-ocr page 1-

Or-.WfJT/r

//

P, HARTING HERDACHT

i

DOOR

A.. A. W. HUBKEOHT.

Overgedrukt uit bet Jaarboek der Koninklijke Ak\'uieniie van Wetenschappen 1888.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

■MBS .. t

P. HARTING HERDACHT

DOOR

A. A. W. HUBRECHT.

Veel meer dan de schilder- en beeldhouwkunst Vüiiïiüg do toonkunst haren beoefenaars het streelend bewustzijn te scheuken, dat, wat de meusch op haar gebied schept, ouvergau-kelijk is. Terwijl de schoonste producteu der beide eersten onverbiddelijk na korter of langer tijd tot stof moeteu wederkeeren — de weinige, veelal geschonden, brokstukken van de heerlijke Grieksche beeldhouwkunst, die tot ons kwamen, vormen onschatbare uitzonderingen, die den be-droeveuden regel bevestigen — zijn de scheppingen in het rijk der tonen voor gelijksoortigen ondergang en vernieling gevrijwaard. Zij hebben dat gemeen met de fraaie letteren en met de wetenschap. Bibliotheken en archieven, onophoudelijk gevoed door de steeds vruchtbaarder wordende drukpers, bergen toenemende schatten, en aau den verren nazaat zal het gegeven zijn : niet alleen om de zooveel verder gevorderde wetenschap zijner dagen te beheerscheu, maar tevens om stap voor stap de langzame vooruitgang dier wetenschap in hare geschiedenis te kunnen volgen en aau ieder, die tot haren vooruitgang heeft bijgedragen, naar verdienste het zijne te geven.

Zoo denken wij het ons, maar zal dit inderdaad het geval zijn ? My trof in hooge mate het ontkennend antwoord op die vraag, dat ik eenmaal uit den mond van eeu Neder-

1

-ocr page 4-

( 2 )

landsch toondichter mocht vernemen, die, reeds sedert vijftig jaren de trots zijner landgenooten, thans de Nestoii zijner kunstbroeders is. Zelfs op het gebied van zijn kunst, waar de omstandigheden in zoo gunstigen zin medewerken, achtte hij blijvenden roem voor zeer weinigen, onsterfelijkheid slechts voor enkelen weggelegd. Al de anderen, hoezeer ook door hunne tijdgeuooten gewaardeerd, en hoe invloedrijk ook op het muziekale leven hunner eeusv, waren voorbijgaande verschijningen, die door het nageslacht vergeten, velen zelfs nooit gekend zouden worden.

Op het gebied der wetenschap is voorzeker het onderling verband tusschen hetgeen in eene bepaalde periode door den menschelijken geest wordt voortgebracht, grooter dan op dat der kunst en kunnen inderdaad de schakels van den doorloopenden keten aangewezen worden, die de verst voorwaarts dringende pioniers van lieden met de Griekscbe wijs-geeren en de natuuronderzoekers der oudheid verbinden. Maar toch moet erkend worden, vooral in onze dagen, nu eene maand meer aanbrengt dan vroeger een lustrum, dat veel van hetgeen thans de algemeene aandacht mag trekken, na korten tijd vergeten zal zijn; dat vele namen, thans op ieders lippen, vóór het einde der twintigste eeuw door niemand meer genoemd zullen gorden. Is daarmede gezegd, dat het geleverde minder waarde had, dan hetgeen wij te danken hebben aan die weinige anderen, wier naam onsterfelijk geworden is? Wie zal het wagen het hechte cement, dat de duistere voegen verbindt en in stand houdt, voor de duurzaamheid van den tempel der wetenschap van minder waarde te achten, dan de versierde hoeksteen, of het kunstvol gehouwen kapiteel, die in zooveel hoogere mate de aandacht der voorbijgangers trekken?

Toen ik mij tot schrijven zette van een overzicht van wat Haeïing op wetenschappelijk gebied tot stand bracht, rezen deze gedachten voor mijnen geest. Met beroemde Nederlanders van vroegere eeuwen, heeft Hakïing eenige kenmerkende eigenschappen gemeen. Onvermoeide werk-

-ocr page 5-

( 3 )

zaaraheid, vindingrijk vernuft, belezenheid en veelzijdigheid van opvating waren bij hem harmonisch vereenigd. Is die vereeniging op zich zelve niet voldoende om met die voorgangers op éene lijn te worden gesteld, zonder dit samentreffen zou Hauting voorzeker de hoogte niet hebben bereikt, waarop wij hem met zooveel ijver en toewijding een lange reeks van jaren werkzaam hebben gezien. En meende het Bestuur onzer Akademie, — volgens de goede gewoonte om in haar Jaarboek de verdiensten van hen, die haar ontvallen zijn, te herdenken, — nu het Hauting gold die taak te moeten opdragen aan hem, die het voorrecht mocht hebben zijn leerling en zijn opvolger te zijn, het kou zich verzekerd houden, dat — wat ook aan dat „in memoriamquot; ontbreken moge — warmte en dankbare waardeering zeker niet.

Reeds voor een tweetal jaren gaf ik in de Gids een beeld van den betreurden leermeester, bestemd om den persoon in al zijn eenvoud ook door anderen te doen hoogschatten. Thans behoor ik mij meer in hoofdzaak te bepalen tot zijne werken, zijne talrijke geschriften en zijn arbeid op wetenschappelijk gebied. Zij zijn het, die in dezen kring meer uitvoerige bespreking eischen.

ïe meer aanleiding tot zoodanige beperking (en wellicht ook tot de vertraging waarmede deze regelen gereed kwamen ?) vind ik in de voortreffelijke levensbeschrijving van Hauting door Dr. H. F. Jonkman in de ■«Mannen van Ueteekenis in onze Dagen\' gegeven, waarin talrijke bijzonderheden, aan de vriendelijke mededeelzaamheid van Hakting\'s weduwe en zoon verschuldigd, voor het eerst een plaats vonden. Daarheen verwijs ik hem, die Hauting\'s levensloop van kindsbeen af op deu voet wenscht te volgen, en die het treffend beeld van den veelzijdigeu man, ook nog door menige anecdotische bijzonderheid uit zijn jeugd en zijn rijperen leeftijd verlangt toegelicht te zien.

Den eersten openbaren stap op het veld der wetenschap zette Hauting op 28 November 1835, toen hij als 23-jarig jongeling zijn geneeskundig proefschrift: sObservationes

1*

-ocr page 6-

( 4 )

Choreae Saucti Viti ot febris puerporalisquot; aan de Utrechtsclio hoogeschool verdedigde.

Tocli mag men uit die dissertatie van zuiver medischen aard niet afleiden, dat niet toen reeds eene krachtige voorliefde voor de natuurwetenschappen om haar zeiver -wille by Harïikg ontwaakt was. Hij werd echter door plichtgevoel geroepen die voorliefde achter te stellen bij de mogelijkheid om door eene spoedige promotie eene opengevallen plaats ouder de geneesheeren te Oudewater te kunnen gaan innemen.

Ware dit laatste niet het geval geweest, zoo zou Harting aan zijn aanvankelijk voornemen hebben gevolg gegeven en zou hij een reeks eigen onderzoekingen tot onderwerp van zijn proefschrift gekozen hebben, die nu eerst later (1839) het licht hebben gezien iu het Tijdschrift vüov natuurlijke Geschiedenis en Physiologic, onder den titel: »Bijdragen tot de mikroskopische kennis der zachte, dierlijke weefsels. Hij, die later als de gevierde schrijver van het Leerboek der Dierkunde eene eereplaats innam onder de Nederlandsche zoölogen, ware dan reeds door zijne dissertatie verbonden geweest aau het vak, waaraan hij zich betrekkelijk eerst laat geheel heeft mogen wijden cn waaraan zijn naam ook in de toekomst verknocht zal zijn.

Trouwens, zoo als reeds uit den titel blijkt, waren deze bijdragen welhaast nog meer van histologischen dan van zoölogischen aard, en was het microscoop — de mikroskoop zooals hij \'t nog iu deze eerste proeve noemt, — het voornaamste hulpmiddel bij deze onderzoekingen geweest. Dat microscoop, waarvan hij later eene meer uitvoerige beschrijving gegeven heeft, was door hemzelf naar het model van het Wollaston\'sche vervaardigd; tot zelfs het gieten der lenzen was eigen werk geweest. Geen wonder dat de volhardende kunstvaardigheid, door Hauting aan de samenstelling van dit werktuig besteed, haar loon moest vinden in de openbaring der geheimen, die de wereld van het onzichtbaar kleine aan den gelukkigen bezitter van goede optische instrumenten ontsluit: geen wonder dat zij er toe

-ocr page 7-

( 5 )

medewerkte om hem zijue gaven meer aau weefselleer dan aan vergelijkende ontleedkunde of aan de beschrijvende natuurlijke historie te doen dienstbaar maken.

Enkele bijzonderheden van technischen aard, die wij in Hahting\'s eerste opstel vermeld vinden, doen ons, verwende kinderen der moderne methoden, een leerrijken blik werpen op de eigenaardige moeilijkheden, waarmede onze onmiddellijke voorgangers nog te kampen hadden. Zoo beschrijft Harting de nadeelen der mica-dekplaatjes, waarmede de preparaten gedekt werden en verheugt er zich in, het middel gevonden te hebben om die nadeelen te ontgaan, en wel door het gegloeide uiteinde van een glazen buis tot een ruimen glaskogel op te blazen, dezen daarna te verbrijzelen en de scherven in de plaats van de mica-plaatjes te gebruiken.

Ook achtte hij het een stap vooruit, dat hij zich door een en ander in staat zag het puukinje\'sche compressorium te ontberen en eene zeer geleidelijk toenemende drukking op zijne preparaten kon uitoefenen door de objectieflenzen zelf op dit glazen dekplaatje te doen nederdalen !

Terwijl in de eerste helft zijner thans besproken verhandeling kritische beschouwingen omtrent Treviranus\' indeeling der weefsels op den voorgrond treden, vinden wij in de tweede helft talrijke eigen waarnemingen vermeld en mag ik er op wijzen, dat de tegenwoordig zoo zeer overheerschende methode der microscopische doorsneden, ook toen reeds door Hauïing was toegepast, en wel op de oogzenuw van het kalf, waarvan hij overlangsche en dwarse doorsneden beschrijft.

Mag het van belang geacht worden bij deze eerste proeven van Haiiting\'s zelfstandige werkzaamhèid eenigszius meer uitvoerig stil te staan, zoo mogen wij daarnaast niet vergeten, dat eene behandeling van Harïing\'s werken in chronologische volgorde aan een harmonisch overzicht van zijne veelzijdige werkzaamheid in den weg zou staan. Liever zal ik de bespreking van zijn talrijke geschriften derwijze inrichten, dat verschillende groepen daarvan bijeengebracht worden, die van gemeenschappelijken oorsprong zijn en stamverwantschap

-ocr page 8-

( 6 )

bezitten. En waar wij zijne oudste studiën over de dierlijke weefsels als uitgangspunt namen en reeds melding maakten van opstellen aan de samenstelling van zijn microscoop gewijd, daar komt ons onmiddellijk voor den geest, dat liet hoofdwerk in deze groep zijner geschriften geen ander zijn kan, dan de vier deelen, die tusschen 1848 en 1854 bij Campagne te Tiel het licht zageu en waaraan Haiiïing den titel gegeven heeft van: »Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordige toestand.quot; Inderdaad heeft hij daarin nedergelegd al wat hem een twintigjarig gebruik van dat belangrijk instrument geleerd had, en tevens al wat ijverige navorsclhugen omtrent de historische ontwikkelingsgeschiedenis daarvan, geleidelijk aan het licht hadden gebracht.

Dat dit omvangrijke werk in 1859 door Dr. Theile in het Duitseh vertaald werd, en dat van die vertaling in 1866 eene tweede uitgave noodig was, bewijst wel hoezeer de beteekenis er van ook buiten de grenzen van ons vaderland erkend en gewaardeerd werd.

Die tweede Duitsche uitgave, evenals de eerste in drie deelen verschenen, verdient daarom in zekeren zin boven de oorspronkelijke llollandsche de voorkeur, omdat Hauting de gelegenheid vond, daarin niet alleen op te nemen den inhoud van een naschrift op zijne Hollandsche uitgave, dat in 1858 onder den titel: ,/De nieuwste verbeteringen van het mikroskoop en zijn gebruik sedert 1850quot;, verschenen was, maar doordien hij in den tekst, wat er tot 1866 aan nieuwe verbeteringen was uitgedacht, kon invlechten.

Het eerste deel behandelt de optische samenstelling van het gebruikelijke microscoop en bevat daarbij eene alge-meene beschrijving van de verschillende werktuigen, die onder dien naam worden samengevat. Ook de rol, die het oog, bij het microscopisch zien, speelt, wordt uitvoerig nagegaan: eerst wanneer dit zich boven bet microscoop bevindt, is een optisch geheel tot stand gekomen, dat den waarnemer in staat stelt in de fijnere samenstelling van levende weefsels door te dringen.

-ocr page 9-

( 7 )

Dit eerste deel van Hartins\'s werk stelt den bezitter van een microscoop in staat, zich volkomen rekenschap te geven van de beteekenis van alle onderdeden van zijn werktuig en van de algemeene catoptrische en dioptrische grondregels, die het gebruik er van beheersclien. Het kan niemand verwonderen, dat dit deel ook thans, na 25 jaren, nog zeer belangrijke aanwijzingen bevat, waarvan allen, die zich van een microscoop voor hunne studiën bedienen, behooren kennis te nemen.

In directe aansluiting tot bet eerste, staat veel meer het derde, dan het tweede deel. Het bevat wat men zou kunnen noemen de phylogeuie van het microscoop, evenals het eerste daarvan de anatomie bracht. Men begrijpt, dat daarmede bedoeld wordt een uitvoerig historisch overzicht van de geschiedenis van de langzame ontwikkeling der microscopen, die in den aanvang op Nederlandschen bodem hun oorsprong namen en tot wier verbetering Nederlanders ook het hunne hebben bijgedragen.

Die geschiedenis was tot zoolang niet, of hoogst onvolledig geboekstaafd. Toch is zij van zooveel beteekenis tot juist begrip van de factoren, die hebben medegewerkt om vorm en omvang van zoo menig onderdeel van het microscoop te bestemmen. Voor die geschiedenis van het microscoop heeft Hahting ongeëvenaarde verdiensten. Met noeste vljjt heeft hij alle gegevens bijeenverzameld en andere opgaven critisch getoetst. Een reeks zeer goede houtsneden geeft daarbij een helder overzicht van de meeste der besproken ontwikkelingstrappen.

Dit deel is een onmisbaar hulpmiddel voor allen wien de ontwikkeling van het microscoop belang inboezemt, en bezit, door de groote zorgvuldigheid, waarmede het bewerkt werd, voor de toekomst blijvende waarde.

De aanvulling er van met wat sedert 1860 alzoo verbeterd en gewijzigd werd, is gemakkelijk genoeg, even gemakkelijk als het schrijven van het werk zelf moeilijk en tijdroovend moet geweest zijn.

