KRANTENJONGEN,
DE
KRANTENJONGEN,
OF
DE HAYELOOZE KINDEREN
VAN
NEW-YORK.
«Nu zie ik \'t al, alles is me duidelijk. Liefde doet alles. Liefhebben is een weg tot goeddoen.quot;
Bob.
NA AU DEN TIENDEN DRUK, UIT HET ENGELSCH.
Derde Druk.
-.............
\' • *\' h
AMSTERDAM,
GEBROEDERS BINGER.
1886.
Boekdruk van Gebroeders BiDger.
DE KRANTENJONGEN.
i.
EENE BEKENTENIS.
»En dus, uw naam is Bob, dat wil zeggen, R.obert,quot; zeide ik tot den krantenjongen op een morgen toen ik een dagblad aan mijn venster kocht.
»Robert!quot; antwoorde hij, »wel neen, dat lijkt er niet naar.... Bob en niets anders.quot;
Ik bemerkte dat het hem hinderde zich aldus gedoopt te zien; hij scheen dien enkelen naam van Bob met fierheid te dragen en ik kon mij niet weerhouden een zekere grootheid te ontwaren in dal zelfbewustzijn, in dat gevoel van eigen-v/aarde, dat ons op geboorte, landstreek, stand en fortuin met minachting doet nederzien. Van toen af begon ik eerbied voor den krantenjongen te voeden, en zijne geschiedenis op te sporen zoo als ik in de volgende bladen zal verhalen.
Doch ik ben mijn verhaal te ver vooruitgeloopen en moet noodwendig naar de bron terug en mijne redenen ontvouwen, waarom ik een boek schrijf. De zaak droeg zich op de volgende wijs toe:
Al mijne vrienden en buren waren aan het boekenschrijven ; aan sommigen bracht het geld in, aan anderen niet, maar ieder, dit zag ik duidelijk, bevond zich gelukkig eene bezigheid te hebben Hun leven had een doel. Niets is er of het heeft zijn nut. Het bloempje der onschuld, over de heuvelen en dalen van Nieuw-Engeland, met kwistige hand gestrooid, is onaanzienlijk, het haalt niet bij de fiere, prijkende dalia, de vrouwelijk bezielde roos, de maagdelijke lelie, of het zoete, hartstochtelijk-verleidelijk viooltje,dat de schaduw zoekt, al moest zijn hartje van gevoel overstroomen; en evenwel tiert dat star-oogende bloempje der onschuld welig, het tooit ieder klein rotsspleetje en hoekje, dat aan zijnen wortel eene plaats gunt; ginds in de weide, waar het beekje rondom de wortels der
6
oude olmen murmelt, en de gespikkelde forel zich in de diepte verbergt, glimt het bloempje der onschuld (Houstonia Cerulea) als een glimmend kleed, om de leden der schoonheid; het nestelt bij de pachthoeve: hopende de groote leelijke klis te doen wijken; in de schaduw van het oude, door den zondvloed reeds glad geschuurde kiezelgesteente; langs den bestoften heerenweg, waar de kinderen met doekjes over het hoofd, de fluweelen aanraking van haar bloemkronen op hunnen weg naar school aan hunne bloote voeten ontwaren: overal schiet die nederige plant op, even a!s de nederige deugd, krachtig en gezond, en onopgemerkt wegens haren weligen wasdom.
Even zoo het boekenschrijven — de wereld is er zoo vol van, dat duizenden onopgemerkt blijven en onder dezen misschien wel de besten. Doch om \'t even! bij gebrek zelfs aan de armzaligste boeken, zou deze wereld een razend vervelende, kwaadbroedende, bedorven poel wezen; wanneer eenmaal de groote klissen der letterwereld door gezonder uitingen van den menschelijken geest zullen verdrongen zijn, dan eerst zal alles wel zijn. Toen ik nu aan het schrijven van een boek dacht, dacht ik tevens daaraan en wierp mijne blikken naar de hooglanden en de dalen en langs de wegen, en liet ze dwalen dooide schadelijke woekerplanten en de fraaie bloemen, langs de bemoste rots en de afzichtelijke zwam, en overal zag ik die bloem der onschuld, rein door haar zelve en reinheid ademende, en toen zeide ik tot mij zei ven: ik zal over alledaagsche dingen schrijven, over de groote omdolingen in de stad, getrouw en waar. Ik zal niets ontzien, maar toch niet zijn als de wesp die alsem uit bloemkelken zuigt, maar veeleer als de bij, die zuiveren honig puurt uit het vergiftige nieskruid zoowel als uit de geurige klaver.
Om deze reden bezocht ik de stad, ging van plaats tot plaats, overal mijne oogen bij mij hebbende, maar mijn hart tevens. Ik zag hoe de paardevlieg de stad bemint, en de vlinder haar ontvliedt; en ook de reden waarom het dus was. Terwijl ik nu aan mijn venster zat met een vriendelijken geranium in bloei op mijne tafel, vloog een vogeltje naar binnen en stak zijn trechtervormigen snavel in de bloemkelken, terwijl zijne wollige vleugels met een zacht, nauw hoorbaar gesuis fladderden. Niet lang bevond hij zich daar, toen ik hem reeds een smakelijk maal aanbood; hier, te midden van stof en gewoel en kwaad en besmetting, had het keurige schepseltje een plekje onderscheiden, zoo frisch en vriendelijk als Eden, en herwaarts was hij gevlogen om genot te schenken en te ontvangen.
Zou het ook zoo met ons mogen zijn, lieve lezer? Als wij, hoewel zelden, dan toch nu en dan, engelen in hun leven en werken mogen bespieden, zou dat niet een zegen wezen? Ik dacht aan de mogelijkheid er van, en blikte in den vroegen
7
morgen naar buiten, (ik ben zeker, het was in den morgen, want dat is de tijd der lachende beelden), toen ik onder mijn venster een kleinen krantenjongen zag, die op lustigen toon de namen van onderscheiden ochtendbladen uitriep. De knaap was enkel vel en been, klein, oud vóór den tijd. Tom Pouce of de Azteken zouden mij eerder als romanhelden voor den geest zijn gekomen, dan die krantenjongen. Zag hij er niet arm, haveloos, dom uit, en zou dan niet ieder, daaraan denkende, mij hartelijk uitlachen? Langzamerhand verrees Bob (later vernam ik dat hij Bob heette) voor mijn geest, niet als een arm, verlaten, onwetend, verwaarloosd kind, dat van de straat genomen en naar het weezengesticht of de bedelaarskolonie gezonden behoorde te worden, maar als een lichaam met een verheven ziel er in, wier adel ik niet durfde peilen, maar dien ik kon schatten; van dien krantenjongen, in één woord, wiens riemen zijner oude, versleten schoenen ik niet waard was los te binden. Door vurige ovens was hij getrokken en niet gedeerd: te midden van leeuwen had hij gezeten en hunne woede en wildheid was bij hem bekoeld.
Van lieverlede gewende ik mij, de komst van den krantenjongen met een zekeren plechtigen ernst af te wachten, en het geschuifel van zijn vermoeiden stap had iels indrukwekkends voor mijn oor; zijn gescheurde kleederen werden een koninklijk gewaad, waaronder een groot hart klopte, en de hoed zonder rand kroonde hem als een koninklijke wrong, want Bob bezat die ingeschapen waardigheid van ziel, die door kroon noch schepter kan verhoogd worden.
Stuksgewijs ook werd ik met zijn levensgeschiedenis bekend, stuksgewijs zeg ik, want ik gevoelde mij niet groot genoeg om wat er al grootsch in dat gemoed van den krantenjongen zat, in ééns op te nemen. Ik, met mijn konventioneel leven, met mijne kunstmatige richting, uit voorouders gesproten, zoo vol beleid en overleg, hoe kon ik een wezen begrijpen dat naakt uit de hand der natuur voor mij stond en sprak; «kom en zie een man;quot; een wezen, dat niets aan de school, aan den predikant, aan den kleérmaker, en zeer weinig aan den kok te danken had; een filozoof op zijne wijs, de zaken uit eigen oogen beschouwende, en zijne eigene besluiten opmakende zonder hulp van iemand ter wereld.
Het beeld van den krantenjongen bleef mij bij, en ten laatste voelde ik mij gedrongen zijne geschiedenis te schrijven. Ik zag dat dit geslacht, dank der vindingrijkheid van enkele welwillende zielen, weldra zou verbasteren, dat de krantenjongen onzer dagen spoedig zou verdwijnen en slechts als overlevering blijven bestaan, en de adel van Bob als tot den mythentijd zal beschouwd worden te behooren. Ik wierp mijnen blik in de woonverblijven van de krantenjongens, en zag hoe deze
8
goedhartige zielen (de Heere zende hun vertroosting in ieder uur van nood, en doe hun het goede ondervinden zoo als zij anderen goed deden) de woestijn van het leven des krantenjongens in eene bloemrijke warande wisten te herscheppen, en dat spoedig de krantenjongens van Bobs eeuw, die krantenjongens, aan de hoeken der straten, op pleinen, in het park, in oude vrachtmanden of varkenstroggen, in marktkraampjes, kortom, ■waar slechts beschutting te vinden ware, slapende, weldra vergeten zou zijn, en toen verkregen die ismaëlietische omdolingen van Bob, liet vader- en moederlooze kind, zonder vriend en verlaten, de groote wereldstad op en neder gaande, glans en verhevenheid in mijn oog, en ik zette mij aan de studie van zijn karakter, en ik erkende in hem — een held.
II.
DE ONTGROENING VAN DEN KRANTENJONGEN.
Bob vermoedde nooit dat hij een held was. Hij was opge-arroeid, hij wist bijna zelf niet hoe, te midden van wezens, even verlaten als hij zelf. Hij had honger en koude en ellende in alle gestalten leeren kennen. Hij was een medgezel der ver-tredenen geweest, sedert de eerste ontluiking zijns levens. De eene verzorger van den ellendigen knaap na den ander stierf weg, of was den last moede geworden, zoodat alleen een onbestemde herrinnering van honger en koude en kramp in de leden, en pijnen in het hoofd, hem was bijgebleven. Nog als een kruipend wicht was hij over den drempel geschopt, niet uit wreedaardigheid, maar omdat hij in den weg lag en de huisbewoners geen brood en geen ruimte hadden ; want wanneer schiep honger ooit liefde of warmte in het hart, of kneedde naaktheid het tot medelijden en bescherming? De arbeider werkt en wordt een liefderijk man en vader, in het zweet zijns aangezichls, dat hem in den avond, brood en nachtrust bezorgt; maar de misdeelde arme, de gewoonte van geregelden arbeid missende, leeft van de hand in den tand, schuw en voortvluchtig als de gejaagde haas, met de uitgevaste doggen des hongers altijd op zijne hielen, en zinkt dan bij het vallen van den avond uitgeput neder, niet met het hartelijke dankgebed des arbeiders op zijne lippen, maar hijgende als dat fel bestookte wild, en de slaap — immers de slaap doet ook aan hem zijn recht gelden — zal hem in troostende armen wiegen, opdat hij, hoe kort ook, eenigen balsem voor zijn doorgestaan lijden vin de.
Bob echter was een kloeke jongen en wenschte meer dan lang rond te kruipen. Toen hij nog op handen en voeten kroop, was hij een breed mikpunt voor zoo veel luie, een verlok-
10
kend mikpunt voor zooveel achtelooze of wreedaardige voeten geweest; en dus wanneer hij slechts een raensch hoorde naderen, sprong de gespierde knaap op zijde, en weldra zich van den wand en van gebroken stoelen bedienende, stond zijn hoofdje overeind, waren zijn voetjes schrap op den grond; ja schrap, want Bob verried toen reeds, dat, zou hij eens zijn hoofd in de wereld hebben opgericht, hij zich op de plek zou laten dooden, ja, maar weer zijn hoofd in het stof buigen, nimmer! Lang sammelen stond in zijn boekje niet. Het kind des rijkaards moge kruipen en sluipen en zijne lange hulpelooze kindsch-heid doorkwijnen; moge jaren lang op den arm zijner min kwijlen en krijten; hel kind des armen mist die kans; de natuur drijft hem tot spoedigen wasdom; zij rekt de spieren en prikkelt de zenuwen zoo lang, tot dat zij bij den eersten indruk tot handelen vaardig zijn. Het rijke wichtje moge schreien en schreeuwen en dommelijk druilen, een plaag voor zich zelf of anderen: — de bedelaars-welp durft niet schreeuwen: tandjes krijgen of niet; geen geluid, welp! Het schreeuwt dan ook nooit ; zijne arme zwart bestoven voeljes zijn met builen overdekt, waarbij het »een lipje zet,quot; zoo als de moeders dat zeggen, maar een hoorbare klacht mag hij niet uiten; hij gluurt door de oude kwastholten van den wormstekigen vloer, het stof vliegt er van onderen uit op in zijne oogjes, hij wrijft ze en spuwt en kruipt weg: — medelijden ondervindt hij nooit en zoekt het ook nu niet. Zijne vingertjes krabbelen aan het hengsel der bijstaande deur, een voorbijganger drukt er toevallig tegen en knelt de hand.... o, vlijmend is het wee, het dringt door merg en been; folterend is de pijn van het gekneusde en verdrukte handje. De kleine lijder valt bezwijmd achterover, maar geen geluid, geen woord na den eersten dierlijken kreet. Nu tracht hij langs den gebroken stoel zich op te beuren, maar glijdt door de sporten; weder hoort gij hem nederploffen, en alles wordt doodstil; voorzeker de knaap is dood — o neen, slechts blauw in \'t aangezicht en buiten adem is hij; nu een frissche klap op den rug, frisch in den mond geblazen, een waterbad aan de pomp, hij gaapt, laat een gesmoord gekrijt hooren, en begint dan het waler op te slikken, terwijl het langs zijne wangen druipt; hij wringt pijnlijk nog zijne vingers, likt ze nu en dan met zijne tong, maar geluid hoort ge niet meer. Uren daarna blijft hij nog blond en blauw, zijne verwarde haren druipen van het zweet, dat uit zijne poriën dringt, maar toch kruipt hij naar de huisdeur, waar het lachende zonnelicht nog op den drempel wijlt, en daar slaapt hij in .... slaapt uren lang, en de voorbijganger schopt, noch slaat, noch hindert het slapende kind; want het slapende kind is heilig zelfs voor den ruwsten mensch.
Dus was Bob opgegroeid, — hoe, wist hij zelf nooit. Zijne
H
vroegste herinneringen klommen tot een gelukstaat op. Toen hij nauwelijks loopen kon had hij oude spelden en verroeste spijkers en lompen in de straatgoten gezocht; dan had hij spaanders geraapt, welke hij in een mand naar huis droeg. Toen kwam er een duistere tusschentijd; hij wist niet wat er gebeurd is — misschien wel was hij ziek geweest. Velen dergenen, die hem hadden opgepast, waren weg; hij kon niet zeggen hoe of waarom. Een duistere herinnering was hem bijgebleven van het beeld van eene menigte lange witte kisten, die af en aan werden gedragen. Somtijds was hij op een kar rondgereden; doch alles te zamen genomen, weet hij niet of hij wel iets verricht heeft, maar toch heeft hij geslapen en gegeten. De cholera had zijn ellendig verblijf ontvolkt. Ten laatste zag hij zich alleen en verlaten op straat; — hij wist niet waar te gaan. Hij was een zeer klein knaapje en zag naar de menschen, naar mate zij hem voorbij kwamen, verwonderd van waar zij kwamen en werwaarts zij gingen. Hij begon honger te ontwaren; een ijselijke angst overviel hem. Iedereen scheen den een of ander bij en om zich te hebben, die hem verzorgde, die een woord, een glimlach, ja zelfs een slag of stoot met hem wisselde, waaruit bleek, dat men met eenig ander mensch op de wereld in betrekking stond; doch hier stond hij, als arm, klein, onaanvallig kind alleen, en niemand droeg voor hem zorg. Hij zag er vuil, zeer vuil uit; — niets dan lompen, en nog wel zeer schrale, bedekten zijn leden.
Het was een droevig gezicht, dat arme schepseltje te zien, zoo verlangend naar de voorbijgangers starende; eu in zijn kinderlijk denken zich zeiven afvragende, van waar hij kwam en waarheen hij moest gaan. Hij stak zijn hand uit en greep een rijke dame bij haar kleed, want zij was zoo schoon, dat het hart des armen kinds haar als uit zijn boezem te gemoet vloog; doch zij blufte hem af met een blik zoo norsch, dat die blik al hare schoonheid bedierf. Toen kwam een zachtaardig, deftig schijnend man hem voorbij; de kleine Bob hield zich aan hem vast. „Laat mij gaan, jongetje!quot; zeide hij met zalvende stem en vervolgde zijn weg. In dat zelfde oogenblik riep een luide heldere stem: „De ochtendbladen — laatste nieuwstijdingen met de stoomboot — een blaadje koopen, meneer?quot; terwijl bij deze laatste zinsnede de stem plotseling daalde.
De aangesproken heer stond stil, betaalde het dagblad en vervolgde zijn weg; en de krantenventer zou wis hetzelfde gedaan hebben, indien hij niet een langen jas, wel een mijl te langen te wijd, had gedragen: immers toen hij zijne panden bijeen wilde brengen, raakte hij te eenenmale het evenwicht kwijt, want Bob had zich in een soort van vertwijfeling er aan vastgesnoerd.
„Laat los, fielt, ofquot;... zeide Sam, met een dreigende stem, daar zijn hoogmoed gekwetst was toen hij zich op deze wijs
12
ee^repen voelde. Doch Bob wilde hem niet loslaten ; integendeel, hield hij hem te meer vast. Sam keerde zich heftig om en quot;af hem een oorveeg dat het klonk. Bob schreeuwde noc week, maar zag den krantenverkooper in het aangezicht met zulk een stout doordringend oog, waaruit zooveel lijden sprak, nat hii zich als ware het gedwongen voelde stil te staan en te vernemen wat de knaap wilde. Zelf aan p;eene levensge-makken hoegenaamd gewoon, wist hij dan ook met wat het was ze aan anderen toe te dienen. Hij stak zijn hand onder zijn gescheurden, morsigen pet, streek over de verwilderde haren, en gaapte wijd; een uitspanning, waartoe hij tot dusverre op dien dag nog den tijd niet gevonden had. Deze bewegingen schenen zijne dwalende denkbeelden in eén brandpunt te vereenigen.
«Honger, kerel?quot; vroeg hij.
»Ja,quot; zeide Bob. , . „, o j
»Goed, kom mee. Heb ik je bezeerd, he?\' vroeg Sam de
oorveeg bedoelende.
»Neê.quot;
,lk docht het, zoo waar! Je tronie is zoo rood als een biet-wortel, juist waar me vorken gingen. Zoo taai, als een kabelen Ije.
Nu hadden zij den hoek van Nassau- en Fultonstreet bereikt, alwaar een oude vrouw zat te breien onder een zonnescherm met touwtjes aan den muur vastgemaakt en dat als luifel moest dienen. Voor haar lagen op een tafeltje uitgestald, kandijklonten, suikeramandelen, gebraden appelen, pyramiedaal opgestapeld, en dikke, gele stroopkoeken, van welke Bob er een welhaast met gretigheid opknabbelde.
»Hongerig als de droes,quot; riep Sam uit, terwijl hij met een tevreden oog den jongen zag eten, » Waar leg je thuis, kereltje .
«Nergens.quot;
«Nou, je slaapsteê dan?quot;
«Heb ik niet.quot;
«Waar is je moe dan?quot;
«Geen gehad.quot;
«Och wat\', en je va?
»Geen gehad.quot; ^
«Duivels! wien behoor je dan an ?\'
«Niemand.quot; , « i t
Sam beo-on nu een zoo schril, aanhoudend fluiten, dat ge u zoudt verwonderd hebben, hoe hij zijn adem herkreeg. Daarop stampte hii met zijn oude laars hard op de straatsteenen, en blies zich tot een verdubbelde dikte op, zette zich in postuur en lachte luidkeels, hield eensklaps op, stak overhaast zijn paü kranten onder zijn arm, zette zijn pet ploertig op een oor en met den hoek van zijn oog op Bob neerziende, en met éen hoek van zijn mond sprekende, zeide hij;
13
»Dat kan je mij niet op den mouw spelden, ventje! neen... ruk nou maar op!quot; En daarmede wilde hij zijn weg vervolgen, toen hij zich weder bij zijn lang jaspand voelde trekken. Nu echter keerde Sam zich harsch om, zette zijn borst vooruit, en deed als wilde hij den knaap bepaald over \'t lijf vallen; doch Bob zette zich schrap. Weder deed Sam een greep in zijne haren onder den pet, en vatte toen Bob en diende hem een paar fiksche klappen op zijn half naakten rug toe. Bob, daaraan gewoon, dacht er zelfs niet aan in het minst te schreeuwen.
»Hard zijn de wegen des bozen, zou ik meenen,quot; zeide Sam voor zich heen, terwijl hij Bob weder van ter zijde met de oogen mat. »Jij ongelikte beer, wat zoek je toch met gedurig me aan mijn panden vast te houën, he? Raak er nou nog ereis aan, dan sla ik je ribben tot moes!quot; En weder nam hij zijn kranten bijeen, en riep: «Ochtendbladen met de boot 1 — laatste editie! — ijselijke schipbreuk — twee honderd menschen-levens!quot; Hij moest weder ophouden daar hij hetzelfde trekken aan zijn lange jas gevoelde. Bob had iemand gevonden die naar hem zag, en meer dan barsche woorden en harde slagen duchtte hij verlatenheid. De arme Sam, nu tot het uiterste gebracht, wierp zijn gansche pak bladen op den grond; weder schoof hij zijn pet op zijde, doch krabde nu zijn hoofd niet, daarvoor was hij te ver gegaan; alleenlijk zette hij beide zijne armen in de zijde en leunde tegen den steenen muur van het bureau van den ygt; Her aid,quot; met zijne laarzen ver vooruitstaande op het voetpad en de spotternijen zijner makkers zonder een woord te uiten, verdragende.
»Dat is me te kras, bepaald!quot; mompelde hij in zich zeiven. »Hier vent, neem mijn hoed, ik geef \'t op. Ben je ook een kleine Belzebub bij geval?quot;
»Neen!quot;
»Een van zen welpen?quot;
»Neen.quot;
sBen je dan het spook van een dooden krantenjongen?quot;
sWeet niet.quot;
»Wat weet je dan?quot;
«Niemendal.quot;
»Wil je je dan gauw wegscheren?quot;
»Neen.quot;
»Pas op.... Ik sla je dood, dat doe ik. Ik sla je tot marmelade. God zal me helpen! hij staat zoo stokstijf als de toren van de Drieëenigheidskerk. Pas op! ik begin — als je nog eens je aan mijn plunje durft hangen en er zoo aan trekken?...
Doe je \'t weêr? Goeie hemel! hij heeft me gepakt..... hola,
maats! En Sam floot op eigenaardige wijs, waardoor weldra een twintigtal krantenjongens te zijner hulpe toesnelde.
Sam verhaalde zijn grieven onder het uiten van een legio
14
vloeken. sDaar zal geen draad van mijn staatsierok heel blijven - houdt hem bij de ooren, tot dat ik een eind wegs vooruit ben — maar past op, want hy zal er een van jullie pakken — dus, oog in t zeil! Er vol de een algemeen gejuich en gelach; allen bewogen zich naar den armen Bob, die al voort zich aan Sams kleederen vastklemde, »Lnister, vent,quot; vervolgde Sam nu, » t lust me zoo naar ie gezondheid te vragen, dat ik al mijn papier op je y S stiksC en iederen sfijker v.n mijn laarzen » roode keel zal platdrukken.quot; En hij stond op het punt de daad op het woord te laten volgen, toen Bob, die zijn angst leeds verbeten had, in eens naar den hals van Sam vloog en dien zoo\'begon te poiïen en te rukken, dat deze de kracht van een
bedelaarsvuist leerde kennen. . . • j „„
Nu werd het gejouw van al de krantenjongens zoo luid en zoo algemeen, dat de policie-agenten uit Fulton-street, waar zij in Broadway hadden zitten te rooken, kwamen t063^16\'
doch de jongens maakten een kordon om Sam en Bob en waarschuwden hen, zeggende; »Houdt jelui er buiten, kran-tenion^ens moeien de dienders nooit, — de kiantenjon ens makenquot; nooit nachtrumoer, de krantenjongens hebben eerbied voor de wet, — krantenjongens zijn nooit op weg waar ge vangenissen en policie-bureaux zijn, - de krantenjongens zijn ookquot;van quot;isteren niet, — \'t is maar een ontgroening van een krantenjongen. _ Die is fiks toegebracht, he.... als een don-derslaquot;-! — Hoe gaat het, Sam, — geef t paai op, Sam. HeererJé! dat ventje schijnt wel een wilde kat! Luik je kijke Sam luik ze, jongen - \'t spel is uit, geef eens je vuist
kleine.... Nou, je staat hem hoor; je komt 1
van \'t ambacht, iongen, schreeuw ereis. Het aid ! li ioune kom, dreun op, gauw!quot; En Bob schreeuwde wanthijhad een o-pduchte lonir en nauwelijks voelde hij ei het nu
of hij kon een keel opzetten, zoo goed als de hardste schreeuwers
onder hen. Nu werd in alle zakken getast en een menigte «tuiverties werden door de ruwe maar goedhartige gasten
vrijwillig bijeengegaard, tot dat Bob een kapitaal bezat, waarop
hij verder kon \'bouwen. ,
iZoo\'n mooie ontgroening als er ooit was, nep een van de
ionirens onder het heenga3.n« . i
»Dat ventje is van \'t eerste water, hoor, zeide een ander, s He ere Jé, wat liet hij zijn vingertjes vliegen! Sam heeft hem. ^am heeft een leerling,quot; schreeuwde de troep, terwijl allen zich naar hunne verschillende standplaatsen begaven om ei de bladen uit te venten.
III.
GELIEFKOOSDE PLAATSEN.
En zoo werd Bob behoorlijk als krantenjongen aangenomen. Hij had zich den weg naar die waardigheid even dapper als de beste krijgsman, gebaand, en nu had hij het volste recht op al de goede diensten van het gild. Sam belastte zich met zijn opleiding, leerde hem hoe hij zijne hand op de eene of de andere wang moest drukken, ten einde zijne stem op verren afstand te doen hooren en ze boven den wind te houden, verschafte hem een stel kleederen naar de meest in zwang zijnde krantenjongensmode, stroopte zelf de pijpen zijner lange broek op, zag of de oude jas wel behoorlijk zat, en toen Bob blijk gaf een kloeke, fiksche knaap niet alleen, maar zelfs beproefd eerlijk te zijn, kwam hij in groot aanzien onder den hoop. Kwam er nu en dan ebbe in zijn kleinen schat, immers Bob vond altoos iemand, die zijne goede diensten kon gebruiken, dan was er geen krantenjongen, die weigerde den goeden, fatsoenlijken Bob iets te leenen. Even als zijne kameraden, was hij weldra doorkneed in al \'tgeen er binnen de stad omging. Hij zag veel, doch wist zich een slot voor den mond te leggen; hij hoorde veel, doch «mondje dichtquot; was het wachtwoord. De krantenjongen is geen oud wijf, geen bemoei-al; — handboeien zijn hem een gruwel; — de politie eerbiedigt hij, maar bij is er niet gansch afkeerig van haar soms liet spoor bijster te doen worden. Aan kameraadschap buiten zijn eigen gild denkt hij nooit. Alle andere menschen op de aarde zijn voor hem een raadsel, en de menigte, die hem voorbijgaat, ziet hij met even weinig belangstelling voorbijgaan, ais de individuen die haar samenstellen en als of zij allen te zamen en een iegelijk tot een ander geslacht behoorden.
De fraaie kleedij der vrouwen, de eng sluitende jasjes der
16
mannen, boeien nauwelijks zijne aandacht. Hij ziet er het nut niet van in. Hij begrijpt niet welk vermaak er in gelegen kan zijn, het lijf met eenig ander doel in kleederen te hullen dan tot dekking en warmte. De waarde van het goud is hem ten volle bekend, doch hij kan er het nut niet anders van onderscheiden dan in de gedaante van geld; en zijn hoogste eerzucht, na het onderhouden van moeder of zuster, is — geld in de bank te hebben staan. Heeft een krantenjongen het zoo ver in de wereld gebracht, dan begint hij zich in die waardigheid te hullen, die men beter gevoelen dan beschrijven kan, en die altijd den man van geld als een glorie omgeeft. Dan leeren zijne med-gezellen hem met een soort van eerbied behandelen, te voren onbekend; roemen hem als een modelkrantenjongen en leeren hunne eigene handeling naar de zijne af te meten. Sam was een der weinigen, die dit benijdenswaardig standpunt hadden bereikt. Jaren lang had hij zijne ziekelijke moeder onderhouden, en de opperste God der liefde weet alleen het lijden, dat hij doorstaan heeft om dit te kunnen doen, — de hongerige dagen, die hij doorgebracht heeft opdat zij te eten hadde, — den arbeid en de koude, die tot iedere vezel van zijn lichaam zich een weg hadden gebaand om er overal zijn eigenaardige foltering in te doen nestelen, opdat het der arme verlatene, stervende moeder toch aan niets ontbreken zoude.
En waarlijk, voor een krantenjongen vertoont zich hel beeld der vrouw altoos als dat der smart; zijne eerste herinneringen zijn die aan eon barsch, fronzend aangezicht, ontevreden en lijdende, aan een luid, krijschend schreeuwen, aan een hand meer vaardig tot slaan dan tot eenige vrouwelijke, aanminnige verrichting. Naarmate hij ouder wordt, wacht er een of meer hulp van hem -— niet altoos een bloedverwant, niet altoos iemand van wien hij goede diensten heeft ontvangen, maar meestal iemand wiens eenig recht bestaat in ellendig, hongerende te zijn, en verstoeten door het overige van de wereld.
Het tooneel is de groote magneet voor den krantenjongen: tooneelmatige voorstellingen, ziedaar zijn lust en leven. Alle ontberingen wil hij dulden, mits hij zich dat vermaak moge gunnen. Regelmatig in zijne budgets van uitgaven, wordt ook de schelling, die hem toegang tot .Boiteri/27(eaf/\'e kan geven, als onvermijdelijke lastpost uitgetrokken. Daar kunt ge hem avond aan avond, te eenemale doof en blind voor alles behalve voor het spel en zijne kameraden, in den bak zien zitten. Dit volslagen gebrek aan zelfbewustzijn is een zijner meest treffende bizonderheden, wanneer hij dus als verloren is in de vreemde en boeiende wereld, die hij voor zich ziet. De hartstochten door de tooneelspelers ten toon gespreid, de dialoog en kleedij, zijn in zijne oogen oneindig meer wezenlijk dan al wat #iij in de loges ziet. Zelden verwaardigt hij zich
17
zelfs een blik er op te werpen, in welken schouwburg hij zicli ook bevinde (een fraai stuk lokt den krantenjongen soms ook naar Broadway), en boeit hem somwijlen hier het een of ander voorwerp, overhaast wendt hij zijne oogen er van af als verweet hij zich iets ongepasts. Verveelt hem het stuk, dan schikt hij zich wel tot een dut onder het beding, dat een ambtgenoot hem tijdig aanstoote, opdat hij goed wakker zij wanneer »de brand- en moordhistorie begintquot; of zoo als Bob eens zeide; smaak me wakker als Kirby sterftquot;; waarbij nog zijn luid, hartelijk hi! hi! komt, voldoende om het arme beklemde hart eens angstigen schrijvers goed te doen. Dat hi! hi! van den bak gaat op uit den bodem des harten van den krantenjongen, en ware ik de schrijver van het stuk, ik zou er tegen opkomen wanneer het rat-la-tan van den spaansch-rieten stok des politiedienaars tusschen beide kwam om het gelach te dooven.
Wordt een nieuw stuk ten tooneele gevoerd, dan is de krantenjongen louter oor en oog, en wee dan over den schrijver! Stelt hij hem te leur — de lach van den krantenjongen, de spot van den krantenjongen mogen niet voorbijgezien worden. Hij is ganscli en al wezenlijkheid, natuur van top tot teen, en alles wat daarmede in strijd is, verdraagt hij niet; komt daarentegen een moord, een handeling daarmede overeen, dan blinkt het ruime, edelaardige gemoed van den krantenjongen zoo frisch en helder als een pas gedrukt blad; hij laat zijn hi-hi-ln hooren, juicht, schatert, klapt in de handen dat de wanden er van dreunen. — Nu slooft de politie-dienaar zich af, hij rallakerl tot dat zijne armen verlamd zijn, de jongens zijn in vollen gang en tieren en razen naar hartelust. Zou ik voor het tooneel schrijven, ik zou mij eerder op het oordeel des krantenjongens verlaten, dan op dat van eenig ander publiek ter wereld.
Wanneer dus een geliefkoosde tooneelspeelster, de heldin van het drama, in al den glans harer volle, rijpe bekoorlijkheden en prachtige kleedij, zich vertoont, — dan komt nooit bij den krantenjongen een denkbeeld op aan eene koningin, of eene schoonheid, of eene groote vrouw van welken aard ook, of het verbindt zich aan de herinnering aan de kunstenares. Geene vrouwengestalte, hoe schoon ook, verraadt zooveel wezenlijke overeenkomst er mede als de schoone vrouw op het tooneel; en derhalve, heeft een tooneelspeelster eenmaal hun sympathie gewonnen, dan eindigen ook hunne toejuichingen niet wanneer zij verschijnt. Op die plaats in den schouwburg te zitten, waar men den bak in Bowery of Chatham theatre kan overzien en kan waarnemen hoe de massaas daar iederen avond de voorstelling bijwonen, is voor een dichter een studie, voor een kunstenaar een bron van rijkdom.
De eene drom na den anderen dringt binnen, (want de
2
18
krantenjongen is bij uitnemendheid gezellig); zij schikken zich op de ruwe harde banken. Is het vroeg, dan zitten zij noten te kraken, die vaak bij hen het avondmaal vervangen; een ander, die lezen kan, legt de affiche uit aan zijne med-gezellen, en doet dit zoo zacht dat een dandy van Broadway een lesje van wellevendheid bij den krantenjongen kon nemen. Anderen maken het zich gemakkelijk om een dutje te doen, en de uitputting, zichtbaar in de wezenstrekken der slapers, naar mate zij een oogenblik in zelfvergetelheid zinken, verhaalt een gansche ilias van ontberingen en gebrek. Naar mate de bak vol loopt wordt wel zorg gedragen die slapers niet te storen, daar de jongens vaak de slapende hoofden der anderen op hunne knieën laten rusten, of ze steunen een nedervallenden arm, of lichten een been op, dat zij dwars over hunne knieën leggen om te meer plaats te maken. Het afgematte voorkomen van die slapenden is inderdaad medelijdens-waard. Zij zijn in wakenden toestand zoo dun, zoo mager, zoo gelijk aan oude mannetjes, ruw, levendig, zelfverloochenend, maar komt de slaap en ontspannen zich de spieren, en komen de overspannen zenuwen tot bedaren, dan worden zij weder kinderen, vermoeide, lijdende, overwerkte kinderen, en gij staart met onzeggelijk zielelijden op hunne uitgevaste gestalten^ op die beenige, hoekige schouders, uit het gescheurde hemd te voorschijn komende, op die ingevallen slapen en dunne neusgaten; gij jrevoelt hoe meélijdenswaard de kindschheid der armen is. Gij ziet, in uwe verbeelding, op verren afstand een begraasde, hellende plek gronds, waarop de lammeren weiden en dartelen, waar bloesems in hel middaguur zich naar de hooge rotsen en hare donkere schaduw keeren en waar de boom zijne armen vriendelijk opent en de vermoeide kudde tot rust lokt; dan ziet gij aan de andere zijde, in het diepe dal, waar de beek rondom de fantastische wortels des ouden olmbooms murmelt en te midden van blauwachtige viooltjes dartelt en dan verbeeldt gij u dat ook die knapen daartoe behooren; en vrij en vroolijk als het lam — even zorgeloos als de bloesems; immers heeft de goede Heiland niet dezulken gezegend? zeide Hij niet: laat hen tot Mij komen? en nam Hij hen niet op zijne armen en zegende hen? en was niet de zegen van Zijne heilige lippen als ware het een bevel aan allen, die reine, minnende harten hebben, dit voorbeeld te volgen?
Nu doet het orkest een preludium hooren, en de krantenjongens vliegen als buskruit op en heffen een hartelijken kreet van genot aan. De krantenjongens waren moede van het zitten en houden niet van wachten. Zij hebben appelen opgepeuzeld, noten gekraakt, dat zij er bij neervielen. En waarlijk,
19
sluit ge uwe oogen en gluurt ge steelsgewijs naar de plaats, waar de politiedienaar met zijn rug tegen de balie van het orkest leunt, met zijne beide ellebogen over de richels, terwijl hij zijn rotting over de hoofden der jongens, tegenover hem, zwaait, dan denkt gij aan een kat, gereed over een heirleger muizen heen te vallen, en het geknabbel der appelen, het kraak! kraak! der noten, en het onophoudelijk vallen van schillen, heeft wel iets van het doffe knabbelen dezer kleine ongedierten. Doch de eerste tonen van het orkest verjagen de begoocheling, want zulk een gejuich kan alleen van levende, kloppende harten komen; de noten verdwijnen, petten en mutsen af, ieder jongen zit zoo recht als een kaars. En hunne zenuwen zijn zoo gespannen, hunne aandacht is zoo groot, dat zij naar de regelmatige rijen van een korenveld gelijken, en terwijl zij den boeienden voortgang der handeling zien, is het als blies de wind over de hoogstaande aren.
Naar mate het stuk vordert en de belangstelling toeneemt, naar die mate worden de kreten oorverdoovend en alleen de vrees door de politie er uitgezet te worden, spoort hen aan hunne geestdrift te maligen. Tusschen de bedrijven worden ile nootjes weder aangesproken, men loopt naar buiten, brengt versch gekookte eieren mede, of wel er wordt een spiegelvuist-gevecht gehouden, terwijl zij als jonge zeehonden onder elkander woelen. Hier is er een, die als een echte praalhans, een zakdoek in zijn buis heeft gestoken. »Zakdoeken!quot; roept zijn naaste buurman uit, en het onheilspellende corpus delicti komt te voorschijn; de eigenaar wordt een half uur lang, minstens alle vijf minuten ééns, in den nek gegrepen en een vlugge gedwongen toenadering tusschen den quot;doek en den neus leert den modezieken gebruiker, in het vervolg van alle voorwerpen van tvcelde af te zien. De kleineren leunen zich nu op de ruggen der grooteren, slaan de handen op de schouders der laatsten, leggen zich er op, en blijven op verschillende wijzen, een oogenb ikje rust genieten tot dat de vertooning hervat wordt en hunne belangstelling gaande maakt. Kwade luim of kijfzucht wordt er bijna niet aangetroffen; er beslaat een algemeen heerschende geest van kameraadschap en verbroedering onder hen, die niet belet dat er ruwe worstelingen, vuistgevechten, ook ronde, goedaardige uitjouwingen plaats hebben. Een ander maal wordt het zoo even geziene spel geparodieerd, en wee over den krantenjongen, die weigeren zou de zondebok van het spel te willen zijn: — doorgaans zit hij stokstijf, terwijl zijne makkers hern voor den algemeenen zondebok hunner heldendaden misbruiken, maar in die stilte broeit zijn geest plannen van wraak en reeds ziet hij het oogenblik, waarop hij, zelfs met woeker zijnen makkers het geledene betaald zal zetten.
2*
20
Somtijfis is er een kleine opschudding en gewoel in den Lak. Een kleine krantenjongen worstelt en slaat en schopt, maar hij is in de klauwen van den grooteren krantenjongen, en eensklaps ziet ge in rechtstandige hoogte een paar versleten schoenen opstijgen en een kroezige ragebol zwaait heen en weder, en een hulpeloos klein ventje wordt op de platte handen zijner makkers gewiegd, die het hoven hunne hoofden geheven houden, reizende alzoo den ganschen bak in de rondte; weer een en weer een gaat denzelfden weg, tot dat een half dozijn op die wijze rondgesjouwd is te midden van het jolen en handenklappen der loges. Na volbrachte reize wordt hel offer als door een soort van goocheltoer weder op de beenen geplakt, een ander wordt in zijne plaats ))op het schild verheven,quot; en zoo wordt dit spel volgehouden tot dat het andere gindsche spel hervat wordt.
Allerzotste namen klinken soms door dien bak, waarop zij, wien ze behooren, zeer deftig antwoord geven. sEoodkop, lang me een Willem,quot; en een vlasharige jongen reikt hem een affiche over. ))Leelijke blaffer, dat niet of ik stop\'t in je gorgel,quot; en ziet! de blaffer gaapt en ge ontwaart een vervaarlijken muil. Schele, Kr omheen, Eenoog, enz. zijn namen, even algemeen voorkomende als Jan en Jacob.
Op grappen zijn de jongens verzot en allerluidruchtigst is hun lachen, maar voor het treurspel hebben zij een besliste neiging. Een geweldige, verschikkelijke ontknooping is hun lust en leven; tooneelen, waarin de dolk, de pistool, het geweer of het eene of andere oorlog ademend tusschenspel een hoofdrol vervullen, dat bekoort en vermeestert hen. Door onderlinge opwekking en door de volte verhit, slaan zij op, trekken hunne huizen of jassen uit, middelerwijl zij geen oog van hel tooneel afwenden; en wat zonderlinger is, ieder jongen vouwt zijn jas of buis zorgvuldig op, om den kraag zoo goed mogelijk te bewaren, alvorens hij het kleedingstuk als zitkussen gebruikt. Hij blijft tol aan het einde der voorstelling, hoe lang zij ook moge duren, juicht treurspel, ballet, kunstenmaker toe, een verloopen rat, die toevallig over het tooneel loopt, een figurant, die een vloerkleed komt leggen, of wel een kluchtspel, maar alles met even veel vuur.
Slaat gij de krantenjongens over hel algemeen gade, dan zal iels uwe aandacht boeien. Geen zweem van zedebederf heerscht onder hen. Niets sluipends, niets laags, niets verdorvens huist in den aanblik van den echten krantenjongen. Geen roode oogen, geen opgezwollen ironie, geen uitmergelende zedeloosheid. Open en schuldeloos staat zijn oog, en zijn voorkomen is even ver verwijderd van pocherij als van vreesachtigheid. Eere zij den zich zeiven opofferenden, uit zich zeiven bestaan-den, eerlijken krantenjongen.
IV
VOORWAARTS.
Sam nam onzen kleinen Bob dan onder zijne vleugels. Ware er in den schouwburg te kiezen geweest tusschen de harde plaatsen van de houten bank, Bob zou zeker de zachtste gekregen hebben. Zijne zakken werden volgepropt met noten en appelen, en daar hij van nature een opmerkzamen, gevoeligen geest bezat, werd het hi! ld! en het handgeklap van den kleinen Bol) spoedig de wellust van den bak. Hij was de jongste van allen en bijgevolg vond Sam een groote verlichting in zijne voogdijschap door de sympathie zijner makkers voor den knaap, daar hun het kloeke uitzicht en do rauwe vloeken van den leerling-krantenjongen zeer aanstonden. Om de waarheid te bekennen, weldra liet Bob zijne leermeesters in die kunst achter zich. Dank zijn mond en tanden, zoo fijn gesneden als die eens alligators, was hij in staat een bijzonder scherpen klank aan dit gedeelte van zijn woordenschat Ie geven; en geen volzin bijna kwam uit zijn mond,\' die niet gewet en indrukwekkend gemaakt was door een krachtigen vloek. Op dit tijdstip zijns levens wist Bob niet beter. Van den kansel en langs den weg hoorde hij niet anders dan hevige bewoordingen. Van nature ernstig gestemd, vond hij in de gewone laai geene voldoening op dien leeftijd, toen zijne gewaarwordingen levendiger waren dan zijne taal ze kon uitdrukken, en dat wat in hem werkte nog wol onbestemd donker was, doch veel voor de toekomst beloofde. Ik twijfel er niet aan of Bob zal tot beter inzicht komen, naar mate wij in zijne geschiedenis vorderen. Heeft hij iets degelijks te verrichten, vertoont een groote, ernstige taak zich voor hem, dan zal hij zijne veerkracht niet in ijdele beuzelingen verspillen. Ongeoefend en onbekend met eenige zedelijke navorsching hoegenaamd, brengt de kranten-
22
jongen echter nimmer zijne, hetzij goede of slechte, denkbeelden met deze soort van redekunst in verband, maar beschouwt haar alleenlijk als een middel om aan zijne spraakwendingen eenigen meerderen nadruk bij te zetten.
Van Bob, van den kleinen, kloeken Bob wordt de volgende bizonderheid verhaald, die, heb ik het wel, een plaatsje vond in de dagbladen; althans vaak heb ik het voorval medegedeeld als een bewijs van het levendige zelfgevoel en het weêrgalooze zelfvertrouwen van onzen knaap. Hij stond dan aan het. einde van Broadway, zijne nieuwsbladen uit te roepen, juist waar de weg rondom de batterij voert, en waar de arme, vermoeide burger slechts eventjes een stukje bosch, of rivier en oceaan en hemel ontmoet, genoeg, om in zijn hart een straaltje van den schoonheidszin te gieten. Hier stond Bob tegenover het Atlantic Hotel, juist in het oogenblik, toen de stoombooten aankwamen. Het was een koude morgen en een dunne sneeuwlaag maakte het steenen plaveisel snerpend koud, en Bob, liet eerst den eenen blooten voet en dan den anderen op een steenbrok rusten, terwijl hij lustig uitriep: »Tribune, Times, Herald,\'\'\'\' en een blad liet zwaaien in het aangezicht der aankomenden van de booten, naar mate zij den hoek omkwamen. Een vriendelijke, goede puritein, kersversch van het zuid-oosten gekomen, zette zijn reisvalies en parapluie neder (de Yankee gaat nooit zonder parapluie) tegen zijn glimmende laars en kocht een nommer der Tribune, te gelijker tijd een vorschend oog latende vallen op de soort van weelde, waaraan Bob zich overgaf, ten aanzien zijner bloote voeten.
»Zijn uwe voeten niet koud, kleine jongen?quot; vroeg hij op zoeten toon.
Bob stak zijn stuivertjes in zijn diepen zak, nam zijn pak bladen onder den arm en antwoordde met verontwaardiging; »Wat voor den d.....1 gaat u dat aan?
Bob had de vraag voor een onbeschoftheid gehouden.
»Wat een afschuwelijke jeugdige verworpeling!quot; riep de heer uit, terwijl hij zijn winterjas dichtknoopte en verder ging.
Bob zag hem na, verbaasd over hetgeen hij gehoord had en niet wetende wat de man er mede meende, toen hem weder een ander aansprak:
«Zeg jongen! kan je mij den weg naar Broadway wijzen?quot;
«Alweer een lomperd, zoowaar ik leef!quot; dacht Bob en snel als de gedachte bracht hij zijn duim aan den tip van zijn neus en de rest van zijn hand in het vrije latende spelen,
antwoordde hij: »Neen, vent, neen..... je zult me er niet laten
inloopen.....quot; en zag rugwaarts en gaf zijn boezem lucht in een
hartelijken lach, terwijl de vrager bleef staan en stom van verbazing hem aangaapte. »Als of hij niet wist, dat hij in Broadway is,quot; dacht Bob alweder, en zette zijn stemgeluid tot
23
meer dan gewonen omvang uit, ten einde zijne verachting omtrent alle mogelijke bespotting te toonen.
Den nacht bracht Sam onder den zuilengang van City-Hall door; daar gaf hij aan den kleinen Bob den warmsten hoek en bracht diens opgewekte zenuwen door in slaap sussenden kout tot bedaren, waarbij hij eene teederheid en zorgvuldigheid ten toon spreidde, eener vrouw waard. Ten laatste bemerkte men dat Bob Sams staanplaats in de stad ingenomen had en dat de laatste zich minder ter algemeene verzamelplaats der krantenjongens liet zien. Bij al hunne spelen en grappen was hij altijd een der eersten en der meest onvermoeiden geweest ; nooit had er een kruis of munt gespeeld (de krantenjongen houdt veel van kleine kansspelen) als Sam ;J^«ooit iemand een bal geworpen of een sprookje verteld, als hij. Hij was de verpersoonlijking van alle krantenjongens — kameraadschap en spaarzaamheid — zijne stem was de luidste, zijn lach de vroolijkste uit den hoop terwijl hij met eene bevalligheid vloekte, eener betere zaak waard. Doch zie! Sam was op eens vreemd aan den troep geworden. Zelden zag men hem hem in den bak van den schouwkurg en grooten-deels bracht hij zijn tijd ver van zijn medgezellen door. De zaak begon de jongens te bevreemden, doch Sam, die geen geheimhouding zocht, helderde weldra alles op.
ONS MEISJE.
Twee of drie jaar voor het begin van dit ons verhaal, zette een schip met landverhuizers in het dok een jong vrouwspersoon aan wal, met een meisje van ongeveer twaalf jaar oud, dat zij aan de hand hield. Hevig had de scheepskoorts onder de passagiers geheerscht en de arme Katharina met haar kind ■waren er aan ontsnapt, nadat zij al hare bloedverwanten aan de diepte hadden zien prijs gegeven. Zij bezat vrienden, noch geld, zij was schoon en beschroomd, en was bevreesd haren behoeftigen staat te openbaren. Dus liep zij de stad op en neder, verkocht het eene stuk na het andere van haar armoedige plunje, tot dat de welvoegelijkheid haar verbood verdere offers te brengen. Als hare gedachten haar naar het huis barer kindschheid terugbrachten, dan zag zij niets dan lijden, want de afpersingen van haren landheer en de honger hadden haren man en hare bloedverwanten van alles beroofd, behalve van hunne warmkloppende, edelmoedige harten. Geen aangename herinneringen van het oude Ierland, eons het juweel der zee, het groene eiland der schoonheid en des gezangs, want de onderdrukking had haar van hare schoonste sieraden beroofd en haar naakt en wanhopig gelaten. En hier?... hier was zij vreemdeling in een vreemd land, en na in sprakelooze vertwijfeling de slad in alle richtingen doorkruist te hebben, zocht zij, zwak en uitgeput en den dood tegemoet ziende, beschutting onder een houten staketsel. De koorts en afmatting hadden hare levenskrachten verstijfd en zelfs de tranen en liefkozingen van haar kind waren niet in staat haar te verlevendigen. Marie zag de grauwe schaduw des doods over het aangezicht harer moeder zich verspreiden, en haar natuurlijk gevoel zeide haar dat dit het. spoor was van den engel des
25
doods, wiens vleugel nu dat uitgevaste gelaat bestreek. Van schrik bevangen vloog zij naar buiten en greep den eersten den besten voorbijganger bij den arm.
»Kom,quot; riep zij uit, »om Gods wil, kom..... mijn moeder
sterft.quot;
Het kind had Sam aangesproken en de jongen knielde met het kind neder, nauwelijks zelf bewust van hetgeen hij deed. De kermende vrouw hief zich half overeind:
»Ach! hemelsche Maria, dierbare Jezus,quot; riep zij uit, sis er geen erbarmen?quot; En zij sprak niet meer, zelfs niet tot haar kind; maar, zonder huis en dak, ging zij over tot «het huis des vaders waar der woningen velen zijn.quot;
Vreeselijk was het gegil des kinds, spoedig was een menigte volks verzameld en de doode werd naar een afgelegen plekje gebracht en het kind geheel alleen gelaten. De zusters der liefdadigheid, die hulprijke engelen voor de bedroefden en veriatenen, wilden zorg voor haar dragen, doch Maria weigerde,., mede te gaan, tot dat Sam beloofd had haar te vergezellen, want hij was de eerste, die een vriendelijken blik op haar geslagen had; en Sam begaf zich naar het gesticht en hem werd vergund telkens weêr te komen als hij wilde.
Nu was er een nieuw bestandeel in Sams leven gekomen. Een geruimen tijd wellicht bracht het geen merkbare veranderingen in hem te weeg; maar de kiem van gisting was gestrooid en wachte slechts het geschikte oogenblik, dengan-schen man als ware het te herscheppen. Somtijds bleef hij gansche maanden van het liefdadigheidsgesticht weg, maar dan weder dreef de onwederstaanbare begeerte het kleine weesje te zien, hem terug naar den drempel; maar eerst had hij zich ter deeg aan de bron gereinigd, zich op zijn best uitgedost, en een plantje, een bloem, een lint meesteerst worden opgezocht en medegenomen om er Marie mede (e begiftigen. En zoo gingen jaren voorbij en des avonds, wanneer Sam zijn hoofd op zijn arm vlijde en den arm op den kouden steen, werd zijn hart warm bij de gedachte aan een aanminnig tronietje en aan een kleine gestalte, lederen dag aan liefelijkheid winnende, en dan was alles zoo proper, zoo warm, zoo koesterend om het weesje, dat ook dit zijn deel had in de genoegelijke gewaarwording die het denken aan haar in hem deed ontstaan.
Toen Sam den kleinen Bob onder zijne bescherming nam, sprak hij dikwijls geheimzinnig van »ons meisjequot;, en de kleine Bob begreep dat er in Sams geest iets omging, dat hem raadselachtig voorkwam. Somtijds hoorde hij hem zeggen; ïOns meisje groeit mooi op. Boh, iederen dag grooter. Bob,quot; en dan wreef hij zijne handen als hij op de bank in het park van Üitii-Ilall zat, tegenover de plek, waar water moet opwellen.
26
doch -wegblijft, en met zijne handen over zijne magere beenen Strijkende en nu en dan op zeer plechtige wijze, in het aan-gezichtje van den kleinen Bob ziende. Dan verwijderde hij zich, bleef uren weg en den eersten keer dat hij dan weder van den dagarbeid uitrustte, zat Sam diep peinzende voor zich heen.
»Ons meisje is op school gedaan,quot; zeide hij dan. Een andermaal, als hij verliefde tooneelen zag, kon Sam in eens, als door een too verstaf aangeraakt, van zijn bank opspringen en Bob in \'t oor fluisteren:
»Zie, die lijkt op \'t meisje, ik ben loens als \'t niet zoo is.quot;
Vaak wanneer Sam sliep, kwamen en gingen zonderlinge, doch verlokkelijke droomen; want de liefde kent geen onderscheid des persoons, en waar zij hare intrede houdt, hetzij bij den vorst of den bedelaar, kwistig strooit zij hare rozen over de gescheurde pij zoowel als over het met juweelen be-stikte kleed. Zoo ging het met Sam jaar aan jaar; het kleine weesje werd zijne leermeesteres en begon eindelijk ook hem te wachten als hij komen moest, en gaf hem als hij kwam een welkomst, die menig zuchtend, lijdend hart hem zou hebben benijd.
«Onze meid gaat ter kerk,quot; riep Sam op zekeren dag uit. »Bob, je moest ons meisken ereis zien en hoeren hoe lief ze praat;quot; en Sam voelde dat een traan zijne wangen nat maakte; hij ving dien met den fop van zijn duim en zag er vorschende op, maar hij voelde zich belemmerd voor dit oogenblik verder te spreken.
Een andermaal was Sam onzen Bob behulpzaam in een buitengewoon bad aan de fontein-pomp; beider zakken waren gevuld met gekookte eieren, amandelen enz. en ze voeren met de stoomboot naar Slaten-Islancl. Niemand van hen sprak een woord terwijl zij d» schoone baai, de schoonste der wereld, afliepen, want Sam was diep verzonken in zijne eigene gedachten, en onze Bob van nature zwijgende, tenzij door een bizondere oorzaak geprikkeld, hield zich dicht naast hem. Aldus bleven de twee jongens op dezelfde plaats voortwandelen, nu eens een wilde bloem plukkende, dan weder stilstaande, cm naar de prachtige huizen van de rijke Staten-eilanders te staren. Een daarvan voorbijkomende, zagen zij door een poort naar een meertje met heesters omzet en waarin een verrukkelijk schoon bootje met zijden wimpels aan den oever dobberde. Een paar zwanen kwamen statig uit hare huisjes aangezwommen, haren langen, rijzigen hals met koninklijken hoogmoed buigende. Door verbazing aan den grond genageld, staarden onze twee knapen naar dat schouwspel, te eenenmale onbekend met deze vogels als zij waren. Eindelijk kwamen twee jonge meisjes en wierpen den vogels stukjes brood toe en strooiden kruimels
voor hare voeten, tot oat een zwerm duiven kwam aangevlogen om ze op te pikken. Het was een verlokkelijk tafereel van onschuld en welvaart, van natuur en kunst, en de twee arme jongens keken er naar met een belangstelling, waarin geen zelfzucht hoegenaamd zich mengde, Voor Bob was het niet anders dan een tooneeldekoratie op een gordijn ; aan Sam bracht het de beeltenis van Maria te binnen.
»Ons meisje is mooier dan die daarquot;, zeide Sam heengaande; «ze ziet er meisjesachtiger uit, dat zeg ik jou.quot; Bob zag hem aan en begreep nu dat sons meisjequot; een levend wezen be-teekende.
Zij gingen verder tot dat zij aan een eenzamen hoek aan het lager einde van het eiland kwamen, waar de wijde plas zich zoo ver uitstrekt als het oog kan reiken, en een dicht bosschaadje een der lommerrijkste en verrukkelijkste schuilplaatsen vormde. Het gezicht van den Oceaan is voor een knaap altoos een prikkel om te zwemmen, en hier gaf Sam het eerst onzen Bob een les in die kunst. Hij was een vlijtige leerling en behoefde weinig onderricht, daar hij, zoo als hij het noemde, een »zee-kindquot; was.
Daar de zon hai-e gouden pijlen door de takken der boomen schuin begon te schieten, begrepen beiden dat het tijd was huiswaarts te keeren.
»Zou het niet ereis aardig wezen,quot; vroeg Sam met een ongewoon vuur, »dat ons meisje met ons kwam. Bob?quot;
»Nou, dat zou \'k gelooven,quot; zeide Bob, zonder dat hij iets van de zaak begreep.
Sam en Maria kregen verlof van de goede zusters om te zamen \\e gaan; gaan, maar Bob werd niet gevraagd. Onder weg naar de stoomboot, ontmoette Sam, die een nieuw pak aanhad, velen zijner kameraden, die na hem broederlijk gegroet te hebben, naarmate zij voorbijgingen, dan stil stonden en hem nakeken tot dat zij den eersten hoek omsloegen, eu dan lucht gevende aan hun hart door een aanhoudend fluiten, hunnen weg vervolgden om hunne bladen te verkoopen en verder te vertellen wat zij hadden gezien.
Sedert dien tijd kreeg Sam in de oogen zijner kameraden, zoowel als in die van Bob, iets ontzagwekkends. Hij verscheen zeldzamer in den bak van den schouwburg, en liet hij er zich zien, dan was zijn gedrag rustiger, bedaarder dan vroeger. Vaak zag men hem en Bob over de leuning der batterij heen liggen en uren lang in het water zien. Bob deed het omdat Sam het deed, maar Sam dacht aan de zachte drukking eener hem dierbare hand of aan een zoet gefluister, en hel zien zijner ziel was uit een andere wereld, voor andere oogen ver-horgen.
Na een van die lange zwijgende tusschenpozen, nam Sam op zekeren avond de hand van den kleinen Bob in de zijne.
28
en haar op zijn oude jas leggende, ter plaatse waar zijn hart was, voelde het knaapje met ijzing dat het hevig klopte.
»Dat komt van ons meisje,quot; zeide Sam plechtig. Bob kon niet anders clan naar zijn verpleger opzien, maar wist niet wat te zeggen. »Ze willen haar voor non hebben,quot; vervolgde Sam, »ertquot;zeggen haar dat ze met sterren zal gekroond worden en een witte jurk dragen en nog meer van dat gezeur.quot;
Bob lachte niet, waarom zou hij ? Sam had geene heiligschennis op het oog, hij sprak naar zijn beste weten.
Dien avond sprak Sam niets meer; maar korten tijd daarna toen de iongens uit. den bak naar de tweede gaanderi] opkeken, zagen zij Sam, zeer bleek, naast een schoon, zedig meisje zitten, dat meer weende dan de gevoelige tooneelen van het stuk wel schenen te doen vermoeden. Als instinktmatig gevoelden de krantenjongens, dat Sam eene harde beproeving doorstond en zij onthielden zich van alle plagerij.
»Dat is ons meisje,quot; dacht Bob, met een blik vol medelijden naar Sam opziende.
»Sam heeft het beet... en zit er inquot; tluisterde een ander zijnen makkers in het oor.
))Sam is er geweest,quot; riep een derde.
De winderige, losse Jack, half matroos, half krantenjongen, een van die menschen, wier gemoed iets van die magnetische kracht schijnt te bezitten, welke der slang aangeboren is, de woelige Jack schoot, onder hot uiten van een krachtigen vloek, naar de tweede rij loges. »Ben ik niet blind!quot; riep hij uit onder het opklimmen, »dan is hij, bij mijn ziel! gesplitst!\'!) En met innigen afkeer zagen de krantenjongens van den bak naar boven en bemerkten, hoe hij over de gaanderij heenleunde en vrij gemeenzaam Maria in het aangezicht keek. Sarns gelaat werd rood, maar de jongens begonnen zactit te sissen. De aanschouwers meenden dat de tooneelspelers uitgesist werden, doch Jack wist beter, hij sloot zijn hand tót een vuist en zwaaide die uitdagende benedenwaarts. De jongens sisten nogmaals en riepen; sGooi hem er uit, gooi hem er uit,quot; doch de politieagenten, niets ontwarende, klopten alleenlijk hard met hunne rottingen en de vrede was hersteld.
\') Splitsen beteelicnt onder zeelieden, twee emlen van een Icabel aaneenvoegen.
VI.
DE LAATSTE GANG,
Inderdaad had Maria het gesticht van liefdadigheid veriaten, in weerwil van de waakzaamheid der goede zusters en een priester had het: gt;)Weest één in de heilige banden des huwelijksquot; over het jonge paar uitgesproken. Weldra ontving een kamertje op de derde verdieping in Anlhonystreet verscheidene kleine meuhelstukjes, en toen Sam en Marie naar de zusters gingen en hare vergiffenis afsmeekten en haar baden hen somtijds te komen zien en met raad bij te staan, bedaarde haar wrok en ondersteunden zij nog het jonge paar bovendien. Ook de krantenjongens waren zeer trotsch op »ons meisjequot; zoo als allen Maria noemden, en niet een was er, of hij waagde het soms haar een bezoek te geven en haar dan het een of ander blijk van achting en gehechtheid te schenken.
Maria was zoo lief, zoo zacht en beminnelijk en daarbij zoo ordelijk, dat het kleine kamertje op de derde verdieping voor de nog zoo onbedorven kranten-uitroepers niets minder dan een kleine hemel scheen te zijn. Moesten zij er heen dan knapten zij zich op, als gingen zij hunne belijdenis doen, en wat sons meisjequot; zeide, en hoe «ons meisjequot; keek, dat werd nog lang daarna in den kunsteloozen kring herdacht en besproken. Enkelen vreesden wel is waar, dat dit Sams ondergang was, die echter zich te gelukkig gevoelde om er boos om te worden, en de woelige Jack verklaarde, dat sons meisje hem tot een zotskap bad gemaakt.quot; Evenwel was de alge-meene geest onder de jongens ten voordeele der jonggetrouwden.
Bob was hun geliefkoosde gast, doch niets meer. Hij was nu ruim in staat voor zich zeiven te zorgen; en wanneer en waar geen vrouw te verzorgen valt, is voor een krantenjongen een dak een ovei\'tolligheid. Ja, het ging zoo ver, dat velen onder de jongens, tegen een steenhoop in de schemering
30
leunende, of op de banken in de Batterij zittende, met medelijden spraken van het tegenwoordig verblijf van Sam, dat zij weinig minder dan een gevangenis noemden.
Op zekeren morgen vond Bob, bezig zijnde met het uitventen zijner bladen, gelegenheid in de nabijheid van Sams woning te komen. De laatst hem bemerkende, ging tot hem, begroette hem met een hartelijk schudden zijner hand, en met een gelaat, waarin gij moeielijk kondt onderscheiden wat er duidelijker op te lezen stond, een glimlach of een traan. Hij hield Bobs hand, boog zich half voorover, en een gebaar makende als wees hij naar een voorwerp zoo klein als een vogeltje, riep hij uit;
«Daar gaat ze — daar is ze, ons meisje; zie welke voetjes, hoe dat trippelt, trip.... trip.... als een duifje.... zie hoe trippelend, trippelend — en dat omslagdoekje op haar klein ruggetje fladderende — de duivel hale me, Bob, als \'t me niet is of ik een engeltje van uit een schilderij zag voorkomen, die ik eens in de Apollo heb gezien.quot;
Toen nam Sam Bob zijne drie trappen mede naar boven en toonde hem al zijne kleine levensgenoegens, welke voorwerpen van weelde schenen voor Bobs ongeoefende oogen. Daar lag een brood door Maria gebakken, met een zindelijk tafellakentje gedekt; er hingen zeer net Ie k leedingstukjes tegen den muur, maar het groote pronkstuk scheen te zijn een mooi gesteven en gestreken hemd, waaraan Maria zoo even een knoop had gezet.
»Dat heeft zij gewasschen en opgemaakt, Bob; hare poezelige vingertjes doopten zich in het zeepsop, dat zeg ik u; en zie hier — hier is haar mandje, een spelden- en naaldenkussentje, hare schaar, haar merkgaren, alles niet grooter dan haar vuistje; en daar is haar duivelsch vingerhoedje.quot; Dit zeggende loste Sams geestvervoering zich in een vloed van tranen op, waarin hij door Bob werd geholpen en aangespoord.
Bijna een jaar ging voorbij, en Sam en Bob en al de krantenjongens leerden Maria minnen en eeren als een bovenmen-schelijk wezen, goed en liefderijk, — als iemand tot wie zij zich om tallooze kleine vrouwelijke diensten konden wenden; immers was niet »ons meisjequot; een der hunnen? Was het niet zeer natuurlijk, dat zij hun leerde niet te vloeken? of dat zij den een een scheut dichtnaaide en den ander het petje maakte? Of was het niet begrijpelijk, dat zij alles droegen wat zij lief vond? en dat zij hoeken voor haar kochten, en rondom haar zaten en haar hoorden lezen ? en als een hunner ziek werd, was het dan niet natuurlijk, dat «ons meisjequot; wat warme thee voor hem zette, en hem den ganschen nacht in haar kamertje bij zich hield? Immers zij allen hadden haar lief. En was het niet natuurlijk, dat Sam de fierste aller jongens was, innig bemind als hij was door sons meisje?quot;
31
Doch er kwam een verandering, zoo als verandering zal komen voor allen, hoog of laag. Het gerucht liep rond, dat de arme Sam in het hart verslagen was — jigedold als een slachters os,quot; zeide de knaap. Bob spoedde zich naar zijn vriend,. Aan de deur ontmoette hij zuster Agnes, over wier bleek, zachtaardig aangezicht altijd een hemelsche kalmte lag verspreid, en de traan, die er thans op rustte, maakte het te beminnelijker.
»Ons kleine lam is tot de kooi van den goeden Herder teruggekeerd,quot; sprak zuster Agnes en trok een laken weg, dat voor het bed hing, en daar lag Maria, bleek maar schoon, in den slaap verzonken, die geen ontwaken op deze wereld kent, en op hare borst lag, in denzelfden slaap verzonken, een klein wicht, pas door de moeder gebaard. De lange zwarte ooghaartjes, die altoos zoo aanminnig hare oogen zochten te beschutten, gaven er nu nauwelijks wat schaduwe aan, terwijl de blauwe omtrek op het doorschijnende ooglid weerkaatste. De tijd had haar maagdelijk schoon nog niet tot rijpheid gebracht, en de zoete mond en ronde wang waren zacht en glimlachten als in \'t leven.
Sam lag in zijn volle lengte op den vloer naast het bed; de deur hoorende kraken, sprong hij op en herkende Bob.
„Ons meisje,quot; nokte hij, doch meer kon hij niet, want de tranenvloed die nu voor het eerst uit zijne oogen barstte, kwam hem verlichten. De goede zuster bracht hem eten en streek het vochtige haar van zijn vooi hoofd, gedurig voortgaande hare gebeden met bedekte stem te herhalen, waardoor de arme lijder inderdaad eenige kalmte scheen te herkrijgen.
Bob zag naar de arme kleine Marie en haar kind; hij, zelf nog kind, maar zijn groot hart kon toch al zijn lijden niet verkroppen — hij schreide overluid; en het was hem als had hij wel duizend maal mannen en vrouwen even koud en stijf zien liggen, en duizend malen bij stervensnood geschreid, maar den dood in eene schoone gedaante had hij nog nooit aanschouwd. Vroeger had hij hem altoos met schrik en ijzing voor zich gezien, doch nu was hij zoo vreedzaam, zoo schoon, zoo aanminnig, als of een dierbaar voorwerp plotseling huiswaarts was gekeerd, of wel de engelen naar beneden hadden gezien en een van hunnen rei hadden tot zich genomen, en de tranen die hij stortte vloeiden uil de heiligste en teergevoeligste kameren zijns harten. Het kwam hem niet vreemd voor dat Sam geen droppel water kon inkrijgen; en toen zuster Agnes zijne harde bleeke slapen bette en herhaalde: «Komt tot mij, gij allen die zwaar beladen zijt en ik zal u rust verschaffen; ik zal den vertrooster zenden en alle tranen zullen van hunne oogen worden gevaagd,quot; toen verwonderde Bob zich niet dat Sam zijne oogen opsloeg en zoo lang naar boven bleef staren; hij verwonderde zich niet, dat hij zeide:
32
»0.., de nacht is zoo donker — Maria — Maria, mijn lieve; Sam sterft, ja!quot; En toen zuster Agnes zijn hoofd weder achterover legde, en zijn halsdoek losmaakte, en water in zijn aangezicht sprenkelde, greep Bob zijn arme, koude, stijve hand in beide de zijne en riep hem luide bij zijn naam.
»Sam, Sam, goede, vriendelijke Sam, sla uwe oogen op.quot;
En Sam opende ze en fluisterde met een glimlach, ))Sam heeft het beet. — hij gaat op een verre standplaats — Sam heeft zijn laatste blad uitgeroepen. Bob, ons meisje roept hem — zij roept mij, Bobquot;.... en de ^laatste berichtenquot; van den krantenjongen waren voor een ongeziene wereld. Toen Maria stierf, ontvlood ook hem het leven; weinig waren zijne genietingen geweest, zijne hoop en zijne verwachting begrensde zich tot het meisje, de eenige ster in zijnen donkeren hemel; toen zij onderging, was er op deze wereld voor hem geen zon, geen maan, geen starrelicht meer. Alles was uitgewischt — had uitgeschenen — hij kon slechts nog sterven. En dus deed die eenige liefde, die in zijn groot hart daalde, het ook vaneen splijten.
Zuster Agnes hield het kruis aan zijue lippen en de stervende jongen kuste het. eerbiediglijk. tJij glimlachte toen zij de gebeden der stervendsn opzeide, en toen zij hare bleeke, magere hand op zijn hart legde, voelde zij zijnen pols het amen slaan zoo als het van hare lippen vloeide.
VII.
DOOP VAN DEN KRANTENJONGEN.
De dood van Satn en Maria schokte hunne kameraden diep. Zij waren zeer bemind geweest, de omstandigheden van beider dood werden met bedekte stem onder hen voortgefiuisterd. Stil traden zij het kamertje binnen, waar de drie wezens op hun vroegtijdig doodbed lagen — zij, zoo jong, die zoo veel lijden hadden gekend; — zij, die vader noch moeder noch verwanten hadden van welken aard ook om hen te beklagen; — zij, die den eenigen hemel aan deze zijde des ongezienen hemels hadden gekend, te weten een enkel reine, alles in zich opnemende, alles opofferende liefde voor elkander; — zij, het jonge paar, minnende met een liefde, voor welke koningen hunne kronen zouden willen ruilen en wijzen en dichters hunne glorie opofferen; — zij, zoo vereerd, zoo veredeld door die liefde, hoe laag ook geplaatst, hoe ontbloot ook van onderwijs, hoe veracht ook dooi- de rijken en machtigen, maar beweend door harten, die de waarde niet kenden van die schatting, van die tranen welke zij betaalden; ja, het is zeker, het lot van Sam en Maria was zegenrijk en door God bizonder begenadigd.
Toen men zeide dat Sam vreedzaam was gestorven, met gebeden en zacht gezongen hymnen, mei zijne lippen op het kruis, gevoelden de krantenjongens dat daar iets heiligs en behoorlijks in lag, maar of Sam als katholiek dan wel als protestant was gestorven, vroegen zij niet. Zij gevoelden dat, hoe ook, hij en Maria ergens (e zamen moesten zijn. En vaak, wanneer een krantenjongen langs de batterij een deuntje floot, of stilstond, waar het een of ander gebouw werd afgebroken, daar had menig voorbijganger kunnen denken dat de vele plakkaten en aankondigingen, die daar gedurende Jen nachi
34
als met een tooverslag waren aangeplakt, zijne aandacht boeiden ; doch zijn oogen zagen niets van aankondigingen van theaters, concerten, dikke jongens, menageriën en dwergen, of monster-vergaderingen in het park, of lezingen in de kapel van Hope; hij zag niets van dat alles, hoewel de letters een voet hoog waren en hem dik en vol in het aangezicht blikten. Neen, hij dacht aan Sam, aan den overleden krantenjongen, aan „ons meisje,quot; aan het pas gebaarde wichtje en hij beproefde na te vorschen waar zij nu eigenlijk wel konden zi]n, en wat zij nu wel mochten doen, want sterk was hij aan het kleine krantenjongensgezin gehecht geweest, en bestond die diepgegrifte liefde onzer harten niet, nimmer zouden wij aan bet eeuwig leven denken; doch zij, wier liefde het innigst en het echtst is, zijn het meest overtuigd dat de goede Vader ons niet naar een eeuwig leven zou doen hongeren en dorsten, indien dat leven ons niet beidde.
Zuster Agnes waakte den ganschen nacht bij de dooden, en terwijl zij daar uur aan uur in het donkere vertrek geknield lag, zoo stil en bijna even bleek als de dooden; terwijl hare handen zacht op haren boezem gekruisd lagen, en hare lippen baden, beefde het koude starrelicht boven haar hoofd en liet een schijnsel op haar voorhoofd stralen; een andere ster glinsterde op de voorhoofden der kinderen, en het scheen als of Sam even schoon als Maria was, want nu kwam die heilige liefde, die zoo diep in zijn hart had gehuisd, te voorschijn, en verspreidde zich over zijn gelaat, niet meer bedekt met het floers van zorg en lijden, die zijn leven hadden gekenmerkt. Toen de nacht kwam, liet Bob, die uren achtereen had gezeten met zijn aangezicht tusschen zijne knieën verborgen, zijn hoofd op den kant van het bed zakken en sliep in; de goede zuster Agnes legde hare hand op zijn voorhoofd en voelde hoe klam en koud het was; toen stond zij van hare knieën op en droogde het zachtkens, en toen zij de haren vaneen scheidde viel er een traan op. Ik weet het niet, maar mij kwam ket voor, als ware die traan van die zuster van liefdadigheid de doop van Bob. Daar glinsterde die traan nog toen de bleek-grauwe morgen kwam, en toen de zon er op scheen lag hij er nog; de zonnestraal kuste hem en droeg hem zachtkens naar den hemel, waar hij als juweel in de onsterfelijke kroon der goede zuster zou prijken. Misschien wel daalde een engel neder om te zien van waar hij kwam, die traan, want het was de eerste door \'t medelijden op het voorhoofd van dat kind gestort, het was de eerste bede, ten hemel gerezen tot zijne verlichting; en nu waren die traan en dat gebed voor hem daarheen gestegen, en Bob was niet langer een vreemdeling in de bemelsche gewesten.
Naar mate de dag hooger klom kwamen de jongens, een voor
35
een, met hun pak dagbladen onder den ann, naar boven, stonden stil en beschouwden de groep, sommigen zelfs vrij lang en weenden; anderen wischten met hun gescheurden mouw een traan weg en gingen toen heen, maar den ganschen dag had de stem der jongens, onder het uitroepen der bladen, iets bedektst en klagelijks. De zusters van liefdadigheid zetten brood en water voor aan hea die eten wilden. Allen hielden daarop een bijeenkomst in het Park alwaar besloten werd de lijken in Greenwood te begraven en dat de krantenjongens paar aan paar ze zouden verzeilen. Naarmate de plannen rijpten nam de geestdrift toe en woelige Jack verklaarde dat de zaak „zijn eisch moest hebbenquot; en er dus niet „geknibbeldquot; moest worden. Er werd besloten dat er rouwkoetsen moesten zijn, ja, mogelijk zelfs een grafteeken moest opgericht worden.
Dien ten gevolge, was den dag daarna het kamertje op de derde verdieping van zijn bewoners geledigd. Een trein koetsen volgde Broadway en een lange sleep jongens, fatsoenlijk gekleed, allen doodstil en ordelijk, volgden in geregelden optocht. Zij gingen Broadway af, den rechterkant houdende en zeer eerbiedig lieten huurkoetsen, karren, ontelbare voertuigen den stoet voorbij. Broadway is vol gedrang en gewoel en luide vloeken en zweepgeklap, doch een lijkkoets wordt er niet opgedrongen, — de zwarte wielen van de lijkkoets worden niet gestremd, — op den koetsier der lijkkoets worden geen verwenschingen of zweepslagen ontladen; „rij opquot; of „haast je watquot; klinkt het nimmer in de ooren van den lijkdrager. Langzaam gaat hij voorwaarts, langzaam volgt de stoet, zwijgende en het zwijgen opleggende, waar hij zich vertoont.
De veer-stoomboot naar Brooklyn is opgepropt met passagiers; er bevinden zich dienstmeisjes met kinderen, bleeke, ziekelijke wezentjes, zich heen en weder wiegende om de milde, over de zee hun tegenwaaiende koelte in te ademen; kooplieden, werklieden, ambachtslieden, mannen van wetenschap of kunst, arbeiders met hunne spade en trog en blikken ketel, waarip zij hun middageten hadden; schoone vrouwen van de wereld of van vermaak; naaisters, gebogen en ziekelijke; waschvrouwen met bakjes vol linnengoed; schooljongens en meisjes, — in één woord, een bonte troep van allen ouderdam en stand, terwijl het dooreenmompelen van zoo veel verschillende stemmen een aanhoudend brommen en gonzen veroorzaakt. Langzaam rolt de lijkwagen over de brug, zij werpt hare donkere schaduw over den bonten hoop en is als een zwarte plek in het midden er van. Oogenblikkelijk is alles stil en de boot vaart weg met hare doode en levende vracht, en alles zinkt in stilte.
En zoo bewoog zich verder de lijkstoet der krantenjongens, langs de straten van Brooklyn, om de schoone bocht van Go-wannus heen, en trad de stad der stilte in, die stad zoo eer-
3*
36
bieflwekkend, zoo bekoorlijk, de stad van de rust der dooden en zoo aantrekkelijk voor de levenden, waar de wilde vogel in veiligheid zijn nest kan bouwen en zingen; waar het eekhoorntje, in vrijheid, van tak op tak springt en geen jager vreest, en de viscli in het zonlicht spartelt, door geen lokaas aangetrokken en met hengel en hoek onbekend. En daar legden zij op voegzame wijze de overblijfselen van den krantenjongen én der jonge moeder neder, en niet lang daarna zag men op dit graf een netten steen met het eenvoudige opschrift: »Ih\' krantenjongen en Maria.quot;
VIII.
WOELIGE JACK.
En nu zag T3ob zich alweder gansch alleen op de wereld, met niemand Lij zich, van wien hij die woorden van vriendelijkheid en blikken van medegevoel kon verwachten, die de woestijnen dezer wereld nog eenigszins opvroolijken. Al de krantenjongens gingen hunne gewone ronde doen en Bob bleef aan zichzelven overgelaten. De woelige Jack zocht hem meer dan anderen op, en scheen wel geneigd een nauweren band van vriendschap met hem te sluiten. Bob, met zijn groot hart en gezelügen aanleg, zou hein zeker niet afwijzen. Jack kon lezen en schrijven, zag er goed uit, was vlug en vroolijk, en deze hoedanigheden worden altoos hooger geschat dan zij waard zijn. Jack wist zich een voorkomen te geven, waarin geen krantenjongen hem evenaarde; hij verkocht bladen bijna meer ,,uit liefde tot het vakquot; dan wel uit winstbejag. Vaak voer hij mei de havenloodsen de baai af; immers een flink matroos en vroolijke knaap tevens zijnde, uit wiens mond nu eens een grap, dan weder een vloek, dan weder een negerlied vloog, en dat alles met dezelfde vlugheid, was hij aller gunsteling geworden.
Het is bekend dat de loodsbooten van New-York de beste zeilers zijn, het best geschikt tot snelheid zoowel als tot het verrichten van de vaak moeielijkste tochten. Niet het boeg-seeren van een schip buiten de haven tot voorbij de kapen en riffen en klippen maakt de vaart gevaarlijk; ook niet het oploodsen, de zeilen gespannen, en het touwwerk naar echten zeemanstrant verbonden, terwijl de spiegaten den waterspiegel kussen ten gevolge van de zware lading, die daar binnen rust; dit alles maakt de taak van don loods niet zoo moeielijk, o neen, vei re van dien. Ik ken niets meer welkom dan den blijden juichtoon van den loods, als het schip de ankergronden nadert.
38
Honderd miilen in zee, te midden der ontketende baren, van ijskille hageljacht en regen, die door merg en been gaat, ziet gij een licht, bevallig vaartuig, zoo net, zoo klein, dat het een wonder schijnt hoe het de ruwe ontmoeting van wind en baren kan weêrstaan terwijl het op u aankomt. Nu achter een berghooge golf verzonken, houdt ge \'t voor verloren; maar daar verschijnt het weder en vormt de kroon van een andere baar, voortsnellende als spotte het met den storm en beminde het die worsteling, »als een levend wezen.\'\' Het scheepje jaagt verder, de witte zeilen gespannen, en het scheepsnommer in groote zwarte letters daarop geschilderd, om aan te toonen dat het één is van de groote reeks der waterbouwers. Nu zet het scheepje een sloep uit, een waren notendop; de loods klimt aan boord, schudt zich af\', begraven als \'t ware in zijn ruwe pij, terwijl zijn haren van vocht druipen, en zijn wangen door den wind zijn roodgeblazen. Hij trappelt met zware treden op het verdek, schudt zijn schanslooper af, groet de gezaghebbers van het schip met een hartelijken handgreep en deelt de nieuwspapieren uit; vertelt van een groolen brand, of van een vervaarlijk oproer, dat zoo vaak te New-Yoi\'k voorvalt; begeeft zich naar het halfdek, en gij bemerkt dadelijk dat de kapitein, die een oogenblik te voren de grootste der levende autokraten was, zijne vlag heeft gestreken en zijn gezag in de banden van den loods heeft overgegeven.
De loodsboot vertrekt, weder een speelbal der golven en is weldra niets meer dan een stip op de wateren; nu is zijniet meer zichtbaar en gij wenscht haar een gelukkige overkomst, want gij weet dat zij er nu op uit is een dergelijken dienst aan een anderen «zwerver op de barenquot; te gaan bewijzen.
Gansche dagen soms bracht »woelige Jackquot; met die tochten door, want gelukzoeker en zwerver van nature, was het hem een lust, hoe kortstondig ook, iets ongewoons, soms iets hachelijks voor oogen te hebben, en niemand schreeuwde op luide-ren toon en met meer uitbundigheid dan hij «de Baai van Biskayequot; of zong op puntiger toon de ballade van kapitein Kidd; de wijze, waarop hij Blije Nelly en Lucy Neal zong, was een meesterstuk in haar soort en voldoende, zeiden de matrozen, om bij de ergste zeestilte, een frissche koelte op te roepen.
Somtijds werkte de woelige Jack dagen lang aan boord dei-lichters, fluitende en zingende, de bewondering vaii den matroos zoowel als van den «landroten was hij daarvan vermoeid, dan klonk zijn stem van het eene einde der straat tot het andere de morgenbladen uitroepende. De krantenjongens waren recht, in hunnen schik, Jack in hun midden te zien, want hij verstond de kunst aan alles zekeren gang te geven en leerde hun zoo veel wijzen, waarop een stuivertje
39
kan rollen, dat men zijn vindingrijkheid zonder weerga hield.
Een nieuw aangekomen schip en de uitgave van buitengewone edities is voor den krantenjongen een bode des heils. Dan is er geki\'ijsch, gedrang, gewoel, wie het eerst de bladen zal hebben. Dan hangen zij als een zwarte wolk voor de deur der kantoren ven uitgifte, en doen u aan een zwerm bijen in den paartijd denken, wanneer de nieuwe kolonie in één hoop aan den ingang van den korf zich hecht, over elkander heentrappende of er rondom gonzende, vliegende en terugkeerende tot dat de koningin het teeken geeft dat alles gereed slaat.
Is er een watersnood, een brand, dan is voor de krantenjongens het oogenblik geboren, ijzingwekkende berichten aan den man te brengen. Zij verstaan de kunst de meest barokke woorden aan een soort van rhythmus te onderwerpen en de treurmare in een soort van maatgeluid op te snij dan, dat de teemende dreun van den voorlezer in de kerk er bij in het niet zinkt.
De goedkoope boekentijd was een gouden eeuw voor den krantenjongen. Moest een pas verschenen werk aan den man worden gebracht, dan was het geschreeuw en gejoel inderdaad oorverdoovend; dan werkten de longen dat het een aard had, en wee den schrijver, wiens werk dan niet in drie dagen uitverkocht was; den vierden nam geen krantenjongen het meer onder zijn veelvermogende hoede of raakte het aan; en vroegt gij er dan naar, zij hielden u honderd jaren achteruit, zagen op u neder als verliet gij zoo even de arke van Noach; hielden u voor een lafaard, voor een „zanikerquot; en riepen: „dat boek, meneer, dat boek! wel, dat is al drie dagen oud!quot; en diepe afkeer sprak uit lederen blik, bij de gedane vraag.
Drie dagen ! wel, in de onsterfelijkheid van onzen tijd, en in deze eeuw der snelheid, zal het toch wel bij niemand opkomen, op een belangstelling van langeren duur bij het algemeen aanspraak te maken ? Iedere dag schenkt nieuwe zonnestralen, de bloem is verheugd als zij zoo lang als het dagvliegje mag leven; de vogel zingt als zoo vele van zijne soort, en de zee werpt hare scheipen en parelen aan het strand — altemaal nietigheden, maar onovertrefbaar schoon.
Gedurende eenigen tijd na Sams dood, schonk de omgang van den zorgeloozen, goedaardigen woeligen Jack aan Bob eenige verlichting in diens al te zwaarmoedige gedachten en spoorde hem aan tot vrije, ongedwongen vroolijkheid, zoo verleidelijk voor iemand, van nature reeds zoo licht tevreden gesteld. Jack bezat een schat van anekdoten, lange vertelsels van moorden en rooverijen, schipbreuken en rampen, ontsnappingen bij het walletje af, en ijselijke gevechten, die de
40
aandacht zijner makkers uren lang konden boeien. Zijne denkbeelden over de zedeleer waren verward; doch iets edelmoedigs, oprechts en opgeruimds verzelde hem altoos, waardoor zijn hoogrood buis, zijn gestreepte pantalon en glimmende pe) hem zoo wel stonden; en hetzij hij op zeemanswijze een zwart zijden doek om zijn hals had geslagen of dien geheel bloot droeg, in de oogen van de krantenjongens was Jack altoos een ideaal van schoonheid, want waren zijne haren niet altijd lot een monsterkrul vereenigd? en hoe fraai stonden die zwarte oogen bij die kuiltjes in wang en kin ! Men kocht bladen van woeligen Jack, alleen om dat open gelaat te beter te kunnen bekijken en hem niet zijne welklinkende stem de een of andere versleten grap te hooren vertellen, doch die door de wijze, waarop hij ze vertelde, nieuw scheen te zijn.
Jack kende iedereen en wist alles. Geen steeg of gang in gansch New-York of hij was er te huis. Zijne gave van opmerken was uitnemend en meermalen was de politie, alleen door de eene of andere herinnering, die eensklaps in Jacks geheugen was verlevendigd in het bezit geraakt van den sleutel tot een misdrijf, dat zij in zijnen oorsprong zocht op te sporen. Hij kende al de vrouwen, die met appelen aan de hoeken der straten stonden uitgestald, en allen duwden hem of een appel of een koekje toe als loon voor zijn goedaardige onbeschaamdheid, en al de limonadeverkoopsters van Fiillon-slreel weigelden zijn geld, wannneer hij aan hare stalletjes een glas dronk. Vaak riep Jack in den avondstond: akokend heete maïsquot; vooi-de kleine deernen en zond ze met ledige bakken naar huis. Zag het kind er vermoeid of ontmoedigd uit. Jack was altoos bereid als zetbaas te spelen, en voor de zwakke of verdrukte parlij was hij altijd gereed den handschoen op te rapen. Kort en goed, de edelmoedige natuurdrift van woeligen Jack was nog beter dan de beiedeneerde deugd van menig ander.
In regenachtige dagen hielp hij de kleine meisjes, die de straat veegden, en lachte om hare morsige aangezichten lot dat zij ter oorzake van dien lasligen kwelduivel, woeligen Jack, zich leerden poetsen. Hij kende ze alle, en wierp haar centen toe, als een voorbeeld voor die arme vrekken, die Broadway op en neder wandelen en allen «zoo verduiveld zuinig zijn dat zij een arm uitgehongerd meisje, dat bijna geen voddetje aan het lijf heeft, een stuiver durven geven.quot; Zoo of op dergelijke wijze sprak woelige Jack, als hinderde het hem in de zie!, niet de vrijheid te hebben »in eens op dat volkje los te gaan.quot;
Was het een koude wintermorgen, ook dan hielp woelige Jack een handje, stond de ellendige, van koude trillende vrouwen en kinderen bij, die de hier en daar verspreid liggende asch-hoopen doorwoelden of in vaatjes en aschpotten, die daar voor
41
*
den kavreraan gereeil stonden, nog naar hel een of ander zochten, dat haar nog een sprankje brandstof zou kunnen verschaffen. En dan was Jack onuitputtelijk in grappen en aardigheden, en van de tienmaal vonden zij stellig ééns stuivertjes onder de asch, en dan zag men elkander verbaasd aan en niemand vond het vreemder dan woelige Jack; en gingen de vrouwen en kinderen nu heen om hun armoedig ontbijtje te bereiden, dan namen zij nog zoo iets als een glimlachje op den koop toe mede naar huis, en de koude morgen scheen hun niet half zoo koud toe als zij hadden gedacht, en de oude muts was warmer dan zij ooit te voren geschenen had te zijn, en de oude bruine omslagdoek, over de borst gekruisd en van achteren dicht geknoopt, was haar nu zoo recht lekker en warm. O! bij allen was woelige Jack bekend, bij allen, die geliefkoosde deugniet die hij was.
Jack kende al de grappenmakers in de stad. Zelf onwetend, hield hij menig ander voor een held: zelf openhartig en edel* moedig, zag hij in de hobbelige zijde des levens zoo als bij ze daar aanschouwde, iets schoons en sterks en dappers; en edelmoedigheid en vriendelijkheid en moed was de som van den zedelijken katechismus van woeligen Jack. Laten mijn lezers beslissen of die katechismus op breede of beperkte beginselen berustte.
In onderscheiden spelen was Jack matador. Een
boot was zijn lust, niet minder een hond, en dat niet als medgezel alleen, maar omdat hij van nature zelf een zoo groote neiging tot jagen had. »Ik moet toch gelukkig wezen,quot; zeide hij soms, »want de vroolijkste en kleinste zwartbruine dashond van de stad behoort mij,quot; Het hondje werden de ooren afgesneden tot op de gewone hoogte van die des dashonds, zoodat het diertje zoo spits en puntig werd als een naald en zoo afgericht als een vos; en Jack zeide: «zijn levensgeschiedenis blijft uitgesteld tot dat er stof tot een levensgeschiedenis zal wezen.quot; Deze hond, Fik\' genaamd, was de trots en roem van Jacks leven. Hij kneep en trok hem, liet hem naar zich opvliegen en blafien, als of alle furiën los waren, terwijl hij dol van pleizier er bij stond te lachen; en als hem dat spel vermoeide, dan deed hij zijn borst open, en het diertje sprong er op en snuffelde en kroop er in en kon uren bewegingloos en als vastgeboeid aan Jacks boezem liggen blijven. Jack ging dan ook zware weddenschappen op Fik aan, verzekerd zijnde van de winst, want Fik was een ware ratten-dooder, zooals hij hem noemde: en won hij, dan volgde er altijd de triomfkreet op; „O, uet is me een kereltje, hier.... hier. Fik?quot; Fik werd gepakt en onder bet buis gestopt, al was zijn muil nog rood van het b\'oed der ratten
IX.
EENT KORT HOOFDSTUK.
Aldus stond het met woeligen Jack en den kleinen Fik geschapen. Door de voortdurende wisselingen van den tijd, dien grooten vertrooster, was Bob instaat zijn hoofd weder op te beuren, en dit nog wel fierder dan ooit. Nooit verloor hij zijn zelfbeheersching, hoe magnetisch anders woelige Jack ook op hem werkte, hoe alvermogend zijn invloed op de anderen was. Vaak gaf Jack hem een stoot in de zijde en noemde hem »ouè manquot; en zocht hem aan den gang te krijgen; Cob bleef altoos dezelfde. »De droes hale mij,quot; placht Jack soms met spijtige opgeruimdheid te zeggen, terwijl hij allerlei pogingen deed om hem vele van zijn eigen levensmanieren in te prenten, »de droes hale mij, maar Bob blijfl altijd Bob en zal nooit anders dan Bob zijn.quot; En waarlijk. Bob bezat een zedekundig wetboek, wel zeer oud, maar zeer bepaald en zeer eerbiedwaardig, een wetboek, in het hart van den mensch reeds geschreven bij de schepping, en een klein stemmetje, zoo fijn als het zwakke tikken van een horloge, was er naast geplaatst, en dat stemmetje spreekt telken reize »doe wat recht is, doe wat recht is.quot; Gij zoudt het kloppen van uw eigen hart niet gekend hebben, zoo gij zijner vermaning altijd gehoor hadt gegeven; doch soms wanneer de mensch oud en eerbiedwaardig wordt, dan wordt het kloppen luid en sterk, als de klok achter gindsche deur of in het breede trapportaal; lang en zwaar zijn de slingeringen, hetzij zij over de zwarte kolommen van het kantoorboek gaan, of over de schrifturen des rechtsgeleerden, of over de bladzijden der preék, altijd galmen zij langzaam en plechtig „doe wat recht is, doe wat recht is.quot;
Zij heeft iets gestrengs, die stem, soms de uitspraak des
43
rechters nabijkomende, en kond et gij den man in het aangezicht zien, gij zoudt hem zien bukken en zich wringen en naar de klok staren, alsof die klok hem iets kon zeggen.
Op nieuw valt den kleinen waarschuwer een harde taak te beurt. Het bloed kookt, het is rood, groen en zwart, en het bruischt tegen de wanden des harten, als wilde het die doen vaneensplijten. O, dan begint de kleine waarschuwer te roepen, te schreeuwen, te krijten, als kon hij gehoord worden ; dan wordt die luide kreet: „doe wat recht isquot; voortgezet tot dat die stem schier bezwijkt, nauwelijks gehoord te midden van hel jagen der reuzenklok, die men menschelijke hartstochten noemt, en de kleine getrouwe wachter wordt begraven onder het puin van het ingestorte huis en kan dan nog te nauwernood even zijne stem verheffen.
In Bob echter deed zij zich luide verstaan; hij hoorde een klein, zacht stemmetje hem altoos toetluisteren : „doe wat recht isquot; en hij luisterde en gehoorzaamde; hij verwonderde zich wel is waar van waar het kwam, hij had de stoutheid niet de beweegredenen te onderzoeken, maar der vermaning gaf hij naar zijn beste weten gehoor. Zijn wetboek gold misschien niet in rechten, of op het gebied der godgeleerdheid, of op dat der volkszedekunde, maar voor Bob was het een uitmuntende wegwijzer. Als Jack voor het bierhuis stil stond om een glas oud bier te bestellen en aan Bob „een slokquot; aanbood, dan weigerde Bob altoos standvastig.
„Staat me tegen. Jack,quot; zeide hij dan, bij wijze van verontschuldiging, dat hij hem niet volgde, en toen Jack ouder werd, steeds meer naar prikkeling dorstte, en jaar aan jaar de dosis moest vermeerderen, kon hij den krantenjongen nimmer er toe krijgen in zijne voetstappen te treden. „Staat mij tegen. Jack,quot; zeide hij, „ik heb wel gezien dat die vuurtjes van binnen altijd kwaad van buiten doen; \'k geloof dat ze nergens toe dienen. Daar heb je nou \'t pruimen.... nou, ik lust het ook niet. Een tabakspruim maakt me zoo misselijk als de duivekater, en \'t rooken wil ei\' ook maar niet bij me in. Ik doe best er af te blijven. Jack. Dat is beter.quot;
Dan diende Jack hem een fikschen streek over den rug toe, stak zijn eene been vooruit en op het andere rondzwenkende, riep hij uit: „Je zult er toe komen, kleine schobbejak, je zult er toe komen, wanneer de arme Jack zijn laatsten slok zal hebben geproefd; zijn laatsten slok! zeide ik? o, foei Bob ! dat is een leelijk woord!quot; en Jack rilde van top tot teen.
Weinig wist Bob van de vroegere geschiedenis van den woeligen Jack, want de krantenjongens bekommeren zich luttel om de levensgeschiedenis hunner kameraden ; hij wist echter dat Jack soms naar Blackwells-Island zich begaf, waar de gevangenen meer als monsters dan menschen rondkruipen,
u
gekleed in hunne lichtgrijze, bontgekleurde, vieze gewaden, u aan een leger van Calibans 1) doende denken. Dan scheen hij ook bekend met al de bedienden en sleuteldragers van de Totnbs zij groetten hem op gemeenzamen trant en mochten soms zeggen :
»Pas op, Jack, of je komt ook hier.quot;
Zou er een terechtstelling op den binnenhof van de Tombs plaats hebben, dan werd woelige Jack door gunst van de bedienden doorgelaten om het ijselijke schouwspel bij te wonen, want, zeide hij tot Bob, op bedekten, vertrouwelijken toon, »je dient te weten, de ouè is daar opgeknoopt.quot;
Bob wist dat hij zijn vader meende, doch daar hij zich geen verder klaar denkbeeld kon maken van de ware beteekenis dezer bloedverwantschap, hinderde hem die mededeeling niet veel, en verwonderde hij zich niet dat deze omstandigheid aan Jack een bijzondere aanspraak op begunstiging gaf.
\') Caliban de monsterachtige, afziclitelijke slaaf in Shakespeare\'s Tempes Ven.
-) liet gerechtshof en tie gevangenis te New-York.
IX.
EEN REGENACHTIGE DAC-.
Ik begin hier een nieuw hoofdstuk, omdat al hetgeen ik nog in deze en de volgende bladzijden heb te verhalen, een soort van omkeer in de geschiedenis van den krantenjongen brengt, en wij weten allen dat er tijdstippen in ons leven zijn, naar welke wij terug zien en waarop wij als ware het den vingertop zetten en zeggen; »had ik toen zoo of zus gehandeld, het zou beter voor mij geweest zijn;quot; of wel, wij zeggen; »ik weet niet hoe het kwam, maar ik handelde destijds juist zoo als het behoorde; had ik een andere partij gekozen, mijn gansch leven zou berispenswaard zijn geweest.quot; Blinde, trouwelooze schepsels, die wij zijn! In het^eerste geval zijn wij willens blind en doof, en al schreeuwen duizend stemmen ons toe »laat af!quot; wij luisteren er niet naar. In het tweede geval, heeft uw goede engel, door uw eigen gebeden versterkt, misschien wel door de gebeden eener moeder (in het gansche wijde heelal houdt de Godheid zelve niets meer alvermogend dan de gebeden eener moeder ten behoeve van haar kiad) heeft uw goede engel, door die gebeden aangedreven en ondersteund, haren hemelschen blik op u gevestigd, en gij vermocht niet anders te doen dan gij deedt. Zij was het, die de stem van den kleinen waarschuwer daar binnen zoo zoet en indrukwekkend maakte, als zij u toefluisterde »doe wat recht is, doe wat rech is,quot; tot dat gij daarin de oogen uwer moeder zaagt en de stem uwer moeder hoordet, en gij uit die korte worsteling twee-, ja, tienvoudig tot man gevormd, te voorschijn traadt.
