^--------
—-
■
Voorrede.
Niettegenstaande reeds menige pe7i tot lof van den H. Antonius van Padua Jieeft bij gedragen, /cah er 7iocIUa7is 7itet genoeg gezjvevd worden, om de liefde tot, en het vertrouwen op den Heilige, die voortdurend in de Kerk Gods door schitter eudc wonder en uitblinkt, aan te wakkere7i.
Een korte levensbeschrijving des heiligen, eenige der ontelbare wo7i-deren, welke door zijyio voorspraak geschied, e7i aa7i authentieke bronne7i zijn ontleend, benevens vele geb eden, hem ter eere, vormen dit werkje tot ee7i stichtend gebedenboekje voor kerk e7i huis.
Mo get gij, waarde lezer, uit dit
weinige rijken zegen putten voor licltaam en ziel.
Alles tot meerdere eer van God en Zijnen trouwen dienaar den H. Antonius van Padua.
Bij de heiligverklaring schreef Paus Gregorius IX\\ tDe H. Anto-Tgt;nius, die thans in den Hemel woont, Tgt;is op aarde verheerlijkt door vele iw onder en, welke dagelijks bij zijn tgraf geschieden, en wier echtheid vdoor geloofwaardige getuigen is nbevestigdquot;
DE SCHRIJVER.
KOETE lETENSBESCHEUrafi
VAN DEN
H. ANTONIUS VAN PADUA.
„De vrucht des gererJitigen is een hoorn des levens, en die harten inneemt is een wijze.\'1
Spreuken v. Sal om. XI, 30.
De H. ANTONIUS werd in het jaar 1195 te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, uit een adelijk geslacht geboren en ontving in het doopsel den naam van Ferdinand. Zijn vader, Martin van Bellones, was koninklijk rentmeester, en zijne moeder, ecne godvreezende vrouw, met name Maria, stamde af van het oud aanzienlijk geslacht Trevera. Beiden stelden meer prijs op de deugd dan op hunnen adel; daarom streefden zij er met zorg naar, om hun zoon niet zoozeer eene adelijke, dan wel eene echte christelijke opvoeding te geven. Onder de leiding van eemge vrome domheercn deiquot; ka-
thedraal, wijdde de godvruchtige jongeling zich aan de wetenschappen en maakte door vlijt zulke vorderingen in kennis en deugd, dat hij op den leeftijd van 15 jaren reeds het besluit nam, om de zuiverheid en den vrede zijns harten voor altijd te bewaren, aan de bedriegelijke genoegens der wereld te verzaken en zich te begeven tot de kloosterlijke eenzaamheid.
Met toestemming zijner ouders trad hij alzoo te Lissabon in het klooster der Augustijnen en legde daar den grondslag tot zijn toekomstig heilig leven. Doch het talrijk bezoek zijner bloedverwanten verstrooide zijn hart, dat altijd met God bezig was, zoozeer, dat hij zijnen overste verzocht, hem naar een eenzaam klooster te zenden.
Hij ging alzoo naar Coimbra in het klooster, het H. Kruis genaamd, waar hij 8 jaar lang in
de grootste verborgenheid en strengste boetvaardigheid leefde. Zijn stil, zachtmoedig en vlekkeloos gedrag verwekte de bewondering van al zijne medebroeders en zijne verhevene deugden strekten het geheele klooster tot voorbeeld. Dag en nacht verdiepte hij zich in de gewijde wetenschappen en bestudeerde, voornamelijk de H. Schrift en de werken der kerkvaders, waardoor hij zich, zijne voortreffelijke geestesgaven in aanmerking genomen, tot den indrukwekkenden prediker vormde, die uit eigen overtuiging sprak, overal doordrong tot het menschelijk hart en op die wijze grooten zegen in de Kerk verspreidde. Door liefde tot het gebed en de grondige overweging der goddelijke waarheden, hield hij zijnen geest immer helder en opgebeurd, en bereikte aldus die verhevene volmaaktheid, waardoor hij schit-
terde in de strenge orde van den H. Franciscus.
In het achtste jaar van Antonius\' verblijf in het klooster te Coimbra, bracht Don Pedro, infant van Portugal, de lichamen der vijf eerste martelaren van de orde des H. Franciscus, kort te voren door de ongeloovigen te Marocco vermoord, naar Spanje over, en zette die te Coimbra in de kloosterkerk bij. Het aanschouwen dezer heilige reliquiën maakte op Antonius een zoo diepen indruk, dat hij in zijn binnenste een brandend verlangen voelde, om zijn bloed voor Jesus te vergieten. gt; Voor U,quot; sprak hij meermalen tot zichzclven, * heeft de Zaligmaker zijn leven en bloed opge-
gt; off er d. en wat hebt gij tot dusverre tvoor Hem gedaan ? O kon toch
gt; ook ik een offer de? liefde, een * martelaar worden! Daar het zielsverlangen, om bloedgetuige van
Jesus te worden, voortdurend groo-ter werd en hij hiervoor geen beter gelegenheid meende te kunnen vinden, dan wanneer hij in de orde van den H, Franciscus trad; zoo wendde hij zich tot zijne oversten, teneinde hurne toestemming daarvoor te bekomen. Aanvankelijk maakten deze veel bezwaar, want zij wilden den alleszins bekwamen broeder niet gaarne missen. Als zij evenwel de roeping Gods erkenden, bewilligden zij zijn verzoek. Toen de heilige jongeling verlof vroeg, om het klooster, het H. kruis, te mogen verlaten en in de orde van den H. Franciscus te gaan, werden de reguliere domheeren daarover zeer droevig gestemd. Een hunner bespotte het plan van den heilige en zeide schertsend ; tGu, ga, Ferdi-tjiand, gij zult ongetwijfeld een heilige worden.quot; — * En als dat ygebeurt, wat zult gij dan zeggen}quot;
i*
antwoordde Ferdinand, * zult gij dan gt;geeii reden hebben u daarover ie ïverhetigen en God te loven ?
Daarop trad hij een klein klooster binnen, dat de Franciscanen niet ver van Coimbra bezaten en vroeg om opgenomen te worden. Nadat hij onder de broeders was aangenomen, werd hij in het jaar 1221 in de kapel, welke toegewijd was aan den H. Antonius den Kluizenaar, gekleed, en veranderde den naam Ferdinand, dien hij nog altijd gehouden had, in dien van Antonius, met het vaste besluit, om dezen heilige volmaakt na te voUen. Eeni-gen tijd leefde hij onder de zonen van den H. Franciscus in gebed en strenge versterving, als opnieuw in hem het verlangen ontwaakte, een martelaar des Christendoms te worden. Hij smeekte diensvolgens zijnen oversten, hem te veroorloven om den Mooren in Afrika het Evan-
— 11 —
gelie te gaan verkondigen, en als hij hunne toestemming had bekomen, ging hij scheep en landde aan de kust van Afrika. Nauwelijks echter was hij zijn apostolischen arbeid begonnen, of een zware ziekte overviel hem, welke zoolang aanhield, dat hij besluiten moest, weder naar Spanje terug te keeren. De doodzieke m\'ssionaris aanvaardde derhalve de terugreis ; doch het vaartuig, door tegenwind naar Sicilië gedreven, landde te Messina aan. De H. Antonius moest wegens zijne ziekte langen tijd in deze stad vertoeven, tot hij eindelijk vernam, dat de H. Franciscus van Assisië eene vergadering hield van zijne volgelingen, om de vorderingen na te gaan, welke zij tot dusver op den weg der volmaaktheid gemaakt hadden.
Het verlangen om den heiligen ordestichter te zien, was oorzaak
] 2
dat hij ziekte en zwakheid vergat, en zich daarheen begaf. Hij aanschouwde den H. Franciscns en onderhield zich meermalen met hem, waardoor zalige vertroosting en levend vertrouwen zijn hart vervulde. Ook maakte de nederigheid van Franciscus en zijne innige liefde tot God zulk een indruk op hem, dat hij besloot, niet meer naar Spanje te gaan, maar in Italië en in de nabijheid van den H. Franciscus te blijven, om zijnen zaligen levenswandel nader te overwegen en den zijne daarnaar in te richten. Daar Antonius echter zeer zwak was, en tengevolge zijner ziekelijkheid een ellendig uitzicht had, bood hij zich te vergeefs bij de oversten der kloosters aan tot het nederigste en geringste werk ; geen hunner wilde hem opnemen, dewijl men vreesde, dat hij het huis slechts tot last zou strekken, en omdat hij ook zorg-
— 13 —
vuldig zijne bekwaamheden en deugden verborg. Eindelijk ontfermde zich over hem een medelijdende guardiaan, Gratianus geheeten, die hem naar zijne provincie medenam, en hem bij Bologna, in de nabijheid des kloosters, een enge cel tot verblijf aanwees.
Hier leefde Antonius, die niets vuriger wenschte dan voor de wereld onbekend te blijven, in groote verborgenheid, onderhield zich met God, voegde bij zijne overwegingen strenge verstervingen en harde werken van boetvaardigheid, verdroeg alle vernederingen met geduld en bewaarde zulk een diep stilzwijgen, dat hem nooit een woord ontging, waaruit men zijne kundigheden had kunnen opmaken. Aan een bijzonder toeval had men het te danken, dat de verborgen schat bij den heilige werd ontdekt. In het jaar 1221 hielden de ordebroeders van den
— u —
H. Franciscus met de naburige Dominicanen, wegens kloosterlijke aangelegenheden, te Forli eene vergadering waarheen de guardiaan den H. Antonius ook medenam. Bij het begin der vergadering, verzocht men den Dominicanen, om als ge-noodigdcn, eerst eene redevoering te houden ; deze echter verontschuldigden zich, dat zij daarop niet voorbereid waren. Nu behaagde liet der goddelijke Voorzienigheid, dat de guardiaan den H. Antonius gelastte den kansel te beklimmen en te spreken, volgens hetgeen de geest Gods hem zou ingeven. Hij gehoorzaamde ootmoedig en predikte met zooveel welsprekendheid, kracht en zalving, dat alle toehoorders verbaasd stonden. De H. Antonius was destijds 26 jaren oud en scheen van natuurswcge en door de genade Gods bestemd tot het predikambt. Waardig en innemend was
— 15 —
zijn gelaat, hij bezat eene sterke en welluidende stem, was zeer vast van geheugen en had zich de H. Schrift zoo eigen gemaakt, dat hij haar bij iedere gelegenheid zeer nauwkeurig toepaste en den waren zin der goddelijke uitspraken met bewonderenswaardige behendigheid en vol be-teekenis wist te ontwikkelen. Ofschoon de heilige geheel zijne jeugd in Portugal had doorgebracht, en zich daar nooit op de studie der talen had toegelegd, predikte hij desniettemin met evenveel gemak in het Italiaansch en Fransch, alsof hij van kindsbeen af daarin was opgevoed.
Voortdurend bewerkte God wonderen ten gunste van diegenen, welke zijne preeken bijwoonden, of die wilden bijwonen. Ecne vrouw kon van haren man, die een wocstaard was, geene vergunning bekomen, om Antonius te gaan hooren. Zij
— 16 —
begaf zich daarom naar eene kamer, op de bovenste verdieping van haar huis, plaatste zich aan het venster en hoorde daar de preek zoo duidelijk, alsof zij cp de plaats geweest was, waar Antonius sprak, ofschoon zij een uur ver daarvan verwijderd was Zij maakte haren man dit bekend en deze onderzocht zelf de waarheid van dit wonder, bekeerde zich en was voortaan buitengewoon ijverig in het aanhooren van Gods woord uit den mond des heiligen.
Eene andere vronw liet, om de preek niet te verzuimen, haar kind zonder toezicht alleen te huis. Terwijl zij den heiligen prediker aan. hoorde, viel door esn treurig ongeval het kind in een ketel koke\\d water, waarin het natuurlijkerwijze aanstonds ha_l moeten omkomen ; maar God, die allen beschermt, welke zijne dienaren liefhebben, bewaarde het kind daarin ongedeerd, en de moeder vond
— 17 —
het bij hare terugkomst spelend in dit schrikkelijk bad, alsof het zich op een genoegelijke plaats bevond.
Een derde vrouw vond, toen zij van de preek huiswaarts keerde, haar kind dood in de wieg. Aanstonds liep zij tot den heiligen prediker en smeekte hem om hulp. Hij sprak tot haar de woorden, welke de Heer in het Evangelie tot den koninklijken hoofdman zeide, toen deze Hem om de genezing zijns zoons smeekte : gt;Ga, uw zoon leeft!quot; op hetzelfde oogenblik ondervond zij de waarheid zijner woor den, want toen zij tehuis kwam, vond zij haar kind reeds te been en spelend met andere kinderen van zijne jaren.
Toen de H. Franciscus van de voortreffelijke eigenschappen en kundigheden van Antonius hoorde gewagen, zond hij hem naar Vercelli, om zich in de godgeleerdheid nog meer te bekwamen. Antonius trad
— 18 —
inderdaad met veel vrucht op als leeraar in de godgeleerdheid te Bologna, Toulouse, Montpellier en Padua, toen hij benoemd werd tot guardiaan te Limoges. Eindelijk werd hij priester gewijd en aangewezen, om in verschillende provin-vinciën boetpredicatiën te houden. Weldra werden zijn redenaarstalent en deugden alom vermaard, cn men noemde hem niet anders meer dan den Heilige.
Zonder aanzien van persoon trad de H. Antonius op voor machtigen en eenvoudigen, predikte met kracht Jesus den gekruisigde en bestreed kloekmoedig ongeloof en misdaad. Deze ijver en onverschrokkeid brachten hem menigmaal in levensgevaar.
Te dien einde stelde zich Ezelino of Hezelin, in de nabijheid van Tar-vis uit een Duitsch geslacht geboren, aan het hoofd der Ghibelijnen of
— 19 —
keizersgezinden, bemachtigde Verona, benevens verscheidene sleden | van Lombardië en trok gedurende 15 jaren het land rond, alles verwoestend op zijne tochten. Hij verachtte het tot driemaal door de Kerk over hem uitgesproken banvonnis. Eens vernam Hezelin, dat de bevolking van Padua tegen hem was opgestaan; hierdoor in woede ontstoken, liet hij op een dag 12000 inwoners vermoorden. Verona, waar hij zich gewoonlijk ophield, was bijna geheel ontvolkt. Als de moedige geloofsheld Antonius van deze gruwelen hoorde, nam hij het besluit, om zich onverwijld naar Verona tot Hezelin te begeven. Hij aanvaardde de reis, kwam te Verona aan het paleis en vroeg om tot den vorst te worden toegelaten, welk verzoek aanstonds werd bewilligd. Toen Antonius binnentrad, zag hij Hezelin op een troon zitten
— 20 —
en omringd door een troep soldaten, bereid, om eiken wenk van hun gebieder nauwkeurig te vervullen. Door dit gezicht was An-tonius niet het minst ontsteld, maar trad onverschrokken nader tot He-zelin en sprak: »0 vijand van God, gruwzame tyran, een razende hond gelijk! Wanneer snit gij eens ophouden, het bloed der christenen te vergieten ? Zie, het oordeel Gods is reeds over u geveld, een zzvaar en verschrikkelijk vonnis!quot; Bij deze toespraak stonden de soldaten van Ezelino het bevel af te wachten, tot vermoording van den heilige. Doch door Gods toedoen volgde er heel iets anders; want de tyran werd door deze woorden des kloeken boetpredikers zoodanig ontsteld, en verloor zijn gewone ruwheid dermate, dat hij, het zachtmoedigst lam gelijk, zich met een boetegordel omhangen voor den man Gods ne-
derwierp, tot groote verwondering aller aanwezigen, ootmoedig zijn schuld bekende, volkomen levensverbetering beloofde en zich tot zijne medeplichtigen wendde in de volgende bewoordingen : tMannen, kame7\'aden, weest er niet over verwonderd, want wat ik u titans zeg, is zuivre waarheid. Ik zag om het gelaat van dezen man een god-delijken glans schitteren, die mij zoozeer deed schrikken, dat ik bij het ontzettend schoictospelreeds meende ter helle te moeten varenquot; Van af dit oogenblik hield hij ten zeerste den heilige in eere, en wachtte zich, zoolang Antonius leefde, voor zware euveldaden. Dewijl de H. Antonius echter nog voortdurend predikte over het gepleegde onheil van Ezelino, zond deze zijne dienaren tot den heilige met de uit-gezochtste geschenken, onder beding : »Neemt hij deze geschenken
— 22 —
aan, zoo doodt hem oogenblikkelijk • wijst hij ze echter met weerzin af, verdraagt dan alles, zonder hem leed te berokkenen!\' Daardoor wilde hij zich overtuigen, of Antonius nog altijd onder Gods bijzondere bescherming stond. De aldus ingelichte dienaren kwamen met hunne geschenken tot Antonius en zeiden: ■gt;Uw zoon Ezelino te Rome beveelt zich in ziwe gebeden aan, en verzoekt U dringend, deze kleine gift aan te nemen, welke hij U toezendt uit genegenheid, en om daarvoor bij den Heer het behoud zijner ziel af te smeekenquot;
Toen Antonius dit hoorde, weigerde hij het geschenk nadrukkelijk en sprak : » Van hetgeen aan men-schen ontroofd is, wil ik niets aannemen. Dat alles zal hem ten ver-derve strekken. Gaat spoedig terug, opdat het huis door uwe tegenwoordigheid niet bezoedeld worde!\' De
gezanten snelden beschaamd terug naar hunnen tyran, en verhaalden hem alles, wat er gebeurd was; waarop hij uitriep: vDese is een man Gods ! Laat hem begaan; dat de man verder zelf zegge, welke geschenken hij voortaan verlangtquot;
In de redevoeringen des heiligen heerschte verhevenheid van gedachte, meesterlijke schildering en toch de grootste eenvoud.
Prediking voor de visschen te Rimini.
Een der verderfelijkste ketterijen, die der Manicheers, welke door den H. Augustinus reeds met vrucht bestreden en bijna geheel was uitgeroeid, verhief zich wederom in de 11136 en ]2\'le eeuw, verspreidde haar onheil in Italië en in het zuiden van Frankrijk, en kreeg onder de namen Tan Katharen en Wal-
— 24 —
densen, van Albigensen en Patave-nen eene gevaarlijke uitbreiding in stad en land.
Terwijl nu de H. Kerk, de bruid van Christus, in groot gevaar verkeerde, zond God haar in zijne barmhartighsid twee voortreffelijke mannen te hulp, de twee groote patriarchen, den H Dominicus en den H. Franciscus, welke met de uitgelezen schare hunner zonen, door middel van geleerdheid, gebed en heiligheid van levenswandel, de ketters bestreden en hen eindelijk overwonnen.
In dezen glorievollen strijd voor de eer van God en het zielenheil der geloovigen, had de H. Antonius een zeer belangrijk deel. Door zijn toedoen bleven in \'t bijzonder de Romagna van dezen pest bevrijd. De stad Rimini, waartegen de ijverige bisschoppen en zelfs de Paus te vergeefs alle middelen hadden
— 25 —
aangewend, was misschien het ergst aangestoken. Toen nu onze heilige missionaris in de nabijheid dezer stad kwam, werden de ketters reeds door schrik bevangen, dewijl zij vernomen hadden, dat geen enkele tegenstander het tegen hem kon volhouden. Zij spraken daarom afj hem in het geheel niet te gaan hooren en spoorden het volk aan, hun voorbeeld te volgen.
Toen nu de heilige, steeds gewoon een talrijk publiek voor zich te zien, aankwam, bemerkte hij, dat allen zich terugtrokken, en slechts eenige vrouwen en grijsaards bij zijne predikatie verschenen. Anto-ni«s echter verloor daardoor geenszins zijn ijver en gaf, hetgeen hij eens ter eere Gods ondernomen had, niet meer op. Hij predikte voor de weinigen, die nog aanwezig waren, en wel met zooveel vuur,
dat de ongeloovigen, dit vernemen-
2
— 26 —
de, besloten, hem te dooden. Wanneer de heilige zulks vernam, zonderde hij zich in een eenzaam vertrek af en verbleef aldaar eenige dagen, door gebed, vasten en strenge boetplegingen God om barmhartigheid smeekende voor dit volk\' opdat het, zijne blinde hardnekkigheid verzakende, zich toch in het katholiek geloof zou laten onderrichten.
Uit die eenzaamheid trad Anto-nius alsdan te voorschijn, begaf zich onverwijld naar het strand der Adria-tische zee, ter plaatse waar de rivier Marechia zich ontlast, en riep met luider stemme tot de visschen :
»Komt, redelooze visschen, komt, »om de woorden te hooren van God, gt;die u geschapen heeft, ter bescha-sming der menschen, die in dwaling »volharden, ooren en hart sluiten »voor de goddelijke stem.quot;
Er bevonden zich ook velenieuws-
gierigen en spotters aan het strand. En zie! een ongehoord wonder! Nauwelijks had de heilige zijn bevel uitgesproken, of de zee kwam in beweging en er verscheen aans\'.onds aan de oppervlakte een menigte visschen van allerlei soort, groot en klein; zij zwommen ijlings naar het strand, waar Antonius stond en schaarden zich, den kop opwaarts geheven, volgens de schoonste orde samen in rijen en gelederen, gelijk soldaten voor hunnen overste. De kleinsten naderden tot op korten afstand, de grooteren waren in den vorm van een halven kring allengs-kens meer verwijderd, en verbeidden aldus vreedzaam en aandachtig de woorden des nieuwen apostels.
De verzamelde menschenschaar werd echter diep bewogen en stond, g troffen over dit nooit geziene wonder, in ademlooze stilte af te wachten, wat er zou geschieden.
— 28 —
Toen nu de heilige zijne zeldzame toehoorders had zien naderen, verheugde hij zich in den Heer en hield de volgende predikatie voor de vis-schen:
»Gij visschen, looft den Heer, gt;prijst uWen Schepper, dankt Hem, »dat Hij u tot woning en verblijf »zulk een schier onbegrensd element gt;heeft toebedeeld, waarin zoovele toevluchtsoorden tegen allerlei
gt; nood weer; dat Hij het water zoo gt;helder en doorschijnend heeft ge-»maakt, opdat gij den weg op uwe »tochten en de hinderlagen uwer gt;vijanden zoudt kunnen ontdekken. «Diezelfde God heeft u bij uwe schep-gt;ping gezegend, tot uw onderhoud »ecn behoorlijk voedsel bereid, en gt;u boven alle andere dieren eene
gt; wonderbare vruchtbaarheid ge-»schonken, ter vermeerdering van »uw nakroost. Looft God wegens »de talrijke voorrechten en vrijhe-
gt;den, welke Hij u verleend heett. gt;U heeft de Schepper vrijgesproken »van onderdanigheid aan alles wat »leeft, u heeft Hij in den algemeenen »zondvloed het leven gespaard, en »liet u zonder hinder of gevaar on-»gedeerd rondzwemmen, terwijl toch salie overige dieren meer van angst ïdanwel door het water omkwamen. gt;Door uwe bemiddeling heeft de ïHeer zijnen vluchtenden profeet gt;Jonas gedurende drie dagen ge-»herbergd en den blinden Tobias gt;genezen. Gij alleen hebt den Ver-gt;losser milddadig de cijnspenning ge-ïschonken voor zich en zijne leer-»lingen. Ook gij zijt de spijs der »boetelingen, welke zich van vleesch ïonthouden. Van uw vleesch heeft »de verrezen Heiland zelf willen »genieten, om de waarachtigheid »zijner menschelijke natuur en van »zijne opstanding uit het rijk der »dooden onomstootelijk te bewijzen.
— 30 —
gt;Ja, de Heer zelfheeft op uw clement »over uwe hoofden gewandeld en »zijne apostelen uit visichers geko-gt;zen, om menschenvisschers van gt;hen te maken, waarom ook Hij gt;zoovelen uwer in hunne netten gt; dreef.
De visschen, klein en groot, schenen zeer aandachtig te luisteren, vermeerderden steeds in getal, staken , als waren zij met verstand begaafd, nu den kop omhoog, dan weder onder water, openden hun bek, en weken niet van de plaats, tot dat de H. Antonius hen gezegend en afscheid van hen genomen had. Dan sloegen zij hevig met hun vinnen en verdwenen in de zee, die nog lang in beroering bleef. Doch ook een groote beroering beving de toeschouwers; velen weenden van aandoening bij dit schouwspel, anderen vielen den heiligen te voet en smeekten om vergeving voor
— 31 —
hun ongeloof, wederom anderen waren naar de stad geijld en hadden eene groote menigte doen toe-stroomen.
Antonius nam nu de gehoorzaamheid der redelooze dieren te baat, om de menschen te wijzen op hun ongeloof en ondankbaarheid. Hij stelde hun levendig voor oogen de boosheid der zonde, bijzonder der ketterij en wederlegde hunne dwalingen zoo volkomen, dat met uitzondering der weinigen, die verstokt bleven, de geheele stad zich bekeerde. Aldus opende de H. Antonius door zijn zielenijver, voor de stad Rimini de deur van den schaapstal der H. Kerk en van den hemel.
Toen hij in het jaar 1227 te Rome voor Paus Gregorius IX predikte, werd deze zoozeer getroffen, dat hij geheel opgetogen, hem Tgt;de ark des verbondsquot; noemde. Door zijne
— 32 —
zachtmoedigheid en innemende minzaamheid vermeed hij bij de behandeling van zijn onderwerp alle bitterheid en verstond de zeldzame kunst, de schuldigen ernstig te straffen en te bekeeren, zonder hun vertrouwen te schokken. Als hij de versteende zondaren deed sidderen voor de rechtvairdige oor-deelen Gods, trooste hij te gelijk de vrome zielen, terwijl hij hun een levendig vertrouwen op de goddelijke barmhaitigheid inboezemde. Vandaar, dat het volk in gansche scharen toestroomde waar hij preekte, en dewijl de kerken meermalen de menigte niet konden bevatten, was hij genoodzaakt, op openbare pleinen, ja niet zelden in het open veld, Gods woord te verkondigen.
Eens dat Antonius, wegens den toeloop der menschen, welke zijne preek bijwoonden, buiten stond te spreken, pakten donkere wolken
\'
zich zamen, vergezeld van bliksem en donder en bedreigden de menigte met een vreeselijk onweder. Ieder was er op bedacht, zich te redden en een onderkomen te zoeken. Antonius hield echter allen tegen en verzekerde hun, dat zij niet nat zouden worden. Inderdaad het onweder ontlaste zich rondom de verzamelde menigte en deed den grond overstroomen, doch geen enkele droppel viel binnen den kring der toehoorders.