-ocr page 10-

( 8 )

Hoe deze zorgvuldige wordingsgeschiedenis van het microscoop ook in hel buitenland door hen, die daartoe het eerste geroepen zijn, hoog gewaardeerd wordt, had ik persoonlijk gelegenheid op te merken, toen ik voor enkele jaren te Londen vertoefde en daar de ongeëvenaarde verzameling van een 1200-tal microscopen in oogeuschouw nam, die door een vermogend liefhebber zijn bijeengebracht en ieder een verschillende phase iu de geschiedenis van liet microscoop vertegenwoordigen. Ik was door Harting\'s tusschenkomst met hem in betrekking gebracht, en vond daar talrijke instrumenten terug, die ik alleen uit de afbeeldingen in Harting\'s derde deel kende en die ook door hemzelf niet gezien waren, maar naar andere afbeeldingen waren wedergegeven. Microscopen van Mussciienbiioek en van Culpeper ; microscopen die in vorige eeuwen door de pausen gebruikt en met hunne emblemata voorzien waren, naast de zoodanige van verscheidene voeten lang, die voor gebruik onder water bestemd zijn, d. w. z. om de wanden en den bodem van aquaria mede te doorzoeken, wisselden daar in bonte mengeling met elkander af. En in de rijke boekverzameling over het onderwerp, die ik daar bijeengebracht vond, door den eigenaar van deze onschatbare collectie — zelf een voortreffelijk kenner van het microscoop en van alles wat daarop betrekking heeft — bekleedde Harting\'s //Het Mikroskoopquot; de eereplaats en werd telkens opgeslagen, wanneer leemten betreurd of nieuwe aanwinsten met vreugde begroet en gerangschikt werden.

Het laatste deel van Harting\'s werk, in volgorde het tweede, is, zooals hijzelf in de voorrede erkent, in schijnbaar minder iogischen gedachtengang tusschen het eerste en derde ingeschoven, edoch, met opzet. Daarin vindeu wij het eigenlijk microscopisch onderzoek, het gebruik van bet microscoop, uitvoerig geschetst. De inleidende hoofdstukken geven Har-ïino gelegenheid ons voor te houden, welke eischen aan dengenen te stellen zijn, die zich met microscopisch onderzoek zal bezig houden en welke voorzorgen deze tijdens dat onderzoek zal hebben in acht te nemen. Eu dan is het voor

-ocr page 11-

( 9 )

ons, die ons Hauting zoo levendig herinneren, zeer kenmerkend voor den man, dat hij bij de bespreking van de psychische eigenschappen, die de gebruiker van het microscoop behoort te bezitten, met nadruk het allereerst op den voorgrond plaatst: onwankelbare waarheidsliefde. Hoe dikwijls hebben wij het liem niet hoeren herhalen, dat die waarheidsliefde nog niet voldoende gehuldigd was, wanneer men er naar streefde vergissingen of dwalingen te vermijden, maar dat zij eischte, dat met allerstrengste critiek alle aanleiding tot vergissing van den beginne af werd buitengesloten. Voorzeker ligt in de toepassing van zoodanige strenge critiek de beste waarborg voor deugdelijkheid en nauwgezetheid van het onderzoek, al is de verleiding somtijds groot om langs korteren weg tot snellere uitkomsten te geraken. Zoodanige resultaten, al mogen zij voor het oogenblik hem, die ze aanbracht, gestreeld hebben, wreken zich later op zijne nagedachtenis en belasten de wetenschap met dwalingen, wier verwijdering niet zelden meer moeite kost dan het vaststellen van nieuwe en belangrijke feiten.

Ook voor de neiging tot het maken van gevolgtrekkingen ■per anulogiam, waaruit zoo dikwijls overijlde generalisatie ontsproot, waarschuwt Hauting met name, als voor een gevaar, dat op het gebied van het microscopisch onderzoek van alle zijden dreigt. Schrijver dezer regelen, die nog zeer onlangs tegen zoodanige gevolgtrekkingen polemisch de pen moest voeren, was getroffen bij Hauting, met bijkans dezelfde woorden, vóór welhaast dertig jaren terneergeschreven te vinden: »Er zijn er die . . . . oordeelen, dat, wanneer dit of dat orgaan bij een konijn of hond eene zekere samenstelling bezit, het ook wel zoo bij alle zoogende dieren zal zijn.quot;.

Veel van wat in dit tweede deel bevat is, »bezit,quot; zooals Hugo de Vuies het in zijn gedachteniswoord van 7 December 1885 gezegd heeft, »blijvende waarde en de daar gegeven methode ligt thans nog ten grondslag aan de prac-

-ocr page 12-

( 10 J

tische oefeningen van hen, die zich als studenten met het gebruik van het microscoop willen bekend makenquot;. Maar veel is ook met name in dit deel, sedert het geschreven werd, verouderd en door andere verbeterde methoden vervangen. Ieder, die zich met microscopisch onderzoek in do laatste twintig jaren heeft bezig gehouden, weet hoe die methoden, — de zoogenaamde techniek van het microscopisch onderzoek, — telken jare wijziging en uitbreiding ondergaan, en het is niet te verwonderen, dat een leiddraad, die vóór 25 jaren door Hakting werd opgesteld, thans zijne beteekenis als zoodanig grootendeels verloren heeft. Juist op dat gebied worden snelle en dikwijls onverwachte vorderingen gemaakt, die zelfs de handboeken van voor weinige jaren spoedig doen verouderen en reeds aanleiding waren tot het ontstaan van een zelfstandig tijdschrift, dat aan dit technisch gedeelte van het microscopisch onderzoek gewijd is.

Dat van de Duitsche vertaling na betrekkelijk weinige jaren een tweede uitgaaf noodig was, zal voor Hahting voorzeker eene bijzondere voldoening geweest zijn en hem het bewijs geleverd hebben hoezeer de groote ervaring, die hij door geduld en volharding zich met liet microscoop verworven bad, zijnen tijdgenooten te stade kwam.

Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de inhoud van kleinere opstellen en verhandelingen op het gebied van weefselleer en microscopie, door Harïing in bet licht gegeven, in zijn zooeven besproken werk was ingelascht. Ik mag dus van eene afzonderlijke bespreking daarvan afzien en kan volstaan met eene verwijzing naar de titels, die in de derde afdeeling van de hierbij behoorende bibliographie zijn bijeengebracht.

Het verdient opmerking, dat na 1861 op dit gebied geen nieuwe bijdrageu door den zoo werkzamen baanbreker geleverd werden. Andere vakken hadden zijn arbeidskracht in beslag genomen.

-ocr page 13-

(11)

Toch blijkt uit het zooeven genoemde jaartal, dat Harting de vijftig dicht was genaderd, vóór hij zich meer bepaald op het gebied der dierkunde zou gaan bewegen.

ïot zoolang was hij aau de Utrechtsche universiteit de vertegenwoordiger geweest van wat men ook in Duitschland de «wetenschappelijke microscopie\'\' genoemd heeft. En dat zijne beteekenis als zoodanig ook door de beste beoordeelaars in het buitenland hoog werd aangeslagen, bewijst een brief van Max Schultze te Bonn, die hem in December 1864 bij de oprichting van het bekende »Archiv für mikroskopische Anatomie,quot; uituoodigde tot de vaste medewerkers te willen toetreden. Harting beheerschte de techniek van het microscopisch onderzoek, wij zagen het reeds hierboven, ten volle, en afwisselend had hij met dit instrument op histologisch, op botanisch en op anatomisch gebied de bewijzen van zijn meesterschap gegeven, zonder dat wij echter kunnen zeggen — wellicht met uitzondering zijner monographic der Marattia-ceën — dat op een werk van grooteren omvang als de uitkomst van zijne talrijke microscopische onderzoekingen kan gewezen worden. In stilte rijpte wel de Morphologie synthétique, waarop wij zoo straks terugkomen, maar daarnaast waren bezigheden en beslommeringen van geheel anderen aard op zijn tijd beslag komen leggen, die thans onze aandacht verdienen. Die bezigheden knoopten zich ten nauwste vast aan den betrekkelijk weinig scherp omschreven werkkring — althans in officieelen zin — dien Harting, tot nu toe aau de Utrechtsche hoogeschool gevonden had. Wij weten uit de voortreffelijke en volledige levensbeschrijving, die wij aan Jonkman te danken hebben, hoe Harting na zijne promotie van 1835 tot 1841 te Oudewater als praktiseerend geneesheer gevestigd was, hoe hij in laatstgenoemd jaar geroepen werd om aan het athenaeum te Franeker de plaats in te gaan nemen van Cl. Mulder, die naar Groningen beroepen was en Loe hij daar een jaar laug in diens plaats chemie, botanie en zoölogie vertegenwoordigde. In 1843 besloot de liegeering tot de opheffing van het athenaeum te

-ocr page 14-

( 12 )

Franeker. Harting was daarmede zijn aangewezen werkkring ontnomen, en in de faculteit der Wis-en Natuurkunde aan de Utrechtsche hoogeschool, waarbij hij werd overgeplaatst, was geen vacature te vervullen. Müt.deu schitterde daar als chemicus, Bkrgsma vertegenwoordigde de plantkunde, van Liirru de Jeuoe doceerde zoölogie en had eene schoone dierkundige verzameling bijeengebracht. Harting was dus, wat Donders eenige jaren later bij de medische faculteit zou worden, een hoogleeraar a la suite een docent zonder aangewezen leervak.

Die toestand moest verre van aangenaam zijn eu het was geen verbetering, anders dan naar den schijn, dat hij, die in 1843 als buitengewoon hoogleeraar optrad met de rechten van gewoon hoogleeraar, in 1846 naast die rechten ook de toelage erlangde. Harting zag zich dus genoodzaakt zich te adapteeren naar de toestanden en de leemten, zooals hij ze vond, en moest daarbij nog met groote behoedzaamheid te werk gaan, want alleen die leemten in het onderwijs konden in aanmerking komen, die voortvloeiden uit de niet-bezetting van een bepaald leervak.

Harting moet zich dus gevoeld hebben als eene species, die onverwacht in vreemde en nieuwe toestanden verplaatst wordt en zich daar alleen kan staande houden door een selectie-proces, hetgeen in zijn geval niet het onverbiddelijke en tevens onbewuste had, dat gewoonlijk voor die processen kenschetsend is, maar waarbij hij wel degelijk genoodzaakt was met vol bewustzyn zelf zoodanige keuze te doen, waardoor zijne eigen neigingen en bekwaamheden met de belangen van de hoogeschool op de meest harmonische wijze gelijktijdig konden worden gediend.

Het is leerzaam, dat proces te vervolgen in de weinige data, die daarvan zijn tot ons gekomen; ik bedoel op de Series Lectionum. Van 1844 tot 1848 vinden wij dat Harting in de philosophische faculteit aankondigt: weefsel-leer van planten en dieren, normaal en pathologisch, alsmede capita selecta uit de plantenphysiologie, terwijl wij hem tegelijkertijd ook bij de medische faculteit vermeld

-ocr page 15-

( 13 )

vinden, waar hij ia de eerste jaren in gemeenschap met Mulder onderwijs gaf in pharmacie en pharmacologie, terwijl hij van 1845—54 de pharmacologie zelfstandig onderwees, waarbij zich tot 1856 ook nog de geschiedenis der medicinale planten voegde.

In diezelfde faculteit kondigde hij in 1849 bovendien een college aan van twee uur \'s weeks over algemeene anatomie en over de leer der fijnere weefsels, zoowel in gezonden als zieken staat, terwijl hij in de philosophische faculteit over de anatomie en de physiologic der planten twee uur onderwijs gaf en voor hen, die zich wenschten te oefenen in het gebruik van het microscoop, de gelegenheid open stelde. Dit bleef zoo tot 1857, toen het naderende emeritaat van v. Lidth de Jeude het uitzicht opende op een werkkring, die meer bepaald in het kader van het akademisch onderwijs, voor zoover dat ook door de examina nader omschreven wordt, passen zou. In den cursus 1857 — 58 gaf Harting een college van twee uur \'s weeks over de natuurlijke geschiedenis vau zoogdieren, vogels eu reptiliën, een ander over visschen en ongewervelde dieren, terwijl hij ook de elementen der palaeontologie aankondigde, hora postea indicanda.

In 1858 werden beide eerstgemelde colleges versmolten tot één, dat vier uur \'s weeks besloeg, en zien wij, ouder elkander aangekondigd, op dezelfde Series:

Th. G. van Lidth de Jeude docebit zoologiam.

P. Hauting tradet Historiam naturalem animalium.

Th. G. van Lidth dk Jeude tradet Anatomen comparatam.

P. Hauting exponet Zootomiam et Histologiam comparatam.

Op 1 October 1859 werd van Lidth de Jeude emeritus en van nu aan behoeft Hauting voor de aankondiging zijner lessen den rijkdom der Latijnsche terminologie niet meer op de proef te stellen, maar vinden wij hem op de Series als de erkende voorganger op het gebied van dierkunde en vergelijkende ontleedkunde. Het selectie-proces had welhaast

-ocr page 16-

( 14 )

vijftien jaren geduurd, maar tlians was het oogenblik daar, waarop Hahting\'s naam voor goed aan de dierkunde zou worden vastgeknoopt.

Zeker niet met de bedoeling om aan dien naam in die wetenschap een bli] venden klank te geven — wat later toch de uitkomst zou blijken! — maar veeleer om \'zijnen leerlingen een betrouwbaren gids te verschaffen in den rijken doolhof van feiten, die de natuurlijke historie ook toen reeds aanbood, begon hij in deze jaren met de samenstelling van het tweede werk, dat naast zijn »het Mikroskoopquot; bovenaan in de rij van de voortbrengselen van zijnen geest behoort gerangschikt te worden.

Het ligt voor de hand, dat hij voor de dierkundige lessen, die van nu aan regelmatig door hem gegeven worden, met de grootste nauwgezetheid de zoölogische litteratuur tot op de allerlaatste jaren doorwerkte, hetgeen aan zijne voordrachten die hooge mate van grondigheid, gepaard aan actualiteit verleende.

Eu wat was natuurlijker, dan dat de aanteekeningen op dien weg door hem verzameld — een weg, die afweek van de aanvankelijk door hem ingeslagene en die hem op een voor hem geheel nieuw gebied voerde — ten slotte tot één geheel vereenigd, als een Leerboek der Dierkunde aan zijne leerlingen en aan alle beoefenaren der zoölogische wetenschap zou worden aangeboden ? Maar waarlijk, er ligt in dat leerboek nog meer vóór ons, dan terloops gemaakte aanteekeningen tijdens de voorbereiding tot dierkundige colleges! Er ligt daarin een stuk van Haiiting\'s leven, dat ons tevens enkele van de meest sprekende trekken van zijnen geest duidelijk openbaart. In de eerste plaats zijn groote arbeidskracht. Zien wij dat de voorrede tot het eerste deel van zijn »Leerboek der Dierkunde in haren gehee 1 en o m va n gquot; van Juli 1862 gedagteekend is, zoo moeten wij het bewonderen, dat hij, die daarin niet gaf de vrucht van een geheel leven, dat achter hem lag, maar veeleer de oogst, die dagelijks in verband met zijne lessen door hem verzameld werd,

-ocr page 17-

( 15 )

reeds in 18G4 liet meer dan duizend bladzijden beslaande deel gereed had, waarin hij liet natuurhistorisch overzicht der gewervelde dieren gaf, terwijl drie jaren daarna de vergelijkende ontleedkunde der Vertebrata in het licht kon verschijnen. In 1870 kwamen ook de ongewervelde dieren gereed, terwijl de morpohologie van die afdeeling in 1874 de pers verliet.

Daarmede had Hauting een reuzentaak volbracht. Dat hij het laatste deel, waarin de embryologie der Eveitebrata zou behandeld worden, nooit heeft voltooid, is een der sprekendste bewijzen voor de groote nauwkeurigheid en nauwgezetheid, waarmede hij gewoon was te werken en waarvan wij op iedere bladzijde van zijn leerboek zoo sprekende bewijzen aantreffen.

