische over het comische. De strijd der geesten, in dit geval de strijd van bekrompen godsdienstige onverdraagzaamheid tegen edelmoedige verdraagzaamheid is het hoofdonderwerp. Dit belet niet, dat de twee eerste bedrijven door de comische schildering van buitengewone typen, van den naturaliseerenden dokter De Wild, van de coquetteerende mevrouw Zuider-berg en van den critiseerenden Oudgast uitstekend worden gevuld.
De tooneelcritiek heeft op de voortreffelijkste wijze de gebreken van dit „oorspronkelijkequot; stuk aangetoond. Klaagt men in ons lief vaderland over schaarschheid van Neder-landsche tooneelstukken, men trooste zich met den schitterenden bloei der tooneelcritiek. In geen tijden is de letter-
L 5
66 HET NEDERLANDSCH TOOUEEL IN DE RESIDENTIE.
kundige geschiedenis in dezen tak van letterkundige kunst zoo degelijk beoefend als in de beide laatste lustra dezer eeuw. De critiek heeft zich meesterlijk gehandhaafd, door aan te toonen, dat in Van Mauriks drama eigenlyk een paar bedrijven te veel waren en dat de rest niet veel om \'t lijf had. Niet algemeen evenwel klonk het oordeel zoo ongunstig. In Amsterdam werd „S of Zquot; welwillender besproken dan in de residentie — door de critiek, wel te verstaan.
Hetzelfde verschijnsel deed zich voor, toen Schimmels; „De kat van den Towerquot; werd vertoond. Ditmaal echter mocht Schimmels drama roemen in eene hoogere mate van voorzichtige erkentelijkheid, dan aan Van Mauriks „S of Zquot; was ten deel gevallen. Geen wonder! In de eerste plaats was Schimmels kunstwerk vervat in een strengen, schoenen stijl, en daarbij boeide de handeling van het begin tot het einde. Mocht men iets aan dit drama willen verwijten, het zou niets anders mogen zijn dan den overgrooten rijkdom van gebeurtenissen in een al te eng kader saamge-perst. Maar liever dan verwaten — men pleegt er zoo gul \'mee te zijn — zou ik willen prijzen de voortreffelijke ontwikkeling van het karakter der heldin Nell, uit hare diepe vernedering zich opheffende tot edelmoedige zelfverloochening en zeldzame geestkracht.
Waren deze beide de eenige nieuwe oorspronkelijke werken, van de vertolkte bleek „Dokter Klaus de meeste aantrekkingskracht te oefenen. Zesmaal voor de geabonneer-den vertoond, lokte het op de volksvoorstellingen des Zondags nog steeds volle zalen. Inderdaad, dit blijspel van L\'Arronge, vloeiend vertaald door den heer J. H. Kös-sing, behaalde een triomf in het verloopen tooneelseizoen. Niet weinig droeg hiertoe bij, dat L\'Arronge een drietal typen in \'t leven riep: Dokter Klaus, den koetsier Lu. bowski en den juwelier Griesinger — telkens door de heeren Morin, Jacq. De Boer en Spoor met uitstekend
talent gespeeld.
Voor het overige behoorde tot de nieuwste Duitsche blijspelen: „Vrouwen-Studentenquot; van Oscar Blumen-thai, vertaald door een ongenoemde, die wel een beter titel
67
had mogen kiezen. Viermaal in Den Haag vertoond, bleef het in aantrekkingskracht beneden L\'Arronges blijspel, hoewel de geestige personificatie van de studentinnen 01 ga en Fanny door de dames T. Poolman en A. Sablairolles bij iedere vertooning met geestdrift werd toegejuicht. Tot deze rubriek behoort nog het kluchtspel: „.De wereld vergaat,quot; van Frans von Schönthan, maar eenmaal vertoond ondanks de goede ontvangst door het publiek. Het dol vroolijke, het potsierlijk boertige van deze „Possequot; werd evenwel streng veroordeeld door eene critiek, die even doctrinair van inhoud als culinair van vorm is.
In het voorbijgaan zij het aangestipt, dat de termen onzer critische auteurs zekere sympathieën voor het koksvak schijnen te verraden; telkens hooren wi] van „hoofdschotels,quot; „nage-rechten,quot; „goed toebereid,quot; „gepeperd,quot; „magere saus,quot; „gezonde kostquot; en „slechte spijs!quot;
Keprises van Duitsche stukken zagen we in: „De diplomaat van de oude school,quot; in „Narcissquot; en in „Deborahquot;. Het voortreffelijk spel van den heer L. Bouw-1 meester en het buitengewoon talent van mejuffrouw J o s. De Groot brachten de beide laatste drama\'s opnieuw voor het voetlicht. In beide heerscht evenwel eene al te hooge mate van pathetische rhetoriek, die wel door eene meesterlijke vertooning kan gered, doch nooit geheel vergoelijkt worden.
Als evenement geldt in deze campagne het ten tooneele brengen van Shaksperes „Romeo en Julia,quot; een waagstuk der Vereeniging — zoowel door de uitmuntende vertaling van Dr. B u r g e r s d ij k als door het spel der beide hoofdpersonen, voldoende geslaagd.
Het grootste deel der op den Haagschen schouwburg vertoonde stukken in het vervlogen seizoen was van Franschen oorsprong. „Le Médecin malgré lui,quot; „L\'Africain,quot; „La Grace de Dieuquot; (Moederzegen), „Les Contes de la Reine de Navarre,quot; „Don César de Bazan,quot; „Les femmes fortes,quot; „Le De mi-Monde,quot; „LaDameaux Camélias,quot; „Hélène de la Seiglière,quot; „Tartuffe,quot; „Une cause célèbre,quot; „Jean Baudryquot; en „Dalilahquot; behooren tot de groote Fransche drama\'s.
68
Geen van allen kan tot de jongste of nieuwste voortbrengselen van Fransche dramatiek worden gerekend. Vandaar misverstand hier en daar. De schoone vertolking van Molières „Médecin malgré luiquot; werd maar eenmaal gespeeld, wellicht door de koele houding van het publiek, en omtrent Charles Edmonds „Africainquot; poogde men den lieden diets te maken, dat zij op een spectakelstuk onthaald werden, schoon ieder weten kon, dat ;,L\'Africainquot; tot het répertoire van het Théatre francais behoort.
Eene schoone victorie voor de Vereeniging was Alber-dingk Thyms voortreffelijke vertaling van den „Tartuffequot;. De vlekkelooze vertooningen van „Hélène de la Seiglière,quot; „Les femmes fortes,quot; (Amerikaansch of niet?) en van „Jean Baudryquot; brachten genotvolle avonden. Hetzelfde kan niet ten volle beweerd worden van „Moederzegenquot; en „Don César de Bazan,quot; schoon mejuffrouw S. Van Biene en de heer L. Bouwmeester zich in al de kracht van hun talent openbaarden. Beide drama\'s zijn verouderd en kunnen maar ten halve door de vertooning worden gered. Geheel hetzelfde geldt van „Onschuldig veroordeeld,quot; terwijl daarentegen een juweel van grootewaarde, „Jean Baudry,quot; niet genoeg kan worden toegejuicht.
De schoonste bloem der Fransche dramatische kunst school voor dit tooneeljaar in de kleinere stukken; „Niemand sterft van blijdschap,quot; „De viool van Cremona,quot; „De werkstaking,quot; „Gringoirequot; enhet „Albumbladquot;. Zoowel auteurs (mad. de Girardin, Coppée, Theod. de Banville en Henri Meilhac) als vertalers (Teunis, J. L. Wertheim en Mr. J. N. Van Hall) leverden meesterwerk en de tooneelkunstenaren niet minder. De heer L. Bouwmeester veroverde den Haagsche schouwburg als Jasper (Noel), als Gringoire, als Filippo en als de oude smidsgezel. De heer Frits Bouwmeester toonde als Louis XI zich een kunstenaar van den eersten rang, de heer Morin won nieuwe lauweren in de rol van Ris car a uit het „Albumbladquot;.
Alles te zaam genomen is er overvloedig reden, om met voldoening terug te zien op het vervlogen tooneeljaar. Bij
69
zooveel schoons en goeds, bij zooveel verscheidenheid — gebiedend noodzakelijk in een schouwburg, waar altyd hetzelfde publiek aanwezig is — by zooveel streven om de verschillende neigingen van de afzonderlijke elementen der toeschouwers te bevredigen, zou het alleen van kinderachtige nurkschheid getuigen, als men by het sluiten van den schouwburg niet een hartelijk woord van lof en dank voor de Vereeniging „het Nederlandsch Tooneelquot; ten beste gaf.
De roman van een fatsoenlijk man. — Chirurgische en obstetrische romans.
Juli 1880.
Sedert „le Roman d\'un honnête hommequot; werd geschreven door Edmond About, sedert van dat kunstwerk hier en elders werd gebruik gemaakt om den geestigen romancier tot dorpelwachter van den tempel der christelijke zedeleer te bevorderen, is zijn naam weder herhaaldelijk genoemd en heeft misschien de een of ander lezer zijner werken met verwondering gevraagd, hoe het komt, dat de auteur van „Gr er main e,quot; „Madeion,quot; L\'Homme a l\'oreille cassée,quot; „Le Nez d\'un not ai requot; en „Le cas de M. Guérinquot; tot zulk een verheven eereambt is benoemd?
In plaats van deze vraag aanstonds te beslissen, schijnt het mij billijk vooraf te zeggen, dat men een zeer goed werk doet, als men About op het onbekrompenst huldigt wegens zijn ongeëvenaard frisch en veerkrachtig vernuft. Zoo iemand, dan is hy homme d\'esprit, kleinzoon naar den geest van Voltaire. Daarenboven een veelzijdig schrijver, die op staat-
70 EDMOKD ABOUT.
kundig en economiscli terrein vrij wat belangrijks heeft tot stand gebracht, maar die den meesten lof heeft verworven door zijne romans. Zijn levensloop is bekend. Geboren 14 Februari 1828, leerling der Ecole Normale te Parijs, tijdelijk leeraar aan het athenaeum te Athene, maakte hij zich bekend in 1855 met zijn geestige satyre der moderne Grieksche maatschappij: „La Grèce contemporaine,quot; en tevens met eene Italiaansche novelle in de Revue des deux mondes: „Tollaquot;. Zijne „Germaine,quot; in 1857 als feuilleton in een groot Parijsch dagblad uitgegeven, staafde, dat hy niet louter idyllische tafereelen in usum Delphini zou leveren.
Het onderwerp van „Germainequot; is min of meer scabreus. Een Spaansche grande wil zijn natuurlijk kind wettigen door het huwelijk met eene teringlijderes, Germaine, de dochter van een verloopen hertog. De moeder van het natuurlijke kind, eene Parijsche demi-mondaine wil zich over dezen echt wreken en beproeft tevergeefs Germaine door rotten-kruit te laten dooden. De teringlijderes herstelt. Met onge-loofeiyken tact heeft About dit moeilijk onderwerp behandeld, en gezorgd, dat niemand zich een enkel oogenblik kan ergeren.
Zijn vierde triomf „Le Hoi des Montagnesquot; voltooide zijn letterkundigen roem. Hij heeft nog veel en velerlei geschreven, maar zelfs zijne „Question Eomainequot; (1859) bereikte niet meer de hoogte zijner vroegere geschriften. Geestig bleef hij in zijne novellen „Les Mariages de Paris,quot; „Le Turco,quot; „Les mariages de provincequot; geestig zelfs in zijne zonderlinge verhalen „Trente-et-Quarante,quot; „Le Nez d\'un Notaire,quot; „Le cas de M. Guérinquot; en „l\'Homme a l\'oreille cassée,quot; van 1860 tot 1865 geschreven. De Fransche critiek, die hem op de handen droeg gedurende zijne eerste periode, gaf hem op zeer bittere wyze hare afkeuring over zijne laatste scheppingen te kennen. Tevergeefs poogde hij degelijker roman te voltooien, toen hij „Madeionquot; schreef; een boek waarin de heldin, eene verwonderlijk onweerstaanbare As pas ia van den boulevard des Italiens, in verband wordt gebracht met landhuishoudkundige studiën over den Elzas. Zijne laatste
71
poging met „La vei lie Rochequot; in drie afzonderlyke deelen mislukte en About zweeg tot 1880, toen hij zijn „Roman d\'un honnête ho mmequot; uitgaf, een economischen roman, die trots -wetenschappelijke verdiensten het verwijt niet ontgaan kan vervelend te zijn.
Ondanks dit laatste bezwaar hebben sommigen de gelegenheid aangegrepen Abouts „Honnête Ho mmequot; te vergeleken met „1\'Assommoirquot; en zegevierend aan te toonen, welk een uitnemend advocaat voor de moraliseering van den roman er in den auteur van „Le cas de M. Guérinquot; verborgen was. Trots het ongepaste dezer vergelijking twijfel ik niet, of Edmond About zelf zal meesmuilend zich gehouden hebben, alsof hij den yver zyner vrienden goedkeurde. Er bestaat een letterkundig antagonisme tusschen About en Zola. De eerste is nu (1880) sinds 1872 directeur van het dagblad „Le dix-neuvième Sièclequot; en hoewel imperialist van 1851 tot 1870 is hij nu een republikein van den zelfkant, \'t welk ten minste voor de elasticiteit zijner staatkundige overtuiging pleit. Daar hij voorzitter is van de „Société des Gens de lettresquot; raadpleegde ik hem den vorigen zomer nopens de inrichting dezer nuttige maatschappü, en bemerkte uit een toevallig woord, dat hij den naam van Zola niet zonder ergernis kon hooren uitspreken.
Verklaring van deze ergernis is gemakkelijk te geven. Zola had in een zijner critische artikelen van het Russisch tijdschrift „Le messager de l\'Europequot; vry scherp gezegd, wat hij van About dacht. Hij noemde hem „een polemicus van den eersten rang,quot; die, zoo hij „Voltaires maarschalkstaf niet geërfd had, ten minste in \'t bezit gekomen was van dezes karwatsquot;. Abouts werken over Griekenland en Rome hadden, hoewel een weinig oppervlakkig, grooten bijval verworven om den stijl. Zijne romans „Tolla,quot; „Germain equot; en „Madeionquot; werden door Zola geprezen, hij veroordeelde echter „La veille Roche,quot; waarin Abouts talent ten onder ging. Sinds dien tijd was About dood als schryver. Zola verklaart dit feit, door op te merken, dat de auteur van „Tollaquot; geene overtuiging bezit, aan niets ge-jooft, zelfs niet aan de literatuur; dat hij indertijd door
72 EDMOND ABOUT.
Napoleon III ten eten gevraagd werd en later in 1872 als republikein weer te voorschyn trad.
Het schijnt nu, dat About, door dit oordeel tot het uiterste geprikkeld, zich wederom aan den arbeid heeft begeven, om „Le roman d\'un honnête hommequot; te schrijven als antwoord op „l\'Assommoirquot;. De critiek, hulde bewijzend aan de goede bedoelingen van About, bevestigde evenwel het oordeel van Zola, door onbewimpeld te verklaren, dat de „Roman van een fatsoenlijk manquot; niet gehouden kan worden voor hetgeen waarvoor hij zich uitgaf, maar veeleer, ondanks bedenkelijke langwijligheid, voor een nuttig vertoog over populaire economie. Niemand zal het nut betwijfelen van dergelijke vertoogen — About schreef in denzelfden geest een voortreffelijk boek „L\'ABC du tra-vailleurquot; — maar, waarom men hem deswege tot hooge-priester der christelijke moraal in de republiek der letteren bevorderde, blijft raadselachtig.
Mocht iemand wellicht door zooveel lof bewogen zich aan den arbeid zetten om den geheelen About te lezen, hoe zal het hem gaan, wanneer hij gevorderd is tot „Le nez d\'un notairequot; en „Le cas de M. Guérin?quot;
„Le nez d\'un notairequot; verhaalt de historie van een aanzienlijk, jong notaris, maitre Alfred L\'Ambert, die duelleeren moet met Ayvaz-Bey, attaché van de Turksche legatie, omdat hij den muzelman een slag in \'t aangezicht toebracht, toen hy ontdekte, dat z^jne Dulcinea, zekere danseres Victorine Tom pain, zich het hof liet maken door gezegden Turk. Bij dit duel hakt Ayvaz-Bey den neus van den notaris af. Eene leelijke gele kat loopt met dien neus weg. De chirurg wanhoopt om den verminkten notaris te genezen. Maar te Parijs bevindt zich gelukkig de beroemde wondheeler B er nier, die zich verstaat op de moeielijke kunst van rhinoplastie (neusmaking) en die daartoe drie methoden gebruikt: de Fransche, de Indische en de Italiaan-sche. Slechts de laatste kan dienen. De nieuwe neus wordt gemaakt uit de huid van den bovenarm. Daar de notaris evenwel een afkeer van operation heeft, vindt men een braven Auvergnaat Chébastien Romagné, die voor tweeduizend
73
franken zich een stuk uit de huid van zijn arm laat snijden, evenwel zoodanig, dat de notaris en de Auvergnaat gedurende een maand aan elkander geketend zyn als de Siameesche tweelingen. De operatie gelukt. Alles gaat goed, tot den volgenden winter. Bij de koude begint de neus van den notaris rood te worden, eindelijk te zwellen. Dokter Bernier wordt ontboden, maar weet geen raad, daar alles mislukt wat hij doet. Eindelijk ontdekt men, da: de Auvergnaat in \'t spel is. Deze is een dronkaard geworden, vandaar de ziekte van des notaris neus. Men vindt Romagné, die zijn laatste geld verteerd heeft en niet meer drinken kan. Door deze gelukkige omstandigheid herstelt Mr. L\'Ambert. Later evenwel komt eene nieuwe ziekte, de neus van den notaris vermagert en wordt kleiner. De arts ontdekt, dat Romagné ernstig ongesteld is. De Auvergnaat geneest door de teedere zorgen van den notaris en diens neus herstelt zich. Er komen telkens nieuwe ongelukken, maar het ergst van al overkomt den notaris op den dag van zijn huwelijk, daar hij des morgens ontdekt, dat zijn neus verdwenen is. De oorzaak is, dat Romagné den vorigen dag overleed. Later blijkt evenwel, dat deze alleen zijn linkerarm had verloren.
Dit alles is zeer amusant, maar zeer bovennatuurlijk tevens. Het is niet anders dan eene tooververtelling, geborduurd op een medisch-chirurgischen tekst.
Erger is het gesteld met „Le Oas de M. Guérin,quot; eene dergelijke aardigheid ontleend aan een handboek voor obstetrie. About koos een zoo buitengewoon onderwerp, dat het zelfs moeielijk valt er een woord van te zeggen. Hij bestudeerde een hoofdstuk van embryogenie, waarin eene „grossesse extra-uterinequot; bij den vader wordt beschreven. Hij geeft geene andere verklaring van dit monsterachtig feit, dan door eenvoudig te zeggen: „Ce phénomène s\'explique tan-töt par quelque détail de la vie intime des époux, tantöt par la supériorité trop marquée de la femme sur le mari.quot; En, na dit theelepeltje vol wetenschap te hebben ingenomen, vertelt hij de historie van den goeden heer Guérin, die zich zoodanig laat beheerschen en pantoffelen door mevrouw Guérin, dat hij niet alleen
EDMOKD ABOUT.
vader maar ook moeder wordt van een springlevenden zoon.
Na al deze dingen overwogen te hebben, schijnt het mij volstrekt noodzakelijk aan Edmond About den leerstoel der christelijke moraal te ontzeggen, maar hem uithoofde van zijn belangwekkend dilettantismus vrijen toegang te verleenen tot de gehoorzalen der medisch-chirurgische faculteit.
Het oude leger en liet nieuwe leger. — Een hospitaal-tooneel van J. K. Huysmans. — Een bloedige dag van Paul Alexis.
Den 14aen Juli is in geheel Frankrijk schitterend feest gevierd. Bijna tien jaren heeft de derde republiek geleefd. Vrede en voorspoed kenmerkten het laatste lustrum. Tot bevrediging der binnenlandsche grieven werd een sluier geworpen over het gruweljaar 1871, de amnestie ging de viering van den Bastille-dag vooraf. Belangrijker nog was de uitreiking der nieuwe vaandels aan de „nieuwe armée,quot; zooals deze door den ouden Canrobert is gedoopt.
Groote stoffelijke en zedelyke inspanning heeft het Frankrijk gekost eene nieuwe, goed geordende legermacht op de been te brengen. Zelfs de Pruisische officieren prezen de infanterie en de artillerie. Onder den indruk van dit heuglijk feit is het niet ongepast voor een oogenblik stil te staan bij het oude leger en wel zooals het is geschilderd door letterkundige ooggetuigen.
Voor eenigen tijd reeds verscheen bij Georges Charpen-tier een bundel novellen „Les Soirées de Mé dan,quot; geschreven door een groep van naturalistische auteurs; Emile Zola, Guy de Maupassant, J. K. Huysmans, Henry
74
LES SOIREES DE MED AN. 75
Céard, Léon Hennique en Paul Alexis. Letterkundige waarde heeft alleen de arbeid van de beide eersten. Verschillende Nederlandsche dag- of weekbladen hebben Zola\'s „Attaque du moulinquot; de eer eener min of meer geslaagde vertolking waardig gekeurd.
De overige novellen hebben alleen historische waarde; al de zes schrijvers spreken van lijden en ellende, en teekenen wat zij zagen. Zij hebben allen het oude leger gekend. Hunne novellen, vooral van Huysmans en Paul Alexis, konden zonder bezwaar ongeschreven zijn gebleven, als het eenig doel der auteurs slechts letterkundig geweest ware. De nu behandelde lotgevallen van ruwe soldaten, de stuitende bijzonderheden uit het garnizoens- en hospitaalleven kunnen niet anders dan eene strenge, afkeurende critiek uitlokken.
Het ontbreekt evenwel niet aan fraaie bladzijden uit de geschiedenis van den oorlog. Zelfs bij Huysmans en Paul Alexis zijn ze gemakkelijk aan te wyzen. Ik vestig de aandacht op een tweetal, de eerste een hospitaal, de tweede een slagveld schilderend.
In het hospitaal te Evreux liggen allerlei gekwetsten, infanterie, cavalerie, tirailleurs, vrijwilligers bijeen. De „Soeursquot; met de hooge witte mutsen wandelen als weldoende engelen te midden van allerlei ellende. De gewonden spreken over hunne lotgevallen in den oorlog. Een liniesoldaat, vroeger bediende in een kruidenierswinkel, in 1870 bij een regiment ingelijfd, ligt van de koorts te huiveren. Van tijd tot tijd beleeft hij een oogenblik van beterschap en verhaalt dan wat hij heeft geleden.
„Ik ben by Fröschwiller geweestquot; — zegt hij. — „Ik bevond my in een vlakte, rondom door geboomte afgesloten; ik zag roode vlammen midden in dikke wolken van witten damp; ik boog het hoofd, ontsteld door het kanongebulder, verbasterd door het fluiten der kogels. Ik moest vooruitloopen met het regiment in muilen bouwgrond. Wij zagen de Pruisen niet; we wisten niet waar ze stonden. Ik hoorde luide kreten naast me, dan weer akelige zuchten. Plotseling kwam er wanorde. De gelederen vloeiden ineen, de soldaten keerden zich om, er ontstond gedrang, en zonder te weten hoe, lag
76
ik op den grond. Ik stond weer op, ik vluchtte en liet mijn geweer en ransel in den steek. Uitgeput door al het mar-cheeren der laatste acht dagen, verslagen van schrik en verzwakt door honger, ging ik in eene drooge sloot zitten. Daar bleef ik zitten, wezenloos, onbeweeglijk, doof door het gesis der granaten, niet denkend aan verderen tegenstand. Toen dacht ik aan mijne vrouw en schreide ik. Ik wist niet waarom ik zooveel moest lijden. Ik nam een blad van een boom op en heb het bewaard als een aandenken.
„Toen kwam een officier op mij af, met een revolver in de vuist. Hij schold mij uit voor lafaard en dreigde mij een kogel door het hoofd te jagen, als ik niet opstond. „Heel goed,quot; — zei ik — „maak er maar een eind aan, dat is beter! Maar terwijl de officier mij wou doen opstaan, vloeide een stroom bloeds hem langs den hals en zonk hy naast mij neer. Toen ging ik op den loop, door dollen schrik voortgedreven en kwam ik op een weg, vol vluchtelingen, zwart van menschen, te midden van welke allerlei karren en rijtuigen in wilde vaart voortholden.
„Eindelijk waren wij in veiligheid. Men begon te spreken van verraad. De oud-gedienden spraken van volhouden, maar de recruten wilden er niets van weten. „De officieren mogen zich dood laten schieten,quot; zeiden ze, „dat is hun beroep. Ik heb kinderen en de Staat zal ze niet grootbrengen als ik dood ben.quot; Men benfldde zelfs het lot van lichtgekwetsten en zieken, die een toevlucht vonden in de ambulancen.