Bob was buitengemeen ingenomen met den woeligen Jack geworden. Zijn zorgeloos, zwervend leven, nu ter zee dan te land, nu op een bank in de batterij op het drooge zittende, of uau Loord eeuei rivierboot ot eener oude Hudsons-rivier-
46
sloep slapende, dan weder onder een luifel of scheepsverdek ■weddende, vloekende, werkende of vechtende, het eene even vlug als het andere, — alles zoo verlokkelijk, dat Bob ongevoelig dezelfde manieren begon aan te nemen. De woelige Jack had echter zenuwen als kabeltouwen, gehard, maar toch prikkelbaar; de zwarte tint had ze taai en duurzaam gemaakt; doch Bob, blijkbaar van fijner bouw, met slechts weinig van het zwarte element in zijne aderen, van nature deelnemend en nadenkend, was merkbaar een vreesetijk lijden ter prooi bij datgene wat bij den woeligen Jack slechts een aangename opgewondenheid te weeg bracht.
Eens hadden Bob en de woelige Jack zich bij de policie-die-naren aangesloten om een armen ellendeling, die een diefstal gepleegd had, na te zetten. Beide jongens gaven een luiden kreet, toen zij hem zagen op het oogenblik dat hij gereed stond het bosch van Bedford, aan de zijde van Brooklyn in te snellen. De woelige Jack schreeuwde en juichte, en rende met de drift eens bloedhonds den dief na; doch Bob kreeg nu den gejaagde even in het gezicht, en die enkele blik was genoeg. Hij zag de breede bloote borst aan den wind blootgesteld, van bovenmenschelijk worstelen hijgende; hij zag de keeladeren rood en gespannen; hij zag het zweet stroomsgewijze van de kale, uitgevaste slapen gudsen, en niets kon hem nu bewegen de vervolging des ellendigen, in het nauw gebrachten misdadigers verder voort te zetten, en toen hij nu eindelijk zich omkeerde en Bob zeer dicht voorbijkwam, wees Bob onwillekeurig hem een dicht kreupelbosch, waarin de man zich verschool, terwijl de vervolgers in een andere richting verder gingen. Bob naderde als achteloos de plaats, en het scheen hem niet meer dan natuurlijk dat hij zijne zakken van een kleinen voorraad kopermunt ontlastte. Hij wist niet of hij goed of kwalijk handelde. »De rijke huizen bevatten zoo veel dat er niet noodig is,quot; dacht hij in zich zeiven. Met een bedekte stem zeide de man tot hem:
»Knaap, ik zweer bij God dat ik van nu aan een eerlijk leven zal leiden, voor hetgeen gij aan mij gedaan hebt.quot;
En toen voelde Bob zich in zijn binnenste verlicht ten aC-nzien van de daad, door hem volbracht. Nooit vertrouwde hij zelfs aan den woeligen Jack dit voorval, en daar de man niet gegrepen werd, hopen wij dat hij zijner belofte gestand gedaan heeft. De zaak echter maakte een diepen indruk op het gemoed van den krantenjongen.
»Ik wou toch wel graag \'t intressieke van de zaak te weten komen,quot; zeide bij herhaaldelijk tot Jack; maar daar Jack op het stuk van zedeleer niet hoog timmerde, moest bij Bob het antwoord schuldig blijven.
sMedunkt,quot; zeide Jack dan, »als we allenquot; zoo romdomons
47
zien en maar altoos er op uit zijn, de arme bloeden bij te staan, dan moeten we te langer leste wel af zijn.quot;
En Jack gaf bij deze woorden een ploertigen draai aan zijn ruige krullen, terwijl hij zijn sigaar tusschen den wijs- en middelvinger stak, zijn hoofd achterover wierp, en aandachtig den rook naoogde, dien hij van zijn roode lippen blies, nu door een dunnen knevel omschaduwd en van onderen met het dotje eener impériale voorzien.
De kleine Bob zag al dien tijd naar hem op, en hoewel zijne hulp uit een zedelijk oogpunt als eenigszins twijfelachtig kon beschouwd worden, maakte toch Jacks schoone gestalte een diepen indruk op den knaap. «Scheld me voor al wat leelijk is,quot; zeide hij dan, »raaar zoo waar! je ziet er zoo knap uit als de wassen beelden in de winkelkasten;quot; en Jack was niet weinig gestreeld met die vleierij.
Het was een koude, regenachtige morgen. Woelige Jack had aan Bob gezegd dat hij naar de Tombs besteld was, en had hem dus naar zijn standplaats verzeld om den verkoop der dagbladen te bespoedigen, ten einde bij tijds gereed te zijn. Het weder was zeer fraai geweest; het was het jaargetijde der rozen, en het gansche bovengedeelte der stad was vol van hare welriekende geuren. Doch nu was een koude wind en regen opgekomen, en ge zoudt eerder gedacht hebben in November dan in Juni te zijn. De wind blies langs de luifels, en deed ze schudden als wilde hij ze uit hunne naven rukken. De groote uithangborden, door ijzeren staven aan de daken der huizen langs Boweiy bevestigd, deden bij tus-schenpozen een indrukwekkend gekras hooren, als wilden zij eensklaps er allen tegelijk zich van losscheuren om dan weder met een ruw kraken in evenwicht te zakken, als of zij besloten waren te wachten tot dat de ijzers verroest zouden zijn, om dan op het hoofd eens voorbijgangers verpletterend neer te komen. De kleine vierkante uithangschildjes, als vaandeltjes uitgestoken, draaiden en wentelden en doken in den wind, maar de bouten waren sterker dan zij.
De oude-kleêrkoopers van Chatham-street stonden, met de beenen over elkander geslagen, binnen hunne winkeldeuren, zonder hoop op koopers. Vrouwen met slordige hoofden leunden lui over de toonbanken, en hielden praatjes met hare buren. Kinderen lieten papieren schuitjes en notendoppen in de goten varen, van vreugde juichende als de kleine kieltjes den afloopenden stroom van den moddervloed volgden. Arme wezens! geboren om in modderig water te visschen; reeds bij de eerste lading huns levens niets dan een vuile goot; doch zij hadden er geen weet van, en lachten en juichten zoo gelukkig als het kind, welks teêre vingertjes alleen het kristallen bekken en het kunstige spoelglas aanraken.
48
Voor de huurkoetsiers, in gom-elastieken overias, was het een heerlijk weder, want niemand die een halven schelling te verteren had, wilde in zulk een storm uitgaan. De spoorweg-omnibussen waren stampvol opgepropt, maar de menschen zaten stil, zoo als doorgaans de stedelingen zijn, wanneer het hun maar een weinig tegenloopt. Op het platte land alleen, met die ruime weiden en die open lucht en slechts weinig bewoners, hebben de menschen het voorrecht, aan hun kwaden luim en hunne miltzucht bij kleine hindernissen, in de ooren van and^-en lucht te geven. Daarenboven was het Vrijdag : Vrijdag,\'Mie in Bowerj den naam van Bculsdaij, in Broadway van Gerechtsdag draagt, in onze kerken de Zegenrijke of Goede Vrijdag wordt genoemd, om als \'t ware daarmede de weldadige werking des zoenoffers aan te duiden, daar men zegt dat Jezus op Vrijdag is gekruisigd; kort en goed. Vrijdag wordt als een ongelukkige dag beschouwd door grooten en kleinen, en matrozen houden er niet van\'s Vrijdags in zee te gaan, en op Vrijdag huivert do bruid zich naar het altaar te begeven.
Het was dus Vrijdag en het stormde; en terwijl de twee jongens, woelige Jack en Bob, druipnat van den regen. Bowery afliepen, en Cenlre-street insloegen, zagen zij dat al de gebouwen in de buurt van de Tombs met een dichte menschenmassa als bezaaid waren, waarvan een goed deel vrouwen waren, allen naar die richting heenstarende. Dit massief granieten gebouw, nu in egyptischen stijl opgetrokken, heeft iets grootsch maar tevens iets terugstootends in zijn aanblik. Zijn oorspronkelijke naam was vJustiliezaalquot;; maar hetzij men den naam niet in overeenkomst vond met hetgeen daar binnen voorviel, of dat het uitwendig doodsche van den aanblik aan een korter, gepaster en sprekender benaming deed denken, zooveel is zeker, dat de naam van justitie-zaal nu wat ouderwetsch en gemaakt klinkt, en de algemeen erkende benaming van deze grooten kerker is: Tlw Tombs (de graven).
Het gebouw staat vlak tegenover Centre-street, een der groote hoofdstraten van Nieuw-York, bijna even breed en gemakkelijk als Broadway, aan welke zij evenwijdig is. Een vreemdeling zou al licht hel denkbeeld kunnen opvatten dat in een ge-meenebestelijke stad de bewoners van twee straten, alleen door twee of drie honderd voet afstands, elkander z ;er zouden gelijken; doch indien hij Bowery of Centre-street ezocht, hij zou, in deze veronderstelling, zeer verbaasd staan over den uitslag zijner waarneming; immers de bewoners van Broadway en Bowery verschillen even veel van elkander als de bewoners van Franlrijk en Duitschland. En dat onderscheid bestaat niet alleen in de meer of mindere gegoedheid, maar ook in de gewoonten eu beschaving. Dames en heeren (de hemel vergeve mij de benaming) gaamp;n naa. Broadway uit wandelen,
49
terwijl jongens en meiden Bowery bezoeken. Een hond van liowenj zal evenmin zich in Broadway wagen als de vrouwen cn mannen; twee jonge dametjes, eens met kinderachtige nieuwsgierigheid van Broadway naar Bowery overgestoken zijnde, werden bij wijze van een a-parte door de Bowery-deernen aangesproken met de vraag: „ Wat hebben de Broadiuay-jullers toch in Bowery te maken ?quot; als beschouwden zij hare komst aldaar als een overtreding.
De meisjes en jongens van Bowery zijn schoon, onbeschaamd, en los van tong. Hunne kleedij is schreeuwend van kleur, zij houden van kloeke dashonden en snelle paarden. Buiten de avemies !) reeds leeren de kinderen dai fraaie volkje onderscheiden, en wanneer soms een roodwangige Liza of kloeke Mozes in het proper rijdkleedje te voorschijn komt, van een troep hunner vrienden verzeld, allen in smaakvolle chaisjes met trippelende paardjes bespannen, dan raakt het kindergeslacht aan \'t balken en jagen de honden Tray, Blanche, Sweetheart en al de kleine keffertjes op, uitroepende : „Kijk ereis die Couwy-meiden en jongens.quot;
\') Aldus noemt men te New-i\'ork vijftien rechtlijnige, van het zuiden naai het noorden loopende straten, die alle zoo bretd ziju dat er acht wagens naast elkander kunnen rijden.
XI.
DE TOMBS.
De Tombs werden, zoo als ik zeide, gebouwd tegenover Centre-street en dicht bij het brandpunt van een aantal andere slecht befaamde straten, daaronder begrepen die bekende Five Points, de bakermat der verborgenheden van New-York, hare voorsteden Si. Antoine en St. Giles. Het was een gelukkig denkbeeld, een gevangenis te vestigen in het midden van kwalijkgezinden of kwalijkdoenden, ten einde hun daardoor onophoudelijk in te scherpen dal de swegen des boosdoeners ruw zijn.quot;
De plaats, waar het gebouw thans staat, was vroeger een vijver, bekend onder den naam van *the Collet,quot; en de overlevering heeft menig verhaal bewaard van vreemde monsterdieren, die the Collet bewoonden. Het was een diepe zwarte poel, bij hoogen vloed overloopende; zijne boorden waren met laag groeiende heesters en boomen van verschillende soort bezet. Een tijd lang liep het gerucht dat de poel bewoond werd door een reusachtige slang, die uit het midden opsteeg en zich in de richting der zee verwijderd had. Toen New-York nog in het bezit der Engelschen was, zou een hessische soldaat zekeren nacht de gansche bezetting door zijn alarmgeschreeuw bij het naderen van het monster in rep en roer gebracht hebben. Toen men den bodem doorzocht, scheen het alsof een zware balk over het riet en gras van den oeve:.\' des vijvers naar de oostzijde der rivier gesleept was.
Wijders wordt verhaald dat, op zekeren tijd, eenige jongens, in den omtrek van the Collet spelende, een hunner uitriep: ygt;kom hier, kom hier!quot; dat toen allen op de plek zich vereenig-den en daaromtrent bij een dikken tak, doch aan den boom vast klevende, een schepsel zagen, dermate naar de schors
51
zelve gelijkende, dat het er nauwelijks van onderscheiden kon worden en hetwelk hun ruim den tijd gaf het van nabij te beschouwen; het was meer dan een voet lang, had de gedaante van een hagedis, klemde zich met zijn lange voorpooten of handen aan den boom, terwijl zijn staart gedeeltelijk rondom een twijg was geslagen. Zijne oogen waren rood en vurig en de jongens verzekerden dat zij vonken schoten zoo vurig als of ze van den ouden boksvoet zeiven kwamen. Maar het zonderlingste lichaamsdeel was een paar afzichtelijke vleêr-muisvlerken, waarmede het dier op en neder klepte, aldus een geweldigen luchtstroom verwekkende. Eenige uren stonden de knapen er naar te zien, maar onthielden zich het dier te kwellen. Nooit zagen zij het weder. Schildpadden, hagedissen en slangen van alle grootte waren in grooten getale in den vijver aanwezig; waaruit blijkt dat van de vroegste tijden reeds deze plek zwart, modderig en van slechte voorbeduidenis was: een profetie van hare zedelijke bestemming.
In den ouden tijd liep over de plek, thans Canal-street geheeten, een schoone beek, wier bedding, nu met een boog bedekt en tot straat geplaveid, een der groote stads-riolen vormt; een dier onderaardsche doorgangen, het verblijf der ratten en de vergaarbak van stank en vuilnis en van al wat den zinnen kan walgen. Deze eertijds fraaie beek nu was een der uitgangen van The Collet, de plaats, waar de Tumhs thans zich verheffen.
In de vroegere geschiedenis der stad, hielden zich de armen en ellendigen, ook die welke met kwade bedoelingen zwanger gingen, in den omtrek der lage moerasgronden van The Collet op; van daar dat de kromme straten altoos vuil en walgelijk waren, tot dat de plek ten laatste zoo wel zedelijk als stoffelijk verpestend werd. De stad werd grooter, spreidde hare armen in de richting der luchtige hoogten van Haarlem uit, nam in hare ruimte de pachthoeven van Chelsea, den ouden weg van Groal-Jomsstreet, zelfs het landgoed van den oudgouverneur Petrus Stuivezand, dien Hollander, wiens onverschrokken geest weigerde zich aan het Britsch gezag te onderwerpen, maar liever Nieuw-Amsterdam den rug toekeerde en zich op het land vestigde om geen getuige te zijn van de vernedering zijner geliefkoosde volkplanting; ook zijn schoone woonstede werd in de algemeene uitbreiding verzwolgen. De boorden der noord- en oost-rivieren werden tot aan den waterrand ingenomen door een woud van masten en een doolhof van steen en kalk, maar de besmettelijke plek in het hart der stad bleef en bestaat nog.
Zoo gij beelden wilt oproepen, in slaat om het bloed in de aderen te doen stollen en don blos der schaamte op de wangen tc jagen, gij behoeft slechts de Five Points te noemen. Den
4*
52
hemel zij dank, het Amerikaansche volk is zoo ver gekomen dat het inziet dat de zendelingen ook te huis eene roeping hebben te vervullen en zij zijn bezig in dien modderigen poel het hemelmanna te werpen. Menschen, die honger lijden en te lui zijn om te werken, zullen en moeten rooven en stelen. De ellendige verworpeling, uit broodsgebrek verhongerende, door den angel der wroeging gestoken, zich zeiven en der wereld ontvallen, zal zijne ellende in onmatige plengingen van vuurwater {brandy) verdrinken — God en menschen vloekende, om dat hij zoo diep gezonken is.
XII.
ZINNEBEELDEN.
En dus, zooals ik zeide, was die plek van den beginne aan reeds de zetel van het kwaad. Er scheen geen ruimte te zijn om er een engel te laten knielen, zoo zeer scheen ieder hoekje en holletje met geesten der duisternis opgevuld; het scheen als ware het één groot bekken met wanden van steen en kalk, de groote vergaarbak van al de kwalijk riekende, walgelijke uitwerpsels der hooger liggende wegen. De bewoners waren morsig, dronken en oogenschijnlijk aan alles vertwijfelende, en de kinderen boezemden u schrik in, door onnatuurlijk vroegtijdige zedeloosheid. Thans heeft dat tooneel veel van zijne afzichtelijkheid verloren, hoewel nog veel te doen overblijft. Ik heb het gebouw bezocht en de verandering gezien; ik zag er kinderen op behoorlijke wijze bij elkander zitten, en hoorde heilige lofzangen ontvloeien aan diezelfde lippen, waarop kort te voren nog onkuischheid en godslastering zetelden. Mijne eerste gedachte was: «Wat zien zij ouwelijk uit.quot; Hunne oogen zagen scherp, onbevreesd, ah waren zij oud van dagen geboren. Vroegtijdig was hun verstand ten kwade gescherpt; — niet dat zij bepaald schaamteloos u aanzagen, maar uit allen sprak een zekere sterke verstandsontwikkeling, waaronder men al lichtelijk een kouden, wreeden aard kon vermoeden. Enkelen hadden groote, verwilderde oogen, anderen een snellen, loenschen blik; enkelen waren het beeld van diepe droefgeestigheid, allen echter verrieden een meerdere of mindere ziekelijkheid.
De oude brouwerij is verdwenen en daarvoor mogen wij God hartelijk danken. Lang had de tand des tijds aan de oude balke» en de krakende trappen geknaagd, als wilde hij den mensch zeggen: «kom, help mij het werk voltooien.quot; en de pest had geschreeuwd: »ruim die dwalmende vloeren, die
5-4
muren met zedelijke besmetting als doortrokken, weg, of ik verlaat dit omheinde verblijf en plant mijnen voetstap in de zalen der paleizen.quot;
Zijn er niet andere daarmede verwante plaatsen in deze groote stad New-York, van waar een gelijke kreet zou kunnen opgaan?
Boven deze wijde, in zich zelve reeds uitgebreide, hooge en terugstootende ruimte steekt met onmetelijke vensters, met zware, massieve en hooge granietzuilen, gebeel één koude groeve zonder echo, één meèdoogelooze steenmassa, het gebouw uit, dat men the Tombs noemt, een ware sphinx, laag schijnende, maar boog inderdaad. Die zware hoofdbalken met hun karig licbt; die wijkende hoeken en vooruitstekende kornissen; die muren, op breede voetstukken pyramiedaal achterwaarts wijkende, die vierkante poortpleinen met hunne geheimzinnige, egyptiscbe zinnebeelden, alles in een woord spant samen u terug te voeren tot den duisteren mythentijd des menschdoms, tot de wieg der zedelijke ontwikkeling van ons geslacht. Rijzig en gewetenloos staren die zware steenen muren den beschouwer aan; geen galm wordt door die lange steenen gaanderijen weerkaatst, en daar binnen is een jammergroeve, diep, zeer diep, alleen door de sterren begluurd, waarover een plekje van den blauwen hemel is gespannen, dat de ziel opwaarts roept; want de lichamen dergenen, die in de klauwen van dien kerker zuchten, zullen nimmer weder der wereld worden teruggegeven. Doch heden, heden Vrijdag, wierp het zonnelicht zelfs geen klein stralenkransje in den kerker, zelfs geen schoofje van den ruimen oogst des hemelichts naar beneden ; de wolken daarentegen wierpen een vloed van tranen, van dikke droppels, die op de gevoellooze steenen klonken, door de pijpen joegen en daar binnen een dof, kletterend ruischen baarden, ijzingwekkend voor den eenzamen gevangene, niet ongelijk aan een verwijderd geroffel van trommels en een dof klokgcbom, in de ruimte zich verliezende, en hij keert zich in zijne cel om en stopt zijne ooren met zijne vingers dicht, om die geluiden te smoren.
Deze aanblik van bet gebouw maakt bet gansch der benaming van gevangenis waard. Het is als riep die steenmassa u toe: „Ik schijn klein, maar ben toch groot. Ik schijn eenvoudig als het met mos begroeide granietblok in de schaduw der oude bosschen, en toch is mijn aanraking de dood. Even als ik, schijnt de eerste misstap een kleinigheid, maar hij is reuzenkrachtig in zijn gevolgen, die den laatsten straal der bemelsche waarheid uit den geest bannen.quot;
Zoo als wij bereids zeiden, naderden de jongens op een Vrijdag te midden eener hevige regenbui, de Tombs en zagen evenwel menschen, op de daken en aan de vensters elkaar verdringende. Ook de straten waren opgepropt van menschen,
55
aan den slagregen blootgesteld en nochtans onbewegelijk blijvende. Uren achtereen stonden zij daar, de oogen gevestigd op dat zware steenen gebouw, zoo rijk voorzien van bestand-deelen van het ijzingwekkende. Het volk wist zeer goed dat het terrein, waarop het, gebouw staat, zoo moerassig is, dat de bouwmeesters het bijna onmogelijk hielden de funderings-bogen stevig te maken. Kikvorschen, hagedissen, slangen, de aloude bewoners vans Hie Collet, hadden plaats gemaakt voor het zinnebeeld van den handel; — de rat, de zwerfster in de donkere gangen, mestte zich vet onder de verpestende bogen en, de looden aflooppijpen volgende, drong zij vaak in de cel van den ellendigen veroordeelde door, joeg hem van de eene zijde naar de andere in zijn nauwe, donkere kluis, aldus den wrekenden arm der wet bij den misdadiger voor-uitloopende.
Schadelijke dampen drongen ook verderfelijk in die donkere gangen en van de ellendelingen, binnen die muren opgesloten, stierven soms velen in één nacht, ten gevolge van die verpestende uitwasemingen. Werd zoodanige gebeurtenis ooit buiten de Tombs ruchtbaar? Stond het volk op om lucht aan zijne verontwaardiging te geven, dat zelfs misdadigers aldus mishandeld werden? Wat is er op al die in ééne richting starende aangezichten te lezen? Ginds ziet gij een kleine hoekdeiir van zware balken, naar de opene vierkante plaats daar binnen geleidende. Een priester in zwart gewaad, officieren met de kenteekenen van hunnen graad, treden zwijgend de muren binnen. — Alles is zoo stil, zoo naakt, zoo kaal aan het geringste uiterlijke vertoon, dat u een rilling overvalt. Enkele mannen van het vak, een doctor en de oude — een winkelier uit Walerstreet, die in de laatste twintig of dertig jaren, iedere strafvoltrekking in de stad heeft bijgewoond, vertoont zijn vetgemest lichaam en plomp hoofd, en wordt onmiddelijk toegelaten — want zijne neiging voor han-gcnde vertooningen is bekend en moet bevredigd worden. De woelige Jack en Bob, dicht naast elkander voortgaande, komen binnen op het oogenblik dat de groote klok van den koepel haren langen onheilspellenden galm laat hooren, die onder die onmetelijke menschenmassa iederen boezem krampachtig doet hijgen. En toen verscheen een menschelijk wezen, vol gezondheid en kracht, een jongeling nog in den voorhof des levens en werd tegen zijn wil den onmetelijken Oceaan der ongeziene wereld ingejaagd. O, ijselijk was dat schouwspel, allerijselijkstl Indien onze wetgevers op de letterlijke toepassing der mozaïsche wet aandringen, welnu! de verminking zij hun toegestaan zoo ge wilt, mits de stuitende bij-omstandigheden achterwege blijven; maar laten zij zich tevens herinneren dat de galg een christelijk stratwerktuig is.
56
De wetten moeten tot menschelijkheid leiden en, hoewel streng, doch altoos de stem der genade den boventoon laten houden: waar de wet de doodstraf predikt, dient zij slechts om het hart te versteenen en te verdierlijken. Wanneer wij menschen zullen zien weigeren als leden van den jury te zitten voor misdrijven, waarop de doodstraf staat; wanneer wij menschen het ambt van oppersheriff zullen zien weigeren, of als zij het aannemen, gedwongen worden de verplichtingen aan dit ambt gehecht, zeiven te volvoeren, en liet hun bij de wet verboden zal zijn, eenen derde te huren om de daad van menschenmoord te volbrengen, die hun zeiven is opgedragen; wanneer wij bedienaren van Gods woord als één man zullen zien opslaan en verklaren dat zij aan de galg geen dienst willen doen; wanneer dat gansche schandgericht in al zijne naaktheid zal zijn tentoongesteld, ontdaan van al zijn toebehooren en toestel van ambtelijk vertoon en vromen praal, dan, maar ook dan alleen, zal de wettelijke moord ophouden te bestaan.
VIII.
DE KREET OM LICHT.
Zwijgende en doodsbleek kwamen de rechtsbeambten, de priester, de justitie-oflicier en de doctor te voorschijn. Over liet gelaat van den ouden winkelier lag een nieuwe gloed van dierlijk genot verspreid ; hij had alweder seen executiequot; in zijn boekje op te teekenen. Toen het volk in stilte uiteenging, wist men dat achter de gindsche muren van de Tombs een zielloos, misvormd lichaam lag, waarvan de gedachte ijst en walgt.
Nooit was woelige Jack zoo aangedaan geweest. Toen hij de straat bereikte, bemerkte hij niet hoede arme Bob zoo bleek als een doode wankelde, daar zijne leden te zwak waren hem te dragen; want hij snelde voorwaarts, voorwaarts, te midden van den piassenden regen, als beproefde hij een ijzingwekkende gedachte uit zijn geest te verbannen.
Weldra zag Bob zich door zijne kameraden omgeven, wier ondervragingen hij zoo goed mogelijk beantwoordde. Toen hij hun vertelde hoe de armen van den rampzalige gekneveld quot;waren, hoe hij er uitzag toen de zondaarsmuts over zijn aangezicht was getrokken, hoe allen met wijden mond gaapten naar het schouwspel van het ter zijde vallen van de noodlottige ladder, die doodsche stilte — alles, alles in één woord, dat bij dat ijselijk tooneel in zijn brein klopte en brandde, vervolgde hij aldus:
»\'k Zeg maar, dat ik al die zaken niet geloof, \'t is tegen den aard\' van den mensch, een ander menschelijk wezen als een hond gebonden en opgeknoopt te zien. Zoo geschieden er twee moorden in plaats van één.quot;
Het zij toeval of een opzettelijk plan van de directie, genoeg, den avond volgende op de strafvoltrekking, waarvan Bob op de beperkte binnenplaats van de gevangenis getuige was geweest, werd in den Bowery-schouviburg Jack Sheppard ten too-
58
neele gevoerd. Bob ging er heen, meer uit gewoonte dan met eenige bedoeling, want de regen viel nog bij stroomen, de straten waren ledig en het aanhoudend geschreeuw der gezweepte uithangborden klonk hem in de ooren als een herhaling van het kraken der ladder toen deze ter zijde werd gehaald. Naarmate de regen uit de donkere wolken nederdaalde en de avondlichten zich nu ondereen schenen te mengen, en dan op een afstand weder vaneen te scheiden, terwijl nu en dan een zwarte massa zich voorwaarts bewoog, bekommerde hij zich weinig er om of het ook een voetganger onder een regenscherm was; voor den armen krantenjongen lag iets bovenaardsch en geheimzinnigs in die verschijning, daar de plassen der regenbui hem tot op de huid waren doorgedrongen en zijne hersenen van verwarde en ijzingwekkende beelden kookten. »Als ik maar mocht te weten krijgen wat dit alles beduidt,quot; riep bij onwillekeurig tot zich zeiven. »He, zie ik ginder niet een deern? zoo langzaam, zoo langzaam—\'t maakt me zoo waar bang: maar de lantaren toont me al wie \'t is; \'t is de mooie Molly die daaronder schuilt; ze is nog niet dronken, maar vóór dat de haan kraait is ze \'t; met al die zaken ben ik nog maar niet op mijn gemak en ik mocht wel weten waarom enkelen gevat worden en anderen niet; een wordt er opgehangen en anderen zien er zoo fijn en zoo bur-gemeesterlijk uit. Nou, \'t is de aard zoo van een mensch zoo naar zen beste weten te doen; niemand zal in de goot stappea als hij er zich uit kan houden; ze zullen toch waratje niet uit pleizier de vingers uitsteken, of femelen of zich laten trappen als ze iets beters weten te doen. Daarin en in meer nog wou \'k wel licht hebben.quot;
De arme Bob was de eerste niet, die naar meer licht had verlangd. Sedert den tijd van den ongelikten Ajax, die in de duisternis stak en hieuw, niet wetende dat hij de goden zeiven tegen zich had, tot den armsten zoeker naar kennis, hetzij stoffelijk of zedelijk, was licht, licht de groote leus der mensch heid. Zij schreeuwt nog meer om licht dan om genade. Ach! licht om in de verbodene, ijzingwekkende schuilhoeken der zedelijke wereld te dringen opdat wij bij het binnentreden haar mogen reinigen en tooien en ziften zoo als de landbouwer zijn graan zift en aldus de goede zaden mogen planten, die zullen opschieten en een honderdvoudigen oogst dragen.
Terwijl Bob aan deze dingen dacht, kocht hij wat noten van de oude vrouw, die aan den ingang van Chambers-street, op den hoek van Centre-street zit; immers de krantenjongens waren hare eenige klanten. Jaren had ze reeds haar fruitstalletje daar gehad, steeds met haar begrijsd hoofd rechts en links wenkende en schuddende, terwijl hare ingekrompen lippen werkten, waaruit één groote tand
59
te voorschijn kwam, als een waarschuwend wapen tegen ieder die haar te nabij mocht komen. Hare handen, van lange, harde nagels voorzien, waren grauw; en grauw was hare huid in al hare vouwen en rimpels; en grauw waren hare oogen, gevat in een licht vleeschkleurigen rand, terwijl het karige hoofdhaar, uit den ouden grijzen doek te voorschijn komende, die het hoofd omsloot, niet minder grijs was. Als de jongens zeiden: »wat noten, Granny,quot; op een zoo luiden toon, dat al de voorbijgangers opkeken en de oude vrouw in het gezicht kregen, dan beproefde zij te glimlachen, doch het was geen glimlach, maar wel een sneller werken van hoofd en lippen, terwijl zij geen hand uitstak om de koopers te helpen; omdat zij het niet meer kon; de jongens hielpen zich zelven, leiden hun geld op haren schoot en verwijderden zich ; en waarlijk het geld op haren schoot zag de oude Granny zeer goed, daarvan kunt gij u verzekerd houden, en dan ging het knikken, het schudden van het hoofd, het buigen eerst recht aan den gang, ja, meer dan te voren, en kwamen er meer en meer koopers en deden hetzelfde, dan mocht zij luidkeels lachen en begon te schuiven, en langzamerhand — zoo groot was hare liefde voor het blinkende metaal — vergat zij hare verstijving, sloot en klemde de zalige penningen in hare beenige vingers en stak alles in hare borst; dan kwam zij weder in rust, mompelde voor zich heen, knikte, schudde het oude hoofd weder op nieuw, als waarschuwde zij den voorbijganger zich voor het een of ander in acht te nemen.
Bob had zijnen weg langs den schouwburg van Burton, links van het park, vervolgd, alwaar hij vernam dat een zeer koddig stuk zou worden opgevoerd; doch voor de krantenjongens had dit genre weinig aantrekkelijks, zij zuchten naar meer ingrijpende, naar meer kernachtige karakterschilderingen. De krantenjongen bezoekt den schouwburg om denkbeelden te verkrijgen, en daarom gaat hij naar dien, welke het best aan zijne eischen beandwoordt, zonder dat hij daarom de bekwaamheid bezit de zedelijke strekking er van te beoordeelen. Naar prikkeling dorstende, gaat hij daar, waar hij ze het best vinden kan. Bob sloeg dus den hoek van Chambers-street om en ging in de richting van Chatamstrcel naar Bowery. Eensklaps trof een lang gelui van de stadhuisklok zijn oor en onmiddelijk daarna zag hij een kompagnie spuitgasten de straat overrennen. een hunner voorop die, de trompet blies, terwijl de manschappen achter hem kwamen aanstuiven en het slijk van de straat in alle richtingen om zich heen deden plassen.
Het is altoos een lust voor den krantenjongen met de brandspuit mee te loopen, en het roepen, van brand, hoe ijzingwekkend ook voor den koopman, wiens pakhuizen onder den last der goederen kraken, of voor den gezeten burger, in het
60
hezit van goud en zilver, van fijn linnen en damast, van een geliefde vrouw en lieve kinderen, brengt een gansch andere uitwerking voort op den hulpeloozen straatbewoner, met den blauwen hemel tot nachtelijk dek en die, het schelpdier gelijk, al zijn goed en have mededraagt. Voor hem opent die kreet van brand een uitzicht op plundering, op rumoer, op verwarring, op alles in één woord, dat de modderige oppervlakte van zijn stilstaande leven kan doen rimpelen.
Bob echter was niet »op zijn dreef,quot; en hoewel de glibberige pleinen en de blinde stegen en gangen en de nauwe straten duizenden van hunne verwilderde bewoners uitbraakten, gereed om sallesquot; te doen en dus het geraas niet weinig vermeerderden, beschutte hij zich onder het gewelf eener koetspoort en wachtte daar tot dat de volkshoop met zijn oorver-doovend geschreeuw voorbij zou zijn.
»\'t Is me,quot; sprak hij in zich zeiven, »alsof ik wat kwaad had gedaan; ik ben, zoo waar, zoo teér als een spinneweb.quot;
In dit oogenblik, terwijl de spuitgasten en de volkshoop in een vaart de straat opstoven en de regen weder bij stroomen nederviel en op de daken en door de lozingpijpen kletterde, verliet Bob weder zijn schuilhoek. Eensklaps trof het geluid vas een marsch, door muziekanten gespeeld, aangenaam zijn oor. Hij herkende dadelijk de wijs van ygt;Love nolquot; want de krantenjongens leeren spoedig de melodiën onderscheiden.
»Love not!quot; (bemin niet) herhaalde hij: Bemin niet! wat of dat wel zeggen wil? Zeker iets naars. Sam en Maria hadden mekaér lief en daar liggen nu beide, naast elkander in Greenwood. Molly zeide dat ze ééns ereis iemand liefhad, een schobbejak, zei ze, dat was hij, en nou loopt ze alle nacht rond, raast en tiert en huilt! Arme Sam!quot; En een traan uit Bobs oog mengde zich met de regendroppels, die in zijn aangezicht vlogen.
Middelerwijl waren de muziekanten genaderd en Bob herkende een optocht bij fakkellicht. Het gelijkmatige voetgetrappel, het wegsterven der muziektoonen, de weerschijn der toortsen in de duisternis, hadden iets verblindends voor het oog, iets plechtigs en geheimzinnigs, dat zijne uitwerking op Bobs reeds opgewekten geest niet miste.
Hij trad den schouwburg in. Hij zag rond naar woeligen Jack, riep hem met luider stem, stak duim en vinger in den mond en gaf het welbekende sein. Geen antwoord, en toen de gordijn opgehaald werd, was zijne oplettendheid dermate aan de voorstelling geboeid, dat hij aan niets anders meer dacht.
XIV.
EEÏfE ONTDEKKING.
Jack Sheppard is een jonge, kloeke knaap, vroolijk, vernuftig — in één woord, de bewondering zijner kameraden. Nauwelijks had Bob hem ten tooneele zien verschijnen of hij riep :
„Bijloo! dat is woelige Jack.quot;
De krantenjongens hoorden dien uitroep, \'t Was als ging een nieuw licht voor hunnen geest op en een oorverdoovend geschreeuw en gejubel getuigde van hunnen bijval. In massa rezen allen van hunne zitplaatsen op, juichten, jubelden op nieuw en wierpen hunne petten in de hoogte, tot dat het rumoer te eenenmale oorverdoovend werd. Te vergeefs trachtte de politie de stilte te herstellen. Pe verrassing der jongens was zoo groot, hunne blijdschap zoo innig toen zij één\'van de bent in zulk een prachtige kleedij voor zich zagen, en een taal hoorden spreken, hun weinig bekend, en dat „alles zoo natuurlijkquot; terwijl hij, zoo als zij \'t eigenaardig noemden, „zoo mooi als de satan uitzag,quot; dat hier geen sprake van orde kon zijn. Doch toen de woelige Jack tol aan het voetlicht was genaderd en hun met zijne hand een teeken gaf, als ware hij eensklaps een groot man geworden, hen uit de hoogte aanmaande zich rustig te houden, toen gaven zij nog één luiden kreet en volgden zwijgend zijnen wenk.
De voorstelling werd voortgezet. Jack Sheppard is zoo jong, zoo vroolijk, zoo betooverend. Hij drinkt, vloekt, speelt, verzinkt eindelijk in liederlijkheid, wordt een misdadiger, raakt te Tyburn te eenemale in het verderf en sterft op het schaTot. Stap voor stap volgt gij hem met meewarige belangstelling; en juist in dal medelijden met een stoutmoedigen, roekeloozen jongeling, waarvan de karakterschildering aldus in een valsch licht
62
geplaatst wordt en derhalve een betooverende aanlokkelijkheid aan zijne misdaden verleent, bestaat de schadelijke strekking van het stuk. Uwe kunstmatig gewonnen sympathie vergeet zijne schuld en ziet zijne ondeugden over het hoofd.
Vaak reeds was de woelige 3ack als figurant ten tooneele verschenen: zijn fijne takt, innemende gestalte, zijn gelaat en voorhoofd, dat aan den zwaardvechter der ouden herinnerde, zijn diepe voltonige stem, hadden sinds lang reeds de oplettendheid der directeuren van den schouwburg getrokken en steeds meer werden zijne diensten ingeroepen. Voor Bob was dit alles in de hoogste mate vreemd, onverklaarbaar; de arme jongen werd weder op een harde proef gesteld. Hij zag zich alweder als ware het verlaten zoo als hij reeds menigwerf in zijn leven was geweest; Sam en Maria weg, en de woelige Jack nu op eens een igroot manquot; geworden.
De vroegere geschiedenis van Jack, die hij slechts bij gedeelten had leeren kennen; zijn karakter, zoo zeer naar uiter lij ken glans strevende, zoo zeer gelijkende aan dat van Jack Sheppard, dat hij den rol niet behoefde te spelen, maar slechts zich zeiven in woorden te kleeden, dat alles deed in den armen jongen een angstig, onheilspellend voorgevoel geboren worden.
»\'t Is me,quot; zeide hij in zich zeiven »ais zag ik woeligen Jack net zoo\'n leven voeren als die Sheppard deed; net zoo\'n knappe jongen; de meisjes hebben hem lief, de mannen vertrouwen hem, och, och ! hij zal net zoo doen als Jack Sheppard en net zoo\'n end hebben.quot;
En dit zeggende, stapelde hij wat nieuwsbladen op tot een kussen onder zijn hoofd en schikte zijne ledematen tot rust. Bob zeide geen gebed op alvorens te gaan slapen: waartoe zou hij? en hoe zou hij het? Maar dat onophoudelijk luisteren naar de vermanende stem daar binnen, die hem toefluisterde; »doe wat recht is, doe wat recht is,quot; dat vurig verlangen om den weg te leeren kennen, die daarheen !eidt, bleef niet onopgemerkt in de groote huishouding des heelals. Of had niet de heilige zuster Agnes een traan op zijn voorhoofd laten vallen toen zij, zoo lang geleden, voor hem bad? En had hij zelf, hoe onbestemd en ongewis nog zijn pad ware, niet beproefd het doel van zijn aanwezen te doorgronden? Toen nu Bob dezen avond, zich weder alleen ziende, zijn hoofd neèrlei om den slaap te genieten, terwijl de regen op hem nederplaste, hadt ge met de oogen uws lichaams en die uwer ziel een glimlachenden engel kunnen zien, over den armen krantenjongen heengebogen, hem beschuttende voor den regen, en zijne arme ingevallen slapen met vleugels dekkende, en ge zoudt verbaasd hebben gestaan bij den hemelschen aanblik van den krantenjongen; ge zoudt u hebben verwonderd hoe hij weg toog naar »het schoone oordquot; waar de vogelen
63
van overhangende twijgen liefelijk kwelen, en de bloemen in eeuwigdurenden bloei ontluiken, en waar geen schaduw, geen tranen, geen zonde, maar een altoos rein, altoos zich hernieuwend genot heerscht.
Ik geloof dat de hernelling, met wien de arme, verlaten, met lompen bedekte Bob oprees, zijne moeder was, en de plaats, werwaarts zij tocg, de hemel, en ik ben niet verwonderd dat toen hij ontwaakte de verborgenheid des levens hem minder duister en minder drukkend toescheen.
XV.
HET VISIOEN.
Den volgenden dag was het Sabbath en, toen Bob naar de fontein ging, om zich tot den dag voor te bereiden, had ik een visioen, voortgebracht, bedrieg ik mij niet, door den aanblik van Bob, den aanblik van zijn afgevallen, bleek aangezicht, zijn verlaten staat in één woord, van den knaap bijna nog kind, met niet ééne hand, in de wijde wereld gereed om hem te helpen.
Op een helderen Sabbathmorgen — ik ben overtuigd dat het sabbath was, want het schoone denkbeeld van den sabbath is over het wereld-al verspreid; dat denkbeeld voert vreugde, vrede en schoonheid mede, waar het zich vertoont. Het is dat der heldere, goddelijke rust onmiddelijk van den goeden hemelschen Vader in de ziel van al het geschapene nederdalende, en daarom moet de ziel in goeden staat zijn om het in zich op te nemen. Het was dus sabbath, zoo als ik zeide, en de vogels zongen tot lof des Heeren; langzamerhand waren de bloemen ontloken, tot dat iedere knop een roos was, doch zonder dat ge wist hoe, want voor de bloem is het altoos sabbath; het hemelgewelf, vol azuur en goud lag over de toppen der hooge boomen gespreid — en vormde een tempel vol zuilen en bogen en bevallige sieraden van ineengevlochten takken, door welke de wind een plechtigen lofzang deed suizen.
Vervolgens zag ik een stad, wier klokken in reinen metaalklank luidden, en hare heldere stemmen door stegen en gangen tot in achterstraatjes lieten doordringen, de menschen tot het gebed oproepende. Meermalen was de sabbathdag even helder als deze begonnen. Meermalen hadden het vogeltje en de blcem en de kelk geroepen: „Kom, laat ons zingen tot \'s Heeren lof, laat ons jubelen, den God onzer verlossing ter eer!quot; doch de roepstem had voor doove ooren geklonken. Nu was het
65
anders. Een nieuwe gedachte was voor de wereld geboren. Nu sloop iets geheimzinnigs van hart tot hart en spoorde ieder aan zijnen naaste goedwilliger in \'t aangezicht te zien, en hij, dien hij eerst voor een vijand, voor een verworpeling, voor het uitvaagsel der aarde hield, werd nu bevonden een broeder te zijn; en toen de menschen dit zagen, sloegen zij allen de blikken hemelwaarts en zongen allen eenstemmig: Onze Vader.
Aldus stonden de armen, de nederigen, de verstootenen en verdrukten allen op en begonnen, op de roepstem der christelijke sabbathklok, naar de kerken te dringen. De Five Points deden hunne broeders in Lazarus uitstroomen. De dokken, kelders, vlieringen, de modderige gangen, alwaar het stilstaande water in onderkelders het bezit aan de ratten betwistte, gaven hunne lijkkleurige en afgeteerde bewoners op. Nauwe straten en binnenplaatsen, vaten, troggen, ledig staande bakovens, aschhoopen, allen leverden hunne ellendige, van vreugd misdeelde bewoners en dat alles om aan de levenwekkende roepstem gehoor te geven; kom, laat ons zingen tot \'s Heeren lof!
De kerkklokken luidden, en daar naderden die kinderen van den nacht, half naakt, met lompen bedekt, afgeteerd. Ziekte en honger, ondeugd en misdaad, armoede en ellende, spraken als om strijd met verwilderden, achterdoclitigen, wolfachtigen blik uit het midden van den hoop. De armen Zij wisten niet hoe afzichtelijk zij er uitzagen, want zij hadden geleefd en geslapen te midden van venijnig broedsel en venijnige ondeugden, en wisten niet hoe zeer zij er aan gelijk waren geworden. Zoo renden zij voorwaarts. Sommigen sloegen den weg in naar de Drieëenigheidskerk, anderen naar die der Genade, weder anderen naar de kerk van den Messias, velen naar de Pelgrimskerk; daar wierpen zij zich onder het kermen der ellende en de scherpe roede van den honger, en de smetten van de ondeugd, op de marmeren vloersteenen en één groote kreet: „ontferm u onzer, o God!quot; ging op uit ieders hart.
Men hoorde er ook het ruischen van het fluweel, het knetteren der geborduurde stol, het suizen des waaiers, het ritselen der kant, maar het volk, de kinderen Gods, was plotseling door den uitgang van den Sabbatlidag machtig bewogen geworden en zijn Te deum laudamus rees als een zoete geur tot den troon des Eeuwigen op, en daarom bevroedden die kinderen der onwetendheid de heteekenis niet van al dit ge-druisch der hoogyrplaatsle godsvrucht.
Als honden werden zij op \'s Heeren straten behandeld: geschopt, gesmeten, gesmaad, waren zij aan verachting en verlaging, aan haat en wreedheid gewoon; den meédoogenloozen
5
66
Strijd der elementen, den nog meêdoogenloozer aanval van menschelijken laster waren zij onder de oogen getreden, en daarom bekreunden zij zich niet om dit nieuwe blijk, dat zij er nu van waarnamen; in waarheid hielden zij het er voor, dat de beschermengelen van het heiligdom in dezen oogenblik boven hunne arme gebrokene en verguisde harten bij scharen zweefden, zich in huune gezangen mengden, naar een beminnelijk beeld op eenigen afstand wezen, dat te midden van den verachten drom zich afsloofde, op zijne zwakke schouders een kruis drukte en wiens lippen baden: »Vader, vergeef hun!quot; bij welken aanblik hunne lippen een sidderend zuchten deden hooren en de woorden herhaalden: »Vader, vergeef, vergeef!quot;
Het vizioen verdween en niet anders dan een arm, halfnaakt, klein schepsel bleef zichtbaar, dat te midden van al de welgekleede mannen en vrouwen de kerk der Genade binnentrad, te midden van dien dx-om, die zijne weelde ter sab-bath-tentoonstelling ronddraagt. Hoe vreemd keek dat volk op! Enkelen glimlachten, als ware het iets grappig, een arme die kerk te zien binnengaan. Anderen fronsten de wenkbrauw, als ware het iets onbeschofts van den arme zich in die kerk te vertoonen; velen keken dreigend, als ware het een misdaad van den arme, die kerk te durven bezoeken. Maar meer dan allen was de koster verbaasd, juist in het oogenblik toen de arme Bob, te eenenmale met al wat er omging onbekend, maar brandende van verlangen iets van de schrikbarende verborgenheid des levens te leeren kennen, in-stinkmatig op zijne knieën was gevallen; terwijl zijne lompen het kostbare vloerkeed van het koor aanraakten, ping de kerkedienaar, nu zelf voor bestraffing beducht omdat een menschelijk wezen, te nauwernood met eenige lompen bedekt^ dorst wagen deze heilige ruimte binnen te treden, naar den jongen en legde hem eenigzins ruw zijne hand op den schouder. Bob zou er uitgeworpen worden, en echter ver-r moedde hij zelts niet dat hij iets onwelvoegelijks bedreef. Hij wist dat men hier geen entrée behoefde te betalen: dat was ook al wat hem van een kerk bewust was; wijders wist hij ook, dat die kleine bankjes, zoo weelderig, zoo mollig voorzien van zijden kussens en tapijtjes en van kerkboeken mee gouden ïlolen en van bijbels verguld op snee, andermans goed waren; daar binnen te dringen kwam niet bij hem op; maar in zijne onnoozelheid meende hij dat de doorgangen en voorportalen ten gebruike waren van ieder, die God wenschte te bidden. Bovendien, had hij ten aanzien van zijn eigen persoon zelfs geen zweem van vermoeden, dat hij in het minst iemand tot last, in het minst een voorwerp van afkeer of verachting kon zijn. Door eigen werk voorzag hij immers in al zijne behoeften, en, minstens twee of drie geslachten van Bobs nakomelingen
67
zouden moeten uitsterven, alvorens zij tot gevoellooze hardvochtigheid konden verfijnd zijn. Misschien zelfs zouden zij het nimmer zoo ver brengen, want een enkel waarlijk groot, rein-j minnend, menschelijk hart is voldoende om aan vele volgende geslachten zijnen bezielende adem mede fe deelen.
Zie Jezus van Nazareth! Bijna twee duizend jaren geleden stond hij alleen te midden van zelfzuchtige, rijke, aanzienlijke joden en sprak: Verneemt een nieuw gebod: shebt elkander lief,quot; en thans zijn al die vermogende joodsche vromen, die zoo minachtend, zoo vol ergernis zich verhieven, die ééne groote, minnende ziel wreed vervolgden, verdwenen en vergeten, ja, erger dan dat; hunne schuld wordt herdacht; maar de leering en de ziel, die in de woorden van den edelen Jezus ademden, doen na verloop van zulk een aantal eeuwen zich nog onvervalscht hooren, onvervalscht als de zang van den vogel; zij schitteren nog als de dauw van den morgen in uw hart en het mijne, en ons hart springt op van vreugde telkens als wij ze ons mogen herinneren.
XVI.
LICHT.
Doch wij hebben den armen Bob al dien tijd aan den ingang van het koor in de kerk gelaten, waar zoo vele rijk gekleede menschen bem voorbijgaan, en ieder, uit vrees van zich door aanraking met hem te besmetten, zijne kleederen bijeenhoudt; daar ligt hij nog met de hand des kosters op zijnen schouder. Hij zou de kerk uitgeworpen zijn, zeide ik, maar toevallig waren een heer en dame op het punt de bank binnen te treden, voor welke Bob geknield lag, en de kerkedienaar diende hem afs toegift een trap toe omdat hij in den weg lag. Bob bemerkte het en meenende dat dit het eenige bezwaar was, week hij ter zijde en boog toen weder ootmoedig zijn hoofd. Nu steeg den koster het bloed naar het hoofd; met een ruk was de knaap op zijne beenen en hij zou hem nu ook meteen de deur hebben uitgeworpen, indien niet een klein handje den arm van Bob had gegrepen en hem in de bank had gehaald en met een zacht stemmetje hem had toegefluisterd: »Kom hier binnen en kniel neer.quot; Bob deed wat het stemmetje zeide; niets vreemds, niets zonderlings ook in dit voorstel ziende. Zie, dat kind was de kandelaar die licht gaf in den tempel des Heeren.
Zoo weinig dacht onze krantenjongen aan zich zeiven, dat hij niet eens vermoedde hoe zeer zijn armzalig gewaad afstak bij al de weelde, die hem omgaf: nij zag niet eens naar die menschen in de kerkbank op; had hij het gedaan, hij ware eenigermate verwonderd geweest te zien dat daar tranen in die oogen glinsterden, en de hand, die zijn arm had gevat, sedert niet anders deed dan tranen wegpinken uit het oog van haar eigenares. Diezelfde hand bood hem een gebedenboek aan toen de geestelijke aldus begon; »De Heere is in
69
zijn heiligen tempel.quot; En de gansche gemeente rees overeind (Bob echter bleef geknield liggen, het arme kind wist niet beter), en toen de kleine hand hem het gebedenboek toereikte, zag hij niet op, maar fluisterde slechts:
»Kan niet lezen.... kan niet.quot;
Toen werd de kleine hand weer aan het oog gebracht. En toen de predikant gedurende den dienst de geschiedenis las dergenen, die geroepen waren voor den rechterstoel te verschijnen en dat degenen, die den gevangene hadden bezocht en den hongerige gespijzigd en den naakte gekleed, beloond werden, zelfs voor het geringste, dat zij aan hunnen evenmensch hadden gedaan, gedaan in den echten geest der liefde, toen stroomden tranen van gevoel uit de oogen van den armen Bob en met den mouw van zijn buisje — ach! de arme wist niet beter — veegde hij die tranen af. Bob vatte alles, alles samen onder het voorschrift: sdoe goed, wanneer gij kunt.quot; En toen de mond des heiligen priesters herhaalde: «Bemint elkander, doet elkander goed, wanneer gij kunt,quot; toen begreep en gevoelde Bob alles; een helder licht had in zijn geest geschenen; hij gevoelde zich trotsch door die nieuwe denkbeelden, die tot hem waren gekomen; zijn gemoed was zoo vol, zoo ruim, zoo verheven, dat hij zich naar de kleine keerde, die naast hem knielde en sprak:
»\'k Geloof zoo waar, dat ik niet meer verdragen kan.quot;
En Bob verwijderde zich zwijgend; zijn lichaam was half niet groot genoeg voor zijn groote gedachten. sNou zie \'k \'t al,quot; zeide. bij in zich zeiven, «alles is mij duidelijk. Liefde doet alles; liefhebben is een weg tot goeddoen.quot;
En Bob voelde zich als aangedreven om de eng beperkte ruimte met steen en kalk bezet, en de dicht geplaveide straten te ontvlieden, om de hem pas geworden openbaring te kunnen dragen.
»Versche lucht moet ik hebben,quot; zeide hij tot zich zeiven. »Bij mijn ziel! ik begrijp niet, hoe al die menschen daar kunnen blijven zitten en alles tot het einde aanhooren.quot;
Bob wist niet dat onder die gansche daar geknield liggende menigte, met gebeden op de lippen en goddelijke waarheden in het oor, zijn hart het eenige was geweest, waar het goede woord in een goeden bodem was gevallen; hij wist niet dat de engel, uit den hemel gezonden om het Huis Gods met Zijne heerlijkheid te vullen, gereed om duizend harten met een gloeiende kool van Gods altaar aan te raken, slechts één vond genoegzaam toebereid het hemelsche geschenk te ontvangen, en dat dit ééne hart in den boezem klopte van een armen, onwetenden knaap, zoo even bijna van den drempel geschopt.
XVII.
SCHEMERING.
Bob zag woeligen Jack met den kleinen Fik, die naast hem liep ; doch het was hem als kon hij in dezen oogenblik met met hem pralen. Jack was hem zoo goed mogelijk tegemoet gekomen, door als grondregel te stellen, ))de bes e weg is altijd steeds op den sterkere in te houwen en den zwakke te helpen, doch daar dit voorschrift te onbepaald in de toepassing was en te veel wijzigingen toeliet, was hij er niet ver mee gekomen. Wiiders deed die geschiedenis van Jack Sheppard, juist iemand van den stempel van woeligen Jack, en die een zoo treurig uiteinde had, — hem, zoo als hij meer dan eens zeide:
«verstommen.quot; , ,, , .... . ,
Voortaan gevoelde Bob dat hij iets handtastelijks had, waai-naar hij zijn koers kon richten. »\'k Zie \'t — zeide hij weder, liefde doet alles,quot; en dus voortgaande had hij Soulh-Ferry, het zuidelijke veerhuis, bereikt. Daar stonden de krantenjongens lanes de toegangen en boden hunne bladen aan de gaanden en komenden te koop aan, terwijl zij hunne kleine, beenige, zwarte handen door de traliën staken en riepen: Zondagsblad, Koerier, Herald, Merkurius, Atlas, Timesquot; zoodal gij u waarlijk niet kondet onthouden te lachen over het helsche geraas, dat zij maakten; en zij, u ziende lachen, lachten mede en dan kocht gij, natuurlijk, een nieuwsblad, want een ongedwongen, ongekunstelde lach is meer waard dan al het geld in uwen of mijnen zak, hoewel, over \'t algemeen, het geld met zeer gesteld op het verblijf in mijne zakken schijnt te zijn.
gt;Hier is Bob, hier is onze Bob,quot; juichten de kleine kranten-iono-ens; want die kleinen, niet oud of krachtig genoeg om grootere afstanden af te leggen, hebben zich het monopolie van de kranten te South-Ferry toegeëigend.
71
Bob wierp den jongens wat centen toe, betaalde zijn stuiver en ging door. Gansch alleen sloeg hij den weg naar Greenwood in. Sam en Maria hadden reeds hunne wederzijdsche liefde in het heerlijkste licht getoond; doch nu waren zij in de oogen van Bob eensklaps geliefde, aanminnige wezens geworden en het was hem als moest hij het licht, dat In zijne ziel begon te schijnen, naar het graf der twee gelieven brengen. Aan den ingang van het kerkhof wees hij met eenigen trots zijn kaartje; die trots was zeer in hem te rechtvaardigen; en toen hij in den afgelegen hoek was gekomen, waar een fraaie steen, met het opschrift:
DE
KRANTENJONGEN
EN
MARIA.
zoo indrukwekkend overeind stond, voelde Bob weder een rechtmatigen trots, want een deel van die hulde was zijn werk. Hij had er toe bijgedragen, Sam en Maria der vergetelheid te ontrukken. Wanneer wij bedenken dat Fanny Osgood geen steen op haar graf heeft, en Maria del Occidente nauwelijks meer herdacht wordt en Mellen en Poe en een menigte kinderen van het genie, geen grafteeken bezitten, hoewel, bij hun leven, duizenden hun eigen ijdelheid in het licht hunner vermaardheid koesterden; wanneer wij ons dat herinneren, dan kunnen wij licht den eerlijken hoogmoed vergeven van den armen niet-onderwezen Bob, toen hij daar stond, in bewondering verzonken voor het eenvoudige gedenkteeken, dat de plaats aanwees waar de asch zijner vrienden rustte. Hier zette hij zich op het grasperk neder en zag hoe het rondom de twee terpen was opgeschoten en hoe het rozenboschje, dat voor het geld der jongens daar was geplant, in vollen bloei stond, en hoe het klimop den steen reeds in zijn geurigen boei knelde; toen voelde hij meer zijn verlatenheid, daar die veranderingen aanwezen hoeveel tijd reeds sedert hunne scheiding verloopen was.
»Ge waart goed voor me, Sam,quot; zeide de dankbare knaap, »toen ik nog maar een schandaal, een stommeling was, en Maria was ruim zoo vrindelijk nog. Me dunkt dat ze nou niet meer engel kan wezen, dan ze toen was. \'k Heb haar vingerhoed bewaard, Sam, dat heb ik; hier is hij, hier onder mijn buis, op Bobs hart.quot; En hij ontvouwde langzaam een papiertje, tot dat een zilveren vingerhoedje zich vertoonde,
72
waarop hij zijn oogen vestigde, terwijl tranen langs zijn wangen biggelden.
s\'t Is magertjes-... zoo als zij was:quot; en hij stopte het weg en verborg \'t aan zijn groot hart.
Als gij en ik, lieve lezer! niet meer zullen wezen, zou het mij zeer verwonderen als er zulke tranen op ons graf zouden gestort worden. Wee mij!
De zon schoot haar gouden stralen uit het westen en de zilveren, volle maan scheen in het oosten, aldus genoegzaam een dubbelen dag scheppende. Hare zilveren stralen kusten de gouden stralen der zon en baanden zich een weg door het dichte loof, om zich aldus met de andere te vermengen. Beider stralen gleden over grafzerken en gedenkteekenen, nu eens een egyptischen graftempel verlichtende, of wel een slanke grafnaald, dan weder zachtkens verwijlende ter plaatse, waar een klein, verweerd terpje de plek wees, waar een kind in den eeuwigen nacht rustte. Bob zag een ranke gestalte, met lange gouden haren en bloote schouders, op het kleine terpje zittende, maar toen de zon onderging was de gestalte verdwenen. Zij was getogen naar
«zonnen die elders ondergaan.quot;
De vogels staakten dien avond niet zoo vroeg als naar gewoonte hun zang — want het helderschijnende maanlicht verleidde hen tot een aanhoudend kwelen. Het gestreepte eekhorentje kwam van achter een graf te voorschijn, zag met zijn lichtende oogjes rond, beklom het marmer, poetste zich en snaterde, en zijn wijfje kwam ook en zij begonnen een wedren over de steenen. Een groote vischreiger, op een der hooge hoornen gezeten, sloeg met een schrillen kreet den weg naar zee in. Plechtig dreef een adelaar dwars door het blauwe luchtruim en verloor zich toen in de verte. De vogels begonnen in hun verscholen woningen te nestelen en een dunne nevel rees boven Silver Lake op, waar de fontein met zacht dommelend gemurmel nederspatte. De boompadde tr.lde in het gebladert en de kikvorsch en schildpad begonnen hun schemeravond-tocht. Eindelijk deed een uil zijn luid gekras van boven de bogen eens grafteekens hooren, en een rat kroop schuw langs de bezande laan.
»Net als in de levende stad,quot; zeide Bob; »dat nachtgebroed komt nou ook te New-York uit zijn hoeken en holen. Daar sluipt en rent ook zoo de kat en de rat; en mannen en vrouwen die ze wel lijken, gaan er nou op en neer. En die graven zijn niet slimmer dan die andere, die Tombs, in de stad, waar zaken gebeuren, waar men zoo min graag aan denkt, als aan de wormen die kruipen, \'k Zie \'t.... \'t is me alles klaar. Drinken, liegen, stelen, rooven, alles brengt je tot een slecht end — maar liefhebben houdt je van boze
73
zaken verwijderd. Dat wist je, Sam, en je deedt het, en nou weet ik het ook.quot;
Deze woorden zeggende, knielde Bob en bleef een poosje geknield, doch sprak niet. Den armen Bob ontbrak het aan woorden om de groote eischen van zijn arm, jong hart uit te drukken. De schaduwen der graven deden het bloed in zijn aderen verstijven en hêt koude onaardsche licht der maan schoot als een angstkreet door zijn hart. Het was zeer laat, over middernacht, toen Bob Bowlinq-Grecn bereikte. Hij dronk een teug water aan de fontein tegenover Broadway, legde zich toen op de bank neder, bedekte zijn aangezicht met een courant en sliep gerust en vast in bij het geruisch der bladeren en het gemurmel der fontein.
XVIII.
DE LAATSTE VRACHT.
Bob was al zijn leven dermate aan hel ontwaken der stad gewoon geraakt, dat hij nog sliep toen de veerbooten bij tusschenpozen haar gelui deden hooren en de werklieden van Brooklyn reeds op de been waren. De ijsvoerlieden kwamen aanrijden, terwijl een stroom koud water van hunne karren afdroop, waarop de ijsblokken, tot stapels opgehoopt, als diamant in de morgenzon glinsterden. De melkboeren, op hun poppige, ronde karretjes gezeten, vlogen voorbij, bij tusschenpozen hunnen eigenaardigen roep latende hooren, zoo als de Whoop —de oorlogskreet — der wilde Indianen. De stoom joeg en blies bij tusschenpozen uit de kleppen van pas aangekomen stoombooten. De uitgeputte zwierbol kroop huiswaarts om zich voor het licht te verbergen, in hetoogen-blik zelf, waarop de vogel in Bowling-gree7i uit zijn nestje sprong om den herboren dag met zijn zang te begroeten. In dat oogenblik voelde Bob zich zoo hevig bij zijn haren trekken en hoorde een zoo harden schreeuw in zijn oor, dat hij on-middelijk overeind was. Naar den grond ziende, zag hij esn paar beentjes, die hij onder het opspringen had geschopt, en twee treurig ziende oogjes gluurden hem aan, door de tranen heen, die in de zijnen stonden.
»Een mooie schotel visch, bij mijn ziel!\'\' riep hij uit. Hij zag naar Broadway, doch bemerkte niets ongewoons, zag rechts, links af, niet zoo als koning Hardicamit, toen men hem zag Statig oostwaarts treên En statig naar het ivcsten heen.
want Bob, hoewel een held, onze held, waarde lezer, behoorde volstrekt niet tot het krijgs- of vechtende geslacht. Niemand zag hij, dien hij kon vermoeden de eigenaar te zijn van het
75
kleine wicht, aan zijne voeten neergelegd. Doch de ijzeren staven ziende, aan de linkerzijde van de platten, door onze burgervaderen tot een fontein opgestapeld, bemerkte hij tus-schen deze door en een der ovens, »die,quot; zoo als Bob zeide, sscheen te werken als een Satan, die vurig spog in een kwispedoor spuwt,quot; bemerkte hij, zeggen wij, twee oogen uit een ingevallen, lijkachtig gelaat, die naar hem tuurden en het lot schenen af te wachten, dat het arme, kleine, verlaten wicht zou te beurt vallen.
Zoo snel als de gedachte nam Bob het kind op (het woog schier niets) en wendde links af naar Bowling-Green, met het voornemen het kind aan de vrouw terug te geven. Zij scheen zijn plan te raden, want ijlings vlood zij in de richting van South-Ferry. Zij scheen weinig of bijna geen kleederen aan te hebben, tenzij een versleten katoenen jurk en een klein grijs omslagdoekje, terwijl haar zwaar, verwilderd hoofdhaar, door den wind in beweging gebracht, als een zwarte sluier of vlag over haren rug golfde. Toen zij het veerhuis bereikte stond zij niet stil om de vracht te betalen; zij had een anderen vrachtpenning aan een andere poort te betalen, die de levensvaart voor altoos sloot. Bob mocht nu ook zijnen tred niet laten verflauwen, en ging zonder te betalen door. De arme, jonge vrouw hief hare handen ten hemel toen zij den zwarten poel in de diepte naderde; één enkelen blik wierp zij rugwaarts, een wilden, niet meer aardschen blik, naar Bob en haar kind, en de wateven hadden zich reeds boven haar hoofd gesloten, in het oogenblik dat de veerboot aan den steiger aanlegde.
De stuurman, zoo als te begrijpen is, hield met zijn vaartuig af en de goedaardige veerschipper, wiens heldere, zwarte oogen en hoogrood aangezicht zoo vele jaren achtereen als een zegenrijke morgengroet voor de voeieerders uit Brooklyn waven, sprong van zijn nauwe standplaats af om al het mogelijke ter redding van de arme drenkelinge te beproeven. Bob zat op den rand der balken, met het wichtje in zijn arm, terwijl de schepelingen boomen en haken uitstaken om de vrouw te grijpen. Doch zij was verdwenen; het arme wezen, aldus op de welzanden des levens te pletter geslagen, was naar den onbekenden Oceaan afgedreven. Zij had haar laatsten vrachtpenning betaald.
Te vaak had de krantenjongen lijden en ellende bijgewoond, dan dat hem dit voorval bijzonder zou hebben aangedaan; Bob stond dus op, steeds met het kind in zijn armen. Nu stelde hij het op den grond en toch deed zelfs de aanblik van dat schepseltje hem rillen, zoo klein, zoo mager, zoo bleek was het; en daarenboven scheen zelfs de ruggegraat krom of gebroken te zijn. Het kindje kon vijf jaar of daaromtrent oud wezen; zijn handjes of liever vogelklauwtjes waren gesloten
76
en met zijn groote spookachtige oogen, door een bleek, schraal gefronst voorhoofdje overschaduwd, zag het Bob vlak in het aangezicht.
»Zie me niet zoo strak an,quot; mompelde hij, »niet zoo strak an, je boort me in me ziel, aapje! Hoe heet je, zus?quot;
»Minnie,quot; antwoordde het kind met een zwak, dun stemmetje. De lipjes beefden, de blauwe adertjes van het voorhoofd zwollen, een flanw rood begon de wangen te kleuren; het kind begon te snikken, te sidderen, als wilde het zijn tranen onderdrukken, en toen gaf het een bedekten, schrillen kreet, die steeds luider werd, tot dat hij de hoogte van den gil eens gewonden panters had bereikt.
Het groote hart van den krantenjongen was getroffen door het lijden van het arme wicht. Hij nam het weder op en sloeg er Whitehall-street mede in. Hier kocht hij een glas melk voor zich en het kind, en, indachtig aan zijn beroepsbezigheden van dien dag, haalde hij een oude vrouw, die aan den hoek van de Batterij met een stalletje zat, over, Minnie tol den avond bij zich te houden; de goede vrouw stopte \'t. kind in een mand, zoo als ze anders met een katje zou hebben gedaan.
Den ganschen dag kon Bob het beeld van Minnie maar niet uit zijn geheugen verbannen. Nu eens nam hij zich voor haar naar het armhuis te brengen, maar dan verbeeldde hij zich de smeekende oogen der arme moeder voor zich te zien, in het oogenblik dat zij zich in den rollenden stroom wierp en die blik zeide: »Houd haar bij u om Gods wil!quot; Vervolgens dacht hij weder aan die goede, vriendelijke, moederlijke vrouw, die het kind in hare mand had geplaatst, waaruit zij de kleêrtjes haalde, die zij voor haar talrijk arm kroost te huis moest verstellen. uNeê,quot; zei hij dan, »\'t kan niet,\'t kan niet; \'t arme mensch, ze zou nog een mond open te houên hebben.... Ik zal het wel doen!quot;
Zoo redeneerde Bob en nu begon hij te overleggen waar hij het kind best kon plaatsen. „De zusters van liefdadigheid,quot; dacht hij, „zouên haar wel opnemen, maar \'t arme schepseltje heelt een krommen rug, niemand zou \'t lief hebben, of \'t moest haar moeder zijn; en die is nou weg.... Dus zal ik voor haar doen wat ik kan.quot;
XIX.
GRIETJE.
Toen hij Broadway naderde, zag hij naar de hem voorbijgaande bedelaars, en monsterde ze allen of er ook een vrouwspersoon onder was die hem zou kunnen ten dienste staan. De jonge deernen, met hare lange, magere, morsige beenen, ver uitstekende onder haar loshangende katoenen jurkjes, beantwoordden zijn wenken half lachende, half verwonderd; hij begreep dat van haar niets te wachten was. Botliany-street naderende, herinnerde hij zich Grietje aan de Five-points, en begaf zich tot haar, om te zien of hij haar moederlijk gezind genoeg zou vinden om het kind onder hare hoede te nemen. Grietje was een kloeke, vroolijke meid, tien jaar oud of iets daarboven, een wezenlijk ongelukskind, een „vrouwelijke afvallige,quot; een schepsel, dat over alles schaterde van lachen, hetgeen zij altijd van een vracht klinkende vloeken liet ver-zeld gaan. Vernuftig, rad van tong, en vlug als een jong kalje was Grietje. Zij wist haar lichaam verbazend vlug op een schrikbarende wijze in alle richtingen te buigen en te wenden, als een jonge koordedanseres, of leunde op het vensterkozijn, prijkende met haar luiheid, de type van een wild, vadzig, ongetemd meisje. Haar vaardig spotten, haar luidkeels lachen, en haar vlugheid waren het voorwerp der bewondering van die gansche diepverdorven buurt, en nochtans lag in die oogen iets diepzinnigs, iels hartstochtelijks en tevens eem onderdrukte stroom van bedaard nadenken, het voorteeken helaas! van een stormachtige toekomst, zoo als het vervolg dezer geschiedenis zal leeren.
Op hel tijdstip, waar wij nu gevorderd zijn, was Grietje echter, zoo als wij zeiden, niets anders dan een ongelukskind; nochtans bezat haar luide, vroolijke lach een magnetischen klank.
78
niet onaangenaam voor het oor. Bob, van de overzijde der oude brouwerij naderende, zag haar met de beenen over elkander tegen een fonteinpomp leunende; hij dacht er geen oogenblik aan dat het meisje bovenmatig groot voor haar jaren was en inderdaad iets opmerkelijks in haar uiterlijk voorkomen verried. Zij leunde achterover; met ééne hand hield zij haar lange krullen van haar oogen, waarin zinnelijkheid met den meer stroeven aart van reiner gevoelens scheen te kampen; zij glinsterden, die oogen, ja, maar tevens lag zwaarmoedigheid en zielewarmte onder die zware leden verscholen. Om hare volle, half geopende lippen speelde een glimlachje, dat twee rijen parelwitte tanden liet zien. Zij paste op een hóóp morsige kinderen, die nu eens hevig twistten, en in het volgende oo\'genblik een schaterend gelach en gejool deden hooren. Hoe jong Grietje ook was, deed zij toch niet mede, maar keek verrukt het spel toe, even verblijd wanneer zij elkander met woedende kreten aanvielen, elkander de haren uittrokken, beten, knepen en sloegen, als wanneer zij hun drift aan een arme verdwaalde rat koelden, die zij in de goot hadden gevangen. Van uit een hoek des gebouws zag Bob met een onuitsprekelijken afkeer dat tooneel aan. Eensklaps zag Grietje op, ontmoette zijn blik en schrikte. Het scheen als of een blogj — de gewone blos van voldane behaagziekte, — haar bruine wang met een fraaieren gloed overtoog; zij sprong op, draaide vlug om de pomp heen, terwijl zij lachte en met haar vingers naar den krantenjongen snapte.
„Niets met haar te maken, — dat \'s klaarquot; zeide Bob in zich zeiven, voelde zich rood worden zonder zelfs er de oorzaak van te weten. quot;Waarom? — ze zou Minnie zoo slecht als dat gebroedsel maken, mogelijk zou ze er nog pret. van hebben, ^t arme gebroken schepseltje net zoo te hooren balken als de anderen. Liever wil ik haar ik weet niet waar zien, ja!quot; En Bob sloeg weder den weg naar Broadway in, zonder zelfs Grietje een blik meer waard te keuren, hoewel haar krullende haren rondom de pomp fladderden, en zij — \'t was duidelijk — den krantenjongen scheen te wachten, die er echter niet den minsten lust toe gevoelde en zijn weg vervolgde.
XX.
DUIF EN SLANG.
Bob liep Broadway af en wist maar geen middel uit te denken -wat met Minnie aan te vangen, misschien wel eenig behagen er in vindende dat hij iemand te verzorgen had. Trouwens, hoe meer Bob aan het kind dacht, en hoe dieper de laatste blik van de ongelukkige moeder in zijn groot hart drong, hoe meer Minnie er zich meester van scheen te maken, zich als ware het in den zonneschijn van dat gloeiende hart te koesteren, even als een goede of schoone gedachte, in uw of mijn brein opgekomen, daar vleugels aanschiet.
Nu was hij den prachtigen bazar van Stewart genaderd, toen hij een dolenden orgeldraaier den lederen riem van zijn hals zag losmaken, zijn orgel van den rug naar voren halen en, met een forsche hand, helder beginnen te spelen. Het was een mooie italiaansche knaap, waarom ook al de dames uit haar portierramen vooroverbogen om naar de muziek te luisteren, terwijl zij hem geld toewierpen, en een allerliefst meisje, dat met den eenen voet op de trede van een rijtuig slond, waarin haar mama pas was geklommen, vroolijk in haar handen klapte, en nu geregeld eenige toeren begon te maken op de maat van den wals dien de knaap speelde.
Bob staarde naar haar als naar een bovenmenschelijke verschijning; doch spoedig werd zijn oplettendheid van haar afgeleid door een stem die hij dicht aan zijn oor, het woord Sacre! hoorde uiten, terwijl de tanden knarsten van hem die dit woord sprak. Hij sloeg de oogen opwaarts en zag een langen, donkeruitzienden man, zorgvuldig en naar de mode gekleed, die naar het meisje keek met een gelaat, waaruit hoegenaamd niets sprak, doch uit wiens oog een brandende adder-blik van verrukking straalde; iets dat u aan Coleridges gedicht van de duif in de kringen van de slang deed denken, terwijl zij op haar offer staart.
80
»Imogene!quot; riep een zacht stemmetje uit, de koets! Het kind keerde zich om, haar oog ontmoette dat van Bob, van dien knaap op wien zij haar kleine hand, van welke rijke kanten nederdaalden, leide, (Bob herkende de hand en den arm dadelijk, alhoewel hij er niet aan gedacht had dat ze hem waren bijgebleven, tot dat hij ze nu weder herkende), ja, datzelfde handje uit de kerk der Genade leide zij nu op zijn arm, en zeide op de wijze van een jonge juffrouw, tamelijk verlegen; »ge moet gauw weêr in onze bank komen;quot; toen gaf zij gevolg aan de roepstem harer moeder, immers er was een gansche menigte volks op het trottoir te zamen gestroomd, zoo als altoos in Broadway het geval is wanneer er slechts het minste gebeurt buiten den gewonen sleur, om \'t even wat het zij, of een dame, met haar langen zijden sleep het stof en slijk van de straat rondom haar enkels doende vliegen, of een toilette a la Bloomer, of een landmeisje met roode wangen en nog schreeuwender kleedij, of een spaansche schoone met hoogen kam en sluier, het schoonste hoofdsieraad der wereld; een Griek, een Chinees, een mooie hond of een aap — om \'t even, naar alles gaapte de menigte. Het rijtuig reed weg, het was een dier eenvoudige, sierlijke rijtuigjes, zonder liverei, dusdoende verradende dat de stand des eigenaars hem op nog anderen grond toekwam dan op dien alledaagschen grond van rijkdom. Bob gaf een stuiver aan den straatmuziekant en snelde weg in het oogenblik toen hij begon te spelen »Bemin niet.quot;
»Neen, driemaal neen,quot; mompelde Bob in zich zeiven, »die deun zal \'k me uit het hoofd zetten; ik weet beter.quot;
En waarlijk. Bob was verstandiger dan de begaafde vrouw, die de woorden van dat lied maakte toen haar hart vol was van spijt en bitterheid; hij wist dat liefde voor de ziel is, wat het licht is voor het oog.
Bob voelde iets dergelijks in zich, want hij was een ülozoof op zijne wijs. Hij was het park dwars doorgegaan tot omstreeks half weg, het straatplaveisel houdende, met de ijzeren staketsels op de eene zijde en met een lange rij huurkoetsen aan de andere, toen hij binnen in het park, dicht bij het staketsel, denzelfden langen, donkeruitzienden man zag, dien hij te voren had ontmoet. Hij sprak juist gemeenzaam met woeli-gen Jack; Bob zag, dat toen de laatste in de richting van Bowery zich afwendde, hij, op echten heerentrant, aan zijn hoed raakte. »Woelige Jack is een schobbejak, geen twijfel,quot; dacht Bob, zijn weg vervolgende, zonder zijn ouden makker aan te spreken. Bob nam een kijkje in Barnum\'s museum, met beesten, vogels en kruipend gedierte als bedekt, en was toen verplicht, wegens eene stopping van voertuigen, een oogenblikje stil te staan.
XXI.
STKAATVERSPERRING OP BROADWAT.
Geen middel om de straat op of neer te komen. Er heerscht een doodsche siilte. De voerlieden maken hel zich gemakkelijk op den bok, verzekerd van ten minste tien minuten te moeten stilstaan j terwijl zij een kruisvuur van grappen en zweepslagen met elkaar wisselen. Kruiers zetten zich evenzeer schrap en geven hun hart in een dracht van vloeken lucht. Pakke-dragers leggen hunnen last van den eenen schouder op den anderen, doch, al hunne kracht behoevende om ze te torschen, laten zij geen vloek hooren. Draagstoelen worden tusschen de kruiwagens en de rijtuigen ingestopt, en de dragers lichten den riem, dien ze over het voorhoofd hielden om het overwicht te matigen, van zijn plaats en steken de hoofden op om over de draagstoelen rond te zien. Jongens loopen en rennen als razenden door elkaar in alle richtingen, klimmen op kramen, op lantarenpalen, op oude luifels, overal waar een jongen slechts een plaatsje kan vinden, (en waar is de plek, waar hij zich niet kan vastklampen*?) juichen en brullen, kraken noten, werpen met de doppen naar de hoofden daar beneden, en houden een grap op Broadway voor de joligste zaak ter wereld. Een volleerde kleine deugniet springt op een hek en spuwt van daar fiks naar beneden zonder in \'t minst de regelen der welvoegelijkheid in acht te nemen.
Enkele voetgangers weten door dat Babel met verwonderlijke behendigheid zich een weg te banen, nu eens zich aan den boom van een huurkoets houdende; dan weder onder den kop van een paard heenloopende, of wel, zij klimmen op een wagen, buigen zich om een wiel, kronkelen zich tusschen voertuigen van allerlei soort heen, bedaard, ongevoelig voor al dat helsche rumoer. Eindelijk, en zeer ver of misschien wel
6
82
een mijl er van daan in de streek van Bowling-Green, „houdt die bajert opquot;, ontwart zich die mengelklomp en spat uiteen. Spoedig! alles is in rep en roer, over hals en kop; hier springen jongens als uitgelaten, ginds jagen koetsiers, wagens rammelen en horten, krantenjongens beginnen hunne »\\vaaiquot; te venten, de karrelieden gespen den trekriem door en huigen het hoofd als lastbeesten — zweren, vloeken, trappen, balken, lachen, hoera! — alles is weder in beweging, alles draait!
Ik zag den bergstroom uit zijne rotsspleet te voorschijn springen, van rots op rots nederspatten, zich in parelschuim borrelend oplossen, worstelen en rennen om den druk der overhangende klippen te ontkomen, en het was me als zag ik een jonge, dartele stroomnimf, zich in die worsteling verlustigen. Ik zag den wintervloed tot een massa gebrokkelde en vaneengereten schotsen zich opstapelen en kruien — en kruien in een dwarl-en maalstroom van ijs, ijverig bedacht den nauwen pas te bereiken en eerst in de groote ruimte daar beneden tot rust komen. Het kristallen gevaarte stapelde schots op schots, verrees in fantastische gedaanten; vormde torens, koepels en wierp honderden voeten over den oever zich heen. Op mijlen afstands verbreedt zich de rivier en kent dijken noch dammen, üe arme menschen springen van hun nachtleger op bij het geloei der stijgende baren; overstroomd zijn de oevers; dorpen staan te midden van de bare zee als Venetië; de hooge boomen verschijnen als zoo vele alleenstaande schildwachten in die waterwoestijn; alles is vol angst en verwarring. Luister! ge hoort een ver gerommel, een ijselijk trillen, een aardbeving; het ijs begint los te gaan, te kruien, en luider wordt het geloei, alles is in werking, alles is één beweging, één gewoel, één warklomp.
De dorpen schijnen in de verte op te doemen; boomen slingeren als riet heen en weder, schudden in het wilde en verdwijnen; de kerk beweegt zich voorwaarts; de brug heft zich opwaarts in de lucht en verdwijnt; zoo ver oog en oor kunnen reiken is één dwarlende wolk van ijs, één geloei van de zwarte waterkolk, en langzamerhand keert de stroom in zijne oude bedding terug.
Ik heb gezien eene menschenmassa door ééne enkele groote gedachte bezield, en op de stem des redenaars in beweging gebracht of teruggehouden; doch de natuur en de mensch zijn altijd groot, wanneer een groote drijfveer ze in beweging zet. Er is iets ontzagwekkends, iets dat u doet trillen, in dat bloeien eens volksquot; even als in het »loeien des oceaans;quot; doch wanneer er geraas is zonder waardigheid, oproer zonder het wegslepende van het doel, doode, gevoellooze dwang, die u aan een machtig element der vernieling doet denken, ten allen tijde tol uitbarsten vaardig en gereed, en waarbij de mensch
83
half kwelduivel, half wild dier verschijnt, dan denk ik ondanks mij zeiven aan een gedrang op Broadway.
Toen de massa uiteenraakte, stak Bob, nog altoos besluiteloos ten aanzien van hetgeen hij omtrent Ninnie moest doen, en somtijds aan het handje denkende, dat herhaaldelijk op zijn schouder had gerust, de straat dwars over, en ging aan de traliën van het Drieëenigheids-kerkhof naar de graven turen, zooals gij en ik wellicht soms deden, waarde lezer, om te beproeven het graf der arme Charlotte Temple te onderscheiden, die daar onder een witten steen ligt, waarop een geknakte roos gebeiteld is. Ach! de akkers Gods, en de diepe zeeën, en de stroomende rivieren, bevatten menige, menige zulke arme, bedrogen, gebroken vrouwenharten, »die niet wijselijk maar te zeer beminden,quot;
Bob wist zelf niet hoe zwak en afgemat hij was, omdat zijn groot hart onafgebroken vol van droevige verlegenheid en angst was geweest. quot;Voor de eerste maal staarden zijn oogen in een duistere, onzekere toekomst, en daar zag hij zich niet alleen. Een hand had gerust op zijn arm, en die aanraking scheen hem eenigerrnate te zeggen: «Bescherm mij.quot; En al den tijd dat Bob naar de zerken zag, voelde hij dien arm en hoorde hij die stem, niet zeer duidelijk, \'t is waar, maar hij voelde en hoorde ze toch.
6*
XXII.
DE HAND OP DEN ARM.
Terwijl Bob nog altijd voor de tralie stond, ontwaarde hij een troep menschen achter zich, die even als hij hunne oogen hadden afgewend van het woelige leven in Broadway naar de seeuwige rustplaats,quot; waar al het woelen sedert lang had opgehouden. De echte krantenjongen verraadt nooit een verkeerd geplaatste nieuwsgierigheid; doch het was Bob als voelde hij de hand hard op zijn schouder drukken en als hoorde ndj, terwijl de groep bij hem stond, een stem hem zeer duidelijk toeroepen: »Bescherm mijtevens werd een vSacré nom de Dieuquot; op lagen, wrokkenden toon naast hem geuit; doch hij, die het sprak was verdwenen alvorens Bob zich overtuigen kon tot wien deze uitroep gericht was. Drie mannen stonden aan de omheining, en hoewel niet één hunner zelfs zijn hoofd omwendde toen de vreemdeling ging, was Bob verzekerd dat de donker uitziende heer met hen gesproken had.
Lezer, gelooft gij aan een duivel? Gaarne zou ik gezegd hebben aan Satan, doch daarvan bestaat slechts één. Ik zou Lucifer, de morgenster genoemd hebben, doch er rust nog altijd een gloriekroon om dien naam, welke ons doet vergeten dat hij van zijne stralen werd beroofd en gevallen is. Mefistcfeles bestaat slechts denkbeeldig, is zuiver begrip, vernuft buiten den mensch. Kabouter is een aardgeest, iets op kleine schaal. sOude slangquot; is ook al niet, wat mij kan dienen; neen, wat ik bedoel is een van die alledaagsche, gemeene, wreedaardige scheppers van het kwaad, en zoo gij niet gelooft dat er zooda-nigen bestaan, dan beklaag ik u; dan zult gij aan wreede botsingen zijn blootgesteld, aan moeielijke hinderpalen op uwen zedelijken weg; — o! mij ging het ook zoo. Ik had alle schadelijke machten tot één groot, afgetrokken kwaad weg-
85
geredeneerd; tot een kwaad, den tegenstander van het goede, de schaduw tegenover het licht, het bitter tegenover het zoet, de smart tegenover het vermaak, alles dienende om het goede te heerlijker te doen uitkomen. Doch alles kwam verkeerd uit. Keer met mij terug tot dien tijd onzer kindschheid, toen hij zijn boksvoet slingerde en hij zijne hoeven in een hoek deed rammelen, wanneer wij »zondagjequot; speelden, wanneer zijne groote horens in den donker zoo rood schenen en een zonderling gefluister, dicht achter ons, ons eensklaps deed om-keeren, terwijl het ons scheen als of een zwavellucht in onzen neus drong. O, dat waren dagen van heilzamen angst: zij maakten dat wij braaf oppasten, niet jokten en zindelijk op onze morsjurken waren. Wij moesten in h e m gelooven. Het heeft geen nut het geloof om den tuin te leiden; onze geestelijken doen wèl hem van den kansel te verkondigen en den kinderen, »van den Boze te predikenquot;, want ja, er zijn duivels en ik heb ze gezien.
Deze duivels nemen soms menschelijke gedaanten aan en »gaan heen en weder, van en op de aardequot; zoo als het boek Hiob u beschrijft. O, dan slaan zij de wegen der brave menschen gade en speuren het open plekje na, door hetwelk de zonde in de vesting kan sluipen; zij vinden de liefde tot het goud of de liefde tot het leven sterker dan de liefde tot het goede en zij juichen: »kind voor kind, al wat de mensch bezit geeft hij weg voor zijn leven.quot; Beschouw u zeiven; tien tegen één, of h ij staat naast u in de eene of andere onverwachte gedaante.
Anderen vertoonen zich met open vizier, als echte onverholen duivels; zoo als zij toen over de ijzeren leuning van de Drie-eenigheidskerk lagen. Een hunner was klein, ineengedrongen, met kleine, roode oogjes en een overhaast, piepend stemmetje ; de andere een plompe kerel, met een hand, waaraan een duim ♦en twee vingers ontbraken; zijne oogen hadden dat eigenaardige, dat een witte rand rondom den appel zat, veel gelijkenis vertoonende met de glasoogen der paarden. De derde man of derde duivel was een zwarte kerel, met afhangende wenkbrauwen, stekelige haren en vleezige armen, met armen tot aan den elleboog ontbloot en overal getatoueerd. Hunne taal was een bargoensch van fransch, duitsch, spaansch en engelsch, met den eigenaardigen tongval van die der onderwereld.
Terwijl de prachtige rijtuigen der Upper Ten ^ met hunne sierlijke staatsietuigen en liverijen voorbijjoegen, strekten zij de armen uit en riepen telkens: rijk, rijk! met vloeken verzeld, die van menschelippen ons hadden doen ijzen, doch aan deze
\') Aldus noemt men in Amerika de aristocratie, zoo veel als ten onzent de „bon ton.quot;
86
ontvloeid, slechts een blik in hunne ziel deden slaan. Hunne vroolijkheid baarde afschuw. Een arme, lamme bedelaar stond op het punt onder een paard te vallen. »Van onderen !quot; riepen zij op een toon, die zeide dat het zien van lijden en doodsgevaar hun lust en leven was ^ Niets ontging hunnen valkeblik; de rijken werden met verwenschingen, de armen met spot en hoon begroet. Hun was het leven een vernederende klucht. Geen spoor van hetgeen nog welvoegelijks in den mensch is, was hun gebleven. Met laaggezonken wenkbrauwen, dierlijk en wreed uitziende, was er een sterke verbeeldingskracht toe noodig, zich te overtuigen dat dit eens onschuldige kinderen waren; en al beproefdet gij u het geloof op te dringen dat zij engelen tot wachters hadden, het hielp u niet, gij kwaamt tot de ernstige overtuiging dat dit nooit wichtjes konden geweest zijn, dat zij nooit met het water van den doop waren begoten, dat nooit de tranen en gebeden eener moeder hen hadden gezegend, maar dat het waren vleeschelijke duivels, der hel ontsnapt, op aarde ronddolende, en die nu de stad New-York tol hun plaats van bijeenkomst hadden gekozen.
Onzen Bob stond de nabijheid dezer verworpelingen maar half aan en hun aanblik was, als ware het, een vermaning zijne Minnie te gaan opzoeken, die nu den ganschen dag ten laste van de arme vrouw op den hoek van de Batterij geweest. Daar gekomen, zag hij het kind op den schoot der brave vrouw gezeten! het knabbelde aan een beschuit, maar blijkbaar naar iemand uitziende. De vrouw had haar goed gereinigd en opgeknapt, hare zachte, wollige haren gekamd en geborsteld, zoodat het kind nu eer belangwekkend dan afzichtelijk uitzag. Oogenblikkelijk herkende zij Bob en strekte hare armpjes naar hem uit; en toen hij haar van den grond oplichtte, legde zij vertrouwelijk en op hartroerende wijze haar hoofdje op zijn schouder.
gt;Wat rzel je met \'r beginnen, Boppie?quot; vroeg de vrouw,, die middelerwijl haar naald niet liet rusten of \'t moest zijn om een klant te helpen; en \'t was noodig, want ze had een stal met kinderen te huis, haar man was een sukkel, die niets verdiende en weinig meer deed dan op de kinderen passen, overigens meer bekwaam tot arbeid binnens huis dan tot het meer luchtige beroep, dat zijn brave, ijverige vrouw daar buiten waarnam. Na een korte poos eerst antwoordde Bob op de vraag der vrouw, want de kleine Minnie, aldus liefderijk om zijn hals geklemd, hield zijn hart in een aanminnig net gevangen en verwarmde er diepe schuilhoeken,
\') Wanneer het gemeen te New-York iemand in d»rgelijk gevaar ziet, is de gewone roep: go it or break a Ug. (Zie toe of breek een been).
87
wier bestaan Bob zelf tot op dit zalige oogenblik niet eens vermoed had.
»\'k Heb \'t bedacht, Granny, \'k zal haar hoüen. Je ziet, \'t ruggetje van het arme schepsel is gebroken, en dat \'s een doren in de oogen van menig burgermensch, al is ie nog zoo braaf.\'\'
„Ja maar Boppie, weet je niet dat ze nou en dan een jurkje en dan weêr een boezeltje zei noodig hebben? Maar je komt maar altijd hier, \'k zei hier toch blijven zitten, onze lieve Heer weet hoé lang nog, maar aperent zoo lang tot ze me in de kist leggen — langer dan \'t schaap iemand zal lastig vallen. Nou, je komt maar altijd gerust hier, Boppie, \'k zal haar voddetjes bestellen, hoor je!quot;
De vrouw sprak dit met een eenigszins nokkende stem, ja, zelfs met een kleinen blos bijna tot aan de oogen: en wat noten, koekjes, appels en klontjes in een grooten papieren zak doende, dien Bob moest medenemen. schee* \'t als of ze een zweem van wroeging om het hart gevoelde dat zij zelve het kind niet tot zich nam, daar zij nu bekend was geworden met de wijze, waarop het wicht haar moeder moest derven en daarom hervatte zij op een toon van verontschuldiging:
sWant zie je Boppie, m\'n huis is vol van m\'n eige gedoe, God help me! mijn oüe man is een lantaren zonder licht, en ik rnot hard voor den kost werken; maar Boppie, je komt maar altijd hier en \'k zei je helpen.... hoor,vergeet\'tniet,quot; en zij gaf beiden een moederlijken tik op den schouder, toen Bob zich wilde verwijderen.
Bob, hoewel van nature vernuftig, verried daarom geenszins de teekenen van opgewektheid en levendigheid, die hem swuft als een vogelquot; konden maken. Hij bezat daarentegen een zekere zelfachting die hem nooit verliet. Was zijn baan tot dus verre wild en onbepaald geweest, \'t was alleen aan omstandigheden te wijten, onafhankelijk van zijn wil. Zijn gehechtheid was licht opgewekt en greep diep in, en zelfs de plek, waar hij twee of drie nachten achtereen had geslapen, werd hem dierbaar. De krantenjongens hadden zich naar hem geregeld wegens zijn aangeboren gezond verstand, waardoor zij hem nu en dan, maar vooral in tijden van „lotverwisselingenquot; en ))zaken van belangquot; kwamen laadplegen. Zijn levenswijze, zonder hem daarom tot een kluizenaar te maken, was toch minder gezellig en vertrouwelijk dan die der meesten hunner en nu zelfs ging hij, als uit aangeboren neiging, een ander pad bewandelen om hen te vermijden.
Een huurkoets bracht hem tot Greenwich aan de achtste avenue, Van tijd tot tijd waren huizen verrezen en daartusschen ledige erven gebleven, waar soms eenige dagen achtereen kudden schapen het gras weidden; soms ook werden die opene plekken
88
omheind en bebouwd; meestal echter bleven zij open en werden de vergaarplaatsen van een groote menigte oude, nuttelooze voorwerpen, gemakshalve daarheen geworpen. In den omtrek vond men vodden- en vuilnishoopen, met onmetelijke stapels planken, zoo hoog dat men nauwelijks begrijpen kon hoe ze ooit weder afgenomen konden worden. Soms kwam een hevige windvlaag langs de rivier jagen, dan werden die planken van haar verheven plaats een voor een opgelicht en op den grond gesmeten, zoo regelmatig als of er aan weêrs-kanten twee onzichtbare wezens gestaan en ze regelmatig afgenomen hadden. Deze planken nu waren een geliefkoosde plek voor kinderen en landloopers; want, hoe erg en stormachtig het weder ook was, onder die planken konden zij altijd een droogs gemakkelijke schuilplaats vinden. Afgekeurde rijtuigen, gebroken en versleten spoorwegkarren waren over de leêge erven verspreid en bleven daar jaar in jaar uit, tot dat zij bij stukken en brokken in de mandjes der kinderen verdwenen, die daar kwamen sprokkelen. Hoopen asch door een aantal dienstmeiden daar uitgestort, stapelden er zich ook opeen.
Deze erven bieden een uitmuntend oefeningsveld aan voor de voddenrapers, die men daar, te ieder uur bijna, in hun bruine wambuizen kan zien, met een zak op den rug gebonden en een lange smalle mand in de hand, en getrouw aan hun morsig beroep, den grond met hun ijzeren stangen omwoelende. Zelfs zij worden rijk bij hun werk, zoo als trouwens ieder kan die wil. Zij vinden er stukjes ijzer, lepels, messen, halfversleten kleederen, door achtelooze huishoudsters en slordige werkmeiden weggeworpen, en de voddenraper heeft een scherp, vlug oog om deze voorwerpen te onderscheiden.
XXIII.
DE EERSTE KUS.
Omzichtig vervolgde Bob zijn weg, want de arme wees had nu reeds lang op zijn schouder geslapen en hij, voor wien het leven een zoo geheimzinnig raadsel was, ijsde inwendig bij de gedachte dat hij misschien een zeer slechte daad pleegde. Hij haalde zich den een of anderen annoedigen zwerver voor den geest, dien men altijd aan de uithoeken eener groote stad vindt, nu reeds zijn verblijfplaats beloerende en al zijn bewegingen vol nieuwsgierigheid of achterdocht gadeslaande. Hij wist dat de koekverkooper soms tot zoo ver kwam verdwalen, hetzij om zijn waar daar te nuttigen, of een dronk aan de fontein te doen en dan naar zijn slaapstee te kruipen. Ook de kalkbrander kwam dien weg langs; maar de kalkbrander hinderde niemand, of zeide hij iets, het was een waarschuwend woord aan den een of anderen arme, die helaas! in verzoeking gekomen om een wandaad te begaan, zonder hem in nog dieper ellende zou gezonken zijn. O, veel, oneindig veel wordt onder de armen geleeraard, en de heilbrengende woorden, zoo vrij en ongezocht als Gods vrije lucht, zijn even liefderijk als Gods liefde.
Bob zette zich in de schaduw van een oude huurkoets neder en zag naar de aankomenden. Er kwam een oude vrouw met een verlamd kind op den rug. Het was een arm, wezenloos schepseltje, maar haar bloed vloeide in zijn aderen en hulpeloos en weerloos was hij als aan haar geketend en zij beantwoordde die liefde, spijt ziekte en armoede. Zij legde het kind op wat oud lood, de verweerde overblijfselen van een dak, waarvan zij een gedeelte tegen de omheining had gelegd tot beschutting. Zij kermde diep, oud en uitgeput als ze was, doch de slaap kwam haar spoedig te hulp.
90
Na nog een poosje gewacht te hebben begreep Bob dat deze plek te ver van het brandpunt der stadsdrukte en der bevolking was om veel bezocht te worden; toen plaatste hij Minnie in het oude rijtuig en vlijde er zich ook in neder om ■wat slaap te genieten.
In dien nacht zag Bob een zalig aangezicht glimlachend op hem staren. Het droombeeld verdween en hij zag twee scherpe, stervende oogen door het paalwerk van Bowling-Green boren, toen over een smal schoudertje heen zien en eindelijk door de zee bedekt worden; langzaam verrezen zij-weder boven den waterspiegel — nu waren zij zacht, en een hemel drong uit hun blik; een wit kleed fladderde op, en het vrouwebeeld legde ééne hand op het hoofd van de kleine Minnie en de andere op het hoofd van Bob. Die aanraking scheen hem te doen ontwaken, maar hij zag alleen Minnie, met haar magere vingertjes gevouwen en hare opene oogen op Bob gevestigd houdende.
Zij glimlachte toen hij zijn oogen opsloeg en toen boog zij zich voorover en drukte een kus op zijn wang. Het was de eerste kus, dien Bob ooit had ontvangen; hij was hem zoo nieuw, zoo onverwacht, dat zijn groot hart scheen op te houden te kloppen en tranen naar zijn oogen stegen. Minnie zag het, zij lei haar wang tegen de zijne, en sloeg haar twee kleine magere armpjes om zijn hals.
sDuivelsch, duivelsch, katterug! wil je Bob dan om\'t leven brengen, wil je, he?\'\'
Dit zeide hij ten laatste, maar zonder de liefkozingen van het kind te beantwoorden.
