-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

-ocr page 4-

HnKHHBH

SsïSrji; «ij-.-;

■WHmb

■vr-

\'majw

- miïf

Hl

iWBa|M|ttaai Mi

ïiliÈ

ié -

-ocr page 5-

a; M W ,,.» n, ..1 . Jj-^

IJl

\' y tl*\'f\' /\' éó-

/

EES KUNDE.

OVERGEBRUKT

UIT HET

N EDERLANDSCH tijdschrift VOOR oen

.

f

-ocr page 6-

Sd

quot;\'iir81-

1619 9576

-ocr page 7-

/! fyu.; *Jz y JZZ.

EEDE, GEHOUDEN OP 20 MAART 1887 IN HET GROOT AUDITORIUM DER RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT,

DOOR

Prof. Dr. G. van OVEEBEEK de MEIJER,

Rector Magnificus,

Toen ik, vóór bijna een tiental jaren, de eer had het Hoogleeraarsarabt aan deze Universiteit te aanvaarden, heb ik mij veroorloofd cene oratio pro domo te houden in den goeden zin, eene pleitrede n. I. voor het recht van het onderwijs in gezondheidsleer aan elke Hoogeschool, eene beknopte uiteenzetting van hetgeen de opzettelijke beoefening van dat leervak mooltt geacht worden te beloven.

Nu ik andermaal geroepen word als Hoogleeraar in het openbaar eene rede te houden, gevoel ik mij onwederstaanbaar gedrongen het vdor 10 jaren gehouden \' ctoog te vervolgen en in dit uur uwe welwillende aandacht te verzoeken voor de beantwoording der vraag, of de beoefenaren der gezondheids-\'leer den steun gevonden hebben, dien zij vroegen, en ten anderen, of de verwachtingen, die men van hunnen arbeid en hun streven mocht koesteren, inderdaad zijn vervuld. Uit den aard der zaak zal ik in de korte spanne tijds, die mij thans geschonken is, mijn onderwerp niet volledig kunnen behandelen, — bij het bespreken van een of ander onderdeel allerminst in vele bijzonderheden kunnen treden. Ik hoop echter genoeg te kunnen zeggen om de overtuiging, die in mij leeft, ook tot de uwe te maken en u op te wekken tot krachtige medewerking met hen, die het bevorderen van de volksgezondheid zich tot levenstaak gekozen hebben.

Hebben de beoefenaren der gezondheidsleer den steun gevonden, dien zij vroegen? Hebben zij kunnen beschikken over de middelen, die zij behoefden?

Over de rechtmatigheid van hunne wenschen heb ik in mijne inaugureele oratie uitvoerig gehandeld en behoef\'ik dus thans niet veel meer te zeggen.

Het is, naar ik meen, in confesso, dat de hygiëne, ofschoon zoo oud als de geneeskunde, tot vóór een twintig- of dertigtal jaren wetenschappelijk en practisch verwaarloosd is. De pnsgevorinde artsen aanvaardden vroeger de uitoefening der geneeskunst met eene hoogst geringe kennis van hetgeen op het gebied der hygiëne als waarheid gold en moesten dan zeiven raad schaften, als zij, meestal onverhoeds, voor hun onbekende en vaak hoogst ingewikkelde hygiënische vraagstukken geplaatst werden. Het grootste deel van hunnen tijd moesten zij echter aan hunne zieken wijden; voor hygiënische, epidemiologische en andere aetiologische onderzoekingen hielden zij slechts enkele oogenblikken over. Hunne leermeesters, hoe rijk begaafil ook, waren bij do

-ocr page 8-

( 514 )

toenmalige sainendringing van alle vakken vnn geneeskundig onderwijs in de handen van enkelen, evenmin bij machte veel tijd aan de beoefening der hygiëne te geven en konden ook niet beschikken over de middelen en wegen, die tot het verkrijgen en verspreiden van nauwkeuriger kennis op dat gebied konden leiden. Wat allen te /.amen ten aanzien van gezondheidsleer en openbare gezondheidsregeling wisten, berustte dus voor het grootste gedeelte op boekenkennis, die op hare beurt weder steunde op de waarneming van verspreide feiten, verzameld zonder eenheid in de wijze van oi.derzoek, zonder voldoende voorbereiding, onder den indruk vau meeningen en stellingen, waarvan de grondslagen niet zorgvuldig waren getoetst. Het aldus opgerichte gebouw moest wel vele gebreken hebben; de verkregene kennis moest te kort schieten.

Max v. petten kof er begon toen te Munchen, met aanvankelijk zeer geringe hulpmiddelen, zijne later zoo terecht geprezene onderzuekingen betreffende de woning, de kleeding, de lucht, den bodem, de verspreiding van smetstoffen. Hij vorm.de zelf eenige zeer bekwame medewerkers en vond ook elders navolgers.

In dat tijdperk brak voor de hygiëne eene nieuwe toekomst aan: in de plaats van de banaliteiten en de overlevering kwamen zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, uiterst nauwgezette waarneming en proefneming, en het bleek weldra, dat slechts zeer weinig kon staande blijven van hetgeen men op het gebied van gezondheidsleer en openbare gezondheidsregeling vroeger algemeen had geloofd eu geleerd. Met volkomen recht kon von pettenkoeea in 1872 de verklaring afleggen, dat de vroegere steunpilaren der gezondheidsleer in het scherpe analytische oplossingsmiddel der moderne physiologic bijna geheel waren verdwenen 1).

Do dageraad mocht echter niet onbeneveld blijven. Talrijk, ook zelfs nog vóór weinig meer dan een tiental jaren, waren zij, die, ofschoon hoog geplaatst op de trappen van de tronen der wetenschap, de meening bleven verkondigen, dat de gezondheidsleer geene zelfstandige beoefening vereischte, maar bij de vorming van geneeskundigen veilig ten aanhangsel kon blijven van het onderwijs in andere leervakken. Er werd dus, zoo al geene tegenwerking, dan toch zeker geene medewerking gevonden bij velen, die als priesters der wetenschap geroepen schenen de ontkieming der jeugdige zaadkorrels het eerst en het meest te bevorderen. Ja, zells nog in den jong sten tijd is uit den mond van zulk een hoogepriester de wanklank vernomen, dat de gezondheidsleer geen eigen gebied, geene eigene onderzoekingsmethoden heeft en dus ook geen recht van zelfstandig bestaan. Voorwaar een ontmoedigend woord voor den ijverigen arbeider, die tijd, kracht en gold, zijn lust en zijn moed voor de bevordering der volksgezondheid veil heeft en zich zoo teruggewezen ziet.

Maar dat bekrompen oordeel gaat voorbij; de physiologen hebben zulk een tijdperk van miskenning en terugzetting mede doorleefd en hebben ten slotte toch gezegevierd. Zóó zal het ook der hygiëne gaan. Naast de andere leervakken en in \'t bijzonder naast de physiologic, die zich bezighoudt met den gezonden mensch onder normale omstandigheden, ontwikkelt zich eene weten-

1) Max von pbttenkofeu, Po/iulare VortrSge, 3ei\' Abdruck. Braunscliweig, 1876, S. 104.

2

-ocr page 9-

( 545 )

schappelijke hygiëne, die op proefondervindelijken en critisahen grondslag zoekt naar de beantwoording van de hoogst gewiehtige vraag, hoe het den mensch gaat in zijn strijd om het bestaan, onder abnormale omstandigheden, en wat hij te doen en te laten heeft om in dien strijd de overwinning to behalen.

Die nieuwere gezondheidsleer ziet zich telkens geplaatst voor nieuwe vraagstukken, waaraan vroeger niet werd gedacht en wier oplossing moet worden gezocht ook met behulp van nieuwe, eigene methoden van onderzoek. Immers, welke andere tak der natuurwetenschap heeft zich in voldoende mate beziggehouden met, en methoden bedacht cn beproefd tot het beantwoorden der vraag, hoe ziektekiemen in den bodem geraken, welken invloed de toestand van den bodem heeft op het leven en de vermenigvuldiging van micro-organismen, hoe ziektekiemen uit den bodem aan de oppervlakte komen; welke de middelen zijn om ongezonde streken boter bewoonbaar te maken; welke rol het drinkwater speelt bij het verspreiden van ziekten; in \'t algemeen, welke de voorwaarden zijn, waaronder smetstoffen huilen het menschelijk lichaam zich ontwikkelen of vermenigvuldigen, zich verspreiden of te gronde gaan? Welke andere wetenschap dan de gezondheidsleer heeft zich ernstig en volhardend beziggehouden met het ontwarren van de raadseleö der vatbaarheid of der onvatbaarheid, met het navorschen van den invloed der kleeding en der woning op den mensch; met het vaststellen der eischen en met het beproeven en beoordeelen van de nanbevolene middelen, ten aanzien van luchtverversching, verwarming, verlichting, afvoer van vuil, enz.; met het opsporen van de nadeelen der verontreiniging van rivieren en andere wateren, of met het bepalen der omstandigheden, waaronder schoollokalen, gestichten, ziekenhuizen, begraafplaatsen, schadelijk kunnen worden voor de middelpunten van bevolking, voor welke zij bestemd zijn? Wie anders, dan de hygiënist, heeft zich langdurig beziggehouden met de gezondheidsvoorwaarden van den arbeider in de fabrieken en werkplaatsen; of in \'t algemeen met de voorwaarden, waaronder de mensch aan schadelijke invloeden hel best weerstand kan bieden?

