-ocr page 1-
-ocr page 2-

I

-ocr page 3-

1

\\

\\ ■ v ;

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE EED AAN HET STERFBED.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

.Vak 152

.V.C

DE

EED AAN HEÏ STERFBED.

UIT HET ENGELSCH

VAX

E. LYTTON BUL WEU

(T BIBUOTECA \\ | CONV. WfJCHE^S

^LoBh. nfAr. uifi. J

NIEUWE UITGAVE.

AMSTEEDAM, GEBROEDERS BINGER

1885.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

DE EED AANquot; HET STERFBED.

I.

Hel sterfbed van John Venion — Zijne laatste woorden. — Het portret van, zijn dochter, de heldin der cjesc/iiedenis — De eed.

„Welk weer is het Constance?quot;

„Het is een stille, zeer schoone nacht: de maan is op.quot;

„Open de gordijnen wat verder. Ja, het is inderdaad een schoone nacht. O hoe heerlijk? Kom hier, mijn kind!quot;

Het volle maanlicht, dat thans door de vensters stroomde, ontmoette slechts weinig, waaraan het eene dichterlijke bekoorlijkheid zou hebben kunnen bijzetten. Het vertrek was klein, ofschoon zindelijk, en tevens met eenigen smaak ingericht. De bedgordijnen van donker Indisch katoen waren opengeschoven en vertoonden een, door kussens gerugsteunden, overeind zittenden man van meer dan middelbare jaren, die op zijn gelaat de sporen droeg van den naderenden dood. Maar, hoe veelbeteekenend was\' zelfs in deze laatste oogenblikken dat gelaat? Het bleeke, breede, verheven voorhoofd: de fraaie, volkomen Grieksche neus; de kleine, gewelfde lippen; de volle kin met haar kuiltje; het kenmerk van vernuft in iederen trek, in iedere lijn; dit alles trotseerde de ziekte, of liever, het zette aan het alleszins geestige voorkomen des lijders een soort van majesteit bij, die den diepsten indruk maakte. Naast het bed stond een tafel, waarop boeken van den meest verschillenden inhoud verstrooid lagen ; hier een lijvig werk over fmantiêele berekeningen, daar een deeltje met woeste drinkliederen; hier Plato\'s Phaedo met zijn verhevene gedachten, daar de laatste redevoering van een waanwijzen graafschapsvertegenwoordiger over de korenbelas-

-ocr page 10-

G

ting; terwijl oude nieuwspapieren en bestoven vlugschriften dit wetenschappelijke mengelmoes voltooiden, boven hetwelk de dunne spookachtige gedaante van een medicijnflesch en een met haar domper bedekte kaars treurig genoeg uitstaken. Intusschen naderde iemand met zachte treden bet bed, en nu stond tegenover den stervenden man een meisje, dat weinig ouder dan dertien jaren zal geweest zijn. Maar hare trekken, die een uitnemende, ja, men kon zeggen, eene vorstelijke schoonheid verrieden, waren ontwikkeld als bij eene vrouw van het dubbele getal dier jaren; want op haar gansche gelaat vertoonden zich niet de minste sporen meer van die beuzelende en onnadenkende zorgeloosheid, waardoor een kind zich gewoonlijk kenmerkt. Hare kleur was zoo bleek als het witste marmer, maar helder en doorschijnend, en haar zwart haar, dat zij op een, toenmaals ongewone wijze, boven het voorhoofd opgebonden droeg, verhoogde nog den klassieken en standbeeldachtigen indruk harer edele gestalte. De uitdrukking harer gelaatstrekken scheen koel, afgemeten en zelfs streng; doch men kon bemerken, dat zij geenszins de ware tolken van haar hart waren; want toen zij zich naar het maanlicht keerde, zag men, ofschoon zij wel niet weende, toch tranen in haar oogen glinsteren, terwijl de lichte trekkingen harer lippen toonden, dat zij alleen eenigs-zins draalde, om op de aanmerkingen des lijders te antwoorden; wijl het haar moeijelijk viel, hare aandoening te bedwingen.

«Constance,quot; zeide de zieke, na een poos zwijgens, gedurende welke hij met een kalm hart den donkerblauwen hemel scheen aangestaard te hebben, welks zacht azuur en indrukwekkende sterreglansj hij door het venster aanschouwen kon:« Constance, mijn laatste uur nadert: ik gevoel het aan teekenen, die mij niet bedriegen kunnen. Dezen nacht zal ik sterven.quot;

«O God, mijn vader! mijn dierbare, lieve vader! spreek zóó niet. — Ik zal naar den geneesheer gaan.quot;

„Neen, mijn kind, neen! Ik veracht, ik verfoei de gedachte aan hulp. Men weigerde mij alles, toen het nog tijd was. Men liet mij de vrijheid, om van honger te sterven, of in de gevangenis langzaam te vergaan, of mij te verhangen. Men liet mij, als een hond, aan mijn lot over; als een hond wil ik ook sterven! Het doodelijke nederdrukkende gewicht van mijn laatsten, alleszins verdienden vloek moet niet één haartje verlicht worden.quot; — Hier beroofden hevige kramptrekkingen den zieke van zijn spraak, om er, toen hij door het geneesmiddel en de hulp zijner dochter verder bijgekomen was, met eene bedaardere en zachtere stem bij te voegen: «is alles beneden stil, Constance? Zijn allen te bed? De vrouw des huizes — de bedienden, — de overige bewoners?quot;

-ocr page 11-

7

„Allen, vader!quot;

„Goed, dan zal ik gelukkig sterven. God zij geloofd! Gij zijt mijn eenigste oppaster. Ik herinner mij nog den dag, toen\'ik, na een hunner woeste bacchanaliën, mij ziek bevond. Ziek! een onverdragelijke hoofdpijn — een aanval van spleen — de gewone ziekte van een vertroeteld schoothondje. Goed! dienzelfde nacht hadden zij mij noodig — om hunne parle-mentsvoordrachten — te ondersteunen; en toen kwam er een prins — die mij den pols voelde en een hertog, die voor mij een geneesdrank gereed maakte, — terwijl een dozijn graven mij hunne geneesheeren zonden. Zij hadden mij toen noodig. Maar wee mij! Lees dat briefje eens, Constance! het is van Flamborough. — Wilt gij niet? — Ik zes u, lees!quot;

Constance gehoorzaamde sidderende en las:

«Mijn dierbare Vernon!quot;

«Ik ben wezenlijk au desespoir over uwen treurigen toestand, sik kan u niet zeggen, hoe bekommerd hij mij maakt. Maar sgij weet, in wat verlegenheid ik zelf mij bevind. Apropos, «gisteren heb ik zijne koninklijke Hoogheid gesproken. »Die »arme Vernon!quot; zeide hij, «zou hij misschien met een honderd »pond gediend zijn? — Gij ziet dus, mon cher, wij vergeten »11 niet. Ach, hoezeer hebben wij u bij de heefsteakscluh sgemist! Nooit vinden wij zulk eenen schitterend bon-vivant »weder. Gij zoudt hartelijk lachen, indien gij hoordet, hoe »Lquot;* uwe oude grappen zoekt na te apen. Maar de tijd «dringt: ik moet naar het parlement. Gij weet, welke motie »thans op het tapijt is. Gave God; dat gij, in plaats van den wezelachtigen Lquot;*, haar stellen kondet. Vaarwel! Ik wenschte swel, dat ik zelf u konde komen bezoeken; maar dit zou mij »het hart breken. Zal ik u eenige boeken uit Hookham\'s «bibliotheek zenden? Steeds de uwe,

Flamborough.1\'

»Dat is de man, dien ik tot staatssecretaris gemaakt heb,\'\' zeide Vernon. »Hee\' goed, heel goed! Laat mij u kussen, meisje. Arme Constance! het zal u als ik dood ben, aan goede -vrienden niet ontbreken ? Zij zullen er trotsch op zijn, Vernons dochter te kunnen helpen, wanneer de dood hen overtuigd heeft, wat zij aan Vernon verloren hebben. Gij zijt welgemaakt. Gij hebt de oogen en het haar van uwe brave moeder, het verheven voorhoofd en de fraaie lippen van mijn vader, en daarbij een, thans reeds zoo deftige gestalte? Zij zullen u hun hof maken: gij zult genoeg lords en groote heeren aan uwe voeten zien; maar nooit zult gij dezen nacht en den doodstrijd op het gelaat van uwen stervenden vader,

-ocr page 12-

8

nooit het brandmerk vergeten, dat zij in zijn hart gedrukt hebben. En nu, Constance! geef mij den bijbel, waaruit gij mij dezen morgen hebt voorgelezen — goed zoo — ga uit het licht, vestig uwe oogen op de mijne en luister, als of uwe ziel in uwe ooren huisvestte.quot;

sToen ik nog een jonggehuwde was en mij voorzichtig, bedachtzaam, onverdroten en vol vertrouwen op den goeden uitslag, ofschoon met moeite, eenen weg tot het gerechtshof baande, kwamen zekere lords, die gehoord hadden, dat ik talenten bezat, en die mij tot hun werktuig meenden te kunnen maken, en drongen bij mij aan, dat ik lid van het parlement zou worden. Ik zeide hun, dat ik geene middelen had, dat ik eerst onlangs gehuwd was, en dat ik mijne eerzucht niet ten koste van mijn bijzonder vermogen mocht bevredigen. Zij gaven mij ten antwoord, dat zij zich verbonden om voor mijn vermogen te zorgen. Ik liet mij overhalen, zeide mijnen stand vaarwel, voldeed aan hunne wenschen en werd een beroemd, maar tevens een diep ongelukkig man! Zij konden zonder mij niet dineeren, zonder mij niet soupeeren, met één woord, ik was de ziel van hunne gezelschappen. Maar wat voordeel had ik van dit alles? Terwijl ik het mijne toebracht, om hen te vermaken en in hunne buitensporige verkwistingen te deelen, was ik zelf genoodzaakt schulden op schulden te stapelen; de gevolgen daarvan waren ellende in de toekomst: een bankroet, daaruit voortvloeiende schande, een gebroken hai\'t en een vroegtijdige dood! Maar let op, Constance! — Luistert gij wel? Wees toch aandachtig! Goed zoo, let nu wel op, ik ben een billijk man. Ik laak mijne edele vrienden, mijne brave begunstigers daarom niet. Neen; vergat ik mijn eigen belang, offerde ik mijn geluk en de mijnen aan een vluchtig genoegen op, dan was zulks mijne schuld, en ik verdien de straf daarvoor! Maar ziet gij7 de tijd verliep, en mijne gezondheid was gekrenkt: de schulden wiessen mij boven het hoofd, ik kon niet betalen, men vertrouwde mijn woord niet meer, en mijn naam verloor zijn voormalig algemeen krediet. Met de krachten verliet mij ook mijn talent; ik was mijner partij niet meer van nut, en toen ik op het ziekbed nederzeeg — gij herinnert het u nog wel, Constance! — toen kwamen de gerechtsdienaars en sleepten mij weg om eene armzalige schuld, die nauwelijks de waarde van een\' dier avondmaaltijden bedroeg, welke ik den prins, op zijnen wensch, plag te geven. Sedert dat oogenblik werd ik door mijne kennissen verlaten! Niet één bezoek, niet één vriendelijken stap, niet één dienstbetoon had men thans voor iemand over, wiens werkkring voorbij was! Het karakter van den armen Vernon was weg! »Hij zat vreeselijk in de klem — kon zijne schuldeischers niet voldoen — was altijd

-ocr page 13-

9

zoo verkwistend geweest — had geene grondbeginselen — men moest hem immers wel aan zijn lot overlaten!quot; In deze spreekwijzen ligt het geheim van hun gedrag. Zij vergaten, dat voor hen en door hen mijn karakter vernietigd was, dat mijne schuldeischers niet voldaan waren, en daardoor mijn ondergang veroorzaakt was geworden! Zij herinnerden zich niet meer, hoe ik hun gediend, hoe ik mijne beste jaren verspild had, om hen te verheffen en hunne zaak in de logen-achtige geschiedboeken te adelen. Aan dit alles dacht niemand : mijn leven verdeelde zich in twee tijdperken, in een, waarin ik hun en in een ander, waarin ik niemand nuttig was. Gedurende het eerste werd ik geëerd, gedurende het laatste liet men mij van honger en kommer omkomen. En wie bevrijdde mij uit de gevangenis? Wie onderhoudt mij thans? Een van mijne partij — een van mijne adelijke vrienden — mijne vereerenswaardige, zeer vereerenswaardige vrienden? Neen ! Een koopman, dien ik eens in mijn schitterend tijdperk een dienst bewees, deze-alleen, hij de eenige van allen op de gansche wereld, hij was het, die mij in mijn ongeluk niet vergat. Gij ziet dus dat dankbaarheid, dat vriendschap slechts in den middelstand bloeit, maar in de hoogere standen niet wil tieren.quot;

»En nu, treed nog wat nader: want mijne stem wordt zwakker, en ik wil dat gij ueze woorden duidelijk hoort. Ik zie den lijd komen, dat de adel van dit land vallen moet. Het volk dringt naar dit doel. Er zullen eens geene gravenkronen, geene hermelijnen mantels, geene klinkende titels, geene erfopvolgingswetten, geen eerstgeboorterecht meer zijn. Ik ben van hetgeen ik daar zeg zoo \'-ast overtuigd, als ooit iemand van de waarheid des hoeks, dat ik hier in mijne hand heb, overtuigd zijn kan. Maar gij, Constance! ofschoon gij nog slechts een kind en daarbij een meisje zijt, gij moet u verbinden, om mijn wensch, mijn vloek steeds in het oog te houden en dien te vervullen. Leg derhalve uwe hand op de mijne en zweer voor uw gansche leven, tot den dood toe — zweer —! Gij spreekt niet! Herhaal mijne woorden; (Constance gehoorzaamde.) Zweer, dat gij uw geheele leven tot den dood toe, trots geluk en ongeluk, trots zwakte en macht, opofferen wilt, om den stand, van welken uw vader ondankbaarheid, krenking en den dood ondervond, te demoe-digen, te vernederen ? Zweer, dat gij geen armen, machteloozen man huwen zult, die u de middelen tot de plechtige vergelding, welke ik begeer, niet kan verschaffen. Zweer, dat gij u met een\' der grooten zult trachten te verbinden — niet uit liefde, niet uit eerzucht, maar uit haat, uit wraak! Gij moet u met hem verheffen, om hen, die mij bedrogen hebben, te vernederen 1 Gij moet u in de kringen van hun gezellig leven vermaken

-ocr page 14-

10

door hare hoogvliegende genoegens te vergallen; gij moet, bij staatsintriges, iederen maatregel die dienen kan, om hen voor altijd te doen vallen, steeds helpen bevorderen. Om dit groote doel te bereiken, moet gij alle middelen in het werk stellen; — (hoe, aarzelt gij? Spreek mij na, spreek, zeg ik u, spreek!) Gij moet liegen en bedriegen, kruipen en vleien: gij moet u geene ondeugd schamen, die u, al ware het slechts een haar nader bij het doel der wraak kan brengen. Aan dezen vloek over mijne vijanden verbind ik mijne zegen voor u, mijne dierbare, dierbare, Constance! voor u, die mij opgepast en verzorgd, die alles gedaan hebt, ofschoon gij mij niet redden kondet. God, God, zegene u, mijn kind!-quot; — Bij deze woorden barstte Vernon in tranen uit.

Twee uren na dit zonderlinge tooneel, te drie ure des morgens, ontwaakte Vernon uit eene onrustige sluimering. Reeds begon het flauwe morgenrood (want het was omtrent midden in den zomer) de duisterheid van den nacht te verdringen en het geflikker der sterren te verdooven. Een gure en onaangename wind streek over het aardrijk en maakte het koud in de ziekenkamer. Constance zat aan het bed van haar vader met de oogen op hem gevestigd, en de wangen nog bleeker dan gewoonlijk, door het bleeke licht der flauwe, geenszins verkwikkende schemering. Toen Vernon ontwaakte, wendden zijne, reeds door den dood verglaasde oogen zich mat en dof naar haar, en zijn adem ging in een rochelen over. Hij herkreeg echter nog voor een oogenblik de spraak, en een straal schoot over zijn gelaat, terwijl hij zijn laatste woorden uitbracht, — woorden, die zwaar en onuitwischbaar op den bodem van zijn dochters hart vielen — woorden, die naar leven bestemden en haar lot bepaalden : »Constance, denk —• aan den eed — aan de wraak !quot;

-ocr page 15-

II.

Ammerliingen over hel ellendige van tlil leven. — Gvnole mannen worden altijd na hunnen dood geëerd. — Constance\'s verblijf bij lady Erpingham — Begaafdheden en harakter van de heldin der geschiedenis. — De intrigant.

Lieve hemel! wat is ons leven zonderling! Welk een poppenspel! Welk een schrikkelijk raadsel is ons lot hier op aarde! Nooit zet ik een voet buiten de deur, of ik schrik voor den vreeselijken sluier, die over het eerstvolgende oogenblik ligt. Wat IJselijk voorgevoel beklemt mijn hart ! Altijd hangt het zwaard van Damocles zichtbaar of onzichtbaar Loven ons.

En met dit leven — met dit tooneel der duisternis en vrees — zouden wij tevreden zijn, zoo dat wij naar geen ander wenschen, naar geen ander verlangen zouden ? Ware ik niet overtuigd, dat ik onsterfelijk ben, dan zweer ik, dat ik, alvorens één uur verliep, deze gevaarlijke, deze lastige sterfelijkheid zou afschudden.

Constance had thans geene verwanten meer op de wereld, die haar van nabij bestonden. Doch de voorspelling van haren vader werd nauwkeurig vervuld ; de hoogmoed deed, wat de liefde had moeten doen. Vernon, die achttien maanden lang vóór zijnen dood met het bitterste lijden en gebrek geworsteld had — Vernon, die, in de laatste twee jaren van zijn leven, door al zijn voormalige vrienden was verlaten geworden, werd met een pracht en staatsie begraven, welke met zijn vervallen toestand een scherp, satiriek kontrast maakte. Zes pairs hielden de slippen van het lijkkleed: eene lange rij koetsen volgde den trein, en de dagbladen waren met vluchtige schetsen uit zijne levensgeschiedenis en met treurklachten over

-ocr page 16-

12

zij n afsterven gevuld. Hij werd in Westminster bijgezet, en eene inteekening tof oprichting van een monument van het beste marmer geopend. Lady Erpincham, een verre verwante des overledenen, noodigde Constance, om bij haar in te wonen, waarin deze, dewijl haar niets anders overbleef, natuurlijkerwijze bewilligde.

Op den dag, dat zij ten huize van Lady Erpingham in Hill-street aankwam, waren er verscheiden personen in het be-zoekvertrek tegenwoordig.

»Ik vrees,quot; zeide Lady Erpingham (het gesprek liep over Constance, wier komst men verwachtte) »ik vrees, dat het arme meisje geheel bedremmeld zijn zal, als zij zulk een talrijk gezelschap aantreft, te meer, daar zij zich in zulke ongelukkige omstandigheden bevindt.\'\'

»Hoe oud is zij ?quot; vroeg een bekende schoonheid.

sDertien jaar, geloof ik.\'1 sis zij schoon ?quot;

sik heb haar, sedert haar zevende jaar, niet weder gezien, toen echter scheen zij zeer schoon te zullen worden ; doch zij was buitengemeen beschroomd en stilzwijgend.quot;

Juist in dit oogenblik rukte de kamerdienaar de deur open en meldde Miss Vernon aan.

Met den langzamen tred en de vaste houding eener vrouw, maar met een veel trotscher en koeler voorkomen, dan vrouwen gewoonlijk aannemen, ging Constance Vernon de lange zaal door en groette hare toekomstige beschermster. Ook bloosde zij geenszins, hoezeer aller blikken op haar gevestigd waren: en ofschoon de vorstinnen der Londensche groote wereld haar omringden, waren hare houding en haar voorkomen vorstelijker dan die der evengenoemde. De gevoelens van al de aanwezigen ondergingen een geheele omwenteling. Men was tot medelijden voorbereid; maar medelijden kwam hier niet te pas. Op Lady Erpingham\'s lippen bestierf ieder woord van zoogenaamde hooge protectie, en zij, niet Constance, was bedremmeld en verlegen.

Ik zal de jaren, welke verliepen, eer Constance tol vrouw was opgegroeid, slechts even aanroeren en alleen een vluch-tigen blik op hare opvoeding werpen. Vernon had haar niet slechts in het Fransch en Italiaansch onderwezen, maar dewijl hij zelf zich grondig en met ijver en lust op de geleerde studiën had toegelegd, zoo was zij door hem insgelijks met de talen van de beide grootste volken der oudheid bekend geworden en had zich de taalschatten dezer beroemde natiën naderhand zelve eigen gemaakt.

Lady Erpingham had een dochter, die huwde, toen Constance haar zestiende jaar bereikte. Constance was deelgenoote geweest van het onderwijs, hetwelk Lady Eleonore Erpingham

-ocr page 17-

13

van hare leermeesters en opvoedster genoten had. Miss Vernon teekende üink en zong verrukkelijk, maar maakte in de wetenschap der muziek geene groote vorderingen. Hare ziel was, trouwens, inderdaad te ernstig en te zeer tot andere dingen bepaald, dan dat zij aan dat ijverzuchtigste van alle talenten de vereischte, uitsluitende oplettendheid zou hebben kunnen wijden.

Maar al hare bekoorlijkheden en al de begaafdheden van haren fijn beschaafden geest werden door de buitengemeene aangenaamheid van haar onderhoud ver, zeer ver overtroffen. Zich in het geheel niet bekommerende om het gewone richtsnoer, hetwelk men met den naam van ivelvoegelijke beschroomd-Itcid en f/epasle bescheidenheid pleegt te bestempelen, maakte zij niet de minste zwarigheid, om aan gesprekken over ernstige en gewichtige onderwerpen niet alleen deel te nemen, maar ook om ze zelve op het tapijt te brengen. En nog minder ontzag zij zich, om de gewone beuzelingen, welke het wezen van het dagelij ksche onderhoud uitmaken, als spelende en tevens treffende, met al het betooverende van geest en vernuft op te sieren, een vernuft en geest, die met de vaderlijke bron, waarvan zij een uitvloeisel waren, alleszins konden wedijveren.

Hel komt mij soms vrij zonderling voor, dat men jonge meisjes zoo ijverig talenten tracht eigen temaken, naar welke de gehuwde man volstrekt niet vraagt, terwijl men juist diegene verwaarloost, welke hij op prijs stalt. Men leert haar vertoon maken; maar hij heeft een gezellin noodig. Hij behoeft geene vrouw, die zingen, dansen of teekenen, maar die goed redeneeren kan. Doch dit leert men haar niet; al wat zij daarvan weten, is lasteren, en zulks verslaan zij van natuur.

Constance redeneerde echter inderdaad flink, en was ook niets minder dan een neuswijze schrijfster of een Fransche zottin. Een kind hoorde haar met hetzelfde vermaak, als een geleerde. De welsprekendheid van haren vader was op haar overgegaan, maar met dit onderscheid, dat hij anderen daardoor beheerschte, en zij er anderen door innam.

Bovendien had zij van haar vader nog een anderen trek geërfd. Vernon had, even als de meeste bedrogen menschen, zich zonder grond over de wereld beklaagd. Zijne armoede en zijn lijden waren de redenen niet alleen, om welke zijne partij zijn afsterven met onverschilligheid had aangezien. Zij iiad een schijnbare verontschuldiging voor haar terugtreden — zij twijfelde, namelijk, aan zijne oprechtheid. Hiertoe had zij echter geen voldoenden grond. Geen staatsman van den nieuweren tijd handelde meer consequent. Hij was, in weerwil zijner armoede, tegen iedere omkooping bestand gebleven, en had, in weerwil zijner eerzucht, aanzienlijke posten van de

-ocr page 18-

14

hand gewezen. Maar — en hierin schuilt het geheim! — hij was door en door een intrigant. In de oude staatkundige school opgevoed, beschouwde hij list als wijsheid en valsch-heid als kunst, om te regeeren. Hij was gelijk Lysander1), een vriend van intriges, en toch verwaarloosde hij zijn eigen belang. Niemand was minder openhartig en echter meer rechtschapen. Dit in alle landen zoo zeldzame karakter is ook iets ongehoords in Engeland. Onze dikke grondeigenaars, onze staatslieden begrepen hem niet. Zij ontdekten in Vernon kunstgrepen, die zijne vijanden misleidden, en zij vreesden, dat zij, ofschoon zij zijne vrienden waren, insgelijks mochten misleid worden. Deze neiging, die voor Vernon zulke kwade gevolgen na zich sleepte, had zijne dochter geërfd. Met een achterhoudend, stout en hartstochtelijk karakter, dat een man tot de meest gewaagde ondernemingen zou hebben aangespoord, paarde zij een zucht voor het geheimvolle en eenquot; trek om listen te smeden. Zij geloofde, om nog iets aan Plutarchus en Lysander te ontleenen, dat, wanneer de leeuwenhuid niet toereikend was, men het onthrehende mei een vosse-vel moest aanvullen.

1

) Plutarchus, in het leven van Lysander.

-ocr page 19-

III.

Iiivoerinfi van den held der geschiedenis. — Gesprei; Insselien hem en zijnen vader. — Karakter van Percy Gudolphin als Immp. — Het einde van zijn schoolleven.

»Percy, vergeet niet, dat gij morgen weder naar school moet!quot; zeide de heer Godolphin tegen zijn eenigen zoon.

Percy zette een spijtig gezicht, antwoordde na een kort zwijgen; »neen, vader! ik denk den heer Saville te bezoeken. Hij heeft mij verzocht, eene maand bij hem door te brengen, en zegt met grond, dat ik meer bij hem leeren kan, dan bij dokter Shallowell, op wiens school ik reeds de eerste in de hoogste klasse ben.quot;

«De heer Saville is een zot en gij ook! «hernam de vader, die, in eene oude wollen nachtrok en met een afgedragen zijden kap over het hoofd, bij eenige kolen zat te kleumen en een vrij sprekend beeld van hypochondrie en vrekheid tevens vertoonde, »spreek niet van naar de stad te gaan, of...quot;

«Vader!quot; viel Percy hem koel en droogweg in de rede, terwijl hij zijn armen over elkander sloeg en zijn vader trotsch in het gezicht keek, «vader, wij moeten elkander wèl verstaan. Mijn school-gaan kost u, geloof ik, veel geld?quot;

»Dat zou ik denken! Kost het niet veel geld? Het is vreeselijk, ijselijk, het is om doodarm te worden? Zeker, zeker veel geld! Twintig pond jaarlijks voor kost en Latijn; vijf guinjes voor de wasch; vijf voor schrijven en rekenen. Had ik niet vast besloten, u een goede opvoeding te geven, ofschoon het u dan ook aan vermogen mocht ontbreeken, dan zou ik — Ja, ik zou — Maar wat beteekent dit? Waarom lacht gij? Is dat achting, is dat dankbaarheid jegens uw vader?quot;

Bij dit verwijt werd het heldere, verstandige gelaat van den knaap eenigszins donker.

-ocr page 20-

16

«Laat ons niet van dankbaarheid spreken,quot; zeide hij treurig. «God weet, waarvoor gij of ik dank schuldig hen. Het lot heeft u, in weerwil van uwen grootschen naam, niets dan deze raakte muren en een paar onvruchtbare velden overgelaten; mij gaf het de liefde eens vaders, niet zoo als de natuur ze schiep, maar door het ongeluk vergald en verbitterd.quot;

Hier zweeg Percy, en ook zijn vader scheen verlegen en getroffen. »Laat,quot; voegde deze zonderlinge knaap, die misschien een weinig ouder was dan vijftien jaar, er nog bij, »laat eens zien, of wij deze zaak niet tot wederzijdsch genoegen kunnen vereffenen. Gij kunt mijn schoolgeld slechts met moeite bijeenkrijgen, en ik heb besloten, nietmeernaarschool te gaan. Saville is onze nabestaande : hij heeft behagen in mij gevonden en mij zelfs van terzijden een wenk gegeven, dat hij mij misschien zijn vermogen zal vermaken ; hij heeft mij altans beloofd, mij, zoolang ik wil, huisvesting met kost en kleeding te geven. Laat mij derhalve de vrijheid, om in het vervolg te gaan en te komen, en ik zal mij verbinden u geen schelling meer te kosten. Mag het bij deze afspraak blijven\'?quot;

»Gij grieft mij, Percy!quot; hernam de vader met smartelijken trots; »ik heb zulks, ten minste aan u, niet verdiend. Gij weet niet, wat dit hart al verhard heeft; maar tegen u was het toch nooit hard ; en smaad van u is erger dan slangenvergif.quot;

Reeds in hetzelfde oogenblik lag Percy voor zijns vaders voeten; hij vatte diens beide handen en barstte in een stroom van tranen uit. — «Vergeef het mij,quot; zeide hij met een gebroken stem, gt;--ik wilde u niet grieven. Ik ben een dwaze knaap. Zend mij naar school. Doe met mij, wat gij wilt.quot;

»Ja,quot; vervolgde de oude man, terwijl hij langzaam het hoofd schudde, »gij weet niet, welk een smart een hard woord van een kind het vaderhart veroorzaakt. Maar het is natuurlijk, zeer natuurlijk zelfs ! Gij mocht mij mijne liefde tot geld verwijten ; dat is een zonde, jegens welke de jeugd \'t minste toegevend is. Maar bedenk slechts, kan ik wel éénen blik op de wereld werpen, zonder de waarde, de volstrekte noodzakelijkheid van het geld te erkennen? Jaar uit jaai in heb ik, sedert mijn mannelijken ouderdom, gesloofd en geslaafd, om deze laatste overblijfselen mijner voorouderlijke bezittingen van den verkoop te redden. Jaar uit jaar in is mij alles bij de handen afgebroken, en, in weerwil van al mijn pogingen en moeite, sta ik thans, bij het einde van mijn lang leven, op het punt, om gebrek te lijden. Maar gij kunt de gronden, welke mijn karakter gevormd hebben, niet verstaan noch goed beoor-deelen; dit kan ook, trouwens, niemand, of zijn hart moet, even als het mijne, door de jaren samengeschrompeld zijn.

-ocr page 21-

17

Maar uquot; — en zijne stem werd weemoediger, terwijl hij de hand op zijns zoons hoofd legde, — smaar u, den vroolijken, hoogvliegenden jongeling, u zullen de zorgen, die mijn hart beklemmen en mijn voorhoofd fronsen, geen enkel treurig oogenblik veroorzaken. Ga! ik zal u naar de stad vergezellen; ik zal zelf met Saville spreken. Is hij een man, dien ik mijn zoon, in zulk eenen teederen ouderdom, gerust kan toevertrouwen, dan zult gij uwen zin hebben en hem mogen bezoeken.quot;

Percy wilde antwoorden, maar zijn vader gaf hem een wenk, om zich te verwijderen, en eer de avond verloopen was, had de laatste zich voorgenomen, om zooveel als hem goed dacht, van dit gesprek te vergeten.

De oude Godolphijn was een dier menschen, op welke men vergeefs een blijvenden indruk tracht te maken; zijn ziel opende zich, even als het water, voor iederen indruk, maar sloot zich daarna onmiddelijk weder. Hem was reeds vroeg ingescherpt geworden, dat hij, om zijn bezittingen en zijn oud familiegoed in stand te houden, — iets, hetwelk hij, zoo als men hem geleerd had, als het doel en de bestemming zijns levens moest beschouwen — een rijke vrouw behoorde te huwen. Zijn plannen waren intusschen verijdeld geworden; doch hoe meer hinderpalen hij daarbij ontmoette, des te stijf-hoofdiger bleef hij daarbij volharden. Hoezeer van natuur goedaardig, gezellig en edelmoedig, was hij echter eindelijk in een achterhoudend en vrekkig mensch ontaard. Dewijl hem nu alle speculatiün, die den glans zijner voorouders herstellen moesten, mislukt waren, bleef hem slechts ééne, welke nooit mislukt, over, namelijk, het sparen; en daarop legde hij zich voortaan uit al zijn macht toe. Van tijd tot tijd vierde hij zijn oude gewoonten nog wel eens den teugel; maar zulke oogenblikken waren zeldzaam. Een strenge, hardvochtige, vuige vrekheid vormde den bovendrijvenden trek van zijn karakter. Hij had zijn zoon met achttien pence in den zak naar een school van twintig pond \'sjaars gezonden, waar deze, zoo als natuurlijk was, niets dan spelen en dolle streken, leerde, en evenwel geloofde hij, dat zijn zoon hem den grootsten dank schuldig was.

Tot geluk voor Percy was hij de bijzondere gunsteling van zekeren, niet onberoemden man, met name Saville, geworden, en deze maakte van zijn recht als nabestaande gebruik, om hem met geld te ondersteunen en in zijn huis op te nemen. De woeste, hartstochtelijke en het vermaak beminnende jonge Godolphin verlangde naar deze, hem juist voegende bezoeken, bij welke zijn, reeds van natuur scherp en doordringend verstand telkens een nieuwe vlucht nam en naar nieuwe plannen streefde. Pieeds was hij het opperhoofd der scholieren, de

2

-ocr page 22-

18

kwelgeest van den bestuurder en de minnaar van diens dochter. Hij was nauwelijks vijftien jaar oud, en toch bereids tot een volwassen mensch gestempeld. Een geheime trots en een verborgen bitterheid, gepaard met een onbedwongen geestigheid en een onrustig gedrag, verrieden, naar allen schijn, meer veerkracht dan liefde. Doch een goed woord, in den\' mond eens vriends, vond bij hem altijd een goede plaats, en terwijl hij zich van een keten zou losgerukt hebben, kon men hem aan een draad leiden. Maar dit waren slechts trekken van den knaap: bij zijne intrede in de wereld veranderden zij zeer spoedig.

Intusschen was er van zijn bezoek niet meer gerept. Na kort overleg begreep de heer Godolphin, hoe weinig staat er op de belofte van eenen schoolknaap, dat hij zijn vader geene schelling meer kosten zoude, te maken was: daarbij wist hij, dat Saville\'s huis juist de plaats niet was, waar men spaarzaamheid kon leeren. Hij achtte het derhalve verstandiger, zijn zoon weder naar school te zenden.

Diensvolgens keerde Percy Godolphin naar school terug, en drie weken daarna werd Percy Godolphin weder van school gejaagd, dewijl hij een oorveeg, \\velke doctor Shalowell hem gaf, met aanmerkelijken nadruk had wedergegeven. In plaats nu van zijns vaders aankomst af te wachten, pakte Percy zijn kleederen bijeen, liet zich door middel van een beddelaken, uit het. vertrek, waar men hem had opgesloten, naar beneden zakken en bevond zich op een schoonen zomeravond, met hel gevoel der onafhankelijkheid in de borst en tien guinjes, de laatst ontvangen gift van den heer Saville, in den zak, op den weg tusschen **** en Londen.

-ocr page 23-

IV.

Percy\'s eerste ontmoeliny als omfliaiikelijh mensch.

De weg, langs welken de jonge vlucliteling, onbekommerd, werwaarts hem die ook zoude brengen, zijn reis aanving, was fraai en schilderachtig aangelegd. Vol van lust tot ondernemingen en van den onberaden moed, die een vruclit van gebrek aan ondervinding is, was hij verscheiden mijlen voortgegaan, en reeds begon de avond te vallen, toen hij niet ver voor zich uit, een pak wagen ontdekte, en daarnaast een grooten en welgebouwden man zag gaan, die met eenige hevigheid allerlei gebaren maakte. Godolphin beschouwde hem nieuwsgierig: de man keerde zich haastig om en wierp insgelijks een vorschenden blik op den jongen voetganger. — »quot;Wel wel!quot; dus begon hij op een innemenden doch eenigszins vertromvelijken en gemeenzamer! toon, »waar moet dit op dit uur nog heen ?

- „Dat gaat u niet aan, vriend !quot; gaf de knaap hem met den trotschen overmoed van zijne jaren, ten antwoord »bemoei u met uw eigen zaken.\'\'

«Ei ei\' gij zijt vrij grof, jonge heer!quot;, hernam de ander: «maar het is nu eenmaal onze gewoonte, spraakzaam te zijn. Intus-schen moet gij weten,quot; (dit zeggende fronste hij het voorhoofd) »dat wij reeds menigen grooteren knaap, dan gij zijt, en wegens een veel kleinere onbeschoftheid, dan gij instaat zijt te bedrijven, naar de gerechtplaats hebben doen brengen.quot;

In dat oogenblik deed een gelach in den wagen Godolphin zijn oogen daarop vestigen, en hij zag uit het geopende portier een moedwillig vrouwengezigt, dat op hem neer keek. igt;Ik bemerk,quot; zeide Percy hierop, »dat gij den spot met mij

2*

-ocr page 24-

20

drijft; maar kom er uit, mijne schoone, en ik zal u niets schuldig blijven.quot;

Op deze jeugdige galanterie van onzen reiziger begon de dame nog luider quot;te \'lachen, maar de man legde, zonder er eenige acht op te slaan, zijn hand op Percy\'s schouder en vroeg; »Sir, woont gij misschien in hij noemde tevens

de stad, waarheen de weg, waarop zij zich bevonden, leidde. »Neen,quot;antwoordde Godolphin terwijl hij zich losmaakte. 5)Maar zult gij er misschien overnachten?quot;

«Misschien.quot;

»Gij zijt te jong om alleen te reizen.quot;

«En gij,quot; iiernam Godophin, die van spijt bloedrood werd, »te oud, óm zulke onbeschofte aanmerkingen te maken.quot;

»Op mijn woord,quot; zeide de vreemdeling koelbloedig, »ik houd niet van zulk een oploopendheid, mijn waarde heethoofd; en bijaldien gij werkelijk dezen nacht in * blijft, dan konden wij, dacht mij, samen onzen maaltijd houden.quot;

5gt;Dus in gezelschap van uwe wilde dieren, vriend?quot; vroeg Godolphin. »Gij zijt toch zeer zeker een soort van beea-tenleider: daarboven in uw wagen hebt gij althans drie in flanel gewikkelde slangen met een witten beer en een half dozijn apen als lokaas voor eenvoudige stumperts ?quot; ^

»En onder welke van deze dieren rekent gij mij dan, sir 5 vroeg het meisje in den wagen, op een gemaakt deftigen toon.

Percy, die door het-gelaat der vraagster, — zooais men dan op zijn leeftijd al zeer licht vlam vat, — terstond te haren voordeele was ingenomen geworden, stond op het punt, om met vele complimenten te antwoorden, toen plotseling een stem binnen in den wagen riep; «Spoedig, spoedig! Help ! Het touw is in stukken! Venetië is omlaag gevallen en de Sneeuwstorm zal aanstonds in het vuur liggen.quot;

»Dat je de duivel!quot; riep de groote man, sprong oogenbhk-kelijk in den wagen en verdween. Het meisje, dat te voren deel aan het gesprek had genomen, bleef echter zeer gerust en onbekommerd aan het portier zitten, en Percy begreep, dat hier gelegenheid was. om haar zijn hof te maken.

»Ik bid om vergiffenis,quot; zeide hij na eenig zwijgen, »ik zie thans mijn dwaling in: gij zijt derhalve het sieraad van dezen schoonen schouwburg ?\'\'

»Een schouwburg ?quot; gaf het meisje hem koeltjes ten antwoord. »Oho ! wij zijn op dit punt zoo kiesch niet; wij zijn slechts oen troep reizende komedianten.quot;

»En is de heer, die zich zoo vrij en ongedwongen gedraagt,

uw man?quot; .. ......

»De hemel beware mij ! Meent gij, dat hij, bijaldien hi] mijn was, mij hier werkeloos zou laten zitten, als hij iets te doen heeft ? Doch waartoe al dat domme gesnap ! wat weet

-ocr page 25-

gij van het gehuwde leven ? Neen,\'\' voegde zij er met een theatrale deftigheid bij, »ik ben de Belvedera, !) de Calista, de Prima Donna van het tooneelgezelschap: ik sta onder geen dwang, onder geen man, en verdien drie en dertig schellinsren in de week.\'^

))Ook onder geen minnaar?quot; vroeg Percy met dat vrijpostige gelaat, hetwelk hij Saville had afgezien.

»Zie mij dien jongen eens! Neen ; ook moest mijn minnaar ten minste even zoo groot, even zoo rijk en, helaas! ook ten minste even zoo oud zijn als ik ben.quot;

»Dat, helaas /quot; is hier overbodig, mijn schat,\'\' hernam Percy »want ik heb er niet eens aan gedacht, om op u te verlieven.quot;

oNiet ? Het tegendeel is waar, gij dacht er w^el degelijk aan. Maar wilt gij dezen avond niet in ons gezelschap eten ?quot;

»Wel, waarom niet!quot; dacht Percy thans bij zich zeiven, daar het voorstel hem op een vrij aanlokkende wijs gedaan werd, waarom hij haai\' dan ook ten antwoord gaf: »a!s gij et mij om verzoekt, zal ik het doen.\'\'

»Goed !quot; hernam de tooneelspeelster, sik verzoek er u om.quot;

In dit oogenblik kwam de derde man van hun gezelschap weder te voorschijn en zeide : »ei, ei, gij hebt ons derhalve nog niet verlaten ?gt;\'

»Neen,quot; hernam Percy, ^integendeel, ik neem uwe uitnoo-diging aan en zal met u eten.\'quot;

,/Dat verheugt mij. Maar wilt gij niet liever instappen en in den wagen blijven ? Wij hebben nog twee goede mijlen af te leggen.quot;

Percy maakte van deze vergunning gebruik en zat aldra naast de fraaie tooneelspeelster. En zoo reed de zoon van den zuinig levenden Godolphin, de kweekeling van den hoofschen Saville, na met zijn nieuwe reisgenooten spoedig vriendschap gemaakt te hebben, en wel zeer in zijn nopjes met deze ontmoeting, de stad*** binnen, en zoo begon tevens een zijner eerste onafhankelijke veldtochten in de\'wijde wereld.

\') Ottway\'s Venetië.

-ocr page 26-

V.

De comediauten. — Godnlphiii wordt verliefd. — Indruk van Fanni/ Millingers spelen op hem. — De beide aanbiedingen. — Godolphin verlaat de tooneelspelers.

Onze reizigers hielden bij de eerste herberg der voorstad stil. Hier werd hun een groot vertrek op de onderste verdieping aangewezen, hetwelk met zand bestrooid was en in welks midden een lange tafel stond, waarbij Percy tijd genoeg had, om de lieden, bij welke hij zich had aangesloten, in oogen-schouw te nemen.

Vooreerst was er een oud heer, die de drie en zestig jaren achter den rug had, een ronde pruik droeg, tamelijk grof-lijvig was en minnaarsrollen speelde. Als de bedaarde Romeo muntte hij niet minder uit, dan als de levendige Rapid. Hij had echter de kwade gewoonte, om binnensmonds te spreken, hetwelk gedeeltelijk van daar kwam, dat hij al zijn voorste tanden verloren had, weswege hij ook gewoon was, de rollen, waarin hij dikwijls lachen moest, zoo veel mogelijk te vermijden. — Vervolgens was er een klein meisje van -nagenoeg veertien jaar, dat de rollen van engelen en toovergodinnen vervulde, maar, des noods, ook in die van oude vrouwen met veel toejuiching optrad. — Ten derde bevond zich onder dezen troep een vrij losse kwant, die, wegens zijn sterke stem en krachtvolle gestalte, de dwingelanden voorstelde. Hij was groot als Macbeth, maar nog grooter als BombastesFurioso. — Het vierde lid van het gezelschap was zijne vrouw, een niet leelijk, maar eenigszins wulpsch en sterk geblanket wijfje. Zij speelde de tweede minnaressen, vertrouwelingen en kameniers en was de Emilia van Desdemona. — Het vijfde lid was Percy\'s nieuwe geliefde, een meisje van nagenoeg een en twintig jaar met een stomp neusje en fraai bruin haar, dat altijd eenigszins in wanorde was; mond, tanden en kinkuiltje waren wonderschoon; voorts had zij een natuurlijke kleur en eenigen aanleg tot groflijvigheid, die zinnelijken man-

-ocr page 27-

23

nen meer behaagt dan dichterlijke. In een woord, Fanny Millinger was een zoo openhartig, vroolijk, levendig schepsel, dat zij de afgodes van den ganschen troep was geworden en zelfs door hare grootere talenten als actrice volstrekt geen aanleiding tot eenige jaloezie gaf. Het staat intusschen elke andere tooneelspeelster volkomen vrij, dit al of niet te gelooven.

»En is dit de heele troep?quot; vroeg Percy.

sNeen,quot; gaf Fanny hem ten antwoord, terwijl zij haar hoed afnam en, met behulp van een gansch niet helderen spiegel, hare haarlokken oprolde, ))de rest is in * \', maar komt nog dezen avond bij ons. Wilt gij u niet aan het tooneel verbinden? Ik wenschte wel, dat gij het deedt. Gij zoudt een recht knappen — pagie voorstellen.

»Waarlijk ?quot; vroeg Percy diep beleedigd.

»Welnu, zal er haast wat van worden?quot; riep de actrice, terwijl zij, zonder zich aan zijn ergernis te storen, in de handen klapte, »waarom neemt gij mij mijn mantel niet af? Waarom geeft gij mij geen stoel? Waarom zet gij dezen grooten koffer niet uit den weg? Waarom — lieve hemel! (daarbij stampte zij, in volkomen ernst, met haren kleinen voet op den grond), welk een elegant en komplaisante minnaar.*\'

vEil zoo ben ik dan toch een minnaar?quot;

«Dom gesnap! Neem aan tafel uwe plaats naast mij. Hoort gij wel?quot;

De jonge Godolphin was door de levendige actrice geheel betooverd en begaf zich, den volgenden avond, in geene geringe spanning naar den kleinen schouburg te \' * *, om zijn Fanny Ie zien spelen. Men gaf De zer/epraal der persoonlijkheid (l). De mansrollen werden, over het geheel, tamelijk goed vervuld, ofschoon het Percy eenigzins bevreemdde, dat hij een man, die eerst denzelfden dag bij den troep was gekomen en zich door de edelste gelaatstrekken van de wereld, door een fraaien Romeinschen neus en het voorhoofd van eenen wijze, boven al de andere acteurs onderscheidde, thans, in een nauwslui-tenden broek van nanking en in een kort wambuis, als Tony Lumpkin zag optreden en de galerij aanhoudend aan het lachen brengen. Fanny Millinger daarentegen spreidde in de rol der heldin een bevalligheid, een teederheid, een eenvoudig en echter zoo waardig karakter van ware liefde ten \'oon, dat zij het gansche publiek verraste en verrukte. Zij werd, trouwens, ook ongemeen toegejuicht, en Percy was er

it , khjspel van Goldsmith. De vroeger gemelde rol van Rapid is uit

« Jltddel voor het hartzeer, van Morton, en de later gemelde Pertioai acs\\cophant uit De Man naar de Wereld, van Maclin.

-ocr page 28-

24

niet weinig trotscli op, dat hij \'t eerst een persoon bewonderd had, dien thans ieder scheen te willen bewonderen.

Zoodra het stuk geëindigd was, begaf hij zich achter de schermen en gevoelde voor de eerste maal de meerderheid, welke geestvermogens aan iemand verschaffen. Het weinig-beteekenende meisje, waarmeê hij even te voren zoo gemeenzaam was geweest, en dat hem slechts voor koketterie, scherts en beuzelachtig dartelen geschapen scheen te zijn, had zich thans tot eene hoogte verheven, die hem inderdaad verlegen maakte en wezenlijk vernederde. Hij bleef beschroomd en onhandig op eenigen afstand staan en wierp een steelschen blik op haar, maar had den moed niet, om haar te naderen en haar een kompliinent te maken,

Inlusschen had het scherpziende oog der tooneelspeelster den indruk, dien zij op hem gemaakt had, al dadelijk geraden. Zij gevoelde zich natuurlijkerwijze gestreeld, trad naar Godol-phin toe, vatte hem bij den schouder en zeide hem rnet een tachje, dat door het nog niet afgewischte blanketsel nog innemender, nog betooverender werd; »wat zijt gij een onbehulpzaam minnaar! Hebt gij dan niet een enkele vleierij voor mij over? Ga heen, ga heen, gij deugt niet voor mij, zoek u een andere Dulcinea.quot;

ïGij hebt mij door uwe tooverkracht met eerbied voor u vervuld,quot; zeide Godolphin.

Er lag in deze uitdrukking een teederheid, die voor den geest van den knaap, ofschoon die nog niet genoegzaam ontwikkeld was, misschien karaKteristiek genoeg was ; althans, de bevallige actrice was er, voor een oogenblik, door geroerd, ofschoon zij, in weerwil van haar ernstig spelen, veel te loszinnig was, om het als iets wenschelijks te beschouwen, op den duur niets meer dan eerbied in te boezemen. — Dewijl zij nu in het nastuk niet behoefde op te treden, begaf zij zich met Godolphin naar de herberg terug.

Zoolang als zijne tien guinjes duurden (en de lezer kan zich licht voorstellen, dat zulks juist niet lang duurde) bleef Godolphin bij den quot;vroolijken troep als de aangename en g.elukkige minnaar van de eerste actrice. Hij ontdekte haar, in vertrouwen, zijn naam en zijn lotgevallen, om welke laatste zij hartelijk lachte; wanl zij was een echt kind van Venus en hield ongemeen veel van allerlei dolle streken. — »Maar, zeide zij, hem liefderijk de wangen streelende, »wat belet u dan toch, om u voor een poos aan ons te verbinden ? In drie uren wil ik een\' knap acteur van u maken. Kom maar eens hier en geel acht. De heele kunst, die gij zoo bewondert, bestaat slechts in eene reeks van kunststukjes.\'\'

Godolphin geraakte in verlegenheid. Er schuilde bij hem een geheime trots, die niet duldde, dat hij zich aan de

-ocr page 29-

25

risping van anderen onderwierp. Daarbij gevoelde hij geen neiging, om anderen na te apen, en tevens een aanmerkelijke vrees zich belachelijk te maken. Deze reeds vroeg ontwikkelde karaktertrekken, die hem in zijn volgend leven steeds beletten, een, voor zijne geestvermogens geschikten werkkring te vinden, en hem tevens te trotsch maakten, om zich, ter bereiking van zijn doel, veel af te sloven, en ook te wijs-geerig, om iets schijnshalve te doen, deze karaktertrekken waren hem, bij deze gelegenheid, van nut en behoedden hem voor het gevaar, dat hem nu dreigde. Hij liet zich dus niet bepraten, om als acteur op te treden, en de schoone Fanny moest haar plan hopeloos opgeven; doch zij zeide op een teederen toon tegen hem ; « gij kunt ten minste bij ons blijven en in mijn kleine verdienste deelen.\'\'

Godolphin ontstelde; en, zoo wonderlijk zijn de tegenstrijdigheden van het trotsche menschelijke hart, dat dit edelmoedige aanbod der arme tooneelspeelster hem zoo veel spijt en afkeer inboezemde, dat hij zich met de gedachte van haar te ver-, laten bijna verzoende. Hel, door haar gedane voorstel scheen hem op eens de dubbelzinnige levenswijs, welke hij aangevangen had, te ontsluieren.—» Neen, Fanny,quot; gaf hij haar, na eenig zwijgen, ten antwoord, » ik ben hier, wijl ik besloten heb onafhankelijk te zijn, en kan dus geen afhankelijk lot kiezen.quot;

»Miss Millinger moet dadelijk op de repetitie komen,quot; zeide het kleine meisje, dat de toovergodinnen en oude vrouwen speelde, terwijl zij het hoofd in het vertrek stak.

sLieve hemel!quot; riep Fanny opspringende, ^is het al zoo laat? Ik moet gaan. Vaarwel! Wij zien elkaar nog weer.quot;

Godolphin begaf zich somber en vol gedachten naar buiten op de straat, en het eerste, dat hem in het oog viel, was een. op den muur geplakte aankondiging, waarin zijn persoon uitgeduid en voor zijne uitlevering een belooning van twintig guinjes uitgeloofd werd. Hij keere slechts tot zijne bekommerden nader terug, zoo luidde het slot van deze aankondiging, en alles zal vergeven zijn.

Godolphin sloop naar zijne kamer terug en schreef een langen, teederen brief aan Fanny ; vervolgens voegde hij er zijn zakuurwerk, als het eenigste aandenken, dat hij haar kon geven, met zijn adres aan Saviile, bij. Nu wachtte hij nog eenigen tijd, tot het donker werd ; toen ging hij weder uit en nam plaats op den postwagen naar Londen. Hij had, wel is waar, geen reisgeld meer, maar de conducteur stelde vertrouwen in zijn fatsoenlijk voorkomen, en zoo bevond hij zich reeds den volgenden morgen ten huize van Saviile.

-ocr page 30-

VI.

Pniry ah (jast bij Saville. — Hij komt ouder de koninklijke l/arde en (jeraakt in de mode.

»En dus,quot; zeide Saville lachende »zijt gij dan werkelijk weggeloopen ! Nu, dit is heerlijk! Maar geloolt gij wel, dat ik u om uwe ontmoeting met dat tooneelvolk benijd ? Zoo waar als ik leef, ware ik slechts eenige jaren jonger, dan zou ik zelf mij bij hen vervoegen en uitnemend voor sir Peninax Macsycophant spelen: want ik heb — dit durf ik ïeggen — veel aanleg tol het tooneel. Maar zeg mij eens, wat denkt gij thans te doen? Bij mij te blijven? Ja?quot;

ïlk denk althans,quot; (gaf Percy hem ten antwoord:) »dat dit het beste is, wat ik doen kan, en in allen geval ook de aangenaamste manier, om mijn leven te slijten. Maar —quot; «Wat maar?quot;

gt;Maar ik zou niet tevreden zijn, zoo lang ik mij afhankelijk van uwe gunst gevoelde. Ik zal dus aan mijn vader schrijven, wien ik overigens reeds, den eersten dag van mijn aankomst in ***, met achting en hartelijkheid van mijne betrekkingen naricht heb gegeven. Ik heb hem toen verzocht, zijne brieven onder uw adres af te zenden, maar het spijt mij, dat de aankondiging, die mij zoo veel schrik veroorzaakte, de eenige partij schijnt te zijn, welke hij van mijne aanwijzing getrokken heeft. Ik zat hem derhalve nog eens schrijven en verzoeken, mij te vergunnen dienst te nemen. Het is juist wel geen stand, waarmee ik bijzonder hoog loop, maar ik weet geen\' anderen uitweg, en word dan toch ook mijn eigen meester.\'\'

„ Zeer goed,quot; hernam Saville; » en ik hoop, u daarbij van nut te kunnen zijn. Als uw vader de vereischte som voor een patent bij de garde wil betalen, dan meen ik,

-ocr page 31-

27

in staat te zijn, om te bewerken, dat gij voor dit geld alleen eene plaats bekomt, hetwelk waarlijk geene kleine gunst is.quot;

Godolphin, die met dezen voorslag ongemeen in zijn schik was, schreef terstond aan zijn vader en stelde hem de zaak-dringend voor, terwijl hij tevens Saville bewoog, zijn verzoek door een bijzonderen brief te ondersteunen. » Gij ziet, mijn dierbare sir,quot; schreef diensvolgens de laatsgenoemde, » dat uw zoon een wilde, maar vastberaden dolkop is, bij wien gij met schooldwang niets kunt uitrichten. Breng hem dus onder de tucht van \'skonings dienst, en noodzaak hem, met zijne soldij rond te komen. Daarbij is dit eene goedkoope manier, om voor een deugniet te zorgen en daar hij het geluk zal hebben zoo vroeg in dienst te treden, kan hij op zijn dertigste jaar kolonel met volle traktement zijn. In ernst, sir, dit is het beste, wat gij voor hem doen kunt, bijaldien gij te huis geen ander middel van bestaan voor hem hebt.\'\'

De oude vader was over dezen brief en het vroeger weg-loopen van zijn zoon niet zeer gesticht, maar moest bij zich zei ven erkennen, dat, als hij zich tegen de wenschen van zijn zoon verzette, zulks hem nog meer verdriet zou veroorzaken. In dat geval zag hij eenen ganschen drom van verlegenheden en zwarigheden vooruit, die hem niets dan kommer baren en veel gelds kosten zouden. Daarentegen verschafte het tegenwoordige aanbod hem een zeer geschikt voorwendsel om zich een geruimen tijd van de zorg voor zijnen zoon te kunnen ontslaan; en dewijl hij zijn vrekkige gewoonte, om in eenzaamheid te schrapen dagelijks meer en meer den teugel vierde, zoo verheugde hij zich, een gelegenheid gevonden te hebben, om haar voortaan ongestoord te vervolgen en zich met lijf en ziel aan zijne lievelingsbezigheid te kunnen overgeven.

Na een veertiendaagsch overleg schreef hij eindelijk met korte woorden, zoowel aan Saville als aan zijn zoon, en deed laatstgenoemden zeer vele verwijtingen, doch sloot met de toezegging, dat, bijaldien de plaats werkelijk voor de opgegeven som te bekomen was, hij die som uit zijn mond besparen en opofferen wilde. Deze uitdrukking trof den zoon, maar Saville lachte hem uit, en spoedig daarna praalde Percy Godolphin, als vaandrig bii het * * * garde-regiment, in de nieuwspapieren.

Het soldatenleven in vrede is het gemak zelf. Percy vond smaak in de nieuwe monteering en in de nieuwe paarden, die alle op crediet gekocht waren. Hij vond behagen in zijne nieuwe makkers, in bals en in allerlei galanterieën, hij verwaarloosde ook geenszins van vier tot zes uren het Hydepark,

-ocr page 32-

28

en verveelde zich vooral niet te zeer bij het exerceeren of bij de parade. Het verschafte zijn stand in de wereld niet I weinig voordeel, dat hij de beschermeling van een man, als August Saville, was, die wegens zijne speel- en kwistzucht I in groot aanzien stond, en dal hij onder diens leiding op eens midden in den stroom der zoogenaamde fatsoenlijke | gezelschappen geraakte, die slechts daarom fatsoenlijk heeten, wijl alle fatsoen zorgvuldig uit hun kring verbannen blijft.

Jong, romanesk, begaafd met een stouten geest, met de I klassieke gelaatstrekken van een Antinoüs en met eenen buitengemeenen aanleg, om allerlei aardigheden te zeggen en verzen te maken, werd Percy Godolphin. ofschoon hij, volgens zijn jaren, eerder nog in de kinderkamer dan in de wereld zou gepast hebben, zeer spoedig de krulkoppige lieveling dier groote klasse van voorname vrouwen, welke niets te doen hebben, dan zich het hof te laten maken, en de liefde, die uit de natuurlijkste bron ontspringt, zelfs niet als kunst bekoorlijk vinden. Zij beminnen den jongen knaap, bijaldien hij niet te bloode is, en het is onze eigen schuld, als wij, 1 van ons vijftiende tot ons twintigste jaar, niet alle bij haar den don Juan kunnen spelen.

Maar lietde was nog geenszins het grootste gevaar, dat den bedwelmden knaap dreigde. Saville, de verleidelijkste van alle voogden, Saville, die door zijne geestigheid, zijne beschaafde manieren en door zijnen invloed in de groote wereld, door allen, die minder hoog stonden en minder hoog vlogen, als een God werd beschouwd, deze Saville was Godolphins dagelijksch gezelschap. Daarenboven was die Saville nog veel erger dan een verkwister, hij was een speler! Men zou denken, dat het spel de laatste ondeugd ware, welke de jeugd kon verstrikken, en dat de daarmede gepaarde vrekheid en hebzucht, afschuwelijke eigenbaat en koelbloedig berekenende laaghartigheid allen, die nog andere en zoetere plichten te vervullen hebben, van zich afstooten moesten; maar het gebrek der jeugd is, dat, zij zelden tegenstand kan bieden. Hel spel is, trouwens, in alle landen eene, den adel bijzonder eigene ondeugd. De jonge lieden vinden het. reeds bij hunne intrede in de groote wereld in de beste gezelschappen ; zij worden door de gewoonte van anderen weggesleept en in den grond geboord, zoodra zij deze zelfde gewoonte hebben aangenomen.

»Gij ziet er zoo koortsig uit, Percy,quot; zeide Saville, toen hij zijn kweekeling in het park ontmoette. »Maar bij het helsche verlies, dat gij gisteren avond geleden hebt, is dit ook geen wonder.quot;

sHet bedroeg meer, dan ik betalen kon,quot; gaf Percij hem, met een krampachtigen trek om den mond, ten antwoord.

-ocr page 33-

29

»Oho, gij kunt het morgen betalen, want gij zult dezen avond in mijn winst deelen. Ziet gij dan niet,quot; voegde Saville er met een zachtere stem bij, ))dat ik nooit verlies!

«Hoe? nooit?

»Nooit dan met opzet. Ik speel geen spel, dat enkel van het toeval afhangt. Whist is mijn meest geliefkoosd spel; maar het is, tot mijn leedwezen, niet zeer in zwang, en derhalve moet ik het ook met andere spellen beproeven; doch zelfs bij het rouge et noir houdt ik mij aan de whistregels. Ik bereken — ik houd in het geheugen —quot;

»Maar hasard dan ?quot;

»Dat speel ik nooit,\'\' hernam Saville op stelligen toon. gt;Want het is een duivelsspel, dat iederen kunstgreep teleur stelt. Zie van het hasard af en leer écarté. Dit komt in de mode.quot;

Saville besteedde veel moeite aan Godolphin, en deze, die van natuur meer voor overleg, dan voor overijling vatbaar was, toonde geen oppervlakkige leerling te zijn. Hij werd aldra een behendig en gelukkig speler en wist daardoor het ontoereikende van de bezoldiging der subalterne officieren redelijk wel aan te vullen.

Dit was de eerste moeielijke bederving van Percy\'s zedelijk karakter, een karakter, dat een geheel anderen man, dan hij werd, van hem zou hebben moeten maken; maar dat echter noch ondeugd, noch het slechte voorbeeld in staat waren geheel te bederven.

-ocr page 34-

VII.

Godolphin wordt veronlsclnildigd, dal hij menschelijk gevoel bezit. — Hij ontmoet iemand, die hij nooit wederziet. — De nieuwe actrice.

Saville werd algemeen als een volmaakt man naar de groote wereld, dal is, als schrander, maar zonder hart, beschouwd.

Hoe kwam het dus, dat hij uit eigene beweging zooveel werks van eenen knaap, als Godolphin maakte? — Ten eerste heeft men dikwijls opgemerkt, dat afgeleefde, uitgemergelde wereldlingen jonge lieden beminnen, in welke zij iets — een beter iets ontdekken, hetwelk zij zichzelven, in hunnen waan, insgelijks toekennen. Zoo meende Saville in Godolphins beschaafd voorkomen en moed het evenbeeld van zijne eigene iiitwendige welgemanierdheid en doortrapte volharding, in Godolphins weelderige fantasie en diepe scherpzinnigheid zijne listigheid en huichelarij Ie zien. Dat de knaap algemeen beviel, streelde hem, terwijl zijne gesprekken hem vermaakten. Ook is niemand zoo geheel zonder hart, dat hij niet voor eene bijzondere genegenheid zou vatbaar zijn, zoo zij hem slechts niet te ver van zijn doel afleidt; en zulk eene genegenheid gevoelde Saville voor Godolphin. Daarbij had deze liefde nog een anderen grond, die aanvankelijk misschien te feeder zou kunnen schijnen, om in staat te zijn, op een uitgeleerden wellusteling eenigen invloed te hebben, doch van naderbij beschouwd, verdwijnt deze teederheid. Saville had Godolphins moeder bemind, had haar tenminsfe zijne hand aangeboden, dewijl men haar voor een meisje hield, hetwelk met den tijd een grooten schat moest erven. Hij dacht dus dat hij op het punt had gestaan, om Godolphins vader te worden, en zijne ijdelheid spoorde hem aan, den knaap te toonen, hoeveel beter hij voor hem zou geweest zijn, dan hij, dien de Voorzienigheid voor hem bestemd had. Reeds uit wrok tegen den hem voorgetrokken minnaar streelde het hem

-ocr page 35-

31

dat hij thans in de gelegenheid was, om eene kleine, boosaardige wraak aan Godolphins vader te nemen en daarop te werken, dat de zoon dengene voortrok, dien de moeder verworpen had. Al deze redenen boeiden Saville aan den jongen Percy; en dewijl hij rijk en, in weerwel zijner voorzichtigheid en koelbloedige berekening, een zucht tot verkwisten bezat, zoo baarde hem zijn voogdijschap van den geldelijken kant niet de minste zorg. Maar Godolphin, die de pacht geenszins beminde, verliet zich niet te zeer op de luimige edelmoedigheid van een egoïst. Ook lachte de fortuin haar jongen vereerder toe en liet hem, gedurende den korten tijd, dien hij besteedde, om zich in haar gunst te dringen, ten minste zoo veel toestroomen, dat hij fatsoenlijk kon leven.

De zalen van de gravin B*** waren op het schitterendst verlicht en reeds stikkend vol van lieden uit de groote wereld, toen Godolphin, na een langdurig diner bij Saville, er binnentrad. Hij behoorde echter niet tot de talrijke klasse van heeren, die, met hun halzen in stijve dassen geknoopt, en met den rug tegen den muur gedrukt, zonder een woord te spreken, evenals stokken op een bloembed blijven staan. Hij ging ook niet naar de bals, om zich in de meest in het oog loo-pende houding te laten aangapen, een beweegreden, die onder de stijve pronkers van Engeland zoo algemeen is; neen, maar hij ging er heen om zich te vermaken; en trof hij niemand aan, die hem daarin behulpzaam kon zijn, dan begreep hij niet, waarom hij er blijven zoude. Men zag hem derhalve of altijd praten, dansen en naar de muziek luisteren, of men zag er hem in het geheel niet.

Terwijl hij hier eenige woorden met den kolonel D***, een beruchten zwierbol en speler, wisselde, bemerkte hij, dat een oud gentleman, in de kleeding der vorige eeuw, hem oplettend en, naar het hem voorkwam, eenigzins scherp aanzag. Godolphin mocht zich keeren, waarheen hij wilde, hij kon van dien blik niet ontslagen worden, zoodat hij den oude eindelijk even stijf aanstaarde, als deze het hem deed. Nu trad de oude gentleman langzaam naar hem toe en vroeg: sgij zijt Percy Godolphin, niet waar ?quot;

»Dit is mijn naam, sir,\'\' antwoorde Percy, »en de uwe?

»Eigenlijk doet dit weinig ter zake! Doch gij moogt dien ook wel weten. Ik ben Hendrik Johnstone, de oude Harry Johnstone, was uw vaders neef. Misschien hebt gij wel eens van hem gehoord. Ik moet u echter zeggen, jonge heer, dat liet mij leed doet, dat gij met dien schurkachtigen Saville zoo gemeenzaam zijl. Val mij niet in de rede, sir. Ik zeg u nog eens, het doet mij leed, dat gij, zoo jong en ongewaar-sehuwd, door ieder, die zich de moeite daartoe geven wil naar lichaam en ziel bedorven en ongelukkig zoudt gemaakt

-ocr page 36-

3-2

worden. En echter bemin ik u gelaat. Ja, ik bemin het! Het is openhartig, en toch peinzend: helder en toch eenigszins betrokken. Gij hebt, wel is waar. Kareis donker haar niet, maar gij zijt ook veel, veel jonger. Het verheugt mij, dat ik u gezien heb. Ik kwam, trouwens, met dat oogmerk ook hier. Goeden nacht!1\' — En zonder eenig antwoord af te wachten, was de oude man verdwenen.

Zoodra Godolphin eenigszins van zijn verbaasdheid bekomen was, herinnerde hij zich, dat zijn vader meer dan eens van een rijken, wonderlijken nabestaande, met name Johnstone, had gesproken. Intusschen had dit gesprek een sterken, hoezeer dan ook kortstondigen, indruk op hem gemaakt, en hij besloot, de woning des ouden mans op te zoeken. Maar ei\' kwam telkens iets tusschen beiden, zoodat deze twee nabestaanden elkander in deze wereld niet meer aantroffen.

Percy, die thans vol gedachten door de menigte drong, wierp zich op een stoel naast een vijf en veertigjarige dame, welke zich soms verledigde, om hem haar hof te maken, dewijl men toch van zulk een jongen knaap volstrekt geen kwaad kon denken. Terstond daarop vroeg een zeker lord George, die naar hen toekwam huppelen, de lady, of hij haar den vorigen avond niet in den schouwburg had gezien.

»0 ja,quot; gaf zij hem ten antwoord. »wij waren derwaarts gegaan, om de nieuwe actrice te zien. Wat is zij schoon! en hoe weinig gemaakt! en wat zingt zij fraai!quot;

»Zeer schoon — hé!quot; snaterde lord George, met zijn hand door zijne haren strijkende. Een recht bevallig meisje — hé! Fraaie beenen! Het is hier onuitstaanbaar warm, op mijn eei ! En zoo vervelend! Ach! Godolphin. Denk aan den Wattier-club.quot; — En dit zeggende huppelde zijn edelheid heen.

»Van welke actrice spraakt gij daar?quot; vroeg Godolphin.

»0, zij is zeer knap!quot; hernam de lady. »Zij is in de List der Shoonen voor de eerste maal opgetreden. Wij zullen haar morgen zien; en wanneer gij bij ons eten en onze geleider zijn wilt —quot;

«Met het grootste vermaak. Uwe edelheid heeft haar zakdoek laten vallen.quot;

»Dank voor uwe oplettendheid,quot; zeide de lady, en bukte zoo, dat heur haar Godolphins wangen streelde, terwijl zij hern intusschen zachtjes de hand drukte. Het is inderdaad een wonder, dat Godolphin geen gek werd!

Daags daarna dineerde hij, volgens afspraak, bij de dame en ging met haar naar den schonwburg. Juist toen hij den eersten blik op het tooneel wierp verkondigde een daverend handgeklap de verschijning der nieuwe kunstenares — Fanny Millinger.

-ocr page 37-

VIII.

Godolpltins tooneelzucht. — Zij geeft aanleiding tot een afwisseling in zijn levenswijs.

Dit toeval had grooten invloed op Godolphins levenswijs en zelfs op zijn karakter. Hij vernieuwde aldra zijn kennis met de zoo zeer gehuldigde actrice.

»Welk een verandering!quot; riepen beide.

»De reizende actrice is beroemd geworden!quot;

»De weggeloopen jongen is in een heer naar de mode herschapen.quot;

»Gij zijt schooner geworden, Fanny.quot;

»Ik maak u hetzelfde kompliment,quot; antwoordde Fanny met een buiging.

Van nu af werd Godolphin een trouw bezoeker van den schouwburg, en dit noodzaakte hem een geheel ander leven te leiden, dan hij tot hiertoe gedaan had.

Er zijn in Londen twee klassen van liederlijke menscben; tot de eene behooren de balvlinders; lediggangers, die enkel door de gezellige kringen slenderen; allemansgasten, oude bekende gezichten, die men overal aantreft, en die ieder kent. De andere klasse bestaat uit een woester, ongeregelder volkje, dat zelden gezelschappen bezoekt, bals als een plaag beschouwt, in clubs leeft, de schouwburgen afloopt, laat in den nacht in koeisen rondrijdt, die er geheimvol uitzien, en vele kennissen onder de Aspasia\'s heeft. Het zijn de lieden, die zich tot kritische woordvoerders van den schouwburg opwerpen ; met zwarte halsdassen en de hoeden op drie haren

3

-ocr page 38-

34

in hun loges zitten en over de beenen eener danseres en del stem eens zangers beslissen. Zij weten iets van de letterkunde! en bezigen in hun gesprekken veel Fransche uitdrukkingen: daarbij is hun voorkomen, over het geheel, eenigszins romantisch,! en verscheidenen hunner zijn zelfs uit liefde gehuwd. Meteen] woord, zij kenmerken zich door een lichtvaardig, liberaal,] vastelands-karakter van liederlijkheid, dat in de koelbloedige, nietige, lafl\'e, gemaakte, eenigermate beperkte buitensporigheden 1 van een meer nationalen stempel niet te vinden is. Uit de] eerste klasse verviel Godolphin in deze laatste, en o! wat had! men nu vroolijke morgens in de woningen der actrices, wat] dolle soupers na den afloop van het gegeven stuk: met wat] al vernuft, luim en geestigheid werden de uren van middernacht tot het hanegekraai, op rozen en onder het genot van de beste llhijnwijnen doorgebracht! — Toen Godolphin echter den schouwburg hoe langer hoe ijveriger bezocht, wekte hetl gevoel voor het schoone en verhevene, dat nog ongestoord in zijn hart sluimerde, allengskens aandoeningen bij hem op, in welke zijn gemeene makkers niet konden deelen.

Er ligt, trouwens, in de tooneelvertooningen iets, dat de I romantische snaar van ons karakter altijd roeren moet. De tooverachtige verlichting, de paleizen, legerplaatsen en bosschen, de landschappen hij middernacht en dè wederschijn der maan in het water; de welluidendheid van den rijmklank in het treurspel, de bekoorlijkheid van het geestige in het blijspel; de wonderbare kunst, die aan het minstbeduidende woord des dichters zoo veel beteekenis bijzet; het schijnschoone, vroolijke leven, dat zich voor ons ten toon spreidt en in drie korte uren liefde, daden, strijd, roem, met een woord, al wat onze stoutste eerzucht kan wenschen, oplevert; de gloeiende opklimming der gewaarwordingen, welkp aan het tooneel zoo eigen is en ons slechts in onze harlstochtelijkste oogenblikken overvalt: al deze opwekkingen onzer fantasie gaan niet verloren. Onze zucht voor luchtkasteelen en droombeelden wortelt vaster, en wij slikken een geestig opium in, dat alle andere krachten verzwakt, en slechts die der verbeelding opwekt.

Godolphin werd inzonderheid door het tooneel geboeid: hij schepte er vermaak in, uit den kring zijner vrienden weg te sluipen en alleen en onbemerkt zijn geest met een denkbeeldige wereld te verlustigen, die hem zulk een aangename begoocheling verschafte. En ach! zoolang als wij jong zijn: zoolang de dauw nog op de groene bladeren der lente parelt; zoolang als het schitterenste en krachtdadigste gedeelte der toekomst ons nog verbeidt; zoolang als wij nog niet weten, of het ware leven even zoo begoochelend en bekoorlijk zijn zal als het ingebeelde — hoe diep, hoe innig is dan niet de

-ocr page 39-

35

verrukking, waarmee wij, al is liet dan ook slechts voor een enkel uur en onvolkomen, Shakespeare\'s gestalten zien, voelen en hooren leven ! Gij, lieve Ardennes! bevinden wij ons wezenlijk in uwe wouden? in uwe schaduwrijke bos-schen? in uwe stille grotten? Rosalinda, Jacques, Orlando, zijt gij werkelijk aardsche wezens ? Ach, hier heeft een begoocheling plaats! — En wenden wij ons dan naar het leven terug zoo wenden wij ons van de kleuren, dié hel glas van Claude over een winterlandschap toovert, naar het kale landschap zelf.

3*

-ocr page 40-

IX.

Het legaat. — Een nieuw gebrek van Saville. — De natuur der wereldsche verbintenissen. — Godolphin verlaat Engeland.

Bijaldien men de tooneelbegooclieling niet wil zien verdwijnen, dan moet men geen actrice tot geliefde hebben; want dit brengt ons te ver achter de schermen. Godolphin gevoelde dit zoo levendig, dat hij de stukken, waarin Fanny speelde, met het minste genoegen zag. Hij wist te goed, dat zij een vrouw was, om zich zoo zeer te laten verblinden, dat hij haar voor iets meer zou gehouden hebben. Bij geluk waagde !• anny zicli niet aan Shakespeare. Zij werd in de vaudevilles, in de kluchtspelen en in de gewone blijspelen door niemand overtroffen, maar zij was verstandig genoeg geweest, om van het treurspel, zoodra zij de tenten met den schouwburg had verwisseld, geheel en al af te zien. Zij bezat zoowel talent als scherpzinnigheid en kende nauwkeurig het vak, waarin zij harer ijdelheid, zonder gevaar van schade en schande, genoegzaam voldoen kon. Daarenboven kenmerkte haar geheel voorkomen zich door een eenvoudigheid en openhartigheid, die haar gezelschap zeer aangenaam maakten.

De wederzijdsche genegenheid van haar en Godolphin was geenszins hevig; zij was slechts een zijden band, die zich,bij gelegenheid, honderd maal zou hebben laten verscheuren en weder aanknoopen, zonder dat de zoo losjes vereenigde harten er zeer door gewond zouden zijn geworden. Zelfs had die genegenheid op Godolphin volstrekt geen invloed; doch haar uitwerkingen hadden er een, die des te grooter was.

Toen hij op zekeren avond, na eenige dagen uit de stad geweest te zijn, uit den schouwburg te huis kwam, vond hij

-ocr page 41-

37

onder de brieven, die op hem wachtten, een van zijn vader, en met een zwarten rand en met zwart lak verzegeld. Godolphin schrikte, opende den brief met bevende handen en las :

»Lieve Percy!

»Ik heb nieuws voor u, waarvan ik niet weet, of ik het ))goed, of kwaad, noemen moet. Uw neef, de oude zonderling, »Henry Johnstone, is overleden en heeft u van zijn ontzachelijk ^vermogen slechts de armzalige som van twintig duizend pond »vermaakt; en dat nog wel, verbeeld u eens! quot;onder beding, ))dat gij den dienst vaarwel zegt en, of bij mij gaat inwonen, sof althans tot uwe meerderjarigheid Londen verlaat. Wilt »gij u aan dit beding niet onderwerpen, dan verliest gij het slegaat. Het is vreemd, dat dit zonderlinge mensch zich zoo ))veel om u zedelijkheid bekommert, en nochtans mij niet seen enkelen schelling nalaat. Maar rechtvaardigheid is uit »de mode, en men vraagt slechts naar schijndeugd. Ik ver-»zoek u, als gij bij mij mocht komen, twaalf ellen flanel, «volgens bijgaand monster, voor mij mede te brengen. Snugg, ))in Oxfordstreet, bij Tottenham-Court-Road, is mijn koopman. ))Het is zeker aardig van den ouden Johnstone dat hij aan ))u dacht, maar toch zeer vreemd dat hij mij vergat. Hoe «hebt gij kennis met hem gemaakt? nu, die twintigduizend »pond zullen onze sobere bezitting goed doen. Ik verzoek, ik »bid u, Percy, bedenk zulks.quot;

»Ik heb voor de eerste maal een aanval van jicht gehad. «Dit schrijf ik aan mijn al te veel eten en drinken toe. Ik «hoop echter door behoorlijke onthouding weder te herstellen. ïVele komplimenten aan den gepolijsten schelm Saville.

Uw liefdevolle

A. G.quot;

»r. S. Ik heb der oude Sally, uithoofde van hare verkeering smet den slagersknecht haar afscheid gegeven; want bij zulke «historietjes komt men altijd vleesch tekort. Thans is behalve »liet oude wijf, die den nieuwsgierigen de ruïnen laat zien, »Bess mijn eenigste hulp. Maar het is zoo toch beter. Gij «weet nog niet half, wat buitensporig mensch die Johnstone »was. Ik houd echter niet van zulke buitensporige lieden.quot;

Percy liet den brief van schrik iiit de handen vallen. Dit was dus het gevolg van een enkel gesprek met den armen, ouden man! Zulke wonderlijke, zulke buitengemeene gebeurtenissen — gebeurtenissen, waardoor zijn gansche leven zich kenmerkte — waren het, die den geest van Godolphin onwil-

-ocr page 42-

38

keurig een zweem van bijgeloof gaven, üiensvolgens had hij naderhand ook veel op met hoogere invloeden en besturingen. Intusschen — dal kan men zich wel voorstellen — sloot hij dien ganschen nacht geen oog. Het was dan ook nog zeer vroeg in den morgen, toen hij bereids Saville opzocht en hem het ontvangen bericht mededeelde.

«Grappig!quot; zeide Saville koeltjes, hoezeer het hem niet weinig ergerde, dat een ander zich jegens Godolphin grootmoedig wilde betoonen; want het ging hem, als allen menschen van een bekrompen ziel, hij was in dit opzicht zeer jaloersch. — Grappig! hm! En gij hebt hem toch maar eenmaal gezien, en die eene maal schimpte hij nog op mij. Dat verwondert mij, omdat ik mij jegens zijn zoon steeds zeer dienstvaardig heb gedragen!quot;

»Wat? — had hij een zoon?quot;

»Nu ja! dat tweebeenig, dor en mager schepsel kwam toevallig in Londen en was in het eerst jammerlijk verlegen. De oude Johnstone bevond zich buiten en paste zijn vrouw op, die na haar huwelijk het gebruik harer beenen had verloren. Haar man was een zeer driftig en opvliegend wezen. Zijn zoon en eenige erfgenaam, een jongen van een zeer prikkelbaar temperament, kwam, zoo als ik reeds heb gezegd, te Londen. Ik geraakte met hem in kennis — nam hem onder mijn vleugelen — herschiep hem in een fatsoenlijk mensch — speelde een weinig met hem won hem eenig geld af — wilde niets meer van hem winnen — ried hem het spelen te laten,— en die verwenschte knaap! op zekeren dag sneed hij zich den hals af, en tot mijn verbazing wierp zijn vader de schuld daarvan op mij!quot;

Godolphin was als door den donder getroffen en kon van verontwaardiging geen woord uitbrengen. Van dit oogenblik hield hij van Saville niet meer.

«Hij had, trouwens, ook aanmerkelijk veel verloren!\' voegde Saville er koeltjes bij. »Zijn vader was een streng, hard man, en de arme jongen vreesde zijn toorn. Ik geloof, dat zijn lieve papa mij als een moloch in de zedelijke wereld beschouwt, die al de jonge knapen, welke hij aantreft, verslindt. Anders zou ik niet weten, waarom hij u die twintigduizend pond enkel onder de voorwaarde nalaat, dat gij u voor mij wachten en het hol, waar ik huisvest, vermijden moet. Zeer vleiend, inderdaad! En waarheen wilt gij nu gaan? Naar Spanje?

Deze geschiedenis had Percy diep getroffen. Het smartte hem in de ziel, dat hij den kinderloozen vader niet opgezocht en hem niet in zijn laatste oogenblikken tenminste eenigszins vertroost had, Het hartelijke medelijden en het teedere gevoel, waardoor de oude man was aangespoord, om zich ovei den hulpeloozen toestand van zijn jongen nabestaande te ont-

-ocr page 43-

39

fermen en aan zijn legaat een voorwaarde te verbinden, die Percy\'s begeerten zeker wel tot de aldus verschafte onafhankelijkheid bepaalde, maar tevens strekte, om hem, gedurende het gevaarlijkste tijdperk zijns levens, van het looneel eens onherstelbaren verderfs le verwijderen, dit alles wist hij naar waarde te schatten, en in deze gedachten verdiept begaf hij zich naar liet verblijf van de thans beroemde en bewonderde miss Millinger.

Fanny glimlachte, toen zij de goede tijding van zijn geluk vernam, maar storte een paar tranen, zoodra zij de kwade tijding van zijn vertrek uit Engeland hoorde. Er zijn neigingen, welker diepte wij zoo licht peilen kunnen, dat het deneenen nooit invalt, van den anderen offers te vorderen, welke bij verbintenissen van een ernstiger aard onvermijdelijk schijnen. Diensvolgens viel het Fanny niet in, hare loopbaan als ioo-neelspeelster te verlaten, en Godolphin dacht er even min aan, zulk een stap van haar te vorderen. Dit zijn inderdaad zeer aangename verbintenissen, mijn lieve lezer: het zijn d^-betrekkingen der groote wereld: houd ze in het oog en leer de groote wereld kennen.

Godolphin had zijn zaken achtelijk in orde gebracht. Zijn officierspatent bracht hij spoedig aan den man. Van zijn geërfd vermogen werd hem gedurende zijn minderjarigheid, jaarlijks zeshonderd pond uitgekeerd. Hiervan kon hij, wel niet als een Engelsche lord, maar toch zeer fatsoenlijk leven en als wereldburger optreden. Zoo zag de jonge Godolphin, in een ouderdom van niet meer dan zestien jaren, doch met een karakter, dat door een vroegtijdige onafhankelijkheid, wel is waar, gevormd, maar ook gedeeltelijk misvormd was, de kusten van Engeland uit zijn gezicht verdwijnen, en gevoelde zich alleen in de wijde wereld, maar tevens meester van zijn eigen lot.

-ocr page 44-

Vorming van Constance\'s Uaralder.

Intusschen-groeide Constance Vernon tot, een schoon meisje op; doch al wat haar omringde, was juist geschikt, om de sombere gedachten, welke de laatste woorden van haar stervenden vader bij haar opgewekt hadden, meer en meer voedsel te geven. Van natuur trotsch en licht geraakt, vergold zij iedere, zelfs toevallige, vernedering met een diepen, blijven-den wrok. Het kon, trouwens, niet anders, of het ouderlooze, afhankelijke meisje moest meer dan eens in het grievende geval komen, dat zij maar al te duidelijk merken kon, dat de wereld, bij welke rang en rijkdom als hoofddeugden gelden, haar vorigen toestand niet vergeten had. In weerwil van haar trots, moest zij menig luid gefluister, menige opzettelijke schoon zijdelingsche, aanmerking hooren, die haar het bloed naar de bleeke wangen dreef. Zulke voorvallen vermeerderden nog de natuurlijke bitterheid van haar geest, zij verkoelden het vuur barer jeugdige neigingen en scherpten onophoudelijk haar feilen en gloeienden haat tegen een adel, dien zij voor even aanmatigend, als volstrekt nietig hield. De gemeenheid en de hoogmoed van heden in tegenstelling met de laagheid van morgen, de vereering van het geweld en de onverschilligheid omtrent de deugd, waardoor de toongevers der groote wereld zich kenmerken, moesten een meisje, als Constance, die zulk een ongemeen fijnen en edelen smaak bezat, noodzakelijk met verachting en verontwaardiging vervullen. Vandaar dan ook, dat zij de schitterende gezelschappen, naar welke

zoo velen met een hopeloos verlangen opzien, slechts bezocht om ze te belachen, te bespotten en te verachten.

-ocr page 45-

41

Dit gevoel van minachting was ook zoo krachtdadig en werd zoo onophoudelijk aangekweekt, dat !ie( nog met dezelfde bitterheid bovendreef, toen Constance reeds de koningin en gebiedster dier groote wereld geworden was, in welke zij thans wel schitterde, maar slechts, om le verblinden, niet om te heerschen. Wat haar aanvankelijk misschien als een onzinnige, redelooze wensch van haar vader was voorgekomen, beschouwde zij, naarmate haar ondervinding toenam, als een natuurlijk, prijselijk gebod. Zij besloot, de haar omringende trotschaards en aanmatigers te vernederen, niet slechts, om haar vader te gehoorzamen en hem te wreken, maar ook om haar eigen zucht daartoe te bevredigen. Uit deze verachting van rang ontsproot natuurlijk het streven naar rang. De jonge schoonheid besloot, de liefde uit haar hart. te verbannen, zich geheel aan één doel aan één oogmerk te wijden en alleen naar titels en rang fe trachten, om anderen daarna des te duidelijker te doen zien, hoe gering zij deze zoo hoog geroemde en vurig begeerde voorrechten schatte, en hoe\' zeer zij die in haar hart verachtte. Meer dan eens herhaalde zij nog midden in den naclit den eed, die haars vaders laatste oogenblikken véfheugd had, en zij deed bij zicli zelve de plechtige gelofte, dat zij de liefde in haar hart smoren en slechts om rang en aanzien huwen wilde. Als dochter van een zoo beroemd staatsman stelde Constance natuurlijk veel belang in staatszaken. Naar ieder gesprek over staatsaan-gelegenheden luisterde zij met ingespannen aandacht: met een mannelijk vuur verdedigde zij de gevoelens, die men toenmaals als het non plus ultra van een liberale denkwijs aanmerkte, en zij beschouwde de loopbaan, welke de maatschappelijke orde alleen den mannen toewijst, als de edelste en verhevenste van de wereld. Zij verwenschte in stilte het lot, dat haar tot een vrouw gemaakt en haar verhinderd had, de grondstellingen, welke.zij met zooveel drift omhelsde, in persoon ten uitvoer te brengen. Zij verwaarloosde of spaarde echter de wapenen van het luimige vernuft geenszins, maar wist daarvan alle mogelijke partij te trekken, om hare verachting met alle kracht, en bitterheid uit te drukken. Den trotschaard bestreed zij met bijtende scherts; en dewijl zij reeds vroeg leerde inzien, dat men in de gezellige samenleving niet zelden eerst anderen vernederen moet, wil men zelf floor hen verhoogd worden, zoo trachtte zij zich meer door een trotsch voorkomen, door vinnige scherts, door een niet alledaagsche en vrije denkwijs, dan wel door haar veelvuldige talenten en haar onvergelijkelijke schoonheid achting te verschaffen.

Over lady Erpingham kon zij niet klagen. Haar begunstigster was, trouwens, goed en dragelijk in den omgang,

-ocr page 46-

42

maar lichtzinnig en bezat ook yeen karakter. Zij had haar soms wel verontachlzaamd, maar nooit opzettelijk beleedigd; integendeel, de gravin beminde en bewonderde haar; zij was er met zoo veel ijver op bedacht, om haar een schitterend huwelijkslof te verschaffen, alsof het haar eigen dochter ware. Daarom had Constance de lady ook recht hartelijk lief en trachtte, da lage en gemeene zijde van haar karakter te vergeten, hoezeer zij anders tot een klasse van lieden behoorde, aan welke een meisje, als Constance niet de minste toegevendheid zou betoond hebben.

«r-

n

-ocr page 47-

XL

Gesprek tussclwn lady Erpinfihani en Cot}stance. — Verdere berichten omtrent (te familie van Godoljildn.

Lady Erpingham was een weduwe, die, als een riike erfgename en als dochter van een hertog, een aanmerkelijk vermogen aan lijfrenten bezat. Daarenboven had de overleden lord haar echtgenoot, haar van de vele eigendommen, welke der rijke en machtige familie Erpingham toebehoorden, het voornaamste tot een vveduwegoed vermaakt. Derwaarts begaf zij zich dan ook geregeld eiken eersten Augustus en kwam insgelijks geregeld eiken eersten Januari terug.

Èenige jaren na het vertrek van Godolphin uit Engeland en in den zomer van hetzelfde jaar, dat Constance voor de eerste maal in de groote wereld was ingeleid geworden, en wel met zulk een schitterenden uitslag, dat zelfs thans, nu er reeds zoo vele jaren na dien tijd verloopen zijn, de daardoor veroorzaakte indruk niet alleen niet vergeten, maar ook dikwijls nog het onderwerp der gesprekken is —• maakte Constance, in weerwil van den zegepraal, die haar ijdelheid behaald had, zich met genoegen gereed, om in de schaduw van Wendover-Castle een toevlucht zelfs voor de bewondering te zoeken.

iWanneer,quot; zeide zij, op een morgen, dat zij met lady Erpingham op een terras onder de vensters van het kasteel, vanwaar men de omstreek vier mijlen kon overzien, een wandeling deed, «wanneer wilt gij, lieve lady Erpingham, met mij gaan, om de bouwvallen te bezichtigen, van waar ik veel heb hooren spreken, en tot welker bezoek ik u nog niet kon overhalen? Zie eens omhoog! De lucht is zoo helder, dat

-ocr page 48-

u

wij hun omtrekken zien kunnen — zij liggen immers daar ginds, links van die kerk, en dus zeker niet ver van Wendover.quot;

»De priorij Godolphin is twaalf mijlen van hier,quot; zeide lady Erpingham, » maar schijnt mogelijk naderbij te liggen, wijl zij zich op liet hoogste punt van het graafschap bevindt. De arme Godolphin! Hij is onlangs overleden.quot; — Bij deze woorden loosde lady Erpingham een zucht.

sik heb u vroeger nooit over hem hooren spreken.quot;

))Ik had ook goede redenen, om te zwijgen, Constance. Van al de mannen, die mij voorkwamen, toen ik zoo oud was als gij, scheen mij geen bekoorlijker toe. En echter werd ik niet op hem verliefd, Constance; ook gaf hij mij geen aanleiding, om het, uit erkentenis voor een genegenheid van zijn kant te worden. Hel was een korte, nieisbeteekenende droom mijner jeugd — niets meer,quot;

»En wie is dan de jonge Godolphin, die zich door zijn buitensporig leven reeds zoo vroeg op het vaste land bekend heeft gemaakt?quot;

»Dat is zijn zoon, de tegenwoordige eigenaar dezer ruïnen; en ik vrees, dat zij zijn geheel eigendom uitmaken, als men het overschot van een, hem door een nabestaande gemaakt legaat daarvan afrekent.quot;

»Was zijn vader dan ook een verkwister?quot;

»Volstrekt niet. Maar zijn vader was de grenzen van een bereids met schulden bezwaard vermogen te buiten gegaan en had er zeer veel van verspild. Al de landerijen, die wij daar zien, benevens de dorpen en bosschen, behoorden eens aan de Godolphin\'s. Zij maakten de oudste en machtigste tamilie in dit gedeelte van Engeland uit; maar met ieder volgend geslacht werd hun vermogen minder, en toen Arthur Godolphin — mijn Godolphin — de erfenis aanvaardde, bleef hem slechts de keus tusschen drie kwaden, een broodstudie, een onbekend en afgezonderd leven, of een rijk huwelijk over. Mijn vader, die mij reeds lang voor lord Erpingham bestemd had, gaf niet onduidelijk te kennen, dat de heer Godolphin mij als het laatst gekozen middel, om door de wereld te komen, beschouwde, en dat dit in zijne oogen mijn eenigste bekoorlijkheid was. Ik heb grond, om te gelooven, dat hij bij den hertog aanzoek om mij gedaan heeft; maar tegen mij zweeg hij, ofschoon hij van mijn kant veel minder een weigerend antwoord zou te wachten gehad hebben.quot;

»En hoe ging het hem eindelijk?quot;

»Hij huwde een lady, die men voor een rijke partij hield; maar hij had haar vermogen nog geen jaar in handen, of hij werd er door in een pleitgeding gewikkeld, dat hij tegelijk met het huweluksgoed verloor. Daarenboven moest hij, wat

-ocr page 49-

45

norr erger was, de kosten betalen, zoodat de som, die hij uit-keeren moest, hem in een toestand bracht, die voor een man van zijn rang arm kon genoemd worden. Dit ongeluk boog hem geheel terneder en verbitterde hem tevens. Hij zonderde zich in gindsche bouwvallen, of liever in het aangrenzende huisje af en leefde daar, zonder eenig gezelschap te willen zien, tot zijn dood zoo spaarzaam, dat hij zeker niet meer zal verteerd hebben, dan zijn gering inkomen hem vergunde.quot;

»Ik begrijp het, at, hij werd gierig.quot;

sZoodanig dat zijn buren hem een vrek noemden.quot;

»En hoe ging het met zijn vrouw?

»Ja, hoe ging het met dat arme mensch! Zij was een zeer schoone dame, en de kommer, die zoo al niet aan het leven, ten minste aan het hart van haar echtgenoot knaagde, bracht ook haar, geloof ik in het graf.quot;

«Hadden zij maar één zoon\'?quot;

«Slechts den tegenwoordigen eigenaar, die, zoo ik mij niet vergis, Percy heet. Ja, ik herinner het mij, hij heet Percy, naar den naam zijner moeder, dus Percy Godolphin.quot;

«Maar hoe kwam het, dat de arme knaap zoo vroeg in de wereld gestooten wierd\'? Piaakte hij met den heer Godolphin overhoop ?quot;

«Dat geloof ik niet; maar toen Percy nagenoeg vijftien jaar oud was, liep hij uit de armzalige school, waar hij besteed ■was, weg en woonde eenigen tijd in Londen bij een nabestaande, met name August Saville, dien hij in weerwil zijner jeugd, overal verzelde, doch bij wien hij slechts één jaar bleef. Zijn gedrag was zoo veel ik weet, vastberaden en zelfstandig. Een ander nabestaande vermaakte hem een klein legaat, en toen ging hij altoos op reis.

Maar om weder tot de ruinen te komen. De overleden Godolphin belette, in weerwil van zijn afgezonderd leven, zijn naburen toch niet, hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. Neen, hij was er veeleer trotsch op, dat de ruïnen van zijn erfgoed ook een algemeene belangstelling wekten; hij was er trotsch op, dat zij in reisverhalen beschreven werden en in de prentwinkels afgebeeld hingen; maar hij zelf liet zich nooit zien. Het huisje, dat hij bewoonde, was, ofschoon het aan de ruïnen paalde, natuurlijk tegen de indringers beschut, en is nog zoo bemuurd, dat den engelsche reizigers hun grootste genoegen, om, namelijk, op bezienswaardige plaatsen door de vensters te gluren, volstrekt belet was. Uit hoofde van dit alles had ik, quot;zoo lang als de heer Godolphin leefde, den moed niet, om een plek gronds te bezoeken, die slechts een droefgeestige herinnering bij mij zou hebben opgewekt: thans is die smart misschien eenigszins gelenigd; en dus zullen wij, bijaldien gij het begeert, morgen overvaren en de ruïnen be-

-ocr page 50-

46

zoeken, te meer, wijl het dan juist de daartoe algemeen Ij-stemde dag\' is.

»Neen, dierbare lady Erpingham, indien het u de geringst smart veroorzaakt —

igt;Lief meisje!quot; viel lady Erpingham haar in de rede; maai in hetzelfde oogenblik kwam een bediende, om te melden, da! er gasten op het kasteel waren aangekomen!

sWilt gij niet in de zaal gaan, Constance?quot; vroeg de lady terwijl zij zelve zich, met een hoofd vol van liefde en va Arthur Godolphin, naar hare kleedkamer begaf, om verscl rood op te leggen.

Het zou voor een waarzegger of een kaartlegster een aardis;e grap geweest zijn, als hij of zij, in de dagen van lady Erpingham\'s eerste dweepende liefde voor Arthur Godolphin, haar het uur voorspeld hadde, dat zij den dood van dien Arthur Godolphin, als van een gierigaard, verhalen en vijf minuten daarna naat haar toilet gaan zou, om haar oud wordende wangen voor de onverschillige oogen van alledaagsche kennissen te verjongen. Maar zoo gaat het in de wereld! Ik voor mij zou durven wedden, dat zich in het kraaiennest tegenover mijn venster een betere wereld bevindt.

-ocr page 51-

KTI.

esclirijving van het /mis van Godolphin. — Eerste ontmoeting. — Haar uitwerking op Constance.

»Maar,quot; vroeg Constance, toen zij, den volgenden dag, met ady Erpingham het afgesproken toertje naar de ruïnen van de priorij Godolphin ondernam, sbijaldien de overleden heer Godolphin in zijn gevorderden ouderdom zoo spaarzaam werd, moet hij zijn zoon zeker iets meer dan het plekje gronds, dat ■wij thans zullen bezoeken, nagelaten hebben.quot;

»Hij zal wel eenige kontanten hebben nagelaten,\'\' gaf lady Erpingham haar ten antwoord, »Doch van den anderen kant is het ook niet zeer waarschijnlijk, dat een jonkman, als Percy Godolphin, op de wijs van zijn vader, en dat zonder schulden te maken, zal geleefd hebben. Integendeel, mag men, mijns oordeels, gerust onderstellen, dat hij zijn toevlucht, tot menschen genomen heeft, die maar al te spoedig gereed zijn om jeugdige loshoofden tot allerlei verspillingen aan te sporen, en dat, de betaling van het opgenomen geld meer verslinden zal dan zijn vader misschien bespaard beeft?quot;

«Dat zal helaas! wel het geval zijn,quot; hernam Constance; en nu liep het gesprek verder over gierige vaders en verkwistende zoons. Dit onderwerp behandelde Constance met zoo veel geestigheid, dal lady Erpingham van lieverlede in de vroolijkste luim geraakte.

Toen zij bij de ruïnen kwamen, was de middag reeds lang voorbij. Het rijtuig hield stil voor een kleine herberg aan den ingang van een open park. Lady Erpingham en Constance stegen uit en maakten van het fraaie weder gebruik, om den nog overigen weg naar de priorij te voet af te leggen.

-ocr page 52-

48

Hoe nader zij kwamen, des te woester en romantischer vvenl I liet tooneel. Vóór haar breidde zich een lang, helder meer uit,l aan welks overzijde zich de ruïnen bevonden. Het voorpor-j taal met zijn breed venster was nog in wezen, de Gotiscliel bogen benevens de gebroken, en echter nog majestueuze zuilen,! alle zwart van oudei\'dom en met mos begroeid, stonden erl nog en spiegelden zich in de heldere stille watervlakte. Overall in het rond en tot op een aanmerkelijken afstand lagen steen-1 klompen verstrooid, terwijl het geheel tegen heuvels leunde,! die met dikke, donkere denne- en pijnboomen bedekt waren.! Links af zag men den stroom, die het meer van water voorzag, door wilgen en elzen beschaduwd, tusschen groene oevers kronkelen, terwijl uit eene of twee nauwelijks zichtbare hut-| ten dunne rookzuilen naar den helderen hemel opstegen.! Rechts af splitste het landschap zich in duizende dalen enj kloven, waar het den herten zoo welkom varenkruid en del glinsterende brem in overvloed groeiden, terwijl zich hier enl daar een dicht boschaadje, maar ook op enkele plaatsen (want | hier droeg alles den stempel van de heerschappij des tijds verdorde stammen van deze of gene boomen vertoonden, die 1 zelfs nog stervende groenden en van hunne voormalige kracht | en statelijkheid getuigden.

Toen zij een brug, welke uit een dicht boschaadje, als 1 ware het, omhoog steeg, overgingen, ontdekten zij de kleine woning, die aan ae ruïnen paalde. Zij scheen geheel met klimop bedekt en verminderde geenszins, maar verhoogde veeleer de romantische en treffende uitwerking van het vervallen muurwerk waartegen zij aangebouwd was.

Aan het uiterste einde van de brug gekomen zijnde, openden 1 zij een kleine deur en bevonden zich toen, binnen weinige oogenblikken, aan den ingang der priorij.

Deze was door een eiken en met nagels beslagen deur gesloten en ter wederzijden dermate met jasmijn omslingerd dal het moeite kostte, de schel te vinden. Zoodra echter de dames die gevat en aangetrokken hadden, klonk de schel zoo helder en ver door de eenzame stille, dat haar geluid een treffenden indruk maakte. Er ligt, trouwens, in den helderen klank eener schel, wanneer hij door een woeste streek galmt, iets tooverachtigs, inzonderheid, als de tijd zijn invloed op het landschap heeft uitgeoefend; want zulk een heldere klank zweemt naar het spookachtige, en zou licht tot een stormgelui voor de toovernimfen, welke door het geraas onzer voetstappen uit haar grotten opgejaagd zijn, kunnen strekken.

Zoodra de schel zich had laten hooren verscheen er een oude vrouw in de boerinnekleeding van het land, die ganscli niet leelijk is, bijaldien zij nog het een en ander van de mode

-ocr page 53-

49

le vorige eeuw, zoo als de muts en den hoofddoek, behouden heeft. Dit bestje was de Cicerone dezer plaats, waar zij, een verlatene en kinderlooze weduwe, reeds dertig jaren als kluizenares geleefd had en van al de personen, die ik ooit gezien heb, het beste model van een dier heerlijke beelden van een stil (en toch zoo geestvol) leven, die Wordsworth met de aartsvaderlijke oorspronkelijkheid van zijn genie zoo rijk gestoffeerd heeft, zou opgeleverd hebben.

Binnengelaten gingen zij langs een engen weg en kwamen bij de ruïnen der groote zaal, welker Gothische bogen zich aan beide zijden vluchtig in de hoogte verhieven. Nu opende de oude vrouw een breede steenen kast, die in een hoek stond, en toonde de handschoenen benevens den helm en de gescheurde banier, welke een Godolphin hadden toebehoord, die naast Sidney gestreden had, toen deze, wiens leven, zoo als de edelste der Britsche lierdichters1) zegt, de in eene zichtbare gestalte gehulde poëzie zelve was, op het slagveld van Zutphen zijn doodwond ontving.

Van hier stegen zij, langs een bouwvallige afgebrokkelde trap, in een klein vertrek af, waarin de bezoekers gewoonlijk uitrusten en het uitzicht op de tuinen genieten. Waar eens het venster was, gaapte thans een wijde kloof, en rondom deze opening slingerde zich de klimop met eene fantastische weelderigheid. Wie, door het fraaie uitzicht verlokt, een uitstapje in de tuinen wenschte te doen, klom langs een soort van ladder uit deze kloof naar beneden. Het uitzicht was, trouwens, ook inderdaad verlokkend. Een mollig groen grasplein was met heesters en bloemen omkranst en in het midden met een springbron versierd. Het water was wel opgedroogd, maar de kom en de Triton, met zijn gedraaiden zeehoren, waren nog in wezen. Een weinig rechts af stond een oude zonnewijzer uit den monnikentijd, en door het groene loofwerk schemerde een dier grauwe standbeelden, waardoor de eeuw van Elizabeth den klassieken smaak onteerd heeft. Met een woord, de gansche plek gronds kenmerkte zich door iets heiligs, dat eerbied gebood; en loen de oude vrouw Constance vroeg: »wilt gij niet eens naar beneden klimmen, mylady, om den zonnewijzer en de bron te bezichten?quot; gevoelde Constance (lat zij slechts op zulk eene vraag gewacht had, om hare eigen neiging te volgen. Intusschen bleef lady Erpingham, die minder romantisch was, in het door den tijd verwoeste vertrek, terwijl de oude vrouw haar, als oudste lady, met haar gezelschap, zoo als natuurlijk was, vereerde.

Constance steeg derhalve alleen de ruwe trappen af. Toen zij de springbron voorbijging, overviel haar, die slechts zelden

\') Caapbell.

4

-ocr page 54-

50

zulk een zacht en natuurlijk gevoel ondervonden had, een onschrijfelijk zoet verlangen naar rust. Het uur, de stilte, de plaats, alles droeg bij, om hare ziel met die droombeelden te vervullen, welke met eene halve bewusteloosheid gepaard gaan, en in welke, zoo als de dichters ons verhalen, eens de kluizenaars hun leven vadsig, en evenwel niet zoo geheel dwaas, doorbrachten. »Mij dunkt,quot; dacht zij, »wanneer ik hier zoo rondom mij zie, dan zou ik er wel toe kunnen besluiten, het doel van mijn leven op te geven, van al mijn verwachtingen in de toekomst afstand te doen, om te midden van deze ruïnen mijn verblijf te nemen en beminnend en bemind de gewone bestemming eener vrouw te vervullen.quot;

Nadat de fiere en rustelooze Constance, die de liefde als de armzaligste van alle menschelijke zwakheden verachtte, ofschoon zij voor iedere andere dweeperij vatbaar genoeg was, aan deze haar zoo vreemde gemoedsstemming een geruime poos den| teugel had gevierd, verliet zij het grasperk en sloeg, door he! murmelen eener nog onzichtbare beek uitgelokt, een pad in dat door het bosschaadje liep. Dit pad volgende kwam zij het geruisch hoe langer hoe nader, en ontdekte eindelijk de beek, op welker koude en donkere watervlakte de zon, die slechts op enkele plekken door het dichte lommer kon dringen, met weinige stralen heenflikkerde. Dit tooneel gaf haar, zoowel als vroeger menigen dichter, niet weinig stof lol vergelijkingen en zedelijke gevolgtrekkingen.

Toen zij de beek naderde ontdekte zij onvoor/.iens een jongman, die tegen een krommen, over het water gebogen boom leunde en den ledigen lijd, vreemd genoeg! verdreef met steentjei in de beek te werpen. Zij zag hem slechts in profil; maa bij een schoon gelaat in dit gezichtspunt het beste en voor-deeligste. De vreemdeling, die nauwelijks nog de jongeling!-jaren kon voorbij zijn, was in diepen rouw gekleed en scheen tenger van gestalte. Een reiskap van een lichte\'kleur stal bij het ongemeen zware en fraaie bruine haar zeer af. Zij» gelaatstrekken hadden den zuiveren, streng Griekschen vorm en dus ook het eenigste gebrek, dat zij juist door deze volkomenheid eenigermate hard en ruw schenen. Zijn kleur was blank, zelfs bleek, en de gansche omtrek van h^t hoofd verried een groot verstand en die diepte van gees\', welke men bij niemand kan opmerken, zonder zich door eene onwillekeurige nieuwsgierigheid en deelneming getroffen te gevoelen.

Zoo onverklaarbaar, trouwens, en wonderlijk zijn de werken der natuur, dat er bijna niemand, hij moge zoo lichtzinnig en gedachteloos zijn, als hij wil, gevonden wordt, die niet

door den aanblik vaneen in diep aandenken verzonken menscli geboeid stilstaat en in de geheimen zou trachten te dringen, welke die wereld in beweging brengen, die niet door de na-

-ocr page 55-

51

tuur, maar dikwijls al te zeer door gewoonten beperkt wordt, namelijk, de inwendige wereld.

Deze belangstelling boeide insgelijks Constance. Zij bleef een oogenblik staan, om het gezicht van den jongen vreemdeling te beschouwen, en keerde zich vervolgens — zij, het bedachtzaamste en meest trotsche van alle vrouwelijke wezens! — blozend en verlegen, ofschoon zij niet bemerkt wierd, schielijk om, en stond niet eerder stil, dan toen zij weder bij de oude vrouw en lady Erpingham was gekomen.

De oude vrouw hield juist een predikatie over de verdiensten van den overleden eigenaar der Crodolphins-priorij en zeide ; igt; hoezeer men hem met den naam van gierigaard en meer dergelijke titels bestempelde, was hij echter edelmoedig jegens anderen, mylady; en alleen karig omtrent zich zeiven. Maaide jonge heer zal, vrees ik, zijn voorbeeld niet volgen.quot;

»Is de heer Percy Godolphin ook binnen kort hier geweest?quot; vroeg lady Erpingham.

))Hij bevindt zich nog hier, mylady,quot; antwoordde de oude, :ven is hier pas voor twee dagen aangekomen.quot;

«Gelijkt hij naar zijn vader?quot;

»0 neen. hij gelijkt naar niets minder, dan naar zulk een fraaien gentleman. Hij is veel tengerder en daarbij zeer bleek. Ja. ja, die vreemde landen doen niemand goed. In zijn vijftiende jaar was hij een jongen, zoo fraai, als er een zijn kan, maar thans gelijkt hij zich zeiven niet meer.quot;

Het bleek dus duidelijk, dat. de jongen, dien Constance bij de beek had gezien, niemand anders was dan Percy Godolphin de eigenaar van een huis zonder geldkisten, van een bezitting zonder inkomsten; dezelfde Percy Godolphin, van wien, eer hij nog den ouderdom had bereikt, waarin anderen de scholen, ja, de universiteit verlaten, reeds velen gunstig en allen met belangstelling spraken. Constance gevoelde een zonderlinge aandoening voor hem in haar borst, ontwaken; doch zij onderdrukte die; want zij beschouwde het als een zonde, met deelneming aan een man te denken, die noch rijk noch aanzienlijk was; en toen zij met lady Erpingham de ruïnen verliet, deelde zij haar de ontmoeting, die zij gehad had, zeer bedaard mede. Doch zij ging daarbij niet oprecht te werk; want, hoezeer de schoonheid van Godolphin juist van die soort was, welke Constance ten hoogste bewonderde, schilderde zij hem echter even zoo af, als de oude vrouw had gedaan, en volgens deze beschouwing stelde lady Erpingham zich hem voor als een man van een kleine gestalte, die er geel uilzag en een stompen neus had. O, waarheid! Hoe ruw is uw pad! Houdt men zich, zelfs bij de meest alledaagsche kleinigheden, wel op een afstand van slechts drie duim aan u? En nochtans zijn twee muren mijner boekerij met geschiedenissen bezet!

2*

-ocr page 56-

XIII.

Aankondiging van een bal. — Bezoek van Goilolplrin op Wend-over-Castle. — Zijn manieren en gesprekken.

Behalve een dochter, met, name lady Eleonore, welke met den heer Clare, een rijken graafschapsafgevaardigde, gehuwd was, had lady Erpingham nog eenen zoon.

De jonge graaf had, gedurende de laatste twee jaren gereisd en was, sedert hij zijn titel geërfd had, nog niet, op Wend-over-Castle geweest. Uit dien hoofde was lady Erpingham niet weinig verheugd, toen zij, op zekeren morgen, een brief van hem uit Dover ontving, waarin hij zijn terugkomst meldde. Ter eere van deze gebeurtenis, besloot lady Erpingham een groot bal te geven, waarop alle familiën uit het graafschap en, onder anderen, ook de heer Godolphin genoodigd werden.

Eenige dagen daarna werd, toen lady Erpingham en Constance zich juist alleen in de zaal bevonden, de heer Percy Godolphin aangemeld. Constance bloosde, zoodra zij hem zag, en lady Erpingham was getroffen door zijn edel voorkomen en zijn uitnemend beschaafde manieren. En evenwel verschilde het eerste zoowel als de laatste wezenlijk van datgene wat zij tot hiertoe gewoon was te bewonderen, en wat de toenmalige heeren du Ion zich eigen gemaakt hadden. De koele bedaardheid en trotsche achteloosheid, de gemaakte, smachtende glimlach, de schijnbaar naïve, maar geheel bestudeerde houding en manieren der fijn beschaafde Engelschen vormden het sterkste kontrast met het voorkomen en de manieren van Godolphin. Met één woord, al wat hij deed en zeide kenmerkte zich door iets vreemds en ongewoons.

-ocr page 57-

53

Hij sprak met eenige forschheid en geestdrift en maakte niet weinig gebaren. Bij ieder woord, dat hem in een ernstig onderhoud ontviel, helderde zijn gelaat op. Men gevoelde in een gesprek met hem, dat men zich in de nabijheid van een man van genie, tan een bij zonderen en verwenden man bevond, die der eenzaamheid zijn gewoonte en der wereld zijn bevalligheid te danken had.

