-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

LATIJNSCHE SPRAAKKUNST.

-ocr page 4-

\\

Gedrukt bij J. J. GROEN te Leiden.

-ocr page 5-

vUr /S f

s3S

LATIJNSCHE

SPRAAKKUNST

L. H. BOEKING,

OUD-LEERAAR AAN HET SEMINARIE HAGEVELD.

Vierde verbeterde druk.

J. W. VAN LEEUWEN.

Uitgever en Antiquar. Boekhandel. Hooigracht 74. 1888.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

i irsr ü o XT id.

Biz

Inleiding....................................i.

ETYMOLOGIA.

Hoofdstuk 1. Over de uitspraak der letters en den klemtoon

der lettergrepen......................2.

„ II. Over de verdeeling der woorden..........5.

„ HL Over het substantivum in het algemeen . . 6. „ IV. Over de regelmatige declinaties.

De eerste declinatie..................8.

De tweede declinatie.........10.

De derde declinatie .........13.

De vierde declinatie.........20.

De vijfde declinatie.........21.

„ V. Over de onregelmatige declinatie.

Samengestelde declinatie ........23.

Substantiva indeclinabilia........23.

Singularia tantum......■ . . . . 23.

Pluralia tantum...........24.

Defectiva casibus.............26.

Abundantia .......... . 27.

„ VI. Over de geslachtsregels.

Algemeene regels..........27.

Bijzondere regels..........31,

„ VII. Over het adjectivum.

Over de declinatie der adjectiva.....35.

Over de vergelijkingstrappen......41.

„ VIII. Over de numeralia..........45.

-ocr page 8-

ii Inhoud.

Biz.

Hoofdstuk IX. Over de pronomina.........52.

„ X. Over de verba in het algemeen.....59.

„ XI. Conjugatie van het verbum sum . . . . 61.

„ XII. Conjugatie der verba activa......64.

„ XIII. Conjugatie der verba passiva.....73.

,, XIV. Over de verba deponentia.......81.

„ XV. Over de conjugatio periphrastica . . . . 88.

„ XVI. Over de verba impersonalia......92.

,, XVII. Over de onregelmatige verba.....95.

„ XVIII. Over de verba defectiva.......105.

Lijst der voornaamste verba met onregelmatig

gevormde perfecta en supina..........108.

„ XIX. Over de afleiding en samenstelling der woorden.

Over de afleiding der substantiva .... 122.

Over de afleiding der adjectiva.....126.

Over de afleiding der verba......129.

Over de samenstelling der woorden . . . 130.

„ XX. Over de adverbia.........132.

„ XXI. Over de prsepositiones .......135.

„ XXII. Over de conjunctiones en interjectiones , . 145.

SYNTAXIS.

I. Over de bcstanddeelen van den zin . . 147.

II. Regels van overeenkomst.

Overeenkomst tusschen het subject en het

praedicaat............150.

Overeenkomst tusschen het substantivum en

het attributum..........155.

Overeenkomst tusschen het substantivum en

het nomen appositum........159.

Overeenkomst tusschen het pronomen relativum en het antecedens........161.

III. Over het gebruik van den nominativus . . 166.

IV. Over het gebruik van den accusativus . . 170. V. Over het gebruik van den dativus .... 176.

-ocr page 9-

inhoud. in

Biz.

Over het gebruik van den genetivus . . . 183.

Over het gebruik van den ablativus . . 200.

Over het gebruik van den vocativus . . . 211. Over het gebruik der naamvallen bij bepalingen van plaats, tijd en ruimte.

Plaatsbepalingen..........212.

Tijdsbepalingen..........216.

Ruimtebepalingen.........220

Over het gebruik der naamvallen bij de ver-

gelijkingstrappen..........221.

Over de beteekenis en het gebruik der tempora 228.

Over de consecutio temporum.....232.

Over de beteekenis en het gebruik van den

indicativus en conjunctivus in hoofdzinnen . 236, Over de beteekenis en het gebruik van den indicativus en conjunctivus in bijzinnen, die

met een conjunctie beginnen......239.

Conjunctiones condicionales......241.

Conjunctïones concessivae...... . 245.

Conjunctiones comparativae......247.

Conjunctiones causales........248.

Conjunctiones finales........252.

Conjunctiones temporales.......261.

Over het gebruik van den indicativus en

conjunctivus in vragende zinnen.....266.

Over het gebruik van den indicativus en

conjunctivus in relatieve zinnen.....271.

Over de beteekenis en het gebruik van den

imperativus............274.

Over den infinitivus.........276.

Over den accusativus cum infinitive . . . 284.

Over de oratio obliqua.......293.

Over de participia.........296.

Over den ablativus absolutus.....301.

Over het gerundivum en gerundium . . . 306.

Over de supina....... . 312.

Hoofdstuk VI.

VII. „ VIII. IX.

X.

XL

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

XVII.

XVIII. XIX. XX XXI. XXII.

XXIII.

XXIV.

-ocr page 10-

IV INHOUD.

Biz

I Toofdstulc XXV. Over het gebruik van sommige substantiva 313

XXVI. Over het gebruik der pronomina.

Pronomina personalia en possessiva. . . 318

Pronomina reflexiva........320

Pronomina demonstrativa......324

Pronomina interrogativa......329

Pronomina indefinita.......-SS1

Pronominalia..........333

XXVII. Over het gebruik van sommige adverbia 335

XXVIII. Over de plaatsing der praeposities. . . 339 XXIX. Over de coordineerende conjuncties.

Conjunctiones copulativae......341

Conjunctiones disjunctivae......346

Conjunctiones adversativae......347

Conjunctiones conclusivac......349

PROSODIA.

I. Over de quantiteit der lettergrepen . . 351. 11. Over de verzen in het algemeen . . .357. 11 f. Over de voornaamste soorten van eenvoudige verzen...........363.

IV. Over de voornaamste soorten van samengestelde verzen.........369.

V. Over de verbinding van verzen tot gedichten 372.

Aanhangsel I. Over den Romeinschen kalender.....375.

„ II. Over de Romeinsche maten, munten en gewichten 378. „ III. Over de gebruikelijkste alkortingen.....380.

382.

Algemeen register

-ocr page 11-

INLEIDING.

Dc Latijnsche spraakkunst of grammatica leert de Latijnsche taal juist verstaan en zuiver schrijven en spreken.

Zij bestaat uit drie deelen:

I. de woordvorming of etymologia. Deze leert de eigenschappen, de veranderingen en de afleiding kennen der woorden.

II. de woordvoeging of syntaxis. Deze bevat de regels, volgens welke de woorden tot zinnen en deze tot een rede worden verbonden.

III. de versbouwkunde of prosodia. Deze maakt ons bekend met de lengte der lettergrepen en hoe de woorden tot verzen worden samengevoegd.

4e druk.

-ocr page 12-

ETYMOLOGIA.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE UITSPRAAK DER LETTERS EN DEN KLEMTOON DER LETTERGREPEN.

§ 1, De Latijnsche taal heeft dezelfde klinkers (vocale?) als de Nederlandsche met uitzondering van de ij. Daarentegen komt in verscheidene woorden de Grieksche y (ypsilon) voor, welke evenals de Nederlandsche i wordt uitgesproken. 15.v. pyra (pira), brandstapel, eyenus (cicnus), zivaan.

§ 2, De gebruikelijkste tweeklanken (diphthongi) zijn ac, au en oe. Zij worden uitgesproken als de Nederlandsche ee, ou en eu. B.v. aestas (eestas), zomer, aurum (ourum), goud, poena (p e u n a), straf.

Zoo ae en oe geen tweeklank vormen, zet men boven de e het scheidingsteeken (diaerësis). B.v. poëta, dichter, aer, lucht.

De tweeklank e u, welke als u i wordt uitgesproken, komt behalve in Grieksche woorden, zooals Perseus (eigennaam), eurus, oostenwind, slechts voor in heus, he, hei, hcu en eheu, ach, ceu, evenals, seu. of, neu, en dat niet, neuter, geen van beiden en n e u t i q u a m, volstrekt niet. In alle overige woorden behooren de eu tot twee lettergrepen. B.v. malleus (malle-us), hamer.

De tweeklank u i komt slechts voor in hui, he, p h u i, foei en bij dichters in h u i c en c u i (twee voornaamwoorden).

De tweeklank ei wordt slechts aangetroffen in hei, ach. In alle overige woorden spreekt men de ei gescheiden uit. B.v. mallei (malle-i), hamers.

Den Nederlandschen tweeklank ie vindt men niet in het Latijn. Men spreke derhalve het woord h o d i e, heden, in drie lettergrepen uit.

-ocr page 13-

Letters, Uitspraak.

§ 3. De medeklinkers (consonantes) zijn met uitzondering ! van de w in het Latijn dezelfde als in het Nederlandsch De j | wordt dikwijls geschreven als i. De h wordt niet als consonant beschouwd, maar als het t e e k e n e e n e r aanblazing der daaropvolgende vocaal en wordt dan ook dikwijls weggelaten. B.v. Hannibal en Annibal. De k komt slechts voor in Kalendae, de eerste dag der maand, en in de eigennamen Kaeso en Kar-t h a g o.

De consonanten worden verdeeld in;

liquidae of vloeiende: 1, m, n, r; en

m u t a e of stomme, waartoe alle overige consonanten behooren behalve de s, welke als sisklank op zich zelve staat en de j en v, die halfklinkers of semivocales worden genoemd.

De m u t a e worden verdeeld in:

la bi a les of lipletters; b, p, f.

linguales of tongletters: d, t.

gutturales of keelletters: c, g, k, q.

X en z worden d up lice s of dubbele consonanten genoemd. X staat voor es of gs en z voor ds of ts.

Wij spreken in het algemeen de medeklinkers in het Latijn juist uit gelijk in onze taal. Men lette echter op de volgende uitzonderingen.

C wordt als k uitgesproken vóór a, o, u, au, vóór een consonant en op het einde van een woord. B.v. cast ra, legerplaats, color, kleur, cura, zorg, causa, oorzaak, classis, vloot, lac, melk. In alle overige gevallen wordt zij uitgesproken als een scherpe s. B v. c e r a, zvas, Cyrus (eigennaam) , c o e p t u m, onderneming, va cc a e (vaksee), koeien.

De q komt alleen voor in verbinding met u en wordt met deze vocaal uitgesproken als kw B.v. aqua (akwa), water.

Gu voorafgegaan door n en gevolgd door een vocaal wordt uitgesproken als gw, alzoo tweelettergrepig: lingua (lin-gwa), tong, sanguis (san-gwis), bloed. Zoo er geen n voorafgaat, volgt men de uitspraak van onze taal, alzoo drielettergrepig: arguo (ar-gu-o), tk beschuldig, vijflettergrepig: e x i g u i t a s (ex-i-gu-i-tas), geringheid.

Su vóór een vocaal staande wordt uitgesproken als sw in suadeo (swadeo), ik raad aan, suavis (swavis), aangenaam en su es co (swesco), ik word gewoon, anders als su. B.v. suus (su-us), zijn, sues (su-es), zwijnen.

Ti wordt gewoonlijk uitgesproken als ti. B.v. Tiberius (eigennaam), t o t i d e m , even zoovelen, h o r t i, tuinen.

Ti wordt echter als tsi uitgesproken, wanneer er een vocaal op volgt [B.v. ratio (ra-tsio), reden, motio (mo-tsio), bciucging\\

3

-ocr page 14-

Qnantiteit, Klemtoon.

% 4—5-

4

behalve in de vier volgende gevallen, waarin t i de Nederlandsche uitspraak behoudt:

1°. wanneer s, t of x voorafgaat. B.v. ostium, haven, A11 i u s (eigennaam), mixtio, vermenging.

2°. in totïus,

3°. in Grieksche woorden. B.v. Miltiades.

4°. in den verouderden i n f i n i t i v u s p r a e s e n s p a s s i v i op er. B.v. qua tier.

§ 4. Een lettergreep is lang of kort. Ter aanduiding hiervan kan men het teeken - boven een lange en het teeken - boven sen korte lettergreep plaatsen. B.v. mensa, tafel.

Ofschoon de leer van de lengte of quantiteit der lettergrepen eerst behandeld wordt in het derde deel der grammatica, zoo zij hier met het oog op de uitspraak het volgende opgemerkt.

Een lettergreep is lang:

iquot;. wanneer zij een diphthong bevat. B.v. poena, straf, caösa, oorzaak.

2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep begint met een consonant. B.v. 111 e, deze, a r m a, tvafenen.

3°. wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met j, x, z. B.v. major, grooter, axis, as, gaza, schat.

4°. gewoonlijk ook wanneer zij eindigt op een vocaal en de volgende lettergreep begint met twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. rëstis, strop, doch assécla, bijloo-per, v o 1 ü c r i s , vogel.

Een lettergreep is kort, wanneer zij op een vocaal eindigt en de volgende lettergreep met een vocaal of h begint. B.v. dubïum, twijfel, nihil, niets.

§ 5. Om een woord van twee of meer lettergrepen behoorlijk uit te spreken moet men op een dezer lettergrepen den klemtoon leggen. Zoo zegt men ook in het Nederlandsch; vader, bewónderen, bewegen In het Latijn volgt men hierbij deze regels.

r\'. Bij een woord van twee lettergrepen valt de klemtoon altijd op de eerste. B.v. rhétor, redenaar, hómo, nicnsch, Dclis, God.

2°. Bij een woord van drie of meer lettergrepen valt de klemtoon op de voorlaatste of paenultima, zoo deze lang is en anders op de derde van achteren of antepaenultima. B.v. palümbes, houtduif, gratia, gunst. Vgl § 15. 3 en 4, A.

-ocr page 15-

—5- § 6—7- Afbreken, Rcdedcelen. 5

A a n m e r k i n g. Uc achtervoegsels n e, que, v e, c e maken dat de klemtoon op de paenultima valt, niettegenstaande deze kort is. Men zegge dus: omniaque, patréve. Alleen zoo door aanhechting van q u e een nieuw woord ontstaat, zooals d é n i q u e uit deinque, volgt men den gewonen regel. Men onderscheide dus i\'taque, derhalve van itaque, £71 zoo, ütique, voorzeker van ut (que, en opdat. Om de gelijkvormigheid met utérque en plerfque zeggen sommigen altijd utraque en pleraque, ofschoon hier door aanhechting van que een nieuw woord ontstaan is.

Bij de composita van facio, waarin de a blijft, zooals calefacio, benefacio, heeft de lettergreep fa, zoo zij paen ultima is, den klemtoon. B.v. calefacit, bene facit.

Wijl het van het hoogste belang is om van jongs af de woorden juist uit te spreken, zullen wij voor de eerstbeginnenden bij de drie- en meerlettergrepige woorden op de paenultima het tee-ken - of ^ zetten, wanneer hare quantiteit niet uit de regels van § 4 kan afgeleid worden.

§ 6. De volgende regels leeren hoe men de woorden op het einde van een regel gewoon is af te breken.

i0. Twee vocalen, die geen diphthong vormen, behooren tot twee lettergrepen. B.v. ])e-us.

20. Samengestelde woorden scheidt men volgens de deelen, waaruit zij zijn samengesteld. B.v. ab-ütor, re-spondeo, di-sto, dis-triho, abs-condo, ab-scindo, tran-scrïbo, su-spicio, pot-est, 1 o n g - a e v u s, m a g n - a 11 i m u s, anim- advert o.

De welluidendheidshalve aangehechte d van prod, red, sed behoort bij het voorvoegsel. B.v. prod-ire, red-ire, sed-itio.

3quot;. Een consonant, die tusschen twee vocalen staat, behoort bij de tweede lettergreep. B.v. A-le-xander, e-le-ge-ram.

4°. Wanneer meerdere consonanten, waarmede een Latijnsch woord kan beginnen, bij elkander staan, moeten zij bij de volgende lettergreep gevoegd worden. Men schrijve dus: nu-cleus (clarus), a-cris (crassus), fi-glïnus (gloria), va-fre (frater), i-gnis (gnarus), a-gri (gratia), po-pies (placeo), a-prïlis (primus), ma-tris (trans), e-sca (scio), v e - s p a (spatium) , f u - s t i s (sterno) , c a - s t r a (stringo). Kunnen meerdere consonanten niet aan het begin van een Latijnsch woord staan, dan worden zij gescheiden. B.v. d o c-t u s, tinc-tus, 0 m-n is, scrip- si, scrip-tum, mon-strum, va 1 -1 is, an-nus.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVEE DE VERDEELING DER WOORDEN.

§ 7. Volgens hunne beteeken is worden de woorden verdeeld in drie hoofdsoorten:

nomina, naamwoorden.

-ocr page 16-

Nomina, Substantivuin.

S S-9.

6

verba, werkwoorden.

particülac, kleine rededeelen.

§ 8. De n o m i n a worden verdeeld in:

substantlva, zelfstandige naamwoorden.

adjectïva, bijvoegelijke naamwoorden.

n u m e r a 1 i a, telwoorden.

pronomina, voornaamwoorden.

De nomina kunnen in het Latijn evenals in het Nederlandsch verbogen of gedeclineerd worden. Hierbij doet zich echter een belangrijk onderscheid voor. In het Nederlandsch geschiedt de verbuiging èn door middel van het lidwoord èn door zekere veranderingen van het naamwoord. In het Latijn daarentegen bestaat geen lidwoord en geschiedt de verbuiging alleen door het naamwoord te veranderen.

Het gemis van het lidwoord heett ten gevolge, dat men bij de vertaling uit het Latijn in het Nederlandsch enkel uit den samenhang moet opmaken of men bij een naamwoord het bepalend of het onbepalend of geen lidwoord moet plaatsen. Virbijv. kan beteekenen dc man, een man of enkel man.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER HET SÜBSTANTIVUM IN HET ALGEMEEN.

§ 9. Het substantivum is of een algemeen zelfstandig naamwoord, nomen appellatïvum öf een eigen zelfstandig naamwoord, nomen proprium.

Een nomen a p p e 11 a t i v u m is een naam, welke aan alle voorwerpen van dezelfde soort gemeen is. B.v. arbor, boom, h o m o, mcnsch.

Een nomen proprium is een naam, welke slechts aan een voorwerp van dezelfde soort eigen is. B.v. Bucephalus ^de naam van het bekende paard van Alexander den Groote), A t h ë n a e (de naam eener stad).

De substantiva worden ook verdeeld in nomina eoncrëta en abstracta.

Een nomen concretum is de naam van een zinnelijk waarneembare zaak of persoon. B.v. arbor, boom, senex, grijsaard.

Een nomen abstractum is de naam van een zaak, welke niet zinnelijk waarneembaar is. B.v. seneetus, ouderdom, corruptio, verleiding.

Vervolgens noemt men:

-ocr page 17-

Geslacht, Stam, Dcclinatics.

§ IO-II.

/

collectiva de substantiva, die een verzameling aanduiden van personen of zaken. B.v. e.xercitus, leger, grex, kudde.

patron ymïca de eigennamen, die een persoon aanduiden als iemands zoon, dochter of afstammeling. B.v. Peilde s, een zoon van rdeus.

gentilia de eigennamen, die de bewoners van een stad of land aanduiden. B.v. Atheniensis, een Athener.

deminutïva de woorden, die een verkleining te kennen geven. B.v. agellus, akkertje.

§ 10. De Latijnsche substantiva hebben drie geslachten of genera:

het m a n n e 1 ij k geslacht, genus mas c u 11 n u m. het vrouwelijk geslacht, genus feminïnum.

het onzijdig geslacht, genus neutrum.

Het getal of numerus is enkelvoudig of singularis en meervoudig of pluralis.

De verbuiging geschiedt in zes naamvallen of casus. Zij zijn: n o m i n a t ï v u s, de naamval van het onder w e r p.

g e n e t ï v u s, de naamval, die aanduidt v a n w i e n iets is.

d a t ï v u s, de naamval, dien wij aangeven door de voorzetsels aan of voor.

accusativus, de naamval van het voorwerp.

vocatïvus, de naamval, waarmede men iemand aanspreekt, ablatlvus, de naamval, dien wij aanduiden door de voorzetsels met of door.

Aanmerking. De nominativus en vocativus worden casus recti genoemd en de overige naamvallen casus oblïqui.

§ 11, Elk substantivum bestaat uit een gedeelte, dat stam en een gedeelte, dat uitgang genoemd wordt.

De stam is dat gedeelte, hetwelk overblijft, wanneer men den uitgang van den genetivus singularis wegneemt. B.v. pater, genetivus p a t r i s, stam p a t r.

Zonder in verdere bijzonderheden te treden wenschen wij echter op te merken, dat de uitgang, zooals deze zich thans vertoont, in vele gevallen met de laatste letter van den stam is verbonden of samengesmolten.

De naamvallen van een substantivum worden gevormd door achter den s t a m zekere uitgangen te voegen. Deze uitgangen zijn niet dezelfde voor alle woorden, maar worden tot vijf soorten teruggebracht. Hierdoor ontstaan vijf declinaties.

Om te weten volgens welke declinatie een substantivum verbogen wordt ziet men naar den uitgang van den genetivus singularis. Deze is in de

-ocr page 18-

8 Eer sic cTecliiiatie. % 12..

iste declinatie ae (es).

2de „ i.

3de « »s.

4lt;le „ US.

Slt;le ei. _

Alle declinaties hebben het volgende gemeen.

1°. De neutra hebben zoowel in het enkelvoud als in het meervoud den nominativus, accusativus en vocativus aan elkander gelijk en deze naamvallen gaan in het meervoud uit op a.

2°. Alle substantiva hebben in het meervoud den vocativus aan den nominativus enden ab la t i v u s aan den d at iv u s gelijk.

ala, f. vleugel. aqua, f. water. ara, f. altaar. barba, f. baard.

porta, f. poort. silva, f. bosch. stella, f. ster. testa, f. scherf.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE REGELMATIGE DECLINATIES.

De eerste declinatie.

§ 12. De Latijnsche woorden der eerste declinatie gaan in den nominativus singularis uit op a.

De uitgangen dezer declinatie zijn:

Singularis. Pluralis.

Nom. a Nom. ae

Gen. ae Gen. arum

Dat. ae Dat. is

A cc. am A cc. as.

Voc. a Voc. ae

Abl. a Abl. is

Voorbeeld van verbuiging.

Singularis. Pluralis.

Nom. mensa, de tafel. mensae, de tafels.

Gen. mensae, van de tajel. mensa rum, van de tafels.

Dat. mensae, aan of voor de tafel, mensis, aan of voor de tafels. Acc. mensam, de tafel. mensas, de tafels.

Voc. mensa, o tafel. mensae, o tafels.

Abl. mens a, met of door de tafel. \' mens i s, met of door dc tajels.

Voorbeelden ter oefening.

fortüna, f. geluk.

incöla, m., inwoner.

penna, ffiueiier.

poëta, m. dichter.

*

\\

-ocr page 19-

Eerste declinatie.

Aanmerking I. De vrouwelijke woorden dea, godin en filia, doclder hebben in den D a t. en A b 1, P1 u r. d e a b u s en i i 1 i a b u s, om hen te onderscheiden van de mannelijke woorden deus, god en filius, zoon, der tweede declinatie. Zoo de beteekenis van godinnen en dochters uit den samenhang duidelijk is, zegt men d i i s en filiis.

Aanmerking II. Het woord fa mil ia, huisgezin, heeft zcer dikwijls in den Gen. Sing den uitgang as, wanneer het voorafgegaan wordt door pater, vader, mater, moeder, filius of filia B.v. filia familias, de dochter des hnisgezins.

Aanmerking III. Bij dichters gaat de Gen. Sing, soms uit op ai. B.v. aula, het hof, a u 1 a i

§ 13. De Grieksche woorden der eerste declinatie gaan in den nominativus singularis uit op e, as, es

Voorbeelden van verbuiging.

i.

Singularis. Pluralis.

Nom. ode, het gezang. odae, de gezangen.

Gen. odes, van het gezang. odarum, van de. gezangen. Dat. od a e, aan of voor het gezang, odis, aan of voor de gezangen. Acc oden, het gezang. odas, de gezangen.

V o c. ode, o gezang. od a e, o gezangen.

A bi. ode, met of door het gezang, odis, met of door de gezangen.

2.

Nom. tiaras, de haarband tiarae, de haarbanden.

Gen. tiarae, van den haarband.^ tiararum, van de haarbanden. D a t. tiar a e, aan of voor den haar- tiar i s, aan of voor de haarband (banden. Acc. tiaran, den haarband. tiaras, de haarbanden.

V o c. tiar a, o haarband. tiar a e, o haarbanden.

Abl. tiara, met of door den haar- tiar is, met of door de haarband. (banden.

3-

Nom. satrap e s , de landvoogd. satrapac, de landvoogden.

G e n. satrap a e^van den landvoogd, satrap a r u m, v. de landvoogden.

Dat. satrapac, aan of voor den satrap is, aan of voor de land-

(landvoogd. (voogden.

Acc. satrapen, den landvoogd. satrapas, de landvoogden.

V o c. satrap e, o landvoogd. satrap a e, o landvoogden. Abl. satrap e, met of door den satrapis, niet of door de land-

landvoogd. {voogden.

9

-ocr page 20-

Tiueede dcc I viatic.

S 14 15/

IO

Voorbeelden ter oefening.

aloe, f. aloe. Lethe, f. (eigennaam), comêtes, m. staartster.

crambe, f. kool. boreas, m. noordemuind. dynastes, m, opperheer. epitome, f. uittreksel.Aeneas, m. (eigennaam) pyrites, m. vuursteen. isagöge, f. inleiding, anagnostes, m. ï^ö/\'A\'.CYT.Anehïses.m.(eigennaam).

Aanmerkingen. De namen van steden op e zooals Sinope hebben in den Gen. Sing, op de vraag waar den uitgang ae. B.v. S i n 5 p a e, te Sinope.

De woorden op as hebben dikwijls am in den Ace. Sing Vele Grieksche woorden op e en e s nemen zoowel in den nominativus als in de overige naamvallen de Latijnsche uitgangen aan.

De tweede declinatie.

$ 14. De Latijnsche woorden der tweede declinatie gaan in den nominativus singularis uit op er, i r, us, u m. De letters c r en ir behooren tot den stam van het woord. De woorden op um zijn onzijdig. De uitgangen dezer declinatie zijn: Singularis. Pluralis.

Masc. en Fem. Neutrum. Masc. en Fem. Neutrum.

Nom. er, ir, us, um Nom. i a

Gen. i Ge n. orum

Dat. o Da t. is

A cc. um A cc. os a

Voc. er, ir, e, um Voc. i a

Abl. o Abl. is

H 15. __ quot;Voorbeelden van verbuiging.

i.

Singularis. Pluralis.

Nom. puer, de knaap. v puëri, de knapen,.

Gen. puëri, van den knaap. puerörum, van de knapen. Dat. puër o, aan of voor den knaap, puër i s , aan of voor de knapen. A c c. puër u m, den knaap. puër o s, de knapen.

Voc. puer, o knaap. puëri, o knapen.

Abl. puër o, met of door den knaap, puër i s, met of door de knapen.

Aanmerking. Evenals puer worden ook verbogen: adulter, m. echtbreker. presbyter, m. priester.

gen er, m. schoonzoon. so eer, m. schoonvader.

Liber, m. (bijnaam van Bacchus) vesper, m. avond.

libëri, m. kinderen (enkel meerv.)

Celtiber en Iber, twee volksnamen, hebben ëri Mulcïber, bijnaam van Vulcanus, heeft Mulcibëri en Mulcïbri.

-ocr page 21-

S| 15. Tweede declinatie. 11

Alle overige substantiva op er der tweede declinatie stooten de c uit. Zij gaan naar het volgende voorbeeld.

Nom. ager, de akker. agr i, de akkers.

Gen. agri, van den akker. agrorum, van de akkers.

Dat. agro, aan of voor den akker, agris, aan of voor de akkers. A cc. agrum, den akker. agros, de akkers.

V o c. ager, o akker. agr i. o akkers.

A b 1. agr o, met of door den akker, agr i s, met of door de akkers.

2.

Nom. vir, de man. viri, de mannen

Gen. viri, van den man., vir5rum, van de mannen.

Dat. vir o, aan of voor den man. vir is, aan of voor de mannen. A c c. vir um , den man. vir o s, de mannen.

V o c. vir, o man. vir i, o mannen.

A b 1. vir o, met of door den man. vir i s, met of door de mannen.

Aanmerking. Volgens vir worden verbogen de substantiva, die samengesteld zijn met vir, zooals: decemvir, tienman, alsmede levir, zwager, en Trevir (volksnaam).

3-

Nom. popülus, het volk. popüli, de volken.

Gen. popüli, van het volk. populo rum, van de volken.

Dat. populo, aan of voor het volk. popülis, aan oi voor de volken.

Ace. popülum, het volk. popülos, de volken.

Voc-1 popülel o volk. popüli, o volken.

Abl. popül o, met oi door het volk. popülis, met oi door de volken

Aanmerking. De Latijnsche eigennamen op i us en jus, alsmede filius, zoon, en genius, besehermgeest, gaan in den Voc. Sing uit op i in plaats van op ie en je. Deze vocati-vus op i heeft den klemtoon altijd op de voorlaatste. B.v. Vir-gilius, Virgtli, Gajus, Gai, Pompëjus, Pompei, filius, fili. De Latijnsche eigennamen, die eigenlijk adjectiva zijn, zooals Pi us, alsmede de Grieksc-he eigennamen op lus, zooals Arïus, hebben den Voc. regelmatig, derhalve Pie, Arïe.

Deus, God, wordt aldus verbogen.

Nom. Deus. Dii, ook Di, zelden Dei.

G e n. Dei. DiSlaun.

Dat Deo. Diis, ook Dis, zelden Deis.

A cc. Deum Deos.

Voc. Deus. Dii, ook Di, zelden Dei.

Abl. Deo. v Diis, ook Dis, zelden Deis

-ocr page 22-

Tiucci/c dcc Una tic.

4-

Nom. bellum, dc oorlog. bell a, de oorlogen.

Gen. belli, van den oorlog. bellorum, van dc oorlogen.

Dat. bello, aan of voor den oorlog, bellis, aan of voor dc oorlogen.

A cc. bellum, den oorlog. bell a, de oorlogen.

V o c. bell u m , o oorlog. bell a, o oorlogen.

Abl. bello, met of door den oorlog, bell i s, met of door de oorlogen.

Aanmerking. De substantiva op ium en ius hebben in den Gen. Sing, soms i in plaats van ii. Ook hier valt de klemtoon altijd op de voorlaatste. B.v. consilium, constli, Appius, Appi.

Voorbeelden ter oefening.

auster, m. zuidenwind. genius, m. beschermgeest.

culter, m. vies. Horatius, m. (eigennaam),

faber, m. werkman. ocülus, m. oog.

gener, m schoonzoon. rusticus, m. boer.

liber, ra. bock. servus, m slaaf.

magister, m meester. ventus, m. wind

triumvir, m. drieman. donum, geschenk.

centumvir, m. honderdman. exemplum, voorbeeld.

annus, m. jaar. furtum, diefstal.

campus, m. veld. officium, pheht.

cibus, m spijs. pocülum, beker.

domïnus, m. heer. proelium, gevecht.

12

§ 16. De Grieksch e woorden der tweede declinatie gaan uit op eus, os, on De woorden op on zijn onzijdig

Voorbeelden van verbuiging.

Singularis.

N o m.

Pers eu s (eigennaam).diphthong os, twcc klank Xvxxc on,zvoorden-

Ge n.

Vers e i.

diphthong i

lexïc i. {boek.

Dat.

Pers e o.

diphthong o.

lexïc o.

A cc.

Pers e u m.

diphthong on.

lexïc o n.

Voc.

Perseu.

diphthong e

lexïc o n.

Abl.

Pers e o

diphthong o.

lexïc o.

Pluralis.

Nom.

Persei.

diphthong i.

lexica.

Gen.

Pers eo rum. diphthongorum.

lexicör um.

Dat.

Perseis.

diphthong is.

lexïc i s.

Acc.

Pers e o s.

diphthong os

lexïc a.

Voc.

Pers e i.

diphthong i.

lexïc a.

Abl.

Pers e i s.

diphthong i s.

lexïc is.

-ocr page 23-

§ 17—19- Derde declinatie. 13

Voorbeelden ter oefening.

Athreus, m. (eigennaam). Naxos, f (eigennaam).

Morpheus, m. ,, Samos, f. ,,

Orpheus, m. „ colon, plint.

Arctos, f. beer gesternte. iclolon, beeld.

Delos, f. (eigennaam). symposion , gastmaal.

§ 17. De Grieksche eigennamen op ens hebben in den A c c. Sin g. ook ea. B.v. Per sea.

! Sommige Grieksche eigennamen op os hebben in den Gen en Acc. Sing, somtijds o. B.v. Athos, Atho. Sommige Grieksche eigennamen op os hebben in den Gen en Acc. Sing, somtijds o. B.v. Athos, Atho.

De Grieksche eigennaam Pa nth us heeft in den Voc. Sing. Pant hu.

In den Gen. Plur. van oorspronkelijk Grieksche woorden vindt men soms bij titels van boeken den uitgang on. B.v. Libri georgicon, I hoclien cn\'er den landbouw.

§ 18. Sommige substantiva der eerste en tweede declinatie hebben in den Ge n. P1 ur. u m in plaats van a rum of or u m , en wel gewoonlijk :

i0. de namen van munten, maten en gewichten, zoo zij een telwoord bij zich hebben. B.v. duo milia sestertium (van sestertius, een geldstuk van 8 of 9 centen Nederlandsch); tria milia am-1) h ö r u m (van amphora, een Romeinsche inhoudsmaat van ongeveer een ton).v^oo deze substantiva geen telwoord bij zich hebben of zoo het telwoor^ niet dient om de hoeveelheid van het geld, de maat of het gewicht Ate bepalen, moet men den uitgang arum of or urn behouden. B.v. N o\' t a e d u o r u m h o r u m n u m m o r u m d i v e r s a e sunt, de \'■ stempels dezer twee geldstukken zijn verschillend.

20. eenige woorden en uitdrukkingen, zooals: praefectus socium, hoofd der bondgenooten, praefectus fabrum, hoofd der werklieden, duumvïrum, triumvïrum, dikwijls liberum, soms deum, zooals in de spreekwijze pro deum atque hominum fidem, bij der goden en menschen trow.u,

30. soms ook e i wel vooral bij dichters de namen van vreemde volken en de composita op cöla en gëna. B.v. Lapïthum, Arglvum, caelicölum, terrigënum.

Derde declinatie.

§ 19. De woorden der derde declinatie gaan in den nominativus singularis uit op een vocaal of op c, 1, n, r, s, t, x.

De stam der meeste woorden van deze declinatie kan alleen gevonden women door is van den Gen. Sing, weg te schrappen.\' B.v. leo, leeznu, genetivus 1 eon is, stam leon; carmen, gezang, genetivus car minis, stam car min; vox, .Samp;7;/, genetivus voc is, stam voc.

Om derhalve een substantivum van deze declinatie te kunnen verbuigen, moet men den Nom. en den Gen. kennen. Zoo men niet zeker weet, hoe deze beide casus zijn, raadplege men altijd zijn woordenboek.

-ocr page 24-

Derde declinatie.

% 19-

14

Dc uitgangen dezer declinatie zijn: Singular! s.

Masc. en Fem. Neutrum.

Pluralis.

Masc. en Fem. Neutrum.

N o m.

Gen.

Dat.

Acc.

Voc.

Abl.

es

u m i b u s

a a

es es

i b u s

verschillend. N o m.

is Ge n.

i Dat.

em =Nom. Acc.

= Nom. =:Nom. Voc.

e Abl.

Voorbeelden van verbuiging.

I. M a s c u 1 i n a en

F e m i n i n a.

Singularis.

N o m.

dolor, dc smart, comes, dc makker.

imago, het

Gen.

dolor i s.

comït i s.

imagïn i s.

Dat.

dolöri.

comït i.

imagïn i.

Acc.

dolor em.

comït e m.

imagïn e m.

Voc.

dolor.

comes.

imago.

Abl.

dolor c.

comït e.

imagïn e.

Pluralis.

N o m.

dolor es.

comït e s.

imagïn e s.

Gen.

dolor um.

comït u m.

imagïn u m.

Dat.

dolor ï b u s.

comitï b u s.

imagin ï b u;

Acc.

dolor e s.

comït e s.

imagïn e s.

Voc.

dolor e s.

comït e s.

imagïn e s.

Abl.

dolorïbu s.

comit ï b u s.

imagin ï b u

2. Neutra.

Singularis.

Nom.

carmen, het gezang. genus, het geslacht.

G e n.

carmïnis..

genër i s.

Dat.

carmin i.

genëri.

Acc.

carmen.

genus.

Voc.

carmen.

genus.

Abl.

carmïn e.

genër e.

Pluralis.

N o m.

carmïn a.

genër a.

Gen.

carmïn u m.

genër u m.

Dat.

carmin ï b u s.

generïbus.

Acc.

carmïn a.

genër a.

Voc.

carmïn a.

genër a.

Abl.

carmin ï bus.

generï b u s.

-ocr page 25-

Derde deelinatie.

§ 20—21.

15

Voorbeelden ter oefening.

actas, atis, f leeftijd. lex, legis, f. ter/1

agger, éris, m. dam. miles, ïtis, m. soldaat.

anser, éris, m. gans. muiier, ëris, f. vrome.

artïfex, icis, m. kunstenaar. natio, önis, f. volksstam.

cadaver, ëris, n. lijk. nepos, otis, m. kleinzoon.

caput, ïtis, n. hoofd. nux, nucis, f. noot.

corpus, öris, n lichaam. obses, ïdis, m. gijzelaar.

cuspis, idis, f. punt. ordo, ïnis, m. rij.

custos, ödis, m. wachter. pectus, oris, n. borst.

dux, ducis, m. aanvoerder. pondus, ëris, n. gewicht.

flumen , ïnis , n. rivier. sermo, onis, m. gesprek.

heres, ëdis, m. erfgenaam. tempus, öris, n. tijd.

lapis, ïdis, m. steen. rex, regis, m. koning.

latus, ëris, n. zijde. vigil, ïlis, m wachter.

lepus, öris, m. haas virgo, ïnis, f. maagd.

§ 20. In den Acc Sing, hebben im in plaats van e\'m: 1quot;. de namen van steden en rivieren en de Grieksche substantiva op is, die den Gen. gelijk hebben aan den Nom. B.v. Neapölis, N e a p ö 1 i m, Tibëris, T i b ë r i m, basis, grondslag, basim, poësis, dichtkunst, poësim.

2°. de volgende vrouwelijke substantiva, die insgelijks den Gen. i gelijk hebben aan den Nom.

altijd

a m u s s i s, richtsnoer. s i t i s, dorst.

b u r i s, ploegstaart. t u s s i s , hoest.

r a v i s, heeschhcid. vis, geweld.

Cucümis, m. kontkommer, heeft met den Gen. cucümis: cu-cümim, doch met den Gen. cucumëris: cue u me rem.

gewoonlijk

febris, koorts. rest is, strop.

pelvis, bekken. sec Oris, bijl.

puppis, achtersteven. turris, toren.

.

somtijds

b i p e n n i s, bijl. sn a v i s, schip.

* c 1 a v i s, sleutel. n e p t i s, kleindochter.

J m e s s i s, oogst. s e m e 111 i s, zaaiing.

§ 21. In den A b 1. Sin g. hebben i in plaats van e: *

r. de substantiva, die in den Acc. Sing, im hebben. B.v.

-ocr page 26-

i6 Derde declinatie. % 22.

Ncapöli, pocsi, siti. Die met im en em hebben i en e en wel in dezelfde verhouding. Restis echter heeft alleen res te, en sec Or is alleen secOri.

2quot; de neutra op e, al, ar. B.v. mare, zee, marjC vectïgal, belasting. vectigali, calcar, spoor, calcari. Hiervan zijn uitgezonderd :

sal, salis, zont, geestigheid baccar, aris, wilde nardus.

(in sing. m. en n. in plur. m.) j u b a r, aris, glans.

far, farris, meel. hep ar, atis, lever.

nectar, aris, nectar.

alsmede de namen van steden op e, zooals Praeneste en rete, net

30. de namen der maanden op er en is. B.v. Aprïlis, Apr 1 li, September, Septembri.

40. de appellativa op is, die oorspronkelijk adjectiva zijn, zooals aequalis, tijdgenoot, aequali. Maar de eigennamen op is, alsmede juvënis, jongeling, en gewoonlijk ook volücris, vogel en aedïlis, aedicl, hebben e. B.v. Martialis, Martiale, Atheniensis, Athener, Atheniense,

50. Imber, slagregen, heeft imbre en imbri. Ook vindt men den A bl. op i in de volgende spreekwijzen: alio ui aqua et igni in ter-die ere, iemand het gebruik van water en vuur ontzeggen, in ballingschap zenden; ferro ignïque, te vuur en te zwaard; r\\\\r\\,op het land; vespere en vesperi, des avonds; temperi, bij tijds; luce en luci,\' op den dag; ten laatste somtijds bij sommige namen van steden op de vraag waar, zooals: Lacedaemöni, Carthagini, en bij enkele parisy 11 a ba op is, zooals: amnis, avis, civis.

§ 22. In den Gen. Plur. hebben ium in plaats van um;

in. de neutra op e, al, ar, die in den Abl. Sing, i hebben. Deze woorden gaan in den Nongt;~Acc. en Voc. Plur. uit op ia in plaats van op a. B v. m a r i u m, m a r i a. Evenzoo r e t i u m , r e t i a.

2°. de parisyllaba (woorden, die in den Gen Sing, evenveel lettergrepen hebben als in den Nom.) op es en is. B.v turns, turrium, aequalis, aequa-Hum, nubes, wolk, nubium. ^

Uitgezonderd zijn de volgende substantiva, die altijd um hebben: (ambages), f. omweg. Vgl. § 34 3quot;. strues, f. stapel.

ca nis, m. hond. vates, m. waarzegger.

juvënis, m. jongeling. volücris, f. vogel.

Apis, f. bij, mensis, m. maand, panis, m. brood en sedes, f. zitplaats, hebben um en ium.

-ocr page 27-

Derde declinatie.

22. I ^ 22.

17

e en ste.

igal,

uit-

: en

rïli,

zijn, 1 op ris, ile,

bedrog,

muris, m.

den ter-ling-ivd ; ,ici, 3 de kele

oen. 3 ia tia. ^en-tur-

ten:

es,

Daarentegen hebben lynx, losch, 1 i 11 c u m, s p h i n x, sphinx, sphingum, gry^s, grijpvogel, gryphum. Vgl. over ops §24.

5quot;. gewoonlijk de twee- en meerlettergrepige substantiva op ns en rs en de Latijnsche op nx. B.v. cliens, beschermeling, clientium, cohors (een legerafdeeling), cohortium, quincunx, - * (een gewicht van vijf Romeinsche onsen), q u i n c u n c i u m. Doch p a-. r e n s, dat in het enkelvoud vader of moeder en in het meervoud , onders beteekent, heeft meermalen parentum.

6quot;. de volksnamen op as, a t i s en is, ï t i s, zooals: Arpïnas, Arpinatium, Samnis, Samnitium en gewoonlijk ook de meer-

ivoudige substantiva pen at es,voudige substantiva pen at es, huisgoden en op ti mates, aanzienlijken.

De appellativa op tas hebben soms ium. B.v. civitas, civi-t a t u m, soms c i v i t a, t ■\' u m

3quot;. de woorden:

caro, carnis, f. vleeseh 11 ter, tris, m. lederen sak.

limber, bris, m. slagregen. venter, tris, m. bnik.

11 i n t e r, tris, f. boot.

4°. de monosyllaba (woorden van één lettergreep) die op twee of drie consonanten uitgaan. B.v. mons, berg, mon-tium, stirps, stavi, stirpium, alsmede de volgende monosyllaba, die op één consonant uitgaan:

as, assis, m. as (muntstuk). nix, nivis, f. sneeuw.

(fa u x) fauces, f. keel. Vgl. § 34. 3°. n o x, noctis, f. nacht.

glis, gliris, m. rat. os, ossis, n. heen.

lis, litis, f. twist. par, paris, w. paar.

mas, maris, m. mannetje. strix, strigis, f. nachtraaf.

Voorbeelden van verbuiging.

Neutra op Cy al, ar. § 21. 20, § 22. i».

Singularis.

Nom. altare, het altaar. cervical, het hoofdkussen, cochlear, de lepel.

Gen. altaris cervicalis. cochlearis.

Dat altari. cervicali. cochleari.

A cc. altare. cervical. cochlear.

V o c. altare. cervical. cochlear.

Abl. altari. cervicali. cochleari.

en gewoonlijk ook fraus, fraudis, f. vinis en lar, laris, m. huisgod.

4e druk.

-ocr page 28-

Derde declinatie.

S 22.

18

Pluralis. Nom. altaria. cervicalia.

Gen. altarium. cervicalium.

D a t. altarïbus. cervicalïbus.

A cc. alt ar ia. cervicalia.

Voc. altaria. cervicalia.

Abl. altarïbus. cervicalïbus.

Verschillende woorden op i s.

c o c h 1 e a r i a. c o c h 1 e a r i u m. cochlearïbus. cochlearia. c o c h 1 e a r i a. cochlearïbus.

Singularis

N om.

turris, de toren.

^ .......

sodalis, de makker.

Gen.

turris.

sodalis.

Dat.

turri.

sodali.

A cc.

turri m. § 20. 2°.

sodalem.

Voc.

turris.

sodalis.

Abl.

turri. § 2i. 1°.

sodali. § 2i. 4quot;.

Pluralis.

N o m.

turres.

sodales.

G e n.

turrium. §22. 2quot;

\'. sodalium. § 22. 2n.

Dat.

turrïbus.

sodalïbus.

A cc.

turres.

sodales.

Voc.

turres.

sodales.

Abl.

turrïbus.

sodalïbus.

Verdere uitzonderingen.

avis, de vogel.

avis.

avi,

avem.

avis.

ave.

aves.

avium, § 22. 2°.

avïbus.

aves.

aves.

avïbus.


Singularis.

N 0 m.

urbs, de stad.

caedes, de moord.

Gen.

urbis.

caedis.

Dat.

urbi.

caedi.

A cc.

urbem.

caedem.

Voc.

urbs.

caedes.

Abl.

urbe.

caede.

P1 u r a 1 i s.

N 0 m.

urbes.

caedes.

G e n.

urbium. § 22. 4quot;.

caedium. § 22. 2quot;,

Dat.

urbïbus.

caedïbus.

A cc.

urbes.

caedes.

Voc.

urbes.

caedes.

Abl.

urbïbus.

caedïbus.

Voorbeelden ter oefening.

ars, artis, f. kunst. familiaris, m

caro, carnis, f. vleesch. felis, f. kat.

serpens, de slang.

serpentis.

serpenti.

serpen tem.

serpens.

serpente.

serpentes.

se\'rpentium§22

serpentïbus. (5°.

serpentes.

serpentes.

serpentïbus.

(oorspr. adj.) kennis.


-ocr page 29-

Derde dcelinatie.

§ 23—25.

19

Charybdis, f. (gr. eigennaam) fons, fontis , m. bron.

cinis, eris , m. asc/i. fraus, fraudis, f. bedrog.

December, bris, m. December, juvenis, m. jongeling.

fames, f. honger. laquear, n. zoldering.

mare, 11 zee. senex, senis, m grijsaard.

monïle, n. halsband. sors , sortis , f. lot

mos, moris, m. gebruik. tigris, is, m. (gr. subst.) tijger.

natalis^.foorspr.adj.^\'AwAv/rtg-. tigris, ïdis, m. (gr. subst.) tijger.

os, oris , n. mond. Tigris, is, m. (eigennaam).

os, ossis, n. been tribunal, n. rechterstoel.

quies, ëtis, f. rust. vas, vadis, m. borg.

Quiris , ïtis, m. (volksnaam) vectïgal, n. belasting.

securis, f. bijl. voluntas , atis, f. zvil.

§ 23. De G r i e k s c li e en vreemde eigennamen op e s, G e n. i s hebben, zoo zij parisyllaba zijn, dikwijls ook i in den Gen. Sing. B.v. Themistocles, Themistoclis en Themistocli.

Pe Grieksche woorden op ma, zooals poëma, gedicht, hebben in den Dat. en Abl. Plur. gewoonlijk is in plaats van ibus. 11.v. poema t i s.

Sommige substantiva, die in den Gen. Plur. uitgaan op ium, hebben soms in den Ace. Plur. den uitgang is, en geheel verouderd eis (uit te spreken is). B.v. artis, kunsten, civis (civeis), burgers.

De onzijdige namen van feesten, die enkel in het meervoud voorkomen, hebben in plaats van ium ook iorum in den Gen. Plur. B.v. Saturnalia, Saturn alium en Saturnaliorum.

§ 24. J uppïter heeft Gen. Jovis, Dat. Jovi, Ace. Jovem, Abl. Jove.

Bos, rund, Gen bovis, gaat in het enkelvoud regelmatig, maar in het meervoud: Nom. Acc. en Voc. boves. Gen. boum. Dat en Abl. bubus, soms bobus.

Sus, zwijn, Gen. suis, gaat regelmatig, doch heeft in den Dat. en Abl. Plur. liever sub us dan suïbus.

Van vis, dat in hot enkelvoud geweld, en in het meervoud krachten beteekent. bestaat in het enkelvoud behalve den Nom. slechts de Acc. vim én de Abl. vi. In het meervoud is de Nom. Act. en Voc. vires, de Gen. virium, de Dat. en Abl vinbus

Van ops, dat in het enkelvoud ludp, en in het meervoud schatten beteekent, bestaat in het enkelvoud slechts de Gen. opis, de Acc. opem, en de Abl. ope. In het meervoud gaat het regelmatig behalve in den Gen. opum.

§ 25. Grieksohe uitgangen.

Verschillende Grieksche woorden worden vooral bij dichters in sommige naamvallen op Grieksche wijze gedeclineerd. Zoo komen voor;

-ocr page 30-

2o Vierde declinatie. § 26.

i0. de Gen. Sing, op os. B.v. Peleus, Peleos. In proza gebruikt men dezen uitgang gewoonlijk bij Pan (de herdersgod), Panos.

De fenilnina op o zooals: echo, echo, Calypso, hebben gewoonlijk in den Gen. us. B.v. echus, Calypsus. Meestal blijven zij in de overige casus onverbogen.

20. de Acc. Sing, op a. B.v. heros, held, her5a, Agamemnon, Agamemnöna. In proza gebruike men dezen vorm slechts bij aër, lucht, aether, bovenlucht en Pan

de Acc. Sing, op in, yn, en. B.v. Tigrin, Halyn, Xerxen. De Latijnsche uitgang is echter verreweg de verkieslijkste.

30. De Voc. Sing, der Grieksche eigennamen op is, ys, eus wordt gevormd door wegwerping der s. B.v. Daphnis, Daphni, Tiphys, Ti-phy, Orpheus, Orpheu. Die op is, id is hebben den Voc. dikwijls gelijk aan den Nom. B.v. Thai en Thais.

Van de mannelijke eigennamen op as, antis gaat de Voc. uit op a. B.v. Calchas, Calcha.

De eigennamen op es hebben es of e. B.v, Achilles en Achille.

40. De neutra op os hebben in den Nom. en Acc. Plur. den uitgang e. B.v. cetos (een groote zeevisch), cete.

5°. Bij opschriften van boeken komt ook in deze declinatie soms de Gen. Plur. op on voor. B.v. metamorphoseon.

6°. Soms komt bij dichters de D a t. P1 u r. op s i of s i n voor. B.v. Lemniides, Lemnidsi, Troas, Troamp;sin.

70. Meermalen en somtijds zelfs bij goede prozaschrijvers hebben de ongelijklettergrepige Grieksche woorden den Acc. Plur. op as. B.v. phalanx, coloiine, phalangas, Aethiops, Aethiöpas.

De vierde declinatie.

§ 26. Do woorden dezer declinatie gaan uit op u s en u; die op u zijn onzijdig.

De uitgangen zijn:

Singularis. Pluralis.

Masc.

en F

em. Neutrum.

M. en F.

N.

N 0 m.

u s

u

N 0 m. u s

ua

Gen.

us

Gen.

u u m

Dat.

u i

u

Dat.

i b u s

Acc.

u m

u

Acc. us

u a

Voc.

us

u

Voc. us

ua

Abl.

u

Abl.

ibus

Voorbeelden van verbuiging.

Singularis.

Nom.

fruct us, de

vrucht. corn u, de hoorn.

Gen.

fruct u s.

corn u s.

Dat.

fruct u i.

corn u.

Acc.

fruct u m.

corn u.

Voc.

fruct u s.

corn u.

Abl.

fruct u.

corn u.

-ocr page 31-

§ 2/—28. Vijfde dcciinatie 21

Pluralis.

N o m. fruct u s. corn u a.

G e n. fruct u u m. com u u m.

Dat. fruct ï b u s. corn ï b u s.

A c c. fruct u s. corn u a.

Voc. fruct us. corn ua.

Abl. fructïbus. cornïbus.

Voorbeelden ter oefening.

J anus, f. oude vrouzv. porticus , \\ galerij.

■| cantus, m. gezang. socrus, f. \\jioonvweder.

currus, m, xvagen. transïtus, m. overtocht.

exereïtus, m. leger. usus, m. gebruik.

I genu, n. knie. versus, m. vers.

inurus, f.nurus, f. schoondoeliter. vultus, m. gelaat.

§ 27. De volgende woorden hebben in den Dat. en Abl. P1 u r. u b u s in plaats van i b u s: \'

Ia c u s, f.a c u s, f. naald. p e c u . -rï. vee.

arcus, m. boog. quercus, f. eik.

a r t u s, xw.gewricht. Vgl. § 34.30.s p e c u s, m. hol.

I lacus, m. meer. tribus, f. volksstam.

partus, m. geboorte. veru, n. braadspit.

•f

Tortus, haven, heeft u b u s en i b u s. i

Aanmerking I. Domus, huis, wordt aldus verbogen:.

Singularis. Pluralis.

N o m. domus. domus.

G c n. domus, (d o m i, te /mis.) domuum of domörum.

Dat. domui, zelden domo. domïbus.

Acc. domum. domos, soms domus.

Voc. domus. domus.

Abl. domo, zelden domu. domïbus.

Aanmerking II. Bij sommige woorden vindt men soms den Gen. Sing, op i in plaats van op us. B.v. senatus, scnati, en

den Dat. Sing, op u in plaats van op ui. B.v. equitatus, ruiterij, equitatu.

De neutra hebben somtijds in den Gen. Sing, u in plaats van us.

De vijfde declinatie. w

§ 28. De woorden dezer declinatie gaan uit op es. De uitgangen zijn:

-ocr page 32-

Vijfde declinatie.

% 29—30.

22

Singularis. Pluralis.

Nom. es es

Gen. ei e r u m

Dat. ei ebus

Ace. e m es

Voc. es es

A b 1. e ebus

Voorbeeld van verbuiging.

S i n g u 1

laris.

Pluralis.

N 0 m.

dies, de

dag.

dies.

Gen.

diëi.% ■

di ë r u m.

Dat.

di ë4.

di ë b u s.

A cc.

di em.

di e s.

Voc.

di es.

dies. j

Abl.

di e.

di ë b u s.

§ 29. Slechts dies en res, zaak, hebben een volledig meervoud; van acies, slagorde, effigies, beeltenis, facies, gelaat, series, reeks en s p e s, hoop, komen bij goede prozaschrijvers in het meervoud slechts de Nom. Acc. en Voc. voor. Van de overige woorden dezer declinatie zooals meridies, middaggla-cies, ijs, bestaat geen meervoud. Deze woorden dienen tevens tot voorbeelden van verbuiging.

Aanmerking. In plaats van op ei gaat de Gen. Sing. soms uit op e of op i. De Dat. Sing. gaat soms uit op e.

§ 30. Quantiteit van de paennltima der uitgangen van de vijf declinaties.

lquot;. De voorlaatste lettergreep der dativi en ablativi op ïbus en übus is kort. B.v. legïbus, quereübus; op abus en êbus lang. B.v. fi li abus, diëbus.

2°. De voorlaatste lettergreep der genetivi op arum, 5 r u m, ërum is lang. B.v. mensarum, puerörum, dié rum.

30. Van den uitgang ei der vijfde declinatie is de e lang, zoo er vóór e een vocaal staat. B.v. diëi; doch kort, zoo er vóór e een consonant staat. B.v. fidëi.

4°. De vocativi op ai en ëi van de eigennamen der tweede declinatie op a j u s en e j u s hebben de voorlaatste lettergreep lang. B.v. G a i, P o m p ë i.

-ocr page 33-

Onregelmatige declinatie.

§ 31—33.

23

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVEE DE ONEEamp;ELMATIGE DECLINATIE.

§ 31. Samengestelds declinatie.

Wanneer een substantivum samengesteld is uit twee woorden, die beiden inden N om. staan, worden beide woorden gedeclineerd. B.v. respublïca, gemeencbest, Gen. reipublïcae. Dat. rei-publïcae, enz.; j usj u rand u m, eed, Gen. j urisj urandi, Dat. jurijurando, enz. Vgl. § 148.

Zoo een substantivum samengesteld is uit twee woorden, waarvan het eene in den N o m. en het andere in den G e n. staat, wordt alleen het woord in den Nom. gedeclineerd. B.v. jurisconsult us, rechtsgeleerde, Gen. juris consul ti, Dat. juris-consulto, enz. Evenzoo senatusco ns u 11 u m, raadsbesluit, ple-biscltum, volksbesluit.

§ 32. Substantiva indeclinabilia.

Tot de substantiva, die niet verbogen kunnen worden, be-hooren:

1quot;. de namen der letters, sommige vree m d e woorden, zooals: m a n n a en vele G ri ek s ch e woorden op i en y. B.v. g u m m i, gom, asty, de stad (Athene). Van deze woorden bestaan echter meermalen verbuigbare bijvormen, zooals van gummi: gum en, ïnis, gumma, atis, gummis, is.

2quot;. vele vreemde, vooral Hebreeuwsche eigennamen, zooals: J udith, Bethleëm. Die eigennamen, welke een La tij n-schen of Griekschen uitgang hebben, zooals Marïa, Joannes, Judas worden naar de eerste of derde declinatie verbogen.

Soms nemen vreemde eigennamen met onverbuigbaren uitgang een Latijnschen uitgang aan en kunnen dan verbogen worden. B.v. Abrahamus, Judïtha. David, Daniel en Gabriel blijven in den Nom. gewoonlijk onveranderd en worden verder regelmatig naar de derde declinatie verbogen. B.v. Gen. Davïdis, Daniëlis, Ga brie lis. Jesus heeft in den Acc. Jesum, in de overige naamvallen J e s u.

§ 33i Singularia tantum.

Tot de substantiva, die slechts in het enkelvoud voorkomen, behooren

i0. de namen van afgetrokken denkbeelden, die slechts enkel: voudig gedacht worden, zooals de namen van deugden, ondeugden, wetenschappen. B.v. sapient ia, wijsheid, pudor, schaamte

-ocr page 34-

Pluralia tantum.

% 34-

24

Men gebruikt echter in het Latijn de nomina abstracta in het meervoud:

a. wanneer het aangeduide denkbeeld op meerdere personen betrekking heeft. B.v. Cornelius Nepos vitas mul to rum illustrium imperatorum descripsit, Cornelius Nepos heeft het leven van vele aanzienlijke veldheer en beschreven. Incurres in odia hominum,

zult den haat der inenschen beloopen. Inimicitiae acerbissimae erant inter Romanos et Carthaginienses, er bestond een zeer hevige vijandschap tusschen de Romeinen en de Carthagers.

Dichters zetten soms voor de deftigheid een meervoud, al wordt er maar van één enkele zaak gesproken. Men noemt dit een pluralis majestaticus. B.v Rector Olympi non agat hos currus, (den zonnewagen).

b. wanneer men verschillende soorten of uitingen van een afgetrokken denkbeeld wil aanduiden, B.v. somnus et qnietes cetërae, de slaap en de overige soorten van rust; timiditates, uitingen van vrees; irae, uitvallen van toorn; am ores, liefdesbetuigingen; mortes, sterfgevallen.

2°. de stofnamen, zooals: au rum, goud, nix, sneeuw. Men gebruikt echter het meervoud om de stofsoorten uitte drukken of de voorwerpen, die uit zekere stof vervaardigd zijn. B.v. sales, ver-schillende zouten ; 1 i g n a, houtsoorten ; a e r a, koperen instrumenten / c e r a e, wassen beelden ; 1 a r d a, zijden gerookt spek.

Als stofnamen worden ook beschouwd de namen van tuin- en veldvruchten en der voortbrengselen van akkerbouw en veeteelt, wanneer men namelijk aan de geheele soort denkt. B.v. Hae villae abundant porco, hae do, agno, gallina, deze landgoederen zijn rijk aan varkens, bokken, lammeren en kippen. Catinus eieëris, een schotel erwten.

3°. de nomina propria, tenzij men daardoor meerdere personen wil aanduiden, die den zelfden naam dragen of die zekere gelijkenis met een bepaalden persoon hebben. B.v Tres Scipiönes, de drie Scipws. Cicerones, redenaars als Cicero.

4°. verschillende op zich zeiven staande woorden, zooals; album, register, apparatus, toebereidselen, f a m a, gerucht {afzonderlijke geruchten heeten rum or es), justitium, de vacantiedagen bij het gerecht, 1 etum, dood, mundus, kaptafelgereedschap, specimen, proef, stalen, su pel lex, huisraad, ver, lente, vesper of vespëra, avond, vestis, kleeding (de afzonderlijke kleedingstukken heeten vestimenta).

5°. Meermalen staan ook algemeene benamingen van militairen in het enkelvoud in plaats van in het meervoud. B.v. miles, eques, pedes, hostis.

Aanmerkingen. De benamingen van het 1 i c h a a m en de 1 i c h a a m s-deelen, die in het Nederlandsch gewoonlijk in het enkelvoud gebruikt worden, zetten de Latijnen gaarne in het meervoud, wanneer zij op meer dan één persoon betrekking hebben. B.v. Mi lit es terga dant, corpora curant. Men vindt echter bij de beste schrijvers ook het enkelvoud. B.v, Animadvertit Sequanos capite demisso terram intueri.

§ 34. Pluralia tantum.

Tot de substantiva, die alleen of gewoonlijk in het meervoud voorkomen , behooren:

-ocr page 35-

Plnralia tantum.

§ 34-

25

i0. verschillende namen van personen, waarbij de Latijnen zoowel als de Nederlanders aan een veelvoud denken. B.v. caelïtes, de hemelingen, excubiae, wacht, ge mini, tweelingen, infëri, de bewoners der onderwereld, libëri, kinderen, lemüres, spoken, majöres, vooronders, m a n e s , de schimmen der afgestorvenen , o p t i m a t e s, amp; aanzienlijken, pen at es, huisgoden, postëri, nakomelingen, prim ores, de aanzienlijken, proeëres, de aanzienlijken, s u p ë r i, de bewoners der bovenwereld.