Die embryologie toch verkeerde in deze jaren nog in eene vroege wordingsperiode. Aan alle zijden waren zelfstandige onderzoekers bezig haar met nieuwe uitkomsten te verrijken, maar die resultaten waren zoo uiteenloopend en tevens zoo allerwege verspreid, dat het welhaast ondoenlijk scheen daarvan een verkort overzicht samen te stellen, dat in het kader van Harting\'s leerboek passen zou. Hijzelf, die geen eigen onderzoek over de ontwikkelingsgeschiedenis van ongewervelde dieren verricht had en wien daardoor een hulpmiddel ontbrak om in dit doolhof den weg te vinden, kon het niet van zich verkrijgen het nog ontbrekende stuk van zijn leerboek tot stand te brengen door eenvoudig het xre/ato re/eroquot; toe te passen, daar waar zooveel tegenstrijdigs van alle zijden werd aangedragen en hem de gelegenheid tot zelfstandige critische toetsing daarvan ontbrak, eene toetsing die hij in de overige afdeelingen van zijn leerboek steeds zoo zorgvuldig en nauwkeurig had ingesteld.

De chaotische toestand, waarin nog vóór een tiental jaren de embryologie der Evertebrata verkeerde, zou wellicht nog lang hebben voortgeduurd en nog zijn toegenomen, indien niet de te vroeg gestorven Balfour met zijn bekend leerboek dei-vergelijkende embryologie voor het eerst licht in de duisternis gebracht had. Hij, de jonge en onvermoeide embryo-

-ocr page 18-

( 16 )

loog, slaagde er in het kaf vau het koren te ziften; onderzoekers, die op verschillend gebied zonder wederzijdschen baud gearbeid hadden, op evenwijdige wegen te voeren, waardoor voortaan naar een gemeenschappelijk doel kon gestreefd en veel scherper geformuleerde vraagpunten konden beantwoord worden. Toen deze vergelijkende embryologie het licht had gezien, was de bewondering voor den jeugdigen bewerker en de waardeering van den grooten dienst, dien hij aan de wetenschap bewezen had, algemeen.

En daar nu de moeilijkheid ter zijde gesteld was, waarvoor Hajiting bij de bewerking van zijn laatste stuk was teruggedeinsd, zou men meenen, dat eene eenigszins verkorte Hollandsche bewerking van Balfour\'s eerste deel, die laatste leemte in Harïing\'s Leerboek zou hebben aangevuld

Inderdaad ware dit mogelijk geweest, maar toch heeft Haiiting er niet toe kunnen besluiten, die bewerking te geven. Voor al het overige had hij door grondige bronnenstudie zelf het materiaal van heinde en verre bijeengebracht en critisch gezift, voor dit laatste wilde hij niet eenvoudig vertaalwerk leveren. Zóó heb ik het vau hem meenen te begrijpen, toen ik in gesprek met hem de hoop uitsprak op de voltooiing van zijn leerboek en hy mij geruststellend naar Balfoür verwees. Een ander plan, om als laatste stuk van zijn leerboek de geschiedenis der zoölogie te schrijven is wel bij hem ontstaan en gerijpt, maar niet meer tot uitvoering gekomen.

Harttng\'s leerboek is voorzeker het uitvoerigste dat op hel gebied vau dierkunde en vergelijkende ontleedkunde in Nederland verschenen is. Het is grooter van omvang dan het terecht geroemde van Jan van dku Hoeven, dat in verschillende talen is overgezet. Daarvan onderscheidt het zich ook doordien, naar verhouding, aan de zuiver systematische overzichten — waardoor van ueii Hoeven aan velen een zoo welkome gids geweest is — een kleinere, aan de morphologische bijzonderheden en samenvattingen een grootere plaats werd ingeruimd.

Wij, Utrechtsche philosophiae studiosi uit het tijdvak

-ocr page 19-

( 17 )

van 18G2 —1878 liaddeu uit Jen aard der zaak aanleiding grondig kennis te maken met liet leerboek. Eu al waren er, die zich beklaagden, dat de groote omvang der dierkundige wetenschap zich in dit leerboek weerspiegelde en de dikte daarvan op liet candidaats-examen in de pbilosophische faculteit een zwarte scliaduw wierp, zoo moesten zelfs de ergste klagers erkennen, dat de lectuur van liet zoo goed geschreven boek gemakkelijk viel, dat de indeeling praktisch, en de houtsneden, hoewel niet altijd fraai, toch uiterst leerzaam waren. Trouwens op het examen zelf bleek aan allen, dat IIarting slechts een klein gedeelte van het hun voorgezette geestelijk maal in hunne herinnering verwachtte terug te vinden. En daarenboven was hij er in geslaagd door dit grondige en uitvoerige leerboek, bij meer dan één van zijue leerlingen eene liefde voor de zoölogische en morphologische wetenschappen op te wekken, die van blijvenden aard zou blijken te zijn. Mij is er uit allernaaste omgeving één bekend, die als student lang geweifeld heeft of de physisch-chemi-sche, dan wel de natuurhistorische richting hem meer aantrok, maar die door Hauïing\'s lessen en Hauting\'s leerboek met steeds klimmende belangstelling geboeid werd en eindelijk, met hart en ziel zich daaraan overgevende, de bekoring nooit betreurd, maar er het dikke leerboek dikwijls dankbaar op aangezien heeft!

En dat dit leerboek ook buiten den kring zijner leerlingen zich een naam heeft verworven, die maar zelden aan een in het Hollandsch geschreven leerboek ten deel valt, dat bewees mij een gesprek, \'t welk ik nu ruim veertien jaren geleden te Napels had met een Duitsch dierkundige, thans als hoogleeraar aan een der Zuidduitsche universiteiten verbonden. Hij was evenals ik te Napels, om zich in het toen pas opgerichte zoölogisch station van Anton Doiiiin met dierkundig onderzoek bezig te houden. Hij had ook reeds in vorige jaren gelijksoortige studiereizen naar verschillende punten van de middellandsclie zeekust ondernomen, maar zonder toenmaals van de voordeden, die een vast station

2

-ocr page 20-

( 18 )

aanbood gebruik te kunnen maken. Bij gebrek aan eene zoölogisclie bibliotheek, zooals die zicli thans in een der zalen van het Station begon te vormen, en die door Doiirn\'s vrijgevigheid reeds rijk mocht genoemd worden, had hij bij vorige gelegenheden met groote zorg moeten uitzoeken, welke werken de vruchtbaarste metgezellen op zoodanige tochten zouden kunnen zijn. De ervaring had hem geleerd, dat Hautikg\'s leerboek, waarin niets dat van belang kon zijn was over het hoofd gezien, waar «ieen enkel hoofdstuk met

O \' O

vluchtigheid of slordigheid was bewerkt en waar de bronnen voor meer uitvoerig onderzoek steeds met zorg waren aangegeven, van alle werken datgene was, wat hij hot liefste raadpleegde, zoodat het ten slotte zijn vaste, en op hot stuk van boeken zijn eenige, reismakker word. En dat wel, niettegenstaande do Hollaudsche taal, waarin het geschreven is, een bezwaar opleverde, dat eerst langzamerhand voor hem in beteekenis afnam.

Al hebben wij alle reden om ons te verheugen over den snellen vooruitgang onzer zoölogische konnis, en over do nieuwe gezichtspunten, die telken jare, nu zoo vele nieuwe vorderingen dit mogelijk maken, op morphologisch gebied voor ons geopend worden; toch stemt het ons een oogenblik droevig, wanneer wij bedenken, dat juist door dien snellen vooruitgang een voortreffelijk leerboek, als dat van Habtjng, in betrekkelijk korten tijd niet onbelangrijk veroudert. Wel zijn er vele stukken, waar dat niet op toepasselijk is: andere daarentegen — en dikwijls juist, de meest gewichtige — hebben in verhoogde mate de belangstelling van bevoegde waarnemers getrokken, wier uitkomsten een geheole omwerking van die stukken zou noodig maken om hot leerboek op de hoogte van den tegen woordigen stand der wetenschap te houden. En kan men zich eene zoodanige wijze van bewerking, waarbij een groot standaard-handboek, zelfs vóór het geheel compleet is, van zijn eerste stukken eene nieuwe omgewerkte uitgave in het licht ziet verschijnen — ik denk hier bijv. aan Bkonn\'s Klassen und Ordnungen des Thier-

-ocr page 21-

( 19 )

reichs — voorstellen in Duitschland of Engeland, waar eea zooveel grooter publiek als kooper optreedt; in Nederland kon dat op Hauting\'s leerboek niet worden toegepast.

Toch blijf ik het er voor houden, dat van IIautixg\'s talrijke geschriften op zuiver wetenschappelijk gebied, zijn leerboek en zijn werk over het microscoop, diegene zijn waarin de eigenaardige geestesgaven, die hem het sterkst kenmerken: vlijt en nauwgezetheid, het volledigst tot haar recht komen en deze werken dus voor het nageslacht de beste keubronnen zullen zijn om zich een beeld vau den man te ontwerpen.

Waar hierboven sprake was van het zoölogisch station te Napels, mag ik niet verzwijgen hoe Harting van den beginne af de pogingen van Dr„ Douun tot vestiging dezer instelling met instemming begroet heeft en hoe hij, te samen met Siclenka, er een belangrijk deel in gehad heeft om de Nederlandsche Regeering tot het inzicht te brengen, dat, waar zoovele buitenlandsche regeeringen dit station belangrijken geldelijken steun verleenden, ook het vaderland van Leuuweniioek en Swamjiehuam, van Ba ster en Slabber niet mocht achterblijven. De Nederlandsche werktafel in dat station is sedert vijftien jaren welhaast onafgebroken bezet gebleven; een opgewekt leven heeft zich ook daardoor onder de jongere generatie van Nederlandsche dierkundigen geopenbaard. Maar ook nog in wijdere cirkels heeft zich de stoot, die van Napels was uitgegaan, en waarvan Harting in Nederland een der overbrengers werd, voortgeplant. Harting, die reeds vroeger met zijne leerlingen en hun gezelschap Natura Dux Nobis et Auspex tochten naar de zeekust ondernomen had, die echter vau te korten duur waren om tot uitkomsten van eenige beteekenis te kunnen voeren, vond thans in het voorbeeld, te Napels gegeven, aanleiding om ook tot dierkundig onderzoek van de eigen kusten en zeeën hot voorbeeld te geven. Terwijl Skle.vka ia een voor-loopig laboratorium te Leiden een klein aquarium tol, stand bracht, waar zeedieren voor onderzoek in hot leven werden

-ocr page 22-

( 20 )

gehouden door een voovtdurcnden luclitstroom, die aan liet zeewater werd toegevoerd, verplaatste 11 arïing zich in de zomervacautie van 187 4 met eenige zijner leerlingen naar de zeekust en richtte zich te Scheveningeu in eene kleine loods eene tijdelijke werkplaats in, die de kiem mag ge-noemd worden van eene inrichting, die een jaar daarop door de pas gevestigde Nederlandsche Dierkundige Vereeniging werd in het leven geroepen: het verplaatsbaar zoölogisch station. Deze inrichting was bestemd op kleine schaal gelijksoortige diensten te bewijzen aan de Nederlandsche kusten, als het grootore station te Napels doet voor hen, die uit de aan diervormen zooveel rijkere Middellaiulsche Zee hun oiulerzoekings-materiaal wenschen te putten. Vijttien jaar lang heeft dat station op verschillende punten van onze kust zijne diensten verricht en wanneer eerlang — mede dank de vrijgevigheid van wijlen ons medelid van du li, Sandb Lacoste — die verplaatsbare inrichting door een definitief steenen gebouw vervangen wordt, zal bij het in gebruik nemen daarvan voorzeker ook Hakïing\'s aandeel in zijne eerste wordingsgeschiedenis niet worden vergeten.

Over de verhouding van Hauting tot zijn leerlingen en hun door hem bezield gezelschap »Naturaquot; wil ik hier niet spreken, nu ik dienaangaande in de üids van 1886 reeds uitvoerige mcdedeelingen gedaan heb. Al bladerende in oude studenten-almanakken vind ik die vroegere schildering steeds meer bevestigd, en kenschetsend door zijne eenvoudige gemoedelijkheid is bijv. een enkele volzin als deze, die ik aan den almanak van 1860 ontleen: »llet schijnt »dat Z.H.Gel8. vriend chap en toegenegenheid tot zijne leer-»lingen nog van jaar tot jaar toeneemtquot;.

De uitkomsten van zelfstandig onderzoek op zoölogisch en morphologisch gebied, die Hauting verkregen heeft, nadat hij voorgoed den dierkundigen leerstoel bekleedde, zijn grootendeels door tusschenkomst van deze Akademie, waarvan hij sedert hare oprichting in 1857 deel uitmaakte, in het licht gegeven.

-ocr page 23-

( 21 )

Reeds toen liet. onderzoek naai- den paalworm, waarvoor de Akademie hare krachten had beschikbaar gesteld, een aanvang nam, had zij Viiolik en Harting aangewezen om in de daartoe benoemde commissie zitting te nemen. Harting nam aan de verrichtingen dier commissie een zeer werkzaam aandeel en de uitvoerige, met platen opgehelderde beschrijving van het dier en van zijne wijze van boren, danken wij aau zijne hand.

Ook in de quarto-werken der Akademie heeft Harting belangrijke sporen nagelaten door zijne beschrijving van de reuzen-inktvisschen, thans nog ten deele in het Utrechtsch Museum aanwezig (1858), door zijne verhandeling over den Orthragoriscus, waarvan een buitengemeen groot exemplaar te den Helder was aangebracht en door Harting aan een nauwkeurig anatomisch en histologisch onderzoek onderworpen werd, waarbij ook de beenvorming bij de Teleostei door hem vergelijkend werd nagegaan, en eindelijk door zijne «Recherches de Morphologic synthetique, sur la production artificielle de quelques formations calcaires organi-ques.quot; Door deze laatste uitvoerige verhandeling, die in 1872 het licht zag en die zich aansluit, zooals de biblio-graphische bijlage van dit opstel zal bewijzen, aan een vyf-tal kleinere opstellen van meer dan twintig jaren vroeger, toen de eerste plannen tot dit onderzoek bij hem rijpten, heeft Harting algemeene belangstelling gewekt. De Fransche Akademie van Wetenschappen kende hem daarvoor den Prix Monthyon toe. »Voorwaar eene welverdiende onder-»scheiding,quot; zegt Hugo du Vries in zijn gedachteniswoord, waarin hij de grondgedachte van de Morphologic synthetique aldus kenschetst: »Harting... poogde de vormen van de «microscopische deelen, waaruit de levende wezens zijn op-»gebouwd, kunstmatig te voorschijn te roepen, ten einde »langs dezen weg eene verklaring van hun ontstaan en »hunne eigenschappen te vinden. Hij had opgemerkt, dat »ook zulke bestanddeelen, die eigenlijk zelf niet levend zijn, »onder den invloed des levens andere vormen aannemen

-ocr page 24-

( 22 )

»daii die welke zij in de levenlooze natuur plegen te ver-»tooiieu. Hij begreep, dat niet het leven als zoodanig dit »verschil veroorzaakte, maar dat het toe te schrijven moet »zijn aan de bijzondere toestanden, die in de samenstellende »elementen der levende wezens heerscheu. Deze overweging »was voor hem het uitgangspunt van eene lange reeks van »proeven, waarin hij neerslagen van scheikundig bekende »stoffen liet ontstaan onder omstandigheden, die zoo nauw «mogelijk met de in bekende cellen heerschende overeen-»kwamen. De uitkomst beantwoordde aan zijne verwachting. »De bedoelde stoffen namen geheel andere vormen aan, dan »vroeger van haar bekend waren, en deze vormen naderden, »nu eens meer dan eens minder, tot zoodanige als reeds in »levende wezens waren aangetroffeu en beschreven.quot;

Tot zoover de Vuies.