Het gesprek liep over de ruïnen der priorij, en Constance verzuimde niet, hare bewondering van dezen romantischen en schilderachtigen aanleg te kennen te geven. — »Ach !quot; zeide hij glimlachende, ofschoon met eenen lichten blos, waarin Constance een zweem van smart ontdekte, »ik heb gehoord, dal gij mijn puinhoopen bezocht hebt. Mijn vader schiep te groot vermaak in de belangstelling, die zij wekten; wanneer, trouwens, een trotsch man niet trotsch op zijn rijkdom zijn kan, dan wordt hij het zelfs op de blijken zijner armoede. Zoo ging hel althans mijn armen vader. Ware hij rijk geweest, dan zouden de ruïnen niet zijn blijven staan, maar hij zou het oude gebouw zeer zeker hersteld hebben. Dewijl hij echter arm was, scheen hij er wezenlijk grootsch op te zijn, dat zij in dezen staat bleven, ja hij gaf, in zijn verbeelding, aan iedere handvol mos een eigene waarde. Maar ons geheel leven is slechts begoocheling: trotschheid en ijdelheid, pracht en luister zijn overal even bedriegelijk. Wij zetten, even als de Spaan-sche hidalgo, een bril op als wij kersen eten, opdat zij grooter mogen schijnen dan zij wezenlijk zijn.

Constance meesmuilde maar lady Erpingham, die meer goedaardigheid dan kieschheid bezat, hield niet op, de priorij en omstreken te prijzen.

»Het oude park,quot; zeide zij, smet zijn boomen en zijn wateren is zeer schoon. Er ontbreken slechts eenige weinige herten, die juist tam genoeg zijn, om de ruïnen te naderen, en wild genoeg, om op onze nadering de vlucht te nemen.quot;

»Daar noemt gij al iets, dat men, zonder rijk te zijn, niet hebben kan,quot; hernam Godolphin, die, tegen de gewoonte der Engelschen, gaarne van zijne armoede scheen te spreken; »het past geen eigenaar aener woest liggende priorij, aan uitgaven, die slechts de rijke adel bekostigen kan, of aan de zucht voor het schilderachtig schoone te denken. Ach, ik heb niet eens genoeg, om een paar verjaagde patrijzen te voeden, en ik hoor, dat, bijaldien ik buiten de groene plek gronds, die eens een park heette, komen mocht, men mij weren en het verlof daartoe betwisten zal.quot;

»Schiet gij dan gaarne?quot; vroeg lady Erpingham.

»Ik geloof,quot; gaf Percy Godolphin haar ten antwoord, »dat ik er wel smaak in zou vinden; maar ik heb in Engeland nooit gejaagd.quot;

-ocr page 58-

54

»0, dan verzoek ik u dringend,quot; hervatte lady Erpingham, »de eerste week van September bij ons door te brengen. Laat eens zien: aanstaanden Donderdag is het de eerste; eet derhalve Woensdag bij ons. Wij hebben, door Roberts bedrijf, hier jagers en honden genoeg, zoodat gij slechts uw geweer behoeft mee te brengen.quot;

»Gij zijt zeer goed, mijn waarde lady Erpingham,quot; zeide Godolphin met warmte, »ik neem uwe uitnoodiging zonder bedenken aan.quot;

)gt;Uw vader was een zeer oud vriend van mij,quot; hernam de lady met een zucht.

«Zeg liever, een oud bewonderaar,quot; antwoordde de gentleman met een buiging.

-ocr page 59-

XIV

Gesprek tusschen Goclolphin en Constance. — Het land- en stadleven.

Des woensdags kwam Godolphin. Hij was dien dag vol leven en bevalligheid, met één woord, hij schitterde. Lady Erpingham beschouwde hem als den bekoorlijksten aller mannen en zelfs Constance vergat, dat iiij voor haar geener partij was. Zij gevoelde zich echter, in weerwil van al haar beschaafdheid en geestigheid, als genoodzaakt, naar zijn gloeiende schilderingen van landschappen en zijn vroolijke, en toch droefgeestige spotternijen, ten opzichte van de menschen en hun bedrijven, met verrukking te luisteren. Overeenkomstig de bijzondere beschaving van haren geest, beminde zij het laatste meer, dan zij het eerste schatten kon; want in haar karakter lag meer bitterheid dan dweeperij. In weerwil echter daarvan streelden zijn beeldrijke taal en zijne vloeiende welsprekendheid, hoezeer zij niet tot in haar hart drongen, nochtans haar oor en hare verbeelding, zoodat zij zich eindelijk door een tooverkracht liet wegslepen, die zij bij anderen schier zou veracht hebben.

Toen Constance, die niet hield van vroeg opstaan, den volgenden morgen door de schoonheid van het middaguur uitgelokt, een kleine wandeling door den tuin deed, werd zij niet weinig verrast, toen zij de stem van Godolphin achter zich hoorde. Zij keerde zich om, en hij trad aanstonds naar haar toe.

»Ik meende, dat gij op de jacht waart gegaan,quot; zeide zij tegen hem.

»Dat was ik ookquot; gaf hij haar ten antwoord, «maar ik ben reeds teruggekomen. Ik had mij bij het aanbreken van den dag, op weg begeven, om tegen den middag terug te kunnen ïijn, in de hoop van u, bij het wandelen of rijden, te mogen vergezellen.quot;

-ocr page 60-

56

Constance nam dit voorloopige aanbod met een glimlach aan, en terwijl zij de lijnrechte breede paden van den ouder wetschen tuin opwandelden, bracht Godolphin het gesprek op de menigvuldige wijzen, om tuinen aan te leggen; op de dichters die ze het fraaist beschreven hebben, en op het onderscheid tusschen het stad- en landleven, dat door de zangers van alle tijden met zulke gloeiende kleuren geschilderd is, In dit gesprek kwamen eenige punten voor, waaruit men het kontrast tusschen de karakters der beide jongelieden duidelijk kon opmerken.

»Ik beken,quot; zeide, onder anderen, Godolphin, »dat ik op de duurzame neiging van een stedeling voor het landleven weinig vertrouwen stel. Wanneer wij onzen geest geheel en alleen met de ons omringende voorwerpen bezig kunnen houden: — wanneer een beek en een oude boom, het ondergaan der gouden zon, een zomernacht en het ruwe, stoffelijke leven, dal wij kunnen overzien, wanneer dat alles onze voornemens en onze heethoofdige plannen voor de toekomst in ons onderdrukken kan, dan zeker ben ik in staat, om de wezenlijkheid van dien geruster en gelukkiger toestand te begrijpen, welken het landleven, volgens het tafereel, dat onze oudere dichters daarvan hebben opgehangen, ons alleen kan verschaffen. Nemen wij echter de rustelooze begeerten en de woeste driften der stad naar het land mede; trekken wij van het daar plaats hebbende geruste leven slechts partij, om hoogvliegende ontwerpen voor de toekomst te vormen, dan spelen wij vergeefs den rol van kluizenaars en vluchten vergeefs in de eenzaamheid; want zoodra de groene velden voor ons hunne nieuwheid verloren hebben, zoodra onze ontwerpen gevormd zijn, wenschen wij ons ook weder naar de stad terug, om ze ten uitvoer te kunnen brengen. Met één woord, wij hebben dan onze afzondering slechts als een kweekerr voor plannen gebruikt, die thans ontkiemen en zich op een andere plaats verder moeten ontwikkelen.quot;

»Gij hebt gelijk,quot; zeide Constance, »wie, trouwens, zou het leven wenschen door te brengen, als of het niets meer dan een droom ware? Mij althans komt het voor, dat wij van de eenzaamheid slechts dan partij trekken, wanneer wij haar als een middel beschouwen, om in de wereld onze oogmerken te bereiken.quot;

Een zonderling stelsel dacht Godolphin, voor een jonge schoonheid, wier hoofd, vol van landelijke tooneelen en liefde zijn moest. — »In dat geval,quot; hernam hij na eenig zwijgen, «moet ik onder degenen geteld worden, die van die afzondering misbruik gemaakt hebben; want ik heb mij lot hiertoe met de gedachte gestreeld, dat ik de eenzaamheid om haar zelfs wille genoten heb. In weerwil echter van het gekun-

-ocr page 61-

57

stelde leven, dat ik tot dusver leidde, heeft toch iedere stem der natuur een vermogen op mij, dat ik volstrekt niet kan weêrstaan. Welke gevoelens, trouwens, het stadleven ook in ons moge opwekken, zij zijn toch niet te vergelijken met die welke zacht en van zelf in ons ontkiemen, wanneer het woud en het water ons eenigste gezelschap, de eenigste bron van onze opgewektheid en begoocheling zijn! Is bespiegeling niet beter dan eerzucht ?quot;

«Zegt gij dat in ernst ?quot; vroeg Constance op een ongeloovigen toon.

))Zeer zeker!quot; gaf Godolphin haar ten antwoord.

Constance glimlachte, en met dien bekoorlijken glimlach zou zich misschien verachting gepaard hebben, bijaldien Godolphin haar niet onwillekeurig belangstelling had ingeboezemd.

-ocr page 62-

XV.

Wederzijdse/ie gevoelens van Constance en Godolphin. — Onderscheid hunner karakters. — Aanmerkingen over den invloed dei-wereld op Godolphin. — liet toertje te paard. — Landelijke schilderingen. — Voorteeken. —

De eerste onduidelijke bekentenis.

Op het uur, waarop Constance gewoon was, voor den dag te komen, had Godolphin eiken voormiddag steeds zijn jager laten gaan en zich naar huis begeven, om haar overal te vergezellen. Zij wandelden en reden altijd samen. Des avonds lag hij met zijn armen over de rugleuning van haar stoel en luisterde naar haar zingen; want ofschoon zij van de instrumentale muziek weinig verstond, had zij echter een volle stem en overtrof door haar smeltenden toon de gewone zangeressen in aandoenlijkheid van voordracht.

Intusschen beschouwde lady Erpingham een verkeering, welke haar toescheen op een wederzijdsche liefde te zullen uitloopen, met een stil genoegen; want zij beminde Constance om haar zelve en Godolphin om zijns vaders wil. De gedachte, dat beiden eens een paar zouden worden, zoo bekoorlijk, zoo schoon en zoo uitnemend begaafd, als er, bij mogelijkheid, een kon zijn, speelde haar onophoudelijk voor den geest; en herinnerde het gezonde verstand haar beider armoede, dan herinnerde de brave gravin zich zelve, dat zij van haar groot weduwgeld een som bespaard en tot een huwelijksgift voor Constance bestemd had, welke som zij, in geval deze zich met Godolphin verbinden wilde, haar met een dubbel genoegen zou medegeven. Bij dit vermogen dat den beiden jongen lieden ten minste een staat van onafhankelijkheid kon ver-

-ocr page 63-

59

haffen, rekende zij nog het aanzien en gewicht welke Godolphin ch, volgens hare meening door zijn talenten eindelijk zeer ker verwerven moest, en om die te verkrijgen, zij, naar are adelijke begrippen, het parlement als het eenige en chtmatigste middel beschouwde. Zij liet echter hiervan o-en Constance niets blijken, wijl zij zich overtuigd hield, at natuur, jeugd en omgang buiten haar wel het hunne udcn doen.

De schijn, trouwens, dien Godolphin\'s gevoelens voorConstance anion aannamen, geleek inderdaad wel naar liefde, ja, was et ook inderdaad; ofschoon zij bij hem meer in een dweepend an in een wezenlijk gevoel bestond. Maar hoedanig waren u Constance\'s gevoelens voor hem? — Dit wist zij toen elve- nog niet. Ware zij slechts een weinig minder eerzuch-\'g, of sterk van geest geweest, dan zou haar hart van liefde, n wel van geen gewone liefde, hoorbaar geklopt hebben, aar in haren nadenkenden, zich zelve beheerschenden en oo bijzonder gevormden geest bevond zich nog altijd een grens-aal, die iedere gewaarwording tegenhield, een keten als ware et, die iedere gedachte in hare vlucht belette, die niet tot et eenige onderwerp behoorde, dat hare ziel meestentijds ezig hield, en dit was volstrekt geen liefde. Er heerschte us in ieder opzicht een scherp onderscheid tusschen beider arakters, en, zonderling genoeg! het vrouwelijke was juist et minst romantische en uit veel eenvoudiger trekken samen-esteld.

Er was juist een deel van Wordsworths heerlijke Gedichten n het licht verschenen. — »Is dit niet bewonderenswaardig\'?quot; roeg Godolphin, toen hij haar eenige dier verhevene, en och teedere en fijn gevoel ademende verzen voorlas, welke den meest landelijke, en toch meest geestrijken van alle dichters kenmerken.

In plaats van te antwoorden, schudde Constance met het hoofd.

jgt;Hoe? gij bewondert dit niet?\'\'

sik versta het niet.quot;

»Welke poëzie bewondert gij dan?\'\'

))Deze.quot;

Het was Pope\'s overzetting der Iliade.

»Ja, dat is nu goed en wel,quot; zeide Godolphin eenigszins geraakt, sdat bewonderen wij allen; maar wat bewondert gij nu buiten dat nog meer?quot;

Constance wees op eene plaats in de Palamon en Arcite van Dvyden.

Godolphin wierp zijn Wordsworth weg en zeide, gt;het is niet billijk, mij zoo te ontwijken. Noem mij iets, dat gij bewondert, en waarbij het mij ten minste vrijstaat, om er aan-

-ocr page 64-

60

merking-en op Ie maken — iets, waarvan gij gelooft, dat hei in \'t algemeen te zeer verwaarloosd wordt.\'

»lk bewonder in het geheel niets, wat algemeen verwaarloosd wordt,\'\' antwoordde Constance met den haar eigen glimlach : sde roep geeft aan ieder metaal, dat inwendige waarde heeft, zijn stempel.quot;

Dit antwoord was karakteristiek: Constance schatte dus den roep hooger, dan het genie, dat hem verworven heeft.

»Goed!\'\' hernam Godolphin, sdan zullen wij thans eens zien, of wij het niet eens kunnen worden.quot; — Dit zeggende nam hij den Comus van Milton in de hand.

Niemand overtrof hem in fraaiheid van voordracht: zijne stem was diep en buigzaam, en de uitdrukking van zijn gelaat kwam telkens met de afwisseling zijner stem volmaakt overeen. Constance was getroffen, niet zoo zeer door het gedicht, als wel door den lezer. Godolphin, die een scherpen blik bezat, bemerkte zulks en ging nu tot de alleenspraak des Satans in het Verloren Paradijs over. Nu begonnen de edele trekken der voor hem zitlende Constance zich duidelijk te verlevendigen: hare lippen beefden, hare oogen fonkelden, met een woord, hare geestdrift overtrof die van Godolphin zeer verre. De rechte snaar was aangeroerd. Moed, vertrouwen, eerzucht, dit alles begreep zij in al hun uitgestrektheid; maar de fijnheid van gedachten welke de koele en schitterende verzen van den Comus kenmerken, het edele Platonisme, de verhevene, zeldzame liefde voor het afgetrokken goede, dit was niet klinkend en klaterend genoeg voor het. hart eener vrouw die van natuur tot een koningin of heldin, niet tot dichten of filozofeeren bestemd was.

Daarentegen had hel teedere, half ingehulde en duistere der letterkunde een bijzondere bekoorlijkheid voor Godolphin. Met een nadenkenden, leuterenden geest begaafd, was hij de alledaagsche gemoedsbewegingen der menschen reeds vroeg begonnen te verachten; roem maakte op hem geen indruk, en voor eerzucht was zijn hart gesloten. — De liefde was bij hem, ofschoon men hem, en niet zonder grond, als een eenigs-zins huitensporigen en het vermaak beminnenden jongeling had beschouwd, niet uit de gewone grondstoffen der hartstochten samengesteld. Het was een liefde, vol droomen, hersenschimmen en overspannen denkbeelden, die op den duur niet krachtig genoeg en daarbij te zeldzaam in haar soort scheen te zijn, om op wederliefde te kunnen rekenen.

Dit bleek in zijn omgang met Constance: beiden vonden zich telkens in elkander bedrogen.

»Gij gevoelt het niet,quot; zeide Constance dan.

»Gij kunt mij niet begrijpen,quot; antwoordde Godolphin dan met een zucht.

-ocr page 65-

(51

In weerwil van zijn dweepen, van zijn droomerijen en van zijn liefde voor het geestige en reine, mogen wij Godolphin echter geen vlekkeloos gemoed of karakter toekennen. Van natuur in eene ruime mate met dergelijke scherpgeteekende eigenschappen begaafd, was hij door de eigenaardige grondstoffen der samenleving in een mensch van een zeer gemengd en onbepaald karakter veranderd, dat niet vrij gebleven was van de gebreken, die iemand in een wankelenden toestand tusschen deugd en ondeugd laten. De veerkracht, waardoor hij zich als knaap gekenmerkt had, was in de gevoellooze, algemeene samenleving verstompt en verkeerd gewijzigd geworden. Zijn reizen gedurende de twee laatste jaren, gepaard met het zoete, dichterlijke leven in het zuiden, hadden zijne zucht voor het romantische aangekweekt en den trek tot die bespiegeling opgewekt, welke geestvollen, naar genot jagenden menschen zoo eigen is? want het vermaak heeft zijn bijzondere filozofie — een sombere fantastische, en evenwel diepe overtuiging van de nietigheid aller dingen -— een verlangen naar het verheven ideaal, met een woord.

Een vliegen van de mol vaar de slerren.

Salomo\'s zucht naar vermaak was de gezellin zijner wijsheid; verzadiging ontstond uit de eene en ontevredenheid uit de andere. Maar deze filozoüe, hoe aanlokkelijk zij zijn moge, is noch vruchtbaar, noch heilzaam; het is de filozofie van het gevoel, niet die der grondbeginselen: het is de filozofie van het hart, niet die van het hoofd. Dit bleek bij Godolphin; hij redeneerde zoo fijn over de zedekunde, dat hij de zedekunde zelve dagrbij uit het oog verloor. Het eenvoudig goede en eenvoudig slechte liet hij aan eenvoudige lieden ter nasporing over. De leer van Socrates of Bentham had voor hem niets aantrekkelijks, wijl zij voor alle menschen geschikt was: en daarentegen had hij een duister, onzeker richtsnoer voor zich ontworpen, naar hetwelk hij de handelingen van anderen afmat. Hij bezat verbeeldingskracht, genie en zelfs een hart; hij schitterde altijd en was soms diepzinnig: in gezelschap was bij ten hoogste bevallig, ofschoon zeer schaarsch gezellig; hij hield zich afgezonderd, en was toch een man naar de wereld ; hij was een droomer, en toch een loshoofd; hij gedroeg zich grootmoedig tegen enkelen en eigenbatig jegens den grooten hoop. Men ziet dus hieruit, dat zeer vele schoone hoedanigheden bij hem eerder kwalijk gewijzigd dan verspild waren.

Wie zal, trouwens, niet willen toestemmen, dat, hij reeds meer soortgelijke menschen ontmoet heeft; en wie zal de lotgevallen van zulk een man niet gaarne tot aan hun einde willen weten?

Op zekeren dag, dien Godolphin als den laatsten van zijn \'eeds te lang gerekt bezoek op Wendover-Castle bepaald had,

-ocr page 66-

62

kwamen, toen fle zon juist zou ondergaan, Constance en Godol-phin langzaam van hun gewoon toertje te paard terug. Zij reden een kleine herberg voorbij, welker uithangbord een schaakbord verbeeldde, en voor welke een hoop boeren was bijeengeschoold, die naar de ruwe muziek luisterden, die een rondzwervende Italiaansche knaap op zijne guitaar maakte, Dit tnoneel was landelijk, was schilderachtig fraai, en toen Godolphin zijn paard deed stilstaan, om de groep in oogen-schouw te nemen, dacht hij zeker niet, dat hij deze plek eens met een geheel ander, en wel met een zeer somber gevoel zou wederzien.

»Onze boeren,quot; zeide hij, «toen zij verder reden, behoeven deze of gene zedelijke uitspanning, bij voorbeeld, zulk eene, als wij zoo even gezien hebben. Men heeft in Engeland geen muziek en geen Moorendans meer, en in plaats van, gelijk eertijds, voor het vermaak des gedrukten werkmans te zorgen, beschouwen onze adellijken thans iedere, zelfs verre, poging tot feestelijke uitspanning met eene wezenlijke jaloezie. Zij kunnen zeker niet dulden, dat de boer zich verlustigt; zij beschouwen vermaak en openbare rustverstoring als dezelfde misdaad. Te midden van hunne eigene speelgezelschappen. van hunne verregaande buitensporigheden, van hunne slemp- en zuippartijen varen zij uit tegen de liederlijkheid der armen; een glas bier meer dan gewoonlijk en een nieuwspapier zijn in hunne oogen een bij het gemeene volk niet te dulden democratische toomeloosheid, die de voorlooper van staatsomwentelingen is.quot;

»Och, spreek mij van dezen adel niet 1quot; zeide Constance: »zou er wel gemeener, verachtelijker en trotscher volkje zijn? Maar de dag moet komen, dat diezelfde adel zijn verfoeielijken rol heeft uitgespeeld. Hij heeft geleefd zpnder waarde, en zal vallen zonder moed. Hoe gering is thans reeds zijn wezenlijke kracht! Immers heeft hij thans geen vassallen, geen gewapende macht meer. Ja, hij houdt zich nog eenigermate staande door de openbare meening; maar zoodra deze verandert, al geschiedt het morgen, dan is hij zwakker dan een kind, en wordt de weerhaan van elk toeval.quot;

»Gij hebt gelijk,quot; zeide Godolphin, »maar uwe wijs van denken verrast mij. Zulke uitdrukkingen had ik uit den mond van miss Vernon, die zoo geheel voor onze groote wereld is, en ook zoozeer door haar geschat wordt, inderdaad niet verwacht.\'\'

»Geloof mij/\' hernam Constance schielijk, «onder den adel zeiven schuilen juist zijn bitterste vijanden. Zij, die dagelijks onder het stelsel lijden, moeten het meer verfoeien dan de groote hoop, die er slechts zelden mede in aanraking komt: want zijn ellendige gemeenheid is grievender dan de ge-

-ocr page 67-

63

weldadigheid, waaraan hij zich nu en dan schuldig maakt.

Godolphin meesmuilde. — »Gij neemt,quot; zeide hij, »den loop der wereldsche dingen zwaarder dan ik. Ik merk, dat beuzelachtige dingen u ergeren; mij daarentegen doen zij lachen. Men kan mij beleedigen noch verbitteren Niemand is in staat mij te vernederen. Uwe wapenen tegen de dwazen zijn verachting, de mijne onverschilligheid! Met één woord, gij vei\'spilt teveel gevoel aan kaf en ontuig.quot;

Zij reden thans juist door een waadbare plaats van den stroom, en Godolphin voegde \'er nog bij, terwijl hij naar de ruïnen wees, die zich uit het omliggende groene bosch met haar grauw muurwerk tegen den wester hemel verhieven, shier zijn wij niet ver van de priorij.quot;

Constance loosde een onwillekeurigen zucht; want het smartte haar, dat haar geleider hkar zijn behoeftigheid herinnerde. Om nu aan den loop harer gedachten een andere richting te geven, wees zij, toen zij den heuvel opreden, die bij de rivier langzaam begon te rijzen, naar den blauwen waterstroom, die tusschen telkens afwisselende oevers doorkronkelde. Het water ruischte diep en duister onder het bosschaadje, dat zich daaroverheen boog. Hier en daar daalde de oever eensklaps en werd met de oppervlakte der rivier gelijk; vervolgens begon hij, met dicht en door elkander geslingerd kreupelbosch bedekt, plotseling te rijzen.

»Het is toch zeer zonderling,quot; zeide Godolphin, »dat ons, ids wij zekere plekken gronds beschouwenffcoms een aandoening bemachtigt, dia het landelijke tooneel met een duistere, naar een droom gelijkende herinnering van het verleden of met een profetisch, vreeswekkend voorgevoel van het toekomende paart. Thans, terwijl ik mijn oogen op de plek, op dien oever, op dien schuimenden stroom vestig, schijnt het mij toe, alsot mijn levenslot door een geheimvolle betrekking aan deze plek verbonden is; wanneer — hoe — waarom, weet ik niet te gissen; dat duistere huiveringwekkende gevoel dringt zich aan mij op, zonder dan ik het mij zeiven kan verklaren. Zulk een zonderling, onverklaarbaar gevoel heeft vast ieder reeds éénmaal op zekere plekken en tijden, en met hetzelfde onvermogen, om de oorzaak daarvan op te sporen, ondervonden; en het is derhalve des te opmerkelijker, dat ik in de poëzie, die voor de meeste aandoeningen toch steeds een weerklank heelt , nog geen proef, om zulk een gewaarwording te schilderen, heb aangetroffen.quot;

»Dat, komt,quot; hernam Constance, »omdat de poëzie eigenlijk niets meer is dan een afgesleten naaperij der meest alledaag-sche aandoeningen, en slechts eenigen glans ontleent van de muziek der verzen. Want hoe weinig weten de dichters\' Hun gansche geheim bestaat in versieren en navolgen.quot;

-ocr page 68-

64

»Gij hebt misschien gelijk,quot; antwoordde Godolphin nadenkend, sen ik zelf, die dikwijls ijdel genoeg was, om mij in te beelden, dat ik eenigen poëtischen aanleg heb, ben door het overdrevene en onnatuurlijke van onze dichters dermate afgeschrikt en bekoeld, dat ik iederen trek tot dichten met een soort van verachting onderdrukt heb, en daarom werkt het ideaal, dat zich in mij niet naar buiten kan ontwikkelen, inwendig in mij, en schept duizende ijdele droomen en sombere bijgeloovige beelden; het werpt mij in het rijk van onbekende luchtgestalten en maakt mij ontevreden over de beuzelachtige eerzucht der wereld.quot;

^Gij zult daarvan wel weder terugkomen,\'1 zeide Constance.

Godolphin antwoordde niet, maar schudde slechts met het hoofd. Hun weg liep thans langs een groen bosschaadje, dat om een heuvel, van waar men een fraai uitzicht had, rondslingerde. Hutten, torens en boschjes gaven aan het landschap leven, maar een leven, dat zich tevens door eenzaamheid en weinig afwisseling kenmerkte, terwijl de breede stroom, wiens golven zich in de verte niet boven de oppervlakte van het water schenen te verheffen, in den zonneschijn flikkerde en, na een eind weegs afgelegd te hebben, zich in donkere, welige bosschaadjen verloor.

Hier deden zij beiden hun paarden nog eens stilstaan en zwegen eensklaps toen zij voor zich zagen. Godolphin brak het stilzwijgen \'t eerst af; hij herinnerde zich in dit oogenblik een oord uit dat liefelijke land, welks zuidelijke lucht het penseel van Claude\'fen de pen van mevrouw de Staël ons geschilderd hebben. Hij begon in de vorige hartstochtelijke taal van dat land, van dat oord, tegen Constance te spreken. Iedere boom, dien hij zag, gaf hem stof tot vergelijkingen en. Constance luisterde naar deze betooverende stem, terwijl die van een land verhaalde, dat der liefde gewijd is, met schitterende oogen en hoog gekleurde wangen, in welke hij, een reeds volleerd kenner der vrouwelijke geheimen, gedachten las die zij niet vermoedde, maar hij letterlijk ontcijferde.

»En in zulk een oord,quot; voegde hij er bij, terwijl hij zijn zielvol oog naar haar toewendde, ))in zulk een oord zou ik mij voor altijd hebben kunnen nederzetten, ware ik niet door de gedachte, door het gevoel, dat ik te eenzaam zou wezen, daarvan teruggehouden. Op een ruwe romantische, zelfs woeste plek kunnen wij eenzaam leven, en toch stof tot denken vinden; maar niet in een zoo zacht, aanlokkend oord als ik gezien heb en thans zie. Want alsdan overvalt ons, in weerwil van ons zelve, de liefde, en ik gevoel, ja ik gevoel op dit oogenblik (zijne stem beefde), hoe ieder geheim, dat wij tot dien tijd toe in ons binnenste mochten opgesloten hebben, zich eindelijk lucht geeft; het verlangen, om bemind te

-ocr page 69-

65

worden; en wij wenschen met een soort van angst naar den moed, om te durven zeggen, dat wij beminnen.quot;

Nog nooit had Godolphin, hoezeer hij dit verlangen bereids een geruimen tijd gekoesterd en naar dien moed gewenscht had, zoo zonder omwegen tegsn Constance gesproken. Zijn oogen, zijn wTangen, zijn slem, alles aan hem sprak. Zij gevoelde, dat hij haar zijn liefde verklaard had. Maar maakte dit gevoel haar ook gelukkig? Ja, het was het gelukkigste oogen-blik baars levens. Doch zij deed, met die onwillekeurige, bewustelooze ontsteltenis, waarmede eene vrouw, die bemint, een liefdesverklaring van dengene hoort, in wiens mond zij \'t aangenaamst klinkt, al stamelende eenige pogingen, om aan het gesprek een andere wending te geven, en bespoedigde vervolgens den stap van haar paard. Godolphin, van zijnen kant, wilde zulk een belangrijke en gevaarlijke snaar ook niet weer aanroeren, maar zeide, toen het landschap, bij een bocht van den weg, langzaam uit hun gezicht verdween, met een zachte stem en, als ware het, tegen zich zelve: »hoe dierbaar en onvergetelijk zal mij de herinnering van dezen dag zijn!quot;

5

-ocr page 70-

XVI.

GmMpIlitis terugkeer naar huis. — Alleenspraak. — Aankomst van Lord Erpingham op Wemlover-Castle. — Portret van graaf Erpingham. — Zijn verhaal van Godolphins leven te Rome.

Langzaam en verdrietig stapte Godolphin weêr over den drempel van zijn huis en trad in een klein vertrek, dat echter het grootste van de gansche woning was. — De weinige en daarbij sobere meubelen stonden wanordelijk in het rond. Hier een oud gebroken klavier zonder snaren en een versleten en gescheurd tapijt; daar een ledige vogelkooi op een vensterbank, en een plank met eenige dozijnen weinig beteekenende boeken, benevens een korte, smalle, harde, en van een hooge rugleuning voorziene sofa uit de vorige eeuw (toen men ook wel wist, wat gemak was, maar niet begreep, dat het in luie ledigheid bestond); dit alles, juist nog in dien slaat, als zijn vader het nagelaten en hij, als knaap, het gezien had, begroette hem thans met een onvriendelijk, koel, ofschoon bekend welkom. Het was avond; hij vroeg om vuur en licht en ging zitten, om, terwijl hij met het hoofd in de hand toekeek, hoe de vlam, met een somberen schijn door de traliën van den rnorsigen, verbogen vuurhaard flikkerde, met zijn eigen hart te beraadslagen.

»Ik bemin derhalve dit meisje,quot; dus luidde zijn alleenspraak «maar is het wel wezenlijk zoo? Bedrieg ik mij zelf niet? Zij is immers arm, heeft geen familie, geene betrekkingen, met een woord, niets, waarmeê ik den glans van mijn huis herstellen, deze woning herbouwen, of de voormalige goederen weer aankoopen kan. En toch bemin ik haar! Ik, die de waarde harer sekse zoo goed heb leeren kennen, dat ik honderd- en honderdmaal gezegd heb, dat ik zelfs geen vorstin

-ocr page 71-

67

zou willen huwen! De liefde moge door het bezit niet verflauwen, dat is mogelijk, maar door den tijd toch zeer zeker. In drie jaren zou de glans van Constance gelaat verdoofd zijn, en dan was ik — wat? Mijn armzalig vermogen is niet eene toereikend, om mij alleen, met mijn weinige behoeften, te onderhouden; en ware ik eerst eens gehuwd! Ware de trotschs Constance mijn vrouw! Wat dan? Neen, neen! Ik raag er niet aan denken. Ik, de held van Parijs, de minnaar van La* * *, de kweekeling van Saville! Ik zou mij zelf zoo zeer vergeten, dat ik van zulk een zotheid al vooruit slechts droomde? En evenwel glimt er in mij een vonk, die in de wereld nog eens zou kunnen schitteren — ik zou mij in de hoogte kunnen werken. Er zijn wegen voor mij open; de diplomatie — het Lagerhuis! Maar hoe is het? Begaat Percy Godolphin de dwaasheid van eerzuchtig te worden? Wil hij zich afsloven en zich kwellen, wil hij zotskappen over zotternijen en aanmatigingen te woord staan en bij slot van alles van hartzeer om zijn val sterven? Foei, foei! Ik veracht de ministers en kan niet besluiten hun leerling te worden. Het leven is te kort, om te arbeiden. En waarnaar streven de menschen dan eigenlijk? Naar genot? Maar waarom niet genieten zonder te arbeiden? En van Constance afzien? Pah! dan is immers nog niets meer verloren, dan ééne vrouw.quot;

Zoo eindigde de alleenspraak van een nog nauwlijks volwassen man. De wereld geeft ons somwijlen een laatste les maar draagt uil vrees, dat wij niets meer van haar wijsheid zouden wilen weten, tevens wel zorg, om al wat zij ons eerst; geleerd heeft, gedurende het overschot van ons leven weer uit ons geheugen te wisschen.

Intusschen was het tijdstip daar, dat Lord Erpingham op Wendover-Castle zou aankomen. Lady Erpingham wenschle liet gezelschap van haar zoon aanvankelijk zoo ongestoord, als mogelijk was, te genieten, en had dus gezorgd, dat zij op den eersten dag zijner aankomst geen bezoek behoefde te ontvangen. Eindelijk hoorde men de zware reiskoets op het binnenplein ratelen, en weinige minuten daarna trad een hoog opgeschoten jongman, in den bloei des levens, in een wijden, met bont en fluweel bezetten mantel, en die zich door zijn gestalte voordeelig kenmerkte, in het vertrek, en lady Erpingham omhelsde haar zoon. Doch de hartelijke en kinderlijke wijs, waarop hij hare vragen en gelukswenschingen beantwoordde, veranderde eenigszins, toen hij onverziens Constance bemerkte. Lord Erpingham was, trouwens, zeer koelbloedig en schaamde zich, evenals de meeste mannen van zijn stempel, om iets te toonen, dat naar aandoening of genegenheid zweemde. Hij groette dus Constance zeer bedaard en, zooals hij meende, met een zekere achteloosheid: zijn blikken

5*

-ocr page 72-

68

vesiiprden zich echter meer malen op haai\', dan ooit deze of gene vriend van lord Erpingham hem zijn groote, ronde, lichtbruine oogen naar een vrouwelijk wezen had zien toewenden.

Zoodra de graaf het vertrek verlaten had, om zich voor den middagmaaltijd, wat te verkleeden, kon lady Erpingham zich niet weerhouden, terwijl zij haar oogen afwischte, zich naar Constance te wenden en uit te roepen: »is het niet een schoon man! een fraaie gestalte.quot;

Constance vleide niet ongaarne, wanneer zij wist, dat iemand saarne wilde gevleid zijn, en stemde derhalve bereidwillig in dezen moederlijken lof. Zij had echter tot dusver niets van lord Erpingham gezien dan zijn grootte en zijn mantel; doch toen hij weer binnenkwam en haar naar de eetzaal geleidde, monsterde zij hem nu en dan met vorschende oogen.

Lord Erpingham behoorde tot die klasse van menschen, van welke de mannen gewoon zijn te zeggen: welk een verduiveld welgemaakte knaap! Hij was meer dan zes voet en naar evenredigheid gezet, hoewel niet zeer regelmatig gebouwd en ook niet bijzonder bevallig in zijn voorkomen, maar toch juist zooveel als men van een zes voet hoogen man kan vorderen.

Hij had een eclit mannelijke kleur, een mengeling van bruin, geel en rood. Zijn bakkebaarden waren dik, zwart en netjes. Zijn oogen waren, gelijk ik reeds gezegd heb, rond, groot, lichtbruin, en dus zonder uitdrukking. Zijn tanden waren goed, en zijn neus was wel niet Grieksch, ook niet van een adelaarsvorm, maar mocht zich anders wel vertoonen.

Al de vrouwelijke bedienden bewonderden hem en wanneer men hem aanzag, dan gevoelde men een soort van leedwezen, dal een zoo opgeschoten en gespierd persoon niet onder een grenadierkorps zou komen.

Overigens was lord Erpingham een Whig uit de oude school: hij haatte de handelsvrijheid, maar was van oordeel, dat men de hand aan de Tory-vlekken moest leggen. In het algemeen hield men hem voor een verstandig man. Hij had, trouwens, Blackstone, Montesquieu, Cowper\'s gedichten en den Piambler gelezen en werd, wanneer hij in het Hoogerhuis redevoerde, altijd met groote oplettendheid aangehoord. Hij was wat den wijn betrof, een bon vivant, maar maakte van een uitgelezen tafel weinig werk. Hij was goedaardig maar achterhoudend; moedig genoeg, om zich desnoods, aan geen tweegevecht te onttrekken, en godsdienstig genoeg, om, als hij zich op het land bevond, eens in de week ter kerk te gaan.

Zoover scheen lord Erpingham naar een van Sir Walther\'s helden te gelijken; maar thans moeten wij het blad omslaan en de punten aanwijzen, waarin hij van die modellen verschilde.

Even als de groote hoop der adellijke Whigs, dacht hij zeer

-ocr page 73-

69

los over de vrouwen, hoewel hij haar niet drok naliep. Zijn liefdehandel had zich meest tof de danseressen uit de opera bepaald, wijl men, zoo als hij placht te zeggen, hij haar niet zoo veel tijds verspilde. En evenwel had hij te veel vrouwen van zijn rang gezien, om niet te weten, dat voorname dames er hare eer in stellen, «eer preutsch en ingetogen te zijn. Bovendien was zijn eigen eergevoel niet zoo feeder, dat. hij zich de gevallen deugd van zijn zuster, of, bijaldien hij gehuwd ware geweest, van zijn vrouw zeer ter harte zou hebben genomen. In weerwil daarvan ging hij nochtans overal voor een hooghartig man door. Men koos hem bij geschillen gaarne tot scheidsman, en verhaalde elkander, ofschoon dit bezijden de waarheid was, dat hij, een geheel jaar lang, een staatsambt bekleed had, zonder daarvoor eenige bezoldiging te hebben willen ontvangen.

Zulk een man nu was lord Epingham. Aan tafel, waar hij, tot groot genoegen zijner moeder, een zeer aanmerkelijk en eetlust aan den dag legde, luisterde hij zoo goed, als zijn tegenwoordige, meer tot zijn oogmerk dienende bezigheid gedoogde, naar lady Erpingham\'s verhaal van de in het graafschap voorgevallen farailiebijzonderheden, naar haar lange antwoorden op zijn korte vragen, of oude vrienden overleden, of jonge gehuwd waren, en betoonde pas een meer gespannen oplettendheid, toen hij hoorde, dat er overvloed van wild was.

Nadat de bedienden het vertrek uitgegaan waren, en lord Erpingham zijn eerste glas Bordeaux ingeslorpt had, viel het gesprek op Percy Godolphin.

»Hij heeft veertien dagen bij ons doorgebracht,quot; zeide lady Erpingham; »en bij die gelegenheid verhaalde hij ons, dat hij u in Italië had aangetroffen. Ook liet hij u volkomen recht weervaren.quot;

«Inderdaad ! Heeft hij zich werkelijk vernederd orn mij te prijzen?quot; viel lord Erpingham haar schielijk in de rede; want Godolphins denkwijs en zijn moeielijk te voldoen karakter gaven aan zijn lof\', althans in de oogen van een graaf een zeldzame waarde, »0! hij is een wonderlijke snaak ! Ook heeft hij in Italië een zonderling leven geleid.quot;

»Dat heb ik dikwijls hooren zeggen quot; hernam lady Erpingham «Maar weet gij ook, in wat opzicht? was hij misschien buitensporig ?quot;

»Neen; er lag integendeel iets geheimvols in zijn omgang, doch hij verkeerde weinig met Engelschen, en dan nog slechts met zulken, die hoog speelden. Naar men zegt, bezit hij groote kundigheden en zoo voorts.quot;

»Och 1quot; viel lady Erpingham hierop in, daar zij met de redenaars on fraaie vsmuflen van Jien \'.rid was omjr-.v^aan en van iien de manier, om een volzin behoorlijk te ronden, werk-

-ocr page 74-

70

tuigelijk aangeleerd had, »och! hij verkeerde derhalve vermoedelijk met, zoogenaamde kunstkenners, handelaars in oude munten, beelden en met andere bedriegers, die op kosten van Engelschen leven, die meenen, dat zij smaak of genie bezitten.quot;

sGij zi)t zeer ver misquot; antwoordde de graaf; »Godolphin is daar veel te schrander toe en laat zich, dit verzeker ik u, niet zoo licht om den tuin leiden: ook moet ik bekennen, dat hij daardoor geenszins in mijne achting gedaald is. Hij verkeerde met Italiaansche doctoren en geleerden en trok inzonderheid de belangen van een zonderling mensch aan, die zich, geloof ik, met tooverijen, of zoo iets, bemoeide. Godolphin had althans zijn intrek genomen in een eenzame wijk te Rome, waar — ten minste zoo zeide men — het laboratarium, de smeltkroezen en al het andere duivelsche tuig in gedurige beweging waren.quot;

»En evenwelquot; zeide Constance, beschouwt gij hem als te schrander, om zich te laten bedriegen.quot;

»En met recht, miss Vernon 1quot; hei-nam lord Erpingham; »tot een bewijs daarvan strekt, dat niemand armer en toch meer gezien is dan hij. Hij speelt wel, maar slechts nu en dan, ofschoon hem in spellen, waarbij het op behendigheid aankomt, niemand evenaart. Maar op Saville rust onder ons gezegd, toch meer dan de bloole verdenking, dat hij niet zuiver speelt.quot;

»En gij houdt u overtuigd,quot; vroeg lady Erpingham zeer bedaard, »dat de heer Godolphin zijn geluk slechts aan zijn behendigheid te danken heeftT\'

Bij deze woorden zag Constance den graaf met fonkelende oogen aan.

«Zeker geloof ik dat,quot; gaf deze zijner moeder ten antwoord. Niemand althans heeft hem nog een enkele slinksche, of zelfs verdachte streek te laste gelegd, en, zoo als ik gezegd heb, niemand wordt ook meer in gezelschappen gezocht, ofschoon hij ze opzettelijk vermijdt, en, waarachtig, hij heeft gelijk; want zij zijn satansch vervelend.quot;

»En dat zegt gij, mijn lieve Robert, op uwe jaren!quot;

»Maar,quot; voegde de graaf terwijl hij zich naar Constance keerde, er bij, ))maar, miss Vernon, ieder heeft zijn zwak, en de listige Italiaan mag het zijne — welk een knap man Godolphin anders ook zijn moge — welgetroffen hebben; ofschoon ik, om de waarheid te zeggen, geloof, dat deze hem slechts zal hebben ondersteund, ten einde de wereld voor den gek te houden en opzien te baren, met een woord, uit ijdelen hoogmoed. Het is een mooi man, die Godolphin niet waar ?quot; vervolgde de graaf op een toon, als of hij verwachtte, dat men iets tegen zijn gezegde zou inbrengen.

»Hij is zeker heel mooi!quot; antwoordde lady Erpingham. »En wat heeft hij een heerlijk gelaat!quot;

-ocr page 75-

71

«Maar het is toch ongemeen bleek, niet waar? Ook heeft hij geen voordeelige gestalte; want hij is mager en heeft te smalle schouders, niet waar ?quot;

Op Godolphin\'s gestalte viel eigenlijk niets aan te merken, maar onze helden beoordeelen een man van middelbare grootte evenals wiskunstenaars een stip bepalen en zeggen dat zij geen breedte en lengte heelt.

»Bn wat is uwe meening Constance ?quot; vroeg Lady Erpingham met nadruk.

Constance giste haar oogmerk en antwoordde zeer bedaard, dat Godolphin haar fraaier voorkwam dan al de mannen, die zij sedert kort had gezien.

Lord Erpingham plukte aan zijn halsdoek, en lady Erpingham stond op, om het vertrek uit te gaan. — »Een verduiveld schoon meisje!quot; zeide Erpingham, toen hij de deur achter Constance toesloot, smaar ook verduiveld stekelig !quot; voegde hij er bij, toen hij weder op zijn stoel ging zitten.

-ocr page 76-

XVII.

Constance aan haar Unlet. — Haar gevoelens. — Beschrijving van haar schoonheid. — Het bal. — De hertogin van Wistoun en haar dochter. — Eene gevolgtrekking uit den aard der vrouwelijke jaloezie. — Jaloezie van een minnaar. — Adeltrots vernederd. — Het luisteren aan den wand. — Aanmerkingen nopens het genoegen van een openbaar gezelschap. — De avondmaaltijd. — Verscheidene nieuwe en gegronde aanmerkingen. — Het gebeurde tusschen Godolphin en Constance.

Op den avond van het bal, dat ter eere van lord Erpingham\'s terugkomst gegeven werd, zat Constance, uitgedost, om veroveringen te maken, alleen in haar kleedkamer; want haar kamenier was even te voren heengegaan. Een menigte kaarsen verspreidde een schitterend licht door het antieke vertrek, dat zich in het oudste gedeelte van het kasteel bevond en verhoogde, als ware het, den glans van het verheven voorhoofd en der volmaakte trekken van miss Vernon\'s uitnemend schoon gelaat. Zoo als zij daar eenigszins achterover gebogen, met den rug tegen de leuning van den stoel, met het kleine witte voetje op een laag tabouret en met achteloos nederhangende armen, zat, verried haar gelaat een diep en somber nadenken en een uitdrukking van besluiteloosheid en ware smart.

Men moet, trouwens, niet denken, zoo als ik dan ook reeds aangemerkt heb, dat Constance\'s lot, hoezeer zij als de meest bewonderde schoonheid van haren tijd beschouwd werd, inderdaad gelukkig was. Zij verkeerde wel is waar met de aanzienlijken en machtigen des lands, en werd ook door hen met

-ocr page 77-

73

allerlei vleiende komplimenten overladen; maar in weerwil daarvan ontgingen haar door trotschlieid en jaloezie gescherpte ooren geenszins de woorden, welke, te midden van den schitterenden kring, dien zij rondom zich trok, dikwijls haar genoegen en hare ijdelheid door schaamte en spijt verbitterden — »Niet waar? — De dochter van den bekenden Vernon! Dat arme ding! Zij hangt geheel van lady Erpingham af! O! die zal, denk ik, wel met den een of anderen rijken burger gaan strijken.\'\'

Zulke, door spijtige moeders en uitgebloeide schoonheden los weg geuite woorden braken niet zelden haar korte eu vermoeiende zegepralen af. Zij hoorde dikwijls intriguante mama\'s haar onnoozele zonen, die, indien zij slechts Constance\'s hand hadden durven aanraken, door haar in het stof zouden zijn vernederd geworden, tegen hare, van titels en vermogen ontbloote bekoorlijkheden waarschuwen. Zij bemerkte meer dan eens, dat voorzichtige graven, die heden de dienstvaardigheid, en morgen de koelheid zelve waren, al naardat zij het een of ander vernomen hadden, hun harten verweten, dat zij zich door hare tooverkracht te zeer lieten wegslepen; dat zij zich zeiven voor de eerste maal twijfelende afvroegen, of een hart wezenlijk iets meer dan een poëtisch verdichtsel was, en zich verwonderden, dat een blik op een zoo heerlijke schoonheid hen tot het geloof aan de mogelijkheid eener gemoedsbeweging kon brengen. Zij was menigmaal diep beleedigd geworden zoowel door de vriendelijke protectiewoorden der hertoginnen en hoog-adellijke zotskappen, als door de beleefde onderscheidingen, welke in de fijn beschaafde kringen den eenen rang van den anderen afzonderen en iemand verbitteren, zonder dat hij het genoegen heeft zich daardoor beleedigd te mogen toonen.

Dit alles, waarop iedere andere vrouw, in den bloei, den lust en de vroolijkheid der jeugd, geen acht zóu hebben geslagen, knaagde diep aan Let hart van Constance Vernon. Het beeld van haar stervenden vader, zijn grieven, zijn klachten, aan welker rechtmatigheid zij geen oogenblik twijfelde, drongen zich, in de schitterendste uren van den dag en te midden der aanzienlijkste gezelschappen, in haar ziel op. Zij behoorde echter niet onder de vrouwen, wier weeke, zachte natuur alles ontvlucht wat haar kan wonden.

Neen, Constance had vast besloten, te overwinnen. Met een hart vol minachting voor glans, schijn en vroolijkheid, dorstte, smachtte zij naar niets, dan naar macht, waardoor zij zich over de beleedigingen, die zij geloofde ontvangen te hebben, zou kunnen wreken en de trotsche minzaamheid der grooten in huldigingen veranderen. Dit doel, dat zich door ieder toevallig woord, door eiken argeloozen blik eens vreem-

-ocr page 78-

74

den al dieper en dieper in haar hart prentte, verkreeg een soort van heilige wijding door de betrekking, waarin zij het bracht, namelijk, het herdenken en den doodsnik van haar vader.

Gedurende de oogenblikken, dat zij in de reeds gemelde houding, op haar kleedkamer zat, werkten al deze bittere, trotsche gevoelens in haar borst, doch zij werden bestreden door het beeld van Godolphin, door de aangename gedachte aan hem, den verkwistenden erfgenaam van een bijna verdwenen vermogen en een vervallen geslacht. Zij gevoelde maar al te diep, dat zij hem beminde, en onbekend met zijne, van de groote wereld ontleende hoedanigheden, meende zij, dat hij haar met al de dweepachtige gehechtheid en al den gloed eener liefde beminde, die zij als het wezen van zijn karakter aanmerkte. Deze overtuiging kon haar echter thans in geen vroolijke stemming brengen; want zijn beeld gaf, door het vaste geloof dat zij hem afwijzen moest, den voorwerpen en der eerzucht, waarop zij tot dusver met een trotsch genoegen gezien had, slechts een sombere kleur. Nochtans bleef zij daarom niet minder aan de groofsche droomen van haar bestemming gehecht; doch de roem en de begoocheling waren verdwenen Zij had, trouwens, een blik in de toekomst geworpen en gevoelde, dat het bezit van macht tevens het bezit van geluk was En echter zag zij, in weerwil van deze overtuiging, van het geluk af en gaf der macht de voorkeur. Helaas ! wat zijn toch onze beste en wijstte theorieën, wat zijn onze mogelijkheden, onze stelsels, wal is onze filozolie! De menschen zullen nimmer ophouden de middelen met liet doel te verwisselen, en, ondanks de lessen der wijzen, hun gedrag geenszins naar hunne overtuiging regelen.

Intusschen rolde koets op koets onder de vensters van het vertrek voorbij, waar Constance nog aanhoudend zat, zonder zich in het minst te verroeren. Eindelijk echter vertoonde zich een zekere kalmte, als het gevolg van een plotseling vast genomen besluit, op haar gelaat. Haar wangen herkregen kleur, en toen zij oprees en, met zekere bedaardheid en veerkracht op voorhoofd en lippen, overend stond, schitterde haar schoonheid met een, misschien nog niet bereikten glans. Terwijl zij door het vertrek ging, kon zij zich niet weerhouden een oogenblik voor den spiegel, die hare heerlijke gestalte in volle grootte terugkaatste, stil te staan. Schoonheid is, trouwens, zoo geheel het wapentuig der vrouwen, dat zij zelfs, hoezeer ook door kommer neergedrukt, de werking daarvan even zoo min geheel uit het oog verliezen kunnen, als de zieltogende krijgsman het zwaard, dat hem roem en zegeteekenen heeft verworven, met onverschilligheid beschouwen kan. Constance was dezen avond dan ook niets

-ocr page 79-

75

minder dan genegen, om, met opzicht tot de uitwerking, die zij kon te weegbrengen, onverschillig te zijn. Zij beschouwde haar beeld met een zegepraal, die niet enkel uit ijdelheid voortkwam.

Nooit had ook een spiegel een gestalte teruggekaatst, waardiger om door een Pericles vereerd en door een Apelles geschilderd te worden. Constance scheen grooter te zijn, dan zij werkelijk was. Zekere majestueuze houding van het hoofd, en dan de schoone vorm der schouders, gepaard met de breedte van het voorhoofd en de buitengemeene deftigheid der gelaatstrekken, gaven haar een voorkomen, gelijk buiten haar nooit iemand gehad heeft, en dat Pasta alleen, bijaldien zij een schoonheid ware geweest, zou hebben kunnen verkrijgen. In deze majesteit lag echter niets hards of terugstootends; want hoeveel manhaftigs Constance van natuur ook in haar karakter mocht hebben, was echter haar voorkomen geheel zoodanig, als dat van een vrouw zijn moet. Haar lichaamsbouw had die volheid, welke door een frischheid, die een matige volkomenheid dei-evenredigheden altijd aan vrouwen bijzet, het behoud der schoonheid tot in een gevorderden ouderdom waarborgt. Hare armen en handen waren buitengemeen fraai; want niets is in Europa ongewoner dan een door vorm en kleur wezenlijk fraaie arm. Men bezoeke slechts een gezelschap van de aanzienlijkste lieden, en men zal niets dan uitstekende beenderen, scherpe ellebogen of rood vel onder het bekleedsel van die wijde mouwen zien, die bijna even zoo leelijk staan. In den tijd, waarvan hier gesproken wordt, droeg men die mouwen nog niet, en de blanke, ronde, schitterende en tot aan den schouder naakte arm was met flikkerende juweelen omringd, waarvan de glans door de natuurlijke schoonheid nog meer verhoogd werd. Heur haar was ongemeen dik, gitzwart en op een toenmaals ongewone maar niet grillige wijs opgebonden, een wijs, die thans wel door vrouwen met de meest alledaagsche gezichten is aangenomen, maar toch alleen bij de grootste schoonheid past, ik bedoel, die eenvoudige en klassieke mode, welke de Franschen met den naam van Calypso bestempeld hebben, maar die, mijns oordeels, even zoo goed aan de godin der wijsheid als aan die van de wulpschheid voegt. Hare lange oogleden met de donkere, doch zacht geteekende wenkbrauwen verhoogden het sprekende der blauwe oogen en de uitdrukking van het Grieksche profiel. Voegen wij nu hierbij den gewelfden mond, den hoogen hals, de slanke gestalte en een voet, welks kleinheid zijn minste schoonheid uitmaakte, dan staat Constance Vernon voor ons.

Zij begaf zich, op hare statige, trotsche wijs, uit dit vertrek naar een ander, waar zij gewoonlijk vertoefde, als zij zich niet bij lady Erpingham bevond. Hier had Godolphin, met de on-

-ocr page 80-

76

gedwongenheid, waardoor uitheemsche zeden en gewoonten zich kenmerken, en met de eerbiedvolle, ridderlijke vrijmoedigheid, die hem zoo eigen was, haar dikwijls opgezocht, en door een voorwendsel, hetwelk nu eens de op tafel liggende boeken, of de muziek, dan eens de boschrijke omstreek, die men uit de vensters door den herfstmaneschijn helder verlicht zag, hem aan de hand gaven, haar menig oogenblik van andere gezelschappen teruggehouden. Dit herinnerde zij zich thans; haar voeten begonnen te beven, en haar gelaat verbleekte : zij bleef een oogenblik staan en wierp een smartelijken blik rondom zich : eindelijk echter herstelde zij zich met kracht, ging de hooge trap af, spoedde zich over de, door oude banieren en verroeste helmen verdonkerde zaal en trad, in den vollen glans harer schoonheid, maar met een hart vol gedachten, in het dichte vroolijke gedrang.

Hare oogen zochten Godolphin, doch vonden hem niet, en nauwelijks had zij een en andermaal met vorschende blikken in het rond gezien, of lord Erpingham, de held van dien avond, kwam naar haar toe en verzocht om hare hand.

sik heb zoo even mijn plicht vervuld,/ zeide hij met een, hem anders volstrekt niet eigene beleefdheid »en mag thans ook aan mijn belooning denken. Ik heb den eersten dans met lady Margaretha Midgecombe gedanst, en bid u thans om de nakoming uwer belofte, om den tweeden dans.quot;

Er lag iels in deze woorden, dat het ongemeen kiesch gevoel van Constance kwetste. Lady Margaretha Midgecombe zou in de burgerlijke samenleving beschouwd geworden zijn als een alledaagsch meisje, dat er goed uitzag: maar zij was de dochter van een hertog en ging voor een Hebe door. Haar kleine neus, haar frissche kleur en haar onnoozet lachen, dat echter niet vrij van boosaardigheid was, werden betoove-rend genoemd, en elke onregelmatigheid der gelaatstrekken, ieder gebrek in haar gestalte werd door de bij ons zoo gebruikelijke zotte aanbeveling een duivelsch mooi meisje, maar geen regelmatige schoonheid I in verdiensten veranderd.

Doch niet alleen in het graafschap * * * shire, maar cok in Londen werd Lady Margaretha Midgecombe als Constance Vernon\'s mededingster in schoonheid beschouwd. En deze die veel te beminnelijk, te koel, te trotsch was, om de schoonheid van anderen niet te erkennen, waar zij werkelijk gevonden werd, ergerde zich echter in het geheim aan een zoo onwaardige vergelijking, en verkleinde zelfs somtijds \'naar eigene aanspraken, op bewondering, wijl zulke, die veel geringer waren, met de hare om den voorrang konden dingen.

Deze soort van wrok tegen lady Margaretha werd nog vermeerderd door een omstandigheid, waartoe de moeder van lady Margaretha aanleiding had gegeven.

-ocr page 81-

77

De hertogin Winstoun was, namelijk, een vrouw van lagere geboorte, de dochter van een zeer rijken, maar nieuwen pair. Zij was echter met een der machtigste hertogen uit de gansche pairschap gehuwd, een eenvoudig, ongemakkelijk man met vier kasteelen, twee parken, een kolenmijn, een tingroeve, zes vlekken en dertig prebenden. Da hertog, een werkeloos en eenzaam lovend mensch, liet zich zelden in het openbaar zien, dus kwam de zorg, om zijn rang op te houden, geheel voor rekening van de hertogin, die dit dan ook met zulk een nauwgezette statigheid volbracht, als of zij de dochter van een kaaskooper geweest ware. Trotsch, aanmatigend en ruw, overal gezocht, ieder beleedigend, gehaat en gevleid, zóó was de hertogin Winstoun en misschien menige hertogin voor haren tijd.

Men moet echter hierbij in aanmerking nemen, dat de medewereld toenmaals het despotisme, dat zij thans uitoefent nog niet verkregen had; zij ontleende haar aanzien van de macht en beheerschte haar geenszins. Ik zal mijn lezers doen zien, hoeveel deze mode van haar tegenwoordig aanzien aan de heldin dezer gedenkschriften verschuldigd is. De hertogin Winstoun zou thans haar voormaligen grooten rol niet kunnen spelen: de tegenwoordige modewereld bezit een goeden smaak, die zich tegen de aanmatiging van aanzienlijken, waardoor zij verlangen, dat men hun beminnelijkheid of oorspronkelijk genie zal toekennen, verzet en domme hertogen naar verdienste weet te schatten. Daar nu deze smaak toenmaals nog niet heerschte, zoo kon de hertogin Winstoun haar recht van aanmatiging ongestoord doen gelden. Zij had een geheel bijzonderen afkeer van Constance opgevat, deels, wijl de weinige, goede beoordeelaars der schoonheid, die zich aan rang nog titel stoorden, geheel onpartijdig verklaarden, dat hare dochter zich niet met Constance Vernon kon meten, en hoofdzakelijk, wijl deze, door haar treffende geestigheid en stekelige scherts, de hertogin haar onbeschaamde uitvallen meer dan eens zoo duchtig en openlijk had betaald gezet, dat zij met woede en verbaasdheid bekennen moest, dat er in de wereld eene vrouw, en nog wel een ongehuwde vrouw was, die de onbescheidenheid eener hertogin met dezelfde raunt kon vergelden. Vandaar dus de hatelijke aanmerkingen, die zij op miss Vernon, in haar afwezigheid, maakte: vandaar ook haar bovenmate trotsch knikken met het hoofd en de even trotsche toon, dien zij aannam, als Constance aanwezig was. Daar nu de hertogin Winstoun Constance niet dulden kon, zoo mogen wij wel onderstellen, dat deze een wederkeerige wrok tegen haar koesterde. R.eeds de bloote naam der hertogin maakte haren trotsch en wrevel gaande, en zij koorde met een, der vrouw geheel natuurlijk, ofschoon in den beminnelijken zin des woords juist niet vrouwelijk gevoel, dat lord Erpingham, hoezeer hij

-ocr page 82-

78

niet wel anders kon, lady Margaretha met den eersten dans had vereerd.

Toen lord Erpingham haar weder naar hare zitplaats geleidde, volgde haar een luid gefluister van bewondering en geestdrift. Dit verschafte Erpingham op dit oogenblik nog meer genoegen, dan Constance. Reeds door haar schoonheid betooverd, was hij trotsch op den indruk, dien zij op anderen maakte want die indruk was een kompliment aan zijn goede smaak. Hij sloofde zich af, om aangenamer en, wat meer is, om betooverend te zijn; hij bootste een zachte stem na,ja hij deed zelfs pogingen, om den vleier te spelen.

De hertogin Winstoun zat met hare dochter achter hen op eene hoogere bank : zij hadden dus de schoonste gelegenheid, om de oplettendheid, waarmede een der aanzienlijkste graven van Engeland de dochter van Engelands grootsten redenaar vereerde, gade te slaan. Zij waren over zijn gebrek aan waardigheid verbitterd. Constance bemerkte dien spijt, en luisterde terstond met meer vriendelijkheid naar de kom-plimenten van lord Erpingham als zij anders wel zou gedaan hebben : haar oogen flonkerden, haar wangen gloeiden, en de haar omringende goede menigte, die de ontzachelijke bakkebaarden van lord Erpingham bewonderde, geloofde dat Constance verliefd -was.

In dat oogenblik trad Percy Godolphin de zaal binnen. Ofschoon nu zijn komst zich door niets schitterends kenmerkte verwekte zij echter opmerkzaamheid. Zijn gelaat, zijn houding zijn lange, schoone lokken, zijn kostbare vreemdsoortige kïeeding, waaraan zijne edele, geestige gelaatstrekken allen schijn van laffe pronkerij ontnamen, dit alles gaf aan zijne verschijning iets wat de algemeene aandacht trok, zoodat de indruk, dien het noemen van zijn naam nog altijd maakte, door de belangstelling, welke de roep van hem als een oorspronkelijk en zonderling mensch, verwekte, niet weinig verhoogd werd.

Hoezeer door een zwerm ijdele gapers omringd en met de buigingen der grooten en de glimlachjes der schoonen vereerd bepaalde Godolphin echter zijn gansche opmerkzaamheid, zijn geheele ziel tot de plek, welke door Constance Vernon geheiligd werd. Hij zag haar in gesprek met een rijk, voornaam en schoon, man ; hij zag haar met blijkbare oplettendheid naar dien man luisteren, en bemerkte tevens, dat deze in zijn gesprek haar openlijke blijken van bewondering betoonde. Bij dit. gezicht kromp zijn hart in een, en werd hij weemoedig. Maar aldra maakte deze gemoedstemming plaats voor spijt en granischap, en eindelijk voor woede en vertwijfeling. Al zijn vroegere plannen, al zijn schranderheid, zijn wereldkennis, zijne voorzichtigheid waren op eens verdwenen : hij gevoelde

-ocr page 83-

79

dat hg beminde, maar dat hij verdrongen, dat hij verloren was De wilde en inderdaad hevige hartstochtelijkheid zijner jeugd stiet alle plannen en gebouwen der zachte en koelbloedige filozofie, die hij der wereld ontleend en als een door studie verworven wijsheid beschouwd had, geheel omver. Een hut in een woestijn met Constance — Constance de zijne met hart en ziel — dit zou hem een paradijs toegeschenen, hij zou geene eerzuchtige plannen meer gekoesterd hebben, geen andere belooning gedroomd hebben. Zoo veel invloed heeft de jaloezij op ons! Wij zijn vol vertrouwen en aarzelen toch om een gift aan te nemen : wij worden jaloersch, en zouden ons leven wel wegwerpen, om haar te verkrijgen.

»quot;Welk een schoon man is Erpingham geworden!quot; zeide een jong officier der kavallerie.

Godolphin hoorde het en zuchtte luid.

»En wat danst hij daar met een drommels mooi meisje!quot; voegde een ander jongman uit Oxford er bij,

»0, het is miss quot;Vernon ! Duivels, zij schijnt hem in haar net le hebben. Nu, het zou een overheerlijke partij voor haar zijn.quot;

»En voor hem ook,quot; hernam de meer ridderlijk denkende Oxforder.

»Hm!quot; zeide de officier.

»Ik heb anders gehoord,quot; dus begon de eerste weder, «dat zij met den jongen Godolphin zou huwen. Hij heeft althans hier een geruimen tijd verkeerd. Zij reden en wandelden dagelijks samen. Hij is toch een recht gelukskind. Ik wenschte hem wel eens te zien.

»St!quot; zeide een derde, die Godolphin zag staan.

In dit oogenblik trad Percy nader; want hoezeer hij zich zeiven gewoonlijk zeer goed wist te beheerschen, kon hij echter de hel, die in zijn binnenste brandde, niet geheel verbergen. Zijn voorhoofd trok zich in rimpels samen, en hij beantwoordde nauwelijks den groet, dien hij ontving. Ook duurde het niet lang, of hij drong uit de menigte en ging onopgemerkt achler een breeden pilaar zitten, waar hij ongezien zijn oogen op de gestalte en de bewegingen van miss quot;Vernon vestigde.

Bij toeval sfond hij hier niet ver van de hertogin Winstoun, en was dus ingelijks een oorgetuige van het volgende gesprek.

Toen de dans, namelijk, geëindigd was, geleidde lord Erpingham Constance naar een stoel dicht bij Margaretha Midgecombe. Inlusschen had de hertogin haar plan van uitval ontworpen: zij stond, zoodra zij Constance onder haar bereik zag, op en naderde haar met een gedwongen beleefdheid.

«Hoe gaat het u, miss Vernon?quot; vroeg zij. »Het verheugt mij ongemeen, dat gij er zoo wel uitziet. Er is toch iets aan van hetgeen men zegt, niet waar?quot; Dit zeggende liet de hertogin hare tanden zien, dat is, zij glimlachte.

-ocr page 84-

80

»Wat bedoelt mevrouw?

»Och, ik houd mij overtuigd, dat lord Erpingham het zoo wel gehoord heeft, als ik, en ik wensch (met eenigen nadruk) om uwentwil of inderdaad veel meer om u Leider wil, dat het waar zijn moge.quot;

sHet zou zoo veel zijn,quot; hernam de trotsche Constance met die bitsheid, waarin zij behagen schepte, en om welke zij sedert zoo bekend geworden was, »het zou zooveel zijn, als uwen en mijnen tijd onnut verspillen, bijaldien ik wachten wilde, tot de hertogin Winstoun verstaanbaar spreekt.quot;

De hertogin liet zich echter zoo niet afzetten; zij wilde eerst haar plan ten uitvoer brengen en zeide dus, terwijl zij zich naar lord Erpingham keerde: »ik beroep mij op u. Zal miss Vernon niet binnen korl met den heer Godolphin in den echt treden? Wel zeker is het zoo!quot; voegde zij er met een gemaakte vriendelijkheid en deelneming bij, »en ik hoop, dat dit huwelijk tot stand kome.quot;

»Op mijn woord van eer,quot; zeide Lord Erpingham, terwijl hij zijn beroemde ronde oogen wijd openspalkte, »gij brengt mij in verbazing. Ik heb er nog niets van geboord.quot;

»Dus nog een geheim?quot; riep de hertogin. »Heel goed, heel goed; ik kan ook wel een geheim bewaren.\'\'

Lady Margaretha sloeg haar oogen neder en lachte met gemaaktheid.

»Tot op dit oogenblik dacht ik,quot; hervatte Constance zeer bedaard,»dat niemand verachtelijker was, dan die ongegronde geruchten navertelt; maar nu zie ik, dat ik ongelijk had; want wie zulke geruchten uitvindt, is nog veel verachtelijker.quot;

Bij dit kompliment werd de onbeschofte met hare eigene wapenen geslagene hertogin nog rooder van spijt, dan zij reeds van blanketsel was, maar Constance keerde zich om en zocht, nog steeds op den arm van lord Erpingham leunende, een anderen stoel. Zij vond er een vlak tegenover den pilaar, waarachter Godolphin zat, en waar hij insgelijks al wat Constance zeide kon hooren.

))Op mijn woord van eer, miss Vernon,quot; dus begon Erpingham weder, »ik bewonder uwen geest. Niets is, trouwens, beter, dan zulk laf volkje, dat ons grieven wil en meent, dat men niet met dezelfde munt kan betalen, aanstonds uit het veld te slaan. Maar zeg mij toch eens — en ik hoop, dat gij dit niet als eene te groote vrijpostigheid zult beschouwen —mag ik wel vragen, of er aan dit gerucht iets waars is ?quot;

«Volstrekt niets,quot; gaf zij hem, onder een geweldigen tweestrijd, maar met een vaste stem ten antwoord.

»Niet? Ik had het wel kunnen, ik had het zelfs moeten denken; want Godolphin is veel, veel te arm voor u. Mi«s

-ocr page 85-

81

Vernon is geen dame, die xiit liefde huwt, om in een hut te wonen.\'\'

Constance zuchtte.

Die lichte, zachte zucht drong Godolphin door hart en ziel. Hij boog zich voorwaarts en hield zijn adem in; want hij smachtte naar het geluid harer stem, naar een lettergreep tot antwoord, doch zij kwam niet.

»Herinnert gij u miss L*** nog wel,quot; zoo begon de graaf op nieuw. »Maar neen, zij was vóór uw tijd. Zij huwde met Squot;*, een mensch van denzelfden stempel als Godolphin. Hij bezat geen schelling, maar hij leefde er goed van, had een huis in Mayfair, gaf maaltijden en jaagde te Melton; met één woord, hij speelde hoog. Zij bezat nagenoeg tien duizend pond. Zij huwden en leefden twee jaren lang zoo fatsoenlijk, als men zich maar kan voorstellen. Ieder bewonderde hen. Zij hielden geen koets, maar hij reed met haar in zijn toenmaals nog niet gebruikelijke, Fransche kabriolet naar de diners. Zij maakten geen groote vertering, hadden ook niet veel pronk en staatsie, maar alles was bij hen drommels net: het was, met één woord, een waar huttenleven, maar de hut stond in Curconstreet. Eindelijk echter begon de fortuin hem trouweloos te worden. S*** verloor alles, was meer schuldig, dan hij kon betalen: wij moesten de verkeering met hem afbreken, en zijn nabestaande, lord ***, die een jaar daarna in het ministerie kwam, verschafte hem een post bij het tolwezen. Thans wonen zij in Pentonville; hij draagt een peper- en zoutkleurigen rok, en zij een muts met roode linten. Zij hebben vijf honderd pond jaarlijks en tien kinderen. Zoo ging het nu de vrouw van S*** en zoo kon het Godolphin\'s vrouw misschien ook gaan. O, een miss Vernon kan met dezen niet huwen!quot;

»Gij hebt gelijk,quot; zeide Constance met waardigheid, »maar gij drukt uwe meening met te groote vrijpostigheid nit.quot;

Alvorens lord Erpingham nog een verontschuldiging kon stamelen, hoorden zij een geritsel achter zich; zij keerden zich om en ontdekten Godolphin, die opgestaan was. Zijn gelaat, dat anders gewoonlijk een strenge bedaardheid teekende — want nadenken geeft een min of meer streng voorkomen — vertoonde den sprekers thans een zoo donkeren en dreigenden aanblik dat den krachtvollen graaf het hart voor een oogen-blik klopte, en dat Constance schrikte, alsof zij een spook en niet de levende gestalte van haar geliefde zag. Deze uitdrukking van Godolphin\'s gelaat duurde echter slechts een oogen-blik: hij groette beiden aldra met een koelen, doch beleefden glimlach, een glad voorhoofd en een diepe buiging, verwijderde zich langzaam van zijn zitplaats en verdween in het gedrang.

6

-ocr page 86-

82

Een groot gezelschap is toch een wonderlijk iets. Een ont-zachelijke menigte menschen, die allen jegens elkander geheel onverschillig zijn, dringen opeen, om een vermaak te genieten, dat de meesten hunner als onbeschrijfelijk vervelend beschouwen. Hoe ijdel zijn niet zulke tooneelen en hoe geesteloos niet de schouwspelers! Welk een overblijfsel van barbaarsch-heid, dat men danst, omdat men niets weet te zeggen! — Doch wij kunnen ons eenigszins verontschuldigen ; wij gaan immers naar de gezelschappen, om onze dochters te verkoopen of de vrouw van onze naasten te verleiden; want, een balzaal is een wezenlijke markt. Ik voor inij zou echter mijn aankoop liever op een minder openbare plaats verkiezen te doen.

»Zeg eens, Godolphin,quot; vroeg de jonge lord Belvoir, toen zij naast elkander aan het schitterende souper zaten. »een glas champagne?quot;

»Heel graag,quot; gaf Godolphin ten antwoord; »maar niet uit deze flesch; wij moeten een nieuwe nemen; want dit glas geldt lady Delmour, en hare gezondheid moet van het eerste vuur gedronken worden. Aan zulk een jonge schoonheid mag niets gewijd zijn, wat verschraald, niets, wat verdampt is, niets, wat zijn eerste frischheid verloren heeft.quot;

Er werd derhalve een nieuwe flesch ontkurkt, en Godolphin boog zich tegen de zuster van lord Belvoir, een schoonheid en daarbij een schrijfster. Lady Delmour bewonderde Godolphin en was gestreeld door een kompliment, dat geen man van den bon ton, die nooit buiten Engeland geweest was, de stoutheid zou gehad hebben, om zoo maar losweg over tafel uit te spreken.quot;

»Hebt gij gedanst ?quot; vroeg zij.

»Neen,quot; was het antwoord.

»Wat hebt gij dan toch gedaan 7\'1

»Wat dan ? Och, lady Delmour zoo iets moet gij niet vragen.quot; (De blik, welke deze woorden vergezelde, gaf genoegzaam te kennen, wat zij beteekenen moesten.) Moet ik dan juist zeggen, dat ik aan de schoonste der dames gedacht heb?quot;

»Bah!quot; hernam lady Delmour, terwijl zij het hoofd afwendde.

Dit bah heeft, trouwens, zijne zeer bijzondere belaekenis. Op de lippen van een koopman beduidt het verachting van al het denkbeeldige, in den mond van een staatsman afkeuring eener theorie. Met deze drie letters wederlegt een filozoof een drogreden, en scheept een rijkaard een bedelaar af. Maar op de rozenlippen Tan een vrouw verliest dit woord zijn hardheid en duidt aanmoediging in plaats van verachting aan. »Bah!quot; zegt een dame, wanneer men van hare schoonheid spreekt, en ditzelfde antwoord geeft zij op

-ocr page 87-

83

een liefdesverklaring. Bij mannen is het de ruwste, bij vrouwen de zachtste lettergreep der taal.

»Rah!quot; zeide lady Delmour, terwijl zij haar hoofd afwendde maar Godolphin bevond zich in een zonderlinge stemming. — Het is toch merkwaardig, dat wij inwendig zoo droefgeestig zijn, en toch uitwendig zulk een opgeruimdheid vertoonen kunnen. Op den donderslag volgde hier de bliksem: men prikkele de zenuwen van een trotschaard door vertwijfeling en jaloezie, en men zal een uitgelaten vroolijkheid en een uitbundig lachen opwekken.

Godolphin was zoo beminnelijk als een engel, en de jonge gravin verrukt over zijn vleiend gedrag.

»Hebt gij wel ooit bemind ? vroeg zij teeder, toen zij, na het eten, bij elkander zaten.

»0, ja!quot;

»Hoe dikwijls?quot;

sLees slechts Marmontels vertelling van de drie flesschen : een ander antwoord kan ik u niet geven.quot;

»0, dat is een heerlijke vertelling! Zij bevat de gansche geschiedenis der mannen. Fantasie, hartstocht en liefde zijn de drie flesschen, maar weinigen drinken uit de laatste.quot;

Ofschoon nu Godolphin met lady Delmour sprak, was echter zijn geheele ziel bij Constance; hij dacht alleen aan haar, alleen aan zijn wraak. Het is, met opzicht tot de liefde, een merkwaardig verschijnsel, dat zelfs aan de beste in hare soort de ijdelheid zoo veel deel heeft; en het blijft nog altijd de vraag, of wij, wanneer onze geliefde een ander boven ons de voorkeur geeft, en onze liefde deswegens in haat verandert, meer door het verlies onzer minnares, of door de voorkeur van dien ander, aangedaan zijn geworden. Ik houd mij van het laatste overtuigd; want ware het eerste wezenlijk het geval, dan zou men slechts klagen; doch de jaloezie maakt ons niet bedroefd, maar woedend: wij worden er niet door nedergedrukt, maar aangehitst. Wanneer wij echter oud worden en aan dezen hartstocht denken, lachen wij er om, dat hij ons tot zulke dwazen maakte; dat wij er zoo veel gewicht aan hechtten; en wij lachen tevens om den grooten hoop, die zich door dien hartstocht dermate heeft laten beheerschen. Het onderzoek van de drift der liefde gelijkt naar dat van het karakter des eenen of anderen grooten mans; wij staan verbaasd over het beuzelachtige, dat zich met zijn karakter paart, en wij vragen verwonderd : hoe is het mogelijk, dat zulke uitwerkselen uit zulke oorzaken kunnen voortkomen ?

Intusschen vervolgde Godolphin zijn sentimenteel gesprek met lady Delmour, tot haar echtgenoot, die veel werk van zijn koetspaarden maakte, kwam, om haar af te halen. Nu snelde Percy, bijna verheugd over deze verlossing, naar de bal-

-ocr page 88-

84

zaal terup, waar, ofschoon het gezelschap reeds eenigszins verminderd was, het dansen nog met den ijver, die altijd met het vorderen van den nacht toeneemt, werd voortgezet.

Wat mij betreft, ik werp, wanneer het zoo laat wordt, nu en dan wel eens een blik op een bal, en beschouw het als een herinnering van de vluchtigheid des tijds. Geen verlustiging toch behoort zoo geheel, zoo natuurlijk aan jonge lieden, in hun eerste, gedachtelooze, bedwelmde jeugd, aan hen, wier bloed een elixer is. Daar zie ik veel beter, dan op elke andere plaats, welk een wijde kloof er zich thans tusschen mij en mijn jeugd bevindt.

Is Constance een vrouw, dacht Godolphin, toen hij naar de balzaal terugkeerde, dan zal ik haar toch noodzaken, voor mijn wil te bukken. Ik heb mij op die kunst geenszins zoolang toegelegd, om juist thans, nu ik voor de eerste maal wensch te zegepralen, mij overwonnen te zien.

Terwijl deze gedachte hem bezielde en aanspoorde, hield hij zich steeds op eenigen afstand van Constance, zonder haar echter uit het oog te verliezen. Hij bleef bij lady Margaretha Midgecombe staan, sprak haar aan, en werd in weerwil van de trotschheid en onkunde der hertogin Winstnun, vrij beleefd behandeld. Er zijn zekere personen, die, te allen tijde en in alle kringen, zekere achting gebieden, welke zij zich door geen rijkdom, rang, ja zelfs door geen nauwgezet zedelijk karakter, maar slechts door een algemeen aangenomen onderstelling verwerven, dat talenten alleen haar kunnen vorderen, ofschoon talenten haar niet altijd verkrijgen; want niemand kan, zelfs in de beuzelende samenleving der groote wereld, op huldiging aanspraak maken, zonder zekere hoedanigheden te bezitten, door welke hij zich beroemd zou gemaakt hebben, indien hij daartoe in een gunstiger gelegenheid ware geweest. Hadde een Grammont of een C * \' * zijn studie nu en dan tot zulke doeleinden bepaald, die der bereiking waardig waren, dan valt het niet te betwijfelen, of zij zouden, in plaats van de helden van een of ander gezelschap te worden, zich een onsterfelijke roem hebben waardig gemaakt.

Aldus had Godolphin\'s Genius een glans rondom hem verspreid, dat zelfs de grootste trotschaards zijn beleefdheden gaarne Qntvingen en beantwoordden. Daarom bloosde lady Margaretha ook inderdaad van genoegen, toen hij haar ten dans verzocht. Men had, namelijk een dans verlangd, die toenmaals in Engeland nog niet zeer bekend was, en dien slechts zulke lieden verstonden, die op het vaste land verkeerd hadden. Dewijl nu de daarbij vereischt wordende passen een bijzondere bevalligheid vorderden, betoonden zelts van al degenen, die hem kenden, slechts zeer weinigen lust om er zich aan te wagen.

-ocr page 89-

85

Tot dezen dans werd lady Margaret ha door Godolphin opgeleid. Alles drong bijeen, om de dansenden te zien, en maakte, naarmate een paar in een wilden en duizelenden kring heen en weer vloog, zijn aanmerkingen over de smakeloosheid, de zonderlingheid ol\' plompheid van dien dans. Maar zoodra Godolphin voortrad, veranderde het gemompel eensklaps.

De langzame en stootende maat, waarin de muziek gezet was, strekte uitnemend, om de bevalligheid en evenredigheid van zijn gestalte te ontwikkelen. Lady Margaretha verstond den dans ook even goed, en dus overtrof dit paar de overigen zoo verre, dat elk het gevoelde en de een na den ander ophield ; en toen Godolphin, zoodra bij zich alleen zag, insgelijks ophield, lieten de toeschouwers hun goedkeuring luider hooren. dan anders in een fatsoenlijk gezelschap pleegt te geschieden.

Toen Godolphin aftrad, ontmoette zijn blik dien van Constance ; maar hij vond geenszins de uitdrukking, die hij ver7 wacht had: haar blik gaf noch de gramschap der jaloezie, noch de onrust van gekwetsten hoogmoed, noch den wensch naar verzoening te kennen. Veeleer teekende hij een somber vorschen, een pogen, om in zijn hart te dringen en te ontdekken, of zij werkelijk de macht bezat om hem te verwonden, dan of ieder zich bedrogen had. Nauwelijks had Godolphin dien blik opgemerkt of hij liet Margaretha eenvoudig staan, en was in een oogenblik bij Constance.

»Gij moet dezen avond wel geheel verrukking zijn,quot; zeide hij bitter; swant waarheen ik mij wend, hoor ik slechts uwen roem: elk bewondert u, en hij die u niet zoozeer bewondert als vereert, hij alleen is niet waardig, dat gij acht op hem slaat. Hij, wien slechts een gering vermogen ten deel viel, mag, trouwens, niet naar datgene streven, wat domheid, met rang en geld gepaard, zich meenen te kunnen toeëigenen, de hand, namelijk, van Constance Vernon.quot;

Godolphin zeide dit op een treffenden maar bedaarden toon. Constance werd doodsbleek en beefde, doch gaf hem niet dadelijk antwoord, maar ging naar een eenigszins buiten het gedrang zich bevindenden stoel, waar Godolphin haar volgde en zich naast haar nederzette. Hier eerst begon Constance, ofschoon met eenige inspanning, in dezer voege: »gij hebt derhalve gehoord mijnheer Godolphin, wat hier gesproken is geworden, en dat smart mij. Heb ik u beleedigd, dan bid ik u om vergiftenis; zelfs bid ik u er innig, hartelijk om. God weet, ik zelve heb van onnutte woorden en van de geringschattende meening, waardoor deze harde wereld de armen grieft, te veel geleden, om niet, wanneer ik een ander, en vooral u (hare stem beefde), vooral u op dezelfde wijs beleedigde, diep hartzeer en schaamte te gevoelen.quot;

L Constance sloeg, terwijl zij sprak hare oogen op Godolphin, Constance sloeg, terwijl zij sprak hare oogen op Godolphin,

-ocr page 90-

86

en zij zwommen in tranen. Bij deze teedere stern, bij dezen blik smolt zijn hart; want tot hem had de trotscheConstance deze vriendelijke woorden van verontschuldiging gericht; tot hem, wiens tijdelijke omstandigheden haar en, zoo als zijn verstand hem zeide, op een haar zoo onwaardige wijs waren geschetst geworden.

»0, miss Vernon,quot; zeide hij op een teederen toon, »o, miss Vernon — Constance — dierbare, dierbare Constance ! Mag ik u zoo wel noemen ? Hoor slechts één woord ! Ik bemin u met een liefde, die mij geene woorden in den mond geeft, om u haar te schilderen. Ik ken mijn gebreken, mijn armoede mijn onwaardigheid, maar — maar — mag ik hopen1?quot;

Het geheele vrouwelijke gevoel sprak uit Constance\'s gelaat, toen zij naar deze woorden luisterde. Haar wangen gloeiden, haar oogen waren vochtig, haar borst zwoegde. Ieder woord dezer afgebrokene toespraak drong diep in haar hart; nimmer vergat zij den toon dezer stem. Het kind moge zijn moeder vergeten, en de moeder haar kind verlaten, maar nimmer, nimmer verdwijnt uit het hart eener vrouw de herinnering der eerste liefdesverklaring van een, die haar eersle liefde was. Meer dan eens sloeg zij haar oogen op en neder, en eindelijk zeide zij :

»Er kan niets van komen; want het is dwaasheid, waanzinnigheid van ons beiden.quot;

»Zeg dat niet, o, zeg dat niet!quot; fluisterde Godolphin op den zachtst mogelijken toon eener slem die nooit ruw zijn kon. Het moge, als gij wilt, dwaasheid, waanzinnigheid zijn, dat de door allen vergode miss Vernon naar de liefdesverklaring van een zoover beneden haar staanden bewonderaar zou hooren ; maar beproef mij — ik bid u, beproef mij, en gij zult — ja gij zult binnen weinige jaren ondervinden en bekennen, dat deze dwaasheid het geluk, dat voorzichtigheid en eerzucht anders gewoonlijk genieten, verre overtroffen beeft.quot;

vHier,quot; antwoordde Constance in een tweestrijd van aandoeningen. »Hier is het geen plaats voor zulk een gesprek.

Wij zullen elkander morgen wederzien — in de groene kamer.quot;

)gt;0p wat uur?quot;

»Te twaalf ure.quot;

»Mag ik dan ten minste zoolang hopen ?quot;

Constance verbleekte op nieuw en hernam, met een stem, die, ofschoon zij bijna fluisterend was, zijn eensklaps opgge-vatte en vreugdevolle verwachting hijna geheel deed verdwijnen, sneen, Percy, er is voor u geen hoop, volstrekt geene!quot;

-ocr page 91-

XVIII.

Hel Gesprek. — De crisis van een leven.

De groene kamer was dezelfde, die wij reeds vermeld hebben, en waar Constance gewoonlijk vertoefde, wanneer er geen gezelschap was, dat haar verplichtte, om in de groote zaal te komen. Ik heb vergeten te zeggen, dat Godolphin het aanbod van Lady Erpinham, om, wegens den afstand en de slechte wegen, dien nacht op haar kasteel te blijven, met genoegen had aangenomen. Nog eer het afgesproken uur geslagen had, bevond hij zich reeds voor de bewuste kamer.

Hij had den nacht zonder naar bed te gaan doorgebracht en, terwijl hij onrustig zijn kamer op en neer wandelde, de woorden overdacht, waardoor Constance de door haar zelve gegeven hoop scheen te vernietigen. Alle eigenbatige plannen en bedenkelijkheden van dezen reeds vroeg in den vorm van wereldsche speculatiën gegoten, maar echter nog niet geheel verharden man waren, als door een tooverslag, uitziju ziel verdwenen. Hij dacht niet meer aan datgene, waarvan hij, bij het ontvangen barer hand zou moeten afzien; neen, hij dacht, met al den gloed van jeugdige, ware liefde, aan niets dan aan haar. Het scheen hem toe, als of er op de gansche aarde niets meer bestond, dan het kleine vlek, waar zij leefde en zich bewoog: op armoede, ontbering en arbeid, op de verwisseling van al de gewoonten zijns vroege-ren levens, op beroepsbezigheden en zelfverloochening — op dit alles zag hij, niet zoo zeer met bedaardheid, maar met een soort van zegepraal neder.

»Laat Constance slechts de mijne worden !quot; riep hij herhaalde malen, maar even dikwijls sloegen bare zoo noodlottige woorden : er is voor u geen hoop ! volstrekt geene! zijnen moed dermate neder, dat hij knarstandde en mompelde : «maar zij wordt de mijne niet — zij zal de mijne nooit worden!quot;

-ocr page 92-

88

Alvorens echter het middaguur het middaguur geslagen had, was zijn gewoon vertrouwen gedeeltelijk teruggekeerd. Het was hem gelukt, den oogenschijnlijken zin dier woorden eenigermate weg te redeneeren, en hij verliet den tuin, waar hij zijn koortsachtige hitte door de frissche lucht had trachten te verkoelen, om zich met een allezins nog twijfelachtig en beklemd hart, maar toch geenszins met een volstrekte moedeloosheid en vertwijfeling, naar de afgesproken kamer te begeven.

Het was dien dag donker weer. Een fijne stofregen, drijvende en toch aaneengeschakelde wolken, door welke geen enkele streep van den blauwen hemel zichtbaar was, en die zich bij het ophouden van den geringsten wind, nog dichter opeen schenen te zullen pakken, gaven door haren onweer-staanbaren invloed, aan zijn reeds ontmoedigende gedachten nog meer somberheid.

Toen hij reeds de eene hand aan de deur had geslagen, bleef hij plotseling staan en luisterde. De hevige en smartelijke inspanning, waarin al zijne zinnen zich bevonden, bracht hem in de verbeelding, dat hij, ofschoon hij zich nog buiten het vertrek bevond, Constance\'s adem hooren, of haar schoone gestalte, als door een zielsverrukking, zien konde. Zachtkens opende hij de deur, maar alles was stil en ledig — Constance bevond zich niet in het vertrek!

Het was echter, alsof juist deze omstandigheid hem eenige verlichting schonk. Hij ademde vrijer eu scheen tot de samenkomst meer voorbereid. Nu ging hij in de vensterbank zitten, doch het duurde niet lang, of hij rees weder op ; want hij had nergens rust; vervolgens wandelde hij op en neer en bleef slechts een oogenhlik staan, wanneer het eene of andere voorwerp hem voormalige, kalmere uren herinnerde. De boeken, die hij bewonderd en, bij zijn vertrek, weer op hun vorige plaats in een ander gedeelle van het kasteel gebracht had, vond hij thans hier op tafel liggen: zij vielen van zelf open bij de plaatsen, welke hij Constance had voorgelezen : in zijne tegenwoordigheid waren deze plaatsen haar niet bewonderenswaardig voorgekomen, maar in zijn afwezen waren zij haar dierbaar geworden. Toen hij zich met een kloppend hart van deze zwijgende bewijzen harer liefde afkeerde, schrikte hij op het zien van het sprekend gelijkende en schier levend evenbeeld van Constance, namelijk het portret van haar vader dat hem uit een lijst recht tegenover hem aanblikte. Deze, door een der knapsten van onze nieuwere groote kunstenaars geschilderde beeldtenis stelde Vernon in het meest trotsche tijdperk van zijn geluk en roem voor : hij was afgebeeld in een houding, waarin hij een der meest doeltreffende volzinnen uit een zijner schitterendste redevoeringen

-ocr page 93-

89

had uitgesproken: de hand was opgeheven, de voet voorwaarts gezet, de borst gespannen. Leven, veerkracht en zegepraal flikkerden uit de donkere oogen, ademden uit de gezwollen neusgaten, stroomden uit den met geestdrift bezielden mond. Dit edele voorhoofd, deze regelmatige trekken, deze houding, waarin de heerschappij van :?ijn genie doorstraalde, geleken sprekend naar de meer zachte vormen van Constance. Dooide kunst des schilders en de uitdrukking van het portret geboeid stond Godolphin nog in de beschouwing der beeltenis verdiept, toen de deur openging, en Constance binnentrad. Zij glimlachte kwijnend, doch vriendelijk, toen zij naar hem toe kwam, en wees hem, terwijl zij zelve ging zitten, een stoel, op een geringen afstand, aan. Hij gehoorzaamde stilzwijgend haren wenk.

»Godolphin !quot; zeide zij op een zachten toon ; maar hij sloeg, bij den klank harer stem, zijn oogen op en vestigde ze met een zoo dringenden blik op haar, dat Constance, daar zijne liefde en de beklemheid van zijn hart zoo duidelijk in dien blik doorstraalden, de kracht verloor, om, in de eerste oogen-blikken, verder te spreken. Doch zoodra hij haar aanzag, ontdekte hij ook terstond, hoe vermogend de door hem gemaakte indruk geweest was. Niet het minste spoor van rood vertoonde zich meer op haar wangen ; zelfs haar lippen waren bleek, haar oogen van tranen gezwollen, en, ofschoon zij bedaard en gevat scheen, was de majesteit, die haar voorkomen anders kenmerkte, geheel verdwenen. Zij scheen als van schrik ineengekrompen te zijn. Het trotsche en veerkrachtige van haar schoone gestalte had voor nederigheid en kommer, diepen, harlstochtelijken, en evenwel bedaarden kommer plaats gemaakt. — «Godolphin!quot; herhaalde zij, na eene poos zwijgens, santwoord mij naar waarheid en oprecht, niet met de vleiende beleefdheid der groote wereld, maar eenvoudig en openhartig. Werdt gij gisteren avond niet bij verrassing, \'door een plotselinge voorbijgaande hartstochtelijkheid tot onvoorzichtige uitdrukkingen vervoerd\'? Hebt gij niet iets gezegd, dat gij, bijaldien gij toen alles bedaard en verstandig overdacht hadt, zeer zeker zoudt gezwegen hebben ?quot;

»Miss Vernon,quot; hernam Godolphin, »al wat ik gisteren avond gezegd heb, herhaal ik thans met bedaardheid en bedachtzaam overleg; al het geluk, welks mogelijk genot ik mij slechts voorstellen kan, ligt in uwe handen.quot;

»lk wenschte inderdaad wel,quot; zeide Constance, »dat ik u met behoefde te gelooven : ik heb over uwe woorden ernslig nagedacht. De bekentenis uwer genegenheid treft mij, boezemt mij dankbaarheid in, maakt mij trotsch, ja, wezenlijk trotsch — maar —quot;

»0 Constance!quot; riep Godolphin, zich onstuimig aan hare

-ocr page 94-

90

voeten werpende, met, een stem, waaruit de doodsangst sprak ; «Constance, wijs mij toch niet af!quot;

Met deze woorden vatte hij hare hand, die zij ook niet terugtrok. Hij zag naar haar op : haar gelaat gelaat gloeide van een hooger rood dan gewoonlijk en eer dit nog geheel verdwenen was, had hare aandoening zich in tranen opgelost, die thans stroomswijze langs haar wangen vloeiden.

»0 geliefde!quot; zeide Godolphin plechtig en teeder, «waarom strijdt gij tegen u eigen hart ? Ik lees thans in uw hart — en dit is niet tegen mij.quot;

Constance weende nog aanhoudend, en Godolphin vervolgde »ik weet, wat gij zeggen wilt en wat gij gevoelt. Gij verbeeldt u, dat ik — dat wij beiden arm zijn ; dat gij de vernederingen dier trotsche armoede, welke de tot hoogeren rang geboren menschen zoo moeielijk overwinnen, niet zult kunnen verdragen. Gij schaamt ü, uw lot aan dat eens mans te verbinden, die onbezonnen — buitensporig — ja, laat het zoo zijn, baatzuchtig geweest is. Gij durft liet niet wagen, uw geluk een man te vertrouwen, die, als hij dit vernietigde, niets — geen rang — geen vermogen — niets, wat een gebroken hart zou kunnen heelen, of de grieven van dat liart tenminste rnet den kostbaren mantel van macht en rijkdom bedekken, de vergoeding daarvan kan aanbieden. Heb ik geen gelijk, Constance? Heb ik niet in uwe ziel gelezen?quot;

«Neen!quot; zeide Constance met nadruk. «Ware ik de dochter van een anderen man, dan mijn vader; ware ik in alle dingen, in hart en geest, dezelfde, die ik thans ben, en hadde ik slechts een zeker gevoel, een zeker doel, een zekere herinnering niet, dan zou ik — God is mijn getuige ! aan armoede en aan ontbering niet eens denken — ik zou op uwe verzekeringen, op uwe genegenheid vertrouwen, ja, ik vertrouw er ook thans op. Hebt gij misstappen begaan, dit weet ik niet. Zegt een ander, dan gij zelf, mij, dat gij ze begaan hebt, dan geloof ik hem niet. Ik vertrouw u geheel en onbepaald. God, zeg ik nog eens, is mijn getuise, dat ik, bijaldien ik naar de inspraak van mijn hart mocht luisteren, met vreugde in uw lot deelen, ja er trotsch op zou zijn. Gij vergist, u, als gij denkt, dat ik mij door alledaagsche, lage eerzucht zou kunnen laten vervoeren. Neen, ik zou uwer waardig kunnen zijn I De dochter van een John Vernon kon een waardige vrouw voor den man zijn, die, schoon arm, genie bezit. In uwe armoede zou ik u kunnen vervroolijken, bij uwen arbeid u ondersteunen, in uwe ongevallen u vertroosten, in uw geluk met u triomfeeren. Maar — maar daarvan kan niets komen. Zie van mij af, Godolphin, dierbare Godolphin ! Er zijn duizenden, die beter en schooner zijn, dan ik, en die voor u zijn kunnen, wat ik wenschte te kunnen zijn.

-ocr page 95-

91

die de macht, bezitten, die mij ontbreekt, en die, in plaats van in uw vermogen te deelen, tot uwe verheffing kunnen bijdragen. Nog eens, zie van mij af, en bijaldien dit u troosten en u uwe bedaardheid hergeven kan, wees dan verzekerd, dat ik niet ongevoelig voor uwe liefde geweest ben. Mijn beste wenschen, mijn vurigste gebeden, mijn innigste hoop zullen u overal vergezellen.quot;

In weerwil van haar tranen en hevige aandoeningen bleef zij toch nog Constance. Zij rees overeind, maakte hare hand uit die van Godolphin los en stond gereed om de kamer te verlaten; maar Godolphin hield, nog steeds knielende, haar gewaad vast, zoodat zij niet weg kon, en zeide; «verniel toch het beeld, dat gij zelve mij hebt voorgehouden, niet weer! Gij hebt u als mijn steun, als mijn helpster, als mijn troosteres voorgesteld, en waarlijk, gij kunt — gij kunt dit zijn. Gij kent mij, Constance. Laat mij derhalve een woord voor mij zeiven spreken. Tot hiertoe heb ik den roem geschuwd en de eerzucht vermeden. Het leven scheen mij te kort, en zelfs het verwerven van roem zoo armzalig toe, dat ik geen enkel uur van genot aan den arbeid zou hebben opgeofl\'erd. Maar om u wil ik gaarne van deze levenswijze afzien. — \\oor mij zelf zou ik naar geen eerambt, maar voor u wil ik naar alles dingen. Geen werk zal mij te vervelend zijn, geen vermaak zal mij daarvan aflokken. Ik wil van mijn tegenwoordige nietswaardige, dwaze manier, om mijn tijd te slijten, afstand doen. Ik wil het groote, het openbare strijdperk betreden, waar allen, die met geduld en veerkracht gewapend verschijnen, van hunne overwinning zeker zijn, Constance, ik ben niet zonder talenten, ofschoon zij misschien in mij gesluimerd hebben: spreek slechts dat ééne woord uit, en gij weet niet, wat gij in staat zijt van mij te maken.quot;

Godolphin beschouwde de besluiteloosheid van Constance als deelneming en vervolgde:

sWij zijn beiden verlaten in de wereld, Constance wij zijn weezen, zonder vrienden, zonder vermogen; en evenwel hebben wij beiden ons, zonder behulp van vrienden, een weg gebaand en, zonder eenig vermogen te bezitten, al die ons omringden, beheerscht. Is dit niet een bewijs, dat wij, bijaldien wij ver-eenigd zijn, ons lot dwingen en meer schitterend maken kunnen. En daar wij met ons beiden alleen in de woelige strijdzuchtige wereld zullen optreden, zullen wij na iederen strijd, tot onze eigen harten wederkeeren en daar troost en toevlucht zoeken. Alles zal dienen, om ons al vaster en vaster aan elkander te hechten. De gedachte aan onze vroegere verlatenheid, de verwachtingen voor de toekomst zullen onze tegenwoordige liefde slechts versterken. En hoeveel aangenamer, Constance, zal elke eerbetuiging voor u zijn, als wij

-ocr page 96-

9-2

die verwerven, geheiligd door het ofter, dat wij gebracht hebben, door de gedachte aan de vele uren, waarin wij ontmoedigd, evenwel troost aan elkander vonden, door de gedachte, hoe wij door medegevoel onze smarten lenigden, en zelfs het geringste gevolg door de dierbare betrekkingen, waarmee wij het in verband brachten, veredelden. Ja, hoeveel aangenamer zullen u zulke eerbewijzingen zijn, dan waarover gij thans, maar met een koel hart, beschikken kunt, en die u vervelen, wijl zij te licht verkrijgbaar zijn; die een lage waarde hebben, wijl zij niet, door roem verhoogd worden. O, Constance, zult gij mij niet verhooren ? Hebben de liefde, de natuur, het hart niet gezegepraald ?quot;

Terwijl hij aldus sprak, had hij zich langzamerhand opgericht en zijn arm om haar heen geslagen. Haar hoofd zeeg op zijn borst, hare hand rustte in de \'lt;ijne, en zijne lippen raakten ongestraft haar wangen aun. In dit oogenblik hing beider lot aan een haar. Hoe geheel anders zou beider levensplan en karakter geworden zijn, bijaldien Constance het woord, dat beur hart haar ingaf, hadde uitgesproken. En misschien zou zij dit ook gedaan hebben; maar toen zij haar oogen opsloeg vielen zij op hetzelfde voorwerp, waardoor Godolphin een weinig te voren zoo levendig was getroffen geworden, en plotseling, als door een elektrieken schok, veranderde de loop barer gedachten. Het beeld van haar vader bevond zich vlak voor haar. Zijn steeds zoo indrukwekkende houding scheen haar in dit oogenblik nog gebiedender en dreigender te worden. Het was volkomen Vernon\'s gelaat, zoo als hij sprak, waarschuwde, vertoornd was, zooals zij het dikwijls in zijn bijzonder leven gezien, zoo als het op het einde zijns levens, vol gramschap tegen zijn valsche vrienden gezien, ja, zoo als zij het, maar schrikbarender en spookachtiger door de doodskleur in zijn laatste oogenblikken gezien had, in de oogen-blikken, waarin hij haar tot volvoering van zijn wraak verplicht en haar bevolen had, haar leven niet aan de liefde, maar aan de herstelling zijner geschondene eer te wijden.

Bij het aanschouwen van dit gelaat drong zich tevens de sombere herinnering dier plechtige gelofte aan haar op, en de zwakheid der liefde week voor het in al zijn kracht ferug-keerend besluit, dat in haar vroegste jaren opgevat, in haar droomen gekoesterd, door haar studiën bekrachtigd en door de stoute veerkracht van een verheven en toch dweepend karakter tot de bestemming, ja, tot den godsdienst van haar leven op den duur geheiligd was. Zij rukte zich van den verbaasden en ontstelden Godolphin los, wierp zich opeens voor de beeldtenis neder, haar lippen bewogen zich snel, het korte gebed om vergiffenis was gedaan, en Constance rees als een nieuw wezen op. Nu keerde zij zich tot Godolphin,

-ocr page 97-

93

wees met haar hand naar het portret en zeide, terwijl zij haren geliefde met fonkelende oogen aanzag.

»Zoo als gij thans denkt, zoo dacht hij, wiens stem van de doek lot u spreekt; hij, die het pad betrad, dat gij betreden wilt, hij, die dezelfde moeile, dezelfde pogingen, dezelfde krachten besteedde, waarover gij beschikken wilt, die hetzelfde genie bezat, dat u bezielt, hij, die verwierf, wat gij eindelijk ook zoudt wenschen te verwerven, namelijk, den glimlach der vorsten, het vertrouwen der aanzienlijken en de glibberige hoogte, die alleen de grootste, de beste en de wijsste staatsman van ons land, bijaldien hij niet door een gemeene, intriguante oligarchie gedwarsboomd wordt, bereiken kan. Hij waarschouwt u thans voor dien valschen roem, voor dien droevigen zegepraal.quot; — »0, Godolphin,quot; vervolgde zij, zoodra zij van de, haar anders geheel niet eigen geestvervoering weer tot zich zelve was gekomen; »0, Godolphin, ik heb dezen man zien sterven, ik heb hem verlaten, eenzaam, door zijn genius vervloekt, door zijn geluk in den grond geboord, zien sterven; ik heb hem zien sterven aan een gebroken, een verscheurd hart. Moet er dan nog een offer door denzelfden vloek vallen, nog een offer, onder hetzelfde lot bezwijken? Kan ik met een onverschillig hart dit offer aanzien en — zwijgen? kan ik, overtuigd van een zekeren ondergang, u met valsche hoop streelen? Neen, neen, ontvlucht mij, ontvlucht de gedachten aan zulk een lot; huw een meisje, dat u rijkdom en rang aanbrengt, wees dan, wanneer gij het toch wilt zijn, eerzuchtig. Laat mij aan mijn lot over, laat mij mijne gelofte vervullen en gun mij, hoe ellendig ik ook worden moge, den troost, dat ik ten minste u niet reddeloos ongelukkig heb gemaakt.quot;

Zoodra zij uitgesproken had, ging zij ijlings heen; Godolphin snelde haar na, maar de deur sloot zich voor zijn oogen, en hij zag Constance als Constance Vernon nimmer weder.

-ocr page 98-

XIX.

I\'j\'tt zotskap en losbol van de hesle {slechtste) soort. — Gesprek over (luizende onderwerpen. — De hersc/tep-ping van een Sui profusus (verkwister) in een alieni appetens {hebzuchtige)

In de dagen, waarvan ik thans spreek, stond er, in Chester-field-street, zeker huis, Mayfair geheeten, waar weinige jonge lieden, die gaarne een schitterend gezelschap bijwoonden, voorbijgingen, zonder het verlangen te gevoelen, om kennis met de bewoners te maken. Aan dit klein en somber huis, met zijn donker groene gordijnen en altijd gesloten luiken, verbond zich een belangrijk, een geheimzinnig feit. Hier kwam des avonds meer dan eene huurkoets, waaruit menige dame stapte, die er schijnbaar op gesteld was om onbekend te blijven; ofschoon de roep, waarin zij stonden, der moeite, om zich te maskeeren, inderdaad niet meer waardig was. Slechts zeer zelden kwam men in den vroegen morgen van het een of ancler vroolijk gezelschap terug, zonder hier liet geraas van een uilgelaten zwelgpartij te hooren. Uit huis werd bewoond door een man, die nooit openlijk had uitgemunt, en toch in de groote wereld den grootsten rol speelde; die in zijn jeugd de uilgeleerdste lichtmis geweest was, en op zijn meer gevorderden leeftijd de bevalligheid van een Grammont met diens bedorven hart en gebrek aan grondbeginsels paarde. Tegelijk gevreesd en veracht, bemind en gehaat, bespot en geëerd, scheen August Saville de ware genius der ondeugd, ja, de verfijnde ondeugd zelve in levenden lijve te zijn. Tot dusver hebben wij slechts van hem gesproken, thans zullen wij zijn portret ophangen.

Uit een adellijke, maar arm geworden familie gesproten, en als jongste zoon tot een dubbelzinnigen, soberen stand bestemd, had hij zijn leven in uitgelaten, maar niet grove bui-

-ocr page 99-

U5

tensporigbeid doorgebracht. Ongelijk aan andere mannen, die zich duor jeugd, geld, aanzien en adeltrots tot dwaasheden, die zoo wel den goeden smaak, als de goeden zeden kwetsen, laten verleiden, had August Saville nog nooit een misstap begaan, die niet door vriendelijkheid vergoelijkt en door een ^roote én verplichtende bescheidenheid verzacht was geworden. Hoezeer een verleider en stelselmatig najager van het vermaak, had hij echter nog nooit een vrouw van haar naam of stand beroofd. Nooit hadden zijn intrigues tot een geheele of gedeeltelijke echtscheiding, tot een publieke schandvlekking, of een ergerlijk pleitgeding aanleiding gegeven; hetzij, dat hij degene, die hij tot liet misdrijf verleidde, ook de kunst leerde om zich door een masker tegen de kwade gevolgen te beveiligen; hetzij dan, dat hij zijn offers met zulk een juiste kennis van haar karakter en betrekkingen, wist te kiezen, dat hij overtuigd kon zijn, dat het bij hem verborgen geheim ook door niemand anders zou ontdekt worden. De gansche wereld erkende, dat de pogingen van August Saville steeds met het schitterendste gevolg waren bekroond geworden; maar niemand kon zeggen, wie van de velen, aan welken hij zijn hof maakte, zich door hem had laten overwinnen. Al wat hij deed, bedekte hij steeds met denzelfden sluier van stille, maar zegerijke bescheidenheid Nimmer had hij zich vernederd, om zich door pracht in koets en paarden een naam te maken. Zijn equipage droeg niet de minste blijken van een zucht, om zich van andere te onder scheiden, en nog minder bootste hij die aanstootelijkste van alle pronkerijen, die beleedigende overdrijving der netheid, die gemaakte eenvoudigheid na, welke, volgens de hoogst belachelijke denkwijze onzer jongere edellieden en rijk geworden bankiers, den bon ton uitmaken. Geen tuig, waaraan het koper zorgvuldig vermeden was, geen liverei, die naar den eenvormigen tooi eens gentleman geleek, en geen paardedek-ken zonder het wapen, waarover ware adel zich zoo weinig schamen moet, als hij er trotsch op behoeft te zijn, veranderde bij hem den eenvoudigen smaak in een pronken met eenvoudigheid. Zelden verscheen hij bij wedrennen, en reed ook nooit te paard, ofschoon hij in de kansberekening bij de eerste een volleerd meester, en, wat het tweede betreft, voor den knapsten ruiter van zijn tijd bekend stond. Terwijl hij nu ten\'opzichte zijner kleeding, zorgvuldig datgene koos, wat hem het fraaist stond, vermeed hij tevens, door onverschilligheid omtrent kleinigheden, den schijn van een modepop te zijn. Hij stelde zijn waarde niet in de sierlijkheid zijner laarzen, en duldde, zonder daarover te zuchten, een valschen plooi in zijn rok; en evenwel bekenden de toenmalige pronkers, dat niemand er, over het geheel meer als een gentleman uitzag dan hij ; en schoon hij door geheel andere middelen, dan door

-ocr page 100-

96

zijn kleeding, opgang zocht te maken, wilde hij toch zelfs door die kleeding, volstrekt geen aanstoot te geven. Hoezeer hij nu den schijn van een fraai vernuft van beroep, of van een lastigen prater zorgvuldig vermeed, was hij toch satiriek, geestig en ten hoogste levendig in het gezelschap der weinige personen, met welken hij nu en dan verkeerde of gemeenzaam omging; en hoewel hij alle uitnoodigingen om als ambtenaar op te treden van de hand had gewezen, was hij echter met de drijfveeren der tijdsgebeurtennissen genoeg hekend om zelfs zijn vertrouwdste vrienden van zijn kunde in staatszaken en van zijn talenten in dat vak te overtuigen.

Hij was in armoede geboren, en had echter bijna dertig jaren als een rijk man geleefd. Maar waarin bestond zijn kunst? Hij leefde van anderen. Hij verstond alle gezelschapsspellen meesterlijk, en wist zelfs met zulke, die van het geluk afhingen, door een koelbloedige, stelselmatige berekening, altijd zijn voordeel te doen. Men hield hem wel verdacht, dat hij valsch speelde, maar deze beschuldiging had den ijver, waarmede men hem steeds opzocht, nog nooit kunnen verkoelen. Door een beteren smaak en groot ere vriendelijkheid en achting, dan Brummel1), geleid, verkreeg hij hetzelfde, hoezeer dan ook een meer geheim overwicht. Allen waren begeerig om hem te leeren kennen; de jonge nieuweling gevoelde, dat hij, zonder met hem kennis gemaakt te hebben, niet behoefde te denken opgang in de groote wereld te zullen maken; zelfs kwamen gemeene wezens, door met hem te verkeeren, in een soort van eer en aanzien. Ook kon men, uitgezonderd misschien het twijfelachtige met den ongelukkigen Johnstone, hem niet te laste leggen, dat hij ooit, of een vrouw te schande gemaakt, of een man in den grond geboord had; want hij won van niemand, al ware de persoon nog zoo op het spel verzot, ooit, meer, dan de helft van diens vermogen af, en liet het zijnen handlangers over, zulk een geheel uit te plunderen; ja, men hoorde hen, die de meeste reden hadden, om zich over hem te beklagen, meer dan eens zeggen: «och, Saville, ik wou wel, dat ik uwen raad gevolgd en opgehouden had, toen ik nog mijn half vermogen bezat.quot; Zij vermoedden trouwens niet, dat de tweede helft zich ook in Saville\'s handen bevond, wijl het verlies der eerste hen slechts op het spel verzot, maar nog niet arm gemaakt had.

Behalve deze, zoo geheel op de wereldsche betrekkingen gegronde manier om geld te slaan, had Saville zijn scherpen blik en stouten geest ook nog op andere speculatiën gericht.

■) Zie den Pelham van Bulwer.

-ocr page 101-

97

Het aankoopen van fraaie paarden en goede huizen voor een geringen prijs, het paitij trekken van liet rijzen en dalen dei-fondsen, en het handelen in alle soorten van eigendommen hadden al zijn oplettendheid getrokken, en in de meeste gevallen waren dergelijke speculation (en hoogste gelukkig voor hem uitgevallen. Daardoor was hij thans, hoezeer nog ongehuwd en van middelbare jaren, een zeer rijk man, en aldus, zonder zich ooit karig betoond, zonder zich een enkel artikel van weelde, of eenigen wensch ontzegd te hebben, van gering aanzienlijk en van arm vermogend geworden.