20. de namen van bepaalde dagen, zooals: Kalendae, c/t\' der maand, Nonae, de 5de of •yde dag der maand. Id us, de i3cle of 15de dag der maand, nundïnae, marktdag, feriae, vacatitie; de namen van feesten en feestelijke spelen, zooals: Bacchanalia, het feest van Bacchus, na tali t ia, verjaarfeest, sponsalia, verlovings-inaal; verschillende namen van volken, eilandengroepen, gebergten, steden, zooals: Aborigines, Baleares, Alpes, Athënae.

30. verschillende namen van samengestelde zaken, wier samenstellende deelen de Latijnen zich of niet voorstelden of met andere woorden aanduidden. Het begrip van vele dezer woorden drukken ook wij in het meervoud uit. De voornaamste dezer woorden zijn: altaria, «/Azar, ambages, omweg_, angustiae, bergpas, argutiae, spitsvondigheid, a r m a , wapenen, armamenta, scheepstuig, artus, gewrichten ;• b a 1-neae, badhuis, bellaria, dessert, bigae, tweespan, blanditiae, liefkoozingen , c a n c e 11 i, traliewerk , c a n i, grijze haren, c a s s e s, ja-gerstiet, cervices, nek, clathri, traliën, c.\\\\\\.Q:\\\\a.Q., pakzadel, co-dicilli, briefje, compëdes, voetkluister, crepundia, speelgoed, cunabüla, wieg, cunae, wieg, deliciae, vermaak, dirae, vloek, divitiae, rijkdom, exta, ingewanden, exsequiae, begrafenis, exuviae, buitgemaakte wapenen, facetiae, aardigheden, fauces, keel, fasti, kalender, almanak, fides, lier, fores, dubbele deur, fori, rijen banken, foria, uitwerpselen, grates, dankbetuiging, ilia, onderlijf, illecëbrae, verleiding, in cunabüla, wieg, indutiae, wapenstilstand, in du viae, kleederen, ineptiae, zotteklap, inferiae, lijkoffer , i n si d i a e, hinderlaag, i n t e s t ï n a, ingewanden, j u s t a, lijk-plechtigheden, loculi, kistje, lustra, het leger van wilde dieren, manubiae, buit, minae, bedreigingen, m oen ia, stadsmuur, nugae, beuzelingen, parietïnae, ruitte, phalërae, paardentuig, praecor-d i a middenrif, praestigiae, goochelarij, p r e c e s , gebed, primitiae, eerstelingen, pugillares, schrijftafel, quadrigae, vierspan, quis-quiliae, on tuig, reliquiae, overblijfselen, renes, nieren, salinae, zoutgroeven, s c a 1 a e, trap, s c o p a e . bezem, s c r u t a, rommel s e n t e s, doornstruiken, s e r t a, krans, s o r d e s, morsigheid, s p o 1 i a, buit, tenëbrae, duisternis, thermae, luarme baden, tormina, kramp in het lijf, \\.x\\ca.lt;i, potsen, utensilia, gereedschap, valvae, vleugeldeur, vepres, doornstruiken, verbëra, geeselslagen, vindiciae, rechtvaardiging, virgulta, houtgewas.

4(). eenige woorden, die in het meervoud eene van het enkelvoud afwijkende beteekenis hebben :

Singularis. Pluralis.

aedes, tempel. aedes, tempels, huis.

aqua, water. aquae, wateren, gezondheidsbron.

au x ilium, hulp. auxilia, hulpmiddelen, hulptroepen.

-ocr page 36-

Dcfcctiva casibus.

carcer, kerker. carcëres, sluitboom der renbaan.

c a s t r u m, kasteel. c a s t r a, legerplaats.

comitium, vergaderplaats van het comitia, volksvergadering.

Romeinsche volk op het forum.

copia, voorraad., overvloed. copiae, troepen.

cupedia, snoepachtigheid. cupediae, lekkernijen.

e p ü 1 u m, openbaar feestmaal. e p ü 1 a e, gerechten.

facultas, geschiktheid. facilitates, (tijdelijk) vermogen.

finis, grens. fines, grenzen, grondgebied.

fortüna, geluk. fortünae, (tijdelijk) vermogen.

gratia, dankbaarheid. gratiae, dankbetuiging.

hortus, tuin. li o r t i, tuinen, buitenplaats.

impediment u m, beletsel. i m p e d i m e n t a, beletselen, bagage.

1 i11ëra, letter. li11ërae, letters, brief, letterkunde.

1 u d u s , spel. 1 u d i, spelen, openbaar schouwspel.

naris, neusgat. nares, neus.

n a t a 1 i s , geboortedag. n a t a 1 e s, afkomst.

o p ë r a . moeite. o p ë r a e, \'werklieden.

(ops), hulp Vgl. §24. o pes, schatten [speelt).

pars, deel. partes, deelen, partij, rol {die men

rostrum, snavel, scheepssneb. rostra, het spreekgestoelte op het

tabüla, plank. t a b ü 1 a e, rekeningboeken. [forum.

tempus, tijd. t e m p ö r a, slapen aan het hoofd.

§ 35. Defectiva casibus.

Tot de substantiva, die één of meer casus missen, behooren:

i0. sommige substantiva. waarvan de Nom. Sing, ontbreekt. B.v. (daps), da pis, spijs, (dicio) , die ion is, heerschappij, (frux), frugis, veldvrucht, (internecio), internecionis, ondergang, (pollis), poll iris, fijn meel. Van vicis (Gen.), beurt, afwissedng, ontbreekt behalve den Nom. ook de Dat. Sing, en de Gen. Plur.

20. verschillende woorden, die slechts in den Nom. en Acc voorkomen, namelijk: de Griekse he neutra op os en es in het enkelvoud en op e in het meervoud, zooals: cacoëthes, kwaadaardige ziekte, cc tos, (een groote zeevisch) Tempe, (dal in Thessalië); vervolgens het meervoud van sommige monosyllaba, als: nee es, verschillende soorten van een geweldigen dood, tura, wierookkorrels; eindelijk de woorden fas goddelijk recht, nefas, onrecht, nihil niets (voor de ontbrekende casus van nihil gebruikt men nulla res), ins tar, evenóeeld, vorm, voorkomen. T5 v. Navis urbis insta]; habere videtur. Bijzonder wordt dit woord gebruikt in de beteekenis van als, zooveel als, zoogoed als, doch slechts in verbindingen , waarin het als N o m. of A c c. te verklaren is B v. Achlvi equum montis instar aedificave-runt. Plato mihi unus est instar omnium philosophorum. Men zegge niet: ad instar.

30 verschillende substantiva, die slechts in bepaalde verbindingen voorkomen, zooals: dicis causa, in schijn, ad incttas redigëre, tot het uiterste brengen, infitias ire, loochenen, venum dare, verkoopen, venum ire, verkocht worden, pessum dare, te gronde helpen, pes-sum ire, te gronde gaan, spon te, vrijwillig, dat gewoonlijk slechts in den Abl. en wel in verbinding met een pronomen possessivum

26

-ocr page 37-

Ahundantia.

voorkomt. B.v. Vidua se pcjerasse sua spontc profess a est, de weduwe bekende vrijwillig dat zij een valschcn eed had gedaan.

Ook verdient nog genoemd te worden het substantivum m a n e, ochtend, dat slechts in den Nom. Acc. en Abl. Sing, voorkomt, en nemo, niemand, dat slechts in den Nom. Dat. en Acc. Sing, mag gebruikt worden. In plaats van nemïnis zegt men nullius en in plaats van nemïne nullo.

§ 36. Abundantia,

Tot de substantiva, die verschillende vormen van volkomen gelijke beteekenis hebben, behooren :

i0. de heteroclïta of substantiva, die met denzelfden of met een verschillenden nominativus op verschillende wijze verbogen worden. B.v. elephantus, i elephas, antis (slechts in den N om.

gebruikelijk), olifant.

femur , ö r i s. femen, 1 n i s (niet in den N o m.), dij.

juventus, ütis. juventa, ae (dichterlijk), jeugd.

requies, êtis. requies, ei (slechts in den Acc. en

Abl. requiem, requie), rust. vas, vasis (in het meervoud niet vasum, i (in het enkelvoud niet ge-

gebruikelijk) bniikelijk), vat.

Verder verschillende substantiva, die naar de iste en 5^e decli\'rtatie gaan, zooals: barb aria en barbaries, ruwheid, luxuriaen luxuries, weelderigheid, materia en materies, stof. Gewoonlijk worden van de vormen der 5de declinatie slechts de Nom. Acc. en Abl Sing gebruikt.

20. de heterogene a of substantiva, die een verschillend geslacht hebben. B.v. bacülum, n. en bacülus, m. stok, commentarius, m. en commentarium, n. geschrift, cubitus, m. en cubïtum, n. (bijzonder als maat), elleboog.

De volgende woorden hebben in het m e e r v o u d een ander geslacht dan in het enkelvoud:

carbisus, i, f. lijnwaad. Plur. carbasa, n.

caelum, i, n hemel. „ caeli, m

frenum, i, n gebit. „ freni, m en frena, n.

jocus, i, m. scherts. „ joci, m en joca, n.

locus, i, m plaats. „ loei, m.plaatsen in boeken en

oorden-, loca, n. alleen oorden. ostrea, ae, f oester. „ ostreae, f en ostrea, n

rastrum, i, n. hark. ,, rastri, m. en rastra, n.

sibïlus, i, m. gesis, ,, siblii,m. en dichterl ijk ook

sibïla, n.

tartS,rus, i, m. onderwereld. „ tartara, n.

tonïtrus, us, m. donder. „ tonitrua, n.

3quot;. sommige woorden, die heteroclita en heterogenea te gelijk zijn B v.

alimonia, a e, f. en alimonium, i, n. voeding.

cingüla, ae, f. en cingülum, i, n. gordel.

contagium, i, n. en contagio, onis, f. besmetting.

menda, ae, f. en mendum, i, n schrijffout.

27

-ocr page 38-

Geslaclitsrcgcls.

% 37—38.

2.S

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE GESLACHTSEEGELS.

Algemeens regels.

§ 37. Mannelijk zijn de namen van mannen, volken, maanden, rivieren, bergen en winden. B.v. poeta, dichter, P e r s a, ccn Pers, J a 11 u a r i u s, Januari, G a r u m n a, de Garonne, Atlas, het Atlasgebergte, aquïlo, noordenwind.

Uitzonderingen. Vrouwelijk zijn opërae, werklieden, vigi-liae en excubiae, icacht, copiae, troepen, verder Styx en Lethe, twee rivieren der onderwereld , en eenige rivieren op a der eerste declinatie, zooals : A 11 i a.

Zoo bij de namen der b e r g e 11 geen m o n s staat, hebben zij gewoonlijk het geslacht van hunnen uitgang, zooals Ida of Ide, f. Pelion, n.

Onzijdig zijn acroania, grappenmaker, auxilia, hulptroepen, m a n c i p i u m , slaaf.

§ 38. Vrouwelijk zijn de namen van vrouwen, boo men, gewassen, steden, landen en eilanden. B.v. mater, moeder, quercus, eik, Babylon, Italia, Cyprus.

Uitzonderingen. Van de namen van vrouwen zijn onzijdig scortum en prostibülum, welke woorden een slechte vrouw aanduiden.

Van de namen van boom en en gewassen zijn onzijdig die op um der tweede en die op er der derde declinatie, alsmede robur, eik.

Mannelijk zijn du mus, doornstruik, calamus, riet en enkele anderen.

Van de namen van steden zijn

m a n n e 1 ij k :

t0. de pluralia op i, als: Argi, Delphi.

20. vier op o: Hippo, Narbo, Trusïno, Sulmo.

3°. Tunes en Can opus, eenige op us, untis, als; Pes sin us en op us, i, als: Stymphalus en soms ook Marathon.

o n z ij d i g :

iquot;. die op um en de Grieksche op on, als: Tuscülum, Ilior.

2quot;. de pluralia op a, als: Susa.

30. die op e en ur van de derde declinatie, als: Praeneste, Tibur.

4°. de indeclinabilia op i en y, als: Illiturgi, A sty.

Van de namen van landen zijn

mannelijk: Bospörus, Pontus, Hellespont us en Psthmus.

o n z ij d i g: de enkelvoudige op u m en de meervoudige op a , als: L a t i u m , B a c t r a.

Van de namen van eilanden zijn onzijdig eenige op um, alsquot; mede Delta.

-ocr page 39-

Gcslachtsregels.

§ 39—40.

2 9

§ 39. Sommige namen van personen hebben een dubbel geslacht. Deze substantiva , welke com m u n i a worden genoemd , kunnen zoowel een man als een vrouw aanduiden. Zij zijn voornamelijk:

ado 1 escens, jongeling, meisje, index, aanbrenger, aanbreng-a f fï n i s, schoonbroeder, schoon- {ster.

{zuster i n fa n s , kind (beneden 7 jaar), antistes, opperpriester, opper- interpres, tolk.

{priesteres. j u v é n i s, jongeling, meisje. a r 11 f e x, kunstenaar, kunstenares, pare n s, vader, moeder.

c i v i s, burger, burgeres. p a t r u ë 1 i s, neef. nicht.

comes, gezel, gezellin. praesul, bestuurder, bestuur-

c o n j u x, echtgenoot. {deres.

contubernalis, tentkamcraad. sacerdos, priester, priesteres. c o n v i v a, gast. s a t e 11 e s, begeleider, begeleidster.

dux, leidsman, leidsvrouiu. v a t e s, waarzegger, waarzegster. he res, erfgenaam. vind ex, wreker, wreekster. \'\'

hospes, gastheer, gastvrouw.

Van a n t i s t e s en hospes komen voor het v rouwe! ij k geslacht ook de vormen a n t i s t ï t a en hospita voor.

§ 40. Verscheidene namen van personen hebben voor het mannelijk en vrouwelijk geslacht een verschillenden uitgang. Zij worden m o b i 1 i a geheeten. Zoo het m a n n e 1 ij k e substantivum op us of er uitgaat, heeft het vrouwelijke den uitgang a. B.v. coquus, kok, co qua, keukenmeid, mag is ter) leermeester, m a g i s t r a, leermeesteres. Eindigt het m a n n e 1 ij k e substantivum op tor, dan gaat het vrouwelijke uit op trix. B.v. victor, overwinnaar, v ic t rix, overwinnares. Nu tritor, opvoeder, heeft echter n u t r i x, voedster.

De volgende mobilia wijken van dezen regel af:

avus, grootvader a via, grootmoeder.

c a u p o, waard. c o p a, waardin.

c 1 i e n s , beschermeling. c 1 i e n t a, beschermeling.

fidïcen, snarenspeler. fidicïna, snarenspeclster.

1 e n o, koppelaar. 1 e n a , koppelaarster.

nepos, kleinzoon. n e p t i s, kleindochter.

poëta, dichter. poëtria, dichteres.

psaltes, snarenspeler. psaltria, snarenspeelster.

puer, knaap. puella, meisje.

-ocr page 40-

Gcsliiclitsrcgcls.

§ 41—42.

rex, koning, r e g ï n a, koningin.

s o c e r, sclwonvadcr. s o c r u s, schoonmoeder.

t i b ï c e n, fluitspeler. t i b i c ï n a, fluitspeelster.

§ 41. Onder de namen van dieren vindt men:

10. co m m u n i a. Hiertoe behooren : bos, os, koe, c ani s, hond, tccf, elephant us, olifant.

20. m o b i 1 i a. Hiertoe behooren;

agnus, lam. ag n a , wijfjeslam.

aries, ram. ovis, 001.

caper, bok. capra, geit.

cat us, kater. fel es, kat.

cervus, hert. eer va, hinde.

columbus, doffer. columba, duif.

e q u u s , hengst. e q u a, merrie.

gallus, haan. g a 11 ï n a, kif.

haedus, bokje. capella, geitje.

juvencus, var. juvenca, vaars.

leo, leeuw. leaena, leetiwin.

t a u r u s, stier. v a c c a, koe.

ursus, beer. ursa, berin.

v i t ü 1 u s, kalf. v i t ü 1 a , kalf.

30. epicoena. Hieronder verstaat men de namen van cl i e r e n, welke voor de twee natuurlijke geslachten slechts één taalkundig geslacht hebben. Zoo zijn de woorden corvus, raaf, passer, musch, turdus, lijster, masculina, ook al worden zij gebruikt voor een vrouwelijk dier en de woorden aqulla, arend, anas, eend, vulpes, vos, feminina hetzij zij gebruikt worden voor een mannetje of een wijfje. Zoo men bepaald wil uitdrukken, dat men een mannelijk of een vrouwelijk dier bedoelt, moet men bij den naam van het dier het woord mas of femina voegen. B.v. anas mas, waard, anas femina, caul.

§ 42. O n z ij d i g zijn :

1°. de substantiva i n deel i n a b i 1 ia met uitzondering van de namen van personen. Vgl. § 32. De namen der letters worden soms vrouwelijk gebruikt door er littëra onder te verstaan. B.v. Duae T.

2°. de woorden, die alleen als woorden worden beschouwd zonder oo hunne beteekenis te letten. B.v. Pater est masculinum, het woord vader is mannelijk.

30. de woorden, die geen nomina zijn en als substantiva gebruikt worden. B.v. Ultïmum vale, het laatste vaarwel* T u u m scire, itw weten.

-ocr page 41-

§ 43—45- Geslachtsregels. 31

Bijzondere regels.

De Ij ij /. oudere regels gelden niet voor de woorden, wier geslacht reeds bepaald is door de algemeene regels.

Eerste declinatie.

§ 43. De woorden op a en e zijn vrouwelijk, die op as en es mannelijk. Behalve de uitzonderingen volgens de algemeene regels, zooals de namen van mannen en volken, is nog mannelijk op a Had ia, de AdriatiscJie zee.

Tweede declinatie

S 44:. De woorden op er, ir, us, os, eus zijn mannelijk, die op um en on zijn onzijdig.

Behalve de uitzonderingen volgens de algemeene regels zijn van de woorden op us

v r o u w e 1 ij k:

i0 vier zuiver Latijnsche woorden: alvus, buik, colus, spinrokken, h u mus, grond, en v a n n u s, wan.

20. verscheidene uit het Grieksch afkomstige woorden. B.v. an tidöt 11 s, tegengif, a t Ö m u s, ondeelbaar lichaam, d i a 1 e c t u s, tongval, ere m u s , woestijn, exödus, uitgang, methödus, leerwijze, period us, volzin, phase lus, scheepje, synödus, vergadering.

o n z ij d i g:

pelitgus, zee, virus, venijn en gewoonlijk v u I g u s, gcmcc7i, welke woorden tevens het meervoud missen.

Derde declinatie.

§ 45. Mannelijk zijn de woorden op o, or, os, er, benevens de imparisyllaba op es. B.v. s e r m o, gesprek, cal or, warmte, flos, bloem, passer, musch, paries (ëtis), wand.

Uitzonderingen op o:

De woorden op do, go. i o zijn vrouwelijk; daarbij caro en echo zijn het evenzoo;

doch mannelijk zijn harp;tgo,

or do cardo,scipio,

stellio, sep ten trio,

m a r g o , 1 i g o, p u g i o ,

titio, papilio,

u n i 0 , c u r c u I i 0,

scorp io, vespertilio,

alsmede de substantiva op io, die een getal aanduiden, zooals: ter-n i o, drietal

Harpago, haak, ordo, volgorde, cardo, hengsel, scipio, staf, stellio, sterhagedis, septentrio, noorden, margo, rand, Hgo, spade, pugio, dolk, titio, brandend stuk hout, papilio, vlinder, mao, parel, curculio, koren-worm , scorpio, schorpioen , vespertilio, vleermuis.

-ocr page 42-

32 Geslachtsregeh. % 46.

Uitzonderingen op or;

Neutra zijn er vier op or:

marmor, aequor, ador, cor.

Feminini generis is slechts arbor, arböris.

Marmor, marmer, aequor, vlakte, ador, spelt, cor, hart, arbor, hoorn.

Uitzonderingen O]) o s :

Feminina zijn op os deze drie: cos, dos, eos,

doch os (oris) en os (ossis)

zijn neutrius generis.

Cos, -wetsteen, dos, huwelijksgift, eos, dageraad.

Uitzonderingen op er:

Neutra zijn er veel op er:

ver, cadaver, iter, tuber,

c i c e r, piper, s i s e r, u b e r,

zingiber, suber, papaver,

verber, acer, siler, spinter Man- en vrouwelijk is lint er.

Ver, lente, cadaver, lijk, iter, reis, tuber, gezwel, cicer, grauwe erwt, piper, peper, siser, suikerwortel, uber, nier, zingiber, gember, papaver, maankop, suber, kurkboom, verber, (gewoonlijk in het meervoud) slag, acer, ahornboom, siler, wilg, spinter, armband, linter, boot

Uitzonderingen op e s:

Een is neut r u m, naamlijk: a e s,

doch feminina: reques,

quies, merces, merges, teges,

com pes, inquies en seges.

Aes, koper, requies en quies, riis.t, nierces, loon, merges,schoof, teges, rietmat, compes, (gewoonlijk in het meervoud) voetkluister, inquies, onrust, seges, zaadveld.

§ 46 Vrouwelijk zijn de woorden op as, aus, is, x, ys, de pa-risyllaba op es, benevens de woorden op s met voorafgaanden medeklinker. B.v. aetas, leeftijd, laus, lof, auris, oor, radix, wortel, chelys, luit, nubes, wolk, hiems, winter.

Uitzonderingen op as:

Drie zijn er m a n n e lij k op as:

as, adimas en elëphas.

Vas (vasis) echter, fas, nefas zijn neutra met den uitgang as.

As, een as (kopergeld), adamp;mas, diamant, elëphas, olifant, vas, vat, fas, goddelijk recht, nefas, onrecht.

Uitzonderingen op is:

Vele woorden zijn op is masculini generis:

panis, penis, crinis, finis,

ignis, lapis, pulvis, cinis,

orbis, amnis en natalis,

sanguis, unguis, glis, annalis,

fa seis, axis, funis, ensis.

-ocr page 43-

Ges lac hts re ge ls.

fust is, vectis, vomis, mensis,

vermis, cucümis en torris,

p o s t i s, m u g ï 1 i s en f o 11 i s ,

cassis, assis, callis, collis,

sentis, piscis en molaris,

eau lis, cossis en canalis.

Man- en vrouwlijk: anguis, torquis,

can is, tigris, pedis, pollis,

corbis en ook nog aqualis.

Panis, brood, penis, staart, crinis, haar, finis, einde, ignis, vuur, lapis, steen, pulvis, stof, cinis, aseh, orbis, kring, amnis, stroom, natalis, geboortedag, sanguis, bloed, unguis, nagel, glis, rat, annalis (gewoonlijk in het meervoud) jaarboek, fascis, bundel, axis, as (van een rad), funis, touw, ensis, zwaard, fustis, stok, vectis, hefboom, vomis, ploegschaar, mensis, maand, vermis, worm, cucümis, komkoinmer, torris, brandend hout, postis, deurpost, mugïlis (zekere zeevisch), follis, blaasbalg, cassis (gewoonlijk in het meervoud) jagersnet, assis, plank, callis, voetpad, collis, heuvel, sentis, doornstruik, piscis, visch, molaris, molensteen en kies, caulis, stronk, cossis, houtworm, canalis, kanaal, anguis, slang, torquis, halsketen, canis, hond, tigris, tijger, pedis, luis, pollis, stuifmeel, corbis, korf, aqualis, watervat.

Uitzonderingen op x:

Met x zijn manlijk die op ex,

bij voorbeeld: codex, ver vex, grex,

doch vrouwlijk blijven lex en nex,

supellex, forfex, faex en prex.

M a n 1 ij k zijn op i x, y x : c a 1 i x,

fornix, phoenix, bombyx, varix,

calyx, coccyx, oryx, sorix,

ook t r a d u x, thorax en op u n x:

deunx, quincunx en ook septunx.

Codex, boek, vervex, hamel, grex, kudde, lex, wet, nex, geweldige dood, supellex, huisraad, forfex, schaar, faex, droesem , prex (gewoonlijk in het meervoud) gebed, calix, kelk, fornix, gewelf, phoenix (een fabelachtige vogel), bombyx, zijdeworm, varix, aderspat, calyx, bloemkelk, coccyx, koekoek, oryx, gazel, sorix (soort van uil), tradux, wijngaardra?ik, thorax, borstharnas, deunx, quincunx, septunx (onderdeden der as).

Uitzonderingen op de parisyllaba op e s:

Masculina zijn op es;

vepres en aciniices,

v e r r e s en ook g a u s S. p e s.

Man- en vrouwlijk is palumbes.

Vepres (gewoonlijk in het meervoud) doornstruiken, acinaces, Perzische sabel, verres, everzwijn, gausipes, doek, palambes, houtduif.

Uitzonderingen op de woorden op s met voorafgaanden medeklinker: Manlijk zijn op ons en ens:

fons, mons, pons, dens, confluens,

bidens, tridens, occtdens,

rudens, torrens, oriens,

verder chalyps, gryps, hydrops,

en ten laatste ook epops

4e druk. 3

33

-ocr page 44-

Gcslac/itsrcgrls.

% 47—48-

34

Fons , bron , mons , berg-, pons , /gt;/■//,(;■, dens , tand, confluens, plaats , waar zich twee rivieren rcreenigen, biclens, gaffel (in de bcteekenis van tweejarig schaap is het vrouwelijk), tridens, drietand, occidens, westen, rudens, kabeltouw, torrens, bergstroom, oriens, oosten, chalyps, staal, gryps, grijpvogel, hydrops, waterzucht, epops, hoppe (een vogel).

g 47. Onzijdig zijn de woorden op a, e, i, y, c, 1, n, t, ar, ur, us. B.v. aroma, specerij, mare, zee, sinapi, mosterd, misy, truffel, 1 a c, melk, v e c t i g a 1, belasting, carmen, gezang , caput, hoofd, c a 1 c a r, spoor, rob u r, kracht, pectus, borst.

Uitzonderingen ;

Mannelijk zijn op letter 1:

de woorden sol, sal en mugil.

Ook zijn er elf op letter n:

ren, pecten, lien, att3,gen,

p a e a n, canon, agon, lichen,

horizon en ook gnomon, splen.

Vijf O]) ur, als: fur en furfur,

a s t u r, v u 11 u r, en ook t u r t u r.

Vervolgens zijn er vier op us:

mus, polypus, 1 e p u s, tripus.

Doch feminina zijn op us:

inventus, virtus, s e r v ï t u s,

pecus, (pecüdis) cn salus,

s e n e c t u s , ]) a 1 u s en incus,

tellus en meestal sus en gr us:

eindelijk de woorden s i n d o n,

alcyon en ook aëdon.

Sol, zon, sal (Vgl g 21. 2°.), mugil (zekere zeevisch), ren (gewoonlijk in het meervoud) nieren, pecten, kam, lien, milt, attS-gen, korhoen, jiaean, lofzang, canon, richtsnoer, agon, wedstrijd, lichen, dauwworm, horizon, gezichteinder, gnomon, zonnewijzer, splen, milt, fur, dief, furfur, zemelen, astur (soort van havik), vultur, gier, turtur, tortel, mus, muis, polypus, polyp, lepus, haas, tripus, drievoet, juventus, jeugd, virtus, kracht, servïtus, slavernij, pecus, üdis, een stuk vee, (pecus, öris, n. het vee als soort, de schapen), salus, heil, senectus, ouderdom, palus, moeras, incus, aanbeeld, tellus, aarde, sus, ziuijn, grus, kraanvogel, sindon, fiin lijnwaad, alcyon, ijsvogel, aëdon, nachtegaal.

Vierde declinatie.

§ 48. De woorden op us zijn mannelijk, die op u onzijdig.

Uitzonderingen op us:

Slechts feminina zijn op us:

quinquatrus, tribus, portïcus,

acus, domus, Idus, manus.

Man- en vrouwlijk: penus, specus.

Quinquatrus (slechts in het meervoud), zeker feest ter eere van Minerva, tribus, volksstam, portïcus, galerij, acus, naald, domus, huis, Idus (slechts in het meervoud), de 13de of 15 de dag der maand, manus, hand, penus, levensvoorraad, specus, hol.

-ocr page 45-

Verbuiging der adjectiva.

§ 49—51-

35

Vijfde declinatie.

§ 49. Alle woorden dezer declinatie zijn vrouwelijk behalve meri-dies, middag, dat mannelijk is. Ook dies is mannelijk; wanneer het echter in het enkelvoud een bepaalden dag aanduidt of ter mijn beteekent, wordt het meermalen v r o u w e 1 ij k gebruikt.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER H3T ADJECTIVÜM.

1. Over de declinatie der adjectiva.

§ 50. Evenals in het Nederlandsch moeten de adjectiva ook in het Latijn met hunne substantiva overeenkomen in geslacht, getal en n a a m v a 1.

Sommige adjectiva hebben voor ieder geslacht een verschillenden uitgang. B.v. rex pulcher, de schoone koning, r e g ï n a p u 1 c h r a, de schoone koningin, t e m p 1 u m p u I c h r u m, de schoone tempel.

Andere adjectiva hebben twee uitgangen, één voor het m a s c u 1 i n u m en fe m i n i n u m en een voor het neut r u m. B.v. v i r m or t a li s, de sterfelijke man, muiier m or ta lis, de sterfelijke vroiciu, genus mortale, hei sterfelijk geslacht.

Er zijn ook adjectiva, die slechts één uitgang hebben voor de drie geslachten. B.v. puer praestans, de voortreffelijke knaap, pue11 a praestans, het voortreffelijke meisje, donum praestans, het voortreffelijk geschenk.

Adjectiva van drie uitgangen.

§ 51. De adjectiva van drie uitgangen gaan uit op us, a, u m.

er, a, u m.

er, is, e.

Die op us, a, um en er, a, um gaan in het mannelijk en o n z ij d i g geslacht naar de tweede en in het vrouw el ij k naar de eerste declinatie.

Die op er, is, e gaan in alle geslachten naar de derde declinatie. Zij hebben echter in den Abl. Sing, i, in den Gen. Plur. ium en in den Nom. Acc. en Voc. Plur. van het neutrum ia.

-ocr page 46-

Verbuiging der adjectiva.

§ 52.

30

Voorbeelden van verbuiging.

i.

bonus, bona, b o n u ni, goed.

Singularis.

Pluralis.

N o m.

bonus.

bona.

bonum.

boni.

bonae.

bona.

G e n.

boni.

bonae.

boni.

bonorum,

bonarum,

bonorum.

Dat.

bono,

bonae,

bono.

bonis.

bonis.

bonis.

A cc.

bonum,

bonam.

bonum.

bonos.

bonas.

bona.

Voc.

bone,

bona.

bonum.

boni.

bonae,

bona.

Abl.

bono,

bona.

bono.

bonis,

bonis.

bonis.

p u 1 c h e r, p u 1 c li r a

N. pulcher, pulchra, pulchrum.

G. pulchri, pulchrae, pulchri.

D. pulchro, pulchrae, pulchro. A. pulchrum,pulchram, pulchrum.

V. pulcher, pulchra, pulchrum.

A. pulchro, pulchra, pulchro.

, p u 1 c h r u m, schoon.

pulchri, pulchrae, pulchra. pulchrorum,pulchrarum,puIchrorum. pulchris, pulchris, pulchris. pulchros, pulchras, pulchra. pulchri, pulchrae, . pulchra. pulchris, pulchris, pulchris.


No ja, acer,

G e n. acris,

Dat.

A cc.

Voc.

Abl.

g 52. Aanmerkingen.

1°. Volgens bonus gaan alle adjectiva op us behalve vet us (ëris), oud en intercus (ütis), wat onder de huid is, die slechts één uitgang hebben.

2°. Volgens pulcher gaan alle adjectiva op er behalve a. de volgende, die naar acer gaan:

alacer, alacris, alacre, levendig.

c a m p e s t e r, cam pestris, campestre, in het open veld.

a c c r, a c r i s, acre, scherp.

acris, acre. acres, acres, acria.

acris, acris. acrium, acrium, acrium.

acri, acri. acribus, acribus, acribus.

acrem, acre. acres, acres, acria.

acris, acre. acres, acres, acria.

acri, acri. acribus, acribus, acribus.

acn, acrem, acer, acri,

celëber, Celebris, celëbre,

celer, celëris, celëre,

equester equestris, equestre,

palus ter, palustri s, palustre,

pedester, pedestris, pedestre,

beroemd.

snel.

de ruiterij betreffend.* moerassig.

het voetvolk betreffend..


/

-ocr page 47-

Verbuiging der adjectiva.

37

puter, salüber, silvester, terrester, volücer, putris, salubris, sil vestris, terrestris, volücris, p u t r e,

salübre,

silvestre,

terrestrc,

volücrc, verrot, heilzaam, boschachtig, aardse h. gevleugeld.


1 a c ë r u m,

1 i b ë r u m , vrij.

m i s ë r u m, ongelukkig.

p r o s p ë r u m , voorspoedig.

t e n ë r u m, tecder.

benevens de adjectiva op fer en ger, die van fero en gero, ik draag, zijn afgeleid, zooals: frugïfer, frugifëra, frugi-fërum, vruchtdragend, armïger, armigëra, armigërum, wapendragend. Dexter, rechtsch, heeft dextra en somtijds dextëra. Het adjectivum satur (Gen. satüri) verzadigd, heeft satüra, satürum.

4°. Negen adjectiva hebben in den Gen. Sing. van alle geslachten ïus en in den Dat. Sing. i. Zij zijn:

alius, een ander (van meerderen), t o t u s , geheel.

alter, de ander (van twee). u 11 u s , eenig.

neuter, geen (van beiden). unus, een.

nullus, geen (van meerderen). ut er, wie (van beiden).

solus, alleen.

B.v. Nom. neuter, neutra, neutrum. Gen. neutrïus. Dat. neutri.

alsmede dc namen der maanden op er, zooals September.

Cel er heeft in den Gen, Plur. celerum in de uitdrukking tri-bünus celërum, hoojdmau der ridders.

Sommige dezer adjectiva gaan in het masculinum ook wel op is uit.

b. de volgende vier, die van één uitgang zijn;

congener, gelijkslachtig. pauper, arm.

degëner, ontaard. uber, vruchtbaar.

3°. Alle adjectiva, die naar pulcher gaan, verliezen in de verbuiging de e, behalve:

a 11 c r u m ,

de ander, nnv.

uitheemsch.

bultig.

gescheurd.

\' /V

$

altéra , a s p ë r a, extëra, g i b b ë r a, lacöra, libëra, m i s ë r a, prospëra, t e n ë r a,

alter, asper, exter, gibber, 1 a c e r, 1 i b e r, miser, p r o s p e r tener.

a s p é r u m , e x t ë r u m , g i b b ë r u m

-ocr page 48-

Verbuiging da- adjcctiva.

§ 53—54-

Alius, alia, alïud (het neutrum is niet: alium) heeft in den Gen. alius en in den Dat. alïi.

Men spreke den G en. en Dat. van alter uit: alterïus, altëri.

In de samenstellingen van uter: uterque, elk (van beiden), utercunque, uterlibet en utervis, wie (van beiden) ook, wordt alleen uter gedeclineerd. B.v. uterque, utraque, u t r u m q u e.

Van alter uter, een van beiden, wordt gewoonlijk slechts uter gedeclineerd. B.v. alterutra, alterutrïus. Soms worden beide

alterïus utrïus.

Voorbeelden ter oefening.

mger, zwart.

parvus, klein.

terrester.

uterlibet.

tuin. Equus (i) celer, m. m. de goede schrijver. Ma-

albus, zvit. celer.

alter liber.

probus, braaf. macer, mager.

celëber. malus, slecht.

Hortus (i) pulcher, m, de schoone het snelle paard. Scriba (ae) bonus,

gna nubes (is), f. de groote luolk. Aliud templum (i), n. een andere tempel. Alta lacus (us), f. het diepe meer.

Adjectiva van twee uitgangen.

§ 53. De adjectiva van twee uitgangen gaan uit op is, e. Zij worden verbogen volgens de derde declinatie, doch hebben in den Abl. Sing, i, in den Gen. Plur. ium en in den No m. Ace. en Voc. Plur. van het neutrum ia.

Voorbeeld van verbuiging.

mortalis, mort ale, sterfelijk.

woorden gedeclineerd. B.v

Pluralis.

Singularis.

N.

mortale.

mortalis.

mortali.

mortale.

mortale,

mortali.

M. en F. mortales, m o r t a 1 i u m, mortalibus, mortales, mortales, mortalibus.

N.

mortali a. mor tal ium. mortalibus. m o r t a 1 i a. m o r t a 1 i a. mortalibus.

Aanmerkingen.

M. en F.

Nom. mortalis,

Gen. mortalis,

D a t. mortali,

A c c. mortalem,

V o c. mortalis,

Abl. mortali,

§ 54.

iquot;. Naar mortalis gaan all\'è adjectiva op is, ook het eenigs-zins onregelmatige dis, dite (Gen. ditis), rijk, dat evenwel inden vorm dis bijna nooit voorkomt. Ditia wordt altijd gebruikt als neutrum plurale van dives, terwijl gewoonlijk divïtum gebruikt wordt in plaats van ditium.

-ocr page 49-

§ SS — S^- Verbuiging der adjectiva, 3\')

20. De adjectiva op is, die van namen van steden zijn afgeleid, hebben soms e in den Abl.

Voorbeelden ter oefening.

brevis, kort. fortis, sterk.

dulcis, zoet. simllis, gelijk.

Campus (i) viridis, m. het groene veld. Vir tenuis, m. de dunne num. Corpus (öris) debïle, n. het zzvakke lichaam. Mollis facies (ei) f. het zachte gelaat.

Adjectiva van één uitgang.

§ 55. Van één uitgang zijn alle adjectiva, die niet op us, er of is uitgaan, benevens vetus, intercus, congener, de-gëner, pauper en uber.

Zij worden verbogen naar de der d e declinatie, doch hebben, behoudens de uitzonderingen, in den Abl. Sing, i of e, in den Gen. Plur. ium en in den Nom. Acc. en Voc. Plur. van het neutrum i a.

Om deze adjectiva te kunnen declinecren moet men behalve den Nom. ook den Gen. kennen.

Voorbeeld van verbuiging.

felix (ïcis), gelukkig.

Sing u

laris.

Plural

1 i s.

M. en F.

N.

M. en F.

N.

N 0 m.

felix,

felix.

felïces.

fclicia.

Gen.

felïcis.

felïcis.

f e1i c i u m.

f e 1 i c i u m

Dat.

felïci.

felïci.

felicibus,

felicibus.

A cc.

felicem.

felix.

felïces.

felicia.

Voc.

felix.

felix.

felïces,

felicia.

Abl.

felïci of *

e, f e 1 ï c i of

e. felicibus,

felicibus.

§ 56.

A a n m e r

ki nge n.

1°. Altijd of gewoonlijk hebben i in den Abl. Sing, de adjectiva op ans en ens, die oorspronkelijk participia waren, als • vigilana, waakzaam, sapiens, wijs; vervolgens die op plex als: simplex, eenvoudig, alsmede:

teres, h e b e s, par en i n g e n s,

m e m o r, c o n c o r s, d i s c o r s, r e c e n s,

iners, anceps, praeceps, repens,

i n o p s, p e r v ï c a x en a u d a x,

atrox en trux en pertïnax.

Teres, êtis, langwerpig rond, hebes, étis, stomp, par, is, ge

-ocr page 50-

Vcrjuiging der adjcctiva.

lijk, ingens, ntis, groot, memor, oris, gedachtig, concors, rdis, eendrachtig, discors, rdis, oneenig, recens, ntis, verse h, iners, rtis, ongeschikt, anceps, cipïtis, tweehoofdig, praeceps, cipïtis, steil, repens, ntis, onverwacht, inops, opis, hulpeloos, pcrvïcax, acis, hardnekkig, audax, acis, vermetel, atrox, öcis, gruwzaam, trux, ucis, woest, pcrtïnax, acis, hardnekkig.

Altijd of gewoonlijk hebben e:

s e n e x, pauper, c a e 1 e b s, hospes,

princeps, ales, dives, sospes,

piibes, partïceps en deses,

compos, i m p o s en s u p e r s t e s.

Senex, senis, oud, pauper, éris, arm, caelebs, ibis, ongeJnnvd, hospes, ïtis, gastvrij, princeps, ïpis, eerste, alcs, ïtis, gevleugeld, dives, vïtis, rijk, sospes, ïtis, behouden, pubes, ëris, volwassen, partïceps, cïpis, deelachtig, deses, ïdis, werkeloos, compos, pötis, meester over (iets), impos, pötis, niet meester over (iets), super-stes, stïtis, overlevend.

2quot;. In den Gen. Plur. hebben um de adjectiva, die altijd of gewoonlijk c hebben in den Abl., de composita van par, zooals impar, imparum, en

uber, cicur (eieürum),

memor, supplex (supplïcum),

v e t u s, i m m e m o r, praeceps,

vigil, inops, artïfex.

benevens de adjectiva, die samengesteld zijn met substan tiva, welke in den Gen. Plur. um hebben, zooals: degen er, eris (van genus), ontaard, quadrüpes, edis, viervoetig, versicolor, oris, bont, bi cor por, oris (van corpus), uit tivee lichamen bestaande, anceps, cipïtis (van caput), tweehoofdig. Lo cup les, ëtis, vermogend, heeft um en ium.

Uber, ëris, vruchtbaar, cicur, üris, tam, memor, öris, gedachtig, supplex, ïcis, sineekend, vetus, ëris, oud, immëmor, öris, ongedachtig, praeceps, cipïtis, steil, vigil, ïlis, waakzaam, inops, öpis, hulpeloos, artïfex, ïcis, bekwaam.

30. Vetus heeft in den Nom. Acc. en Voc. Plur. van het neutrum a.

Men merke wel op, dat het Neutrum Plur. op ia der adjectiva van éér uitgang slechts voorkomt van die op as, ans, ens, rs en x, benevens van par, hebes, teres, locüples, quadrüpes, versicölor, anceps en praeceps.

40

-ocr page 51-

§ 57—59\' Over dc verge Iijkingstrappen. 41

Voorbeelden ter oefening.

/ elemens, ntis, goedertieren, iagens. — *^0 superstc,s„ ^

compos. mendax, acis, leugeiiachtig.vcloK, öcis, snel.

dives. — quadrüpes. - vetus. u-ud-J?\' gt;

Miles (ïtis) audax, m. de stoutmoedige ■ soldaat. Manus (us) atrox, f. de vreeselijke hand. Volans (ntis) falco (5nis), m. de vliegende valk. Uber ager (gri) m. dc vrtichtbare akker. Pertïnax aurïga (ae) m. de hardnekkige wagenmenner. Hebes cornu (us) n. de stompe hoorn.

§ 57. De volgende adjectiva zijn indeclinabilia: frugi, rechtschapen, 11 e q u a m, ondeugend, tot, zoovele, q u o t, hoevele, zoovele als, quotquet en quoteunque, hoevele ook, aliquot, e enige, t o t ï d e m, even zoovele. Men zegge dus: N o m. homo nequam, Gen. homïnis nequam, enz.

De adjectiva tot, quot, enz. alsmede pauci, ae, a, weinige, plerïque, pleraeque, pleraque, de meeste of zeer vele, ce-tëri, ae, a, de overige en nonnulli, ae, a, e enige kunnen slechts bij meervoudige substantiva geplaatst worden.

Van plerïque komen bij latere schrijvers ook de enkelvoudige vormen pleraque (Nom. Fem.) en plerumque (Acc. Masc.) voor. Somtijds wordt plerumque als subs tan tivum gebruikt en zeer dikwijls als ad-\' verbium in de beteekenis van meestal. De Gen. Plur. is niet in gebruik en wordt vervangen door plurimorum, plu rim arum.

Het enkelvoud van ceteri komt slechts voor bij collectiva. B.v. cetera classis. De Nom. van het mannelijk enkelvoud bestaat niet. Somtijds komt ook in het enkt-iroud nonnullus voor.

g 58. Wanneer de adjectiva van één uitgang als substantiva gebruikt worden, volgen zij de declinatie der substantiva. B.v. A sap i en te virtus semper m a x i m i p e n d 11 u r, door den wijze wordt dt denga altijd het hoogst geschat. Par, een paar, heeft gewoonlijk pari in den Abl. Sing.

Hl Over. de.vergelijkingstrappeii.-

§ 59. Evenals in het Nederlandsch zijn ook in iiet Latijn drie vcrgelijkingstrappen:

de stellende trap, gradus positïvus B.v. geleerd, doet us.

de vergrootende trap, gradus comparatïvus. B.v. geleerder, doctior.

de overtreffende trap, gradus s u p e r 1 a t i v u s. B.v. zeer geleerd of het geleerdst, doctissïmus.

Dc comparativus wordt gevormd door ior en de super-la t i v u s door i s s ï m u s te voegen achter den stam van het a d-jectivum. Evenals bij een substantivum wordt de stam van een adjectivum gevonden door den uitgang van den genetivus singularis

-ocr page 52-

Over de vcrgelijkingstrappcu.

60.

42

weg tc nemen. B.v. pro bus, braaf, probior, probissim us; prudens, voorzichtig, prudentior, prudentissimus.

Dc c o in p a r a t i v u s heeft voor het m a 11 n e 1 ij k en v r o u w e-lijk geslacht dcnzelfden uitgang. Voor het onzijdig geslacht verandert men or in us. B.v. probior, probius; prudentior, pru-dentius. Dc verbuiging geschiedt volgens de derde declinatie. In den Abl. Sing, vindt men somtijds i in plaats van e.

Voorbeeld van verbuiging.

Singularis.

superlativus heeft voor het vrou we 1 ij k geslacht den uitgang a en voor het o n z ij d i g den uitgang u m. B.v. probissi-mus, probissïma, probissim um. De verbuiging geschiedt volgens bonus, a, u m.

Over de onregelmatige vergelijkingstrappen.

§ 60. Op de gewone vorming der vergelijkingstrappen zijn de volgende uitzonderingen.

1°. De adjectiva op er vormen den comparativus regelmatig, doch den superlativus\\ door er te veranderen in errïmus. B.v. miscr, ellendig, miscrior, miserrïmus; acer, scherp, acrior, acerrunus; liber, vrij, liberior, liberrimus.

20. De adjectiva facïlis, gemakkelijk, diffieïlis, vweilijk, s i m ï 1 i s, gelijk, d i s s i m ï 1 i s, ongelijk, gracilis, slank en h u-m ï 1 i s, laag, vormen den comparativus regelmatig, doch den superlativus door ilis te veranderen in illïmus. B.v. facïlis, facilior, facillïmus. Dc overige adjectiva op ilis gaan regelmatig. B.v. utïlis, nuttig, utilior, utilissïmus.

30. De adjectiva op die us, ficus en völus van dico, facio en volo) vormen den comparativus op en t i or en den superlativus op entissïmus. B.v. maledïcus, kwaadsprekend, ma 1 edicentior, maledicentissïmus; magnifïcus, prachtig, magnificentior, magnificentissïmus; benevólus, welwillend, benevolentior, bene vo 1 ent issïm us. De adjectiva op tl ï c u s (waarbij de voorlaatste lettergreep lang is) vormen

M. en F. probiöres, probiorum, probioribus, probiöres, probiöres, probioribus,

probiore (i), probiore (i).

Pluralis.

N. probius. probiöris. probiori. probius. probius.

M. en F. Nom. probior,

N.

probiöra.

probiorum.

probioribus.quot;

probiöra.

probiöra.

probioribus.

Gen. Uat. A cc. V o c. Abl. De

probiöris, probiöri, probiórem, probior,

-ocr page 53-

Over dt verg-f lij kings trappen.

de vergelijkingstrappen regelmatig, namelijk: pudïcus, eerbaar, puclicior, pudicissïmus; mendïcus, bedelachtig, mendi-cior, mendicissïmus.

bonus, goed.

dexter, rechtsc(h.

egënus, behoeftig.

frugi, rechtschapen.

juvënis, jong.

magnus, groot.

malus, slecht.

matürus, rijp.

multus, veel. K nequam, ondeugend.

nupërus, kort \'geleden.

parvus, klein.

prospérus, voorspoedig.

provïdus, vooruitziend.

sinister, linksch.

vetus, oud.

Aanmerking. Plus wordt in het enkelvoud slechts gebruikt als een onzijdig substantivum, dat enkelinden Nom. en Acc. voorkomt. Ook bestaat de Gen. pluris, over welks gebruik later zal gesproken worden. In het meervoud is p 1 u r e s, p 1 ura een gewoon adjectivum, dat met uitzondering van den Gen. plurium regelmatig verbogen wordt. Het samengestelde complüres, verscheidene, heeft in den Nom. en Ace. van het neutrum: complüra en soms, doch minder goed compluria.

Plu res heeft altijd de beteekenis van een comparativus, complüres daarentegen nooit en mag dus ook niet met een volgend quam verbonden worden.

5U. De volgende adjectiva hebben twee onregelmatige superlativi:

43

4°. De volgende adjectiva zijn

cheel onregelmatig: o p t ï m u s.

m e 1 i o r. dexterior.

e g e n t i o r. f r u g a 1 i o r. junior.

maj o r.

pej o r.

maturior.

plus.

n e q u i o r. ontbreekt, minor, prosperior. provide ntior. s i n i s t e r i o r. v e t u s t i o r.

(dextïmus).

e g e n t i s s ï m u s.

frugalissïmus.

ontbreekt.

m a x ï m u s.

pessïmus.

maturissïmus.

maturrïmus.

p 1 u r ï m u s.

n e q u i s s ï m u s.

nuperrïmus.

m i n i m u s.

prosperrïmus.

providentissïmus.

(sinistïmus).

veterrimus.

(exter of exterus) buitenlandse h.

(infer of interus) beneden.

(postërus) volgend. (supërus) boven.

exterior, meer bui-temuaarts gelegen. inferior,

lager.

posterior, later.

superior, vroeger, vorig, hooger.

extrëmus en soms cx-tïmus, uiterste. infïmus of imus, onderste , laagste. postrëmus, laatste; post ü m u s, na den dood des vaders geboren. suprëmus, laatste (van tijd), s u m mus, hoogste (van plaats).


-ocr page 54-

44 Over ac verge lijkingstrappen. § 61—62.

Aanmerkingen. Exter of exterus komt gewoonlijk slechts inliet meervoud voor.

Infer of inferus vindt men in goed Latijn slechts in mare infe-r u m , de Toscaansc/ie see, en verder in het meervoud.

Po sterns komt in het enkelvoud niet voor in den Nom van het mannelijk en in zuiver proza slechts bij tijdsbepalingen, als: in pos te-rum die m, tegen den volgenden dag; verder bestaat slechts het plurale tantum posteri, de nakomelingen.

S u p e r u s komt in zuiver proza slechts voor in mare s u p e r u m , dc Adriatische zee, en in het mannelijk en vrouwelijk meervoud.

Over de gebrekkige vergelijkingstrappen.

§ 61. Verschillende adjectiva missen een der vergelijkingstrappen.

De positivus ontbreekt der volgende comparativi en superlativi: c i t e r i o r, aan deze zijde, dichter bij c i t i m u s, het meest aan deze zijde,

gelegen. het dichtst hij gelegen.

de te rior, minder goed. deterrimus, de minst goede.

interior, meer binnenwaarts gelegen, intimus, de binnenste-,

ocior, sneller. ocissimus, snelst.

potior, verkieslijker. potissimus, verkieslijhst.

prior, eerder. primus, de eerste.

propior, nader. proximus, de naaste.

ulterior, aan gene zijde gelegen. u 11 i m u s , de verwijderdste, laatste.

De comparativus ontbreekt van nuperus, alsmede van bellus, lief, bel lis sim us.

diver sus, 7 \'erschillend, d i v e r s i s s i m u s.

falsus, valsch, falsissimus.

inclïtus, beroemd, inclitissimus.

n o v u s, nieuw, n o v i s s i m u s.

sacer, heilig, j sacerrimiis.

en van verscheidene aïs adjectiva gebruikte participia op us, zooals: merïtus, verdienstelijk, meritissimus.

De superlativus ontbreekt behalve van ju ven is ook van de meeste adjectiva verbalia op tlis en bil is en van verschillende op zich zeiven staande woorden, als: agrestis, boerseh, al ace r, levendig, a ter, zwart, caecus, blind, declïvis, af hellend, deses, traag, jejünus, nuchter, longinquus, verwijderd, propinquus, nabij, proclivis, voorover hellend, protervus, moedwillig, salutaris, heilzaam, satur, verzadigd, senex, oud, sur dus, dooj, teres, langwerpig rond, vulgaris, gemeen

Aanmerking. De adjectiva verbalia amabïlis, beminnelijk, fer-tflis, vruchtbaar, fragïlis, breekbaar, ignobïlis, onbekend, mobï-lis, bewegelijk, no bil is, beroemd, utilis, nuttig, hebben den superlativus.

§ 62. Vele adjectiva kunnen noch in den comparativus noch in den superlativus gezet worden. Hiertoe behooren;

in. de adjectiva, wier beteckenis geen vergelijking toelaat, zooals: 1 i g n e u s, houten, p a t e r n u s, vaderlijk.

2quot;. de adjectiva op 11 s met voorafgaande vocaal. B.v i do neus, geschikt, arduus, steil, dubius, twijfelachtig. De adjectiva op quus hebben echter de vergelijkingstrappen, zooals: antïquus,

-ocr page 55-

§ 63—65. Over dc vergelijkingstrappen.

oud, antiquior, antiquissïmus; ook enkele op uus en ius. Zoo vindt men den superlativus van assiduus en pi us.

3°. de meeste adjectiva, die samengesteld zijn met substantiva en verba, zooals : partïceps, degëner, inops. Uitgezonderd zijn die op dïcus, fI c u s en v ö 1 u s, alsmede de samengestelde met ars, cor en m e n s. B.v. iners, concors, deraens.

4°. de adjectiva, die samengesteld zijn met per, prae en sub B.v. percommödus, zeer gelegen, praedïves, zeer rijk, subdiffieïlis, vrij moeilijk. Uitgezonderd zijn praeclarus, voortreffelijk^ en de adjectiva, die oorspronkelijk parücipia waren, zooals: prae stans, voortreffelijk , p r a e c e 11 e n s , uitstekend.

50. de meeste adjectiva derivata op ïcus, idus, tïmus, ülus,alis, a r i s, i 1 i s, ï n 11 s, o r u s, en verscheidene adjectiva, die tot geen klas teruggebracht kunnen worden, zooals: albus, wit, mediöcris, middelmatig, rudis, ruw. Zoo men niet zeker weet, dat een adjectivum de vergelijkingstrappen heeft, raadplege men altijd ziin woordenboek.

§ 63. Wanneer men den comparativus of superlativus noodig heeft van een adjectivum, dat de vergelijkingstrappen mist, voegt men ma gis, meer, of maxime, het meest, vóór den positivus.,, B.v. m a g i s i d o n e u s, maxime i d o n e u s.

In plaats van maxime kan men ook gebruiken val de, admödum, bene, o p p ï d o, m u 11 u m, zeer, a p p r i m e, imprimis, bijzonder, p e r q u a m, bij uitstek.

Men kan ook vele adjectiva in den superlativus zetten door voorvoeging van per en enkele door voorvoeging van prae. B.v. perdiffieïlis, praedives. In perfïdus, trouweloos, en perjürus, meineedig, heeft per een ontkennende beteekenis. Somtijds wordt een met per samengesteld adjectivum gescheiden. B.v. Altera pars per mihi brevis fore videtur, het komt mij voor, dat het tweede deel zeer kort zal zijn.

§ 64. Sommige comparativi kan men in een verkleinenden vorm zetten door cuius, a, um achter het neutrum te voegen. B.v. grandiuscü-lus, a, um, vrij groot, majuscülus, a, um, een weinig grooter.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OVEE DE NUMEEALIA.

§ 65. De numeralia worden in verschillende soorten verdeeld, waarvan de voornaamste zijn:

1°. de cardinalia of hoofdgetallen; zij staan op de vraag hoeveel (quot) evenals de Nederlandsche telwoorden: een, tzvee.

2°. de or din al ia of ranggetallen; zij staan op de vraag de hoeveelste (quotus) evenals bij ons: de eerste, de tweede.

30. de distributïva of verd ee 1 i n gs ge t a 1 len; zij staan op de vraag hoeveel telkens of hoeveel ieder (quotëni). B.v. telkens een, ieder een.

40. de adverbia numeralia of telbijwoorden; zij staan op de vraag hoeveel maal (quoties). B v. eenmaal, tweemaal.

De volgende tabel geeft een overzicht der verschillende numeralia.

45

-ocr page 56-

Niimcralia.

Cardinalia.

Ordinalia.

I

unus, a, um, ccn.

primus, a, um, de eerste.

2

duo, ae, 0, twee.

secundus, de tweede.

i J

tres, ia, drie.

tertius, de derde.

4

quattuor.

quartus.

5

quinque.

quintus.

6

sex.

sextus.

7

septem.

septïmus.

8

octo.

octavus.

9

novem.

nonus.

io

decern.

deeïmus.

11

undecim.

undeeïmus.

12

duodecim.

duodeeïmus.

13

tredëcim.

tertius deeïmus.

14

quattuordécim.

quartus deeïmus.

15

quindëcim.

quintus deeïmus.

l6

sedëcim.

sextus deeïmus.

17

septendecim.

septïmus deeïmus.

IS

duodeviginti.

duodevicesïmus.

•9

undeviginti.

undevicesïmus.

20

viginti.

vicesïmus.

21

unus et viginti.

unus (soms primus) et vicesïmus.

22

duo et viginti.

alter(soms secundus)et vicesïmus.

28

duodetriginta.

duodetricesïmus

29

undetriginta.

undetricesïmus.

30

triginta.

tricesïmus.

40

quadraginta.

q u adragesïmu s.

So

quinquaginta.

quinquagesïmus.

60

sexaginta.

sexagesïmus.

70

Septuaginta,

septuagesïmus.

80

octoginta.

octogesïmus.

90

nonaginta.

nonagesïmus.

100

centum.

centesïmus.

101

centum (et) unus.

centesïnuis .primus.

102

centum (et) duo.

centesïmus alter.

200

ducenti, ae, a.

ducentecïmus.

300

trecenti.

trecentecïmus

400

quadringenti.

quadringentesïmus.

500

quingenti.

quingentesïmus.

600

sexcenti.

sexcentesïmus.

700

septingenti.

septingentesïmus.

800

octingenti.

octingentesïmus.

900

nongenti.

nongentesïmus.

I coo

mille.

millesïmus.

IOOI

mille (et) unus.

millesïmus primus.

1900

mille (et) nongenti.

millesïmus nongentesïmus.

20C0

duo miliat

bis millesïmus.

O O O d 0

centum milia. ^ decies centum %iilia.

centies millesïmus.

1,000,000

decies centies millesïmus.

46

-ocr page 57-

Niimcralia.

§ 6s.

47

Adverbia numeralia.

Distrib\'ativa.

a, elk bini, elk twee. terni, elk drie. quaterni.

quini.

seni.

septeni.

octoni.

novêni.

deni.

undêni.

duodêni.

terni deni.

quaterni deni.

quini deni.

seni deni.

septeni deni. duodevieëni. undevieëni.

een.

vieëni.

singüli, ae semel, eenmaal.

bis, tweemaal.

ter, driemaal.

quater.

quinquies.

sexies.

septies.

octies.

novies.

decies.

undecies.

duodecies

terdecies.

quaterdecies.

quindecies.

sedecies.

septiesdecies.

duodevicies.

undevicies.

vicies.

i :i Hl

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI

XII

XIII

XIV

XV

XVI

XVII

XVIII

XIX

XX


vieëni singüli.

vieëni bini.

duodetrieëni.

undetrieëni.

trieëni.

quadragëni.

quinquagëni.

sexagëni.

septuagëni.

octogëni.

nonagëni.

centëni.

centêni singüli. ^ i ü (

centëni bini.

dueëni.

treeëni.

quadringêni.

quingëni.

sexëni.

septingëni.

octingëni.

nongêni.

singüla milia.

singula milia singüli. singula milia nongêni. bina milia.

centëna milia.

decies centëna milia.

vicies semel of semel et vicies.

vicies bis of bis et vicies.

dupdetricies

undetricies.

tricies.

quadragies.

quinguagies.

sexagies.

septuagies.

octogies.

nonagies.

centies.

centies semel.

centies bis.

ducenties.

trecenties.

quadringenties.

quingenties.

sexcenties.

septingenties.

octingenties.

nongenties.

millies.

millies semel.

millies nongenties. bis millies.

centies millies. ^ decies centies i\'illies.

XXI

XXII

XXVIII

XXIX

XXX XL L

LX

LXX

LXXX

xc c

Cl CII

cc ccc cccc

ID of D IOC IDCC IDCCC I3CCCC CID of M

CIDI CI3IDCCCC C13CID CCCI333 CCCCIDDDD\'


-ocr page 58-

^ 66—67.

Nuineralia.

48

Aanmerkingen op de cardinalia.

§ S6. De drie eerste cardinalia worden aldus verbogen: Singularis. Pluralis.

Nom. unus, una, unum. uni, unae, una.

G e n. unlus. ) unorum, unarum, unorum.

Dat. uni. f in alle amp;encraquot; Ullis. in alle genera. Ace. unum, unam, unum. unos, unas, una.

Abl. uno, una, uno. unis. in alle genera.

Aanmerking. Het meervoud van unus wordt gebruikt:

i0. bij de pluralia tantum, die een enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. u n a c a s t r a, ééne legerplaats ; unae n u p t i a e, céne bruiloft.

20. wanneer unus alleen of dezelfde beteekent. B.v. Uni Ubii legates miserant, de Ubiè\'rs alleen hadden gezanten gezonden. Lace-d a e m o n i i septingentos jam a n n o s unis m o r i b u s v i v u n t, de Lacedemoniers leven reeds 700 jaar volgens dezelfde zeden.

30. bij het optellen van deelen, die een meervoud vormen. B.v. Quis ignörat, tria Graecorum genera esse, quorum uni sunt Tones, Aeöles alteri, Dores tertii nominantur, wie weet niet, dat er drie soorten van Grieken zijn, van welke de eenen de Joniërs zijn, de anderen de Aeolié\'rs en de derden Doriërs genoemd worden.

Pluralis. Pluralis.

N o m. duo, duae, duo. N o m. tres, tres, tria.

Gen. duorum, duarum, duorum. Gen trium.

, 1 11 11 t^\\ . i. *l 1 in alle genera. Dat. duoous, duabus, duobus. Dat. tribus. )

Ace. duo en duos, duas, duo. Ace. tres, tres, tria. Abl. duobus, duabus, duobus. Abl. tribus, in alle genera. Volgens duo gaat ook ambo, ambae, ambo, beiden. In plaats van duo rum vindt men soms duum bij milium. § S7. Van quattuor tot centum zijn de cardinalia onverbuigbaar. Ducenti, ae, a en de overige honderdtallen gaan regelmatig naar het meervoud der adjectiva op us, a, um. Bij de samengestelde telwoorden wordt het veranderlijke gedeelte gedeclineerd. B.v. duorum et viginti homïnum, van 22 vic use hen.