Een andermaal, als hij te Arles in een provinciaal kapittel zijner orde preekte, verscheen de H. Fran-ciscus, die destijds nog leefde en in Italië, was, in de lucht en gaf aan alle aanwezigen zijn zegen. Ongetwijfeld wilde hij daardoor zijn bijval betuigen aan het woord van zijnen trouwen leerling, die aan niets anders arbeidde, dan om zijne broeders te bevestigen in de liefde tot hunnen
— 34 —
heiligen staat en de stipte nakoming van hunnen regel. Menigmaal verscheen ock de H. Antonius zelf op de verst verwijderde plaatsen, zonder de plaats, waar hij zich bevond, te verlaten. Zoo getuigden verscheidene personen, dat hij hen in den slaap kwam vermanen, om enkele zonden te biechten die zoo verborgen waren, dat ze God alleen kende. Eens, dat hij zich te Montpellier bevond en in de hoofdkerk predikte, herinnerde hij zich, dat hij niemand verzocht had, om in het klooster in zijne plaats het plechtig graduaal te zingen, dat overeenkomstig zijn taak, hij had moeten doen. Terwijl hij hierover leedwezen gevoelde, hield hij het hoofd op den kanzei eenigen tijd voorover gebogen, en terzelfder oogenblik zagen de broeders in het klooster hem het graduaal zingen. Zoo vernieuwde God om zijnentwil
— 35 —
het wonder, dat men van den H. Ambrosius verhaalt, die, toen hij te Milaan het H. Misoffer opdroeg, scheen ingeslapen te zijn op het altaar, en terzelfder tijd te Tours gezien werd, waar hij de begrafenis van den grooten H. Martinus bijwoonde.
Dergelijk geval deed zich met den H. Antonius ook nog voor te Limoges, waar hij tijdens een groot feest in de kathedrale kerk predikte en toch in zijn klooster de negende les van het Matitunum, dat hem opgedragen was te zingen, inderdaad scheen te zingen.
God deed dezen heilige ook nog uitschijnen door de gave der voor-zegging. Eene vrouw, welke zich te Assisie bevond, voorspelde hij, dat haar zoon, die het levenslicht ging aanschouwen, den marteldood zou sterven, wat ook werkelijk geschiedde ; want deze knaap, die den
naam Philippus ontving, trad in de orde van den H. Franciscus en bevond zich in de stad Agot, toen de Saracenen haar wederom op de Christenen bemachtigden. Nadat hij heldhaftig geweigerd had het geloof te verzaken en tot de leer van Mahomed over te gaan, werd hij gevild, doorstond met onderscheiden Christenen vele andere folteringen, en werd onthoofd, na eerst zijne geloofsgenooten tot den marteldood te hebben aangemoedigd.
Antonius doortrok talrijke steden en vlekken van Italië, Spanje en Frankrijk, en bewerkte overal verbeteringen der zeden en bekeering der grootste zondaren. Dezen bijval ondervond de heilige, die niet zelden voor 3000 menschen predikte, vooral tengevolge van de buitengewone uitwerkselen der goddelijke genade. Zoo piedikte hij eens in eene stad ; zeker inwoner
— 37 —
aldaar verzocht hem in zijn huls en bood hem eene kamer aan, teneinde zich rustiger en ongestoord tot de studie en overweging te kunnen begeven. Antonius bracht daar den ganschen nacht door in het gebed, terwijl de burger zijn geheel huis doorliep en naging of alles in orde was. Toen hij het vertrek van Antonius voorbijkwam, keek hij uit nieuwsgierigheid door het venster naar binnen, waar Antonius bad, en bemerkte daar een zeer schoon en liefelijk kind in de armen van den heilige, dat hem omhelsde en liefkoosde, terwijl het hem onafgebroken aanstaarde. De man kon deze verschijning niet begrijpen. Het kind maakte zich aan Antonius bekend, en zeide, dat hij Jesus was. Antonius bemerkte na het gebed eindelijk den toeschouwer en gebood hem, van hetgeen hij gezien en gehoord had, toch niemand,
— 38 —
zoolang hij leefde iets te zeggen. De goede man hield woord, en maakte eerst na den dood van Antonius de verschijning bekend. Daaraan wordt dan ook de voorstelling van den heilige met het kind Jesus op zijne armen toegeschreven.
Op zekeren dag predikte de heilige wederom met vrucht, zoodat een groot zondaar, die bij de preek tegenwoordig was, zulk een berouw en leedwezen over zijne zonden gevoelde, dat hij luide begon te snikken. Hij wilde den heilige zijne zonden belijden, doch kon van het weenen geen woord uitbrengen. Toen de heilige dit bemerkte, sprak hij hem toe: »Ga en schrijf al uwe zonden, welke gij indachtig zijt op een blad, en breng het mij; als hij zulks gedaan en Antonius het ge-geschrevene had ingezien, was heel het geschrift oogenblikkelijk verdwenen, waaruit de heilige besloot.
— 39 —
dat de arme boeteling vergiffenis zijner zonden had verworven.
Allengskens werd Antonius tegen zijn wil tot de hoogste waardigheden zijner orde verheven, welke hij ook nauwkeurig en met vlijt waarnam, Hoe hij bij elke gelegenheid, als het de eer van God gold, eenen onver-moeiden ijver en onverschrokken moed aan den dag legde, kan men nagaan uit het volgende. Toen de H. Franciscus in het jaar 1226 bestorven was, werd Elias, een man, die de beginselen der wereld huldigde, tot generaal der orde gekozen en slopen er door zijn wanbestuur groote misbruiken in Antonius en Adam, een Engelschman, verzetten zich nadrukkelijk tegen den ondergang der orde, en traden onbeschroomd op voor de instandhouding der kloostertucht. Beleedigin-gen en mishandelingen waren evenwel de belooning van hun ijver, en
— 40 —
het kwam zoo ver, dat zij als op-roerigen voor altijd binnen hunne cellen zouden worden opgesloten. De zaak kwam eindelijk voor Paus Gregorius IX, die de onschuld der beide kloosterlingen erkende en Elias van zijne waardigheid ontzette.
Als de H. Antonius guardiaan was in het klooster te Puij, ontmoette hij een zeker notaris, die die een wellustig en ongebonden leven leidde. Antonius groette hem en boog zich zeer eerbiedig. De notaris, van meening, dat hij hem bespotte, gevoelde zich beleedigd, en dreigde Antonius, voor zulk eene beschimping, welke hem, volgens zijn meening werd aangedaan, met zijn degen te doorsteken. De heilige antwoordde hem, dat wel verre van hem te beschimpen of te bespotten, hij hem integendeel met liefde en eerbied groette, dewijl hij wist, dat hij eens een roemrijk martelaar van
— 41 —
Jesus Christus zou zijn; slechts verzocht hij hem (Antonius) indachtig te zijn, als hij gemarteld zou worden. De notaris lachte, doch weldra werd de voorspelling des heiligen vervuld. Zeker bisschop maakte namelijk een reis naar Palestina, om daar zelf te arbeiden aan de bekeering der Sa-racenen, en de notaris, die hem derwaarts volgde, vatte zulk eenen ijver op voor het heil der ongeloo-vigen, dat hij hun in eigen persoon de waarheden van onzen heiligen godsdienst verkondigde en hun de dwaasheid van het Mahomedisme bewees. De hardnekkigen koelden nu al hun woede op hem, pijnigden hem gedurende 3 dagen op de gruwzaamste wijze, en benamen hem eindelijk het leven. Stervend verklaarde hij, dat de H. Antonius hem dit gelukkig voorval had voorspeld, en dat hij als een groot propheet moest beschouwd worden. Evenals
— 42 —
d« H Antonius toekomstige dingen voorzaf, zoo doordrong hij ook, voorgelicht door God, de aan het oog der menschen verborgenste zaken.
Eens, dat hij tc Puij, preekte, nam de duivel de gedaante aan van een bode, en zeide tot eene vrouw uit de menigte, dat zij die plaats zoodra mogelijk zou verlaten, daar haar zoon, door zijne vijanden overvallen en vermoord was. Doch de heilige begreep aanstonds de liet van den satan en riep der vrouw toe, dat zij niet ongerust zou zijn, want dat haar zoon zich zeer wel bevond en deze bode een bedrieger was en de satan in persoon. Deze vertoonde zich inderdaad zelf als zoodanig, want hij verdween in de gedaante van een rook.
Het gebeurde eens, dat men den heilige verzocht, om eene lijkrede te houden bij de begrafenis van een
— 43 —
rijk man, die door woeker tijdens zijn leven groote schatten op een gestapeld had. Antonius koos zich tot tekst de woorden des Heeren in het Evangelie: gt;Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.quot; Op het einde der toespraak zeidde hij tot de bloedverwanten van den overledene, dat zij de kisten van den gestorven gierigaard zouden onderzoeken, en dat zij daarin zijn hart zouden vinden. Zij gingen heen, en vonden, te midden van het geld, het hart des afgestorvenen, dat nog warm was,
De H. Antonius had eenigen tijd op den berg Alvernia in de eenzaamheid doorgebracht -n ging vervolgens naar Padua, waar hij al aanstonds met veel vrucht de vasten-prceken hield. Een jongeling te Padua beleed den heilige dat hij zijne moeder geschopt had. Om hem het gewicht dier misdaad te
— 44 —
doen beseffen, en hem tot een groot leedwezen op te wekken, zeide An-tonius, dat een voet, die het werktuig van zulk een daad geweest was, verdiende afgehouwen te worden. De boet :ling , in plaats van de vermaning des ijverigen biechtvaders te overwegen , die niets anders beoogde, dan hem een groo-ten afschrik voor deze zonde in te boezemen, ging na den biechtstoel verlaten te hebben, naar huis, en hakte zich in zijn onbezonnen boetvaardigheid den voet af. Dit veroorzaakte aanstonds groot opzien ; doch toen de heilige zulks vernam, ging hij tot den ondoor-dachten jongeling, zette den afge-kapten voet op zijn natuurlijke plaats en genas hem.
Terwijl Antonius zich nu te Padua bevond, werd zijn vader te Lissabon in Portugal, van een moord beschuldigd , in hechtenis genomen, voor
— 45 —
de rechtbank gedaagd en met zijn geheele familie in de gevangenis geworpen,omdat inderdaad de schijn tegen hem getuigde, daar het lijk van den verslagene in zijnen tuin, waarin de moordenaar het geworpen had, ontdekt was geworden. De heilige, door veropenbaring van het gevaar bewust, waarin zijn vader zich bevond, vroeg zijnen overste verlof, om uit te gaan, doch werd door een engel naar Lissabon vervoerd. Daar verscheen hij den volgenden morgen voor den rechter en smeekte hem dringend, om de bevrijding zijns vaders, die, gelijk hij verzekerde, onrechtvaardig van moord beschuldigd was. Toen de rechter hem zulks weigerde, verzocht hij, dat het lijk van h«t slachtoffer hem zou worden getoond. Men bracht hem in de raadskamer en de groote dienaar Gods, die de sleutels van leven en dood in handen had,
— 46 —
beval den doode in den naam van Jesus op te staan en voor al de vergaderden te getuigen, of zijn vader, zijne moeder of iemand hunner dienstboden hem vermoord had. In hetzelfde oogenblik stond de doode op, en antwoordde, dat de wegens moord op zijn persoon beschuldigden, geheel onschuldig waren, en niet het minste aandeel daaraan hadden. Na deze woorden sliep hij weder rustig in. Zoo werd Martin van Bellones met vrouw en huisge-nooten in vrijheid gesteld en keerde eervol huiswaarts. De heilige bleef nog dien ganschen dag bij hen, om hen te troosten en tot de deugd op te wekken, en werd den volgenden nacht door denzelfden Engel naar zijn klooster te Padua teruggebracht.
Ten gunste zijns vaders deed de heilige nogmaals een dergelijke reis; want deze edelman, die tegenover
de wereld veel te goedertrouw was, had sedert lange jaren in zijn ambt van koninklijk rentmeester meermalen verzuimd, kwitantie te vorderen der gedane betalingen, en als deswege door de schatbewaarders een gerechtelijk onderzoek tegen hem werd ingesteld, en hij alle uitgaven niet kon verantwoorden, liep hij gevaar, groote sommen te moeten bijleggen, of, indien hij die niet kon storten, tot levenslange gevangenisschap veroordeeld te worden. De heilige, dit dreigend onheil weder door openbaring vernemende, sloeg opnieuw dien onzichtbaren weg, den weg der engelen in, kwam nog denzelfden nacht te Lissabon aan, legde den rechters alles, waaraan zijn vader het geld had besteed, zoo duidelijk uiteen, en gaf alle omstandigheden van tijd, plaats en personen zoo nauwkeurig aan, dat zij hem moesten vrijspreken. Zegevierend keerde
— 48 —
de heilige langs genoemden weg naar zijn klooster terug, waar men zijn afwezigheid nauwelijks had bemerkt.
Dewijl de man Gods den satan onvermoeid bestreed, wendde deze van zijnen kant alle middelen aan, om hem in het verderf te storten, en hem het leven te benemen. Eens greep hij hem bij den keel en poogde hem tc wurgen; doch de heilige joeg hem, door zijn gelicfkoosden lofzang: »(9 glorierijke Maagd, die verheven zijt boven de sterren Jquot; op de vlucht. Een andermaal deed de^e booze vijand den kansel ineenstorten, waarop Antonius stond te pree-ken, en hoopte daardoor niet alleen hem tc verwonden, maar ook het volk schrik aan te jagen, en de predikatie te onderbreken; doch niets van dat alles geschiedde, want onze heilige, die door de engelen beschermd werd, bekwam geen letsel
door dien val en het volk, dat vooraf door Antonius tegen de woede van den duivel was gewaarschuwd, werd door dit voorval niet verontrust ; en nadat men een anderen predikstoel had aangebracht, zette hij zijne preek in denzellden zin en met dezelfde geestdrift voort als eerst.
De overwinningen van den heilige op de ketters, als werktuigen en handlangers van satan, waren niet minder glansrijk, dan die, welke hij op den duivel zeiven behaalde. Van daar werd hij algemeen vGeesel der kettersquot; genoemd Een hunner, die zich te Toulouse bevond, zeide den heilige, dat hij niet aan de wezenlijke en waarachtige tegenwoordigheid des Heeren in het allerhoogste Sacrament des Altaars geloofde, indien hij dit geloofspunt niet door een wonder zou zien bekrachtigd. Het wonder, dat hij verlangde, was, dat zijn lastdier, na drie dagen honger
— 50 —
te hebben geleden, haver en hooi zou laten staan, en de geconsacreerde Hostie aanbidden zou. Vol geloof en vertrouwen op God, nam de heilige aan, hem dit wonder te doen aanschouwen. Toen nu na verloop van drie da^en onze ketter zijn muildier het lievelingsvoeder voorzette, en het tot vreten aanspoorde, wendde inderdaad het dier zich van alles af, en wierp zich voor het allerheiligste Sacrament, dat de heilige in zijne handen hield, neder, hetgeen eindelijk dien ellendige en meer anderen zijner sekte bewoog, de waarheid te erkennen en zich met de Kerk te verzoenen.
Toende heilige zich ten laatste,omstreeks het einde van den vastentijd des jaars 1231 van den apostoli-schen arbeid en de strenge boetple-gingen geheel en al uitgeput gevoelde, ging hij naar Padua, om zich ongestoord tot den dood voor te
— Site bereiden. Bij zijne komst aldaar, verdrong zich het volk in zoo groote menigte rondom hem, dat men genoodzaakt was, den heilige in het vertrek van den biechtvader eens nonnenkloosters buiten de stad te brengen. Nadat hij de heilige Sacramenten der stervenden had ontvangen, bad hij nog de boet psalmen, cn ontsliep in tegenwoordigheid zijner beide medebroeders, Lucas, en Rogerius, kalm in den Heer, den 13en Juni, in het 36ste jaar zijns levens, waarvan hij er meer dan 10 in de orde van den H. Franciscus had doorgebracht. De ontelbare wonderen, welke na zijnen dood door zijne voorspraak geschiedden bewogen Paus Grcgorius IX, hem in het jaar 1232 plechtig onder h«t getal der heiligen op te nemen.
Wonderen na zijnen dood.
I.
Omtrent het jaar 1675 leefde er te Monte Murano, een vlek in het koninkrijk Napels een zeker Anto-nius Tortomano- Deze rechtschapen man moest eens voor zaken op reis. Diep in een dal gekomen, werd hij eensklaps door drie roovers aangevallen, gevangen genomen en gekneveld. Daar hij bemerkte, dat het om zijn leven te doen was, wendde hij zich tot onzen heilige, en riep tweemaal: *0 H. Antomus ! H. Anto-nius!quot; Een der moordenaars gaf hem achttien doodelijke slagen op het hoofd zeggende; Tgt;Roep nu H. A7ito-niusT En de arme man verloor zijn leven. Om hun gruwelstuk geheim te houden, wierpen zij het lijk in een
diepen sloot, en bedekten het met steenen en takkebossen. Nadat hij i1 acht dagen op die plaatsgelegen had, ontwaakte de vermoorde als uit een j diepen slaap, en hoorde dat men hem toeriep: *Atitonius, Antonius, sta op !quot; — Hij gaf gehoor aan de stem, en toen hij zich oprichtte, zag hij een jeugdigen Franciscaan voor zich, die hem toesprak; * Antonius ! omdat gij mij tweemaal geroepen hebt, heb tk eveneens u tweemaal toegeroepenquot; Hierop nam hij den van den dood verrezene bij de hand, leidde hem op den rechten weg, en verbood hem, om iemand van dit voorval iets te zeggen, maar alle dagen hem ter eere dertien Onze Vaders en Wees Ge-groeten te bidden. Tortomanus, het bevel indachtig, zweeg gedurende twee volle maanden. Op het feest van den H Antonius echter kon hij zich niet meer inhouden, en vertelde de geheele toedracht.
— 54 —
11.
Te Santare, een vlek in het koninkrijk Napels, leefde iemand, die van wege satan door zulk eene geweldige bekoring tot zelfmoord werd overvallen, dat zij hem ter nauwer-nood kon wederstaan. — De bekoor, der verscheen haar in de gedaante van den gekruisigde, en trachtte haar over te halen, zich in den vloed Tago te werpen, daar dit het eenige mid del was, om vergiffenis te erlangen en zalig te worden. — Of het feest van den H.Antonius, besloot deze ongelukkige werkelijk den gegeven raad van den duivel te volgen, en liep naar de rivier. — Daar haar weg derwaarts langs de kerk van den H. Antonius liep, trad zij toch nog daar binnen, en bad den heilige vertrouw-vol, om haar door zijne machtige voorspraak te verlichten, ofhet aldus Gods wil was, dat zij haar plan volvoerde.
Terwijl zij derwijze bad, overviel I haar een diepen slaap; en in den 1 slaap vernam zij de stem des heiligen, die haar zeide: iZie in uwen amp; schoot het geschrift-, zoodra gij het zult gelezen hebben, zult gij geheel bevrijd zijn van de bekoring.quot; Hetgeen de heilige haar beloofd had, werd letterlijk vervuld. Toen zij ontwaakte, zag zij het geschrift voor zich en las: Ecce fCrucem Do-mini! fugite partes adversae vicitLeo de tribujuda. Radix David, Alleluja, Alleluja! —
gt; Ziet het f kruis des Heer en ! vlucht gij wederspannige partijen, de Leeuw uit het geslacht van Juda, de wortel van David, heeft overwonnen, Alleluja, Alfeluja!quot; —
Naauwelijkshadzijdit gelezen, of de bekoring hield op, en de vroegere rust keerde tot haar hart terug. Dit geschrift ontving de destijds regeerende koning Dionisius, volgens zijn ver zo ek,
van de persoon, en voegde het in de hofkapel bij de overige heiligdommen.
Die vrouw, viel, dewijl zij dit gebed niet meer verrichten kon, herhaaldelijk in de vorige bekoring. Toen de koning dit vernam, liet hij haar een afschrift geworden. Zoodra had zij het niet gelezen, of zij werd van alle kwaad bevrijd. Daar de H Kerk later de macht dezer woorden tegen de hel aelf ondervond, schreef zij ze den exorcisten, (bezweerders) bij het verdrijven der booze geesten, voor.
III.
Zekere persoon, Richarda genaamd, reeds gedurende twintig jaren aan het ziekbed gekluisterd, werd lam in al haar ledenmaten, cn daarbij nog stom en doof. — Eindelijk nam zij vol vertrouwen tot Antonius haren toevlucht. — En zie, zij kreeg de spraak en eindelijk, na aanhoudend
~ 57 —
gebed, ook de gezondheid der overige ledematen terug. Vreugdevol verliet zij het bed, waarop zij zoo lange jaren was vastgehecht, en verkondigde tot stichting van allen de heerlijke weldaden Gods en van zijnen heilige.
IV.
In het jaar 1650 overviel eene vrouw van hooge geboorte zulk eene groote zwaarmoedigheid, dat zelfs hare dienstboden, welke alle mogelijke zorg aanwendden, om haar te bevredigen, haar tot overlast strekten, spijs noch drank haar smaakte, onderhoud met kennissen haar verveelde, zij weinig sliep en haar eigen leven haar eindelijk ondragelijk werd. — Niets kon haar beter troosten dan de dood. — Daar zij nu zag, dat er op aarde voor haar geene hulp meer te vinden was, nam zij
i*
aangespoord door eene dringende ingeving tot den H. Antonius hare toevlucht. Nauwelijks had zij met kinderlijk vertrouwen hieraan beantwoord, of zij vond verhooring ; de verloren kalmte en rust keerden terug, en onder eer- en dankbetuigingen deed zij de belofte, om deze ontvangenegenade door een ex-voto bekend te maken.
V.
Een man had langer dan 24 jaren eene zonde van afgrijselijke boosheid in de Biecht verswegen. Hoe dikwijler hij gebiecht en het allerheiligst Sacrament ontvangen had, des te verschrikkelijker werd de heiligschennis. In die ontzettende ellende drong een straal van genade, tot zijn beneveld hart door, en hij nam zijne toevlucht tot den M. An-tonius. Terwijl hij den heilige bad, verscheen Antonius aan zijn ver-
— 59 —
blinden pleegzoon, bracht hem zijn vcroordeelenswaardige boosheid onder het oog, en wees hem met zulk een nadruk op de gestrengheid der goddelijke gerechtigheid en het gevaar van voor eeuwig verloren te gaan, dat de verstokte zondaar zich oogen-blikkelijk tot God bekeerde, zijne zonden oprecht en rouwmoedig biechtte en aldus gered werd van het eeuwig verderf.
VI.
Don Ignigo, bisschop van Kordo-va, een groot vereerder van den H. Antonius, was op zekeren dag zeer treurig, wegens het verlies van zijnen) met kostbaar edelgesteente bezetten ring, dien hij bij de bisschoppelijke wijding aan den vinger gedragen had. Daar hij, na vele gebeden en heilige Missen, ter eere van den heilige verricht, hem niet kon vinden, zoo bleef er niets anders over dan
— 60 —
een opvallend wonder, dat hem dan ook ten deel viel; want weinige dagen daarna noodigde hij eenigen zijner vrienden ter tafel. Terwijl zij aanzaten, kwamen de wonderen van den H.Antnius ter sprake. Daar herinnerde de bisschop zich den verloren ring en maakte de opmerking: »Ik vereer dezen heilige innig, wegens de vele gunsten, welke ik reeds van hem heb ondervonden, ééne gunst echter,quot; zeide hij, «heeft hij mij evenwel willen weigeren.quot; En wonder! nauwelijks had de bisschop gesproken, of de ring viel tot verwondering van alle aanwezigen midden op tafel. — De bisschop erkende aanstonds zijnen ring, en met dankbaar gemoed prezen allen God, en stelden een nog grooter vertrouwen op de voorspraak van dezen heilige.
— 61 —
VII.
Zekeren ridder te Napels werd door diens knecht, een geboren Afrikaan, eene groote som gelds ontstolen. De schelm maakte zich daarop met een zijner collega\'s uit de voeten. Nu nam de heer zijn toevlucht tot de H. Antonius en liet, hem ter eere, heilige Missen lezen. Nauwelijks hadden de beide vluchtelingen zich naar Afrika ingescheept, of er ontstond een geweldige storm, zoodat een hunner van het dek in zee sloeg. De dief werd echter door den H. Antonius bij de haren gegrepen, onder de woorden: iGeef terug, wat gij gestolen hebt, anders zijt gij een kind des doods.quot; Binnen weinige oogenblik-ken werd het het schip naar de Napel-sche kusten gedreven en gedwongengen, zijnen heer te voet te vallen, het gestolen terug te geven, en de gan-
sche toedracht der zaak omstandig te verhalen. Aldus kreeg deze heer door de voorspraak des heiligen zijn gestolen goed, en zijn dienaar de rust des gewetens terug.
VIII
In het jaar 1651 verwierf een soldaat in Albanië van onzen heilige eene uitstekende gunst. Deze getuigde onder eede, tegenover vele personen, waaronder twee orde-priesters, dat hij in den oorlog tegen de Turken gevangen genomen, aan handen en voeten gebonden, zich tijdens zijne gevangcnisschap voortdurend aan den bijand Gods en der Allerheiligste Maagd Maria had aanbevolen. Van den H. Antonius van Padua herinnerde hij zich niet, ooit iets gehoord te hebben. Desniettemin was de H. Antonius, met het orde-kleed omhuld, hem in een slaap verschenen, en had hem toegesproken: Wees gc-
— 63 —
troost, God en Maria hebben u verhoord, en ik ben op hun bevel geKomen, om uwe boeien te verbreken, Ik ben Antonius van Padua, sta op en reis naar Padua, om daar God en zijne H. Moeder dank te betuigen.quot;
Ik ontwaakte en vond mij volkomen van mijne boeien bevrijd. —■ Aanstonds begaf ik mij op weg, en, ofschoon deze verscheidene dagreizen eischte, werd ik door geen enkelen Turk aangehouden, maar allen ontvloden mij als iemand, door pest aangetast, tot ik eindelijk het Turksch gebied achter den rug, gelukkig door de christelijke staten te Padua aankwam.
IX.
