-ocr page 1-

Fr FO K KENS,

w

li 11

R E G L E

-ocr page 2-

Kast 173

PI. C N0.14

LEGAAT

VAN WIJLEN

Prof. Mr. C. PIJNACKER HORDIJK.

quot; (9 quot; e) \'

-ocr page 3-

»

-ocr page 4-
-ocr page 5-

HERZIENING

VAN IIFT

REGLEMENT

OP DE

PARTICULIERE LANDERIJEN

11KWI5STICN DU

T J I M A N O E K.

1)0011

F. ROKKENS,

Inspecteur van cultures.

BATAVIA,

H. M. tas Dour amp; Co.,

-ocr page 6-

-ocr page 7-

INLEIDING.

Drie jaren zijn verloopen sedert het bloedige drama te Tjiornas werd afgespeeld en sinds bij Gouvernements besluit, dd. 21 Aug. 188G (uitzettïngsbesluit), werd geconstateerd, dat opgezetenen van genoemd land tot wanhoop en radeloosheid waren gedreven geworden door liet hooge bedrag van den aanslag hunner tuinhuur en door de vexatiën, welke zij van de zijde van den landheer df diens ondergeschikten in andere opzichten ondervonden, en dat aldaar de plaats gehad hebbende rustverstoringen grootendeels het gevolg waren gebleken van het door den landeigenaar ingevoerd en vooral in de laatste jaren met hardvochtigheid doorgedreven stelsel van exploitatie, waarbij, met miskenning van de rechten en belangen der bevolking, uitsluitend eigen gewin op den voorgrond stond.

Wat is er in die drie jaar gedaan om herhaling van dergelijke treurigheden op het een of ander land te voorkomen ?

De landheer van Tjiomas werd gestraft met verbanning buiten de afdeeling Buitenzorg van zijn zoon en schoonzoon, wellicht ook tot voorbeeld voor andere landeigenaren, doch maatregelen om vexatiën en het hardvochtig exploiteeren der opgezetenen onmogelijk te maken werden nog niet genomen. Integendeel, de waarborgen, die de bevolking heeft voor de handhaving barer rechten tegenover haar landheer, werden zelfs onwillekeurig, zonder dat het in de bedoeling lag, verminderd, want na het afkeurend oordeel, in de 2de Kamer der Staten-Generaal hij herhaling uitgesproken, over de personen, die het voor die bevolking hadden opgenomen, zullen er maar weinig ambtenaren meer te vinden zijn, die,

-ocr page 8-

4

door partij te kiezen tegenover den landheer, zich in een wespennest willen steken.

De Indische Rogeering heeft intusschen niet stil gezeten en verschillende pogingen in het werk gesteld om de Inlandsche bevolking op de particuliere landerijen in liet algemeen meer bescherming te verleenen, doch die zijn tot nog toe zonder resultaat gebleven, eensdeels wijl de personen, met die zaak belast, om mij onverklaarbare redenen daarmede geen voortgang maakten, anderdeels door het afstuiten op de zuinigheids-politiek van het vorige ministerie.

Die pogingen waren:

Ten cerslc: Eene herziening van het Reglement op de particuliere landerijen bewesten de Tjimanoek (Stbl. \'183G no. 10).

Ten tweede: Verbetering der controle van gouvernements-wege op die landen.

Ten derde: Aankoop dier landen door den Staaf. Eene herziening van het Reglement werd, blijkens het Koloniaal Verslag, in 1885 aan Justitie opgedragen en thans, nu wij 1889 schrijven, is van die herziening nog niets bekend. Voor vei betering der controle en voor aankoop der landerijen werden uitgewerkte voorstellen aan den Minister van Koloniën (Sprenger van Eijk) gezonden, doch door Z. E. gedeponeerd, omdat de zaak uitgaven vorderde.

Het herzien van het Reglement is zeker niet zoo eenvoudig, doch men heeft verzuimd een nis het ware aangewezen weg in te slaan, waardoor die taak zeer zou zijn vergemakkelijkt geworden. Met het bekend raken der Tjiomassche toestanden, die zulke bedroevende gevolgen gehad hebben, lag toch de vraag voor de hand: is het op do andere particuliere landen even treurig gesteld of wellicht nog treuriger?

Ter beantwoording dier vraag had m. i. op alle particuliere landerijen eene enquête moeten ingesteld worden, dan was men in het bezit gekomen der noodige gegevens voor do herziening van het Reglement van 183G, die men nu mist.

-ocr page 9-

Het zijn toch niet alleen juridische kwesties, die bij zulk eene herziening te berde komen, maar ook, en wel voornamelijk, kwesties gebaseerd op plaatselijke toestanden, op adat en gewoonte. Veel valt dienaangaande te leeren uit schrifturen omtrent klachten van opgezetenen tegen hun landheer (1), evernvcl niet alles, want op sommige landen wordt onrecht gepleegd, waarover nooit geklaagd is, niet wijl dat onrecht minder te beteekenen hoeft, maar omdat de opgezetenen bevreesd zijn voor hun landheer.

Kennis van den feitelijken toestand op de verschillende particuliere landerijen is voor do herziening van het Reglement van 1836 een eerste vereischte. De belangrijke studiën van den Ifeer Hiesz zijn daarvoor een niet genoeg te waardeeren hulpmiddel, maar zij bet re ITen meer speciaal de landerijen in de residentie Batavia en buitendien is de Heer Riesz niet altijd geheel onpartijdig, hij leert ons wel eens de toestanden kennen, zooals zij zich voordoen, bekeken door een landheerlijke bril. Het kan daarom zijn nut hebben, dat iemand, die jaren lang als niet belanghebbende met particuliere landen ook buiten Batavia in aanraking is geweest, zijn ondervinding dienaangaande bekend maakt, opdat daarvan bij eene eventueele herziening van het Reglement partij kan getrokken worden.

Wellicht wordt zijn voorbeeld door andere bevoegden gevolgd en kan er op die wijze iets goeds tot stand gebracht worden.

Dat was de overweging, die mij er toe bracht om over dit onderwerp te schrijven.

De herziening van het Reglement is in i. dringend noodzakelijk en men mag zich daarvan niet terug laten houden door eventueele plannen, die in Holland mochten bestaan, om allo landerijen, dan wel alleen de bij do bevolking in gebruik zijnde gedeelten en de souvereine rechten der landeigenaren, terug te koopen. Die plannen toch

(1) O. n. do bekonde bioclmro vun van duu Kemp; Bijdragen tot do wordingsgosclücdcms vun het Reglement op do particuliere landorijon.

-ocr page 10-

6

sluiten volstrekt niet de noodzakelijkheid eener herziening uit, want eer men ze voor alle landerijen verwezenlijkt ziet zullen nog heel wat jaren verloopen, en in dien tus-schentijd wordt de toestand der bevolking niet gunstiger, daar vele landeigenaren, een afkoop in het vooruitzicht hebbende, er nog van halen zullen, wat er van te halen is.

Om goed de urgefttie van eene herziening te doen begrijpen, zal ik hier een algemeene schets laten volgen van den tegenwoordigen toestand der bevolking op do particuliere landerijen, zooals die naar mijne ondervinding op vele landen voorkomt. Goede, humane landheeren behoeven zich het minder gunstige, wat zij daarin zullen vinden, niet aan te trekken. Bij hen is het niet zoo, doch zij zullen mij toegeven dat het, helaas, bij velen wel zoo is, en dat bet ook bij hen, eenvoudig door verandering van eigenaar, dikwijls allen van administrateur, zoo woiden kan.

Daarna zal ik in eene artikelsgewijze bespreking van het Reglement van 1830 eenige wenken geven, die voor eene herziening van belang kunnen zijnen ten slotte in verband met die wenken eene proeve van een nieuw Reglement leveren.

-ocr page 11-

Tegenwoordige toestand der bevolking op de particuliere landerijen.

De verkoop van land mot afstand van souvereine rechten, door onze voorvaderen gedaan, is reeds lang veroordeeld geworden en de wel eens aangevoerde verontschuldiging van finantieelen nood, niet meer als geldend erkend.

Docli niettegenstaande die veroordeeling is er weinig naar getracht om de begane fout te herstellen De particuliere landerijen, de talrijke staatjes in den staat, bestaan nog en zijn zoovele belemmeringen voor de algemeene toepassing van de nieuwere richting van ons koloniaal beleid. Vele vrijzinnige bepalingen toch, die in den laatsten tijd in het leven werden geroepen, in het belang van den Inlander, bleven een doode letter voor hare bevolking op de particuliere landerijen.

Waar de heerendiensten in de gouvernements landen, overeenkomstig het bepaalde bij het Regeeringsreglement, zooveel mogelijk werden ingekrompen en de pantjen- en andere persoonlijke diensten werden afgeschaft, terwijl men regelingen maakte om de controle op de heerendiensten te verscherpen en te waken voor het gebruiken van een grooter aantal dienstplichtigen dan noodig is, bleven die diensten in al hun rigueur, zonder de minste controle, op de particuliere landerijen in stand.

Naast de heerendiensten wisten vele landeigenaren zich, op grond van art. 40 van het Reglement van 183(3, cultuurdiensten te verschaffen door zoogenaamde (zie blz 11) vrijwillige overeenkomsten tegen een karig loon, soms alleen bestaande uit een katti rijst met wat zout daags.

Ook hierbij vindt men op verscheidene landen van

-ocr page 12-

8

de latere humane beginselen van het Gouvernement geen spoor. De contractanten moeten dikwijls op 15 en meer palen afstand vau hunne woningen koffie planten en soms 100 en meer hoornen per jaar.

Het oud-Hollandsche denkbeeld dat onze Indische bezittingen alleen maar bestaan om ten bate van het moederland geexploiteerd te worden, en dat gelukkig voor een betere meer liberale zienswijze heeft plaats gemaakt, vindt op menig particulier land nog toepassing. Daar komt het bij den landheer niet op minder van de bevolking te beffen dan het maximum, hetwelk hem bij het Reglement vati 1830 is toegestaan. Zelfs al maakt, hij nooit gebruik van het totaal aantal dagdiensten, waarover hij beschikken mag, zoo zal bij toch bij afkoop door fle bevolking, eene afkoopsom eischen, berekend naar het hem toekomende maximum aantal dagdiensten, en geenszins een equivalent voor de diensten, die hij stiikt noodig heeft.

Ook voor de toepassing van een der hoofbeginselen van bet Regeeringsreglement (quot;art. 55), n. 1.: dat de Inlandsche bevolking beschermd moet worden tegen willekeur van wien ook, beslaan pp de particuliere landerijen geen waarborgen.

Daartoe is de controle ten eenenmale onvoldoende.

Waar de Regeering angstvallige regelingen maakte om den Inlander te beschermen tegen bedrog van Europeanen en Vreemde Oosterlingen, hem de vruchten van zijn oogst zooveel mogelijk verzekerde, de Vreemde Oosterlingen, waar het kon, uit de desa\'s weerde, bleef de Inlander op de particuliere landerijen overgeleverd aan den willekeur van landheeren en van door de landheeren betaalde Inlandsche hoofden en aan de afpersingen van Vreemde Oosterlingen. (1).

(1) Ter illustroering liiorvnn dieno het volgende entrefilet, dat ik uit lut Bataviaasch Handehhlad vnn 1888 geknipt liol):

Omtrent de wijze, waarop eenigo Cliineesoho lundlieeren in de Ommelanden van JSatavia tegenwoordig aan hun opgozotenen leencn, vernemen wij liet volgende. Kort voor den tijd, waarop de rijstvelden bewerkt moeten worden.

-ocr page 13-

9

Op de meeste landerijen regeeren Chineezen en hebben vrij spel Voorschotten op het gewas, opium schuiven (men denke hierbij aan de bekende circulaire van den resident der Preanger) en meer ondeugden worden daar teugelloos in praktijk gebracht. Ik wil hiermede niet zeggen, dat Chineezen juist per se slechter landheeren zijn dan Europeanen, o, neon, ik. heb van beide natiën goeden en slechten gekend, doch do Chinees in het algemeen heeft eigenschappen, die in ons oog ondeugden zijn en in zijn oog niets beteekonen. Zoowel bij Europeesche als hij Chi-neesche en Arabische landheeren hangt het (jeheel af van den persoon van den landheer of de Inlander goed of niet goed behandeld wordt, en dat is juist de fout. De staat mag do vooruitgang, de welvaart eener bevolking van dr anderhalf millioen zielen niet laten afhangen van de goede of minder goede hoedanigheden van enkele personen. Is liet toch niet tnenschelijk, dat in slechte tijden de landeigenaren, door scbuldeischers gemaand, de klemschroeven wat aanzetten, en uit hunne landen halen wat er uit te iialen is, denkende, hel is maar voor korten tijd, als de zaken weder goed gaan kunnen wij humaner zijn\'? En waar de eigenaar niet zelf beheert, maar zulks overlaat aan een administrateur, is het dan niet te begrijpen, dat deze, aangespoord dooiden eigenaar, ter wille van zijne positie, in zulke drukkende

■wordt padie uilgoloond, ondor voorwaarde die, na don oogst, dus 4 a 5 niannden later, niet 50 pCt. rente terug te gcfen. Voor 2 pedattioa padie, welke de inlander te leen kreeg, moot hij beloven 3 te restitueeren.

Mislukt de oogst of is do landbouwer om andere redenen buiten staat tijdig aan zijn verplichtingen te voldoen, dan krijgt hij uitstel, maar weder ondor voorwaarde, dat de gebeelo schuld — kapitaal en interest — nogmaals met 50 pCt. verhooging zal worden aaugozuiverd. Voor do oorspronkclijku leening van 2 pedattios padie was roods teruggave van ;! goeonditionneerd. Is uitstel van betaling verleend, dan wordt do schuld niet eer gekweten voor dat 41/2 podatties padie afgedragen zijn, die dan uit een eerstvolgendon oogst moeten voortkomen. Do landbouwer, die op deze wijze padie geloond heeft, betaalt biunon 14 i\\ 15 maanden 125 pCt. rente.

De wijze, waarop onze ambtenaren door do Europeosoho goldschictora geknepen worden, is (laar nog niets bij.

-ocr page 14-

10

lijden handelingen doet, die niet in het belang zijn der opgezetenen\'? Bij verhuur der landerijen is dit in nog sterker mate liet geval De huurder bekommert zich weinig om de bevolking, als de zaken maar marscheeren, zoolang bij huurder is.

En de bevolking heeft dikwijls te lijden van een dubbele willekeur, ten eerste van die der Inlandsobe hooiden, die hun stand moeten ophouden, waartoe bun slechts een onbeduidend traktement ten dienste staat, en ten tweede van die van den landheer, die ter wille van zijn lo be or not to he moet knijpen.

En waar vindt de bevolking bescherming\'? Naar de hoofdplaats gaan en klagen bij de gouvernements-ambte-naren? Daartoe behoort veel moed, omdat de Inlanders wel weten, dat hun dat klagen door hunne hoofden en hunnen landheer op verschillende manieren, die onder bet bereik van beiden liggen, zal worden betaald gezet. En wordt er niet door de bevolking geklaagd, zoo komen de ambtenaren ook niet gemakkelijk achter dergelijke praktijken, daartoe is de controle van Gouvernementswege op de particuliere landerijen uitgeoefend, geheel onvoldoende, In de afdeeling Stad en voorsteden van de residentie Batavia heeft men alleen een asst.-resident, in de afdeelingen Meester-Cornelis en Tangeranrj dito, in do afdooling Bnilcnzortj een asst.-resident meteen controleur, in de residenties Krawang, Ckeribon en Bantam ressorteeren de uitgestrekte landerijen bij wijze van toegift tot de gewone afdeelingen, die op zich zelf reeds groot genoeg zijn. Nergens buitengewoon personeel, speciaal voor de landerijen; het gewone personeel van de afdeelingen moet voor de controle op die landen zorgen en wordt daarin bijgestaan door Inlandsche ambtenaren, die van de landeigenaren bezoldiging ontvangen ! (De residentie Batavia maakt hierop voor een gedeelte een uitzondering).

Men kan licht begrijpen, wat zulk een contróle te be-teekenen heeft. (1)

(1) Een klein staaltje van reccntcn datum om dien ongunstigon toestand op de particuliere landerijen te doen uitkomen.

-ocr page 15-

11

En dikwijls al heeft do bevolking den moed om bij het Bestuur te klagen, kan zij niet geholpen worden, omdat de landheer door het Reglement van 1830 of door overeenkomsten, die hij gemaakt lieefl, op grond van dat Reglement, tot het plegen van die handelingen gewettigd is. Volgens het Reglement toch kan de landheer van enkele bepalingen afwijken door hot aangaan van vrijwillige overeenkomsten met de bevolking, die door het plaatselijk bestuur geregistreerd en goedgekeurd moeten zijn, willen zij eenige waarde bobben. In Stbl. 1838 no. 49 is bovendien voorgeschreven hoe zij moeten tot stand komen.

Daarin wordt o. a. gezegd, dat de residenten, alvorens overeenkomsten te registreeren, zich behoorlijk van de identiteit der personen, die als contrnctanten daarbij voorkomen, en van de volkomen toestemming der wederzijdsche ^ partijen, die te dien einde persoonlijk voor hem en voor den regent dor afdeeling, waartoe do Inlanders bobooien, dan wel voor eene behoorlijk samcngeslelde commissie moeten verschijnen. De ambtenaren zuilen de Inlanders bij het aangaan van verbintenissen op hunne rechten en belangen opmerkzaam maken, ton einde daardoor allo misleiding of handeling tegen derzelver belang te voorkomen en bij do vereisclite registreering waken, dat geone onbedreven menschen door inboozeming van ongegronde hoop of vrees, aanwending van bedreigingen of dwangmiddelen, tot voor bon nadoeligo verbintenissen worden overgehaald, enz. Stbl. 1863 no. Jffê zegt bovendien, dat de overeenkomsten niet anders dan individueel mogen worden aangegaan.