Nog had Minnie niet tot haar beschermer gesproken, doch nu lichtte zij haar hoofdje op en sprak met een zwak stemmetje: »\'k Zal me goed gedragen, goed gedragen!quot;
sWat weet jij daarvan, aapje!quot; hernam Bob.
»0____ ik kan me zelv\' al wasschen en den heelen dag
zoet zijn.quot;
»En is dat goed gedragen, zusje?quot;
Minnie spalkte haar oogen wijd open en sprak niets; maar toen Bob den zak te voorschijn haalde en haar wat koekjes gaf en zich hield alsof hij zich van haar wilde verwijderen, toen klemde zij zich aan zijn gescheurde jas vast, beangst hem te verliezen. Bob herinnerde zich hoe hij eens op dezelfde wijze zich aan Sam had vastgeklemd, toen hij zelf weinig grooter dan Minnie was, en hij besefte volkomen hoe diep het arme kind te beklagen was.
gt;Kijk,quot; zeide hij, sik kan je niet op mijn lijf velen zoo lang ik mijn panieren ga rondventen. En waarom dat? wel, de jongens zouên me uitjouwen en je zoudt me ook nergens nies voor dienen. Maar, voor den drommel! hou op — als die water-
91
bak zoo bij je overloopt, dan zinkt me \'t hart in de schoenen — luister, meid; ik ben gauw weêr terug, hoor, aapje!quot;
Minnie kromde zich ineen, legde zich weêr neder zonder een woord te zeggen, en Bob vertrok; nochtans was het hem als of iets daarbinnen klopte; hij keerde nog eenmaal om en zag de kleine Minnie, door een reet van het oude rijtuig heenkijken, terwijl groole tranen langzaam en stil uit haar oogen droppelden. De knaap was diep getroffen; hij stapte weêr in. nam haar op zijn armen, streek met zijn hand over de haren en drukte nu een kus op het arme wangetje.
»Bij mijn ziel,\'\' mompelde hij in zich zei ven, terwijl hij dat broze lichaampje van vel en been aan zijn warm kloppend hart drukte, sbij mijn ziel, \'k dacht niet dat ik het kon.quot; Toen vervolgde hij: sDie liefde! ja, dat, dat doet pijn, daar van binnen; maar om \'t even. Nou, aapje, ik kom terug, grien nou maar niet meer —• niet meer, je zoudt, zoo waar, het merg uit de beenen van Bob halen.quot;
Minnie lachte en kuste Bob weder en weder en greep zijn groote, zwarte hand en drukte er haar mond op: onder het weggaan bleef een pand van zijn jas in een scheur van de oude koets zitten, ook dezen greep Minnie en kuste dien. Doch Bob snelde weg zonder nu meer te durven omzien.
Waart ge tegenwoordig geweest, ge zoudt de kleine Minnie hebben gezien, nauwelijks wagende zich te bewegen, telkens door de reten glurende, vol verlangen naar de terugkomst van haren eenigen vriend op aarde; en hadt ge Bobs aangezicht voor u gehad, gij zoudt hebben waargenomen hoe de gedachte aan dat kind zijn gelaat een edeler uitdrukking verleende. Ge zoudt hebben gezien dat er iets in dat groote hart school, zoo innig verwant met Gods liefderijk hart, dat de omgang van den armen krantenjongen met zijn gescheurde kleederen door velen als een hoogstwenschelijke zaak zou worden beschouwd. Door welke straat hij ook kwam, hetzij hij ze af-of opging, zijn weg scheen geheiligd te zijn. De voorbijgangers, die hem naderden, zagen een gloed van schoonheid rondom hem, hoorden het klinken eener harmonische snaar, voelden een trilling van zielsvreugde, waarvan zij geen rekenschap konden geven; maar zij wisten het van die goede engelen, die met hem op- en nederwandelden, van die goede engelen, die voor verlaten weezen zorgen — van welke geschreven staat: „Als vader en moeder mij verlaten, dan zal de Heere zich mijner erbarmen.quot;
De stem van Bob had een gansch nieuw geluid gekregen, een geluid, dat in het hart der hoorders drong, dat hen bladen en tijdschriften onmiddellijk deed koopen, zoodat hij in staat was lang vóór den donker tot de kleine Minnie terug te keeren, en verzekerd kunt ge zijn dat een blijde vreugd in dat arme
92
geslagen hartje opging, toen Bobs lachende oogen boven de hoopen asch en puin zich vertoonden en h\\j de oude koets naderde. En ook Bob, wiens geest den ganschen dag vervuld ■was geweest met de gedachte aan de duizenden gevaren, die zijn arme beschermeling konden dreigen. Bob, ik verzeker het u, voelde zich ook niet weinig verheugd en had een innig besef van het zoet dat er in gelegen is, te weten dat een dierbaar wezen naar u uitziet en vol liefde uwe terugkomst afwacht.
Doch Bob behoefde niet angstig om de arme, kleine Minnie te zijn. Op verlaten weezen maken de menschen geen jacht; de menschen begeven zich niet van hun weg af om, verlaten kinderen met gebroken ruggestrengen te verzorgen; kleine, leelijke, misvormde kinderen worden niet gestolen; welk voordeel zouden die schepseltjes kunnen inbrengen, ten ware zij weder zoo buitengemeen afzichtelijk als het misgeboorte Hervis Nano mochten zijn.
En dus zaten de twee kinderen weder naast elkander, koutten en lachten, en Bob ging niet meer naar den schouwburg. Hij was zoo innig tevreden dat hij eigenlijk zich om niets meer bekommerde dan bij Minnie te zitten, haar te hooren praten, haar klein bleek tronietje bij zijne nadering zich tot een glimlachje te zien vouwen, wanneer zij hem kuste en nogmaals kuste; haar, wanneer hij \'s morgens wegging, te hooren zeggen: „geluk, geluk ! beste, goede Bob 1quot; of wanneer hij des avonds terugkwam: „ha! zijt ge er, beste, goede Bob ?quot; En waarlijk, u al de wandelingen te verhalen, die zij te zamen deden, en de verlerlei gezichten, waarin zij zich verlustigden, zou de grenzen van mijn werk overschrijden.
Zij behoefden niet uit te roepen : „Ach! goede God, schenk ons een woning in een uitgebreide woestijn !quot; want zij bewoonden reeds een wildernis, hoewel in het hart eener volkrijke wereldstad; een wildernis, eenzamer dan de woeste streek daar buiten vermag aan te bieden ; een wildernis, waar de menschen donker en als schimmen, als wandelende hoornen, als ware het, elkander voorbijgaan, want de een ziet den ander niet in het aangezicht, en ge ziet slechts ééne bewegende poppen-massa, gemaakt, gekunsteld of tot kunst aanzettende, op een raderwerk geschroefd, met koude, houterige oogen, uit geschilderde aangezichten u aanstarende. Dat een hart in die poppen schuilt, vermoedt ge zelfs niet. Gij treedt onder die massa, verlaat haar, zoo als ge te midden van een groep hoornen, zoudt doen; slechts ziet ge bij tusschenpozen de scherpe oogen eens kwaadwilligen of eens vijands tusschen krullen of knevels branden.
Bob en Minnie konden niet den zegen eener armoede naar waarde schatten, die hen zoo geheel voor elkander en niet dan voor elkander liet bestaan. Al de bedelaars kenden hen
93
van aangezicht; doch Bob, een onoverwinnelijken afkeer van hunne zeden en manieren voedende, wilde zich nooit met hen afgeven. De krantenjongens eerbiedigden Bob; het bedroefde hen hem op hunne plaatsen van samenkomst te moeten missen, maar daar hij altijd dezelfde, beste, verstandige Bob bleef, verzetten zij er zich niet tegen. Hij was uit zijn oud rijtuig naar een gebroken wagen verhuisd, welken laatsten hij weder zoodanig had opgeknapt dat hij er recht konfortabel uitzag en Minnie was een ware huishoudster geworden; hoe zij het werd zou ik bezwaarlijk kunnen zeggen; maar zooveel is zeker, dat zij en Bob zoo zindelijk voor den dag kwamen, dat men met recht er over verbaasd stond.
Ik wenschte nu Bob drie of vier jaren achtereen te kunnen volgen en te verhalen wat hij in dien tyd al deed, hoe hij zich niet gansch gelukkig gevoelde, omdat hij behoefte ontwaarde om zoo veel te leeren en het niet kon, daar hem de middelen er toe ontbraken, omdat hij meer dan een of twee had te onderhouden en begreep dat zijn werken onontbeerlijk was. Docli het verhaal van al die bijzonderheden zou mijn lezers slechts vermoeien, en dus zal ik nu maar onmiddelijk terug-keeren tot dat tijdstip mijner geschiedenis toen ik het eerst Bob aansprak, nu reeds vooraf bekennende, dat ik mij vaak mijner siilzwijgendheid schaam, welke mij de gelegenheid deed voorbij zien te gelegener tijd te spreken. O, dat was een heilzaam wonder, toen Christus den stommen duivel uitdreef.
XXIV.
ARME KINDEEEN.
Vaak had ik Bob en Minnie ontmoet, vaak voelde ik mij als aangedreven om hen aan te spreken, doch ik begreep dat ik het recht daartoe niet had en een reden wist ik niet te bedenken. Bovendien schenen zij mij toe elkander genoeg te zijn, en ik zag niet in waarmeê ik hun nuttig kon wezen. Eindelijk, nadat ik een zomer op het land had doorgebracht, ontmoette ik Bob, die mij zoo veranderd toescheen, dat ik als onwillekeurig stand hield, want ik zag dat hij ook mij niet vergeten had. Na een weinig praten hervatte ik dan, zooals ik bij het begin dezes verbaals zeide.
»En dus, uw naam is Bob; dat is te zeggen Eobert.... Robert en wat meer?
»Ilobert..,. Wel neen, dat lijkt er niet naar, \'t is Bob en niet anders.quot;
»Goed, en hoe was uws vaders naam?quot;
sik had nooit een vader; ik ben op zee geboren.quot;
Ik geloof dat ik een glimlach poogde te onderdrukken; ik houd het er voor dat ik uitwendig althans niet glimlachte, want ik zag toen niet de kleine, kwijnende, vervallen gestalte van een mensch voor mij, maar een ziel vol van een duister, onbestemd streven; een ziel volgeschreven met vreemde, onleesbare letters, die den armen Bob op een schrikkelijke wijze verlegen maakten en beangstigden.
))En waar is uw moeder?quot;
»Ik had er nooit een; ik zeg u dat ik op zee geboren ben, \'t volk haalde mij op het droge en sinds ben ik zoo opgegroeid. Maar wat ik nog wel wou uitvinden is, wat eigenlijk dat kerkgaan en bidden inheeft; \'k weet niemendal, en het meisje, ziet ge, dat sterft weg, Ik weet het, ik voel \'t. Daar
95
is zoo een klein blauw adertje dwars over den neus en dat wordt gedurig blauwer en blauwer; en nou is haar ringetje al te wijd voor een van haar vingers:—ik heb een rozeboompje gehaald en noemde een knopje er van Minnie, en ik zeide: als dat knopje tot roos uitbot, dan zal Minnie ook goed opschieten; en bot het niet uit, dan sterft Minnie. Verleden nacht is \'t knopje afgevallen — \'t was dood.\'\'
En Bob veegde zijn vochtig aangezicht met den mouw van zijn gescheurden jas af.
»Ik wil met u gaan en Minnie zien; misschien kan ik haar beter maken.\'\'
„Och neen, dat kunt ge niet. Ik wil maar eerst weten hoe \'t met het bidden staat, en dan kan ik alles zelf wel berechten. Wat is de beste kerk, de Drieëenigheid of de Broadway?quot;
sik begrijp je niet.\'\'
»Nou,ili meen de Drieënigheidskerk en den Broadway-schouw-burg. \'k ben in allebei geweest, ook in de Kathedraal in Bowery, in Chatham en al die plaatsen; maar Bowery lijkt me \'t best.quot;
»Maar Bob! ze komen op voeten en vamen niet bij malkaar; Broadway is voor vermaak en de Drieënigheid is een bedehuis.quot;
ïJa, maar \'t gaat er erg toe; ze maken \'t je zoo benauwd.quot;
Bob begreep niet duidelijk het verschil tusschen een schouwburg en een kerk. Wat hem ontbrak was voedsel voor den geest en hij wist niet tot wien zich te wenden. Behalvedien waren zijn levensgewoonten zoodanig geweest, dat zij een natuurlijk wantrouwen moesten doen ontstaan, en zijn liefde tot Minnie deed hem vreezen dat, schonk hij iemand zijn vertrouwen, zij op de eene of andere wijze hem afgetroond zou worden.
De knaap sloeg de tooverkracht van den menschelijken omgang te hoog aan.
.«Hier is \'t me, zwaar, zwaar!\'\'
En de arme Bob lei zijne morsige hand op een gescheurd hemd, dat te nauwernood de kleine beenige kast bekekte waar achter een groot hart klopte.
»Bob, laat me met u naar Minnie gaan en met haar bidden, misschien breng ik haar verlichting; ik zal u helpen en u beiden onderwijzen.quot;
»En ik zeg u, dat ge er niet heen raakt. Of zou ik de menschen niet kennen? Ik ben een kleine vent, maar dat zeg ik uwé, ze zullen mij en Minnie en Dady niet van dat eiland wegkrijgen, of mijn naam is niet Bob.quot;
Dat was een gansche familie, zoo waar.
«Wel dat zijn mijn kinderen, wel zeker!quot; zeide de jongen, zijn klein beenen uitspreidende, terwijl hij een paar voeten schrap zette, buiten evenredigheid te groot voor de been-
96
tjes, welke voeten in een paar versleten schoenen gleden, drie mijlen te wijd.
„Uwe kinderen! Hoe komt ge daaraan? Waar zijn hun vaders en moeders?quot;
„Nooit een gehad — nooit een van noode gehad. Minnie had een moê.... maar die is verdronken. Is \'t nou niet even goed er geen te hebben gekregen ? Ze raken aan den drank, voeren allerlei kwaad uit, doen niemendal anders voor de kinderen, dan ze braaf afrossen en ze tot bedelen en stelen brengen. Ik heb \'er twee opgenomen, dat deê ik, ja!quot;
„Ge zijt een edele knaap, er huist een groot hart in u, Bob!quot;
„Ja. Ik voel \'t kloppen, erg kloppen, al hoor \'k maar de groote zweepslagen over de arme ruggen van de paarden gaan; als ik arme kindertjes, die geen brood hebben, van honger hoor schreeuwen, dan is \'t geklop erger. En toen ik Dady op \'t leêge erf hoorde krijten en dan de koüe wind zoo blies, en de menschen zoo voorbijliepen, ging ik ook aan de haal, maar mijn hart ging bom! bom! Of ik wou of niet, ik moest terug; dat gebeurde ook; ik nam haar bij mij, en we zorgden voor haar, ik en \'t kattenbocheltje — Minnies ruggetje is krom, als je weten wilt. — Soms had ik geen brood meegebracht, want ik verdien niet altoos zoo veel, en eenmaal ging ik naar een man, die in een groot huis woont. Ze hadden daar een kindje gekregen, zoo groot als Dady, en toen ging ik tot hem en zei dat ik ook een kindje daar buiten in den ouden wagen had en dat ik wat voor \'t kind te eten wou hebben. Maar hij gaf niets. En zoo schelde ik aan een macht van huizen; te langer leste schelde ik niet meer, maar liep pardoes naar binnen en ging wat brood uit de keuken halen voor huri oogen, en toen riepen ze: houdt den dief! houdt den dief! de sterren schenen helder; allen zetten Bob na; maar ze kregen roe niet. Maar nou, goeden morgen: Minnie is al stervende, en al wat ik van bidden weet is: „o Heere, Heere, uw rijk kome!quot;
Dit gebed nu van den armen Bob was meer beteekenend dan hij zelf wist. Dat is het groote gebed voor den arme; immers als het rijk des Heeren zal komen, dan zullen de menschen geen doove ooren meer voor de behoeften der menschen hebben. Terwijl ik dus stond te peinzen, verdween Bob door een donkere laan en ik verloor hem uit het gezicht. Doch ik kon hem niet uit mijn geest verbannen.
„Doe goed zoo vaak ge gelegenheid er toe hebt,quot; is een eenvoudig gebod, dat deze groothartige krantenjongen letterlijk opvolgde, terwijl gij en ik wellicht nauwelijks aan het belangrijke van dit voorschrift dachten.
„New-York-Daily, Tribune, Herald, Times, Express!
In het oogenblik dat dit geroep uit den mond van den
97
krantenjongen klonk en mijn oor trof, verliet een gezelschap de prachtige zaal van Taylor. Duidelijk kon men de ruime, klankrijke, aantrekkelijke stem van Bob onderscheiden; van dien jongen met een groot hart, te groot voor zijn sluitend wambuis, een hart, dat spijt scheuren en armoede, zoo held-haftig-menschelijk klopte, en bij den aanblik van onrecht en lijden steeds luider klopte en werkte, tot dat Bob om zoo te zeggen, enkel hart en nieren was geworden. Wat moest hij daar te midden van goud en marmer, vruchten en bloemen, juweelen en zijde, hij met zijn gescheurden jas en schoenen, erger dan wanneer hij barrevoets was. Bob kende zijn lot en deed zijn best om het te verbeteren. Er waren holen des verderl\'s en paden der misdaad, waar weeskinderen en verstootenen zich zeiven en hunne ellende voor de oogen der menschen zoeken te verbergen; doch Bob behoorde niet tot dezen. Ja, er school iets in dat groote hart, dat naar het goede, naar het schoone streefde, en dier roepstem gaf hij gehoor. Nooit zag Bob in zich zeiven de schaduw van een vroegouden. knaap, mager, met armoedige plunje, arm en veracht; neen, alleen eene voor het goede ademende ziel, die voor menschlievendheid leefde met mannelijken moed, het uur afwachtende, waarop hij uit die lompen en die armoede tot een wezenlijk glansrijk leven zou kunnen oprijzen, ziedaar wat Bob in \'t oog hield.
Toen dus de menschen hem verbaasd aanstaarden als hij onder hen voortdrong, toen ingebeelde gekken het voorhoofd fronsden, dartele vrouwen meesmuilden en de bedienden hem de deur wezen, paste Bob die verachting niet op zich zeiven toe, maar bleef manhaftig aan de marmeren toonbank staan en hield zijn kieine gele kom op voor een schelling ijs en hooT\'de of zag zelfs niet hoe men te zijnen koste een lach onderdrukte.
Met een hoogmoedig voorkomen wierp Bob zijn schelling neder; hij had recht het hoofd daarbij in de hoogte te steken, al had hij tienmaal meer verwaandheid er bij verraden: hij had dien schelling eerlijk overgegaard.
»Zeg ereis Bob, is Minnie beter?quot;
„Neê.... erger____veel erger.quot;
»En kom je hier ijsroom voor je halen?quot;
»Och neê — \'t is voor Minnie — voor mijn arme, lieve Minnie;quot; en de jongen vloog den hoek om, om de tranen niet te laten zien, die zijn aangezicht naar een zebra deden gelijken. Voort, voort tot dicht aan den waterkant, aan gape zijde van stapels puin, dwars door oude, eenzame, woeste erven, die de eigenaars niet wilden verkoopen voor dat, meenden zij, iedere duim gronds door den kooper met goud zou worden belegd; door kromme gangen, waaruit geluiden van schrikbarende zwelgerijen klonken, snelde de knaap; kinderen zaten aan de deuren op hunne hurken, of vielen op hoekpalen half
7
98
in slaap, daar er aan geen bed te denken was, zoo lang hun vader en moeder daar binnen zwelgden; arme, afgematte schepsels! kinderlijke uitspanning was hun nu een last;geene innemende manieren, geen zoete kinderkout onder elkander, want de avond was ver gevorderd en de slaap was hun ontzegd.
Charles Lamb zegt ergens vrij treffend: »de kinderen der armen kouten nooit!\'\' Helaas! Waarom moet het dus wezen? Waarom moeten de eenvoudige behoeften van voeding en warmte tot zulken harden prijs worden gekocht? Waarom al de edelaardige uitstortingen van het jonge hart in steen en ijs veranderd, alvorens zij den tijd hadden dier levensbron te ontschieten? Zie de kinderen, die de straten voor onze deuren schoonhouden, zie hoe mager, hoe af- en uitgeteerd, hoe uit-gevast van zorg en lijden die aangezichtjes, hoe dun die lipjes, hoe indringend, lastig, morsig zij zeiven! Goede God! ik voelde dat het mij door merg en been drong als ik dat jeugdige leven dier jonge knapen, dier jonge meisjes, zoo vol van bitterheid, zoo diep vernederd, zag; schepseltjes, bestemd \'t kapelletje na te jagen en in \'t voorjaar met den bloesem te spelen; bestemd hunne kindertranen in den zonneschijn te doen opdrogen: dus gedreven te zien tot de uiterste grenzen der mensche-lijke symphatie, vermagerd, kreupel, ineengeschrompeld, vroegtijdig oud, koud berekenend en hardvochtig. Inderdaad, wij behoeven een goeden voorraad geduld en vooral geloof, om op de goede dagen te wachten en te hopen, welke de menschheid van hare veelvuldige verongelijkinge.i en lasten moeten losknoopen; doch dank zij gebracht aan dien God, die,\' toen Hij de stoffelijke wereld aan \'s men-schen wil onderwierp, de gaven van den geest te zijner eigen beschikking hield, en mogen nu ook de menschen hulp en troost, ja, zelfs het zoo inoeielijk te verdienen brood hunnen naaste onthouden. Hij zendt »vizioenen in de nachtelijke ure,quot; Hij schenkt liefde, milde gedachten, en den overvloed der ongeziene goederen. Hij stort in de ziel van het lijdende, schrale kind der armoede droornen, even sclioon, wellicht schooner dan die het meest verlekkerde en verwende wichtje des rijkaards bekoren.
Ik bemin kinderen, want, in waarheid, weinig meer dan een kind ben ik zelf. Om \'t even, de kinderen slaan liet naast aan den hemel, wees er van verzekerd. Bedorven mannen en vrouwen, door hunne misdaden in het midden van den nacht opgeschrikt, vreezen niet meer, als zij een onschuldig kind naast zich hebben, want de engelen zijn daar. waar het kind is, en deze houden den bozen geest op een afstand, en waken en zorgen voor den reine des harten. Had de goede Heiland de kinderen niet lief, verklarende dat hunner het hemelrijk is?
XXV.
DE KLEINE DROOMSTEU.
Toen Bob den ouden wagen naderde, begon hij langzamer te loopen; het scheen alsof hij de nabijheid er van vreesde; immers, reeds zeer dichtbij zijnde, liep hij weder een eindje terug en zeide lot zich zeiven met een zeer bedekte stem:
»Och! had ik \'er maar zoo lief niet. Och! had ik \'er maar brood en plunje gegeven en toen laten loopen.quot;
Eindelijk echter legde Bob zijn oor tegen het portiertje, luisterde, en klom toen, het deurtje achter zich stuitende, overhaast in den wagen.
»Lieve Bob,quot; zeide een zwak, flauw stemmetje, terwijl ook het heesch gefluister van Pady verried hoe reikhalzend de grootmoedige jongen te huis gewacht werd.
En nogmaals ging het portier op en even zacht weder dicht, en Bob snelde den hoek van de armzalige woning om, en zich daar op den rug werpende, stak hij zijn voeten in de hoogte, tegen het achterstel des wagens leunende, terwijl hij hevig snikte en kermde en zijn edelaardig hart heftig in den boezem klopte, als ware het te groot, voor het huis niet alleen, maar ook voor het omkleedsel van been daar binnen.
„Och Heer, Heer, dat Uw rijk kome !quot; uitte de snikkende knaap. „Och, Minnie, Minnie, mijn lief bocheltje, mijn arm, lief zoet bultje. Het hart van Bob breekt in tweeën.quot;
Honderdmaal had Bob reeds hartewee gevoeld — en al zijn leven schrikkelijk aan zijn voeten geleden — het scheen als of al zijn lijden en verdriet zijn zetel en oorsprong had in de eene of andere streek zijner versleten schoenen; want nu, daar zijn groot hart onuitsprekelijk veel leed, en zijn arm hoofd, waar hij nooit te voren pijn had gehad, dat nooit te voren had geklopt, nu van het jagen en kloppen scheen vaneen te bar-
7*
100
sten, zich afpijnende om plannen te beramen tot redding van Minnie, nu bracht Bob, als bij instinkt, zijn voeten, waaraan hij thans geen pijn gevoelde, ter plaatse, waar het hoofd moest wezen, terwijl zijn lijdend hoofd op den grond lag in de plaats zijner voeten; maar zijn groot hart daartusschen klopte en klopte, joeg, en zeide : „Arm hoofd, door onwetendheid ijlende, door onbeantwoord vragen afgesloofd, in blindheid en ver-waarloozing zwoegende. God sta u bij. Arme voeten, die het gloeiende ploegijzer en de zware wijnpers hebt getreden, God leide u.quot;
Eindelijk rees Bob van den grond, wischte zijn tranen af, drukte beide zijn handen op zijn hoofd en schudde zijn gansch lichaaam hevig, als kon hij door schudden en trappelen zijn hartzeer verjagen.
„Och, goede God! goede God! wat ziet ze er uit. Och, goede God! armpjes als een pijpesteel, oogen als een kool vuur. Minnie, Minnie, och ga toch niet heen, sterf niet!quot; en een vloed van tranen barstte uit zijn oogen.
In dat oogenblik zag Bob naar den hemel op.
„Die sterren,quot; zeide hij „staan daar overal dicht bij mekaar, als gezaaid, wat groeten ze, he! wat groeten ze! als of ze niet eens behoefden te roepen : Minnie zal nou ook daar onder, maar de arme Bob zal niemand meer vinden, die hem liefheeft.quot; Na een krachtige poging om een vroolijk gelaat te zetten, ging Bob weder naar binnen.
Minnie lichtte haar hoofd van haar stroopeluw op, strekte hare handen naar Bob uit, die haar met zijn arm steunde en liet toen haar hoofdje op zijn schouder rusten. Daar zaten zij ; Minnie was innig tevreden, want zij zag de tranen niet, die uit Bobs oogen vloeiden — en Dady was te drok bezig met het uitlikken van het gele napje, waarin het ijs was geweest, om naar beiden te zien.
„Was het ijs niet lekker, Minnie? He, was \'t niet goed, kattebultje ? zeg!quot;
En terwijl Bob dus sprak, sneed hij rare grimassen om zich opgeruimd te houden en verhief zijn stem tot een aanmerkelijke hoogte, alleen maar om er het beven van te beletten.
„Och, zoo lekker, Bob!quot; zeide een jagend stemmetje, „en kijk hier, broêr, ik word beter, heelendal beter!quot;
„Ja, dat zie ik, dat zie ik; je hoest niet. Ja dat ijs moet je beter maken, ik wist \'t wel; \'t moet je beter maken, want kijk! Minnie, ijs is — iets kouds; och ja, katteruggetje, we zullen nog goeie dagen beleven ; dat zul je zien. We klimmen dan heel boven naar het tippie van den Beservoir; kuieren naar Brooklyn, om daar de vogeltjes te hooren fluiten en te zien hoe \'t gras opschiet.
„Ja, Bob, dan zullen wij dat mooie huis gaan opzoeken,
101
■waarvan ik gedroomd heb. O, wat een mooi huis! zoo wit____
zoo wit! verleden nacht heb ik alweêr gedroomd dat er een witte duif naar binnen vloog en zich hier, hier vlak op mijn hart ging neerzetten, en toen ik mijn oogen opende was de heele kamer één licht en al licht, en toen hoorde ik zoo mooi muziek spelen f och Bob, we moeten nog ereis samen uitgaan en dan weer op het voorplein van een groot huis naar de dames gaan luisteren, die daar binnen zingen; zullen we niet. Bob?quot;
»Dat zullen we hebben, Minnie; en je zult iederen dag roosjes hebben en lekker fruit en een nieuwe jurk, licht rood en een lintje in je haar, Minnie.quot;
Minnie klapte in haar magere handjes, drukte een klinkenden kus op Bobs wang, fluisterde Dady iets in \'t oor en scheen verheerlijkt, ja schoon, met die brandende oogen en wangen.
»Nou, Bob,quot; zeide zij, »ik ga slapen, \'k ben erg moê. quot; O, \'t is zoo prettig te slapen, en \'t water te zien stroomen en al verder stroomen, en de velden zoo groen, en zoo\'n prachtige muziek; leg je hoo/d tegen \'t mijne en je zult net zoo droomen als ik! Hoor maar, lieve Bob, daar begint de muziek al; hoor je \'t wel?quot;
Minnies adem ging reeds zeer zwaar toen zij zoo sprak, haar schoudertjes en borst gingen op en néér; zij hijgde, maar een zoete glimlach zweefde om haar lippen. Nog eenmaal opende zij haar lippen en zeide: »Bob, heb je mijn droom niet opgevangen? Zie je niet al die mooie aangezichtjes?quot; Toen ontsloot zij ze wéér, doch nu zwakker en hervatte: »0, Bob, we zullen gaan — geen honger meer, geen gekerm meer om brood, geen kou, geen harde behandeling meer, we gaan te zamen, broeder. Ze roepen: Minnie, Minnie! maar Bob roepen ze niet. Och, ze roepen Bob niet.quot;
En Je magere, beenige armpjes klemden zich dichter en dichter om den hals van den jongen, als of \'t kind dien donkeren, geheimzinnigen weg niet alleen wilde en kon gaan; toen hield de klemming op ; het hoofd viel achterover, en Minnies kortstondig levenslampje was zoo zacht uitgegaan, dat zij inderdaad scheen te slapen.
XXVI.
DE DRIE SLAPERS.
Het was laat in den nacht, toen Bob zijn lampje ontstak en het waagde in Minnies aangezicht te zien. Dady was in slaap gevallen met de gele kom tusschen hare knietjes; lietderijk nam de knaap haar in zijn armen en leide haar naast het doode kind. Was er niets, geen luchtgeest wellicht — wat dunkt u? — in het wijde heelal, die met een bemoedigenden glimlach den armen, verlaten knaap toewenkte, hem, die geen huis, geen vriend had, hem, die zoo onversaagd tegen het leven kampte, die, ongeleid, aldus den ingevingen van daarboven, die in ons zijn, gehoor gaf? — die zonder hulp aldus zijne verbonds-arke opbouwde en den verstootenen, even als hij uit der menschen maatschappij verbannen, een dak verleende? |Bob dacht er niet aan.
»Waarom haar gered? waarom haar lief gehad? Och, had ik het maar niet gedaan. Ik had ze allebei maar moeten laten sterven, dan zou ik noü niet hier zitten mijn keel uit te krijten, nou zal \'k niemand meer liefhebben; nooit, nooit weêr.quot;
De kleine Dady had juist in dat oogenblik in haren slaap zich omgekeerd en de hand van Bob gegrepen. De jongen lei zijne wang tegen de hare en kuste de kleine slaapster, die met de zon voor een nieuw leven zou ontwaken ; hij drukte ook de andere slaapster, die echter hier beneden niet, maar wel met de zon der rechtvaardigheid zou ontwaken voor een nieuw en eindeloos leven; in dien eigen oogenblik zong een helder klinkende stem verrukkelijk en schoon :
„Gij, troosteloozen ! komt, waar gij ook kwijnt en lijdt,
Komt in Gods heiligdom, aan Hem uw beê gewijd.
Brengt hier uw duldend hart, vermorseld in den strijd.quot;
103
Nu kon de arme Bob eenige woorden vinden tot uitdrukking van zijn zielesmart, en herhaaldelijk riep hij onder het storten van groote tranen uit: »Brengt hier uwe gewonde harten ; — o Heer, Heer, Uw rijk kome! — brengt hier uwe gewonde harten.quot; En zijn hoofd viel op de peluw naast de arme Minnie neder, hij sliep in.
Wie de bovenstaande woorden zong weet ik niet, maar het doet goed aan \'t hart naar de zachte stemmen te luisteren, die in den nacht heilige lofzangen doen ruischen, want het groote menschengezin heeft behoefte aan „een woord op zijn pasquot; en antwoord te bekomen op iets, dat beter en zoeter klinkt dan hetgeen in \'t eigen harte leeft.
Langzamerhand werd de groote stad in rust gedompeld. Reeds was het logge rammelen der huurkoetsen en omnibussen weggestorven en alleen zij, die nog laat zwierden, waren op straat, of wel zij, die, ö*6n als de nachtvogel en het roofdier, waken om kwaad te doen.
Toen de zon over Long-Island verrees en de wateren van de zeestraat met haar gouden stralen kuste, bescheen zij de hooge torens van het Gustom-House en van de Beurs zoo vol, dat zij een schild schenen te zijn tot den strijd gepolijst, tot den grooten, vinnigen strijd van den handel, die dagelijks daar beneden wordt gedreven; zij verlichtte even de puntige torens van de kerk der Genade en van die der Drieëenigheid, als met een straal uit het hart, dat van innig opwellend gebed gloeit, langzaam gleed zij over de sombere rijen van kalk en steen en muren, steeds flauwer en kouder van straal, naar mate zij in het hart van de groote stad neêrdaalde, tot dat zij zelfs het portiervenstertje van de oude spoorweg-kar bereikte, waar zij troostrijk op de slapenden nederzag. De lipjes van de kleine Dady overtoog zij met een robijnen tint. Minnies hoofdje vatte zij in een stralenkrans, die tusschen haar zwart, vochtig haar glinsterde en de zuivere, kalme wenkbrauwen met een heiligen gloed omgaf. Den armen Bob scheen zij niet te durven wekken, althans zij bescheen alleen zijn vereelte, ruwe hand, die over Minnies hoofd lag; doch het was als of zij die eerlijke hand met blijdschap herkende, behagen schepte in hare ruwheid, de vrucht zijner dienstvaardigheid, hoe tanig en verbrand ook; en toen sloop zij weder zacht door het portier weg, de drie slapenden achterlatende.
Den volgenden dag had Bob een harde taak te vervullen; hij was blijde te kunnen wegkomen, terwijl Dady nog gerust sliep, vastgeklemd als ze lag tegen de koude, verstijfde wang der arme Minnie. Bob rilde toen hij dit zag, maar hij had geen kracht de slaapster wakker te krijgen. De verstijfde, marmeren borst van Minnie joeg niet meer, haar dunne armpjes omklemden niet meer de kloeke, ruwe leden van Dady,
104
wier hartstochtelijke geaardheid haar dreef zich vast aan te sluiten bij hen, die haar beschermden.
Zacht sloot Bob het portier toen hij wegging en merkte weder hetzelfde op, wat hij reeds herhaalde malen te voren had opgemerkt en dat hij zich nog jaren naderhand met zielsangst herinnerde. Toen hij het erf overstak, om naar de straat te komen, zag hij denzelfden donkeruitzienden man, dien wij vroeger reeds beschreven, die den vloek uitte en met zulk een beteekenis vollen blik naar de jonge Imogene zag, toen zij op straat tegenover Stewarts huis walste. Hij liep op en neder tegenover een zeer sierlijk huis, welks bewoners in dat uur nog geen blijk gaven van bij de hand te zijn. Een bevallige kamenier, met korte mouwen en een net keurslijfje, kwam met een steenen kruik te voorschijn om den morgenvoorraad van den melkboer te ontvangen en een enkel woordje te wisselen, zich tevens vrij behaagziek daarbij in het voordeeligste licht plaatsende. Zich omkeerende om weder in huis te gaan, gleed de onheilspellende kerel met de geknotte hand, van wien wij hierboven reeds spraken, om den stam van een der groote olmboomen, die het voorplein beschaduwden, en den vreemdeling voorbijkomende, wisselde hij een nauwelijks zichtbaar sein met het meisje.
Later herinnerde zich Bob die omstandigheid, omdat zij zich in zijn geest had gevestigd, en niet omdat zij toevallig te zijner kennis was gekomen. Hij had zich nog zoo luttel bekommerd om de gebouwen, die zijn armzalig verblijf omringden, dat dit groote steenen huis, met zijn statigen voorhof en zijn koetspoort nu voor de eerste maal hem nieuw en vreemd toescheen. Hij had te voren nauwelijks geweten dat het daar stond, en nochtans had hij een duistere herinnering dat het er twee of drie jaren te voren ook gestaan had, hoewel zijn geest dit feit niet opzettelijk in aanmerking had genomen. Thans, in de diepe verslagenheid zijns harten en zoekende naar eenig voorwerp buiten hem, dat hem kon afleiden, herinnerde hij zich hoe dat rijke huis een jaar of drie geleden door slecht befaamde wezens beloerd was geworden. Hadden de bewoners er aar gedacht naar buiten te zien, soms hadden zij een, twee of drie kerels, naar roovers gelijkende, in de onmiddellijke nabijheid zien sluipen. Uiterlijk schenen zij niets meer dan ledigloopers, luie straatslijpers te zijn, die naar de dienstmeisjes keken, aan de fontein dronken, een oogenblikje op een stoep rustten, of de open plaats afwandelden en daar bedelden, zich uitgevende voor arme matrozen, die schipbreuk geleden en alles verloren hadden. De menschen, door medelijden bewogen, gaven den een of anderen dier mannen ruim, maar hadden zij wat meer den matroos gekend, zij zouden spoedig den bedrieger hebben bemerkt, want de echte zeeman bedelt nooit.
105
Een ander maal was het een arme uitgewekene, die in den vrijheidsoorlog verminkt was geraakt, en men gaf hem iets ter wille van den Lieven Heer. Dan weder een koene, rondborstige deugniet, die de meisjes, als zij in den avondstond aan het venster stonden, terwijl het licht in de kamer achter haar scheen, toefloot, en de koorden harer keurslijfjes lossneed. Doch in welken vorm ook gehuld, het waren steeds dezelfde drie. Op stelen schenen zij niet bepaald uil te gaan; zij bezaten geld en al wat aan hunne dierlijke eischen kon voldoen ; maar al wat daar binnen — in het huis — voorviel, namen zij waar. Zij wisten op welken tijd de bewoners uitgingen en naar huis kwamen, hoe groot hun aantal, wat hun doen en laten was; en dit alles uit een zekere vadzige nieuwsgierigheid, zoo als men wel meer bij menschen ontwaart, die enkel babbelzucht of gebrek aan een betere bezigheid drijft.
Ook de zwart uitziende man, van wien wij zoo even spraken, vertoonde zich eiken avond op deze plek, en leunde dan tegen den boom daar tegenover, even stil en bewegingloos als de stam, die hem steunde, steeds het oog op de met gordijnen sierlijk gedrapeerde vensters gevestigd. Kwam Tmogene het venster dwars voorbij, of vertoonde zij zich beneden aan den voorhof, dan schoot een scherpe gloed in het oog van hem, die daar stond. Geen oogenblik verloor hij haar uit het gezicht met de oogen der slang, die de duif beloert, en verdween zij voor goed, dan ging hij ook.
Hij was, zoo als wij boven zeiden, rijzig, donker uitziende, doch net van voorkomen. Zijn hoofd was goed gevormd, — wel met die kleine uitpuiling, die hartstocht daarbinnen verraadt, doch niet zoo scherp dat zij de teêre lijn der evenmatigheid benadeelde. Zijn diep liggende oogen waren groot, zwart en droefgeestig; zijn fijn gesneden mond was beschaduwd met een snorretje, terwijl een kleine knevel aan het gansche gelaat iets fiers en sierlijks bijzette. Ondanks dit alles was de indruk, dien hij voortbracht, pijnlijk. Men gevoelde een onwillekeurige rilling bij den aanblik van dien man, hoe fraai hij er ook uitzag, en men schreef die ongunstige uitwerking toe aan den eigenaardigen vorm van den neus, die inderdaad op onheilspellende hoedanigheden scheen te wijzen. Grieksch van vorm, doch ruimer van omtrek dan de grieksche lijn wel zou rechtvaardigen, naderde hij toch niet den romeinschen. Van goed geteekende neusgaten voorzien, hadden de laatsten in de onmiddelijke nabijheid van het neuspunt een kerfje, waardoor de schoone lijn gebroken, ja, eenigermate benadeeld was.
Dezen morgen Wendde Bob instinktmatig zijn oogen naar een venster met een afhangende gordijn, tegenover welke een stoel vermoed kon worden te staan. Een hand lichtte de gordijn op en men zag een klein meisje zitten met den rug
106
naar het venster gekeerd, terwijl een kamenier dikke vlechten van lange, kastanjebruine haren, de eene na de andere, uitkamde en borstelde. Bob herinnerde zich Minnie en dacht dat, indien zij even zoo kiesch en zorgvuldig opgepast ware geworden, ook zij nog door de gulden zon in haar hartje stralende even als op haar hoofdje kon worden beschenen. Weder hulde de ondoordringbare sluier Bobs hart in duisternis. Hij wist niet dat dood en ellende te allen tijde slaapkameraden waren.
Een die geslapen had was herrezen. Hoe kon de arme Bob weten dat ook Minnie geslapen had en herrezen was?
XXVII
DE HAND OP HET HAKT.
gt;Ik moet het doen; ja, ik moet. Ik zal er geen meer liefhebben; bij mijn ziel, neen! ik wil haar haten; dus wil \'k haar maar laten binnenkomen. Ze zal toch gauw er uit wezen, arm schepseltje!quot;
Bob stond, tegen een lantarenpaal geleund, op den hoek van Broadway en Chambers-street, waar een oude vrouw zoo dicht als zij mocht, bij den rijken bazar van Tiffany, Yong en Ellis zat.
Het was het oude bultje, de vrouw, die doorgaans met haar voddenmandje, waar niemand iets van kocht, op de trap van Astor House en naderhand voor Stewarts winkel zat; de upper tens hadden hunnen ban over haar uitgesproken, als zittende daar in den weg en zg was dus een weinig verder de stad ingekropen. Zij had het niet gewaagd zich voor de deur neer te zetten, omdat zij vreesde door de lieden daar van daan gejaagd te worden; maar wanneer de groote dames en heeren daar binnentraden om hunne duizenden in snuisterijen te verkwisten, dan hield zij hare hand op, in de hoop, dat als zij er weder uitkwamen, het streelende gevoel der mensche-lijkheid sterk genoeg in hun binnenste zou spreken om hen tot het schenken eener kleinigheid aan eene arme vrouw zonder brood te bewegen. Soms gaf haar dan ook een onverdorven vrouw of een nog onbaatzuchtig kind een kleinigheid, maar meermalen keerde zij naar hare ellendige kluis, te nauw er-nood van geld genoeg voorzien om het stroo te betalen, waarop het haar vergund was tegen een gering slaapgeld te rusten. Ach! niet zonder reden had zij zulke magere handen en zulk
108
een bleek aangezicht: geen erger vijand der schoonheid dan de honger.
gt;Luister, karkas! heb je geen woning noodig, he?quot; vroeg Bob, zich over de ongelukkige heenbuigende.
»Nou, de Heere vergeve het je, met een arme, ellendige vrouw te spotten,quot; antwoordde de oude vrouw, op een zoo plechtigen toon, dat het Bobs hart deed trillen.
»Weet je iets van onzen lieven Heer ? vroeg Bob.
De vrouw zag hem vragende aan.
»Ik zeg, karkas!quot; hernam Bob, »of je iets van den lieven Heer weet? want als je er iets van weet en ook van het srijk dat er komen moetquot; en van bidden, dan ben ik jou man, hoor je! jou man; en waarom? omdat ik er nies van weet, geen speld — ik ben een heiden, dat ben ik, een uitvaagsel, een nachtuil; dat ben ik, ja, maar leeren wil ik, en ook Dady wat leeren — waarom dat? — omdat \'t arme bultje dood is, en \'k weet niet wat ik doen moet.quot;
Mei moeite kwam de vrouw op de beenen. Ik weet nog niet zeker of niet een traan in hare oogen glinsterde toen zij Bob volgde, terwijl zij hem herhaalde dat zij een arme oude verworpelinge was, dat ze geen vriend of maag had, enz. En toen Bob nu zijn geschiedenis voortzette en haar alles van zijne twee kinderen vertelde, scheen het als of langvergeten voorvallen in den geest van de oude vrouw ontwaakten; zij lei hare bevende hand op Bobs schouder en riep uit:
„Nou, de Heere onze God zegene het kind, want zoo waar, de echte geest Gods rust op u.quot;
Indrukwekkend was de toon, waarop zij die woerden sprak ; Bob gevoelde het en was er in zijn ziel over verblijd.
„Nou zal \'k wat leeren,quot; juichte hij, „nou zal \'k lezen; maar bij mijn ziel! dan moet ik haar lief hebben,quot; voegde hij er met een zekeren schrik bij, als of iemand liefhebben de ijselijksle zaak der wereld was.
„Hier heen, moeder; nu buk je, oudje!quot;
En zij verdwenen in het binnenste der behuizing: de afgekeurde spoorwagen.
Een poosje daarna vertoonde de oude vrouw zich weder aan het portier en hief schreiende hare handen ten hemel; toen veegde zij met haar voorschoot hare oogen af en ging terug. Daarop kwam Bob met de kleine gele kom en een klein mandje, om naar den bakker te gaan ; hij trachtte een deuntje te fluiten, maar zijn lippen trilden te zeer onder de opwellingen van zijn volgekropt gemoed ; hij kon ze niet tot fluiten krijgen en gaf de poging op. Herhaalde reizen kwam en ging Bob, de oude vrouw bleef binnen — zij had een heilig werk te verrichten.
Bob zat buiten en wiegde Dady op zijn schoot en zag naar
109
den blauwen hemel daarboven, zoo uitgebreid, zoo stil, en het uitspansel scheen hem te fraai, te liefdevol van uitzicht voor een wereld als deze. Hij wist niet dat dit de zichtbare glimlach was van [godzalige liefde, die in ons hart sluipt en er een blijden weêrklank aan geeft, al roept niemand ons toe „zie hierquot; of „zie daar.quot;
Als alle arme kinderen, hield Dady hare oogen op het. aangezicht van haar jeugdigen beschermer geslagen en een ern-stigen blik ontmoetende, voelde zij zich even ernstig gestemd, gaf zich ook geen moeite vroolijker te zijn, maar hield haar armpje om zijn hals geslagen en sprak niet.
Laat in den namiddag liep een knaap met plechtig langza-men stap Broadway af, met een klein kistje onder zijn arm. Hij hield rechts af, altijd even langzaam. De menschen, die hij tegenkwam, ontweken hem schuw, want weinigen gevoelen den lust, de laatste behuizing van den mensch, al ware het bij toeval, aan te raken; immers een bijgeloovige angst hecht zich aan die aanraking; en dus kon de knaap ongehinderd zijn weg vervolgen. „Zeker een dood kind,quot; zeide de een. „Ze moesten zulke dingen niet zoo te koop dragen,quot; riep een ander. „Bestelwerk naar huis gebracht,quot; liet een derde hooren, en waarlijk deze kwam der waarheid wel het meest nabij, want de aarde is het huis, waar ten laatste al \'s menschen werk en hij zelf besteld worden. Die knaap was Bob, hij bracht de arme Minnie huiswaarts; Minnie, het onbekende, het daarheengeworpen wicht, welks reine geest alleen aan den vader aller geesten bekend is en aan Bob den krantenjongen; Minnie, die kwam en ging en geene herinnering meer achterliet.
Bob bevond zich ongedeerd aan boord der veerboot van Staten-eiland.
„Wiens kind is dood?quot; vroeg een man van een goedaardig uitzicht.
„Het is Minnie,quot; antwoordde Bob, terwijl zijn oogen vol tranen schoten, die hij niet kon onderdrukken.
De vreemdeling eerbiedigde zijn hartzeer en zeide niets meer, en waande dat het lijkje dat was van een mooi, geliefkoosd kindje eens rijkaards, want wie had kunnen denken dat een arme vondeling met een gebroken ruggegraat iemand kon hebben ontmoet, die haar betreurde? En dus dacht men gedurig dat «het kistje naar huisquot; gebracht werd, want niemand wist dat tegen dat groote hart van den knaap — zoo zorgvuldig, zoo godvruchtig er tegen gedrukt — alles rustte, wat van de kleine Minnie overbleef.
Een oogenblik had Bob het voornemen naar de liefdadige zusters te gaan en van deze een graf voor het lijkje te vragen, doch hij bedacht tevens dat, al werd dit toegestaan, het kerk-
110
hof voortaan voor hem gesloten zou zijn, of dat hij althans moeielijk toegang zou verkrijgen. Hij meende dat, onder alle graven, dat van Minnie even vrij moest zijn als het luchtruim en hij het telkens, te ieder uur moest kunnen bezoeken; ja, van tijd tot tijd moest hij zijn groot hart ter rustplaatse van Minnie kunnen gaan verlichten. Hij ging dan tot de South-ferry, waar nog altijd de goede vrouw met haar stalletje zat, dezelfde, die zoo vaak hem en Minnie had ten dienst gestaan; door het zware branden van de zon, waarin zij had gezeten, was haar aangezicht van roode puisten opgezwollen, zij kon niet zien en al zwollen er tranen uit het hart der goede ziel, geen traan kon zich een weg banen door hare opgezette oogleden. Bob deelde haar zijn voornemen mede, zij keurde het goed en liet er op volgen:
»Wij, arme schepsels, Bob, zijn gauw vergeten; maar dat geloof ik, Bob, dat daarboven een engel is, die uw naam zal opschrijven in een boek, boven dat van eenigen koning.quot;
»Dat \'s de liefde, die dat doet, moedertje,quot; antwoordde de krantenjongen, »nou geef ik om niets meer. Kijk, zoo lang Minnie er was, drong een stem in mijn hart, allen dag, maar nou is ze dood, en nou gaat me \'t van binnen op en neer, op en neêr, als of je aan een groote klok trok. Non zingt er nies meer, moedertje, nies meer daar binnen,quot; en hij ging. Hij dacht aan het kerkhof van Greenwood; maar een graf kost daar veel en daar Bobs gezin in den laatsten tijd nog al duur te staan kwam, was hij niet bij machte een kuiltje te betalen, om er zijn doode in bij te zetten; en bovendien, voor niemand ter wereld was Minnie iets geweest, alleen voor hem en nu was hij jaloersch zelfs op het bezit van haar gebeente. Zoo koud had de wereld op hen beide gezien, zoo weinig hadden zij aan die wereld te danken, dat Bob nu op zijne beurt niets van haar wenschte te ontvangen.
»We moesten kunnen uitstappen,quot; zeide hij in zich zeiven, »zonder dat we iemand lastig vielen met onze begrafenis We hebben op niets recht op deze wereld; en waarom niet? omdat niets ons eigen is. Geen huis, geen land, geen wetenschap, geen verstand.. Minnies moeder is uitgestapt, en een macht van arme bloeden zijn denzelfden weg gegaan. Maar ik moet het toch niet doen; en waarom? omdat \'t tegen m\'n aard is. Ik houd het voor verkeerd. We zijn hier op schildwacht gesteld en we moeten wachten tot dat die Eene, die ons op schildwacht gesteld heeft, ons komt aflossen.quot;
Dit alles ging door Bobs hersenen, terwijl hij bepeinsde hoe een handjevol aarde te vinden om ei- het stoffelijk overschot van de kleine Minnie onder te verbergen, wier lot daarom niet onherroepelijk verloren was, daar God haar den grootsten schat, een vriend, had - gezonden. Helaas! dikwijls hebt gij
414
en ik in de verte uitgekeken, om naar zulk een schat te zoeken. Lief hebben kan men ons, maar liefde zelve is baatzuchtig. Zij schuwt zuchten, tranen — siddert voor arbeid en ziekte en dood — zoekt rozen en leliën, geuren en weelde. ))Ge zijt mijne vrienden,quot; zeide de gezegende Verlosser, en wij vinden ons gesterkt en zalig, naarmate wij het goddelijk beeld van onzen Vriend naderen. Neem al de gelieven van beiderlei kunne weg — en al den rijkdom der aarde — en glorie, gezondheid en schoonheid — geef ons slechts één vriend, en wij hebben alles. De ware vriend schenkt reine, hemelsche liefde. »Wat mij behoort, behoort u,quot; zegt de ware vriend. De ware vriend is ons aan \'t ziekbed, in onzen dood op zijde, als wij van den aardschen tot den hemelschen Vriend gaan, daar de een slechts het afdruksel van den ander is.
Bob echter was gerechtigd nog zelfzuchtiger ten aanzien van Minnie zich te toonen. Had hij niet die groote, verdorven stad in alle richtingen doorkruist, moede van voet, hoewel sterk van hart, en dat om een stukje brood voor haar te winnen? Had hij niet het weinigje, dat hij bezat, verteerd, alleen maar om het arme wichtje zooveel mogelijk althans te doen uitzien zooals \'t een meisje betaamt, net, lief en zoo mooi althans als een klein kind met gebroken ruggestreng het vermag ? Had hij zich niet doodstil gehouden, wanneer Minnie met haar vingertje wees en »onze Vaderquot; zeide, want het kind had iels of wat geleerd alvorens Bob haar tot zich nam ? En wanneer allen uitgingen om naar de sterren te zien en Minnie voelde hoe de zilveren keten van den hemel daalde, steeds meer en meer haar hart ontsluitende, zeide zij toen niet gedurig tot hem:
»Bob, beste, geliefde Bob, ik wil nog niet gaan. Neen, Bob, ik zal hier blijven en als gij Minnies hand op uw hart zult voelen, dan zult ge niet ongelukkig zijn. En al roepen ze me huiswaarts. Bob, dan zal ik nog wederkomen en gij zult toch Minnies hand op uw hart gevoelen.quot;
Dikwijls plachten zij op deze wijze met elkander te kouten; dikwijls, wanneer Minnie tranen in Bobs oogen zag, zeide zij, terwijl zij haar mager armpje om zijn hals sloeg:
»We zullen toch wel iets hooren van dal mooie zand, dat ik in miin slaap zie, lieve Bob; en als ik daar heen ga, dan kom ik er soms van terug om u te troosten, arme Bob, want ge zult wel eens Minnies hand op uw hart noodig hebben.quot;
En aldus, langs den ganschen weg, dien Bob lot aan het grasperk aan de zeezijde aflegde, dien hij en Sam vele jaren geleden zoo menigmaal waren gegaan, toen Sam leerde aan Maria te denken, meer dan aan iels ter wereld, gevoelde Bob Minnies zachte hand op zijn hart. Deze plek was ten allen tijde in de gedachtenis van den krantenjongen een plek vol
112
zonneschijn gebleven en hier, van het zeestrand verwijderd, groef hij een kleinen kuil en legde er zijn kostbaren last in; van alle lastige vragen bevrijd, vond hij daar middel dat graf met eigen hand te maken, en zeide in zich zeiven: «Och, ik kan haar niet naar Potter\'s field brengen: neen, daar kon ik Minnie niet laten; maar hier zal de zon ereis komen en bloempjes zullen er opschieten en niemand zal weten dat zij komen omdat Minnie er rust.quot;
XIX.
HET WOKDT NACHT.
Met langzame schreden was Bol) van zijne taak teruggekeerd en al de schoone gezichten en geluiden van Bvoadway troffen zijn oogen en ooren, doof en blind voor de wereld daar-huilen. Hij sloeg rechts noch links in; werktuigelijk vestigde hij zijne oogen op een kind, dat er morsig en leelijk uitzag, niet kromme beenen en afgeleerde armpjes; tranen hadden zijne wangetjes diep gegroefd lot kanalen met oevers van stof, langs welke uit de openstaande vloeddeuren een heldere, zachte streep zuiver water stroomde. De voorbijgangers hoor-den, ja, het snikken, zagen naar het morsige, kleine schepseltje en gingen door. Nu staat hij aan een viersprong, opgestopt met wagens en karren en paarden — het kind zal verpletterd worden; het wordt bang en zet zijn mond tot een wijden keel uit. Ach! schoonheid, schoonheid! grondbeeld van den Eeuwige! innig gevoelde harmonie, waarop de meest uit-eenloopende geaardheden antwoord geven! ware het kind een der uwen geweest, o schoonheid! ware een enkele lijn van uwe keurige vormen hem te beurt gevallen, hoe vaardig ware hem hulp gebracht! doch er lag wellicht iets nog meer treffend in dat vale, bleeke, verwaarloosde kind der armoede, iets, dat op een inwendig gevoel wees, dat dieper verholen en dichter bij de bron van onveranderlijke schoonheid was, het was de sprakelooze roepstem der verongelijkte menschheid — de traan, zoo heilig in ieder oog, doch van zulk een ijzingwekkende beteekenis in het oog van den behoeftige, van den zieke, van den verwaarloosde.
Bob zag dit alles en zijn groot hart kon niets minder dan in het lijden deelen, dat hij voor oogen had : Minnies kleine hand lag op zijn hart.
8
114
„Neen Minnie,quot; zeide hij, „Bob kan niets meer doen, Bobs hart barst vaneen.\'\'
Het troostrijke handje drukte nu zachter, doch het was hem eensklaps als zag hij de oogen van Minnies moeder weder voor zich en hij greep de hand van het arme kind. Een •werkman ging voorbij en Bob zeide hem :
„\'t Is tegen mijn hart, oen schepsel te zien lijen; maar ik kom juist van een begrafenis, als je ziet. Och je moest \'t arme kind naar \'t policiebureau brengen, dat wil je toch wel?quot;
De aangesprokene had het hart op de rechte plaats, maar hij had een talrijk gezin te huis, dat op het brood wachtte, hetwelk hij onder zijn arm droeg. Hij, tot de gemeene volksklasse behoorende, een worstelaar om brood, niet om weelde, zag met een medelijdend oog op het kind, maar dat was ook al wat hij vermocht. Toen sprak Bob een welgekleed heer aan; deze haalde zijn schouders op, zag hem aan en ging verder. Wat was er te doen ? Eindelijk nam een schooljongen, een fiksche, schoone knaap, nog te oprecht en te jong voor mensch-onteerenden hoogmoed, ook te edelaardig en teergevoelig om te aarzelen. Bobs voorstel aan en bracht het arme kind met de meest mogelijke omzichtigheid naar het policie-bureau.
Bob liet het kind los, doch blijkbaar niet zonder hartzeer; hij wist dat het kind verlaten was. Hij kende al het lijden in dat kleine bewegende klompje vel en been opeengehoopt. Toen hij de dunne, kleurlooze, slappe hand in die van den nieuwen beschermer liet glippen, keerde het kind een laatsten, sprekenden blik naar hem, een blik, half zielvol, halfdierlijk, maar waarin alles lag opgesloten, wat het kind was en gevoelde, het saamgevatte begrip van het gansche zijn des armen wichts. Bob vervolgde zijn weg.
Schoone, wel opgevoede en verzorgde kinderen, vroegtijdig ijdel, vroegtijdig ontwikkeld, gingen voorbij; — net opgesmukte kinderen, zonder vlekje of smetje, waarop niets aan te merken viel; — doch een zekere hardheid van blik, alledaagsche zelftevredenheid, en het uitwendige vertoon van het leven, weerhield hen van alle belangstelling en sympathie. Uit de oogen van het vervallen kind sprak een ziel, die tot in de diepste schuilhoeken der ziel drong.
Ja, schoonheid is kracht — hare duidelijker vormen roepen onmiddelijk het oog des opmerkers, terwijl de meer verborgen en geheimzinnige bekoorlijkheden een diepere snaar bij meer nadenkende wezens aanroeren en er een weerklank vinden,, minder veelvuldig, maar daarom niet minder overeenkomstig hare behoeften.
Nu ging hij tegen het hek tegenover het City-Hospital leunen; hij was afgemat, uitgeput en het ruischen der hoog-
115
stammige, oude boomen bracht het beeld van Minnies graf levendig voor zijn geest.
»Een sleutel voor het slot!quot; riep de oude sleutelverkooper met zijn kortademig, hortend stemmetje, terwijl hij zijn sleutels deed rammelen en rechts en links om zich keek.
«Glazen stoppen, glazen stoppen!quot; De stem des glazenmakers is altijd dezelfde; hij schijnt op niemand te willen wachten en nochtans is het kleine kastje, dat hij op zijn rug draagt, altijd vol van stukken glas.
«Scharen slijpen! messen, scharen!quot; haalde de man met het karretje lang uit, tevens zijn schel in beweging brengende als ongeduldig om uwe traagheid.
»Express, Tribune, Herald, Times!\'quot;
»Bob, jongen hoe vaar je!quot; en onze krantenjongen kreeg een fiksche streek over den rug, hem toegediend door de breede hand van woeligen Jack. „Wel, voor den satan, waar zit je, vent? Heb je de pokken gehad? En hoe is \'t met kattenbultje ? kom haast je wat met je pruimen. Bob, wachten kan ik niet — anders raakt het publiek aan \'t razen.quot;
»Ik dacht,quot; zeide Bob, »je zoudt geen papieren meer venten, Jack.quot;
»Och, \'t was voor Squinty, zoo lang hij zijn moeder naar Potter\'s field is gaan begraven — niets meer.quot;
Bob rilde.
»Zoo even heb ik Minnie begraven,quot; zeide hij met een bedekte stem.
Hoe woest van aard ook, lei Jack toch nu zijn hand op Bobs schouder, terwijl een blik van ongekunstelde droefheid uit zijne oogen sprak.
ïlk kom je opzoeken, Bob,quot; en hij verwijderde zich in het oogenblik zelf, waarop zuster Agnes de straat afkwam, van een lersch meisje verzeld, dat barrevoets was en waarmede zij, ongetwijfeld, de barmhartigheid van den een of ander ging inroepen. Zij kende Bob en fluisterde in het voorbijgaan: »Be-nedecite, mijn zoon.quot; Zijne oogen schoten vol tranen, want hij had het woord verstaan, door den toon, waarop zij het had geuit.
Een bejaarde vrouw, die bloemen verkocht, nam een rozen-takje uit hare mand en reikte het Bob over, in het oogenblik dat zij zich omkeerde om een ruiker aan een jong menschte verkoopen, die hem gewis bestemde voor oogen, die bij zijne komst helderder zouden stralen. De oude vrouw schonk eigenlijk dat rozentakje meer aan den traan, die in Bobs oog stond, dan hem zeiven, want voor de armen is ellende de regel, niet de uitzondering, en weinig woorden staan hun ten dienst om die ellende te verlichten; en daarom zijn zij altoos tot duizenderlei kleine, menschlievende dienstverrichtingen bereid,
8*
116
De ouile bedelaars slopen de stad in, op-of nederwaarts naar de Five-points. De kooplieden van Wallstreet waren een geruime poos reeds naar huis gegaan om te middagmalen. De rijke, praalzuchtige opkomelingen, met hunne wapendragende rijtuigen, hadden reeds lang de tentoonstelling van hun alle-daagsch, nietig leven geëindigd.
gt;Minnies hand zal altoos op Bobs hart rusten,quot; mompelde hij, zich nu met snellen stap huiswaarts begevende dewijl het laat was geworden. De blinde neger, aan de bocht van het ijzeren hekwerk tegenover het hospitaal, was reeds lang langs den muur weggegleden en nergens meer te zien. Ook de jongen met het eene been, altijd op de treden van Delmonicos zaal te vinden, hinkte bleek en hongerig naar huis.
Wolken hadden zich sedert een aantal uren in het noordwesten opeengestapeld; Bob had het niet gemerkt. Niets had hij gezien dan een hoopje aarde, met een zacht, bleek gelaat daaronder; niets gehoord dan het kloppen van zijn eigen groot hart, zeer langzaam doch hevig, als van het zwoegen moede.
Plassend kwam de regen op het hoofd des krantenjongens neder; hij voelde het niet. Honderden hadden een nieuwsgierigen blik op hem geworpen, hij zag ze niet; hij zag niet hoe het avonddonker nog den boventoon hield in de duisternis der wolken, — want het was nacht geworden.
XXIX.
DE REGENDOOP.
De straatlanlaarn waren sedert lang reeds opgestoken, doch wierpen een flauw licht door den nevel, en toonden alleen het afvoeren van stroomen modder door de goten naar ongeziene kanalen, tot waar de groote plas alles opslurpte. Er was een gedrang van huurkoetsen, een luid geschreeuw van voetgangers, kruiers, zakkedragers; hier kreeg er een de punt van een regenscherm in het aangezicht, terwijl het voetgetrappel met den nederplassenden regen maatscheen te houden. Naaisters keerden huiswaarts van haar lang en slaafsch dagwerk, waarvan de sporen op haar bleek en mager aangezicht, te lezen stonden; bejaarde matronen, met donkere, korte japonnen, engsluitende mutsen en grove schoenen, hielden hare armen onder de oksels en liepen langzaam voort — een regenscherm was haar te duur, zij hadden te veel voor het gezin noodig. Om \'t even! Jeugd en schoonheid en blijde verwachtingen hadden zij overleefd, en een weinig regendroppels meer of minder had niets te beduiden; zij vervolgden dus haren weg, als liepen zij achter een lijkstaatsie, want het leven was voor haar niet meer geworden dan één aanhoudende gang grafwaarts.
Policiedienaren scholen onder luifels en koetspoorten, nu en dan als met een tooverslag te voorschijn komende, als de gelegenheid het eischte. Bedelaars pakten zich hier en daar opeen, terwijl ploertige straatslijpers, de handen in den zak, met een uitdagenden blik voortschreden. Van dat alles zag Bob niets. Kleine meisjes, met magere armen en beenen en oude omslagdoeken over de hooge schouders geknoopt, kwamen hier en daar te voorschijn en vroegen om een penning, en Bob schoot geen blik van verachting op haar en blufte
118
%
ze niet af met zijn: „ga jelui werken,quot; zoo als hij honderde malen te voren had gedaan.
Die geweldige regenbui, door de zuivere wateren van het noorden voortgebracht, gevoerd over schoone rivieren en verrukkelijke velden, poogde, doch te vergeefs, ook in die groote, verdorven stad tot een nuttig einde te werken; zij faalde, nu, zoo als zij vaak te voren had gefaald, ja, ondanks de aanwezigheid van den groothartigen Bob, die zijn eigen hemelsche tranen onder de regendroppels mengde. Ja, \'t scheen als of die regenbui hem onder allen had uitverkoren om met meer kracht op hem neder te vallen en hem dermate te doordringen, dat hij van top tot teen louter regen was. Zijn gescheurde pet zakte over zijne ooren en het water droop er bij beken af. Zijn oud buis kreeg den regen aan den eenen kant in en liet het aan den anderen weder uit; zijne schoenen schenen te juichen van geestdrift, dat nu de binnen-en buitenzijde geen betwist grondgebied meer was. Bob echter gevoelde van dit alles \'niets. Hij liep voort, in geene gemeenschap hoegenaamd met al wat om hem voorviel of nederviel; voor hem, het arme, kleine jongske, wien het leven nog een groot, gesloten boek was, zoo als het voor ons allen is, op wien wind en weder het schenen gemunt te hebben om hem al het mogelijke kwaad te doen — kwaad? of was het niet veeleer het medelijdend zuchten en de tranen der natuur over het lot van haar arm, verlaten kind ?
Wij danken God voor den zonneschijn, nooit voor den storm en nochtans komen de loeiende orkanen en de plassende regenvlagen soms zoo wonder wel met onze gemoedsstemming overeen. Heden verlustigt zich de storrn onzer hartstochten in den orkaan. Koning Lear \') moest in den storm in de vrije lucht, anders zou zijn arm, ongelukkig hoofd vaneen gebarsten zijn, in het oogenblik zelf dat zijne zinnen hem begaven. Het donkere, droevige verleden behoeft den storm, om het geheugen te helpen. Onze afgestorven vrienden herleven het best in ons hart, wanneer de regen in plassen nederkonat; onze groote beproevingsdagen, onze Gethsemanees, als ware het, nemen dan een bovenaardschen vorm aan; onze mindere verdrietelijkheden worden cherubijnen, die wij nu met een zekere vooringenomenheid liefkozen, en onze zeldzame genoegens worden schooner in onze oogen, worden de toppen van den Jura, die het eerst den morgenstraal ontvangen, en den laatsten gloed der dagster in de avondschemering weêrkaatsen. Zijn wij krachtig en wijs, dan houden wij onze oogen op hen gevestigd, tot dat de gansche vallei van het verleden in één helderen zonneglans zich baadt; wij zien hoe weinig tcch de
\') De bekende ongelukkige koning, door Shakespeare vereeuwigd. Vert.
119
wezenlijk donkere dagen waren, vergeleken mei die, waaruit hij, wiens hart wèlgeplaatst is, nog altoos een troostrijk licht weet te putten, en wij leeren dat »de zwarte plek op onze zonneschijf is de schaduw, door ons zeiven er opgeworpen.quot;
Onze Bob liep dan voort tot in de nabijheid van den ingang van Canal-street, waar men toen bezig was oude huizen te herstellen en waar nieuwe gebouwen verrezen. Hier lagen groote hoopen steenen, zoo hoog, dat zij op de hoofden der voorbijgangers dreigden neêr te storten, massa\'s puin en versleten tuig, door den wind met een oorverdoovend geraas opeengejaagd of neêrgeploft. Deze materialen voorbijkomende, voelde hij zich op eens met geweld bij de hand grijpen.
»Om Gods wil hou stand,quot; riep een zwakke stem.
»Ben jij \'t Molly,quot; zeide Bob, ook met een flauwe stem. gt;tk sterf. Bob — ik voel \'t; ik sterf van zonde, schaamte en — honger.quot;
gt;Naast Minnie kom je niet te leggen,quot; antwoordde de jongen op een soort van verwilderden, ijlenden toon.
Een gil, ijzingwekkend te midden van duisternis, regen en storm, werd door Molly geuit, als wilde zij toonen welke kracht de ziel aan \'t lichaam kan verleenen, zejfs dan wanneer de dood reeds zijne klauwen in aderen en nieren heeft geslagen, en het anders zoo werkzame kloppen van het hart, belemmerd door zware, benauwende drukking, nu de beweging zijner wielen stremt.
sSchi\'eeuw niet, Molly,quot; antwoordde de jongen, nu eeniger-mate uit zijn droom ontwakende. — »En waarom?— Omdat de starren aanstonds doorbreken. — Wat is er gaande, he? zeg \'t me maar, Molly,quot;
Dit laatste sprak Bob op een toon vol medelijden, want zijn groot hart was weêr zijn menschenplicht indachtig.
Het meisje snikte en kermde, doch antwoordde niet en ook Bob, in zijn eigen droefheid weder verzonken, bewaarde het stilzwijgen. Eindelijk begon het meisje, doch zeer onsamenhangend, aldus: .,Zij gaf me \'t nieuwe lint, maar zei erbij: O, Molly, Molly, gij zijt op allerlei vermaak verslingerd en dat brengt den arme ten verderf; ge houdt veel van mooie kleêren, en dat leidt tot schande, en nou ben ik hier, hier in den regen stervende — stervende, stervende. Hoort ge de groote klok luien. Bob? luien, zoo als ze nooit voor Molly zal luien. — ze luidt, en luidt, \'t Is bijna middernacht, —middernacht. Ze hebben haar op \'t kleine kerkhof begraven, toen luidden de klokken en er werd gebeden, en \'k herinner me dat de scherpe blikken op me schoten en zeiden: De Heere ontnam haar aan het kwade dat daar komen moet.\'\'
,,En ge wist iets van den Heer,quot; vroeg Bob «en van bidden, en toch zijt ge geworden wat ge zijt?quot;
120
Het meisje antwoordde niet; zij liet haar hoofd op Bobs schouder zinken en beide zaten in den donker; de luiken klapperden, de menschen gingen hen voorbij, niemand zag hen, alleen de regen scheen hen tot mikpunt te hebben gekozen, als -wilde hij hun door genezende wateren den doop toedienen.
„Ik ben zoo goed als dood,quot; vervolgde de arme Molly eindelijk; »de menschen sloegen me en joegen me de deur uit, omdat ik stervende ben en zij den last van \'t. begraven niet wilden hebben. Maar Bob! ach! kon ik maar naar huis,kon ik maar....quot;
En nu kwam een tranenvloed haar verlichten.
»Minnie heb ik naar huis gebracht, Molly, maar gij moet daar niet heen.quot;
»Neen, neen, daar niet; maar terug, waar de zon door den boomgaard scheen en de kleine beek den geheelen dag zoo liefelijk lonkte, waar de eglantier langs de liegge opschoot en het boterbloempje en madeliefje in de zon dartelen en waar de vogeltjes nooit moede werden van het zingen. — Terug naar den schoot mijner moeder, en naar \'t gebed van mijn moeder.quot;
In Bob had een reeds vroegere behoefte aan al die herinneringen, aan al die zoete gewaarwordingen zich doen hooren en nu haakle hij er naar nog meer te vernemen en hij sprak;
»Ga voort, Molly, ga voort: dat zal je goed doen; en dat waarom? — Mogelijk kunnen we samen blijven, je zult een ware zegen voor mij en Dady wezen en voor de oude vrouw.quot;
„Ik had verleden nacht. Bob, juist zoo\'n droom en nou ik er aan denk. geloof ik dat \'t een verschijning was. Och, zou \'k er op kunnen bouwen? — Mag ik in den Heere berusten?quot;
„Daar heb je \'t,quot; antwoordde Bob overhaast. „Ik voel \'t, er is iets, waarop men vertrouwen kan en de oude vrouw zal ons verder helpen.quot;
Het meisje sloeg geen acht op deze laatste woorden maar vervolgde :
gt;Ik was dood — ja, dood, zoo als ik \'t zal wezen wanneer de zon opkomt; — ik mengde me onder een grooten hoop menschen, die allen in één richting zich bewogen. Ik zag een liefelijke streek voor mij en in hel midden stond een marmeren troon, en op dezen zat Jezus, de vriend der zondaren. Ik zag schoone vrouwen en groote mannen den troon naderen — zag den rechter gestreng hen aanzien en hen afwijzen met de woorden: „Onbruikbare bedienden, slechte huisbewaarders,quot; en zij gingen met bitteren angst in hun hart. Eindelijk door de menigte voortgestuwd, bevond ik mij zelve voor den troon. Ik durfde de oogen niet opslaan maar beefde en scheen in mijn binnenst te zeggen; »Wees barmhartig, want mijne zonden zijn vele.quot; En hij beurde mij op en fluisterde: »Arm
121
lam, door duizend wonden doorboord — arm lam — wees barmhartig — arm lam!quot;
s\'t Bultje en Molly zijn beide weg,quot; zeide Bob eindelijk, terwijl hij het hoofd van het arme meisje op de richels legde, waarop de regen onafgebroken plaste en de straatlantaren haar straal wierp om da1: bleeke en verwilderde aanschijn te verlichten.
De zon zocht zich een weg door den nevel te banen toen Bob zijne woning in den verlaten spoorwagen weder bereikte. Ten zelfden tijde ontdekte de zon ook de arme Molly. Eenige medelijdende menschen riepen de daartoe gerechtigde ambtenaren er bij en in de dagbladen las men; «Een ongelukkig meisje, lang alhier als een verlorene bekend, werd dezen morgen, dicht bij Canal-street, dood op straat gevonden. Het lijk is naar Polltrsfield gebracht.
De bergvliet, te midden der zuivere dampen van den hemel ontspringende, moge door bestoven bijpaden, over onvruchtbare vlakten, woelend en rusteloos zich een weg banen; dan verder door de groote steden, en verder en verder tot dat hare wateren weder gereinigd worden in de «ontelbare zeeën.quot; Moge het ook zoo met het leven zijn. Ook de arme Molly had een visioen.
XXX.
BOBS DROGREDENEN.
„Oüe bes,quot; zeide Bob, op de koetsbank zittende, terwijl hij zich over de slapende Dady heenboog, »oue bes, ik zegmaar: Minnie is wel af. Waarom? omdat ze nou niet meer steent en zucht.quot; (Dit zeggende, rilde Bob van hoofd tot teen). »Ik ben niet bang, moeder, geen zier bang; maar mijn tanden klapperen, dat je licht zou denken dat ik bang was, maar neen!quot;
sJe bent ziek, arme jongen, erg ziek.quot;
En de oude vrouw nam Bobs pet af en een regenstroom gudsde van zijn druipend haar. Zij liet er hare vingers doorgaan en veegde met haar voorschoot zijn aangezicht zacht af. Nooit nog was Bob het voorwerp van die moederlijke zorg geweest, nooit was hij dus aangesproken; geen wonder dat zijn hart zich in een luid snikken lucht gaf: ))Bij mijn ziel, bij mijn ziel — dat breekt me \'t hart — ga, dat \'s te veel, oüe bes! \'t is me nou even benauwd, als of ik in de komedie was. Geef me liever een stomp en een schop, maar zoo moederlijk moet je niet praten.quot;
De vrouw had zich neêrgezet en Bobs hoofd op haar schoot laten rusten, en met hare magere vingers zijne haren gestreken en hem zacht op zijn schouder gestikt, terwijl zij een oud kerkgezang neuriede, als of een gedachtenis aan vroeger dagen in haar hart opwelde; en op die wijze sliep Bob in met een onbestemde gewaarwording van kalm genoegen, half luisterende naar de woorden, die hem aan een koor deden denken, dat hij wellicht eens van het tooneel had gehoord.
„Naar \'s konings rijk Tertrek ik thans,
Volgt gij mijn schreên naar roem en glans?
Hallelujah, lof zij den Heerlquot;
123
Mij werd eens de geschiedenis van een arm dienstmeisje verhaald, bemind en welgezien door de lieden bij welke zij diende; doch, verslingerd geraakt zijnde op een jongman tot het gezin behoorende, werd zij moeder — en niet vrouw. Zij durfde haren misstap niet bekennen, en wist haar kind op een oud vlieringkamerf je drie jaar lang te verbergen. Nooit sprak of glimlachte zij in bijzijn van dat kind, uit vrees dat het kind het ook mocht leeren en haar verraden. Drie jaren verduurde het wicht dat sprakelooze leven, tot dat op zekeren dag de natuur zich deed gelden en het kind een luiden lach liet hooren, zijne moeder aan den arbeid ziende, terwijl hij door een reet zijner gevangenis keek. Er werd onderzoek gedaan en het geheim was ontdekt.
Zoo was het met de kleine Dady. Ongewoon aan de velerlei oplettendheden, doorgaans aan kinderen bewezen, leerde zij voor zich zelve zorgen en op hare eigene wijs rond te dribbelen. Nooit schreeuwde zij, nooit was zij lastig of liep in den weg. Naar mate Minnie minder in staat werd zich overal heen te begeven, had zij Dady geleerd allerlei zaken in te halen en aan te brengen, had haar ook onderwezen op wat wijze zij zich moest reinigen en opknappen en de lange gouden haren kammen. Dady beloofde een lief, bevallig uiterlijk te verkrijgen, iets dat Bob eerder scheen te hinderen dan te behagen, daar hij haar toenemend schoon als een soort van roof beschouwde, aan het kleine kromruggetje gepleegd.
»Niet half zoo mooi is ze als jij: niet half zoo mooi, Minnie,quot; placht hij dan te zeggen ; »en waarom ? kijk ! ik heb al de schilderijen op de zalen van Art-union gezien, en geen ervan zag zoo mooi uit als jij Minnie, behalve een non —ze zeiden me het was een non — ze had een witten jurk an, en ze sloeg hare oogen naar boven, met. zoo als jij noü doet, Minnie.\'
En zoo ging het gedurig; Minnie was tevreden, en ook Bob, want hij hoorde de ziel van dat kind uit een rein lichaam tot hem spreken, zoo als de geest des waters uit de waterlelie spreekt.
Het schemerde toen Bob ontwaakte; in dat zelfde oogenblik kroop Dady aan zijne zijde en sloeg haar teeder armpje om zijnen hals, want het kleine meisje was tegen het vallen van den avond, als een onnoozel lam, in haar hoekje gekropen, hongerig, doch zonder te klagen.
Bob sloeg zijne oogen op en riep de oude bes : »moeder!quot; doch alles was stil en de wagen ledig.
»Noü, \'k wil wedden dat de oüe de plaat heeft gepoest, en zit nou zeker aan Chambers hoek tot een klomp opgerold, meer naar een machien lijkende dan naar een mensch. Och ze komt niet terug —nooit. En waarom ? omdat ze dacht dat ze voor Bob zou moeten bedelen — liever zag \'k \'er.... Nou kornan!quot;
124
Wat hij haar liever wilde zien, weten we niet, doch zoo veel is zeker, dat, terwijl hij nog sprak, de vrouw binnentrad met een lang brood onder den arm, een kaars, en een emmertje met melk. Een lachje speelde om haar mond; haar voorkomen was goedaardig, moederlijk, te eenenmale het tegendeel van wat zij te voren was geweest. Zwijgend sloeg Bob haar gade. Vervolgens kookte zij in een zeer klein keteltje water en zette wat thee, deed wat melk in de gele nap, nam Dady op haar schoot en gaf haar wat brood en melk, terwijl het kind bij iederen lepel, met een blijde verbaasde uitdrukking hare oogen op het gelaat der oude vrouw vestigde. Vervolgens kamde en wiesch zij Dady en vouwde hare handjes en leerde haar nazeggen: »onze Vader zegen uw klein kind!quot; en leide baar weder op het stroo.
Dady liet zich dit alles als een kleine ledepop doen, terwijl hare groote oogen door hare krullen heenstaarden, als begeerig te leeren en te worden al wat de vormende hand der opvoeding van haar zou willen maken. Wat Bob betreft, deze vermocht niet anders dan uit te roepen: iOch, bij mijn ziel! bij mijn ziel! net zoo als een non, net zoo. En zou het rijk niet komen, het rijk Gods? Doet dat den ouden wagen niet als een boot wiegen! Dat \'s toch echt vroom, bij mijn ziel!quot;
Dady was ingeslapen; nu nam de vrouw Minnies rozenboompje van een stoel zonder rug, spreide een vaatdoek, die zij uit haren zak haalde, er over, leide het sobere avondmaal er op en riep Bob om zich bij haar te voegen.
»Eet maar alleen, moeder, ik kan niets opkrijgen, \'t deugt niemendal voor me; ik kan niets afkrijgen, geen eten noch drinken.quot;
De oude vrouw kon haar teleurstelling niet verbergen en zeide op moederlijk bestraffenden toon:
»\'t Was het beste dat ik krijgen kon, mijn zoon.\'\'
»\'t Bestel Nou, die is goed. Geloof je dat ik op dat eten en drinken dat je daar hebt, vitten wil? Dat lijkt nergens naar, oüe best. \'t Is te goed, veel te goed, maar de wijs, waarop ge er aan gekomen zijt.quot;
»Op fatsoenlijke wijs, Bob, de hemel beware mij dat ik zou stelen.quot;
sDe hemel beware je ook dat je zoudt bedelen,quot; antwoorde de jongen minachtend. «Moedertje, bedelen is haast erger dan stelen. En waarom? In \'t stelen is nog wat moedigs, iets of wat moedigs, iets of wat van een vrij man. Die steelt zeit tot zich zelf dat de ander meer heeft, gekregen dan hij moest; hij wil er ook iets van; maar als ik bedel doe ik\'t zelfde, doch gluipend, als een slang. Ik waag niets, geen leven, geen kracht geen penning; in geen geval ter wereld. Bedelen en stelen zijn zelfde; maar bedelen is het laagste. Zeg me dat ge die
125
zaken g-.\'stolen hebt, ik zal zien of ik er wat van nuttigen kan, maar heb je ze gebedeld — niets er van 1quot;
»Ge zult niet stelen, is een der geboden op den top van Sinaï verkondigd. Bob; stelen is een groote zonde.quot;
»Daar weet ik niemendal van. Ik weet ook niet van welken top dat werd gezegd, maar wat ik weet is dat «ge zult niet stelenquot; gelijk staat met »ge zult niet bedelen.\'quot; En waarom? Door allebei krijgen we iets dat ons niet toebehoort en geven er niets voor in de plaats. Je hebt je geslacht schande aangedaan, moeder!quot;
Het is moeielijk te bepalen hoelang Bob wel met de verklaring ring van zijn zedekundig wetboek nog zou voortgegaan zijn, doch beide, de oude vrouw en hij, werden gestoord door een overhaast, licht tikken op het portier, dat het dichtst bij Bobs hand zijnde, ook onmiddelijk werd geopend. Het dadelijk gehoor geven aan het sein scheen den buitenstaande te verrassen, en het licht bescheen een wezen, dal in de oogen van den armen Bob een verschijning van volmaakte schoonheid moest zijn.
Jaren waren er verloopen sedert een klein handje op zijn arm in de kerk der Genade had gerust en later nog eenmaal tegenover Stewarts magazijn. Het kind was aanmerkelijk gegroeid, nochtans was haar zachtaardige tronie vaak voor het oog zijner ziel verschenen, toen hij het gebrekkige kind oppaste. Bob was, zonder zelf te weten waarom, tot het vermoeden gekomen dat er eenige betrekking bestond tusschen haar en den langen, donkeruitzienden heer, van wien wij hebben gesproken, en telkens wanneer hij dien zag, dan was \'t hem als voelde hij de hand van Imogene op zijn schouder, als wilde zij hem zeggen: bescherm mij.
Ach! Bob had behoefte aan de Hand dor kleine Minnie op zijn hart, want de hand op zijn schouder scheen zijn dienst te roepen.
Imogene was nu een meisje van twaalf jaar ongeveer. Haar golvend haar (het was hetzelfde kleine hoofdje, dat Bob aan het venster had gezien) was met bloemen doorvlochten, en zij scheen als de gekroonde voor een meifeest. Een lichtstraal voer door Bobs geest en hij begreep dat het meisje in het groote steenen huis woonde, aan de overzijde van de straat, en andere pijnlijke gedachten vermengden zich er onder.
Wat al denkbeelden deed die verschijning van dat meisje in \'t hart van den krantenjongen ontstaan, toen zij daar voor hem stond in haar kort jurkje, onder hetwelk geborduurde puntjes te voorschijn kwamen, te nauwernood over hare knieën reikende, terwijl de zijden kousjes het schoon geronde been bloot lieten, tot aan den rand van een klein laarsje van rosachtig geitenleder, aan de bovenzijde geregen. Haar verlegenheid duurde slechts een oogenblik; met een lichten trM
126
slapte zij den wagen in, en zag met een vroolijk, meisjesachtig genoegen in alle richtingen rond. Bob naderende, gevoelde hij weder die aanraking op zijn arm, welke steeds zoo levendig voor zijn geest stond.
»Op mijn woord,quot; sprak zij, »ik dacht niet u ooit weder te zien.quot;
In die tusschenpoos was Bob weder meester van zijne zinnen geworden en nam nu een zeker voorkomen van waardigheid aan, deels tengevolge van het zedekundige vaaagstuk, zoo even door hem opgelost, deels uit het bewustzijn de voornaamste steun en hulp van een gezin te zijn.
»Zoo,quot; antwoordde Bob, menschelijker wijze konden we niet best verwachten, dat we mêkaar zoüen ontmoeten; maar nou ben ik er blij om, zoo waar, dol blij.quot;
»Zie,quot; zeide het jonge dametje, met zulk een zilveren stemmetje dat de lucht, die zij aanblies, er behagen in scheen te scheppen, gt;zie, dat overtreft de Arabische nachten; hoe lief is \'t hier; och, welk een snoeperig plaatsje. En een kindje ook! och, wat een dotje van een kind! Papa zal \'t niet ge-looven, neen, dat zal hij niet. Wilt ge ook wel mijn katje aannemen; het is een echt cypersche. Kijk, een ketel ook! wat lief! Wilt ge ook wat mooier stoelen hebben ? Ik zal ze u bezorgen. Ik zal alles aan papa vertellen. Zou \'t niet mooi wezen?quot;
Bob en het kind zelf schenen niet te begrijpen wat eigenlijk mooi moest wezen: doch beide begrepen elkander stilzwijgende; immers het meisje naderde hem weder en sprak :
»Zou \'t niet mooi wezen?quot;
ïZeker, ik hoü \'t er voor dat het mooi moet wezen, heel mooi,quot; antwoordde de jongen met een glimlach en tot over de ooren rood wordende; »maar \'t zou hier niet thuis hoo-ren en dus zullen we er maar niet over denken. We zijn arm; en waarom? De Heere schijnt ons te hebben vergeten, maar later zal Hij onzer gedenken, dat zal Hij. En waarom? Omdat ik me een plaatsje in deze wereld zal maken, en dan zal Hij mij wel in \'t oog krijgen.quot; En uit Bobs gelaat sprak een inwendig gevoel van eigen kracht, verre verheven boven alles wat zijn aandoening kon rechtvaardigen. Doch ons lot wordt niet bepaald door hetgeen het uitwendige belooft, maar wel door dat inwendige bewustzijn dat. wenschen uit, die er aan geêvenredigd zijn, het zij groot of klein. Bob had een groot hart en hij gevoelde wat de toekomst hem beloofde,
Het meisje zag hem aan met een gelaat vol verbazing en snelde in den donkeren nacht weder heen, een lichtstreep achter zich latende, even als de komeet, die de zon in hel aanzicht snelt, gouden draden achter zich laat.
»Ik begrijp er niets van,quot; zeide Bob, toen zij zich verwijderd
127
had, «maar ik houd het er voor dat dit nu sons Rijkquot; was. Of zoudt ge denken, moeder, dat iemand in de wereld kwaad kon doen aan een wezen als dat, meer engel dan mensch\'? Minnie zou net zoo uitgezien hebben.... maar honger en ziekte!quot;
De oude vrouw antwoordde niet, doch bleef rondtrippelen, terwijl haar een geluid als een zucht ontglipte.
XXXI.
BOB FILOZOFEERT OP PLATONISCHE WIJZE.
Het kleine gezin bewaarde een tijd lang het stilzwijgen en toen hervatten de oude best en Bob hun gesprek, door Imogenes verschijning een poos afgebroken.
»En dus^quot; zeide Bob, «verlang je te weten wie me heeft op de wereld geplaatst. Ja, dat komt me heel natuurlijk voor, daar \'t een vraag is, die \'k wel duizendmaal aan me zelf gedaan heb. Oüe, als ik zoo over de straat heenzie op zoo\'n macht van menschen, allen als dollen rondloopende, allen met twee oogen, een neus, een mond, een paar stuks handen — ware knuisten, — een paar beenen — ware stampers, allen uitziende als of ze geen kennis aan mekaar hadden, dan is \'t me als of er toch iets te leeren valt, iets dat ons zeggen moet wat dat alles beduidt. Natuurlijk is \'t ook dat ik naar de sterren daarboven kijk, maar daar is \'t alweer net zoo — alles stil, doodstil, maar daarbinnen klopt het al harder, ja, geweldig; dan leg ik me onder een grooten korf, of onder een koetspoort en grien den ganschen nacht, tot dat\'k\'s morgens geen geluid meer kan geven en te heesch ben om mijn papieren uit te roepen.quot;
Gedurende al dien tijd zat Bob vooraan op het bankje met zijne oogen op het gelaat der vrouw geslagen, met beide handen op zijne knieën, terwijl het bloed beurtelings zijn mager aangezicht kleurde en wederj bleek liet, als of de polsslagen van zijn groot hart daar alleen hunnen zetel hadden. Na een oogenblik zwijgens ging hij aldus voort:
ïEens zag ik een man met een witten doek om den hals; ik hield hem aan en vroeg hem of hij mij zeggen kon wie mij geschapen had. »God, mijn zoon.quot; antwoordde hij vriendelijk. »En wie schiep u?quot; vroeg ik. ïGod, mijn zoon,quot;
129
zeide hij, zijne handen wrijvende als had hij pijn. Nou dat was eigentlijk geen antwoord, \'t Waren een paar woorden en ik was niets wijzer. Ik geloofde dan maar niet dat wij beide door \'t zelfde wezen geschapen waren. En waarom dat ï Omdat Hij in dat geval zulke leelijke dingen niet zou laten gebeuren als we dagelijks zien! Als allen door één en hetzelfde wezen geschapen werden, wel moesten ze dan niet allen voor mekaar \'t zelfde gevoel, één hart en één ziel zijn; dan zou \'r immers geen vechten en doodslaan, ophangen en boosheden, honger en nog zoo\'n macht van leelijke dingen wezen. Neen, neen, oüe best! daar staat ons verstand stil, ik zie er geen doorkomen aan. Ik weet niemendal — niemendal. En waarom dat ? Ik drink niet, pruim niet en rook niet — dat is altemaal tegen mijn aart; lezen kan ik ook niet; maar \'k geef er niet om, want \'k weet \'k mocht zoo hoog niet vliegen. Maar er zijn sommige zaken, die, of ik nou veel of weinig geleerd heb, ik toch meen op mijn duimpje te kennen.quot;
Bob stond op, en nam het cypersche katje van den schoot der vrouw, alwaar het gerust had sedert het meisje het in bare armen had gelegd.
))Neem ereis aan, oüe,quot; vervolgde Bob, »dat we allen door \'t zelfde wezen geschapen waren, dan heeft Hij ook voor enkelen aparte klei.\' Of is \'t niet zoo? want zie, oüe, jij en ik zijn van een veel grover stof gemaakt dan waarvan Hij bij voorbeeld dat gulden tongetje maakte, dat ons het katje bracht.quot;
In dit oogenblik werd er hard op het portier geklopt en een menigte volk rukte het onmiddellijk open.
»Wat is hier?quot; riep een luide stem; shebben we een bende dieven betrapt?quot; En hij die deze woorden sprak, poogde binnen te dringen, doch werd door Bob voorkomen, die met zijn klein, mager lichaam bijna de opening vulde. Het aangezicht van den knaap verloor zijn aangeboren uitdrukking van rustige zielskracht niet, en met beide handen zich aan de zijden van het portier vastklemmende, zeide hij op vasten toon:
»In deze woning zijn geen dieven. Als \'t lieden zijn van uw slag, dan zul jelui ze hier niet vinden.quot;
Een kloeke knaap keek in dit oogenblik over den schouder van den man heen.
sLaat hem los — pak je weg, \'t is Bob, vent! God zegen me! Bob zou geen duif stelen, en \'t geen ander laten doen.quot;
De man verwijderde zich, maar een aantal andere lieden staken na elkander hunne hoofden door het geopende portier. Eenige lachten, andere deden een scherp gefluit schallen, nog anderen sloegen een roffel op de bovenzijde der koets. Eindelijk verdwenen allen, zoo als zij gekomen waren, en lieten bet kleine gezin weder aan zijn lot over.
Een poosje zweeg alles ; de oude vrouw trippelde ontevreden
9
130
met haar eenen voet op den vloer en sneed toen met luider stemme de volgende -woorden op :
„Hoor! uit het graf verheft zich bang gesteen.
Mijne ooren volgen dat geween:quot;
Bob viel haar in de rede: zeggende: _ ^
»Me dunkt dat je daar een droevig stuk begint, oudje?quot;
„Dat \'s \'t woord, Bob; maar \'k dacht zoo in mijn eigen:\'k ■wou dat \'k in mijn kuil was, dan zou er niets voor me te denken blijven.quot;
»Zal ik je rond weg zeggen wat ik er van denk,quot; zeide Bob; 5gt;noü, dan geloofik datje denken nergens ophoudt, nergens. Waarom ? We denken als -we slapen en me dunkt dat slapen niet veel van doodzijn verscheelt, \'k Heb \'t zoo ver gebracht, dat ik nou weet, dat, zijn we eenmaal met denken begonnen, — en denken moeten we — dan is er geen ophoüen aan. Als Dady slaapt dan denkt ze ; en \'t arme kleine krom-ruggetje, denkt nou ook ergens — of heeft ze geen stemmen gehoord en lichten gezien, waar niets voor mijne oogen te zien was? en zie \'k en hoor ik haar niet, en heb ik haar niet lief, op dezelfde manier ?quot;
Bobs stem geraakte vol tranen; hij snikte en vervolgde: _ ■
„Neen, oüe best, we hebben niet te kiezen; we kregen hot denken en kunnen er nooit meê ophouden. Nou we eenmaal op de wereld zijn, — \'t komt er niet op aan hoe we hier kwamen — zegt ons snippertje verstand ons van zelf, dat we niet alleen hier zijn om te eten zoo als de dieren — om te slapen als de dieren — en te lijen veel meer dan de dieren doen; en zouden we dan zoo diep en vast inslapen, dat we in het geheel niet meer wakker werden. Waarom? Omdat we over gewichtige zaken denken — gedurig denken we over gewichtige zaken\'— en dus, oüe best, moeien we ergens anders weêr wakker worden; we moeten, ja, \'k voel \'t, ik weet dat we moeteu wakker worden, en \'k wou graag ereis dood zijn, om \'t reis te zien. Sterven is niet niel-zijn, ik weet het vast; waarom? wel kijk! maar de sterren; zit daar niet meer licht dan wij krijgen? en we zijn toch waratje niet hier om in een bakoven — om \'t reis zoo te noemen — opgesloten en nooit er uitgelaten te worden, als we zoo graag willen. Als we iets noodig hebben, dan krijgen we \'t.quot;
Bob was opgestaan; zijn gestalte scheen te rijzen onder den indruk der verheven gedachten, die hem vervulden; en terwijl hij zijne ruwe theoriën aldus uiteenzette — daar de natuur alleen in en door hem sprak — verkreeg zijn stem een toon, treffend en welsprekend tevens; uit zijne oogen, door de inwendige vlam aangevuurd, schoot een heilige straal; en de donkere gloed, daarover verspreid, schonk zoo veel
131
schoonheid aan den knaap, dat gij zijn bloote voeten, zijn magere, bijna naakte gedaante, vergat, aan welke zijne ver-sletene, gescheurde kleêren niets van haar adel konden ontnemen. Het groote hart van den jongen schonk edelheid aan zijn uitzicht en welsprekendheid aan zijne woorden, in weerwil zijner menigvuldige zonden tegen taal en stijl.
Aldus gesproken hebbende, zette hij zich weder op de bank; en met het katje spelende, onbewust van hetgeen hij deed, stiet zijn hand op een zilveren halsbandje dat het diertje droeg en hij zag tevens dat er letters op gegrift waren.
»Ge hebt veel geleerd, oüe best, kunt ge dat lezen T\'
»Imogene,quot; las de vrouw.
slmogene !quot; zeide Bob na. »Oüe best, wanneer ik bedenk hoe vele zaken de kleine Minnie ook kon hebben liefgehad, hoe gelukkig ze had kunnen wezen en \'t niet was.quot; Hier deed Bob een diep hm! hooren om een prop in zijn keel af te slikken en leide zijn hand op zijn hart, want hij gevoelde dat die van Minnie er op lag.
Naarmate Bob warmer in zijn redeneering werd, was hij overeind gerezen en stond daar met gestrekten arm en opge-richten hoofde, doch de gedachte aan Minnie pei\'ste een tranenvloed uit zijne oogen en hij zonk op zijn zitplaats terug, zijn aangezicht met beide handen bedekkende.
Wij zeggen dat de oude profeten en aartsvaders hemelsche openbaringen ontvingen; doch zoudt gij wanen dat alle openbaring onthouden was aan dit van alle onderwijs verstoken kind, dat al wat de vermanende stem van »doe wat recht isquot; kon versmoren, onvoorwaardelijk van zich afwierp, en die zijn groot hart onbelemmerd en vrij voor den hemel opende, en voor den onbenevelden glans de meest verborgen schuihoeken door dien hemel liet bestralen en louteren, opdat de nieuw geopenbaarde wet der «volmaakte liefdequot; daar een geschikte woonstede mocht vinden?
Bob streek met zijn hand over don rug van het katje, dat op zijn knie zat te spinnen, en vervolgde;
))Eens, oudje, vond Minnie een katje, dat op dit verlaten erf was verloopen en \'t gaf ons, ik moet het zeggen, een soort van hartetroost. We voedden \'t met al wat we konden, maar daar kwam geen zier groei in, geen zier! Waarom? Omdat quot;we geen geld hadden om melk en lever voor \'t beestje te koopen; zijn aart trok er naar en koopen konden we niet; en dus zei ik tot Minnie: alles behoort naar zijn aart gehoüen te worden ; t is barbaarsch, dat is \'t, \'t arme diertje te hoüen en naar voedsel te laten schreeuwen, daar \'t in zijn aart ligt en wij \'t hem niet bezorgen kunnen; en dus gingen Minnie en ik te zamen op weg en we zetten \'t diertje op een opene plaats neêr en Minnie liet geen traan, maar klemde toch mijn hand kramp-
9*
132
achüg toen ™ onder het venster stil Helden en iemand hoorden
zingen, als bij voorbeeld;
C Wees waakzaam, moeder, roep mij vroeg, coep m.j vroeg
toen, ja, toen barstte f n.fhaian/:rnmVS koquot;je o^\'de plaats, war hart klopt -«V ^recht is£
JÏÏf eSthW-r ^
aLstiquot;-en toon Imogene hoorde roepen.