„We hadden er genoeg van, omdat we dood van schrik waren en ons de vreeselijke kreten der stervenden in de ooren klonken, als ze om water smeekten of hunne moeder riepen,quot; voegde hy er huiverend by. Hij zweeg en zag rondom zich in het hospitaal. Hij knikte tevreden en vervolgde: „Het komt er niet op aan, ik ben blij dat ik hier ben, nu kan mijne vrouw mij schrijven,quot; en hij bracht brieven te voorschijn, terwijl hij glimlachend sprak: „Mijn jongetje heeft mij geschreven, ziet maar,quot; en hij toonde onder aan den brief na het gebrekkige schrift van zijne vrouw, allerlei hanepooten midden onder inktvlakken, waaruit met moeite te lezen was; „Vele complimenten aan vader!quot;quot;
LES SOIRÉES DE MÉDAN.
Dit hospitaaltooneel komt voor in „Sac au dosquot; van J. K. Huysmans, een zeer treurig verhaal van al de rampen en plagen in de ambulancen van het binnenland, afgewisseld door hoogst stuitende en onverkwikkelijke bijzonderheden.
De schildering van een slagveld geeft Paul Alexis als volgt:
„Er werd nog gestreden heel ver weg, aan de andere zijde van de bergvlakte, drie of vier mijlen verder. De avond begon te vallen, maar het kanon dreunde nog. Eene koude mist uit het naburig dal opstijgend, verminderde het geluid der losbrandingen.
„Een Fransch soldaat sleepte zich voort op den grooten weg van het departement, alleen, gewond aan den linkervoet. Een kogel was hem door den hak gegaan zonder het been te verbryzelen. Hij had zyn schoen moeten uittrekken; hy had de wond zoo goed mogelijk verbonden met een strook linnen van zijn hemd afgescheurd. Hij ging zeer langzaam vooruit, zjjn geweer als een rotting gebruikend, zoo min mogelijk den gewonden voet op den harden en door den dooi glibberig geworden grond plaatsend. Het linnen van het verband was rood en had als een spons al het bloed opgeslorpt ....
„Hij zette zich eindelyk aan den rand van den weg neder, in volslagen duisternis. Hy wist niet waar hij zich bevond. Sedert zijn detachement het leger van Chanzy had gevolgd, was hij door marschen en contramarschen in de laatste veertien dagen geheel in de war. Ook wist hij eigenlijk niet wat er met hem gebeurd was, sinds hij uit zijne bezwijming in een veld met beetwortelen ontwaakte.
„Hoe lang had de bedwelming geduurd: tien minuten? of drie uren? of een heelen dag? Hij wist het niet. Wat hij zich herinnerde, was het volgende:
„Zijn bataljon had den geheelen nacht in een hollen weg doorgebracht, de manschappen hadden gekleed plat op den grond gelegen. De tenten mochten niet opgeslagen worden, zelfs geen sigarette gerookt. Dit alles, om de Beyersche voorposten, die men onverhoeds op het lijf vallen wilde. Even
77
LES SOIREES DE MÉDAN.
vóór den morgenstond kwam eene batterij met zes stukken in den hollen weg. Men was toen vijftienhonderd meters verder gerukt en had haltgehouden achter eene dichte rij populieren; daarop moesten honderd zijner kameraden en hij als tirailleurs op een uitgestrekten muur aanvallen. De Duit-schers hadden er schietgaten in gemaakt. Men had dien muur met een paar kanonschoten kunnen vernielen, maar de batterij moest waarschijnlijk op hoog bevel werkeloos blijven. Zoo moest men dus tegen een onzichtbaren vyand geheel onbedekt optrekken. Zijn hart klopte, \'t was zijne eerste ontmoeting met den vijand.... De morgen was nog niet geheel aangebroken. Er klonk nog geen schot. Er vertoonde zich geen vijandelijke schildwacht. Misschien zou men nu voor het eerst den vijand overrompelen, die ons zoo dikwijls had verrast____
„Hij zelf was niet bang, hij zou zijn plicht doen als de anderen. Maar als hij eens bang ging worden. Die twijfel was zoo vernederend, dat hij door zenuwachtige trillingen werd geschokt. Hij wenschte nu maar, dat het eerste schot mocht vallen, opdat hy mocht weten, of hij een dapper soldaat was, dan • wel of hij van zenuwachtige lafhartigheid in zwijm zou vallen.... Hij was nu op veertig schreden afstands gekomen van den muur met de schietgaten. quot;Waarom wachtten de zonen van dat logge en ongevoelige volk zoo lang met vuren ? Hy had willen schreeuwen: „Vuur dan toch, ellendige domkoppen !....quot;
„Plotseling klonk een oorverdoovend gerucht; hij vuurde midden in den rook en was instinctmatig voorover ter aarde gevallen. Daarna waren zijne herinneringen flauwer geworden .... Het vreeselijk geraas der losbrandingen hield aan. In dikken rook floten de kogels vaak vlak langs zijne ooren en sloegen in den grond midden onder de beetwortelen als dikke hagelsteenen. Al wat hij wist, was dat de honderd andere tirailleurs evenals hij over den bodem verspreid waren; nog herinnerde hij zich zeer duidelijk het afgrijselijk en onvergetelijk schouwspel van een zwarten Turco, op vier pas afstands plotseling lijkkleurig wit, daar hem de schedel door een kogel verbrijzeld was.
„Bij het Iflk van den neger was hij ineengedoken, had zich
78
LES SOIREES DE MÉDAN.
niet meer bewogen en getracht zijn hoofd te bedekken met de kolf van zijn chassepot. Voor het overige had hy maar flauwe herinneringen. Hij had een zweepslag aan den hak gekregen, had het bloed gevoeld onder den voet, zijn linkerbeen was verstijfd; dat alles had hij in duistere verwarring ondergaan.... Plotseling dreunde de grond onder hem, hoeven van paarden vlogen haast zijn aangezicht voorbij, misschien was een heel escadron over hem heen gevlogen. Misschien was er nog meer gebeurd, maar eene zware bezwijming was over hem gekomen. Eindelek was hij ontwaakt, alleen in den ijskouden mist, by het vallen van de duisternis te midden der diepe stilte der nu verlaten velden.quot;
De beide aangehaalde fragmenten leggen een treurig getuigenis af omtrent den armen Franschen soldaat — de laatste is een priester, die vol geestdrift en vaderlandsliefde vrijwillig diende — uit zijn beroep plotseling naar de gelederen overgeplaatst, slecht aangevoerd en meestal zonder vrucht aan een wissen dood prijsgegeven. Dat mogen zij bedenken, die het „oorlogjequot; der ex-keizerin Eugénie hebben verdedigd, die den grijzen staatsman hebben uitgejouwd, omdat hij (T h i e r s) nog voor de dolzinnige oorlogsverklaring den noodlottigen afloop van den krijg voorspelde.
Mocht men meenen, dat de teekening van Huysmans en Paul Alexis bezijden de waarheid blijft, dan is hier de herinnering aan hunne naturalistische geloofsbelijdenis afdoende. Ik herhaal, beiden hebben in den oorlog van 1870 —71 gediend, beiden spreken als ooggetuigen.
Mocht het nieuwe leger van 1880 eenmaal — wat wij voor Frankryks en Europa\'s rust zoo lang mogelijk zouden willen verschuiven — een nieuwen krijg moeten ondernemen, dan bestaat er groote waarschijnlijkheid, dat het zich beter van zijne taak zal kwijten, dan de slecht gedisciplineerde linie-troepen en de gedemoraliseerde vrijwilligers, door de schrijvers van „Les Soiróes de Médanquot; met zoo groote waarheidsliefde geteekend.
79
80 DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKHEER DE PONTHAU.
Juli 1880.
Er is in de beide laatste jaren ten onzent vry wat gerucht ontstaan en vele groote woorden zijn gesproken tegen eene richting in de letteren, die algemeen met den naam van Naturalism us wordt aangeduid.
Op letterkundig terrein is het jongste naturalismus van oorsprong Fransch. Dit verschijnsel is natuurlijk geen toeval. De tweede helft dezer eeuw houdt zich dagelijks meer en meer aan den catechismus der werkelijkheid. Nederland en Duitschland hebben belangrijke bedragen geleverd in den strijd vati supranaturalismus en rationalismus op godgeleerd gebied. Die strijd staat in verband met de geheele richting van het wijsgeerig. denken onzer dagen. De wereldbeschouwing, die hare basis bezit in eene door wondergeloof gesteunde verklaring der levensraadselen, zag zich wetenschappelijk overvleugeld door de vorderingen der natuurwetenschappen.
Overal nam het streven naar waarheid — de reusachtige taak, die een geest als Lessing zich reeds aan \'t eind der vorige eeuw uitkoos, — hooger vlucht. Deze sterk realistische neiging mocht in de wijsbegeerte ten slotte tot een pijnlijk pessimismus en in de letterkundige kunst tot een stuitend naturalismus leiden, hare levenskracht werd door deze overdreven groeizaamheid niet geschaad. Wijsbegeerte en kunst staafden beide, dat de wereldbeschouwing van een vroeger tijdvak op onhoudbare veronderstellingen berustte, dat een nieuwe dageraad aangebroken is.
Als zoodanig hebben pessimismus en naturalismus eene wettige reden van bestaan. Het pessimismus had geen vrede met eene godsdienstige verklaring van het heelal, het wees
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 81
er op, dat de vrome illusie, als zoude de wereld naar een groot doel, door de eenige Liefde gesteld, bestuurd worden, reeds lang door de feiten eener wreede, meedoogenlooze natuur, eener diep verbasterde menschenmaatschappij was gelogenstraft. Het naturalismus in de letteren werd door eene soortgelijke terugwerking geboren. Had men vroeger er zich op toegelegd, om de wereld te schilderen, zooals zij niet was; had men door phantasie gepoogd de menigvuldige dissonanten der barre werkelijkheid harmonisch op te lossen naar de willekeur van edelmoedige dichterharten, thans vierde evenzoo het streven naar waarheid den teugel op letterkundig gebied en men huldigde alleen de voorstelling van onloochenbare feiten, hoe stuitend, hoe afschuwelijk ook.
De nieuwe richting werd niet overal met open armen ontvangen. Schopenhauer, zelfs Hartmann, werden met bittere ironie door de fatsoenlijke denkers-wereld ter deur uitgeworpen; Flaubert en Zola mochten nauwelijks door iemand, die zijne tijd- en landgenooten te vriend wilde houden, worden genoemd. Desniettemin, het wijsgeerig pessi-mismus in Duitschland en het naturalismus in den Franschen roman z ü n verwante levensteekenen van dezelfde gesteldheid der geesten in deze laatste kwarteeuw. Dorst naar waarheid doet hoofden en harten kloppen en getuigt, dat, daar het getij verliep, de bakens zijn verzet.
\'t Spreekt van zelf, dat eene dichte menigte zich vooreerst ijverig zal aankanten tegen het verzetten der bakens, maar daar tegenover zal eene niet minder ijverige minderheid zich altijd vaster overtuigd achten, dat het zwaartepunt in de beweging van den menscheltjken geest is veranderd. Deze laatste minderheid heeft eene grootsche, eene edele taak. Zij zal met eerbiediging van ieders bijzondere wereld- en levensbeschouwing moeten staven, dat de realistische of empirische wijsbegeerte niet noodzakelijk uitloopt op vernietiging van het oude ideaal in den verhevensten zin des woords. Zij zal moeten staven, dat pessimismus en naturalismus beide door al te brandenden ijver oversloegen tot eenzijdigheid. Het pessimismus spant zich in, om zooveel mogelijk kwaads te zeggen van de natuur en de menschenwereld; het natura-
82 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
lismus bejjvert zich de treurigste en afschuwelijkste werkelijkheid tot kunststof voor den roman te kiezen — en met beide heeft de moderne realistische wijsbegeerte in den aanvang vrede voor zoover namelijk beide de waarheid en werkelijkheid niet voorbijstreven.
Maar ook alleen voor zoover.
quot;Want zij koos zich verhevener taak. Al moest zü den pessimisten toegeven, dat de wereld ellendig is ingericht, zij zou toch dadelijk wijzen op het betrekkelijk Goede en het betrekkelijk Schoone, dat door menschengeesten en menschenhanden is gewrocht. Dat Goede en dat Schoone hebben de mensch-heid voor wanhoop bewaard en het menschelyk leven op deze aarde zoo niet tot een onafgebroken feestdag dan toch dikwerf tot een zeer dragelijk bestaan gemaakt.
Hetzelfde heeft de realistische wereldbeschouwing aan de naturalisten te antwoorden. Zij erkent al wat waar en historisch is in hunne kunstwerken, maar wijst op hunne eenzijdigheid, als zij de wereld volkomen troosteloos leelijk en diep bedorven voorstellen. Zij zelve, innig doordrongen van een onleschbaren dorst naar waarheid, zij huldigt een nieuw Idealisme — de bevordering van het mogelijk Goede en Schoone in de menschenwereld ter vermeerdering van geluk en levensvreugde.
Dit Idealisme is op geen droombeeld of schijngrond gebouwd en wordt dus het Idealisme der moderne realisten. Men zegge niet, dat de beide termen elkander in den weg staan. De bevordering van het mogelijk Goede en Schoone in de menschenwereld is een ideaal, over welks bereikbaarheid de toekomst zal beslissen. Dit Idealisme waardeert de pogingen van de pessimistische denkers, omdat dezen op zuiver realisti-schen bodem staan; waardeert om denzelfden grond de inspanningen der naturalistische romanschrijvers, die niets, wat menschelijk waar is, buiten het kader van den roman durven schuiven.
Indien de letterkundige critiek zich rekenschap wilde geven van deze beteekenis der termen: Pessimismus, Naturalismus, Idealismus, zou zij menig onbesuisd en oppervlakkig oordeel ongeveld hebben gelaten. Bij uitzondering alleen schijnt men
DE HELDENDADEN VAN DEN VEBNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 83
met onpartijdigheid en kennis van zaken te spreken \'). Men dringt zeldzaam door tot de kern der zaak en laat dit gaarne over aan hen, die men in dwazen overmoed van oppervlakkigheid beschuldigt. Het eerste, wat vooral de Nederlandsche critiek ter harte gaat, is de vraag naar het aantal bruikbare zedelessen uit het een of ander letterkundig kunstwerk te trekken.
Sedert Vader Cats deze manier van moraliseeren in de mode bracht, heeft men nog geen ander standpunt ingenomen. De grofheden van den braven Dordtenaar werden met een ruim geweten over het hoofd gezien. Alles kwam aan op de zedeles van het slot. De beste en geestigste auteurs konden zich niet buiten den nationalen dampkring verplaatsen. Just us Van Effen moraliseert, ja, zelfs Betje Wolff moraliseert by wijlen. Uit den aard dezer omstandigheden volgt, dat er twee eeuwen lang ten onzent tegen de verderfeliikheid van den Franschen, van den Duitschen, ja zelfs van den Engel-schen roman werd te velde getrokken.
Wel zeer naar waarheid heeft een onzer beste letterkundige kunstrechters. Cd. Busken Huet, gezegd, dat „hartstochten te beschreven geen olie gieten is in de heilige lamp der deugdquot;. De roman, die enkel leeft van karakterschildering en conflict van hartstochten, mocht dus reeds daarom op weinig waardeering bij eene echt Nederlandsche jury rekenen. Dubbel ernstig werden de omstandigheden, toen de Pransche Romantiek van 1825 tot 1850 in wilden hartstocht losgebroken alle perken der academische regelmatigheid met voeten schopte. Weinig gewend aan de verklaring van eene letterkundige gebeurtenis als deze, sprak men aanstonds in Nederlandsche kringen met de oprechtste minachting over de uiterst gevaarlijke en onzedelijke richting in den Franschen roman.
Ergere dingen vielen voor, toen Balzac en Flaubert het nieuwe tijdvak van den realistischen roman openden. In Frankrijk zelf beoordeelde men deze plotselinge wending van zaken met hooge voornaamheid en wegwerpende onverschil-
\') Men leze het uitstekend artikel over Zola in „de Gidsquot; 1880 van Dr. A. G. Vau Hamel.
84 DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
ligheid. Terwijl men zich reeds met de tamme Eomantiek van 1840 tot 1850 op goeden voet bevond, kwamen nu de onverkwikkelijke volgers van Balzac met ruwe hand de ellenden van het maatschappelijk leven zonder eenige verschooning in het volle daglicht stellen. Zoodra evenwel in 1866 Emile Zola als nieuw profeet der naturalistische school met zyn „Thérese Eaquinquot; te voorschijn trad, werd afkeuring schering en minachting inslag.
Elders reeds heeft de steller dezer regelen uitvoerig zijne meening over het jongste Naturalisme in den Pranschen roman gezegd. Daar het evenwel in den regel blijkt, dat vraagstukken van zuiver wetenschappelijken aard op aesthetisch gebied niet met het koele verstand worden beoordeeld, maar door velerlei hartstochten van den koninklijken weg worden weggesleurd, kan het zyn nut hebben hier nogmaals beknopt te herhalen, wat mü voorkomt te zijn het juiste standpunt der letterkundige critiek tegenover hen, die zich naturalisten noemen.
Tot de realisten en naturalisten kunnen thans (1880) gerekend worden; Honoré de Balzac, Gustave Flaubert, Cham p-fleury, Edmond en Jules de Goncourt, Léon Goz-1 an, Emile Zola, Léon Hennique, J. K. Huysmans, Paul Alexis, Guy de Maupassant en Henri Céard. Hunne verdienste is, dat zij in een letterkundig kunstwerk geene onwaarheid dulden, maar met de meeste onverschrokkenheid elk feit willen beschrijven, \'twelk in de natuur of in de menschenwereld plaats grijpt of kan plaats grijpen. Hun streven naar waarheid is een zeer karakteristiek teeken des tijds, \'tgeen door de voorstanders eener realistische levensbeschouwing met waardeering kan worden aangenomen.
Maar deze laatsten nemen alleen het streven der naturalisten aan, geenszins de praktijk van hun streven. Want er is verschil in beider opvatting van het doel der kunst. Voor de naturalisten is de kunst alleen het beschrijven van eene reeks verschijnselen, de anatomie en physiologie van den mensch en der maatschappij in den roman. Zij vragen niet naar de harmonie der feiten, het is om de feiten zeiven, om de „documentenquot; te doen. De realistische aesthetiek huldigt
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 85
een ander gevoelen. Zij kampt voor de Schoonheid, omdat zij naar de harmonie der verschynselen streeft, omdat zij mee wil werken tot het groote doel: vermeerdering van mensche-lijk geluk en levensvreugde door bevordering van het Schoone en Goede, voor zoover het onder bereik der menschen ligt.
Zij kampt voor de Schoonheid, omdat zij aan de Kunst de roeping toekent zich te verheffen boven de afschuwelijkheden der werkelijkheid, omdat de kunstenaar geen kopiist, maar een scheppend wezen is, dat onderscheid weet te maken tus-schen Schoon en Leolijk. De naturalisten streven niet naar verheffing van de kunst boven het absoluut Leeiyke, omdat zij geen onderscheid kennen van schoon en leelijk, omdat zij louter naar quot;Waarheid vragen. Indien de levensbeschouwing der pessimisten inderdaad de oplossing der wereldraadselen aanbood, dan zou de aesthetiek der naturalisten tevens de waarachtige zijn. De wereld als samenstel van ellende, rampen en ongelukken verklaard zijnde, zou er voor den romanschrijver niet anders overblijven dan de schildering van de afzichtelijkste en stuitendste werkelijkheid.
De realistische Aesthetiek, dochter der realistische of empirische wijsbegeerte, huldigt de schoonheid in de eerste plaats als f e i t e 1 ij k gegeven in de natuur en in de werken der menschen; in de tweede plaats, als doel der kunst, omdat de kunst geroepen is het kapitaal der menschelljke levensvreugde zoo krachtig mogelijk uit te breiden. De kunstenaar wordt door deze leer verplicht niet naar de naakte waarheid alleen te streven, maar vooraf te kiezen, welke waarheid, welke stof uit de werkelijkheid hij voor zijn kunstdoel zal kunnen gebruiken.
Juist tegen dit beginsel heeft de school van Balzac, Flaubert en Zola grovelijk gezondigd. En op dien grond zal het naturalisme alleen als voorbijgaand historisch verschijnsel indruk maken. De toekomst is niet voor de naturalisten, omdat zü wanhopig eenzijdig zijn. Maar de toekomst zal zich met hun arbeid wel degelijk bezighouden, omdat zij als naturalisten zich streng gehouden hebben aan het groote beginsel van het wijsgeerig denken onzer dagen: de drang naar waarheid in alles.
86 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
Met het oog op dit laatste heeft men hun streven tot nog toe miskend. By hunne wanhopige eenzijdigheid voegt zich de wanhopige partijdigheid der critiek; in Frankrijk gesteund door de traditiën der classieke en romantische school, in Nederland door de onverwoestelijke pruderie en pedanterie der moralisten a la Cats en a la Bogerman. De alarmisten uit deze school hebben geen enkel oogenblik nagedacht over de historische en wysgeerige beteekenis van letterkundige gebeurtenissen, als er tot stand zyn gekomen met de verschijning der Balzac-Flaubert-Zola-richting. Zij hebben liet tuighuis der overgeleverde moraal onderzocht en bevonden, dat men nog een goeden voorraad haakbussen en hartsvangers had overgehouden, om deze nieuwerwetsche onverlaten in het hart te treffen.
Men heeft ten onzent een zoo hevigen afkeer tegen de naturalistische richting in den roman uitgesproken, omdat men op het standpunt van leeken in de eerste plaats terugdeinsde voor de barre werkelijkheden en de uitgezochte platheid der schilderingen; in de tweede plaats zich buitengewoon prikkelbaar moest betoonen voor de vergrijpen tegen kieschheid en kuischheid. De naturalisten schroomden niet, waar het voor de hand lag, het vraagstuk van het geslachtsleven aan te roeren. Eenée uit „La Curéequot; is een zinnelijk monster. Nana geheel en al „une ordurequot;. Vooral tegen het schilderen van zoodanige figuren heeft de Nederlandsche verontwaardiging zich geuit. Hadden de naturalisten met dezelfde openhartigheid eene bende valsche munters, eene reeks van gruwelijke moorden, een hoop boeven, een balansenflatteeren-den, financieelen schurk op den voorgrond gesteld, niemand in Nederland zou in het belang der moraal het harnas hebben aangeschoten tegen Zola en zjjne jongeren. By Eenée en Nana moest het sexuëele leven zich zeer op den voorgrond plaatsen, en tot heden was men in onze kringen overeengekomen over dergelijke onderwerpen te zwijgen.
Het volkskind, in ellende en verdorvenheid opgegroeid, door prostitutie een bestaan zoekend en eindelijk doordringend tot de hoogste klasse der maatschappij, levert geen stof voor een aesthetischen roman, tenzij men haar het genie van eene
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 87
As pas ia geve; — maai- desniettegenstaande blijft het eene vraag, waarom hare verschijning in een kunstwerk gevaar-lijker is voor de zeden, dan het optreden van eene bende gauwdieven en moordenaars. Indien de voorstelling van een diep gezonken ellendeling, die zich vergrijpt aan de goederen en het leven van zijn naaste, geduld kan worden in een roman, waarom wordt dan steeds onverbiddelijk den staf gebroken, wanneer er eene vrouw verschijnt, die de wetten der eerbaarheid met voeten treedt?
II.
De Naturalisten zondigen in velen. Maar toch is het verzet tegen hunne richting en hunne werken niet evenredig aan hun zondenregister. Als tegenwicht kan eene onpartijdige en onbevooroordeelde beschouwing van hun werk, van hunne fouten en van hunne deugden niet overbodig genoemd worden. Is het mij gelukt aan te toonen welk standpunt de realistische aesthetiek tegenover hun arbeid behoort in te nemen, dan heb ik mij het recht verworven de aandacht te vestigen op een levensteeken der naturalistische school uit den jong-sten tijd.
Onlangs verscheen:
„Léon Hennique. Les hauts faits de M. de Pon-thau.quot; (Paris, Derveaux. 1880).
Dit boek is eene letterkundige scherts van het begin tot het einde. Léon Hennique, die met een weinig aantrek-kelijken roman „La Dévouéequot; heeft gedebuteerd, toont met dit tweede werk zich van eene geheel nieuwe zijde. Als naturalist ontwikkelde hij een zeer verdacht talent in zyne „Dévouéequot;. Waarom men dit boek in onze taal heeft vertolkt, terwijl men zich nimmer waagde aan Flaubert, E. de G-oncourt of Zola schynt onverklaarbaar. Maar „Les hauts faits de M. de Ponthau,quot; het tweede, zeer belangrijke werk van Léon Hennique, werd tot nog toe zelfs niet de eer eener eenvoudige vermelding waardig gekeurd.