Mille is in het enkelvoud (wanneer er van één duizend spraak is) gewoonlijk een onverbuigbaar a dj e c t iv u m. B.v. Nom. Mille milïtes, duizend soldaten; Gen. mille milïtum, van duizend soldaten. Het meervoud m i 1 i a is een onzijdig s u b s t a n-tivum met den Gen. milium en den Dat en Abl. milïbus.

De getelde voorwerpen staan bij milia in den Gen. B.v. duo milia militum, 2000 soldaten; duorum milium mill turn, van 2000 soldaten; duobus milïbus milïtum, aan 2000 soldaten.

-ocr page 59-

Numcralia.

§ 68-69.

49

Zoo met milia kleinere getallen zijn verbonden, plaatst men de getelde voorwerpen in den zelfden naamval, wanneer zij achteraan staan. B.v. Habuit tria milia trecentos milites, hij had 3300 soldaten. Staan de getelde voorwerpen vóór milia, dan worden zij gewoonlijk in den Gen. gezet. B.v. Habuit militum tria milia trecentos. Men kan de getelde voorwerpen ook onmiddellijk achter milia in den Gen. plaatsen en de kleinere getallen met et laten volgen. B.v. Habuit tria milia militum et trecentos.

De duizendtallen worden gewoonlijk gevormd door vermenigvuldiging van milia met een cardinale of distributivum. B.v. duo milia of bi na milia, 2000.

De honderdduizendtallen worden gevormd door centum milia of centena milia te vermenigvuldigen met een adverbium numerale. Zoo is een mil Hoen decies centum milia of decies c e 111 ë n a milia.

§ SS. Om de tusschengetallen te vormen plaatst men van 20 tot 100 gewoonlijk öf het kleinste getal voorop met et bf het grootste zonder ct, B.v, quattuor et sexaginta of sexaginta quattuor.

De tusschengetallen met u n u s hebben het substantivum in het meervoud. B.v. homines unus et viginti, homines viginti unus, unus et viginti homines, viginti unus homines. Zoo echter unus met et achteraan staat en gevolgd wordt door het substantivum, kan dit ook in het enkelvoud staan. B.v. viginti et unus homo.

Boven 100 staat het grootste getal altijd voorop met of zonder et. B.v. mille unus of mille et unus. Men mag et slechts plaatsen o n m i d d e 11 ij k achter het grootste getal en nooit tweemaal et gebruiken. B.v. mille (et) trecenti sexaginta sex, niet: mille trecenti sexaginta et sex.

De met 8 en 9 samengestelde getallen worden gewoonlijk gevormd door aftrekking. Un (unus) en duo worden in dit geval niet verbogen. In plaats van undecentum zegt men liever novem et nonaginta of non a gin t a novem. 98 heet altijd octo et nonaginta of nonaginta octo.

Waar wij om een groot getal te noemen honderd of duizend gebruiken, zeggen de Latijnen, zoo er een cardinale noodig is, sex-centi, en zoo er een ordinale of adverbium numerale gevorderd wordt, millesimus of millies. B.v. Sexcentas scribïto mihi d i c as, n ihi 1 do, voer duizend processen tegen mij, ik betaal toch niets. Millies tibi dixi verbum excellendi carêre perfecto, wel honderdmaal heb ik u gezegd, dat het werkwoord excello geen perfectum heeft.

Aanmerkingen op de ordinalia.

§ 69. De ordinalia zijn gewone adjectiva op us, a, um.

4e druk. 4

-ocr page 60-

Numeralia.

% 70—7I.

Bij de vorming der tusschengetallen zet men gewoonlijk van 13 tot 17 het kleinste getal vóór het grootste en wel zonder et; van 21 tot 98 geschiedt de samenvoeging juist gelijk bij de c a r d i n a 1 i a. Boven 100 zet men gewoonlijk het grootste getal voorop, terwijl men de kleinere getallen zonder verbinding laat volgen. B.v, Anno ducentesimo sexagesimo quarto.

Ook hier worden de met 8 en 9 samengestelde getallen het liefst gevormd door aftrekking.

De duizendtallen der ordinalia worden gevormd door vermenigvuldiging van m i 11 e s i m u s met een adverbium numeral e.

§ 70. De ordinalia worden gebruikt bij het aangeven van jaartallen en uren. B.v, Anno millesimo octingentesimo duodenonagesimo, in het jaar 1888. Quota hora est, hoe laat is het ? Hora f e r e n o n a, bijna negen uur.

Wanneer een ordinale gevolgd wordt door quisque zegt men in het Nederlandsch om de. B.v. Quinto quo que anno ludi celebra-

b a n 111 r, om de vier jaar werden er spelen gehouden. Tertio q u o q u e v e r b o p e c c a t, ow het andere woord maaht hij een fout.

A a n m e r k i n g. Bij het gebruiken der ordinalia rekenen de Romeinen gewoonlijk den terminus a quo en den terminus ad quem mede, evenals wij in onze uitdrukking: van daag over acht dagen. Vandaar beteekent quinto quoque anno, om de vier jaar, tertio quoque verbo, om het andere woord, febris quartana, derdendaagsche koorts, febris tertiana, anderendaagsehe koorts.

Aanmerkingen op de distrifcutiva en adverbia numeralia.

§ 71. De distributiva worden regelmatig gedeclineerd naar het meervoud der iste en 2de declinatie. Behalve van singuli gaat echter de Gen. Plur. gewoonlijk uit op um in plaats van op orum. B.v. binum, ter num.

Bij de tusschengetallen voegt men soms et B.v. Oua-terni et viceni.

7 cl keus duizend heet niet m i 11 ê n i maar singula m i 1 i a of alleen milia.

Bij de tusschengetallen der adverbia numeralia staat het kleinste getal achter het grootste zonder et of vóór het grootste met et. Vóór het grootste zonder et duidt het een vermenigvuldiging aan.

Bij de distributiva en adverbia numeralia kunnen de met 8 en 9 samengestelde getallen evengoed gevormd worden door bijvoeging. B.v. octoni deni, novies decies.

-ocr page 61-

Ninncralia.

§ 72—73-

Si

§ 72. De distributiva worden gebruikt:

i0. om aan te duiden, dat zeker getal op ieder der genoemde personen of zaken van toepassing is. B.v. Caesar et Ariovistus denos comités ad dux er unt, Caesar en Ariovistus brachten ieder tien begeleiders mede. Decern comités zou beteekenen, dat zij te zamen tien begeleiders medebrachten. Multi camëli singula, alii bina tubëra in dorso habent, vele kameelen hebben één, andere twee bulten op den rug. Antonius denarios quingënos singulis militibus dat, Antonins geeft aan iederen soldaat 500 denarien. Staat, zooals in het laatste voorbeeld, bij den persoon of de zaak, waarvan gesproken wordt, s i n g u 1 i (zoo er spraak is van twee uterque, van meerderen unusquisque), dan mag men de getelde voorwerpen ook aangeven dooreen car din a le. B.v. Antonius denarios quingentos singulis militibus dat. Zoo mag men ook het eerste voorbeeld vertalen; Caesar et Ariovistus uterque decern comités adduxerunt.

20. bij het vermenigvuldigen; het vermenigvuldigtal is een distri b u t i v u m, de vermenigvuldiger een adverbium numerale, het product een car din ale. B.v. Sexies octona sunt duodequin-quaginta, 6 X 8 is 48. Non didïcit bis bina quot essent, hij weet niet hoeveel tweemaal twee is.

30. bij de pluralia tantum, die een enkelvoudige beteekenis hebben. B.v. Quinae litferae, vijf brieven. Bina castra, twee legerplaatsen. Quinque litterae zou beteekenen vijf letters, duo castra twee kasteden. In plaats van singuli en terni, die altijd hun distributieve beteekenis behouden, gebruikt men uni en trini. Bij de pluralia tantum, die een meervoudige beteekenis hebben, gebruikt men de car din alia. B.v. Unus ex majoribus, een zijner voorvaderen. Tres liberi, drie kinderen.

Aanmerking. Bini wordt soms in plaats van duo gebruikt om twee zaken aan te duiden, die b ij elkander b e h o o r e n. B.v. B i n a e a u r e s, de twee oor en. Bini s c y p h i, twee bij elkander behoorende bekers.

Over de breuken.

§ 73. De breuken worden in het Latijn op dezelfde wijze uitgedrukt als in het Nederlandsch, de teller door een car din ale en de noemer door een ordinale met of zonder p a r s. B.v. Quintae partes horae tres, -| uur. Quinque octavae,

Wanneer de teller 1 is, wordt hij in het Latijn niet uitgedrukt. B.v. Decima, T\'0

Wanneer de teller één minder is dan de noemer, laat men den noemer gewoonlijk weg, maar voegt dan altijd partes bij den teller. B.v. 4, duae partes; septem partes.

I heet pars dimidia, dimidium; half, dimidius. a, um B.v. Dimidium pan is of dimidius pa nis, een half brood. Gewoonlijk gebruikt men echter semis. Gen. se missis. B.v. Semis panis, een half brood; semisses panis, halve brooden. Zoo er een ander getal voorafgaat, laat men gewoonlijk semis zonder verbuiging en zonder verbinding volgen. B.v. 6J- voet, sex semis pedes. Het is half zes, quinta semis hora est. Ecu rijksdaalder, duo semis florêna. Men drukt half ook uit door substantiva en adjectiva samen te stellen met semi. B.v.

-ocr page 62-

Pronomina.

% 74—76.

52

6^ voet, sex pedes et semïpes. Een half uur, semihora. Een half geleerde, semidoctus. Men lette echter wel op de verschillende spreekwijzen der Latijnsche taal. Zoo heet met halven wind zeilen ven turn oblïquum cap tare, half wanhopig zijn prope desperatum esse.

Anderhalf is s e squi en staat vooral in samenstellingen, zooals: se s q 11 i-pes, sesq ui-modi us. Meteen ordinale verbonden voegt het daaraan J toe. B.v. sesqui-tertius — 3J.

Bij de tegenwoordige geldberekening drukke men den jaarlijkschen interest uit door centesimae met een distributivum. B.v. i0/o, cen-tesimae; 2%, binae centesimae; 5%, quinae centesimae.

Over de Romeinsche getalmerken.

§ 74 Betrekkelijk de Romeinsche getalmerken valt op te merken , dat het getal 500 oorspronkelijk werd uitgedrukt door het tecken id. De omgekeerde 0 wordt apoströphus genoemd. Bij iedere vermenigvuldiging met 10 voegt men er een apoströphus achter B.v. 133 = 5000, iddd = 50,000. Zet men evèn-, veel rechte c\'s vóór de 1 als er apostróphi achter staan, dan wordt het getal verdubbeld. B.v. 03= iüoo, ccioo = 10,000.

De duizendtallen worden ook aangegeven door een streep te plaatsen boven het aantal der duizendtallen, zooals XXII1= 23,000; de honderdduizendtallen door ze in te sluiten in de figuur zooals: IH] = 200,000, | XX | = 2,000,000.

NEGENDE HOOFDSTUK.

OVER DE PRONOMINA.

§ 75. De pronomina worden verdeeld in:

pronomina personalia, persoonlijke voornaamwoorden,

„ reflexïva, wederkeerige ,,

„ possessïva, bezittelijke „

„ demonstratïva, aanwijzende ,,

„ relativa, betrekkelijke ,,

„ interrogatïva , vragende „

„ indefin ïta, onbepaalde „

Pronomina personalia.

§ 76. Er zijn in het Latijn twee pronomina personalia, het pronomen personale van den eersten persoon: ego, ik, en van den tweeden persoon: tu, gij. In plaats van het Nederlandsche persoonlijke voornaamwoord van den derden persoon, hij, zij, hst, gebruikt men in het Latijn een pronomen demonstrativum.

-ocr page 63-

Pronomina.

§ 77—78.

53

Do pronomina personalia wor Singularis. Nom. ego, ik.

Gen. mei, van mij. Dat. mihi, aan of voor mij. A c c. me, mij.

Abl. me, met of door mij.

op de volgende wijze verbogen.

Pluralis.

nos, wij,

nostri of nostrum, van ons. nobis, aan of voor ons. nos, ons.

nobis, met of door ons.


N om.

tu.

gij

vos, gij.

G e n.

tui,

van n.

vestri of vestrum , van

Dat.

tibi,

aan of voor n.

vobis , aan of voor u.

A cc.

te.

n.

vos, 11.

Voc.

tu.

gij

vos, gij.

Abl.

te.

met of door u.

vobis, met of door ti.

Aanmerkingen. Zoo men tu en den Gen. Plur. uitzondert, kunnen de pronomina personalia in alle casus versterkt worden door het achtervoegsel met in de beteekenis van zelf. B.v. egömet, ik zelf. Meermalen voegt men er nog ipse bij. B.v vosmet ipsos, u zelven.

In plaats van tu zegt men soms ter versterking tute of tu temet.

In het oudere Latijn vindt men soms menie en te te in plaats van m e en t e.

De dichters zeggen meermalen mi in plaats van mihi.

Pronomina reflexiva.

§ 77. De pronomina personalia worden ook gebruikt als reflexiva van den eersten en tweeden persoon. Voor den derden persoon bestaat er een bijzonder pronomen reflexivum. Het mist natuurlijk den N o m., heeft in het enkelvoud en meervoud dezelfde vormen en wordt volgender wij ze verbogen.

Gen. sui, van r:ieh.

Dat. sibi, aan of voor zich.

A c c. se , zich.

Abl. se, niet of door zich.

Aanmerkingen. Evenals de pronomina personalia kan ook het reflexivum versterkt worden door met en door ipse.

Meermalen zegt men voor den nadruk s e s e in plaats van s e.

Pronomina possessiva.

§ 78. Er zijn in het Latijn vijf pronomina possessiva:

voor den Is,:en persoon enkelvoud; m e u s, m e a, m e u m, mijn.

meervoud; noster, nostra, nostrum, 0;«. enkelvoud: tuus, tua, tuum, uw. meervoud: vester, vestra, vestrum, «w.

2den

-ocr page 64-

Pronotnina.

voor den 3dei1 persoon enkelvoud i | pijn, haar.

en i suus, sua, suum -„ „ „ „ meervoud: ) hu//, haar.

Het pronomen s u u s, sua, s u u m mag alleen in w e d e r k e e-rige zinnen gebruikt worden. Zoo er geen wederkeerighcid bestaat, vertaalt men het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon in het Latijn door een pronomen demonstra-tivum. Welk pronomen zoudt gij nu gebruiken in de volgende zinnen ? Jan heeft zijn hond verkocht. Hebt gij zijn vader gesproken? Wij hebben hunne teekeningen gezien. Deze vrouzu heeft haar cenige dochter verloren.

De pronomina possessiva worden regelmatig verbogen naar de eerste en tweede declinatie met uitzondering van meus, dat in den V o c. Sing, van het masculinum m i heeft.

Aanmerkingen. De Abl. Sing, wordt somtijds versterkt door het achtervoegsel pte, dat de beteekenis heeft van eigen. B.v. meopte consilio, door mijn eigen overleg; snapte manu, met zijn eigen hand.

Achter den Abl. Sing, van suus voegt men soms in dezelfde beteekenis met, waarop dan gewoonlijk nog een casus van ipse volgt. B.v. Ha nnibal suamet ipse fraude captus est, Hannibal werd door zijn eigen list gevangen.

Soms vindt men, maar hoogst zelden bij goede schrijvers, het pronomen possessivum (cujus), cuja, cujum, va/i wien; het wordt nu eens als relativum, dan eens als interrogativum gebruikt. B.v. Die mihi, cujum peeu^w^ mij, van wien de schape/i zijn.

Van de poSfc^a worden de zoogenaamde pronomina gent ilia afgeleid, die aanffihden tot welk volk, familie of partij iemand behoort. Zij zijn:

nostras, atis, onze landgenoot, een van de onzen.

vestras, atis, uw landgenoot, een van de uwen.

cujas^ atis, wat lands mand van welke familie of partij?

De pronomina gentilia worden regelmatig verbogen als adjectiva van éen uitgang.

Pronomina demonstrativa.

§ 79. Er zijn in het Latijn zes pronomina demonstrativa; zij hebben voor de verschillende geslachten een verschillenden uitgang. Zij heeten:

hie, haec, hoe, deze, deze, dit. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, die spreekt. B.v. hie lib er, dit (mijn) \'boek; hie locus, deze plaats (waar ik mij bevind). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den eersten persoon.

iste, ista, istud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, tot wien gesproken wordt. B.v. iste

54

-ocr page 65-

Pronomina.

§ 79-

55

libcr, dat (uw) boek; iste locus, die plaats (waar gij u bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon.

ille, ilia, illud, die, die, dat. Dit pronomen heeft betrekking op den persoon, over wie n gesproken wordt. B.v. ille lib er, dat (zijn) boek; ille locus, die plaats (waar hij zich bevindt). Men noemt dit pronomen het pronomen demonstrativum van den derden persoon.

is, ea, id, hij, zij, het öf die, die, dat. Men gebruikt dit pronomen als pronomen personale van den derden persoon en daar waar het pronomen possessivum van den derden persoon niet mag vertaald worden door suus, sua, suum. Het zou te pas komen bij de vertaling der volgende zinnen. Zij hebben hem geslagen. Ik heb zijn stok (den stok van hem) gebroken. Wij zagen haar; hare oogen (de oogen van haar) stonden vol tranen.

idem, e a d e m , idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde.

ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij zelf, zij zelve, het zelf.

Deze pronomina .worden op de volgende wijze verbogen.

Hie, haec, hoe, deze, deze, dit.

Singularis. Pluralis.

N o m. hie, haec, hoc. hi, hae, haec.

Gen. hujus. i. , horum, harum, horum.

t-. . , • m a u e g e n e r a. , . . ,, amp;

Dat. huic. t 0 his. in alle genera.

Ace. hunc, hanc, hoe. hos, has, haec.

Abl. hoe, hac,- hoc. his. in alle genera.

Aanmerking/ Aan alle naamvallen van dit pronomen kan ce en cine gehecht worden, ce tot versterking van de aanwijzende beteekenis, cine om een vraag uit te drukken. Waar twee c\'s op elkander zouden volgen, wordt gewoonlijk ééne c uitgeworpen, als: hice (hicce), hun-cine (hunceine). In proza worden deze achtervoegsels gewoonlijk slechts gehecht aan de vormen, die op s. uitgaan, als: hujusce, hi see.

Iste, ista, istud, die, die, dat.

Singularis. Pluralis.

N o m. iste, ista, istud. isti, istae, ista.

Gen. istlus. /. ,, istörum, istarum, istörum.

T-. . .. i i n a 11 e g e n e r a. - ,. . ,,

Dat. isti. \' 0 istis. in alle genera.

Ace. istum, ista^i, istud. istos, istas, ista.

Abl. isto, ista, isto. istis. in alle genera.

Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook de volgende vor-

-ocr page 66-

Pronomina.

men: Nom. istic, istaec, istoc of istuc, Acc. istunc, istanc, istoc of istuc. A b 1. istoc , istac, istoc. N o m. en Acc. PI u r. van het neutrum istaec.

Ook van dit pronomen komen enkele vormen met cïne voor, als: istocine, istoscine.

Ille, ilia, illud, die, die, dat.

Singularis. Pluralis.

Nom. ille, illa, illud. illi, illae, illa.

Gen. illïus. ) . illorum, illarum, illorum.

^ ) m alle genera. . ,,

Dat. illi. J 0 ulis. in alle genera.

Acc. illum, illam, illud. illos, illas, illa.

Abl. illo, illa, illo. illis. in alle genera.

Aanmerking. Men vindt in het oudere Latijn ook de volgende vormen: Nom. illic, illaec, illoc of illuc. Acc. illunc, illanc, illoc of illuc. Abl. illoc, illac, illoc. Nom. en Acc. Plur. van het neutrum illaec. Vervolgens vindt men den Dat. Sing, olli en den Nom. en Acc. Plur. olli, ollos en olla.

Ook hier komen enkele vormen met cïne voor, als : i 11 i c i n e, i 1-1 a n c i n e.

Uit de verbinding van en, ziedaar en illum, illam, illos, illas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: ellum, daar is hij, e 11 a m, daar is zij, e 11 o s, e 11 a s, daar zijn zij.

Is, ca, id, hij, zij, het of die, die, dat. Singularis. Pluralis.

N o m. is, ea, id. ii (ei), eae, ea.

Gen. ejus, j eorum, earum, eoriun.

} in alle genera. .. . n . ,,

JJat. ei. J 0 ns (eis), in alle genera.

Acc cum, earn, id. eos, eas, ea.

Abl. eo, ea, eo. iis (eis), in alle genera.

Aanmerking. Uit de verbinding van ecce, ziedaar en eum, earn, eos, eas zijn de spreekwijzen der blijspeldichters ontstaan: eccum, daar is hij, eccam, daar is zij, e c c o s en e c c a s, daar zijn zij.

Idem, eadem, idem, dezelfde, dezelfde, hetzelfde. Singularis. Pluralis.

Nom. idem, eadem, idem. ndem(eïdem, idem),eaedem, eadem. Gen. ejusdem. \'in ajie rrenci.a eorun^enl) eamndem, eorundem Dat. eidem. 0 iisdem (eisdem, isdem).

Acc. eundem, eandem, idem. eosdem, easdem, eadem. Abl. eödem, eadem, eödem. iisdem (eisdem, isdem).

56

-ocr page 67-

Pronomina.

§ 8o—81.

57

Ipse, ipsa, ipsum, zelf of hij self, zij zelve, het self. Singularis. Pluralis.

Nom. ipse, ipsa, ipsum. ipsi, ipsae, ipsa. Gen. ipsïus. 1 .^ a|ie o-cnera \'Ps®rumgt; ipsarum, ipsörum.

Dat. ipsi. j ipsis. in alle genera

Acc, ipsum, ipsam, ipsum. ipsos, ipsas, ipsa. Abl. ipso, ipsa, ipso. ipsis. in alle genera.

Aanmerking. Bij oude schrijvers vindt men soms ipsus in plaats van ipse en e a p s e, e o p s e , e u m p s e , e a m p s e in plaats van ipsa, ipso, ipsum, ipsam. In zuiver Latijn komt meermalen het samengestelde woord re apse re ipsa, inderdaad, voor. Bij de blijspeldichters treft men een superlativus ipsis sim us aan.

Pronomina relativa.

§ 80. Het meest gewone Latijnschc pronomen relativum is qui\'

quae, quod, die, die, dat; zvelkc, welke, hetzvclk. Het wordt

op de volgende wijze verbogen.

Singularis. Pluralis.

Nom. qui, quae, quod. qui, quae, quae.

Gen. cujus.) . ,, quorum, quarum, quorum.

. • in alle genera. 1 1 1

JJat. cui. ( quibus. in alle genera.

Acc. quem, quam, quod. quos, quas, quae.

Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.

Aanmerking. De Gen. Sing, heette oudtijds quojus en de Dat. S i n-g. q u o i In plaats van quibus bestaat er nog een oude vorm q u i s en queis (spreek uit: quis).

Pronomina interrogativa.

§ 81. De vragende voornaamwoorden wie, zvat, welke, welk\' heeten in het Latijn: quis en qui voor het masculinum, quae voor het femininum, quid en quod voor het neutrum.

Het mannelijke quis is substantivum en\'adjcctivum, qui gewoonlijk slechts adjectivum; het vrouwelijke quae is substantivum en adjectivum; het onzijdige quid enkel substantivum en quod enkel adjectivum.

De pronomina interrogativa worden bijna geheel als het relativum verbogen.

Singularis. Pluralis.

N o m. quis of qui, quae, quid of quod, qui, quae, quae. Gen. cujus. | in alIe ra quorum, quarum, quorum.

Dat. cui. 1 ■quot; quibus. in alle genera.

Acc. quem, quam, quid of quod, quos, quas, quae. Abl. quo, qua, quo. quibus. in alle genera.

-ocr page 68-

Pronomina.

% 82-83.

Aanmerkingen. In het oudere Latijn gebruikte men quis ook als femininum.

Ter versterking van de vraag kan men het achtervoegsel nam aan de pronomina interrogativa hechten. B.v. Quisnam, wie tocht Quibus-nam, aan wie toch?

Zoo de vraag betrekking heeft op een van twee personen of zaken, moet men ut er, ut ra, ut rum, zoie, wat, mclkc, welk van beiden gebruiken. B.v. Uter ocülus, welk oog? Ut ra m a n u s, zvelke hand\'?

Pronomina indefinita.

S 82. Het eenvoudigste Latijnsche pronomen indefinitum is quis en qui voor het masculinum, quae en qua voor het femininum, quid en quod voor het neutrum. Het gebruik der verschillende vormen als substantivum en adjectivum is juist hetzelfde als bij de pronomina interrogativa. Als substantivum beteekent het iemand, iets, als adjectivum eenig, een. Ook de declinatie geschiedt op dezelfde wijze als die der interrogativa, behalve dat men in plaats van quae in het vrouwelijk enkelvoud en in het onzijdig meervoud ook qua zegt.

Singularis. Pluralis.

N om. quis of qui, quae of qua, quid of quod, qui, quae, quae of qua. Gen. cuius. | . ,, quorum,quarum, quorum,

ui. j

alle eren er a.

Dat. cui. j quïbus. in alle genera-

Acc quem, quam, quid of quod, quos, quas, quae of qua. Abl. quo, qua, quo. quïbus. in alle genera.

§ 83. Van quis, qui worden door aanhechting van onverbuigbare voor- en achtervoegsels of door samenstelling met verbuigbare woorden verschillende andere pronomina indefinita gevormd. Zij zijn : alïquis, al i qua, a liquid en alïquod, iemand, eenig. Dit pronomen heeft in het vrouwelijk enkelvoud en in het onzijdig meervoud alleen a 1 ï q u a (niet aliquae).

In plaats van aliquis komt soms aliqui voor, dat uitsluitend als adjectivum wordt gebruikt.

qu ispïam , quaepiam, qu idpïam en quodpïam, iemand, eenig. Zelden in het meervoud.

quidam, q u a e d a m , q u o d d a m en q u i d d a m , zeker iemand, een zeker. De Acc. Sing, is quondam, quandam, de Gen. Plur. quorundam, quarundam.

-ocr page 69-

.Pronomina\'.

§ 84.

59

quivis, quaevis, quodvis en quidvis, \\

quilïbct, quaelïbet, quodlibet en quidlïbet, \\ieder,elk. quisque, quaeque, quodque en quidque, \\ quisquam, quidquam (quicquam), iemand.

Quisquam heeft geen femininum en komt niet in het meervoud voor. Het wordt gewoonlijk als substantivnm gebruikt; als adjectivum wordt het vervangen door uil us, uil a, ullum, eenig

unusquisque, unaquaeque, unumquodque en unum-quidque, iedereen, elk. Gen. unïuscujusque, enz.

Vervolgens heeft men twee pronomina indefinita, die als relativa gebruikt worden, namelijk:

quicunque, quaecunque, quodcunque.

quisquis,

Behalve den Nom. Masc. quisquis komen van dit pronomen slechts de volgende vormen voor: quid quid (quicquid), quo quo (Masc. en Neutr.) en de vreemdsoortige met modus samengestelde genetivus cüi-cüïmodi, van welken aard ook. Slechts zelden vindt men quemquem, quibusquïbus en eerst later quaqua.

Ook heeft men één vragend pronomen indefinitum, namelijk: ecquis, ecqui; ecquae, ecqua; ecquid, ecquod, of iemand, of eerdg; wei iemand, wel eenig? Soms wordt het versterkt met nam, als: ecquis nam.

Over het gebruik van deze pronomina wordt gesproken in de syntaxis.

§ 84. Tot de pronomina rekent men ook zekere adjectiva, die cor-relativa genoemd worden, omdat zij volgens hun beteekenis en vorm in onderlinge betrekking met elkander staan. Zij worden onderscheiden in interrogativa, demonstrativa, relativa en indefinita en zijn:

interrogativa. demonstrativa. relativa.

q u a 1 i s, hoedanig 1 talis, zoodanig. q u a 1 i s, zoodanig als.

q u a n t u s, hoe groot! t a n t u s, zoo groot, q u a n t u s, zoo groot als. quot, koevele? tot, zoovele. quot, zoovele als.

quotus, de hoeveelste? totus, de zoovee Is te. quot us, de zooveelste als.

De relativa worden tot indefinita gemaakt

i0. door voorvoeging van ali, namelijk: aliquantus, van een zekere, tamelijke grootte en aliquot, eenige, tamelijk vele.

2quot;. door verdubbeling, namelijk: qualisqualis, hoedanig ook, quotq 11 ot, hoei\'ele ook, quantusquantus, hoe groot ook.

3°. door achtervoeging van cunqne, lïbet en vis, namelijk: qualiscunque en qua 1 is 1 ïbet, hoedanig ook, quantuscunqu^ en quantuslïbet, hoe groot ook, quantum vis, hoeveel het ook zijn mag, quote unque, hoevele ook, q u o t u s c u n q u e , de hoeveelste ook slechts.

Meermalen vindt men ook het samengestelde quotusquisque, quota q u a e q u e, quotumquodque, hoe weinigen.

-ocr page 70-

Over de verba in het algemeen.

6o

% 85-86.

TIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA IN HET ALGEMEEN.

§ 85. De verba worden volgens hunne betcekenis verdeeld in verba transitlva of overgankelijke werkwoorden en verba intransitlva of onovergankelijke werkwoorden. De laatste worden ook neutra of onzijdige werkwoorden genoemd.

De verba transitiva duiden een werking aan, welke.zich richt op een voorwerp, dat die werking ondergaat. Dit voorwerp 01 object staat in den accusativus. B.v. Ik bemin mijne moeder, am o matrem meam.

De verba in transitiva duiden öf wel een werking aan, welke zich bepaalt bij den persoon of de zaak, die de werking verricht, evenals in het Nederlandsch loopen, slapen, öf wel een werking, welke uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Dit verwijderd voorwerp staat in den genetivus, dativusof ablativus, evenals in het Nederlandsch gedenk mijner (2tle naamval; dit zal ti (3de naamval) niet baten.

Volgens hunnen vorm worden de verba verdeeld in activa ol bedrijvende en p a s s ï v a of lijdende. Zoo is a m o, ik bemin, een verbum activum, am or, ik zvord bemind, een verbum passivum. Het vervoegen van een werkwoord noemt men conjugeeren.

§ 86. Er zijn in het Latijn zes tijden of tempora: de tegenwoordige tijd of het praesens, die aanduidt, dat iets geschiedt op het oogenblik, waarop men spreekt. B.v. a m o, ik bemin.

de onvolmaakt verleden tijd of het imperfectum, die aanduidt, dat iets nog bezig was te geschieden in een verleden tijd. \'B.v. a m a b a m , ik beminde.

de volmaakt verleden tijd of het perfectum, die aanduidt, dat iets geschied is. B.v. amavi, ik heb bemind.

de meer dau volmaakt verleden tijd of het p 1 u s q u a m p e r-fectum, die aanduidt, dat iets reeds geschied was in een verleden tijd. B.v. a m a v é r a m, ik had bemind.

de eerste toekomende tijd of het futurum simplex, die aanduidt, dat iets zal geschieden. B.v. amabo, ik zal beminnen.

de tweede toekomende tijd of het futurum e x a c t u m, die-aanduidt, dat iets in een toekomenden tijd reeds geschied zal zijn. B.v. amavëro, ik zal bemind hebben.

-ocr page 71-

Over de verba in het algemeen.

§ 87—89.

61

§ 87. Er zijn in het Latijn drie wijzen of modi: de aantoonende wijs of modus indicatïvus, die iets als werkelijk voorstelt. B.v. amo, ik bemin.

de aanvoegende wijs of modus conj unctïvus, die iets als mogelijk of wenschelijk voorstelt. B.v. amem, dat ik beminne.

de gebiedende wijs of modus imperatïvus, die iets als een gebod, verzoek, vermaning voorstelt. B.v. ama, bemin.

§ 88. Behalve de modi komen bij een verbum nog de volgende vormen voor:

de infinitïvus of onbepaalde wijs (in oneigenlijken zin modus of wijs genoemd); deze stelt het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voor. B.v. amare, beminnen.

de participia of deelwoorden, die het begrip van het werkwoord in den vorm van een a dj e c t i v u m voorstellen. B.v. a m a n s, beminnende, amatus, bemind, amatürus, stillende beminnen, a mand us, moetende bemind worden. Het participium op dus, dat de bijbeteekenis van moeten heeft, draagt den naam van ge-., rundlvum. De participia op ns worden verbogen als adjectiva van één uitgang en hebben, behalve in enkele later te bespreken gevallen (Vgl. § 412 A. en 421), meestal i in den Abl. Sing. De overige participia worden verbogen als adjectiva van drie uitgangen.

het gerundium. Dezen vorm van het werkwoord, waarvoor men in het Nederlandsch geen bepaalden naam heeft, kan men het gemakkelijkst begrijpen, door hem te beschouwen als een verbogen infinitivus. Het gerundium komt namelijk voor in vier naamvallen met de uitgangen der tweede declinatie. Zoo is het gerundium van het werkwoord am are, beminnen:

Gen amandi, van het beminnen.

Dat. amando, voor het beminnen.

Acc. amandum, (tof) het beminnen.

Abl. amando, door het beminnen.

de supïna. Onder dezen naam verstaat mén twee vormen van het werkwoord, die een soortgelijke beteekenis hebben als de infinitivus. B.v. amatum, om te beminnen, amatu, om bemind te worden. Het supinum op um noemt men het eerste supinum, dat op u het tweede supinum.

Een verbum, dat in den indicativus, conjunctivus of impera-tivus staat, wordt verbum finitum genoemd. In een der overige vormen staande heet het verbum infinitum.

§ 89. Evenals in het Nederlandsch heeft iedere tijd van den indicativus en conjunctivus drie personen en twee getallen.

De persoon of zaak, die zekere handeling verricht of ondergaat,^ wordt onderwerp of subject genoemd en staat in den nominativus. Zoo echter de persoonlijke voornaamwoorden ik.

-ocr page 72-

Conjugatie van sum.

gij) hij {zij, hei), wij, gij, zij subject zijn, blijven zij in het Latijn gewoonlijk onvertaald.

ELFDE HOOFDSTUK.

CONJUGATIE VAN HET VERBUM SUM.

§ 90 Evenals het Nederlandsche werkwoord zijn wordt ook het Latijnsche verbum sum in vele gevallen als hulpwerkwoord gebruikt. De conjugatie van dit verbum moet derhalve gekend worden voordat wij verder kunnen gaan met de behandeling dei-gewone verba. Zij is geheel onregelmatig.

62

Indioativns.

Conjunctivus.

P r a e s e n s. !

Sing.

sum, ik hen.

Sing, sim, dat ik zij.

es, gij zijt.

sis, dat gij zijt.

est, hij is.

sit, dat hij zij.

Plur.

sümus, tui/ zijn.

Plur sïmus, dat zo ij zijn.

estis, gij zijt.

sïtis, dat gij zijt.

sunt, zij zijn.

sint, dat zij zijn.

Imperfectum.

Sing.

ëram, ik %vas.

Sing, essem, dat ik ware.

ëras.

esses, ik zou^ zijn.

ërat.

esset.

Plur.

eramus.

Plur. essëmus.

eratis.

essëtis.

érant.

essent.

Perfectum.

Sing.

fui, ik ben geweest.

Sing, fuërim, dat ik geweest zij.

fuisti.

fuëris.

fuit.

fuërit.

i Plur.

fuïmus.

Plur. fuerimus.

fuistis.

fueritis.

fuêrünt.

fuërint.

Plusquamperfectum.

Sing.

fuëram, ik was geweest.

Sing, fuissem,^/ ik geweest ware,

fuëras.

fuisses. ik zon geweest zijn.

fuërat.

fuisset.

Plur.

fueramus.

Plur. iuissëmus.

fueratis.

fuissêtis.

fuërant.

fuissent.

-ocr page 73-

Conjugatie van si tin.

§ go—gi.

63

F u 111 r u m s i m p 1 e x.

Sing, cro, ik zal zijn. ëris.

ërit. P1 u r. erïmus.

erïtis,

ërunt.

Sing. futuru,s,sim//c?/?/t zijn zal. a, sis.

um sit.

Plur. futüri, simus.

ae, sitis.

a sint.


Futurum e x a c t u m.

Sing, fuëro, ik zal geweest zijn. fuëris.

fuërit.

fuerïmus.

fuerïtis.

fuërint.

ontbreekt.

Plui

Imperativu s.

Praesens. Futurum.

Sing. 2. ës, zij, wees. Sing. 2. esto, gij moet zijn.

3 csto, hij moet zijn. Plur. 2. este, zijt, zveest. Plur. 2. esto te, gij moet zijn.

3. sunto, zij moeten zijn.

I n f i n i t i v u s.

Praesens. esse, zijn.

Perfectum, fuisse, geweest zijn

Futurum, futurum, am, um esse, zullen zijn.

Participium futurum.

futürus, a, um, zullende zijn.

Aanmerkingen. In plaats van essem, esses, esset, essent gebruiken sommige schrijvers, vooral in voorwaardelijke zinnen , meermalen forem, fores, foret, forent, In plaats van futurum, am, um esse zegt men zeer dikwijls fo r e.

Bij de oudere Latijnsche schrijvers komen de volgende thans ongebruikelijke vormen voor: siem, sies, siet, sient en fuam, fuas, fuat, fuant in plaats van sim, sis, sit, sint; verder escit, escunt en esit, esunt in plaats van erit, erunt. Evenzoo hebben zij een perfectum fuvi in plaats van fui.

§ 91. Evenals sum worden ook de composita van sum geconjugeerd, namelijk:

absum, ik ben afwezig. obsum, ik ben in den weg.

adsum, ik ben tegenwoordig. praesum, ik ben aan het hoofd.

desum, ik ontbreek. prosum , ik ben voor dee lig.

-ocr page 74-

64 Conjugatie der verba activa. § 92.

insum, ik ben er in. subsum, ik ben er onder.

intersum, ik ben er bij. supersum, ik ben overig.

Betrekkelijk deze verba valt op te merken:

1°. dat bij het futurum conjunctivi en infinitivi de prae-positie vóór het participium moet gevoegd worden. B.v. prae-futurus sim; praefuturum esse.

2°. dat bij p r o s u m p r o in prod veranderd wordt, wanneer op pro een e volgt. B.v prosum, prodes, prodest, prosümus, prodestis, prosunt.

30. dat alleen a b s 11 m en p r a e s u m een participium p r a e-sens hebben, namelijk: absens, afwezigen, praesens, tegenwoordig. Men lette bij het laatste verbum op de veranderde be-teekenis van het participium praesens.

40. dat bij absum meermalen de b wegvalt vóór f B.v. afui, a f u t u r u s.

dat bij a d s u m somtijds de d vóór s in s en meermalen vóór f in f veranderd wordt. B v. assum, a ff ui.

dat bij obsum gewoonlijk de b vóór f in f veranderd wordt. B.v. offui.

De leerling lette goed op de quantiteit van het verbum sum, om bij de vervoeging der composita geen fouten te maken tegen de uitspraak. Hoe zult gij uitspreken: prodero, praesimus, desumus, oberat ?

TWAALFDE HOOFDSTUK CONJUGATIE DER VEEBA ACTIVA.

§ 92. De regelmatige verba worden vervoegd volgens vier con-jugaties. Om te weten tot welke conjugatie een verbum behoort, ziet men naar den uitgang van den i n fi n i t i v u s p r a e s e n s. Deze is in de

iste conjugatie are met lange a. B.v. amare. 2de „ êre „ lange e. „ monëre. 31-le „ ere „ korte e. „ legere. 4de M ire „ lange i. „ audïre.

Om een verbum te kunnen conjugeeren moet men vier vormen kennen, die hoofdvormen of hoofdtijden genoemd worden. Zij zijn:

het praesens indicativi, uitgaande op o. het perfectum indicativi, ,, „ i. de infinitivus praesens, „ „ re. het supinum primum, „ „ um.

B\'V. _ % x _

am o, amavi, amatum, amare, beminnen,

moneo, monui, monïtum, monëre, vermanen.

leg o, leg i, lect u m, lege r e, lezen.

audi o . audïv i. audit u m , audi r e, hoor en.

-ocr page 75-

Conjugatie der verba activa.

§ 93. Van de hoofdvormen worden de overige vormen afgeleid. Van het praesens indicativi komen

1. het praesens conjunctivi door te veranderen

o der eerste conjugatie in em. B.v. amo, amem. eo „ tweede „ „ earn. „ moneo, moneam.

o „ derde en vierde „ „ am. „ lego, leg am.

audio, audi am.

2. het imperfectum indicativi door te veranderen

o der eerste conjugatie in abam. B.v. amo, a ma b am. eo „ tweede „ „ ëbam. „ moneo, monëbam.

o „ derde en vierde „ „ ëbam. „ lego, leg ëbam.

audi o, audi ëbam.

3. het futurum simplex indicativi door te veranderen o der eerste conjugatie in abo. B.v. amo, amabo. eo „ tweede „ „ ëbo. „ moneo, monëbo. o „ derde en vierde „ „ am. „ lego, leg am.

audi o, audi a m.

4. het participium praesens door te veranderen

o der eerste conjugatie in ans. B.v. amo, amans. eo „ tweede „ „ ens. „ moneo, monens.

o „ derde en vierde „ „ e n s. „ leg o, leg e n s.

audi o, audi e n s.

5. het gerundium door te veranderen

o der eerste conjugatie in andi. B.v. amo, amandi. eo „ tweede ,, „ endi. „ moneo, monendi.

o ,, derde en vierde „ „ endi. „ lego, leg endi.

audio, audi endi.

Van het perfectum indicativi komen

1. het perfectum conjunctivi door i te veranderen in ë r i m. B.v. amavi, afhavërim, monui, monuërim, legi, legërim, audïv i, audiv ë r i m.

2. het plu squam perfectum indicativi door i te veranderen in ë r a m. B.v. amav ë r a m, monu ë r a m. leg ë r a m, audiv ë r a m.

3. het plusquamperfect um conjunctivi door i te veranderen in issem. B.v. amavissem, monuissem, legissem, audiv is sem.

4. het futurum exactum door i te veranderen in ëro. B.v. amavëro, monuëro, legëro, audivëro.

5. de infinitivus perfecti door i te veranderen in isse. B v. amav isse, monu isse, leg isse, audiv isse.

Van den infinitivus praesens komen

1. het imperfectum, conjunctivi door achtervoeging van m. B.v. amare, amare m , monëre , monëre m , legere, legëre m , audïre, audlre m.

2. de i m p e r a t i v u s door wegwerping van re. B.v. ama r e , ama, monë r e , mone , lege r e , lege , audi r e , audi.

4e druk, 5

65

-ocr page 76-

Conjugatie der verba activa.

Van het supinum primum komt het participium futurum door verandering van um in ürus. B.v. amatum, amatürus, monïtum, monitürus, lectum, lecturus, audïtum, audit ürus.

Het participium futurum met s i m dient om het fu t u r u m c o n-junctivi en met e.sse om den infinitivus futuri te vormen. B.v. amatürus sim, amatürum esse, monitürus sim, monitürum esse, lectürus sim, lectürum esse, auditürus sim, auditürum esse.

Aanmerking. Vorming van het praesens, perfectum en supinum van den stam.

I. De stammen der verba gaan uit op een vocaal of op een consonant.

Zoo de stam op een vocaal uitgaat, blijft hij gewoonlijk in alle vormen van het werkwoord onveranderd. De meeste verba echter, wier stam op e uitgaat, werpen deze e bij de vorming van het perfectum en supinum weg. Eindigt de stam op a, dan behoort het verbum tot de iste conjugatie, op e tot de 2lt;le, op u tot de 3de, op i tot de 4lt;le.

Zoo de stam op een consonant uitgaat, behoort het verbum tot de 3lt;le conjugatie.

II. Het praesens wordt van den stam gevormd door achtervoeging van o. De a van den stam der iste conjugatie smelt met deze o samen in o. In alle overige afgeleide vormen met uitzondering van het praesens conjunctivi blijft zij behouden. B.v. ama-o, amo, am a-s, ama-bam, ama-bo.

In het praesens is de stam dikwijls versterkt en wel voornamelijk:

i0. door achtervoeging van i of u. B.v. cap-i-o, sting-u-o.

20. door achtervoeging van n of t of cloor verdubbeling van den medeklinker. B.v. ster-n-o, pec-t-o, fal-l-o.

30. door achtervoeging van sc. B.v. di-sc-o (eigenlijk dic-sc-ovan stam die).

40. door tusschenvoeging van n of m, van n, wanneer de stam op een keelletter uitgaat, zooals : v i n c - o, stam v i c, p a n g - o, stam pag, van m, wanneer de stam op een lipletter uitgaat, zooals cumb-o, stam cub, rump-o, stam rup.

Somtijds blijft de versterkende n ook in het perfectum en supinum. B v. fingo (stam fig) finxi; jungo (stam jug) junxi, junctum.

50. door reduplicatie, zooals: gign-o (in plaats van gi-gen-o), stam gen.

III. Het perfectum wordt van den stam gevormd door achtervoeging van i. Deze i wordt op verschillende wijzen met den stam verbonden en wel:

10. door v of u, door v, wanneer de stam op een vocaal, door u, wanneer de stam op een consonant uitgaat. B.v. lauda-v-i, dele-v-i, audi-v-i, doc-u-i, col-u-i. Wanneer hier en in het vervolg van verba der 2de conjugatie gezegd wordt, dat de stam op een consonant uitgaat, moet men daaronder verstaan : na wegwerping der e. Vgl. I.

20. door s. B.v. man-s-i, rep-s-i.

30. onmiddellijk, doch in dit geval wordt de stamvocaal verlengd. B.v. vid-i van vid(e)o, lëg-i van lëg-o.

•Aanmerking. Verschillende verba hebben in het perfectum de reduplicatie. B.v. totondi van tondeo, cucurri van curro. Spondeo heeft spopondi, sto (uit stao) steti.

66

-ocr page 77-

Conjugatie der verba activa.

IV. De su pi na der iste conjugatie worden allen, die der overige conjugaties meestal op tum gevormd, dat óf onmiddellijk aan den stam wordt gehecht, zooals: a m a -1 u m , d e 1 e -1 u m, audi-tum, óf door middel eener verbindings-ï, zooals: frem-ï-tum.

In de 2(le en 3de conjugatie gaat het supinum bijna altijd uit op sum, wanneer de stam van het verbum eindigt op d, t of rg. B.v. arsum van ard(e)-o, missum van mitt-o, tersum van terg(e)-o.

V. In verschillende gevallen wordt de stam in het perfectum en supinum veranderd.

A. Bij de perfecta met v of u blijft de stam gewoonlijk onveranderd. B.v. ama-vi van amo (ama-o), al-ui van al-o.

B. Bij de perfecta op si en bij de supina op sum en tum komen de volgende veranderingen van consonanten voor.

i0. b verandert voor s en t in p. B.v. se rib-o, scrip-si, scrip-tum.

2quot;. c, g, h, q smelten met s in x samen en veranderen vóór t in c. B.v. dic-o, dixi (dic-si), dictum; teg-o, texi (teg-si), tectum (teg-tum) ; trah-o, traxi (trah-si), tractum (trah-tum), coq(u)-o, coxi (coq(u)-si), coctum (coq(u)-tum). Hetzelfde heeft plaats met v in vivo, vixi, victum;struo (oorspronkelijk struvo), struxi, struc-tum; fluo (oorspronkelijk tluvo), fluxi, fluctum.

3°. d en t vallen gewoonlijk weg vóór s, doch in dit geval wordt de •voorafgaande korte vocaal verlengd. B.v. claud-o, clausi, clau-sum; divïdo (uit dis en stam vid), divisi, divisum. Somtijds heeft er assimilatie plaats. B.v. conditio (de i is hier versterkend. Vgl. II. i0.), co neus si, co neus sum.

4°. Als de stam op twee consonanten uitgaat, valt de laatste gewoonlijk weg voor s en t. B.v. m u 1 c (e) - o, mulsi, m u 1 s u m; mulg(e)-o, mulsi, mulsum; torq(u)(e)-o, torsi, tortum.

50. v wordt, zoo er een consonant voorafgaat, vóór tum veranderd in ü. B.v. solv-o, solütum. Zoo a, o of u voorafgaat, smelt zij daarmede samen tot au, S, ü. B.v. fav(e)-o, fautum; mÖv(e)-o, mo-tum; jüv-o, jütum (in het praesens is de stam juva. Vgl. VI).

6°. m wordt somtijds vóór si en sum geassimileerd. B.v. prem-o, pres si, pres sum. Gewoonlijk blijft zij echter onveranderd, doch wordt dan vóór si en eveneens vóór tum gevolgd door p. B.v. sum-o, s u m p s i, s u m p t u m.

7°. r in het praesens, tusschen twee vocalen\' staande, is dikwijls uit s ontstaan en gaat vóór s en t in het perfectum en supinum weder in s over. B.v. ur-o, us-si, us-tum; ger-o, ges-si, ges-tum. Ook in quaer-o, quaes-ivi, quaes-itum is de r van het praesens uit s ontstaan.

C. Bij verschillende verba wordt in het perfectum en supinum de stamvocaal veranderd. B.v. ago, egi; pello, pulsum.

VI. Bij meerdere verba komen de hoofdvormen van een verschillenden stam. B.v. sono (stam sona), son-ui, son-ïtum (stam son); pet-o (stam pet), peti-vi, peti-tum (stam peti).

Aanmerking over de uitgangen der personen. Zie bladz. 72.

Naar de volgende voorbeelden worden de verba activa der verschillende conjugaties vervoegd.

67

-ocr page 78-

68 Conjugatie der verba activa. § 93.

T A

1. Amo, amavi

amatum, amare.

II.Moneo, monui

monïtum, monere.

Indicativus.

Conjunctivas.

Indicati vus.

Conjunctivus.

Praesens.

Praesens!

(ik bemin\').

(dat ik b cv tinne).

(ik vermaan).

(dat ik vermane).

am 0.

am em.

moneo

mon e a m.

am as.

am es.

mon es.

mon e as.

am at.

am et.

monet.

mon eat.

am a m u s.

amëm us.

mon ë m u s.

mon e a m u s.

am a t i s.

amëtis

mon ë t i s.

moneatis.

am a n t.

am e n t.

mon ent.

moneant.

Imperfectum.

Imperfectum.

(ik beminde\').

(dat ik beminde,

(ik vermaande).

(dat ik vermaande,

am a b a m.

ik zou beminnen).

ik zon vermanen).

am a rem.

monëbam.

monërem.

am abas.

am ares.

mon ë bas.

mon ë r e s.

am a b a t.

am a ret.

mon ë ba t.

mon ë r e t.

am a b a m u s.

am a r ë m u s.

mon e b a m u s.

mon e r ë m u s.

am abatis

amaretts.

mon eb a t i s.

mon e r ë t i s.

am a bant.

amarent.

monëbant.

monëren t.

Perfectum.

Perfectum.

(ik heb bemind).

(dat ik bemind

(ik heb ver

(dat ik vermaand

hebbc).

maand).

!lebbe).

amav i.

amavërim.

monu i.

monuërim.

amav i s t i.

amav ë r i s.

monui sti.

monu ë r i s.

amav i t.

amav ë r i t.

monu i t.

monu ë r i t.

amav ï m u s.

amaverïmus.

monui mus.

monuerïm us.

amavistis.

amaverïtis

monuistis.

monuerïtis.

amav ê r u n t.

amav ë r i n t.

monu ë r u n t.

monu ë r i n t.

Plusquamperfectum.

Plusquamperfectum.

(ik had bem ind).

(dat ik bemind

(ik had ver

(dat ik vermaand

hadde,

maand).

hadde.

ik zou bemind

ik zou vermaand

hebben).

hebben).

amavëram.

amavissem.

monu ë r a m.

monu i s s e m.

amavëras.

amav i s s e s.

monuëras.

monu i s s e s.

amav ë r a t.

amav i s s e t.

monu ë r a t.

monu i s s e t.

amaveramus.

amavissëmus.

monu eramus.

monu i s s ë m u s.

amaveratis.

amav i s s ë t i s.

monu e r a t i s.

monu i s s ë t i s.

amav ë r a n t.

amav i s s e n t.

monu é rant.

monu is sent.

-ocr page 79-

Conjugatie der verba activa.

69

§ 93-

IV. Audio, audivi, auditum, audire.

III. Lego, Icgi, Icctum, legére.

Indicativus. Conjunctivus.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.

Praesens.

(dat ik leze). leg am.

leg a s.

leg a t.

leg a m u s. leg a 11 s. legant.

(ik lees). lego.

leg i s. leg it.

leg i mus. leg ï t i s. leg u n t

r

(ik hoor.) audio, audis. aud i t. aud I m u s. audit is. audiu nt.

(dat ik hoore). audi am.

audi as.

audi at.

audi a m u s. audiatis.

audi ant.


Imperfectum.

Imperfectum.

(ik las).

legebam. leg ê b a s. leg ë b a t. leg e b a m u s. leg e b a t i s.

legebant.

(dat ik laze, ik zon lezen). leger e m,

leg ë r e s.

leg ë r e t. legerejn us. legerëtis. leg ë r e n t.

(ik hoorde).

audiëbam. audi ë bas. audi ë bat. audi e b a m u s. audi eb a tis. audi ë b a n t.

(dat ik hoorde, ik zou hoor en). aud i r e m.

audi re 8. audïret.

aud i r ë m us. audirëtis. audï rent.


(ik heb gele zeit).

legi.

legisti.

leg it.

leg ï m u s.

leg i s t i s.

leg ë r u n t.

leg ë r a m legë ras. leg ë r a t. leg eramus, leg e r a t i s. legë rant.

(dat ik gelezen

Ilebbe).

leg ë r i m.

leg ë r i s.

leg ë r i t.

leg e r ï m u s. legërïti s. legërint.

Plusquam perfectum

(ik had gelezen).

(dat ik ge.

hadde)tASi^ ik zon gmeèrd-

hebben).

leg i s s e m.

leg i s s e s.

leg i s s e t.

leg i s s ë m u s leg i s s ë t i s.

leg i s s e n t.

Perfectum.

audivi.

audiv i s t i. audiv i t. audivïmus. audiv i s t i s. audiv ê r u n t.

Plusquam

Perfectum.

(ik heb ge hoord)\\ (dat ik gehoord heb be).

audiv ë r i m. audiv ë r i s.

audiv ë r i t.

audiv erïm us./ audiv e r ï t i s. audivëri nt.

(ik had gehoord).

audivëram. audiv ë r a s. audiv ë rat. audiv eramus audiv era tis. audiv ë r a n t.

perfectum.

(dat ik gehoord

hadde, ik zou gehoord

hebben). audiv is sem. audiv i s s e s. audiv i s s e t. audiv i s s ë m u s. audiv i s s\'ë t i s. audiv i s s e n t.


-ocr page 80-

Conjugatie der verba activa.

Indicativus. Conjunctivus. Futurum simplex.

(dat ik vermanen zal). moniturus, l sim.

[dat ik beu linnen sal). amatOrus, 1 sim. a,

um amaturi ae,

a

j sis. \' sit. | simus. ^sitis.

sis.

a,

um monitüri,

ac,

a

sit. Jsimus. }sitis, ;sint.

\' sint.

ontbreekt.

ontbreekt.

Futurum e x a c t u m. {ik sal bemind hebben).

amavëro. j amaveris amavërit.

amaverïmus.!

amaverïtis. !

V, • . i

amav c r i n t 1

Imperativus. Praesens.

S. 2.ama, bemin.

P. 2. amate, bemint.

Futurum.

S. 2. am a to, gij moet beminnen.

3. am a t o, hij moet beminnen. P. 2. am a 151 e, gij moet beminnen. 3. am ant o,sij moeten beminnen^

Infinitivus.

Praes. amare, beminnen.

P e r f. amav i s s e, bemind hebben. Fut amaturum, am, um esse, zullen beminnen. Participium.

P r a e s. am a n s, beminnende. F u t^.-\'amat ü r u s, a, um, zullende

beminnen

Gerundium.

G. am a n d i, van het beminnen. D amando, voor het beminnen. A. am a n d u m, (tot) het beminnen. A.\'am a n d o, door het beminnen.

Supinum primum. amatum, om te\' beminnen.

Indicativus. Conjunctivus.

Futurum simplex. (ik zal beminnen).

amabo.

amabis.

amabit.

amabïmus.

amabïtis.

am a b u n t.

(ik zal venna-)

nen).

monêbo.

monebis.

mon cbi t.

mon e b ï m u s.

mon e b ï t i s mon e b u n t.

Futurum e x a c t u m. (ik zal vermaand hebben).

monu c r o.

monu ë r i s.

monu ë r i t.

monu er ïm us monu e r ï t i s.

monu ër int.

Imperativus. Praesens.

S. 2. mon e, vermaan.

P. 2. mon e t e, vermaant.

F u t u r u m.

S. 2. mon e to, gij moet vermanen.

3. monê to, hij moet vermanen. P. 2. mon c t ö t V-ygij moet vermanen. P 3. mon ent o,zij moeten vermanen

Infinitivus.

P r a e s. monëre, vermanen. Per f.mon u i s s e, vermaand hebben. Fut. monitOrum, am, um esse, zullen vermanen. Participium.

P r a e s. mon ens, vermanende. Fut. moniturus, a, um, zu,l-lende vermanen. Gerundium.

G. mon e n d i, van het vermanen. D. mon e n d o, voor het vermanen. A. mon e nd u m,(tot) het vermanen. A. mon e n d o, door het vermanen.

Supinum primum. monïtum, om te vermanen.

-ocr page 81-

T

Conjugatie der verba activa.

I 93-

71

Indicativus Conj unc tivus. Futurum simplex.

Indicativus. Conjunctivus. Futurum simplex.


{dat ilS flöoren

zal). auditurus, sim.

a, \' sis.

1 ..

ISlt.

i simus.

{dat ik lezen zal). lectOrus, l sim.

a,

• sis.

um

i sit.

lectüri,

j simus.

ae,

/ sitis.

a

\' sint.

^ um audituri ae, a

\' I

; SltlS.

sint.

ontbreekt.

ontbreekt.

S. 2 P. 2

leest.

Futurum.

S. 2. legïto, gij moet lezen.

3. legïto, hij moet lezen. P. 2. legitöte, gij moet lezen. 3. leg unto, zij moeten lezen. Infinitivus.

Praes. legere, lezen.

P e r f. leg i s s e, gelezen hebben. Fut. lecturum, am , um esse , zullen lezen. Participium.

Praes. legens, lezende. Fut. lectürus, a, um , zullende lezen. Gerundium.

G. leg e n d i, van het lezen. D. leg e n d o, voor het lezen. A. leg e n d u m, {tot) het lezen. A. legende, door het lezen.

Supinum primum. lectum, om te lezen.

leg a m.

leg e s.

leg e t.

leg ê m u s.

leg ê t i s.

leg e n t.

Futurum e x a c t u m. {ik zal gelezen hebben).

leg ë r o.

leger is.

lege rit.

leg e r ï m u s.

legerïtis.

leg ë r i n t.

Imperativus.

P r a e s e n s.

(ik zal lezen).

lege, lees. legïte,

(ik zal hoor en).

audi a m.

audi es.

audi e t.

audi ëm u s.

audi ë t i s.

audi e n t.

Futurum exact um. {ik zal gehoord hebben). audivéro.

audiv ë r i s.

audivërit.

audiv erïm us.

audivërit is.

audiv ër int.

Imperativus.

P r a e s e n s.

S. 2. audi, hoor.

P. 2. audit e, hoort.

F u t u r u m.

S. 2. audit o, gij moet hoor en. 3. audi to, hij moet hoor en. ■ PT 2. auditöte, gij moet hoor en. 3. aud i u n t o, zij moeten hoeren.

Infinitivus.

Praes. audïre, hoor en.

P e r f. audiv i s s e.,gehoord hebben. Fut. auditurum, am, um esse , zullen hoor en.

Participium.

P r a e s. audi ens, hoorende. Fut. auditor us, a, um,^

hoor en.,

Gerundium.

G. audi en di, van het hoor en. D. audiendo, voor het hoor en. A. audi e n d u m, {tot) het hooren. A. audiendo, door het hooren.

Supinum primum. audltuni, om te hooren.

-ocr page 82-

Conjugatie der verba activa.

Voorbeelden ter oefening.

guste,

gustavi,

gustatum,

gustare,

proeven.

laudo,

laudavi,

laudatum,

laudare,

prijzen.

supëro,

superavi,

superatum,

superare,

overtreffen.

veto,

vetui,

vetïtum,

vetare,

verbieden.

deleo,

delêvi,

delctum,

delëre,

verdelgen.

moveo,

movi,

motum,

movëre,

beivegen.

teneo,

tenui,

tentum,

ten ere,

honden.

terreo,

terrui,

terrïtum,

terrëre,

verschrikken.

arguo,

argui,

argütum,

arguëre,

beschuldigen.

claudo,

clausi,

clausum,

claudëre,

sluiten-.

rego,

rexi,

rectum,

regëre,

regceren.

volvo,

volvi,

volutum,

volvëre,

zventelen.

erüdio,

erudlvi,

erudïtum,

erudire,

onderwijzen.

haurio,

hausi,

haustum,

haurïre,

putten.

nutrio,

nutrlvi,

nutrïtum,

nutrïre,

voeden.

sentio,

sensi,

sensum,

sentïre,

gevoelen.

Aanmerking behoorende op bladz. 67.

De uitgangen der personen zijn:

I. in den indicativus en conjunctivus activi

iste persoon 2cle persoon

Sing. o, m, i (i)s, (i)sti

Plur. (i)mus (ï)tis, (i)stis

II. in den indicativus en conjunctivus passivi

iste persoon 2de persoon 3de persoon

Sing. r (ë)ris (i)tur

Plur. (ï)mur (i)mtni (u)ntur

III. in den imperativus

activi 2de persoon 3de persoon Praes. a, e, e, i —

F u t. (ï)to (i)to

Praes (ï)te —

Fut. (i)t5te (u)nto

geconjugeerde vormen van een

bestanddeelen onderscheiden worden :

i0. de stam van het werkwoord.

20. de verbindingsvocaal. Hierdoor verstaat men de korte vocaal, waardoor in verschillende gevallen de uitgang met den stam verbonden wordt. Zij is meestal ï, soms ë en vóór nt u. In bovenstaande tabellen is zij tusschen haakjes aangegeven.

30. de kenletter van den tijd. Zoo is in amabo de b de ken-letter van het futurum simplex.

72

3(:\'e persoon

OH

{u)nt, (e)runt

pa ssi vi 2 de persoon 3de persoon (ë)re —

(ï)tor (ï)tor

(I)mïni —

— (u)ntor.

verbum moeten de volgende

Sing.

Plur. I In de

-ocr page 83-

Conjugatie der verba passiva.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

CONJUGATIE DER VERBA PASSIVA.

§ 94. De volgende regels leeren hoe men de verschillende vormen van het verbum passivum moet afleiden.

i Het praesens indicativi en conjunctivi, het imperfectum indicativi en conjunctivi en het futurum simplex indicativi worden gemaakt van dezelfde tijden in het activum door o te veranderen in or en m in r. B.v. amo, am or, amem, amer, amabam, amabar, amarem, amarer, amabo, amabor, moneo , mone o r.