Het was middag; Saville had juist zijn ontbijt langzaam genuttigd en sprak met een jongman, die tegenover Kem achteloos op een sofa lag. De inrichting van hel vertrek stemde volkomen met den smaak van den eigenaar overeen. Nergens zag men goud, fluweel ot ingelegd werk ; dat, trouwens, bij den ge-ringen omvang van het kabinet, ook niet zou gepast hebben. Maar de meubelen waren nieuw en echl, kostbaar en prachtig zonder eenig vertoon van weelde. Eenige fraaie schilderijen en verscheiden uitmuntende borstbeelden en figuren van brons, op marmeren voetstukken, gaven aan het vertrek iets klassieks, iets bekoorlijks. In het achterste vertrek, een kleedkamer, waaruit men in den tuin van lord Chesterfield zag, stond dicht voor het venster een met fraaie uitheemsche planten gevulde hak, het eenigste stuk, dat door een bedilziek opmerker te verwijfd en te wulpsch zou hebben kunnen gevonden worden.

Hij zelf was thans zeven en veertig jaar oud, rijzig en mager, zonder uitgeteerd te zijn. Zijn eenigszins gebukte, maar toch bevallige houding deed zijn gestalte, die de gewone manshoogte even overtrof, kleiner schijnen dan zij werkelijk was. In zijn jeugd was hij schoon geweest; doch thans had zijn gansche persoon, buiten een zeer zacht pn innemend voorkomen, geen spoor van bekoorlijkheid meer. Zijn smal, maar, hoog voorhoofd, zijn scherpe adelaarsneus, zijn grauwe oogen en de spotachtige kromming zijner lippen verrieden alleen iets van zijn waar karakter.

In die trekken las men, of meende men de wisse kunst, de zekere overtuiging van anderen te kunnen misleiden, gepaard met de bekwaamheid, om anderen spoedig en ongemerkt te doorgronden, welke de voornaamste begaafdheden van zijn geest uitmaakten, duidelijk te lezen. Van alle eigenschappen is de kunst om te veinzen het spoedigst in de fisionomie te ontdekken, en men mag het een geluk achten, dat de lange gewoonte om te bedriegen somwijlen een merkteeken achterlaat dat de persoon zelf bedriegt.

»Maargij verhaalt mij in het geheel niet, mijn lieve Godolphin,quot; zeide Saville, terwijl hij een stuk wittebrood in zijn chocolade doopte, »hoe het u te Rome gegaan is. Waren er veel lieden

-ocr page 102-

98

van den echten stempel ? Kareis van stavast en met vuur in het lijf; mannen, die ons onze kracht herinneren en ons opwekken — met wie men niet beuzelen of lanterfanten kan — die zich van onze koele bedaardheid, ons goed geheugen en onzen doortrapten geest bedienen — met één woord, mannen van mijne kunst, de kunst om te spelen; waren er zulke?quot;

»Niet veel, maar eershalve genoeg; ik voor mij heb het spelen om te winnen reeds lang verzegd.quot;

«Och, ik heb altijd wel gedacht, dat het u aan de volharding ontbrak, die lot de sterkte van karakter behoort. Maar hoe staat het thans met uw geld? Hebt gij genoeg, om weer met glans te kunnen optreden ?quot;

»0 ja, indien ik er trek in had. Maar ik keer naar Italië terug. Binnen een maand vertrek ik.

»Hoe ? en pas zoo even in stad gekomen, en een erfenis in den zak?quot;

«Welk een erfenis?quot;

»Het gerucht, dat gij een kapitaal geërfd hebt. En zoo gij verstandig zijt, zult gij niemand vertellen hoeveel het is. Zijt gij nog zulk een nieuweling, Godolphin, dat, gij zoolang gij nog zooveel krediet hebt als gij wenscht, de opbrengsten meer dan dit kruimpje wittebrood rekent ? Krediet! Waarlijk, een heerlijke uitvinding! Het is de zedelijke nieuwe wereld, waar wij naartoe vluchten, wanneer wij uit de oude verbannen worden. Krediet! De ware barmhartigheid der A\'oor-zienigheid, waardoor hij, die anders van honger zou moeten sterven, in overvloed leeft en met gebrek lijdende rijken den spot drijft. Krediet! Bewonderenswaardig stelsel, even uitmuntend voor hen, die het nemen, als voor de weinige wijzen, die het geven. Wilt gij geld van mij te leen, Godolphin ?quot;

»Voor hoeveel percent?quot;

»Welnu, de fondsen zijn laag, ik zal dus redelijk zijn. Maar neen, ik wil het met u regelen als met George Sinclair. Gij kunt zooveel krijgen als gij behoeft, en mij daarvoor slechts een vergoeding geven, als gij een rijke erfgename huwt. Wat duivel! gij schrikt, op het bloote woord huwen!quot;

»Het is een leelijk woord, dat een man dadelijk aan een keten doet denken!quot;

))Gij hebt gelijk; daaraan herken ik mijn kweekeling. De oude tooneelpoëeten waren domooren, toen zij zeiden, dat de mannen door het huwelijk de vrijheid van hun persoon verloren. Zij verliezen, wel is waar, hun vrijheid, maar alleen die van den geest. Wij houden op onafhankelijk van het gepraat der wereld te zijn, wanneer wij met een vrouw en een dikken huisonderwijzer, twee kinderen en een familiekoets in het achtbare gild der getrouwde mannen komen. Het maakt.

-ocr page 103-

on

trouwens, den gentleman niet veel beter clan een kruidenier of een koning. Gij hebt dus Constance Vernon niet gezien? Weg met die dwaasheid, Godolphin! Gij keert uom! Meent gij dan, dat ik uw zwakheid niet op hetzelfde oogenblik, dat gij haar naam uitspraakt, oplette? En meent gij, mijn lieve jonge vriend, dat ik, die bijna een halve eeuw oud hen en onze natuur en den ganschen thermometer van ons bloed ken, daarom zelfs een enkel haartje slechter van u denk, wijl gij een gril gehad, of, zoo gij liever wilt, liefde voor een vrouw opgevat hebt, die een kluizenaar, of iemand die nog koudvoch-tiger is, een losbol, in vuur en vlam zou zeiten? Bah, Godolphin, ik ben verstandiger dan gij denkt. Ik zal u nog meer zeggen. Om uwentwil ben ik blij, dat gij deze ons alle eigen dwaasheid, die wij allen eens in ons leven begaan moeten, reeds begaan hebt, en dat de aanval gelukkig voorbij is. Ik dring in geen geheimen: want, ik weet hun heiligheid te schatten. Ik vraag ook niet wie van beiden het eerst teruggetreden is; want verder te gaan en te huwen, zou van u beiden een krankzinnigheid geweest zijn. Ja, zoo iets was onmogelijk ; zoo iets had mijn kweekeling, den begaafdslen, den leepsten en verstandigsten mijner kweekelingen, niet kunnen overkomen. Maar ik zeg nog eens, ik verheug mij, de zaak moge dan afgebroken zijn, op welke manier ook, ik ben blij, dat het gebeurd is. Men kan nooit voor eens menschen wijsheid instaan, voordat hij waarlijk en vruchteloos bemind heeft. Gij weet wat de domme en laffe zedeschrijver lord Eduard in zijn Julia zegt: het pad der hartstochten leidt ons tot filozolie. Dit is waar, zeer waar zelfs, en omdat het pad nu eenmaal is ingeslagen, is het doel ook niet ver meer van de hand. Thans stel ik vertrouwen op uwe vastheid van karakter, thans houd ik mij overtuigd, dat gij in het vervolg geen gevaar zult loopen, om de waarde van den speelbal, vrouw genoemd, hooger te schatten daij zij werkelijk is. Gij zult dat kleinood afbedelen, leenen, stelen, verruilen en verliezen, zonder dat de rust van uw leven een oogenblik gestoord wordt, en tevens met dezelfde koelbloedige onverschilligheid, waarmee wij een veel vernuftiger spel, en wel om een veel grooter inzet spelen. Ik zeg een veel grooter; hoe vele vrouwen kunnen wij door één gelukkige kans in het spel al niet koopen !quot;

»De toepassing is wat sterk;quot; zeide Godolphin: »maar uwe woorden zijn in eenige opzichten waar. De aanval is wezenlijk voorbij; en kan ik ooit wijs worden, dan ben ik thans op den weg. Maar ik wenschte, dat gij van die geheele zaak niet meer spraakt.quot;

»Best!quot; antwoordde Saville, die, in zijn nooit falende kunst,

7*

-ocr page 104-

100

juist tol het uiterste punt gegaan was en tegen Godolphin een hall\' senlimenteele, half verstandige, doch volstrekt ondeugende taal gevoerd had, welke schier altijd bij een man van de wereld, die verbeelding bezit, gereeden ingang vindt; sbest en om het gesprek op een ander onderwerp te brengen, zal ik den egoïst uithangen en u mijne ontmoetingen verhalen.quot;

Nu begon Saville zijn luimig en onderhoudend verhaal van het bonte leven, dat hij in de laatste driejaren geleid had. Dit verhaal kruidde hij met een menigte anecdoten en spotternijen, grondregelen en aanmerkingen, die hij daartusschen mengde.

Een volleerde losbol bootst altijd een zucht tot moraliseeren na; dit behoort tot zijn karakter. Er is, namelijk, zeker niet te bepalen gevoel, waarmee zijn zedekunde en zijn stelsel doordrongen zijn. Veelvuldige aanprikkelingen en daarop volgende verstomping, de overtuiging van de dwaasheid aller inspanning, de schraalheid van het gansche leven, de nietigheid der liefde en de trouweloosheid in alle betrekkingen, het ongeloof aan alle deugd en braafheid, deze uitwerkselen van een buitensporig leven op een man van geest brengen wel vele ellendige, maar soms ook merkwaardige menschen voort. Zij geven aan eenige der treffendste plaatsen uit het Fransche proza en aan de meeste fraaie verzen van lord Byron al hun klem en nadruk. Hier zal een ongewijde misschien vragen, welken invloed een bijna dergelijk leven — een leven van wee.de, vadzigheid en verveling, een leven van overrijke en toch oppervlakkige liefde — gehad hebbe op de diepe en treffende wijsheid, die in de werken van hem doorstraalt, dien wij als den uitmuntendsten der menschen beschouwen, en die ons toch de treurigste lessen heeft nagelaten1?

De richting van den geest in Saville\'s gesprek behaagde Godolphin uit hoofde van zijn tegenwoordige zielstemming, en hij tooide die nog, uit zijn eigen gemoed, met een bekoorlijkheid, die zij inderdaad niet bezat. Want gelijk ik in Godolphin toonen zal, hoe het aristokratische leven den geest van een man van genie bederft, zoo toon ik in Saville slechts, welk een invloed dat leven op een man van verstand heeft.

»Maar Godolphin,quot; zeide Saville, toen hij hem zag opstaan en zich gereed maken, om heen te gaan. »Gij zult immers vandaag ten minste bij mij eten? Ik tafel stipt te acht ure en geloof, u een aangenamen avond te kunnen verschaffen; want Linettini en de lieve, kleine Fanny Millinger, uw oude geliefde, zullen ook komen, en ik heb den ouden Stracey, den dichter, ook genoodigd opdat hij bon-mots voor haar opdissche. Die oude, arme Stracey! Hij gaat bij zijn voormalige vrienden en medeliberalen rond, beroemt zich op de gunst, waarin hij bij de grooten staat, en merkt niet, dat wij hem even als een poppen-of hondenspel gebruiken.quot;

-ocr page 105-

101

))Wat is het toch dwaas van iederen man van genie, die niet tevens van hooge geboorte is, te gelooven, dat hij eenigs-zins in de achting van de grooten dezer aarde deelt; want niets evenaart den geheimen haat, dien onze vadzige aristokra-ten elk hen overtreffend vernuft toedragen. Partij-politiek en de taktiek, de boosheid, de zekerheid, welke de partijpolitiek vordert, dit kunnen zij naar waarde schatten. Zij gevoelen achting voor een redenaar, al is hij dan ook geen graafschapsvertegenwoordiger; want hij kan hun bij hun vurige begeerte naar posten en pensioenen behulpzaam zijn; maar een dichter, een geleerde — die wordt door dit ellendige volkje steeds veracht!quot;

)gt;En evenwel,quot; aldus vervolgde Saville, »hoe weinige geleerden, die een zoo klaarblijkelijke, in de samenleving zelfs zoo dikwijls betoogde waarheid erkennen! Aan een weinig opzien bij een diner, aan een, door vleierijen verworven lofspraak van een aanzienlijke Aspasia, die mevrouw de Stael nabootst, offeren zij niet alleen hun roem, maar ook hun achtbaarheid op. En het ergste is, dat zulk een ellendig loon zelden langer duurt dan een Londensch jaargetij. In het eene saisoen prijzen wij den schrijver uit den burgerstand als een wonderdier, in het andere behandelen wij hem, uit verveling met minachting. Wij sluiten onze deur, om zijn oude, eenmaal opgedischte geestigheden niet, te hooren, en laten ons daarvoor, na het eten, iets door de Prager zangers voordreunen,quot;

«Het zijn echter de dichters alleen, die dwaas genoeg zijn, om zich door zoodanige dames om den tuin te laten leiden; want onder de prozaschrijvers, die waar genie bezitten, treft men zulke zotskappen niet aan.quot;

»En waarom dat?quot;

»quot;Wijl de dichters zich moer aan de vrouwen dan aan de mannen houden, en ongemerkt hare zwakheden aannemen. Vandaar dan ook, dat een dichter, wiens verzen de vrouwen verrukken, wanneer wij zijn karakter nauwkeurig ontleden, zelf naar een vrouw gelijkt.quot;

»Gij maakt dus weinig werk van de dichters?quot;

»Wijl de roem van vroeger eeuwen geheel van hen geweken is. Ik bedoel echter niet zoo zeer hun werken, als wel hun karakter. Wij hebben vele fraaie dichters, maar weinig poëzie, die de vrucht, is van een verheven ziel,quot;

Thans opende een bediende de deur en meldde zekeren heer Glosson aan. Een oogenblik daarna trad een klein, net gekleed en meesmuilend mannetje binnen, die, naar zijn gemaakte houding en zijn kleeding te oordeelen, een pleitbezorger, of zaakwaarnemer zijn moest,quot;

»Ha, Glosson, zijt gij daar?quot; zeide Saville, bijna met eenige levendigheid, «Ga zitten, mijn goede man, ga zitten. Welnu!

-ocr page 106-

102

(hij wreef zich in de handen) welnu! wat voor nieuws is er?quot;

sik denk, mijnheer Saville, dat wij het landgoed van den ouden II*** wel zullen krijgen. Ik ben den heelen morgen bij hem geweest. Hij vraagt er zesduizend pond voor.quot;

»Die gewetenlooze hond! Hij heeft het immers voor tweeduizend van de kroon gekregen!quot;

»Dat is volkomen waar, volkomen waar; maar begrijpt gij dan niet, Sir, begrijpt gij dan niet, dat het wel negenduizend waard is. De tijden zijn slecht, heel slecht. Begunstigingen van de kroon worden eiken dag zeldzamer, mijnheer Saville!quot;

»Hm! Het blijft toch steeds een waagstuk. De tijden zijn inderdaad slecht, zoo als gij zoo even zeidet, en er is geen geld aan de markt. Hoor eens, Glosson, bied hem vijfduizend pond. Gij zult één percent meer provisie hebben, dan wanneer ik er zesduizend voor geef, en toch zal het u naar evenredigheid van de laatste som betaald worden.quot;

»Ha! ha! ha!quot; grijnsde Glosson; »thans gelieft gij te gekscheren, mijnheer Saville.quot;

»Afgepraat! Wat nieuws is er aan de markt? Stoor u niet aan mijn vriend, den heer Godolphin, mijnheer Glosson; en nu, geneer u niet meer, maar vervolg uw bericht.quot;

Glosson kuchte eens en boog, kuchte nog eens en begon vervolgens van huizen en van kroongoederen, van eigendommen in Wales en plaatsen aan het hof (want met eeniga der ondergeschikte posten in het paleis werd toenmaals, misschien ook thans nog, regelmatig handel gedreven) te spreken. In-tusschen leunde Saville over de tafel, met zijn zachte handen ineengeslagen en zijn scherpe, listige oogen op den agent gevestigd. Zoo als hij thans daar zat, maakte hij op den hem beschouwenden Godolphin een indruk, waardoor deze met verachting voor zijn voormaligen vriend werd vervuld.

Welk een schouwspel, als de verkwistende wellusteling tot een hebzuchtig speculant samenkrimpt!

-ocr page 107-

XX.

Fanny Millinger Irecdt weer op. — Liefde. — Vrouwen. — Hoeken. — Oppervlakkige aanroering van Itonderde onderwerpen. — Nauwlieurig onderzoek van Godolpliin\'s gemoedstoestand. — Hel diner hij Sa vil Ie.

Godolphin begaf\'zich op weg, om Fanny Millinger een bezoek te geven. Zij was nog ongehuwd en nog steeds in de mode. Er lag een soort van zinnebeeldigj voorslelling van het werkelijke leven — zoo als Götbe het zou genoemd hebben — in de manier, waarop onze idealist, op zekere tijden, met de schoone schepster van idealen in aanraking kwam. Er lag zelfs eenige moraal in de keus der levensbaan, op welke deze beide jongelieden, de eene in het rijk der fantasie, de andere in dat der wezenlijkheid, omzwierven, en zij elkander nu en dan aantrofl\'en. Wie van beiden was nu de verstandigste — zij die het kleine tooneel van den schouwburg, of hij die het groote tooneel der wereld gekozen had ?

De levendige Fanny verheugde zich, haar vroegeren minnaar weer te zien. Zij praatte onophoudelijk over duizende dingen, zonder op de afgetrokkenheid en den droomenden blik van Godolphin te letten. Dit duurde zoolang, tot hij zelf haar op een eenigszins norschen toon aldus in de rede viel:

»Het is zoo wèl, Fanny! het is zoo wèl; maar zeg mij liever eens, wat gij van Saville weet. Gij slaat in een nauwe betrekking tot hem niet waar ? en wij zien elkaar heden avond te zijnen huize.quot;

quot;O, die Saville is een in zijn soort zeer bescheiden en derhalve zeer lief man, en tevens de eenige, die mijn vriend zijn wil, zonder van liefde te droomen, en daar houd ik veel ■van. Wij arme actrices ontmoeten op onze loopbaan zoo veel,

-ocr page 108-

10-i

dat zicli voor liefde uitgeeft, dat een weinig vriendschap nu en dan iets nieuws voor ons is, waarvan andere, ofschoon misschien verstandiger en vromer menschen de waarde niet zoo goed weten, als wij. Toen ik onlangs den Gilblas las — gij weet, dat ik anders van lezen weinig werk maak — werd ik getroffen door een plaats, waar de lieve Santillaner ons verzekert, dat tusschen hem en de tooneelspeelster Laura eigenlijk nooit liefde geheerscht had. Ik vond het zóó natuurlijk, zóó waarschijnlijk, dat zij een nauwe verbintenis met elkaar gesloten, in hetzelfde huis met elkaar gewoond, elke gelegenheid tol liefde gehad en elkaar nochtans niet bemind hadden : want dit kwam juist vandaar, dat zij een tooneelspeeister en dus een lichtzinnig, wispelturig schepsel was: het groote aantal minnaars belette haar verliefd te worden, en de met haar levenswijs gepaarde loszinnigheid maakte haar den vriend zoo waard en dierbaar. Het zou, trouwens, den vriend nadeel hebben gedaan, indien hij een aanbidder geworden ware; want op die wijs zou iets zeldzaams in iets alledaagsch veranderd zijn. Ditzelfde nu is het geval met mij en Saville. Ik bemin zijn geestigheid, hij mijn vroolijke luim. Wij zien elkaar zoo dikwijls, als of wij verliefd waren, en toch beschouw ik het niet eens als mogelijk, dat hij mij de hand zou kunnen kussen. Daarenboven,quot; vervolgde Fanny, »is de liefde volstrekt zulk een behoefte niet voor de vrouwen, als men gewoonlijk wel denkt. Zeker beroemd schrijver heeft gezegd; de mannen hebben aan duizende zaken- te denken, de vrouwen slechts aan ééne. Dat is onzin, lieve Percy! De vrouwen hebben insgelijks hare duizende zaken: zij hebben wel niet met het gerechtshof, maar met den modewinkel te doen: zij storten zich wel niet in den maalstroom van staatszaken, maar zij vei\'diepen haar ziel in liefde voor een papegaai of een schoothondje. De Voorzienigheid heeft niet gewild, dat de mannen iets voor zouden hebben : zij beschonk het eene geslacht even zoo mild als het andere; maar onze werkzaamheden zijn van gering, de uwe van groot belang; doch een kleinigheid kan den geest even zoo goed bezig houden, als een zaak van het hoogste gewicht.quot;

»Onze werkzaamheden zouden van groot belang zijn ?quot; zeide Godolphin die door Fanny\'s aanmerking eenigszins getroffen scheen. ,,Wat zijn dan toch al die bemoeiingen en bezigheden, waarvan de mannen zooveel ophefs maken — wat is eigenlijk daarin datgene, wat belangrijk mag heeten ? Is de baatzucht een belangrijk iets? zijn de gemeene streken, de stelselmatige logens van de rechtszalen een belangrijk beroep\'? Is de werktuigelijke slavernij van een soldaat, die uit een dwaze, blinde ijdelheid vecht, welke hij roem noemt en niet verklaren kan, een belangrijke stand? En nu

-ocr page 109-

105

het parlement! Hoor maar eens de stem, die verstandige mannen tegen de schandelijke omkoopbaarheid, welke men in dat strijdperk aantreft, verhellen: neem slechts de langwij-lige redevoeringen, de lail\'e pronkerijen, de ellendige, schrale belooning in aanmerking, en zeg mij dan, wat nut in dat alles steekt. Neen, Fanny, het borduren van een breizak en het klappen van een papegaai verschaffen, zedelijkerwijs beschouwd, even zulke belangrijke bezigheden, als het gerechtshof, de armee en de raadzaal. Slechts de kleingeestige spreekt van kleinigheden; mam- er bestaat geen kleinigheid; alle aardsche bezigheden zijn elkander gelijk, zijn even gewichtig, bijaldien zij iemand maar genoeg bezig houden; want de wijze veracht alles en hecht aan niets eenige waarde.quot;

»Ik geloof, dat gij ongelijk hebt,quot; hernam Fanny, terwijl zij haar pink je tegen haar voorhoofd drukte, ten einde Godolphin beter te begrijpen, „maar ik kan niet zeggen, waarom; want ik redetwist nooit. Ik wandel mijn weg en werp mijn bonte aanmerkingen rondom mij, zonder ze te verdedigen, wanneer iemand daarover met mij wil beginnen te twisten. Wat ik zelve doe, mogen mijnenhalve anderen ook doen. De grondbeginselen, die ik in het spreken volg, volg ik ock in mijne manier van leven. Ik begeer vrijheid voor mij zelve, en laat die ook aan anderen.quot;

»Ik zie, ofschoon gij hebt beweerd van lektuur afkeerig te zijn, echter veel boeken rondom u. Leert gij misschien filo-zofie daaruit? want het komt mij voor, dat gij, sedert ons laatst vaarwel, een neiging tot nadenken hebt aangenomen, die ik in uw voormalig karakter in het geheel niet heb opgemerkt.quot;

»Welnu, al lees ik juist niet, ik tracht echter toch partij van de boeken te trekken. Soms doorblader ik wel twaalf romans op éénen morgen. Ik moet nochtans bekennen, dat al die werken mijn verwachting te leur stellen; want ik verlang meer wereldkennis, dcji zij geven; zij vertellen ons, hoe lord Arthur er uitziet, of hoe lady Lucia gekleed was, en schilderen de kleur van deze of gene gordijnen, of van deze of geene oogen enz.; de beste onder hen vertellen ons misschien ook nog, wat de heldin gevoelde, en wenden alle pogingen aan, om de tene of andere inwendige snaar te roeren; en toch leeren en treffen zij mij niet. Ik herken in hunne handelende personen geen mannen of vrouwen, neen het zijn poppen met grootsch klinkende spreuken. Ook wil ik u wel zeggen, wat de reden daarvan is: de schrijvers liebben geen fantasie genoeg, om de waarheden der samenleving te kunnen schilderen. Oude heeren zeggen wel, dat romans slechte gidsen op den levensweg zijn, wijl zij veel te denkbeeldig zijn; maar het is juist omgekeerd; zij zijn te gemeen, te oppervlakkig. Reeds bewijst hun gesnap over liefde en de ophef, dien zij\' daarvan maken.

-ocr page 110-

lOG

genoegzaam, lioe schraal hun romantisch gevoel is; want zij zeggen er niets nieuws van, en echte fantasie levert altijd nieuwe gedachten. Heb ik geen gelijk, Percy? Neen, in het leven — het moge zoo stoffelijk zijn als het wil — is toch altijd iets romantisch. Ieder onzer, ja, ik arm schepsel, bezit een schat van gedachten, inbeeldingen en wenschen, die de laffe en gemeene boeken niet geven kunnen. Het hart zelf is een roman.quot;

»Ja, wel een roman, lieve Fanny! een filozofische roman, vol geheime invallen en fijnheden, die in zijn diepten schuilen. Maar hoe zijt gij toch zoo wijs geworden?quot;

»Zeer verplicht!quot; antwoordde Fanny rnet een diepe buiging. „Mijn wijsheid is met de jaren gekomen; want ik ben, ofschoon gij dit plichtshalve niet wilt merken, voor ons ouder geworden. Waar ik toen gevoelde, overleg ik thans. Bovendien vult het tooneel ons hoofd met een schemering van wijsheid, en geeft ons dat zonderlinge mengsel van praktische ondervinding en romantische begrippen, dat inderdaad het ware beeld van negen menschenharten onder de tien is. Omdat wij nu juist van boeken en van mijn lieven Gilblas spreken, zoo moet ik u zeggen, dat ik wel wenschte, dat ik iemand had, die voor mij een roman schreef, welke een metaphysischen Gi\'blas voorstelde, die zich meer met denken en spreken, en niet , zoo als Lesage\'s boek, zoo veel met handelen bemoeide, die zijn held wel als een wereldsch, maar niettemin tevens als een ander, hoezeer evenzoo wezenlijk schepsel liet optreden ; die ons in het karakter van een man een getrouw beeld van het wezen en der uitwerkselen van ons maatschappelijk stelsel leverde, en dus dezen man uit een betere stof dan de amusante lakeiennatuur van Lesage en als het product van een, in de maatschappij kunstvolleren rang samenstelde. Het boek, dat ik bedoel, zou zeker niet zoo vermakelijk zijn als dat van Lesage, maar even zoo getrouw, en dus uit het leven genomen zijn.quot;

»En, als ik u wèl verstaan heb, zou het romantischer worden.quot;

»Zeer zeker romantischer, zoowel in de denkbeelden, als in de gebeurtenissen. Hoe weinigen — en ik voeg dit hierbij, — weten eigenlijk, wat het natuurlijk romantische is , want als men gevoelt, dat de in een boek of tooneelstuk voorkomende denkbeelden nauwkeurig met het karakter overeenstemmen, waarom zou men zich dan om de waarschijnlijkheid der gebeurtenissen bekommeren ? Den allendaagschen lezer is het enkel om de handelingen te doen, even alsof die in drie vierden van Shakespeare\'s \'stukken op de een of andere wijs mogelijk waren. Maar de menschen hebben zoo weinig natuur in zich, dat zij niet weten, wat natuurlijk is.quot;

-ocr page 111-

107

Zoo vervolgde Fanny, hoezeer met weinig samenhang, nog een geruime poos den loop harer beschouwingen, die, zoo ik mij niet vergis, toonen, dat een meisje, al hezif zij geen beschaafdheid of verstand, mits zij van natuur maar aanleg heeft, om het kunstmatige spoedig te ontdekken en te vatten, beter voor beoordeelaarster spelen kan, dan de neuswijze schoolvos, die van het boekbeoordeelen een kostwinning maakt.

Intusschen kon Godolphin den zwaren last, die zijn hart drukte, sleclits voor weinige oogenblikken vergeten. Zoolang hij nog uit een versche wonde bloedde, zocbt hij vruchteloos naar verstrooiing. Zijn natuur was hevig geschokt geworden, hij had, zijns ondanks, bemind en, gelijk wij gezien hebben, bij zijn terugkeer naar de priorij, zelfs het besluit opgevat, om zich door zulk een nadeeligen en onverstandigen hartstocht niet langer te laten beheerschen. Maar de jaloezie had de inspraak van het verstand, dat, trouwens, bij een man van een vurige, hooghartige inborst niet altijd de overhand heeft, in éénen nacht tot zwijgen gebracht. De jaloezie werd, op hai\'e beurt, ook wel weder bedwongen en gedempt, maar hoe verdoovend was niet de slag, die daarop volgde! Constance had hem hare liefde bekend en, hem toch voor altijd afgewezen! Hoe edel en klaar haar beweegredenen haar zelve ook mochten voorkomen, hem moet-ten zij zich toch in een ander licht vertoonen. Buiten staat, om tien indruk te begrijpen, dien de laatste woorden van haar stervenden vader op Constance\'s geest hadden gemaakt; onbekwaam, om duidelijk in te zien, hoe onoplosbaar deze herinnering, met al hare plannen en uitzichten in de toekomst, ineengesmolten was, hoe wonderlijk maar tevens hoe natuurlijk zij wereldsche eerzucht tot een heiligen plicht gemaakt had; buiten staat, zeg ik nogmaals, om al deze verschillende, machtige, gebiedende beweeggronden te begrijpen, legde Godolphin hare weigering voor weerzin uit, om in zijn behoeftig lot te deelen, en voor een verlangen naar een hoogeren stand. Daarom geloofde hij dan ook, dat zij niet waardig was, dat hij om haar verlies hartzeer zette, en hield het dus beneden zijn waarde, langer aan haar te denken. Men ziet derhalve, dat het weldadige, vrome gevoel, hetwelk bij menig hartgrievend verlies, het aandenken daarvan tot plicht maakt, en uit de smart een zachte en rustgevende les trekt, in Godolphins diep gewonde borst geheel ontbrak. Hij poogde slechts zijn kommer te verstrooien, en verstiet het tooverbeeld der eerste, eenige vrouw, die hij vurig bemind had, te eenenmaal uit zijn hart.

Bovendien gevoelde Godolphin thans, dat de eenige drijfveer, welke de schier uitgedoofde veerkracht en onderneming-zucht zijner jeugd met de eerzucht van een meergevorderden

-ocr page 112-

108

leeftijd zou hebben kunnen paren, voor allijd vernietigd was. Aan Constance\'s bezit en aan de trotsche gedachten, waartoe zij aanleiding gaf, verbond zich een streven naar aardsche eer, en hiervan zag hij thans geheel af. Hij gevoelde, hoe zijn oude filozofie, namelijk, zucht tot gemak en verachting van roem, zich, even als een diepe kolk, boven de schitterende idealen, bij welker opduiken zij zich een oogenblik geopend had, thans weder sloot en de schitterende pronkbeelden voor altijd in haren afgrond begroef. Ofschoon van zijn talenten bewust, ja, door den rusteloozen aandrang van een buitengemeen genie heen en weer geslingerd, voorzag Godolphin cchter, dat hij voortaan niet geschikt zou zijn, om een schitterenden rol op het levenstooneel te spelen. Zijn loopbaan was geëindigd; hij kon nog wel tevreden, zelfs gelukkig worden, maar niet groot. Hij had van de schrijvers en de doornen, waarmee het pad der letterkunde bezaaid is, te veel gezien, om zich aan een dier teleurstellingen bloot te geven, die het gevolg zijn van het verblinde streven naar het armzalige schrijversvak en naar den weg, om roem en haat te verwerven, waarnaar zij, die zich tot een gewichtiger en schitterender stand niet bekwaam gevoelen, gedreven worden. Hij schreef wel gaarne en tooide, vermits de teleurgestelde verwachtingen zijn overhelling tot droomerijen verstrekt hadden, zijn eenzaamheid met de gouden paleizen en gevleugelde.gestalten, welke in onze fantasie, het rijk der toovernimfen van onze ziel, zoo menigvuldig zijn; maar al die beelden ontstonden slechts, om een oogenblik daarna weder vernietigd te worden. Het zou voor Godolphin, en misschien ook voor de wereld, een geluk zijn geweest, bijaldien hij de ware drijfveer van der menscheu wijze van handelen, die hij naderhand ontdekte, reeds toen gekend hadde. Het zou een geluk voor hem zijn geweest, bijaldien hij geweten hadde, dat er een eerzucht is, die ons aanspoort, om goed te doen, een eerzucht, die ons aan prikkelt, niet slechts, om ons zeiven te verheffen, maar ook om onge-lukkigen op te richten. Ach! hoe eenzaam, hoe onvruchtbaar en verdrietig is, zoowel in het veld der letter- als der staatkunde, elk pad, dat naar dien begoochelenden tempel van roem en rang voert, inzonderheid, wanneer men opwaarts ziet met een ziel, die de ware kiemen van het wijze en edele in zich bevat. Men behoorde dan wel een drijfveer in zich zeiven te hebben, die door geene krenking verslapt, wordt, en een, buiten ons gelegen loon, dat doo,r eigene nederlaag niet vernietigd wordt. Maar van een waarlijk wijs en oprecht vriend ontbloot, door de wereld bedorven, door teleurgestelde hoop verbitterd, was Godolphin door zijn eigene talenten vadzig geworden, en zijn wijsheid had hem geleerd, nutteloos te zijn. Even als de spin in een cel, waar geen gevleugeld insekt ooit

-ocr page 113-

109

komt, hare web weeft en herweeft, zoo was ook de aan droo-raerijen overgegeven ziel van onzen idealist veroordeeld, om voor die visioenen van het schoone en volkomene, die nimmer onder het lage bereik van sterfelijke menschen kunnen komen, telkens het net te spannen. De gewone ziekte van een genie bestaat in een verlangen, een smachten naar een geest, dien de wereld niet kent; en het is zeer te bejammeren, dat de teleurstellingen der buitenwereld, die de ziekte eigenlijk genezen moesten, haar integendeel verergeren!

Het diner bij Saville was vroolijk en levendig, zoo als, trouwens, van zulke gasten niet wel anders kon worden verwacht. Mijns oordeels is er op de wereld niets lastiger, dan een feestmaaltijd; daarentegen ook niets aangenamer, dan een ongedwongen, goed ingerichte smulpartij, waar gasten en wijnen van een even goede hoedanigheid zijn, waar geen achterhoudendheid plaats vindt, en waar men het oogmerk heeft, niet slechts om eenige uren met elkaar door te brengen, maar ook, en wel voornamelijk, om elkaar zoo goed te vermaken, alsof men elkaar nooit weder zou ontmoeten. In al deze niet-letterkundige gezelschappen loopt echter het gesprek meer over personen, dan over zaken, en onze hedendaagsche fraaie vernuften leeren hunne kunst slechts in de school der kwaadsprekendheid.

«Verbeeld u eens, Fanny,quot; zeide Saville; «Clavers is een petit maitre geworden. Hij begon als jockey, werd vervolgens agent bij de verkiezingen van parlementsleden, daarna een methodistisch geestelijke, eindelijk speculant in huizen, en heeft zich nu in den openbaren maalstroom van Londen gestort, loopt in de klubs, bezoekt, met een rottingje zwaaiende, al de Opera\'s, stoot, op zijn zes en vijfstigte jaar, jonge knapen in de zijde, en zegt grinnekend, »wij jonge lieden!quot;

»Hij huurt pagies,quot; voegde Fanny er bij, »die in het Park bij hem komen en hem netjes gevouwen briefjes brengen; hij opent ze met een gemaakte achteloosheid, ziet den brenger strak in het gezicht en roept: »zeg aan uwe gebiedster, dat ik haar niets kan weigerenquot; en dan snelt hij heen, met de houding en het voorkomen van een man, dien men op den Jood vervolgt.quot;

»Hebt gij al gezien, welk een ontzachelijken bakkebaard Chester zich heeft aangeschaft?quot;

»0 ja,quot; antwoordde zekere heer de Lacy. »Aquot;quot; zegt, dat hij dien gemultipliceerd heeft, om van zijne leelijke tronie iets te substraheeren.

quot;Ha! ha! daar hebben wij de Lacy! Hij schaamt zich zoo zeer, om iets geestigs te zeggen, dat hij al zijn bon mots Aquot;\' m den mond legt. En lochisA**\' ongetwijfeld deonnoozelste domkop van de wereld; maar De Lacy is goddeloos genoeg,

-ocr page 114-

110

om hem tot een fraai vernuft te stempelen. Intusschen zal dit den armen hals niet uit zijn verlegenheid redden ; want hij kan zijn dommen mond niet meer openen, of ieder houdt met eten op en gaapt hem aan, om het bon mot kersversch op te snappen.quot;

»Mijnenthalvé mag de man heel dom zijn, zeide Linettini, luimig, maar (zij keerde zich naar Godolphin), waarom spreekt gij niet, mijnheer de Dauphin? gij zit daar zoo stil!quot;

sik ben, helaas! zulk een geruimen tijd uit de stad geweest, dat deze nieuwtjes van den dag voor mij volstrekt raadsels zijn.quot;

«Hetzelfde is het geval met de Fransche Gedenkschriften,quot; riep Saville, «wanneer iemand ze voor de eerste maal in de hand neemt; en nochtans maken zij ons met de daarin optredende personen even zoo nauwkeurig bekend, alsof wij met hen verkeerd hadden. Ditzelfde geldt ook van de gesprekken over personen. Ik vlei mij, Fanny, dat wij beiden een karakter met een of twee woorden zoo goed schilderen, dat iemand, die ons hoort, er niet meer van behoeft te weten.quot;

»Ik geloof u,quot; zeide Godolphin, sen dit is ook de reden, waarom gij nooit van u zeiven spreekt.quot;

»Bah! Maar van egoïsten gesproken, hebt gij George Barabel ook te Piome gezien?quot;

))Ja, hij was bezig met zijn reizen te beschrijven. »01quot; zeide hij tegen mij, in het Colosseum, terwijl hij mij bij mijn roksknoop greep, »welk letterkundig werk beschouwt gij als het verhevenste in zijn soort?quot;quot; — Een heldendicht, zeide ik of misschien een treurspel, of een belangrijke geschiedenis, of een roman, zoo als den Don Quichot.

««Volstrekt niet,quot;quot; gaf hij mij, met een gewichtigen blik ten antwoord! ««in de letterkunde evenaart niets een goede reisbeschrijving.quot;quot; Nu liet hij zijn stem dalsn en fluisterde mij, terwijl hij looslijk een\' vinger aan zijn neus hield, in het oor: ««ik heb een kwart deel op de pers. Sir!quot;quot;

»Ha, ha!quot; zeide Stracey, de oude spotboef, terwijl hij tusschen zijn tanden pluisde, en voor de eerste maal het woord nam, «wanneer gij legen Barabel zegt, ik heb een schoone vrouw gezien, dan antwoordt hij, onder een geheimzinnig fronsen van zijn voorhoofd: «schoon. Sir? zeg mij eerst eens, of zij ook gereisd heeft.quot;

»Maar hebt gij Sir Paulton\'s nieuwe equipage al gezien? Een bruine koets, bruine liverei, bruin paardentuig en bruine paarden, terwijl hij zelf, zoowel als zijn vrouw, van het hoofd tot de voeten insgelijks in het bruin gekleed, in de koets zit. Het fraaiste daarbij is, dat Paulton, toen hij naar zijn zadelmaker gegaan was, om de koets te bestellen, tegen hem zeide:

-ocr page 115-

Hi

i.mijnheer Houlditch, ik word te oud, om nog langer buitensporig te zijn; ik moet dus iets hebben, dat bijzonder eenvoudig is!quot; En nu loopt hij in zijn bruinen opschik door de stad en roept ieder toe: »geloof mij, er gaat niets boven de eenvoudigheid.quot;

«Hij heeft zijn koetsier uit zijn dienst gezonden, omdat de man witte, in plaats van bruine handschoenen droeg. »Wat verbeeldt gij u toch wel bij uw drommels getneenen\'pronk? Ziet gij dan niet, hoe ik mij afsloof, om eenvoudig en statig te worden, en gij wilt, door niet bruin genoeg te zijn, mii alles bederven?quot;

jGodolphin,quot; fluisterde Fanny hem toe, »gij schijnt in gedachten verzonken, terwijl wij allen toch vrij amusant zijn.quot;

»Mijn lieve Fanny,quot; gaf Godolphin, het hoofd een weinig opbeurende, haar ten antwoord, — »het gesprek is levendig; Je tooneelspelers kennen hunne rollen; de verlichting is schitterend; maar het stuk heeft voor mij geen bekoorlijkheid. Noem het zoo als gij wilt, maar de begoocheling ontbreekt. Ik zie de lijst en de schilderij, maar — komaan! weg met deze gedachten! Zal ik uw glas vullen, Fanny?quot;

-ocr page 116-

Een gebeurtenis van qront gewicht voor dv hoofdpersonen van dit verhaal. —• Tweede verh el; van Godolphin uit Engeland.

Godolphin werd door de groote wereld van Londen met geestvervoering verwelkomd. Ziin beschaafde manieren, zijn vernuft, zijn goede toon en zijn geluk bij de vrouwen maakten steeds in alle gezelschappen een der onderwerpen van het gesprek uit. Verzen, welke men hem, dikwijls zonder eenigen grond, toeschreef, gingen geheimvol van de eene hand in de andere, en alle dames benijdden de schoone muze, die ze hem had ingegeven.

Het is geenszins mijn oogmerk, den vervelenden weerklank der romanschrijvers te herhalen, die van de modewereld kakelen en haar het leven noemen. Deze bladzijden zullen met geen beschrijving van rooskleurige gordijnen en smaakvolle kabinets, met geene optelling van conventioneele lafheden, welke men met geaffecteerde kritieken doorspekt en met den naam van dramatische samenspraak beliteld, opgevuld worden. Ik heb andere en dieper bedoelingen, wanneer ik mij verneder, om de gewoonten en drijfveeren van het aristokratische leven te schetsen. De lezer moet zich geheel aan mij overgeven; hij moet zich voorbereiden, om met mij het vroolijke en ernstige te doorloopen, en zonder tegenzin de ingewikkelde en eigenaardige belangrijkheid uit te pluizen, welke ik alleen aan deze gedenkschriften kon geven; niet, dan sla hij liever dit boek dadelijk toe. Ik beloof hem wat nieuws, maar nauwkeurig bezien, is dat nieuws geenszins luchtig en luimig in zijn soort.

Hoezeer nu Godolphin oppervlakkig alle redenen had, om over zijn ontvangst bij de beuzelende groote wereld tevreden te zijn, verlangde hij echter te midden van dien maalstroom

-ocr page 117-

113

van verstrooiing, in welke hij het spook, vergetelheid genoemd, najoeg, niet smart naar het tijdstip, dat hij voor zijn vertrek bepaald had. Hij hoorde overigens niets meer van Constance\'s tegenwoordige levenswijs, maar zooveel temeer van hare verleden zegepralen en veroveringen. Ook trof hij nooit een gelaat aan, het mocht zoo schoon zijn als het wilde, dat slechts een zweem van bewondering b:j hem kon verwekken, terwijl dat van Constance hem steeds levendig voor den geest zweefde.

Ik ken trouwens niets, wat de samenleving meer in een beeldengalerij verandert, dan de herrinering eener verloren geliefde. Hiertegen zijn slechts twee geneesmiddelen : tijd en eenzaamheid. Vreemden schrijven ons een overhelling tot aandoenlijkheid toe; maar helaas! er is geen volk dat daarvan minder bezit. Wij streven enkel naar vermaak, en toch bestaat er in onze taal geen enkel volksboek in proza, dat de teedere en smachtende geheimen van het hart tot hoofdonderwerp heeft. Comma en Julia vervelen ons, of wij drijven met haar op eene armzalige wijs den spot. — Op een avond kort vóór zijn vertrek uit Engeland, had een flauwe wankele hoop, waarvan Constance het voorwerp was, Godolphin over den gewonen tijd in een huis doen vertoeven, waarvan de eigenares aan lady Erpingham vermaagschapt was.

»Hebt gij reeds gehoord,quot; vroeg lady Gquot; * * hem, dat mijn neef Erpingham gaat trouwen?

.sNeen,quot; riep Godolphin hevig, »en met wie?quot;

s.Met miss Vernon.quot;

Hoe onverwacht deze slag ook kwam, vertrok Godolphin echter zijn gezicht niet.

»Is dit zeker\'?quot; vroeg een andere dame.

«0 ja, ik heb het nog zeer onlangs van lady Erpingham zelve vernomen.quot;

sEn is zij tevreden over deze verbintenis?quot;

«Dat kan ik juist niet zeggen; want de brief spreekt zich zeiven bij lederen regel tegen. Nu eens wenscht zij zich met zulk een bekoorlijke schoondochter geluk, dan breekt zij plotseling af en klaagt, dat de jonge mannen dikwijls met te veel overijling handelen. Nu eens maakt zij veel ophefs van de goede partij, die haar lief pleegkind het geluk heeft te doen, dan spreekt zij weder van het geluk, dat Erpingham te beurt valt. Met een woord, zij weet niet, of zij zich bedroeven of verheugen moet, en, om de waarheid te zeggen, het gaat mij niet een haar beter.quot;

«Men moet echter bekennen,quot; hernam de eerste dame, »dat miss Vernon hare kaarten goed doorgeschud heeft. Lord Er-pingham zou, zoowel wat zijn persoon, als wat zijn naam betreft, op zich zelf altijd een goede partij geweest zijn. Zij was, trouwens, steeds een eerzuchtig meisje.quot;

8

-ocr page 118-

114

»En trotsch!quot; voegde lady A* * * er bij. »Het kan nu niet missen, of Erpingham\'s huis moet de verzamelplaats van alle schrijfsters, fraaie vernuften en geleerden worden; want, naar ik hoor, is miss Vernon een tweede Aspasia.quot;

»Ik haat meisjes, die zoo arglistig zijn,quot; zeide de andere dame, die slechts een zeer leelijke, dochter had, welke, op haar vijf en dertigste jaar, juist haar eerste aanzoek aannemen en met den jongsten zoon uit een familie, een officier der garde, trouwen zou; »ook beschouw ik haar als eenigszins gemeen, en ik twijfel, ot ik haar wel protegeeren zal.

»Maar hoe denkt gij er over, mijnheer Godolphin? Gij kent immers miss Vernon.quot;

Doch Godolphin was reeds weg.

Tien dagen na dit gesprek wachtte Godolphin in een logement te Dover op het uur, dat de paketboot naar Calais zou afvaren. Hij nam, uit tijdverdrijf, de Morning-post in de hand en aanstonds viel zijn oog op deze aankondiging: »Huwelijk in de groote wereld. —

«Verleden donderdag werd Karei Erpingham met Constance, eenigste dochter van wijlen den beroemden heer Vernon, op Wendover-Castle in den echt vereenigd. De kleeding dei-bruid bestond enz.quot; en nu volgde de gewone schitterende woordenpraal, het klinkende niets, waarmee de dames, die gravinnen worden, in den huwelijksstand worden ingeluid.

»De droom is voorbij!quot; zeide Godolphin, terwijl hij het dagblad uit zijn hand liet vallen, op een smartelijken toon. Vervolgens bedekte hij zijn gezicht met beide handen, en bleef in deze houding, zonder eenige beweging, staan, tot men hem aanzeide, dat het tijd was, om van wal te steken.

Aldus verliet Percy Godolphin voor de tweede maal de vaderlandsche kust. Wat al veranderingen zullen de thans in hem opgewekte gewaarwordingen in zijn karakter hebben voortgebracht, wanneer wij hem weer aantreffen! De droppels, welke in een grot vallen, versteenen, maar tot een schitterend, hard lichaam; doch niets is gladder, niets kouder, dan de wijsheid, die de vrucht van voormalige droomen, voormalige hartstochten is, en zich in een peinzende, van allo betrekkingen afgezonderde ziel vormt.

-ocr page 119-

XXII.

De bruid alleen- — Gesprek hen over staatkunde en den huwe-lijhsstand. — Constance\'s zucht tol diplomatie. — Het karakter haver (/ezelschappen. — Haar zegepraal aver lady Delville.

«Breng mij het boek, zet de tafel wat naderbij en ga heen!quot;

De kamenier gehoorzaamde, en de jonge gravin Erpingham bevond zich alleen! Alleen! Welk een woord voor een jonge, schoone vrouw in de eerste maanden van haar huwelijkï Alleen, en dat in het hartje dier groote stad, waar rang en rijkdom — en heiden bezat zij — de afgoden zijn, voor welke allen zich buigen, en om welke allen ronddringen.

Het vertrek was schitterend versierd, doch zijn voornaamste weelde bestond in bloemen en geurige heesters. Uit de open vensters zag men de hoornen van hel oude Mali meteen rijk, jeugdig groen prijken, en de te Londen meest klassieke wandelplaats was op het uur, waarvan ik thans spreek, vroolijk en levendig. Het weder was frisch en aangenaam, de zon scheen van een helderen trans en een lustig gedrang van lieden te voet en te paard ging en kwam onder de vensters voorbij.

Waar is, Constance, waar is de heerlijkheid, die op u voorhoofd praalde? Waar de trotsche vroolijkheid, die uit uw oogen blonk? Ach, de zegeningen der wereld gelijken naar de vrij-kogels! Die, welke ons hart doorboort, wordt spoedig gevolgd door de gift, naar welke ons hart verlangde.

Intusschen trad lord Erpingham binnen. »Nu, Constance,quot; vroeg hij, ,\'gt;wilt gij heden ook uitrijden?quot;

«Ik geloof het niet.quot;

»Dan wenschte ik wel, dat gij lady Delville een bezoek

-ocr page 120-

116

gaaft. Gij weet, Delville behoort tot mijn partij; wij zitten naast elkaar. Gij moét zeer beleefd tegen haar zijn, ofschoon ik niet geloof, dat gij het gisteren avond waart.quot;

»Gij wenscht, dat lady Delville uwe staatkundige belangen ondersteune, en meent, bijaldien ik mij niet bedrieg, dat zij tot hiertoe maar zeer lauw geweest is.quot;

»Zeer zeker.quot;

»Goed, mijn lieve, dan verzoek ik om uw onbepaald vertrouwen. Ik beloof u, dat, indien gij mij alleen wilt laten geworden, lady Delville, eer dit saisoen half verloopen is, de ijverigste aanhangster uwer partij zijn zal: doch daartoe worden andere middelen gevorderd, dan gij voorstelt.quot;

»Maar ik stel immers geene voor.quot;

))Dat doet gij wel degelijk! beleefdheid — een armzalige kunstgreep!quot;

«Drommels, Constance! gij zult toch een persoon van zooveel gewicht, als lady Delville, door een norsch gezicht niet willen dwingen, om van ons te houden?quot;

))Laat dat maar aan mij over.quot;

«Gekheid!quot;

»Neem er dan toch eens de proef van, mijn lieve! Ik begeer slechts drie maanden tijds. Ik weet stellig, dat gij naderhand de leiding van alle staatkundige zaken altijd aan mij zult overlaten; want ik ben een geboren intriguante. Ben ik niet de dochter van John Vernon?quot;

»Goed, goed, zoo als gij wilt. Maar ik zie al hoe dit zal af-loopen. Wilt gij lady Delville heden geen bezoek geven?quot;

»Als gij dit wenscht, ja.quot;

»Goed.quot;

Lady Delville was een aanzienlijke, trotsche dame, die niet zeer bemind en niet zoo dikwijls door haars gelijken genoodigd werd, als wanneer zij vriendelijk en luchthartig geweest ware.

Constance wist, met wie zij te doen had. Zij reed naar haar toe. Lady Delville was thuis, en de beleefde, beminde Mrs. Trevor bevond zich hij haar.

Lady Delville ontving Constance koel, en deze was de trotsch-heid zelve.

»Gaat hij heden avond ook naar de hertogin van Daubigny?quot; vroeg lady Delville in den loop van beider vrij stijf gesprek.

sNeen, ik houd van aangename gezelschappen en heb mij voorgenomen een kring te vormen, waar niet één onaangenaam persoon toegang bekomen zal. Wilt gij mij daarin wel behulpzaam zijn, lieve Mrs. Trevor?quot; vroeg Constance aan deze dame; terwijl zij zich met het innemendste glimlachje naar haar toekeerde.

Mrs. Trevor gevoelde zich hierdoor gestreeld; maar lady Delville zette een hooge borst.

-ocr page 121-

117

«Er bevindt zich slechts een klein gezelschap bij de hertogin,quot; zeide de laatste »en het is enkel ter eere van den hertog en de hertogin van C\'quot;.quot;

»0, er zijn maar zeer weinig menschen in staat, om den leden der koninklijke familie een fatsoenlijke partij te geven.quot;

»Doch zeker niemand meer, dan de hertogin vanDaubigny: haar ruim hotel, haar hoogc rangquot; —

»Zijn niet dan armzalige bijvoegsels tot de vorming van een aangenaam gezelschap,quot; zeide Constance koeltjes. »Het gebrek van gemeene zielen is, dat zij den rang alleen in titels zoeken . Koninklijke hoogheden willen liever dan anderen geamuseerd zijn, en aan amusement voor haar wordt over het algemeen \'t minst gedacht.quot;

Nu viel het gesprek op andere onderwerpen. Eindelijk stond Constance op, drukte Mrs. Trevor, ofschoon zij haar slechts eenmaal gezien had, hartelijk de hand en zeide: »morgen avond ontvangen wij bezoek van eenige weinige personen ; zet eens alle komplimenten ter zijde en kom bij ons. Ik beloof u, dat gij er geen enkel vervelend mensch aantreffen zult, en dat, de hertogin van Daubigny, als zij belet laat vragen, een weigerend antwoord zal bekomen.quot;

Mrs. Trevor nam de uinoodiging aan.

Lady Delville was woedend. Nooit had een vrouwetong zich meer ten koste van de onbeschaamde lady Erpingham uitgelaten, dan de hare. En toch was Lady Delville inwendig verdrietig; zij was, trouwens, voor de eerste maal van haar leven beleedigd, wijl men haar niet op een partij genoodigd had, en juist, omdat, zij zich beleedigd achtte, gevoelde zij des te meer trek om er heen te gaan.

De gemelde avond kwam. Erpingham\'s hotel was wel niet groot, maar toch voor het gezelschap, door de schoone gastvrouw genoodigd, volkomen geschikt. Standbeelden en borstbeelden, schilderijen en boeken, die deels verstrooid, deels gerangschikt, rondom in het vertrek stonden, gaven aanleiding tot vernuftige gesprekken, of aan het gezelschap tenminste een zweem van geestigheid. Er bevonden zich nagenoeg honderd personen, alle de meest uitmuntende sieraden van dien tijd, musici, schilders, schrijvers, redenaars, hertogen, prinsen en schitterende schoonheden. Wie toegelaten wilde worden, moest zich aan ééne voorwaarde onderwerpen: hij moest namelijk, tot de liberare denkers behooren. Geen Tory, hij mocht zoo rijk, zoo welsprekend, of zoo schoon zijn, als hij wilde, verkreeg toegang tot dezen kring.

Nog nooit was Constance zoo beminnenssvaardig, nog nooit zoo innemend geweest. De koelheid en trotschheid van haar houding en van haar voorkomen waren geheel verdwenen. Zij sprak met ieder en jegens ieder was de toon harer stem

-ocr page 122-

118

en haar gedrag uitermate vriendelijk, hartelijk en vertrouwelijk, maar vertrouwelijk met een zachte waardigheid, die de tooverkracht harer innemendheid vermeerderde. Vol eerzucht, die haar aanspoorde, niet alleen om te behagen, maar ook om te hetooveren, spreidde zij al de bevalligheden van haar beschaafden geest in haar gesprekken ten toon. Het moest echter werd zij nog wel door zulken bewonderd, die zelve de grootste volmaaktheid bezaten. Nu eens sprak zij met adelijken over die schitterende beuzelachtigheden, waarin men dikwijls zoo veel scherpzinnigheid, wijsheid en karakterkunde aan den dag kan leggen; dan weder onderhield zij zich, terwijl haar ■wangen gloeiden en haar oogen flonkerden, met dichters en beoordeelaars over kunsten en wetenschappen, of redeneerde, in een afgezonderden stillen hoek, met grijze staatslieden over aangelegenheden, waarin zelfs deze haar uitnemend bevattingsvermogen en haar scherpzinnigheid hoogelijk bewonderden; en, daar zij met iedere bevalligheid en ieder talent een zoo zeldzame schoonheid paarde, kan men licht begrijpen, wat indruk zij maakte, en wat plotselinge en nieuwe afwisseling een zoo schitterende Armida in de eentonige samenleving der groote wereld te weeg bracht.

Gedurende de gansche volgende week werd er van r.iets dan van het gezelsehap len huize van de Epringhams gesproken. Allen, die daar geweest waren, hadden er, ieder voor zich, den persoon van naam gevonden, dien zij het liefst zouden aangetroffen hebben. De schoone had met den dichter gesproken en hem met de grootste bewondering aangehoord: de nieuweling in deze of gene weienschap had den beroemden professor in haar diepste geheimen zijn hulde kunnen bewijzen: de staatsman had zijn dank betuigd aan den schrijver, die zijn maatregelen verdedigde: de schrijver was verrukt over de vleierijen, die hij van den staatsman ontving. Met één woord, allen moesten bekennen, dat ofschoon de aanzienlijkste personen van het rijk daar tegenwoordig waren, niemand echter zich op zijn rang iels had laten voorstaan, en zij, die Constance voorheen terugstootend hadden gevonden, waren thans buiten zich zeiven van verrukking over de beminnelijkheid van haar gedrag. Daarenboven was ieder, die tot dit gezelschap werd toegelaten, trotsch op de moeielijk-heid van toegang, zoodat de gansche .groote wereld aldra om strijd wedijverde, om de intrede in het huis der Erpinghams te bekomen; eels, wijl zij zich daar vermaken konden, deels, en wel voornamelijk, omdat die gunst niet gemakkelijk te verkrijgen was. Van daar dan ook, dat het iemand aldra tot aanbeveling strekte, als men van hem zeide: hij komt bij lady Erpingham. Zij, die iets van hare geestigheid bezaten, brachten hemel en aarde in beweging, om met de gravin op

-ocr page 123-

119

een goeden voet te komen. Lady Delville ontving echter geene uitnoodiging, en daarom berstte zij van spijt. Lady Delville hield zich wel, als of zij zulk een uitnoodiging verachtte, maar ieder beschouwde dit als veinzerij. Lord Erpingham deed Constance verwijtingen daarover.

»Crij ziet nu,quot; zeide hij, »dat ik gelijk had. Gij hebt lady Delville beleeligd. Zij heeft daarom ook bewerkt, dat lord Delville thans koel tegen mij is, en binnen weinige \'weken zal hij een Tory zijn. Denk er maar aan, lady Erpingham!quot;

«Heb nog ééne maand geduld,quot; gaf Constance hem glimlachende ten antwoord, »en gij zult het tegendeel zien.quot;

Op zekeren avond trollen lady Delville en lady Erpingham elkander in een groot gezelschap aan. De laatste ging naast hare trotsche vijandin zitten en knoopte, even als of zij hare koelheid niet bemerkte, een gesprek met. haar aan. Zij redeneerde over boeken, schilderijen, muziek en was vol geest en leven, zoodat lady Delville, baars ondanks, daardoor weggesleept en eenigszins minder achterhoudend werd.

Zoodra Constance dit bemerkte, zeide zij eensklaps, terwijl zij zich, met een schijn van vroolijke verbazing, tot de Whig-gravin keerde; »mijn lieve lady Delville, zoudt gij mij wel vei\'giffenis willen schenken? Ik heb nooit gedacht, dat gij zoo betooverend zijn kondet. Wijl het nu mijn zwak niet is, mijn gevoelens te verbergen, beken ik u met schaamte en leedwezen, dat ik u liet recht op die bewondering, waarmede men in mijn tegenwoordigheid, onophoudelijk van u sprak, niet met betrekking tot uw persoon, maar tot uw geest, ontstreden heb.quot;

Lady Delville bloosde.

»Ik bid u derhalve,quot; vervolgde Constance, »vergun mij, nadere kennis met u te maken. Wilt gij Donderdag bij ons eten\'? Er komen, behalve u, slechts negen personen, maar, het zijn ook de negen personen, die ik \'t hoogst schat en \'t meest bewonder.quot;

Lady Delville nam de uitnoodiging aan, en van dat oogen-hlik af was lady Delville, die om Constance Vernon\'s verheffing tot rang en rijkdom aanvankelijk een diepen wrok tegen haar had gekoesterd; die, wanneer Constance zich vroeger met haar bemoeid had, altijd iets aan haar zou gevonden hebben, waarom zij een voorkomen van minachting tegen haar kon aannemen; diezelfde lady Delville was, van dat oogenblik af, de ijverigste verdedigster, en spoedig daarna de oprechtste aanhangster der jonge gravin.

-ocr page 124-

XXIII.

Een blik in de wezenlijke groote wereld achter de roosMeurige gordijnen. — Oprichting van een zeker Instituut.

Het tijdperk, waarvan wij thans spreken, was liet schitterendste, hetwelk de Engelsche groote wereld sedert de laatste halve eeuw gekend had. Lord Byron stond in zijn kortdurend maar glansrijk zenith : mevrouw De Stael hevond zich te Londen; en de vrede harl de belangstelling der rijke ledig-gangers tot gezellige vermaken, en ook tot de wetenschappen hepaald. Er heerschte een leven, een glans, een overvloed van geestigheid in onze gezelschappen, die wij thans daar niet meer aantreffen. Uit dien hoofde kon een jonge, eerzuchtige vrouw, die schoonheid en genie bezat, nooit een, tot vestiging barer macht geschikter oogenblik vinden. Reeds vroeg was het stoute plan van Constance geweest, eene in alle fijn beschaafde landen, thans inzonderheid hier bestaande macht, namelijk die van den modetoon, tot den hoogslen trap op te voeren. En inderdaad was Constance vooral geschikt, om deze geheimvolle, glibberige drijfveer naar haar goeddunken te handhaven. Hare karakterkunde, haar fijn gevoel en hare bevalligheid waren juist de talenten, die bij den modetoon \'t meest te pas kwamen, en ook thans geheel ter bereiking van dat doeleinde besteed werden.

De onafhankelijkheid van haar karakter ging met een buiten-gemeene gelijkmatigheid van temperament gepaard. Vandaar dat Constance nooit in drift geraakte; want dit lag volstrekt niet in haar karakter. Werd zij beleedigd, dan kon zij wel een stekelig antwoord geven, maar niet het voorhoofd fronsen, niet de stem verheffen. Zij bleef altijd vrouw, en dit was het juist, wat elk voor haar innam. Zij bracht jonge lieden nooit van hun stuk en riep hen nooit bij hunne doopnamen ; zij

-ocr page 125-

caf zich nooit moeite, om zich te floen onderscheiden, en gedroeg zich ook nooit als een kokette; met een woord, hare jeugd kenmerkte zich nog steeds door den vollen en ongeschonden hloesen der zedigheid en bescheidenheid. Ofschoon de o-rondlegster eener nieuwe dynastie zijnde, vermeed zij echter juist datgene, wat hare navolgsters en tijdgenooten meenden te moeten doen: zij was de bestuurster van den modetoon, en evenwel — wat een wonderlijk samenstel van karakter! — zij bleef achtenswaardig.

Te dezer tijd werden eenige nieuwe dansen in Engeland ingevoerd, welke bij eenige aanzienlijke dames, die nog jong genoeg waren, om ze uit te voeren, zeer in achting geraakten. ï)eze dames kwamen dan dikwijls des morgens bijeen, om zich daarin te oefenen. Lady Erpingham behoorde onder dit getal, en haar huis werd het hoofdpunt der samenkomst.

Wat al merkwaardige anecdoten dagteekenen zich van dat tijdperk! Lord Byron stond toenmaals naar do hand van lady * * * welke tot dit dansgezelschap behoorde, en verscheen somwijlen bij die proeven, om ze te zien uitvoeren. Op zekeren dag zeide hij tegen haar: smijn hemel, hoe kunt gij tocli in dit armzalige vermaak smaak vinden?quot;

»0, waarom leert gij zelf niet liever dansen,quot; gaf xe hem ten antwoord, sen beschaamt daardoor de lieden, die zich verbeelden, dat gij nooit, vroolijk kunt zijn1?quot;

»Ik dansen!quot; hernam hij, terwijl hij van onderdrukte woede bleek werd en een blik op zijn ongelukkigen voet wierp, »ik dansen! Ik, wien God, in zijn toorn, door een wanstalligheid misvormde!quot;

Deze uitdrukking schrikte de arme lady oogenblikkelijk van de verkeering met hem af.

De jonge markies van Dartington behoorde insgelijks lot liet gezelschap. Beroemd door zijn grooten rijkdom, door zijn persoonlijke schoonheid en zijn veroveringen, had hij zich voorgenomen, op lady Erpingham verliefd te worden. Hij wijdde zich uitsluitend aan haar; verzelde haar des morgens, als zij uitreed, en week des avonds, bij hare gezellige uitspanningen, niet van hare zijde. Verbeeldde hij zich derhalve op haar verliefd te zijn? O ja! Maar was hij het ook werkelijk? Wel neen! Maar hij had oneindig veel ledige uren. Wat zou hij dus daarmee aanvangen?

De luimige en scherpzinnige schrijver der Woorden en Daden heeft de zedelijkheid der aristokratie willen verdedigen. Maar, mijn goede heer Hooke, zij ligt geheel buiten de mogelijkheid. Een aristokratie moet in het punt der verkeering met het schoone geslacht, altijd onzedelijk zijn, wijl zij niets te doen heeft; en als de lieden niets te doen heljben, belagen zij altijd de vrouwen hunner naasten.

-ocr page 126-

122

Constance kon zich soms voor de opletlendlieden en oogmerken van lord Darlington niet wel ongevoelig toonen. Het heelt, trouwens, zijn eigen moeilijkheid, om in een groot gezelschap zulk eene dienstvaardigheid af te wijzen; wijl men zich door preutschheid zoo licht belachelijk maakt. Maar eindelijk wist Constance lord Dartington zeer gepast op den behoorlijken afstand terug te wijzen.

Aan een der vertrekken van lord Erpinghams huis paalde een oranjerie. Hier zat Constance, op zekeren morgen, toen lord Dartington, die met lord Erpingham diens hotel was binnengetreden, bij haar kwam. Hij was geenszins de man, om ooit sentimenteel te worden: veeleer was hij een luchthartig minnaar, meer een don Gaolor, dan een Amadis; maar bij Constance was hij toch eenigszins beschroomd. Hij vertrouwde echter op zijn schoone oogen en bloeiende kleur; deswegens vatte hij eensklaps weer moed, plakte een bloem van dezelfde plant af, die Constance juisi vastbond, en zeide, »zoo ik het wèl hebbe, is het ergens een gebruik, zijn liefde door bloemen te kennen te geven. Mag ik derhalve, dierbare lady Erpingham, dezer bloem een gevoel toevertrouwen, dat ik niet waag uit te spreken?quot;

Constance bloosde niet en geraakte ook niet in verwarring, hoezeer lord Dartington het eene en het andere hoopte en verwachtte. Maar wie door een Godolphin was bemind geworden, kon door de liefdeverklaring van een lord Dartington waarlijk in geen groote gemoedsbeweging geraken! Zij zag hem ernstig in het gezicht en antwoordde hem eerst na een poos en met een glimlachje, dat den minnaar meer beschaamd maakte, dan het hevigst misnoegen zou hebben gedaan.

»Mijn lieve lord Dartington! wij moeten elkander niet miskennen. Ik verkeer in de wereld even als andere vrouwen; maar ik verschil nog al een weinig van haar. Wanneer gij belang stelt in mijne vriendschap, laat mij dan geen woord van liefde hooren. In een volle zaal moogt gij mij zoo veel komplimenten maken als gij wilt, en het zal mijn ijdelheid streelen, u in^ mijn gevolg te hebben. Maar doe mij thans het vermaak, \'dat gij deze schaar neemt en daarmee de vir-welkte bloemen van dezen stengel afknipt.quot;

Lord Dartington zette, om een alledaagsche uitdrukking te bezigen, een verlegen gezicht. Daarbij gevoelde hij tevens eenige spijt. Doch, wegens Constance\'s vooruitziende en voorzichtige staatkunde, wilde zij, ofschoon wel de liefde, toch geenszins de vereering van den eenen of anderen aanhanger van haars mans partij verkoelen. Zij reikte hem derhalve de hand met een toegenegen, maar tegelijk een zoo verheven, koninklijken blik, die zoo geheel vrij was van de laffe Trien-

-ocr page 127-

123

(lelijkheid der aliedaagsche, kleingeestige vrouwen, welke de kokette uithangen, dat de hierdoor getroffen lord zich, van dat oogenblik af, verwonderde, dat het hem ooit in het hoofd gekomen was, Constance, even als andere voorname, dat is op genot verhitte dames te behandelen.

»Wij blijven immers vrienden, lord Darlington?quot; zeide zij. ))ïhans, nu wij elkaar kennen, moeten wij het altijd blijven.quot;

Lord Partington hoog zich. in zijn verwarring, over de hand, die hij aanroerde; Constance begaf zich in haar vertrek en liet lord Erpingham wegens eenige zaken roepen, waarop lord Dartington afscheid nam.

De volgende dag was merkwaardig wegens liet ontstaan van een zonderling instituut.

De dansen, namelijk, waarvan hier boven gesproken is, gaven lady *** aanleiding, om oen club op te richten en wekelijks een bal te geven, welke bals onder het toezicht van zekere personen zouden staan, die het recht moesten hebben om gasten te noodigen.

»Wij willen op de intrede slechts een kleinigheid zetten,quot; zeide lady***, »maar de burgerklasse geheel uitsluiten. Er zullen echter geen pronkerij met rijkdom, geen soupers plaats hebben. Hot doel dezer gezellige bijeenkomsten zal zijn, ons daarbij van de rijke bankiers volkomen ie onderscheiden en de rijke bankiers te beletten, zich aan te stellen, als of zij met ons willen wedijveren.quot;

»Wij zullen,quot; voegde Constance er bij, sop deze vriendschappelijke bijeenkomsten een rangorde bepalen, die van den titulatuurrang volkomen onafhankelijk is. Wij zullen ons door geen mevrouw de hertogin de wetten laten stollen en den grooten zoo wel als den rijken den toegang weigeren.quot;

»Goed zoo!quot; riep de gravin***, die een verbazenden hoop onverzorgde Schotsche neven en geen invloed bij de regeering had; »zoo zullen wij binnen kort in staat zijn, om slechts hun, die wij toelaten, den rnodetoon toe te kennen, en binnen kort zullen wij, benevens onze verwanten en vrienden, alleen den modetoon aangeven.quot;

j)Wij zullen,quot; hernam Constance, „een ongemerkte, maar volkomen omwenteling bewerken.quot;

Dit was de oorsprong der almacks.

-ocr page 128-

XXIV.

Do hijzomlerc hclvrhhimien der vrouwen in- hoof/ere standen. — Cons lit nce\'s h uwelijhsleven.

Wie herinnert zich nog den tijd niet, dat het gemelde instituut tot stand kwam ? — wie de hinderpalen niet, waarmee het in het begin te kampen had ? Maar aldra kwam het deze te boven en begon het dermate toe te nemen, dat men, eer een jaar verloopen was, meer wedijverde, om daarin toegelaten te worden, dan men sedert ooit weer, ten minste weinig meer dan tegenwoordig gedaan heeft.

Ik ben een vijand van iemand op een lage wijze ten toon te stellen; ook schrijf ik geenszins tegen de eene of andere dame ; daarom noem ik ook geene van die beschermsters, en zeg insgelijks riet, of Constance eene daarvan was. Misschien lag het wel in het karakter van onzen Castruccio in vrouwengedaante, dat, ofschoon zij dan ook de plaats van een beschermster bekleedde, zij het hatelijke daarvan wist te vermijden.

Tntusschen nam de invloed der jonge gravin met iedere maand, ja, met eiken dag, toe. Haar huis verkreeg door het staatkundig karakter, dat zij daaraan bijzette, een meer ge-wichtigen en duurzamen naam wegens den aard, dan wegens den glans en de pracht der aldaar bijeenkomende gezelschappen. In hare zalen werden de maatregelen harer partij beraamd ; in haar kabinet werden hun uitvoering — zoo als men elkaar in het oor fluisterde — overwogen en vastgesteld. Deze door de geestelijkheid gehate, door het aanzienlijkste gedeelte van den adel gevreesde en toenmaals door het volk met wantrouwen beschouwde, en daarom verachte partij werd echter in weerwil van dit alles, door haar schranderheid en haar beleid staande gehouden en door haar geheimen invloed bevestigd. Zelfs de reeds gemelde nieuwe inrichting, die oogenschijnlijk slechts

-ocr page 129-

125

voor jonge heeren en dames, die het enkel om boterhammen en quadrilles te doen is, beslemd was, werd lot een werktuig van staatkundigen invloed gemaakt. Men gaf er een liberalen vorm aan en weigerde den liberalen maar zelden den toegang, zoodat het van dag tot dag meer in de mode kwam een-liberaal te zijn. Dit zijn feiten, en wel zulke feiten, die het lot eener natie bepalen, en evenwel worden zij door de geschiedenis overgedragen. Arme geschiedenis! zij verbeeldt zich de volle waarheid voor te stellen, en tast slechts naar de heldere schaduwen.

Constance, gravin van Erpingham, was jong en rijk, zij was bekoorlijk als een droom en geëerd als een godin. Maar gevoelde zij zich ook gelukkig? stelde haar hart ook belang ïn de nietigheden, die haar omringden?

Diep in haar ziel huisvestte een noodlottig beeld, dat zij niet in staat was te verbannen. Op alle uren van den dag en te allen tijde vertoonde Godolphins gedaante zich voor haar in een klagende, verwijtende houding. Geen ander menschelijk wezen kon haar thans\' de bekoorlijkheid van zijn bijzijn vergoeden. Zijn edele, sprekende trekken, waarin geest en liefde doorstraalden, zijn aangename, gevoel-adernende stem, zijn aan verstand en verbeeldingskracht zoo rijke gesprekken, en de teederheid, waarmede hij iedere aan haar gerichte gewaarwording wist te tooien (de fijnste en bekoorlijkste vleierij voor iedere aandoenlijke en beschaafde vrouw), drongen zich telkens weer op nieuw aan haar op en maakten al wat zij rondom zich zag, laf, vervelend, armhartig. Doch deze diep gewortelde zwakheid was niet de eenige doorn op haar met rozen bezaaid levenspad.

Ik moet hier den lezer om een meer dan gewone oplettendheid verzoeken. Hef lot der vrouwen is in de fijn beschaafde kringen der maatschappij ten hoogste onnatuurlijk en ongelukkig. De landman en zijn vrouw staan, zelfs tot de eerzucht, op dezelfde hoogte: voor den een opent zich geen loopbaan, die voor de andere gesloten is; hier heerscht volle gelijkheid van moeite en arbeid. Maar is dit ook het geval met de vrouwen uil de hoogere klassen? met de vrouwen van advokaten, kooplieden, raadsheeren en pairs? — Daar hebben de mannen hunne werkzaamheden; maar de vrouwen (of zij moesten, even als de arme Fanny, zich met breizakken en papegaaien bezig houden) hebben niets te doen. Zij loopen ledig. Daardoor trachten zij der fantasie en het hart werk te verschatten. Zij wikkelen zich in minnarijen en worden ongelukkig, of zij blijven deugdzaam en worden, of afgemat door de eeuwige eentonigheid, of verslingeren geest, hart en karakter aan de geringste nietigheden, welke echter hare eenige toevlucht tegen de verkniezing zijn. Ja, dit is voor de vrouwen een zonderlinge vloek, dien de mannen niet genoeg in aanmerking nemen.

-ocr page 130-

126

Dit was nu Constance\'s voornaamste ongeluk. Haar verheven, rustelooze, steecis omhoog strevende geest smachtte naar een werkkring, en zij vond slechts boudoirs en balzalen. Eéne hoop bleef haar echter over, en deze hoop was de bron van haar listen en intrigues, van haar deelneming aan schijnbare beuzelingen, van de richting harer veerkracht op schijnbare nietigheden. Deze hoop, dit doel bestond in de onderdrukking en de besnoeiing der trotschheid en der macht van den stand, tot. welken zij zelve behoorde, en waarin zij slechts getreden was, om hem te vernederen, en dien zij, wijl zij zelfs de geheimste drijfveer daarvan had opgespoord, meer dan ooit wegens zijn lafheid verwenschte, wegens zijn trotsche inbeelding-verachtte en wegens zijn hatelijken en verstorenden invloed, dien hij, zoo als zij (misschien ten onrechte) geloofde; op de andere klassen de maatschappij uitoefende, diep verfoeide. Maar deze hoop was slechts een ver en donker verschiet. Constance was, trouwens, te verstandig, om aan een te vroege en daarbij krachtdadige verbetering in onzen maatschappelijken toestand te denken, en te rijk begaafd, om de slavin van een idee te worden. Verveling, die vloek der grooten, overviel haar iederen dag meer en meer: haar krachten verflauwden: haar scherp verstand verstompte.

«Hoe komt het,quot; vroeg zij der schoone gravin C \' * \',»dat gij altijd zoo vroolijk en levendig en, bij al uw feeder gevoel nooit om bezigheden verlegen zijt? Gij schijnt nooit verdrietig te zijn, en u nooit te vervelen: hoe maakt gij dat toch?quot;

»Dat zal ik u zeggen,quot; antwoordde de schoone gravin met een gewichtige houding, »ik verander iedere maand van aanbidder.quot;

Constance bloosde en sprak niets meer.

Vele vrouwen in haren toestand zouden, naar een bijna algemeen voorbeeld, vermoeid door een leven, waaraan het hart geen deel heeft, zonder kinderen, zonder leidsman, van alle zijden en op allerlei wijze bestormd en gevleid — vele vrouwen, zeg ik, zouden het, zoo al niet met een liefdehandel van belang, ten minste met een kleine minnarij beproefd hebben. Maar Constance bleef altijd even koel en schitterend; zij geleek de niet door de zon bestraalde sneeuw. Zeker zal de herinnering van Godolphin haar tegen gevaren beveiligd hebben : het eenmaal van het vuur doorgloeide asbest, kan nocit meer door het vuur worden verteerd; maar er lag in Constance\'s natuur nog een andere drijfveer en dit was de trotschheid.

In dezen tijd stierf de weduwe lady Erpingham, een gebeurtenis, die Constance een oprechte smart veroorzaakte en den sterksten band brak, welko de jonge gravin aan haar echtgenoot boeide; want van toen af zagen lord en lady Erpingham elkander zeer zelden.

-ocr page 131-

127

Even als de meeste mannen, die hun zes voet en 7,ware bakkebaarden hebben, zoo was ook hij trotsch op zijn persoon en, even als de meeste rijke edellieden, vond ook hij dames genoeg, die hem verzekerden, dat hij onweerstaanbaar was. ïntusschen verdroot hem Constance\'s koele en bedaarde beleefdheid spoedig; en dewijl hij veel met ongehuwde mannen verkeerde, maakte hij aldra even zulke kennissen als deze; kennissen, die den man licht zoover brengen, dat hij zijne vrouw vergeet. In weerwil daarvan gevoelde hij echter, dat hij in de keus eener echtgenoot gelukkig was geweest. Zijn staatkundige invloed was door Constance\'s schranderheid ten minsle verdubbeld geworden : zij had zijn huis tot het schitterendste van Londen en zijn naam tot den gezochtsten op alle lijsten der pairschap gemaakt. Hoe mild zij ook ware, ping zij echter nooit de maat Ie buiten; en hoeveel aanspraak zij ook op schoonheid bezat, knoopte zij toch geen intrigues aan. Alhoewel haar echtgenoot, zijn onbestendigheid blijkbaar aan den dag legde en zich door een onwelvoegelijk gedrag kenmerkte, verzuimde zij toch nooit zijn belangen, verzette zij zij zich nooit tegen zijne wenschen en veranderde zij ook jegens hem ook nooit de gelijkmatige en zachtaardige stemming van haar gemoed. Over zulk een vrouw kon lord Erpingham zich gewis niet beklagen, en hij deed het ook nooit; integendeel, hij achtte, hij prees, hij raadpleegde, ja, hij eerbiedigde haar min of meer.

Ach, Constance! waart gij de dochter van een pair, of van een landman geweest; hadt gij liever den eerste den beste dan John Vernon, tot vader gehad, wat overheerlijke, onvergelijkelijke schat zou dit hart, deze schoonheid, deze geest zijn geweest!

-ocr page 132-

XXV

Hel vermaalt- van een vernedering betaald Ie zeilen. — Constance\'s verdedifjing der mode. — Aanmerkingen daaromtrent. — Godolpliins leven. — Portret van Fanny Millinger. — Gebrek aan moed bij sedekundvje schrijvers.

Het was ongetwijfeld voor Constance een omstandigheid, om er trotsch op (e worden, dat de hertogin van Winstoun en lady Margaretha haar schreven, zicii aan haar opdrongen en wedijverden om een lachje, een buiging, een uitnoodiging, of een intreêkaartje lot de almacks.

Aanvankelijk hadden zij zich voorgenomen, haar door laster te verpletteren; zij hadden besloten, overal te verklaren, dat zij van een geineene afkomst, dat zij een zottin, dat zij grillig en een schrijfster was. Maar te vergeefs. Constance steeg dagelijks hooger. Men wilde daar niet van overtuigd zijn, maar het baatte niet. De eerste persoon, die haar duidelijk deed zien, dat zij misgetast had, was de thans overleden koning, de toenmalige regent: deze had, namelijk, bij gelegenheid van een door hem gegeven bal, zich den ganschen avond met lady Erpingham onderhouden. Van dal uur af waren de beide dames overtuigd, dat zij zich deerlijk vergist hadden, en zij gaven haar diensvolgens den anderen morgen een bezoek. Constance ontving haar met die koelheid, welke zij altijd voor haar gevoeld had, en echter zeiden zij, bij het heengaan, dat zij nooit een vrouw van een fijner beschaafd gedrag gezien hadden. Nu zonden zij haar een uitnoodiging, welke zij echter van de hand wees: een tweede uitnoodiging had hetzelfde lol, en bij een derde verzochten zij haar dringend, zelve den dag

-ocr page 133-

129

te bepalen!!! Zij bepaalde toen den dag, en stelde haar nochtans te leur. De hemel weet, hoe ongelukkig, hoe verbaasd, hoe ontsteld zij waren! Haar lieve lady Erpingham moest zeker ziek zijn; en de volgende week lieten zij eiken dag naar den staat barer gezondheid vernemen.

»Waarom,quot; zeide Mrs. Trevor tegen lady Erpingham houdt »gij niet op, zoo gruwzaam tegen deze arme menschen te zijn? Ik weet wel, zij waren eens onbeschoft, maar thans, denk ik, is het verstandiger en braver, te vergeven, en zich te houden, als of men ook vergeten bad. Lieden uit de groote wereld moeten niet met elkander overhoop liggen.quot;

»Gij hebt gelijk,quot; gaf Constance haar ten antwoord, sen echter vergist gij u toch: ik vergeef, maar ik kibbel niet; doch mijne meening en mijne verachting blijven dezelfde, of veeleer, zij zijn nog meer gegrond geworden. Dit volkje verdient niet, dat men zich het genoegen, dat. wij allen ondervinden, als wij onze verachting kunnen laten blijken, een enkel oogenblik ontzegt. Ik geef mij dus daaraan over, maar doe zulks met bedaardheid, zonder daarom gemaakt ze zijn. Bovendien wil ik u wel bekennen, mijn lieve Mrs. Trevor, dat de trotschheid op bloote titels, mijns bedunkens, tot in het stof moet vernederd worden, als wij wezenlijk de maatschappelijke verkeering willen veraangenamen; en waar vinden wij een beter voorwerp tot straf, dan de hertogin van Wmstoun ?quot;

))Maar, lieve lady Erpingham, men houdt u ook voor trotsch, en uwe vriendin lady C * * * tevens. Zijt gij wel overtuigd, dat gij dit verwijt niet verdient?quot;

))Ik wil de rechtmatigheid van dit verwijt niet ontkennen; maar gij moet in aanmerking nemen, dat onze trotscheid zich geenszins op rang grondt. Wij hebben ons den plicht opgelegd, de armen en van alle gezelschappen uitgestotenen in bescherming te nemen. Zijn wij wel ooit temgstootend tegen gouvernantes en gezelschapsdames, of tegen arme schrijvers en muzikanten ? Keeren wij der vrouw van den man, die beneden zijn stand gehuwd is, den rug toe? Bewijzen wij baar niet veeleer alle mogelijke oplettendheden, en stellen wij haar onaangenamen en van vrienden ontblooten toestand niet onder de bescherming der mode ? Diensvolgens is onze trotschheid enkel rechtvaardigheid. Zij is de alsemkelk, die tot den in-schenker terugkeert; het is trotschheid tegen trotschheid. Denk er maar eens over na, en gij zult mij gelijk geven.quot;

»Ik moet wel, gij vertegenwoordigt inderdaad de vrouwelijke ridderschap.quot;

Leefde er thans een filozoof voor de groote wereld, zooals een Helvetius, een Labruyère, een Voltaire, ik zou hem geen rust, laten, voordat hij een boek over de filozofie der mode vervaardigde. De zotte romans, welke men daarover geschreven

-ocr page 134-

XXV.

liet vermaak van ccn vernedering betaald te zetten. — Constance\'s verdedkjing der mode. — Aanmerliingen daaromtrent. — Godolpliins leven. — Portret van Fanny Millini/er. — Gebrek aan moed bij zedekundirje schrijvers.

Het was ongetwijfeld voor Conslance een omstandigheid, om er trotsch op te worden, dat de hertogin van Winstoun en lady Margaretha haar schreven, zich aan haar opdrongen en wedijverden om een lachje, een buiging, een uitnoodiging, of een intreêkaartje tot de almacks.

Aanvankelijk hadden zij zich voorgenomen, haar door laster te verpletteren: zij hadden besloten, overal te verklaren, dat zij van oen gemeene afkomst, dat zij een zottin, dat zij grillig en een schrijfster was. Maar te vergeefs. Constance steeg dagelijks hooger. Men wilde daar niet van overtuigd zijn, maar het haatte niet. De eerste persoon, die haar duidelijk deed zien, dat zij misgetast had, was de thans overleden koning, de toenmalige regent: deze had, namelijk, bij gelegenheid van een door hem gegeven bal, zich den ganschen avond met lady Erpingham onderhouden. Van dal uur af waren de beide dames overtuigd, dat zij zich deerlijk vergist hadden, en zij gaven haar diensvolgens den anderen morgen een bezoek. Constance ontving haar met die koelheid, welke zij altijd voor haar gevoeld had, en echter zeiden zij, bij het heengaan, dal zij nooit een vrouw van een fijner beschaafd gedrag geziea hadden. Nu zonden zij haar een uitnoodiging, welke zij echter van de hand wees: een tweede uitnoodiging had hetzelfde lol, en bij een derde verzochten zij haar dringend, zelve den dag

-ocr page 135-

129

te bepalen!!! Zij bepaalde toen den dag, en stelde haar nochtans te leur. De hemel weet, hoe ongelukkig, hoe verbaasd, hoe ontsteld zij waren! Haar lieve lady Erpinghatn moest zeker ziek zijn; en de volgende week lieten zij eiken dag naar den staat harer gezondheid vernemen.

»Waarom,quot; zeide Mrs. Trevor tegen lady Erpingham houdt «gij niet op, zoo gruwzaam tegen deze arme menschen te zijn? Ik weet wel, zij waren eens onbeschoft, maar thans, denk ik, is het verstandiger en braver, te vergeven, en zich te houden, als of men ook vergeten had. Lieden uit de groote ■wereld moeten niet met elkander overhoop liggen.quot;

«Gij hebt gelijk,quot; gaf Constance haar ten antwoord, »en echter vergist gij u toch; ik vergeef, maar ik kibbel niet; doch mijne meening en mijne verachting blijven dezelfde, of veeleer, zij zijn nog meer gegrond geworden. Dit volkje verdient niet, dat men zich het genoegen, dat wij allen ondervinden, als wij onze verachting kunnen laten blijken, een enkel oogenblik ontzegt. Ik geef mij dus daaraan over, maar doe zulks met bedaardheid, zonder daarom gemaakt ze zijn. Bovendien wil ik u wel bekennen, mijn lieve Mrs. Trevor, dat de trotschheid op bloote titels, mijns bedunkens, tot in het stof moet vernederd worden, als wij wezenlijk de maatschappelijke verkeering willen veraangenamen; en waar vinden wij een beter voorwerp tot straf, dan de hertogin van Winstoun ?quot;

))Maar, lieve lady Erpingham, men houdt u ook voor trotsch, en uwe vriendin lady C * * * tevens. Zijt gij wel overtuigd, dat gij dit verwijt niet verdient?quot;

sik wil de rechtmatigheid van dit verwijt niet ontkennen; maar gij moet in aanmerking nemen, dat onze trotscheid zich geenszins op rang grondt. Wij hebben ons den plicht opgelegd, de armen en van alle gezelschappen uitgestotenen in bescherming te nemen. Zijn wij wel ooit terngstootend tegen gouvernantes en gezelschapsdames, of tegen arme schrijvers en muzikanten ? Keeren wij der vrouw van den man, die beneden zijn stand gehuwd is, den rug toe? Bewijzen wij haar niet veeleer alle mogelijke oplettendheden, en stellen wij haar onaangenamen en van vrienden ontblooten toestand niet onder de bescherming der mode ? Diensvolgens is onze trotschheid enkel rechtvaardigheid. Zij is de alsemkelk, die tot den in-schenker terugkeert; het is trotschheid tegen trotschheid. Denk er maar eens over na, en gij zult. mij gelijk geven.quot;

»Ik moet wel, gij vertegenwoordigt inderdaad de vrouwelijke ridderschap.quot;

Leefde er thans een filozoof voor de groote wereld, zooals een Helvetius, een Labruyère, een Voltaire, ik zou hem geen rust. laten, voordat hij een boek over de filozofie der mode vervaardigde. De zotte romans, welke men daarover geschreven

9

-ocr page 136-

130

heeft hebben ons walging en verveling veroorzaakt, maar ons niets quot;quot;eleerd. De niodetoon is, trouwens, een klein woord, maar een groote zaak. Het is de openbare meening der heeren van het maatschappelijke stelsel. Is het mode, het groote na te bootsen, zooals dit eens te Rome het geval was, dan kenmerkt zich de staat door grootheid en kracht. Is het mode, oppervlakkig, gemeen en koel te zijn, dan is het een schande voor de natie, die de openbare meening aan zulke beheerschers prlis o-eeft: haar hart is zedelijk ziek. De mode, welke Con-stance invoerde, was edeler, maar paste niet voor de meerderheid en werd derhalve door hare opvolgsters tot duizende laagheden misbruikt. Te vergeefs maken wij wetten, wanneer de al^emeene ijeest die weerstreeft. Constance kon de grooten vernederen, de banden van uiterlijken rang losmaken, de macht der titels ondermijnen: maar dit was ook alles. Zij kon de trotschen vernederen, maar niet het algemeene standpunt verheffen: in plaats van de eene slavernij voerde zij een andere in — het volk werd geboeid aan de kelen der mode, zoo als voorheen aan de keten van titeltrots.

In weerwil van dit alles, was Constance, hoezeer zy zich soms ook te leur gesteld zag, toch tevreden. Zij zag, dat zij een zaad uitgestrooid had, dat opschieten en door zijn schaduw menige valsche meeuing verstikken zou. Door het kweeken van een boom, had zij aan veel onkruid zijn voedsel benomen, en de tijd moest komen, dat ook deze boom geveld, in de plaats daarvan een andere geplaatst zou worden, en iat deze nog veel betere vruchten voortbrengen zou. Dit tijdstip zag

zij0met geduld te gemoet. ~ i i i •

Intusschen hoorde zij in gezelschappen veel over Godolplnn spreken, en dit geschiedde telkens met deelneming, zelfs door degenen die zijn eigenlijke inborst niet begrijpen konden. Door zeeën en landen van hem gescheiden, zag zij er geen gevaar voor zich zelve in, dat zij aan het zoete genoegen, van iedere zijner handelingen, van zijn geest en van zijn hart te hooren spreken, bot vierde. Zij vergunde echter zicii zelve geene vrijheid hem te beminnen; want haar hart was te zuiver, om niet voor zulk een gedachte te schrikken: maar haar gemoed was niet zoo geregeld, niet zoo geheel naar heilige grondbeginselen gevormd, dat zij zich de vieuff de der herinnering kon ontzeggen. Van zijn tegenwoordige levenswijs vernam zij minder. Dij deze en gene gelegenhuii hoorde zij wel, dat hij van stad tot stad, van h-nd tot lan , reisde; dat hij de trotsche cirkels van den Weener adel verlaten had, om de donkere tempels van Memphis te bezoeken maar hij scheen nergens een vast verblijt te houden. e gedachte aan dit rondzwervende, rustelooze leven, dat haar in het geheim van hare macht overtuigde, gaf aan zijn beeld

-ocr page 137-

131

een voorkomen, dat nog teederder en nog meer verwijtend was. Ach! zou er, wanneer wij in de harten konden zien, wel één mensch benijdenswaardig zijn?

Toevallig had de actrice Godolphin\'s genegenheid voor de schoone gravin uit Saville\'s mond vernomen, en dit maakte haar begeerig, om deze eens te zien; en, toen zij, op zekeren avond, in den schouwburg hoorde, dat lady Erpingham zich in de loge van den lord-kamerheer bevond, behield zij nauwelijks de noodige bedaardheid, om met haar gewone oplettendheid te kunnen voortspelen.

Zij was door den hoogen adel, waardoor het gelaat en de gestalte van lady Erpingham zich kenmerkten, ten uiterste getroffen, en Godolphin steeg in hare achting, toen zij zag, dat hij zulk een godin tot het voorwerp zijner vereering gekozen had. Het is een zonderlinge trek in het karakter der vrouwen, dat zij van verlangen branden, om een persoon te leeren kennen, die door den man, in welken zij zelve belang gesteld hebben, bemind wordt, en dat juist deze man in hare achting rijst of daalt, naarmate zij het voorwerp zijner liefde bewonderen kunnen of zich in dit opzicht bedrogen zien. Niets heeft, trouwens, het romantische belang, dat de vrouwelijke wereld in lord Byron stelde, meer en duurzamer verminderd, dan het aanschouwen der personen, op welker liefde hij zich beroemde. Dus zou Byron in hare oogen voor dui-zende zonden eerder vergiffenis gevonden hebben, dan voor zijn bewijzen van slechten smaak.

»Grij gelooft derhalve,quot; zeide Saville, toen hij, op zekeren avond, met de actrice aan tafel zat, »gij gelooft derhalve, dat de wereld lady Erpingham niet te hoog schat?quot;

»Neen; want zoo als zij er uitziet, zou Medea, bijaldien zij schuldeloos ge bleven ware, er uitgezien hebben, namelijk, vol majesteit, en toch vol zachtaardigheid. Zij heeft het gelaat eener koningin uit vorige eeuwen. Ik zou haar hebben kunnen aanbidden.quot;

»Mijn kleine Fanny, gij zijt een zonderling schepsel! Ik geloof zelfs, dat gij met een zweem van poëzie bedeeld zijt.quot;

«Althans, niemand kan mijn karakter begrijpen of hij moet gedicht hebben,quot; gaf Fanny naïf, maar naar waarheid, ten antwoord,

»En evenwel bezit gij toch weinig, dat ideaal is, mijn schoone.quot;

))Neen maar dat komt, wijl ik zoo vroeg aan mij zelve overgelaten en gedwongen werd, de onafhankelijkheid als den besten eigendom te beschouwen. Ik zag aldra, dat, bijaldien ik mijn hart her- en derwaarts volgde, waarheen het mij voeren mocht, ik alsdan de speelbal van iederen wind, het offer van ieder toeval zou worden; ik zou een romaneske

9*

-ocr page 138-

132

zottin geworden zijn; ik zou van een lachje geleefd hebben en ten laatste in een kuil gestorven zijn. Ik nam dus mijn hart eens onderhanden, ik zette bet te recht en liet het slechts tot een zekere hoogte geworden. Ook is het mijn geluk, dat ik zulks deed. Wat zou er toch van mij geworden zijn, als ik, toen ik Godolphin beminde, mijn geheele hart aan hem weggeschonken hadde ?quot;

»0, hij is edelmoedig en zou u zeker niet verlaten hebben.quot;

»Maar ik zou hem verveeld hebben, en dat was voor mij genoeg geweest. Doch ik bemin hem innig, en wel met een zuivere, ja, gij moogt vrij meesmuilen, met een zuivere liefde, zonder eenig inmengsel van eigenbaat. Ook strekte de opmerking, dat hij wel genegenheid voor mij had, maar niet met mij symphathiseerde, slechts, om mij in mijn besluit, hem aldus te beminnen, meer en meer te versterken. Zijn karakter verschilde van het mijne. Ik ben in alle opzichten een vrouw en Godolphin zucht onophoudelijk naar een godin.quot;

»Ik zou u karakter wel eens willen schetsen, Fanny. Het is oorspronkelijk, ofschoon niet scherp geteekend. Ik heb het nooit in boeken aangetroffen, en toch is het, zoowel met opzicht tot uwe sekse, als lot de wereld, zeer waar.quot;

))En echter zouden weinigen mij goed kunnen treffen; want zij liepen gevaar, om te veel of te weinig van mij te maken.quot;

Arme Fanny ! Gij zult deze bladen lezen- Maar zullen zij u ook voldoen ? En echter ben ik overtuigd, dat het beeld nauwkeurig is. Gij behoort onder zulke, van welke de wereld een niet zeer goeden dunk heeft; en toch hebt gij veel goeds aan u. , Mochten de preutschen zeggen, dat ik u niet had moeten schilderen, dan hebben zij ongelijk; want juist, omdat de schrijvers te lafhartig geweest zijn, om de waarheid te zeggen, ofschoon zij wisten, dat hunne bedoelingen zuiver waren, ofschoon zij wisten, dat zij niet verleiden, maar onderwijzen wilden; — wijl, zeg ik nog eens, de schrijvers zoo lafhartig geweest zijn, en hun verheven beroep zoo onteerd hebben, daarom zijn de arme vrouwen van echt zedelijke waarschuwin-wingen en terechtwijzingen verstoken gebleven : daarom kloppen er zoovele ongelukkige harten en is er zoo menige, met een goeden aanleg begaafde vrouw op kwade wegen geraakt. Gij daarentegen, Shakespeare, Fielding, Göthe, Le Sage ! gij zijt ware leermeesters, wijl gij den moed hebt, om de waarheid te zeggen.

Maar er is een hoop dwaze lezers, die hunne stem tegen een boek verheffen en roepen; ik haat den held der geschiedenis, of, ik kan de heldin niet dulden. Maar is het dan het oogmerk van den kunstenaar geweest (want een schrijver is eigenlijk een kunstenaar) dat zij den held beminnen zouden ?

-ocr page 139-

133

of was het zijn oogmerk, dat de held natuurlijk zijn zoude? Hebben de held en de heldin vleesch en bloed? Wankelen zij somtijds? Veroorzaken hartstochten hun een inwendigien tweestrijd? Zijn zij nu eens goed en dan weder slecht? Bekoren zij thans, en verdienen zij naderhand afkeuring ? Welnu doen zij dit, dan zijn zij, zooals zij zijn moeten; wezenlijk, natuurlijk ; maar juist wegens deze tegenstrijdigheden boeien zij niet altijd den oppervlakkigen bewonderaar. Afgestorvene, in ééne gedachte levende helden wekken de gewone belangstelling zeker met meer kracht; want de millioenen schakeeringen en wijzigingen, die het menschelijk karakter vormen, zijn niet geteekend voor den lezer, die in eens een boek van het begin tot het einde doorbladert en slechts naar een grove opwekking zijner hartstochten door middel van alledaagsche oorzaken verlangt. Dus voor zoodanigen lezer schrijf ik niet. Ik kan mijn doel missen (misschien wordt zulks wel het geval), maar toch zal onder tienduizend niet één weten, of ik het gemist hebbe, of niet; want niemand zal het der moeite waardig achten te onderzoeken, wat mijn doel is. En nu,sclioone Constance, vaar voor\'s hands wel! Ik verlaat u omgeven met pronk en pracht, en geëerd door allen. Geniet bijaldien gij kunt, datgene, waaraan gij de liefde hebt opgeofferd.

-ocr page 140-

XXVI,

Een dweepsi\' en zijn dochter. — Ken Engélschman, hoedanig de niet-Emjelschen hem zich voorstellen.

Thans moeten wij onze lezers met karakters bekend maken, die van de tot hiertoe geschetste geheel en al verschillen.

Nabij de onsterfelijke stad, aan de Via Appia, -woonde een zonderlinge dweeper, Volkmann genaamd. Hij was van geboorte een Deen, en de natuur had aan zijn geest eené richting gegeven, die, ware hij in de elfde eeuw ter wereld gekomen, hem een beroemdheid zou verschaft hebben, welke hij in onze tijden moeielijk zou hebben kunnen verkrijgen. Volkmann was geheel en al een man uit den voortijd.

In zijn karakter lag iets profetisch, iets middeneeuwsch; voor wezens van onzen tijd had hij niet den minsten zin: hun liefde, hun haat, hun politiek, hun literatuur vonden in zijn boezem volstrekt geen weerklank. Opzettelijk vermeed hij elke ontmoeting met hen: eenzaamheid was zijn leven: studie, zijn eenige bezigheid, en wel eene studie, die hem van dag tot dag ongeschikter en onbruikbaarder tot het eigenlijke doel zijns le\'vens maakte. Met één woord, hij wat-een astrologist en hield die zoo geheimzinnige als bedriege-lijke wetenschap voor alleszins onfeilbaar. Voor beeldhouwer opgeleid, had hij zich reeds zeer vroeg naar Rome, de beste leerschool dier heerlijke kunst, begeven, doch ook derwaarts de sombere tint van zijn noordschen hemel medegebracht. De beelden der klassieke wereld, de schitterende, schoone, hoewel ijskoude Godheden, welker gestalte en natuur het marmer inzonderheid zoo voortreffelijk uitdrukt, hadden luttel bekoorlijks voor Volkmann\'s zwartgalligen geest. Getrouw aan het bijgeloof van het noorden, had de liefelijke majesteit der zuidelijke beelden in hem slechts den wensch opgewekt,

-ocr page 141-

135

om de grondstellingen, naar welke zij gewrocht waren, op die wanstaltige visioenen toe te passen, welke zijn sombere en woeste fantasie alleen met leven kon bezielen. Deze richting van zijn ingeesting behoedde hem ten minste voor de ergste feil eens kunstenaars — voor gemeene nabootsing. Hij bleef oorspronkelijk, en zijn feilen zelve waren verheven en treilend. Eer hij echter de groote ervaring had verkregen, welke het genie alleen volmaakt, had zijn natuurlijke energie zich reeds naar een ander kanaal gewend. Gedurende een ziekte, die hem het uitoefenen zijner kunst belet had, was hem toevallig een werk over de astrologie in handen gekomen. De woeste, bedwelmende theorieën dezer wetenschap — als men haar werkelijk zoo noemen moge — betooverden hem en sleepten hem geheel weg. De heldere, stralende nachten van zijn vaderland zweefden hem weder voor de oogen: hij herinnerde zich den mystieken, on verklaarbaren indruk, dien het gezicht der hemellichten op hem maakte, en hij verbeeldde zich, dat juist dit onbepaalde zijn gewaarwordingen een stellig bewijs voor het wezenlijke bestaan der wetenschap was.

De zonen van het noorden zijn inzonderheid aan een dweep-achtige opwekking der gewaarwordingen blootgesteld, welke een stille, door fonkelende sterren helder verlichte nacht noodzakelijk moet doen ontstaan. Een lang, onafgebroken, bedwelmend zwijgen, dat in hun ijzig klimaat, van het ondergaan tot het weder opgaan der zon, bestendig heerscht; de plotseling opkomende luchtverhevelingen, die met een toover-achtig leven langs den kalmen en onbewolkten hemel zweven, de bijzondere glans der sterren, en zelfs het, als ware het, doode aardrijk, dat zij met hare ijskoude helderheid beschijnen, versterken de uitwerking der spookachtige vertellingen, waarmede het kinderlijke oor vermaakt wordt, en vereenigen tevens de sombere aandoeningen van het opgewonden gemoed met den invloed, of ten minste met de beelden van nacht en hemel.

Volkmann, die voor bijgeloovige indrukken nog veel vatbaarder was dan zijn landslieden, wijdde zich aan de wetenschap, waarmeê hij toevallig bekend was geworden, met een alles opolferende geestdrift. Het marmer werd steeds meer en meer veronachtzaamd; en ofschoon hij nog van tijd tot tijd arbeidde, beschouwde hij echter zijn kunst niet langer als de bestemming zijns levens en het doel zijner eerzucht. Bij geluk was Volkman, hoezeer niet rijk, nochtans niet zonder middelen, om een fatsoenlijk en gemakkelijk leven te bunnen leiden, zoodat hij in beter omstandigheden, dan vele anderen, in staat was om zijn ijver voor zijn zoo onvruchtbare nasporingen den ruimen teugel te vieren. Het verdient alleszins opmerking, dat, wanneer iemand zich aan een bezig-

-ocr page 142-

136

heid wiidt, die hem van de wereld, als ware hef, verwijdert, iedere groote en zware ramp hem, zonder hoop op herstel, in zijn neiging tot eenzaamheid slechts fe meer versterkt. De wereld, die hem tegenstaat, wijl zij hem geen genoegen verschaft, wordt door hem bitter gehaat zoodra zich de herinnering van de eene of andere ramp, van het een of andere hem bejegend ongeluk, daarbij komt. Volkmann had een Italiaansche gehuwd, een vrouw die hem innig beminde, en welke hij met die krachtige, ofschoon dan ook niet teeder vleiende liefde weder beminde, die bij mannen van zijn soort zoo gewoon is. Vroolijk en gezellig naar de wijs van haar land, was de Italiaansche geenszins genegen, om den astroloog alleen in de gemeenschap en het verkeer met de sterren te laten leven. Langzamerhand trachtte zij hem in het gezelschap van menschen terug te brengen, en even als ieder Adamszoon, was ook Volkmann niet in staat, om den invloed zijner schoone wederhelft en huismonarchin lang wederstand te bieden. Het gebeurde, dat op zekeren dag, toen zij inzonderheid dringend bij hem aanhield, om deel aan een dier partijen te nemen, welke de Engelschen met het begrip van genoegen niet kunnen vereenigen, wijl men er converseert — Volkmann een op handen zijnde groot ongeluk had voorspeld. In de onzekerheid nopens hel karakter der voorspelling, daar hij niet wist, of het ongeluk hem binnen of buiten \'s huis wachtte, voldeed hij aan het verlangen zijner echtgenoote en verzelde haar naar de woning harer vriendin. Een jong Engelschman, die eerst kort te voren te voren te Rome aangekomen was en zich in gezellige kringen dier stad wegens zijn buitensporig leven en zijn hartstochtelijke neiging voor schoone vrouwen, bereids een naam had gemaakt, bevond zich mede in dat gezelschap. Hij scheen getroffen op het gezicht van de echtgenoote des beeldhouwers, en zijn voorkomendheden pijnigden Volkmann voor de eerste, maar ook voor de laatste maal met de kwellingen der jaloezie: plotseling verwijderde hij zich met zijn vrouw.

Terwijl zij huiswaarts keerden, werden zij — een juweelen halssierraad der Signora zal misschien de misdaad uitgelokt hebben — in de sober verlichte voorstad door twee rcovers aangerand. Ofschoon Volkmann geen tegenstand bood, gedroegen de roovers zich nochtans zeer ruw en op gewelddadige wijs. De signora was doodelijk ontsteld: zij riep om hulp: een vreemdeling snelde toe; het was de Engelsche jongelir.g, die even te voren Volkmann\'s jaloezie had opgewekt. Als een galant man aan gevaren gewoon, ging de Engelschman in dit vreemde land zelden \'s avonds uit, zonder van pistolen voorzien te zijn. Op het gezicht der wapenen ontzonk den roovers de moed; zij lieten hun buit varen en namen de

-ocr page 143-

137

vlucht, waarna de Brit met Volkmann de Italiaansche naar huis geleidde. Doch de hevige schrik dezer gebeurtenis had haar teeder lichaamsgestel te sterk geschokt; drie weken na dien noodlottigen avond was Volkmann weduwnaar.

Zijn huwelijk was slechts met êéne dochter gezegend geworden, die, ten tijde van dit voorval, omtrent acht jaren bereikt had. De liefde voor zijn kind verzoende Volkmann nog eenigszins met het leven, en toen de eerste hevigheid der smart bedaard was, keerde hij met een thans onafgebrokene volharding tot zijn geliefkoosde bezigheid en zijn geheimzinnige navorschingen terug. Slechts eenen vriend gelukte het, den toegang tot zijn kluis te erlangen, — deze vriend was de jonge Engelschman. Een soort van berouw over de jaloezie, welke hij gevoed had, en waartoe zijn echlgenoote, ofschoon een Italiaansche, hem nooit zelfs de minste aanleiding had gegeven, had den tegenzin, dien hij in het eerst tegen den jongman had opgevat, in een gevoel veranderd, dat door de herinnering der afgestorvene en door den wensch, om haar voor zijn, haar beleedigende miskenning voldoening te geven, inderdaad hartelijke genegenheid werd. Nog meer werd dit gevoel versterkt door het innemend gedrag des vreemdelings, door zijn oplettendheden jegens de zieke, aan welke hij een Engelschen geneesheer, van de grootste vermaardheid — misschien den eenigen docter in die stad, die wezenlijk gestudeerd had — had gezonden ; en voorts, toen zij nader met elkander bekend werden, door het inwendige belang, dat hij in de geliefkoosde theorieën van den astrologist stelde.

Volkmann\'s moeder was de dochter van Schotsche ouders geweest en had hem de Engelsche taal geleerd. Deze omstandigheid verlichtte niet weinig zijn verkeering met den vreemdeling, daar hij in geen andere taal, behalve in deze en in de Deensche, genoegzaam ervaren was, om deze vlug te kunnen spreken. Daarenboven vond hij in het gezelschap van een man, die zoo vol geestdrift, zoo vol gevoel, zoo melancholisch was, en elke afgetrokken studie zoo hartstochtelijk beminde, een genoegen, dat hij onder Italie\'s vroolrjke vernuften nog\' nooit gesmaakt had.

De jonge Engelschman bezocht derhalve vaak het eenzame huis aan de Via Appia, en de geheimvolle, bovenaardsche gesprekken van den sterrekijker verschaften hem, die reeds vroeg de verschillende stokpaardjes in zijn eigen klasse had leeren kennen, een vreemdsoortig genot, dat nog door het kontrast verhoogd werd, hetwelk hij door de wereldsche natuur van zijn gewoon gezelschap en door de steeds wederkeeremie bezigheden van een naar genot en genoegens strevend leven maakte.

Maar nog een ander wezen, hoezeer slechts een kind, vond

-ocr page 144-

138

ongemeen veel behagen in de bezoeken des schoonen vreem-delings. In afzondering opgevoed, sedert haar moeders dood zonder eenige verkeering met vriendinnetjes van hare jaren, is het geen wonder, dat bij haar, die zoo menigen flauwen wederschijn van haars vaders diepzinnige, maar verheven studiën ontving, dat bij haar, zeg ik, voor wie zijne, met de zonderlingste teekens en duisterste spreekwijzen opgevulde boeken open lagen, zich iets geheel vreemds, iets geheel buitengewoons met de elementen van haar karakter paarde, hetwelk Lucilla Volkmann vroegtijdig ontwikkelde — een karakter dat geheel natuur, maar een zeer wonderlijke, ongelijkmatige natuur was. Verre van een stil, zacht gemoedsbestaan te bezitten, was zij, hartstochtelijk, levendig, onbestendig. Zij lachte en weende zonder schijnbare oorzaak; de kleur van haar gelaat bleef zich geen oogenblik gelijk en de grilligste afwisselingen van een Aprilhemel waren de onveranderlijkheid zelve in vergelijking van liet spel en den glans der uitdrukking, in hare gelaatstrekken en in hare wilde, donkere, sprekende oogen.

Haar lichaam geleek haren geest: zij was schoon, maar die schoonheid op zich zelve verraste veel minder dan het zonderlinge karakter dat zij vertoonde. Haar oogen waren zoo donker, dat zij des avonds zwart schenen, doch heur haar was lichtbruin. Haar tint was zacht en doorschijnend nu en dan bleek, somwijlen koortsachtig gloeiende; tanden en mond waren onbeschrijfelijk fraai; handen en voeten bijna tekiein; en toen zij volwassen was, heerschte in haar niet rijzige gestalte zulk eene volkomen harmonie der onderscheiden deelen, dat des beeldhouwers geest zich soms uit het d;epe gepeins van den astrologist losrukte en haar met dezelfde bewondering beschouwde, met welke hij, in weerwil van het voorwerp, de goddelijke gewrochten van een Phidias of Canova zou beschouwd hebben. Maar hier was de schoonheid gepaard met een zoo eindelooze menigvuldigheid van dikwerf wilde, ofschoon steeds bevallige bewegingen, dat het oog naar de rust verlangde, die voor een langere bewondering zoo noodzakelijk was.