Levendig herinner ik mij hoe bij ons, die in Hartinb\'s laboratorium de geboorte van deze verhandeling bijwoonden, de voorstelling had post gevat, dat hiermede een stap gedaan werd, die zich het beste vergelijken liet met de op chemisch gebied niet lang te voren gelukte synthese van organische sloffen, welke tot dusver als producten van het levend organisme bekend waren, uit hunne anorganische componenten. Hier had Haiiting op morphologisch terrein een gelijksoortig resultaat bereikt. Maar evenals men op chemisch gebied wellicht in den aanvang al dadelijk al te hoopvol de synthese van levend protoplasm a door deze eerste stappen niet ver meer verwijderd achtte — een hoop, die voorloopig is uitgebluscht — evenzoo meenden wij, dat nu ook eene artificieele histiogenese, door Hartikg\'s resultaten aangevuurd, spoedig, langs synthetischen weg, andere bestanddeelen van het dierlijk lichaam zou kunnen te voorschijn roepen. Ook die hoop is spoedig vervlogen. De eenige, die zich nog verder op den door Haiitikg aangewezen weg bewogen heeft, von Natjiusius Königsboiin, heeft die hoop niet verlevendigd en do klove tusschen de levende materie en de meest samengestelde eiwitstoften is in de latere jaren eerder toe- dan afgenomen.

-ocr page 25-

( 23 )

Het was onder deze omstandigheden niet te verwonderen, dat Hautikg zich in die dascii aangetrokken quot;\'evoelde door

cD D O

het ook experimenteel verdedigde denkbeeld, dat abiogenesis: de vorming der eenvoudigste levende materie uit levenlooze grondstoffen in de retorten van een laboratorium, niet tot de onmogelijkheden behoorde, en dat hij de resultaten van een Charlton Bastian niet voetstoots door de reeds oudere van Pasteur wederlegd achtte. Zelfs nam hij daarin aanleiding in 1873 eene akademische prijsvraag te doen uitschrijven, waarin eigene onderzoekingen verlangd werden over de vraag of levende wezens uit levenlooze stoffen ontstaan kunnen.

Twee antwoorden kwaaien daarop in. De bekroonde schrijver had vlijtig een reeks van nieuwe onderzoekingen verricht, maar zond niettemin zijne verhandeling in, onder het voorzichtige motto: non liquet; de niet-bekroonde, mij persoonlijk zeer goed bekend, gaf reeds door zijn strijdlustig motio : »1\'a,steur, a la reseousse /quot; met de beslistheid van den studentenleeftijd te kennen, dat de vraag door den beroemden Franschen natuuronderzoeker definitief ten nadeele der abiogenesis was uitgemaakt en meende, dat nieuwe on-derzoekiiigen gevoegelijk konden achterwege blijven; vooral omdat positieve resultaten ten deze door studentenhanden verkregen zeer zeker geen vertrouwen zouden verdienen.

Ik vermeld deze bijzonderheid, omdat zij licht werpt op de groote omzichtigheid, waarmedequot; Uahting denkbeelden, die voor hemzelf aantrekkingskracht bezaten (ook al erkende hij, dat zij door het experiment nog niet voldoende getoetst waren), met zijne leerlingen behandelde, zoodat dezen tegen overijlde geestdrift geharnast en veeleer tot onafhankelijke en zelfstandige beoordeeling aangezet werden.

Ook in de 4°. Verhandelingen van het Utrechtsch Genootschap heeft Hautikg belangrijke opstellen gegeven.

Die over het episternum der vogels (1804) mag voorzeker eene bijdrage van beteekenis heeten tot de vergelü-kende anatomie dezer dierklasse, en boezemt ons vooral

-ocr page 26-

{ 24 )

belang in, omdat zij getuigt, lioc spoedig Harïing zich op dit aanvankelijk voor hem vreemde gebied thuis gevoelde eu in staat was nieuwe uitkomsten aan de reeds bekende toe te voegen.

Wel is aan zijne beschouwingen over het vogel-episternum, sedert ze werden nedergeschreven, veel gewijzigd, en beschouwt men thans slechts een klein gedeelte van hetgeeu hij als het vogel-episternum opvatte, als homoloog met dat skeletstuk, zooals wij liet van de reptilen en de zoogdieren kennen. Maar toch komt hein de verdienste toe, dit moeilijk vraagstuk aan een groudig vergelijkend onderzoek te hebben onder worpen, waarvan ons vroeger medelid Fquot;ubiiinger, in wien de vogelklasse een zoo uitstekenden monograaf gevonden heeft, waardeerend erkent, dat HautiivO met echt-wetenschappelijke behoedzaamheid vele gevolgtrekkingen niet gemaakt heeft, die hem door meer lichtvaardige en daardoor verder afgedwaalde navolgers ten onrechte zijn toegeschreven.

In 1870 werd zij gevolgd door eene met photografieën en talrijke afbeeldingen opgeluisterde verhandeling over het sponzengeslacht Poter ion, de welbekende Neptunusbekers, waarin diezelfde omzichtigheid hem geleid heeft. Hij heeft zich door den grooten vormenrijkdom niet op het dwaalspoor laten brengen, waar anderen door ijdelheid zoo dikwijls gelokt zijn, om nl. het species-begrip, dat vooral bij de sponzen uiterst rekbaar is, binnen te enge grenzen te beperken. Liever dan talrijke nieuwe soorten le scheppen, beschreef hij er slechts ecu tweetal, en vatte de zeer menigvuldige vormwijzigingen als variëteiten van deze twee soorten op.

Een kort opstel, tien bladzijden groot, dat in 1869 door Harïing in de Archives Ndcrlandaises geplaatst werd, is naar mijne meeniug meer dan eenig ander zijner geschriften, zelfs meer dan de zooeven besprokene Morphologic synthé-tique, bestemd om zijn naam ook bij het jongere geslacht van morphologen en biologen nog zeer lang te doen voortleven. Dat opstel, waaraan toen het verscheen o, a. door

-ocr page 27-

( 25 )

IIakckel reeds dadelijk groote waarde werd toegekend, heeft niettemin tot heden niet die aandacht getrokken, die het verdient en juist in onze dagen is het. ook ter wille van Hauting\'s nagedachtenis, zaak daarop nogmaals uitdrukkelijk de aandacht te vestigen.

Haiiting heeft daarin hot bewijs geleverd — wat zeker a priori mocht verwacht worden — dat de beenderen van den rechterarm in gewicht en in omvang (bij een zeker aantal geraamten van Europeanen, dat hij daarop onderzocht heeft) die van den linkerarm overtreffen. Wij hebben in dat feit de uitdrukking te zien van het meer algemeene gebruik, dat van den rechterarm en de rechterhand gemaakt wordt, hetgeen wederom krachtiger stofwisseling in, en sterkeren jgt;\'roei van deze rechter ledematen ten gevoltce

o ~ o

heeft. Eene eigenschap dus, tijdens het leven als gevolg van gewoonte en oefening verkregen. Van hoog gewicht is het feit, dat zeker niet a priori te verwachten was en waarop door Haeting\'s onderzoek voor het eerst licht gevallen is, het feit nl. dat diezelfde ledematen van pasgeboren kinderen reeds gelijksoortig onderling verschil vertoonen. Dit bleek hem uit een tweetal wegingen. Die uitkomst zou er op wijzen, dat verworven eigenschappen erfelijk op het nageslacht kunnen overgebracht worden, een twistpunt hetwelk, vooral sedert de bekende onderzoekingen van Weis-jianist over de erfelijkheid, eene groote actualiteit verkregen heeft. Tot heden zijn de gevallen, waarin zoodanige erfelijkheid werkelijk onbetwistbaar geconstateerd werd, volgens Weismann geene, en inderdaad wordt zijne opvatting, waardoor de beteekenis van het selectieproces voor de evolutie der dierenwereld nog zooveel sterker op den voorgrond treedt, door zeer talrijke natuuronderzoekers gedeeld. Voortzetting van de proeven, door Haiiting genomen, op een veel grooter aantal pasgeboren kindergeraamten is dus dringend noodig. Het zal daarbij vooral noodzakelijk zijn het onderzoek ook op primitieve volkstammen en op de Quadrumana uit te strekken. Mocht het blijken, dat deze asymmetrie op lagere

-ocr page 28-

( 26 )

ontwikkelingstrappen, dan die van den Europeaan, reeds bestaat, ja wellicht nog grooter is en dat zij ook bij dieren gevonden wordt, dan rijst de vraag of zij toch niet zou kunnen zijn voortgekomen uit eene fortuite variatie, die bij lang verdwenen stamvormen was opgetreden en die een voordeel voor de species met zich bracht? In dat geval zouden wy gewoonte en oefening meer als gevolg, dan wel als oorzaak van de hier bedoelde hereditaire predispositie te beschouwen hebben, en zou een voortbouwen op den door Haiitikg gelegden grondslag tot minder besliste gevolgtrekkingen leiden. Hoe het zij, ik hoop u te hebben duidelijk gemaakt, dat Harting hier een hoogst gelukkigen experiraenteelen greep heeft gedaan, waarvan de beteekenis eerst in de naaste toekomst volledig tot haar recht zal kunnen komen.

Waar wij Haiiïing\'s rusteloos streven als zelfstandig natuuronderzoeker nagaan, daar verdient vooral zijne verhouding tot die groote omwenteling in het menschelijk denken, die vóór dertig jaren, als het Darwinisme, op eenmaal zoovele wetenschappelijke kringen in rep en roer bracht, met een woord geschetst te worden. Uit zijn werk »de Voorwereldlijke Scheppingenquot; kunnen wij afleiden, hoe Harting de evolutie-leer, toen nog door geen Darwin, maar alleen door Lamarck voorgestaan, beschouwde. De aauteeke-ning n0. 147 aan het slot van dat werk is te dezer zake uiterst leerzaam en het is eigenaardig op te merken, hoe het geestelijk standpunt, door Harting in 1857 ingenomen, in bijzonderheden overeenstemt met datgene, \'t welk Huxley voor zichzelf beschreven heeft in het tweede deel van de » Life amp; Letters of Charles Darwinquot;. Harting zegt: »Vatten wij nu alles te »samen, wat boven gezegd is, dan mogen wij er het besluit »uit afleiden, dat de stelling, volgens welke alle soorten »van organische wezens op den weg der ontwikkeling uit »andere vooraf bestaande hunnen oorsprong hebben genomen, »ofschoon gesteund door eenige niet verwerpelijke waar-»schijnlijkheidsgronden, toch op geenen hoogeren rang aan-»spraak mag maken, dan op dien eener vernuftige gissing,

-ocr page 29-

( 27 )

»welke vooralsnog evenmin een grondig bewijs, als eeae af-»doende wederlegging toelaat.quot;

Hij voegt daaraan toe, wat liij weinige jaren later nog wel eens glimlachend zal hebben overgelezen :

»0f de wetenschap immer zulke groots vorderingen maken »zal, dat zij daaromtrent tot eene eindbeslissing zal komen, »laat zich niet voorzien, maar vermoedelijk zullen noch de «schrijver, noch de lezers van dit boek zulks beleven.quot;

Hetzelfde scepticisme, dat Haktino hierboven zoo duidelijk uitspreekt en dat zoowel de afwezigheid van het grondige bewijs als van de afdoende wederlegging erkende, vinden wij door Huxley omhelsd, waar hij zegt (1. c. p, 19G):»T »took refuge in that »thatige Skepsisquot; which Goethe has so

»well-defined..... I usually defended the tenability of ■■the

»received doctrines when I had to do with the transmuta-»tionists, and stood up for the possibility of transmutation »among the orthodox.quot;

Is het dus te verwonderen dat juist deze beide, critiscli gestemde geesten, nog zooveel beter dan anderen waren voorbereid om al het gewicht van Darwin\'s machtige argumentatie te voelen en dat zij beide van den beginne als bekeerde discipelen de nieuwe leer niet alleen aanhingen, maar krachtig daarvoor in de bres traden? Harïino deed dit met jeugdig vuur, niettegenstaande zijne oudere ambt-genooten Schucgei, en van der Hoeven ten einde toe de oude vaan getrouw bleven. Eigenaardig trof mij eene vraag, door Rudolf Waoner te Göttingen in een zijner brieven in 1863 tot Harïino gericht, en bewijzende hoe ook in Duitschland de invloed der nieuwe beschouwingen zich in verschillende mate deed gelden. Wagnisr vraagt: »Wassind S\'lhre Ansichten über Darwin? Bei uns ist es nach Uni-»versitaten verschieden; in Jena schwarmt Alles dafür, hier »ist Alles dagegen. Im Allgemeinen aber nimmt die ganze »jüngere Generation zu Darwin\'s Gunsten Parthei.quot;

Voor eene verdere bespreking van Harïing\'s werkzaamheid op het veld der wetenschap laat de lijst van dit opstel

-ocr page 30-

( 28 )

geen ruimte. Dut hij op botanisch, op geologisch, op antkvo-pologisch, op physisch gebied niet alleen heeft rondgezien, maar zelfstandig gewerkt, is van algemeene bekendheid en blijkt tea overvloede uit de lange lijst van geschriften, die als bylage aan dit herinneringswoord is toegevoegd.

Tot de bespreking daarvan mis ik eenerzijds de bevoegdheid, an dererzij ds zou ik daardoor ruimte te kort komen en moeten afzien van mijn voornemen om u ten slotte nog te schilderen, hoe Harting ook buiten het gebied der wetenschap een zoo machtigen invloed heeft kunnen uitoefenen.

Die invloed hangt echter te nauw samen met Harting\'s geheele persoonlijkheid, dan dat zij in eene herdenking als deze onbesproken zou mogen blijven.

In den aanvang is het wellicht hem zelven eene onthulling geweest, dat hij de gave van te boeien in zoo hooge mate bezat. Hij wist zich uitermate klaar en duidelijk uit te drukken en verstond het, op onderhoudende wijze ingewikkelde verschijnsels begrijpelijk te maken. Meer nog dan andere gaven zijn het deze, die deu populairen schrijver maken : den schrijver door wiens invloed de resultaten der wetenschap bij een grooter kring belangstelling wekken — eene belangstelling, die vroeg of laat ook der wetenschap weder ten goede komt.

En toen hij in 1849 eene reeks voorlezingen, te Utrecht gehouden, onder den titel »de macht van het kleinequot; in het licht gaf, had hij daarmede een eersten stap gezet op den weg, die hem naar een schoon verschiet gevoerd heeft, den weg waarlangs hij niet alleen het oor, maar vooral ook het hart zijner landgenooten bereikte en veroverde. Zijne populair wetenschappelijke geschriften zijn meesterstukken in hun genre en, naast het zooeven genoemde, zijn er nog drie, die in hooge mate de aandacht trokken en wel »de voorwereldlijke scheppingen vergeleken met de tegenwoordigequot; (1857) waaruit ik zoo straks reeds geciteerd heb, »de bouwkunst der dierenquot; en het onder den pseudonym van Dr. üioscouides verschenen : Anno 2005, dat later in

-ocr page 31-

( 29 )

een tweeden druk: Anno 2070 geworden is. Over den inhoud van deze vier geschriften, ons allen welbekend, zal ik hier niet uitweiden. Dat zij herdrukt en bovendien in het Duitsch, Eugelscb en üeensch vertaald werden, bewijst hoe grooten opgang zij gemaakt hebben. Sedert H.uiting ze in het licht zond, is er geen populair schrijver onder ons opgestaan, die het liem, ook maar in do verte, heeft nagedaan. En niet ücht zal iemand dermate den gemoedelijken toon weten te treffen, vermengd met de fijne ironie en met den geestigen spot, die vooral in het laatste der vier bedoelde werkjes zoo in haar volle kracht schitteren. Wat Hauting daar over examina, over algemeen stemrecht, over emancipatie der vrouw, over koloniale exploitatie, in den fantastischen vorm eener toekomst-profetie behandelt, betris alles zóó actueel, al werd het reeds voor meer dan twintig jaren geschreven, en het is zóó onderhoudend behandeld, dat een nieuwe oplage zeer zeker binnen korten tijd door het Nederlandsch publiek zou zijn uitgeput.