2. Het participium perfectum wordt gemaakt van het su-pinum door um te veranderen in us. B.v. amatum, amatus, monïtum, monïtus.

Van het participium perfectum en het verbum sum worden gemaakt: het perfectum indicativi, conjunctivi en infinitivi, het plusquamperfectum indicativi en conjunctivi en het futurum exact um indicativi. B.v. amatus sum, amatus sim, amatum esse, amatus eram, amatus essem, amatus ero.

3. De infinitivus praesens komt van den infinitivus praesens activi door

are te veranderen in a r i, zooals : am are, am a r i.

ere „ „ „ ëri, „ monëre, monêri.

ere „ „ „ i, „ legëre, legi.

Ire „ „ „Tri, „ audlre, audïri

4. De infinitivus futuri wordt gemaakt van het supinutn primum met iri. B.v. amatum iri, monïtum iri.

5 De imperativus van het passivum is gelijk aan den infinitivus van het activum. B.v. amare, amare.

6. Het gerundivum wordt gemaakt van het gerundium door di te veranderen in dus B.v. amandi, amandus.

7. Het supinum secundum wordt gemaakt van het supinum primum door um te veranderen in u. B v. amatum, amatu.

Naar de volgende voorbeelden worden de verba passiva der vier verschillende conjugaties vervoegd.

73

-ocr page 84-

Conjugatie der verba passiva.

74

2.

Indicativus. Conjunctivus. Praesens.

Indicativus. Conjunctivus.

Praesens.


{ik word bemind).

am or.

amaris,

am a t u r.

am a m u r.

am a m ï n i.

am a n t u r.

I m p e r

(ik werd bemind).

am a, b a r. am a b a r i s. am a b a t u r. am a b a m u r. am a b a m ï ii i. am a b a n t u r.

(dat ik bemind

worde). am e r.

am e r i s.

am ë t u r.

am ë m u r. am e m ï n i. am e ii t u r.

fcct um.

(dat ik bemind

zoerde, ik zou bemind

worden). am a r e r. amarëris. am a r e t u r. am a r ê m u r. amaremïni. amarentur.

(ik word vermaand).

nion e or.

mon ë r i s.

nion ê t u r.

mon ë m u r mon e m ï n i. mon e n t u r.

I m p e r f

(ik werd vermaand).

mon ë b a r. mon e b a r i s. monebatur. mon e b a mu r mon e b a m ï n i mon c b a n t u r.

(dat ik vermaand.

worde), s mon ear.

mon e a r i s.

mon e ai t u r. mon e a m u r. moneamïni. mon e a n t u r.

e c t u m.

(dat ik vermaand

werde,

ik zo2i vermaand

worden). mon ë r e r.

nion e r ë r i s. monerëtur. mon e r ë m u r. moneremïni. mon e r e n t u r.


(ik ben vermaand

geweest). monïtus, i sum.

a, um amati, ae, a

(ik was vermaand gewordeii)

monïtus, a,

um monïti, ae,

a

Ieram. eras. | erat. eramus, eratis. \' erant.eram. eras. | erat. eramus, eratis. \' erant.

eram.

eras.

erat.

eramus

eratis.

erant.

Per fee

(ik ben bemind geweest).

amatus, ^ sum.

agt;

um amati,

ae,

^a

Plusquamp

(ik was bemind geweest).

amatus, j a, ,

um J amati, i

aquot;\' I

erfectum.

(dat ik bemind geweest ware, ik zou bemind geweest zijn) amatus, 1 essem. a, ( esses, um j esset. amati, : essemus ae, | essetis. a J essent-

tum

(dat ik bemind

geweest zij). amatus, i sim. gt; si.

sis. i sit. j simus f sitis. \' sint

a, j es. a, ? sis.

um \' est. um \' sit.

monïti, I sumus. monïti, j simus ae, ? estis. ae, i sitis. a \' sunt. a sint.

Plusquamperfectum.

(dat ik vermaand lt; geweest ware, ik zou, vermaand geweest zijn). monïtus, essem. a, (esses, um (esset. monïti, \\ essemus. ae, \' essetis. a \' essent.

(dat ik vermaand

geweest zij). monïtus, i sim.

Perfectum

-ocr page 85-

§ 94-

Conjugatie der verba passiva.

75

as.

■and

and and

■ind

)•

i.

3-

4-

Indicativus. Conjunctivas.

Indicativus. Conjunctivus.

P r a c s e n s.

P r a c s c n s.

{ik word gelezen).

{dat ik gelezen

( ik word gehoord).

(dat ik gehoord

worde).

worde).

s leg or.

leg a r.

aud i o r.

audi ar.

degc ris.

leg a r i s.

aud T r i s.

audi a r i s.

legïtur.

leg a t u r.

aud i t u r.

audi a t u r.

Icgïmur.

leg a m u r.

aud ï m u r.

audi a m u r.

legimïni.

legamïni.

aud i mï n i.

audiamïni.

leg u n t u r.

leg a n t u r.

aud i u n t u r.

audi a n t u r.

Imperfectum.

Imperfectum.

[ik luerd gelesen).

{dat ik gele sen

(ik werd gehoord).

(dat ik gehoord.

werde,

werde,

ik sou gele sen

ik sou gehoord,

worden).

wordeii).

leg c b a r.

leg ë r e r.

audi ë b a r.

aud I r e r.

legcbaris.

leg e r ë r i s.

audiebaris.

aud i r ë r i s

legebatur.

leg e r ë t u r.

audi e b a t u r.

aud i r ë t u r.

leg c b a m u r.

leg e r ë m u r.

audi e b a m u r.

aud i r ë m u r.

~ legcbamïn i.

leg ere mini.

audiebamïn i.

aud i r e m ï n i.

legcbantur.

leg e r e n t u r.

audi e b a n t u r.

aud i r e n t u r. j

Perfectum.

Perfectum

(ik ben gele sen

{dat ik gele sen

(ik ben gehoord

(dat ik gehoord

geweest).

geweest sij).

geweest).

geweest sij?)

lectus, i sum.

lectus, 1 sim.

audïtus, j sum.

audïtus, i sim.

a, es.

a, \\ sis.

a, , es.

a, | sis. um 1 sit.

um i est.

um ) sit.

um \' est.

lecti, | sumus.

lecti, , simus.

audïti, j sumus

audïti, j simus.

ae, . estis.

ae, ; sitis.

ae, . estis.

ae, \' sitis.

a i sunt.

a i sint.

a \' sunt.

a 1 sint.

PI usqu am perfectum.

Plusquamperfectum.

(ik was gelezen

{dat ik gele sen

(ik ims gehoord

(dat ik gehoord

geweest).

geweest ware,

geweest).

geweest ware,

ik zou gelezen geweest zijn.

ik sou gehoord geweest zijn).

lectus, i eram.

lectus, I essem.

audïtus, } eram

audïtus, j essem.

a, \' eras.

a, esses, um \' esset.

a, j eras.

a, | esses.

um 1 erat.

um \' erat

um ■ esset\'.

lecti, i eramus.

lecti, j essemus.

audïti, | eramus.

audïti, i essAnus

ae, , eratis.

ae, gt; essetis.

ae, gt; eratis.

ae, , essetü.

a 1 erant.

a 1 essent.

a 1 erant.

a * essent.

1US

s.

t.

rnd,

\'c,

md

)•

m.

s.

t.

tius.

is.

it.

-ocr page 86-

Conjugatie der verba passiva.

/6

% 94-

Futurum simplex (Indie.). (ik zal bemind worden).

amab or.

am a b ë r i s.

am a b i t u r..

amabïmur.

am ab i n i.

am a b u n t u r.

Futurum exaetum (In cl ie).

{ik zal bemind geworden zijn.)

amatus,

1 ero.

a,

[ eris.

um

\' ejit.

amati,

1 erïmus

ae,

/ erïtis.

a

\\ erunt.

Imperativus.

P r a e s e n s.

]S. 2. amare, word bemind. IP. 2. amamïni, wordt bemind.

Futurum.

S. 2. am ïit or, gij moet bemind worden.

3. am a t o r, hij moet bemind worden.

P. 2. am a b i m ï n i, gij moet bemind

ivor den.

3. am an tot, zij moeten bemind

ivorden.

Infinitivus.

Praes. amari, bemind worden. P e r f. amatum, am, um esse, bemind geweest zijn. Fut. amatum iri, zullen bemind

ivorden. Participium perfectum, amatus, a, um, bemind.

Gerundivum.

am a n d u s, a, um, moetende bemind

worden.

Suginum secundum.

^^^^u^om^benmid^Je^wor^iL^^

Futurum simplex (I n d i c.). {ik zal vermaand worden). monëbor.

moneberis.

mon e b ï t u r mon e b ï m u r.

mon e b i m ï 11 i mon e b u n t u r.

Futurum exaetum (Indic.).

{ik zal vermaand geworden zijn).

monïtus, j ero.

\' eris I erit.

erïmus.

eritis.

erunt.

i quot; Imperativus.

Praesens.

iS. 2. monère, word vermaand. P. 2. monemïni, wordt vermaand. Futurum.

S. 2. monêtor, gij moet vermaand

worden.

3. monêtor, hij moet vermaand

worden.

P. 2. mon e b i m ï n i, gij moet vermaand worden. 3. mon ë n t o r, zij moeten vermaand

worden.

Infinitivus.

Praes. mon ë r i, vermaand worden. P e r f. monïtum, am, um esse, vermaand geweest zijn. F u t. monïtum iri, zullen vermaand

worden.

Participium perfectum, monïtus, a, um, vermaand.

Gerundivum.

mon e n d u s, a, um, moetende vermaand woeden. Supinum secundum, monïtu, om vermaand te worden.

0 le 1c 1c !llt; 1lt; :1(

a, um monïti, ae,

a


-ocr page 87-

Conjugatie der verba passiva.

i § 94-

77

Futurum simplex (1 n d i c.). (ik zal gelezen wordend).

leg a r.

leg ë r i s.

leg ë t u r.

\'leeëmur.

t , amp; - ■

gt;• lege mini.

leg e n t u r.

Futurum exactum (Indie.).

(ik zal gelezen geworden zijn.)

lectus,

ï ere.

a,

l eris.

um

f erit.

lecti.

. erimus

ae,

^ eritis.

a

\' erunt.

Imperativus.

Praesens.

S. 2, legëre, word gelezen. P.2. legimïni, wordt gelezen.

Futurum.

S. 2. leg ï t o r, gij moet gelezen worden.

3. leg ito xjiij moet gelezen worden.

P. 2. legemïni, gij moet gelezen \\ worden.

3. leguntor, zij moeten gelezen I worden.

I n f i n i t i v u s.

Praes. legi, gelezen worden.

Perf. lectum, am, um esse, gelezen geweest zijn. i Fut. lectum iri , zullen gelezen

worden. Participium perfectum, lectus, a, um, gelezen.

Gerundivum.

legen dus, a, um, moetende gelezen

worden.

Supinum secundum.

lectu, om gelezen te worden.

Futurum simplex (I n d i c.). (ik zal gehoord zuorden.)

audi a r.

audi ë ris.

audi ë t u r.

audi ë m u r.

audiemïni.

audi e n t u r.

Futurum exactum (Indic.).

(ik zal gehoord geworden zijn.)

auditus,

1 ero.

a,

( eris.

um

j erit.

audlti,

. erimus.

ae,

[ eritis.

a

quot; erunt.

I m p e r a t i v u s. Praesens.

S 2. audïre, word gehoord. P. 2 audimïni, wordt gehoord. Futurum

S, 2. aud ï t o r, gij moet gehoord

worden. 3. aud 11 o r, hij moet gehoord

worden.

P. 2. aud i e m ï n i, gij moet gehoord

worden.

3. audi unto r, zij-moeten gehoord

worden.

I n fi n i t i v u s.

Praes. audTri, gehoord zvorden. Perf. audïtum, am, um esse, gehoord geweest zijn. F u t. audïtum iri, zullen gehoord

worden.

Participium perfectum, audit us, a, um, gehoord.

Gerundivum.

audi en dus, a, um, moetende gehoord worden.

Supinum secunÉum.

audït u, om gehoord te worden.


-ocr page 88-

Verba op io der derde conjugatie.

§ 95- Tot de derde conjugatie behooren de volgende werkwoorden (benevens hunne composita) die op i o uitgaan :

capio, nemen. fugio, vluchten. pario, voortbrengen.

cupio, wenschen. jacio, iverpen. rapio, rooven.

facio, doen. quatio, schudden. sapio, smaken.

fodio, graven.

verder de composita van de verouderde verba 1 a c i o en s p e c i o, zooals: allïcio, aanlokken en conspicio, aansclwinuen, en eindelijk de drie deponentia (waarover in het volgende hoofdstuk) gradior , stappen, morior, sterven en patior, lijden.

Deze verba verliezen de i, wanneer zij gevolgd wordt door een andere i of korte ër en in den 2(len persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi. De volgende tabel geeft een overzicht van de vormen, die tot moeilijkheid aanleiding kunnen geven.

A cti v u m.

Passivum.

I n d i c a t i v u s. C o n j u n c t i v u s. I Praesens.

Indicativus. Conjunctivus. »P r a e s e n s.

capio.

capiam.

I capior.

capiar.

capis.

capias.

\' capéris.

capiaris.

capit.

capiat.

capïtur.

capiiitur.

capimus.

capiumus.

capïmur.

capiamur.

capitis.

capiatis.

capimïni.

capiamïni.

capiunt.

capiant.

capiuntur.

capiantur.

I m p e r

fectum.

Imperfectum.

capicbam

capërem.

capiëbar

capërer.

capiêbas.

capëres.

capiebaris

caperëris.

capiëbat.

capëret.

capiebatur.

caperetur.

capiebamus,

caperêmus.

capiebamur.

caperëmur.

capiebatis.

caperêtis.

capiebamïni

caperemïni.

capiebant.

capërent.

capiebantur.

caperentur.

Futurum (indicativus).

Futurum (indicativus).

capiam.

capiar.

capies.

capiëris.

capiet.

capiëtur.

capiêmus.

capiëmur.

capiëtis.

capiemïni.

capient.

capientur.

Imperativus,

Imperativus.

Praes.

Fut.

P r a e s.

F u t.

cape.

capïto.

capëre.

capïtor.

capïte.

capito.

capimïni.

capïtor.

capitöto.

capiemïni.

capiunto.

capiuntor.

-ocr page 89-

,// /• ff *

gt; ■ j

Omzetting in het passivmiu 79

Infinitivus praesens.

. quot;T- -1

I n fi n i t i v u s praesens.

capëre.

capi. !

Participium praesens.

\' capiens.

G e r u n d i u m.

Gerundivum.

Gen. capiendi.

capiendus.

Dat. capiendo.

Acc. capiendum.

A b 1. capiendo.

§96. Een zin, waarin een verbum activum met een object voorkomt, wordt op de volgende wijze in het passivum gezet: het object van het activum wordt subject van het passivum en het subject van het activum wordt in den ablativus gezet. B.v. Terra nutrit hominem, dc aarde voedt den mensch homo nutrïtur terra, de mensch wordt gevoed door de aarde. Grando delëvit messem, de hagel heeft de oogst vernield; messis del Sta est grandïne, dc oogst is vernield door den hagel.

Wanneer het subject van het activum een persoon is, plaatst men bij de omzetting in het passivum de praepositie a of a b (wanneer het woord met een vocaal of h begint) vóór dea~~?ibTati vus. B.v. Columbus i n v ë n i t A m e r i c a m, Columbus heeft Amerika ontdekt; America inventa est a Col umbo, Amerika is ontdekt (geworden) door Columbus.

§ 97. Een actieve zin, die in het Nederlandsch men tot subject heeft, wordt bij de vertaling in het Latijn gewoonlijk in het passivum omgezet. B.v. men bemint mij^ a m o r; men bemint ti, a m a r i s; men bemint hem, a m a t u r; men bemint ons, a m a-m u r; men bemint u, a m a m ï n i; men bemint hen, a m a n t u r; men zal den vlijtigen leerling prijzen, discipülus diltgens laudabïtur; men heeft mij berispt, vituperatus sum.

§ 98. Niet alle verba activa kunnen in alle personen in het passivum gezet worden, maar alleen de verba t r a n s i t i v a. De verba intransitiva kunnen slechts o n p e r s o o n 1 ij k in het passivum gezet worden. Dit is juist als in het Nederlandsch. Immers welk verstandig mensch zal zeggen: ik tuord geloopen ? Men zegt: er zvordt geloopen. In het Latijn zet men een verbum intransitivum

§ 96498-

-ocr page 90-

Omzetting in het passivum.

% 99-

8o

onpersoonlijk in het passivum door er den vorm aan te geven van den derden persoon enkelvoud. B.v. er wordt geloopen, cur-r 11 u r; er werd gestreden, pugnabatur; er zal geslapen worden, dormiëtur.

Men gebruikt ook den onpersoonlijken passieven vorm, wanneer men subject is van een verbum intransitivum. B.v. saltatur, me7t danst; saltarëtur, men zon dansen.

In de samengestelde tijden gebruikt men het neutrum sin-gulare van het participium. B.v. ventum est, men is gekomen ; ventum erat, men was gekomen.

Wanneer in het Nederlandsch onovergankelijke werkwoorden persoonlijk gebruikt worden, zij men bij de vertaling in het Latijn goed op zijn hoede. In onze taal toch worden de samengestelde tijden van onovergankelijke werkwoorden meermalen vervoegd met het hulpwerkwoord zijn. B.v ik ben gekomen, hij was gekomen. De pas beginnende leerling nu zou licht den passieven vorm gebruiken en vertalen; ventus sum, ventus erat. Doch dit zou een zeer groote fout zijn. Want een verbum INTRANS-ITIVUM mag alleen ONPERSOONLIJK in het PASSIVUM gezet worden. Zoo een verbum intransitivum persoonlijk gebruikt wordt, moet men den act ie ven vorm kiezen. Men vertale dus: veni, venërat. :

§ 99. De verba intransitiva, van welke wij in de vorige paratraaf spraken, duiden een werking aan, welke zich bepaalt bij? den persoon of de zaak, die de werking verricht; maar blijkens § 8$ zijn er ook verba intransitiva, wier werking uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Sommige dezer verba intransitiva zijn ook in het Nederlandsch onovergankelijke werkwoorden. B.v. prospieëre (patri), zorgen (voor zijn vader)] place re (matri), behagen {aan zijn moeder\'). Andere verba echter zijn in het Latijn intransitiva en in het Nederlandsch transitiva. B.v. pare ere (hosti), {zijn vijand) sparen; per-suadëre (alicui), {iemand) overreden. Ook deze verba kunnen slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regeeren. Bv. ik word gehoorzaamd, obedltur mihi; gij wordt gehoorzaamd, obedïtur tibi; de vader wordt gehoorzaamd, obedltur patri; wij worden gehoorzaamd, obedïtur nobis; gij wordt gehoorzaamd, obedïtur vobis; de ouders worden gehoorzaamd, obedïtur parentibus.

-ocr page 91-

§ loo—loi. Conjugatie dcr verba deponcntia.

Over de quantiteit der paenultima in de regelmatige conjugaties.

§ 100. De ken letters der eerste, tweede en vierde conjugatie a, e, i (de vocalen, waarop het werkwoord uitgaat, wanneer men re van den Inf. Praes. wegschrapt) zijn vóór medeklinkers altijd lang (behalve de a in dare en zijn composita, zooals cir-cumdare.) B.v. amamus, amarem, monëte, monëbo, audïtur, audire.

Van de vocalen dcr uitgangen is

a altijd lang. B.v. amabamus, monueramus, legïitis, audiaris.

e gewoonlijk lang. B.v. amarêmus, monuissctis, legcris (Fut. Pass.), audirëmus. De e is kort

d) vóór ram, r o, r i m en verdere actieve vormen van het Plusquamperf. en Fut. Exact. Ind. en van het Perf. Conj. B.v. amavëram, amavëro, amavërim.

li) in den 2t,en persoon enkelvoud van het F ut. Ind. Pass. der eerste en tweede conjugatie. B.v. amabëris, monebëris.

c) bij de derde conjugatie

1°. in den 2den persoon enkelvoud van het Praes. Ind. Pass. B.v. legcris.

2». in den Infinitivus Praes. Act. en 2clen persoon enkelvoud van den Imperativus Praes. Pass. B.v. legere.

3°. in het Imperf. Conj. Act. en Pass. B.v. Icgërem, legërer i altijd kort. B.v. amavïmus, monebïmus, legïmus, audiverïtis. oen u altijd lang. B.v. amatöte, amatörus.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA DEPONENT IA.

§ 101. Verscheidene Latijnsche verba hebben de bet eekenis quot;an een verbum activum, doch den vorm van een verbum passivum. B.v. hortor, ik vermaan, vereor, ik vrees, scquor, ik volg^ blandior, ik vlei. Deze verba komen in alle conjugaties voor en worden d e p o n e n t i a genoemd (omdat zij hunne passieve beteekenis afleggen , d e p o n ë r e).

Slechts twee vormen dezer verba hebben een passieve beteekenis, namelijk: het gerundivum en het supinum II.

De deponcntia worden juist geconjugeerd als de passiva behalve in den i nf initi vus_fu.t-Uri, die gelijk is aan het activum.

Ook hebben zij behalve de vormen van het passivum nog de volgende vormen van het activum: het participium prae-sens en futurum, het futurum conjunctivi, het gerundium en het supinum I.

De volgende tabel geeft een overzicht van de conjugatie dezer verba.

4e druk. 6

8r

-ocr page 92-

Conjugatie der verba deponentia.

82

% ioi.

II. Vereor, vcrïtus sum, vereri.

I. Hortor, hortatus sum, hortari.

li

iO

jsc isc fee

jS( S(

S( (■

Si

|\'

s s

K

{ciat ik verniane.)

horter.

hortëris.

hortêtur.

hortëmur.

hortemïni

hortentur.

(ik vermaande\').

hortabar.

hortabaris.

hortabatur.

hortabamur.

hortabamïni.

hortabantur.

verëbar.

verebaris.

verebatur.

verebamur.

verebamïni.

verebantur.

hortabor.

hortabëris.

hortabïtur.

hortabïmur.

hortabimini.

hortabuntur.

venturus,

a,

um ) sit. verituri, 1 simus.

sim sis.

sitis. sint.

ae, a

{dat ik vermaande, ik zon vermaneii) hortarer. hortarëris. hortarëtur. hortarëmur. hortaremïni. hortarentur.

Perfectum.

{ik heb vermaand.)] {dat ik vermaand)

heb be).

hortatus sum. ! hortatus sim.

Plusquamperfectum.

{ik had, vermaand^ {dat ik vermaand

hadde, ik zou vermaand hebben).

hortatus eram. hortatus essem.

Futurum simplex.

{ik zal vermanen). | {dat ik vermanen

zal).

Indicativus. Conj uncti vus.

P r a e s e n s. {ik vcrmaaii).

hortor.

hortaris.

I hortaturus, (sim. i a, } sis.

um \' sit. hortatüri, gt; simus [ sitis.

hortatur. hortamur. hortamïni. hortantur.

Imperfectum.

sint.

ae,

Perfectum.

| {ik heb gevreesd.) | {dat ik gevreesd

heb be).

verïtus sum. verïtus sim.

Plus qua mperfec\'tum.

{ik had gevreesd), {dat ik gevreesd

hadde, ik zou gevreesd hebben).

verïtus eram. verïtus essem.

F u t u r u m simplex.

{ik zal vree zen). \\ {dat ik vree zen

zal).

verëbor.

verebéris.

verebïtur.

verebïmur.

verebimïni verebuntur.

Indicativus. Conj unctivus.

P r a e s e n s.

{ik vrees). {dat ik vreeze).

vereor. verear.

verëris. verearis.

verëtur. vereatur.

verëmur. : vereamur.

veremini. | vereamïni.

verentur. vereantur.

Imperfectum.

{ik vreesde). i {dat ik vreesde,

ik zou, vree zen).

verërer.

verereris.

vererëtur.

vererëmur.

vereremini.

vererentur.

Futurum ex actum.

(ik zal vermaand .

hebben).

hortatus ero. ontbreekt.

Futurum ex actum.

{ik zal gevreesd ■■

hebben).

verïtus ero. ontbreekt.


-ocr page 93-

Conjugatie der verba dcponentia.

§ IOI.

83

IV. Blandior, blanditus sum, blandiri.

III. Sequor, secutus sum, sequi.

I Indicativus. Co nj u net i vu s.

P ra es ens.

Wik volg). \\ (dat ik volge).

sequor. ! sequar.

[sequens.

Isequitur.

jsequïmur.

Bequimïni.

sequuntur.

sequans. sequatur. sequamur sequamïni. sequantur.

Imperfectum.

\\ik volgde).

sequêbar. sequebaris. sequebatur. pequebamur. sequebamfni. fcequebantur.

(dat ik volgde,

ik zon volgen).

sequërer.

sequerëris.

sequerëtur.

sequerêmur.

sequeremïni.

sequerentur.

P e r fe c tu m.

lik heb gevolgd), j (dat ik gevolgd

•secutus sum

hebbe). secutus sun. Plusquamperfectu m.

Indicativus. Conj uncti vus. P r a e s e 11 s.

(ik vlei).

blandior.

blandïris.

blandïtur. blandïmur. blandimïni blandiuntur.

Imperfectu m. (ik vleide). (dat ik vleide,

ik zou vleien). blandiëbar. blandïrer.

blandiebaris, blandirëris.

blandiebatur. blandirêtur. blandiebamur. blandirêmur. blandiebamïni. blandiremini. blandiebantur. blandirentur.

Perfectum.

(ik heb gevleid). \\ (dat ik gevleid hebbe).

blanditus sum. i blandïtus sim, Plusquamperfectum.

(dat ik vleie).

blandiar,

blandiaris,

blandiatur.

blandiamur.

blandiamïni.

blandiantur.


(dat ik gevleid

hadde, ik zon gevleid

{ik had gevolgd).

(dat ik gevolgd hadde,

ik

hebben). secutus essem.

zon gevolgd

hebben). blandïtus essem.

«ecütus eram.

Futurum simplex.

\\ik zal volgen?)

sequar.

Sequëris.

sequêtur.

■sequemur.

sequemïni.

sequentur.

F u t u r u m

(?/• zal gevolgd

hebben).

secutus ero.

(ik luid gevleid).

blanditus eram.

F u t u r ü m s i m p 1 e x.

(dat ik volgen zal).

(ik zal vleien).

(dat ik vleien zal).

secuturus, )

sim.

blandiar.

blanditurus,

sim.

(

sis.

blandiêris.

a,

, sis.

um j

sit.

blandiêtur.

um

sit

secuturi. ;

sim us

blandiëmur.

blanditüri,

simus

ae,

sitis.

blandiemïni.

ae,

sitis.

a 1

sint.

blandientur.

a

sint.

exactum.

Futurum

exactum.

I

(ik zal gevleid

1 1

hebben).

ontbreek

t

blandïtus ero.

ontbreekt.

-ocr page 94-

Conjugatie der verba deponentia.

% ioi.

84

Imperativus.

P r a e s e n s.

S. 2. hortare, vermaan. P. 2. hortamïni, vermaant.

Futurum,

S. 2. hortator, gij moet vermanen.

3. hortütor, hij vwet vermanen. P. 2. fiortabimïni, gij moet vermanen. 3. hortantor, zij moeten vermanen.

Infinitivus.

Praes. hortari, vermanen.

Perf. hortatum, am, um esse, vermaand hebben. Fut. hortatürum, am, um esse, Z2dleii vermanen.

Participium.

Praes. hortans, vermanende.

Perf. hortatus, a, um, vermaand

hebbende.

Fut. hortatürus, a, um, znllende

vermanen.

Ge ru ndivu m

hortandus, a, um, moetende vermaand

worden.

Gerundium

Gen. hortandi, van het vermanen. Dat. hortando, voor het vermanen. A c c. hortandum, (tot) het vermanen. Abl. hortando, door het vermanen.

S u p i n u m.

1. hortatum, om te vermanen.

2. hortatu, om vermaand te worden.

Imperativu s.

Praesens

S. 2. verëre, vrees. P. 2. veremïni, vreest.

F u t uru m.

S. 2. verëtor, gij moet vree zen.

3. verètor, hij moet vreezen. P. 2. verebimini, gij moet vreezen. • 3. verentor, zij moeten vree zen.

Infinitivus.

3:

Praes. vereri, vreezen.

P e r f. verïtum,am,um cssegevreesd *

hebben. T

Fut veritürum, am, um esse, ztd-

len vree zen. ï

Participium.

Praes. verens, vreezende.

Perf. verïtus, a, urn, gevreesd

hebbende .

Fut. veritürus, a, um, znllende \'

vreezen. |

Gerundivum.

verendus, a, um, moetende gevreesd ;

worden. \\

Gerundium.

Gen. verendi, van het vreezen.

Dat. verendo, voor het vreezen.

Acc. verendum, (tof) het vreezen.

Abl. verendo, door het vreezen.

Supinum.

1. veritum, om te vree zen.

2. veritu, om gevreesd te worden.

S. P


■ UTrfjliM

-ocr page 95-

Conjugatie der verba deponent ia.

§ IOI.

85

1.

t.

^zen. \'zen.

volgd hebben. am, um esse, znllen volgen.

F u 1

secuturum,

n.

■zen. n.

;u.

Participium.

Praes. sequens, volgende.

j Perf. secütus, a, um, gevolgd

•7 I hebbende.

gt;endc _ u t

lrndc ut- secuturus, a, um, zullende

volgen.

tezen. | 6

Gerundivum.

\'eesd fequenduS\' a\' um\' \'quot;l0eten^egevolgd

7, worden,

den. -

G e r u n d i u m.

Imperativus.

Praesens.

S. 2. sequëre, volg.

P 2. sequimïni, volgt.

F u t u r u m.

S. 2. scquïtor, gij moet volgen.

3.sequïtor, hij moet volgen. P. 2. sequemïni, gij moet volgen. 3. sequuntor, zij moeten volgen.

111 fi ni 11 v u s.

|G e n. sequendi, van het volgen.

Dat. sequendo, voor het volgen.

Acc. sequendum, {tot) het volgen.

Abl. sequendo, door het volgen.

S u p i n u m.

1. secutum j om te volgen.

2. secütu, om gevolgd te voorden.

Praes. sequi, volgen.

■reesd

Pc rf. secutum, am, um esse, ge-

ebben.

, zulle zen.

Imperativus.

Praesens.

S. 2. blandlre, vlei.

P. 2. blandimïni, vleit.

F u t u r u m.

S. 2, blandltor, gij moet vleien, 3. blanditor, hij moet vleien. P. 2. blandiemïni, gij moet vleien. 3. blandiuntor, zij moeten vleien.

Infinitivus.

Praes. blandïri, vleien.

Perf. blandïtum, am, um esse,

vleid hebben,. Fut 1 blanditürum, am, um esse, ; \\ \\ zullen vleien.

Par t icipi u m.

Praes, blandiens, vleiende.

Perf. blandïtus, a, um, gevleid

hebbende.

F u t. blanditurus, a, um, zullende

vleien.

Gerundivum.

(blandiendum), moetende gefileid

worden.

Gerundium

G e n. blandiendi, van het vleien.

Dat. blandiendo , voor het vleien.

A c c. blandiendum, {toi) het vleien.

A b 1 blandiendo , door het vleien.

S u p i 11 u m.

1. blandïtum, om te vleien.

2. ontbreekt.

-ocr page 96-

Si\'/// idcponcntia.

§ 102.

86

Voorbeelden ter oefening.

aspernor,

aspernatus sum,

aspernari.

versmaden.

imïtor.

imitatus sum,

imitari,

navolgen.

opïnor.

opinatus sum.

opinari.

me enen

confiteor,

confcssus sum.

confitëri.

bekennen.

polliceor,

pollicïtus sum,

polliceri.

beloven.

tueor.

tuïtus sum,

tuëri.

besehermen.

amplcctor,

amplexus sum.

amplccti,

omvatten.

nanciscor,

nactus sum.

nancisci,

verkrijgen.

patior,

passus sum.

pati (§95),

lijden.

metior.

mensus sum,

metïri,

meten.

ordior.

orsus sum,

ordïri.

beginnen.

partior,

partïtus sum,

partïri,

verdeden.

§ 102. Dc verba deponentia zijn volgens hunne beteckenis of transitiva of intransitiva. Zoo zijn hortor, vereor en sequor transitiva; blandior, dat den dativus regeert, is in-transitivum. Dc verba deponentia, die intransitiva zijn, missen het supinum II en het gerundivum, in zoover dit persoon lijk gebruikt wordt.

De verba deponentia kunnen niet in het passivum gezet worden. Meermalen echter zal het gebeuren, dat wij een Nederlandse h c n passieven zin in het Latij n door een verbum dcp5-nens moeten vertalen, In zulk een geval moeten wij aan het Nederlandsch eerst een actieven vorm geven.quot; Zoo men b.v. bij de vertaling van den zin: de kinderen worden beschermd door de ouders het verbum t u c o r moet gebruiken, zette men eerst den Nederlandschen zin aldus om: de ouders beschermen dc kinderen en vertalc dan : parentes tucntur 1 iberos. Zoo ook: de soldaten vjerden aangemoedigd door den veldheer niet: milïtes hortabantur a duce, maar: dux hortabatur mi 1 ites.

Uit het bovenstaande volgt, dat de regel van § 97 over de vertaling van men door het passivum niet van toepassing is op de verba deponentia. Men vermaant ons heet in het Latijn niet: hortamur (dit beteekent: loij vermanen). Men zou kunnen zeggen ■ homines nos hortantur, dc mcnschen vermanen ons.

Aanmerking. Het ontbrekende\'-passivum der deponentia kan aangevuld worden

1quot;. door esse of habere met een passend substantivum. B.v. odio esse, gehaat worden; usui esse, gebruikt worden; adrairationem habere, bezuonderd worden.

-ocr page 97-

1

§ I03—104. Neutralia passiva. 87

20. door andere in beteekenis overeenkomende uitdrukkingen. B.v. i n odium venire, in suspicionem vocari, oblivione obrui, ad-miratione affici.

§ 103. De verba a u d e o, a u s u s sum, a u d ë r e, durven.

gaudeo, gavïsussum, gaudère, zich verheugen. soleo, solïtussum,solëre, gewoon zijn. fide, fisus sum, fidëre, vertrouwen. benevens de composita van fido: c o n f 1 d o, ik vertrouw, en d i f-fTdo, ik ivantrouw, worden semideponentia genoemd, omdat zij in het participium perfectum en de daarmede samengestelde t ij d e n bij een p a s s i e v e n vorm een actieve beteekenis hebben.

f Aan deze verba sluiten zich de volgende intransitiva aan, die een

participium perfectum hebben met actieve beteekenis:

c e n o quot; c e n a t u s gegeten hebbende.

j u r o j u r a t u s gezworen hebbende, beeedigd.

conjuro con jurat us samengezworen hebbende.

injuratus niet gezworen hebbende, onbeëedigd,

-poto l)Otiis gedronken hebbende.

p r a n d e o p r a n s u s ontbeten hebbende.

In de onpersoonlijke constructie met esse blijft echter de passieve beteekenis. B.v. cenatum est, er is gegeten, men heeft gegeten; quod juratum est, wat gezworen is. Vervolgens:

a d o 1 e s c o a d u 11 u s opgegroeid.

exolesco exolëtus verouderd.

obsolesco obsolëtus verouderd.

coalesco coalïtus aaneengegroeid.

cresco cretus gegroeid (dichterlijk).

in vet era sco inveteratus verouderd, ingeworteld.

nubo nupta gehuwd (van een vrouw).

suesco su et us gewoon.

assuesco assuëtus gewend.

§ 104. Vlak tegenover de deponentia staan de neutralia passiva of die verba, welke bij een a c t i e v c 11 ■ vorm een passieve beteekenis hebben. Zij zijn:

v a p ü 1 o, v a p u I iï v i, v a p u 1 a t u 111, v a p u 1 a r e, geslagen worden. v c n e o, v e n i i, v e n ï t u m , venire, verkocht worden. en gedeeltelijk ook

f i o, f a c t u s sum, f i é r i, zoor den, geschieden, gemaakt worden.

Aanmerkingen. V e n e o en f i o behooren tot de onregelmatige verba. Als activum van deze verba gebruikt men ven do, ik verkoop en facio, ik maak, van welke beide verba geen andere passieve vormen voorkomen, dan de participia vendïtus, ven-dendus, en fact us, faciendus. Men zegge dus nooit: vendor, ik word verkocht, facior, ik word gemaakt.

-ocr page 98-

88 Conjugatio pcriphrastica. § 105 —106

Ook van perdo, ik richt te gronde, gebruikt men in het passivum niet: perdor, maar het onregelmatige verbum pereo, ik ga te gronde. De eenige passieve vorm van perdo is het geheel adjectivum geworden participium perditus , verloren, diep gezonken.

In plaats van vapulo gebruikt men in de beschaafde taal liever ver-bëror, het passivum van verbëro, ik sla.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK. —

OVER DB CONJUGATIO PERIPHRASTICA.

§ 105- Bij de conjugatie der verba zagen wij, dat verschillende tijden gevormd worden door een participium met het\' verbum sum. Zulk een wijze van vervoeging heet omschrijvende vervoeging of conjugatio pcriphrastica. Er zijn in het Latijn drie soorten van conjugatio periphrastica, eene met het participium perfectum, eene met het participium futurum en eene met het gerundivum.

Conjugatio periphrastica met het participium perfectum.

§ 106. Deze conjugatie dient om de verleden tijden van hei; passivum te vormen, en wordt hier herhaald, omdat bij de gewone conjugatie niet alle vormen zijn opgegeven.

Indicativus.

C 0 n j u n c t i v u s.

Perfectum.

j amatus

sum, ik ben bemind ge

amatus sim, dat ik bemind ge

worden.

fui, ik ben bemind ge

worden zij. j ,, fuerim, dat ik bemind

weest.

geweest zij. 1

Plusquamperfectum.

amiïtus

eram, ik was bemind

amatus essem, ik zon bemind.

11

geworden. fueram, ik was bemind,

gezvorden zijn. „ fuissem, ik zon bemind \\

gedweest.

geweest zijn :

F u t u r u m

e x a c t u m.

amatus

ero, ik zal bemind ge

11

worden zijn. fuero, ik zal bemind geweest zijn.

ontbreekt.

Infinitivus perfecti.

amatum esse, bemind geworden zijn. 1 „ fuisse, bemind geweest zijn.

Ofschoon beide vormen soms met elkander verwisseld worden, zoo wordt meermalen echter verschil van beteekenis aangenomen. Door de yerledene vormen van sum wordt namelijk het verledene meer bepaald

-ocr page 99-

Conjugatio pcriphrastica.

89

§ io7—io8.

aangegeven. 15. v. E pis tol a script a est, de brief is geschreven (waarbij niet uitgedrukt wordt, dat de brief niet meer bestaat); e pistol a scrip ta fuit, de brief is geschreven geweest (doch bestaat niet meer).

Conjugatio periphrastica met het participium futurum.

§ 107. De verbinding van het participium futurum met het verbum sum leerden wij reeds kennen in het futurum conjunctivi en infinitivi van het verbum activum en deponens. Buiten deze vormen heeft deze conjugatie gewoonlijk de beteekenis van ■voornemens zijnde, willende, op het punt zijnde.

Indicativus.

Conj unctivus.

P r a e s e n s.

I amaturus, ik ben voornemens

amaturus, dat ik voornemens

a, um sum, te beminnen.

a, um sim, zij te beminnen.

Imperfectum.

; amaturus, ik was voornemens

amaturus, dat ik voornemens

a, um eram, te beminnen.

a, um essem, ware te beminnen..

Perfectum.

amaturus, ik ben voornemens

amaturus, dat ik voornemens

a, um fui, geweest te beminnen.

a, um fuerim, geweest zij te beminnen.

Plusquamperfectum. 1

i amaturus, ik was voornemens

amaturus, dat ik voornemens

a, um fueram, geweest te be

a, um fuissem, geweest ware te

minnen.

beminnen ;

Futurum

simplex.

1 amaturus, ik zal voornemens , \\ a, um ero, zijn te beminnen

ontbreekt.

F u t u r u m

e x a c t u m.

j amaturus, ik zal voornemens

1 a, um fuero, geweest zijn te be

ontbreekt.

minnen.

I n f i n i t i v u s.

Praes. amaturum, am, um esse,

voornemens zijn te beminnen.

P e r f. amaturum, am. um fuisse, voornemens geweest zijn te beminnen.

F u t. amaturum, am, um fore,

voornemens zullen zijn te beminnen.

Aanmerking. In verbinding met participia moet men fore gebruiken in plaats van futurum, am, u m esse.

Conjugatie periphrastica met het gerundivum. § 108. In deze conjugatie, welke tot het PASSIVUM behoort, heelt het verbum de bijbeteekenis van moeten.

-ocr page 100-

Conjngatio pcriphrasiica.

% 109

Indicativus. C o 11 j u n c t i v u s.

Praesens.

amandus, ik moet bemind iigt;or- | amandus, dat ik moete bemind

! a, um sim, worden,

dat ik te beminnen zij.

Imperfectum.

amandus, ik moest bemind i\\jor- \\ amandus, dat ik moest bemind a, um cram, den, i a, um essem, worden,

ik was te beminnen. I dat ik te beminnen ware.

Perfectum.

amandus, ik heb bemind moe- 1 amandus dat ik hebbe bemind

ten worden, ik ben te beminnen geweest.

a, um fui, ten worden, a, um fucrim, moeten worden,

dat ik te ^cm innen gedweest zij.

P1 u s q u a m p e r fee t u m.

amandus, ik had bemind moe- j amandus, dat ik hadde bemind

a, um fucram, ten worden, \' a. um fuissem, moeten worden,

ik was te beminnen j dat ik te beminnen

geïueest. j geweest ware.

a, utn sum, den

ik ben te beminnen. |

hrfÉturum simplex.

amandus, ik zal beviinKrnoeten a, um ero, ^amp;vorden,

ik zal te bemumen zijn.

Futurum exact um.

amandus, ik zal bemind hebben a, um fuero, moeten worden,

ik zal te beminnen geweest zijn.

I n f i 11 i t i v u s.

Praes. amandum, am, um esse, bemind moeten worden,

te beminnen zijn.

Perf. amandum, am, um fuisse, bemind hebben moeten worden,

te beminnen geweest zijn. F u t. amandum. am, um fore, zullen bemind moeten worden,

ontbreekt.

ontbreekt.

te beminnen znllen zijn.

§ 109 Bij het gebruik van het gerundivum lette men op de volgende aanmerkingen.

-ocr page 101-

§ 11 o— in. Conjugatio pcriphrastica.

i0. Een Nederlandsche actieve zin met moeten wordt bij dc vertaling in het Latijn eerst omgezet in het passivum. B.v. Dc kinderen moeten hunne ouders beminnen: de ouders moeten bemind worden door hunne kinderen.

20. De persoon, door wien iets moet gedaan worden, komt in den dativus. Bovenstaand voorbeeld heet derhalve: p a r e n t e s a m a n d i sunt 1 i b ë r i s. Ik moest een brief lezen (een brief moest gelezen worden door mij), epi stola legenda erat mi hi.

3°. Alleen de verba transitiva kunnen persoonlijk in het gerundivum gezet worden. Bij de verba in transitiva moet men den onpersoonlijken vorm kiezen. Dit is geheel in overeenstemming met hetgeen wij in § 98 geleerd hebben. B.v. er moet geloopen worden of men moet loopen, c u r r e 11 d u m est; er moest gestreden worden of men moest strijden, pugnandum erat; er zal geslapen moeten zvorden of men zal moeten slapen, dormi-e n d u m e r i t.

§ 110. Zeer dikwijls zullen wij in het Nederlandseh een actie-\' ven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum transitivum voorkomt zonder voorwerp. B.v. wij moeten overwinnen, gij moet schrijven. Ook in dit geval moeten wij eerst den a c t i e v e n zin in het passivum omzetten, namelijk: er moet overwonnen worden door ons, er moet geschreven worden door u. Aan het Nederlandseh nu kan men reeds zien, dat men bij dc vertaling in het Latijn» den onpersoonlijken vorm moet gebruiken, vin-c e n d u m est nobis, s c r i b e n d u m est v o b i s.

In andere gevallen zullen wij in het Nederlandseh een act ie ven zin met moeten aantreffen, waarin een verbum transitivum voorkomt met een voorwerp, doch van welken zin men subject is. B.v. men moet de vijanden overwinnen, men moet een brief schrijven. Men vertale nu niet: vincendum est hostes, scri-bendum est epistólam, maar men zette den zin eerst in het pas-si v u m : de vijanden moeten overwonnen worden, een brief moet geschreven worden en vertale dan letterlijk: hostes vincendi sunt, epi stola scribenda est.

§ 111. Een bijzondere oplettendheid vorderen de verba i n transit i v a, wier werking uitgeoefend wordt met betrekking tot een verwijderd voorwerp. Hetzelfde, wat in § 99 geleerd werd, is ook hier van toepassing. Deze verba worden o n p e r s o o 111 ij k in het gerundivum gezet en nemen dan den naamval bij zich, dien zij in het activum regeeren. B.v. Ik moet gehoorzaamd worden (er moet

91

-ocr page 102-

Verba ivipcrsonalia.

§ 112.

92

gehoorzaamd worden aan mij — obedïre regeert den dativus—), obediendum est mi hi. Men had den vijand moeten sparen (er had gespaard moeten worden [aan] den vijand — pareëre regeert den dativus —), pareendum fuerat hosti Wij moeten een vlugger paard gebruiken (utor regeert den ablativus), door ons moet er gebruikt worden een vlugger paard, nobis utendum est veiociore equo. Gij zult uw gezag moeten missen (egeo regeert den ablativus), door u zal er gemist moeten worden uw gezag, tibi egendum er it auctoritate tua.

Den opmerkzamen leerling zal het niet ontgaan zijn, dat sommige voorbeelden dezer paragraaf een dubbele beteekenis hebben. Obediendum est mihi B.v. kan ook beteekenen: ik moet gehoorzamen. Later zal hij leeren hoe hij dergelijke dubbelzinnigheden kan vermijden.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBA IMPEESONALIA.

§ 112. Verba im person alia of onpersoonlijke werkwoorden zijn verba, die geen bepaalden persoon of zaak tot subject hebben. Zij zijn öf activa öf passiva. De woordjes men, het, er, die wij als subject bij onpersoonlijke werkwoorden voegen, worden in het Latijn niet door een afzonderlijk woord uitgedrukt. B.v. fulgürat, het weerlicht, pugnatur, men strijdt, er wordt gestreden. De verba impersonalia van den pass ie ven vorm zijn voornamelijk verba intransitiva, die onpersoonlijk in het passivum gebruikt worden. B.v. currïtur, men loopt; dor-miëtur, men zal slapen; conandum est, men moet wagen.

Verscheidene verba worden gewoonlijk enkel als impersonalia gebruikt , zooals :

misëret, miserïtum est, miserere, het jammert.

piget, piguit (zelden pigïtum est), pigëre, het verdriet. paenïtet, paenituit, paenitëre, het berouwt.

pudet, puduit of pudïtum est, pud ere, het schaamt. taedet, pertaesum est, taedêre, het verveelt.

oportet, oportuit, oportere, het moet.

en de meeste verba, die een weersgesteldheid aangeven, zooals: grandïnat, het hagelt, vesperascit, het wordt avond.

Andere verba worden in de eene beteekenis als impersonalia en in de andere als personalia gebruikt. B.v. aeeëdit, er komt

-ocr page 103-

§ 11 o—114. Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties. 93

bij, accëclo, ik ga ergens heen; co 11 dOei t, het is nuttig, con-d ü c o, ik breng bijeen.

§ 113. De impersonalia komen behalve in den infinitivus gewoonlijk alleen voor in den derden persoon enkelvoud van den indicativus en conjunetivus. In plaats van den imperativns gebruikt men het praesens conjunetivi. B.v. Pudeat te j schaam u.

De volgende tabel geeft een overzicht van de conjugatie van het verbum impersonale activum to nat, ton uit, to nare, donderen.

Indicativus. Conjunetivus.

Praesens.

tonat, het dondert. j tonet, dat het dondere.

I mperfect u m.

tonabat, het donderde. \\ tonaret, dat het donderde,

het zou donderen.

Pe r feet u m.

tonuit, het heeft gedonderd. j tonuërit, dat het gedonderd hebbe.

Plusquamperfectum.

tonuërat, het had gedonderd. \\ tonuisset, dat het gedonderd hadde,

het zoti gedonderd hebben. Futurum simplex.

tonabit, het zal donderen. j ontbreekt

Futurum e xa ct u m.

tonuërit, het zal gedonderd heb- \\ .11

0 , I ontbreekt.

ben. I

I n f i n i t i v u s.

Praes. tonare, donderen.

P e r f. tonuisse , gedonderd hebben.

^_________________ _____________________________________________^

Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties.

§ 114. Bij de perfecta (en afgeleide vormen) opavi der eerste conjugatie kan vi wegvallen, wanneer er een s en ve, wanneer er een r volgt. B.v. amavisti, a m a s t i, amavissem, a m a s s e m, ama-vërim, a m a ri m, amavëram, a m a r a m.

In de tweede en derde conjugatie kan hetzelfde geschieden bij de perfecta op e v i, alsmede bij n o v i van nosco en soms bij movi van moveo. B.v. quievisti (van quiesco, ik rust), qui-e s t i, quievêrunt, q u i ê r u n t, novistis, u o s t i s, noverunt, n o r u n t.

-ocr page 104-

94 Aanmerkingen op de regelmatige conjugaties. § 115—117,

In proza geschiedt dit meestal slechts in den derden Pers. Plur. van het Perf. 111 d. en in het Plusquamperf. Ind. en Conj, B.v. consuêrunt, consuëram, consuessem van consuesco, consuëvi, zich gewennen.

Bij de perfecta op ivi der derde en vierde conjugatie kan

i0. vi wegvallen, wanneer er een s volgt. B.v. audivisti, audis ti, audivisse, au dis se.

2°. v, wanneer er een e volgt. B.v, audivërunt, audiërunt, audivërim, audiërim.

Aanmerking. Minder gebruikelijk is de uitstooting der v, wanneer er een i volgt (zonder s). B.v. audii in plaats van audivi. Men vindt echter dikwijls desii van desïno, ophouden, en niet zelden petii van peto, op iets losgaan.

Uc dichters laten soms vi weg zonder dat er een s volgt. B.v. petit (petivit), do nat (donavit). Ook vindt men adjuro in plaats van adjuvëro.

Soms laten zij si weg, wanneer er een s volgt. B.v. scripsti (scrip-sisti), a d m i s s e (admisisse).

§ 115. In den derden Pers. Plur. van het Perf. Ind. Act. gebruiken vooral de geschiedschrijvers dikwijls ere in plaats van ërunt. B.v feeëre (fecêrunt). Vóór den uitgang ëre wordt de v niet uitgelaten. Men zegt dus niet audiëre in plaats van audiërunt.

§ 116. Dc tweede Pers. Sing, van het Praes. Imperfect, en Fut. Pass. en Dep. kan uitgaan op re in plaats van op ris. B.v. a mere, amabare, amarëre, amabëre. In het Praes. Ind. echter wordt deze uitgang hoogst zelden gebruikt.

§ 117. Tot de verouderde vormen behooren:

d) een imperativus Fut. der verba Pass, en Dep. op to in plaats van op tor in den derden persoon Sing, en Plur. B.v. ar bitrato (arbitrator), censento (censentor) en op mïno in plaats van op tor in den tweeden en derden persoon Sing. B.v. hortamïno (hortator).

b) een Fut. Exact, en Perf. Conj. der eerste Conj. op asso en assim in plaats van op avero en averim; der tweede Conj. op es so en es sim in plaats van op uero en uerim; der derde Conj. op so en sim in plaats van op ero en erim. B.v. commonstrasso (commonstravero). prohibesso (prohibuero), jusso (jussero). Van die verouderde vormen vinden wij in den bloeitijd van het Latijn bij plechtige wenschen nog meermalen; faxo (dichterlijk), faxis, faxit, faxïmus, faxïtis, faxint in plaats van het Fut. Exact, fecero en van het Perf. Conj. feceris, enz. B.v. di im mor tales faxint ut. Vervolgens: ausim, ausis, ausit, ausint. ik zou durven, in plaats van auserim (een verouderd perfectum van audeo).

Ook bestond er een passivum van deze vormen. B.v. turbassitur (turbatum fuerit) en een infinitivus Fut. Act. B.v. expugnassere (expugnaturum esse).

-ocr page 105-

Onregelmatige verba.

§ ii8.

95

c) een verlengde infinitivus Praes. Pass. op er, 13.v. laudarier (laudari)

d) een imperfectum Ind. op ibam en een Fut. Ind. op ibo bij verba van de vierde Conj. B.v. n u tribam (nutriebam), se r vib o (serviam).

c) een praesens Conj. Act. op im. B.v. edim (edam). Van deze vormen worden nog in gebeds- en eedsformulieren gebruikt: d u i m, d u i s, duit, duint in plaats van dem, des, det, dent en per duin t in plaats van perdant.

f) een gerundivum der derde en vierde Conj. op undus in plaats van op endus. Deze vorm werd ook later meermalen gebruikt in bepaalde spreekwijzen, zooals: in jure die undo; decemvïri le gib us scri-bundis; aliquem repetundarum postulare; ook zegt men gewoonlijk potiundus van potior en altijd oriundus van orior.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

0VEE DE ONEEGELMATIGE VERBA.

§ 118 Possum, potui, posse, kunnen.

Dit verbum heet eigenlijk pot-sum (uit potis, in staat en sum). Het wordt geconjugeerd als sum. Hierbij valt echter op te merken:

i0. dat pot vóór een s veranderd wordt in pos. B.v. possum (potsum). 2°. dat potessem en pot esse samengetrokken wordt in possem en posse.

3quot;. dat van fui en afgeleide vormen de f wegvalt. B.v. potui (|)otfui), potueram (potfueram).

I ii d i c a t i v u s. C o n j u n c t i v u s.

Praesens.

(ik kan). ,1 (dat ik kunne).

S. possum, potcs, potest, f\' possim, possis, possit,

P. possümus, potestis, possuntjl possïmus, possïtis, possint.

Imperfectum.

(ik kon). (dat ik koude, Jk zon kunnen).

S. potëram, potëras, potërat, possem, posses, posset, P. poteramus, poteratis, potërant. possêmus, possëtis, possent.

Perfectum.

(ik heb kunnen). (dat ik hebbe klimt en).

S. potui, potuisti, potuit, potuërim, potuëris, potuerit,

P. potuïmus, potuistis, potuêrunt. potuerïmus, potuerïtis, potuërint. Plusquamperfectum.

(ik had kunnen). (dat ik hadde kunnen,

ik zou hebben kunnen). S. potuëram, potuëras, potuörat, potuissem, potuisses, potuisset, P.potueramus, potueratis,potuërant. potuissëinus, potuissêtis, potuissent.

-ocr page 106-

96 Onregelmatige verba. % 119—120.

Futurum simplex.

(ik zal kiinncri).

S. potero, potëris, potërit, ontbreekt.

P. poterïmus, poterïtis, potërunt.

Futurum ex actum.

{ik zal hebben ktmnen).

S. potuuro, potuëris, potuërit, . ontbreekt.

P. potuerïmus, potueritis, potuërint.

I n f i n i t i v u s.

Praes. posse, ktinnen.

Perf. potuisse, hebben kunnen.

Aanmerkingen. Het oorspronkelijke Part. Praes. potens wordt slechts als adjectivum gebruikt in de beteekenis van machtig. De imperativus, het gerundium, enz. ontbreken.

Verouderde en dichterlijke vormen zijn potis es, potis est, pot:is sunt (potes, potest, possunt), po te (potest), potesse (posse), possiem (possim).

§ 119. Edo, edi, esum, edëre, eten. Vgl. § 136. V.

Dit verbum gaat met zijn composita comëdo, opeten, exödo, uit knagen, enz. regelmatig naar de derde conjugatie, doch heeft eenige bijvormen, welke wat de spelling betreft (niet de quanü-teit) overeenkomen met de vormen van sum, die met es beginnen, namelijk:

Praes. Ind.

edo.

edis of ës.

edit „ est.

edïmus.

edïtis „ estis.

edunt.

edëre of esse.

In het passivum vindt men estur voor editur en essetur voor ederêtur.

Over het Praes, Conj. edim Vgl. § 117. e).

§ 120. Fëro, tüli, latum, fer|e, dragen.

Dit werkwoord gaat naar de 3\'lt conjugatiwnut deze afwijking, dat de verbindingsvocaal ï vóór s en t, en de verbindingsvocaal ë tusschen twee r\'s wordt weggeworpen. Ook valt de e weg aan het einde van den

Imperativus.

ede

of ës.

edïte

„ este.

edito

„ esto.

edïto

,, esto.

editöte

„ estote.

edunto.

Impcrf. Conj. edërem of essem. edëres „ esses, edëret „ esset. ederëmus,, essemus. ederëtis „ essetis. edërent „ essent. In f i n i t i v u s praes

11 s.

-ocr page 107-

Onregelmatige verba.

§ 120.

97

aden Pers. Sing. Imperat Praes. Act. De Inf. Pass, is ferri (van den ouden vorm ferëri in plaats van feri).

De vormen, die van het perfectum en supinum worden afgeleid,

gaan regelmatig en worden hier niet opgenoemd.

A c t i v u m.

Indicativus. Conjunctivus.

P r a e s e n s.

S. fero, f e r s, fe r t, S. feram, feras, ferat,

P. ferïmus, fertis, ferunt. P. feramus, feratis, ferant.

Imperfectum.

S. ferêbam, ferëbas, ferëbat, S. ferrem, ferres, ferret, P. ferebamus, ferebatis, ferêbant. P. ferrëmus,ferrëtis, ferren t.

Futurum simplex.

S. feram, feres, feret, laturus, a, um sim.

P. ferëmus, ferêtis, ferent.

Imperativus Praes. fer, ferte.

„ Fut. ferto, fertöte, ferunto.

Infinitivus Praes. fer re.

Participium Praes. ferens.

Gerundium. G. ferendi. D. ferendo, enz.

Passivum.

Indicativus. Conjunctivus.

P r a e s e n s.

S. feror, ferris,fertur, S. ferar, feraris, feratur,

P. ferïmur, ferimïni, feruntur. P. feramur, feramïni, ferantur.

Imperfectum.

S. ferëbar, ferebaris, ferebatur, S ferrer, ferrëris, ferrëtur, P. ferebamur,ferebamïni,ferebantur.P. ferrëmur; ferremïni, fer-

(r e n t u r.

Futurum simplex.

S. ferar, ferëris, ferëtur, ontbreekt.

P. ferëmur, fercmïni, ferentur.

Imperativus Praes. ferre, ferimïni.

„ Fut. fertor, fertor, feremïni, feruntor. Infinitivus Praes. ferri.

Gerundivum. ferendus.

Evenals fero worden «k de composita van fero geconjugeerd, af fero, attüli, allatum, afferre, aanbrengen.

antefero, antetüli, antelatum , anteferre, -voortrekken.

4e druk. 7

-ocr page 108-

Onregelmatige verba.

% 121.

98

aufêro, abstüli, ablatum, auferre, wegnemen. ^ circumfëro , circumtüli, circumlatum, circumferre, ronddragen. confëro, contüli, col latum, conferre, bijeenbrengen.

deféro, detüli, delatum, deferre, wegdragen.

differo, distüli, dilatum, differre, uitstellen. ■—

effëro, extüli, elatum, efïerre, uitdragen.

infëro, intüli, i 11 a t u m , inferre, indragen. ,_____

offer o, obtüli, oblatum, ofiferre, aanbieden.

perféro, pertüli, perlatum , perferre, overbrengen.

praeféro, praetüli, praelatum, praeferre, de voorkeur geven.

profëro, protuli, prolatum, proferre, te voorschijn brengen.

refero, retüli en rettüli, relatum , referre, terugbrengen.

transléro, transtüli, translatum, transferre, overbrengen.

Van postfero, achterstellen en suffêro, verdragen, komt geen perfectum of supinum voor. Sustüli, sublatum wordt gebruikt als perfectum en supinum van tollo, opheffen. Als perfectum en supinum van sufféro wordt gebruikt sus tin ui, sustentum.

Différo heeft in de beteekenis verschillen geen perfectum of supinum.

§ 121. Volo, volui, veile, willen.

Nolo, nolui, nolle, niet luillen.

Malo, ma lui, malle, liever willen.

Nolo is samengetrokken uit ne volo, malo uit ma gis volo.

I n d i c a t i v u s.

Pr ae sens.

nolo.

non vis. non vult. n o 1 ü m u s. non vultis. nolunt.

malo. mavis, mavult. malum us. m a v u 11 i s. malunt.

volo.

vis.

vult.

v o 1 ü m u s,

vultis.

volunt.

Imperfectum, nolëbam.

Perfectum.

nolui.

malebam.

volebam.

malui.

volui.

PI ii squam perfectum.

maluëram.

volueram.

noluëram.

-ocr page 109-

Onregelmatige verba.

^ 121.

99

Futurum simplex.

volam, voles, volet, (nolam), noles, nolet, (malam), males, malet, volëmus,volêtis,volent. nolêmus,nolêtis,nolent. malëmus,malêtis,malent.

Futurum exactum.

voluero. noluëro. mai\'üëro.

Conjunctivas.

F r a e s e n s.

velim. nolim. malim.

velis. nolis. n\\alis.

velit. nolit. malit.

velïmus. nolïmus. mallmus.

velïtis. nolïtis. malïtis.

velint. nolint. malint.

Imperfectum.

vellem. nollem. mallem.

velles. nolles. malles.

vellet. noliet. mallet.

vellemus. nollëmus. mallëmus.

vellêtis. nollêtis. mallëtis.

vellent. nollent. mallent.

Perfectum.

voluërim. noluërim. maluërim.

Plusquamperfectum.

voluissem. noluissem. maluissem.

Imperativus.

Praes. noli.

nolïte.

Fut. nolïto.

ontbreekt. nolïto. ontbreekt.

nolitöte.

nolunto.

Infinitivus.

P r a e s e n s.

veile. nolle. malle.

Perfectum.

voluisse. noluisse. maluisse.

Participium praesens.

volens. nolens. ontbreekt.

-ocr page 110-

loo Onregelmatige verba. % 122.

Aanmerkingen. De eerste persoon Sing, van het Fut. nolam en malam is ongebruikelijk.

Voor vult, vultis vindt men soms volt, v 011 i s.

Als verouderde vormen komen voor n e v i s (non vis), n e v u 11 (non vult), neve 11e (nolle), mavoio (malo), mavelim (malim), mavel-1 e m (mallem).

§ 122. Eo, 1 vi, ït um , ïre, gaan.

Dit verbum wordt vervoegd naar de 4(\'e conjugatie met de volgende afwijkingen:

1°. Vóór a, o, u komt e in plaats van i, zooals: eo, earn, eunt (io, iam, iunt).