De auteur noemde dit boek „une plaisanterie roman-tique sur le romantismequot;. De Fransche critiek, vooral
88 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENÜPTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
de „Eevue des deux mond esquot; had de naturalisten met de diepste minachting elke beteekenis ontzegd. L é o n H e n-nique vormde derhalven het plan, om een kunstwerk in boog romantischen toon te schrijven, ten einde daarmee te bewijzen, hoe gemakkelijk het is romans te leveren, die enkel door de bezieling der verbeeldingskracht worden ingegeven.
Dit feit is reeds op zich zelf der aandacht overwaardig. Het is voorgekomen, dat de geniale Cervantes zijn realis-tischen „Don Quichotequot; schreef, toen de verhalers van ridderavonturen in de eindelooze reeks der Amadissen, der Palmerijns en der Primaleons al de perken der wildste phantasie met voeten hadden getreden. Hier heeft iets geheel anders plaats. Hier stellen de naturalisten een romantischen Don Quichote als satyre tegen hunne vijanden, de ver-smaders van de naturalistische kunstrichting. Léon Hen-nique leest den ouden Dumas, Alfred de Musset, Eugène Sue, Lamartine, Victor Hugo, Paul Péval en de geheele phalanx der romantische auteurs van 1825 — 1860. Hij besluit een boek in hun geest en in hun stijl te schrijven. „Mon seul but, en l\'écrivantquot; — zegt hij aan \'t slot \'van zijne voorrede — „a été de m\'offrir une satisfaction: celle de prouver que, comme tant d\'écri-vains convaincus de leur impeccabilité on aurait pu faire du romantisme.quot;
Te toonen, dat men al de handigheden en loopjes der romantische school zonder moeite kan nabootsen, werd de poging van den naturalist, wiens arbeid — en terecht — met ernst was gegispt. Even mislukt en zwak als „La Dévouéequot; is geschreven, even krachtig en talentvol zijn „Les hauts faits de Monsieur de Ponthau {Henrico quarto regnante)quot; samengesteld. Het boek is niet episch, maar dramatisch van vorm en uitsluitend in gesprekken vervat, zooals onlangs de nieuwe roman van mevrouw Bosboom-Toussaint. Een bijna ontelbaar personeel treedt op. De hoofdgedachte der fabel is, dat de graaf Jacques de Ponthau, buitengewoon ijverig Hugenoot, ten platte lande en te Parijs aan \'t hof van koning Henri IV, ieder voorbijganger tot het protestantisme poogt te bekeeren. De vernuftige heer de Ponthau is een
DE HELDENDADEN VAN DEN VEBNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 89
Hugenootsche Don Quichote, die plechtstatig met zijn knecht Jonathas langs velden en wegen voortschrijdt, om in de overdrevenste taal ieder tot bekeering op te wekken. Met groot talent zijn stijl en manier der romantische school gevolgd. Eenige staaltjes zullen er het best bewijs voor leveren.
Wy zijn in het woud, bij een open plek vol weelderig gras, lelietjes-der-dalen, boterbloempjes en madeliefjes. Natuurlijk gaat de zon onder en schittert zy tusschen de takken en bladeren als de vlammen van een reusachtigen brand. Twee boeven, Lariflette en Barrabas liggen onder een groep jonge eiken. Barrabas heeft rosachtige haren en geiykt op een „verloopen Christus,quot; verbrand door de zon, gehavend door weer en wind. De boeven zijn gekleed met „belangwekkende lompenquot; en „sinistrement ar mésquot;. Uit hun gesprek blijkt, dat zij straatroovers zijn, en dat Barrabas tevens het beroep van tooneelspeler en dichter uitoefent. Deze laatste schijnt zich er op toegelegd te hebben parodieën op Alfred de Musset te voltooien. Hij draagt een amoureus liedeke voor, waarvan het eerste couplet luidt als volgt:
„Nous vivions dans le même bouge,
„Ses yenx verts luttaient de splendenrs „Avec sa chevelure rouge,
„Bouquet de gaillardes odeurs.
„Au moral, c\'était une gouge,
„Qui méprisait fort les grandeurs.quot;
Een eenigszins beschonken boer. Vincent, komt zingend te voorschjjn. De beide boeven vatten hem aan. Hij schreeuwt om hulp. Er knalt een schot. Lariflette valt, Barrabas vlucht. De graaf de Ponthau verschijnt, gevolgd door Jonathas.
De Ponthau is slank, hoog van gestalte. Hij heeft blauwe oogen, „krachtige,quot; maar „onzekerequot; oogen; omgekrulden knevel naar de mode dier dagen, een zilverblonden baard, en fijne, bijna vrouwelijk fijne gelaatstrekken. Ondanks dit alles schijnt hü onverschrokken en „ontembaarquot;. Zyn wambuis van paarsch fluweel is wat versleten, zijn hooge, nauwe laarzen van bruingeel, plooizaam leer reiken ver boven de
90 DE HELDENDADEN VAN DEN VEBNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
knieën. Zfln vilten hoed is kastanjebruin zonder veeren. Een vervaarlijk rapier met breede handgreep prijkt aan zijne zijde, hij draagt aan zijn gordel een bijbel. Jonathas, een soort van reus, met een degen en twee pistolen, volgt zyn meester.
Nadat de Ponthau den boer Vincent gered heeft, nadat de boeven gevlucht zijn, vangt het volgende gesprek aan;
Vincent (de handen kussend van de Ponthau). O, meneer, u heeft mij een onschatbaren dienst bewezen!
De Ponthau. — De Heer is almachtig!
Vincent. — Mocht u het eenmaal worden, edele Heer! Welk eene dankbaarheid ben ik u schuldig.
De Ponthau. — God is goed!
Vincent. — Evenals u, edele Heer!....
De Ponthau. — Hoe is je naam, deugniet?
Vincent. — Vincent, om te dienen, edele Heer!
De Ponthau. — Tot welke kerk behoorde je vader?
Vincent. — Tot de katholieke kerk, edele Heer!
De Ponthau. — Tot de roomsch-katholieke kerk.... En jij, waar hoor jij toe?
Vincent. — Tot de kerk van mijn vader!
De Ponthau. (Vertoornd). Je godsdienst is een weefsel van ongerechtigheden!
Vincent. (Maakt het teeken des kruises). Maar, edele Heer! dat is God lasteren!
De Ponthau. — De volheid der tijden is gekomen! Ik wil, dat een zuiver licht uwe blindheid met vrome stralen verlichte! Denk aan je bekeering!
Vincent. — Aan mijne bekeering?
De Ponthau. — De hervormde godsdienst is de eenige godsdienst!
Vincent. — De godsdienst van Luther en Calvijn? Geuzen, wier boeken men in \'t openbaar heeft verbrand! Edele Heer! ik ben een goed katholiek en het spyt me bijzonder, dat de redder van mijn leven gemeene zaak maakt met de vijanden van mijn geloof!
(Het wordt nacht).
De Ponthau. — Maar ik zeg u, dat, wijl God mü deed toesnellen, om u te redden, ik zeg u, dat, wijl God mij uwe
DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 91
wanhopige kreten deed hooren, het duidelijk blijkt, hoe de Almachtige u de oogen wil openen!
Vincent. — Ik luister niet meer naar u!
De Ponthau. — En ik zeg je nogmaals, als je de stralende stroomingen der waarheid niet wilt aannemen, dat je laatste uur geslagen heeft.
Vincent. — Maar wie is u dan?
De Ponthau. — Mensch, ik kwam hier aansnellen, toen je den dood voor oogen hadt! Gehoorzamende aan de stem des Hemels reikte ik je de hand, je verstiet ze. Dit uur is plechtig; reeds omringt ons de duisternis van alle zijden! Je was aangewezen om gered te worden, je hebt niet gewild! (Hij trekt zijn degen). Bij den Hemel, die mij hoort, betuig ik, dat je den blik van liefde, welken de Almachtige uit de vlammende wolken op je gevestigd had, hebt veracht. Mensch, ik voltrek het noodlot, \'t welk je dood wil! (Rij steekt hem naar het hoofd. Vincent valt). Zoo moge de logen vergaan! (Bij \'wischt zijn rapier af aan de kleeren van Vincent). Dat dit bloed stroome over zyn aangezicht!
In een adellijk park onder hooge boomen klinkt nu een dm d\'amour tusschen den jongen graaf de Helly en mejonk-vrouw Hélène de G-hestelles. De laatste is de dochter van een Hugenoot, de eerste katholiek. Koning Henri IV verheugt zich over hun huwelijk, waardoor de oude haat der godsdienst-oorlogen zal worden geboet.
Iets verder ligt eene rijke hoeve. De eigenares la Par-paillotte vertelt aan hare dochter Suzanne en aan een boerenknecht Jean Pot, hoe de papisten het huis van haren vader in brand hebben gestoken, hoe beide ouders zijn omgekomen. De graaf de Ponthau treedt binnen en leest aan zijne mede-Hugenoten eenige verzen uit Mattheus XIX voor. Kemelen zullen eer door het oog van een naald gaan, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen, herhaalt hij en grijpt een zilveren lepel. Hij gelast zijn knecht Jonathas het overvloedige tafelzilver weg te nemen. Er ontstaat een gevecht. La Parpaillotte beveelt, dat men de Ponthau eerbiedige. Jonathas verzamelt zilveren bekers, vorken en lepels, ten einde, naar het zeggen van zijn meester, de
92 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
schatten der Philistgnen te werpen in het diepst van een afgrond.
La Parpaillotte stelt hare dochter Suzanne aan den graaf voor. De Ponthau prijst hare schoonheid, de leliën van Venus met de rozen van den morgenstond op hare wangen. Hij neemt zijn intrek in de hoeve.
Te Parijs ligt in eene armoedige cel de priester Mazaroz voor een crucifix gebogen, terwijl hij het besluit neemt een moordaanslag op koning Henri IV te wagen.
De Ponthau en Jonathas klagen er over, dat zij in den laatsten tijd zoo weinig ongeloovigen hebben verslagen. De meester huwt Suzanne aan zijn knecht uit. In een prieel der hoeve heeft het volgend gesprek plaats:
Suzanne. Edele Heer! Ik breng u cider! Men zegt, dat hij uitstekend is!
De Ponthau. — Dank je, lief kind! {tot Jonathas). Schenk in!
Suzanne. — Is er nog iets van uw dienst?
De Ponthau. — Ja, blijf hier! Heb je een oogenblik den tijd?
Suzanne. — Tot uw dienst, edele Heer!
De Ponthau. — {Een zetel aanschuivende). Zet je hier bij me en laat ons als oude vrienden spreken. Zullen we vrienden worden ?
Suzanne. — O, edele Heer! dat is te veel eer!
De Ponthau. — Volstrekt niet! Iedere vrouw, in welken stand ook geboren, heeft recht zich gelijk te stellen met den fiersten edelman!
Jonathas. — Wanneer ze er ten minste zoo knap uitziet als zij !....
De Ponthau. — Zwijg zotskap! Ik weet wat ik zeg. (tot Suzanne): Bloos niet, anders durf ik je niets te vragen en ik had juist besloten je eene heel vertrouwelijke vraag te doen.
Suzanne. — Eene vertrouwelijke vraag?
De Ponthau. — Ja. (Fluisterend, zich tot haar voorover, buigend). Heb je dien Jean Pot lief, welken ik daar zooeven zag voorbijgaan ?. Spreek vrij uit en vertrouw me als iemand, die het goed met je meent.
DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 93
Suzanne. — Ach, edele Heer! Ik dacht, dat ik hem liefhad, maar ik zie nu wel, dat ik mij vergiste.
Jonathas. — Bravo! Dat dacht ik wel.... Zoo\'n lomperd !
DePonthau. — Heb je iemand anders lief?
Suzanne. — (Blozend). Neen.
Jonathas. — Duivels! dat treft hij!
De Ponthau. — Bedaard wat, Jonathas! \'t Is net of je Suzanne al tien jaren kent.
Jonathas. — (met geestdrift) Wat my betreft....
De Ponthau. — Zwijg, of ga heen! [tot Suzanne)-. Het doet me heel veel plezier te hooren, dat de vork zoo in den steel zit. Ik kon niet begrijpen, dat een knap en aardig meisje, als jij, zin had in zoo\'n domkop!
Jonathas. — In zoo\'n vlegel!
De Ponthau. — Suzanne, ik zal beletten, dat je met hem trouwt!
Suzanne. — Beletten, edele Heer?
De Ponthau. — Ik zweer je, als je \'t wilt, vandaag dien Jean Pot te doen wegjagen!
Suzanne. — Wegjagen! Neen, dat hoeft niet. Ik heb geen hekel aan hem!
De Ponthau. — Je zult over me tevreden zijn! Ik heb goede plannen en zal voor je zorgen!
Suzanne. — Edele Heer! Mijne dankbaarheid....
De Ponthau. — Ik eisch geene dankbaarheid, lieve Suzanne! alleen een vriendelijken glimlach.... — Dus zijn we het eens — ik zal er voor zorgen, dat je niet trouwt, en jij zult me helpen.
Suzanne. — Ja, edele Heer!
De Ponthau. — Laat ons dit verbond bezegelen! (Hij kust haar op heide wangen).
Jonathas. — (ter zijde) Duivels! Hij omhelst haar en ik zou met haar trouwen!
De knecht is maar half tevreden over zijn meester.
Op hunne morgenwandeling ontmoeten beiden een armen blinde, die om een aalmoes bidt. Jonathas geeft op zyns meesters bevel geld en deze laatste gevoelt lust een mirakel
94 DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
te doen. Hy legt de handen op de oogen van den blinde en roept den Hemel aan. Maar de blinde blijft blind.
De graaf de Ponthau is zoo getroffen, dat hij begint te twyfelen. Maar zijn knecht herinnert hem, dat dit eene beproeving des Hemels is. De graaf herleeft en gordt zich aan tot nieuwe heldendaden; zijn naam zal eene echo vinden in het Paradijs.
In de nabijheid der hoeve ontmoet de Ponthau den jongen graaf de Helly. De beide edellieden maken kennis. De Helly antwoordt op de herhaalde vragen van de Ponthau, dat hij katholiek is en aanstonds ziet hij zich door meester en knecht bestormd, om zich te bekeeren. quot;Weldra komen de degens te voorschijn. De tusschenkomst van la Parpail-lotte en Suzanne maakt een eind aan \'t gevecht. De beide edellieden besluiten den strijd later voort te zetten. Zoodra de vernuftigen heer de Ponthau verneemt, dat de katholieke de Helly zal huwen met de Hugenootsche jonkvrouw de Ghistelles besluit hij dit verfoeielijk plan te doen mislukken.
III.
Het tweede deec/ van dit dramatisch epos brengt naar het kasteel van den baron de G-histelles. De graaf de Helly verhaalt aan welken dollen aanval hij het hoofd heeft geboden. Daarop komt de Ponthau gastvrijheid vragen. De oude baron de Ghistelles is een wapenbroeder geweest van de Ponthau\'s vader, beide Hugenoten. De Ponthau verhaalt, dat hij roeping gevoelt het Evangelie te prediken, dat hij al zijne goederen en landerijen aan de armen heeft uitgedeeld; dat hij den afval van koning Henri IV bejammert, dat hy de witte pluim van Ivry niet meer heeft zien wapperen; dat de politiek, „cette bouffbnnerie,quot; tot groot nadeel is geweest voor het waarachtig geloof.
De oude baron de G-histelles verzekert, dat bij deze woorden het oude Hugenotenbloed weder door zijne aderen vloeit. Er grijpt eene plechtige alliantie plaats tusschen beide edelen.
De Ghistelles (de rechterhand uitstrekkend). Ik, Eobert,
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 95
baron de Ghistelles en heer d\'Audreville, diep getroffen door de tegenspoeden, die mijn geloof treffen, sluit een vasten bond met den heer graaf de Ponthau.
De Ponthau. — (de rechterhand uitstrekkend).!^, 3 a.c(^\\iQS, graafde Ponthau, graaf de Piennes, baron de la Marche, ik zweer bondgenootschap met Robert, baron de Ghistelles heer d\'Audreville. Dat God ons bescherme!
Daarop besluiten beiden naar Parys te gaan en den koning Henri IV te winnen. Mejonkvrouw de Ghistelles zal hen vergezellen en met hare bovenaardsche schoonheid den koning helpen betooveren.
Er volgt een onderhoud tusschen Hélène de Ghistelles en de Ponthau. Deze laatste overtuigd de jonkvrouw, dat haar huwelijk met de Helly onmogelijk is.
Intusschen ontmoeten de Ponthau en Jonathas op een uitstapje te paard eene processie in eene dorpsstraat. De priesters naderen zingend:
„Pange lingua gloriosi „Corporis mysterium,
„Sanguinisque pretiosi,
„Quem in nmndi pretiura „Fructus ventris generosi „Rex effudit gentium.quot;
Jonathas. — Meneer, zie dien priester daar met dat kruis! quot;Wat is hij corpulent! \'t Lijkt wel een ton met een stool er over!
De Ponthau. — Jij bent een millioen maal knapper dan hij, Jonathas! De processie nadert en zingt:
„Per tuas seinitas „Due nos quo tendimus „Ad lucem quam inhabitas.
Amen!quot;
Jonathas. — O, meneer! Wat al ongerechtigheden op deze aarde! Wij zfln toch niet in de wereld gekomen, om elkaar in den weg te loopen.
96 DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
De Ponthau. — Die gekken zouden een kostelijke offerande zijn voor den Heer....
Jonathas. — Kostelyk, meneer!
De Ponthau. — We zullen hier blijven wachten. {Zij houden met hunne paarden stand, tien passen van een straataltaar). Heb je wel eens gezien, hoe de hagel in een veld met bloeiend graan slaat?
Jonathas. — De hagel verbrijzelt, vernielt, verwoest!
De Ponthau. — Als we zoo eens midden in die dwazen vielen!
Jonathas. — Met plezier!
De Ponthau. — Wacht maar! Ze zullen ons wel gelegenheid geven. Ze zien ons met dreigende blikken aan. Wij hebben toch niets bijzonders aan ons, om de papisten gaande te maken! Pas op!
(Be muziek begint te spelen).
Een priester (hij het altaar):
Panem de eoelo praestitisti eis.
Koorknapen:
Omne delectamentum in se habenttti»;
Stemmen uit het volk. — Zegt eens, heeren ruiters! Hoeden af!
De Ponthau. — (tot Jonathas) Druk je hoed in je oogen!
Stemmen uit het volk. — Pas op de steenen! — Naar den brandstapel met die ketters! — Hoeden af! — Naar den brandstapel!
De Ponthau. — Volg mijn voorbeeld, Jonathas! Die dwaasheden zijn soms Gode welbehagelyk! Met het plat van den degen, Jonathas! (Hij trekt zijn degen, geeft zijn paard de sporen en springt midden in de processie, gevolgd van Jonathas). Hoerah, Ponthau! Hoerah!
Jonathas. — Hoerah! Ponthau! (Smart- en wanhoopskreten. De ruiters verdwijnen in de verte).
Stemmen uit het volk. — Houdt hen tegen! Houdt
DE HELDENDADEN VAN DEN VEBNUFTIGKEN JONKH. DE PONTHAUquot;. 97
hen tegen! — O, mijn arm! — Mijn been is gebroken! -Vervloekte kerels 1
Eene moeder. — Mijn meisje! — Mijn lief meisje! Ze hebben myn kind vermoord! — Daar ligt ze! — De paarden hebben op haar gezichtje getrapt! — Mijn kind! — Er kleeft bloed aan haar haar! — Myn lief kind! — Geef mij myn kind weerom! Wraak, wraak! De ellendelingen! Ze beweegt zich!
Inmiddels is de vernuftige graaf de Ponthau met zyn knecht op het kasteel van den baron de Ghistelles teruggekomen. Het huwelijk van Hél ene met de Helly wordt verbroken. De Helly daagt de Ponthau uit tot een duel d mort.
Barrabas, de bewonderaar van Alfred de Musset, trekt met zijne mandoline naar Par\\js en neuriet:
„Veux tu que ce jour soit un jour de fêteV „Kose de ma vie, ame de ma chair,
„Ton amant est fou de joie, es-tu prête?
„Mets ta jupe et prends ton sourire clair.quot;
Weldra komen de Ponthau en de Helly duelleeren. De Helly wordt doodelijk getroffen. Daarop vertrekt de baron de Ghistelles met Hélène en de Ponthau naar Parys. Onderweg ontmoet het gezelschap Barrabas, die zingend een aalmoes poogt te winnen; hij heft ter eere der reizigers aan:
„Tin, tin, tin,
„Chaque chose dans la vie „A son matin.
„Tin, tin.
„La mort ne me fait pas envie.
„Mon ardeur est inassouvie.
„Ainsi chantait une catin.quot;
Het derde deel der Heldendaden van den vernuftigen jonkheer de Ponthau brengt de handeling over naar het Louvre. De koningin Maria de Médicis zit naast haar neef Vir-ginio Orsini. De koning Henri IV spreekt met Concino Concini, den hertog de Bellegarde, en andere hovelingen.
L 7
98 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUPTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
Onder de dames is aanwezig Henriette d\'Entraygues, markiezin de Verneuil en Léonora Dori. In dit gezelschap wordt de baron de Ghistelles, zyne dochter Hélène en de graaf de Ponthau aan den koning voorgesteld.
Koning Henri IV bewijst bijzondere oplettendheden aan den graaf de Ponthau. Hij roept luide uit: „Wat ben ik blij je te zien, Jacques!quot; De koningin wil Hélène de Ghistelles hofdame maken; de koning eischt haar vader op voor zyn geheimraad. Alleen de Ponthau weigert elke gunst.
De biechtvader des konings laat in zyne cel een Spaansch jezuiet Mariana en den priester Mazaroz samenspannen, om een aanslag op koning Henri IV te beproeven.
De Ponthau wordt begunstigd door een briefje van Henriette d\'Entraygues, markiezin van Verneuil. Hij weigert aan hare uitnoodiging gevolg te geven, maar verschijnt toch eindelijk in haar paleis. De uitkomst van hun samenzijn is, dat de Ponthau de schoone hofdame bekeert tot de hervormde kerk.
Nu bezoekt de dappere jonkheer de Ponthau de Notre-Dame. Er wordt eene mis gelezen. Eene oude vrouw spreekt hem aan en verhaalt veel van de schoonheid harer nichtjes. Een jonkman vraagt hem, wie er preeken zal. De Ponthau gevoelt zich diep vernederd, omdat de stem van Henriette d\'Entraygues hem in het verderf lokte. Hij wil boete doen. Nu grijpt het volgend tooneel plaats.
De Ponthau. Ik ben hier niet door toeval gekomen! Ik wil mijne fout herstellen! Deze tempel moge instorten, maar dat hij dan ook de vijanden des Heeren verdelge. Henriette d\'Entraygues, verloren en behouden vrouw! Ik wil, dat de faam u berichte op welke wijze ik mü gestraft heb voor uwe omhelzingen! Heilige Geest! daal in mij neer, of verheerlijk mij met een straal van uw licht!
Een jonkman. Mijnheer, ik hoor, dat monseigneur de Soissons zal preeken.
De Ponthau. Dank u! (ter zijde) Het wordt tijd! (Hij gaat naar den preekstoel en klimt er op. Nauwelijks vertoont hij zich of hij zet zijn hoed op. Hij wordt gezien. Een kreet van verbazing ontsnapt aan de geloovige menigte).
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 99
De Ponthau (mei donderende stem): Stilte daar ginder! Laat het orgel zwijgen of ik schreeuw nog harder! Hoort het woord van den waarachtigen God! Hij zal door mijn mond spreken.
Een vreeselijk stilzwijgen in de cathedraal. De priesters keer en zich ontsteld, om. De Ponthau gaat voort:
Ketterij bevlekt u! Uwe broeders hebben mijne broeders, de Hugenoten, vervolgd, gemarteld, vermoord als wilde beesten. Denkt om den Bartholomeusnacht! Uwe woede heeft niets gespaard! Vrouwen, kinderen, grijsaards zijn gevallen! De Seine heeft de bloedige lijken voortgestuwd! Duizenden kadavers zyn den stroom afgedreven! Het mededoogen des Hemels is uitgeput! Bekeert u!
Stemmen uit het volk. — Genoeg! — Waar komt die gek vandaan? — Hij moet weggejaagd worden! — \'t Is heiligschennis !
De Ponthau. - Bedenkt het wel, dat gij in naam van den God der eendracht hebt gehandeld! Vergelijkt den omvang van uwe misdaden met den tjjd, welken gy nog hebt te leven, en, zoo u genade wordt geschonken, tracht dan te begrepen, dat de goedertierenheid des Heeren onuitputtelijk is.