Als zij aangesproken werd, antwoordde zij meestal niet rechtstreeks, maar scheen eerder een aan zich zelve gedane vraag te beantwoorden. Midden in een bezigheid sprong zij tot een ander over, liet die ook half verricht liggen, en sprak dan niet zelden uren lang geen enkel woord. — Het is in-tusschen licht te begrijpen, dat deze beschrijving van onze Lucilla slechts op een veel lateren leeftijd van het zonderlinge meisje toegepast mag worden, dan toen de jonge Engelschman voor de eerste maal haar kinderlijke, maar toch gloeiende verbeelding opwekte. Dat gelaat, met zijn regelmatige narrao-

-ocr page 145-

139

nische trekken, dat hoofd, mei; zijn gouden haar, en dat oog, met zijn zachte, stille, melancholische uitdrukking, scheen tot een hoogere klasse van wezens te behooren, dan zij, die met hun grof uitstekende omtrekken en hun donkere kleur haar omringden en mishaagden. Zij vond er een eigenaardig, haar doortrillend genoegen in, zich nevens hem te bevinden en onbemerkt naar zijn gelaat op te zien, dat zij, gedurende zijn afwezigheid, daags trachtte na te teekenen en \'s nachts in haar droomen zich voor den geest tooverde. Maar slechts zeer zelden sprak zij met hem, en met een smertelijk blozen deinsde zij van hem terug, wanneer hij haar met een onschuldige vleierij wilde naderen, die kinderen anderszins doorgaans gaarne hooren. Eens had zij echter moeds genoeg, om hern te verzoeken, haar het Engelsch te leeren, wat hij haar dan ook gereedelijk beloofde gaarne te zullen doen. Met een, hem verrassende gemakkelijkheid leerde zij deze taal, en daar Volkmann haar gaarne sprak, kwam zij alle verdere zwarigheden aldra daardoor te boven, dat zij zich met haar vader alleen in deze, haar thans onuitsprekelijk dierbaar geworden taal onderhield. De jonge vreemdeling was verrukt, zoo dikwerf hij die zachte melodieuze stem, met haar Italiaanschen tongval, de mannelijke krachtige taal van zijn vaderland in muziek hoorde herscheppen. Onwillekeurig bemachtigde hem zekere teedere, geheel eigenaardige belangstelling in dat zonderlinge, hem betooverende kind — een belangstelling, die inderdaad onverklaarbaar was, daar zij niet kon gezegd worden, geheel zóó te zijn, als men die een beminnenswaardig kind betoont, en nochtans van een gemeenen, zuiver egoïstischen aard was. — Kon men met grond iets waars in de astrologie onderstellen, dan zou ik gezegd hebben, dat zij hem geopenbaard had, dat Lucilla\'s lot zich met het zijne zou vermengen, en dat, in die overtuiging, zijn neiging voor het kind van zijn vriend iets geheimzinnigs, iets geheel buitengewoons had aangenomen.

De Engelschman had een romantisch karakter. Hij had zich zelf gevormd en aan zijn dikwerf zeer hartstochtelijken en vrij raadselachtigen geest door onregelmatige, ofschoon dan ook somwijlen diepe studiën zijn richting gegeven. Zijn verbeeldingskracht overmeesterde zijn oordeel, en men behoefde slechts de eerstgenoemde te boeien, om hem voor de eerste de beste bezigheid in vollen ijver te doen ontbranden, tot zijn natuurlijke scherpzinnigheid hem eindelijk het. bedrog ontdekte. Hoezeer hij ook nu en dan — daar hij, in het gewoel en de ver-Strooiingen der groote wereld levende, aan gedurige afwisseling gewoon was — over den onvermoeid volhardenden ijver van den astrologist glimlachte, deelde hij echter nog vaker in diens ijver en werd, met een heimelijk, maar innig geloof aan de door zijn meester beoefende mysteriën, diens kweekeling in de

-ocr page 146-

140

poëzie des hemels. — Intusschen spijt het mij, te moeten bekennen, dat de beide dweepers in hun verblinding te ver gingen en zich meer en meer met een stikdonkeren nacht omnevelden — ik bedoel de oude geheimen der alchymisten. Nacht aan nacht onderwierpen zij deze nog veel onbegrijpelij ker arcana aan hun ernstig onderzoek en gaven zich geheel en al aan die verschrikkelijke betoovering over, welke het streven en de begeerte, om de grenzen onzer sterfelijkheid te overschrijden, zelfs in de georganiseerde hoofden te weeg brengt. De zoo lang door den steeds eenzaam peinzenden en filozofeeren-den Deen gekoesterde denkbeelden waren misschien een meer geldende verontschuldiging van de zwakheid der lichtgeloovig-heid, dan de jeugd en de onophoudelijk rondzwevende fantasie des Engelschmans. Maar het tooneel, dat voor den een volstrekt niets aantrekkends had, deed integendeel de romantische geestdrift des anderen ten toppunt stijgen.

Eenige korte uitstapjes medegerekend, vertoefde de Engelsch-man bijna drie jaren te Rome. Des avonds voor den dag, waarop hij een brief ontving, die hem naar zijn geboorteplaats terugriep, begaf hij zich, op een eenigszins later uur dan gewoonlijk, naar de woning van den astrologist.

-ocr page 147-

XXVII.

Een gesprek, dat niet zeer geschiht is voor de negentiende eeuw. — Onderzoek nopens des mensehen noodlot. — Een voorspelling.

De kamer binnentredende, zag hij Lucilla op een klein zitbankje nevens haar vader zitten. Toen zij zijn stap hoorde, sloeg zij haar oogen naar hem op, doch scheen zoo mismoedig, dat hij zich onwillekeurig naar Volkmann wendde, om deswegens inlichting te erlangen. Volkmann beschouwde hem met een stomme smart.

))Wat is hier gebeurd?quot; vroeg de Engelschman. »Gij schijnt bedroefd en heet mij niet welkom als naar gewoonte.quot;

»Ik heb de sterren geraadpleegd!quot; antwoordde de Deen.

»Zij schijnen voor u geen goed gezelschap geweest te zijn,quot; hernam de Brit, »en uw bedrukten geest niet zeer opgebeurd te hebben.quot;

«Scherts niet mijn vriend!quot; zeide Volkmann. »U te moeten verliezen — ziedaar de oorzaak van mijn neerslachtigheid. Ik weet, dat gij u eerstdaags op reis moet begeven, en dat de oorzaak daarvan geenszins van aangenamen aard is.

«Inderdaad!quot; antwoordde de Engelschman glimlachende; swelnu, ik ben zoo vrij, om de zaak te betwijfelen. Gij weet heter dan iemand anders, hoe vaak door een feil in de berekening of door overhaasting, ja zelfs door eene al te ingespannen berekening, sterrekundige voorspellingen aan dwaling zijn blootgesteld, en thans besef ik de mogelijkheid mijner atreis zoo weinig, dat ik de aardsche waarschijnlijkheid boven de hemelsche stel.quot;

»Mijn berekeningen zijn goed, en de Hemel schreef zijn be-

-ocr page 148-

142

sluit in een verstaanbare taal. — Gij zijt op het punt, om Rome te verlaten.quot;

»En om welke reden ?quot;

De astrologist draalde; de jongman herhaalde zijn vraag dringender.

»De man van het vierde huis,quot; zeide \\olkmann nog steeds dralende — ))zit in het elfde huis, gij weet, wien deze stelling ongeluk verkondigt.quot;

5Mijn vader!quot; riep de Brit, van schrik doodsbleek wordende — neen, ik geloof niet, dat deze stelling hem betreft.quot;

»En nóchtans is het zoo,quot; zeide de astrologist op een zachten toon.

«Onmogelijk! Juist heden heb ik tijding van hem ontvangen. Hij bevindt zich wél. Laat mij de teekenen zien.quot;

De Brit overzag de geheimzinnige hieroglyphen der kunsl op een papier, dat vóór den Deen lag, met ingespannen en uitvorschende oplettendheid. — Intusschen zal ik mijn lezer geenszins met de woorden en beelden van den profetischen inhoud kwellen, die toch den oningewijde terugstooten en zelfs den leerling dier wetenschap inderdaad zou verwarren. Slechs zal ik aanmerken, dat er een punt was, welke verklaring tot eenigen twijfel aanleiding gaf. De Brit trok hiervan terstond partij en liet zich in een zeer geleerden en stichtelijken redetwist in, in welks hitte, zoo als doorgaans het geval is, de eigenlijke reden, waarover geredetwist werd, geheel uit het oog werd verloren.

sik weet niet,quot; zeide de Engelschman; »waarom ik aan een leer geloof zou hechten, die behalve gij alleen, alle, alle verstandige menschen voor ongerijmd en nietig verklaren. Men kan, ja, beweren en aannemen, dat de meeste menschen zich met een, voor hen niet genoegzaam bevattelijke theorie slechts in zooverre vereenigen, alc zij hen vleit of hun nul aanbrengt ; maar wat uwe — of v.J gij liever—onze theorie betreft, zij heeft mij nog nooit iets anders dan ongeluk voorspeld.

»Uw horoskoop,quot; antwoordde de astrologist, »is inderdaad zonderling en veelbeteekenend ; doch evenals bij mijn dochter schijnt de eigenlijke minuut uwer geboorte tot op het beloop van bijna een geheel uur, onbekend; en met hoeveel scherpzinnigheid wij ook, volgens de regelen der aloudheid, middelen hebben gevonden, om de berekening van de geboortestond te verbeteren, blijft echter onze voorspelling, zoolang d3 juiste tijd der geboorte niet vastgesteld is, naar mijn oordeel steeds aan eenigen twijfel onderworpen. De meest zekere manier, om het vermoedelijke tijdstip tot het ware terug te brengen, kan in dit geval slechts gedeeltelijk gebezigd worden; want gij hebt, uit een niet streng genoeg te berispen en niet diep

-ocr page 149-

143

genoeg te beklagen achteloosheid verzuimd, de dagen aan te teekenen, op welke u het een of ander toeval — koorts, kwetsingen enz. enz. trof — en dit verzuim benevelt het anderszins heldere en duidelijk leesbare schrift van het noodlot —quot;

» Wat voor mij dus te gelukkiger isquot; —zoo viel de jongman hem in de rede — daar het mij nog altijd eenige hoop overlaat.quot;

»En desniettemin,quot; hernam Volkmann, als of hij zijn vriend van dezen troost wilde berooven — sen desniettemin stemmen uw karakter en de richting uwer gewoonten, als ook de eigenaardigheden van uw persoon, ja zelfs, de merkteekenen op uw huid, met de ontwerpen van uw horoskoop volkomen overeen.quot;

»Het kan zijn!quot; hernam de Brit. »Gij kent mij tenminste de schoonste der aardsche gaven toe, namelijk, het geluk van de vrouwen te behagen, die alleen in staat zijn, om onze rampen en wederwaardigheden in dit leven te verzoeten, immers dragelijk te maken. Veel liever bezit ik deze gave met al het kwade, dat met haai- gepaard gaaf, dan alle goede inwerking mijner constellatie zonder haar.quot;

«Maar,quot; zeide de astrologist, »ook hier zult gij ongeluk ontmoeten; want Saturnus is machtig genoeg, om Venus, die genegen was, om u te begunstigen, tegen te werken, en ongeluk zal uit de liefde ontstaan, die gij inboezemdet. Er is in onze wetenschap een opmerkenswaardig punt, dat bijzonder in uw horoskoop in het oog moet gehouden worden. De ouden kenden de planeet van Herschel, en dus ook den invloed niet, welken dit duistere, zonderlinge hemellichaam oefent. Doch üranus neutraliseert, voor het grootste gedeelte, den moed, de eerzucht, den trots van het hart, waarmee gij anders, door de gelukkige samenstelling der sterren rondom de maan en Mercurius, bij uwe geboorte zoudt behept zijn geweest. Dat vurig verlangen tot over de enge grenzen dezer wereld, die neiging tot droomerijen, tot hartstochtelijke dweeperij, ja zelfs, uwe zucht naar deze verborgen gestemde geheimen, in weerwil van uwe wereldsgezindheid — dit alles hebt gij aan deze nieuwe, veelvermogende planeet te danken.quot;

»En vandaar, vermoed ik,quot; zeide de Engelschman, die, wat de astrologist zeer goed merkte, zijns ondanks, belangstelling in het gesprek verried — «vandaar deze strijd van het we-reldsche en romantische in mijn natuur; vandaar ben ik in uwe oogen een dweepend enthusiast; vandaar, dat ik, zoodra ik mij slechts weder in het bonte levensgewoel bevind, dezen invloed zonder eenige moeite, als ware het, van mij afschud en vroolijk naar al de genoegens en genietingen van het gezellige leven haak.quot;

-ocr page 150-

144

gt;Van harte nooit vroolijk!quot; mompelde de astrologist; »Sa-turnus en Uranus vormen geen waarlijk vroolijk mensch.quot; De Engelschman hoorde dit niet, of veinsde ten minste, het

niet te hooren. , . ,

»Neen,quot; hernam deze peinzende •— »neen, het is wel waar dat deze of gene kracht in mij zich tegen datgene, wat ik menigmaal mijn natuurlijken aanleg zou willen noemen, onweerstaanbaar aankant. Zoo ben ik bij voorbeeld, koen genoeg, zoo dorst ik vaak naar wijsheid; ook ben ik geenszins doof voor de stem der ijdelheid, en nochtans bezit ik volstrekt geen eerzucht. De wensch naar hooger komt nooit in mij op- ja, zelfs veracht ik hem als een mij onwaardige zwakheid. Maar wat baat dit alles ? Des te beter, dat, zoo als gij voor-spelt, mijn leven slechts kort van duur zal zijn. Doch hoe kan \'ik, bij mijn gebrek aan eerzucht, bij mijn bedaarde manier van leven, mij verbeelden, dat mijn dood geweldadig en ontijdig zal wezen?quot;

Terwijl hij nog sprak, sprong de jonge Lucilla, die met strakke oogen en\'open mond ieder woord van dit gesprek als ingezogen had, plotseling op en snelde de kamei uit, De i belde vrienden waren intusschen dit komen en gaan, zonder oorzaak en zonder te spreken, reeds gewoon : zij vervolgden

derhalve hun gesprek. , ,, . ,

»Ach !quot; zeide de Deen, »kan voorzichtigheid of schranderheid ons tegen ons noodlot beschermen? Geen teeken voorspelt met meer zekerheid den dood, hetzij door toeval of door moord, dat, hetwelk Orion met Saturnus vereenigt. Evenwel moogt gij het jaar, waarin u dit gevaar voorspeld is, te boven komen en na dien tijd bevinden, dat geluk en eer u verbeiden. Beter, het dreigen van het ongeluk in den leeftijd dei-kracht, dan in dien des vervals, te vernemen. De jeugd hardt zich tegen rampen : den ouderdom buigen zij neder.quot;

sin allen geval,quot; hernam de Brit op fleren toon, «moeten wij, zooveel wij kunnen, het ongeluk, door het gesternte ons voorspeld, door onze inwendige filozofie trachten te bestrijden. Wij kunnen ons van het noodlot onafhankelijk maken an deze onafhankelijkheid is verkieslijker dan geluk.quot; — Op een veranderden toon voegde hij er nog bij: smaar gij gelooft, dat wij door het vermogen van andere kunsten de voorspellingen der sterren tegenwerken en ze verijdelen kunnen.quot;

^quot;Vat zegt gij daar? — Grij gelooft toch niet, datalchymie, de dienares1 der hemelsche heerscharen, haar vijandin is?quot;

»Neen, maar gij stemt immers toe, dat wij door de macht van Uriül en de tooverkracht der Cabala, in staat zijn, om kwalen en gebreken, die anderszins voor ons noodlottig zouden kunnen worden, van ons af te keeren ?quot;

gt;Dit stem ik toe, doch ik geloof, dat de ontdekking van deze

-ocr page 151-

145

kostbare geheimen ons door het alwetende boek bij onze geboorte voorspeld, en dat. evenals het dreigen van het ongeluk, zoo ook daarin de mogelijkheid, om het te ontkomen, ons voorgehouden wordt. En ik moet tevens bekennen, dat, wat mij betreft, mij juist het beoefenen dezer hemelsche wetenschap weer den troost midden in het ongeluk, waartoe ik bestemd ben, heeft aangebracht. Zoo waar schijnt het, dat wij niet alleen in de uitwendige natuur, in de hoofdelementen en in de ingewanden der aarde, maar ook in ons zeiven de voorbereiding zoeken moeten, waarmeê wij aan de volmaking der wijsheid van Zoroaster en Hermes behooren te arbeiden. Van hartstochten en aardsche wenschen moeten wij ons losrukken. Gewiegd in hemelsche droomen, moeten wij door beschouwing het wezen uit de stof smelten, en nooit kunnen wij in de ziel dier mystieke wereld dringen, dan wanneer wij zeiven het lichaam vergeten hebben en door vasten, kuischheid en nadenken in het vleesch zelfs levende zielen geworden zijn.quot;

Met steeds klimmende welsprekendheid wijdde de astrologist uit in den lot van deze, door de oude kerk, hoezeer dan ook naar de vele nog bestaande werken der alchymisten ten onrechte verdoemde kunst; want al deze werken dringen aan op de volstrekte noodzakelijkheid der deugd en het bestrijden der hartstochten, als men een gelukkig kabalist wil worden, een voorschrift, dat alzins des te staalkundiger is, daar men elk mislukken niet aan het gebrekkige der wetenschap zelve, maar aan de vleeschlijke onvolmaaktheid der adepten (1), kan toeschrijven.

Met gespannen oplettendheid luisterde de jongman naar den ouden sterrenkijker. Daargelaten de onwillekeurige belangstelling, welke steeds door den hartstochtelijken en bevoor-oordeelden geloovige bij gesprekken over bovennatuurlijke dingen betoond wordt, lag er in de taal en in den persoon van den astrologist iets, wat de uitdrukking zijner rede nog onuitsprekelijk veel verhoogde. Even als de meeste menschen, die met de letterkunde van een land zeer gemeenzaam zijn, doch met de bewoners daarvan geene verkeering hebben, bezigde ook Yolkmann meer de woorden en spreekwijzen, die in de boeken, dan die in het dagelijksche leven voorkomen. Dit en een zekere deftigheid en langzaamheid van spreken, als ook het gebruik van het bij ons zoo zeldzame gij, gaven aan zijn tongval eene vreemdsoortige waardigheid, welke volkomen met het onderwerp van zijn meest geliefdkoosd

\'.) Adepten zijn ingewijden in de verborgenheden van zetere genootschappen.

10

-ocr page 152-

146

onderhoud overeenstemde. Volkmann was mager, zijn gelaat ingevallen en bleek; dunne en reeds vroeg vergrijsde haarlokken hinden wanordelijk over het kale voorhoofd, dat boyenaardsche cedachten gerimpeld hadden. Maar even als bij de meeste menschen, die slechts in de verbeelding leven, is het leven dat in de rest van het lichaam afgemat, uitgeput en verstild scheen, in het oog, als in een citadel, teruggetrokken. De woeste, donkere glans zijner groote blauwe oogen verried al het enthusiasme van zijn geest, en uit deze oogen stroomde zelfs een gedeelte van zijn verschrikkelijk vuur op hen op wie zij zich vestigden. Geen schilder, Volkmann zelf niet, zou, in de volheid van zijn noordsche fantasie, een beter beeld van die vale, bovenzinnelijke adepten hebben kunnen konterfeiten, die in een duistere eeuw leven en geleerdheid in de ijdele wetenschap der alchymie brachten — droomers en martelaars van hun droomerijen. , . . .

Met het spreken over zulke mysteriën brachten de neicie dweepers het grootste gedeelte van den avond door, en toen de Engelschmaii zich eindelijk gereed maakte om te vertrekken, kon men duidelijk bespeuren, dat een bang voorgevoe., een pijnlijke gewaarwording zijn borst beklemde.

sWij hebbenquot; — zeide hij, terwijl hij zich moeite gat, om te glimlachen — »over dingen gesproken, die buiten den kring van dit nietige leven liggen, en zoo moeten wij wel tot twijfel overslaan en eindelijk ons zeiven verliezen, Dit eene kunnen wij echter met grond beweren en voor vast aannemen dat het leven met nacht omneveld is: zorgen en smarten toeven ook hen, op wie de sterren haar meest weldadigen invloed uitstorten. Zelfs nog heden is ons onbekend, wat de dag van morgen ons zal aanbrengen, goed of kwaad : neen, ikPherhaal het: in weerwil van u tabellen, van uwe berekeningen en aanduidingen van gelukkige of ongelukkige oogen-blikken in ons leven, weten wij niets, volstrekt niets. Maar er kome, wat er wille, Volkmann, zelfs moge er gebeuren, wat gij mij voorspeld hebt, stoornissen in mijn liefde, teleui-stelling in mijn leven, melancholie in mijn bloed, een plotselinge \'dood in den bloei mijner mannelijke jaren — mij ten minste, mij, mijn ziel, mijn hart, mijn beter deel zal mets versagen niets terneerslaan, niets ontmoedigen, ik beweeg mii steeds in den voor mij bestemden, helderen kring; geen eerzucht kan mij uit dien kring rukken, om mij daarboven Ie verheffen; geen ongeluk mij daar beneden vernederen.

Volkmann wierp een blik va» verbazing en bewondering op hem. Er is slechts één vuur, dat meer flonkert en gloeit dan dat van den dweeper — het vuur van een krachtvollen, edelen

»Ach, mijn jonge vriend!quot; zeide hij, den Brit de hand

-ocr page 153-

147

drukkende, ))gave de Hemel, dat mijne voorspellingen door de uitkomst niet bevestigd worden! Dikwijls, zeer dikwijls zijn zij valsch geweest!quot; voegde hij er, zijn hoofd deemoedig buigende, bij — »o, dat zij zulks ook met betrekkin.;\' tot u zijn moge! — Zoo jong, zoo schoon, zoo verstandig, en toch in u hart zoo dweepachtig! — Wat u overkomen zal gevoel ik zelf diep, ja, dieper dan al wat het noodlot over mij besloten heeft; want ik ben thans een oud man en tegen teleurstelling genoegzaam gehard. De bloesem van mijn leven is reeds lang verwelkt, en al kon ik het groote geheim doorgronden, de kennis daarvan zou voor mij toch te spade komen. Bij mijn geboorte werd mijn noodlot door zulke teekenen verkondigd, dat, terwijl ik tijd gehad heb, om mij daarnaar te voegen, mij volstrekt geen twijfel bejegende, welke ik spitsvondig behoefde weg te redeneeren; want Jupiter in de Kreeft, door geen andere ster gedekt, beloofde-mij eenige kennis van de wetenschap, maar ook een leven, dat nimmer belooning zou genieten voor de moeielijkheden en wederwaardigheden, welke het zou moeten doorstaan. Maar in uw lot ligt zoo veel roem en luister, dat het inderdaad uw ongunstig en vijandig gesternte moeite zal kosten, zijn invloed volkomen op u uit \'te oefenen. Intusschen is uwe taal steeds onversaagd moedig geweest, als van een, wiens geest wel een hooge vlucht neemt, doch steeds beneveld en verward is. Nogmaals herinner ik het u en druk het u, als uw ware vriend, op het hart: slechts uit u zeiven, uit uw eigen karakter, uit uw eigene gewoonten zal, behalve uwen dood, al het kwaad ontstaan, dat u, gedurende uw leven, zal bejegenen. Bewaar derhalve — ik smeek het u! — bewaar, als een dierbaar kleinood, in uw geheugen de eerste groote leerstelling van den alchymist en magus : ken u zelven ! verbeter u zelven! beteugel u zelven! Slechts uit de kristallen lamp zal het licht helder lichten.quot;

»Het is veel waarschijnlijker,quot; zeide de Brit, »dat de sterren falen, dan dat het menschelijke hart zijn dvvalingen verbetert. Vaarwel!quot;

Hij verliet de kamer en spoedde zich door een gang, die naar de buitendeur leidde. Eer hij die echter bereikt had, werd er een andere deur geopend, en Lucilla\'s gelaat straalde hem tegen. Zij hield een kaars in hare hand, en toen zij den Engelschman aanstaarde, zag hij, dat zij zeer bleek was en geweend had. Zij beschouwde hem lang en ernstig, en dit maakte op hem een zonderlingen indruk: het kostte hem moeite het zwijgen eindelijk af te breken.

»Goeden nacht, mijn schoone vriendin!quot; zeide hij. «Mag ik u morgen eenige bloemen medebrengen?quot;

Lucilla barstte in een woest, krampachtig lachen uit, wierp plotseling de deur toe en liet hem in het duister staan.

10*

-ocr page 154-

148

De koele lucht van den aanbrekenden morgen ^rfnschte de wangen van den Engelschman, doch zijn hait bleef dooi een onaangenaam, drukkend gevoel beklemd. Zijn door het gesprek met den dweeper geschokte zenuwen trilden nog van hel plotselinge lachen dat het zonderlinge melsJe, ^twelk zich zoozeer van andere meisjes van haar jaren on^scheidde had doen hooren. De sterren werden geestachtig bleek, en om de maan dreef een sombere, treurige nevelwolk.^

»Gii ziet veelbeteekenend op mi] neder, zeide hij half luid, ziin oogen ten hemel opslaande, terwijl de toon zijnei stem de ontroering van zijn gemoed verried — »gij, op wie, .oo oai 1.» waar is, di Almachtige de leekenen van ons aardsche lot heeft geschreven. En wanneer gij de vloeden der ruischende diepten en de afwisseling van e \\ J snellende iaar bepaalt, waarom zouden wij dan ook met nwen gelooven, dat gij denzelfden wonderbaren inv.oed op het^bloed en hart uitoefent, die het karakter wijzig ^ karakter vormt het leven.quot; - De Brit vervolgae zyn alleen-spraak en vond steeds nieuwe gronden voor zijn lichtgelo vigheid, die hem slechts weinig stof tot/r®u*de.°L quot;0P = .

\'in het karakter van den jongen man lag inderdaad ^6®1\'^ met zijn horoskoop overeenkwam, en deze overtuiging P hem nog meer dan het toevallig samenloopen van om.tandi -heden, om over de ijdele, maar desniettemin alleszins indrukwekkende uitspraken der profetische astix.logie na te denk .

In het bezit van al de krachten, die een man in staat stelle , om zich hoog te verheffen; vurig, vol geestdrift, welspvelcen vernuftiquot;-, moedig en, ofschoon met wispelturig, echtei m de zoo zeldzame kunst begaafd, om zijn krachten in een pun

te vereenigen, en zich, op die wijs, snel van a datgene meeste te maken wat ziin opmerkzaamheid trok, verkoos hij nochtans die gaven niel li ontwikkelen. Hij leefde slechts m h.t genot.

Een hartstochtelijk aanbidder van ^ vrouwen van de muziek,

van kunsten en wetenschappen, zocht hij in de gezell , niet in de wereldlijke sferen, het doel van zijn bestaan.

En toch was hij geen gewoon Epikuri^t; want zijn genot bestond

alleen uit elementen, die alledaagsche wezens slechtsa vermoeid hebben. Droomenjen, overdenkingen eenzaamheid waren hem somwijlen veel liever dan de vroohjkste Anstippi

Tche genietingen. Van zijn vroegste eugd aan eenzaamheid

gewoon, werd hij het zelden moede alleen te zijn Hij zoc de verkeering met menschen, met om zich door ^ gezeü g onderhoud te verschaffen, maar om hen te bestadeeiei ■ De wereld was voor hem minder een tooneel, waaiop hij ze een rol had te vervullen, dan wel een boek^waarmt h j lt;: raadsels der wijsheid poogde op te lossen^ A hem gebeurde, merkte hij nauwkeurig op. Niet dooi levendig

-ocr page 155-

149

heid, maar door zachtmoedigheid nam hij aller harten voor zich in.

Maar onder dit zachte hulsel sluimerde het oog van den lynx niet. Met een enkelen blik doorzag hij een karakter, doch maakte zelden gebruik van zijn daardoor verkregen kennis. Hij vond behagen in de menschen te lezen, maar het vermoeide hem ze te beheersohen; en zoo kwam het dan ook, dat hij, met zijn volkomen wereldkennis, in de uitoefening daarvan ten eenemale onkundig was. Met een ideaal der vriendschap en der liefde in den geest, vond hij in de wezenlijkheid niets, wat zijn neiging lang zou hebben kunnen boeien. Aldus werd hij door de vrouwen voor onbestendig gehouden en had hij onder de mannen geen waren vriend. Dezen karaktertrek ontmoet men intusschen vaak bij mannen van genie; overmaat van gevoel brengt hen in den naam, dat zij geen gevoel bezitten. Intusschen loopt zulk een karakter licht gevaar, om met de jaren wezenlijk datgene te worden, wat het schijnt te zijn. Niets verhardt en verstompt het gevoel zoo zeer als verachting.

Den volgenden morgen ontving de jonge reiziger een brief uit Engeland. Zijn vader was zeer gevaarlijk ziek, en het liet zich aanzien, dat, al maakte hij den meest mogelijken spoed om naar het vaderlijke huis te snellen, hij nochtans te spade zou komen, om den laatsten zegen des stervenden grijsaards te ontvangen. Verstijfd van schrik herinnerde de jongman zich zijn gesprek met den astrologist. Niets beangstigt ons meer, dan wanneer wij een bovennatuurlijke vrees, die zich reeds van onze rede meester heeft gemaakt, plotseling bevestigd zien; en van alle bovennatuuriijk geloof is dat. hetwelk leert, dat wij door een voorbeschikking, als ware het, geboeid, en dus slechts de speelbal van een duister noodlot zijn,\'t meest geschikt, om ons te versagen en kleinmoedig te maken.

Nog dienzelfden morgen vertrok de Brit uit Rome en liet den astrologist slechts mondeling de oorzaak van zijn vertrek berichten. Volkmann had een voortreffelijk hart: echter was het moeielijk te beslissen, of de vreugde over den triomf zijner voorspelling niet grooter ware dan de smart over het ongeluk van zijn vriend.

-ocr page 156-

XXVIII.

De yeu(/(/ vein Volhmanns dochter. — Geheimzinnig cjespvek. Een onverwachte terugkomst.

De liid verliep vrij langzaam, en Lucilla groeide zeer voor-deelig op: zij werd inderdaad een schoonheid. De eigenaardige trekken van haar karakter namen in sterkte toe, doch verborgen zich meer onder de natuurlijke blooheid der maagd. Op quot;haar vijftiende jaar had haar gestalte zich reeds volkomen ontwikkeld, en het moedwillige meisje was vrouw geworden. Iets peinzends, dat, wanneer haar gelaat kalm was, rondom haar mond en op haar voorhoofd lag, gaf haar het voorkomen, als ware zij eenige jaren ouder, dan zij wezenlijk was; maar wanneer dan haar natuurlijke levendigheid terugkeerde, wanneer men den helderen, vroolijken klank van haai haitelijk lachen hoorde, of wanneer de koele frissche morgenlucht haar het bloed in de wangen dreef en haar schreden bevleugelde, geleek haar gelaat meer dat van een kind en stak zonderling en met een gevaarlijke beminnelijkheid af bij den reeds volwassen vorm harer gestalte.

En nochtans was Lucilla Volkmann, die met niemand omgang had, met al, wat de wereld betrof, ten eenemale onbekend. Zonder zich aan eenige wetten van welvoegehjkheid te storen gaf zij zich aan de droefheid of den indruk van het oogenblik met een hevigheid over, welke ieder, die haar in zulk een toestand zag, met angst en schrik moest vervullen. Doch dergelijke tooneelen hadden zelden getuigen: zij ontvluchtte zelfs haren vader en verborg zich in de eenzaamste plaatsen, om zich daar aan de stormen, die in haar binnenste bruisten, over te geven; en misschien vond zij zelfs in de eenzaame ongestoordheid van dezen smartelijken strijd een soort van genot.

-ocr page 157-

151

Intussehen zette Volkmann zijn studién met een ijver voort, die, evenals bij iedere monomanie, met de jaren toenam, en vergat door de toevallige vervulling van eenige zijner voorspellingen, de dwalingen der overige. Nu en dan schreef hij aan den Brit, die, na een kort verblijf in Engeland, naar het vaste land teruggekeerd was en thans een lange reis naar de hoofdsteden van het Noorden ondernomen had.

Het leven van den reiziger onderscheidde zich inderdaad wezenlijk van dat des astrologist. De verstrooiing en een rijper verstand hadden hem van zijn kinderachtige neiging tot zulke ijdele, nietige studiën volkomen genezen. Echter zag hij nog steeds met een volstrekt niet verflauwde deelneming terug op den tijd zijner kennismaking met Volkmann, op hun onderlinge lange, akelige nachtwaken, op het aanstekende zelfvertrouwen van den ouden astrologist en op zijn geheimzinnige proeven in die grijze wetenschap, welke zich met de legenden der vroegste tijden vereenigt.

Öp zekeren avond — er waren, sedert het laatste tooneel in de woning van den astrologist, dat wij beschreven hebben, tien jaren verloopen — zat Volkmann alleen in zijn studeerkamer : vóór hem lag een geschreven berekening, waarvan de inkt nog niet droog was. Zijn hoofd hing op zijn borst: hij scheen in een diep gepeins verzonken. Zijn gezondheid had, gedurende den laatsten tijd, aanmerkelijk geleden, en zijn uitgeteerd gelaat, zijn gekromde houding verrieden, dat de dood zich bereids gereed maakte, om den dweeper een wereld te doen verlaten, van welker eigenlijke genietingen hij zoo luttel geproefd had.

Lucilla was dien ganschen dag uit ziju kamer gebannen geweest. Zij wist,, dat, hij thans niet meer arbeidde, en trad met zijn avondeten, het gewone, eenvoudige maal der Italianen, de polenta van maïs, brood en vruchten, binnen, die hij, naar de gewoonten der geleerden, in afgetrokkenheid nuttigde, zonder mischien een uur daarna te weten, of hij werkelijk gegeten had of niet.

»Ga zitten, mijn kind!quot; zeide hij op een zeer minzamen toon tot Lucilla; »ga zitten.quot;

Lucilla gehoorzaamde en nam plaats op denzelfden stoel, waarop zij den nacht had gezeten, toen de Engelschman haar voor de laatste maal gezien had.

»Ik heb er over nagedacht,quot; zeide Volkmann, terwijl hij zijn hand op haar hoofd legde — »dat ik u aldra zal verlaten, en innig wensch ik, vóór mijn scheiden, u een beschermer te bezorgen.quot;

gt;Ach vader,quot; zeide Lucilla, en tranen stroomden uit haar oogen — xspreek zoo niet! Neen, neen, gij moet u niet aan deze eeuwige, sombere afgetrokkenheid overgeven. Gij be-

-ocr page 158-

IS\'i

loofdet mij, een van deze dagen mij naar het Vatikaan te zullen brengen — laat ons morgen daar gaan: het weer is tot dusver zoo schoon geweest: wie weet, of het wel lang zoo

blijven zal.quot; , , .

»Gij hebt gelijk, en de dag van morgen zal, geloot ik, voor ons oogmerk niet ongunstig zijn; want de maan bereikt denzelfden ouderdom, als bij mijn geboorte, een toeval, dat gq wel moogt opmerken, mijn kind, dewijl het voor elke onderneming bijzonder gunstig is.quot; . , . i •• De goede astrologist verliet zoo zelden zijn woning, dat ny de wandeling van een of twee uren met recht als eene ondei-neming kon beschouwen. — »Ik had wel gewenscht\' voegde hii er quot;na eenig zwijgen, bij — »ja, gaarne zou ik nog eenmaal, dat is, binnen kort, onzen Engelschen vriend wedergezien hebben; want, om u de waarheid te zeggen, Lucilla, hem

zullen — inderdaad zonderling genoeg!—zekere gebeurtenissen

bejegenen op denzelfden tijd, waarin tevens u moeiehjke dingen boven het hoofd hangen. Dit samenloopen heeft mi] zulk een hartelijke deelneming in het lot van dezen vreemdeling ingeboezemd. Ja, ik wensch innig, hem spoedig weer te zien. Lucilla\'s schoone boezem zwoegde, en haar wangen gloeiden. »Gij herinnert u immers den vreemdeling?quot; vroeg Yolkmann na eenig zwijgen.

»Ja,quot; antwoordde Lucilla nauwhjks hoorbaar.

sik heb, gedurende den laatst verloopen tijd, niet meer van hem gehoord. Ik zal naar hem vernemen, eer de haan kraait.quot;

»Neen vader! dezen nacht niet meer: gij heb rust noodig; uw oogen zijn vermoeid.quot; , ,

»Meisje,quot; zeide de dweeper; »de ziel slaapt niet en behoett ook geen slaap. Even als de sterren, die, zoo als de Arabiei zegt, ook haar zielen hebben, met welke ons innig verlangen ons\' verbindt, zoodat wij door een sluimerloozen ijver ons tot een gedeelte van den hemel zeiven maken — even als de sterren, zeg ik, die voor het menschelijke oog verdwijnen en gedurenden den gewonen dag niet gezien worden, ofschoon intuschen haar loop volstrekt niet verstomt; even zoo gaat

\'s menschen ziel tot een schijnbaren slaap over, doch blijft indei-daad, ja zelfs, met veel onbelemmerder krachten, voortarbeiden,

daar zij in dien staat vrijer is van de gewone hindernissen en banden des lichaams. En bijaldien ik mij dezen nacht met den geest, die de aarde en het wezen der aarde bestuurt, nopens dezen vreemdeling mocht onderhouden, dan zal dit niet door waken en berekenen, maar juist door de sluimering geschieden van welke gij in uwen zielsnacht waant, dat zij mij van de hulp mijner kunst berooft.quot;

»Kunt gij werkelijk,quot; vroeg Lucilla half bloode, half angstig, skunt gij werkelijk in uw droomen de personen doen opdagen.

-ocr page 159-

153

die gij wenscht te zien, of uit den slaap een ontdekking van hun tegenwoordigen toestand erlangen?

»Zeer zeker: dit is eene der grootste, ofschoon misschien niet de voordeeligste van onze wetenschappen.\'\'

»Kunt gij mij de manier leeren?quot; vroeg Lucilla ernstig.

»A1 wat de kunst betreft, ja: maar de voornaamste kracht ligt. in u zelve. Want weet, mijn dochter! dat hij, die de bovenaardsche wijsheid zoekt, zijn zoo geringe aardsche bekwaamheden door langdurigen arbeid en diep nadenken daartoe vormen en bruikbaar maken moet.

De astrologist, die merkte, dat Lucilla hem met gespannen oplettendheid aanhoorde, hoedanige zij nog nooit aan zijn bovennatuurkundige ontwikkelingen geschonken had, zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen op den toon van een man, die zich zoo duidelijk en tevens zoo overredend wenscht uit te drukken, als de aard van een duistere, geheimzinnige wetenschap hem slechts veroorlooft.

«Er bestaan in de uitwendige schepping twee dingen, die, volgens den grooten Hermes, tot het scheppen van al het wonderbare en glorierijke voldoende zijn — vuur en aarde. Even zoo, mijn kind, liggen in de menschelijke natuur twee krachten, die alles voortbrengen, waartoe onze natuur in staat is — rede en verbeeldingskracht. Maar het menschelijke geslacht, dat minder wijsheid aan zich zelf, dan aan de buitenwereld besteedt, heeft, voor het grootste gedeelte, slechts eene (lezer krachten, en wel de geringste, de meest lijdelijke, de rede, beschaafd. Men heeft de aarde van het menschelijke hart bebouwd, maar zijn vuur laten sluimeren, of wel zich in toevalligheden en lichtzinnige richtingen laten verstompen. Vandaar de ongenoegzaamheid van het menschelijke weten. Uitvindingen, die alleen op de rede gegrond zijn, bewegen zich slechts in gemeene kringen. Wanneer eenige weinigen met een veel juister instinct zich aan de goddelijke elementen der verbeeldingskracht gewijd hebben, wordt zij echter door hen slechts aan de meer vluchtige kunsten, slechts aan zulke besteed, die met derede in geen betrekking staan. Daartoe behoort de poëzie, de muziek en andere scheppingen van het genie, die de menschen wel vermaken, ja, wil men, beteugelen, maar geenszins voorwaarts brengen. In den dienst der filozofie hebben zij, met zeer weinige uitzonderingen, deze heerlijke kracht geheel werkeloos gelaten. Daar heeft men der rede alleen toegang vergund en de verbeelding zorgvuldig als een bedriegelijk luchtverschijnsel gebannen. Let nu wel op, mijn kind. In vroegere jaren, in mijn jeugd, heb ik deze dwaling wel ingezien en be-sioten te onderzoeken, wat er, door dit mishandelde, zoo onverdiend achterafgozette element behoorlijk te ontwikkelen, mocht kunnen bereikt worden; en daar ik bij het vorderen

-ocr page 160-

154

in de, door dezen wensch opgewekte studiën, in de diepzinnige, doch alleszins leerrijke schriften van de groote filozoten der oudheid gevonden heb, dat zij mij in deze ontdekking voorgegaan waren, nam ik het besluit, om uit hunne ervaringen te\' leeren, door welke middelen de verbeeldingskracht t best gevoed en verheven kan worden.

Door het stipt en allernauwkeurigst opvolgen hunner voorschriften, welker waarheid en gegrondheid aldra overtuigenil kwamen te blijken,vond ik, dat eenzaamheid, vasten, onvermoeid en volhardend peinzen over die ééne stelling, waaromtrent ik onderricht wenschte te worden, de ware elementen en grondbeginselen dezer wondervolle kracht zijn. Door deze middelen enquot; door dit vermogen verkregen mannen, die in veel geringere wetenschappen zoo verre bij ons ten achteren zijn, zich op de lichte vlakten van Chaldaea en aan de duistere wateren van Egypte hun doordringenden blik in den schoot der gebeurtenissen: door deze middelen en door dit vermogen erkenden de vrome kluizenaars der middeleeuwen met alleen cle meest raadselachtige geheimen der sterren, maar erlangden ook de heerschappij over de geesten op, boven en onder de aarde — een macht, die hun, wel is waar, door de zich alles aanmatigende solisten van onzen tijd betwist wordt, maar voor welke desniettemin bewijzen genoeg in hunne schntten te vinden zijn. Ja, ik begrijp, dat door het bestendig beschaven, voeden, verfijnen en verhoogen der verbeeldingsklacht, zeil. de valsche profeten en de ongewijden in de geheimen dei-duistere Cabala zich het schijnbaar onbegrijpelijke vermogen verwierven — het vermogen, om wonderen en mirakelen te wrochten, die, naar het schijnt, den loop der natuur logenstraffen, doch inderdaad dien slechts bevestigen. Door dezen geest in het vleesch wassen wij uit het vleesch, en bereiken wij eindelijk het groote doel, dat wij, namelijk, de zielen der afgestorvenen zien en bezweren, waarschouwingen hooren, voorteekenen begrijpen en onzen slaap met droomen, als ware het, omgorden kunnen. — Mij zijn trouwens, al deze gaven niet verleendquot; — voegde de Cabalist er op een zachteren toon bii; »want ik maakte een aanvang met het leeren der kunst, toen het eerste vuur der jeugd bij mij reeds verdoof ! was, en de vleugels, op welke ik mij trachtte te verheffen, waien

derhalve matter en door het aardsche te zeer bezwaard, bven-wel heb ik, als belooning voor mijn strenge onthouding en moeielijken arbeid, iets gewonnen; de heerschappij over tiet land der droomen is tenminste in mijne macht.

»Dus kan men,quot; zeide Lucilla treurig; »dus kan men zulle een macht niet door een tooverspreuk, maar slechts daardooi verkrijgen, dat men zich, gedurende een geruimen tijd aan den gloed der verbeeldingskracht overgeeft?quot;

O

-ocr page 161-

155

»Niet zoo geheel, mijn dochter; zij, die de hemelsche kracht op deze wijs verkregen hebben, kunnen, wel is waar, alleen, en zelfs zonder tooverformulier en talisman, de zekere en onveranderlijke macht over droomen erlangen, maar ook de in het onderzoeken en bezigen hunner vermogens tragere menschen mogen, met een alleszins rechtmatig vertrouwen (ofschoon niet met volkomen zekerheid) deze kracht door hulp der kunst en tevens daardoor hopen te verkrijgen, dat zij de gansche macht hunner half opgewekte verbeelding op dien persoon en het voorwerp vestigen, welke zij in den spiegel van den slaap wenschen te zien.quot;

»En welke middelen moeten de oningewijden bezigen?quot; vroeg Lucilla met een levendige deelneming,

»Dat zal ik u zeggen. Vooreerst moet gij op een vel perkament een zonnebeeld teekenen.quot;

«Een zonnebeeld?quot;

«Aldus!quot; antwoordde de astrologist, terwijl hij uit zijn portefeuille een papier nam, waarop de beeltenis van een aan den boezem eens engels slapenden man was geteekend. — «Dit is op den rechten tijd vervaardigd, toen de zon in de negende der hemelsche woningen stond en de leeuw zijn glinsterende manen schudde; toen hij den blauwen berg besteeg. Vervolgens moet gij bedacht zijn, dat op de beeldtenis uw wensch moet geschreven worden, de naam van den persoon of van de zaak, welken of welke gij verlangt te zien. Als gij dan uwen geest tot geloof aan de onfeilbare uitwerking gestemd hebt — want zonder geloof blijft de verbeelding werk- en levenloos — dan wordt de beeldtenis onder het hoofd van den bezweerder gelesrd, en als de naam door het teeken gaat, dat in de negende woning van zijn nativiteit (!) stond, dan zal die droom hem omgoochelen en zijn ziel met den geest der verschijning wandelen.quot; sGeef mij de beeldtenis!quot; riep Lucilla met drift. De astrologist weifelde. — »Neen, Lucilla,quot; zeide hij eindelijk — »neen, het is een duister, akelig pad, het pad der verkondiging en der bovenaardsche wetenschap voor allen, behalve voor de weinigen, die het met een helderen blik en een onversaagde ziel betreden. Het is geenszins bestemd voor vrouwen of kinderen — ja, slechts voor de reinste der mannen, het droogt de levenssappen uit en verbleekt de huid vóór den tijd. — Neen, neen! houd u aan het heldere zonnelicht en aan de wel vergankelijke, maar liefelijke bloemen der aarde: zij zijn beter voor u, mijn kind, en voor uwe jeugdige jaren, dan de koortsachtige hoop van den droom bij nacht en van den invloed der planeten.quot;

\') Stand der sterren bij iemands geboorte, waaruit zijn horoskoop wordt getrokken.

-ocr page 162-

156

De astrolooist legde de beeltenis weer tussehen de papieren in ziin portefeuille en sloot die benevens een groot boek dat, ia ?sifpl Ipo- met een meer dan gewone voorzichtigheid m

0P _ liet schoone gelaat van Lucilla bewolkte, doei

de zoo licklbaar lijdende gezondheid haavs vaders beteugelde

SS £ SXe^quot;quot;^MnS

in de hem welbekende kamer gekomen.

Toen hij thans voor vader en dochter stond, merk e j een stil giimlachje op, hoe nauwkeurig de tegenwoordige gro p

een sui bun j ^ gansche voorkomen der kamer,

nïï daquot;^ dief Sond ge?eek, .oen hö d.ze woning = rlp laatste maal betreden had. De vader leunde p afgesleten tafel, de dochter zat nevens hem op denzelfden lagen

«tnpl Zelfs de uitdrukking van hun beider gelaat verraste hem,

fani daarin heerschte dezelfde droefgeestigheid, dieherotoen-quot;ut herinnenng^aMt*1 dezen samenloop der omstandigheden

„as iuVst niet gelehikt, om den jongen reiziger . n een ,roo.,U

ImE te brengen \' hij bleef nog een oogenbhk staan, als of hij met zich zei ven raadpleegde, en trad toen, begeeng o hPi stilzwii[ren af te breken, met zware stappen voort. Het

hierdoor Veroorzaakte gedruisch deed Volkmann opspr.ngen en

inC de quot;handel erf snelde^naai\'1 de^^n^erwacht^n^gastj^och plotseling bleet zij blozende, beschaamd, ontroerd, en nochta ^

dTbSar woeg hij met verwondering -\'^^quot;hSrlaSe^roerde hij met een liehten broeder-

liiken kus haar gloeiende wang aan, en wendde zich verv o \'

lonTer hare verwarring te bespeuren, naar den astrologist, 5™ midSerwTl min °.f meer\'van zijn verbazmg bekomen

was.

-ocr page 163-

XXIX.

Dc uitwerkingen der jaren en der ervaring. — Hel Italiaanse/ie har al; ter.

Godolphin bezocht thans bijna dagelijks zijn vriend den astrologist. De physische veranderingen, welke de jaren bij den ouden man veroorzaakt hadden, deden hem ontstellen, en met de warmte van een van natuur deelnemend hart trachtte hij hem een leven te veraangenamen, dat oogenschijnlijk ten einde spoedde.

Grodolphin\'s gezelschap scheen Volkmann zeer veel genoegen te verschaffen; trouwens, dat kon ook wel niet anders. Hij onderhield zich met h«m over de onderscheiden gebeurtenissen en toevallen, die beiden sedert hun scheiding, bejegend waren, en bij al wat Glodolphin verhaalde poogde de astrologist zijn vriend op de vervulling zijner voorspelling opmerkzaam te maken.

Ofschoon Godolphin aan de wetenschap des goeden geestdrijvers geen geloof meer hechtte, wilde hij nochtans het door hem beweerde niet tegenspreken. Gedurende zijn leven was hem juist niet veel overkomen, dat in\' staat zou geweest zijn, om zijn kalme rust te storen, en het was inderdaad niet gemakkelijk, een man van zijne bedaarde gemoedsgesteldheid en zelfgenoegzame wijsheid tot redetwisten te dwingen; gezwegen, dat redetwisten met geestdrijverij met recht lieeten mag, den moriaan wasschen.

Sedert de jonge idealist Engeland verlaten had, hadden de elementen van zijn karakter het gebod van den tijd vervuld en in zijn algemeene richting de behoorlijke verandering bewerkt. De warme bron der jeugd stroomde niet meer zoo vrij als voorheen: de eigenbaat, die zich vroeg of spade van den geheel alleen staanden man in de groote wereld meester maakt,

-ocr page 164-

158

was van lieverlede in al

Daar de richting zijner ^^ \'I mozofiè hield, gewend had, romantische naar hetgeen nj v ., . ys^ou(ie wijsheid

een koel vorschend oog. Ook geloofde hij met, d fand

hij de massa van het volK De^ieep quot;^.quot;Ihe.™ vemeerderde ™

eerzucht. De leuzen der onderscheiden ^ raketbal) die

bespottelijk; de staatkunde o „ gedruisch makende

door den wedstrijd van dartele en veei ë , . gele.

»■quot;» irssnsr jsss^^k

den. - dit was zijn teedeie 1 equot;nquot;equot;f Spne intrigue, welke

S Ï? rs.

had ooit in wezenlijke liefde was overgegaan. Zoo zien J

GtTè;vji.s^^

namelijk de stelselmatige zucht naar ,,ema , 7e(ieiljke al\'keer

levredenheid me, il.ter van

éénen \'hartstocht en van de algemeene teëdevhe^^ gloed De

innigheid, welke in dien haJt®,f0^Ia Ofschoon misschien gemeenste landman van R^me \' ••\' t voikomen al het

niet in het meer vrije Toskane b^ri pt

romantische en geheimzinnige „en gnkel individu

welke te gevoelen in Engelandsiechtsaaneen enRe

uit de hoogere standen, en zelf. dan no ^ weUus-

heid. vergund is. Ja, wat nog X^^S heeft ge

teling, die den vrijen teugel aan . ^ eenei noord

geven, welke zich met de eng beperktegenzeneene

sche buitensporigheid in geenen deele laat ver^eiijnen,

-ocr page 165-

159

houdl nog steeds gevoel voor de eerste en onschuldigste gewaarwordingen van den hartstocht. En bijaldien het Pla-tonismus ergens in zijn koelste zuiverheid bestaat, dan heeft zulks plaats onder de Aretino\'s van zuidelijk Italië.

Deze ideale verfijning bij zulk een tnateriëele verharding was een eigenaardigheid, die aan hel scherpziende oog en schrandere oordeel van Godolpnin een voortdurend genoegen verschafte. De gewone elementen van het karakter beminde hij niet: het meest beviel hem het afgetrokken en moeielijk te doorgronden karakter. Dikwerf mengde hij zich onder de Romeinen, en werd aldra hun lieveling, doch had, gedurende zijn tegenwoordig verblijf in de onsterfelijke stad, niet de minste verkeering met Engelschen. Zijn matige, van alle praalvertooning vreemde levenswijs gevoegd bij de onafhankelijkheid van den ongehuwden man, die niet tot het verkeer in groote gezelschappen verplicht is, maakte, dat zijn inkomsten voor zijne behoeften alleszins toereikend waren; evenwel wilde hij het, als vele trotsche menschen, zelfs in zijn eigene oogen niet zichtbaar laten worden, dat hij nevens de kwistige ütgaven zijner praalzuchtige landlieden, zich min of meer rmoedig vertoonen moest. Daarenboven had het reizen de eestelijke schatten vermeerderd, welke aan de eenzaamheid de \'erveling benemen.

-ocr page 166-

XXX.

Magnelismm. - Sympathie. - Het tevugheerm der elementen tot de elementen.

Met iedcren dag nam Volkmann\'s gezondheid meer en meer af Lucilla al 1 een was mei zijn gevaar met bekend Nooit i had zii het langzaam naderen van den dood, en \\an alleZ1^ K skchS het snelle, plols.ling eindigende

crpyien Met wezenlijke ziekte vereemgde zich in haai geest het begrip van artsen in half duistere kamers; en daar del StroloS in zijn berekeningen verdiept, aan al zijn gewoon-ten eetrouvT bleef, zoo schreef zij de klachten, welke hq nu In dan uitte aan de melancholie van zijn afgezonderd leven toe Bii veel zittende mannen eindigen ziekten, die vaak met de bewerktuiging van het hart in verband staan, quot;iet zelden, 7ppr ülotselintT met Volkmann had dit insgelijks plaats. I

Öd zekerenquot; dag zat hij alleen met Godolphm: hun gesprek lien over de leer van het oude magnetismus, een leer, die,

Im^crediet^oquot; niet geheel ^11 al verlorenquot; heeft- .

«Een der opmerkenswaardige en diepzinnigste plannen inl hetgeen wij bovennatuurkunde noemen,quot; zeide Vo k^nn, \'S e svmnathie die, volgens het gevoelen van sommige geleerden, de SS\'on der men.eh.lijkS deugd is... \' ™°d\'dS

den mensch rechtvaardig en barmhartig zijn. Als .emand d o nooit quot;-ehoord heeft, dat het plicht is, zijn evenmensch hu p 1 bieden een ander ziet verdrinken, dan springt hij ln ^

t r. \'rpdt hem Waarom? dewijl zijn verbeeldingskracht hem onwillekeurig in dlt;^i toestand van den drenkeling dHnmr dien hif bij den dood in het water mu ondervmde j

heï eu \'in \'deze angst snelt hij, .onder de reden t.

-ocr page 167-

161

onflui\'zoeken, henen, om als ware het, zich zeiven te redden.

Menschlievendheid wordt hem derhalve door sympathie geleerd. Doch waar is de eigenlijke zetel dezer sympathie? In de zenuwen? zenuwen zijn het middel van verband met de uitwendige natuur; hoe fijner de zenuwen zijn, des te sterker de sympathie, waarom dan ook vrouwen en kinderen veel vatbaarder voor haar zijn dan mannen. Let nu wel op. Hebben deze zenuwen slechts een aantrekkingsvermogen, tegenover de sympathie van het menschelijke lijden, of niet ook veeleer met opzicht tot de krachten van dalgene, wat erkeerdelijk, zeer ten onrechte, de onbezielde natuur wordt genoemd? Hebben de winden, het weder en de jaargetijden niel een onmiskenbaren invloed op haar? En zoo dit met een gedeelte der natuur plaats beeft, waarom ook niet met een ander gedeelte, dat met bet eerstgenoemde onafscheidbaar vereenigd is? Als weder en jaargetijden in sympathie met de zenuwen staan, waarom dan ook niet de maan en de sterren, door welke het weder en de jaargetijden geregeld en veranderd worden? Gij schoolgeleerden staat toe, dat de ympathie eenige van onze daden veroorzaakt: maar ik zeg, zij regeert de gansche wereld, de gansche schepping! Voordat het kind geboren is, kan deze geheime verwantschap het met den stempel van een schrik of van een verlangen van zijn moeder teekenen.quot;

»En toch,quot; merkte Godolphin aan »zult gij met al uw ijver voor de sympathie, geenszins de zaak van een\' Edricius Mohynus verdedigen, die wonden met een poeder heelde, dat hij niet op de wonde legde, maar op een doek, die in haar bloed gedoopt werd.quot;

gt;Neen, door zulke valsche afleidingen hebben waanwijze kwakzalvers alle wetenschap Ie gronde gebracht. Maar ik geloof, dat de sympathie het vermogen heeft, om ons uit ons eigen lichaam te ontvoeren en ons met afwezigen weder te vereenigen. Van daar die verrukking van zinnen, die soort van stuiptrekkingen, in welke de lijder u, in vollen ernst en met de uitvoerigste nauwkeurigheid, alles zal verhalen, wat hij verre af, in andere werelddeelen, ja zelfs, boven deze aarde, in hoogere sterren gezien en gehoord heelt, zoo als gij toch wel de waarachtige geschiedenis van den jongeling zult kennen, die, door een allerhevigst verlangen vervoerd, om zijn moeder weder te zien, door dat verlangen in verrukking van zinnen geraakte, en haar, ofschoon zij vele mijlen van hem verwijderd was, met hem teekenen van een lichamelijke, wezenlijke ontmoeting zag wisselen.

Godolphin keerde zich van hem af, om een onwillekeurig rlimlachje over dit te goeder trouw beweerde te verbergen; naar do geestdrijver, die het misschien merkte, vervolgde op

11

-ocr page 168-

162

„«S heviger t..„ ,1. dTe\'eS

ssquot; Tl r -rssn

zoo uit t6 dl uk. 5 i i ari tpgt; vpvkGorGn, worden

„,iBm te

wi.1 ongemerkt tot llLn. v® \'\'^0, \' schen\'uchaara en geest ont-gekomen is, waai in d® verhevene ziel niet meer naar

bonden moet worden, de aldus ui e[lrulde sympathie zal,

Ïloo\'ik, ome krachten, ons geheele wezen de leven bepalen. Dewijl 0^nfkmo^h ;/^ ^ ^nS met de onsterfelijken in ^rn\'ak s kc nt zoo ^ ^

mm/ms

wmmrn

kamer binnen en omvatte haar vadei teedeilqk.

nHoe is het weer\'?quot; ,,

»Het is een zoele, za.ce avond- v00r de deur

»Geef mij dan uw arm; ik wensen een i)uu J

10 Dequot; Romeinen «enen in vlakke huilen even ;\'lsF\'d\'l,;i bulïers\'Tolkmann\'s k.me,- was in S«»»gt; 7;™»;.^\'^ quot; schreden, dan in de laatste dagen, ging behage-

^ TVSé ^SSiSS^Kl^ei in-,.]

eigene

schaduw op het land, scheen een „ etralen op Volk-

ss..« sassu h..]

hez( roei bek drij naa oog wes peii G

en Luc zoe ren aar i

me vei i

vei wo inr 11 u vai ni( ha aai vo sti dilt; WJ di( de

hc kl st

-ocr page 169-

163

bezorgde oog van Lucilla, op het peizende voorhoofd en de roerlpoze gestalte van Godolphin. Het was een onbeschrijfelijk bekoorlijke groep: er heerschte zulk een stilte, dat de geestdrijver inderdaad gelooven moest, dat de aarde zweeg, om naar de stem des hemels te luisteren. Niemand sprak. Het oog en de geest van den astrologist waren naar hoogere gewesten gericht, en niemand wilde de beschouwingen en overpeinzingen van den ouden dweependen man storen.

Godolphin wijdde zich, mei over elkander geslagen armen en nedergeslagen oogen, aan zijn eigen overdenkingen, en Lucilla, voor wie Godolphins tegenwoordigheid een stille, zoete betoovering was, zag, wel is waar, op naar den donkeren hemel, maar met het hart van een minnende dochter der aarde.

Van lieverlede, en zonder dat Godolphin en Lucilla het bemerkten, werden Volkmanns oogen flauwer en meer en meer verstijfd.

Zóó verliepen minuten, en de avond werd door den nacht vervangen: een koele wind, die van de Latijnsche heuvels woei, riep Lucilla\'s gedachten tot haar vader terug. Meteen innige liefde legde zij hem haar mantel om de schouders en lluislerde hem zachtkens in, dat hij zich toch niet aan de koude van den invallenden nacht zoude blootstellen. — Hij antwoordde niet: zij verhief haar stem een weinig; doch ook dit baatte haar niet — geen antwoord ! Ontroerd staarde zij Godolphin aan. Hij legde zijn hand op Volkmanns schouders, boog zich voorover, om met hem te spreken: hij zag den glasachtigen, strakken glans zijner oogen, hij greep naar \'s grijsaards pols: die stond stil. Nu twijfelde hij niet langer aan de ontzettende waarheid, en de dochter, die nog steeds haar oogen op haar dierbaren vader gevestigd hield, vermoedde nog niets van dezen plotselingen, verpletterenden slag, Stil en ongemerkt had de afgetrokken geest des goeden, eerlijken dweepers zijn kluis verlaten — niemand wist, wanneer, noch door welken strijd der natuur.

11\'

-ocr page 170-

XXXI.

LucillcCs zonderlinfi gedrag. — Godolphin ondergaat een zware beproeving. — De grol van Egeria, en wat daar gebeurt.

Goclolpliin betreurde het verlies van zijn vriend oprechtehjk. Lucilla\'s diepe droefheid zou men zich licht kunnen verbeelden, ware het niet, dat haar zonderling, ondoorgrondelijk temperament het zelfs -Ier levendigste verbeelding ten hoogste moeielijk, ja, schier onmogelijk maakte, zich haar lijden of haai

vreugde voor te stellen. . ..

Men had naar haar oom van moeders zijde gezonden. Inj en ziin vrouw namen bezit van de woning des overledenen. Dit vermeerderde, kon \'t zijn, Lucilla\'s smart. Het gevoel-looze en tevens ijdele karakter der middelklasse van Uome s bewoners, waartoe haar bloedverwanten behoorden, en die met dat karakter in een hooge mate behept waren — sneert door het scherpe kontrast nog dieper m haar hart. Inzonderheid ergerden haar de onnatuurlijke plechtigheden van een Romeinsche begrafenis. De tentoonstelling van liet lijk; het blanketten van het gezicht des dooden — de praal tier hjk-staatsie — dit alles kwetste de innigheid harer smart Maai toen dit voorbij — toen eindelijk het stof aan het stot terug-o-eo-even was — en toen zij in het huis, waarin haar vaclei alles geschikt en geregeld, en zij zelve steeds zulk een onbeperkte vrijheid genoten had — toen zij hier die vreemden (want dat, waren zij inderdaad voor haar) zich met ijskoude gevoelloosheid en ijdele woorden aan de gemeene handelingen van het leven zag overgeven — toen zij dit weinige huisraad dat, hoe schamel en afgesleten het ook ware, haar door duizftnd kinderlijke herinneringen dierbaar, heilig was, van zijn plaats nemen en achteloos hier en daar rondwerpen zag — ja, toen zij bedaard, dikwijls ook schertsende over den verkoop daar-

-ocr page 171-

165

van hoorde spreken — toen zij zich als een kind, zelfs als een geheel afhankelijk wezen, behandelen zag — toen het te voren zoo vrije meisje zich aan alleronaangenaamste beperkingen onderwerpen moest, en al haar doen en laten berispt en gehekeld werd — toen zij de ellendige, gemeene wezens recht leerde kennen, die zich aanmatigden haar te beheerschen en zich een macht in liet huis van dengeen toeeigenden, wiens edel, ofschoon zonderling karakter zij genoegzaam begrepen, om hem te kunnen achten, terwijl datgene, wat zij niet begrepen, hun achting tot schuwen eerbied deed stijgen — toen begon eindelijk haar toorn in vollen gloed te ontbranden : haar fonkelende oogen, haar verachtende gebaren, haar geheimzinnige bedreigingen en haar onbewimpelde trots verbaasden telkens de bijgeloovige Italianen, vermaakten hen nu en dan, doch joegen hun nog vaker schrik aan.

Godolphin, die met de dochter van zijn overleden vriend meewarig begaan was, bezocht haar, na de begrafenis, een- of tweemaal, en beval door geschenken en beloften het, ongelukkige meisje aan de zorg barer bloedverwanten. Er is inderdaad niets, wat de Italianen niet beloven, niet verkoopen; en zoo kocht Godolphin wezenlijk, dat men — wat anders zeer zeker niet zou gebeurd zijn — met Lucilla\'s temperament geduld oefende.

Meer dan een maand was er reeds sedert den dood van den astrologist verloopen, en daar de tijd der mal\' aria (het slechte jaargetij) naderde, besloot Godolphin zich naar Napels Ie begeven. Twee dagen voor zijn vertrek begaf hij zich naar de woning aan de Via Appia, om afscheid van Lucilla te nemen en aan haar verwanten nog eenig geld voor haar ter hand te stellen.

Een zonderlinge, afzichtelijke tronie keek hem door het traliehek aan, eer hij binnengelaten werd ; en toen hij binnentrad, hoorde hij verscheiden stemmen, die geweldig schenen te kijven. Zeer duidelijk onderscheidde hij daaronder Lucilla\'s zachte, zilveren stem, die thans geheel buiten haar gewonen omvang was gegaan, en in de hevigste drift de smadelijkste woorden uitte.

Hij snelde naar de kamer, waaruit de stemmen kwamen, en het eerste wat hij zag, was Lucilla. Haar gelaat gloeide van toorn; de aderen van haar anders zoo glad voorhoofd waren dik opgezwollen, en haar dunne lippen ademden enkel verontwaardiging. Zij stond op eenigen afstand van de overige personen, die alle zaten, en haar houding was, in weerwil van haar felle verbolgenheid, vol waardigheid, ja zelfs majestueus. Haar armen waren over de borst geslagen, en de bedaarde richting barer quot;gestalte stak zeer at bij het gloeiende en hartstochtelijke van hare gelaatstrekken.

-ocr page 172-

166

Bij Godolphin\'s binnentreden werd alles plotseling stil: de oom en de tante — en deze laatste had eigenlijk in het kijven steeds den boventoon gehad — namen voor den, in hun oogen rijken Engelschman terstond een eerbiedige houding aan, terwijl Lucilla op een stoel neerzeeg, zich het gezicht met haar kleine, schoone handen bedekte en, beschaamd over haar toom en de hevigheid daarvan, in tranen uitbarstte.

»En wat is er gebeurd ?quot; -vroeg de Engelschman deelnemend. De Italianen haastten zich, om hem hierop te antwoorden ; Lucilla had goedgevonden, iederen avond uit te gaan. Gisteren had men haar opquot; het Corso onder het gewoel en gedrang der jonge lediggangers en allerlei volkje van een slechten naam gezien. Zijquot; achtten zich verplicht, het lieve meisje — zoo als zij haar noemden — over deze onbezonnenheid ernstig te onderhouden (de Italianen, die omtrent de gedragingen hunner vrouwen vrij onverschillig zijn, betoonen, over het algemeen, een groote gestrengheid jegens hunne ongehuwde kinderen) en zij had ronduit ie kennen gegeven, dat zij haar levenswijs volstrekt niet wilde veranderen.

sis dat waar\'?quot; vroeg Godolphin, zich naar Lucilla wendende; maar zij snikte en gaf geen antwoord.

iLaat mij met haar alleen: ik zal het haar wel onder toog brengen,quot; zeide hij, en oom en tante, die het onbetamelijke van zulk een voorstel in den mond van een dertig-jarigen man tegenover een achtienjarig meisje niet schenen te bemerken, verlieten, niet zander een vloed van beloften en verzeke-

ringen, dequot; kamer.

Godolphin was, in weerwil van zijn jeugd, toch geenszins ongeschikt voor deze taak. Met zijn aangeboren minzaamheid paarde zich veel bedaarde waardigheid, en zijn neiging voor Lucilla was tot dusver zoo rein geweest, dat hij zonder verlegenheid als een broeder met haar kon spreken. Hij tiad naar quot;den hoek der kamer, waar zij zat, zette een stoel nevens haar en trok haar weerstrevende en bevende hand met een zachtmoedigheid nader, dat zij met nog grooter hevigheid begon te weenen.

sMijn waarde Lucilla,quot; zeide hij, » gij weet, datjiw vader, mij met zijn achting vereerd heeft. Veroorloot mij derhaUe uii dien hoofde, als ook wegens mijn langdurige bekendheid met u, als vriend, als broeder met u te spreken.

Lucilla trok haar hand terug, doch legde haar., als ware zij beschaamd over dat terugtrekken, dadelijk weer in de zijne.

»Gij kent de wereld niet zoo goed,als ik, mijn lieve Lucilla; want de ondervinding, die men in hare verkeering opdoet, kost ons niet zelden veel levensgeluk, en voor zulk een \\er-lies wensch ik u te bewaren. — lu alle landen, Lucilla, is een ongehuwde vrouw aan gevaren blootgesteld, die, al heelt

-ocr page 173-

■167

zij ze ook niet aan zich zelve te wijten, haar gansche toekomst kunnen benevelen en verbitteren. Een der grootste gevaren ligt in de afwijking van het welvoegelijke. Tegenover een vrouw, die zich daaraan schuldig maakt, meent ieder gerechtigd te zijn, om aan zijn gedachten, woorden en daden een vi\'ijheid te geven, welke hij tegenover een vrouw, die kiescbeid en welvoege-lijkheid huldigt, zich wel wachten zou te nemen. Uw oom en uwe tante hebben derhalve volkomen gelijk, wanneer zij u vermanen, niet, inzonderheid niet des avonds, alleen door de straten van Rome te wandelen; en ofschoon dan ook die vermaning u door hen niet zeer minzaam, misschien wel op een eenigszins bitsen toon moge gegeven zijn, is zij nochtans inderdaad nuttig en heilzaam voor u, ja, zij moet, mijn dierbare Lucilla, volstrekt door u opgevolgd worden.quot;

sMaar,quot; zeide Lucilla, nog sleeds weenende; »gij weet niet hoezeer ik vaak, door hen beleedigd, hoe hard ik door hen behandeld ben, ik, die tot dusver niet wist wat hardheid, wat beleedigingen waren; ik, die —quot; het snikken belette haar verder te spreken.

»Maar mijn jonge en schoone vriendin, hoe zullen zij hun gedrag jegens u verbeteren, als gij hun de achting voor u ontrooft? Acht u zelve, Lucilla, zoo gij wilt dat anderen u achten. Maar misschien —quot; voor de eerste maal vloog deze gedachte Godolphin door het hoofd — ^misschien bezocht gij het Corso niet om de menigte, maar slechts om een enkelen — misschien zijt gij derwaarts gegaan, om — heb ik het geraden? — een bewonderaar, een geliefde te ontmoeten\'?quot;

«Thans beleedigt gij mij ?quot; riep Lucilla met hevigheid.

»Ik betuig n mijn dank voor deze opbruising, en neem haar als een wederlegging aan. Maar hoor mij verder en vergeef mij mijn openhartigheid. Als er onder de vele Itali-aansche jongelingen, die gij gezien hebt, één is, met wien gij gelukkig zoudt kunnen zijn, een, die u bemint, dien gij niet haat, herinner u dan, dat ik uws vaders vriend, dat ik rijk ben, en dat ik —quot;

»0 dat is te hard, te gruwzaam 1quot; aldus viel Lucilla hem in de rede, rees plotseling op en ging, in een hevige ontroering, de kamer op en neder.

»Het is dus dat niet ?quot; zeide Godolphin twijfelende.

))Neen, neen!quot;

«Lucilla Volkmann,quot; aldus begon Godolphin weder met eene koelere deftigheid dan hij tot hiertoe betoond had, sik verlang van u eenige aandacht, eenig verlrouwen, ja, eenige achting — dit verlang ik, in den naam van uw vader, in den naam van uw vroege jeugd, toen ik u nog mijn moedertaal leerde en u als een broeder beminde. Beloof mij, dat gij u aan

-ocr page 174-

168

deze onbezonnenheid niet weder zult schuldig maken, ten minste tot wij elkander wederzien, ja, dat gij dit huis niet zult verlaten, dan in het gezelschap van een uwer bloedverwanten. T . . .

»Onmogelijk, onmogelijk!quot; nep Lucilla op hevigen toon. »Dat is mij mijn eenigen troost ontrooven! dat is mij het leven tot een hel, tot een vloek maken!quot;

„Toch niet, Lucilla! integendeel zult gi] daardoor uw leven voor elk rechtschapen mensch veel achtenswaardiger maken; terwijl ik mij alsdan verplichten wil, zorg te dragen, dat gij binnen deze muren steeds met toegevendheid en goedheid

behandeld wordt.quot; , • i

sik bekommer mij niet om hun goedheid, om niemands

ffoedheid, behalve —quot;

»Wien?quot; vroeg Godolphin, toen hij zag, dat zij zich plotseling bedwong; doch daar zij bleef zwijgen, drong hij ook niet verder bij haar aan. — »Kom mijn waarde, beloot mij dit, en laat ons als goede vrienden, niet in toorn scheiden. Thans moet ik voor eenige maanden afscheid van u

11 »Helzen? — Gij? — Maanden? — O hemel spreek dat

woord niet uit!quot; , ____

Dit zeggende was zij naar hem toegesneld en staarde nem aan met haar groote, sprekende oogen, waaruit een woestheid, een angst fonkelde, welker oorzaak hij nog niet kon

ontraadselen. •

»Neen, neen!quot; zeide zij met een flauw glimlachje— » neen, gij wildet mij slechts schrik aanjagen, om mij die belolte at te dwingen. Gij moogt mij niet verlaten.

sMaar, Lucilla, ik stel u waarlijk met verder aan een norsclie

behandeling bloot. Zij zullen u, dit verzeker ik u, me iolü

beleedigen.quot; _ , ,

»Zeg maar, dat gij Rome niet verlaten zult. — Zeg, zeg dat

schielijk!quot; )

sik vertrek binnen twee dagen.\'quot; . T , „„

»Dan doet £fij mij den dood aan! riep Lucilla op een to van zulk een\'diepe wanhoop, dat Godolphin daavvan rilde, ofschoon hij haar droefheid (de droefheid van een kind; van een inderdaad zeer zonderling kind) aan geen andere oorzaak toeschreef, dan aan het besef van verlaten te zijn, dat men zich geheel alleen onder wezens ziet geworpen, die met onz gewoonten niet vertrouwd zijn en met onze neigingen me

overeenstemmen. t v,„m

Hij poogde haar tot bedaren te brengen, doch zij stiet hem teruquot;-. Haar gelaat was in een krampachtige beweging; twet-maaf ging zij de kamer op en neer, toen bleef zij tegenover hem staan, en een zekere gedwongen kalmte op haar voorhool

-ocr page 175-

169

scheen aan te duiden, dat zij een plotseling besluit had genomen.

»Gij vraagt mij,quot; zeide zij, »wat mij des avonds laat naar tuiten dreef — wat mij moed gaf, om de bedreigingen t\'huis en het gevaar buiten\'s huis te trofseeren ?quot;

sJa, Lucilla, en wilt gij het mij zeggen?quot;

»Gij waart de oorzaak!quot; antwoordde zij met een zachte stem: zij beefde van ontroering en zeeg, een oogenblik daarna, voor hem op de knieën neder.

Met een verwarring, die zulk een ervaren en begunstigd man waarlijk niet fraai stond, beproefde Godolphin haar op te richten.

»Neen neen,quot; zeide zij; »nu zult gij mij verachten! Laat mij hier liggen en sterven met de gedachte aan ui Ja!quot; vervolgde zij op een inniger toon, toen hij haar, in weerwil van haar tegenstreven, van den grond ophief en haar, met een koele terughouding, in zijn armen hield — »ja, u beminde ik — u beminde ik van mijne eerste kindschheid af. Als gij hier waart, dan leefde ik een nieuw leven: als gij ons verlaten hadt, verlangde ik naar den nacht, om van u te kunnen droomen. De plaatsen, die gij aangeraakt hadt, merkte ik heimelijk door het een of ander, mij alleen bekend teeken, om ze dan, in uwe afwezigheid, te kussen en met haar te spreken. Gij vertrekt: er verliepen vier jaren, en de herinnering aan u vormde mijn gansche wezen, ik beminde de eenzaamheid; want in de eenzaamheid zag ik u — in mijn gedachten sprak ik met. u, — en ik verbeeldde mij, dat gij antwoorddet en niet boos op mij waart. Gij kwaamt terug — en — en — maar reeds genoeg. Om u te zien, op het uur, waarin gij doorgaans uw woning verliet, ging ik eiken avond uit; ik zag, hoe gij in een dier trotsche paleizen verdweent, die nooit ondervonden hebben, wat liefde is. Weenende keerde ik huiswaarts — weenende, en toch gelukkig. En zoudt gij wel kunnen ge-looven — zoudt gij wel kunnen gelooven, dat ik u dit nimmer zoude gezegd hebben, hadt gij mij niet.bijna tot krank: zinnigheid gebracht, hadt gij mij niet onverschillig gemaakt omtrent alles, wat men van mij mocht denken — wat er van mij mocht worden ? — Wat baat mij het leven, als gij van hier zijt? — En nu heb ik alles gezegd. Ga vrij heen, gij bemint mij niet. Ik weet het, maar spreek dit verschrikkelijke woord niet uit. Ga, verlaat mij! — waarom gaat gij niet ?quot;

Zou er een man bestaan, die een jong, schoon meisje hoort bekennen, dat zij hem bemint, en die niet in wederliefde zou ontvlammen? — Innig getroffen, gestreeld, in liefde bijna opgelost, gevoelde Godolphin liet gansche gevaar van het oogenblik — maar verleiden — hel jonge, onervaren meisje

-ocr page 176-

170

O

Er verliepen echter eenige oogenblikken, eer hij zich genoegzaam herstellen en haar antwoorden kon. ))H.ooi mij bedaard aan,quot; zeide hij eindelijk; »wij zijn tenminste een paar ware, hartelijke vrienden — ik bid u, hoor mij aan. Ik Lucilla, ben een man, wiens hart vóór den tijd — o veel te vroeg! — ontvonkte, en, daardoor voor den tijd uitgeput werd: ik heb bemind, vurig, hartstochtelijk bemind. D:e liefde is voorbij, maar zij heeft mij ongeschikt gemaakt voor elke soortgelijke liefde, die ik u zou kunnen aanbieden. Mijn waarde Lucilla, ik zal de waarheid voor u niet verhelen. Beminde ik u, dan zou dit niet in de oogen uwer landge-nooten (want onder hen zijn zulke verbintenissen geen zeldzaamheid) maar in die van de mijne een schande zijn. Zou ik nu een gedeelte van die schande op u overdragen? Neen, Lucilla! Uwe neiging voor mij is — vergeef het mij! — slechts een jeugdige, kinderlijke speling: na eenige weinige jaren zult gij er zelve om lachen. Ik beu eener zoo reine, frissche jeuii\'d niet waardig, maar dit zeide hij met een zachtere stem, als tot zich zeiven, »zoo slecht ben ik ten minste niet, om haar te misbruiken.quot;

jGa.! —quot; zeide Lucilla, »ga, ik smeek er u om.quot;

Zij stond daar bewegingloos, bleek, alsof het leven (he leven des levens was \'inderdaad uitgebluscht) haar begeven hadde. Haar oogen waren strak en als verstijfd : dikke tranen olden ongevoeld langs haar wangen: slechts een zacht trillen harer lippen verried, wat. er in haar omging.

»Mijn God!quot; riep Godolphin, plotseling uit zyn daardheid, uit zijn kalme minzaamheid gerukt, die hij getracht had als grondbeginsel aan te nemen, — skan ik deze beproeving weerstaan\'? Ik, wiens droom een liefde is geweest, die ik thans zou kunnen verwezenlijkt zien — ik, die nooit een hindernis tegen een wensch gekend heb, die ik r.if.t bestreden, ofschoon dan ook niet altijd overwonnen heb ; ik, die verzwakt door mijn gewoon toegeven aan de verleiding, welke nooit zoo sterk is geweest als thans — maar neen, ik wil deze liefde door zelfbeheersching, door zelfopoffering wezenlijk verdienen.quot;

Hij wilde gaan, doch keerde terug en viel voor Lucilla op de knie.

»Heb medelijden met mij,quot; zeide hij met zulk een ontroerde stem, dat zij hoog blozende, haar gezicht, dat nog half van hem afgewend was, verder naar hem toe keerde, — ))heb met mii, met u zelve! Zie, wanneer ik vanhier

weerwil van haar

vorige liefde, niettegenstaande zij zich, als vvaie het, geheel aan hem overgaf, kon hij haar niet verleiden.

medelijden

ben, vrij rondom u, en poog door een ander mijn

vriend —

— de dochter van zijn

neen, i-.

in

r

gewone be-

beeldtenis

-ocr page 177-

171

te doen vervangen : duizend jongere, schoonere mannen, van een veel warmer, veel getrouwer hart, zullen om u liefde dingen; hun zal die liefde geen gevaar, geen smaad veroorzaken ; vergeet mij, kies een ander; hun deel zij geluk en achting- Gun mij slechts in uw hart de plaats van een broeder, van een vriend. Ik zal voor uw welzijn, voor u vrijheid zorgen. Gij moet niet meer zoo eng beperkt, veel min zelfs in het geringste beleedigd worden. God zegene u, mijn dierbare, dierbare Lucilla en geloof rnij (zijn stem werd al flauwer) dat wanneer ik u ontvlucht, ik wezenlijk edel gehandeld heb, en dat dit mij een strijd kost, die uwer liefde volkomen waardig is.quot;

Hij snelde de kamer uit: Lucilla keerde zich, toen de deur toeviel, langzaam om en zeeg bewusteloos neder.

Godolphin had zijner aandoeningen trachten meester te worden, had zich naar Lucilla\'s bloedverwanten begeven en hun verzocht, hem dien avond in zijn woninsr te bezoeken, om zekere schriftelijke beschikkingen en gelden te ontvangen, en had toen schielijk het huis verlaten.

Doch in plaats van naar Rome terug te keeren, voerde zijn wensch naar een korte eenzaamheid en zelfbeproeving, die doorgaans op een hevige aandoening volgt, en in welke Godolphin bij elke ongewone gebeurtenis raad zocht, hem naar een tegengestelde richting. Onbekommerd, waarheen hij ging, hield hij niet eerder stil, dan toen hij zich in dat eenzame groene dal bevond, dat de zoo beroemde grot der nimfEgeria in zich bevat.

Het was middag en matig warm. De bladeren sluimerden gerust op de takken der oude boomen, die hier en daar in het kleine dal verstrooid stonden; slechts de hagedis, dooiden voet des wandelaars opgejaagd, sloop glinsterend doorliet zachte gras. Van de boomen en uit de lucht trilde nu en dan de melodie van een enkelen vogel — want in Italië verheffen zij zelden hun stemmen — met een helderen klank door de verlaten woning der nimf.

Dat gezicht en de schoone herinneringen, waartoe het aan-leidinquot;; gaf, wekten hem uit zijn droomerijen. Hier heeft derhalve, dacht iiij, de fabel haar liefelijkste en duurzaamste Letoovering geplaatst. Hier vindt ieder, die aardsche liefde geproefd heeft en naar hoogere liefde smacht, een bekoorlijkheid, die hem sterker aantrekt en zijn geest oneindig meer voedsel geeft, dan het paleis der Caesars en het praalgraf der Scipio\'s.

Aldus peinzende en verteederd door het laatste tooneel met Lucilla, naar welke zijn gedachten steeds terugkeerden, trad hij in de stille grot en besproeide zijn slapen met het verkwikkende water der bron. Het. was misschien heilzaam voor Godolphin\'s deugd, dat Lucilla niet in dat oogenblik haar zoo geheel onverwachte bekentenis gedaan had. Onophoudelijk herhaalde

-ocr page 178-

172

hii, alsof hii naar een verontschuldiging voor zijn handelwijs ten opzichte van het verliefde meisje zocht: »haar vader was geen Italiaan en een man van gevoel en eer. ik mag niet vergeten dat hij mij beminde.quot; — Lucilla\'s bekentenis, die met al den ^loed, maar ook met al de onschuld en onei vai enheid van haar karakter werd afgelegd, had zijn verbeelding nieuwe en n-eenszins onbehagelijke beelden voorgespiegeld. Voor dat ooo-enblik had hij slechts een koele, geheel gewone deelneming voor haar gevoeld; maar is het te verwonderen, dat thans, terwijl hij zich haar schoonheid, haar tranen, haar hartstoch-teliike verklaring herinnerde, het hart hem luider klopte, en dat hij zich aan dat, hem zeiven onverklaarbare, onbeschnjfe-liik zoete smachten overgaf, dat de voorlooper der liefde is? Ook moeten wij tevens zijn eigen karakter in aanmeiking nemen, dat steeds naar het nieuwe en ongewone haakte, als ook zijn dweepachtige verbeelding, waarmede hij zich reeds het geluk afschilderde van met zulk een, van alle overige vrouwelijke wezens zoo geheel verschillend wezen te leven, ■wiei gedachten en hartstochten — hoe overdreven dan ook — toch

hem alleen waren gewijd. ..

Een geruime poos gaf Godolphin zich aan deze cliocmeiijGn over- eindelijk vermande hij zich, onderdrukte het denkbeeld aan een liefde, die hij aan den eenen kant, met, zonder een misdaad te begaan, aannemen, en aan den anderen kant, niet beantwoorden kon, zonder te doen, wat den man naar de wereld een onvergefelijke dwaasheid moest schijnen; en hi] maakte zich, hoewel schoorvoetend, gereed, om naar huis terug te keeren. Maar wie beschrijft zijn verbazing, zijn verwarring, toen hij vóór de opening der grot trad en slechts weinige schreden van zich af Lucilla zelve ontwaarde?

Zij was geheel alleen, ging langzaam, met neergeslagen ooo-en voort\' en bespeurde hem niet. Heur zwart haar was, naar de gewoonte van den middenstand te Rome, met een enkel lint versierd; en toen zij zich, met haar blanke, hjne gestalte en haar hemelsch gelaat, over het mollige gras bewoog,

was het, alsof Egeria zelve naar hare klagende bron terugkeerde.

Godolphin stond als vastgeworteld, en Lucilla, die regelrecht naar de grot trad, werd hem eerst gewaar, toen zij zich ge-noeozaam vlak voor hem bevond. Zij gaf een luiden gi i toen zij haar oogen opsloeg, en trachtte — onwillekeurig aan het eerste en natuurlijke gevoel der vrouw toegevende — de verzekering uit te stamelen dat zij deze ontmoeting nietvci-

svacht had. „

3.Zeker — geloof mij — ik wist niet, dat —.

3gt;Is dit misschien uw geliefkoosd plekje? zei de hij, vei legen naar woorden zoekende.

))Ja,quot; antwoordde zij zachtkens.

-ocr page 179-

173

En zoo was het ook inderdaad; want de nabijheid harer woning, de schoonheid van het kleine dal, en het belang, dat zich daaraan verbond, ofschoon zij slechts zeer onvolledig niet de nimf en haar koninklijken minnaar bekend was, hadden het, van haar kindschheid af, tot haar geliefkoosd verblijf, vooral gedurende het, zoo gevaarvolle zomersaisoen, gemaakt, wanneer alle overige bezoekers het oord vermijden, en het zich in zijn haar steeds zoo welgevallige eenzaamheid mag verheugen. Herwaarts, waar zij haar vroegere smerten uitgeademd had, werd zij ook thans gedreven; herwaarts ontvlood zij de haar hatelijke bloedverwanten, om aan haar wederstrevende hartstochten lucht te geven, die het laatste tooneel mot Godol-phin in haar had opgewekt.

Zwijgend en verlegen stonden zij een oogenblik vóór elkander tot Godolphin, vast besloten, om aan een tooneel, waarvan hij het gevaar vreesde, een einde te maken, met afgebroken woorden, maar zeer schielijk, zeide:

»Vaarwel, mijn waarde, mijn lieve vriendin! Vaarwel\'.God moge u beschermen!quot;

Hij reikte haar zijn hand toe. Lucilla vatte haar, bracht ze aan haar lippen en besproeide ze met haar tranen.

sik gevoelquot; — zeide het buitengewone meisje — »ik gevoel uit uwe handelwijs, dat ik u dank schuldig ben? Echter weet ik niet. waarom ? Gij bekent, dat gij mij niet kunt beminnen — dat mijn liefde u smart veroorzaakt — gij ontvlucht — gij verlaat mij! Ach,zoudt gij, zoo gij slechts een weinig vriendschap voor mij gevoeldet — zoudt gij dan zóó kunnen handelen?quot;

»Lucilla, hoe kan ik het woord uitspreken — ik — kan u niet huwen.quot;

«Verlang ik dit dan? Slechts bid ik u, mij meê te nemen, waarheen gij ook gaat.quot;

jiGoed kind!quot; zeide Godolphin, terwijl hij haar een geruime poos aanzag; «beseft gij dan niet, dat gij om uw eigen schande bidt?quot;

Lucilla scheen ten hoogste verbaasd. — ))Is beminnen dan schande? In Italië denkt men geheel anders daarover. Het betaamt, trouwens, een meisje niet, u haar liefde te bekennen : maar dit hebt gij mij immers reeds vergeven. En wanneer u te volgen, bij u, in uwe nabijheid te zijn, slechts mij, niet u, ongelukkig zal maken, o, laat mij dan vrij ongelukkig worden; want dat ongeluk is niets, in vergelijking van de doodelijke kwelling, welke uwe afwezigheid mij veroorzaakt.quot;

Schuw zag zij naar hem op en ontdekte met schrik, dat op zijn gelaat gevoelens kampten, die zijn antwoord schenen te verstikken. — »Als ik —quot; riep zij hartstochtelijk uit — »als ik verlangd heb, wat u schande — zoo als gij het noemt of kommer

-ocr page 180-

174

moest berokkenen, o vergeef het mij clan — ik wist het niet _ en. verlaat mij! — Maar neen — neen — bhjt, blijt --laat mij —dit smeek ik u innig — laat mij niet aan mij zelve over. Geef mij niet ter prooi aan gruwzame mishandeling! O ik heb hier geen vriend: ik haat de gezichten, die ikhier zie: ik heb een afschuw van de stemmen, die ik hier hoor. En al ware het ook niet anders dan alleen, dat gi] mij hem herinnert, hem die mij eens alles was, mijn vader, wiens gemis voor mij onvergetelijk is: met u ben ik vertrouwd, in elk uwer blikken ligt eene herinnering aan mijn jeugd, aan het mij eens zoo dierbare, ouderlijke huis. Neem mij mee, of laat mij sterven. Uw verlies wil ik niet overleven .

))Gii spreekt van uw vader — weet gij wel, dat, wanneer ik aan wat gij, in uw kinderlijke eenvoudigheid zoo onbezonnen verlangt, wilde voldoen, hij in zijn graf mi] zoude vervloeken?quot; . , , TI , »0, mijn God, neen! dat moet met gebeuren! Ik smeek immers — dus ben ik schuldig, als het wezenlijk een misdaad is. Maar is het niet veel liefdeloozer van u gehandeld, de dochter van uw vriend te verlaten, dan haar te beschermen?quot; .., Godolphin streed een zwaren, verschnkkelijken strijd. »Wat,quot; zeide hij zonder eigenlijk te weten, wat hij aeide — »wat zal de wereld van u denken, als gij met een vreemdeling

ontvlucht T\' , , . „

«Voor mij bestaat geen wereld buiten u.

»Wat zal u oom, wat zullen uwe bloedverwanten van u

zeszen?quot; , , . , . .

»Wat gaat mij dat aan? Ik zal hen immers dan met

hooren.quot; „ ,

»Neen neen!quot; zeide Godolphin fier, nogmaals zijn aandoeningen bedwingende — sLucilla, ik zou van eiken droom, van elke hoop in dit leven afstand willen doen, zoo ik slechts deze opoffering vergelden en mijn leven bij u doorbrengen kon; zoo ik u kon toestaan wat gij verlangt, zonder uwe onschuld te bederven, — maar — maar —quot;

sDus bemint gij mij I Gij bemint mij! nep Lucilla ten toppunt van vreugde, uit, zonder aan den diepen zin zijner

woorden te denken. , , i -n •

Godolphin verloor zijn bezonnenheid: hij trok Lucilla in zijn armen, bedekte hare lippen en wangen met brandende, hartstochtelijke kussen, en rukte zich toen plotseling, als door een onweerstaanbare kracht verschrikt, van haar Ioü en ontvluchtte met rassche schreden.

-ocr page 181-

XXXII.

De (leiir/d is dihwerf zwcil,\', zeer zwak. — Waaruit ontslaat dit.

Het was de avond, voordat Godolphin Piome verliet. Toon hij zijn woning binnentrad, bemerkte hij in het duister en op een korten afstand een, in een mantel gewikkelde gedaante, die hem Lucilla herinnerde. Eer hij zich echter hiervan overtuigen kon, was zij verdwenen.

Zoodra hij zich in zijn kamer bevond, doorzocht hij ijverig en nauwkeurig al de papieren, die op zijn schrijftafel lagen; hij scheen in zijn verwachting teleurgesteld te zijn, en ging gemelijk zitten. Den vorigen dag had hij een langen hartelijken brief aan Lucilla geschreven, een edelaardige ontwikkeling zijner gedachten en gevoelens. Voor zooverre hij zulks tegenover een, in haar onervarenheid zoo eenvoudig en in haar fantasie nochtans zoo ongeregeld wezen kon doen, had hij haaide soort van zijn strijd en van zijn opoffering verklaard. Hij verheelde haar niet, dat hij, vóór haar bekentenis, den toestand van zijn hart, met betrekking tot haar, geenszins onderzocht had, en evenmin, dat daarna een nieuw, gloeiend gevoel in hem ontvlamd was. Hij kende de vrouwen te wèl om niet volkomen overtuigd te zijn, dat de laatste verklaring de zoetste toast voor haar hart en voor haar ijdelheid moest wezen.

Hij deelde haar de beloften mee, welke haar bloedverwanten hem gedaan hadden, dat zij, namelijk, harer vrijheid niet hinderlijk zoudea zijn, en haar al die toegevendheid bewijzen, welke haar ongedwongene, zich aan geen vasie regels bindende levenswijs noodzakelijk maakte, en hij sloot in dien brief, met de teederste en levens eerbiedigste uitdrukkingen, een wissel van een som gelds, die haar te allen tijde in staat zou kunnen stellen, om in elk opzicht de verschuldigde achting

-ocr page 182-

176

en kieschheid van haar bloedverwanten te vorderen, of, zoo zij het mocht verlangen (ofschoon hij haar daarbij ried, zulks slechts dan te doen, wanneer haar geen ander middel overbleef) een ander verblijf te kiezen.

»Zend mij daarvoorquot; — dit voegde hij er nog bij — jeen lok van uw haar. Ik behoef, trouwens, mets, om mij uw schoonheid te herinneren, maar ik wensch een pand van het hart

welks liefde mij met zulk een smartelijke fierheid vervult. Ik zal

het als een schild tegen de besmetting dezei wereld diagen -tegen deze ellendige wereld, die u gelukkig zoo geheel vreemd is^gebleven — alsquot; de herinnering aan een wezen, dat boven elk denkbeeld van eigenbaat verre verheven is — als de verzekering, dat ik mij niet misleidde, dat ik niet droomde, toen ik in dit zoo geheel egoïstische gedeelte der aarde nog zulk een warm, zulkquot; een rein gemoed vond als het uwe. O! moogt gij, als wij elkander eenmaal weder ontmoeten, een gelukkiger vriend, dan mij, gevonden, in zijn teederheid elke andere gedachte aan mij voor altijd onderdrukt en voor mij slechts een viiend-schappelijke herinnering behouden hebben! Schoone en dierbare Lucilla, vaarwel! Heb ik het onuitsprekelijk zoets genot, van door u bemind te zijn, voorbedachtelijk niet willen smaken, dan geschiedde zulks, dewijl het gulle vertrouwen, waarmee gij mij het geheim van uw hart ontdektet, in mijn, jegens anderen veel te eigenbatig hart een oprechte liefde voor u

heeft opgewekt.quot;

Van uur tot uur had Godolphin een antwoord op dezen brief gewacht. Hij ontving geen antwoord — niet eens de lok, oïn welke hij verzocht had. Hij was mismoedig, min of meer boos op Lucilla en ontevreden met zich zeiven. — »Hoe bitter,quot; zeide hij, »zal Saville om mijn dwaasheid glimlachen. Ik heb de zaligheid, van dit schoone schepsel te bezitten, opgeofferd. — Waarom? Om een nietsbeduidende, laffe schroom-valligheid, die zij niet eens begrijpen kan, en die, in haren verlaten toestand, velen van haar landgenooten, zoo vrouwen als mannen, als een belachelijke, overdreven, gemoedelijkheid bespotten zouden, En zou ik haar niet, bijaldien ik met haar van hier ontvlucht ware, voor haar gansche volgende leven gelukkiger hebben gemaakt — veel gelukkiger dan zij thans zijn zal\'? Zij zou in dat geluk niet, even als een Engelsch meisje, de kwelling der schande ondervonden hebben.^ Hier zou deze band niet als een vernedering beschouwd worden, en zij, die slechts de eenvoudige wet der natuur kent, gelooft niet eens, dat men het daarvoor houden kan. Zal zij quot;niet juist door haar onervarenheid — zij, die zich steeds door eiken eersten indruk laat beheerschen, als het offer van dezen of genen sluwen verleider vallen? van een laaghartig wezen, dat haar niet, als ik, beschermen, maar

-ocr page 183-

177

haar als zijn speeltuig van eenige oogenblikken beschouwen en haar wegwerpen zal zoodra zij hem verveelt ! — 0, pijnigend, onlijdelijk denkbeeld, dat een ander met zijn hoofd op dien boezem zal rusten, die do mijne is! — Wat heb ik nu gedaan? Ik heb mij in den valschen schijn van een ijdele deugd gehuld, mijn eigen geluk met voeten getreden, en laat het vooruitzicht geopend, om, voor eeuwig ellendig, door een ander aan de schande en het gebrek ter prooi gegeven te worden !quot;

Deze zoo hoogst onaangename, berouwvolle gedachten werden slechts flauw, slechts nu en dan door de fierheid bestreden, die het gevolg van iedere rechtvaardige of edele daad is, en dan weder door duizend vermoedens, vol bezorgdheid en toorn, over Lucilla\'s zwijgen verdrongen. Menigmaal meende hij —doch dit was slechts een vluchtig voorbijgaande gedachte, waaraan hij geenszins hechtte — dat zij hem nog vóór zijn vertrek zou trachten te spreken; en in deze hoop begaf hij zich niet eerder ter rust, dan toen de nacht zijn vale vlerken reeds over de ruïnen der ontzaggelijke, thans doodstille stad gespreid had, Toen wierp hij zich ongekleed op een sofa en sluimerde, hoewel telkens ontwakende, voor een korten tijd in.

Den volgenden morgen stelde hij zijn afreis tot den middag uit, nog steeds hopende, Lucilla te zullen zien. Maar vruchteloos. Hij kon zich niet met het geloof vleien, dat Lucilla den tijd van zijn vertrek niet nauwkeurig wist; want hij had haar dien stellig gezegd. Menigmaal besloot hij weder, zelf haar op te zoeken; maar hij kende de zwakheid van zijn edel besluit te goed, en was, in weêrwil van zijn weifelen in het denken, nochtans in het handelen deugdzaam genoeg, om geen onfeilbare nederlaag te gemoet te gaan. Eindelijk wierp hij zich,in een oogenblik van vertwijfeling en onder verwijtingen van Lucilla\'s wispelturigheid en haar ongeschiktheid, om zijn grootmoedigheid naar waarde te schatten, in het rijtuig en zeide Rome vaarwel.

Even als eens ieder bosschaadje waardoor de reiziger langs dezen weg komt, door een nimf bewaakt werd, is het thans door deze of gene herinnering geheiligd. Vruchteloos drukt de van dood en verderf zwangere lucht op bosch, beek en muren; de geest denkt niet aan het gevaar van zijn aardsche hulsel, hij snelt terug en zwelgt in het verledene. Een sprake-looze verrukking vervult en verheft het gemoed. Daar stijgen bergen met hun sneeuwkruinen ten hemel — op deze vlakte bevindt zich het graf der Curiatiërs en van die beide onsterfelijke helden, welke hun derden broeder den roem der overwinning en den daarop volgenden smaad nalieten — het meer van Nemi, rondom hetwelk nog de heilige wouden staan, waar Diana Hippolytus in het leven terugriep. Poëzie, fabel en ge-

12

-ocr page 184-

178

schioilenis bewaken het land: het is een begraafplaats: de dood is overal: de vergankelijkheid is op iederen steen gedrukt, maar de verledenheid zit bij het graf als een treurende engel: een ziel ademt door de verwoesting eu een stem spreekt door de stilte. Iedere eeuw, die verdwenen is, heeft een geest achlergelaten, en het schoone land gelijkt de benedenwereld, waarin, niettegenstaande hare heerlijkheid, de mensch niet kan ademen, maar die door zalige geesten en heilige schimmen bewoond wordt.

Godolphin reisde snel voort. Het was reeds volkomen nacht, toen hij door de Pontijnsche moerassen reed. Hier broeit de lucht haar doodelijk gift, de eenzaamheid heeft haar ziel verloren, al het leven, behalve den doodelijken wasdom der verrotting, schijnt vernietigd. De geest verslapt, de adem der natuur is gestremd, en op de ruïnen van den tijd zit. verstijfd het Zwijgen in de armen des Doods.

Hij kwam te Terracina aan en begaf zich ter rust. Zijn slaap werd door nare droomen gestoord eerst laat op den middag ontwaakte hij, geheel afgemat en ternedergeslagen. Toen zijn bediende, die zich reeds sedert eenige jaren in zijn dienst bevond, hem, bij het opstaan, behulpzaam was, bemerkte Godolphin op diens gelaat de, bij personen van zijn stand: gewone uitdrukking, ais zij, gelijk men zegt, iets op het hart hebben, wat zij gaarne zouden willen meedeelen en daartoe op gelegenheid wachten.

»Welnu, Madden!quot; — zeide hij — »gij zet dezen morgen een zoo ernstig gezicht dat ik haast vragen zou, wat er gaande is?quot;

»Hoe! Hebt gij niet, toen wij door liet moeras kwamen, achter ons een rijtuig bemerkt? Bij het heldere maanlicht moet gij het zeer zeker op eenigen afstand gezien hebben.quot;

»Maar mijn goede Madden! hoe kan ik, in een gesloten rijtuig zittende, achter mij zien? Ik weet volstrekt niets van een ander rijtuig. En in allen geval, wat zou dat dan nog beteekenen T\'

«Kort na u. Sir, is het met iemand er in hier aangekomen: die persoon wilde zich niet ter rust begeven, maar wacht n in de zaal.quot;

»Een persoon? Wat voor een persoon?quot;

»Een dame, Sir, een jonge dame!quot; antwoordde de bediende, een glimlachje onderdrukkende.

«Rechtvaardige hemel! riep Godolphin uit — »verlaat mi]. Madden!quot; De bediende gehoorzaamde.

Godolphin twijfelde geen oogenblik, dat Lucilla hem op deze wijs gevolgd was, en werd door dit bewijs van haar standvastige en zich boven alle kleingeestige vooroordeelen verheffende liefde diep getroffen. In een andere vrouw zou een zoo koene stap zijn in dit punt zeer strengen en eenigszins Engelschen

-ocr page 185-

179

smaak niet weinig beleedigd hebben. Maar bij Lucilla ontstond alles, wat bij andere onbescheiden zou geweest zijn, uit de reine en vlekkelooze onkunde, die liet gevaarlijkste, maar tevens het bekoorlijkste vrouwelijke sieraad is. Geheel afgescheiden van alle verkeering met vrouwen, door de weinige dichtstukken en brieven, die z:j gelezen had, meer aangeprikkeld dan onderricht, was de zin voor het betamelijke in haar zulk een onbepaald gevoel, dat elke schok van haar hartstochtelijk karakter het plotseling terugdrong of wel met zich voortrukte. Onbekend met hetgeen de vrouwelijke ingetogenheid vordert, en zelfs met de meening der wereld hieromtrent; in liefde van een min of meer loszinnig begrip, als een Italiaansche, zag zij slechts daarin iets loffelijks, dat zij haar teederbeid aan een, in haar verbeelding zoo verheven man, als den Engelschen vreemdeling, wijdde. Maar in deze zonderlinge vereering mengde zich, zelfs onbewust, volstrekt geen onkiesch, onrein gevoel.

Met waggelende schreden en een kloppend hart begaf Go-dolphin zich naar de kamer, waarin hij Lucilla dacht te zullen vinden. En daar zat zij in een hoek van het vertrek — hel gezicht met haar mantel bedekkende. Hij snelde naar haar toe, wierp zich voor haar op de knie en trok met een bloode hand den mantel van haar gezicht: in weerwil van haar tranen, van haar bleekheid en van haar ontroering, werd hij echter door het zachte, liefdevolle gelaat van het beklagenswaardige meisje innig getroffen.

»Zult gij het mij vergeven?quot; — riep zij plotseling uit. »Het was uw eigen brief, die mij herwaarts voerde. Verlaat mij thans, zoo gij kunt!quot;

«Neen, neen!quot; riep Godolphin en drukte haar aan zijn borst — »het noodlot wil het, en ik wederstreef niet langer. Ik zal u beminnen, u volgen, zoolang ik leef. Ja, ik zal voor u alles zijn, wat ik voor u zijn kan, zijn moet — vader, broeder, geliefde — alles — slechts —quot; Plotseling zweeg hij. Zijn geweten sprak: »slechts geen\' echtgenoot;quot; maar zijn stem zweeg.

»Mag ik met u gaan?quot; riep Lucilla, geheel buiten zich zelve. Dit was hare eenige gedachte.

Even als, wanneer het denkbeeld van ontvluchten den krankzinnigen invalt, de krankzinnigheid, voor die oogenblikken geheel van hen schijnt geweken te zijn, en moed, schranderheid, voorzichtigheid en vindingrijkheid (hoedanigheden, die zij in betere dagen niet eens kenden, als door een hoogere ingeving, plotseling in hen opflikkeren, zoo scheen ook het denkbeeld, Godolphin weder te zien, als een nieuwe geest in de dweepen-de Lucilla gevaren te zijn. Meer dan ooit, sedert zijn bekentenis, van liefde ontvlamd, en tevens door zijn brief aangemoedigd had zij tot den koenen stap besloten, en dien nu dan

12*

-ocr page 186-

180

ook \'wezenlijk gedaan. Niet verre van de Porie San Sebasü-ano woonde een velturino. Dezen had zij opgezocht, en op het zien van het geld, dat zij van Godolphin ontvangen had, beloofde hij gereedelijk, haar, langs welken weg zij mocht verkiezen, naar Napels te brengen, en zelfs het veel snellere rijtuig van Godolphin steeds bij te houden. Op den morgen van zijn vertrek had zij Godolphins woning niet uit het oog verloren, en eenige minuten, nadat hij weggereden was, reed ook zij, bevende, maar geheel in verrukking, langs denzelfden weg daarhenen. De Italianen zijn doorgaans goedhartig, inzondei-heid, als zij den invloed eener vurige liefde vermoeden. Ue voorzichtigheid van den vetturino vergoedde haar gebrek aan ervaring. Hij had haar de noodzakelijkheid herinneid, oni zich van een pas te voorzien, en haar levens ten stelligste beloofd alle overige zwarigheden voor zijn rekening te nemen; en zoo bevond Lucilla zich thans onder hetzelfde dak met hem, dien zij offers bracht, van welke zij eigenlijk geen behoorlijk denkbeeld had, en dien zij, in weerwil van al hetgeen naderhand hun verbond veronaangenaamde en eindelijk geheel vernietigde, lot het laatste toe zoo vurig en innig beminde, als in het eerst — met een liefde, die het gevoel der vrouw verre overtrof, en zelfs het gewone gebod van den tijd trotseerde.

Op de blauwe golven, die met een doffen klank tegen de rotsen van dien heerlijken oever braken, van welken de berg, die zich achter Terracina verheft, de geur der oranjeappelen en citroenen tot de wolken doet opstijgen; op dat sombere meer wierpen de sterren, als de hoop op een betere wereld, op het moeielijke en ellendige van dit leven — haai\' statig en nochtans zacht licht. Aan dezen oever stonden Lucilla en hij — de vreemdeling, wien zij haar zielerust en al haar aardsche hoop had toevertrouwd. Op haar wangen gloeide het eerste purperrood der liefde, die haar doel bereikt heelt, die zoete, kalme tevredenheid, die hemelsche, alles overwinnende en toch bezweken drift, met welke hel hart, in de overmaat van zijn eigen verrukking, insluimert. In zulke oogenblikken van vreugdevolle rust ontwaart men. noch de zorg, noch zelfs het flauwste vermoeden van de mogelijkheid, dat\' het eenmaal anders kan worden. Even als het water, dat langs haar voorbij stroomde, was elke gewaarwording in haai\' slechts de spiegel van een helderen, geheel onbewolkten hemel. Met het hoofd quot;zacht tegen de borst van haar geliefde leunende, gevoelde zij het kloppen van zijn hart en hoorde daarin de stem van datgene, wat de wereld thans voor haar waa.

-ocr page 187-

181

Stil, zwijgend daalde de geheimvolle, liefelijke nacht rondom hen neder. Hoe wonderbaar was dit gevoel, deze bewustheid van eenzaam te zijn! Hoe sloten beiden, toen dat gevoel hen doortrilde, zich nauwer en nauwer aan elkander! Nog omzweefden hen de zalige oogenblikken, toen de aanraking hunner handen alleen hun een geluk schonk, dat zich met geen woorden liet uitdrukken; en zoo vaak zijn oog het hare zocht, parelden tranen daarin, die het geluk van haar overstroo-mend hart deed opwellen, en die terstond weggekust werden. — »0 zie niet hemelwaarts, mijn geliefde!quot; fluisterde Godol-phin; sopdat gij aan geen andere wereld denkt dan aan deze!

Arme Lucilla! Zal wel iemand, die vluchtig deze weinige bladzijden doorloopt, een enkel oogenblik aan de bron van uwe kortstondige vreugde en aan uwe bittere zorgen deel nemen ? — Deze weinige bladzijden, door welke ik van u gewagende, gaarne uwe nagedachtenis aan de vergetelheid zou ontrukken — deze weinige bladzijden bevatten uwe beeldtenis een kortstondig aanwezen, vermengd met de groote, alledaag-sche menigte, waarmee het echter geen enkel punt van aanraking had, en vervolgens in het gewoel en gekrioel der wereld vergeten en voor altijd weggeworpen.

-ocr page 188-

XXXIII.

Terugkeer naar lady Erpiwjliam. — Londensche gezelschappen. — Aristokralie en aristokratische geselschappen. — Lady Er ping ham wordt ziekelijk. ■— Lord Erpingham besluit zich naar het vaste la,iid te hegeven. — Plutarchus over inuzii\'k-instrumenten. — Gezelschap in het hotel Erpingham.

Saville over gezelligheid en smaak in het vietshedui\' dende. — David Mandeville. — Vrouwen, haar invloed en haar opvoeding. — De noodzakelijkheid van een doel. — Godsdienst.

Even als wij, na een langen droom, wederom lot de bezigheden van het dagelijksche leven ontwaken, zoo keer ook ik met een nieuw ontwaakt en veel levendiger gevoel van de karakters, die op zulk een verren afstand van de gewone wereld staan, als die van Volkmann (1) en zijn dochter, tot de schitterende helden mijner geschiedenis terug.

1

Astrologisten, ja. kabalisten, zijn, voor het overige, in deze negentiende eeuw geenszins zoo buitengewoon zeldzaam, als men misjclüen wel gelooft. In het noorden van Europa kan men nog vele zulke geestdrijvers vinden,, en zelfs te Parijs heb ik — en zeker buiten mij nog anderen — ijverige, ja, enhusiastische aanhangers van het magnetismus gevonden. In het jaar 1800 gaf Lackington een boek in quarto in het licht, onder den titel: 3fagus, een volledig stelsel der geheime filozofic, hetwelk over Akhymie Cabala, natuurlijke en bovennatuurlijke magie handelt, enz. — Het is een onbeschaamd werk! Als Eaphaël astrologische handboeken uitgeeft, bewijst dit nog niet, dat hij aan de daarin behandelde wetenschappen geloofde; maar dat hij bijde uitgave daarvoor ziju voordeel vond, bewijst de overhelling der kooper» tot dat geloof.

-ocr page 189-

-183

•In de Londensche gezelschiippen heerscht een zekere toon, die den geest afmat, zonder hem eenigszins op te wekken, en dit veroorzaakt meer dan al het andere, oververzadiging. In de klassen, die aan de hoogste grenzen, loopen deze uilvverkin-gen minder in het oog; want daar toch is iets te bestrijden. De mode geeft haar een prikkel. Zij beijveren zich, en streven er naar, om zich den toon der hoogsle klassen eigen te maken. Het is, ja, een streven naar een beuzeling, maar het duidt toch eerzucht aan, die, wel is waar, in haar gevolgen eerder schadelijk dan voordeelig mag heeten, maar die desniettemin het goede volkje levendig houdt. De grooten alleen zijn de slachtoffers der verveling. Hoe vaster hun rang staaf, hoe algemeener hun goede toon erkend is, des te meer kwijnt hun leven in zelfverveling weg. — Constance had het toppunt barer wenschen bereikt: niemand werd zóó vereerd, zóó aangebeden. Den een na den anderen, die vóór haar huwelijk haar fierheid beleedigd, of naderhand zich tegen haar aanspraken verzet hadden, had zij gedeemoedigd en diep vernederd : een enkele blik van haar werd als een triomf beschouwd: een glimlachje schonk den gelukkige een rang. Doch deze heerschappij begon haar aldra tegen te staan ; haar geest stond te hoog, dan dat hij door zulke erbarmelijke genietingen, door zulke onderscheidingen zonder eenige waarde zou hebben kunnen bevredigd worden, en zij gevoelde dat het wezenlijke van het leven haar ontbrak. Zij was, namelijk, niet met kinderen gezegend of bezocht geworden en had in haar echtgenoot geen vriend. Er waren zelfs oogenblikken, waarin haar keus haar berouwde, hoe benijdenswaardig haar lot ook scheen; doch zij klaagde nooit over verdriet, maar over eentonigheid.