Waarlijk, de gezondheidsleer heeft recht van bestaan naast andere takken van wetenschap, want zij tracht langs wetenschappelijken weg, aan de hand der natuurkundige methode, de grondslagen te vinden voor de verhooging van het arbeidsvermogen, de verlenging van den levensduur, de regeling en de toepassing van eene goede gezondheids-politic.

Ter vervulling van die taak heeft zij noodig eigene icerleplaalsen, benevens velerlei andere middelen van onderzoek, en moet zij ook stelselmatig worden onderwezen, opdat oen groot getal medewerkers gevormd worde.

De eigene werkplaatsen zijn echter tot dusverre slechts in zeer geringen getale verrezen. In Duitsohland bijv. heeft von pettenkofer het hygiënisch Instituut, dat thans aan andere Universiteiten ook in andere Stnten tot model dient, eerst ter zijner beschikking gekregen, nadat hij zich jaren lang in onvoldoende localiteiten had moeten behelpen. Te Leipzig heeft hofmann eerst in 1884 een tamelijk bevredigend laboratorium voor zich geopend gezien; flügge te Göttingen heeft mede zéér laat de beschikking gekregen over

3

-ocr page 10-

( 546 )

de hulpmiddelen, die hij niet missen kou. Koen heeft het hygiënisch Instituut vnu Berlijn eerst kunnen openen op den 3den November 1885. Ann alle andere Duitsche Universiteiten zijn de hulpmiddelen voor hygiënische onderzoekingen nog zéér onvoldoende. — Engeland heeft geen volledig hygiënisch Instituut, wel bescheidene werkplaatsen; het Land mag zich echter verheugen in het bestaan van het Parkes-Museum, dat particulieren gesticht hebben. — Frankrijk mist eveneens eeue inrichting, waaraan de naam //hygiënisch instituutquot; zou mogen worden gegeven. Voor Italië geldt dezelfde klacht. In Oostcmrijk wordt geen toonbaar hygiënisch laboratorium gevonden. Te Weenen bestaat niets van dien aard. Soyka, te Praag, werkt in een kelder, en te Graz is het niet veel beter. In Eusland is eerst in 1883 een laboratorium voor hygiënische onderzoekingen geopend, tn wel a.m de militaire geneeskundige school te Sf. Petersburg, ten behoeve van Prof. dobboslovinb.

In Nederland heeft het Rijk tot dusverre alleen aan zijne Universiteit te Groningen een hygiënisch laboratorium geschonken; te Utrecht is de beschikbare localiteit onvoldoende. De gemeentelijke Universiteit te Amsterdam is daarentegen goed voorzien.

Men heeft zich dus volstrekt niet gehaast om aan de beoefenaren der gezondheidsleer den noodigen stotfelijken steun te geven. En ik sprak nog slechts van de werkplaatsen; maar er is veel meer noodig. Wanneer aetiologische, epidemiologische onderzoekingen rijke vruchten zullen dragen, behooren in menig geval de onderzoekers de gelegenheid en de middelen te hebben om zich te verplaatsen en hier of daar min of meer langdurig te vertoeven, huizen, terreinen, enz., tot in kleine bijzonderheden na te gaan en te vergelijken. Het voorbeeld heeft von pettenkofeu. reeds vóór vele jaren gegeven; navolgers vond hij later o. a. in pasteur en koch, die met geschikte helpers reap, naar Egypte en Calcutta togen; de Nederlandsche Regeering heeft pekel-habikg en wiNKLEU naar Oost-Iudië gezonden ter opsporing van de oorzaken der beri-beri. Terecht, want alleen langs dien moeielijken, tijdrooven-den en kostbaren weg kan de oplossing van menig epidemiologisch vraagstuk worden verkregen, kunnen de grondslagen eener goede internationale gezond-heids-politie worden gelegd. — Ook in dit opzicht hebben echter de Regeeringen over het algemeen niet voldaan aan hetgeen men wenschte en verwachtte.

Terwijl aldus de steun van de zijde der overheid op vele plaatsen bleef ontbreken en zeker mede om die reden velen van de beste dienaren der wetenschap zich bleven onthouden, bleef ook een groot deel van de overige ingezetenen bij den ouden sleur en zagen velen hoegenaamd niet daartegen op, zonder eenige voorbereiding in zaken van gezondheidszorg als raadgevers op te treden; wat tot behoud der gezondheid te doen en te laten was, kon, naar hunne meening, ieder beschaafd mensch wel beoordeelen. Zij stonden dan ook niet vervaard, zelfs tegenover de gewichtigste hygiënische vraagstukken; ja, men zou haast kunnen beweren, dat zij die vraagstukken des te driester doorhakten, naarmate de oplossing moeielijker was. Dat moest wel leiden tot het uitbrengen van onbekookte adviezen en tot het bereiden van groote teleurstellingen. Steeds luider werden dan ook de klachten over de toepassing van gezondheidsmaatregelen, die als onfeilbaar waren voorgespiegeld,

4

-ocr page 11-

( 547 )

groote sommen gekls hadden verslonden en toch niet aan het doel hadden beantwoord. De Besturen van Steden, Gestichten, enz., verloren hun vertrouwen in de raadgevingen van Gezondheids-commissiën en andere Vtreeni-gingen van dilettant-hygiënisten; de hygiëne bleef in miskrediet.

Daarin is echter allengs eene verandering ten goede gekomen; de machtige stroom van ontwikkeling en vooruitgang, die de tweede helft dezer eeuw kenmerkt, en zeker ook de ernst van het streven der nieuweren, die zich aan de banaliteiten van voorheen trachtten te ontworstelen, hebben ook in dit opzicht nuttig gewerkt. Evenals in de algemeene en do bijzondere geneesleer thans alles, of althans zeer veel, is gericht op prophylaxis, d.w. z. op de afwering van ziekteoorzaken, zoo heeft zich in den laatsten tijd ook bij zeer vele beschaafde leeken de overtuiging gevestigd, dat de gezondheid en het leven afhangen van zekere voorwaarden, die men kan keren doorgronden en vervullen, maar dat die kennis niet voetstoots verkregen wordt, en dat het de plicht is van ieder ontwikkeld mensch om bij het streven naar het verkrijgen van die kennis mede te werken, te helpen nasporen, ieder in zijn kring, in het volle besef van het »tua res agiturquot;, maar ook in het volle besef van het ontoereikende zijner kennis. De snelle uitbreiding van het internationale verkeer, hot menigvuldig houden van hygiënische Congressen en Tentoonstellingen, het verspreiden van wetenschappelijke en toch voor beschaafde leeken verstaanbare geschriften over hygiënische vraagstukken, hebben thans in wijden kring oeno kennis overgebracht, die men kort te voren zelfs bij geneeskunstoefenaren te vergeefs zou hebben gezocht. De openbare meening is thans anders en beter dan vroeger warm geworden voor de hygiëne en hare groote vraagstukken en verlangt van haar de wegruiming of althans de verzachting van menig maatschappelijk kwaad. Niet alleen de arts heeft zich daardoor gedrongen gevoeld dio vraagstukken te overwegen, maar ook de ingenieur, de bouwkundige, de industrieel, zijn medogegaan; talrijke tijdschriften zijn in het licht gezonden en getuigen van de algemeene belangstelling en zucht tot medewerking.

Het komt dus slechts daarop aan, te zorgen, dat die sympathie behouden en tevens de krachtige stroom in de goede richting geleid blijve. De medewerking toch van natuuronderzoekers, technologen en deskundigen op velerlei ander gebied, met de hygiënisten, is onmisbaar, omdat het onmetelijke terrein niet kan worden overzien door hen, die aan de beoefening der gezondheidsleer zich geheel willen en kunnen toewijden, maar ook, omdat zij eenzijdigheid voorkomt aan beide kanten en omdat zij aan de beoefenaren der hygiëne eene kracht geeft, die vele bezwaren overwinnen kan. En de algemeene sympathie kan behouden blijven, wanneer in het belang der volksgezondheid niet meer wordt gevraagd, dan wat stellig noodig is; geene opofferingen, geen dwang, dan op deugdelijke gronden; eerbiediging der belangen van handel en nijverheid tot aan de uiterste grens!