Stemmen. — Weg met den Geus! — Hij is dronken! — Weg met hem, weg met hem! (Men loopt naar den preekstoel en omsingelt hem).
De Ponthau (zijn degen trekkende). Terug, terug! Of er zullen slagen vallen! Denkt men, dat ik een kind ben? (Rij houwt naar den dichtstbijstaanden persoon. — Men verneemt een verschrikkelijken kreet).
De getroffene. — Ellendeling! Mijn hand bloedt! Uit den weg! Uit den weg! Hij wil me vermoorden! Uit den weg! (De menigte stormt de trap van den preekstoel, huilend van schrik, weer af. Vrouwen vallen in onmacht).
De Ponthau. — De eerste, die mij aanroert is een kind des doods. Luistert, naar hetgeen ik u nog te zeggen heb! Gaat in uwe huizen terug; bedekt uwe hoofden met asch; houdt vastendag! Zij, die gij gemarteld hebt, rekenen op uw berouw! (Eene tweede nog dreigender menigte stormt opnieuw naar den preekstoel).
100 DE HELDENDADEN VAK DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
Stemmen. — Grijpt hem! — Bindt hem, hier zijn touwen! — Gauw! Gauw! — Haalt de wacht. — Dat kan zoo niet langer duren! — quot;Weg met den Geus! weg met hem!
De Ponthau. — Dan zullen we er om stryden! De dagen der hekatomben zijn teruggekeerd! (Hij slaat herhaaldelijk naar de menigte. Vreeselijke kreten stijgen omhoog. Eindelijk grijpt hem het volk en rukt hem zijn degen af. De Ponthau valt, men sleurt hem van den preekstoel).
Stemmen. — We hebben hem! We hebben hem! — Waar zijn de touwen? — Slaat hem dood!
De Ponthau. — Gode zy gedankt! Gode zy verheerlijkt! Ik sta weer! {Hij rijst met bebloed gelaat op). Hoe zou ik er op in hakken, had ik mijn degen! (Men bindt hem aan eene zuil te midden van woedend geschreeuw. Een officier komt met soldaten).
De officier. — Laat de passage vrij! Waar is de man in quaestie? (De Ponthau ziende). U, hier, meneer de graaf? (tot de soldaten) Houdt het volk op een afstand, (tot de Ponthau) Er vloeit bloed over uw gelaat....
De Ponthau. — Een paar schrammen, anders niet! Help me, meneer! om dat kanalje te verpletteren!
De officier. — Ik heb er het recht niet toe, heer graaf! Verschoon me! En doe nu, alsof u mij volgt - zoo dadelijk zal ik u weer op vrije voeten stellen! (Hij maakt hem los).
De Ponthau. — Ik ben u zeer verplicht.
De menigte. — Hangt hem op, hangt hem op! Naar de pijnbank! - Waarom spreekt die officier met den hoed in de hand tot dien schurk?
De officier (tot de soldaten). Vooruit!
De menigte. — Wij gaan mee! Naar de Bastille!
Zoodra de Ponthau aan dit gevaar ontkomen is, begint hy zich te tuchtigen, steeds wegens het onderhoud, met de gedoopte Henriette d\'Entray gues. Hij zingt een Miserere mei, Domme.\' en snijdt met een dolk zijn borst open, zoodat er zich een bloedig kruis vertoont. Jonathas volgt uit louter ijver zijn voorbeeld. Het bloedverlies stort de Ponthau in eene zware ziekte. De baron de Ghistelles komt hem berichten, dat de koning aan Hélène te veel oplettendheid bewijst.
DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 101
Langzaam herstelt de Ponthau. Jonathas brengt een kreupele bij zijn meester, welke laatste in een heerlijken tuin den naam van den Almachtige naast dien van Hélène de Grhistelles aanroept. De kreupele is een looze bedrieger, niemand anders dan Barrabas, de geestige dichter. Hij heeft zijne beenen in een zak gebonden. De Ponthau is vol heiligen ijver en beveelt den quasi-kreupelen zich voor te bereiden in gebeden en berouw. Iedere traan van waarachtig berouw valt op de gouden klok van het paradijs en doet haar klinken. Daarna beveelt de Ponthau aan Barrabas in naam van den levenden God op te staan en te loopen. Jonathas bevrijdt den schelm van zijn zak. Het mirakel is voltooid. De Ponthau weent in stilte. Barrabas treedt in dienst van den vernuftigen Jonkheer.
Koning Henri IV toont zich genadig voor de Ponthau, ondanks zijn zonderling gedrag in Nötre-Dame. De priester Mazaroz verschuilt zich achter eene deur van het Louvre-paleis. Jonathas, die nieuwsgierig is en den koning van aangezicht tot aangezicht wil bewonderen, kruipt weg achter de andere helft der deur. Zoodra hij den priester ontdekt, waarschuwt hij zijn meester. De Ponthau komt aangevlogen en wil den priester in hechtenis nemen. Op dit oogen-blik verschijnt de koning. Edelen omringen hem van alle zijden. Te midden van de menigte wil Mazaroz met een dolk op den koning losstuiven, maar de Ponthau grijpt hem bü de keel en rukt hem den dolk uit de hand.
De hofstoet heeft zich met Henri IV verwijderd. Alleen de Ponthau blijft bij den priester. Niemand, behalve hij, heeft den aanslag ontdekt. Daarom beveelt by Mazaroz hem te volgen. De Ponthau en de priester vangen nu een gesprek aan over de hervorming en over vorstenmoord. Mazaroz betoont geen berouw over zijne daad. Daarop wordt hij met stokslagen door de Ponthau en Jonathas gedood. Te midden van dit heldenfeit komt een jezuïet. Je pèrequot; Cotton, naar Mazaroz vragen. Meester en knecht wijzen hem op het lijk.
Barrabas beveelt zich by zijn nieuwen meester in de kunst van verzen te maken, vooral bij galante gelegenheden.
102 de heldendaden van den vernuftigen jonkh. de ponthau.
Om aan de Ponthau een bewys van zyn talent te geven, draagt hij hem het volgend madrigal voor:
„Un oiseau qui chantait, chantait comme ta voix.
„J\'ai respiré ton souffle épars dans l\'air des bois.
„Tes grands cheveux, pleins d\'ombre, ondoyaient dans ma fièvre.
„Quelque chose au soleil luisait comme ta lèvre,
„C\'était le petit fruit rouge d\'un églantier.
„Un chène se dressait comme ton corps altier;
„Autour de lui, ton rire avait fleuri dans l\'herbe.
„La brise au loin sifflait un air doux et superbe.
„Des lis émus penchaient leurs fronts couleur de miel,
„Et j\'eus la vision de tes yeux par le ciel.quot;
De Ponthau oordeelt dit gedicht belachelijk. Hij wil geen verzen van zijn knecht, als edelman en geletterde kan hij ze zelf oneindig beter maken. Alleen gebleven besluit Barrabas zich over zooveel wansmaak te wreken door onmiddellijk den dienst des heeren de Ponthau te verlaten. Nu men zijn dichterlijk genie miskent, wil hij geen minuut langer onder de bevelen van den bedrogen wonderdoener staan.
In het Louvre grijpt een hevig tooneel plaats tusschen den koning en de Ponthau. Henri IV betuigt zijne liefde aan Hélène de G-histelles, maar wordt telkens door den ijverzuchtigen edelman gestoord. Eindelijk barst de koning in toorn los tegen den onverbiddelijken de Ponthau, die met ongenade en straf wordt bedreigd. De graaf de Helly verschijnt, hersteld van zijne wonden. „Le pèrequot; Cotton komt de Ponthau aanklagen. De koning schrijft daarop het volgend bevelschrift:
„Ordre est donné a M. le comte de Ponthau de quitter Paris dans les douze heures. Défense lui est faite d\'approcher a plus de quarante lieues de la capitale.
Henri,
Roi de Prance et de Navarre.quot;
IV.
Het vierde bedrijf van dit tragicomisch epos speelt aanvankelijk in de nabijheid der hoeve van la Parpaillotte.
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUPTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 103
Suzanne is melancholisch gestemd en bekent aan hare moeder, dat zij den graaf de Ponthau liefheeft. Jonathas komt moeder en dochter bezoeken en vraagt Suzanne ten huwelijk. Maar het jonge meisje bekent, dat zy alleen aan den graaf haar hart heeft geschonken. Jonathas stort bittere tranen. Zijn hart wordt in bloedige flarden gescheurd.
De Ponthau treedt op. Hi] wil aanstonds de verloving tusschen zyn knecht en Suzanne doen plaats grijpen. Maar beiden weigeren.
Ook de baron de Grhistelles is in ongenade gevallen bij den koning en met zijne dochter in zyn kasteel teruggekomen. Hij overlegt met de Ponthau welke maatregelen ze thans zullen nemen. Zij smeden een komplot, om met een paar honderd Hugenoten den koning uit zyn paleis op te lichten.
Intusschen is de strenge graaf de Ponthau op zijne beurt getroffen door de bekoorlijkheden van Hélène de Ghistelles. Z\\ine onuitgesproken liefde martelt hem. Somtijds schijnt het of de hartstocht hem de rede ontneemt. Weldra ontmoet hij des morgens in het park van Grhistelles de schoone jonkvrouw. Op eene bank onder twee hooge boomen uitrustend, treedt Hélène hem nader. Begraaf is gekleed in een wambuis van blauwe zijde met geel afgezet. Zijn zwarte vilten hoed is met gele, zwarte en blauwe pluimen versierd. Nu grijpt het volgende gesprek plaats.
De Ponthau. — Ik ben geen man als andere mannen. Je weet niet welke denkbeelden er in mijn hoofd rijzen. Je kunt niet begrijpen welke plannen my bezighouden en verontrusten. — Ik was geboren om koning te zjjn — kijk, zie daar ginds!
Hélène. — Wat is er?
De Ponthau. — (Verward) Zie je die twee vlammende oogen?
Hélène. — Wat scheelt er aan?
De Ponthau. — Dat is myn geweten, het ziet mij aan! Zie dien somberen vogel, die daar opvliegt? Het is myn ziel!
Hélène. — (Sidderend) Ik word bang!
De Ponthau. — Maak ik u bang, ik, die u met een droeven glimlach aanzie, ik, die uw vriend zou willen zijn....
104 DE HELDEMDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
want je bent de vrouw, die ik onder al de vrouwen my heb uitgelezen!
Hélène. — (Ontsteld) God, hoe vreemd ziet hy mij aan!
De Ponthau. — Vlucht niet, ik verbied het je! Nu ben je in mijne macht, ga nu niet heen!.. .. Hoor me, zonder schrik.... Houd je me voor een gek misschien! Geef mij de hand! (met onnavolgbare zachtheid)). Geef mij de hand.... ik wil het.... Op Gods bevel zullen wij dus huwen .... Wanneer zullen wij gaan?.... Dadelijk ?. ... Wat ben je schoon!.. .. Myn kasteel is niet groot, maar er bloeien rozen, om je te tooien. Midden in het bosch is mijn kasteel! Kom, laat ons heengaan op twee wilde paarden, zwart als de nacht — laat ons vliegen door de hooge bosschen, onzen tocht afwisselend met onze vurigste omhelzingen! Hoe rijk en heerlyk zijn uwe lokken, mijne Hélène! Kom! Ik heb je lief!quot;
Na eenige oogenblikken ontwaakt de Ponthau uit zijne geestverrukking en smeekt hij de jonkvrouw om verschooning voor zijne woestheid. Suzanne bespiedt hen en gaat in allerijl den graaf de Helly waarschuwen, die Jonathas juist\' in verhoor heeft genomen. De knecht is woedend op zijn meester, daar deze de liefde van Suzanne heeft gewonnen — hü bekent alles wat men wil. Nu vliegt de graaf de Helly met zijne mannen naar het park, om de Ponthau te grijpen. Jonathas verraadt als Judas zijn meester. Deze heeft Hélène willen schaken, maar wordt door de Helly gestuit. In het gevecht zinkt hij zwaar gewond ter aarde. De baron de Ghistelles verwijt de omstanders, dat zij de Ponthau hebben getroffen. De Helly verschijnt met een rechter, die zoowel Jonathas als de Ponthau in hechtenis neemt.
Het vijfde bedrijf toont den kerker van den avontuurlijken graaf. De baron de Ghistelles weent in de armen van de Ponthau, en betreurt het, dat Hélène hem hare liefde niet heeft kunnen schenken. Dienzelfden dag zal het hoogste gerechtshof van Parijs zijne zaak onderzoeken. De terechtzitting is uiterst plechtig, de zaal met rood laken behangen, een crucifix aan den muur bevestigd. Tien rechters in zwarte
DE HELDENDADEN VAN DEN VERNUFTIGEN JONKH. DE PON THAU. 105
toga\'s zijn gezeten onder het crucifix. Twintig hellebaardiers bewaken de zaal. De Ponthan wordt ondervraagd. Jona-thas beweert, dat hij met zijn meester drie en twintig onverlaten heeft gedood. De Ponthau voegt er tot schrik der aanwezigen bij: „ Tu oublies ceux qui ont péri dans les b agar res, Jonathas !quot;
De graaf houdt vol, dat hy Gods eer heeft gewroken, dat hij een mirakel heeft verricht, maar hy weigert aan de rechters een staaltje van zrjne tooverkunst te doen bewonderen. Hij eindigt met eene plechtige rede tot de rechters, waarvan het slot aldus luidt:
„Mijne heeren! Gü kent slechts de helft mijner heldendaden! Ik heb processiën uit elkaar gejaagd; ik heb de ongeloovigen in hunne kerken getuchtigd; ik heb in het verborgen aalmoezen uitgedeeld. Ik heb den koning van Frankryk tot het geloof zijner kindsheid willen terugbrengen, tot het strenge en zoete geloof, dat het eenige waarachtige is; ik heb ge. leerd, dat men rijkdom verachten moet; ik heb een kreupele genezen; ik heb myne goederen aan de armen uitgedeeld. Ik beklaag u, mijne heeren! Ik wil niet langer den schijn aannemen, of ik mij verdedig! Mijne goddelijke roeping is onweerlegbaar — ik zwijg!quot;
Naar de gevangenis teruggeleid verwachten meester en knecht hun vonnis. quot;Weldra komen de rechters in de cel en verkondigen, dat de Ponthau zijne titels heeft verloren en zal worden onthoofd; dat Jonathas zal worden opgehangen. Daarna verschijnt een beulsknecht, die niemand anders blu\'kt te zijn dan de ex-landlooper Barrabas, op het punt de beide gevangenen in vrijheid te stellen. Zoodra de Ponthau in den winternacht op vrye voeten staat, maakt h\\j zich meester van Mazaroz, die van zijne wonden genezen is. Zij slepen den priester naar de Seine. Barrabas knoopt touwen te zaam, de Ponthau verklaart zich bereid de biecht van den Jezuïet te hooren. Barrabas zingt:
„Hurlous au bruit du tapage nocturne.
„Egayons nous car l\'aube taciturne
„Limitera le cours de nos exploits.
106 DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
„Echansons blancs des rêves que tu humes,
„Nous voulons tous, cette nuit, sous tes lois „Euiprisonner nos appétits posthumes.quot;
Mazaroz wordt met een rotsblok aan de beide beenen gebonden in de Seine gestort. De Ponthau zinkt in onmacht. Des morgens komen ze bij den kerker terug en na een hartelijk afscheid van Barrabas kloppen zij weer aan, om toegelaten te worden.
Zoodra zij weder gevangen zijn, verschijnt Barrabas, die nu in allen ootmoed bekent, nooit kreupel geweest te zijn. De Ponthau wordt door dit feit een nieuw mensch. Hij verwerpt zijn vroeger geloof. Hy zegt, dat hij in alles gedwaald heeft. Hij heeft het verheven doel van zijn leven gemist. Hij had alleen de menschheid moeten dienen en is door eene valsche leer van het rechte pad afgedwaald. J o n a-thas troost zijn meester met de leer der zielsverhuizing van Pythagoras.
Jo na th as. — Ik laat myn oud lichaam in den steek, als een versleten kleed, en ik neem een nieuw aan. (Na eenig stilzwijgen) O, meneer....
De-Ponthau. — Wat blief je?
Jonathas. — Meneer, we zjjn menscheneters!
De Ponthau. — Houd je me voor den gek, kerel?
Jonathas. — In onze cel, meneer! liggen op een bord de resten van een kuiken, dat misschien eenmaal tot myn familie behoorde.
De Ponthau. — Bekommer je daar niet over, vriendlief! Als je bloedverwant aan het spit gestoken is, dan had hij het wel verdiend!
Jonathas. — Voor een boosdoener moet ik toch zeggen, dat hy vrij malsch was!
De beide veroordeelden ontvangen in den kerker nog een bezoek van la Parpaillotte en van Suzanne. Het jonge meisje komt snikkend aan de Ponthau vergiffenis bidden, omdat ze den graaf de Helly tegen hem heeft opgestookt. Jonathas, op het laatste oogenblik met Jean Pot sprekend, weigert hem te zeggen, waar de zilveren lepels van la Parpaillotte gebleven zijn. De Ponthau vraagt ver-
DE HELDENDADEN VAN DEN VEENUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU. 107
giffenis aan al zijne vrienden. Hy bekent, dat hij gedwaald heeft. Hij vindt zijn dood billijk, omdat hij niet meer in G-od gelooft. Aan den baron de G-histelles, aan Hélène smeekt hij om vergeving. De Helly heeft den koning tevergeefs om genade gevraagd voor zijn vijand. De Ponthau beloont hem, door Hélène en de Helly te verloven onder medewerking van de G-histelles.
Daarna worden de beide veroordeelden naar het schavot gebracht. De Ponthau draagt zijn schoonste kostuum van wit fluweel met goudkleurige kanten. Men trekt voorbij de uitstalling van kramen en kermistenten. Een kwakzalver verkoopt zijne onfeilbare geneesmiddelen. Hij beweert ze uit den Hemel te . hebben ontvangen. De Ponthau glimlacht bitter. Hij is geheel zijn leven niet meer dan die kwakzalver geweest. Bij het schavot scheiden meester en knecht. Eene dichte menigte woont de terechtstelling bij. De beul verzoekt den graaf met de handen zijn lang haar omhoog te schuiven. Zijn bijl opheffend, slaat hij toe, maar scheidt het hoofd niet van den romp. Bedekt met bloed rijst de Ponthau op. De menigte huilt van verontwaardiging. Barrabas grijpt de bijl en doet het hoofd van het slachtoffer vallen. Jonathas wordt gehangen. Onder de toeschouwers geeft eene vrouw den geest — het is Suzanne. In een naburig klooster zongen de nonnen:
„Gloria in excelsis Deo.quot;
Aldus eindigen de heldendaden van den vernuftigen Jonkheer de Ponthau.
Léon Hennique heeft met deze parodie bewezen een schrijver van smaak en belezenheid te zyn. In den strijd tusschen realisten en idealisten op het gebied van den roman, stond het hem vrij uit naam der dikwerf verguisde Kealisten en Naturalisten van het fijn geslepen wapen der ironie gebruik te maken. De romantische school, zoo schitterend bloeiend van 1830 tot 1860, heeft menig verhaal, menig zelfs algemeen bewonderd verhaal, in handen van eene op redelooze
108 DE HELDENDADEN VAN DEN VEBNUFTIGEN JONKH. DE PONTHAU.
wijze toejuichende menigte gelegd, \'t welk zich op zijne wyze niet kan meten met „Les hauts faits de M. de Ponthauquot;.
Letterkundige parodieën zijn van onschatbaar gewicht voor de geschiedenis der letteren. Cervantes versloeg met zyn „Don Quichotequot; een geheel leger van romantische dwazen, en Kinker behaalde met z\\jne spotternyen over Feith meer bijval, dan de arme Rhynvis met al zijne romans en treurspelen. De Braga doodde ten onzent eene talrijke phalanx van middelmatige rijmknutselaars en Jules Janin vernietigde met zyn „Ane mortquot; de geheele club der romantische middelmatigheden, aangevoerd door Eu géne Sue, Frédéric Soulié en Paul Féval.
Bij de hevige aanvallen en de woeste verbittering tegen auteurs als Gustave Flaubert en Emile Zola, van alle zijden gebleken, is het billijk te doen uitkomen hoe de jonge adepten der nieuwe school zich pogen te wreken op hunne letterkundige tegenstanders. Eene artistieke scherts als Léon Hennique in een zeer fraai boekdeel met smaakvolle illus-tratiën onder den titel van „Les hauts faits de M. de Ponthauquot; uitgaf, zal zeker meer voor zijn vernuft pleiten, dan zijne ruwe teekening der werkelijkheid in „La Devouéequot; en in „Les Soirees de Médanquot;. Over dit laatste werk eerlang het woord vragend, voeg ik nog hierby, dat de realis-tisch-naturalistische groep van schrijvers een allergevoeligst verlies heeft geleden door den dood van Gustave Flaubert (8 Mei 1880). Bij zyne begrafenis bleek het duidelijk, dat het letterkundig antagonisme zich steeds scherper doet gevoelen. Taine, Ren an en de jongere Dumas hadden elk een uitvlucht, die hun de moeite spaarde om de teraardebestelling van den auteur van „Madame Bovaryquot; by te wonen. Rondom de lijkkist zag men te Rouaan evenwel niemand der jongeren ontbreken — Emile Zola, Guy de Maupassant, de Goncourt, Paul Alexis, Léon Hennique, Henry Céard, J. K. Huysmans en nog een aantal jongeren bewezen Flaubert de laatste eer.
EEN YONDELSDAG. 109
Tochten naar Muiden. — 19 October 1867. — S Augustus 1880.
Augustus 1880.
Zij, die in October 1867 te Amsterdam de feesten bij de onthulling van Vondels standbeeld hebben bijgewoond, getuigen nog altijd van den machtigen indruk.
Welke feesten, bijeenkomsten, congressen er ook sedert van 1867 tot 1880 zijn gevierd in Nederland, voor mij ruischen nog de melodieën, die op Donderdag 17 October 1867 in de Parkzaal ieders hart veroverden; voor mij fonkelt nog de zonneschijn van Vrijdag 18 October, die des morgens in de hooge gewelven der Nieuwe Kerk zwijgend victorie zong en als met gulden vingeren de plek aanwees, waar eenmaal Vondels stof door een gezelschap van „armequot; poëten was bijgezet; voor mij klapperen nog op den frisschen Octoberwind de vaandels en banieren rondom de tribune bij Vondels standbeeld, gelijk op den blijden dag, toen de voorhang viel en de vorstelijke gestalte des dichters in den vollen, liefelijken zonneglans schitterde, alsof een rand van goud zyn lauwerkrans en schedel omspande.
Mij vooral klinkt nog de afvaartbel in de ooren, of ik nogmaals met een feestelijk getooiden stoomer naar het hooge huis van Muiden ga vertrekken, om den geheelen kring van quot;Vondels vrienden in het gastvrije slot van den Drost, gedurende het tijdvak 1609 — 1637, te herdenken. Gelukkiger plan is nimmer in schooner vervulling gegaan. Nog heugt het mij, hoe heerlijk het slot van Muiden in tooi van vlaggen en Oranje aan de oosterkim voor het verbaasde oog uit zee opdoemde. Nog heugt het mij met welk een geestdrift ik destijds aan vele slooplustige Vandalen uit ons midden, toeriep;
EEN VONDELSDAG.