Desniettemin hield zij nog steeds het eenige groote doel van haar leven in het oog, en nog steeds arbeidde zij heimelijk aan het bereiken daarvan, aan den val van die veel vermogende gezellige kringen, welker schitterend sieraad zij zelve was. Door den vroegeren en nauwelijks gerechtvaardigden haat, dien zij den grooten dezer aarde gezworen had, tegen alles ingenomen, wat zij bij hen zag, beoordeelde zij de gewoonten en meeningen van hen, met wie zij dagelijks verkeerde, steeds zeer scherp en vijandig. Hun aanmatigingen, hunne zucht, om steeds alles te schijnen, niets te zijn, hun eeuwig ronddraaien in den kring van het conventioneele leven walgde haar en hunne stelselmatige gevoelloosheid stiet haar terug. Zij bespeurde, ja, talent bij hen, maar slechts een meer schitte-i\'end en daardoor verblindend, dan wel een wezenlijk grondig talent: hunne bemoeiingen hadden, even als bun lihera-lismus, geheel de kleur van een partij: zij waren bekrompen in haar streven en schenen slechts een van buiten geleerde fin kunstmatig bestudeerde rol. Op genie maakte niemand

-ocr page 190-

184

hunner aanspraak: ook werd dit aan niemand toegekend. Inzonderheid — en dit is de karakteristieke trek der Ennelsche aristokratie! — mishaagde Constance in hen het volslagen gebrek aan een edele denkwijs en verheven gevoelens. Dikwerf herhaalde zij, met een innige verontwaar-digino- de woorden van een groot staatsman, die thans nog even quot;waar zijn, als toen zij door hem uitgesproken werden: »bii ons is alles laaghartig, kruipend en gemeen!quot; — Dezelfde koelheid in hun gedragingen; de vereering van al wat zich van oudsher dagleèkent; de gemeene afkeer van al wat vreemd is* het schandelijke ongeloof aan al wat edel heet deze kenteekenen van onze hoogere standen boezemden haar steeds een diepe verachting in. Zij beroemden zich, wel is waar, op hun milddadigheid, doch, zoo als een zeker hedendaagsch schrijver te recht aanmerkt: milddadigheid is de meest geliefkoosde deugd van den hoogmoed. Gaarne pronkten zij met hun namen op deze of gene inteekeninglijst tot ondersteuning van hulpbehoevenden; of tot het bouwen van een lief-dadio-heidsgesticht; en terwijl zij met de eene hand den boer een korenwet oplegden, reikten zij hem met de andere hand, eenmaal in het jaar, een brood. De godsdienst wordt in haar uiterlijke vormen door sommigen in eere gehouden: een Bijbel en een gravin vindt men niet zelden bijeen; doch dit komt, dewijl zij het zonderlinge geloof koesteren, dat de Bijbel een aristokratisch boek is, dat ondergeschiktheid en afhankelijkheid leert: zij zien, trouwens, dat. God in de andere wereld geen onderscheid van rang belooft, maar zij beweren, dat Hij juist daarom op dat onderscheid in deze wereld aandringt. Torys lezen derhalve de H. Schrift veel meer dan de Whig\'s. De eerstgenoemden zijn godsdienstig-aristokratisch, de laatstgenoemden filozofisch-aristokratisch.

Lady Erpingham, die achter de donkere gordijn der politiek stond, zag met diepe minachting de persoonlijke en eigenha-ti^ebeweegredenen, om welke de voorname vooistandeis quot;van liberale gevoelens doorgaans dergelijke maatregelen bevorderden welke de kortzichtige menigte steeds op de uitbundigste wijze toejuichte. Deze tegenstrijdigheid van grondbeginselen en handelingen is, trouwens, in het maatschappelijke leven bij meest alle standen niets ongemeens; maar Constance, die zich slechts binnen éénen kring beperkte, waande, dat deze dubbelhartigheid geen algemeene, maar slechts een bijzondere karaktertrek van die lieden was, welke zich in haren kring

bevonden. .

Beeds vroeg aan veinzen gewoon, verborg de gravin no£ steeds haar verachting even zoowel, als hare hoop. In liet verre verschiet meende zij reeds het Thule harer wenschen te zien. Midden in Europa\'s diepsten vrede bespiedde zij de

-ocr page 191-

185

grondbeginselen, die, tot dusver door den oorlog onderdrukt, thans begonnen uit te botten en rijkelijke vruchten beloofden. Jaloersche, uilvorschende oogen zagen op de bevoorrechte standen, die zij tot hiertoe slechts vereerd hadden. Het volk zag de ellendige verdeeldheden der beide machtige partijen, die om de heerschappij streden, en door de wijde klove, die de partijen van elkander scheidde, zag het tevens het, wel verre, maar heldere licht der waarheid. Met een innig genoegen bespeurde het, dat iedere partij, blind voor de onfeilbare gevolgen van dien strijd, door eiken maatregel, dien zij nam den val van het lichaam bevorderde, waarvan zij een gedeelte was. Wederstand tegen \'svolks eischen heette het geschreeuw versterken en meer algemeen maken; toegeven heette dei-meerderheid den triomf op de belangen der minderheid gemakkelijk maken.

Deze, in de geschiedenis van ean volk zoo snelle staatsverwisselingen zijn in het, leven van den enkelen mensch slechts langgerekte episoden. Politieke intrigues konden het ledige niet aanvullen, waarover Constance dagelijks klaagde, en parti-kuliere intrigues — de gewone troost der dames van haar wereld, ofschoon dan ook niet van haren rang —• hadden voor haar volstrekt niets behagelijks. Als sommige lieden in het geheel niets te doen hebben, worden zij niet zelden ziek — en zoo verbleekte de tijd de blozende kleur van lady Erping-hams wangen. Zij werd mager: de geneesheeren gaven niet onduidelijk te kennen, dat zij een uittering vreesden, en rieden haar een warmer klimaat aan. Lord Erpingham omhelsde dezen raad met vreugde; want hij beminde Italië en verveelde zich in Engeland.

Menschen van bekrompen geestvermogens zijn niet zelden zeer muzikaal, of, beter gezegd, groote liefhebbers van de muziek. Deze liefhebberij laat zich bij zulke lieden misschien eenigszins verklaren, als men den ouden Plutarchus mag gelooven, die in eene van zijn wijsgeerige verhandelingen beweert, dat in zijn tijd de beste muziekinstrumenten uit de kinnebakken van ezels vervaardigd werden. Hoe dit ook zijn moge, lord Erpingham had zich, sedert een geruimen tijd, veel met de muziek, evenwel inzonderheid met opera-muziek Ijemoeid, ja zelfs meer dan eens te kennen gegeven, dat hij voornemens was, een opera te componeeren; en dewijl hij ongelukkig zelf geen virtuoos was, vond bij er eenigen troost in, een Maecenas te zijn. Italië had in dit opzicht voor hem veel bekoorlijks en aanlokkelijks. Dagelijks sprak hij over den zwakken staat dei-gezondheid zijner gemalin, maar dacht eigenlijk daarbij aan niets anders dan aan het genot van een wel bezet orkest. Onder de betuigingen van het innige leedwezen over hun vertrek, welke zij in groote menigte van de Londensche beau

-ocr page 192-

186

monde ontvingen, maakten zij zich gereed, om zich, tegen het einde van het seizoen, naar hot vaderland van Paganini en Julius Caesar Ie begeven.

Twee dagen vóór hun afreis gaf lady Erpingham haren vrienden en bekenden een afscheidspartij. Saville, die steeds poogde, met ieder, die hem der moeite waardig scheen, op een0 goeden voet te staan, bevond zich natuurlijk insgelijks onder de talrijke gasten. Sedert de laatste jaren, gedurende welke wij hem uit het oog hebben verloren, was hij zichtbaar verouderd. Voor de vrouwen had hij volstrekt geen bekoorlijkheden meer: spel en zucht tot allerlei speculatiën hadden aile andere wenschen verdrongen. Zijn levendigheid was, daar ouderdom en ziekelijkheid den voorheen zoo rasschen loop van zijn bloed vrij wat getemperd hadden, aanmerkelijk verminderd; doch het gezellige onderhoud had voor hem en erlangde door hem nog steeds het gewone belang, de gewone aangenaamheid; slechts was zijn fonkelend, dartel spelend vernuft in een bedaarde ironie over gegaan, en ofschoon zijn geest uit het tegenwoordige geen voedsel meer kon trekken, scherpte hij zich •echter nog steeds met de ingezamelde ervaring van het ver-ledene: wereldkennis is de ware bron van het gezellige vernuft.

»Maar,quot; zeide Saville, terwijl hij nevens lady Erpingham plaats nam — smaar hoe zullen wij het toch te Londen uithouden, als gij er niet meer zijt? — Werden ons de gezelschappen -— die eeuwigdurende drank — te schraal, dan wierpt gij uwe parelen in den beker; en thans zijn wij zoo verwend, dat wij den wijn zonder de parelen niet meer zouden kunnen verdragen. \'

»Maar de parelen gaven aan den wijn geen smaak,quot; zeide de lady; »zij losten zich slechts op, zonder eenig doel, zonder eenig gevolg.quot;

»Ach, waarde lady Erpingham ! zelfs de botste onder ons, die eenmaal de parelen gezien had, kon zich toch tenminste verbeelden dat wij genoegzaam in staat waren, om haar liefelijken invloed te waardeeren. Maar hoe zullen wij in deze kleine wereld van louter ijdele, lastige beuzelingen, als gij ons verlaten hebt, iets vinden, waarbij wij ons iels, hoe gering ook, kunnen verbeelden?quot;

»0, mijn vriend, ik ken onze gezellige kringen te goed, om ni3t overtuigd te zijn, dat mijn gemis licht kan vergoed worden. De koning volgt den koning op, zonder beider verdiensten eenigszins in aanmerking te nemen; evenzoo volgt in Londen de eene afgod den anderen op — de een moge van diamant, de ander van koper zijn. Misschien vind ik u^hij m:jn terugkomst, aan de voeten van de zotte lady S * \' *, of als een aanbidder van de afzichtelijke lady Y * * . Het toeval alleen bestemt, wie de heerschappij over u zal voeren: het brieschen van een paard kan dit beslissen.quot;

-ocr page 193-

Lr letups asses souvent a rendu lérjilime,

Ce qui se in Ij l ai I d\'ahonl nu se pouvnir saus crime.

— antwoordde Saville met een gemaakte heldhaftige houding: ïde waarheid is, dat wij een jammerlijk volkje zijn, en dat liij, die het onder ons het verste wil brengen, zich slechts met de meeste onbeschaamdheid voorwaarts moet dringen. Gij weet toch, hoe Mrs. R * * in weerwil van haar vuurroode armen, van haar rood kleed, van haar city-dialect en van haar city-betrekkingen, het nochtans alleen door te volharden zoover gebracht heelt, dat zij een persoon van gewicht voor dezelfde gravinnen is geworden, die zij in het eerst, niettegenstaande alle mogelijke door haar verspilde vleierijen, nauwelijks tot een flauw, schier onmerkbaar hoofdknikje kon bewegen, Wie spot, en vernederende bejegening moedig het hoofd durft bieden, behoeft hel slechts te wenschen, en vroeg of Iaat zal hij of zij den toon geven.quot;

»Van al de veranderingen, die ik hoogst waarschijnlijk, bij mijn terugkomst, hier vinden zal, houd ik mij nochtans van de onveranderlijkheid van één ding overtuigd; ook dan nog zal niemand liet wagen, zelf te denken. Het grootste gebrek in elk individu is zijn gebrek aan eigen oordeel. Wie, bij voorbeeld, beoordeelt een schilderij naar zijn eigen kennis van de schilderkunst? Wie wacht niet, tot sir * * * of lord * * * (een van de zes of zeven geprivilegeerde kenners) zich daarover verklaard en zijn meening geuit hebbe? Ja, niet alleen hangt het lot van een enkel schilderstuk, maar het lot eener gansche schilderschool van de luim van dezen of genen willekeurigen dictator af. De koning of de hertog * \' * behoeft zich slechts voor de Nederlandsche school te verklaren en met de Italiaan-sche te spotten, aldra zal een Raphael geen kooper vinden, en een Teniers tegen goud opgewogen worden. Nederlandsche tafereelen uit het gemeene volksleven worden gretig, met geestdrift gezocht; de onaangenaamste, om niet te zeggen, de walgelijkste voorwerpen der natuur worden de meest geachte schatten der kunst, en wij wedijveren met elkander, om onzen kieschen, fijn geiouterden smaak doordoor te bewijzen, dat wij om die geschilderde liederlijkheden, door welke de smaak dermate vernederd wordt, als om het kostbaarste kleinood, als ware het, plukharen. Thans is het. God betere het! een stelregel bij ons geworden: hoe gemeener het voorwerp, hoe onfeilbaarder het fortuin maakt. In den schouwburg verdringen wij elkander, om laffe kluchten te zien linde schilderkunst bewonderen wij de Nederlandsche school, en —quot; 1)

\') AYat de schrijver hieromtrent de Nederlandsche school aanmerkt, is hem gaarne geschonken. Wie onbevooroordeeld redeneert, kent Teniers evenzeer, als

-ocr page 194-

188

sTn de literatuur?quot; vroeg Saville.

sNeen! onze literatuur ademt nog steeds iets edels.— Maar waarom? — Omdat de weinigen, die over de boeken, bij hun verschijnen oordeelen, geen aristokraten zijn. Een boek vraagt, om fortuin te maken, niet zoo zeer, even als een schilderij of een baljet. naar het oordeel van den heer Saville of lady Erpingham.

»[leel waar! Zelfs in onzen godsdienst ontdek ik deze nei-ginquot;\' naar het kleingeestige. Door welke middelen tracht de meest geliefde prediker met het beste gevolg op zijn toehoorders te werken? Spreekt hij ooit over het genot, dat een goede daad ons schenkt? Gewaagt hij ooit van het hoo e loon eener zelfopoffering? — Met één woord,quot; voegde Saville er bij, niet zonder te blozen, dat men hem op zulk een on-■willekeurige nidrukking betrapte — ))met één woord,

hij zich aan de heerlijke Romeinsche beweeggronden, die bi] de voortreffelijke Romeinsche karakters van zulk een groot gewicht zijn1? Neen, helaas! neen! Hij verheft het gemoed niet, hij drukt het ter neer: hij bemoedigt ons niet, maar dreigt ons met het helsche vuur: door verschrikkingen dwingt hij ons tot deugd, en den weg ten hemel bezaait hi] met doornen en distelen. Naarmate nu een leeraar van den godsdienst deze middelen meer bezigt, naar diezelfde mate, wordt hij bij ons ook meer gezocht. Intusschen komt het mij voor, \'dat alleen gemeene, alledaagsche wezens hoofdzakelijk door vrees geregeerd moeten worden; en wanneer ik zie, hoe gaarne wij ons laten beangstigen en verschrikken, dan geloot ik waarlijk niet, dat wij rechtmatige aanspraak op uitzondering van den regel kunnen maken.quot;

»Reeds bij onze opvoeding,quot; zeide Constance, »is vrees het voornaamste middel van bedwang.quot;

»Juist! Dan is het: miss! dat zal ik aan uw mama zeggen; dan weêr; als gij dat weer doet, jonge heer! zal ik u een duchtig pak slaag geven.quot;

sHoe kan het dan missen, dat wij, welk een groote natie wij ook zijn mogen, inderdaad slechts kleine rnenschen zijn .

«Ja, hoe kan dat missen!quot; herhaalde Saville, terwijl hij zich onmiddelijk daarop naar een speeltafel begaf, om aan de afgesproken plundering van een jongen bankier deel te nemen, die er trotsch op was, dat lieden van rang hem de eer aandeden, hem te bedriegen. , In een andere kamer vond Constance een zekeren bejaar-

Raphaël, hooge verdiensten toe, ieder, namelijk, in zijn senre. Zcm een bekwaam acteur in het blijspel minder aanspraak op onzen lof hebben, clan een even bekwaam acteur in het treurspel? Kunnen beiden met even groot zijn, ieder in zijn genre?

-ocr page 195-

189

den filozoof, dien ik David Mandeville zal noemen. In dezen man lag iets, wat steeds ieder betooverde, die verstand genoeg had, om met het mikrokosmische van onze gezellige verkeering ontevreden te zijn. De uitdrukking van zijn gelaat onderscheidde zich geheel van die van anderen. Dat gelaat teekende goedheid, en zijn haog voorhoofd diepdenkendheid. Terstond kon men het hem aanzien, dat hij niet met nietsbe-duidende wezens verkeerde, noch zich met nietsbeduidende dingen bemoeide. Uit zijn oogen straalde opgeruimdheid, maar het was de opgeruimdheid van den waren wijze.

sSpijt het u niet,quot; zeide Mandeville, »dat gij Engeland gaat verlaten? Gij, die u tot het middenpunt van een koning hebt gemaakt, die met opzicht tot zijn bonte, schitlerende verscheidenheid, misschien nooit zijns gelijken in dit land heeft gehad? Rijkdom — rang — vernuft zelfs, kunnen anderen rondom zich verzamelen; maar nog nooit te voren heeft iemand al wat zicli door kunst of wetenschap beroemd heeft gemaakt, al wat in de politiek vermaard is, en (want wie buiten u vreesde hier geen mededinging!) zelfs door schoonheid uitmuntte, in een enkel sterrenmeer vereenigd. Gemakkelijker zou ik liet voor ons geacht hebben, Armida te ontvluchten, dan voor Armida, dit tooneel barer too ver h eerschap [iij te verlaten; het tooneel, waarop mevrouw de Slael het bekoorlijke en bevallige van uw onderhoud gehuldigd, en lord Byron dat van uw persoon vereerd heeft,quot;

Men kan zich verbeelden, welk een betoovering Constance rondom zich verspreidde, daar het zelfs filozofen (en Mandeville wel boven alle andere) had leeren vleien, maar Mandeville\'s vleierij was oprechtheid.

»Ach!quot; zeide Constance zuchtende, szelfs wanneer uw kompli-ment volkomen waarheid beval te, hebt gij echter nog niets genoemd, wat mij een offer zou kosten. IJdelheid is wel een der bronnen van het geluk, maar zij is geenszins voldoende, om mij voor het verlies van al de overige schadeloos te stellen. Met Engeland verlaat ik liet tooneel van eeuwige vermoeiing; ik bezwijk onder den druk van de doodende eentonigheid en zie met een brandend verlangen naar weldadige afwisseling uit.quot;

sGij ongelukkige!quot; zeide de oude filozoof, terwijl hij smartelijk naar haar opzag — gij, die, in den vollen glans van het geluk, toch meer gevoel voor het verdorde rozenblad, dan voor het gemak van de donsen legerstede, hebt. Waarheen gij u ook begeeft, zal de gezellige verkeering der groote wereld u dezelfde eentonigheid opleveren. Overal is het als ten onzent. De mannen hebben afwisseling in hun leven, maar voor de vrouwen van uwen stand is ieder tooneel volmaakt hetzelfde. Gij moet het doel waarlijk niet buiten u zoeken, maar u

-ocr page 196-

190

zelve en doel stellen. Om gelukkig te zijn, moeten wij ons j van anderen onafhankelijk maken.quot;

»Even als alle andere filozofen, raadt gij mij hel onmogelijke aan.quot;

»Hoe zoo? Hebben de meeste van uwe sekse niet haar doel\'? Sommige het welzijn harer kinderen, andere het belang harer echtgenooten ; een derde bevlijtigt zich op spaarzaamheid; haar vriendin houdt zich steeds bezig met voor haar gezondheid te zorgen: haar geeft de hypochondrie een doel aan de hand. Zij is inderdaad gelukkig, dat zij zich als ziek beschouwt. Ieder heeft zijn levensdoel, dat hem tegen verveling hoedt; gij alleen hebt er geen.quot;

»Ook ik heb een doel,quot; zeide Constance glimlachende, «maar het vult al mijn tijd niet aan. De tusschenbedrijven zijn veel langer dan de bedrijven zelve.quot;

»Is uw doel godsdienstig ?quot; vroeg Mandaville zeer be-1 daard.

Constance was getroffen; die vraag was nieuw. — »Ik vrees 1 neen!quot; antwoordde zij na eenig dralen, terwijl zij voor zich neer zag.

»Dat dacht ik niet! maar hoor mij! De oorzaak, waarom gij u meer vermoeid, ja afgemat gevoelt, dan zeer vele van 1 uwe dagelijksche bekenden, ligt daarin, dat uw geest een grootere speelruimte behoeft. Wezens van den gewonen, kleinen stempel vinden lichtelijk bezigheid: elke beuzeling verschaft hun onderhoud. Maar een verheven gemoed streeft naar dingen die buiten het dagelijksche bereik zijn. Beuzelingen houden hem slechts werktuigelijk bezig, terwijl zijn gedachten rusteloos voorwaarts snellen. Dit is het geval met u. Uw geest verteert u. Gij zoudt gelukkig geweest zijn, bijaldien gij u niol op zulk een hoog standpunt bevondt; (Constance beefde: zij dacht aan Godolphin) want dan zoudt gij eerzuchtig zijn geweest en naar den rang gestreefd hebben, waarvan gij thans een afkeer hebt. Ik houd deze afscheidingen en beperkingen in de gezellige verkeering voor even zoo ongelukkig, als on-1 natuurlijk. Terwijl de hoogere standen, als ware het, een bolwerk tegen het geluk der lagere standen vormen, gevoelen zij zich zelve toch niet gelukkig. Te recht declameeren de | dichters over de blinkende ellende der koningen of dergroo-ten dezer aarde; maar ten onrechte verheffen zij niet zelden hemelhoog het geluk van den landman. Beide uitersten raken elkander aan. Veel gelukkiger zou de wereld zijn, als zij slechts uit ééne groote middenklasse bestond. Naar dit doel hebben wij filozofen steeds gestreefd, en dit doel zal zeer zeker eenmaal bereikt worden.quot;

Constance juichte deze gezindheid, die zoo geheel met hare geheimste wenschen overeenstemde en ze zoo volkomen rechl-

-ocr page 197-

191

vaardigde, in haar hart too, doch sprak geen enkel woord: Mandeville vervolgde:

«Bovenal is de tegenwoordige toestand der vrouwen ongelukkig te noemen. Zij hebben een grooten invloed op de wereld, en nochtans zijn zij van alle openbare zaken uitgesloten. Zij zijn de gevangenen en tevens de willekeurige beheerscheressen der maatschappij. Bezitten zij talenten, het betaamt niet, ze openlijk^ ten toon te spreiden. En daar het talent niet onderdrukt kan worden, wordt het in het huiselijke leven verkeerd gewijzigd. Zij streven naar de heerschappij in haar eigene beperkte kringen, en het genie ontaardt in sluwheid. Van de wieg af tot veinzen gevormd, zijn haar schoonste, bevalligste manieren, haar heerlijkste grondbeginselen steeds met valschheid omboord. Even als haar talenten, van hun vleugelen beroofd, langs den grond kruipen en zijn stof en slijk moeten aannemen, evenzoo worden ook hare neigingen telkens gestremd en binnen conven-tioneele perken gedrongen, terwijl een zelfstandig gevoel als een zware misdaad gestraft wordt. Men maakt haar niet met gezonde, bruikbare levensregelen bekend: al wat zij van de zedekunde vernemen, bepaalt zich tot zekere vormen, en vooral tot heigeen men, dikwerf zeer ten onrechte, welvoegelijk noemt. Zoo worden zij geheel buiten staat gesteld, om de deugden of gebreken van een zoon of broeder in het openbare leven te leeren kennen, en eene der redenen, waarom wij geen Brut assen meer hebben, is dat zij geen Porei hebben.quot;

»Gij zijt streng!quot;

»Tegen wien? De mannen maken de vrouwen tot hetgeen zij zijn. Goede hemel! Als ik in haar zoo menige edele kiem zoo menige sluimerende liefde, zoo menigen schoonen karaktertrek opmerk, en als ik dan zie, hoe door de verdorvenheid der gezellige verkeering dezelfde voortreffelijke eigenschappen niet zelden zoo hoogst gevaarlijk voor haar bezitsters worden, dan kan ik het niet genoeg beklagen, dat de vrouwen, in plaats van haar boeien geduldig te dragen, zich niet vereenigen, om zich in vrijheid te stellen. Evenzoo smart het mij, dat zij niet, in plaats van over deugd en ingetogenheid te wawelen, kortweg vragen, waarom men het bij haar voor gevaarlijk houdt, dat zij haar verstand beschaven en van haar talenten gebruik maken? waarom zij slechts, voor zoo verre zij haar vernuft breidelen en verbergen, veilig voor spot en smaad zijn? Turkije heeft zijn serail voor het lichaam; Europa heeft ook zijn serail voor de ziel.quot;

Constance glimlachte om den ijver van den filozoof; maar zij was een vrouw en gevoelde zich bewogen.

«Misschien,quot; zeide zij, »zal, met den gang van den tijd en der gebeurtenissen, de toestand der vrouwen, even als die der mannen, verbeterd worden.quot;

-ocr page 198-

192

»In het toekomende buiten allen twijtel. En geloof mij, lady Erpingham! — trouwens, gij weet het evengoed als ik: geen wetgevende hervorming alleen kan de menschen veibe-teren. De maatschappelijke toestand behoeft een revolutie. »Wie durft het wagen deze te prediken?quot;

»De eerste diepe denker, die, zonder den triomf van eenige partij te bedoelen, den moed zal hebben, om de waarheid geheel te doen hooren.quot;

«Maar gij vraagdet mij flusjes, of het doel van mijn streven godsdienst was. Mijn antwoord stelde u in uwe verwachting te leur, ofschoon het u niet verraste.quot;

«Dat is zoo: het deerde mij, dewijl in uwen toestand de godsdienst alleen het treurig ledige van uw tijd zou aangevuld hebben; want met uw beschaafden, veel omvattenden geest zoudt gij de grootste der wereldsche vragen niet uit een bekrompen, door sectengeest beneveld gezichtpunt hebben beschouwd. Gij zoudt den godsdienst niet in het willekeurig prevelen van zekere, van oudsher daartoe gebezigde woorden, in een kerk of kapel, in een schijnheilig voorkomen, in een pronkende weldadigheid, in een vinnig beoordeelen van al wat met uwe moening en gevoelens niet overeenstenide, gezocht hebben: gij zoudt in den godsdienst een voortreffelijk volkomen

harmonisch systeem van zedeleer hebben gezien, dat van het

ceremoniëele slechts zoo veel ontleent, als noodig is, om diepeien indruk te maken. Evenwel kan een echte, zuivere godsdienst de vormen geheel en al ontberen; want de vormen zij.i het. die den menschen de eerste aanleiding gaven, om met den godsdienst te spotten. De waarheid behoelt tot verhooging van haar schoonheid geen priesterlijk sieraad. Het ceremoniëele, dat de godsdienst wilde ondersteunen, heeft haar bedrogen, het is de Judas, die den Heiland met een kus verraden heeft. Maar werp vrij dit nietsbeduidende rituaal weg, dat slechts door menschelijke list is samengesteld ; en hoe glorierijk straalt ons dan de godsdienst tegen! Wij vinden de zedeleer, gesterkt in haar aardsche motieven en gekroond met een bemelsche hoop. Hier hebben wij een voorwerp, dat onzer ^ edelste krachten alleszins waardig is. Letterkunde, wetenschappen, kunsten zijn slechts de dienaressen des hemels. Al vat onze krachten uitbreidt, maakt ons geschikter, om der menschheid

van nut te zijn: in elke daad, ten voordeele van demenschheiu verricht, ziet gij het, ware ceremonieel, dat Gode welbehagehjk

is. Hier hebben wij geen tijd voor verveling, hier kent men geen eentonigheid. Wat toch is zoo menigvoudig, als weldoen, \'wat. zoo werkzaam als de barmhartigheid\'? Hier verslapt, verflauwt zelfs de gedachte niet; want een verborgen eneigie wekt haar steeds op. Twee aandoeningen zijn genoegzaam, om zelfs het vadsigste temperament tegen stremming te be-

-ocr page 199-

193

waren: een verlangen en een hoop. — Wat moeten wij van het verlangen, om nuttig, wat van de hoop, onsterfelijk te zijn, zeggen ?quot;

Zulk een taal had Constance niet vaak gehoord, en zelfs in den mond van hem, die haar gevoerd had, vgt;\'as zij zeldzaam. Maar belangstelling in het lot en geluk van een wezen, in hetwelk hij zooveel bewonderenswaardigs zag, had in Mande-ville den v* ensch opgewekt, dat zij het een of ander grondbeginsel mocht aannemen, waaraan hij insgelijks zijn zegel zou kunnen hechten. En in den toon zijner stem lag een warmte, een oprechtheid, die lady Erpingham tot in het hart drong. Zwijgend drukte zij hem de hand. Later dacht zij nog over zijn woorden na; doch het aristokratische leven is voor een duurzamen indruk, met uitzondering van dien der ijdelheid, niet zeer vatbaar. De godsdienst heeft twee bronnen: de gewoonte der jeugd of de gedachte aan de toekomst. Maar het voordeel der eerste was Constance niet bescheiden, en hoe kon de intrigueerende vrouw van deze wereld zich met diepe gedachten aan een andere wereld bezig houden?

Dit is de eenige maal, dat Mandeville in dit boek optreedt; de lezer zal hem uit dit gesprek met lady Erpingham reeds genoeg hebben leeren kennen; zijn denkbeelden en begrippen waren die van echt godsdienstige wijsheid, die echter in de wezenlijke wereld doorgaans luttel fortuin maken.

«Apropos,quot; zeide Saville, die, in het heengaan, Constance aan de deur ontmoette en haar nogmaals vaarwel zeide. «Apropos, hoogstwaarschijnlijk zult gij hier of daar in Italië mijn ouden, jeudigen vriend, Percy Godolphin, aantreffen. Het heeft hem niet behaagd, ir;ij zijn verblijfplaats te berichten, maar ik hóór, dat men hem in Napels heeft gezien.quot;

Constance bloosde, haar hart klopte hevig; maar zij antwoordde op een onverschilligen toon en verwijderde zich.

Den volgenden morgen vertrokken zij naar Italië. Maar welke veranderingen veibeidden Constance binnen een enkele week!

13

-ocr page 200-

XXXIV.

De eerzucht verdedigd. — De woniiif/ van Godolphin en Lucilla. — Lncilla\'s gedragingen. — Invloed eetier gelukkige liefde np het talent eener vrouw. — De avond van het afscheid. — Lucilla in eenzaamheid. — Beproeving van een vrouwelijke liefde.

Hoe is zij toch zoo mishandeld, gelasterd gewoi\'den, die drift, die meer een drift der ziel, dan van het hart is, die door den pseudo-moralist gehaat, door den waren filozoof met een vriendelijk, ofschoon ook kritisch oog beschouwt wordt — de verheven, edelmoedige eerzucht. Dwazen mogen u smaden, dewijl gij, even gelijk al, wat zich boven het alledaagsche, gemeene verheft, misbruikt kunt worden. De storm ontwortelt eiken, maar voor eiken eik, dien hij ontwortelt, strooit hij duizende akers rond. Ixion omhelsde een wolk, maar uit die omhelzing kwam een held voort. Ook gij hebt uwe donderslagen, maar zonder u zou het leven ondragelijk vervelend, ja ophouden leven te.zijn, ook gij jaagt naar droombeelden; maar zelfs zij hebben iets goddelijks in hunne scheppingen.

Het was het grootste, het meest heerschende ongeluk in Godolphins leven, dat hij zich reeds vroeg overreed had dat hij boven ieder streven verheven was. Zijn talenten verkwijnden dus bij hem, en in plaats van een krachtvollsn, kloek handelenden wereldburger, werd hij aldra een vadsig, zinnelijk mensch, en vervolgens een eenzame droomer. Hij beschouwde den gang der wereldsche zaken geenszins zooals een man van gezond verstand behoort te doen. Uit deze zwakheid ontleenen wij echter een stelling, die evenwel daarom geen meerdere waarde heeft, dat zij met de gewone phraseologie van zulken in tegenspraak staat, die aan de daad de drijfveer

-ocr page 201-

195

trachten te ontnemen: menschen van genie, die tevens geen eerzucht bezitten, zijn of humoristen, of hypochondristen, of geestdrijvers.

Aan den oever van een van Italië\'s meren hadden Godolphin en Lucilla hun woning gevestigd. Hier verbeeldde de jonge idealist zich een tijd lang wezenlijk gelukkig. Nooit te voren met zulk een geestdrift, als thans, voor de natuur en haar schoonheden bezield, wijdde hij zich geheel aan het betooveren-de van het paradijs, dat hem omringde, üe uren van den langen zomerdag bracht hij door aan het spiegelgladde meer, of onder de lommerrijke boomen, waarmee liet omzoomd was. De gebeurtenissen, die hij beleefd had, leverden hem genoegzame stof tot bedaard nadenken, en voor de eerste maal in zijn leven vermoeide hem het, eenvormige van het denken niet.

Wendde hij zijn schreden huiswaarts, dan verbeidde hem daar reeds met een zoet verlangen de bezorgde Lucilla; hij zijn binnentreden fonkelden hare oogen: zij juichte van vreugde, en Godolphin, wien haar verrukking ontroerde, werd steeds begeeriger, om daaraan te beantwoorden. Hij gevoelde den magneet van een eigen haard; en desniettegenstaande besefte hij. toen de eerste opwelling van den hartstocht voorbij was, zeer wel, dat Lucilla, in allen geval, geen gade voor hem kon zijn. Hare verbeelding was, ja, alleszins levendig en haar begripsvermogen ongemeen snel; maar de ervaring had haar begrippen zeer eng beperkt. Zij bezat niets dan liefde en een onregelmatig temperament, dat op zijn best tot onderhoud aanleiding kon geven. Zulke lieden, aan wie het ontzegd was door hun opvoeding leering uit zaken te trekken, bezitten, over het algemeen, het vermogen, om uit persoonlijkheden onderhoud te scheppen: zij spreken over de belachelijkheid van den heer N * * *, of over de lafheid van den heer X * * * . Doch Godolphin en Lucilla zagen geen gezelschap, en dus bepaalde hun gezellig onderhoud zich slechts tot hun inwendige hulpbronnen.

Daarenboven was bet een eigenaardigheid van Godolphin, dat hij steeds naar ideeën overhelde, die zelfs voor personen van een fijner beschaafden geest veel te fijn en ook te luchtig zouden geweest zijn. Kon Constance Godolphins karakter niet volkomen begrijpen, voor Lucilla moest het dan zeker een ondoordringbaar geheim zijn. Dit verhoogde misschien hare liefde; maar de bewustheid daarvan ondermijnde de zijne. Hij gevoelde, dal hetgeen hij voor het edelste van zijne hoedanigheden hield, niet naar waarde geschat werd. Somwijlen was hjj heel boos op Lucilla, dat zij slechts die eigenschappen van zi]n karakter beminde, welke hij met de overige menschheid gemeen had. Zijn bespiegelende Hamiets natuur (wij nemen hier

13s

-ocr page 202-

196

den Hamlet volgens Goethe\'s teekening en verbinden met de schoone karaktertrekken van den koninklijken droomei een zekere zwakheid) ontvlood bestendig de stoffelijke wereld en zweefde reeds opwaarts naar hoogere sferen, waar hij zich echter met enkel droombeelden verlustigde. Het tegenwoordige wist hij niet te waardeeren. Had Godolphin Lucilla bemind, zooals hij meende haar te moeten beminnen, dan zouden de schoonheden van haar karakter hem voor de gebreken daarin verblind hebben; maar zijn hartstocht was te overijld, om yastgeworteld te kunnen zijn. Die hartstocht was, namelijk, uit de overtuiging van hare liefde voor hem ontstaan, geenszins van lieverlede nit zijn eigen neiging voor haar voortgekomen. In het tijdsverloop tusschen behagen en bezitten moet de liefde, als zij duurzaam zal zijn, nog verscheiden fazen doorloopen: de twijfel, de vrees, de eerste handdruk, de eerste kus, dit alles moet een tijdvak kenmerken, waaraan de herinnering zich hecht. In het oogenblik van betere verkoeling of verwijdering moet de van het tegenwoordige verzadigde geest tot de duizend liefelijke en verfrisschende beelden van het verledene zijn toevlucht kunnen nemen, en door deze beelden verjongt de liefde weder. Van welke menigte aangename bespiegelingen, van welk een zoete betoovering berooft de liefde zich niet, waarvan de herinnering reeds met het bezit een aanvang neemt.

In weerwil van haar schoonheid en woeste teederheid lag er in Lucilla\'s karakter nog iets, wat, behalve haar gebrek aan beschaving, niet geheel bij de ideeën van het wezen paste, dat Godolphins verbeelding zich geschapen had. Zijn stille, diepe natuur verlangde iemand, aan wie hij zich niet alleen vertrouwen, maar bij wien hij ook rust kon vinden. Vandaar bestond de voornaamste bekoorlijkheid, die hem tot Constance getrokken had, in haar zich steeds gelijk blijvend helder temperament; terwijl Lucilla\'s geest steeds in een flikkerende, voor hem vermoeiende beweging was. Onophoudelijk wisselden tranen en lachen elkander, als ware het jagende, af. Dewijl zij zijn karakter niet begreep, maar slechts altijd aan hem dacht, kwelde zij zich met allerlei vermoedens en argwaan, welke hare ongeveinsdheid en hartstochtelijkheid haar beletten te verhelen. Als zij hem uren lang aanschouwd had, begon zij te weenen, omdat hij zich niet van zijn boeken en droome-rijen losrukte, om met even zulke teedere en verlangende oogen haar te aanschouwen. Vol vrees gedurende zijn afwezigheid, vol onverdeelde liefde in zijn tegenwoordigheid, was zij inderdaad ongelukkig, omdat hij die gevoelens niet met eene gelijke innigheid beantwoordde. Van de liefde begreep zij volstrekt niets anders, dan hetgeen zij zelve gevoelde: zij zag iederen dag, ieder uur, dat hij in die liefde niet overeen-

-ocr page 203-

197

stemde, en uit dien hoofde verbitterde zij zich het leven met het denkbeeld, dat hij hare neiging niet met haar deelde,

»Gij doet ons beiden ongelijk aan,quot; antwoordde hij op hare van tranen zware klachten — sons geslacht bemint op geheel andere wijs dan het uwe.quot;

»Ach!quot; hernam zij— sik gevoel, dat de liefde geen onderscheid kent: er is slechts ééne liefde; maar zeer waarschijnlijk zullen er zeer vele vervalschingen zijn.quot;

Godolphin glimlachte, omdat de onbeschaafde dochter der natuur onwetend de schitterende spreuk van een der knapste maximensmeden 1) gebezigd had. Lucilla zag zijn glimlachen, en terstond vloten hare tranen.

»Gij spot nog met mij 1quot;

«Gij zijt een zottinetje!quot; zeide Godolphin op minzamen toon en kuste den slorm weg.

En dit was steeds niet zeer moeielijk; want in Lucilla\'s opbruising lag niels onvrouwelijks, niets eigenzinnigs; een goed woord, een liefkozing deed haar terstond bedaren en de voorbijgaande smart in hartelijke vreugde overgaan. Maar hij, die weel, hoe lastig de eeuwige moeite van verzoenen voor een steeds afgetrokken, peinzenden menscb als Godolphin, zijn moest, zal licht begrijpen hoe hinderlijk hem zelfs haar teederheid was.

In het oog vallend is het, hoe bij vrouwen, als zij eenmaal het doel haars levens bereikt hebben, de richting van haar geest plotseling een stilstand ondergaat. Vandaar zien wij zoo velen, die vóór haar huwelijk door de rijke, steeds vleiende bron barer talenten onze bewondering hebben opgewekt, daarna bloote werktuigen worden. Wij kunnen het ons bijna niet vergeven, dat wij, bij onze verwondering en vereering dier talenten, de scherpte van een verstand gevreesd hebben, dat thans geheel binnen de enge grenzen van huis en haard schijnt beperkt te zijn. Zóó ging hef der arme Lucilla: haar vurige rustelooze geest had te voren ieder voorwerp, dat zich onder haar bereik bevond, aangegrepen: zij had zich zelve in de muziek onderwezen: zij had teekenen en schilderen geleerd: geen boek las zij, zouder zich daaruit met het een of ander nieuw idee te verrijken. Maar zij was thans bij Godolohin, en haar gedachten zochten geen andere bezigheid meer; zij Wenschte niets meer dan zijn liefde, en verlangde niets anders te doorgronden dan zijn karakter. Hij was de kring barer hoop, het middenpunt van haar hart: alle lijnen waren voor dat liart dezelfde, zoo zij het slechts aanraakten. Intusschen is het wel te begrijpen, dat deze innige, geheel onverdeelde liefde haar desniettemin ten eenemale, ongeschikt maakte, om

\') Larochelbucauld.

-ocr page 204-

198

zijn levensgezellin te zijn. Zij trachtte hem te bestudeeren, niet te volmaken, en zoo lag juist in die liefde een reden, waarom zij niet kon beantwoord worden.

Maar Godolphin gevoelde de verantwoordelijkheid, die hij op zich had genomen. Hij gevoelde, dat het gansche geluk van dit arme verlaten kind — want een kind was zij in karakter en bijna nog in jaren — geheel van hem afhing. Hij richtte zich derhalve uit zijn gewoon egoïsme op en liet zich zelden of nooit door de korzelige luimen wegslepen, die haar onbewust, maar onophoudelijk krenkten. Het liefelijke klimaat, de heldere lucht, de majestueuze kalmte, die op het heerlijke oord rondom hun woning ruste, droeg niet weinig bij, om zijn gemoed aanmerkelijk te verzachten. Nu en dan hield hij zich ook bezig met een of ander dichtstuk te vervaardigen. Ook had hij Lucilla zoo ver gebracht, dat zij zich aan een korte afwezigheid van zijn persoon van tijd tot tijd begon te gewennen. Somwijlen bevond hij zich twee of drie weken te Rome, somwijlen te Napels of Florence. Hij wist te wel, hoe noodig dergelijke verwijderingen voor de duurzaamheid der liefde en voor de verhindering der verzadiging zijn, welke ons met het gewnonteleven bekruipt, dan dat hij niet stellig zou besloten hebben, ze door te zetten, ofschoon hij steeds een dringende bezigheid voorwendde — een voorwendsel, waartegen Lucilla niets vermocht in te brengen, daar het enkele woord in hare ooren reeds als een vaste bepaling klonk, als een wilsverklaring, waaraan men, hoe onaangenaam, ja, smartelijk zij ook ware, onvoorwaardelijk moest gehoorzamen. In het eerst was zij reeds troosteloos, wanneer hij slechts twee dagen uitbleef; maar toen zij zag, met welk een gloed haar geliefde terugkeerde, met welken frisschen lust hij naar hare woorden, haar gezang luisterde, dan begon zij zich zelve te bekennen, dat zelfs het kwade iets goeds kon bevatten.

Van lieverlede gewende hij haar aan langere ontbering, en Lucilla verkortte den treurtijd door duizend kleine plannen en verrassingen te vormen, waarmee de vrouwen een geliefden reiziger zoo gaarne bij zijn terugkomst ontvangen. Zijn afreis gaf het sein tot deze of gene verandering in den luin, in het huis, in de prieeltjes; en wanneer zij deze bezigheden moede was, restten haar nog steeds zijn brieven en het genoegen, om hem te schrijven. Het was een dagelijksche roes; want de woorden eens mans zijn veel liefderijker in geschrift dan op de tong. Tol geluk voor Lucilla hadden haar vroegere gewoonten en haar zonderlinge stemming haar voor gezellige verkeering onverschillig gemaakt en met de eenzaamheid bevriend.

Dikwerf zeide Godolpin, die niet begreep, hoe men zonder een beschaafde opvoeding in staat was, om zich zeiven genoegzaam gezellig onderhoud te verschaffen, vol medelijden met

-ocr page 205-

199

haar afgezonderd leven; smaar Lucilla, hoe hebt hij toch den langen dag doorgebracht, terwijl ik in het bosch of langs bet meer wandelde?quot; — En dan spoedde Lucilla zich, ten toppunt van vreugde, dat zij hem de geschiedenis van ieder uur verhalen kon, om hem ieder voorval, iedere gedachte, die baar ingevallen was, met een gewichtige en ernstige breedvoerigheid te beschrijven, die voldingend bewees, dat zij waarlijk de wereld niet behoefde, om in haar eenzaamheid niet eenzaam te zijn.

Op deze wijze brachten zij ruim twee jaren door, en desniettegenstaande waren die misschien de gelukkigste van Godolpbins leven, jaren, die ten minste het ideaal zijner verbeelding te leur hadden gesteld. Lucilla had een dochter gebaard, die echter weinige weken na de geboorte gestorven was. Zij beweende het geknakte knopje, doch was niet ontroostbaar; want reeds vóór dat verlies had zij zich in het geloof gesterkt, dat geen ongeluk op deze wereld onherstelbaar was, zoo het slechts niet Godolphin betrof. Misschien was Godolpbins droefheid dieper; want mannen van zijne soort slaan het langzamerhand ontkiemen der vermogens van een intellectueel wezen gaarne gade, en wenschen hun opvoedingsdroomen even gaarne fe verwezenlijken en in praktijk te brengen. Gelukkig kind, gij zijt der verleiding ontgaan!

Het was des avonds vóór een dier kortstondige uitstapjes van onzen Godolphin, die ditmaal naar Rome wilde gaan. Hij had tot het ondergaan der zon langs het meer gewandeld, en ongeduldig was Lucilla hem te gemoet gegaan. De dag was zoel geweest, en nu lag een doodsche stilte op den vallenden avond. De dennen, sombere kinderen des wouds, die iets zwaarmoedigs, somwijlen iets strengs op een schitterend schoon Italiaansch landschap werpen, smachtten in de onbewegelijke lucht. Toen zij den oever van het meer bereikte, sluimerden zijn golven insgelijks somber en zwijgend : de branding alleen, die tegen de steenen klotste, gaf een zachten, treu-rigen toon, en nu en dan drong ook door het dichte kreupelhout een kort, maar scherp geluid van een zich verlaat hebbenden vogel; doch dan werd alles ook weder ééne ademlooze stilte.

Er was daar een plaats, waar de boomen ringvormig teruggeweken waren en eenige kale, ongemeen groote massa\'s steenen van groen ongedekt gelaten hadden. Het was de eenige plek gronds in dit rijk getooide, welige landschap, die met zijn zacht karakter in geen harmonie stond; zij geleek een sombere, troostelooze gedachte op een weg van vreugde en genoegen. Op deze plek stond Godolphin tbans alleen en zag op het stille water voor hem neder. Met vlugge schreden beklauterde Lucilla de ruwe steenen, tikte hem op den schouder en verweet hem met een teederen moedwil zijn lang wegblijven.

-ocr page 206-

200

»Lucilla,quot; zeide hij, toen de vrede weer gesloten was, — ))welk een indruk maakt deze sombere, profetische kalmte vóór het uitbarsten van den storm op u? Boezemt zij u droefheid, nadenken of vrees in?quot;

sik zie mijne sterquot; — antwoordde Lucilla, op een verre, eenzame ster wijzende, die, als een eiland, in een wolkenzee zwom, welke zwart en langzaam kwam aangolven — »Ik zie mijne ster, en ik denk meer aan dat kleine licht, dan aan den nacht, die mij omgeeft.quot;

«Maar die ster zal aldra onder de wolken begraven zijn,quot; zeide Godolphin, terwijl hij over het bijgeloof glimlachte, dat Lucilla van haar vader overgeërfd had.

»De wolken trekken voorbij, en de sterren blijven.quot;

»Gij zijt vrij opgeruimd, mijn Lucilla.quot;

Lucilla zuchtte.

»Waarom zucht gij, lieve?quot;

»Omdat ik met leedwezen zie, dat zelfs zij, die ons\'t meeste beminnen, ons \'t minste kennen. Nooit quot;preek ik van mijn kommer, van mijn zorgen Er zijn tijden, waarin gij waarlijk niet zoudt gelooven, dat ik mij te licht aan de hoop overgeef.quot;

»En wat hebt gij dan toch te vreezen?quot;

»Hebt gij het nooit voor mogelijk gehouden, dat gij mij eens minder zoudt kunnen beminnen?quot;

»Neen !quot;

Lucilla sloeg haar vorschend, donker oog naar hem op en zag hem scherp in het gezicht; maar in zijn kalme gelaatstrekken, op zijn effen voorhoofd was niets te lezen, noch iets gunstigs, noch iets ongunstigs. Zij wendde zich van hem af.

»Ik kan niet gelooven, Lueilla dat gij uwe gedachten, hoezeer zij ook rondzwerven, ooit op de toekomst vestigt. Hebt gij u wel ooit met uw gedachten in de ruimte van tien of twintig Jaren gewaagd?quot;

»Neen. Maar een enkel jaar kan de geschiedenis mijner gansche toekomst bevatten.quot;

Terwijl zij nog sprak, pakten de wolken zich rondcm de ster opeen, waarop Lucilla gewezen had. De storm naderde ; zij voelden zijn nabijheid en keerden naar hun woning terug.

Er ligt iets ongewoon ontzettends in de stormen, welke deze zachte, liefelijke luchtstreek bezoeken. De zeldzaamheid van zulke veranderingen in het temperament der natuur schokt ons als een profetische stem van het noodlot. Het is als een plotselinge ramp midden in geluk, als een door de hand der liefde toegebrachte wond. Wij hebben geen kracht genoeg, om den onverhoedschen slag te weerstaan.

Toen zij de woning bereikten, vielen er reeds zware regendroppels. Zij bleven een oogenblik voor het venster staan en

-ocr page 207-

201

beschouwden het flikkeren van den bliksem, die over het meer heen schoot. Lucilla, door den invloed der natuur steeds zonderling aangedaan, klemde zich bleek en bevende aan Godoiphin; doch zelfs in de vrees kenteekende zich de verrukking, dat zij hem zoo nabij was, in wiens liefde alleen zij de bescherming meende Ie kunnen vinden. O, welk een gevoel is eener vrouw zoo dierbaar, als het gevoel harer afhankelijkheid! Arme Lucilla! Het was de laatste avond, dien zij met hem doorbracht, aan wien zij met haar gansche ziel hing.

Godoiphin bleef langer slaan dan Lucilla: toen hij haar kamer binnentrad, was de storm bedaard, en hij vond haar aan het open vensier, waar zij den thans helderen, blauwen hemel aanstaarde. In de verte kabbelden in de diepe stilte van den middernacht de golfjes van het meer en kaatsten het schijnsel der sterren terug: op den achtergond verhief een bergketen haar blauwe toppen tot het firmament, en over een der hoogste bergen zweefde de opkomende maan en wierp haar zilveren licht op de dennen en gedeeltelijk ook op het dieper liggende meer.

Godoiphin naderde met zachte schreden. Er ligt is godsdienstigs in de rust der natuur: het is, alsof uit het adem-looze hart der dingen een gebed lot den Schepper van het heelal stroomt. Men gevoelt zich door zulk een verheven stilte, als ware het, bedwongen: zij verspreidt zich over onze eigen gewaarwordingen en gebiedt ons eerbied.

Beiden zagen zwijgend naar buiten, en gaven zich aan misschien geheel verschillende gedachten over. Eindelijk zeide Lucilla op een zachten toon: »zeg het mij oprecht, hebt gij wezenlijk geen vertrouwen in mijns vaders geloof? Zijn de sterren waarlijk stom? Is er geen waarheid in haar beweging, geen goud in haar glans?quot;

TiMijn Lucilla, rede en ervaring zeggen ons, dat de astrolo-glsten een droom voeden, die geene werkelijkheid heeft.quot;

»De rede? Goed! De ervaring? Dreef niet uws vaders doodelijke ziekte u op denzelfden tijd van hier, op welken mijn vader u uwe afreis en de aanleiding daartoe voorspelde? Ik was toen slechts een kind, maar desniettemin zal ik nimmer vergeten, hoe doodsbleek uwe wangen werden, toen mijn vader zijn voorspelling uitsprak.quot;

))Ook ik, Lucilla, was toen bijna nog een kind.quot;

»Maar de voorspelling werd door de toekomst bevestigd.quot;

»0 ja; maar hoeveel heeft Volkmann niet voorspeld, dat nooit gebeurd is? In de wezenlijke wetenschap bestaat geen twijfel, geen onzekerheid.quot;

»En mijn vader,quot; hernam Lucilla zonder op zijn aanmerking acht te geven — »zeide steeds, dat uw lol en liet mijne zich vereenigen zouden.quot;

-ocr page 208-

202

sEn de voorspelling bestemde u misschien tot haar vervulling. Gij zoudt mij ten laatste nooit bemind hebben, als uwe gedachten door de voorspelling tot mij, als ware het, heengedrongen waren.quot;

»Neen, ik dacht aan u, eer ik iets van de voorspeling

■wist.quot; . , 1 •

»Maar uw vader voorspelde mij teleurstelling en vele hindernissen in mijn liefde. Heeft hij geen ongelijk gehad? Bemin ik u niet?quot;

Lucilla wierp zich in de armen van haar geliefde en mompelde, toen zij hem kuste: »ach kon ik u gelukkig

maken!quot; t -n

Den volgenden dapj vertrok Godolphin naar Home. -Lucilla ■was, bij het afscheid nemen, veel neêrslachtiger dan de eerste maal, toen hij haar verliet. De winter naderde langzaam, en het weêr was koud en onaangenaam. Het jaar onderscheidde zich door buitengewone stormen en veel vochtigheid; en als de wind nu rondom hare — ach, nu eerst recht eenzame woning bulderde en de dikke regendroppels naar het onstni-mitre meer dreef, rilde zij van haar eigen akelige gedachten en sidderde voor de niet minder akelige, steeds langer wordende nachten. Voor de eerste maal, sedert zij met Godolphin leefde, trachtte zij, hoewel vruchteloos, in boeken troost en gezelligheid te vinden.

Haar woning bevatte een vrij talrijke en inderdaad uitgezochte verzameling van allerlei werken van smaak, maar geen dier werken kon haar thans meer boeien, de lectuur had voor haar volstrekt niets bekoorlijks meer; want handelde het boek niet over liefde, dan bezat het voor haar geen het minste belang; handelde het daarover, dan vond zij de beschrijving flauw en geheel valsch. Nog nooit heeft iemand de liefde zoo afgeschilderd, dat het een ander volkomen bevredigde: den een was het te weelderig, den ander te dor, een derden te gemeen: met één woord: de God heeft, even als de andere goden, zijns gelijken niet op aarde en elke golf, op welke de ster des hartstochts neérschijnt, breekt het licht in duizend onderscheiden stralen.

Toen zij, op zekeren dag, eenige, door Godolphin ter zijde gelegde boeken doorbladerde, en een hoopte te vinden, waarin hij deze of gene aanteekeningen of aanmerkingen geschreven had, stond zij niet weinig -verbaasd, toen zij daaronder verscheiden boekdeelen vond, die haren vader hadden toebehoord. Godolphin had ze na Volkmanns dood aangekocht en ze, als zoo vele relequieën van zijn zonderlingen vriend en als bewijzen der opzettelijke dwalingen van \'s menschen geest, zorgvuldig bewaard.

Slechts zeer weinige van deze werken kon Lucilla verstaan;

-ocr page 209-

203

want zij waren meest in andere talen geschreven, dan in de beide, welke zij sprak. Eenige echter, en daaronder handschriften van haar vader, die zeer net geschreven, en wonderlijk versierd waren (verscheidene der voornaamste werken van die wetenschap bestaan slechts in handschrift) poogde zij te ontcijferen, terwijl zij zich de tekenen en hieroglypen herinnerde, welke haar vader haar dikwijls verklaard had, als zij ze voor hem moest overschrijven. Nog steeds met een onwrikbaar geloof aan de macht der sterren behept, had het voor haar iets belangrijks, in deze geheimen te lezen. Haar vader, die misschien heimelijk hoop had gevoed, dat hij zijn naam aan de dankbaarheid van een toekomstigen hermes zou vermaken, had in zijn handschriften de hier en daar verstrooide theorieën van anderen en vele van zijn eigen stellingen in een bijzonder systeem gebracht. Met deze hield zij zich inzonderheid ijverig bezig; want zij waren eenvoudiger en bevattelijker, dan de verwarde en mystieke taal in de gedrukte boeken, en het verheugde haar, dat zij daar nieuwe gronden voor ban vereering van de sterren en hemelverschijnselen vond.

Trouwens, slechts zeer weinig tijd wijdde zij aan deze duistere navorschingen. Aan Godolphin te schrijven, van hem te hooren werd voor haar een steeds grootere behoefte, en haar brieven werden steeds langer en behelsden thans nog veel meer zelfs de kleinste kleinigheden, die tot hun liefde betrekking hadden, dan in de eerste dagen, toen die liefde bij haar ontkiemde.

— Wilt gij weten, of uwe vrouw u nog bemint, verlaat u dan toch vooral niet op haar woorden, op haar lachjes, als gij bij haar zijt; onderzoek haar brieven, als zij van u verwijderd is; zie dan, of zij nog, als te voren, bij kleinigheden verwijlt, maar bij zulke kleinigheden, die u alleen aangaan. Dedingen, die onverschillige wezens vergeten, behooren tot de kostelijkste schatten der liefde.

Maar Lucilla was met de brieven, welke zij in antwoord ontving, geenszins tevreden, ofschoon zij talrijk genoeg inkwamen: zij waren vriendelijk, vertrouwelijk, doch er ontbrak een zeker iets — het beste gedeelte der schoonheid is dat, hetwelk geen afbeelding kon uitdrukken. — Wat het hart \'t meest verlangt, is hetgeen woorden niet kunnen aanduiden.

— Rechtschapenheid, vaderlandsliefde, godsdienst hebben haar schijnheiligen voor het geheele leven: de liefde duit slechts huichelaars voor eenige weinige oogenblikken.

-ocr page 210-

XXXV.

Godolpldn in Ui me. —- Geneesmiddel voor een ziekelijk idealis-mus. — Godolphins verlegenheid mei betrekking lot Lucilla. — Gedachten over banden, die niel door de kerk geknoopt zijn. — Ontmoeting van een oud vriend. — Hel Colosseum. — Een verrassing.

Godolphin kwam in Rome aan: het wemelde daar Engelschen. Onder hen waren eenipen, die hij zich uit Engeland met achting herinnerde. Hij was zijn lange afwezigheid eenigszins moede geworden en mengde zich ijverig in het gezelschap van hen die hem hun hof maakten. Den ledigloo pers was hij nog steeds een voorwerp van groot belang, en als men zekere hoogte van jaren bereikt heeft, verliest men de kracht, om zich aan de opmerkzaamheid te onttrekken. Het gewicht, dat men hem toekende, behaagde hem, en hij genoot de genoegens der gezellige verkeering met grooteren lust dan te voren. Zijn, in de vergetelheid begraven en door den omgang met Lucilla nooit weer opgewekte talenten werden thans, als ware het, in het leven teruggeroepen en door belooning aangeprikkeld. Nooit had hij zoo veel bekoorlijks in quot;liet schitteren gevonden; want te voren was hij zeil van dat genoegen verzadigd geweest. Thans was het hem

door de lange ontbering nieuw geworden: de ijdelheid had haar gewaarwordingsvermogen herkregen. Nu was hij niet meer, zoo als voorheen, in zijn idealen verdiept: zijner verbeelding had hij in de eenzaamheid voedsel genoeg gegeven, en door liet gevolg eenigszins te leur gesteld, scheen de levende wereld hem veel schooner dan destijds, toen hij de wereld der verbeelding nog niet getoetst had. Niets versterkt de gezondheid van den geest meer, dan wanneer men zijn meest geliefkoosde

van

-ocr page 211-

205

zwakheden door zich zelve laat genezen. Zoo verzekert Göthe in zijn leven, als hij over Werther spreekt, dat het schrijven van dat zoo overspannen boek hem zeiven van overspannig genezen heeft.

Godolphin dacht vaak aan Lucilla; maar bijaldien hij zelf goed in zijn hart had kunnen zien, dan zou hij misschien bevonden hebben, dat met de innigheid dezer herinnering een zeker gevoel van kwelling en vernedering gepaard was. Hij had met haar, wel is waar een romanesk, maar toch min of meer onmannelijk leven geleid, en thans zich in den frisschen, vroolijken stroom der wereld bevindende, dacht hij daaraan niet zonder tegenzin. Hij gevoelde geen verlangen, om naar het stille meer en de donkere dennen terug te keeren; hij gevoelde, dat Lucilla geenszins in staat was, om hem de wereld le vergoeden. Gaarne zou hij haar naar Rome meegenomen hebben, om met haar nog meer het openbare leven te genieten en tevens haar gezelschap met de hem verfrisschende verstrooiingen der wereld te vereenigen. Maar hij beefde op het denkbeeld, om de onervarenheid van Lucilla, die met de wereld en haar gewoonten zoo geheel onbekend en in alle dingen zoo zonderling en kinderlijk was, aan de gevaren bloot te stellen, die haar zouden omgeven. Hij wist, dat zijn vrienden de ingetogenheid zijner verklaarde geliefde luttel eerbiedigen, en dat haar, die zoo beminnenswaardig,en daar zoo ongewoon was, de sluwste en doortrapste intriguanten strikken spreiden zouden. Godolphin miskende Lucilla\'s rein en goedig hart niet, maar hij wist, dat het eenig onfeilbare middel tegen de gevaren der wereld in wereldkennis bestaat. In Lucilla lag echter niets, wat het verkrijgen dier kennis ooit beloofde: hare natuur scheen geheel van de onkunde der natuur van anderen at le hangen. Behalve deze vrees weerhield hem tevens een zeker duister gevoel van kieschheid, als ook zijn eigen geweten, om zijn betrekking tot Lucilla aan de nieuwsgierige en boosaardige wereld te ontdekken. De omstandigheden, en niet minder Lucilla\'s eigen wil en alles trotseerende liefde, hadden zoo veel bijgedragen, om het goede meisje in zijn armen te werpen; ook had hij in het eerst geenszins het egoïstisch, maar wel het edeler besluit genomen, tot hartstocht en natuur voor een verzoeking bezweken; tot welker bestrijding men veel strenger grondbeginselen zou hebben moeten bezitten, dan een man van Godolphins karakter en temperament bezitten kon — zoodat Godolphin, zijn opvoeding, de richting van zijn gemoed en de zeden der hedendaagsche wereld in aanmerking genomen, wegens den aard zijner verbindtenis met Lucilla misschien niet zoo streng kan beoordeeld worden.

Ik wil hem echter even min verontschuldigen, als hij zelf

-ocr page 212-

206

zich verontschuldigen kon. Dikwerf steeg Volkmann\'s schim dreigend voor hem op. In een, slechts door Italianen bezocht oord levende, waar het gelluister der beschaming hunne ooren niet bereikt en zijne gewetenswroegingen niet opgewekt had, scheen hun toestand hem en haar geenszins hunner zoo onwaardig, terwijl de reinheid van hun gemoed zulk een denkbeeld \'bij hen zelfs niet eens deed opkomen, Maar haar in het publiek, en nog daarenboven onder zijn landgenooten te brengen, die de ondeugd overal gelijk achten, terwijl zij zich, vooral, wat geheime verbintenissen tusschen de beide seksen betreft, een kind van het klimaat mag heeten, zoo als, bij voorbeeld, de veelwijverij in Turkije geoorloofd en daarentegen in Engeland en andere Europeesche landen een misdaad is; — te zien, dat het edele, liefdevolle, met de zonde zoo geheel onbekende meisje door Engelschen, dat is door de nieuwsgierigste oogen van de gansche wereld, veracht en met de gemeenste en laagste van hare sekse ,ja, met zulke ellendige, schaamte-looze wezens gelijk gesteld zou worden, die met de ondeugd pronken, en voor geld deugd en eer veil hebben — dit was een denkbeeld, dat hij niet kon verdragen, en waarvoor hij gaarne de eenzaamheid verkoos. Doch juist dit gevoel maakte zijn betrekking tot Lucilla nog ingewikkelder en bracht haar beeld steeds meer en meer met die vermoeiende alzon-dering en eeuwigdurende verveling in verband.

En hier, mijn waarde lezer! zij het mij vergund, een enkel vertrouwelijk woord tot u te spreken. Zijn er tijden geweest, waarin gij, in de hitte en drift van uw jeugdig bloed, u aan de wetten der maatschappij wildet vergrijpen; tijden, v/aarin gij, met de gedachte aan een lichtgeloovig, onschuldig, met de wereld onbekend schepsel, dat gij niet huwen, maar met hetwelk gij leven wildet, tot u zei ven gezegd hebt: »het is waar, ik kan haar niet huwen, maar in mijn hart zal zij als mijne wettige vrouw zijn; ik zal haar tegen kommer en gebrek beveiligen; zij zal mij steeds getrouw, nimmer wispelturig bevinden, en voor de luimen van het noodlot zal ik haar zooveel ik kunne, bewaren!quot; — Zijn er tijden geweest, waarin gij dit gedacht, doch niet daarnaar gehandeld hebt — o, richt dan haar ook niet, maar zie zelf toe! Geenszins zal ik als een strafprediker tot u spreken, maar u waarschuwen, als een, die zelf de stormen dezer wereld ondervonden heeft en het onvolmaakte en gebrekkige, dat ons menschen aankleeft, gereedelijk erkent. Ik roep niet, wee u, gij zondaar! over u uit; ik roep u niet van mij af, terwijl ik u met vrees en schrik vervul, maar ik zeg u: zie toe! Kunt gij boze tongen toom en gebit aanleggen? Kunt gij den spottenden blik afkeeren? Al zegt gij der wereld: zij is rein; kunt gij de wereld dwingen, haar te achten ? — En kunt gij dat niet, o, hoe onlijdelijk zal dan uw hart.

-ocr page 213-

207

zoo het, namelijk, nog voor edele aandoeningen vatbaar is, dag en nacht door zelfverwijt gefolterd worden! — En kunt gij tot het steeds veranderlijke, ondoorgrondelijke hart zeggen: gij moogt niet veranderen! Gij hebt haar trouw gezworen — dien eed zwoert gij met het stellige voornemen, om niet meineedig te worden: die trouw wildet gij houden — maar wie verzekert u, dat gij niet reeds morgen dien eed, die trouw breken zult. — Neen, als gij de menschen kent, wantrouw dan u zeiven. Wie macht over anderen verkrijgt, stelt zich aan de sterkste verzoeking bloot. Bezit gij moeds genoeg, om haai\' te verlaten, haar, wie gij elke andere hulp en steun ontroofd hebt, dan zal een onaangenaam woord, een koele blik, een billijk verwijt, u t\' avond of morgen misschien het voorwendsel geven, om uwe schandelijke vlucht te rechtvaardigen. Gij zult bevinden, dat eene, door de maatschappelijke zeden niet erkende liefde, zoo lang als gij wezenlijk bemint, met duizende moeielijkheden, ja, hatelijkheden te worstelen heeft, welke die maatschappij haar in den weg legt. Eiken dag, bij elke gelegenheid, zult gij gekrenkt, gegriefd, vernederd worden. Gij zult bevinden, dat een wezen, dat u in uw zorgen ondersteunt, in ziekte u verpleegt, dat uwe sombere luimen wegschetst, uw troost, uw plechtanker is, dat dit wezen door lieden, die gij \'t diepst veracht, mishandeld wordt. Aan ieder hebt gij het recht verleend, om uwe beste, oprechtste vriendin uit een valsch gezichtpunt te beschouwen, met haar deugden te spotten, haar teederheid te honen, u, dien zij niel verleid heeft als den verblinden, bedrogenen, en haar die gij verleid hebt, als uwe schande, niet als uw slachtoffer, te behandelen.

Neen, geen man van een waarlijk edel hart en rechtschapen gevoelen zal een vrouw geheel athankelijk van zich maken en haar de poorten der wereld sluiten, zonder vroeg of laat te ondervinden, dat hij niet alleen zijn geweten bezwaard, maar ook zijn vrijheid en zijn zielevrede oneindig meer verlamd heeft, dan door al de banden der kerk. De zedelijkheid vergeeft somwijlen, de welvoegelijkheid nooit: hebben wij haar eenmaal beleedigd, dan blijft zij eeuwig onze vijandin.

Van de gedachte aan Lucilla, waarmee zoo veel onaangenaams gepaard ging, wendde Godolphin zich gretig naar de genietingen des levens, genietingen, die geen zorgen baren en tevens de moeite van het nadenken niet kosten.

Onder de vele bekenden, die Godolphin te Rome ontmoette, verschafte hem geen een grootere vreugde dan zijn oude vriend August Saville. Een geheel verwaarloosde en daardoor zeer verzwakte gezondheid, inzonderheid een borstkwaal, had den afgeleefden wellusteling naai\' een warmere luchtstreek gedreven. Het wederzien der beide vrienden was heel karakteris-

-ocr page 214-

208

tiek: het had op een soiree in een Engelsch huis plaats, waar Saville juist bezig was, een partijtje whist te spelen.

sZie eens, Saville, daar is Godolphin, uw oude vriend!quot; zeide de gastheer, die naar het spel zag en wachtte, tot hij zelf voor dezen of genen de partij zou kunnen opvatten.

»Stil!quot; zeide Saville, smaak hem vooral niet opmerkzaam op mij, voordat ik den besilssenden trick heb gemaakt.quot;

In weerwil van deze koelheid — daar het slechts om een enkel point te doen was — verheugde het Saville echter, zijn voormaligen kweekeling weer te vinden. Zij begaven zich in een hoek der zaal, onderhielden zich over velerlei dingen, en aldra bracht Godolphin het gesprek op lady Er-pin ghara.

»Ach!quot; zeide Saville — «uit uwe vragen, en nog meer uit den toon uwer slem, bemerk ik, dat gij, niettegenstaande de veeljarige scheiding, nog steeds rnet dezelfde zwakheid behept zijt. Foei, schaam uiquot;

))Toch niet: ik ben haar geen liefde, maar wraak schuldig. — Maar Erpingham? Bemint zij hem? Is het een schoon manïquot;

»Erpingham? Hoe? Gij weet dan niet —quot;

»Wat?quot;

»Och niets! Vergeef het mij, men wacht mij aan de speeltafel. Gaarne, zeer gaarne zou ik bij u blijven, maar gij weet, men moet niet egoïstisch zijn. Zonder mij zou de partij misschien uiteen geraken. Geen deugd zonder opoffering!quot;

Slechts een oogenblik! Wat is er dan toch met Erpingham! Zijn de echtgenooten oneenig met elkander?quot;

ïOneenig? Geenzins. Men wil zelfs beweren, dat zij hem thans nog inniger bemint dan ooit te voren.

En Saville hinkte naar zijn speeltafel.

Eene geruime poos bleef Godolphin in gedachten verdiept staan. Juist, toen hij zich wilde verwijderen, zag Saville, die dien avond ongelukkig speelde en ook een slechten medespeler had en daarom eenigszins minder belang in het spel stelde, naar hem op en wenkte hem lot zich.

«Godolphin, mijn lieve jongen, ik moet morgen een zekere dame geleiden, om haar Rome\'s merkwaardigheden te laten bezichtigen — een dame, zeg ik, en wel een weduwe, en daarbij een rijke, schoone weduwe. Ik bid u, vergezel ons, ot vind ons in het Colosseum. Wel, wat zegt gij daarvan? Is dit niet een alleraannemelijkst voorstel? — Stipt te twee ure daar!quot;

In het eerst was Godolphin weigerachtig, doch na lang aanhouden, beloofde hij te zullen komen.

Vrij van Rome\'s geringer merkwaardigheden, maar geheel omgeven door de ontzettende verwoesting der stad van Romolus, bevindt zich het wonderbaarste gedenkteeken van keizer-

-ocr page 215-

209

lijke pracht — het heerlijke amphitheater, waarvan het kolossale standbeeld van den slechsten der keizers zijn naam — het Colosseum — zou gegeven hebben, een gedenkteeken, dat, hoezeer het verontwaardiging-wekkende herinneringen bij den aanschouwer doet ontstaan, nochtans stof tot de verhevenste gedachten oplevert. Wat toch kan verachtelijker zijn dan de vermaken van een verbasterd volk, dat zijn tirannen zachtmoedigheid bewees en in zijn schouwspelen de ruwste woestheid ten toon spreidde? quot;Verscheurende dieren of Christenen martelen — bloed, bloed was het eenige offer in dezen tempel. De geschiedenis van hel -verre verleden zweeft over deze ontzaggelijke bogen, maar de herinnering vindt volstrekt niets, wat der plaats waardig is. Het amphitheater werd pas gebouwd, toen de geschiedenis slechts een gedenkteeken der ondeugden en diepe vernedering van het menschelijk geslacht was geworden. Taunus en de Dryaden hadden de aarde verlaten: het zoete bijgeloof, de vereering der grotten en der boschrijke heuvels wierp zijn liefelijke betoovenng niet meer op de gewrochten der menschen. De ruwere, maar verhevener deugden van den heldentijd hadden tusschen deze bogen en zuilen geene herinneringen nagelaten. Al wat het voor eeuwen en eeuwen beroemd maakte, is verdwenen — het staat daar, zonder de fantasie meer te verwarmen, maar het vervult daardoor de ziel met diepen weemoed : men aanschouwt het en leest met afgrijzen in het groote boek der wereldgeschiedenis de misdaden en gruwelen der menschen. Tacitus is de geschiedschrijver van het Colosseum. Maar juist deze nacht van hetverledene geeft aan de in deze onmetelijke ruimte rondzwevende gedachten een somber verhevene richting. Een gevoel van het verbazende, ontzettende, waarvoor wij geen woorden kunnen vinden, bemachtigt ons, als wij de reusachtige overblijfselen van reusachtige misdaden aanstaren, die voor eeuwig van de wereld verdwenen zijn.

In deze wijde ruimte wandelde Godolphin, daags na zijne ontmoeting met Saville, eenzaam rond, en op het bepaalde uur, waarin hij beloofd had, den laatsgenoemde op te zoeken, besteeg hij de trap en ontdekte in een der bogen, die naar de pijnboomen uitzag, die in het verre verschiet in de middagzon schemerden, een vrouw in zwaar rouwgewaad, met welke Saville scheen te spreken. Hij Irad naar toe: de dame keerde zich om, en hij zag het bleeke, kommervolle, maar desniettemin nog zoo heerlijke gelaat van Constance.

Hem verraste het weerzien: zij scheen er op voorbereid. Haar wangen kleurden: haar stem scheen haar begeven te hebben. Godolphins ontroering was sterker: een hevig sidderen greep hem aan: hij hijgde naar adem. Het gezicht van een uit het graf verrezene zou hem zeer zeker veel minder getroffen en geschokt hebben.

14

-ocr page 216-

210

In deze onmetelijke ruïnen, op de plaats, waai\' de menseh meer, dan ergens elders, het nietsbeteekenende van het enkele leven en van zijn kortstondig aanwezen gevoelt, ontmoette hij plotseling haar, in wie alleen hij geheel geleefd, en die aan dat leven, immers voor hem, wezenlijk belangrijkheid geschonken had. Op eens herinnerde hij zich dat tijdvak van zijn leven en de onbeduidendheid van zijn tegenwoordige bestaan. Deze gedachte schoot als een verblindende, ondragelijke bliksemstraal door zijn ziel, en toen zonk alles weder in den duisteren nacht terug. Hij klemde zich met beide handeu aan de gebroken trapleuning: Constance scheen verbaasd en aangedaan wegens dezen zoo overweldigenden indruk; doch de kunst, waarmee vrouwen haar aandoeningen plegen te verbergen en tegenovergestelde, die haar in dat oogenblik geheel vreemd zijn, te huichelen, kwam haar, en ook hem, nog tijdig te hulp.

))Wij hebben elkaar sedert vele jaren niet gezien, mijnheer Godolphin!quot; zeide zij op bedaarden toon, maar met een zachte stem.

»Jaren!quot; herhaalde Godolphin, zich zei ven nog niet bewust, en hij naderde haar met langzame en waggelende schreden. — »Jaren! Maar gij hebt ze niet geteld!quot;

Saville was, bij Godolphins komst, een weinig teruggetreden en beschouwde met een sardonisch, ofschoon onverschillig glimlachje de zwakheid van zijn vriend. Nu trad hij weêt nader en zeide: »gij moet het mij vergeven, lieve Godolphin, dat ik u lady Erpinghams aankomst in Rome niet eerder bericht heb. Maar de vreugde is misschien des te grooter, naarmate zij minder verwacht wordt.quot;

Het woord Erpingham doortrilde Godolphin op een pijnlijke wijze en gaf hem eenigszins zijn bedaardheid terug. Hij maakte een koele buiging en stamelde eenige zinledige kom-plimenten, terwijl verscheiden personen, die tot het gezelschap van lady Erpingham behoorden, en rondgewandeld hadden, boven kwamen. Tot geluk voor beider moeielijke houding in dat oogenblik werden zij — de voormalige gelieven — van elkander gescheiden.

Maar zoo dikwijls als Constance een blik op Godolphin wierp, zag zij die vorschende, weemoedige oogen, welker macht haar zoo wel bekend was, haar onbewegelijk aanstaren, alsof zij op hare wangen de geschiedenis der jaren wilden lezen, die haar schoonheid voor een ander tot rijpheid hadden doen komen.

c

1 1

1

-ocr page 217-

XXXVI.

Gesprek tusschen Godolphiu en Saville. — Verklaring van zekere gebeurtenissen. — Saville\'s veronlschuldiging van ven slecht hart. — Godolphius duister gevoel voor lady Erpingham.

»Rechtvaardige hemel! dus is Constance Vernon weduwe en hare hand weer vrij?quot;

»En wist gij dat waarlijk niet? Aan uw meer moet gij inderdaad een kluizenaarsleven geleid hebben! Reeds voor zeven maanden is lord Erpingham overleden.quot;

»Droom ik dan? mompelde Godolphin, toen hij in de kamer van zijn vriend met onstuimigheid op en neêr ging.

Saville lag op een sofa en hield zich bezig met verscheiden soorten van snuif, op een klein tafeltje onder elkaar te mengen. — »Het is te beklagen, dat onze gewichtigste gebeurtenissen onzen vrienden zoo dikwijls nietsbeduidende kleinigheden toeschijnen.quot;

»Maar,quot; zeide Saville, zonder op te zien, »gij schijnt niet nieuwsgierig om te vernemen hoe en waar hij gestorven is. Gij moet dan weten, dat Erpingham twee hoofdneigingen had, eene voor paarden en eene voor violisten. Toen hij naar Italië vertrok, hoopte hij, zoo als natuurlijk was, de laatstgenoemden daar in overvloed te vinden, doch hij oordeelde het tevens alleszins doelmatig, de eerstgenoemden mee te nemen. Hij bevrachtte derhalve het schip met zijn viervoetige lievelingen en verdreef, twee dagen na zijn landing, de verveling, die hem ook herwaarts gevolgd was, met een kleinen rit. Het paard schrikte, steigerde en wierp hem uit den zadel. Sprakeloos werd hij naar huis gedragen. Het verlies zijner spraak was, trouwens, geen groot verlies voor zijn bekenden, maar

14*

-ocr page 218-

212

hij stierf nog dienzelfden nacht, en dat was inderdaad een zeer groot verlies; want hij gaf van tijd tot tijd prachtige en ongemeen smakelijke diners. — Zoo riekt het beter!quot; Saville ademde hier den reuk van een nieuw mengsel in.

Saville had een bevallige manier, om een geschiedenis te verhalen, inzonderheid, als het verhaal den dood van een vriend of soortgelijke aangename gebeurtenis ten onderwerp had. — »De arme lady Erpingham was hevig aangedaan, en daartoe heeft zij reden; want ik geloof, dat de rouw haar slecht kleedt. Zij is in kleine dagreizen herwaarts gekomen, ten einde den zalig overledene in het gezelschap van dierbare levenden van lieverlede te leeren vergeten. Men moet het immers met de levenden, niet met de dooden houden, mijn vriend!quot;

»Uw hart is niet beter geworden, Saville!quot;

»Hart? Wat is dat? O, dat zekere ding, waarmee onze dienstmeisjes pronken, en dat uw bediende John haar in stukken breekt! — Hart! Mijn goede jongen, gij went u spreekwijzen aan en spreekt woorden, die volstrekt geen zin hebben.quot;

Godolphin was geenszins tot een gesprek van dezen aard gestemd, en Saville vervolgde op een min of meer ernstigen toon, »even zoo spreekt ook ieder van de wereld! — De wereld! Ieder hecht aan dat woord een andere beteekenis, naar gelang .van den kring, die zijn wereld vormt. Maar alle stemmen wij in dit ééne, in de wereldlijkheid der wereld, met elkander overeen. Nu is er echter geen wereld zoo liefdeloos als de onze, de fijn beschaafde, hoofsche, groote wereld. Al onze bekoorlijkheid, al onze tooverij bestaat in een zekere spotzucht: het eigenlijke wezen van ons gezellig onderhoud is, alle dingen op een aardige wijs bespottelijk te maken. Deze toon past natuurlijk niet voor ernstige neigingen. Menige domme duivel onder ons huv/t en wordt in zijn plebejische huishouding totaal bedorven. De gewoonte boeit hem aan zijn leelijk wijf en aan zijn om \'t hardst schreeuwende kinderen: de liefde slaat hem om het hart, en hij geraakt aldra geheel uit de mode. Wij ongehuwde mannen hebben voor niemand, dan alleen voor ons zei ven, te zorgen. Sterft deze of gene van onze kuisge-nooten, dan verandert zulks volstrekt niets in den gewonen gang der huiselijke behagelijkheden. Wij vinden toch wel altijd iemand, die voor ons thee zetten en ons, op den lielioor-lijken tijd, onze maagpillen geven kan. Onze verliezen treffen ons niet tot in ons binnenste. Wij halen de schouders open gaan verder. Het is dus inderdaad gelukkig genoeg, dat wij, uit gebrek aan kommer en zorgen — ik bezig het woord en ten gevalle — hardvochtig worden. Wij versteenen in de filo-zofie, en hebben wij, in allen geval, niet zeer verstandig gehandeld, dat wij dit leven van onverschilligheid en onafhankelijkheid gekozen hebben?quot;

-ocr page 219-

2i3

Godolphin hoorde nauwelijks, wat Saville zeide: deze vervolgde echter: »ja, wel verstandig; want deze wereld is zoo vol egoïsten, dat hij, die niet, zooals men zegl, met den grooten hoop meedoet, zich zelf deerlijk fopt en de rekening onder in den zak vindt. Ook zijn wij er met onze apathie niet erger aan toe. Schertsen wij over iemands ongeluk, dan geschiedt zulks nooit in zijn tegenwoordigheid. Waarom toch zou men niet uit het kwade op deze wereld, dat is uit rampen en ongelukken, iets goeds, dat is, genoegen mogen trekken? Drie menschen in deze kamer kunnen door over een, in de naaste kamer, gebroken been onschuldig te schertsen, ver-vroolijkt worden; wordt het gebroken been daardoor zelfs eenigszins erger? En als die drie menschen in die scherts wezenlijk een middel vinden, om zich genoegen te verschaften is dan die scherts, als zoodanig beschouwd, iets schandelijks ? Neen, zij is integendeel een weldaad. Sommige hoogwijze lieden zeggen, wel is waar: ja, maar deze gewoonte, om zich het ongeluk van anderen niet aan te trekken, verstompt den wil, waar soms mogelijkheid tot hulp en redding bestaat. Hulp en redding? Dwaasheid! Wat kunnen wij, bij de oneindige menigte van menschelijke rampen en ongelukken eigenlijk gezegd, helpen, redden? Even zoo goed zouden wij een enkelen droppel uit den oceaan kunnen scheppen en uitroepen : haha! wij hebben de zee verkleind! Wat zijn zelfs onze openbare inrichtingen van weldadigheid — wat onze menschlievende maatschappijen ter ondersteuning van onge-lukkigen? Hoe weinigen uit de weinigen zijn op den duur geholpen! De menschen sterven, lijden en verarmen nog steeds even schielijk, even vaak. Al die inrichtingen zijn slechts boomen, onder welke het openbare geweten zachtkens kan sluimeren. Neen, mijn waarde! waarheen ik in deze lieve wereld mijn oogen ook wende, alles, alles roept mij toe: zorg voor u zeiven! Dat is de ware levensmoraal, de ware levens-filozofie: wie haar tot het richtsnoer zijner handelingen maakt, die komt vooruit, gedijt en wordt dik en vet: wie haar veronachtzaamt, komt al spoedig tot ons, borgt ons geld af, als hij een fatsoenlijk mensch is, of vervalt aan den armenstaat, als hij tot het gemeene volk behoort. Ik heb mij steeds naar die grondbeginselen gedragen, mijn waarde Godolphin! gedurende mijn gansche leven heb ik er mij naar gedragen, en ik ben volkomen tevreden met mijn lot. Tevredenheid is een kenteeken van deugd — maar bah!\'

Constance was weduwe, zij, die Godolphin zoo hartstochtelijk bemind had, en wier stem thans nog diep in zijn hart natrilde en de sinds jaren sluimerende echo in dat hart weder opwekte — de hand van deze vrouw was wederom vrij. — Welk een heir van aandoeningen deed dit denkbeeld in

-ocr page 220-

214

hem ontstaan! Zij was verschenen, en met haar was voor hem een geheel nieuwe wereld nreschapen. En haar oog scheen hem zoo minzaam, zoo goedig, zoo welwillend: op haar voorhoofd teekende zich een zoete hoop: haar ontroering was zoo zichtbaar. Zij bemint mij nog. Zal ik mij voor haar voeten nederwerpen ? Zal ik haar smeeken, mij hoop te geven? En o, op welk een geluk! — Maar Lucilla!quot;

Lucilla! deze naam trok plotseling, als ware het, een hoogen muur op, die het verrukkende uitzicht, dat Constance\'s beeld hem geopend had, hem ten eenemale afsloot. Kon hij, zelfs om het voorwerp zijner eerste liefde, haar verlaten, die voor hem alles opgeofferd had, en welker leven slechts in zijne liefde bestond? Zelfs de koelheid, waarmee hij, zoo als hij zeer wel gevoelde, de liefde van het goede meisje beantwoord, had, maakte bem de plichten, die hij haar verschuldigd was, nog heiliger. Al ware hij ook niet door een wettig huwelijk aan haar verbonden, meende hij echter, dat, wegens de betrekking, waarin hij tot haar stond, de banden, die hem aan haar knoopten, niet dan door den dood alleen konden ontbonden worden, En thans waren die banden misschien het eenige, dat de vervulling zijner vroegere droomen belemmerde.

In deze gedachten verzonken, trachte Gödolphin Saville\'s ijskoude redeneeringen, die niet de minste deelneming in zijn toestand verrieden, onopgemerkt te laten, tot de naam van lady Erpingham zijn aandacht trok.

«Bezoekt gij haar dezen avond?quot; vroeg Saville. »Zij ontvangt slechts haar bijzondere vrienden en vriendinnen, u, mij en lady Charlotte; want weduwen onthouden zich, in haar eersten rouwtijd, van talrijke gezelschappen. Intusschen richt ik het steeds zoo in, dat ik onder degenen behoor, die toegang tot haar hebben. Scherpe en bijtende middelen zijn voor menige woonden van eene heilzame uitwerking.quot;

Godolphin glimlachte.

»Maar gelooft gij,quot; dus vervolgde Saville; »dat milady zich weder in het huwelijk zal begeven, of wilt gij dit zelf met haar beproeven? Erphingham beeft haar bijna zijn gehee.e vermogen vermaakt.

Gebelgd over Saville\'s toon stond Godolphin plotseling op.

»Onder ons,quot; hernam Saville, hem vaarwel zeggende — »ik denk niet, dat zij immer zal hertrouwen. Lady Erpingham bemint de vrijheid, en zelfs zou de jonge Godolphin — gij zijt thans de schoone jongman niet meer, die gij eens geweest zijt — vruchteloos naar hare hand staan,quot;

Deze laatste woorden hadden een nieuwe aandoening in Godolphin opgewekt. Het was derhalve mogelijk, en zelfs hoogst waarschijnlijk, dat de strijd, dien hij getreden had, volstrekt

-ocr page 221-

215

nutteloos was, en dat hij geenszins in de verlegenheid zou geraken, om tusschen Constance en Lucilla te moeten kiezen. »In allen geval,quot; zeide hij bijna overluid, »zal ik eens zien, of hetgeen Saville zoo even beweerde, door de uitkomst bevestigd wordt; of, namelijk, Constance, in de herinnering harer vroegere liefde, in het besef van het pijnlijke der wonde, die haar eerzucht mij toebracht, voornemens is, mij de voldoening te geven, waartoe het noodlot haar in staat heeft gesteld: danquot;— dan is het nog altoos tijd voor een opoffering!quot;

-ocr page 222-

XXXVII.

Een avond hij Constance.

Constance\'s hart sprak uit haar oogen, toen zij Godolphin dien avond te harent zag binnentreden. Hun wederzien was, trouwens, niet zonder wederzijdsche verlegenheid afgeloopen; maar wie kan twijfelen, dat het Constance niet veel meer vreugde dan smart veroorzaakte? Lord Erpinghams dood had haar diep geschokt; hunne karaktei-s en hunne neigingen verschilden, wel is waar, geheel en al, en misten dus alle overeenstemming; maar in dit opzicht hebben de grooten dezer aai\'de een vrij aanzienlijk voordeel boven hunne, van slechtere klei gevormde natuurgenooten. In de voorname standen zijn man en vrouw door een bestendige samenleving elkaar niet lot last: een afzonderlijk verblijf, onderscheiden en geheel verschillende bezigheden en uitspanningen vergunnen beiden, het leven, ieder voor zich zeiven, door te brengen, zoodat er geen volstrekte noodzakelijkheid bestaat, om met elkander te twisten, elkander te haten, en dat het koudste wederzijdsche gevoel voor elkander slechts onverschilligheid is.

Nog in den bloei der jeugd en in den vollen glans der schoonheid, was Constance onafhankelijk geworden. Zij genoot den rijkdom en den rang, welke haar vroegere denkwijs als nietswaardig beschouwd had, en zij bezat thans de macht om dien rijkdom en dien rang met dengene te deelen, met wien zij ze gaarne wenschte te deelen. Natuurlijk wendde, bij deze gedachte, haar hart zich terug naar Godolphin. En toen zij nu, ofschoon slechts steelswijs, een blik op hem wierp,

— op hem, die thans op een kleinen afstand van haar zat, en van zijn kant op een teeken harer herinnering wachtte,

— gevoelde zij zich diep getroffen door de, anders misschien onbeduidend schijnende verandering, welke de jaren in hem.

-ocr page 223-

217

te weeg hadden gebracht. Zij herinnerde zich zijne ontroering, toen hij haar weerzag en fluisterde zich het zoete verwijt toe: sdat is uwe schuld.quot; — Het vuur, de gloed van het karakter, die, toen zij hem de laatste maal zag, uit zijn oogen en uit zijn gansche houding sprak, was voor altijd uitgedoofd. In plaats van het fonkelende vernuft zijner gesprekken, de levendigheid zijner gebaren en bewegingen vertoonde zich thans slechts deftige ernst, en zelfs een weemoedige bedaardheid. Zijn voorhoofd was met, door het peinzen geploegde voren bezet, en het bij de slapen dunner geworden haar bedekte niet meer door zijn weligheid de hoogte van dat bleeke voorhoofd. De blos eener, wel niet sterke, maar ongekrenkte gezondheid, die haar, toen zij hem voor de eerste maal zag, zoo zeer voor hem had ingenomen, was hem bijgebleven alsook zijn welluidende stem, en de zachte glans zijner oogen gaven hem een onuitsprekelijke bevalligheid. Van lieverlede werd het, in \'t eerst afzonderlijk gehouden gesprek algemeener. Constance en Godolphin namen er deel aan.

dOnmogelijk,quot; zeide Godolphin, slaat zich het leven onder een zuidelijke luchtstreek met dat vergelijken, hetwelk wij in koudere streken leiden. De sterkere zonnehitte veroorzaakt in ons een zekere filozofische zorgeloosheid, die dermate tegen de eerzucht en de overige bemoeiingen onzer natie afsteekt, dat zij ons voor altijd van onze landgenoofen afscheidt. Het is een leven als onder een eeuwigdurende muziek, een zachte en weelderige poëzie van het gevoel, die ons van het handelen, ja zelfs van het bewegen, een afkeer inboezemt. Het verblijf in Italië is niet alleen hoogst schadelijk voor het gedijen der eerzucht, maar het verstompt haar ook en verstikt zelts haar kiemen.quot;

slnderdaad,quot; zeide Saville — gt;het maakt ons tot alles ongeschikt, behalve tot liefde, een bezigheid, welke ons met het domste gedeelte van ons geslacht gelijk stelt.quot;

»Zotten kunnen niet beminnen!quot; merkte lady Charlotte aan.

»Onder uw welnemen, lady!quot; antwoordde Saville, »liefde en zotheid zijn geenszins in het Fransch alleen woorden van dezelfde beteekenis.quot;

^De liefde,quot; zeiden Godolphin, »die gij beiden daar noemt, is der moeite niet waardig, dat men over haar redetwist.quot;

»Welke dan?quot; vroeg Saville.

»De eerste liefde!quot; hernam lady Charlotte, »Is het niet waar, mijnheer Godolphin?quot;

Godolphin bloosde, en zijn oogen ontmoetten die van Constance. Ook zij zuchtte en sloeg de oogen neder.

»Neen, mijnheer Godolphin!\'\' zeide lady Charlotte; ))ik moet volstrekt antwoord hebben: ik beroep mij op u.quot;

»Welnu dan,quot; zeide Godolphin met een aangenomen bedaard-

-ocr page 224-

218

heid, »de eerste liefde heeft boven de andere dit voordeel, dat zij doorgaans mislukt, en dat het hartzeer over die mislukking haar nimmer doet verwelken.quot;

De toon zijner stem drong Constance in het hart. Dien ganschen avond kon zij, zonder zich een algemeen in het oog loopende moeite te geven, schier geen enkel woord uitbrengen.

-ocr page 225-

XXXVIII.

Constance\'s onveranderde lieldv voor Godoiphin. — Haar berouw en haar hoop. — Het Kapitool. — Verschillende rjedachlen van Godoiphin en Constance op het gezicht van dat gebouw. — Teedere woorden van Constance.

Al, wat Constance van anderen nopens Godolphins leven, sedert hun scheiding hoorde, deed haar lang gevoede deelneming aan zijn lotgevallen meer en meer klimmen. In hare gedachten vereenigde zij zijn herhaalde en langdurige verwijderingen uit de steden, welken tijd hij, zoo als liet heette, in een strenge, sombere eenzaamheid doorbracht (de deelge-noote dezer eenzaamheid kende men evenmin, als haren toestand) met zijn zwaarmoedig voorkomen, met zijn half verwijtende blikken en met de bewegingen en aandoeningen, die hij in zijn gesprek met haar verraden had. Zij overreedde zich, dat zij de eigenlijke oorzaak van dit doellooze, vreugde-looze leven was. Met een bittere smart herinnerde zij zich, dat hij eens gezegd had: mijn lot is in uwe hand; en zij vergeleek zijn levendige energie, zijn beschaafden geest, zijn uitstekende talenten met zijn tegenwoordig leven, hetwelk dit alles nutteloos voor andei\'en, zoo nietig voor hem zeiven had gemaakt. Weinigen, slechts zeer weinigen weten, hoe vermogend het gevoel tot het hart eener vrouw spreekt, dat eens anders geluk geheel van haar afhangt. Zelve aan afhankelijkheid gewoon, is het gevoel, dat een ander van haar afhangt, de zoetste troost van haar fierheid. Daarin ligt eene der voornaamste redenen, waarom zij haar kinderen zoo teeder bemint: waren zij onafhankelijk van haar zorgen, dan zouden

-ocr page 226-

\'220

zij haar, buiten twijfel, oneindig minder dierbaar zijn. Ook hadden de jaren, gedurende welke de jonge gravin met de nietigheid der wereld bekend was geworden, de bronnen van haar gevoel verdiept in dezelfde evenredigheid, als zij de bronnen der eerzucht uitgedroogd hadden. Zij kon, zij wilde het niet voor zich verbergen, dat Godolphin haar nog beminde. Zij schilderde zich reeds het oogenblik, waarin hij die liefde bekennen, en waarin zij hem het lijden vergoeden zou, dat haar vroegere afwijzing hem veroorzaakt had. Zij gevoelde tevens, dat het een even zoo schoone, als edele taak zijn zoude, zijn schitterenden geest, als ware het, in het leven terug te roepen, en aan de wegsleepende welsprekendheid, waarmee hij dien bekleedde, haar doel te toonen. In deze hoop dacht zij aan haar egoïstische plannen, aan haar politieke oogmerken en aan haar wensch, om haar tegenstanders te deemoedigen : evenwel maakte dit — wij moeten der waarheid hulde doen — slechts een ondergeschikt gedeelte harer gedachten uit. Ik heb u afgewezen, dacht zij, toen ik arm en afhankelijk was; thans bezit ik rang en rijkdom, en hoe gaarne stel ik dit alles te uwer beschikking!

Maar Godolphin bleef, als merkte hij deze zoo gunstige neiging volstrekt niet op, steeds even afgetrokken. Integendeel was zijn aanvankelijke ontroering in een koele bedaardheid overgegaan. Zij ontmoetten elkander dikwijls, maar hij vermeed ieder vertrouwelijk gesprek. Desniettegenstaande bemerkte zij, dat zijn oogen haar bestendig zochten, en dat een licht heven van zijn stem, als hij haar aansprak, de onverschilligheid van zijn gedragingen logenstrafte. Nu en dan wekte een woord, een onwillekeurige aanraking al zijn, zoo kwalijk verheelde aandoeningen: zijn lippen schenen willens, om Constance\'s triomf te bekennen, maar aldra werden zij, als ware het, met een sterke inspanning van krachten, weder gesloten, en vaak snelde hij, stellig in de overtuiging, dat hij zich zei ven niet genoeg vertrouwde, plotseling weg. Kortom, Constance zag, dat een zonderlinge verlegenheid, welker oorzaak zij niet kon raden, hem terughield, en dat zijn gedrag door deze of gene beweegreden gewijzigd werd, die met geen voorval in verband stond, dat tusschen hun beiden plaats had gevonden; want het was duidelijk genoeg, dat geen misnoegen op haar wegens haar eerste afwijzing hem die houding jegens haar deed aannemen, daar zijn oogen en zijn woorden genoegzaam te kennen gaven, dat hij alles meer dan vergeven had. Lady Charlotte Durham had van Saville hun vroegere liefde vernomen; zij was een vrouw, die wereldkennis bezat: zij oordeelde het derhalve betamelijk, Godolphin elke gelegenheid te verschaffen, om die liefde te kunnen hernieuwen, waarom zij dan ook steeds het een of ander voorwendsel zocht, om zich uit Con-

-ocr page 227-

221

stance\'s nabijheid te verwijderen, als Godolphin haar naderde, en hen beiden als geheel toevallig, alleen te laten; doch dit was een gevaar, dat Godolphin tot hiertoe nog ontgaan was. Op zekeren dag maakte echter het noodlot zijn voorzichtigheid te schande, en er volgde een gesprek, dat Constance in verwarring bracht en Godolphins besluit op een zware proef stelde.

Zij begaven zich samen naar het Kapitool, van welks hoogte men misschien het heerlijkste en treffendste gezicht van de gansche wereld heeft. Het was een gezicht, volkomen geschikt, om den werkzamen, fieren geest der gravin nog meer te verheffen.

«Gelooft gij,quot; zeide zij tot den, nevens haar staanden Godolphin, »daf iemand deze tallooze gedenkteekenen van een eeuwigen roem kan aanschouwen, zonder over het alle-daagsche van het gewone leven te zuchten, of liever, zonder van verlangen te branden, om een hooger standpunt te bereiken, dan waarop men zich, in de vervelende alledaagschheid dezer ellendige wereld bevindt?quot;

))0p u moge dit gezicht hartverheffend, op anderen zal het waarschuwend werken,quot; zeide Godolphin. »De ruïnen, die wij hier aanschouwen, getuigen nog luider de vergankelijkheid van den roem. Sla een blik op de plaats, waar eens de tempel van Romulus stond: daar staat thans de weinig beduidende kerk van een onbekenden Heilige. Vlak onder u is de Tarpejische rots: wij kunnen haar niet zien: een rij erbarmelijke woningen verbergt haar voor ons. Langs de oude vlakte van het Campus Martius (het Veld van Mars) vertoonen zich thans de tallooze torens van een nieuwen godsdienst en de paleizen van een nieuw menschengeslacht. Daartusschen staan de triomfzuilen van Trajanus en Marcus Antonius: maar welke standbeelden kronen thans hunne spitsen? Dat van den H, Petrus en dat van den H. Paulus! — En deze woestenij van menschelijke gewrochten, dit tooneel van menschelijke revolutiën boezemt u roemzucht in! Mij bewijst het slechts de nietigheid van den roem. Mij schijnt een onweerstaanbaar, verpletterend gevoel van de nietswaardigheid en vergankelijkheid onzer wijsste en stoutste ondernemingen over deze plaats te zweven en ons waarschuwend toe te roepen.quot;

»Nog steeds,quot; zeide Constance met een hal ven zucht, »zijt gij onverschillig voor al wat niet het genot van het tegenwoordige oogenblik betreft.quot;

»Neen,quot; antwoordde Godolphin met een zachte, bevende slem — „geenszins denk ik onverschillig over den kommer van het verleden!quot;

Constance bloosde sterk, maar Godolphin die vreesde, te ver gegaan te zijn, voegde er schielijk bij »o laat ons onze

-ocr page 228-

oogen naar die olijfboschjes wenden. Daar, ver van het ge-meene gewoel en gekrioel der menigte, bevonden zich de zomerverblijven van Rome\'s schitterendste vernuften. Daar leefden Horatius en Maecenas; daar vergat Brutus zijn ruwen aard, en daar verpoosde de ondoorgrondelijke, raadselachtige Augustus zich van zijn regeeringszorgen door allerlei onschuldige vermaken: daar bracht hij der poëzie en wijsheid offers, die ons verleid hebben, om slechts met de meest mogelijke verschooning over de misdaden van zijn vroegere en over de huichelarij van zijn latere jaren te oordeelen. Hier,quot; voegde Godolphin er glimlachend bij, 5gt;biedt zich een nieuw bewijs tegen uwe eerzucht aan. De eerzucht alleen maakte Augustus gehaat: dat hij haar van lieverlede niet meer huldigde, verzoent ons weder met hem.quot;

»En zoudt gij derhalve werkeloosheid voor het gelukkigste leven van een man houden, wiens talenten hem boven het gewone en alledaagsche verre verheffen?quot;

»Neen, maar hij moet zijn talenten aan de ontdekking van genoegens, niet aan den arbeid wijden: hoe grooter onze talenten zijn, des te fijner is ook onze vindingrijkheid, en hoe fijner deze weder is des te grooter is onze geschiktheid tot het genieten der genoegens. Ons doel zij derhalve genoegen. Wij moeten trachten uit te vorschen, wat het meest geschikt is, om onzen smaak te bevredigen, en, als wij dit eenmaal gevonden hebben, volijverig daarnaar streven.quot;

»Niet verder. Dat is slechts een egoïstisch, zeer onedel stelsel ! — Gij glimlacht — ik mag niet filozofisch zijn; ik erken het. Maar, in allen geval, liever één uur roems, dan een leven van zwelgende werkeloosheid. O hoe wenschte ik — voegde Constance er, warmer wordende bij — »o hoe wenschte ik, dat gij mijnheer Godolphin, met een, voor zulk een hooge bestemming ge-vormden geest, met al het vermogen, om te handelen, tot een — vergeef het mij! — uwer waardiger begrip van het gebruik uwer heerlijke talenten ontwaaktet! Zeker, zeer zeker, gij moet vatbaar voor de roepstem zijn, welke uw vaderland, welke de menschheid in dit tijdvak aan allen, maar inzonderheid aan hen laat uitgaan, die uwe bekwaamheden en gaven bezitten. Want, dat er thans groote gebeurtenissen rijpen, zal toch wel niemand ontkennen die zich de moeite heeft gegeven, om den gang der zaken eenigszins oplettend gade te slaan. Wilt gij nu dulden, dat mannen, die ver beneden u zijn, u voorkomen? — wilt gij werkeloos blijven, terwijl zij het loon erlangen? Wilt gij geen deel aan het schitterende drama nemen, dat reeds achter de donkere gordijn van het noodlot voorbereid wordt en een wereld tot aanschouwers zal hebben? — Ach hoe trotsch, hoe gelukkig zou ik zijn bijaldien ik een man, als gij, voor de groote zaak van dezen eervollen strijd konde winnen!quot;

-ocr page 229-

223

Godolphins oogen fonkelden, zijn bleeke wangen gloeiden, och slechts voor een korte wijl; aUes was reeds weder ver-hvenen, toen hij antwoordde:

).Voor acht jaren, toen nog Constance Vernon tot mij sprak zou mijn wensch mij naar haren wil hebben kunnen vormen; thansquot; — hij kampte met zijn aandoeningen en wendde zijn gezicht af — sthans is het te laat.quot;

Constance was diep getroffen. Zachtkens legde zij haar hand op zijn arm en zeide met een flauwe, teedere stem: »neen, Percy, het is niet te laat!quot;

In dat oogenblik, en tot geluk voor Godolphins deugd, traden, eer hij iets kon antwoorden, Saville en lady Charlotte naar hem toe.

-ocr page 230-

XXXIX.

Lucilla\'s brief. — üihverking daarvan op Godolphiu.