Deze beschouwingen zullen wel voldoende doen uitkomen, dat de beoefenaren dor gezondheidsleer den steun, dien zij vroegen, eerst in den allerlaatsten tijd gevonden hebben. Ik kom nu tot de beantwoording van de andere vraag: of de verwachtingen, die men onder de gegevene omstandigheden van

5

-ocr page 12-

( 548 )

het streven en den arbeid der hygiënisten mocht koesteren, inderdaad zijn vervuld.

Het antwoord mag toestemmend luiden, wanneer rekening gehouden wordt met de ontzaglijke moeielijkheden der oplossing van do zoo samengestelde vraagstukken, waarvoor men zich hier geplaatst ziet, en met de overgroote bezwaren, die men bij pogingen tot het wijzigen van ingewortelde maatschappelijke toestanden ontmoet. Ik kan dit thans, wel is waar, niet volledig in het licht stellen, maar ik kan toch in breude trekken uwe aandacht vestigen op een paar hoogst gewichtige vraagstukken, naar wier oplossing de hygiëne mede ijverig heeft gestreefd ; de verbetering van den stoffelijken welstand der minvermogenden en de bestrijding van epidemisch-besmettelijke ziekten. Uit die beschouwingen zal, naar ik hoop, blijken, dat de zorg voor de volksgezondheid naar de nieuwe regelen aanvankelijk goede vruchten heeft gedragen.

In de eerste plaats het striven naar de oplossing van het groote sociale vraagstuk van kapitaal en arbeid. Zij is alleen van de samenwerking van den Staat, de Nijverheid en de Hygiëne te verwachten. De Slaat heeft te zorgen, eensdeels voor eene doelmatige, d. w. z. hoogst voorzichtige, niet al te sterk ingrijpende wetgeving, die op het gebied van de groot-industrie en van de ambachtsnijverheid rekening houdt, zoowel met de belangen van den werkgever als met die van den werkman; anderdeels voor hulp en steun, waar de krachten zijner beido medewerksters; de Nijverheid en de Hygiëne, te kort schieten. — De taak der Nijverheid is, om met alle inspanning daarnaar te streven, dat de hillijke behoeften en wenschen, dc rechtmatige grieven en eischen van den werkman zooveel mogelijk bevredigd worden, dat hare werklieden goed onderwezen zijn, dat er zoo veel mogelijk vast werk zij, dat de arbeid in geen geval den werkman schade en dat hij goed betaald worde. — Wat de Hygiëne heeft te doen, werd nog onlangs door een uitstekend bevoegde ongeveer op de volgende wijze omschreven. Zij heeft te zorgen, dat het arbeidsvermogen van den werkman zoo groot mogelijk zij, zijne gezondheid binnen en buiten de werkplaats zooveel doenlijk bewaard blijve, zijn tehuis hem boeie en binde. Zijne woning moet ruim en luchtig zijn, zonnig, doelmatig ingericht, in het barre jaargetijde goed en goedkoop te verwarmen, en toch voor weinig geld te huren. In die woning moet eene hartelijk geliefde vrouw, die leeft voor haren man en hare kinderen, zorgen voor reinheid en orde, voor doelmatige besteding van het verdiende weekloon en voor bewaring van het eer.s verkregen goed. Wordt dit geineenschnppelijk streven met goed gevolg bekroond, dan zal welvaart komen, waar armoede geleden werd, gezondheid waar ziekte heerschte. Met het lichaam zal echter ook de geest gezonder worden, en zóó zal de weg worden gebaand voor de verhooging van het peil der zedelijkheid, .in het gezin van den arbeider zal gestreefd worden naar eenvoud en zal men het bereikbare dankbaar genieten. Aan de leden van dat gezin zal hun tehuis lief en dierbaar geworden zijn; de kroegen zullen ontvolkt en do spaarkassen gevuld worden; ann geen lid van zoodanig gezin zal het in de gedachte komen de bronnen van het bestaan van den handwerksman, d. w. z. de nijverheid en het door haar gewonnen kapitaal, te benadeelen of te vernielen. En zóó zal ten slotte de kroon van het werk zijn het hechter en sterker worden van het familieleven, d. w. z. van den éénigen deugdelijkon grondslag van den

6

-ocr page 13-

( 549 )

Staat! De natie zal krachtiger worden, grooter, geschikter om hare plaats in de rij der volken te verdedigen en te behouden.

Ter bereiking van dat schoone doel is in de jongst verloopene jaren inderdaad reeds veel gedaan. Menige Staat heeft gezorgd voor eene behoorlijke regeling van het onderwijs en van den loonarbeid van vrouwen en kinderen in fabrieken en werkplaatsen ; in meer dan één Staat wordt toezicht gehouden op de gezondheidsvoorwaarden van den loonarbeid, wordt het misbruik van sterken drank en de openbare dronkenschap beteugeld, wordk de vorming van kapitaal ook vcor den werkman bevorderd door het oprichten en in stand houden vamp;n postspaarbanken enz. Daarbij wordt gestreefd naar het verkrijgen eener steeds nauwkeurigere kennis van de nooden en behoeften der werklieden, naar het voorbeeld, in de Vereenigde Staten van Noord-Araerika reeds in 1869 gegeven.

De nijverheid heeft getracht op haar terrein het mogelijke te doen, door verbetering van hare werktuigen en werkplaatsen, door verhooging van het loon, door het oprichten van spaar- en voorschotkassen, zieken- en pensioenfondsen, door het aanmoedigen van coöperatie in den goeden zin, in menig geval ook door het aanbieden van goede woningen aan hare arbeijlers en de gezinnen van dezen.

De hygiëne is daarbij niet ten achteren gebleven. In vele middelpunten van bevolking is veel gedaan om de opruiming te verkrijgen van schadelijk vuil en de slooping van de ellendige stegen, sloppen en krotten, waarin de werkende stand zich vroeger teruggedrongen zag en gezondheid, orde en zedelijkheid onmogelijk bewaard konden blijven. Geheele rijen en straten van arbeiderswoningen zijn in de middelpunten van handel en nijverheid als uit den grond getooverd en wedijveren in een edelen strijd om den prijs voor de aanbieding van het meeste licht, de zuiverste lucht, de grootste reinheid, het zuiverste water, het grootste gerief, voor het minste geld. Velen hebben met zaakkennis en ijver gestreefd naar verbetering van de volksvoeding, eensdeels door het verspreiden van betere begrippen ten aanzien van de voedingswaarde en den invloed der toebereiding op de onschadelijkheid, de smakelijkheid en de verteerhaarheid der spijzen, anderdeels door het oprichten van gaarkeukens en kosthuizen ten bate van hen, die zich, nog geen gezin gevormd hebben, of wier werk hen tijdelijk te ver van hunne eigene woning verwijdert. Gemakkelijk verstaanbare handleidingen en gekleurde diagrammen zijn gesteld binnen het bereik van elke huismoeder en kunnen haar in enkele uren leeren, welke spijzen zij te kiezen heeft om zich zeiven en de haren goed en toch goedkoop te voeden. Met aanvankelijk goeden uitslag zijn krachtige pogingen gedaan om de voornaamste voedsels uit het dierenrijk weder tot lagere prijzen verkrijgbaar te stellen, zoodat de mindere man uts meer dan een weinig melk en vet aan dat Kijk kan vragen; zoo bijv. de pogingen tot het verbeteren van de veefokkerij, de verpleging en het vetmesten van het vee, en het beteugelen der ziekten, die den veestapel met ondergang bedreigden; de kunstmatige broeierijen of kweekerijen ter vermeerdering van den visehrijkdom der groote rivieren; de betere regeling der zeevisscherij; het bevorderen van het gebruik van paardevleesch; het aanvoeren van ossen- en schapenvleesch over zee in daartoe ingerichte schepen; het ontwikkelen van den iuternationalen

1

-ocr page 14-

( E)50 )

handel in boter, kaas, eieren; 011 nog veel meer. Allerwege ia het mogelijke gedaan ook ter verkrijging van eene betere verpleging van het kind in den zuigelingsleeftijd en de eerste kinderjaren; ter verbetering van de opvoeding in het gezin, zonder welke het onderwijs immers zoo weinig bcteekent; ter versterking van de zwakken en ziekelijken door tijdelijke verpleging aan het strand of in de frissche landlucht; ter bevordering alzoo van het opgroeien van een krachtiger geslacht, dat beter dan het voorgaande bestand zal zijn tegen de eisohen vau den arbeid en van den strijd om het bestaan.