Men kan van Hauting als popularisator niet spreken, zonder zich de lange rij deelen voor den geest te roepen, die wij kennen als het Album der JS\'atuur. Hauting was hiervan niet alleen de oprichter, maar inderdaad de ziel. Zijne groote belezenheid, ook in andere takken van natuurwetenschap, dan de meer bepaald door hemzelf beoefende, maakten hem tot het ideaal van een redacteur voor zoodanilt;; tijdschrift, en het heeft onder zijne leiding eene periode van grooten bloei doorleefd.

Verschillende artikelen, die van zijne hand in het Album verschenen waren, zagen nogmaals in een Duitsch kleed het licht en wel als een tweetal bundels »Skizzen aus der Natur.quot;

Alweder nopen mij de grenzen, die deze schets niet mag overschrijden, hier af te zien van eene meer uitvoerige bespreking, hoe gemakkelijk het mij ook zou vallen in dat Album grepen te doen, die uw belangstelling zouden wekken.

Was het wonder dat Hauting, toen hij eenmaal bemerkt had dat het Nederlandsche volk zoo goed en zoo gaarne

-ocr page 32-

( 30 )

naar hem luisterde, naar liem in wiens gemoed zooveel algemeen mensclielijks welde, naast het exacte weten, dat zijnen geest vervulde; was liet wonder, zeg ik, dat hij spoedig in do verzoeking kwara om ook op het gemoed zijner medeburgers in te werken, waar het gold iets te bevorderen, dat hij voor goed en waar hield ? En was het wonder dat hij aan die verzoeking geen weerstand bood?

Mij dunkt, wij Nederlanders hebben alle reden ons over dit laatste te verheugen. Op menig punt en in menige omstandigheid zijn wij door Haktikg\'s altijd wakkere hand uit den dommel opgeschud. Zóó in zake het onderwijs, toen bij met zijnen broeder eu andere gelijkgezinden het schoolverbond oprichtte; zóó toen hij voor de Transvaalscbe republiek, die tijdelijk voor Engelsche overheerscbing had moeten buigen, alarm sloeg, zoodra hij de teekenen waarnam, dat de oud-IIollandsche vrijheidsgeest ook daiir ontwaakt was en het juk poogde af te schudden ; zóó ook toen hij na zijn emeritaat de pen opvatte om in een dagblad het goed recht der natuurwetenschap te verdedigen tegenover een bepaalden vorm van theologie, die zich geheel ten onrechte met de godsdienst tracht te vereenzelvigen. Wat Hautikg ten opzichte van de hier aangestipte punteu verricht heeft en hoe hij daarbij is opgetreden, werd ook door anderen reeds uitvoerig en voortreffelijk geschilderd. Liever dan in eene nieuwe omschrijving daarvan te treden, wil ik trachten, door enkele aanhalingen uit brieven zijner laatste levensjaren, u een beeld te geven van den man, dea agitator, zooals hij zich zelf gaarne noemde, die met den geleerde in de persoon van Hautikg zoo eng was samen-geweven en die uit den aard der zaak weder krachtiger op den voorgrond kwam, toen zijn taak als leermeester en als voorganger op het gebied der wetenschap was afgeweven.

Laat ik beginnen met eene schets, die hij van zichzelf ontwierp, toen hij in antwoord op een brief, waarin hij optimist genoemd werd, in Maart 1885 schreef;

-ocr page 33-

( 31 )

»Gij schrijft mij eene optimistische gezindheid toe, die »mij, helaas, niet toekomt. Ik zeg, helaas, want juist zijn » onwankelbaar optimisme maakte mijn besten vriend Scuüödeii » van dkr Kolk zulk een gelukkig en beminnelijk man. Ik ï ben veeleer een pessimist.quot; In dienzelfden brief geeft bij eene karakter-beschrijving van zichzelven, die hier zeer zeker verdient weergegeven te worden en die hot verschil tusschen idealist en optimist, dat wel eens in het spraakgebruik uit het oog verloren wordt, zoo scherp omschrijft.

Hij zegt dan:

»* * noemde mij, toen hij mij onlangs bezocht, een »idealist. Ik vertrouw dien naam te verdienen en ik hoop »dat liij en al mijne vrienden ook idealisten zijn, want »zonder idealen, waarvoor men leeft en werkt, houdt de »mensch op mensch te zijn. Een paard zelfs maakt zich »een ideaal wanneer het den stal ruikt en harder gaat »loopen. Van den beginne des tijds af, waartoe mijne her-»in nering teruggaat, was mijn hoofdideaal: »felix qui xpoterit rerum cognoscere causasquot;. En dat ik tot de ver-»wezenlijking daarvan ruimschoots gelegenheid heb gehad, »weet gij. Andere persoonlijke idealen, zooals rijkdom, eer, »macht zijn voor mij nooit idealen geweest. Integendeel, ik »vreesde deze veeleer, omdat zij eene grootere verantwoor-»delijkheid met zich brengen en ik altijd groot respectvoor »den kathegorischen imperativus heb gehad. Gij ziet dus, »waarde vriend, dat ik mijn over het algemeen werkelijk «gelukkig leven niet aan eene optimistische levensbeschou-»quot;wing wijten kan, maar meer aan de afwezigheid van wen-»schen naar dingen, die voor mij weinig begeerenswaardig »schenen, al mogen zij dit ook voor anderen in hooge mate »zijn... maar tevens de bron van veel ongeluk dat hen treft. »Dit belet echter niet, dat ik voor het laatste zeer gevoelig »ben en onder elke domheid en dwaasheid, die daartoe aan-»leiding geeft, werkelijk mede lijd, omdat mijne levendige »verbeelding de gevolgen voorziet en zoo het cognoscere »causas niet altijd gelukkig maakt. Daardoor wordt mijn

-ocr page 34-

( 32 )

»hemel dikwijls bewolkt en trek ik mij zaken aan, die voor »anderen van minder beteekenis scliiinen, of die zij vai1 »zich afwerpen, omdat »men er toch niets aan doen kan.quot;quot;

Uier hebben wij in Hauting\'s eigene woorden kunnen naspeuren, hoe de ontvlambaarheid, waarvan hij zoo vele blijken gegeven heeft, meer aan zijn fijn besnaard en gevoelig gemoed, dan aan eene zekere natuurlijke strijdlustigheid moet worden toegeschreven.

In zijn laatste levensjaren waren in dat gemoed gewaarwordingen aan de oppervlakte gekomen, die waarlijk niet medewerkten om die levensjaren te verhelderen. Hij meende zeer duidelijke teekenen waar te nemen — en wie onzer durft zeggen, dut hij zich vergist heeft? — van een teruggang op geestelijk gebied, van een verlies aan zelfstandigheid en van een bereidwilligheid tot blinde volgzaamheid bij het individu en diensvolgens ook bij de menigte, waarvan door de drijvers en de heerschzuchtigen, zoowel op kerkelijk als op sociaal gebied handig gebruik wordt gemaakt. Hoor slechts hoe hij in .November 1881 schreef:

*gt;lk zie ile toekomst van ous vaderland met groote zorlt;ï

~ o

»tegemoet, minder omdat de tegenwoordige dominocratie » mij tegen de borst stuit, dan wel omdat het niet missen »kan of er moet iels vroeger of later eene reactie volgen, »waardoor andere volksleiders een gewillig oor vinden, ter-»wijl het volk, dat men niet hoeft willen leeren denken, »maar alleen gelooven, onvoorbereid is en natuurlijk zeer »geneigd om alles aan te nemen, waardoor het eene betere «toekomst wordt voorgespiegeld, die onmogelijk verwezenlijkt kan worden. De zoogenaam.le anti-revolutionnairen »hebben zelve de revolutie voorbereid, door aan onbe-»schaafden en onbevoegden zulk een grooten invloed op \'s lands »zaken te verschaffen.quot;

In een brief van acht dagen later (29 Nov 1884) lezen wij : »Ilet iu den laatsten tijd hier te lande gebeurde hoeft sgt;mij wel eens doen twijfelen aan den vooruitgang van het

-ocr page 35-

( 33 )

»menschelijk geslacbtquot;. Sprekende van de groote voorgangers op het gebied van het menschelijk denken op het einde der vorige eeuw, voegt hij daaraan toe: »Ook in hun tyd »waren zware wolken aan den hemel, maar zij konden niet «voorzien, dat een eeuw later, in het zich beschaafd noemend »Europa, de verlichting blijken zou nog zóó weinig ge-»vorderd te zijn, als thans helaas het geval is bij de groote «meerderheid, en niet enkel bij //la vile multitudequot; va^ »Thieiis, maar ook bij hen die zich gerechtigd achten als »leiders op te treden! Tweederlei vorm van beschaving! »Ziedaar het groote gevaar. De eene vorm begrijpt de andere «niet en kan haar niet begrijpen. Het mysticisme, dat men »waaude overwonnen te hebben, heft weder overal het hoofd »op en zoekt zich een bondgenoot in het zeer begrijpelijk «socialisme van den grooten hoop, die door de te snelle «vermeerdering van de bevolking gestadig aangroeit.quot;

Wanneer wij bedenken, dat deze woorden neergeschreven werden drie jaren vóór de bekende verkie/ing te Schoter-land, dan moet men erkennen dat Haeting een scherpen blik op komende gebeurtenissen had. Zal zich ook bewaarheden wat hij nog in dienzelfden brief schreef?: «De menschheid «zelve en met haar de ware beschaving en verlichting zullen »niet ondergaan, ofschoon het volstrekt niet onwaarschynlijk «is, dat deze periode van achteruitgang lang zal duren en «dat de brandpunten van werkelijke beschaving zich zullen «verplaatsen onder achterlating van uitgestrekte ruïnes. Het «denkbeeld van zulk een toekomst voor Europa en met name «voor ons vaderland is benauwend en bedroevend.quot;

Brachten dus zijne laatste levensjaren den altijd werk-zamen man teleurstellingen en bezorgdheid, als de hierboven door hem beschrevene, daartegenover heeft hij toch zeker de groote voldoening gesmaakt, dat zijn optreden in deTrans-vaalsche aangelegenheden met zoo goeden en voor velen zoo onverwachten uitslag bekroond is geworden.

Ook moest het tot zijn bewustzijn doordringen, hoe hij,

3

-ocr page 36-

( 34 )

die van zijn jonge jaren af voor de hoogere neigingen van den menschelyken geest persoonlijk in de bres was getreden en daaraan een groot deel van zijn leven had gewijd, nu ook van alle zijden geëerd en geliefd werd, als een strijder die zich niet alleen in dienst van de wetenschap, maar ook in dienst van de menschheid had aangegord.

Naast de spreuk, die hij hierboven in een zijner brieven tot zijn lijfspreuk gekozen heeft, mogeu wij het Homo sum en wat daarop volgt, in vollen omvang op hem toepassen. En waar zijn beeld in onze herinnering ons voor den geest treedt, als dat van den eerwaardigen grijsaard met de trouwe oogen en met de welluidende stem, daar zullen wij niet vergeten, hoe wij dat oog wel hebben zien bliksemen en hoe wij die stem hebben hooren trillen van verontwaardiging.

Hem, die van zoovelen onzer de voorganger was op wetenschappelijk terrein, hem hebben wij niet altijd gevolgd waar hij als strijder tegen het verkeerde, ook buiten de wetenschap, optrad. Deels uit gemakzucht, deels uit misplaatste bescheidenheid, deels uit het beginsel, zoo straks door hem gewraakt: »dat men er toch niets aan doen kan.quot;

Van harte hoop ik, dat er nog iemand opsta die ons Harting hier in zijn volle wapenrusting schildere, eene schildering waartoe zijne brieven, ook die van politieke strekking, alsmede wat door hem in dagbladen in het licht gegeven werd, ruimschoots materiaal zullen aanbieden. Bedrieg ik mij niet, dan zijn door hemzelf ten aanzien van een deel zijner omvangrijke correspondentie reeds maatregelen genomen, die dit gemakkelijk zullen maken.

Zoodanig beeld van Haiiting zal misschien, meer nog dan het hierboven door mij ontworpeue, kunnen medewerken om dat gedeelte van het Nederlandsche, volk dat niet aan het wachtwoord van eene ecclesia militans gehoorzaamt, te overtuigen van de noodzakelijkheid eener nauwe aaneensluiting, die thans — tengevolge van halfheid en gemakzucht, beiden door Harting zoozeer verfoeid, — dikwijls zoo onvoldoende wordt nagestreefd.

-ocr page 37-

( 35 )

En waarlijk, liij was niet door zwartgalligheid beneveld, toen liij den ernst der tijden met donkere kleuren geschilderd heeft. De lange lijst zijner werken zou ook voor hem hare beteekenis verloren hebben, zoo hij de zekerheid had gehad, dat de achteruitgang, waarop hij doelde, werkelijk onvermijdelijk was. En waar ik heden hulde bracht aan den geleerde, lid van onze Akademie en van talrijke binnen-en buitenlandsclie instellingen van wetenschap, die licht ontstoken beeft op zoovele duistere punten, kan een woord van waardeering niet misplaatst zijn van dat onderdeel zijner persoonlijkheid, dat de duisternis iu geheel andere schuilhoeken opspoorde en meedoogenloos vervolgde.

Wat hein in dien strijd zoo krachtig maakte en waardoor hij zoo overwegenden invloed op het denken en streven van zoovele land- en tijdgenooten verworven heeft, het is zijn volkomen belangeloosheid, zijn volkomen onbaatzuchtigheid.

Diezelfde eigenschap heeft zijn geheelen levenswandel gekenschetst: zij moge nog velen die na hem komen ten voorbeeld en ter opwekking blijven!

3*

-ocr page 38-

HARTING\'S GESCHRIFTEN.

Eene volledige lijst wordt reeds aangetroffen iu het levensbericht van Haiiting, dat Buys Ballot gegeven heeft in de berichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden, 188G/7. Die lijst is chronologisch gerangschikt: de onderstaande, die overigens met die van Buys Ballot overeenkomt, is op andere wijze gegroepeerd, ten einde het overzicht van Hakïing\'s veelzijdige werkzaamheid op zoo velerlei gebied gemakkelijk te maken. Van de opstellen in het Album der Natuur zijn hier al diegene vermeld, die ook in de inhoudsopgave onder Hauting\'s naam verschenen; niet al do kortere aanteekeningen, die met het welbekende Ho gewaarmerkt waren.

A. DIERKUNDE EN VERGELIJKENDE ONTLEEDKUNDE.

1852. 1Het lichten van dieren, p. 225,

„ *Iets over vischfokkerij. p. 374.

1854. Handboek der vergelijkende ontleedkunde, naar het Hoogduitsch van Oscar Schmidt. Tie), H. (J. A. Campagne.

1

Do met * gcteckcndo opstellcu zijn afkomstig uit liet Album der Natuur cu hot cijfer daarachter verwijst uaar de bladzijde vau het deel.