Op het papier dus waarborgen meer dan genoeg voor de Inlandscho bevolking, maar in. de werkelijkheid?

Een land krijgt con nieuwen administrateur, die de mindere winsten tengevolge der lage rijstprijzen wil goed maken door hooge rijstproduotio, d. w. z. door opdrjjving dor tjooké. Eon dor Inlnndscho hoofden, die bijna 20 jaar op het land bestuurd cn do bevolking stoods goed behandeld heeft, weigort de tjoekó op te drijven. Nu wirdon allerlei perkara\'s tegen hem gezocht cn binnen twee maanden is hij ontslagen en vervangen door een blind werktuig van den administrateur.

-ocr page 16-

12

Vele ovoreeukomsten dio thans nog geldon, dateeren van twintig jaren herwaarts, toen toestanden en eischen geheel anders waren dan nu; een groot deel van het tegenwoordige geslacht, dat zo volgt, is geheel vreemd aan het sluiten er van.

En hoe komen die overeenkomsten veelal tot stand?

De landheer concepieert ze niet in overstemming met de andere partij, maar geheel naar eigen idee. DeTnland-sche ambtenaren en desahoofden worden wol geraadpleegd doch deze, geheel afhankelijk zijnde van den landheer, vinden in den regel alles goed. De eersten worden nu, met belofte van geschenken bij goed slagen, door den landheer gelast do bevolking voor de contracten te winnen. Den laatsten wordt een vast loon toegekend voor eiken man, die toetreedt. Waar alles zoo is voorbereid en landheer, Inlandsche ambtenaren en desahoofden samenspannen om de Inlanders tot het teekenen der contracten over te halen, daar zullen er niet velen zijn, die zich verzetten en bij de komst van do Gouvernements commissie weigeren om toe te treden. Zijn er evenwel toch enkelen , zoo wordt, het Reglement van 1830 als wapen gebruikt om hen te dwingen. Dan wordt hen door den landheer toegevoegd; «willen jelui niet contracteeren, dan moeten jelui hot Reglement volgen, dan moot je tjoeké betalen van je vrnchtboomen, van je klappers, je mangga\'s, je pisangs, je sirihbladeren, in één woord, van alles wat voorkomt op je erven en in je tuinen; dan mag jo geen vrucht plukken of je moet eerst kennis geven aan jo loerah, dan moet je betalen van den grond waar je huis op staat, dan mag je je tjoeké padi niet brengen in hot pakhuis, dat vlak bij je desa ligt, maar moet je die brongen naar een ander pakhuis, op verren afstand, dan mag je niets hoegenaamd uit de bosschen halen zonder dar/GijIcsche vergunning van het districtshoofd, enz., enz.

De vele twijfelachtige bepalingen in hol Reglement worden door den landheer in zijn voordeel uitgelegd, de leemten, die er in voorkomen, in zijn geest aangevuld en de

-ocr page 17-

13

Inlanders zoolang geplaagd en geknepen, tot zij de handen in den school leggen en tot de contracten toetreden.

En hoe volgzaam de Inlander is en hoe bevreesd voor zijn landheer en hoofden, bewijst het feit, dat op vele landerijen de landheer van de bepalingen van liet Reglement van 183ö afwijkt, op grond van mondelinge, niet geregisteerde overeenkomsten, die van nul en geener waarde zijn; en op grond van zulke overeenkomsten, welke dikwijls 30 a 40 jaar geleden met de bevolking heeten te zijn aangegaan, worden de Inlanders somtijds zoo gedrukt dat het voorgekomen is, dut ruim 1500 menschen in eenige dagen met pak en zak naar eene aangrenzende residentie verhuisden om aan dien druk te ontkomen. Als men bedenkt hoeveel moeite het kost om een Inlander van West-Java voor goed te doen verhuizen, kan men begrijpen welke verdrukkingen die Heden al jaren lang moeten hebben ondergaan om tot zoo\'n uiterste hun toevlucht te nemen. Ten gevolge van de onvoldoende controle heelt het Bestuur blijkbaar niets van die knevelarijen geweien, anders hadden de plaatselijke ambtenaren er natuurlijk wel een eind aan gemaakt en der bevolking aan het verstand gebracht, dat de landheer niet het recht heeft om aan mondelinge niet geregisteerde overeenkomsten zoo streng de hand te houden, wijl ze in het oog der Regeering van nul en geener waarde zijn.

Op de Pamanoekan- en Tjiasemlanden werden na de registratie der contracten, in 1809 tusschen landeigenaren en opgezetenen gesloten, door eerstgenoemden daarin eigenmachtig veranderingen gebracht en eerst vóór eenige jaren kreeg het Bestuur kennis van dat ingeslopen misbruik. Op de Tegal-waroelanden week de landheer zonder schriftelijke of mondelinge overeenkomst met de bevolking, geheel op eigen gezag, van het Reglement van 1830 af, zonder dat het Bestuur er iets van wist.

Om aan de vicieuse toestanden, die aan het particulier landbezit kleven, een einde te maken, staan twee wegen

-ocr page 18-

14

open, n. I terugkoop der landerijen geheel of gedeeltelijk (alleen de gronden in gebruik van Inlanders en de land-heerlijke rechten) (1) of verbetering der conti (Me van gou-vernernentswege gepaard met eene herziening van het Reglement van \'183G

De eerste weg is de meest afdoende en zeker de beste, maar kost veel geld, dat alleen door een leening kan verkregen worden, en leeningen aangaan, men weet het hoe onze koloniale politiek zich daartegen verzet. Geen schulden maken, niet meer uitgeven dan de inkomslen bedragen, is, ten minste was tot vóór korten tijd, haar leus, een leus uitstekend voor elk mensch persoonlijk, maar voor een slaat vooruitgangdoodend.

Het zou anders nu de juiste lijd zijn om de landen terug te koopen. Zij zijn toch door de omstandigheden zeer in waarde gedaald en zouden zeker voor een billijken prijs te krijgen zijn. Daar het beginsel van terugkoop natuui lijk op alle particuliere landerijen dient le worden toegepast, zou voor die landen, waarvoor een onevenredig hoogen prijs werd verlangd, of die men niet zou willen verkoopen, onteigening moeten plaats vinden.

Op den duur zou een terugkoop zelfs voordeelig blijken te zijn alhoewel een staat, waar het zulke hooge belangen geldt, daarop niet letten mag. Waar de rechtstoestand verbetert, vermeerdert de welvaart en worden daarmede de inkomsten van den slaat grooler.

(1) Een gedeeltelijke terugkoop (n, 1. alleen do gronden in gebruik van Inlanders en do landhoorlijk rechten) zou niet voor allo landerijen mogelijk zijn. Jlon donke slechts aan do gewichtige waterkwestie Bij zulk eon terugkoop zullen uit don aard der zaak aan den landheer blijven do hooge bergtoppen, wijl aldaar goen desa\'s voorkomen on geon gronden liggen, die bij do bevolking in gebruik zijn. Thans, nu de landheer in zijn eigen belang moot zorgen dat do opgozetonon geen gebrek hebben aan water, worden do bossohen op die bergtoppen in stand gehouden, ton einde do bronnon, do levensaders der rjjstcultuur, niet te doen opdrogen. Heeft de landheer echter niets met do bevolking uit te staan, zijn hom do land-heerlijke rechten afgekocht, dan is het to venvachton, dat hij zich verder niet om de bronnen bekommert, en do bosschon ton behoeve zijnen kinacultuur, houtaunkap als anderszins neervelt.

-ocr page 19-

15

De tweede weg, verbetering der controle op de particuliere landerijen gepaard met eene herziening van het Reglement van 183G, wordt volstrekt niet uitgesloten door eventueele plannen van terugkoop om redenen, reeds op blz. G aangegeven. Hij blijft in allo gevallen urgent. Men mag er nog wat mede willen wachten, vroeg of laat zal er wel toe moeten worden overgegaan, wil men ten minste verbetering brengen in den bestaanden ongunstigen toestand.

Verbetering der controle en herziening van hel Reglement moeten echter zamen gaan. Eene eenvoudige herziening zonder meer, geeft niets. Waar landheeren thans straffeloos de bestaande bepalingen ontduiken en ze toepassen zooals zij willen (1), daar is het precies hetzelfde of de oude verordeningen blijven of dat er nieuwe gemaakt worden.

Men moet dan ook beginnen met op de particuliere landerijen Inlandsche ambtenaren te plaatsen, belast met de politie, den titel en rang voerende van wedana of demang en assislent-wedana (2) en gecontroleerd wordende door speciaal daartoe aangestelde Europeescho ambtenaren om te voorkomen, dat zij onder den invloed van den landheer geraken. Eerst daarna zal eene herziening van het Reglement werkelijk een goed resultaat opleveren.

Rij die herziening moet op den voorgrond staan: geen willekeurige verkorting der rechten van den landheer, maar evenmin verkorting van die der opgezetenen, meer fixiteit voor beide partijen. Waar echter de rechten van den landheer de goede bedoelingen der Regeering ten opzichte der bevolking blijken in den weg te staan, waar zij in strijd zijn met de meer liberale bestuursbeginselen, daar moet zij geheel of gedeeltelijk onteigend worden en den landheer daarvoor schadeloosyesteld.

Het willekeurig ingrijpen in de i echten van anderen mag natuurlijk niet plaats vinden, doch waar deze rechten

(1) Ik wcot or con, dio beweert zich om hot Eoglcmont nooit to bekommeren, jn het niet eens to konnon.

(2) Zoonis reeds in do residentie Bntavia voor een deel heeft plaats gehad

-ocr page 20-

16

niet meer bestaanbaar zijn met de vigeerende toestanden, daar mag de staat ze wel degelijk besnoeien, mits daarvoor schadeloosstelling verleenende.

De beoordeeling in hoeverre het nieuw te ontwerpen Reglement de rechten van de landeigenaren verkort en welke schadeloosstelling hen daarvoor toekomt, dient m. i. te worden uitgemaakt door eene Regeeringscommissie, bestaande uit ambtenaren en landeigenaren. Rij die beoordeeling moet het Reglement van 1830 als uitgangspunt worden genomen. Verder terug te gaan en de al of niet wettigheid te onderzoeken van de daarin voorkomende bepalingen in verband met de koopvoorwaarden, acht ik een onbegonnen werk. Het Reglement van 1830 is nu reeds meer dan vijftig jaren beschouwd als de wet op het gebied van particuliere landerijen bewesten de Tjimanoek, dus dat moet de basis zijn.

Door zulk eene Regeeringscommiösie een nieuw Reglement te laten maken of het bestaande te herzien, zooals beweerd wordt, het men van plan is, dunkt mij minder goed. Dat zou een eindeloos en dikwijls hatelijk debat kunnen geven zonder veel resultaat. Neen, de Regeering leere de nooden der bevolking op de particuliere landerijen goed kennen en make de bepalingen om aan die nooden tegemoet te komen en aan eene commissie, zooals boven vermeld, zij het dan overgelaten om te beoordeelen, in hoeverre die bepalingen afwijken van de bestaande en inbreuk maken op de rechten der landeigenaren, en welke billijke schadeloosstelling hen daarvoor toekomt.

-ocr page 21-

Artikelsgewijze behandeling van het reglement van 1836.

Art. i

Do onvervreemdbare regten van het Gouvernement, welke door den verkoop of afstand van landerijen onaangeroerd zijn gebleven, zijn:

a. de bescherming van alle ingezetenen, zonder on-deischeid, en het nemen van de daartoe gevorderde maatregelen;

b de administratie der Justitie en polilie, zoo in het lijfstraffelijke als burgeilijke, en al wat strekken kan tot bewaring der rust en tot bevordering der algemeene veiligheid ;

c. de beschikking over de ingezetenen tot wering van alle rampen en onheilen, waarmede de staat bedreigd of bezocht wordt;

d. het opleggen van belastingen, reëel of personeel, direct of indirect, mits niet noodzakelijk verminderende de heffingen wettiglijk aan den landeigenaar toegestaan;

e het beheer van groote wegen, bruggen, sluizen, kanalen en alle werken, bestemd ten algemeene nutte en voor de groote communicatiën te land of te water; en

f. alle hooge souvereine regten. zonder uitzondering, die niet in bijzondere gevuWen explenitudine jwtestates door hel Gouvernement uitdrukkelijk aan de landeigenaren zijn of worden afgestaan of toegekend, om door hen bij delegatie, (en niet anders) te worden uitgeoelend.

Dit artikel behoeft geenerlei verandering.

-ocr page 22-

18

art. 2

Uit krach Ie van hel direct eigendomsregt in den landeigenaar gevestigd, is hij bevoegd lot het hellen van een aandeel in den oogst of opbrengst van alle gronden, die door de inlandsche bevolking bebouwd ol\' vruchtgevende gemaakt zijn of worden.

Aan hem behooren alle woeste gronden, mitsgaders do bosschen, bamboezen en andere natuurlijke voorlbrengselen des lands met dezen verstande nogtans, dat aan de opgezetenen, die aan den eigenaar de bepaalde opbrengst voldoen voor den grond, dien zij in gebruik hebben, de vrije beschikking blijft, over de weiden voor hun vee, en over de bosschen tot het vergaderen van bamboe, rottan, alang-alang, brandhout en verdere dagelijksche benoodigdheden, mits deze bestemd zijn voor eigen gebruik en niet ter verkoop.

Het doortrekken van karren en vee en het rusten en weiden van hetzelve op woeste gronden, mag niet worden belet, anders dan om gewiglige redenen, ter beoordeeling van het plaatselijk bestuur.

Dit artikel dient uitgebreid te worden met de volgende cursief gedrukte woorden :

Aan hem behooren alle woeste gronden en alle gronden, welke onder artikel 3 vallen, doch geabandonneerd zijn, zoomede de bosschen, bamboezen en andere natuurlijke voortbrengselen des lands, niet voorkomende op gronden, bedoeld bij artikel 3, met dien verstande evenwel, dat aan de opgezetenen de vrije beschikking blijft, zonder voorafgaande vergunning van wien ook, over de weiden voor hun vee en voor alle bosschen, zonder onderscheid, tot het vergaderen van bamboe, rottan, enz.

De lusschenzin achter opgezetenen . «die aan den eigenaar de bepaalde opbrengst voldoen voor den grond, dien zij in gebruik hebbenquot;, moet wegvallen.

De zin: »cn alle gronden, welke onder artikel 3 vallen, doch gcitLoiidoinimd zijnquot; is i.oodig met liet oog op artikel

-ocr page 23-

49

üe natuurlijke voortLrengselcn des lands dienen nader omschreven te worden door de woorden: «niet voorkomende op gronden, bedoeld bij artikel 3quot; om te beletten, dat natuurlijke voortbrengselen, zooal# bamboe, aren, gras, alang-alang, voorkomende op gronden van Inlanders, worden beschouwd als eigendom van de landeigenaren, hetgeen plaats vindt.

De woorden; «zonder voorafgaande vergunningquot; zijn noodig, omdat landheeren, die het Reglement gebruiken als wapen, ten einde de bevolking tot het aangaan van werkcontracten te dwingen, den niet-contractanten hel in \'t artikel vermelde wel toestaan, doch onder voorwaarde, dat zij telken keere (dikwijls eiken dag) vergunning vragen aan den over ben gestelden Inbindschen ambtenaar (demang, djoeragan), die dikwijls palen ver van hun desa woont. Om dezelfde reden beperken landheeren het bij dit artikel aan de bevolking toegestane voordeel tot enkele bosschen, door hen voor dat doel aangewezen.

De bedoelde tusschenzin achter »opgezetenenquot; moet wegvallen, omdat het daarin vervatte dikwijls aanleiding geelt lot knevelarij Van de zijde van den landheer. Is de opgezetene slechts een klein weinig achterstallig, dan wordt hem dadelijk het recht lot vrije beschikking, in dit artikel bedoeld, hetwelk bij noodig heeft om in zijne daijeljksche levenshehoeflen te voorzien, ontnomen. Daar artikel f8 van dit Reglement reeds aangeeft op welke wijze de opgezetenen tot betaling hunner verschuldigde belastingen aan den landheer kunnen genoodzaakt worden, is het overbodig dezen laatsten daartoe bovendien nog een ander middel in de hand te geven.

Rij dit artikel dient tevens te worden uitgemaakt of van de arenboomen, die in de bosschen voorkomen, door de bevolking mag gelapt worden voor eigen gebruik. Dit is een gewichtige kwestie, wijl op vele landen het winnen van arensuiker een niet onbelangrijke inkomst voor den landheer is.