„Ziet gij daar wel dat kasteel, mijne allerbezadigste heeren! dat kasteel, \'t welk gij gewoonlijk een muffen steenhoop scheldt en voor afbraak wilt verkoopen, ziet gij het wel met zijn rood, wit en blauw en oranje getooid uit zee opdoemen; dat kasteel met zijne ronde torens en grijze kanteelen, dat onwaardeerbaar gedenkstuk uit de geschiedenis van ons wakker volk; kerker eenmaal van een voortreffelijk vorst, lusthof later van een smaakvollen dichter. Ziet gy het wel? Welnu, helpt ons dan, want gij kunt het misschien, helpt ons by den Koning van Nederland, bij zynen Eaad, bij zyne Staatsdienaren, dat het oude Muiderslot in eere hersteld worde, dat bij al de sloopingsgeestdrift onzer dagen een dierbaar monument van vervlogen nationalen letterroem niet gesloopt worde.quot;
Het was een onvergetelijke dag, die dag van 19 October 1867. Al de herinneringen ontwaakten uit het heerlijke tijdvak, waarvan Vollenhove getuigde:
„Dien gulden tijdt moet Holland nooit vergeten!quot;
Het was, alsof nog eens de dag was aangebroken, waarvan de Leidsche dichter Brosterhuyzen aan Huygens schreef: „Ik hoop nae Muyden te trecken alwaer de heer Drossaert de cunst ghedagvaert heeft, om de duyvel een been af te singhen en te rijmen, vrees ik; de jufvrouwen Tesselschae en Francisca (Duarte) sitten der al te quinckeleren.quot; En Tesselschade kwam in Juli 1633, om allen door haar stem het hart in „vier en vlamquot; te zetten, zoodat Hooft haar op 1 Augustus schreef: „Mejoffre, UE. heeft hier haare muilen gelaeten. Dat \'s een leelijke vergetelheit. Want het waer beter, dat UE. de voeten vergeten had en \'t geen daer aan vast is.... Niettemin, deze achteloosheid UwerE. doet ons hoopen, dat wy noch eenigh ander overschot zullen vinden ende mogheiyk uw hart hier in eenighen kamerhoek zal vergeten zijn....quot;
Tesselscha\'s hart klopte daar inderdaad opnieuw den 19aen October 1867. Wij zagen haar allen met bewondering en verbazing. Tesselscha zelve, met diezelfde zielvolle blauwe oogen, dien aanminnigen lach, dat opwaarts gekapte „gouddradigquot; haar, verscholen onder de hagelwitte muts, met
110
EEN VONDELSDAG. Ill
al die teedere bevalligheid, welke eenmaal een Bredero, een Crombaloh, een Barlaeus en wie weet hoeveel dozijnen van anonymi met onweerstaanbare kracht zouden, boeien in het gareel van den almachtigen Eroos. En Tessel-scha (mevrouw A. 0. F. Cuypers —Alberdingk Thym) zong en wekte de oude echo\'s in Muidens ridderzaal....
Onvergetelijk zal dat uur voor allen blijven, die den tocht hebben meegemaakt. Later brak nimmer een hoogtijd aan op het gebied der letteren, met zooveel geestdrift door allen gevierd. Of de „tand des tijdsquot; aan de toegankelijkheid en vatbaarheid voor geestdrift knaagt, of wel, dat de ruime plaats, die de critische vitzucht zich in de laatste beide lustra veroverde — doodeiyk en vernietigend voor alle kunstenaars van middelmatigen aanleg — hier de schuld moet dragen, dit is zeker, dat de Yondelsfeesten van 5 Februari 1879 door my althans niet zoo van ganscher harte werden meegevierd, als die van 1867.
quot;Wel gaf de voorstelling der „Leeuwendalersquot; een heerlijk kunstgenot, wel vierden wij later op het allergezelligst de herinnering aan dezen kunstrijken avond, toen de voorzitter van het Middelburgsche en Kamper taalcongres ons allen aan een gastvrijen disch te Amsterdam vereenigde, maar nog waren de echo\'s van het eerste Vondelsfeest niet uit hare sluimering ontwaakt. Dat dit echter geschieden kan, zal de dag van Dinsdag 3 Augustus 1880 kunnen staven aan ieder, die aan den nieuwen tocht naar Muiden, Amstelveen en Bovenkerk mocht deelnemen.
In Nederland legde niemand vuriger liefde voor Vondels dichterlijke verdiensten aan den dag, dan de man, die eenmaal in eene lofrede op den dichter van den „Luciferquot; zeide: „God schiep onzen Vondel voor de muziek der woorden, gelijk Hij Mozart schiep voor de muziek der tonen.quot;
De heer J. W. Brouwers, thans pastoor te Bovenkerk, heeft reeds vóór 1867 een eerste Vondelsfeest te Eoermond gevierd. Dat hij Mozart en Vondel op ééne lijn stelt zal geen edelmoedig Nederlandsch hart hem verwaten. Dat hij voortging, telkens van zijne liefde voor Vondel te getuigen, zooals op het Antwerpsche congres van 1861; dat hij elke
EEN VONDELSDAG.
gelegenheid aangreep, om over Vondel te spreken, als zijne redevoering over Vondel en Milton in het Haagsche genootschap; „Oefening kweekt kennisquot; staaft, voor dit alles zal ieder edelmoedig Nederlandsch hart hem heuschen dank schuldig wezen.
Nog grooter wordt onze verplichting aan dezen vurigen en talentryken vriend van Vondel door den verleden Dinsdag voltrokken tocht naar Muiden, Amstelveen en Bovenkerk. Mij dunkt, menig Amsterdamsch baliekluiver of dagdief heeft Dinsdagmorgen te elf uur by Schreyerstoren eene aanvechting van nieuwsgierigheid voelen popelen in zyn dikbloedig hart, toen hij den fraai versierden stoomer aan zyne voeten zag volstroomen en eindelek eene phantastische figuur ontdekte, die hem geheel raadselachtig bleef.
Terwijl de Nederlandsche driekleur van den achtersteven wapperde, ontplooide de Amsterdamscho — twee banen van purper en een van sabel met drie zilveren kruisen — zich daarnaast en hulde in hare plooien een hooge figuur, gekleed in het bruin fluweelen kostuum van 1633, met den klephoorn der zeventiende eeuw aan den mond, luid fanfares blazend by den aanvang der reize. De zon strooide bundels van gouden stralen over het IJ, en hulde ginds de „goede, brave, beste stadquot; van Potgieter in een schilderachtig halfdonker als een wolkbank haar licht onderschepte. Vroolijk ging het voorwaarts naar de Oranjesluizen en geen stortbui doofde de opgewektheid der reisgenooten, daar weldra opnieuw het hooge huis van Muiden aan den ooster horizon rees. De Muider straatjeugd had er haar plezier van, vooral wegens den fraai gedosten hoornist. Het slot van Hooft en Vondel is door de hoogere belangstelling onzer dagen aan brutale slooperswoede ontkomen, nu geldt het alleen maar het geld. Als er /\' 10,000 door smaakvolle belangstelling kon worden bijeengebracht, zou de ridderzaal van Hooft in schoonen luister herryzen! Wie zal ons de hand reiken?
Weldra werd de tocht met den stoomer voortgezet langs de Vecht, naar den Amstel, om de plek te begroeten, waar eens het Muzen-torenhof van Hendrick Laurenssen Spie-ghel stond, waar Aernout Drost zelf den twaalfjarigen
112
113
Vondel durfde doen verschünen. De gastheer, die aan alles dacht, had by deze merkwaardige plek een sonet in de hand, waarvan de twee laatste strofen aldus luiden;
„O Roemer, toen gij kwaamt naar dezen Lindeboom
„Met uw drie Dorhtrental, stond toen hier de Amstelstroom
„Niet stil in mijmering en zoet gepeins verloren?
„Och! als wat nóg staa*, van \'t boschaadje \'t woord eens nam!
„Die oude acacia en fiere beukenstam
„Verschaften zangs genoeg voor meer dan negen choren.quot;
Dit was wel het alleraangenaamste van onze bijeenkomst, dat pastoor Brouwers en op den stoomer en in zyne schilderachtige pastorie te Bovenkerk met de gulst aangeboden gastvrijheid het eereambt van minstreel had vereenigd. Ware het samenzijn minder intiem en dus wellicht minder genotvol geweest, ik zoude dan hebben kunnen spreken van andere meesterzangers, die zich aan den disch niet onbetuigd lieten — nu zü het my alleen vergund met diepe erkentelijkheid voor het schoone feest een onzer poëten op het voorbeeld van Vondel na te zeggen;
„ Tierelier, Tierelier,
„Wat had dat feest een zwier!quot;
EEN VONDELSDAG.
Ten voordeele van het op te richten gedenkteeken van Wolff en Deken. — Levensbeschrijving van Betje quot;Wolff door Dr. J. Van Vloten.
Inderdaad — edelmoedig is het goede werk onlangs door den oud-hoogleeraar Dr. J. Van Vloten tot stand gebracht;
114
hij gaf uit „ten voordeele van het op te richten ge-denkteekenquot; — eene monographie van bijna honderd blad-zyden druks onder den titel „Elizabeth Wolff, geb-Bekker. Levens- en karakterbeeld eener groote vaderlandsche vrouw en schrijfsterquot;. (Haarlem, J. De Haan 1880).
Sommige vrienden van Betje Wolff en Aagje Deken hebben er in den laatsten tijd over gedacht een „gedenk-teekenquot; op te richten ter memorie van beide uitmuntende romanschrijfsters, of zoo dit te veel mocht gevorderd zgn van de oude vaderlandsche dubbeltjesvastheid en kalme onverschilligheid voor de letterkundige kunst, dan ten minste een klein monumentje voor Betje Wolff alleen. Dr. Van Vloten heeft reeds bij herhaling van zyne belangstelling in de beide uitnemende vrouwen doen blijken. Hij heeft in 1866 te Schiedam (Eoelants Panthéon) „Het Leven en de uitgelezen verzen van E. Wolff, geb. Bekkerquot; het licht doen zien, weldra gevolgd door „Losse Prozastukken en Brieven van E. Wolff, geb. Bekkerquot;. Hfl heeft er bij herhaling op gewezen dat „het rieten kluisje op Lom-merlustquot; in de Beverwijk, waar beide vriendinnen „Sara Burgerhartquot; en „Willem Leevendquot; schreven, byna dreigde te vergaan; hij heeft in de tijdschriften „Levensbodequot; en „Nederlandquot; allerlei belangrijke bijzonderheden over Betje Wolff bekendgemaakt.
Nu onlangs nog kwam de bovengenoemde monographie. om stoffelijk de oprichting van een gedenkteeken te steunen, Te Vlissingen is de in ons lief vaderland onvermijdelijke „commissiequot; gevormd om dit doel te bereiken. Dominee Dy s er ink doet zijn best Betjes geboorteplaats aan de oprichting van het monument te doen deelnemen. Dit alles is uitstekend op zich zelf — maar toch komt het mij voor, dat de geboorteplaatsen niet altijd recht hebben op een gedenkteeken aan den een of anderen beroemden persoon. Onze hoofdstad heeft drie standbeelden - Vondel, Rembrandt, Thorbecke - en geen van deze drie werd te Amsterdam geboren. Betje Wolff heeft haar leven op verschillende plaatsen doorgebracht: het buiten „Altijd Welquot; aan den
115
kleiweg van West-Soeburg naar Vlissingen, de Beemster, de Rjjp, Beverwijk, Trévoux in Bourgondië, Den Haag — aan wie van deze allen komt de eer van Betjes monument toe? Misschien hebben zij allen aanspraak. De Beemster, omdat de jonge domineesvrouw daar hare geestigste verzen schreef; de Beverwijk, omdat de beide vriendinnen daar „Sara Burgerhartquot; en „Willem Leevendquot; voltooiden; Trévoux, omdat zy er „Wandelingen door Bourgognequot; en „Cornelia Wildschutquot; schreven; Den Haag, omdat zy er de kommerlykste jaren haars levens sleten, en ze by Scheveningen op de begraafplaats „Ter navolgingquot; zyn ter ruste gelegd.
Het is nu wel niet te vermoeden, dat er een edele wedstrijd zal ontstaan tusschen al deze plaatsen. Daarom zal het wellicht geraden zyn de vlaswiek niet uit te blusschen, die reeds te Vlissingen rookt, en in deze de eer te gunnen aan hen, die tyd en ijver voor de goede zaak veil hebben. Dr. Van Vloten ondersteunt de edelmoedige poging door zijne edelmoedige uitgave, en ook daarom verdient zyn jongste werk over Betje Wolff de ruimste waardeering.
In de eerste plaats is dit „Levens- en karakterbeeldquot; van Betje Wolff het volledigst van alle tot nu verschenen biographieën.
Daarenboven heeft Dr. Van Vloten geput uit de merkwaardige verzameling handschriften te Haarlem, in het bezit van Mr. G-allandat Huet, en een geheel nieuw licht geworpen op Wolffjes leven, reeds zoo dikwijls zelfs in toongevende letterkundige handboeken averechts voorgesteld. Als zeker kan nu omtrent haar vastgesteld worden: dat zij te Vlissingen — 24 Juli 1738 — geboren werd; dat zij op veertienjarigen leeftijd hare moeder verloor; dat zij op haar zeventiende jaar een wanhopige liefde koesterde voor den vaandrig Gargon, en door het afbreken der betrekking met den jongen man ter dood toe ziek werd; dat zij letterkundige briefwisseling aanknoopte met dominee Wolff uit de Beemster, die naar Vlissingen kwam en 23 October 1759 hare hand verwierf; dat zij de Beemster des zomers heel aangenaam en des winters heel vervelend vond, ondanks het biljart in de
116
pastorie; dat zij zich rusteloos bezighield met letterkundige studiën en voortdurend verzen schreef; dat zij in 1772 met hare „Santhorstsche Geloofsbelüdenisquot; den liberalen Amsterdamschen professor B u r m a n poogde te steunen, maar zich deerlijk bedrogen zag door de lafhartigheid van genoemden hoogleeraar; dat zij in 1773, 21 Juli, den Erfstadhouder quot;Willem V — op zyn doorreis naar Friesland — by het plein van de pastorie te Beemster met verzen begroette; dat dominee Wolff in de laatste jaren van zijn leven geweldig jaloersch werd, omdat tal van vrienden zoo met zijn Betje dweepten; dat dominee Wolff 29 April 1777 stierf en dat de vriendinnen Wolff en Deken zich verbonden saam te leven en saam te schrijven; dat zij van 1777 tot 1782 in de Eijp woonden; dat zij in Mei 1782 het buitenverblijf „Lom-merlustquot; in Beverwijk betrokken en daar hare beide beroemdste romans schreven; dat zy in Maart 1788, ontevreden over de Pruisische interventie, naar Trévoux in Bour-gondië uitweken, waar zy menigmaal voor „het gruwelyk Comité revolutionairquot; verschenen en de schoonheid van de landstreek bezongen in hare „Wandelingen door Bourgogne;quot; dat zy in 1798, door nood geperst, naar Holland terugkwamen, daar zekere Van Nissen, die te Rotterdam Wolffjes geld beheerde, bankroet maakte en ze nu van vertalen moesten leven; dat ze in Den Haag op een achterhuis in de Spuistraat gewoond hebben en veel hartelijkheid ondervonden van vrienden; dat zy in 1800 van een Friesch vriend. Van Canter, eene boekerij en f500 \'s jaars erfden; dat ze in 1802 verhuisden naar de Herderinnenstraat en daar verpleegd werden door mevrouw Van Crimpen, Betjes nicht, tot aan beider dood.
Van de hier meegedeelde feiten waren sommigen reeds bekend, maar enkelen nog daarentegen geheel nieuw. Voor de geschiedenis onzer letteren is Dr. Van Vlotens jongste geschrift eene degelijke aanwinst. Ieder, die het koopt, brengt een gulden op voor het monument van Wolff je.
Misschien zou het in \'t belang der goede zaak zyn, louter goeds van dit boek te zeggen, maar of dit den even waai-heidslievenden als onverschrokken auteur zou behagen is eene
EENE EDELMOEDIGE UITGAAF. 117
andere vraag. Ik wil niet „onder stoelen of bankenquot; steken, dat de belangrijkheid van den inhoud mij den stroeven en bijna ongenietbaren vorm niet over het hoofd doet zien. Het hoofdbetoog van den auteur — de moraal van zijn werk — is dan ook volstrekt niet letterkundig, maar zedekundig — het blükt, dat W o 1 ffj e de zuiverste Spinoziste is, die zich denken laat. Op zich zelf strekt dit het scherpzinnig hoofd van Betje tot groote eer, maar is de schrijfster van „Sara Burgerhartquot; en „Willem Leevendquot; niet oneindig meer waard voor de geschiedenis der Nederlandsche letteren? Dr. Van Vloten heeft in den aanhef van zyn boek met warme vereering gesproken over „Sara Burgerhart,quot; maar overigens laat hij de romans volledig ter zijde liggen en hecht het hoogste gewicht aan kleine patriotsche of polemische gedichtjes. Betjes polemiek tegen orthodoxie en kwezelarij is zeker niet te verachten, maar hoe belangrijk ook voor de geschiedenis van Kerk en Staat uit het tijdvak 1760—1788, zal toch niemand volhouden, dat aan dit alles meer waarde toekomt, dan aan hare geniale romans. Ware het tegenovergestelde waar, dan zouden de Latijnsche strijdschriften van Milton ver boven zijn „Paradijs Verlorenquot; staan, en zou Vondels „Eommelpotquot; den „Lucifer,quot; de „Leeuwendalersquot; en den „Adamquot; in \'t niet doen zinken.
Dr. Van Vloten betwist aan onzen besten prozaschrijver. Cd. Busken Huet, het recht om Betje voor de schrijfster der romans en Aagje Deken voor haar secretaresse te houden — dit is zijn goed recht en hij handhaaft het met kracht; maar zoo hij eens een voorbeeld had willen nemen aan den auteur van „Oude Komans,quot; hoe geheel anders ware zijn behandeling der merkwaardige stof dan geworden. Ik veroorloofde mij Dr. Van Vlo tens stijl stroef en ongenietbaar te noemen. Schoon niet blind voor zekere kernachtigheid in de wijze van uitdrukking, vind ik toch de uitdrukkingsvormen armoedig, zonder schakeering, zonder kleur, telkens op dezelfde eentonige wijze terugkeerend.
Als een Nederlandsch schrijver in nog geen vijf en twintig regelen achttien maal zijn toevlucht moet nemen tot het voegwoord en en zevenmaal gebruik maakt van het voor-
eene edelmoedige uitgaaf.
zetsel in, dan schrijft hij ongenietbaar en stroef Nederlandsch, wat men er ook van moge zeggen. Reeds op blz. 4 van Dr. Van Vlotens jongste geschrift leest men het volgende: „ „Blijmoedigheid is een balsem des levensquot; was en bleef haar lijfspreuk ook onder de latere harde beproevingen van \'t lot, en haar verstand en gemoed steeds in de gelukkigste samenstemming werkzaam, even weldadig en verkwikkelijk voor zich als anderen, en van die wakkere geestkracht getuigend, waaraan wij \'t zooveel onzer zoo mannelyke als vrouwelijke tijd- en landgenooten zien ontbreken. Geen beeld dus ook, dat meer dan \'t hare ter opwekkelijkste tegenstelling kan strekken dier zwartgallige stakkers onzer dagen, die met de ontzenuwende modekwaal behept, nooit hebben uitgemord, over al de stoffelijke en zedelijke jammer en ellende der wereld, en wier kortzichtige blik daardoor geheel beneveld is voor al \'t goed en schoon, dat zij er — in minder ziekelijke stemming — voor zich en anderen in zouden te waardeeren en genieten vinden.quot;
„Aan u, vaderlandsche vrouwen van \'t heden, dan in de eerste plaats de schoone taak, van uwe instemming met het edelaardig leven en streven, in dat beeld u voor oogen tredend, luide getuigenis te geven, en er zoo ook allen om u voor te bezielen; opdat — door zyn en uw toedoen — het aankomend Nederland van een geest doe blijken zijner waardig, en met dien van \'t heden bij zoovelen, in hun onwaardige en verderfelijke gedruktheid en verlamming, in den heuge-lijksten weerstrijd.quot;
Wanneer men deze proeve onvoldoende mocht vinden, ben ik bereid bij eene volgende gelegenheid er ettelijke anderen te geven.
118
SCHIPPEK VERDUIN. 119
Een nieuw Nederlandsch romansclirijver. — Eene tjalk op de Zeeuwsehe stroomen. — Een matroos op de groote vaart.
September 1880.
Zoo luidt de titel van een nieuwen Nederlandschen roman, met de bijvoeging; „Uit het leven op en langs de Zeeuwsche stro omen,quot; geschreven door P. Van Oort\').
Wie is de heer P. Van Oort? Is hij een jong auteur, die nog nooit de pen heeft gevoerd? Is hij een geoefend schrijver, die zich verschuilt achter „un nom de plume?quot; Misschien wel het laatste. Ik gis dit. wijl de roman „Schipper Verduinquot; reeds vele maanden geleden uitkwam en ik tot nog toe weinig critiek las.
Had een geheel onbekend en jong auteur een proefstuk geleverd als „Schipper Ver du in,quot; ik twijfel niet, of onze letterkundige critiek in tijdschriften, weekbladen en couranten zou er naar hare loffelijke gewoonte met geestdrift over gesproken hebben. Maar nu men weinig of niets hoort van „Schipper Verduin,quot; nu zou de gissing de voorkeur verdienen, dat de heer Van Oort een geoefend schrijver is, die zich achter zyn penne-naam verbergt en dus door de tegenwoordige critiek minder schielijk wordt opgemerkt.
Welke van deze beide gissingen de juiste zij, de waarde van den roman wordt er niet door gewijzigd.
„Schipper Ver duinquot; is in het algemeen genomen een zeer flink boek, met groote kennis van het onderwerp en in
\') \'s-Hertogenbosch, W. C. Van Heusden. 2 dln. 1880.
120
een zuiveren Hollandschen stijl geschreven. Het zou moeilik aangaan te raden naar welken meester de heer P. Van Oort zich vormde, maar voor mij staat zgn werk, zijn stijl, zijne opvatting het naast aan de uitmuntende reisschetsen van den heer Van Assendelft de Coningh. En dat is waarlik geen kleine lof.
De beschrijving van het zeeleven, de lotgevallen van eene tjalk op de Zeeuwsche stroomen, van een matroos op de groote vaart; de schildering van Batavia, vooral in de laatste hoofdstukken van het tweede deel, zyn ,voortreffelijk geslaagd; men kan ze citeeren in eene bloemlezing.
Zie hier de reede van Batavia by vallenden avond:
„De avond begon te vallen. De zon stond volgens een tech-„nischen zeemansterm nauwelijks een handspaaklengte boven „de kim en had haar verschroeiende kracht geheel verloren, „zy had reeds die donkerroode vuurkleur aangenomen, die „het oog vergunde een blik op haar te werpen, zonder dat „dit eenige pijnlijke gewaarwording veroorzaakte: zy wierp „geen verblindende stralen meer van zich af, doch begon hier „en daar een enkel voorwerp met den goudglans, dien zij • „gewooniyk bij het ondergaan met kwistige hand om zich „heen werpt, te vergulden.
„De koele, goed doorzettende zeebries deed alles door haren „verfrisschenden adem herleven. Kleine golfjes krulden zich, „wit gekuifd, op het heldergroene water, hier en daar met „azuren weerglans getint en spoedden zich met dartele spron-„gen naar het strand, om zich daar in het zand te vermeien „en hun vroolijken moedwil bot te vieren, totdat zij spoorloos „verdwenen.
„Het dageiyksch werk op de ree was afgeloopen. Van de „meeste schepen maakten zich de leege prauwen van langs „boord los, heschen hunne krakende zeilen langs de piepende, „ongesmeerde masten in top en bewogen zich in de richting „der haven, hun respectieve bemanningen in alle denkbare „houdingen van het dolce far niente meevoerende. Op al de „ten anker liggende schepen zag men de haastige bedrijvig-„heid aan het opredderen verbonden, stuurlieden liepen op „het achterdek te wandelen of leunden over de verschansing
SCHIPPER VERDUIK. 121
„onder het genot van een lang ontbeerde(n) sigaar, gansche „equipages waren in de weer om de onreinheid en de vermoeienissen van een langen in het ruim doorgebrachten dag „met volle putsen af te spoelen. Overal heerschte de opge-„wekte tevredenheid, die den rusttijd na moeielijken arbeid „zoo terecht kenmerkt. Van verschillende kanten openbaarde „zich dit gevoel van welbehagen door een vroolijk gezang, „dat over de wateren gedragen uit de verte tienmaal melo-„dieuser klonk dan het orgaan waaruit het te voorschijn „kwam, in staat was voort te brengen.quot;
De stijl is niet vlekkeloos, zelfs hier en daar eenigszins traag van gang, maar de indruk van het landschap, de avond-kalmte op de reede te Batavia is verdienstelijk uitgedrukt. Zoo is elders Molenvliet bij middag even verdienstelijk getee-kend, maar de plaats ontbreekt hier voor eene tweede citatie.
De heer P. Van Oort schildert wat hij gezien heeft, met kalme, vaste hand. Die zoo begint, kan eenmaal een meester worden. Vandaar, dat alles wat hy beschrijft ruimschoots belangwekkender is, dan wat hy verhaalt. Nu is „Schipper Ver duinquot; ten slotte een verhaal, en zal het onderzoek moeten worden ingesteld of dit verhaal aan billijke eischen voldoet. De schrijver vertelt den levensloop van eene schip-persfamilie, grootvader Verduin, schipper Verduin, en Frits Verduin. Deze familiechroniek geeft aanleiding tot eene uitvoerigheid, die niet overal te verdedigen valt. Meer samentrekking van kracht, meer besnoeiing van al te weelderige loten zou hier van goeden dienst hebben kunnen zijn.