Hij quot;snelde den ^agen uitjn^den kree _.
^Guldentongetje is weg.
XXXII.
DE AMERIKAAKSCHE KOOPMAN.
Ja, Imogene woonde in dat groote, massieve huis waarvan wij boven spraken, en zoo als Bob had vermoed — een klein paradijs van binnen, doch van buiten door de misdaad beloerd, zoo als eens de hof Eden door satan en zijne trawanten omgeven. De heer Dinsmoor was een koopman; wij weten allen dat de Amerikaan over \'t algemeen iets groots, iets vorstelijks verraadt, maar vooral de „Handelaar van New-York.quot; Hij was al te wel opgevoed om te duchten dat de »geringere klassen,quot; zooals onze sluwe demokraten de kloeke arbeiders en arbeid sters van het platte land noemen, het hoofd zouden opsteken, en hij en de zijnen waren tevens te veel bekend met rijkdom en beschaving, dan dat zij er eenig uiterlijk vertoon mede noodig hadden te maken. Hij was een koopman in de ware beteekenis des woords; zijne schepen, met onberekenbare schatten geladen, zeilden te midden van de ijsbergen van het noorden en de Specerij-eilanden der keerkringen déden de witte zeilen van zijne rijk-bevrachte bodems door hunnen geurigen adem zwellen. Kooplieden zijn de beste zendelingen voor een land. De kloeke, zwervende zeeman laat, waarheen hij zich ook begeeft, den indruk van zijn land achter; en, den hemel zij dank! een spoor van algemeene, groothartige, mannelijke, christelijke beginselen verzelt de Amerikaansche kiel op hare verre tochten. De volken hebben geleerd de vlag der sterren en strepen met een geestdrift te begroeten, waarop geene andere zich beroemen kan. Vroolijk als de harten, die haar dragen, vrij als de instellingen, welke zij vertegenwoordigt, golft zij hoog in de lucht — even als de blauwe gordel der hemelen, en de eeuwigdurende sterren van het uitspansel de waardige tolken zijn dezer nieuwe verkondiging van \'s men-schen onweerstaanbaren vooruitgang op de wereldbaan; en met
134
zegenende tranen en heilwenschen begroeten de volken haar uitgang; immers de banier der sterren en strepen arbeidt er in ^stilte tot \'s menschen verlossing. De arme wilde begroet haar als een nog ongekenden schat, en vindt bescherming in hare plooien; dé vaderlander, de menschenvriend, de staatsman,
allen staren op haar als op het laatste anker der hope van het menschdom; de dwingeland alleen beeft bij haar nadering.
Thans behoeft de genius des handels niet meer angstig op te zien naar het genadewoord der Regeering, naar de geldelijke hulp der regeering, omj zijne edele ontwerpen ten uitvoer te brengen. De handelaar van den tegenwoordigen dag is gelukkiger dan Columbus was, of Drake, of Vespucci, of Raleigh of Gilbert, want hij behoeft niet den slakkengang van naijverige en roofzieke vorsten te volgen. In zijn ijzeren kist houdt hij den rijkdom van rijken en staten. Kalm en bedaard op zijn koel kantoor, met sofaas en zachte leuningstoelen en tapijten, eer-biediglijk prijkende met een borstbeeld van Webster en Clay, terwijl van den hoogen lessenaar Shakspere en Milton op uneder-zien, zit de amerikaansche handelaar en beraamt met gelijke koelbloedigheid een onderneming naar het verre Indiê en naar het bevrozen noorden, naar Noord- en Zuidpoolzee. Hij verneemt dat ergens hongersnood, verdrukking of lijden heerscht; hij wacht niet de langzame tusschenkomst der regeer ing af, maar rust een schip uit met den overfolligen voorraad der produkten des weelderigen bodems, en zie, daar zeilt de amerikaansche kiel, door de zegewenschen van duizenden voortgestuwd, om aan gindsche hongerigen brood te brengen. Ierland, v Madera, de eilanden van minder belang, hebben meer dan eens de komst der amerikaansche vlag met vreugde en gejuich begroet, terwijl men die van \'t eigen land stilzwijgend liet
komen en gaan.
De edelaardige gemalin eens zeemans (Frankhn) — de hemel zegene haar getrouw, hoopvol vrouwehart — beeft voor het leven van haar man, sedert lang in het ijs der poolzee gekiemd; zij doet een beroep op de sympathie harer natuurgenooten, en de amerikaansche handelaar geeft er het eerst antwoord op. Hij treedt naar zijn geldkist, haalt er goud uit, dat de oogen van menig geldeloozen koning zou kunnen verblinden, die, als een bedelaar, de goedkeuring zijner budgets van een landsvergadering wacht, en weldra klieft een trotsclie kiel, met kloeke harten bemand, de baren en zoekt onbekende zeeën op om den verloren zeeman te gaan opsporen,. Daar zeilen zij, onversaagd, onverdroten, en zien uit naar de verdoolde vloot; mannelijk klopt hun hart, in geestdrift ontbrand voor die vrouw van den echten stempel, wier gebeden hen verzeilen. De ridders van den ouden tijd, de ziel van Bayard en Raleigh, zijn herboren in den amerikaanschen handelaar, indenameri-
135
kaanschen zeeman. Amerika is het erf, waar de vrouw waardiglijk bemind en waardiglijk vereerd wordt door haar broeder.
Voor den amerikaanschen handelaar heeft de aarde geen hinderpaal. Ruim en werkzaam zijn zijne hersens, edeldenkend en waarheidlievend is zijn hart. De oceanen verpacht en verdeelt hij in zoo veel paden voor zijne vloten, het vaste land in zoo veel kringen en ijzeren banden voor zijne spoorwegen en pakhuizen. Waar eens de koningen de gastvrijheid oefenden, vervangt hen thans de handelaar. Hij onderhoudt gewesten vol gevluchte vaderlanders en sticht volkplantingen van bannelingen. Van de Amerikanen kan men hetzelfde zeggen als van de aloude Syriërs: »hunne kooplieden zijn vorsten.quot; Op hen veeleer dan op de regeering houden wij onze oogen geslagen wanneer het groote ondernemingen geldt. De handelaar kent zijne wapens en weet de beste te kiezen, daar ambten noch gezag hem reeds te voren omkoopen. Hij richt vereeni-gingen op en ondeeligen worden de groote leiders des volks, en men leert meer vertrouwen stellen in den snellen, werk-dadigen stap van den renbode, dan in den loggen postwagen. Waar landsondernemingen falen, daar verheft de handelaar zijn vermanende, afkeurende stem, als een waardig vertegenwoordiger der goede trouw behoort te doen, en schrijdt met bedaarden, behoedzamen tred op den weg der verbeteringen voorwaarts. Want ziet wel toe! niet de staatsman van het Witte Huis !), door volksmenners, die een werktuig en geen man behoeven, naar Washington gezonden, niet hij is onze regeerder: de ware heer des lands is de amerikaansche handelaar.
En zoodanig een was de heer Dinsmoor. Hij was nog jong — de amerikaansche koopman is altoos jong, want. hij die geen hindernis kent is nooit oud. — Om zijn kantoor te genaken moest men een groote voorplaats over, vol goederen, waar de kloeke Ier zware kisten en balen en stapels touw bergt, terwijl het dikke hijschtouw van den zolderkatrol ne-derhangt en heen en weder slingert, en last op last van de lage gronden opstijgt en naar ongekende hoogten rijst. Aan den eenen kant staat de nette kantoorklerk, de goederen opnemende, met zijn notitie-boek in de hand, vergetende zijn netjes gekruld haar, zijn jeugdigen glimlach om de lippen en zijn innemend voorkomen, terwijl hij in manhafte houding en bondigen spreektrant de bewegingen der dragers bestuurt. Gij ziet hier de voorbereidende school des toekomstigen handelaars. Voor de deur staat een kar, terwijl andere gedurig af en aan rijden; het weldoorvoede, glad gekamde vrachtpaard, zijn kop in het pakhuis stekende als verstond hij wat daar binnen voorvalt, terwijl de praalzieke neger, de eigenaar van
\') Parlementegetouw te Washington.
136
het dier, het bij tusschenpozen op den kop tikt en tegelijk met zijn oostindisch zijden doek over zijn eigen ebbenzwart aangezicht strijkt. De neger is altoos een noodwendig aanhangsel van den handelaar. Deze is op hem gesteld, zoo wel uithoofde zijner vlugheid en werkzaamheid als wegens zijne aardigheid bij het werk, want de armerikaansche handelaar is bedreven in het onderscheiden der kontrasten.
In het binnendeel des huizes komende, ontmoet men een ruim luchtig vertrek, met matten van manilla belegd, met lessenaars iri de rondte bezet, doch met niet veel kantoorstoelen, ■want de nette, knappe kantoorklerk blijft bij voorkeur overeind staan en zijne onberispelijke dijen vertoonen geen bocht hoegenaamd aan de knieën, waarmede hij half in de lucht »als een duif\' gehokt zit. Deze lessenaars zijn alle van mahonie-of zwart notenboomenhout, zonder inktsmetten of stof; niets dufs, niets vuils, niets dat afkeer inboezemt in het gansche vertrek; integendeel, het is zindelijk, ja, smaakvol van uitzicht. Al de jonge lieden zijn wel gekleed, met witte zakdoeken, wellicht van geborduurde hoeken voorzien, het werk eener geliefde zuster, en waarvan een puntje uit den borstzak steekt, terwijl de nog jeugdiger klerken een roosje of een geraniumtakje in het knoopsgat dragen. Hier is het verblijf van den boekhouder en de klerken.
Nog dieper binnenwaarts bevindt zich het heilige der heiligen van den chef, keurig gemeubeld, zindelijk, smaakvol en kon-fortabel. Hier zit de groote man, eenvoudig gekleed, doch proper en gepast, want de amerikaansche handelaren, in zoo verre zij een volksklasse vormen, gaan het best gekleed onder allen. Ten huidigen dage is de koopman een weinig meer terughoudend dan anders zijn stand in de maatschappij wel schijnt mede te brengen; hij toont jegens zijne ondergeschikten niet juist die vaderlijke zorg, die zijn rang anders wel zou rechtvaardigen; doch de tijd en de beschaving zullen dit verbeteren. Tot dit binnenste heiligdom wordt niemand toegelaten, die in de voorvertrekken kan geholpen worden ; doch kooplieden komen en gaan er, en mannen vun wetenschap en van handelsondernemingen brengen hier hunne kunde en inzichten. Landontdekkers, spekulanten van hoo-gen en eervollen rang, bankiers, bluffende zeekapiteins en jongere handelaren, die den steun des ouderen in de renbaan behoeven, zelfs vrouwen op een hemelsche zending uitgegaan, dringen in dit allerheiligste door, en zoodra zij zich vertoonen, daar wordt zeer beleefd een stoel geboden en rust bij geval een stroohoed op het hoofd, onmiddellijk vliegt hij af, want de koopman is de welopgevoede man bij uitnemenheid. De dame bemerkt dat, zoo lang zij m het vertrek is, het gesprek overhaast wordt of eigenlijk »ter
137
zijdequot; wordt gehouden. De bezoekers verwijderen zich in stitte en de handelaar zet zich aandachtig neder om te luisteren. Nu zei de bezoekster haar plan in weinig woorden uiteen: het doel is weldadig doch het nut er van mag met reden betwijfeld worden. Zij wil verwarmingspannen naar Indië, flanellën van alle soort naar Japan zenden — om \'t even, \'t is het aanzoek eener vrouw, en nimmer zal de handelaar dit afwijzen, en hij geeft zijn offer als iets dat van zelf spreekt, terwijl de vrouw de gave zeer zorgvuldig in haar boekje op-teekent; dan sluit zij het geld in een lederen portemonnaie, groen met ivoor belegd, laat haar sluier vallen, waarbij zij een groet van ter zijde voegt en verlaat het kantoor.
De voddenrapers vergaren zich in den vroegen morgen rondom de pakhuizen des handelaars, om er scheurpapier of oud ijzer te vinden; oude vrouwen en kinderen zoeken naar kofiijboonen, uit de balen gestrooid; nu en dan valt een kist suiker, thee, ot een vat meel in duigen en dan hebben zij een rijken oogst. Zij dragen echter zorg hunne nalezing niet te ver uit te strekken, anders zouden zij verjaagd worden; doch, bij een bedeesd gebruik van hun voorrecht, mogen zij iederen dag zich vertoonen en worden de erkende, wettige klanten van de »firmaquot; en dragen dan de borst hoog; dan worden al de konkurrenten op eerbiedigen afstand gehouden, en dezen staat het dan alleen vrij verloren vruchten op te rapen, wat leêge kisten en vaten uit te halen en er nog eenige lafenis voor \'t huis uit te nemen. Langzamerhand worden zij van bedelaars werklieden en worden tot het verrichten van onderscheiden kleine boodschappen gebezigd, ja, brengen het soms zoo ver, dat zij in dienst van het gezin worden opgenomen. Ieder beroep heeft zijn beproevingstijd.
XXXIII.
DE KOOPMAN TE HUIS.
De heer Dinsmoor zat in zijn fraaie ontbijtkamer, zijn vrouw aan tafel, in haar heldere neteldoeksche ochtendjapon, den slag: van het uurwerk wachtende, waarop de warme broodjes en de koffie zouden worden binnengebracht. Zij had een denkbeeld geopperd, hetwelk haren man uit het ochtendblad deed
0P))Enquot; dus is Imogene twaalf jaar van daag, Fanny? Op mijn woord, ik zie haar nog gedurig als een klein wichtje voor mij. Twaalf iaren! och, weldra zal ze een kleine lastige schoone -wezen. Ge waart niet veel ouder toen wij trouwden, J^anny. En de heer Dinsmoor leide zijn blad nu gansch ter zijde en trok de bruid van dertien jaar naar zich toe. Hij was een rijzig, schoon man, een tiental jaren ongeveer ouder dan zijn vrouw,
en terwijl zij dus in het schaduwrijk vertrek zaten, vertoonden
zij een beeld van den echt, zoo rustig, zoo verlokkelijk als
men het slechts denken kan.
Fanny had haar slanken arm om den hals van haar man geslagen, en een zachte, jeugdige glimlach ontmoette zijn open schuldeloos oog, terwijl hij het verledene voor zijn geest
terug bracht c , .
Twaalf jaren, Fanny 1quot; »het schijnt me als of het pas eenige dagen geleden is, en \'t was me gedurig als ware de tijd stilgestaan. Gij zijt nog even schoon als gij toen waart, lieve Fanny, en mij nog veel dierbaarder. Ik ben zoo gewoon geworden u altoos net en innemend en ons zoo gelukkig te zien dat ik vergat, dat er ooit een verandering kon komen.
En dit zeggende, kuste hij vaderlijk haar rein, glad voorhoofd.
139
Fannys lieve mond beefde, terwijl zij haar wang zachtkens tegen die van haar man drukte, want zij beminde hem nog met haar altijd jeugdig hart, en een woord van zijne mannelijke lippen was haar het onschatbaarste goed der wereld. In dat oogenblik gleed een traan van onder hare oogleden te voorschijn en viel op zijn aangezicht.
sWel, \'t schijnt als of we beide schreien, lieve Fanny,\'\'zeide de heer Dinsmoor, zijne eigen oogen afvegende, terwijl hij op die zijner vrouw een kus drukte. „Hoe zot het ook schijne, nooit heb ik over ons geluk nagedacht, dan op dezen stond. Zoo als gezegd, ik was er dermate aan gewoon, dat de zaak te eenenmale aan mijn nadenken ontsnapte. „Fanny, van heden aan moeten we recht godvruchtig zijn; zullen we niet, mijn liefste? we zullen beginnen met Imogene te laten doopen, en we moeten rondom ons uitzien en goeddoen, waar we kunnen.quot;
Fanny sloeg nu hare beide armen om den hals van den edelen man, en antwoordde met tranen en kussen. De deur ging open, Imogene stond een oogenblik op den drempel stil en sprong toen voorwaarts om beide in hare kleine armen te sluiten; en zoodanig zaten zij, als de gelukkigste groep onder Gods hemel. Rein en ongestoord was hun geluk, want een mannelijke, beschermende ziel en een hart, voor zijn even-mensch kloppende, huisden in den edelen man.
Minnaar van orde en regelmaat naar buiten, was de heer Dinsmoor er ook binnenshuis op gesteld. Steeds was hij met den klokslag te huis, gewoon een goed, overvloedig maal te vinden, en een vriend om er deel aan te nemen; terwijl zijn schoone, nog zoo jeugdig gezinde vrouw aan den ingang wachtte, altijd in een nette, sierlijke kleedij, gereed den echtelijken kus van twee minnende harten te geven en te ontvangen en Imogene was als het lenteroosje in den zonneschijn der liefde opgegroeid. Geen wonder derhalve dat zij aanminnig, schoon en goed was, want de huiselijke haard is het ware altaar, waarop engelen hunne vleugels aanschieten.
Over het algemeen kunnen wij aanmerken dat de huiselijke haard de bakermat van een hemel of hel is. Wanneer gelijkgezinde wezens elkander hier in een ware, heilige zielensympathie ontmoeten, zijn de kinderen, uit den echt geboren, de bloesemknoppen van Eden, of zoo als John Neal ze eens noemde, ))de kryptogamen des hemels.quot; En minnelijk lacht de hemel dat dak aan. In den vroegen morgen schiet Hesperus zijn gouden stralen door de venstertraliën en over die stralen glijden de vingers van engelen neder, terwijl zij onder eeu zoeten galm den morgendroom zegenen. Darteier en kloeker engelen bezigen de scherper en warmer zonnestralen, als de vlugge dagrossen, en jagen, huis in, huis uit, in vroolijken gang,
140
gieten vreugde in het hart van al wie daarbinnen ademt en werpen er den magnetischen vloed des geluks over heen, zoodat al de twist en zorgen der buitenwereld daar of onbekend blijven of vergeten worden.
En dat gaan en komen geschiedt iederen dag. Zij bewegen zich en de menschen noemen het speling der stralen, wat aldus in schuinsche richting op het vloerkleed schiet; of zij dansen als gouden kring door een spleet van de kornis, of trekken in gouden, gesloten gelederen het wandelpad van den tuin af. Zij dartelen op de gordijn, kussen het knopje en het bloeit, kussen de bron en zij wordt een regenboog, ja, zij raken de snaren der harp aan en zij doet een toon hooren, zoo hemelsch zacht, dat gij u omkeert en verwonderd rondziet, niet wetende van waar \' die komt; dan klinken de hangende sieraden van den luchter en de vogelen kirren welluidend en het wichtje glimlacht in zijn wiegje, en dit alles ter oorzake der minnende engelen, die den drempel overschreden, zoo als zij iederen hemel bezoeken, waar Liefde troont.
O! daar worden de kleederen niet oud, — daar durft mot noch roest de lijn der schoonheid schenden — vogelen en bloemen nestelen daar — daar kirren witte duiven op den nok en de boomen houden zich op eerbiedigen afstand van het dak, opdat hunne dikke twijgen den zonnestraal niet al-sluiten en den blauwen hemel en de liefelijke starren, die daai. boven prijken; achoone kinderen kruipen naar den drempel. — die kruipende kinderen schijnen verwonderd en toch innig tevreden, als wierpen zij uit hunnen huiselijken hemel den eersten blik in de wijde, wijde wereld — en zij deinzen ontzet achteruit, ja, kruipen over den drempel weder naar binnen en laten den zonneschijn voor de deur, en wijken al dieper en dieper naar binnen, tot waar de Bijbel geopend op de tafel ligt en de wenkbrauw eener edeldenkende moeder zich biddende ten hemel heft.
Voorwaarts, voorwaarts snellen zij later en werpen slechts weinige, doch doordringende blikken achter zich; doch ten laatste komen ziekten en zij verlangen naar de geliefde ouderlijke woning; de zorgen komen en zij zien den zonnestrail, als vroeger door de opene deur schieten en Gods heilig woord beschijnen. Dan vechten hartstocht, wisselvalligheid en het wereldsche geraas, als om strijd, den man aan en hij heeft dag noch nacht rust, tot dat ook hij het altaar des huizes heeft gebouwd en de engelen geroepen om de verbondslent binnen te treden, door hem opgericht. Vrouw, gij zijt de Engel des Huizes. Ga, zie niet in uw spiegel met vergulden r£.nd, maar werp uw blik op de heldere, kristallen bron, die uw gelaat in dat uwer kinderen weerkaatst. Zijt gij een engel des lichts, die den zonnestraal over den drempel naar binnen
141
roept, of een geest der duisternis, die als een raaf met zwarten vleugel over het outer des gezins waart ?
Ook de haat heeft zijn woning. De morgenster zendt zijne engelen ook in dat verblijf, maar zij vinden er alle plaatsen bezet. De tweedracht woelt daar in de wreede aderen en groeft dieper en dieper den dreigenden rimpel. Sluipende, kwaaddoende geesten drijven de hand, tot slaan gereed, aan en fluisteren, en gieten kwaadbroedende, nijdige en wangunstige droomen in het slapende oor. Juichende glijdt de zonnestraal door het venster, maar deinst verschrikt achteruit tooi\' de treurige schadelijke beelden, daar binnen loerende. Slangachtige schepsels houden de wacht en waken. Mollen, vleêrmuizen en kruipend gedierte werken daar ten verderve. Zwart wijngaardloof hult de venstertralie in het zwart. De raaf en nachtuil hebben het dak overweldigd. Een beangstigend kloppen, een geheimzinnig gewoel verspreidt nog meer schrik en angst door het huis dan bijgeloovige vrees. Het kind in de wieg schreit niet, maar schreeuwt, want zijn hemelsche bewaker worstelt met een spook der helle, dat hem van zijn plaats wil verdringen. Ook hier kruipen kinderen naar den drempel, ook zij werpen een blik in die groote, hun onbekende wereld daar buiten, doch hun schijnt zij minder schrikbarend dan hun huis, en zij kruipen er uit, op het ergste voorbereid. Nog even zien zij om, doch geen zonnestraal speelt op den drempel, geen engel der liefde omzweeft dat verblijf. De ziekte komt en de koude liefdadigheid des vreemdelings is hun welkom. Het verdriet komt en het «zilveren snoer,quot; dat het groote menschengezin aaneenhoudt, neemt ook hem binnen zijn cirkel op en noemt hem «broeder.quot; Hartstocht en misdaad woelen in den ongelukkige, en geen geheugenis van heilige wijsheidslessen is daar om te zeggen: «Gedenk!quot; Geen gebed, als een koele wierook tusschen het wegkruipende hart en den hemel rijzende; nu doorkruist hij de wereld alleen, zwak, zonder hulp, want het huis was geen huis voor den geest. Vrouw, zie wel toe! Dat iswerk — dat bloed kleeft aan uw gewaad.
Terwijl wij aldus uitweidden heeft de ontbijtklok geluid en ons gelukkig gezin zat gezellig aan, zalig in en met elkander. Er werd vastgesteld, dat Imogene een kleine féle aan hare vriendinnetjes zou geven, ter gelegenheid van den hoogstgewichtigen dag, verjaardag genoemd; en spoedig gaf het anders zoo rustige gezin ongewone blijken van drukte. De heer Dinsmoor beloofde met Fanny en Imogene te walsen; de buren moesten worden genoodigd, inzonderheid de Gardners, die altijd zoo vriendelijk, zoo ongekunsteld, zoo beschaafd waren, zonder nochtans rijk te zijn. Karei Gardner, de zoon, hoewel wat te oud voor het kleine volkje, zou ook komeDj
142
omdat Imogene zeide, dat hij „zoo keurig danst.quot; Zij liet, wel is waar, er onmiddelijk op volgen: „hij is een ware een kwelgeest en zegt kwade woorden om mij uit te lachen, maar och! hij is zoo\'n knap man en zoo\'n echt heer, is \'t niet mama?quot;
Fanny lachte en zeide:
.Hij is dat alles, mijn engel, maar te oud en zal zeker weinig lust hebben bij zulke kleine nuffen te komen; ik ben er bang voor, Imogene.quot;
Het gelaat van het kind veranderde zichtbaar. Karei had haar ruikers en trossen druiven over den muur toegeworpen en mandjes vol kersen gebracht en dit zoo lang Imogene het heugde. Zij had geen gedachtenis dan van een tijd, toen zij en Karei over de bebloemde haag, uit het venster, over het balkon met elkander keuvelden. Ook plachten zij elkander aan het einde van het balkon altoos kussen te geven, \'t Is waar, in den laatsten tijd had Karei haar zeer hard beginnen te plagen, had haar kuren gemaakt als ze zong, en kwam zij met de eene of andere koketterie voor den dag, dan wist hij het zoo te overdrijven, dat zij zich spoedig schaamde; dan was het haar beurt hem te plagen; zij sloot zich bij voorbeeld een ganschen dag voor hem op, dien zij bijna geheel doorbracht met door de blinden te turen, om zich in zijn teleurstelling te verlustigen, wanneer hij van plaats tot plaats door den tuin, achter het prieel, over het balkon liep, en floot en zong en haar naam zachtkens riep, en als zij dan, als bij toeval van achter het balkon te voorschijn kwam, hoe verrukkelijk was het dan den blijden lach van den schoonen knaap te zien en hoe klonk dan liefelijker dan ooit de toon zijner stem!
Dit alles ging in het gemoed van Imogene om, toen zij uitging om tot versiering der tafel bloemen in vazen te plaatsen; eindelijk hernam zij:
„Karei Gardner van avond niet hier, mama! zoo iets vreemds kwam mij nog nooit ter oore, nooit in mijn leven? Wel. ik zou meenen dat er geen partij hoegenaamd ware, als Karei er niet bij was. Thomas C..., och! die zal ieder oogenblik vragen wanneer \'t soupé begint; Juliaan kijkt gedurig in de boeken, in kranten en prenten. Henry is onuitstaanbaar dik en vet en zoo ijselijk dom! en Willem droomt en slaapt waar hij staat. Op mijn woord, mama, al de meisjes zullen zich heerlijk amuseeren, behalve ik. Zij willen allen eten en dansen en met de jongens praten, maar onder allen is er geen, met wien ik prettig kan praten, behalve Karei; en dan is het ook mijn verjaardag!quot;
En Imogene scheen even wanhopig als menige schoone van het dubbele barer jaren, die zich tot het gezelschap van lastige hofmakers gedoemd ziet.
143
„Karei heeft nu kollegie, Imogene, en studeert hard, en zulk een klein meisje als mijn dochter moet hem weinig belang inboezemen. Doch daar is hij; nu zal hij zelf beslissen.quot;
Karei verklaarde, dat hij zeer teleurgesteld zou zijn geweest, indien hij niet had kunnen komen, en dit wel op een toon, die Imogene te eenemale geruststelde: hij voegde er bij, dat hij haar nu reeds voor den dans in beslag nam, bij hetwelk de schoone hare krullen achterwaarts wierp en iets mompelde, dat zoo veel beduidde als dat die „inbeslagneming nog zoo geen besliste zaak was,quot; hetgeen Karei lachend beantwoordde en hernam:
„O, wel zeker niet, jufvrouw Imogene, maar ik kom als een ridder van den ouden tijd, \'k werp mij op een knie voor u neder en smeek om het onschatbare voorrecht.quot;
„Welnu, en waarom zoiidt ge \'r niet zóó om vragen?quot; \'\' lachte het kind, op een wijze, die verried dat haar het koninginnetje spelen niet al te erg mishagen zou.
„Goed! \'t zal aldus geschieden, laat mij er nu maar de proef van nemen, om te zien hoe \'t zal afloopen.\'\'
En dit zeggende, viel de jongeling op de knie en sneed met gemaakten heldhaftigen toon op ;
„Zeer doorluchtige en edele vrouwe, zoudt gij uw on-derdanigen slaaf het onschatbare voorrecht willen toestaan, de toppen uwer rozebladerige vingertjes aan te raken, onderwijl wij ons op de doolpaden van een wals of konterdans verdiepen ?quot;
„Daar ik u als geen slechtaart ken,quot; hernam het meisje, schaamrood wordende en lachende, terwijl zij hare hand uitstrekte om den jongeling op te richten, „zij uw aanzoek u gegund.quot;
Doch het was duidelijk dat, hoe jong Imogene ook was, dat knielen van Karei aan hare voeten haar zeer wel aanstond; en toen Karei een kusje poogde te stelen, trok zij en reine zich achteruit en bood hem de toppen barer vingers aan. Karei, zoo als te begrijpen is, kuste ze, doch een ernstige uitdrukking zetelde op zijn gelaat toen hij met zijn boeken onder den arm het huis verliet om aaft zijne dagelijksche studie te gaan. Het was niet meer dan natuurlijk, dat Imogene hem in den zuilengang nasnelde en dat Karei omzag toen hij het bordes afliep, en dat, toen hij Imogene daar zag, hij weder naar boven klom en op den ouden, teederen trant haar omhelsde en kuste; en toen hij aan den hoek der straat quot;was, was het niet meer dan natuurlijk, dat hij nog eens 0™za?. en Imogene een kushand toewierp ; en toen vervolgde hij zijn weg, recht in zijn schik over die onschuldige liefkozing; nu kregen zijne boeken iets meer aantrekkelijks en
144
de oude, bevlekte lessenaar en de gebroken stoelen van de kamer des jongen students waren als in een rozetint gehuld, zoo lang hij dien dag in zijn zalige sfeer verwijlde. Jaren achtereen bleef hem die dag in zijn geheugen en zag hij er op als op een beeld vol hemelsche kuischheid. Jaren achtereen schenen de lippen van den schoonen jongeling door die aanraking als geheiligd en geener andere was het vergund ze uit te wisschen, en hart en gemoed werden om dien eenigen kus in maagdelijke onschuld bewaard. Gezegend is de jongeling, die zoodanige herinneringen in zijn rein hart vermag op te zamelen.
XXXIV.
HET WORDT NACHT.
Het partijtje van Imogene was een model in zijn soort. In het begin liepen al de jongeheeren en dames tot een drom te zamen, de manieren en houding van volwassenen bij dergelijke gelegenheden na^pende, doch onwillekeurig dreef de kinderlijke aart boven en zij verlustigden zich in de gewone kinderspelen. Dit was een steen van Imogenes hart gewenteld, wier aart te ongekunsteld was, om zich lang in het gareel van maatschappelijke gedwongenheid te laten kwellen, en toen men zich aan kleine, met de kinderjaren overeenkomstige spelen begaf, straalde eenig zelftevredenheid uit hare oogen, al hielden zich dan ook eenige weinige, kleine, vervelende hoofsche aapjes afgezonderd, hardnekkiglijk den zoogenaamden fijnen toon der grooteren naapende, totdat zij, zich door al de overigen onopgemerkt voorbijgegaan ziende, tot beter besef kwamen en zich in de spelen mengden.
Zij leverden een innemend tafereel op, al die kleinen, dus bijeen, allen zoo jong, zoo gezond, zoo onschuldig; gelukkig met hunne fraaie snuisterijen en opschik, want ieder beschaafd kind, zoowel als volwassen mensch, voelt zich innig tevreden, als zijne of hare kleedij in overeenstemming is met het alge-meene gevoel van smaak en schoonheid. Allen waren niet even beminnelijk, hoe klein en jong zij ook waren. Destempel der ouders was hun ingedrukt; hier tot het goede, daar tot het kwade. Er waren magere, bleeke kinderen; hulpelooze, onnoozele slachtoffers van vroegere zonden, stenende in hunne kleine geraamten, aan koortsachtige, benauwde droomen en onstuimige driften ter prooi, omdat een of meer hunner voorouders den strik van het huwelijk knoopten, toen de enger sluitende strop van den beul hun beter gepast zou hebben. Ach! wat nut had voor hen het geborduurde jurkje, de fijne kant, de bevallige vorm, daar ziekte en bederf door hunne aderen sloop, en de zoeta adem en de heerlijke geuren der kindschheid met den verpestenden walm der verrotting reeds
10
146
bezwangerd was. Er ware ruwe, driftige kinderen, wier hard schreeuwen hunne opkomst van gisieren verried; die, noch de breede snede huns gewaads, noch hun tooi, noch hun rijk voorkomen, tot de harmonie der verfijnde opvoeding hadden kunnen doen stijgen. Er waren plompe jonge Hebeetjes en deftige Dianaatjes, slechts eerbaar om haren jeugdigen leeftijd, maar ook menige vroegrijpe Venus, en meisjes vol vernuft, bevallig, liefelijk, doch geen van allen zoo eigenaardig, zoo wonderlijk, zoo teêrgevoelig als Imogene.
Zij waren bezig met panden te lossen en de kleine rechter zat geblinddoekt, met gepasten, gebiedenden toon de straffen op te geven. Een moest zich in het midden der kamer plaatsen en nazeggen:
„Ik sta hier onbewegelijk stil,
„Kom en kus mij wie maar wil,quot;
en de jonge knapen lieten zich dat geen tweemaal zeggen om dit pand te lossen.
Een andere zeide op :
„Draai eerst u rechts, dan links waar gij mij ziet,
„En kus mij eer ik u ontvlied.quot;
En niet gering was het gedrang en het schudden der haar-lokken en het glinsteren der oogen, terwijl de kleinen onder elkander woelden en wemelden.
Vervolgens had men het „knielen voor de verstandigste, het buigen voor de schoonste, het kussen van die gij het liefste hebt,quot; alles zoo zeer geschapen om mededinging, be-haagziekte, pruilerij in die jonge harten te voeden. Eindelijk veroordeelden de roekelooze kleinen de edele gastvrouw Imogne „de straat dwars over te steken en aan den ouden spoorwagen op het verlaten erf te kloppen.quot;
Zoo snel als de gedachte vloog het meisje, met haar geliefkoosd katje in den arm, het huis uit, in den donkeren nacht. Geen maanlicht blonk aan den hemel; geen sterren behalve daar, waar men loodrecht boven zich zag en een kring bemerkte met hemellichten als bezaaid en die door de uitwasemingen van de groote bedorven stad niet konden worden verduisterd. Steelsgewijze wierpen de lantaarns hier en daar door den mistigen nacht een flauw licht en lieten hare stralen vallen op de witte schouders en het golvende haar Tan het meisje. De ster van het zenith, de Lyra, sloeg een droevigen. klagelijken toon aan, om in den donkeren nacht die hemelgeesten op te roepen, die de paden der schoonheid bewaken en beschermen.
Het meisje schreed voort en haar overhaast kloppen werd, zoo als wij hebben gezien, door den krantenjongen beantwoord. Verheugd zag zij in de nederige woning rond, gaf in honigzoete woorden hare goedkeuring te kennen en toen verdween
147
zij — verdween zij weder in den stikdonkeren nacht.
Jaren kwamen en gingen voorbij, en nog was het nacht — nacht — ondoordringbare nacht. Hij daalde neder op de woning des rijkdoms, zwaar en donker — op de reine huwelijkssponde als een schaduw des doods. Hij daalde ook neder op het gezin in den ouden spoorwagen, waar tot dusverre het licht zoo onbelemmerd was doorgedrongen, omdat het hart, dat daar binnen klopte, het hart van den krantenjongen, edel en rein was, maar er viel nu een zwarte sluier over, die niet meer weg te schuiven was.
Zoo als wij vroeger zeiden, zat Bob met de oude vrouw te filozofeeren, toen het klaaggeschrei van het jonge meisje door de nachtelijke stilte drong, en hij liep dadelijk heen, om te zien wat er gaande was. Drie malen had dat kleine handje op zijn arm geleund, en er was iets in hem ontstaan, dat hem aanspoorde, hoe of waardoor kon hij zich niet verklaren. Zoo veel is zeker, dat hij over en door de asch-hoopen heenvloog en de straat naderde. In den hoek van den muur stiet hij op een man, die in zich zei ven scheen te lachen, doch daar hij stil voor zich heenliep, sprak Bob hem niet aan, maar mompelde voor zich heen: „Een lach als die,zegt niet veel goeds.quot;
En weder klonk de naam van Imogene in zijn oor, doch met een bruischende stem, duidelijk, doch bevende; en Bob zag tegenover het groote, vroeger omschrevene heerenhuis, een vrouw met gebogen hoofd en oogen, in den zwarten nacht wild starende en zoekende, terwijl zij telkens en herhaaldelijk uitriep: „Imogene! Imogene!quot;
Alles was in opschudding rondom het huis. Policie-agenten stonden reeds op den uitkijk, rijtuigen voerden de kleine guiten uit een huis, zoo op eens in een plaats van droefenis herschapen, en welgezinde vrienden kwamen van alle kanten toeschieten om hulp en troost te brengen.
Een poosje was Bob stille getuige van dit tooneel, doch de dame nog voortdurend in den donkeren nacht ziende staren, ongenegen de plek te verlaten, ondanks de beden van degenen, die haar omringden, ging hij de stoep op, en zag de lijderes met een blik aan, waaruit zoo veel droefenis en medelijden sprak, dat de dame onwillekeurig haar fijne, blanke hand op zijn hoofd leide en ze daar liet rusten, misschien zelve onbewust van hetgeen ze deed, tot dat Bob, door zijne eigene droevige herinneringen overstelpt, nederzonk. Eens had hij ook in de nachtelijke ure de hand van Minnies moeder op zijn hoofd gevoeld, maar hoe gansch verschillend was die aanraking geweest van deze, die hij thans ontwaarde! Deze was zoo kil, zoo doodskil, dat ze weinig minder dan ijs scheen te zijn.
Eindelijk zag Bob op en zeide: „Gulden-mond leide eens
10*
148
hare haivl op mijn arm — dat deed ze — en nu voel ik ze weder. Haar naam is Imogene, maar bij Bob heet zij Gulden-mond.quot;
De krantenjongen, wiens gemoed vol was van de herinnering aan Minnie, gevoelde onwillekeurig dat hij daar iets zeide, wellicht in staat het hartverscheurende leed der arme moeder een weinigje te lenigen, en hij sloot hare hand in de zijne en hij geleidde haar, zonder dat zij weêrstand bood, in het huis, zoo als eens de ongelukkige Edgard den nog ongelukkiger koning Lear binnenleide, nog ongelukkiger, daar het zielelijden, helaas! hen gelijk had gemaakt.
Hij deed de moeder, in wier oogen geen traan stond, en bleek als marmer, in haar doodangst, in een grooten armstoel nederzitten, en hij zonk op eene knie voor haar. Die weenende vrienden, die bevende bedienden, die ruime zaal, van dat alles zag hij niets; wat hij zag was een geslagen, bloedend moederhart, en het zijne bloedde mede.
„Uwé is Imogenes moeder, niet mevrouw?\'\' vroeg hij.
De dame hield hare oogen op de zijne gevestigd doch antwoordde niet.
„Ja,quot; vervolgde Bob, „sedert ik Minnie had, weet ik op een haar wat zoo\'n moeder voelt. Gisteren heb ik Minnie naar \'t strand gebracht en daar begraven, en nou voel ik sinds al gedurig haar hand op mijn hart — dat is waar — en \'t is net zoo als ze placht te zeggen: Bob zal Minnies hand op zijn hart noodig hebben.... dat zal hem goed doen.quot;
De knaap boog zijn hoofd voorover en liet het een oogenblik op den arm van den stoel rusten. Hij zag weder op; het oog der dame rustte nog onafgewend op hem; zij scheen een marmerbeeld, met die koude, met ringen bedekte hand, met dat bleeke aangezicht naar hem gekeerd. Bob rilde en sprak:
„Zoo keek Minnies moeder ook. Och, mevrouw! wat heb ik al tronies gezien, bleek van honger en armoe. Uw Guldenmond, Imogene, zal wel terug komen, ik weet, ik voel \'t. Waarom? omdat haar hand nou al zoo veel jaren op Bobs arm heeft gelegen, en dat hij ze niet wil opgeven, nooit. Houdt ge niet van bidden, mevrouw ?quot;
De vrouw verroerde zich niet; mistroostig lagen hare koude handen op haar schoot, hare wenkbrauwen waren niet te zamen getrokken, maar hare oogen stonden strak en opengespalkt. «Bidt ge nooit, mevrouw?quot; vroeg Bob weder, sik doe \'t zoo goed als ik kan, en \'t was me altoos als of ik alles te recht wist te brengen, als ik maar bad. Ik heb om zegen gebeden op \'t hoofd van Imogene, en die zegen zal komen,1\' vervolgde Bob, opstaande; sik voel iets in me, dat me zegt hoe ik moet doen en als ik zoo doe, dan komt alles te recht. Ik heb \'t rozenboompje van Minnie in de zon gezet en nou komen de knoppen uit; \'k heb een arm schepseltje met ge-
449
broken ruggestreng, waarvan de moeder in zee gesprongen is, tot mij genomen, en ik verdien nou meer dan te voren, ik weet niet hoe, maar \'t is zoo; ik breng een klein kind groot, dat op de goteplank stond te grienen, en waratje! er gebeurt van stukje tot beetje hetzelfde. Hebt mekaar lief, doe goed als ge kunt, en God (van God weet ik juist niet veel af), en God ziet alles. Hij zendt kleine handjes om op \'t hart te rusten, wanneer Hij \'t goed acht, en een andere hand om op de kruin te leggen, en als een kleine hand een goeie portie jaartjes op den arm heeft gelegen, dan zegt \'t zooveel als: kom, en help me, en zegt ook meteen: we kunnen helpen; en zegt ook: we zullen helpen; Bob zal\'t doen of anders schiet hij er H hachje bij in, dat beloof ik.quot;
Langzaam en zwaar lichtte de dame hare hand op en legde ze op Bobs arm, ter plaatse waar jaren te voren Imogenes hand had gerust; Bob vervolgde: »Ja, mevrouw, laat maar uw hand op Bobs arm liggen; mijn hand is ruw, mevrouw; (en dit zeggende liet hij het platte zijner hand over den sneeuwwitton palm glijden) maar nooil bedreef ze iets dat ze zich behoeft te schamen; nooit deê ze iets barbaarsch, en pronkte nooit met iets goeds; \'t heugt me nog mevrouw, toen ik in de kerk der Genade knielde; al de menschen gingen voorbij en ik lag in den weg, dat deê ik, ja; maar ik mocht zoo gaarne wat leeren bidden en liefhebben en iets van den Lieven Heer, want ik was een Heiden, dat was ik, en God zelf zond me er heen. Nou weet ik het, want Imogene lei haar hand op mijn arm en nam me in de bank, en daar knielden we zamen. Dien dag, mevrouw, leerde ik iets, dat ik nooit vergeten zal. Heugt \'t u niet mevrouw, me al meer gezien te hebben, zeg mevrouw?quot;
Een diepe snik ontsnapte aan den mond der dame en zij liet haar hoofd op den schouder van den krantenjongen zakken. In dit oogenblik trad de heer Dinsmoor binnen; hij hief het hoofd zijner vrouw op en legde het tegen zijn eigen borst. Fanny poogde te spreken, doch zij kon geene woorden vinden, al wat zij vermocht was op Bob te wijzen en hare hand op zijn hoofd te laten rusten.
»Dat is een zegen voor mij, wat ze nou doet,\'\' zeide Bob, »want ik zag Imogene; zij kwam naar den ouden wagen en keek er in.quot; En hij vertelde in weinige woorden hoe hij het meisje herhaalde reizen had gezien en zich geroepen achtte haar beschermer te zijn, doch de handelaar verried ongeloof; hij had in alle richtingen de policie-agenten uitgezonden en een groote som gelds beloofd : er zijn zoo velen, die wanen, dat geld meer vermag dan bidden, meer vermag dan vertrouwen in God.
XXXV
EEN BRIEF VAN WOELIGEN JACK.
Den ganschen nacht look de krantenjongen geen oog; zijn mijmerende geest schakelde al de omstandigheden aaneen die dien rijzigen, donkeruitzienden heer met Imogenes verdwijnen konden overeenbrengen. Toen het begon te dagen zag hij uit, maar de rijzige man was nergens meer te zien, en nochtans was hij nu overtuigd, dat die man dag aan dag op den uitkijk naar Imogenes venster had gestaan als zij in den ochtendstond daar zat.
Toen Bob nu zijn dagelijksch rondventen begon, begaf hij zich naar al die plaatsen, waar hij zich herinnerde den man gezien te hebben. Eindelijk kreeg hij hem tegenover de zaal van Florence in het oog; de krantenjongen stond stil en nam nauwkeurig zijn gelaat op, met dien zegevierenden blik der eerlijkheid, die den man de oogen deed nederslaan; \'t was duidelijk en hij herinnerde zich Bob meer gezien te hebben, doch achteloos en fier zeide hij hem: „geef me een krant, Bob,quot; en trad de zaal binnen.
Peinzende ging Bob verder, evenwel vast besloten den man in al zijne gangen te volgen. Hij wachtte aan een der hoeken van de straat tot dat hij het huis weder verliet en in een omnibus up town \') stapte. Ongemerkt zette Bob zich naast den koetsier en nam nauwkeurig op waar de verschillende passagiers afstapten. Bij A bingdon-square verliet onze vreemdeling het rijtuig. Hij zag rond en trad toen een huis binnen, welks deur hij met een eigen sleutel had geopend.
Bob ging in een kruidenierswinkel op den hoek, wetende
\') d. i. naar het noorden der stad.
151
dat zoodanige winkels de beste adresboeken van een buurt zijn, en deed er eenige vragen.
O!quot; was het antwoord, „daar woont de spaansche heer. Hij verstaat geen woord Engelsch; heeft een doove, half blinde huishoudster met een krop aan den hals; \'t zijn goede, stille menschen, goed voor \'t geld — katholiek; men zegt dat ze tot de jezuïten bebooren. Andere menschen gaan me nooit aan, als ze maar goed voor \'t geld zijn.quot; Dit laatste voegde de kruidenier er bij, als schaamde hij zich zijner praatzucht, en woog aan een scheel meisje met bloote voeten, die voor een dame in de buurt alles deed, een vierendeel thee af en zeven pond meel: vervolgens voor een ander een half pond boter, die hij met de speet behoorlijk terecht leide en toen uiet een stuk misdruk overdekte.
In dit zelfde oogenblik trad de huishoudster met den krop den winkel binnen; de kruidenier stond met den rug naar haar gekeerd. Bob bemerkte dat zij met hare zwarte oogen scherp den winkel rondkeek en dat zij hem vooral van hoofd tot voeten mat. Zijn aangeboren gezond oordeel zeide hem tevens, dat haar heer hem zeker op den bok der omnibus had gezien en haar nu herwaarts zond om zijne bewegingen gade te slaan,
Zij betaalde eenige waren.
sDie jongen heeft naar u lieden zich geïnfenneerd.quot;
»He!quot; zeide de vrouw, hare hand tot een roeper gebogen aan haar oor brengende, terwijl zij voorover bukte om te beter te hooren.
»Ik zeg dat daar éen jongen is, die naar u lieden vroeg,quot; schreeuwe de man.
»Wat heeft hij met ons te maken?quot; vroeg de vrouw, zich barsch naar den krantenjongen keerende; doch deze was reeds weg, en wel met de overtuiging dat het vrouwspersoon een van de bende was. De vrouw plaatste zich op den drempel van den winkel, onder schijn van verschillende zakjes in hare mand te recht te leggen, maar met het wezenlijke doel in alle richtingen uit te zien: en daar zij Bob niet bemerkte, die reeds tusschen de holte der luiken en een grooten aardewerk-korf van een naburigen winkel zat te loeren, ging zij heen. Terwijl Bob echter aldus verscholen zat ging een kerel met gescheurde kleêren, met beide handen in de zakken gedoken, hem schrijlings voorbij; onmiddelijk herkende hij in dezen een der drie kerels, die hij reeds vroeger in den omtrek van Dismoors woning had gezien. De kerel klopte hem op den schouder en zeide:
»Wat vuur. Bob.quot;
De jongen begreep dat het een voorwendsel was.
»Ik rook niet,quot; antwoordde hij, verder gaande. Onze man
152
vervolgde hem op een afstand, tot dat hij, beseffende dat de krantenjongen zijne bewegingen begreep en beloerde, zijn vervolging staakte. Eindelijk naderde Bob zijn eigen woning, hij zag den hiel van een oude laars onder de kar uitsteken; en vermoedende dat in die oude laars een levende voet stak, ging hij voorbij en verschool zich achter een hoop puin om van daar te zien wat er verder zou gebeuren.
Hij zag zijn oude best met Dady op den arm aan het portier komen, terwijl zij blijkbaar ongerust over zijn lang wegblijven scheen te zijn; zij ging weder naar binnen, vertoonde zich weder alleen (zeker had zij Dady te slapen gelegd) en week ontsteld terug toen zij een man vlak bij het portier zag. Ook Bob zag hem bij het licht dat van binnen scheen meer dan bij het maanlicht, daar het portier in de schaduw wegzonk, en het deed hem genoegen, dat de oude vrouw aldus, zonder het zelve te weten, zijne plannen diende. Ten laatste kwam weder een man, schijnbaar achteloos, het erf over, een onschuldig deuntje fluitende, waarop de man in de schaduw van den wagen antwoord gaf; voor een gewoon opmerker was in dit alles niets vreemds gelegen, doch Bob had de overtuiging dat er afspraak en verstandhouding was tusschen de mannen in den omtrek zijner woning en de bewoners van het huis in A hinqdm-Square.
Nu begonnen de mannen te zamen het erf op en neder te gaan, als zochten zij naar iemand, en terwijl zij aan het afge-legenste punt waren, gebruikte Bob deze gelegenheid, zeer bedaard de straat in te sluipen en het bordes van des heeren Dinsmoors woning op te stappen. Juist had hij een krachtigen ruk aan de schel gegeven, toen een slag door een derden bespieder hem toegebracht, hem ter aarde velde.
Do deur werd door den heer Dinsmoor zeiven geopend, die om hulp riep en de arme Bob werd in bewusteloozen staat en met bloed overdekt, weggedragen, doch niet voor dat de oude best hem in het gezicht had gekregen, daar zij den wagen had verlaten en de straat was ingegaan, in de hoop hem te vinden. Bob had in den laatsten tijd zoo veel zielelijden gehad, dat de arme vrouw veronderstelde dat hem nu een plotseling toeval had aangetast. Zij volgde degenen, die Bob droegen in het huis en, hoewel anders zwijgend en voor zich heen, uitte zij toch een luiden gil toen zij den stroom bloed zag, die uit het hoofd van den knaap gudste.
))Och, Bob, ik was er bang voor; ik had je zoo gaarne dat papier gegeven; had je \'t gekregen, dan zou dat niet gebeurd zijn.quot;
»Laat me dat papier eens zien, vrouwtje,quot; zeide de heer Dinsmoor, steeds aan Imogene denkende, van welke nog geen bericht hoegenaamd ingekomen was. De vrouw overhandigde
153
hem een morsig gefrommeld papier, hij ontvouwde het, en las als volgt:
«Waarde Bob!quot;
»De drommel schijnt er onder te roeien, maar begrijpen doe \'k er geen speld van, zoo waar ik Jack heet. Een meisje is gestolen geworden en er -wordt verteld dat gij, Bob, er mede aangrehaald zijt. Misschien heb je \'t meisje ereis gezien, maar dat weet ik. Bob, dat je nooit in zoo\'n helsch stuk zou meê-gedaan hebben. Wanneer een man in de verknijping zit, dan geef ik er niemendal om; hij moet verstand en kracht genoeg hebben om er zich uit te helpen, maar een vrouw met een meisje, aan zich zelve overgelaten, dat is een andere zaak. Wat, dat alles eigenlijk beduidt weet ik zoowaar niet; geen woord begrijp ik er van, geen woord, maar Grietje, — ik zeg je dat ze een engel van een meid is. Bob, — Grietje zei me dat je een ongeluk over \'t hoofd hangt, en dus schrijf ik je dezen om je te waarschuwen. Ga niet naar huis, Bob, vooreerst ten minste niet, ga maar ergens slapen zoo als je dat gewend waart, voor dat je met dat kleine broedsel vadertje bent gaan spelen, \'t Spijt me van \'t kattenruggetje, ze doet me soms aan zaken denken, veel prettiger dan waartoe wij jongens grootgebracht zijn, zoo was \'t met Sam, en zoo was \'t met Maria. Mijn tijd zal ook komen, Bob; ik ben van plan zoo zachtjes aan allen omgang met dat gemeene volk te laten varen! hun bargoensch maakt me zeeziek; ja, Bob, er is een licht plekje in Jacks binnenste, als hij nou maar alles even schoon kon krijgen. Ga niet naar huis. Bob, ga niet. Alles zeggen ze me niet, anders zou ik. God helpe me, ze fikscb aangeven, de d.... haal me, als ik \'t niet deed. Grietje zal je dezen in den wagen gooien, als ik je niet mocht vinden.quot;
«Jack, alias woelige Jack.quot;
De heer Dinsmoor las halfluid dien veel beteekenenden brief van den woeligen Jack, en wat hem geenszins verwonderde was, dat terwijl hij las een policiedienaar over zijn schouder mede las, daar hij klinkende aantrekkingsmiddelen had gebezigd om deze heeren goed te doen uitkijken. Ook door den mayor was een kennisgeving uitgevaardigd, inhoudende dat een kind van het vrouwelijk geslacht was gestolen, en dat iedereen opgeroepen werd haar op te sporen, wordende een groote belooning beloofd aan ieder, die eenige aanwijzing kon doen, welke tot het uitvinden van de bedrijvers der misdaad kon leiden. Doch had de heer Dinsmoor den zoogenaamden agent behoedzaam gevolgd, hij zou bemerkt hebben dat deze
154
nauwelijks de stoep af was en met bedaarden stap den hoek omgegaan, of zijn ster — het teeken zijner bediening — verdween; hij haalde een stokje in geledingen uit zijn borst en herschiep het door een kleinen druk, in een gewonen wandelstok; de valsche bakkebaarden verdwenen van iedere wang, en nu zag hij er uit als een van die alledaagsche, gewone lieden, die wij bij duizenden ontmoeten, en wier gelaat en blikken wij ons even weinig herinneren als of we ze nooit gezien hadden.
De man scheen niet in \'t allerminst verbaasd over hetgeen hij had gezien en hooren lezen. Hij wist dat de policie in dezen oogenblik niet in de nabijheid was, want hij had zeer omzichtig rondgekeken, alvorens hij de uiterlijke teekens te voorschijn had gehaald. Hij wist ook, dat iemand van een sterk zenuwgestel in de ure des gevaars nooit het onderspit delft en hij dus in het ergste geval nog veel van zijne behendigheid kon verwachten.
Toen hij het huis van den heer Dinsmoor achter den rug had, werd hij meer en meer bedaard. Hij nam zijn rotting onder den arm en trok een paar taankleurige handschoenen aan, en toen een omnibus op eenigen afstand ziende, wachtte hij in kalme, ongedwongen houding dat rijtuig af, lichtte achteloos een vinger op, om den voerman een sein te geven stil te houden, en reed toen Broadway af. Tegenover de Thompson-zaal stapte hij uit en liep toen de lange zaal in hare gansche lengte door tot aan het hooger gedeelte, alwaar hij de twee of drie treden opging, en toen kon men bemerken dat zijn kleedij naar den laatsten smaak was en hij spaansche laarzen droeg. Hij haalde een stoel bij de tafel, en zette zich naast den donkeruitzienden, reeds vroeger genoemden heer, door den kruidenier met den naam van Spanjaard bestempeld. Zijne bewegingen verrieden niets bijzonders, alleenlijk hield hij zich eenigszins van het volle daglicht gekeerd;; als de koffiehuisjongen naderde, liet hij zijn kin op beide handen steunen, hetwelk zijn gelaat derwijze misvormde, doordat, hij de spieren naar boven drong en den mond verborg, dai hij er alles behalve innemend uitzag. Beide knikten elkander gemeenzaam toe, en toen scheen ieder zich in het lezen van de bladen te verdiepen, terwijl de jongen een absintje en andere ververschingen voor hen plaatste.
XXXVI.
DE BIJEENKOMST.
sCosmello,quot; zeide de laatst binnengekomene tot den Spanjaard, »ik zal uw hartebloed drinken, als ge mij voor die zaak niet zeer goed betaalt. Ik ben het spel moede.quot; En dit zeggende bracht hij zijne lippen aan het strootje, dat in zijn glas lag en zoog het vocht met zoo veel oplettendheid in, alsof hij in dezen oogenblik geen ander belang ter wereld bezat.
Hij, tot wien hij dus had gesproken, bewoog geen spier, ja, gaf geen geluid, dat in het minst als antwoord kon dienen op het zoo even door den ander te berde gebrachte; eindelijk echter hernam hij, te nauwernood zijne lippen bewegende »Is de laatste schreeuwer uit den weg?quot;
Hoorbaar grijnsde de ander;
»\'t Zal wel zijn laatste ronde geweest zijn. Nooit heb ik een neger een fermer genadeslag toegediend.\'*
Blijkbaar was de held een slaven-hoeder geweest.
»Hoe hebt ge \'t aangelegd?quot; vroeg de ander, sik zag aan zijne oogen dat hij ons in den ruiker had.\'\'
»Ik zag hem \'t bordes opgaan, en pas had hij zijn hand op den knop gelegd, of \'k bracht den slag toe, haalde mijn policie-ster voor den dag, en hielp hem binnendragen;\'t drom-melsche volk dacht, dat ik zelf gebeld had.quot;
De man hield op met aan het strootje te zuigen, duwde zijn stoel achterwaarts en schoot in een schaterlach, terwijl hij tegelijk zijne beide handen in de zakken van zijn pantalon stak.
Zij, die om en bij zaten, zagen op en hielden den man voor een luchtigen kwant, want onmiddelijk daarop schoof hij zijn stoel met een ruk weder voorwaarts, sloeg met zijn, in een handschoen verscholen hand, op zijne dijen en barstte weder in een luiden lach uit. De man in het lager gedeélte der zaal,
156
een soort van burgelijk policie-agent, zag in die richting uit doch de twee zaten weder aan hun glas en hij sloeg geen verder acht op hen, want wie mistrouwt een hartelijken lach ?
Toen schoof de man zijn stoel vooruit, schudde met zijn hoofd rechts en links, klopte weder op zijn dij en scheen een onderdrukt lachen in zijn keel te smoren.
»Bij mijn ziel, \'t was de mooiste koep, dien ik in mijn leven deed. Ik was bijna dol van blijdschap, maar \'k moest me vroom en eerbaar houden.quot;
sGe moet u ook nog verder goed weten te houden en uw tong wat snoeren,quot; zeide de Spanjaard. ))\'k Zie niet wat er te lachen valt, — gindsche zotskappen zien allen naar ons — zet u bij \'t glas, slurp aan het strootje en de duivel haal je!quot;
Aldus gekapitteld, bedaarde de uitbundigheid van den ander, en zich weder aan zijn gelag zettende, vervolgde hij:
»Maar \'t beste komt nog.quot; En hij stond op het punt in een schaterlach uit te barsten, toen de Spanjaard, buiten zich zeiven van drift, zijn gewoon »Sacre nom!quot; halfluid bromde, en blauw werd van verkropte woede. De man scheen te begrijpen, dat hij alle verdere grappen moest staken, immers hij vervolgde aldus:
»Woelige Jack heeft den schelm geschreven — gewaarschuwd ; \'k heb den brief gezien.quot;
Cosmello trok zijne wenkbrauwen verbaasd op en zeide: »Gij? waar? hoe?quot;
»Wel! in mijn hoedanigheid van policie-dienaar zag ik over Dinsmoors schouder in den brief en las alles; woelige Jack weet te schrijven, dat verzeker ik u. Hij heeft alles verraden wat hij wist, en \'t is gelukkig dat hij er niet meer van weet — hij zou \'t geklapt hebben, \'t Is een uitgeperste boschslang, dat is hij, na al wat er gezegd en gedaan is. \'k Zal hem den nek omdraaien.quot;
En zijn gelaat ging van vroolijke opgeruimdheid tot de uitdrukking van doodelijke vijandschap over.
»Zal je nu je bandietentong snoeren, zeg?quot; antwoordde de Spanjaard, hem met afkeer aanziende, »ge hebt al genoeg er uit gegooid om een standje te maken. Laat den kerel ongemoeid — hij weet niets en kan niets klappen; en wat die Grietje betreft, je zult nu wel inzien dat het best is, die meid niet in den weg te treden. Wanneer jij en jou kameraads penmaal in je verduivelde glazen hebt gekeken, dan wordt ge als een oude zeef. Verdwijn jelui maar allen; scheep je in naar Europa, Australië, Californië, waar jelui wilt, en dat gauw ook, of ik zal jelui een erger Logement bezorgen. Je weet wat ik zeg dat doe ik.quot;
Hij klopte op de tafel om den jongen en bestelde een ander glas, terwijl zijn medeplichtige, blijkbaar door de bedreiging
157
beschroomd geworden, zijn blik onafgewend op hem gevestigd hield; doch hij leunde met het hoofd op zijn hand, met den elleboog op de tafel, zoodat de uitdrukking van zijn gelaat verborgen was.
»Cosmello,quot; hernam de man, »ik weet dat ge rijk zijt en dat uw stand als groot heer u behoedt. Ik weet ook dat we allen in uw macht zijn — wij zijn de werktuigen, hebben den slag gevoerd, de wet getart, terwijl gij uwe handen uit het spel hebt gehouden; maar doe één stap om één van ons allen prijs te geven en ik geef voor uw leven niet dat.quot; En hij snelde met duim en vinger.
Cosmello bleef, zonder de minste aandoening, onveranderlijk zitten; terwijl zijn makker deze bedreiging uitte behield hij de eenvoudige, waardige deftigheid van den Spanjaard, en toen een pakje over de tafel schuivende, vervolgde hij aldus:
»Daar zijn vijfduizend dollars, de som, die ik u voor de volvoering van de daad beloofde. Ge hebt me allen trouw bijgestaan. Nooit maakte ik zwarigheid u geld voor te schieten, telkens wanneer Satan zijne zonen scheen te vergeten. Nu zijn wij kiet.quot;
De man keerde zich plotseling om en vroeg half luid:
sMag ik vragen wat gij verder met het meisje wilt doen?quot; Cosmelloos gelaat werd blauw van verkropte woede. Hij antwoordde niet op de vraag, maar vroeg op zijne beurt zijn makker werwaarts hij dacht te gaan.
sik blijf te New-York. Ik ken geen veiliger plaats voor een mensch om er den boosdoener te spelen en toch voor een man van rang en aanzien door te gaan. Ik zal me een spaanschen mantel aanschaffen en den hidalgo spelen.quot;
Dit zeggende, drukte hij ploertig zijn hoed op zijn hoofd, zeide nog »Adios\'\' en verliet de zaal.
Nu begaf hij zich rechtstreeks naar de voorzaal van den Broadway-schouwburg, zag achteloos om, en toen weder uitgaande door een andere deur als die, waardoor hij was binnengekomen, kwam hij naar buiten met een drom toeschouwers, die altyd den schouwburg verlaten bij het einde van het voorstuk. Hij liep den hoek om, liep overhaast Anthony-Street af, zette een nasleutel op een deur en liep de trap op. Boven lag een man in een laken gewikkeld, blijkbaar hem afwachtende, immers de nieuw aangekomene begon zich te ontkleeden, terwijl de ander de afgelegde kleederen aantrok.
»Hij wacht je bij Thompson — dat is het beste — gauw! Hier is mijn aandeel (het pakje toonende). Dat moet ik zeggen, hij heeft de zaak als een ware heer bedisseld. Ik geloof voor vast dat die Spanjaard de vleeschelijke duivel in eigen persoon is. Nooit lacht hij, nooit heeft hij haast, heeft niet meer gevoel dan die kachel en ik geloof dat hij tot op den dag van hel
158
laatste oordeel zou wachten, maar wreken moet hij zich. Jaren geleden trad Dinsmoor hem in den weg en sedert dien tijd heeft hij hem niet uit het oog verloren. De drommel hale me, of ik niet lust had \'t meisje onder mijn eigen vleugels te nemen.quot;
»Hoe heb je \'t aangelegd, Skillings,\'\' vroeg de ander, aan zijn halsdoek een fikschen ruk gevende voor een stuk gebroken, vuil spiegelglas dat tegen den muur was geplakt.
»Ook je plunje bij mekaar,quot; riep de ander, »we hebben geen tijd voor lange praatjes. Die Spanjaard is als de boa-constrictor, zoo als ik ze in Zuid-Amerika heb gezien, die een hert, dat zij onder haar oog had, zoo lang met den blik volgde, dat het arme beest rilde, en blaatte en steende, maar toch niet weg kon. Kijk, ik zag hem recht toe in zijn zwarte oogen, maar als daar de hel niet is, dan is ze nergens. \'tBest wat je doen kunt is je geld te nemen en dan buiten zijn klauwen te blijven.quot;
»Tot genoegen!quot; fluisterde de ander, zijn handschoenen aantrekkende, terwijl hij zijne heupen rechts en links wendde als een dametje naar de mode. Hij verliet de kamer en Skillings sloot en grendelde de deur achter hem.
Kort daarop begroette Cosmello, die zoo als we zagen de nieuwsbladen zat te lezen, schijnbaar denzelfden persoon, die om \'t een of ander doel was heengegaan en nu terugkeerde; de nauwkeurige opmerker echter zou hebben gezien dat de kleêren veel enger om het lijf sloten dan een half uur vroeger, en dat de man nu zijn rechterhand in zijn borst had en den rotting in zijn linkerhand. De Spanjaard maakte geene aanmerking op de verwisseling, hoewel de thans op tafel openliggende hand verscheiden vingers miste.
»Raad Skillings \'t land te verlaten,quot; zeide hij ten laatste, terwijl hij een been over een ledigen stoel strekte, »en ook gij, Van Dam, hoe spoediger gij vertrekt, hoe heter.quot;
De man hief zijn hoofd van den stroohalm op, waaraan hij zoog en antwoordde met de vraag:
i«Ge denkt dus hier te blijven?quot;
De ander verwaardigde zich niet te antwoorden, maar schoof dezen keer twee pakjes over de tafel.
»Een voor Peter? vroeg Van Dam, naar de rolletjes goud grijpende, met een gretige hand, die zonderling afstak bij de ongedwongen, achtelooze wijze, die zijn voorganger door de handen der kleêrmakers gevormd, ten toon had gespreid.
sWij hebben elkander niet langer meer noodig,quot; antwoordde Cosmello, »mijn werk is gedaan.quot;
»En ge kunt dus uwe helsche taak alleen wel af,quot; mompelde de ander tusschen zijne tanden.
De Spanjaard vestigde zijn scherpen adderblik op den spreker, die zich de vergelijking van Skillings- van de boa-
159
constrictor herinnerde, en hij sloeg zijne oogen onder dien blik neder. Hij erkende het oog des meesters, zoo als wij allen, de goeden zoowel als de slechten.
Nu gingen beide te zamen de groote zaal af. Cosmello stond aan den lessenaar des kashouders stil, betaalde voor het ivoren tabelletje, dat men tarief noemt en dat den prijs van zijn gelag aanwees, ontstak een sigaar bij de deur en vertrok. Op den drempel wenkte hij een vaarwel toe aan zijn makker en stond op het punt verder te gaan, toen hij zag dat de ander nog altijd hem op zijde bleef.
«Wel?quot; vroeg hij.
»Och,\'\' sprak van Dam, »\'t valt hard vrienden te verlaten, met welke men zoo lang verbonden is geweest.quot;
De Spanjaard hervatte:
«\'k Had twee uwer te veel. Had ik me op Skillings alleen kunnen verlaten, \'k had me er beter bij bevonden.quot;
«Skillings kon \'t niet gedaan hebben,quot; mompelde de ander, »dat weet ge wel; Skillings is wispelturig en behoefde iemand bij zich, iemand zeer zwart van ziel en met een hart als een rots, om hem in \'t werk op zijde te staan; en dien hebt ge in Peter en mij gevonden.quot;
Een policie-dienaar volgde hen langzaam, als poogde hij hunne woorden op te vangen; de Spanjaard haalde een sigaar uit zijn [koker, zette ze tegen het endje van die welke hij in Thompsons zaal opgestoken en bood ze zijn medgezel aan. «Dat is dus de laatste!quot; riep Van Dam uit, dwars naar
Anthony-street overstekende. »Vervl____ kerel! hij wist me
toch aan zich te snoeren en hij betaalt vorstelijk! Peter en ik moeten ons een poosje van dat volk verwijderd houden — en dan ons bij de flibustiers voegen of op \'t slavenvangen uitgaan. In New-York begint het voor ons wat al te warm te worden.quot;
Had de policieagent al wat er tusschen Cosmello en zijn deelgenoot gesproken werd duidelijk gehoord, hij zou ze gevolgd hebben, doch in de gegeven omstandigheden had hij er geen aanleiding toe; of had slechts Peter met het verdraaide, schele oog tot het gezelschap behoord, ook dan ware hij hun bijgebleven, want altoos is de mensch, instinktmatig zijn oordeel op het schoonheidsgevoel bouwende en nog altoos iets van de oorspronkelijke gave der onderscheiding bewarende, geneigd zedelijke verkeerdheid aan lichamelijke misvorming te verbinden. Shakspere zelfs, steeds getrouw in zijn schildering van den mensch als mensch, schetste den wreeden, verdorven Richard als lichamelijk misvormd sedert zijn geboorte, terwijl het beeld van Jago, den schurk rnet het koele verstand, voor de eerzucht van hoogeren aart onvatbaar, met satanische boosheid, over denkbeeldige of wezenlijke verongelijkingen wrok-
160
kende, aan de verbeeldingskracht des lezers wordt overgelaten, die hem zoo dun van lippen, zoo mager van lichaam, zoo vooruitstekend van voorhoofd, zoo bleek van aanzicht kan schetsen als \'t hem belieft. In dit opzicht toont Shakspere zijn voortreffelijkheid boven het gansche leger van roman- en tooneelschrijvers, die beelden scheppen, strijdig met \'s men-schen aart. Deze lieden trachten den afkeer van het kind tegenover een kruipend dier te overwinnen door het oudwijfachtig toe te roepen: »God schiep het en gij moogt het dus niet haten.quot; \'t Is waar; Hij schiep het, ja, maar als beeld van het lage, van het strijdige met \'s menschen aarl, van het gehate; en het kind, dat men leeren kan de padde, de spin, de adder te verdragen, zal ook de ondeugenden liefhebben, welke zij vertegenwoordigen. Foei! nog eens; laat het de padde en de spin en de adder van alle soort vrijelijk haten.
XXXVII.
DE SPANJAARD TE NEW-YORK.
De menschen die een helsch werk op het oog hebben, zoeken het nooit in de heilige verblijven der natuur te volbrengen. Daar worden ook misdaden gepleegd, ja, doch alleen door de dierlijk ontaarden, of alleen door hen, wien de noodzakelijkheid tot kwaaddoen geene keuze der plaats meer liet. De natuur bezit een kalmen, heiligen blik, die de misdaad afschrikt, die haar doet ontdekken; zij bezit hare aloude Pans, hare Saters, hare Faunen, door de twggen der statige boomen heen glurende, langs koele valleien en bladerrijke woudplekken gluipende. Schelle, galmende stemmen breken de ontzagwekkende stilte af; het ruischen van het loof boezemt ontzag en eerbied in, het zwaaien der takken is een waarschuwend teeken; de deftige tred van het verscheurende wouddier schijnt den beestachtigen aanblik des misdadigen indringers te willen beschamen, en de opvliegende vogel is een bode, die het verhaal der wandaad hemelwaarts brengt, terwijl de huilende nachtuil zijne verfoeiing uitscheeuwt en met ijselijk gekrijsch om vergelding kermt. Neen, neen. God is in de wouden; ga er niet heen, gij misdadiger! om het werk dei-hel te volbrengen ; ga naar de stad, alwaar op ieder aangezicht de verboden dorst naar dood brengende kennis te lezen staat en het voorhoofd het brandmerk van Kaïns vloek draagt; ga daar, waar gij den mensch vindt en niet God, waar de gedachte aan God slechts bewaard wordt door deftige tempelwanden, zes dagen van de zeven gesloten, omdat de mensch er afkeerig van is God in zijn hart te bewaren en gedurende al die
10
162
zes dagen den vleeschelijken Satan ruim baan laat, zonder zelfs een poging te doen om hem te weren.
De maatschappij is een stilstaande, verpestende poel, dun overdekt met kroos en riet, met biezen en wier, waarop de mensch omzichtig voorttreedt. Niet gaarne ziet hij er zijn voet in zinken, uit vrees zijn eigen vuilaardigheid en die van zijn buurman bloot te leggen, en dus treedt hij behoedzaam voorwaarts, wetende dat hij door de zeere plek van zijn buurman te verbergen, ook de zijne verheelt. Nu en dan echter brengt de een of ander, minder behoedzaam dan de overigen, zijn deel van den modderpoel aan den dag en dan gaat er een algemeen schreeuwen en gedruisch op. Dan vliegt de eerbaarheid te wapen; dan ijlt alles om te verklikken, om te verdoemen; dan spreekt alles van hel welzijn der maatschappij en van de noodzakelijkheid des voorbeelds om anderen van dergelijken misstap af te houden. Dan verspreiden drukkers en uitgevers van Dan tot Berseba den diepen val des zondaars, en hunne gekochte pennen geven zich lucht in lessen van deugd en wijsheid en in spreuken en lessen der ouden. In hunne plotseling verrezen vroomheid spreken zij van den bijbel, van de kerk, van het opkomend geslacht. O, die papieren godsvrucht, die woorden-deugd! zij doet duivelen lachen, want ieder zondaar, hetzij man of vrouw, heizij neger of blanke., wordt er tot verdubbelde waakzaamheid, tot verdubbelde behoedzaamheid door gedreven, om vooral den poel te beter te dekken, opdat zij met hunne verborgen ondeugden en dun overdekte zonden, met lichten bevalligen tred er over heen kunnen gaan. Dan zalft de verdorvene zijn tong en zingt psalmen, en trekt zijn halsdoek aan en huurt zijne kerkbank; dan vermeerdert de bankroetier zijne wissels en journalen en draagt het hoofd hoog, zoodat alleen het vermoeden kan spreken, maar de onverbiddelijke feiten zwijgen; dan ziet de trouwbreukige man welgevallig op zijn nasleutel en overlaadt zijn huisvrouw met geschenken, wiegt haar met vertooningen in slaap en verblindt haar door schoone kleêren en tooi; dan treedt de overspelige vrouw even stout voort, en verdiept zich »in alles wat wel staatquot; en werpt zich achteloos achterover in haar koets en verjaagt den adem der boze geruchten; immers zij overtreedt in niets de wet der wel-voegelijkheid.quot; O, die maatschappij is een hoogst gevoelig goudschaaltje; gelukkig dat hij, die het houdt, het zintuig van het gezicht mist.
Juan Cosmello, de Spanjaard, van wien wij boven gewaagden, was een elegant, talentvol man; zijn rijkdom kon hem naar hoogen rang en staat doen dingen en onze republikeinsche Amerikanen waren niet karig in hun schatting van verdiensten, op zulk een grondslag gebouwd. Zijn brievenkast
163
aan de post leverde een groot getal missieven en biljetten, door lieve dametjes geschreven, hem tot rendez-vous uitnoodi-gende en kwistig met loftuitingen over zijne aantrekkelijke hoedanigheden; doch Cosmello was niet galant. Ondeugden bezat hij niet. Hij was een hartstochtelijk liefhebber van boeken, gehecht aan zijn ideaal der vrouw, en een waar artist in alle zaken van smaak en genoegen. Voor gemeenen liefdehandel had hij geen neiging, ook niet voor den prikkel der intrige. De vrouwen, sedert kort tot rijkdom en grootheid gekomen en in fraaie rijtuigen Broadway op en neder rijdende, hare onbeschaamdheid onder het schild van den rang en het vermogen harer inschikkelijke mans ten toon spreidende, boezemden hem afkeer in. New-York telt duizenden van welopgevoede vreemdelingen, die vrijen toegang hebben in de zalen der rijke inwoners. Wat hunne middelen van bestaan zijn, weet eigenlijk niemand, en mochten zekere posten door vrouw of dochter bij hun naam op het budget van haar man of vader worden genoemd, zij zouden een zonderlinge uitwerking te weeg brengen. Doch dat gaat u noch mij aan, waarde lezer; want zie, dat is een gedeelte van dien verpestenden poel, ook wel in de wandeling „hoofiere klas, bon Ionquot; genoemd, en wij zouden er onzen voet niet op durven wagen.
Cosmello — \'t spreekt van zelf — was katholiek, maar ook , vroom. Dat is de Spanjaard altoos. Hij betaalde, ja, den priester zoo goed, dat deze hem de biecht kwijt schold, of den biechteling toeliet duizenden kleine zonden op te sommen, die voor een nufje, dat pas kijken komt, een schande zouden zijn, ^ doch niet eens bekend zijn aan den man van die soort, waartoe don Juan Cosmello behoorde; en terwijl hij dergelijke overtredingen biechtte, betaalde hij voor missen, die hem van de afschuwelijkste misdrijven konden schoonwasschen. Op Cuba geboren, bezat hij daar nog zeer uitgebreide landgoederen, benevens een duizendtal negers. Hij was een eenige zoon en bij zijn vaders dood had hij, om redenen hem alleen bekend en die uit het vervolg dezer geschiedenis zullen blijken, als ook uit neiging, liever verkozen zich te New-York te vestigen en het bestuur zijner plantaadjen aan een agent op te dragen, wiens rekeningen, verantwoording en handelingen hij met al de inhaligheid en den naijver volgde, welke het bloed eens Spanjaards alleen ons in volle kracht kan vertoonen.
Vijf of zes jaar had hij Abingdon-Square bewoond, in een huis, welks vensters uitzicht gaven op den bestraten, breeden, stofSgen weg, door een driehoekig boschaadje afgewisseld, met bloemen versierd, aanlokkelijk gemaakt door welig en krachtig groeiende heesters en andere gewassen, met zorgvuldige hand gekweekt. Aan den achtergevel waren groene zonneblinden aangebracht, op venetiaansche wijze van het dak afhangende.
11*
164
Hier placht Gosmello, op een bamboes-stoel of lage rustbank in volle lengte uitgestrekt, te midden van wijngaarden en tropische planten van Cuba aangevoerd, de zomermaanden letterlijk te verrocken. In verblindend wit linnen gekleed, zoo als de planters het in de keerkringslanden dragen, daarover een gewaad van zwaar fluweel, met spaanscbe pantoffeltjes, waaraan geen goud- en zilversieraad was gespaard, aan den voet, een sigaar in den mond, met de oogen op een boek gevestigd of werkeloos op de glanzige, in den zonneschijn bevende bladeren van den wijnstok turende, was er niets ter wereld, dat een meer treftend kontrast opleverde met het beeld van een Yankee, dan het beeld van dezen man. Ge zoudt dien senor voor een toonbeeld van godsvrucht en van alle hoofddeugden gehouden hebben, om niet te spreken van den kinderplicht, die hem aandreef iederen zondag morgen met zijn moeder donna Isabella, een soort van heilige, naar de kerk ter misse te gaan.
Donna Isabella was duidelijk het model, naar hetwelk don Juan zich had gevormd. Achter haren kanten sluier gluurde het zwarte oog en de wreede blik van haar zoon, en de tijd had duidelijk het eigenaardige van den neus, waarvan wij vroeger spraken, nog scherper gemaakt en meer doen uitkomen. Het aangezicht der donna was kleurloos, maar effen, want zij verachtte alle blanketsels; haar hoofdhaar telde nog geen grijs spiertje, was lang, zwart en zoo overvloedig, dat het alle oogenblikken rondom haar fleren hals scheen neder te vallen, als verachtten hare fraaie vlechten den dwang der kunst. Steeds in het zwart gekleed, met ornamenten van git, droeg zii nog daarenboven een diamanten kruis van onschatbare waarde, op hare borst nederhangende. Log van armen, scheen haar kleine hand verschrompeld en oud en die hand verried haren wezenlijken ouderdom, nog meer bijna dan het de kalmte deed met welke haar adelijk spaansch bloed thans door hare aderen stroomde. Wat ook haar vroeger leven moge geweest zijn, hoe talloos de zonden in het register van haar geheugen opgeteekend of uitgewischt, hare veelvuldige gebeden en overvloedige giften aan de kerk moesten al licht doen denken, dat zij zich het recht op volkomen uitwissching had verworven; immers zij behoorde thans tot de vrome zusters van den echten stempel.
Geen spaanscbe vrouw, die de minste betrekking met het land der Yankees aanknoopt. Tegenover den Yankee neemt zij de meest fiere terughoudendheid in acht, die de mogelijkheid uitsluit tot eenige gemoedelijke vertrouwelijkheid, of zelfs tot dat zusterlijke pruilen te geraken zoo algemeen onder de amerikaansche schoonen. Senora Gosmello, zoo als men haar in de buurt noemde, vond geen behagen hoegenaamd in Amerika, en zoo leefde zij jaar in jaar uit in de ijdele hoop, dat
165
Juan naar zijn landgoederen op Cuba zou terugkeeren. Om deze reden was het gansche bovendeel des huizes met tallooze kisten en pakken gevuld, die nooit waren fgeopend, maar tot weder inschepen gereed lagen, zoodra de gelukkige dag van terrugkeeren zou zijn aangebroken. Die bovenvertrekken bezocht zij nooit. Zij wist weinig van en bekommerde zich ook weinig om den grooten rijkdom, dien men veronderstelde dat daar was opgestapeld. Een oude negerin diende haar en was bepaaldelijk aan hare \'persoon gehecht; gansche dagen bracht zij door met de haren der donna uit te kammen en te borstelen, hare juweelen, gordels, ringen, armbanden en al de ap- en dependentiën van den tooi eener vadzige, weelderige vrouw aan te leggen en af ie nemen. Zij was het, die altoos den priester inliet om mevrouw de biecht af te nemen, en met den rug naar de deur gekeerd zat tot dat hij het vertrek verliet en er niets vreemds in zag, dat de priester jeugdig was en nog al vrij lang binnen bleef om een zoo heilige dame van haar zondenlast te ontslaan.
Het overige des gezins bestond in een oud man, den tegenhanger van de oude negerin, daar hij evenzeer een bloot werktuig in de handen van zijn meester was. De buren wisten, dat deze twee negerbedienden slaven waren, en bleven niet in gebreke hun te onderrichten dat zij vrij waren, in dit land, waar alles vrij is op de openbare meening na, die een dolende slavin van de volksgril is! De oude neger en zijn vrouw grijnsden beide met een vluggen, aapachtigen blik en herhaalden met een korten, snellen lach: «Vrij! wat \'s dat?quot; en gingen aan het koken, wasschen of begaven zich te bed, te eenenmale onbewust dat hun \'s menschen eêlste goed, het recht op zijn eigen lijf, ontbrak.
Van nog een ander lid des huisgezin? maakten wij reeds melding; wij bedoelen de vrouw met het kropgezwel, wier betrekking in dat gezin men moeielijk zou kunnen vermoeden. Senora Cosmello zag weinig menschen, tenzij wanneer een barer voormalige buren naar het land ging, als wanneer het fatsoen meebracht voor eenige weken althans eenige deftige spaansche gastvrijheid ten toon te spreiden. Het huis was rijk gemeubileerd, wat de zalen, eetkamers, spreekkamers en andere vertrekken van moeder en zoon betrof; dit alles werd door donna Isabella zelve bewaakt, en \'t spreekt van zelf dat alles rijk, massief en weelderig was, en nochtans heerschte over alles een donkere droevige tint, van den Spanjaard onafscheidelijk. Om al het overige van het huis en al wat het bevatte, van den kelder tot de vliering, en alles wat er in-of uitging, bekommerde zij zich niet het allerminst en wist er ook niets van. Zij hielden koets en paarden, doch daar geen stal bij het huis was, stonden deze bij een huurkoetsier en
166
moesten op zekere uren van den dag voorkomen, als wanneer de donna een toertje moest doen; soms ook maakte donJuan Cosmello er zelf gebruik van.
Welke ook de gewoonten van den zoon mochten zijn, geen der mannen, welke wij bereids hebben leeren kennen, werden ooit onder zijn dak toegelaten; geen wonder dat zij weinig of niets van de omstandigheden huns patroons wisten, Skillings alleen uitgezonderd, die in menigerlei wijze onzen Spanjaard reeds ten dienst had gestaan. Wij zullen zien dat hij hun een bepaalde, nauwkeurig omschreven taak te verrichten gaf, voor welker volvoering hij jaren bezigde om hen er op af te richten, jaar op jaar hen in zijn soldij behield, opdat hij hen steeds vaardig mocht vinden tot het verrichten hunner taak, en evenwel hield hij zich te eenenmale van hen afgezonderd en buiten het spel en zulks in een zoo hooge mate, dat zij onmogelijk hem konden aanbrengen zonder zich zeiven op de vreeselijk-ste wijze aan straf bloot te stellen; buitendien waren zij nooit volkomen zeker of er wel een misdrijf begaan was, behalve toen zij de bewaking des heeren Dinsmoors huis onmiddellijk de schaking van zijn kind zagen voorafgaan, waarvan de dagbladen gewag maakten.
Skillings had, ja, Cosmello ontmoet met een voorwerp in zijne armen, onder een mantel gewikkeld en had het van hem ontvangen met het bevel het verder te brengen en wel naar beneden in een weinig bezochte straat der noorder-rivier. Hier stond een koets gereed en hij legde den last in het binnenst van de koets neder. Meer wist hij niet en de gebroeders van Dam wisten nog minder, tenzij bij gissing, daar zij alleenlijk aangesteld waren om nacht aan nacht te waken, ingeval zij geroepen werden. Pieter, de koetsier, wist hoegenaamd niets. Vaak had hij geheimzinnige tochten gedaan en ook geheimzinnige pakjes overgebracht, doch daar de Spanjaard hem bij deze en alle andere gelegenheden mild Detaalde, voelde hij geen roeping zich te benadeelen door de verklaring, dat hel met de vracht van dien avond in geenen deele in den haak was, dat die persoon zich stuiptrekkend weerde, hoewel geen hoorbaar geluid gevende; dat voorwerp evenwel hield zich doodstil; toen de vrouw met den krop naar buiten kwam en het voorwerp door de benedendeur in ontvangst nam en naar een der kelderbogen ging, zag hij haar in den kelder nederdalen, daar het licht door de traliën bij het voetpad viel. Doch hij hoorde niets.
Het verwondert mij dat dichters, wijsgeeren en filantropen niet meer hun best doen om geld te verzamelen. Immers aan geld alleen ontbreekt het hun om hen in staat te stellen de wereld te beheerschen. Goud is haar God; leg goud in goede handen, dan zal er ook goed werk worden verricht, terwijl
167
dan tevens blijken zal hoe veel boosheid vuile winst in vuile handen kan wekken. Hij, die eenig boos werk te verrichten heeft, behoeft niet lang naar zijn werktuigen uit te zien. Hij wachte slechts den dolenden, armen straatslijper met zijne steeds geopende handen af, en deze handen zullen gretig het geboden schandloon grijpen en het werk volbrengen. Waarom hem niet liever met goud tot een goed, dan tot een boos werk gekocht?
XXXVIII.
UIT EDEN VERJAAGD.
Wij moeten thans den draad van ons verhaal bij de vroegere jaren van de betrokken personen opvatten. Juan Marcou had aan een der hoogescholen van Maine zijne opleiding genoten, daar leerde hij den heer Dinsmoor kennen, student aan dezelfde inrichting. Men weet dat dertig of veertig jaren vóór het begin onzer geschiedenis, de staat Maine een uitge-breiden handel met het eiland Cuba dreef. De verstandige scheepskapiteins van dien aan zee liggenden staat stonden op vertrouwelijken voet met de planters van dat eiland; van daar dat hunne zonen vaak naar dat gewest werden gezonden om er hun opvoeding te genieten. De jeugdige Marcou behoorde tot hen. Hij voleindigde er zijn aanvankelijken cursus en werd er tot de hoogere academie-lessen toegelaten. Overal vond hij in Dinsmoor een mededinger. De Spanjaard, hoe uitstekend van vernuft ook, zag zich door den helderen, doordringenden, werkzamen geest van zijn medestudent overschaduwd. Behalvedien paarde Dinsmoor bij vrijmoedige opgeruimdheid, vernuft in \'t antwoorden en vertrouwen in eigen bekwaamheid; ten gevolge daarvan bleef hij onverschilllig voor naakten, uiterlijken glans, waardoor hij de lieveling zijner klas niet alleen, maar ook overal bemind werd. Hij was een van die kinderen des lichts, op wie de Triendelijke starren aanminnig nederblikken en die van kindsbeen reeds bestemd schijnen te zijn al hunne plannen en wenschen vervuld te zien. Hij was niet rijk — ja, zijne middelen waren zoo bekrompen, dat hii in zijn ledige uren les moest geven, ten einde in de kosten zijner opvoeding eenigszins te voorzien.
Hartelijk gaarne hadden zijn ouders hem een «Bedienaar van Gods woordquot; zien worden, onder wien zij een persoon ver-
469
stonden bij brevet gerechtigd ^\'an den kansel te declameeren; doch het gezond verstand van den jongeling leerde hem, dat er een andere, breede, krachtige, over zee en land reikende wijze van prediken bestond; het is die, welke van den lessenaar des koopmans afdaalt zoo wel als van den kansel, en daarom had hij eerst als klerk op een kantoor gestaan, naderhand korten tijd als boekhouder en eindelijk bekleedde hij een plaats onder de meest ondernemende en gelukkigste der welgestelde handelaren van New-York.
Marcou — wij zagen het reeds — was juist het tegenovergestelde van Dinsmoor. Het is bekend dat de Yankee de vastheid des Engelschmans aan de levendigheid van den Fransch-man paart; daarenboven is hem de volhardingen het gemoedelijke des Duitschers eigen. De Spanjaard daarentegen, gedurende zoo veel eeuwen door geen vreemd bloed behalve dat der Mooren vervalscht, draagt den onveranderlijken, onuitwisch-baren stempel van enkele hoofdtrekken, welke de schering en inslag van al de andere schijnen te zijn. De oud kastiliaansche riddergeest, die eens hem dreef zijn bloed voor «zijnen God, zijn land en zijne schoonequot; Ie storten, is verbasterd tot een achteloozen, donkeren, naijverigen hoogmoed, even zelfzuchtig als ongodsdienstig en onridderlijk. Deze hoogmoed doet hem wanen, dat alles wat om hem heen gebeurt zijnen persoon afzonderlijk betreft, en aldus vergroot hij zich in zijne eigen oogen duizendvoudig. Hij is droefgeestig, naijverig, baatzuchtig, gewetenloos en wraakzuchtig. Hij is katholiek, omdat zijn geloof en de inkwisitie met zijn eigen dwaze en overdreven eigenliefde het best strooken en het best overeenstemmen met zijn eigen wraaklust tegenover eenige wezenlijke of denkbeeldige verongelijking.
Bij deze trekken van het volkskarakter, zoo zeer geschapen om vijandigheid in jeugdige harten te doen ontkiemen, paarde zich later nog een andere oorzaak van dieper ingrijpenden en onverzoenbaarder aard. Wij zeiden boven reeds dat Marcou welgemaakt van persoon was, scherpzinnig, deftig van voorkomen en vrij van blaam; daarenboven wist men dat hij eens uitgebreide goederen moest erven, terwijl de jonge Dinsmoor de schepper van zijn eigen fortuin zou moeten worden. In het huis, waar de twee jonge lieden gedurende de dagen dat zij ter schole lagen, woonden, was een meisje van aankomende jaren, zoo zeldzaam lieftallig en innemend, dat niemand haar zag of hij bewonderde haar tevens, vurig en innig zelfs, voor dat hij wist, dat hij meer dan gewoon belang in haar stelde. Doch men behoefde Fanny Lindsey slechts te zien om haar te beminnen; trouwens, het is onmogelijk niet lief te hebben wat in zich zelf al liefde en beminnelijkheid ig. Engelen moeten wij beminnen en engelen moeten wij hunne eigene
170
begeerte laten volgen, al is zij lijnrecht strijdig met de onze. Een zoo innige harmonie en reinheid van toon heerschte in Fannys aard, van het zoete gefluister harer stem af tot het zachte suizen harer goudgele haren, dat zij een heerlijk speeltuig scheen te zijn, dat nooit anders dan zuivere accoorden van zich gaf. Aan alle gemaaktheid vreemd, scheen de waarheid zelve zich in haar verpersoonlijkt te hebben en moest dus al dien kinderpraat der ijdelheid van zeiven uitsluiten. Waaide vrouw de beminnelijkheid uit haar zelve put, behoeft zij geen geleenden tooi en licht kan zij den schijn aan haar laten, die het wezen ontberen.
Wanneer gij Panny zaagt, met haar deftig, ernstig gelaat, aandachtig over een boek gebogen, met haar blonde haren, met gouden weêrschijn, tot een enkelen bundel opgebonden, de zuivere lijn harer wenkbrauwen, en hare lange wimpers, die hare oogen overschaduwden, ge zoudt verlegen zijn geweest de rechte kleur dezer laatsten aan te wijzen, daar de wimpers een blauwen en de wenkbrauwen een zwarten tint verrieden. Doch spraakt gij tot haar, dan prijkte het kort te voren zoo deftig uitziende gelaat in den vollen glans van lachjes, doch zonder kuiltjes, — zij behoorde niet tot de klasse der koketten, — maar heldere, rimpelende kinderlachjes; en haar schuldeloos oog op uw gelaat gevestigd, was noch zwart, noch blauw, maar zacht, smeltend van blik; en als gij uwe;bewonderende opgetogenheid niet kondet verbergen, werden de blauwachtige aderen harer slapen en de nog blauwachtigere, die door haar hals en ronde schouders kronkelden, in een warmen rozentint, opgelost, steeds donkerder wordende, naar mate gij meer uwen blik op haar liet rusten, tot dat hare oogen, maar niet haar hoofd, zich nog meer op haar boek vestigden en zij hare rozenlippen met de punt harer tong even aanraakte en in een soort van beteekenisvolle gelatenheid verzonk.
Haar blik was zoo zacht, zoo onschuldig, dal de jongelingen zich als om strijd beijverden haar boeken ter lezing te bezoi-gen, en dan haar van ter zijde begluurden om haar zoo mogelijk zulk een blik te ontlokken; en daar Fanny de beweegredenen nooit vermoedde, kwam en week haar bloed naar mate van het kloppen en ademen van haar rein hart, en zonder dat zij het zelve bewust was. Fanny behoorde niet tot de geleerde vrouwen. Zij las wat haar beviel, en sprak ongekunsteld en aangenaam over het gelezene, onbezorgd of zij al dan niet grondig redeneerde. Vreemd aan allen vitlust, wist Fanny evenwel altoos, door haar natuurlijk, vrouwelijk gevoel en oordeel geleid, hare meening duidelijker en juister Ie uiten, dan de krachtiger denkende mannen harer omgeving hadden vermoed. Aldus werden hare meening en haar oordeel met
171
belangstelling aangehoord, want alles wat zij uitte, verried onmiskenbare blijken van innige overtuiging, niet aan boeken of opmerkingen ontleend.
Marcou, aan de groote, zwarte oogen en kwijnende bewegingen der spaansche schoonen gewoon, met hare hevige driften en wraakgierigen minnennijd, zag in Fanny een steeds zich vernieuwende openbaring vau reine, hemelsche schoonheid. Zij wist zijn licht getergden aard te doen bedaren, zijne donkere, onbeteugelde driften te breidelen en als een boeiende hemelmuziek hem op een tooverachtig pad te lokken. Hij beminde haar innig en eerbiedig, oneindig inniger, oneindig eerbiediger dan Dinsmoor haar lief had. Zij was hem een schitterende star op zijn levenspad. Andere starren hadden aan zijn hemel geschitterd, want het vurige gestel van zijn volk had hem reeds een baan doen doorloopen, onbekend aan die van zijnen ouderdom in Amerika; geen zijner liefdegevallen echter had zijn wuft, trotsch hart kunnen boeien en nu taanden zij allen voor den zuiveren glans van deze jonge star in het oosten. Des nachts stond hij onder haar vensier, terwijl het maanlicht zijn opgeheven voorhoofd bescheen en hij paarde met een heldere, mannelijke stem aan de tonen eener guitarre liederen van zijn land, zachte melodiën vol kwijnenden hartstocht, uit het binnenste zijner ziel opgeweld; Fanny luisterde en weende, weende en luisterde. Schoonebloe-! men vond zij op haar tafel of zeldzame vruchten, of een vogel,
i derwijze geleerd, dat hij duidelijk een minnezangerslied floot, 1 waaruit hemelsche liefdedrift sprak, hing in een kooi buiten
haar venster. Het was een geschenk van Marcou. Helaas! het schoone meisje kende de gewoonten van een meer be-^ schaafd volk niet; — zij wist niet dat het aannemen van het
5 geschenk een stilzwijgende goedkeuring inhield der min, l waaraan zij het te danken had.
Maar beminde Fanny den jongeling ook? Dat de vrouw Q antwoorde, die vrouw, wier wuft hart zoo vele bewoners huis-
ii vest, die vrouw, voor wie de liefde een bekoorlijk spel, niet een 1^ diep ingrijpende, alles medeslepende drift is. VVanneer Marcou n voor haar nederknielde, met al het vuur van zijn dichterlijke n verbeeldingskracht, scheen hij haar eenigszins als een verwij-Lt derde verschijning — als iets denkbeeldigs — als een vizioen e of ideaal, zoo als zij er soms in boeken van had gelezen. Hij n onttooverde haar aan haar zelve en zij werd een spaansche ït donna, hoog vereerd, op den rand van haar balkon vooroverleu-y nende, door een moedigen ridder gediend, die poëzy, hartstocht, rijk-n dom, aanbidding voor hare voeten nederlei. Droomen, vurige ver-ii, rukkelijke droomen lokten haar naar een tooverachtig Eden en zij n was niet meer het eenvoudige Yankee-meisje, met hare huiselijke, et burgerlijke gewoonten en den kleinen kring van alledaagsche
172
plichten. Met hare hand in die van haren minnaar, langs de schoone oevers van de Androscogin wandelende, luisterde zij naar de oude legende der Moeren, die Spanje veroverden, (Marcou beroemde zich er op dat het oude moorsche en kastiliaansche bloed in zijne aderen stroomde), en paarde hare zoete stem aan de zijne en aan de tonen zijner guitarre, tot dat tranen uit hare oogen stroomden en haar gansche ziel weèrklank gaf aan een geheime stem, die haar van een geluk sprak, dat zij niet wist te omschrijven. Marcou, ridderlijk en edelmoedig als hij was, wijdde haar een aanbidding, als zag hij eene verpersoonlijking voor zich van de Maagd Maria, want hij bevond zich toenmaals nog in zijn paradijs, op hetwelk hij later terugblikte, zoo als het eerste menschenpaar eens naar het verloren Eden.
Laakt de arme Fanny niet. Ach! weinig wist in die dagen het amerikaansche meisje wat het reine liefdegevoel was; weinig wat de aangenomen wetten des minnehandels waren. Misschien wandelde zij den volgenden avond wel met George Dinsmoor, die haar een liefde wijdde, zoo rein, zoo oprecht, zoo ongeveinsd, dat zij hem in het eerste oogenblik reeds verstond. Dinsmoor zong geen romances en de kleine Fanny, jeugdig als zij nog was, had nog geen bepaald romantische neigingen. Hij zong liederen, ja, doch eenvoudige, gemoedelijke, waaruit alledaagsche gewaarwordingen spraken, en hem hooren-de, ontwaarde Fanny geen druk, geen beklemming, geen wilde, onbestemde begoochelingen; toch wandelde zij met haar amerikaanschen minnaar hand in hand op en neder, nu eens een steentje in het water werpende, dan de hoogten overspringende, of wel haar hoofd met wilde roode beziën en takjes van den amerikaanschen witten ceder bekransende. Haar vroolijke lach werd zachter en zachter, naar mate zij onder de hoogs takken der pijnboomen, in de schemeringkozende, ronddwaalden.
Hadden de twee gelieven rondgezien, zij zouden den jeugdigen Spanjaard hebben bemerkt, doodsbleek tegen een jongen boom geleund, met open mond, waarop een laag schuim lag, die zijne kleine witte tanden bedekte en met een koud zweet op zijn voorhoofd. Die schoone, onschuldige maagd was de engel, ^ die de Edenspoorten voor den jongeling moest sluiten, en wel voor eeuwig. Eenmaal haalde hij een dolk voor den dag en zwaaide dien dreigend tegen de gelieven, en verborg hem toen en sloeg verder al hunne bewegingen gade.