De Regeering heeft in deze zaak reeds hare meening te kennen gegeven bij besluit dd. 11 Juli 1800 no. 16 (R. B. 1932), n. 1.:

dat er onderscheid moet worden gemaakt tusschen de arenboomen staande op woeste of niet in erfpacht uitge-

-ocr page 24-

20

geven gronden, en die welke aanwezig zijn op gronden door de bevolking in eifpacht bezeten.

dat nil kracht van bet 2de lid van art. 2 van bet Reglement van 1836 de arenboomen, die zicb op eerstbedoelde gronden bevinden, gebeel staan ter beschikking van den landheer, en dat de bevolking er althans geen ander voordeel van kan trekken dan voor zoover hare dagelijkscbe benoodig-heden strekken, dat zij de arenboomen kan aftappen ter voorziening in eigen gebruik, maar niet ter verkoop,

dat de meening, dat bet planten van enkele arenboomen den Inlander erfpachtsrecht op den grond zou verzekeren niet juist is, daar bet recht op den grond niet volgt de daarop geplante boomen, maar de boomen den grond volgen en tot bet vei krijgen van erfpacht worden vereischt eene dadelijke bebouwing, bewerking, en bet onderhouden, met andere woorden, bet in bezit hebben van den giond.

dal uit het recht op de arenboomen echter nog niet volgt dat de landeigenaar tevens bel recht zou hebben, over de bevolking te beschikken tot het maken van arensui-ker, doch dat hij zich van de diensten der bevolking alleen zal kunnen verzekeren krachtens vrijwillige overeenkomsten.

dat de arenboomen, aanwezig op de gronden in erfpacht bezeten door de bevolking, echter moeten geacht worden onder de gewone voorwaarden ter beschikking van de bevolking te zijn;

dal de opbrengst dier boomen dus evenals die van andere vruchtboomen aan den gebruiker van den grond behoort, en de waarde van dat gebruik in de bepaling der luinhuur moei worden opgenomen;

dal de heffing hel 1/5 van de natuurlijke vruchten, de bewerking daaronder niet begrepen niet, zal mogen te boven gaan; dal echter de luinhuur jaarlijks ingevolge art. 46 van bet reglement door den landeigenaar met de opgezetenen wordt geregeld, waarom de Regeering het niet noodig, ja zelfs minder wenschelijk acht, in deze met een wettelijke explicatie lunchen beiden te komen.

-ocr page 25-

\'21

Tapt de hevolking (Ib iircnlioomcii, ü|i wooslft gi\'ondon vooikomcnde, af ter voorziening in eigen gebruik, dan zal er in den regel voor den landheer niet veel overschieten. Contröle op dat voor eigen gebruik is bij het lappen van arenboomen al zeer moeilijk en het telkens voor dat doel herhalen der bewerking doet veel sap mitteloos verloren gaan.

Vele lamllieeren hebben dit ondervonden en daarom mei de bevolking regelingen getroffen, die hun cenili■ profijt van de aren verzekert. Zoo worden op sommige landen alle. arenboomen ter beschikking gelalen van de Inlandsche opgezetcnen, doeli wordt van de daar geproduceerde arensuiker 1/5 in nalnra als belasling gelieven; op andere landen is de bevolking verplicht alle arensuiker die zij maakt, aan den landheer voor een gci\'ingeu prijs te veikoopen. De suikemiakers worden dan echter vrijgesteld van heerendienslen.

De conclusie, op blz. 20 vermeld, dat de bevolking het recht heeft om d3 arenboomen, voorkomende op gronden, bedoeld bij art. i at te happen ter voorziening in eigen gebruik, is dan ook ni. i. onbillijk tegenover den landheer en bovendien minder juist, want het sap van den arenboom kan moeielijk gerekend worden te belmoren tot de dagelijksche benoodigdheden van den Inlander; het is meer een artikel van weelde. Ik zou daarom de arenboomen, voorkomende op gronden, bedoeld bij art. quot;2. geheel willen laten aan den landheer, zonder eenige restrictie.

Aht. 3.

Alle gronden door de inlandsche i)evolkin^, metderdaad bebouwd, bewerkt of onderhonden, voor eigen rekeningen risico, worden, behoudens de uilzonderingen in dit reglement voorkomende, verstaan haar in erfpacht en ter verbetering te zijn uitgegeven, onder voorwaarde, om aan den eigenaar op te brengen hel hem toekomende aandeel in den oogst, en om de verdere op haar rustende verplichtingen natekomen.

Dit artikel ondergaat de volgende veranderingen.

T3e woorden: «worden verslaan haar in erfpacht en ter verbetering te zijn uitgegevenquot; worden vervangen door;

-ocr page 26-

22

worden verslaan haar in erfelijk individueel bezit te zijn uitgegeven. «Behoudens de uitzonderingen in dit reglement voorkomendequot; is beter te doen wegvallen en daarvoor eene nieuwe alinea toetevoegen aan dit artikel luidende:

Ontginning door de bevolking voor eigen risico en rekening van terreinen bedoeld hij art. 2, mag alleen geschieden met toestemming van den landheer.

In de gouverncmentslanden yoldl de regel dat hol gouvernement eigenaar i# van den grond en den Inlanders in West-Java een gedeelle daarvan in erf. ind. bezit heeft afgesiaan onder stilzwijgende conditie, dat die Inlanders de belastingen zullen voldoen en de verdere op hen rustende verplichtingen zullen nakomen.

De landeigenaar komt in de plaats van den Souverein en kan dus op dezelfde wijze gronden aan Inlanders uitgeven. Het dunkt mij daarom beter het woord erfpacht te doeu vervallen en in de plaats tc stellen «erf. ind, bezitsrechtquot;. In den grond komt het op \'t zelfde nrèr, voor de uniformiteit en ter voorkoming van verwarring met het (jewone crfpachtsrecht is het echter beter van erf. ind. bezitsrecht te spreken.

De woorden «ter verbeteringquot; dienen weg te vallen. Zij zijn in gewone omstandigheden weinig zeggende, doch kunneu in sommige gevallen deu landheer Ie veel tot wapen strekken tegen de opgezetenen.

A UT. 4.

De erfpachters kunnen dit hun regt verkoopen en vervreemden en van hetzelve niet verstoken geraken, anders dan op de wijze bij dit reglement bepaald.

Dit artikel moet worden, als volgt:

De Inlandsche bevolking mag haar erfelijk individueel bezitsrecht verkoopen en vervreemden aan Inlanders en daarvan niet verstoken geraken dan op de wijze bij dit Reglement bepaald.

Het verkoopen en vervreemden van dat recht aan niet-Inlan-ders is haar verboden. Alle overeenkomsten, die zoodanige

-ocr page 27-

vervreemding, rechtstreek* of zijdvlinjs, ten doel hebben zijn van rechtswege nietig Eerst wanneer die Inlanders van hun erfelijk individueel gebruiktsrecht hebben afgezien en zij daarvoor behoorlijk zijn schadeloosgesteld, hetwelk moet geconstateerd worden door eene commissie, door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur te benoemen, en alzoo de grond weder vrij domein is geworden van den landeigenaar, kan hij door dezen aan niet-Inlanders ivorden uitgegeven

Verhuur door de Inlanders van de erfelijk individueel bezeten gronden aan niet-Inlanders is geoorloofd, mits in acht genomen worden de regelen, daaromtrent voor de gouvernementslanden vastgesteld

Ten ciiule Inlanders op do piirlieulicro liindcrijcn dezelfde liesclienning te vci\'lconen tegenover Europeanen cn Vreemde Oosterlingen ten opziclite van vervreemding en verhuur hunner gronden als in de gonvernements-landen komt de genoemde verandering en uitbreiding van dit artikel noodzakelijk voor. Zij worden daardoor zelfs gevrijwaard legen knevelarijen in die richting van den kant hunner landeigenaren.

Art 5.

Bij wanbetaling van des eigenaars aandeel in de op-brengst, bij verregaande verwaarloozing van den grond, bij veronachtzaming der bepaalde verplichtingen, of eindelijk-bij wangedrag en misdrijf, kan, op last van de plaatselijke autoriteit, het regt van erfpacht verkocht of\', wanneer daartoe geene gegadigden zijn, verbeurd verklaard worden, ten profijte van den landeigenaar.

Dit artikel vervalt, omdat de be voegheid hier aan de plaatselijke autoriteit gegeven, door de beginselen van het vigeerende Regeerings reglement, al. 2, art. 132, als afgeschaft moeten worden beschouwd (13. B. 1774 en G. B. 7 November 1875 no 47).

Geschillen tnsschen landeigenaren en opgezetenen, die niet langs minnelijken weg door de Hoofden van Plaatselijk Bestuur kunnen worden verevend, zoomede gevallen van

-ocr page 28-

24

overtreding en inbreuk op de bepalingen van dit Reglement worden derhalve door den gewonen rechter beslist.

Art. 6

Wanneer de landeigenaar ongekul li veerde en nog niet in erfpacht uitgegeven gronden, voor zijne rekening en risico, en door eigen middelen, laat bewerken door dag-looners, worden deze niet beschouwd erfpachters te zijn van den grond, dien zij bearbeiden.

Blijft onveranderd.

Art. 7.

De eigenaren mogen geene andere heffingen van de opgezetenen hunner landen vorderen, dan terzake van het gebruik van den grond of deszelfs voortbrengselen.

Het komt beter voor het laatste gedeelte van dit artikel te veranderen in: dan die uitdrukkelijk bij dit Reglement bepaald zijn.

Art. 8.

Als zoodanig zijn geoorloofd cle volgende heffingen;

a. de tjoeké, die geheven wordt bij het snijden van de padie of katjang, en afhangt van de hoegrootheid van hel gewas, of wel:

b. het kontingent, hetwelk vóór het snijden, doch bij het rijpen van de padi, katjang of ander gewas, jaarlijks met den planter in bijzijn van het bevoegd inlandsoh hoofd, dan wel de oudsten des volks, geregeld wordt, en bestaat in de afgave van eene zekere hoeveelheid producten, voor eene bepaalde uitgestrektheid gronds;

c. de tuinhuur, waaronder wordt verstaan, de huur der gronden met vruchtboomen en andere gewassen, (doch niet met rijst of katjang) beplant;

d. de grondhuur, die geheven wordl van de kleine stukjes grond, waarop (met uitsluiting der tuinen), de huizen der

-ocr page 29-

ingezetenen gebouwd zijn, aan welke heffing echter niet onderhevig zijn dezulken, die reeds tjoeké oi kontingent, dan wel tuinhuur, aan den landeigenaar opbrengen.

Sub. b moet geheel vervallen.

Dc Ijoeké is (ie zuiverste vorm van hefting. De landbouwer legt zijn product op vijf iioopen of in vijl rijen en de tjoekémandoor kiest er een voor den landheer uit. Met uitgestrektheid en misgewas, twee factoren, die bij contingent in rekening worden gebracht en waar-inèe zoo in \'t bijzonder ten nadeele van de landbouwers kan geknoeid worden, heeft men hierbij niets te maken. Van hetgeen een veld (onverschillig van welke grootte) opbrengt, wordt een vijfde aan den landheer opgebracht.

Velen (o. a. HiESz) beweren, dat tjoekéhefling voor eigenaren van uitgestrekte landen ondoenlijk is; men heeft teveel taxateurs noodig De praktijk bewijst echter het tegendeel, want op de Tegalwaroe landen, die zeker wel tot de uitgestrekte mogen gerekend worden, wordt tjoeké geheven op genoemde eenvoudige wijze.

Ken helling bij wijze vnn contingent vereischt dan ook volstrekt niet minder hcffingspersoneel tlan eene bij wijze van Ijoeké. Immers wil men de helling bij contingent eerlijk en zuiver doen, dan moet telken jare de opbrengst van elk stuk grond getaxeerd worden door middel van proefsneden, zooals op de Pamanoekan en Tjiasemlaudcu steeds gebruikelijk was. De taxateur meet een roe padie 1ste soort, een roe 2do en ecu roe 3de soort uit, weegt hot daarvan afkomende product en bepaalt uit dat gewicht dc gemiddelde opbrengst van het gelieele veld, dat vooiaf is opgemeten.

Vele landheeren passen wel eens een eenvoudiger melhode loe, doch die is geheel onzuiver en nadert de bij liet Reglement verbodene helling van padjei.1. Zij vergelen n. I dat de opbrengst telken jare moet gecon-slateerd woiden en heffen ieder jaar heizelfde, naar een fictieve produclie, \\ijl of tien jaren geleden bepaald. De Inlanders noemen dat eigenaardig: «padjeg toelis batoequot;. Op die wijze heelt men minder taxaliepersoneel noodig dan bij Ijoekéhefling, maar de heffing heelt dan ouk op do meest onzuivere tn onbillijke wijze plaats.

Duidelijkheidshalve is het beter sub d te schrijven als volgt:

-ocr page 30-

2()

De grondhuur, die geheven wordt uan de kleine stukjes grond, ^ivaarop, met uitsluiting der tuinen, de huizen der ingezetenen gebouwd zijn, aan luetice heffing echter niet onderworpen zijn de stukjes grond, waarvan reeds tjoeké dan wel tuinhuur aan den landeigenaar wordt opgebracht.

Dnzc vcnluidelijking is noodig om vorwaning tc voorkomen. Sutn-migoii tocli beweren dat «dezulkenquot; heteckcnt »zi.jquot;, de ingezetenen. M. i. is deze Itewering onjuist.

Art. 0.

De wijze van liefling, bekend onder don naam van padjek, zijnde eene vaste ot voor meer dan één jaar bepaalde opgave van de rijstvelden, berekend naar de uitgestrektheid derzelve, en zonder te letten op den min ol moer voordeeligon staat van hot gewas, op hel oogenblik der hefling, wordt uitdrukkelijk verboden.

Dit artikel vervalt.

Daar bij arlikel 8 bepaald is, welke; soort van hellingen geoorloofd zijn, is bet in i. overbodig hier te vermelden welke bepaalde soort belling niet geoorloofd is

Art 10.

Do hoogroolheid der heffingen, ton behoeve des landeigenaars, op de voortbrengselen van den grond, regelt ïici), naar do gebruiken en erkende gewoonten van elk landgoed. In liet algemeen echter zullen deze heffingen nimmer meer bedragen, dan bet een vijfde gedeelte van bet werkelijk gewas.

Do bepaling van heffingen : »tcn behoeve des landeigenaars op de voortbrengselen van den grondquot; kan achterwege blijven. Indien der helfingen veranderd wordt in dier heffingen is bot duidelijk dal daarmede de heffingen vermeld in art. 8 bedoeld worden.

-ocr page 31-

27

Om alle kwesties te vermijden zou achter «werkelijk gewasquot; kunnen gevoegd worden: d. w. z bmto opbrengst zonder aftrek van snij- of pinicloon.

Anx 11.

De heffingen hebben plaats, in natura, bij het snijden van het gewas, zoowel voor de aandeelen van den eigenaar in de opbrengsten der sawa of natte rijstvelden, als voor die der gagas, tipars, tjegers, en andere drooge velden; onverminderd de bevoegdheid van den landeigenaar, om, bij vrijwillige overeenkomst met de opgezetenen, de heffing in geld te bedingen, in welk geval echter de overeenkomst, ten kantore van het plaatselijk bestuur, zal moeten worden geregistreerd en goedgekeurd, op poene van nulliteit.

De heffing op de rijstvelden geschiedt in padie en raag niet in rijst gevorderd worden, dan bij vrijwillige overeenkomst, tusschen den eigenaar en de opgezetene, te registree-ren en goed te keuren door het plaatselijk bestuur.

De eerste alinea moet aangevuld worden met het volgende :

Tegen den lijd, dat het gewas rijp is om gesneden te worden geeft de landbouwer kennis aan het betrokken desahoofd, dat hiervan onmiddellijk rnededeeling doet aan den demang of ■welk ander Inlandsch hoofd over hem gesteld is, welke laatste verplicht is binnen acht dagen na de kennisgeving van den landbouwer den taxateur te zenden. Deze bepaalt het aandeel van den landheer in tegenwoordigheid van den betrokken landbouwer, den betrokken loerah of van een der leden van het desabestuur.

De landbouwer legt daartoe zijn product in vijf rijen of vijf hoopen en de taxateur kiest er een voor den landheer uit.

Is na verloop van die acht dagen de taxateur nog niet verschenen, zoo mag de landbouwer zijn gewas snijden en zelf de opbrengst bepalen. Geeft daarentegen de landbouwer geen kennis van het rijp worden van zijn gewas, of snijdt

-ocr page 32-

28

hij dit binnen den termijn, zonder op de komst van den taxateur te wachten, dan bepaalt de landheer buiten den betrokkene om zijn aandeel in de tjoeké.

Sonimigcn, u. a. tlo heer Riesz, meenen, dat het regelen van hel snijden van het gewas aan den landheer moet worden overgelaten. Daarin is, volgens hen, niet het minste gevaar voor ile laiullionwers gelegen, wijl de landeigenaar als tjoekéhelïer er zelf helang hij heeft, dat het gewas niet to lang op het veld staat. Zijn eigenbelang waarborgl hier het helanj van den Inlander.

Ooze redeneering mag missehien jnist zijn voor zooveel betreft kleine landerijen, waar de eigenaar alles zelf kan nagaan, maar voor landerijen, zooals er velen zijn, waar om roden van te groote uitgestrektheid als anderszins veel aan de tjookémandoors of taxateurs in()quot;t worden overgelaten, gaat zij niet np. Uit gemakzucht bodanken de taxateurs er dikwijls voor om telkens van de eene plaats naar de andere te gaan en het gebeurt meermalen, dat het gewas op het veld hal! wegrot, vóór dat de belastinginnor komt. De landheer heeft er toeli geen schade bij, denkt de taxateur, want de landbouwers moeten immers (jopjlc padie of f/oede rijst als tjoeké leveren. Ook heb ik landeigenaren gekend, die nit zuinigheid het aantal Ijoekéniandoors verminderden, zoodanig dat dezen meestal het werk niet afkonden en wel genoodzaakt waren de rijpe padie te lang op het veld te laten staan.

Daarom komt mij de opneming van eene bepaling als de biervoren genoemde noodzakelijk voor.

De landheer moet in de gelegenheid gesteld worden om door tijdige kennisneming van de rijpheid van het gewas de tjoeké Ie taxeeren; grenzen dient men echter Ie stellen om te voorkomen, dat de landbouwer door nalatigheid van taxateurs of door zuinigheid van den landheer schade lijdt. Een goed landeigenaar zal dan ook in zijn eigen belang de opneming van bedoelde bepaling wenschen, want nn daarbij een termijn van acht dagen verplichtend is gesteld, gedurende welken de landbouwer met bet snijden van zijn gewas wachten moet, zal het ook zoo dikwijls niel meer voorkomen, dat een landbouwer na kennisgeving aan zijn loerah dadelijk zijn gewas snijdt zonder op den laxateur te wachten. Voor heide partijen dus is znlk eene bepaling wenschelijk.