20. Het imperfectum is ibam in plaats van iebam en het futurum ibo in plaats van iam.

30. In de participia en in het gerundium wordt ent en end u n t en u n d.

Indicativus. Co nj uno ti v us.

P r a e s e n s.

S. eo, is, it, S. eam , eas, eat,

P. ïmus, ïtis, eunt. P. eamus, eatis, eant.

Imperfectum.

S. Ibam, ïbas, ïbat, S. ïrem, Ires, ïret,

P. ibamus, ibatis, ibant. P. irêmus, irêtis, ïrent.

P erfectu m. ïvi. iverim.

Plusquamperfectum.

ivëram. ivissem.

Futurum simplex.

S. ï b o, Ibis, ïbit, iturus, a , um sim.

P. ibïmus, ibïtis, ïbunt.

Futurum exactum,

ivëro.

Imperati vus.

Praes. i, Ite.

Fut. ito, Ito, itöte, eunto.

Infinitivus.

Praes. ïre.

Perf. ivisse of isse.

Fut. itOrum, am, um esse.

Participium.

Praes. iens, Gen. euntis, Dat. eunti, enz.

Fut. itürus, a, um.

Gerundium.

Gen. eundi, Dat. eundo, enz.

-ocr page 111-

Onregelmatige verba.

§ 123-

ioi

Dc composita van co zijn: abco, zveggaa?!, adeo, ergens heen gaan, anteëo, voorgaan, circumeo, rondgaan, coco, samenkomen, cxco, uitgaan, inco, ingaan, intcrco, omkomen, introco, binnengaan, obco, omgaan, perco, omkomen, prodeo, \\te voorschijn komen, pracëo, voorgaan, praetereo, voorbijgaan, redeo, terng-keeren, subeo, ondergaan, transeo, overgaan, veneo, verkocht worden.

Deze composita worden juist als eo vervoegd, behalve dat zij in het perfectum en de daarvan afgeleide vormen gewoonlijk dc v verliezen. B.v. redii, rediërim. In den infinitivus perfccti en inden conjunctivus plusquamperfecti hebben zij zeer dikwijls i in plaats van ii. B.v. redisse, redissem.

Veneo (uit v e n u m cn e o) mist supinum, imperativus, participia en gerundium. Vgl. § 104.

Over het gebruik van pereo. Vgl. § 104.

Ambio (uit amb en eo. Vgl. § 167) ambivi, ambïtum, ambïre,\'-rondgaan, gaat regelmatig naar de vierde conjugatie. B.v. ambi-unt, ambiens, ambient is, am bieb am.

Als ongebruikelijke bijvormen vindt men eam, ies, iet, enz. in plaats van ibo, ibis, ibit, enz.

Veneo heeft soms veniebam in plaats van venibam en ambio soms a m b i b a m in plaats van ambiebam

§ 123. Eo en zijn meeste composita zijn intransitiva cn kunnen derhalve slechts onpersoonlijk in het passivum gezet worden, B.v. itur, men gaat, ibatur, men ging, itum est, men is gegaan, e u n d u m e r i t, men zal moeten gaan.

De composita, die transitiva zijn, zooals adeo,ineo, praetereo, worden volgens het volgende voorbeeld in het passivum geconjugeerd.

Indicativus. Conjunctivus.

F r a e s e n s.

S. adeor, adïris, adïtur, S. adear, adearis, adeatur,

P. adïmur, adimïni, adeuntur. P, adeamur, adeamïni, adeantur.

Imperfectum.

S. adïbar, adibaris, adibatur, S. adlrer, adirêris, adirëtur, P. adibamur, adibammi,adibantur. P, adirëmur, adiremïni, adirentur.

Perfectum.

adïtus. a. um sim.

adïtus. a. um sum.

-ocr page 112-

Onregelmatige verba.

% 124.

I02

Plusquamperfectum.

adïtus, a, um eram. adïtus, a, um essem.

Futurum simplex.

S. adibor, adibëris, adibïtur,

P. adibïmur, adibimini, adibuntur.

Futurum exact um.

adïtus, a, um ero. ontbreekt.

Imperativus.

Praes. adïre, adimïni.

Fut. adïtor, adïtor, adibimini, adeuntor.

Infinitivus,

Praes. adlri.

Perf. adïtum, am, um esse.

F u t. adïtum iri.

Participium perfectum.

adïtus, a, um.

Gerundivum.

adeundus, a, um.

g 124. Quco, quïvi, qui turn, quire, kunnen.

Nequeo , nequi vi, nequï tum , nequire , niet kunnen.

Indicativus.

P r a e s e n s.

ontbreekt.

S. queo, quis, quit, P. quimus, quitis, queunt.

S. nequeo, nequis, nequit, P. nequïmus, nequitis, nequeunt.


Im])crfectum.

S. nequibam, —, nequibat. P. —, —, nequibant.

S. quibam, —, quibat.

Perfectum.

S. quivi, —, quivit, P. —, —, quivërunt.

S. nef[uïvi; nequisti, nequivit.

P.

—, nequiverunt.

Plusquamperfectum.

S. —, —, quiërat, S. —, —, nequiërat,

P. —, —, nequiërant

Futurum simplex.

S. quibo.

F. —, —, quibunt. F. —, —, nequibunt.

Futurum e x a c t u m.

S. quivëro. ontbreekt.

-ocr page 113-

I § 125. Onregelmatige verba. 103

C o n j u n c t i v u s.

Praesens.

S. f|ucani, queas, (|iieat, S. nequeam, nequeas, ncqueat,

I-quot;, queamus, queatis, queant. P. nequeamus, nequeatis, nequeant

1 m perfectum.

j S. quirem, —, quiret, S. nequirem, —, nequiret,

P. —, —, quirent P. nequiremus, —, nequirent.

P e r f e c t u m.

: S. —, —, quiverit S. nequivërim, —, nequiërit.

P. —, —, nequierint.

Plus q u a m p e r f e c t u m.

S. —, —, nequisset,

: P. —, —, quissent, P. —, —, nequissent.

Infi nitivus.

v Praes. quire. nequire.

Perf. quivisse, quisse. nequivisse, nequisse.

Participium.

Praes. quiens, Gen. queuntis. nequiens, Gen. nequeuntis.

Aanmerkingen. Deze verba worden veel zeldzamer gebruikt dan 1 possum en non possum. Queo komt gewoonlijk slechts voor in ontkennende zinnen en alleen met een infinitivus.

Ook bestaan de volgende passieve vormen : quitur, nequïtur, quit a ; est en nequïtum est; zij worden alleen gebruikt met een Inf. Pass. B.v. Forma in tenebris nosci non quit a est.

§ 125. F1 o, fa c t u s sum, fI ë r i, worden, geschieden, gemaakt

worden.

Dit verbum gaat regelmatig naar de 411e conjugatie behalve dat in den infinitivus praesens en in den conj unctivus im-perfecti de i verkort en daarachter eene e gevoegd wordt.

De ontbrekende conj unctivus en infinitivus futuri worden aangevuld door fu t u r u s, a, u m sim en futurum, am, um esse of fore.

In plaats van den ongebruikelijken imperativus futuri fito, fitöte, fiunto zegt men fiat,fiatis,fiaiitofesto,estöte,sunt o.

Het perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum zijn regelmatig fact us sum, sim, er am, essem, ero, factum esse. Het overige wordt volgenderwijze geconjugeerd.

Indicativus. Conj unctivus.

Praesens.

S. fïo , fis, fit, S. fïam, fïas, fïat,

P. (fïmus, fltis), fïunt, P. fïamus, fïatis, fïant,

-ocr page 114-

Onregelmatige verba.

% 126.

I04

Imperfectum.

S. flêbam, fïêbas, fïëbat, S. fïërem, fTeres, fièret.

P. fïëbamus, flcbatis, fïêbant. P. fiëremus, fïërêtis, fiërent.

Futurum simplex.

S. fïam, fïes, fïet, futürus, a, um sim.

P. fïëmus, fïëtis, fient.

Imperativus

Praes. S. fï. P. fïte.

Fut. ongebruikelijk.

I n f i n i t i v u s.

Praes. fïëri.

Perf. factum, am, um esse.

Fut. futurum, am, um esse of fore, zullen worden.

Participium.

Praes. ontbreekt.

Perf. factus, a, um, geworden.

Fut. futurus, a, um, zullende worden.

De gerundia en supina ontbreken.

Aanmerking. F i o wordt ook gebruikt als p a s s i v u m van facio. Vgl. § 104. Het gerundivum is dan facie 11 dus, moeiende gemaakt worden en de infinitivus futuri factum iri, zullen gemaakt worden.

Ook de composita van facio, die de a behouden, hebben fio in het passivum. B.v. arefacio, droog maken, arefio, are-factus sum, arefieri, droog zvorden of gemaakt worden. De composita echter, waarin de a in i overgaat, hebben een eigen passivum. B.v. con f icio, bijeen brengen, conficior, confectus sum, confïci; interficio, dooden., interficior, interfectus sum, interfïci.

Als bijvormen van conficior vindt men van conflo: confiëri, confit, \'confiat, confïunt, confïant, confiëret, confiërent.

Als bijvormen van deficior vindt men van defïo: defiëri, defit, defïat, defïunt, defïet.

Eindelijk heeft men nog een bijna verouderden vorm in fit, hij begint. § 126. Evenals fero verliezen ook de verba dico, zeggen, du co, voeren en facio, maken, gewoonlijk de e in den tweeden persoon enkelvoud van den imperativus praesens activi, dus: die, due, fac. Hetzelfde geschiedt bij de composita dezer verba, behalve bij die van facio, welke in ficio veranderen. B.v. perficio, perfïce.

-ocr page 115-

I26 § 127 128.

Verba dcfectiva.

10S

In plaats van den imperativus praesens sci, scite van scio, ikzveet, gebruikt men den imperativus futuri scito, scitöte

abnuo, weigeren.

arguo, bewijzen.

juvo, helpen.

luo, boeten.

morior, sterven nascor, geboren worden.

prior, ontstaan.

pario, voortbrengen.

ruo, naar beneden storten.

I seco, snijden.

, sono, klinken.

Aanmerkingen. Van fruor (fruïtus en fructus sum) vindt men alleen fruiturus; van lavo (lautum. lavatum, lotum) alleen la-vaturus; van haurio (haustum en zelden hausum) zoowel hau-surus als hausturus.

Betrekkelijk orior, ortus sum, orïri valt nog op te merken, dat het in het Praes. Ind. en in den lm per. geconjugeerd wordt naar de derde conjugatie, dus: orëris, oritur, orïmur, ori-mïni; orëre, orïmïni, orïtor. Het Imperf. Conj. heeft regelmatig orïrer of ook orerer. Hetzelfde heeft plaats bij de composita, behalve bij adorior, dat regelmatig gaat, dus; ado-rior, adorlris, adorltur, adorïmur. enz.

§ 128.

Praes. Ind,

„ Conj. inquiat.

Imperf. Ind. inquiëbat of inqulbat.

Perf. Ind. inquisti, inquit.

Fut Ind. inquies, inquiet.

I m p e r a t. inque, inquïto,

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE VEEL A DEFECTIVA.

I n q u a m , ik zeg.

inquam, inquis, inquit, inquïmus, inquïtis, inquiunt.

§ 127. De volgende verba hebben een onregelmatig participium futurum.

abnütum.

abnuiturus.

argutum,

arguiturus.

jutum.

juvaturus.

lutum,

luiturus.

mortuus sum,

moriturus.

natus sum.

nasciturus.

ortus sum,

oriturus.

partum,

pariturus.

rutum.

ruiturus.

sectum.

secaturus.

sonïtum.

sonaturus.

-ocr page 116-

Verba defcctiva.

io6

§ 129—130.

Aanmerkingen. Inquam heeft dikwijls de beteekenis van een perfectum.

Inquit heeft meermalen bij tegenwerpingen de beteekenis van zegt men, heet het. B.v. Non so le mus, inquit, os ten dé re.

§ 129. Ajo, ik zeg.

Praes. Ind. ajo, ais, ait, ajunt.

„ Conj. ajas, ajat, ajant.

Imp erf. Ind. ajëbam, ajëbas, ajêbat, ajebamus, ajebatis, ajëbant.

Perf. Ind. ait.

Aanmerkingen. Er bestaat nog een ongebruikelijke Imperat. al en een als adjectivum gebruikt Part. Praes. ajens, bevestigend.

In plaats van ajebam zeggen de blijspeldichters ook aibam.

§ 130. C o e p i, begonnen zijn.

M e m ï n i, zich herinneren.

O d i, ILat en.

Van deze verba is het praesens in onbruik geraakt Memïni en o d i hebben in het perfectum de beteekenis van het praesens, in het plusquamperfectum van het imperfectum en in het futurum exactum van het futurum simplex. Alleen m e m ï n i heeft een im-perativus.

Indicativus.

Perfectum.

memïni, ik herinner mij. odi, ik haat. meministi, enz. odisti, enz.

Plusquamperfectum coepëram, ik zoas begon- meminëram, ik herinnerde odéram, ik 11 en. mij. haatte.

Futurum exactum.

coepéro, ik zal begonnen meminëro, ik zal mij her- odëro, ik zal zijn. inneren. haten.

Conj unc ti v us.

Perfectu m.

coepërim, dat ik begon- meminërim, dat ik mij her- odërim, dat nen zij. inner e. ik hatc.

P1 u sq u a m p erfe c t u m.

coepissem, dat ik begon- meminissem, dat ik mij odissem, dat nen zuare, herinnerde, ik haatte,

ik zou begonnen zijn. ik zon mij herinneren, ik zou haten.

coepi, ik ben begonnen. coepisti, enz.

-ocr page 117-

Verba dcfectiva.

§ I31-

107

Imperativus.

memento, herinner u. mementöte, herinnert u.

I n f i n i t i v u s.

ontbreekt.

ontbreekt.

P e r f. coepisse, begonnen zijn. meminisse, zich herinneren, odisse, haten.

Fut. coepturum,am,um esse, ontbreekt.

zullen beginnen.

Pa rticipium. Perf. coeptus, a, um, begonnen

zijnde, ontbreekt. Fut. coepturus,a,um,^///(?«lt;/(?

beginnen.

osiirum,am,um esse. zullen haten.

(osus, a, um), hatende,

osurus, a, um, zullende haten.


Aanmerkingen. Als praesens, imperfectum en futurum simplex gebruikt men bij coepi: incipio, incipiëbam, incipiam. Daarentegen is incêpi in plaats van coepi bij een infinitivus ongebruikelijk.

Coepi wordt gewoonlijk verbonden met een infinitivus, zelden met een accusativus. Wordt er een infinitivus passivi vereischt met zuiver passieve beteekenis, dan gebruike men altijd coeptus sum. B.v. Urbs aedificari coepta est, men is begonnen de stad te houwen. Heeft de infinitivus passivi daarentegen intransitieve of reflexieve beteekenis, dan gebruike men liever coepi. B.v Tarquinius crudêlis fieri coepit, Tarquinius begon wreed te worden. Respublica augëri c o e p i t, de staat begon zich uit te breiden. Deze zelfde eigenaardigheid heeft ook plaats bij desïno. B.v. Orationes meae legi desïtae sunt, men heeft opgehouden mijne redevoeringen te lezen.

In plaats van het zeldzame osus gebruikt men de composita exösus en perösus, die in zuiver Latijn altijd een actieve beteekenis hebben. Beide participia regeeren den accusativus. B.v. Plebs consilium nomen perosa erat, het volk haatte den naam van consuls.

Evenals memini en odi worden ook de perfecta n o v i (van nosco, ik leer kennen) ik weet en consuevi (van consuesco, ik gewen mij) ik beu gewoon in de beteekenis van een praesens gebruikt.

§ 131. F a r i, spreken.

Praes. Ind. fatur, (famur, famïni, fantur).

Imp erf. Ind. (fabar). Conj. (farer).

Perf. en Plusquamperf. fatus sum, sim, eram, essem.

Fut. Simpl. fabor, (fabëris), fabïtur.

Imperat. fare. Inf. fari. Sup. fatu.

Part Praes. fans. Perf. fatus. Gerundivum, fandus.

Gerundium. Gen. fandi. Abl. fando.

Aanmerkingen. De vormen tusschen ( ) komen alleen voor in de composita af fari, aanspreken, enz.

-ocr page 118-

Lijst van wcrkzvoordcu.

io8

§ 132—134.

In proza vindt men bijna alleen fatur en fando audire hoorcn zeggen, van hoorcn zeggen hebben of weten.

§ 132. Ave, wees gegroet, salve, wees gegroet, vale, vaarwel.

Salve (salvëte, salveto), goeden dag, was het woord waarmede men gewoonlijk bij het komen groette. Vale (valëte, valëto), vaarwel, was vooral in gebruik bij het afscheid. Ave (avëte, avëto), dat weinig gebruikt werd, heeft beide beteekenissen. Van salve en vale vindt men een futurum salvëbis en valëbis. De infinitivi avêre, salvëre, valëre worden slechts gebruikt in verbinding met jubeo. B.v. Valëre te jubeo, ik zeg ?/ vaarwel.

§ 133. Ap^ge [xzwys) met of zonder \\.q. , pak u weg.

C ë d o (onderscheiden van c ë d o , ik wijk) en in het meervoud c e 11 e (uit cedito, cedite ontstaan) wordt in de conversatietaal in de beteekenis van geef hier, zeg eens gebruikt met of zonder een accusativus. B.v. C c d o a q u a m m a 11 i b u s, geef wat water voor mijn handen. C e d o igitur, quid faciam, laat dan eens hoorcn wat ik doen zal. Cette d ex tras, geeft mij de hand.

Quaeso, quaesümus, ik bid, wij bidden, wordt gewoonlijk ter verzachting der uitdrukking tusschen andere woorden ingevoegd. B.v. T u, quaeso, scribe, schrijf mij asjeblieft.

Age, agïte wordt gebruikt in den zin van kom, welaan. B.v. Age experiamur, welaan laten wij het beproeven.

LIJST

der voornaamste verba met onregelmatig gevormde perfecta en supina.

§ 134.

In deze lijst worden naast de simplicia slechts die composita opgenoemd, welke in de vorming hunner perfecta en supina van de simplicia afvvijko,!.

Verba der eerste conjugatie.

Het perfectum en supinum der verba van de eerste conjugatie gaat gewoonlijk uit op avi, atum. B.v. amo, amavi, amatum Hiervan wijken af

I. met reduplicatie in het perfectum.

Do, dëdi, datum, dSre, geven. Vgl. § 100.

Evenzoo de Comp. met tweelettergrepig voorvoegsel circumdo, omgeven, satisdo, borgstellen, pessundo, verderven, venundo, verkoopen. De overige Comp. met eenlettergrepig voorvoegsel hebben dïdi, dïtum en gaan naar de derde conjugatie. B.v. addo, addïdi, addïtum, addëre, bijvoegen; credo, credïdi, credïtum, credëre, gelooven. Slechts abscondo, verbergen, heeft gewoonlijk abscondi, zelden abscondïdi.

Sto, stëti, statum, stare, staan.

De Comp met tweelettergrepige praeposities hebben in het perfectum stëti. B.v. circumsto, rondom staan, circumstëti. De Comp. met éénlettergrepige praeposities hebben in het Perf. stïti. B.v. adsto, er bij staan, adstïti. De Comp. van sto missen het Sup. behalve

-ocr page 119-

1 § 135. Lijst van werkwoorden.

praesto, overtreffen, praestïtum. Het Part. Fut. Act is echter prae-staturus. Ook van andere Corap. komt een Part, op urus voor, zooals : constaturus Disto, verwijderd zijn en exsto, uitsteken, voorhanden zijn, missen liet perfectum.

II. met perfectum op ui, supinum op tu m , soms met

gt; Sequot; I verbindingsvocaal.

men

alere ■ Crëpo, crepui, crepïtum, crepare, gedrmsch maken.

\\ te 5 Cübo, cubui, cubïtum, cubare, liggen.

De Comp. van cubo, die een m vóór de b aannemen, gaan naar de derde Conj. B.v. a cc umbo, accubui, accubïtum, accumbëre, zich neder leggen.

Dömo, domui, domïtum, domare, temmen.

Frïco, fricui, frictum of fricatum, fricare, wrijven.

Refrïco, weder opkrabben, heeft enkel re fricatum.

Mïco, micui, (zonder Sup), micare, glinsteren

Emico, emicui, e m i c a t u m , snel te voorschijn komen.

Dimïco, dimicavi, dimicatum, strijden.

Nëco, dooden (regelmatig).

Enëco, e nee ui, enectum (zelden enecavi, enecatum), dooden.

Plïco (slechts in samenstellingen gebruikelijk)

Applïco, applicavi en applicui, applicatum en applicïtum, a]gt;]ilicare, toevoegen. Evenzoo explico, ontvouwen en implïco, inwikkelen. De verba op plico, die afgeleid zijn van adjectiva op plex, zooals duplïco, verdubbelen, hebben alleen avi, a turn.

Pöto, potavi, potum (zelden potatum), potare, drinken Vgl. § 103.

Sëco, secui, sectum, secare. Vgl. § 127.

Söno, sonui, sonïtum, sonare, klinken. Vgl. g 127.

Resöno, weergalmen, heeft r e s o n a v i en mist het Sup.

Töno, tonui, (zonder Sup.), tonare, donderen.

Attöno, bedonderen, verbluffen, heeft een Part. Perf. a t; o n ï t u s. Intöno, zich donderend, Inid doen hoor en, heeft een Part Perf. in to nat us. Veto, vetui, vetttum, vetare, verbieden.

III. met perfectum op i, supinum op tum en verlenging van de stamvocaal.

Juvo, jüvi, jütum, juvare, helpen. Vgl § 127.

Adjüvo, ondersteunen, heeft in het Part. Fut, adjuturus en adjuva-turus Men lette goed op de verschillende quantiteit van het Praes • en Perf. van adjüvo.

Livo, lavi, lautum (lavatum, lotum), lavare, wasschen. Vgl § 127. Aanm.

§ 135. Verba der tweede conjugatie.

De verba dezer conjugatie, die regelmatig ëvi, êtum hebben, zijn; Deleo, delêvi, delëtum, delëre, vernietigen.

Fleo, flëvi, flëtum, flëre, weenen.

Neo, i, netum, nere, spinnen.

) Pleo (sleclats in samenstellingen gebruikelijk).

Compleo, complëvi, complëtum, complëre vullen Hierbij komt nog met het Sup. op itum

Aböleo, abolëvi, abolltum, abolëre, afschaffen, van het ongebruikelijke

109

men

was 1

-ocr page 120-

Lijst van werkwoorden.

% 135

1 IO

oleo, welks overige composita op esco uitgaan en naar de derde conjugatie vervoegd worden, namelijk;

Adolesco, adolëvi, adultum, adolescëre, opgroeien.

Exolesco, exolêvi, exolëtum, exolescëre, afslijten.

Obsolesco, obsolêvi, obsolëtum, obsolescëre, verouderen.

Onregelmatig zijn

I. met perfectum op ui, supinum op tum en verbindingsvocaal.

Camp;reo, missen. Möneo, vermanen,

Döleo, bedroefd zijn. NÖceo, schaden.

Habeo, hebben. Pareo, gehoorzamen,

Comp adhïbeo, aanwenden, debeo Pldceo, behagen.

(voor dehibeo), schuldig zijn, prae- Comp. displïceo, mishagen.

beo (voor praehibeo), aanbieden. Tiiceo, zwijgen.

JSceo, liggen Comp. retïceo, verzwijgen.

Ltceo, te koop zijn. Terreo, verschrikken.

Mëreo (ook deponens), verdienen Valeo, gezond zijn.

supinum op tum zonder verbindingsvocaal.

Döceo, docui, doctum, doeëre, onderwijzen.

Misceo, miscui, mixtum of mistum, miseëre, mengen.

Tëneo, tenui, tentum, tenëre, houden

Comp. abstïneo, abstinui, abstentum, abstinëre, zich onthouden.

Torreo, torrui, tostum, torrëre, roosteren.

supinum op sum.

Censeo, censui, censum, censëre, schatten.

Comp. recenseo, recensui, recensum en recensïtum, monsteren,

zonder supinum.

Arceo, afhouden. Oleo, rieken (niet te verwarren met het

De Comp. coërceo, beteugelen en ex- ongebruikel.stamwoord v. a b o 1 e o). erceo, oefenen, hebben een Sup. c o- Comp. adöleo, aansteken, redöleo ereïtum en exereïtum. en suböleo, naar iets rieken.

Areo, droog zijn. Palleo, bleek zijn,

Caieo, warm zijn. Pateo, open staan.

Calleo, eelt hebben, bekwaam zijn. Rïgeo, stijf staan.

Candeo, gloeiend of wit zijn. Rübeo, rood zijn.

Egeo, gebrek hebben. Sïleo, zwijgen.

Comp. indïgeo, gebrek hebben. Sorbeo, slurpen,

Emïneo, uitsteken. Sordeo, vuil zijn.

Flöreo, bloeien, Splendeo, schitteren.

Frondeo, bladeren hebben, Stüdeo, zich beijveren.

Horreo, huiveren Stüpeo, verbaasd zijn,

Langueo, kwijnen, Timeo, vreezen.

Lamp;teo, verborgen zijn. Torpeo, verstijfd zijn,

Ltqueo, licui en liqui, vloeibaar zijn, Tümeo, gezwollen zijn.

MSdeo, nat zijn. \' Vïgeo, frisch zijn,

Nïteo, schitteren. Vïreo, groen zijn.

-ocr page 121-

Lijst van werkwoorden.

§ 135-

111

II. met perfectum op si (xi), supinum op turn.

Augeo, auxi, auctum, augere, vermeerderen.

Indulgeo, indulsi, indultum, indulgere, toegeven.

Lügeo, luxi, luctum, lugëre, treuren.

Torqueo, torsi, tortum, torquêre, draaien.

supinum op sum.

Ardeo, arsi, arsum, ardêre, branden.

Haereo, haesi, haesum, haerëre, blijven steken.

Jübeo, jussi, jussum, jubcre, hevelen.

MÜneo, mansi, mansum, manêre, blijven.

Mulceo, mulsi, mulsum, mulcêre, xtreelen.

Mulgeo, mulsi, mulsum, mulgêre, melken.

Rïdeo, rïsi, risum, ridëre, lachen.

Suadeo, suasi, suasum, suadêre, raden.

Tergeo, tersi, tersum, tergere, afwisschen

zonder supinum.

Algeo, alsi, algëre, koud zijn.

Frïgeo, frixi, frigêre, koud zijn.

Fulgeo, fulsi, fulgêre, schitteren.

Luceo, luxi, lueëre, lichten.

Turgeo, tursi, turgëre, zuiellen.

Urgeo, ursi, urgëre, dringen.

III. met perfectum op i, supinum op tum en verlenging van de stamvocaal.

Caveo, cavi, cautum, cavëre, op zijn hoede zijn.

Fiveo, favi, fautum, favëre, begunstigen.

Föveo, fovi, fötum, fovêre, koesteren.

Möveo, mövi, mötum, movëre, bewegen.

Vöveo, vövi, votum, vovëre, beloven.

IV. met perfectum op i, supinum op sum en verlenging van de stamvocaal of reduplicatie in het perfectum.

Prandeo, prandi, pransum, prandëre, ontbijten. Vgl. §■ 103.

Sëdeo, sëdi, sessum, sedëre, zitten.

Behalve bij circumsedeo, belegeren, en supersedeo, het ergens hij laten berusten, wordt bij de Comp. de e van het Praes. veranderd in i. B.v. assideo, assëdi, assessum, assidëre, zitten bij iets.

Video, vidi, visum, vidëre, zien.

Mordeo, momordi, morsurn, mordëre, bijten.

Pendeo, pependi, pensum, pendëre, hangen.

De Comp. zonder Perf. en Sup.

Spondeo, spopondi, sponsum, spondëre, beloven.

Comp. despondeo, despondi, desponsum, verloven. Evenzoo respon-deo, antwoorden.

Tondeo, totondi, tonsum, tondêre, scheren.

Comp. detondeo, detondi, detonsum, afscheren Evenzoo attondeo, scheren.

-ocr page 122-

Lijst van werkwoorden.

% 136-

I 12

zonder supinum.

Ferveo, fervi en ferbui, fervëre, heet zijn.

Paveo, pavi, pavêre, hang zijn.

Strideo, stridi, stridêre, knarsen.

Conniveo, connïvi en connixi, connivëre, knipoogen.

Een bijzondere vermelding verdienen cieo, civi, cïtum, ciëre en cio, cïvi, cïtum, cïre, opwekken, in beweging hrenge?i. Als simplex gebruikt men gewoonlijk cieo. De Comp. die de beteekenis hebben van halen, roepen, hebben de vormen der vierde conjugatie, namelijk accio, laten halen, in het Part. Perf. slechts aeeïtus; concio, bijeen roepen, Part. Perf. concitus (concïtus, opgewekt)-, excio, oproepen. Part. Perf, e x c i t u s (exeïtus, opgewekt).

V. D e p o n e n t i a.

Fs.teor, fassus sum, fatêri, bekennen.

Comp. confiteor, confessus sum, bekennen.

Liceor, licitus sum, licêri, bieden.

Comp. polliceor, pollicïtus sum, beloven.

Medeor, (zonder Perf. daarvoor medicatus sum), medëri, genezen.

Mereor, meritus sum, merëri, verdienen. Vgl I dezer g. Men gebruikt bij voorkeur het activum met en zonder stipendia in de beteekenis : als soldaat dienen.

Misereor, miseritus sum, miserëri, zich ontfermen

Reor, ratus sum, rëri, meenen. Het participium praesens ontbreekt. Vgl. § 414- 20.

Tueor, tuïtus sum, tueri, beschermen In plaats van tuitus sum gebruikt

men gewoonlijk tutatus sum van tutari.

Vereor, verïtus sum, verêri, vreezen.

§ 135.

Verba der derde conjugatie.

Verba, wier perfectum op i uitgaat met supinum op tuin.

Acuo, acui, acütum, acuëre, scherpen. Acütus wordt slechts gebruikt als adjectivum in de beteekenis van scherp.

Arguo, argui, argütum, arguëre, beschuldigen. Argütus wordt slechts gebruikt als adjectivum in de beteekenis van scherpzinnig. Vgl. § 127. Aanm.

Exuo, exui, exütum, exuëre, uittrekken.

Imbuo, imbui, imbütum, imbuëre, doortrekken.

Induo, indui, indütum, induëre, aantrekken.

Luo, lui, lütum, luëre, wasschen Vgl. § 127.

Minuo, minui, minutum, minuëre, verminderen.

Nuo, nui, nütum, nuëre, knikken, slechts gebruikelijk in de Comp. ab-nuo, weigeren (Vgl. § 127), annuo, toestemmen, enz

Ruo, rui, rütum, ruëre, naar beneden storten. Vgl. § 127.

Spuo, spui, sputum, spuëre, spuwen.

Statuo, statui, statütum, statuëre, vaststellen.

Comp. constituo, constitui, constitütum, bepalen.

Suo, sui, sütum, suëre, naaien.

Tribuo, tribui, tribütum, tribuëre, toededen.

Solvo, solvi, solütum, solvëre, losmaken.

Volvo, volvi, volütum, volvëre, wentelen.

-ocr page 123-

Lijst van werkwoorden.

136,

quot;3

zonder supinum.

Batuo, batui, batuëre, slaan

Gruo, grui, gruëre, slechts gebruikelijk in de Comp. congruo, overeenstemmen en ingruo, op iets losbreken.

Metuo, metui, metuëre, vreezen.

Pluo, ]3lui en pluvi, pluëre, regenen. Meestal onpersoonlijk.

Sternuo, sternui, stermiëre, niezen

De volgende verba wijken op verschillende wijzen hiervan af.

I. Verba, wier perfectum op ui uitgaat met supinum o t u m zonder verbindingsvocaal.

Aio, alui, altum (later ook alïtum), alëre, voeden C\'Ölo, colui, cultum, colëre, kweeken Consülo, consului, consultum, consulëre, raadplegen Depso, depsui, depstum, depsëre kneden.

Occülo, occului, occultum, occulëre, verbergen.

Rapio, rapui, raptum, rapëre, roeven

Comp. abrïpio, abripui, abreptum, wegslepen Sëro (serui, sertum) serëre, samenvoegen Het Perf. en Sup. komt alleen bij de Comp. voor, als: consëro, conserui, consertum, samenvoegen. In plaats van het Part. Perf. van desëro, verlaten, gebruike men destitütus en van dissëro, redeneeren, d i s p 111 a t u s.

\'i\'exo, texui. textum, texëre, weven.

supinum op tum en verbindingsvocaal.

Frëmo fremui, fremïtum , fremëre, brullen.

Gëmo, gemui, gemitum, gemëre, zuchten.

Gigno (in ])laats van gi-gen-o), genui, gentium, gignére, voorthrengtn. Mulo, molui, molïtum , molëre , malen.

Pinso, pinsui (ook pinsi), pinsïtum (ook pinsum, pistum) pinsëre, fijnstooten . Pöno (samengetrokken uit pö-sï-no), pösui, pösïtum, ponëre, plaatsen. Strëpo, strepui, strepïtum, strepëre , gedrnisch maken.

Vömo, vomui, vomitum, vomëre, braken.

zonder supinum.

Compesco, compescui, compescëre, bedwingen.

Sterto , stertui, stertere, snorken.

Trëmo, tremui, tremëre, beven.

II. Verba, wier perfectum op ïvi uitgaat met supinum op ïtum.

Arcesso, arcessivi, arcessltum , arcessëre, ontbieden.

Capesso, capessivi, capessïtum, capessëre, aanvatten.

Facesso, facessïvi, facessitum, facessëre, maken.

1 gt;acesso, lacessïvi, lacessitum , lacessëre, tergen.

Ctipio , cupivi, cupitum, cupëre, begeer en.

Pëto, petïvi, petïtum, petëre, ergens op los gaan. Vgl. S 114. Aanm Quaero, quaesïvi, quaesitum, quaerëre, zoeken.

Comp acquïro , acquis!vi, acquisitum, verkrijgen.

Rüdo, rudïvi, ruditum, rudëre, brullen.

Tëro, trïvi, tritum (in plaats van terïvi, terïtum), terëre, wrijven.

4e druk. S

-ocr page 124-

Lijst van iverkivoordeu.

% 130-

114

zonder snpinum.

Incesso, incessivi, incessëre, of icinaiui losgaan.

SÜjjio, sa])ii (zelden sapïvi en sapui), sapëre, smaken, verstand hebben. Comp. resïpio, naar iets smaken, weder tot zich se/ven komen.

III. Verba, wier perfectum op vi uitgaat, terwijl tevens een consonant van het praesens wordt uitgestooten. Lino, livi en lëvi, lïtum, linëre, bestrijken.

De Comp. zooals ol)lino, oblêvi, oblttum, lies/netten, hebben in het Perf. enkel levi.

Sïno, sivi, sïtum, sinère, toelaten.

Vgl. over desïno S 114. Aanm. en S [3° Aanm.

Sëro, sëvi, situm, serére, zaaien.

Comp. consëro, consëvi, con sïtum, bezaaien.

Cerno, crëvi, crëtum, cernëre, afzonderen, zien. Het Perf. en Sup. komen nooit voor in de beteekenis van zien en gewoonlijk slechts in fle Comp. decerno, enz.

Sperno, sprëvi, sprëtum, spernëre, verachten.

Sterno, stravi, stratum, sternëre, op den grond spreiden.

Comp. consterno, bedekken, (con sterno. verschrikken, gaat regelmatig

naar de eerste conjugatie)

Vgl. over de inchoativa op sco sj 146.

TV. Verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat met s u p i n u m o p t u m.

Carpo, car])si, carptum, carpëre, plukken.

Comp. concer])o, concerpsi, concerptum, verscheuren.

(Clëpo, clepsi, cleptum, clepëre. stelen) verouderd.

Rê]^o, repsi, reptum, repëre, kruipen.

Serpo, ser]5si, serptum, seri)ëre, kruipen.

Scalpo, scalpsi, scalptum, scal])ëre, krabben.

Sculpo, sculpsi, sculptum, sculpëre, beitelen.

Glübo, glupsi, gluptum, glubëre, schillen.

Nübo, nupsi, nuptum, nubëre, trouwen (^-an een vrouw).

Scrïbo, scripsi, scriptum, scribëre, schrijven.

Cömo, compsi, comptum, comëre, opsieren.

Dëmo, dempsi, demptum, demëre, wegnemen.

Promo, prompsi, promptum, promëre, te voorschijn brengen.

Sumo, sumpsi, sumptum, sumëre, nemen

Temno, tempsi, temptum, temnëre, verachten. In proza gebruikt men het Comp. contemno.

Dïco, dixi, dictum, dieëre, zeggen.

Düco, duxi, ductum, dueëre, voeren.

(LScio, laxi, lactum, laeëre) ongebruikelijk simplex van de Comp. allïcio, tot zich trekken, illïcio, tot iets verlokken, pelllcio, aanlokken. Deze Comjj. hebben lexi, lectum. Elïcio, uitlokken, heeft elicui, elieïtum. (Spëcio, spexi, spectum, speeëre, zieii) verouderd simplex van adspïcio,

aanzien, enz.

Cöquo, coxi, coctum, coquëre, koken.

Cingo, cinxi, cinctum, cingëre, omgorden.

-ocr page 125-

Lijst van werkwoorden.

§ r36.

quot;5

Flïgo, flixi, flictum, fligëre, slaan, gewoonlijk slechts gebruikt in de Comp. aftilgo, lioen nederstorten, enz. Proflïgo, te gronde helpen, gaat regelmatig naar de eerste Conj,

Frïgo, frixi, frictum en frixam, frigëre, roosteren.

Jungo, jiinxi, junctum, jungëre, verbinden.

Lingo, linxi, linctum, lingëre, likken

Mungo, munxi, munctum, mungëre, snuiten. Men gebruikt gewoonlijk het Comp. emungo.

Plango, planxi, planctum, plangëre, slaan (tegen de borst).

Rëgo, rexi, rectum, regëre, regelen.

Com]), arrïgo, in de hoogte richten In plaats van perrigo, zich ergens heen begeven, gebruikt men pergo, perrexi, perrectum, pergëre en in plaats van surrigo, opstaan, s u r g o, surrexi, surrectum, surgëre. Van dit werkwoord komen weder de Comp. assurgo, consurgo, enz.

Stinguo, stinxi, stinctum, stinguëre, verouderd simplex van distinguo, onderscheiden, en instinguo, ophitsen, dat slechts in het Part. Perf. instinctus gebruikelijk is; voor de overige vormen gebruikt men instïgo, dat regelmatig naar de eerste Conj. gaat. Van een ander eveneens verouderd stinguo komen de Comp. exstinguo en restinguo, uithlusschen.

Sugo, suxi, suctum, sugëre, zuigen.

Tëgo, texi, tectum, tegëre, bedekken.

\'i\'ingo, tinxi, tinctum, tingere, doopen.

lingo, unxi, unctum, ungëre, zalven.

Traho, traxi, tractum, trahëre, trekken.

\\\'eho, vexi, vectum, vehëre, voeren. Voor de vertaling van de Neder-landsche onovergankelijke werkwoorden varen, rijden, moet men vehor gebruiken (met curru, equo, navi). Als zoodanig heeft het ook een participium praesens en een gerundium. B.v. in equo vehens, te paard rijdende ; in t r a n s v e h e n d o, 0)ider het voorbijrijden.

Fingo, finxi, fictum, fingëre, vormen.

iJingo, pinxi, pictum, pingëre, schilderen.

Stringo, strinxi, strictum, stringëre, strijken. Bij de laatste drie verba is de versterkende consonant van het Praes. in het Sup. uitgeworpen.

Gëro, gessi, gestum, gerëre, dragen.

Uro, ussi, ustum, urëre, branden.

Tot de Comp. behooren ambüro, rondom verbranden, en combüro, verbranden.

Struo, struxi, structum, struëre, opstapelen.

Vivo, vixi, victum, vivëre, leven.

s upin u m op sum (xu m).

Fluo, fluxi, fluxum, fluére, vloeien.

Claudo, clausi, clausum, claudëre sluiten.

Comp. circumcludo, circumclüsi, circuniclüsum, rondom insluiten.

Divïdo, divïsi, divlsum, dividëre, ver dee ten.

Laedo, laesi, laesum, laedere, stoo ten.

Comp. allido, allisi, allïsum, aanstooten.

I.üdo, lüsi, lusum, ludëre, spelen,

Plaudo, plausi, plausum, plaudëre, in de handen klap/\'e/i.

-ocr page 126-

Ii6 Lijst van tverkzvoorden. % 136.

Com]), applaudo, toejuichen, doch e x p 15 d o, e x 1 ö s i, e x ]) 1 o s 11 m , uitjiiiiten (een tooneelspeler). Evenzoo supplödo (pedibus), wet dc voeten stampen (ten teeken van afkeuring).

Rado, rasi, rasum, radëre, schaven.

Rodo, rösi, rösum, rodere, knagen.

Trudo, trüsi, trusum, trudëre, stooten.

Vado, (vasi, vasuni), vadëre, gaan. Het Perf. en Sup. komt slerhts voor in de Com]), circumvado, bevangen, enz.

Cêdo, cessi, cessum, cedëre, wijken.

Mitto, mïsi, missum, mittëre, zenden.

Quatio, quassi, quassum, quatëre, schudden.

De Comp. gaan uit o]) rritio, cussi, cussum, cutëre, zooals concötio, schokken.

Mergo, mersi, mersum, mergëre, onderdompelen

Spargo, sparsi, sparsum, spargëre, strooien.

Com]), adspergo, adspersi, adspersum, besprengen.

Tergo, tersi, tersum, tergëre, afwisschen. Men vindt even dikwijls tergen, tersi, tersum, tergëre. De Comp. gaan naar de tweede Conj.

Fïgo, fixi, fixum, figëre, vasthechten.

Flecto, flexi, flexum, flectëre, buigen.

Pecto, pexi, pexum, ])ectëre, kammen.

Necto, nexi en nexui, nexum, nectëre, ia wapen.

De (^om]). zooals annecto, samenknoopen, hebben alleen 11 i in het Perf.

Mëto, (messui), messum, metëre, maaien. In plaats van het zeldzame messui, waarbij de u ingelascht is, zegt men liever messem feci.

Prémo, pressi, pressum, premëre, drukken.

Com]), comprïmo, compressi, com])ressum, samendrukken.

Vello, velli en vulsi, vulsum, vellëre, uittrekken. Evenzoo de Comp. avello, afrukken, en evello, uittrekken. De overige Comp. hebben alleen of gewoonlijk velli.

zonder supinu m.

Ango, anxi, angëre, beangstigen.

Ningo, ninxi, ningëre, sneeuwen. Gewoonlijk onpersoonlijk.

zonder perfectum.

Frendo, frësum en fressum, frendëre, knarsetanden. Men heeft ook een frendeo van de tweede Conj

Plecto, plexum, plectëre, vlechten. Dit verbum is als activum verouderd en wordt slechts in samenstellingen als de pon ens gebruikt. Ook moet men het niet verwarren met plecto, straffen, dat P e r f. en S u p. mist en gewoonlijk slechts in het passivum gebruikt wordt. Vgl. VIII dezer §,

V. Verba, die in het perfectum de stamvocaal verlengen, met supinum op tum.

Ago, egi, actum, agëre, drijven.

Comp. a b 1 g o, abëgi, abactum, \'wegdrijven. C i r c u m a g 0 , omwenden, p e r i g o, volvoeren en s a t a g o (zonder Perf en Sup.), genoeg doen, behouden de a in het praesens. Cögo (uit coago) heeft coëgi, coac-

-ocr page 127-

Lijsi van zverkwoordeu.

\'36. § 136.

117

turn, cogëre, noodzaken. Dego (uit deago) heeft dêgi (zeldzaam), zonder Sup. degëre, doorbrengen.

C^])io, cêpi, captum, capëre, nemen.

Comp. accïpio, accëpi, acceptum, aannemen. In antecapio, cêpi, ceptum en captum, vooraf nemen, blijft de a behouden. Kmc, emi, emptum, emëre, koopen.

Com]), ad 11110, adëmi, ademptum, ontnemen. Hij coëmo, opkoopen, blijft de e in het praesens Fado, feci, factum, facëre, doen. Bij de Comp. met een praepositie gaat a van het Praes in i en a van het Sup. in e over. B.v. affïcio, affëci, affectum, aandoen. Bij de overige Comp. blijft de a behouden. B.v. assuefacio, assuefëci, assuefactum, gewennen Vgl. § 125. Aanm Kügio, fügi, fugitum, fugëre, vluchten.

Jacio, jëci, jactum, jaeëre, werpen. Bij de Comp. wordt de a van het Praes. in i en van het Sup. in e veranderd. B.v. abjicio, abjëci, abjec-tum, wegwerpen. Hiervan is uitgezonderd superj acio, jeci, jectum en jactum, overwerpen. Bij de Comp. vindt men meermalen i in plaats van j i. B v. abicio. Amicio (van am en jacio. Vgl. § [67), amixi en amicui, amictum, amicire, hekleeden, gaat naar de 4lt;le conjugatie.

Lego, lëgi, lectum, legëre, lezen. De e blijft in de Comp. allëgo, bij kiezen, intellëgo, begrijpen, neg lego (uit nee en lego) verwaar-loozen, perlëgo, doorlezen, jiraelëgo, voorlezen, re lego, herlezen. Bij de overige Comp. gaat zij in het Praes. in i over, als: collïgo, collêgi, collectum, colligere, verzamelen. Alle Comp. hebben het Perf. gelijk het simplex, doch dilïgo, beminnen, intellëgo en neglëgo hebben exi, namelijk; dilexi, intellexi, neglexi.

Bij de volgende verba wordt in het Perf. en Sup. de versterkende consonant van het Praes. uitgeworpen.

Frango, frëgi, fractuni, frangëre, breken.

Comp. confringo, confrëgi, confractum, verbreken.

Linquo, lïqui, lictum, linquëre, laten, komt meest in Comp. voor, als relinquo, verlaten

Pango, panxi of jiëgi, panctum of pactum, pangëre, vastmaken. In de beteekenis vaststellen bij verdrag is het Perf. pepïgi en het Sup. pactum; voor het Praes. gebruikt men dan liever paciscor. De Comp. compingo, samenvoegen, impingo, tegen iets aanslaan, oppingo, aanhechten, hebben pëgi, pactum.

Vinco, vïci, victum, vineëre, overwinnen.

Rumpo, rUpi, ruptum, rumpëre, breken.

supinum op sum.

Fundo, füdi, füsum, fimdëre, gieten.

_ Fxlo, êdi, ësum, ëdëre, eten. Vgl. § 119

Het Comp. comëdo heeft het Sup. comësum en comestum.

Fódio, födi, fossum, fodëre, graven.

zonder su])i n u m Scttbo, scabi, scabëre, krabben.

VI. Verba, wier perfectum de reduplicatie heeft, met supinum op tum.

Cano, cecïni, cantum, canëre, zingen. Als Part. Perf. gebruikt men niet

-ocr page 128-

Lijst van werkwoorden.

cantus, maar (carminibus) celebratus, dictus, enz. De Comp. zooals concïno, overeenstemmen, hebben cinui, centum.

P3,rio, pepëri, partum, parëre, haren. Vgl. § 127.

De Comp. gaan naar de vierde conjugatie. Men lette wel op hun perfectum.

Compërio, compëri, compertum, comperire, bevinden. Dit verbum wordt

in het Praes. ook als deponens gebruikt.

Repërio, repëri en reppëri, repertum, reperire, vinden.

Apërio, aperui, apertum, aperire, openen.

Opërio, o]ierui, opertum, operire, bedekken

Het Part. Fut. dezer verba wordt regelmatig gevormd. H.v. com-p e r t u r u s.

Tendo, tetendi, tentum en tensum, tendëre, spannen.

De Comp. die evenals het simplex tum en sum hebben, zijn extendo, uitbreiden, protendo, voor zich heen honden, en retendo, ontspannen. Enkel sum hebben detendo, afspannen, en ostendo, toonen-, de overigen hebben enkel tum. Alle Comp missen de reduplicatie. B.v. attendo, attendi, attentum, acht geven Tango, tetïgi, tactum, tangëre, raken.

De Comp. als attingo, atrfgi, attactum, aanraken, missen de reduplicatie. Pungo, pupügi, punctum, pungëre, steken.

De Comp. hebben punxi. B.v. compungo , compunxi, steken. supinum op sum.

Cado, cecïdi, casum, cadëre, vallen.

De Comp. missen de reduplicatie. B.v. occïdo, occïdi, occasum, ondergaan, sneuvelen. Verder komt het Sup. slechts voor van ineïdo, in iets vallen, en reeïdo, terugvallen.

Caedo, cecïdi, caesum, caedëre, nedervellen.

De Comp. missen de reduplicatie en hebben in het Sup. cïsum. B.v. occido, occïdi, occïsum, dooden. Men lette wel op de verschillende quantiteit der i bij cado en caedo met hunne composita Cello (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie). Percello, perctili, perculsum, percellëre, onderwerpen.

De overige Comp. missen het Perf. en Sup.

Curro, cucurri, cursum, currëre, loepen.

In de Comp. wordt de reduplicatie somtijds behouden, als: accucurri, maar meestal valt zij weg, als: accurri Fallo, fefelli, falsum, fallëre, bedriegen. Falsus is adjectivum; als participium gebruikt men deceptus. Het eenige Comp refellc, wederleggen, heeft refelli en mist het Sup.

Pello, pepüli, pulsum, pellëre, verdrijven.

De Comp. missen de reduplicatie, als: appello, appüli, appulsum, landen.

Pendo, pependi, pensum pendëre, wegen.

De Comp. missen de reduplicatie, als: appendo, appendi, appensum, toewegen.

Parco, peperci (zelden parsi), parsum, pareëre, sparen. In het Perf. Pass.

zegt men temper a tum est in plaats van parsum est.

Tundo, tutüdi, tüsum en tunsum, tundëre, s too ten.

De Comp. missen de reduplicatie en hebben, zoo men obtundo uitzondert, slechts tusum, als: contundo, conttldi, co n t üsum, plat slaan.

% i36-

-ocr page 129-

van \'iverkzvooraen.

56. ; § \'36-

119

l-\'cndo (slechts in samenstellingen gebruikelijk en wel zonder reduplicatie). Defendo, defendi, defensum, defendëre, verdedigen.

met reduplicatie der laatste syllabe.

Sisto, stiti (in plaats van sistiti), stótum, sistere, plaatsen.

De Com]), hebben stïti. stïtum, als: obsisto, obstïti, obstïtum, zich verzeilen. C i r c u m s i s t o , omringen, heeft het Perf. c i r c u m s t ë t i.

zonder supinum.

Disco, didïci, diseëre, leeren.

Posco, poposci, ])oscëre, vorderen

VII. Verba, waarvan de reduplicatie zeker of vermoedelijk weggevallen is, met

su pin um op t u ra

Bïbo, blbi, (bibitum), bibëre, drinken. In jjlaats van het eerst later voorkomende bibitum met de daarvan afgeleide vormen gebruikt men po-t u m of h a u s t u m.

Ico, ici, ictum, ïeëre, Irejfen. Van het praesens komen slechts voor de vormen icit, icimus, icitur, icimur Algemeen gebruikelijk zijn ïci, ictus, ieëre. Voor de overige vormen gebruikt men ferio.

Lambo, lambi, lambïtum, lambëre, lekken.

supinum op sum.

Findo, fïdi, fissum, findëre, splijten.

Scindo, scïdi, scissum, scindëre, scheuren.

Cando (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Accendo, accendi, accensum, accendëre, aansteken.

Cüdo, cüdi, cüsum, cudëre, slaan.

Mando, mandi, mansum, mandëre, kauwen

Pando, pandi, passum (soms pansura), jsandëre, uit elkander spreiden. Prehendo, prehendi, prehensum, prehendëre, aanvatten. Men vindt ook

een samengetrokken vorm prendo, prendi, prensum, prendëre.

Scando, scandi, scansum, scandëre, beklinnnen.

Comp adscendo, adscendi, adscensum, beklinnnen.

Verro, verri, versum, verrëre, vegen

Verto, verti, versum, vertëre, wenden. Dit verbum wordt ook als d e-ponens gebruikt in de Comp. devertor, zich afwenden, praevertor, vooruitkomen, en reverter terugkeeren. De beste schrijvers gebruiken echter in het l\'erf. en de daarvan afgeleide tijden slechts den actie v e n vorm.

Sido, sëdi (soms sidi), sessum, sidëre; zich nederzetten.

zonder supinum.

Strldo, stridi, stridëre, knarsen (meestal stridëre. Vgl. § 133. IV.)

Viso, vïsi, visëre, bezoeken (Sup. visum van video).

Psallo, psalli, psallëre. op de citer spelen.

VIII. De ponent ia.

Fruor, fruïtus en fructus sum, frui, genieten. Vgl. j 127. Aanm. In het

perfectum gebruikt men liever usus sum.

Fungor, functus sum, fungi, verrichten.

-ocr page 130-

Lijst van tvcvkivoordcu.

% \'37-

I 20

Gradior, gressus sum, gradi, gaan.

Comp. aggredior, aggressus sum, aggrëdi, naar iemand gaan.

Labor, lapsus sum, labi, vallen.

Lbquor, locütus sum, loqui, spreken.

Mörior, mortuus sum, mori, sterven Vgl. § T27.

Nïtor, nisus en nixus sum, niti, steunen.

Patior, passus sum, pati, lijden.

Comp. perpetior, perpessus sum, perpëti, verduren Plector (slechts in samenstellingen gebruikelijk).

Amplector, amplexus sum, amplecti, omvatten.

Men verwarre bovenstaand plector niet met het passivum van plecto, straffen. Vgl. IV dezer §.

Quëror, questus sum, queri, klagen.

Sëquor, seeïitus sum, sequi, volgen.

Utor, usus sum, üti gebruiken.

Apiscor, aptus sum, apisci, verkrijgen (verouderd).

Comp. adipiscor. adeptus sum, verkrijgen.

Defedscor, defessus sum, defetisci, moede worden.

Expergiscor, experrectus sum, expergisci, ontwaken.

Irascor, irasci. ziek vertoornen. Als Perf. kan men sue eens ui gebruiken.

Iratus is adjectivum.

Miniscor (slechts in samenstellingen gebruikelijk)

Comminiscor, commentus sum, comminisci, bedenken Als Perf. van reminiscor, ziek herinneren, gebruikt men recordatus sum. Nanciscor, nactus of nanctus sum, nancisci, bekomen.

Nascor, natus sum, nasci, ontstaan. Vgl § 127.

Obliviscor, oblïtus sum, oblivisci, vergeten. Men verwarre het Part obll-

tus niet met oblïtus van oblino Vgl. III dezer §.

Paciscor, pactus sum, pacisci, een verdrag sluiten.

Pascor, pastus sum, pasci, weiden.

Proficiscor, profectus sum, proficisci, vertrekken Ulciscor, ultus sum, ulcisci, zich wreken.

Vescor, vesci, eten. Als Perf. gebruikt men pastus sum of edi. g 137. Verba der vierde conjugatie.

Het perfectum en supinum der verba van deze conjugatie gaat gewoonlijk uit op Ivi, ïtum. B.v audio, audivi, audi tuin, audi re. Hiervan wijken af

I. de verba, wier perfectum op si (xi) uitgaat, met

supinum op tum.

Farcio, farsi, fartum en farctum fareïre, vol stoppen.

Comp. confercio, confersi, confertum, vol stoppen. Soms blijft de a in de composita behouden.

Fulcio, fulsi, fultum, fuleïre, ondersteunen.

Haurio, hausi, haustum, haurïre, putten. Vgl. § 127. Aanm.

Saepio, saepsi, saeptum, saepïre, omkeinoi.

Sancio, sanxi, sanctum en saneïtum, sancire, verordenen.

Sarcio, sarsi, sartum, sarcire, verstellen Vincio, vinxi, vinctum, vineïre, binden.

-ocr page 131-

Lijst van werlnvoordcn.

supinum op sum.

Sentio, sensi, sensum, sentïre, gevoelen.

Het Comp assentio, toestemmen^ wordt liever als deponens gebruikt met Perf. assensus sum.

II. Verbum met perfectum op ui.

Salio, salui (zelden salii), saltum, salire, springen.

Comp. assïlio, assilui (zelden ii), a s s u 11 u m, naar iets toespringen.

III. Verbum met verlengde stamvocaal in het perfectum.

Vënio, vëni, ventum, venire, komen.

IV Verbum met onregelmatig supinum Sepëlio, sepelïvi, sepultum, sepelïre, begraven.

V. Deponent ia.

Experior, expertus sum, experiri, beproeven Opperior, oppertus (ook opperitus) sum, opperiri, afwachten.

Metior, mensus sum, metlri, meten.

Ordior, orsus sum ordiri, beginnen.

Orior, ortus sum, oriri, ontstaan. Vgl § 127. Aanm. en § 117. f.

Potior, potïtus sum, potlri, bemachtigen. Bij dichters komen de vormen voor: potïtur, potïmur, potërer.

§ 138. Sommige verba hebben bij verschil van beteekenis onder een of ander opzicht overeenkomst van vorm

1. De volgende verba zijn gelijk in het praesens, maar gaan naar een verschillende conjugatie.

Aggëro (are) ophoopen; (ëre) aandragen.

Appello (are) noemen; (ëre) landen.

Colligo (are) samenbinden; (ëre) verzamelen.

Compello (are) aanspreken; (ëre) bijeendrijven.

Consterno (are) verschrikken; (ëre) bedekken.

Effëro (are) wild maken; (erre) uitdragen.

Fundo (are) gronden; (ëre) gieten.

Mando (are) opdragen; (ëre) kauwen.

Obsëro (are) sluiten; (ëre) zaaien.

Pando (are) krommen; (ëre) uitbreiden.

Resero (are) openen; (ëre) weder zaaien.

Völo (are) vliegen; (veile) willen.

2 De volgende verba hebben een gelijken vorm in het praesens, maar een verschillende quantiteit en gaan naar een verschillende conjugatie. Cölo (are) doorzijgen; cölo (ëre^ kweeken Dfco (are) toewijden; dico (ëre) zeggen.

Edüco (are) opvoeden; edüco (ëre) uitvoeren.

Indïco (are) aanwijzen; indico (ëre) aankondigen.

Praedïco (are) bekend maken; praedïco (ëre) voorzeggen.

Allëgo (are) ergens heen zenden; allëgo (ëre) verkiezen.

Relêgo (are) \'dei-bannen; relëgo (ëre) herlezen.

3. De volgende verba hebben gelijke perfecta en supina.

Cerno, afzonderen; cresco, groeien (crevi, cretum).

Mulceo, streelen; mulgeo, melken (mulsi, mulsum).

§ i38

-ocr page 132-

Afleiding der substantiva.

% 139—140.

[ 22

Pendeo, hangen; pendo, wegen (pependi, pensum).

Sëdeo, zitten; sïdo, zich nederzetten (sedi, sessum).

4. De volgende verba hebben gelijke perfecta.

Frigeo, koud zijn; frigo, roosteren (frixi).

Fulgeo, schitteren; fulcio, ondersteunen (fulsi).

Luceo. lichten; lugeo, treuren (luxi).

l.iqueo, vloeibaar zijn; linquo, laten (liqui).

Paveo, bang zijn; pasco, weiden (pavi).

5. De \\-olgende verba hebben gelijke supina.

Frïco, wrijven; frïgo, roosteren (frictum).

Maneo, blijven; mando, kauwen (mansum),

Pando, uit elkander spreiden; patior, lijden (passum).

Pango, vastmaken; paciscor, een verdrag sluiten (pactum).

Sviccenseo, toornig zijn; succendo, in brand steken (succensum).

F.venzoo acreftseo en accendo.

Teneo. houden: tendo, spannen (tentum)

Verio, vegen; verto, wenden (versum)

Vivo, leven; vinco, overwinnen (victum).

6 De volgende verba hebben een of meer vormen, waarvan alleen de quantiteit verschillend is.

S,rare ploegen en arëre, droog zijn (ilret en aret).

Canêrc, grijs of wit zijn en canëre, zingen (canet en camp;net).

ëdere, eten en ëdere, voortbrengen.

Jacëre, liggen en jaeëre, werpen.

Manare, vloeien en manëre, blijven (manet en manet).

Parare, parëre, jjarëre (piret en paret; men verklare hieruit ook het verschil van parens en parens).

Réferre, terugbrengen en rëferre van rêfert.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE AFLEIDING EN SAMENSTELLING DER WOORDEN.

Ji 139. Algemeene bemerkingen Plet hoofdbestanddeel van een woord of de wortel wordt zelden in denzelfden vorm als woord gebruikt P).v sol. Meestal ondergaat de wortel een zekere verandering, waardoor hij een woord wordt Het woord, dat door de geringste verandering uit den wortel ontstaan is heet wortelwoord Zoo is re go het wortelwoord van den wortel reg.

Een woord, waarvan andere woorden afgeleid worden, heet stamwoord. Zoo is rego het stamwoord van regimen, facio van facilis en fa-cilis weder van facilitas.

De afgeleide woorden worden denominatïva genoemd, wanneer zij van een nomen en verb alia, wanneer zij van een verbum zijn afgeleid. Zoo is floreo een verbum denominativum van flos, amor een substanti\\ um verbale van amo, doeïlis een adjectivum verbale van doceo.

Over de afleiding der substantiva.

§ WO. De voornaamste substantiva verbal ia hebben de volgende uitgangen :

1. or, gehecht aan den stam van het praesens, drukt de handeling of den toestand van het verbum uit B.v clamor, geschreeuw; favor, gunst; furor, razernij; amor, liefde; terror, schrik.

-ocr page 133-

Afleiding der substantiva.

§ 140.

123

Zoo 11 m van het s u p i n u m veranderd wordt in or, duidt het afgeleide substantivum den handelenden persoon aan. B.v. amator, minnaar; doctor, leeraar; victor, overwinnaar; auditor, toehoorder. De substantiva op tor vormen fetninina op trix. Vgl. § 40. Die op sor hebben geen feminina, behalve tonsor, scheerder, tons trix, defensor, verdediger, defenstrix, expulsor, verdrijver, ex pul trix.

Aanmerking. Enkele persoonsnamen op tor zijn deno minativa. B.v. janitor (janua), deurwachter; viator (via), reiziger.

2. io of us. Gen. us (soms üra en ëla), achter den stam van het s u p i n u m gevoegd, stelt de h a n d e ling of den toestand van het verbum als een afgetrokken denkbeeld voor. B.v. concursio en concursus het samenloopen, de samenkomst; potio en potus, het drinken; visio en visus, het zien, het gezicht; tractatio en tractatus, de behandeling; pictüra, het schilderen, de schildering; sepultüra, de begrafenis; corrup-tio en corruptëla, de verleiding. Soms geeft het spraakgebruik aan den eenen of anderen uitgang een bepaalde beteekenis. B.v. auditio, het hoo-ren, andltus, het gehoor (het vermogen om te hooren); mercatus, markt, mercatüra, handel; statio, verblijf, status, toestand, statüra, lichaamsgestalte.