Hieronymus,de dertienjarige zoon van Johan Amaldus van Buran, leed aan het linker dijbeen aan roos, later kwam er beeneter bij, zoodanig zelfs,
— 64 —
dat de geneesheeren, ofschoon zij de verrotte kniebeen-schelven er uithaalden, toch het leven van den zieke voor verloren hielden, indien hem de voet niet werd afgezet. Toen de knaap zulks vernam, vroeg hij vol vertrouwen om de beeldtenis van den H. Antonius, bad dezen heilige om hulp in zijn ellendigen toestand, en deed aanstonds de belofte, zijn graf te Padua te bezoeken en uit dankbaarheid altijd een bruin kleed te dragen. — Nauwelijks had hij den H. Antonius deze beloft; afgelegd, of hij genas volkomen. — Kort daarop reisde hij naar Padua, en ging zonder eenigen hinder rondom het graf. Degenen, die hem in zijn smartelijken toestand vroeger gekend hadden, onderzochten zijne knie, en bespeurden, tot niet geringe verwondering, dat de plaats, waar de beeneterschelven waren weggenomen , geheel wonderdadig was aangegroeid.
X.
Een groot wonder was de gebeurtenis, welke in het jaar 1732 door de voorspraak van den tl, Antonius plaats greep-
De toenmaals regeerende koning van Spanje beval een zijner admiralen, de oorlogsvloot uit te rusten, ten einde de vesting Oran, door de Mooren sedert zoovele jaren wederrechtelijk in bezit genomen te heroveren. Admiraal Don Modemar (1) verontschuldigde zich bij den koning, dat het geheel en al onmogelijk was, de voor onoverwinnelijke gehouden vesting in te nemen. Desniettemin hield de koning aan en verlangde dringend, dat zijn bevel werd opgevolgd. De admiraal haalde zijne schouders op, maakte eene
fJ) Ue Hüü^eerw. Pater Dalmatius Kick, provinciaal tl r Franciscunen in Beieren, heelt dezen admiraal in de stad Alicante zeil\' nog gezien, toen lijj in het jaar 1756 naar Alnrcia in Spanje reisde, ter bijwoning van het Qeneraal-Kapittel.
— 66 —
buig\'ng. ging naar zijne vloot, welke
reeds gereed lag, om zee te kiezen en lichtte het anker. Hij landde met zijn smaldeel te Alicante, eene stad in Spanje. Terwijl hij hier nogmaals rijpelijk overwoog, hoe zijn plan ten uitvoer te leggen, zag hij opnieuw de volslagen onmogelijkheid in, om zulk een geweldig versterkte stad aan den vijand te ontrukken. Hij ging daarom de stad Alicante in, en bezocht aldaar de kerk der Franciscanen, om in dit heiligdom zijn gewichtig en moeilijk plan den oneindigen God en den H. Antonius van Padua, als patroon dezer kerk, aan te bevelen. Nadat hij zijn gebed geëindigd had, begaf hij zich naar het klooster, om met de paters te gaan spreken, en verzocht den eerwaarden guardiaan, in deze aangelegenheid, ter eere van den H. Antonius eene heilige mis op te dragen. —
— 67 —
Nadat deze geëindigd was, maakten pater guardiaan met meer andederen hunne opwachting. — In de kerk teruggekeerd, verzocht nu de admiraal den guardiaan, een ladder te doen aanbrengen» waarmedelaatst-genoemde lachtte. Daar de admiraal echter ernstig en nadrukkelijk bleef aandringen, werd er eene aangebracht en tegen het hoofdaltaar gezet, waarop zich het prachtig gesneden beeld van den H. Antonius in levensgroote bevond. Tot aller verwondering, beklom de admiraal, terwijl het volk in gespannen aandacht stond, zelf die ladder tot aan het beeld van den H. Antonius, zette den heilige zijnen met pluimen versierden hoed op het hoofd, hing hem het eereteeken van een bevelvoerenden admiraal om de schouderen, het zwaard op zijde, en gaf hem eindelijk den regementsstaf in de hand.
— 68 —
Daarop sprak hij met luider stem, tenaanhoorevan al het volk: TGij zijt het, gij, o H. Antonius! die Oran kunt innemen; ik ben er niet toe in staat quot; En zijne hand op het hoofd des heiligen leggend, ging hij verder: »Van nu af, o H. Antonius, zijt gij admiraal en ik uw dienaar en soldaat; als zoodanig sta ik thans onder uwe bevelen. Na God is geheel mijn vertrouwen op u gevestigd, o groote wonderdoener!quot; — Als hij aldus gesproken had, steeg hij van de ladder af, begaf zich volkomen getroost, naar de vloot, en stak van wal.
Hoe nader de gunstige wind zijne schepen naar de vijandelijke stad voortdreef, des te eerder verwachtte men, tusschen hoop en vrees de begroeting van het vijandelijk geschut.
Toen zij echter niets vernamen, gaf de admiraal zijnen soldaten last, de kanonnen te doen ontbranden. Nog
— 69 —
alles stil. Nu liet hij zijne mannen aan land. — Tot hunne niet geringe verbazing bemerkten zij nergends eenen vijand, ja, wat nog meer verwondering baarde, de stadspoorten stonden wagenwijd open. —
In de onzekerheid echter, of niet een krijgslist de oorzaak was dier handelwijze van den kant der vijanden, beval de admiraal om met de grootste voorzichtigheid de st^.d binnen te dringen. Doch ook hier was alles stil en onbezield, zoodat men geen enkelen vijand in het gezicht kreeg. Na geruimen tijd kropen eindelijk eenige achtergebleven Mooren uit hunne schuilhoeken, Voor den admiraal gebracht en ondervraagd naar de oorzaak van het gebeurde, gaven zij eenparig te kennen; »Zoodra het escader der Christenen zich voor de stad vertoonde, zag men op hetzelfde oogenblik, to^ aller ontsteltenis, in de lucht een ontzag-
-TO-
gelijk leger, aangevoerd door een Franciscaan, met de vereischte onderscheidingsteekenen van macht bekleed ; op het hoofd een spaanschen hoed, met pluimen versierd, den degen op zijde en den regementsstaf in de hand; terwijl hij de stad met volslagen ondergang bedreigde. Bij dit gezicht was alles, klein en groot, jong en oud in verwarring op devlucht geslagen, al het overige achterlatende.quot; Zoo viel alsdan de beroemde en geweldig sterke stad Oran, door de machtige voorspraak van den H. Antonius, zonder slag of stoot, in handen van admiraal Don Mondemar, onbeschrijfelijk verheugd als deze was over eene zoo onverwachte en ongehoorde zegepraal. De admiraal gaf in allerijl den koning berich» van den afloop. — Het beeld van den H. Antonius, versierd met bo-vengenoemde onderscheidingsteekenen, is te Alicante nog te zien. —
71
Dit wonder geschiedde op het feest van den H. Antonius in het jaar 1732, en de waarheid daarvan werd in 1770 te Rome bekrachtigd.
XI.
Te Oviedo, eene stad in de provincie Asturië, leefde zekere vrouw met name- Francisca van Uravio, welke in kommervolle omstandig heden verkeerde. Haar echtgenoot Don Antonius Danta, sedert gerui men tijd voor zaken in Amerika, wist niets van dat alles, dewijl hij niet een der brieven, door zijne vrouw verzonden, had ontvangen. Door den uitersten nood gedrongen, nam Francisca hare toevlucht tot den H. Antonius, ging naar de kerk der Franciscanen, en begaf zich tot het beeld van den heilige, dat zich aldaar bevond. Hier legde zij eenen brief, aan het adres van haren echtgenoot, in den arm van den H. An-
r
tonius en verzocht hem met kinderlijk vertrouwen, dien brief toch aan haren man te doen toekomen, en haar het gewenschte antwoord te doen geworden.
Den volgenden morgen, reeds vroeg, ontwaarde de koster in de hand van den H. Antonius een schrijven, en trachtte hem dit te ontnemen, doch te vergeefs; zoo stevig hield het beeld den brief vast. De eerste persoon, die, na het ontsluiten der kerkdeur binnentrad, was Francisca, om het gevraagde bij den H. Antonins te gaan halen. Toen zij echter den brief in zijne hand zag meende zij, dat het de hare was, dien zij hem daags te voren in den arm legde, en gaf haar hart aldus lucht; sOH. Antonius, waarom bezorgt gij den brief niet aan mijnen man? zoo vurig heb ik u daarom gesmeekt, verhoort gij mijne zuchten niet in zulk eene bittere armoede?quot;
— 73 —
De koster hoorde dit klagen der vrouw, en vroeg naar de reden; toen zij hem de gansche toedracht der zaak had medegedeeld, raadde hij haar, terwijl hij zelf den brief uit de hand van den H. Antonius niet los kon krijgen, zelve te beproeven, den brief te nemen- Fran-cisca volgde den raad des kosters, en zie ! zonder de geringste moeite nam zij den brief uit de handen van den H. Antonius, uit wiens armen tegelijkertijd 300 Mexikaansche geld-stukken (volgens onze geldswaarde ongeveer 540 gulden) vielen, welke de echtgenoot zijne vrouw toezond.
De H. Antonius had dus, om de behoeftige vrouw te helpen, den hem toevertrouwden brief aan Don Antonius Danta, haren man zelf ter hand gesteld, en in denzelfden nacht het antwoord daarop teruggebracht. De koster maakte dit wonder aanstonds ruchtbaar, waarop alle gees-
s
— IA —
telijken uit het klooster samenstroomden, om vol verbazing te vernemen, wat de brief behelsde, welken de H- Antónius in antwoord aan de vrouw had bezorgd. De inhoud van den brief was als volgt:
Geliefde Echtgenoote !
Reeds sinds geruimen tijd leefde ik te Lima tusschen hoop en vrees, wijl ik geen tijding van u ontving, hoe gij het maaktet, toen juist deze brief aankwam, welke mij door een religieus van de orde der Franciscanen werd overhandigd en al mijne bezorgdheid over u wegnam. In dit uw schrijven beklaagt gij u, dat ik de brieven, aan mij gericht, onbeantwoord liet-, integendeel kan ik u verzekeren, dat niet een uwer brieven mij is geworden, behalve deze laatste, en ik u dan ook reeds beweende als eene doode. — Nu echter is mij-. ne vreugde des te grooter; daarom
— 75 —
volgt door tusschenkomst van denzelfden kloosterling, die mij uwen briefgebracht he eft, het antwoord, benevens 300 Mexicani-stukken, welke uwen nood inmiddels zullen lenigen, tot ikzelf terugkom. Enterwijl ik ten teerste verlangend en stellig hopend, weldra bij u te zijn, den H. Antotiius als mijnen beschermer om zijnen bijstand verzoek, vertrouw ik, spoedig weder tijding van u te 07itvangen. U in Gods hoede aanbeveleiid, blijf ik
Uw hef hebbende echtgenoot, Don Antonius Danta.
Lima, den 23 Juli 1729.
De oorspronkelijke brieC in het Spaansch geschreven, wordt ter bevestiging van dit wonder te Oviedo bewaard. O, hadde deze koopman den bode erkend 1 welk een ontvangst zou hij hem bereid hebben!
— 16 —
XII.
Doch niet slechts in Italië en Spanje zou de naam van den H. Antonius zijne vereering vinden, maar ook in Frankrijk, Duitschland en zoover de naam van Katholiek zich uitstrekte, wilde God zijnen trouwen dienaar door een wonder zien verheerlijkt. Ik zou hier nog even kunnen herinneren aan het wonderbeeld van onzen heiligen in de Franciscanen-kerk te Katern in Tyrol. Ziehier zijn oorsprong : In het jaar 1688 werd den Paters Franciscanen, in de kerkelijke herstelde provincie Tyrol, het vervallen slot Rottenburg met zijn plein afgestaan, tot het bouwen van een klooster, hetwelk in 1643 tot vreugde van den ganschen omtrek werd voltooid.
Het beeld van den H. Antonius van Padua zou der nieuwe kerk, die aan het klooster was vastgebouwd.
— 77 —
bijzonder doen schitteren, want de genaden en weldaden, welke de vereerders van dien heilige in dit bedehuis ontvingen, wezen ook ver van daar verwijderden den weg aan, waar zij in geestelijke en lichamelijke noodwendigheden hulp konden vinden.
Tot oprichting van dit wonderbeeld had de goddelijke Voorzienigheid den heer Christophorus Udalrikus von Bach uitgekozen. — Die heer werd in 1638, door de voorspraak van den H. Antonius, op eene wonderbare wijze gered uit een gevaarlijke hinderlaag van zijnen vijand. — Om zijne dankbaarheid jegens den heiligen beschermer te doen uitkomen, besloot hij, in de nieuw gebouwde kerk der Franciscanen, voor eigen rekening, een altaar op te richten, ter eere van Antonius. Toen hij hiermede gereed en het altaar op zijne plaats
verrezen was, ontbrak nog sleehts het beeld van den heilige. — De almachtige God, die de eer van zijnen trouwen dienaar overal wilde verspreiden, opdat allen in den nood tot hem hunne toevlucht zouden kunnen nemen, zond tot genoemden heer von Bach, die inmiddels naar Padua was gereisd, een en onbekenden schilder, welke hem vroeg, of hij eene schilderij van zijne hand verlangde ? — Wat zou von Bach wel vuriger wenschen? Aanstonds verzocht hij de afbeelding van den H. Antonius. — Eenige dagen later kwam de schilder en bood hem de bestelde schilderij aan. Toen de vrome man het geld ging halen ter betaling, vond hij tot zijne groote verbazing, den schilder niet, en kon hem ook nergens meer opsporen. — Daarom gclooven eeni-gen, niet zonder grond, dat die beeltenis het werk is van de hand
eens engels; en inderdaad kan deze
afbeelding tot nog toe door geen menschenhand trouw worden nagemaakt.
De schilderij stelt den H. Anto-nius levensgroot voor. Aan zijn voet ziet men de tinnen der kerk van Padua, in zijn rechterhand houdt hij eene witte lelie, het teeken zijner maagdelijke zuiverheid, in de linker een boek, waarop het lieve kindje Jesus rust; twee engelen kronen het hoofd. Goedertierenheid aan ernst gepaard, straalt van zijn gelaat. — Het kleed is gelijk aan dat der Franciscanen in Tyrol. In die houding blinkt de H. Antonius reeds meer dan 200 jaren zoo schitterend door wonderen uit, dat de kerk te klein werd, om de ex-voto\'s te bevatten, en de oude plaats moesten maken voor de nieuwere. Zelfs de verslagboeken konden het aantal wonderen niet meer bevatten, zoo-
— 80 —
dat men gevoegelijk zeggen kon: gt; Wte te Paduu 7itei ts verhoord geworden, hij ga tot den H. Anto-Titus te Kaltern.quot;
XIII.
Onder de afbeeldingen van den H. Antonius bestaat er eene van mozaïk in de kerk van den H. Johannes van Lateren boven aan het gewelf des koors, uit den tijd van Paus Nicolaas IV.
Deze beeltenis is vermaard door het volgend merkwaardig voorvaL De opvolger van Paus Nicolaas IV, Bonifacius VIII, beval, dat het afbeeldsel, hetwelk zich naast dat van den H. Franciscus bevond, zou weggenomen worden ; want het kwam hem onredelijk voor, dat twee zulke nieuwe heiligen reeds onder de beelden der allerheiligste Maagd, van den H. Joannes den Dooper en onder die der Apostelen stonden.
— 81 -
Echter liet hij het zich welgevallen, dat Franciscus als de stichter der zoo heilige en nuttige orde der Mindebroeders, bleef staan; maar den H. /.ntonius wilde hij daar niet laten, en i^af last, dat daarvoor de H. Gregorius de Groote in de plaats zou komen.
De kunstenaars volgden dit bevel; doch werden al aanstonds, toen zij nader toetraden, door ccn« onzichtbare hand, of gelijk het eenigen toescheen, door een schrikbare gedaante terug gedreven. Allen stortten plotseling neder. Toen den Paus zulks ter oore kwam, zeide hij ; gt;Laat den H. Antonius staan; want zooala ik zie, kunnen wij met hem slechts verliezen, doch niets winnen.quot;
XIV.
Men kan onmogelijk het leven van Bernardos Colnaga, van de
5*
Sociëteit van Jesus, lezen, zonder getroffen te worden door d« kinderlijke eenvoudigheid van dien vromen dienaar des Heeren, waardoor hij op zoo innigen en vriendschappe-lijken roet stond met den H. An-tonius. Uit vele voorbeelden slechts het volgende :
Om een zekere vrouw te troosten, over het verlies van een paard, waardoor haar man zeer ontriefd was, wendde zich pater Cologna tot den H. Antonius; en weldra kreeg de manzijn paard terug. Doch man noch vrouw lieten den eerwaarden pater weten, dat het paard was teruggevonden. Dientengevolge in de veronderstelling, dat zijn gebed niet verhoord was geworden, ontbood de pater een wereldlijken priester, die naderhand in de orde trad van den H. Franciscus van Paula en gaf hem in last, eenen steen op het altaar van den H.
Antonius te leggen, en hem te zeggen, dat hij een hart moest hebben, harder dan deze steen, dewijl het zooveel inhad, om zijnen vriend eenen dienst te bewijzen. De eenvoudige priester volbracht, hetgeen hem was opgedragen. Daar zag hij echter een kloosterling van het altaar nederdalen, die hem den steen teruggaf en lachend zeide: »Zeg aan Bernardus. dat eerder hij een steenen hart heeft, daar hij na zoovele mijner liefdebewijzen, nog wantrouwen tegen mij kan opvatten. Hoezeer de goede pater, dit vernemende, zich vernederde en verheugde, laat zich licht begrijpen.
XV.
Waar de H. Antonius een waar vertrouwen vond op zijne machtige bescherming, was hij ook milddadig
— 84 —
met zijne gunsten, zelfs in zeer nietige aangelegenheden.
Een leekebroeder der Capucijnen had een gewijden rozenkrans, dien hij zeer op prijs stelde, uit hoofde de vele aflaten, daaraan verbonden. Deze brak echter doordien de draad versleten was, zoodat de koralen links e* rechts lagen verspreid. Met groote moeite verzamelde hij ze alle, op een enkele na, die hij onmogelijk kon terugvinden. Hierover treurig te moede, bad hij met vertrouwen het Responsorium tot den heilige. Antonius troostte hem onmiddellijk; want er kwam eene mier tot den broeder gekropen, welke hem de koraal bracht. De brave kloosterling raapte haar op en weende van blijdschap en dankbaarheid.
XVI.
Eene kloosterzuster had reeds de
Sacramenten der stervenden ontvangen, en lag te zieltogen. Haar vader begaf zich naar Pater Bernardo Colnago, wiens medelijdende inborst hij kende, en verzocht hem, dat hij haar toch eens zou gaan bezoeken. Toen hij in het klooster kwam en voor het hek stond, zeide hij tot eene non : Zoudt gij gaarne zien, dat wij de stervende genazen?quot; »Ja, pater,quot; antwoordde deze lachend, »laten wij haar genezen.quot; Colnago hernam : »Dan zullen wij haar ook genezen; om dit te bewerken, behoeven wij den H. Antonius slechts daarom te bidden.quot; Daarom hief hij zijne handen ten hemel, en maakte driemaal het tecken des kruises. Vervolgens gaf hij der non eenen rozenkrans, dien hij juist in de hand had. en beval haar, dien aan de stervende medezuster, Johanna Tedes-chi, te gaan brengen. Nauwelijks had de zieke den rozenkrans aan-
— 86 —
geraakt, of zij was volkomen gezond.
XVII.
Tijdens de keizer en de republiek Venetië tegen de Turken, die gezworen vijanden van den Christen-naam, oorlog voerden, werd een christen soldaat gevangen genomen en, onbarmhartig met ketenen beladen,, in een duisteren kerker geworpen. De ongelukkige, geen kans meer ziende op eenige hulp, zuchtte bitter en barstte in droevige tranen los. Evenwel ontwaakte in zijn hart een groot vertrouwen op den H. Antonius ; hij beval zich den heilige aan en beloofde, indien hij verlost werd, te Padua zijn heilig gebeente te gaan bezoeken. De heilige verscheen hem, slaakte zijne boeien, opende de deur zijner gevangenis, en gaf hem de verzekering, dat hem op zijne vlucht geen hinder zou
— 87 —
overkomen. Zoo ook geschiedde het. Vervuld van erkentelijkheid, kwam hij te Padua, om aan het graf van den heilige zijn dankbaar hart lucht te geven. Dit gebeurde in het jaar 1660.
XVIII,
Er bestaat nog heden ten dage te Venetië op zekere plaats, Barbare della Tale genaamd, eene nis, waarin een beeld van den H. An-tonius vereerd wordt. Daar naast woonde voorheen een man, die op zekeren dag, niet ver van zijn huis, een brand zag uitbreken, welke ontstond in een nabijgelegen houtmagazijn, zich met woede verder uitbreidde tot de belendende gebouwen en alles vernielde.
Daar nu genoemde heer tegen de vlammen geen menschelijke hulp meer verwachtte, begaf hij zich in allerijl op weg naar Padua tot den
heilige, en stelde heel zijn huis onder diens bescherming. De brand hield meerdere dagen aan, en veroorzaakten een schade ongeveer een milloen dukaten aan hout. Bij zijne terugkomst vond de eigenaar zijn huis terug, dat te midden, der geweldige vlammen, daar ongeschom-den was blijven staan, terwijl alle overige in asch lagen.
XIX.
Zelfs ter dood veroordeelden vonden in den H. Antonius den redder huns levens en den verdediger hunner eer
Te Perpignan werd in het jaar 14-2Q, een edelman van rechtschapen levenswandel en een groot vereerder van den H. Antonius, naar het schavot geleid, zoodat de bijl weldra een einde aan zijn leven ging maken. Inweerwil van een streng onderzoek, had de gelijkluidende
— 89 —
verklaring der valsche getuigen, welke zijne vijanden waren, het zoo ver gebracht, dat het gerecht hem schuldig verklaarde en ter dood veroordeelde. Vuriger dan ooit riep hij, op weg naar de gerechtsplaats, zijnen heiligen beschermer aan, die zijne onschuld kende. De liefdevolle heilige verscheen nn, ten aanschou-van geheel het volk, in de lucht, daalde nederwaarts, nam den veroordeelde bij de hand, verbrak zijne boeien en leidde hem eene kapel binnen, welke op zijnen weg naar het schakot lag. Alle aanwezigen getuigden luide zijne onschuld. Toen de koning van Arragon zulks vernam, schonk hij hem niet slechts gratie, maar herstelde hem door aanzienlijke voorrechten en gunsten in zijne aangetaste eer.
Aard en wijze, om de oefening der negen Dinsdagen ter eere van den H. Antonius te verrichten.
Om van God, door de verdiensten en dc voorspraak zijner heiligen, eene genade te bekomen, is vertrouwen vóór alles noodzakelijk, om verhoord te worden: gt;Als gij kunt gelooven,quot; zeide de goddelijke Zaligmaker. Hij, die gelooft, kan alles. De mensch, die in geloof en vertrouwen wankelt, wordt door den heiligen apostel Jacobus zonder hulp afgewezen, als hij zegt: »Iiij bidde gt; echter door het geloof, zonder te gt;twijfelen; want wie twijfelt, is gelijk gt;aan de golven der zee, die door gt;den wind bewogen en rondgedre-»ven worden; daarom denke zoo »iemand niet, dat hij van den Heer gt;iets zal ontvangen.quot;
Stel u, om dit geloof in u op te wekken, de uitstekende deugden van den H. Antonius voor oogen: zijne vurige liefde tot God en den evennaaste, zijnen ijver voor het heil der zielen, zijne nederigheid, geduld en zachtmoedigheid, zijne gehoorzaamheid en armoede; verder de genaden, die hij van Jesus Christus ontving, zijn vertrouwelijken omgang met het goddelijk Kindje, de verbazende wonderen, die hij bewerkt, en de weldaden, die hij voor zoovele duizenden verworven heeft. Stel u, met dit vertrouwen bezield, door eene rouwmoedige biecht in staat van genade, want God verhoort het gebed van den zondaar doorgaans niet. Daarom, ofschoon, gelijk wij later zullen vernemen, de H. Antonius van de hem biddende dame de biecht en de H. Communie niet nadrukkelijk verlangd, werd toch uithoofde der algemeene deelneming, welke deze
— 92 —
oefening der negen Dinsdagen ondervond, ook het loffelijk gebruik door de Kerk ingevoerd, dat degenen, die deze oefening verrichten, voor zoover zulks gevoegelijk kan geschieden, alle negen Dinsdagen ook biechten en Communiceeren, om zoodoende hun hart van zonden te zuiveren en des te zekerder in hunne bede verhoord te kunnen worden. Recht vrome zielen zijn gewoon gedurende deze negen Dinsdagen nog werken van boetvaardigheid te beoefenen: zij vasten tot den middag, ofwel versterven zich, indien zulks niet mogelijk is, in iets anders. Zi;, die vermogend zijn, geven eene aalmoes of doen andere liefdewerken. Allen echter wonen eene H. Mis bij, en bidden onder dezelve 13 Onze Vaders en Weesgegroeten, gelijk Antonius het zelf eens van een zijner vereerders verlangde, zij die lezen kunnen, bidden het Responso-
— 93 —
rium, door de H. Bonaventura vervaardigd, de getijden, de litanie, de drie voetvallen of andere gebeden, welke dit boekje bevat, ieder naar verkiezing. Deze oefening moet echter noodzakelijk ondernomen worden met de meest mogelijke onderwerping aan God en reinheid des gewetens, met groote eerbiedigheid, levendig geloof en vurig vertrouwen, en mag daarbij niets anders verzocht of verlangd worden, dan de !of van God, de eer des heiligen en eigen welzijn, in zoover zulks niet strijdt met de belangen onzer ziel.
De negen Uinsdiigcn ter ecre van den II. Antonius van Padua.