De bepaling, dat de taxatie moet plaats hebben in tegenwoordigheid

-ocr page 33-

20

van den betrokken landbouwer, is noodii;, omdat liet dikwijls voorkomt, dat een taxateur de opbrengst van een veld taxeert zonder den belastingschuldige er in te kennen.

Aut. 12.

Van de heffingen bij konlingent zal aanteekening worden gehouden, in een, zoowel door den landeigenaar, als door hel inlandsch hoofd, le houden register, waarop de naam van den planter, de uilgestrekheid zooveel mogelijk, en de ligging der velden, de begrootte opbrengst derzelve in het bedongen konlingent, moeten zijn uitgedrukt, terwijl voorts, door den landeigenaar, aan hel kampongshoofd, een schriftelijk bewijs zal worden uitgereikt, houdende ^ dezelfde opgaven.

Dit artikel vervalt door de wijziging van art. 8.

Art. 13.

Daar de heffing ten voordeele van den landeigenaar niet hooger mag stijgen, dan hel 1 5 gedeelte van den werkelijker! oogst, zal bij mislukking van hel gewas huilen de schuld des planters, de hij art. 8, § b, bedoelde overeenkomst, om de heffing le doen. bij wijze van konlingent, van zelve komen le vervallen, en vervangen worden door door de afgave van tjoekó op den voet, aangewezen bij hetzelfde artikel § a.

Dit artikel vervalt door de wijziging van artikel 8.

Art, 14.

Ten einde van het misgewas op eene wettige wijze le doen blijken, zal de planter, ten minste acht dagen vóór dat het gewas wordt ingeoogst, daarvan aangifte moeten doen aan zijn kampongshoofd, die daarvan kennis geeft aan den landeigenaar of den persoon, door hem mei de inning der heffing belast, opdat de inoogsting kan plaats hebben, ten overstaan van hem of zijn gedelegeerden.

-ocr page 34-

30

Wanneer verschil ontstaat over de oorzaken van het misgewas, zal de tusschenkomst dor plaatselijke autoriteit ingeroepen worden, welke na te hebben onderzocht of de mislukking van het gewas, al of niet geheel of gedeeltelijk, aan luiheid, achteloosheid, schuld of toedoen van den kant des planters, dan wel aan oorzaken buiten hem, moet gewetenquot; worden, zonder liooger beroep zal heslissen.

De planter kan geene aanspraak maken op eene verminderde helling, nog op de bij dit artikel, ten zijnen behoeve, daargestelde bepalingen, wanneer hij zich niet op voo)jchrevene wijze en in tijds, bij zijn kamponghoofd heeft, aangemeld.

Dit artikel vervalt door de wijziging van aitikel 8.

Aht. 15.

Do landeigenaar mag geen grondlast heffen, tor zake van den oogst van een vroeger jaar, sub poene van als knevelaar te worden gestraft.

Wanneer de aard van sommige kultures, overjarige verrekening, volstrektelijk vordert, zal daaromtrent eene schriftelijke overeenkomst moeten worden gesloten, welke bij den resident zal moeten worden geregistreerd, en goedgekeurd, sub poene van nulliteit.

Dit aitikel ondergaat geenerlei verandering.

Art. 16.

De tuin- en grondhuur, vermeld in art. 8 §§ c en d zal door den landeigenaar jaarlijks, met de opgezetenen worden geregeld, naar de gebruiken en gewoonten van elk landgoed in het bijzonder, ook met betrekking tot de wijze waarop des landeigenaai s aandeel in de vruchten, (wanneer hij hetzelve in nalura ontvangt) moet worden afgeleverd; zullende dit alles moeten bepaald worden bij vrijwillige overeenkomst, in tegenwoordigheid van het kampongshoofd

-ocr page 35-

31

on een ander inlandsch hoofd vergezeld van twee getuigeii, te kiezen uit de ingezetenen van het landgoed, terwijl do plaatselijke autoriteit, na het noodig onderzoek bewerkstelligd te hebhen, alle geschillen, welke bij die gelegenheid ontslaan, na billijkheid en aloude gebruiken, zonder vorm van proces, en zonder hooger beroep zal beslissen.

Deze overeenkomsten zullen op de aanvragen der belang-hebbenden, door de plaatselijke autoriteit, moeten worden geregistreerd, on wanneer dit zal hebben plaats geha(l) zal liet daarvoor gehouden worden, dat dezelve, na ommekomst van het huurjaar niet uitdiukkelijk vernieuwd wordende, stilzwijgend zijn verlengd tot wederopzeggens toe

Dit artikel dient veranderd te worden, als volgt:

De tuin- en grondhuw tuordl geheven in geld, waarvan het bedrag jaarlijks bepaald wordt bij overeenkomst tus-schen den landheer en de opgezetenen. Kunnen partijen niet tot eene overeenkomst treffen, dan wordt de aanslag geregeld en vastgesteld door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur met inachtneming van het bepaalde bij art. 4.

Hol lielTcn van tuin- cn grondhimr ticnfl ir.ceimalen aanltiding gegeven lol groote moeit lijklieden, verzet van de zijde der bevolking, enz,

In de werkcontraclcn, die de landheer met de bevolking sluit, heet liet dikwerf, dat de landheer ton behoeve van de controclanten van liet hciïcn van tuinhiuir alziet, om daarmede te toonen hoe hij het goede met de opgezetenen voor heelt. Hij beft dan echter toch wel een belasting op klapper- en arenboomen, die n. h. op vele landen de voornaamste beplanting van erven en tuinen uitmaken!

Zoolang de bevolking lot de werkcontracten toetreedt gaat alles goed, maar doet zij dat niet, en wil zij gewoon heerendiensten ver-richlen op don voel van hel Reglement van 1836. dan wordt maar al te vaak de tuin- en grondtiuur als wapen gebezigd om de weer-spannigen te dreigen en lot bel toetreden der contraclen te dwingen. De grootste ongeregeldheden zijn daarvan dikwijls het gevolg. Van vrijwillige overeenkomst lusschen landheer en opgezetenen omtrent de wijze van hefling is clan nalunrlijk geen kwestie. Wil de eerste een belasting in geld, dan willen de laatsten eer. belasting in natura. Ue

-ocr page 36-

32

beslissing is in dat geval, volgens do beslaande bepaling aan do plaatselijke anloritcit. Beslist deze dat de belasting in geld zal golioven worden, zonder meer, dan worden de erf- en tninbezitters zoo zwaar aangeslagen, dat zij spoedig een toetreding tot do werkcontracten pre-fereeren. Is de plaatselijke autoriteit vóór eene lielfing in natura, zoo wordt do bevolking geplaagd zonder eind. Geen vruclit mag er dan geplukt worden of liet districtshoofd moot permissie geven; aan den anderen kant benadcelen de opgezetenen den landheer door s\'nachts bemelijk de vruchten van de boomen te balen.

Het is dus noodig dat deze zaak beter geregeld wordt en dunkt mij de in hoofde dezer genoemde wijze de beste.

Art. 17.

Wanneer de landeigenaar en opgezelene eene vrijwillige overeenkomst gesloten hebben, ten gevolge waarvan, de laatste, in stede van eene opbrengst in natura, eene bepaalde geldsom verschuldigd is, of wel, dat de landeigenaar, uiteenigen anderen wettigen boofde van de opgezetenen geld te vorderen heeft zal de betaling, wanneer die niet in eene bepaalde muntspetie gestipuleerd is, kunnen geschieden in de zoodanige als de opgezetene zal verkiezen.

Dit artikel is vervallen door de bepalingen op het muntwezen.

Art. 18.

Ten einde den landeigenaar te beter in het genot zijner wettige inkomsten te beschermen, zal de resident, na behoorlijk onderzoek, zonder vorm van proces, en ter concurrentie van /quot;50.— regt spreken in alle gevallen van nalatigheid of verzuim der planters, in bet voldoen hunner verschuldigde opbrengsten. Na aan den nalatigen debiteur eenen bepaalden tijd van minder dan veertien dagen, tot aanzuivering zijner schuld te hebben gelaten zullen bij voortdurende wanbetaling, dos debiteurs goederen en eigendommen, (dagelijksche kleederen, lijfsbenoodigheden en gereedschappen van landbouw uitgezonderd), door bet plaatselijk bestuur achterhaald

-ocr page 37-

33

en op de meest voordeelige wijze verkocht worden. Wanneer de verkochte goederen ontoereikend zijn en er verzwarende omstandigheden bestaan, zal aan den debiteur, voor rekening des landeigenaars, eene gevangenis-straf voor niet langer dan eene maand, kunnen worden opgelegd.

Wanneer de achterstallige schuldvordering eene waarde van f 50 te boven gaat, zullen partijen zich vervoegen tot hunnen dagelijkschen rechter; wordende het nogtans aan de keuze der landeigenaren overgelaten, om dezen weg dadelijk, en mitsdien met voorbijgang van het plaatselijk bestuur, in te slaan.

Dit artikel vervalt om dezelfde reden als yertneld bij artikel 5.

Anx. 19,

De opgezetenen zullen geene boomen, hoegenaamd, omhakken, uitgraven of vernietigen, zonder des landeigenaars toestemming, ook dan wanneer het hout, ingevolge art. 2, voor eigen huishoudelijk gebruik is bestemd. Wanneer ingevolge art 3 de grond door de opgezetenen in erfpacht bezeten of in huur genomen^ door hen met vruchtboomcn wordt beplant, zijn die boomen in de erfpacht begrepen, doch zullen zij dezelve niet omhakken, anders dan met toestemming van den landeigenaar, ter beslissing des noods van het plaatselijk bestuur.

Dit artikel dient gewijzigd te worden, als volgt;

De laatste alinea; Wanneer, enz.quot; wordt vervangen door; Boomen, voorkomende op gronden, door de Inlanders erfelijk individueel bezeten of in huur genomen, mogen evenmin door hen worden omgehakt, dan alleen met toestemming van den landeigenaar, ter beslissing, indien iioodig, door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Uit de laatste alinea van dit artikel wordt wel eens opgemaakt, dat alleen vnichtboomen door de opgezetenen op liunne gronden neplaiit

•i

-ocr page 38-

34

in de erfpacht begrepen zijn en dus vruclitboomen niel door hen geplant, die b. v. van zelf opkomen (aren) den landeigenaren lie-hooren.

Om de talrijke kwesties, die hieruit voortvloeien, Ie vermijden, acht ik het heter, m overeenstemming met de aanleeknning op art, quot;2, die alinea te wijzigen op bovenstaande wijze.

Anx. 20.

Dg opgezetenen mogen de huizen, opstallen, poaclokken of andere gebouwen, door hen op den grond des landeigenaars gebouwd, niet zonder zijne voorkennis en toestemming afbreken, of op een ander landgoed verplaatsen, ten ware \' zij die, zonder daartoe bouwstoffen van den landeigenaar te bezigen, hebben opgebouwd, of daarvan op eene andere wijze den vollen eigendom hebben verkregen. Desniettemin mogen die huizen, opstallen, pondokken o[ andere gebouwen aan opgezetenen van hetzelfde landgoed, dan wel aan andere personen, die zich met voorkennis van den eigenaar, op hetzelve komen vestigen, worden verkocht.

Dit artikel ondergaat geenerlei verandering.

Art. 24.

De landeigenaar mag over geen sawa, tain of anderen gecultiveerden grond door oenen opgezetene, of zijne voorouders aangelegd, of in erfpacht verkregen, anders dan bij minnelijke overeenkomst beschikken.

Dit artikel moet geschreven worden, als volgt:

De landeigenaar macj over geen gronden, bedoeld bij art. 3, anders dan bij minnelijke overeenkomst beschikken, niet inachtneming van het bepaalde bij artikel 4.

De verwijzing naar artikel 3 is dihdelijker dan de omschrijving der gronden.

Vervreemdt do opgezetene zijn stnk grond aan den landeigenaar, een niet-Inlander, dan moeten de regelen, in artikel 4 gesteld, worden in acht genomen.

-ocr page 39-

35

Art. 22.

De eigenaar mag eigener autoriteit geeti opgezetene van zijn landgoed, verwijderen of doen verhuizen, maar kan dezulke, die noch vaste woonplaats, noch wettig en bekend middel van bastaan hebben, en verdacht worden, van rondzwerving, lediggang of slecht gedrag, bekend maken aan het plaatselijk bestuur, hetwelk alsdan zal onderzoeken, in hoe ver er termen bestaan, tot landruiming of wel tot teregtstelling of verwijdering van den beklaagde, ingevolge de publikatien van den 2Jsten Augustus 1825 (Staatsblad no. 34), en 23sten Juli 1833 (Staatsblad no. 45).

Achter «opgezetenenquot; moet de toelichting komen: «Inlanders en niet-Inlanders.quot;

De woorden: ingevolge de publikatien van den 23sten Aug. 1825 (Stbl. no. 34) en 23sten Juli 1833 (Stbl.no. 45) dunkt mij beter te doen vervangen door: «overeenkomstig de op dat stuk bestaande bepalingen.quot;

Uit de driu volgende artikelen blijkt m. i., dal hier onder opgezetenen, zowel Inlanders als niet-Inlanders verstaan worden. Behoudens de uitzondering, in art. 24 genoemd, kan niemand zich op het landgoed vestigen, zonder toestemming des landeigenaars. Is hij er eenmaal gevestigd, dns met die toestemming, dan kan de landeigenaar hem niet meer op eigen gezag verwijderen.

Art. 23.

Nieuwe opgezetenen mogen zich tegen den wil des eigenaars niet op een landgoed met der woon nederzetten.

Ondergaat geenerlei verandering, dan alleen dat achter opgezetenen de nadere toelichting; «Inlanders en niet-Inlandersquot; moet komen.

Art. 24.

Van het bepaalde bij het voorgaand artikel zijn echter uitgesloten de personen, die door, of van wege het Gouver-

-ocr page 40-

30

nement met eenig ambt ol gezag bekleed zijn; de uitoefening waarvan het verblijf op eenig landgoed noodzakelijk maakt.

Ondergaat geenerlei verandering.

Art. 25.

Wanneer voor het plaatsen der woningen van landsdienaren en ambtenaren of voor eenig ander oogmerk van algemeen belang, zooa\'s, het aanleggen van wegen, kanalen, sluizen, bruggen, gestichten en wat al meer, een aistand van grond wordt gevorderd, zal deze, bijwege van onteigening ten algemeenen nutte, en tegen bdlijke schadelosstelling plaats hebben, ten ware bepalingen ter contrarie voorkwamen, in de oorspronkelijke voorwaarden, waarop sommige landerijen zijn vervreemd geworden.

Blijft onveranderd.

Art. 20.

De eigenaar heeft het regt om van de mannelijke opgezetenen van zijn landgoed, en tegen behoorlijke voeding, een dag arbeid in de week te vorderen, tot het aanleggen of herstellen van binnenwegen, het graven van waterleidingen, het snijden van gras, het ploegen of omspitten van gronden, het doen van wachten bij woon- en pakhuizen en dergelijke. — Wanneer deze arbeid gevegd wordt op eenen grooteren afstand dan vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen der opgezetenen zal aan eiken arbeider twee cents, voor iederen paal afstands. meerder worden betaald, na het einde van den dag.

Van deze heerendiensten zijn verschoond:

a. alle personen welke den ouderdom van 14 jaren nog niet, of dien van 50 jaren reeds bereikt hebben.

b. alle zieken en verminkten.

c. allen, die navolgens de inlandsche gewoonten vrij zijn van persoonlijken arbeid en voorts allen, die ter beoor-

-ocr page 41-

37

(leeliiig, des noods, van de phialselijko autoriteit, kunueii aantoonen, wettige redenen van verhindering te hebben.

Het komen en gaan der opgezetenen van en naar hunne woonplaats, zal onder den arbeid gerekend worden, zoodat ieder steeds zes volle dagen in de week voor zich zeiven zal behouden.

üit artikel dient gewijzigd Ie worden, als volgt.

«Tegen behoorlijke voedingquot; moei wegvallen en daarvoor in de plaats komen: legen genot van een kali orKjekoolde rijsl. De heerendienst; »het ploegen en omspitlen van grondenquot; behoort geheel afgeschaft te worden, liet woord; «dergelijkequot; moet vervangen worden door: en andere werkzaamheden, te beoordeelen door het Hoofd van Plaatselijtc Bestuur, hij luelke beoordeeluig de gebruiken en gewoonten van elk land in het bijzonder moeten gevolgd worden, of wel de verschillende werkzaamheden, die nog in aanmerking kunnen komen om in heerendienst te worden verricht, moeten worden opgenoemd.

Ook dient een maximumafstand van tewerkstelling b. v. van 8 paal te worden bepaald.

Verder dient aan dit artikel te worden toegevoegd:

Hel laten uitkomen van heereiidienstplichligen meerdere dagen achtereen is verboden, tenzij daaromtrent met de betrokkenen schriftelijk is overecngekomoi.

De heerendienstplichtigen zijn niet verplicht tot cenigc levering, hetzij betaald of onbetaald, van materialen of andere goederen, die hun bijzonder of gemeentelij!c eigendom zijn, Echter zijn zij verplicht hunne patjols, golloks of bedoks en arits op hel werk mede te brengen, en die aldaar te gebruiken.