Aanmerking I. Soms beteekenen de substantiva verbalia op io het door de handeling voortgebrachte. B.v. narratio, het verhaal als handeling en als zaak; oratio, het spreken en de redeneering.

het middel, waardoor de handeling geschiedt. B.v. ratio (van reor, rekenen, ergens voor honden\'), het verstand (het middel der berekening), de plaats der handeling. B.v. cenatio, eetkamer.

Aanmerking II. Bij sommige substantiva wordt io aan den stam van het praesens gevoegd. B.v. oblivio (obliviscor), vergetelheid. Wanneer er zoowel van het praesens als van het supinum een substantivum op io gevormd is, drukt het eerste gewoonlijk den toestand en het tweede de handeling van het verbum uit. B.v. opinio, de nieening (als iets duurzaams), opinatio, de vernwedinx (als iets voorbijgaands); obsidio, de belegering (als blijvende toestand , obsessio, de belegering (als voorbijgaande handeling).

Aanmerking III. Men heeft ook eenige denominativa op io, welke een persoon aanduiden met den naam van zijn beroep. B.v. libellio, boekhandelaar; ludio, tooncelspeler; restio, touwslager.

3. men duidt de zaak aan, welke iets doet. B.v. flumen, de stroom (de zaak. die stroomt); lumen (uit lucmen), het licht; agmen, het leger op marsch. Zoo ook in het passivum: volumen (van volvo), de rol; acumen, de spits: examen (uit exagmen), de zwerm b.v. van bijen (hetgeen uitgedreven wordt). Somtijds geeft deze uitgang het middel te kennen, waardoor iets geschiedt. B.v. solamen, troostmiddel; nomen (van no-sco), naam (het middel, waardoor men gekend wordt).

4. mentum duidt een middel of werktuig aan. B.v. instrumentum, werktuig; documentum (van doceo met de verbindingsvocaal u) bewijs; alimentum (van aio met de verbindingsvocaal i) voedsel; condimentum, kruiderij.

Meermalen bestaan de uitgangen men en mentum naast elkander. B.v. tegümen en tegumentum, deksel: medicamen en medicamentum, geneesmiddel.

F,r zijn ook eenige denominativa op mentum. B.v. atramentum,

-ocr page 134-

Afleiding der substantiva.

% Hi-

124

zwartsel, inkt (van ater, staart)-, capillamentuin,/v\'iYiX,\' (van cajiillus, hoofdhaar) ; ferramentnm, ijzeren gereedschap.

5. bülum en cülum duiden een werktuig, een gereedschap of de plaats der handeling aan. B.v. venabulum, jachtspriet; vehicülurn, voertuig; poctilum (van stam po, waarvan ook potus, potare komt), drinkbeker; stabülum, stal; cubicülum. kamer.

Aanmerking I. Als de stam van het verbum uitgaat op c of g, wordt er ulum aangehecht. B.v. vinculum, band; cingülum, gordel.

Wanneer er een 1 in den stam is, gebruikt men crum in plaats van cülum en brum in plaats van bülum B.v. fulcrum, schraag, van fulcio, stutten; lavacrum, bad, van lavo, wasschen; ventilabrum, wan, van ventilo, heen en weer bewegen.

Aanmerking II. Sommige woorden met dezen uitgang zijn deno-minativa B.v. acetabülum, azijnvat; candelabrum, kandelaar; turibü-lum, wierookvat.

6. ium geeft de werking van het verbum of de plaats der handeling te kennen. B.v gaudium, vreugde; odium, haat; colloquium, ge-sprek; conjugium (van con-jungo, stam jug) en connubium, huwelijk; aedificium, gebouw; perfugium, toevluchtsoord. Men heeft ook de no mill a t i v a op i u m, die, zoo deze uitgang gehecht is aan den stam van persoonsnamen, een betrekking of vereeniging te kennen geven. In sommige gevallen loopt de beteekenis van het verbale en deno-minativum ineen. B.v. convivium, gastmaal (vereeniging van convïvae); collegium, genootschap (vereeniging van ambtgenooten); sacerdotium,priesterschap (het ambt van priester). Zoo ium gevoegd wordt achter persoonsnamen op tor, geeft het afgeleide substantivmn de plaats der handeling te kennen. B.v. auditorium, gehoorzaal; dormitorium, slaapzaal.

7. igo drukt vooral een ziek el ijk en toestand uit. B.v. impetigo, huidziekte; prurigo, jeukte; vertigo, duizeling.

8. Ido geeft een hartstochtelijken toestand te kennen. B.v. cupido, begeerte; formido, vrees; libido, \'wellust.

§ 141. De voornaamste uitgangen der substantiva de nomina ti va, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn:

1. ü 111 s, ö 1 u s, e 11 u s, i 11 u s, 1 ë u s Deze uitgangen dienen om de verkleinwoorden te vormen. De deminutiva hebben gewoonlijk het geslacht der stamwoorden en gaan voor het mannelijk uit op 11 s, voor het vrouwelijk op a, voor het onzijdig op 11111. B.v. hortülus, tuintje; matercüla, moedertje; oppidtilum, stadje.

ülus wordt aan den stam gehecht van substantiva der xste of 2fle en soms ook der 3\'le declinatie en wel altijd als de stam op c of g eindigt. B.v. lunula, maantje; puerülus, jongs ken; adolescentülus, aankomend jongeling; regülus, koninkje; facüla, fakkeltje. Wanneer de stam op een vocaal eindigt, gebruikt men ölus in plaats van ülus. B.v. filiölus, zoontje; ingeniölum, een klein verstandje.

cülus wordt gevoegd bij substantiva der 3^ 4de en 5de declinatie. Hierbij valt op te merken:

d) cuius wordt onmiddellijk aan den nominativus gehecht van de substantiva der 3de declinatie, die uitgaan op !, r en op s, wanneer deze in den genetivus in r overgaat. B.v. animalcülum, fratercülus, lloscülus. Uitgezonderd zijn venter, ventricülus; linter, lintricülus; rumor, rum use ülus; arbor, arbuscüla.

-ocr page 135-

Afleiding der snhstantivn.

§ 141.

\'25

b) De substantiva der 3de declinatie oy o (Gen. onis of inis) veranderen o in uncülus. B.v. homo, homunculus; oratio, oratiuncüla. Ook heeft men nog op uncülus; avunculus (avus), domuncüla (domus), furuncülus (fur), ranuncülus (met veranderd geslacht van rana).

c) De substantiva op is en es (Gen. is en ei) veranderen s in c til us. B.v. ignicülus, nubecula, diecula.

d) Bij de overige substantiva wordt c ü 1 u s met de verbindingsvocaal i aan den stam gehecht B.v. reticulum, particüla, ossiculum, articülus. Vas (vasis) heeft vascülum; anguis, anguilla; codex, codicillus; lapis, lapillus.

ellus komt voor bij substantiva der iste en 2ile declinatie, wier stam uitgaat op ul, r met voorafgaanden consonant, en n. B.v. tabella (ta-büla); fabella (fabüla); ocellus (octilus); popellus (popülus); sa-cellum (sacrum); cultellus (culter); aselius (asïnus); ag 11 ellus (agnus). Ook heeft men o p c 11 a van opera, p 11 e 11 u s van puer, p o r-c e 11 u s van poreus en c i s t e 11 a van cista.

illus vindt men slechts als uitgang van enkele deminutiva. B.v. ba-cillum van bactilum, sigillum van signum, vexillum van velum.

leus komt slechts voor in aculëus van acus, equulëus of eculeus van equus, hinnulëus van hinnus eii nucleus van mix.

Aanmerking. De deminutiva hebben meermalen een bijbeteekenis, waardoor teederheid, medelijden, verachting of spot wordt uitgedrukt. B.v. ami cuius, de dierbare vriend; mu lie reu la, de zwakke vrouw: lacrimula, de krokodillentraan; nummuli, het ellendige geld; pueru-1 u s, een fatterig kereltje.

2. arium geeft een bewaarplaats te kennen. B.v. granarium^Ttftf«-solder; armamentarium, tuighuis; columbarium, duiventil; tabularium, kantoor; seminarium, kweekschool.

3. ëtum, aan den stam gehecht van namen van gewassen, duidt de plaats aan, waar zij in menigte groeien. B.v. quereëtum. eikenwoud; vinêtum, wijnberg; olivëtum, olijfbosch. Met een kleine afwijking zijn gevormd salictum (voor salicetum), wilgenbosch; arbustum voor arboretum), een met boomen bezette plaats; virgultum (voor virguletum), plantage; carectum (voor caricetum) een met biezen begroeide plaats. Van saxum, rotssteen, komt saxëtum een rotsachtige plaats.

4. ile bij den naam van dieren gevoegd, duidt den stal aan. B.v. equile, paardenstal; ovile, schaapskooi; bubïle (in plaats van bovile), ossenstal. Enkele verb alia op lie geven de plaats der handeling aan. B v. cubïle, legerstede; sedile, zitplaats.

5. atus, Gen. us, bij den naam van personen gevoegd, geeft een ambt te kennen. B.v. consulatus, het ambt van consul; pontificatus, het ambt van pontifex.

6. ina, bij den naam van personen gevoegd, geeft een bedrijf of een werkplaats te kennen. B v. medicina, geneeskunde; sutrïna, schoenniakerswinkel; tonstrïna, barbierswinkel. In gal li na van gallus en regina van rex duidt de uitgang ina het vrouwelijk geslacht aan.

7. De gewone uitgang der mannelijke patron vmica (Vgl. § 9) is ld es, Gen. ae. B.v. Priamïdes van Priamus, Cecropïdes van Cecrops. Men gebruikt echter ides bij namen op eus en cles. B.v. A trides van Atreus, Heraclides van Heracles. De namen op as der iste declinatie hebben ades en die op ius der 2cle declinatie ia des. B,v. Ae-

-ocr page 136-

Afleiding der adjectiva.

% 142—144.

126

n e 4 d e s van Aenëas, T h e s t i a des van Thestius. Ook namen met andere uitgangen hebben soms iddes

De vrouwelijke patronymica hebben de volgende uitgangen : i s overeenkomende met ides. B.v. Tantamp;lis van Tantalus; eis overeenkomende met id es. B.v. Nerëis van Nereus; ïas overeenkomende met iades. B.v. Thestias van Thestius. Van Aenëas komt Aenëis.

g 142. De voornaamste uitgangen der substantiva den om i n at i va, welke van adjectiva zijn afgeleid, zijn: tas, tüdo, ia, it ia ëdo en monia. Deze denominativa drukken de eigenschap van het adjec-tivum uit in den vorm van een substantivum en worden in het Neder-landsch meestal vertaald door zelfstandige naamwoorden op heid B.v. libertas, vrijheid; fortitüdo, dapperheid; miseria, ellende; avaritia, gierigheid; gravëdo, loomheid; castimonia, kuischheid.

Over de afleiding der adjectiva.

ij 143. De voornaamste uitgangen der adjectiva verb alia zijn:

1. bundus. De adjectiva met dezen uitgang hebben meestal de versterkte beteekenis wan het participium praesens B.v. haesitabun-dus, rol zwarigheid; deliberabundus, ernstig overwegend; mirabundus, in gestadige henvondcring; lacrimabundus, herig weènend In enkele gevallen vindt men deze adjectiva met den casus van hun verbum. B.v. Vitabundus c as tra.

Van gelijke beteekenis zijn sommige adjectiva verbalia op c u n d u s. B.v. facundus (van fari), bespraakt: iracundus, driftig.

2. ïdus heeft de beteekenis van het participium praesens als blijvende eigenschap. B.v. calïdus, warm; madfdus, nat; timïdus, vreesachtig.

Gelijke beteekenis heeft de uitgang uus. B.v. assiduus, bestendig (die steeds bij of aan iets zit); congruus , voegzaam. Zoo deze uitgang aan den stam van verba transitiva gehecht is, heeft hij een passieve beteekenis. B.v. conspicuus, zichtbaar (wat gezien wordt); individuus, ondeelbaar ; irriguus, bevochtigd.

3. ïlis en bïlis drukken gewoonlijk in pass ie ven zin de mogelijkheid van iets uit. B.v. fragllis, breekbaar-, credibïlis, geloofbaar, geloofwaardig-, flexibilis, buigzaam-, mobïlis (voor movibilis), bewegelijk. Sommige dezer adjectiva hebben een a c t i e v e n zin , zooals horribïlis, schrikkelijk (hetgeen doet schrikken), andere hebben nu eens een .actieve, dan weder een passieve beteekenis, zooals flebilis, beweenens-waardig en weenende.

Er zijn ook eenige denominativa op atilis, die aanduiden, waartoe iets bestemd is. B.v. aquatïlis, voor het \'water bestemd (om daarin te leven).

4. ax geeft een sterke, meestal verkeerde neiging te kennen. B.v. pugnax, strijdlustig-, loquax, praatziek-, rapax. roofgierig.

Van gelijke beteekenis is de uitgang til us. B.v. credülus, lichtgeloovig-, garrülus, babbelachtig.

g 144. De voornaamste uitgangen der adjectiva d e n 0 m i n a t i v a, welke van substantiva zijn afgeleid, zijn

A, van nomina appellativa:

t. ëus beteekent de stof, waarvan iets gemaakt is, soms ook een gelijkheid. B.v. ferreus, ijzeren\', aureus, gouden; ligneus, houten-, vir-

-ocr page 137-

Afleiding der adjcctiva.

§ 144-

127

gineus, maagdelijk. Sommige dezer adjectiva, vooral die een houtsoort aanduiden, gaan uit op nëus en nus B.v. querncus en quernus (waarbij ei uitgevallen is) eiken-, cburneus en cburnus, ivoren.

2. aceus en iceus wijzen de stof of den oorsprong aan. B.v. chartaceus, paperen-, membranaceus, perkamenten; patricius, adellijk (van de oude Romeinsche senatoren afstammend). Sommige dezer adjectiva zijn van participia afgeleid. B.v. collnticeus. door bijdragen ontstaan: subditicius, ondergeschoven.

3. tcus (soms met tusschengevoegde t) drukt uit, waartoe iets behoort of waarop iets betrekking heeft. B.v classicus, hetgeen op de vloot betrekking heeft-, dominïcus. aan den heer heli oorende \\ domestïcus, het huis betreffende.

De adjectiva op icus, welke van verba en praeposities zijn afgeleid, hebben een lange i. B.v. amicus, pudicus, anticus, de voorste.

4. i 1 is, gevoegd bij algemeene benamingen van perso 11 en duidt aan, dat iets de kenmerken draagt van den aard dier personen. B.v. anïlis, oudwijfachtig\\ servïlis. slaafseh; virilis, mannelijk. Deze uitgang is, wat beteekenis en quantiteit\'betreft, niet te verwarren met den uitgang ïlis der adjectiva verbalia. Vgl. 5? 143. 3. Onder de deno-m i n a t i v a hebben een korte i: humïlis, nederig, en parilis, gelijkvormig.

5 alis geeft te kennen, waarmede iets in betrekking staat, alsmede dat zich in zekeren persoon of zaak de eigenschappen vertoo-nen van het stamwoord. B.v. corporalis, lichamelijk-, regalis, koninklijk-, mortalis, sterfelijk. Wanneer er in het stamwoord een 1 is, gebruikt men meest altijd den uitgang ar is. B.v. militaris, den krijg betreffende.

6. ius, gehecht aan persoonsnamen op or, duidt aan, wat hun toebehoort of wat in overeenstemming is met hunne geaardheid. B.v. amatorius, verliefd-, nugatorius, beuzelachtig^ accusatorius, zooals iets van een aanklager pleegt te zijn. Men zegt ook patrius, viderlijk; re-gius, koninklijk.

7. inus, gevoegd bij den naam van levende wezens en voornamelijk \\an dieren, duidt een toebehooren of herkomst aan. B.v. divïnus, goddelijk; masculinus, mannelijk; asininus, van een ezel; equinus, van een paard. Vooral dienen deze adjectiva om met of zonder caro het vleesch der dieren aan te duiden. B.v. vitulina, kalfsvleesch. Van bos, ovis en sus krijgt men in deze beteekenis bubttlus, o villus, suillus.

inus wordt vooral gebruikt bij afleidingen van gewassen en delfstoffen om de stof aan te duiden B.v. cedrïnus, van een ceder-, fa-ginus, beukenhouten; adamantïnus, diamanten.

tïnus komt vooral voor bij afgeleide tijdsbepalingen. B.v. crastï-nus, van morgen-, diutïniis, langdurig-, hornotïnus, van dit jaar-, anno-tïnus, van het vorige jaar. In matutinus, in den morgen geschiedend, re])entinus, plotseling. en vespertinus, tot den avond behoorend, is de i lang.

8. ar ius duidt aan waartoe iets behoort. H.v. legionarius, tot een legioen behoorend. Vooral gebruikt men de adjectiva van dezen uitgang met of zonder homo of faber om iemand bij den naam van zijn beroep aan te duiden. B.v. argentarius, bankier-, coriarius, leerlooier-, car-bonarius, kolenbrander. Van de distributiva worden adjectiva op a r i u s gevormd, die aangeven uit hoeveel eenheden of gelijke deelen een zaak bestaat. B.v. versus senarius, een zesvoetig vers-, cohors quingenaria,

-ocr page 138-

Afleiding der adjectiva.

128

% 144-

een cohors van vijfhonderd soldaten; senex octogenarius, ee7i grijsaard van tachtig jaren. In plaats van singularius zegt men singularis en in plaats van millenarius m i 11 i a r i u s. Voor de tusschengetallen voegt men een enkelvoudig distributivum vóór het adjectivum op arius. B v. lex quina vicenaria, de wet op de meerderjarigheid.

9. anus, vooral bij namen van plaatsen gevoegd, geeft een zekere gelijkheid of een toebehooren te kennen. B.v. montanus, ivat met de bergen in betrekking staat-, urbanus, steedsch, beschaafd. De adjectiva op a n u s, die van o r d i n a 1 i a zijn afgeleid, geven de a f d e e 1 i n g of k 1 a s aan, waartoe iemand behoort. B.v. milites tertiadecimani,quartadecimani, soldaten van het 13de , i/jde legioen. Meermalen hebben deze adjectiva een meer algemeene beteekenis. B.v. febris quartana, de derdendaagsche, tertiana, de anderendaagsche koorts.

10. 5sus (uosus, zoo het stamwoord tot de 4^ declinatie behoort) drukt een volheid uit. B.v. aerumnösus, vol rampspoed-, vinösus, beschonken ; vultuösus, iemand die te veel uitdrukking in sijn gelaatstrekken brengt.

11. lent us, gewoonlijk met voorafgaande u of o, geeft eveneens een volheid te kennen. B.v. turbulentus, woelziek-, fraudulentus, vol bedrog-, violentus, geweldig.

12. atus duidt aan, waarvan iemand voorzien is, zooals barbatus, iemand, die een baard heeft; dentatus, getand-, togatus, een toga dragende.

Sommige adjectiva van deze beteekenis gaan uit op ï t u s, zooals aurïtus, langoorig\\ andere op ütus, zooals cornütus, gehoornd.

13. en sis, bij namen van plaatsen gevoegd, duidt aan wat op die plaatsen betrekking heeft of zich daar bevindt. B.v. castrensis, de legerplaats betreffende, forensis, wat zich op de markt bevindt.

B. van nomina propria:

1. De namen van personen worden in adjectiva veranderd door den uitgang ianus, somtijds anus en Inus. Deze adjectiva duiden aan wat op zekeren persoon betrekking heeft of naar hem genoemd is. B. v. Caesar, Caesarianus; Sulla, Sullanus; Verres, Verrïnus.

De Romeinsche familienamen op ius worden als adjectiva gebruikt om het geslacht aan te duiden of wetten en openbare werken van een lid dier familie. B.v. gens Tullia; lex Cornelia; via Appia; circus Flaminius.

Bij de Grieksche namen van personen worden meestal de uitgangen êus en ïcus gebruikt. B.v. Epicurus, Epicureus; Socrates, Socra11 cu s.

Aanmerking. De Romeinen hadden minstens twee namen. De eerste naam, die steeds afgekort werd geschreven, heette praenomen; de tweede naam, die op ius uitging, was de familienaam of nomen gentilicium. B.v. C. (Gajus) M a r i u s. Dikwijls hadden zij nog een derden naam , cognomen geheeten B.v. L (Lucius) Cornelius Sulla. Wanneer iemand door adoptie in een andere gens was gekomen en dus zijn naam veranderde, voegde hij achter zijn nieuwen naam den naam van zijn vroegere gens, voorzien van den uitgang a n u s. Zoo was P. (Publius) Cornelius Scipio Aemilianus een Aemilius, die door adoptie in de gens Cornelia was gekomen.

2. De namen van steden, dorpen en vlekken nemen bij de vorming van adjectiva de uitgangen anus, ïnus, en sis, as aan. B.v.

-ocr page 139-

Afleiding der verba.

§ 145—146-

129

Roma, Roma 11 us; Ameria, Amerïnus; Narbo, Narbonensis; Ar-pinum, Ar pinas. Deze adjectiva geven te kennen wat op zekere stad enz. betrekking heeft, daaruit afstamt, daarnaar genoemd is; zij worden ook als substan ti va gebruikt om de inwoners aan te duiden.

De Grieksche namen van steden krijgen gewoonlijk de uitgangen ins en aeus. B.v. Corinthus, Corinthius; Larissa, Larissaeus.

3. De namen van volken worden tot adjectiva gemaakt door den uitgang icus, zelden ïus. B.v. Gallus, G all 1 cas; Syrus , Syrïcus. Bij namen van personen zet men in proza liever den naam van het volk dan het adjectivum, dat van den naam van het volk is gemaakt. B.v. miles Gallus; poëta Hispanus.

4. De namen van landen, die zei ven meestal van de namen van volken zijn afgeleid, nemen bij de vorming der adjectiva de uitgangen iensis en ie an us aan, B.v. Hispania, Hispani en sis; Gallia, Gallic a n u s. Deze adjectiva duiden aan, wat zich in zeker land toevallig bevindt, daar geschiedt, maar niet wat daar inheemsch is. B.v. legatus Hispaniensis, een Romein, die in Spanje gezant is; (legatus Hispanus, een Spanjaard, die gezant is)-, be 11 um Hi spanien se , de oorlog door Caesar tegen de partij van Pompejtis in Spanje gevoerd; (b e 11 u m H i s p a n u m, een oorlog die met de Spanjaarden gevoerd is); Gallus, een geboren Gallier (Brennus dux Gallorum); Gallic us, vit Gallië afstammend, uit Galliërs hes/aande (copiae Gallïcae); G a 11 i c a n u s, 7cat op Gallis betrekking heeft, zich daar bevindt (copiae Gallicanae, Romeinsche troepen in Gallië).

§ 145. Tot de adjectiva denominativa, welke van adjectiva zijn afgeleid, behooren voornamelijk de deminutiva op tilus, ölus, cülus en e 11 u s. B v. parvülus, aureölus, tristicülus, novellus. P a u c u s heeft paulus, paulülus, pauxillus en pauxillülus. Bonus heeft bellus en bellttlus. Vgl. over de deminutiva der comparativi § 64.

Over de afleiding der verba.

§ 146. Tot de verba verb alia behooren:

1. de verba frequentatïva en intensitïva, die naar de is\'e conjugatie gaan. Zij duiden een gedurige herhaling of versterking aan der handeling van het stamwoord en worden gevormd van het su-pinum door atum te veranderen in ïto of um in o. B.v. clamo, schreeuwen, c 1 a m ï t o, gedurig schreeuwen; volo, vliegen , v o 1 ï t o, heen en weder vliegen-, domo, domïto, tenwien; adjtivo-, adjüto, helpen-, cano, canto, zingen.

De frequentativa, afgeleid van verba der 3lt;le conjugatie, vormen soms nieuwe frequentativa. B.v curro, loopen, curso, loopen, cursito, heen en weder loopen; dico, zeggen, d i c t o, dictecren, d i c 111 o, dikwijls zeggen.

Van sommige verba bestaat alleen de dubbel-frequentatieve vorm. B.v. ago, drijven, actïto, dikwijls drijven-, scribo, schrijven, scrip tito, dikwijls schrijven.

Sommige frequentativa zijn gevormd van het praesens door verandering-van o of eo in Ijto. B.v. nosco, noseïto, leeren hennen-, lateo, lattto, verborgen zijn.

Eenige frequentativa zijn de pon ent ia. B.v. mint tor van minor, dreigen; tutor van tueor, beschermen.

2. de verba desideratïva, die naar de 41-le conjugatie gaan, doch 4e druk. 9

-ocr page 140-

Afleiding der verba.

% 147-

130

perfectum en supinum missen. Zij drukken een verlangen uit naar de handeling van het stamwoord en worden gevormd van het supinum door verandering van um in ürio B.v. edo, estirio, eetlust, honger hebben \\ emo, emptflrio, kooplust hebben. Morior heeft mo rit ürio, willen sterven.

De verba op ürio (met lange u) /.ooals: ligürio, slurpen, prürio, jeukte gevoelen, alsmede de verba denominativa der iste conjugatie: decurio en centurio zijn geen desiderativa.

3. de verba deminutïva, die naar de iste conjugatie gaan. Zij drukken een verkleining der handeling uit en worden gevormd door o of e o van het praesens te veranderen in illo. B.v. canto, c a n t i 11 o, neurmi; conscrïbo, conscribillo, krabbelen. Deze verba komen hoogst zelden en nooit in zuiver proza voor.

4. de verba inchoativa. Deze verba drukken het beginnen uit van de handeling of den toestand des stamwoords en worden gevormd van de verba der

iste conjugatie door o te veranderen in as co.

2^e ,, „ eo ,, „ esco.

3cle en 4(le o of io ,, ,, isco.

B.v. labasco (labo), dreigen te vallen-, pallesco (palleo), bleek worden-, revivisco (vivo), beginnen te herleven-, obdormisco (dormio), insluimeren.

Verscheidene verba inchoativa zijn denominativa. B.v. repuerasco (puer), weder kind worden; maturesco (matürus), rijp worden.

De inchoativa gaan naar de 3 de conjugatie. De ver bal ia hebben het perfectum en supinum gelijk aan het stamwoord. B.v. inveterasco, i live ter a vi, inveteratum, inveteraseëre, oud worden-, exardesco, exar-si, ex ar sum, exardeseëre, ontbranden. De denominativa missen allen het supinum en de meesten ook het perfectum; wanneer het perfectum bestaat, gaat het uit op ui. B.v. maturesco, maturui.

Tot de inchoativa, die van ongebruikelijke stamwoorden gevormd zijn, behooren:

c r e s c o, crëvi, crëtum , crescëre, groeien.

nosco, növi, nötum, noseëre, keren kennen. Vgl. § 130. Aanm. Evenzoo ignosco, vergeve)!. A g n 0 s c o, c o g n o s c o en r e c o g n o s c o hebben agnïtum, cognïtum, recognïtum. De overige Com]), missen het supinum.

p a s c o , pavi, pastum , iiascëre , weiden.

quiesco, quiëvi, quiëtum, quiescere, rusten.

su es co, suevi, suetum, suescëre, zieh gewennen. Vgl. ij 130. Aanm.

De verba com])esco, disco, glisco en posco mogen niet tot de inchoativa gerekend worden , daar s c tot hun stam behoort.

§ 147. De verba denominativa worden gevormd door are, ére, ïre aan den stam der substantiva of adjectiva te hechten.

Die op are en ïre zijn meestal transitiva en beteekenen een bewerken of maken van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v. fraudare (fraudem facëre), bedriegen ; 1 audar e (laudem tribuére),/;\'ys^;/: aptare (aptum reddëre), geschikt maken-, fin 1 re (fmem facëre), eindigen-, mollire (mollem reddëre), week maken.

Die op ëre zijn bijna allen in transitiva en beteekenen, zoo zij van substantiva zijn afgeleid, een hebben, en zoo zij van adjectiva zijn afgeleid, een zijn van datgene, wat het stamwoord aanduidt. B.v.

-ocr page 141-

§ 148—150. Samenstelling der ivoor den.

11 o r e r e (flos), bloeien {bloemen hebben); 1 u c ë r e (lux), lichten; a 1 b ë r e (albus), wit zijn-, calvëre (calvus), kaal zijn.

Ook worden er op deze wijze vooral van substantiva deponentia gevormd op ari, die beteekenen dat men datgene is, wat het stamwoord beteekent of dat men zich daarmede bezig houdt. B.v. a e mul ari, wedijveren; d o m i n a r i, heerschen; g r a e c a r i, als een Griek leven ; aquari, water halen; pi scar i, visschen. De meeste dezer deponentia zijn i n t r a n s i t i v a.

Over de samenstelling der woorden.

S 148. Wanneer de woorden uit een enkel woord bestaan, heeten zij simp 1 icia. B.v. discipulus, doc tu s ; zoo zij uit twee of meer woorden bestaan, worden zij composita genoemd. B.v. condisci-pulus, indoet us.

De substantiva, waarover in § 31 gesproken is, zijn slechts schijnbaar samengestelde woorden, omdat de samenstellende deelen hun eigen vorm hebben behouden. Zij worden dan ook zeer dikwijls gescheiden geschreven en wel altijd in verbinding met conjunctiones, die op de tweede plaats moeten staan. B.v. resque publica; senatus enim c o n s u 11 a.

§ 149. Het eerste gedeelte van een samengesteld woord is of een n o m e n óf een verb u m óf een adverbium óf een pr a e p o s i t i o.

1. Wanneer het eerste gedeelte .een nomen is, wordt de stam daarvan met het tweede gedeelte verbonden gewoonlijk door een korte ï, soms door een korte ö of tl B.v. patr-ï-eïda, art-ï-fex, arm-ï-ger, miser-ï-(•ors, bell-ï-gero, eent-ï-manus, quadr-ü-pes, sacr-ö-sanctus.

Somtijds heeft er afwijking plaats van dezen regel. B.v. manceps = manu-ceps; auspex — avi-spex; naufriigus — navi-fragus; lapi-cida = lapidi-cida; tibicen — tibii-cen (tubïcen en fidicen hebben een korte i volgens den regel); m er i dies — medii-dies; stipendium — stipi-pendium; veneficus — venêni-ficus. De numeralia blijven somtijds onveranderd of nemen den uitgang um aan. B.v. quinque-rëmis, d u u m - vir.

Wanneer het tweede gedeelte van het compositum met een klinker begint, vervalt de verbindingsvocaal. B.v. magn-animus.

Bij de Griekse he composita, wier eerste gedeelte een nomen is, vervangt de o de plaats deri van het Latijn. B.v. phil-o-söphus, phil-o-lögus, graec-o-stamp;sis.

2. Verba maken het eerste gedeelte van een compositum slechts uit in enkele samenstellingen van facio en fio. B.v. arefacio, calefacio, as-suefacio, arefio.

3. De adverbia blijven onveranderd. B.v. benefacio, maledico, behalve in nolo en malo. Vgl. § 121.

4. Over de samenstelling met praeposities. Vgl. § 166—167.

sj 150. Het tweede gedeelte van een samengesteld woord bepaalt tot welke soort van woorden het compositum moet gebracht worden.

Bij samenstelling met praeposities blijft het tweede gedeelte óf geheel onveranderd, óf ondergaat een geringe verandering in zijn vocaal.

Onveranderd blijven i, o, u, a, ë. B.v. adscribo, oppöno, a d d ü c o , i 11 a b o r, s u b r ë p o.

-ocr page 142-

% I5I — IS3-

Adverbia.

132

De korte a blijft in enkele woorden behouden, zooals in de composita van caveo, m\'dneo, traho; meestal echter gaat zij over in ï, soms in ë, een enkele maal in ti. B.v accipio (cüpio); instïtuo (statuo); con seen do (scando); adspergo (spargo); conctttio (quatio).

De korte e blijft onveranderd in de composita van fëro, pëto, tëgo, tëro, gëro en gedeeltelijk van lëgo; meestal wordt zij echter veranderd in ï B.v. assïdeo (sëdeo); abstïneo (tëneo).

Ae blijft onveranderd in de composita van haereo en in pertaesum est; overigens wordt zij veranderd in 5. B.v ineïdo (caedo); illïdo (laedo); i n q u 1 r o (cjuaero).

A u wordt ü of ö. B.v c o n c 1 ü d o (claudo); e x p 1 ö d o (plando); van audio komt obedio of zooals anderen schrijven oboedio.

Bij samenstelling met n o m i n a en verba ondergaat het tweede gedeelte meestal de eene of andere verandering. B.v. opifex (facio); partt-i\' e p s (capio) ; causi d 1 c 11 s (dïco); misert c o r s (cor).

OVER DE PARTICULAE.

§ 151. Onder p a r t i c ü 1 a e verstaat men die rededeelen , welke noch gedeclineerd noch geconjugeerd worden. Zij zijn;

adverbia, bijwoorden.

praepositiones, voorzetsels.

c o n j u n t i o n e s, voegwoorden.

i n t e r j e c t i o n e s, tusschenwerpsels.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE ADVERBIA.

§ 152. Gelijk de adjectiva dienen ter bepaling van substantiva, zoo dienen de adverbia ter bepaling van verba, adjectiva en andere adverbia. B.v. Prudens homo prudenter agit, een voorzichtig nieiisch handelt voorziehtig. Vir eximie doctus, een huiten-geivoon geleerd man. Satis bene scrip sit, hij heeft goed genoeg geschreven.

Er zijn drie soorten van adverbia: 1) adverbia modi, bijwoorden van wijs, op de vraag: hoe. Hiertoe behooren de adverbia der bovenstaande voorbeelden. 2) adverbia loei, bijwoorden van plaats, op de vraag: waar, vanwaar, waarheen, waarlangs. B.v. i b i, daar, inde, vandaar, e o , daarheen, hac, hierlangs. 3) adverbia temporis, bijwoorden van tijd, op de vraag: wanneer, hoe lang, hoe dikwijls. B.v. nun-q u a m , nooit, d i u, lang, plerumque, meestal.

§ 153. Van de adjectiva en participia der tweede declinatie maakt men adverbia op e. Deze uitgang komt in de plaats van de i des genetivus singularis. B.v. longus, Ion ge, doctus, docte.

-ocr page 143-

§ 154—156.

Adverbia.

133

aspcr, a s p ë r e, aeger, a e g r e. Bonus evenwel heeft: bene (van een ouden vorm benus).

Aanmerking. Eenige adverbia op e hebben een eenigszins andere beteekenis dan de adjectiva, waarvan zij afgeleid zijn, namelijk: planus, effen, plane, duidelijk, ten volle; sanus, gezo7id, sane, zeker; valï-d u s, sterk, v a 1 d e (de i is uitgevallen), zeer.

§ 154. Van de adjectiva en participia der derde declinatie worden adverbia gevormd op ter. Deze uitgang wordt door een korte ï met den stam verbonden. Het gemakkelijkst is den uitgang van den genetivus singularis te veranderen in iter. B.v. utïlis, u tilïter, acer, afcriter, ferox, feroei ter. Eindigt de genetivus op ntis of rtis,* dan gaat het adverbium uit op nter of rter. B.v. conveniens, c o n v e n i e 111 e r, sollers , s o 11 e r t e r.

In plaats van audaciter zegt men gewoonlijk audacter en van difficiliter, difficult er. Bij latere schrijvers vindt men ook difficile.

Aamerking I. Ook zijn op ter gevormd a 11 ter, anders, van alius, gnaviter of na vit er, vlijtig, van gnavus of navus, nequïter, slecht, van nequam, obiter, in het voorbijgaan., van obïre, violenter, geweldig, van violentus.

Aanmerking II. Eenige adjectiva op us hebben adverbia opeen ter. B.v. dure en durïter van durus, humane en humantter van humanus, 1 u c u 1 e n t e en 1 u c u 1 e n t e r van luculentus.

§ 155. Eenige adverbia zijn gelijk aan den ablativus op o der adjectiva, namelijk: arc a no, heimelijk, au spie a to, ter goeder uur, cito, spoedig, continuo, aanstonds, crebro, menigimldig, directo, rechtstreeks, falso, valschelijk, festin a to, met haast, fortui to, bij toeval, gratuite, om niet, immer!to, onverdiend, improvise, onverhoeds, intestato, zonder testament gemaakt te hebben, i n o p i n a t o, onverwachts, iterate, herhaaldelijk, 1 i q u ï d o , zonder bedenken, manifesto, klaarblijkelijk , merïto, met recht, mutuo, wederkeerig, neeessario, noodzakelijk, necopinato, onverwachts, optato, naar wensch, perpetuo, bestendig, praeparato, met voorbereiding, precario, om godswil, secrete, heimelijk, sedülo, ijverig, serio, in ernst-, sero, laat, sor-tito, door het lot, subït o , plotseling, tuto, veilig.

Ook gaan op o uit omnino, geheel en al, en oppïdo, zeer.

Aanmerking. De volgende adverbia gaan uit op e en o, doch met eenig verschil van beteekenis.

certe, zeker, althans. certo , zeker, stellig.

composite , geregeld. composïto, volgens afspraak.

consulte, met overleg. censulto, met opzet.

contrarie, op tegenovergestelde wijs. contrario, integendeel.

rare, wijd uit elkander. raro , zelden.

vere, naar waarheid. vero , inderdaad, voorzeker.

§ 155. Sommige adverbia zijn gelijk aan den accusativus singularis van het neutrum der adjectiva, namelijk: cetérum, overigens, facile, gemakkelijk, i m p ü n e, ongestraft, m u 11 u m,

-ocr page 144-

134 Adverbia. % IS7—158.

veel, n i in i u m, te veel, p a u 1 u m, weinig, p 1 c r u 111 q u e, meestal, quantum, hoeveel, reccns, nog kort geleden, solum, alleen, sublime, in de hoogte, tantum, zooveel.

Commödum beteekent juist, juist van pas, commödc, op pas scudc wijs.

De adverbia op um worden (met uitzondering van liet hier niet genoemde parum, te weinig) door prozaschrijvers gewoonlijk slechts bij verba geplaatst.

g 157. Van verschillende adjectiva worden geen adverbia afgeleid óf omdat hunne beteekenis de vorming van adverbia niet toelaat óf uit andere meestal onbekende gronden. Zoo gebruikt men als adverbium van magnus valde (niet magne), van uber ubertim (niet uberiter), van vetus vetuste (niet veteriter), van fidus fid el iter (niet fide), van privatus privatim (niet private).

§ 15S. Dc meeste adverbia op e, o, ter. die van adjectiva zijn afgeleid, kunnen in den comparativus en superlativus geplaatst worden.

De comparativus van een adverbiu 111 is gelijk aan het neutrum van den comparativus van het adjectivum. B.v. doc-tius, elegantius, pejus. In plaats van majus gebruikt men m a g i s.

Dc superlativus van een ad verbi um wordt gevormd van den superlativus van het adjectivum door us te veranderen in e. B.v. doctissïme, elegantissïme, pessïme.

Ook van de adverbia op o eindigt de superlativus op e. B.v. cito, c i t i s s i m e. M e r ï t o en t u t o hebben echter liefst m e r i t i s-s ï m o en t u t i s s ï m o.

Aanmerking I. Sommige adverbia gaan in den superlativus uit op um, namelijk; plurimum, zeer veel, het meest, minimum, zeer weinig, het minst, (minime, geenszins, in het geheel nief) , s u m m u m , hoogstens — vooral bij getallen — (s u m-mc, in den hoog sten graad}, potissïmum, het verkieslijkst, u 11ïmum en ultimo, postr5mum en postremo, extrêmum en extrëmo, ten laatste, eindelijk.

Aanmerking II. Ook de volgende adverbia bezitten verge-lijkingstrappen;

diu, lang, diutius, diutissïme.

nuper, onlangs, nuperrïme.

saepe, dikuijls, saepius, meermalen, saepissïmc.

satis, genoeg, satius , beter.

tempëri, bij tijds, temperius, tijdiger.

valde, zeer, magis, meer, maxime, het meest.

-ocr page 145-

PraeJgt;ositiones.

§ iS9—I6i-

135

Ook vindt men van secus, anders, den comparativus secius, anders, doch gewoonlijk slechts in de verbinding nihïlo of non secius quam, niet anders dan en nihïlo secius, desniettemin.

§ 159. Van de ordinal ia worden adverbia gemaakt op um en o. B.v. tertium en tertio, voor de derde maal, ten derde, quart um en quarto, voor de vierde maal, ten vierde. Het verschil van uitgang schijnt in het algemeen geen verschil van beteekenis te geven. De adverbia op um zijn evenwel het meest in gebruik.

Primuni en primo beteekenen beiden voor de eerste maal; primum daarenboven ten eerste en primo in het begin.

In plaats van secundum, voor de tweede maal, gebruikt men itë-rum en in plaats van secundo, ten tweede, zegt men liever deinde of turn,

§ 160. Van sommige substantiva en adjectiva worden adverbia op It us afgeleid om den oorsprong aan te duiden. B.v. caelïtus, van den hemel, fundïtus, vaji den grond af (tot den grond toe), anti-quïtus, van oudsher, divinïtus, van godswege.

Door u m van het s upin u m te veranderen in i m worden adverbia gevormd, die beteekenen op welke wijze iets geschiedt. B.v. cursim, terloops, r a p t i m, ijlings, s e n s i m , allengs. Men heeft ook eenige d e-nominativa op atim van dezelfde beteekenis. B.v. gregatim, hoops-gewijze, g r a d a t i m , trapsgewijze, v i c a t i m , van straat tot straat. Zonder a zijn tribütim, volgens tribus, viritim, man voor man, furtim, stcelsgewijze.

Sommige adverbia zijn ontstaan uit bepaalde naamvallen van substantiva, zooals; partim (oude A cc. van pars), deels; for as, naar buiten, foris, huiten (Acc. en Abl. van het ongebruikelijke forae in plaats van fores); noctu (Abl. van noctus, een ongebruikelijke!! bijvorm van nox), des nachts.

Andere adverbia zijn gevormd door samenstelling, zooals: denuo (de novo); hod ie (hoc die); imprimis (in primis), mag nope re (magno opere); pro fee to (pro facto); nudius tertius (nunc dies tertius).

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PRAEPOSITIONES.

§ 161. De praeposities regeeren deels den accusativus, deels den a b I a t i v u s, deels den accusativus en den a b 1 a t i v u s.

Sommige praeposities worden ook als adverbia gebruikt.

Den accusativus regeeren:

ante, apud, ad, adversus,

c i r c u m , circa, c i t r a, cis,

erga, contra, inter, extra,

infra, intra, juxta, ob,

-ocr page 146-

Praepositioncs.

i36

§ 162

penes, pone, post en praeter,

prope, propter, per, secundum,

supra, versus, ultra, trans.

Ante, voor; apud, bij; ad, tot, naar, bij; adversus, tegen, circum, circa, out, rondom ; citra, cis, aan deze zijde van; erga, jegens; contra, tegen; inter, onder, tusschen; extra, buiten, infra, onder, beneden; intra, binnen; juxta, naast; ob, wegens; penes, bij; pone, achter; post, achter, na; ■ praeter, behalve; prope, nabij; propter, wegensr per, door; secundum, langs, volgens; supra, boven; versus, naar den kant van; ultra, over; trans, over.

Den ablativus regeeren:

absque, a, ab, abs en de,

coram, pro, cum, ex en c,

sine, t c n u s, c 1 a m en p r a e.

Absque, zonder; a, ab, abs, van, door; de, over; coram, in tegenwoordigheid van; pro, voor; cum, met; ex en e, uit; sine, zonder; tenus, tot aan; clam, buiten weten van; prae, wegens.

Den accusativus en ablativus regeeren:

in met den Acc. naar, in, op de vraag waarheen.

„ „ Abl. in, op, aan, „ „ ,, waar.

sub,, „ A c c. onder, op de vraag waarheen.

„ „ Abl. onder, „ „ „ waar.

super met den A cc. boven, gedurende-„ „ Abl. aangaande, over.

sub ter, onder.

§ 162. Aanmerkingen op de praepesities met den accusativus

1. Ante, vóór, van plaats en tijd tegenover post, achter, na. B.v. Ante (post) oppidum, vóór (achter) de stad. Ante (post) pauciis dies, vóór (na) weinige dagen.

Somtijds beteekent ante boven. B.v. Laudari ante alios, boven anderen , meer dan anderen geprezen worden.

Ante wordt gaarne als adverbium gebruikt in verbinding met participia. B.v. Vita ante acta, het vroeger doorgebrachte leven.

2, Apud, bij, vooral bij personen. B.v. Heri apud avuncülum mcum cenavi, gisteren heb ik gegeten bij mijn oom. Apud Caesarem, in het huis van Caesar. Zelden staat apud bij namen van plaatsen B.v. Apud Mantinëam, bij Mantinea.

Men gebruikt ook apud, zoo men den naam eens schrijvers noemt in plaats van den naam zijner boeken. B.v. Apud Xenophontem legi-mus, wij lezen in Xenophon. In Xenophonte zou verkeerd zijn.

Voor de rechters heet apud ju dices, niet ante judices, want voor

-ocr page 147-

Pracpos itioncs.

§ i62.

137

staat hier niet tegenover achter. Evenzoo spreken voor, tol het leger, contionari apud milites.

3. Ad wordt gebruikt:

a) van tijd.

tot, op de vraag tot hoelang. B.v. Ad summam se nee tu tem, lot den hoogs ten ouderdom.

tegen y op de vraag wanneer. B.v. Ad vesperam, tegen den avond.

op, bij een bepaalden tijd op de vraag wanneer. B.v. Ad diem, op den bepaalden dag-, ad tempus, op den ju is ten tijd (ook voor een korten tijd).

b) van plaats.

tot, aan, op de vraag waarheen. B.v. Venio ad te, ik kom tot u. Scribo ad patrem, ik schrijf aan mijn vader.

bij, aan, op de vraag waar (niet bij personen, in welk geval apud gebruikt wordt). B.v. Ad urbem, bij de stad-, ad Rhenum, aan den Rijn-, ad mensam, aan tafel. Overdrachtelijk: ad lu eer nas opus faciunt, zij werken bij licht.

c) bij getallen.

ongeveer. B.v. Ad sexcentos evaserunt, ongeveer zes honderd zijn er ontkomen. In deze bcteekenis kan ad ook als adverbium gebruikt worden. B.v. Ad sexcenti evaserunt.

d) van doel en betrekking.

tot, voor. B.v. Ad omnia par at us, tot alles bereid.

overeenkomstig. B.v. Ad voluntatem, volgens den wil; ad nutum, op zijn wenk.

met betrekking tot, in vergelijking van. B.v. Terra ad universum caeli complexum puncti in star obtïnet, de aarde is in vergelijking van de gansche hemelruimte slechts een stip.

e) spreekwijzen. Ad verbum, woordelijk, woord voor woord. Ad u n u m o m n e s, allen zonder uitzondering.

4. Ad versus (ook wel adversum geschreven) en contra, tegenover. B.v. Insüla, quae adversus (contra) Brundisinum portum est, het eiland, dat tegenover de haven van Brundisium ligt.

Zij beteekenen ook, evenals erga, tegen, jegens, maar met dit verschil, dat contra gewoonlijk staat in vijandelijken, erga gewoonlijk in vriend-schappelijken en adversus zoowel in vijandelijkeil als in vriendschap-pelijken zin. B.v. Contra leges, tegen de wetten; m e u s erga te a mor, mijne liefde jegens u-, adversus aliquem bellum gerëre en revere ntiam habere, tegen iemand oorlog voeren en eerbied voor iemand koesteren,

5. Circum en circa, om, .rondom, van plaats; circum, wanneer er spraak is van een kringvorm, zooals: terra circum a x e m s u u m movëtur, de aarde draait om haar as-, circa, wanneer de be teekenis meer algemeen is: in den omtrek, zooals, urbes, quae circa Romam sunt, de steden in den omtrek van Rome.

Circa wordt ook gebruikt bij opgaven van tijd en getal in de be-teekenis omtrent, omstreeks. B.v. Circa eandem horam, omtrent hetzelfde uur-, oppida circa Septuaginta, omstreeks zeventig steden. In dezelfde beteekenis wordt somtijds circïter gebruikt. B.v. Circïter meridiem, omtrent den middag-, gewoonlijk echter is circiter adverbium.

-ocr page 148-

Praepositiones.

B.v. Sexaginta circiter domus incenclio delêtae sunt, omstreeks zestig huizen zijn door den brand verwoest.

6. Cis en citra, aan deze zijde van-, cis, wanneer de eene plaats onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Gallia sita est cis Pyre n a e o s m o n t e s, Frankrijk ligt aan deze zijde van de Pyreneen ; citra, wanneer de eene plaats niet onmiddellijk aan de andere grenst, zooals: Lutetia Parisiorum citra Pyrenaeos montes sita est, Parijs ligt aan deze zijde van de Pyreneen.

Bij latere schrijvers beteekent ci t ra ook zonder. B.v. Citra invidiam, zonder afgujist.

7. Trans en ultra, aan gene zijde van, trans (tegenover cis) bij onmiddellijke begrenzing, ultra (tegenover citra) bij niet onmiddellijke begrenzing. Voor de Duitschers ligt Frankrijk thans ultra Rhenum, vroeger trans Rhenum.

Ultra beteekent soms meer dan. B.v. Ultra feminam mollis, weeker dan een vrouw.

8. Inter, tnsschen, van plaats. B.v. Mons est inter urbem et fluvium, er is een berg tnsschen de stad en de rivier.

onder, van tijd. B.v. Inter een am, onder, gedurende den maaltijd.

onder, tnsschen, in over dra elite lij ken zin. B.v. Inter nos di-cëre liceat, onder [tnsschen) ons gezegd.

9. Extra, buiten, meestal van plaats. B.v. Extra urbem habitat, hij woont buiten de stad Somtijds behalve, zonder. B.v. Nemo extra (1 u c e m , niemand behalve den veldheer. Extra j 0 c u m, zonder scherts.

10. Infra, onder, beneden, van plaats en tijd. B.v. Infra lunam nihil est nisi mor tale, onder de maan is alles sterfelijk. Homerus non infra Lycurgum fuit, Jfomerus leefde niet later dan Lycurgus. Van waardeering. B.v. Eum infra om nes puto, ik stel hem beneden allen. Van maat, B.v. Uri sunt magnitudïne paulo infra e 1 e p h a n t o s, de buffels zijn een weinig kleiner dan de olifanten.

11. Intra, binnen, van plaats en tijd. B.v. Intra hostium prae-s i d i a esse, binnen de vijandelijke liniC\'n zijn. Inter d e c i m u m d i e m urbem cepit, binnen {in minder dan) tien dagen nam hij de stad in.

12. Juxta, nevens, naast, van plaats. B.v. Attius sepultus est juxta viam Appiam, Attius is begraven naast den Appischen zveg

Als adverbium beteekent juxta gewoonlijk evenzeer, op gelijke wijze. B.v. Margaritae a feminis juxta virisque gestantur, de edelgesteenten worden evenzeer door vrouwen als door mannen gedragen.

13. Ob, wegens, om. B.v. Ob delictum, wegens een vergrijp. Plaatselijk komt het slechts voor in de uitdrukking ob oculos ver sari, voor oogen zweven.

14. Pene s, bij, van bezit of m a c h t. B.v. Penes r e g e m i m p e r i u m est, het oppergezag is in handen van den koning. Penes me arbitrium est hu jus rei, aan mij is de beslissing in deze zaak.

15. Pone, achter (zeldzaam), van plaats. B.v. Pone castra, achter de legerplaats.

16. Praeter. voorbij, langs (bij beweging). B.v. Praeter pratum rivus fertur, langs de weide vloeit een beek.

buiten , tegen. B.v. Praeter o p i n i 0 n e m, buiten verwachting. Wanneer huiten den zin heeft van zonder mag men praeter niet gebruiken. B.v, buiten allen twijfel, sine uil a dubitatione.

% 162

-ocr page 149-

Praepos itiones.

§ 162,

139

behalve, zoowel bij uitzondering als Lij toevoeging. B.v. Nemo praeter LucuHum, niemand behalve Lucullus. Praeter auctoritatem vires q u o q u e h a b e t, behalve het aanzien heeft hij ook de macht (hij heeft èn het aanzien èn de macht).

boven, voor. B.v. Excellëre praeter ceteros, zich boven de overigen onderscheiden.

17. Prope en propter, nabij, van plaats. B.v. Prope (propter) o p p i d u m, nabij de stad.

Propter beteekent ook wegens, om, evenals ob, doch met dit verschil, dat propter meestal een werkelijk bestaanden en ob een gedachten grond aangeeft. B.v. Ego te propter modestiam tuam diligo, ih bemin n omdat gij bescheiden zijt; o b modestiam, omdat ik u voor bescheiden houd. In de uitdrukkingen hanc ob causam, ob eam rem, enz., wordt ob dikwijls gebruikt om een werkelijk bestaanden grond aan te geven.

Prope wordt ook van tijd gebruikt in de beteekenis van tegen. B.v. Prope Kalen das Sex tiles, tegen den iste Augustus.

Prope als adverbium loei gebruikt, heeft gewoonlijk de praepositie a bij zich. B.v. Prope a Sicilia, nabij Sicilië.

De comparativus en superlativus p r o p i u s en p r o x i m e worden óf geconstrueerd met den accusativus óf met de praepositie a (zelden met den dativus). B.v. Propius urbem, dichter bij de stad; proxime ab urbe, zeer dicht bij de stad.

18. Per, door, over, van plaats. B.v. Per Italiam iter facëre, door Italië, reizen. Corönam per forum ferre, een kroon over de markt dragen. Per mare navigare, op zee varen. Per manus tra-dïtae religion es, godsdienstige gebruiken, die van den eene op den andere zijn overgegaan.

in, op, bij een verbreiding over een ruimte. B.v. Equites per or am m a r i t ï m a m e r a n t d i s p o s 11 i, de ruiters waren op het strand geplaatst. Dispon ere vigilias per urbem, per muros, wachten uitzetten overal in de stad, op de muren.

bij, bij eeden en gebeden. B.v. Per de os immer tales te oro, ik bid u bij dc onsterfelijke goden. J u r a re per a 1 i q u i d bij iets zweren.

In verbinding met licêre, posse, esse, enz. beteekent per wat betreft. B.v. Per me licet, wat mij betreft, is het geoorloofd.

19. Secundum, naast, onmiddellijk achter, na\', van plaats, tijd en rangorde. B.v. Marcellus vulnus aeeëpit secundum au-r e m, Marcellus ontving een wond. onmiddellijk achter zijn oor. S e c u n-dum co mi t ia, aanstonds va de com it ien Secundum fratrem tu m i h i o m n i u m h o m i n u m carissimus.es, na mijn broeder zijt gij mij de dierbaarste van alle menschen

langs. B.v. Secundum mare iter facëre, langs de zee reizen.

volgens, overeenkomstig, ten voordeele van, in overdrachtelijken zin. B.v. Secundum naturam vivëre, volgens dc natuur leven. Secundum aliquem decernëre, ten gunste van iemand beslissen.

20. Supra, boven, van plaats, maat en tijd. B.v. Supra lunam sunt a e t e r 11 a omnia, boven de maan is alles eeuwig. S u p ra m o d u m, bovenmate. Supra sexaginta annos, boven de zestig jaar. Paulo supra ha n c mem ori am , een weinig vóór onzen leeftijd.

21. Versus, naar den kant van, staat bijna altijd achter het substan-

-ocr page 150-

Praepositioncs.

% 163-

140

tivum en heeft, behalve bij namen van steden, gewoonlijk ad of in vóór den naam der plaats. B.v. Romam versus, ad Oceanum versus, in I tali am versus proficisci, vertrekken in de richting van Rome, zeewaarts, naar den kant van Italië.

§ 1S3. Aanmerkingen op de praeposities met den atlativus.

1. A wordt slechts vóór een consonant geplaatst; ab moet staan vóór een vocaal of h en kan staan vóór t-en consonant, behalve, b, m, v; abs is zeldzaam behalve in de verbinding abs te, waarvoor echter wel zoo goed a te, maar niet ab te gezegd wordt. Deze praepositie wordt gebruikt:

van tijd, in de beteekenis van-af, na, sedert. B.v. Ab infant ia, van kindsbeen af. Q u a r t u s a victoria m e n s i s, de vierde maand na de overwinning.

van opvolging in rang, na. B.v. Secundus a rege, de eerste na den koning. Vgl. § 70. Aanm.

van plaats, van, aan, ter aanduiding van den kant, waar iets geschiedt of vanwaar iets komt. B.v. Alexander a fronte et a tergo hos tem habebat, Alexander had den vijand van voren en in den rug. Zoo zegt men ook: stare, esse ab aliquo, op iemands zijde zijn, iemands partij volgen, f a c e r e a b aliquo, in iemands belang handelen,

in overdrachtelijken zin, van den kant van, met betrekking tot. B v. Augustus a matre Pompejum contingebat. Augustus was van moederszijde verwant met Pompejus. Zoo drukt men ook op eigenaardige wijze iemands betrekking uit. B.v. Alicujus of alicui esse ab epistölis, a bibliothëca, a potione, iemands secretaris, bibliothecaris, schenker zijn.

2. Absque, zonder, is verouderd.

3. Cum, met. B.v. Cum Pan sa vixi, ik heb met Pansa geleefd. Bij verba, die een vijandige beteekenis hebben, tegen. B.v. Cum aliquo bellum gerere, tegen iemand oorlog voeren. Meermalen vertalen wij cum door bij. B.v. 0 m n i a m e a m e c u m porto, al het mijne draag ik bij mij.

Cum wordt bij den ablativus der pronomina personalia en reflexiva (me, te, se, nobis, vobis) altijd achteraan gehecht. B.v. m e c u m, met mij. Bij quo, qua, q u i b u s kan men cum voorop zetten af achteraan hechten. B v. cum quo of quo cum.

4. De, van, uit, van plaats. B.v. De sella exsïlit, hij springt op van zijn stoel. Catalïnae ferrum de manibus e x10 rsimus, wij hebben Catilina het zwaard uit de handen gewrongen. De rostris pro-nuntiare, openlijk van het spreekgestoelte bekend maken

Met dezelfde beteekenis dient de ook om den oorsprong of het geheel aan te duiden. B.v. Multa de te audivi, ik heb veel van n {uit uwen mond) gehoord. Homo de p 1 ebe, een man uit het volk.

over, aangaande. B.v. Multa de te audivi, ik heb veel overu gehoord.

Bij tijdsbepalingen op de vraag wanneer, in den loop van, zoo de tijd onbepaald wordt opgegeven, en onmiddellijk na, zoo de tijd bepaald wordt opgegeven. B.v. Navigare de men se Decembri, uitvaren in den loop van December. De tertia vigil ia, in de derde nachtwaak. Non bonus somnus est de prandio, het is niet goed onmiddellijk na het eten te slapen.

-ocr page 151-

Praspositiones.

§ I63-

141

In sommige uitdrukkingen volgens, naar. B.v. De ami co rum con-silio, volgens den raad der vrienden. De more, naar gewoonte.

5. Ex kan vóór consonanten en vocalen, e slechts vóór consonanten geplaatst worden.

uit, van, van plaats. B.v. Ex urbe,\' uit de stad. Zoo ook in de spreekwijze ex equo pugnare, te paard strijden. Ex adverse, e regione, recht tegenover. Vgl. § 280. A.

sedert, na, van tij d. B.v. Ex i 11 o die, sedert dien dag.

Om de verandering van den eenen toestand in den anderen, de stof waaruit iets bestaat, een deel van een geheel aan te geven. B.v. E servo te libertum meum feci, //■ /teb u van sluaf tot mijn vrijgelatene gemaakt. Statu a ex auro facta, een gouden standbeeld. U n u s e rnultis, één uit velen.

Om de oorzaak van iets aan te geven B.v. Ex lassitudine artius dor mi re, vaster slapen van vermoeidheid. Ex lege, krachtens de wet.

Om de wij ze aan te duiden , waarop iets geschiedt. B.v Ex a nimo 1 audare , van harte prijze7i. Ex improvise, onvoorziens.

Soms ten nutte van, in het belang van. B.v. Est e (hier geen ex) r e p u b 1 i c a.

6. Prae, voor, van plaats, maar slechts in verbinding met een pronomen en een verbum van beweging, vooral ferre. B.v. Gregem prae se agëre, de kudde voor zich uitdrijven. Prae se ferre, openlijk te kennen geven.

wegens, van, ter aanduiding van de oorzaak, waardoor iets verhinderd wordt, doch alleen in ontkennende zinnen. B.v. Prae d o 1 ö r e 1 o q u i non possum, ik kan van droefheid niet spreken.

in vergelijking van. B.v. Prae se o m n e s c o n t e m n i t, hij acht allen gering in vergelijking van zich zeiven.

7. Pro, vóór, van plaats, tegenover intra. B.v. Pro castris, vóór de legerplaats (niet binnen); was de zin niet achter, dan zou men zeggen ante cast ra.

ter verdediging van. B.v. Pro patria pugnare, strijden voor het vaderland.

in plaats van, zoo goed als. B.v. Pro consule esse, de plaats van den consul bekleeden Pro dam na to esse, zoo goed als veroordeeld zijn.

ter vergelding van. B.v. Nullam mereëdem pro tan to benefi-cio accêpi, ik ben volstrekt niet beloond geworden voor zulk een weldaad.

volgens, overeenkomstig. B.v. Pro viribus, naar vermogen.

8. Ten us, tot aan, wordt achter den casus geplaatst. B.v. Collo t e n u s, tot aan den hals. Deze praepositie staat voornamelijk in de verbinding v e r b o en nomine t e n u s, in schijn.

Soms regeert tenus den genetivus en hoogst zelden den accusativus.

9. Sine, zonder. B v. Sine periculo, zonder gevaar.

10. Coram, in tegenwoordigheid van. B.v Coram populo, in tegenwoordigheid van het volk.

11. Clam, buiten weten van. B.v. Clam patre, buiten weten van den \'rader.

Soms regeert clam den accusativus.

-ocr page 152-

Praepositiones.

% 164-

142

§ 154. Aanmerkingen op de praeposities met den accusativus en ablativus.

1. In met den Acc naar, in, tot, voor, tegen.

bij verba van beweging op de vraag waarheen. B.v. In Graeciam p r o f i c i s c i, naar Griekenland vertrekken.

bij uitbreiding in de ruimte. B.v. Decern pedes in latitudi-n e m, tien voeten in de breedte.

bij verdeelingen. B.v. Ea regio flumïne in duas partes dividïtur, deze landstreek wordt door de rivier in twee deelen verdeeld.

bij de verba van veranderen. B.v. Niöbe in lapïdem mutata est, Niobe werd in een steen veranderd.

ter uitdrukking van een doel. B.v. Pecunia data est in rem mi-1 i tarem , er werd geld gegeven voor het krijgswezen. Mu 11a in a 1 i-q uam sententiam dicëre, veel voor zeker gevoelen zeggen.

om aan te duiden , dat iets op de t o e k o m s t betrekking heeft. B.v. In crasiïnum d i e m d i f f ë r o res s e v ê r a s, ernstige zaken stel ik uit tot morgen. In tres dies commeatum se cum port ant, zij nemen voor drie dagen leeftocht mede. In p o s t ë r u m , in het vervolg. I n aeternum, voor eeuwig.