Dien eigen avond ontmoette hij Dinsmoor en beet hem vinnig in het oor:
„Gij hebt uwen adem over de lelie laten gaan — neem haar mede zoo ge wilt. Maar herinner u, dat de wraak van een Spanjaard nooit slaapt. Het stervensuur kan en zal niet slaan voor dat mijner wrake, onthoud het.quot;
li i
173
Aan lt;le arme Fanny schreef hij: »Ik beminde u met al de kracht van een reeks minnende harten, en nog wel spaansche harten, in één brandpunt vereenigd. Thans haat ik u in dezelfde evenredigheid. Ga, ellendige kokette! Ga, arme, laffe snapster! Ik zou u niet weder kunnen beminnen, al wilde ik.quot;
En de arme Fanny las die woorden en een siddering rilde door hare leden. Zij was bevreesd hem te ontmoeten — en was blijde, toen zij vernam, dat hij Brunswick plotseling had verlaten. Zeer opmerkelijk was het, dat de schoone vogel, wien het kwelen van het minnelied in de kooi was geleerd, dood gevonden werd in zijn kooi. Hij had zijne laatste liefdeto-nen gekweeld. Met Marcou was het even zoo; en ook Fanny had wellicht een geheim gevoel als of een vroolijke, verrukkelijke kamer in haar hart, waar liefelijke, blijde liederen en zoete minne-kozerij hadden weergalmd, in eens zich gesloten had; zij weende lang, en zelfs Dinsmoor, hoe opgeruimdenvroolijk van aart anders ook, kon zich niet weérhouden in hare tranen te deelen. Aan wat zou de lezer nu de voorkeur geven; aan den gemoedstraan der kleine Fanny, of den vertrouwelijken glimlach, waarmede zij haar hand in die van haren amerikaanschen minnaar legde?
En dus vervloog jaar op jaar. Marcou keerde naar zijn keerkringsland terug — deed een reis naar Europa —- doch overal bleef het beeld van Dinsmoor, de hand der schoone, teedere Fanny drukkende, hem bij en riep hem met nimmer rustende stem tot wraak op. Nimmer verloor hij het paar uit het oog. Van al de bewegingen van Dinsmoor werd hij onderricht. Ja, zijn zaakgelastigde had bevel, toen Dinsmoors zaken zich uitbreidden, in briefwisseling met hem te treden en handelsbetrekkingen met hem aan te knoopen, doch steeds (len naam van zijn heer verborgen te houden; Cosmello en Marcou waren dus een en dezelfde persoon. Hij wist hoe Imogene opgroeide, welk een rein, ongestoord leren de vrouw en man sleten en dit diende slechts om zijn wrok te voeden; want het beeld dezer vrouw, zoo tevreden en vertrouwende, zoo schoon en evenwel zoo weinig behaagziek, zoo tevreden in haar stille afzondering, was boeiend, was verrukkelijk voor het gemoed ; en zulk een leven, waarbij zich nog al de droomen van poësy en verbeelding, al de aanbidding van een hart voor ongedeelde liefde open, zouden hebben gepaard, had het zijne kunnen wezen, ware Dinsmoors liefde niet tusschenbeide gekomen; en vaak had men Marcou in zich zeiven kunnen hooren mompelen;
»Hij zal een beker gal en alsem drinken, zoo als ik er een dronk. Hij zal de naakte woestijn kennen, door welke ik getogen ben. Hij zal de appelen der Doode zee slikken, zoo als ik ze heb geslikt.quot;
En daar stond hij, van den morgen tot den avond, de ven-
174
sters van het huis beloerende, met de oogen op Fanny gevestigd, als zij in- of uitging, even schoon en innemend als vroeger; doch geen vonkje van vroegere liefde ontwaakte meer in hem. Te diep was zijne eigenliefde gekwetst geworden. Hij zag, dat beider liefde in Imogene zich te zamen gesmolten had en door haar moest de slag op beider hoofd nederkomen. De tijd had beide mannen derwijze veranderd, dat Dinsmoor vaak zijn gezworen vijand was voorbijgegaan zonder hem te herkennen; en de herinnering\' aan de bedreiging van den Spanjaard was uit het geheugen van Fanny zoowel als van Dinsmoor ge-wischt. De jaren waren in zulk een ongestoord geluk voorbijgegaan, dat, zoo als wij boven zagen, geen hunner zelfs van tegenspoed meer droomde. Ja, hun gelukstaat was zoo groot, dat menig medelijdend gemoed door een angstig voorgevoel omtrent hun toekomst werd bevangen en een onheil voorspelde, zoo als de edelaardige, minnende Moor Othello deed, toen hij uitriep:
„O stierf ik nu, hoe glansrijk waar\' mijn heil!
Mijn zielsgenot is vol, ja, boven \'t peil Voldaan; en welk geluk kan ik nog vragen Gelijk aan dat, aan ongeboren dagen?quot;
En dus keerde Dinsmoor ook plotseling in zich zelven en beleed in zijn binnenst, dat hij in dit alles niet behoorlijk den goeden God had erkend en gedankt, dien God, »die zangen zendt in de ure des nachts;quot; en toen zeide hij: »mo.rgen Fanny!quot; maar toen de morgen daar was, was de zang vergeten.
XXXIX.
DE SLAVIN.
Het plan \\an het avond-partijtje, door Itnogene aan hare jonge vrienden op haar verjaardag gegeven, was aan Skillings bekend geweest; als koopman vermomd, had hij een voorraad zakdoekjes, kammetjes, goedkoop borduurwerk enz. bezorgd en toegang in de keuken verkregen, voorgevende aan de dienstmeiden van den heer Dinsmoor zekere voorwerpen te moeten afleveren. Daar had hij, door behendige, vleiende woordjes en gestoei met de meiden, een goede af faire gedaan niet alleen, maar ook bijzonderheden vernomen, die hij aan den Spanjaard mededeelde, welke nu begreep dat Imogene oud en kloek genoeg was om den schok eener ontroering te kunnen doorstaan. Vroeger had hij reeds een menigte plannen beraamd, maar alle, als te gevaarlijk en te gewaagd, weder verworpen. Doch dien nacht kwam hel boze noodlot hun te hulp en het kind, wij zagen het boven, verdween.
Nauwelijks had zij den wagen van den krantenjongen verlaten, of zij voelde zich onverwachts door armen oplichten, doch zoo doodstil, dat, nog vol van de vroolijke grappen van den avond, en ieder oogenblik Karei Gardner verwachtende, die haar immers beloofd had te komen, zij zich verbeeldde, dat zijne armen haar nu in de hoogte hieven en zij zich lachende verzette en worstelde om weder op den vasten grond te komen. Toen de man echter haar mond zocht te knevelen en een mantel over haar hoofd wierp, worstelde zij met meer geweld, zoowel uit angst als uit vrees van te stikken.
»Ik wil u geen kwaad doen,quot; fluisterde de man, sik wil u naar huis dragen, kind!quot; en hij stapte snel voorwaarts. Meer wist zij niet, tot dat zij hare oogen weder opensloeg en zich
176
onder het donkere gewelf van deu kelder bevond, waar een vrouw haar aangezicht met koud water besprenkte. Wij zagen boven reeds dat de vrouw van den voerman een pakje had ontvangen, dat Marcou overhaast hem bevolen had op deze wijze te behandelen. Bijgevolg leide zij haar last op den vloer van den kelder neder, ging toen met de kaars in de hand weg en sloot de binnendeur naar den kant van het hek aan het voetpad openende, trad toen den kelder in, die gedeeltelijk tot bewaarplaats voor den wijn diende, en de deur achter zich toehalende, grendelde zij die van binnen.
Door het water kwam Imogene weder bij; zij dronk met gretigheid, doch zag middelerwijl de vrouw strak in het aangezicht, die zich van alle woorden onthield en ook geen teeken van eenig medelijden gaf. De kleeding en haren van het meisje waren in wanorde en met ongemaakte, aangeboren nauwgezetheid streek zij ze met haar hand glad en deed een stap naaide deur.
»Laat mij hier van daan, als \'t u belieft.quot; vroeg zij.
De vrouw lachte minachtend en stiet haar op zijde. Imogene wierp nu een blik over de angstbarende, naakte, steenen muren en door een plotselingen schrik bevangen, begon zij hevig te schreeuwen. De vrouw sprak niet, maar greep Imogenes hoofd tusschen hare twee handen en hield aldus haren mond opgesloten.
Het meisje worstelde om zich los te maken, doch de vrouw zeide haar, dat zij haar niet los zou laten, tenzij zij beloven wilde zich zeer stil te houden. Zij deed deze belofte en werd losgelaten.
»Waarom ben ik hier gebracht?quot; vroeg hel teère kind, dat nooit te voren kwade bejegening of gestrengheid ondervonden had.
»Om te sterven misschien,quot; was het antwoord; ,,\'t komt er niet veel op aan.quot;
Imogene kon zich nog al geen rekenschap van haar toestand geven: het was haar als drukte haar een benauwende droom. Zij, zoo teeder bemind, zoo vriendelijk bejegend, stond nu tegenover dat donkerziende, dreigende vrouwspersoon, omgeven van koude, steenen muren, wier duisternis le nauwernood terugweek voor het licht eener flauw brandende waskaaars in de hand der vrouw rustende. Alles rondom haar had zoo iels spookachtigs, dat haar kinderlijke geest onwillekeurig teruggevoerd werd tot de arabische vertellingen, van kelders, holen, geesten en tooverheksen, en \'t was haar als zag zij zich plotseling in een wolk gehuld, die spoedig weder zou optrekken en haar dan het een of ander bekoorlijk, verrukkelijk schouwspel vertoonen; immers haar geest had een dichterlijke toets, steeds hopende en vertrouwende, en kon moeielijk zich
177
aan lijden en smartelijke gewaarwordingen onderwerpen. Bijgevolg naderde zij de vrouw en zeide, in tranen smeltende:
))Och ! lieve, goede jufvrouw, breng me naar huis als \'t u belieft. Ik ben nog zoo een jong meisje, \'t kan niemand van nut zijn mij te dooden. Iedereen heeft me lief, en papa en mama zullen van verdriet sterven als ik niet t\'huis kom.quot;
Deze zoo kinderlijk roerende toon maakte geen indruk hoegenaamd. De vrouw stiet haar op zijde en luisterde aan de deur; door het sleutelgat sprak zij eenige weinige woorden in het spaansch en keerde zich toen tot Imogene, die nu bitter weende. Zij hield haren vinger in de hoogte en zeide op dreigenden toon:
«Stil, hoor mij aan! zie je dien ponjaard? Nou, dien drijf ik je in je borst als je probeert een woord te spreken of te schreeuwen. Zal je stil zijn?quot;
Het kind knikte bevestigend.
»Zul je? Nu, dan zal ik je meê naar boven nemen, de trap, op, naar boven! maar geen woord, geen geluid en, zacht loopen daarbij. Ben je eenmaal daar, dan zullen we verder zien wat te doen. Zal je stil zijn?\'quot; vroeg de vrouw nog ten slotte.
De arme Imogene, van de koude stiklucht rillende, beloofde \'t weder en de vrouw, den dolk met de kaars in de eene hand en Imogene bij de andere houdende, stapte het gewelf uit. Onder het opklimmen hoorde Imogene de voetstappen van een derde achter zich, doch waagde het niet om te zien. Toen zij eindelijk aan de hoogste verdieping gekomen was, werd zij binnen gelaten in een kamer onder het dak, welker kleine venstertjes aan de buitenzijde achter wit geschilderd ijzeren loofwerk verborgen waren, derwijze dat het van de kornis niet kon worden onderscheiden, die over deze gansche zijde van het gebouw liep. Bovendien waren deze vensters van binnen van zulke dichte traliën voorzien, dat de duisternis der kamer er aanmerkelijk door vermeerderd werd. Een fraai tapijt was in der haast over den vloer gelegd, ook bevonden er zich een rustbank en andere voorwerpen tot gewoon gebruik.
Toen nu de vrouw op het punt stond het vertrek te verlaten en het licht mede te nemen, sprong Imogene schier ademloos van angst op, uitroepende:
»Laat mij niet alleen, lieve juffrouw, och! om\'s hemels wil, laat mij niet alleen; och! laat me naar mijn lieve moeder terug brengen, och! ja, doe \'t maar; ik zal niets vertellen, ik zal geen enkel woord van alles spreken, maar zeggen dat ge goed en vriendelijk waart.quot; En dit zeggende klemde zij zich aan hare kleêren, tusschen tranen en snikken hare woorden fluisterende, uit vrees door andere ooren gehoord te worden.
De vrouw stiet haar in de kamer terug zonder een woord
12
178
te spreken en grendelde de deur onder het uitgaan. Imogene zonk roerloos op den grond. Hoe lang zij aldus lag kon zij niet zeggen, want toen zij hare oogen opensloeg bevond zij zich op de rustbank en zag een man, die hare hand in de zijne hield.
»Papa, lieve papa, zijt gij \'t!quot; fluisterde het kind.
Geen antwoord; zij haalde hare hand terug en bewaarde het stilzwijgen; doch de duisternis van de kamer, de geheimzinnige stilte en de tegenwoordigheid van een onzichtbaar menschelijk wezen, welks verschijning zij zich zelfs niel verbeelden kon, oefenden een ijselijken invloed op het arme kind uit.
»Och mama, mama!quot; snikte zij nu, terwijl zij aan een diepen zucht lucht gaf, oneindig roerender dan luidruchtig weeklagen. Plotseling vertoonde zich een licht en Imogene zag den rijzigen, donkeruitzienden man, dien zij vaak in de straat had bemerkt, in een grooten armstoel naast haar zitten. Hij sprak geen woord, doch het licht dicht voor haar aangezicht houdende, streek hij haar gevlochten haar op zijde en bekeek haar gelaat van nabij.
„Dezelfde oogen,quot; mompelde hij in zich zeiven; „dat zelfde gouden haar, doch veel minder schoon; maar daar zie ik zijn blik — den zijnen, om mijn bloed in vlam te zetten, om mij dol van wraaklust te maken.quot;
Vervolgens bracht hij een glas aan hare lippen en gebood haar te drinken. Een zwart en schuimend vocht was er in; het kind aarelde.
„Is het vergif? moet ik er van sterven?quot;
„Drink,quot; herhaalde de Spanjaard.
Het meisje gehoorzaamde, terwijl zij te gelijker tijd hare oogen naar zijn gelaat opsloeg; en toen vouwde zij hare handjes en zeide met een heldere, plechtige stem : „Onze lieve Heer ziet u en hoort mij aan. —■ Ik zal sterven, maar Hij zal komen en naar mij vragen — denk er aan.quot;
Het vocht was te sterk; onmiddellijk vielen de wimpers over hare onschuldige oogen dicht, en zij sliep een oogenblik, daarna echter sprong zij weder op en stamelde; „verlos ons van alle kwaad,quot; als of haar kinderlijk hart in die korte ooos had gebeden. Hare handen lagen, als die eener non, op nare borst gekruisd; een kruis dat zij om haren hals droeg, had zij gegrepen, waardoor het godvruchtige beeld nog meer gelijkend werd. De Spanjaard sloeg met een instinktmatigen eerbied die houding, dat kruis gade en zijne lippen mompelden haar gewoon : mere !
Terwijl Imogene sliep, — hetzij ten gevolge van den drank of van den angst, dat weet ik niet — werd zij zoo doodsbleek, dat Marcou ongerust werd en zijn vinger op het teêre vuistgewricht legde, om zich te overtuigen dat de pols nog sloeg;
179
en vaster omklemden Imogenes vingers het kruis. Arm kind! zij droeg het alleen als sieraad, doch, toen de wraakgierige katholiek haar het heilig zinnebeeld van zijn geloof zag omklemmen, voelde hij zich als afgeschrikt; want, hoe wraakzuchtig van aard ook, was hij toch op spaansche wijze geloovig; geen wonder dat hij blijde was toen de deur openging en de vrouw met den krophals binnentrad en nederknielde en het aangezicht der slaapster beschouwde; ook zij betastte het gewricht der hand en fluisterde:
„Geen gevaar!quot;
Terwijl de zachte, zwarte hand nog op den pols drukte, hadt. ge, onwillekeurig de lijn van de hand opwaarts volgende, een arm gezien, gerond, schoon en bloot tot aan den schouder, behalve waar het weefsel van een zwarten spaanschen sluier dien licht bedekte; en van daar een fiere borst en nek en hals, waar geen krop meer zichtbaar was, maar die gelijk was aan een schoonen ivoren zuil, bevallig gebogen en waar aan weêrszijden wellustige aderen zich slingerden.
Hare zwarte haren waren door middel van zilveren naalden slechts gedeeltelijk op het achterhoofd gescheiden, doch daalden verder in golvende vlechten bijna tot op hare hielen neder. Groote, zwarte oogen schoten stralen onder de fijn geteekende wenkbrauwen, die zij in dit oogenblik scherp fronsde.
jJuan,quot; sprak zij snel. De Spanjaard antwoordde niet.
Juan,quot; herhaalde zij op dringenden toon en Marcou zag op.
»Ge zeidet mij dat ze een kind was, slechts een kind!quot;
»Ze is niets meer.quot;
üe vrouw wees op den reeds rijp wordenden leest, en op de leden, waarin de schuldelooze vorm des kinds zich reeds verloor; in dat oogenblik keerde Imogene haar aangezicht meer naar het licht, en hare koraallippen glinsterden te vuriger daar hare wangen bleek waren; hare gouden vlechten lagen over de rustbank heen gespreid als een gulden dekkleed.
sJuan,quot; hernam de vrouw.
«Wees geen zottin, Nina,quot; antwoordde de andere.
»Ik ben geen zottin, dat weet ge, Juan. Ik bezit niet het hart eener slavin, ofschoon uw lijfeigene — ik ben slechts slavin
in mijne liefde, maar ook deze kan zich herscheppen in......quot;
Zij beet zich op de lippen en keerde zich om.
sNina,quot; zeide haar medgezel zacht.
Oe vrouw keerde haar hoofd naar hem, doch op koele, fiere wijze.
»Nina, gij kunt mijn vijandin worden wanneer gij wilt — maar is het niet beter u zelve gelijk te blijven, het groote, roemvolle voorwerp van Juans vurige liefde, zijn schoonheid, zijn genius? Wat hebt gij van een kind als dit te duchten?
180
Ik zeg het u, al -ware zij tienmaal reiner engel dan zij is, ik zou haar nog haten, om het bloed harer moeder dat in hare aderen vloeit, om den blik van haar vader, dien zij in hot oog ronddraagt.quot;
De vrouw wierp zich aan zijne voeten en drukte hem onder een tranenvloed in hare armen.
»Heraelsche Maria!quot; riep zij uit, »welke liefde voed ik voor dezen man! Juan, ik ben uw slavin, uw lijfeigene, uw lastdier, alles behalve uw wettige vrouw, en dat veracht ik. Schenk mij uw liefde, uw ziel, uw hart, Juan, en ik ben tevreden. Verlies ik dat, dan verlies ik alles, dan is \'t leven geen leven meer voor Nina. Zeg mij dat gij dit kind niet kunt, niet wilt beminnen, Juan! en ik wil ter liefde voor u tienmaal grooteren vloek op mijn hoofd laden, duizendmaal grooteren vloek, Juan: want de hel, met u gedeeld, zou mij een hemel zijn, en de hemel zonder u een hel.quot;
Juan trok de woeste godslasteraarster aan zijn hart en beloofde inderdaad alles, wat zij vorderde. Nina was, zooals zij had gezegd, Juans slavin — een van die schoone kwadronen,1) zoo verleidelijk schoon van lijf en leden, zoo geweldig in haren hartstocht. Met zorg opgevoed, in dans en zang volleerd, behandelde zij tevens de guitarre met smaak en bekwaamheid, komponeerde, maakte bevallige, goed gedachte verzen en las, evenals Juan, al de werken van genie, in de onderscheiden landen uitkomende. Eenige jaren achtereen evenwel, had zij hare talenten, haar gansch leven, haren jongen meester ten beste gegeven, dien zij — wij zagen-het boven — innig beminde en wiens plannen zij met nimmer falende vindingrijkheid en onbezweken ijver diende.
Ongelukkige vrouw! overal, in alle opzichten, in welke vormen ook, slavin van den man. Wee over haar! wee, driemaal wee! als de liefde niet hare verlossing bewerkt. Wee, wee over haar! als het «vurig minnenquot; niet de poorten van den hemel voor haar verbrijzeld, vergruisd hart openzet. Of vernedert de vrouw zich in het minnen? Of is de man haar lieer en meester, haar God, haar hoofd? Heeft zij hem hel uitzicht op betere gewesten te danken? Zijn hare zonden de zijne, of de hare? Wordt zij in haar liefde geschandvlekt\'? Of vereenzelvigt dit bestanddeel van den grooten God der liefde aich niet als het ware met zich zelf en doet haar weinig minder dan een engel zijn? Bedenk het, lezer! want waarlijk, we zijn allen verblinde kinderen, die licht behoeven.
Een uur na dit onderhoud zong Ninas helder klinkende stem het lof aan de heilige Maagd, terwijl zij in haar wel-
\') Aldus wordeu in de West de kinderen vau dubbel gekruist ras genoemd.
Vert.
181
lustig gewaad voor het kruis knielde, gedurende den dag eerbiedigliik met een sneeuwwitte gordijn behangen, die alleen tot het gebed werd weggeschoven en dan weder dichtgedaan, uit vrees, dat eenige zonde in tegenwoordigheid der moedermaagd mocht worden volbracht:
Heilige maagd, vol liefde. Tol vertrouwen,
Wier stem zich hooren doet: zie toe!
Maria, hemelsch beeld voor heilige vromven —
Geen eng\'len dalen neêr, als in den ouden dag —
Maria hoor, o hoor mij aan!
Neen, eng\'len komen niet op ons begeeren.
Al roepen wij ook duizendwerf: Zie toe!
Heb dank, Maria! heil\'ge, die wij eeren,
O reine Maagd, o maagd koud als de sneeuw,
Maria hoor, o hoor mij aan!
En haar aangezicht viel tot op hare knieën,, terwijl zij haar vurig gebed tot de reine ziel der goddelijke reinheid opzond, naar welke de ware vrouw het innigst reikhalst, wanneer zij innig bemint. Aldus zong Nina en de stem van donna Isabella gaf weerklank op het lied, van waar zij in haar eigen prieel zat, aan het verleden denkende en naar het verblijf in het keerkringsland zuchtende. In den nacht hoorden de buren de gezangen des katholieken gezins, zoo rustig, zoo gansch in en voor zich zelf levende en voedden er eerbied voor, spijt de bittere vooroordeelen van den godsdienst. Zou het inwendige leven van ieder protestantsch huis wel het volle daglicht kunnen verdragen? Wij hebben bewezen dat dat van den vromen katholiek althans menige afzichtelijkheid bevat.
XL.
HET WRAK.
Keeren wij thans tot onzen krantenjongen terug, dien wij te eenenraale bewusteloos, in zijn volle lengte op den vloer van den heer Dinsmoors kamer verlieten. Gaarne had de oude best hem naar de verlaten kar zien overbrengen; doch het geraas in het huis had de wreed beroofde moeder eenigs-zins uit de wezenloosheid doen bekom en en zij ging langzaam de trap af. Weinige uren hadden een vreeselijke uitwerking op de arme vrouw te weeg gebracht. Oud was zij niet geworden, ook niet gekromd; doch haar gelaat had een uitdrukking aangenomen, niet van deze aarde. Wit als marmer was haar aangezicht, en hare oogen lagen hol in hunne kassen en straalden van een gelen, onnatuurlijken gloed. Zij sprak geen woord, weende ook niet; doch toen zij Karei Gardner zoo bleek als een doode naast zich zag, opende zij hem moederlijk hare armen en de schoone jongeling zonk aan haar borst en snikte hevig. Zij leide haar hand op zijn wang en klopte ze als wilde zij een ziek en huilend kind stillen,
»Arme, arme Fanny!quot; mompelde haar echtgenoot, terwijl hij haar feeder in zijne armen drukte. Vorschend zag zi] hem aan en boog zich toen over den krantenjongen. Een helderder licht ging voor hare dwalende zinnen op ; zij zetle zich neder op den vloer en hief zijn hoofd op en liet het op haar schoot rusten en met haar lichaam heen en weder schuddende, riep zij uit: «Beste, beste jongen! kunt gij mij ook zeggen, hoe dat alles in elkaêr zit? Waar is Imogene?quot; En zij zag nu den een, dan den ander aan, op zulk een meewarige wijze, dat ieders oogen vol tranen stonden.
Doctor M .. .. kwam binnen. Bob werd adergelaten op de plaats zelve, waar hij lag; na een lange poos sloeg hij, doch zeer zwak en uitgeput, zijne oogen open en fluisterde:
183
»We zijn arm.... we weten nies, mevrouw, maar we doen zoo goed we kennen.\'quot;
«Ja, dat doet ge, arme jongen!quot; bevestigde de oude best sge zult slapen aan de boi-st van Jezus, Bob, wanneer zij, die je verachten zullen weggejaagd zijn.quot;
„Wie is die arme jongen?quot; vroeg de heer Dinsmoor, die nog altijd met Fanny in zijne armen daar stond.
»Hij is een krantenjongen,quot; zeide de oude vrouw; „hij heeft vader noch moeder, geen vriend op de gansche wijde wereld.quot;
En terwijl zij sprak veegde zij met den tip van haar voorschoot hare oogen af, en streek toen met haar gewone zorgvuldigheid het voorschoot weder glad.
Bob was weer bewusteloos achterover gezegen en toen zij op het punt stonden hem van den vloer op te lichten, zeide Fanny dat men haar zou volgen; hij werd de trap opgedragen en op een bed gelegd in een kamer, belendende aan die, waar Imogene anders sliep. Daarop trad Fanny de kamer harer dochter binnen, liet er geen plek onbezocht, nam hare jurken van den kapstok, drukte ze tegen haar aangezicht, kuste ze en zag dan weder de vensters uit, waar alles nog in stikdonkeren nacht was gehuld. Zij ging in de ])adkamer, er was niemand ; zij beval de kuip Ie vullen, schoof toen het beddelaken weg en glimlachte, zette zich in den grooten stoel aan het voeteneinde en luisterde en wachtte.
))Och, goede Hemel!quot; riep de ongelukkige man en vader, „dat is meer dan ik dragen kan, Fannyl.... Imogene!quot; En hij schreide overluid.
„Stil!quot; zeide Fanny opspringende en hare kille armen rondom zijn hals slaande, sstil! ze zal wel spoedig weêr hier zijn, morgen wordt ze gedoopt, onze lieve engel, onze Imogene, ons kind!quot;
»Och, morgen! lieve Fanny,quot; hernam haar man. terwijl hij zi jn haar wegstreek dat reeds door de onzeggelijke zielsbeklemming begon te grijzen. »Ach! laten we niet van morgen spreken, de toekomst is zoo zwart!quot;
«Neen,quot; antwoordde zij, ygt;hij zeide dat ze zal terugkomen— en hij weet het, George, ja, want hij bidt God en wij deden het niet.quot;
En dit zeggende, stroomde uit de oogen der arme, verwilderde moeder een vloed van tranen.
De edele vader, zoo kalm van gemoed, zoo verheven van ziel, voelde het verwijt en sloot haar inniger aan zijn harten riep uit;
»Mijn lam, mijn gezegend lam, ik had uw profeet en priester behooren te zijn, terwijl ik slechts aan de aarde bleefhangen. Doch God weet het, ik beminde u, maar ik behoorde hemelwaarts met ii te stijgen. Vergeef mij, Fanny, vergeef mij.quot; En
184
inniger drukte hij haar aan zijn hart. Doch zij stiet hem terug en zag hem strak in het aangezicht. En o! die stomme, wezenlooze blik trof den armen man als een donderslag, en hij liep de kamer op en neder met een langzamen, afgemeten tred, als weigerde zijn geest de ellende, die hem overviel in hare volle uitgestrektheid Ie meten.
Ach! de goede Hemelvader is vol genade.
Het leed, in het zwarte kleed gehuld, klopt aan de eene kamer der ziel na de andere, en wordt nergens gaarne toegelaten,» maar gaat verder en sluit geen deur achter zich toe, o neen! en weent en wringt de handen, tot dat hij allen een voor een is rondgegaan; dan zet hij zich neder, donker en treurende, dan verdooft het licht der ziel, tenzij wij opwaarts zien en het aan het onschatbare altaar van Gods liefde opnieuw ontsteken.
Ondertusschen volgde Fanny haar echtgenoot met medelijdenden, verwilderden blik en toen een boek ziende, zooals het Imogene had laten liggen, nog met het ivoren vouwbeen tusschen de bladen, nam zij het op, waar het kind met een potlood een plaats had aangeteekend, en zij las overluid het volgende:
„Een bloesemknop vond \'s morgens vroeg,
„Diep in zijn kelk gezonken,
„Een droppel dauw, waarin een straal „Van \'t zonlicht was verdronken.
„Ik houd, zegt hij, den dauwdrop vast;
„Mijn hart zal hem omvangen,
„Ik blijf een knopje en altijd zal „De dauw aan \'t blaadje hangen.
„O, zoete droppel! gij noch ik
„Zal ooit voor \'t zonlicht wijken:
„Tot regenboog verheft ge u nooit,
„Ik wil als roos nooit prijken.quot;
sLees het nog eens, George,quot; zeide Fanny, sik blijf een knopje. Daar is iets in, dat ik niet recht vat, iets dat veel overeenkomst heeft met de edele gedachten van ons kind!quot;
En de heer Dinsmoor las de eenvoudige woorden, die Imogenes verbeelding zoo zeer geboeid schenen te hebben, herhaaldelijk over. Daar had haar geest het laatst verwijld —dat denkbeeld had de reinheid van haar eigen hart als in een spiegel terugge-kaast, en nu namen zij voor haar vader eene beteekenis aan, van veel grooteren omvang dan zij oogenschijnlijk bezaten, want woorden zijn slechts woorden, totdat de eene of andere belangrijke behoefte van onze ziel er zin en beteekenis aan geeft, en dan zijn zij als het vlammend schrift, op den muur van Belzazars paleis geschreven, die geen oog zag dan het zijne,
185
die geen mensch kon ontcijferen dan de goddelijke ziener. Ach ! het lijden is de tolk van menige verborgenheid.
Na het lezen van den brief van woeli^en Jack was de heer Dinsmoor zeer verbaasd geweest dat de policie-dienaar, die Bob tot aan de deur had gebracht, zoo plotseling was verdwenen, te meer daar hij immers voor hem in de bres scheen te springen. Een ander was echter verschenen en de jonkman Jack benevens het meisje, Grietje, waren in hechtenis genomen. Bij het verhoor bleek niets misdadigs te hunnen laste en beiden werden onmiddellijk op vrije voeten gesteld, terwijl de policie alle pogingen deed om de beide Van Dams en den man, Skillings genaamd, in hare macht te krijgen.
De beide eersten hadden echter reeds Hook bereikt, want kloeke, bevaren zeelieden zijn altijd gevraagd; beiden hadden onder valsche namen dienst op een schip genomen en in hunne volkomen matrozenplunje en het geteerde doek om het hoofd, ware het moeielijk geweest hen in hunne wezentlijke personen te herkennen.
Skillings daarentegen bezocht Astnr-honse, in de hoedanigheid van een heer, verminkt geraakt bij een der menigvuldige ongelukken op een der spoorwegen. Hij betaalde goed, hield zich van ieder afgezonderd en ging eindelijk tot herstelling zijner gezondheid, naar Cuba onder zeil.
De woelige Jack, zoo als men begrijpen kan, kon tot geen geregeld beroep besluiten. Te onstuimig stroomde het bloed door zijne aderen. Den jood gelijk, uit een stam gesproten, die veertig jaren ronddoolde, in tenten woonde, en van daar een nooit te verdooven begeerte naar beweging en verplaatsing in zich voelt woelen, was Jack in onophoudelijke beweging, nimmer zich aan ééne zaak kunnende wennen, nu het eene verachtende, omdat hij het reeds drie dagen had uitgeoefend en het andere, omdat hij zich een week er mede had onledig gehouden. Het was genoeg voor hem twee nachten in het zelfde huis geslapen te bebben, om het hem den daaropvol-genden te doen ontvlieden. Bij tusschenpozen liet hij zich als gast in den schouwburg bewonderen, doch daar hij zich onmogelijk onderwerpen kon denzelfden rol eiken avond te herhalen, zoo als de groote tooneelspeler moet doen als hij eenmaal een hoofdrol heeft op zich genomen, hield Jack weldra op een winstgevend lid van het personeel op de planken te zijn.
Al zijn lust en leven was te komen en te gaan, zoo als de beek van quot;Wordsworth, naar zijn eigen grillige luim en hij zag geen redelijken grond waarom hij niet ook zou rijden en varen, rooken en rondslenderen met den een of anderen fashionabelen straatslijper, die met verachting en afkeer op alle volhardende, mannelijke bezigheden nederziet. Met honderd dollars in den zak, zag Jack de noodzakelijkheid niet in waarom
186
hij zou werken alvorens deze verteerd waren. Hij verschilde eenigszins van den meer fashionabelen straatslijper en, bedrieg ik mij niet, dan viel de vergelijking niet te zijnen nadeele uit. Is er ebbe in de kas van den fashionabel, hij schaamt zich niet op andermans zak te teren. Hij noodigt zich zeiven op tallooze dineetjes en soupeetjes, zeilt in het kielwater van de eene of andere fashionabele vrouw en zij neemt hem overal mede als een ander zijn poedel. Hij teemt bij de vrouw, bazelt bij den man, en ziet gij nauw toe, dan vindt ge dat beiden tot het onderhoud van den armen, verach-telijken tafelschuimer hebben bijgedragen, die, te laag voor de lagere gewesten, daardoor alleen niet in Satans klauwen is Kevallen.
Jack integendeel heeft, door harden, gespannen arbeid en eerlijke verdiensten, zijne sporen op het veld der straatslijperij verdiend. Hij zou het beneden zich geacht hebben van iemand ter wereld iets aan te nemen, ten zij tegen een opwegende waarde; en wat betreft hel bejagen van giften bij de vrouwen, wij houden ons overtuigd, dat de gedachte alleen Jack zou hebben doen walgen. Daaruit blijkt, dat de fashionabele straal-slijperij bij den hoogen bon Ion een oneindig walgelijker karakter heeft dan diezelfde ondeugd onder de lagere rangen der maat-schappij; over het algemeen houd ik het er voor, dat alle ondeugden in de beschaafdere klassen veel hatelijker zijn dan dezelfde verdorvenheid in lageren rang. Ik zie niet in waarom het nimmer schaamrood wordende vrouwspersoon, achterover leunende in een koets, op hare wijze verdiend, een graad lager op de ladder der zedelijkheid zou staan dan de niet minder schaamtelooze echtelijke vrouw, die hetzelfde leven leidt en even zoo zich laat voorttrekken in een koets, door haren man betaald en alleen beschut door den naam van een man, dien zij echtgenoot noemt, doch in haar binnenst veracht. Ik zie naar feilen; namen beteekenen bij mij zeer weinig.
Soms werd woelige Jack zeer onverwachts tot het bedrijvige leven teruggejaagd. Daar het hem nooit aan hulpbronnen ontbrak, zag men hem nu eens kranten uitventen, een andermaal als matroos op een lichter werken, dan weder gastrollen geven, en dat meestal omdat de een of andere ongelukkige kranten-tenjongen door vermoeienis en lijden op het ziekbed lag. Woelige Jack zorgde, na den volbrachten dagarbeid, voor diens voedsel, verschafte die kleine versnaperingen en gemakken, welke zijn nederigen staat voldeden en was hij bezweken, welnu, dan begroef Jack den makker in een vergeten kuil, zooals hij den verrichten engelendienst in zijn eigen boezem begroef.
Zoo menig armen ellendeling had woelige Jack gevonden, omkomende van broodgebrek, doodvriezende uit gebrek aan brandstof, of zinneloos geworden door zedebederf en ellende, dat hij zijne
187
zakken ledigde en weder handen aan den arbeid sloeg om hem bij te staan, als waren die ingevingen der weldadigheid de meest alledaagsche zaak der wereld geweet. Bij een dusdanige gelegenheid zeide hij eens tot Bob, op een gansch ongewonen toon, en als iemand, die uitroept, zooals een der hooggeleerde leden van ons kabinet eens deed; »0«s lijden is onverdragelijk.quot;
»Bob,quot; sprak hij, vnou zijt ge braaf en goed uit uw aard. Dat ben ik niet. Ik houd van ronddrentelen. Gij zoudt voor een sigaar of voor een absintje, een bittertje of een glas whiskey geen voet verzetten. Ik daarentegen houd er razend veel van. U is het werken een lust, mij een walg; en dat is nu het verschil tusschen ons beide. Bob. Ge doet me aan de twaalf apostelen denken. Judas niet medegerekend. Ik ben alles behalve vroom. Van geven houd ik niet, ik laat me villen als het niet zoo is, en toch raken die luie straatslijpers al meer en meer in de klem, en ik moet ze er uit helpen. Ik moedt voor hun luiheid en voor al hunne helsche lusten opdraaien. Geen dag kan Jack achterblijven, geen dag omdat hij werken moet om hen voor gevolgen hunner zotte streken te behoeden.quot;
Bob antwoordde: »Wij weten nies, Jack, maar toch weten we beter te zijn dan zij, en daarom moeten we ons licht gebruiken; maar op den keper geloof ik toch dat je niet te beklagen zijt, want je hart zit nog op de rechte plaats, Jack;\'k geloof Jack, je waart gemaakt om een knappe vent te worden, een paal boven water;1\' en de krantenjongen wierp een bewonde-renden blik op het innemende voorkomen van zijn vriend, waarin een ziel huisde, de spiegel van deugd en gemoedelijklieid.
XLT.
or HET ZIEKBED.
Den derden dag nadat Bob op de stoep van Dinsmoors huis ter neder was geveld, was er nog geen tijding hoegenaamd van de verlorene Imogene, en zweefde Bob nog tusschen leven en dood. Woelige Jack vertoonde zich aan den wagen; daar vond hij de oude vrouw bezig zeer trouw de kleine Dady te voeden, hoewel zij gedwongen was in hare geringe behoeften door bedelen te voorzien. Het goede mensch vertelde hem al wat zij zelve wist van hetgeen er in de laatste dagen was gebeurd, en Woelige Jack deelde van zijn kant haar de bijzonderheden van zijn gevangenneming en invrijheidstelling mede, hetgeen trouwens zeer weinig licht over de zaak verspreidde. Cosmello was hem als een rijk man en man van de wereld bekend, en nooit was bij hem de gedachte opgekomen, dat hij in de minste betrekking stond tot de booswichten, die in zijn soldij waren. Jack miste dien helderen, onbene-velden blik, waardoor Bob zich onderscheidde, wiens natuurlijk gevoel een zekerder gids was dan anderen de ontwikkelde rede.
Na de bijzonderheden uit den mond der oude best te hebben aangehoord, wiegde Jack de kleine Dady op zijne armen, leerde haar geld uit zijn zak halen, en maakte zich toen gereed om te gaan.
))Je moet het nu zuur hebben, moedertje,quot; zeide hij, »nou de arme Bob weg is. Hier heb ik wat koperen moppen, moeder, te zwaar voor mijn zakken, naar de mode, zoo als je ziet, en dat doet ze uitsteken — en dus je moest ze me maar afnemen. Om de waarheid te zeggen heb ik de helft van den tijd te veel geld in mijn zakken, en als de menschen het mij afnemen, doen ze me een dienst. Geen dank, moedertje 1 geen
189
dank, ik moet u danken!quot; En Jack sprong den wagen uit, als beschaamd over zich zeiven. Jack deelde zijn geld niet, zoo als gij en ik met onzen besten vriend zouden gedaan hebben, goede lezer; neen, hij gaf tot den laatsten rooden cent, dien hij had en beroemde zich daarop met geestdrift en streek dan, na zijne zakken weder dichtgeknoopt te hebben, ze met de hand glad.
«Komaan, Jack/\' zeide hij tot zich zeiven, sleèglooper, nou aan den slag, kerel! welk recht heb je rond te slenteren wanneer de menschen je handenarbeid behoeven, die zeiven niet kunnen werken, menschen met vingertjes als boter, door welke alles heen glijdt? Aan het werk. Jack, lang genoeg \'t heertje gespeeld.quot; Dus sprak Jack tot zich zeiven, terwijl hij de stoep van het huis van den heer Dinsmoor opvloog. »Ik moet toch, quot; liet hij bij wijze van verontschuldiging voor zich zeiven wegens de vrijheid die hij nu nam, er op volgen, sik moet toch weten hoe \'t met Bob gaat; al de jongens hebben al naar hem gevraagd.quot;
Woelige Jack werd binnengelaten in een verduisterd verti-ek, waar een zieken-bewaakster zacht heen en weder liep; aan het hoofdeneind zat de heer Dinsmoor, bleek, sprakeloos op het aangezicht van den krantenjongen turende, die weinig teekenen van leven meer gaf. De kamer was zoo luchtig, zoo verlokkelijk, en Bob, met zijn arm, kreunend hart op die witte lakens uitgestrekt, was zoo ongelijk aan Bob, nu hier, dan daar, op \'s Heeren straten rustend, dat Jack zich van een gevoel van dankbaarheid en geluk om zijn vriend voelde doordringen, zoo innig, dat tranen in zijne oogen schoten; vol meewarigheid stond hij over hem heen gebogen, met de hand voor zijna bekreten oogen, want het scheen hern, dat binnen weinig uren de gordijn van het aardsch tooneel voor eeuwig voor den armen jongen zou nedergaan. Hij greep zijn magere hand en drukte ze zacht. Bob sloeg zijne oogen op en liet ze dadelijk weer zwaar dichtvallen, doch kort daarop beantwoordde hij den handdruk van den vriend, die er troost en bemoediging uit putte. Toen verwijderde zich Jack zwijgend, want wie onder ile aanwezigen kon vermoeden dat de krantenjongen een vriend bezat?
Weinige uren na het vertrek van den woeligen Jack kwamen de wondheelers, die te kennen gaven, dat Bob naar een hospitaal diende vervoerd te worden, doch Fanny ijverde dat hij te haren huize mocht blijven, daar zij eene llauwe hoop koesterde door hem iets nopens Imogene te vernemen, zoodat men in haar wensch bewilligde. Dientengevolge werd de krantenjongen op een tafel gelegd; de gevaarlijke bewerking van het trepaneeren, werd aan hem verricht door dr. M., die middelerwijl met een bedekte stem tot de hem helpende studenten sprak. De uit-
190
werking grensde aan het ■wonderdadige. Zijn ademhaling werd minder zwaar, zijn pols gelijkmatiger, uit zijne oogen sprak weder bewustzijn. De wondheeler zat voor hem, sloeg al de verschijnselen oplettend gade en mengde in zijne waarnemingen zinspelingen, Syrië en het Oosten betreffende. Bij het heengaan beval hij de meeste stilte aan en gaf alsdan hoop op herstel.
Mevrouw Dinsmoor was ongevoelig belang in den krantenjongen begonnen te stellen en waakte nacht aan nacht aan zijn legerstede. Ook Karei Gardner, uit wiens bleek gelaat de foltering sprak, die hem de geheimzinnige sluier, welke over het lot van zijn schoon, jeugdig vriendinnetje hing, deed lijden.
»Ach!\'\' riep soms de ongelukkige vader, «ware zij dood! Ach, wist ik maar dat zij in den schoot van haren God is!quot;
Dan drukte de jongeling zijn hand of trok ze aan zijn lippen, want zijn hart was te vol om zijn gevoel met woorden te kunnen uiten.
De krantenjongen was in den toestand gebleven zoo als wij hebben beschreven, als verpletterd door den slag hem toegebracht; zijne zinnen waren van alle gevoel en bewustzijn beroofd; als in een slaapziekte verzonken, uitte hij bij tus-schenpozen onzamenhangende woorden in zich zeiven, onverstaanbaar voor die hem omringden. Bij tusschenpozen riep hij op een zwakken, schrillen toon Dady, soms ook Minnie.
»Hebt ge Bob nu lief, Minnie! Denk je nog aan den tijd toen we samen uitgingen en de dames hoorden zingen? Gij zeidet ge zoudt bij Bob komen, dat zeidet ge — vergeet men dat daar, Minnie? Och vergeet, vergeet den armen Bob niet!quot;
Dus sprak hij. Een anderen keer hoorde men hem zeggen:
»\'k Was zoo moè; o, die lange, lange weg, \'k had mijn voeten plat geloopen!quot;
Loodzwaar drukte hem de koorts ter neder en onophoudelijk verkeerde hij als in een benauwden droom. Vele uren achtereen had hij geslapen — dagen en weken waren voorbijgegaan. O, nog was geen straaltje van bewustzijn teruggekeerd, alleen vertoonde zich een onbestemde gewaarwording van pijn en een gevoel als kroop hij door donkere kelders of als beklom hij eindelooze hoogten. Droevige en wanvormige beelden verschenen hem als visioenen, wolkachtige schimmen vertoonden zich op een afstand en wenkten hem mede te kcmen — dan was weder alles ledig en wit; alleenlijk meende hij zich zeiven tot een lichter sfeer opgevoerd, een streelend gevoel maakte zich van hem meester naar mate zijne longen speelden ; stil liggen was hem een wellust, stil, rustig, met gesloten oogen, zonder beweging, zelfs geen poging doende om te spreken. Hij scheen naar het verwijderde azuren land te zweven, zachtkens heen te vloeien en al het verledene scheen uit zijn geheugen verbannen. Hij was als in een nieuw leven over-
191
gegaan, naar streken verplaatst, in bovenaardsche schoonheid prijkende waar alleen doorgestanen angst en bekommering vergeten was; de geest vergat zijne aardsche begeerten en zwelgde met ruime teugen de vrucht van vroegere droombeelden. Hij wist dat hem licht omgaf, dat stemmen woorden in zijne ooren deden ruischen, maar geen denkbeeld drong in zijn geest. Een hernelsche gedaante bevochtigde zijne lippen en streek het haar van zijn voorhoofd weg — hij gevoelde al het zoet van genot en vreugde, maar sloeg zijne oogen niet open.
Weder zonk hij in bewusteloosheid; weder sliep hij; geheugen, alle sporen van denken verdwenen en eindelijk sloeg hij zijne oogen open. Een vrouw in het wit gekleed, met witte, tot op hare knieën nedervallende haren en glansrijke, zachte oogen, stond over hem gebogen.
»Behoor je tot de engelen?quot; vroeg Bob.
Eerst sprak Fanny geen woord, en toen fluisterde zij glimlachende:
«Hebt ge Imogene daar gezien?quot;
Bob beproefde weder te spreken, het verledene te herroepen, doch hij was te zwak, te uitgeput en hij viel in gevoelloosheid terug. De tijd en een krachtig gestel herriepen eindelijk den armen krantenjongen van den rand des grafs; doch lang zag hij zich in een andere wereld verplaatst en hij hield Fanny voor een geest, en waarlijk voor weinig minder kon men haar houden, zoo verleidelijk droppelde haar reine ziel balsem op het doornenpad dezer wereld.
Naar mate Bob trapsgewijze de kracht herwon om de omstandigheden weder aaneen te knoopen, die zijn ongeval voorafgingen, herinnerde hij zich dat zijn voornemen was den Spanjaard uit Abingdon-square aan te klagen, als den bedrijver van de misdaad, waarvan het gezin van Dinsmoor het ongelukkige offer was. Nu verhaalde hij hun al wat hij gedurende zoo langen tijd had gadegeslagen, zijn gesprek met Nina in hare hoedanigheid van bediende, met den krop aan haren hals, en andere omstandigheden, dienende tot nadere toelichting en bevestiging zijner verdenking. Onmiddelijk werd een bevel tot huiszoeking uitgevaardigd, doch de bewoners van het huis Abingdan-Sqttare waren onder den naam van Cosmello in het land gekomen en niet onder den familienaam van Marcou, zoodat de heer Dinsmoor zijn ouden vijand in den bewoner niet kon ontdekken, zoo ais anders oogenblikkelijk het geval zou geweest zijn, indien de meer opmerkelijke naam van Marcou genoemd ware geworden. De buren legden getuigenis af van het uitstekende gedrag der Cosmellos, hun godsvrucht, mildheid en ingetogenheid. In de laatste dagen hadden zij zich naar Europa ingescheept, werwaarts was onbekend; doch kwaad
vermoeden uitte niemand. Een kind verzelde hen niet, ook was er nooit een in het huis gezien, en ware er een geweest, zij hadden het onfeilbaar moeten weten, daar meer dan een dei-aanzienlijke buren op den dag van hun vertrek door hunne zonneblinden alles hadden gadegeslagen wat er voorviel. Dat vertrek had plaats gehad acht dagen na het verdwijnen, zoo als uit de dagbladen en tijdschriften bleek.
Marcous koetsier dacht lang over de zaak na, maar geen bewijs deed zich voor zijn geest op, waaruit op te maken was dat het pak, hetwelk hij dien nacht reed, een levend wezen was geweest, hoewel hij dacht dat het zoo kon zijn ; maar dan kon het even zoowel een hond of een groote aap als een kind zijn geweest; bepalen kon hij niets, hij was wel geneigd te vermoeden dat het een hond was, immers de Spanjaard was een groote liefhebber van honden; en daar Cosmello of Marcou hem bij zijn vertrek het rijtuig en de paarden ten geschenke gaf — inderdaad een niet zeer buitengemeen geschenk bij een man van zijn rijkdom — kon de koetsier voor alle rechtbanken der wereld, daartoe opgeëischt zijnde, naar geweten er een eed op doen, dat hij dien nacht een grooten, zwarten hond voor ieders oog naar huis reed; dat hij den eed niet deed geschiedde alleen omdat deze niet van hem gevorderd werd, doch hij was bereid te a.len tijde dien te doen, in zoo ver had zijne overtuiging zich gevestigd.
De passagierlijsten van al de pakketbooten waren nagezien, policie-beambten benoemd om al de uitgangen dei stad te bewaken, een bevel van huiszoeking in alle verdachte woningen uitgevaardigd, doch niets was uitgelekt, dat eenig licht over de zaak kon verspreiden, en langzamerhand gewende de heer Dinsmoor zich aan de gedachte dat Imogene voor altoos voor hem verloren was.
))Ach! wist ik maar, dat zij bij God was!quot; riep hij uit.
»Weet ge dal nog niet, meneer?quot; vroeg de krantenjongen. »Me dunkt, dat ze altoos bij Hem is. Ik geef er niemendal om God te zien, al kon ik het, want zie meneer! ik voel Hem in mijn hart en zie overal rondom me dat Hij er geweest is; daar hebt ge de boomen, nou, dat zijn de wegwijzers die Hij op de wegen geplant heeft, en de gioote plas, dien ze Oceaan noemen, dal is een groot handschrift, voor ieder opengerold om er in te lezen. Guldentong, het meisje, zie \'k ook niet meer, maar ze is zeker iewers met onzen lieven Heer, en die zal haar behoeden; en nooit zal Hij, zoo als in dat boek stond, den dauw van zijn zegen uit haar hart laten vallen.quot;
»George,quot; zeide Fanny, die nu nog meer kind was geworden dan Imogene was geweest, »George, hoor hern aan; Hij zal eens Imogene aan ons wederbrengen, niet waar Bob ?quot;
En inderdaad er lag iets profetisch, iets bezields in de
193
woorden van den krantenjongen, en haar arm hart klemde zich aan hem vast als aan het eenige anker haier hope. Zij ondervroeg hem niet, doch zij zocht de gelegenheid met hem te spreken en luisterde naar zijne woorden, even als een waar geloovige naar die van een profeet zou luisteren. Naarmate de krantenjongen zachtjesaan zijn lijdensponde kon verlaten, werd Fanny iederen dag zwakker. Zij klaagde niet; weende niet, doch werd minder in staat het bed te verlaten en eindelijk geheel bedlegerig; van toen aan kon men dag aan dag den krantenjongen aan twee sponden zien zitten, nog steeds bleek en zwak, doch, als altijd, krachtig van geest en vol van edelaardige, grootsche gedachten.
13
XLir
DE VOORDEELEN DER OUDERLOOSHEID.
Nojr altijd te zwak om de trap af te gaan, hoewel op den weg tot herstel, werd Bob teruggevoerd tot zijn lieveling, de kleine Uady, die hij nu sedert zoo lang niet had gezien; de oude best had in het gansche tijdperk van zijn verschrikkelijk lijden hem helpen oppassen, de kleine Dady in de verlaten kar alleen latende, waar het kind zich vermaakte als een jong katje zou hebben gedaan, nu eens met naar alle kanten uit te zien, of op een stokpaardje te rijden, niet een bal of een stukje papier; soms ook sliep zij een poosje. Bob, zooals wij vroeger zagen, was rond van aard, en dien ten gevolge sprak hij op zekeren morgen, een weinigje aarzelend, maar toch op de wijze van een volwassen man, den heer Dinsmoor, aldus aan:
«Meneer, \'t zou dunkt, me, niet kwaad zijn, als de oude vrouw me eens mijn kind hier bracht om me ereis te zien, daar we toch zien dat er niemand anders is, die haar liefheeft.quot;
»Uw kind. Bob,quot; hernam de heer Dinsmoor, hem met een verbaasden blik aanziende.
»\'k Weet zelf niet hoeveel jaren \'f nu geleden is sinds ik ter wereld kwam,quot; antwoordde de krantenjongen, »maar gedurende de vier laatste winters heb ik een of meer kinderen te mijnen laste gehad, meneer, en ik mag gerust zeggen, dat ik ze als een vleeschelijke vader heb behandeld, op \'t schoolgaan na; Minnie was ook te teêr en te zwak om te leeren.quot;
Toen nu de oude best de geschiedenis van Bob had verhaald, had zij de opneming van Dady geheel achterwege gelaten, haar als een voorwerp van weinig of geen belang aanziende, weshalve de heer Dinsmoor nu voor het eerst iets van het aanwezen des kinds vernam. Hij zette zich naast den kranten-
I
193
jongen neder, vernam naar al de bijzonderheden van de geschiedenis, welke Bob hem mededeelde, zooals wij te voren zeiden.
De heer Dinsmoor luisterde zwijgend. Hier zag\' hij een armen, onwetenden jongeling voor zich, van vriend en maag beroofd, die zoo menige daad van menschlievendheid aan zijn naaste had bewezen; die zonder eenige leiding zulke belangrijke voorschriften van de hemelsche liefde was nagekomen, dat men veilig mag aannemen, dat de herinneringen van den rijken handelaar hem eensklaps terugvoerden tot de tijden zijner vroegere loopbaan en hij zijn eigene minderheid tegenover dien armen jongen gevoelde. Hij, die om duizenden minder gaf dan de edelgezinde krantenjongen om een tiencentsstukje, hij moest zich versaagd tegenover hem gevoelen, althans tranen, schoten in zijne oogen.
sBob,quot; riep hij uit, »ge zijt een wonder van goedheid.quot; En hij drukte Bobs magere, eeltige hand met meer innigen eerbied dan hij ooit die eens priesters of staatsmans had gedaan.
«Hierin meneer, hebt ge \'t een beetje mis,quot; antwoordde Bob, sde wil was in me, maar ik ben nog dommer dan een heiden, en hoe kon ik veel goed doen bij zoo weinig geld? O,meneer, zeer dikwijls hoorde ik zingen en dansen in een groot huis, met heeren en dames, die er allen keurig netjes uitzagen en lachten als of alle menschen ter wereld niets anders te doen hadden dan te lachen; de arme menschen van buiten keken er naar, enkelen klommen op boomen, anderen op den lantarenpaal, sommigen zelfs op het hek ; dat volk had honger, maar ze vergaten eten en drinken door dat heerlijke gezicht; er waren half naakten en half dooden onder, en zoo waar, ze schenen er niet om t _■ denken; ze hadden gescheurde kleéren, lompen aan, alles vergalen ze om naar die rijke lui le zien; hier en daar liep een enkele weg met moordlust in het hart en met een plan om te gaan stelen en rooven ; maar, o meneer, niemand zag \'k er ooit weggaan, die God in zijn binnenst dankte en ik ben zoo vrij te zeggen dat me dit alles zeer kwaad voorkomt. Neen meneer, veel goed heb ik niet gedaan; hier en daar iemand belet van honger te sterven, dat is alles, en Minnie heeft het me ruim betaald; dat deê ze!quot;
Bob zweeg een poosje; want zijn keel scheen door iets belemmerd, en vervolgde toen :
«Molly, meneer, die nou dood is, stierf met haar hoofd op mijn schouder geleund, terwijl de koude regen haar in \'t aangezicht sloeg. Op zekeren tijd kwam Molly tot mij en ik ging met haar ook in zoo\'n voornaam huis kijken, waar gezongen en gedanst werd. »»Daar zal hij wezen,quot;quot; zei ze. Hij was er ook, meneer; Molly stond haar handen te wringen en huilde: hij zoo mooi uitgedost en zij bijna naakt; hij zoo ge-
13*
190
vienl, zij veracht en bedrogen; hij zoo gelukkig en rijk, zij in tranen versmeltende, terwijl ze aldoor riep. „„moedei, moedei • En daar op de koude steenen te zitten en niets te eten Ie hebben Ik liep de stoep op, meneer, en riep hem toe dat hij naar buiten zou komen; ik herhaalde dat hij moest komen en hij kwam, meneer; en ik wees hem de arme Molly, doch zii quot;ilde zoo hard dat de policie kwam toeloopen, hij wierp \'er wat geld toe en liep het bordes weder op om te dansen en pret te hebben; zie, meneer, zoo komt het nou, dat de armen de rijken zoo haten, niet om het meerdere geld, maar om de zonde die er meê loopt; de zonde, onder dat geld verscholen; de zonde, door het geld voor de gevangenis bewaard ; de zonde als door het geld van de galg bevrijd; de zonde door het geld zoo fraai en blinkend gemaakt en tot
eer verheven.quot; , u i
Bob, zwak als hij was, rees op, terwijl hij aldus sprak;
hü was nog zeer bleek, maar zijne wangen gloeiden toch en uit ziine holle, donkere oogen straalden thans vuur en zielenadel Zijn haar, van zijn voorhoofd weggeslreken, was, dooide zore er aan besteed, glad en glanzig geworden; zijne dunne leden, gedeeltelijk slechts met kleederen omhangen, alles werkte samen om hem een zekere schoonheid bij te zetten en bezieling in zijn blik te gieten Fanny, bleek doch met een glimlach om hare lippen, te midden van de kanten en het, borduursel harer kussens, luisterde met scherpen tevreden blik, nog treffender dan de belangstelling door haaiman betoond. „ u
»Hii zal Imogene terugbrengen, mijn lieve, mompelde zij tot Dinsmoor; en de man en vader was slechts in staat de bleeke naar hem uitgestrekte hand aan zijn mond te drukken en het over het kussen los liggend, witte haar glad te strijken, terwijl hij in dien hemelsch-kalmen blik en op die bleeke wang den looden stap van den dood las. ... .
«Zorff voor hem, lieve George,quot; vervolgde Fanny; »hij heeft geen moeder; ik ben de moeder van Imogene, Bob, wist ge dat wel ?quot; En zij hief zich half overeind op haar peluw. Bob, wierp zich naast haar bed neder, kuste haar kleine hand en
snikte luid. , , , „ .j v.- • • i
»\'k Ben blij dat \'k geen moeder heb, zeide hij in zich
zeiven; »\'t is een ijselijke zaak moeders zoo boos bezocht te zien Om Bol) heelt nog nooit iemand gehuild, en als hij sterft zal voor ieder de zon daar boven even helder als eiken dag schijnen.quot; t, i • .
«Maar se zoudt uwe moeder toch liefhebben, Bob, met waai .
vroeg Fanny, met den toon en den blik van een klein kind.
sDaar heb ik al ereis over gedacht,quot; hernam de krantenjongen ; »ja, ik geloof dat ik haar op een bloemenbankje zou
197
neerzetten en ook bloemen in hare handen en op haar hoofd plaatsen, \'k Zou den ganschen dag en nacht doorwerken, in mijn groote blijdschap aan haar te mogen denken. Ik heb moeders gezien en kinderen om hun moeders hooren roepen, en me dacht, dat ze niet wisten hoe een moeder zoo aan God gelijk kan worden, al gevende, en nooit iets terug vragende. Ik zie wel dat ze in sommige kerken voor haar bidden, en zoo zou ik ook doen, als ik er een had.quot;\'
»Niet alle moeders zijn zoo veel liefde waard. Bob,quot; antwoordde de heer Dinsmoor.
»Dat, ben ik niet met u eens,quot; antwoordde de krantenjongen. »En waarom? moeders zijn altoos goed, goed van hart, al moeten ze soms veel onrecht lijèn; de vrouw mag slecht zijn, maar de moeder is goed. Ik heb er gezien, die op den vloer sliepen zonder een stuk brood om te eten, maar de kinderen hadden het wel. Ik heb het zoo dikwijls voor mijn kinderen gedaan, en moeders zoüen nog meer doen dan ik deed. Ik geloof, meneer, dat de vrouwen toch beier zijn dan wij; ze hebben toch altoos een zachter, menschelijker gevoel in het hart, dan de mannen hebben; en dan bidden ze, meneer; ik heb er hooren bidden om hare zonden, meneer, en zóó, dat ik het zoo waar niet kon uithouden ; mannen bidden niet.quot;
»Maar veronderstel eens, Bob, dat uw moeder slecht ware, zeer slecht, zoudt, ge haar dan ook liefhebben?quot;
»0 ja, even zoo, en ik zou me aan haar klemmen, haar eei\'en, alleen om \'t goede, dat ze mij zou gedaan hebben. Al was ik zoo rijk als uwé, meneer, \'k zou huis en hof verlaten om haar fe volgen en haar hart te verlichten als \'t ongeluk kwam.quot;
«Ge weet het niet. Bob, ge weet het niet,quot; hield de heer Dinsmoor vol; »maar licht kunnen uw vader en moeder, zoudt gij ze heden ontmoeten, zoo slecht zijn dat ge u hunner zoudt schamen.quot;
Het gelaat van den krantenjongen werd met een flauwen blos bedekt, hij sloeg even zijne oogen neder, doch antwoordde toen gelaten:
sik weet dat er iets goeds in hen moet zijn geweest, wegens het beetje goed dat in mij is. Ze weêr te vinden, is me van geen belang.... En waarom? Omdat ik \'t nou niet meer verdragen kon, te weten dat ik hun toebehoor, nou dat ik mijn eigen kost kan verdienen. Ik behoor niemand toe. Waren mijn vader en moeder slecht, dan kan niemand met den vinger op mij wijzen en zeggen : Bob draagt de schande van zijne ouders. Ik ben alleen, meneer, ben alleen groot geworden, maar geen mensch ter wereld zou zich mijner behoeven te schamen.quot;
Bob zeide dit met fierheid; hij had het recht aldus te
498
spreken en het te gevoelen, want «hij kende zijn -waarde;quot; hij kon een hlik werpen over zijn gansche levensbaan, hoe hard die ook was, en zou er niets vinden, waarover hij het stof en de asch der vergetelheid behoefde te strooien.
»Mij dunkt, meneer,quot; vervolgde hij, szij, die hunne oüers nooit gekend hebben, zijn het best af; zij behoeven alsdan zich over geen kwaad van dien kant te schamen en vinden zij iets goeds, iets kordaats in zich zeiven, dan weet men hoe ze er aan komen; bovendien, meneer, moeders van zulke kinderen zijn gelijk aan engelen in boeken en prenten, verrukkelijk schoone wezens in de verte, die men behoort te eeren en lief te hebben. Guldentong, mevrouw, geleek u wat. Ze zal rein van ziel blijven en liefde zal in haar hart wonen, zoo als \'t met Minnie was; al zou de gansche wereld slecht zijn, zij kon het niet wezen. De hemelsche dauw rust in haar hart, en daar zal zij blijven, mevrouw.quot;
»Grod zegene u, brave jongen,quot; riep de heer Dinsmoor uit, »laat Dady hier komen, Bob; en nu moogt gij niet meer spreken, uwe wangen zijn reeds hoog rood en dat moet niet.quot;
XLI1I.
DE SLAVIN.
Imogene liad geen middel om den tijd te berekenen; doch gewis, het was laat toen zij ontwaakte en een donkeruitziende, slank vrouwspersoon voor zich zag, die met scherpen blik op haar staarde, en wier harde wezenstrekken bijna gansch verborgen lagen achter dikke haarvlechten, gitzwart, doch onachtzaam bijeen gebonden door een hoofddoek, goud- en scharlakenkleurig; aan de eene zijde van den hals had zij een verbazend kropgezwel onder een linnen omwindsel verborgen. Onder de ernstige, gefronsde wenkbrauwen brandden twee zwarte, doordringende oogen: het waren die eener slang; die vaste blik was die eener adder en de golvingen harer gestalte, wanneer zij langzaam haar lichaam bewoog of, in pijnlijke gedachten vorzonken, hare schouders zamentrok, maakten de gelijkenis aan zulk een monster nog volkomener. Met de armen op de borst over elkander geslagen, terwijl iedere elleboog in de hand van den anderen arm rustte, verrieden ook die houding, die aldus omklemde gewrichten en kronkelingen iets van de slang.
En Imogenes ontwakende blik viel het eerst op de aldus beschreven gedaante van Nonina. En wijd spalkte zij hare groote, schuldelooze oogen open. Zij gevoelde iels onheilspellends in den blik, waarop zij atiet, en lang en ernstig beproefde zij de beteekenis er van peilen ; doch die zwarte verf en die zwarte oogen waren een masker, waarachter weinig te lezen was. Onmogelijk was het haar ook, zich aan den blik dei-vrouw te onttrekken, een blik, die met ieder oogenblik scherper werd, terwijl de vrouw op hare roode lippen beet, tot dat zij een koralen-snoer geleken, met paarlen bezet. Even als de duif door een slang geboeid, verhief Imogene zich wel even
200
op haar elleboog en naderde een weinig, doch plotseling ontsloot zich de volle afgrond haver herinneringen en een tranenvloed ontstroomde haren oogen. De tooverwerking was gebroken, want geen kwaad ter wereld is bestand tegen den heiligen tranendoop.
»WiIt gij mij naar huis brengen? vroeg het kind.
»He 1quot; zeide de vrouw, te doof om haar te hoeren, terwijl zij met haar hoofd naderde en als ware het op eens oud en suf geworden.
»Wilt gij mij naar huis brengen, naar mijn arme, lieve moeder1?quot;
Nu hoorde Nonina, en bits antwoordde zij :
»Hier behoort ge t\'huis en nooit komt ge er van daan.quot;
Imogene zag het kleine, kerkerachtige vertrek rond en toen weder in het aangezicht barer oppasster. Zij verhief haar kleine, machteloos schijnende handen en aloeg ze met onwillekeurige verachting ineen. Nu sprong zij overeind, schudde beur haren en nam hare kleine gestalte op, terwijl zij den spiegel voorbij kwam en de vrouw haar onophoudelijk met haar adderblik volgde. Het was als rijpte plotseling een ongekend iets in het kind, iets dat met iederen oogenblik krachtiger, vrouwelijker werd. Zij zette zich neder en poogde hare ronde leden met hare dunne kleeding geheel te omhullen. Nonina sloeg die beweging gade en mompelde :
»Ja, ge zult wat lompen hebben om uw naaktheid te dekken.quot;
En weder voelde Imogene bij die barsche woorden tranen opwellen, doch zij onderdrukte ze en hervatte:
»Gij kunt mij lompen brengen, doch ik zal ze niet dragen.quot;
»He!quot; zeide de slavin weder, het kind bij den arm vattende.
Inmogene herhaalde, en nu op vaster toon, de woorden want er was een strijd van vrijen wil tusschen deze beide ontstaan.
»We zullen zien!quot; hernam de zwarte weder; »we zullen zien; er is een donker hok en een zweep voor de slavin, en ge zijt een slavin; ha! een slavin van de ergste soort. Ik zal u temmen; ik zal u de duimschroeven aanzetten en zoo ongenadig trappen en frappen dat de minste slaaf zich bij u een koning zal achten.quot;
En terwijl zij dit sprak hield Nonina de vuist van het arme kind steeds in de hare geklemd en een scherpen, moordenden blik op haar gevestigd; en toen zij opgehouden had met spreken, wierp zij den arm van het kind verachtend van zich. Imogene kon de beteekenis der woorden niet vatten, doch zij ried de boosaardigheid er van en weder i-ichtte zij haar gestalte vol waardigheid op en hernam, terwijl zelfs niet de minste ontroering hare lippen deed beven :
»God zal mij bewaken!quot;
»Houd je lastertong!quot; gebood de vrouw, haar gekunstelde doofheid vergetende. »Ik zeg je, dat zij, die al duizend jaren
201
dood zijn, niet meer dood zijn dan jij. En dal noemt hij een kind!quot; mompelde zij verder, terwijl zij het kleine kamertje op en neder liep.
Imogene naderde haar, en leide nu op hare beurt haar hand op Noninas arm,
„Ge zijt niet doof— zie! die bundel is van uwen hals gevallen.quot;
Én dit zeggende, wees zij op den gevouwen doek, op den vloer liggende en dien Nonina in hare jaloersche woede had losgereten.
„Neen!quot; antwoordde de slavin, „neen, ik ben niet doof of wanstaltig, of blind, of zwak. Ge zijt in mijn macht — gehoorzaam. Ik vind u op mijn weg — gij belemmert dien — voel mijn haat.quot;
„Nina!quot; riep een fluisterende stem buiten de deur en oogenblikkelijk zweeg zij. Een oogenblik stond zij besluiteloos en toen een spaansche mantille van hare schouders trekkende, zeide zij, toen zij merkte dal Imogene met afkeer-\' zich van dat kleedingstuk afwendde:
„Daar, bedek u hiermeé — gehoorzaam !quot;
Toen Nonina het vertrek verliet, stond Imogene als een jonge priesteres, in het midden der kamer, zonder den mantel te hebben opgenomen, terwijl zij al hare gedachten te vergeefs had samen gegaard en zich inspande om de gansche diepte van den afgrond, waaraan zij stond, te peilen. Nu snelde zij naar de deuren, naar de vensters en schudde ze wanhopig, doch zij weêrstonden al hare pogingen. Zij naderde de venstertraliën en schreeuwde luid; zwak en machteloos weêr-galmde hare stem, gesmoord door het gedruisch op de straat beneden haar en den nimmer rustenden vloed der mensche-lijke bedrijvigheid. Vermoeid van hare ijdele pogingen en eindelijk haar machteloosheid inziende, stond zij stil, het haar van haar hoofd achterwaarts en leende het oor of ook eenig geluid uit de benedenvertrekken naar boven kwam, tot dat zij met ontzetting het bewustzijn kreeg van het hevig kloppen van haar eigen hart; niets anders ontwaarde zij, de wereld snelde voort; zij was er voor verloren — voor altoos !
Sinds lang had zij reeds niets genuttigd, doch zij gevoelde geen trek naar voedsel. Haar arm lijdend hart reikhalsde alleen naar de zachte moederhand op haar hoofd, naar den morgenzegen baars vaders. Zij voelde zich zwak en droef te moede, nadat Nonina haar verlaten had. Zij zonk op hare kniën en te midden van tranen en snikken stortte zij haar gansche ziel lot den Vader daarboven uil. Terwijl zij voor haar dierbare, treurende moeder bad, die wellicht haar op deze wereld nimmer zou wederzien, verstikten het snikken en de tranen tot zelfs het minste geluid in haar keel en zij viel in haar volle lengte op den vloer, alleenlijk een hartverscheurend
nokken doende hooren onder het gillen van : „Moeder! arme, liefderijke moeder!quot; als ware het gansche lijden harer ziel in die weinige woorden te zamen geperst.
Nonina kwam terug, zette geroosterd brood en thee op de tafel en verwijderde zich toen weder even zwijgend als zij kwam. Te nauwernood had Irnogene haar tegenwoordigheid bemerkt. Zij hief haar hoofd niet op, staakte haar geween niet, doch snikte alleen hij tusschenpozen haar kinderlijke liefde uit. Het scheen haar als ware de wereld plotseling met een zwart floers oveiiogen, als ware alles van binnen en daarbuiten in nacht gehuld. Eindelijk lichtte haar iemand van den grond op en leide haar op het rustbed; dit geschiedde met zachtheid, doch zij sloeg er geen acht op, maar ging voo rt met ween en en schreien, als moest haar broos wezen in den doodsangst van deze eerste beproeving der droefenis weg-krimpen.
Cosmello was het, die haar van den grond had gelicht en nu in den grooten sloel voor het bed, haar zwijgend gadesloeg. Geen zweem van wroeging kwam op dat donkere gelaat — geen feeken van berouw. Uur aan uur zat hij daar en hoorde naar het gesmoorde kermen van het kind, en toen ging hij weder zoo als hij kwam, zwijgend, onaangedaan, ondoordringbaar.
Nonina was reeds vroeger binnengekomen; zij had de mantille over Imogenes leden geworpen, en toen het gelaat des Spanjaards gadegeslagen met dien scherpen blik, waaruit jaloer-sche achterdocht sprak. Toen hij de deur naderde, fluisterde zij ;
»Bedenk Juan, dat ik een vrije vrouw ben in dit land; vrij, 3uan, naar geest en lichaam.quot;
«Dat zijt ge niet, Nina,quot; hernam de Spanjaard, de deur op slot draaiende, »ge zijt niet vrij en kunt het niet wezen — een vrouw was het nooit en kan het niet zijn. Haar liefde maakt haar lot slavin, al is ze door niets anders tot dienstbaarheid gebonden.quot;
En dus sprekende, vestigde hij zijne schoone oogen bewonderend op haar gloeiend gelaat, haalde een zware haarvlecht uit en wierp die dartelend over zijne eigene schouders, aldus een liefdevollen schakel voor beide scheppende. Nonina glimlachte weder en vorschte op de wijze der vrouwen in het gelaat van haar minnaar, pogende zijn verborgen meening te raden, daar het wellicht beter ware geweest op de aantrekkelijkheid harer eigene vrouwenwaarde te bouwen en tot haar God naar boven te blikken.
sJa,quot; vervolgde de Spanjaard, »gij kunt gaan, Nonina, en mij bij de overheid aanklagen, en mij tot den kerker, mis schien wel tot den dood laten doemen. Uw jaloerschheid,
203
ik weet het, kan doodelijk worden — doch zie hier, kind !quot;
En hij trok de haarnaald uit en hare vlechten, door niets weerhouden, vielen golvend lot op hare voeten neder; de wind, door de traliën blazende, ving ze op en de draden der vlechten gingen los, en de haren golfden en waaiden en schenen gloeiend purper in den zonneschijn, zooals trouwens alleen bij de spaansche vrouw het geval kan wezen, totdat zij eener omsluierde priesteres geleek, in diepen ootmoed voor haar altaar geknield.
„Mijn liefde was slechts een kinderachtig spel, door den rijpen man verworpen, en verkeerde dan ook spoedig in doode-lijken haat. Eén haar van die vlechten,quot; en hij kuste ze teeder „is er meer dan duizend waard eens door den knaap aangebeden. Ik zeg en herhaal, Nina, het kind hebt gij onder uwe bewaring, leef er mede zooals ge wilt, maar let wel! ik wil weten wat ge met haar doet. Er is iets in dat meisje, dat mij.. ontzag inboezemt; vernederd wil ik haar niet zien, evenmin mag zij verkwijnen.1\'
En hij raakte met zijn vinger de kleine schoone kin aan en lichtte ze op, zoodat zijn oog de schoone, groote oogen der slavin ontmoette, terwijl hij den vinger zijner rechterhand ophief als iemand, die een kind waarschuwt: „Let wel, Nina, sterven mag zij niet!quot;
„Ik ben uw slavin, \'t past mij u te gehoorzamen,quot; antwoordde Nina, zonder een plooi in haar gelaat, in weerwil van de verschrikkelijke verdenking, die uit deze dubbelzinnige woorden kon worden afgeleid.
„Niet mijne slavin, Nina,quot; antwoordde Cosmello, „verlaat mij, zoo gij wilt; \'t zal slechts een harteleed te meer zijn, een alsemkelk te meer, waarvan ik reeds zoo vele tot den bodem geledigd heb.quot;
»Juan,quot; hernam zij, houd op — hoe gaarne wenschte ik, om uwentwil, mijn venijnig bloed te kunnen beheerschen. Al wat ik weet is u te beminnen; wijze, koele grondregelen, zooals de vrouwen van dit land, bezit ik niet; voor mij bestaat één wereld, die wereld is uwe liefde; is deze verloren, dan is alles voor mij verloren; Nina is slechts een arm, geknakt riet, bestemd in de bodemlooze diepte te verzinken.quot;
»Arrn meisje!quot; hernam Marcou, wellicht eerder pijnlijk aangedaan dan verrukt door die vurige, innige verknochtheid dei-arme slavin. Wellicht ook gevoelde hij dat hij oneindig minder teruggaf dan hij ontving; of misschien wenschte hij haar ook minder in haar liefde verzonken te zien, opdat er nog een sprankje althans van vrouwenadel of vrouwenwaarde in haar overbleef.
Nonina was geen slavin, want voor jaren reeds had Marcou haar de vrijheid geschonken, waarvan de deugdelijke bewijzen
204
in haar bezit waren; doch voor haar bestond er geen onteering in de betrekking, die zij thans bij hem bekleedde, en zij kende geene andere, welke thans voor haar kon openstaan. Jaren lang had zij reeds aan geene andere gedacht, en op haren tropischen geboortegrond, waar de vormenwereld zoo weinig te beduiden heeft, was de begunstigde Nonina veeleer een voorwerp van nijd dan van berisping.
XXXIX.
HET G E V A A K.
De dag kwam en liep ten einde en nog was Iraogene in haar kerker opgeslolen. Zij deed weinig anders dan schreien. Uur aan uur stond zij aan het lage, van zware ijzeren traliën voorziene venster, terwijl tranen uit hare oogen vloeiden en zij beneden in de straat de voorbijgangers nazag. Nu steeg luide en vroolijk het lied van den schoorsteenveger naar haar op.
„Geveegd, geschraapt,
Van plaat tot schouw Met leêr noch touw Geveegd, geschraapt!quot;
en hij schudde zijne morsige lompen, zwaaide zijne schrapers en keek en boog zich op \'t maatgeluid rechts en links, het ware beeld der vroolijkheid.
Toen kwam de gestverkoopster met een heldere, welklinkende stem, zingende:
„Gest, lekk\'re versche gest,
Proof zo maar, zij is best.quot;
doch geen blik sloeg zij naar het bovendeel des huizes, zoo als de schoorsteenveger had gedaan, en daarom klopte Imogenes hart niet sneller bij haar komst. De ijsverkooper kwam, de melkboer schreeuwde, doch zij zagen allen, zoo als het gest-meisje had gedaan, naar de laagste verdiepingen, gelijkstraats, en niet naar de bovenvensters.
Toen vertoonde zich een werkman met zijn gereedschap; deze bleef aan de overzijde staan en vestigde zijn g\'elaat recht opwaarts. Nu sloeg Imogenes hart als met hamers; zij stak hare
206
kleine vingers door cle traliën en schreeuwde zoo luid, dat het waarlijk een wonder scheen dat de man haar niet hoorde; doch het eenige voorwerp dat zijn oplettendheid boeide, was de bouworde; hij berekende de hoogte en breedte van de kornis, doch het bleeke, van doodsangst ontstelde gelaat tegen die ijzeren staven gedrukt, ontging zijn blik. Het venster bevond zich te hoog boven de straat dan dat haar stemmetje zich beneden verstaanbaar kon maken. Nu scheurde zij een lint van hare kleederen en maakte het aan de staven vast; de wind deed het naar buiten waaien — zijn oog vestigde zich er op; hij staat op het punt verder te gaan — hij keert terug — gewis, gewis, hij wil weten wat dat lint beteekent. Het is een jong, knap gezel; hij glimlacht — neeml nogmaals het huis op-, glimlacht weder — ziet over zijn schouder om, met een nieuw lachje — hij is weg.
Imogene liet het lint aan de staaf; nu zag zij de slavin Nonina met haar krop aan den hals en in haar dienstge-waad, de straat oversteken en naar de kamer opzien; zij krijgt het lintje in het oog en niet lang duurde het of zij was weder boven. Zij trad de kamer binnen, trok het sein van de tralie af en bezag met meer zorg de kleederen van het meisje, hare kanten en strooken en andere teekenen, die haar persoon konden doen herkennen. Zij bewaarde het stilzwijgen en was norsch. Zij ging en kwam met langere kleederen terug, zoo lang dat zij over de voeten van het meisje hingen; met geweld dwong zij het kind ze aan te trekken en verliet toen weder de kamer.
Nauwelijks was zij vertrokken, of Imogene nam weder haar plaats aan het venster in. De avond viel, de arbeiders keerden van het dagwerk huiswaarts, de vroolijken en gegoeden wandelden of reden, de lucht was frisch en koel. Zij sloeg de rijtuigen gade, die voorbij kwamen, doch het zwarte, spaansche huis, met zijn gesloten blinden, trok niemands oog. Moedeloos sloeg zij hare oogen op de bloemen van een driehoekig gras-perkje. Daar zag zij kinderen tegen het hek leunen, en hoezeer zij ook met lompen en slijk bedekt waren, benijdde zij hunne vrijheid. Eensklaps zag zij haar vader en Charles Gardner beneden voorbijkomen. Haar vader was vermagerd en gebogen, Charles scheen bleek en zeer zwak, immers hij liep uiterst langzaam; beide bewaarden klaarblijkelijk het stilzwijgen.
Ach! was er niets dat hun blik naar boven riep? Imogene schreeuwde weder, zij rukte hare haren bij bossen uit haar hoofd en strooide ze in de lucht. »Vader! Charles!quot; gilde zij, doch langzaam gingen zij voorbij. Haar geschreeuw deed Nina binnentreden. Imogene hoorde haar naderen en zich aan de zijde van de deur plaatsende, schoot zij haar voorbij, toen deze open ging en vloog den gang door; doch hare lange
207
iapon belemmerde haar loop, zij viel op den grond; het bloed gudste uit haar mond.
Marcou lichtte haar van den grond op en droeg haar in een binnenvertrek. Zij was zoo bleek als een doode en met den bloedstroom, die bij iedere ademhaling uit haar mond golfde, scheen haar leven weg te vloeien. Zwijgend sloeg Nonina het jffer gade en hoopte, dat het hier ook mede zou eindigen, vermoeid wellicht als ze was langer het werktuig van de wraak haars minnaars te zijn, bij een voorwerp vooral, dat haar sigen minnennijd zoo zeer prikkelde. Marcou was geen vreemde-quot;ing in de geneeskunde, daar al de zuidelijke planters en die fan de West-Indische eilanden de noodzakelijkheid beseffen zich bekend te maken met de beginselen eener wetenschap, zoo vaak onmisbaar in het vak der smenschenfokkerijquot; op de plantagiën.
Hij voelde haar den pols en verordende geschikte en doeltreffende middelen tegen de gevolgen van den val. Daar de nacht viel, zette hij zich naast haar, kalm, zonder de minste wroeging te verraden; geen trek in zijn gelaat toonde dat eenig mensche-lijk gevoel in zijn binnenste zich bewoog. Nina echter ging, blijkbaar ontstemd, op en neder. Eens leunde zij op Marcous schouder, doch hij ontweek het; zij knielde aan zijne voeten, hij sloeg geen acht op die nederige houding, ook niet op het liefdeblijk uit den lichten druk te lezen van de hand, die zich in de zijne verborg. Met zijne oogen onafgewend op het gelaat des kinds geslagen, luisterde hij aandachtig naar haar zwakke ademhaling.
))Ze kan er van sterven,\'\' fluisterde hij eindelijk, en zonk in zijn stoel achterover; sik dacht dat men zoo een kind gemakkelijk kon regeeren.quot;
«Zij is geen kind, Juan. Ik hoop op haar dood, ik bid al de heiligen, dat.....quot;
«Zwijg, slavin Iquot; riep Marcou uit, zijn hand op haar schouder leggende. »Zoudt ge me op \'t schavot willen helpen? Een enkele stap is er slechts tusschen mij en de openbare schande. In deze gevloekte stad mag zij althans niet sterven; help haar er uit en dan kunt ge er meê leven zoo als ge wilt. Red haar nu van den dood, Nina, nu slechts, ten wille van mij,:\' eindigde hij op zachteren toon.
»Juan,quot; hernam zij, »ik mistrouw u. Zeg me dat ge dat meisje nimmer zult beminnen; zeg mij gij wilt haar voor slavin verkoopen, haar aan iemand schenken, die haar uit mijne oogen voert; zeg mij dit, Juan, en ik zal alles doen, wat üij mij beveelt.quot;
Juan trok de knielende aan zijn hart, en drukte een kus op haar voorhoofd.
«Ja,quot; sprak zij, skus mij daar, op mijn voorhoofd, Juan; dat
208
zal een bezegeling onzer liefde in Gods oogen zijn; zweert gij het, Juan? Haar langer voor mij te zien, Juan, maakt mij dol, maakt mij tot haar bloeddorstige vijandin. Uw oude liefde tot de moeder zal voor het kind herleven; ik weet, ik voel het. Zweer dat ze mij behooren zal en ik red haar dezen keer; maar als wij op Cuba zullen zijn, mag ik naar mijn wil over haar beschikken. Mag ik?quot;
Zij sprak snel, half over haar minnaar gebogen, zoodat zij hem in de oogen zag, met de eene hand op zijn schouder geleund, met de andere in de zijne geklemd.
Marcou zelf deinsde terug voor het beeld van dien haat, die in zijn eigen boezem woedde, nu dat die haat in de gestalte eener vrouw zich voor hem vertoonde. —Hij durfde de belofte niet geven. Er rees iets in zijn binnenste op, dat hem weêr-hield. Nina zag zijn aarzelen; zij stiet zijn hand van de hare weg.
»Gij belooft het niet, omdat ik de waarheid sprak,quot; mompelde zij.
sgt;Ge zijt behendig, Nina; o, gij bewonderenswaardig,roemrijk kind van hei kwade, ge zijt behendig; loon hel nog voor dezen keer, uit liefde voor uwen Juan, en hij zal niel ondankbaar wezen.quot;
En dus sprekende, strekte hij zijn hand naar haar uiten zij wierp zich aan zijn hart; want welke vrouw weerstond ooit den zachten, smeekenden loon des mans, dien zij bemint?
Zij verliet het vertrek; na eenige oogenhlikken keerde zij terug; beladen met kroezen en watertjes van verschillende soort; zij stortte eenige er van op een handdoek uit, waarmede zij het bovenlijf der lijderes omwikkelde, liet eenige droppels op haar long vloeien, waardoor de bloedstorting onmiddelijk werd gestuit en eindelijk verzonk Imogene in een diepe sluimering.
Eenige uren laler waren Ninaas onmeêdoogende handen bezig al de schoone haarlokken van Imogenes hoofd glad af te snijden; vervolgens wist zij door een kunstig opgelegd smeersel al de overige in ebbenzwart haar te doen veranderen. Onder voorwendsel van haar aangezicht te wasschen, gooi zij er een donker mengsel over, dat haar kinderlijken, fraaien tint in donkerbruin herschiep, zoodat geen bloedverwant of vriend haar na die misvorming zou hebben herkend.
Marcou had overal verspreid, dat hij naar Europa ging vertrekken en in de gansche buurt wist men niet anders; middelerwijl echter had hij zich een vaartuig verschaft, dat hij voor eigen rekening met matrozen en andere zeelieden van zijn land bemande, en de spaansche vlag geheschen hebbende, zette hij koers naar Cuba, de meubels en andere in het huis aanwezige voorwerpen onder opzicht van een zaakgelastigde
209
latende. Donna Isabellaas kisten en koffers keerden naar haar geliefd Cuba terug, en Pompejus en Dina in hunne fraaiste kleeren gedost, zongen, dansten en joolden bij de gedachte aan hun tropische woonplaats.
Terwijl zij naar het schip gingen, een zorgvuldig bedekten draagkorf tusschen zich indragende, zwaaiden zij er zoo hard mede en brulden hunne blijdschap zoo luide uit, dat de voorbijgangers zich omkeerden en staan bleven om getuigen van hunne luidruchtigheid te zijn; en de hardhoorige vrouw met den krop, die achteraan kwam, hen meer dan eens om het geraas dat zij maakten moest bestraffen. Blijkbaar volgde zij de mand met een onrustig oog, ter wij 1 zij de twee vroolijke negers aandreef, die, gelukkig met het tegenwoordige oogen-blik, geen besef hoegenaamd hadden van hel lijden en de vernedering van hun geslacht.
Toen men het schip bereikt had, werd de korf met zorg naar de kajuit gebracht. Donna Isabella bevond er zich reeds; zij sloeg even de oogen op en wuifde zich met den waaier, toen Nina de ongelukkige Imogene in hare hangmat leidde. Zij maakte het teekon des kruizes, zoo als ieder gcede katholiek doel, wanneer hij iets nieuws of onverwachts voor oogen krijgt, en nam toen weder haar waaier ter hand.
XLV.
VERGOEDING.
Miet lang duurde het of woelige Jack had weder zijne zakken gevuld, na ze ■ ten behoeve van de oude best en de kleine Dady te hebben geledigd; doch Bobs ziekte en zijn nieuwe en onverwachte stelling van begunstigd bezoeker eener rijke familie, was een voor hem even lastige als zon-derlinge omstandigheid, even als zij het voor Bob zeiven geweest was, toen hij eens Jack op \'t onverwachtst in een tooneelspeler herschapen zag. Hij wist zich er maar niet in te vinden : gaarne wenschte hij zijn vriend te zien, doch telkens voelde hij zich misplaatst en ontstemd, als hij de heerlijke trap naar diens kamer opstijgen moest. Om dit te vermijden, werd Grietje uitgezonden, ten einde aan de keukendeur naar den toestand des lijders te vernemen. Nooit waagde Grietje verder te komen, want zij had een weinigje afkeer van Bob, een afkeer dien zij niet goed overwinnen kon, sedert den dag, waarop zij hare eigenliefde gekwetst voelde door zijn onverschilligheid voor haar schoonheid, toen zij nog beide kinderen waren, ja, doch beide reeds verouderd in de harde beproevingen des levens.
Woelige Jack stond met één voet op de naaf van een rijtuigwiel, in de nabijheid van Jefl\'erton-markt geleund, waar zoo veel stralen en uitgangen te zamen loopen en waar de groote steile toren, hoewel van enkel hout opgetrokken, de groote alarmklok van het gansche distri kt draagt. Een poos had hij in die houding gewacht en zich den tijd verdreven met bij tusschenpozen zijne gelakte laarsjes met een wandelstokje te slaan, of den kleinen Fik te plagen of ygt;Nelly Bbf te fluiten, toen de voerman, over den bok heen ziende, hem herkende.
gt;gt;Hoe gaat het?quot; riepen beide als uit. een mond elkander
toe, daar de eersle Cosmelloos vroegere koetsier was.
»Zoo!quot; merkte woelige Jack op, toen hij den ander een dagblad zag opvouwen, »ge zijt aan \'t voeden van uw geest bezig.quot;
»Och ja, ik zag ereis naar de scheepstijding om te weten of er iets van de Cosmelloos in staat, maar de duivel hale me als ik een letter van die menschen vind.quot;
»Nou,quot; hernam Jack, »ik geloof dat die Spanjaard een vervl.... boef is; ik houd het er nog altoos voor dat hij de hand heeft gehad in het stelen van dat kind, en \'k mag verzinken. Piet, of je er weet ook van.quot;
Pieter zette zich schrap en antwoordde:
»He, sinjeur! neem je in acht, geen mensch laat ik de vrijheid aldus tot mij te spreken, je beschuldigt me.... als....quot;
Kom, Kom!quot; hernam Woelige Jack, zeer koeltjes het stof van zijn duimnagel afblazende, dien hij bezig was te fatsoeneren/\' »ge weet. Piet, hoe de vork in den steel zit en ge hebt ook naar mijn meening nog al veel van zoo een handlanger.quot;
In een oogwenk was Pieter van zijn bok, schortte zijne hemdsmouwen op, zette zich op uitdagende wijze op zijne hielen en trok zijn broek zoo hoog op dat de roode laarzen-kappen zichtbaar werden. Woelige Jack werd door dit alles niet in het minst afgeleid van de oplettendheid, dio het fatsoeneeren van den nagel zijns duims vereischte. Integendeel scheen hij meer en meer in die oefening zich te verdiepen, ja, trok zelfs zijn voet niet eens van de wielnaaf af.
»Zet je buik bij die warmte zoo niet op. Pietertje, dat \'s ongezond,quot; zeide Jack.
»Kom er uit, kom er uit,quot; riep Pieter in zijne handen spuwende
»Hoü op met. je malle praat, Pieter, en gauw ook,quot; vervolgde woelige Jack, zioh niet verwaardigende naar den ander op te zien.
Pieter, deed een sprong in de hoogte, en wel zoo dat het scheen alsof hij uit louter armen en beenen bestond, doch hij kwam op dezelfde plek met bei zijn voeten te land, even zoo onschuldig en onschadelijk als hij in de hoogte ging.
sKomaan,quot; zeide de ander, »geen grimassen meer, Pieter, of ik word boos. Ik zeg je, je waart betrokken in dat helsche werk — Bob denkt het en ik even zoo. Het best ware, dat je \'t maar zonder omwegen bekendet.quot;
Pieter werd bij deze woorden loodkleurig van woede, en sprong op woeligen Jack los, dreigend, met een sprong opwaarts en stiet met het hoofd vooruit onder het nederkomen naar zijn tegenstander. Woelige Jack stak zijn voet voorwaarts en ving hem op zijn been, doch in hetzelfde oogenblik viel Pieter tegen het geopende scherpe mes dat Jack nog in
14*
212
zijne hand had en stortte zoo lang als hij was op het voetpad neder.
»Fiksch gedaan!quot; riep de menigte, de behendigheid en bekwaamheid van woeligen Jack bewonderende.
Pieter echter lag zonder beweging op zijn aangeaicht. quot;Woelige Jack, Grietje ziende naderen, ging haar snel te gemoet.
Het gekrijsch van duizend woestaards en het getrappel van tallooze voeten deed hem omzien.
»Houd den moordenaar, hij heeft een man gedood; houd hem! houd hem!quot; galmde het uit aller keel.
De jongeling had moeite de bedoeling van dat geschreeuw te raden. In het, eerst kon hij zich niet overtuigen, dat hij er mede gemeend was en hij liep met zijn eerst vermelden stap verder, totdat een harde slag, door een policie-dienaar hem toegebracht, hem deed stand houden. Hij werd naar de plek teruggesleept, waar Pieter nog altijd zonder beweging lag, en een uit den volkshoop het bebloede mes in de hoogte hield, waarmee de daad was verricht. Luide kreten en verwen-schingen volgden hem, en evenwel kon woelige Jack zich nog niet overtuigen dat hij beschuldigd werd. Zoo weinig kwaads had hij in den zin gehad, zoo luttel acht had hij op de domme drift van Pieter geslagen, dat toen hij hem daar voor zich zag liggen, terwijl het bloed met stroomen uit een halsader gudsde en oogenschijnlijk van het leven beroofd, hij van verbazing en schrik als roerlooos bleef staan.
»Zie, den verstokten booswicht!quot; riep de menigte, ;ohij geeft er niet om. Daar is het zakmes, waarmee hij hem doorstak; zoo morsdood alsof hem de bliksem had geslagen; en daar blijft hij zoo koel bij — zoo onverschillig alsof hij een hond had doodgeslagen; hij wandelde bedaard verder, iloot een deuntje van Nelly Bly en ging naar zijn meid toe, alsof er niets ter wereld was gebeurd.quot;
Het geraas nam toe; de volksmassa werd al dichter en verdrong zich op de plek. Er werd gevochten, geschreeuwd, getrapt. Grietje hield woeligen Jack als razend in hare armen, geen zweem van verdenking tegen hem voedende.
»Kijk haar,quot; riep een uit den hoop, «dat \'s de meid van den moordenaar.quot;
Grietje keerde zich snel om.\'
»Ja!quot; riep ze uit, »ja, bekijk me maar, dolle kerels, hij is evenmin een moordenaar als een van u allen. Jack, ieve Jack,quot; liet zij er zachter op volgen, »hoe is \'t gebeurd\'? zeg het me, Jack, wilt ge uw arme Grietje niet antwoorden? En zij lichtte haar omslagdoek op om hare tranen voor de menigte te verbergen, die haar uitlachte en uitjouwde. Den ganschen weg over tot aan het policie-bureau schreeuwde en joelde het volk en zelfs de anders zoo krachtige zenuwen van Grietje bezwe-
213
ken onder den angst, toen zij zoo van heinde en ver de afzichtelijke, wreede gelaatstrekken der tallooze meenigte zag, die haar en Jack vervolgde.
»Loop, Jack! loop,quot; zeide zij, hem bij den arm voorttrekkende; »ze zullen ons om \'t leven brengen; hoor maar. Jack, ze zullen ons in stukken scheuren.quot;
Spotkreten, gejouw, gesis, was het antwoord.
Dat \'s jelui verdiende loon. Naar de galg, met alle bei kort recht!quot; brulde het grauw.
Werktuigelijk, als in een benauwden droom, liep Jack voorwaarts.
«Spreek toch, Jack, spreek — wilt ge niet spreken?\'\' riep het meisje, haar aangezicht weder met haar omslagdoek verbergende, om door het gemeen niet gezien te worden.
Eindelijk bereikte men het policie-bureau. Een kort verhoor,,, door den beambte gehouden, liet geen twijfel in zijn geest nopens de schuld van den gevangene, die onmiddelijk naar de Tombs werd gezonden.
Grietje klemde zich voortdurend aan den arm van den jongeling vast; en al de pogingen der policie-agenten konden haar niet van hem scheuren.
»Spreek toch, om \'s hemels wil, Jack, spreek!quot; smeekte zij weder, hare handen wringende, terwijl zij naar adem hijgde. »Och Jack, zeg \'t me, dat ik er geen schuld aan heb. Heb ik iets gedaan, Jack, waardoor dat ongeval u overkomt?quot;
Jacks lippen waren grauw als lood, droog, gerimpeld. Hij kon de gansche zaak nog al niet. vatten; hij sloeg zijn arm om het meisje en kuste haar. De arme Grietje, door deze teederheid ten eenenmale ter neder gedrukt, zonk machteloos naast hem neder. De agenten schopten haar met onbeschoften hoon op zijde en het gemeen, dat gewelddadig in het voorportaal gedrongen was, brulde luide kreten uit bij het zien harer wanhoop.
Toen zij eindelijk v/eder van den grond kon opstaan, was de ijzeren deur achter woeligen Jack gesloten; zij zag rond, half op haar knie gezonken, de haren achterwaarts houdende, met hare groote glanzende oogen naar alle zijden starende of ze ook een blik van menschlievendheid, van medelijden ontmoette. Niet één zag ze. Haar gevoelig hart kromp ineen, als onder den druk van ijzeren schroeven.
Al wat zij in haar arm, zwervend, verlaten leven voor heilig had gehouden, scheen eensklaps den afzichtelijken vorm des misdrijfs te hebben aangenomen.
«Ben je getrouwd, meisje?\', vroeg een gerechtsdienaar.
Grietje, nog altijd geknield, te machteloos om op te staan, schudde het hoofd ontkennend.
»Scheer je dan weg, morsige straatloopster! Waarom kom
214
je hier hernel en aarde bewegen? Of meen je, dat het gerecht je in die zedeloosheid zal sterken? Scheer je weg!quot;
En in het vuur van zijn deugdzamen ijver zette hij haaide zware steenen trap na tot beneden toe.
De uitval van den gerechtsdienaar vond weerklank bij het grauw daar buiten, die haar wankelenden gang steeds dichter en dichter volgde tot aan het einde van Centre-street, met gejouw en gesis vuilnis naar haar werpende.