Elke heerendienstplichtige hoeft het recht om een plaatsvervanger te \'stellen, mits deze den vcreischten leeftijd tusschen 14 en 50 jaar heeft en lichamelijk niet ongeschikt is voor arbeid.

iibcliooilijku voedingquot; dicnl oiiisclireve:i Ir worden Hie uildnikking tocli geelt veelal aanleiding lol kwestie-, vooral liij ontevredenheid of verzet van de bevolking; gt;liel is dan dikwijls voorgekomen, dal de

-ocr page 42-

38

heeiciiiiinnstplichtigen op grond van dit; uitdrukking een volledige rijsttafel eischten n. I. rijst, visch of vleesch en toespijs. De bitlijklieid brengt meft te zorgen dat er zulke buitensporige eisclien niet gedaan kunnen worden. Een kalti rijst zonder meer is m. i. voldoende. In de Gouvernemcnts landen krijgen de heerendienstplichligen in het geheel geen voeding.

De heerendienst: «het ploegen of omspitten van grondenquot; dunkt mij lietor te laten vervallen. De Regeering hoeft uitgemaakt bij B. B, 1532, dat liet beschikken over heerendienstplicbtigen voor het aanleggen en ondei-homlen van suikerriet- en koffie-aanplantingen verboden is. Logisch is het, dat zulks dan ook niet mag voor andere aanplantingen, die de landeigenaren, ten profijte van zich zeiven, aanleggen, en in dat geval heeft het recht om in heerendienst gronden te laten ploegen of omspitten geen zin meer. Want waarvoor anders dan voor dergelijke aanplantingen zou de landheer laten ploegen en omspitten?

Bovendien is het doen vervallen van genoemden dienst geheel in overeenstemming met het voorgestelde nieuwe artikel 40.

Het woord «dergelijkequot; heeft aanleiding gegeven tot velerlei geschillen tusschen landeigenaren en Bestuur. Sommige ambtenaren beweren dat «dergelijkequot; slaat op woon-en pakhuizen; in. i. is dat onjuist en wordt er mede bedoeld : «en dergelijke werkzaamhedenquot;. Ter voorkoming van die verschillen in meeninn; is het beter dat woord geheel weg te laten en alle soorten van heerendienstarbeid bij name op te noemen, dan wel de aanduiding ervan over te laten aan het oordeel van liet betrokken Hoofd van Plaatselijk Bestuur, dat daarbij diquot;. gewoonten en gebruiken van elk landgoed in het bijzonder te volgen heeft.

Het bepalen van een maximumafstand van tewerkstelling is noodzakelijk. Sommige landheeren laten limine opgezetenon tot 15 en meer palen uitkomen. Ik neem een afstand van acht paal in overeenstemming eenigszins met de heerendienstregeling voor de gouvcrnementslanden.

Op vele landerijen is het gebruikelijk de heercndienstplichtigen om de twee maanden acht dagen achtereen te laten uitkomen, zonder dat daaromtrent met de bevolking eene overeenkomst is aangegaan. Om die reden dunkt het mij zeer noidig in dit artikel het aangaan eener overeenkomst verplichtend te stellen.

Ook de laatst bijgevoegde bepaling omtrent de levering van materialen is noodig, wijl op vele landen de misbruiken dienaangaande grootc proporties hebbên aangenomen.

-ocr page 43-

30

Do bijvoeging van di; iilinoa omlront con plaatsvervanger is noodzakelijk len einde do Inlanders op de particuliere landen niet te doen achterstaan liij die in de Goiivcrnemcntslanden, en ook om den landheer een wapen te ontnemen, dat reeds meermalen is toegepast geworden om de wefrspannigen lot het aangaan der werkcontracten te dwingen.

Art. 27.

Zoo lang op de Biütenzorgsche landerijen, blijft kleven de bij derzelver overgang in particulieren eigendom bedongen verplichte teelt en levering van koffie ten behoeve van het Gouvernement, zullen de opgezetenen dier landerijen tot geene heerendiensten, ten behoeve der eigenaren, ver-pligt zijn, dan alleen voor zooveel betreft het onderhouden van wegen en bruggen, en het doen van wachten bij de woon- en pakhuizen.

Dit zelfde vindt plaats ten opzichte van alle landen, bij welker vervreemding door het domein, afschaffing der heerendiensten speciaal is bedongen.

Daar de verplichte teelt en levering van koffie ten behoeve van het Gouvernement op de Buitenzorgsche landerijen is opgeheven, moet dit artikel geschreven worden, als volgt:

Dc opgezclenen van landerijen, bij welker vervreemding door het domein afschaffing der heerendiensten speciaal is bedongen, zijn lol geene heerendiensten len behoeve der eigenaren verplicht, dan alleen voorzooveel betreft het onderhouden van wegen en bruggen, en hel doen van wachten bij de woon- en pakhuizen.

Zooals men weet werd aan de eigenaren der landen, die onder het ICngelsch tnsschenlicstuiir zijn verkocht geworden, het recht onthouden om heerendiensten van de opgezetenen te vorderen. Later, na dc invoering van het Reglement van 18!gt;3, werd hen dat recht door hot Nederlandsch-lndisch Gouvernement geschonken Lij Gonv. Besluit, niet zoozeer uit een hillijklieidsoogpunt, maar vooral omdat men vreesde dat do bevolking vau de Gouvcrnemcntslanden, waar drukkende

-ocr page 44-

40

hecrcndicnslen moesten worden gepresteerd, in massa zouden verhuizen naar bedoelde particuliere landen. Naar velen meencn, o. a. de Heer Faes, heelt de schenking van dat recht op eene onwettige wijze plaats gehad, omdat zij is gedaan bij cenc koloniale ordonnantie, terwijl het \'t opleggen was cener nieuwe belasting aan do bevolking cn dus bij Koninklijk besluit had moeten geschieden.

Aut. 28,

Elk opgezetone is verplicht, het aandeel des landeigenaars in de opbrengsten van den door hem bebouwden grond, zonder betaling, naar zijne pakhuizen te vervoeren en aldaar af te leveren, mits die pakhuizen op het landgoed zelf gelegen zijn; het vervoeren van producten stedewaarts of buiten de grenzen van het landgoed mag in geen geval plaats hebben, dan tengevolge van vrijwillige overeenkomsten en tegen billijke belooning, ter beslissing, des noods, van de plaatselijke autoriteit.

Dit artikel dient geschreven te worden, als volgt:

Dc opgezetenen zijn verplicht het aandeel des landeigenaars in de opbrengsten van den door hem bebouwden grond {art. 8), zonder betaling naar diens pakhuizen te vervoeren en aldaar af te leveren, de padie droog, mits die pakhuizen niet verder dan vijf palen van de woningen der opgezetenen gelegen zijn. Voor de levering van droge padie wordt op den aanslag der tjoeké van hel brutogewas 25% reductie toegestaan.

Dat de padie drouy wordt afgeleverd is niet meer dan billijk tegenover den landheer, hot opschnrcn wordt anders te bezwarend. Ook voor dc landbouwers is het voordeeliger, daar zij minder gewicht bobben Ie transporteeren. De kwestie omtrent het leveren van natte of droge padie komt dan ook gewoonlijk alleen maar voor bij verzet of ontevredenheid van dc bevolking en wordt dan gebruikt als wapon tegen den landheer.

De inlevering van droye padie brengt natuurlijk een reductie voor het indrogen mede.

-ocr page 45-

M

Voor katjang holioefl liicromtrcnl niols l)C|)aald te worden, wijl de tjoeké daarvan van weinig beleekenis is.

Bij Stbl. 1871 no 13i werd gedecreteerd dal de pakhuizen moeien liggen binnen het district, waar de producten geteeld zijn. Komen de pakhuizen voor bij do grens van een district, zooals op sommige landerijen het geval is, zoo kan die bepaling voor de verst verwijderde desa\'s zeer bezwarend zijn. Van deze omstandigbeid is zelfs eens gebruik gemaakt om de Inlanders, die niet wilden toetreden tot de werkcontracten, daartoe te dwingen. Hen werd toen verboden dc padie te brengen in een naast bij gelegen pakhuis en een verwijderd, binnen hetzelfde district gelegen pakhuis, daartoe aangewezen. Door te bepalen, dat de pakhuizen moeten gelegen zijn binnen vijl palen van de woningen der opgezetencn, worden zulke onbillijkheden vermeden.

Art. 29.

De opgezetenen zullen tot geene andere diensten, zoo als het begeleiden van vee, het vervoeren van huiselijke benoo-digdheden, het overbrengen van brieven en wat al meer, door den landeigenaar worden gebezigd, zonder billijke belooning; wordende die belooning bij deze vastgesteld op twee cents, voor iederen paal afstands.

Dit artikel dient veranderd te worden, als volgt:

De opgezetenen zullen tot geen andere onbetaalde diensten door den landeigenaar worden gebezigd. Alle diensten, hiervoren niet vermeld, moeten in vrijen arbeid plaats hebben.

Daar die ande e diensten niet lot de heerendiensten ressorteeren is er geen enkele reden om er een tarief voor vastteslellen. Even als in de Gouvernementslanden moeten zij m. i in vrijen arbeid worden uitgevoerd.

Art. 30.

Het is den eigenaar geoorloofd om met do opgezetenen zijns landgoeds, eene vrijwillige overeenkomst te treilen, om de heerendiensten, welke zij verschuldigd zijn, voor eene betaling in geld oi eene algave van producten afte-

-ocr page 46-

koopen. Dozo overeenkomsten mogen niet anders dan schriftelijk en behoudens de goedkeuring en registratie van den resident worden aangegaan.

Daar een assistent-resident hoofd van plaatselijk Bestuur is, heeft het geen zin de goedkeuring en registratie van overeenkomsten te doen geschieden door den resident. Daarom dunkt hot mij beter om hier en overal, waar zulks in dit Reglement te pas komt, te schrijven: »Tloofd van Plaatselijk Bestuur.quot;

Art. 31.

Wanneer de diensten der opgezetenen, naar aanleiding van art. 114 van het Rcgeeringsregloment, worden vcreischt ten algemoenen nutte, dan wel, om, tegen de op hoog gezag geregelde betalingen, \'s Gouvernements transporten en de personen en goederen van reizigers, hetzij door het leveren van manschappen, hetzij door de verstrekking van buffels of bespannen karren, te vervoei\'en, of te begeleiden, zal de oproeping door het plaatselijk bestuur, onmiddelijk aan de inlandsche hoofden worden gerigt, buiten bemoeijenis van den landeigenaar, die hieraan geene verhindering, of moeijelijkheid zal mogen toebrengen.

Buffels of karren aan den landeigenaar toebehoorende, zullen almede, ten voorschreven einde, en op de wijze hierboven aangeduid, op requisitie dor plaatselijke autoriteit, moeten worden geleverd.

Dit artikel dient veranderd te worden als volgt:

Wanneer de diensten der opgezetenen worden vereisfihl ten algemeenen nutte zal de oproeping door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur onmiddellijk aan de Inlandsche hoofden ivorden gericht, huiten bemoeienis van den eigenaar, die hieraan geene verhindering zal mogen toebrengen.

Do verplichting van tic bevolking om transporlmidddcn Ic leveren en transporldienslen te doen ten lielioevc van den Lande is voor de residentie

-ocr page 47-

43

Batavia opgeheven bij de besluiten van 7 Juni 1865 no. 39 en 30 Juli 1866 no. 29. Billijk is het dus, dat ook overal elders de bevolking op de particuliere landen daarvan wordt vrijgesteld.

Art. 32

Geene dammen, doorgravingen, waterleidingen, wegen, bruggen of andere werken waarbij het Gouvernement, of derden belang hebben, mogen zonder vergunning van de plaatselijke autoriteit worden aangelegd, verplaatst, verlegd of verstopt sub poene, van dadelijk herstel of wegruiming, dooi- tusschenkomst van \'s lands ambtenaren op kosten van den landeigenaar, die zich aan de overtreding heeft schuldig gemaakt en onverminderd eene geldboete van hoogstens f 500, naar gelang der omstandigheden, ter bepaling van den regter.

üe woorden; »op kosten van den landeigenaarquot; moeten worden vervangen door; op kosten van dengene.

Deze verandering is ingevolge het bepaalde hij Stbl. 1874 no, 236,

Art. 33.

Het maken, repareren en berijden der groote wegen; het aanleggen en onderhouden van publieke bruggen, sluizen, kanalen en waterleidingen; het aftappen van water voor den landbouw en andere einden, het zuiveren der rivieren en waterloopen en het herstellen van derzelver oevers en al wat verder met deze aangelegenheden in verband staat, wordt, van tijd tot tijd, op hoog gezag geregeld; wordende daaromtrent, hij voorraad bevestigd, de bepalingen, voorkomende in de Publicatie van 10 Februari 1824 (Staatsblad no. 8) en de Resolutien van 21 December 1828 no. 37, 1(3 April 1831 no. 23, (Staatsblad no. 27); 2 December 1835 no. 19 (Staatsblad no. 50) en 28 Januari 1836 no. 24 (Staatsblad no 0).

De laatste alinea van dit artikel; «wordende, enz.quot;

-ocr page 48-

44

dient te vervallen en aan het nieuwe reglement een besluit gelieclit, waarin alle tot dusverre gedane regelingen, op genoemde zaken betrekking hebbende, worden opgenomen. Verder dient aan dit artikel te worden toegevoegd: Voorzooveel betreft c/roote wegen, bruggen, sluizen, kanalen en alle werken, bestemd ten algemeenen nutte en voor de groote communicatien te water, draagt het Gouvernement de kosten aan den aanmaak, de herstelling of het onderhoud verbonden. De landeigenaren dragen in deze kosten bij, voorzoover zij nut uit die werken trekken, te beoordeelen en Ie ramen door een van wege de Regeering te benoemden Commissie, beslaande uit ambtenaren en landeigenaren. De bijdrage der landeigenaren kan geschieden in geld of in heerendienstplichtigen. In het laatste geval rekent de arbeid, door die heerendienstplichtigen verricht, in mindering van het verplicht aantal dagen gedurende welke zij voor de landheeren in heerendienst moeten uitkomen.

De slaat, die liet beheer ovei\' ueze werken heeft, dient ook de kusten van aanleg en onderhoud te dragen.

De hillijkheid hrengt echter mee dat de landeigenaren, die van die werken profitceren, luin aandeel daartoe bijbrengen. Voor den oenen landheer zal bet gemakkelijker wezen dit in geld te doen, voor den anderen daartoe werkkrachten te leveren. De keuze hierin moet aan de landheeren worden overgelaten, doch de bevolking mag hier niet onder lijden. Levert de landheer werkkracht, dan behoort de arbeid door dezen verricht in mindering te worden gerekend van het aantal dagen, gedurende welke zij voor den landheer in heerendienst moeten uitkomen. Met het tegenwoordige stelsel, dat do bevolking heerondionslplichlig is én tegenover don landheer én tegenover den staat behoort geheel gebroken te worden en als stelregel te worden aangenomen, dat de hooren-dienstplichtige bevolking op de particuliere landerijen in geen geval meer dan 52 dagdiensten in het jaar hebbe to prestoeren.

Dit artikel hoeft mode betrekking op de oprichting, de vernieuwing, de herstelling en het onderhoud der wachthuizen langs de groote wegen in de gewesten bewesten de ïjimanoek, voorzoover voor die werkzaamheden thans, ingevolge BB. 708, gebruik gemaakt wordt van do heerendiensten der bevolking van de particuliere landerijen.

-ocr page 49-

45

Art. 34.

Landeigenaars, die eigener gezag, bazaars ot markten aanleggen of die, op de hen toegestane bazaars of markten, in overtreding van art. 77 van het Regeering-reglement onwettige heffingen doen, gedoogen of daaruit eenig voordeel trekken, zijn onderworpen aan al zulke straffen als worden bepaald bij de, op deze materie, door de Regering vast te stellen verordeningen; wordende ten deze bij voor-raad bevestigd bet reglement en tarief voor de onderscheidene bazaars, gearresteerd bij Besluit van den 17den November 1829 (Staatsblad no. Ill), en de daarop seder, geëmaneerde alteratien en ampliation, en die nog zullen worden gemaakt.

Dit artikel is bij Staatsblad 1869 no. 60 ingetrokken en vervangen door het daarbij bepaalde.

Art. 35.

liet regt van jagt en visscherij behoort aan den landeigenaar; niemand raag, zijns ondanks, van hetzelve op zijnen grond gebruik raaken, onder dien verstande evenwel, dat het visschen in de rivieren, mitsgaders het vangen van vogels met strikken of netten, en het vernielen van schadelijk en verscheurend gedierte, niet aan de opgezetenen kan worden belet, op de gronden door hen ontgonnen of van den landeigenaar gehuurd.

Duidelijkheidshalve is het beter de uitdrukking: »de gronden door hen ontgonnenquot; te veranderen in: »de gronden, bedoeld in artikel 3.quot;

Art. 36.

De opgezetenen zullen, volgens de thans bestaande gewoonte, bij de aftapping van seto\'s, rawa\'s en andere waterplassen, in dezelve kunnen visschen, mits een vijfde gedeelte der vangst aan den landeigenaar afgevende.

Ondergaat geene verandering.

-ocr page 50-

AG

Art. 37.

Landeigenaren die andere, meerdere of hoogere opbrengst en diensten van hunne opgezetenen vorderen, dan bij dit reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan, of die verzuimen, om op den voet, bij betzelve bepaald, ten opzigte van hunne opgezetenen te bandelen, zullen naar exigentie van zaken, door het plaatselijk bestuur, op den voet bij art. GO aangewezen, bestraft, dan wel voor den regter, ter zake van knevelarij en misbruik van gezag, vervolgd worden.

De woorden . «naar exigentie van zaken, door het Plaatselijk Bestuur op den voet van art. GO aangewezen, dan welquot; moeten wegvallen om redenen bij artikel 5 aangegeven.