-ocr page 39-

( 37 )

1854. Over kunstmatige uitbroeding van vischeiereu.

(Aantcokeningen van liet verhaudcldc in dc sccticvorgadci\'iugcii van het Provinciaal Utrochtsoli Oenootsolmp, 26 Juni. p. 35).

1856. *De staalt der gewervelde diereu. p. 299.

1857. *De borende schelpdieren, p. 289.

1858. *De kameleon, p. 49.

» *De honigdauw, p. 257.

» Note sur ies corpuscules sanguins du Cryptobranchus Japonicus.

(Vcrsl. ou Meded. dor Kon. Akademic van Wctousch. Dool VII, p. 368).

18C0, Verslag over den paalworm, uitgegeven door de Na-tuurk. Afdeeling der Kon. Akademie vau Wetenschappen. Amsterdam, (3. G. van der Post.

(Vcrsl. en Meded. der Kon. Akadcmio vau Wcteusch.)

De Commissie bestond uit de H.H. W. Vholik, P. Uaeting, D. J. Sïokm-Buijsing, J. W. L. van Oordt en E. H. von Baumhauer.

» Remarques sur la manière dont les Tarets perforent le bois.

(Anualcs des Scicuccs naturelles. Zoologic. Vol. XIV, p. 127).

18G1. Description de quelques fragments de deux Céphalopodes gigantesques.

(Verhand, der Kon. Akadcmio van Wctousch. Dl. IX).

» Verslag van de Heeren P. Hauting, F. A. W. Miquel en J. van der Hoeven over een in hunne handen gesteld, uit zee opgehaald organisch voorwerp, over gronden door diepzeeloodingen in de Banda-zee opgebracht en over passaatstof.

(Vcrsl. en Meded. dor Kou. Akadcmio vau Wotensoh. Dl. XI, p. 280).

» De nestbouw van Arachthera longirostris.

(Vcrsl. eu Meded. der Kou. Akadcmio van Wctousch. Dl. XII, p. 95).

1862—74. Leerboek van de grondbeginselen der dierkunde In

haren geheelen omvang. Tiel. Campagne. 1862. Deel 1. Schets der algemeene dierkunde.

-ocr page 40-

( 38 )

1864. Deel II. le Afd. Natuurhistorisch overzicht der Rugge-

mergs-dieren of gewervelde dieren.

1867. Deel II. 2° Afd. Morphoiogie der Ruggemergs dieren of

gewerveide dieren.

1870. Deel III. le Afd. Natuurhistorisch overzicht der onge-

gewerveide dieren.

1871—1874. Deel III. 2e Afd. Morphoiogie der ongewervelde dieren. (De tweede Afdcoliugeu vau Deel II eu III ook ouder den bijzouderen titel vau: Leerboek der vergelijkcude outleed-kuude).

1862. *Nog iets over den honigdauw, p. 95. 1864. Bydrageu tot de kennis der mikroskopische fauna en flora van de Bandazee, naar aanleiding van eenige door diepzeeloodingen van 990 — 4000 vademen uit die zee opgebrachte gronden.

(Verhaud. dor Kou. Akademie vau Weteusch. Dl. X).

1864. L\'appereil épisternal des oiseaux.

(Tublic par la Société des Arts et Seieuoes d\'Utrecht. Utrecht C. v. d. Post).

1867. *De Mammout, p. 322, 354.

1868. Notices zoölogiques, anatomiques et histiologiques sur

I\' Orthragoriscus ozodura, suivie de considérations sur l\'ostéogénie des Téléostiens en général-

(Verhaud. der Kou. Akademie van Wetenscli. DL XI).

1869. Observations sur 1\'étendue relative des ailes et le

poids des muscles pectoraux dans les animaux ver-tébrés volants.

(Arehives Néerl. dos Seieuoes exactes et naturelles. Dl. IV p. 33).

1870. Mémoire sur le genre Potérion.

(Public par la Société des Arts et Sciences d\'Utrecht. Utrecht C. v. d. Post).

» *Een zoölogische excursie naar de Roode Zee. p. 207.

1871. *De diepten der zee en hare bewoners, p. 1.

» Blik op de uitbreiding der zoölogische kennis naar aanleiding der vergelijking van verschillende stelsels. (Versl. en Meded. der Kon. Akademie van Weteusch. 2e II. Dl. V. p. 252).

-ocr page 41-

( 39 j

1871. Schets van eeu nieuw stelsel van zoölogische nomen

clatuur,

(Versl. cu Meded. der Kou. Akadcmic vau Weteusoh. 2e R.

Dl. V. p. 311).

Vertaald iu Arch. f. Naturgcsch. Dl. XXXVII, p. 25.

1872. * Hydrostatische toestellen in het dierenrijk, p. 353. » De physometer, een nieuw werktuig tot bepaling van

veranderlijk volumen van lucht en vau andere lichamen.

(Versl. cu Meded. der Kou. Akadcmic vau Weteuscli. 2e R. Dl. VI. p. 288).

» Le physomètre, nouvel instrument pour la determination de volumes variables d\'air ou d\'autres corps, surtout de la vessie natatoire des poissons.

(Arcliives Néerl. des Scicuccs exactcsctuaturcllcs. Dl. VIL p. 289) » Brief aan de Fransche Akademie, naar aanleiding eener mededeeliug van Boussingault over deu honigdauw.

(Comptes Reudus dc rAcadciuie dos Scicuccs. ï :LXXIV, p. 472).

1873. Das Physometer.

(Poggendokfï\'s Auualou fiir Physik aud Chemie. Dl. CXLVIII, p. 12ö).

» *Een zoölogisch station, p. 143.

1874. Brief aan de Fransche Akademie over de werking

van de zwemblaas bij de visschen.

(Comptes Reudus dc 1\'Académie des Sciences. ï. LXXVI1I, p. 1001). » * Dierlijke vermomming, p. 1.

1882. *Eeu zoölogisch station in Oost-Iudië. p. 380.

B. SYNTHETISCHE MORPHOLOGIE.

1840. Etude microscopique des précipités et de leurs metamorphoses appliquée a Tcxplicatiou de divers phénomènes physiques et physiologiques,

(Bullotiu des sciences physiques ct naturelles en Néerlaude. p. 287).

-ocr page 42-

( 40 )

1841. Gissingen betreffende de eerste vorming der cellen en derzelver kernen in plantaardige en dierlijke weefsels, gegrond op liet onderzoek van anorganische praecipitaten.

(Tijdschrift voor natuurlijke gescliiodeuis cu physiologic. Dl. quot;V\'III. p. 179—202).

1843. Over de wijze van ontstaan, den oorspronkelijken vorm en de opvolgende veranderingen der door praecipitatie voortgebrachte organische en anorganische vaste stoffen, inzonderheid over de verschijnselen bij de vorming van kristallen.

(Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis cn physiologic. Dl. X. p. 151—238).

» Over den invloed, welken de warmte uitoefent op de metamorphose der praecipitaten.

(Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis en physiologic. Dl. X. p. 239—288).

1851. Oyer de vorming van kunstmatig bindweefsel uit eiwit.

(Ncderlandsch Laucet. 3c Serie. I, p. 164).

1872. Recherches de Morphologie synthétique sur la production artificielle de quelques formations calcaires organiques.

(Verhand, der Kon. Akademie van Weteuscli. 1)1. XIII).

» Sur la production artificielle de quelques unes des principales formations calcaires organiques.

(Archives Nécrl. des sciences exactes et naturelles. Dl. VIL p. 186).

1839.

C. WEEFSELLEER EN MICROSCOPIE.

Bijdrage tot de mikroskopische kennis der zachte dierlijke weefsels.

(Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis cu physiologic. Dl. VI. p. 1—45).

Description d\'uu microscope a lentilles fortement grossissantes et d\'uu microscope solaire portatif, suivie par quelques observations pour servir a 1\' his-toire microscopique des tissus moux des animaux.

(Bulletin^ des sciences physiques ot naturelles cn Neerlande.p. 353).

-ocr page 43-

( 41 )

1840. Mikroraetrinclie bepalingen en mikroskopisclie aan-

teekeningen.

(Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis en physiologie. Dl. VII. p. 165—256).

» Limites de la sensibilité de quelques réactifs.

(Bulletin des scienoes physiques et uatnrellcs en Néerlandc. p. 45).

» Description d\'un procédé pour construire des lentilles microscopi([ues fortement grossissantes.

(Bulletin des sciences physiques et naturelles en Néerlande p. 370.)

1841. Over eeue door mij vervaardigde balans.

(Kunst- en Lctterhodc, p. 258.)

1843, Middel om mikroskopisclie voorwerpen te bewaren.

(Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis en physiologie. Dl. X. p. 289).

1815. Recberclies micrométriques sur le développement des tissus et des organes du corps humain, précédées d\'un examen critique des différentes méthodes micrométriques, 4°, Utrecht. Kemink amp; Zn.

» Over getalsontwikkeling der elementaire deelen.

(Aantcckcningen van het verhandelde iu de sectievergaderingen van het Provinciaal Utrcehtsch Genootschap, 1 Juli, p, 28).

184C. Bijdragen tot de geschiedenis der mikroskopen in ons vaderland. Utrecht, Van Paddenbeiio amp; C0.

1847, Over de grenzen der zichtbaarheid der voorwerpen, zoowel met het ongewapend als met het gewapend oog.

(Aautcckeningeu van het verhandelde in de sectievergaderingen van het Provinciaal Utrcehtsch Genootschap. 25 Juni. p. 46).

» Bepaling van den brekingsindex van vochten,

(Aantcckcningen van het verhandelde iu de sectievergaderingen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. 28 Juni. p. 55).

1848—1854. Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordige toestand. Utrecht. Van Padden-

beug amp; cü.

Dl. I. Theorie en algemeene beschrijving der mikroskopen, 1848,

Dl, II. Het mikroskopisch onderzoek, 1848,

-ocr page 44-

( 42 )

Dl. lil. Geschiedenis en tegenwoordige toestand der

mikroskopische werktuigen. 1 850.

Dl. IV. Handleiding tot oefening. Plantaardige weefsels, dierlijke weefsels. Tiel. Campagne. 1854. 1849. Over varikeuse haarvaten.

(Nederlandsch Laucct. 2o Serie, Dl. IV, ji. 05). 1850 Beschrigving van een nieuwen verlichtingstoestel voor doorschijnende mikroskopische voorwerpen. (Nederlaudsoli Lancet, 2e Serie, Dl. VI. p. 457).

1851. Iets over de bloedschijfjes.

(Nederlaudsoli Laucct, 2c Serie, Dl. I. p. 224).

» Over het gebruik van gerectificeerde steenkolenolie als bewaarmiddel van de anatomische praeparaten.

(Aauteckcuingcu vau het vcrliaudekle in de seeticvergadcringen van het Provinciaal Utrcclitscli Geuoot,schap. 22 Juui. p. 18).

1853. Vulling van been- en tandkanaaltjes met een aftreksel

van alkannawortel en terpentijnolie.

(Aantcekeuingcn van het verhandelde iu de sectievergaderingen van liet Provinciaal Utrcehtsch Gcuootschap. 27 Juni. p. 155).

» Verslag over den vermoedelijken uitvinder van den mikroskoop.

(te zamcu met C. J. Mattues.)

(Vcrsl. eu Medcd. der Kon. Akadcmie van Wctcnsch. Dl. I. p. 04).

1858. De nieuwste verbeteringen van het mikroskoop en

zijn gebruik sedert 1850. Tiel. Campagne.

1859. Hoogduitsche vertaling der drie eerste deelen van

het hierboven genoemde werk onder den titel: Das Mikroskop, Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegen-wartiger Zustand desselben, übersetzt von Dr. Theile. Braunschweig, B. Vieweg amp; Soiin.

1861. De nieuwere lensenstelsels van Meez en van Hartnack en de grenzen van het optisch vermogen onzer hedendaagsche mikroskopen.

(Versl. en Medcd. der Kou. Akademic van Wctcnsch. Dl. XI. p. 205).

r

.t

-ocr page 45-

( 43 )

D. BOTANIE.

1842. Bijdrage tot de anatomie der Cacteën.

(Tijdschrift voor uatuurlijko gcscliiodcuis on physiologic. Dl. IX. p. 181—244).

1844. Waarnemingen over den groei der planten en de omstandigheden, die daarop betrekking hebben.

(Tijdschrift voor natuurlijke gcschicdcuis eu physiologic. 1)1. IX. p. 290—248).

» Over de ontwikkeling der elementaire weefsels gedurende den groei van den eenjarigen dicotyledo-nischen stengel.

(Tijdschrift voor natuurlijke gcschicdcuis cn physiologic. Dl. XI. p. 229—235).

Vertaald in Ann. des Scienccs natur. Botau. 1845. IV. p. 210 cn Linnaca 1847. XIX. p. 405.

184G. Ilecherches sur la nature et les causes de la maladie des pommes de terre en 1845.

(Nieuwe Verhand, v. d. Ie klasse Kon. Ned. Instituut v.Wetcnsch.

Dl. XII. p. 203—298).

Uittreksel in do Annalcs des Sciences natur. Botanique 1840 p. 42. » Over de ziekte der aardappelen.

(Aanteckeuingcn van het verhandelde in dc sectievergaderingen van het Provinciaal Utreehtsch Genootschap 25 Juni p. 8). » Michrochemische onderzoekingen over den aard en de ontwikkeling van den plantaardigen celwand. (Scheikundige Onderzoekingen gedaan in het Laboratorium der Utreehtschc Iloogeschool. Dl. III. p. 31).

1847. Briefan Hrn. H. von Mokl zur Beantwortung seines

Aufsatzes : Ueber das Wachsthum der Zellmembran.

(Botanische Zeitung. Dl. V, p. 337).

1848. Ueber das Wachsthum der vegetabilischen Zellmembran.

(Hollaudischc Beitriige. Dl. 1; p. 185).

1849. Over het maaksel der graankorrels, met het oog op

de voeding (met Donders).

(Aanteekingen van het verhandelde in de sectievergaderingen van het Provinciaal Utreehtsch Genootschap. 25 Juni. p. 53).

1850. Over sapbeweging in den wijnstok (met Kreckk). (Aanteekeningen van het verhandelde iu de sectievergaderingen

van het Provinciaal Utreehtsch Genootschap. 25 Juni. p. 18).

-ocr page 46-

( 44 )

1852. *De plantengroei in de kcerkringsgewesien. p. 1.

1853. Monographie des Maraitiacées, suivie de Recberches sur

l\'anatomie, l\'organogénie et Fhistogeuie du genre Angiopteris et de considerations sur la structure des fougères en general. Leide et Dusseldorf, Arntz amp; Co.

(Iu verccnigiug met W. H. de Vriese, die het systematische gedeelte heeft bewerkt).

» Verslag over de voortgezette onderzoekingen aangaande de sapbewegingen van den wijnstok.

(Aanteekeuiugen van het verhandelde in de seetievergaderingen van het Provinciaal Utreehtsch Genootschap, 27 Juni p. 40. Voortzetting van hetzelfde p. 15G).

» Proeven over de bron der stikstof voor de planten.

(Aanteekcuingeu van liet verhandelde in de sectievergaderingen van het Provinciaal Utreehtsch genootschap. 27 Juni. p. 15C).

1855. Spectroskopiscb onderzoek van Cblorophyll.

(Aanteekeningeu van het verhandelde in de seetievergaderingen van het Provinciaal Utrechtseh Genootschap. 26 Juni. p. 38).

» Onderzoekingen over de bron der stikstof voor de planten en het animoniakgehalte der dampkringslucht (door J. W. Gunking en P. Harting).

(Vcrsl. en Meded. der Kou, Akademio vau Weteusch. Dl. III. p. 38.