»Daar loopt de meid van den moordenaar,quot; brulde het gemeen, dat eerst in zijn baldadigheid met appelen, noten en kleine steentjes naar hare schouders wierp, van welke de omslagdoek was gevallen en die nu zilverblank met hunne schoone kuiltjes aan den ontheiligden blik des gemeens bloot lagen. Zich steeds meer aangevuurd voelende, naar mate hun aantal groeide en de menigte voortschreed, begonnen de aanvallers haar geregeld te steenigen, op de wijze der oude Hebreeuwen. Te zwak om te loopen, aan een te hevige zielsbeklemming ter prooi, dan dat zij uitwendige pijn gevoelde, hoewel het bloed uit hare armen stroomde, deed zij geen klachte hooren, wendde haar hoofd niet af, weende niet, sprak niet tegen, maar ging voort, als een tweede Magdalena, die zoo vurig beminde en innig treurde, terwijl de man, de oorzaak van dat alles, haar dood joeg.
De oude, verstijfde vrouw, aan den ingang van Chambers-slreel, zag, hoe blind ook, haar naderen, zag het bloed uit hare wonden gudsen. Die vrouw was, ja, een arme, oude, verlatene zondares, toch opende zij hare afgeteerde, uitgevaste armen voor Grietje, die aan haar boezem zonk. De oude vrouw poogde te spreken, doch hare lippen weigerden haar dezen dienst. Haar tong was aan het verhemelte als geboeid en zij schudde hare grijze lokken nu her- dan derwaarts, op waarschuwende wijze; zij mompelde, zij bewoog zich, scharrelde, zag rechts, zag links en de ruwe hoop week beschaamd achteruit en liet haar ongemoeid aan haar klein stalletje, waar zij zat met Grietjes hoofd op haar schoot, die nauwelijks in staat was te ademen, en alleenlijk nog door een gesmoord snikken teeken van leven\' gaf.
Langzaam, zeer langzaam droop de groote volksdrom (waarvan ieder gewis vrij van alle zonden was, te oordeelen naar de bereidwilligheid, met welke ieder stenen wierp en vervloekingen tegen de zonde uitte), droop die groote menigte af, nadat ieder nog een laatsten blik op de arme Magdalena had geworpen, ter plaatse, waar zij op de koude straatsteenen lag, met haar hoofd in den schoot van het eenige medelijdende wezen, dat zij in haar uitersten nood had ontmoet. Een enkel arm, oud, verlamd schepsel, het eenige onder dien tal-loozen hoop, dat medelijden toonde, een meewarig vrouwen-
215
hart was krachtiger geweest dan ai de ruwe krachi van dien talloozen drom.
Wii beroemen ons, lezer! warme, kloppende harten te bezitten, door welke een breede stroom levensbloed bruischt, dat verder in iedere ader golft en zich kronkelt, even als het levenssap der lente door al de celletjes en adertjes van den sterken woudboom dringt; welnu! hebben wij ooit, gij of ik, dat hart, zoo rijk aan levensbloed, als een bolwerk tegen boosdoeners gebezigd ? of als een wijkplaats der liefde ter verdediging van onzen lijdenden evenmensch ? Hebben wij ooit, zoo als die oude, verlamde vrouw, naar ons beste vermogen ons in de bres gesteld om de vervolgden, de lijdenden en \'de treurenden van harte te beschutten ? God maakte het oude, zwakke hart tot een toevluchtsoord op dien dag; wat zou uw hart en het mijne, vol krachtig levensbloed, kunnen worden, indien zij tot denzelfden menschenplicht ontwaakten ?
XLVI.
MOEIELIJKE KEUZE.
Bob hoorde de oude best door de rijke voorzaal treden en met langzamen, moeielijken tred de trap opstijgen en wist dat zij zijn kleine lieveling in hare armen droeg; doch waar hij niet op voorbereid was, was het kind in een nieuw, net, bleekrood jurkje te zien, met snoeperige laarsjes, d;;.e het goede schepsel na het bezoek van woeligen Jack voor het kind had gekocht. Het weelderige, zwarte, krullende haar van het kind viel over hare ruwe schoudertjes af en sloeg aan weêrszijden tegen hare blozende wangen. Het voorhoofd van het kind was wel wat laag, doch bevallig van vorm, en uit hare levendige, groote oogen sprak zachtheid, ondanks de vonkelende stralen, die zij schoten. Het was een groot, mooi kind, vol kracht en gezondheid.
Bob nam Dady op zijne armen; het kind overlaadde hem met kussen, sloeg hare armen rondom zijn hals en deed dat schelle, ik zou haast zeggen dat blaffende lachen hoeren, waarmede een jong hondje zijn blijdschap te kennen geeft.
»Ik denk wel dat je haar hier zult houden/\' zeide de oude, terwijl zij een oog op den heer Dinsmoor en zijn wouw sloeg en tegelijk een klein bundeltje, de garderobe der kleine Dady, voor den dag haalde.
Bobs bleeke wang werd rood van schaamte. » We zijn geen bedelaars, moeder,\'\' zeide hij; »we hebben immers een goede thuiskomst en die zullen we behouên.quot;
En ziende dat de heer Dinsmoor wilde spreken, liet hij er onmiddellijk op volgen:
»We danken u, meneer, we danken u.quot;
Fanny opperde het denkbeeld het kind voorshands in een bedje te leggen; Bob bewilligde er in, en zag toen voor do eersle maal Imogenes katje, dat Dady onder haar arm droeg;
ook Fanny zag het en tranen stroomden zacht uit hare oogen, terwijl hare verbleekte handen eerst het katje streelden en toen de gladde lokjes van het kind, dat hare verbaasde, groote oogen naar het zachte, afgeleefde aangezicht der arme moeder geslagen hield.
De oude vrouw stond op om de kamer te verlaten.
»We zullen het kind bij ons houden, George,quot; sprak Fanny; sniet waar?quot;
»\'k Zou Dady niet willen missen,\'\' fluisterde Bob zachtkens tot den heer Dinsmoor. s\'k Zou \'t kind niet willen missen — waarom? omdat we toch iets moeten liefhebben, en nu dunkt me een kind is wel meer waard lief te hebben dan een dier. Ik geloof ook meneer, dat je een groot tal andere schepseltjes kunt vinden, die geen ouérs hebben en die graag bij uwé willen komen. Maar Dady, meneer, zie! dat is alsof \'t mijn eigen kindje was, \'k ben zoo gewoon aan \'t schepseltje geraakt; — als ik aan dal kindje denk, dan gaat me alles beter van de hand; — \'t maakt me, zoo waar, tot een man, meneer, als ik weet, dat ik voor haar brood en andere zaken, die ze Hoodig heeft, moet werken. Hij is een arme kerel, meneer, die voor niemand anders dan voor zich den kost kan winnen.quot;
Aldus pleitte de krantenjongen voor het bij zich houden van de kleine wees, als waren arbeid en verantwoordelijkheid voorrechten, zooals zij trouwens, voor verheven zielen inderdaad zijn.
sAls ge \'t mij niet kwalijk neemt, meneer,quot; vervolgde Bob, »dan wou ik u wel kort en goed, zonder omwegen zeggen, dat \'k me nou sterk genoeg voel om naar huis te gaan, dan woii \'k Dady en dat oude moedertje meê nemen; ik zet mijn huishouden weêr op, as ieder man, die een man\'is, altoos behoort te doen?quot;
De heer Dinsmoor knikte bevestigend en Bob vervolgde met glinsterende oogen en een hart van ware grootheid kloppende, aldus;
»Ik dacht zoo, meneer, uw huis is ontzachelijk ruim, met zoo veel kamers, met zoo veel meubels en alles proper en mooi, dat durf ik zeggen, ofschoon ik ze niet weet te noemen en ook niet weet waartoe ze dienen; maar nou dacht ik, meneer...quot; en de eerlijke wangen van den krantenjongen werden beurtelings wit en gloeiend rood, zoo als de dolfijn gloeit in den natijd zijns levens, »ik rekende nu, meneer, hoevelen er wel in zulk een huis wel af zouèn zijn. Tk dacht alweer, dat onze Lieve Heer ons misschien het geld gaf, om het uit te deelen aan allen, die te zwak en te weinig onderwezen zijn om te werken — en dat hij ons wetenschap en een goed hart schenkt, om te beter aan anderen te kunnen eeren. Ik ben een domoor, meneer. Minnie en ik hebben
218
daarover gepraat toen ze op sterven lag. Eenmaal, meneer, stak ze haar hand naar boven, den hemel meenende, en mocht zoo zeggen: »»Kijk, Bol)quot;quot; zei ze, ^ik zie een heerlijk man; hij leunt, op een kruis, hij lacht me aan;quot;quot; en dit zeggende lachte ze en lei haar hand op mijn hart, zoo als ze altijd placht te doen als ze meende Ie sterven.,\'
Hier hield Bob op, de woorden hieven hem in zijn keel steken als hij van Minnie sprak, tot dat hij eindelijk meester van zijne smart werd.
«Kleine kinderen,quot; vervolgde hij eindelnk,»meneer, zijn als bloemetjes of schilderijen, en die huizen lijken me \'t best, waar kinderen zijn. ,k Zou Dady niet kunnen missen, meneer, maar ik zie allen dag kinderen, die voor de gevangenis en de galei opgroeien, of er moet \'t een of ander voor ze gedaan worden.quot;
»Welnu Bob,quot; antwoordde de heer Dinsmoor, den armen krantenjongen aan zijn hart drukkende, »welnu, blijf bij ons wonen met. het kind.quot;
Bij dezen onverwachten voorslag werd de krantenjongen bleeker, dan te voren, want hoe minzaam de heer Dinsmoor tot dusverre jegens hom ook was geweest, hij was steeds koel gebleven en zijn voorkomen strekte eerder om den krantenjongen af te schrikken dan zijn vertrouwen te winnen. Hij voelde zich dus verlegen, doch van nature eenvoudig en onvervaard tevens, de twee groote kenmerken van een mannelijken geest, hervatte hij:
»\'k Zei zoo even, meneer, dat in dit huis menigeen wel af zou wezen, maar daarmee meende ik niet te zeggen dat ik daartoe wou behooren, meneer; uwé is heel best voor me en dat zal ik bekennen, zoo lang ik leef; en Minnie, meneer, als Minnie hier was, zou ze in veel mooier woorden weten te zeggen dan ik \'t kan, hoe dankbaar we zijn, want ze had zoo\'n eigen trant om die zaken voor den dag te brengen. Nou, ik ben u dan heel dankbaar, meneer, dat ben ik.quot;
En er lag oneindig meer in den toon en de blikken van den knaap dan in zijne woorden.
In het voorbijgaan zij hier opgemerkt dat een der sterkste bewijzen van het zeldzame der weldadigheid op deze aarde de rijkdom is der bewoordingen, die er bestaat om den dank uit te drukken. Hij is zeer laag geplaatst in de rij der zielen, die dankbaarheid van zijne beweldadigden wacht.
/•/De dankbaarheid des mensclieu, ach!
Gaf mijner ziel vaak veel beklag.\'\'\'
•fa beklag, dat, er zooveel moet gedaan worden en de gelegenheid om wel te doen zoo beperkt is. En vragen we om vergelding, dau vaarwel onze begoocheling. Geven we, dan zijn we goden.
219
»Ge blijft dus bij ons wonen, Bob,quot; hervatte de heer Din-smoor. »Mijn huis is uwe woning en ook die van Dady.
Om Fannys lippen speelde een glimlach der heiligen, der engelen; en die glimlach bevestigde de woorden haars mans. Doch Bob, anders zoo rond, had nu moeite woorden te vinden, en stond een korte poos zwijgend daar, met zijne oogen aan het vloerkleed geboeid. Toen echter sloeg hij ze op, vestigde ze op het gelaat van den heer Dinsmoor en om de waarheid te bekennen, in dat oogenblik was onze krantenjongen schoon en echt mannelijk van voorkomen, daar met zijn ziekte de sporen van knagende zielszorg uit zijn oog verdwenen waren; hij was ook aanmerkelijk opgeschoten en zijn verblijf, hoe kort dan ook, in dat beschaafde gezin had aan zijne manieren een hoogeren tint verleend, zonder daarom die rustige waardigheid te schaden, welke hem aangeboren was.
Charles Gardner trad binnen. Hij had zoo even zijne boeken verlaten. Zijn voorkomen trof niet minder dan dat van Bob.
Waren rijn gestalte en leest meer bevallig, zijne houding meer beschaafd, de laatste verried in al zijn doen en laten zooveel mannelijke rondheid, zooveel zelfverloochening en eigen kracht, dat hij de belangstelling en oplettendheid onmiddellijk boeide. Men gevoelde dat er een zekere vastheid, kracht en zelfvertrouwen uit hem spraken, die door niets zich zouden laten in verzoeking brengen, door niets uit hun werkkring laten verdringen.
Fanny hield hare oogen op de twee jongelieden gevestigd en lachte vriendelijk Charles toe; maar de blik, dien zij op Bob sloeg, zeide: „Op dezen vertrouw ik; hier is hulp, kracht; hier is een hart, een doel. Vermag menschelijk werken iets, zie hier de bron.quot;
Bob voelde door het gedrag van den heer Dinsmoor zijne verlegenheid eerder aangroeien dan verminderen; nochtans antwoordde hij :
„\'t Is \'s menschen aard, meneer, Ie moeten gaan waar\'t hem het best is. Ik mag gerust zeggen, meneer, ge zijt best en vriendelijk, beide zijl ge goed, opperbest; ware Minie nog bij me, ze zou \'t beter weten te zeggen dan ik \'t kan; ja, ware Minnie nog bij me, \'k zou zeggen neem haar, meneer, want ik had dat kleine meisje lief, meneer, zoo lief dat \'k haar had willen gelukkig zien, al had het mijn leven gekost. Ze was een engelin geboren, dat was ze. Maar, meneer, ik merk dat zelfs woelige Jack gansch niet meer dezelfde is als hij hier komt; die wilde, goedaardige Jack, die een fiksche vent is onder lieden van zijn slag en waarmeê hij gewoon is om te gaan, is de helft van zijn eigen ik niet meer als hij hier in huis is. Dat merk ik; hij staat als op heefe kolen, haalt zijn schoudersin, met stijve ellebogen en spreekt zoo zacht. Neen! dan is hij
220
niemendal van Jack meer. En zoo, meneer, geloof ik, dat het met mij ook zou gaan. Ik kan werken, meneer; hel werken is mijn lust en leven; ik ben er grootsch op. Ik zie allen, die alles door anderen willen laten doen en het niet zeiven doen, voor arme duivels aan, voor arme duivels en niets anders. Nou, meneer, als ik hier in \'t groote huis woonde, ik de weetniet, zonder \'t geen een heer weet of weten moet, \'k zou me wel verlaagd voelen, meneer...., ja, verlaagd. Als Bob op zijn werk uit is, zijn bladen verkoopt, voor zijn kindje te huis zorgt en zijn best doet zooveel hij kan, dan voelt Bob zich een man, meneer!
„Ge zult leeren. Bob, ik zal mij uw vriend toonen, op de verstandigste wijze. Ik zal u alles laten leeren om u tot een bekwaam koopman te vormen; en ik wil u wel bekennen. Bob, ge bezit een schat in uw eigen eerlijk mannelijk karakter, millioenen waard in een stad als deze. Die u voorthelpt, Bob, doet zich zeiven goed.quot;
De krantenjongen reikte den heer Dinsmoor hartelijk de hand, als had hij zijns gelijke gevonden. Met bewonderenden eerbied, zooals hij nooit te voren gevoeld had, zag hij den heer Dinsmoor aan, alsof de korst der stijve vormenwereld in eens ware afgevallen en hij een man voor zich zag.
„Spreekt ge van leeren, meneer,quot; hernam hij, „dan spreekt ge naar mijn hart. De oude vrauw geeft me een beetje onderwijs en ik mag gerust zeggen dat ik gauw van aannemen ben, omdat ik weet dat leeren net zoo noodzakelijk is als \'t brood, dat we eten.\'\'
„Dat brood zal u geworden. Bob, maar ook van u wil ik leeren; leeren hoe het leven te gebruiken en hoe den rijkdom te besteden, en dat alles door uw welgeplaatst hart, Bob.quot;
De blik van den krantenjongen verried welgemeende en innige bewondering bij die woorden van zijn vriend.
„Me dunkt,quot; hernam hij, „dat God u voor iets zeer goeds heeft uitgekozen, meneer; en dat als we zoo ereis in ons zei-ven kijken, als ik \'t zoo zeggen mag, dat we dan meest goed doen en ons een hand van binnen daartoe aanzei, net zooals \'t aan de fontein is, waar de kleppen door het water der rivier van binnen worden opengeslagen. Nou, rijke lieden sluiten hunne harten met een gouden klep, meneer, en dat houdt het goede van binnen terug; zij zien rond om op te nemen hoe de rijke heeren en dames doen, maar niet naar God omhoog, om te zien hoe Hij zou willen dat ze deden.quot;
Er lag iets plechtigs en eenvoudigs, doch tevens iets van bestraffing iu de woorden door Bob geuit; vergeten wij echter niet dat de Ziener steeds op grond van eigen in hem zeiven liggende openbaring spreekt, en dat hij altijd uit de bron van zijn eigen, afgesloten leven put en daarom ook den
Ill il
221
loon der bestraffing mag aanslaan, daar zijn reine levenswandel hem tot schild verstrekt.
„Ja,quot; hervatte de heer Dinsmoor, „ja, bij den hemel! gij spreekt de waarheid; blijf bij mij wonen, edele jongen, blijf en laat mij van u leeren.quot;
Nog weifelde Bob, alsof er nog, andere bezwaren in zijn boezem huisden, waarmede hij echter niet durfde voor den dag komen. In dat oogenblik naderde de oude best; zij had zoo even een proper gevouwen kinderjurkje, twee blauwe voorschootjes, een paar bijna versleten schoentjes, benevens een onderrokje en hemdje, Dadys gansche garderobe, op een stoel te zamen gelegd, en sprak nu:
„Ik geloof Bob, dat je me niet meer noodig zult hebben en, zoo waar! ik zou je al vroeger verlaten hebben, als je niet ziek waart geweest.quot;
„Waarom zou je nu heengaan, moeder?quot; vroeg de krantenjongen, met een blik, waaruit verdriet en teleurstelling spraken en met een kleinen blos van schaamte op zijn open gelaat.
De oude vrouw was te bedaagd, te afgevallen, had te weinig bloed in hare verdroogde aderen om nog te kunnen blozen, nochtans overschaduwde een donkere verf hare wangen en zij sprak.
„Ik heb mijne eigene beproevingen, mijne eigene treurige herinneringen Bob; als ik bij u ben, dan komen ze tot mij terug en drukken mij ter neer; maar ik ben daar ginds wéér onder den blooten hemel, en zie ik de zon weer op de bozen en goeden tegelijk schijnen, en zie ik die groote wereld zoo voorbij rollen, dan vergeet ik alles; ik wil terug, en mijn stuk gewast linnen uitrollen en op het voetpad uitspreiden, en mijn oud gebeente door de zon laten beschijnen en verwarmen. Bob, en dan zal ik mij gelukkiger gevoelen dan overal elders.quot;
„Wat ge daar zegt, moeder, is niet zoo geheel zot, we doen altoos zoo als het ons bevalt, meen ik; maar \'k zeg daarbij, en houd het vol, bedelen is niets beter dan stelen en dus hoop ik dat ge dat handwerk niet zult voortzetten. Luister, moeder! \'k zal een plaatsje in den wagen \'s nachts voor je openhoüen en misschien komen we dan na een poosje te zamen er weer in wonen. In alle geval kom ik je iederen dag in de stad aan je stalletje opzoeken.quot;
En \'t oude vrouwtje trippelde met een lichten vluggen tred heen, zich veel gelukkiger gevoelende, daar zij nu ontheven ■was van de kleine zorgen voor de huishouding van den krantenjongen. Oud van dagen, verwelkt van hart, had de schatting van teederheid die haar nog gebracht werd, eerder haar gemoed gedrukt dan verjongd. Zooveel jaren had zij eenzaam en verlaten geleefd, dat nu de voorkomendheid van haar
222
naaste te laat kwam, en al wat zij vroeg, was: weêr door de alles omvattende armen van moeder natuur te worden omsloten; den zonnestraal onmiddellijk te kunnen opvangen, — niet zooals hij met den zachten morgenwind daalt, die de orgelkeel des vogels tot zingen prikkelt, maar zooals hij neerdaalt op de kruipende aarddieren, wanneer zij de groote warme glooiing van den weg zoeken, of op de platte, met mosplan-ten begroeide rotsbloken glijdt. Laat de oude rusten waar zij wil, waarde lezer! voor haar is de zilveren snaar des levens gesprongen, de gouden beker aan de bron gebarsten; alle levenskracht is verlamd. Ga en ge zult haar op hare oude plaats bemerken, in haar zelve opgerold, zooals Bob zeide, dicht bij het gasthuis, soms ook tegenover Becks zaal of wel hoogerop in de stad; want jaar aan jaar kruipt zij hooger op. Eens zullen wij haar missen, en wij zullen haar niet meer, een onbewegelijk beeld gelijk, voor Stewarts winkeldeuren of eldei-s zien, dan zullen wij weten dat de zonnestraal niet meer op haar oud, gebogen geraamte nedervalt, maar wel op een beperkten grasterp, stom en bewegingloos als het oude hart, dat er onder rust.
XLV1I.
VOOlïGEVOEL.
Nadat de oude vertrokken was, bleef Bob een poosje peinzen en zeide ten laatste:
»We kunnen onmogelijk onzen aard veranderen, dat zoek ik nooit te doen. Al het schoppen en schelden en slaan om \'t gedaan le krijgen helpt nies. De oüe best had best bij me kunnen blijven en een goed leven gehad hebben en ware mij ook van dienst geweest. Arm, oud wijf! och, ze kon er zich maar niet in vinden.quot;
En hij stond op met Dady in zijn arm.
»Ge zult ons niet verlaten, Bob,quot; zeide de heer Dinsmoor, Fannys ongerust gelaat bemerkende.
))Kan ik u,\'\' antwoordde Bob, »als \'t den man past, van dienst wezen, dan, \'t spreekt van zelf, blijf ik. Maar zie, meneer, Dady en ik zijn zoo wat kinderen van \'s Heeren wegen en niet onmogelijk dat ge u onzer zoudt schamen; en ik wil niet gaarne iemand hinderen; waarom meneer? omdat ik graag handen uit de mouw steek en er al maar op uit ben, te werken en ies op de wereld te worden.quot;
Een gloed van edel zelfbewustzijn kleurde Bob, terwijl hij aldus sprak, met een hooger rood.
»Als ge leven blijft, meent ge,quot; antwoordde Fanny.
Bob glimlachte zacht en met een eerbiedigen blik naaide schoone spreekster, doch antwoordde:
»Ik zal leven, mevrouw, om dat te volbrengen. Ik zeg niet eens, als en zuo, want ik weet dat het zoo zal zijn. Veel, ijselijk veel heb ik voor me om te doen.quot;
De heer Dinsmoor gevoelde, zeker, in zijn binnenste dat vele van Bobs tegenwerpingen omtrent zijn samenwonen met hem gegrond waren. Hij was alles behalve verheven boven
een aantal gebleken, aan de hoogere standen gemeen, anders gezegd de kleine verkeerdheden des oordeels; met name was hij niet geheel ontdaan van het gewone bezwaar: »\\vat zal
meneer A.....of B..... wel zeggen?quot; en nu, daar hij uit
zijn schoonen levensdroom zoo onzacht opgewekt werd en de openbare meening hem het droevigste lot voor zijn eenige, schoone dochter deed verwachten, nu was hij meer dan ooit geneigd met krachtige hand zich aan dat raderwerk te klemmen, dat men de maatschappij noemt, en dat zoo zeer geschikt is om den alledaagschen naam en faam, die schering en inslag van het onderlinge verkeer, in eere te houden. Allen zwegen een poosje stil, toen Fanny plotseling opstond en sprak:
»Zeg, Bob, wilt ge ook niet sterven, tof dat gij Imogene zult hebben weergevonden?quot;
„Dat beloof ik, mevrouw,quot; antwoordde Bob; »en leven doet ze, dat weet ik: ik zie haar \'s naclits in mijn slaap, niet zoo als ik Minnie zie, mevrouw, dat is dat ics, dat we niet verwachten hennen; maar woelige Jack en ik zullen haar vinden en haar t\'huis brengen, dat zullen we.
Fanny drukte zijn band in hare vermagerde vingers, ten teeken van vertrouwen en dank.
»AVilt ge dat, Bob, laat dit huis dan uw woning zijn; hier kunt ge komen en gaan wanneer ge wilt en laat Dady hier bij u wonen.quot;
En Dinsmoor nam voor de eerste maal het schoone kind op zijn schoot.
Bob was verrukt, want hij was trotsch op Dady en zag op dat kleine schepseltje van vleesch en bloed als ware het zijn eigen, daar het aanwezen van dit kind op deze aarde anders slechts van korten duur zou geweest zijn.
»Me dunkt, meneer, dat ge u nog niet recht al den last voor den geest haalt, dien u dat inwonen van mij en Dady hier in huis zal aanbrengen; we zijn altijd nog minder dan dieren geacht geweest. De groote dames zagen altijd zoo deerlijk uit de hoogte op ons neer. Kwam ik soms in een omnibus of in de komedie, dan was \'t alsof de menschen dadelijk naar hun zakken keken. Ik geef er nies om, ik weet wat en v\\ieikben, meneer, en ik kan maar volstrekt niet gemeen over me zelv\' denken. Maar, meneer, \'k heb vrienden, een macht van vrienden, meneer, ze hebben geen schoen aan den voet, gescheurde kleêren aan, en nooit een hoed op \'t hoofd; veel is niet goed in hen, integendeel; maar ze zijn uiige vast, meneer, zij zijn arm, uitgestooten, en weten nies, niemendal; velen drinken, anderen liegen, nog anderen doen erger; maai\' geen zoo slecht onder hen, meneer, of er is nog een goed piekje in zijn hart, een enkel goed plekje, meneer, dat al de rest zou goed maken, als er maar iemand was die \'n beetje voor hen zorgde. Dit
225
nu, meneer, zijn mijn vrienden. Ze komen Lot mij als ze in de eene of andere verknijping zitten, dan helpen woelige Jack en ik ze er uit; \'k zou ze onmogelijk in den steek kunnen laten, meneer, dat zou \'k niet, ze hebben me noodig, ik hen ook om \'t beetje goed dat ze van me hebben; maar wat nou aangaat ze hier aan huis te laten komen, dat zou je niet bevallen, meneer. Ge zoudt me raden, dat ik ze maar allen moest lalen loopen en wat zou er van komen, meneer! nog meer lijen en nog meer zonden, ja, dat zou er.quot;
In dit oogenblik kwam een bediende den heer Dinsmoor naar buiten roepen, en tevens vernam Bob de hem welbekende stem der arme Grietje, doch nu met vertwijfeling in haren toon, hol, diep en toch zoo kennelijk, dat hij den heer Dinsmoor naar de voorzaal volgde, na de deur achter zich foegesloten te hebben.
Grietje, hem ziende, vatte zijn hand in beide de bare en zeeg ten halve aan zijne voeten neder.
„Kom, Bobquot; sprak ze, „kom, om Gods wil, kom rneê naar tien armen Jack. Hij zit in de Tombs gevangen; verlaat dat groote, rijke huis. Bob, en ga, waar uwe vrienden u weer kunnen bezoeken. Kom van avond, of nou dadelijk. Bob, als ge ooit hart voor den armen Jack hadt.quot;
Zoo kermde het meisje met een stem, half door snikken gesmoord.
„Om wat reden is de arme Jack in de Tombs ?quot; vroeg de krantenjongen, terwijl hij Grietje van den vloer lichtte en haar aangezicht onder het spreken met zijne handen afveegde.
„Och, Bob, bij heeft een man vermoord, maar niet met opzet, ge weet het toch; hij zou geen vlieg hebben kwaad gedaan. Och! ga bij hem, Bob, ik smeek er om, Bob, ga bij hem!quot; En zij dreef hem naar het portaal.
De krantenjongen sprong ontzet op en zeide:
„Iemand vermoord, zeg je! arme Jack!quot;
En onmiddellijk verrezen voor zijn geest duizend herinneringen, duizend vermoedens, die reeds jaren te voren in hem opgekomen waren. Hij herriep dien lijd, toen zijn vriend in het karakter van Jack Sheppard ten tooneele was verschenen, een rol, zoo ijzingwekkend bij de vertooning, zoo vreeselijkin haar strekking.
sik moet naar mijn vriend, meneer,quot; hervatte Bob zich tot den heer Dinsmoor wendende.
))Neen, Bob,quot; antwoordde deze, »van avond niet, gijzijtnog te zwak. Bovendien kunt ge hem niet van nut zijn, het recht moet zijn loop hebben.quot;
gt;Ik kan hem wat moed inspreken, meneer, als ik ga; Jack is mijn vriend, meer dan eens heeft hij me in nood bijgestaan en nou wil ik hem bijstaan.quot;
15
\'226
Aldus sprekende, had Bob de benedendeur bereikt, terwijl Grietje nog steeds zijn hand vasthield, toen zicli een nieuwe hinderpaal opdeed.
»Ge zult wel iemand op Dady laten passen, meneer, niet waar; maar met die kleêrtjes ben ik nog niet op mijn gemak.quot;
»Kom terug, Bob, als ge uw vriend bezocht hebt, en dan zullen wij dat alles wel bepraten.quot;
En Bob verliet het huis. Grietje was doodsbleek, doch met den krantenjongen sprekende, terwijl zij hem al het voorgevallene van den vorigen dag verhaalde, keerde haar natuurlijke levendigheid terug. Het was haar niet gelukt in Jacks cel toegelaten te worden, daar de bedienden van de gevangenis in het algemeen tegen Jack en haar vooringenomen waren. Bekend was hel dat Jacks vader vele jaren geleden door de handen van den scherprechter was omgekomen, terwijl het losse, ongeregelde leven van den woeligen Jack, bij gebrek aan eenig ander punt, dat hem kon worden te laste gelegd, toch altijd van dien aard was, dat het wantrouwen wekte. Nooit had woelige Jack van het goede, door hem verricht, gewaagd, en zelfs te nauwernood er het bewustzijn van gehad — immers, zoo als wij boven aantoonden, van «ature braaf en edelmoedig, was hij in het volgen dezer roepstem nimmer er op uit eenig loon er voor te vorderen of er eenigen lof van te verwachten.
»Als ik wat doe,quot; plag hij te zeggen, »dat teger. mijn zin is, dan, jongens! kan jelui me prijzen, en mijn naarn uitschreeuwen en zeggen dat ik een duivelsche goede vent ben: maar doe ik iets om een ander te helpen, omdat ik er mij zelv\' mee goed doe, dan moei je mij niet beschaamd maken met me goed te noemen — of zeeziek maken met me zoo te danken.quot;
Woelige Jack bewoog zich in alle richtingen; hij sprak gemakkelijk, was vastberaden, stout van aard, levendig van geest en uiterst vriendelijk, in een woord »van alle markten t\' huis,\'\' zijne legertenten opslaande, waar \'t hern het best beviel; nu eens aan boord van een rivierboot het want revende, dan bij de stuurlieden, een andermaal met tooneelspelers, of onder de krantenjongens, overal was hij welkom, en werd hij met luide vreugdekreten ontvangen, \'t Was feest, waar Jack was. Hij was de lion van Bowery, het voorwerp der bewondering voor de juffers — van nijd voor de knapen.
In den laatsten tijd had hij een kamer bewoond nabij den ingang van Franklins-streel. Grietje hield zijn woning in orde en — moeten we alles bekennen — bewoonde ze tevens. Tot rechtvaardiging van het meisje dient gezegd, dat zij zeer gaarne gehuwd ware, doch er was een beletsel in den weg, dat wij
■227
zullen mededeelen. Zij noch Jack hadden een opvoeding genoten, die hen in staat stelde zich eenigermate een nauwkeurig denkbeeld te maken van het nut der instelling des huwelijks. Onwetendheid was dus hier de voorname, de eerste hinderpaal en daaruit moge al weder blijken hoe nuttig de zendeling binnen onze eigen muren zou wezen. In weerwil der ontstentenis van den wettelijken band, waren zij getrouw en liefderijk aan elkander gehecht, waaruit in de tweede plaats kan blijken, dat het huiselijk geluk een natuurlijken grondslag heeft, ingesteld alvorens de priester zijn ambtgewaad aantrok en handgeld eischte als voorbereiding tot de plechtigheid, die de bekrachtiging der wet en der kerk moet schenken aan de liefde, welke twee zielen verbindt; daaruit blijkt eindelijk dat Gods instellingen vrij oud en vrij hecht zijn.
Het jonge paar, zoo welgemaakt, zoo opgeruimd, zoo nel opgesmukt, bevond zich overal te zamen, in den .schouwburg, op de tentoonstelling, op de wandeling. Vaak zag men Grietje in mansgewaad aan de zijde van haren Jack, bij optochten met fakkellicht, er een der hoofdrollen vervullen. Soms stond zij hem op te wachten in den voorhof van den schouwburg of op een andere plaats, in haar net groen keursje en kort rokje dat twee fijn besneden enkels liet zien in karmozijnroode broosjes gevat. In de Boivenj-huuvt stond ze als de beste danseres hekend, en inderdaad was het een bekoorlijke aanblik die twee op de vlugge dansmaat te zien dwarlen, elkander in de polka of écossaise te zien afmatten, waarbij zij een vlugheid, gespierdheid en snelheid ten toori spreidden, door geene schoolsche regelen aan banden gelegd. Bowenj is niet zeer rijk uan engagementen, zelfs in de danszalen. Als twee jonge lieden daar genegenheid voor elkander verraden, dan is dit een sein voor derden om op eerbiedigen afstand te blijven; ze konden er anders minder aangenaam over onderhouden worden. Geen wonder, dat Grietje en woelige Jack reeds vroeg twee onafscheidelijke gezellen waren.
Daaruit volgt van zelf dat beide ook bij hun omgeving uiterst wel gezien en door alles wat slechts oogen in Boivery had, bewonderd, doch levens met wantrouwen en afkeer door de orakels der wet aangezien werden, die de afkomst van Jack en Grietje maar niet vergeten konden, evenmin als den ijselijken dood van den vader des eersten en het feit dat Grietje een vondeling of liever een ouderloos kind was, nu her- dan derwaarts geslingerd en zoo goed mogelijk haar levensonderhoud vindende. In de oogen van deze handhavers der wet was het vrije en gemakkelijke leven der brave, goede lieden meer dan verdacht, en hun vroolijkheid een misdrijf. — Die opgeruimdheid van twee menschen, zonder vader, zonder moeder, genoegzaam zonder onderricht en zeker zonder geld, had den schijn van
15*
228
bedrog, van valschheid, en bij gevolg werden zij jaar in jaar uit, y)in hel oog gehoudenquot; zoo als de kat de muis beloert, of liever zoo als de menschen, die zonder te weten waarom, kwaad vermoeden tegen elkander voeden, elkanders stappen nagaan.
di ra or
VI
ga Z1j
sp wlt;
ke sp
W(
ee: he de
en lat
Gr aai uil
VO(
dit nu
velt;
XL VIII.
DE VLOEK DEK WAARZEGSTEK.
Toen Bob en Grietje de Tombs bereikten, zagen zij een dichten drom krantenjongens, matrozen, tooneelspelers, vodde-rapers, bedelaars, kramers en uitventers van allerlei waren, om niet te spreken van de pakkendragers, koetsiers, mannen, vrouwen en jongens, allen in de straat en den voorhof vergaderd, om iets ten opzichte van woeligen Jack te vernemen; zij waren rustig, hoe vurig anders ook om iemand op te sporen, dien zij konden vermoeden iets nader van hem te weten.
De dienstdoende gerechtsdienaar weigerden eerst uitdrukkelijk de arme Grietje toe te laten, doch Bob naderde en sprak;
»Als iemand zich bezeerd heeft, dan verbinden we eerst de wond en vragen dan hoe hij ze kreeg; en me dunkt dus als een vrouwspersoon klaagt en kermt, dat we haar behooren te helpen, zonder te vragen of ze zoo klaagt en kermt volgens de wet.quot;
Na deze woorden werd Grietje, die al hare behaagziekte en meteen haar net gewaad had afgelegd, in de cel toegelaten.
Strijdig met hetgeen men had mogen verwachten, vloog Grietje niet in de armen van Jack, maar bleef beschroomd aan den ingang staan, tot dat de jongeling zijn hand naar haar uitstrekte, die zij in beide de hare greep, terwijl zij aan zijne voeten nederzonk.
))Deed ik onrecht hier te komen. Jack ?quot; vroeg zij. »Zou dit u kwaad kunnen doen? Wegblijven kon ik niet, maar nu ik u eens gezien heb, zal ik alles doen wat gij mij beveelt.quot;
aav ert, om, pen
230
»Ge zijt een goed meisje, Grietje, een goed meisje,quot; hervatte Jack, haar hoofd zacht achterover drukkende, terwijl hij haar in de oogen zag. »Als Jack niet meer zal zijn, zult ge hem missen. Grietje, dat \'s zeker.quot;
Grietje antwoordde slechts door een hartslochtelijken tranen vloed; zij leide haar hoofd op zijn knie en snikte als ware haar hart vaneengereten,
»Dat gaat mijn kracht te boven. Boh,quot; zeide Jack, nu voor het eerst zijn vriend aansprekende. »Gij moet voor de arme Grietje zorgen als ik er niet meer ben, Bob, dat wilt ge toch wel ?quot;
^Neen, neen!quot; snikte het meisje, »neen, Jack ook ik wil sterven. Ik kan niet meer leven, als gij er niet zijt. Ik kan niet — ik kan niet.\'\'
Uil haar blik, uit haar toon sprak waarheid, want zij had den ganschen dag nog niets genuttigd en den nacht geen oog gesloten.
»Arm meisje, arm meisje!quot; riep Jack uit. »De vrouwen zijn wel te beklagen. Bob; als ze liefhebben, is haar liefde zoo innig, zoo welgemeend.quot;
Jacks gewone opgeruimdheid was verdwenen. Zijn blik was verwilderd, ontmoedigd. Eindelijk vond Grietje kracht genoeg om een klein mandje met eetwaren voor den dag te halen, dat zij medegebracht had en op een stoel ledigde, doch geen van beide kon iets nuttigen.
Bob vernam nu de bijzonderheden van den dood van Piet,er en erkende daardoor ook Jacks volkomen onschuld en dat hij geen kwaad hoegenaamd in den zin had; doch tevens zag hij in hoe hoogstbezwaarlijk het zou zijn, die omstandigheid zoo duidelijk te doen uitkomen, dat zij op eene overtuigende wijze ook voor anderen zou blijken.
„Het spijt me dat Pieter niet meer leeft,quot; zeide Bob, »\'t spijt me in de ziel. Ik hoopte nog altijd ies van hem te hooren, wat Imogene betreft. Maar hij heeft zijn verdiende loon, dat heeft hij. Langs den een of anderen weg komen die zaken toch altijd te recht, \'t Lag niet in den loop der dingen, dat Pieter zoo maar in vrede op zijn bed zou sterven; dus hij heeft zijn loon, maar \'t spijt me, Jack, dat hij door jou handen er toe moest komen,quot;
»Daar kan nou niels aan helpen,quot; antwoordde de ander, «het is nou met woeligen Jack uit, Bob, en al wat hem nu overblijft te doen, is zijn rekening op te maken en dan op te krassen. Voor hem is het uit op de aarde.quot;
»Ik hoop dat het zoo erg nog niet zal alloopen, Jack maai\' al gebeurt het ergste, je bent onschuldig. Jack, en dat is een gi\'oote troost. Ik zal alles voor je doen, wat ik kan.\'quot;
Jack greep zijn hand met warmte. »Bob,quot; zeide hij, »ik heb altijd een voorgevoel gehad, dat het eens daartoe zou komen,
231
en Jat sinds ik Jack Sheppard speelde. Ik kon het maai-niet van me afjagen.\'\'
Bob ijsde, daar hij zich zijn eigen voorgevoel herinnerde. »Dat\'s een helsch stuk, Jack; \'t schildert de schelmerij zoo verleidelijk, geeft er zoo\'a mooi kleurtje aan, als of alles buiten iemands schuld gebeura was. Maar, Jack, ik voor mij weet hier binnen, dat je een arave kerel zijt; veel, veel beter dan men weet; ik houd van je. Jack, en zal je op zij blijven en helpen. Zeg me nu maar wat ik \'t eerst voor je moet doen.quot;
Aldus sprekende, vatte Grietje nu aan deze, dan aan gene zijde de zware steenen muren en ijzeren traliën.
»Wees wijzer, Grietje, en laat die gedachte varen. Daartoe bestaat geen mogelijkheid: behalve dien, daar het een ongelukkig toeval was, denk ik dat dit wel aan den dag zal komen en dan zullen we hier van daan gaan, Grietje, naar een ander eindje van de wereld.quot;
»Zorg niet voor \'t gerecht te komen. Jack,quot; smeekte het meisje met vuur. »Geen erger ongelukkiger wezen op Gods aardbodem, dan een man of vrouw door de wet vrijgesproken. Ze zullen een groot vertoon van rechters maken, maar ge-vonnisd wordt ge, Jack. Och, tracht maar van hier te komen, te vluchten, Jack; gij moet hem weghelpen. Bob, och jalquot;
Nu stelde zij een verwisseling van kleêren voor; zij zou ook voor vijlen, sterk water en andere tot het doel dienstige middelen zorgen: want in de wijk der Five Points zijn deze punten altijd aan de orde van den dag, daar de bewoners deze middelen of reeds vroeger soms werkelijk beproefd hebben of die eenmaal vermoedelijk moesten aanwenden.
Woelige Jack had geen ooren naar al die plannen. »Dat dient tot niets, Grietje. Dat einde is een erfdeel van ons geslacht. Mijn vader heeft het verteld. Er was een oude waarzegster, die op mijn grootvader verliefd was geraakt, en toen deze zijn land niet wilde verlaten en met haar medegaan, omdat hij als bootsman op een schip diende en reeds vrouw en kinderen te huis had, volgde zij hem tot aan zee, tot buiten de haven van Cadix en sprak toen een vloek over hem uit. Mijn grootvader had geen rerstand genoeg te zeggen; »vloeken komen als kiekens tot het nest t\'huis dat ze uitbroedde,quot; neen, hij voelde medelijden met haar. Zij stond aan den zeeoever, toen hij de haven verliet; zij slingerde driemaal een band om den hals eener padde en hing het dier aan een dwarshout op de kaai, terwijl zij gedurig in één adem sprak:
„Drie vasto knoopen rondgeslagen,
Die tusschen aard en lucht gedragen,
O zwarte padl zijn bloed verga!
Een, twee en drie! Ik zie ze zwaaien Hoog in de lucht, een roof roor kraaien Dat spelt de heks u, geen genü.!quot;
232
Het bleek nu duidelijk, dat dit zonderlinge voorval jaren achtereen Jacks geest had bezig gehouden, en thans oefende het een meer gevoeligen indruk op hem uit, dan hij misschien zelf wel wist.
»Ik voelde altoos,\'\' vervolgde hij, »dat ik geboren was om den vloek van de oude heks te helpen vervullen; daarom zwierf ik ook altijd, nu hier dan daar, en gaf er weinig om wat ik op deze wereld deed; ik zag wel dat het. niet veel te beduiden zou hebben.quot;
Bob was van nature zeer vatbaar voor bijgeloof, en deze mededeeling, als ook de gemoedsgesteldheid, waarvan zij blijken droeg, deden hem innig aan.
»Hoe verging het uw grootvader verder?quot; vroeg de krantenjongen.
»Op zijn t\'huisreis werd hij door zeeroovers aangevallen, die de gansche bemanning om het leven brachten, doch hem spaarden, daar zij een opper-zeilenmaker noodig hadden. Ontsnappen wou hij hun niet, en hij moest gedurende meer dan een jaar getuige zijn van hun moorden en rooven op zee. Eindelijk werden zij bij New-Orleans, door windstilte overvallen en na als vleeschelijke duivels te hebben gevochten, allen gegrepen en opgeknoopt. Mijn grootvader had nooit een mensch ter wereld benadeeld, doch hij kon van zijn onschuld niet doen blijken en hij deelde het lot van al de anderen. Mijn vader was toen nog zeer jong; hij begaf zich naar New-Orleans om den veroordeelde tot in het laatste oogenblik bij te staan; toen vernam hij den vloek der waarzegster. Van daar dat hij later nooit wilde trouwen. Hij was de eenige zoon; hij verwijderde zich, liet het gerucht verspreiden dat hij dood was, zoodat indien er ooit iets met hem voorviel, zijn moeder het niet kon vernemen. Daar mijn vader nu niemand meer had, die voor liem zorgde, die hem bewaakte, zwierf hij zonder geld of vrienden rond, juist zoo als gij Bob, en ik, en Grietje, al ons leven deden — kort en goed — hij raakte op slechte wegen....quot;
»Ik verwonder me maar,quot; viel Bob hier den spreker peinzende in de rede, „dat wij niet slechter werden dan we zijn; we kregen zoo weinig licht, en als rijke schelmen nu gereedschap noodig hebben voor hun kwaad, dan komen ze tot ons, arme schepsels, die we zijn, en bieden ons geld e^an om ons voor hun helsch werk te koopen. Ja, Jack,quot; vervolgde Bob, opstaande en uitspuwende om zijn walging te toonen, „ze zijn bij mij ook al aan boord geweest en zanikten en zeurden, maar \'k gaf ze te verstaan dat ik niet lot hunne bende behoorde. Laat ieder zijn eigen vuil werk doen, als hij dat verkiest, ik wil niet voor een ander opdraaien.quot;
Bob, het was duidelijk, werd door een onaangename onder-
233
vinding gekweld, doch hij gaf zich niet nader le kennen.
Na een korte poos, vervolgde Jack zijn verhaal in dier voege:
»Verscheidene jaren achtereen, dus vertelde mij mijn vader, leefde hij op de wijze zoo als ik naderhand deed, diegenen bij-slaande, die zich in verlegenheid bevonden, de goeden zoowel als de slechten, wie hem ook noodig had, toen — ja, de rest van de geschiedenis is me ontschoten.quot;
»Mogelijk wilt ge \'t ons liever niet vertellen, Jack, en ik zeg maar altijd : als we daar binnen zoo iets voelen, zoo een ruk, dan wil dat zeggen: hoii op, en ik hou dan ook altijd op, tot dat ik me weer wat lichter voel.quot;
Jack scheen het kiesche dezer opmerking van zijn vriend te schatten, en zette dan ook zijn verhaal niet voort.
De cipier verscheen, en weer stond Grietje op hel punt zich aan haar wanhoop over te geven, toen woelige Jack haar met weinig woorden op vasten toon aldus het stilzwijgen oplegde:
»Je weet, Grietje, dat die menschen ons voor verdierlijkte wezens, voor helsch gebroed aanzien. Waartoe zou dus hel schreeuwen en kermen dienen? Medelijden hebben ze toch niet, en weinig is er hun aan gelegen of we rondwandelen of hangen. We moeten ons standvastig tooneu en dan hebben ze geen kans ons te na te komen.quot;
Het meisje, door deze woorden gesteund, ging nu eenigszins bedaard, den gang weder door, cloch naar mate zij haar verlaten kamertje naderde, verzonk zij weder in dezelfde vertwijfeling en hield haar groenen sluier dicht voor haar gelaat, opdat hare tranen niet zichtbaar mochten zijn.
XL1X.
HET IVOREN KRUIS.
Na Bobs terugkeer luisterde de heer Dinsmoor met onge-meene belangstelling naar het verhaal van het voorgevallene. Hij leerde een volksklas kennen, in het hart eener groote christenstad, en Mier leven en bedrijf den rijken, aristokratischen handelaar als een nieuwe wereld werd geopenbaard. Te voren had hij al die menshen, zonder onderscheid, als verworpelingen zonder redding beschouwd; als een horde ellendige boosdoeners, door de wet gejaagd en gedoemd en ten eenenmale buiten de grenzen van alle menschelijk mededoogen zich bewegende. Door hetgeen hij thans vernomen had opmerkzaam geworden, trof hij met verbazing hoofdstandbeelden der zedelijke wereld bij hen aan, te vergelijken met koren, eikenboomen en ijzererts en vertegenwoordigd door brood, macht en kracht, die als zedelijke levenskracht der ziel in wilde grootheid aldaar heerschten.
Hij voelde zich genoopt om beter van den mensch te denken, in het oogenblik zelf, dat hij hem in zijn afgr-jselijkste gedaante leerde kennen. Al deinsde hij ook, opgevoed in de leer der uitsluiting en der rangensplitsing, voor die aanraking terug, een edeler gevoel en overtuiging tintelde in zijne aderen, toen hij, trapsgewijze en als ware het door een reeks van ontdekkingen, de inborst\' van den krantenjongen leerende kennen, leerde inzien hoe rijk gestoffeerd de kameren van dat zedelijke huis waren.
„Baren goud en ankers van metaal,
Hoopen paarlen, edel bergkoraal,
Diamanten, fraai aaneengepaard,
Lagen in zijn hart bewaard,quot;
235
in dat- onpeilbare hart, ten deele aan hem zei ven onbekend, geminacht door de wereld buiten hem, doch bekend bij den Vader der geesten en door Hem behoed.
De heer Dinsmoor had, even als anderen van zijnen stand, zich, tot dusverre, verwijderd gehouden van alle aam-aking met hetgeen hij als het uitvaagsel, het schuim der maatschappij beschouwde. Hij wist niet, en gij waarde lezer! weet misschien evenmin, hoe vaak, bij tusschenpozen, een enkele groote, reine menschelijke gewaarwording, zoodanig als waarvan Jezus, verkeerde Hij op aarde, zou zeggen; welgedaan! zich aan het licht vertoont en opspringt uit den donkeren nacht der vergetelheid en der armoede en van de kluizen der ellende, en hier en daar uitstraalt als van een reinen engel in wit gewaad, en ons oproept, die plek verder te helpen zuiveren en verlichten en herscheppen.
Eens werd er in het land een kostbare parel verloren, en., wij hielpen allen haar heinde en ver zoeken ; doch weken en maanden gingen voorbij en de parel werd niet gevonden. Op zekeren morgen bemerkte ik in mijn wandeling onzen grooten, fleren, luidruchtigen haan, die den mesthoop met zijn spoor op-krabde en er op trippelde en zijn ganschen harem en zijn krooster bij riep en kraaide en schreeuwde, als of hij in een zee van korrels baadde. Ik luisterde naar dat aangename, lamblijke gedruisch en sloeg met groote belangstelling de bedrijvigheid van den haan gade — toen ik hem eensklaps eon kluit zag opscharrelen en de aarde links en rechts doen rondvliegen en door de geweldige uitzetting zijner pooten, bijna het evenwicht verliezen, en te midden van al den modder en de zwarte aarde, waarin zij eerst verscholen lag, verscheen in vollen glans, wit en rein en fraai, de verloren parel. O, velen zijn de paarlen — paar-len van hooge waarde — die in het zedelijk slijk der Five Points en andere poelen van verdorvenheid der groote stad New-York verscholen liggen. Zal geen voet ze opscharrelen? Dat oude, zwarte moeras, the Collet genoemd, in welks omtrek de uitgevaste arme, de krachtelooze wellusteling, de gejaagde misdadiger, zich in vroeger tijd verzamelden, omdat de pestwalmen hun een veilige schuilplaats aanboden, dat moeras was slechts een beeld zijner toekomstige verlaging, een beeld van dien ganschen, donkeren, verpesten kerker, die in onze dagen geheel de ruimte heeft ingenomen.
De heer Dinsmoor stelde dadelijk zich voor woeligen Jack in den bres, zoodat zijn gevangenschap althans minder gestreng was dan dat zij anders ware geweest. Hij verkreeg zelfs toelating voor de arme Grietje op gezette tijden, en strekte zijn bemiddeling zoo ver uit, dat hij het voorstel deed van een wettig huwelijksverbond tusschen het jonge paar, een voorstel dat de arme Grietje aanhoorde niet zonder vernieuwd en on-
-236
verwacht schaamtegevoel en derhalve ook glad van de hand wees. Het meisje werd bij het vernemen van dit plan zoo verlegen en beschaamd, dal de heer Dinsmoor haar opheldering vroeg, welke Grietje hem in dier voege gaf:
»Als Jack weder op vrije voeten wordt gesteld, mijnheer, dan is het tijd daarover te spreken. Wordt hij het niet,quot; en zij hield een oogenblik op, om naar adem te snakken, »wordt hij het niet, dan, meneer, zal het wel hetzelfde voor mij wezen, want ikquot; zal \'t niet lang overleven. En dan, niet gaarne zou ik in de gevangenis trouwen, daar hij het niet noodig achtte toen hij vrij was.quot;
Deze laatste woorden werden met bedekte, beschroomde stem en een blos van schaamte door het meisje geuit.
Op dat blijk van eerlijkheid en kieschheid was de koopman niet voorbereid; doch het vervolg van zijn gesprek met Grietje gaf hem de overtuiging, dat het haar ten eenenmale onmogelijk was hare eigene gewaarwordingen behoorlijk te omkleeden, of eenigen grond er voor in hare opvoeding te vinden, zoodat hij eindelijk tot het besluit kwam, dat er een zekere aangeboren goedheid in dat meisje woonde, die slechts een verzorgende hand behoefde, om tot zedelijke ontwikkeling en glans te geraken.
L)ank der voortgezette bemiddeling van den heer Dinsmoor en der pogingen van Bob, werd het ook aan de krantenjongens toegestaan met hun ouden, geliefden kameraad dikwijls door de traliën te kunnen praten; meer dan één verblijdende bijzonderheid werd hem dan medegedeeld, en meer dan één dagblad of tijdschrift werd hem door de ijzeren staven ter lezing toegestoken, üe gevangenbewaarders morden en vloekten over de verdubbelde waakzaamheid, die zij ten gevolge daarvan moesten in het werk stellen, doch de welgemeende vriendschap der krantenjongens was zoo overerfelijk, dat zelfs die Cerberussen en jackhalzen en wolven en vossen der wet, in menschen-gedaante verpersoonlijkt, tot bedaren werden gebracht en onwillekeurig een zweem aannamen van rnensch-lievende toegevendheid, trouwens nauwelijks kenbaar.
De levensloop van woeiigen Jack bevatte bijzonderheden, die hij zelfs voor zijn boezemvriend Bob verholen had gehouden, tot welker uiteenzetting wij nu zullen schrijden. Jack was in den striksten zin des woords, een mensch, gean engel, geen heilige, niets dan een mensch, handelende, zoo goed het hem mogelijk was, in den stand, welken hem het lot hier beneden had aangewezen. Mocht ik eens het leven eens heiligen, of het dagboek van de «hemelreizenquot; eens engels schrijven, dan zou ik een gansch ander stelsel van zedelijkheid en lotgevallen volgen, dan dat hetwelk mij tot leiddraad bij deze geschiedenis strekt, die op niets meer of minder aanspraak
237
maakt, dan een echt verhaal le geven, van hetgeen de dagelijksche ondervinding van ons kortziende stervelingen ons leert.
Op zekeren morgen had Bob twee of drie uren in de cel van zijn vriend doorgebracht, die, meer dan gewoonlijk, in-gepeins verzonken scheen te zijn; dien ten gevolge trad de krantenjongen meer volledig dan hij ooit te voren had gedaan in bijzonderheden Dady betrefTende, sprak van den toestand der arme mevrouw Dinsmoor, wier leven met den dag scheen af te nemen.
»Zie Jack,quot; zeide Bob, »zij lijkt naar de leliën, die gij en ik en Sam gewoon waren in den vijver van Dirk Berry, op Brooklyn, te gaan plukken. Weet je nog, Jack, hoe die oude, gebrekkige Berry ons dan nastrompelde en met steenen gooide, en hoe wij dan in hel water sprongen, een hand vol opgrabbelden en dan liepen...quot;
■»Als duivels,quot; voltooide Jack met vuur. »Dat waren geluk-\' kige dagen. Bob, — die zijn nu over — geheel over.quot;
»De dag van morgen,quot; hernam Bob, sis naar mijn manier van denken, altijd beter dan van daag. En waarom? omdat we dan een dag verder en wijzer zijn en dichter bij \'t licht, dat we noodig hebben. Dus zoo als ik zei, die leliën stonden altijd in volle opene kelken, als of ze er op uit waren te wijzen, hoe mooi onze lieve Heer ze gemaakt had, als of \'t ze pleizier deed een ander pleizier te doen. Nou, net zoo is \'t met mevrouw Dinsmoor; ze is even ongemaakt en natuurlijk in haar schoonheid en haar goedheid, alsof \'t nies meer dan alledaagsch was. Ze houdt almachtig veel van Dady, en daar ik zie dat het haar goed doet, heb ik er nies tegen in te brengen.quot;
«Hebt ge dat kind wezenlijk lief, Bob,quot; vroeg woelige Jack met achtelooze slem, doch zijne oogen strak op den krantenjongen gevestigd
iiNaiuurlijk, Jack. Wij hebben altijd degenen lief, die ons om liefde vragen. Ik geloof, dat God ons op dezelfde manier lief heeft. WTij hebben Hem nóodig en zien naar hem op; Hij wil ons dus daarvoor betalen. Maar .lack.... nou ik er aan denk: zoudt ge me niet eens het overige van je geschiedenis hebben verteld?quot;
Jack stond op het punt te beginnen, toen de gevangenbewaarder de deur opende en zuster Agnes de cel binnentrad.
ygt;Bencdicile mens /ilius,quot; fluisterde zij, rondziende en een kruis makende. »Hebt ge mij dit gezonden, mijn zoon,quot; vroeg zij, een klein ivoren kruisje voor den dag halende, keurig bewerkt hoewel door den tijd bevlekt en kleurloos geworden.
,,Ja,quot; antwoordde Jack, »mijn vader zeide mij eens, dat ik, als mij een ongeluk mocht overkomen, dit kruisje naar het
\'238
klooster moest zenden, en dat ik dan wel iets nader zou vernemen.^
»Gij hebt wel gedaan, mijn zoon!quot; En toen hoorde zij oplettend de bijzonderheden aan van den dood van Pieter, en den ongelukkigen oploop, die er het gevolg van was.
»De zoon der gebenedijde Maria,quot; hernam de vrome zuster «stierf op eene valsche aanklachte, tusschen twee roovers. Draag het kruis geduldig, mijn zoon ! het zal u den weg tot eeuwige verheerlijking banen.quot;
sZou er geen middel van redding zijn, moeder? Wat dunkt u?quot;
»De wet is onzeker, mijn zoon; een aanklacht tegen den arme is zijn vonnis, er wordt geen acht op geslagen. Ik wenschte, jonge zoon, u op het ergst voorbereid te zien en mocht ge uwe vrijheid herkrijgen, uwe vreugde zal er te grooter om wezen; mocht gij ter dood veroordeeld worden, uwe voorbereiding zou te volmaakter zijn geweest.quot;
Zuster Agnes was in de tien jaren, sedert wij haar gezien hebben, nog Meeker en meer spookachtig geworden, doch hare stem had dien zelfden hemelval, die zelfde maat van hemelschen vrede en zuivere, onzeggelijke liefde. Hoevelen sedert dien tijd haar zorg en verpleging ook hadden ondervonden, Sam en Maria had zij niet vergeten. Zij vroeg Bob naar zijn tegenwoordige ontwerpen en levenswijze. Zij luisterde naar zijn verhaal van Imogenes ontvoering, terwijl zij hare klare oogen op den jongeling gevestigd hield.
„Ga, mijn zoon,quot; sprak zij met warmte, toen hij geëindigd had, „ga, en mogen God en zijne gebenedijde engelen u bijstaan. De stemme deed zich aan u hooren — ga en gehoorzaam.quot;
Hare wangen gloeiden van bezieling, terwijl zij aldus sprak.
„Morgenquot; vervolgde zij, »kom ik weder.quot;
Zij knielde en zeide het gebed voor degenen, die in ketenen smachten, sprengde wijwater over de cel en vertrok.
„Zij denkt als wij,quot; zeide woelige Jack, toen zij vertrokken was; »zij houdt Cosmello voor den schuldige.quot;
De gevangenbewaarder kwam Bob aanzeggen, dat aet tijd was om heen te gaan; hij volgde, na alvorens Jack beloofd te hebben den volgenden morgen terug te keeren en dan het verdere verhaal zijner lotgevallen te hooien.
L.
DE ITALIAANSCHE.
Vroeg in den morgen bevond zich Bob weder in de cel van zijn vriend. Doch hoe vroeg het ook was, Grietje was hem reeds voorgekomen met haar korfje vol linnengoed en voorraad, en de krantenjongens hadden ieder reeds een dagblad afgegeven. Grietje was minder droefgeestig dan naar gewoonte en deelde onderscheiden geschiedenisjes mede, die een nuttige afleiding gaven aan Jacks droeve overpeinzingen. Een poosje spraken de twee gelieven met bedekte stem.
„Ge zult geld noodig hebben, Grietje,\'\' zeide Jack.
„Och neen,quot; antwoordde zij, „ik heb nog genoeg.quot;
Woelige Jack vestigde een koelen, doordringenden blik op het meisje, doch Grietje ontstelde niet, zij legde hare hand in de zijne en fluisterde:
»Ge weet, dat Grietje oprecht en getrouw is, getrouw tot in den dood.quot;
»Goed meisje!quot; zeide Jack. »Maak al mijne kleederen te geld. Grietje, en mijn horologie. Ik ben blij, dat de kleine Fik dood is. Ga naar zuster Agnes, wanneer ge niets meer zult hebben om van te leven. Met ons beide is \'t op deze wereld uit; niet waar, Grietje? Als Jack heengaat zal hij te gemakkelijker sterven, wetende dat er iemand achter blijft, die hem trouw en oprecht lief had.quot;
»Neen, dat niet. Jack, dat niet,quot; snikte Grietje bitter, »uw dood zal mijn dood wezen. Niets dan sterven blijft er over voor de arme Grietje, wanneer gij weg zijt. Ik heb het goed overdacht, Jack, en ik zie dat de dood beter is dan schande en bedrog.quot;
Kort daarop ging zij heen om een boodschap voor Jack te verrichten. Toen Bob zich met Jack alleen bevond, vroeg de eerste weder zijn vriend om de geschiedenis voort te zetten,
240
die, zoo als wij in hel vorige hoofdstuk zagen, afgebroken was geworden.
»Mijn vader,quot; dus begon Jack, »kon den vloek der waarzegster maar niet uit het hoofd zetten, en om deze reden trouwde hij niet. In tateren tijd echter leerde hij een Itali-aansch meisje kennen, dat in dit werelddeel zich kwam vestigen. Hij was toen bootsman op een schip en bezat een vrij innemend uiterlijk voor een man. De kust naderende, werd het schip door onstuimig weder beloopen en twee of driemaal van de kust geslagen. Eenigen der schepelingen stierven, de kapitein lag ziek in zijn hangmat en de bemanning werd op klein rantsoen gebracht. De vader van het meisje stierf, en mijn vader, nog jong zijnde, welbespraakt en van nature eerbiedig jegens de vrouwen, behandelde haar als of ze een prinses ware geweesf. Het gevolg er van was dat ze op elkander verliefd raakten, en mijn vader bekreunde zich van toen af er luttel om of zij ooit de haven zouden bereiken. Zij werden door andere schepen gepraaid en van levensmiddelen voorzien; doch daar de kiel vol zeewormen en wier zat en langzaam zeilde, duurde de reis lang.
»Eindelijk bereikte men New-York. Alvorens op de reede ten anker te komen, verhaalde mijn vader aan Julia de geschiedenis van den vloek der waarzegster en zeide haar tevens, dat hij zich overtuigd hield, dat hij haar om deze reden niet kon huwen, dewijl hij verzekerd was dat hij den eenen dag of den anderen tot een droevig einde zou komen en bij niet gezind was haar in zijn verdof mede te slepen. Julia echter sloeg daar geen acht op; zij verklaarde, dat zij voor hem de wereld zou willen verlaten; en inderdaad, Bob, mijn vader bezat een hart, even oprecht en eerlijk als er ooit een in een boezem klopte, en ik verwonder mij geenszins, dat het meisje hem zoo vurig beminde.
»Toen de reis volbracht was, konden zij slechts steelsgewijs elkander zien, daar Julia een groote zangeres was en spoedig daarop voor het publiek verscheen, en mijn vader te veel mannelijk eergevoel bezat, om een hinderpaal op haar weg te willen zijn, hoe innig hij haar anders ook beminde. Zong zij ergens voor het publiek, dan begaf hij zich er heen, betaalde zijn entreé als ieder ander, en koos ergens een verborgen plaatsje om haar te zien en te hooren. Julia scheen altijd te weten in welke richting zij naar hem moest uitzien, en al de verliefde plaatsen barer liederen waren aan hem gericht. Tranen welden in hare oogen op en zij zong en weende met ernst en gemeend, zoodat, toen het een poosje geduurd had, de jonkertjes leerden hare oogen te volgen en zij mijn vader bemerkten, die met mond, oog en ziel aan haar geboeid was.
)gt;Zij bezocht Boston, Richmond, Charleston, al de groole
241
noordelijke en zuidelijke steden ; mijn vader volgde haar overal doch niemand wist het. Nooit, zelfs niet op de meest verwijderde wijze, liet hij blijken, dat hij die reizen deed met het oog op Julia, die om hare schoonheid en goedheid overal geacht en bemind was.
»Te Richmond werd ik, overeenkomstig eene door haar gedane gelofte, tot hem gebracht. Mijn vader had het voornemen gekoesterd mij te dooden, doch hij kon het niet van zich verkrijgen. Heel dikwijls naderhand nog vormde hij hetzelfde plan, doch hij meende in mijne oogen iets te zien. Bob, dal hem zoo weekhartig als was maakte.
»Omdat het niet in \'s menschen aard ligt,quot; hernam de krantenjongen, »\'t bloed van een menschenkind te storten; we gevoelen allen van natuur ons tot mekaar getrokken. Maar zeg me nu verder hoe ging het met je moeder?quot;
»Zij nam mijn lot veel meer ter harte dan zij het zich zelve wel verbeeld had: daar zij den vader zoo innig lief had, kon \'t wel niet anders of zij moest het kind ook beminnen. Zij zag mij echter nooit weder. Mijn vader besteedde mij bij een oude vrouw in den kost, en ik vermeen, dat hij verwachtte, dat ik daar mijn natuurlijken dood zou sterven, immers de vrees voor den vloek der waarzegster drukte zwaar op hem. Nu en dan werd ik ter schole gezonden, soms ook moest ik werken, kranten vei koopen; kort en goed, ik leidde een hard leven. De gele koorts en de cholera sleepten allen, die mij omringden, weg; ik alleen bleef volkomen gezond. Toenmaals wist ik niet dat mijne ouders nog leefden. Mijn moeder kende ik niet; ik kreeg haar nooit onder mijne oogen, omdat mijn vader, zelfs toen hij ten laatste zich aan mij te kennen gat\', mij geen middel hoegenaamd aan de hand deed, dat mij haar kon doen opsporen.
»Toen ik omstreeks tien jaar oud was, kwam een gerechtsdienaar mij op zekeren dag halen en bracht mij naar de oude gevangenis. Daar vond ik een man, die mij op zijn knie nam en tranen over mij stortte, Bob, zoo als gij het thans Grietje ziet doen. Hij drukte mij in zijne armen en snikte luid. Hij zag mij in \'t aangezicht en bemerkte, dat ik er kloek genoeg uitzag om mij een geheim te kunnen toevertrouwen.quot;
»Zoo behoort het. Jack,quot; viel de krantenjongen hem in de rede. ))Er is een kloek, mannelijk gemoed toe noodig om een geheim te kunnen bewaren. Zoo velen zijn er, die naar lekke vaten gelijken; ze krijgen niets in of het loopt er onmiddellijk weer uit. En die malooren babbelen de geheimen van een vrouw even gauw als hunne eigene uit — ja, nog gauwer, omdat ze dan er mede pronken. Maar ga voort.quot;
»Mijn vader zag dan, dat hij mij vertrouwen kon en hij vertelde mij dus al, wat ge van mij hoordet. Bob. Hij noemde
16
mij zijn kind, Bob. Zijn kind! o, \'t was een zalig woord!quot;
Tranen beletten Jack verder te gaan toen hij dit geuit had. Bob stond van zijn zetel op en liep in de cel op en neder. Beide gevoelden hoe onontbeerlijk menschelijke liefdeblijken voor den mensch zijn.
»Het is licht te begrijpen, dat een vrouw, zoo schoon als mijn moeder was, niet zonder aanbidders bleef; doch Julia beminde mijn vader te vurig dan dat zij aan de verleidelijke taal eens anderen gehoor hadde gegeven. Het gebeurde evenwel, dat een zeker jongeling van Zuid-Carolina zoo verlefd op haar werd, dat hij haar een huwelijks-aanzoek deed en niet weinig in woede ontstak, toen mijne moeder dit glad van de hand wees. Van toen aan ging hij al hare stappen na en verkreeg ten laatste de zekerheid, dat mijn vader degene was, wien zij al haar genegenheid had geschonken. Op zekeren avond verschool hij zich onder het deurgewelf van Juliaas woning en toen mijn vader er uit kwam, ontstond er een geweldige worsteling tusschen beide, waarbij de jonge zuiderling het leven verloor. Mijn vader heeft mij later plechtig verzekerd, dat hij alleen ter zelfverdediging had gevochten. Doch de uiterlijke schijn was tegen hem. Hij was afkeerig op een onderzoek naar alle bijzonderheden aan te dringen, en wel om den naam mijner moeder te sparen. Mij zeiven is dat gedeelte der geschiedenis niet zeer duidelijk,quot; vervolgde Jack peinzende, daar hij en Bob nooit in de gelegenheid waren geweest de deugden der vormenwereld en dat wat men maat-schappelijken goeden naam noemt, te leeren kennen.
»Mijn vaderquot; vervolgde Jack,quot; beval haar hem nimmer te komen opzoeken, daar zij hem in niets kon nuttig wezen — terwijl eene groote taak in deze wereld op haar rustte; deze had zij te vervullen en zij moest niet door hem haar goeden naam verliezen.quot;
»En bezocht zij hem sedert nooit weder?quot; vroeg Bob.
»Nimmer.quot;
En beide jongelingen vestigden blikken op elkander, waaruit van weêrszijden de poging sprak om het gedrag dei-moeder ieder naar zijn eigene zienswijze eenigsz;.ns te vergoelijken.
»Ik denk zij was eerzuchtig,quot; vervolgde Jack, gt;;en dat het geld, hetwelk zij ontving en de bijval dien zij oogstte, haar ongevoelig maakten. Doch mijn vader stierf in hel vaste geloof, dat zij alleen dus handelde uit gehoorzaamheid aan zijn wil. Hij stierf, haar beminnende, en op haar vertrouwende tot den laatslen snik.
»Nooit had hij mij ook zijn wezenlijken naam gezegd, bewerende, dat het beier voor mij ware, dien niet te weten. Wat mijn moeder betreft, ook te haren aanzien had hij mij geen
243
teeken hoegenaamd gegeven, waardoor ik ten eeuwigen dage haar persoon niet zou kunnen ontdekken. Hij beval mij dit ivoren kruis naar het klooster te zenden, ingeval mij eenig ongeluk trof, en dan zouden, de zusters zorgen dat. mij de troost der christelijke kerk niet onthouden werd. Verder beloonde hij zich uiterst liefderijk jegens mij; hij weende en beklaagde mij omdat hij niet beter zorg voor mij gedragen had. Hij zeide, dat hij zijn gansch leven had verspeeld — en het verlaten had ten gevolge van den vloek der waarzegster.quot;
»En je hadt zooveel, dat je drukte, Jack,quot; verweet Bob, »en spraakt er nooit over. Nou, dan mag ik gerust zeggen, Jack, dat er iets in uw binnenst huist, dat goud waard is, Jack. \'k Zou ook zoo gedaan hebben; maar van jou. Jack, zou \'k \'t niet gedacht hebben. Jack, en waarom? omdat jou aard niet zoo nauwlettend en niet zoo werkzaam is als de mijne.quot;
))Ik genoot het leven. Bob, ik genoot het leven. Toen ik wist hoe \'t met mij geschapen stond en wat mijn eind zou wezen, gaf ik me maar blindelings er aan over. Ik ging varen en rijden en wandelen en deed me te goed, nu zus, dan zoo. Naar regels van deugd was ik niet groot gebracht, maar ik was in \'t wilde opgegroeid, hier, daar, overal, en dus ging ik voort, zonder dat men mij ooit den rechten weg gewezen had. Grietje sloot zich bij mij aan en ik wilde \'t, bekennen, het spijt mij in de ziel.\'\'
»We weten niets, Jack,quot; hernam Bob. «Grietje kan naar haar wijze van zien te werk gaan en \'t ware beter dat zij uit liefde tot u stierf, dan een leven te voeren, waartoe zij zeker zal vervallen als zij u mist.quot;
De wachthebbende gerechtsdienaar opende de deur der cel; een andere bezoeker werd binnengelaten.
er ir-
et ar ;e-
in
;le
e-
at 2n
16*
LI.
DE NON.
Na het binnentreden van den vreemdeling nam Bob afscheid van zijn vriend, meenende, dat hunne wederzijdsche mededee-lingen voor beide, als zij alleen waren, meer vrij zouden wezen, dan in tegenwoordigheid van een derde. De nieuw aangekomene was een vrouw van langere gestalte dan zuster Agnes, doch in het gewone gewaad der zusters van liefdadigheid gekleed zijnde, bleek dit niet onmiddellijk. Zij zette zich zoo ver mogelijk van den gevangene af, en sloeg hem zwijgend gade.
»Gij zondt het kruis — wat wenscht gij, mijn zoon?quot; zeide eindelijk de zuster met een bedekte, bevende stem.
»Ik weet te nauwernood, moeder, wat ik wensch; maar ik ben zoo goed als een stervende, en gaarne zag ik mij in iemands hart en gebeden opgenomen.quot;
Be vrouw weende in stilte een poosje en hernam toen:
»Hoe is het u op aarde gegaan, mijn zoon? Hebt gij hier geleden of waart gij gelukkig?quot;
«Beide moeder, beide. Maar altijd voelde ik iets in me, als of ik ergens benoorde te zijn, waar ik niet kon komen; altijd verlangde ik naar iets beters dan ik vond.quot;
»En toen hebt gij u der zonde in de armen geworpen, en zijt de medgezel der verworpelingen, de vriend en volgeling van dieven, de medestander van verkwisters, ketters en boosdoeners geworden.quot;
„Zoo erg niet, moedei-, zoo erg niet; Bob zal het getuigen en Bob is mijn eenige vriend, ik heb naar mijn best weten geleefd. Wat ik wist dat onrecht was, deed ik nooit; maar iets, moeder, leerde ik te laat inzien.quot;
En tranen weldèn in zijne oogen op.
245
De vrouw schreide overluid.
«Hebt ge ook een groote zonde begaan, mijn zoon\'? Zijt ge aan de misdaad schuldig, u nu ten laste gelegd?quot;
»Neen, zoo waar helpe mij God!quot; antwoordde de jongeling. gt;Maar daarover bekommer ik mij niet meer, moeder. Het is net als of eeuwig een vloek op mij had gerust: wat ik begeerde kon ik niet hebben, en nu wil ik sterven. Woelige •Jack heeft een woest leven geleid; maar hij had een grievend leed, dat aan zijn hart knaagde en nu, daar zijn einde nabij is, begroet hij den dood als een zaligen verlosser. Ik ben het worstelen moede.quot;
«En toch vernam ik, dat gij zelfs hier, in dezen kerker, gemeenschap hieldt met iemand onzer zwakkere kunne.quot;
«Ach! moeder, hoe kon ik leeren wat de wijzen, de rijken en de hoogvereerden alleen weten? Hoe kon ik het, levende zoo als ik deed, zonder huis of dak? Bemind door wezens, even arm en nog onwetender dan ik — hoe kon ik iets weten van de zeden van hen, die de armen, de zuchtenden, de eilendigen slechts met verachting beschouwen?quot;
»Maar waarom is die Grietje zoo onbeschaamd in hare zeilelooze neigingen?quot;
Jack zweeg.
«Spreek, mijn zoon,quot; hervatte zij; 3gt;ik wensch uwe geheime gedachten te kennen.quot;
»Grietje is opgevoed als ik, onbemind, zonder verzorging of hoede. Beide waren we welgemaakt. Beide werden we van meer dan eene zijde in verzoeking gebracht, Grietje weet minder dan ik; doch jaren geleden, toen we naast elkander aan den hoekpaal zaten en een korst droog brood nuttigden, leerden we in onze armoede aan elkander gehecht zijn; we leiden onze hoofden op den kouden grond en sliepen, terwijl de afschuwelijke zwelgpartijen daar binnen de muren ons deden walgen. Bij ruw weder vreesde de arme Grietje haar huis binnen te treden, en onwillekeurig zag zij naar mij om bescherming uit. Menigmaal was ik dan ook haar redder. En zij kreeg mij lief.quot;
»Maar wat vermag de liefde van een schepsel als dit? vroeg de non gramstorig.
»Moeder,quot; hervatte Jack, „als Grietje honger had gaf ik haar brood; wanneer wij beide, twee wezens rillende van de kou, op het voetpad zaten, te jong om ons het leven, dat wij voor ons zagen, te kunnen verklaren, leide Grietje haar hoofd op mijn schouder en sliep in. Ontwaakte zij, dan lei ik mijn hoofd op haar schoot, en ik sliep op mijne beurt, En waarom niet? Door de gansche wereld om ons heen veracht, vertrapt, zag ik hier een wezen voor mij, even hulpeloos als ik en dat mij beminde. Waarom haar niet die liefde vergolden ?
246
Onze ouders hadden ons verstoeten, wie zou ons troosten ?quot;
ïgt;Stil mijn zoon, stil!quot; antwoordde de non. „Gij kunt de beweegredenen van anderen niet weten. Het is geen lichte taak zich aan de verachting der wereld bloot te Stellen.quot;
„Dat weet ik, moeder, doch waar liefde in het hart huist, zal zij zich doen gelden, al blijft de tong ook sprakeloos. Liefde in het hart doet ons de wereld en haar zwetsen verachten. De dood wordt als niets beschouwd, als men iemands kind kan redden.quot;
„Gij weet niet, mijn zoon, gij weet niet hoezeer een hooggeplaatst hart de verachting en den spot der wereld ducht.quot;
„Het hart zóó trotsch,quot; antwoordde de jongeling, „zal dan ook te trotsch voor de liefde wezen. Zulk een hart veracht ieder voorwerp van liefde.quot;
»Wel mogelijk,quot; zeide de vrouw peinzende, ))hoe onrechtvaardig het ook zij, gij veracht dus Grietje!quot;
«Neen, nimmer! Zij had een vroolijk, liefderijk hart, tot dat zij mij lief kreeg; en nu zal zij uithongeren, zij zal sterven, maar getrouw zal Grietje zijn, getrouw tot aan haar laatsten snik. Hoe vele rijke dames, van goeden naam, zijn er wel, die een kuisch leven zouden blijven voeren, zoo als Grietje zal doen, en honger, koude, gebrek en ellende verduren? Ja, moeder, ik bemin haar, want zij is braver dan die mij het leven schonk en mij aan onwetendheid en dood prijs gaf.quot;
»Kind! mijn kind!quot; gilde de vrouw, zijne armen omklemmende, »vloek mij niet! Ach!.....Kind, uwe woorden zijn
dolken! Ik ben de oorzaak van al uw lijden geweest.quot;
De arme Jack deinsde voor hare aanraking terug, Zij zag het, en hief hare handen smeekende omhoog.
»Leven van mijn leven!quot; gilde zij nogmaals, »stoot mij niet van u! Vergeving! vergeving! ik ben ellendiger dan gij!quot;
Nog hield Jack zich afgekeerd.
»Ach! mijn kind, mijn boete kwam te laat. Een noodlottig toovernet lag over ons allen gespreid. Mijn hart was niet sterk genoeg om den last te dragen, dien het opgelegd was. Kunt gij uwe moeder vergeven. Jack?quot;
»Ik denk aan den tijd,quot; hernam de jongeling, »toen ik op den harden grond sliep, in plaats van aan de borst eener moeder te rusten. O! hoe gelukkig had ik kunnen zijn!quot; snikte de arme Jack en hield zich aan de traliën zijner gevangenis vast, om niet neêr te zinken.
gt;Vergeef mij, arm kind!quot;
»Ik denk aan den tijd toen ik van de eene plaats naar de andere werd geschopt, toen ik gekneusd daar lag te kermen en geen moeder had, die zich mijner aannam.quot;
»Arm verlaten kind, en m ij n kind.
247
«Ik denk aan den tijd loen ik naar onderricht snakte, toen ik poogde te weten wat recht is, en geen moeder het boek des levens voor mijn jong gemoed openlei.quot;
«Houd op! ... ach, houd op!quot;
Jack, nog altijd zich aan de ijzeren staven klemmende, hield zijn blik afgewend en naar de wijde ruimte gericht.
»01quot; vervolgde hij, sik denk aan den tijd toen het lijden, de wroeging en foltering aan mijn jong hart knaagden en een doffe stem mij tot bidden aanspoorde, tot het zoeken naar den Ongeziene, en geen moeder mij bidden had geleerd. O, moeder, moeder! God richte tusschen ons beide!quot;
En hij bedekte zijn aangezicht met beide handen. De vrouw, door haar gevoel overstelpt, zeeg ter aarde.
«Moeder,\'\' vervolgde de jongeling, »had gij met een moederhart bemind, ge zoudt het wezen, dat u het levenslicht verschuldigd is hebben behoed. Ach, moeder!quot; en bij deze woorden wierp hij zich naast haar op den grond, »de liefde van uw armen zoon zou u meer waard zijn geweest dan die eener gansche wereld. Aan uw schoot staande, zou hij bij u hebben geleerd en u zoo lief hebben gehad, zoo vereerd hebben, dat gij de wereld in uw kind zoudt hebben vergeten. Dan zou ik dien ontzeitenden vloek onder de oogen hebben getreden en geworden zijn, waartoe ik op aarde geplaatst was, en niet een ellendige verworpeling als ik ben.quot;
»Kunt gij mij niet vergeven, mijn zoon? Onze driften verblinden ons; zij maken ons doof en stom en wanneer de kalme dagen van het nadenken komen, o, dan zijn zij ons een geesel, die ons tot razernij toe foltert. Ik heb gezondigd, vergeef mij. Ik heb getreurd, erbarm u mijner. Ik beminde u altoos, zelfs toen ik, zoo als jaren geleden het geval was, waande dat uw kinderlijke asch in den wind verstoven was. Toen treurde ik in stilte over u en ook de kerk zond gebeden voor u hemelwaarts, want nog een pasgeboren kind,.werdt gij gedoopt.,\'
»Werd ik gedoopt, moeder! Ach! droegt gij zoo veel zorg nog voor den armen Jack?quot;
De vrouw kuste bevestigend zijne handen.
«En ge hebt voor mij gebeden, moeder, als ik in het middernachtsuur onder den blooten hemel verbaasd naar de sterren opzag en mij zeiven afvroeg, waarom toch een zoo arme vondeling op de wereld was geplaatst — toen, moeder, hebt ge, in de stilte vau uw hart, voor mij gebeden?quot;
«God is mijn getuige, dat ik nacht en dag voor u bad.\'quot;
„Gezegend dan , gezegend zijt ge,quot; riep de jongeling uit, zich aan hare voeten werpende. »En gij noemdet mij kind, uw kind! O, zeg het nog eens; zoo vaak in mijn leven heb ik getracht mij voor te stellen hoe het moest tmaken een woord van liefde te ontmoeten.quot;
De non sloeg hai-e armen om zijn hals, hield het kruis aan zijne lippen en kuste het op hare beurt, en moeder en zoon weenden te zamen.
«Herinnert ge u,quot; dus vervolgde zij, »dat eens een zangeres op het tooneel in zwijm viel? Na den ijselijken dood van uw vader hield ik mij zoo goed mogelijk staande, en u heb ik voor dood gehouden tot dat het ivoren kruis mij werd gebracht. Dat kleine beeldje is door den paus gezegend. Het ivoor werd door Ignatius zeiven uit Afrika gebracht, en eeuwen lang door de monniken bewaard. Mijn moeder was bijna een heilige en zij kreeg dit kruis ten geschenke, uithoofde harer geboorte en om de heiligheid barer levenswijze. Ik gaf het uwen vader als het heiligste pand, dat ons onderling tot waarborg kon dienen. Ik wist dat hij geen katholiek was, doch ook dat het met hem begraven zou worden, tenzij hij \'t tot een ander einde bestemde; en dus, toen het naar bet klooster werd gezonden, was mijn eerste werk dengene op te sporen, in wiens handen het gevallen was en ik vermoedde de waar-beid nog voor dat mij uws vaders wezentrekken uit uw gelaat zichtbaar werden.
»Doch ik sprak van den avond toen ik in zwijm viel. Ik zong Norma. Het zielverscheurend wee der moeder vond weêrklank in mijn eigen hart. Onder liet zingen stortte ik tranen, toen mijne oogen aan uw jeugdig gelaat geboeid bleven, waarin een zoo treffende gelijkenis zich weerkaatste met dat uws vaders en met het mijne, en als mijn spiegel in jonger jaren het weêrgaf. Ik voelde dat het mijn kind was, dat daar ginds met een zoo innige belangstelling zijne oogen op mij gevestigd hield. Ik worstelde om mijn gevoel te onderdrukken, zooals ik reeds duizendmaal te voren had gedaan. Ik beproefde mij tot een andere rol te verpersoonlijken, terwijl mijn eigen zuchtend hart in dien oogenblik door foltering vaneen gereten werd. Uren aan uren na middernacht zat ik soms met het doode aangezicht van mijnschoonen—van mijn beminden vriend voor mij. Uur aan uur hield nog het geraas daarbuiten in de wereldstad aan, ja, men was er reeds te ruste gegamp;an en nog staarde ik. Ach, goede God! ik verloor mijne zinnen niet, want gedurig was \'t als of een geheime stem mij toefluistei\'de: »»Wees bedaard, zwijg, gij hebt, den kelk nog niet geledigd.\'quot;\'
De non had onder het uiten dezer woorden haar hoofd op dat baars zoons gelegd en zij schreiden te zamen.
Toen mijn vader begraven was,quot; hervatte de jongeling, gt;zeide men mij dat hij een fatsoenlijke begrafenis zou hebben; ik begreep toenmaals die woorden niet.quot;
sVor mijn geld kocht ik bet lijk en tevens het zwijgen; en in dien nacht toen alles sliep, werden plechtige missen voor
249
de rust des dooden gezongen en ik verkreeg een graf, door plechtige christengebeden geheiligd.quot;
»Den hemel zij dank,quot; riep de jongeling uit. »Zeg mij alles wat iic weten moet,quot; smeekte hij verder.
Toen alles voorbij was,quot; vervolgde de non »en ik mij alleen op de wereld zag, betrad ik weder het tooneel; doch weg waren zielskracht en eerzucht — en de bijvalsbetuigingen der menschen waren nu wanklanken in mijne ooren. Aan mijn hart ontbrak de hefboom en nochtans vond ik nog eenige verlichting in mijn kunst zelve^ want zij verschafte mij de gelegenheid mij geheel over te geven aan een hartzeer zoo wild en hartstochtelijk, dat het vreemde harten deed trillen en ijzen, die het als het toppunt der kunst beschouwden, terwijl het niet anders dan de zuivere stem der natuur zelve was. Toen zag ik u. Ik wist dat gij mijn kind waart. Ik beproefde verder te gaan. Ik rekende op die deugd der volharding, die mij reeds in duizend beproevingen had gesteund. Het hielp niet. Ik had het keerpunt der zielskracht bereikt en de terugwerking moest verplettererd zijn. Ik werd bewusteloos van het tooneel gedragen om er nooit weder te verschijnen.quot;
»Deedt ge niet een poging mij weder te zien, mij te vinden ?quot; vroeg de jongeling.
»Ik loofde een aanzienlijke som gelds daartoe uit, liet in alle richtingen nasporingen naar u doen; — alles te vergeefs. In „ hel middernachtelijke uur sloop ik mijn woning uit, in de kleederen eener arme vrouw, hopende u te vinden. En nu vind ik u hier — hier in deze gevangenis-cel, met het teeken Kaïns op uw voorhoofd — dat hoofd, zoo gelijkende aan het zijne!\'quot;
En zij kuste het, terwijl tranen uit hare oogen rolden.
«Moeder!quot; hernam Jack, smoeder, denk aan ons allen; bedenk wat er had kunnen wezen en niet is geweest. Denk aan onze ellende; denk aan den wreeden dood, dien wij allen sterven, en nochtans allen in ons binnenste onschuldig aan den moord. Is God dan wel een goedertieren wezen?
«Betwijfel het niet, mijn zoon. Zonder geloof aan God, zouden wij, in den druk der ellende, verbijsterd van zinnen raken. Het levensgewaad is een weefsel van goed en kwaad. Laat mij u, hoe spade ook, nog onderwerping aan Gods wil leeren; ook ik leerde die kennen. Sla ik mijne blikken achterwaarts, dan zie ik wat al vermeden had kunnen worden; dan zie ik dat die nootlottige voorwetenschap, die mijn en uws vaders leven op iedere schrede verzelde, door vertrouwen op God onderdrukt had kunnen worden, en dan zouden we gered zijn geweest. Doch toen mocht het niet anders zijn.quot;
»Maar uw kind — hem, in het verderf te storten?quot;
250
»0! .... dat was ons misdrijf. Die ijselijke voorspelling, eenmaal reeds zoo vreeselijk vervuld, grijnsde ons in alle omstandigheden onzes levens tegen. In onze verblinding, in onze zwakheid, achten wij het noodig den dood te verkiezen boven de luim des toevals. Uw vader, vredelievend, godvruchtig, gemoedelijk, liep weinig gevaar voor een zoodanig einde ; doch een kind uit ons gesproten kon licht zijn ouders den dolk in het hart boren, en daarom moest het of omkomen of aan een vergeten, duisteren stand worden pi\'ijsgegeven. Nooit zeide hij mij wat er van u werd; evenmin durfde ik hem er naar vragen. Eenmaal slechts was het mij vergund u aan mijn hart te drukken, u met het levenwekkend water van den heiligen doop te zien besprenkelen en toen — moest ik u voor eeuwig derven. Doch dien enkelen keer dat ik u aan mijn hart mocht drukken, was voor mij een oogenblik van zalig, onvergetelijk genot. Jarenlang bleef het mij nog bij, en toen wilde ik mij aan uwe voeten gaan werpen, vergiffenis af-smeeken voor ons zeiven en zegen over uw hoofd.quot;
Jack zeeg aan hare kniên neder.
»Moeder!quot; was alles wat hij vermocht te uiten.
De non drukte hem in hare armen.
«Kind, mijn kind!quot; riep zij uit, »zeg dat gij mij lief hebt, dat gij mij vergeeft, dat uw bloed niet over mij komt.quot;
»Thans, moeder! wenschte ik te leven. O! thans doet de j^dood mij ijzen, thans daar ik u weergevonden heb. Red mij, moeder!quot;
En zijn stem versmoorde in snikken. Diezelfde zwakheid, dat zelfde hangen aan het leven, die eens den Claudio van Shakespeare zoo verheven welsprekend in zijn bloohartigheid maakte, had nu den krantenjongen overstelpt.
De kerkerknecht, steeds op tijd en uur passende, en een slaaf van de orde der gevangenis, verscheen in dit oogenblik, om moeder en zoon te berichten dat het onderhoud moest eindigen. Hij scheen verbaasd over de ontroering, waaraan beide ter prooi bleken te zijn, doch de non zette zich weder overeind, maakte het teeken des kruizes op Jacks voorhoofd en zeide hem vaarwel, na hem beloofd te hebben spoedig terug ie keeren.
LIL
TANTE li E B E K K A.
Middelerwijl had er eenige wijziging in het gezin van den heer Dinsmoor plaats gehad. Een tijd lang had Fanny uit de tegenwoordigheid van Dady nog een sprankje levensgloed geput; doch langzamerhand keerde het. bewustzijn van haar noodlottig verlies met al zijn moordende kracht terug, en het Lleek dat hare gezondheid onherstelbaar ondermijnd was.
De heer Dinsmoor had tot verzorging zijner huishouding een oude, ongehuwde moei tot zich genomen, nadat deze een tal van voorwaarden en bedingen had gesteld. »Het was,\'\' zei ze, »een schikking der Voorzienigheid, dat zij zulk een poel van verderf, zulk een Sodom van zedeloosheid, als New-York is, zou bezoeken; nochtans, uit eerbied voor een lid van het huisgezin, waarover God ongetwijfeld de roede geheven hield, tot straf van zijn overmoed en buitensporigheid, had zij, met levensgevaar om dus te zeggen, zich op weg begeven om het ergste te trotseeren.quot;
En dus ging tante Rebekka bij al hare vrienden en buren rond en zette hun de omstandigheden van haar pijnlijke roeping uiteen. Bij ieder bracht zij een langen achtermiddag door en eerst wanneer zij haar brei-koker behoorlijk op zijde had gestoken en er de naald in had en haar buurtje ook met haar handwerk gereed zat, ontsloot zij haar mond, om de redenen van de op handen zijnde verplaatsing te ontvouwen. En dus ging zij van huis tot huis en talloos waren de ijselijke veronderstellingen, hier en daar ten aanzien van het vermoedelijke lot der kleine Imogene geopperd. Sommigen dachten dat men haar bij levenden lijve, zooals de kinderroover Burke deed, aan een docter ter ontleding verkocht had; anderen meenden dat het meisje, misschien wel op eens in hare hersens
252
gekrenkt, ontvlucht was. Doch andere en nog vreeselijker verdenkingen werde niet luide verkondigd, maar in.stil gefluister behandeld, terwijl het niet aan aanhalingen en voorbeelden van dergelijken aard ontbrak, die iedere vertelster uit bare eigene geschiedenis putte.
Eindelijk had tante Eebekka al hare afscheids-theevisites afgelegd en onderscheiden paren gebreide kousen al keuvelende in het leven geroepen. Ter kerke werden behoorlijk gebeden opgezonden, voor »een zuster, tot het doen eener lange en gevaarlijke reize bestemd — dat zij mocht, worden bewaard voor iedere beproeving, en worden versterkt en gesteund in, den moedigen strijd en in alle beproevingen des tegenspoeds, amen 1quot;
De dag der afreize was daar en na een rit van eenige mijlen met een gewoon voertuig, bevond tante Rebekka zich aan het stationsgebouw van den spoorweg. Een aantal buren had baar uitgeleide gedaan, en voor verschillende voorwerpen, zoowel tot nut als vermaak dienende, gezorgd en die te zamen het wezenlijke geheel vormen van de bagaadje eener oude vrijster. Voegen wij er nog uit waarheidsliefde bij, dat men zich geen eerbiedwaarder voorkomen kan denken dan dat van tante Rebekka, toen zij zich, voor de eerste maal in haar leven, aan het portier van den waggon vertoonde.
Hare slanke, rechtstandige gestalte was gehuld in een japon van mousseline de laine met moesjes, zeer eerbaar hoog aan den hals uitgesneden, alwaar een wit linnen halskraagje ieder duimpje huid en been, hetwelk men kon vermoeden in dien omtrek te huizen, zorgvuldig bedekte en verborg. Een langwerpige zwarte haarspeld, een vouw van den doek met een vlecht zwart haar te zamen houdende, verzekerde de trouwe verkleefdheid van den halskraag. Een groote ochtendmuts, zedig-lijk met een groen lint opgemaakt en een eenigszins breede groenzijden kap, om de reizende persone nog meer te verschuilen, bedekten haar hoofd; en, als ware dit nog niet voldoende, werd haar maagdelijk schoon bovendien nog beschut dooreen breeden groenen sluier van harrège, zorgvuldig vastgehecht, met een groen koordje, dat onder de plooien van hex bovengenoemde groene lint zich verloor.
De japon, die tante Rebekka droeg, had op verre na de lengte niet, op Brnadway in zwang; integendeel, zij daalde niet lager dan tot eenige duim boven hare enkels af, waardoor hat gewaad te eenenmale gevrijwaard was voor alle aanraking met het stof gedurende haar overtocht. Een paar zwart marokijnen schoenen mei zwarte linten, wier strikken in volle breedte uitgelegd waren, en zwarte, eigengebreide kousen, voltooiden bet gewaad der benedenste deelen. De eng dicht geknoopte mouwen van baar japon eindigden in twee wit linnen, zeer proper naar beneden gevouwen handboordjes.
■253
Tante Bebekka had voor de behoorlijke berging harer iloozen en pakjes gezorgd, doch wat zij aan geen vreemde handen wilde toevertrouwen, maar onder eigene bijzondere bewaring houden, was haar werkkistje, haar parapluie, een groote tapijten reis-tasch, een tweeden omslagdoek en De rust der Ihiliyeu, door Baxter, welk boek haar de eenzame uren van den overtocht, moest helpen verkorten en daarom zorgvuldig in een hagel-witten doek was gewikkeld, uit welks einden de bladen van het boek en de steel van een kleinen zwarten waaier stak.
Nu regende het afscheidsgroeten, heen en weder gegeven, en teedere woorden, raadgevingen en vermaningen voor de reis; velen waren de kussen op de lippen der eerbare oude vrijster gedrukt, die na iedere omhelzing zeer zorgvuldig haar mond met den doek afveegde, die het heilige boek en den waaier omwikkelde.
Jn het oogenblik toen het bekende lluiije lot afrijden werd gegeven, naderde de goede juffrouw Douder, een klein wijfje, dat het zwak had doorgaans aan alles wat laat te denken, het portier, en ontrolde zeer onverwachts een wijd linnen toga, bestemd om tante Rebekka met inbegrip harer kleederen voor het stof en de asch van den weg te beschutten. Welk een verrassing! welk een voorbehoedmiddel! dooi\' al de andere geheel over \'t hoofd gezien; welk een triomf voor de edelaardige jufvrouw Douder! dié, niet te vreden met het aanbieden van het nuttige dekkleed, den waggon binnentrad op het gevaar af in de vaart medegevoerd te worden, en dit alleen met het doel om het gewaad aan den hals en de polsen der eerbare tante Rebekka zelve vast te knoopen.
Het kleine wijfje had nauwelijks den tijd haar edele taak te voleindigen en nog een laatsten kus op de lippen der vertrekkende te drukken, toen de trein in beweging kwam en zij met haar vol gewicht zich nederstortte in de armen harer vriendinnen, buiten op het perron bijeen. Toen was er een wuiven met zakdoeken, laatste afscheidsgroeten, handkussen, vaarwel-geroep, te midden van welke tante Rebekka in haar voile rijzige gestalte daar stond, met het zoo even omschreven omhulsel gedekt, op \'t voordeeligst gedrapeerd. Baxter\'s heiligenboek was ongemerkt op den vloer getuimeld, de waaier lag er naast, terwijl zij den groeten witten zakdoek in zijne volle uitgebreidheid had ontplooid en dien als een vredebanier buiten het venster van den waggon liet wapperen.
Tante Rebekka ondervond velerlei gevaren op den weg, doch geen van alle bleek ernstig te zijn. Het fluitje gaf herhaalde reizen zulk een schril geluid, dat er ongetwijfeld een dreigend gevaar op handen moest zijn. Dan kneep tante Rebekka hare oogen dicht en zeide in haar zelve een hartgrondig gebed.
254
Naar mate zij zich echter meer van de plaats harer inwoning, verwijderde en zich steeds gezond van üjf en leden zag, in weerwil dat zooveel »duizende arme, minder zondige schepsels dan zij, zonder er \'t minst op verdacht te zijn, de eeuwigheid ingingen,quot; keerden haar moed en haar vertrouwen terug.
Ik haal hier de eigene woorden van tante Rebekka aan en het komt mij voor dat de uitdrukking * minder zondig dan zijquot; is een soort van geijkten rechtzinnigen uitroep, een redekunstige figuur, niet ernstig gemeend noch van bepaalde heteekenis voor den geest; immers voor zooverre tante Rebekka betrof, was er nooit »een zuigeling in de armen zijner voedsterquot;\' minder argeloos, minder vrij van eenige zonde dan zij. Als gij tante Rebekka daar voor u zaagt, hare groote oogen vol van verbazing openspalkende terwijl zij uil- en omzag, met wangetjes zoo glad en hard als die van een kind, met hoofdhaar, waarin hier en daar reeds een grijs spiertje nestelde, zoo zacht en glad aan weêrszijden van haar voorhoofd gekamd en tot een forsche vlecht van achteren vereenigd, waar het tot den hardst mogelijken knot of dot samengeperst was: — waarlijk, ge hadt oogenblikkelijk verklaard; dat geen lam ooit onnoozeler of onschuldiger was dan tante Rebekka.