Art. 38

Wanneer de Regering het persoonlijk verblijf van eenen eigenaar op deszelfs landgoed, schadelijk acht voor de openbare rust, zal hem betzelve kunnen worden ontzegd.

Dit artikel dient te worden uitgebreid mot hetgeen bepaald is bij Staatsblad 1880 no. 57, n. I,

Wanneer personen, die als huurders, vruchtgebruikers, pachters of onder ceni/jen anderen titel in de plaats van de eigenaren der particuliere landerijen of hunne rechtverkrijgenden optreden, zich schuldig maken aan handelingen, welke hij dit Reglement aan de eigenaren zijn verboden, dan zijn op hen dezelfde straffen van toepassing, welke zijn bedreigd tegen de landeigenaren, die zoodanige handelingen plegen.

Aut. 39.

Landeigenaren, die builen Nederlandscb-Indië afwezend zijn, zullen bij eene in regten geldige akte, zich terzake van hun landeigendom, justiciabel stellen te Batavia en aldaar domicilium citandi et executandi moeten kiezen.

Dit artikel ondergaat geenerlei verandering.

-ocr page 51-

47

Art. 40.

Het ontginnen en bebouwen van gronden, het cultiveren of leveren van bijzondere voortbrengselen, welke de inlander niet gewoon is, uit eigen vrije verkiezing te verbouwen; het oprigten van fabrieken; met één woord, alle ondernemingen welke de landeigenaar voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt, moet hij tot stand brengen, zonder de hulp der landsopgezetenen, ten ware hij zich daarvan, door het aangaan van vrijwillige overeenkomsten verzekert.

Deze overeenkomsten zullen, op straffe van nietigheid, bij het plaatselijk bestuur moeten worden goedgekeurd en geregistreerd, binnen ééne maand, nadat dezelve zullen zijn aangegaan, en hoezeer op de plaatselijke autoriteiten do verpligting rust, om alles aantewenden, wat tot bevordering van nuttige kultures, bedrijven en ondernemingen kan strekken, zullen zij tevens nadrukkelijk waken, dat omtrent de inlandsche bevolking en het tot stand brengen van dezelve niet willekeurig worde gehandeld.

Dit artikel dient te worden geschreven, als volgt:

Het ontginnen en bebouwen van gronden, het cultiveer en of leveren van bijzondere voortbrengselen, welke de Inlander niet gewoon is uit eigen vrije verkiezing te verbouwen; het opriclUen van fabrieken, in één woord, alle ondernemingen, die de landeigenaar voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt, moet hij tol stand laten brengen in vrijen arbeid.

Bij ile samcDSlclling van lid Reglement van 1S36 bestond op de particuliere landerijen de gewoonte, dat de bevolking voor den landheer niet alleen uitkwam in lieercndicnst, maar bovendien nog in nluilpquot; (toeloengan). Uo Regeering heeft door hel artikel 40 een einde willlen maken aan hot vorderen van die hulp en haar alleen toegestaan, indien de opgezetenen die vrijwillig willen verleenen. heigeen hij overeenkomst moet blijken. Wat die vrijwillige overeenkomsten te beteekenen hebben is hiervoren uitvoerig aangetoond. Het gexond verstand verzet er zich dan ook (cgon oni aan te nemen, dat menschcn, die niet verplicht

-ocr page 52-

48

zijn een bepaalde dienst (hulp) te presteeren, zicli daartoe vrijwillig zouden verbinden legen genot van een bagalel betaling of alleen voeding, terwijl zij weten, dat bij weigering van die hulp de landheer verplicht is ze in vrijen arbeid tegen eene behoorlijke betaling te laten werken.

Die vrijwillige overeenkomsten zijn dan ook meestal niet veel meer dan transactiecontracten, waarbij door den landheer vaak gebruik gemaakt wordt van de goedgeloovigheid van den Inlander, liet heet daarin, dat de landheer afziet van alle lieerendiensten en de hulp daarvoor in de plaals stelt. In de praktijk blijkt dan echter, dat de opgezetenen behalve die hulp nog heerendiensten moeten presteeren aan de groote wegen en waterleidingen, voor bewaking van pakhuizen en het snijden van gras. Ook ziet de landheer in zulke overeenkomsten dikwijls af van het helle:i van tuinluiur, omdat hij in het belang zijner opgeze-tenen niet het onderste uit de kan wil hebben. Hij heft echter dan wel tjoeké van klapper- en arenboomon, die het belangrijkste gedeelte der beplanting van erven en tuinen uitmaken.

Beier komt liet mij daarom voor om ook het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging van dio hulp te doen ophouden. Zijn de opgezetenen hun landheer zoo genegen, dat zij hem voor een kleinigheid willen helpen aan het tol stand brengen van ondernemingen, dan kunnen zij dal toch doen in vrijen arbeid, als zij daar lust in hebben.

Art. 41.

Huurlingen, die voor een tijdvak v;\\n meer dan drie maanden worden in dienst genomen ten behoeve van ontginningen, kultures, fabrieken en andere belangrijke ondernemingen of werken, en niet bebooren tot de opgezetenen van hot landgoed, zullen door den eigenaar bij de plaatselijk autoriteit, worden aangegeven.

Dit artikel ondergaat geenerlei verandering.

Art. 42.

Van deze aangiften zal worden aangelegd een register, hetwelk zal inhouden:

a. De namen der ondernemers.

b. De namen der gehuurde arbeidslieden.

-ocr page 53-

40

c. Do plaats waar dezelve zijn gehuurd en te huis hehooren.

d. Mei werk waartoe zij zijn gehuurd, en

e. de voorwaarden waarop

Dit artikel ondergaat geenerlei verandering.

Art, 43.

Zoodanige huur zal voor niet langer dan 3 jaren mogen worden aangegaan.

Na verloop van dien tijd zal dezelve kunnen worden vernieuwd, ten overstaan vati de plaatselijke autoriteit die zal moeten zorgen, dut daarbij vrijwillig, en zonder dwang worde te werk gegaan.

Dit artikel ondergaat gepnerlei verandering.

Art. 44.

De ondernemers die arbeidslieden langer aanhouden, dan de overeenkomst gedoogt, zullen aan elk hunner, voor iedere maand dat zij aldus zijn aangehouden, betalen ƒ10.— boven het loon, bij de oorspronkelijke overeenkomst bedongen.

Ondergaat geen verandering.

Art. 45.

Do plaatselijke autoriteiten zullen nauwkeurig toezien, aan den eenen kant, dat de landeigenaren aan de voorwaarden der, in het voorgaand artikel, bedoelde overeenkomst en aan derzelver verpligtingen jegens de werklieden voldoen, en aan den anderen kant, dat de arbeiders ot huurlingen wederkeerig al datgene verrigten, waartoe zij zich verbonden hebben; zorgende dat, wanneer zij zich in overtreding daarvan verwijderen ol\' door verregaande luiheid of onwilligheid hunne verpligtingen ontduiken, zij na behoorlijk onderzoek worden gestraft naar gelang van den aard der zaak en in overeenstemming met de bestaande wetten en reglementen.

De laatste alinea van dit artikel vervalt.

4

-ocr page 54-

no

Mel, do tegenwoordige bepalingen van het politiestraf-reglement voor Inlanders en door de intrekking van art. 2 no. 27 en de aanvulling van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders met artikel 328a, heeft de landeigenaar bij contractbreuk van de zijde der huurlingen een civiele actie tegen hen, tenzij cr voorschot gegeven is en het oogmerk beslaat om den landheer wederrechtelijk te benadeelen, komende dan de zaak voor den bevoegden stralrochter.

In stede van de eerste alinea te behouden komt het, beter voor in een speciaal artikel te bepalen dat de Hoofden van Plaalselijk Besluur verplicht zijn te waken voor dc rich tig e nakomimj van dit Reglcnient en van de daaruit noortcjevloeide overeenkomsten.

Art. 40.

De landeigenaren zijn gehouden om jaarlijks, op den ISden December, in den bepaalden of nader te bepalen vorm, aan de plaatselijke autoriteit, waaronder zij sorteren, te zenden eenen naauwkeurigen staat der bevolking op hunne landerijen gezeten, mitsgaders al zulke statistieke opgaven, als van tijd tot tijd, van hen mogten worden gevraagd.

Dit artikel moet veranderd worden als volgt:

De landeigenaren zijn gehouden om aan de plaatselijke autoriteit, waaronder hunne landgoederen ressorteeren, alle statistieke opgaven te verstrekken, die van hen mochten gevorderd ivorden.

Nu do bovolkingsstatisliekcn voor hol koloniaal verslag pas in Mol duor ill? HGB. worden ingezonden, zon dc termijn van quot;25 Dec. vervangen moeien worden dour dien van 15 Maart. Men kan dan, zooals rationeel is, het cijfer ^ler bevolking krijgen, aanwezig op 31 Dec., van het afgeloopen jaar. Beter is hot m. i. echter volstrekt geen datum Ie noemen, maar dit artikel te redigeeren, zooals hoven vermeld.

Art. 47.

liet, bezit van schiet-geweer is alleen aan die Inlandscbe opgozetpnen geoorloofd welke daartoe bekomen hebben eene

-ocr page 55-

schriftelijke vergunning van liet plaatselijk bestuur, die jaarlijks vernieuwd on gratis afgegeven zal worden, zijnde van dit verbod uitgezonderd degenen, die, bij behoorlijke akte van aanstelling, met de uitoefening van eenig openbaar gezag zijn belast, alles op de strallen, bepaald bij art. 14 van bet reglement op den invoer, den verkoop en bet bezit van vuurwapenen en buskruid (Staatsblad no. 58 van 1828).

Ondergaat geene verandering.

A nr. 48.

Ilanenvecbterijen en andere bazardspelen, geen pacbt-middel uitmakende, zijn verboden.

Het spelen van ronggeng, waijang koelit, topping en dergelijken, ter gelegenheid van feesten, huwelijken en godsdienstige plegtigheden, zal op de particuliere landerijen, alleen na bekomen verlof van de plaatselijke autoriteit, mogen plaats vinden, onverminderd de region der pachters van \'s Lands middelen, wanneer deze daarin betrokken zijn.

Dit artikel vervalt om reden in bet politiestrafreglement (art. 2, no. 7, 0 en 10) reeds dergelijke verbodsbepalingen zijn opgenomen.

Anr. 49.

ITot leggen van tidei kommissaire verbanden op particuliere landen en gronden, ten behoeve van onchristonen, blijft in het algemeen belang verboden.

Blijft onveranderd ; alleen wordt voor onchristonen geschreven ; „Inlanders en met hen yelijlccjestelden.quot;

Art. 50.

Aan de landeigenaren is verboden, het houden of gebruiken van een zoogenaamd blok sub poene dat hetzelve zal worden vernietigd en de overtreders aan zoodanige verdere poonaliteiten zullen zijn onderworpen, als de aard

-ocr page 56-

der zaak inogt vorderen; onder dien veislande evenwel, dat aan de inlandsche hoofden, belast met de pollcie op de particuliere landerijen, in liet belang van dezelven, door liet plaatselijk bestuur, de vergunning tot het houden van een blok zal kunnen worden gegeven, uitsluitend echter ter verzekering van verdachte of aan misdaad schuldige personen, en onder uitdrukkelijke bepaling, dat deze in elk geval, wanneer dit mogelijk is, binnen de 24 uren na derzelver opvatting aan den naastbij zijnden bevoegden ambtenaar moeten worden overgeleverd.

Dit artikel vervalt.

liet eerslfi geilucllc van art. 50 is onnoodig, daar op omve Uigo yevaiigenlioiulinj; reeds straf gesteld is bij liet Strafwetboek voorEiiro|ieaiieii (art. 257), en wat bet laatste gedeelte betreft, daarin is reeds voorzien bij bet Wetboek van Slrufvordering.

AUT. 51.

De uitoefening der dagelijksche polilie op de particuliere lander ijen is, onder het ontniddelijk gezag der Europesche en inlandsche ambtenaren, opgedragen aan de, door den landeigenaar gekozene juragans, tjamats, hoofdmandoors, wijkmeesters ol andere inlandsche hoofden, onder welken titel zij mogten bestaan, alle welke personen gehouden zijn de bevelen hen daaromtrent, door of van wege het plaatselijk bestuur te geven, stiptelijk op te volgen en om hunne rapporten ontniddelijk aan dat bestuur in te dienen.

Dit artikel vervalt.

Iliervoren is reeds aangetoond, dat cene herziening van het Reglement van 1836 geen nut heeft, wanneer men niet gelijktijdig de controle op de landerijen verbetert door het aanstellen aldaar van gonvernements-ambtenaren (Emopoesche en Inlandsche). Daarmede wordt dit artikel natnnrlijk overbodig.

-ocr page 57-

5H Art. 52.

Dc landeigenaar is verplicht om in elke verzameling van woningen, welke lor beoordeeling desnoods der plaatselijke autoriteit als eene desa, kampong of dorp, moet worden beschouwd, een inlandsch hoofd te stellen, ter zijner keuze en om aan elk zoodanig dorpshoofd, tot onderhoud, vrij van opbrengsten, in gebruik te geven, eene zoodanige uitgestrektheid sawas, tipars, tjegers, gagas, of andere rijstvelden, als door één man en pén span bulfels kan bewerkt worden, dan wel een stuk tuingrond, van zoodanige uitgestrektheid als gewoonlijk door een man wordt bearbeid. Deze dorpshoofden zullen do functien waarnemen, bij het reglement op de administratie der politie en de regtsvordering onder den Inlander, aan de desa\'s hoofden opgedragen.

De laatste alinea ondergaat de volgende verandering :

Deze dorpshoofden nemen, wat politie betreft, de funcliën waar, die bij het hdandsehe Reglement aan de desahoofden zijn opgedragen

A ut. 53.

Op landerijen, waarvan de bevolking vijf duizend zielen of daarboven bedraagt, zal de landeigenaar bovendien ver-pligt zijn, een algemeen hoofd in dienst te stellen, onder zoodanigen titel als hot plaatselijk gebruik medebrengt, zooals hoold-mandoor, hoofd-Juragati, Tjarnat, \'enz., en aan wien ter belooning zal worden toegelegd, behalve de uitgestrektheid gronds voor de dorpshoofden bepaald, eene maandelijksche bezoldiging van f 5 tot f 30 kopergeld, naar gelang van de uitgestrektheid der landerijen, ter bepaling des noods van hot plaatselijk bestuur.

Deze hooiden aan welke die der dorpen ondergeschikt zullen zijn, zullen de functiën waarnemen bij hot reglement op do administratie der politie en de regtsvordering onder den inlander aan de divisiehoofden opgedragen, behoudens dat, voor zooveel de residentie Hatavia betreft, hun gezag

-ocr page 58-

alleen dat van beambten van politie zal zijn en zij zich zorgvuldig zullen onthouden van do regtspraak, bij het evengetneld reglement, aan de divisie-hoofden toevertrouwd.

Vervalt, om redenen reeds vermeld bij artikel 51.

Art. 54.

Wanneer de landeigenaar nalatig is om de bepaalde inlandsche hoofden op zijne landerijen aan te stellen, zal daarin door de plaatselijke autoriteit, ten zijnen kosto, worden voorzien.

Wanneer een inlandsch hoofd ongeschikt of onwillig wordt bevonden om voor de politie te zorgen, zal de landeigenaar denzelven door eenen anderen moeten doen vervangen, op schriftelijke uitnoodiging van het plaatselijk bestuur.

Ondergaat geene verandering dan alleen dat voor hoofden geschreven wordt; Bdorpshoofden.quot;

/ Art. 55.

De kleine stukjes grond, bekend onder den naam van vrijmanslanden, (tana merdika) welke van genoegzame uitgestrektheid zijn, om op ieder derzelve een afzonderlijk hoofd aantestellen, zullen door do plaatselijke autoriteit in zoodanig getal als zal worden doelmatig geacht, worden vereenigd, onder het opzigt van een algemeen hoofd, onder de benaming van wijkmeester, die in onmiddelijke ondergeschiktheid aan het plaatselijk bestuur, de function zal waarnemen bij het reglement op de administratie der poiicie en de regtsvordering onder den inlander aan de desa\'s hoofden opgedragen Deze inlandsche wijkmeesters zullen, ter belooning van hunne diensten de navolgende heffingen mogen doen als:

a. Voor het verleenen van een permissiehrieije aan inlanders om een huwelijk te mogen vieren, 50 cents.

-ocr page 59-

oo

b. Voor liet uUreikeu van een certificaat van goed gedrag aan inlanders, die zich bij de autoriteit aanmelden willen, tot erlanging van eenen reispaspoort, 5 cents.

c. Voor hot u treiken van een bewijs, houdende dat ei geene bedenkingen bestaan om aan den houder verlol te geven tot hot spelen van rongeng of andere inlandsciie spelen, 25 cents ieder.

Do woorden «bij het reglement op de administratie dor politie en de regtsvordoring onder don inlanderquot; vervallen.

Daarvoor komt in de plaats: «bij het fnlandsche Reglement.quot;

Art. 50.

Onverminderd hunne bevoegdheid tot hot ontvangen der van ouds gebruikelijke geschonken bij feestelijke of andere gelegenheden, zal geen tier inlandsciie hoofden bij de drie voorgaande artikelen bedoeld, noch in geld, noch in producten, iets van de opgezetonon mogen vorderen of genieten, sub poene telkens van eene geldboete of gevangenisstrat overeenkomstig het bepaalde hieronder bij art. 60, of wel van de stralTen op knevelarij bepaald.