Oorsprong dezer Godsvrucht. De negen Dinsdagen ter eere van den H. Antonius zijn eene voortref-
— 94 —
felijke oefening van godsvrucht, welk over heel de katholieke wereld verspreid, en door ontelbare personen met onbeschrijfelijk veel nut wordt verricht, wegens de vele mirakelen en weldaden, welke krachtens de verdiensten van den H. An-tonius en door diens voorspraak zijn bewerkt. Te dien einde worden negen achtereenvolgende Dinsdagen (in noodzakelijke gevallen kunnen zij ook onderbroken worden) uitgekozen, waarop men tot de H. H. Sacramenten nadert, of het beeld van den H. Antonius eerbiedig bezoekt, en aandachtig eenige gebeden verricht, om, door de voorspraak van den heilige, de gevraagde gunst te verwerven. De insteller dezer godsvrucht is de H. Antonius zelf, gelijk uit het volgende blijkt:
In het jaar 1617 verzocht eene edele dame te Bologna den H. Antonius om eene buitengewone gunst
— 95 —
waarna de heilige zich in den nacht aan haar vertoonde en zeidec «Bezoek gedurende negen Dinsdagen in de kerk van den H. Franciscus mijn beeld, en gij zult verhoord worden.quot; Nauwkeurig volgde zij den raad des heiligen, wjlke door een ongehoord wonder werd bekroond. Dit ontzettend mirakel verspreidde zich weldra door geheel Italië, en wekte in de harten der geloovigen een zoo groot vertrouwen op tot den H. An-tonius, dat men in alle geestelijke en lichamelijke noodwendigheden tot de oefening der negen Dinsdagen zijne toevlucht nam, wat immer de gelukkige uitkomst opleverde. Om de gew4enschte genade des te zekerder te erlangen, begon men, behalve het bezoeken zijns altaars en het bijwonen der H. Mis, ook nog andere oefeningen van godsvrucht in te voeren.
OEFETOEN VAK WfiUCHT
l\'ER EERE VAN
ü ANTONiUS VAN PADUA.
De eigenlijke oefening der negen Dinsdagen.
Voorwoord.
Hoe welgevallig aan God en den H. Antonius de door hem zeiven ingestelde devotie der negen Dinsdagen is, bewijzen de ontelbare en schier dagelijksche wonderen en genaden, waarmede de oneindige God deze oefening bekrachtigt, door de verdiensten zijns getrouwen dienaars. Men begint de negen Dinsdagen tot eer van God, van de negen kooren der engelen en van den H. Antonius :
lo. Met te biechten en te com-municeeren.
2o, Met het bijwonen der H. Mis aan het altaar van den heilige (men kan ook zelf eene H. Mis op dit altaar laten lezen.)
— 100 —
SO. Met het aandachtig bidden van het Responsorium, de getijden van den heilige, of de litanie enz. Zij, die niet lezen kunnen, bidden hem ter eere 13 Onze Vaders en Wees gegroeten.
4o. Met eene versterving, vasten tot den middag of het geven van een aalmoes.
5o. Met minstens eenmaal een waskaars te laten ontsteken.
Geen mensch is er wellicht gevonden, die deze vrome oefening met ie-ve*dig geloof en vertrouwen op God ondernam, of hij heelt zoo niet de verlangde genade, dan toch iets van veel grooter voordeel, ontvangen. (1)
(1) Ten einde deze negendaagsche oefening en het vertrouwen op den H. Antonius meer te doen toenemen, heeft Pans Clemens XIII den 28 Maart 17G3, op alle Dinsdagen des jaars, hetzij die onderbroken of niet onderbroken met of zonder noveen gevierd woruen, telkenmale een vollen aflaat verleend voor degenen, tlie bij uitstelling van het Allerheiligste Sacrament de kerk der Franciscanen bezoeken en rouwmoedig biechten en communiceeren, #u bidden tot intentie van Z. II. den Paus.
— 101 —
GEBED.
I WA A 1(D OOK MEN DEN WA A 1(D OOK MEN DEN H. AN\'TONIUS TOT ZIJN BESCHERM Ell KIEST.
H. Antonius, roemwaardige dienaar en vriend van God ! Ik N N. groet u door het zoet hart van Jesus, Dien gij in de gedaante van een aanvallig kindje iin uwe armen gedragen hebt; ik wensch u van harte geluk met die eeuwige heerlijkheid, welke God u voor altijd verleend heeft; ik dank God uit het binnenste mijns harten voor alle genaden en voorrechten, waardoor Hij u boven anderen heeft uitverkoren. Heden kies ik u opnieuw tot mijn beschermer, voor spreker en vertrouweüjken vader, en neem mij vast voor, u nooit te verlaten, u altijd te vereeren, en niets te doen wat in strijd is met uwe eer. Ik smeek u derhalve, mij voor immer als uw Pleegkind
— 102 —
aan te nemen; sta mij bij in al mijn doen en laten, en verlaat mij niet in het uur des doods. Amen.
—O0O—
Bij het begin der negen Dinsdagen.
GEBED.
O lofwaardige beschermer, H. An-tonius! tot meerdere eer van God almachtig en zijn moeder, de allerheiligste maagd Maria, welke Hem negen maanden onder haar maagdelijk hart heeft gedragen, alsook ter vereering van de negen kooren der engelen, begin ik het geringste uwer pleegkinderen, heden de negen Dinsdagen, met het vaste voornemen, deze ook trouw te voleinden. — Gij zelf zijt de installer dezer oefening, dewijl gij, eene voorname vrouw, in haren benarden toestand, aanraaddet,
— 103 —
gedurende de negen Dinsdagen uw altaar en beeld te gaan bezoeken.
Met deze uw eigen meening vereenig ik de mijne, vereer en prijs U, en inU, Dengene\'Die wonderbaar in zijn heiligen, u versierd heeft met den lui ter van altijddurende wonderwerken.
Neem mij, uwen dienaar (uwe dienaresse) en deze mijne oefening genadig aan.
Getrouwe vriend van God 1 wees mijn middelaar bij God door uwe al-lesvermogende voorspraak. — Verkrijg mij, bid ik u, vergiffenis van al mijne zonden, en opdat ik voortaan de zonden mijde en God getrouwer diene, ook de genade, die mij in het goede moet versterken en bevestigen. Vraag ook voor mij om lichamelijke gezondheid, zoo die ten minste in \'t belang mijner ziel is; bequot; scherm mij tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden, gevaren en
— 104 —
rampen, sta mij vooral bij in dezen mijnen nood en verlegenhaid, welke u bekend is, en waarom ik voor u op de knieën deze negendaagsche oefening verricht.
{Geef thans uwe aangelegenheid te kennen?) Gij Vader, en heilige beschermer, weet het best, wat mij het voordeeligst is. Laat mij, toch voor zoover het tot mijn heil strekt, dat ik verhoord worde, de kracht uwer voorspraak ondervinden.
O milddadige Jesus! verhoor den H. Antonius, die voor mij bidt, opdat mijn gebed door de kracht zijner verdiensten, verhoord worde, dewijl ik in hem. U als den wonderbaren God erken en aanbid, die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amkn.
— 105 — GEBED
VOOU DEN KK US TEN DlNSDAG.
Antonius verlaat op i^jarigcn leeftijd de wereld en begeeft zich in het klooster.
Almachtige God, die uwen getrouwen dienaar Antonius in den bloei zijner jeugd door de stralen uwer genade hebt verlicht, en hem geleerd hebt, den gevaarlijken afgrond der zinnelijke lusten te vermijden, U, ondoorgrondelijke bron van barmhartigheid, smeek ik door de verdiensten van den H Antonius, schenk mij de genade, dat mijne ziel het ijdel genot en de vergankelijkheid van alle aardsche goederen en vermaken volkomen besefife, het rechtmatig gebruik daarvan bij het licht des geloofs, volgens uwen wil en welbehagen, aanwende, en U als het eenigst ware goed met
— 106 —
levendig geloof en heilige liefde voortdurend moge zoeken en behouden. Besproei, obarmhartige God, mijne zondige ziel met de levende wateren der bron, door welke de H. Antonius alle aardsch en zinnelijk genot heeft veracht. Geef, o mijn God, dat zij, verrukt van he-melsche blijdschap, U alleen zoeke, naar U verlange, U vinde en in U eeuwig rusten moge. Gij echter, roemrijke vader, H. Antonius! helder schitterend voorbeeld aller deugden, veilige toevlucht van alle bedrukte harten, geef gehoor aan mijn ootmoedig gebed, en verwerf mij van den oneindigen God de genade, welke ik zoo vurig verlang: Dit smeek u door de verdiensten van uwe onschuldige kindsheid. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
— 107 —
GEBED.
VOOR DliN TWKEDEX DlNSDAG.
Antonius bereidt zich door dc strengheid zijns levens voor tot den marteldood.
O eeuwigen God ! Schepper aller dingen, mijn waarlijk hoogste en ccnigste goed ! Ach, konde ik, el-l -ndig schepsel, u naar waarde dank-boluigcn voor alle genaden en weldaden, mij naar ziel en lichaam bewezen, voornamelijk voor het kostbare bloed, dat uw eeniggebo-ren zoon in zijn bitter lijden vergoten heeft, om mijne zonden af tc wasschen en te voldoen voor uwe strenge gerechtigheid. Daar ik echter mijn onmacht erken, neem ik mijne toevlucht \'tot uwen trouwen dienaar, den H. Antonius en kies hem tot mijn patroon en voorspreker bij uwe onuitsprekelijke barm-
— 108 —
hartigheid, dewijl hij, door zijn innig verlangen naar den marteldood en ook door de zucht, om zijn bloed voor u te vergieten, U bijzonder welgevallig was. Daarom smeek i\'c u, ootmoedig, o oneindige God, altijd getrouw in uwe beloften, door de vurige liefde, welke de Pi. An-tonius u toedroeg, door zijne brandende begeerte naar het martelaarschap en door den strengen levenswandel, waardoor hij tot verheerlijking van uwen heiligen naam, zijn onschuldig lichaam kastijdde, ontsteek •nijn hart door uwe goddelijke liefde, opdat de booze begeerlijkheid in mij uitgedoofd worde, en het vuur der heilige begeertens in mij steeds ontvlamme.
U, glorievolle vader, H. Antonius 1 martelaar van begeerte, onschuldige boeteling, smeek ik van harte, open ook voor mij uw hart, en verkrijg mij van mijnen Heer en God den
— 109 —
bijstand zijner genade, opdat ik, door de oefening gedurende deze negen Dinsdagen, in mijne aangelegenheid verhoord worde. Dit bid ik u door uw zoo vurig verlangen naar de martelaarskroon en de gestrengheid van uw heilig leven. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
voor den derden dlnsdag.
Antonius begeeft zich met toestemming zijner oversten tot de eenzaamheid, om zich alleen met God bezig te houden.
O gloriovolle Antonius! ijverige navolger der Seraphijnen! om de zinnelijke lusten van dit aardsche leven te overwinnen, koost gij de eenzaamheid tot Paradijs uwer ziel; van de menschen verwijderd, wildet gij slee\' ts met God en zijne heilige engelen omgaan! o liefderijke pa-
troon, afgezonderd van de schepselen, vereenigdet gij u met uwen Schepper, als hemelburger hier op aarde. — Zie, tot u neem ik mijne toevlucht, verkrijgt mij door uwe machtige voorspraak bij God de genade, dat mijne ziel, te midden der aardsche beslommeringen van dit ellendig leven, de ware eenzaamheid vinde, vrij van alle wereldsche en zinnelijke aanlokselen, bovenal aandachtig blijve gedurende het gebed en alleenlijk streve naar de eeuwige goederen. Maak toch, dat mijne ziel al hare gedachten en zinnen moge stellen op God, Hem hare bezigheden opdrage, standvastig op Hem betrouwe, en na den dood met u eeuwig den drieeenigen God moge genieten. Roemvolle vader, H. Antonius! schitterende zon, hier op aarde, en helder licht voor hen, die wandelen in dit dal van tranen, ik kom tot u met
de ootmoedige bede, wil toch de zuchten van mijn bedrukt hart genadig aanhooren, en mijne aangelegenheid bij Jesus, door uwe machtige voorspraak steunen. — Hierom smeek ik U, door uw in God verborgen eri voorbeeldig leven. Amen. Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED.
VOOll UEN VIEKDKN DlNSDAG. Antonius verbergt uit diepen ootmoed, de hooge wijsheid, hou door God verleend.
Almachtige, eeuwige God! ik loof en zegen U in in uwen trouwen dienaar Antonius. De H- Geest heeft zijne zuivere ziel met de gave eener buitengewone wijsheid en wetenschap vervuld, en hem genadig ingegeven, het hem toevertrouwde talent zorgvuldig zoo lang te verbergen, tot het U zeiven behaagde.
— 112 —
het onier dek orenmaat der diepste nederigheid verborgen licht, op den kandelaar te plaatsen, en het der wereld mede te deelen.
Ik vereer in Antonius de door uwen geest ingestorte wijsheid, zoo innig verbonden met oprechte nederigheid ; ik loof en prijs u uit het binnenste mijns harten en dank u, dat gij in hem deze twee prijzenswaardige en zeldzame hoedanigheden van wijsheid en ootmoed zoo volmaakt hebt vereenigd. Daarom bid ik U, o God, die eeuwig getrouw zijt in uwe beloften, schenk nVj de w:jshetd uwer heiligen, opdit ik in waren ootmoed, mijne nietigheid erkenne, mij zeiven minachte, het kwade van het goede onderscheidde, en U alleen als mijn waar en hoogste goed hier en hiernamaals eeuwig beminnen moge.
U, roemvolle vader, H. Antonius ! vat van wijsheid en wonderbare spie-
— 113 —
sel van ootmoedisrheid! smeek ik
O ö
met kinderlijk vertrouwen, verkrijg mij de genade, welke ik gedurende deze oefeningen van u verlang. Zoo vele duizenden hebt gij reeds verhoord, o verhoor ook mijn ootmoedig gebed. Dit bid ik u, ter wille der u door God verleende wijsheid en diepe nederigheid. Amkn.
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED.
VOOR UIS.N\' VIJl\'Dl\'-V UTN\'?DAG.
Antonius, door God verlicht, ontdekt de hinderlagen des duivels en maakt hem beschaamd
O eeuwige Wijsheid, die wonderbaar degenen verlicht, die met een oprecht hart naar U verlangen ; die het licht uwer genade in de reine ziel van Antonius hebt uitgestort, waardoor hij alle listen en lagen der hel ontdekt en onschadelijk heeft
— 114 —
gemaakt, verleen mij, door de ver» diensten van uwen heilige de genade, dat ook mijne, van ijdelheiden kwade neigingen verblinde oogen, door het hemelsch licht bestraald, de bekoringen en strikken van satan ontdekken, en dat mijn hart alle hoovaardij der wereld en des vleesches, door de macht van uwen allerheiligsten naam, kloekmoedig moge overwinnen. Ik bid U, o liefderijke God, door de verdiensten van den H. An-tonius, geef toch, dat ik door de ingevingen des duivels en de lusten mijner zinnen niet van den weg der deugd worde afgeleid. Bevestig mij steeds, o Heer, in uwe heilige vrees, laat haar doordringen in het binnenste mijns harten, opdat ik uwer barmhartigheid waardig worde, en u eens met den H. Antonius in eeuwigheid moge loven en prijzen.
U, roemvolle vader, H. Antonius, luisterijke overwinnaar der hel, bid
ik, zie op mij, uw onwaardig pleegkind neder, help mij in mijne aangelegenheid en verkrijg voor mij de gewenschte genade. Daarom smeek ik u, door de heerlijke zegepraal, welke gij op de vijanden uwer ziel behaald hebt. Amen,
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
vool{ uex zesden ül.vsdag. Antonius steeds volhardend in het gebed verkrijgt de wonderbare macht om alles van God te verwerven.
O oneindige barmhartige God, gij hebt aan het gebed van uwen dienaar Antonius, tijdens zijn leven zulk eene macht verleend, dat het voor uw allerheiligst aanschijn, nimmer zonder uitwerking is gebleven. Zoo dikwijls Antonius U aanriep, hebt gij hem genadig verhoord. Ik bid
— 116 —
U, o goedertierene God, door alle genaden, waarmede gij uwen dienaar vervuld hebt, alsook door de vurige godsvrucht, waarvan hij steeds tijdens het gebed doordrongen was, schenk mij in het gebed levend ge. loof, kinderlijk vertrouwen en volkomen aandacht, opdat ik verdiene in mijne aangelegenheden door U verhoord te worden. Let niet op mijne lauwheid en verstrooidheden maar op de vurigheid, waarmede Antonius tot U bad, en altijd gehoor bij U vond
U, roemvolle vader, H. Antonius, bid ik met kinderlijk vertrouwen, verkrijg mij waren ijver in het gebed en bijzonder die genade, waarom ik u reeds in het begin dezer oefening gebeden heb; o laat mij niet onverhoord heengaan van uw beeld. Hierom smeek ik u, door dat heilig vuur van innige vereeni-ging met God, waarmede uw gebed
— 117 —
tot den troon des Almachtigen opsteeg. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
voor di;n \'zevenden üxnsdag.
Antonius verko7idigt het woord Gods met onver moeiden zielenijver, en bekeert ojitelbare zondaren en ketters.
O Almachtige en sterke God, uwe stem is van oneindige kracht en sterkte; zij verbrijzelt rotsen, velt cederboomen, ontsteekt de harten in vuur, en doet woestijnen sidderen. Deze kracht en sterkte hebt gij uwen dicnanr Antonius medegedeeld, opdat hij door de verkondiging van uw heilig woord, de hooge ceders in hunne hoovaardij vernederen, het vuur der kwade begeerlijkheid uit-dooven, en de trage harten in heilige vreeze zou ontsteken. U alleen zij
— 118 —
roem en eer. Schenk mij echter o God van barmhartigheid, door de voorspraak van den H. Antonius, de vergeving mijner zonden en eene volmaakte bekeering.
Dit smeek ik U door zijn brandenden zielenijver, waarmede hij zooveel duizenden zondaars en ketters tot U bekeerd heeft; geef, o mijn God, dat ook mijn hart de boosheid der zonden erkenne, de bedrevene door oprecht berouw en boetvaardigheid uitwissche, en voortaan niet meer zondige.
U, roemvolle vader, H. Antonius; die zoovele zondaars en ketters tot God hebt teruggevoerd, bid ik ootmoedig, schenk mij slechts een enkele vonk van het heilig vuur, dat voor het heil der zielen in u brandde, opdat ook mijne ziel van ganscher harte zich tot God moge bekeeren. Om deze en de reeds voornoemde genade bid ik u door uwen gloeien-
— 119 —
*
den zielenijver en de kracht, door God aan uwe woorden verleend, om de zondaars te bekeeren. Amk.n. Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
VOOll BK.N\' AC1ISTEN T)l.\\SSDAG.
Antoiiius gaai vertrouwelijk om met het goddelijk Kindje, en wordt met genaden en Jiemelsche zoetheden vervuld.
O Jesus, luister des hemels, vreugde der engelen, zalige troost der men-schen, hoop aller schepselen, hoogste goed en eenig voorwerp, dat de harten kan bevredigen; in An tonius hebt gij gevonden, wat gij verlangdet. Zijne voorbeeldige deugden deden U vnn den hemel naar de aarde afdalen, en legden U in de gedaante van een aanvallg Kindje op zijne kuische armen neder. O onbegrijpelijke genade ! o on
— 120 —
uitsprekelijke waardigheid! ik bidu door deze liefde, waardoor het uw vermaak is, met de kinderen der menschen te zijn, dat mijne ziel van al het aardsche ontdaan, zich in U alleen moge verheugen. Wees gij mijn troost, mijne hulp en eenige toevlucht in leven en dood, en mijne vreugde, gedurende de gansche eeuwigheid.
U echter, o roemvolle vader, H. Antonius, vlekkelooze spiegel der zuiverheid, onschuldige en eenveo. dige duif, vreugde van het kindje Jesus, bid ik, door de zoetheid, waarmede uwe ziel overladen werd, toen gij het goddelijk kindje Jesus uit de schoot der H. Moeder tot uwe armen zaagt afkomen, en door die verrukkelijke oogenblikken, toen het u met zijne teedere handjes omhelsde en lietkoosde, wees mijner indachtig bij den lieven Jesus, Dien gij thans in alle eeuwigheid van aan-
— 121 —
schein tot aanschijn omhelst en aanschouwt; beveel ook hem mijn lichaam en zondige ziel aan. Verkrijg mij de genade, waarom ik zoo vurig bid. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
voor den negenden üindsao.
Antomus sterft een zaligen dood en bewerkt tallooze ivonderen.
Almachtige God, trouwe belooner van het goede. Gij hebt U gewaar-digd, uwen trouwen dienaar, Anto-nius, nadat hij onvermoeid in uwen wijngaard gearbeid, een groot aantal ketters tot uwe H. Kerk teruggebracht en duizenden van zondaars tot boetvaardigheid en bekeering gebracht had, door een zaligen dood tot de eeuwige belooning te roepen. Gij hebt uwen ootmoedigen dienaar, o mijn God, bij zijn intrede ten he-
— 122 —
mei, verblijd met uwe heilige tegenwoordigheid, en zijne gezegende ziel onder uwe bescherming gesteld, haar verheven tot het koor der martelaars van begeerte, en zijn lichaam ter vereering gesteld voor de gan-sche wereld! Door dezen zaligen dood van den H. Antonius, bid ik U, o mijn God, verleen mij in uwe onuitsprekelijke barmhartigheid de genade, om tot het einde toe, standvastig in het göede te blijven volharden. Zend mij alsdan uwen dienaar Autonius te gemoet, opdat hij met mij strijde tegen de bekoringen, in den doodangst mij trooste, mijne ziel onder uwe hoede stelle, en haar rein en onbevlekt aan uw heilig aangezicht moge vertoonen.
U, o roemvolle vader, H. Antonius, bid ik verkrijg mij van God door uwen verdienstelijken dood, de verhooring mtiner tijdelijke aangelegenheid en de genade, om eensin
— 123 —
uwe tegenwoordigheid gelukkig te mogen afsterven. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
GEBED
ALS MEN NOG NIET VERHOORD IS GEWORDEN.
Als ik in mijnen rampspoed den Heer aanriep, heeft Hij mij, ter wille mijner ongerechtigheden, nog niet verhoord. O Heer Jesus Christus^ hoe lang zal ik nog tot U roepen, en zult Gij mij niet aanhooren ? Hoe lang zal ik zuchten, en zult Gij mij niet helpen ? Ook u, H. Antonius, heb ik aangeroepen, om uwe voorspraak ; doch om het rechtvaardig oordeel Gods, heb ik de genade, waarom ik zoo dringend bij u aanhield, niet kunnen verkrijgen.
O goedertieren Jesus, het is mij leed, dat ik U, het opperste goed, dat ik boven alles wensch te
beminnen, ooit beleedigd heb. O Jesus, vergeef mij al mijne zonden en geef mij de genade, het kwade te vermijden, en standvastig in het goede te volharden; ik neem mij nu vast voor, U nimmer meertebelee-digen. O liefderijke Jesus, sterk dit mijn voornemen, daar mijne zwakheid U volkomen bekend is.
O H. Antonius, vereenig uwe voorspraak met mijn gebed, want dan hoop ik met zekerheid door God verhoord te worden, als ik van al mijne zonden gezuiverd, toegang vind bij Jesus, mijn liefdevollen vader. O allerzoetste Jesus, ontferm U mijner, en verhoor mij in mijne aangelegenheid door de verdiensten van den H. Antonius. Amen.
DANKBETUIGING.
VOOR ONTVANGKNE GUNSTBKWIJZKN.
Toen ik in mijnen rampspoed tot
— 125 —
den Heer verzuchtte, heeft Hij mij verhoord, omdat gij, o trooster der bedrukten, H. Antonius, bij den Vader der barmhartigheid voor mij gebeden hebt. — Nu ondervind ik, dat niemand God te vergeefs aanroept, als Antonius voor hem bidt. O H. Antonius, hoe liefdevol hebt gij mij getroost, daar ik door uwe hulp, datgene verkregen heb, waarom ik bad. Van ganscher harte bedank ik u, zoowel voor deze genade, als voor alle mij bewezene weldaden. Uit dankbaarheid geef ik mij geheel aan U; neem mij voor altijd als uw pleegkind aan, en leer mij steeds in alles den heiligen wil van God volbrengen. 0 allermildda-digste Jesus, kroon Uwer heiligen! wie hen vereert, vereert ook U. Ik verheerlijk U in uwen belijder Antonius, door wiens voorspraak gij mij verhoord en de ontvangen weldaad bewezen hebt. Behalve deze
— 126 —
genade, o liefdevolle Jesus, smeek ik U dringend, om de genade der volharding in uwen dienst tot aan mijnen dood, opdat ik waardig worde van U, o Jesus, die troostvolle woorden te vernemen : Welaan, gij goede en getrouwe knecht, treed binnen in de vreugde uws Heeren. Amen.
—O0O—
Beroemd Responsorium
ter eere van ien H. Antoniiis van Padua,
door deu H. Bonaventura vervaardigd.
Den 13den April 1263, dus 32 jaten na den dood en de begrafenis van den H. Antonius, woonde de H. Bonaventura, als generaal der orde de plechtige opgraving van het gebeente des heiligen te Padua bij. Toen men de tong van den H. Antonius nog geheel frisch, rood en onge-
— 127 —
schonden bevond, nam de H. Bona-ventura haar in zijne handen en sprak:
gt;(9 gezegende tong, die God altijd geloofd hebt. en ayideren leerdet Hein te prijzen ; helder blijkt het thans hoe groot uwe verdiensten zijn bij God!\' — Vervolgens kustts hij die heilige tong, en werd zoozeer tot de vereering van den H. Antonius gedreven, dat hij er slechts op bedacht was, om diens wonderen naar waarde te vermelden. En als hij dan, in verrukking opgetogen, gereed was, om den lof van den H. Antonius in zijn wonderen te beschrijven, voelde hij, hoe de pen tusschen zijne gewijde vingeren zich als van zelfbewoog, en onder Gods leiding, schreef nu zijne hand het beroemde Responsorium van den H. Antonius neder:
RESPONSORIUM.
Wilt gij mirak\'len zien : (wat alle menschen duchten)
.
— 128 —
En dood, en ketterij en ongelukken
(vluchten: De helsche vijand wijkt, melaatsch-
(heid zelfs vergaat; Geen krankheid, die haar prooi niet
(gezond verlaat. R) De zeeën vlieden heen, van overstroomde landen. De boeien laten los aan sterk geknelde handen. Geen lidmaat ooit zoo dor, niets, wat
(verloren ging. Dat jong en oud, die bad, niet weder
(t\'rug ontving. Het grimmigste gevaar, ja, elke nood
(moet wijken. Dat hij, die \'t ondervindt, uit alle land
(en rijken, Hier eiken twijfel wraakt en luidde
(en openbaar Met Padua verhaalt getuigen al te
(gaar.
R) De zeeen vlieden heen van overstroomde landen, enz.
— 129 —
Eere zij den Vader, den Zoon en
den H. Geest, enz,
R. De zeeën vlieden heen van over-
(stroomde landen, enz. V. Bid voor ons, o H. Antonius ! R. Opdat wij waardig mogen worden de beloften van Christus.