Het zoo even vermelde korte gesprek moest Godolphin overtuigen, op wat zwakke steunsels zijn trouw jegens Lucilla rustte. Nooit te voren; nooit, zelfs niet in den bloeitijd hunner eerste liefde, was Constance hem zoo beminnenswaardig voorgekomen. Zij was thans veel zachter, veel goediger, dan destijds, toen zij besloten had, noch zijner beden, noch haar hart gehoor te geven, zoo dat het gedeelte van haar karakter, oat zijn fierheid gekwetst en zijn neigingen gedwarsboomd had, geheel scheen verdwenen te zijn. De wereld, voor welke zij, zoo als hij, zijns ondanks, bekennen moest, nog steeds te zeer leefde, scheen de natuurlijke fierheid van haren geest meer te verheffen en te bezielen, dan tot de gewoone aanhangers dier wereld te doen afdalen. Als zij sprak, zwelgde hij, ofschoon hij in zijn meening van haar verschilde, de hooge en stoute ideeën in, die zij uitte. Hij beminde haar diepen afkeer van al het lage en gemeene en haar geestdrift voor al wat grootsch en verheven was. Nooit werd hij uit het ideaal van zijn liefdedroom door het onwillekeurig ven-aden van eenigen kleingeestigen hartstocht of het uiten van een hatelijken wensch, in een grievende wezenlijkheid neêrgestort. Ja, zij had vele gebreken, zij was met vele dwalingen behept, maar zelfs in die gebreken, en dwalingen lag zielenadel. De jaren, dat zij gescheiden waren geweest, hadden hem, kon \'t zijn, nog meer overtuigd, hoe zeldzaam zulk een karakter was. Ai zijn aandoeningen, gewaarwordingen, talenten en zedelijke krachten, die, gedurende zijn neiging voor Lucilla, gesluimerd hadden, werden zoodra hij zich bij Constance bevond, plotseling weder opgewekt en waren aldra in volle werking. Zij vergenoegde zich niet met een klein gedeelte, maar zij be-

-ocr page 231-

225

reedde en verkreeg de gansche heerschappij over zijne ziel. Eu icgen deze heerschappij zou hij thans kampen ? Terwijl hij door deze en dergelijke gedachten en duizend elkander weerstrevende gevoelens heen en weer geslingerd werd, ontving hij onverwachts den volgenden brief:

Drief van Lucilla.

sUw laatste brief, mijn geliefde! was zoo in overhaasting «gesteld, dat liet mij niet weinig moeite kostte, hem van buiten ))te leeren. Ook had ik, om n de waarheid te zeggen, niet moo veel lust, als weleer, om al uwe woorden in mijn ge-«heugen te prenten. Waarom, weet ik niet, maar er heerscht, ))sedeit onze laalsle scheiding, iets in uwe brieven, wat mij sijskoud doortrilt: ja, het steekt mij het hart af. Met een «gretigheid, om welke gij, als gij haar zien kondet, zeer zeker ïzoudt, lachen, scheur ik het zegel los; en vind ik dan hoe sweinige woorden gij mij schenkt, van welke ik nochtans »■/.00 vele dagen leven moet, dan gevoel ik mij grievend te sleur gesteld: Ik ben als vernietigd en de brief ontvalt mijner «hand. Maar aldra kom ik weer tot, mij zelve: ik bestraf »mij over mijn voorbarigheid en zeg; die weinige woorden «zullen ten minste liefdevol zijn, en ik lees ze, het een na «liet andere, om niet spoedig met mijn eenigen troost ten «einde ie zijn. Ach nog eer ik ten einde ben, zijn mijn oogen «door tranen beneveld: bij eiken regel, dien ik lees, schijnt «mijn innige, vurige liefde voor u te verijzen. En dan leg «ik mij afgemat neder en verlang naar den dood. O God «als die tijd thans eens gekomen ware, die tijd, dien ik steeds moo zeer gevreesd heb — dat gij mij niet meer bemindetl «— Deze vrees is immers zoo natuurlijk! Want wat ben ik? «Hoe dikwerf hebt gij geklaagd, dat ik u niet Verstaan kan! «Hoe dikwerf hebt gij mij doen gevoelen, dat er in uwe «natuur zoo veel lag, dat ik onbekwaam, ja, onwaardig was «te doorgronden. Is dit wezenlijk zoo, dan is de vrees in »mij zeer natuurlijk, dat gij een andere zult vinden, die uwer «waardiger schijnt, en dat de afwezigheid u mijne gebreken nog meer zal herinneren.quot;

quot;En toch geloof ik, dat ik u ken; toch geloof ik, dat sniijiie\' liefde, die u steeds bewaakt, steeds uwe wenschen gt;\'tracht te raden, in ieder geheim van uw hart moet gedron-»gen zijn. Mij ontbreekt het slechts aan woorden, om mijn «meening behoorlijk uit ie drukken. Maar gij werpt de schuld quot;op het gevoel. Ik weet niet, hoe onbeschaafd, hoe onkun-,gt;riig ik u voorkome, en somwijlen — sedert kórt zelfs zeer

13

-ocr page 232-

•226

xxJikwijls — doe ik mij zelve scherpe verwijlingen, dat «Ion sniet ijveriger gepoogd heb, om mij uwer waardiger te aiakeiman ïlntusschen geloof ik, dat, zoo mij dezelfde middelen, als andeiwn i sten dienst stonden, ik ook met dezelfde gemakkelijkhei®an 3)mijn gedachten zou weten uit te drukken; en mijn gedach®6quot;, »ten kunt gij toch nooit wraken; want ik weet, dat zij v*n v »van een liefde voor u zijn, die geen vrouw, zelfs de ver® n «standigste, de schoonste niet, die gij ooit moogt ontmoetenB1-\'\'!! ^slechts in hare verbeelding kan bereiken. Maar sedert ui»pst\' »vertrek heb ik alle mogelijke pogingen aangewend, om da»oor sgebrek te verhelpen: in alle boeken heb ik gelezen, die g»ad( »gaarne laast, en ik verbeeld mij, dat ik thans dezeltde sgrippen ingezogen heb, die u quot;behagen, en waarvoor gij eenBchc »waandet, dat ik volstrekt geen belangstelling kon gevoelei#aai sHoe hebt gij gedwaald! — Ik zie uit de aanmerkingen, di»hk »gij op de kanten der bladzijden gemaakt hebt, de gewaarBiaai «wordingen, die u, onder het lezen, bezielden; maar ik weellieu tdal ik quot;ze reeds veel, veel dieper en levendiger gevoeld he!#P »dan zij daar voorgedragen zijn: slechts dacht ik, dat zwjki «eigenlijk in geene taal uit te drukken waren. Mij dunkt, daleer «ikquot; thans die laai heb geleerd: ook heb ik liederen geleerd act »die gij, als gij eens teruggekeerd zijt, zeer gaarne zult hooren «Daarenboven heb ik mij in de muziek geoefend, zoodat iifcei. shoop, ja, mij genoegzaam overtuigd houd, dat de lijd^ u bi jgt;mij niet meer zoo lang zal vallen als de laatste maal.quot;

«En wanneer zal ik u weerzien? Vergeef het mij, dat ik «smeek, uwe terugkomst te bespoedigen. Gij zijt thans reed «langer uitgebleven dan gewoonlijk; doch dat zou i «niet eens in aanmerking willen nemen: het is nie «het aantal der dagen, maar wel degelijk der aandoenin «gen, waarmee ik vier dagen geleld heb, dat mij me «een angstig verlangen naar uw geliefde stem, naar. uw «zoo innig door mij bemind gelaat vervult. Nooit is uw «afwezigheid le voren mij zoo pijnlijk geweest, nooit wa; «ik zoo geheel verlaten, zoo arm in de wereld. Een heime «lijke stem fluistert mij telkens toe, dat wij voor eeuwi[ «gescheiden zijn. O, dat ontzetlende voorgevoel van mijl «hart kan ik niet weerstaan! Toen mijn brave vader nos «leefde, had ik — want ik was slechts een kind — volstrek «geen begrip van de gewaarwordingen, die hem vervulden, al «hij zeide: de sterren bepalen ons lol! Immers kon ik in J «sterren onmogelijk de bodinnen van vrees en de verkondigster «van ongunstige lijdingen zien. Integendeel schenen zij mi «in haar vroolijk flikkeren en glinsteren duurzame liefde te bfr «loven. En zoo dikwijls als ik naar haar opzag, dacht ik «aan u, en uw beeld verscheen mij, zoo als gij weet, reed* «toenmaals in een onbeschrijfelijke, maar nooit beneveld

wai

:al

nal

üs

iet

iO!

ir

)eI wa lei

VO{

ils i

sul be: pu te

-ocr page 233-

\'J27

at

akej Jere lt;hei

j vo ver eten t ui i da

e gi

e lx een

vaai .veel hel it zi I, da

lorie. Maar thans, ofschoon ik u oneindig sterker beminne, an ik mij van allerlei sombere gedachten niet ontdoen, in zoo komt het mij ook voor, dat de sterren, die zoo vol ian uwe beeldtenis zijn, zich in rouwfloers hullen. En het led, waarop ik iederen morgen mijn armen naar u uitstrek, in u niet vind, en desniettemin nog den gansshen dag zonder moet. leven; het bed, waarop ik thans dezen brief aan u chrijf — want ik, die anders met, het krieken van den dag ipstond, ben thans te moedeloos, om niet te beproeven, den \'oor mij zoo lastigen dag te verkorten — het bed heb ik lader bij het venster laten plaatsen, en eiken nacht zie ik laar den helderen hemel op, en uit iedere ster, die ik be-chouw, heb ik mij een vriendin gemaakt. Ik vraag haar laar u, maar twijfel, of gij wel aan mij denkt, als gij uw lik opwaarts slaat. Ik zie liever naar den hemel op, dan jaar de aarde neer; want de hoornen en het water en de ieuvels rondom mij kunt gij niet zien; maar de hemel, waar-ik staar, straalt ook op u neer en deze gemeenschappe-ijke medgezel vereenigt ons nog. Ook heb ik over mijns vaders eer nagedacht en getracht barer kundig te worden: glim-

eerdBach vrij, uwe afwezigheid heeft mij bijgeloovig gemaakt.quot; )reii ))Maar zeg mij, mijn geliefde! zeg mij, wanneer — o wan-it 11 leer keert gij terug? Keer slechts deze eene maal weder, al i bi ware het ook slechts voor een enkelen dag, en nooit, nooit al ik ii weer vervolgen. Ik kan u niet zeggen, hoe afge-ikiBnat en treurig ik geworden ben. Ieder uur slaat mijn hart ds een doodsklok. Kom terug bij uwe arme Lucilla, al ware iet slechts, om te zien, wat onuitsprekelijke vreugde is. — iom, — o ik weet zeker, dat gij zult komen. Maar, mocht r iets — wat ik onmogelijk voorzien kan —u terughouden, lepaal dan ten minste den dag, ja, kan het zijn, liet uur, waarop wij elkander zullen weerzien, en laat de inhoud van don brief, die mij zulk een gelukkige tijding brengr, toch ooral niet kort, maar lang, zeer lang en vol van u zijn, zoo üs uw brieven te voren altijd waren. Ik weet wel, dat ik a vermoei, maar ik bemin u zoo oprecht, zoo innig — gij uit mij dit dringend smeeken ten goede houden. Ach! ik )en zoo zwak, zoo geheel ter neêrgeslagen, zoo geheel nitge-lut, dat ik enkel nog kracht heb, om voor uw terugkomst e bidden.quot;

me nin in u« uw wa me iwij niji no^ rek ,ali » d( iters mi be-t ik ;eds ?lile

— sGij hebt gezegepraald, Lucilla! gij hebt gezegepraald!quot; ep Godolphin, terwijl hij den hartstochtelijken en liefdevol irwijlenden brief kuste en in zijn boezem stak — »ja, duizendaal liever wil ik zelf ellendig zijn, dan u ellendig maken!quot;

15*

-ocr page 234-

•220

«dikwijls — doe ik mij zelve scherpe verwijlingen, dat ik sniet ijveriger gepoogd heb, om mij uwer waardiger te maken, ilntusschen geloof ik, dat, zoo mij dezelfde middelen, als anderen »ten dienst stonden, ik ook met dezelfde gemakkelijkheid »mijn gedachten zou weten uit le drukken; en mijn gedacli-»ten kunt gij toch nooit wraken; want ik weet, dat zij vol jvan een liefde voor u zijn, die geen vrouw, zelfs de ver-»standigsle, de schoonste niet, die gij ooit moogt ontmoeten, »slechls in hare verbeelding kan bereiken. Maar sedert uw »vertrek heb ik alle mogelijke pogingen aangewend, om dat ngebrek le verhelpen: in alle boeken heb ik gelezen, die gij »\'gaarne laast, en ik verbeeld mij, dat ik thans dezelfde be-»grippen ingezogen heb, die u quot;behagen, en waarvoor gij eens swaandet, dat ik volstrekt geen belangstelling kon gevoelen. «Hoe hebt gij gedwaald! — Ik zie uit de aanmerkingen, die »gij op de kanten der bladzijden gemaakt hebt, degewaar-»wordingen, die u, onder het lezen, bezielden; maar ik veel, »dat ik ze reeds veel, veel dieper en levendiger gevoeld heb, »dan zij daar voorgedragen zijn: slechts dacht ik, dat zij «eigenlijk in geene taal uit te drukken waren. Mij dunkt, dat sikquot; thans die taal heb geleerd: ook heb ik liederen geleerd, ))die gij, als gij eens teruggekeerd zijt, zeer gaarne zult hooren. «Daarenboven heb ik mij iu de muziek geoefend, zoodat ik «hoop, ja, mij genoegzaam overtuigd houd, dat de lijd^ u bij «mij niet meer zoo lang zal vallen als de laatste maal.quot;

«En wanneer zal ik u weerzien? Vergeef het mij, dat ik u «smeek, uwe terugkomst te bespoedigen. Gij zijt thans reeds «langer uitgebleven dan gewoonlijk; doch dat zou ik «niet eens in aanmerking willen nemen: het is niet «het aantal der dagen, maar wel degelijk der aandoenin-«gen, waarmee ik vier dagen geteld heb, dat mij met «een angstig verlangen naar uw geliefde stem, naar. uw, «zoo innig door mij bemind gelaat vervult. Nooit is uwe «afwezigheid le voren mij zoo pijnlijk geweest, nooit was «ik zoo geheel verlaten, zoo arm in de wereld. Een heime-«lijke stem fluistert mij telkens toe, dat wij voor eeuwig «gescheiden zijn. O, dat ontzettende voorgevoel vau mijn «hart kan ik niet weerstaan! Toen mijn brave vader nog «leefde, had ik — want ik was slechts een kind — volstrekt «geen begrip van de gewaarwordingen, die hem vervulden, als «hij zeide: de sterren bepalen ons lol! Immers kon ik in de «sterren onmogelijk de bodinnen van vrees en de verkondigsters «van ongunstige lijdingen zien. Integendeel schenen zij mij «in haar vroolijk flikkeren en glinsteren duurzame liefde te be-«loven. En zoo dikwijls als ik naar haar opzag, dacht ik «aan u, en uw beeld verscheen mij, zoo als gij weet, reeds «toenmaals in een onbeschrijfelijke, maar nooit benevelde

-ocr page 235-

227

ïglorie. Maar thans, ofschoon ik u oneindig sterker beminne, skan ik mij van allerlei sombere gedachten niet ontdoen, «en zoo komt het mij ook voor, dat de sterren, die zoo vol )»van uwe beeldtenis zijn, zich in rouwfloers hullen. En het «bed, waarop ik iederen morgen mijn armen naar u uitstrek, sen u met vind, en desnielfemin nog den ganschen dag zonder sa moet leven; het bed, waarop ik thans dezen brief aan u »schrijf — want ik, die anders met het krieken van den dag «opstond, ben thans te moedeloos, om niet te beproeven, den «voor mij zoo lastigen dag te verkorten — het bed heb ik snader bij het venstor laten plaatsen, en eiken nacht zie ik snaar den helderen hemel op, en uit iedere ster, die ik be-sschouw, heb ik mij een vriendin gemaakt. Ik vraag haar snaar u, maar twijfel, of gij wel aan mij denkt, als gij uw sblik opwaarts slaat. Ik zie liever naar den hemel op, dan snaar de aarde neer; want de boomen en het water en de sheuvels rondom mij kunt gij niet zien; maar de hemel, waar-sop ik staar, straalt ook op u neer en deze gerneenschappe-slijke merlgezel vereenigt ons nog. Ook heb ik over mijns vaders sleer nagedacht en getracht harer kundig te worden: glim-slach vrij, uwe afwezigheid heeft mij bijgeloovig gemaakt.quot;

«Maar zeg mij, mijn geliefde! zeg mij, wanneer — o wan-sneer keert gij terug? Keer slechts deze eene maal weder, al sware het ook slechts voor een enkelen dag, en nooit, nooit szal ik u weer vervolgen. Ik kan u niet zeggen, hoe afge-smat en treurig ik geworden ben. Ieder uur slaat mijn hart sals een doodsklok. Kom terug bij uwe arme Lucilla, al ware shet slechts, om te zien, wat onuitsprekelijke vreugde is. — sKom, — o ik weet zeker, dat gij zult komen. Maar, mocht ))er iets — wat ik onmogelijk voorzien kan —u terughouden, ))bepaal dan ten minste den dag, ja, kan het zijn. liet uur, »waarop wij elkander zullen weerzien, en laat de inhoud van ïden brief, die mij zulk een gelukkige tijding brengt, toch «vooral niet kort, maar lang, zeer lang en vol van u zijn, zoo sals uw brieven te voren altijd waren. Ik weet wel, dat ik siu vermoei, maar ik bemin u zoo oprecht, zoo innig — gij szult mij dit dringend smeeken ten goede houden. Ach! ik sben zoo zwak, zoo geheel ter neergeslagen, zoo geheel uitge-))put, dat ik enkel nog kracht heb, om vooi uw terugkomst «te bidden.quot;

— sGij hebt gezegepraald. Lucilla! gij hebt gezegepraald!quot; riep Godolphin, terwijl hij den hartstochtelijken en liefdevol verwijtenden brief kuste en in zijn boezem stak — »ja, duizendmaal liever wil ik zelf ellendig zijn, dan u ellendig maken!quot;

15*

-ocr page 236-

228

Zijn hart bestrafte hem over deze laatste uitdrukking. Was hei dan een ongeluk, deze reine, zich zoo geheel aan hem overgevende liefde aan te nemen? was het een offer, haar te beantwoorden? — Door deze gedachten gepijnigd, en naar rust hakende, snelde hij naar buiten: hij ging de stad door,kwam aan de porte St. Sebasüano, bereikte de Via Appia en zag, eenzaam en somber, als te voren, de woning van den ontslapen Volkmann voor zich. Bijna onwillekeurig was _ hij dezen weg in geslagen, om zich in zijn genomen besluiten te versterken en met zijn geweten in vrede te blijven. Hij spoedde zich verder en rustte niet, dan toen hij op die bekoorlijke, voor hem heilige plaats — het dal van Egeria — aangekomen was, waar hij Lucilla op den dag van haar eerste bekentenis ontmoet had. Thans lag er eene schaduw over het oord: de dag was somber, de lucht zwaar bewolkt en gedrukt, het vogelenkoor zweeg. Hij trad de grot binnen, die eens het tooneel der schoonste lietde was, welke de geschiedenis van het zachte zuiden ons bewaard heeft. Hij herinnerde zich de gloeiende, hartstochtelijke gevoelens, die hij de laatste maal, toen hij zich in deze grot bevond, voor Lucilla gekoesterd en ten onrechte voor ware liefde gehouden had. Hij zag rondom zich: hoe geheel anders zag dit plekje er thans uit! Toenmaals schenen hem deze wanden, deze bron, zelfs dat verminkte standbeeld, de zachte aandoeningen, waaraan hij zich overgaf, op te wekken. Thans schenen zij hem rijn zwakheid te verwijten. Het gebroken standbeeld van den riviergod, de doodsche stilte, door welke het water der liefelijke bron zijn melancholieken loop neemt, de akelige eenzaamheid, alles scheen verstaanbaar te spreken, niet van lietde maar van teleurgestelde, verloren hoop en van het treurige ledige, dal daarop volgt. Zelfs in de oudheid dezer plaats lag als ware het, een bespotting der menschelijke hartstochten. Vijf en twintig eeuwen waren sedert de gebeurtenis, die haar heiligden, voorbijgegaan, en die gebeurtenis zelve was een fabel! Wat was bij deze ontzachelijke ophooping van het ^and des tijds een enkel zonnestofje? Wat was onder de millioanen welke op dit eenzame piekje bemind en hunne liefde vergeten hebben, de kortstondige hartstocht van een sterveling, die reeds in het ontstaan verflauwde? Zoo verschillend moraliseert het hart, in den zin der hartstochten, die er het thema aan leveren.

Eer hij weder in zijn woning terugkwam, was zijn besluit genomen. Des anderen daags had hij beloofd Constance naar Tivoli te vergezellen. Zijn voornemen was, haar, bij die gelegenheid, voor altijd vaarwel te zeggen en den daarop volgenden dag naar Lucilla terug te keeren. Met een bitter verdriet, herinnerde hij zich, dat hij haar sinds lang, driemaal

-ocr page 237-

2^9

langer aan gewoonlijk niet geschreven had. Hij besloot, dat ten minste deze brief haar in hare hoop niet zou teleur stellen. Hij schreef en wel met al de warmte van een door gewetensknagingen weêr opgewekte teederheid. Hij melde haar zijn onverwijlde terugkomst, en dwong zich zelve, om haar dit met een huichelende verrukking te melden. Voor de eerste maal, sedert verscheidene weken, was hij met zich zeiven tevreden, toen hij den brief verzegelde. Het is in-tusschen twijfelachtig, of Lucilla dezen brief wel ooit ontvangen heeft.

-ocr page 238-

XL.

Tivoli. — De grot der Sirenen. — De bekentenis.

Langs de onvruchtbare Campagna en een reeks schamele, morsige woningen loopt de weg, tot plotseling het bevallige Tivoli ons tegenlacht.

»0 zie toch! — zie toch!quot; riep Constance in verrukking, terwijl zij naar den bruisenden stroom wees, die door dicht bosschaadje en over steile afgronden stortte.

Verbaasd over het zwijgen van Godolphin, dien zulk een gezicht doorgaans in geestdrift deed ontvlammen, wendde zij zich schielijk om, en quot;de hooge vlucht harergewaarwordingen werd door de neêrslachtigheid, die uit zijn gelaatstrekken sprak, plotseling gestremd. _

«Inderdaad,quot; zeide zij na een korte poos zwijg ens, zich tot een vroolijk glimlachje dwingende—»dat is ergerlijk! Anders ontgaat u geen enkel groen plekje met een ouden boom in het^ midden, geen beek met een daaraan grenzende weide. Gij dwingt ons, in uwe verrukking te deelen, of berispt ons over onze koelheid — en thans, in dit hemelsche oord, thans, daar zelfs lady Charlotte getroffen is, en de heer Saville ïich zelf vergeet, zijt gij in hel zwijgen der gevoelloosheid verzonken. Mag men de reden hiervan weten, als zij wel te verstaan, niet te diep ligt?quot;

»De reden ligt hier!quot; zeide hij smartelijk, zijn hand op zijn borst drukkende.

Constance wendde zich af: zij vleide zich met de hoop, dat hij zich vroegere tooneelen herinneren en in die herinnering aau de toekomst wanhopen zoude. Zij bracht zijn zwaarmoedigheid met. zich zelve in aanraking, en wist, dat, als dit zoo ware, zij haar zou kunnen verdrijven. Door dit denkbeeld bemoedigd, en door het schoone van den morgen en de

-ocr page 239-

231

wondervolle, heerlijke natuur als met em nieuw leven bezield, liel zij haar geest vrij uitstroomen, zoodat Godolphin dan eens de grootte van zijn offer vergat, dan weer des te bitterder gevoelde. Van lieverlede liet Godolphin zijn achterhoudendheid varen: hij deelda in Constance\'s geestdrift en deed haar hare verrukte blikken op nieuwe bekoorlijker punten vestigen. Zijn met de schatten der oude tijden bekende geest wist uit ieder voorwerp leven te scheppen. De waterval, de ruïne, de grot, de steile, met olijfboomen bezoomde oever, iiet donkere cipressenboschje, bet bruisen van de onstuimige Anio — alles beademde hij met het betooverende der verledenheid, met de heerlijkheid der geschiedenis en der legende, en met den bloesem der eeuwige poëzie, die zelfs thans nog, om haar kinderen treurende, tussciien de wijngaarden van het oude Tibur wandelt. En Constance luisterde geheel weggesleept, mot ingespannen aandacht toe, tot zij zelve onwillekeurig in een diep zwijgen verzonk en zich geheel aan de zaligheid der liefde, aan de trotschheid op het door baar beminde wezen overgaf. Nooi! was haar het zeldzame, veelzijdige genie van Godolphin zoo bewonderenswaardig voorgekomen. Toen bij ophield met spreken, scheen het Constance alsof er plotseling een ledig in de schepping beerschte.

Godolphin en de jonge gravin waren het kleine gezelschap eenige schreden vooruil, en thans sloegen zij den weg in naar de Grot der Sirenen. Het pad, hetwelk naar deze zonderlinge plaats leidt, is altijd vochtig en daardoor glibberig, zoodat men, om zich op de been te houden, zich steeds aan de struiken moet vasthouden, die langs den kant van den afgrond wassen.

»Wij zullen den gids achterlaten,quot; zeide Godolphin. »lk ken ieder gedeelte van den weg, en ik ben overtuigd, dat gij evenzeer, als ik, een afkeer hebt van die snappende machines, van die levende merkteekenen der bewondering. Laat hem aan lady Charlotte en Saville over en veroorloof mij u naar de grot te geleiden. — Gaarne gaf Constance liaré toestemming en ging verder mot hem. Saville, wien hel mocielijke en gevaarlijke pad, dal slechts naai een koud oord zou leiden, volstrek! ^een genoegen verschafte, bleef aldra achter en stelde lady Charlotte voor, hetzelfde te doen. Lady Charlotte gaf aan het vernuftige gesprek van haren geleider verre de voorkeur boven het schilderacl.tig schoone oord: »en bovendien,quot; zeide zij, »heb ik do grot ook reeds gezien.quot; — Dus wachtten zij beiden op de terugkomst van Constance en Godolphin.

Constance, die hel achterblijven barer vrienden niet vermoedde, en wegens de oplettendheid, die elke stap, dien zij deed, van haar vorderde geen enkele keer omzag, vervolgde haar we.. . En hoe bekoorlijk scheen haar thans dit ongebaande pad, toen haar ieder oogenblik Godolphins hulp, Godolphins hand

-ocr page 240-

232

noodig werd, en hij, verrukt, ontvlamd door hare nabijheid, door hare aanraking, door haar teeder, zacht, in liefde wegsmeltend oog — maar neen, neen, neen, nog was Lucilla niet vergeten!

Eindelijk bevonden zij zich in de Grot der Sirenen. Van dit punt alleen overziet men den ontzettenden waterval, die neêrdondert als door de macht van een God. De rotsen rondom haar droppelden, de stroom schuimde aan haar voeten: meer en meer- bruiste het razende clement; boven niets dan woede, onder niets dan nacht: daar de waterval, hier de afgrond. Geen oogenblik stilte, geen oogenblik rust in dit verdoovende, bedwelmende gedruisch. En hier midden in dezen geweldigen, eeuwigen strijd, stonden twee wezens, die in dit oogenblik geheel vervuld waren van den hoogsten hartstocht dermensch-heid En deze hartstocht verstomde ook daar niet: de stem der uitwendige natuur overweldigde de stem der inwendige natuur niet. Zelfs onder de fijne, koude waterdroppels, die rondom spatten, voelde Godolphin den gloed van zijn hart.

Constance was in een chaos van eerbied en bewondering verzonken, die haar geheel van haar spraak beroofde. Maar het lag in de natuur van haar zonderlingen geliefde, dat hij juist onder de meest woeste en meest ongewone bewegingen van het leven tot het besef van zijn krachten en hartstochten ontwaakte. Een onstuimig vuur doorgloeide zijn aderen; zijnen geest doortrilde die razende overspanning, die de zoo zeer bekende en zoo vaak bestredene stelling herinnerde: shebt gij ooit met uwe geliefde aan den rand van een afgrond gestaan, en den wensch in u voelen opkomen, om u met haar in de diepte te storten? — Ja, dan hebt gij wezenlijk bemind.quot; — Dit is, buiten twijfel, een overspannen idee; maar er zijn oogên-blikken, waarin de liefde overspannen is. Constance had, zonder het te weten, zich steeds dichter aan Godolphin gedrongen. Eerst ondersteunde hij haar met zijn hand, toen met zijn arm, en eindelijk, weggesleept door een onweerstaanbare macht, trok hij haar aan zijn boezem en fluisterde haar met een stem, die zij zelfs onder den donder van den schiü-menden waterval duidelijk verslond: »hier, hier, mijn dierbare! mijn eenige geliefde! hier gevoel ik het mijns ondanks, dat ik u nooit geheel, nooit zoo innig, zoq oprecht aangebeden heb, als thans!quot;

-ocr page 241-

X LI

Lueilln. — De eenzaamheid. -- tiet besluit.

Terwijl deze, voor Lucilla zoo noodlottige gebeurtenissen in Rome voorvielen, wandelde zij, in een rusteloozen strijd rnet haar eigen hart, langs den oever van liet meer, welks glinsterende, kalme oppervlakte de stemming van haar gemoed, waarvan het eens in gelukkige dagen de spiegel geweest was, thans scheen te hespolten. Zij had den zwaren last des tragen tijds gedurende den winter getorscht, en reeds was de zachte lente ontwaakt en had leven over de ontwakende natuur geademd. Te voren had dit jaargetijde voor Lucilla steeds een geheimvolle, heilige bekoorlijkheid gehad; thans was haar stem verstomd. De brieven, die Godolphin haar geschreven had, waren zoo zeldzaam geweest en, vergeleken met de vroegere, zoo gedwongen, dat haar eenige verpozing van haar treurige moedelooze neerslachtigheid in enkele aanvallen van twijfel, jaloezie en wanhoop bestond.

Het is de gewone loop der wereld, dat, ajs wij eenmaal iemand verongelijkt hebben, wij, uit een zekere ontstemming onzer ziel, waarmeê het geweten het gevoel der beleedigde partij verbindt, in het ongelijk steeds verder en verder gaan. En zoo gevoelde Godolphin, in den strijd met. de neiging tot zijn eerste en nooit vergeten liefde, den zelden met eenig goed gevolg bestreden tegenzin, om tegenover Lucilla te veinzen. Zelfs zijn gewetensknagingen maakten hem onvriendelijk: het besef, dat hij vaak behoorde te schrijven, veroorzaakte, dat hij zelden schreef; en in de overtuiging, dat hij haar gulle, liefdevolle taal liefdevol moest beantwoorden, beantwoordde hij haar onwillekeurig steeds gemelijk en achterhoudend. Dit ailes is, trouwens, zeer natuurlijk en schijnt ons ook zeer verklaarbaar; doch Lucilla kwamen eerder duizend geheimzinnige dingen voor

-ocr page 242-

234

den geest, dan een enkel vermoeden van de wezenlijke waarheid.

Middelerwijl liield zij zich nog- steeds ijverig met de nasporingen hezig, die haar den tijd kortten en haar verbeelding vleiden. Bij een zoo hedriegelijke; nietswaardige wetenschap komt het er gelukkig niet op aan, of de leerling met een geleidelijke orde en con amore arbeidt; maar wie ooit een blik op de geheimzinnige vormen en zonderlinge figuren dezer kunst, geworpen heeft, dien behoef ik niet te zeggen, hoe langzaam de vorderingen der dochter in de wetenschap baars vaders waren. Doch bet was immers reeds een troost en een verkwikking, naar don helderen bemel op te zien en gissingen uit de taal der sterren op te maken. Maar zelfs terwijl zij de toekomst raadpleegde, dacht zij steeds aan haar geliefde. In-tusschen verliep de eene dag na den anderen, er kwam geen brief: zij wachtte vruchteloos ep tijding van den teedergeliefde. Eindelijk verloor Lucilla alle bedaardheid en geduld: haar zenuwen geraakten in een koortsachtige spanning, en de nare, eeuwigdurende eenzaamheid veroorzaakte een overprikkeling, die de voorloopster van krankzinnigheid is, die, naar men wil, den misdadiger in zijn engen kerker soms overvalt.

Op den dag, toen zij den zooeven door ons medegedeelden brief aan Godolphin schreef waren haar zenuwen buitengewoon aangetast. Zij verlangde, ergens heen te kunnen vlieden, ja een- of tweemaal kwam zij op hel denkbeeld, dat Rome zoo ver niet lag, en dat zij wel even zoo schielijk, als haar brief daar zou kunnen zijn. Ofschoon wij nu in dien brief van Lucilla \'I eerst haar wensch medegedeeld hebben, dat Godolphin mocht terugkeeren, had zij echter eigenlijk te voren altijd (hoezeer dan ook misschien te schroomvallig) die snaar aangeroerd. Lucilla had geen reden om te hopen, dat deze haar bede een gunstiger gevolg zou hebben, dan haar vroegere en in allen geval durfde zij niet onderstellen, dat zij onverwijld zou vervuld worden. Zij zag nieuwe verontschuldigingen, nieuwe vertragingen te gemoet. Het is derhalve niet Ie verwonderen, dat het verlangen in haar meer en meer toenarn, om haar brief naar Rome te volgen, en ofschoon zij door le vrees voor Godolpbins misnoegen teruggehouden, en ook min of meer afgeschrikt werd, om dit denkbeeld stellig vast te houden, vertrouwde zij echter op de zachtheid van zijn karakter en leefde in do overtuiging, dal zijn misnoegen slechls van zeer korten duur zou zijn. Desniettemin was het een koene stap, en Lucilla dacht te kiesch, om hier niet schroomvallig le zijn; en bovendien kwam zulk een reis hef onervaren meisje als een verschrikkelijke onderneming voor.

Hel denkbeeld bij zich zelve overwegende, zocht zij haar toevluchtsoord op en bladerde verstrooid in de boeken, in

-ocr page 243-

\'235

welke zij sedert koel studeerde. Toen zij eindelijk een in handen nam, dal zij lot hiertoe niet opgemerkt had, viel er een papier uit. Zij nam het op: het bevatte de figuur, welke de astrologist aan zijn dochter geloond en haar als een toover-middel geroemd had, om droomen voorl te hrengen, waardoor de geloovige al, wat hij nopens personen of gebeurtenissen ■wenscht le welen, kon te weten komen. Toen zij de figuur zag, herinnerde zij zich het gansche gesprek, dat zij destijds met haar vader had gehouden, en zij besloot, nog dienzelfden nacht het vermogen van een toovermiddel te beproeven waarin haar vader zulk een onbepaald vertrouwen stelde. Vol van dezen waan, verlangde iij vurig naar den nacht. Zonder op te zien, staarde zij op de zonderlinge figuur en de daarbij gevoegde wonderbare teeltenen, die het tooverformulier uitmaakten. De zonderlingheid daarvan versterkte haar zoo als licht te begrijpen is, in haar geloof, en een rilling liep haar door de leden, toen de avond begon te vallen, en de tijd meer naderde, waarop de proef door haar zou genomen worden. Eindelijk was het nacht, en Lucilla snelde naar haar slaapkamer.

De lucht was ongemeen helder, en de sten\'en fonkelden door het venster met een glans, die haar geheel profetisch, vol voorbeduiding scheen. Blootsvoets, slechts in een lichte kleeding, trad zij sidderende, over den drempel, bleef een oogenblik staan en staarde in den duisteren, stillen nacht.

Zij was een beeld — ik zou ware ik schilder geweest, mijn jeugd er voor gegeven hebben, om het le schilderen — half in \'t licht, half in de schaduw — hals en boezem ontbloot — vormen en lint, die de natuur nooit overtroffen heeft. De armen waren over de borst gekruist, en het lange baai-golfde, nog donkerder door dit schemerlicht, welig neer. Zij stond stil, als aanbiddende, en misschien bad zij wezenlijk. Haar gezicht was eenigszins opgeheven en staarde naar den hemel en naar Rome. Maar welk een gelaat! Het was zoo jeugdig, zoo kinderlijk, zoo zedig, en nochtans zoo zichtbaar ontsteld door den smartelijken twijfel, de bovennatuurlijke vrees en het hemelsche hopen, dat op haar voorhoofd, op haar geopende lippen en in haar fonkelende oogen lag. Er was iels verhevens in de eenzaamheid dezer jeugd en in dit bijgeloof, dat slechts uit de diepte eener ondoorgrondelijke en alles vermogende liefde oprees. In de verte hoorde men het klotsen van hel meer legen den oever — anders volstrekt geen geluid.

Lucillla verwijderde zich van het venster, knielde neder, schreef met een bevende hand een woord onder het afbeeldsel — den naam Godolphin. Vervolgens legde zij het blad papier onder haar hoofdkussen en de beloovering was vol-

-ocr page 244-

236

bracht. De astrologist had haar van de noodwendige medewerking gesproken, door welke de geest hel werk moet ondersteunen; maar Lucilla behoefde, geen aanprikkeling, en haar zinnen uitsluitend op het visioen te vestigen, dat zij wilde bezweren; en ten hoogste wonderbaar zon het geweest zijn, dat, na de diepe, ingespannen aandacht, waarmee zij Godol-phins beeldtenis beschouwd had, die beeldtenis niet, ook zonder cabalistische formulieren, haar in den droom zou verschenen zijn.

Zij droomde, dat het midden op den dag was, en zij alleen in het huis zat, dat zij bewoonde, en dat zij bitter weende. Plotseling riep Godolphins stem om haar: zij snelde naar buiten, en nauwelijks was zij over den drempel, of het oord. waarmee zij zoo gemeenzaam bekend was, verdween voor haar oogen, en zij bevond zich geheel alleen in een wiiduitgestrekte, akelige woestenij: er was geen boom, geen water: alles was dor, bar — dood. Doch wat haar het zonderlingste voorkwam, was, dat aan den hemel, ofschoon hij helder en zelfs glanzend was, zich noch zon, noch maan, noch sterren vertoonden: het licht scheen als verstijfd te rusten en levenloos te zijn. En zij droomde al verder, dat zij door die woestenij trok en menigmaal naar eenige verpozing verlangde; maar dat haar leden haar wil niet gehoorzaamden, en een macht die zij niet beheerschen kon, haar steeds voortdreef,

Eensklaps hield alles op, dood en stom te zijn. Uit het zand, even als uit blazen, kwamen, achter elkander, niets dan afzichtelijke, kruipende spoken te voorschijn: walgelijke zangen drongen in haar ooren dan eens vol van bitteren spot, dan weêr een verschrikkelijke begeerte te kennen gevende. De afschuwelijde spookgedaanten drongen steeds dichter en dichter om haar heen: de angst dreef haar voort: zij snelde w7eg, zij trachtte te ontkomen; maar hoe meer zij zich spoedde, des Ie luider werden de stemmen, des te heviger vervolgden haar de spoken. Overal zag en ontmoette zij schandelijke beelden, voor welke haar reine onschuld met afgrijzen terugbeefde; er was geen hol, geen grot, om zich te verbergen, geen toevluchtsoord, om zich te redden. Afgemat en wanhopende bleef zij eindelijk staan; doch nu verloren de spookgedaanten en de stemmen al het verschrikkelijke: haar oogen en ooren gewenden er zich aan, en eindelijk werden zij haar medge-zellinnen.

En wederom was de woestenij verdwenen: zij bevond zich in een zonderling oord, en tegenover haar stond Godolphin en staarde haar met treurende oogen aan. Doch hij scheen veel ouder, dan zij was, en de sporen van zorg en kommer waren diep in zijn gelaat gegroefd, en boven hen beiden hing een hleeke, onbewegelijke wolk, en daaruit stak een reus-

-ocr page 245-

achtige hand en wees met een schaduwvinger op een gedeelte der aarde, dat in een dichte duisternis gehuld was. Toen zij nu al haar gezichtzenuwen inspande, om door de duisternis van dat oord te dringen, droomde zij dat Godolphin verdwenen en alles een stikdonkere nacht was, maar geen siille — want de winden huilden, de naburige verholgen wateren bruisten : zij hoorde de hoornen kraken en de ijzige lucht op haar neerstroomen. De storm was ontboeid; maar middenin het geweldige oproer der elementen hoorde zij den hoefslag van een paard en terstond daarop een woesten schreeuw, in welke zij Godolphins stem herkende, en die de woede der natuur door den ijsselijken kreet van menschelijke wanhoop nog verschrikkelijker maakte. Op het geschreeuw volgde een luid bruisen der golven en een woest brullen der winden, tol de onbeschrijfelijke angst de boeien van den slaap verbrak, en zij ontwaakte.

Het was bijna dag, maar de helderheid van den nacht was verdwenen. De regen viel in stroomen neer, en het huis daverde van den onlzellenden storm. De droom had Lucilla in haar bijgeloof versterkt. Duizend bekommernissen, meer om Godolphin, dan om haar zelve, en zoo al ook om haar zelve, dan slechts met betrekking tot hem, beheerschten haar gedachten. Zij kon niet langer wachten, geen uitstel dulden; zij besloot, zich naar Rome te spoeden en Godolphin te zien. Schielijk wekte zij haar dienstmaagd, en bracht nog dienzelfden dag haar voornemen ten uitvoer.

-ocr page 246-

XLII.

Vreugde en wanhoop.

Het was legen den avond, toen Lucilla voor de deur verscheen, die naar Godolphins kamers leidde, en zij eenige oogen-blikken voor die deur bleef staan. Eindelijk vatte zij moed. De bediende, die haar binnen liet, was verbaasd en buiten zich zeiven van vreugde, toen hij Lucilla zag; want zij was de afgod van allen, die haar kenden, slechts niet van hem, naar wiens liefde alleen zij streefde.

Zijn heer, zeide hij, was slechts voor een korte poos uitgagaan, en den volgenden dag zou hij naar huis terugkeeren.

— Lucilla bloosde van vreugde, toen zij hoorde, dat haar brief zulk een onverwacht snelle uitwerking had gehad. Zij trad Godolphins kamer binnen. Zij zag de kenteekenen van een aanstaand vertrek: zij ging zitten en verbeidde, angstig en sidderende, de terugkomst van haar geliefde. Haar dienstmaagd, die haar vergezeld had, en meer aan aardsche behoeften dan aan liefde dacht, verliet haar. Lang kon Lucilla echter niet. rusten: aldra begon zij de lange, spaarzaam gemeubelde kamer

— hoedanige men doorgaans in Italië vindt—in een hevige gemoedsaandoening op en neer te gaan. Eindelijk viel haar oog op een open brief, die in een hoek van de schrijftafel lag. Verstrooid wierp zij een vluchtigen blik daarin, doch plotseling werd haar aandacht door eenige woorden geboeid. Waren deze woorden, deze hartstochtelijke woorden aan haar gericht? Niet — o hemel aan wien dan? Als altijd gaf zij toe aan de aandrift van het eerste oogenblik en las het volgende; ..

«Constance! welke herinneringen bestormen 11113, terwijl ik »dit woord schrijf! Hoe vele jaren lang is dit woord voor smijn hart een talisman geweest, die het naar willekeur

-ocr page 247-

sbestuurd en bewogen lieeO! Gij zijt de eerste vrouw, die ik uwezenlijk bemind heb. Gij weest mij af, en tocli kon ik du niet halen. Gij werdt het eigendom van een ander, maar «mijn liefde week niet van u. Uwe hand schreef, na den stijd van onze eerste ontmoeting, de geschiedenis van mijn «leven. Mijn gedachten, mijn daden, alles werd door uwen jiinvloed bestuurd en gewijzigd. En thans, Constance, zijt gij svrij, en ik bemin u vuriger dan ooit. En gij, ja, gij zult «mij immers thans niet terugstooten. Gij zijt wijzer gewor-«den en hebt de waarde van mijn hart leeren kennen. En «toch zal het noodlot, dat ons tot dusver gescheiden heeft, «ons nog verder scheiden. Alle hindernissen zijn verdwenen «op ééne na, en over die ééne moet gij richten.quot;

»Toen wij, voor jaren, van elkander scheiden, onderwierp «ik mij eenigszins geduldig aan de pijnigende herinnering, die «gij mij achterliet: ik poogde uw beeld te verdringen en door «verstrooiing in de verkeering met andere meisjes u te ver-»geten. Behoef ik u te verzekeren, dat alle andere meisjes, idie ik zag, de herinnering aan u mij nog dierbaarder maak-sten? Maar onder de vele onwaardige bevond er zich ééne, ))die ik, hadde ik u slechts niet eerder dan haar, gezien, «misschien even zoo innig, als u, zou bemind hebben, en in «de eerste opwelling mijner aandoeningen, in het eerste vuur «van den hartstocht meende ik, dat ik haar wezenlijk zóó «beminde. Zij was een wees, een kind in jaren en wereld-«kennis, en ik was, ik ben haar alles. Zij is wel door de «banden der kerk de mijne niet, maar ik heb haar een even «zoo verbindende heilige trouw gezworen. Zou ik dezen eed «breken? Zou ik een hart verscheuren, dat steeds liet mijne «was, inniger het mijne, dan uw, aan duizend gaven en hulp-«middelen zoo rijk hart ooit was, of ooit zijn kan. Zou ik, «die gezworen heb haar te beschermen, ik die haar reeds «haar goeden naam, en haar vrienden onlnometi heb, haar »nog daarenboven den vader, den broeder, deu gelietde, den «gade, zelfs de wereld — want ben ik niet dit alles voor haar\'? «— ontrooven? Nooill nooit! — Ik zal weten, dat uw hand «vrij is, dal gij o Constance\', gij de mijne zoudt kunnen «zijn. Maar zij moet nooit vermoeden, wat zij mij gekost «heeft. Ik ben reeds te koel, te ondankbaar jegens haar geweest «— ik zal het vergoeden. Mijn hart zal misschien onder die «poging breken, maar het zal haar vergelden. Gij, Constance, «kunt in de lierheid op uw hoog standpunt, op uw krachl-«vollen geest, op uw geregelde deugd — die in het keurslijf «der strenge zedeleer is gesnoerd — gij kunt misschien niet «begrijpen, hoe rein, hoe onuitsprekelijk liefdevol de ziel van «dat arme meisje is. Met schatten kan ik haar niet overladen «en haar dan verlaten; want mijn liefde is de eenige schal.

-ocr page 248-

\'240

»dien zij kent. De wereld heeft geen troost, geen vei-goeding »voor het verlies van mijn liefde; zelfs denkt zij slechts aan sden hemel als de plaats, waar wij voor eeuwig met elkander »zu!len vereenigd zijn. Ik weet, dat zij thans, ver van hier, ))in eenzaamheid treurt en alleen aan hem denkt, wiens ziel »door liefde voor een andere bestormd wordt. Mijn brieven, «haar eenige geluk, zijn, gedurende lt;ie laatste tijden, zeldzaam »en koel geworden: ik weet, dat zij haar hart diep gewond shebhen: ik verbeeld mij haar eenzaamheid, haar treuren, haar «verlaten jeugd, haar vurigen geest, die, niet door beschijving «verrijkt, slechts in een enkele gedachte leelt. Eer gij dezen «brief ontvangt, ben ik reeds op weg naar haar. Nimmer zal «ik mij weder aan de verzoeking bloot stellen, die ik heb door-ïstaan. Ik ben niet ijdel, ik misleid mij niet; ik spot niet «met ii door te gelooven, dat gij lang of bitter mijn verlies «zult beweenen. Ik heb u inniger bemind dan gij mij, en voor «u zijn tallooze kanalen geopend, om uwe schitterende ver-«wachtingen en uwe, zich zoo ver uitstrekkende eerzucht te «bevredigen. Gij bemint de wereld, en de wereld ligt aan uwe «voeten. Als gij u mij herinnert, zult gij misschien denken, «dat gij reden hebt, orQ op mij vertoornd te zijn. Waarom ben ik «tot u gekomen, daar mij toch een on verbreekbare band alle «hoop op uw bezit benam? Waarom veroorloofde ik mij een «woord, een blik, die u zeide, dat ik u nog beminde\'? Waarsom bovenal waagde ik het gisteren, toen wij ons alleen be-«vonden en door den waterstroom omgeven waren, mij te ver-sgeten, u aan mijnen boezem te drukken en u van een liefde «te verzekeren, die slechts hoon zoude zijn, indien ik die ver-«zekering niét plechtig wilde herhalen?quot;

«Dit allies zult gij vragen, en als het antwoord u niet bevredigt, «zal uwe fierheid mijn aandenken in wrevel begraven. Ook «dat — maar hoor mij ! — Constance, toen ik in mijn eerste jeugd, «ten tijde, dat het plantje nog week, het boompje nog te buigen «was, mijn hart en mijn toekomst aan uwe voeten nederlegde; «toen gij, op het gebod van een wereidsche, ijskoude ear-«zucht (kies viij een anderen naam, de zaak blijft dezelfde) mij in de eenzame woestenij des levens terugwierpt; toen gij «mij afvveest, mij verliet — gelooft gij, dat, ofschoon ik u «nog steeds beminde, zich in die liefde geen toorn heeft «gemengd\'? — Wij zagen elkander weer; maar wat al jaren «van een nulleloos verspild leven, van teleurgestelde ver-«wachtingen, van afgestorvene neigingen, waren sedert niet «veiioopen! En wie he ift ze zoo ellendig gemaakt? Gij! — «Verwondert gij u, dat menschelijke trotscheid menscbelijke «wraak verlangde? Ja, ook ik haakte naar dezen of genen «triomf — ik begeerde te beproeven, of ik vergeten was, «of het hart, dat mij getroffen had, ook zelf getroffen en

-ocr page 249-

241

»en gewond was geworden? — Was dit natuurlijk? Vraag »het u zelve en veroordeel mij, zoo gij kunt. Maar van liever-»lede, als ik steeds vaker een schoonheid zag, een stem hoorde, xdie zachter was geworden, dan zij te voren was; als ik ge-jvoelde, dat gij mij een vergo^ing niet zoudt weigeren — «verdween ook deze eigenbatige wensch naar wraak, en alle «gewaarwordingen verloren zich in ééne, die van een onweêr-«staanbare, oneindige liefde. En kunt gij mij veroordeelen, gt;dat ik toen — een verrader van mij zeiven, even als van u! »— bij u bleef? dat ik zoo lang roet mij zeiven streed, jeer ik besluiten kon, om de opoffering te doen? Ach, het ïheeft mij veel gekost,, rechtschapen te handelen! — Kunt igij mij veroordeelen, dat ik, gedurende al dien tijd, niet in ïstaat was, om mijn woorden en mijn oogen te beheerschen? »Ja, dat ik gisteren, toen ik, vertwijfelende op het denkbeeld, gt;dat wij voor altijd van elkander moesten scheiden, nevens ju stond — toen geen oog in de nabijheid was, toen gij met »een hemelsche bezorgdheid u aan mij klemdet — toen uw nadem mijn wangen aanroerde — toen mijn hart het kloppen «van uw hart voelde — toen mijn hand in uwe hand lag, ïdie mij een wereld kon schenken — toen mijn arm u «omvatte — o kunt gij mij veroordeelen, kan het u verwon-sderen, dat ik buiten mij zeiven geraakte, dat verwijtingen, «geweten, alles vergeten werd, en dat ik in dat oogenblik sslechts voor u gevoelde, slechts voor u leefde? Neen, gij «zult de zwakheid der menschelijke natuur erkennen, en mij «niet streng richten!quot;

«En waarom wildet gij mij de herinnering van dat korte joogenblik, van deze woeste omhelzing misgunnen? Hoedik-uwerf zal ik het in mijn geheugen terugroepen! Hoe dikwerf »zal ik, als ik de lichte, zwevende schreden van het wezen, ))tot hetwelk ik thans terugkeer, rondom mij hoor — hoe gt;dikwerf zal ik dan mij zelf bedriegen en mij verbeelden, dat »het de uwe zijn! Als ik haar adem voel, zal ik dan niet gt;droomen, dat hij van uwe lippen komt? Zal ik bij hare «liefkozingen niet denken, dat gij mij de verzekering eener gt;eeuwigdurende liefde toefluistert? — Vergeef mij Constance, gt;mijn aangebeden Constance die ik nooit zal wederzien — «vergeef mij deze warme woorden, deze voorbijgaande zwak-»heid. Vaarwel! Wat er ook van mij moge worden, God, «hid ik, schenke u zijne beste zegeningen!quot;

»Nog een woord! — Ik kan dezen brief nog niet sluiten. «Gij zult u nog wel herinneren, dat gij mij eens — het is nn «reeds jaren geleden — een bloem hebt geschonken. Tot «dezen dag heb ik de bladeren daarvan bewaard; doch ik wil «mijn zwakheid niet langer voeden, die u slechts zou belee-gt;digen en thans mijner onwaardig zijn. Ik zal u die bladeren

16

-ocr page 250-

242

^terugzenden: zij mogen voor mij spreken als de herinnering »van voormalige dagen. Ik moet eindigen, ik kan niet meer: »ik moet naar buiten, om weder tot mij zeiven te komen. »En o! moge zij, naar welke ik mij morgen heenspoede, welker «argeloos hart ik, door de beproeving gewaarschuwd, meer als »tot hiertoe bewaken, beschêrmen en troosten wil; moge zij »nooit vernemen, wat het mij gekost heeft, haar niet te verlaten,

»niet te verraden!quot; • , , n

En ieder woord van dezen brief las Lucüla. En welk een smart, welk een vertwijfeling bemachtigde haar onder het lezen! Al wat het leven haar aanbood, haar aanbieden kon, elk genoegen, elk genot, elke vreugde was vooi\'altijd verloren. Toen zij het laatste woord gelezen had, liet zij het hoofd op de borst zinken, en het was haar, als ot er een rots op haar hart ware gestort en het tot stof verbrijzeld hadde. Had de brief slechts een enkel onvriendelijk woord, slechts een enkel beleedigend denkbeeld tegen haar bevat, het zou voor haar troost, ofschoon dan ook een zeer armzalige troost geweest zijn — maar deze gruwzame teederheid — bij bittere grootmoedigheid!

En met welk een verrukking, met welk een zalig gevoel had zij er nog zoo even aan gedacht, hoe zij haar gelielde in de armen zou storten! — Het scheen ongelootelijk, dat slechts weinige minuten genoegzaam waren, om een geheel aanwezen te vernietigen, een geheele toekomst, zonder een enkelen sti aal van hoop, te verduisteren.

Door het gedruisch van zeer hoorbare voetstappen, in de naaste kamer, werd zij verschrikt. Tot geen prijs zou zij thans Godolphin hebben willen ontmoeten. Het denkbeeld van de mogelijkheid zijner terugkomst gat haar kracht, om zich op te richten. Zij verborg den noodlottigen brief in haar boezem, schreef, met een in het oog loopende vaste hand, haren naam op een blad papier en legde dit op de plaats, waar zij den brief gevonden had. Met reden geloofde zij, dat deze naam alleen alles zou zeggen, wat zij zelve thans niet zeggen kon. Nu stond zij op, verliet de kamer en sloop heimelijk naar buiten. .

Onbekommerd, werwaarts zij zich begaf, spoedde zij zich steeds verder, de oogen neergeslagen en het gezicht in haar mantel verbergende. Rome\'s slraten zijn zoo volkrijk niet als de onze, ook heerscht er in de, door zoo vele verhevene voorwerpen, als ware het, geheiligde stad geenszins die gemeene doellooze nieuwsgierigheid, waarmeê het eerzame Engelsche publiek zoo rijkelijk behept is. Ieder leeft voor zich zeiven en bemoeit zich niet met zijn buurman: de zedelijke atmosfeer van Rome is onverschilligheid. Lucilla kon zich derhalve onopgemerkt voortspoeden, tot eindelijk haar knieën knikten, en

-ocr page 251-

243

zij afgemat, maar steeds nog onbewust van al hetgeen rondom haar gebeurde, op een overblijfsel van oude pracht en pr.ial neerzeeg, die men te Rome in genoegzaam elke straat ontmoet. De plaats was stil en eenzaam en lag in de schaduw van een trotsch paleis, dat zich dicht daarnevens verhief. Zij ging zitten en poogde haar gedachten te verzamelen. Plotseling hoorde zij het geluid van een guitaar: eene kleine bende reizende muzikanten kwam de straat op: deze lieden geven aan het nieuwe Italië nog eenigszitis een poëtisch leven : de wezenlijkheid is voorbij, maar de geest toeft nog. Zij bleven voor een kleine woning staan; Lucilla zag op en ontdekte een jong meisje, dat een licht, als een welbekend teeken voor het venster plaatste en toen wegsloop. Middelerwijl stond de minnaar (die de muzikanten begeleid had en van geen zeer hoogen rang scheen) beneden met ontblooten hoofde, en in zijne opgeslagen oogen lag eene teederheid, een liefde en een eerbied, die voor Lucilla door het kontrast de herinnering nog bitterder maakte. De serenade begon. De melodie was onuitsprekelijk zacht en treffend, en de woorden waren in die, om mij zoo eens uit te drukken, zwemmende melancholie gedoopt, welke van de teederheid, zoo al niet van den hartstocht der liefde, volstrekt onafscheidbaar is. Lucilla luisterde onwillekeurig, en de betoovering miste haar uitwerking niet. Haar wrange smart smolt langzaam weg, en toen het gezang ten einde was, barstte zij in tranen uit en riep snikkende: «gelukkig, o, al te gelukkig meisje! Gij wordt bemind!quot;

En hier vaile de gordijn voor Lucilla — dikwijls — dik-wijils zie ik haar voor mij op den weg zitten — dikwijls zie ik haar — alleen en met een gebroken hart — in het schemerlicht van Rome weenen!

Ifi*

-ocr page 252-

*s

XLIIl.

Hel bittere der liefde.

Toen Godolphin in zijne woning terugkwam, vond hij de deur open, als Lucilla die gelaten had, en schielijk trad hij zijn kamer binnen. Hij snelde naar de schrijftafel, waarop hij, in den storm zijner aandoeningen, den brief aan Constance had laten liggen, doch hij vond slechts het papier, waarop Lucilla haar naam had geschreven. Terwijl hij ontzet zich daarover verwonderde, kwamen zijn bediende en Lucilla\'s dienstmaagd binnen, en binnen weinige oogenblik-ken had hij alles vernomen, wat zij hem hadden mede Ie deelen: het overige verklaarde Lucilla\'s handschrift hem genoegzaam. Hij begreep alles en zond, in een aanval van berouw en bezorgdheid, zijn bedienden naar alle richtingen uit, en begaf zich tevens zelf op weg, om haar op te zoeken. Hij begaf zich naar de woning van haar bloedverwanten, zij hadden haar niet gezien en ook niets van haar gehoord. Het was thans nacht geworden, en zijn nasporingen werden daardoor op alle wijzen bemoeielijkt. Geen spoor was te vinden; nu en dan volgde hij een persoonsbeschrijving, die hem met de persoon, die hij zocht, eenige gelijkenis scheen te hebben; maar Lucilla vond hij niet. Tegen het aanbreken van den dag keerde hij huiswaarts, en zijn eenige troost na deze lange vruchtelooze moeite was, dat haar dienstmaagd, hem verzekerde, dat Lucilla een som gelds bij zich had, die haar in Italië overal bescherming en deelneming moest verschaflen Maar geheel alleen, midden in den nacht op straat, — zij die met de wereld zoo onbekend was — zij, zoo jong — zoo bekoorlijk — hij beefde op het denkbeeld, en zijn adem begaf hem. Had zij misschien de hand aan zich zelve geslagen? Ook

deze ontzettende gedachte drong zich aan hem op, en hij kon zich daarvan niet ontdoen. Hij sidderde, als hij aan haar

-ocr page 253-

245

hartstochtelijk temperament dacht, en als hij zich herinnerde, ■welke wanhoop elk zijner woorden in dien brief aan. Constance bij haar moest verwekt hebben. En inderdaad kon zelfs zijn verbeelding zich de diepe smart van haar verscheurd gemoed niet voorstellen. Hij kwam slechts te huis, om zich terstond weer heen te spoeden. Hij wendde zich tot de policie en tot de ijverige en waakzame agenten, die zich te Rome tot. alle dingen laten gebruiken, zoodat hij bijna stellig overtuigd kon zijn, dat zij ontdekt zou worden.

Desniettegenstaande werd het middag, werd het avond, en nog was er niets ontdekt. Toen hij met de flauwe hoop terugkeerde dal hem nu misschien reeds in zijn woning de een of andere tijding van haar verbeidde, snelt zijn bediende hem met een briéf te gemoet: hij was van Lucilla en harer waardig.

Lucilla\'s brief.

»Ik heb uw brief aan een andere vrouw gelezen. Zegt u 5gt;dit niet genoeg? Zegt het u nietalles? — Alles?neen! Nooit, »nooit kunt gij u voorsteilen, hoe gebroken, hoe verbrijzeld mijn »hart is. Waarom? wijl gij een man zijt, en nooit zoo be-»mind hebt, ais ik bemin. Ja, Godolphin! ik wist, dat ik niet ^bekwaam was, om uw liefde te boeien. Ik ben een arm, on-»kundig, onbeschaafd meisje, dat niets in haar hart heeft, dan »een wereld van liefde, van welke zij u nooit, een denkbeeld »kon geven. Gij zeidet, dat ik u niet kon begrijpen; ach! »hoe veel lag hier, ligt. hier, in mijne natuur, in mijne ^gevoelens, dat voor u oog eeuwig ondoorgrondelijk zal blijven.quot;

»Maar dat doet alles niets ter zake. De band, die ons ver-»bond, is voor altijd verscheurd. Ga, dierbare, dierbare Godol-»phin! en verbind u met de gelukkigere, die zoo veel beter »bij u schijnt te voegen dan de onbeschaafde Lucilla. Bekom-»rner u niet om mij; gij zijt goed, zeer goed jegens mij gedweest; gij hebt mij wel is waar, de hoop ontnomen; doch »daarvoor hebt gij mij fiérheid geschonken. De slag, die mijn »hart vermorselde, heeft mijn geest verstaald. En, ai waren ïgij en ik alleen op deze aarde, wij zouden toch gescheiden «moeten biijven. Mijne wereld is niet uwe wereld; hoe kan, ^wanneer onze harten niet vereenigd zijn, onze verbindtenis »bestaan? En toch zou het nog iets zijn, als gij, daar de ^toekomst eenmaal voor mij gesloten is, mij ook niet het overledene hadt ontroofd. Maar ik heb niet eens het recht, »om een terugblik op het verledene te werpen! Hoe! Terwijl »mijn hart zich geheel voor u uitstortte; terwijl ik geene »andere gedachten, geene andere droomen had, dan u; terwijl gt;nk aan. uwe zijde zat en u verzorgde en uwe wenschen

-ocr page 254-

246

safluisterde en uwe gedachten poogde te raden; terwijl uw »hoofd aan mijn boezem rustte en ik niet slapen kon van »de onuitsprekelijke vreugde, dat ik u zoo nabij mij zag — »was intusschen uw hart verre van mij; zweefden intusschen »uwe gedachten naar elders: ik was u slechts een last, waarsvan gij verlangdet ontslagen te worden. Kan ik derhalve „naar de uren terugzien, die wij met elkander doorbrachtert? „Dat gansche verleden is slechts een volgreeks van schande »en bitterheid. En toch kan ik niet boos op u worden: »het zou een troost zijn, indien ik het konde: hoe minder gij »mij bemindet, des te goediger en grootmoediger werdt gij »jegens mij, en God zal u, bid ik, voor uwe goedheid, aan de »arme, verlatene wees betoond, rijkelijk zegenen. Nooit hebt „gij mij droefheid veroorzaakt; nooit heb ik een hard woord, »een enkelen dreigenden blik van u ondervonden. Zie ik »op het verledene terug, dan kan ik slechts treuren over de «goedheid, die niet uit liefde ontstond.quot;

\'»Ga, Godolphin! Ik herhaal mijn bede met deemoed en »oprechtheid. Ga tot haar, die gij bemint, misschien, zóó »bemint, zooals ik u bemind heb; ga, en ik zal tenminste »eenig geluk voor mij uit uw geluk scheppen. Wij scheiden „voor altijd, maar er bestaat tusschen ons geen onmin; de »een kan den ander niets verwijten. Heb ik gezondigd, dan «geschiedde het tegen den hemel, en niet tegen u; en gij — »o, ook tegen den hemel lag bij mij alleen de volle schuld. »_ Gij zult in uw vaderland terugkeeren, in dat trotsche «Engeland, waarnaar ik u zoo vaak gevraagd heb, en dat mij, «zelfs in uwe antwoorden, zoo treurig en der liefde zoo vijandig «scheen. Daar zult gij in uwe nieuwe banden nieuwe bezig-iheid vinden en te gelukkig zijn, om aan mij te denken. Te «gelukkig? Neen, ik wenschte wel, dat ik u mij zoo konde «voorstellen; maar ik, aan wie gij elke symphatie met u «betwist, heb ik nochtans uw hart genoegzaam doorgrond, «om niet te vreezen, dat gij, wat er ook gebeure, nimmer «het geluk zult vinden, dat gij zoekt. Gij verlangt te veel «ideaalsch, gij droomt te graag, om niet met de wezenlij khèid «ontevreden te zijn. Wat mij is overkomen, moet ook mijner «medeminnares, moet ook u, uw gansche volgende leven, «overkomen. Uw lichaam bevindt zich in deze wereld, uwe «ziel in een andere. Ach! hoe dwaas handel ik, dat ik in uwe «natuur, niet in de omstandgheden en gebeurtenissen, de «oorzaak zoek, die ons vaneen scheidt.quot;

«Ik zal eindigen. — Ik heb een toevlucht in dit klooster «gevonden, en ik bid — ik smeek u, volg mij niet, zoek mij «niet: het kan u volstrekt niet baten. De sluier is gevallen tus-«schen uwe en mijne wereld, en er rest ons thans niets an-«ders, dan elkander welwillend vaarwel te zeggen. Vaarwel

-ocr page 255-

247

»dan! Ik verbeeld mij, dat ik thans bij u ben —ik verbeeld »imj, dat mijn lippen uw lang hoofdhaar teruggeademd hebben »en op uw schoon voorhoofd den kus eener zuster — die »blijf ik ten minste — een zusterkus drukken. Hoe wij in »het grauwe schemerlicht nevens elkander stonden, toen ik, 3gt;in zorgen en tranen, mijn hoofd aan uw boezem verborg; »hoe ik, zonder te vermoeden, wat gebeuren zou, mij in verszekeringen van onwankelbare trouw uitstortte; hoe gij u «driemaal van mij losruktet en terugkeerdet; en hoe ik door »den vochtigen, kouden morgennevel u nastaarde en uren lang »geloofde, dat uwe woorden nog in. mijne ooren klonken. — »Evenzoo zeg ik u ook thans, maar met geheel andere gewaar-»wordingen, vaarwel — vaarwel voor eeuwig!quot;

-ocr page 256-

XLIV.

Godnlphin.

»Neen, signor! zij wil u niet zien.quot;

ïHebt gij haar mijn billet gegeven? Hebt gij haar den ring gegeven?quot;

»Dat heb ik, maar zij blijft desniettemin weigeren u te zien.quot;

»Zij weigert? En dit is al haar antwoord? Geen enkele regel schrift, om deze hardheid tenminste eenigszins te verzachten?quot;

»Signor, ik heb mijn boodschap verricht.quot;

«Wreedaardige, onmeêdoogende! — Gelooft gij niet, dat ik een andermaal beter zal slagen?quot;

»Het klooster staat, op bepaalde tijden, voor vreemden open; doch na hetgeen de signora mij zoo stellig gezegd heeft, houd ik mij even stellig overtuigd, dat al uw verdere bezoeken volstrekt vruchteloos zullen zijn.quot;

»Ja, ja, ik versta u! Gij zoudt haar gaarne aan de«e wereld willen ontrukken; gij doet uw best, om te beletten, dat men-schelijke gevoelens haren vromen voornemens hinderlijk zijn. — Goede God! En kan zij, die zoo geheel liefde is, aan den sluier denken!quot;

»Zij denkt er niet aan; want het is haar oogmerk volstrekt niet, hier lang te verwijlen.quot;

»lk bid u,quot; riep Godolphin driftig, »help mij — g^ef haar aan mij terug — laat mij maar eens binnen deze muren bij haar, en ik zal u rijk maken — ik zal —quot;

«Vaarwel, signor!quot;

Neêrgeslagen, treurig, en toch vol woede, keerde Godolphin naar Rome terug. Lucilla\'s brief reet zijn hart vaneen, als de haak van een afgebroken pijl. Maar de stellige en strenge

-ocr page 257-

249

toon, waarop zij verklaarde, dat zij hem niet wilde zien, beschouwde zijn mannelijke fierheid als een ruwe, gevoellooze beschimping. Hij wist niet, dat de oogen der ongelukkige Lucilla achter de kloostermuren op hem gevestigd waren geweest, en dat, ofschoon zij meer om zijn dan om harentwil de verzochte samenkomst weigerde, zij echter zich zelve niet had kunnen weigeren, hem nog eenmaal te zien.

Hij bereikte Rome. Op zijn schrijftafel vond hij een billet van lady Charlotte Derham, waarbij zij hem meldde, gehoord te hebben, dat hij Rome wilde verlaten. Zij verzocht hem derhalve, dien avond te haren huize een vaarwel te komen ontvangen. »Lady Erpingham zal bij mij zijn,quot; dus eindigde het billet.

Dit wekte een geheel nieuwe reeks van denkbeelden bij hem op. Sedert Lucilla\'s vlucht had hij volstrekt aan niets anders dan aan Lucilla, gedacht. Wij hebben gezien, hoe zijn brief aan lady Erpingham in verkeerde handen was gekomen, en hij had daarna geen tweeden brief geschreven. Hoe zonderling moest Constance zijn gedrag voorkomen na zijn bekentenis in de Grot der Sirenen ! Geen verontschuldiging, geen verklaring zou hij thans geven\'? Thans bestond er geen noodzakelijkhetd, om de zaligheid te ontvlieden, die hem in de liefde zijner aangebeden Constance verbeidde. Maar kon hij met een hart, dat nog aan het gewelddadig verscheuren van een zoo teederen band bloedde, reeds weer een nieuwen band knoopen? Weifelend, rusteloos, zich zelf aanklagende, kon hij de gedachte niet verdragen, die antwoord op duizende vragen verlangden. Hij snelde uit, zijn vreugdelooze kamer en spoedde, zich, met een brandend voorhoofd en een koortsachtigen pols, naar lady Charlotte Derham.

»Goede God 1quot; riep deze onwillekeurig — swat ziet gij er slecht uit, mijnheer Godolphin!quot;

«Slecht? Ha, ha, ha! Ik ben nooit zoo we.l geweest; maar ik kom pas van een verre reis terug, en sedert, drie dagen en drie nachten heb ik gegeten noch geslapen. Ik? Neen! ha, ha, ha! ik ben met ziek.quot; En dit zeggende, zag hij rond met oogen, die van krankzinnigheid fonkelden.

Bevende trad lady Charlotte Derharn achteruit; Godolphin voelde een koude, zachte hand de zijne aanraken: hij keerde zich om en zag in hef gelaat van Constance, waaruit verbazing en bezorgdheid spraken. Een oogenblik stond hij als versteend, vatte vervolgens die hand, drukte haar aan zijn lippen, aan zijn hart, en barstte toen plotseling in tranen uit. Deze aanval redde zijn leven: nog verscheiden dagen bracht hij bewusteloos door.

-ocr page 258-

XLV.

De verklaring. — Een nauwe verbindtenis. — Is de idealist

tevreden ?

Dewijl Godolphin aldra herstelde, en de bestendige tegen-quot;woordigheid van Constanc€r, haar zachte stem, haai donkei oog hun voormalig betooveringsvermogen hernieuwden, zal de^lezer licht begrijpen, wat de gevolgen moesten zijn. Gedu-rende eenige weken werd er met geen enkel woord van de Grot der Sirenen melding gemaakt; maar toen eindelijk de eerste aanduiding van Godolphins lippen ontglipte, lag hij ook, in ■ het naastvolgende oogenblik aan Constance\'s voeten: hare hand ruste in de zijne, en haar fier gelaat zwom in het rood der eerste liefde.

),En dusquot; — zeide Saville — »en dus, Percy Godolphin, zijt gij eindelijk de verloofde van gravin Constance Erpingham. Wanneer zal het bruiloft zijn?quot;

»Dat weet ik niet,quot; antwoordde Godolphin peinzende.

»Waarachtig, bijna benijd ik u. Zes geheele weken zult gij geheel gelukkig zijn, en dat is waarlijk al zeer lang in deze\' armzalige wereld, vol van wederwaardigheden! Doch hoe langer ik u aanschouw, des te meer verzoen ik mij met mij zeiven; want ik vind u inderdaad niet zoo gelukkig om u te benijden, zoo lang namelijk mijne spijsvertering in behoorlijke orde Is. Waaraan denkt gij ?quot;

»Aan niets,quot; antwoordde Godolphin zonder eenige deelneming. Lucilla\'s woorden lagen hem loodzwaar op het hart, als een voorspelling, die haar vervulling nadert. »Er moge gebeuren, wat er wil,quot; had zij gezegd, ^nimmer zult gij het geluk vinden, dat gij zoekt; gij begeert te veel ideaals.quot; — In dat oogenblik trad een pagie van lady Erpingham niet een billet van zijn meesteres en een bloemruiker binnen. Niemand

-ocr page 259-

251

schreef zoo schoon en zoo vernuftig als Constance, en voor Godolphin was haar vernuft met zooveel teederheid vermengd.

jgt;Neen!quot; riep hij, zijn lippen op de bloemen drukkende; jneen, weg met deze bedreiging! Met Constance moet ik gelukkig zijn! — Maar zijn nog steeds niet lot zwijgen gebracht geweten fluisterde — Lucilla!\'\'

De bruiloft zou te Rome gevierd worden: de dag was bepaald, en wegens Constance\'s rang, schoonheid en bekende talenten maakte de tijding van deze gebeurtenis niet weinig opzien onder de Engelschen, die zich in Italië bevonden. Natuurlijk werd er veel over gesproken, en veel van dat gepraat kwam weder ter oore van Constance. Men zeide, dat zij een zonderling huwelijk aanging: het was een beklagenswaardige zwakheid in een zoo fiere vrouw, dat zij niet naar hooger gezien had, dan naar een eenvoudig, niet eens vermogend gentleman, naar iemand, die zich, ja, uiterlijk goed voordeed, maar zich doorniets onderscheiden had, en zich ook nimmer zou onderscheiden.

Constance achtte zich beleedigd, niet door den gemeenen hoon, maar door de voorspelling, dat hij zich niet zou onderscheiden. Rang, rijkdom, macht behoefde Godolphin niet; want zij wist, dat zij zelve daarover kon gebieden; maar zij gevoelde ook, dat de ijdelheid. die in haar karakter lag, begeerde, dat de man van hare beraden en tweede keus niet onder de alledaagsche menigte werd gerekend, boven welke zijn genie hem toch zoo hoog verhief. Zij gevoelde, dat het wezenlijk tot haar toekomend geluk behoorde, Godolphins eerzucht op te wekken, opdat hij met haar in den ijver voor het groate doel deelde, dat, zooals zij zich bewust was, haar steeds na ter harte ging.

»Ik bemin Rome,quot; zeide zij, op zekeren dag, hartstochtelijk, toen zij begeleid door Godolphin, het Vatikaan verliet. »Ik gevoel, dat mijn ziel zich midden onder die ruïnen verheft. Overal leven wij in Italië in het tegenwoordige, hier alleen in het verledene.quot;

»Noem dat toch geen beter leven, Constance! Kunnen wij ons het tegenwoordige schooner voorstellen?quot;

Constance bloosde en dankte haar geliefde met een blik, die hem zeide, dat hij haar verstaan had.

gt;En toch,quot; zeide zij, weder op haar stelling terugkomende — »wie kan de lucht inademen, die vol van roem is, en niet tot naijver aangespoord worden? — O Percy!quot;

3gt;Ach, Constance! en wat zoudt gij van mij kunnen maken ? Is het geen roem genoeg, uw geliefde te zijn?quot;

»Maar de wereld moet even trotsch op mijne keus zijn, als ik zelve.quot;

Godolphin fronste het voorhoofd; want hij doorzag in deze

-ocr page 260-

252

woorden Constances geheime bedoeling. Van zijn kindsche jaren af gewoon zich als een afgod vereerd te zien, verdroot quot;hem het denkbeeld, dat hij van zijn kant nog een poging behoefde om zich Constance waardiger te maken, en hinderde het hem, dat men durfde beweren, dat hij een verbintenis had aangegaan, die verre boven zijn recht van aanspraak was; hij trachtte dit derhalve des te meer te doen gelden. — Godolphin wendde zich somber van haar af: Constance zuchtte: zij gevoelde, dat zij dit punt niet meer mocht aanroeren: doch na een poos zwijgens, kwam Godolphin er zelf op terug.

3. Constance,quot; zeide hij met eene diepe, vaste stem — moeten elkander verstaan: Gij zijt voor mij alles in de wereld roem en eer, rang en geluk. Ben ik dit alles ook voor u . Is er ééne gedachte in uw hart, die u toefluistert, dat gij uw eerzucht beter zoudt hebben kunnen voldoen: dat gij volstrekt verkeerd handeldet, toen gij u aan uwe liefde, en enkel aan uw liefde, overgaaft — dan Constance, treed nog terug — nog is het niet te laat!quot;

«Verdien ik dit, Percy?quot;

»Nu en dan laat gij u woorden ontvallenquot; — antwoordde Godolphin — jidie schijnen aan te duiden, dat de wereld u we keus bedillen en berispen zal, en dat er van mijn kant een poging noodig is, om de hoogte te bereiken, waarop gij staat, en zoo uwer waardig te worden. Constance, behoef ik u te herhalen, dat ik zelfs het stof aanbid, waarop gij treedt . Maar ik bezit desniettemin een fierheid, een achting voor mij zeiven, heneden welke ik niet zinken kan. Als gij dit werkelijk gevoelt of denkt, dan kan ik mij niet vernederen, om zelfs mijn geluk van u aan te nemen — laat ons dan scheiden.

Constance zag, dat zijn lippen bleek werden en beefden; het hart smolt haar, haar fierheid verdween, z^j zonk aan zijn boezem en vergat zelfs haar eerzucht, ja, zij gevoelde, dat, ofschoon zij inwendig over zijn gezindheid morde, er nochtans een soort van adel uit sprak, waaraan zij haar achting niet kon weigeren. Zij deed derhalve haar best om haar wereldlijke plannen voor de toekomst te onderdrukken en zich met de\' hoop te vergenoegen, dat Godolphin, eenmaal op het tooneel der eerzucht gebracht, in weerwil van zijn zonderlinge begrippen, tot betere inzichten opgewekt en aangespoord zou worden. En zelfs, als zij somwijlen daaraan twijfelde, gevoelde zij echter, dat zijn tegenwoordigheid dierbaarder was geworden, dan al het overige. Ja, zij bedwong haar eigen geestdrift, haar eigen roemzucht, dewijl zij niet met zijne denkwijs strookten. Zoo wonderlijk en ongemerkt, tevens had de liefde da fiere energie en den verheven geest der dochter van John \\ernon gebogen.

-ocr page 261-

XL VI

De bruiloft. — Het toeval. — Liefde.

Het was des moi\'gens van tien dag, op welken Constance en Godolphin in den echt zouden verbonden worden: men had bepaald, dat zij nog dienzelfden dag naar Florence zouden vertrekken, en Constance zat juist aan haar toilet, toen haar kamenier met een bloemruiker binnentrad.

)gt;Denkelijk van Percy, van mijnheer Godolphin?quot; vroeg zij, het bouquet aannemende.

»Neen, mylady: een jonge vrouw gaf het mij vóór het hotel, en verzocht mij in het schoonste Engelsch, het aan u te overhandigen; en toen ik haar geld aanbood, wilde zij volstrekt niets aannemen, mylady.quot;

»De Italianen zijn welwillende lieden,quot; antwoordde Constance en stak de bloemen op haar boezem.

Toen Godolphin, na de trouwplechtigheid, zijn gemalin in het rijtuig hielp, drong, voor een oogenblik, door de nieuwsgierige menigte een vrouw die in een wijden mantel gewikkeld was. Godolphin had zich in dat oogenblik juist half omgekeerd, om zijn bediende een bevel te geven, en dadelijk daarna was de vrouw reeds weder onder de, rondom het rijtuig verzamelde menigte verdwenen. Nochtans had Constance de, op een bewonderende en smartelijken toon uitgesproken woorden gehoord: sschoon! hoe schoon! o God!quot;

»Hebt gij niet gezien, wat heerlijke oogen dat jonge meisje had?quot; vroeg Constance, toen het rijtuig voortrolde.

»Welk meisje? Ik heb slechts u gezien.quot;

«Luister! Wat beteekent dat gerucht achter ons?\',

»Het is maar een jong meisje, dat in zwijm is gevallen,quot; zeide de palfenier. »Zij zeeg vlak voor de paarden neer, doch deze weken op zij en zij heeft volstrekt geen letsel bekomen.quot;

-ocr page 262-

254

»Dat is inderdaad gelukkig!quot; zeide Godolphin en plaatste zicli weder nevens zijn jonge vrouw — »rijd wat sneller!quot;

In Florence verhaalde Godolphin aan Constance in losse trekken Lucilla\'s geschiedenis, en Constance deelde schier in de aandoeningen, waarmee hij ze voordroeg.

»Ik heb,quot; zeide hij, ))in de handen der abdis een som gelaten, waarover Lucilla naar welgevallen beschikken kan, en die haar, zij moge al of niet in het klooster blijven, overal onafhankelijk zal doen zijn. Doch ik beken gul, dat ik thans nog wel eens even naar het klooster zou willen terugkeeren, om te vernemen, welk lot zij gekozen heeft.quot;

»ü, dat moet gij doen!quot; antwoordde Constance, die, in de hooge vlucht harer gedachten, geen jaloezie kende — »inder-daad, dat is het allerminste, wat gij doen kunt.quot;

En Godolphin drukte op dezen edelmoedigen mond den zoeten kus, waarna hoogachting zich met liefde begint te paren. Wat heeft de aarde, dat naar die eerste zalige oogen-blikken der vereeniging van twee harten gelijkt, die, lang gescheiden, nu voor altijd één zijn? — Wat geheime lieide niet bereiken kan, schenkt wettige liefde — het besef der volkomene zekerheid van het gesloten verbond. Zij, wier liefde niet voor het altaar bevestigd is, kunnen door duizenderlei toevallen gescheiden worden, maar in de liefde, olie gewijd is, en die wij het eerst bezitten, kennen wij geene vrees, en wij zwelgen in liet volle genot van het tegenwoordige, en vergeten, dat, ofsciioon ook het noodlot minder macht heeft om te scheiden, de gewoonte echter niet minder macht heeft om te verkoelen. Hoe sterk ook de symphatie tusschen de vrouw en den geliefde is, hoezeer ook de een den ander meent doorgrond te hebben, rest er echter nog een wereld te doorgronden, zoo lang het huwelijk niet die heilige en onuitsprekelijk zoete omruiling, al die betooverende bekentenissen opwekt, welke geen afzonderlijk belang, geen ongedeelde gedachten dulden. Wel is waar, zulk eene betrekking is zeer zeldzaam, en het huwelijk, in het algemeen, slechts een paradijs voor twee personen, om ongestoord met elkander te kunnen twisten; maar er bestaat iets, wat toch het onderhoud van jonge echtelingen van dat van geliefden onderscheidt, die niet op een zoo wettigen voet met elkander staan.— De eerstgenoemden spreken van de toekomst! —Andere minnen-den spreken van het verledene; hunne vooruitzichten zijn met onzekerheid omfloersd: dit gevoelen zij en schrikken daarvoor: zij beseffen zeer goed, dat hun plannen niet één en ondeelbaar zijn; maar gehuwden zien steeds in de toekomst en spreken steeds van hun plannen: dit vermindert vaak de teeder-heid der liefde, maar verhoogt weder haar genot.

Godolphin en Constance gaven zich, nevens elkander zittende

-ocr page 263-

255

en op den zilveren Arno starende, hand in hand aan de beschouwing van hun toekomstig geluk over.quot; — »En wat zou dan uwe meest geliefkoosde levenswijs zijn, Percy?quot;

sik heb geen plan meer, Constance. Sedert ik mij in uw bezit mag verheugen, heb ik al mijn droomen opgeven. — Doch ja — een huis in Engeland — want gij bemint Engeland — slechts tien of twintig mijlen van het groote Babel ^ verwijderd; boeken, schilderijen, standbeelden en oude boomen, die ons onze voorvaderen, de oude Noormannen, herinneren, welke ze geplant hebben, en vooral een ruischende, klare beek, die daartusschen doorvliet; op den oever eenig wild, dat half in het kreupelhout verscholen is; voorts rotsen, die zich daarboven verheffen, een voorrecht der excentriciteit, dat ons vergunt, naar welgevallen de eenzaamheid of de gezelligheid te kiezen, en dan bet huis, zoo vol gasten, dat het geen beleediging voor een enkelen kan zijn, als men soms allen ontwijkt.quot;

»Verder!quot; zeide Constance glimlachende.

»Ik heb er niets meer bij te voegen.quot;

sNiets meer?quot;

«Ja, mijn schoone onverzadelijke; wat zoudt gij dan nog meer wenschen?quot;

»Gij spreekt slechts van een landleven, en dat moge op zijne wijs gedurende drie maanden in het jaar aangenaam zijn.quot;

»In de andere negen wensch ik voor mij dan Italië.

»Och Percy! is dan genoegen - slechts genoegen, gewoon genoegen inderdaad het eenige doel van ons leven?quot;

»Zeker zeker!quot;

«En daden, werkzaamheid, ondernemingen — zijn die dan niets?quot;

Godolphin zweeg en wierp geheel verstrooid steentjes in het water. Dit herinnerde Constance de eerste maal, toen zij hem op het gebied zijner voorvaderen had gezien, en zij zuchtte toen zij thans op een voorhoofd zag, waaraan vertroeteling en dweepachtige droomerijen veel van zijn vroegere ridderlijke en ernstige uitdrukking benomen hadden.

\') Londen.

-ocr page 264-

XLVII.

Lucilla.

Op zekeren morgen stond Godolphin juist gereed, om, zich naar het klooster te begeven, waarin Lucilla zich van de wereld afgezonderd had, toen hem een brief der abdis van dat klooster werd ter hand gesteld: hij was hem uit Rome nagezonden. Drie dagen vóór het voltrekken van Godolphins huwelijk had Lucilla het klooster verlaten, zonder dat de abdis wist werwaarts zij haar schreden had gericht: evenwel geloofde zij, dat het ongelukkige meisje zich nog wel te Rome zou bevinden. Zij had een brief van Lucilla ingesloten, door deze bij haar vertrek, voor Godolphin achtergelaten. Hij was kort maar karakteristiek en luidde aldus:

Lucilla aan Godolphin.

»Ik kan hier niet langer blijven: mijn geest is niet tot rust ))te brengen, en deze werkeloosheid maakt mij krankzinnig Daarenboven moet ik uwe vrouw zien: ik zal de trouwplech-stigheid bijwonen, en dan ja, wat dan? Godolphin, geef mij )gt;het, jeugdige, reine hart terug, dat ik bezat, eer ik u beminde. «Toenmaals kon ik mij nog met alles verheugen — thans! — »Maar ik zal niet morren; het betaamt mij niet. «Mijn fiersheid is eindelijk ontwaakt, en ik gevoel ten minste de onaf-ïhankelijkheid van het alleen-zijn. Ik, de dochter der sterren, »i)en geene liefdezieke, zwakkelijke slavin van een ij dele smart. »Woest en rondzwervend zal mijn toekomstig leven zijn. Het sn-oodlot, dat mij de hoop ontzegt, heeft mij boven alle vrees «verheven. De liefde maakt ons geheel tot vrouw: de liefde «heeft mij verlaten, en iets ruws, vermetels, iets, wat eigenlijk «tot u geslacht behoort, heeft hare plaats vervangen.quot;

-ocr page 265-

257

\'iGrij hebt mij geld achtergelaten, ik dank u, ik dank u. »Het hart barst mij bijna, terwijl ik dit schrijf. Kondet gij ïzoo laag over mij denken? Foei, schaam u! Als mijn kind, sons kind nog leefde (en, o Percy! het had volkomen uwe jioogen) dan zou ik het liever dag aan dag zien verhongeren, 3eer ik zelfs een enkelen penning van uwe grootmoedigheid «aanraakte. Maar dat lieve kind is dood — Gode zij dank »— het is dood! Voor mij behoeft gij niet fe vreezen: ik zal sniet van honger sterven: deze handen zijn genoegzaam in )istaat, om mij mijn levensonderhoud te verschaffen. God «zegene u, nog steeds mijn innig geliefde! Als ik, misschien «eerst na verloop van eenige jaren, mijn einde voel naderen, »dan zal ik naar uw vaderland, al ware het ook, kruipen, om «nog eenmaal, eer ik sterf, een blik op uw gelaat te werpen.

Godolphin zeeg op een stoel neer en bedekte zijn gezicht rnet beide handen. Cons.tance nam den brief op. — ».Ja, lees vrij!quot; riep hij met een holle stem. — Toen Constance met lezen geëindigd had, bevochtigde zij den brief, wiens inhoud haar een wezen deed kennen, dat in karakter en denkwijs haar zoo volkomen gelijk was, met tranen. Dit troostte Godolphin veel meer, dan de uitgezochtste troostspreuken zouden hebben kunnen doen.

»Arm meisje!quot; zeide Constance, nog steeds tranen stortende; \'dat mag, dat zal zoo niet zijn! Neen, zij moet op deze wereld niet geheel aan haar wanhopend hart overgelaten blijven. Wij zullen ons beide naar Rome begeven en haar opzoeken. Ik zal haar trachten over te halen, om datgene van u aan te nemen, wat zij thans zoo stellig weigert.quot;

Lucilla was naar Livorno vertrokken en aldaar aan boord van een schip gegaan, dat naar de noordkusten van Europa bestemd was. Wilde zij misschien het land van haar vader bezoeken? Met deze hoop poogden zij, bij gebrek van een betere, zich te troosten.

1*

-ocr page 266-

XLVIIL

Twee duurzaam vercenigde personen ontdekken, dal geen huwe-lijksband in staat is, om eensgezindheid van gemoederen le weeg Ie brengen.

Weken verliepen, en Godolphin had in hel verdwijnen enl het twijfelachtige lot van Lucilla schijnbaar berust. Het. lag me I in zijn bedaard en steeds peinzend karakter, veel gemoedsbewe-l ging te laten blijken • maar desniettemin vertoonde zich dikwiji^.l zelfs in Constance\'s tegenwoordigheid, een sombere wolk opl ziin voorhoofd, en de aanvallen van verstrooiing, aan welkel hij steeds onderhevig was geweest, werden talrijker dan ooi P

te Cons (quot;nee was sinds jaren aan alle mogelijke voorkomende oplettendheden met opzicht tot haar persoon, dermate gewend I en daardoor verwend, dat zij, zich thans zeer vaak met Godolphin alleen bevindende, iets begon te missen ; want Godolphin kon een hartstochtelijk, een geheel romantisch, maar geenszins een zeer oplettend en voorkomend minnaar wezen Hij ver-l waarloosde de zoogenoemde petits soins. De meeste gehuwc el mannen maken het, trouwens, niet veel beter, en over he I algemeen is het ook voor gehuwde mannen juist met nooclig.l Maar Constance was geen gewone vrouw: zij beminde vurig,! maar zoo als een fiere vrouw moet beminnen, legenovei Godolphin week haar fierheid, en werd zij angstig en bezorgd: steeds sprong zij \'t eerst op en snelde hem te gemoet, wanneer uil van ziin eenzame wandelingen terugkwam: hij lachte haar me I ziin gewone minzaamheid toe, maar niet zoo dankbaar, a s njiJ naar Constance\'s meening, had behooren te doen. Maar hij I was door Lucilla\'s hartstochtelijke liefde te zeer verwend om door eenig bewijs van Constance\'s teederheid verrast t. I kunnen worden. Te trotsch om te spreken of een klacht U

I slak\'

gaf

nog | gen. lege O

I In

I ircef I vine | naai jzich |iem Ide ; I geei | wet | zielquot; lEr Istra lilie

-ocr page 267-

259

skiken, gevoelde Constance zich echter steeds gekrenkt en af zich meer en meer moeite — ofschoon haar echtgenoot nog steeds even zeer beminnende — om haar liefde te verbergen. O, dat veinzen de vrouwen: steeds brengt het haar in tegenspraak met haar zelve!

Ook Godolphin vond, van zijn kant, reden tot misnoegen. In Constance\'s karakter lag iets zoo schitterends, zoo zuiver geestigs, dat men, zich in bestendige aanraking met haar bevindende, soms naar deze of gene menschelijke zwakheid, naar deze of gene dwaling bij haar verlangde, aan welke men zich zou kunnen houden. Verblindend als de sneeuw, werden iemand de oogen pijnlijk, als hij haar te lang aanzag. Gedurende le jaren van haar niet zeer aangenaam huwelijk had zij haren geest volkomen gevormd: weinige vrouwen bezaten zoo veel wetenschap, ja, zelfs geleerdheid. Haar gesprekken stortten zich steeds in een schitterenden, rijken, heerlijken stroom uit. Er waren tijden, waarin Godolphin zich herinnerde, welk een straf het is, een geheel boekdeel van Gibbon door te lezen, die ons, wanneer hij bij bladzijden gelezen wordt, zoo veel genot schenkt. Haar liefde voor hem was hem te verstandig en scheen hem niet genoeg menschelijke warmte en innigheid te hebben.

»Ik breng u hier uw hoed, Percy!quot; zeidezij tegen Godolphin: •gt;gij vergeet, dat de dauw thans plotseling neervalt, en dat uw hoofd ongedekt is.quot;

»Ik dank u!quot; antwoordde Godolphin minzaam, ofschoon Constance meende, dat de loon wel iets warmer kon geweest

rijn-

oHoe schoon zijn deze oogenblikken! Zie eens daarheen — de zonnestralen verwijlen nog op die heuvels — en dan de eenzame toren ginds op de vlakte — de dennen, die wij hooren zuchten! — Dat is een gezicht, waai\'bij onze gansche natuur in liefde zou kunnen wegsmelten. Nooit bestemde de natuur ons tot het ernstige, dorre lot, dat wij ons opleggen. Zie rondom u, Constance — op iedere bladzijde van haar glorierijk boek — hoe gloeiend is op iedere de spreuk geschreven: bemin en wees gelukkig! — Gij antwoordt niet? — Gij zijt steeds koel en onverschillig voor deze gevoelens.quot;

^Gij zijt mij eigenlijk te Epikuristisch!quot; zeide Constance glimlachend. »Ik voor mij stel dien gindschen ouden toren, lie van roemvolle gevechten en schitterende heldendaden getuigt, ver boven het gansche teedere, oogstreelende landschap, (lat den stempel der tegenwoordige verbastering van het zuiden Iraagt.quot;

\'Gij en uwe Engelschenquot; — hernam Godolphin eenigszins bitter — praat steeds van de verbastering mijner arme Italianen, op zulk een zinnelooze wijs, dat het mij — ik moet het

-ocr page 268-

260

u gul bekennen — bijna tot vertwijfeling brengt.quot; (Constance bloosde en beet zich op de lippen.) Verbasteringquot;? Waarom ? Zij genieten, zij nernen het leven naar zijn wezenlijke moraal: zij gevoelen hun sterfelijkheid, zijn lichtzinnig, tevreden en en sterven. Is dat verbastering? Het kan zijn. Maar waarvoor zullen zij het verwisselen? Voor de ijskoude, woeste wandaden van het oude Rome, of voor de oude, ellendige huichelarij, de heimelijke ondeugden, den moord en het bedrog, die het republikeinsche Venetië kenmerken? De dagen van den roem, die gij zoo beklaagt, zijn dagen der zwaarste en zwartste schuld, en men rilt, als men leest, wat zij, die over het. zoo als zij het gelieven te noemen, ontzenuwde en ontzenuwende Italiö moraliseeren, in hun dwazen ijver terug-wenschen.quot;

«Gij zijt streng!quot; zeide Constance op smartelijken toon.

«Vergeef het mij lieve; maar niet zelden zijt gij even streng tegen mijne meeningen.quot;

Constance zweeg: het heerlijke natuurtooneel der ondergaande zon was voorbij, en zij begaven zich terug naar hun woning; wederzijds min of meer koel jegens elkander.

Op een zekeren dag, toen de regen hen belette uit te gaan, zeide Godolphin, na een lang zwijgen, tegen Constance, die brieven aan haar staatkundige vrienden schreef, waarin zij geen enkel woord van Italië en haar liefde meldde, maar slechts over het geliefde Engeland uitweidde:

«Wilt gij mij heden niet iets voorlezen, lieve Constance? Ik ben thans min of meer zwaarmoedig en wijt het aan het sombere weêr.quot;

Constance legde haar brieven op zij en nam een van de vele boeken op, die op de tafel verspreid lagen. Het was een deel van een onzer meest geliefkoosde dichters.

»Ik haat poëzie,quot; zeide Godolphin met vadsige achteloosheid.

»Hier is Machiavelli\'s Geschiedenis der Prinsen van Lucca,quot; hernam Constance schielijk.

sJa, lees dat en leer daaruit, hoe hatelijk de eerzucht is.quot;

En Constance las; maar zij geraakte in vuur, waar Grodol-phin verachtend geeuwde. Desniettemin begon zijne gemoedstemming van lieverlede te beteren, en aldra weidde hij met de welsprekendheid, waarover hij, als zij eenmaal opgewekt was, zoo onbeperkt gebieden kon, over de stellingen zijner eigen filozofie uit. Constance luisterde met verrukking naar hem: zij stemde wel niet in met zijn gevoelens en inzichten; maar zij was verbaasd over het genie, waarmee alles door hem voorgedragen werd.

»Och,quot; zeide zij met geestdrift, — »waarom moeten deze schitterende, deze heerlijke woerden voor altijd verloren zijn?

-ocr page 269-

261

Waarom hen niet aan het steeds voortlevende papier overgegeven, of op het redenaarsgestoelte herhaald — het zijn woorden, die u beroemd, onsterfelijk zouden maken\'quot;

»Ja, ja,quot; hernam Godolphin glimlachende, »het Lagerhuis zal zeer zeker veel smaak voor filozofie hebben!quot;

Over het geheel echter had Constance-gelijk. Doch de vloek van een slechts naar vermaken en genoegens jagend leven is zijn afkeer van nuttige werkzaamheid. Men spreekt van het genie, dat door armoede verdrukt en begraven wordt. Rang en rijkdom hebben ook hun stomme Miltons en hun niet beroemd geworden Hampdens. Ach! hoe veel ware en diepe wijsheid vinden wij onder lichtzinnige lieden naar de wereld; en hoe vele, die zich in den middenstand roem zouden verworven hebben, stierven onopgemerkt in de verstompende, ontzenuwde atmosfeer van den hoogen rang. De beide uitersten raken elkander in de verwoesting van intellectueele gaven. G-odolphin levert oen bewijs van den heilloozen invloed, dien de aristokratie zelfs op hare lievelingen uitoefent. Maar de wereld gaat een toestand te gemoet, waarin de thans vijandig tegenover elkander staande klassen geheel moeten verdwijnen, In Amerika kent men ze reeds niet meer; maar in Amerika ontbreekt nog, wat filozofie en wetenschap ten laatste leeren en verbreiden — de fijnere beschaving, die de gelijkheid der standen behagelijker maakt, en de hooge zedelijke stemming, uls een tegenwicht van den gerneenen koopmansgeest, die eener handeldrijvende natie zoo eigen is.

-ocr page 270-

XLIX.

Terugkeer naar Londen — Fannij Mil linger. — Hare woning, en een souper hij haar.

Het was in liet midden der lente en met het vallen van den avond, toen onze reizigers Londen binnenreden. Men is doorgaans zonderling te moede, als men, na een lange afwezigheid, weer in het gewoel en gedruiscli van deze verbazend groote stad terugkomt. Haar luister, haar leven en bewegen, de bewijzen van haar eerzuchtig streven hebben iets onbegrijpelijk geweldigs, iets treffends, als men de majestueuze stille van het vaste land daarmee vergelijkt. Onrustig zag Constance uit het portier van het voortrollende rijtuig.

»0, als ik een man was!quot; zeide zij met geestdrift.

»En dan\'?quot; vroeg Godolphin glimlachende.

»En dan\'? Beschouw het groote tooneel der algemeen eerzucht, en vraag dan nog, en dan. Welk een trotsche loopbaan staat voor iederen burger in deze waarlijk vrije stad open! Daar! Ziedaar — het parlement in zijn roem van welsprekendheid.

»En dicht daarnevensquot; — merkte Godolphin spottende aan — seen begraafplaats!quot;

»Ja,quot; antwoordde Constance schielijk, «maar de begraafplaats van groote en beroemde mannen!\'

«Slachtoffers van hun grootheid!quot;

Na een poos zwijgens begon Constance weer, »en gevoelt gij u door dit bonte, drokke gewoel, dit rusteloos heen- en weêr-golven dezer ontzettende massa drokbezige menschen, door al dezen glans en pracht uwer vaderstad niet opgewekt, niet aangespoord?quot;

»Nu ja, ik bevind mij op de markt, waar alle genot te koop is.quot;

-ocr page 271-

263

stoei!quot;

Godolphin dook dieper in zijn mantel en haalde het glas van liet portier op, terwijl hij zich over den afschuwelijken ooste-wind beklaagde. — Het rijtuig hield voor het heerlijke, smaakvolle liótel Erpingham stil. Godolphin voelde zich eenigszins gedee-moedigd op het denkbeeld, dat hij deze luisterrijke -woning aan een ander, en wel aan een vrouw, te danken had, maar Constance vermoedde dit gevoel niet, snelde de beide trappen op, wees op de deur, die naar haar boudoir leidde, en zeide:

»In deze kamer zijn ministers benoemd en afgezet.quot;

Godolphin glimlachte; want daar hij niet in hare geestdrift deelde, gevoelde hij slechts de ijdelheid dezer lofrede. Dit was echter Constance\'s zwakke zijde, en haar donker oog schoot vonken.

Niets verveelt een man meer dan de onaangename rust, die op een dagreis volgt. Geeuwende nam Godolphin zijn hoed, knikte Constance toe en wendde zicli naar de deur.

))Wat is dat, Percy; gij wilt immers thans niet uitgaan?quot;

»0 ja, lieve!quot;

gt;En waarheen dan, om \'shemels wil?quot;

»Naar White\'s koffijhuis, om naar den legenwoordigen staat der Opera en de sterkte van het corps de ballet te vernemen.quot;

sJuist had ik om licht gescheld, ten einde u het huis eens te laten zien,quot; zeide Constance op een mismoedigen en schier verwijtenden toon.

))Ik dank u, Constance. Dulïe kamers en scherpe oostewind op eens, dat is te veel. Het huis laten zien? Wat toch kan in Engelsche huizen de moeite van het bezichtigen loonen, als men pas uit de marmeren paleizen van Italië komt ? Hebt gij soms iets anders te bestellen?quot;

»Niets,quot; zeide Constance met tranen in de oogen; Godolphin bemerkte ze niet; hem mishaagde slechts de koele toon van antwoorden, en hij mompelde, toen hij de deur sloot: »kan men wel op een onkiescher wijs pronken!quot;

»En zooquot; — zeide Constance op een bitteren toon — »keer ik dan in Engeland terug zonder vriend, onbemind, eenzaam in het hart en in mijn streven, even als ik te voren was. Ontwaak dan, mijne ziel! Gij zijl mijn eenige kracht, mijn eenige steun. Hoe zwak, hoe zwak was ik, dat ik dezen man beminde, ofschoon — Stil, stil, tot berouw ben ik nog niet diep genoeg gezonken!quot;

Zij wischte eenige tranen af, rukte zich, met een geweldige krachtinspanning, van haar gewaarwordingen los, leunde met het hoofd op haar hand en gaf zich, in het vuur starende, aan ernstiger beschouwingen over, welke de terugkeer in den kring van haar voormalige eerzucht in haar opgewekt had.

Middelerwijl begaf Godolphin zich naar den toenmaligen

-ocr page 272-

264

hoofd-club in St. James, de verzamelplaats van alle ledigloo-pende elegants en fraaie vernuften in de politiek. Er zijn te Londen 1 wee klassen van populaire menschen: de eene is steeds opgeruimd, vroolijk en in de beste luim ; de andere bedaard, deftig en vol van bijtende scherts en spotternij. Tot de eerste be-hooren de lieden, die men verdoemd goede jongens noemt, en tot de andere die, welke men met den naam van verdoemd respectabele jongens bestempelt. Tot de laatste behoorde Godolphin. Daar hij nooit een boek had geschreven, noch zich als een genie had doen gelden, rekende men hem zijn intellectueele talenten niet als een hindernis aan; want in de oocen van die jonge heeren, die voor hun tijdgenooten de scheppers van den roem zijn, bestaan er geen boetedoeningen voor de onvergefelijke zonde van zich in het een of ander te onderscheiden.\' — Die mensch is verdoemd vervelend met zijn boeken en zijn poëzie!\' zeide eens een aarts-dandy van Bvron. toen diens Uhilde Harold juist alle vrouwen bet hoofd op hol bracht. — Er was bij White een talrijk gezelschap, toen Godolphin daar binnentrad: al de aanwezigen groetten hem zeer minzaam.

«Welkom, oude jongen!quot; riep de een. — »De duivel hale mij, als ik mij niet verdoemd verheug, dat ik u weerzie,quot; zeide een ander. — »Dus hebt gij lady Erpingham met al haav toebehooren tot uw eigendom gemaakt, gij gelukkige gauwdief! riep een derde. — »Ha, Godolphin!quot; fluisterde een vierde: 5,Wij eten heden avond bij de kleine Millinger. Gij herinnert u Millinger immers nog wel? Gij moet van de partij zijn; want gij zijt nog een oude lieveling, en zij ziet u gaarne, daarvoor sta ik u borg. Voor het overige alles in eer en deugd ; dat spreekt van zelf: \'lady Erpinham behoeft dus niet jaloerscli te zijn. (Constance jaloersch op Fanny Millinger!) Kom maar mee: gij rijdt met mij: mijn cabriolet wacht ons reeds.quot;

Dit ais toch, in allen geval, verkieselijker, dan een voorlezing over de eerzucht! dacht Godolphin en liet zich overhalen om de uitnoodiging aan te nemen. Godolphins vriend, een levendige, jeugdige pair, van dat goedhartig, welwillend en niets kwalijknemend karakter, dat menschen niet zelden boven geestrijkheid en scherpzinnigheid de voorkeur geven, dewijl de verkeering met het eerstgenoemde hun geen moeite kost. Lord Jocelyn was, terwijl zij de helder verlichte straten doorreden, onuitputtelijk in stof tot onderhoud: duizende onderwerpen werden door hem ter sprake gebracht: doch Godolphin luisterde schier niet naar hem; want Jocelyn was eigenlijk niets meer dan een oppervlakkig prater, die zijn toehoorders al zeer spoedig verveelde.

Eindelijk kwamen zij op een kleine villa bij Brompton aan. Deze villa had een tuin en in een hoek een klein lustprieel:

-ocr page 273-

265

alles zag er ongemeen net en zindelijk uit. Het huis was pas kort te voren van boven tot onder geverfd: de vensters waren van spiegelglas met mahonijhouten ramen, en door een open venster kon men binnen de stoelen zien, die fraai verguld en met rood fluweel overtrokken waren; — kortom, het was een woning, zooals alle vrouwen van Fanny Millingers stand en karakter voor zich inrichten.

Toen de beide gasten door een Gotisch voorportaal, dat omtrent dertig voel in het vierkant zal geweest zijn, en vervolgens door een oranjerie, met een riviergod in het midden, gekomen waren, bevonden zij zich in tegenwoordigheid der actrice.

Godolphin brandde van verlangen, om het schoone, open, vroolijke gelaat weer te zien, dat hem, als knaap, aangelachen had en zijn geest vloog naar den zomeravond terug, toen de jonge avonturier met een pols, die maar al te zeer van zijn tegenwoordige (lauwe matheid verschilde, en met een hart, dat van fierheid op ongewone onafhankelijkheid gloeide, \'t eerst in de wereld trad. Onwillekeurig trad hij terug, toen hij thans dezelfde vrouw weerzag. Zij was — waartoe zij reeds in haar jeugd aanleg toonde — vrij gezet geworden. Voorts was zij, hoezeer niet overdreven, echter theatraal gekleed: de vingers van haar schoone handen en haar armen waren met edelgesteenten bedekt, en haar gansche voorkomen, dat in alles het tooneel verried, kenmerkte zich in haar uiterlijk nog duidelijker, dan bij haar eerste samenkomst met Godolphin. Evenwel heerschte er nog steeds in haar manieren en in hare stem dezelfde ongedwongenheid en vroolijkheid, toen zij Jocelyn groette en hem vervolgensnaarzijne vriend vraagde. Godolphin liet zijn mantel vallen, en in hetzelfde oogenblik stortte de actrice, met een zachten gil, die wel tooneelmatig klonk, maar toch natuurlijk was, in zijn armen.

»0 foei!quot; zeide zij plotseling met een zeer deftige en eerbiedige buiging: »daar zou ik waarlijk bijna vergeten hebben, dat gij getrouwd zijt. Het is voorbij met spel en dans. Sedert hoe vele jaren hebben wij elkaar niet gezien; maar ik heb u nooit geheel vergeten; ofschoon ook het tooneel mijn geheugen voor al die nieuwe rollen bijna geheel in beslag neemt. Weet gij wel, dat uw haar, dat te voren zoo schoon was, dun geworden en niet meer zoo golvend is. Gaarne beken ik, dat deze aanmerking niet zeer wellevend mag heeten, maar ik zeg steeds de waarheid, en mijn hart is zoo vol vreugde over dit weerzien, dat ik bijna niet weet, wat ik zeg.quot;

»Welnu,quot; zeide lord Jocelin, die intusschen met een klein schoothondje had gespeeld. «Zult gij u ook eens mijner herinneren?quot;

))Och! aan u denkt niemand, behalve wanneer gij spreekt, en dan noodzaakt gij ieder, om te zien, hoe laat het is.quot;

-ocr page 274-

266

»Bravo, Fanny! uw vernuft schittert toch altijd heerlijk! — Maar wanneer verwacht gij Windsor? Hij moet aldra hier zijn. Zeg mij eens gul weg, moogt gij hem wezenlijk lijden4?quot;

»Lijden? — O ja, waarom niet! — Lijden, ja, dat is het rechte woord voor u en voor u allen. Als de liefde over den stroom des levens voer, zou mijn klein vaartuig een oogenblik omkantelen. Maar inderdaad, ik heb wegens de vele ernstigere bezigheden die mij mijn toilet, en het bestuieeren mijner rollen veroorzaken, geen lijd genoeg, om te beminnen. — En Godolphin, wat vorderingen heb ik gemaakt! Vraag het lord .locelyn, of ik niet als een engel zing, ofschoon mijn stem nauwlijks sterk genoeg was, om over een speeltafel te reiken. Maar op bet tooneel leert men dat alles aanvullen en ver-beleren, en nevens ons werkelijk aanwezen vormt zich nog een dichterlijk, waarin wij, als in een betoovering leven.quot;

Met verbazing hoorde Godolphin, hoe volkomen gelijk Fanny zich gebleven was. Het ijdele beuzelachtige leven had haar niet vernederd, juist omdat zij geen ander kende. Men kon niet zeggen, dat zij gevallen was; want slechts de bewustheid onzer vernedering vernedert ons. — Nu verscheen Tom Windsor, een Ier, die vijf en veertig jaren oud was, en zijnen landgenooten in niets, behalve in vernuft, geleek. Groot en mager van gestalte, rimpelig van huid, een eerste wereldkenner en een moedwillig schertser over al wat hem maar voorkwam. Rijk en vroolijk, was hij de ziel van alle gezellige kringen, waarin bij zeer gaarne gezien werd, en hoezeer hij in vele gevallen de Jezuietische stelling volgde, dat het doel de middelen wettigt, maakte hij zich nochtans nooit aan gemeene schurkenstreken of lage intrigues schuldig, die den man van karakter en opvoeding zouden hebben kunnen ont-eeren. — Terstond na hem huppelde de aardige Franschman d\'Aubrey binnen, en op hem volgde de jonge speler St. John. Ten laatste kwamen er nog twee actrices, met haar was het gezelschap voltallig.

Het souper, was even zoo prachtig als de woning zelve. De fijnste wijnen, de uitgezochtste spijzen werden opgedischt. — De actrice was rijk geworden. Vernuftige trekken, scherise-rijen, anecdoten fonkelden met den Champagne rond, en Godolphin verbeeldde zich, dat hij weer jong en de voormalige vereerder van dit uitgelaten leven was geworden.

-ocr page 275-

L.

Codolpliin beschermt lt;le kunsten. — Schels van twee nieuwe karakters. — Gesprek tusschen Constance en Radcli/fft\'.— Een blik in de jiolitieke toekomst.

«Ja,quot; zeide Godolphin, toen hij alleen aan zijn ontbijt zat; want de uren der onvermoeide Constance geleken niet naar die van den tragen, genotzieken Godolphin; zij was reeds uitgereden en raadpleegde reeds met de intriguante gemalin van den * * * schen gezant. — sJa. ik heb twee tijdvakken van mijn leven achter mij, het romantische en dat der bespiegeling: mijn eerste lievelingstudie was de poëzie, de daarop volgende de filozofie. Thans, nu ik rijk en als gehuwd man in mijn vaderland terugkeer, begint er voor mij een geheel nieuw leven, echter niet dat van ellendige, onverzadelijke eerzucht, die het leven tot een eeuwigdurenden slaafschen, den mensch onwaardigen arbeid vernedert, en dien Conslance zoo zeer aanbeveelt; maar een beter, met mijn wezenlijke bestemming meer overeenkomend aanwezen, dan dat was, waaruit ik nu onlangs ontwaakt ben. Thans zullen vermaak en genoegen datgene voor mij worden, wat eenzaamheid en nadenken toen voor mij waren. Lang genoeg ben ik kluizenaar geweest, thans wil ik gezellig leeren worden.

Met dit besluit wierp Godolphin zich midden in den stroom der groote wereld. Men vleide hem, en wederkeerig vleide hij zijn vleiers. Sinds jaren was het hótel Erpingham een tooverpaleis geweest; wie herinnert zich niet de nog veel grooter betoovering, welke de nieuwe eigenaar over zijn gezelschappen verspreidde? Godolphin had steeds veel smaak, en wel een recht zuiveren smaak voor de schoone kunsten gevoed. Nu kwam hij op het denkbeeld, om kunstverzamelingen

-ocr page 276-

268

aan te leggen. Uit zijn geliefd Italië liet hij de heerlijkste standbeelden komen: de wanden schitterden van de meesterstukken der kunst: kabinetten waren vol van de zeldzaamste edelgesteenten; de prachtige, maar éenigszins bonte meubelen moesten voor andere van een beteren stijl plaats maken. Dezelfde zin, die Godolphin in zijne vroegere gewoonten en neigingen gekenmerkt had, kenmerkte hem ook thans weer in zijn nieuwe neiging: overal heerschte dezelfde zucht naar idealen, dezelfde vereering van het schoone, hetzelfde streven naar het volmaakte. Constance, bij wie geen zweem van deze kleingeestige eerzucht bestond, verheugde zich nochtans, dat Godolphin zich ten minste met iets bezig hield; en ofschoon het haar hoogst onaangenaam was, dat hij haar groot vermogen tot bevrediging van zijn kunstlievende luimen verkwistte besefte zij echter zeer goed, dat zelfs de zachtste toespeling daarop hem onfeilbaar moest herinneren, dat hij de middelen tot zijn kostbare uitgaven aan haar te danken had. Daarenboven voedde zij de hoop, dat zijn geest, eenmaal opgewekt zijnde, dezer beuzelarijen aldra moede worden en eindelijk naar een hooger doel streven zou. In deze hoop wijdde zij zich ijveriger dan ooit aan staalkundige plannen en intrigues.

Onder de vele gasten van het hotel Erpingham bevonden zich twee, beiden van een geheel verschillend karakter, maar tevens beiden de getrouwste kopijen van het gezelschap, dat hen gevormd had. De een was een schatrijke pair, bekend door zijn ongemeene .talenten, maar nog meer bekend door zijn zonderlingheden. Lord Saltream was ^ de eenige zoon van een vader, die de muziek meer dan zijn zoon beminde, ja, een onverwinnelijken afkeer van hem had, en dien hij tot zijn dood behield. Met zijn moeder was de jonge lord niet gelukkiger geweest: zij was een ruw, gemeen wijf, met het gezicht en de ziel van een keukenmeid. De verwaarloosde knaap had reeds vroeg groote talenten, maar ook, vermoedelijk door die huiselijke kwellingen verbitterd, een korzelig en lichtgeraakt gemoedsbestaan laten blijken. Hij onderscheidde zich in het politieke leven, hoezeer het hem aan genoegzame tegenwoordigheid van geest ontbrak, en hij had, ofschoon niet met roem, nochtans tot ieders tevredenheid, een van die staatsambten bekleed, welke, over het algemeen, ter beschikking van iederen gravenzoon staan, die behoorlijk lezen en schrijven kan, en tevens geen al te hevig radicalismus aan den dag legt. Toen lord Saltream echter zijn zeer aanzienlijk erfdeel in handen kreeg, legde hij zijn ambt neer, en kortte den tijd met huizen te bouwen en schitterende feesten te geven, waarop de gastheer alleen de vrijheid had zich te vervelen. Hij was een ongemeen belezen en (met de gewone lieden der groote wereld vergeleken) een bij uitstek geleerd

-ocr page 277-

269

man. Meestal zeer verstrooid, was hij desniettemin in de gezellige verkcering een hoogst beminnelijk mensch, als hij wilde. Maar zijn zonderlingheid zelve maakte hem vooral onderhoudend; want hij had zich gewend, zijn gedachten, even als in het Kasteel der Waarheid, luid uit te spreken, en hij bracht daardoor niet zelden een hem juist voorgesteld wordend hoveling in de jarnmerlijkste verlegenheid, als hij zonder eenige komplimenten, onbewimpeld hem zijn ongenegenheid betuigde. Of deze gewoonte onwillekeurig of door een sar-kastische luim veroorzaakt ware geworden, is moeielijk te beslissen: algemeen werd het echter daarvoor gehouden, dat zijn heerlijkheid eigenlijk geen recht besef of duidelijke bewustheid van de verregaande snapachtigheid zijner gedachten had.

Na hem verdient genoemd te worden de jongste zoon van zekere oude rijke familie, die, in het genot van oude titels, de nieuwe versmaadde. Dezen jongman, Stainford Radclyffe geheten, trof men vaak in het hotel Erpingham aan. Hij was nauwelijks vier en twintig jaren oud, en toch reeds zeer beroemd. Onder een zacht, bedaard koel uiterlijk voorkomen verborg hij de brandendste eerzucht. Hij was een diep denker, een grondig staathuishoudkundige, een schrander financier en een scherpzinnig beoordeelaar in zaken van zedekunde en wetgeving, daar hij met zijn boekenstudiën een meer dan gewone menschenkennis paarde en, als hij nu en dan zijn eenzaamheid verliet, hoofdzakelijk zulke lieden opzocht, die zich in de door hem beoefende wetenschappen onderscheiden hadden, ten einde door hunne ideeën de zijne te verbeteren en te wijzigen. In hem was niets vluchtigs, behalve met opzicht tot het doel, en wanneer hij, naar de meening van oppervlakkige menschen, \'t verst van den weg scheen af te dwalen, dien hun schranderheid hem zouden aangewezen hebben, zocht hij slechts den zekersten en kortsten weg. Echter was zijn eerzucht geenszins van die gemeene soort, welker streven inzonderheid daarop is gericht, om zich in de wereld een rang te verschaffen; luttel bekommerde hij zich om een erbarmelijk ambt of een ijdelen titel, waarmee men doorgaans jonge lieden beloont, die, gelijk men zegt, iets van zich laten verwachten. Zijn scherpe blik drong in de gebeurtenissen, die voor allen nog in een dichten nevel gehuld lagen: aan dit verre, maar groote doel hechtte hij zijn wenschen. De kleine, min beduidende belooning van het oogenblik achtte hij niet; en ofschoon hij steeds — hij gevoelde dat dit noodzakelijk was — bij elke zaak van eenig belang aan het hoofd stond, schonken echter de eerbewijzingen, om welke men hem benijdde, hem volstrekt geene vreugde. Steeds werkzaam en zeer tot peinzen en nadenken overhellende, begaf hij zich zelden

-ocr page 278-

270

in de levenslustige wereld en was ook, als hij zich daar soms bevond, volstrekt niet in staat, om er zelfs eenigszins te schitteren ; want kleinigheden vereischen zoowel den ganschen mensch, als gewichtige aangelegenheden. Het ontbrak hem niet aan vernuft, maar hij richtte al zijne zielsvermogens dermate op groote onderwerpen, dat hij bij kleine niet zelden stomp scheen, en nochtans hadden, als hij eenmaal regt opgewekt was, of zich te huis bevond, zijn gesprekken, even als die van eiken geestigen en helder denkenden man, hunne eigen bekoorlijkheid.] In dezen jongen, ernstigen zonderling lag iets, wat Constance, op het eerste gezicht, betooverde: zij meende, in hem een overeenkomst met zich zelve te vinden, en Radclyffe\'s koene geest verhief zich nog koener met den haren. Hunne staatkundige denkwijs was volkomen dezelfde, hun hoofddoel was niet volstrekt onmogelijk, en hunne gemeenschappelijke eerzucht opende hun een onuitputtelijken schat van plannen en ontwerpen, Radclyffe was Constance\'s, Saltream Godolphins gast; maar Godolphin begon aldra den jongen politicus genegenheid toe te dragen, en Constance bleef niet zonder belangstelling voor den origineelen pair.