«Geen der inlandsciie hoofden bij de drie voorgaande artikelen bedoeldquot; moet veranderd worden in; vGeen dor Inlandsciie hoofden bij de beide voorgaande artikelen bedoeld.quot;

Voor: «sub poene enz.quot; moet in de plaats komen: sub poene van als knevelaar le worden (jeslrafl.

Art. 60 is vci\'vallftn om (lü7,clfilc roden nis artikel 5, dus ilaannoilc ook di\' hii\'i\' genoemde straflicpaling. Maken do lioofdcn zicli sclmldig aan dn in dit artikel genoemde feiten, dan zijn ze strafbaar overeenkomstig de bepalingmi, hij liet Wetboek van Strafrecht voor Inlanders vaslgcsleld.

Aut. 57.

De inlaiidsche hoofden op de particuliere landerijen aan welke in voege voorschreven, het toozigt over de politie

-ocr page 60-

is opgedragen, zullen, hoezeer gekozen en voorgedragen wordende door don landeigenaar, door de plaatselijke autoriteit worden voorzien van eene akte van aanstelling als zoodanig, welke akte, ingeval van ontslag, weder door die autoriteit zal worden ingetrokken.

Blijft onveranderd.

Art. 58.

De opgezetenen der landerijen zijn verplicht, om op de vordering en aanwijzing der beambten van policic, zoodanige wachten en pntrouilles te doen, als voor de veiligheid van personen en goederen noodzakelijk geoordeeld worden.

Blijft onveranderd.

Akt. 59.

Het plaatselijk bestuur zal kennis nemen van allo geschillen tusschen de landeigenaren en hunne opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige regten of verpligtingen. Bijaldien partijen niet in der minne kunnen worden bevredigd, zal het plaatselijk bestuur in de zaak beslissen of wel partijen naar de bevoegde regt-banken overwijzen, overeenkomstig de bestaande bepalingen, onverminderd altoos de bevoegdheid van de Regeering, om in geval van oneenigheden, waardoor de rust mogt worden bedreigd, zoodanige maatregelen te nemen, als het algemeen belang zal vorderen.

Dit artikel moet worden, als volgt;

Dg Hoofden van Plaatselijk Bestuur zijn belast mei do vereffening langs minnelijken weg van geschillen tusschen landeigenaar en opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of verplichtingen. Geschillen, die niet langs minnelijken weg kunnen worden vereffend, zoomede gevallen van overtreding ran dit Reglement worden door den

-ocr page 61-

57

gewonen Hechter beslist, onverminderd de bevoegdheid vaa de Regeoring om in geval van oneenigheden, waardoor de rust mocht worden bedreigd, zoodanige maatregelen te nemen als hel algemeen belang zal vorderen.

Do bevoegdheid om in deze zaken Ic beslissen is bet Plaatselijk bostuur ontiioinen bij Cionv. Hesluit, dd. 7 Nov. 1875 no. 47 en overgedragen aan den gewonen burgerlijken rechtcr.

A UT. 00.

De plaatselijke autoriteit is bevoegd om kennis te nemen van en zonder liooger beroep te beslissen in alle gevallen van overtreding, of inbreuk op de bepalingen bij het tegenwoordig reglement vastgesteld, en om, wanneer geeno speciale poenaliteiten of straften zij» voorgeschreven, de navolgende op te loggen als:

Voor zoo veel Europeanen, derzelvor afstammelingen en daarmede gelijkstaande personen betreft eene geldboete van hoogstens f 50 of eene gevangenis van hoogstens acht dagen.

Voor znovcel aangaat Inlanders en daarmede gelijkstaande personen:

a. eene geldboete van ten hoogste f 25;

b. eene gevangenis var. niet langer dan veertien dagen;

c. rottingslagen, het getal van \'25 niet te bovengaande;

d. ten arbeidstelling aan de publieke werken, voor den lijd van hoogstens drie maanden, buiten den ketting, voor de kost zonder loon.

Vervalt geheel, om dezelfde reden als artikel 5

Aut. 01.

Het tegenwoordig reglement maakt geene verandering in de speciale voorwaarden en servituten, onder welke sommige landerijen zijn overgegaan in particulier eigendom, voorzooveel dezelve niet strijdig zijn met do alge-rneene bepalingen, vooikomende in het reglement op het

-ocr page 62-

58

beleid der Regering en speciaal in art. 83, 110 en 111 van hetzelve.

Dit artikel dient, veranderd te worden als volgt: DU Reglement doel alle speciale voorwaarden en ser vil uien onder welke sommige landerijen zijn overgegaan in particulier eigendom, die niet, vermeld zijn in den aan dit Reglement geheehlen slaat, te niet.

Mij dunkt heler ;illo speciale voorwaarden nn serviluten, waarop nog prijs geslold wordl, Ic vereenigen in een aan dit Keglemeiit ge-hcchteii slaat. De Plaatselijke ambtenaren zijn niet altijd lickeml met de, koopcontracton van alle partirnliere landerijen en dns ook niet mot de speciale voorwaarden en servilutcn en maken dientengevolge llians wel eens «blundersquot;.

Zooals liiervoren gebleken is mag van verschillende be-])alingen van het Reglement, op de particuliere landerijen worden algeweken doormiddel van overeenkomsten tus-scben landeigenaren en opgezetenen. Ten einde de misbruiken dienaangaande, waarover op blz. 12 gesproken is, te beperken, komt liet mij noodzakelijk voor eenige speciale artikelen, op die overeenkomsten betrekking hebbende, aan bot Reglement toe te voegen, en wel van den volgenden inbond:

Elke overeenkomst, in dil Reglement bedoeld, moei zijn schriftelijk Zj wordl eerst geldig na goedkeuring en behoorlijke registratie door hel Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Vóór het rcgislreeren eener dergelijke ai\'er eenkomst zal door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur nauwkeurig worden nagegaan of de bepalingen van Staatsblad 1838 no. 49 en 1863 na. 152 slip lelijk zijn opgevolgd, om alleen in het bevestigend geval de registratie te bewerkstelligen.

Het aangaan van die overeenkomsten mondeling dan wel schriftelijk zonder registreering is den landeigenaren verboden, sub poene eener geldboete van f 1000 tot f 10000, dan wel

-ocr page 63-

59

verwijdering overeenkomstig artikel 38 van dit Reglement. Van alle hier bedoelde overeenkomsten tusschen de landeigenaren en do opgezetenen, zoomede van dit Reglement, zullen van wege het Hoofd van Plaatselijk Bestuur bekendmakingen en aanplakkingen gedaan worden in de desa\'s.

Daat\' de Inlanders 0|i de particuliere landerijen altijd in eene af-liankolijke positie zijn tegenover de landeigenaren, lichoeven zij ten aanzien dor bedoelde overeenkomsten eene bijzondere bescherming, on aclil ik mitsdien eene verbodsbepaling als boven noodzakelijk.

I

I

-ocr page 64-

Proeve eener herziening van het Reglement van 1836 (Stbl. no. 19).

Rcchtcn A UT. 1.

van den

Staat

De onvervreemdbare rechten van hot Gouvernement, die door den verkoop of afstand van landerijen onaangeroerd zijn gebleven, zijn:

a. do bescherming van alle opgezetenen, zonder onderscheid, en hel nemen van do daaitoe gevorderde maatregelen ;

b. ile administratie der Justitie en Politie, zoo in hot lijfstrallelijke als burgerlijke, cn al wat strekken kan tot bewaring der rust en tot bevordering der algemeene veiligheid;

c. de beschikking over de opgezotenen tot wering van allo rampen en onheilen, waarmede de staat bedreigd cl\' bezocht wordt;

d. het opleggen van belastingen reëel ol\'personeel, direct of indirect, mits niet noodzakelijk verminderende de hellingen bij dit Reglement aan den landeigenaar toegekend;

e. het beheer van groote wegen, bruggen, sluizen, kanalen en alle werken, bestemd ten algemeenen nutte en voorde groote communicatiën to land of te water;

f. alle hooge souvoreine rechten zonder uitzondering, die niet in bijzondere gevallen ex plcniludine poleslnlis door het Gouvernement uildmkkelijk aan de landeigenaren zijn of worden afgestaan of toegekend, om door hen bij delegatie (en niet andot s) te worden uitgeoefend.

-ocr page 65-

01

rondbe- Aut. 2.

t.

Uit krachte van het direct eigendomsrecht, inden landeigenaar gevestigd, is hij bevoegd tot het iieiren van een aandeel in den oogst of de opbrengst van alle gronden, die door de Inlandsche bevolking bebouwd of vruchtgevende gemaakt zijn of worden.

Aan hem belmoren alle woeste gronden en alle gronden, welke onder art 3 vallen, doch geabandonneerd zijn, zoomede de bosschen, bamboezen, arenboomen en andere natuurlijke voortbrengselen des lands, niet voorkomende op gronden, bedoeld bij art. 3, met dien verstande evenwel, dat aan de opgezetenen de vrije beschikking blijft, zonder voorafgaande vergunning van wien ook, over de weiden voor hun vee en over alle bosschen zonder onderscheid lot het vergaderen van bamboe, rottan, alang-alang, brandhout en verdere dagelijksche benoodigdheden (geen arensap), mits deze bestemd zijir voor eigen gebruik en niet ton verkoop.

Het doortrekken var) karren en vee en het rusten en weiden daarvan op woeste gronden, mag niet worden belet anders dan om gewichtige redenen, ter booordeeling van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Art. 3.

Alle gronden door de Inlandsche bevolking metterdaad bebouwd, bewerkt en onderhouden voor.eigen rekeningen risico, worden verstaan haar in erfelijk individueel bezit te zijn uitgegeven, onder voorwaarde van aan den eigenaar op te brengen het hem toekomende aandeel in den oogst en van de verdere op haar rustende verplichtingen na te komen.

Ontginning door de bevolking voor eigen rekening en risico van terreinen, bedoeld bij art. 2, raag alleen geschieden met toestemming van den landheer.

-ocr page 66-

Art. 4.

Do Inlaudsche bevolking mag haar erfelijk individueel bezitsrecht op den grond verkoopen en vervreemden aan Inlanders en daarvan niet verstoken geraken dan op de wijze bij dit Reglement bepaald

Het verkoopen en vervreemden van dat recht aan niet-Inlanders is haar verboden. Alle overeenkomsten, die zoodanige vervreemding, rechtstreeks of zijdelings ten doel bobben, zijn van rechtswege nietig.

Eerst wanneer de Inlandsche rechthebbenden van hun erfelijk individueel gebruiksrecht hebben afgezien en zij daarvoor behoorlijk zijn schadeloosgesteld, hetwelk moet geconstateerd worden door eene commissie, door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur te benoemen, en alzoo de grond weder vrij domein geworden is van den landeigenaar, kan hij door dezen aan niet-Inlanders worden uitgegeven.

Verhuur door de Inlandsche opgezetenen van de erfelijk individueel bezeten gronden aan niet-hdanders is geoorloofd, mits in acht genomen worden de regelen, daaromtrent voor de gouvernementslanden gesteld.

Aut. 5.

Wanneer de landeigenaar ongecultiveerde en nog niet in erfpacht uitgegeven gronden voor zijne rekening en risico en door eigen middelen laat bewerken door daglooners, worden dezen niet beschouwd erfelijk individueele bezitters te zijn van den grond, dien zij bearbeiden.

Aut. 6.

De landeigenaar mag over geen gronden, bedoeld bij art. 3, anders dan bij minnelijke overeenkomst beschikken, mot inachtneming van het bepaalde bij artikel 4.

Art. 7.

De opgezetenen zullen geen hoornen, hoegenaamd, om-

-ocr page 67-

(gt;3

hakken, uilgravon of vernietigen, zonder toestemming van den landeigenaar, ook dan als liet hout, ingevolge art. 2, voor eigen huishoudelijk gebruik is bestemd.

Boomen, voorkomende op gronden, door de Inlanders erfelijk individueel bezeten of in huur genomen, mogen evenmin door hen worden omgehakt, dan alleen met toe-stemrning van den landeigenaar, ter beslissing, indien noodig, door bet Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Art. 8.

De opgezetenen mogen de buizen, opstallen, pondokken of andere gebouwen, door ben op den grond van den landeigenaar gebouwd, niet zonder zijn voorkennis en toestemming afbreken of naar een ander landgoed verplaatsen, ten ware zij die zonder bouwstolTen van den landeigenaar hebben opgebouwd of daarvan op een andere wijze den vollen eigendom hebben verkregen. Desniettemin mogen die buizen, opstallen, pondoks of andere gebouwen aan opgezetenen van hetzelfde landgoed, dan wel aan andere personen, die zich met voorkennis van den landeigenaar daarop komen vestigen, worden verkocht.

Art. 9.

Ifet recht van jacht en visscberij behoort, aan den landeigenaar; niemand mag zijns ondanks van dat recht op zijn grond gebruik maken, onder dien verstande evenwel, dat bet visschen in de r ivieren, zoomede het vangen van vogels met strikken of nelten en het vernielen van schadelijk en verscheurend gedierte, rriet aan de opgezetenen kan worden belet op de gronden bedoeld in art. 3 of van den larrd-eigenaar gebuurd.

Art. 10.

De opgezetenen zullen volgens de thans bestaande gewoonte hij de aftapping van siloe\'s, rawa\'s en andere

-ocr page 68-

04

waterplassen daarin kunnen visschen, mits eou vijfde gedeelte der vangst aan den landeigenaar afgevende.

Recht van A UT. 41.

verblijf.

De eigenaar mag eigener autoriteit geen opgezetenen (Inlanders en niet-Inlanders) van zijn landgoed verwijderen of doen verhuizen, maar kan hen, die noch vaste woonplaats, noch wettigen bekend middel van bestaan hebben, en verdacht worden van rondzwerving, lediggang of slecht gedrag, bekend maken aun het Hoofd vau Plaatselijk Bestuur, dat dan zal onderzoeken in hoever er termen bestaan tot landruiming of wel tot terechtstelling of verwijdering van den beklaagde overeenkomstig de op dat stuk bestaande bepalingen.

v A UT. 12.

Nieuwe opgezetenen (Inlanders en niet-Inlanders) mogen zich tegen den wil des landeigenaars niet op het landgoed metterwoon nederzetten.

A UT. 13.

Van het bepaalde bij het voorgaande artikel zijn echter uitgesloten de personen, die door of van wege het Gouvernement met eenig ambt of gezag bekleed zijn, waarvan de uitoefening het verblijf op eenig landgoed noodzakelijk maakt.

A ut. 14.

Als voor het plaatsen der woningen van landsdienaren en ambtenaren of voor eenig ander oogmerk van algemeen belang, zooals het aanleggen van wegen, kanalen, sluizen, bruggen, ges ich en en wat al meer, een afstand van grond wordt gevorderd, zal deze, bij wijze van onteigening ten algemeenen nutte en tegen billijke schadeloosstelling, plaats hebben, ten ware bepalingen ter contrarie voorkwamen in de oorspronkelijke voorwaarden, waarop sommige landerijen zijn vervreemd geworden.

-ocr page 69-

65

Uflttingoii Art. 15.

iloor do

landoigo- Do laiulci^oiiaroii mogen goen iindevo heffingen van do naren, opoe/el en en linnner landen vorderen, dan die uitdrukkelijk hij dit Reglement bepaald zijn.

A ut. 10.

Geoorloofd zijn de volgende heffingen;

a. de Ijoeké, die geheven wordt hij het snijden van de padi of katjang, en afhangt van de hoegrootheid van het gewas;

b. de tuinhuur, waaronder wordt verstaan de huur der gronden met vruehtboornen en andere gewassen (doch niet met rijst of katjang) beplant;

c. de grondhuur, die geheven wordt van de kleine stukjes grond, waarop (met uitsluiting der tuinen) de huizen der opgezetenen gebouwd zijn, aan welke heffing echter niet onderhevig zijn de stukjes grond, waarvan reeds tjoeké dan wel tuinhuur aan den landeigenaar wordt opgebracht.

Art. 17.

Üe hoegrootheid dier heffingen regelt zich naar de gebruiken en erkende gewoonten van elk landgoed. In het algemeen echter zullen zij nimmer meer mogen bedragen dan het één vijfde gedeelte van het werkelijke gewas (bruto-opbrengst zonder aftrek van snij- of plukloon).

Art. 18.

De heffingen hebben plaats in natura bij het snijden van het gewas, zoowel voor de aandeelen van den eigenaar in de opbrengsten der sawahs of natte rijstvelden als voor die der gaga\'s, tipars, tjègèrs en andere droge velden; onverminderd de bevoegdheid van den landeigenaar om

bij vrijwillige overeenkomst met do opgezetenon cone heffing

-ocr page 70-

in geld le bedingen. Tegen den tijd dat het gewas rijp is om gesneden te worden geeft de landbouwer hiervan kennis aan het betrokken desahoofd, dat hiervan onmid-delijk mededeeling doet aan den demang of welk ander Inlandsch hoofd over hem gesteld is, welke laatste verplicht is binnen acht dagen na de kennisgeving van den landbouwer den taxateur te zenden.

Deze bepaalt het aandeel van den landheer in tegenwoordigheid van den betrokken landbouwer, hel betrokken desahoofd of van een der leden van het desabestuur.

De landbouwer legt daartoe zijn product in vijf rijen of vijf hoopen en de taxateur kiest er een voor den landheer uit.

Is na verloop van die acht dagen de taxateur nog niet vei schenen, dan mag de landbouwer zijn gewas snijden en zelf de opbrengst bepalen. Geeft daarentegen de landbouwer geen kennis van het rijp worden van zijn gewas of snijdt hij dit binnen den termijn, zonder op de komst van den taxateur te wachten, dan bepaalt de landheer, buiten den betrokkene om, zijn aandeel als tjoekéhelfer.