GEBED-
Laat o God, uwe Kerk zieh verheugen in de dankbare en betrouw-volle herinnering aan uwen zaligen belijder Antonius, opdat zij door geestelijke hulp, te allen tijde beschermd en waardig gemaakt worde, om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten, door Christus onzen Heer. Amen.
BEMERKING. Telkens 100 dagen aflaat. Wie dit Responsorium gedurenje t-ne heele maand dagelijks bidt, kan op een dag der maand naar verkiezing een
vollen aflaat verdienen onder voorwaarden van 1c biechten, te Coramuniceeren en eene kerk of openbare bidplaats te bezoeken, om er te bidden tot in\'.cnti# van Zijne Heiligheid. (Pius IX, asjdnuari 18Ö6 )
—ogo—
— 130 —
Kleine getijden
TAN DES H, ISTOSIOS HH PIDBA.
DE METTEN.
De Zegen van den H. Antonius.
Ziet het kruis des Heeren; vlucht, gij weerspannige partijen, de leeuw uit het geslacht van juda, de wortel van David heeft overwonnen. Alleluja. V. Heer, open mijne lippen, R. En mijn mond zal uwen lof verkondigen.
V. God, geef acht op mijne hulp. R. Heer, haast U, om mij te helpen.
(Van Septuagesima tot Paschcn zegt men in plaats van Alleluja: Lof zij U, Heer, Koning der eeuwige heerlijkheid !)
Lofzang.
Bij \'t vernemen van de mare. Dat een Minderbroeder-schare,
— 131 —
Vijf in tal als mart\'laar sneeft, En voor Jesus \'t leven geeft,
Wordt hij aanstonds Minderbroeder, Draagt zich op aan de Albehoeder, En met \'t woord Gods in de hand. Snelt hij naar der wilden strand.
Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd.
Ons door zijn gebed bevrijd\'.
Antipiioon.
O wonderbare Held van Spanje, schrik der ongeloovigen, nieuw licht van Italië, kostbaar pand van Padua» verkrijg voor ons, Antonius, de bescherming der genaden van Christns, opdat wij den korten tijd, die ons vergund wordt, niet vruchteloos laten voorbij gaan.
Dat alle kinderen des Heeren zich verblijden.
Dat zij den lof van den H. Antonius alom verbreiden.
GEBED.
O God, die door de H. Kerk wonderbaar genoemd wordt in uwe heiligen, door wier voorspraak zij bijstand gevoelt in alle kwellingen, verleen ons, dat wij, die in den naam van uwen zaligen belijder An-tonius vergaderd zijn, mogen verkrijgen, wat wij verzoeken; opdat wij in alle voorvallen beschermd wordende, nimmer ophouden u te loven en te danken, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.
Dk Puimen.
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed U, om mij te helpen.
Eere zij den Vader, enz.
Lüiza.ng.
Hij verdrijft de ketterijen,
Met het woord Gods te verbrijden»
Breekt der helle kerkerslot, En bevrijdt de Bruid van God.
Geef, o Jesus, vol genaden.
Groot in macht, en groot in daden Dat Antonius altijd.
Ons door zijn gebed bevrijd\',
Anthiphoon,
Door wonderteekenen, die van Gods
[macht getuigen, Doet hij het ongeloovig volk, zich
[geloovig nederbuigen. Voor God zijn Meer, wiens dierb\'rc [Bruid, hun lastermond. Door hun vermeten taal, zoo dik-
[wcrf had gewond. Ontwaak, H. Antonius, tot onze hulp, Verlosons van alle zichtbare \\ ijanden,
GEBED.
O, God, die uwen H. belijder Antonius, zulk e n uitmuntenden verkondiger van Uw woord gemaakt, en de H. Kerk door zijne zalige
— 134 —
leering zoo wonderbaar verblijd hebt, verleen ons genadig, dat wij, hetgeen hij ons met wcorden en werken geleerd heeft, door zijne voorspraak getrouw mogen navolgen, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.
t
De TLRTiën.
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.
Lofzkng.
Water\'n vloeien uit de steenen, Hard versteende harten weenen, Als zijn tong, die honig vloeit, Hem met \'s hemels dauw besproeit.
Geef, o Jesus, vol genaden.
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd.
Ons door zijn gebed bevrijd.
— 135 —
An riPi-iooN.
Hij dorstte steeds naar U; o God, [en placht te waken, | Van \'t eerste morgenlicht in uwe
[dienst en zaken ; Gij wildet, dorstend aan het kruis,
[dan voor hem zijn Een Helderschijnend licht, een le-
[vende fontein. Doe door uwe verdiensten, aller-
[minnélijkste Antonius, Onze harten in de liefde van Christus smelten.
GEBED.
Stort, allerliefste Jesus, den vruchtbaren regen uwer liefde overvloedig over onze dorre harten uit, en zui\' ver ze door de voorspraak van den li. Antonius van alle vlekken der zonden, gij die leeft en heerscht met den Vader cn den H. Geest in a!le eeuwen der eeuwen. Amen.
— 136 —
De Sexten.
God. geeft acht op mijne hulp.
Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
Hij had altijd in zijn leven,
\'tHei\'ig kruis in \'t hart geschreven, Droeg dit tecken in zijn ziel, Dat hem nimmer lastig viel.
Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd.
Ons door zijn gebed bevrijd.
Antipiioox.
Looft* schepselen, den Heer, die uit
[de hemelzalen, Zijn milden zegen op u allen neer
[doet dalen, En uwe hoop beloont door \'t onwaardeerbaar goed,
— 137 —
Dat door Antonius, Hij voor U allen
[doet.
Dat allen zich verheugen en verblijden, Die door Antonius tot den schoot [der H. Kerk gebracht zijn.
GEBED.
O God, voor wiens aanschijn de. hemelen zelfs niet zuiver zijn, sla een oog van genade op ons, wier vlekken gij door het dierbaar bloed van uwen eenigen Zoon, gewaardigd hebt af te wasschen, en vergun ons, dat wij door de voorspraak van den H. Antonius, zóó door de tijdelijke goederen mogen wandelen, dat wij met onzen geest altijd naar U en naar de eeuwige goederen wenschen en verlangen mogen, door denzelfden Jesus Christus, die met U en den H. Geest leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amkn.
De Nonen.
God, geef acht op miine hulp,
Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
Zijne ziele wordt ontbonden,
En in die fontein verslonden.
Waar zij nu in vrede rust.
Eeuwig haren dorst aan bluscht.
Geef, o Jesus, vol genaden.
Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd\'.
Anti phoon.
Verheug u, Padua, in wier verblijde
[staten.
De Heer zulk een schat heeft in be-
[zit gelaten. En dat de goede God u hectt geopenbaard.
— 139 —
In welk een schoon altaar hij dient
[te zijn bewaard. De heilige verheugt zich in zijne
[heerlijkheid, Hij verblijdt zich in zijne rustplaats.
GEBED.
Laat, o genadige God, uwe H. Kerk zich verheugen in de voorspraak van uwen H. belijder Antonius, opdat zij door geestelijke hulp te allen tijde gesterkt en waardig gemaakt worde om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten, door onzen Heer Jesus Christus, die met U leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
De Vkspurp.
God, geef acht op mijne hulp,
Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.
— 140 -
Lofzang.
Toen hij zalig was gestorven,
Is zijn stoff\'lijk deel bedorven ;
Maar zijn tong, Gods lof gewoon. Bleef onbedorven en zeer schoon.
Antiphoon.
O zegenrijke tong, die zongt den lof
(des Heeren, En ook denzelfden lof den menschen
[placht te leeren. Wij zien nu zonneklaar, door zulk
[een wonderdaad. Op welk een hoogen trap gij in Gods [achting staat. Gezegend zij de H. Antonius, wien de Allerhoogste in den hemel met zijne heerlijkheid gekroond heeft.
GEBED.
Verhoor ons, o God, onze Zaligmaker, opdat wij door de voorspraak van den H. Antonius. uwen belijder,
- 141 —
den H. Geest, dien gij beloofd hebt aan allen, die Denzelven vragen, heden door zijne verdiensten waardig mogen worden te ontvangen, dien zaligmakenden Geest, die met U en den Vader leeft en heersoht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Dl-] CoMI\'i.ktkn.
Bekeer ons. God, onze Zaligmaker, En wend uwe toorn van ons af. God, geef acht op mijne hulp.
Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.
Lofzang.
Wil aan uwe dienaars geven, Zoo gestorven, als die leven,
Door uw voorspraak van kracht, \'t Goed, waar iedereen naar wacht.
Geef, o Jesus, vol genaden,
Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd.
— 142 —
Antiphoon,
Nu is hij deelgenoot der hemelvreugd geworden, Van \'t zalige getal der Vaders van
(zijn oorden, Wier leven hij hier had beoefend
(met de daad. Zie, welk een kroon de deugd haar (minnaars achterlaat.
GEBED.
Goedertieren Jesus, die uwen belijder, den H. Antonius, met ge-durigen luister van wonderteekenen, versiert, verleen ons genadig, dat wij, hetgeen wij met vertrouwen door zijne verdiensten verzoeken door zijne voorbede mogen bekomen. Die leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Oepracht.
Antonius, neem de getijden,
— 143 —
Die \'k u ter eere bied, toch aan. Ik wil uw dienaar zijn voortaan. Wil door uw macht mijn ziel bevrijden. Haar steeds beschermen in den nood. Vooral in \'t uur van mijnen dood. Wanneer zij zal van \'t lichaam
[scheiden;
Geef, dat zij op dien laatsten dag, U tot haar leidsman vinden mag. Die haar met liefde zult geleiden, Door uw hulp en aan uw hand. Tot in \'t hemelsch Vaderland! Ach, toon ook, bid ik, uw vermogen Aan de zielen Gods aanschijn. Opdat ze in vrede rusten mogen : Verkrijg van Gods barmhartigheid Voor haar de volle zaligheid.
—o©o—
114
De drie voetvallen ter eere der allerheiligste Drievuldigheid.
Eerste voetval.
O allerheiligste en gezegende Drieëenheid 1 voor het altaar des al. lerheiligste Sacraments, waar het waaraehtig liehaam en bloed van Je-sus Christus tegenwoordig is, val ik voor U neder, in vcrecniging met de brandende liefde van den 11. Antonius, waarmede Gij hem tot het genot uwer eeuwige aanschouwing hebt uitverkoren, en waardoor hij U reeds vóór de schepping der wereld welgevallig is g«\\veest, en zulks in eeuwigheid zijn zal. — Lof en heerlijkheid, wijsheid en dank, eer, macht en sterkte zij onzen God van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Onze Vader. ■— Wees gegroet.
— 145 —
Tweede voetval.
O allerheiligste en gezegende Drievuldigheid ! ik val u te voet, in veree-niging met de groote liefde, waarmede uw dienaar Antonius door de vereering uwer Godheid, uw goddelijk hart zoo innig tot zich trok, dat hij den menschen door hetzelve dien over-vloedigen stroom van bovennatuurlijke gunsten en genaden kan verwerven en mededeelen, waardoor uw lof en de vereering van den H. Antonius dagelijks toeneemt. Deswege zij U, o verheven God, lof en heerlijkheid wijsheid en dank,eer,macht en sterkte zoo van mij als van aluwe schepselen, in den hemel, op de aarde en onder de aarde van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
Derde Voetval.
O allerheiligste, gezegende Drie-
8
— 146 —
vuldigheid, door dezen voetval wensch ik al datgene aan te vullen, wat de H, Antonius op aarde ter bevordering uwer eer en van den bloei des geloofs uit menschelijke onmacht niet heeft kunnen bijbrengen, en zulks in vereeniging met die hemelsche godsvrucht, liefde en oot- | moedigheid, waarmede hij zelf dit zou volbracht hebben, als hij nog op aarde leefde, en het doorzicht had, dat hij thans in den hemel heeft.
Deswege zij U, o verheven God, lof en heerlijkheid, wijsheid en dank, eer, macht en sterkte, zoo van mij als van al uwe schepselen, in den hemel, ®p de aarde en onder de aarde. van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
Sluitgebed.
O getrouwe en beminnenswaar-
— ] 47 —
dige beschermer, H. Antonius, ik bid U door het allerheiligst hait van onzen Heer Jesus Chsistusj waarin Hij al de wonden zijns lichaams heeft geleden, doe mij nu ondervinden, hoe machtig gij thans zijt voor het aanschijn Gods — Doe mij met zekerheid in mijnen kommer op verhooring hopen, opdat ik met allen, die U in hunnen nood aanroepen, blij te moede, zeggen kan Inderdaad, de oneindige God leeft en heerscht in zijnen trouwen dienaar, den H. Antonius, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Uwe gezegende tong, H. Antonius, die steeds Gods lofverkondigde en andere hiertoe aanspoorde, zij in eeuwigheid geprezen. — Nu blijkt het zonneklaar, welke groote verdiensten gij verworven hebt bij God, dewijl dezelve, twee en dertig jaren na uwen dood, gansch schoon, rood en frisch bevonden
— 148 —
werd, en nog tot heden te Padua ongeschonden wordt vereerd.
— 149 —
Litanie
TBR EERE
van flen H- Autonins m PailM-
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons. God hemelsche Vader, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld,
ontferm U onzer.
God H. Geest, ontferm U onzer. Allerheiligste Drievuldigheid, één
God, ontferm U onzer.
Heilige Maria,
Heilige Moeder Gods, 1 5?
Heilige Maagd der maagden, / lt; Heilige Antonius, gt; 8
Heilige Antonius, getrouwe l 0 dienaar der allerheiligste 1 « Maagd Maria, I
— 150 —
Heilige Antonius, navolger der * Apostelen.
Hêilige Antonius, luister der Seraphijnsche orde, \\
HeiligeAntonius, voorbeeld van l kinderlijke godsvrucht, i
Heilige Antonius, grootmoedi- , ^
ge verachter der wereld, i Heilige Antonius, lelie der zui- \' gj verheid, l g
Heilige Antonius, vriend der 1 c! armoede, ] lt;
i quot;
Heilige Antonius, voorbeeld der f 3-christelijke ootmoedigheid, ^ o Heilige Antonius, onderdanig \' o
offer van gehoorzaamheid,
Heilige Antonius, spiegel der
matigheid,
Heilige Antonius, vat van zuiverheid,
Heilige Antonius, schitterende ster van heiligheid.
— 151 —
Heilige Antonius. roos van geduld,
Heilige Antonius, steunpilaar der Kerk,
Heilige Antonius, arke des verbonds.
Heilige Antonius, leeraar der waarheid.
Heilige Antonius, verkondiger der genade.
Heilige Antonius, uitroeier der misdaad,
Heilige Antonius schrik der ongeloovigen,
Heilige Antonius, geesel der ketters.
Heilige Antonius, ijveraar der zielen.
Heilige Antonius, schrik der hel,
Heilige Antonius, op wekker der dooden.
— 152 —
Heilige Antonius, troost der gt; bedroefden, j
Heilige Antonius, verdediger f der rechtvaardigen.
Heilige Antonius, groote lieve- | ling van het kindje Jesus, 1
Heilige Antonius, tcrugvinder van verloren zake», j td
Heilige Antonius, helper in alle f ^ noodwendigheden en geva- \' §
o
Heilige Antonius, trooster in ] eiken rampspoed.
Heilige Antonius, machtige i voorspreker in het uur des ƒ doods, [
Heilige Antonius, voortdurende wonderwerker, i
Heilige Antonius, trouwe vader 1 en beschermer,
Wees genadig, spaar ons, o Heer !
Wees genadig, verhoor ons o Heer I
— 153 — Van alle kwaad,
Van alle zonden,
Van uwe gramschap,
Van de hinderlagen des duivels, Van pest, hongersnood en oorlog.
Van overstrooming en brandschade,
Van bliksem en onweder. Van den eeuwigen dood,
Door de verdiensten en dc voorspraak van den H. Antonius, Door zijne vurige liefde,
Door zijnen ijver in het bekee-
ren der zondaren.
Door zijne begeerte naar den
marteldood,
Door zijne stipte onderhouding van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid.
Door alles, waarmede hij U welgevallig is geweest,
— 154 —
Op den laatsten dag des oordeels, verlos ons, o Heer !
Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons!
Dat gij ons wilt sparen,
Dat Gij ons tot ware boetquot; 1 vaardigheid wilt brengen.
Dat Gij het vuur der goddelijke / liefde in ons wilt ontsteken, 1 ^
Dat Gij onze harten tot hemel- . a-sche begeerten wilt opwek- : ken, I 3
Dat Gij ons wilt deelachtig ma- ■ p
ken aan de verdiensten en de i lt;
l ^
voorspraak van den H An- 1 tr
tonius, \' o
7 ►t
Dat Gij ons een volmaakt be- , g rouw, ootmoed cn de genade [ quot; der overwegingwiltverleenen, ! Dat Gij allen, die Antonius aan- 1 roepen, het behoud naar ziel | en lichaam wilt verleenen, /
— 155 —
Dat Gij na den dood onze zielen in genade wilt opnemen, wij bidden U, verhoor ons 1 Zoon [Gods, wij bidden U, verhoor ons!
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons Heer ! Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verhoor ons Heer ! Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,ontfermU onzer,Heer ! Christus, hoor ons 1 Christus, verhoor ons!
Onze Vader, Wees gegroet, v. Bid voor ons H. Antonius, u. Opdat wij waardig worden der beloften van Christus.
GEBED.
Beminnelijkste Jesus, die uwen be-ijder, den H, Antonius met g^durigen luister van wonderteekenen versiert, verleen ons genadig, dat wij, door
— 156 —
zijne verdiensten en voorspraak datgene verwerven, wat wij vol vertrouwen van U vragen, die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.
Godvruchtige gebeden tot den H. Antonius in allerlei aangelegenheden,
gelijk ze vervat zijn in het Res-ponsoriumvan denH. Bonaventura.
I. DOOD.
Gebed voor een gelukzaligen dood.
O, H, Antonius, overwinnaar des doodsjdiedoor uwe allesvermogende
— 157 —
hoorspraak bij God velen dooden let leven des lichaams, maar nog ineer aan geestelijke dooden het leven der ziel hebt teruggegeven, be-ivaar door den invloed uwer verdiensten en uwe machtige voorspraak, mijn lichaam voor een haastigen en ellendigen dood, mijne ziel echter voorden eeuwigen dood,opdat Jesus, mijneenig leven, nimmer in mij sterve.
O heilige vader, welke groote ge-\\aren staan mij in den laatsten strijd te wachten, als de smarten des doods mij zullen omgeven, en de hel tegen mij zal samenspannen. Ach, sta mij dan bij, en geef door uwe voorspraak dat Jesus, de toevlucht der stervenden, en zijne heilige Moeder mij ter zijde staan, opdat ik door hunne bescherming de vijanden gelukkig overwinne, en na behaalde zegepraal, de eeuwige rust moge ingaan.
Ontferm u ook, o doodenopwck-ker, H. Antonius, over de geloovige
— 156 —
zijne verdiensten en voorspraak datgene verwerven, wat wij vol vertrouwen van U vragen, die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.
Godvruchtige gebeden tot den H. Antonius in allerlei aangelegenheden,
gelijk ze vervat zijn in het Res-ponsoriumvan denH. Bonaventura.
I. DOOD.
Gebed voor een gelukzaligen dood.
O, H. Antonius, overwinnaar des doodsjdiedoor uwe allesvermogende
— 157 —
ivoorspraak bij God velen dooden het leven des lichaams, maar nog meer aan geestelijke dooden het leven der ziel hebt teruggegeven, bewaar door den invloed uwer verdiensten en uwe machtige voorspraak, mijn lichaam voor een haastigen en ellendigen dood, mijne ziel echter voorden eeuwigen dood,opdat Jesus, mijneenig leven, nimmer in mij sterve.
O heilige vader, welke groote gevaren staan mij in den laatsten strijd te wachten, als de smarten des doods mij zullen omgeven, en de hel tegen mij zal samenspannen. Ach, sta mij dan bij, en geef door uwe voorspraak dat Jesus, de toevlucht der stervenden, en zijne heilige Moeder mij ter zijde staan, opdat ik door hunne bescherming de vijanden gelukkig overwinne, en na behaalde zegepraal, de eeuwige rust moge ingaan.
Ontferm u ook, o doodenopwek-ker, H. Antonius, over de geloovige
zielen, vooral over die mijner ouders vrienden en weldoeneis, welke zie misschien nog in het pijnlijk vage vuur bevinden; bid voor hen, opda zij weldra eeuwig Gods aanschijn den hemel mogen genieten. Amen
II. DWALING.
Gebed om in het ware geloof te volharden.
O H. Antonius, liefderijke leeraar en licht der H. Kerk, beminnaar der goddelijke wet, bid voor ons bij den Zoon üods, dat wij voortdurend in het geloot mogen volharden en met uwen bijstand datgene volbrengen, wat gij door woorden en werken hebt geleerd,
H. Antonius, gij hebt onwetenden den weg getoond, en de afge-dwaalden door oprechte boetvaardigheid tot God teruggebracht; verleen ook mij door uwe voor-
— 150 —
spraak, eene onoverwinnelijke standvastigheid in het geloof; help degenen, die door ongeloof, van Christus, den éénen en waren weg, zijn afgeweken, verlicht den nevel van hun verstand, verbreek de hardnekkigheid van hunnen wil, opdat zij in den schoot der alleenzaligmai kende Kerk terugkeeren, en aan de hel ontrukt worden, Amen,
III. ANGST.
Gebed in nood en angst.
Ach, in hoevele kwellingen bevindt zich toch de ellendige mensch ! H. Antonius, milde vertrooster aller bedrukten, gij ziet in God de droefheden en angsten, welke ik lijd; zoudt gij mij niet te hulp willen snellen ? — Gij troost toch allen, die tot U hunne toevlucht nemen, zoudt gij mij alleen zonder hulp laten ? O neen, ik weet het, gij verlaat ook mij niet, daarom roep
— 158 —
zielen, vooral over die mijner ouders, vrienden en weldoeneis, welke zich misschien nog in het pijnlijk vagevuur bevinden; bid voor hen, opdat zij weldra eeuwig Gods aanschijn in den hemel mogen genieten. Amen.
II. DWALING.
Gebed om in het ware geloof te volharden.
O H. Antonius, liefderijke leeraar en licht der H. Kerk, beminnaar der goJdclijke wet, bid voor ons bij den Zoon Gods, dat wij voortdurend in het geloot mogen volharden en met uwen bijstand datgene volbrengen, wat gij door woorden en werken hebt geleerd,
H. Antonius, gij hebt onwetenden den weg getoond, en de afge-d waalden door oprechte boetvaardigheid tot God teruggebracht; verleen ook mij door uwe voor-
— 159 —
spraak, eene onoverwinnelijke standvastigheid in het geloof; help degenen, die door ongeloof, van Christus, den éénen en waren weg, zijn afgeweken, verlicht den nevel van hun verstand, verbreek de hardnekkigheid van hunnen wil, opdat zij in den schoot der alleenzaligmaj kende Kerk terugkeeren, en aan de hel ontrukt worden, Amen.
III. ANGST.
Gebed in nood en angst.
Ach, in hoevele kwellingen bevindt zich toch de ellendige mensch ! H. Antonius, milde vertrooster aller bedrukten, gij ziet in God de droefheden en angsten, welke ik lijd ; zoudt gij mij niet te hulp willen snellen ? — Gij troost toch allen» die tot U hunne toevlucht nemen, zoudt gij mij alleen zonder hulp laten ? O neen, ik weet het, gij verlaat ook mij niet, daarom roep
ik tot U vol vertrouwen en ootmoedig van harte, wil mij in mijn angst en nood niet verlaten. O goedgunstige H. Antonius, aanschouw mij en alle bedrukten met die medelijdende oogen, waarmede gij altijd gewoon zijt neer te zien ©p de benarde stervelingen. Troost der bedroefden, help de ongelukki-gen; beur de droefgeestigen op, kom ons te hulp in alle angsten en kwellingen, en voer ons eens uit dit tranendal naar die stad, waar de liefdevolle Heiland en Verlosser Jcsus van de oogen zijner heiligen alle tranen afdroogt. Handel Gijgt; o goedertieren Jesus, met mij volgens de mildheid Uwer ontferming.» gelijk U dunkt, dat nuttig en heilzaam is voor mijne ziel. Wilt Gij, dat ik lijde, het geschiede volgens Uwen heiligen wil, Schenk mij nu slechts geduld, en hiernamaals de eeuwige vreugde, Amen,
— 161 —
IV. HEL.
Gebed tegen de bekoringen der hel.
O Heer Jesus Christus, sterke leeuw uit den stam van David, zie, onze vijand, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden; als gij ons niet beschermt, zijn wij verloren. O Jesus, gij hebt uwen dienaar An-tonius tegen alle aanvallen der hel gewapend, sterk ook door zijne voorspraak mijne zwakheid, opdat ik de bekoringen des duivels altijd overwinne, en tot den dood in uwe genade en vrienschap volharde.
H. Antonius, zegevierende overwinnaar der hel, haast U, om mij te helpen, waak over mijn ziel en lichaam tegen alle hinderlagen van satan, opdat ik ongehinderd den weg der geboden .Gods bewandele, en tot ket g;«w»»#chte «nde der
1
— 102 —
zaligheid moge geraken
Amen.
V. MELAA.TSCHHEID.
Gebed tegen de melaatseh-heid der zonde.
Dat gij, o H. Antonius, van God de macht ontvangen hebt, om de melaatschheid des lichaams te genezen, daarvan getuigt de ondervinding. — Doch geen melaatschheid is schadelijker en gevaarlijker dan de zonde; daarom smeek ik U, o liefdevolle beschermer, behoed mijn lichaam tegen de melaatschheid, als zulks Gods wil is; nog meer echter mijne ziel tegen de zonde.
Ach, ik heb gezondigd, mijne ziel en mijn hart is bevlekt, en om de menigte mijner misdaden duif ik nauwelijks mijne oogen ten hemel verheffen. O H. Antonius, vurige minnaar van de reinheid d-;s harten,
— 163 —
Éjeet door uwe voorspraak, dat ik niet aarzele tot het goddelijk hart van Jesus te naderen, mij ootmoeilig voor zijne voeten neder te werpen en te zeggen : Heer, indien Gij wilt, Gij kunt mij genezen.
O mijn Jesus, ik heb berouw over mijne zonden, en verafschuw ze; schenk mij een zuiver hart, besproei mij met een enkelen droppel van uw dierbaar bloed, en ik zal gereinigd worden. Liever wil ik sterven, dan U nogmaals te belee-digen, dit neem ik mij vast voor met uwe genade, en door de voorspraak van den H. Antonius. Amen.