En in weerwil van dat alles wordt steeds luider geklaagd! Het is maar al te waar: sedert een drietal jaren kwijnen handel en nijverheid in bijna alle beschaafde landen, vindt de werkman meermalen geen brood, ziet menig werkgever zijne zaak te gronde gaan, ontbreekt de omzet, die aan de opgesomde gezondheidsmaatregelen hunne volle kracht zou moeten geven. Het betreurenswaardige verschijnsel doet zich o. a. voor, dat in vele Staten, ook in Nederland, huwelijken minder talrijk dan vroeger gesloten worden: in 1874 bijv. werden in Nederland per 1000 inwoners nog ruim 8 echtverbind-tenissen aangegaan; 10 jaren later, in 1884, daarentegen nog slechts 7 huwelijken per 1000 inwoners; in enkele grootere gemeenten: Rotterdam, Groningen, heeft deze daling zelfs nog iets sneller plaats.

8

Vanwaar die onverwachte stoornis? De een noemt het eene groeikoorts, die snel zal voorbijgaan; de ander beschuldigt de voorstanders der beschermende rechten, die door het toepassen van hunne stellingen niets anders verkregen hebben, dan dat de Staten of Natiën te veel koopen en te weinig verkoopen; een derde zoekt de oorzaak van de algemocne kwijning in de overmaat der voortbrenging, die niet tijdig gevraagd heeft, of er wel afnemers te vinden zouden zijn; een vierde beweert, dat het zilver zich wreekt, omdat vele Stalen het uit hun muntstelsel uitgestooten hebben. Nog anderen mee-nen, dat de steeds toenemende weelde in de Staathuishouding, de politieke woelingen en de daaruit voortvloeiende krijgstoerustingen de schuld dragen. Sommigen wijten de kwijning ook aan het lichtvaardig krediet geven, het ondernemen van zaken zonder degelijken grondslag, het te gronde richten van menig bedrijf door een onverwachten aanvoer van zijne koopwaar uit vroeger onbekende bronnen tegen lageren prijs. — Paul leroy-beaulieü 1) heeft zoowel de Staten als de werkgevers beschuldigd. De Staten hebben geen maat weten te houden bij het bestellen der werken van openbaar nut: er zijn te veel havens, te veel waterwegen en te veel spoorwegen gemaakt; zij hebben als \'t ware een internationalen wedstrijd geopend om de suikermarkt (en andere markten) te veroveren en te beheerschen. De groote patroons op het gebied van handel en nijverheid hebben de Eegeeringen tot die handelingen geprikkeld en hebben krachtig medegewerkt, vele en groote stoomschepen gebouwd, nieuwe werkplaatsen geopend, de loonen verhoogd, vele handen onttrokken aan den regelmatigen veldarbeid. Maar de scheepsvrachten zijn gedaald, de spoorwegbesturen zijn elkander tot het uiterste gaan bestrijden, de aan de markt gebrachte artikelen waren niet te verkoopen, vele

l) Zie Revue des deux mondes, 15 mai 1886, pag. 383,

-ocr page 15-

( 551 )

arbeiders zijn veeleiscliend en weerspannig geworden, en weldra zijn er stormen losgebarsten, die niet gemakkelijk cn zeker niet snel te bezweren zijn, al moge bij eendrachtige samenwerking eenige ontspanning te verkrijgen wezen. Tot overmaat van ramp zijn nlle die tegenspoeden ondervonden in een tijdperk, waarin zeer velen, verblind door den voorspoed der laatste jaren, de vroegere eenvoudigheid en spaarzaamheid niet meer betrachtten, leefden boven hun stand, en toen eensklaps, onverhoeds, zich zeiven en de liunnen geplaatst zagen aan den rand van een afgrond, waarin hunne welvaart plotseling verzwolgen was.

In die gebeurtenissen heeft dus de hygiëne bij haar streven hinderpalen ontmoet, die haar te machtig waren; dientengevolge heeft veel van hetgeen zij heeft bewerkt en bevorderd slechts ten halve vruchten gedragen.

Maar de sterfteverhouding is toch over het algemeen aanzienlijk verbeterd. In de laatste 20 jaren is in Nederland de gemiddelde sterfte, zoo bij mannen als bij vrouwen, behalve bij de meer dan 90-jarigen, steeds gunstiger geworden ; voor de leeftijden van 1—30 jaren is de levensduur gemiddeld 2 tot 3 jaren verlengd. Nog grooter, volgens de nieuwe sterfte-tafelen, bewerkt door den Hoogleeraar van pesch, is het verschil voor de 20 vóórnaamste steden van Nederland, vergeleken met de cijfers van de //Tafel der 87 voormalige stedenquot;, die vroeger tot grondslag moesten genomen worden om de Koninklijke goedkeuring te verkrijgen op de tarief-premiën van levensverzekering; het verschil n.I. bedraagt aldaar 3 jaren voor mannen van 30-jarigen leeftijd, zoodat premiën thans lager kunnen zijn, dan vroeger werd toegelaten 1).

Hoogst merkwaardig en bemoedigend is ook hetgeen hier en daar buiten \'slands valt waar te nemen. Brussel staat hier aan de spits en heeft door het oprichten en in stand houden van haar Stedelijk Gezondheids-bureau een voorbeeld gegeven, dat menige groote stad en menige ouderwetsche Gezondheids-commissie met schaamte behoort te vervullen. Onder de leiding van den uitstekenden jakssens en bij eene uitgave van 48000 francs per jaar heeft het Brusselsche Bureau de schitterende voldoening verkregen, dat in die hoofdstad thans gemiddeld per jaar 3000 menschen gespaard blijven, wier overlijden men naar de sterfte-verhouding van vóór het jaar 1865 had moeten verwachten. Tegen eene uitgave van 16 francs per jaar één menschenleven gespaard en daarnevens wie weet hoevele dagen van ziekte en gebrek, lijden en kommer!

Eene nieuwe verbetering van de sterftekansen mag verwacht worden, althans wanneer de overige omstandigheden niet al te ongunstig zijn, van den grooten vooruitgang der kennis ten aanzien van de middelen ter bestrijding van epidemisch-besmettelijke ziekten. Dit is het tweede punt, waarop ik meen te mogen wijzen.

Nadat de gistings-processen en de hoofdvormen der gisting herkend waren als de gevolgen der werking van bijzondere micro-organismen, is van zelf

i) \'Ah sa mot\'.- Archief voor sociale rekenkunde, 1886.

9

-ocr page 16-

( 552 )

het vermoeden gerezen, dat de kiemen der epidemisch- en epizootisch-beamet-telijke ziekten eveneens georganiseerde lichamen zijn, en heeft men al spoedig voor dat vermoeden vasten grond gekregen. Aanvankelijk, wel is waar, werd aan de ontdekking van pntbogene micro-organismen nog niet de volle be-teekenis gehecht, die zij verdiende. Pollender heeft de smetstof van het miltvuur reeds herkend in 1855, davaine heeft echter die ontdekking eerst bevestigd in 1863, en liet heeft ook daarna nog lang geduurd, alvorens pas-teük en Koch het gewicht van die ontdekking in het volle licht hebben gesteld. Obermeïer heeft eerst op den 26sten Februari 1873 de Spirochaete beschreven, die hij reeds tijdens het woeden van febris recurrens in 1867—1868 te Berlijn verdacht had de kiem der ziekte te zijn. De nieuwe ontdekkingen hebben ook aanleiding gegeven tot zeer sterke wrijving van meeningen. Sedert het jaar 1875 bijv. hebben ferdinand cohn te Breslau en carl von NaGELl te Munchen met hunne aanhangers een levendigen strijd gevoerd over de vraag, of men aan eene morphologische, dan wel aan eene functioneele specificiteit der bacteriën heeft te gelooven; lang heeft men ook getwist over de vraag, of bacillen en mikrokokken afzonderlijke soorten zijn, dan wel ont-wikkelingsvormen van dezelfde splijtzwam, en zoo meer.