Uittreksel in de Comptes llcudus 1855. Dl. XII. p. 942).

» Tegenbedenkingen op het betoog van den HeerG. J.

Al ui.dkii: Vanwaar bekomen de niet-bemeste planten hare stikstof?

(Versl. en Meded. der Kon. Akademie van Weteusch. Dl. III. p. 88).

» Ueber das Absorptionsvermögen des reinen und des unreinen Chlorophylls für die Strahlen der Sonne.

(PoggeudorfTs Annalen für Physik und Chemie. Dl. XCVI. p. 543).

1858. Naamlijst der planten op de eilanden Texel en Wie-ringen verzameld door eenige leden van het gezelschap Natura dux nobis et auspex.

(Versl. en Meded. der Kon. Akademie van Weteusch. Dl. VII. p. 257).

-ocr page 47-

( 45 )

E. GEOLOGIE.

1848. Over Foraminiferen en Diatomeën iu onzen vader-landscben bodem.

(Aauteckcuiugeu van het verhandelde iu de seeticvergaderingon vau liet Proviuciaal Utrechtsch Genootschap, 20 Juni. p. 23).

1850. Over den bodem van Amsterdam.

(Aautoekemugen van het verhandelde in de sectievergaderingen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, 24 Juni. p. 7).

1851. Beschrijving van het Breukelerveen.

(Aantcekeningen van liet verhandelde in do sectievergaderingen van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, 22 Juni p. 20).

1852. De bodem onder Amsterdam, onderzocht en beschreven.

(Nieuwe Verhand. Ie klasse van het Kou. Ned. Instituut v. Weteusch. 3o 11. D. V, p. 73—232).

1853. Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen en be

woners. Utrecht, Van Paddenbeiig amp; Co.

» De bodem onder Gorincbem.

(Verh. der Commissie v. d. geologische kaart van Nederland Dl. I. p. 103).

1854. Het eiland Urk (uittreksel door Staring).

(Verhand, der Commissie v. d. geologische kaart van Nederland

Dl. II. p. 157).

1855. Over de daling van den Nederlandschen bodem in

den voorhistorischen tijd.

(Versl. en Meded. der Kon. Akademie van Wctcnseh. Dl. III. p. 278).

1858. Description d\'un diamant remarquable contenant des cristaux.

(Verhand, der Kou. Akademie van Wetensch. Dl. VI). 1866. *De St. Pietersberg bij Maastricht, p. 257, 289).

1872, Een woord over eenige diepe putboringen te Utrecht. (Versl. en Meded. der Kou. Akademie van Wetensch. 2e R. Dl. VI. p. 181).

1874. Notice sur un cas de formation de fulgurites et sur ia présence d\'autres fulgurites dans Ie sol de la Néer-lande

(Verhand, der Kon. Akademie van Weteusch, Dl. XIV).

-ocr page 48-

( 46 )

1874. De bodem vau liet Eemdal.

(Versl. cu Meded. der Kou. Akademie vau Wctcusch. 2o 11. Dl. VIII. p. 282).

1S75. Bijdrage tot de kenuis der geologische gesteldheid vau den bodem onder Utrecht en van het Eemdal. (Versl. ou Meded. dor Kou. Akademie vau Wetenscli. 2o 11. Dl. IX. p. 42).

» Le système Eemien.

(Archives Néerland. dos Soicucos exaotcs ot uaturollcs. Dl. X. p. 443).

1877. De geologische en physische gesteldheid vau den

Zuiderzeebodem in verband met de voorgenomen droogmaking.

(Versl. cu Meded. dor Kou. Akademie vau Weteuseh. 2e II. Dl. XI. p. 301).

1878. Nieuwe proeven over de doordringbaarheid van zand

en van klei door water en beschrijving vau een zandschifter.

(Versl. en Meded. der Kon. Akademie vau Weteuseh. 2e R. Dl. XIII. p. 228).

1879\' Temperatuurbepalingen in een 3(39 M. diepen put te Utrecht.

(Versl. en Meded. der Kou. Akademie van Weteuseh. 2c R. Dl. XIV. p. 394).

» Determinations thermométriques faites dans un puits de 369 Mètres de profondeur a Utrecht.

(Archives Néerl. des Sciences exactes et uaturelles. Dl. XIV. p. 463).

P. ANTHROPOLOGIE.

1856. \'•\'Een stad der dooden in Noord-Amerika. p. 59.

1857. *Nog een woord over de zoogenaamde Azteken.

p. 372.

1859. *Nog iets over de Miam-Niams. p. 251.

I860 Tets over voorhistorische chronologie eu den vermoe-delijken ouderdom van het meuscheiijk geslacht op aarde. p. 22.

-ocr page 49-

( 47 )

1860. Verslag vau een onderzoek van menschelijke beenderen, opgegraven aau de zuidzijde van deu Wage-uingschen berg.

(Aautcekcuiugcu van het verhandelde in de seetievci\'gadcringen van het Provinciaal Utreehtsch Genootschap. 25 Juni. p. 5.

18(31. Le Kephalographe. Nouvel instrument destine a determiner la figure et les dimensions du crane ou do la tête humaine. Publié lors du CCXXVmo anniversaire de l\'Université d\'Utrecht. O. v. d. Post.

18G3. *Iets over vergelijkende maatscliappijkunde. p. 1.

1809. Sur une asymmétrie du squelette humain se transmet-tant héréditairement.

(Archives Nécrl. des Sciences exactes et naturelles. Dl. IV. p. 44).

1874. Le plan median de la tête Néerlandaise masculine, determine d\'après une méthode nouvelle.

(Verhand, der Kon. Akademie van Wetenseh. Dl. XV).

1882. * Vermindert de omtrek van het hoofd? p. 95.

1883 *Omtrek van het hoofd. p. 283.

G. GENEESKUNDE.

1835. Dissertatio medico-practica inauguralis sistens ob-servationes choreae saneti viti et febris puerperalis. Utrecht, Van Paddknekeg amp; Co.

1842. Bedenkingen tegen eenige punten van het rapport der Commissie belast met de herziening der geneeskundige staatsregeling hier te lande. Utrecht.

Van Paddenbeug amp; Co.

18G8. De verplaatsing der kweekschool voor militaire geneeskundigen naar Amsterdam. Utrecht, L. E. Boscu amp; Zoon.

» Rapport aan den Koniug van de Commissie tot onderzoek van het drinkwater te \'s Gravenhage. Leden der Commissie waren: J. A. Beijerinck, J. F. Boogaakd, H. van Capelle, L. J. Egeling, A. W. M. van Hasselt, J. C. JiioEii, L. C. Levoir, W. C. H. Staking, J. W. Gunning en P. Haeting.

-ocr page 50-

( 48 )

1873. * Hallucinatiëu en verwante verschijnselen, p. IG1. 1875. *Hoe zorgen wij het best voor onze dooden? p. 161. 1882. Brief aan H. Milne Edwards over liet gevaar eener hypnotische behandeling van menschen.

(Comptes llcudus dc 1\'Académie dos Sciouces. ï. XCIV, p. 38(3).

G. PHYSICA EN METEOROLOGIE.

1849. Over twee nieuwe physische werktuigen, een drijf-balans en een atmometer of verdampingsiueter.

(Aauteokcuingou vau liet verhandelde in de Sectievergaderingen van liet Provinciaal Utreehtscli Gonootsehap. 25 Juni. p. 0).

1853. quot;quot;De hagel. p. 33.

1855. Over kleiue maalstroombewegingeu in mengsels van water niet vluchtige stoffen.

(Versl. en Meded. der Kon. Akaderaie van Wetenseb. Dl. III. p. 445.

Vertaald iu Poggendorff\'a Annalen 1850. Dl. XCVII p. 50).

1859. * Lichtbeelden, p. 97.

1859. *Veenrook eu andere drooge nevels, p. 194

» * De twee gewichtigste Nederlandsche uitvindiugeu op natuurkundig gebied, p. 323—355.

18G7. *Oude optische werktuigen, toegeschreven aan Zacuaiuas Jansen en eene beroemde lens van Chiusïiaan Huygens teruggevonden, p. 257. » * De tienvoetskijker van Chiusïiaan Huygens hersteld, p. 313.

1871. *Een hagelbui in Noord-Amerika. p. 124.

H. BIOGRAFIE.

1868. Chuistiaan Huygens, in zijn leven en werken geschetst, Groningen, Gebr. Hoitsema. » * Chuistiaan Huygens, in zijn leven eu werken geschetst. p. 33.

-ocr page 51-

( 49 )

18(38. Leveusbericht van Jan van der Hoisvkn.

(Jaarboek der Kou. Akademie vau Wetensoh.). 18C9. * Christiaan Huygens in de Parijsclie Akademie vau

Wetenschappen, p. 16.

1871. Iets over van Doornik en zijn aandeel aan de ont-wlkkelingshypothese, gevolgd door eenige opmerkingen aangaande den tegenwoordigen staat der laatste. (Versl. ou Medcd. dor Kou. Akademie vau Wotousch. 2c 11 . Dl. V. p. 367).

1876. * Levensschets van Jon Swammerdam. p. 1.

1877. * Darwin, p. 129.

» ^Odoarix) Beccari. p. 258.

» * Gauss en Laplace, p. 370.

1878. *Pieter Camper in zijn leven en werken geschetst, p. 1. » * Nogmaals Christiaan Huygens. p. 308.

1882. *Bij Darwin\'s dood. p. 227.

1883. Chart,es Darwin.

(Almanak vau de Maatschappij tot Nut vau \'t Algemeen. » Thomas Henry Huxley.

(Mannen vau beteekenis).

» * Johannes Florenïius Martinet, p. 1. 1885. * George Everard Rumphius. p. 1.

1845. 1848.

1807.

1808.

I. POLEMISCH.

De handelingen der vergaderingen van de 1ste klasse van het Kou. Nederl. Instituut\'op den 28 Nov. 12 eu 24 Dec. 1840 toegelicht door J. Harïing.

(Niet in den handel).

De Heer Jac. Moleschott privaat-docent te Heidelberg in zjine verhouding tegenover de geneeskundige faculteiten in Nederland. Utrecht, Van Padden-berg amp; Co.

Lettre a M. Leverrier (in de zaak van Huygens).

(Comptes Ecudus dc rAoadómie des Sciences ï. LXV. p. 987.

Rapport t\'ait a l\'Académie royale des Sciences (door

4 .

-ocr page 52-

( 50 )

P. Harting, P. Kaiser ea J. Bosscha in de zaak van CmusTiAAN Huygens).

(Versl. on Meded. der Kou. Akademie vau Wetensoh. 2o 11. Dl. II. p. 349).

1871. *Eene terechtwijzing, p. 282.

1874. * Vivisectien. p. 65).

» *Eene psychologische studie uaar aanleiding vau een hangend vraagstuk, p. 161.

Natuurwetenschap tegenover theologie. Natuurwetenschap en theologie met een toevoegsel. Zijn er vaste natuurwetten? door Dr. Dioscoiudbs. (Artikelen iu het Utreohtsoh Dagblad). De natuurwetenschap tegenover de theologie. (Utrechtsch Dagblad, April en Mei).

1881.

1885.

1849.

K. POP ÜLAIR-W ETENSCHAPPELIJK.

De macht van het kleiig, zichtbaar in de vorming der korst van onzen Aardbol, of overzicht van het maaksel, de geographische en de geologische verspreiding der polypen, der foraminiferen of polythalamiën en der kiezelschalige bacillariën of diatomeën. Utrecht, Y\\s Paudenbeug amp; Go.

Tweede verbeterde druk. Amsterdam, Bruciiman I80G. (Hoogduitsche vert-aliug door Du. A. Schwartz met eeue voorrede vau M. J. Soiileiden. Leipzig. Engei.mann 1851.

1853. \'De wonderboom in den Haarlemmerhout, p. 145. » *De delfstoffen, p. 193.

1854. * Waterdroppels. Schetsen naar het leven. p. 1. » *IIet sluimerende leven. p. 147.

1854—57. Skizzen aus der Natur, aus dem Holliindischen ühersetzt von J. E. A. Martius mit einem Yorwort von M. J. Schleidkn. Leipzig, Engelmann. T. 1854. It. 1857.

1855. * Kurk en kurkvorming. p. 13.

» * Het verst verledene en de verste toekomst Een blik in de schepping van het Heelal, p. 225.

-ocr page 53-

(51 )

1857. *De oorsprong der parelen, p. 120.

» *Iet8 over zeespinners, p. 348.

» *Tooueelen uit het leven van een reizenden natuuronderzoeker. p. 353.

» 0e voorwereldlijke scheppingen, vergeleken met de tegenwoordige. Tiel, H. C. A. Campagne.

(Hoogduitsche vertaling door J. E. A. Martius met cenc voorrede van M. J. Schleiden, Leipzig, Knoei,mann.) 1860. *Een gedenkteeken voor Christiaan Huygens. p. 55. » * De bouwkunst der dieren, p. 277.

(Vervolg p. 289. 331. 353. 1861. p. 207. 225. 281. 293. 325. 370). 1862 De bouwkunst der dieren. Een boek voor allen die de natuur liefhebben. Groningen, Euven Bolhuis Hoitsema.

1870. Tweede druk, Volksuitgave.

1863. De inktvisscben.

(Volksalmanak voor het jaar 1803 uitgegeveu door de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen).

» De taal en stem der dieren.

(Jaarboekje uitgegeven door het Genootsehap „Natura Artis Magistraquot;).

» Het snoeien der boomeu.

(Praotische Volksalmanak.)

1804. *Een bezoek aan het Schollevaars-eiland, p. 243. » * Smithson\'s Stichting te Washington, p. 303 en 314.

1865. *Een blik op het Amazone-gebied, p. 321.

» Anno 2865. Een blik in de toekomst door Du. Dioscorides. Utrecht, J. Greven. Tweede druk.

Tweede, veel vermeerderde uitgave. 1806.

1866. In het Hoogduitscli vertaald onder den titel van:

Anno 2066. Ein Bliek in die Zukunft Weimar. Derde vermeerderde druk. (Anno 2070). Utrecht. 1870. Engelsehe vertaling van A. Bikker.

1867. * Vliegen, p. 97. 129. 161.

1S69. * Denken de dieren bij hetgeen zij doen? p. 73. » * Omvang der literatuur op het gebied der dierkunde, p. 158.

» quot;quot;Een tweede wonderboom, p. 351.

4*

-ocr page 54-

( 52 )

1869. *Het tuighuis der dieren, p. 353.

1871. *Accliraatatie der dieren in Nieuw-Holland. p. 61. » *Eene praktische toepassing der gevoelige vlammen, p C2. » *Merkwaardige japansche metalen spiegels, p. 63. » *Eeu schaatseurijdersproef. p. 156.

» *Hoe Pelouse professor werd. p. 157.

» * Middel tot dooding van insekten in de bouwaarde. p. 159.

*Nieuwe methode tot bewaring van vleesch. p. 251. •igt; quot;quot;Waken en droomen. p. 237.

» quot;quot;Gevoeligheid der hedendaagsche sterrekuadige meetwerktuigen. p. 288.

» * Geheugen van een hond. p. 350.

» *De Victoria waterval, p. 382.

1372. quot;quot;De pseudonym »Dioskoridesquot;. p. 63.

» quot;quot;Hebben de eendvogels een scherp reukvermogen? p. 124.

» quot;quot;Geleerde honden, p. 129 en 185.

» quot;quot;Eene ontmoeting, p. 155.

» *Eene verklaring, p. 188.