Tusschen Roston en Providence kwam tante Rebekka in gezelschap van een bleek, verstandig uitziend man, die op bedaarden, nederigen toon haar vroeg of zij hem vergunde naast haar plaats te nemen; daarvan was zij alles behalve afkeerig, en toen hij het heiligen-boek van Raxter had in de hand genomen en onder het doorbladeren met. een diepen zucht zeide: »Een overheerlijk werk, mevrouw, en ik twijfel er niet aan of velen, die thans de liederen van het Lam zingen, zouden zonder dit boek in diepe duisternisse rondtasten,quot; toen had hij het hart van tante Rebekka ten eenemale veroverd. Zij keerde hare opene groote oogen geheel naar hem met een uitdrukking van godvruchtige bewondering, die alleen in een maagdelijk vijf-en-vijftigjarig gemoed kan opwellen.
Toen trad de man in beschouwingen over den »godsdien-stigen toestandquot; in verschillende graden, sprak van den »in den nacht dolenden heiden,quot; van de ^duizenden eilanden in zonde -verzuchtende;quot; zoodat tante Rebekka tot de vaste overtuiging kwam, dat zij den een of anderen grooten zendeling naast zich had. Rij een halt slapte hij even uit en kocht een stuk zwamkoek en een paar gebraden appelen. Een dezer laatslen bij den steel vattende, uit vreeze de vrucht met zijne vingers in aanraking te brengen, schilde hij dien, alles ver-zeld van zekere vrome, ootmoedige houding en geboren en bood toen den appel der aanminnige tante aan, die het geschenk met een voor haar gansch onbekend en onverwacht, ge-
255
noegen aannam en met een blos — zoo meisjesachtig als immer mogelijk!
Na eene korte poos vroeg de uitstekende jonkman haar op vriendelijke, broederlijke wijze, waar de reis naar toe moest en drukte de hope uit, dat. de Heere haar gids en alomtegenwoordige bijstand moge wezen. Tante R.ebekka sloot hare oogen, bad in haar binnenste voor het heil des jonkmans en begon toen de geschiedenis te verhalen van neef George, dien een verschrikkelijke slag had getroffen enz., en weidde toen nit in een onafzienbaar veld over het stuk der dispensatiën en verzorgingen, op echt vrome, stichtelijke wijze.
De man neigde zijn hoofd naar de eene zijde en luisterde als iemand, die zich het lot der goede zielen aanneemt, alleen vermag te luisteren; doch toen de verhaalster, in den loop barer rede .warmer wordende, voortging met de eene autoriteit na de andere aan te halen, de tegenstrijdigheden in Daniels karakter, die, ondanks deze, toch de man naar Gods hart werd genoemd; de geschiedenis van Hiob, die steeds in zijn godsvrucht volhardde; de vlucht van Jonas, opdat hij aan de verkondiging der waarheid mocht ontsnappen; de valsche profeten, op den weg verslagen; het lot van Nathaniel en Ahiram enz., allen in het heldere daglicht gesteld om eenige voor den, geest des hoorders niet zeer duidelijke punten te verklaren, verried de goedaardige, onschuldige vrouw een verrassende bekendheid met de voorschriften der zedekunde niet alleen, maar tevens een niet minder verrassende vertrouwdheid met denkbeeldige, uit de boeken opgezamelde misdrijven, welke al licht hadden kunnen doen vermoeden, dat die verbeeldingskracht op paden doolde, wel wat bevreemdend in een oude vrijster van hare jaren. Doch zoo dergelijke overwegingen in het gemoed van haar reisgenoot oprezen, dan deed hij haar zeer onrecht, want. tante Rebekka was vreemd aan eenig duidelijk denkbeeld hoegenaamd eener bepaalde zonde. Haar ziel was zoo blank als die eener vestaalsche priesteres, ja, blanker, want al wat tante Rebekka van het kwaad wist, was • uit de boeken, en al de vermaningen tot vermijding van het kwade van den kansel verkondigd, gingen over haar hoofd heen, als het zoele zuidewindje over een bed van viooltjes, als een heilzame opwekking, die den reinen geest to ?roept: waak en bid!
Eindelijk landde tante Rebekka, na haar lange ontdekkings-reize in de sferen van het afgetrokkene, in de haven van het ondermaansche weder aan en toen, de mogelijke oorzaken van het ongeluk dat haar neef overkomen was ter nadere oplossing aan andere bovennatuurlijke machten overlatende, bepaalde zij zich bij het uiteenzetten der naakte feiten.
De man luisterde met blijkbare belangstelling toe, terwijl
256
zij van de kleine Imogene sprak, die, zeide zij, voor \'t minst, het Leste en schoonste kind was, dat ooit bestaan had. Fanny, haar moeder, was een onnoozel vrouwtje en wei had het haar altoos verwonderd, hoe haar neef George daarop had kunnen verliefd raken ; doch ieder zijn smaak en bovendien was neet George altoos zoo een weinigje zijn eigen weg gegaan. Doch toen zij verder in den loop des verbaals van den heer Dins-moor sprak en de plaatselijke gesteldheid van zijn huis beschreef, scheen de belangstelling cies vreemdelings hooger en hooger te stijgen.
,.Ik heb van de ontvoering van een kind gehoord, geheel zooals gij \'t beschrijftquot;, hernam hij; „doch weinig kon ik denken, dat mij ooit het geluk zou te beurt vallen, iemand op mijn weg te oritmoeten, zoo nauw aan dat engeltje verbonden. Zeg mij, als ik u bidden mag, op wat wijze de arme ouders die verschrikkelijke berooving dragen, ijselijker dan de dood zelf voor het gevoelig ouderhart.quot;
Tante R.ebekka gaf vol bewondering gehoor aan dit verlangen en schilderde toen eenvoudig en gevoelvol het hartzeer van den edelaardigen vader, en de zoo wel zedelijke als lichamelijke verplettering der arme moeder; en terwijl zij sprak hield zij den kleinen zwarten waaier voor haar maagdelijken boezem, om in de verborgen plooien aldaar iets te zoeken; inderdaad haalde zij een eigenhandigen brief van den heer Dinsmoor te voorschijn, waarin hij haar schreef tot hem over te komen, zelfs het naschrift niet vergetende, luidende als volgt: sik voeg hierbij honderd dollars voor reiskosten, in kleine bankbriefjes om u de moeite van het wisselen te besparen.\'\'
»Neef George zal zeer verwonderd zijn,quot; liet tante Rebekkt er op volgen, »als hij zijne honderd dollars onaangebroken terug ontvangt. Ik heb enkele zaken te gelde gemaakt; ze zouden me niet van het allerminste nut te New-York geweest zijn, maar te Bluehill waren ze veel waard. Ik verkocht ze du en gebruikte de opbrengst om mijn vracht te betalen en hield neef Georges geld trouw in mijn zak. Ik draag altijd twee zak ken als ik van huis ga, den een onder mijn japon gebonden, laag afhangende, uit vrees voor zakkenrollers en den ander in den zoom van mijn japon. Men heeft mij gezegd, dat er veel van die slechte lieden op den weg zijn,quot; eindigde zij, »en ze moeten de stoutheid van hun bedrijf al zeer ver drijven.\' ))Och, ja,quot; zuchte haar reisgezel, »maar al te waar; even waar als de lankmoedigheid des Heeren onmetelijk is.quot;
In hetzelfde oogenblik boog hij zich half over zijne zitplaats heen en trok den tapijten reiszak van tante Rebekka onder haren voeten weg en leide dien voor haar, haar helpende zich wat gemakkelijker te zetten. Hij scheen veel gereisd hebbeu, had een deftig voorkomen, sprak zacht — en zuchtte vaak:
257
immers hij was bezig het verhaal van een diefstal en moord te lezen in een dagblad, dal hij van een krantenjongen langs den weg had gekocht, die zijn bladen uitriep in korte enkele lettergrepen, op een wijze geheel het tegenovergestelde van het welluidende maatgezang des new-yorschen krantenjongens, die den toon van zijn eigene heldere stem aanhoudt, als vond hij behagen in zijn zang.
Toen de vreemdeling zijn lezing voleindigd had, leunde hij met zijn elleboog op den rug van zijn bank, hield zijn hand voor de oogen en zuchtte herhaaldelijk, als iemand te eenenmale verpletterd door het aanschouwen van de boosheid der menschen. Tante Rebekka verviel in een dergelijk gepeins, dal langzamerhand tot een diepen slaap overging, waaruit zij niet ontwaakte voor de aankomst van den trein te Stonington, alwaar zij zou uitstappen om met de stoomboot Massachusetts de reis over den inham tot New-York voort te zetten.
Gedurende den slaap der goede tante was het pikdonker geworden en begon het te i-egenen; nu was alles drukte en rumoer, en de reizigers snelden de wagens uit naar de boot. Kinderen, slechts ten halve ontwaakt, schreeuwden en tierden, de spoorwegdienaars liepen met lantaarnen ginds en her, een hunner kwam aan om de kussens der zitbankjes om te keeren en zie! daar stiet hij op tante Rebekka, die halt\' dood van verlegenheid nog daar stond. Haar werkkistje, haar omslagdoek, haar parapluie, alles had zij gevonden, maar de tapijten reiszak was verdwenen.
»Ge zult hem op de boot weervinden,quot; zeide de bediende, »zeker heeft hem iemand bij vergissing medegenomen — haast u, mevrouw, of ge blijft achter,quot; en hij stiet haar vrij boos den waggon uit, de plank over, die onmiddellijk ingetrokken werd; en de uitgolving van den stoom, het gedruisch dei-schepelingen, het geknars der raderen, en een enkele stervende ademtocht der klep, gaven antwoord, op den sissenden kreet der uitgediende lokomotief en spanden allen zaam om de schrille kreten van tante Rebekka te smoren, die echter niet ophielden voor dat ten laatste de passagiers langzamerhand er door getroffen werden en er het oor aan leenden.
Daar stond nu het onschuldige schepsel te midden dier menigte verloren; haar muts had zij van haar hoofd gerukt, het linnen overkleed van hare schouders en, wat nog meer bevreemdde, den sierlijken, gespikkeld mouselinen japon had ze zoo hoog opgetrokken dat men den net gestreken bombazijnen onderrok te zien kreeg, aan welks eene zijde een groote katoenen zak slingerde, over zijn gansche lengte opengesneden en van hetgeen hij inhield wreed beroofd.
Oogenblikkelijk was alles in de weer om nasporingen te doen, doch sreen schijn van vermoeden deed zich tegen een
17
258
«Ier omstanders op. Een daar aanwezig heer echter opperde het vermoeden, dat niemand dan de vrome, predikende jonkman, die het vervelende harer reis door zijne zalvende gesprekken had verjaagd, de dader was; een verdenking, die tante Rebekka bijna evenzeer griefde als het verlies van haar geld en alweder een bewijs was, zoo als zij zeide, van de verdorvenheid der wereld.
Tante Rebekka was te bedroefd, om den ganschen nacht een oog te kunnen luiken. Zij telde en bezag en herzag haar shawl, en het werkdoosje, den regenscherm en den waaier, alsof dusdoende haar tapijten reiszak plotseling kon verschijnen en zijn plaats tusschen die andere voorwerpen innemen. Doch langzamerhand dropen de passagiers naar hunne slaapsteden af, het plassen van den regen en het zuchten der machine werd meer en meer eentonig, nu en dan door het schellen van het nevelklokje afgebroken en nochtans, gedurende dien ganschen nacht zat tante Rebekka bij het droevige lampje te treuren, als Marius eertijds op de puin-hoopen van Karthago.
Lin
TANTE REBEXKAAS HUISHOUDEN.
Eindelijk was tante Rebekka, zonder verderen tegenspoed, ten huize van den heer Dinsmoor gekomen, die haar, volgens afspraak, van de boot was komen halen. Glimlachende hoorde hij het verhaal harer ramp aan en meteen den inventaris van de voorwerpen in den tapijten reiszak besloten, waardoor hij tot de overtuiging kwam, zoo als tante Rebekka trouwens ook toegaf, dat die voorwerpen van geen nut hoegenaamd voor eenig man ter wereld zouden zijn, hoewel in de hoogste mate dienstbaar en geschikt voor vrouwen. De lezer oordeele dus over haar verbazing, toen het eerste voorwerp, dat zij in de zaal van den heer Dinsmoor voor zich zag, diezelfde tapijten reiszak was, doch nu geopend, en waarvan de inhoud blijkbaar onderzocht was. Doch niets ontbrak.
Opheldering kon niet wel worden verkregen; doch nu was tante R,ebekka overtuigd, dat de vroomuitziende jonkman hem bij vergissing had medegenomen; de heer Dinsmoor deelde volkomen haar gevoelen op de vergissing na; doch de brave, •oude vrijster bekwam nooit geheel van het verlies der honderd dollars en van de mislukking van haar plan, om haar neef te verrassen. Andere en ruimere gelden werden ter harer beschikking gesteld, doch iedere vermeerdering van haar geldvoorraad diende slechts om haar het vroeger verlies te meer te binnen te brengen. Zij was niet vrekkig, maar zulk een grievend verlies was toch genoeg, plach zij te zeggen, »om iemand razend te maken.quot;
De tegenwoordigheid van Dady en van haar pleegvader maakte de niet geringe verbazing van tante Rebekka gaande, en in het begin had zij wel eenige moeite dit met haar stelsel van welvoegelijkheid overeen te brengen.
17*
260
»Hoe is \'t nu met u, nicht Fanny?quot; vroeg zij, terwijl zij haar waaier krachtig liet spelen. Ik hoop dat de Heer u in die harde beproeving sterke.quot;
Daarin sprak in geenen deele het gemoed van tante Rebekka; \'t was slechts een wijze van spreken, die zij in haar eenvoudigheid had geleerd en aangenomen, meenende dat men dan vroom en rechtzinnig is en dat zulke woorden voor de gelegenheid pasten.
Fanny antwoordde niet; doch de heer Dinsmoor nam het woord op en zeide:
»Tante zal u oppassen, lieve Fanny, en u haar liefde bewijzen; zij zal ook Imogenes kamer schoon en netjes houden tot dat wij haar terug hebben.quot;
Fannys gelaat werd door een gloed overtogen.
»01quot; sprak zij, »dat zal mij een groote vertroosting zijn—-ga dus en zie of hare muiltjes vlak voor den grooten armstoel staan en of hare boeken nog zoo liggen als toen zij ze verliet. Ik zou niet gaarne hebben, dat het lieve kind dacht, dat we haar vergeten hebben. Denkt ge, dat zij spoedig hier zal zijn?quot;
Tante Rebekka stond van haar zetel op, legde den waaier op den stoel, terwijl zij met een blik zoo vol hartelijke deelneming Fanny in het aangezicht zag, dat ge u volstrekt er niet om bekommerd zoudt hebben of zij een christelijke rechl-geloovige was of niet, want op haar gelaas stond alleen de eenvoudige, natuurlijke goedheid des harten te lezen. Met hare breerle, roode handen streek ?ij over Fannys voorhoofd aan beide zijden — en \'t scheen alsof een magnetische kracht in de aanraking van tante Rebekka lag, zoo troostrijk, zoo moederlijk was zij, en toen zij met haar luide, volle stem zeide: »Arme, gezegende vrouw!quot; lag in die woorden een gansche stroom van liefdevolle gewaarwordingen.
»Ik ben zelve blijde, dat gij gekomjn zijt,quot; zeide Fanny, zich op haar elleboog opheffende; «ook. Imogene zal er ziel zeer over verblijden; wij verwachten haar ieder oogenblik. Als zij komt zal ik haar dezen ruiker geven, en wal zal mijn lief kmd niet al te vertellen hebben; ons gr.nsch huis zal een en al vreugde wezen, en iederen dag gaan wij dan uit. Nu gevoel ik mij niet al te best; maar wees verzekerd, zoodia zij terug komt, ben ik geheel beter.\'\'
Tante Rebekka nam de lijderes in hare armen en tranen stroomden uit hare oogen.
»Des Heeren wil geschiede!quot; riep zij uit, Fannys kleurlooze lippen afvegende.
»Ja,quot; antwoordde Fanny, »wij hebben geleerd dit te zeggen en nu zal ik de schoonste robes laten maken -— want Imogene moet den Zondag na haar terugkomst gedoopt worden en dan begeven George en ik ons naar — waar toch heen, George — waar spraken we toch van ?quot;
261
«Eerst moet ge wat sterker zijn, lieve Fanny, dan begeven we ons op het land.quot;
»0 ja, zoodra Imogene komt, want dan mogen we niet afwezig zijn, niet waar ? Zie eens even uit, George; ik meen, dat ik daar iets hoorde. Schuif de gordijnen weg, mijn lieve; de maan schijnt zoo helder; ik ben er recht blijde om.quot;
En de volle maan wierp hare stralen op het bleeke aangezicht, als bescheen zij een marmerbeeld.
Tante Rebekka vatte Fannys kleine, ontkleurde, kille, levenloos uitziende handen in beide de hare; de warme levensgloed der oude vrouw drong zachtkens in de trillende zenuwen der lijderes en zij sliep in. Doch in haar slaap druppelden tranen langzaam uit hare oogen en het hart van de beroofde moeder verried zijn folterend wee door snikken en diepe zuchten.
»Dit kan niet lang duren,quot; zeide tante Rebekka, uur aan uur bij haar zittende, zoo als wij hierbovea beschreven. »Dat arme hart zal van weemoed barsten.quot;
»Ja, haast zal ik alleen zijn,quot; riep de koopman uit, de kamer op en neder gaande. »Goede God, waarom word ik zoo wreed bezocht ?\'
»De Heere is mijn rots en mijn toeverlaat,quot; zeide tante Rebekka, »een krachtige hulp in de tijden der beproeving.quot;
Gedurende eenigen tijd na tante Rebekkaas aankomst scheen Fanny inderdaad eenigermate te beteren. De edelaardige levenslust van de goede vrouw deelde zich ook der arme lijderes mede en het trage bloed scheen meer vrij en onbelemmerd door hare aderen te stroomen, terwijl pijnlijke herinneringen tot onbestemde vormen afdaalden. Zag zij haar vermoeid en onrustig, dan zette tante Rebekka zich op den rand van het bed neder en klopte zachtkens met haar warme, levenwekkende hand op de schouders, terwijl zij oude, vrome gezangen neuriede; dan dwaalden de gedachten der lijderes tot de dagen harer vroege kindschheid terug, of verloren zich op deeinde-looze paden eener ongeziene toekomst.
Tante Rebekka wist ook nos duizenderlei van die troostrijke middeltjes uit te denken, die het zwakke, lijdende lichaam verademing schonken, en het als een oplossende balsem met een warmen levensgloed koesterden. Zij sprak luide, doch altijd zoo gelijkmatig, zoo klankrijk, zoo gansch innig en gemoedelijk, dat juist die luide klank er de schoonste eigenschap van was, omdat hij die plaats trof, waar de arme, zwakke lijderes het meest leed.
Als tante Rebekka over haar heen gebogen lag en haar groote, breede hand over het flauw-kloppende hart der arme Fanny streek, dan scheen het in eens krachtiger te worden, of wel als zij tot haar zeide : »Arme, lieve vrouw, ik ken dat gevoel, ook ik heb lang en vaak aldus geleden,quot; — hoewel
262
tante Rebekka dan bezijden de waarheid sprak, daar zij nooit in haar leven in lijdenden staat had verkeerd, — deed het toch goed haar dus te hoeren spreken.
Wijders verstond zij de kunst lekkere, ververschende dranken te bereiden; en als zij hare hand om Fannys hals sloeg en haar opbeurde, deelde ook die aanraking een soort van weldoende rilling aan de arme lijderes mede, welke door al hare leden drong.
gt;gt;Kon ik het slechts zoo ver brengen,\'\' zeide vaak tante Rebekka, sdat zij aan het hoesten raakte, verkouden of koortsig werd, of zelfs haar lever aangedaan werd, ik zou haar zeer zeker genezen; maar de kwaal zit geheel in het hart — geheel.quot;
En zij liet hare hand over de eigene breede plek gaan, waar haar hart zich bevond.
Een tijd lang had Dady de belangstelling van Fanny geboeid, doch thans zag zij nauwelijks meer naar het kind om. Rob zelfs en het vertrouwen, dat hij haar verloren kind kon terugbrengen, werden meer en meer in haar geest uitgewisch t.
Tante Rebekka gaf zich veel moeite de huishouding van haar neef op een geregeiden voet te l)rengen, die trouwens een zorgvulgdige huishoudster maar al te zeer behoefde. Zij begon met de bovenste verdieping, en iedere kamer werd nauwgezet onderzocht niet alleen, maar ter dege gereinigd. Met haar breiwerk in de band en breiende onder het gaan, liep tante Rebekka kamer in kamer uit, het werk der dienstboden met ijver en voortvarendheid aanvurende. Des avonds werd neef Dinsmoor wel is waar eenigermafe vermoeid door de opsomming van al de bijzonderheden omtrent het vegen, schommelen, boenen en ruimen, doch het viel hem licht de goedaardige tante Rebekka op een ander onderwerp te leiden.
Ja, \'t was een schouwspel, wel der moeite waard, haar dus bedrijvig te zien ronddribbelen, met een troep verbaasde iersche dienstmeisjes in haar gevolg, aan welke zij den tekst las en daadwerkelijk toonde hoe alles behoorde gedaan te worden; doch nog treffender voor het oog was haar eigene verbazing, wanneer zij twee uren later terugkwam en dan alles nog zoo vond als zij het verlaten had.
De arme tante Rebekka was niet in staat te kijven; haar stem miste de tonen, daartoe vereischt; doch de wijze, waarop zij „de beginselenquot; en „het gewetenquot; der arme deernen inriep, was treffend in den hoogsten graad :
»Hoe kunt ge ooit verwachten in de wereld vooruit te komen, als ge geen vertrouwen in u zeiven hebt? Weet ge niet, dat de Heer een afschuw heeft van allen oogendienst? Heb ik u niet nauwkeurig uiteengezet, hoe dit gedaan moest worden? En deedt gij het?quot;
263
Op deze wijze beknorde tante Rebekka de meiden; deze togen dan, als om strijd wie den meesten lof zou oogsten, zeer ijverig aan het werk.
gt;Licht den bezem zoo hoog niet — kijk hier,quot; en zij bewoog den ragebol heen en weder op de wijs der bedrijvige huisvrouwen.
,.Zoo waar ik een levend schepsel ben, \'k zie dat ge daar de vensters met een fijn damasten doek afneemt.quot;
Het spreekt van zelf, dat de domme meid het inderdaad deed en \'t morgen weder zou doen, want de waarde van den ge-bezigden doek is haar onbekend. Vervolgens hield tante Rebekka den zak der meid voor wat al te opgezet, en zij nam de eerste de beste gelegenheid waar dien te onderzoeken en vond daar klontjes suiker, pakjes thee en een tal van harde koekjes. Bij den aanblik van die afschuwelijkheden, kon tante Rebekka te nauwernood woorden vinden en riep alleen uit:
„Onthoud wat ik ze zeg, als je op die wijs voortgaat, kom je aan een slecht einde.quot;
Doch wanneer een dienstmeisje dan schreeuwde en stampvoette en van een zuster sprak, die zij wilde gaan bezoeken, en er bijvoegde: »Meent ge dat ik altoos thee en suiker moet hebben en zij er nooit iets van krijgen?quot; dan vermurwde zich tante Rebekkaas menschlievend hart en zij voegde nog iets bij den voorraad van het zusterlievende meisje.
„Die lersche meiden,quot; riep zij dan uit, „ziju de sluwste schepsels der wereld. Dat is zoo ruim! zoo ruim! zoo spilziek! Een zilveren lepel zullen ze als een pook gebruiken en er de asch meê uithalen en de schotels met het tafellaken afvegen, als ik niet na ieder maal ze achterna zit. De afgekloven beenderen en brokjes brood zetten ze op de mooiste porseleinen borden weg, werpen de fijnst kristallen glazen in emmers en ketels, zoodat er niet één ongeknakt aan de randen uitkomt.quot;
Langzamerhand begon tante Rebekka zich gelaten te toonen, zoo als trouwens al de buishoudsters te New-York het leeren. Zij hield op de bedienden op orde en regelmaat te wijzen, hield op te herhalen: szeide ik u niet zus of zoo?\'\' denkende dat hare bevelen nagekomen werden. Hare vermaningen werden gaandeweg zeldzamer en ook verwachtte zij gedurig minder van dat verkwistende gedeelte der maatschappij; zij leerde eindelijk inschikkelijkheid en mededoogen, wanneer na den een of anderen vreeselijken misstap, dien het dienstmeisje in haar onwetendheid had begaan, zij in hare wijd opengespalkte oogen verbazing en hartzeer las.
»De Heere zegene u,quot; riep zij uit; „ik geloof zoo waar, dat. de Ieren half geboren gekken zijn, niet één uitgezonderd; en zij behoorden iederen dag huns levens God te danken, dat zij naar dit land kunnen komen en hier iets leeren.quot;
„Wee over den dag, dat ik in \'t hoofd kreeg mijn Oud-Ier-land te verlaten,quot; mompelde de meid; »geen dag gaat voorbij of \'t berouwt me in de ziel.quot;
Dit griefde tante Rebekkaas vaderlandsliefde.
»Waarom gaat ge niet allen naar uw land terug?quot; vroeg zij; »\'t zou veel beter voor ons wezen als het land van jelui allen bevrijd ware.quot;
En zij sprak deze woorden met warmte, daar kunt ge op aan.
Na een oogenblik zwijgens, begon het meisje te neuriën :
„\'k Zit op de hegge, gansch alleen.
Waar we eens te zamen waren;
Een meimaand-morgen lang geleên,
Wen als bruid en bruigom we ons zouden paren.quot;
De oogen van tante Rebekka schoten vol tranen; en zij verzuimde niet een poosje over lerlands achteruitzetting en Engelands onrecht uit te weiden.
slerland,quot; zeide dan het dienstmeisje, door de sympathie der goede oude vrijster aangemoedigd, slerland is het mooiste land der wereld, juffrouw; daar is niets slecht behalve de regeering. Een iersch varken, juffrouw, wordt net zoo gauw dik als de amerikaansche varkens durven denken; en ik heb in dit land nog nooit zulke aardappels gezien, als ze bij ons in Ierland hebben — \'t is alles meel, wat er aan is; en dan de iersche melk, juffrouw, één mondvol iersche melk is smakelijker dan al de melk van uw Amerika; en we hebben daar de mooiste bloemen, juffrouw; \'k heb soms viooltjes gezien onder een hegge, zoo groot als uw hand, jufvrouw, en rozen dan, juffer, rozen! wel, ze zijn bij ons in Ierland zoo groot als een kool hier te lande.quot;
Tante Rebekkaas gevoeligheid moest door den droeven toon der arme landverhuizeres wel getroffen zijn geweest, anders had zij nooit de zoo minachtende vergelijkingen geduldig aangehoord. De goede vrouw werd door haar menschlievende gevoeligheid als verleid en bij verrassing overvallen. De overdrevenheid der laatste uitdrukking schudde haar nochtans uit den droom wakker en zij zeide tot het dienstmeisje:
»Zorg maar dat ge den boog niet te zeer spant, in alles is een middelmaat; ge dient te weten, meisje, dat wij hier in Amerika nog al wat over Ierland lezen en er du« van weten meê te praten. Daarom vind ik het toch altijd aardig in u, dat ge uw geboorteland verdedigt.quot;
LIV.
DE VERMOEIDEN KOMEN TOT RUST.
Op het dringende aanzoek van den heer Dinsmoor, bewoonde Bob nog altijd de kamer aan die van Imogene belendende, en door zorg en liefdevolle oppassing werd Dady iederen dag schooner en aanminniger. Tante Rebekka had eindelijk zich naar de huishouding leeren schikken en men kan zich niets goedaardigers, niets meer bevredigends naar het hart voorstellen, dan de wijze, waarop zij het huis bestuurde, hoewel het haar niet aan hoogmoed ontbrak, in New-England en bepaaldelijk in het Maine-gewest het eerste levenslicht te hebben aanschouwd. Dan vond zij ook geen behagen dan over geboorten, sterfgevallen en huwelijken uit te weiden en dan altijd op de kerkregisters te wijzen, als op de onwraakbare getuigen van het in acht nemen aller noodzakelijke vormen. Zij zeide tot Bob, dat het hoog te bejammeren was, dat zijne bloedverwanten hem niet althans den huisbijbel hadden gelaten, waardoor bewezen had kunnen wordenj dat alles met hem in den haak was. Doch wat Dady betreft, hier was \'t geval anders; geen twijfel hoegenaamd kon er bestaan of zij was van laakbare geboorte; het eenige wat men doen kon, was de zaak te nemen zoo als ze was. Dan haalde zij een reeks van voorbeelden aan, waarbij het nog goed met die menschen was afgoloopen, ja, sommigen sieraden van de maatschappij en lichten op den kandelaar der kerk waren geworden.
Bob leende een belangstellend oor aan die redenen en gevoelde alweder diep, hoeveel hij te leeren had; immers al die denkbeelden van onderscheiding in de maatschappij vertoonden zich als gansch nieuwe terechtwijzingen voor zijn geest.
»Zoo lang ik leef,\', zeide hij, »zal het Dady nooit aan een vriend ontbreken, die haar op zij staat.quot;
266
»Dat is mooi gedacht, Bob,quot; prees tante Eebekka; »maar het is eeuwig jammer. Bob, dat ze aldus ter wereld kwam in een christelijk land als het onze, waar alles wet en recht is, waar alles kerk en predikant ademt en men voor een dollar kan trouwen.quot;
»Soms mocht ik zoo bij me zeiven denken,quot; zeide Bob peinzende, -adat de menschen zich mijner en Dady mochten schamen, en ik hen geen mensch, die gaarne een ander een stroo in den weg legt.quot;
Dan vestigde tante Rebekka hare opene oogen op zijn gelaat en zag hem met zoo een hartelijken, welmeenenden blik aan en kuste Dady op zulk een moederlijke wijze, dat Bob zijn afkeer aflegde, te meer daar hij nu snelle vorderingen in het lezen en schrijven en nog in vele andere takken van mensche-lijke kennis maakte.
Op zekeren avond nadat Fanny weder een onrustigen dag had doorgebracht, zat tante Rebekka op den rand van het bed, in zich zelve neuriënde:
„Er 13 een land vau licht en luister,
Der heil\'gen grenzeloos gebied;
Ben eindelooze dag verjaagt er \'t nachtlijk duister.
En \'t leed zinkt bij de vreugd in \'t niet.quot;
De lijderes sloeg hare oogen open en liet ze door \'t vertrek waren, eerst met een glimlach, die echter spoedig plaats maakte voor de uitdrukking van diepe droefheid.
»Zij is niet gekomen, George, niet waar? Ik meende haar op de trap te hooren.\'\'
Helaas! treurende moeder, dien tred zult gij niet meer vernemen. Het afgetobde hart zal ophouden te kloppen, en evenwel komt zij niet.
Tante Rebekka neuriede verder, met een heldere, krachtige stem, en de maat, op Fannys schouder slaande, die weder in een koortsachtigen slaap was gevallen:
„Een lachend veld is ginds te aanschouwen Aan de overzijde van den vloed;
Zoo zag der Joden oog eens Kanaans landouwen,
Waar de Jordaan rolde aan hun voet.,,
«Een lachend veld ginds, en slechts een smalle stroom tusschen beide,quot; riep Fanny op diepen toon, terwijl hare oogen van een nieuw licht straalden.
sWaarom,quot; vervolgde zij, swaarom naamt gij mij niet mede naar huis, George? Ik wenschte er wel heen te gaan.quot;
»Naar huis, mijn engel! wat meent ge?quot;
«Naar Brunswic, George. O, ik hoor er de oude pijnboomen langs den oever fluisteren, al fluisteren, en ook die van
267
het kleine kerkhof boven de witte zerken. Weet ge nog. lieve George, hoe wij daar wandelden; toen kenden we elkander pas, en wij waren zoo gelukkig. Waren we niet zeer gelukkig, George ? Was ik niet altoos uwe geliefde, beminde Fanny.quot;
»God daarboven weet alleen hoe dierbaar gij mij zijt, edele, geliefde vrouw!quot;
»Maar herrinnert ge u ook nog, George, die groote zwarte slang, die eens dwars over onzen weg lag, juist toen we van onze liefde spraken ?quot;
De heer Dinsmoor herinnerde het zich en rilde van ijzing, sik voel mij zwak, George, zeer zwak. Breng mij naar huis. Dat wilt ge toch wel, George? Ach ja, breng mij naar huis. »Gij zult naar huis, Fanny. Wees heden avond slechts
rustig, Fanny, en morgen .....quot;
»Morgen,quot; herhaalde de lijderes, haar blik naar boven slaande, »o... morgen schijnt mij zoo verwijderd.quot;
En zij viel op haar peluw achterover.
„Hier wil ik niet blijfen, hier wil ik niet leven,
Waar naclitlijke stormen het harte doen beven,quot;
zong tante Rebekka met kalme stem en op kwijnenden toon\' terwijl door de oogleden der luisterende lijderes tranen drongen. Fanny zeide toen kalm :
«Lieve George, ik zie, dat de woning, waar ik mij nu heen begeef, niet de oude is, waar ik u leerde liefhebben, niet daar, liefste! maar in ons vaders huis. Zult gij mij ook daar bezoeken, George, zult ge?quot;
»Ik zal, ik zal, en hoe vroeger hoe beter,quot; antwoordde de man, naast haar nederknielende.
sEn,\'\' vervolgde de stervende, »en Imogene! O, onze twee harten zullen haar als met een gouden keten opwaarts trekken, George.quot;
Weder volgde een pauze, toen verspreidde zich een stralende gloed van schoonheid over haar gelaat — en met een stem, luider dan zij ooit had bezeten, want,
......haar toon was altijd zacht.
Een kemelsche gave in de vrouw,1\'
sprak zij:
»Zie George, ginds staat — ons schoon kind. Tk zie haar, ginds bij den palmboom. Zie!quot; en zij wees met haar vermagerden vinger in die richting. »Zie! kom nu hier. Bob, breng haar naar huis. Gij zult den weg wel weten. Nu zal zij komen, en ik ben er niet! Geen moeder meer, geen moeder meer, alleen een groen terpje, en een witte steen, en een ledige stoel — George, George, houd mij, houd mij, tot dat zij er is.quot;
268
Toen verhelderde zich het visioen, en zij riep uit;
»Zie Boh, zie ginds, dien blinkenden plas, uit de fontein gestroomd, onder den palmboom. Ik zie daar fraaie vogels en bloemen, de lucht vol glimmende insekten, met gouden vleugeltjes; en verder op, daar met gevouwen handen en met de oogen op de mijne geslagen, mijn, ons kind, lieve George! Maar wat vreemde bloemen aan haar voet — een woestijn vol vreemde en geurige planten — maar, stil! zie! zie! daar is de zwarte slang, George, de zwarte slang van de pijnboomen te Brunswic, zij kronkelt door die dreef — luister! ik hoor muziektonen — zij ziet de slang — zij vreest niet — neen! zij ziet niet opwaarts — zij ziet een engelin de lucht. George! George! het is haar moeder, ik ben hef, ik, uwe Fanny!quot;
En, terwijl zij sprak gingen de hemelpoorten
„van zei ven wijd nu open,
En draaiende op liaar gouden hengsels/\'
lieten zij een engel in, den duisteren nacht en den jammer-poel der aarde ontvlogen, tot het goddelijke beeld eenervlek-kelooze ziel herschapen, die naar zulk een herschepping gereikhalsd had.
Tante Rebekka drukte een kus op het witte voorhoofd, ter-wijl zij het achterover op de peluw leide. Doch de heer Dinsmoor zelf wischte den traan weg, die nog op de leven-looze wang parelde — dien kwijnenden traan van een afgepijnd hart, dat naar zijn woning verlangde. Allen knielden voorde sponde en tante Rebekka sprak:
«Hoewel mijn pad door de duistere vallei van de schaduwen des doods leidt, ik vrees geen kwaad.quot;
En, zelve onbewust van \'t geen zij deed, gingen hare lippen tot een gebed over; het goede, beminnende hart sprak uit zich zelf in deze ure der wreede beproeving. Toen stond zij weder op, geleidde den heer Dinsmoor de kamer uit, den krantenjongen met de doode alleen latende.
»0!quot; zeide Bob in zich zeiven, ))die \'t licht hebben gezien, behoeven niet bang te zijn voor de dooden. Ge zult Minnie zien, waar ge nu heen gegaan zijt. Vergeet, vergeet den armen Bob niet.quot;
En hij kuste de kleine, doode hand.
»Ik zal tot aan \'t eindje der wereld Guldentong opzoeken, dat zal ik. Nou is mijn rol hier uit. De arme, woelige Jack, — Ik ga bij hem en zal bij hem blijven tot dat alles voorbij is, en dan Guldentong gezocht, \'t Zou me benieuwen of er wel één plekje hier is, voor Bob bestemd; en of er één hart is, geschikt om Bob Ie troosten of iemand, die liefde voor hem voelt.quot;
»Ik zal Bob troosten en hem beminnen,quot; antwoordde tante
269
Rebekka, hare armen openende en den krantenjongen teed er-lijk aan haar hart drukkende. »Arme iongen! ik zal u troosten. Ik begrijp hoe vaak gij de hulp eener moeder moet hebben verlangd, en nu zal tante Rebekka een moeder voor u zijn en zorg voor u dragen, en u onderrichten, arme jongen!quot;
Bob kon slechts weenen. Hij had vaak, zeer vaak anderen geholpen, maar zelf geholpen was hij nooit, en in tegenwoordigheid der doode, zoo kalm en in engelenrust daar liggende, vond die arme verwaarloosde jongen een hart, ruim en edeldenkend genoeg om hem, zonder eenige verdere vraag, zonder aarzeling, gansch in zich op en aan te nemen; en sedert dien dag ontbrak tante Rebekka ook geen enkel oogenblik aan haar taak. Nooit zag zij den verlatene, den verstootene in hem, dien het schande ware lief te hebben; maar eenmaal in hem datgene ziende, wat hij werkelijk was, den braven Bob, en hem als zoodanig het eerst erkend hebbende in tegenwoordigheid van de nu gebenedijde Fanny, wijdde zij hem alle moederlijke teederheid, even hemelsch en ongekunsteld als onverwacht opgekomen.
Sedert dien dag bezat Bob dan ook iemand, die, met zijn onwetendheid bewogen, hem zoo innig beminde, dat zij door alle mogelijke middelen hem zocht voor te lichten. En inderdaad, het was een verrukkelijke aanblik, tante Rebekka den knaap te zien onderwijzen; hem, zoo eenvoudig van hart, hoewel met al de verdorvenheid, ellende en misdaden eener groote wereldstad vertrouwd, waaronder en waarmede hij, zoo ver zijn geheugen slechts eenigzins opklom, had geleefd en dat zonder eenige andere hulp dan die van wezens even arm als hij. Bob was zoo eenvoudig van hart, zoo vaardig van aannemen, zoo dankbaar en ondanks dit zoo oorspronkelijk in zijne denkbeelden, dat, zoo als tante Rebekka te recht zeide, „hem te onderrichten een waar liefdewerk was.quot;
Nooit hadden twee uitersten op minnelijker wijze elkander ontmoet, dan in die samenstemming van tante Piebekka en den krantenjongen. Hij, zoo onwetend, zoo onnoozel, zoo edel en trouwhartig, pas opgekomen als ware het, uit de vuilste holen van de new-yorksche bevolking, en zij, even groot van hart, even rein en liefderijk, doch komende van een landelijk gewest, welks bewoners nog oorspronkelijk vroom en in den hoogsten graad zuiver van geest, van karakter en rechtgeloovig waren; die twee wezens zaten daar bijeen, zoo gansch aan elkander gelijk in hun zieleleven, dat gij ze licht voormoeder en zoon hadt kunnen houden.
Een prachtig marmeren gedenkteeken, door heerlijke boomen omschaduwd, waar bloemen van alle kleur en gedaante, maai\' voornamelijk de roos de zinnen streelde, wijst de rustplaats van de vrouw des rijken koopmans aan. Vaak bracht de arme echtgenoot en vader gansche dagen in de schaduw van mar-
270
meren grafzerken door, en vaak begaven tante Rebekka en Bob zich derwaarts, om tranen van innig hartzeer te storten op het graf der schoone lijderes, wier hart eindelijk door het leed had opgehouden te kloppen.
Op deze dagen ging Bob met zijn nieuw vriendin soms ook elders heen en bezocht het nederig grafgesteente van Sam en Maria; dan vertelde Bob hun geschiedenis en stortte op nieuw tranen, maar ook aan tante Rebekka ontperste dit verhaal een tranenvloed. Het duurde lang alvorens hij haar naar Staten-eiland mede nam en daar de rustplaats der kleine Minnie aanwees; en ditmaal scheen het Bob alsof hij nu, sedert haar verscheiden, haar voor het eerst beweende, en tante Rebekka, daar in den warmen zonneschijn zittende, terwijl de eerste herfstbladen rondom haar neder vielen, en het aanhoudende klotsen des grooten oceaans zoo indrukwekkend en plechtig de zinnen boeide, voelde zich tot een zoo ongewone teedere stemming gebracht, als gevoelde zij voor de eerste maal van haar leven de majesteit der natuur en den onverklaarbaren loop des levens.
LV.
EEN TREUREXDE MAGDALENA.
Het Iaat opslaan der new-yorksche wereld baarde niet •weinig ergernis aan tante Eebekka. Zij had de gewoonte haalbed te verlaten alvorens de zon uit den schoot der wateren oprees, en als een verontruste geest waarde zij iederen morgen gedurende eenige uren door het huis, terwijl alles nog sliep.
«Sta met den leeuwerik op en leg u met het lam ter ruste,quot; zeide zij op wekkenden toon, wanneer zij in haar eenvoudig katoenen ochtendkleedje met eenig breiwerk in de hand de voorzaal van het groote huis op en neder ging, en de ochtend-verschijning van het gezin verbeidde. Uur aan uur ging voorbij en nog bleef alles stil. Niemand stak een hoofd de kamerdeur uit om te zien hoe de goede, geduldige vrouw, reeds vermoeid van den arbeid, alles had gestoft, alles op zijn plaats gerangschikt, wachtende wanneer voor anderen het dagwerk zou beginnen.
Hoe vroeg het echter ook wezen mocht. Bob was reeds lang in de open lucht, verkocht zijne ochtendbladen en bezocht zijne oude vrienden, want ai de krantenjongens zijn vroeg bij de hand. Hij was in het bezit van een nachtsleutel en derhalve kon hij het huis in en uitgaan wanneer het hem behaagde.
»~VYel, al mijn leven !quot; riep tante Eebekka uit, toen zij Bob op zekeren morgen aldus huiswaarts zag keeren, lang voordat de overige leden van het gezin verschenen waren, swaar zijt gij zoo vroeg heen geweest, Bob ? en dat wel voor dat nog een wezen in het huis bij de hand is ? Mijns inziens is het zonde en schande den tijd dus te verkwisten; ik laat staan den tijd, maar de gezondheid gaat ook met dat vroeg opstaan te gronde.quot;
Bob was dus, hoe vroeg ook op het verkoopen zijner dagbladen uit geweest, maar had ook een uur aan de arme Grietje ge-
272
wijd, die hij in haar kamer opgesloten vond en blijkbaar sedert lang reeds aan geen slapen meer gewoon.
Herhaalde reizen moest hij op de deur kloppen, zonder antwoord te bekomen, hoewel hij aanhoudend en met langzamen tred twee voeten in het vertrek hoorde bewegen.
„Grietje, Bob is \'t; doe de deur open, Grietje. Waarom\'? omdat uw vriend en Jacks vriend buiten staat, Grietje.quot;
Toen weer de voeten zich bewogen, hoorde hij ze de deur naderen, de sleutel werd omgedraaid, doch de klink nog niet geheven, maar Bob hief ze zelf op en trad binnen. Grietjes rokken vielen ten halve van haar lijf en eeH losse doek verving de haakjes en knoopjes Ier plaatse van het bevallige keursje, dat aan hare nette, schoone gestalte zoo veel aanlokkelijks verleende. Het keurslijf en de karmozijnroodebroosjes en het nette rokje hingen rond in de kamer, blijkbaar dooide bewoonster niet in orde gehouden. Een keteltje, waaruit het vocht verkookt was, stond op een komfoortje, rondom hetwelk de witte asch te midden van halfverbrande houtskool verspreid lag.
i)e zonneblinden waren neêrgelaten, evenwel baande een straal van het zonnelicht zich een weg door een gebroken lat en viel op den gepolijslen stokersgordel en de muts van woeli-gen Jack en op nog een anderen gordel en muts, doch kleiner van stuk, die Grietje eens haar roem en trots had gevonden aan zijne zijde te dragen. Op een klein met stof bedekt tafeltje lagen twee daguerréotypen, de eene van Griet je, gesloten, de andere van woelige Jack, geopend en met tranen bedekt.
Grietje was mager geworden en zag er verwilderd uit; zij staakte haar loggen tred, toen Bob binnentrad, sprak niet tot hem, maar bleef op en neder gaan, zwijgend en bleek, van zijn bijzijn onbewust.
Bob nam hare hand in de zijne, doch zij trok ze terug, zonder hare oogen op te slaan en zette haar wandeling voort. Hij naderde haar en sloeg zijn arm broederlijk om haar leest. Nu zag zij diep en innig bedroefd op, zoodat de krantenjongen slechts met haar weenen kon.
»Zet je néér. Grietje, en vertel me hoe \'t er meê is.quot;
En dit zeggende, deed hij haar op haar schommelstoel nederzitten en een stoel voor zich zelven genomen hebbende, legde de arme Grietje zwijgend haar hoofd op zijn schoot.
»Hoe is Jack?quot; vroeg de krantenjongen, hopende haar uit hare diepe verslagenheid op te wekken.
„Hij is gevonnisd.. . . ter dood veroordeeld!quot; antwoordde zij, zonder van gelaat te veranderen.
„De arme Jack! hij was zoo knap, zoo goed!\'*
«Niemand bekommert zich om ons,quot; antwoordde het meisje.
.,Ze denken zeker, dat we geen hart, geen gevoel hebben,
II
bB
I
Hl
I
i1ii
273
Grietje, omdat we geeu vrienden en geen liuis bezitten/\'
» Waren Jack en ik maar dieven, moordenaars en brandstichters geweest; dan zouden we weten waarom we moeten sterven.quot;
Grietje hief onder het zeggen dezer woorden haar hoofd op en wierp hare verwilderds haren achterover.
«Dat, Grietje, zoudl ge alle bei nooit gedaan hebben, want er schuilt te veel goeds in jelui. Maar laat ik u wat te eten halen en ge zult u dan wat beter voelen.quot;
»Neen, neen; ik kan niet eten — ik kan niets afkrijgen; — telkens als ik het probeer, komt me de arme Jack voor mijn oogen. Och, vriend, vriend! ware ik maai dood. Bob, breng me wat brandewijn, wat opium, help me uit de wereld. Bob. help me vergeven, waartoe is het leven nut? Ik wenschte dat ik nooit geboren ware of dat ze me om het leven hadden gebracht, toen i ik pas geboren was. Och, Bob, ontneem me \'t leven, dood mij!quot;
En zij wierp zich als een waanzinnige aan zijn hals.
In dit oogenblik werd zachtkens aan de deur geklopt en Bob, opgestaan zijnde om te openen, zag onzen ouden vriend Skillings voor zich, volkomen uitgedost in het zwart, met witten das en een bijbeltjen onder den arm. Bob herkende hem niet; doch Grietje, door het verschijnen van den vreemdeling verschrikt, sprong overeind en haalde haren omslagdoek dichter over hare schouders, terwijl zij een wilden, woesten blik op den binnentredende wierp, die niet wist of hij een waanzinnige dan wel een verstandig wezen voor zich zag.
„Ik kom,quot; zeide hij, »om in deze harde beproeving eenige woorden tot u te richten; ik wenschte u in de eerste plaats te wijzen op de noodzakelijkheid van het berouw, op...,quot;
Grietje strekte hare hand naar de deur. »Weg!\'\'riep zij uit.
»Ik ben een bedienaar des Evangelies en wil het heil dei-zielen,quot; vervolgde de man, op zoetsappigen toon, met zijne woorden hakkelende als staken zij hem in de keel.
»Ge zijt een leugenaar en een bedrieger. Weg!quot; herhaalde Grietje, steeds met den vinger naar de deur wijzende. . In plaats van haren wenk gevolg te geven, naderde de man haar nog meer en poogde haar iets in het oor te fluisteren.
»Weg!quot; herhaalde het meisje weder, zich schrap zettende, terwijl zij hem in het aangezicht spuwde; en hij ging, de vervallen trap half aftuimelende, terwijl hij op alles behalve evangelische wijze vloeken uitbraakte.
»Ach! die ellendigen willen ons geheel tot de hel doemen,quot; hernam het meisje. »Ik voel mij ziek, Bob, zeer ziek. Lang heb ik naar den slaapdrank verlangd, opdat ik mijn lijden mocht vergeten, maar Jack, mijn arme goede Jack, Jack heeft mij doen beloven nooit den gifbeker te drinken — en ik bleef er aan denken, Bob; altijd blijf ik er aan denken, wanneer
18
274
het daar in mijne hersens brandt en mijn hart schijnt vaneen te splijten.quot;
«Gedenk hem altijd, Grietje! dan zijt ge een goed meisje. Jack had u recht lief, dat had hij.quot;
«Ja, dat had hij, Bob. Ik zou in zijn plaats willen sterven. Bob, o zoo gaarne! Gaarne zou ik mij onder de galg in zijn plaats stellen. O! geen lijden, geen ellende, die ik niet zou willen verduren, om hem te redden, Bob! Mijn arme Jack, ach !quot;
))Ge zijt een braaf meisje. Grietje,quot; vervolgde Bob, ga nou zitten en drink dat kommetje melk dat ik je heb gehaald.quot;
«Jack,\'\' hernam Grietje, de kom ter zijde schuivende, »Jack heeft \'t me ook dikwijls gezegd; Ik geloof dat Jack me gaarne wilde maken tot een — ik weet eigenlijk niet wat, maar ge herinnert u nog wel Isabella in dat tooneelstuk ? Daar was ook een portret van haar in de Apollo-zaal; Jack en ik spraken er dikwijls over, maar ook wanneer er een klucht gegeven werd, dan konden Jack en ik ons niet weerhoüen er been te gaan. En nu moest het zoo ver komen!quot;
))Wat denk je nou te doen. Grietje^ vroeg de krantenjongen.
);Doen? Hier, op deze plaats blijven, tot dat ik sterf. Bobquot;
» Wilt ge naar zuster Agnes en de vreemde non gaan. Grietje?quot;
»Neen, neen! ik kan die vreemde non niet zien huilen, en ik kan niet bidden. — O! ze te zien bidden, dat walgt me. Ga, Bob, ga nu, mijn vriend! Ik voel me zoo gelukkig, wanneer er niets rondom mij is, dat mijn gedachten van Jack aileidt. Ik voel me zoo tevreden en gelukkig als ik mij alleen bevind.quot;
En dit zeggende opende Grietje hem de deur, en dreef hem naar buiten, als wachtte haar een groot genot, dat zij voor zijn vertrek niet kon smaken.
De krantenjongen ging de trap at en ontmoette daarYoppy en Charley en verscheiden andere makkers, die kwamen om naar Grietje te vernemen; want allen waren van het ijselijk lot onderricht, dat hunnen vroegeren geliefkoosden makker verbeidde en nu zochten die jongens, zoo als te begrijpen is, het lijden te verlichten van een wezen, zoo innig aan hem verknocht als Grietje gedurende zoo langen tijd was geweest.
Allen brachten eenige geldstukjes meê om in de eene of andere veraangenaming van het jonge meisje te voorzien, en Bob keerde op zijne schreden terug en klopte weder aan de deur. En weder hoorde hij de voetjes langzaam over den vloer schuiven; doch de deur werd niet geopend. De krantenjongens raadpleegden onder elkander, ieder hunner zag door het sleutelgat en sprong met afgrijzen terug, bij den aanblik der schrikkelijke verandering, die Grietje in haar voorkomen had ondergaan.
275
Eindelijk werd zij door een slag harder dan al de vorige, naar de deur gebracht.
»Ga heen!quot; riep zij ; »ga heen ! wilt ge of niet ?quot;
«Grietje,quot; riep Yoppy buiten, »we hebben wat geld voor je; we zeiden dat het je toch aan nies moet ontbreken, aan nies; de drommel hale me als dat mag.quot; Dit laatste werd door Yoppy met een krachtige, uitdagende stem geuit, terwijl hij een blik ter zijde op zijne makkers wierp, die op denzelfden toon er weerklank aan gaven.
Nu trad Squinty voorwaarts: een kort, vierkant kereltje,in den aanvang bestemd, zes voet lang te worden, doch ten gevolge der levenswijze, waartoe hij gedoemd was geweest, was hij, als uit ironie, in zijn groei gestremd en verhard tot een manneken met een breede kin, vooruitstekend voorhoofd en vier voet lengte; en zoo stond hij daar, als een kloek, ineengedrongen, klein, oud manneken, dien de natuur, ondanks al het duwen en drukken en haar gewone hardnekkigheid om hare plannen door te zetten, nooit bij machte was geweest hooger dan vier voet op te voeren.
«Moed gehouden, moed gehouden,quot; riep hij »hier heb ik al mijn ontvangst voor je; je zult alles hebben, als ik maar zoo veel houd om wat lever voor mijn oüe kat te koopen. Doe open, Grietje, doe open, laat ik je wat opbeuren, eet een brokkie en je zult je veel beter voelen.quot;
Terwijl hij sprak, legde Squinty Grietjes kleéren voor haar te recht en hield haar een bakje met vocht aan de lippen, waarvan zij werktuigelijk dronk.
»Zoudt ge niet denken, Squinty, dat we hem er uit kunnen krijgen ?quot; vroeg het meisje.
»Dat \'s een paal boven water, wel, wel! we zullen voor woeligen Jack zorgen, dat zullen we. Moed gehouden, Grietje, je zult er ook bij noodig zijn om ons te helpen.quot;
sik ben gezond en sterk, jongens! ik kan alles.quot;
Eu dit zeggende gloeide Grietje van plotselinge geestdrift.
»Een brave meid, een brave meid!quot; riepen nu de jongens, verrukt over de verandering die zij in haar waarnamen. »Nou, dag Grietje, we gaan om alles af te spreken.quot;
En zij liepen de trappen af, Bob achterlatende om de deur achter hen te sluiten.
»Als Jack heengaat, sterft Grietje, dat \'s een paal boven water,quot; riep Yoppy.
Allen raapten hunne bladen bijeen en onmiddellijk weergalmde de straat van den luiden roep der ventende krantenjongens.
Bob liet de opbrengst van zijn morgen-bladen als ook datgene, wat de krantenjongens hadden bijeengebracht, op de kleine bestoven tafel en vertrok. Grietje deed hem uitgeleide
18*
276
tot aan ile deur, draaide den sleutel om en toen ontsnapte een diepe zucht aan haar boezem; en weder werd het zachte geschuifel harer voeten over den vloer gehoord; zij naderde het venster, waar een straal van \'t zonnelicht op haar bleek aangezicht dartelde, een zwarte lijn teekenende rondom de groote, wanhopig starende oogen; toen volgde een onregelmatig trippelen der voeten, het geschuifel hield aan, meer en en meer naderde zij het tafeltje waarop Jacks beeltenis lag, een pauze volgde, en nieuwe tranen vielen op het portret — twijfel er niet aan!
LVI. SCHULDIG?
Bob deelde de volgende bijzonderheden mede aan tante Rebekka, welke met Dady aan haar knieën zat, wier lange, fraaie krullen zij middelerwijl streek en kamde, en van achteren zoo vast tot een bundel strengelde en bond dat de oogen der kleine bijna uit hunne holten sprongen. Bob sprak geen woord, doch drukte het kind teeder in zijne armen en aan zijn hart.
»Maar die Grietje waarvan gij spreekt,quot; zeide tante Rebekka, haar eene been over het andere slaande, en voorover bukkende met de kin op de hand gestut, als wilde zij zich in zich zelve verzamelen om een nieuwe opgekomen gedachte niet te laten ontsnappen, »die Grietje is de vrouw van woeligen Jack? Arm wezen!quot;
En haar stem had bij het uiten dezer woorden dien luiden, ronden toon genomen, die van hare gemoedelijkheid getuigde, middelerwijl haar eene hand het jurkje ruim boven de schouders van het kind trok, waar het echter volstrekt niet vast bleef, maar weêr nederviel en de witte schouderkuiltjes zichtbaar liet.
Bob scheen verlegen.
„Grietje,quot; hernam hij. „heeft Jack lief, dat is waai-, en houdt haar huishoüen en doet het graag, en is nooit iewers geweest zonder hem.quot;
2gt;Zoo als een goede huisvrouw betaamt,quot; antwoordde de oude vrijster zeer wijs; »maar, Bob, wat ik wenschte te weten, ronduit, zonder omwegen, of ze wel zijn vrouw is, vereenigd door de heilige handen van het huwelijk, om alle vreugd en leed te deelen, tot dat de dood ons scheidt.quot;
En onder het uiten dezer laatste woorden was de goede vrouw in haar volle lengte opgestaan, stak de breinaald in de scheede en begon te breien, op de wijze van iemand, waarmede niet te gekscheren valt.
»Ze hebben eedaan naar hun beste weten,quot; antwoordde Bob.
»Naar hun beste weten!quot; riep tante Rebekka uit, »als of het aan eenig weten, aan eenig licht kan ontbreken, in een christen-gemeente, met bijbels en traktaatjes, en bedienaren van Gods woord, waar men gaat en staat, waar iedereen zit onder zijn eigen wijngaard en vijgenboom, en niemand anderen schrik aanjaagt, en het heiligdom zijn wijwater op hen laat nederdroppelen.quot;
En tante Rebekka liet met ongewone drift hare naalden spelen.
»Daar weet ik niet of, juffrouw; van die zaken weet ik niemendal, juffrouw, dat moet ik bekennen. Ik ben een domoor; en nou ik een beetje lezen en schrijven kan, nou. begrijp ik er nog minder van dan eerst.quot;
»Bob, ge zijt niet veel beter dan een heiden; waarom zijt ge niet in Gods huis getreden en hebt uw christen-plicht geleerd?quot;
„Dat, juffrouw, heb ik gedaan, maar ze spraken daar van dingen, jufvrouw, die ik niet bij machte was te doorvorschen. Maar eens, jufvrouw, hoorde ik, dat, wil men God behagen, wij elkander moeten liefhebben, en goed doen zooveel we maar kunnen; en dat heb ik gedaan, juffouw, dat heb ik nooit vergeten, en Jack en Grietje hebben \'t ook gedaan.quot;
Tante Rebekka plofte zoo zwaar als ze was op haar stoel achterover, terwijl hare ronde wangen met een blos van maagdelijke schaamte werden overtogen.
3gt;Hemelsche goedheid,quot; riep zij uit, „hoe toch dat heilige woord van zijn echten, werkelijken zin kan verdraaid worden. Dominé Ichabod Longwind zou zijne ooren niet gelooven als zijn weleerwaarde dat hoorde.\'\'
»Ik ben een bedroefde weetniet,\'\' vervolgde Bob. »Ik geloof voor vast, dat woelige Jack en Grietje, en Yoppy en Squinty en wij allen een macht van verkeerde zaken doen. alleen omdat we niet beter weten. Maar hoe konden we \'t ook ?quot;
»Door naar de preêk te gaan en jelui fatsoenlijk te kleeden. Nooit in mijn leven heb ik zulk een troep vagebonden gezien als tegenwoordig zich om dit huis verzamelen en door de vensters naar je gluren, Bob; en komt het kind soms op straat om wat lucht te genieten, hemelsche goedheid! wat een bende zet dan dat arme wicht achterna, om het te bekijken; ze zouden zoo waar een christen-mensch razend kunnen maken.\'\'
»Dat zijn mijn vrienden, juffouw.quot;
„Uw vrienden, Bob! \'t spijt me wel het te moeten zeggen, maar er is niet één onder, die er fatsoenlijk uitziet.quot;
»Dan hadt ge Grietje en woeligen Jack moeten zien, juffrouw, 0! die zagen er altijd zoo netjes uit!quot;
279
))Bob, \'t komt me voor dat je jou rechter- van jou linkerhand niet weet te onderscheiden.quot;
Dit laatste werd geuit op een hoogernstigen toon, terwijl de breinaalden plechtig en langzaam op de maat eener begra-fenistrom zich bewogen. Na een lange pauze liet zij er op volgen, terwijl een blos haar gelaat bedekte en hare oogen wijd openstonden en de hoeken harer lippen samengetrokken waren:
»Zoudt ge wel willen gelooven, Bob, dat, naar mijne meening, en ik twijfel geenszins ook naar het gevoelen van den weleerwaarden dominé Ichabod Longwind, die Grietje, van welke gij spreekt, niet meer dan haar verdiende loon heeft ?quot;
Bob spalkte zijne oogen op, doch sprak geen woord, en tante Bebekka liet, na het uiten van dat vonnis, hare eerbare breinaalden verder spelen, zonder er een woord meer bij te voegen.
Een lange pauze volgde, gedurende welke Bob niets sprak; eindelijk stond hij op en zeide:
»We zondigen uit domheid, dat zeg ik maar; maar, o juffrouw ! de armoede, de armoede draagt de schuld van dat alles! We hebben geen huis, geen vriend, geen meester, niets dan honger en naaktheid; en toch is dat bloed daar binnen jong en warm, en de hersens in het hoofd vragen gedurig, snakken naar kennis, maar er is niemand om ze te leeren en te wijzen, dan komen er soms mooie lijf en leden bij, en de verzoeking, en geld en \'t slechte leven, alles zonder wegwijzer, zonder wegwijsster. Och juffrouw, wij zondigen, wij verzuchten, wij sterven en geen mensch bekommert zich om ons. Was \'t niet om Uady en Guldentong,\'k zou nou ook willen heengaan. Maar ik heb werk te doen, juffrouw, en dat zal ik doen, en dan ; goeden nacht, goeden nacht, mooie wereld ! \'k heb je meer gezien !quot;
Bob vertrok overhaast om zijne gemoedsbeweging te verbergen.
Het ligt niet in mijn plan, de bijzonderheden van Jacks rechtsgeding en veroordeeling te verhalen. Rechtskundige bijzonderheden zijn van weinig belang, tenzij voor de mannen van het vak. Langen tijd kwijnde de jonkman in den kerker en toen de dag der terechtstelling kwam, waren zijne vrienden op hun post, ja, doch zij behoorden helaas 1 niet tot een stand in de maatschappij, waardoor zij de belangstelling van een gerechtshof in hooge mate konden wekken. Zij getuigden voor de goedhartigheid van hun vriend; — zij noemden hem „trouwe kemphaan! ronde vent! durver! duivelsche kerel!quot; doch niet een dezer vriendschappellijke benamingen pleitte overtuigend voor hem in de oogen der wet. De heer Dins-moor spande, geheel tegen zijn gewoonte, pogingen in om de rechters gunstig voor den beschuldigde te stemmen, en zulks te meer, daar woelige Jack zooveel ijver ten aanzien van
280
Imogene had getoond. Overigens echter bleef de gansche levensloop van den jonkman een onverklaarbare afgrond voor den ordelijken, fatsoenlijken, rijken handelaar en mag men veilig aannemen, dat zijne bemiddeling niet van de allervurigste soort was.
Lange opsluiting, afwezigheid van alle opwekking, meer verdrukking integendeel, hadden geest en zinnen van den ongelukkigen jonkman te eenenmale verdoofd, en vaak hoorde men hem zeggen, dat hij zeer blijde zou zijn als hij aan den eindpaal van zijn lijden zou wezen.
))Ja,quot; zeide hij tot Bob, sal kwam ik vrij, ik zou nooit weer de rechte worden- Mijn moeder sterft weg. Grietjes arm hart is gebroken; de gansche wereld is voor mij veranderd. Een zaak blijft mij nog over en die zal ik u zeggen, alvorens te sterven.quot;
En zoo ging de eene maand na de andere voorbij en toen kwam de dag der terechtzitting, zoo als wij zeiden. Het was een bedroevend schouwspel, te zien hoe de krantenjongens allen in de gerechtszaal zich vergaderden en de koopvrouwen, tot zelfs meisjes en jongens van de straat van alle kanten aankwamen om den mooien Jack nog even te zien. En toen hij nu, zoo bleek, en nochtans in hunne oogen nog zoo schoon, zoo kalm, zoo manhaftig voor hen verscheen, ging er uit die menigte één kreet van begroeting op, verzeld van tranen, van welgemeend beklag, dien het den gerechtsdienaren onmogelijk was te bedwingen. Geen jongen, geen meisje in de gansche .Boitwjz-streek hield hem schuldig; doch de getuigen behoorden tot een andere wijk der stad, die evenmin sympathie en vriendschap voor de inwoners van Bowery voedde, als de Franschen voor de Engelschen. Allen verklaarden onder eede dat de beschuldigde het mesje had opgehouden met het voornemen den aanvaller te dooden. Zij getuigden, dat hij den twist begon, Pieter tot het uiterste dreef en hem toen in koelen bloede den doodsteek gaf. Groot was het getal getuigen, die met zooveel zekerheid in dien geest spraken, zoodat er weinig voor den jury scheen over te blijven om het schuldig over hem uit te spreken.
De raadsman, door het hof benoemd om voor den jonkman te pleiten, kweet zich van zijne taak, doch zoo lauw, dat daaruit ten volle bleek dat ook hij zich van zijn schuld overtuigd hield. Hij deed ten voordeele van den beschuldigde een beroep op de goedertierenheid der rechters, daarbij de vriendschap aanvoerende, welke allen, die tot den kring des beschuldigden behoorden, voor hem voedden, bij hetwelk de krantenjongens, reeds opgewekt en verrukt, als bevonden zij zich in den bak van den schouwburg en niet in Themis\' zaal, hun gewoon hi! hi! h! deden galmen, tot \'s hofs zeer groote
281
ergernis, dat dan ook onmiddellijk bevel gaf de zaal te doen ontruimen.
Hoeveel ergernis die kreten ook aan de wet gaven, zij waren muziek en hemelsche troost in de ooren van den armen Jack, die daaruit zag, dat hij bij zijne makkers in liefderijk aandenken zou blijven. Gedurende de gansche behandeling der zaak zag men twee nonnen, in het zwarte kleed van hare orde, aan eene zijde van de gehoorzaal zitten. Deze kleedrj bestond in een zwart krippen muts tot ver over de wangen nederdalende, en een lang wijd kleed van zwarte sergie, om de leest vastgehouden door een zwaren, zwarten gordel waarvan een ebbenhouten kruis afhing. Uil de lange, losse mouwen staken andere van grof, wit neteldoek. Beide vrouwen zaten bewegingloos daar, als beelden, met voorovergebogen hoofd, met de handen in de tegenovergestelde mouwen over elkander gestoken, zoodat men niet kon nagaan welke mate van aandoening onder dat zwarte gewaad heerschte. Daar zij dagelijks verschenen en haar gewone plaats op hetzelfde uur innamen, zagen de aanwezigen met een zekeren eerbied naar beide en wanneer zij binnenkwamen doorliep een zeker ontzag oogenblikkelijk de vergadering; want spijt alle godsdienstvooroordeel, staan de zusters der liefdadigheid bij de belijders van eiken godsdienst in hooge achting.
In tegenovergestelde richting, op een plaats van waar men den beschuldigde recht in het aangezicht kon zien, zat een andere gedaante. Het was een jong meisje, armoedig gekleed en schamel, die voor ieders blik scheen te willen wegkrimpen; zij trok sluier en shawl dicht om haar gestalte, met een zoo harden ruk, dat er duidelijk het vertrouwen uit sprak, dat zij op deze wijze het hevig kloppen van baar hart meende te onderdrukken. Zij was, zooals wij zeiden, bleek en mager, en haar oog dwaalde rusteloos van Jacks gelaat naar dat dei rechters en weder terug. 0, een vulkaan van kokend harteleed brandde daar binnen in den boezem van Grietje^- dat zij niet kón onderdrukken, spijt al hare pogingen. Toen Bob binnenkwam, zich naast zijn vriend plaatste en een vertroostenden blik op het meisje wierp, weende zij, als moest haar hart vaneen splijten; doch toen woelige Jack zijne dunne vingers aan zijne lippen bracht ten teeken zijner innige liefde, toen snakte de arme Grietje naar adem en keerde zich nu links, dan rechts, uit vrees dat haar folterend wee hoorbaar mocht worden.
De juryleden hadden zich omtrent hun uitspraak onderling verstaan en stonden op het punt ze uit te brengen. Er heerschte een oogenblik van schrikbarende stilte. De gansche ruimte der zaal was opgepropt van menschen; niet één krantenjongen was bij die gelegenheid weggebleven. Den beschuldigde werd bevolen op te staan en de jury in het aangezicht
282
te zien, zooals de wet het wilde, en toen hij bleek, doch kalm opstond, rees ook Grietje van haren zetel en vestigde hare oogen op zijn gelaat. Alles was doodstil, zoodat het kloppen der harten van de aanschouwers hoorbaar werd en in de aderen van al die aanschouwers, daar in groote menigte vergaderd, het bloed op- en nederbruiste en een hijgen veroorzaakte, gelijk aan het zuchten van een stoom-machine op een afstand gehoord. En toen nu de voorzitter het woord sc/w/rfij uitsprak, heerschte er een oogenblik van doodsche stilte, onmiddellijk gevolgd door een luiden, hart verscheurenden gil uit een enkelen wegkrimpenden boezem geperst, anderen zeggen uit twee; sommigen verzekerden dat de rijzigste der twee geestelijke zusters een gil gaf, niet minder luid dan die van Grietje, doch dit is niet bewezen, immers toen het arme meisje stuiptrekkend en bezwijmd op den vloer nederstorte en weggedragen werd, verliet de zuster, even stil en bedaard als zij gekomen was, de gerechtszaal. Op den gil van Grietje, greep woelige Jack de traliestangen naast hem en keerde zich naar haar, als wilde hij haar uit het verderf redden; het was slechts een oogenblik, en zijn vonnis hoorde hij met geen bijzonder teeken van ontroering aan.
De wet had zich van haar offer verzekerd.
LVI1.
LAATSTE UREN.
De laatste uren van woeligen Jack te beschrijven is mij ondoenlijk. Het is mij altijd iets ijselijks: de fijnste vezelen van het menschelijk hart te doorwoelen, en dan zijn vatbaarheid voor het lijden in al zijn vreeselijke uitgebreidheid te moeten schetsen. Ik geloof niet, dat wij beter worden door het laten werken en opwekken onzer gevoeligheid. De traan, die heden als een balsem door een goeden engel, uit het hart geperst, het hartzeer door zijn reinen droppel zoo lang wijdende tot dat het ophoudt hartzeer te zijn of wegkrimpt tot het slechts een nauw merkbaar spoor overlaat, geheiligd door den dauw der ziele; die traan kan morgen niet weder uit een even sterk gevoel opwellen; neen, een dieper ingrijpend verdriet, een hardere foltering der ziel is er noodig om die tolk onzer menschelijkheid voort te brengen, en zoo zien wij hoe zich het gemoed verhardt in de beproeving; even als die springbronnen, wier water ijzerdeelen bevatten, dag aan dag uitvloeiende, eindelijk in de opeengestapelde nedergeplofte delfstoffen een beletsel vinden, tot dat ten laatste een harde zuil staat, waar eens de bron van levenswater ruischte. De dichtkunst, welke zich op het weêrgeven der driften in hare uitersten toelegt, veronzedelijkt een volk; doch zij, die de zuivere bronnen van ons menschelijk gevoel schildert, haar verwonderlijk weefsel van goed en kwaad — helaas! het goede zit er steeds als fijne, kunstig ingewerkte zilverdraden tusschen — zulk een letterkunde is heilzaam en ziele-adelend.
284
Het was den nacht vóór de terrechtstelling; het zij mij vergund dien nacht onder drie gezichtspunten te schetsen, veeleer dan al die monden te doen spreken, de tolke» van harten, alle wegkrimpende voor de gedachte aan den naderenden dageraad.
In een kleine kamer, eenvoudig doch proper, met gesloten deur en de witte gordijn weggeschoven, zoodat de volle maan haar witten, spookachtigen zilverglans er in wierp, lag een rijzige, magere vrouw op een lang ijzeren rustbed. Hare houding was zoo bewegingloos, haar gelaat zoo doodsbleek, dat ge licht het er voor hadt kunnen houden, dat geen leven meer door die groote, blauwe aderen bruiste, de grijze wenkbrauw en de vermagerde handen wareu verstijfd; alleen de lippen, waarachter de tanden eenigszins vooruitstaken, waren halfgeopend, blijkbaar tot een gebed, terwijl de handen een kruisbeeld omklemd hielden. Lange, zwarte kleederen hingen aan haakjes aan den muur en verhoogden nog den reeds doodschen aanblik van de kamer; aldus kan men zi^h de dooden voorstellen, in hunne duistere grafkelders rustende en weinig verbeeldingskracht was er noodig, de cel dezer non in een grafkelder van Greenwood te herscheppen.
»0, moedor! wier hart door bet scherpe zwaard van het doodelijk verdriet wordt verscheurd, medelijden! ontferming!quot; In welken vorm ook, de lieve Heer weet wanneer hel hart Zijne hulp behoeft; geen wonder, dat een kalm, ootmoedig geloof het gemoed der non vervulde: zij stortte tranen en toen kwam de slaap, die de tranen hunne zuster noemen, haar troosten.
In een duister, morsig vertrek, door de besloten lucht vochtig, lag, uitgestrekt op den vloer, met het hoofd alleen op de zitting van een stoel rustende, een bleek en verwilderd uitziende gedaante. Geen traan, geen kermen, geen bidden! Het beeld der zwarte, sprakelooze, vertwijfelende ellende, op het aangezicht geschilderd. De maan had meer en meer zich aan het uitspansel verheven; haar bleek licht had de gebroken blinde ontmoet, het scheen er door heen en viel over de bleeke bewoonster. Nu liet zij haar hoofd van den stoel achterove.t op den vloer zinken, want zij schuwde het licht als het beeid der helle. Zoo lag zij uren achtereen, met het hoofd achterover, de haren rondom het hoofd geslagen, met de verglaasde oogen in de donkere, ledige ruimte starende.
Die sprakelooze wezenloosheid was hartverscheurende!\' dan woorden. Het arme, ononderwezen hart kon het volle gewicht van zijn lijden gevoelen, doch had geen besef van hetgeen het behoefde; de goede God echter kende die behoefte — en meewarige hemelgeesten bliezen zachtkens over de wenkbrauw; meéwange hemellingen brachten verademing aan het
285
gemoed, en de slaap daalde! maar o! hoe ijselijk was het haar te moede toen zij de wimpers niet over de groote, wijde star-oogende appels kon doen vallen en de afgepijnde zenuwen haar onverwinnelijke spanning doen verliezen.
In een enge cel, aan alle zijden van steen omgeven, ligt een jongeling, in vollen levensbloei, op een harde, ruwe legerstede uitgestrekt; de slaap, die reeds overal zijn invloed deed gelden, heeft sedert lang hem geboeid. Op de stroo-peluw ligt een bijbel en raakt het krullend haar des slapenden; het boek is geopend en op de woorden svrees niet, kleine kudde,quot; is een traan gevallen. De slaap vond hem weenende over de liefderijke woorden van den liefderijken Jezus, en nu ligt hij daar, terwijl zijn jeugdig hart zachtkens daait en rijst, zachter en kalmer misschien dan het ooit te voren deed. Hem zou de heilige verborgenheid haast geopenbaard worden.
Ja, de slaap des jongelings was kalm. Nooit had hij, in zijn verwaarloosde jeugd, zoo zoet gerust als thans; daar lag hij, een lieveling in Christus, een geslagen lam, aan den boezem van den goeden Herder gewiegd. De maan wierp hare stralen op het opene, vierkante plein en zag welke onnatuurlijke toebereidselen daar gemaakt werden, en zocht zich een weg te banen door de zware balken en de ijzeren stangen, om te zien voor wien dit ijzingwekkende werk bereid werd; en toen zij een armen jonkman vond, ))aan wien meer gezondigd was dan hij gezondigd had,quot; sloop zij weder weg, vreezende hem te doen ontwaken.
Toen de morgen aan de kimmen daagde, zat Bob reeds aan de zijde van zijn vrienden in een lang en plechtig gesprek verdiept, als twee vrienden, die voor eene zonderlinge reis van elkander scheiden moeten. Vergeten wij niet aan te stippen, dat beider denkbeelden zich in den loop der laatste maanden zeer opgehelderd hadden.
»Lang al voelde ik. Jack,quot; zeide Bob, de hand van zijn vi\'iend drukkende, »dat er nog iets op je gemoed lag, meer dan je me zeidet, medunkt, dat je daar nooit recht voor woudt uitkomen.quot;
s\'t Is waar. Bob. Ik begon eerst het leven te vreezen toen mijn geest zich genoegzaam gevestigd had, om te zien op welk standpunt ik tegenover die wereld stond.quot;
»Wij weten niets. Jack, maar zooveel geloof ik dat we behoorden te wachten tot dat we geroepen worden, en gaarne wachten moeten.quot;
sMaar Bob, weet je dan niets dat je kan doen wenschen gaarne te sterven?quot;
»Om jou te redden, Jack, zou ik willen sterven — voor een vriend wil men altijd zijn leven opofferen.quot;
«Zeker, Bob? ook voor een moeder of een kind1?quot;
286
».Ta, van een moeder kan ik \'t nou zoo vast niet zeggen; ik heb nooit een moeder gehad; maar voor mijn arme kleine Dady zou \'k ook wel kunnen sterven, dunkt me.\'\'
Jack greep zijn hand en een tranenvloed stroomde uit zijne oogen.
»God zegene u daarvoor, Bob. Dan sterf ik meer dan gelukkig.quot;
Bob zag hem verbaasd aan en J ack vervolgde aldus:
»Zoo als ik te voren zeide; jaren achtereen beproefde ik den vloek der tooverheks uit mijn geest te verbannen, maar \'t mocht me niet gelukken. Toen ik Jack Sheppard speelde, scheen mij die rol slechts een stap te meer tot de vervulling. De jaren liepen voorbij. Ik was overtuigd, dat noch mijn vader, noch de zijnen schuldig waren geweest. Ik voelde evenzeer in mijn binnenst, dat er genoegzame deugd in mij huisde, om mij nimmer een misdaad te doen begaan, waarop de dood stond. En nochtans stond de profetie altoos als een zwarte vinger voor mij, op een onzichtbare gedaante in een donkere toekomst wijzende. Door een lichtvaardig, zorgeloos leven, zocht ik dat beeld te verjagen, doch het hielp niet. Naar mate de jaren Grietjes karakter rijper maakten, hechtte zij zich aan mij. Te kwader ure deelde ik haar het vreeselijk geheim mede, meenende dat het meisje aldus mij zou leeren vermijden. Doch het viel geheel anders uit. Éen doodelijk voorgevoel, een wild, teeder medelijden vermengde zich met hare liefde. Zie Bob! hoe onwetend beide ook. Grietje en ik trachtten toch te bidden. Wij gingen naar alle kanten leering zoeken; doch ontbloot van vrienden, onwetend en onbeschaafd als wij waren, waar uitkomst te vinden ? Het verhaal is ellendig, bedroefd, Bob — maar hoe hadden we iets kunnen leeren? Van waar zou Grietje aanminnigheid, vrouwelijke kieschheid leeren? Zij vatte den waan op dat het derde offer door de voorzegging bedoeld door haar kon worden gebracht — en gekozen. Ik volgde haar in een duisteren nacht — zij had gepoogd om Dady te wurgen en was de plek ontvlucht!quot;
Bob sprong overeind en door verbazing zoowel als afschrik als versteend, legde hij zijn hand op Jacks schouder.
Jack hervatte:
»Gode zij dank, ik was er in tijds bij om haar voor de vreeselijke misdaad te behoeden; doch nooit waagde ik het weder Grietje bij het kind te laten. Ik wachtte en luisterde — gij kwaamt — stondt stil — toen liept ge in vollen draf weg. Mijn arm hart stierf in mij weg van angst en beklemming; een oogenblik stond ik gereed den kostbaren last op te nemen, toen ik u op eens zag terugkeeren en het kind medenemen. Bob, toen knielde ik neder, en bad — ja. Bob, de arme, achtelooze, onwetende woelige Jack bad, uit de diepte
287
van zijn hart, en smeekte zegeningen af over uw hoofd, mijn vriend!quot;
En beide lagen in elkanders armen, inniger dan zij ooit te voren hadden gedaan.
»Gij herinnert u, dat Grietje u nooit veel genegenheid betoonde, daar mijne innige vriendschap voor u haar hinderde; dit was de reden, dat zij vermoedelijk het kind niet licht weer te zien zou krijgen, en toen zij het eindelijk wederzag, was de herinnering er aan uit haar geheugen gewischt.quot;
»Ik moet erkennen,quot; hernam de krantenjongen, »daartoe hield ik Grietje wel in staat. Maar ze deed alles uit liefde voor u, en Jack, eigenlijk genomen, lag in dé daad toch aan den eenen kant iets braafs, hoe dan ook!\'\'
«Wel mogelijk!quot; hernam de ander. »Toen ik naar huis kwam, huilde Grietje als een razende; en ik zag inderdaad dat zij brandewijn had gehaald en door deze dubbele oorzaak werkelijk van haar zinnen was beroofd. Ik verzorgde haar, Bob. Ik schold haar niet, mishandelde haar niet, hoewel ik wellicht minder liefderijk jegens haar was dan vroeger. Na een poosje, ziende dat Grietje op het punt stond om van wroeging en hartzeer te eenemale zinneloos te worden, of dat zij misschien door sterken drank haar leven zon verkorten, vertelde ik haar alles, onder beding dat zij geen bedwelmend vocht meer tot zich zou nemen. Doch nooit heb ik haar gezegd wie ons kind op- en meegenomen had. O, Bob, ge had moeten zien hoe aanminnig, hoe gelaten de arme Grietje daarna werd. Haar hart scheen voor ieder dood, behalve voor mij. Zij gehoorzaamde mij als een slavin en vreesde niets zoo zeer als een koelen blik van mij. Zij is een braaf meisje,quot; eindigde hij, eensklaps zijn verhaal daarbij afbrekende.
„Ja, ze is een brave meid; we zijn ijselijk dom. Jack, zoo als ik altoos zeg; maar, naar mijn weinigje oordeel, is Grietje een brave meid en wat ze nou is of is geweest, \'t zal haar nooit aan een vriend mankeeren, zoolang Bob leeft.\'\'
»En nou. Bob, zie je nou wel, hoe graag ik sterven wou, om mijn arm kind voor alle ongeluk in de toekomst te behoeden.quot;
Aldus spraken de twee jongelieden, beraadslaagden en beslisten, naar hun beste weten, over onze gewichtigste zedekun-dige vraagstukken. Al hun spreken was niet zoo als vaders het gewoon zijn, maar louter gevoel, en welde op uit die gedeelten des harten, welke de mensch bij zijn geboorte als het erfdeel der moeder medekrijgt; uit die gedeelten des harten, waaruit, als de zuivere golfjens, die van achter een nederig duin af en aan borrelen, de reinste invloeisels der menschelijk-heid zich lucht geven.
Mijn hart is te week; ik ben niet in staat te doen, wat de
288
goedhartige Bob deed, die zijn vriend tot in het laatste oogen-hlik op zijde bleef, mijn pen weigert mij haar dienst om den woeligen Jack langer te volgen; ja. Bob bleef hem op zijde tot in het laatste uur der doodsfoltering; hij zag hem voor de laatste maal de witte muts even oplichten, een laatsten blik op de schitterende, schoone dagster werpen, en haar vaarwel zeggen, tusschen hemel en aarde, den dood in de kaken!
«Troost mijn arm Grietje!quot;fluisterde hij.
De voorstelling was geëindigd.
LVIII.
LAATSTE ONTMOETING.
Bij al zijn eenvoudigheid bezat Bob een zekere mate van gezond verstand, dat hem dreef om te spreken of te zwijgen, al naar dat de omstandigheden het schenen te eischen. Van hetgeen hij ten aanzien van Dady had vernomen, vertelde hij niets aan de goede tante Rebekka, die het kind naar de natuurlijke inspraak van haar menschlievend hart had aangenomen, in weerwil van de twijfelachtige geboorte der kleine; doch zoo nu de vrouw in staat gesteld werd de misdadige ouders te ontdekken aan wie het kind zijn geboorte verschuldigd was, waarschijnlijk hadde zij dan anders gehandeld. Een kind zonder gewettigde ouders is een arm wezen; een kind, op hetwelk gij met den vinger kunt wijzen en zeggen: het is een kind des toevals, zijn moeder is Pully Slocum ofSusanne Newbegin, zulk een kind is — een verworpeling. Ingevallen als deze kan men te recht zeggen:
quot;Waar niets te weten zegen is,
Daar is de wijsheid droefenis.
Maar Bob was in geenen deele met den opeengestapelden kennisschat der vervlogen eeuwen bekend, en handelde geheel naar zijne ingeving.
Tante Rebekka zat met het hoofd van den armen Bob op haar moederlijken schoot en luisterde naar zijn verhaal van de laatste, uren des armen Jacks, terwijl heete tranen uit hare oogen vloeiden.
»En zoo is alles met hem uit,quot; zeide zij.
Na een korte pauze bracht haar menschlievend gevoel haar op Grietje terug en zij vroeg naar baar.
»Zij ligt op den grond,quot; antwoordde Bob, »en zij trekt zich
19
290
de haren uit het hoofd, niet bij groote vlechten, maar een spiertje voor en \'t andere na, moeder! zoo langzaam, zoo langzaam, als of haar dat goed deed. 0, juffrouw, daar is een geweldige kloof gekomen op de plaats, waar woelige Jack en Grietje stonden. Ze waren bij mijn ziel zulke mooie wezens om aan te zien.quot;
»\'t Gaat mijn begrip te boven. Bob. En Grietje wilde al maar niet trouwen, toen ge \'t haar voorsteldet? Arm schepsel, Hemelsche goedheid! ja, \'s menschen aard is moeielijk te doorgronden, Bob.quot;
»\'s Menschen aard, juffrouw, komt mij een duidelijk boek voor. Daar kan ik me best in te recht vinden, maar wat er buiten dien menschenaard gedaan wordt, daar ligt voor mij de knoop, dat begrijp ik niet.quot;
»Zeker, zeker. Bob. Maar het ligt in \'s menschen aard in de wereld geacht te willen zijn, en veilig.quot;
„Het veilig zijn begrijp ik, juffrouw, maar geacht ook, dat kost veel geld, voor arme bloeden als Jack en Grietje en Bob zijn, juffrouw.quot;
gt;Hemelsche goedheid ! Bob, als Grietje gehuwd ware geweest had ik niet het allerminste bezwaar gevonden; maar, het is de ondeugd aanmoedigen, het is het goede in de maatschappij ten eenenmale omverstooten, wanneer men zulke handelingen schraagt.quot;
„Ik geloof, juffrouw, dat ge gelijk hebt, meer weet ik er niet van te zeggen.quot;
»Ik zal haar bezoeken,quot; zeide tante Rebekka van haar zetel rijzende, als ware zij na een langen zelfstrijd eindelijk tot een vast besluit gekomen.
Bob aarzelde.
»\'t Kan zijn, juffrouw, dat je zoo een soort van boetpredikatie aan de arme Grietje gingt houden.quot;
«Hemelsche goedheid! twijfelt gij er aan? Ik zal alles te berde brengen wat immer mogelijk is, als ik maar die reeds brandende ziel aan den helpoel ontruk.quot;
„Ik mag wel zeggen, juffrouw, dat de arme Grie\'.je in mijne oogen al te ver heen is; ze is een ongelukkig vertrapt wezen nou!quot;
En weder welden tranen in tante Rebekkaas oogen; zij verwijderde zich en keerde bijna onmiddelijk terug, gekleed en gereed om hare menschlievende zending te gaan vervullen.
Het was reeds donker toen beiden de oude vervallen trap naar Grietjes kamer opstegen. De volle maan wierp een lange schaduw over de straten, alwaar de voorbijgangers elkander scherp in het aangezicht zagen, zoo als de gewoonte is in de steden, wanneer de maan, in de plaats der lantaarnen, haar licht over \'s Heeren straten werpt. Nu was het vacantie voor den lantaarnopsteker; nu zag men hem niet met vluggen stap
291
met de kleine rammelende ladder voortdribbelen, en de ijzeren punten over de straatsteenen schuiven alvorens ze tegen den paal te stellen, hem opklimmen en afstijgen, een hemelling gelijk, om een vriendelijken lichtstraal achter zich te laten. Dat licht, hetwelk zoo plotselijk komt en uw aangezicht en dat uwer vriendin kennen doet, die, achter een gordijn verscholen, met u kout, en haar vermoedelijk de hand, die in de uwe geklemd was, reeds bij de komst der lantaarnopstekers, snel terug doet trekken.
Heden avond is de policie-agent niet op de straat. Op den weg, in de Anthonius-straat, die naar de Fivepoints meer en meer afwaarts loopt, en waar de gebouwen al armer en bouwvalliger worden, stond tante Rebekka op de aldaar luierende leêgloopers te schelden, met haar gewonen ijver uitroepende: „Genadige hemel! waarom zijn zij niet in hunne huizen, waar ieder fatsoenlijk mensch behoort te zijn? Waarom zijn niet al die kinderen te bed, in plaats van nog zoo laat op den avond op de straat rond te dentelen?quot;
Bob antwoordde niet; en daar deed hij wel aan, want de goede vrouw zou nog wanhopig zijn geworden, als zij al de bijzonderheden dienaangaande had vernomen. Waartoe haar edelaardig gemoed te doen ineenkrimpen door de wetenschap, dat hier duizend kinderen in die groote wereldstad geen woning hebben, waar zij onder dak kunnen komen? Tien duizend kinderen, te midden eener christen-gemeente, zonder woning, zonder beschermers, zonder ouders, zonder gids; dwalende over markten en straten, met afgepijnde hersens, afgematte voeten, met steeds zich meer ontwikkelende geestvermogens, doch zonder iemand die ze leidt, zoo als alleen een moeder kan leiden; niemand die ze troost, zoo als alleen een moeder kan troosten; niemand die ze voorlicht, zoo als een moeder alleen den geest van het kind kan verlichten. Men ziet hen in den omtrek der markten, der bakkerijen, der dokken, rondom de voorpleinen der huizen, overal waar slechts een verloren menschelyk wezen beschutting kan vinden, in den maneschijn slapende, alleen onder de hoede van Hem, die »de jonge raven spijst, wanneer .zij schreeuwen.quot;
In de nabijheid van de trap stonden groepen halfnaakte jongens, allen zwijgende en blijkbaar van ijzing doordrongen. In de schaduw van het deurportaal stonden andere; allen, die op de trap waren, weken schuw ter zijde, om Bob en zijne gezellin voorbij te laten.
»Genadige goedheid!quot;
Deze uitroep ontsnapte meer dan eens aan den mond van tante Rebekka, toen zij zooveel levende getuigen der onordelijkheid voor zich zag. De kamer binnentredende bevond zij zich in een dompigen, drukkenden dampkring: immers lang
19*
292
was het zonnelicht reeds uit die ruimte verbannen geweest, al den tijd, dat Grietjes tranen daar gestroomd hadden. De blinden waren als naar gewoonte van binnen gesloten. Zuster Agnes had een waskaars op de tafel gezet en zelfs aan dat vertrek een zekere netheid weten bij te zetten.
Tante Rebekka zag zwijgend in het rond, al hare lange teksten verdwenen en waren vergeten bij den aanblik van zooveel lijden. De vreemde non, die — \'t zal wel onnoodig dit hier te zeggen — niemand anders dan de Julia onzer geschiedenis was, zat aan de eene zijde, met het hoofd tegen den rug van een stoel geleund.
De stralen van het licht vielen op haar gelaat en verrieden een doodsche bleekheid.
«Zuiver mij met hijsop en ik zal rein wezen. Zoek mij en beproef mij, opdat geen kwaad achter blijve. Minnaar en kind! ontferm, ontferm u mijner, de ellendigste onder de ellendigen. Ontferming! — ontferming!\'quot;
Dus ging zij voort, met halfgesloten oogen en loodkleurige lippen.
Aan Grietjes zijde zat zuster Agnes, de kille handen der lijderes in beide hare geklemd, terwijl hare lippen woorden van troost spraken, met eene bedekte, doch als zilver klinkende stem. De aanraking der arme, ineengezonken Magdalena was geen bezoedeling, in de oogen der reine, echt heilige non, • lie, doch te vergeefs, getracht had den geest van net arme meisje op te beuren en te vestigen op de voorwerpen builen de grensen van haar zielefoltering.
Tante Rebekka liet hare oogen her- en derwaarts dwalen, trad toen naar de vreemde non, lichtte hare hand van den rug des stoels, legde ze aan haar eigen warmkloppenden boezem en hield ze met haar breede, vriendelijke hand er tegen gedrukt.
„Raak mij niet aan, want ik ben een zondares,quot; hijgde de non.
»Wij zijn allen zondaars — allen hebben wij vergeving noodig,quot; antwoordde tante Rebekka, de tranen uit 1.are oogen wisschende.
))Ik zal tot den Vader bidden en Hij zal een trooster zenden,quot; zeide zuster Agnes; en tante Rebekka, hoeveel afkeer zij anders ook van het pausdom had, betrapte zich in dat droevige uur op een toestemmend «Amen!quot; als weêrklank op den vromen en waardigen uitroep der vrome zuster.
Nu werd het geluid van voetstappen beneden op de straat vernomen; bedaarde, afgemeten stappen, als van een zwijgende menigte, doch de bewoners der kamer hoorden ze niet; daarbij voegde zich een zacht gerommel van zware wielen; langzaam, langzaam bewegen zij zich over de zware straatsteenen, zacht, zeer zacht naderen zij, en houden beneden het venster stil.
293
Een man komt boven, blijft aan den ingang staan en wenkt. De non zucht diep en staat op.
))Nog eenmaal, vroeger, te middernacht — eenmaal vroeger, en nu voor het laatst; en dan tranen en gebeden en boete — en dood!quot;
Terwijl zij dit uitte, leunde zij zwaar op tante Rebekkaas arm, ging de trap af en nam haar plaats in het rijtuig, dat voor de deur wachtte.
»Gij moet bedaard blijven. Grietje,quot; fluisterde Bob, terwijl hij tegelijk zuster Agnes in het opstaan behulpzaam was. Grietje had te voren zijn tegenwoordigheid nog niet bemerkt; zij sloeg haar arm over zijn schouder en door diepe verslagenheid en den hartverscheurendsten rouw buiten zich zelve, sprak zij:
»0, Bob, ze hebben het braafste hart, dat ooit geklopt heeft, vermoord — een hart, waar meer liefde huisde, dan ooit een mensch heeft gevoeld.quot;
sik weet het, Grietje, maar we zullen het. dragen, we zullen.quot; »Och, Bob, \'t wee zit daar — daar, van binnen — maar ik heb Jack beloofd het te dragen. Ik zal mijn woord houden, Bob, dat zal ik, tot het laatste uur.1\'
Zij was meer meesteres van haar zelve dan men vreesde dat zij zou wezen, ja, zelfs toen zij de zwarte lijkkoets voor zich zag, en de troep krantenjongens de gansche straat vulde, doch allen het diepste stilzwijgen in acht nemende, wist zij evenwel voorwaarts te wankelen en wierp hare armen opwaarts met een ruk, waaruit het folterend lijden sprak, steeg loan in de koets en legde haar hoofd op den schouder der vreemde non. Nooit waren zij elkander op deze wijze genaderd, als nu, dat alle wereldsche eerbied in de grievende gewaarwording van gemeen harteleed zich verloor. Grietje kreeg de krantenjongens in het oog; zij voelde in haar binnenst dat alleen de krantenjongens den armen Jack naar zoodanige plaats zouden willen volgen; doch wat zij niet zag, was het medelijden, waarmede zij allen op haar staarden, en met welken eerbied zij haar kleederen aanaakten en daar allen in den maneschijn met ontbloote hoofden stonden, ieders hart vol rouw over het lot van een hunner medebroeders.
Langzaam reed de lijkwagen verder over de straat, met een enkele koets achterna, dat fiere italiaansche hart voerende, nu doodstil, met al zijn eerzucht, al zijn vernietigde droomen van lust en leven en roem, niets achterlatende dan een hart V9I zuchten en vermoeienis, ja, een lijdend, afgepijnd hart, nu tot vasten en gebeden verootmoedigd; het voertuig droeg ook het hartstochtelijke gloeiende hart der Magdalena, opgegroeid te midden der glinsterende verlokselen eener groote stad, in onwetendheid en verlatenheid, in verblinding en wanhoop;
294
dat voertuig droeg een trits van reine harten, een vertegenwoordigster van Rome, eene van Kalvijn, en een vertegenwoordiger der verlaten armoede. Gewis, God is onze hoeder!
Langzaam rolden de wielen voorwaarts, en twee aan twee volgden de krantenjongens in een stoet, tot aan den weg naar Fordham, waar een menigte witte steenen overeind staan, een kleine akker der dooden, waar iedere terp, hoewel nederig, het teeken des kruizes draagt.
Toen Julia veel jaren te voren het sombere steenen\' kruis boven het stoffelijk overschot van haren doode plantte, was deze plek nog een wildernis; nu was de bevolking des akkers toegenomen, ja, doch nog altijd scheen hij meer een dichtbe-plante plek vol boomen en heesters dan een begraafplaats; immers het toen door haar geplante kruis was niet meer te herkennen, geheel begroeid met klimop als het was, even als in haar eigen hart de schitterende verwachting der eeuwigheid de wereldsche eerzucht overschaduwd had en haar voor de betere ingevingen van het inwendige leven had rijp gemaakt. quot;Weldra zal de asch van deze vier kinderen der aarde zich daar vermengen, en dan zal de natuur over het marmer het fluweelen dekkleed des tijds spreiden, even zoo als zij het harte verlichting zal aanbrengen, dat voor alles afgestorven is behalve voor het lijden.
Als een laatste gunst had Woelige Jack van de vreemde non gesmeekt dat eens Grietjes lijk aan zijne zijde mocht rusten, en wij mogen hier niet verzwijgen dat eerlang die wensch des stervenden vervuld werd. Te spoedig helaas! werd inderdaad het stoffelijk overschot der vreemde non en dat van Grietje geplaatst naast dat van den man, dien zij innig en vurig gedurende het leven hadden bemind. Nog vreemder moge het schijnen, dat de goede tante Rebekka niet ophield de arme Grietje moederlijk op te passen, dan toen deze den laatsten snik had gegeven en zij gegaan was „ter plaatse waar de bozen ophouden kwaad te doen en de vermoeiden rust vinden.quot;
LIX.
EEN BRIEF VAN TANTE REBEKKA.
Wij hebben geen ruimte om de personen onzer geschiedenis gedurende de vijf of zes jaren na de bovenstaande gebeurtenissen te volgen, een tijdsverloop, lang genoeg om in ons aller leven aanmerkelijke veranderingen te doen plaats grijpen. Menige verwachting, menige liefde kwijnt weg en sterft in veel korter tijd. — Laat hen voorbijgaan! — Ons wenkt het genot der toekomst en voor de dooden is een begraafplaats voorhanden.