Maar allengs is er licht gekomen en wij leven thans in een tijdperk, waarin de smetstoffen van enkele ziekten met zekerheid zijn herkend, de oorzaken van andere geesels der menschheid zijn opgespoord met eene waarschijnlijkheid, die aan zekerheid grenst. Daarmede zijn de eerste schreden gedaan op een nieuw veld van onderzoek, dat de schoonste vruchten belooft. Immers, met veel meer gevolg dan vroeger kan thans, aan de hand der nieuwere exacte methoden, worden gezocht naar de middelen ter bestrijding en vernietiging van smetstoffen; kan de duur van het gevaar van besmetting worden bepaald, kunnen de wegen der verspreiding en de middelen ter ontsmetting gezocht worden.

Het zijn echter nog slechts eerde schreden en het nieuwe, pas ontsloten arbeidsveld is ontzaglijk uitgestrekt. Het voegt ons te bekennen, dat onze bacteriologische kennis nog hoogst gebrekkig is, de eigenschappen der patho-gene micro-organismen, met name hunne levensvoorwaarden, ons zeer onvolkomen bekend zijn. Onder welke omstandigheden kunnen de in het mensche-lijke lichaam binnsngedrongene of gevormde ziektekiemen hare rol vervullen, en onder welke omstandigheden worden zij onschadelijk gemaakt, gedood, uitgescheiden? Welke andere bacteriën kunnen daarbij mede- of tegenwerken? Welke scheikundige splitsingen zijn mogelijk en te verwachten, welke thermo-chemische wetten kunnen zich daarbij doen gelden? Welke ziekelijke veranderingen van het bloed, de weefsels, de afscheidingen, kunnen de werking der pathogene micro-organismen bevorderen, belemmeren of tegenhouden? Dit zijn vraagstukken, die met enkele woorden kunnen worden omschreven, maar wier oplossing een reusachtigen arbeid vereischt en wier overweging ons iederen dag, elk uur, tot nederige erkenning van onze onvolkomenheid stemt. Hier en daar schijnt echter reeds een klein tipje van den dichten sluier te kunnen worden opgelicht. De belangrijke waarnemingen van den nieuweren tijd, o. a. die van Ferdinand hueppe 1) ten aanzien van miltvuurbacillen

1) Zie zijne vooriiracht iti de jongste Naturforschtrversartinilung te Berliji\', Berliner klinische Wochenschrifl, 15 Nov. 188G.

10

-ocr page 17-

( 553 )

en den micrococcus iler runder- en wild-pest, maken liet immers reeds waarschijnlijk, dat hetgeen de epidemiologen plaatselijke en tijdelijke dispositie noemen zijn grond heeft in verschillende levenseigenschappen van parasieten. De virulente organismen kunnen buiten het lichaam eenvoudig in een sapro-phytisch tijdperk blijven verkeeren en zijn dan facultatieve parasieten te noemen, of wel er kan naast dit algemeene ectogene moment nog een tweede komen, wanneer de facultatieve parasieten alleen buiten het lichaam kiemen ontwikkelen, die voor eene miasmatische infectie bijzonder geschikt zijn.

Terwijl op dit nieuwe arbeidsveld met den grootsten ijver en door velen werd gewerkt, hebben de epidemiologen de uitkomsten, die het experiment en het uiterst nauwkeurig onderzoek van alleenstaande ziektegevallen opleverden, getoetst aan hetgeen het onderzoek van uitgebreide epidemiën leerde. Zij hebben het hunne gedaan om te leeren doorgronden, langs welke wegen de smetstolfen zich huiten het lichaam kunnen verspreiden, hoe deze stollen zich aldaar kunnen vermenigvuldigen, in welke mate die verspreiding en vermenigvuldiging gebonden zijn aan zekere, toestanden van den dampkring en den grond, welke rol het menschelijke verkeer, het verzenden van goederen, de samenstelling van het drinkwater, de inrichting der woningen, en nog vele andere dingen meer, daarbij vervullen. Ook die arbeid heeft rijke vruchten opgeleverd.

Bacteriologen, epidemiologen en pathologen reiken zoodoende elkander thans de hand en zoeken te zamen naar de grondslagen ter verhoeding van het ontstaan van ziekten; een geheele ommekeer in de oude begrippen is ontstaan en breidt zich snel en ver uit. Velen gelooven niet meer aan het bestaan van onnaspeurbare ziekteoorzaken, noch aan de verschrikkelijke leer, dat epidemiën nu cn dan noodig zijn om de overmaat der bevolking op te ruimen; steeds algemeener wordt de overtuiging, dat volksziekten kunnen en zullen worden afgeweerd, als men de middelen en wegen vlijtig wil zoeken. Anderen^, wel is waar, slecht onderwezen en slecht geleid, beschouwen die overtuiging nog als een gevolg van hoogst laakbaar ongeloof, als een ijdel verzet tegen het onstoffelijke, den wil van God. Zij werken daarom tegen en verijdelen de goede werking van menigen, in het belang der volksgezondheid voorgeschreven maatregel. Maar het behoeft wel geen betoog, dat men in God gelooven kan en toch met ijver zoeken naar de oplossing van de raadselen der schepping, met het bepaalde doel zijne levensvoorwaarden te verbeteren. Ook de rechtzinnigste Christen kan de overtuiging koesteren, dat zijn Schepper hem de heerlijke natuur niet gegeven heeft om haar te verontreinigen, en dat hij heeft te waken voor de reinheid van zijn lichaam, zijn huis, zijn hof en al zijn goed.

Eene der schoonste vruchten vau de zoo even bedoelde samenwerking der onderzoekers en waarnemers op verschillend gebied is voorzeker de leer der kunstmatige verzwakking van de kwaadaardigste smetstoffen, opdat deze aan gezonden kunnen worden ingeënt en het lichaam aldus tegen een hevigen aanval derzelfde ziekte beschutten.

De heilrijke gevolgen van de koepokinenting ter bestrijding van het woeden der kinderpokken bij den mensch hadden reeds sedert lang aanleiding

11

-ocr page 18-

( 554 )

gegeven lot het zoeken naar andere inentingsstoffen, wier aanwending tegen een aanval van besmettelijke ziekten kon beschutten; maar het doel was niet bereikt. Gehoel onverwachts kwam toen pasteur bij het kweeken van de micro-organismen, die de z.g. kippen-cholera veroorzaken, tot de ontdekking, dat de onder zekere omstandigheden bewaarde smetstof veel minder sterk werkte dan eene versche, ja in eene zeer geschikte inentingsstof veranderd was, en daarmede was de weg gewezen, die verder leiden kon. Sedert dat tijdstip zijn nieuwe inentingsstoffen verkregen door het kweeken van georganiseerde ziektekiemen onder bepaalde natuur- of scheikundige invloeden, bijv. de werking van warmte, licht, zuivere dampkringslucht, samengeperste zuurstof, de aanwezigheid van andere micro-orgnnismen; of wel door herhaalde overbrenging van eene smetstof van het eene dier op het andere, bij dezelfde diersoort, of ook door het overbrengen van eene smetstof van eene diersoort op eene andere.

De ervaring heeft echter geleerd, helaas, dat de na de inentini; verkregene onvatbaarheid voor de werking der onverzwakte smetstof slechts korten tijd blijft bestaan; volgens pasteur zeiven duurt na de inenting bijv. de onvatbaarheid voor miltvuurbesmetting niet veel langer dan een jaar. Wilde men eene hlijveude beschutting verschaffen, dan zou men derhalve de inenting-telkens na zeer korte tusschenpoos moeten herhalen. Er zijn bovendien zoovele besmettelijke ziekten, tegen wier aanvallen men gaarne gevrijwaard zou willen zijn. Maar wat zou er terechtkomen van eene zoo menigvuldige inenting van verschillende verzwakte smetstoffen in hetzelfde lichaam; zouden zij elkander niet onmachtig maken; zou een paar dier inentingsstoffen niet zoodanig op elkander kunnen werken, dat eéne der reeks onverhoeds buitengewoon krachtig, doodelijk giftig gemaakt werd?

Op dien weg ligt daarom het krachtigste middel ter beperking van het woeden van epidemisch-besmettelijke ziekten waarschijnlijk niet. Men kan niet wel verwachten, dat het mogelijk zal worden den menscli eene blijvende beschutting te verschaffen tegen den aanval van liet meerendeel der gevaarlijkste besmettelijke ziekten op dezelfde wijze, waarop hij tegen den aanval der kinderpokken gevrijwaard wordt. Doch men kan gelooven, dat het gelukken zal inentingsstoffen beschikbaar te hebben, die in een gezin ten behoeve van de nog gezonden gebruikt kunnen worden, zoodra een geval eener besmettelijke ziekte zich aldaar vertoont. Misschien zal men ook inentingsstoffen kunnen vinden, die hij den atelliy hemieUe7i zeiven het uitbreken der ziekte kunnen verhoeden, of de hevigheid van den aanval kunnen matigen, wanneer zij tijdig aangewend worden; pasteur heeft zich gevleid zulk een middel reeds gevonden te hebben ten bate van do personen, die door een dollen hond gebeten zijn.