» *Een waarschuwend voorbeeld, p. 192. » quot;quot;Noorderlicht bij daglicht gezien, p. 224. » quot;quot;Boerinnen aan het mikroskoop. p. 247. » quot;quot;Bijdragen tot de dierlijke psychologie, p. 304. 1873. quot;quot;Eene nieuwe industrie, p. 10.

» * Nieuwe toepassing der photographic, p. 13. » quot;quot;Teekenen van overleg en andere zielshoedauigbeden.

bij dieren, p. 23.

» *Een gevecht tusschen een hyeiia en een man. p. 30,

naschrift p. 31.

» quot;quot;Dynamiet als ijsbreker. p. 52.

gt; quot;quot;Eene waardige meerderjarigheidsverklaring, p. 114. » *Eene merkwaardige vrouw. p. 91.

» *Twee verdieustelyke Nederlanders door een Engelsch-

man herdacht, p. 115.

» *Eeu sigarenfabrikant in Noord-Amerika. p. 229.

-ocr page 55-

( r.3 )

1873. *Een Collegieproef. p. 230.

» ^Belangrijke palaeoutologische ontdekkingen m Noord-

Amerika. p. 315.

» *De otter als jaclitdier. p. 318.

» *Aluminium als pasmunt, p. 319.

» *De struisvogel van Eduaed Mohr. p. 320. » * Eigenaardige werking van het zand tot vorming vau schijnbaar door menschenhanden gemaakte steenea werktuigen, p. 346.

» *Eigendommelijkewijze van voortbeweging van sommige

visschen. p. 348.

» *De stem van den Manitoe. p. 352.

1874. *Hoe een koe een krokodil ving. p. 32.

» * Hoe de Italianen hunne groote meesters vereeren. p. 157\'; » * Nieuwe sterftetafels. p. 189.

» *Nieuwe toepassingen der photografie. p. 191. » *De inktplant. p. 291.

» *De zijderupsteelt een bron van welvaart voor huisgezinnen. p. 293.

» ^Eene nieuwe uestbouwende visch. p. 321. » *Kleurbliudbeid. p. 324,

1875. *Eeu eigendommelijk middel om telegraafdraden te

bewaren, p. 27.

» * Kleurend vermogen der aniline kleurstoffen, p. 28. » * Goedkoop stoken, p. 29.

» *Wat de verbeelding al doet. p. 50.

» * Invloed van schapen op het karakter der vegetatie, p. 59.

» ^lets over de zeelt. p. 64.

» *Eea geleerde olifant, p. 105.

» ^Geheugen bij bijen. p. 106.

» quot;quot;Een nest van jonge visschen. p. 110. » *Een regenboog in een bosch. p. 112. » *Een merkwaardige bliksemslag, p. 126. » *Zelfmoord van een scorpioen. p. 127. » * Zonnevlekken en wijnjaren, p. 128.

-ocr page 56-

( 54 )

1875. *Eerie vernuftige toepassing, p. 152. » quot;quot;De honigmieren. p. 158.

» *Een Amerikaansche telephone, p. 159. » *Hoe men in Indië ijs maakt. p. 184. » * Hout-industrie in Rusland, p. 191. » ^Bespoediging der rijpwording van vruchten, p, 222. » *Nog iets omtrent het mogelijk voorkomen vau^steen-

kolen in het oosten vau ons vaderland, p. 223. » *Een onwillige lof van \'s Rijks Museum, p. 224. * *Door den bliksem getroffen, p. 254.

» *Boom aanplanting op het eiland Ascension (Een

naschrift op het vorige), p. 285.

» * Bewaren van eieren, p. 316.

» * Hagelbui van 8 Augustus, p. 355,

» *Grot in Mexico, p. 378. Naschrift p. 383. » * Invloed der wortels van levende planten op de rot-tingsverschijuselen. p. 384.

1876. :: Sprinkhanen als voedsel, p. 56.

gt; *De gorilla in Europa, p. 93.

» * Een zonmachine. p. 94.

» quot;\'Nieuw bewaarmiddel van vleesch. p. 96. Naschrift p. 114.

gt; *Een eendenkooi, p. 115.

» *De toetssteen, p. 125.

» * Wederom een goed voorbeeld, p. 127. » * Erfelijke genegenheid van een kat voor een hond. p. 222.

» * Collodion-gebit. p. 287.

» * Middel om te herkennen of een boom gedurende den zomer of gedurende den winter geveld is. p. 288. » * Kunnen honigbijen kleuren onderscheiden ? p. 288 » *Het asbest, p. 289.

» *Een merkwaardige visch. p. 290. » * De kaarsenboom. p. 321.

» * Mosselen, p. 321.

» *Hoe week ijzer het hardste staal snijdt, p. 375.

-ocr page 57-

( 55 )

1877. *Iets over de amiuouiak-kwestie in verbaud met de

lijkverbranding, p. -14. Naschrift p. 92. » *De keizerlijke universiteit van Tokio in Japan, p. 126. » *Een merkwaardige zonsopgang, p. 127. » *De geologie en palaeontologie in Noord-Amerika. p. 319.

» *Nestbouw van den Goerami. p. 321. Naschr. p. 34.0. » * Gebruik van de kracht van vallend water, p. 348. » *De Meteoriet van Stülldalen. p. 349. » *Hoe snel de mensch spreekt, p. 351. » * Uitroeiing van de amerikaansche bisons, p. 352. » * Ontstaan van een zwavelbron door den invloed der

planten, p. 354.

» *Eene bergstorting. p. 382.

» *Een telegraafkabel vernield door een walvisch. p. 384. » * Bescherming van ijzer tegen roest. p. 385. » * Uitbreiding der photografie. p. 386.

1878. quot;Een slimme kreeft, p. 24.

» * Natuurkeus (?) ter bestrijding der zijdeworm-ziekten, p. 30.

» * Snelheid van een stormwind, p. 64. » *De manen van Mars door Homerus benoemd, p. 64. » * Eigendommelijke wijze van lijkverbranding, p. 94. » *Een collegie-proef. p. 95.

» * Toeneming der aardwarmte in de diepte, p. 96. » *De sprekende phonograaf. p. 126.

» * Kunnen insecten kunstbloemen onderscheiden van

natuurlijke bloemen? p. 128.

» *Inkt om op glas te schrijven, p. 164. » * Ongelijkmatige afslijting der rivieroevers, p. 228. » * Weder zichtbaar maken van onleesbaar geworden

inkt. p. 246.

r *De Minhocao. p. 320.

1879. *De groei van den haring, p. 52.

» *De klimaten der poolstreken, p. 63. » * De uitvinding der slingeruurwerken, p. 126.

-ocr page 58-

( 56 )

1879. *Een zonderlinge gewoonte van bijen en wespen, p. 128, » *De Amerikaansche stormvoorspellingen. p. 156.

» *Een redeneerend paard. p. 157.

» ^De ontdekker der Mars-satellieten, p. 158.

» *De heliostaat in den oorlog, p. 210.

» * Een nieuwe uitvinding van Edison, p. 220.

» *Eene voorgestelde vivisectie, p. 285.

» * De honigbij in Nieuw-Holland. p. 235.

» * De verwoesting in Noord-Amerika aangericht door

sprinkhanen, p. 282.

» * Snelheid van zeer sterke geluidstrillingen, p. 314.

» *Melkkleuring van het mikroskoop. p. 315.

» * Zwaluwen en spreeuwen, p. 316.

» *Een kat rattenmoeder. p. 318.

» * Ouderdom der Kalifornische reuzenboomen. p. 318.

» ^Hoe snel de telegraaf werkt. p. 310.

» * Oude plataan, p. 320.

» * Een kanoe uit het paalbouw-tijdperk. p. 350.

» *Een nieuw nuttig insekt. p. 350.

» *Een telegrafische vuurtoren, p. 351.

» *Een vleeschetende gans. p. 352.

» * Madera en maderawijn, p. 391.

» *Een reuzenvijgeboom. p, 302.

1880. *De huiskat, p. 15.

gt; * De tooverlantaarn bij chemisclie voorlezingen, p. 30. » *De ziekte der kofiijboonen, p. 58.

» * Een photometer voor photografen. p. 61.

» * Zelfontbranding der steenkolen op schepen, p. 64.

» * Een groot hol in Amerika, p. 87.

» *De radiometer in de photografie. p. 91.

» *Een woord over de flora en den physischen toestand van Midden-Europa tijdens het tertiaire tijdvak, p. 92.

» * Hardheid der termieten-woningen, p. 95.

» * Versnelling der photographie. p. 119.

» *Een merkwaardige rijpvorining. p. 120.

gt; \'quot;Zelfmoord van een scorpioen, p. 159.

-ocr page 59-

( 57 )

1880. * Metallotherapie. p. 254.

» *De Aeolusliarp. p. 257.

» * Gehoor van een wesp. p. 258.

» * Azokleurstoffen. p. 258.

» * Oplossing van een oud vraagstuk, p. 289.

» \'quot;Zelfmoord bij dieren, p. 312.

» * Het trekken der vogels, p. 317.

» * Werktuigen door olifanten uitgedacht, p. 318.

» * Een reusachtige dissociatie-toestel, p. 319.

» *Een storm in Missouri, p. 321.

» * Soya. p. 322.

» \'quot;In het land der Tembladores. p. 323.

» * De zoogyroskoop. p. 351.

» * De ziekte der koffiebladeren op Java. p. 353.

» \'quot;Het Britsch museum van natuurlijke historie, p. 378.

» * De worgboom op Matapolo. p. 379.

» * De Surinaamsche sidderaal, p. 380.

1881. *De beteekenis der zoologie voor de hedendaagsche

beschaving p. 23.

» * Hoe op een les een chemische kromme te toonen. p. 44.

» *Hoe het gewicht van een olifant te bepalen, p. 76.

» * Reusachtige inktvisch. p. 104.

» * De philosophic der natuurkennis, inzonderheid der

geologie, p. 105. 133.

» *Eeu paradox verschijnsel verklaard, p. 130.

» *Eeu kompasplant. p. 131.

» * Bescherming tegen vliegen, muggen, muskieten, bladluizen, enz. p. 132.

» * De Menhaden, p. 161.

» * Vroege uitvinding van een elektrische telegraaf, p. 162.

» *Eeu strijd met een Octopus, p. 103.

» * Roodgekleurde stokvisch. p. 322.

» * Verschijuselen in een donderwolk, p. 323.

» * Gephotografeerde bliksemstralen, p. 324.

» * Oude Amerikaansche reuzen, p. 353.

-ocr page 60-

( 58 )

1881. *Illusiën. p. 354.

» quot;quot;Oogenblikkelijke photografie. p. 378. » * Verbetering in den scheepsbouw, p. 386.

1882. *De electriciteit aangewend ter ontdekking van de

plaats van een kogel in een woud. p. 32. » *Een zeeslang, p. 66.

» ^Een astronomiscli en meteorologiscb instituut, p. 127. » * Philotherie of Philantliropie. p. 131.

» *leonaiii)a da Vinci, uitvinder van den schroef als

een voortstuwingswerktuig, p. 184.

» * Nogmaals bevel\'s in Nederland, p. 192. » *Een vrouwelijke dokter in China. p. 194. :■gt; * Eeu herbarium van vijf en dertig eeuwen, p. 224. » * Lichtverschijnselen bij het breken van zee-ijs. p. 226. » *Het Lick-Observatorium, p. 274.

* *Een val van meteorieten, p. 289.

» ^Eerste meridiaan, p. 290.

» *E(!n merkwaardige putboring. p. 321. » * Schatting van de grootte van lichamen op afstand, p. 355.

» * Gevaren der elektriciteit, p. 382. » * Telephoon-verbinding op grooten afstand, p. 386. » *Nut van mieren in den tuinbouw, p. 387.

1883. * Chemische stoven, p. 93.

» * De groote komeet van 1882. p. 212. » * De aardschudding van 17 Maart. p. 223. » * Blazende putten, p. 254.

» *Een opmerkelijke boom. p. 256.

» * Bestaat er eene traditie bij de dieren, p. 286. » * Rollende planten, p. 288.

» *Eeu kinderweger. p. 336.

» * Natuurlijke sneeuwballen, p. 383.

1884. * De boom van Kum-Bum. p. 31. » * Raadselachtige voetsporen, p. 63.

gt; *De ontdekking der bacteriën, p. 131. » * De uitbarsting van den Krakatau en hare gevolgen» p. 218.

-ocr page 61-

( 59 )

» * Gevaar der nabeelden, p. 237.

» *De sneeuwflora van Zwitserland, p. 288. » * Aardbeving te Enkhuizen in 1602. p. 345. » Humor ia de natuur, een blad in bet album van Nicolaas Beets, p. 355.

1885. *Een onthuld geheim, p. G6.

» *Japansche tooverspiegels. p. 227.

» * De kameel als tijd- en afstandsmeter, p. 204. 188(3. *Het Eemdal en het Eemstelsel. p. 95.

1868.

1870.

L. REDEVOERINGENquot;.

1844. Over de belangrijkheid van mikroskopische onder-\', zoekingen voor de geneeskunde.

(Rede uitgesproken bij gelegeulicid dor opouiug vau eeneu cursus over do mikroskopischo histologie. Utrecht Van I\'aüdekbishg eu Co.

18G4. Redevoering over den voorhistorischen mensch tot opening der algemeene vergadering van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. Juni 1864.

» quot;quot;Fragment uit eene redevoering, uitgesprokeu bij gelegenheid van bet 50-jarig bestaan van het Natuurkundig Genootschap te Utrecht, p. 1.

De inhoud der dierkunde, geschetst in eene openbare les, gehouden bij gelegenheid van zijn 25-jarig hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool. Utrecht. P. W. v. d. Weijhu.

(Niet iu den handel).

De strijd des levens. Rede uitgesproken bij de opening zijner lessen op 2G September. Utrecht, I. Gukven.

1875. * Redevoering bij gelegenheid van het 200-jarig feest der herdenking van Anïii. van Leeuwenuoek\'s ontdekking der mikroskopische wezens, p. 357.

187G. Wetenschap en geloof, een ernstig woord, gesproken tot zjjne leerlingen op 25 eu 26 September 1876. Utrecht, I. Greven.

-ocr page 62-

( 00 )

1881. Rede, uitgesproken iu de vergadering ter oprichting

der Nederlandsclie Zuid-Afrikaunsche Vereeniging. Utrecbt. L. E. Bosch en Zoon. » * De beteekenis der zoölogie voor de hedendaagsche beschaving. Rede bij de opening der lessen, p. 23.

1882. *Hoe men tot wetenschap komt, een blik in haar

verleden, heden en toekomst. Rede bij de opening der lessen, p, 1.

M. GESOHEIFTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

1855. * Natuurkennis als opvoedingsmiddel, p. 363. 1858. Gedachten over hooger onderwijs in ons vaderland.

Tiel. Campagnk.

1809. *Iets over materialisme en materialisten in verband

met opvoeding en onderwijs, p. 129. 1878. Voorheen en thans, herinneringen, opmerkingen, wenken, door een oud-student. Utrecht. J. Gueven.

1880. * Bescherming van nuttige diersoorten bij de wet. p. 215,

1881. Ernstige woorden tot zijne landgenooten. Amersfoort,

Sloïhouweii en Zoon.

» * Eene belegering van de poolstreek, p. 349.

1882. *riet internationaal onderzoek der poolstreek, p. 85. » *Een gedenkteeken voor Dauwin. p. 325.

1883. * Welkomstgroet aan Dr. M. Snellen en zijne tocht-

genooten. p, 353.

1884. *Het Transvaalsche goud. p. 18.

1885. ^Natuurkennis als opvoedingsmiddel; een afscheids

woord. p. 393.

-ocr page 63-