VI. ZIEKTEN.
Gebed in li c h a m e 1 ij ke ziekten.
O H. Antonius, ervaren geneesheer voor de ziel en lichaam, o opbeuring voor allen, die door ziekte
— 164 —
worden getroffen en zich in uwe voorspraak aanbevelen. Sla de oogen uwer erbarming op mij, uw pleegkind neder, alsook op alle zieken, die door smartelijke kwalen bezocht worden en tot u verzuchten.
O groote vriend Gods, door uwe alvermogende voorspraak en verdiensten worden niet slechts zieken frisch en gezond, maar ook zeer velen zelfs van den dood gered. — Daarom bid ik u, ter wille van uw medelijdend hart jegens alle lijdenden, ontferm u mijner, laat mijne zuchten en gebeden doordringen tot den troon vau God, opdat Hij mij uit mijne ziekte verlosse. — Ik beken het, ik ben een arme zondaar (zondares) en verdien niet, verhoord te worden. Doch door uwe bemiddeling hoop ik op herstel.
Goedgunstige Jesus, man van smarten, bruidegom des bloeds. Gij zelf hebt zwakte en smarten door-
— 165 —
staan, verhoor mij en ontferm U over mijne zwakheid. Genees mijne ziel, ik heb tegen U gezondigd; genees echter door de verdiensten van den H. Antonius ook mijn lichaam, opdat ik den dood ontrukt worde en U in uwe heilige Kerk den schuldigen dank mogen bewijzen. Amen.
VIL DE ZEE.
Gebed voor dengenen, die zich op zee bevinden.
Onze Heer en Verlosser Jesus Christus, wien zeeën en winden gehoorzamen, verhoort ook U, H. Antonius! als gij voor schepelingen bidt. Uw gebed doet wind en golven bedaren en voert opvarenden veilig de haven binnen. Verhoor ook ons gebed, dat wij voor zeevarenden tot God opzenden, opdat zij onder uwe bescherming
— 166 —
zonder storm, welvarend en voorspoedig de gewenschte bestemming mogen bereiken.
Bid ook, o H. Antonius, voor ons, die op de gevaarlijke wereldzee onder zoovele stormen ronddolen, opdat wij behouden tot het gewenschte doel der eeuwige zaligheid mogen geraken. Amen.
VIII. BOEIEN.
Ik kom tot U, o, H. Antonius, liefdevolle vertooster der bedroefden, en bid U voor de troosteloo-zen, die in gevangenschap zuchten. O hoevele Christenen zuchten onder het zware juk der heidenen. Door uwe machtige voorspraak breken ijzeren boeien van zelve. O H. Antonius, die zelf uwen onschul-digen vader uit den kerker hebt verlost, verhoor mijn gebed voor de gevangen Christenen, en bevrijd
hen van alle rampen en banden. Amen.
IX. ZIEK LIDMAAT. Gebed tot herstel der oogen,
ooren handen en voeten.
O H. Antonius, uit liefde tot Jesus hebt gij Hem al de ledematen van uw lichaam en ziel toegewijd, en werdt daarom waardig bevonden, Jesus in de gedaante van een aan-minnelijk kindje in uwe armen te mogen ontvangen, Hem te omhelzen en met uwe kuisehe lippen te kussen. Ik bid U, door deze onï schatbare genade, liefde en teeder-heid, welke gij in dien vertrouwe-lijken omgang genoten hebt, zie neder op mijn ziek lidmaat (oog enz.) Ontferm u over uw lijdend pleegkind, ter wille van de liefde, welke gij koesterdet jegens het god delijk kindje Jesus, en verlos mij uit mijn smartelijken toestand. Re-
— 168 —
gel mijne zinnen en bestuur mijne ledematen, opdat ik, gestorven aan de wereld, herschapen worde in een reinen tempel Gods en gezond van lichaam, indien Gode zulks behaagt, Christus, als mijn goddelijken Heiland, voor altijd getrouw moge dienen. Amen.
X. VERLOREN ZAKEN. Gebed om verloren zaken terug te vinden.
O Jesus, ik heb gedwaald als een schaapje, dat verloren was; ach zoek uwen dienaar (dienares) op. Uwe geboden niet meer indachtig, ben ik ver van u afgeweken, en daarom dan ook, dewijl ik u belee-digde, heb ik ingevolge uwe gerechtigheid ook het tijdelijke verloren. — Om dit weder terug te bekomen, smeek ik u ootmoedig, o Jesus, geef geen acht op mijne onwaardigheid, maar op de voor-
— 169 —
bede van uwen dienaar Antonius, wien gij de macht verleend hebt, het verlorene weder terug te brengen. — Daarom richt ik mij tot u, o H. Antonius, getrouwen terugbezorger van verloren zaken. Aan allen, die umet een oprecht gemoed aanroepen, brengt gij trouw het verlorene weder terug; overal klinkt uw lof:
»......niets wat verloren ging
Dat jong en oud, die bad, niet welder f rug ontvingquot; Verhoor ook mijne bede, en schenk mij terug, wat ik door ongeluk of diefstal verloren heb. Ik weet, wel is waar, dat de Heer het mij gegeven, en de Heer het mij ontnomen heeft, daarom zeg ik met Job ; De naam des Heeren zij gezegend. Dewijl ik echter niet weet, wat de goddelijke Voorzienigheid met mij voorheeft, kom ik tot u, o H. Antonius, met de ootmoedige bede, geef door uwe voor-
u
— 170 —
spraak, dat ik, indien het Gode welgevallig is, terugvinde, hetgeen ik verloren heb. H. goedertieren Vader, gij kent het verlies, dat ik r ondervind en den nood, die mij drukt; verlaat mij dan niet in mijne aangelegenheid, opdat ik met vreugde in het hart van uw altaar terug keer, U luide dankzegge en uwen lof, benevens al de mij be wezen weldaden overal moge ver kondigen. Amen.
XL GEVAREN.
Gebed ter afwering van gevaren.
Zoo dikwijls, gij, o H. Antonius, ^ machtige beschermer uwer pleeg-kinderen, met vertrouwen wordt aangeroepen, verdwijn alle gevaren. Daarom groet ik u ootmoedig van harte, en roep uwe hulp in tegen alle gevaren naar ziel en lichaam; sta mij bij en bescherm mij tegen
— 171 -
alle zichtbare en onzichtbare vijanden; behoed ons tegen oorlog, honger en pest, hagel en onweder, watersnood en brandschade, alsmede tegen alles, wat ons beangstigen kan, nu en in het uur van onzen dood. Amen.
Gebed in onverwachte voorvallen.
O God, geef acht op mijne hulp! Heer, haast U, om mij te helpen. Kom ons te hulp, o God en Heiland, spaar ons tot meerdere verheerlijking van uwen heiligen naam, en wend uw aangezicht af van onze zonden, door de verdiensten van den H, Antonius. God verheffe zijnen arm en zijne vijanden worden verstrooid; en die Hem haten, vlieden voor zijn aanschijn. H. Antonius, kom mij te hulp, Jesus van Nazareth, Koning der Joden ! Deze zegevierende titel zij mij het krachtigste
— 172 —
middel tegen alle kwaad. Ofwel: Ziet het t kruis des Heeren. vlucht, gij weerspannige partijen, de Leeuw uit het geslacht van Juda, de wortel
vanDavidheeftoverwonnen. Alleluja.
XII. GEBREK.
Gebed in gebrek en armoede.
Door uwe voorspraak, o H. An-tonius verdwijnt de nood bij allen, die u met levend vertrouwen aanroepen. Aanhoor toch mijn bidden en smeeken. dewijl ik mij in grooten nood en armoede bevind. — Door achteruitgang in tijdelijke zaken verkeer ik in kommervolle omstandigheden, leid ik grooten honger, kan mij, noch de mijnen volgens onzen stand kleeden, noch mijne schulden voldoen, en moet mijne schuldeischers benadeelen, van wie ik door mijne groote armoede geheel afhankelijk ben. O vader der armen, gij ziet
— 173 —
in God mijn gedrukt en gebroken hart. Ach, ontferm u over mij. — Ik verlang geen rijkdom, noch overvloed, maar alleen het noodzakelijke tot onderhoud mijns levens, — O Jesus, vader der armen, verhoor den H. Antonius, die voor mij bidt, ter wille van de liefde waarmede Gij in de gedaante van een teeder kindje op zijne armen gerust hebt.—Verlos mij uit mijne ellende, gelijk het U het beste schijnt. Wilt Gij echter dat ik langer lijde, o verleen mij dan door de verdiensten en voorspraak van den H. Antonius, uwe genade en geduld, opdat ik uit liefde tot U lijde, en niet bezwijke onder het kruis. Ik vereenig mijn gebed met de heilige armoede, waarin Gij geleefd hebt. Amen.
Gebed om de hulp van den H. Antonius te verwerven.
Wees gegroet, o H. Antonius, zie
— 174 —
ter wille van het zoete hart van Jesus, op mij neder van af den troon uwer heerlijkheid. — Gij houdt niet op, goed te doen aanballen, die u aanroepen. — Zie ook neer op mijnen ellendigen toestand; ofschoon gij voor eeuwig bij den Onsterfelijke woont, laat gij nooit na, de stervelingen te helpen. Daarom smeek ik u ootmoedig, verkrijg mij door uwe voorspraak, dat ik de zonde verlate, opdat Hij, die gekomen is, niet om de rechtvaardigen, maar de zondaars op te zoeken,?mij wegens mijne boosheid, niet verstoote. Geef, dat ik genade vinde in de oogen van God en zijne heilige Moeder Maria ; verlicht de duisternis mijns harten, en doe mij kennen, wat Gods wil van mij verlangt. Sta op, en kcm mij te hulp, terwijl ik u aanroep, die door God met eer en heerlijkheid gekroond, groote wonderen verricht, tengevolge der u verleende
— 175 —
macht. Gij verheugt u eeuwig in den hemel en verhoort allen, die u hier in dit tranendal met vertrouwen aanroepen.
Gebed in allerlei tegenspoed.
Met vermorzeld en vernederd hart kom ik tot u, o medelijdende An-tonius, troost der bedroefden; ik smeek u op mijne knieën, aanschouw mijn lijden en den zwaren last des kruises, waaronder ik zucht. — Kom ook mij te hulp, dewijl gij bereid zijt, allen te helpen, die u aanroepen. Bid voor mij bij onzen lieven Jesus, die wel is waar onze gebeden, uit hoofde zijner barmhartigheid, verhoort, doch om onze onwaardigheid, rechtvaardig met zijne hulp vertoeft. Gij echter, H. Antoains, die zijn getrouwe dienaar zijt, zoudt gij niet alles vermogen bij dit liefdevol vaderhart? Wat kan deze reeht-
— 176 —
vaardige Rechter zijnen trouwen vriend toch weigeren? Daarom bid ik u, o edelmoedige beschermer, verkrijg mij vóór alles, de genade om de zonde te verlate#, opdat ik de gevraagde hulp in mijn lijden des te eer bekome. Geef dat ik, verhooring vinde in mijne aangelegenquot; heid, opdat ik den God, die wonderbaar is in zijne heiligen, hier in den tijd, en daar boven voor eeuwig moge loven en prijzen. Amen.
—O0O-
Vurige verzuchtingen tot Jesus, om door de voorspraak van den H. Antonius alle onheil af te weren.
Wat vertoeft Gij, o Jesus, in uwe barmhartigheid ! Zie, ik zucht en roep tot U: O laat mij niet langer
— 177 —
in angst verkeeren, maar toon mij uwe oneindige goedertierenheid.
Ik beken liet, ik ben niet waardig, dat Gij met genadige oogen op mij neerziet, want mijne misdaden zijn grooter in getal dan de haren van mijn hoofd en reeds lang heb ik het vonnis verdiend van het eeuwige vuur. Ach, Heer, als Gij de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er voor U bestaan ? O goede Jesus, ik weet, dat Gij den dood des zondaars niet wilt, maar dat hij zich bekeere en leve. Gij noodigt allen uit door uwe woorden ; »Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken/\' Zie, ook ik kom, ofschoon te laat, tot U, gedreven door overmaat van lijden ; ik kom, met zware zonden overladen, doch hoop door U verkwikt te worden. Ik kom met droefheid en oprecht berouw in het hart, omdat ik U, mijn hoogste goed,
— 178 —
dien ik boven al bemin, belsedigd heb. Ik kom echter met een ernstig en krachtig voornemen, mijn leven te verbeteren, ja, liever alles te lijden, dan door eene vrijwillige zonde van U gescheiden te worden.
Doch, als ik overweeg, dat ik den beste aller Vaders door mijne zonden zoo menigwerf veracht heb, durf ik o, strenge Rechter, zonder bijstand, niet voor uw heilig aangezicht verschijnen.
Daarom smeek ik uwen dienaar Antonius, dat hij mij vergezelle tot den troon uwer oneindige Majesteit, om door zijne voorspraak de vergeving mijner zonden te bekomen, opdat ik aldus gereinigd, waardig bevonden worde, voor uw goddelijk aanschijn te verschijnen, en in mijne moeielijke aangelegenheid verhooring te vinden. — U, o Jesus, is het alleen bekend, wat mij dienstig en nuttig is. Voor zoover mijn gebed
— 179 —
niet strijdig is met uwe eer en mijn geestelijk heil, verlos mij, bid ik U door de verdiensten van uwen dienaar, uit mijn lijden; verlangt Gij echter, dat ik nog meerlijde, schenk mij dan geduld en overgeving aan uwen allerheiligsten wil door de voorspraak van den H. Antonius. Amen.
Het Responsorium van den H. Antonius in den vorm van een gebed.
O liefderijke en goedertieren God, Gij alleen wrocht groote wonderen, maar Gij ook zijt wonderbaar in uwe heiligen en verhoort genadig hunne voorspraak. Ik, onwaardig, ongelukkig en ellendig schepsel, nader in dezen mijnen nood voor den troon uwer karmhartigheid, en val op mijne knieën neder, ik loof on prijs de onmetelijke genade, welke Gij uwen trouwen dienaar Antonius, mijn roemvollen beschermer, ver-
— 180 —
leend hebt, en waarvan gij U gewaar-digt aan allen mede te deelen, welke zijne voorspraak inroepen; want dood, dwaling, rampspoed, hel en zelfs melaatschheid moet wijken; die op zee en in gevaar verkeeren landen behouden aan, gevangenen worden verlost, zieke ledematen genezen en verloren goederen worden aan de ongclukkigen terugbezorgd; alle gevaren, alle rampen en smarten verdwijnen. — Dat getuigt niet slechts de door hem verheerlijkte stad Padua, maar de heele wereld, zoover de naam van Katholiek zich uitstrekt.—■ Daarom loof en verheerlijk ik met alle schepselen uwe goedheid en erbarming, o almachtige God de Vader, beminnenswaardigste God de Zoon, alsmede U, liefdevolle H. Geest, en bid U ootmoedig, wil mij door de voorspraak en verdiensten van uw belijder Antonius in deze cn andere aangelegenheden genadig
— 181 —
aanhooren. — Verwerf mij dit, o uitverkoren en beminnelijke beschermer, H. Antonius. Amen.
De zegen van denH Antonius tegen de aanveclitingen der helsclxe geesten.
Ziet het f kruis des Heeren! vlucht, gij weerspannige parteien, de leeuw uit het geslacht van Juda, de wortel van David heeft overwonnen. Alleluja! Alleluja!
Laat ons bidden.
O H. Antonius, zuivere en aanvallige lelie van maagdelijke rijnheid, kostbaar edelgesteente van armoede, spiegel van matigheid, toonbeeld van rechtvaardigheid, schitterende ster van heiligheid, sieraad van het Paradijs, steunpilaar der H. Kerk, verkondiger der waarheid, uitroeier der misdaad, verplanter der deugden, troost der bedroefden, brandende vlam der goddelijke liefd», hemelsche
— 182 —
profeet, schrik der booze geesten, in wiens zuivere armen de Zoon des eeuwigen Vaders zacht gerust heett, en die door uwe predikatiën het vuur der goddelijke liefde in de harten hebt ontstoken; ik ellendige en verachtelijke zondaar (zondares) smeek u uit al mijne krachten, neem mij onder uwehoede en bescherming, verkrijg mij eee waar berouw over mijne zonden, een bron van tranen over dezelve, aandacht gedurende het gebed, en een volkomen overgeving aan Gods heiligen wil. Dewijl gij geheel door het vuur der goddelijke liefde ontstoken waart, bid ik u, ontsteek ook mijn dor en gevoelloos hart, opdat ik van de liefde Gods doordrongen, den duivel, de wereld en h®t vleesch tot aan den dood steeds glansrijk moge overwinnen. Amen.
O gezegende tong, die steeds Gods lof verkondigdet, en anderen leerdet,
— 183 —
Hem te prijzen, wij zien thans zonneklaar, welk een schat van verdiensten gij bij den Heer vergaderd hebt.
GEBEDEN
onder
DE H. MIS.
Gebed voor de H. Mts.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, zal ik met nederigheid naderen tot het altaar van mijnen God, om in ver-eeniging met de gansche heilige katholieke Kerk het onbloedig offer der H. Mis bij te wonen en in ootmoedige dankbaarheid de herinnering te vieren van het bloedig offer, dat onze Zaligmaker, uit lietde tot ons, op Golgotha heeft opgedragen.
Amen.
Van het begin der II. Mts tot de Kyn\'é.
{De rechtvardige bekent zijne
— !8ó —
nietigheid en sonden, vóór dat hij zijne gebeden ten hemel zendt; laat ik arme zondaar, zijn voorbeeld volgeii.)
Almachtige en eeuwige God, schaamte overdekt mij, wanneer ik in uwe heilige tegenwoordigheid verschijn. Ik heb gezondigd, o Heer, ik heb grootelijks gezondigd. — Ik beken met den priester, dat ik dikwijls gezondigd heb door gedachten, woorden en werken. Mijn geweten verwijt mij, dat ik zooveel goeds verzuimd, zooveel kwaad bedreven heb. Maar, o God. Gij zijt mijn Vader. Ik weet, dat Gij u over mij met de grootste liefde zult ontfermen, wanneer ik slechts mijne zonden betreur en met oprechtheid verlang mijn hart te beteren. —• O liefste V ader, mijn \\urigste wensch is:mij van al mijne zonden te zuiveren en geheel de uwe te zijn Heden zal ik met mij zeiven een begin maken.
— 187 —
— Sta mij bij door uwe genade, opdat ik dit heilig voornemen kloekmoedig ten uitvoer brenge door Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Bij de Collecte.
O God, hoe groot is uwe liefde voor ons, daar Gij ons zoozeer bemindet en om ons zalig te maken, uwen eenig-geboren Zoon van den hemel afbond, opdat Hij voor ons z mde wezen de Leeraar der waarheid, het voorbeeld der volmaaktheid, ja zelfs hst slachtoffer voor onze zonden. Mochten toch zijne heilige lessen, zijn goddelijk voorbeeld en de overvloedige verdiensten van zijn lijden en sterven voor mij, noch voor iemand onzer vruchteloos zijn geweest. Om deze genade bidden wij U, o Heer door den zelfden Jesus Christus onzen Verlosser en Zaligmaker. Amün.
— 188 —
Bij het Epistel en het Evangelie.
Hoe groot is mijn geluk, o God, dat ik door uwe genade, buiten zoovele volkeren, geboren en opgevoed ben in den heiligen godsdienst, welke alléén ons Gods woord en de heilzame lessen van Jesus-Christus, zooals deze in de brieven uwer Apostelen en in het Evangelie vervat zijn, voorhoudt, en ons daarin onderricht en ze verklaart. — Wees gedankt, eeuwig geloofd en geprezen voor deze onuitsprekelijke groote weldaad. Mochten toch alle volkeren der aarde, alle ketters en ongeloo-vigen het ware licht erkennen, dat Gii in de wereld gezonden hebt, om alle natiën te verlichten en den weg naar den hemel te toonen. Amkn.
Bij de H. Offerande.
(Stel u voor, o ziel, de ovbegrij-pelijke waarde dezer heilige Offer-
— 189 —
andi\', waardoor gij uwen God de verschuldigde aanbidding kimt geven, en Hem op eene waardige wijze uwen dank betuigen voor zijne menigvuldige genade. In dezelve kun t gij voldoen voor de tijdelijke straf uwer zonden, en zoowel voor u als voor anderen alle genaden bekomen, die tot onze zaligheld dienstig zijn )
Almachtige en eeuwige God, ge-waardig U met welgevallen aan te nemen het reine offer, dat wij U, in vereeniging met den priester opdragen, tot voldoening voor onze tallooze zonden, beleedigingen en verzuimenissen; tot zaligheid van allen, hier tegenwoordig, van alle geloovige christenen, zoo levenden als afgestorvenen. Dat hetzelve mij en allen ten eeuwigen leven strekke.
Amen.
— 1Q0 —
Bij de vermenging van het -Mater met den wijn.
O God, die door een wonder uwer almacht den mensch in zoo edelen staat geschapen, cn door een nog grooter wonder uwer liefde, hem in zijne vorige waardigheid hebt hersteld; geef ons. door het geheim, dat de vermenging van het water met den wijn ons voorstelt, dat wij eens deel mogen hebben aan de Godheid van hem, die zich ge-waardigd heeft onze menschelijke natuur aan te nemen: Jesus Christus, uwe Zoon, onze Heer, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en heerscht. God in alle eeuwigheid.
AMKN.
Bij de opoffering des kelks.
Wij offeren U, o God, den kelk des heils op en smeeken U ootmoedig hem als een kostbaren wie-
— 191 —
rook te laten opklimmen, tot voor den troon uwer genade, 7,00 voor mijne als aller menschen zaligheid.
Amen.
Bij het Orate Fratres.
Opgewekt door de woorden van uwen dienaar, roep ik tot U, o Heer, en bid U, neem toch deze oflerande uit de handen des priesters aan, tot eer en glorie van uwen heiligen naam, tot zaligheid van ons en van geheel uwe heilige Kerk.
Bij de Prefatie en den Sauctus.
Tot U, o Heer, verhef ik mijn hart. — Ik wenschte U, o God, den verschuldigden dank te kunnen geven. Mochten alle menschen altijd en op alle plaatsen U als hun Vader erkennen, U uit ganscher harte beminnen, U dienen en loven, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, door wien alle kooren der
— 192 —
engelen uwe goddelijke Majesteit aanbidden en verheerlijken. Gedoog, dat ik mijne stem met hunne he-melsche lofzangen vereenige, en in alle nederigheid uitroepe; heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heerscharen! Hemel en aarde zijn met zijne heerlijkheid vervuld! Macht en eer zij Hem in het allerhoogste! Hoog geloofd zij Hij, Die tot ons komt in den naam des Heeren; eer en roem zij Hem in het allerhoogste des hemels!
Canon.
[O ziel, bereid u tot het groote zvotidc?\' der almucht en hefde van uwen God. Nog -weinige oogenblik-ken, en Jesus zelf zal op dit altaar nederdalend)
Goddelijke Verlosser, Jesus Christus, weldra zult Gij uit liefde tot ons op dit altaar wezenlijk tegenwoordig zijn. Laat ook uwe milde
— 193 —
barmhartigheid nederdalen over mij en alle, voor welke ik mij voorgenomen heb, of voor welke ik verplicht ben te bidden, Versterk ons geloof in U, — vermeerder onze hoop en ons betrouwen op U, en doe onze harten van liefde tot U ontvlammen. Geef, dat wij alle menschen als onze broederen en zusters hartelijk liefhebben, in U en om U, gelijk gij het ons geboden hebt. Wij bidden U, o God, laat dit gebod van liefde nooit geschonden, maar immer op de volmaakste wijze ten uitvoer gebracht worden. Amen,
Onder de Consecratie en de opheffing der H. Hostie.
Dit is uw lichaam, o Jesus, mijn Heer en mijn God. Gij zijt hier tegenwoordig. — Ik aanbid U, ik bemin U, o Jesus mijne liefde,
mijn God en mijn al. —Voor U zal
10
— 194 —
ik leven, — in U wil ik sterven.
Eeuwig zal ik de uwe zijn Leven noch dood zal mij scheiden van de liefde van mijn God Amen.
Bij de opheffing van Jesus\' H. Bloed.
Ziehier het bloed des nieuwen verbonds, de prijs onzer verlossing. Wasch en zuiver mij, o Jesus, door uw goddelijk bloed. Erbarm U over mij en alle zondaren, en reinig ons door de verdiensten van Uw lijden en sterven van alle zonden. Wees gedankt en bemind, o Jesus, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Na de H. Consecratie.
Wat kan ik anders op dit oogen-blik, o Goddelijke Zaligmaker, dan U danken, dat gij U gewaardigd hebt, ons zoo liefdevol te bezoeken, — dan mij verblijden over Uwe
— 195 —
goddelijke tegenwoordigheid en U smeeken immer bij en in ons te willen blijven, Ja, Heer, danken zal ik ii door den ijver en de liefde waarmede ik aan uwe genade zal beantwoorden : mijne vreugde zal ik U toonen, door de stipste zorg, om U nooit meer in het minst te bedroeven ; en zoo durf ik dan met de diepste nederigheid U allerootmoedigst smeeken, uwe woonplaats voor eeuwig in mijn hart te vestigen. Wees gij, o Jesus, voor altijd mijne bescherming, mijne hulp en mijn troost. Amen.
Bij dc gedachtenis [Memento) aan de overledenen.
Ook onze broeders en zusters, die thans nog door de vlammen des vagevuurs gezuiverd worden, hebt gij door uw dierbaar bloed vrijgekocht. Wij bidden U, laat hen deel hebben aan onze gebeden
— 196 —
en aan de vruchten dezer heilige offerande. Voornamelijk roepen wij uwe barmhartigheid in voor hen, die op aarde onze ouders, broeders, verwanten of weldoeners, vrienden en vijanden waren en voor degenen, die van bijzondere voorbidders op aarde verstoken zijn. — Erbarm U over hen naar de grootheid uwer barmhartigheid, en voer ook eens ons arme zondaars, na de ballingschap van dit sterfelijk leven, tot het eeuwig Vaderland, waar wij vereenigd met alle heiligen en gelukzaligen, U van eeuwigheid tot eeuwigheid zullen loven en prijzen, door Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Pater Noster {Het Onze Vader)
God van goedheid, Uw beminde Zoon heeft ons geleerd, U onzen Vader te noemen ; daarom bidden
— 197 —
wij met kinderlijk vertrouwen: Onze Vader, enz.