De hygiënisten hebben intusschen niet verzuimd, ook nog in andere richtingen ijverig te zoeken. Met groote zorg bijv. is nagegaan, welke maatregelen genomen kunnen worden tegen de verspreiding van smetstoffen door personen en levenlooze voorwerpen bij het internationale en binnenlandsche verkeer, en in hoeverre de tegen de voorgestelde of reeds toegepaste maatregelen aangevoerde bezwaren gegrond zijn. Allengs is dientengevolge ook

12

-ocr page 19-

( 555 )

in dit opzicht, veel meer dan vroeger, overeenstemming verkregen; vrij alge\' ineen wordt tlinns de meening gehuldigd, die ik reeds in het jaar 1872 uitgesproken 1) en later, o. a. in de 5de Sectie van het internationale geneeskundige Congres te Amsterdam 2), steeds verdedigd heb. Velen zoeken de middelen ter afwering van epidemisch-besraettelijke ziekten thans niet meer in quarantaine-maatregelen, ronar in verbetering der Icvensvoorwaardm van de bevolkingen en in doelmatige voorschriften, die oogenblikkelijke afzondering van lijders aan de bedoelde ziekten alsmede ontsmetting veroorloven. Daarmede breken zij echter niet de staf over etk quarantnine-voorschrift,; integendeel, een goed quarantaine-toezicht kan onder bepaalde omstandigheden hoogst nuttig werken. Maar de hoofdzaak, het hoofddoel bij de bestrijding dezer ziekten behoort te zijn de zorg, dat binnen den bedreigden kring de buiten en binnen het menschelijke lichaam aanwezige toestanden niet gunstig zijn voor hare verspreiding en dat krachtig ingegrepen kunne worden op de plaats zelve, waar brandpunten van besmetting zich vertoonen en tot verdere ontwikkeling dreigen te geraken.

Zullen die maatregelen tot het doel leiden, dan is evenwel eenheid in de toepassing onmisbaar, niet alleen binnen de grenzen van één Staat, maar ook van alle Staten. Wat toch kan het baten, als de een in deze, de ander in eene geheel tegenstrijdige richting drijft en handelt. Men zoekt dan ook althans ten aanzien van de hoofdpunten tot eenstemmigheid te geraken. Dit is gebleken uit het houden van eene internationale conferentie te Rome, in 188B, ter beraming van gemeenschappelijke maatregelen tegen de invallen der aziatische cholera, ofschoon de staatkundige geschillen helaas ook aldaar een spaak in het wiel gestoken hebben. Misschien zouden betere vruchten te verwachten zijn van het bestaan van een permanenten internationalen Gezondheidsraad, naar den wensch, uitgesproken door het 5de internationale Congres voor hygiene en demographic te \'sHage, in 1884; immers, er zou dan alihans een blijvend verband zijn en eene blijvende eenheid in den aandrang van de deskundigen en van de openbare meening bij de resp. Eegeeringen. In elk geval zouden echter enkele strafbepalingen internationaal vastgesteld moeten worden, opdat het moedwillig verspreiden van smetstof krachtig kunne worden tegengegaan.

Met enkele woorden meen ik overigens nog te mogen wijzen op den arbeid, besteed aan het nasporen der geheimen van eene ziekte, die bijna een zesde deel van alle sterfgevallen onder het menschdom veroorzaakt en dus wel verschrikkelijk rondwaart: de longtervuj!

Nadat de tuberkelbacillus ontdekt en de besmettelijkheid der ziekte vastgesteld was, hebben velen geijverd voor het nemen van maatregelen, die de verspreiding dezer smetstof zouden kunnen beperken. Die stof toch wordt overal gevonden, waar teringlijders zich ophouden, op de straat, in de werk-

1) Zie Iiiijne bewerking van § 90 van het 2.1e Deel van ali coiien\'s Handboek der openbare gezondheidsregeling en der geneeskundige politie. Groningen, j. n. wol-te us, 1872, pag. 219.

2) Zie Comptes-rendus, Amsterdam, p. van rossen, 11, 1881, pag. 103.

13

-ocr page 20-

( 556 )

plaats, in de gemeenschappelijke of de eigene woning. In ziekenhuizen, gestichten, kazernen, gevangenissen, logementen, slaapsteden, fabrieken, moet de gelegenheid tot het opnemen van die smetstof bijzonder groot zijn. Men heeft immers nog niet geleerd haar evenzeer te vreezen als die van het roodvonk, de pokken, enz. Dekens, matrassen, kleederen van teringzieken kunnen met tuberkelbaaillen overvloedig bedeeld zijn, en die ziektekiemen behouden in drogen toestand haar besmettend vermogen wel zes maanden lang; zonder eenige voorzorg worden cchter de goederen, waarin zij verborgen zijn, uitgeklopt en geschuierd, ert men ziel zelfs niet toe, dat de aldus gereinigde bed-fournituren in de gemeenschappelijke slaapvertrekken teruggebracht worden aan de legerstede, waartoe zij behooren. In de stations voor teringzieken ontbreken soortgelijke voorzorgsmaatregelen waarschijnlijk wel evenzeer; ontsmettingsovens worden aldaar nog slechts bij uitzondering gevonden. Bij de mode onzer dagen om de muren met losse behangsels, de vloeren met dikke tapijten, de deuren en vensters met wollen gordijnen te bedekken, is de gelegenheid tot het opnemen en langdurig bewaren van ziektekiemen zeker uitermate gunstig. Met het oog op alle deze omstandigheden heeft men dan ook gemeend, de menigvuldigheid der longtering zeer gemakkelijk te kunnen verklaren en in menig geval niet te moeten zoeken naar de overerving in den gewonen zin, d. w. z. van den vader of de moeder op het kind, maar veeleer naar besmetting door het gebruik van lijf- of beddegoed van een zieken of reeds overledenen bloedverwant, h(t bewonen van eene kamer, die vroeger de zijne was, enz. 1).

Nasporingen op groote schaal in Frankrijk, Duitschland en Italic gedaan, hebben evenwel geleerd, dat de longtering bijna even menigvuldig wordt overgebracht nan vreemden en elders wonende bloedverwanten van den zieke, als aan de leden van zijn gezin. Williams, de geneesheer van het bekende hospitaal voor teringzieken te Brompton, heeft in November 1882 in eene voordracht aan do British Medical Association verklaard en met cijfers gestaafd, dat in zijn ziekenhuis, waarin niet minder dan 240 bedden voortdurend in gebruik en de tuberkelbacillen zeker wel overal verspreid zijn, do gevallen van ontwijfelbare besmetting van de geneesheeren en het overige dienstpersoneel uiterst zeldzaam moeten genoemd worden. Men heeft eene gelijksoortige ervaring aangehaald van pxuoux ten aanzien van het llópital de la Oharitd te Parijs en zijne praktijk te Eaux-Bonnes; ook de uitkomsten eener SOjarige ervaring ten aanzien van personen, die in ziekenzalen een geruimen tijd naast teringlijders verpleegd en toch niet besmet waren. Op grond van een en ander hebben velen het gevaar van het samenwonen met teringlijders zeer overdreven geacht en sterk ingrijpende maatregelen tegen dat gevaar overbodig.

Maar tegen alle deze waarnemingen mag de bedenking geopperd worden, dat zij veelal betrekking hebben tot kleine getallen van personen of tot korte tijdperken, terwijl zij niets vermelden ten aanzien van het vlottende dienst-

1) Zie HiciiARU, Sur la transmission de la tuberculose par les ubjets de Uier ie, tapis, tentures, etc.; in Anmlcs d\'li/ig. publ. et de mé\'l. légale 3i|p Se\'ne, XV, Mni 1886, pui;. 448.