Wanneer een auteur telkens genoodzaakt is zich naar eene vroegere periode te verplaatsen en in den meer dan volmaakten tijd bladzijden achtereen te verhalen, wat er geschiedde voor zijn eigenlijk drama begint, stelt hij ons geduld op de proef. Hij aanvaardt zijne taak in het eerste deel met een goed geschreven hoofdstuk; „De vrouw Jacoba op de Zeeuwsche stroomenquot;. Wij worden naar het antieke voorschrift onmiddellijk in medias res verplaatst, maar by het tweede hoofdstuk: „Een kijkje in het familieleven der Verduinsquot; moeten we vyf en twintig jaren terug en omtrent vader en broeder van den held eene langdurige mede-
SCHIPPEK VEEDUIN.
deeling hooren, die op zich zelf de stof voor een nieuwen roman had kunnen vormen. Eerst met het elfde hoofdstuk: „De Schipbreukeling,quot; komt de schrijver op zjjn oorspronkelijk drama terug.
Schipper Ver duin is niet de eenige hoofdpersoon van dit boek. Vooral zyn zoon Frits en Marie Wolfert, dedochter van den notaris te Geuldam — „ein Liebespaarquot; — nemen eene groote plaats in. De zoon van den schipper gaat in zijne jeugd om met quot;Willem, zoon van den notaris Wolfert. Vandaar eene kinderlijke genegenheid, later eene ernstige liefde tusschen Prits en de zuster van zijn vriend. Het jonge meisje raadt den schippersjongen aan zich door kloeken arbeid tot hoogeren rang te verheffen en een „heerquot; te worden, zooals haar vader en broeder. Frits gaat varen en verlaat zijns vaders tjalk. Vooraf dient gezegd, dat Frits in zijne jeugd eens het zoontje van een rijk oudgast, den heer Van E a al ter, het leven heeft gered. Het kind was met zijne ouders ingescheept op een groot fregatschip, de „Stad Sluis,quot; en door onvoorzichtigheid van boord geslagen.
Frits Ver du in, in de tjalk ter zijde van den Oostindie-vaarder het ongeluk bemerkend, sprong hem na en redde hem het leven. Tevergeefs biedt de oudgast bankbiljetten aan den schipper en zijn zoon — maar beidon bedanken.
„Is u dat werkelijk ernst, schipper?quot; vroeg Van Raalter, „de bankbriefjes besluiteloos tusschen zijne vingers ronddraaiende.
„Zoo waar, als ik hier voor uwe oogen sta,quot; zei Ver du in „op zijne eenvoudige, bedaarde manier. „De Heer heeft mij „in mijn beroep gezegend, zoodat ik mij in een tamelyken „voorspoed mag verheugen. Daarom, meneer! al ben ik als „vader ook grootsch op hetgeen mijn jongen deed, de zaak „op zich zelve is zoo gewichtig niet, om er zulk een ophef „van te maken.quot;
„Voor ons wel, schipper! voor ons is ze ondenkbaar groot,quot; „sprak Van Eaalter met vuur, en een blik op de papiertjes „slaande, die hij nog steeds in de hand hield, vervolgde hij; „Ik zal er dan maar niet verder meer op aandringen.quot;
„Neen, meneer! als u mij plezier wilt doen, niet meer!quot;
123
Het gaat er den jongen, moedigen knaap niet slechter om. Hij beproeft zijn geluk in de koopvaardijvaart, komt in Australië, waar een ongeluk hem aan wal houdt, zoodat tot smart van zijn vader en van Marie Wolfert het gerucht veld wint, dat hij weggeloopen is naar de goudvelden. Frits begrijpt, dat hy zyn goeden naam in het vaderland kwyt is, maar komt door groote inspanning alles te boven. In Batavia vindt hij de familie Van R a a 11 e r, die hem beschermt, aan eene eervolle betrekking helpt en hem later in Nederland tegenover al zijne kennissen verdedigt. Schoon de notaris Wolfert eerst vrij wat zwarigheid maakt, om den zoon van een eenvoudig schipper als zijn schoonzoon te erkennen, wordt eindelijk een huwelijk met den handschoen tusschen Frits en Marie voltrokken. De gelukkige ontmoeting der beide jongelui sluit dit verhaal.
Marie is op de reede van Batavia aangekomen, zij is nu by volmacht de vrouw van Frits Verduin. Na de lange reis is zij ten hoogste gespannen en verbeidt met luid kloppend hart de komst van haar echtgenoot. Frits vliegt de valreep op, en naar het achterdek haar te gemoet.
„Eindeiyk!quot;
„O, Frits!quot;
„Zelfs Janmaat, die in den regel met de passagiers en al „wat op hen betrekking heeft den draak steekt, en steeds „geneigd is elke uiting van teedere aandoening op onkiesche „wijze te smalen, scheen getroffen door het eenvoudig en „toch zoo roerend tooneel, dat daar onder zijn oogen plaats „had, en veroorloofde zich geen enkele opmerking.
„De ontmoeting van die twee toch, op het achterdek van „een schip, omringd door talryke ongewenschte getuigen, was „zoo natuurlijk en ongedwongen, dat niemand haar anders „kon verlangen ....
„Zij stond daar voor hem in den vollen glans van jeugdige „frischheid en gezonden levenslust, omgeven door een aureool „van gelukzaligheid, zooals hij haar zich nooit in zijne stoutste „verbeelding had durven voorstellen ....
„O, Frits!quot; was dan ook alles, wat zy in naamlooze verrukking met moeite kon uitbrengen, doch in die enkele
SCHIPPER VERDUIN.
deeling hooren, die op zich zelf de stof voor een nieuwen roman had kunnen vormen. Eerst met het elfde hoofdstuk: „De Schipbreukeling,quot; komt de schrijver op zijn oorspronkelijk drama terug.
Schipper Ver duin is niet de eenige hoofdpersoon van dit boek. Vooral zijn zoon Frits en Marie Wolfert, de dochter van den notaris te Geuldam — „ein Liebespaarquot; — nemen eene groote plaats in. De zoon van den schipper gaat in zijne jeugd om met Willem, zoon van den notaris Wolfert. Vandaar eene kinderlijke genegenheid, later eene ernstige liefde tusschen Frits en de zuster van zijn vriend. Het jonge meisje raadt den schippersjongen aan zich door kloeken arbeid tot hoogeren rang te verheffen en een „heerquot; te worden, zooals haar vader en broeder. Frits gaat varen en verlaat zijns vaders tjalk. Vooraf dient gezegd, dat Frits in zijne jeugd eens het zoontje van een rijk oudgast, den heer Van Ra al ter, het leven heeft gered. Het kind was met zijne ouders ingescheept op een groot fregatschip, de „Stad Sluis,quot; en door onvoorzichtigheid van boord geslagen.
Frits Verduin, in de tjalk ter zijde van den Oostindie-vaarder het ongeluk bemerkend, sprong hem na en redde hem het leven. Tevergeefs biedt de oudgast bankbiljetten aan den schipper en zijn zoon — maar beiden bedanken.
„Is u dat werkelijk ernst, schipper?quot; vroeg Van Kaalter, „de bankbriefjes besluiteloos tusschen zijne vingers rond-„ draaiende.
„Zoo waar, als ik hier voor uwe oogen sta,quot; zei Ver duin „op zijne eenvoudige, bedaarde manier. „De Heer heeft mij „in mijn beroep gezegend, zoodat ik mij in een tamelijken „voorspoed mag verheugen. Daarom, meneer! al ben ik als „vader ook grootsch op hetgeen mijn jongen deed, de zaak „op zich zelve is zoo gewichtig niet, om er zulk een ophef „van te maken.quot;
„Voor ons wel, schipper! voor ons is ze ondenkbaar groot,quot; „sprak Van Raalter met vuur, en een blik op de papiertjes „slaande, die hij nog steeds in de hand hield, vervolgde hij: „Ik zal er dan maar niet verder meer op aandringen.quot;
„Neen, meneer! als u mij plezier wilt doen, niet meer!quot;
123
Het gaat er den jongen, moedigen knaap niet slechter om. Hij beproeft zijn geluk in de koopvaardij vaart, komt in Australië, waar een ongeluk hem aan wal houdt, zoodat tot smart van zijn vader en van Marie Wolfert het gerucht veld wint, dat hü weggeloopen is naar de goudvelden. Frits begrijpt, dat hy zyn goeden naam in het vaderland kwijt is, maar komt door groote inspanning alles te boven. In Batavia vindt hij de familie quot;Van Raai ter, die hem beschermt, aan eene eervolle betrekking helpt en hem later in Nederland tegenover al zijne kennissen verdedigt. Schoon de notaris Wolfert eerst vrij wat zwarigheid maakt, om der. zoon van een eenvoudig schipper als zyn schoonzoon te erkennen, wordt eindelijk een huwelijk met den handschoen tusschen Frits en Marie voltrokken. De gelukkige ontmoeting der beide jongelui sluit dit verhaal.
Marie is op de reede van Batavia aangekomen, zij is nu by volmacht de vrouw van Frits Ver duin. Na de lange reis is zij ten hoogste gespannen en verbeidt met luid kloppend hart de komst van haar echtgenoot. Frits vliegt de valreep op, en naar het achterdek haar te gemoet.
„Eindelijk!quot;
„O, Frits!quot;
„Zelfs Janmaat, die in den regel met de passagiers en al „wat op hen betrekking heeft den draak steekt, en steeds „geneigd is elke uiting van teedere aandoening op onkiesche „wjjze te smalen, scheen getroffen door het eenvoudig en „toch zoo roerend tooneel, dat daar onder zijn oogen plaats „had, en veroorloofde zich geen enkele opmerking.
„De ontmoeting van die twee toch, op het achterdek van „een schip, omringd door talrijke ongewenschte getuigen, was „zoo natuurlijk en ongedwongen, dat niemand haar anders „kon verlangen ....
„Zij stond daar voor hem in den vollen glans van jeugdige „frischheid en gezonden levenslust, omgeven door een aureool „van gelukzaligheid, zooals hij haar zich nooit in zijne stoutste „verbeelding had durven voorstellen ....
„O, Frits!quot; was dan ook alles, wat zy in naamlooze verrukking met moeite kon uitbrengen, doch in die enkele
124
woorden lag een welkomstgroet opgesloten, zooals wellicht slechts eenmaal in een geheel menschenleven geuit kan worden.
„Eindelijk!quot; herhaalde hij met zachte, alleen voor haar verstaanbare stem op jubelenden toon; „Eindelijk!quot;
Dit allerliefst tafereel onvermeld te laten, ware onrecht doen aan het zeer opmerkelijk talent van den schrijver. Te meer, daar de toon, door hem in de gesprekken aangeslagen, niet zelden aan losheid en natuurlijkheid te wenschen overlaat. De heer Van Oort vermengt den natuurlijken spreektrant met de oude, deftige tooneeltaal, zoodat we steeds op allerlei „echters,quot; „evenwels,quot; „steedsenquot; en allerlei onmogelijkheden stuiten.
Ik zeg dit niet als mijn laatste woord.
„Schipper Verduinquot; is een boek van beteekenis voor hen, die het lot onzer vaderlandsche letteren met eenige belangstelling gadeslaan. Is dit werk de eersteling van een jong auteur, dan heeft Nederland een romanschryver te meer aangewonnen.
De Paviljoensgraeht in Den Haag. — Onthulling van Spinoza\'s standbeeld. Van Vloten feestredenaar. — De beeldhouwer Frédéric Hexamer.
Er bevindt zich in Den Haag eene stille, sinds lang gedempte gracht, bij de inwoners der residentie bekend onder den naam van Paviljoensgracht. Die gracht is juist niet heel voornaam. De huizen zyn er eenvoudig, zonder armoedig genoemd te mogen worden. Er staat een rjj boomen, niet oud en niet jong, die tusschen het plaveisel opschieten en eene doorschijnende schaduw bij feilen zonneschijn te genieten
HET KTANDBEELD VOOB SPINOZA. 125
geven. Druk verkeer is er juist niet. Schoolkinderen, zwervende honden en kippen vormen voor een groot deel de wereld der voorbijgangers.
De bewoners der Paviljoensgracht hebben zich in de laatste tijden wellicht eenigszins ongerust gemaakt over allerlei ongewone verschijnselen. Men heeft eene vierkante plek met eene planken schutting afgeschoten, men heeft tribunes en vlaggen aangebracht, en een standbeeld, diep in een groven zak gestoken, wekt de algemeene nieuwsgierigheid. Dat het een standbeeld voor Spinoza is, weten zelfs de straatjongens, die door de reten der plankenomheiming gluren. Toen ik een oogenblik naar hunne gesprekken luisterde zei er een, dat „Spennozaquot; een Spaansch generaal was en een ander, dat hij de brillen had uitgevonden.
Verleden Dinsdag, den L4den September, is dit standbeeld plechtig onthuld, des namiddags te twee uren. In het oog vallend was het, dat het Spinoza-comité de zaak met de uiterste eenvoudigheid en kalmte had geregeld. Van den aanvang af hebben de vrienden van den grooten wijsgeer zich zonder eenigen ophef aan het werk begeven en een beroep gedaan op allen, die de waarde van Spinoza\'s schriften erkennen. „Van Moskou tot Nieuw-York, van de Argentyn-sche Republiek tot Javaquot; stroomden de bijdragen, om het monument te doen verrijzen. Tweemalen werd een wedstrijd uitgeschreven. Eindelijk werd aan den Parijschen beeldhouwer Frédéric Hexamer de prjjs toegekend en jongstleden Dinsdag werd het beeld van dien kunstenaar onthuld.
De plechtigheid werd door niets anders opgeluisterd, dan door vroolijken zonneschijn. Geen feestcantate, geen muziek, geene poëzie. Men had, als gezegd is, rondom het standbeeld, nog in een donkere huive gehuld, een klein terrein afgeschut, waar binnen twee tribunen waren opgericht. Vlaggen van allerlei natiën wapperden op de tribunen, als hulde aan de edelmoedige hulp door het buitenland aan de oprichting van Spinoza\'s standbeeld geschonken.
Achter de afschutting verdrong zich eene buitengewoon talrijke en lastig gerucht makende menigte. Van de onthulling was daar echter niet veel te zien. Toch hadden de dienaren
126
der „Santa Hermandadquot; de handen vol, om de dringende Haagsche straatjeugd in toom te houden. Tegenover het gejoel daar buiten stak de deftige bedaardheid binnen de omheining alleraardigst af. De leden van het Spinoza-comité ontvingen de genoodigden met hunne dames.
Aanwezig waren de Minister van Binnenlandsche Zaken, de Burgemeester der residentie en eene deputatie uit den Gemeenteraad, de kapitein ter zee Van G- o e n s, vertegenwoordiger van den Prins van Oranje, Berthold Auerbach, de beeldhouwer Hex am er, de vertegenwoordigers der pers en vele belangstellenden. Te twee uren nam graaf Van Limburg Stirum het woord. De kloeke generaal Van Stirum, de wakkere grijsaard met het houten been, door ieder met sympathie begroet, kondigde aan, dat de oud-hoog-leeraar J. Van Vloten als feestredenaar het woord zou voeren. Hij herinnerde kortelijk aan Van Vlotens verdiensten ten opzichte van Spinoza, voornamelijk aan Van Vlotens geleerden arbeid; „Bededictus de Spinoza, zijn leven en werken in verband met zynen en onzen tijd.quot;
Met eene stem, die van aandoening trilde, begon Van Vloten zyne feestrede, nu reeds in druk verschenen onder den eigenaardigen titel „Spinoza, de blijde boodschapper der mondige menschheidquot;. Zijn eerste woord was eene aanhaling, een vers van den achttiende-eeuwschen predikant te Middelburg Karei Tuinman, die van den grooten wijsgeer zeide:
„Spuwt op dat graf; — daar ligt Spinoza.quot;
En nu stond daar het weldra te ontsluieren standbeeld, het bewijs van de groote verandering, die er sedert in de waardeering van Spinoza had plaats gegrepen. Schoon de feestredenaar er met volkomen recht bijvoegde, dat hjj „er niet voor zou durven instaan, dat er niet nu ook sommigen zijn, die in Tuin mans bevooroordeelden afschuw deelenquot;.
Spinoza\'s verdienste bestond voornamelijk in het feit, dat hy „het beschavingswerk der halverwege postvattende Hervorming voltooidequot;. Spinoza had niet alleen het „nederig maar nuttig maatschappelijk handwerkquot; uitgeoefend om „het
HET STANDBEELD VOOR SPINOZA. 127
stoffelijk oog van z^ne medemenschen werktuigelyk te verscherpen,quot; maar hij poogde tevens „op onstoffelijk gebied elk uit eigen ongetrilde oogen te leeren rondkijkenquot;. Hij leerde daarenboven, dat de wijsbegeerte geene doodsbetrachting, maar vruchtbare levensbespiegeling is. Zijne moraal zou men in twee woorden kunnen samenvatten: „wei-doen en bly-zynquot;. Hij was geen gewetenloos optimist, maar veel minder nog een pessimist, daar hy van meening was, dat er „veel goeds en schoons, veel edels en verhevens in de wereld tot stand valt te brengenquot;. De ware levenswijsheid is dus „eene onverdoofde verstand- en liefdevolle werkkrachtquot;.
Op een wenk van den spreker werd nu het gordy\'n weggeschoven, en plotseling verscheen het beeld van Baruch
de Spinoza____Aller hoofden ontblootten zich, ieder zweeg
uit eerbied. Maar zoodra men eene poos het kunstwerk had gezien, uitte zich de algemeene tevredenheid, de algemeene bewondering. Het standbeeld van Spinoza is waarlijk een kunstwerk van groote beteekenis. De jonge beeldhouwer, Hexamer, heeft met dezen coup d\'essai, een coup de maitre geleverd.
Het sprak uit den aard der zaak, dat bij de plastische voorstelling van een denker als Spinoza, er rekening te houden was met de portretten en den levensloop van den jonggestorven man. Uitstekend was de greep hem zittend te boetseeren. Jonggestorven (geb. 24 November 1632, gestorv. 21 Februari 1677), teringlijder, onopgemerkt burger, ijverig werkman, moest Spinoza geenszins den indruk maken van den gespierden man, die daden in de vuist heeft. Daarom heeft de smaakvolle kunstenaar hem in een leunstoel dei-zeventiende eeuw geplaatst, de rechterhand aan het hoofd, als in gepeins verzonken, terwijl de linker gaat opteekenen wat hem bij de bespiegeling over de diepste raadselen, die tusschen hemel en aarde schenen te zweven, het meest heeft getroffen.
Het gelaat is van treffende gelijkenis met het bekende portret. De magere trekken, de groote oogen, het breede voorhoofd, eenigszins gebogen, grijpen den beschouwer dadelyk aan. Gebannen uit de synagoog, gescholden, nu en later, voor
128 HET STANDBEELD VOOE SPINOZA.
Godloochenaar, spreekt uit dat onbewolkte voorhoofd de rustige kracht van den man, die de duistere raadselen des levens heeft opgelost door eigen denken.
De feestredenaar droeg den vryen eigendom van dit uitstekend kunstwerk aan het hoofd der gemeente op. De Burgemeester aanvaardde dit vorstelijk geschenk met eenige heusche woorden: „Gelukkige gemeente, die reeds elders binnen uwe muren, te voet en te paard, het beeld van dien edelaardigen Geuzenprins en opstandeling ziet preken, dat niet ophoudt u van zelfstandigen volkszin en eendrachtige vaderlandsliefde te spreken, en die er thans dat van den wyze aan ziet toegevoegd, die u menschelijke beschaving en veredeling boven alle bekrompen geloofsverdeeldheid en gemeenschappelijke vooroordeelen predikt.quot; Zoo eindigde ongeveer de feestredenaar. En niet alleen dat Spinoza\'s monument binnen Den Haag is verrezen, reeds sedert eenige jaren pry kt het standbeeld van Spinoza\'s meester en voorganger op wijsgeerig terrein, van Eené Descartes, in den grooten tuin van de Haagsche Hoogere Burgerschool met vijfjarigen cursus. Door welk zonderling toeval dit geschiedde, zal ik thans niet verhalen, maar Cartesius en Spinoza, de vaders der nieuwere wijsbegeerte hebben beiden in de residentie hun standbeeld.
Of dit eene algemeene vreugde onder alle ingezetenen van Den Haag heeft teweeggebracht, valt te betwijfelen. De houding van de nieuwsgierige menigte was niet zeer vriendelijk. Zeer waarschijnlijk heeft het ook nu weer aan verdachtmaking en opruiing niet ontbroken, maar zeer zeker is het ook, dat het monster der onverdraagzaamheid zich ditmaal de tanden heeft stomp geknaagd aan het heilige gebeente van den onsterfelijken Spinoza.
EEN VERLIEFD DICHTER. 129
Moltzer over Bredero\'s „Liedeboeckquot;. — Velerlei minnaressen. — Nadere bepaling van N0. 1 tot N0. 4.
Na hun dood is het lot van kunstenaars, dichters en poëten, als hun ten minste Neerlandsch bloed door de aderen vloeit, meestal zeer benijdenswaard.
Na hun dood, want hoe genoeglijk het leven des gerusten Nederlandschen letterkundige ook daarheen moge rollen, achter zijn rug zit toch niet zelden de bleeke schim van de zorg. Na z^n dood gaat het beter en heeft hij het wezenlijk niet kwaad tusschen Dollart en Schelde. De geringste verzenfabrikant wordt dan eene historische celebriteit, en zg, die gedurende het leven van mannen als Van der A, Van der B en Van der X omtrent hun bestaan geen flauw idee hadden, bezorgden hun na hun dood door dik en dun heen eene Nederlandsche onsterfelijkheid.
Belangstelling in onze groote dooden kan evenwel niet gelaakt worden; integendeel, het is een aangenaam vooruitzicht voor de levende „adspirantenquot; naar de onsterfelijkheid. En daar voor het overige nog steeds eene zeer talryke afdeeling landgenooten utriusque generis kan aangetroffen worden, welke het denkbeeld van auteur in één adem samenkoppelen met het verschijnsel van kale jassen, afgedragen schoenen en broodschrijverij, is het maar goed, dat er voor deze misdeelden nog wat plezier overbluft, als ze dood zijn.
Troostrijke overpeinzingen als deze hielden mij geruimen tijd bezig na de lezing van eene nieuwe aflevering der „Studiën en Schetsen van Nederlandsche Letterkundequot; door professor Moltzer te Groningen. Met scherpzinnigheid en smaak handelt de auteur ditmaal over „Bre-
.
130
dero\'s Liedtboekquot;. Men oordeele, of ik recht had my te verblijden over de hulde aan gestorven Nederlandsche kunstenaars gebracht, nu uit deze in vele opzichten belangrijke studie blijkt, dat zelfs de minnaressen van den luchthartigen blijspeldichter het onderwerp van eene wetenschappelijke studie zyn geworden.
Wie zou dit ooit gedacht hebben!
Grerbrand Adriaensz. Bredero was gedurende zijn kort leven telkens verliefd op allerlei Amsterdamsche schoonen. Zijne „amoureusheitquot; was van zoo hardnekkige natuur, dat hij door de liefde dichter is geworden en later uit verdriet over onophoudelijke teleurstellingen van de zijde zijner uitverkorenen stierf.
„Van kindsche jaren af, doen gij noch teder waert,
„Doen is de Kijmerij in u door min gebaertquot; —
zegt een van zijne bewonderaars. Later getuigt Starter aan \'t slot der Angeniet:
„Al \'t menschelijk geslacht sou eer zijn sender spraeck,
„Eer een bekend Poet sou sterven sonder wraeck,
„Besonder als de smaed aan zijn persoon bedreven,
„Hem had door spijt beroofd van \'t aenghename leven.quot; —
De smaad aan zijn persoon bedreven, bestond in.... eene blauwe scheen. Daar dit evenwel de vierde was, en elk ernstig aanzoek telkens door de dame in quaestie werd afgewezen, trok hü zich de zaak zeer ernstig aan, verviel hij in diepe mismoedigheid en schreef hij „aendachtige Liedekens, waarin hij „danckbaer Gode het wieroock van bekeeringhquot; offert \').
Hij stierf weinig tijds daarna, drie en dertig jaren oud. G-roote levenslust, groote dartelheid en eene onverwoestelijke opgeruimdheid deden hem soms den ernst des levens uit het oog verliezen. By elke teleurstelling troostte hij zich met
^ In Maart 1885 is nog eene vijfde geliefde, Magdalena Stock-mans, te voorschijn gekomen.
EEN VERLIEFD DICHTBE.
zijn devies: „\'t Kan verkeeren!quot; — nog heden in den mond des volks. De oorzaken der onderscheiden teleurstellingen in zyne huwelijksplannen liggen in zijn karakter en woelig leven. HU had eenmaal het oog geslagen op de lief-talligste en talentvolste jonkvrouw van Amsterdam, op Eoe-mer Visschers jongste dochter, de door tallooze monden en pennen geprezen Tesselscha.