Bij het Agnus Dei.
Vlekkeloos en geduldig als een lam, dat ter slachtbank geleid wordt, droegt Gij, o minnelijke Zaligmaker den zwaren last onzer zonden tot op den berg van Kalvarië. O, goddelijk Lam, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer! o Jesus schenk ons uwen vrede.
De H. Nuttiging.
[Terwijl de priester het allerheiligst Vleesch cn Bloed van Jesus wezenlijk ontvangt, tracht gij dan, o mijne ziel, uwen Jesus geestelijkerwij se in uw hart te ontvangen.
0 mijne ziel, overdenk uwe nietigheid, — verneder u in het aanschijn van uwen God, — bereid u voor om Jesus geesteltjkerwijze te ontvangen. Zeg tot dat einde
— 198 —
met den priester driemaal: Heer, ik ben onwaardig, dat gij zoudt komen onder mijn dak [spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond wordeyi.)
O, mijn God, mijn verlosser, ach, hoezeer bedroeven mij thans mijne zonden! — mocht ik toch voor U verschijnen met een hart, geheel zuiver van vlekken ; met een hart, bereid, om U wezenlijk te ontvangen. — Mijne ziel kwijnt weg van liefde tot U. Kom dan, o zoete Jesus! Ach, kom geestelijkerwijze in mijn hart. O, mijn God, mijn Jesus, vervul mij met uwen geest, met uwe liefde. Neem geheel en al bezit van mij; laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.
Na de H. Nuttiging.
Versterk, o God, mijn hart tot de beoefening der deugd en van alles, wat U aangenaam is. Duld
__ 19Q _
niet, dat ik, na zulk een heilig offer te hebben bijgewoond en er aan deelachtig te zijn geworden, ooit mijn hart weder door eenige zonde bevlekke, door Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Bij de laatste Collecte.
(Vtreenigen wij ons thans met den flriesler, lt;gt;m God voor dit heilig ojfer te danken, en Hem te bidden dat Hij ons de heilzame vruchten vau hetzelve mededeele)
Ik dank U, o God, dat gij mij buiten zoovele duizenden bij deze heilige oïerande hebt laten tegenwoordig zjn. Mocht ik toch de zegenrijke uitwerkselen van dezelve in mij gevoeen: mocht ik vromer en godvruchtiger, zachtmoediger en geduldiger, menschlievender kui-scher en metr ingetogen, — in één woord, beter gt;n heiliger deze plaats verlaten. Om deze genade bid ik
— 200 —
U, door Jesus Christus, uwen Zoon. onzen Heer. Amen.
Ontferm u ook, o God, over alle menschen, — keer van ons af de straffen die wij door onze zonden zoozeer verdiendhebben, — bewaar ons voor alle onheil naar ziel en lichaam, — zegen hen, die door uwe goddelijke wijsheid met het bestuur der volkeren belast zijn, opdat zij wijselijk regeeren, — zegen huune onderdanen, opdat zij gaarne en uit plicht gehoorzamen, — zegen de jeugd, opdat ;ij heilig en onbedorven voor U wandele, zegen den ouderdom, opdaü wijsheid en deugd hem versiere. Geef eindelijk uwe genade aan alle menschen, opdat zij getrciuw hunne plichten vervullen, naaf deugd en heiligheid streven, elkander stichten en hartelijk liefhebbei, en door al hun doen en laten U mogen behagen, door Jesus Christus, uwen
— 201 —
Zoon, onzen Heer, die in eenheid met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Bij den Zegen des priesters.
Ons zegene de almachtige God de Vader, de Zoon en de H. Geest.
Sluitgebed.
Wij bedanken U, o allerheiligste Drievuldigheid, voor de groote genade, dat wij deze heilige Mis heb-beu mogen bijwonen. Neem het offer, dat wij U in vereeniging met uwen dienaar hebben opgedragen, genadig aan, en geef, dat hetzelve mij en allen, voor welke ik het opgedragen heb, de kwijtschelding onzer zonden en alle genaden verwerven moge, welke wij tot zaligheid onzer ziel behoeven, door Jesus Christus, onzen Heer en Zaligmaker. Amen.
10*
Een ander gebed
tot den H. Antonius voor de negen Dinsdagen.
O machtige helper in alle nood-wendighederijH. Antonius van Padua, daar zoovele menschen uwen bijstand roemen en door de negendaagsche oefening in hunne aangelegenheden getroost en verhoord zijn geworden, houd ook ik nu deze negen Dinsdagen ter bevordering van Gods eer en de uwe. Ik hoop, door de rijke verdiensten van Jesus Christus en door uwe trouwe hulp en mach tige voorspraak getroost te worden in mijne aangelegenheid. Ik kniel hier ootmoedig voor uw beeld neder, bezoek het met de meeste godsvrucht, vereer het met den ver-schuldigden eerbied, en roep voor hetzelve uws krachtige hulp en voorspraak in. Ik heb het vaste
— 203 —
vertrouwen jegens u, o minnelijke H. Antonius, dat gij mij kunt helpen en het ook wilt, en twijfel er in het minst niet aan, of gij zult mij wegens uwe groote goedertierenheid zeker helpen. Want gij zijt op aarde een zoo getrouwe dienaar Gods geweest en zijt nu in den hemel zulk een groote vriend van Christus, dat Hij u bijzonder liefheeft en vereert, en u met geen billijk bezoek afwijst, of hetzelve weigert.
Als dus mijn wensch, waarom ik de negen Dindagen houd, billijk en overeenkomstig Gods wil is, twijfel ik er niet aan, of gij zult hem voor den troon van God opdragen en redding voor mij verwerven. Indien hij echter strijdig is met den wil van God en het heil mijner ziel, dan verlang ik er niet naar, maar smeek u, verkrijg mij liever van den barmhartigen God eene andere genade, die mij voordeelig is. Ach,
— 204 —
verhoor mij dan, o goede H. An-tonius, en troost mij in mijne moeie-lijke omstandigheid.Neem mijn gebed in genade aan, en laat mijn dringende bede tot u komen. Dat mijne zuchten doordringen tot uw medelijdend hart en mijne tranen uw teeder gemoed bewegen. Laat toch mijn standvastig vertrouwen niet beschaamd worden opdat zij, die u niet zoeken, u en mij spottend, niet zeggen ; waar is uw vertrouwen nu dat gij op An-tonius gesteld hebt? Deze spotters zult gij, o H. Antonius, beschamen, en door mijne bede te verhooren, aan al uwe vijanden tooneu, dat zij, die op u vertrouwen goed vertrouwd hebben, en die u in hunnen nood aanroepen, troost en hulp van u verkrijgen. Daarom bid ik, o glorierijke heilige, meer ter uwer eer, dan ten mijnen voordeele, wil mijn gebed verhooren, en mijn verzoek bij God indienen Verhoor mij toch,
— 205 —
ach, verhoor mij toch, opdat uw lof in de wereld des te meer geroemd worde, uwe trouwe vereerders des te meer in uwe liefde en vereering toenemen en zij, die met uwe vereering lachen, des te eer beschaamd worden. Let er niet op, H. Antonius, dat ik zoo onwaardig ben, om verhoord te worden, maar denk, hoe waardig uwe voorspraak is bij God, opdat ik verhoord en getroost worde. Ach, wees niet indachtig, dat ik den allerverhevenste God en tegelijkertijd ook u, zijn trouwen vriend; zoo menigwerf vergramd heb, maar zie hoe ik thans alle mijne zonden van harte betreur, en welk vast voornemen ik heb, die nimmermeer te bedrijven. Versmaad dan mijn rouwmoedig en droevig hart niet, gelijk ook de rechtvaardige God het niet veracht of versmaad. Ofschoon ik zulk een groot zondaar ben, hebt gij toch geen reden, mij te verstoeten,
— 206 —
maar veeleer grond mij op te beuren en te verhooren, opdat uw lof en eer des te meer voor de wereld uitblinke, als wanneer de mcnschen vernemen dat gij ook mij, den grootste aller zondaren, verhoord en getroost hebt. Allen, ik in \'t bijzonder, zullen immers wondervol verhalen welk een goedertieren heilige gij zijt, wijl gij zelf den misdadigste niet versmaad, maar hem, toen hij rouwmoedig tot u kwam, met uwe gewone milddadigheid in genade hebt opgenomen. Eindelijk kom ik u ook herinneren, dat gij zelf de insteller zijt van de oefening der negen Dinsdagen, dewijl gij aan zoovelen, die haar in hunnen nood hielden, zulke spoedige en dikwijls wonderdadige hulp verleend hebt. Dat moet immers alle noodlijdenden aansporen, eveneens vol vertrouwen deze oefening te verrichten. En zoo ben ik dan het negendangsch bezoek van uw
— 207 —
beeld begonnen, en zal hetzelve met de meest mogelijke godsvrucht voortzetten, vol vertrouwen alsdan ook verhoord te zijn, Uw vriendelijk beeld, waarbij gij het lieve Kindje Jesus op uwe armen draagt, bezoek ik hier met innige liefde, ik buig mijne kniën en mijn zondig hoold, en aanbid vol eerbied het Kindje Jesus, dat gij op aarde zoo teeder omhelsd hebt, u tevens smeekende, het ook in mijn naam te aanbidden en het mijne onwaardige gebeden op te dragen. Draag het ook mijn dringend verzoek op; leg het den bangen toestand bloot, waarin mijn bedroefd hart verkeert, bid het zoete Kindje Jesus voor mij, uwen trouwen dienaar, en verkrijg mij de genade, waarom ik de negen Dinsdagen verricht. Ach, houdt toch voortdurend aan, en wordt niet moede, tot gij voor mij de gewenschte gunst hebt verkregen ; dan zal ik, na deze
— 208 --
bekomen te hebben, ook niet ophouden, u erkentelijkheid te bewijzen en uwen lof voor alle menschen te belijden. Amen.
Opoffering van dit gebed.
Nu heb ik, o II. Antonius, mijn hart voor u uitgestort, uw beeld bezocht en vereerd en voor hetzelve mijn gebed verricht. Ik offer u dan mijn onwaardig gebed allerootmoedigst op, en* vereenig het met al de gebeden, welke gij op aarde gedaan hebt, en met die, welke u ter eere zijn geschied Alle ileze, tot een geestelijken bloemruiker saamgevoegd, bied ik u met verschuldigden eerbied aan, ter bevordering uwer eer en tot verkrijging der gevraagde gunst. Neem zulks toch aan, o goede vriend, en laat het u even welgevallig zijn, alsof u dit door den rechtvaardigste der menschen werd aangeboden, Amen.
— 209 —
Gebed voor het altaar van den H. Anionius.
O roemvolle Vader, H. Antonius van Padua, ware toevlucht van alle noodlijdenden, die zelf alle men-schen, welke in druk verkeeren, naar uw altaar hebt verwezen, onder de verzekering, dat wie hetzelve ooit gedurende negen Dinsdagen bezoeken en u zou aanroepen, zeker zou verhoord worden. Door deze uwe belofte aangemoedigd, kom ook ik arme zondaar (zondares) op dezen Dinsdag voor de eerste, (tweede, derde maal enz.) tot u, val in nederigheid des harten voor u op mijne knieën neder, en vereer dit heilig altaar, hetwelk bijzonder aan uwe eer is toegewijd. Ik herinner u, o H. Antonius, aan de groote eer, welke de H. Kerk u bewezen heeft, toen zij dit altaar aan uwen heiligen naam toegewijd en zorg
— 210 -
gedragen heeft, dat daarop het allerheiligst geheim gevierd wordt. O welk eene groote vreugde en eer geniet gij van dit heilig altaar, terwijl de allerheiligste offerande wordt opgedragen, en Christus zelf in persoon, door de handen des priesters, zijn waarachtig lichaam en dienbaar bloed, aan zijnen hemel-schen Vader opdraagt.
Aan deze zoo groote eer wenschte ik u heden voornamelijk te herinneren als ook aan de verplichting, welke de H. Kerk u bij het wijden van dit altaar keeft opgelegd, terwijl zij u bij herhaling bad om de gebeden van allen die voor dit heilig altaar uwe hulp iaroepen, genadig te willen verhoor#». Daarom neem ook ik in mijne «llende tot dit altaar mijne toevlucht, om voor hetzelve mijn ar moedig gebed te storten Ja, hier is de ware bron der genade en een veilig toevluchtsoord, waarop gij zelf
ons gewezen hebt, om uwe hulp te zoeken. Hier hebt gij beloofd algemeen gehoor te geven, en aller smeekingen te verhoeren. Hier hebt gij beloofd: troost in droefenis, hulp in allerlei noodwendigheden,bijstand in vervolging, sterkte in kleinmoedigheid en inwilliging van alles, wat verlangd wordt, als het overeenstemt met de eer van God en het heil onzer ziel. Het is daarom, dat ik met vertrouwen voor uw altaar nederkniel en uwe barmhartigheid inroep. — Ik stel mij onder uwe bescherming, o, H. Antonius, en zoek bij u, o getrouwe helper in den nood, raad en bijstand. Versmaad mijn gebed niet in mijnen nood, maar verhoor mij volgens uwe groote goedheid en mededoogen. Troost mij in mijne droefenis, versterk mij in mijne mismoedigheid, beseherm mij door de goddelijke genade, en verkrijg mij datgene, waarom ik vraag, indien het
Gode welgevallig is. U beveel ik mijn lichaam en mijne ziel, al mijne ellende en aangelegenheid. Sta mij altijd trouw bij, en behoed mij tegen alle onheil naar ziel en lichaam. Amen.
GEBEDEN
ter eekk der groote vreugden, welke Antonius of aarde genoot,
om; bijzondere genaden van God
te bekomen.
I. GEBED.
ter eere der vreugde, welke hij ondervond, toen Je sus in de gedaante van een teeder kind. aan hem verscheen.
O, H. Antonius, onbevlekte lelie der eeuwige lente, wier aangename geur tot den hemel opsteeg, en den Zoon Gods tot de aarde deed nederdalen, ik herinner u aan de vreugde, welke gij in die tegenwoordigheid
— 213 —
van Jesus gesmaakt hebt, toen Hij zich gewaardigde, u in de gedaante van een aanvallig kindje te verschijnen, en uw minnelijk hart met de volheid zijner bovennatuurlijke vertroosting te verkwikken, Laat mij, o waarde beschermer, in mijne aangelegenheid aan uwe vreugde deelachtig worden. Wend voor mij bij Jesus, mijnen Heiland, uwe krachtige voorspraak aan, opdat ik waardig worde, datgene te bekomen wat ik uit mij zeiven niet waardig ben te verkrijgen. Kom mij te hulp in mijnen nood. Ontferm u mijner, en wees mijn troost ten tijde der verdrukking. God, die wonderbaar is in zijne heiligen, is ook alle bedroefden genadig, voor welke gij bidt. -— Laat dan uw dienaar, (dienares) niet ongetroost van u heengaan, maar verwerf mij de genade, waarnaar ik in deze mijne verlatenheid smeek, opdat ik ver-
— 214 —
hoord wordende, God door u en u in God eeuwig moge loven en beminnen. A-Men.
Onze Vader. Wees gegroet,
II. GEBED
ter eere der vreugde, welke hij gevoelde, toen hem vijftien dagen voor den dood, zijn stervensuur werd geopenbaard,
H. Antonius, verhoor mijn gebed en laat mijn geroep komen tot u, die voor alle noodlijdenden eene veilige toevlucht en een medelijdende trooster zijt. Wees de vreugde indachtig, welke gij ondervond, toen God u vijftien dagen voor uwen dood, door eenen engel het stervensuur deed aankondigen, om u het loon uwerverdiensten, de eeuwige vreugde te schenken. Lenig door die vreugde dit mijn lijden; neem, o liefderijke beschermer, de smarten en angsten
— 215 —
weg van mijn bedrukt hart; want gij zijt in deze aangelegenheid naast God mijn groote hoop. Treed,oH. Antonius, voor den troon der allerheiligste Drievuldigheid, om voor mij te bidden, ter afweering van alle rampen. Door u hoop ik verhoord en uit mijne moeielijke omstandigheid verlost te worden
Neem dan, o groote vriend van God, dezen rampspoed van mij weg en verzacht mijne smarten. Wend door uwe veelvermogende voorspraak, de gramschap Gods van mij af, en verzoen mij met Hem door uweovergroote verdiensten opdat ik, indien ik verhooring vind. God voor dc ontvangen weldaad in de vreugde mijns harten ten allen tijde danken moge, nu en hierna in aile eeuwigheid. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
— 216 —
III, GEBED.
ter cere der vreugde, welke hij smaakte, toen hij, bij zijn afsterven zag, dat Jesus hem te getnoet kwam.
O, H. Antonius, wie wonderen en teckenen wil zien, vindt die vooral bij u, wijl de hand Gods ze door u op alle plaatsen heeft verricht en tot op den dag van heden, niet ophoudt er te bewerken
De klaarblijkelijke hulp, waaraan door uwe voorspraak alle bedrukten deelachtig worden, noopt mij, geheel mijn vertrouwen te stellen op uwe voorspraak en verdiensten. Geef, o dierbare beschermer, dat mijne hoop op u niet beschaamd worde. Herinner u de vreugde, welke gij ondervinden mocht op het laatste oogenblik uws levens^ toen Jesus u te gemoet kwam, en
— 217 —
U de poorten des hemels geopend werden. Maak mij deelachtig aan die vreugde in deze mijne aangelegenheid, opdat ik door uwe verdiensten waardig worde, van alle onheil naar ziel en lichaam bevrijd te worden. Aanschouw mijnen nood, dien ik U klaag, en vertoef niet langer, hem van mij weg te nemen. Bewijs mij, o groote wonderdoener, H. Antonius, een tceken, en laat mij tot meerdere verheerlijking van uwen lof, in deze aangelegenheid, uwe behulpzame hand ondervinden, opdat God, die wonderbaar in u werkt, zonder ophouden door engelen en menschen geloofd en geprezen worde. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Godvruchtig gebed tot den H.
Antonius gedurende de H. Mis.
O H. Antonius, veelvermogende helper in alle bekommeringen, ik
ii
— 218 —
neem geheel mijne toevlucht tot u in deze mijne aangelegenheid, en klaag u mijnen nood. Ofschoon ik mij niet waardig acht, om geholpen te worden, kom ik niettemin met kinderlijk vertrouwen tot u, hopende op uwe goedheid, dewijl gij zoovelen in hunne rampen hebt geholpen. Ik werp mij voor uwe voeten neder en roep met droefheid in het hart tot u om hulp. Ten einde uwe alles-vermogende voorspraak des te gemakkelijker in te winnen, wil ik ter uwer eer en uit liefde tot u dit heilig misoffer bijwonen, dewijl ik wel weet, dat deze allerheiligste offerande u bijzonder aangenaam en boven alle andere gebeden welgevallig is. Daarom offer ik aan de allerheiligste Drievuldigheid deze heilige mis, benevens alle heilige missen, welke heden in de Kerk Gods gelezen worden op, tot uwe meerdere eer en de verspreiding uwer won-
— 219 —
derwerken. Ik offer ook deze H. Mis u ter eere op, en bid u haar met welgevallen aan te nemen, dewijl ik toch niets beters heb, waarmede ik u kan vereeren. Ik smeek u derhalve ootmoedig, laatmijne aangelegenheid u ter harte gaan, en bepleit mijne zaak voor den troon der goddelijke genade. Ik stel mijn lot in uwe handen met de vriendelijke bede, het zelve gedurende de H. Consecratie den allerhoogsten God op te dragen en vertrouwvol aan te bevelen. Dan ben ik er zeker van, dat gij mijn belang op de beste wijze zult bevorderen, en indien God het verlangt, mijne droefheid in vreugde zal veranderen. Amen.
— 220 —
NOVEEN ter eere van den H. Antonius
van Padua. ^
EERSTE DAG.
Daar ik zonder eenige hulp ben,
neem ik naast God, tot u, o H. Antonius, mijne toevlucht; o neem mij op onder uwe bescherming met dezelfde vreugde, als waarmede de seraphijnsche orde u ontving, toen gij, • naar een strengeren levenswandel verlangend, hetbesluit hadt genomen, den H. Franciscus in armoede en boetvaardigheid na te volgen. Ver- ♦-krijg mij van God, door de verdiensten van dit heilig streven de genade, dat ook ik den veiligen weg bewan-dele, mijn hart onthechte aan de wereld, en in alles het eenige heil mijner ziel voor oogen houde. Amen. *
Onze Vader. Wees gegroet.
— 221 —
TWEEDE DAG.
Strek uwe machtige hand uit, o H. Antonius, om mij te helpen; dat door uwe verdienste worde aangevuld, waarin ik te kort schiet. Uw ijver in het streven naar christelijke volmaaktheid was zoo groot, dat gij u reeds twee jaren na uwe intrede in de seraphijnsche orde, tot de eenzaamheid begaaft en tot voedsel niets dan water en brood gebruiktet, om daardoor de zinnelijkheid des lichaams in u te bestrijden, zoodat een ieder gesticht werd door uwe volmaaktheid. Verkrijg mij door de verdiensten van uw streng en boetvaardig leven van God de genade, dat ook ik waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrenge,in dit leven mijne tallooze zonden uitboete, en door een oprecht godsdienstig leven den oneindigen God hier en hiernamaals moge welgevallen. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
— 222 —
DERDE DAG.
Uwe bereidwilligheid om noodlijdenden te helpen, o H. Antonius, spoort ook mij aan, om met allen, die in moeielijkheden verkeeren, voor u neer te knielen, opdat ik door de voorspraak genade vinde in de oogen van Hem, wiens vleesch en bloed gij voor het eerst in het derde Jaar na uw intrede in de seraphijnsche orde, aan den Hemelschen Vader opofferdet. — O, met welk een godsvrucht en vurige liefde hebt gij uw eerste H. Misoffer gevierd. Verwerf mij van God, door al die groote verdiensten, waarmede gij als priester gedurende de H. Mis bij de H. Consecratie het brood en den wijn ver-anderdet in het waarachtig lichaam en bloed van Christus, de genade, dat ik het allerheiligst Sacrament des altaars nu en vóór mijn afsterven waardig moge ontvangen, daar-
— 223 —
door in de genade Gods versterkt worde, en tot het einde in dezelve moge volharden. Amen.
Onze Vader. — Wees gegroet.
VIERDE DAG.
O H. Antonius, bedenk de genade, welke u, op het vierde jaar van uw intrede in de seraphijnsche orde door den Almachtige verleend werd, om zijn woord met zulk een buitengewonen ijver en indrukwekkenheid te \\erkondigen, dat allen die het aanhoorden, verbaasd stonden en krachtdadig in de liefde tot God ontstoken werden. Verkrijg mij van God door deze gunst en door de verdiensten van uw apostolisch predikambt de genade, bij het aanhooren van Gods woord, mij hetzelve naar ziel en lichaam ten nutte te maken, om daarvoor in eeuwigheid het loon te ontvangen. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet,
— 224 —
VIJFDE DAG.
Verkrijg mij, o H. Antonius, rl jor uwe machtige voorspraak de genade der vergiffenis van al mijne zonden, gij, die in het vijfde jaar van uwe intrede in de seraphijnsche orde het hart van een groot zondaar tijdens de biecht zoozeer troft, dat alle zijne op papier geschrevene zonden, wegens de volmaaktheid van zijn berouw, oogenblikkelijk verdwenen. Verwerf ook voor mij diezelfde genade van God, opdat ik, vooraleer ik sterf en verschijn voor den strengen rechterstoel van God, al mijne zonden beweene, ze rouwmoedig be-lijde en door uwe voorspraak en verdiensten daarvan vergiffenis moge erlangen. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
ZESDE DAG,
Verlos mij van alle onheil, o H.
— 225 —
Antonius, die in het zesde jaar na uwe intrede in de seraphijnsche orde, door de talrijke en groote wonderen, welke gij uitwerktet, de oogen en harten van alle menschen tot u getrokken hebt, en met den heiligen apostel Paulus alles voor allen geworden zijt; — verkrijg mij door de overgroote verdiensten dier liefde, waardoor gij blinden het gezicht, dooven het gehoor, zieken de gezondheid en dooden het leven hebt geschonken, van God de genade, dat ik toch geen slechten dood sterve, maar, na in zonden gevallen te zijn, aanstonds weder opsta, en tot het einde toe een Gode welgevallig leven moge leiden. Amen.
ZEVENDE DAG.
Kom mij te hulp, o H. Antonius, want gij weet, dat mij zulks naar lichaam en ziel noodig is, Bij God
ii*
— 226 —
zijt gij alvermogend, de Heer is met u,gij zijt gezegend onder alle heiligen, en gezegend is ook Hij, die u van uit den hemel de hulpzame hand toereikt. Een dooden jongeling, hebt gij, in het zevende jaar na uw ^trede in de seraphijnsche orde wederom tot het leven opgewekt, en daardoor duidelijk te kennen gegeven, dat degene geholpen word\':, dien gij wilt helpen. Verkrijg ook mij, door de verdiensten, welke gij verworven hebt bij God, van Hem de genade, dat Hij mij en de mijnen zijnen goddelijken zegen schenke, mij goedgunstig tegen alle kwaad behoede, en mij na dit sterfelijk leven met het eeuwig leven moge verblijden, Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
ACHTSTE DAG.
OH. Antonius, trouwe zielenherder, kom mij te hulp, als schrik en
— 227 —
doodsangst mij omringen; gij, die zoo vol ijver waart voor het heil der zielen, dat gij in het achtste jaar na uw intrede in de seraphijn-sche orde, aan vele zondaars in den slaap zijt verschenen, hen vaderlijk vermaandet, om hunne deels ver-getene, deels verzwegen zonden in den biechtstoel te gaan belijden en zich door werken van boetvaardigheid in staat van genade te stellen. Verkrijg mij door de verdiensten van deze uwe bezorgdheid voor het heil der zielen van God d ■ genade, dat ik mij zeiven kenne, mijne zonden verfoeie, niet van deze wereld scheide, zonder het ontvangen der heilige Sacramenten, maar met God verzoend, een zaligen dood moge sterven. Amen.
Onze Vader Wees gegroet.
NEGENDE DAG.