14

-ocr page 21-

( 557 )

personeel, de zorg\' voor luchtverversehing, reinheid, voeding, de vochtigheid van den ondergrond, enz. Ecnige levenseigenselinppen van de tuberkelbacillen en andere omstandigheden zijn toch hier waarschijnlijk van gioote beteekenis. Immers, hun bestaan is gebonden aan zeer enge grenzen van temperatuur, zoodat zij in grooten getale buiten het lichaam sterven. Zij behoeven ook een geruimen tijd tot hunne ontwikkeling en kunnen door een gezond slijmvlies der luchtpijpstakken weder uitgeworpen worden, alvorens zij nadeel hebben gedaan; en juist ten aanzien van dit laatste punt; den toestand der longen van de personen, die met teringlijders of hunne goederen in aanraking zijn geweest, vermelden de hier bedoelde waarnemingen en statistieken niets, of niet genoeg. Wilde men de waarheid leeren kennen, dan moest deze ook hier alweder in zeer ruimen kring en door zeer velen met de grootste volharding worden gezocht, hetgeen dan ook thans inderdaad geschiedt. Het vermogen van den tuberkelbacillus om to besmetten staat intussehen vast, dit echter alleen in den zin van meissen\'s verklaring: //de longtering is eene infectie-ziekte op den grondslag eener lichamelijke en plaatselijke voorbesehiktheid.quot; In afwachting van eene meer nauwkeuriger kennis der omstandigheden, waaronder het gevaar van besmetting geringer^.of grooter wordt, is dus het toepassen van voorzorgsmaatregelen zonder eenigen twyfel geraden.

Ten slotte wensch ik nog de vraag te beantwoorden, of de behartiging van de belangen der volksgezondheid in Nederland gelijken tred heeft gehouden met hetgeen in andere Staten is geschied.

Wij hebben van 1865 tot in 1877 een ruim elfjarig tijdperk doorleefd, waarin Nederland mocht gezegd worden daarnaar te streven om in de rij der Staten aan de spits te staan van de openbare gezondheidsregeling; het dene onderwerp van openbare gezondheidszorg na het andere werd in het kader der Wet gebracht, en al mocht elke dezer Wetten eenige gebreken hebben, die meerendeels reeds bij het bespreken en vaststellen van haar ontwerp waren aangewezen, zoo was toch het geheel zeer bevredigend en kon het aan menigen Staat tot voorbeeld strekken. Na het jaar 1877 is echter de Neder-landsche Wetgever veel minder voortvarend geweest, ofschoon er bij de toepassing der zoo even bedoelde Wetten gebreken opgemerkt werden, die verbetering eischten, en andere onderwerpen van sanitaire wetgeving regeling behoefden. Zoo beknopt mogelijk wensch ik ook dit nog te doen opmerken.

Het viertal geneeskundige Wetten van 1 Juni 1865 heeft inderdaad groote behoefte aan herziening, en de Eegeering heeft dan ook niet nagelaten haar te vragen; de ontwerpen zijn echter niet in openbare beraadslaging gebracht. Mij voor lieden bepalende tot de Wet, die het Geneeskundig Staatstoezicht regelt, heb ik U slechts daarop te wijzen, dat de aetiologie en de epidemiologie zich ontwikkeld hebben ver buiten de grenzen, die de wetgever van het jaar 1865 zich heeft kunnen denken. Het opsporen en aanwijzen van do middelen ter verbetering van de volksgezondheid vereischen eene wetenschappelijke vorming en eene oefening, die ook aan rijk begaafden eene zeer groote inspanning kosten. De geneeskundige Inspecteurs zien zich niettemin belast met eene overmaat van administratieve bezigheden en tamelijk onvruchtbaar

16

-ocr page 22-

( 558 )

ie

statistisch werk; zij zijn te veel gemaakt tot bureau-liedeu, die niet. genoeg tijd kunnen geven aan degelijk onderzoek, ter plaatse waar de toestand der volksgezondheid veel te vvenschen overlaat. Hunne adjuncten zijn veel meer zelfstandig gemaakt, dan met den goeden gang van den dienst bestaanbaar is; die adjuncten behoorden geene eigene standplaats en geen eigen werkkring te hebben, maar hunne instructiën rechtstreeks en dagelijks van den Inspecteur te ontvangen, mondeling en op de plaats zelve. De bijeenroeping der leden van de Geneeskundige Raden op vaste tijdstippen behoorde te worden afgeschaft; zij is alleen wenschelijk in buitengewone gevallen. Naast die Raden zou nog een Centrale Raad moeten bestaan, samengesteld uit een zeer beperkt getal geoefende onderzoekers en betrouwbare raadgevers op sanitair gebied, en ter beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken, gezamenlijk of afzonderlijk, naar zijn goedvinden. Wanneer dan tevens gezorgd werd voor doelmatig verband, voor eenheid en samenwerking, vooral ook voor handhaving van het Geneeskundig Staatstoezicht tegenover onverschillige, lauwe of onwillige gemeentebesturen, zou dat Staatstoezicht zeker veel beter dan thans aan de verwachting beantwoorden.

Tot de wetten, die herziening behoeven, reken ik voorts de wet van 10 April 18C9, betreffende het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisrechten, afgezien ook van het feit, dat zij de facultatieve lijkverbranding niet toelaat. is zeker zeer veel overdrijving in de meening, dat eene begraafplaats onder alle omstandigheden de gezondheid der in haren omtrek wonende menschen bedreigt; immers veel, zoo niet alles, hangt af van de ligging en de inrichting der begraafplaats en van de wijze, waarop deze wordt gebruikt. Maar deze overweging rechtvaardigt toch niet het plooien en schikken, dat bij het vaststellen dezer wet in zoo ruime mate is betracht. Zonder dat eénig voorschrift behoeft te worden nageleefd ten aanzien van de keuze der grondsoort, het getal en de inrichting der grafkelders, de bedekking van de oppervlakte der zandgraven, enz., kan men volgens deze zeer onvol-komene wet een kerkhof aanleggen op een paar meters afstand van eene ge-heele rij woonhuizen, als deze woningen maar niet tot de „bebouwde komquot; eener gemeente behooren (Art. lö der wet). De tijd, gedurende welken elk lijk onaangeroerd in het graf moet blijven, is op slechts 10 jaren gesteld, terwijl in menige grondsoort de zachte weefsels van het lichaam eerst na 15 tot 20 jaren zijn vergaan (Art. 23). Het verbod, om binnen 50 M. afstand van de begraafplaats te bouwen of putten te graven, is voor de kerkhoven, die bij de invoering der wet bestonden, beperkt lol 35 M. of zooveel minder als de kortste afstand bedraagt, waarop zij van eene bebouwde kom eener gemeente verwijderd zijn (Art. 48); is de begraafplaats bijv. op 20 M. afstand van de bebouwde kom der gemeente gelegen, dan zal men op dien kleinen afstand het geheele kerkhof in een kring van woningen mogen insluiten! — Hoeveel de doodschouw te wenschen overlaat, die volgens Art, 4 der wet behoort te geschieden, is reeds sedert jaren algemeen bekend. Men heeft overigens nog onlangs 1) van een practiseerenden arts in het openbaar

1) Zie de beschouwingen van j. menno iicizinoa in het Weekblad van het Neder-laudtch Tijdschrift voor (jeneeskmde, 1 Mui 1880, pag. 452.

-ocr page 23-

( 559 )

vernomen, dat er in Nederland gemeenten zijn, waar het bijna regel is, dat de geneeskundige op het voor de begrafenis bepaalde uur even bij het kerkhof langs rijdt, aldaar een blik in de nog niet geslotene lijkkist werpt en danrna de verklaring van overlijden afgeeft; ja zelfs, dat eeno lijkschouwing, die werkelijk «instantaneequot; mag heeten, wel eens plaats heeft, als het rijtuig van den doctor en de begrafenisstoet elkander op den weg ontmoeten!

Eene derde wet, die herziening noodig heeft, is do wet van 4 December 1873, houdende voorziening tegen enkele besmettelijke ziekten der meuschen. Zij kon niet veel uitrichten en heeft dan ook iveinig gebaat, omdat zij groo-lendeels slechts halve maatregelen voorschreef. De Minister, de Heer geert-sema, die haar hielp tot stand brengen, heeft zelf den staf over haar gebroken, toen hij bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer over het ontwerp dezer wet zeide; «het doel der wet is, om bij het allereerste verschijnen dei-ziekte dadelijk maatregelen te kunnen nemen; zonder dit dadelijk isoleeren van het eerste ziektegeval beleekent de wet niet veel, want daarin ligt hare krachtquot;. — Daarin ligt hare kracht I En geen van de artikelen, vastgesteld door de Kamer, veroorlooft dat „isoleerenquot;, tenzij wanneer het toeval wil, dat de eerste zieke in eene sfeajoste/e vertoeft I Rceda bij hare bespreking en vaststelling is deze wet buiten de Kamer terecht eene uiterst zwakke proeve tot bescherming der volksgezondheid genoemd en is de verwachting uitgesproken, dat de gebreken der voorsehriften weldra blijken zouden en de wetgever dan minder beschroomd zou zijn om in te grijpen in de persoonlijke vrijheid van besmette meuschen. De gebroken zijn dan ook in ruime mate aan het licht gekomen; de herziening der wet is echter nog slechts gedeeltelijk verkregen. Eerst op den 36sten Maart 1884, ruim elf jaren na het goedkeuren dezer epidemie-wet, heeft de Tweede Kamer met slechts geringe meerderheid eene wet aangenomen, die aan de Begeering alléén veroorlooft om bij het waarnemen van cholera, pest, gele koorts of pokken, binnen- of buitenslands, telkens voor den tijd van hoogstens één jaar, in-, door- en vervoer van lompen, ongewasschen lijf- en beddegoed, enz., te verbieden en bepalingen vast te stellen omtrent het onderzoek, de afzondering en de ontsmetting van personen en goederen, het vervoer van personen en goederen, en de middelen waarmede dat vervoer geschiedt.