Roemer Visscher was met de „courtoisiequot; van den al te vroolijken jongen dichter weinig ingenomen en „kwam ongevraecht (zyn) schip aen stucken slaen,quot; als hij getuigt in een allegorisch lied, aan Tesselscha gewijd. Dus werd hij nog, eer hij zich had kunnen verklaren, in zijn verliefden ijver gestuit. Men was bij de familie Roemer Visscher niet gesteld op den dolgrappigen Breêro als aanstaanden schoonzoon, mocht men hem ook als gast en vriend met toegeeflykheid de hand reiken.
Buiten zijne beroemde spelen en kluchten schreef hij een „Groot-Liedt-Boeckquot; met een schat van allerlei zangerige, comische stukjes en vooral heel veel erotische liedekèns. Uit die bron valt nog vrij wat te scheppen, dat licht verspreiden kan over de hartsgeheimen van den jonkman. De nieuwe studie van professor Moltzer bewast het. Groote belangstelling en ijverig onderzoek hebben de pen van den auteur bestuurd, en mocht iemand meenen, dat een onderzoek naar de minnaressen van een zeventiende-eeuwsch kluchtspeldichter ons thans weinig belangstelling inboezemt, ik zou mij de vrijheid veroorloven daartegen met alle kracht op te komen.
131
In de serie van Moltzers „Studiën en Schetsen van Nederlandsche Letterkundequot; is deze derde aflevering niet de minst belangwekkende. Enkele nieuwe gezichtspunten op de levensgeschiedenis van den jong gestorven Breêro worden aangegeven. Zoo schijnt het mij althans in zake Breêro\'s eerste liefje, door hem zijne „blijgeestige en wel verstandige lief M. S.quot; \') genoemd. De gissing is gewaagd
\') M. S. is de naam van Bredero\'s laatste minnares. De eerste is alleen bekend onder den naam van Margriete.
EEN VEELLEFD DICHTER.
deze initialen te verklaren door den naam van Maria Steen-buren; maar daar by nader onderzoek — vooral van den hoogleeraar Jonckbloet — blykt, dat deze dame eene Haag-sche schoone was, zal men nu wellicht Moltzer moeten toegeven, dat „M. S.quot; eerder door Margriete moet vertolkt worden, hoewel het overigens duister blyft wat S. voor naam verborgen houdt. De naam van „Margriete liefquot; schrijft Breêro in alle liedekens, aan zyn eerste Dulcinea gewijd.
In de tweede plaats heeft Moltzer met groote waarschijnlijkheid bewezen, dat het origineel van Breêro\'s Angeniet, vroeger gehouden voor zijne derde Dulcinea, „de jonge weduwe N. Kquot;, te zoeken is in eene vierde, door hem zeiven in zyne gedichten „Annettaquot; genoemd. Dit is daarom nog waar-schynlijker, wijl hij zelf ineen „Amoureus Liedekensquot; (Groote Bron der Minnen, bl. 38 en 39) gewag maakt van vier zeer ernstige verliefdheden, te weten: 1° voor eene „frisse maeght,quot; zijne eerste liefde: Margriete; 2° voor eene „bruynoogd Coninginne,quot; niemand minder dan Tesselscha; 3° voor eene „bescheyden wijze vrouw, de jonge weduwe N. N.;quot; en eindelijk 4° voor een „meysjen aerdich,quot; die niemand anders is dan de Annetta of Angeniet der bekende pastorale. Ik beken gaarne vroeger van dit „Meysje aerdichquot; weinig werk gemaakt te hebben en dus bü de Angeniet niet aan haar gedacht te hebben. Trouwens, het scheen my destijds wenschelijk, een weinig vereenvoudiging in Breêro\'s zeer bonte „Herzensangelegenheitenquot; te brengen.
Eene derde gissing van den Groningschen hoogleeraar, hoewel louter gissing, schijnt een nader onderzoek, volkomen waardig. De grappige dichter droeg zjjn tweede drama „G-rianequot; op aan de „Eerbare en welsprekende M. P. D.quot; Hij noemt haar „waerde Maria,quot; en als men nu in plaats van M. P. D. eenvoudig M. E. D. leest, dan blijkt, dat de „Grianequot; is opgedragen aan Maria Koemers dochter, evenals de „Lucelle,quot; die met duidelijke woorden in de toeëigening Tesselscha noemt. De gissing is geestig en wordt zeer waarschijnlijk, als men den inhoud der beide opdrachten vergelijkt. In de eerste spreekt hy tot de „Glorye van Amsterdamquot; en noemt haar „licht van onze tytquot; —
132
EEN VERLIEFD DICHTER.
dezelfde termen die later in een „Loff-Liedekenquot; (Boer-tigh Liedt-Boeck, bl. 97) voorkomen:
„o Licht van onse Tydt!
„o Gloor van duysent Eeuwen!
„o Glans ghebenedyd!
„Wie n siet, hem verblyd ...
Een en ander staaft, dat Moltzers studie op „Breêro\'s Liedtboeckquot; schoone vruchten heeft gedragen. En naar mijne overtuiging zal er nog meer te ontdekken zijn voor hen, die de weinige historische gegevens met dezelfde trouw en schranderheid onderzoekt. Van de weduwe N. N. en van Gerbrands eerste liefje, Margariete, weten wij nog te weinig. Wie liefde koestert voor de geschiedenis onzer letteren en daarbij beschikt over twee onmisbare gegevens — tijd en geduld — zal meer ontdekken. Ik ben er zeker van, en zal er eerlang eene poging toe wagen.
Nog is het werk van den hoogleeraar Moltzer belangrijk, omdat men de aesthetische waarde van Breêro\'s liedjes voor de hoogere zijner kluchten heeft voorbijgezien. In het minnelied steekt de Amsterdamsche grappenmaker zelfs Hooft en Starter naar de kroon. Of is het niet aardig gezegd tot eene weerbarstige blonde schoone:
„Wie eens aanschouwt
„u hayr als gout,
„Of u ghebloosde wanghen „En roode mont,
„die is terstont „Al eer hy \'t weet ghevangen Iquot;
Men heeft ons zoo dikwijls boerschheid of dorperheid verweten en gemeend, dat ie Hollandsche muzen der zeventiende eeuw met glibberige vingers achter de karnton stonden....
Zonderlinge dwaling der oppervlakkigheid!
Poëzie is overal, zei De Génestet, maar de vrienden hebben tot nog toe weinig moeite gedaan ze overal op de rechte plaats te zoeken.
133
POL DE MONT.
Gelauwerd in den pryskamp. — Een Germaniseerend dichter. — Aanwinsten voor de Nederlandsche letteren.
October 1880.
Sedert een jaar ongeveer leest men den naam Pol de Mont onder kortere of langere dichtstukken, door het tijdschrift „de Banierquot; zijnen lezers aangeboden.
Pol de Mont is of was onlangs nog student te Leuven. Van 1877 tot 1880 gaf hij een vijftal bundels gedichten uit, waarvan het grootste deel onlangs in één band werd ver-eenigd onder den titel: „Gedichten (Leuven, ter drukkerij van Karei Fonteyn, 1880)quot;. Trok dus de buitengewone vruchtbaarheid van den jongsn dichter de aandacht — op het titelblad zijner „G-edichtenquot; prijkt eene stroomende fontein met het tweewerf geldig opschrift „Semper fluitquot; — nog meer werd zyn naam genoemd, toen korten tyd geleden de vijfjarige prfls voor het beste letterkundige kunstwerk op Belgischen bodem in de Nederlandsche taal uitgegeven aan den heer K. M. Pol de Mont werd toegekend.
Toen ik deze tijding las, dacht ik aan Virginie Loveling. Heeft de jury, die den prijs moest toekennen, niet aan haar gedacht? Zyn hare eenvoudige, maar hartveroverende verzen, hare fijngetoetste novellen in de schaal gelegd en des ondanks te licht bevonden by de dichtbundels des heeren Pol de Mont? In Noord-Nederland is men overtuigd, dat Virginie Loveling eene eereplaats bekleedt te midden der beste levende auteurs, die in onze moedertaal schreven; — wij allen betreuren met weemoed het vroegtijdig verscheiden van hare zuster Rosalie. In de Nederlandsche lettergeschiedenis is geen ander voorbeeld bekend van twee zuster-kunstenaressen,
134
POL DE MONT.
die zoo gelijk van geest en gaven, eene zoo uitnemende hoogte in de letterkundige kunst bereikten.
Is nu de dichter Pol de Mont uit Leuven met nog schitterender talent begaafd dan deze beide uitnemende gezusters? De Nederlandsche letteren hebben dan in hem een buitengewoon verschijnsel te waardeeren en een nieuwen, veel be-lovenden dichter te kronen.
De dichtbundel van den Leuvenschen student zal het antwoord geven.
Rijke stof tot onderzoek. wordt ons geboden.
Pol de Mont begint als jonkman met het erotische genre, en hier is hij zeker in zijn recht, wellicht in zijne kracht. Ik geef hem het woord:
„Een heldre zomermorgend vol Tan zonneschijn — „een Lieve-Vrouwendag. In blanke feestkleedije,
„de frischheid op de wang, verdrongen zijde aan zije,
„i n \'t diepe kerkportaal, zich knaap en maagdelijn.
„Een lichte tred weerklonk, als over dons. — Een wezen
„zoo engelachtig zoet, met rozenkleur getint,
„een oog van \'t reinst azuur, — een maagd, nog gistren kind,
„kwam als een beeld der Min voor mijnen blik gerezen,
„in \'t lichte lilakleed dat om heur slanke leên,
„rond arm en ronde borst, als \'t waar geschilderd scheen.
„En schuchter als een ree, de blikken neergeslagen „vol eedle schaamte, trad het wondrebeeld voorbij,
„en — was het zinsbedrog? toch, zoetheid! was het mij „alsof, een enklen stond, heure oogen mij bezagen.
„en siddrend bleef ik stom. — Was mij, bij toovermacht,
„lijk Faust der Gretchen oog, die blik in \'t hert gedrongen? „had mij der geestenkoor \'t bewustzijn weggezongen, „ontstoken gloeiend vuur in mijn verward gedacht? —
„Intusschen in de kerk verrezen helle zangen,
„\'t „Begina Coeliquot; — Doch ver boven \'t gansche koor,
„klonk als eene englenstem mijns Gretchen stemme door „en dauwde zoeten troost op mijn vereend verlangen.quot;
Dit is het eerste gedicht uit den bundel.
De gedachte is eenvoudig en zeer geschikt voor dichterlijke
135
136
behandeling. Maar hoe gebrekkig is de vorm, waarin de poëet zijn denkbeeld uitdrukt!
„In blanke feestkleedöequot; — en „in \'t diepe kerkportaalquot; klinkt niet fraai in \'t eerste couplet.
„Een lichte tred weerklonk, als over donsquot; — levert in het tweede geen verstaanbaren zin, omdat het denkbeeld dons het denkbeeld klinken uitsluit.
In hetzelfde couplet bevat de regel; „kwam als een beeld der Min voor mijnen blik gerezenquot; een gallicisme; kwam gerezen, venait d\'apparaitre.
„Eond arm en ronde borstquot; — vormt een cacophonie.
Bij de beschrijving der heldin is de kleur te hard. Rozenkleur, \'t reinst azuur, \'t lichte lila is te bont.
In \'t vierde couplet; — „alsof een enklen stond heure oogen mij bezagenquot; strijdt met de bedoeling des dichters. Hij meent een enkele seconde en neemt er een enkelen stond voor. Stond doelt altyd op een vrij lang tijdsverloop al behoeft men er niet altijd 3600 seconden voor te nemen.
De uitdrukking „lijk Faust der G-retchen oogquot; is een zeer onverdedigbaar germanisme, volkomen onmogelijk in een Nederlandsch vers.
„Had mij der geestenkoor \'t bewustzijn weggezongenquot; — is raadselachtig. Van waar komt plotseling dat „geestenkoorquot; in \'t diepe kerkportaal. Het blijkt niet.
In het laatste couplet is „myns Gretchen stemmequot; alleen te verdedigen, wanneer de dichter schrijven wilde mijns Gretchens stemme, wat evenwel zeer onwelluidend is.
De laatste regel; „en dauwde zoeten troost op mijn vereend verlangenquot; geeft geen zin. Het is m\\j onmogelijk te zeggen, wat de heer Pol de Mont onder zijn „vereend verlangenquot; verstaat.
Dit alles doet zich voor bij het allereerste gedicht in den bundel.
Na de lezing der 310 bladzijden dezer verzameling was ik overtuigd, dat de Leuvensche poëet, ten opzichte van taal, stijl en versmaat, de volmaaktheid nog niet in pacht had. Vooral de taal laat te wenschen over. Zij is deels uit Zuid-
137
Nederlandsche provincialismen, deels uit germanismen, deels uit gangbaar Nederlandsch samengesteld.
Een paar voorbeelden zullen wel volstaan.
Provincialismen noem ik uitdrukkingen als; monkelen, meidengemoed (maagdenhart), kwieteren, zoeven, vlotgers, wolkensch of, vuimkoord, de Niet (le Néant), langen (verlangen), vernieten, branken (branches), ongestuime, enz. enz.
G-ermanismen zijn natuurlijk: lerke (Lerche), kaan (Kahn), wonne (Wonne), zwingen (vleugelen), lijs, lijzig (leise), enz. enz.
Het gebruik van sommige Nederlandsche volzinnen is zeer vreemd; langen voor verlangen, drupte voor droop,, enz. Een regel als:
„Sinds kwamen velen mij vervoegen in den nachtquot;
doet ons denken aan de monoloog van een zeer onregelmatig werkwoord, terwijl vervoegen hier zeer eenvoudig door bezoeken, of zich bij mij voegen moet verklaard worden.
Een andere regel:
„Ja, koning, tot het minste gedeelteje van myn lijfquot; heeft het ongeluk den lezer in een schaterlach te doen uitbarsten geheel tegen de meening van den poëet.
Doch op dezen toon wil ik niet vervolgen.
De bundel van den heer Pol de Mont toont duidelyk, dat de jonge dichter nog geenszins meester van den vorm is, maar hij openbaart tevens niet minder duidelijk den onmis-kenbaren dichterlijken aanleg van den jongen man. Ziehier een minnelied geïnspireerd door de lectuur van H e i n-rich Heine:
„Ik ben van u zoo verre,
„ik waar bij u zoo graag,
„en zeide u alle de liefde „die \'k in de ziele draag!
„Ik fluisterde n in de ooren „zoo geren een enkel woord!
„ik zong het reeds duizend keeren!
„nog hebt gij het nooit gehoord.
POL DE MONT.
„Ik zong het aan de rozen „wel honderd, honderd maal -„licht heeft het afgeluisterd „de wilde nachtegaal.
„Ik zei het aan den oostwind „die \'t aan de wolken bracht ■ „ik zei het aan de sterre „in stillen, diepen nacht.
138
I i i
fit
„o Vogels, winden, bloemen, —
„zegt heur dat woord toch niet —
„wie weet of zij niet spotte „niet lachte om mijn Terdriet!quot;
Ondanks de Duitsche kleur en de Duitsche stemming voorspelt zulk een liedje veel voor de toekomst en gelukkig schenkt de dichter er telkens te midden van zwakkere scheppingen een aantal beteren. En daar de heer Pol de Mont vooral in het minnelied fraaie proeven heeft aangeboden, kies ik het volgende:
„Dien avond lazen wij Livarda\'s wondre sage, —
„lang hadden wij herdacht de blanke wolkenvaart,
„het bleeke, droomrig kind, op \'s engels arm gedragen, „en \'t smartlik weerzien in den schemerenden gaard.
„En zuchtend hief de bruid heur diepe, tranende oogen
„op mij en — sprak heur mond geen arrem enkel woord,
„toch had ik reeds verstaan en met mijn hert gehoord „wat uit heur ziele mijne ziel was toegevlogen.
„Het antwoord was gereed. Doch van mijn stommen mond
„en klonk geen woordeken; slechts, hijgend en bevangen;
„daar wischte ik met een kus de tranen van heur wangen, — „het eenig antwoord dat ik vond.quot;
In eene andere afdeeling zijner gedichten met den titel „Spoken en Beeldenquot; is de dichter minder gelukkig en te veel onder den invloed zijner Duitsche lectuur, of somtijds al te slaafs in de nabootsing van Victor Hugo. Zeer verdienstelijk is een aan Mr. C. Vosmaer opgedragen, idylle
POL DE MONT.
in hexameters, getiteld; „Een t ar wem ei,quot; stavend, dat Van Beers, Frans de Gort en Pol de Mont wedyveren in het schrijven van Grieksche zesvoeters. In de rubriek „Dominatores Terraequot; slaat hy een al te forschen toon aan. Het best gelukt is: „Kollebloemenquot; (wilde papavers, klaprozen). De „Dry Dragondersquot; is naast „Les Vieux de la Veillequot; van Théophile Gautier en de „Twee Grenadiersquot; van Hsine mislukt. De dichter spant zich te veel in, il se bat les flancs.
Ondanks dit alles begroet ik den heer Pol de Mont als een welkomen gast in onze kleine Nederlandsche republiek der letteren. Studie van Coornhert, Hooft, Bredero, Vondel, Da Costa, De Génestet en Ten Kate zal hem meer goed doen dan al de dichters aan den overkant van den Ryn ooit kunnen teweegbrengen. En wil hij buiten-landsche modellen .... de Fransche en Engelsche lyriek hebben schatten te over.
Bij den dood van den dichter. — Kort overzicht zijner gedichten. — Gemoedelijke poëzie.
November 1880.
„De dichter heeft niets te veel gezegd, als hij van „goedkeuringquot; spreekt, die het vers is ten deel gevallen; zij was groot, weergaloos groot; zoowel in kleinen gezelligen kring als by de schare van toehoorders der geletterde maatschappijen; de salons onzer aristocratie weergalmden van z\\jn lof en de tweede klasse uit het Trippenhuis hing er zijn zegel aan.quot;
139
140
Aldus Potgieter in „de Gidsquot; van 1847 over „de Sint-Paulusrotsquot; van Bernard Ter Haar.
Deze laatste was toen predikant te Amsterdam, in top van roem gestegen door zijn prozawerk: „De Kerkhervorming in tafereelen geschetst;quot; door de voordracht van zijn „Sint-Paulusrots,quot; de letterkundige held van den dag. Het Haagsche Genootschap ter verdediging van den christe-lijken godsdienst, had in 1845 Ter Haars „Kerkhervormingquot; bekroond, in 1847 bekroonde hem het publiek als dichter, mocht ook Potgieter in de juist aangehaalde critiek zich niet met den algemeenen lof vereenigen.
Evenwel, zelfs Potgieter — en we weten, dat hij in de jaren zyner krachtigste werkzaamheid (1837 —1865) een zeldzaam fijn oog en fijn oor had voor poëzie — zelfs Potgieter spreekt van „schoonequot; verzeil, spreekt, van „eene meesterlijke verpersoonlijking van twee werelden,quot; waar de dichter van „De Sint-Paulusrotsquot; aanheft:
„Amerika! — welk dichtrenlied Verheft tot stouter galm zich niet,
Waar gij \'t geklank uws naams doet hooren?
God sprak, toen in Columbus\' ziel Het grootsch, bevruchtend denkbeeld viel —
Een wareld stond daar, jonggeboren!
Als nieuwe zon, wier dageraad,
Waar de oude zon ten ruste gaat.
Het eerst in \'t West begon te gloren;
Als schoone, donkerkleurge bruid,
In volle ontwikkeling geschapen.
Zich bloemen vlechtend om de slapen,
Reest gij den schoot der golven uit.
Het hoofd omkranst, de borst bepareld.
En \'t grijs Euroop ontvlamde in gloed.
Die \'t hart eens minnaars jagen doet.
Toen gij voor \'t eerst door de oude wareld Als nieuwe wareld werdt begroet.
Het stak begeerig langs den vloed U de armen als zijn weerhelft tegen,
Maar \'t bracht, als bruidschat, vloek voor zegen.
En trapte na geleschten dorst.
Als zijn slavinne u op de borst.
Maar fier hebt gij u zelf gewroken.
141
De schalmen van uw boei verbroken,
Uw kluisters tot een zwaard versmeed!
Gij wiescht de striemen van uw koorden,
En \'t Zuid geeft antwoord aan het Noorden
In d\' opgewonden vrijheidskreet!
Nog staat gij daar vol kracht en schoonheid, Die onverzwakte jeugd ten toon spreidt;
En zoo de last van zonde en schuld.
Die \'t grijs Earoop weegt op de schouderen,
U niet als ons doet vroeg verouderen,
Wie schetst ons wat gij worden zult.
Wat nieuwe toekomst u gaat blinken,
Als reeds Euroop in \'t graf zal zinken.
Schoon de oude wareld onderga —
O jong en schoon Amerika!quot;
De aanhaling dezer voortreffelijke verzen moge voor eene weemoedige hulde gelden, nu onverwacht de tijding tot ons komt, dat Ter Haar op vier en zeventig-jarigen ouderdom te Velp is overleden.
Het jaar 1880 is noodlottig voor de Nederlandsche letteren. In dezen zomer Cremer, nu Ter Haar. Behoorde ook deze laatste tot het geslacht, \'t welk van 1800 tot 1810 geboren werd — waaronder zoovele uitstekende mannen hebben geschitterd — mocht ook Ter Ha ars naam te midden der allerjongste generation ten onzent niet met die warmte worden vereend, welke de jongelingschap van 1840—1860 ten zijnen opzichte kenmerkte, zjjn werk blijft in de geschiedenis onzer letteren leven.
Ter Haar is de dichter van „Joannes en Theagenesquot; (1838), van „Huibert en Klaartjequot; (1842), van de „Sint-Paulusrots,quot; van de „Dochter van Herodiasquot; (1850), van „Eliza\'s vluchtquot; (1854), van „Abd-el-kaderquot; (1849), van de „Elegie aan een spelend kindquot; (1840). Duizenden en duizenden in den lande hebben die verzen genoten, van buiten geleerd, voorgedragen. Hoe heugt het mij nog levendig, dat ik als groen student te Utrecht mijne makkers in geestdrift hoorde uitgalmen:
„Getemd is de leeuw, die als schrik der woestijnenquot;
DB. BERNARD TER HAAR.
of wel ze met een glimlachend gelaat zag optreden, om te beginnen met:
„De rook steeg vriendelijk uit de schouwquot; —
of eindelijk ze met een hoog ernstig gezicht te hooren aanheffen :
„Wees niet zoo druk en woelig, lieve kleene!quot;
Want Ter Haar was populair als Tollens.
Zijn gevoelig, edelmoedig hart klopte voor alles wat geestdrift of deernis kon wekken. Mocht soms zekere overgevoeligheid tot weekheid ontaarden, zekere breedsprakigheid tot misbruik van gemeenplaatsen aanleiding geven, daar naast stond zijn vloeiende, aangename versbouw, zyne heldere zeggingskracht, zyn nobele strijd voor de dierbaarste belangen der menschheid.
Bij den hernieuwden bloei onzer letteren, die sedert 1830 aanvangt, treedt Ter Haar met onbestreden meesterschap op den voorgrond. Onze letteren hebben in de jeugd onzer Nederlandsche Komantiek belangrijke verplichtingen aan de \'Nederlandsch-hervormde predikanten. Koetsveld, Beets en Hasebroek schreven de beste novellen van 1830 — 1840, Ter Haar, Beets en Ten Kate de beste verzen in hetzelfde tijdvak. Destijds waren de jaarboekjes en de almanakken in de mode. Het verschenen met Sint-Nicolaas van den „Muzen-Almanak,quot; van den „Almanak voor het Schoone en Goede,quot; van „Tesselschade,quot; van „Aurora,quot; van „Hollandquot; was telken jaar eene groote gebeurtenis. Daar hadden onze jongere en oudere dichters, onze novellisten en romancières hunne beste bijdragen voor veil. Het prachtjaarboekje gold voor den onbedrieglijken standaard onzer letterkundige scheppingskracht. De populairste gedichten van Ter Haar verschenen het eerst in een almanak.
Mocht het streng gericht in „de G-idsquot; een hard vonnis vellen over de almanak-dichters. Ter Haar, wiens „Sint-Paulusrotsquot; Potgieters scherpst oordeel uitlokte, bleef steeds aan de oude gewoonte trouw; „Eliza\'s vluchtquot;
142
DE. BERNARD TER HAAR.
verscheen (1854) in de „Auroraquot;. Eerst later gaf hij „Gedicht enquot; in een bundel (1857) en eindelijk verscheen te Arnhem (1872) een volledige verzameling zijner poëzie, in prachtuitgave, uitstekend geïllustreerd door Nederlandsche kunstenaars, hoewel de rangschikking der afzonderlijke gedichten veel te wenschen overlaat.