De dichter, de prediker, de wijsgeer, allen met het inwendige raderwerk onzer menschelijke natuur vertrouwd, toonen maar al te dikwijls hunne ontmoediging in den worstelstrijd des levens en zijgen op den weg ter neder. Met den handelaar is het anders gelegen. Zijne alledaagsche ondervinding stroomt in een breedere bedding en baart daardoor meer ontzag; een zedelijke kracht dwingt hem, wellicht ondanks zijn wil, zich zeiven te vergeten; honderden, duizenden in de steden waar zijne volgepropte pakhuizen zijn: in debosschen, waar de kloeke houtveller de akst zwaait, om het hout voor zijne schepen te hakken; op de hooge zee, waar zijne beladen bodems ieder een koningsschat medevoeren; in den omtrek der dokken, waar de vlijtige werkman dag en nacht zwoegt om zijne ladingen te bergen; overal, in alle deelen der aarde, zien honderden, duizenden, naar den eerlijken wandel zijns levens, om het hunne te onderhouden: en dus moge ook zijn hart door bitter lijden worden toegeschroefd, hij mag er zich niet aan overgeven, naar geen rust talen, naar geen kortstondige verlichting des harten, naar geen verademing van de gejaagde hersens. Neen! onder allen moet de handelaar steeds ieder oogenblik tot den
296
strijd zijn gegord, en heeft zijn uur geslagen, met harnas en speer op de bres bezwijken.
Zoodanig was het met den heer Dinsmoor gelegen. Degenen, die op den rijken, sierlijken handelaar acht sloegen, thans zoo wreed door het nootlot bezocht, zagen hem nochtans onverzwakt in zijn bedrijf: geen verflauwing in zijne wonderbaarlijke ondernemingen, geen vermindering van ijver en kracht. Ophouden ware de ondergang van hem zeiven niet alleen, maar ook van anderen geweest, en daarom bleef zijn leven en bedrijf steeds in dezelfde bedding vloeien. Degenen, die hem meer van nabij zagen, konden evenwel bemerken hoe de wenkbrauw meer en meer vergrijsde, hoe zijn glimlach zeldzamer werd, hoe de opgewektheid van vroeger dagen verdwenen was.
Zijn weldadigheid breidde zich tevens uit; thans vroeg geen bedelaar hem meer te vergeefs, werd geen plan tot ondersteuning der lijdende menschheid hem voorgelegd of hij werkte mildelijk er toe mede; en was de sabbath daar, nooit verzuimde hij het kerkuur, hoewel zij, die de bank naast hem bezetten, niet meer de geliefde panden van gelukkiger dag waren.
Ten aanzien van het kerkbezoek had tante Rebekka harde beproevingen doorgestaan, en eerst toen zij den weleerw. Ichabod Longwind in het breede over deze aangelegenheid had geraadpleegd, was haar geest volkomen gerust gesteld.
»Bid voor mij, waarde broeder in den Heere!quot; dus schreef zij hem, swant waarlijk ik ben in de handen der Filistijnen gevallen, voor een tijd lang althans. Zie hier op wat wijze: Ik had vast besloten nimmer de kerk der episopalen te bezoeken, daar ik natuurlijk aan de zuivere melk des woords, zonder bemiddeling van \'s menschen krachten, de voorkeur geef; doch toen ik neef George als een verlaten schaap alleen naar Gods huis zag gaan, gaf mijn gemoed toe, en ik vergezelde hem.
»Hel is me, waarde broeder, als of de eeuwige grondvesten onder mijne voeteu wankelen want vele waren mijne beproevingen op den weg der plichten. Ik heb een arme jonge vrouw bezocht, in de strikken des vijands gevallen, wier toestand, ik wil het wel bekennen, mij aan\'t hart ging; ik verliet haar niet, bleef niet in gebreke haar woorden der vertroosting te doen hooren, hoewel ik maar al te zeer vrees zonder de gewenschte vrucht; want zij stierf — meer de oorzaak van haar zonde betreurende dan de zonde zelve. Doch deze is thans hier noch ginds. Een zuster van liefdadigheid (niet juist een eigenlijke non, maar iets dat er naar gelijkt) stond mij zeer in mijn hulp, aan het meisje verleend, ter zijde, en ik moet bekennen, hoezeer ik anders ook al wat roomsch is verfoei, en hoe ijverig ik ook alle verstrikkingen van mij afweer, \'s menschen aard is zoo broos, dat mijn gemoed mij
297
buitengemeen tot deze vrouw trok. Thans echter ben ik er geheel van genezen, gij kunt er van verzekerd zijn, waarde broeder; op dat punt moogt gij dus alle gebeden achterwege laten, daar ik ten volle het bewustzijn heb, mijn ziel van die schennis volkomen gereinigd te hebben.
„Ik voor mij beschouw het episcopaalsche als weinig beter dan zuiver roomsch; evenwel is neef George op zijne afgoden verslingerd en liever dan hem alleen als een droeven balling te laten, zoo als wij gewoon waren in onze spin-kamer te zingen, toen Lydia Keene en ik nog jonge meisjes waren, alvorens zij zich Sam Dolittle in de armen wierp; nu, dan zoo als ik zeide, liever dan hem alleen Gods huis te laten bezoeken, verzelde ik hem daar, doch tevens overtuigd dat ik de verfoeiing in de hand werkte. Help mij dus in die zaak, o mijn broeder in God, en hoed u, opdat gij u niet veel door de zoetsappige woorden des belagers belezen laat, zoo als ik u vroeger gewaarschuwd heb voor die Jezabel, die altijd uit het venster lag als gij voorbij kwaamt. Herinner u dat aldus ook de geblankeite vrouw in die oude dagen deed, wier bloed, zoo als wij lezen, de honden slurpten; herinner u, dat ik u te voren waarschuwde. Gij begrijpt, dat ik die sluwe weduwe Je-mina bedoel; haar naam voluit schrijven ware mijn pen bezoedelen.
»Ik schrijf u dezen in vertrouwen, alleen om u te toonen, hoe de Heere mij in deze stad bezocht heeft, welker verdorvenheid grooter is dan die van Sodom en Gomorrha ooit was. Vroeger sprak ik u over een zekeren Bob, een krantenjongen, voor wiens opvoeding neef George wil zorgen, hoewel de knaap reeds vrij opgegroeid is en in dezen oogenblik al twintig achter den rug heeft. Ik had veel verwachting van Bob, maar hij is zoo onverzettelijk in zijne gevoelens dat, ware het niet om \'t geloof, ik hem geheel zou opgeven. Evenwel baart zijne zienswijze mij vaak angst; daarenboven bezit hij een soort van wilde braafheid, die mij altijd aan dien Obadjah Liscom doet denken, die in den ouden franschen oorlog door Ingins werd medegevoerd. Bob kan thans voor rijk gehouden worden, maar hij blijft nog altijd gehecht aan het gespuis, waarmede hij in vroeger dagen verkeerde, alsof niemand onder de men-schenkinderen dat volkje evenaarde; alweder een bewijs voor het gezegde: wat in het bloed zit, en zoo voorts.
»Dan is er nog een wezentje in ons huis, dat neef George zijn kleine protégée noemt. — Ik bloos, zoo waar, terwijl ik dit schrijf; houd dien blos eener maagd ten goede, waarde breeder, wanneer ik u zeg — neen, ik kan niet — verbeeld u het ergste — het allerergste, barbaarsch! Welnu, dit ongelukkige kind is het mooiste schepseltje, dat ge ooit voor oogen kondet krijgen; een sprekend bewijs in één woord van het oude gezegde: »verstand en schoonheidquot; — spaar mij de rest
298
uit ontzag voor mijn maagdelijken blos. Nu had ik veel verwachting, dat dit kind — Dady is haar naam (ik zal beproeven haar Charitas of onder eenigen anderen christelijken naam te laten doopen) — tot vrome verkondigster des kruizes zou opgroeien. Naar mijn oordeel is zij nu — ach! ik beklaag haar uit den grond des harten, — ongeveer zes jaar oud, en kan reeds lezen wat men haar in handen geeft. Zij zingt als een nachtegaal; ik zou haar niet beter kunnen vergelijken dan bij een vrouwelijken Samuel, indien zij niet in éénen adem schreeuwde en lachte, zong en danste en bad; ja bad, als een klein engeltje, en dan eindigde met mij tante Rebekka, lieve tante Rebekka te noemen. Zij is een gezonde frische meid. Vroeger reeds zeide ik u, dat Bob haar uit een goot opraapte, arm wezentje! en de liefde, die de krantenjongen haar toedraagt, de zorg, die hij haar bewijst, de roem dien hij in hare vorderingen stelt, zou menig eerbaar en vereerd ouderpaar kunnen beschamen, dat zijn kinderen ten verderve laat gaan en wel nadat zij gedoopt zijn geheel overeenkomstig de voorschriften der kerk. Het ware niet kwaad, waarde broeder, dat gij een preek hieldt voornamelijk over hetjte kort schieten in hunnen plicht, zoowel van vaders als moeders, opzichtelijk dat punt; doch laat niet uitlekken, ik bid u er om, dat mijn neef die vondeling in zijn huis heeft, daar ik zoodanig voorbeeld voor zeer gevaarlijk houd.
»Ik zal nu moeten eindigen, daar Bob reisvaardig is om voor handelszaken van neef George naar IVMi-Zwdië te vertrekken. O, welk een verandering is er met dien jongen voorgevallen ! Na weinig beter dan een heiden geweest te zijn, is hij thans, dooide hulp des Heeren en die van neef George, in staat te lezen te schrijven, hij spreekt vreemde talen en is gekleed als een heer. Een paar oude schoenen echter, een onderbroek en een rokje heeft hij bewaard, die ge u zoudt schamen aan den voddenraper weg te schenken; zij hangen in zijn kamer op, ter herinnering, zegt hij, aan zijn vroeger leven, dat hij voornemens is nimmer te vergeten, en hoewel hij er nu zoo heerlijk uitziet en zooveel weet, bezit hij niet meer trots dan een versleten kous.
»Nog meer, hij spreekt zelfs tot neef George op een wijze, als of hij de fijnste opvoeding der wereld had genoten, en niet grootgebracht was zoo als wij weten. Maar het eenige gebrek, dat Bob heeft, is, zoo als ik hierboven zeide, dat hij zoo ijselijk halsstarrig in zijne zienswijze is. Ik ben vrij breedvoerig geworden; ja, als mijn pen eens op het papier is kan ik ze niet goed tegenhouden; ook wenschte ik u behoorlijk te doen kennen hoe het hier met ons gesteld is; gaarne wenschte ik hetzelfde van u te vernemen.
»Uwe Zuster in den Heere,
» Rebekka.quot;
299
Om tante Rebekka recht te doen wedervaren, wier brieven hier eindigen, waarvan ik den eersten nooit heb kunnen vinden, moet ik hierbij voegen, dat zij naderhand nooit weder aan den weleerwaarden Ichabod Longwind schreef, want nauwelijks waren bovenstaande letteren ter beschikking van de brievenpost gesteld, toen de schrijfster een dagblad ontving, hetwelk onder de huwelijks-aankondigingen het zwarte teeken eener pen toonde. De goede oude vrijster las met een kloppend hart, dat de weleerwaarde heer Ichabod Longwind en mevrouw de weduwe Jemina, wier naam zij niet vermocht voluit te schrijven, de heilige banden van het huwelijk hadden vastgeknoopt.
Kort daarna hoorde men haar, met een in hare trillingen eenigzins ontroerde stem zingen:
„Hoor! uit den grafkuil stijgen droeve toonen,quot;
waaruit een achterdochtig mensch licht het vermoeden had kunnen opvatten, dat een maagdelijke hoop in haar knop was gesmoord. Ontwijfelbaar was het, dat tante Rebekka voortaan al hare zedelijke of godsdienstige bezwaren zonder medehulp van den wel eerw. Ichabod Longwind zou weten op te lossen
LX.
EEN REIS.
Bob is nu twee- of drie-en-twintig jaar oud, een wijs bejaard man in één opzicht, een kind nog in een ander. Nooit bad men hem er toe kunnen brengen, het leven te beschouwen in overeenstemming met de staatkunde van wereldsch e wijsheid. Voor hem was het lijden hetzelfde, hetzij op hartroerende wijze uit het gelaat der schoonheid sprekende, of u met walging vervullende bij den aanblik der bleeke armoede. In beide zag hij niets dan een menschelijk hart, dat om een trooster en helper bad, en zijn groote, reine ziel gaf er onmiddellijk weêrklank aan.
Vaak hoorde men hem zeggen:
))Ik dacht, dat de boeken mij iets zouden leeren; maar ik vind in vele niet wat ik zoek; en dus zie ik rond en ga bij de natuur ter schole, want ongaarne zou ik mijn hoofd tot een uitdragerswinkel willen maken, opgehoopt met hetgeen voor anderen goed is, maar voor mij van weinig waarde.quot;
Een punt boeide hem uitermate, het was het karakter van Jezus, »wiens wandel weldoen was.quot; Dit karakter scheeneen onbeschrijfelijke aantrekkelijkheid voor den krantenjongen te bezitten; onophoudelijk bestudeerde hij het en vaak hoorde men hem zeggen: »Hier vind ik niets berispelijks, niets lakenswaards.\'1 De voormalige geliefkoosde plaatsen zijner uitspanningen en zijne oude makkers werden niet door hem vergeten; integendeel, alles wat te hunnen voordeele gedaan werd, was aan Bob te danken. Zijn gestalte was nu rijzig geworden, en zoo al niet fraai te noemen, toch was zijn voorkomen innemend en treffend. Charles Gardner en Bob waren vaak te zamen. Charles was tot meester.in de rechten bevorderd, en een gezond, opgewekt, kloek jongeling geworden.
301
Hoewel de herinnering aan Imogene nooit geheel uitgewischt was, was hij in geenen deele onverschillig voor de bekoorlijkheden van andere meisjes gebleven; integendeel weinige waren de stralende oogen, die niet nog meer stralen schoten bij de nadering van den schoonen geestig-vluggen jongeling, die, wij moeten het bekennen, steeds een verbazende menigte aardigheden wist te zeggsn, wel nietig, doch nooit voor het gemoed der schoonen verloren.
Bob teekende zich thans Robert Seaborn, hoewel zijne voormalige vrienden hem als van ouds bleven noemen. Gaarne had de heer Dinsmoor hem zijn eigen naam zien aannemen, terwijl tante Rebekka wenschte dat hij den hare aannam, te weten dien van Higgibottom, maar Bob kon tot geen van beide worden gebracht.
»Ik ben,quot; zeide hij, ^slechts een wilde hazelaar — een nieuw entrijsje, zonder bekende afkomst. Ik wil de eerste van mijn geslacht zijn, misschien wel de laatste. Ik houd bet eenen man onwaard eena anders schoenen aan te trekken, al zijn zij van zilver.quot;
En dus wist Bob, hoewel de vriend en medgexel zijns beschermers, zich zelfstandig te houden.
Bob, hoewel minder aantrekkelijk en schoon van persoon dan Charles Gardner, wist nochtans in hooge mate de belangstelling op te wekken. Hij was, als ik zeide, rijzig, en hoewel mager en bleek, verried hij zooveel gemoedelijkheid, gepaard aan manhafte waardigheid, dal hij zich slechts behoefde te vertoonen, om de oplettendheid te boeien. Zijn voorhoofd was hoog en blank, omschaduwd van rijk, tanig bruin haar. Zijne oogen hadden hun vroegere schuwe uitdrukking verloren, doch in de plaats daarvan had een zachte zwaarmoedigheid zich over zijn geheel gelaat verspreid. Hij was ernstig, maar de ondervinding der vroegere jaren had droeve herinneringen in zijn altijd werkzaam brein nagelaten. Zijne onvergetelijke vrienden Sam en Maria, de arme, woelige Jack en Grietje, met hun verwilderd, droevig leven; dan de kleine Minnie, steeds met de hand op het hart van haar nederigen en edelen vriend; zij allen leefden in vollen gloed en warmte in het geheugen van den krantenjongen.
Mogelijk ook dat de verlaten kindschheid van den knaap en zijn armoedige jongelingschap, waarvan de eerste nooit het zoete gekweel des kinds, en de andere nooit de geest-ontvlammende vreugde had gekend, bij tusschenpozen door die bleeke gelaatstrekken heengluurden, als betreurden zij het verlies. Doch voor mij was de ernstige glimlach van den krantenjongen, langzaam over zijn helder, kalm wezen zich verspreidende, als een zonnestraal, die in een zilverblank meer weerkaatst en liet verheldert; voor, mij was die glimlach de
302
schoonste der wereld. Hij vertoonde zich zoo helder, zoo kinderlijk rein, als of nooit een onheilige gedachte, een vlek van bitterheid of nijd, de rustige diepten van zijn edelaardig hart had bezoedeld, en ik het verschijnen en verdwijnen er van met een belangstelling gadesloeg, aan ieder ander onbekend.
Thans was hij de vertrouwde bediende van den heer Dinsmoor, volgens sommigen zijn deelgenoot; en kon in Bobs hart ooiteen gevoel van naijver hebben gehuisvest, het zou ten aanzien van Dady zijn geweest, die het volslagen troetelkind van den heer Dinsmoor was geworden. Ook haren naam wilde Bob nimmer laten veranderen, zij moest Dady Seaborn heeten, niet anders. Wie hare ouders waren geweest, bleef een geheim, begraven in zijn eigen hart, een geheim, dat zijn liefde voor het schoone kind eerder vermeerderde dan verminderde; doch hij begreep tevens, dat het op andere menschen een geheel andere uitwerking zou te weeg brengen.
„Ik moet toch bekennen,quot; zeide hij soms, in zijn hemeigene spreekmanier vervallende, die hem nimmer geheel verlaten zal, »ik moet toch bekennen, het is een paal boven water en zeer mooi van u, mijnheer Dinsmoor, dat ge gaarne zoudt zien dat Dady en ik uw naam zouden dragen; maar aard is aard en hoe die van Dady zal uitkomen, kan geen mensch ter wereld raden. En dus laat ze maar Dady Saeborn blijven. En waarom? omdat als ereis het kwade bloed den baas speelde, dan heeft er niemand schande van dan Bob alleen, die \'t meisje lief heeft als of hij haar vader was, dat mag ik gerust zeggen; en als het ergste gebeurt, zou ze nog altijd haar hoofd op zijn hart kunnen leggen, want Minnies hand is er op. Ik zou nooit schande om haar voelen, maar alleen meelij.\'\'
.,Bob, edele ziel!quot; antwoordde de koopman, „gij maakt mij schaamrood over mijn zwakheid. Ik sta zoo ver bij u ten achter.,\'
»Nou,quot; hernam de krantenjongen, hem hartelijk de hand schuddende, »dan zijt ge op den verkeerden weg. Waarom? bij ongeluk zijt ge tot rijkdom en rang geboren; gij weet veel en staat vrij hoog in de wereld — die gedeeltelijk voor u geschapen is; ja, ik mag het gerust zeggen; ik hoad die zaken voor een ongeluk en een hinderpaal voor onze mannelijke ontwikkeling; want ge kunt daardoor nooit \'s menschen hart en ook niet uw eigen kracht zoo goed leeren kennen. Ik houd het er voor, dat Jezus alles of het meeste wat hij was alleen werd, omdat hij geen rustplaats voor zijn hoofd had en daarom was zijn meêlij te grooter en te ruimer zijn hart. Een man, mijnheer, moest bang zijn voor hulp — bang voor hulp, ja, alle hulp is een beletsel, meneer; laat hem den balk lichten van daag als hij kan — kan hij niet, dan morgen, maar geen hulp, om Gods wil, geen hulp!quot;
303
Maar waar was nu Imogene? Was zij uit de harten dargenen verdwenen, die haar eens beminden? Neen! doch de tijd had het wee van het gemis verstompt en zij was een herdenken eerder dan een verwachting in het gezin geworden voor allen, behalve voor den krantenjongen. Hij alleen zeide gedurig: »als Imogene komt, als Guldentongetje terugkeert,quot; terwijl anderen slechts sedert den tijd van Imogenes «verdwijnenquot; rekenden. Tante Rebekka kwam getrouwelijk den last van Fanny na, om namelijk de kamer steeds gereed te houden. Niemand had sedert nog op de donzen peluw gelegen, niemand de jurkjes van den kapstok genomen. Alles was nog zoo als het kind het verlaten had; dat kind, wel is waar, moest, indien het nog leefde, nu een vrouw zijn; doch dat was om \'t even voor \'t gemoed van den treurenden vader, die haar steeds nog als een kind voor zich zag; nog altijd in haar kort jurkje, met den zonnestraal, glanzende in hare gouden vlechten, zoo als zij hem in de armen huppelde en zijnen en Fannys hals, op den morgen van den dag waarop zij was verdwenen, omklemde.
Sedert eenigen tijd had de heer Dinsmoor het plan gevormd, een zaskgelastigde naar Cuba te zenden, ten einde zijne handelsbetrekkingen aldaar te verlevendigen, en dit had onzen krantenjongenquot; aanleiding gegeven zich met de geschiedenis en het karakter der bewoners van dit pronkjuweel der keerkringen meer vertrouwd te maken, en na lang beraad van zijnen kant, bood hij zich op zekeren dag tot het doen der reize aan.
„Laat mij gaan, meneer,quot; zeide hij. „en beproeven wat ik daar voor u kan verrichten. Er spreekt iets daar binnen dat, mö dringt om te gaan, en telkens wanneer dit gebeurt dan moet ik gehoorzamen.quot;
Bob voedde andere en diepere prikkels, die hij echter niet oorbaar achtte te openbaren; hij uitte zijn wensch dan zoo dringend en sprak zoo overtuigend, dat de heer Dinsmoor eindelijk zijn toestemming gaf,
„Ga, mijn zoon,quot; zeide hij, smaar als gij van mij afgaat verlies ik meer dan gij wel denkt, ge zijt me zeer veel waard.quot;
Bob was bewogen.
s\'sMenschen aard is ies groots,quot; zeide hij: «ik mag dat gerust zeggen, meneer; en gij bezit het meneer, spijt al uw rijkdom.
Nu had tante Rebekka gelegenheid zich in haar vollen glans te toonen. Zij moest de koffers van den krantenjongen pakken. Een stapel garen kousen, waarmede een peluw-overtrek-sel tot aan den rand gevuld werd, konde al licht een twijfel omtrent hun dadelijk nut bij den stillen opmerker doen ontstaan.
Maar tante Rebekka stelde er hoogen prijs op, ze te zien afreizen, daar zij maanden achtereen er haar wellust in had gevonden, ze met eigen handen te breien. quot;Wijders was er
304
een groole veldflesch met fijn gestampte houtskool gevuld en voorzien van een behoorlijke etikette, waarop in zeer groote en zeer ronde letters te lezen stond; »Alle half uur een theelepel vol met een weinig melk, ingeval van gele koorts.quot;
Dan was er een flesch «brandewijn tegen de zeeziekte\'\' met een etikette, luidende medicijn, aan de eene zijde, en vergif, aan de andere; immers lante Rebekka was een voorstandster der verbodswet op den sterken drank, in Maine van kracht.
Het allerlaatst kwam een bijbel, zijnde een zeer netgedrukte polyglotte, waarin Bob, toen hij reeds in zee was, een brief vond, door de brave oude vrijster er in gelegd, waarin zij haar warmkloppend hart geheel aan haar jongen vriend uitstortte, den vollen stroom harer zegenwenschen, al hare tranen, van welke het papier letterlijk doorweekt was.
Vóór zijn vertrek voer Bob met de kleine Dady naar Slateneiland en onderhield haar over Minnie, en toen naar Greenwood, waar hij haar de namen van Sam en Maria op den steen liet lezen, maar naar liet giaf van woeligen Jack en Grielje ging hij alleen. Unnne geschiedenis moest in zijn eigen hart begraven blijven, en in stilte en alleen moesten zij worden beweend.
Eindelijk is hij in zee; de blauwe plas rondom, de blauwe hemel daarboven — nndique caelum, undique pontus. Gewichtig was die verplaatsing voor den krantenjongen; van :1e beperkte straten en stegen zijner kindsche dagen, zonder dak, zonder vriend, naar het verdek van een kloek zeekasteel, als zaakgelastigde van een rijk handelshuis, als metgezel en vriend eens rijken new-yorkschen koopman. Bob gevoelde het ten volle, doch naar zijne wijze. Zoo zag hij niet in dat de hoogere graden van welvaart hem eenige meerdere waardij bijzetten. Inwendig was hij in zijne oogen nog van dezelfde gehalte, en zoo er in zijne oogen verandering plaats had, het was die van zich zei ven, thans minder te schatten daar oogen-schijnlijk minder dienst van hem gevergd werd. Steeds had zijn hart en zijn hoofd gewerkt, zoo wel als zijne handen; en thans, daar meer welvaart het zwoegen voor het dagelijksch brood overbodig had gemaakt, woog zijn nuttigheid ook minder op de schaal der zelfwaardering.
«Eigenlijk genomen,quot; zeide hij, »de arbeid alleen maakt den man; ik zou willen werken niet om rijkdom, maar om mannelijke waarde te verkrijgen.quot;
Ieder gezichtspunt op zee, iedere vlucht zeevogels, iedere vangst van een visch, was een nieuwe wereld voor den krantenjongen, die zijn belangstelling in de hoogste mate opwekte. Doch wij moeten hem thans verlaten om andere personaadjen op te zoeken, misschien te lang reeds voor onze lezers verborgen, want, we zeiden het boven, een tijdsverloop van zes jaar had zijn invloed aan alle kanten doen gelden.
LXI.
EEN WONING IN I)E KEERKKINGLANDEN.
Wij zullen onze lezers naar een koftle-plantage in liet binnenland van Cuba leiden. Zij is niet zeer groot noch belangrijk; op luie, nalatige wijze wordt zij bebouwd door een aantal negers en negerinnen, bejaard reeds en vervallen, die hunnen dienst uitgeleefd hadden op de suiker-plantages van hun heer. Hetzij namelijk een slaaf door ouderdom niet meer voort kan, hetzij door eenige andere oorzaak niet meer kan arbeiden, wordt hij naar de koffie-plantage overgezonden, alwaar hij, aan lichteren arbeid onderworpen en vriendelijker behandeld, het overige zijner dagen slijt. Hier is alles stil, rustig, traag, vriendelijk, want de vrouwelijke opzichter, Nonina, ons bekend, kent slechts één hartstocht, die al de andere verzwelgt. Minder vadzig dan de blanke Kreoolsche, is zij naijverig op haar klein gebied en draagt roem op dat fraaie ras van slaven en slavinnen, die door hare bekwaamheid tot in hoogen ouderdom nog bij kracht en gezondheid worden bewaard.
Het huis is laag van verdieping en bestaat eigenlijk uit één doorloopende rij waranden, naar alle kanten uitgangen latende, en welker binnenvertrekken gescheiden en onderverdeeld zijn door zware, ruime gordijnen, langs den vloer slepende, of door massieve ringen en kwasten tot festoenen opgenomen. Deze gordijnen vervangen de plaats der deuren. Langs deze wanden bevinden zich zit- of rustbanken, gelijkmatig met het sneeuwwitte, net overtrokken sofaas, beddestoelen en kussens van de kostbaarste stof en maaksel, door vazen, guitarren, harpen en pianoos behagelijk afgewisseld. Groepen van naakte kinderen dartelen met een dommelend gedruisch over de binnenruimte; oude, deftig uitziende negers liggen onder
20
306
reusachtige palmboomen te rooken; breede, gezette negerinnen mei hooggekleurde tulbanden, bewegen zich log en traag heren derwaarts, spreiden sluiers over het gras, of kloppen mousseline uit, of slaan suiker en eieren, rollen deeg tol pasteien, alles tot huiselijk gebruik. Alles spreekt hier van welvaart en weelde, want de bewoners, minnaars van prachtige kleuren, schijnen in dat opzicht met den vroolijken papagaai, den heerlijken flamingo of met de in vollen kleurendos prijkende Flora dier gewesten te wedijveren. Hier staat een groote witte papagaai, oud en drok, die met een onophoudelijk gekrijsch ieder die voorbijgaat begroet, tegen den een uitvarende, tegen den ander lachende, als een vlees^helijke duivel; en wordt hij een vreemdeling gewaar, dan tiert hij als een zazende.
De zon neigt ten westen; reeds is zij tot beneden de bergkruin gedaald, die den wesler-horizon van de vallei begrenst. Bewegingloos staan de rijzige palmboomen in de gulden schemering; de wijngaard buigt onder zijn sappige vrucht; de roos laat als onder een onzichtbaren vingerdruk langzaam hare blaadjes achtereenvolgend van den stengei vallen; de bloesems van de vlinder-plant sidderen als levende insekten, en men kan ze van de wezenlijke kevers niet onderscheiden, die wijd en zijd de lucht vullen, met hunne schitterende kleuren in den avondgloed badende, of aan de gele kelken der jasmijn zuigende, als wilden zij de kolibrietjes met schaair.ie verjagen, wanneer zij door de lucht trillen of hun verrukkelijk dons op de bloemen laten wiegelen. Zachtkens begint de zeekoelte door het dal te sluipen, doch zoo licht en nauw voelbaar, dat gij ze nauwelijks zoudt ontwaren zonder de geuren, die van den bloemen-oceaan bij haar komst opgaan en den zweem van meerdere koelte op zijne vleugelen gedragen.
Nonina heeft de gordijnen weggeschoven, en nu staat zij op de voorplaats en slaat den langen stoet van landbouwers gade, die over een mijl afstands langs den weg zich bewegen, de kleine hitten met korven beladen, terwijl de bek van het eene bijna aan den staart van zijn voorganger stoot: een niet ongelijk beeld van de oude spaansche karavaan-optochten. Deze montanos met hunne opgetoomde hoeden, hooge laarzen en losse kleederen, met. gordels om het lijf, zijn thans even schilderachtig als zij ten tijde van den ouden Cervantes waren, toen hunne voorouders op dezelfde wijze de dalen van Kastilië doortrokken. Een uit den hoop dreunt een ruw berglied op; een ander draagt aan zijn zadelboom een gebroken guitarre, welke hij heeft gegrepen en waarop hij, op zijne wijze, den zang begeleidt; anderen vallen bij het referein in; hier en daar springt een neger, het geluid hoorende, op, en paart zijn stem aan de heerlijk klinkende muziek, die te midden der heuvelen wegsterft.
307
Nonina slaat, zoo als wij zagen, dit tafereel gade en nochtans heeft zij er niets van gezien. Haar lang, sneeuwwit kleed sleept over de voorplaats, en over dat gewaad hangen tot aan hare hielen hare glanzige haren af, daar zij een gedeelte er van met de eene hand achterwaarts houdt, als luistert zij naar iets, terwijl zij met de andere een waaier aan haar borst houdt geklemd. De zon, die Noninaas schoon, olijfkleurig gelaat en vofcrhoofd eerst had verlicht, is nu ondergegaan en laat nog alleen het koraalrood harer lippen zien, terwijl de schaduw koud en grijs van den berg daalt en op hare kruin rust. Vaak staat een vrouw aldus te luisteren en dan daalt altijd een schaduw, immers met ieder jaar en naar mate de hoop allengs in het vrouwelijke hart wegsterft, sluipt een twijfel, een donkere schaduw er binnen.
Een zachte stem, van een harp verzeld, zingt daar binnen
Je, gij glanst vurig, Cubaas hemel! ...
Verblindend is uw bloemtapeet,
Maar schooner is mij \'t dof gewemel
Van \'t huiselijk wolkenkleed,
En \'t bloempje dat mij huppel\'en deed.
Ach, moeder! langzaam vliedt daarhenen
De dag en \'t jaar, in droef gezucht;
Zij zijn pas daar, of zijn verdwenen
Mijn tranen slechts zien ze in hun vlucht,
Mijn tranen, ach! en droef gezucht!
Het getrappel van een paardenhoef brak den zang af. Nonina sprong op haar gewone, hartstochtelijke wijze voorwaarts, uitroepende:
ïJuan!quot;
»Nina,quot; antwoordde Cosmello, de leidsels over den hals van het paard werpende, die onze oude vriend Pomp onmiddellijk greep. Hand in hand liep het paar de voorplaats af, met bedekte stem te zamen sprekende.
Nonina scheen ongerust en ontevreden op haar minnaar, want zij zeide:
))Gij kwaamt mij dikwijls in mijn nederige hut bezoeken, Juan; in den laatsten tijd verwachtte ik u niet meer, daar de tijd meer en meer vervloog.quot;
En zij vestigde een snellen, doordringenden blik op zijn gelaat.
„Niet al te dikwijls, meen ik Nina!quot; hervatte hij, den rook van zijn sigaar wegblazende, die hij tevens uit zijn mond nam.
Na een korte pauze vroeg hij:
»Waar is Imogene?quot;
Terwijl hij dit zeide maakte het meisje eene overhaaste beweging, en een gordijn werd zachtkens in een binnenvertrek neêrgelaten.
20*
308
»Te bed, pruilende als naai- gewoonte,quot; antwoordde Nonina.
De gordijn, die eerst neergelaten was, werd plotseling weggeschoven en een rijzig, bevallig meisje stond voor hen. In hare oogen straalde een zachte, inwendige gloed; hare goud-glanzig kastanjebruine haren, gedeeltelijk op het achterhoofd gevlochten, lagen als een diadeem over het heldere, blanke voorhoofd en zetten aan den omtrek van haar fraai gesneden hoofd iets vorstelijks bij. Een sneeuwwit neteldoeksch kleed, rondom het middel door een rooskleurigen gordelband bijeengehouden, omhulde in ruime plooien haar gestalte.
Koninklijk,quot; riep Cosmello uit, met een blijden glimlach voorwaarts snellende, terwijl hij hare hand aan zijne lippen bracht.
«Daarvoor kwam ik niet,quot; hernam zij op koelen, fleren toon. hare hand terugtrekkende.
Nina duwde, spijtig op hare lippen bijtende, haar toe:
«Waarom komt gij hier, Imogene?quot;
„Om mijn vrijheid te vragen; mijn terugkeer naar mijn land. Senur Marcou, de gansche geschiedenis uwer liefde en uwer wraak heb ik uit Ninaas mond verstaan. Luister nu! Zoo waar als dat gindsche kruis (en zij wees naar dat hemel-teeken in het uitspansel), het zinnebeeld van uw geloof, zijn eeuwig pad in het hemelruim bewandelt, zoo waar als er een God is, die het lot der menschen bestuurt, even zeker zal de dag des oordeels komen.quot;
En zij stond daar, met opgeheven hand, met het hoofd achterover, als een zienster, in den vollen dos der schoonheid, den zondaar aanklagende.
»Zij zegt de waarheid!quot; antwoordde Nonina, »zend haar heen.quot;
De Spanjaard greep het gewricht van Noninaas hand en zeide, haar ernstig in hel aangezicht ziende:
«Alweder een uwer trekken, meid, om mij dien uitval te berokkenen. Welk helsch plan voert ge toch in het schild, om die geschiedenis aldus te openbaren.quot;
De oogen der quadrone tintelden van addervuur en drittig wierp zij haar lang zwart haar achterwaarts, terwijl zij haren arm terugtrok en mompelde:
,,Ik wist dat het zoover komen zou.quot;
„Komen! tot wat komen?quot; vroeg Cosmello. Nonina antwoordde niet, maar Imogene brak het zwijgen af en zeide;
»Ik heb geluisterd toen ge mij van hartzeer doof en stom en blind waandet; ik heb veel nagevorscht en geleerd zonder dat gij er iets van kondet vermoeden of er het doel van kondet raden; ik bezit geduld — volharding — moed. — Ik wil vrij zijn1?quot;
5gt;Schoon, verblindend schoon!quot; mompelde de Spanjaard.
Imogene hoorde die woorden. Zij mat Cosmello met een scher-
309
pen blik, een doodelijk bleek overtocg eensklaps hare wangen, zij lichtte de gordijn op en verdween. Ook Nonina had die woorden verstaan; zij sprong op en drukte weder de hand op haar hart, als ontwaarde zij een plotselinge beklemming, liet toen hare armen aan weerskanten neerzakken en wankelde tegen het rasterwerk, verzamelde echter hare krachten en legde zacht hare hand op den schouder des Spanjaards.
»Juan,quot; sprak zij, »het is immers genoeg; de trots van den vader is ten volle gefnuikt; de moeder is dood, het huis uitgestorven — om Gods wil, heb medelijden en geef het kind terug.quot;
Een lachje zweefde om Cosmelloos mond. „Welk een plotselinge opwelling van teederheid bevangt onze Nina? Luister meisje!quot;
En op dezelfde wijze, als wij hem reeds vroeger zagen doen, bracht hij zijne twee vingers onder haar kin, hief haar aangezicht, dat een zoo betooverend vermogen bezat, tot zich op;
«Luister, Nina, uw plotselinge menschlievendheid is even verklaarbaar als de list van den vogel, die zijn kop onder de vleugels dekt. en zich verbeeldt dat niemand hem dan kan zien. Ik geef het meisje niet terug/\'
»Waarom, niet, Juan? Zeg mij, waarom niet?quot;
sOmdat ik niet wil.quot;
Nonina zweeg, doch sloeg een doordringenden blik op zijn gelaat; die blik verried geen kwaadwilligheid, geen driftige opwelling van jaloerschheid, maar het diepe, folterende wee eener vrouw, die gevoelt dat de liefde, die voor haar de gansche wereld is, uit het hart verdween van hem, dien zij aanhad. Uit dien blik sprak een stil, weemoedig uitvorschen, zoo hartgrondig bedroefd, zoo gansch vrouwelijk, dat de Spanjaard bewogen werd; die blik was zoo geheel ongelijk aan dien dei-gewone Nonina, dat hij een nieuwe snaar in haars minnaars gemoed deed trillen — en deze trok haar aan zijn hart, Het was tijd, want de schaduw van den berg, die zoo even slechts haar hoofd had omwikkeld; was nu over haar volle gedaante gedaald; zij antwoordde niet als vroeger, met een wilden, hartstochtelijken tranenvloed, maar leunde zachtkens tegen zijn boezem en weende. Het was Cleopatra in een barer vele gemoedsstemmingen, Cleopatra, van welke de dichter zong:
„Geen ouderdom verzwakt, gewoonte vestigt niet De wisselingen die haar hart ons biedt.quot;
Spoedig echter veranderde haar luim. Cosmelloos liefdebetoon had de gewenschte uitwerking. Zij stelde zich weder gerust en sprak op meer opgeruimden toon tot hem; want Noninaas geest was altijd werkzaam, altijd bezig; zij had allerlei belangwekkende onderwerpen, velerlei punten van gesprek bij
310
de hand, met welke zij den hoorder aangenaam wist te boeien of van verbazing opgetogen te houden. Zij sprak van de voortbrengselen barer kleine plantage, van negers, die zich gedurende den suikeroogst overwerkt hadden en, herwaarts gezonden, haar huis waren komen vergrooten. Zij liet niet na, deze wreedheid in alles behalve matige bewoordingen te wraken. Toen wandelde zij met hem van plaats tot plaats en wees hem de vele door haar aangebrachte verbeteringen, toonde hem een span sierlijke zadelpaarden, aan een van welke zij den naam Mignon had gegeven; zij streek het dier liefderijk met de hand, en het antwoordde met gehinnik, getrappel en kopschudden.
„En wien behoort dit?quot; vroeg haar metgezel, het andere dier kloppende, dat rillende en met een gesnork als van angst onder zijne hand opsprong.
»Imogene is immers mijn gezellin. Ik heb haar eerlijk in de rijkunst geoefend, Juan; gij verlangdet het; maar waarlijk, uwe gansche opvoeding was zwak ten aanzien van dat meisje, Juan. Eens zult gij het inzien, en dan erkennen dat mijn raad, haar naar de eene of andere plaats in Europa te zenden, de wijsste zou geweest zijn.quot;
Juan rilde.
»Waarom verteldet gij haar de geschiedenis van mij met hare ouders? Nonina, thans mistrouw ik u.quot;
))Ik was ziek, den dood nabij; Imogene paste mij zoo teeder, zoo zorgvuldig op, dat ik in een oogenblik van zwakheid, met den dood voor oogen, mij vergat en haar alles openbaarde.quot;
»Lafïe zottin!quot; schold de Spanjaard.
»Ja, Juan, ik was laf; doch het was me dag aan dag, als zag ik den poel van het vagevuur voor mijne voeten geopend. Gij waart in Europa, niemand bezocht mij, niemand droeg zorg voor mij, dan alleen dit arme, verongelijkte kind.quot;
»En dus zondt ge ook naar een priester en hebt gebiecht?quot;
»Neen, neen, Juan; hoe verbijsterd van zinnen ook, sprak ik alleen tot Imogene, denkende dat, als ik stierf, de gebeden van een zoo reine ziel voldoende tot mijn zaligheid zouden wezen.quot;
«Laffe zottin!quot; verweet haar metgezel voor de tweede maal. »Doch het zal haar niet helpen, Op dit eiland, te midden van een volk van een ander geloof en een andere taal, onder een andere regeering, is zij niet veel beter dan gestorven. Dank zij den hemel, de Spanjaard bekommert zich niet cm zijns buurmans zaken; de Spanjaard denkt alleen aan zijne eigene.quot;
»En nochtans ben ik bevreesd, Juan. Iets zegt mij dat er kwaad broeit.quot;
311
gt;Grij zijt ziek, Nina,quot; hernam de ander, haar teeder in het aangezicht ziende.
Nonina schudde ontkennend.
„Neen, hoegenaamd niet. Ik ben....J\'
In deze oogenblik deed een vogel in de nabijheid een vloed van zoodanige wilde, onzamenhangende noten hooren dat zij, als ware het het denken en spreken tevens beletten. Deze vogel werd doorgaans dan ook de muziekant genoemd om zijne afwisselende en heerlijke tonen. De maan ging ook op, en van de plaats waar de Spanjaard en Nonina onder den blooten hemel stonden, zag men den hoogsten tak van een naburigen oranjeboom in het maanlicht zwaaien en trillen. Zoo snel als de gedachte had Gosmello een pistool uit zijn zak gehaald, en schoot den zanger door het hart.
»Een daad van slechte beduidenis,quot; mompelde Nonina.
sWordt ge nu evenzoo bijgeloovig als laf, onheilspellende priesteres? Die eenzaamheid doet u geen goed. Wij zullen naar Havanna gaan en ons een poos trachten te verstrooien.quot;
»Neen, neen, mij behaagt dit oord; hier ben ik het gelukkigst geweest; geen vogel, geen struikje, geen schaduw van een berg zijn hier, of zij waren getuigen van de een of andere hartstochtelijke vreugde. De lucht zelve is met uwe liefdezangen gevuld, Juan. Nina is koningin, priesteres, non, minnares hier. O Juan! mijne polsen trillen bij duizend herin-neringen, overal elders voor mij verloren. Helaas! een geluk, zoo uitstekend als het mijne, moet een einde hebben. Ik heb de genietingen des levens gesmaakt, ik moet ook zijn angsten kennen.quot;
Beide bewaarden een oogenblik het stilzwijgen. Eindelijk veranderde Nonina haar waarzeggenden toon, en zeide:
»Ik heb vernomen, dat schepen van New-York voor u zijn aangekomen; morgen denk ik naar de stad te gaan om daar het een en ander te vernemen. Ik word door een bang voorgevoel gejaagd, werkzaamheid zal het verdrijven. Zie, Juan.quot;
En zij lichtte een blad van den wijngaard op en toonde de benedenste oppervlakte wit, terwijl de bovenste groen was.
Gosmello glimlachtte.
»Een lijkkleed, Nonina; we zullen \'t den ouden Corumbo, den witten papegaai, om \'t lijf wikkelen, die \'s nachts zoo helsch schreeuwt.quot;
»Corumbo heeft stellig iets in zijn arm kopje,quot; antwoordde Nonina. «Misschien schuilt wel een adder hieromtrent,quot; peinsde zij ten slotte.
»Ik zal hem den nek omdraaien,quot; antwoordde Gosmello, »en dat zal een einde aan al uwe voorteekenen maken, hij is de oudste bewoner dezer plaats en niemand zal dus meer gemist worden dan de oude Gorumbo.quot;
LXII.
EEN VERRASSING.
Ja Corumbo liad reden om aldus fe schreeuwen; een reden, weinig vermoed door de hoorders. Sedert lang reeds had Juan een toenemende liefde voor Imogene aan den dag gelegd. Jaren geleden, toen hij haar bekoorlijk aangezichtje te New-York zag, gevoelde hij zich op een zoo onverklaarbare wijze tot haar getrokken, dat hij dat gevoel slechts voor het gevoel van wraak hield, die in zijn jeugd en zijn mannelijke jaren al zijne gedachten had bezig gehouden. Wat het ook ware, zoo veel is zeker, dat het hem geleid had tot al de plannen, die haar ontvoering ten doel hadden, zoo ver zelfs, dat hem het leven zonder waarde scheen, als hij ze niet kon verwezenlijken. Toen deze aanslag, zoo als wij hebben gezien, ten volle gelukt en het schoone kind in zijn macht was, was hij een tijd lang tevreden; ja, zoo tevreden, dat zijn eerste plan om aan Dinsmoor te schrijven, en hem te melden, dat Imogenes verdwijning te wijten was aan de wraak van een Spanjaard, de voldoening eens verachten minnaars, en dat die Spanjaard, die minnaar, Marcou, hem vermoedelijk uit het geheugen was gegaan, als een te nietig voorwerp om waarde aan zijn zege te hechten.
Andere, meer woeste, meer misdadige gedachten verdrongen deze; doch de reinheid van zeden des kinds; hare zachte, maagdelijke tonen; hare ootmoedige, vertrouwelijke gebeden, haar ongekunstelde godsvrucht, terwijl met ieder jaar haar vrouwelijk schoon aangroeide, alles spande samen om zijne boze oogmerken te wijzigen. Somtijds zag hij haar gedurende maanden niet, daar de jaloersche Nonina haar onophoudelijk in het oog hield, en onder allerlei voorwendsels werd zij uit zijn tegenwoordigheid verwijderd gehouden; nu was zij on-
313
gesteld, dan in kwade luim, op een anderen tijd in het gebed verdiept, en Juan, door de tooverwerking van Nonina geboeid, vergat zelfs zijn wraak.
Nu echter was het sedert geruimen tijd te eenenrnale veranderd. Hij had Europa bereisd en was onverwachts teruggekeerd, om zijn gevangene en Nonina te samen te vinden. Imogene was nu schooner dan zelfs haar kindschheid liet verwachten; immers, aan haar zelve overgelaten en de behoefte gevoelende aan zelfhandelen, zoo als zij had gedaan, had haar schoonheid die kleur van verstand en waardigheid aangenomen, welke haar anders misschien ontbroken kon hebben. Cosmello zag dit alles, en een droom, nog verleidelijker dan die zijner jeugd, bemeesterde zijn weelderige, vruchtbare verbeelding. Nonina, door het ingeschapen gevoel harer liefde voorgelicht, ried ook dit. Zij werd droefgeestig, ontmoedigd, weende, waar zij eens zoo koninklijk alles had onder de oogen getreden, en beproefde door allerlei middelen de vrees haars minnaars gaande te maken, in de hoop dat zijn wraakzucht mocht verminderen en hij Imogene vrijlaten. Zij sliep weinig, doolde van de eene plaats naar de andere, duizenderlei plannen in haar geest broedende en werd er alleen van afgebracht door de vrees voor Cosmello, wiens koude, wraakgierige aard haar maar altewei bekend was. Dag aan dag zag zij haar invloed meer en meer verzwakken, en ook zij begon over plannen ta denken om bij gebeurlijke vernederingen zich wraak te verschaffen. Zij werd ook vroom, hield vasten, naar den aard van hen, wier hartstocht vurig, wier zedelijke kracht zwak is, hopende dat de goede hemelvader, die rechtschapenheid des harten eischt, door hare eenzijdige offers aldus met list te haren gunste mocht worden gestemd.
Indien Cosmello, de sierlijke ruiter op het fraaie paard, thans over den dichtbeschaduwden weg rijdende,, achter zich had gezien, hij zou bemerkt hebben, dat hem een ander ruiter van nabij volgde, gezeten op een der vlugge ponies, op dit eiland zoo algemeen. Deze ruiter echter bleef steeds op een betrekkelijk korten afstand, hem niet uit het gezicht verliezende, zonder zich zeiven nochtans veel bloot te geven. Toen Cosmello een fraaie laan inreed met citroenboomen beplant, van welker takken de sappige keerkringsvrucht weelderig afhing, reed de vreemdeling door, en toen, te midden van een dicht begroeid acacia-boschje afstijgende, bond hij zijn paard onder het dichte, stekelige loof en baande zich een weg naar deze plantage langs een grooter kronkelpad.
Wij zagen, dat Imogene voor den stouten en schaam-teloozen blik van bewondering des Spanjaards zich verschool; zij betreurde echter haar onbedachtzaamheid, en nog meer het verraden van haar geheim, uit vrees, dat
314
zij daardoor aan een scherper en strenger toezicht zou worden onderworpen. Door Cosmelio zoo onbevreesd onder de oogen te treden, had zij gehoopt hem door angst of eenige andere daarmede verwante oorzaak, te bewegen haar terug te zenden naar haar vaderland en hare geboorteplaats. Nooit had zij vermoed, dat er eenig gevoel van liefde jegens haar zelve bij haar roever bestond; immers Marcou was een te beschaafd man, een te verfijnde bewonderaar der schoonheid, dan dat hij zich door al te grove of ontijdige openbaring, aan afkeer en afwijzing zou blootstellen. Hij bezat van nature een volharding, door niets te verflauwen, door niets van haar doel af te brengen. De vlugtige indrukken van een gewoon gemoed waren hem te eenenmale vreemd. Een plan, van weinig waarde in zich zelf, werd een zaak van gewicht alleen omdat, hij het had opgevat en er nimmer van afzag tot dat hij het volbracht had. Bij het vervolgen van het doel scheen in hem als ware het een onverdroogbare mijn van listige, fijn gesponnen hulpmiddelen te vloeien, zich telkens openende wanneer de gelegenheid het eischte, wel langzaam maar zeker. Jaren, wij zagen het boven, kon hij wachten, wachten ja, maar niet met de handen in den schoot. Hij besteedde de tusschentijden aan het beramen van plannen en aanslagen, legde er zijn fortuin aan ten koste, en bezigde bovendien getrouwe, onvermoeide werktuigen; en dus wist hij jaren lang, in de oogen der meesten, voor een buitengewoon, hoogstbeschaafd, hoewel eenigszins achterhoudend man door te gaan; voor de kerk een getrouwe en milde zoon: voor zijne onderhoorigen een eenigszins te inschikkelijk, hoewel in den oogsttijd uiterst gestreng meester; voor de arme, hartstochtelijke, hem onderworpen quadrone een teeder en edelmoedig, zoo al niet oprecht minnaar; maar toch legde hij in die uren zijn aangeboren ik nooit af, en dit was oorzaak, dat die arme lijfeigene nimmer een oogenblik vrij van achterdocht was, welke verzekeringen hij ook van het tegendeel gaf. Donna Isabella, zijn moeder, zag niet in \'t allerminst naar hem om. Toen hij haar familie-naam Marcou liet varen en dien van zijn vader aannam, gevoelde zij haar familie-trots gekwetst, omdat er geen vertegenwoordiger van dien naam overbleef; doch een spaansche vrouw is te wijs om te wrokken, te hartstochtelijk om zich te beklagen, wanneer er niets bij gewonnen kan worden; en dus bleef de schoone donna haar cigarito rooken, wuifde zich met den waaier, ging ter biecht en zeide niets.
Al deze karaktertrekken, zoo als wij hebben gezien, werkten te samen om Costnello omzichtig in zijn omgang met Imogene te maken. Hij wist welk een doodelijke wrok in het hart der quadrone stond geboren te worden, wier onverho-
315
len jaloerschheid zoo zeer te duchten was, en thans ging hij met het plan zwanger Imogene aan haar vervolging te onttrekken en haar daar te brengen, waar hij minder hinderpalen te duchten zou hebben om in haar tegenwoordigheid te verschijnen.
Toen Imogene zich naar haar kamer had begeven, liet zij haar zwarte kamenier, die haar oppaste, vertrekken, na hare venstergordijnen afgelaten te hebben, haar zeggende dat zij haar hulp om zich te ontkleeden kon ontberen; immers, in hare tegenwoordige gemoedsgesteldheid, dienden de parel-zwarte oogen der negerin, heen en weder schietende als zwommen zij in melk, slechts om haar te verbitteren en tot last te zijn.
»Misse \'t zelve doen? haren ook doen? voeten ook doen? kleêren ook doen? bleef het kameniertje al door vragen, het toilet in al zijne gewichtige bijzonderheden breed uitmetende.
»Ja, Rosa, alles.quot;
En bij dit antwoord dook bet goede meisje, verblijd met een oogenblik van vrijheid, onder de plooien van de gordijn en was verdwenen.
Nauwelijks had zij dit volbracht of Imogene trad naar buiten en opende een warande op een uitgestrekten tuin, in een richting gelegen tegenover dien, welken wij vroeger gezien hebben. In die overheerlijke luchtstreek is het licht der maan en sterrenj bij het dichte loof daar beneden afstekende, even treffend als schitterend. Nachtbloemen boeien er het oog. en de zachte tonen der vogelen, die slechts in het duister zingen, vullen den dampkring met een zachten, wellustigen adem, den nacht oneindig verlokkender dan den dag makende. Geurige planten verleenen aan de zinnen een dommelende, tooverachtige bedwelming, die den geest in verrukkelijke mijmeringen doet dolen, hem tot liefde stemmende en tot al de verrukkingen der zinnen.
Misschien wel dat Imogenes zich meer ontwikkelende geest onder dezen invloed verkeerde en dit haar opsluiting meer dragelijk maakte, dan anders wel het geval ware geweest. Nochtans had zij vroegere dagen niet vergeten, nooit de dierbare panden uit het oog verloren, wier herinnering in hare gebeden leefde en diep in haar jong, zuiver hart stond gegrift. Hoe oploopend, hoe grillig Nonina ook was, toch was zij haar dankbaar, daar zij, spijt haren jaloersche vlagen en angsten, toch geleerd had genegenheid te voelen voor een wezen, wier bestaan bijgedragen had om den haat van haren minnaar te voldoen.
Onder het wandelen was Imogene de grenzen van den tuin genaderd, waar een hegje van acacias den uitgang aan dien hoek belette. Terwijl zij daar stond, met hare oogen op het
316
schoone gestarnte van het zuiderkruis gevestigd, meende zij haar naam te hooren uitspreken. Zij leende het oor; een kort zwijgen volgde; doch daarop hoorde zij duidelijk haar toefluisteren:
»Wees niet ongerust, mejuffrouw Dinsmoor! En waarom? omdat een vriend tot u spreekt.quot;
Imogene sloeg, half door angst bevangen, door vreugde vervoerd, hare handen ineen; het was zoo lang geleden sedert zij haar familie-naam noch den klank van een engelsch woord had gehoord. Terwijl zij aldus voor zich uitzag, trad een rijzige jongeling uit het hoschaadje bij het licht, der maan voor haar en wenkte haar. hem onder de schaduw der boomen te volgen.
Imogene zag een bleeken, mageren jongeling voor zich, wiens toon en oogopslag dadelijk een herinnering barer kindsche dagen in haar geest terugriep. Er lag ook in zijn ernstig aangezicht en bedaarde, mannelijke stem iets, dat vertrouwen inboezemde; en onder met elkander strijdige gedachten en gewaarwordingen, legde zij hare hand op den arm des vreem-delings en zeide;
»Om Gods wil, zeg mij wie en wat gij zijt en van waar gij komt?quot;
«Guldentong, misschien hebt gij wel den armen krantenjongen vergeten, die den ouden spoorwagen bewoonde, maar eertijds hadt gij wel drie malen uwe hand op Bobs arm laten rusten.\'\'
De eenvoudigheid van dit antwoord bracht haar volle uitwerking op de boorster te weeg; in eens drong een stroom van lang onderdrukte, reeds half vergeten herinneringen zich aan haar geest op en zij barstte in tranen los.
»Neen, neen, niets vergeten,quot; riep zij uit; «aldus herinner ik mij. En gij, hoe kwaamt gij hier? — Spreek mij van mijn moeder,quot; zeide zij, naar adem hijgende, doodsbleek en op bare voeten wankelende.
De krantenjongen zweeg een poos en toen antwoordde hij langzaam:
»Uw vader, tante Rebekka en Dady waren allen wel, eenige weken geleden.
»Mijn moeder! mijn moeder!quot; riep zij; en toen bemerkende dat hij niet antwoordde, snikte zij, schier ademloos: »zij is dood!quot;
Had de krantenjongen haar niet ondersteund, zij ware bewusteloos ter aarde gestort.
De jongeling legde haar zachtkens op het bloeiend grasveld, en haalde water van een bron in de nabijheid, om haar aangezicht te besprenkelen.
Toen zij hare oogen weder opsloeg, hernam hij;
sin uws vaders huis is de badkuip steeds gevuld geworden
317
uwe kinderjurkjes hangen nog uan den kapstok zoo als gij ze verlaten hebt; bloemen staan op tafel, allen -wacliten de terugkomst van Imogene.
Bij het hooren van deze blijken van teederheid ontvlood een nieuwe tranenvloed haren oogen, en alles wat zij zeide was:
«Maar mijn moeder, mijn engelachtige moeder is er niet, is er niet!quot;
De krantenjongen viel haar niet in de rede. Eindelijk zeide liij;
»0, juffrouw Imogene, God zou ons nooit tranen hebben gegeven, indien hij niet gewild had dat wij ze zouden storten.quot;
En de jongeling drukte zijn hand op zijn hart, zoo als hij altijd deed wanneer hij aan de kleine Minnie dacht; en hij zag even zoo bleek, even zoo droevig als hij eenige jaren geleden had uitgezien. Misschien wel dat Bob door ander hartzeer was gedrukt; een hartzeer, dat al de zoete woordjes van Dady en het kleine handje van Minnie niet konden verjagen.
Toen vertelde hij van Tante Ilebekka, van Dady en van de laatste uren der arme Fanny, en liet er op volgen;
»Zij heeft hare hand op mijn hoofd gelegd en mij gezegend.quot;
Imogene reikte met hartelijkheid den jongeling hare handen.
»Vertel mij van mijn vader,quot; hernam zij. »Hoe ziet hij er uit? Is hij niet veranderd. Treurt hij om zijn Imogene?quot;
»Uw vader, ik moet het bekennen, is een knap man, een man als een paal boven water, juffrouw Imogene.
sis hij grijs geworden?quot;
»Ja, zijne haren zijn wit.quot;
»Arme, arme vader!quot; mompelde het meisje. »Maar hij loopt toch nog rechtop en krachtig?quot;
))0m de waarheid te zeggen, hij loopt wel wat voorover.\'\'
»Helaas! — Maar hij is toch helder van geest? Zijn hart is zoo goed.quot;
))Ja, zijn geest is in niets verflauwd; ieder, die arm is, die lijdt, vindt troost en hulp bij hem. Hij is een goed mensch, en een man zoo als ik hem wensch, dat wil ik wel bekennen.quot;
En tranen stonden in de oogen des jongelings, terwijl hij aldus sprak.
»God zij geloofd,quot; antwoordde Imogene. »Vertel mij van tante Eebekka; zij past mijn armen, lieven vader zoo liefderijk op, uw kleine Dady wordt zijn lieveling, gij zijt zijn vriend en metgezel. Gij waart van dit alles getuige, nog pas veertien dagen geleden; ge zaagt toen mijn lieven, lieven vader. Hebt ge met hem gewandeld, met hem gesproken?quot;
En terwijl zij dit zeide lichtte zij haar hoofd opwaarts en zag den krantenjongen met een innemende, welgemeende hartelijkheid in het aangezicht. Zij vervolgde:
318
«Het is vele jaren geleden sedert ik iets van huis vernam, groote veranderingen moeten er hebben plaats gegrepen; de boomen voor de deur moeten verbazend opgeschoten zijn.quot;
De krantenjongen bevestigde het met een glimlach.
»En ook gij, mijn goede, edele vriend, zijt groot geworden; ik herinner mij, dat ik u altijd jonger hield dan____quot;
Zij bloosde doch vervolgde niet.
Het voer den krantenjongen als een bliksemstraal door den geest en hij legde zijn hand op zijn hart, zoo als hij gewoon was te doen. Nu inderdaad kwam hem Minnies hand te stade, doch hij antwoordde bedaard;
»Ik moet bekennen, mejuffrouw üinsmoor, dat ik slechts een op zee geboren kind ben. Ik weet mijn ouderdom niet, maar ik ben jonger dan Charles Gardner.quot;
Imogenes gelaat werd met een hoog rood overtogen, dat den krantenjongen niet ontging, terwijl hij tevens ontwaarde hoe de schoone boorster hare oogen nedersloeg. Hij sprak geen woord, doch iets in zijn binnenst zeide hem dat er nog een menigte vragen in het hart van het schoone meisje overbleven, doch die haar mond bevreesd was te uiten.
sCharles Gardner,quot; vervolgde Bob, )ns een knappe jongen geworden; niet zoo mooi, of misschien ook niet zoo moedig als woelige Jack was, maar toch een jonkman door iedereen geacht.quot;
Imogenes voetje bewoog zich snel, misschien wat ongeduldig op het gras.
sZoodanig een jonkman,quot; zeide zij half luid, «wint spoedig vrienden.quot;
„Ja,quot; antwoordde Bob, met ongekunstelde eenvoudigheid, .,bij de vrouwen is hij wel gezien, maar daarom heeft hij u niet vergeten, mejuffrouw; zeer dikwijls spreekt hij van u, dat moet ik bekennen,quot;
Imogenes oogen waren op zijn gelaat gevestigd, die zij nu echter naar den grond liet vallen en tranen welden onder de oogleden op. Bob was zeer bleek,; beide bewaarden het stilzwijgen. Nu echter volgden de vragen pijlsnel op elkander; over plannen om elkander weêr te zien, ook over plannen tot ontvluchting werd beraadslaagd, tot dat het zuiderkruis, nu naar de westerkim neigende hun vermaande, dat er een einde aan hun gesprek moest komen.
LXIII
EEN SAMENKOMST.
Bob had na een snelle en aangename vaart het eiland Cuba bereikt. Steeds had hij zich in gemoede overtuigd gehouden, dat de Cosmello van Abingdon-Square de Cosmello was van het cubaansche handelshuis, een overeenkomst, waaraan de heer Dinsmoor zeer weinig gewicht had gehecht. Hij vereerde het karakter, waaronder hij den laatste had leeren kennen én de cubaansche planters onderscheidden zich door het eervolle hunner handeling jegens hem. Ook had Fannys visioen, kort voor haren dood, krachtiger op zijn reinen, tot mysticismus overhellenden geest, dan wel op anderen gewerkt, zoodat hij vaak tot zich zeiven zeide:
»Het is niet meer dan natuurlijk, dat de geest ziet, wat voor de oogen verborgen is. En waarom? omdat God zekere vermogens aan den geest schenkt; er zou geen geest zijn indien hij geen vermogens bezat, en hij houdt zich wel liet meest aan \'t geen hij \'t meest verlangt te houden. Op straat loop ik wei duizend menschen voorbij zonder dat ik ze zie, maar mijn vriend zie ik omdat wij in geest één zijn. Zoo was \'t met de moeder op haar doodbed. Zij verlangde naar haar kind, zij stierf van verlangen en God opende hare oogen en zij zag haar kind.quot;
Bob, wij zagen het meermalen reeds, was niet alleen edelmoedig, maar ook hartstochtelijk gehecht aan zijne vrienden. Hoewel hij het kind Imogene in de kerk der Genade natuurlijk aangekeken had, was zij nooit uit zijne gedachte verdwenen; en toen beide nu weder en nog eens, elkander zagen, was ook de indruk steeds dieper in zijn hart gedrongen. Imogenes goedheid, Imogenes zachtaardigheid was het onderwerp des dagelijkschen gespreks geworden; de arme moeder had
3-20
hem en Imogene dermate tot één denkbeeld vereenzelvigd, had derwijze van hem hulp en verlossing gewacht, dat de krantenjongen onwillekeurig hare beeltenis in zijn hart had geheiligd en ze daar als het schoonste visioen opgenomen. Wanneer Charles Gardner van haar sprak, en altijd met den diepsten eerbied, klopte zijn hart warmer voor den vroolijken jonkman en voelde hij meer sympathie voor hem dan anders het geval ware geweest, omdat hij een zekere levendigheid van ziel verried, die verre was van den krantenjongen te behagen.
Toen Bob op Cuba kwam, zag hij zich bij den eersten oogopslag in zijne vermoedens bevestigd, want de twee Cosmelloos waren één en dezelfde persoon. Hij vond gelegenheid hem te zien, zonder gezien te worden, en de brieven van zijn huis, voor hem bestemd terughoudende tot dat hij meer ten aanzien van den Spanjaard had vernomen, was hij hem gevolgd en zoo gelukkig geweest, gelegenheid tot een zamenkomst met Imogene te verkrijgen, zoo als wij gezien hebben en zulks nog voor dat Cosmello iets van de aankomst eens handelsbedienden van den heer üinsraoor had vernomen.
Den dag na dien van het gesprek, dat wij hierboven hebben beschreven, liep Bob door de voornaamste straat van Havana, toen hij verbaasd was te zien hoe een volante ^ van fraaier bouw dan gewoonlijk, met de gordijn aan de voorzijde neêrgelaten, zijne schreden volgde. Hij keerde zich om en bemerkte een paar groote, gitzwarte oogen, uit het kleine zijportierglas op hem gevestigd en dadelijk daarop wenkte hem een hand te naderen.
»Volg mij tot buiten de wallen,quot; fluisterde hem een zachte stem toe.
De krantenjongen keerde zich in de richting van de volante, volgde ze tot in de voorstad, waar het grove gras en de zware cactusplanten de dorheid van den grond verkondigden en een lange streek van wit zand met veelkleurige schelpen vermengd de zeekust teekende. De lucht was warm, door een lichte zeekoelte evenwel gematigd en weldra vond men beschutting onder een groep palmetloos. Hier hield de volante stil, de voorgordijn werd weggeschoven, ent de vrouw met het kropgezwel, het bitse, oploopende, doove wijf toonde zich binnen in het rijtuig.
„Hebt ge mij reeds te voren gezien?quot; vroeg zij.
»Dat heb ik,\'* zeide de krantenjongen, »en rnoel ik alles zeggen, dan met geen heilig werk bezig.\'\'
Nonina rukte met een vaardige, driftige beweging haar vermomming af.
1) Een soort van tilbury met kap.
321
Waarom,quot; vroeg zij hem, «schrijft gij mij kwade bedoelingen toe?quot;
sHet waarom is u zelve bekend, maar ik kan mij niet weêrhouden te zeggen, dat ik u schuldig acht aan een misdaad die ....quot;
«We hebben geen tijd tot babbelen,quot; zeide de vrouw, szedelijke punten zullen we nader behandelen; maar zoo veel weef. ik, dat de man of vrouw, die verzuimt zich wraak te verschaffen, een arme, ellendige, nielswaarde lafaard is. Ik heb anderen er toe geholpen, nu wil ik voor mijn eigene zorgen.quot;
»Naar mijne wijze van zien,quot; antwoordde Bob, »is wraakoefening op een onschuldig weesje weinig minder dan duivelen-werk.quot;
»Hebt ge ooit het meisje gezien?quot;
»Ja, meer dan eens.quot;
»Was zij schoon?quot;
Bob bloosde en hernam;
»Ik mag wel zeggen, dat niets in mijn droomen, niets in ons meisje, niets in Grietje, bij die schoonheid haalde,quot;
„Ge waart op haar verliefd,quot; zeide de vrouw scherp.
De krantenjongen drukte zwijgend zijn hand op zijn hart.
»Ge waart op \'t kind verliefd; de vrouw is in mijn macht, haar schoonheid is oneindig volmaakter dan ik kan beschrijven.quot;
Hier hield zij op, beet op hare lippen en hijgde met moeite naar adem; eindelijk hernam zij:
»Ja, zij is schoon — het schoone, zachte, nauw zich zelf bewuste schoon van het noorden: doch die schoonheid heeft haar werking voortgebracht; daar voortgebracht, waar het niet moet en niet zal wezen. Hoe is uw naam, senor?quot; vroeg zij kort af.
»Bob Seaborn.quot;
De vrouw glimlachte:
«Monsieur Seaborn — Senor Seaborn.quot;
»Hoe ge verkiest antwoordde de krantenjongen, zijne oogen op de zonderlinge, boeiende tooverkunsten van de spreekster gevestigd houdende.
„Senor Seaborn, wilt gij signorina Imogene huwen?quot;
De krantenjongen werd beurtelings rood en bleek; een schitterende gloed schoot door zijn diepliggend zwaarmoedig oog.
»Zeg het mij, senor, gij bemint haar, ieder uwer blikken zegt het mij. Wilt gij het meisje huwen, dan zal zij de uwe zijn.quot;
Bob had zijn zelfbewustzijn herkregen en antwoordde:
»Ik moet zeggen, dat ik wat weekhartig ben; wat ge daar zegt, trefl me zeer....quot;
„Wilt gij haar huwen?
21
3\'2\'2
»Ik kan nog niet bepaald antwoorden, en waarom dat? mejuffrouw Dinsmoor kon licht een andere keuze doen, en ik voel mij niet indringer genoeg een vrouw tegen haar wil te trouwen, of wanneer ze niet vrij in hare keuze was.quot;
„Dat is flauw, senor Seaborn. Het meisje kan op geenê andere wijze haar vrijheid terug krijgen. Gij bemint haar,\'\'— mij staat ze in den weg, ze wordt in een klooster gemjmrd, voor altijd van de wereld gescheiden, of volgt u!quot;
»Ik ben maar een op zee geboren kind, mevrouw, dat geen naam, geen vriend bezat, behalve eenige verstootelingen zoo als hij zelf. Mijn geluk en mijn plaats ben ik aan den vader van dat jonge meisje verschuldigd; en ik mag zeggen, dat hij mij lief heeft. Gij noemt mij flauw, mevrouw, \'t is mogelijk, maar daarentegen is er geen adertje van een booswicht in me. Ik zou in het duizendste geval mijn voordeel niet willen doen met de gesteldheid, waarin mejuffrouw zich nu bevindt, en haar dwingen mij uit vrees hare hand te schenken.\'\'
»Zoo als gij verkiest,quot; hernam de quadrone, »dan gaat ze naar het klooster onzer Lieve Vrouwe,quot; mompelde zij in zich zelve. »Ik zal haar door de macht der kerk wel weten daar te houden; en die onnoozele melkbaard — ja! — ja! — dat zijn geheim met hem sterve. Wordt zij de vrouw van dien gotenveger van New-York, den krantenjongen meenende, — dan kan Juan waarlijk zijn wraak volkomen achten, en zij zou het ook wezen, als hij zoo geen valsch hart bezat.quot;
Dit alles werd meer gedacht dan gesproken en schoot als een bliksemstraal door haar geest, terwijl zij zich in de volante achterover wierp, onzeker welken weg in te slaan.
»Nog een enkele zaak, senor Seaborn: huw het meisje ter wille barer vrijheid; is zij uwe vrouw, dan zal de kerk haar in haar hoede nemen. Ik zou een veelvermogende hulp kunnen inroepen, die mij echter nu niet veroorloofd is. Zelfs hij, die haar roofde, senor,quot; (zij verzweeg den naam) »zou geen macht hebben haar, als uwe wettige vrouw, u te ontnemen, beschermd door de wet en door de kerk, als zij dan ware.quot;
»0,quot; vervolgde zij in zich zelve, terwijl zij, in het i\'ijtuig achterover leunende, al de mogelijke gebeurlijkheden in haar toestand in haar geest overwoog, »o, ik zou zelfs hem kunnen derven, maar hem niet in het bezit eener andere zien. Ik zou mij door zijn moordend staal kunnen laten dooden, maar niet het lijden van zijn verlies dragen.quot;
Zich weder herstellende, hervatte zij aldus: »Trouw haar alleen om den vorm, senor Seaborn; die haar thans beschermt zal zich ook moeten onderwerpen; want kwam de waarheid aan den dag, dan zou de rechterlijke macht zich de zaak aantrekken, ik behoef slechts één woord te spreken en hij sterft den dood of deelt den kerker des boosdoeners.quot;
323
»Ik kan hem even goed aanbrengen als gij, mevrouw.quot;
»Dan ziet gij haar nimmer weer. Wie zou u gelooven ? Zie mij aan. Er valt niet met mij le spotten. Ik ben gewapend — den dood vrees ik niet. Trouw haar voor den vorm, en ik lever haar in uwe macht.quot;
»En waarom niet, zonder dat ik haar trouw?quot;
^Uithoofde van de macht, den rijkdom van.... en omdat gij haar niet uit dit eiland zoudt kunnen voeren zonder behulp der regeering en der kerk, over welke beide gij anders kunt beschikken. Wilt gij deze voorwaarde aannemen of niet?quot;
Geen twijfel hoegenaamd rees in het hart des krantenjongens, omtrent het door hem te nemen besluit: hij aarzelde alleen in zijn antwoord, omdat bij de kansen der ontsnapping overwoog. Welke ook de geheime, geliefkoosde wenschen van zijn hart mochten zijn, hij wist ze te bestrijden wanneer slechts de schijn van onrecht, van een smet, de schaduw van krenking of valschheid tegenover een ander aan de voldoening van die wenschen zich kon hechten. Laag en vergeten, als het leven des krantenjongens geweest was, had het hem gevoeligen eerbied voor de rechten zijner evenmenschen geleerd, zoowel als een manhaft bewustzijn van zijn eigenwaarde. Ongeduldig over zijn zwijgen, herhaalde Nonina nogmaals de door haar gestelde voorwaarde.
sik ben weekhartig, mevrouw, het is mogelijk, maar dat kan ik niet doen. En waarom? omdat ik licht tot een zwak mensch kon worden, ware mejuffrouw Imogene geheel in mijn macht. Ik zal mijn best doen, mevrouw, en hoop dat God mij een uitweg zal toonen.quot;
»Dwaas!quot; riep Nonina uit. »Volg mij niet, het zou u kwalijk kunnen bekomen,1\' schreewde zij nog uit de volante, terwijl deze voortreed, hem toe.
Bob was indachtig dat hij dit niet behoefde, daar zijn vroeger bezoek hem het geheim van Imogenes verblijf had doen kennen. Nogtans duchtte hij veel kwaad van de jaloersche wraakzucht van Nonina, die Imogene licht naar een klooster kon vervoeren of naar een afgelegen, woeste plek van het eiland, daar zijn natuurlijk gezond verstand hem zeide, dat Cosmello haar minnaar was, en zij in Imogene een mededingster zag. Terwijl Nonina dus van de eene plaats naar de andere liep, in de hoop, doch te vergeefs, Juan te vinden, en zelfs in hare nasporingen zich tot de trotsche, vadzige donna Isabella om naricht wendde, richtte de krantenjongen bedaard zijn weg door de bergen naar de kleine koffij-plontage. Daar hoopte hij eenig middel te vinden, om Imogene uit des Spanjaards macht te verlossen. Hij begreep, dat een beroep op het wettig gezag tot niets zou leiden, vermits Cosmelloos rijkdom en invloed
21*
324
zoo groot -waren, dat hij, Bob, een vreemdeling, slechts zijn eigen leven en vrijheid in de waagschaal zou stellen, als hij zelfs een -woord van de misdaad des geboren Spanjaards opperde. Doch de beschaafde, vriendelijke taal der bergboeren -was hem niet ontgaan en door deze hoopte hij in zijn voornemen te slagen.
Terwijl hij deze zaken in zijn geest overpeinsde, reed hij voorwaarts, zijn poney zooveel mogelijk onder de schaduw van de hoornen houdende en, als hij een rijtuig hoorde naderen, eenig bijpad zoekende om zich Ie verschuilen. Eensklaps verneemt hij het gerommel van raderen en paardengetrappel, toen een volante, doorgaans zoo langzaam en lui in het rijden, nu over den dichtbeschaduwden weg genoegzaam heenvloog. Oogenblikkelijk herkende Bob de volante van Nonina, die, Juan nergens gevonden hebbende, nu onder den invloed eener geweldige opbruisching van jaloerschheid voortrende, uit vrees dat Juan wellicht zich den tijd barer afwezigheid had ten nutte gemaakt om Imogene te zien.
amp;
LXIV.
WRAAK.
De neger op het voorpaard der volante gezeten, zweepte en joeg te viervoet het verhitte beest. In dichte wolken verhief zich het stof op den weg, links en rechts zwaaide het voertuig, ijlde, vloog, sloeg de laan der citroenboomen in en naderde de-warande. De oude Corumbo krijschte geweldig, eerst toen hij zijn »vrouwquot; in zulk een dollen haast zag naderen en later bij het naderen van een vreemdeling, daar Bob op eens het besluit had genomen, de quadrone in haar eigene woning onder de oogen te treden en aan den loop der gebeurtenissen den verderen uitslag over te laten.
Toen Nonina uit haar rijtuig sprong, greep zij in allerijl haar gewaad bijeen en schreed over de voorplaats verder.
»Massa Juan, aan geune kant, massa Juan aan geune kant,quot; fluisterde Pomp op geheimzinnigen toon haar toe. Nauwelijks had hij het woord gesproken of er werd een schelle kreet, een uitroep, hetzij van afgrijzen of angst gehoord; genoeg, er volgde onmiddellijk het knallen van een pistoolschot op.
»Sterf, valsche booswicht die gij zijt!quot; riep Nonina, de pistool wegwerpende.
Een diepe zucht volgde op een loggen val, en de Spanjaard lag daar wentelende in zijn bloed. Een volante met paarden stond in de nabijheid, daar, op het oogenblik van Noninaas verschijnen, de Spanjaard bezig was de half bezwijmde, in doodangst verkeerende Imogene er in te lichten.
Onbewegelijk en bleek stond de quadrone daar, zoo als zij zoo even de pistool uit hare hand had geworpen; thans sprong zij voorwaarts, greep het hoofd des stervenden en drukte het aan haar borst. Zij rukte een kruis uit haar gordel en hield het op zijne lippen.
326
»Juan, Juan!quot; kreet zij, «vergeef mij; zeg dat gij mij vergeeft. God der genade! hij sterft. Kus dit kruis. Genade! ontferming ! hij sterft zonder aflaat! Juan, geliefde Juan!quot;
Hij haalde diep adem. sNina!quot; mompelde hij, en een ruimer uitstorting van den roeden stroom brak den levensdraad stuk.
Wij moeten de quadrone aan haar ijselijk lot overlaten. Zij ontsnapte aan de tuchtroede der wet door een gifdrank, lang reeds tot dat doel bewaard, want de doodelijke hartstochten van wezens als zij, in het bezit, als zij was, van de schoonste eigenschappen van het eene, met de slechtste van het andere geslacht vereenigd, zulke wezens moeten zich altoos op een slecht einde voorbereiden. Zij wreekte zich, doch hare wraak was nootlottig voor haar zelve: want niets dan het graf bleef haar, wanneer hij, die de gansche ruimte haars leven had ingenomen, haar zou ontvallen, hetzij door den dood of door ontrouw.
Gaarne had de krantenjongen Imogene ontrukt aan een tooneel zoo vol ontzetting; doch weder tot bewustzijn gekomen, na den schrik en den angst, waaraan zij eenige oogen-blikken te voren voor haar zelve te prooi was geweest, kon zij evenwel nu een gemengd gevoel van medelijden en vrees niet onderdrukken, op den aanblik der ellendige Nonina, over het ontzielde lichaam haars minnaars schreiende en hare handen wringende.
».Tuan, Juan!quot; kreet zij, «kunt ge tot uw arme Nina geen woord spreken? Ach, bleek! dood! en door mij. Dood! Weg! ach, mijn God, is er geen hulp! geen — geen!—Dood! dood!quot;
Toen richtte zij het bleeke, kille gelaat naar het maanlicht, en kalmte en zachtheid zetelden daar, waar een halfuur te voren nog zoo veel kwade hartstochten hadden gegloeid.
Imogene ziende, riep zij haar toe:
»Ga, ga! buiten u ware dit alles niet gebeurd, gij en uw moeder waart het venijn van zijn leven. Ga, eer ik nog waanzinnig aan u mijn wraak koel. Ga! eer ik nog den Spanjaard behulpzaam ben zijn wraak aan gene zijde des grafs te vol-brengen.\'\'
En zij barstte in een wilden, krijschenden lach uit.
De krantenjongen liet Imogene in de volante stijgsn, door Cosmello tot hetzelfde einde bestemd, en zij sloegen weder den weg naar Havanna in, de plantage achterlatende, die van de kreten der negers weêrgalmde, welke naar de plek toeschoten, onder het aanheffen hunner helsche geluiden. Op zijn weg naar de stad, kwam de krantenjongen op de gedachte zich tot den amerikaanschen consul aldaar te wenden, en spoedde zich onmiddellijk te zijnent, om Imogene zoo mogelijk onder diens bescherming te plaatsen. Hij werd toegelaten en gaf hem tevens een volledig verslag van al het voorgevallene. Donna
327
Isabella liet geweldig haar waaier spelen, doch verzekerde tevens dat zij hoegenaamd niets van de zaak wist; ja, zij hield zich alsof zij aan de gansc.he geschiedenis twijfelde ; doch haar verdriet over het verlies van haar eenig kind was gewis oneindig minder dan bij dergelijke gelegenheid had kunnen verwacht worden. Bekend was het, dat zijne betrekking tot de quadrone, die, zoo als wij zagen, een zoo wei\'k-dadige hefboom voor de boze neigingen haars zoons was geworden, sedert jaren reeds der fiere moeder ergernis en afkeer had gebaard.
Weinige weken na deze voorvallen voerde de stoomboot den krantenjongen en zijn beschermeling naar New-York. Wij zullen niet trachten het wederzien van vader en dochter te schilderen. Te heilig hunne vreugde, te heilig hun weemoed dan dat wij den sluier zouden durven oplichten en die voor menschelijke oogen blootstellen. e krantenjongen had zijner gelofte gestand gedaan: hij had het verloren kind aan haar huis, misschien wel aan het leven teruggegeven, dat, van dezen stond aan, wellicht voor hem zeiven wel iets van zijn doel mocht verloren hebben. Hij werd nu openlijk als deelgenoot van den heer Dinsmoor bekend gemaakt, vereerd zoo als het hem toekwam, doch helaas! meer geërbiedigd dan bemind.
LXV.
BESLUIT.
Op zekeren morgen, na de terugkomst van den krantenjongen, vond de heer Dinsmoor hem dermate in gedachten verzonken over den lessenaar gebogen, dat zijne oplettendheid er door geboeid werd. Een lichte beweging van zijne zijde deed Bob opzien, die nu bemerkte, dat de koopman zijne oogen met weemoedige belangstelling op hem gevestigd hield.
»Mijn heer, mijn vriend, mijn weldoener,quot; zeide hij met eene van aandoening bevende stem, gt;Dady en ik wenschten wel voor eenigen tijd ons te verwijderen. Het is noodig — en waarom? omdat ik het noodzakelijk acht, dat men zich manhaft op de wereld behoort te gedragen, en ik ben zwak.quot;
Hij kon niet meer uiten; tranen verslikten zijn stem.
»Mijn zoon,quot; zeide de koopman, zijn hand teederlijk op den arm des krantenjongens latende rusten. igt;Ik heb u als mijn eigen kind lief gekregen. Gij bemint mijn dochter?quot;
Het aangezicht van den krantenjongen werd beurtelings bleek en rood, en hij worstelde om een antwoord te vinden.
»Ik moet bekennen,quot; zeide hij eindelijk, »ik ben weekhartig, mijnheer; mejufrouw Imogene heeft sedert zoo vele jaren in mijne gebeden gedeeld, dat zij mij even nabij is als God zelf.*\'
„Spreek met Imogene, Bob, gij hebt mijn volle toestemming.quot;
Gewis ieder ander dan de krantenjongen had uit deze woorden hoop en bemoediging geput. Hij kende de dankbaarheid van het meisje, haar onbegrensde liefde voor haar vader, haar onderwerping aan zijn wil; en op zoodanige grondslagen kon door een mensch van het gewone slag veel gebouwd en volvoerd worden.
Dien zelfden avond had Imogene verrukkelijk schoon op de
329
harp gespeeld; nooit was zij hem gevoelvoller, schooner verschenen. Steeds het spaansche, golvende wit gewaad bewarende, het haar even als op Cuba gekapt, zoo bevallig en kunsteloos nederrollende als men gewoon is in de keerkringslanden het te dragen, en zoo zeldzaam te vinden onder de verstandiger, deftiger gestemde vrouwen van Noord-Amerika, boeide zij op treffende wijze ieders oogen. Voor Charles Gardner was zij meer dan de vervulling van het ideaal zijner jeugd; hij, die met andere schoonen zoo gedarteld had, zoo achteloos omtrent haar was geweest, luisterde thans naar Imogene met diepe, eerbiedige aandacht, want haar geest, zoo quot;wel als hare gestalte, hadden een hoogen toon der verfijning aangenomen. Veel had zij aan leering te danken: het verdriet had een zachten. Hauwen tint van zwaarmoedigheid over al haar doen en lalen geworpen, die rechtstreeks tot het hart sprak, ja, zelfs haar vroolijke luim droeg het karakter van dien weemoed; en haar schuwe, zachte glimlach, stralende als die van een kind, bezat een boeiende tooverkracht. Nonina, steeds voor de veiligheid van misdadigen minnaar wakende, zoo lang zij nog onbeperkt in zijn hart heerschte, had Imogene in de gestrengste afzondering opgevoed. Lang duurde het alvorens het meisje, zoo geheel onbekend met de taal, in staat was zelfs het oord te noemen, waarheen zij was gebracht. Ziek en van hartzeer bijna stervende, naar de kleine koffij-plantage gebracht, had zij langzaam haar vorige kalmte van geest herkregen. Toenmaals was zij zoo bleek, zoo mager en zag er zoo verslagen uit, dat Cosmello zich met afkeer van haar wendde; een gevoel, dat de quadrone volijverig wist e voeden, door haar steeds als een pruilster, als een half-simpele voor te stellen.
Cosmello, zeker van Noninaas trouw, had veel gereisd en weinig meer aan Imogene gedacht, tenzij als aan een voorwerp geschikt zijner wraak voldoening te geven, en wier leven van weinig be teekenis voor haar zelve of voor anderen was. Het was gedurende zijne reizen in Europa dat de quadrone door een ziekte op den rand van het graf was gebracht, zoo als wij uit haar mond hebben verstaan. De arme Imogene, verwaarloosd en terneêrgeslagen, hing zich met een teedere godsvrucht aan deze schijnbaar eenige vriendin en wist op die wijze de dankbare Nonina de geheime reden barer ontvoering te ontlokken. Van dien lijd aan was het meisje als op nieuw in het leven getreden. Zij begon haar kracht, hare vermogens te onderzoeken, te wegen, te oefenen en van lieverlede ontstond er een snort van vriendschap tus-schen deze beide vrouwelijke wezens Nonina, een katholieke, voedde al den angst, barer sekte eigen, voor een zonde onge-biecht en onvergeven; van daar dat het geheim zoo diep haar
330
gemoed bewoog en van angst pijnigde, daar de kerkelijke aflaat haar ontbrak; haar verstand dreigde er door gekrenkt te worden. Aan Cosmello was die gesteldheid van haar geest bekend en hij noemde ze altijd een zwakheid; tevens was hij overtuigd, dat haar gehechtheid aan zijn persoon een onverbreekbaren breidel aan haar tong zou opleggen; maar ook was hem haar wraakzucht bekend, die tot een heerschenden, niet te bedwingen hartstocht in haar geworden was en sterk afstak bij de langzaam doodende boosheid van zijn eigen gemoed; ook beefde hij voor hare onbesuisde uitvallen. Eindelijk was de quadrone ook razend van jaloerschheid en van daar zijn besluit, Imogene zoo spoedig mogelijk aan haar zorg te onttrekken, een besluit, verijdeld op de wijze als wij hierboven bebben verhaald.
Bij Oosraelloos terugkeer uit Europa, vond hij niet, zoo als wij zagen, een bleek, mager, dom meisje, zoo als hij geleerd had Imogene te beschouwen, maar een slanke schoone vrouw, wier verstandige aanleg en innemende liefelijkheid in hem de eenmaal zoo noodlottige liefdedrift zijner jeugd deden herleven. Nog bezat hij een bevallig jeugdig uiterlijk; zoo al niet jong, was hij een schoon man, beschaafd van zeden en manieren, en zou dan de dochter niet de wonden heelen, door de moeder geslagen? Zeker zouden de nootlottige openbaringen der kwadrone het meisje tegen hem in het harnas jagen, doch eenmaal weder van die jaloersche, doldriftige vrouw gescheiden, zou Imogene wel tot zijne begeerten zijn te overhalen.
Zij had in zulk een volslagen opsluiting geleefd, dat zij te eenenmale onbekend bleef met wat daarbuiten omging, tenzij hetgeen zij uit boeken kon vernemen; en thans, nu zij in den sierlijken salon van haar vader een plaats bekleedde, scheen ze een schoone non, uit een klooster ontsnapt.
Bij Imogenes gezang stond, zoo als wij zagen, Charles Gardner als betooverd aan de eene zijde te luisteren, terwijl de krantenjongen zoo dicht genaderd was, zoo verzonken in de hemel-toonen, dat hij geen oog van de schoone zangster liet. Toen zij geëindigd had zeide hij met een bedekte stem: «Juffrouw Imogene, zou ik u mogen vragen een wandeling met mij in de oranjerie te doen? Ik heb u over iets te onderhouden.quot;
Imogene stond blozende op, terwijl zij onder het verlaten der kamer een zijdelingschen blik op Charles Gardner wierp. Onbeschroomd gaf zij Bob haar arm, en zwijgend wandelden zij door de rijke plantenverzameling. Imogenes wit gewaad omhulde haar zedig en kloosterachtig, en op haar rein voorhoofd zetelden schoonheid en onschuld, als op dat van een kind. Ook Bob bescheen in dezen oogenblik een eigenaardig schoon. Veel overeenkomst bestond er tusschen beide deze jeugdige wezens: beide verrieden een zweem van zwaarmoedig-
331
heid en beide waren in den hoogsten graad eenvoudig en ongekunsteld, wat hun verstandelijke ontwikkeling betreft.
Bob bood zijner begeleidster een der lichte en sierlijke stoeltjes van de oranjerie aan, terwijl hij zelf tegen een zuil zich plaatste. De wrjngaardbladen omfladderden zijn hoofd, zijn voorkomen was ernstig mannelijk.
«Mejuffrouw Imogene,quot; sprak hij, «toen ik nog een onwetende bedeljongen was, en eens in de kerk der Genade nederknielde, zoo nietig mager en schraal, dat de koster, zoo gij er niet waart geweest, mii de kerk had uitgeworpen — en gij mij toen naast u naamt....quot; Hier hield hij even op, en vervolgde daarna: «sedert dien tijd mejuffrouw Imogene, hebben groote veranderingen plaats gegrepen, ook groote beproevingen, maar nooit, mejuffrouw, zijt gij sinds dien dag uit mijn hart geweest. Ik mag veilig zeggen, mejuffrouw, dat voor mij bijna geen andere vrouw in de wereld\' bestaan heeft, zoo diep hadt ge u in mijn geest geprent. Ik voelde mij door u als geheiligd. En waarom? omdat daar, in mijn hart, een engel zetelde.quot;
Imogene stortte tranen en Bob bewaarde het stilzwijgen, om ook van zijnen kant de tranen te verkroppen, die hem het spreken beletten. Daarop vervolgde hij:
„Uw moeder zag naar mij op om hulp; van mij verwachtte zij dat ik u naar huis zou brengen en ik gevoelde altoos in mij, dat ik het zou volbrengen. Zij beminde mij, ook uw vader draagt mij liefde toe, maar het hart van het meisje moet zijn eigen keus doen en ik vraag u, mejuffrouw Imogene, onbewimpeld, of gij het er voor houdt dat gij mij beminnen kunt?quot;
Imogene reikte op hartelijke wijze den krantenjongen haar hand; zij beefde niet.
»Bobert,quot; zeide zij »gij zijt edel en kloek. Mijn vader bemint u, hij schat al wat deugd is; en waarlijk, die uwe waardij miskende droeg het hart niet op de rechte plaats!quot;
Bob zag zijn vriendin kalm in het aangezicht.
»Van mijn waardij wilde ik nu niet spreken, mejuffrouw Imogene. Ik zou tot\' de dochter van mijn besten vriend niet spreken op de wijze als ik thans doe, indien ik niet een mannelijk gevoel van eigenwaarde in mij ontwaarde. Dat bewustzijn heb ik dus, mejuffrouw, en ik weet tevens, dat ik u zou kunnen beschermen en de tranen drogen, die nog komen mochten; want het hartzeer, ik moet het zeggen, het hartzeer zou ook uwe oogen kunnen benevelen, mejuffrouw Imogene; doch ik zou ze, met teedere meewarigheid, drogen, even teeder als ik het mijn engelachtig kind, Dady, zou doen. Ik zou ook trotsch op u zijn, als waart gij mijn geliefde, deugdzame zuster, op welke ik niet den minsten blaam
332
of vlek wou laten kleven enquot; Hier boog hij zich voorover en vatte hare hand in zijne. »Ik zou u ook een liefde kunnen wijden, en den eerbied van een rond, mannelijk hart, een hart, mejuffrouw Imogene, waarin eerloosheid en valschheid nooit toegang verkregen hebben.quot;
Itnogenes blik viel ter aarde en tranen welden onder hare oogleden op. Nog hield Bob hare hand in de zijne.
«Spreek mejuffrouw,quot; zeide hij: »spreek even ongekunsteld als ik heb gesproken. God alleen, gij weet het, is thans onze getuige.quot;
Nog bewaarde zij het stilzwijgen en steeds biggelden tranen uit hare oogen; eindelijk zeide zij met een bedekte stem:
»Mijns vaders wensch is een wet voor zijn kind.quot;
De krantenjongen liet hare hand los en legde de zijne op zijn groot hart, want hij voelde daar den feederen druk van Minnies hand; deze bleef nooit uit wanneer zijn ziel zich beklemd voelde,
»Dat is mij genoeg, mejuffrouw, uw hart is niet met het mijne. De hemel behoede mij, dat ik het pijnlijk zou willen aandoen. Ik moet bekennen, dat ik weekhartig ben; ik was niet zeker op welken voet wij tegenover elkander stonden; maar, mejuffrouw Imogene, ik zal u niet lastig vallen met verwijfd zuchten en treurig klagen. Ik wil gaan; en wanneer wij de eerste maal elkaar weer ontmoeten, zal het dan niet als broeder en zuster wezen?quot;
Imogene trad vooruit en drukte de edelaardige, mannelijke hand in beide de haren.
„De hemel zegene u, edelste der zielen. Ik ben uw groot hart niet waard, Robert.quot;
De krantenjongen stond gereed te gaan, doch keerde terug, met een flauwen glimlach over zijn gelaat.
»Dien eenen, mejuffrouw Imogene,quot; zeide hij en drukte een kus op het bekoorlijke voorhoofd. AIstoen de kamer uitgaande, ontmoette hij Charles Gardner, die bleek en ontdaan in de voorzaal op- en nederliep. De krantenjongen naderde en zeide bedaard: *
.,Ik moet bekennen, Charles, haar vader zag het gaarne, ik zag het ook gaarne, maar het meisje moet vrij in haar keuze zijn. Ga, binnen, gij zult niet worden afgewezen.
Nauwelijks gunde de ongeduldige jongeling zich den tijd zijn edelmoedigen vriend te bedanken, en snelde met al het vuur der hebzuchtige, jeugdige drift, het vertrek binnen om een schat in bezit te nemen, zoo rein zoo onbevlekt, dat waarlijk het hart eens mans wel mocht aarzelen om dien in bezit te nemen.
Tgt;D(t dwaze treedt stout voort, waar de engelen nauw zich wagen.quot;
333
»Ik moet bekennen,\'\' mompelde de krantenjongen »ik ben haar liefde meer waard.quot;
Een diepe zucht van tante Rebekka antwoordde hem; met zwijgende belangstelling had zij de voorvallen van den avond gevolgd. De trap opgaande, volgde zij den jongeling in zijn kamer en toen hij zijn hoofd op de peluw had gelegd en zijn overkropt hart in tranen lucht gegeven, liet hij zijn hoofd tegen haar warm kloppenden boezem rusten, legde haar breede hand op zijn bleeke wang en zij weende met hem.
„Ik voorzag hoe het zou afloopen,quot; zeide zij. »Och! vrouwen weten nooit wat goed voor haar is; zij raken op den een of anderen landlooper verslingerd, en geven den besten man der wereld den zak. Dat heb ik zooveel malen bijgewoond. Daar heb je Betsy Buncum; ze kon den diaken Liscom krijgen, een godvreezend man, met een heerlijke pachthoeve, wagens, karren, en zoo voorts, en vee en met niemand tot zijn last dan zijn moeder, een inschikkelijk, braaf vrouwtje, die geen mensch een stroo in den weg zou gelegd hebben; maar, ja wel! Betsy zette haar zin op een lafïen spring-in-\'t-veld van New-York, die haar wijs maakte, dat hij liet hoofd was van een groote firma en zich op reis bevond om commissies op te nemen. Nou, Betsy trouwde met hem, en toen kwam voor den dag dat hij om dus te zeggen geen hemd op het lijf had; maar wel nog een andere vrouw ginds, en de Heer weet hoeveel kinderen.\'\'
De krachtige stem van tante Rebekka en hare vertelseltjes van huis, brachten die heilzame uitwerking te weeg, dat Bob uit zijn zwaarmoedige vlaag als ontwaakte, althans hij richtte het hoofd op.
»Zie zoo. Bob, sprak tante Rebekka »zoo wil ik het hebben; er blijft nog altijd meer visch in de zee, dan er uitgaat. Och, Lieve Heer! beste jongen, ware ik nog jeugdig, ik zou mij wel wachten een man als u van de- hand te wijzen, maar meisjes blijven meisjes, ze moeten door de modder waden en komen op het laatst met de kous op \'t hoofd t\'huis.quot;
Op deze wijze trachtte de goede vrouw hem troost in te spreken, en die troost kwam dan ook ten laatste; maar niet ten gevolge van tante Rebekkaas filosofie, neen! hij putte troost uit zijn eigen krachtige, mannelijke ziel. Nu deed hij veel buitenlahsche reizen en leerde aldus het leven uit een ander gezichtspunt beschouwen, en toen, eenige maanden na het door ons beschreven gesprek, de deuren van het stee-nen gebouw opengingen en talrijke bezoekers er in stroomden om den heer Dinsmoor met liet huwelijk zijner bekoorlijke dochter met den schoonen Chailes Gardner geluk te wenschen bevond Bob, de jonge deelhebber van het handelshuis, zich niet onder de aanwezigen. Maar toen de vader zijn kind
334
zegende, en den vaderkus op het voorhoofd der bruid drukte, erkende zijn edel hart inwendig en niet. zonder pijnlijke aandoening, dat hij gaarne, in plaats van Charles Gardner, thans als bruidegom had begroet den onbekenden, vergeten knaap, het kind der straat, den hulpelooze, den held der edele zelfverloochening, den krantenjongen. Thans is hij op reis, misschien komt hij nog terug.
EINDE.
Uitgaven van GEBROEDERS BINGER, te Amsterdam.
Oud-Holland. Nieuwe Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlandsche Kunst, Letterkunde, Nijverheid enz., onder Redactie van Mr. N. de Roever, Archivaris van de Gemeente Amsterdam, en Mr. A. Brediüs, Onder-Directeur van het Nederlandsch Museum, groot 4°, per Jaargang ƒ10.—
J. L. Wertheim, Proza en Poëzy. Prachtuitgave, 2 dln. royaal 8°. met een portret, geëtst door P. J. Arexdzen.
/10—
Handleiding voor Koopers van Effecten, met de Lijst der Maandelijksche Trekkingen van alle Obligatie-Loterijen, etc., en Tabel der hoogste en laagste koersen. . . ƒ1.—
De Hollandsche Illustratie. — Wekelijksche Geïllustreerde
Courant, prijs per Jaargang.................ƒ 3.90
Op best papier............................ „ 6.00
PREMIE-ROMANS VAN DE HOLLANDSCHE ILLUSTRATIE:
8°. formaat, ruim 300 pag. compres gedrukt, a ƒ 0.70 p. deel Emile Richebourg. De Zoon.
Xavier de Montepin. Het Huis Montmorency. Tweede druk.
__De Schoone Zilversmidsvrouw.
Geïllustreerd.
Mevr. Beecher Stowe. Mijn vrouw en Ik.
De Jacht op een Erfenis. {Naar het Engelsch). E. Lytton Bulwer. De Eed aan het Sterfbed.