»Gij ziet,quot; zeide Constance op zekeren dag, toen Piadclylïe haar een morgenbezoek gaf — »gij ziet, dat, in weerwil der zich alles aanmatigende en drukkende politiek van onzen tijd; in weerwil, dat een Sidmouth en een Castlereagh aan het hoofd van het bestuur zijn, het streven naar vrijere instellingen zich nochtans steeds meer en meer ontwikkelt, en dat het, hoe vaster de vrede staat, des te sneller tot rijpheid zal komen. Uit de groote steden, die tot dusver nog geene vertegenwoordigers hebben, en derhalve misnoegd zijn, zal het demokratische idéé ontstaan, dat al die quasi-eerwaardige, maar geheel afgesleten misbruiken zal vernietigen, welke, als zoo vele dijken en dammen, den volksstroom trachten te sluiten.quot;

»Wie weet,quot; zeide Radclyffe glimlachende, »of niet nog eens het radicalismus zijn hersenschimmen verwezenlijkt za\' zien! Evenwel moet ik oprecht bekennen, dat ik voor de Whigs geen hoop zie: vadsig en aristokratisch zouden zij hunne aanhangers door hun gebrek aan energie, en het volk door hun gebrek aan waarheid voor het hoofd stooten.quot;

»Wat dat betreft,quot; zeide Constance met grootere onverschilligheid, dan hare Whig-vrienden misschien zouden gebillijkt, hebben — «het is, wel ingezien, om \'t even, wie de werktuigen zijn, als slechts het beginsel, waarvan wij uitgaan, levend wordt. Het eerste uitwerksel van liberale gevoelensquot; — vervolgde zij op een nadrukkelijken toon, sis, dat zij zich aan de antiliberale partij opdringen. De vijanden van nieuwigheden in den staat bewerken door het gewicht der openbare meening zelve de eerste nieuwigheid, en zoo wordt de sterkte hunner

-ocr page 279-

271

partij steeds meer en meer verzwakt. Er sluipen scheuringen en kleingeestige jaloezie in, en de min of meer liberalen onder de antiliberalen werpen zich, huns ondanks en dooiden nood gedrongen, den min of meer antiliberalen onder de liberalen in de armen, om bij hen den steun te zoeken, dien zij in hunne partij verloren hebben. Deze ongelijksoortige vereeniging kan onmogelijk van langen duur zijn — de band die haar moet samen houden, breekt, en er treedt een nieuwe partij op; want de oude Tories hebben stilgestaan, terwijl de wereld voortgegaan is. Wij krijgen dan een ministerie van nog veel liberaler mannen, dat echter ook nog eenige leden zal tellen van de partij, welker plaats het vervangen heeft; en zoo zal het al verder loopen: het eene ministerie zal op het andere volgen, en elk nieuw ministerie zal uit leden van de meest populaire zijde bestaan, met bijbehoud van eenige veteranen der minder populairen; en zoo zal de kringloop van de Tories tot de gematigden, vervolgens geheel tot de Whigs overgaan en misschien met de bergpartij eindigen.quot;

»Wie weet,quot; zeide Radelyffe, »of wij niet, als uwe voorspelling vervuld wordt, ten laatste nog den vurigen Brougham als ambtenaar van staat, den wakkeren Althorp op de schat-kamersbank en den strengen sir Henry Parnell als voogd over onze beurzen zullen zien?

»Dat zou inderdaad alle schijnbare mogelijkheid te boven gaan!quot; zeide Constance lachende. »Maar zelfs zou dan, wanneer mijn onderstelling gegrond ware, dat namenlijk, een gedeelte der nieuwen met de ouden moet ineensmelten, het geenszins zoo onbelangrijk wezen. Brougham met het een of ander staatsambt bekleed te zien, als te weten, wie zijne collegaas zouden zijn.quot;

«Neem eens aan, Palmerston of Charles Grant,quot; antwoordde lladclyfle insgelijks lachende.

»Neen,quot; hernam Constance ; sis het liberalisme eenmaal zoo ver gekomen, dan zou het zeer zeker daarbij niet blijven staan. Het moest dan stellig verder gaan, en misschien zelfs den coadjutor van den koenen sir Francis, den jongen Hobhouse zeiven, in het ministerie brengen.quot;

Dit denkbeeld scheen onze beiden politieken zoo onderhoudend dat zij er zich niet van konden ontdoen, maar het integendeel van alle zijden beschouwden, tot plotseling lord Saltream aangediend werd.

»Het verheugt mij, u te zien, lady Erpingham,quot; zeide hij

— «inderdaad, het verheugt mij hartelijk; maarquot; — voegde hij er luid mompelende bij, toen hij Radelyffe gewaar werd

— »is die ook hier? Hm! Ik kan die verwaande jonge lieden met hun aanmatiging niet dulden. Wil ik heengaan? — Maar neen, ik zal blijven.quot;

-ocr page 280-

•272

Hij ging zitten. Radclyffe en Constance zagen elkander glimlachend aan. en de eerstgenoemde trad naar een der vensters.

»Gij weet niet,quot; zeide lord Saltream — »van welk een last ik door het bouwen van een groot huis ontheven ben. Ik was dermate met geld overladen, dat ik wezenlijk niet wist, wat ik er mee moest beginnen. Intusschen was hel volstrekt noodzakelijk het te besteden. Weldadigheid is een pralende ondeugd: het spel haat ik, en ik heb geen vrouw, die voor mij speelt; zoodat mijn rijkdom mij werkelijk in verlegenheid bracht. Eindelijk kwam ik gelukkig op het denkbeeld van bouwen, en ik verzeker u, dat ik mijn overtollig geld door dat middel spoedig kwijt ben geraakt: ja, ik heb zelfs het aangenaam vooruitzicht, dat ik aldra niet rijker zal zijn, dan mijn naburen. O, dat bouwen is een heerlijk middel tegen den last des rijkdoms! Ik moet, het Godolphin aanbevelen. Daarenboven is het een echt vaderlandsch idée. Het gansche volk dat niet zooals domme dagbladschrijvers ons diets trachten te maken, door schulden, maar wel degelijk door het gewicht van een dood kapitaal gedrukt wordt, heeft zich aan het bouwen gewijd. Zie maar eens rond in ons Londen. Wat al straten rijzen, als ware het, uit den grond op! Grieksche tempels in het Park van den Regent en Gotische kerken in de Paradijsstraat! En welk een heerlijke graftombe voor overleden guinjes heeft men niet in St. James, onder den spotnaam van Paleis, opgericht! — geloof mij lady Erpingham! de Engelschen zijn een zeer verstandig volk, en het zou eeuwig te bejammeren zijn, als zij door de zorgen, die een te groot vermogen den bezitter steeds veroorzaakt, te zeer gekweld werden.quot;

»Een zeer goede manier, om den nationalen nood te verontschuldigen. Gij moest uwe ideeën laten drukken. »De toestand der armen, door lord Saltream, twee deelen, in quarto

— waarin bewezen wordt, dat armoede slechts het gevolg der lastigheid van een overvloed van rijkdommen is. — Het boek zou een geweldig sterken aftrek hebben!quot;

ii)Zeer verplicht voor uw welgemeenden en alleszins bruikba-ren raad. Ik zal dadelijk aan \'t werk gaan en het boek aan Southey opdragen, die zeer veel eerbied voor genieën heeft, die geen schrijvers van beroep zijn, en die eene vleierij op zijn waarden persoon met een onsterfelijkheid van drie maanden in het Quarterley-Pieview beloont. Maar ach, de boeken zijn zulk dom, ellendig tuig! Berokkenen zij u niet de verschrikkelijkste verveling?quot;

Nu zweeg lord Saltream plotseling eenige oogenblikken, keek strak voor zich heen en mompelde toen bij zich zeiven ))zou ik hun het historietje verhalen? Ja, ik zal het hun verhalen:

— maar neen, ik zal het niet doen — dat wordt ten laatste

-ocr page 281-

273

onaangenaam, lastig: — en ik wenschte wel, dat zij heengingen.quot; En hierop wendde de lord zijn stoel naar den schoorsteen en hield een diep stilzwijgen.

Zóó verliep er eenige tijd : Radclyfle was reeds lang vertrokken ; lady Erpinghams koets stond voor het hólel en wachtte op Constance, die voornemens was, een bezoek af te leggen.

sHet doet mij leed, lord Saltream, »dat ik u moet verlaten. Ik behoorde mij eigenlijk te schamen, — maar —quot;

ïGeen kompliinenten lieve lady Erpingham. Het spijt mij wezenlijk, dat ik uw gezelschap met langer genieten mag; maar op een anderen tijd hoop ik, dat gij er jegens mij minder karig mee zult zijn.quot; — Lord Saltream trok aan de schel. — «Lady Erpinghams rijtuig; ik heb de eer mij aantebevelen,quot; en zeer hoffelijk leidde de lord Constance uit haar eigen kamer.

s Welk een zonderling mensch!quot; zeide lady Erpingham bij zich zelve. »Doch waar is Godolphin? Helaas! ik zie nem thans bijna in \'t geheel niet meer.quot; — Zij stapte in het rijtuig, en begaf zich naar de hertogin * * *. Toen zij door bet Park kwam, zag zij Godolphin onder eenige zeer bekende en erg verkwistende losbollen: hij onderscheidde zien van de overigen door de schoonbeid van zijn paard en zijn bleek, maar verstandig gelaat. Juist was hij begonnen met zijn nieuwe theorie in praktijk te brengen en de verveling niet door arbeid, maar door vermaak te ontgaan. Maar den dorst kan men zoo licht niet door wijn, als door water, lesschen.

»Dat is een gevaarlijke intrigeerende vrouw!quot; zeide de hertogin * * * tot haar beroemden gemaal, toen Constance hem verlaten bad.

sGekheid! Vrouwen zijn nooit gevaarlijk!quot;

Lady Ergingbam keerde naar huis terug en kleedde zich daar voor het middagmaal : want zij en Godolphin zouden elders en dus ook eenmaal samen, aan tafel zitten. Op Percy\'s arm leunende, trad zij uit baar boudoir in da zaal, om daar op haar koets te wachten, en Kie, daar zat lord Saltream nog en sluimerde op de sofa.

«Hemel, mylord!quot; riep Constance verbaasd, — »Zijt gij wezenlijk hier zoo lang opgesloten geweest, sedert ik u, zonder komplimenten, verlaten heb?quot;

»Och, lady Erpingham!quot; Nu verviel hij weer in een luid zelfgesprek. — Vermoedelijk komen zij, om bij mij te eten — dat komt heel gek — en die lieve dames matigen zich doorgaans vrij wat aan. Hm! (luid) het is laat, en ik ben den ganschen dag niet uit geweest. Nu, Godolphin! het verheugt mij, u hier te zien: ik vrees dat gij een\' soberen maaltijd zult vinden.quot;

»Dat vrees ik niet de kok van lord S * * * is met recht beroemd,quot; zeide Godolphin glimlachend.

18

-ocr page 282-

\'274

«Van lord S quot; * \' — Jat kan zijn;quot; ^bij zich zei ven) Wat duivel meent hij daarmede? (luid) Mijn kok is ook knap; hij moet er zich slechts op voorbereiden, inzonderheid, als hij met zulke keurige gasten te doen heeft.quot;

ïgt;Maar mijn waarde Saltream!quot; riep Godolphin lachende uit. »Denkt gij dan wezenlijk dat gij ten uwent zijt?quot;

»Ha! — op mijn woord van eer!quot; antwoordde Saltream, na eene lange poos zwijgens en ten hoogste verwonderd — »ja, dat dacht ik inderdaad!quot;

Lord S * \' * gaf voortreffelijke diners. Sedert is hij wegens deze legislative talenten tot pair verheven geworden.

Er was een zeer aangenaam gezelschap ten zijnent bijeen ; maar het sloeg acht uur, en er werd nog niet opgedischl: dit begon den gastheer te verdrieten.

»Wien verwacht gij nog\'?quot; vroeg Godolphin.

»Saltream.quot;

ïSaltream?quot; riep Godolphin.

»Saltream!quot; zeide lady Erpingham,

ïSaltream 1quot; herhaalde Saville — »toch niet! Hij heeft mij en verscheiden andere personen immers genoodigd, om bij hem te dineeren.quot;

xgt;Lord Saltream!quot; riep de kamerdienaar, en de edele lord trad binnen. Hij had zich van zijne verstrooiing ontdaan en was alleraardigst. In eenen stroom van vernuftige spreekwijzen verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en toen hij lady Erpingham naar de eetzaal geleidde, strooide hij op den weg derwaarts allerlei epigrammen uit.

Het eerste gerecht was voortreffelijk: lord Saltream was de ziel van het gezelschap; maar reeds bij hel tweede gerecht werd hij somber: zijn voorhoofd fronste, hij zag verlegen, wrevelig om zich heen, veranderde van kleur, beet zich op de lippen en barste eindelijk in deze woorden uit:

»Op mijn eer, lady Erpingham, ik moet u duizendmaal om Tergiffenis vragen. Mylord (hij wendde zich naar den gastheer) ik smeek u, het mijnen kok, niet kwalijk te nemen — hij is anders zulk een kunstenaar in zijn vak — ik begrijp ket wezenlijk zelf niet — het is mij volstrekt onverklaarbaar en, zoo als ik zeg, ik moet u verzoeken, tenminste mij het slechte diner niet te wijten; want het is inderdaad afschuwelijk slecht!quot;

-ocr page 283-

LI.

Godolpliins levenswijs. — Invloed der meenimj en der bespotlc-lijkheid o/; den zin der bevoorrechte Liassen. — Ladtj Erpim/hcims vriendschap mei koning George.

Het leven, waaraan Godolphin zich thans overgaf, was zoo-itanig, als een rijk en met voortreffelijke geestvermogens he-jiaafd man kan leiden — dat is, naar het voorschrift eener Terfijnde weelde. Hij naderde den leeftijd, waarin de poëzie van het hart verflauwt. Hij kon over bijna onuitputtelijke schatten beschikken, en daar hij geen beweeggrond tot ontwikkeling zijner intellectueele krachten had, zochi iiij thans in vermaken, hetgeen hij te voren van de verbeelding begeerd had. Dewijl hij de eerzucht verachtte, hadden zijn talenten geen anderen werkkring, dan die het gezellig verkeer aanbiedt, en zoo werd hem dit gezellig verkeer, de goedkeuring en de achting van zijn kring van lieverlede gewichtiger dan zijn filozofie zich verbeelden kon. — In welken kring wij ook leven, de meening van zulken kring zul vroeg of laat een heerschappij over ons uitoefenen. Dit is de reden, waarom een leven van vermaak ten laatste den sterksten geest, geheel verslapt en tot onbeduidendheid vernedert. De wetgever, de geleerde, allen worden onmerkbaar door het, oordeel van het genootschap, waartoe zij behooren en door den invloed van den kring, waarin zij zich bewegen, geheel hervormd. Het allermeest is dit echter met de ledigloopers in de groote wereld het geval, bij wie het hoofdonderwerp van het gesprek buitendien slechts het dierbare i k is.

Daar echter, in de laatstgenoemde klasse, de spotzucht een meer vermogende en gevreesde godheid is, dan in de klasse die ernstiger bezigheden te verrichten heeft, zoo dwingt zij

18 *

-ocr page 284-

276

haar ieden door een bestendigen angst voor haar slagen, tol een meer gelijkmatige, meer onveranderlijke onderwerping aan het oordeel van anderen. Het bespottelijke verslapt in hen, die het beheerscht, alle energie. Als iemand in degroote wereld een plaats ingenomen, als hij zekeren ouderdom bereikt heeft, zal hij iet licht een int.ellectueele onderneming wagen, die het gedeelte achting of beroemdheid, welke men hem tot dusver vergund heeft, op het spel zou kunnen zetten. Zorgvuldig wacht hij zich, om zicli aan een neerlaag in liet parlement, of aan een scherpe kritiek in de letterkunde bloot te stellen: hij heeft geen\' lust, een nieuwe jaloezie tegen zich te doen ontstaan en dienstwillige, gehoorzame dienaars in verbitterde mededingers te veranderen. De meest geachte leden der beide huizen van het parlement, de beroemdste schrijvers beschouwden Godolphin thans als een man van vernuft en genie, als een man, aan wien zijn huis, zijn rijkdom en zijn vrouw een invloed gaven, hoedanige slechts zeer weinigen ten deel valt. Waarom zou hij dit alles op een hoogst onzekeren kans zetten en een vergelijking uitdagen? In zijn kring was hij de eerste; waarom zich dan aan de waarschijnlijkheid bloot gesteld, om in een anderen kring de tweede te worden ?

Deze beweegreden, die heimelijk de heltt der aristokraten, en wel de meest besche dene en meest geachte beheerscht, die, welke den dommen en verwaanden hun waarlijk niet te benijden roem gaarne gunnen— versterkte niet weinig Golt;iol-phins filozofische onverschilligheid omtrent de eerzucht. Misschien zou in hem, ware zijn toestand niet zoo schitterend geweest, of ware zijn neiging tot eenzaamheid hem bijgebleven — de eenzaamheid, welke de jeugd, als de besle pleegster barer droomerijen, zoo zeer bemint — op zijn toenmaligen leeftijd, op welken de eerzucht, ofschoon zij ook tot daartoe gezwegen hebbe, zich plotseling laat hoeren, de sluimeiende vastberadenheid, de sluimerende zedelijke kracht ontwaakt zijn. Maar in de vele en veelsoortige genietingen, die zich hem overal aanboden en die in de regel, slechts de belooning zijn, waarvoor men arbeidt, zou zelfs een meer eerzuchtige dan hij zijn natuur hebben kunnen vergelen. Door gekrenkte ijdel-heid, door het besef, dat hij achteraf gezet werd (die sterke prikkeling voor de trotschheid) werd hij geenszins tot die krachtsinspanning aangespoord, door welke wij den laster pogen te logenstraffen. Hij was, om het zoo uit te drukken, de spiegel der mode, geliefd en bewonderd, en het fortuin dat hij door zijn huwelijk met de beroemde, rijke en schoone gravin Er-pingham gemaakt had, werd, zooals steeds bij het goede gevolg eener daad het geval is, als een bewijs van zijn genie, als een duidelijk kenmerk zijner verdiensten beschouwd.

Evenwel was het zichtbaar genoeg, dat een stil, wederzijdsch

-ocr page 285-

•277

gevoel van teleurgestelde verwachting aan het anderszins zoo schitterende leven van man en vrouw knaagde. Godol-phin verlangde van Constance meer zachtmoedigheid, meer leederheid, ten minste meer minzaamheid, dan in hare natuur lag; en Constance ergerde zich onophoudelijk, omdat zij in Godolphin geen symphatie met hare ontwerpen, geen deelneming in hare geestdrift vond. Daar de een slechts voor het vermaak, de ander slechts voor de eerzucht leefde, was in hunne verkeering geen intellectueele verwantschap denkbaar. Zij beminden elkander trouwens nog, zelfs met warmte, en nooit twistten zij met elkaar; maar, helaas! de een geloofde niet, dat de ander hem wezenlijk beminde, en zoo zochten zij buitenshuis het genoegen, dat hun binnenshuis ten eenemaal ontbrak.

Constance was een bijzondere vriendin van koning George en genoot, dientengevolge, ook de eer van tot den kleinen gezeüigen kring te behooren, dien de vorst te Windsor gevormd had. Godolphin, die de verveling als het pijnlijkste van alle menschelijk lijden beschouwde, kon zijn smaak en zijn gewoonten niet tot een strenge, vast bepaalde levenswijs dwingen, hoe aanzienlijk de kring ook ware waar zij als wet gold. Hij wilde onderhouden zijn, niet onderhouden. Niemand was geschikter, om een hof tot sieraad te strekken, maar niemand kon tevens minder den hoveling spelen. Hij bewonderde den monarch in vele opzichten; hij erkende diens helder verstand en ongemeene scherpzinnigheid; maar dewijl hij gewoon was, zelf aan de gezellige kringen, in welke hij verkeerde, wetten te geven, was hij te Irotsch, om zich naar het voorschrift van een ander te richten, wat doorgaans het geval met zulken is, die het recht hebben, om met de grooten dezer aarde te leven, niet slechts door hen geduld te worden. Hij was geheel en al tot een groot aristokraat geschapen, die zich wezenlijk van den vleier eens nog grooteren mans onderscheidt; en om ten hove wel gezien te zijn, stond hem zijn aangeboren filozofie van zijn cynisrnus, in den weg.

In het eerst gedroeg de koning zich jegens den gemaal van lady Erpingham minzaam genoeg, doch aldra merkte hij, dat deze minzaamheid niet naar behooren beantwoord werd, en nu was Godolphin innig verheugd, toen hij in het eerste blijk van koelheid een verontschuldiging vond, om zich aan het hof te onttrekken: hij zeide het hof voor altijd vaarwel,en liet Constance de eer van het koninklijk gezelschap genieten. Misschien zou de wereld daarin stof tot laster hebben gevonden, maar in Constance\'s schoonheid lag iets, wat een dichter den engelen toeschrijft — zij drong door tot in het hart, doch gebood der zinnelijkheid eerbied.

-ocr page 286-

LU.

Gesprok lussrhm Radrlyffeen Godolphin. — Omlersi\'hrid ih-r m-znr.hl.

,1k weet niet,quot; zeide Godolphin, toen hij, op zekeren dag, met Piadclyffe een toertje te paard deed; »ik weet waarlijk niet, wat ik heden avond zal aanvangen. Lady Erpingbam is naar Windsor, ik ben op geen diner genoodigd, en de bals vervelen mij. Laat ons samen eten en ons dan bedaard naar een der schouwburgen begeven, zoo als wij voor tien jaren.

hebben gedaan,quot;

»Gaarne. Zijt gij nog een vriend van het tooneeW ik meen» eens van u gehoord te hebben, dat het in vroeger jaren uw meest geliefkoosde uitspanning was.quot;

»Ook nu nog kan het mij behagen, maar de glans is er at, mijn vriend! Ja, ik ben ongelukkig thans veel moeiehjker te voldoen, dan te voren. Ik vorder een voortreffelijk stuk en een voortreffelijke uitvoering. De geringste fout, de minste afwijking van de natuur ontrooft mij het genot van het geheel. gt;Zóó denkt gij over alles!quot;

»Gij hebt gelijk,quot; antwoorde Godolphin geeuwende;gt;maar hebt gij miin nieuwen Canova reeds gezien ?

j)Neen, ik houd niet van standbeelden en heb ook geen kennis van de schoone kunsten.quot;

jiWelk een bekentenis!quot;

»Nu ja, het is zeker een zeldzame bekentenis; maar ik geloof, dat men, even als in truffels en olijven, zoo ook in de \' schoone kunsten, eerst smaak moet krijgen. De meeste men-schen bewonderen, alleen op het gezag van anderen, datgeno, waaromtrent zij in \'t eerst volstrekt onverschillg waren. Maar hoe kunt gij, Godolphin, in het bezit van zulke talenten, uw leven met zulke beuzelarijen vermorsen?quot;

sik dank u voor uw komplimentlquot; zeide Godolphin;»maar

-ocr page 287-

279

vergun mij, aan le merken, dal ik uwe levenswijs als zeer beuzelachtig beschouw. Nietsbeduidende, \'angwijlige eerbe-wijzingen, een naam in de dagbladen, misschien een plaals in het ministerie, die door een opgeofferde jeugd en een vernederden mannelijken leeftijd gekocht wordt — neen, Radclyffe, dat is mijne zorg niet. Ik wil een aangenaam, vroolijk, zorgeloos leven: vóór de jaren, waarin de gebreken van den ouderdom ons tot genot ongeschikt maken, wil ik genieten. Dat is ware wijsheid! Uw geloof is — maar,quot; voegde hij er lachend bij, »11 we filozofie, en ook uw smaak, zal nimmer de mijne worden.quot;

sWelnu, gij doet immers steeds uw best, om te genieten. Gij leeft op een schitterden voet, uwe woning is prachtig, uwe villa bekoorlijk. Lady Erpingham is de schoonste vrouw van haar tijd; en als of dat alles nog niet genoeg ware — de helft der Londensche schoonen dfildt u aan hare voeten — en toch zijt gij niet gelukkig!quot;

«Neen, daarin hebt gij gelijk! — maai\' wie is hier inderdaad gelukkig!quot; riep Godolphin hevig uit.

?Ik!quot; antwoordde Radclyffe droogjes.

»Gij\'? Hm!quot;

ïGelooft gij mij niet?quot;

»Ik heb geen recht, om eraan te twijfelen: maar zijt gij niet eerzuchtig? En gaat de eerzucht niet steeds met angst en zorgen gepaard: zij moge haar doel al of niet bereiken: tevredenheid kent zij niet; want zij wil steeds hooger en hooger, tof zij niet zelden eindelijk van een duizelende hoogte, die zij ten koste van alle levensgenot, ja, soms ten koste van da eer zelve, bereikt heeft, plotseling nederstort en verachtelijk in het stof blijft liggen. Bewijst niet steeds het woord eerzucht zelf, dat is, de wensch, om iets te zijn, wat men niet is, onze ontevredenheid met hetgeen wij niet zijn.quot;

»Gij doelt hier op de gewone eerzucht.quot;

»En welke, wijsste van alle wijzen, is dan uwe eerzucht?quot;

»]SIiet die gij beschrijft. Gij spreekt van de eerzucht voor ons zei ven; de mijne heeft dat eigenaardige, dat zij voor anderen werkzaam is. Voor eenige jaren ontwierp ik een plan, dat zoo als Ik mij verbeeldde, het welzijn der menschheid beoogde. Gij glimlacht. Nu, ik pronk immers niet met de hooge zedelijke waarde van mijn droom; maar de philantropie was steeds mijn stokpaardje, even als standbeelden het uwe zijn. Om dat plan te verwezenlijken en ten uitvoer te brengen, worden groofe veranderingen vereischt, en die veranderingen te bewerken, is mijn rusteloos streven. Ik ben, trouwens, (laarbij geenszins onverschillig voor den roem, ja, zelfs wensch ik dien te verkrijgen, maar hij zou mij slechts dan aangenaam zijn en zelfvoldoening verschaffen, als hij uit zekere bronnen ontsprong.

*

-ocr page 288-

280

Ik behoef het gevoel, dat ik volbrengen kan wat ik beproef, en ■wensch slechts den roem, die uit de voortdurende dankbaarheid mijner medemenschen, niet dien, welke uit hunne voorbijgaande goedkeuring en toejuiching ontstaat. Ik ben ijdel, zeer ijdel, en ijdelheid was nog voor eenige jaren de meest heerschende trek van mijn karakter. Ik vermeet mij niet in staat te zijn om deze zwakheid te overwinnen, maai ik maak er gebruik van voor mijn doel. In \'t kort, ik ben ijdel genoeg, om eenigen glans voor mij te wenschen, maar het licht moet van daden uitgaan, die ik voor wezenlijk achtenswaardig houd.quot;

»Dat is alles goed en wel,quot; hernam Godolphin, die zich, zijns ondanks, min of meer geneigd gevoelde, om hém toe te stemmen; «maar de eene eerzucht gelijkt de andere, in zoo verre met beiden aanhoudende verdrietelijkheden en vernederingen gepaard gaan.quot;

»Niet zoo volkomen.quot; antwoordde Radclyffe; »want als iemand naar iets streeft, dat hij voor loffelijk houdt, dan troost hem de rechtschapenheid van zijn doel voor het mislukken, terwijl de egoïstische eerzuchtige volstrekt geen troost in zijne mislukte pogingen heeft. Hij wordt door de buitenwereld gedee-moedigd, en bezit geen inwendige wereld, in welke hij eenige schadeloosstelling vinden kan.quot;

»0, menschenlquot; riep Godolphin op een bitteren loon uit; «eeuwig, eeuwig bedriegt gij u u zeiven! Hier hebben wij de zucht naar macht, en die noemt zich liefde voor de menschheid!quot;

«Geloof mij,quot; zeide Radclyffe, zoo hartelijk en met zulk een diepen ernst in zijn sprekende, vurige oogen, dat Godolphin met schrik uit zijn twijfelzucht ontwaakte — «geloof mij, beide kunnen verschillende, en toch vereenigde hartstochten zijn!quot;

-ocr page 289-

lui.

Fanny arhter de schermen. — Herinneringen uit de jeugd. —; Souper bij Fanny Mil linger.

Men yai Sheruians Pizarro, en Fanny speelde de Cora. Oodolphin en Radclyfte bevonden zich achter de schermen.

»Ach!quot; zeide Fanny, die, in haar wit, Peruaansch kostuum, wachtte, lot zij moest opkomen; — »Ach, Godolphin! dit herinnert mij vroeger dagen. Hoe menig jaar is er reeds ver-loopen, dat gij zooveel genoegen in dat tooneelleven vondt! Ik weet nog zeer goed, hoe uw denkend oog en peinzend voorhoofd zich uit die loge daar naar mij toe wendden, en hoe aardig gij dan over het verlaten tooneel wist te moraliseeren. als het stuk afgespeeld was. Menigmaal wachttet gij op ditzelfde tooneel, om mij naar huis te geleiden. Helaas! de tyden zijn veranderd.quot;

3gt;Ja, Fanny wel zijn de tijden veranderd, en wij met hen. Kon het leven thans nog voor ons zijn, wat het toenmaals was, dan zouden wij elkander op nieuw beminnen, op nieuw met elkander dwepen en gelukkig zijn. Maar zeg mij eens. Fanny, heeft de ondervinding u niet wijzer gemaakt? Tracht gij niet, u meer in het tegenwoordige te verheugen, de vrucht op de takken van den tijd te plukken, eer zij overrijp wordt. Ik ten minste doe dit. Ik heb mijn jeugd verdroomd: de mannelijke jaren wil ik genieten.quot;

))Dan,quot; zeide Fanny met die snelheid, waarmeê vrouwen in zaken, die het hart betreffen, al onze filozofie eensklaps uit het veld slaan — »dan durf ik wedden, dat gij, sedert onze scheiding, iemand bemind of verloren hebt. De droefheid, die den werkzamen geest in een droomenden verkeert, dringt, den droomer tot werkzaamheid, onverschillig, of zij in nuttige bezigheden of in vermaken besta.quot;

-ocr page 290-

282

»Zoo is het,quot; zeide Radclyffe, terwijl zijn ernstig voorhoofd fronste.

»Zoo is het!quot; zeide Godolphin, in gedachten verzonken, en Lucilla\'s beeld steeg voor hem op en greep hem pijnlijk aan als de Nemesis van het geweten. — .«Ja, het is zoo! zeide hij zich omkeerend tot zich zeiven; »en deze woorden uit een lichtzinnigen mond hebben mij eenige beweeggronden van mijn tegenwoordig leven verklaard. Maar weg met al dat overpeinzen! Ik heb het afgezworen ! —Nu wendde hij zieh weder tot de actrice en vervolgde: »gij zijt voor mij een tweede De Stael in wijsheid: maar wij moeten niet wijs zijn; want dat is de ergste van onze dwaasheden. Geeft gij ons heden avond niet een van uwe bekoorlijke soupers!quot;

»Zeer zeker. Uw vriend moet meekomen. Er was een tijd, dat hij de vroolijkste onder de vroolijken was; maar de jaren, do roem hebben hem aanmerkelijk veranderd.quot;

»Radclyffe vroolijk? Is het mogelijk?quot; riep Godolphin met

verbazing uit. , .

»Ja, ja, verwonder u vrij, maar zie tevens dat glimlachje eens — hel spreekt, van oude lijden.quot;

Godolphin keerde zich naar zijn vriend en zag inderdaad om de fijne lippen van zijn ernstig gelaat een zoo luimig, schelmachtig glimlachje spelen, dat het gansche karakter van den man veranderd scheen. Maar bijna in heizelfde oogen-blik verdween dat glimlachje weer, en zeer ernstig bedankte Radclyffe voor de uitnoodiging.

Cora moest op het tooneel: een daverend handgeklap ontving haar.

»Hoe heerlijk speelt zij!quot; riep Radclyffe vol geestdrift.

»Ja,\'quot; antwoordde Godolphin, terwijl hij met over elkaar geslagen armen bedaard toezag. —

),Maar welk een opheldering over het menschelijke hart geeft ons dat heerlijke spel! Zie dat fonkelende oog, dien gol-tenden boezem, die hartstochtelijke uitstorting, die gesmoorde stem — de aanschouwers smelten weg in tranen. De gansche ziel dezer vrouw hangt aan haar kind. Bah! Niets anders dan bestudeerd spel. Zij gevoelt niets meer, dan de planken, waarop wij hier staan. Hoogst waarschijnlijk denkt zij aan de genoegens van het souper, dal ons verbeidt; en ils zij achter de coulisses komt, roept zij met zelfvoldoening uit: heb ik het niet goed gemaakt?quot;

»Neen,quot; zeide Radclyffe, Meer zeker gevoelt zij, terwijl zij het gevoel schildert.quot;

7)Zij ? Reeds voor jaren bekende zij mij, dat de gansche tooneelkunsl slechts in eene reeks van kunstgrepen bestaat. Ach! op en van het tooneel is alles, alles loutere kunstenarij. De edele welsprekendheid is ook al niets meer. De filozofie,

-ocr page 291-

C2S\'3

de poëzie — alles is bedrog, alles is huichelarij. — Die verdoemde maan, zeide Byron, op zekeren dag tegen mij, toen wij samen te Venetië waren; zij jaagt mij altijd de koorts op liet lijt! Nu, ik heb haar in mijn gedichten ook duchtig bezongen!quot;

((Maar —quot;

«Verschoon mij, hid ik u, van uwe maar\'s.quot; viel Go-dolphin hem, op een kluchtig deftigen toon, en met een gemaakten ernst, in de rede; »Gij zijt jonger dan ik. Hebt gij eens de jaren bereikt, die ik thans bereikt heb, dan hebt gij ook het recht, om mijne zedeleer tegen te spreken — eerder niet.quot;

In Godolphins rijtuig reed de actrice naar hare woning. Ook Fanny\'s leven was slechts aan het vermaak gewijd, en daaraan verkwistte zij evenzoo haar geld, ofschoon zij geenszins Godolphins fijnen smaak in de keus harer vermaken had. Grootmoedig en milddadig, even als alle lieden van haar stand, even als alle lieden, die het geld gemakkelijk verdienen, was zij weldoende jegens allen en weelderig voor zich zelve. De mannelijke gasten van haar huidig souper v/aren vier in ge-lal: Godolphin, Saville, lord Jocelyn en lord Saltrearn. Het behoorde tot de eigenaardigheden van den laatsgenoemde, dat hij nu en dan dergelijke partijtjes bijwoonde, hoezeer hij er eigenlijk geen genoegen in scheen te vinden.

Het was in den voorzomer: de gordijnen waren opgehaald, de vensters half open, en het kleine grasperk voor het huis zwom in het maanlicht — De gasten waren allen recht vroolijk. — »Schenk in!quot; riep Godolphin. »De Champagne is de drank •des jongelings: ik zal mij weer con amore tot hem wenden. Fanny, doe mij bescheid — maar halt, eerst een toast!quot;

»Welnu: hoop tot in den ouderdom en dan een zoete herinnering!quot;

»Thealerbloempjes!quot; mompelde Saville, die tusschen zich en het venster een breed scherm had geplaats — 5gt;geen sentimentaliteit onder vrienden!quot;

»Stoor ons niet, Saviile!quot; zeide Godolphin, »even zoo goed zoudt. gij kunnen zeggen: geen muziek in een opera! — Zulke aardigheden geven aan het gesprek zijn koloriet. Maar gij roués zijt zoo vervloekt prozaïsch, dat gij gaarne zien zoudt, dat wij ons der ondeugd in de armen wierpen, zonder op weg een enkel bloempje te plukken.quot;

sOndeugd!quot; riep Saville: sik moet u uwe schampere aanmerking teruggeven. In uw gezelschap heb ik mijn karakter bedorven, en nu beschuldigt gij den armen duivel, dien gij quot;verleid heb.quot;

»Gij herinnert mij daar,quot; hernam Godolphin, »den raad van zekeren Spaanschen hidalgo aan zijn bediende. — Kies, zeide

-ocr page 292-

\'284

hij, een heer, die een goed geheugen heeft; want zoo hij u al niet betaalt, zal hij toch tenminste niet vergeten, dat hij uw schuldenaar is. — Voor het Vervolg zal ik mijn verkeering enkel tot zulke lieden bepalen, die, ofschoon zij ten laatste woestelingen worden, zich nog den goeden raad herinneren, dien ik hun te voren gegeven heb.quot;

alntusschen,quot; zeide de schoone Fanny, terwijl zij aan een hoentje peuzelde, pmoet ik toch herinneren, dat mijnheer Saville zijn wijn steeds zonder toast drinkt — omdat hij dien voor een nutlelooze tijdverspilling houdt.quot;

b Wijnquot; — zeide lord Seltream, eerst bij zich zeiven en toen luid.

»Stil!quot; fluisterde Fanny; «lord Seltream heeft zijn rol gerepeteerd en treedt thans op.quot;

»Wijn is juist het tegendeel der liefde. De oude drinke-broêrs konden niet spoedig genoeg aan de fljsch komen, en de oude liefhebbers houden het eeuwig met den toast.quot;

sZiet gij nu, Saville, wat de gevolgen van een scherts op mij zijn!quot; zeide Godolphin. «Maar komaan, laat ons de zaak afmaken. De toast heeft ons tegen elkander in \'t harnas gejaagd, welnu, het glas moet den vrede stichten. Wilquot; gij Champagne?quot;

gt;Alles, wat dienen kan, om rnij rust en vrede te verschaffen ïelfs Champagne,quot; antwoordde Saville, terwijl hij, met een epotachtig glimlachje zijn spitse gelaatstrekken in kalme plooien trachte te brengen. — »Uw vernuft is mij te scherp, dus Champagne! — Welnu, mijn lieve Fanny!quot; — Saville zette het glas, waaruit hij nauwelijks een teug had genomen, weder neer en trok een zuur gezicht — »vervolg; ik bid u om nog iets vernuftigs, al ware het ook iets stekeligs; want ik merk, dat ik ten minste uwe satire beter kan verdragen dan uw wijn.quot;

Fanny was rusteloos bezig; want dit is het voornamelijk, wat de actrices van andere vrouwen onderscheidt, dat zij üteeds in een onophoudelijke beweging zijn.

»Een andere flesch Champagne! Wat zou er dan toch met deze gebeurd zijn?quot;

Saville\'s aanmerking had de goede Fanny inderdaad getroffen: intusschen verheugde hij er zich innig over; want over een scherts wreekte hij zich steeds door een boosaardigheid.

»Wees gerust,quot; zeide Godolphin tegen Fanny. «Onze vriend schertst maar. Uw Champagne is voortreffelijk. Apropos, Saville! waar is de jonge Greenhough gebleven? Hij is verdwenen. Men zegt vrij algemeen, dat hij in uw gezelschap geruïneerd is en zich sedert nog niet weer op de been heeft kunnen helpen.quot;

»Dat men zegt beteekent van de honderd malen dat het

-ocr page 293-

2S5

gebezigd wordt stellig negentig maal men liegt! Volgens uw zeggen zou men waarlijk moeten gelooven, dat alle duiven door mij gelokt en opgevangen worden. Maar in ernst — Greenhough is weg — naar Amerika — hij steekt over de ooren in schulden — schulden van eer: zie, daarin ligt juist het onderscheid tusschen den gentleman en den parvenu. Heeft «Ie gentleman alles verloren, dan snijdt hij zich de hals af: de parvenu loopt weg als een kwade jongen en gunt zijn schuldeischers het vermaak, om zich zeiven, uit wanhoop, den hals af te snijden. Intusschen spijt het mij en ik hijn verduiveld boos op dien Greenhough dat hij zich niet om hals heeft gebracht. — Een jong mensch, die zoo lang dooi- mij geprotecteerd werd — het is vervloekt ondankbaar van hem!quot;

gt;Was hij diep hij u in schuldVquot; vroeg lord Jocelijn, wien de wijn naar het hoofd steeg.

Savillè zag hem scherp aan.

»Lord Jocelijn, ik verzoek u om een snuifje. Inderdaad, dat was eene tijne aanmerking — een aanmerking, die ieder overtuigen moet, dat gij een goede dosis wereldkennis bezit. Maar ja, hij was wezenlijk diep, zeer diep bij mij in schuld. Ik heb den domkop den weg gewezen, en hij is mij al duizenden schuldig, die hij de eer heeft gehad om in goed gezelschap te verliezen.quot;

»Weet gij wel,quot; zeide Godolphin, na hartelijk over deze laatste aanmerking van Saville nopens Greenhoughs verplichting gelachen te hebben — »\\veet gij wel, dat ik menigmaal geloof dat lady Erpingham gelijk heelt —quot;

ȟat verwondert mij!quot; dus viel Saville hem droogjes in de rede.

ïAls zij zegt,quot; vervolgde Godolphin, zich houdende, als of hij Saville\'s stekelig gezegde niet gehoord had — »dat de taal, door u en uwe partij gebezigd, veel meer bijdraagt, om de door u voorspelde revolutie te doen ontstaan, dan gij u misschien wel verbeeldt. En het is alleszins waar, dat dezelfde beminnenswaardige aanmatiging in Frankrijk den vinnigen haat tegen den adel aldaar opwekte, die vervolgens zijn vci-nietiging bevorderde.quot;

Saville zette het glas madera met water, dat hij juist wilde ledigen, neer en dacht een poos na.

üJa, er is wel iets van aan!quot; zeide hij; »maar ik hen acht en vijftig jaar oud, en gedurende mijn leven zal dat wel niet gebeuren.quot;

5)Op mijn eer!quot; riep Jocelyn, zich zoo verre hij kon over de tafel buigende; »dat is een vervloekt verstandige aanmerking van u Godolphin!\'\'

«Benijdenswaardige erkentenis!quot; zeide Saville deftig. »0, zeldzaam jongeling!quot;

3gt;En ik geloof,quot; vervolgde Jocelyn, «dat de zoogenaamde

-ocr page 294-

280

moderomans ons verdoemd veel kwaad doen ; want zij scliil-deren ons met de hatelijkste kleuren af en durven zelfs beweren, dat wij geen gevoel bezitten. Sedert ik een van die helsche boeken gelezen heb, beschouw ik de maatschappelijke samenleving waarlijk uit geen gunstig oogpunt.quot;

»Een tweede ïimon!quot; riep Saville. »Maar, lieve Fannj gij zijt zoo stil. Wat ik u bidden mag, maak toch een einde aan deze vervelende sermoenen. Lord Jocelyn is te diepzinnig voor een souper. Des morgens moeten wij den denker hooren. Fanny, misschien hebt gij berouw —quot;

»0 ja, over sommige van mijn uitnoodigingen,quot; hernanr Fanny met levendigheid.

sVoortrefielijk — slechts al te aantrekkelijk voor Godolphin ! Apropos, Percy, weet gij wel, dat mijn arme, goede vriend Jasmyn overleden is? Hij sneuvelde op het bed van eer, op een brillante whist-partij. Nog even had hij den tijd, om vier honneurs te roepen, toen de dood hem in hetzelfde oogen-blik aftroefde. Het heeft mij diep getroffen; want na mij was hij de beste speler in de club. Zulk plotseling sterven is toch heel erg, inzonderheid, als men het spel zoo-zoo staat te winnen.quot;

»Ja, dat is waar — heel onaangenaam, en zelfs verduiveld inpertinent van dien monsieur den beenderman!quot; zeide Jocelyn die juist begonnen was met whist te leeren.

iZonderling is het,quot; zeide Saville, «dat zoo vaak de laatste woorden van een mensch, die hij vóór zijn dood spreekt, zoo volkomen aan zijn leven beantwoorden: het is als de zedeles in de fabel. Het beste voorbeeld daarvan vind ik in lord Chesterfield, wiens schoone ziel met de verheven, onnavol-genbare spreuk: geef Darell een stoel! het lichaam verlieten opwaarts snelde.

«Heerlijk!quot; riep Jocelyn. — «Saville een partij écarté?quot; Even als de leeuw in de menagerie op het hondje, met hetzelfde verachtende medelijden zag ook Saville op Jocelyn neer.

slnfelix puer,quot; mompelde lord Saltream sinfelix puei et impar congressus Achilli!

»Zeer gaarne!quot; antwoordde Saville eindelijk; smaar neen Wij hebben van den dood gesproken, en zulke gedachten doen het geweten ontwaken. Lord Jocelyn, ik speel nooit minder dan om —quot;

»Ik weet het, om een dozijn vossen!quot; riep Jocelyn triomfeeren de.

^Vossen? Waarachtig niet! Gij moet ten minste een beer zetten.quot;

■«•Een beer? wat is dat?quot;

«Het geheele inkomen van een lerschen pair, en ik richt hel steeds zoo in, dat ik nooit het eerste spel verlies.quot;

-ocr page 295-

287

gt;Zulke menschen zijn gevaarlijk!quot; zeide lord Saltream met half gesloten oogen.

»0 nacht!quot; — riep Godolphin in een theatrale houding — »gij zijt voor gezang en maneschijn en het lachen van trouwen geschapen. Fanny, ik bid u om het een of ander airtje.quot;

En Fanny, die, sedert Saville haar Champagne gelaakt had, rerdrietig was geworden — want zij was, op hare manier, een weinigje kitteloorig omtrent welvoegelijkheid, plaatste zich, door het maanlicht beschenen, aan de piano, en zong, met een blik op Godolphin, een lied, dat hij te voren zoo gaarne tan haar gehoord had,

-ocr page 296-

LIV.

Cotislance\'s leven. — Haai\' gevcel voor Godolphin. Cunning. — Een Katholieke vraag.

Terwijl Godolphin, op zulk een wijs. afwisselende mot lijne arislokratische verkwisting, zijn leven doorbracht, werd Constance steeds machtiger t?n eindelijk het middelpunt er, de ziel eener groote staatkundige partij. Weinige vrouwen in Engeland hebben zich ooit met meer ijver en bekwaamheid in de staatkunde gemengd dan lady Erpingham. Hare vrienden waren, trouwens, buiten alle staatsbestuur, doch zij zag, in haren geest, den tijd spoedig naderen, waarin hunne gevoelens onfeilbaar de heerschenden zouden worden. Ja, zij begon het intrigeeren zelf, te beminnen: /ij wist, dat zij niets meer worden kon dan hetgeen zij was; dat haar sekse volstrekt niets meer veroorloofde, en desniettemin hield zij niet op, rusteloos te arbeiden, ten einde haar doel te bereiken. Het lot van haar vader spoorde haar nog steeds aan: de eed, aan zijn sterfbed door haar gezworen, was haar nog steeds een plechtige vermaning, en de vernederingen, die zij, in haar vroegere omstandigheden, ondervonden had, de huldigingen, die haar naderhand ten deel werden, voedden de verontwaardiging van haar fier gemoed over de aanmatigingen tier groote wereld en haar diepe verachting van de slaatsheid, waaraan deze was overgegeven. Het modestelsel, dat zij voornamelijk ingevoerd had, en dat, volgens haar begrip, een van rang en rijkdom onafhankelijken maatstaf moest vormen, was door de geaardheid zijner aanhangers een gemeene onbeschaamdheid geworden, die nog veel erger was dan de stompe domheid, die hel moest vervangen. Echter troostte haar nog het denkbeeld, dal door dit stelsel de weg lot hoognoodige veranderingen wezenlijk gebaand werd. De afgoden van rang

-ocr page 297-

289

en rijkdom lagen vergruisd in het stof, en zij hield zich stellig verzekerd, dat er vroeg of laat een veel zuiverder eeredienst zou ingevoerd worden. Er waren, trouwens, onder het oude Fransche bestuur vrouwen genoeg, die even als zij dachten; maar niet ééne, die, als zij, hanielde, namelijk, met vastberadenheid en het doel steeds voor oogen houdende. Welk een heei\'lijk, waarschuwend beeld vinden wij in dezoo onderhoudende Gedenkschriflen van den graaf de Ségur! Hoe bewonderenswaardig schildert dat zoete gesnap den intellectueelen toestand van den Franschen adel! Hij schertst en spot met de oude zeden en gebruiken, is verrukt over Voltaire\'s filozofie, speelt den liberaal, omdat het mode is, en huppelt vroolijk over de bloemen heen, die voor zijn oogen den afgrond verbergen! In Engeland zijn minder bloemen, en daarom zal de afgrond ook minder gevaarlijk zijn.

Haar teleurgestelde verwachtingen na hare huwelijksverbintenis met Godolphin, de verachtingvolle haat, dien zij tegen de vermaken voedde, die hem van haar aftrokken, vermeerderde, kon \'t zijn nog, haar tegenzin in de gewoonten der aristokratie en de bedrijvigheid der politieke intriganten. Haar geest werd steeds mannelijker: baar donker oog gloeide van een somber vuur: haar schoone mond werd, van tijd tot tijd, kariger met. zijn glimlachjes, en de deftigheid, die steeds op haar gelaat lag, werd scherper en meer gebiedend.

Intusschen was dez^ verandering geenszins geschikt, om Godolphin nader tot haar te brengen. Hij, die voor elke koelheid, waarmede men hem bejegende, zoo gevoelig was, meende, dat zij hem niet meer beminde, dat zij, met één woord, berouw had over de verbintenis, die zij met hem had gesloten. Zijne trotschheid verwijderde hem meer en meer van haar, en des te ijveriger bezocht hij thans de plaatsen, waar alles den geliefkoosden, bewonderden,, schitterenden Godolphin toelachte en huldigde.

Nog een andere omstandigheid gaf aan deze zoo bejamme-renswaardige stemming tusschen de beide echtgenooten een nieuw voedsel. Tot, aankoop van eenige voorwerpen van kunst had hij een vrij aanzienlijken som gelds willen lichten, waartoe hij echter lady Erpinghams toestemming volstrekt noodig had. Toen hij dit bij haar ter sprake bracht, weigerde zij het, wel niet regelrecht, maar maakte toch min of meer zwarigheid, om hem hierin te wille te zijn. Zij scheen verlegen en tevens misnoegd. Dadelijk was zijn gevoeligheid gaande gemaakt: hij roesde die snaar niet meer aan. doch wrokte over haar in deze zaak gehouden gedrag. Niets vergeel de trot ;ehheid zoo moeielijk, als een koele bejegening in geldzaken. Naderhand ontdekte Godolphin, dat hij Constance in dit geval verongelijkt had.

19

-ocr page 298-

290

Desniettegenstaande gevoelden beiden met dei\' tijd wederom e verlangen naar elkander en hadden zij gelegenheid ge- g vonden, om hunne gedachten en meeningen elkander over li en weêr te doen kennen, dan zouden zij, tot hunne ver- d bazing, hebben gezien, dat zij elkaar nog steeds innig be- li minden, en hunne liefde zou zelfs sterker zijn geworden, dan zij ooit te voren was. Maar wanneer in het dagelijksche d bezige\' leven echtelingen eenmaal eenige onverschilligheid \\ jegens elkander hebben laten binnensluipen, dan is de steen J des aanstoots zeer moeielijk uit den weg te ruimen, en des e te moeielijk er, wanneer de vrouw zoo fier, als Constance, en de man zoo vol aanmatiging, als Godolphin, is. Doch daar 1 beiden een voortreffelijk temperament hadden, en derhalve s nooit met elkander twistten, lag de onverschilligheid meer op r de oppervlakte en drong niet door. Voor het oog van de wereld waren zij een elkander hartelijk genegen paar, en hun huwe- e lijk zou door Rochefoucauld onder de bij uitstek gelukkige gerekend zijn geworden. 1

Middelerwijl maakte het land, zooals Constance voorspeld had, steeds nieuwe vorderingen in de liberale gezindheid. ] Canning kwam thans aan het roer van staat, en de Katholieke vraag was in ieders mond. Deze maatregel bewees —terwijl de aanspraken van eenige pairs en gentlemen, om leden van het parlement te worden en ambten te bekomen, meer opzien baarden, dan de hand over hand toenemende ellende van het volk en de grove gebreken in de armenwetten — hot echt i aristokratisch de geest der aanzienlijke standen was; en ofschoon die vraag, op zich zelve beschouwd, van geene beteekenis voor de welvaart van een groot volk was, bracht zij echter der vervolgingszucht om verschil van meening den eersten zwaren slag toe, en in dat licht beschouwde haar Constance. Hadden de wetgevers slechts het welzijn van het volk willen behartigen, dan zou, buiten twijfel, de zoo hoognoodige hervorming der lijfstraffelijke wetten hunne aandacht meer hebben getrokken, dan het recht der Katholieken, om zitting in het parlement te hebben; maar het eene was voor de hoogere, het andere voor de lagere standen; en de aristokratie opent steeds door onderlinge twisten en oneenigheden het volk de eerste bres.

Er was een luisterrijk gezelschap in het hotel Erpingham, en de hoofden der partij waren tegenwoordig; doch ook onder hen heerschte tweespalt, en sommigen waren heimelijk voor aansluiting bij het bestuur van Canning, anderen hadden zich reeds openlijk voor dat bestuur verklaard, en nog anderen volhardden in een trotseerende, ijverzuchtige oppositie. Constance\'s hart sloeg voor de laatsten.

sDesniettemin, lady Erpingham,quot; zeide lord Paul Plympton

-ocr page 299-

een jonge pair, die een vrij oppervlakkige gescliieilenis geschreven, en wien men deswegens veel geluk in hel parlementaire leven voorspelde — «desniettemin geloof ik toch, dat gij te streng tegen Cannirig zijt: hij koestert waarlijk zeer liberale gevoelens.quot;

«Heeft hij misschien een wet ten voordeele van de arbeidende klassen laten doorgaan? — Neen, lord Paul, zijn whigisme is den pairs en zijn torysme het volk dienstbaar. Met denzelfden ijver verdedigt hij hel Katholieke vraagstuk en het bloedbad van Manchester.quot;

»Maar gij moet toch onderscheid maken tusschen het ware liberalisme, dat beschaving bevordert en eigendommen beschermt, en dat gevaarlijke liberalisme, waaraan de domme menigte den vrijen teugel viert.quot;

»Door het eerste onderscheidt zich de Whig,quot; zeide Piadclyfte ernstig, sdoor het laatstgenoemde de Radikaal, niet waar ?

— De Whig denkt aan de grondeigenaars in een land, de Radikaal aan het volk.quot;

»Ja, ik geloof, dat de bepaling niet kwaad is!quot; antwoordde lord Paul.

«Staatkundigen van den echten stempel,quot; zeide de heer Benson, een lid van het Lagerhuis, die zeer vee! invloed had

— smoeten zich naar de omstandigheden regelen. Canning is misschien niet volkomen, wat wij wel zouden wenschen; maar hij moet, in allen geval, ondersteund worden. Ik beken, dat ik grootmoedig wil zijn. Macht of ambten begeer ik niet; maar Canning is van vijanden omringd, die ook vijanden van het volk zijn, en uit dien hoofde zal ik hem ondersteunen.quot;

«Bravo, Benson!quot; riep lord Paul.

»Bravo, Benson!quot; herhaalden eenige anderen, die slechts op een gelegenheid hadden gewacht, om zich insgelijks te verklaren — »dat is heerlijk gedacht!quot;

«Heerlijk!quot;

»Als een man betaamt!quot;

»Op mijn eer, de onbaatzuchtigheid zelve!quot;

In hetzelfde oogenblik trad de hertog van Aspindale de zaal binnen.

»Och, lady Erpingham, gij Kadt dezen avond in het Hooger-huis moeten zijn. Wij hebben een redevoering gehoord. Canning is verpletterd, verpletterd voor altijd!quot;

»Een redevoering? van wien?quot;

»Van lord Grey. Het was verschrikkelijk! De wraak van een geheel leven samengedrongen in een enkel uur! Het ministerie rilt en beeft!quot;

«Hm!quot; zeide Benson opstaande: »ik kon wel eens naar Brooke gaan, om iets meer van dit alles te vernemen.quot;

«Ik ga mede!quot; zeide lord Paul.

19*

-ocr page 300-

292

Tien paar dagen later leverde de heer Benson een petitie in en zinspeelde daarbij, in de vleiendste bewoordingen, op de meesterlijke redevoering, die een edele earl had gehouden — en lord Plymplon zeide, dat zij inderdaad onvergelijkelijk was.

»Dat noern ik schoon gehandeld!quot;

» Voortreffelijk Iquot;

»Als een man betaamt.quot;

»Op mijn eer, de onbaatzuchtigheid zelve!quot;

En Canning stierf. Zijn koene geest verliet het in een menigte van kleine parlijen verdeelde politieke slagveld. Sedert zijn dood hebben de beide groote parlijen, in welke de macht-bejagers gedeeld waren, nooit weer haar vorige sterkte kunnen erlangen. De perken, welke zijne staatkunde had getracht uit den weg te ruimen, werden door zijn opvolger, den hertog van Wellington, nog veel heviger geschokt; en bijaldien het vraagstuk van het radicalisme de verstrooide kampers der beide partijen weer onder één banier verzamelde, dan zouden Whigs en Tories, bij de vele kleingeestige versnipperingen en afwijkende schakeer in gen, de beide kenmerkende hoofdkleuren hunner van elkander gescheiden partijen misschien voor altijd verloren hebben.

Canning stierf en met verdubbelde kracht werd thans het rad der politieke intrigues rondgedraaid. De snelle wisseling, de kortstondige ministeriën, de kalmte van een langen vrede, de zware schuldenlast, de geschriften der filozofen, het gebrek aan een groeten geest onder de Tories, dit alles deed spoedig, ofschoon onmerkbaar, onder het. volk een misnoegde stemming ontstaan, die, eenmaal algemeen opgewekt, niet zoo gemakkelijk kan bevredigd worden.

-ocr page 301-

LV.

Dood van Geori/e IV. — Politici: standpiml der partijen.

Met den dood van George IV begon een geheel nieuw tijdvak. Gedurende de laatste levensjaren van dezen monarch was er een nieuwe geest in het land ontstaan, die tot binnen de muren zijner afzondering was doorgedrongen. Het is niet te ontkennen, dat de verschillende uitgaven zijner regeering, die zich niet onder de jeugdige bevalligheid van den kroonprins, noch onder den krijgshaftigen triomf van het volk, verboi\'gen, meer, dan alle theoretische spekulatiën, den wensch naar een staatshervorming opgewekt hadden. — De kortste weg naar onbeperkte vrijheid gaat door geplunderde beurzen.

Constance was, gedurende \'s konings laatste ziekte, dikwijls op Windsor geweest. Hel was de treurigste tijd, die ooit in een koninklijk paleis geheerschl had. De Gedenkschriften van den prachtminnenden Lodewijk XIV kunnen den lezer het beste denkbeeld van George IV\'s laatste levensdagen geven. Even als die groole koning was hij de vertegenwoordiger van een bijzonder tijdvak, en ook hij had in het treurige verval van den ouderdom veel van de gewoonten zijner jeugd bewaard. Het was een inderdaad bedroevend gezicht, hoe hij, die een zoo verheven, schitterende rol gespeeld had, zijn laatste krachten uitputte — een gezicht, dat nog smartelijker werd, wanneer nu en dan door zijn ziekte en zwakheid nog een enkele flauwe vonk van zijn voomaligen gecsl heen flikkerde.

George IV stierf, zijn broeder volgde hem op, en Engeland ademde vrijer, blikte rondom zich en gevoelde, dat de lang verwachte verandering eindelijk plaats zou grijpen. De Fransche revolutie, het nieuwe parlement, de herkiezing van Brougham en Hume, de uitbarsting der algemeene verontwaardiging over Wellinglons merkwaardige woorden tegen de hervorming, alles kondigde de nabijheid van een nieuw tijdvak aan. Het Whig-

-ocr page 302-

294

ministerie werd benoemd, benoemd midden onder de misnoegde stemming der City en den argwaan der volksvrienden, onder oproer en brandstichtingen in de provinciën en onder woelingen, gisling en verwarring buiten \'s lands.

Constance\'s stand in dezen staat van zaken was eigenaardig. Hare vertrouwdheid met den overleden koning was geene aanbeveling bij de Whig-regeering van zijn opvolger. Hare macht had — wat, trouwens, der macht van de mode in stormachtige tijden steeds moet overkomen — een geweldigen schok ondergaan, en daar zij, gedurende den laatsten tijd, met de hoofdpartijen der Whigs min ot\' meer in onmin was geraakt, kon zij ook geene aanspraak maken, om in hun tegenwoordigen triomf te deelen. Zij hield zich derhalve stil op hare hoogte: hare gezelschappen waren zoo talrijk en zoo uitgelezen als ooit te voren; maar de kleine bijeenkomsten van politieke intriganten hielden op. Nu en dan gaf zij geheimzinnige wenken, dat men nog afwachten moest, welk een hervorming de ministers zouden voorslaan; welke ekonomie zij zouden invoeren. De Tories, inzonderheid het gematigde gedeelte, begonnen haar thans hun hof te maken, terwijl de Whigs, in den overmoed hunner zegepraal en te veel bezigheden hebbende, om aan vrouwen te denken, haar veronachtzaamden. Constance gevoelde dit diep, hoewel het haar meer verachting inboezemde,

dan verdriet veroorzaakte. De tijd had haar afkeer van de aristokratie, kon \'t zijn, nog vermeerderd, en zij beschouwde de Whigs niet als datgene, wat zij door den drang der omstan-heden geworden waren, maar veeleer als spelers, die met de demokratische fiches om een aristokratischen inzet speelden. Zij vergold hun veronachtzaming met minachting, en de zwijgende neutraliteit werd door hen aldra als een heimelijke vijandschap beschouwd.

Maar desniettemin was Constance vrouw genoeg, om zich door datgene, wat zij scheen te verachten diep gekrenkt en beleedigd te gevoelen. Haar voormalige vrienden hadden haar geene \'plaats aan het hof aangeboden. De vertrouwelinge van George IV was niet meer de vertrouwelinge van lord Grey. In een ouderdom, waarin de schoonheid niet meer zeker van haar betooverende macht is, was het verminderen van haar persoonlijken invloed voor haar een persoonlijke beleediging, en in dit grievende gevoel wendde zij zich, onder smartelijke zuchten, tot de beelden van dat huiselijke geluk, dat geheel voor haar verloren scheen.

Nevens den meer open, meer zichtbaren vloed der politiek liep nog een verborgen stroom van theoretische ideeën. Terwijl de praktische staatkundigen hunne rol speelden, verbreidden andere spekulanten en gelijkheidpredikers hunne leer, die, naar het scheen, hen naar een onsterfelijk doel zou leiden.

-ocr page 303-

295

Constance, die steeds meer naar een maatschappelijke, dan naar een wetgevende hervorming gewenscht had, wendde zich nu met eenige deelneming tot deze drijvers en bewerkers van een waarlijk grootsche onderneming. De schoone gravin luisterde naar de redevoeringen der vurige aanhangers van St. Simon en Owen, overwoog hunne gronden en verklaringen, en dacht na over hunne verwachtingen. Maar zij had te veel in de wezenlijke wereld geleefd: hare denkbeelden waren te zuiver wereldsch, om door een leer bekeerd te worden, die, hoezeer zij veel aanlokkelijks had, in haar gevolgtrekkingen echter afschrikkend was. Zij bepaalde zich weer tot zich zelve en wachtte, in een sombere, peizende rust, bedaard af, wat er zou gebeuren, overtuigd, dat alles toch weer moest verkeeren.

-ocr page 304-

LVI

Een profelts.

Intusschen liet Godolphin zich door den vloed van sxeluk steeds voortdrijven. Voornamelijk leefde hij in het gezelschap van wereldsgezinden, naar zijn keus. Zijn natuurlijk genie was eindelijk zoo laag gezonken; zijn tot dwepen en droomen zoo zeer overhellend karakter was eindelijk dermate van hem geweken, dat hij er een eer in stelde, de dictator der theaters, de Maecenas der opera-zangers, het orakel in de muziek en de toongever in schitterende feesten en kostbare equipages genoemd te worden. De tuimelgeest van dit ongebonden leven liet hem geen tijd tot overleggen: hij meende, misschien niet geheel ten onrechte, dat de beste weg, om het evenwicht van het hart te behouden, daarin bestond, dat men zijn gevoeligheid, zoo veel mogelijk, verstompte. Evenals de onregelmatig-ste figuren, als zij met een onophoudelijke snelheid rondgedraaid worden, zich als een volkomen kring vertoonen, verliest ook ons leven, eenmaal op een baan geslingerd, waar het rusteloos streven geen rust duldt, zijn hoeken en oneffenheden en spoedt met gelijke snelheid en met een valschen schijn van symmetrie voort.

Op zekeren dag bezocht Grudolphin Saville, die thans oud, afgeleefd en ten grave neigende, nog de weinige bloemen aan den rand van het graf plukte en met zijn eigen verval schertste ofschoon die scherts bij hem geenszins uit het hart voortkwam. Hij ontmoette daar de actrice, die hem insgelijks een bezoek bracht, en die met hare gewone levendigheid snapte, terv^ijl zij een beurs knoopte.

»De hemel wete,quot; zeide Saville, «wat de tijd nog zal baren! Mij duizelt het hoofd in den storm der gebeurtenissen. Ocli, Fanny! geef mij mijn snuifdoos eens. Nu, ik geloof, dat mijn

-ocr page 305-

297

laatste uur niet ver meer af is, en ik hoop ten minste als een gentleman te sterven. Het denkbeeld, dat ik nog\' tot een gemeenen kerel zou kunnen gerevolutioneerd worden, is mij hinderlijk, hatelijk. Dat is de eenige revolutie, die ik begrijpen kan. Wat zegt gij daarvan, Godolphin? Ieder wordt thans een politicus; de jonge Sunderland, met zijn prachtig geborduurd vest, rijdt dagelijks naar het parlement, eel koud rundvleesch bij Bellamy en spreekt over niets anders, dan over de bijzonder fraaie redevoering van sir Robert. Revolutie! Voor den duivel de revolutie is er al. Revolutiën veranderden slechts het wezen der samenleving; en is dat sedert de laatste zes maanden niet genoeg veranderd? Ik geloof, waarachtig, dat gij allen dol zijt geworden.quot;

sik niet. Zoo lang ik leef, zal ik, om voor dolheid bewaard te blijven, die algemeene plaag, ja, die pest van ons genoegen, de eerzucht, met alle mogelijke wapenen bestrijden. Anderen mogen koninkrijken of republieken regeeren, ik wil, even als de hertog de Lauzun, zelfs als de guillotine reeds opgericht is enkel aan mijn oesters en mijn Champagne denken.quot;

»Een \'--del stelsel!quot; zeide Fanny glimlachende. «Laat de we\'-jia vergaan en breng me mijn chocolade! — En dit is Godolphins leus?

»Het is de leus van het leven.quot;

»Ja, van het leven in de groote wereld!quot;

»Fanny, word, bid ik u, niet satiriek, gij, die niet eens een priesteres van Melpomene zijt. Docli het is waar; in weerwil van het kleingeestige vau u stand, ligt er toch iets verhevens in De stormen der volken doen het tooneel niet daveren: gij hult u in een geheel ander leven: de atmosfeer der poëzie omgeeft u. Gij zijt als de Elfen, die onder de menschen leefden, alleen des nachts zichtbaar waren en haar wonderlijke streken speelden midden onder de driften, die haar omgaven, midden onder zorgen, misdaden, gierigheid, \'liefde, woede, weelde en gebreken, die slechts den groveren wezens dezer aarde ten deel vallen. Waarlijk, Fanny, gij zijt te benijden!quot;

»Och neen, ik word oud.quot;

»Oud!quot; riep Saville. «Spreek dat hatelijke woord toch niet uit! Hm! hm! dat vervloekte hoesten! Doch naar den duivel met de politiek: zij wekt maar onaangename gedachten op. Het verheugt mij, goede jongen, dat gij nog steeds deze verhevene onverschilligheid omtrent hel dwaze woelen en krioelen van die insekten hebt behouden, die zich in de koele zee der gebeurtenissen afmartelen, zonder haar te kunnen beheerschen en waarin zij, terwijl zij haar ternauwernood aanraken, ook reeds jammerlijk wegzinken —quot;

»Of door de visschen — hun driften — verslonden worden;quot; voegde Godolphin er bij.

-ocr page 306-

298

»Kom, iets nieuws!quot; riep Saville: sik wil iels wezenlijk nieuws hooren. Fanny, knip met uw soliaar uit de Times al liet staatkundige en lees mij het overige voor.

Fanny gehoorzaamde.

«Brand in Marglebone.quot;

))Dat. is niets nieuws; weg daarmede!quot;

»Bnef van een radikaal.quot;

«Zotheid! Wat anders?quot;

«Landverhuizing: niet minder dan vijf en zestig —quot;

»Oin \'s hemels wil, houd op\' Wat gaan mij, die voornemens ben om uit de wereld te verhuizen, eenige lieden aan, die uit een land verhuizen? Genoeg, mijn kind. Geef het blad aan Godolphin, die weet. beter, waarin verstandige menschen belang stellen.quot;

Verkoöping van wijnen bij lord Lysart.quot;

»Ha!quot; —\'riep Saville, » dat bevalt mij — dat is echt nieuws — dat is belangrijk!quot;

Fanny begon weer te knoopen.

Toen er genoeg over de wijnen gesproken was, kwam het volgende artikel aan de beurt:

«Men vertelt thans in de groote wereld een zot historietje »van lord Grey en zijn verschijning; doch de verschijning «beslaat slechts in de ellendige hoofden der uitvinders van «deze anecdote en is vermoedelijk het spook van Old-Saroum. »Wij merken, bij deze gelegenheid, aan, dat thans een beroem-»de profetes veel opzien te Londen baart. Wij gelooven, dat «de uit het veld geslagen Tories eerlang haar orakelspreuken «bekend zullen maken. Zij is juist te rechter tijd gekomen, «om het doorgaan van de reform-bill te kunnen voorspellen, «zonder gevaar te kunnen loopen van als een bedriegster te «boek te staan.quot;

«Het is waar,quot; zeide Saville; «ik heb wonderen van deze profetes gehoord. Zij raadt alles met de grootste nauwkeurig-^ heid, en alle oude wijven van beide seksen draven in huurkoetsen naar haar toe, en spelen heden de rol van zotten en zottinnen, om morgen verstandig te zijn. Hebt gij haar gezien, Fanny?quot;

»Ja,quot; antwoordde de actrice zeer ernslig — en inderdaad, «zij heeft mij diep getroffen. Haar gelaat is zoo veelbeteeke-nend, haar oogen rollen zoo wild in haar hoofd, en in haar woorden heerscht zooveel geestdrift, dat zij iemand, zijns ondanks, als ware het overweldigt en meesleept. — Gelooft gij aan astrologie, Percy?quot;

«In vroeger dagen, ja,quot; antwoordde Godolphin met een ge-smoorden zucht. «Maar profeteert deze Sybille dan uit de sterren en niet uit de kaarten? Het laatste is anders een veel gemakkelijker manier, om het lichlgeloovige publiek te foppen.quot;

-ocr page 307-

299

»0,quot; hernam Fanny ijverig, »ik verzeker het u, deze vrouw is geen gewone -waarzegster. Zij spreekt veel over het magnetisme, beweert de medewerking van onze eigen verbeeldingskracht, en is geheel vreemd van alle uiterlijke kwakzalverij: kortom, zij heeft een nieuwen weg ontdekt om in de toekomst te zien, of een lang in vergetelheid geraakte kunst om de menschen te bedriegen weergevonden. Gij moet haar ook eens zien, Godolphin.quot;

»Neen, ik houd niet van deze soort van bedriegerijen,quot;antwoordde Godolphin schielijk, wendde zich af en verzonk in sombere gepeinzen.

-ocr page 308-

LVII.

Bijf/duiif. Zijn wonderlijke uilwerking.

Er was wezenlijk te Londen een vrouw verschenen, die zich, gedurende de laatste jaren, op het vaste land door de stoutheid had berucht gemaakt, waarmee zij de zonderlingste leer verspreidde en van de steeds zekere vervulling harer voorspellingen sprak. Zij betuigde, dat zij aan al de stelsels geloofde, die liet morgenrood der nieuwere filozofie waren voorafgegaan, en hare wonderlijke levendige, doch tevens ?eer ingewikkelde welsprekendheid ondersteunde de theorieën, die, ofschoon onverstaanbaar voor de menigte, nochtans dezen en genen belang inboezemden en voor haar innamen. Niemand wist haar vaderland te noemen, ofschoon men meende, dat zij i it het noorden van Europa was gekomen. Zij leefde in afzondering en trachtte niet kennissen te maken. Zij was schoon, maar hare schoonheid was van geen aardsche soort: de mannen bewonderden haar, zonder haar hun hof te maken: en hoezeer de laster te voren haar niet verschoond had, bevond zij zich echter thans buiten het bereik van menschelijke hartstochten. Mevrouw Liebuhr (onder dezen naam was de profetes bekend) werd ook inderdaad niet voor een dweepster gehouden. Van een dweepster te goeder trouw, die volstrekt geen wraakbare bijoogmerken koesterde, had zij zeer veel. Een bovennatuurlijke, vreeselijke geest woonde in haaien sprak uit haar mond: haar slem beetde, en zij werd door haar eigene godspraak meer getroffen en geschokt dan haar toehoorders zeiven.

Te Weenen en Parijs had zij zich een grooten, zelfs min of meer gedachten naam gemaakt: de aanzienlijkste mannen van deze beide hoofdsteden hadden haar geraadpleegd en lieten zich met een zekeren schuwen, huiverenden eerbied over hare uitspraken uit. Zij werkte op de verbeelding, en deze

-ocr page 309-

301

vulde naderhand aan heigeen zij voorspeld had. Het geloof waarborgde de vervulling der wonderen, die het te gemoet zag. Menigeen droomt, dat hij op een zeker uur sterven zal: het uur is daar, en de droom bevestigt zich. De meest vermogende tooverkracht is eigenlrk niets in vergelijking van de verbeelding zelve. Macbeth werd moordenaar, niet, dewijl de heksen het verkondigden, maar omdat hare verkondiging het denkbeeld daarvan in hem opwekte. De profetes kende dit beginsel zeer goed: zij werkte derhalve op al degemeenschap-pelgke drijfveren en zaaide haar orakelspreuken ijverig op dezen vruchtbaren bodem.

Te Londen zijn altijd lieden, die al wat vreemd en nieuw is naloopen: madame Liebuhr kwam daar dus al spoedig in de mode. Men heeft ministers, tot over de ooren vermomd, zich uit hare wonin» zien spoeden, en zelfs de koelste van alle levende wijzen bekende, dat zij hem zaken had geopenbaard, die zij door menschelijke middelen niet vooraf had kunnen te weten komen. — Maar welk tijdvak is vrij van misleiding? In de negentiende eeuw vergaapt men zich nog even zoo aan de klaarblijkelijkste dwaasheden en bedriegerijen als in de achtste.

Het was avond, en Radclyffe, die onder de galerij van het Lagerhuis een vervelende woordenwisseling had aangehoord, kwam buiten, om frissche lucht te scheppen. Hij wandelde, door het fraaie weder aangelokt, tot aan het nabijliggende kerkhof. Hier ging hij een geruime poos peinzende op en neêr, tot hij eindelijk de gestalte van een man ontdekte, die voor een grafsteen stond en met zich zeiven scheen te spreken. Radclyffe zag hem nauwkeurig in het gezicht en herkende lord Saltream. Deze wendde zich insgelijks plotseling om en herkende Radclyffe.

»Wel, wel!quot; zeide hij vriendelijk; sheeft deze plaats ook voor u iets bekoorlijks? Ik ben uit het Hoogerhuis weggeslopen, en beschouw thans deze eenvoudige graven, om mij met mij zeiven te verzoenen, omdat ik der eerzucht afvallig ben geworden. Zie hier, hoe het onderscheid, dal wij in ons leven tusschen menschen en menschen maken, zelfs nog na den dood voortduurt. Binnen deze muren sluimeren de grooten dezer aarde; hier buiten de geringen: een enkele muur is de gansche scheiding tusschen Westminster-Abbey en een kerkhof. Maar bijaldien de dooden gevoel hadden, zou het hen dan niet meer verheugen, in den schoot der met frisch groen overdekte aarde, in de stralen der flikkerende ster-i\'en te liggen, dan onder den last van steenen en kalk te smachten? — Het is de misleiding van het leven. Wat prachtig is, moet, meeneri wij, tevens gelukkig zijn. Geloof mij, de aristokratische rang gelijkt het marmeren gedenk-

-ocr page 310-

302

teeken, waarop wij logenachtige berichten van onze hooge waarde griffelen, zonder echter iemand te bedriegen of ons zei ven genoegen te verschaffen. Inderdaad, de eenvoudige burger der zuivere frissche lucht is veel meer te benijden.quot;

Radclyffe zweeg; want zóó sprak lord Saltream anders niet.

»Ik ben,quot; antwoordde hij, sgeenszins van uw gevoelen, dat de lagere standen de gelukkigste zijn. Dit is een aristokrati-sche drogreden, die ons geweten wegens onze voordeelen min of meerquot;sust. Wij nuttigen de lekkernijen van het leven, zonder ons ver wij tingen te doen, het ware dan, dat wij tot ons zelve zeide: helaas! die vervloekte kerel, die daar op een stuk droog roggebrood kauwt, is veel gelukkiger! — Maar gij zijt niet wel, mylord — vervolgde hij zijn hand aan Saltreams voorhoofd leggende, die plotseling begon te waggelen en zich aan Radclyffe moest vasthouden. . •

))Ik gevoel mij reeds wrat beter — het is zonderling — ja — het zal — het zal wel gaan. Radclyffe, hebt gij die vrouw gezien? Die vrouw — hoe heet zij toch — niet zoo geheel als de beroemde Duifsche geschiedschrijver — maar het klinkt echter bijna zoo. Liebuhr — juist! Bezoek haar, en gij zult zien, hoe zij uw lot, uw hart zal ontmornmen.quot;

»Gij schertst!quot;

«Schertsen! Nu ja, het is maar scherts! Radclyffe, zeg het mij oprecht, houdt \'men mij niet voor een wonderlijk, buitensporig wezen? Ben ik niet geheel anders dan de gewone menschen?quot;

»Dat zijn de meeste knappe mannen!quot;

»Ja, wij boeten zwaar genoeg voor onze geringe talenten De inspanning vEfh den geest verteert het lichaam, en dan doorknaagt de vermoeienis van het lichaam wederom eenige snaren van den geest: dat alles weet ik. Maar die vrouw-heeft mij iets gezegd, wat mij kwelt, wat mij overal als een spook vervolgt.quot;

Saltream verbleekte: zijn lippen beefden en tranen stroomden uit zijne oogen.

viHoe meent gij dat? Hoe kunt gij zoo kinderachtig zijn, Saltream. Die bedriegster kan u toch waarlijk niet bedrogen hebben? Wat zeide zij?quot;

»Denk eens!quot; antwoorde de lord — »eer een jaar verloopen is, ben ik dol!quot;

Radclyfle was ontroerd en trachtte den indruk, waaronder Saltreams geest bezweek, deels te doen verflauwen, deels weg te schertsen. Na veel moeite scheen hem dit gelukt te zijn. — »Kom,quot; zeide lord Saltream, zich naar de straat keerende; «mijn rijtuig wacht daar, wij zullen ons samen naar lady Erpingham begeven. Is het heden niet gezelschapsavond bij haar?quot; — Radclyffe\'s gelaatstrekken schenen een andere uit-

-ocr page 311-

303

drukking aan ie nemen: hij weifelde eenige oogenblikken, doch gaf eindelijk zijn toestemming, om den lord te vergezellen.

Er was slechts een klein gezelschap in het hotel Erpingham, en toen zij binnentraden, was madame Liebuhr het onderwerp van het algemeene gesprek. Lord Saltream hield een diep stilzwijgen. Er werden zoo vele anekdoten verhaald, zoo vele tastbare onwaarheden met schijnbare waarheden vermengd, dat lady Erpinghams nieuwsgierigheid opgewekt werd, en zij besloot, bij de eerste gelegenheid de nieuwe Cassandra te bezoeken. Godolphin zat op een vrij verren afstand van het gesprek en speelde bedaard écarté. Constance\'s blikken slopen nu en dan naar hem over, en als zij zich zuchtende afwendde, zag zij, dat Badclytfe\'s peinzend oog op haar rustte. De fiere Constance bloosde, ofschoon zij niet wist, waarom-

-ocr page 312-

LVIII.

Macht van den lijd en van de Helde. — Constance zwak en gedeemoedigd.

Om dezen lijd begon het zwakke lichaamsgesiel van lady Erpingham de gevolgen van een leven te ondervinden, dat, werkeloos en werkzaam tevens,\'t allermeest de krachten uitput. Zij leed aan geene eigenlijke ziekte, zij had geene wezenlijke smarten en pijnen, maar des nachts overviel haar een koorts waarop den volgenden dag een gioote afgemalheid volgc.e. Zij was zwaarmoedig en terneergeslagen: dikwerf kwamen haar de tranen in de oogen, zonder dat zij er reden voor wist. Een plotseling gedruisch deed haar rillen en beven: haar zenuwen waren aangetast: eene ontzettende—vermaning, dat de jeugd ons verlaten heeft!

In ziekten leeren wij, in hoe verre wij op andere menschen kunnen rekenen, inzonderheid, als onze kwaal d\'d onwisse en gevaarlijke karakter heeft, waardoor zij, die om ons zijn, niet uit schaamte of vrees tot onze verpleging genoopt worden, maar de zorg en oppassing een gevolg der sympathie zijn, die ware, innige liefde alleen gevoelt. l)eze gedachten kwamen bij Constance op, toen zij zich, op zekeren morgen, alleen en in een gemoedstemming bevond, dat noch boeken, noch muziek, noch eenige andere uitspanningen de sombere beelden eener smartelijke herinnering en van een geheel ontmoedigd aanwezen haar konden verstrooien of vervroolijken. Tegenover haar hing het portret van haar vader, dat reeds sedert een geruimen tijd van Windo ver-Cast Ie naar Londen was overgebracht, dewijl Constance het steeds voor oogen wilde hebben. — «Helaas Iquot; dacht zij, op het fiere, schrandere gelaat starende: »he laas! ofschoon in een anderen kring, is uw lot, vader, toca ook het mijne geweest: onbeloonde moeiten, mis-

-ocr page 313-

305

kende gevoelens, vergeten oft\'ers; ja, mijn lot is gedeeltelijk nog wreedzamer geweest; want gij mocht toch ten minste op uwe werkzame, schitterende loopbaan onophoudelijk kampen, en behaaldet nu en dan een overwinning. Maar mij, eener vrouw, die, wegens haar sekse, van het kampen en zegen-pralen uitgesloten is, rest enkel de ondankbare arbeid, om over de belooningen na te denken, die anderen moeten in-oogsten. Voor de erbarmelijke treken, voor de ellendige intrigues, voor mijn rustelooze bemoeiingen en pogingen gewordt me geen eer, voor de vernederingen, die ik ondergaan heb, geen wraak, en toch heb ik voor uwe zaak gearbeid, en kondet gij in mijn hart zien, dan zoudt gij medelijden met mij hebben en mij prijzen 1quot;

Toen Constance haar oogen afwendde, zag zij in een spiegel, die het beeld van haar verheven, maar reeds benevelde en verdwijnende schoonheid terugkaatste: de flauwe oogen, de ingevallen wangen, hier en daar eenige rimpels verrieden het verloop der jaren. Er zijn oogenblikken, waarin de tijd, dien wij vergeten hebben, ons plotseling haar uitwerking voorhoudt, waarin de verandering, waarop wij geen acht sloegen, als een spook voor ons oprijst, en waarin wij bijna zouden willen gelooven, dat die rimpels eerst voor eenige weinige uren in onze gelaatstrekken geploegd werden. Zulk een oogenblik was thans voor Constance gekomen. Zij verschrikte voor haar eigen beeld en keerde zich onwillekeurig van den waren spiegel af. Nevens haar op de tafel lag een medaillon, dat Godolphin haar kort voor zijn huwelijk met zijn hair geschonken had; de eenvoudigheid daarvan stak zeer af bij de vele kostbaarheden en juweelen, onder welke het lag. Toen zij het beschouwde, vloog haar hart naar den dag terug, waarop hij, haar eeuwige liefde zwerende, in hare armen lag. — »Ach, gelukkige dagen!quot; zuchtte de verlatene, gt;zult gij ooit terugkeeren!quot; — En zij nam het medaillon, kuste het en weende, door tallooze herinneringen van het verleden weemoedig geworden, stil voor zich heen. — »En toch,quot; zeide zij terwijl zij zich, na een poos zwijgens, de tranen afwischte, en toch is deze zwakheid mijner onwaardig. Alleen, zwaarmoedig ziek, naar lichaam en geest verzwakt en geheel vervallen, zoo als ik ben, bemoeit hij zich echter niet met mij: ik ben niets meer voor hem, niets meer voor de gansche wijde wereld. Mijn hart, mijn hart, vind ik u in uw lot! Wat gij van de wieg af geweest zijt, zult gij ook tot in het graf zijn. Niet eens mag ik op de teedere liefde van een kind hopen: de toekomst is voor mij slechts eene ledige ruimte.quot;

Constance streed nog met deze gedachten, toen Stainford Radclyft\'e, dien zij nooit liet afwijzen, haar plotseling werd aangediend. De tijd, die vroeg of laat de volharding, ofschoon

20

-ocr page 314-

306

met een bedriegelijke munt beloont, had Radclyffe een opgeld I op toekomstige eer gegeven. Zijn naam stond in de letterkunde I hoog aangeschreven en genoot de algemeene achting: hij was 1 een man, wien alles een schitterende toekomst beloofde. Hij I zat, wel is waar, nog niet in het parlement — die grootel kampplaats, waar in Engeland roem bejaagd en dikwerf ook I -verkregen wordt — doch slechts, dewijl hij geweigerd had, I er onder de bescherming van dezen of genen begunstiger binnen 1 te treden; doch zijn grondige politieke kundigheden en zijn I koene, eerzuchtige, hoogstrevende geest werden daarom niet I te minder erkend. De vriendschap tusschen hem en Constance I was nog inniger geworden, te meer, daar beiden in staatkundige I gevoelens met elkander overeenstemden, ofschoon deze uit I Verschillende bronnen, de hare uit hartstocht, de zijne uit 1 overleg, ontsprongen. 1

Constance wischte schielijk haar tranen af, toen Radclyffe I haar naderde, en schommelde in de voor haar liggende papie- I ren, om hare aandoening te verbergen. — «Gij komt te goeder I uur,quot; zeide zij met een gedwongen opgeruimdheid, »om mij in mijne eenzaamheid een weinig te vervroolijken. Juist heb ik eenige brieven doorgeloopen, die reeds zoo vele jaren oud zijn, dat ik mij herinneren moest, dat ik aldra niet meer jong zal zijn, een gedachte die eener vrouw nooit aangenaam kan wezen.

»Deze aanmerking wil ik u met geen kompliment beantwoorden; maar lady Erpingham verdient straf, omdat zij het zelfs mogelijk acht, dat zij ooit minder bekoorlijk kan zijn, dan zij is.quot;

»Och!quot; zeide Constance ernstig — shoe weinig rest dei-vrouwen buiten den triomf der jengd en der schoonheid! Hoe beperkt, ja, geboeid is onze eerzucht in alle andere, meer verheven. De menschelijke geest moet een doel voor zijn streven hebben; hoe kan derhalve uw geslacht ons onze beuzelachtigheid verwijten, daar slechts het streven naar beuzelingen ons door de oppermachtige heeren der schepping vergund wordt?quot;

»En is liefde iets beuzelachtigs? Is de heerschappij van het hart volstrekt niets?quot;

»Ja,quot; zeide Constance met nadruk; »want deze heerschappij duurt niet lang. Maar wij zijn de slaven dezer heerschappij, die wij willen gronden: wij wenschen bemind te zijn, en wij beminnen zelve te zeer. Onze gedachte, onze gevoelens, onze verwachtingen en vooruitzichten, al de schatten van ons hart zetten wij op één punt, en als het ons gelukt, ons eindelijk uit de zorgen en teleurstellingen van het leven te ontwarren, dan vinden wij het heiligdom voor ons gesloten: wij beminnen, maar worden niet weder bemind.quot;

Constance had, in den drang barer aandoeningen, haar ge-

-ocr page 315-

307

zicht opgeheven, en haar van tranen nog vochtige oogen, haar gloeiende wangen en haar bevende lippen troffen Rad-clyffe diep. Onwillekeurig stond hij op, naderde Constance, doch bedwong plotseling zijn opwelling en mompelde iets onverstaanbaars bij zich zeiven.

«Neen!quot; zeide Constance smartelijk en ter nauwernood acht op hem slaande; — «vruchteloos zijn wij eerzuchtig. Wij misleiden ons, wij zijn niet gevoelloos, niet ijskoud genoeg voor dien hartstocht. Men behoeft zich slechts tol ons gevoel te wenden, en dadelijk vertoont zich onze zwakheid — ja, ik — ik wenschte, dat ik een arme boerin ware, en niet degene, die ik thans ben.quot;

Door haar smartelijke aandoeningen overweldigd, zeeg zij op een stoel neer en bedekte haar gezicht met beide handen. Kon een man dit zien en zich niet bewogen gevoelen? Kon Radclyffe dezen mond over gebrek aan liefde hooren klagen, en niet de liefde bekennen, die in zijn eigen hart blaakte? Stil, maar krachtig, had hij zijn neiging voor Constance bestreden, die zijn bijna dagelijksche verkeering met haar gevoed had, en die uit de overtuiging was ontstaan, dat zij de eenige vrouw was, welke met zijn karakter overeenstemde; en nu weende deze zelfde fiere vrouw, verlaten, veronachtzaamd, smartelijke tranen over haar liefdeloos noodlot — en hij lag nog niet aan haar voeten! — Hij sprak niet, hij verroerde zich niet, maar zijn boezem zwoegde hevig, en zijn gelaat was doodsbleek. Het gelukte hem echter, zich te beheerschen. Alles in Radclyffe gehoorzaamde den afgod, dien hij, reeds vóór Constance, had aangebeden: alle gevoel in hem was, hoe vurig ook, nochtans tevens edel en fier. Zijn helder en scherp verstand veroorloofde hem geen egoïstische drogredenen; en eer zou hij zijn hoofd van het lichaam hebben laten scheiden, dan een enkel woord van de liefde te verraden, die, eenmaal bekend zijnde, Constance en hem onwaardig moest zijn.

Nu ontstond er een lang zwijgen. Lady Erpingham herstelde zich, beschaamd over haar eigen zwakheid, langzaam en zonder een enkel woord te spreken. Eindelijk brak Radclyffe het stilzwijgen af, en zijne in het eerst bevende en flauwe stem werd aldra vaster en duidelijker.

sNooit, Constance,quot; zeide hij, »zal ik de bekentenis vergeten die gij, in de overmaat van uw gevoel, aan mijne — mijne vriendschap vertrouwd hebt. Vergeet niet, mijn dierbare vriendin! — vergun mij, u aldus te noemen — dat het leven veel te kort is voor een misverstand, waardoor ons geluk in gevaar zou kunnen komen. Gij gelooft, dat — dat Godolphin uwe liefde niet beantwoord. Word niet boos, mijn waarde lady Erpingham! ik gevoel zeer wel, dat het min of meer onkiesch is, deze snaar aan te roeren, maar mijn belangstelling

20*

-ocr page 316-

308

in uw persoon maakt mij stout. Ik ken Godolphins hart: hij moge lichtzinnig, als ooit — hij bemint u oprecht, van gan-scher harte.quot;

Hoe gedeemoedigd zij ook ware, hoorde Constance hem met een ingespannen verwachting aan: haar wangen waren met een gloeiend rood overtogen, en dat rood was voor RadclylTe te gelijk een pijniging en eene belooning.

»In dit oogenblikquot; — aldus vervolgde hij niet een gedwongen bedaardheid — gt;in dit oogenblik klaagt hij juist over dezelfde koelheid bij u, van welke gij hem beschuldigt. Vergeel\' het mij, lady Erpingham: Godolphins natuur is zonderling, geheel ongewoon. Hebt gij die natuur wel goed bestudeerd, wel goed doorgrond? Doe dat dan nu nog: tracht haar te gemoet te komen; en als zijne liefde u daarvoor beloonen kan, dan zult gij dat loon zeer zeker erlangen. God zegene u, waarde lady Erpingham!quot;

Radclyfle snelde de kamer uit.

-ocr page 317-

LIX.

Constance doel een onldehkimj, die haar omtrent Godoljy

Allioewel ook Constance zich, of liever haar geschokt zenuwgestel en haar meer en meer toenemende zwakheid, scherp verweet, dat zij aan een vreemde, en nog daarenboven een man, verraden had, hoezeer haar geluk van het hart haars echtgenoots afhing; ofschoon ook haar geweten het dadelijk laakte, dat zij een ander haar huiselijke grieven had medegedeeld, kon zij echter, aan den anderen kant, de innige vreugde niet bedwingen, waarvan zij zich de woorden herinnerde, die haar zoo plechtig van Godolphins voortdurende liefde verzekerd hadden. Zij geloofde stellig aan Radclyffe\'s scherpzinnigheid en ongeveinsdheid, en wist, dat hij noch bedroog, noch licht bedrogen kon worden. Maar had zij wezenlijk Godolphins karakter goed uitgevorscht en zich voldoende daarnaar geschikt? Had zij, zelve veronachtzaamd, niet gelijk met gelijk vergolden? Dat Radclyffe, de koele, strenge Rad-clyiTe, iets meer dan vriendschap voor haar gevoelde, kwam bij haar in het geheel niet op; ja, het enkele vermoeden daarvan zou hem voor altijd uit haar tegenwoordigheid gebannen hebben. En ofschoon het Radclyffe in zijn schitterende, ondernemende jeugd, geenszins aan die manieren en gedragingen ontbroken had, die bij vrouwen zelfs haat in liefde kunnen veranderen zouden nochtans honderdmaal sterkere tooverkrach-ten hem bij Constance volstrekt niet gebaat hebben.

Constance zwelgde in zoete herinneringen. Haar hart dacht terug aan haar eerste liefde in de lommerrijke lanen van Windover, aan de eerste bekentenis van den schoonen, vurig minnenden jongeling, toen hij op haar altaar een genie, een hart wilde nederleggen, dat vruchten kon dragen, die de werkeloosheid van het latere leven, de dofheid, die den geest,

-ocr page 318-

310

na teleurgestelde verwachtingen, bemachtigt, vóór den tijd vernietigde. Was hij thans doof voor de door haar zoo hoog verheven levenswijsheid, dan droeg zij daarvan eenigermate zelve de schuld. Was er niet een dag geweest, waarop hij de gelofte had afgelegd, om te arbeiden, naar een zijner waardig doel te «treven en de richting van zijn geest, ten gevalle van een verbintenis met haar, op te offeren? Deed zij ■wel, dat zij zich zoo streng aan het woord van haar stervenden vader hield? — Zij zag haars vaders beeltenis aan om antwoord hierop te erlangen, en voor de eerste maal scheen dat koene, welsprekende gelaat haar koel en stom te aanschouwen.

Uren verliepen met deze overpeinzingen, reeds was het middernacht geworden, en nog had Constance haar kamer niet verlaten. Zij schelde haar kamenier en vroeg, of Godolphin te huis was. Ruim een uur geleden was hij thuis gekomen en had zich, over vermoeidheid klagende, terstond te bed begeven. Constance liet de kamenier gaan en sloop naar zijn kamer. Hij sliep reeds: zijn hoofd ruste op zijn arm, en zijn schoon haar golfde onordelijk over zijn gezicht, dat zich thans onder den invloed van een droom vertrok. Constance zette het licht eenigszins achterwaarts, ging nevens hem zitten en bewaakte zijn slaap, die, hoezeer hij hem allicht schielijk overvallen had, echter zeer onrustig was. Eindelijk zeide hii droomende: ))ja, Lucilla, ja, ik verzeker het u, gij zijt gewroken! Ik heb het niet vergeten, dat ik n bedrogen, dat ik n verlaten heb! Maar was het mijne schuld? — Neen, neen\'. En toch heb ik het pogen te vergeten. Die ellendige buitensporigheden — die laffe vermaken — zijn zij niet uw werk? — En nu komt gij — o neen — verschoon mij!quot;

Verschrikt week Constance achteruit. Het was een nieuwe sleutel tot Godolphins tegenwoordig leven, tot zijn zucht naar vermaken. Had hij inderdaad de kwellingen aan het geweten pogen te ontvluchten? In plaats van hem met het verleden te verzoenen, had zij hem derhalve alleen aan den strijd met grievende herinneringen overgelaten en de opoffering van het verlorene in een helderder licht tegen de onverschilligheid van het daarvoor gewonnene gesteld? — Zij sloop naar hare kamer terug, om in stilte met haar hart te raadplegen.

»Mijn waarde Percy!quot; zeide zij den volgenden dag, toen hij, vóór zijn uitrijden, achteloos haar toiletkamer binnentrad. ))Ik heb u om iets te verzoeken.quot;

»Wie heeft lady Erpingham ooit iets geweigerd?quot;

»Gij ten minste zeker niet. Maar ik heb een groot verzoek aan u te doen.quot;

))Het is u toegestaan.quot;

»Ik wenschte, den zomer met u in \' * * shire door te brengen.quot;

-ocr page 319-

311

Godolpliin fronste zijn voorhoofd.

)gt;In Windover, Constance?quot; rroeg hij na een poos zwijgens.

«Sedert ons huwelijk zijn wij daar nog niet geweest,quot; zeide Constance.

»Hm ! zoo als gij wilt!quot;

»Percy, het was de plaats, waar gij mij \'t eerst uwe liefde bekendet.quot;

De toon, waarop deze woorden uilgesproken werden, raakte de rechte snaar in Godolphins boezem aan: hij keek op, en zag, dat haar in tranen zwemmende oogen op hem gevestigd waren.

«Constance,quot; zeide hij ontroerd — «wie zou gedacht hebben, dat deze herinnering voor u nog van eenige waarde was.quot;

»Ach, hoe kan ik het ooit vergeten! Toenmaals bemindet gij mij?quot;

»En ik werd afgewezen.quot;

jgt;0, thans geloof ik, dat ik daaraan niet wél deed!quot;

«Neen, Constance, gij deedt niet wél, dat gij om uw eigen geluk, mij niet ten tweeden male afweest.quot;

«Percy!quot;

«Constance!quot;

Dit woord werd op een toon en met een nadruk uitgesproken, die Constance bemoedigden. Zij wierp zich aan Godolphins boezem en zeide zachtkens : »heb ik u gegriefd, vergeef het mij dan, en laat ons weer voor elkaar zijn wat wij te voren waren !quot;

Zulk een taal in den mond eener vrouw bij wie zulk teeder en smachtend smeeken iets ongewoons was, moest Godolphin hevig treffen. Hij klemde haar vast aan zijn hart, kuste haar innig en zeide; » wees altijd zoo, Constance, en gij zult mij meer zijn dan ooit!quot;

-ocr page 320-

LX.

Lord John Russel draagl de bill voor.

Deze verzoening was geenszins van zulken korten duur, als lt;Ut gewoonlijk tusschen echtgenooten pleegt te zijn. Er is een Chineesch spreekwoord, dat zegt: hoe nabij zijn twee harten elkander, als er geen bedrog tusschen hen beiden is. En daar dit misverstand tusschen hunne wederzijdsche gevoelens uit den weg was geruimd, werd hunne wederzijdsche liefde hun eerst recht duidelijk; en Constance, die zich haar vorige trotsch-heid verweet, betoonde in haar gedragingen jegens haar echtgenoot zulk een innige teederheid, als hij juist bij haar ge-wenscht had, en hem dus ook geheel voor haar innam.

Om dezen tijd droeg lord John Russel zijne bill of reform in het parlement voor. Lady Erpingham zat, in dien gedenk-waardigen nacht, op de galerij van het Lagerhuis. Even als bij de overige toehoorders, weken alle andere aandoeningen, ook bij haar, \'t eerst voor verbazing. Zij begaf zich naar haar woning en spoedde zich naar Godolphins bibliotheek. Met het hoofd op de hand leunende, hield deze zonderlinge mensch, midden onder de gebeurtenissen, die Europa schokten, zich thans met Spinoza\'s versleten spitsvondigheden bezig. Met de vertrouwelijkheid en hartelijkheid eener op nieuw ontwaakte liefde legde zij haar hand op zijn schouder en deelde hem in korte woorden de tijding mede, die geheel Engeland met blijdschap moest vervullen.

»Zal het u genoegen doen, lieve Constance?quot; zeide hij vriendelijk. — »Is het een slag voor de oligarchie, die gij haat, en die ik beklaag? Of zal het haar door opoffering van het gehate redden? Zal het wegsnijden van het gezwel het lichaam behouden of dooden?quot;

gt;Behouden, als de hervorming zich daarbij bepaald; dooden.

-ocr page 321-

313

als de tijdgeest, die thans meer ruimte erlangt, in zijn loop sneller doorjaagt. 0 mijn vader! Had het God behaagd, u dezen dag te laten beleven I Juist ditzelfde stelsel, dat zoo ver-foeielijke aristokratische stelsel was de oorzaak van \'s mans lijden en eindelijk van zijn vroegen dood. En nu mag ik datzelfde stelsel vernietigd zien!quot;

»Gij wilt dus in vollen ernst tot de Whigs overgaan, Constance?quot;

»Ja; want daar zal ik de waarheid en het volk vinden!quot;

Godolphin lachte om deze Fransche overdrijving, doch Constance vergaf het hem.

Over het verdienstelijke der Russelsche bill liepen de gevoelens der Londensche dames tamelijk uiteen. Constance was de eerste, die zich daarvóór verklaarde. Dit verraste zoowel Whigs als Tories; maar men beschouwde haar als een gewichtige bondgenoote, zoo gewichtig, als een vrouw zijn kan. In haar oog fonkelde weder een nieuw leven; haar tred werd fierder, haar voorhoofd helderder. Het was de gelukkigste tijd liaars levens! zij was ge!ukkig in de hernieuwing barer liefde, gelukkig in den meer en meer naderenden triomf van haar haat.

-ocr page 322-

LXI.

Do profetes treedt nogmaals op.

In Leicester-Square staat een oud, somber huis, waarin toenmaals de geheimzinnige madame Liebuhr woonde. Het was reeds namiddag, en zij zat alleen in haar kamer, die docr gordijnen tegen het indringen der zonnestralen beschut was. In deze vrij groote kamer bevond zich niet één kenleeken van de bedriegelijke kunst, die zij uitoefende. Een paar Duitsche boeken lagen op de tafel nevens haar, maar zij bevatten nieuwe poüzie, geene verouderde stelsels. De profetes staarde voor zich neer en scheen de gedachten te volgen,\'die reeds sedert jaren haar zeker richtsnoer verloren hadden. Haar hoofd was een ledige, door den eigenaar verlaten woning, in welke vreemdsoortige geesten hun spookachtig verblijf gevestigd hadden. Ook kon men zich geen gelaat voorstellen, dat beter bij het karakter paste, dat deze zonderlinge vrouw aangenomen had. De donkere haarlokken golfden over een voorhoofd, op hetwelk de vooruitstekende slapen aan den beoefenaar der schedellear het overwicht zouden kenbaar gemaakt hebben, dat de dwepende verbeeldingskracht over de ernstiger geestvermogens uitoefende. In hare oogen lag die diepe uitdrukking, die vurige glans, welke zoo zeer op den aanschouwer werken, dewijl zij de tolken van gedachten zijn, die niet tot deze alledaagsche wereld behooren, en de schuwheid, het ontzag en de zwaarmoedigheid inboezemen, waardoor ieder bevangen wordt, die zich tegenover een krankzinnige bevindt. Haar gelaatstrekken waren edel en van die schoone Grieksche evenredigheid, uit welke de kunstenaar de Sybilla konterfeit; doch haar wangen waren ingevallen en midden op dat witte marmer lag een enkele gloeiende vlek: haar lippen daarentegen waren vol en rood, en tusschen deze vertoonden zich twee rijen ivoren tan-

/

-ocr page 323-

315

den, die, wel is waar, de schoonheid van het gelaat voltooiden, maar tevens den schrikbarenden indruk harer gloeiende oogen en de geheimvolle uitwerking van haar plotseling en somber glimlachen verhoogden. Was haar gelaat kalm, dan kon men zien, dat haar gezondheid geschokt was, en dal zij niet lang meer op een wereld zou vertoeven, waar haar ziel reeds geen woonplaats meer had. Maar zoodra zij sprak kleurden haar wangen, en de snelle wisseling harer gelaatstrekken misleidde het oog en verborg de verwoestingen van den worm, die aan haar binnenste knaagde.

»Ja,quot; zeide zij eindelijk, wel in het Engelsch, doch met een min of meer vreemden tongval; — »ja, ik bevind mij in zijne stad; slechts eenige schreden van zijn woning —ik heb hem gehoord. Eiken nacht, zelfs in het guurste weder, onder loeiende stormen en felle regenvlagen, heb ik mij naar zijne woning begeven: ik zou mijn stem hebben kunnen verheffen en hem een profetie laten hooren, die hem uit zijn slaap zou gewekt hebben, als de bazuin van den oordeelsdag! Maar ik smoorde de roepstem mijner ziel en zweeg. O mijn God, wat heb ik gezien, gevoeld, ondervonden, sedert ik hem de laatse maal gesproken heb! Maar wij zullen elkaar weer ontmoeten, en eer het jaar zijn loop voleindigd heeft, zal ik den kus zijner lippen voelen en sterven. Sterven! Welk een kalmte ■welk een zaligheid ligt in dat woord! De ondragelijke last dezer wetenschap, dien ik op mij heb geladen, wordt van mij afgewenteld: de herinnering verdwijnt: het verleden, het tegenwoordige en het toekomende zijn verbannen, en er volgt een lange slaap met de schitterende droomen van een over-schoonen hemel, waar ik hem zal wedervinden.quot;

De kamerdeur werd geopend, en een zwart meisje van ongeveer tien jaren in haar moorsche kleeding, meldde de komst van een nieuwen bezoeker. Het gelaat van madame Liebuhr veranderde plotseling: een koele bedaardheid had de gloeiende hartstochtelijkheid vervangen. Zij beval den vreemdeling binnen te laten, en terstond daarop verscheen Stainforth Radclyffe.

»Gij miskent mij en mijne kunst,quot; zeide de profetes, snooit meng ik mij in de plannen en trekken der lieden van de groote wereld: ik onthul slechts de waarheid!quot;

»Pah!quot; zeide Radclyffe; ^die praatjes kunnen mij niet blinddoeken. Gij oefent uwe kunst voor geld uit: ik verlang een proeve van die kunst, en gij moogt daarvoor uw loon bedingen. Wij zullen volgens de gewone wijs van deze wereld spreken, en die der andere wereld den dwazen overlaten.

-ocr page 324-

316

»En toch,quot; zeide zij peinzende, 5gt;hebt ook gij verdriet en tegenspoed gekend: zij, die zeiven geleden hebben, behoorden meer verschoonend over andere lijders te denken. Wilt gij mijn kunst eerst zelf toetsen, voordat gij haar ten behoeve van anderen begeert?quot;

»0 ja, indien gij de dooden aan mijn droomen kunt teruggeven !quot;

»Dai kan ik!quot; antwoordde de profetes op een zeer ern-stigen toon.

Radcliffe lachte bitter. — «Weg met dien onzin! of, wilt gij mij inderdaad overtuigen, roep dan den geest op, dien ik wensch te zien.quot;

»En gelooft gij, ijdele man,quot; antwoordde zij met veel fierheid, »dat ik aanspraak maak op het vermogen, waarvan gij spreekt? Ja, ik kan het, ik kan aan uw verlangen voldoen, doch geenszins op de wijs der oude bedriegers, diedenlicht-geloovige met allerlei ellendige bezweringen mompten en verbluften — een soort van tooverkracht, die zij alleen uitoefenen, doch van welker nietsbeduidendheid zij zeiven genoegzaam overtuigd waren. Ik ben in staat, om voor u geesten van afgestorvenen te doen verschijnen, maar gij moet zelf op u werken.quot;

«Zotternij! — Wat moet ik doen?quot;

»Wilt gij drie dagen vasten, u drie nachten lang van slapen onthouden en mij dan weêr bezoeken?quot;

»Neen, schoone tooveres! — zulk een voorbereiding van een nieuweling te eischen, is waarlijk wat al te erg! Drie dagen zonder spijs en drie nachten zonder slaap! Na dien tijd zoudt gij mij zelf uit den doode moeten opwekken.quot;

»En kunt gij,quot; hernam de profetes met zeer veel deftigheid — »kunt gij hopen, dat gij deze openbaring uit een hoogere wereld waardig zijt? De graven zouden zich openen en u hunne verschrikkelijke schatten toonen; ja, de dooden zouden in het leven terugkeeren, bijaldien gij besluiten kondet, uw vleesch te kruisigen en de aardsche banden los te scheuren, die uwen geest boeien en hem in zijn vlucht belemmeren. Ik zeg u, dat, slechts wanneer de ziel zich van haar lichaam bevrijdt, de inwendige reine geest ontwaken en van het onzichtbare en goddelijke een volkomen bewustheid erlangen kan.quot;

»En watquot; — vroeg Radclyffe, die meer door de stem en het geheele voorkomen der vrouw, dan door haar woorden, getroflen was — »wat zoudt gij dan doen, bijaldien ik mij aan die boete onderwierp?quot;

»Ik zou de naakte zenuwen van de groote kracht, die gij de verbeelding noemt, tot haar uiterste gevoeligheid, zelfs tot haar pijniging, opwekken, die kracht, welke de

-ocr page 325-

317

droomen en visioenen beheerscht, welke in de liarten der melodieën leeft, welke de Wijzen van het Oosten ingeestte en in storm en onvveder \'i eerst het denkbeeld van God deed ontstaan — die kracht welke voor den geest is, wat de Godheid is voor het heelal — dei schepster van al wat bestaat. Die kracht zal ik uit haar gewone sluimering opwekken, waarin zij met ingetrokken vleugels rust, en slechts door enkele trekkingen, door kortstondige bewegingen te kennen geeft, dat zij nog levend is — en door deze kracht zoudt gij zien, gevoelen, erkennen en bestaan; bet zou zijn alsof uw lichaam niet meer bestond, alsof gij reeds geheel geest, geheel ziel waart. Zóó zoudt gij in het leven leeren, wat u na den dood nog te wachten is; en zoo zou de ziel reeds thans met de ziel verkeeren, het verleden bezweren en voorwetend over den donkeren stroom der toekomst wegsnellen. Eer? kort, vluchtig, maar duur gekocht voorrecht! Wees wijs, en twijtei daaraan; wees gelukkig, en lach daarom!quot;

Zijns ondanks gevoelde Radclyffe zich door deze zoo hoogst zonderlinge taal, en nog meer door de diepe zwaarmoedigheid, waarmee de profetes deze woorden uitsprak, innig getroffen.

«En hoequot; — zeide hij, na eenig zwijgen — »boe en door welke kunst zult gij dan de verbeeldingskracht opwekken\'?quot;

»Vraag niet voordat de tijd der beproeving gekomen is!quot;

sMaar kunt gij die kracht in eiken mensch opwekken? in den domsten zoowel als in den schrandersten, in den ijskou-den onverschilligen zoowel als in den vurigen enthusiast?quot;

»Neen! Maar de domme en ijskoude onverschillige zal ik ook niet aan de vereischte beproeving onderwerpen. Slechts zeer weinigen buiten hen, aan wie het noodlot hoofdrollen in het groote drama van het leven toedeelt, komen ooit tot het punt, waarop ik hen omtrent de toekomst kan onderrichten.quot;

«Bedoelt gij daarmee, dat uwe voornaamste aanhangers zich onder den aanzienlijken stand bevinden? Vergeef het mij, maar ik ben altijd van meening geweest, dat men de lichlgeloovig-ste menschen doorgaans onder de onkundigen, en dus onder lieden van een lage geboorte, aantreft,quot;

»Nu ja; maar vraag slechts dengene, die op uwe lichtge-loovigheid indruk maakt, zonder, even als ik, gestrenge offers met betrekking tot tijd en genot, te eischen. De koenen, vast-beradenen, wier geest zich met groote dingen en trotsche droomen bezig houdt, dat zijn de mannen, die het bekorende van het oogenblik versmaden, die begeerig zijn, om in de verre toekomst te zien, die weten, dat hunne levensbaan niet door liet genie, maar dezen of genen samenloop van omstandigheden en gebeurtenissen, of wel door een geheimvolle werking van het noodlot, bepaald en gewijzigd wordt. De grooten de

-ocr page 326-

318

zer aarde zijn steeds gelukkig, en daarom vorschen zij \'t meest naar de besluiten van het geluk.quot;

De invloed, dien de geestdrift, hetzij dan geveinsd of wezenlijk, op ons uitoefent, is zoo groot, dat zelfs de schrandere, koele Radclyffe, die met de diepste verachting voor de profetes de kamer binnengetreden was, en gedeeltelijk door den wensch, om de zwakheid van lord Saltream op dezelfde wijze te genezen, als zij ontstaan was, gedeeltelijk door de hem eigen zucht tot onderzoek zich daartoe had verleiden, begon te overwegen, of hij aan de in hem opgewekte nieuwsgierigheid toegeven en zich aan de vooiioopige boete, welke de profetes van hem verlangde, onderwerpen zou.

Madame Liebuhr vervolgde:

»De sterren, het klimaat en de loop der maan hebben invloed op ons. En waarom zouden zij niet op de overige natuur? Maar wij kunnen haar verheven en verborgen geheimen slechts onthullen, als wij den scheppenden geest vrijheid geven, den geest, die ons \'t eerst haar grondwezen, geleerd heeft, en die, eenmaal van de aarde bevrijd, de macht zal hebben, om haar heerlijke velden te doorwandelen. Weet dan, dat de verbeeldingskracht en de ziel slechts een en ondeelbaar zijn. Op deze stelling berust mijn gansche leer.quot;

»En welke andere voorbereidingen zou ik moeten maken, als ik uwe leer volgde?quot;

»Zoodra gij u verplicht hebt, om haar over te nemen, zal ik u meer zeggen.quot;

»Ik verplicht mij daartoe 1quot;

sWilt gij dit bezweren?quot;

»Ik zweer!quot;

De profetes rees op — en —

-ocr page 327-

LXII.

Yooir/evocl.

Dienzelfden avond trad Constance Godolphins kamer binnen, die bleek, hevig ontroerd en schier bewusteloos tegen den wand leunde.