In de vijfde plaats wacht sedert lang op herziening de wet, die op den lOden September 1874 ten gevolge van het wakker ingrijpen van den Heer van houten verkregen is, en toch niets meer was dan een bescheiden eerste stap tot wettelijke bescherming van de in fabrieken werkende en aldaar maar al te vaak verwaarloosde en afgebeulde kinderen. Sedert vele jaren is bij velen de overtuiging gevestigd, dat het noodzakelijk is, verder te gaan. Aan het Departement van Justitie is dan ook reeds vóór jaren eene herziening dezer wet in bewerking genomen. De toenmalige Minister heeft het gevoelen gevraagd van de Nederlandsche Vereenigingen voor fabrieks- en handwerks-nijverheid, van de Kamers van Koophandel, de Maatschappijen van Landbouw, enz. In de algemeene vergadering van het „Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbondquot;, gehouden te Amsterdam op den 25sten en 26sten December 1877, d. i. ruim negen jaren geleden, hebben B000 onzer werklieden verklaard, welke wettelijke voorschriften zij ten aanzien van den arbeid in fa-

17

-ocr page 24-

( 560 )

brieken eu werkplaatsen verlangden. Drie jaren later, in de janrlijksche alge-meeiie vergadering gehouden te Arnhem op den 1 (kien Mei 1880, heeft hetzelfde Werkliedenverbond de aandacht der liooge Regeering andermaal op zijne wenschen gevestigd en dat wel naar aanleiding van een uitstekend rapport van den Hoogleeraar k. o. pieiison, uitgobraoht namens eeno Commissie, beslaande uit Vertegenwoordigers van de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen, de beide \'voornaamste Nederlandsehe Nijverheidsvercenigingen en het Algemeen Werkliedenverbond. De Atinister van Justitie, de Heer modderman, heeft toen een tastbaren vorm gegeven aan hetgeen reeds lang te voren was voorbereid en ook door de werklieden zeiven, voor zoo verre zij aan het openbare leven deelnemen, met even warmen aandrang als met groote gematigdheid was gevraagd. Zijn ontwerp, aangeboden in 1883, voorzag in veel van hetgeen de wet v\\n houten ongeregeld had gelaten. Maar de ïweede Kamer heeft het met een stroom van bedenkingen teruggewezen. Vele Leden bestreden het ontwerp als eene niet te rechtvaardigen uitbreiding van staatszorg; andere Leden achtten de noodzakelijkheid van wettelijke bepalingen omtrent den arbeid van kinderen boven 12 jaren niet bewezen; nog vele anderen hadden ook bezwaar togen het verbod van veldarbeid. En nog veel meer. De later opgetreden Minister, de Heer du tour, is met zijn ontwerp van wet, aangeboden in 1885, niet gelukkiger geweest.

Evenmin is de aanvulling verkregen van de Wet van i Juni 1875, die het toezicht regelt bij het maken van inrichtingen, welke gevanr, schade of hinder kunnen veroorzaken. Hot onmisbare complement van zulk eene Wet is toch het voorschrijven van maatregelen ter verzekering van de veiligheid van het werk en het behoud der gezondheid van den arbeider in de werkplaats zelve. Do Tweede Kamer doet thans, wel is waar, eene krachtige poging om zich bekend te maken met de wettelijke maatregelen, die den toestand der werklieden binnen de fabrieken zouden kunnen verbeteren; de herziening der Wet van houten heeft zij echter ongelukkigerwijze uitgesteld, totdat zij de laatstbedoelde kennis verkregen zal hebben.

Er zijn overigens nog hoogst gewichtige onderwerpen van gezondheidszorg, wier wettelijke regeling niet ter hand genomen is. Ik noem thans slechts de zorg voor het allerwege beschikbaar zijn van goed drinkwater, de beperking der autonomie vun polder- en waterschapsbesturen en het voorschrijven van maatregelen tegen de verontreiniging van den bodem, den dampkring en de openbare wateren door schadelijk vuil.

Waarom is dan in de latere jaien zoo gedraald of geremd? Het antwoord moet helaas zijn, dat de kostbare tijd is voorbijgegaan onder kerkelijk-polilieke twisten, tot schromelijk nadeel van het openbaar belang; de kracht der lle-geering is verzwakt en het volk heeft geleden onder het eindeloos gekrakeel. Immers, humiles laborant, ubi potentes dissident! — Moge dat zwarte tijdperk spoedig worden gevolgd door een tijdperk van eendracht en macht!

Het is echter niet voldoende, ivetten te maken; want zelfs de beste wet blijft zwak, als de volksmenigte niet genoeg verlicht is om haar tc waardeeren. Men heeft dit nog vóór korten tijd ondervonden, toen het huidvolk in Spanje, Italië en elders, hier en daar te hoop liep om de toepassing van afzonderings-en ontsmettings-maatregelen, die ter beteugeling van het voortwoeden der

18

-ocr page 25-

( 561 )

Indische cholera verordend waren, te verijdelen. Maar wij kunnen het ook binnen de grenzen van Nederland opmerken, als wij slechts letten op de wijze, waarop bijv. de voorschriften ten aanzien van de koepok-inenting tegtnge-werkt of verwaarloosd worden, de voorschriften der opidemie-wet worden ontdoken; enz. Goede begrippen aangaande gezondheidsleer en gezondheidszorg moeten daarom zooveel doenlijk algemeen worden verspreid.

De beste gezondheidswetten kunnen overigens op zich zelve geene snelle verbetering verschaffen van gebrekkige maatschappelijke toestanden; de in armoede en ellende levende mindere man kan niet met één tooverslag veranderd worden in een krachtigen arbeider, die in staat is om voor zich en de zijnen het brood te verdienen en de noodige gezondheidsm passen en te steunen; hij moet geholpen worden, hetzij di burgers, hetzij door de besturen van stad, gewest of land dezen te zamen. Hulp moet er dus zijn, en dat wel stoffelijke huip, ruuu cu langdurig, totdat de eigene krachten versterkt en de levensvoorwaarden verbeterd zijn. Al het mogelijke moet daarom worden gedaan om het geld, dat aan de algemeene kas door de meervermogenden geofferd wordt, zóó te besteden, dat niets aan onvruchtbare uitgaven wordt verspild, maajr een zeer groot gedeelte ten bate komt van de lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling van den minderen man. Alleen daar, waar deze krachtiger, beschaafder en zedelijker geworden is, zal men op voldoenden steun bij de toepassing van gezondheidsmaatregelen mogen hopen; alleen daar zullen tegenwerking, ontduiking, zorgeloosheid en verv\\ aarloozing ophouden, althans zooveel mogelijk teruggedrongen worden.

Eene getrouwere betrachting van den eigen plicht en eene betere behartiging van het algemeen belang zal men daarna in steeds ruimeren kring mogen verwachten. Wanklanken als die van den Nederlandschen volksvertegenwoor-diger, die het streven van pasteur eene geldelijke speculatie en de koepokinenting eene kwakzalverij op uitgebreide schaal durfde te noemen, zullen dan nog wel vernomen kunnen worden; maar zij zullen geen weerklank vinden, In de plaats van onwetendheid en tegenwerking zullen kennis en medewerking gekomen zijn, en met goeden grond zal men ook voor het Ne-derlandsche volk mogen hopen op een blijvenden vooruitgang in gezondheid en levensduur, op concentratie der erfelijkheden in den goeden zin, op steeds toenemende verbetering van den stoffelijken welstand der minvermogenden, op de verhooging van het levensgeluk van het nageslacht.

19

Mogen die schoone wenschen vervuld worden !

^Overgedrukt uit het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeekuiule. laarftanp; 1S87.)

-ocr page 26-
-ocr page 27-

I

\\ • ; i ■yBwBMIBË

:•.:•■:■

^^HBn HHH

mê ^Mi \'■amp;■

B—ü

-ocr page 28-
-ocr page 29-