Ook in de spreekwijzen jura re in verba magistri, zweren bij de woorden zijns meesters; aliquid facere in spem, iets doen in de hoop op-, esse (habere) in p o t e s t a t e m = in potestatem venire in eaque esse.

I n met den A b 1. in, aan, op, bij, over, vooral van plaats op de vraag waar. B.v. In urbe esse, in de stad zijn-, in rip a flu minis, op den oei\'er der rivier-, pon tem facëre in flumine, een brug maken over de rivier.

onder, om aan te duiden, dat iemand tot zekere klas van menschen behoort. B.v. In magnis viris numerari, onder de groote mannen gerekend worden. Bijzonder wordt in met deze beteekenis gebruikt in de spreekwijzen in his (iis), in quibus, waar wij na iets in het algemeen aangegeven te hebben zeggen: en onder dezen, onder wie zich bevonden, onder anderen. B.v. Plerosque fugientes, in quibus Hannonem, occiderunt.

2. Sub met den Acc. onder, van plaats op de vraag waarheen. B.v. Romanos sub jugum mittëre, de Romeinen onder het juk laten doorgaan. Overdrachtelijk. B.v. Sub potestatem redigëre, onder zijn macht brengen.

van tijd, omstreeks. B.v. Sub mediam noctem, omstreeks middernacht. Tegen, kort, voor. B.v. Sub ortum solis, tegen het aanbreken van den dag. Soms onniiddellijk na. B.v. Sub eas litteras sta-tim recitatae sunt tuae, onmiddellijk na dezen brief werd aanstonds de mve voorgelezen.

Sub met den Abl. onder, van plaats op de vraag waar. B.v. Sub d i v o, onder den blooten hemel. S a e p e est sub p a 11 i 61 o s o r d i d o s a p i e n t i a.

Van tijd drukt het vooral een gelijktijdigheid uit. B.v. Sub luce (bij dag) urbem ingressus sum. Pompejus portas obstruit, ne sub ipsa profectione mi 1 ites oppidum irrumpëren t, Pompejus verschanste de poorten, opdat de soldaten op het oogenblik van zijn vertrek niet zouden binnendringen.

Overdrachtelijk. B.v. Sub oculis omnium, onder aller oogen.

-ocr page 153-

Praepositioncs.

^ 165—166.

143

Vooral in den zin van onderhcorigheid. B.v. Sub Ro 111 ulo, onder de regeering van Romulus. Gentes, quae erant sub Romano rum imperio, de volken, die onder het gebied der Romeinen waren.

3. Super met den Acc. boven, op de vraag waar en waarheen. B.v. Super aliquem se de re, boven iemand zitten (aan tafel). Super asp idem assidëre, op een adder gaan zitten.

behalve, nog daarbij. B.v. Super morbum etiam fames affëcit exereïtum, behalve de ziekte deed ook de honger het leger in krachten afnemen.

meer dan, bij getallen. B.v. Super quadraginta, meer dan {over de) veertig.

S u p e r met den A b 1. evenals d e over, aangaande. B.v. Super a 1 i q u a re ad aliquem scribëre, over zekere zaak aan iemand schrijven.

4. Subter met den Acc. onder, van plaats. B.v. Plato iram in pectöre, cupiditatem sub ter praecordia 1 oca vit, Plato plaatste den toorn in de borst, de hegeerlijkheid onder het middenrif.

Subter met den Abl. is dichterlijk en hoogst zeldzaam.

S 165. Dichters en latere prozaschrijvers gebruiken sommige adverbia als praeposities, namelijk palam, proeul en simul met den Abl. en usque met den Acc. B.v. Palam populo, openlijk voor het volk; proeul mari, ver van zee; simul his, tegelijk met hen; usque pedes, tot aan de voeten. In zuiver proza zegt men proeul a , simul cum, en behalve bij namen van steden , usque ad (i n, s u b).

Usque wordt ook verbonden met a en ex. B.v. Usque ab heroï-cis tem po rib us, van de heldentijden af.

A a n merk i n g. De ablativi ergo, causa en gratia, wegens, om wille van zijn, wat hun gebruik betreft, gelijk te stellen met praeposities. Zij worden verbonden met den Gen. en staan altijd daarachter. B.v. Victoriae ergo, wegens dc overwinning; bestiarum causa, hominum gratia, om wille van de dieren, van de menschen.

g 166. De praeposities komen veelvuldig voor in samenstelling met andere woorden. Zij behouden gewoonlijk hare hoofdbeteekenis, doch ondergaan dikwijls eene verandering in haren vorm. De volgende opmerkingen geven de voornaamste veranderingen aan , die zich hierbij voordoen.

Ad blijft onveranderd vóór vocalen en vóór h, b, d, j, v, m. B.v. adeo, adhibeo, adblbo, addo, adjüvo, advëho, admïror. Vóór de overige consonanten wordt d geassimileerd (vóór q u in c) B.v. a c c ê d o , affëro, aggredior, allöquor, annuo, appareo, acquiro, arripio, assurgo, attribuo. Vóór gn valt d weg. B.v. agnatus, a g n o s c o; meermalen ook voor s c, s p , s t. B.v. ascendo, aspicio, as to. In arcesso werd d tot r.

Ante blijft onveranderd behalve in anticïpo (ante en capio) en antisto, waarvoor men echter ook antes to schrijft.

Circum blijft onveranderd behalve dat men meermalen circueo in plaats van circumeo en altijd circuitio en circuit us schrijft

C u m verandert in samenstelling u altijd in o. De m blijft vóór b, m, O; wordt geassimileerd vóór 1, n, r; gaat over in n vóór de overige consonanten en valt weg vóór vocalen (uitgezonderd comedo, comes, comitium en comïtor) gn en h, soms ook voor n.

B.v. combïbo, commit to, comprïmo.

-ocr page 154-

Praepositiones.

% 167.

144

collïgo, connecto, corrödo.

c o n j u n g o, c o n fë r 0.

coeo, cognosco, cohaereo, coniveo.

Inter blijft onveranderd behalve in intellëgo.

Ob blijft onveranderd behalve vóór c, f, g, p, in welke gevallen de b geassimileerd wordt. B.v. occur ro, offëro, oggannio, op po no. In ob so les co en ostendo komt een oude vorm obs voor. De b is weggevallen van obs in ostendo en van ob in omit to en operio.

Per blijft onveranderd behalve in pellicio, waar de r geassimileerd en in pejëro, waar de r uitgevallen is.

Post ondergaat slechts verandering in pomerium en po meridian u s.

Trans blijft gewoonlijk onveranderd. Men schrijft echter beter trado, tradüco, trajicio en tra no dan transdo, enz. Ook laat men meestal de s weg, wanneer liet tweede gedeelte van het compositum met s begint. B.v. transerïbo.

A, ab, abs en wel a vóór m en v, zooals amitto. avello, even-zoo aspernor; abs vóór een t, zooals abscondo, abstineo; ab in alle andere gevallen, behalve bij aufëro en aufugio. Ook vindt men meermalen aförem, afóre in plaats van abförem, abföre. Vgl. over af ui § 91. 40. In asporto, aspello in as een overblijfsel van abs.

E, ex en wel ex vóór vocalen en vóór c, h, p, q, s, t, (behalve in epöto, epötus en escendo). B.v. excëdo, exhibeo, expo no, exquïro, exsëquor, extraho. Vóór f wordt ex geassimileerd, zooals in effëro. In alle andere gevallen gebruikt men e (behalve in exlex). B.v. ebïbo, edo.

Pro wordt prod in prodeo, prodïgo en prodesse.

I n wordt i m vóór b, m, p. B.v. i m b ï b o , i m m i 11 o, i m p ö n o; het wordt geassimileerd vóór 1 en r. B.v. illïdo, irrumpo. Vóór gn valt de n weg, zooals ignosco, ignominia, ignarus In alle andere gevallen blijft in onveranderd. B.v. incurro, indico, in fun do.

S u b blijft onveranderd vóór vocalen en vóór de meeste consonanten; het wordt geassimileerd vóór c, f, g, m. p, r. B.v. succurro, sufficio, suggëro, summit to, suppöno, surripio. Zoo sub echter een verzwakkende beteekenis aan het woord geeft, laat men het beter onveranderd. B.v. subcrispus, subflavus, subgrandis, submo-lestus, subpalltdus, subrustic us. Ook zonder verzwakkende beteekenis blijft het meermalen, vooral vóór m en r, onveranderd. B.v. subministro, subruo. In suspicio, en suspïro is de b weggevallen. In suscipio, suseïto, suspendo, sustineo en sustüli neemt men een ouden vorm subs (evenals obs en abs) aan.

g 167. Er zijn eenige praeposities, die alleen in samenstelling voorkomen , namelijk:

amb, am of an (van ocpCpi) om, rondom, van ■weerszijden. B.v. ample c tor, omhelzen, ambio, rondgaan, ambustus, rondom verbrand, amptito, rondom afsnijden, anceps, van weerszijden een hoofd, aangezicht hebbend.

dis, di (dif vóór f en dir in diribeo uit dishabeo en dirïmo uit disemo), uiteen. B.v. distribuo, verdeelen, dimitto, uiteen laten gaan, diffundo. uit elkander gieten.

in, on. B.v. ine au tus, onvoorzichtig. Men lette wel op het verschil

-ocr page 155-

§ 168—169. Conjunctiones en interjecHones.

van beteekenis tusschen dit i n en de vroeger behandelde praepositie met den A c c. en A b 1. B.v i n d i c t u s van indlco, aangezegd, en i n d i c t u s, ongezegd; invocatus van invöco, aangeroepen, en invocatus, ongeroepen.

por (met assimilatie voor 1 en s), naar toe, te gemoet, heen. B.v. porrtgo, uitstrekken, polliceor, zich tot iets aanbieden, beloven, pos-sïdo, in bezit nemen.

re, terug, weder. B.v. recëdo, teruggaan, reficio, herstellen. Vóór vocalen en li en in reddo zegt men red. B.v. redeo, redhibeo

se, afzonderlijk, zonder. B.v. sepöno, ter zijde leggen, secürus, zonder zorg, gerust In seditio is een d ingeschoven Se wordt so in s o c o r s.

v e, bniten. zonder. B.v. v e c o r s, waanzinnig. Soms zeer. B.v. v e p a 1-1 ui us, zeer bleek.

145

adversatïvae, comparatïvae, conclusïvae, concessïvae, condicionales, causales, finales, temporales, interrogatïvae, tegenstellende, vergelijkende, gevolgtrek kende, toegevende, voorwaardelijke. redengevende, doelaanzvijzeilde. tijdbepalende, vragende.

B.v. et, en, q u o q u e, ook.

„ a 111, v e 1, lt;7/quot;.

„ s e d , maar, t a m e n , echter.

„ ut, zooals, quasi, alsof.

,, i t a q u e , i g 11 u r, derhalve.

„ e t s i, q u a m qua m, ofschoon.

si, indien, nisi, tenzij.

„ n a m, want, q u o d, omdat.

„ ut, opdat, n e, opdat niet.

„ c u m, toen, p o s t q u a m, nadat.

„ n u m , a n.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK OVER DE CONJUNCTIONES EN INTEEJECTIONES.

§ 168. De conjunctiones worden volgens hare beteekenis verdeeld in de volgende soorten:

copulatïvae, verbindende.

disjunctïvae, scheidende.


Over het gebruik der conjuncties zal in de syntaxis gesproken worden.

§ 169- De interjectiones zijn deels klanknabootsende geluiden, deels nomina, verba of adverbia, die tot het uitdrukken van gemoedsbewegingen gebezigd worden.

Tot de eerste soort behooren ter uitdrukking van vreugde: io, hoezee, ha, hahahe, ha, ha.

van smart: v a e, wee, h e u, e h e u, o h e, pro, ach, helaas. van verwondering: o, hui, hem, e h e m, o , hc, ach, a h a, welzoo , atat, papae, wel drommels, sakkerloot, en, e c c e, ziedaar. van afkeuring: p h u i, foei.

van aansporing: eja, welaan, euge, bravo, goedzoo.

bij roepen: heus, eho, ehodum, hei, holla, hoor eens hier.

4e druk, 10

-ocr page 156-

Conjujictioues en interjectiones.

% 169.

146

Tot de tweede soort behooren:

pax, stil, geen woord meer, malum, wat drommel, voor den duivel, bona verba, zacht wat, sis (si vis), su 11is (si vultis), sod es (si audies), als 7 u blieft, bene, wel bekome \'t, belle, heerlijk.

Bij verzekeringen en eeden gebruikt men

ne, waarachtig. Men plaatse dit woord slechts voor pronomina. B.v. Ne iste hand mecum sentit, hij is het waarlijk met met mij eens.

mehercüles, mehercüle, mehercle (ita me Hercules juvet of ita me Hercule juves), bij Hercules.

mecastor, ecastor (me Castor juvet), bij Castor.

pol, edepol (me deus Pollux juvet), bij Pollux.

ra e d i u s f i d i u s (me deus Fidius juvet), waarachtig, God weet het.

-ocr page 157-

S Y TV T X I

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE HOOPDBESTANDDEELEN VAN DEN ZIN.

§ 170. Een zin bestaat minstens uit een onderwerp of subject en een gezegde of praedicaat.

Aanmerking. * De eenvoudigste woordplaatsing van een Latijnschen zin is deze, dat de zin begint met het subject en eindigt met het praedicaat, terwijl de bepalingen in het midden geplaatst worden en wel zoo, dat zij des te dichter bij het subject of praedicaat staan, naarmate zij zich daaraan inniger aansluiten. B.v. Cicero a civibus suis Romam revocatus est. Imago pulchra Miner-vae ex aere, opus Phidiae, Athenis collocata est. Pater hodie magno cum gaudio filio suo librum donavit. Caesar oppidanis partem exercitus auxilio reliquit.

* Van deze woordplaatsing wordt echter dikwijls afgeweken om de woorden , die in de gedachte van den spreker of schrijver het voornaamste zijn, te doen uitkomen. Het woord namelijk, dat den meesten nadruk heeft, wordt voorop en het woord, dat de gedachte van den zin voltooit, achteraan gezet B.v. Latius patet illius scelëris c o n t a g i o. I n t u s, i n t u s, i n q u a m , e s t e q u u s T r o j a n u s. Magna vis est conscientiae

In zinnen, die met een conjunctio of relativum beginnen en in een accusativus cum infinitivo wordt l^et woord, waarop de meeste nadruk meermalen achteraan gezet. B.v. Tantum abest, ut nostra miremur, utmsquc~quot;5o djfficiles ac morosi simus, ut nobis non satisfaciat ipse Demosthenes. Relatione contrariorum, antïqui jam ante Isocramp;tem delectabantur et maxime Gorgias, cujus in oratione plerumque efflcit numerum ipsa concinnitas. In iis perniciosus est error, qui existi-mant, libidïnum peccatorumque omnium patere in amicitia licentiam.

Bij het stellen van een zin moet men ook zorgen voor de welluidendheid. Daartegen strijdt

iquot;. wanneer meerdere één- of gelijklettergrepige woorden met denzelfden stemval op elkander volgen. B.v. Cur tu in hac re te non debere cedere crederes? Ista pugna Caesar muitos Gallos vicit atque cepit. Romani Germanos hucusque invictosvicerunt. African us Nu mantin os gloriose resistentes superavit.

2°. wanneer woorden naast elkander staan met scherp klinkende of moeilijk uit te spreken consonanten of vocalen. B.v. Rex Xerxes. Ingens est stridor. Baccae aeneae amoenissimae.

-ocr page 158-

148 Over dc Iwqfdbestanddeelen van den zin. § 171—174.

3quot;. wanneer meerdere woorden, wier uitgang denzelfden klank heeft, O]) elkander volgen. B.v. Horum duorum fortissimorum viro-rum. Quidquid fit, id ])ater non concedet. Het op elkander volgen van woorden, die met q u beginnen, was niet onaangenaam voor het oor der Romeinen. B.v. Qui qnoniam, quid dicer et, intelle-gere no luit.

§ 171 Het subject is öf een substantivum bf een woord, dat als subs tan tivum wordt gebruikt, bf een geheele zin. B.v. Aqua fluit, het water vloeit. Ou is dormit, wie slaapt er? Mali pu n ientu r, de boozen sullen gestraft worden. Beati sunt possidentes, zalig zijn de bezitters. Mentïri turpe est, liegen is schandelijk. Q u o d v e n i s t i m i h i g r a t u m e s t, dat sfij gekomen zijt is mij aangenaam.

% 172. Het subject van den eersten en tweeden persoon wordt weggelaten behalve bij tegenstellingen en wanneer er de nadruk opvalt. B.v. Praete rïta m ut a re non possümus, wij knnnen het verledene niet veranderen. Ego reges ejëci, vos tyran nos introdueïtis, ik heb de koningen verdreven en gij voert de divingelanden binnen. Tu mentis es compos? T u non c o n s t r i n g e n d u s ?

Het subject van den derden persoon wordt weggelaten, wanneer het genoegzaam uit den samenhang kan opgemaakt worden.

S? 173, Het praedicaat is bf een enkel verbum bf een verbum met een subs tan tivum of adjec tivum B.v. Rosa floret, de roos bloeit. Rosa flos est, de roos is een bloem. Rosa pul-chra est, de roos is se hoon.

* Aanmerking. Somtijds bestaat het praedicaat uit het verbum s u m en een adverbium. In zulk een geval heeft sum dikwijls de beteeke-nis van zich bevinden, gesteld zijn, enz. B.v. Sic vita hominum est. Ubïvis tutius sum quam in regno meo. Diu est, cum te vidi. Rectissime sunt apud te omnia. Patria est ubicunque est bene. Sapienti sat. Vgl. § 174. Aanm. i0.

§ 174. Het praedicaatsverbum kan weggelaten worden, wanneer men het in denzelfden vorm zou moeten herhalen. B.v. Nau-ta de ventis, de tauris narrat arator, schipper vertelt van den wind, dc landman van dc stieren. Dit kan ook geschieden, wanneer het verbum in een anderen persoon of in een ander getal zou voorkomen dan het voorafgaande of volgende verbum. B.v. Magis ego te amo, quam tu me (amas), ik bemin u meer dan gij mij bemint. Beate vivëre alii in alio (ponunt), vos in voluptate ponïtis. In Hyrcania plebs publïcos alit ca nes, opti mates (alunt) domestïcos.

-ocr page 159-

§ 174- Over de hoofdbestanddeelen van den sin.

A a, 11111 e r k i n g Meermalen worden als pniedicaatsverba uitgelaten :

1quot;. est, sunt (zelden erat, erant, fuit, fuerunt) in spreuken en algemeene waarheden. B.v. Quot homines, tot sententiae, zooveel hoofden, zooveel zinnen. J u c u n d i a c t i 1 a b o r e s, gedaan werk is aangenaam. Zeer dikwijls wordt esse uitgelaten in de samengestelde tijden van den accusativus cum i 11 fi 11 itivo, vooral zoo het participium op urum uitgaat. B.v. Venturum se dixit. Nihil factum putavit. Hoc in medio relinquen-dum duxi. Vgl. § 388. A. il en § 389. A. II

Est en su 111 worden ook uitgelaten bij korte, scherpe tegenstellingen en in rhetorische vragen. B.v. Sed haec leviora, i 11 a v e r o g r a v i a a t q u e magna. N um i g i t u r li o r u m senectus miserabi 1 is, qui se agri cu 11io 11 e oblectabant?

* 2U. in quit, bij het mededeelen van een geregeld gesprek. In proza wordt het subject dan altijd uitgedrukt en meestal vóór de aangehaalde woorden geplaatst. B.v. at i 11 e, t u m ego, c u i ego.

* 3°. dico en facio, doch slechts wanneer het subject genoemd wordt en er een goedkeurend of afkeurend adverbium bij deze verba staat. B.v. Scite enim (dicit) Chrysippus, ut gladii causa v a g i n a m, sic p r a e t e r m un d u m cetera omnia a 1 i o r u m causa esse general a. Melius hi (fecerunt) quam nos.

Ook worden facio en f i o meermalen weggelaten in korte negatieve zinnen, die een waarschuwing bevatten. B.v. De everten-dis u r b i b u s v a 1 d e c o n s i d e r a n d u ra est, n e quid t e m ë r e , n e quid crude liter. Livius laat facio ook weg in de uitdrukking: quid aliud quam? nihil aliud quam. B.v. Per biduum nihil aliud (fecerunt) quam steterunt ]jarati ad pugnandum, twee dagen lang deden zij niets anders dan slagvaardig staan.

4quot;. verschillende verba , die uit den samenhang der rede gemakkelijk verstaan worden. B.v. Ille ex me (quaesivit) , nihilne novi audis-sem. Sed ad ista alias (respondebo); nunc Luc ilium audiamus. Sed non n e c e s s e est nunc omnia (commemorare). Hiertoe behoo-ren ook sommige spreekwoorden, zooals: fortunafortes (adjuvat), die waagt, die wint. Minima de malis (eligenda sunt), van twee kwaden moet men het minste kiezen.. Bis ad eun d e m (lapidera offendere), zich tweemaal aan denzelfden steen stoeten.

5U. Zeer gewoon is de weglating van het verbum in de volgende spreekwijzen :

Quid turn? quid p o s t e a ? (sequitur , factum est). B.v. Nemo post reges exactos de plebe consul fuit. Quid postea? N u 11 a n e res nova i n s t i t u i debet?

Quid ita? (waarbij het voorafgaande verbum moet aangevuld worden). B.v. Quam moles tum est uno digi to plus habere! Quid it a? Quia nee ad speciem nee ad usum alium quinquedesidërant.

Quid mult a? Quid plura? Ne plura (dicam). Ne multis (verbis utar) , om kort te gaan. Quid ad me? (hoc pertinet), wat gaat mij dit aan ? Nihil ad re m (pertinet), dit doet niets ter zake. Quid m i h i cum h a c re? (negotii est), wat heb ik daarmede te maken ?

149

-ocr page 160-

150 Overeenkomst tusschen subject en praedieaat. § 175—176.

6quot;. Ten laatste /.ij opgemerkt, dat de Latijnen in afwijking van dc Nederlanders de werkwoorden dico, scito, scitote en dergelijken altijd weglaten na bijzinnen met n e en q u o d (zmt betreft). B.v. N e quis a nobis hoc ita dici forte miretur: ne nos quidem huic uni studio penïtus unquam dedïti fuimus. Quod s er ibis te veile scire, qui sit rei publicae status: summa dissen sio est.

TWEEDE HOOFDSTUK.

REGELS VAN OVEREENKOMST. I. Overeenkomst tussolien het subject en het praedieaat.

§ 175. Het praedi caatsverbum komt met het subject overeen in persoon en getal. B.v. T u d o c e s, nos d i s c 1 m u s, gij onderwijst, wij leer en. Virtus m a n e t, d i v i t i a e p e r e un t, de dengd blijft, de rijkdom vergaat.

Aanmerking I. Zoo de nomina partitiva plerïque, multi, pllires, pauci en dergelijken subject zijn en den genetivus pluralis nostrum of vestrum bij zich hebben, staat het praedicaatsverbum in den eersten of tweeden persoon van het meervoud. B.v. Plerïque nostrum ignorabamus. Multi vestrum ignorabatis. Dit heeft ook plaats, wanneer de genetivus der pronomina personalia verzwegen is. B.v. Plerïque, qui meminerimus, supersümus, de meesten onzer, die zich dit herinneren, zijn nog in leven. Potuistis non nul li Romae alien as op es exspectare. Bij ut er que staat het verbum echter in den derden persoon. B.v. Uterque nostrum audi vit (niet audivimus).

Aanmerking II. Wanneer met een enkelvoudig subject van den derden persoon een substantivum verbonden is door de praepositie cu m, staat het praedicaatsverbum, zoo het op beide n betrekking heeft, meermalen in het meervoud. B.v. Ipse rex cum aliquot principibus capiuntur. Bij een subject van den eersten of tweeden persoon gebruikt men echter bijna altijd het enkelvoud. B.v. Ego cumfratre Capuam profectus sum. Tu ipse cum Sexto, scire velim, quid cogites.

§ 176. Het praedicaatsadjectivLim (participium of pronomen) komt met het subject overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Pu er modest us est, de knaap is bescheiden. Prata secta sunt, de weiden sijn gemaaid. Hi 1 ibri sunt mei, deze boeken zijn de mijnen. Haec muiier erat prudentissima, deze vrouzv was het voorzichtigst. (Let hier op het verschillend spraakgebruik van het Nederland.sch en het Latijn). Mentiri turpe est. Quod venisti mihi gratum est. Vgl. § 42.

* Aanmerking I. Somtijds is het praedicaatsadjectivum een s u-perlativus, die een genetivus partitivus bij zich heeft van

-ocr page 161-

§ 177- Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. 151

een ander geslacht dan het subject. Zoo nu het subject een no men c o n c r e t u m is, komt het praedicaatsadjectivum gewoonlijk in het geslacht van het s u b j e c t. B.v. Elephantus p r u d e n t i s s i m u s est omnium bestiaru m. Meermalen echter staat het praedicaatsadjectivum ten gevolge van de woordplaatsing in het ges lac ht van den genetivus partitivus. B.v Velocissimum omnium anima Hum delphlnus est. Zoo het subject een nomen abstractum is, neemt het praedicaatsadjectivum altijd het geslacht aan van den genetivus partitivus. B.v. Servïtus post re mum omnium m aiorum est.

Aanmerking II. Nu en dan vindt men een onzijdig praedicaatsadjectivum bij een m a n n e 1 ij k of v r o u w e 1 ij k subject. B.v. T u r-p i t u d o pejus est q u a m dolor Ali u d est oratio, a 1 i u d disputatio. Varium et mutabile semper femina. Deze afwijking wordt verklaard door het praedicaatsadjectivum als een subs tan tivum te beschouwen. In het Nederlandsch voegt men bij de vertaling van zulk een adjectivum dikwijls iets, zaak, wezen. B.v. Een redevoering is iets anders dan een redetwist. Een vrouw is altijd een wispelturig en veranderlijk wezen.

Aanmerking 111. Zoo het subject een infinitivus is, worden de praedicaatsadjectiva van één uitgang niet in den nominativus van het neut r u m, maar in den genetivus van het m a s c u 1 i n u m geplaatst. B.v. Dementis est o p i n a r i, m u n d u m c a s u esse o r t u m, het is onzinnig te gelooven, dat de wereld door toeval ontstaan is. T e m-pori cede re, id est necessitati parëre, semper sapientis est habitum.

Aanmerking IV. De eigennamen van schepen en toon eels tuk-is. e n (soms ook van steden en p 1 a n t e n) hebben het praedicaatsadjectivum altijd in het v r o u w e 1 ij k geslacht, wijl men er de appellativa navis en fa bul a onder verstaat. B.v. Centaur us ad scopülos al-li s a est, de Centaur us is tegen de klippen verbrijzeld. Nota v o b i s est P1 a u t i P s e u d ö 1 u s, de Pseudolus van Plautus is 11 bekend.

§ 177. Het praedicaatssubsta 11 tivum komt met het subject overeen in naamval. B.v. Somn us est imago mortis, de slaap is ecu beeld des doods.

Zoo het praedicaatssubstantivum tot de c o m m u n i a behoort en een adjectivum bij zich heeft, komt dit ook in het geslacht van het subject. B.v. Invidia assidua comes fortünae est, de nijd is de gestadige gezel van het geluk.

Zoo het praedicaatssubstantivum tot de m o b i 1 i a behoort, komt het met het subject overeen in geslacht, getal cn naamval. B.v. Africa nutrix leönum est, Africa is de voedster der leeuwen. Athënae omnium artium inventrices fuerunt, Athene is de grondlegster van alle ivctcnschappen geweest. Wanneer het subject o n z ij d i g is, wordt de m a n 11 e 1 ij k e vorm der mobilia gebruikt. B.v. Tempus est vitae magister, de tijd is de leermeester des levens.

* Zoo het subject tot de e p i c o e n a behoort, wordt die vorm der

-ocr page 162-

152 Overeenkomst tusschen subject en praedicaat. § 178—179.

mobiüa gebruikt, welke met het grammaticaal geslacht van het subject overeenkomt B.v. Aquïla est volücrum regina.

§ 178. Somwijlen richt zich het praedicaat niet naar het grammaticaal geslacht en getal van het subject, maar naar het geslacht en getal van de personen, die door het subject worden aangeduid. Deze constructie, welke vooral bij de geschiedschrijvers voorkomt en slechts spaarzaam mag nagevolgd worden, heet constructio ad synësin en wordt aangetroffen:

t0. bij milia en bij uitdrukkingen, waardoor in figuurlijken zin personen worden aangeduid B.v. Duo milia Tyriorum crucibus affixi sunt, twee duizend Tyrisrs werden gekruisigd. Capita conjuration i s s e c ü r i p e r c u s s i sunt, de hoofden der samenzwering werden onthoofd.

20. bij enkelvoudige pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: uterque, quisque, alius alium, alter alterum. B.v. Uterque eorum exercitum ex castris edücunt, beiden voerden zij het léger uit de legerplaats. Levissimus quisque novas res malebant, de lichtzinnigsten wilden liever een omwenteling.

30. bij nomina collectiva, als zij van personen gebruikt worden. B.v. Magna multitudo homi 11 um in urbem c0nvenerant, een groote menigte mensehen was in de stad bijeengekomen. Het meervoudige praedicaat mag hier niet vóór het enkelvoudige subject geplaatst worden. In klassiek proza wordt de constructio ad synesin bij collectiva bijna alleen maar gebruikt, wanneer in een bijzin naar een vroeger genoemd collectivum verwezen wordt. B.v. Hoc idem generi hu man o evën it, quod (met de gedachte aan homines) in terra collo ca ti sunt. O r-getorix civitati persuasit ut (met de gedachte aan cives) de fill i b u s suis e x i r e 111.

Aanmerking. Bij partim-partim (welke uitdrukking dezelfde be-teekenis heeft als alii-alii) staat het praedicaat altijd in het meervoud en in het geslacht der van partim afhangende substantiva. B.v. Bono r u m p a r t i m n e c e s s a r i a, partim non n e c e s s a r i a sunt, sommige goederen zijn noodzakelijk, andere zijn niet noodzakelijk. Partim e nobis t i m ï d i sunt, partim a re p u b 1 i c a a v e r s i.

§ 179- Meermalen is een pronomen d e m o n s t r a t i v u m of interrogativum subject van een zin, welks praedicaat gevormd wordt door een verbum met een substantivum. B v. Dit is de beroemde slag bij het meer Trasiinenus. Wat is de oorzaak uzuer droefheid? In zulk een geval komt het pronomen in het Latijn gewoonlijk in het geslacht en getal van het praedicaats-su hst anti vu m en niet zooals in het Nederlandsch in het neutrum singulare. B.v. Haec est nobïlis ad Trasumênum pugna. Quae est tristitiae tuae causa? Idem veile atque idem nolle e a d e m u m vera a m i c i t i a est.

* Zoo echter de nadruk op het pronomen valt of het onbepaalde moet uitkomen, plaatst men het in het neutrum singulare. B.v ld hum an it as vocabatur, zoo iets heette beschaafdheid. Quid est, si hoe non est contumelia, wat is dan een beleediging, zoo dit er geen is?

-ocr page 163-

§ iSo—182. Overeenkomst tussclien subject en praedicaat. 153

§ 180. Wanneer het praedicaatssubstantivum een ander getal heeft dan het subject, komt het verbum gewoonlijk overeen met het subject. B.v. Captïvi sunt mi li turn praeda, dc gevangenen zijn de buit der soldaten. Zoo het verbum echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Athenae clarissima urbs Graeciae fuit, Athene is de beroemdste stad van Griekenland geweest Is het subject evenwel een infinitivus, dan moet het verbum met het meervoudige praedicaatssubstantivum overeenkomen. B.v. Contentum suis rebus esse maxim ae sunt divitiae, tevredenheid met zijn toestand is de grootste rijkdom.

g 181. Wanneer het praedicaatssubstantivum een ander geslacht heeft dan het subject en het verbum uit s u m en een participium bestaat, komt het participium gewoonlijk in het geslacht van het subject. B.v. S o m 11 u s nominandus est imago mortis, den slaap moet men een beeld des doods noemen. Zoo het participium echter het dichtst bij het praedicaatssubstantivum staat, kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Non om nis error stultitia est dice n da, niet iedere dwaling is dwaasheid te noemen. Is het subject evenwel een nomen proprium, dan moet het participium daarmede overeenkomen. B.v. Semiramis puer esse credïta est, men geloofde dat Semiramis een jongen was.

§ 182. Zoo een zin twee of meer enkelvoudige subjecten heeft, komt het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud, wanneer de subjecten personen of personen en zaken zijn. B.v. In nostra acie Castor et Pollux ex equis pugnare visi sunt, in ons leger sag men Castor en Pollux te paard-strijden. Syphax regnumque ejus in potestate Romano-rum erant, Syphax en zijn rijk waren in de mackt der Romeinen. Zijn die subjecten echter verbonden door aut, aut-aut, vel-vel, et-et, nec-nec, non-non, sive-sive, dan wordt het praedicaatsverbum gewoonlijk in het enkelvoud geplaatst. B.v. Si Socrates aut Antisthënes dieëret, indien Soerates oj Antisthenes het zeide. Men vindt echter ook het meervoud en wel vooral, wanneer een der subjecten een pronomen van den l^16quot; of 2den persoon is. B.v. Neque hostium multitudo neque te lorum vis areëre impëtum ejus viri potue-runt. In decemviris neque Caesar neque ego habiti s u m u s.

Bij se nat us po pul usque Roman us en dergelijke uitdrukkingen, die één geheel aanduiden, staat bijna altijd het enkel v o u d.

Zoo de subjecten zaken zijn, komt het praedicaatsverbum in het enkelvoud, wanneer die zaken als één geheel worden beschouwd, en in het meervoud, wanneer zij als verschillend

-ocr page 164-

154 Overeenkomst tusschcn sul jee t en praedieaat. % 183—184.

worden voorgesteld. B.v. Religio et fides anteponatur amicitiae, godsdienst en trouw (= nauwgezette plichtsbetrachting) stelle men boven vriendschap. Jus et injuria natura dijudicantur, recht en onrecht zijn van natunr onderscheiden.

Zoo enkel- en meervoudige subjecten verbonden zijn, staat het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud. B.v. Vita, mors, d i v i t i a e, paupertas o m n e s homines v e h e m e 111 i s-s i m e p e r m ó v e n t, leven en dood, rijkdom en armoede roeren alle mcnsc/ien zeer geweldig. Is het praedicaatsverbum echter het dichtst bij het enkelvoudige subject geplaatst, dan kan het ook daarmede overeenkomen. B.v. Nunc mihi nihil libri, nihil doctrlna prodest, thans baten mij noch mijn boeken noch mijn geleerdheid

§ 183. Wanneer de subjecten in persoon verschillen, staat, het praedicaatsverbum gewoonlijk in het meervoud en wel zoo, dat de eerste persoon boven den tweeden en de tweede boven den derden gaat. B.v. Si tu et Tullia val et is, ego et Cicero v a 1 e m u s, zoo gij en Tullia \'welvarend zijt, ik en Cicero zijn welvarend. Somtijds evenwel komt het verbum met het naaste subject overeen en dit is bij tegenstellingen zelfs n o o d z a-kelijk. B.v. Non ego, sed tu hoe dixisti, niet ik, maar gij hebt dit gezegd.

Aanmerking. De Latijnen zetten den eersten persoon steeds voorop, zooals: ego et tu, ego et ille, terwijl wij gewoonlijk zeggen: gij en

ik, hij en ik.

§ 184. Zoo een zin meerdere subjecten heeft van gelijk geslacht, staat het praedicaatsadjectivum (of participium) in het geslacht dier subjecten. B.v. Mater et soror mihi carae sunt, mijn moeder en mijn zuster zijn mij dierbaar. Zijn die subjecten evenwel zaken van het v r o u w e 1 ij k geslacht, dan k a n het praedicaatsadjectivum ook in het neutrum staan B.v. Virtus fidesque vestra spectata mihi sunt, mu deugd en trouw zijn mij bekend.

Zoo een zin meerdere subjecten heeft van verschillend geslacht, neemt het praedicaatsadjectivum, wanneer het in he\'; enkelvoud staat, het geslacht aan van het naaste subject. B.v. Cingetorïgi principatus et imperium est tradïtum, aan Cingetorix werd de voorrang en de heerschappij opgedragen. Staat het praedicaatsadjectivum daarentegen in het meervoud, dan komt het,

zoo de subjecten personen zijn, jn het mannelijk. B.v. Jam

-ocr page 165-

§ 185. Overeenkomst tusscJicn substantivum en attributum. 155

pridem pater et mater mihi mort ui sunt, reeds lang geleden zijn mijn vader en moeder gestorven.

zoo de subjecten zaken zijn, in het onzijdig. B.v. Libri et pictürae saepe carissima sunt, boeken en schilderijen zijn dikwijls zeer duur.

zoo de subjecten personen en zaken zijn, in het geslacht der personen of in het onzijdig, naarmate de personen meer als zaken of de zaken meer als personen worden opgevat. B.v. Rex regiaque classis (= classiarii regii) una po f e c t i sunt, dc koning en de koninklijke vloot zijn te zamen vertrokken Inter se inimica sunt libera ci vitas et rex (— regia potestas)

Somtijds evenwel neemt het praedicaatsadjectivum het geslacht aan van het naaste meervoudige subject. B.v. Visae sunt nocturno tempöre faces ardorque caeli, men zag bij nacht fakkels en een gloed aan den hemel.

II. Overeenkomst tussohen het substantivum en het attributum.

§ 185. Een a d j e c t i v u m (participium of pronomen) kan o n-middellijk verbonden worden met een substantivum. Zulk een adjectivum heet attributum en komt met het substantivum overeen in geslacht, getal en naamval. B.v. Vera amicitia, mare vriendschap. Tempus praeteritum, de verleden tijd. Haec d o m u s , dit huis.

Aanmerking I. Met een substantivum kan onmiddellijk een adverbium worden verbonden;

i0. wanneer het begrip zelf van het substantivum nader bepaald wordt. B.v. Vere puer, een echte jongen. Door het adjectivum verus zou aan het substantivum puer een eigenschap worden toegekend, die niet tot het begrip van dat substantivum behoort Ma gis muiier, een vrouw in den hoogeren zin van het woord; major muiier, een vrouw van grootere lichaamsgestalte.

20. wanneer het substantivum den zin van een verbum of adjectivum heeft. B.v Populus late rex == late regnans Publice testis, iemand, die getuigenis aflegt in naam van den staat.

30. wanneer het substantivum eigenlijk een participium p e r f e c t i passivi is. B.v. Praeclare of praeclarum factum, een voortreffelijke daad. F a c ë t e of f a c ê t u m responsum, een geestig antwoord.

40. wanneer het substantivum een adjectivum of pronomen bij zich heeft; in dit geval staat het adverbium t u s s c h e n het adjectivum en het substantivum B.v. O ra nes circa gentes, alle volken i7i den omtrek. Duo s i ra u 1 mala, twee rampen te gelijk. Heeft het substantivum geen adjectivum of pronomen bij zich, dan worden de Neder-landsche adverbia bij de vertaling in het Latijn èf wel veranderd in passende adjectiva of pronomina óf omschreven door een relatieven zin. B.v. Dc reis daarheen, id iter. Dc volken in den omtrek, gentes, quae circa habitant.

Aanmerking II. Somtijds worden substan tiva als attributa bij

-ocr page 166-

Gebruik der attributa.

156

§ 186—187.

andere substantiva gevoegd. B.v. Excercitus tiro, een ongeoefend leger. Soror mea virgo, mijn ongehuwde zuster. Als zoodanig worden gewoonlijk slechts gebruikt:

i0 de mobilia op tor en trix. Bv Victrix legio, een overwinnend legioen.

20. de namen van volken B.v. Miles Gallus. Vgl. § 144 B. 3.

311 nerao en quisquam in plaats van nullus en ullus. B.v. Nemo homo. Nee quisquam o r a t o r. Deze woorden moeten gebruikt worden bij substantiva, die eigenlijk adjectiva zijn. B.v. Nemo doet us, geen geleerde. Nemo alius, geen ander Nee quisquam honestus, en geen fatsoenlijk man

Aanmerking III. Dichters plaatsen soms een adjectivum bij een substantivum, om daaraan een eigenschap toe te schrijven, welke eerst door de handeling van het werkwoord veroorzaakt wordt Men noemt dit prolepsis B.v. Submersas obrue puppes = obrue puppes, ut submergantur. T e r fr u s t r a c o m p r e n s a m a n u s e f fu g i t imago ter manus imago eftugit, ut frustra comprensa esset. Pr emit placid a aequora pont us = pontus aequora ita premit, ut placida fiant.

Eveneens plaatsen zij soms het adjectivum van een genetivus bij het substantivum, waarvan de genetivus afhangt Men noemt dit hy pal lage adjectivi B.v. Quid antiquos signorum suspicio ortus voor antiquorum signorum T y r r h e n u s t u b a e clangor \\-oor Tyrrhenae tubae clangor.

* § 186. Wanneer een adjectivum betrekking heeft op twee of meer substantiva, richt het zich gewoonlijk naar het naaste substantivum. B.v-O nines fluvii et maria óf fluvii om nes et maria óf fluvii et mar ia omnia Zoo het adjectivum vóór het laatste substantivum wordt geplaatst (fluvii et omnia maria), heeft het alleen daarop betrekking.

Om duidelijkheid en nadruk te bevorderen kan men het adjectivum herhalen of het substantivum er mede verbinden door et-et. B.v. Deum incorrupta mente incorruptaque voce venere-m u r of D e u m incorrupta et mente et voce v e n e r e m u r.

§ 187. In het Nederlandsch staan dikwijls twee adjectiva zonder voegwoord bij één substantivum. B.v. Een oude heilige eik; heerlijke roode wijn. In het Latijn mag dit slechts dan geschieden, wanneer het eene dier adjectiva een enkel begrip vormt met het substantivum. B.v Excellens vinum rub rum. Proelium equestre adversum. Nonnullae naves longae. Dienen de adjectiva daarentegen om verschillende hoedanigheden van een substantivum aan te geven, dan worden zij óf wel verbonden door een voegwoord, óf het eene dier adjectiva wordt omschreven. B.v. Que reus vetus et sacra. Be Hum d i u t u r n u m a c perniciosum, een langdurige verderfelijke oorlog. Cratêrae ex a e r e pulcherrimae, zeer prachtige metalen mengvaten. H ae c paueïtas mi 1 itu m pa e n e in e rm ium, deze weinige bijna ongewapende soldaten. Gewoonlijk staat et tusschen multus (plurimus) en een ander adjectivum, wanneer men de veelheid wil laten uitkomen B.v. Multi et nobiles homines, vele aanzienlijke lieden. Ver-santur in animo meo multae et magnae cogitationes Valt er echter geen nadruk op de veelheid, dan blijft et weg B.v. Multa majores vestri magna et gr a via be 11a gesserunt.

-ocr page 167-

Gebruik der attribnta.

§ 188. Wanneer twee of meer adjectiva zoo met een substantivum zijn verbonden, dat daardoor twee of meer zaken van denzelfden naam worden aangeduid, staat het substantivum in het enkelvoud of in het meervoud, maar heeft, zoo het subject is, het praedicaat altijd in het meervoud B.v O vis al ba et nigra, een wit en een zwart schaap Legiones secunda et tertia, het tweede en-derde legioen. P o c ü 1 u m a u r e u m etargenteum m i h i d o n a t a sunt, een gouden en een zilveren beker zijn mij ten geschenke gegeven.

§ 189. In het Latijn mogen slechts drie soorten van adjectiva bij eigennamen gevoegd worden :

i0. de adjectiva, die dienen om een persoon of zaak te onderscheiden van andere personen of zaken, die denzelfden naam dragen. B.v. Scipio major. Alexander Magnus. Gallia Cisalpïna.

20. de adjectiva, die de geboorteplaats aanduiden. B.v. Milti-ades Atheniensis.

3°. de adjectiva van hoeveelheid. B.v. Gallia o m n i s. A t h e n a e solae.

Zoo er in het Nederlandsch andere adjectiva bij eigennamen staan , worden zij in het Latijn met een passend nomen appellativum verbonden en daarmede achter den eigennaam geplaatst of wel het pronomen is te of ille wordt tusschen het adjectivum en den eigennaam gevoegd. Bij beide wijzen van omschrijving gebruikt men gewoonlijk den superlativus. B.v. De wijze Socrates, Socrates, homo sapientis-simus of Socrates ille sapientissimus. In den briefstijl en de taal des gewonen levens komen echter meerdere uitzonderingen voor. B.v. Suavissimus Cicero. Dulcissime Attic e. Cum tuo Servio jucundissimo.

Aanmerking. Adjectiva, die als kenmerk aan een geheele soort van levende wezens worden toegekend, worden in proza liefst niet onmiddellijk met hun substantivum verbonden. B.v. Lep us, animal timïdum, de schuwe haas, doch 1 e p u s t i m i d u s , een schuwe haas.

§ 190. Dikwijls gebruikt men in het Latijn een adjectivum, waar wij een adverbium of andere bepalingen bezigen. Dit geschiedt:

i0. om de gemoedsstemming of den toestand aan te duiden, waarin iemand zich tijdens zekere handeling bevindt.\' Hiertoe behooren de adjectiva laetus, sobrius, trepïdus, invïtus, alsmede de deelwoordelijke adjectiva absens. libens, praesens, sciens, pru-dens, occultus, mortuus. B.v. Socrates venenum laetus h a u s i t, Socrates dronk blijde den giftbeker uit. Absens id p r o h i-bêre non potuit, in zijne afwezigheid kon hij dit niet beletten. Mor-t u o S 0 c r a t i m a g n u s honor habitus est, aan Socrates werd na zijn dood groote eer bewezen Men gebruikt echter een adverbium, zoo men wil aanduiden, op welke wijs de handeling van het werkwoord geschiedt. B.v. Scienter dicere de aliqua re, met kennis van zaken over iets spreken

2°. in plaats van de adverbia van volgorde of rangschikking. Zoodanige adjectiva zijn princeps, m e d i u s, inferior, superior, prior, posterior, primus, ultimus, imus, infimus, extre-m u s, postremus. B.v. T y r i o r u m g e n s 1 i 11 e r a s prima a u t

§ 188—190.

-ocr page 168-

Gebruik der attributa.

% 191-

158

doe uit aut didicit, de Tyriè\'rs hebben het eerst de Taetenschappen onderwezen of geleerd. Hannibal princeps in proelium ibat, Hatunbal placht het eerst in het gevecht te gaan. Discubuit medius inter Tarquinium et Per pern am, hij legde zich midden tusschen Tarqninius en Perperna neder.

Men lette goed op of het adjectivum moet overeenkomen met het subject of met het object. Wanneer men zegt: ik heb het eerst deze stad bezocht, dan luidt de vertaling: primus hanc urbem adii, wanneer de zin is: ik was de eerste die deze stad bezocht, doch: hanc urbem prim am adii, wanneer de zin is: deze stad was de eerste die ik bezocht. Zou eerst echter staan tegenover daarna, dan moet men het adverbium gebruiken en vertalen : p r i m u m hanc urbem adii.

3°. dikwijls ook bij unus, solus, totus, frequens, creber, assiduus, rarus en somtijds bij sublïmis, tardus, omnis, uni-versus, m u 11 u s, enz. B.v. Scaevöla solos novem menses Asiae p r a e f u i t, Scaevöla had slechts negen maanden het bestuur 07\'er Azië. H o m o non si bi se soli na turn me mine rit, ee7i mensch bedenke, dat hij niet enkel voor zich zeiven geboren is. Caesar frequens in senatu ade-r a t, Caesar was dikwijls in den senaat aanwezig. Apparent r a r i n antes in gurgïte vasto, hier en daar ziet men er een drijven in de wijde zee.

§ 191. Bij de verbinding van een substantivum en een attributum staat in het algemeen dat woord voorop, waarop de nadruk valt. Zoo noemt Plinius zijne natuurkunde 1 i b r o s n a t u r a 1 i s h i s t o r i a e, omdat naturalis voor hem hoofdbegrip en historiae b ij z a a k is.

In sommige gevallen bepaalt het gebruik de plaats van het adjectivum. B.v. Civis Roman us, populus Romanus, fratres ge-mini, genus h u m a n 11 m, a e s a 1 i e n u m, jus civile, res familiaris.

Veellettergrepige adjectiva worden gewoonlijk achter éénlettergrepige substantiva geplaatst. B.v. Di immortales, res innumera-biles. Ook staan gewoonlijk achteraan de adjectiva, die van eigennamen zijn afgeleid en de adjectiva, die een casus bij zich hebben. B.v. Ly-s a n d e r L a c e d a e m o n i u s. Homo s u m m i s virtutibus o r n a t u s.

Tusschen het substantivum en zijn attributum worden gewoonlijk geplaatst :

i0. de regeeringen van het attributum, zooals in het laatste voorbeeld

20. de genetivi en praeposities met hare regeering, die ter bepaling van het substantivum dienen. B.v. Amicitia usque adextre-mum vitae diem mansit. Tuorum erga me m eritorum me-m ori a.

Andere woorden van den zin worden slechts dan tusschen het substantivum en zijn attributum geplaatst, wanneer men zoowel op het substantivum als op het attributum een bij zonderen nadruk wil leggen B.v. Magnum animo cepi dolorem. Aedui equites ad Caesareiri omnes revertuntur. Ista mihi tua fuit perjucunda a propo-sita oratione digressio.

Wanneer twee adjectiva bij één substantivum behooren, staan óf beider, voorop, zooals: egregia et praeclara indöles, èf beiden ach-

-ocr page 169-

Nomen appositum.

§ 192—194-

159

teraan, zooals: senatum afflictum et abjectum excitavi, of het eene vóór het substantivum en liet andere na liet voegwoord , zooals: effrenata libido et indomita.

III. Overeenkomst tusschen het substantivum en het nomen appositum.

§ 192. Een substantivum, bij een ander substantivum gevoegd om het nader te verklaren, wordt nomen apposïtum genoemd. B.v. Archias poëta, dc dichter\' Archias.

Somtijds heeft een nomen appositum betrekking op een uitgelaten pronomen. B v. Hoc t i b i, j u v e n t u s R o m a n a, i n d i c t m u s b e 1-luni (voor nos, juventus Romana).

Het nomen appositum komt met het substantivum overeen in naamval. B.v. Cicero, clarissimus orator Romanorum, ab Antonio oeeïsus est, Cicero, dc beroemdste redenaar der Romeinen, werd door Antonius gedood. Colïte j us ti t ia m , vir-tutem excellentissimam, beoefent de rechtvaardigheid, een zeer uitstekende deugd.

Zoo het nomen appositum tot de m o b i 1 i a behoort, moet het ook in geslacht en getal overeenkomen. B.v. Romülus con-dïtor urbis, Ronuiltis, dc stichter der stad. Om it to Athena s omnium a r t i u m i n v e n t r ï c e s, ik spreek niet van Athene, de grondlegster aller ivetcnschappen.

* A a n m e r k i 11 g. De geslachtsnaam staat achter de voornamen van twee of meer personen van dien naam in het meervoud B.v. Gajus et Lucius M e m m i i, Gajus en Lucius Memmius.

*§ 193. Wanneer het nomen appositum van een subject een ander geslacht of getal heeft dan het subject, richt het praedicaat zich gewoonlijk naar het subject. B.v. Tul li a, deliciae nostrae, mu-nuscülum tuum flagïtat, Tullla, mijn lieveling,vraagt een geschenkje van 11. Zoo echter de meervoudige namen van steden de woorden urbs, oppïdum of civïtas als appositie bij zich\'hebben, komt het praedicaat in den regel met deze woorden overeen. B v. V 0 1 s i n i i , o p p i d u m opulentissimum, concrematum e s t f u 1 m ï n e, Volsinü, een zeer welvarende stad, is door den bliksem verbrand.

§ 194. In het Nederlandsch zetten wij dikwijls een substantivum in appositie, dat de Latijnen in den genetivus plaatsen. Dit geschiedt:

1°. altijd bij de woorden vox, nomen, verbum en dergelijken. B.v. Het woord missen is een treurig iets, triste est nomen carendi. Dc familie Scipio heeft vele dappere mannen voortgebracht, gens Scipio-num muitos fortissimos viros tulit. Het getal 300, numerus trecentorum.

20. meermalen bij de namen van algemeene begri ppen, die nader bepaald worden door een substantivum. Wij plaatsen hier zeer dikwijls het woord namelijk bij. B.v. Er bood zich een geschikt geneesmiddel aan ,

-ocr page 170-

Nomen apposituvi.

% 195—198.

i6o

namelijk water , o p port ü n um r e m e d i u m aquae o b 1 a t u m est. Ik meende dat gij het consulaat door andere deugden verdiendet, name lijk door ingetogenheid en achtbaarheid, a 1 i i s v i r t u t i b u s c o n t i n e n t i a e et gravitatis te consulatu dignum putavi.

3quot;. somtijds bij een nomen appeUativum, dat gevolgd wordt door den eigennaam van een stad. B.v. Urbs Patavii, de stad Patavium. In o p p i d o Antiochiae

g 195. In het Nederlandsch wordt een nomen appositum dikwijls voorafgegaan door het woord namelijk. Wij zagen er in de vorige para-graai reeds een voorbeeld van. Dit woord nu wordt in het Latijn öfniet óf door qui est óf door dico vertaald. Hierbij valt echter op te merken, dat bij dico het nomen appositum in den accusativus gezet wordt, wanneer het substantivum, dat nader verklaard wordt, in den nominativus staat , doch in denzelfden naamval als het voorafgaande substantivum, wanneer dit niet in den nominativus staat. B.v. De vader der geschiedenis, namelijk Herodotus, werd te J/alicarnassus geboren, parens historiae, Herodötus óf qui fuit Herodotus óf Herodotum dico, Halicarnassi natus est. Door twee zaken ben ik minder dan gij, namelijk door mijn geboorte en door mijn goeden naam , duabus rebus inferior vobis sum, ge nëre dico et fama Volgens 20. der vorige paragraaf zou men het laatste voorbeeld ook mogen vertalen : d u a b u s rebus generis e t f a m a e i n f e-rior vobis sum. Evenzoo zou het laatste voorbeeld aldaar volgens den regel van deze paragraaf vertaald kunnen worden : aliisvirtutibus, con tin ent ia dico et gravitate, te consulatu dignum putavi.

§ 196. De toonlooze telwoord e n, die in het Nederlandsch dikwijls vóór een nomen appositum staan, blijven in het Latijn onvertaald. B.v. Scipio verwoestte Carthago en Numantia, twee zeer bloeiende steden, Scipio Carthaginem et Nu m anti am, florentissimas urbes, exstinxit Zoo er echter in het Nederlandsch met nadruk stond: welke heiden zeer bloeiende steden waren, zou men moeten vertalen : du as florentissimas urbes. Ar is tides, een der rechtsehapenste mannen, moest voor de afgunst zijner medeburgers wijken, Aristïdes, vir probis-si mus, civium invidiae cessit. Zoo men in het Latijn zeide: unus ex pro bis sim is viris, zou de zin wezen: Aristides was de eenige der rechtsehapenste mannen, die voor de afgunst zijner medeburgers moest wijketi.

§ 197. Wanneer in het Nederlandsch een nomen appositum nader verklaard wordt door een relatieven zin, wordt het in het Latijn in den relatieven zin opgenomen. B.v. Babylon , een stad, die men zegt dat door Nimrod gebouwd is , ligt aan den Euphraat, B a b y 1 o n, q u a m urbetn Nimrod condidisse fertur, ad Euphratem sita est. Op pi us negotia proeürat Rufi, quo e qui te Romano fami-liarissime utor. Firmi et constantes amici deligendi sunt, cujus genëris (een soort, waaraan) est magna penuria.

§ 198. * Het woord als, dat in het Nederlandsch zeer dikwijls vóór een bijstelling staat, blijft in het Latijn onvertaald, wanneer het nomen appositum een werkelijk bestaande eigenschap, toestand of betrekking te kennen geeft. B.v. Ca to begon als oud man (toen hij een oud man was) de geschiedenis te schrijven , Cato sen ex historian!

-ocr page 171-

§ 199—200■ Pronomen relativum en antecedens.

scribere instituit. Zoo dit woord echter een vergelijking of een v e r m een d e n toestand aanduidt, wordt het vertaald door ut, v e 1 u t, tamquam, quasi. B.v. Cicero heeft als een waarzegger (alsof hij een waarzegger was) de toekomst voorspeld, Cicero futura cecïnit ut v a t e s.

Men kan als vóór een bijstelling nog op verschillende andere manieren vertalen en wel:

i0. wanneer het een redengevende beteekenis heeft, door cum, quippe qui, utpöte qui, een relatieven zin, een participium, ut met den indicativus en enkel u t. B.v. De Acheérs zonden als bondgenooten der Romeinen hulptroepen, Achaei, cum Romanorum socii essent (ut... erant), auxilia miserunt. Archytas at als Py-thagoreé\'r geen hoonen , Archytas a Pythagoreorum discip 1 ina profectus (ut Pythagorêus) faba abstinuit. Ut duidt ook meermalen een beperkende toelichting aan , die wij uitdrukken door als, voor. B.v Epic har mus actitus nee in suis us homo ut Si cuius. Multae in C atone ut in homine Romano litterae erant.

2°. wanneer het beteekent: op de manier, naar de wijze van , door more, modo, in modum. B.v. De soldaten hebben in de Rijnstreken niet als overwinnaars maar als roovers huisgehouden, milites in regi-onibus Rheno adjacentibus non victörum sed latrönum modo e g e r u n t.

3quot;. wanneer het beteekent: zoo goed als, door pro. B.v. De veldheer werd als dood van het slagveld in een hut gebracht, dux pro mortuo ex acie in casam ablatus est.

S 199. Het nomen appositum staat in het Latijn gewoonlijk achter het substantivum, dat er door verklaard wordt, vooral wanneer het de naam is van een waardigheid, titel of beroep. B.v. Cicero consul. Ennius poeta. Zeno Stoïcus. Men zegt echter altijd urbs Roma. Evenzoo worden de woorden tragoedia, fabula, ludi, rex, provincia en imperator in de beteekenis van keizer, wanneer zij geen adjectivum of genetivus als nadere bepaling bij zich hebben, gewoonlijk vóór den eigennaam gevoegd. B.v. Rex Dejotirus. Fabula Oedipus. Imperator Claudius (Claudius imperator, de veldheer Claudius.)

IV. Overeenkomst tussohen het pronomen relativum en het antecedens.

§ 200. Het pronomen relativum komt met het antecedens (het woord, waarop het betrekking heeft) overeen in geslacht en getal; de naamval wordt bepaald door den zin, waarin het staat. B.v.

Juvënis, cujus amicus es, modestus est, „ , cuidonumdedisti, „

„ , quemvidisti, „

„ ,dequoaudivisti, „

de jongeling, wiens vriend gij zijt, aan zvieii gij een geschenk gegeven hebt, wien gij gezien hebt, van wicn gij gehoord hebt, is bescheiden.

4e druk. ii

161

-ocr page 172-

162 Pronomen relativum en antecedent. § 200.

Wanneer het relativum subject is, staat het praedicaats-v er bum in den persoon van het antecedens. B.v. Ego, qui scribo; tu, qui senquot;bis; pater, qui scribit; nos, qui seribïmus; vos, qui sc rib ït i s; fr at res, qui scrib un t. Men lette vooral op dezen regel, wanneer de pronomina personalia antecedens zijn, doch omdat zij geen nadruk hebben zijn weggelaten. B.v. A des to te omnes animis, qui ad est is cor-p o r i b u s.

Wanneer het relativum betrekking heeft op een vocativus, staat het praedicaatsverbum inden tweeden persoon. R.v. O nox ilia, quae paene aeternas huic urbi ten e bras attulisti!

Het relativum staat aan het hoofd van den relatieven zin, en gewoonlijk onmiddellijk achter liet antecedens.

\'Aanmerking I. Zoo het relativum betrekking heeft opeen infini-t i v u s of op een g e h e e 1 e n zin, staat het in het o n z ij d i g enkelvoud. Gewoonlijk zegt men echter in plaats van quod: id quod en ook wel quae res. Tevens zet men zulk een relatieven zin op een passende plaats tusschen de woorden van den zin, die antecedens is. B.v. Si a vobis, id quod non spero, desërar, tarnen animo non deficiam, indien ik door n verlaten word, hetgeen ik niet hoop, zal ik echter den moed niet verliezen. Frater tuus, quam rem ex animo d o 1 e o, in aciecer.ïdit, nw broeder is, hetgeen mij hartelijk spijt, in den slag gesneuveld.

\'Aanmerking II. Zoo het relativum op meerdere substantiva betrekking heeft, staat het in het meervoud; voor het geslacht gelden dezelfde regels van overeenkomst, die voor het praedicaatsadjectivum gegeven zijn. Vgl. § 1S4.

\'Aanmerking 111. Zoo het relativum betrekking heeft op twee substantiva van verschillend geslacht, die in appositie staan, komt het met een van beiden overeen. B.v. Rhenus flume n, qui of q uod agr um Helvetioru m a Germ anis d iv ï dit, de rivier de Rijn, die het land der tfelvetiérs van dat der Germanen scheidt.

Aanmerking IV. Ook op bet relativum zijn de regels toepasselijk van de constructio ad synesin. B.v. Caesar equitatum prae-mittit, qui videant, qnam in partem hostes iter faciant. Caesar zond de ruiterij vooruit, om te zien, naar welken kant de vijanden trokken.

Aanmerking V. Somtijds wordt het antecedens bij het relativum herhaald. B.v. Erant omnino itinera duo, quibus itineribus domo ex ire possent. Zeer gewoon is deze herhaling bij dies. B.v. Dies e n i m nullus e r a t, A n t i i cum e s s e m , quo die non m e 1 i-us scirem Romae quid ageretu r, quam ii, qui erant Romae. Noodzakelijk is deze herhaling, wanneer er twee woorden voorafgaan en het zonder herhaling onduidelijk zou zijn, op welk van beiden het relativum betrekking heeft. B.v. Lit te ras mi sit de villi co P. Septimii, hom in is ornati, qui vil lie us caedem fee e rat.

Aanmerking VI. Wanneer het relativum betrekking heeft op een

-ocr page 173-

Pronomen relativum cn anteccdens.

§ 201-204-

163

pronomen po ssessi v um , richt het zich naar het pronomen p e r s o n a 1 e, dat door het possessivum wordt aangeduid. B.v. Vestra culpa, qui leges reipublicae neglexistis, corruistis.

Niet navolgenswaardig zijn de voorbeelden, waarin het relativum betrekking heeft op de personen, die door het adjectivum van hel antecedens worden aangeduid. B.v. V e j e n s b e 11 u m e x o r t u m , q u i b u s S a b i n i a r m a conjunxerant (=r Vejentum).

quot;*§ 201. Zoo in een relatieven zin een praedicaats subs tan tivum staat, richt zich het relativum gewoonlijk in geslacht en getal niet naar het antecedens, maar naar het praedicaatssubstantivum. B.v. Thebae i p s a e, q u o d B o e o t i a e caput est. in m a g n o t u m u 11 u e r a n t, Thebe zelf, dat de hoofdstad \'ran Bocotic is, was in groote opschudding. Animal plenum rationis, quem vocamus hominem. Het relativum komt echter met het antecedens overeen, indien de relatieve zin dient om het voorgaande substantivum te onderscheiden van andere voorwerpen derzelfde soort en soms ook wanneer het praedicaats-substantivum een vreemd woord is. B.v. Flumen, quod Tamësis vocatur, de rivier, welke de Teems genoemd wordt. Motus animi, quos Graeci Kxftvi n om in an t, de hartstochten, welke de Grieken TrxO\'/j noemen.