«Goede God, gij zijt ziek!quot; riep zij en slingerde haar arm om zijn hals. Hij staarde haar lang en nadenkend aan en ademde zeer moeielijk, tot hij zich eindelijk eenigszins herstelde en zich nederzette. Eene poos daarna nam hij Constance\'s hand en zeide:

ïHoor mij, Constance! Mijne gezondheid is, vrees ik, voor altijd geknakt: ik word door verschrikkelijke droombeelden gekweld, eene toovermacht vervolgt mij. Reeds verscheiden nachten heeft mij, vóór het inslapen, een ijskoude rilling bevangen: ik beefde, ik sidderde: het haar rees mij te bergen, en mijn bloed scheen te verstijven. Ik trachtte te spreken, om hulp te roepen, maar mijn tong kleefde, aan mijn verhemelte, en ik voelde, dat ik volstrekt geen macht meer over mij zeiven had. Plotseling en midden in dezen verschrik-kelijken doodstrijd zonk ik in een diepen slaap; maar dan stegen ook woeste droomen op, in welke Volkmanns dochter de hoofdrol speelde; doch haar gelaat is veranderd — bedaard, onbewegelijk — het staart mij aan, met oogen, die tot in mijn ziel branden. De droom verdwijnt, ik ontwaak — maar afgemat, geheel uitgeput. Ik heb geneesheeren geraadpleegd — ik heb geneesmiddelen gebruikt, maar ik kan, helaas! de toovermacht niet krachteloos maken — ik kan den angst, de ware droomen, niet verbannen. En juist nu, Constance, juist nu — gij ziet het — het venster, dat op de straat uitziet, is open, de tuindeur is niet gesloten — ik sloeg mijn oogen op — en ach! in het flauwe maanlicht staarde het gezicht mijner droomen, Lucilla\'s gezicht, mij aan; maar hoezeer

-ocr page 328-

320

was liet veranderd! Barmhartige hemel! Is hel bedrog — of zou Lucilla wezenlijk in Engeland zijn ? Staan deze droomen, deze schrikbeelden in verband met de geheimzinnige sympathie, die ons steeds vereenigde, en die, volgens de voorspelling van haar vader, eerst met ons leven zal eindigen?quot;

Godolphin liet zoo zelden zijn aandoeningen blijken, en thans waren zij zoo hevig, dat het Constance aan moed ontbrak, om ze tot bedaren te brengen. Zij was zelve innig ontroerd, geschokt en zag vol vrees naar het venster; want de verschijning kon zich andermaal vertoonen. Maar buiten was alles stil, geen blad bewoog zich, geen menschelijke gedaante was heinde of ver te zien. Zij wendde zich weer naar Godolphin, kuste de zweetdroppels van zijn voorhoofd en drukte zijn hoofd aan haar boezem.

»Ik heb een voorgevoel,quot; zeide hij, »dat er aldra iets ontzettends zal gebeuren. Het is mij inderdaad, als of mij een wijduitgestrekte loopbaan geopend wordt — een ander leven — ja, als of ik uit de zichtbare wereld in een andere, waar nacht en duisternis heerschen, moet overgaan. — Constance, ik word door zonderlinge verwijtingen over mijn tot dusver afgelegd leven gekweld. Ik heb slechts naar het tegenwoordige getracht: ik heb de eerzucht, den arbeid afgezworen en de toekomst bespot. Mijn hand heeft naar rozenbladen gegrepen, en zij zijn in mijne hand verwelkt. Mijn jeugd is mij ontvloden; en wat zou ik hebben kunnen verrichten, als Lc een ander geloof gevolgd ware! Doch stil daarvan! Mijn zenuwen zijn aangetast, en ik spreek als een dwaas. Geef mijuwai-m, Constance : wij zullen ons naar de zaal begeven en wat muziek maken.quot;

In den loop van dien avond gaf lord Saltream op zijn terugweg uit het Hoogerhuis, Godolphin een kort bezoek. Beider droefgeestigheid bracht hen nader tot elkaar. Zij plaatsten zich voor het reeds bijna uitgebrande vuur en spraken over dingen, die voor de gewone wereld veel te ernstig zouden geweest zijn. Lord Saltream verhaalde van madame L\'ebuhr, van haar gesprek met hem, van de uitwerking van dat gesprek op hem, van de tooverkracht, die zij op zijne verbeelding had uitgeoefend, en waarvan hij den aard gezworen had nimmer te zullen openbaren, en eindelijk van de duistere toekomst, die hem ontdekt was geworden. Onder dat verhaal rilde hij telkens en deelde Godolphin nu ook de ijselijke voorspelling mede, waarmee hij Radclyffe reeds bekend had gemaakt. Godolphin hoorde hem met zeer veel belangstelling aan: zijn onophoudelijke kwellingen bij nacht, de verschijning aan het venster, alles deed in hem een hoogst bijgeloovige stemming ontstaan. Constance zat nevens hem, maar zeide niets, ofschoon zij zich, met een smartelijk gevoel verwonderde, dat

-ocr page 329-

321

zulk een indruk op een man van zul ken geest mogelijk was.

Lord Saltream was een der politieke pessimisten Hij geloofde, dat het rijk door een verschrikkelijke, reeds zeer nabij zijnde staatsomwenteling bedreigd werd: hij was overtuigd, dat de door de politieke meening verwacht wordende verandering en hervorming slechts het gevolg van de ergste geweldadigheden zou zijn.

»Het is iaderdaad zonderling,quot; zeide hij, »dat, zelfs zeer verlichte tijden, zoodra zij door onlusten beroerd worden, een overvloed van dwepers en profeten opleveren, die zelfs onder schrandere en helderdenkende koppen proselyten maken. In de staatsomwenteling, die het huis Braganza op den troon van Portugal bracht, zien wij, hoe de duisterste theorieën mode worden en zelfs de hoofdaanvoerders leiden en hunne handelingen bepalen. In Frankrijk kwamen met de eerste uitbarsting der revolutie alle soorten van profetiën te voorschijn: een dweepzieke sekte wendde voor, dat zij in de toekomst onthullen kon, en eenige der latere hoofdpersonen van het verschrikkelijke treurspel telde zij onder hare aanhangers. Zelfs vóór den val van Napoleon kwamen dergelijke geestdrijverijen in de mode, en de zonderlingste, ingewikkeldste en zotste specu-latiën gingen hand aan hand met de meest onloochenbare waarheid. Zie terug op onzen burgeroorlog tegen Karei I, en herinner u het drieste bijgeloof, dat in die tijden den kop opstak; en terwijl er, hoe het ook moge eindigen, een groote verandering in de meeningen en stelsels van ons land te wachten is, worden verstandige bedaarde, nadenkende men-schen, als wij, door een bijgeloof bevangen, waarvan wij te voren geen denkbeeld hadden, en dat ons thans tot in ons binnenste schokt. Het is, alsof de giamp;sing en werking van den algemeenen geest ook in kleine afzonderlijke kanalen bruist en te gelijk den trotschen eik en den nederigen halm aan hunne rust ontrukt.quot;

Onder zulke, met allerlei anecdoten vermengde gesprekken verliep de avond.

Constance waakte den ganschen nacht bij Godolphin en zag met een zwijgende ontroering de stuiptrekkingen, die zijn slaap stoorden. Zij zag het schuim, dat zich rondom zijn mond zette, en hoorde met ontzetting den rauwen gil, dien hij gaf.

Maar zij gevoelde zich beloond, toen hij, met het aanbreken van den dag ontwaakte, zijn oogen naar haar teeder bezorgde oogen opsloeg, zich aan haar boezem klemde en \'s hemels zegen over hun liefde afsmeekte.

\') Voorstanders van de leer, dat deze wereld dc slechtste is; die alles van de zwartste zijde beschouwen; tegenstanders der optimisten, die met alles tevreden zijn en nergens kwaad zien.

21

-ocr page 330-

LXI1I.

Constance ot de profetes.

Constance gevoelde een zonderling vermoeden in zich op-kiemen, en zij besloot, om Godolphins wil, het na te sporen. Zij sloeg haar mantel om, zetfe een haar onkenbaar makende hoed op en begaf zich naar de woning van madame Liebuhr.

Het zwarte meisje opende Constance de deur, en haar zonderlinge kleeding, haar Afrikaansche gelaatstrekken, die door groote flikkerende oorringen nog meer uitkwamen, schenen lady Erpingham, die een glimlachje niet kon onderdrukken, tol de overige charlatanerieën der profetes te behooren.

Op lady Erpinghams vraag antwoordde zij slechts door een teeken, snelde toen schielijk de trappen op en leidde Constance in een bovenvoorkamer, van waar deze, eenige minuten daarna toegang tot madame Liebuhr verkreeg.

De uitwerking, welke de persoonlijke schoonheid der profetes op allen, die haar zagen, te weeg bracht, sprak ook mt het verbaasde oog van lady Erpingham. Met een onwillekeurige schuwheid boog zij haar trotsch hoofd, en zette zich neer, waar de geestdrijfster haar een plaats aanwees.

»En watquot; — zeide de waarzegster met den vreemden klank barer weeke stem — »wat voert u herwaarts? Wilt gij de gave winnen, of hebt. gij haar verloren, haar, die ons geslacht zoo verre boven haar waarde schat? Wilt gij met de droom-uitlegster, met de prester es der toekomst spreken?quot;

Terwijl madame Liebuhr, met fonkelende oogen, aldus sprak, beschouwde de gravin door haren sluier hel schoone gelaat, vergeleek het met de beschrijving, die Godolphin van de dochter des beeldhouwers had gegeven, en haar vermoeden werd meer en meer bevestigd.

3gt;Ik zoek niet, wat gij bedoeltquot;—zeide Constance, «ofschoon

-ocr page 331-

323

ik, hoezeer ook zonder een bepaald doel, u nopens de toekomst ■wenschte te ondervragen. Gaarne toch tracht ieder in liet duistere, voor ons sterfelijk oog verborgen toekomende te dringen, dat, naar men wil, aan uwe macht zou onderworpen zijn.quot;

»Uwe stem is zacht, maar bevelend, en uw voorkomen statig, majestueus, als dat van iemand, die aan het hof heeft geleefd. Ligt uw sluier op, opdat ik u in het aangezicht kunne zien en uit uw gelaatstrekken het lot ontdekke, dat. uw karakter voor u gewrocht heeft.quot;

»Ach!quot; — antwoordde Constance — »het menschelijk leven duidt weinig van zijn vroegere gebeurtenissen door uiterlijke teekenen aan. Als gij geene hoogere kunst bezit, dan die op de lijnen van het gelaat berust, dan zal ik blijven, wat ik ben, eene twijfelaarster aan uw voorgewende macht.quot;

»Het, voorhoofd, de lippen en de oogen, ja, het geheele gelaat, zijn geenszins zulke bedriegelijke kenteekenen, als gij schijnt te gelooven.quot;

»Dan wil ik uit die teekenen uw eigen lot voorspellen, even als gij het mijne voorspellen zoudt.quot;

De profetes schrikte, en gaf met haar hand een wenk, om te zwijgen; doch Constance vervolgde:

»Gij ziit onder een zuidelijke hemelstreek geboren: gij werdt opgevoed onder de bedriegelijke leer, die gij thans verkondigt: gij werdt bemind — gij werdt verlaten — gij bevindt u thans in bet vaderland van uw geliefde. Is het niet zoo\'? Ben ik niet ook een profetes?quot;

De geheimzinnige vrouw zeeg achterover op haar stoel: haar lippen verbleekten, haar handen sloten zich krampachtig: onbewegelijk staarde zij Constance aan.

»Wie zijt gij?quot; riep zij eindelijk met een gillende stem. »Wie van mijn geslacht kent mijn rampzalige geschiedenis? Spreek! Om Gods barmhartigheid, spreek! Zeg mij meer! Overtuig mij, of gij slechts toevallig mijn geheim geraden hebt, dan of gij recht hebt om het te weten.quot;

«Verliet niet uw vaderquot; — vervolgde Constance, met. die dweepachtige uitdrukking, welke zij van haar, met wie zij sprak, ontleende — »verliet niet uw vader zijn geboorteland, om het met Rome\'s blauwen hemel te verwisselen ? En klinkt de naam van Percy Godolphin niet nog in de ooren van Lucilla Volkmann?quot;

De Profetes gaf een luiden gil en zeeg machteloos op den grond neer. Ontroerd en berouw hebbende over haar voorbarigheid, snelde Constance toe, om haar bijstand te bieden Zij hief het ongelukkige schepsel op, dat zij zoo grievend gewond had: zij maakte haar kleed los, en ontdekte, dat zij om haar hals een breed ivoren band had, waarop zich vele zon-

21*

-ocr page 332-

324

derlinge teekenen en fir;uren bevonden. Dit bewijs, dat de profetes niet slechts anderen, maar ook zich zelve bedroog, trof de gravin. Terwijl zij Lucilla\'s slapen wreef, trad het zwarte meisje, dat den gil gehoord had, de kamer binnen. Zij scheen verbaasd en ontsteld over den toestand van haar meesteres, en stortte zich, in een Constance onbekende taal in een vloed van uitroepingen uit, die een mengeling van klachten en ver wij tingen scheen. Zi] vatte lady Erpinghams hand, slingerde haar met hevigheid terug, legde Lucilla\'s doodbleek gezicht aan haar boezem, en beduidde Constance, dat zij zich moest verwijderen; doch deze, die niet gewoon was te gehoorzamen, bleef nevens de nog steeds onmachtige Lucilla, die pas een geruime poos daarna zeer langzaam en onder het lozen van zware zuchten, weer tot zich zei ve kwam.

Terwijl de gravin Lucilla bijstond, had zij haren sluier weggeslagen en de oogen der profetes openden zich, om een schoonheid te zien, die, eenmaal gezien, zich onuitwisbaar in het geheugen prentte. Onwillekeurig sloot zij de oogen weer en steunde luid. Doch schielijk herzamelde zij al haar moed, trok haar hand uit die van Constance en beval haar meisje haar te verlaten.

»Gij zijt dus de vrouw van Percy Godolphin,quot; zeideLucilla na een poos zwijgens: szijn Engelsche vrouw, die gekomen is, om de gevallene, onteerde Lucilla te zien; en toch—quot;voegde zij er langzaam bij, terwijl haar stem een onbeschrijfelijke, smartelijke zachtheid aannam — »en toch heb ik aan zijn hart gerust en was hem dierbaar en heilig, even als gij! —-Ga, trotsche lady, ga! Laat mij over aan mijn krankzinnigheid

— aan mijn ongeluk— aan mijn eenzaamheid! Ga heen!quot;

«Dierbare Lucilla!quot; zeide Constance op een hartelijken toon,

terwijl zij haar hand weer trachtte te vatten; »stoot mij niet van u af. Reeds sedert een geruimen tijd heb ik aan uw wreed, bitter lot innig deel genomen. Beschouw mij als een vriendin, als een zuster. O laat u bewegen, om dit zonderlinge, zwervende, uwer onwaardige leven te laten varen. Kies een vaste verblijfplaats, ik ben rijk, en wat gij wenscht, zal u ten dienste staan. — Hij moet niets meer van u vernemen, ten ware gij, om de gewetensknagingen te doen bedaren, welke de herinnering van u nog in hem mocht doen ontstaan, zelve eigenhandig wildet berichten, dat gij u wel bevindt en uwe voormalige, aan hem geschonken vergiffenis niet herroept.quot; »Kom, dierbare Lucilla,quot; — voegde de trotsche Constance er nog bij, terwijl zij haar arm om Lucilla\'s zwakkelijk lichaam slingerde, die thans weende, als of haar het hart moest breken

— ))kom gun mij de onuitsprekelijke vreugde, om voortaan voor uw welzijn te mogen zorgen. Ik was de oorzaak van al deze ellende: zonder mij zou Godolphin voor altijd de uwe

-ocr page 333-

325

zijn geweest; zonder mij zou hij door een wettig huwelijk het aangedane onrecht hersteld hebben; zonder mij zoudt gij niet als een gebannene, de ongastvrije wereld hebben doorgezworven. Laat mij u tenminste eeningszins vergoeden, wat ik u berokkend heb. O, spreek met mij, Lucilla!quot;

»Ja, ik zal tot u spreken!quot; zeide de ongelukkige Lucilla, wierp zich neer en omvatte met warme dankbaarheid de knieën der zoo minzame troosteres. — «Sedert vele — ach, ik mag er niet aan denken, sedert hoe vele jaren! — heb ik de stem der deelneming niet mogen hooren! Midden onder ge-voellooze vrienden werd ik geworpen: harde woorden heb ik gehoord, en zoo ik mij al uit de droomen mijner jeugd dit leven, dat gij, ofschoon ten onrechte, zoo minacht, gevormd hebbe, dan deed ik het enkel om geheel onafhankelijk, geheel op mij zelve te kunnen staan, gevreesd en niet veracht. En spreek nu, gij, die ik bewonder en benijd — gij, die ik meer, dan een levende vrouw, zou willen vereeren, want hij bemint u en achl u zijner waardig — spreek lot mij als een zuster — en — quot; Van snikken kon zij niet verder spreken, en Constance zelf, die evenzeer hevig ontroerd was en vruchteloos trachtte haar op te richten, knielde insgelijks neer, omhelsde haar teederlijk en bemoeide zich weenende, om haar te troosten.

Dit was een alleszins schoon oogenblik in Constance\'s leven : nooit scheen zij verhevener, edeler, dan toen zij zich zelve vernederde, voor het ongelukkige slachtoffer van haren echtgenoot knielde en haar van toekomst, van geluk, van ontferming sprak. Maar deze droomen konden Lucilla\'s geheel verwarden geest, niet lang boeien of geruststellen Toen zij min of meer bedaard was, rees zij op, streek de wild langs haar slapen golvende haren weg en zeide met een kalme, maar klagende stem:

»Uwe hulp komt te laat! Ik ben den doodnabij. Hij komt schielijk, schielijk. Ik bezit niets meer, dan juist deze visioenen, deze macht, of, zoo als gij het verkiest te noemen, dit bedrog waarvan gij mij wilt losrukken. Neen, zie mij niet zoo verwonderd, zoo verwijtend aan! Weet gij niet, dal menschen in armoede, in ziekte en in andere dergelijke ellenden zich aan den scheppenden geest, die in hen woont, vastgeklemd hebben, aan een, met droombeelden bewolkte wereld, die zij poëzie noemen. En deze schatten zijn hun dierbaarder, dan al de rijkdom in geld en goed, die men hun zou kunnen aanbieden. Evenzoo —quot; dus vervolgde Lucilla met een gloeiende, krankzinnige geestdrift — »evenzoo is mijne ingebeelde wereld voor mij die goddelijke ingeesting, wat voor anderen de poëzie is. In het waarachtige van mijn geloof kan ik dwalen. Er zijn tijden, waarin mijn hoofd koud is en mijn lichaam rust, en

-ocr page 334-

32G

ik, mij alleen bevindende, aan tiet verledene denk en mijn ijver voel verflauwen. Maar dat alles troost mij niet; het pijnigt mij integendeel, en schielijk stort ik mij in de betoovering en in de droomen, die mij aan mijn levend ik ontrukken. O, mylady! hoe schoon en gelukkig gij ook zijn moogt, kan er echter een tijd komen, waarin gij zoudt kunnen gelooven, dat zelfs krankzinnigheid een zoete verpozing en verkwikking is. Want als alles rondom ons op aarde nacht is, en de menschen-kinderen slapen, is het een zalig genot, zich geheel alleen te bevinden, te waken en te vergelen, dat wij leven en ellendig zijn. Met een wonderbare, bezielende stem spreken de sterren tot ons, en zij spreken van den oudergang der menschen en van den val der staten en koninkrijken, en zij verkondigen ons de nog zeer verre verwijderde gebeurtenissen, evenals zij die den ouden Chaldeërs geopenbaard hebben. En dan bevelen ons de heen en weer trekkende winden, met hen te gaan en naar het gezang der geesten te middernacht te luisteren; want gij weet —quot; fluisterde zij glimlachende en legde haar hand op den ai-m der rillende Constance, die nu eerst zag, hoe vruchteloos hier alle hulp was — »dat de wereld twee soorten van wezens opgeleverd heeft, die leven en een ziel hebben; de eene soort is lichamelijk en zichtbaar even als wij: de andere soort is heerlijker, maar onzichtbaar voor onze kortzichtige oogen; ofschoon ik ze wel gezien heb — statige schimmen, verschrikkelijk zelfs in haar vroolijkheid: voor haar is de nacht de tijd van werken, evenals voor ons de dag. Zij wandelen tusschen de sterren en vliegen op de vleugelen der winden. En met haar en door hare gedacnten verhef ik mij uit het stof en ben niet meer, wat ik was. Ach mylady wilt gij mij dezen troost ontrooven?quot;

»Maar,quot; zeide Constance, die uit de zachtaardigheid, door welke Lucilla\'s krankzinnigheid zich kenmerkte, moed schepte en baar slechts trachtte gerust te stellen, geenszins haar in haar tegenwoordige spraakzaamheid te storen, veelmin tegen te spreken — »maar, Lucilla, op het land of in het een of andere stille, eenzame oord zoudt gij u immers ook aan deze visioenen kunnen overgeven, en tevens van de vele zorgen ontheven zijn, die u thans onfeilbaar moeten drukken. Gij behoefdet dan niet het gevaarlijke, rondzwervende leven te leiden, dat u vaak aan beleedigingen en aan ontevredenheid met u zelve moet blootstellen.quot;

gt;Grij dwaalt, lady!quot; zeide de profetes op een fleren toon — «niemand kent mij, die mij niet tevens vreest! Ik ben machtig, en ik weet mijn macht te doen gelden. Zij richt mij op: wat zou ik zonder haar zijn? een verlatene, ellendige, diep ellendige vrouw! De macht alleen, die ik bezit, en waardoor ik de diepste geheimen der menschen ontdek, verzoent mij

-ocr page 335-

327

met mij zelve en met, het verledene. En ik ben niet arm — neen, waarlijk niet! Ik behoef geen vreemde hulp, geen vreemde barmhartigheid; want ik heb genoeg geleerd, om mij zelve te onderhouden: ja, wilde ik slechts, ik zou schadelijk kunnen worden!quot;

»En,quot; zeide Constance, die zeer wel begreep, dat zij, voorliet tegenwoordige, haar zoo welgemeend voorstel niet verder moest aanroeren, »en ten opzichte van Godolphin, schenkt gij hem nog vergiffenis?quot;

Het was, alsof dit woord tooverachfig op de ongelukkige Lucilla werkte: zij liet haar fier opgeheven hoofd zakken: een hoogrood vloog over haar bleeke wangen; zij sidderde hevig en zeeg, eenige oogenblikken daarna, op haar stoel neer, het gezicht met haar beide handen bedekkende. — »Ach!quot; zeide zij zachtkens, »dat woord, di° naam voert mij terug in mijn jeugd, toen ik nog geen macht begeerde, behalve die, welke de liefde mij over een hart verleende: het voert mij terug naar het meer van Italië, naar de hooge dennen, naar onze eenzame woning en naar het verre graf van mijn dierbaar kind. Zeg mij,quot; riep zij, weder opspringende — sheeft hij mij niet in zijn droomen gezien\'? Ben ik zijner ziel niet verschenen, toen zijn lichaam, verstijfd en geboeid, ons niet meer scheidde, en ik mij in een geheimvol uur voor zijn oogen tooverde ? Zeg mij, heeft hij u niet bekend, dat Lucilla hem tot op zijn legerstede vervolgt? Bedrieg ik mij hierin, dan is mijn betoovering van geen waarde, mijn macht slechts een hersenschim, en ik ben dan wezenlijk het hulpelooze schepsel, waarvoor gij mij houdt.quot;

In weerwil van haar helder verstand en betere overtuiging, ontzette Constance zich nochtans op het hooren van deze geheimzinnige woorden, dewijl haar daardoor al hetgeen Percy haar van zijn droomen had gezegd, en tevens de angst herinnerd werd, door welke zij zelve hem in zijn slaap had bevangen gezien. Zij zweeg, en Lucilla beschouwde haar met een soort van zegepraal.

«Mijne kunst is derhalve niet zoo ijdel en nietsbeduidend, als gij u verbeeldt. Doch stil! In den laatst verloopen nacht heb ik hem gezien, niet in den geest, maar van aangezicht tot aangezicht; want ik zwerf nu en dan om zijn woning — eens was zijne woning ook mijne woning! — en hij zag mij en was door schrik als verpletterend; want in deze trekken kon hij de levende Lucilla niet herkennen. Maar ga naar hem toe, gij — zijne vrouw, geheel de zijne — ga naar hem toe en zeg hem — doch neen, zeg hem volstrekt niets van mij. Hij mag mij niet opzoeken: wij mogen elkaar niet ontmoeten; want o mylady — (en op Lucilla\'s gelaat lag, terwijl zij dit zeide, een diepe smart, die genoegzaam getuigde, hoezeer

-ocr page 336-

328

zij leed) elkaar weer ontmoeten, als wij weer met elkander spreken, als ik nog eenmaal die hand aanraak, nog eenmaal zijn zoeten adem voel, dan heeft mijn laatste uur geslagen, en gevaar — een plotseling, doodelijk gevaar is hem op de hielen.quot;

Lucilla sloot terwijl zij sprak, haar oogen, alsof zij het een of ander verschrikkelijk gezicht wilde ontwijken, en Constance zag angstig in het rond, als vreesde zij, dat er thans een verschijning zou plaats hebben. Maar zwijgende stapte Lucilla door de kamer en wenkte Constance, haar te volgen. Zij traden een andere kamer binnen: voor een nis hing eene zwarte gordijn. Langzaam trok Lucilla die ter zijde, en schielijk wendde Constance haar oogen van een verblindend licht af, dat haar tegenslraalde. Toen zij er weer heen zag, ontwaarde zij een glazen schijf, die met vele hiëroglyfen en fraai bewerkte engelgestalten bedekt was, terwijl rondom de schijf zeer vele sterren en planeten in een behoorlijke orde gerangschikt waren. Dit een en ander werd dooi- chemische bewerking sterk verlicht, zoodat alles in vollen gloed scheen. Nu zag Constance ook, dat. de schijf ronddraaide: even zoo draaiden de sterren, doch elke ster met een bijzondere beweging, en in hat midden der schijf bevonden zich dunne staatjes, als wijzers van een uurwerk, doch zij bewogen zich zoo langzaam, dat men er lang op turen moest, om het te bemerken.

Terwijl Constance met verbazing dit zonderlinge werk beschouwde, wees Lucilla op een ster, die helderder flikkerde dan de overige, en op de helft der schijf onder deze bevond zich een andere flauw schijnende en zeer bleeke ster, die, als men er nauwkeurig acht op gaf, veel sneller en tevens onregelmatiger dan de andere, in haren kring scheen rond te draaien.

»De heldere ster,quot; zeide Lucilla, »is zijn, en de bleeke, meer en meer verflauwende ster mijn beeld. In de baan, die zij beide doorloopen, moeten zij elkaar eindelijk ontmoeten, dan staat het gansche werk plotseling gt;?tü — de taak der schijf is voor eeuwig volbracht. Deze wijzers ontdekken ieder uur de vorderingen naar dat doel. Zoo tel ik de dagen van mrn noodlot: zoo weel ik, bijna tot op eene seconde, den tijd, waarop ik tot mijn Vader in den hemel zal terugkeeren.quot;

»En nu,quot; dus vervolgde de dweepster, toen zij de gordijn weer voor de schijf trok, de hand van Constance greep en naar de andere kamer terugleidde, «en nu, vaarwel! Gij hebt mij opgezocht en, zoo als ik vertrouw, ja stellig overtuigd ben, alleen met een edelaardig, grootmoedig oogmerk. Wij zullen elkander nimmer weder ontmoeten. Zeg vooral uwen man niet, dat gij mij gezien hebt. Hij zal spoedig misschien al te spoedig, van mij hooren: gaarne zou ik hem deze smart bespa-

-ocr page 337-

329

renquot; — dit zeggende werd zij doodsbleek — seven als het gevaar, dat daarmede gepaard gaat: doch het noodlot verbiedt het. Wat geschreven staat, staat geschreven; en wie kan Gods woorden uit de sterren wegwisselen, — de sterren, die zijn boek zijn? Vaarwel! Er zijn verheven gedachten op uw voorhoofd geschreven: m^gen zij u geluk aanbrengen, of, zoo zij dat niet vermogen, u troosten en staande houden. Vaarwel! Ik heb nog niet vergeten, dankbaar te zijn, en ik waag liet nog te bidden.quot;

Lucilla kuste de hand, die zij gevat had, en snelde terug-naar de kamer, die zij zoo even verlaten had; zij sloot de deur achter zich dicht, en liet de verstomde, geheel bedwelmde Constance zich alleen uit dit treurige verblijf verwijderen. Met waggelende schreden ging deze de trap af, bij welke de kleine moorin haar wachtte. Haar sterk geschokte en hoog opgewonden verbeelding doed haar in den blik der jonge Afrikane en in den glans barer ivoorwitte tanden iets bovennatuurlijks, iets geehtachtigs zien. Zij spoedde zich naar haar rijtuig, dat haar op den hoek der straat verbeidde, en haalde, toen zij het bereikt had, diep adem. Terstond stapte zij in, wierp zich in het weeke kussen en gevoelde zich geheel afgemat door deze wonderbare gebeurtenis, die haar bijna als een droom voorkwam, toen zij den helder lichten dag en het gedruisch-volle gewoel op de straat, aanschouwde,

-ocr page 338-

LXIV.

Lucilla\'s vlucht. — Verlegenheid van lady Erpingham. — Verandering in Godolphin. — Algemeene verkiezingen.

Nog dienzelfden avond ontbood Constance den beroemdsten geneesheer in Londen, den supra-fijn beschaafden, in alles rekkelijken en toegevenden man, die voor de ziekten van een boudoir geschapen schijnt, doch onder zijn zoet, minzaam en believend voorkomen diepe kundigheden verbergt, wel te verstaan slechts in vergelijking van andere geneesheeren; want een stellige kennis der ziekteleer bezit eigenlijk niemand in geheel Europa. Met de meest mogelijke kieschhsid en omzichtigheid, ten einde haar, zoo veel mogelijk, te sparen, verhaalde Constance hem Lucilla\'s ongelukkigen toestand, en den angst, welken die toestand, zoowel wat haar geest, als wal haar lichaam betrof, haar (Constance) inboezemde. De dokter beloofde, de zieke den volgenden dag te zullen bezoeken, doch reeds dienzelfden namiddag, ging hij naar haar toe. — Lucilla was weg. Geheimzinnig, als een droom, was zij gekomen, om te waarschuwen, te verschrikken en te verdwijnen. Niemand wist, welken weg zij genomen had, de moorin alleen had haar vergezeld.

Constance veroorzaakte dit naricht diepe droefheid; want reeds had zij luchtkasteelen gebouwd, welke de arme Lucilla, na herstelde gezondheid en zonder eenige smart over het ver-ledene, zou bewonen. Nog hoopte de gravin, dat Lucilla haar ten minste schrijven en de plaats, waar zij haar verblijf hield, melden zou; doch de eene dag verliep na den anderen — er kwam geen brief.

Nu begon Constance meer en meer in te zien, dat haar welgemeende oogmerken, met betrekking tot Lucilla, onvervuld zouden blijven. Zij wist niet, of zij Godolphin haar ge-

-ocr page 339-

331

sprek met Lucilla zou mededeelen of niel. Zij besefte welk een innige, smartelijke belangstelling de herinnering aan zulk een zonderling wezen in een hart moest opwekken, dat zich zoo gaarne aan sombere bespiegelingen overgaf; en zij beefde op hel denkbeeld, welke gewaarwordingen de schildering der verstandsverbijstering van een vrouw bij hem moest doen ontstaan, wier leven hij zoo verschrikkelijk, zoo gruwzaam verwoest, had. Zij besloot derhalve, voorshands en tot elke hoop, om Lucilla op te sporen, ten eenemaal zou verdwenen zijn, alles voor Godolphin geheim te houden. In dit besluit werd zij te meer versterkt, toen zij zag, dat Godolphins gemoed bedaarder werd, en dat hij zich meer en meer begon te overreden, dat Lucilla\'s verschijning aan het venster slechts een uitwerking van zijn verhitte verbeelding was geweest. Zijn nachten bleven weer bevrijd van de nare droornen, die hem tot hiertoe zoo zeer gemarteld hadden, en zelfs de koele, bedachtzame Constance kon zich nauwelijke onthouden van te gelooven, dat toen Lucilla zich in de nabijheid bevond, een heimelijke sympathie tusschen Godolphin en de zoogenaamde profetes op zijn droomen gewerkt had en met haar verdwijnen insgelijks verdwenen was.

Voor de eerste maal merkte men ook een wezenlijke verandering in Godolphins gewoonten op, en deze verandering strekte zich van lieverlede ook tot zijn denkwijs uit. Het verkwisten had voor hem niets bekoorlijks meer; het weinig-beduidende vernuft zijner vleiers maakte geen indruk meer op hem, en dezelfde zucht naar idealen, die hem in het hoogere doel des levens ontstemd had, boezemde hem ook een weerzin van zijn schijnschoone genoegens en vermaken in.

De verandering was natuurlijk, en de oorzaak niet moeielijk te doorgronden. Godolphin had een ouderdom bereikt, waarin het karakter van een mensch steeds een groote herschepping ondergaat, waarin een crisis in de koorts van het leven plaats heeft, en onze zedelijke dood, of onze wedergeboorte, plechtig bezegeld wordt. Het gebeurde, dat door een toeval in dit kritieke tijdvak, de sinds lang tamelijk losse band tusschen Constance en Godolphin weer nauwer aangetrokken werd. Het rijk van den hartstocht, van het smachtend verlangen, was, trouwens, voorbij, maar het werd door een vriendschap vervangen, die in de beide, zoo lang gescheiden harten, als door een wonderwerk opkwam. De ondervinding der laatste jaren had Godolphin echter geleerd, hoe onbevredigend alle andere banden waren, door welke hij zich zoo geheel had laten kluisteren. Het was hem volstrekt onbegrijpelijk, wanneer hij nevens Constance zat, en hare teederheid hem het verledene herinnerde, haar vernuft het tegenwoordige bezielde

-ocr page 340-

332

en zijne verbeelding nog geluk en roem over de toekomst uitstortte — dat hij zoo lang ongevoelig had kunnen blijven voor het onuitsprekelijk zoete genoegen, dat hij thans in\' de verkeering met haar genoot. Hij vergat, dat beider gevoelens en neigingen thans meer gewillig waren, om zich wederzijds naar elkander te voegen; dat Constance met de meestmogelijke inschikkelijkheid naar zijn zonderlinge stellingen en bespiegelingen van een louter denkbeeldig en volkomen valsch epicurisme luisterde, en dat hij om hare vurige droomen en plannen over staatkunde slechts nog minzaam, niet meer verachtend, glimlachte. Tot geluk voor haar was het tevens een tijd, waarin ieder, zelfs wie nooit aan politieke bemoeiingen gedacht had, in den geweldigen strijd der belangen meegesleept werd — een strijd, die slechts zeer weinigen onverschillig, niemand onzijdig liet. Ieder besloten gezelschap had zijn politieke leus: op ieder diner was, van de soep tot de koffie, de verdiensten der bill de schering en inslag van het gesprek. Waarheen Godoiphin wilde vluchten, overal vervolgde hem de reform, en zoo drong zich de, in het eerst door hem bespotte algemeene beweging onwillekeurig ook aan zijnen geest op.

»Waarom,quot; zeide, hij op zekeren dag, tot Radclyffe, dien hij in het Park ontmoette; want na het laatste, door ons vermelde gesprek tusschen Constance en Radclyffe bezocht deze slechts zeer zelden liet hotel Erpingham — «waarom zou ik ook niet eens een nog niet beproefde poging wagen? Ik had een plan ontworpen en het stipt opgevolgd. Slechts voor mij zeiven en voor het vermaak heb ik geleefd. Ik heb een tooverkring rondom mij getrokken, doch voor den toovenaar zelf bleef alles laf, doodnuchter. Ik heb gedroomd, en ik ben ontwaakt. Maar welk een levenswijs zal thans de plaats der vorige vervangen ? Moet ik Engeland weer verlaten en mij naar dezen of genen onbereisden hoek der aarde begeven? Moet ik mij op het land afzonderen en daar boeken schrijven? Of moet ik mij met mijne tijdgenooten in den grooten stroom der gebeurtenissen storten en den strijd mede strijden? Gij zijteen verstandig man, Radclyffe, geef mij raad!quot;

»Och!quot; antwoordde deze — »het baat niet, iemand goeden raad tot zijn geluk te geven, als hij volstrekt niets anders, dan zich zeiven, zijn dierbaar ik, oeoogt. Er is óf geestdrift, óf de uiterste werktuigelijke koelheid toe noodig, om ons met de zorgen en grieven van het leven te verzoenen. Men moet óf geheel niets, óf voor anderen, gevoelen. Hecht u aan een waarlijk groot doel, streef er moedig naar, hoop met een vast vertrouwen op een goed gevolg, en gij zult op den stroom wel door den storm voortgestuwd worden, die elke afzonderlijke poging geheel zou vernietigd hebben. Algemeene belan-

-ocr page 341-

333

gen mogen aan onze bijzondere belangen niet opgeofferd worden. Om gelukkig te zijn, waarde vriend, moet men niet steeds aan zich zeiven denken. Een poëiisch, zelfzuchtig temperament knaagt aan uwe tevredenheid. Leer weldoen: dit is het eenige geneesmiddel voor een ziekelijk gemoed.quot;

Door deze aanmerking werd Godolphin des te sterker getroffen, daar hij het hoogste vertrouwen in Radclyffe\'s oprechtheid en beproefde schranderheid stelde. Hij zag zijn raadgever scherp aan en antwoordde na een kort zwijgen; »ik geloof inderdaad, dat gij gelijk hebt, en dat ik in weinige woorden het geheim van een ontevreden leven vernomen heb.quot;

Gaarne zou Godolphin gelegenheid gezocht hebben, om over dit onderwerp wijdloopiger met Radclyffe te spreken, maar de gebeurtenissen scheidden hen. Het parlement werd ontbonden. Welk een massa historische feiten ligt in deze woorden. In het oogenblik, dat de koning in dezen maatregel toestemde, vertoonden zich ook, als in een spiegel, aan ieder oog, dat verder zag dan gewoonlijk, al de gevolgen der latere gebeurtenissen. Dewijl het parlement juist tijdens de warmste geestdrift van het volk ontbonden werd, moest er een groote meerderheid herkozen worden. Een tweede bill moest doorgaan, den pairs voorgelegd worden, en wie zag niet in, dat zij trotsch en machteloos, toegeven of bezwijken moesten? Van dat oogenblik af was het volk gered.

Terstond begreep Constance, wat er gebeuren zou; zij werd meer overtuigd, dat zij het goed begrepen had, en zij juichte. De pairs waren van hun aristokratische hoogte neergeluiraeld, haar vader was gewroken; uit de diepte van zijn graf hoorde zij hem honend lachen.

Londen werd op eens ledig; Engeland was slechts een enkele kiesvergadering. Godolphin bleef bijua geheel alleen. Voor de eerste maal bemachtigde hem een pijnlijk gevoel van vernedering, van onbeduidendheid, dat zijn ijdelheid griefde en verbitterde. Hij was in dezen grooten strijd volstrekt niets. De zoo bewonderde, geestige, schitterende Godolphin verdween onder de gemeenste avonturiers, onder de armhartigste schreeuwers van den gewonen stempel; ja, de geringste burgerman, die zijn stand in den staat besefte, mengde zich vol geestdrift in den strijd, die met alle mogelijke krachtinspanning tus-schen het oude en nieuwe gestreden werd. Dit gevoel gaf aan het, hem tot dusver ongewone streven, dat thans in hem ontwaakte, een hoogere vlucht, en met een innige vreugde bemerkte Constance, dat hij thans met ongeveinsde deelneming naar hare plannen hoorde en het veld der politiek met een vorschend oog onderzocht.

Toen hij zich, op zekeren morgen, met langzame schreden naar Whitehall begaf, snelde Radclyffe hem voorbij.

-ocr page 342-

334

^Waarheen zoo schielijk?quot;

»Naar Ellice, om de slad te bepalen, van welke ik de vertegenwoordiger zou wenschen te worden. Kom mee: gij kunt misschien van nut zijn.quot;

Godolphin nam Radclyffe onder den arm, en zij gingen samen naar het huis in Richmond-Terrace, dat destijds een hoogst merkwaardig, woelig tooneel opleverde, en als het punt, van hetwelk de overwinnaars in het groote politieke renperk uitsnelden, een zeker belang in aller oogen moest hebben, zij mochten dan vóór of tegen de zoo gewichtige proef zijn, op welke beschaafde lieden zouden gesteld worden, om te kunnen weten, of zij genoegzaam gezond menschenversland in het kiezen van een vertegenwoordiger zouden betoonen.

Godolphin beschouwde dit onstuimige en daardoor jammerlijk wanordelijke tooneel met een bedaard oog. In de beide kamers bevonden zich onderscheiden groepen, die zeer ijverig spraken eh er verhit, koortsachtig uitzagen. Hier overreedde een deputatie een weifelend\'en kandidaat, om schielijk toe te tasten: daar knibbelde een Schotsche baronet over de kosten met een spitsen, gebrilden advokaat, wiens rollende oogen middelerwijl naar een minder gierigen kandidaat zochten: daar stond een bleek, doodmager man, die zijn lastgevers voor het hoofd had gesfooien, dewijl hij hen in schedula A gestemd had, en die thans vreesde, dat zijn geheel politiek leven van nu af insgelijks in schedula A zou liggen.

Waarheen Godolphin zijn oogen wendde, zag hij leven, bedrijvigheid, lords, avonturiers, grijskoppen en haardelooze jongelingen. Alles woelde door en onder elkander, en toch scheen ook hier alles weer door egoïstische oogmerken verdeeld en gescheiden, en de een in den ander tevens een aanhanger van dezelfde zaak, en desniettemin een mededinger, te zien. Aan een tafel zaten verscheiden lieden en schreven, en nu en dan sloop de hoofdpersoon van het tooneel, de groote man, die orde in dezen chaos bracht, door de kamer, terwijl hij door honderde armen vastgehouden en door hondorde tongen aangesproken werd.

Het duurde echter niet lang, of Godolphin werd door hetgeen hij hier zag en hoorde, insgelijks als geëlectriseerd. quot;Wie is er, die alles rondom zich in beweging ziet, en daarbij volkomen kalm en bedaard kan blijven? Al zijn bekenden wenkten hem, in der haast, en riepen: »aha! Godolphin! en naar welke plaats dingt gij\'? »En ten laatste schaamde Godolphin zich, dat hij op die vraag telkens moest antwoorden: naar geene.quot; — In dat oogenblik trad een beroemd kiesagent naar hem toe. — »Kan ik u in het een of ander van dienst zijn, mijnheer Godolphin? Ik weet een voortreffelijke plaats voor u in schedula A. Buiten allen twijfel zult gij triomfeeren: het is hier

-ocr page 343-

335

echter om den iaatsten dnippel bloeds te doen, maar het bloed moet, in alien geval, afgetapt worden. Gij verstaat mij ?quot;

»Een openlijke verkiezing zal er toch niet behoeven te geschieden?quot;

«Volstrekt niet!

»Ook geen diner?quot;

»Volstrekt niet!quot;

»Ook geen reis?quot;

»Slechts naar de woning van uw bankier.quot;

»Een allervoortreffelijkst stelsel!quot; riep Godolphin, op een bitteren toon, uit; sen iets dergelijks wil men afschaffen! — Neen, mijnheer***, ik dank u: ik ding naar geen zetel in het parlement.quot;

De agent trok af. Godolphin had bijna berouw over zijn besluit: hij wilde den agent terugroepen, maar deze was reeds in een drok gesprek met een ander.

»Dat zou juist zijn, wat mij leek!quot; dacht Godolphin. ))Ik zou mij volstrekt niet behoeven te vermoeien. Hoe verbaasd zou Constance zijn! Hoe zou zij zich verheugen! Het zou, in allen geval, een verandering wezen; en al begon het mij eens te vervelen; welnu, dan bevond ik mij toch midden in den kring van deze, zoo veel beweging veroorzakende belangen, die immers liet onderzoek wel waardig zijn, al ware het enkel, om over die groote beweging om niet, eens hartelijk te lachen. Ik had ongelijk en zal het nu, om Constance\'s wil, eens beproeven.quot;

Godolphin ging naar den agent.

»Ik verzoek u om verschooning, sir!quot; zeide de heer***, die nog den jongen man onder handen had; »in een oogen-blik ben ik tot uwen dienst.quot;

«Geen enkel oogenblik!quot; antwoordde Godolphin.

Half misnoegd wendde de heer*** zich naar hem toe.

«Mijnheer***, wat is u prijs?quot;

«Drieduizend pond.quot;

«Hoe, voor die weinige maanden?quot;

«Maar welk een gemak! Niet eens een reis!quot;

«Dat is waar. Gij zult het geld hebben.quot;

Afgedaan!quot; zeide de agent en maakte een diepe buiging.

«Zal het bij een hervormd parlement ook zoo gemakkelijk gaan?quot; dacht Godolphin.

-ocr page 344-

LXV.

Sal Ir earn. — Savi lie\'s dood.

Deze gebeurtenis zou geenszins een groot tijdvak in Godol-phins leven hebben kunnen vormen, als hem slechts geene zoo eng beperkte grenzen gesteld waren geweest. Maar zelfs in dit geval zou hij toch, dewijl de eerzucht zoo lang door zijn denkwijs verworpen was, en zijn bedaarde, onverschillige gemoedstemming zoo weinig geschiktheid voor de hevige, niet zelden tot diep in den nacht voortgezette debatten in het parlement had, niet licht een beroemden en veelmin een duurzaam beroemden naam in een betrekking verworven hebben, in welke men óf een onwrikbare volharding, óf een alles trotseerende geestdrift behoeft, om niet onder de vele krenkingen en teleurstellingen te bezwijken, aan welke zelfs de meest schitterende nieuweling steeds is blootgesteld. Intusschen was deze omstandigheid voor onzen Grodolphin in zooverre nuttig, als zij hem ernstig over zijn verloopen leven deed nadenken: maar het resultaat daarvan bevredigde hem, helaas! niet. Hij zag zich door geweldige gebeurtenissen omgeven: zou hij er nimmer deel aan nemen? De natuur had Godol-phin misschien tot dichter geschapen; want, met uitzondering van de roemzucht, waren alle eigenschappen van eer. dichter volkomen in hem ontwikkeld, en zijn geheel aanwezen was de schaduw van een niet openlijk geuite poëtische stemming gehuld. Dit had hem voor de bedrijvige wereld verstompt en hem binnen het land der droomen gesloten: dit had hem die rustelooze ontevredenheid met het bestaande, dien doi-st naar idealen ingeboezemd: dit had hem moeielijk in de liefde en verdrietig onder het genot van genoegens gemaakt: daaraan was het te wijten, dat hij in éénen adem naar alles verlangde en alles verachtte. Er zijn misschien vele menschen

-ocr page 345-

337

die met het wezen van een diehler ecliter het dichtvermogen niet bezitten, om hunne gevoelens in gewaarwordingen uit te storten; die de wereld der idealen doortrokken, zonderden tooverslaf in het duistere van hun geest te vinden, welke aan de idealen vorm en leven zou gegeven hebben. Maar ach! welk een aanwezen kan gebrekkiger zijn, dan dat van een mensch, die de ziel, maar geenszins de bekwaamheid van een dichter heeft; die het smachten en lijden kent, maar met den troost en de belooning ten eenemaal onbekend is?

Intusschen begon deze donkere wolk van droomend dwepen eindelijk voor Godolphin te breken: hij kreeg een klaar en helder uitzicht op het groote levensdoel, en hij gevoelde, dat hij zich als bedwelmd in de crisis van het leven bevond.

Constance geraakte in koorlsachtige verrukking, toen zij het naricht van Godolphins stellig intreden in het staalkundige leven vernam, dat zij als de edelste loopbaan beschouwde, en hare levendige vreugde droeg niet weinig bij, om Godolphin zelfs den laatsten twijfel te doen verdwijnen, of hij wèl gehandeld hadde met zulk een besluit te nemen.

Londen was thans ledig en daardoor vervelend ; want alles was naar de algemeene verkiezingen gestroomd ; ook Constance besloot thans, zich met Godolphin naar * * * shire te begeven en voor de eerste maal sedert haar huwelijk het statige Win-dover-Castle te bezoeken.

Daags vóór hun vertrek overviel Godolphin plotseling een diepe, onwillekeurige zwaarmoedigheid. De dag was buitengemeen schoon en helder, en der lucht ontbrak het tevens niet aan die frischheid, welke de hitte niet te drukkend maakt. Het scheen, alsof het water zelfs den sombersten mensch tot opgeruimdheid en vroolijkheid moest stemmen, maar op Godolphin had het niet den minsten indruk. Droomende ging hij door Londens straten, lot hij zich voor de woning van lord Saltream bevond. — Ik wil van mijn orgineelen vi\'iend afscheid nemen, dacht Godolphin; maar terwijl hij nog voor de deur stond, en de geur der bloemen van het balkon op hem neêr-slroomde, kwam lord Saltream plotseling beneden en ging schielijk Godolphin voorbij, zonder dat hij hem scheen te bemerken.

»Waarheen zoo snel, Saltream1? vroeg Percy.

Lord Saltream bleef staan. »Ach, zijt gij het ? Komt gij mij bezoeken? Treed binnen. Denkelijk wilt gij bij mij eten

— heb ik het geraden? — Hoe laat is het? Reeds acht uur?quot;

»Nog geen drie uur!quot; antwoordde Godolphin lachende.

»Ei, (;i, nog geen drie uur? De hemel beware ons! Zóó—quot;

dus vervolgde de lord op een eigenaardig plechtigen toon

— »zóó handelen wij met onzen grooten verwoester! Welk een gebrek aan achting jegens zulk een gedachte mogendheid. Hem te vergeten, die ons niet vergeet — den tijd te verwaar-

22

-ocr page 346-

338

loozen, die eeuwig aan ons knaagt en ons aanwezen eindelijk geheel verslindt. Is het niet een zot, een onvergefelijk dom zeggen: den tijd donden? Hem dooden, die eigenlijk de moordenaar van ons allen is! — Maar wat nieuws is er?quot;

»Niels anders dan het onophoudelijke triomfgejuich over de hervormingbill.quot;

ïZoo gaat het! Ik ben levenslang een stuk van een liberaal geweest en nu op eens door al mijn toenmalige collega\'s in het liberalisme verre overtroffen — door hen, zes ik, die mij te voren nagaven, dat ik een veel te ijverige Whig was. Is dat niet zonderling! Het gaat mij thans, als in bet bekende kinderspel: een kamertje verhuren. Zij, die een plaüt-: gevonden hebben, zijn volkomen tevreden, en ik, arme sukkel, die van ieder verlaten in het midden sla, denk bij mij zei ven, dat men het toch wel meer op zijn gemak zou kunnen hebben. Inlusfchen is die zoogenaamde hervorming, op de keper beschouwd, al een vrij dwaas, bijna zou ik zeggen, een door krankzinnige hersens gevormd plan.quot;

»Gij zult ten minste door de nieuwe bill geen beter hótel, geen fraaiere bibliotheek, geen gemakkelijker leven krijgen.quot;

«Juist geraden: Maar, let eens op: de Whigs spelen met een gevaarlijk mes!quot;

Er nu trad lord Saltream in een breedvoerig betoog,, waarin hij trachtte te bewijzen, dat tot hiertoe alles naar wensch was gegaan.

Godolphin deed den edelen lord de ontzettende verarming der groote voiks-massa opmerken, en vervolgde loen: »laat ons eens een biik op ons zeiven en op de lieden werpen, die, zoo als er geschreven staat, niet arbeiden. Zijn wij inderdaad zoo gelukkig met onze verouderde onderscheidingen en maatschappelijke afzonderingen, dat wij behoeven te beven en te sidderen, wanneer zelfs de dolste denkbeelden der radikalen verwezenlijkt werden? Ik voor mij geloof, dat het met ons, als met de geprivilegeerde tooneeldirecteurs gaat: wij maken veel kosten, spreiden veel praal en pracht ten toon, zijn rijk in garderobe en decoration, maar inwendig wormstekig, en het monopolie heeft ons in den grond geboord. W\'e onzer vond ooit een volkomen geschikt veld lot ontwikkeling van zijn talenten? Waar is ons zedelijk doel? waar onze nuttige eerzucht? Zijn wij niet door de betrekkingen, die ons steeds benauwend beperkten, tot een onbevredigend, ziekelijk leven, tot ontzenuwende vermaken, tot ons vernederende beuzelingen veroordeeld? Antwoord mij hierop, Saltream. Gij zijt meer, dan iemand anders, met aiistokratische voorrechten bedeeld. Al wat het tegenwoordig stelsel u geven kon, behoort u — vorstelijke rijkdommen, een der hoogste staatsambten, genie, vernuft, geleerdheid, politieke vermaardheid, het vermogen.

-ocr page 347-

339

om alles rondom u te vereenigen, waarnaar de menschen \'t allermeest streven. Maar zijt gij gelukkig? Is verzadiging, ja, oververzadiging, niet het onvermijdelijke gevolg van zulkeene volheid van genot? Zou een verandering, zelfs in uwe schitterende geluksomstandiglieden, zoo verschrikkelijk zijn? Zijt gij voldoende overtuigd, dat een meer bescheiden lot u minder vreusxde zou verschaffen?quot;

Lord Saltream scheen door deze vragen getroffen. Terstond doorzag hij de gevolgtrekkingen, welke men uit zijn antwoord zou kunnen maken, en hij zweeg eenige oogenbiikken. Eindelijk zeide hij:

sMet mij, Godolphin, is het een geheel ander geval. Mijn lichaamsgestel is zwak. Word ik ongelukkig, dan is dit niet aan zedelijke, maar alleen aan physieke oorzaken toe te schrijven.quot;

»Maar moet dan, bijaldien de meerderheid van ons hetzelfde antwoord gaf, de zedelijke toestand, die zoo vele bewijzen van ontevredenheid, zelfs uit. physieke oorzaken, aan den dag legt, niet eenig vermoeden doen ontstaan?quot;

»Men verwijt mij —quot; zeide Saltream half luid bij zich zeiven, zonder naar de laatste, hem door Godolphin gedane vraag te hooren — »dat ik geen hart heb. Het is waar, gloeiende hartstochten zijn mij geheel vreemd, maar ik ben ook reeds vroeg naar lichaam en geest bedorven en verstompt geworden. Godolphin heeft gelijk: ik bezit, geleerdheid, riikdom, rang — maar ditzelfde bezit lord Londonderry ook: voor tienduizend pond zweert iedere vrouw mij, dat zij mij bemint. — Geen hart! Goed, — maar wie toch heeft dan eigenlijk een hart1? De wereld is geen levend wezen; het is een uurwerk, dat volstrekt niet door stroomen bloeds, maar door een werktuigelijke inrichting in beweging wordt gehouden. — Zou ik Godolphin te maaltijd \'noodigen en den filozoof met hem spelen? — Neen ik zal mij naar huis begeven en alles overdenken. — Overdenken? ja\'lquot; — Nu scheen hij zich plotseling te herinneren, dat Godolphin voor hem stond, en overluid zeide hij: shoe is het dan toch met mij — ik geloof, dat gij.gehuwd zijt, Godolphin! Juist! Wat raadt gij mij? Ik begin er ook zeer ernstig aan te denken.quot;

»Gij hebt gelijk. Hm!quot;

3gt;Eii waarom?quot;

»Omdat gij een.wekker behoeft — een ambt, waartoe een vrouw bijzonder geschik is.quot;

sVaiirwel, Godolphin! Apropos, ik hoop toch, dat gij tegen de radikalen zult teekenen?quot;

Godolphin oogde den wonderlijken verstrooiden lord bedaard na. — »Ja,quot; dacht hij, 5gt;het zonderlinge wezen van dezen man vermaant ons sterker dan Radclyffe\'s bondigste bewijsgronden

22*

-ocr page 348-

340

dat wij ons leven onder een strenge controle beboeren te stellen.quot;

De indruk, welken dit korte gesprek op Godolphin gemaakt had, werd dien avond door een nog somberder indruk gevolgd. — Savilie lag gevaarlijk ziek, en men liad Godolphin verzocht, hem te bezoeken. Hij vond den Epikurist aan den rand van het graf, doch in hot volle bezit van zijn geestvermogens. De ziekekamer was een afbeeldsel van zijn leven: behalve Godolphin bevond er zich niet een enkel vriend. Savilie had misschien een dozijn onechte kinderen — waar waren zij? Hij had hen aan hun lot overgelaten. Hij wist niets van hun leven, zij niets van zijn dood. In zijn eenzaamheid moest hij thans de armhartige beuzelziel eens mans van de groote wereld uitademen. Evenwel moet men Savilie tevens hierin gerechtigheid laten wedervaren, dat, hoezeer het hem aan de deelneming en verzorging ontbrak, welke de banden der natuur ons verschaffen, hij ook volstrekt niet naar die deelneming en verzorging verlangde. De Champagne was tot den laatsten droppel geledigd, de dood wierp slechts, als een recht vroolijke makker, het ledige glas in stukken.

»Ja, mijn vriend!quot; zeide Savilie met een flauwe stem, maar drukte nog met zijn zwakke vingeren Godolphins hand — »het spel is uit; de kaarsen zijn afgebrand — dadelijk zal de laatste gast afscheid nemen en alles duister worden.quot;

De geneesheer naderde het ziekbed met een versterkenden drank. De stervende vestigde, eer hij dien nuttigde, zijn oogen op den geneesheer; en hoe beneveld de oogen ook reeds waren lag er echter nog iets van liune voormalige scherpte in.

sWees openhartig, mijnheer! en zeg mij onbewimpeld, hoe vele uren gij mij nog kunt doen ademen.quot;

De geneesheer zag Godolphin aan.

»Ik versla uquot; — vervolgde Savilie — «gij wilt er niet voor uitkomen. Zonder komplimentea, mijn lieve man! heb, bid ik u, wat beteren dunk van mijn zenuwen. Een eclit gentleman is op alles voorbereid. Slechts een avonturier, een ellendiger: parvenu kan de dood, of iets dergelijks, verrassen. Hoe vele uren derhalve resten mij nog te leven?

»Ik vrees, niet vele meer — misschien tot het aanbreken van den dag.quot;

xMijn dag,quot; zeide Savilie zoo droogjes, toen zijn hoesten het hem vergunde — smijn dag begint pas te twaalf ure. Goed, goed! Geef mij den drank. Ik wil volstrekt niet slapen en zal wel zorgen, dat ik mij geen enkele minunt laat ontstelen. — Zoo! — Nu wordt tiet al wat beter met mij. — Adieu dokter! — Waar is mijn hond? Hij moet bij mij op het bed komen. Kom hier, kom hier, jij arme schelm! Lig stil!

-ocr page 349-

341

— En nu, Godolphin een paar woorden tot afscheid. Ik heb immers steeds veel, zeer veel van u gehouden. Gij waart mijn kweekeling en hebt mijne aan u bestede zorgen voortreffelijk beloond. Door dat gemeene, burjjelijke hunkeren naar ambten, macht en eer liebf gij u nooit vernederd. Gij hebt. over de macht zelve maclit uitgeoefend: gij hebt geen ambt, maar gij zijt in hel bezit der mode. Gij hebt de scnilterendste partij van gansch Engeland gedaan; want het was heel verstandig, Gonstance Vernon niette huwen, maar veel verstandiger, lady Erpingham tot, echtgenoot te kiezen. Gij bevindt u op het toppunt der gezellige verkeering: gij hebt een voortreffelijke smaak en besteedt uw geld op een fatsoenlijke, den waren gentleman kenmerkende wijze. Dit een en ander moet voor uw geweien ongemeen geruststellend zijn, en dat is inderdaad een zoete troost! Houd uw geweten steeds zuiver; want dit is op een sterfbed een verzachtende balsem voor het pijnlijke van het scheiden. Hel vermogen van dien balsem ondervind ik thans insgelijks. Mijne rol heb ik naar behooren gespeeld

— niet waar? Ik heb liet leven genoten, zoo als zulk een armhartig ding genoten kan worden: ik heb bemind, gespeeld, gedronken; maar nooit heb ik mijn karakter als gentleman verloochend, nooit het hier of daar op het spel gezet. Den hemel zij dank; ik behoef mij daaromtrent niets te verwijten. Mijn briefwisseling en mijn dagboek heb ik aan u vermaakt : als gij wilt, kunt gij ze laten drukken, of, zoo gij er geen lust in hebt, moogt gij ze mijnenthalve verbranden. Mijn dagboek is vol onderhoudende anecdoten; maar gij weel, dat ik juist niet veel prijs stel op roem, en vooral niet op roem na den dood. Zoo als ik gezegd heb, met mijn letterkundige nalatenschap kunt gij naar mw goeddunken handelen. Zorg, bid ik u, voor mijn hond; iiel is een aardig, door en door goed dier; en laat mij zoo eenvoudig mogelijk begraven. Geen smakelooze pronk of praal — vooral geen grafschrift.quot;

Hij zweeg een poos en vervolgde toen: sik ben heel blij, dat ik vóór die vervloekte revolutie sterf. Welke ons te wachten staal. Nu zal ik toch geen gevaar loopon, om met den eersten den besten Plebejer Ie moeten drinken. Gij denkt er geheel anders over, en daar heb ik ook volstrekt niets tegen. Verdraagzaamheid is de zinspreuk van een echt gentleman. Ik ben het zinnebeeld van een stelsel: ik sterf voor dat stelsel: mijn dood is de verkondiger van zijn val.quot;

Na deze, telkens door korte rus!poezen afgebrokene verklaring wendde Saville zijn hoofd van Godolphin af: zijn adem werd moeielijker, en hij geraakte in een sluimering, die hij gaarne van zich afgekeerd zou heben. — Dit duurde omtrent een uur — toen gaf bij den geest. Zonder eenigen strijd gleed hij, als een kind, uit den slaap in den dood over. Sic transit glo) in mundi !

-ocr page 350-

342

Toen Godolphin voor de eerste maal zijn oogen van den ontslapene afwendde, vielen zij op Fanny Millinlt;rer, die, gedurende de laatste dagen, Saville vaak en lang bezocht had, omdat haar gesnap hem onderhield, en zij goedwillig genoeg was, om zich daartoe Ie leenen. Men had haar ook, toen Sa-ville\'s toestand hand over hand verergerde, laten roepen; doch zij moest spelen en kon pas komen, toen alles reeds voorbij was. Zwijgende en hevig ontroerd stond zij, tegenover Godolphin, nevens het sterfbed. Zij had zich niet eens den tijd gegund, om haar tooneelkostuum af te leggen: dat klatergoud flikkerde thans voor de oogen van haar voormaligen, zich met weêrzin van haar afwendenden minnaar; welk een vermaning aan zijn tot dusver doorgebracht leven! Welk een satire op de nietigheid daarvan.

Na verloop van eenige oogenblikken kwam zij bij Godolphin beneden in de verlaten woonkamer. — Zij vatte zijn hand, en tranen — want zij was tooneelspeelster en kon dus over haar tranen beschikken — stroomden langs haar wangen en wieschen het dikke blanketsel weg, dat nauwelijks de voren verborg, welke de tijd sedert kort in dat gelaat had geploegd, dat Godolphin eens zoo glad, zoo schoon had gekend.

»Die arme Saville!quot; zeide zij, snikkende. — »Hij is zonder pijn en smartsn gestorven! — Ach, hij had het beste hart van de wereld!quot;

Godolphin zat voor den secretaire van den overledene en leunde met zijn hoofd op de hand, die Fanny hem had vrij gelaten.

ïFanny,quot; zeide hij, na een poos, op bitteren toon — »de wereld is inderdaad niets meer dan een tooneel. Zij heeft, een door en door bekwaam acteur, olschoon slechts voor kleine rollen, verloren!quot;

De aanmerking was, hoewel het zoo scheen, niet ten kwade gemeend: want ook in zijne oogen parelden tranen.

ïAchlquot; zeide zij, shet tooneel heett ons inderdaad in onze jeugd veel geleerd, dat de wezenlijke wereld ons niet beter zou hebben kunnen leeren.quot;

ïHet leven,quot; hernam Godolphin, ^onderscheidt zich slechts daardoor van het tooneelspel, dat het volstrekt, geen plan heeft: alles is onbepaald, vluchtig, onsamenhangend; en de gordijn valt, eer het geheim ontdekt is.quot;

Dit waren de laatste woorden, die Godolphin met de actrice vmselde.

-ocr page 351-

LX VI.

De reis en de verrassing. — Een wandeling in een zomer-

narh t.

Dit sterfgeval deert Godolphin nog eenige dagen langer te Lonrten vertoeven. Hij zorgde voor de begrafenis van Saville en was tegenwoordig bij de opening van diens testament.

Even als Saville, gedurende zijn leven, den noodlijdenden en hulpbehoevenden nooit eenige hulp bewezen had, zoo had hij ook thans zijn geheel vermogen alleen aan vermogende lieden vermaakt. De schatrijke Godolphin was, met eenige evenzeer rijke legatarissen, zijn erfgenaam. Van zijn kinderen was geen enkel woord gerept: aan zijn arme bloedverwanten was in het geheel niet gedacht; en daarin, even als in de overige artikelen van zijn uitersten wil, volgde Saville slechts de gewone handelwijze der groote wereld.

Snel rolde het rijtuig voort, dat Godolphin en Constance aan de thans zoo uoodsche stad ontvoerde. Helder was de lucht: uitnoodigend lachten de welige gi\'oene velden aan beide zijden van den weg hen aan. De natuur was geheel leven en beweging. Welk een schoon contrast van het armzalige gewoel en gewemel, dat zij achter zich hadden gelaten! Constance liet niets onbeproefd, om het gemoed van haar echtgenoot tot opgeruimdheid en vroolijkheid te stemmen, en eindelijk gelukte het haar. In de enge ruimte, die hen beiden bevatte, stroomden hunne gesprekken van een hartelijke, innige liefde over. Sedert de eerste maanden van hunne echtverbintenis hadden zij nog niet met minder achterhoudendheid, met meer vertrouwelijkheid tot elkaèr gesproken. Het eenige onderscheid bestond slechts daarin, dat zij toenmaals over de toekomst, thans meer over de verledenheid spraken betuigden, over en weêr, hun leedwezen over het ongelyk

-ocr page 352-

344

dat zij elkaar hadden aangedaan, en wenschten elkaamp;r, hand in hand, geluk met hun tegenwoordige eensgezindheid. Zij bekenden gulhartig, dat alles, wat der liefde vreemd was, hen misleid had; en daar zij niet meer zoo veel van de liefde verlangden, gevoelden zij pas haar hoog belang. Ach, waarom verliezen wij zoo menig jaar, met naar het geluk Ie zoeken, zijn natuur fe leeren kennen! Wij gelijken dengeen, die zich allerlei boeken in allerlei lalen aanschaft, en, omdat hij ze niet verslaat, zich verwondert, dat zij hem geen genoegen schenken.

Evenwel drong zich aan Constance nog vaak een somber beeld op. De geheimvolle, verlaten Lucilla werd ook in het geluk niet door haar vergeten. Menigmaal gevoelde zij zich gedurende haar korte reis, als gedrongen, om de gebeurtenis met dat ongelukkige wezen mede te deelen; maar als zij dan weer Godolphin aanzag, op wiens gelaat een innige blijmoedigheid lag, welke zij sinds jaren bij hem niet had mogen opmerken, dan kon zij het volstrekt niet van zich verkrijgen, hem door zulke treurige verhalen weer te ontstemmen.

Al haar pogingen, om Lucilla\'s verblijf te ontdekken, waren en bleven vruchteloos. Desniettemin voedde zij een duister vermoeden, dat die ontdekking misschien ieder oogenblik, misschien wel in Godolphins tegenwooi\'digheid, zou geschieden, en met bezorgdheid zag zij op elke wisselplaats, waar zij ver-sche paarden kregen, uit het portier van het rijtuig, en vreesde, dat de sombere, bange gelaatstrekken der profetes plotseling zouden te voorschijn komen en de zoo gelukkige gemoedsgesteldheid verstoren, welke Godolphin thans, tot hare innige vreugde, genoot.

Tegen den avond reed het rijtuig langzaam een hoogen, steilen berg op: het was nog bijna een uur vóór zonsondergang, en rechts glinsterden in de schuinsche, zachte zonnestralen de welige, met heggen doorsneden velden, uit welke hier en daar zich plotseling een eik of een olm verhief en zijn lange schaduwen daarhenen wierp. Links waren de akkers met kudden schapen bedekt; maar men zag geen herders noch eenig ander menschetijk wezen. Uit de dichte groepen boomen schemerden eenige zindelijke hutten, die aan he\'landschap een stille levendigheid gaven, waarmeê het volkomen harmonieerde. In Constance\'s anders zoo woeligen boezem heerschte thans rust, en Godolphins ziel genoot in volle teugen het overschoone van deze heerlijke oogenblikken, en gevoelde die onbeschrijfelijke zoete gelukzaligheid, welke de hemel zelf zoude zijn, kon zij slechts de weinige oogenblikken overleven.

»Gonstance,quot; zeide hij, »zoo keeren wij dan eindelijk weer naar deze tooneelen terug! Maar wanneer zullen wij ze weer verlaten? Laat ons hier verwijlen en onze jeugd hernieuwen.quot;

-ocr page 353-

345

Constance zuchtte, maar het was van innige vreugde: hartelijk drukte zij Godolphins hand.

En toen zij thans den top van den heuvel bereikt hadden, vlooir er plolseling een hooprood over Godolphins wangen.

sik vergis mij niet,quot; zeide hij; «hier is liet oord — daar het dal! Dit is de weg niet naar Windover-Castle — dat — dat is mijns vaders waning! Ja, zij is het, en nochtans is zij niet meer dezelfde.quot;

En inderdaad lag daar in de avondschemering het kasteel, waarin Godolphin zijn kindsche jaren had doorgebracht. Daar ruischte de heldere heek — daar strekte zich het park met zijn oude hoornen uit. Maar de ruïnen! —De vervallen bogen, de gebarsten toren bevonden er zich nog wel, maar er waren nieuwe bogen, nieuwe torens ontstaan en zoo kunstig met het geheel vereenigd, dat Godolphin alle reden had, om te gelooven, dat de zalen en portalen zijner voorvaderen, ofschoon ook niet in hun ouden omvang, nochtans in gelijken vorm, en zelfs in een grootte hersteld waren, die het trotsche hart van hun laatsten eigenaar zeer zeker zou voldaan hebben. Uitvorschend wendden Godolphins oogen zich naar Constance.

«Met zou,quot; zeide zij smeer aan de voormalige uitgestrektheid hebben kunnen beantwoorden,\'maar dan zouden wij licht ons halve leven lang hebben kunnen bouwen.quot;

»Gij hebt gelijk; doch zoo als het thans is, moeten er ook verscheiden jaren toe noodig zijn geweest.quot;

«Dat is waar.quot;

»En het is u werk, Constance?quot;

»Voor u.quot;

»Ea daarom weifeldet gij, toen ik u verzocht, om over een som gelds tot het aankoopen van schilderstukken te beschikken ?quot;

»Ja! Vergeeft gij mij dit thans?quot;

«Dierbare Conslance!quot; zeide hij, terwijl hij zijn arm om haar heen slingerde: «hoezeer heb ik u verongelijkt! Ik hield u voor ijskoud, zonder eenige deelneming, en middelerwijl wreektet gij u op zulk een edele wijs voor het zoo beleedigend gevoe\'en, dat ik van u koesterde. O. waarom vermoedde, waarom wist ik dat niet eerder? Waarom bespaardet gij ons beiden niet zulk een lang misverstand4!quot;

»Ik had ongelijk, lieve Percy; maar ik zag deze oogenblik-ken steeds met verrukking te gemoet — oogenblikken, waarvan ik mij niet mocht berooven. Ik dacht steeds, dat, als gij dit werk voltooid zoudt zien, gij zoudt besefi\'en, hoe geheel g:,i steeds in mijne gedachten leefdet, en dat gij mij deswegens wel menige fout zoudt vergeven. Ik wist, dat ik uvvs vaders vurigsten wensch vervulde: ik wist dat gij, ofschoon misschien onbewust, dienzelfdrn wensch voeddet. Het spijt mij derhalve

-ocr page 354-

346

zeer, dat tot dusver alles nog slechts onvolkomen geschied is.quot;

gt;Maar,quot; vervolgde Godolphin, die, hoe nader zij kwamen, met des te meer oplettendheid het nieuwe gebouw beschouwde — ïtnaar hoe is het mogeliik, dat ik, langs een anderen weg nooit een enkel woord daarvan vernam?\'\'

»Herinneit gij u niet meer, dat onze buurman hier, lord Dartmour, eens bij u kwam, en u een kompliment wegens uwe voorgenomen verbeteringen maakte? Gij hie\'dt dat toenmaals voor spotterny en keerdet. den onthutsten man gemelijk den rug toe.quot;

Nu reden zij door de poort, die met Godolphins familiewapen versierd was, en eenige oohenblikken daarna bevonden zij zich in den geheel herstelden hof der priorij.

Niet licht zou Constanoe door middel van iets anders Godolphin sterker hebben kunnen aandoen en meer vleien, dan door deze verrassing; want zijn vroegere behoeftige staat had iets van den trots op zijn voorvaderen in hem opgewekt, die den behoeftigen alleen wel staat, en ofschoon de band tusschen ouder- en kinderliefde geknoopt was, smartte het hem echter zeer, dat zijn vader niet lang genoeg geleefd had, om deel aan zijn rijkdom ie nemen en daarvan \'tot verwezelij-king der wenschen gebruik te maken, wier bevrediging hem zeiven niet vergund was; geworden. Daarenboven was Godolphin uit den aard van zijn karakter volkomen geschikt, om Constance\'s liefderijk gedrag te dezen opzichte naar waarde te schatten, en tevens diep te gevoelen, dat, terwijl hij een, van den naren dermate afwijkenden weg bewandelde, zij, midden in haar eerzuchtige ontwerpen, in stilte en zonder eenigen dank, hem de vreugde van dit oagenblik bereidde. Hij dankte haar niet met vele woorden, maar zijn blikken gaven genoegzaam te kennen, wat hij gevoelde, en Constance was allerrijkst beloond.

Ofschoon het nieuwe gedeelte van het gebouw niet zeer uitgestrekt kon zijn, beantwoordde nochtans iedere kamer aan de grootsche ideeën, met- welke Godolphins smaak dweepte en die. tevens in volkomen overeenstemming met de oude ruïnen waren. Intusschen had Constance haarfijnen tact daarin bewezen, dat zij de ruïnen zelf onaangeroerd had gelaten, die echter met de nieuwen togvoegseien en met de vertrekken van het oude kasteel, dat geheel hervormd was, zoo kunstig Tereenigd waren, dat daardoor een veel grootere uitwerking werd voortgebracht, dan door menig veel uitgestrekter en trotscher Gothisch gebouw. Godolphin beschouwde alles nauwkeurig en was verrukt over den keurigen.smaak, waarmee het geheel, tot in de kleinste kleinigheden toe, geregeld en ingericht was.

De avond was ongemeen schoon, en zy begaven zich in den

-ocr page 355-

347

maneschijn naar de plaats, waar Godolphin Constance voor de eerste maal gezien had. In de murmelende beek zwommen de walervoirels, en hier en daar ruischte liet plotseling ir; het water, alsof een roofzuchtige visch op zijn prooi aanschoot.

De lucht was met balsemieke geuren vervuld: de nachtvogels fladderden in het rond: daar vloog een vlinder, door den straal eener ster gelokt, van een bloem naar het licht op, dat hij niet kon bereiken. De sterren zelve zagen met haar oogen van eeuwige, onuitsprekelijke liefde op Godolphin neêr, even als toen hij met haar, voor wie hij alleen een wereld was, aan Italië\'s meer dweepte, — Nooit, nooit kon hij naar deze geheimvolle, bleeke zonnen opzien, zonder met een diepe smart aan Lucilla te denken. Er bestond tusschen haar en de sterren een band, die hij niet in staat was te ontknoopen Steeds lag er voor hem zelfs in haar staligen, zachten loop iets, wat hem als een onverklaarbare, vreeselijke dreiging voorkwam.

-ocr page 356-

LX VI I.

Gehtk haart vrees. — De dag van heden beval reeds den dag mn morgen in zich.

Eerste liefde! — Even als het aardrijk tot zijn lente terugkeert en op nieuw groent, zoo wenden ook wij ons naar den bloeitijd van het leven en vergeten de jaargelijden, die daar-tusschen verloopen zijn.

Ot er bij Godolphin en Constance een zeker voorgevoel plnats had, dat hun tegenwoordig geluk niet van duur zoude zijn, dan of zij, in weerwil van de diepste rust, zich overtuigd hielden, dat de storm reeds zeer nabij was — dit laat ik, daar het mij onbekend is, liefst onbeslist: zoo veel is echter waar, dat beiden thans, niet als wezens, die reeds zoo lang aan dezelfde keten gesmeed waren, maar als verliefden gevoelden, die nauwelijks met elkaar vereenigd waren. De eenzaamheid, die zoo zeer tegen haar tot hiertoe geleid leven afstak, herinnerde het betooverende, dat der eerste jeugdige liefde zoo eigen is. In allen geval zou dit niet van langen duur hebben kunnen zijn; maar het noodlot liet het tol het laatste oogen-blik van de korte spanne tijds duren, die hunner vereeniging nog vergund was. Alles ademde hier de herinneringen hunner jeugd. — Daar lag Godolphins woning, naar welke de trot-sche wees uit het prachtige Windover-Castle zoo vaak verlangend had uitgezien; daar was de plaats, waar hij, uit de koortsachtige bedwelming der groote wereld ontwakende, zijn eerste droomen van haar gevoed had. Het gansche tooneel was, als ware het, een bad voor hunne liefde, dat hen versterkte. Zij wandelden, lazen, dachten samen. Het was een voortdurende roes. De wereld was rondom hen in beweging: zij merkten het niet. De eerzucht was bij Constance ingesluimerd : Godolphin had zijn ideaal bereikt. De tijd had den

-ocr page 357-

349

glans der schoonheid beneveld; zij zajren het niet; zij waren voor elkaar jong en schoon, even als te voren.

Constance luisterde naar de voetslappen van haar geliefde. Zij kon hem volstrekt geen enkel oogenblik missen: een onwille-keurige vrees bemachtigde haar, als zij hem niet zag. Slapende strekte zij de armen naar hem uit, otn zich van zijn nabijheid te overtuigen. Al haar trotschheid, al haar koelheid scheen als door een tooverslag verdwenen te zijn: zij beminde met de teederste, met de innigste liefde. Gaat er, o groote bestuurder der toekomsl! een duister, profetisch gevoel in ons op, als het uur des onheils, der verschrikkelijke, onherstelbare vernietiging des levens nadert? — Was er niet iets bovennatuurlijks in de dieple en hevigheid van dezen nieuw ontwaakten hartstocht? Sidderden zij niet in hunne liefde? Zij klemden zich aan de uren; want. vóór hen lag de eeuwigheid.

Op zekeren avond werd Constance door zulk een voorgevoel pijnlijk beangst. Zij vatle Godolphins hand drukte die, en toen hij dien druk beantwoordde, wierp zij zich aan zijfl boezem en barstte in tranen uit. Godolphin verschrikte, bedekte haar gelaat met kussen en vroeg naar de oorzaak dezer ontroering.

«Eigenlijk weet ik volstrekt geen oorzaak te noemen,quot; zeide Constance, zich herstellende, «slechts gevoelde ik, dat dtt geluk onmogelijk van langen duur kan zijn. De overmaat van geluk boezemt mij vrees in.quot;

Terwijl zij nog sprak, verhief de wind zich en woei klagende door do takken en over de breede bladeren van een kastanjeboom, onder welken zij stonden. De zoele kalmte van den avond scheen verdwenen en een sombere, onaangename geest door de lucht te gieren, een verandering, die in ons klimaat niet gewoon is.

Godolphin zweeg gedurende eenige oogenblikken; want Constance\'s gedachten stemden met de zijne overeen.

«Zou het inderdaad zoo zijn?quot; zeide hij eindelijk. »Zou hier op aarde dan volstrekt geen duurzaam geluk te vinden wezen? Moet de droefheid de vreugde dan steeds op den voet volgen? Mogen wij dan nimmer naar waarheid zeggen; de haven is bereikt, en wij zijn in veiligheid! —Neen!quot; vervolgde hij met meer warmte — »neen, laat ons dit akelige geloot niet voeden I Er bestaat geene ervaring voor de toekomst ; het eene uur weerspreekt het andere, en het verleden is in geeuen deele een bewijs voor het toekomende. In ons zelve hebben wij eindelijk de wereld ontdekt, die zoo lang voor ons gezicht verborgen was: wij kunnen haar niet weer verliezen — de dood alleen kan ons scheiden.quot;

»Ha! de dood! zeide Constance rillende.

-ocr page 358-

350

bidder niet voor een woord, Constance! Wij bevinden ons

nna OD den middag van ons leven, en waarom zouden wi , nog op den quot; quot; h t s ok 0p onZe feesten noodi-

tn al vSEt d. dood, lerwijl wij eltair zoo innig |»en . • y.\\\\ ciari niet veel verkieslijker dan de oudeidom,

bemmnen, is hi da„ ^ als die srna,le tijdklip slechts

die ons doet veujien ^ onsterfelijkheid is,

SS - -quot;»r

^ \'ss sss

quot;Sifrr- è r SidM^f\'

rSance\'s oo-en waren op Godolphins gelaat geyesligd.en ook God\'oipliin ™h n,e. dquot;

SSSTn- ir drir^\\tCdquot;,C»s1a„c9 he,,, .bans

deze snaar aanroeren. _ het boek) dat zij toen

Z;^lteaê lazen Ts noaTe fide aangeduid, waar Godolphins met elkaèi lazen\' s .^1 onder het voorlezen, in

weeke slem vooi de laatste ma it

Constance\'s hart was gedrongen. - Kan zij aai weer in handen nemen ?

-ocr page 359-

LXVIII

Laatste gesprek tusschen Godolphin en Constance. De brief.

Zij waren voor geen der vele bezoekers, die de priorij al? bestormden, te spreken geweest, doch hadden het noodig geoordeeld, aan de wellevendheid der naburige edellieden daardoor te beantwoorden, dat zij hen all^n gezamenlijk lot een luisterrijke partij noodigden. De dag vóór het groote feest was reeds bepaald: het zou onmiddelijk na het eindigen der verkiezingen plaats hebben en in zekere opzichten ter eere daarvan. In eene sombere stemming maakten Godolphin en Constance zich den volgenden dag na den zoo even beschreven avond, gei eed, om hunne gasten te ontvangen; en zij lachten — maar dat lachen welde niet uit het hart op — om al de drokte, welke hun voor de eerte maal een bal veroorzaakte, nadat zij zich jaren lang bijna met niets anders bemoeid hadden.

De dag was buitengewoon stil en treurig geweest: de zon had zich bijna geheel verborgen, en toen de avond begon te vallen vertoonden zich de duidelijkste voorleekenen van een meer en meer naderend onweêr.

sik vrees,quot; zeide Godolphin, »dat wij op ons feest het beste weer niet zullen hebben. Gelukkig, dat na een algemeene verkiezing de zenuwen dergenen, die haar bijgewoond hebben, tamelijk gehard zijn; want wat toch zijn de flauwe, kortstondige stuiptrekkingen in de natuur tegenover de hevige, eeuwigdurende hartstochten en driften der menschen?quot;

»Een diepe aanmerking op een vochligen avond !quot; antwoordde Constance glimlachende.

»Gij weet,quot; hernam hij evenzoo, »dal ik over het aantrekken van een handschoen kan Qlozofeeren.quot;

Snel vloog de tijd, terwijl zij zoo spraken, voorbij, tot Con-

-ocr page 360-

352

stance eindelijk plotseling opsprong en zich herinnerde, dat het inderdaad laat genoeg was, om aan haar toilet te denken

Draag dit heden, mijn waarde!quot; zeide Godolphin, terwijl hij een roos van een boompje brak, dat nevens het vensier stond — »draag dit heden ter gedachlenis van dat bal in Windover-Castle, dat, hoezeer het voor mij alleszins treurig eindigde, nochtans zulke gelukkige herinneringen bij mij heeft achtergelaten.quot;

Constance stak de roos op haar boezem; de bladeren waren f\'risch en glanzend — even zoo ook hare hoop op de toekomst. Toen zij elkaar verlieten, kuste hij haar op het voorhoofd. — Zij zagen elkaar nimmer weder!

Godolphin bleef achter en wendde zich naar het venster, dat op het grasperk uitzag, dat met allerhande fraaie, en zeldzame bloemen bezoomd was. De kalmte in de natuur, die meestal een storm voorafgaat, had steeds een bijzondere bekoorlijkheid voor zijn geest gehad. Bijna onwillekeurig verliet hij het kasteel en ging droomende verder, tot hij zich bij het heldere meer bevond. Daar stond hij stil en staarde op de duistere schaduwen, welke de bogen der priorij en de hooge boomen van zich af wierpen. Niet de minste beweging vertoonde zich op het spiegelvlakke water: men hoorde volstrekt geen ander geluid, dan het ruischen der verre beek, die in het meer stroomde. Alles zweeg: slechts deze beek liet, als zij over haar steenachtig bed murmelde, haar klagende stem onophoudelijk hooren. Het golven van een stroom is, als ware het, de ziel van een landschap: hij kent geen rust, geen slaap: hij arbeidt steeds en geeft leven aan al wat hem omringt, ilet zware lichaam der natuur moge rusten — de geest des waters rust geen enkel oogenblik.

Langzaam en met over elkaar geslagen armen ging Godolphin eindelijk verder. Voor zijne oogen lagen de hem zoo welbekende plekjes, die getuigen van de spelen en vermaken zijner kindsche jaren waren geweest. De herinneringen zijner jeugd kwamen weer in hem op en vermaanden hem aan onbevredigde droornen, aan teleurgestelde verwachtingen. — Maar eindelijkquot; — riep hij overluid — «eindelijk ben ik toch gelukkig! Ik ben de brug des levens overgegaan, die ons van de dwaasheden der jeugd scheidt, en belere vooruitzichten, edeler wenschen breiden zich voor mij uit. Welk een wereld van wijsheid ligt er in Piadclyfe\'s gulden zeggen; weldoen is het beste geneesmiddel voor het idealismus. — Als wij voor anderen leven, begeeren wij geen wonderen meer voor ons zelve. Welke pliciiten heb ik tut hiertoe reeds vervuld? Ik verwierp de eerzucht, dewijl zij onverstandig was, en daarmee verwierp ik het verstand zelf. Ik leefde

-ocr page 361-

353

voor de vermaken: ik leefde een leven van teleurstelling en misleiding. Zonder eenigen natuurlijken aanleg tot ondeugd, ben ik tot honderde ondeugden vervallen. Nooit lieb ik egoïstisch gehandeld, en toch ben ik steeds een egoïst geweest. Ik voedde verheven denkbeelden — maar met welk een doel? Ik was een dichter in het hart, een wellusteling in het leven. Waren mijne belangen ooit in een openlijke wrijving en botsing met die van een ander gekomen, dan zou ik d.e mijne opgeofferd hebben; maar nooit heb ik er aan gedacht, of mijn geheele aanwezen niet in een eeuwigen strijd mei het algemeene belang leefde. Te diepzinnig, om zonder een leidend beginsel Ie leven, was nochtans het eene beginsel, dat ik koos, een misgreep. Ik heb alles genoten, jeugd, gezondheid, vrijheid, vermaken. De vrouwen waren mijn eerste hartslocht — naar welke vrouw heb ik vruchteloos gestaan? Ik heb mij verbeeld, dat mijne toekomst van Constance\'s glimlachje afhing. — Constance beminde mij en wees mij af. Aan deze afwijzing schreef ik mijn dwalingen\'• toe.. Constance werd de mijne — hoe heb ik die dwalingen hersteld? — Gewetenswroegingen, die ik voor mij zelve trachtte te verhelen, hebben mij wegens Lucilla steeds vervolgd. Maar waarom heb ik bet aan haar gepleegde onrecht, door weldaden aan andere menschen te bewijzen niet vergoed? Is berouw, dal zich niet in daden uit, wel iets anders dan een zedelijk bedrog? Als een zonde, die men aan eenen mensch begaan heeft, ten opzichte van dien éénen niet meer te herstellen is, kan zij echter door deugdzame daden jegens anderen verzoend worden. Maar was mijne handelwijs ten opzichte van Lucilla zoo lakenswaardig? Waarom kwelt en pijnigt mijn geweten mij om harentwil ? Heb ik haar niet ontvloden? Heeft zij mij tol onze verbinlenis niet gedwongen? Had ik niet veel meer geduld met haar, dan naderhand met. Constance? Besloot, ik niet, van Constance, hoezeer ik haar ook beminde, om Lucilla afstand Ie doen? Wie verhinderde dat ofter — wie verliet mij — wie bewerkte die scheiding ? Lucilla. — Neen, in zoo verre heb ik mij waarlijk nog zoozeer niet aan haar bezondigd. Maar hadde ik niet alles moeten verlaten, haar volgen, haar alles ontdekken en haar de middelen opdwingen, die haar tegen gebrek — ja, misschien tegen misdaden, zouden kunnen beveiligen? Ja, daarin ligt mijne schuld — de schuld mijner natuur — de zonde van alle menschenkinderen — de eigenlijke passive zonde. — Ik kon mijn geluk, geenszins mijn gemak opofferen — ik was niet onedelmoedig, ik was slechts traag. Maar is het dan reeds te laat? Kan ik haar nog niet opzoeken en mijngeest van den ondragelijken, pijnigenden last bevrijden, waarmeê de herinnering aan haar mij bezwaart? Helaas! ééne ge-

23

-ocr page 362-

354

wetenswroeging om een wezen, dat ons eens bemind heeft, is onlijdelijker, dan de zwaarste misdaad!quot;

Op deze wijs bleef Godolphin voortdenken, tot de meer en meer vallende avond hem andere plichten herinnerde. Hij keerde naar zijn woning terug en trad in zijn kabinet. Reeds waren er verscheiden gasten aangekomen. Nog was Godolphin bezig met zich behoorlijk te kleeden, toen een bediende binnenkwam en hem een brief aanbood.

»Leg het maar op de tafel,quot; zeide hij: »zeer waarschijnlijk bevat het de verontschuldiging van een der gasten, die het bal niet kan bijwonen.quot;

»Een boereknaap,quot; antwoordde de bediende, »heeft het van S* * * (een omtrent vier mijlen verder liggend dorp) gebracht en wacht op antwoord. Hij had order, om, zoo spoedig hij maar kon, herwaarts te rijden.quot;

»Niet zonder weêrzin nam Godolphin het briefje aan; doch nauwelijks had hij het schrift gezien, of het ontviel zijner hand. Zijn wangen, zijn lippen werden doodsbleek: zijn hart scheen gebroken: het was, als of het leven door een allerverschrikkelijkst, plotseling doodend vergift eensklaps in hem uitgebluscht was. — Eindelijk kwam hij weer eenigszins tot zich zeiven, rukte het zegel van het briefje af en las het volgende.

»Petri/ Godolphin! Het uur is gekomen! —nog eenmaal moeten mij elkaar zien. Ik twoclig u tot die sameukomsl uit, mijn gelief-ygt;de — ik nondig u aan mijn sterfbed!

Lucilla Volkmann.quot;

»Maak de gravin niet ongerust!quot; zeide Godolphin met een zachte stem, doch op een bedaarden toon; «breng een paard bij de achterdeur en laat den brenger van het billet bij mij komen.quot;

De brenger verscheen — het was een jongeling van zestien of achttien jaren.

»Hebt gij dit briefje gebracht?quot;

»Ja, mylord!quot;

»Van wien?quot;

«Van een vreemde dame, die in den Gouden Leeuw ziek ligt en het niet lang meer zal maken. Ja. mylord! zij is doodziek en nagenoeg dood.quot;

Krampachtig wrong Godolphin de handen.

»En hoe lang is zij daar reeds?quot;

«Omtrent twee uren geleden is zij aangekomen. Zij kwam in een kales en was in zulken gevaarlijken toestand, dat wij terstond den dokter ontboden, en de dokter zegt, dat zij bezwaarlijk den nacht overleven zal.quot;

-ocr page 363-

355

Eenige minuten ging Godolphin op en neer en waagde het nauwelijks te spreken. De knaap bleef bij de deur staan, plukte aan zijn hoed en zag dom in het rond.

»Kwam zij alleen?quot;

»\'Wat, my lord1?quot;

«Was er niemand bij haar?quot;

»0 ja, een klein zwart meisje, en die gaf mij ook het briefje.quot;

»Het paard is gezadeld,quot; zeide de bediende. »Maar wil mylord niet liever van zijn rijtuig gebruik maken? Het is zeer donker, en wij hebben ieder oogenblik regen te wachten. Ook kan men de wadde van S * * * in deze duisternis moeie-lijk doorwaden.quot;

«Zwijg!quot; riep Godolphin met bliksemende oogen en een krampachtig lachen. — »Zou ik mij op mijn gemak naar dat sterfbed begeven?quot;

Hij snelde de Irappen af naar de achterpoort van het gebouw. Een bediende hield het ongeduldig brieschende paard, den besten hardlooper van den stal, en het dof flikkerende-\' licht, dat een andere bediende hield, wierp slechts een flauw schijnsel op den dik bewolkten hemel en de sombere ruïnen.

Godolphin zag niets van dit alles: hij mompelde bij zich zeiven eenige woorden en sprong eindelijk te paard. De vonken spatten onder de hoeven van zijn ros, en de laatste erfgenaam van een ridderlijk geslacht verliet — voor altijd — de woning zijner vaderen. De woorden, die hij mompelde, en zijn kamerdienaar opgevangen had, en die door dezen naderhand, uit een zeker soort van bijgeloof, vaak herhaald werden, waren de woorden uit Lucilla\'s brief; »het uur is gekomen 1quot;

-ocr page 364-

LX.VI1I.

Het wederzien. — De ster. — De ontknooping.

Op de schamele legerstede van een dorpsherberg lag het uitgeteerde lichaam der zieltogende dochter van den astrolo-gist. De dorgsgeneesheer zat nevens haar, en scheen, hoe verhard hij ook door zijn beroep geworden ware, onthutst, ja, zelfs min of meer ontroerd door de verwilderde redenen, die de zieke uitte, en de ijselijke gillen, welke zij nu en dan gaf. De woorden, die zij sprak, waren den dokter ten eenemaal onverstaanbaar, dewijl zij tot een, hem geheel vreemde taal behoorden, tot een taal, die juist niet geschikt is, om schrik aan te jagen, maar die slechts liefde, muziek en poëzie ademt, in de taal van het zachte zuiden; doch met een stem uitgebracht, waarin de driften der ziel nog met de meer en meer toenemende zwakte kampten, klonken zelfs de zachtste geluiden ruw en schrikverwekkend; terwijl de onordelijk golvende lokken der lijderes, het tintelende vuur der holle oogen, de krampachtige bewegingen der magere, bijna vleeschlooze armen aan de onverstaanbare woorden een zwaren nadruk gaven en de duistere macht der krankzinnigheid verrieden, die in haar woedde\'.

Een enkel lampje, dat op een ouderwetsche tafel tegenover het bed stond, verlichtte slechts zeer flauw de sombere kamer en door het venster zag men reeds nu en dan den bliksem, als voorbode van het naderende onweer, flikkeren. Aan de andere zijde van het bed stond zwijgende, met starende, doch tranenlooze oogen, het kleine zwarte meisje, dat Lucilla\'s eenige bediende was. Met een getrouwe, onwankelkare liefde aan haar ongelukkige meesteres gehecht, trachtte zij haar wenschen te raden en luisterde tevens met de haren landaard eigene scherpte, of zij niet, in weerwil van het meer toenemende ge-

-ocr page 365-

357

brul van den storm en het aanhoudende gedruisch, dat er in de herberg plaats had, den hoefslag van een aanrennend paard kon hooren, die haar Godolphins aankomst verkondigde.

Plotseling zweeg Lucilla, als afgemat door te groote krachtinspanning, welke de paroxismus haar veroorzaakt had; en nu lag zij daar zoo stil, zoo geheel zonder eenige beweging, zoodat het, had de arts thans haar hand niet kunnen vatten en haar zwakken, onregelmatigen pols gevoeld, bijna scheen als of de gefolterde geest reeds van zijn banden bevrijd was. Deze toestond duurde echter slechts eenige minuten, want plotseling richtte zij zich op; een licht rood vloog over haar ingevallene wangen: als ergens naar luisterende, legde zij haar wijsvinger aan haar lippen, glimlachte en zeide met een zachte maar duidelijke stem: sinister, hij komt!quot;

Het meisje sloop de kamer uit, opende de voordeur en luisterde; maar zij hoorde nog niets; eerst eenige oogenblik-ken daarna klonk de hoefslag van een paard in haar ooren: het geluid naderde meer en meer: wezenlijk hield er een paard voor de herberg stil; een man sprong er af, snelde de trappen op — Grodolphin was in de kamer — voor het ziek-beb — de lijderes lag in zijn armen. De verraste, ontroerde, overweldigde Lucilla weerstreefde zijn liefkozingen niet: zij zwelgde in het snikken van zijn door tranen verstikte stem; ja, zij voelde, even als in gelukkiger dagen, het betooverende zijner kussen haar hart doorgloeien. Een oogenblik van jeugd, liefde en hoop brak even als lichtende stralen in dezen duisteren nacht plotseling door: heete tranen stroomden, zonder dat zij er bewustheid van had, uit haar brandende oogen en spoelden den drukkenden last van haar hart weg.

Het meisje trad de kamer binnen, legde haar eene hand op den schouder van den arts en wees op de deur. — Lucilla en Godolphin bleven alleen.

»Ach!quot; zeide hij, toen hij eindelijk zijn spraak weer machtig begon te worden, — »moeten wij elkaar zóó weder vinden zeg toch niet, Lucilla, dat gij moet sterven. Heb medelijden met mij, ontferm u over uw verleider! Gij moogt niet sterven!quot;

Meer kon hij niet uitbrengen. Hij viel op haar bed neer, bedekte haar gezicht met beide handen en weende bitter,

Lucilla\'s heldere oogenblikken waren weêr voorbij: zij verviel weer in haar vorige vlagen van krankzinnigheid, ofschoon deze thans een veel zachter karakter aannamen.

gt;Beschuldig u niet!quot; riep zij — »de gruwzame sterren alleen zijn schuldig! Maar kon ik, toen zij destijds zoo schoon, zoo helder, zoo liefelijk schenen, terwijl zij mij den band tus-schen u en mij ontdekten, kon ik toen droomen, dat hunne stomme, en toch zoo verstaanbare taal zulke duistere waar-

-ocr page 366-

358

lieden zoude verkondigen? Ach, Percvy! sedert wij gescheiden zijn, is de wereld mij niet meer als de wereld voorgekomen. Mijn leven heeft zijn natuurlijkheid verloren: een woeste dwaalgeest is in mijn boezem gevaren, heeft mijn hersens beneveld en mijne gedachten in verwarring, ja iedere drijfveer Tan mijn aanwezen in beweging gebracht. De zon en de lucht, het groene gras, de frischheid en heerlijkheid der wereld

— dit alles heeft zich voor mij met een nevel bedekt, waaruit slechts treurige schaduwen doorschemeren. Maar gij, geliefde, aan wiens boezem ik zulke zalige droomen heb gedroomd — gij zijl buiten schuld. Neen, wij kunnen de macht niet aanklagen, die ons verpletterd heeft; de hemelen zijn boven het bereik van onze verwijtingen; zij lachen met onze doodsangsten en laten, geheel zonder deelneming, zonder eenig medelijden, den tijd over onze gebroken harten wegrollen.

— En wat is, sedert uw laatsten kus op deze sterrende lippen, mijn lot geweest? — Godolphinquot; — Lucilla schrikte op dat denkbeeld en sidderde als voor een allersmartelijkste herinnering. — «Godolphin, deze lippen hebben andere kussen geduld: deze ooren zijn door de stem der gemeenheid ontwijd geworden, en in een woest zwelgen en in nog woestere driften heb ik over het graf mijner ziel gelachen. Maar ik ben een arm schepsel, arm, zeer arm —krankzinnig. Percy, zij zeggen, dal ik krankzinnig ben.quot; — Plotseling, zoo als zulks in den aard barer ziekte lag, op een ander onderwerp overspringende, vervolgde zij: »ik heb uwe bruid gezien, Percy, toon gij met haar uit Rome vertrokt; de wielen van uw rijtuig kwetsten mij; want ik wilde hen tegenhouden — maar gedood hebben zij mij niei, dewijl de geesten daarboven iets anders over mij besloten hadden — ik moest door de wereld zwerven — zwerven — ja — maar,quot; voegde zij er met een verschrikkelljken, lichtzinnigen lach bij — »nooit zult gij vernemen, met wien; want gij weet toch zeer wel, mijn schat, dat men niet alles mag vertellen. Kortom, ik trachtte u te vergeten, en door de pogingen, die ik daartoe deed, werden mijn hersens gekrenkt. Ik voelde, dat mijn lot beslist was, en toen besloot ik, mij naar Engeland te begeven, om mijne eerste liefde nog eenmaal weer te zien; en zoo kwam ik, en zag u, Godolphin, en ik zag uit de rimpels in uw voorhoofd en uit den somberen opslag uwer oogen, dat uw schitterend lot u niet vergenoegd had gemaakt;

gij met uw zoo luisterijken, misschien door velen benijden staat niet tevreden waart. — Toen kwam mij een schoone, trolsche vrouw bezoeken: ik herkende in haar de vrouw, om welke gij mij verlaten hadt. Zij zeide mij, wat gij mij zuo even gezegd hebt, dat ik moest leven en het verledene vergelen. Hal welk een taal, welk een grievende spotternij!

-ocr page 367-

Leven! Vergelen! — Maar mijn hart is zoo trotsch ais het hare — ik wilde mij door de vriendelijkheid eener tri-omfeerende medeminnares niet laten bespotten — ik vluchtte, onverschillig, waarheen. — Maar hoor mij, Percy, hoor mij! Mijn ongeluk heeft mij groote, zeer groote vorderingen in mijn wetenschap doen maken. — liie wetenschap is niet van deze wereld. Door haar wist ik, dat wij elkaar nog eens zouden weerzien — en dat zulks in dit uur rnuest gebeuren, en met een uitgelaten vreugde telde ik, minuut voor minuut, de dagen, die mij nader tot deze samenkomst en tot mijn dood brachten. — »Hoed u!quot; riep zij toen plotseling uit, terwijl zij haar slem tot een woesten sehreeuw verhief. »Hued u, Percy I — het bruisen van het water, het golfgeklots dringt akelig in mijn ooren — hoed u, om Gods wil, hoed u! Ook uw einde is nabij!quot;

Onmiddelijk na dit gezegd te hebben, verviel Lucilla weer in haar vorige razernij. De eene gil volgde na den anderen; zij herkende volstrekt niemand, zelfs Godolphin niet. Ondef de grievendste kwellingen en in den bangsten strijd scheen de ziel zich van het lichaam los te rukken. üroii verliepen — het was middernacht — helder en duidelijk klonken de slagen van een uurwerk in de kamer.

Stil!quot; riep Lucilla opspringende; »stil!quot;

In hetzelfde oogenblik verdeelden zich tegenover het venster de dicht opeen gepakte wolken, en eene enkeie ster brak er doorheen.

»Het is uwe ster, Godolphin — de uwe!quot; riep zij. — »Zie, zij wenkt u reeds. Vaarwel, maar niet voor lang!quot;

Met een luiden schreeuw snelde het moorsche meisje toe en legde hare hand op Lucilla\'s borst: het hart klopte niet meer — de adem was ontvloden, het vuur was in de asch verstikt — de wonderbare geest bevond zich misschien bij de sterren, naar welker geheimen hij zoo vruchteloos gezocht haid.

Kletterend viel de regen neer: duidelijk kon men het bruisen der opgezwollen stroomen hooren, die van de verre bergen in de dalen neèrstortten. De donkere massa wolken was doorgebroken, en de nu hier en daar afzonderlijk drijvende gedeelten lieten van tijd tot tijd een ster doorschemeren, tot die weer door den dikken nacht verslonden werd. Aan den rand van den horizon flikkerden nog enkele bliksems: de boo-

-ocr page 368-

360

men kraakten en steenden onder het geweld van den stortregen en van den storm, en met een voorovergebogen hoofd joeg een man te paard door dit verschrikkelijke weer en gevoelde, in den storm zijner eigen gewaarwordingen, het woeden der elementen niet.

Nevens een stroom, die ook reeds door den regen opgezwollen was, hadden eonige zweryende Heidenen hun leger opgeslagen, en sommige dezer hruine reizigers, die misschien nog de terugkomst van een gedeelte der bende verbeidden, dat op buit uitgegaan quot;was, zaten in hunne tent rondom een flikkerend vuur. Zij zagen den man te paard naar den stroom toesnellen.

»Ei zie dien wonderlijken vent eens!quot; zeide een uit de bende. jiHet is dezelfde, dien wij dezen avond daar ginder door de wadde zagen waden. Hij heeft den verkeerden weg genomen, die domkop, en zal dus weer naar de wadde terug moeten; een aardig weer, om zoo rond te zwerven!quot;

))Pah!quot; zeide een oude heks; »het doet mij recht veel pleizier, als ik die groote sinjeurs ook eens midden in storm en onweer zie, waaraan wij altijd zijn blootgesteld. Van hier tot aan de wadde is slechts een enkele mijl afstands. Ik wilde wel, dat het twintig mijlen waren!quot;

ïHallo!quot; riep de eerste sde gek rijdt in het water. Hij zal verzuipen; de oevers zijn te hoog en te steil, dan dat man en paard er tegen op zouden kunnen. Hallo!quot;

Met de deelneming, die zelfs de meest verharde mensen gevoelt, als hij zijn medemensch onmiddelijk voor zijn oogen in dreigend gevaar ziet, snelde de Heldin naar buiten in den bulderenden storm en schreeuwde den ruiter toe, dat hij halt zou houden. Een oogenblik schrikte Godolphins paard voor den ijselijken storm terug: een dichte duisternis lag op het water, en Godolphin zag de hoogte van den tegenover liggen-den oever niet. Het roepen van de Heidin klonk in zijn ooren als de roepstem der ontslapene, die hij zoo even verlaten had: hij stiet het weêrspannige en meer en meer steigerende dier de sporen in de zeide en joeg het den stroom in.

«De fakkels! ontsteekt de fakkels!quot; riep de Heidin, en binnen weinige oogenblikken was de oever door houtspanen verlicht, die men haastig uit het vuur had gerukt, doch de felle regen bluschte ze bijna gelijktijdig weer uit. Desniettemin kon men even zien, dat het edele dier moedig de golven Kliefde, en dat Godolphin zijn dwaling bemerkt en den kop van het paard naar de wadde gekeerd had. Doch dit was ook al wat de Heidens konden onderscheiden: zij riepen Godolphin toe, dat hij naar de plaats terug moest keeren, waar hij te water was gegaan, en eenige oogenblikken daarna hoorden zij werkelijk, eenige schreden verder, het paard tegen den aldaar zich

-ocr page 369-

361

steil yerheffenden oever opklauteren en door het kreupelhout, dat zich daarlangs uitstrekte, zich een weg banen. Te zelfder lijd meenden zij een plof te hooren, als of er iets zwaars in het water stortte; doch zij hielden dit voor een afgebrokkeld stuk aarde of rots, en keerden naar hunne tent terug, overtuigd, dat de vermetele ruiter het gevaar, waarin hij zich zoo roekeloos begeven had, behouden ontkomen was.

Üienzelfden nacht kwam Godolphins paard met een ledigen zadel voor de poort der priorij, waar Constance, in doodsangt en aan den storm blootgesteld, stond en de terugkomst van Godolphin, of ten minste van de naar hem uitgezonden boden, verbeidde.

Met hel aanbreken van den dag werd zijn lijk op een droge plaats in de wadde gevonden. Een wond aan de slaap van zijn hoofd, als van een hevigen slag maakte het zeer waarschijnlijk, dat hij, bij het beklimmen van den oever, door een overhangenden zwaren tak getroffen en zoo misschien bewusteloos, in hel water teruggestort was.

-ocr page 370-

Brief van Constance, gravin van Erping/mm aan***.

Augustus 1833

»lk heb het werk gelezen, dat gij zoo goed zijt geweest, om, ximet behulp van de nauwkeurige kennis, die gij zelf van de sdaarin voorkomende personen bezit, uit de u medegedeelde spapieren samen Ie stellen. In vele punten hebt gij mijne »wenschen ver overtroffen, Er was mij eensdeels aan gelegen, sdat de wereld een geschiedenis ontving, uit welke diep in-»dringende en, zoo als ik stellig geloof, algemeen nuttige en «heilzame lessen zouden kunnen getrokken worden; terwijl »het mij ten anderen ook daarom te doen was, dat het geheel sin zulk een gewaad gekleed werd, dat de namen der ware «karakters van dit drama een eeuwig geheim bleven. Beide «oogmerken hebt gij bereikt. Ik acht het onmogelijk, dat siemand het boek, dat thans het publiek aangeboden zal «worden, lezen kan, zonder de waarheid van de gereedelijk «daaruit af te leiden zedeleer te gevoelen, en zonder uit duizend «onbedriegelijke teekenen te erkennen, dat zijn inhoud niet «op verdichting, maar op wezenlijkheid, rust. Gij hebt u «slechts eenige kleine veranderingen veroorloofd, om, wat «men niet minder aan de levenden dan aan de dooden ver-«plicht is, de namen der personen des te beter voor den lezer «te verbergen.quot;

«In zoo verre betuig ik u mijn hartelijken dank. Daaren-«tegen hebt gij u met opzicht tot een ander punt zeer schul-«dig gemaakt. Gij hebt het edele karakter, dat gij onder den «naam Godolphin hebt trachten te schilderen, geenszins naar «waarheid geschilderd: ja, gij hebt er aan te kort gedaan. «Immers zijn de trekken van dat karakter met een hard, »ongunstig penseel ontworpen, en gij hebt de weinige zwak-gt;heden, met welke de voortreffelijke man behept moge ge-

-ocr page 371-

363

»weest zijn, dermate doen uitkomen, dat zij steeds op den «voorgrond der schilderij staan, terwijl zijn hoog gevoel van »eer, zijn schitterend verstand, de rijke schatten van zijn geest, »zijn hartelijke edelmoedigheid steeds in de schaduw blijven. »0 mijn God! Moest zulk een lot zulk een wezen treffen! «En nog daarenboven in de glorie van het leven, toen zijn «geest juist zijner kracht bewust werd en tot een heerlijk «streven ontwaakt was ! Welk een onzalig stelsel, dat tot «zijn zeven en dertigste jaar door den nietigen beuzelgeest »van het aristokratische leven zulk een teeder, gevoelvol hart »op een dwaalweg kan brengen! Maar ik kan er niet van «spreken. Ik moet de pen neerleggen. Morgen zal ik, hef-»geen ik hier beweerd heb, verder trachten te bewijzen,quot;

«Gisteren heb ik gezegd, dat gij dien Godolphin verongelijkt «had. Ik bid u, dit karakter meer recht te doen en daardoor «de nagedachtenis van een man te vereeren, dien niemand «zonder bewondering zag, niemand kende, zonder hem te beminnen.quot;

«Maar hoezeer hebt gij, aan den anderen kant, mij geleid, »die toch met zooveel ijdelheid, trotschheid en eener vrouw »min betamenden mannelijken zin bittere denkbeelden koesterde »en hoogvliegende plannen vormde. Deze vleierij heeft mij »wel het allerbest gemaskerd, en daarom alleen wil ik u niet «verzoeken, deze voor mij, om onbekend te blijven, zoo juist «geschikte verdichting door de treurige, onbehagelijke waarheid «te doen vervangen, bij welke ik toch altijd zou moeten ver-«verliezen. Maar terwijl ik met smart en schaamte gevoel, hoe «juist gij de schijnbare veronachtzaming van den ontslapene «schildert, die slechts uit fierheid ontstond, welke zich ver-«onachtzaamd waande, zoo hebt gij echter niet genoeg, neen, in «geenen deele genoeg van de wezenlijke liefde gezegd, die «ik steeds voor hem voedde, ofschoon in haar toch het eenige «zachte, verzoenende gedeelte van mijn natuur ligt. Maar wie »kan weten, wie beschrijven, wat een ander gevoelt? Ik zelve «wist niet eerder, hoe sterk ik gevoelde, dan toen de dood het «mij leerde.quot;

\') De lezer zal, als hij aan deze plaats komt, mij, vertrouw ik, van een onrechtvaardigheid jegens Godolphins karakter -n-el willen vrijspreken. Dat karakter bewijst, namelijk, wat ik in mijne, der waarheid getrouwe schildering heb trachten te bewijzen — den invloed onzer wezenlijke wereld op ideale en verbeeldingrijke menschen.

-ocr page 372-

364

«Sedert ik het boek geheel doorgelezen heb, is het mij raad-»selachtig\', ja, onbegrijpelijk geworden, dat ik hem heb kunnen «overleven, dat ik leven kan midden in de wereld! Ja, maar «niet met de wereld: en in de overtuiging hiervan blijf ik «nog de voor mij vrengdelooze levensbaan bewandelen. — Van «nu af en voor altijd van de zoete gewaarwordingen verstoken, «die het erfdeel mijner sekse zijn — zonder moeder, zonder «echtgenoot, zonder kind, zonder vriend — niet bemind en «zonder liefde, steun ik op hel geloof, dat ik, zooveel zulks «aan vrouwen geoorloofd is, het mijne bijgedragen hel), om «de groote verandering te bevorderen, welke de wereld eerlang «te wachten heeft; en ik troost mij met de stellige overtui-«ging, dat er vroeg of laat een tijd zal komen, waarin de ha-«telijke en geheel onbehoorlijke onevenredigheden in de ver-«deeling van het leven — die niet alleen mij, maar allen, die «ik bewonderd en bemind heb,\'rampvol zijn geweest; die de »grooten gevoelloos, de geringen slaafachtig, die het genie óf gt;tot vijand der menschheid, of tot offer van zijn eigen groot-«heid maken, die het volijverig streven naar liet groote doel «vernederen, elke edele gezindheid onderdrukken, die de «talenten boeien en slechts de ontwikkeling van hef middel-«matige en lauwe begunstigen — waarin zeg ik, deze, ofschoon «ook niet geheel verbeterd, nochtans tot meer natuurlijke ele-«menten van het. maatschappelijk verkeer zullen hervormd «worden.quot;

«Ach! eenzaam binnen onze vier muren, moeten wij var-«buiten den eenigen troosl, de eenigen bezigheid van ons lever verwachten.quot;

EINDE.

-ocr page 373-