Ontferm u mijner, H. Antonius,
— 228 —
ontferm u over mij, ellendig schepsel, voor wien Jesus, de goddelijke Verlosser zijn dierbaar bloed vergoten heeft. Ten einde de zielen aan de handen van Satan te ontrukken en voor den hemel te winnen, hebt gij in het negende jaar na uw intrede in de seraphijnsc\'ne orde, overal met zulk een onver-moeiden ijver het volk tot boetvaardigheid opgewekt, dat gij uw lichamelijk voedsel vergat te gebruiken, en door al te groote inspanning en afmatting in een zware ziekte zijt gevallen. Verkrijg mij door de verdiensten dezer onuitsprekelijke liefde voor het heil des evennaasten van God de genade, dat mij voor alles gelegen zij aan het onvergankelijke, en ik met verachting van de wellusten dezer wereld, steeds werke voor den hemel om eens de eeuwige zaligheid te mogen genieten. Amen,
— 22Q —
Onze Vader. Wees gegroet.
Sluit gebed na volbrachte Nov ten.
O H. Antonius van Padua, getrouwe voorspreker, zie ik heb thans negen dagen uwen lof geprezen en uw voorbeeldig leven in de saraphijnsche orde overwogen, wat ik vertrouw, dat u welgevallig zijn zal. Ofschoon ik niet met dien ijver bezield was, als wel betaamde, hoop ik niettemin, dat gij, mijn onvermogen indachtig, mijne gebeden benevens mijn goeden wil in aanmerking zult nemen, mij zult ver-hooren en datgeen vervullen, wat ik zoo vurig wensch.
Zijt gij echter reeds verhoord geworden, zeg dan :
Ja, gij hebt mijn gebed in genade aangenomen, mij goedgunstig verhoord en het verlangen mijns harten bevredigd; daarom betuig ik u mijnen innigen dank. en smeek u
— 230 —
verder mij bij te staan in alle tegenwoordige en toekomstige aangelegenheden ; verwerf mij van God de genade, dat ik standvastig in het goede, het kwaad vermijde; Jesus, mijnen God en Heer liefhebbe, Hem getrouw diene en mij eindelijk in de eeuwigheid voor altijd met Jesus moge verheugen. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Gebed in verschillende aangelegenheden.
I.
Gebed voor een zaligen dood.
Sta mij bij^ o H. Antonius. vooral in den laatsten en beslissenden strijd, opdat ik alsdan het onderspit niet delve, maar pal blijve tegen alle bekoringen, de hinderlagen van den boozen geest zegevierend
— 231 —
ontkome, en eenmaal blijde de eeuwige rust moge binnengaan.
Ontferm u ook over alle geloo-vige zielen, bijzonder over die mijner ouders, vrienden, weldoeners, bekenden en vijanden; bid voor haar, opdat zij ten spoedigste waardig mogen bevonden worden, om in te gaan tot de eeuwige vreugde. Amen.
II
Gebed om in het geloof te blijven volharden.
O H. Antonius, ijvervolle boetprediker, verdediger des geloofs en minnaar der goddelijke wet, bid voor ons bij Jesus Christus, dat wij steeds meer en meer bevestigd worden in het ware geloof, in hetzelve volharden en getrouw alles onderhouden, wat het geloof ons voorschrijft. Bid echter ook voor de wankelenden, opdat zij opnieuw versterkt
worden; — voor de sterken, opdat zij volharden; — voor de onwetenden , opdat zij de waarheid meer en meer inzien ; — voor hen, die vreezen om voor hun geloof uit te komen, opdat zij de buitengewone genade beter beseffen, en Jesus en diens heilig woord, even vrijmoedig als gij, voor alle menschen leeren belijden ; opdat wij eens na doorstanen strijd, waardig bevonden worden vol vertrouwen met den Apostel te zeggen : dat wij den strijd gestreden, het geloof bewaard hebben, en daarom kunnen hopen op de kroon des levens, welke Jesus bereid hei ft voor degenen, die zich in zijne komst verheugen. Amen.
III.
Gebed ten iijde der bekoring.
O Heer Jesus Christus, ontferm u mijner, en sta mij ook bij tegen alle
— 233 —
bekoringen van den boozen geest, gelijk gij den H. Antonius, uwen trouwen dienaar, beschermd hebt, opdat ik te allen tijde waakzaam zij, moedig strijde en in niets toegeve, maar tot mijnen laatsten ademtocht uw trouw diene, teneinde U eenmaal in de eeuwige vreugde met den H. Antonius te kunnen loven en prijzen, die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.
IV.
Geschikt gebed voor zieken.
Door uwe machtige voorspraak, o H. Antonius, zijn zoovele zieken, die reeds op den rand des grafs waren, oogenblikkelijk gezond geworden. Zie, ook ik lig op het bed van smarten; ik beken het, de menschen kunnen mij niet helpen, daarom wend ik mij tot u, o mijn bescher-
— 234 —
mer en bijzonderen helper in den nood, en smeek u, wil ook voor mij bij God om mijne gezondheid bidden ten einde mij nog beter te kunnen voorbereiden tot den dood, die mij eenmaal ongetwijfeld zal treffen. Indien het echter Gods wil niet is, dat ons vereenigd gebed verhoord worde, verwerf mij dan ten minste geduld en volharding tot aan het laatste oogenblik, om eens der belofte deelachtig te worden, welke Jesus aan u en allen gedaan heeft, die tot het einde volharden.
Verkrijg voor allen, die mij verplegen en bewaken eene nimmer verflauwende liefde tot God en de volharding tot het einde toe, als belooning voor al het goed, dat zij mij in mijnen hulpbehoevenden toestand bewezen hebben, en wat ik hun niet vergelden kan. Dit smeek ik u, o H. Antonius, ter wille
— 235 —
uwer liefde voor alle zieken en lijdenden, gij, die thans den Vader, den Zoon en den H. Geest loolt;quot;t en prijst in eeuwigheid. Amen.
—o()o—
Negen gebeden tot den H. Antonius.
(Naar verkiesing te bidden gedurende de Negen Dinsdagen.)
1,
O glorierijke H. Antonius, edele zonnebloem der goddelijke gelijkvormigheid, ik groet u met alle engelen en aartsengelen. Ik wensch u geluk en bedank den almachtigen God voor de onuitsprekelijke genade, welke Hij u bewezen heeft, om te allen tijde, en even als de engelen met vreugde Gods wil op de volmaakste wijze te vervullen. Ik
— 236 —
bid u, o H, Antonius, wil toch in vereeniging met alle engelen tot den troon van God naderen en in de minzaamheid uws harten Hem mijn verzoek, dat gij zeer goed kent, aanbevelen. Amen.
2.
Ik groet U, o H. Antonius, luisterrijke narcisbloem van geestvervoering, in naam van alle heiligen, aartsvaders cn profeten, wensch u geluk, en dank den goedertieren God voor de groote genade, welke Hij u verleend heeft, daar gij gelijk de patriarchen en profeten zoo voortreffelijk werd bedeeld met de gave der diepste kennis Gods en der voorzegging. Ik smeek u, wil in vereeniging met alle heiligen, aartsvaders en profeten optreden voor den troon van God en, door de opoffering van uw aller verdiensten,
- 237 —
aan mijn gebed gehoor verleenen.
Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
3.
Ik groet u, o H. Antonius, schitterende goud bloem der brandendste liefde, in naam van alle heilige apostelen en leerlingen van Jesus Christus. Ik wensch u geluk en dank den beminnenswaardigsten God voor de groote genade, waarmede Hij U begiftigde, daar Hij u even als de apostelen en leerlingen van Jesus heeft uitverkoren, tot ijverig verkondiger van het H. Evangelie en tot verspreider van het Roomsch-katholiek geloof.
Ik smeek u, ga met alle heilige apostelen en leerlingen des Heeren tot den troon van God en verkrijg mij door de opoffering van uw aller verdiensten de genade, dat mijn gebed moge verhoord worden. Aaien.
Onze Vader. Wees gegroet.
— 238 —
4.
Ik groet u, o H. Antonius sierlijke roos van geduld, in naam van alle martelaren en boetedoeners. Jk wensch u geluk en dank den barmhartigen God voor de groote genade u verleend, dewijl gij even als de martelaren en boetplegers voor den naam van Christus vele vervolgingen hebt doorstaan, ja zelfs bereid waart uw heilig bloed te vergieten.
Ik smeek u derhalve, o H. Antonius, verkrijg mij, in vereeniging met alle heiligen, martelaren en boetedoeners, door de opoffering van uw aller verdiensten, de zoo gewenschte hulp in mijne aangelegenheid. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
5.
Ik groet u, o H. Antonius, beha-gelijke saffraanbloem van mildda-
— 239 —
digheid, in naam van alle heilige
bisschoppen en priesters. Ik wensch u geluk en dank den alierheiligsten God voor de groote genade, u medegedeeld, waardoor gij even als de heilige bisschoppen en priesters met uwe heilige predikatiën en uw heilig voorbeeld vele duizenden zondaars tot God bekeerd, en voor den hemel gewonnen hebt.
O ga, H. Antonius, door alle heilige bisschoppen en priesters vergezeld, tot den troon van God, en verwerf mij door uw aller voorspraak de zoo vurig verlangden bijstand in mijne aangelegenheid. Amen.
Onze Vader- Wees gegroet.
6.
Ik groet u, o H. Antonius, nederige weidebloem van zachtmoedigheid, in naam van alle heilige monniken en kluizenaars. Ik wensch u geluk en dank Gods goedertieren-
heid voor de groote genade, u geschonken tengevolge waarvan gij gelijk de heilige monniken en kluizenaars uw leven in vasten, waken, bidden en andere moeilijke werken van boetvaardigheid hebt doorgebracht. O verleen mij toch door uwe verdiensten en die van alle heilige monniken en kluizenaars de verhooring van mijn gehed.
Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
7.
Ik groet u, o H Antonius, helder witte lelie van zuiverheid, in naam van alle heilige maagden en onschuldige kinderen. Ik wensch u geluk en dank den liefderijken God voor de groote genade, welke hij u heeft verleend, daar gij even als de heilige maagden en onschuldige kinderen de heerlijkste aller deugden, de kuisch-heid, zoo onbevlekt bewaard, en alle
— 241 —
bekoringen zoo manmoedig overwonnen hebt.
Terwille van uw veelvermogende voorspraak en de verdiensten van alle heilige maagden en onschuldige kinderen, bid ik u met vertrouwen, dat de barmhartige God mijn gebed genadig moge aanhooren. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
8.
Ik groet u, o H. Antonius, liefelijk viooltje van onbeschrijfelijke nederigheid, in naam van alle heilige weduwen en echtgenooten. Ik wensch u geluk en loof den liefdevollen God voor de groote genade, u geschonken, dewijl gij even als deze heiligen in alle mogelijke deugden uitgeschenen, en uwen God gedurende geheel uw leven zoo trouw en vlijtig gediend hebt.
O verkrijg voor mij, H. Antonius, in vereeniging met alle heilige^
12
— 242 —
door de opoffering van uwe en hunne verdiensten, de genade, om in mijne aangelegenheid door God verhoord te worden. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
9.
Ik groet u, o H. Antonius, aanvallige meibloem van innige genegenheid, in naam van alle vrome menschen, welke nog op aarde leven; ik wensch u geluk en loof den allerhoogsten God wegens de groote liefde, welke Hij u heeft toegedragen en de genade, waarmede Hij u heeft begunstigd. Ik smeek u, terwille van al de weldaden welke gij zoo rijkelijk van God hebt ontvangen, zie genadig op mij neder en verkrijg mij van God, door de opoffering uwer getrouwheid in zijnen dienst, de genade, dat Hij mijn gebed verhoore tot uwe meerdere eer en glorie en tot troost van
— 243 —
mijn bedroefd hart, ten tijde en op de wijze als het Hem zal behagen voor het heil mijner onsterfelijke ziel. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Lofzang.
TER EEKE VAN DEN IX. ANTONIUS.
{Op diens feest 13 Juni.)
Heden steeg hij, die Belijder,
Wien de volk\'en de eerekroon Juichend brengen van deze aarde.
Zalig in de hemelwoon.
Vroom, ootmoedig, kuisch en ijv\'rig,
Strijdend voor des Heeren zaak. Bleef hij trouw den plicht vervullen
Van zijn opgenomen taak.
Door zijn deugd en voorbeeld tevens, Keert in \'t uitgeput gemoed
— 244 —
V an den strijder Gods weer veerkracht
En verhoogde zielegloed.
Daarom stijgt ook uit ons midden, Dank en loflied hemelwaarts;
Strek\'zijnbedeookonstotvoorspraak
Bij den pelgrimstocht op aard. Dan toch wordt de lof behaaglijk
In der hemellingen oor,
Dien wij der Drieëenheid brengen. Heden en alle eeuwen door. Amen. Antiph. O beste leeraar, licht
der H. Kerk, Antonius van Padua, minnaar der goddelijke wet, bid voor ons den Zoon van God.
De Heer geleidde den rechtvaardige op effene paden.
En Hij toonde hem het Rijk Gods.
GEBED.
Laat uwe Kerk, o God zich verheugen in de plechtige feestviering van uwen belijder, den H. Antonius; opdat zij door geestelijke hulp te al-
— 245 —
ten tijde gesterkt en waardig gemaakt worde, om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten. Door JesuS Christus onzen Heer. Amen.
OC)
GEBEDEN
ONDER
HET LOF.
Goddelijke Zaligmaker, Jesus Christus, waarachtig tegenwoordig in dit aanbiddelijk Sacrament! Al-goede. die mij zoo onuitsprekelijk liefhebt. Zie, doordrongen van innige wederliefde, kniel ik voor dit kostbaarste der geheimen neder en aanbid uwe goddelijke Majesteit met een geloovig, dankbaar en blijmoedig hart. O mijn God, mijn leven en mijne zaligheid ! Niets is mij zoo zoet en weldadig, niets verheugt mij zoo zeer als hier, in stille aandacht verzonken, voor u neder te knielen, mijn hart in liefdezuchten voor U uit te storten» met U te spreken, en vol dankbaar ■
— 248 —
heid uwe overvloeiende barmhartigheid en goedheid te prijzen, welke Gij ons zoo wonderbaar in dit Sacrament bewijst.
O hoe liefelijk is uw geest, Heer van goedheid en ontferming ! Om ons deze liefelijkheid in hare verborgene bronnen te doen smakent hebt Gij dit allerheiligste geheim ingesteld en ons daarin U zeiven als het waarachtig manna des he. mels, hetwelk alle geestelijke zoe. tigheden in haren eigen oorsprong bevat, te smaken gegeven. O, wees daarom geprezen, goddelijke Zaligmaker, troost onzes levens en bron van alle zaligheid, welke vloeit in de harten van diegenen, die met geloof en liefde tot U naderen en op waardige wijze U in dit aller heiligst Sacrament ontvangen.
Bevende van heilige, kinderlijke liefde en vreugde, verhef ik mijne blikken tot U, verborgen God en
— 249 —
Zaligmaker, en geheel mijn wezen is doordrongen van liefde, dank en gelukzaligheid. O wonderbaar ea boven alles liefelijk Sacrament, welke heilige gewaarwordingen verwekt gij in de harten van hen, die u waarlijk liefhebben, en hoe juicht de begenadigde ziel, als zij U, haar heil en haar leven, en haar geluk en gansche zaligheid, in dit hemelsch geheim uwer liefde beschouwt !
O goedertieren Jesus, ook ik gevoel, welk eene zaligheid het is» in uwe goddelijke tegenwoordigheid te vertoeven, en onder de zegenende schaduw vnn dit liefelijk Sacrament uit te rusten. Behoud en vermeerder dit heilig en zaligmakend gevoel in mij. Laat mijn hart niet in liefde tot U verflauwen, maar houd het levendig en ontsteek het voortdurend met Uw geestelijk vuur, opdat het U te allen tijde aanhange
12*
— 250 —
in liefde en trouw, in innige, zalige verrukking voor U, mijn beminde God en Zaligmaker.
Wees Gij voortdurend mijn hoogste wellust, mijne vreugde, het voorwerp van al mijne wenschen hoop en streven. Laat mij liever alles, ja zelfs mijn leven verliezen, dan van U en uwe liefde gescheiden worden. Help en versterk mij, opdat ik getrouw tot in den dood volhardde in den dienst uwer liefde, en laat mij dan daar aankomen, waar ik uw gezegend aanschijn onverhuld mag aanschouwen, en uwen lof met alle zaligen verkondigen, kan in alle eeuwigheid. Amen.
Lofzang van den H Thomas van Aquinen ter eere van het allerheiligst Sacrament.
Verborgen Godheid, onder schijn [van spijs en drank
— 251 —
Waarachtig schuilende op de Altaren ; neem den dank, De hulde en eerbied van een hart,
[in U verslonden, Dat U in \'t stof aanbid, maar
(vruchtloos zou doorgronden; Gezicht, gevoel en smaak, \'t schiet
[alles toch te kort: Alleen \'t gehoor, dat door het woord
[getroffen wordt. Strekt veilig hier \'t geloof ten gids,
[Dat woord des Heeren Gedoogt geen twijfel, maar eischt
[nederig zielsverneêren. \'k Geloof uw Godheid dan, die
[eenmaal zich alléén Op \'t kruis verborg, terwijl de
[tnenschheid hier meteen Omhuld is: ik breng beiden \'t lof-
[lied ; maar, rouwmoedig Roep ook ik, als aan \'t kruis de
[moorder, overvloedig Genade in : en ofschoon ik niet als [Thomas deed,
— 252 —
Wiens oog de wond moest zien, al
[eer hij u beleed, Zoo breng ik hier toch hulde aan
[God — en Menschheid beiden. Met bede, dat Geloof en Liefde en
[Hoop nooit scheiden In mijn vermorzeld hart, gevoed
[door \'t hemelbrood. Dat levend teeken van des Heeren
[offerdood. O moog mijn ziel, barmhartig Pelikaan, U smaken, Wiens bloed met éénen drup een
[wereld rein kon maken. Die onder zondeschuld gebukt ging!
— Jesus, Heer! Hier voor mijn oog bedekt: o»
[schouw genadig neêr. En geef, dat ik, na zooveel smachtend zielsverlangen, Door uw verdienste, \'t heilig licht
[eens moog\' ontvangen. Dat van uw aanschijn straalt, daar, [waar Gij, onverhuld,
— 253 —
De heem\'len met onstoorbre zaligheid vervult.
Gebed tot de H. Maagd.
Wees gegroet in den glans uwer onbevlekte Ontvangenis, o H. Maagd Maria, moeder Gods, koningin der engelen, hulp en voorspraak der menschen! Zie, aan uwe voeten kniel ik neder, om U mijnen eerbied te betoonen, om met vertrou-l
wen en ijver mij aan uwen dienst toe te wijden.
O koningin des hemels, wie alle scharen der engelen vol opgetogenheid dienen, en wier lof over den geheelen aardbodem, van het eene tot het andere einde verspreid wordt; sla uwe blikken op mijn, in kinderlijke liefde aan U overgegeven hart, en laat mij behooren tot het getal dier waarlijk getrouwe
dienaren, die u liefhebben en zich beijveren, uwe schoone deugden na te volgen.
Zie, zoete koningin, heden geef ik mij opnieuw weder ter uwer beschikking , met allen, die mij toe-behooren, met alles wat ik heb of bezit. Ik wil U dienen met mijne krachten, met mijne bekwaamheden, en vermogens, en wil daardoor uwe eer trachten te bevorderen waar en zooveel ik slechts immer vermag.
O genadige vrouw en koninginj erken in mij uw eigendom, en handel met mij naar uw moederlijk welbehagen, gelijk het tot verheerlijking van uwen goddelijken Zoon, tot uwe eer en mijne zaligheid kan strekken.
Spreid, liefderijke maagd, den mantel uwer moederlijke bescherming over mij en de mijnen uit, en bewaar ons voor elke zonde, voor alle gevaar, voor alle ongeluk naar
— 255 —
ziel en lichaam. Wees mijn raad in twijfel, mijn troost in lijden, mijne hulp in nood, mijne bescherming in leven en dood.
Al mijne, zoowel tijdelijke als eeuwige belangen, met het grootst vertrouwen in uw gezegende moederhanden stellend, bid ik U, laat mij in alles uwen bijstand ontwaren, en toon, dat ook gij mijne moeder zijt, o heilige en zoete maagd Maria. Amen.
Litanie ter eere der allerhei ligste Maagd Maria.
Heer, ontferm U onzer!
Christus, ontferm U onzer !
Heer, ontferm U onzer 1 Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons! God, hemelsche Vader, ontferm U onzer!
— 256 —
God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer!
God, H. Geest, ontferm U onzer ! Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer !
H. Maria, \\
H. Moeder Gods, i
H. Maagd der Maagden,
Moeder van Christus,
Moeder der goddelijke genade, [ Allereinste Moeder, \\
Allerkuischte Moeder, S
Ongeschonden Moeder, j lt;
Onbevlekte Moeder, , o
Minnelijke Moeder, ■ 0
Wonderlijke Moeder, j ïn
Moeder des Scheppers, j
Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste maagd.
•Eerwaarde maagd, Lofwaardige maagd, Machtige maagd,
— 257 —
Goedertieren maagd, Getrouwe maagd.
Spiegel der rechtvaardigheid, Stoel der wijsheid,
Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat.
Eerwaardig vat.
Schoon vat van godvruchtigheid.
Geestelijke roos.
Toren van David,
Ivoren toren,
Gulden huis.
Ark des verbonds.
Deur des Hemels, Morgenster,
Behoud der kranken. Toevlucht der zondaren. Troosteres der bedrukten. Hulp der Christenen, Koningin der engelen. Koningin der patriarchen. Koningin der profeten.
— 258 —
Koningin der apostelen, 1
Koningin der martelaren, / Koningin der belijders, I S
Koningin der maagden, )
Koningin van alle heiligen, o
Koningin, zonder erfsmet ont- j o vangen,
Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons Heer!
Lam Gods, dat wegneemt de zon den der wereld, verhoor ons Heer!
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer Heer i Christus, hoor ons !
Christus, verhoor ons!
Onze Vader enz. Wees gegroet enz.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o heilige Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet
— 259 —
in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o eerwaarde en gezegende Maagd, onze vrouw* onze middelares, onze voorspreekster ! verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon!
v. Bid voor ons, o heilige Moeder Gods,
r. Opdat wij waardig mogen worden der beloften van Christus.
Wij bidden U, o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des engels de menschwording van Christus uwen zoon gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis mogen gebracht worden, door denzelfden Christus, onzen Heer.
r. Amen.
v. Bid voor ons, o H. Joseph!
Opdat wij waardig mogen worden der beloften van Christus.
— 260 —
Wij bidden U, o Heer, dat wij door de verdiensten van den bruidegom uwer allerheiligste Moeder mogen geholpen worden, opdat ons door zijne voorspraak geworde, hetgeen wij door ons zeiven niet kunnen verkrijgen, die leeft en heerscht in eeuwigheid.
r. Amen.
(300 dagen aflaat. Pius VII 1817.)
— 2ót —
LOFZANG.
Tantum ergo.
Eeren wij dan, diep gebogen, Een zoo heilig Sacrament; De oude schaduw is vervlogen, In dit nieuw geheim volend; Wat de zinnen niet vermogen: \'t Worde door \'t geloof erkend.
Lof den Vader, ongeboren.
En zijn Eéngeboren Zoon; Lof van alle jubelkoren
Zij, met dank en zegentoon, Beider Geest, als hun beschoren Op hun éénen glorietroon.
Amen.
v. Brood uit den hemel hebt gij hun gegeven.
r. Dat alle geneugte in zich heeft.
Laat óns bidden.
O God die ons onder het wonderbaar Sacrament de gedachtenis van uw lijden hebt nagelaten, verleen ons, bidden wij U, dat wij de heilige geheimen van uw lichaam en bloed zoo vereeren, dat wij de vruchten uwer verlossing voortdurend mogen gevoelen, die leeft en heerscht in eenwigheid. Amen.
(ioo dagen aflaat eens per dag Pius VII 1818.)
IMPRIMATUR.
Buscod. hac 5 Octobris 1886.
J. J. VESTERREN, Rector.
ad hoc delegatus
— 263 —
INHOUD.
Blad/,
Voorroclo........1
Korte levensbeschrijving.....5
Precleking voor de visschen te Rimini. . . 23
Wonderen na zijnen dood.....52
Aard en wijze, om de oefeningen der Negen Dinsdagen ter eere van den 11. Antonins te
verrichten. .......00
Oefeningen van godsvrucht ter eere van den
H. Antonins........07
De eigenlijke oefening der Negen Dinsdagen . . 00 Gebed, waardoor men den II. Antonins tot zijn
beschermer kiest. . . , . . .101 Bij het begin der Negen Dinsdagen . . .102 Gebed, als men nog niet verhoord is geworden. 123 Dankbetuiging voor ontvangene gunstbewijzen. 121 Beroemd Responsorium ter eere van den H.
Antonins.........12G
Kleine getyden van den H. Antonins van Padua. 130 De drie voetvallen ter eere der allerheiligste
Drievuldigheid. ... . , . 141 Litanie ter eere van den H. Antonins van Padua. 110 Godvruchtige gebeden tot den U. Antonins in allerlei aangelegenheden, gelijk ze vervat zijn in het Responsorium van denH. Bonaventura. 150 Gebed in onverwachte voorvallen . . . 171 Gebed om de hulp van den H. Antonins te
verwerven........173
Gebed in allerlei tegenspoed.....175
Vurige verzuchtingen tot Jesus, om door de voorspraak van den H. Antonins alle onheil af te weren........176
55-5T(P -264
Bladz.
Responsorium van den H. Antonius, in den
vorm van een gebed.
De zegen van den II. Antonius tegen de aan-vecbtiugen der helsche geesten , . . 181
Gebeden ouder de H. Mis.....185
Een ander gebed tot den H. Antonius voor de
202
208
negen Dinsdagen Opoffering van dit gebed
Gebed voor het altaar van den H. Antonius . 2O9 Gebeden ter eere der groote vreugden, welke Antonius op aarde genoot, om bijzondere genaden van God te bekomen . . .212 Godvruchtig gebed tot den H. Antonius gedurende de H. Mis.......217
Noveen ter eere van den H. Antonius van Padua. 220 Sluitgebed da volbrachte Noveen . . . 229 Gebed in verschillende aangelegenheden . . 230 Gebed voor een zaligen dood .... 230 Gebed om in het geloof te blijven volharden . 231 Gebed ten tijde der bekoring .... 232 Geschikt gebed voor zieken , . . . 233 Negen gebeden tot den H. Antonius, naar verkiezing te bidden gedurende de negen Dinsdagen ........235
Lofzang ter eere van den H. Antonius op diens
feest (13 Juni)......247
Gebeden ouder het Lof.....243
179