Hoewel Ter Haar evenals Tollens de meeste kracht ontwikkelde in het epische genre, wist hij als lyrisch dichter enkele malen iets zeer voortreffelijks en innigs te leveren. Evenals Beets bij den dood zijner vrouw bezield schijnt door Vondel enNieuwland, zoo schilderde Ter Haar in zjjn „Weleer en Thansquot; (1852) een huiselijk tafereel van de liefelijkste schoonheid. De dood zyner vrouw ontlokt hem op zijn eersten jaardag na haar verscheiden eene bittere klacht. Hij vergelijkt zyn heden en zijn verleden. Vroeger alles vreugde en weelde! Zijne geliefde gade maakte hem zijn jaarfeest tot een onvergetelijk genot. Hoe aandoenlijk was hare zorg om den jarige een gelukkigen dag te schenken, reeds van den vroegen morgen af:
„De blijdschap leent haar spoed en kracht,
Hoe rept de tengre hand zich bevend snel in \'t kleeden!
Eer vader volgen kan, is moeder lang beneden.
Waar zij den jaarge wacht.quot;
En daarop volgt de schildering van het volgend huiselijk tafereel:
„Reeds staat de stoel, die in het Boekvertrek zal pronken, De hooggevulde stoel, mij door haar hand geschonken,
Van gloeiend purper overkleed,
Met waaiers groen omstrikt bij d\' uchtenddisch geschoven.
De wacht is uitgezet, of Vader komt van boven.
En houdt het sein gereed.
Daar kraakt mijn tred. Ik hoor mijn kroost van blijdschap gieren; quot;t Sneeuwt lovers voor mijn voet en krans en vendels zwieren
Me om \'t hoofd; doch stilte volgt weldra;
Mijn kinderen, één voor één, gaan God in \'t feestlied danken. Ik drink van \'t kreupelrijm de tooverzoete klanken;
Zij spreekt ze fluistrend na.
Nu komt mijn drietal blij en jublend aangesprongen;
143
DR. BERNARD TER HAAR.
\'t Heeft saam zich op mijn knie en aan mijn hart gedrongen;
Ik torsch verheugd, zóó lief een last.
Dan sluit ik zwijgend, daar ons beider tranen leken,
Die van verhoord gebed en zielsverrukking spreken.
Mijn gade in de armen vast.
Dat was mijn blij weleer ...
Ik gun den keurigsten beoordeelaar zijne reserves, als ik hem uitnoodig dit vers te bewonderen, en tart hem den liefelijken toon van Hollandsche huiselijkheid, van Hollandsch lief en leed in dit gedicht te gispen. Alle Hollandsche moeders en vaders zullen op mijne zyde staan.
Met Ter Haar is een zeer verdienstelijk staatsburger ten grave gedaald. Vooral als hoogleeraar te Utrecht heeft hij twintig jaren lang (1854 — 1874) den theologischen studenten onschatbare diensten bewezen. Ik herinner mij met weemoed de hartelijkheid, welke hij mijnen vrienden en mij schonk, zoo dikwijls wij zijn raad en steun noodig hadden. Hy ontving ieder student met de vriendelijkste humaniteit; hij onthaalde ze menigmaal ten zijnent met smaakvolle gulheid; hij bracht leven en gloed in den dorren wintertuin der toenmalige Utrechtsche theologische faculteit.
Het nieuwe boek van G. Valette. — Tropische avonden. — Javaansche landschappen.
December 1880.
Indische — dat wil zeggen: Oost-Indische Schetsen. Langzamerhand begint er zich een tak van koloniale Neder-landsche letteren te vormen, die tot hoofdsieraad zal strekken
144
INDISCHE SCHETSEN. 145
van den ouden, Nederlandschen letterkundigen boom. De Europeesche maatschappij Is in Oost-Indië „bij uitstek prac-tischquot;. „Kunst noch kunstzin bloeien (er) welig. Het leven van de groote meerderheid der maatschappij is er volstrekt ondichterlijk. Koffie, suiker en promotie houden de gemoederen bezig.quot; Aldus oordeelt een der jongste Indische auteurs, G. Valette, over wiens „Baren en Oudgastenquot;\') ik hier een oogenblik het woord vraag.
Hoe practisch inderdaad de maatschappij zich in Indië moge voordoen, zü schonk aan de Nederlandsche letteren toch Dr. Junghuhn, Van Höevell, Ritter, Multatuli, Wil-sen, Melati van Java, Annie Poore, C. E. Van Kes-teren, Mina Kruseman, W. A. Van Rees, M. C. Frank, en nu onlangs G. Valette. Talrijke dagbladen en tijdschriften, zelfs almanakken, als de welbekende „Warnasari,quot; staafden buitendien, dat koffie, suiker, noch promotie het immer alleen voor het zeggen hadden. De Indische maatschappij telt tal van leden, die niet daarvan alleen kunnen leven, die „weg zouden kwijnen, indien zij zich nooit mochten opwinden voor een gedachte, een lied, een gekleurd doek of een stuk gegoten brons, indien zü nooit uiting, vorm, kleur, klank mochten verleenen aan allerlei dingen, die door hun hoofd en hun hart gaan en niets, hoegenaamd niets, te maken hebben met de „zaken of het ambt, waarvan zü bestaan moetenquot; — als Valette schrijft.
Geen wonder waarlijk!
Dat een jong Nederlander den voet zou kunnen plaatsen op den bodem van Java, dat hy, met eene kleine dosis gevoel en phantasie begaafd, zou kunnen zwijgen over de verrukkelijk schoone natuurwonderen, die hij dag aan dag voor oogen heeft gehad, wil er bij mij niet in. Ieder, die uit Indië terugkomt, moest eene navonkeling van de tropische zon in zijn gemoed bewaren, moest door het ongemeen karaktervol contrast, dat de Nederlandsche natuur aanbiedt, als het ware niet kunnen zwijgen van de schoonheid, die Java hem ontsluierde.
\') \'s-Gravenhage. Henri J. Stemberg. 1880. L
10
INDISCHE SCHETSEN.
Men vergunne mij de belijdenis, dat geen hooger natuurgenot mij denkbaar is, dan een rid door de bergvlakten in West-Java. Vóór zonsopgang in het zadel, en by het krieken van den dag voorwaarts naar de bergen — welk een zaligheid! Plotseling breekt de tropische Helios door de oosterpoort van den horizon; frischheid en levenswarmte tintelen door de geheele atmosfeer. Het lange gras onder de hoeven der paarden flikkert van diamanten dauwdroppels. De palmen buigen maar even hunne elegante waaiers voor den morgenwind, uit dankbaarheid voor de kroon van morgenpurper, die ze maar enkele seconden mogen dragen. Voor ons rijst het donkergroene gebergte, lichter wordend naarmate het verder van ons verwijderd is, eindelijk in lichtblauwe golving zich aan het tintelend azuur des hemels huwend, of daarmee ineenvloeiend zonder merkbare grenslijn. In onze onmiddellijke nabijheid begint het kreupelhout hooger op te schieten. De dicht opeengepakte bamboesschalmen snijden ons een oogen-blik het vergezicht af, dat zich weder opent door de dunne stammen der arenpalmen, dat duidelijker zichtbaar wordt, als de jonge klappertwijgen in fraaie rondbogen zich boven ons hoofd te zamen strengelen....
Doch het is al zoovele jaren geleden, sinds mij al die heerlijkheid werd geopenbaard. Ik vrees, dat de indruk verjaard is en reik liever de hand aan den jongeren letterbroeder, die eerst ettelijke maanden geleden uit Indië terugkwam. Enkele bladzijden uit Valettes „Indische Schetsenquot; getuigen, dat hü met het oog en het hart van een kunstenaar gezien heeft.
Ziehier een tropischen avond;
„De zon ging onder en kleurde den benedenzoom des hemels, achter de jonge tamarindeboomen aan den overkant van den weg, met een warmen, purperen gloed, gouden randen teekenend om het fijne loof en hier en daar door de openingen een rossigen stralenbundel werpend. Het voorerf der controleurswoning, — een rozenperk in vollen bloei tus-schen twee vrij breede grasbeddingen, door grindpaden gescheiden, — lag reeds gedompeld in den bleeken tint, waarmede de snel verloopende schemering aanvangt. De vogels lieten het zenuwachtig getjilp hooren, waarmede zij de voor-
146
147
bereidselen tot hun nachtrust vergezeld doen gaan. Gelyktydig vielen duizenden onzichtbare krekels, de nachtboden der tropen, met hun schril geluid in; sommigen hadden een aanhoudenden toon als het snorren van een vliegwiel in de verte, anderen tusschenpozende kreten, als het geknars van een vijl, die snel en krachtig over een metalen staaf schuurt, terwijl enkelen daartusschen door een milder, klagend gezang voortbrachten.- De kalongs, de groote Indische vleermuizen, vlogen in zwermen klapwiekend uit hun schuilplaatsen op en schoten, door het wegkwijnend licht verblind, met de koppen tegen elkander of tegen de takken, die zü zooeven verlaten hadden. Uit de achter de groene omheiningen verborgen kampongs klonk het schorre gebas van honden tegen de voorbijgangers, telkens van verschillende punten in den omtrek beantwoord en vaak besloten door een langgerekt doelloos gehuil. Overigens nagenoeg geen teeken van leven. Een enkele inlander, die met zijn schop over den schouder van zijn saw ah terugkeerde, of een groep luie, grijze buffels, door een half naakt kind met een twijg in de hand huiswaarts gedreven.quot;
Dergelijke verdienstelijk geschetste landschappen treffen de lezers bij herhaling in Valettes frisch en knap geschreven boek aan. Het beste van alles wat hij leverde, is zijn tafereel uit de Javasche binnenlanden, \'t welk hy „Javaansch Landspelquot; titelde. Er ligt eene ongemeene bekoring in de schildering van dit stuk echt Javaansch leven.
Van het oogenblik, dat we den kleinen Bad on op den weg met den witten buffel aantreffen, tot op het slot, als de ex-kettingganger Pa-Sim in tot dessahoofd wordt benoemd, volgen wij den verteller met ingespannen aandacht. Zulk eene novelle is een aanwinst voor onze letterkunde. Alles ademt het idyllisch leven eener Javaansche dessa. Al de personen leven en bewegen zich als Javanen. Pa-Si min, Kjahi-Pentool en Pa-Noerséwan zyn geene geflatteerde Roodhuiden, zooals zelfs de beste schrijvers over Java\'s binnenlanden ons voor echte Javanen of Soendaneezen hebben pogen op te dringen.
Deze dessageschiedenis is eenvoudig, maar tintelend van waarheid. Pa-Simin was van elders, uit het Noorden, ge-
148 INDISCHE SCHETSEN.
komen uit de aangrenzende residentie. Hij had het vroeger zeer goed gehad, had twee of drie buffels bezeten, maar was beschuldigd gesmokkelde amfloen gekocht en gerookt te hebben. Toen was alles tegengeloopen. De bekel (dessahoofd) had hem met straf gedreigd en hij had een buffel moeten afstaan. Later nog een en zoo was hij bijna tot den bedelstaf gebracht. In de nieuwe dessa had hij den kost moeten winnen met timmeren en het maken van speelgoed — „kleine karren, gedrochtelijke poppen, hetzij wajangfiguren, of mannekes met een kop, een romp en dunne armen, maar zonder beenen, die, wanneer de bak op wielen, waarin ze zaten, voortgetrokken werd, met kleine hamertjes gamelan speelden. Toen hij eene zekere som verdiend had, bekroop hem de lust van mee te dingen naar de opengevallen plaats van bekel. Listig vulde hij een kistje met platte kiezelsteenen, strooide er het koper- en zilvergeld overheen en beloofde zijnen dessa-vrienden een aandeel in zijn schat, als zij op hem wilden stemmen voor dorpshoofd....
Maar laat Valette u liever mededeelen, hoe het afliep. De teekening van het Javaansche dorpsleven is hem veilig toevertrouwd. Opnieuw staaft hij, dat de ontsluiering door kunstenaarshand van een weinig bekend hoekje uit de groote menschenwereld altijd aantrekkelijk blijft. Auerbach, Gott-helf, Reuter, Erckman-Chatrian, Sealsfield, Sacher-Masoch, Moritz Jokaï, Klaus G-roth, de beide Love-lings en Cremer hebben bewezen, welk een by val een talentvol auteur vindt, als hij niet terugdeinst voor miniatuurschildering. Het moge een wenk zyn voor den jongen kunstenaar, wiens werk hier wordt aangekondigd.
„Baren en Oudgastenquot; bieden den lezer acht verschillende schetsen. — „Indische jongens,quot; eene variatie op Hildebrands Hollandsche jongens. — „Een Roos van Atjeh,quot; een weinig sentimenteel de ongelukkige liefde van een jong officier, gesneuveld door een kogel der Atjehneezen, vertellend. — „Indrukken van een Baar,quot; eene niet onaardige bespiegeling over de rijsttafel. — „De Resident Koker,quot; een karakterstudie. — „Een huwelijk met den handschoen,quot; een thema, dat voor de hand ligt, een weinig
149
vluchtig, maar lang niet onverdienstelijk behandeld. — „J a-vaansch landspel,quot; de beste schets van het boek — en „Bespiegelingen van den hak op den tak,quot; met uitzondering van eene landschapsschildering, wat bont en weinig harmonisch.
De auteur van deze acht schetsen heeft verwachtingen opgewekt. Het leven in de binnenlanden biedt hem de rijkste stof. Phantasie, smaak en vernuft ontbreken hem niet. Bedrieg ik mij niet, dan hebben onze vaderlandsche letteren in hem eene hoopvolle aanwinst gedaan.
Een drama van Paul Déroulède. — Staatkundige intrigen. — Dichterlijke verdiensten.
In de week vóór Kerstmis — de donkerste week van het geheele jaar — schijnt men zich nog weinig te hebben voorbereid op de vredeboodschap van het groote christelijke feest.
Vrede op aarde! klinkt zoo vertroostend en toch treft ons bijna van alle zijden twistrumoer. Al komt het niet bij ons op, om ook maar van ter zijde te wijzen op den strijd over oorlog in onze Tweede Kamer, zou men toch met zekere bezorgdheid kunnen omzien naar de plek in het oude Europa, waar de juichtoon: „Vrede op aarde!quot; van ganscher harte zou mogen worden aangeheven.
Helaas! Geen vrede in het „groen Erinquot; — geen vrede tus-schen de Joden-hatende en de Joden-beschermende Berlijners — geen vrede tusschen Gambetta en Eochefort — geen vrede tusschen den Franschen Senaat en de Pransche Kamer — geen vrede zelfs onder de anders vrii kalme bevolking der letterkundige republiek zoo hier als elders.
150
Een merkwaardig voorbeeld van bitteren stryd geeft ons het gebeurde met een Fransch drama van Paul Déroulède, „La Moabite,quot; geantidateerd uit 1881 door den uitgever Calmann Lévy.
Ieder kent Paul Déroulède, den vaderlandschen dichter, door de gebeurtenissen van 1870 en 1871 plotseling dichter geworden. Zijne „Chants du Sold atquot; maakten hem populair. Later waagde hij zich op dramatisch gebied met „L\'Het-man,quot; maar slaagde minder gelukkig. En om zich hierover te wreken, ontwierp hij in September 1879 zijn tweede drama „La Moabitequot;.
De heer Perrin, de welbekende en machtige administrateur van Molières tempel in de Rue Richelieu, had „La Moabitequot; aangenomen en den dichter-kapitein de eer eener vertooning op het Théatre-frangais voorgespiegeld. Met de uitvoering dezer belofte werd een jaar gedraald. Uitstel volgde op uitstel. Men mompelde, dat de administrateur Perrin met den minister van schoone kunsten, Jules Ferry, had geraadpleegd en dat daaraan het uitstel was toe te schrijven. Paul Déroulède eischte nu zijn stuk terug. Hij las het voor in het salon van mevrouw Edmond Adam, het beroemde salon van den Boulevard Poissonnière.
Sedert 1870 is mevrouw Edmond Adam eene groote autoriteit op letterkundig gebied. Zy is de weduwe van den kloeken Edmond Adam, door het gouvernement der nationale Defensie tot Prefect van politie benoemd in het woelige tijdvak van September 1870 tot Maart 1871. Na den dood van dezen flinken en edelen man, die Parijs redde bij de dreigende opstanden van 31 October 1870 en 6 Januari 1871, heeft zyne weduwe, als Juliette Lamber reeds bekend in de letterkundige wereld, zich aan het hoofd gesteld eener „Nouvelle Revuequot; en een letterkundig salon geopend op den genoemden boulevard.
Daar werd de „Moabitequot; voorgelezen en met groote toejuiching ontvangen. Aanstonds vormde zich de meening, dat de minister Ferry in \'t geheim de vertooning der „Moabitequot; had tegengewerkt - althans dit werd gefluisterd onder de habitué\'s van madame Edmond Adam. De dichter zelf
DE MOABITISCHE. 151
schreef eene voorrede, waarin hij de geschiedenis van zijn stuk vertelt. Hij beweert, dat de onder-secretaris van Staat, Turquet, hem had doen roepen, om hem te overtuigen, dat de minister Ferry volkomen onschuldig was. De heer P e r r i n alleen was de schuldige, want hij had in een brief aan den minister „La Moabitequot; als een drama met gevaarlijke politieke strekking aangewezen en gevraagd of het niet beter was de vertooning ad calendas graecas uit te stellen. De auteur zag hierin een intrige van den minister, en verzweeg het niet in zijne voorrede.
Is nu het drama „La Moabitequot; inderdaad zoo gevaarlijk? Ik behoef niet te herinneren, dat deze geheele strijd voorviel in de dagen toen de campagne tegen de niet-onderdanige congregatiën op het hevigste woedde. De minister Ferry wilde eerbied voor de wet bij alle staatsburgers, maar het schijnt, dat hy in deze volkomen rechtvaardige zaak zich te veel om allerlei kleine bezwaren heeft bekommerd. Wat zou het stuk van Paul Déroulède aan zijn staatkundig beleid hebben kunnen schaden? Te Parijs zou ieder politiek tinnegieter bereid zijn u dit haarfijn te verklaren. Na de lezing der „Moabitequot; evenwel kwam het mij voor, dat er in dit geval in de Fransche politieke kringen eene prikkelbaarheid moet heerschen, van welke zelfs de trouwste lezer der offlcieele handelingen onzer Staten-G-eneraal — vul go gezegd van het B ij b 1 a d — zich geene voorstelling kan vormen.
„La Moabitequot; speelt in het jaar 4003 vóór onze christelijke jaartelling. Dat men zulk een chronologisch vraagstuk aandurft, teekent den moed van den krijgshaftigen dichter. In Israël regeeren de Suffeten (Rich teren). Sam mg ar is opperbestuurder. Zijn zoon Misael heeft in een oorlog met de Moabieten eene vrouw uit den vijandelijken stam leeren kennen. Hü aanbidt de Moabitische, die den onverklaarbaren naam van Kozby draagt. Toch blijft Misael getrouw aan Jehova. Hij wil het Paaschfeest te Sichem vieren. De Moabitische voegt bij eene hartveroverende schoonheid eene gave voor lyrische poëzie, die Paul Déroulède alleen kan verklaren. Dit neemt niet weg, dat men Kozby met toejuiching hoort, als zij Misael van de Paaschfeestviering
152
poogt af te brengen niet om het feit, maar om de schoone verzen:
„Ce Dieu sombre et farouche,
„Qui defend ta bouche a ma bouche,
„Et tes baisers a mes baisers;
„Va le prier, va mettre aux pieds de sa colère „Le sacrifice volontaire „De tes désirs inapaisés.
„Va, va prier ce Dieu des dieux qui te possède,
„Appelle sa force a ton aide „Demande lui de m\'oublier,
„Je t\'aimais, tu m\'aimais, qu\'importe, Dieu t\'en blame! „Livre-lui ton ame et mon ame,
„Va le prier! va le prier!quot;
Dat de Moabitische Jehovah en Dieu als synoniem beschouwt, mag als een vergeeflijk anachronisme ter zijde gesteld worden.
Mi sa el geeft aan het verlangen der Moabitische toe en wordt te midden zijner hartstochtelijkste eeden verrast door zyne vrome moeder Respha. Deze poogt hem te redden uit de strikken der Moabitische Circe, maar hij antwoordt eenvoudig :
— Je l\'aime.
„Oui, je sais ce qu\'elle est, je sais ee que je suis, „Que j\'outrage mon Dieu, mon peuple, mon pays,
„Que mon vertige est grand et ma bassesse extréme,
„Mais. encore une fois et mille fois, je l\'aime.quot;
Respha beweert, dat haar zoon tot zyn plicht en zijn godsdienst zal terugkeeren, zoo spoedig hij niet meer onder den invloed der Moabitische zal staan. Deze laatste neemt de uitdaging aan. Zij keert naar Moab terug en laat Misael aan zijne verheugde moeder. In het derde bedryf vindt men den jonkman in de woning van den profeet Heli as te Sichem. Deze laatste is een vrü zonderlinge personage. Wegens zijne revolutionnaire meeningen heeft men hem tot ballingschap veroordeeld. Hij keerde na verloop van zijn verbanningstijd met zijne dochter Miriam naar Sichem terug en poogt nu met eenige geestverwanten aan het bestuur van den rechter
DE MOABITISCHE.
Sam mg ar een eind te maken. Misael, de zoon van den Suffeet, is deelgenoot van het eedgespan en de heftigste van allen. Maar de verstandige He li as maant hem aan tot kalmte en geduld. Zijne moeder Eespha komt andermaal hem bezwoeren van deelneming aan den opstand af te zien, daar zijn vader Sam mg ar hem uit Israël zal verbannen als afvallig Leviet en oproerig zoon.
Maar Misael is eerzuchtig geworden, hij tart zijn vader. R esp ha zegt van hem:
„II lui fallait encore déchoir de passion „Et voila son amour souillé d\'ambition.quot;
Helias en Misael strijden om de eer van aanvoerder des volks te zyn. Misael wil de priesterheerschappij afschaffen. Helias toont zich opportunist en zegt:
„Laissez un prêtre a Dieu pour qu\'un Dieu reste a I\'liomme.quot;
En later:
„N\'éteignons pas ce feu sacré des consciences,
„La liberté n\'a rien de contraire aux croyances.quot;
Ziehier de regelen, die den minister Ferry deden vreezen. De tegenstanders der wet op de congregatiën zouden er zijde uit spinnen, vreesde hij. Ons schijnt die vrees overdreven, alleen indien het kabinet Jules Ferry geen zuiver geweten mocht hebben op het punt der maatschappelijke verdraagzaamheid — indien het zich bewust was, dat \'t de vrije belijdenis van godsdienstige meeningen binnen de grenzen der wet had tegengewerkt, alleen dan zou zoodanige vrees verklaarbaar schynen.
Paul Déroulède laat Misael voorthollen op den weg van den opstand. Kozby komt van Sichem, maar ook aan haar gelukt het niet den eerzuchtigen volksleider te temmen. Misael doodt zjjn mededinger Helias. In den tempel te Sichem grijpt het laatste tooneel plaats. Sammgar, Israels Richter, laat de opstandelingen binnenkomen op de wijze
153
154
als te Pargs een kloosterprior de dienaren der wet zou ontvangen, wanneer de eerste geweigerd had eerbied voor diezelfde wet te betoonen. Kozby klaagt Misael van moord aan, het volk begint hem af te vallen. Hy daagt Sammgar uit te bewijzen, dat Jehovah verborgen is in het Heilige der Heiligen. Hij wil er in doordringen, zyn vader vergezelt hem: „Sammgar (lui saisissant le bras et l\'entrainant):
„Ah malheureux enfant.... Suis-moi dans le Saint-Lieu! (Sammgar et Misael pénètrent ensemble dans le tabernacle. Voix de Misael, dans le tabernacle).
„Ah, je meurs!quot;
Sammgar, reparaissant seul:
„Priez, il a vu Dieu!quot;
Dit slot is grootsch en van treffende uitwerking, maar het geheele drama is gerekt en somtyds duister. Ook is de Moabi-tische niet de hoofdpersoon. Misael is de rampzalige held der eerzucht — een soort van Phaëton of Adonias, door Vondel bezongen.
Eigenaardig is de overeenkomst met Vondel in de Moabi-tische. De schoonheid der verzen zal niemand ontkennen; de oude, lyrische aanleg verloochent zich nimmer, evenals by Vondel. Maar of door dit drama van Paul Déroulède zal bewezen worden, dat het ministerie Ferry het recht niet had de tegenspartelende kloosterbroeders in hunne functiën te stuiten, is een vraagstuk, waarop ik ongaarne toestemmend zou antwoorden.
DE MOABITISCHE.