De heffing op de rijstvelden geschiedt in padi en mag niet in rijst gevorderd worden dan bij vrijwillige overeenkomst tusscben den eigenaar en de opgezetenen.

A nr. 19.

De landeigenaar mag geen grondlast hellen ter zake van den oogst van een vroeger jaar, sub poene van als knevelaar te worden gestraft.

Wanneer de aard van sommige cultures overjarige verrekeningen volstrekt vordert, zal daaromtrent tusscben den landeigenaar en de betrokkene opgezetenen eene overeenkomst moeten worden gesloten.

Art. 20.

De tuin- en grondhuur wordt geheven in geld, waarvan het bedrag jaarlijks bepaald wordt bij overeenkomst 1.us-

-ocr page 71-

07

sclicn don lanrthficr nn de opgnzotenen. Kunnen partijen niet tot eene overeenkomst treffen, clan wordt de aanslag geregeld en vastgesteld door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur met inachtneming van hot bepaalde bij art. 17.

Diensten A RT. 21.

en vrijo

arbeid. ]3C eigenaar heeft liet reclit om van dc mannelijke op-gezetenen van zijn landgoed, tegen genot van een kati ongekookte rijst, één dag arbeid in de week te vorderen tot, liet aanleggen of herstellen van binnenwegen, hot graven van waterleidingen, hel snijden van gras, het doen van wachten bij woon- en pakhuizen, en het verrichten van andere werkzaamheden te beoordeelen door het hoofd van Plaatselijk Bestuur, hij welke heoordeeling de gebruiken en gewoonten van elk landgoed in het bijzonder moeten gevolgd worden. (1)

I Indien deze arbeid gevergd wordt op een grooteren afstand

dan vijf palen tusschen de plaats der werkzaamheden en de woningen der opgezetenen, zal aan eiken arbeider buitendien twee cents voor lederen paal afstands worden betaald na het einde van den dag. In geen geval mag die afstand meer bedragen dan acht paal.

Van de heerendiensten zijn verschoond:

a, alle personen, die den ouderdom van 14 jaren nog niet of dien van 50 jaren reeds bereikt hebben;

h. alle zieken en verminkten;

c. allen, die volgens de Inlandsche gewoonten vrij zijn van persoonlijken arbeid en voorts, allen, die, ter beoordeeling zoo noodig van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur, kunnen aantoonen wettige redenen van verhindering te hebben.

Het komen en gaan der heerendienstplichtigen van en naar hunne woonplaats zal onder den arbeid worden ge-

(1) liet ia nog boter, indien zulks mogelijk is, dio werkzanmhoden hier bij name tc noemen.

-ocr page 72-

rekend, zoadat ieder steeds zes volle dagen in de week voor zich zelven zal behouden.

liet lalen uitkomen der heerendienstplichtigen meerdere dagen achtereen is verboden, tenzij daaromtrent met de betrokkenen een vrijwillige overeenkomst is gesloten

Elke heerendienstplichtige hoeft het recht om een plaatsvervanger te stellen, mits deze den vereischten leeftijd tiisschen 14 en 50 jaar heeft en lichamelijk niet ongeschikt is voor arbeid.

De heerendienstplichtigen zijn niet verplicht tot eenige levering, hetzij betaald of onbetaald, van materialen of andere goederen, die hun bijzonder of gemeentelijk eigendom zijn. Alleen zijn zij verplicht hunne patjols, goloks ofbedoksen arits, zoo noodig, op het werk mede te brengen, teneinde die aldaar te gebruiken.

Art, 22.

De opgezetenen zijn verplicht het aandeel des landeigenaars in de opbrengsten van den door ben bebouwden grond, bedoeld bij art. 3, zonder betaling naar diens pakhuizen te vervoeren en aldaar af te leveren, de padi droog, mits ile pakhuizen niet verder dan vijf palen van de woningen •Ier opgezetenen gelegen zijn.

Voor de levering van droge padi wordt op den aanslag der tjoekó van bet brutogewas eene reductie van 25% toegestaan.

Art. 23.

De opgezetenen zullen tot geen andere onbetaalde diensten door den landeigenaar worden gebezigd. Alle diensten, niet in de beide vorige artikelen vermeld, moeten in vrijen arbeid plaats vinden.

Art. 24.

Het is den landeigenaar geoorloofd om met de opgezetenon zijns landgoeds een vrijwillige overeenkomst to treilen

-ocr page 73-

09

waarbij zij de heerendieuslen, die zij verschuldigd zijn, vuur eene betaling in geld of oene levering van producten afkoopen.

Art. 25.

Wanneer door het Gouvernement de diens-ten der opgezetenen worden vereischt ten algemeenen nutte, zal de oproeping door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur onmiddellijk aan de Inlandsche hoofden worden gericht, buiten bemoeienis van den landeigenaar, die hieraan geen verhindering ol moeielijkheid zal mogen toebrengen.

A ut. 26.

Het ontginnen en bebouwen van gronden, hot cuilivceron of leveren van bijzondere voortbrengselen, die do Inlander niet gewoon is uit vrije verkiezing te verbouwen, het oprichten van fabrieken, in één woord, alle ondernemingen, die ile landeigenaar voor eigen profijt, risico en rekening aanvangt, moet hij tot stand laten brengen in vrijen arbeid.

Art. 27.

Huurlingen, die voor een tijdvak van meer dan drie maanden worden in dienst genomen ten behoeve van ontginningen, cultures, fabrieken en andere belangrijke ondernemingen of werken, en niet behooren tot de opgezetenen van het landgoed, zullen door den eigenaar bij het Hoofd van Plaatselijk Bestuur worden aangegeven.

Art. 28.

Van deze aangifte zal worden aangelegd een register, hetwelk zal inhouden:

a. de namen der ondernemers;

b. de namen der gehuurde arbeidslieden;

c. de plaats, waar zij zijn gehuurd en tehuis behooren;

d. het werk, waartoe zij zijn gehuurd en

e. de voorwaarden waarop.

-ocr page 74-

70

Aiit. 29.

Zoodanige buur zal voor niet langer dan 3 jaren mogen worden aangegaan.

Na verloop van dien lijd zal zij kunnen worden vernieuwd ten overstaan van de plaatselijke autoriteit, die zal moeten zorgen, dat daarbij vrijwillig en zonder dwang worde te werk gegaan.

Art. 30.

De ondernemers, dio arbeidslieden langer aanhouden dan de overeenkomst gedoogt, zullen aan elk hunner voor iedere maand, dat zij aldus zijn aangebonden, betalen f \'10,— boven bet loon, bij de oorspronkelijke overeenkomst bedongen.

A ut. 31.

Met de regeling der cjemecntelijke diensten mag de landbeer zicb noch rechtstreeks, noch zijdelings inlaten Zij worden geregeld door het desahoofd in overleg met de bevolking, onder toezicht en goedkeuring van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Publieke A rt. 32.

werken.

Geen dammen, doorgravingen, waterleidingen, wegen, bruggen of andere werken, waarbij het Gouvernement of derden belang hebben, mogen zonder vergunning van bet Hoofd van Plaatselijk Bestuur worden aangelegd, verplaatst, verlegd of verstopt, sub poene van dadelijk her.stel of wegruiming door tusschenkomst van \'s Lands ambtenaren op kosten van dengene, die zich aan de overtreding heeft schuldig gemaakt en onverminderd eene geldboete van hoogstens f 500, naar gelang der omstandigheden, tor bepaling van den rechter.

-ocr page 75-

71

A UT. 33.

Hol maken, repareeren on berijden der groolo wegen, het aanleggen en onderhouden van publieke bruggen, sluizen, kanalen en waterleidingen; het aftappen van water voor den landbouw en andere doeleinden, het zuiveren dei-rivieren en waterloopen en het herstellen hunner oevers en al wat verder met deze aangelegenheden in verband staat, wordt van tijd tot tijd op hoog gezag geregeld, geldende dienaangaande nu reeds de bepalingen, voorkomende in het aan dit Reglement gehecht besluit.

Voorzooveel betrell groote wegen, bruggen, sluizen, kanalen en alle werken bestemd ton algemeenon nutte en voor de groote communicaliën te water, draagt het Gouvernement de kosten aan den aanmaak, de herstelling of het onderhoud verbonden. De landeigenaren dragen in deze kosten bij, voorzoover zij nut uit die werken trekken, te beoordeelen en te ramen door oene vanwege do Rogeering te benoemen commissie, bestaande uit ambtenaren en landeigenaren. Do bijdrage der landeigenaren kan geschieden in geld of in heerendienstplichtigen. In het laatste geval rekent do arbeid, door die heerendienstplichtigen verricht, in mindering van liet verplicht aantal dagen, gedurende welke zij voor de landheeren in heerendienst moeten uitkomen.

Folitio on AUT. 34.

Justitie.

De landeigenaar is verplicht om in elke verzameling van woningen, welke, ter beoordeeling desnoods van de plaatselijke autoriteit, als een desa, kampong of dorp moet worden beschouwd, een Itilandsch hoofd te stollen, ter zijner keuze, en om aan elk zoodanig dorpshoofd tot onderhoud, vrij van opbrengsten, in gebruik te geven eene zoodanige uitgestrektheid sawah\'s, tipars, tjégérs, gaga\'s of andere rijstvelden, als door één man en een span buffels kan bewerkt worden, dan wol een stuk tuingrond van zoodanige uitgestrektheid als gewoonlijk door één man wordt bearbeid.

-ocr page 76-

TI

Deze dorpshoofden nemen, wat politie betreft, de fiinctiöu waar, die bij het Inlandsche Reglement aan de desahoofden zijn opgedragen.

Art. 35.

Wanneer de landeigenaar nalatig is om de bepaalde dorpshoofden op zijne landerijen aan te stellen, zal daarin door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur ten zijnen koste worden voorzien.

Wanneer een dorpshoold ongeschikt of onwillig wordt bevonden om voor de politic te zorgen, zal de landeigenaar hem door een anderen moeten doen vervangen, op schriftelijke uitnoodiging van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Auï. 150.

De kleine stukjes grond, bekend onder den naam van vrijmanslanden (tanah merdika), welke van geene genoegzame uitgestrektheid zijn om op ieder daarvan een afzonderlijk hoofd aan te stellen, zullen door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur in zoodanig getal als zal worden doelmatig geacht, worden vereenigd onder liet opzicht van een algemeen hoofd onder de benaming van wijkmeester, die, in onmiddellijke ondergeschiktheid aan het Hoofd van Plaatselijk Bestuur, de functiën zal waarnemen bij bet Inlandsche Reglement aan de desahootden opgedragen. Deze Inlandsche wijkmeesters zullen tor belooning van hunne diensten de navolgende helfingen mogen doen, als:

a. voor het verleenen van een permissiebriefje aan Inlanders om een huwelijk te mogen vieren, 50 cents;

b. voor bet uilreiken van een certificaat van goed gedrag aan Inlanders, die zich bij de autoriteit aanmelden willen tol erlanging van een reispaspoort, 5 cents;

(•■. voor hot uitreiken van een bewijs, houdende dat er geene bedenkingen beslaan om aan den houder vet lof Ie geven lot het spelen van ronggeng dl andere inlaiidsclie spelen, \'25 cents ieder.

-ocr page 77-

Art. 37.

Onverminderd hunne bevoegdheid tot het ontvangen dei-van ouds gebruikelijke geschenken bij feestelijke of andere gelegenheden, zal geen der Inlandsche hoofden bij de beide voorgaande artikelen bedoeld, noch in geldnoch in producten, iets van de opgezetenen mogen vorderen of genieten, sub poene van als knevelaar te worden gestraft.

Art. 38.

De Inlandsche hoofden op de particuliere landerijen, aan wien in vooge voorschreven hot toezicht over do politie is op-gedragen, zullen, hoezeer gekozen en voorgedragen wordende door den landeigenaar, door het Hoofd van Plaatselijk Bestuur worden voorzien van een akte van aanstelling als zoodanig, welke akte, ingeval van ontslag, weder door dio autoriteit zal worden ingetrokken.

Art. 39.

De opgezetenen der landerijen, zoowel Inlanders als met hen gelijkgesteMen, zijn verplicht om op de vordering en aanwijzing der beambten van politie zoodanige wachten en patrouilles te doen als voor de veiligheid van personen cn goederen noodzakelijk geoordeeld worden.

Art. 40.

Omtrent de oprichting, enz., van bazaars of markten geldt liet bepaalde bij Staatsblad 1860 no. 00.

Art. 41.

Het bezit van schiet-geweer is alleen aan die Inlandsche opgezetenen geoorloofd, die daartoe bekomen hebben eetio schriftelijke vergunning van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur, welke jaarlijks vernieuwd en gratis afgegeven zal

-ocr page 78-

74

worden, zijnde van dit verbod iiilgezoiulord zij, die bij behoorlijke akte van aanstelling met do uitoefening van eenig openbaar gezag zijn belast, alles op de stralfen bepaald bij art. 14 van het reglement op den invoer, den verkoop en het bezit van vuurwapenen en buskruid (Staatsblad 1828 no. 58.)

Art. 42

De Hoofden van Pl.iatselijk Be-tuur zijn belast met de vereffening langs minnelijken weg van geschillen tuamp;schen landeigenaren en opgezetenen omtrent opbrengsten, diensten en wederkeerige rechten of verplichtingen. Geschillen, die niet langs minnelijken weg kunnen worden vereffend, zoomede gevallen van overtreding van dit Reglement, worden door den gewonen rechter beslist, onverminderd do bevoegdheid van de Regeering om in geval van oneenig-heden, waardoor de rust mocht worden bedreigd, zoodanige maatregelen te nemen als het algemeen belang zal vorderen.

A rt 43.

Do Hoofden van Plaatselijk Bestuur zijn verplicht te waken voor de richtige nakoming der bepalingen van dit Reglement en der daaruit voortgevloeide overeenkomsten.

Art. 44.

Landeigenaren, die andere meerdere of hoogere opbrengsten en diensten van hunne opgezetenen vorderen dan bij dit Reglement uitdrukkelijk zijn toegestaan,quot; of die verzuimen om op den voet, daarbij bepaald, ten opzichte hunner opgezetenen te handelen, zullen ter zake van knevelarij en misbruik van gezag vervolgd worden.

Art. 45.

Wanneer de Regeoring hot persoonlijk verblijf van een landeigenaar op zijn landgoed schadelijk acht voor de openbare rust, zal hem dat kunnen worden ontzegd.

-ocr page 79-

75

ART. 40.

Wanneer personen, die als huurders, vruchtgebruikers, administrateurs, pachters of onder eenigen anderen titel in de plaats van de eigenaren der particuliere landerijen of hunne rechtverkrijgenden optreden, zich schuldig maken aan handelingen, bij dit Reglement aan de eigenaren verboden, zijn op ben dezelfde straffen van toepassing, bedreigd togen de landeigenaren, die zoodanige handelingen plegen.

ART. 47.

Landeigenaren, die buiten Nederlandscb-Indië woonachtig zijn, zullen, bij eene in rechten geldige akte, zich ter zake van bun landeigendom justiciabel stellen te Batavia, en aldaar domicilium citandi et excecutandi moeten kiezen.

Jvoreon- A KT. 48.

[omston.

Elke overeenkomst, in dit Reglement bedoeld, moet zijn schriftelijk. Zij wordt eerst geldig na goedkeuring en be-hoorlijke registratie door bet Hoofd van Plaatselijk Bestuur.

Vóór bet registreeren eener dergelijke overeenkomst zal door het Hootcl van Plaatselijk Bestuur nauwkeurig worden nagegaan of de bepalingen van Staatsblad 1838 no. 49 en 1863 no. 152 stiptelijk zijn opgevolgd, om alleen in bet bevestigend geval de registratie te bewerkstelligen.

Het aangaan dier overeenkomsten mondeling dan wel schriftelijk zonder registratie is den landeigenaren streng verboden, sub poene eener geldboete van /\' 1000— tot / 10000.—, dan wel verwijdering overeenkomstig art. 45 van dit Reglement.

ART. 49.

Van alle in het vorige artikel bedoelde ovoieenkomsten tusschen de landeigenaren en do opgezetenen, zoomede van dit Reglement, zullen vanwege het lloold van Plaatselijk Bestuur bekendmakingen en aanplakkingen gedaan worden in de desa\'s.

-ocr page 80-

A ut. 50.

Onder opgezetenen worden in dit Reglement verstaan Inlanders, tenzij anders is bepaald.

Algemoe- AftT 51.

nc bepalingen. De landeigenaren zijn gehouden om aan liet Hoofd van Plaatselijk Bestuur, lot wiens ressort hunne landgoederen behooren, alle statistieke opgaven te verstrekken, die van hen mochten gevorderd worden.

Anr. 52.

Het leggen van fideikommissaire verbanden op particuliere landen eu gronden, ten behoeve van Inlanders en met hen gelijkgestelden, blijft in het algemeen belang verboden.

Art. 5;!.

Dit Reglement dool alio speciale voorwaarden en servituten onder welke sommige landerijen zijn overgegaan in particulier eigendom, die niet vermeld zijn in den aan dit Reglement gehechten staat, to niet.

-ocr page 81-

ERRATA.

Jilz C regel 10 v. b. staat; allen, lees: alleen.

„ 7 „ 14 011 15 v. b. Do woorden op de particuliere landerijen

moeten wegvallen. „15 „ 5 v. o. staat: moet enz. lees: moeien zij geheel of yedeel-lelijk onteigend worden en moet de landheer daarvoor worden schadeloosgesteld. „10 „ 19 v. b. staat; het, lees: dat.

„ 40 „ 10 v. o. staat: hem, lees; hen.

i

-ocr page 82-
-ocr page 83-
-ocr page 84-
-ocr page 85-
-ocr page 86-
-ocr page 87-