§ 202. Volgens, overeenkomstig, zooals men kan verwachten van kan men in het Latijn vertalen door de praepositie pro. B.v. Zooals men van uwe wijsheid kan verwachten, zult gij gemakkelijk inzien wat het beste is om te doen, tu pro tua prudentia, quid optimum factu sit, facile videbis. Bij zulke bepalingen echter gebruiken de Latijnen zeer dikwijls in plaats van de praepositie pro een relatieven zin, waarin het relativum óf in den nominativus óf in den ablativus qualitatis staat. B.v. Tu, quae tua est prudentia of qua es prudentia, quid optimum factu sit, facile videbis. At tend ere te volo, quae in manibus sunt. Qua enim prudentia es nihil te fu-giet, si meas litteras diligenter legeris. Spero, quae tua prudentia et temperantia est, te jam valere.

§ 203. In het Nederlandsch heeft liet relativum meermalen een super-la t i v u s tot antecedens. B.v. Hij was de eerste, die dit deed. Themisto-cles zond den getrouwsten slaaf ^ dien hij had. Wijl dit in het Latijn niet geoorloofd is, zoo kan men voor de vertaling van deze en dergelijke zinnen een der volgende constructies gebruiken :

i0. Men geeft met weglating van het relativum een korteren vorm aan de gedachte. B.v. Hic primus fecit. Hij was de laatste, die uit bed gehaald werd, is te ultimus lecto excussus est.

20. Men plaatst bij den superlativus den genetivus omnium en maakt dit woord tot antecedens. B.v. Jugurtha, de slechtste mensch, die op aarde leeft, ] u g u r t h a homo omnium, quos terra s u s t i n e t, s c e-leratissimus.

30. Men past de constructie toe van § 208 of van § 296 i0.

§ 204. Wanneer in het Nederlandsch bij de verba sentiendi et declarandi een voorwerp staat, dat nader bepaald wordt door een relatieven zin, zet men in het Latijn dat voorwerp gewoonlijk ach ter liet relativum, waarmede het dan in naamval overeenkomt, en verandert vervolgens den relatieven zin in een zijdelingse he vraag. B.v. JVie-

-ocr page 174-

Gebruik van het relativum.

§ 205—207.

164

mand kent den tijd, waarop hij sterven moet, nemo no vit, quo tempore moriendum sibi sit Mijn leermeester heeft mij dikwijls gewezen op de gevaren, welke voor de jeugd uit een lui en werkeloos lei\'en ontstaan , s a e p e n 11 m e r o magister, quae p e r i c u 1 a j u v e n t u t i ex vita inerti atque o tiosa nasceren tur , me monuit.

S 205. Soms gebruiken de Latijnen ter bevordering der duidelijkheid een conjunctie, waar wij een pronomen relativum plaatsen. B.v. De vijanden van Alcibiades, die begrepen dat men hem niet kon schaden, besloten zich voor het oogenblik rustig te houden, i n i m i c i A 1 c i b i a d i s , quia noceri non posse intellegebant, quiescendum in prae-senti decreverunt. Gastvrienden, die men eens in bescherming heeft genomen, moet men op alle wijze beschermen, hospïtes, si q u o s in fidem receperis, quacunque ratione tutandi sunt.

§ 206. Wanneer op een substantivum twee relatieve zinnen volgen , die door en verhonden zijn en het relativum niet in denzelfden naamval hebben, laten de Latijnen het tweede relativum, zoo dit subject of object is, somtijds onvertaald. B.v. Het voetvolk, dat Volux had medegebracht en dat bij het vorige gevecht niet tegenwoordig 7i\'as geweest, viel de achterhoede der Romeinen aan , p e d i t e s, q u o s Volux adduxeratatque in p r i o r e p u g n a nonaffuerant, postrema m R o m a n o r u m a c i e m i n v a d u n t.

Meermalen vindt men in zulk een geval in plaats van het relativum, onverschillig in welken casus, het pronomen demonstrativum i s, e a , id gezet. B.v, Wacht u voor hem , die zijne vrienden in hunne afwezigheid belastert en bij wien alle braven gehaat zijn , cavëto eum, qui absentes amicos rodit eique omnes boni homines odi-o s i sunt. Dit geschiedt gewoonlijk, wanneer de tweede relatieve zin ontkennend is. B.v. Omnes admiramur Fabricium, qui au-r u ra a P y r r h o o b 1 a t u m r e p u d i a v i t nee eum b 1 a n d i t i a e p r o-missaque a virtute deduxerunt.

§ 207. Zeer dikwijls plaatsen dc Latijnen het antecedens in den relatieven zin en zetten dezen dan voorop. Men noemt dit attractie. B.v. Quae cupiditates a natura profici-s c u n t u r, facile c x p 1 e n t u r, dc verlangens, die nil de natuur voortkomen, worden gemakkelijk vervuld. Quo anno T a r q u i-nius Superbus Ronia expulsus est, Athenienses Hip-p i a m p e p u 1 e r u 111, in het jaar, ivaarin Tarquinius Superbits uit Rome verdreven tverd, verjoegen de A theners Hippias. Zoo het antecedens echter in een andoren naamval staat dan het relativum, wordt het gewoonlijk vervangen door het pronomen demonstrativum is, ea, id. B.v. Ouibus herbis bestiae non vescuntur, eas saepe homines edunt, dc kruiden, zuelke de dieren niet eten, eten dikwijls de mensehen.

Aanmerkingen. De dichters laten bij het gebruik der attractio niet alleen het demonstrativum meermalen weg, maar zetten ook den relatieven zin achteraan. B.v. Poëta id sibi negöti credidit solum dari, populo ut place rent, quas fecisset fabulas. Ook

-ocr page 175-

Gebruik van het relativum.

§ 208—2IO.

165

laten zij soms het antecedens in den zelfden naamval als het re-.lativum voorafgaan. B.v. Urbem, quam statuo, vestra est.

Een ander soort van attractio bestaat daarin, dat het relativum, hetwelk in den accusativus moest staan, geplaatst wordt in den casus van het antecedens, zoo deze een ablativus is. B.v. Notante judice quo nosti. In his co 1 oribus quibus modo dixisti. Bij de beste schrijvers geschiedt dit slechts in verkorte zinnen, waarin het verbum van den hoofdzin kan aangevuld worden. B.v. Nat us pat re, quo diximus, honesto — quo euni natum esse diximus. Quibus poter at sauciis duct is secum ad urbem pergit = sauciis, quos secum ducere poterat, secum ductis.

§ 208. Soms wordt het attributum van het antecedens in den relatieven zin gezet. B.v. Alvus calöre, quem multum habet, omnia, quae a c c ê p i t, c o n f 1 c i t, de niaag verteert door de gr00te warmte, die sij bezit, al het ontvangeue. Dit heeft meermalen plaats, wanneer in het Nederlandsch de relatieve zin dient om een s u p e r 1 a-tivus nader te verklaren. B.v. Themis to cl es de se r vis suis, quem habuit fidelissimum, misit. M. Popilius in tumulo,quem proximum capere potuit, valium ducere coepit. Vgl. § 203.

g 209. Somtijds hangt van een relatieven zin een bijzin af, waarin een pronomen demonstrativum voorkomt, dat op denzelfden persoon of zaak betrekking heeft als het relativum. B.v. Wij bewottdercu Alexander, die, zoo hem een langer leven was ten deel gevallen, de geheele wereld zou onderworpen hebben. In zulk een geval mag men in het Latijn het demonstrativum weglaten en het relativum in den naamval van het demonstrativum zetten. B.v.

A d m i r a m u r A 1 e x a n d r 11 m,

qui, si diutius vixisset, die, zoo hij langer geleefd had,

cujus si vita (qui, si ejus vita) Ion- die, zoo zijn leven (het leven van gior fuisset, hem) langer geweest was,

cui si vita (qui, si ei vita) longior die, zoo hem een langer leven was contigisset, ten deel gevallen,

quem si vivum (qui, si eum vivum) die, zoo hem het lot langer in het for tun a diutius re serv asset, leven had gelaten,

a quo nisi Deus (qui, nisi Deus ab eo) die, zoo God, hem niet zoo spoedig vitam immature abstulisset, uit het leven had geroepen,

totum orbem terrarum subegisset.

Thrasybülo corona a populo data est, quam quod (quae, quod earn) amor civium et non vis expresserat, nullam habuit invidiam Trois filius fuit Ganymedes, quem cum (qui, cum eum) dii in caelum abstulissent, Jovi pocula ministrabat.

Voor den nadruk en de duidelijkheid plaatst men somtijds na den bijzin een demonstrativum in den naamval, waarin het relativum buiten de toepassing dezer constructie zou staan. B.v. Saepissime legi, nihil mali esse in morte, in qua si (quae, si in illa) resideat sensus, immortalitas ilia potius quam mors dicenda sit. Multa sunt pro bab ilia, quae quam quam (quibus, quamquam ea) non per-cipiuntur, tarnen his sapientis vita regitur.

§ 210. De Latijnen plaatsen dikwijls in het begin van een zin een relativum in plaats van een demonstrativum met et, autem, vero.

-ocr page 176-

Gebruik van den noniinativiis

sed, tarnen, enim, igitur, itaque, nam. Op het demonstrativum mag dan evenwel geen sterke nadruk liggen. B.v. Ratio do eet De um esse; quo (et eo of eo autem) concesso confitendum est, ejus consilio mundum administrari. Multas ad res perutiles Xeno-phontis libri sunt: quos legite, quaeso, studiose.

Door deze eigenaardigheid van den Latijnschen zinbouw staan meermalen in het begin van een zin twee relativa naast elkander. B.v Nihil est pretiosius animi tranquillitate; qua (ea enim) qui caret, eum ne regiae quidem opes quidquam juvant. A Cn. Pompejo omnium rerum egregiarum sumantur exempla; qui quo die (nam eo die, quo is) a vobis maritïmo bello praeposï-tus est imperator, maxima repente vilïtas annönae conse-cuta est. Contra quem qui (qui autem contra eum) exercitus duxerunt, iis sen at us si 11 gu lares bono res decrêvit.

Aanmerking. Bij het relativum mag men nooit autem, vero, nam, enim, igitur, itaque plaatsen (tarnen wordt meermalen gevonden) behalve wanneer een relatieve zin gevolgd wordt door een demonstratieven zin. Vgl. § 463. 30. B.v. Perdifficilis et perobseüra quaestio est de natura deorum: quae (nooit quae vero) ad agnitionem animi pulcherrima est. Evenzoo heet de zin: hij beloofde veel, wat hij echter niet gaf-, niet multa pollicïtus est, quae vero non prae-stitit, maar óf quae non praestitit of sed ea (ea vero) non praestitit. Tua aetas ineïdit in id bellum.... Quo tarnen in bello magnam laudem consequebare elt;iuitando, jacu-lando, eet. Ta Hum juvenum con su^udine utëre: qui vero petulantes sunt, eos ])rocul a te remöve. Cujus autem aures veritati clausae sunt, hujus salus desperanda est.

§ 211 Uit de neiging der Latijnen om de zinnen door het relativum te verbinden, moet men het spraakgebruik verklaren, volgens hetwelk vele conjuncties, maar vooral si, nisi en etsi. meermalen met het pronomen quod verbonden worden B.v. Quodsi curam fugimus, virtus fugienda est.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER HET amp;EBRUIK VAN DEN NOMINATIVUS.

§ 212. Het onderwerp staat in den nominativus (behalve in de constructie van den accusativus cum infinitive en van den ablativus ab sol ut us). B.v. Aegyptii condiunt mor-t u o s, de Egj\'ptenaren balsemen dc lijken.

§ 213. Men wordt in het Latijn vertaald:

1°. door het passivum. Vgl. § 97, 98, 102, 109—112.

2°. door den eersten persoon meervoud van verba activa en deponent ia, wanneer algemeen geldende uitdrukkingen ook op den spreker van toepassing zijn. B.v. Men gelooft gaarne, ivat men wense/it, quae vo 1 üm us 1 ibenter credïmus Men leert veel, wat men naderhand vergeet, multa discïmus, quae postea obliviseïmur.

§211—213.

-ocr page 177-

Dubbele noui inativus.

§ 214

167

3quot;. door den dorden persoon meervoud van het activum, wanneer men een gerucht, een opvatting of een alge-in e e n e gewoonte wil aanduiden Deze wijze van uitdrukking is vooral gebruikelijk in het praesens indicativi en wel bijzonder bij de verba d i c u n t, fe r u n t, p e r h ï b e n t, t r a d u n t, aj u n t, n a r r a n t, [) u t a n t, ere d u n t, ook wel bij andere activa en bij deponentia, vooral zoo er vulgo bijgevoegd wordt. B.v. In Jut ■westen vereert men het meest Satnrnus, Saturnum maxime vulgo colunt ad Occident cm. Algemeen wenschte men Pom-öejits geluk, vulgo gratulabantur Pomp e j o.

4°. door den tweede n p e r s o o n e 11 k e 1 v o u d zoowel van den indicativus als van den conjunctivas, wanneer men zich voorstelt tot een bijzonderen persoon te spreken. B.v. Zoo men overeenkomstig de natuur leeft, sal men nooit arm zijn, si ad nat u ram vives, nunquam er is pauper. Men moet alles met beleid doen, a g é r e d e c e t, q u o d a g a s, p r u d e n t e r.

*5°. door quis, quispiam, aliquis, wanneer men in iemand kan veranderd worden, vooral bij het inleiden van een tegenwerping. B.v. Men wordt ter dood veroordeeld, zoo men het opperbevel te lang in handen houdt, morte multatur, si quis diutius imperium retïnet. Hier zou men kunnen vragen, hie quaerat quispiam.

*6°. Men blijft onvertaald, zoo er een verbum impersonale of een infinitivus subjecti wordt gebruikt. B.v. Men zal niet meer onzijdig mogen blijven, medios esse jam non licebit. Het is billijk dat men zijn vriend \'vergiffenis schenkt, ignoseëre ami co aequum est.

Bij een infinitivus objecti wordt men vertaald door het reflexi-vum. B.v. Equidem in senecta hoe deputo miserrimum sentire ea aetate esse se odiosum alteri.

Aanmerking. Zoo bij een infinitivus een bijzin staat, die in het Nederlandsch men tot subject heeft, mag ook de derde persoon enkelvoud van den conjunctivas gebruikt worden. B.v. Nihil mihi praestabilius videtur quam hominum meutes allicëre quo vel it [waarheen men wil). Meer gewoon is hier echter de tweede persoon enkelvoud van den conjunctivus.

§ 214. Een dubbelen nominativus, een van het subject cn een van het praedicaatsnomen hebben :

1». de werkwoorden van zijn, esse, fore, worden, fieri, evadëre, exsistère, geboren word e n , nasci, b 1 ij v e n, manêfe , schijnen, videri, verschijnen, apparêre. B.v. Brutus homo m a g n u s e v a s i t, Brutus is een groot man geworden. Nemo nascitur doctus, niemand wordt geleerd geboren. Scythae i n v i c t i mansërunt, de Seythen zijn onver wonnen gebleven.

* Aan merking. Datgene, waaruit iets geworden of onstaan is, staat in den ablativus met ex of de. B.v. Magister Antonii ex

-ocr page 178-

Dubbele nominativus.

or a to re arator f actus est, de leermeester Tan Anion ins is van redenaar landbouwer geiuorden,

2quot;. de verba passiva, die betcekenen gehouden, geacht, genoemd, gerekend, geoordeeld, verkozen, aangesteld worden. Vgl. § 221. De woorden als, tot, voor worden bij deze verba niet vertaald. B.v. Camillas dictator diet us est, Cam ilIns is tot dictator be 1 wen id. Vulpes callidissimum animal existimatur, de vos zvordt voor een zeer schrander dier gehouden.

* Aanmerking I. Het participium perfectum dezer verba wordt gewoonlijk slechts met een praedicaatsnomen verbonden in den nominativus en accusativus. B.v. Marius hostis judicatus.

Aanmerking 11. De dichters gebruiken audio in de beteekenis van nomïnor, dicor met een dubbelen nominativus. B.v. Rexque paterque audisti, koningen vader sijt gij genoemd. De spreekwijzen male, commöde, bene au dire, in kwaden, tamelijk goeden, goeden naam staan, worden ook in zuiver proza gebruikt. B.v. Erat surdaster M. Crassus; sed aliud molestius, quod male audiebat.

§ 215. Het Nederlandsche werkwoord schijnen kan persoonlijk en onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Gij schijnt braaf te-zijn en het schijnt dat gij braaf zijt. Het Latijnsche werkwoord videri daarentegen mag in de beteekenis van schijnen alleen persoonlijk gebruikt worden. B.v. Videris bonus esse.

Om bij de vertaling uit het Nederlandsch in het Latijn de onpersoonlijke constructie in de persoonlijke te veranderen handelt men aldus: men maakt het subject van den bijzin tot subject van het werkwoord schijnen en plaatst het werkwoord van den bijzin in den infinitivus. Het woordje dat valt weg. B.v. Het schijnt, dat gij geloopen hebt, gij schijnt geloopen te hebben, vidëris cucurrisse. Het scheen, dat zij geslapen hadden, zij schenen geslapen te hebben, videbantur dor mi vis se. Het zal schijnen, dat zvij dwalen, wij zullen schijnen te dwalen, vide-bïmur er rare. Men noemt dit de constructie van den nominativus cum i n fi n i t i v o.

Aanmerking I. Videor wordt ook persoonlijk geconstrueerd in tus-schenzinnen met u t, waar wij zeggen naar het schijnt, zooals het mij voorkomt. B.v. Ego tibi paucis verbis, ut milii videbar, respon-deram. Consiliis, ut videmur, bonis utimur.

Aanmerking II. Videor mihi beteekent het komt mij voor dat ik, ik geloof. B.v. A mens mihi fuisse videor, het komt mij voor, dat ik verbijsterd geweest ben. Fortunatus sibi Damöc 1 es videbatur esse, Damocles geloofde gelukkig te wezen.

Aanmerking III. Videri wordt in de beteekenis van goedvinden

% 215.

-ocr page 179-

Noniinativus cum iufinitivo.

§ 216.

169

onpersoonlijk geconstrueerd; het heeft dan óf een infinitivus óf een accusativus cum infinitive óf ut bij zich. B.v. Dc senaat vntul goed gezanten te zenden, visum est se nat ui mittere legatos ófmitti legatos óf ut mitterentur legati.

Aanmerking IV. Videri wordt door Cicero dikwijls gebruikt in een bijzin om den zin welluidend te doen eindigen. B.v. Restat ut de im-peratore ad id bellum deligendo ac tantis rebus praeficiendo dicendum esse videatur. Hiervan is wel onderscheiden wanneer men videri gebruikt, om zijn meening in een wellevenden vorm uit te drukken. B.v. Ex omnibus saeculis vix tria aut quattuor nomi-nantur paria amicorum: quo in genere sperare videor Scipio-nis et Laelii amicitiam notam posteritati fore.

§ 216. Evenals bij videor wordt de nominativus cum infinitive gebruikt:

1quot;. bij de verba passiva dicor, men zegt, dat ik, perhibcor, men beweert, dat ik, existïmor, putor, men meent, dat ik. B.v. Men zegt, dat ik zal komen, ik word gezegd te zullen komen, dicor venturus esse. Men bezoeerde, dat gij gezegd, hadt, gij werdt beweerd gezegd te hebben, perhibebaris dixisse Men zal meenen, dat zij gestorven zijn, zij zullen gemeend worden gestorven tc zijn, existimabuntur mortui esse.

Aanmerking. In de samengestelde tijden kunnen deze verba ook onpersoonlijk gebruikt worden met een accusativus cum infi-nitivo, en moeten zij onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer de infinitivus bestaat uit een participium met esse, B.v. Tu hoe fecisse putatus es of te hoe fecisse putatum est, men heeft gemeend, dat gij dit gedaan hebt. Plerique invïti hoe fecisse putandi sunt of plerosque invitos hoe fecisse putandum est. Athenas condïtas esse putatum est, niet: Athenae conditae esse putatae sunt.

In de niet samengestelde tijden kunnen deze verba onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer zij geen los gerucht, maar een stellige verklaring te kennen geven. Zij moeten onpersoonlijk gebruikt worden, wanneer zij een dativus bij zich hebben of een demonstrativum, dat op den afhankelijken zin heenwijst. B.v. Nuntiatur hostes in agro Gabino consedisse, men bericht {als zeker\'), dat de vijand zich op Gabijnsch grondgebied gelegerd heeft. De hoc Verri dicitur habere eum per-böna toreumdta, men zegt van hem aan Ver res, dat hij zeer goed vaatwerk heeft. Vgl. § 399 en § 459. 2(\'. A. I.

2quot;. bij de verba passiva van verhalen, feror, narror, trador, maar alleen in den derden persoon enkelvoud en meervoud; somtijds ook met dezelfde beperkende bepaling bij nuntior, in-dïcor, neger, enz. B.v. Romulus regem Amulium inter-emisse fertur, men verhaalt, dat Romulns koning Amnlius gedood heeft. Men verhaalt, dat ik heet t r a d u n t me, men verhaalt, dat gij ferunt te.

-ocr page 180-

Gebruik van den accusativus.

§ 217—218.

I/O

30. bij dc verba passiva jubeor, vc tor, sinor, prohibcor, i n s i m ü 1 o r, c o g o r en a r g u o r, die evenals v i d e o r ook in de samengestelde tijden persoonlijk geconstrueerd moeten worden.

Vgl. § 391-

Aanmerking I. In de constructie van den nominativus cum infinitivo wordt de infinitivus futuri passivi liefst niet gebruikt. Men zegge dus niet imperator videtur laudatum iri, maar gebruike een andere zinswending of een omschrijving met futurum esse of fore ut.

Aanmerking II. Men mag geen doorloopend verhaal schrijven in den nominativus cum infinitivo. Zoo een verhaal met deze constructie begint, moet men bij den tweeden zin reeds overgaan in den accusativus cum infinitivo. B.v. Ad Themistoclem quidam doctus homo acces-sisse dicitur eique artem memoriae pollicïtus esse se traditu-rum. Cum ille quaesisset, quidnam illa ars efficere posset, dixisse illum doctorem, ut omnia meminisset; et ei Themistoclem respondisse gratius sibi illum esse facturum, si se obli-visci, quae vellet, quam si meminisse docuisset.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN ACCUSATIVUS.

§ 217. De verba transitiva, zoowel de deponentia als dc activa, hebben het object in den accusativus. B.v. Romulus condïdit Romam, Romulus heeft Rome gesticht. Petrus men-dacium com ment us est, Petrus heeft een leugen verzonnen.

Aanmerking I. Men lette op het verschillend spraakgebruik van het Latijn en het Nederlandsch. B.v. petëre urbem, naar de stad gaan; mutare v e s t e m , van kleeding veranderen; incipëre a 1 i q u i d, iets of met iets beginnen ; parare b e 11 u m , zich ten oorlog toerusten. Men raadplege steeds zijn woordenboek.

^Aanmerking IJ. Bij sommige verba transitiva wordt het object meermalen uitgelaten. B.v. solvere (pecuniam) betalen, appellëre (navem) landen, movëre (castra) opbreken, sustinère (inpetum) stand houden, flectëre (iter) den koers wenden.

Hiervan is wel onderscheiden, wanneer een transitivum zoogenaamd absoluut staat. Zoo zegt men in onze taal: hij drinkt voor hij is aan, den drank, hij vertelt voor hij doel een verhaal. In het Latijn moet men in zulk een geval dikwijls een omschrijving gebruiken. B.v. Vino dedi-tum esse of indulgëre.

*§ 218. Verscheidene verba zijn in de eene beteekenis transitiva en in de andere intransitiva. B.v.

animadverto a liquid, iets opmerken.

„ in aliquem, iemand bestraffen.

caveo aliquem en ab aliquo, zich voor iemand wachten.

-ocr page 181-

Accusativus bij iutransitiva.

caveo aliquid, ids voorkomen..

,, alicui, voor iemand zorgen.

consülo aliquem, iemand raadplegen.

„ alicui, voor iemand zorgen.

„ in aliquem (graviter), iemand behandelen (op gestrenge wijze), credo aliquid, iets voor waar houden, gelooven.

„ alicui, geloof slaan, gelooven aan iemand of iets.

„ aliquid alicui, iets aan iemand toevertromuen.

cu pi o aliquid, iets begeer en.

,, alicui, iemand genegen zijn.

manco aliquem, op iemand wachten.

,, in aliqua re, in iets volharden.

,, alicui, bij iemand blijven.

metuo ) aliquem, ietnand vreezen.

timeo ^ alicui en de aliquo, voor iemand beducht, bekommerd zijn. modëror aliquid, iets inrichten, besturen.

„ alicui, iemand matigen.

prospicio ) aliquid, iets vooruitzien.

])rovideo $ alicui, voor iemand zorgen.

recipio aliquid, iets op zich nemen.

„ alicui, iemand voor iets instaan.

„ me, /X\' trek mij terug.

tcmpëro aliquid, matigen, regeer en.

„ alicui, aan iets paal en perk stellen, iemand sparen. „ ab aliqua re, zich van iets onthouden.

vol o aliquem, iemand wenschen te spreken.

„ alicui, iemand genegen zijn.

^ 219. Bij sommige verba iutransitiva staat in enkele gevallen een accusativus. Dit geschiedt:

1°. bij de verba van rieken (oleo, redölco) en smaken (sapio, resipio) om de zaak aan te duiden, waarnaar iets riekt of smaakt. B.v. Ole t unguenta, hij riekt naar parfumerie. Ha cc cerc-visia piccm resïpit, dit bier smaakt naar het vat (pek). Evenzoo bij sitire (sanguïnem), naar bloed dorsten; e sur ire (aurum), naar goud hongeren; an hela re (scelus), naar boosheid ademen, op niets denken dan op boosheid; so na re (pingue quiddam), naar iets doms klinken, een onbeschaafde spraak hebben.

2quot;. wanneer het substantivum denzelfden stam of gelijke beteeken is heeft als het verbum en een adjectivum, pronomen of genetivus bij zich heeft. Ook wij zeggen: een strijd strijden, een weg gaan B.v. Mi rum somniavi somnium, ik heb een zonderlingen droom gehad. Hoc b e 11 u m b e 11 a r e, dezen oorlog voeren. Vitam exsülis vivëre, in ballingschap leven.

3° wanneer het een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid is. B.v. Hoe tibi assen tiri non possum, hierin kan ik niet bijvallen. Quid différunt homines a

§ 219.

-ocr page 182-

Dubbele accusativus.

§ 220-221.

172

c o t c r i s a n i m a n t i b u s, waarin verschillen de inenschcn van dc overige bezielde wezens? Stomachor omnia, ik erger mij over alles.

§ 220. Vele verba intransitiva, die een beweging uitdrukken, zooals ire, gaan, currére, loepen, worden door sainen-stelling met praeposities transitiva en regeeren dan den accusativus. Men moet hier twee gevallen onderscheiden.

1(l. De accusativus staat bij alle composita met c i r c u m, per, praeter en trans. B.v. Circumire tentoria, de tenten rondgaan. F am a urbem pervadit, het gerucht verbreidt zich door de stad. Praeter ire aliquid silentio, iets stilzwijgend voorbijgaan Transcendëre murum, over een muur klimmen.

Ook de meeste intransitiva, die geen beweging uitdrukken, worden door samenstelling met circum transitiva. B.v. Circum-sedëre urbem, een stad belegeren. Mu 11a me pericu 1 a cir-c u m s t a n t, vele gevaren omringen mij.

2quot;. De accusativus staat bij vele composita met ad, cum, in, wanneer zij in een gewijzigde beteekenis gebruikt worden. B.v. Adire a 1 iquem , iemand gaan spreken; adireadaliquem, naar iemand gaan. Ad ire urbem, een stad bezoeken; a dire ad u r b e m, een stad naderen. C o n v e n i r e a 1 i q u e m, bij iemand komen om met hem te spreken ; c o n v e n i r e cum a 1 i q u o , met iemand overeenstemmen. Ingrëdi iter, een reis aanvaarden; in-grëdi in orationem, een redevoering aanvangen. Op dezen regel komen vele uitzonderingen voor. Ook worden verschillende intransitiva door samenstelling met andere praeposities transitiva. Het woordenboek zij voortdurend onze raadsman.

§ 221, Een dubbelen accusativus, een van het object en een van het praedicaatsnomen hebben de verba, die beteekenen :

a) tot iets maken (facio, efficio, reddo), benoemen, kiezen, aanstellen (creo, delïgo, elïgo, declaro, designo). B.v. U niversus popü 1 us Ciceronem consü 1 em declaravit, het gansehc volk heeft Cicero tot consul benoemd.

b\') noemen (nomïno, appello, dico, voco), betitelen (inscrïbo), voor iets houden, aanzien, verklaren (duco, existïmo, judico, puto, numero, habeo). B.v. Se nat us Antonium ho-stemjudicavit, de senaat verklaarde Antonius voor een vijand van den staat.

c) als of tot iets hebben, geven, nemen, aannemen (habeo, do, addo, capio, sumo, assumo, adscisco). B.v. Lacedae-

-ocr page 183-

Dubbele accusativus.

§ 222.

173

mo 11 ii regibus suis augürem assessoren! dederunt, de Lacedemoniers gaven aan hun koningen een iviehelaar tot raadsman.

d) leeren kennen als (cognosco). B.v. Cog n o sees me tuae dignitatis fautorem, gij zult mij leeren kennen als een begunstiger uwer ^vaardigheid.

Deze verba worden in het passivum met een dubbelen nominativus gebruikt. Vgl. § 214. 2U.

Aanmerking I. Reddo, maken (iets in een anderen toestand brengen) heeft gewoonlijk slechts een adjectivum tot praedicaatsnomen. In het passivum gebruikt men fio of efficior. 15.v. Themistocles Athenienses rei militaris peritos reddidit en in het passivum: Athenienses a Themistocle rei militaris periti iacti sunt. Men gebruikt altijd fa cere in de uitdrukking facer e aliquem cer-tiorem alicujus rei of de aliqua re, iemand van iets verwittigen, kennis geven

Aanmerking II. Wanneer habeo met een dubbelen accusativus geconstrueerd wordt, heeft het meestal den zin iets aan iemand hebben. B.v. Habeo te ca rum, ik heb u lief (ik heb aan u iemand, die mij dierbaar is). In de beteekenis voor iets houden, als iets beschouwen, gebruikt men in plaats van den praedicaatsaccusativus liever pro met den ablati-vus of (in) loco, (i 11) numero met den genetivus. B.v. Aliquem pro hoste, in hostium numero habere. In het passivum heeft haberi in de beteekenis voor iets gehouden worden een dubbelen nominativus of wat meer gewoon is de bovengenoemde omschrijving. B.v. \\ristides habitus est justissimus. Prodigii loco ea clades haberi coepta est.

Ook bij duco en puto wordt meermalen pro geplaatst. B.v. Pro n i h i 1 o, pro c e r t o p u t a r e , d u c e r e a 1 i q u i d, iets als niets , als zeker beschouwen.

Gewoonlijk staat echter bij duco, puto, judico, existimo en altijd bij credo een accusativus cum infinitivo. B v. Puto te felicem esse, ik hond u voor gelukkig.

Aanmerking III. Bij de verba van nemen, kiezen wordt de zaak, waartoe men iets neemt, ook uitgedrukt door den dativus of door de praepositie ad. B.v. Locum domicilio capere, een plaats tot verblijf nemen Loca pacata ad hibernacula legere, een rustige streek voor winterkwartier kiezen.

Aanmerking IV. Wanneer het object dezer verba een pronomen demonstrativum is, komt dit gewoonlijk in het geslacht en getal van het praedicaatssubstantivum B.v. Kas divitias, earn bonam famam putabant, dit beschouwden zij als rijkdom en als goeden naam. Vgl. § 179.

§ 222. De verba zich betoenen, zich gedragen, zooals se praebere, se praestare, se ostendëre, hebben behalve den accusativus van het pronomen reflexivum nog een accusativus van het praedicaatsnomen. B.v. Crudêlem se praebuit, hij

heeft ziek wreed gedragen.

-ocr page 184-

Dubbele accusativus.

§ 223—224

174

Aanmerking. Bij praestare mogen alleen praedicaatsnomina staan, die iets goeds uitdrukken. B.v. Hon es tos et urbanos vos prae-stitistis, gij hebt 11 fatsoenlijk cn beleefd gedragen. Se gerere wordt in zuiver Latijn alleen met adverbia of met pro verbonden B.v. Ho-neste et urbane vos gessistis. Se gerere pro cive.

§ 223. De verba docere, edocere , lecrcn, onderrichten, de-d o c ë r e, afleer cn , maken dat iemand iets afleert, cn c e 1 a r e, verbergen, hebben behalve den accusativus van den p e r s o o n ook een accusativus van de zaak. B.v Catillnajuventutem mala facinöra edocebat, Catilina leerde dc jongelingen euveldaden. A n t i g ö n u s iter o m n e s c e 1 a b a t, A ntigonus hield zijn tocht voor allen verborgen. Vgl. § 390.

Bij het passivum van deze verba wordt de accusativus van den persoon subject en blijft de accusativus van de zaak. B.v. J u v e n t u s a Catilina mala f a c i n o r a e d o c e b a 111 r, door Catilina zverden aan de jongelingen euveldaden geleerd.

Aanmerkingen. In de beteekenis iemand van iets kennis geven zegt men docere en edocere aliquem de aliqua re.

Met litzondering van het participium perfectum gebruikt men in plaats van doceri en edoceri gewoonlijk diseëre aliquid ah aliquo of institui, imbui, instrui aliqua re.

Bij doctus en edoctus wordt de zaak, waarin men onderwezen is, gewoonlijk uitgedrukt èf door een ablativus óf door een infinitivus. B.v. Doctus et Graecis litteris et Latin is. Graece loqui doctus. Het neutrum der adjectiva van hoeveelheid en der pronomina staat echter in den accusativus. B.v. Edoctus cuncta.

Ofschoon men zegt docere (discere) a r t e m, zoo staat echter het werktuig, waarmede een kunst wordt uitgeoefend, in den ablativus. B.v. Docere aliquem tibia, fidibus, armis, equo, pila.

Wanneer bij cel are de zaak niet wordt uitgedrukt door het neutrum van een adjectivum van hoeveelheid of van een pronomen , staat zij in het activum meermalen en in het passivum gewoonlijk in den ablativus met de. B.v. Bass us noster me de hoe libro celavit, onze Bassus heeft mij in onwetendheid gelaten over dit boek. D e b e s existimare te maxi mis de rebus a fratre esse celatum, gij moet in de meening verkeeren, dat de voornaamste zaken door uw broeder voor u verborgen zijn gehouden.

§ 224. De verba flagitare, poseëre, vorderen, reposcére, terugvorderen, orare, rogare, vragen, verzoeken, en i n t e r r o-gare, vragen, kunnen evenals docere twee accusativi regeeren. B.v. Pacem te poseïmus om nes, wij vorderen allen den vrede van u. C a e s a r frumentum Aeduos flagitabat, Caesar eisehtc koren van dc Aeduers.

Betrekkelijk deze verba valt op te merken, dat zij gewoonlijk slechts dan twee accusativi bij zich hebben. wanneer de accusativus

-ocr page 185-

Dubbele accusativus.

§ 225—226.

WS

der zaak door het neutrum van een pronomen of adjecti-vum wordt uitgedrukt. B.v. Hoe te vehementer rogo, ut famae tuae servias, dit verzoek ik u dringend, dat gij zorgt voor ?izo goeden naam Hoc, quod te interrögo, responde, antivoord op hetgeen ik u vraag.

Aanmerking I. Wordt de zaak niet uitgedrukt door een onzijdig adjeetivum of pronomen, dan zegt men gewoonlijk flagitare, poseëre aliquid ab aliquo, iets vnn iemand vorderen-, rogare, interro-gare aliquem de aliqua re, iemand naar iets vragen.

Bij orare, rogare, verzoeken, bidden, laat men in dit geval óf den accusativus van den persoon weg óf men gebruikt een zin met ut of ne. B.v. f.egatos ad Caesarem mittunt rogatum auxilium of ut ipsis opem ferret. Men vindt echter altijd twee accusativi in de spreekwijze orare (rogare) aliquem sententiam (testimonium), iemand vragen om zijn gevoelen te zeggen [om getuigenis te geven).

In het passivum komt bij deze verba de accusativus der zaak weinig voor behalve in de spreekwijze rogatus (interrogatus) sententiam (testimonium). B.v Scito me non esse rogatum sententiam.

Aanmerking II. Men lette op de gewone constructie der volgende verba: petëre, postul are aliquid ab aliquo, iets van iemand verzoeken, \'eiscken; pre car i aliquem, iemand hidden, aliquid ab aliquo, iemand om iets hidden, aliquid alicui, iemand iets tocwenschen •, quaerere aliquid ab, de, ex aliquo, iets aan iemand vrtgen-, per-contari aliquem de aliqua re of aliquid ex aliquo, iemand over iets uit hoor en.

Aanmerking III Opmerking verdienen de volgende spreekwijzen: adigëre aliquem jusjurandum, iemand een eed laten doen, en veile aliquem aliquid, iets van iemand willen.

§ 225. De verba m o n e r e, a d m o n e r e, vermanen. h o r t a r i, aanmoedigen, c o g e r e, dwingen. a r g u ë r e, i n s i m u 1 a r e, hese huldigen , kunnen naast den accusativus van den persoon nog een onzijdig pronomen of adjeetivum van hoeveelheid in den accusativus bij zich hebben. B.v. D i s ci p u 1 o s id u n u m m o n e o, ut p r a e c e p t o r e s non m i n u s qua m i p s a studia ament, hiertoe alleen vermaan ik de leerlingen, dat zij evenzeer hunne leermeesters als hunne studiën liefhebben. Ille cives id co git om nes. De accusativus der zaak blijft bij het passivum. B.v. Non au dl mus ea, quae ab natura monê-m u r, zvij luisteren niet naar de vermaningen, die wzj van de natuur ontvangen. Om nes voluimus, quod arguimur. Vgl. § 390.

§ 226. De verba trajicio, traduco, transporto hebben naast den accusativus van het object ook den accusativus van de plaats bij zich B.v. Agesi 1 aus Hellespontum co-

-ocr page 186-

Gebruik van den dativus.

176

§ 227—228.

pias trajêcit, Agesilaus voerde zijne troepen over den Hellespont. Dc accusativus van de plaats blijft in het passivum. B.v. Exer-citus a Caesare Rhe n um transportatus est, het leger werd door Caesar over den Rijn gevoerd. Meermalen echter wordt de praepositie herhaald. B.v. A ri ovist us hominum multitudi-nem trans Rhenum in Ga 11 ia 111 traduxit.

VIJFDE HOOFDSTUK OVER HET GEBRUIK VAN DEN DATIVUS.

§ 227. De dativus staat op de vraag aan wicn bij dc verba transitiva, die beteekenen geven, ontnemen, schrijven, berichten, beloven, gebieden en dergelijken. B.v. M it tam t i b i 1 i b r u m, ik zal 71 een boek zenden. Date p a n c ni p a u p e-ribus, geeft brood aan de armen.

Aanmerking I. Van de verba van gebieden zijn uitgezonderd ju beo en veto. Vgl. § 390

* Aanmerking II. Soms gebruikt men in plaats van den dativus de praepositie ad. B.v. Scribere aliquid alicui of ad aliquem, iemand iets schrijven.

§ 228. De dativus staat bij verba transitiva en intransi-tiva op de vraag waarvoor, voor wien (ten wiens voordeel of nadeel). Dativus commödi et incommödi. B.v. Non s c h o 1 a e, s e d v i t a e d i s c ï m u s, wij leer en niet voor dc se hooi, maar voor het leven. Pisistratus sibi non patriae Mega-re nses vicit, Pisistratus overwon de Megarensers voor zich zeiven en niet voor zijn vaderland.

Deze dativus heeft ook de beteekenis van voor in den zin van ter eere van. B.v. Consüli assurgêre, caput a per ire, de semita decedëre solebant.

* Aanmerking I. Wanneer roer den zin heeft van ter verdediging van, ter vergelding van, vertaalt men het door pro Vgl. § 163. 7.

Aanmerking II. De dativus staat meermalen in plaats van de praepositie apud en wel:

i0. wanneer er spraak is van een gewoonte bij zeker volk of zekere klas van menschen. B.v. Barbaris ex fortuna pendet fides, hij de barbaren is de trouw afhankelijk van het geluk.

2U. bij excusare en purgare, zich verontschuldigen (excusare, wanneer men te kort geschoten is zonder schuld, purgare met schuld). Excusare alicui tarditatem litterarum, zich hij iemand verontschuldigen over zijn nalatigheid in het schrijven. Ami co meo me per litter as ea derepurgavi, z/è heh mij hij mijn vriend over die zaak in een brief verontschuldigd.

-ocr page 187-

Dativns etJiicus.

§ 229—230.

177

§ 229. Meermalen staat de darivus der pronomina personalia ter uitdrukking van verwondering, deelneming en wrevel. Dativus ethicus B.v. At tibi repente paucis post diebus venit ad me Caninius, maar, verbeeld 11, daar komt weinige dagen later Canimns onverwachts bij mij. Quid mi hi Celsus agit, hoe maakt het toch mijn Ce Is i/s? Quid hoc sibi vult, mat moet dit beteekenen ?

§ 230. Vele verba intransitiva regeeren den dativus krachtens hunne bot eek en is. Hiertoe bchooren dc verba van nuttier en s c h a d e 1 ij k z ij n, genegenheid en afkeer hebben, h e e r-s c h e n en dienen, behagen en mishagen, vertrouwen en wantrouwen, naderen, dreigen en vertoornd zijn. B.v. Omnibus prod esse v o 1 ü m u s, loij ivillen voor allen nuttig zijn. Nemo omnibus p 1 a c ë r e potest, niemand kan aan allen behagen.

Hiertoe behooren ook auxiliari en opitülari, helpen, bene-dlcëre, zegenen, blandiri, vleien, medëri, genezen, male-dïcëre, vervloeken, nubëre, trouwen, pare ere, sparen, pa-t r o c ï n a r i, beschermen, persuadëre, overreden, overtuigen, s t u d ë r e, naar iets streven, v a c a r e, zich op iets toeleggen (v a-care (ab) aliqua re, vrij zijn van iets).

vervolgens de uitdrukkingen morem gerëre, iemands zin doen, o b v i a m (obvium) ire, te gemoet gaan, p r a e s t o esse, bij de hand zijn, dicto au dien tem esse, gehoorzamen, fidem h a b ë r e, geloof slaan.

eindelijk de impersonalia licet, het staat vrij, li bet, liet lust, aeeïdit, co 11 tin git, evënit, het overkomt, enz. B.v. Quod licet Jovi, non licet bovi. Quantum huic malum aeeïdit.

Sommige dezer verba hebben een dubbele regeering. Zoo heeft het participium perfectum van nubo (Vgl. § 103) nupta a 1 i c u i of cum a 1 i q u o. F i d o en c o n fï d o, vertrouwen, hebben den persoon in den dativus, doch de zaak meest in den ablativus.

Men herinnere zich nog eens (Vgl. § 99), dat deze verba alleen onpersoonlijk in het passivum kunnen gezet worden. B.v. Ne templis quidem ab hoste temperatum est, zelfs dc tempels werden niet gespaard door dc vijanden. Non semper f e 1 ï-c e s sunt, q u i b u s a b h o m i n i b u s i n v i d e t u r, zij, die door dc men se hen benijd worden, zijn niet altijd gelukkig. Persuasum tibi sit of persuade tibi, sermon es fat ui illïus hominis mihi incommodare, wees overtuigd, dat de gesprekken met dien dwaas lastig voor mij zijn.

4e druk. ! 2

-ocr page 188-

Dativiis bij verba composita.

% 231.

178

Aanmerking. Dichters zetten soms een intransitivum persoon! ij k in het passivum. B.v. Vix eqindem credar. Ego cur, acquirëre pauca si possum, invideor?

§ 231. De verba, die samengesteld zijn met ad, ante, cum, in en inter, ob, post, prae, sub en super, hebben, zoo de praeposities hare eigenlijke beteekenis behouden, den dativus bij zich van het nomen, waarop de praeposities betrekking hebben. B.v. Anatum ova gallïnis saepe supponïmus, dikwijls leggen wij eendeneieren onder kippen. Manlius filii caritatem publïcae utilitati posthabuit, Manlins stelde de liefde voor zijn zoon achter het belang van den staat. Nasus ita locatus est, ut quasi murus oculis interjeetus esse videatur, de neus is zoo geplaatst, dat hij als een vinnr tusschen de oogen schijnt gesteld te zijn.

Men lette wel op, dat de praeposities hare e i g e n 1 ij k e beteekenis moeten behouden; dit is echter, vooral bij de composita met ad en cum, dikwijls niet het geval. B.v. Confugëre ad ali-quem, zijn toevlucht tot iemand nemen; approbare senten-t i a m, zijn gevoelen bewijzen.

* Aanmerking I. Bij vele van deze verba wordt in plaats van den dativus de praepositie gevoegd, waarmede zij samengesteld zijn of eene van gelijke beteekenis. Dit is vooral het geval bij de composita met ad, cum en in. Zoo zegt men altijd appellëre classem, navem ad terram, landen met de vloot, met het schip; communi-care aliquid cum aliquo, iemand iets mededeelen; meest altijd inesse in aliqua re. B.v. In hac vita nihil inest nisi mise-ria, in dit leven is niets dan ellende. (In het perfectum zegt men altijd fuit in plaats van infuit).

Interesse alicui rei beteekent bij iets tegenwoordig zijn, maar altijd zegt men interest inter, er is onderscheid tusschen.

Bij vele verba wordt de praepositie herhaald, wanneer zij een plaatselijke betrekking uitdrukt. B.v. Accëdo ad urbem, ik ga naar de stad, maar mihi animus accêdit, ik krijg moed. Incidëre in insidias, in hinderlaag geraken, maar terror exercitui ineïdit, de schrik overviel het leger.

Aanmerking II. Incumbëre heeft in (ad) met den accusativus, zooals in gladium, in (ad) litteras, zich in zijn zwaard storten, zich op de letteren toeleggen. Bij dichters en lateren staat ook de dativus, zooals toro, op een peluw gaan liggen.

Assuescëre, insueseëre, consuescëre zich of iemand aan iets gewennen, regeeren den dativus of ablativus, soms ad met den accusativus.

Acquiescëre, ergens in berusten, regeert soms den dativus, doch gewoonlijk den ablativus en wel meestal met in.

Supersedere, iets laten rusteti, ophouden iets te doen, heeft meer den ablativus dan den dativus.

-ocr page 189-

Dativus hij adjectiva.

% 232—233.

179

Adjacêre, assidêre, adstare hebben gewoonlijk den dativus.

Illudëre bespotten, regeert den accusativus of dativus; insult a r e, hoonen, den dativus of in met den accusativus.

Antecedëre, praecedëre en anteire, overtreffen, hebben den persoon, dien men overtreft, in den dativus of accusativus tn de zaak, waarin men hem overtreft, in den ablativus. Antecel-lëre, excellëre en praestare hebben den persoon, dien men overtreft, in den dativus.

Interdicëre, iemand iets ontzeggen, verbieden, heeft bij den dativus van den persoon óf den accusativus óf den ablativus van de zaak. De laatste constructie komt vooral voor in de uitdrukking interdicëre alicui aqua et igni, iemand in ballingschap zenden. S a c r i f i c i i s interdicëre beteekent verbieden de offeranden bij te wonen, in den kerkdijken ban doen.

§ 232. De verba adspergëre, inspergere, besproeien, cir-cumdare, circum fund ere, omringen, do nare, schenken, im-p e r t i r e, mededeelen, e x u ë r e, uittrekken, i n d u ë r e, aantrekken , en i n t e r c 1 u d ë r e, afsnijden, hebben öf a 1 i q u e m (quid) aliqua re öf alicui aliquid. B.v. Servius Tullius urbem Romam fossis (urbi Romae fossas) circumdëdit, Servius Tullius omringde de stad Rome met grachten. In het passivum luidt deze zin of urbs Roma a Servio Tullio fossis cir-cumdata est öf urbi Romae a Servio Tullio fossae cir-cumdatae sunt.

* Aanmerking I. Impertire heeft gewoonlijk alicui aliquid.

Bij exuere en induere blijft de dativus der pronomina refle-xiva gewoonlijk weg. B.v. Exuo, induo vestem.

Exuere heeft in de beteekenis iemand van iets berooven altijd ali-quem aliqua re.

Aanmerking II. Bij het passivum met reflexieve beteekenis van exuo en induo, alsmede van cingo, omgorden, en accingo, aangorden, staat de zaak, die men uit- of aantrekt, in den ablativus en bij dichters ook in den accusativus. B.v. Induor veste purpurea (vestem purpuream), ik trek een purperen Meed aan.

Somtijds voegen dichters ook bij andere verba passiva een accusativus. B.v. Pueri laevo suspensi loculos tabulamque lacerto, schooljongens, die zich hun schooltasch en schrijfplankje om den linker schouder gehangen hebben. Inductaque cornibus aurum victima, het offerdier, dat men goud om de horens had gebracht. Perque pedes tra-jectus lora tumentes, wien men riemen door de gezwollen voeten had getrokken.

§ 233. De dativus staat bij de adjectiva (en sommige adverbia), die beteekenen nuttig en s c h a d e 1 ij k, geschikt en ongeschikt, aangenaam en onaangenaam, g e m a k k e 1 ij k en moeilijk, gelijk en ongelijk, bevriend en vijandig, bekend en onbekend, nabij, verwant,\'eigen en gemeen,

-ocr page 190-

Dativns bij adjcctiva.

§ 233.

i8o

alsmede bij necessarius, noodzakelijk, obnoxius, onderhevig, honestus, eervol, f o e d u s, afschuwelijk, t u r p i s, schandelijk, en bij de adjectiva op bïlis. B.v. Romulus multitudïni gra-tus fuit, Romulus ims welgevallig aan de menigte. Veritas plerisque molesta atque odiösa est, de waarheid is voor de meesten onaangenaam en lastig. H o m i n u m g e n ë r i u n i-verso cultüra agrorum est salutaris, de landbouw is heilzaam voor het ganse he menschelijk geslacht. Mors est terri-bïlis iis, quorum cum vita omnia exst inguuntur, dood is verschrikkelijk voor hen, met wier leven alles vergaat. Sa-pi e n t i s est naturae c o n v e n i e n t e r v i v ë r e, het is wijs om overeenkomstig de natuur te leven.

Men lette wel op het verschillend spraakgebruik van het Latijn en het Nederlandsch. B.v. amicus mi hi, bevriend met mij; c o m-módus tibi, geschikt voor u; infensus ei, verbitterd op hem; a e q u u s nobis, gunstig gezind jegens ons; alien us alicui rei, afkeerig van iets.

Aanmerking I. Bij de adjectiva van nuttig en schadelijk, geschikt en ongeschikt staat de persoon altijd in den dativus, doch de zaak gewoonlijk in den accusativus niet ad. B.v. Calcei habïles et apti ad pedem, schoenen geschikt en passend voor den voet. Homo ad nullam rem utilis, iemand, die voor niets nuttig is.

Aanmerking II. De adjecriva van gelijkheid en ongelijkheid similis (assimilis, consimilis) en dissimilis hebben bij zaken den gene-tivus of dativus, bij personen meestal den genetivus, doch den dativus, zoo de gelijkheid slechts gedeeltelijk is. B.v. Sommis mortis of morti similis est, de slaap is gelijk aan den dood. Hic adole-scens est pat ris similis, dese jongeling gelijkt sprekend op zijn vader. L. Scipionis nepos patri similis fuit ore, de kleinzoon van Lucius Scipio had juist denzelfden mond als zijn vader. Men zegt echter altijd mei, tui, sui, nostri, vestri similis (dissimilis), mijns gelijke, en veri similis, waarschijnlijk.

Par en dis par worden in de beteekenis van gelijk en ongelijk gewoonlijk met den genetivus der pronomina geconstrueerd. B.v. Me-tellum, cujus paucos pares haec civitas tulit, cum Pisöne non confer am. Zoo zij echter beteekenen tegen iemand {niet) opgewassen, regeeren zij altijd den dativus. B.v. Pares ad ver sari is esse non possumus.

Aequalis heeft den genetivus en dativus.

Aanmerking III. Bij de adjectiva van bevriend en vijandig kunnen ook de praeposities in, erga, adversus geplaatst worden B.v. Benevölus erga aliquem, welwillend jegens iemand.

Amicus, i n i m i c u s en f a m i 1 i a r i s kunnen in den p o s i t i v u s en superlativus als substantiva gebruikt worden en als zoodanig met een pronomen possessivum of met een genetivus verbonden worden. B.v. Homo mihi familiarissimus of familiarissimus

-ocr page 191-

Dativus bij esse.

§ 234-

i8i

rncus, mijn vertrouwdste vriend. Inimicissimus Maecenatis, de .qrootste vijand van Maecenas.

Aanmerking IV. De adjectiva, die n a b ij, verwant beteekenen , worden ook als subs tan ti va gebruikt. B.v. Propinquus me us, mijn bloedverwant. Affinis Caesaris, een aanverwant van Caesar.

Propior en proximus regeeren, vooral in plaatselijke beteckenis, ook den accusativus. B.v. Propior monti of montem, dichter bij den berg. Ubii proximi Rhenum incoluerunt, de Ubii\'rs woonden zeer dicht bij den Rijn. Vgl. § 162. 17.

Affinis heeft in de beteekenis van deelhebbend den genetivus of dativus. B.v. rei capita lis, facinöri.

Aanmerking V. Bij proprius, eigen, en communis, gemeen, staat meestal de genetivus, wanneer het begrip van eigendom op den voorgrond treedt. B.v. Caelum omnium hominum commune est, de hemel (het luchtgewelf) is het gemeenschappelijk eigendom van alle menschcn. Daarentegen o m n i a e t a t i mors communis est, de dood is aan lederen leeftijd gemeen. De pronomina personalia moeten echter altijd in den dativus staan. B.v. Mihi proprium est. Commune mihi aliquid est cum aliquo.

Ook staat de genetivus of dativus bij cognominis, gelijknamig, p e o u lia r is, bijzonder, superstes, overlevend, s a c e r, aan een godheid gewijd (cum genetivo), ten vloek, ten verderve gewijd (cum dativo).

§ 234. Het verbum s u m heeft dikwijls de beteekenis van heb-3 ben, bezitten. In dit geval staat de zaak, welke bezeten wordt, in den nominativus en de bezitter in den dativus. B.v. Non idem semper f 1 o r i b u s color est, de bloemen hebben niet altijd dezelfde kleur. Sunt mihi m u 11 i 1 i b r i, ik heb vele boeken.

Aanmerking I. De bezitter kan ook in den genetivus staan. Hierbij doet zich echter dit verschil van beteekenis voor. Zoo de bezitter in den dativus staat, valt de nadruk op de zaak, die bezeten wordt. B.v. Patri m e o est domus, mijn vader bezit een huis Zoo de bezitter in den genetivus staat, valt de nadruk op den persoon, die bezit. B.v. Patris mei est domus, het huis behoort aan mijn vader.

Aanmerking II. Esse met den dativus mag niet gebruikt worden om het bezit van g e e s t e 1 ij k e en lichamelijke eigenschappen of hoedanigheden aan te duiden. B.v. Themis toe les bezat een groote scherpzinnigheid wordt niet vertaald: Themis to cli magnum consilium fuit, maar: Themistocles (vir) magni consilii fuit óf Themistocles magno consilio fuit óf in Themistocle magnum consilium fuit óf magnumconsiliumfuitThemistoclis.

Aanmerking III. Esse alicui cum aliquo duidt bijna altijd een wederzijdsch of onderling bezit aan. B.v. Est mihi cum f r a t r e t u o a m i c i t i a, c 0 n s u e t u d o, c o n t r o v e r s i a, ik en nw broeder hebben vriendschap, omgang, huist met elkander. Ho mini cum Deo similitudo est. Erant ei veteres inimicitiae cum duobus Rosciis.

Aanmerking IV. Hebben, bezitten wordt ook vertaald door:

-ocr page 192-

Dubbele dativus.

habere, zoowel van stoffelijke als geestelijke goederen.

possidêre, wanneer het stoffelijke goederen zijn cn het eigendomsrecht moet uitkomen. B.v. Sequani partem agri Aeduo-rum, quam vi atc[iie arm is cc per an t, pos side bant.

11 ti, wanneer men dc hoedanigheid van het bezeten voorwerp wil laten uitkomen cn dit een adjectivum, pronomen of nome n appositum bij zich heeft. B.v. Uti bona valetudine, idoneis equis, patre divite. Hannibal So silo litter arum Graecarum 11 sus est d octorc.

§ 235. In de spreekwijs est mihi nomen, ecg nomen, ik heet, ik word bijgenaamd, staat de naam in den nominativus of dativus, zelden in den g e n e t i v u s. B.v. Est mihi nomen Mercurius, Mercurio, zeiden Mercurii, ik heet Mereurius.

Bij nomen, cognomen dare, ad der e, enz. staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel in den accusativus. B.v. Ei cognomen dederunt tardo (tardum), zij hebben hein den bijnaam gegeven van den trage. Bij het passivum staat de naam gewoonlijk in den dativus, ook wel inden nominativus, zelden in den genetivus. B.v. Cognomen ei datum est tardo (tardus, tardi).

Bij nomen en cognomen ha beo staat dc eigennaam liefstin den accusativus, doch een nomen appellativum in den genetivus. B.v. C a t o cognomen h a b cb a t sap ie n tis.

Bij nomine, met den naam, genaamd, staat de naam in denzelfden naamval als het woord, dat hij moet bepalen. B.v. Circa urbem nomine AI bam.

§ 235. Bij het verbum sum staan in de beteckenis van strekken , verstrekken twee dativi, de eene van den persoon op de vraag voor wien of aan wien, dc andere van de zaak op de vraag waartoe. B.v. V i r t u t e s h o m i n i d e c ó r i sunt, dc deugden strekken den menseh tot sieraad. In id studium, in quo estis, incumbïte, ut et vobis honori et amicis u t i I i t a t i et rei p u b 1 i c a e e m o 1 u m e n t o esse p o s s 11 i s.

Deze twee dativi staan ook bij fore, fiéri, darc, geven, m i 11 ë r e, zenden, ire, gaan, venire, komen, p r o fi c i s c i, vertrekken , r c 1 i 11 q u ë r e, achterlaten, alsmede bij de verba van toerekenen, zooals: apponëre, tribuëre, habere, vertëre, ducerc. B.v. Ampla domus dedecórt domino saepe fit, een prachtig huis tvordt den eigenaar dikwijls tot schande. Pau-sanias ven it Attïcis auxilio, Pausanias kwam den At he-

% 235—236.

-ocr page 193-

Gebruik van den genetivus.

183

§ 237—238.

iters te hulp. Quod aliunde habes, tibi laudi ne duxeris,

reken n niet tot eer, wat gij niet van ti zeiven hebt.

•Aanmerking I. Betrekkelijk den dativus van de zaak valt op te merken, dat hij niet in het meervoud mag staan en geen pronomen possessivum of genetivus bij zich mag hebben. Men zegt dus niet: quasdam res alicui donis dare, maar: do no dare. Deze zaak strekt tot uw voordeel is niet: haec res tuo\'commödo est, maar; haec res tibi commödo est. De wetten strekken tot welzijn van alle burgers is niet: leges utilitati omnium civium sunt, maar: leges omnibus civibus utilitati sunt.

*A an merking II. Bij esse, fore, fieri wordt de dativus der zaak soms tot praedicaatsnominativus, bij dare, accipëre, enz. tot praedicaatsaccusativus gemaakt. B.v. Statuas congessit, ne praeda hosti essent. Latini corönam auream Jovi donum mittunt.

Een enkele maal vindt men in of ad in plaats van den dativus. B.v. Re li quit ibi exercitum ad praesidium. Gloria m mihi in crimen v e r t i s.

•Aanmerking III. In verschillende uitdrukkingen wordt de dativus van den persoon meermalen of gewoonlijk weggelaten. B.v. Esse (alicui) argumento, testimonio, tot bewijs, tot getuigenis dienen; a 1 iquid (alicui) pignöri ponëre, iets te pand geven; aliquid do no acci-përe, iets ten geschenke krijgen; diem dieëre colloquio, een dag bepalen voor een inondeling onderhoud; aliquem ludibrio of derisui, con tempt ui habere, iemand voor den gek houden, verachten ; a 1 i q u i d quaes tui, religioni habere, winst uit iets trekken, zich van iets een gewetenszaak maken; receptui canëre, den aftocht blazen.

§ 237. Somtijds hangt een dativus onmiddellijk af van substantiva, die afgeleid zijn van verba, welke den dativus regeeren. B.v. Obtempe-ratio legibus, gehoorzaamheid aan de wetten; insidiae consuli; t r a d i t i o a 11 e r i; ejus h o n ö r i fa u t o r.

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN GENETIVUS. § 238. De genetivus heeft in het Latijn-twee hoofdbeteeke-nissen. Het volgende voorbeeld doet dit duidelijk zien A m o r pat ris kan namelijk beteekenen:

1°. de liefde van den vader, de liefde, welke de vader heeft voor zijne kinderen; in dit geval is de vader het subject, dat bemint. Deze genetivus heet genetivus subjectïvus.

2quot;. de liefde voor den vader, de liefde, waarmede de kinderen den vader beminnen; in dit geval is de vader het object, dat de kinderen beminnen. Deze genetivus heet genetivus objectlvus. Metus hostium recte dicitur et cum timent hostes et cum timentur. In onze taal vindt men een voorbeeld van den genetivus objectivus in de uitdrukking vree ze des Heer en.

7

-ocr page 194-

)

/

184 Genetivus possessivus. § 239—-240.

De genetivus subjectivus heeft weder verschillende betee-kenissen en wordt als zoodanig verdeeld in:

gcnetivtis possessivus. genetivus epexegeticus. „ qualita tis. „ cri mïnis.

„ partitïvus. „ pretii.

§ 239. Genetivus possessivus. Deze genetivus geeft te kennen , van wien iets is of voorkomt. B.v. Vita homi 11 um, het leven der vieuschen (het leven, dat de menschen bezitten). Beneficia Dei, de weldaden Gods (de weldaden, welke voortkomen van God).

In het Nederlandsch kunnen wij hier verschillende voorzetsels gebruiken. B.v. Bellum Gallorum, de oorlog met de Galliërs; urbs Italiae, een stad in Italië; aqua putei, het ivater uit den put. Vgl. § 501.

*A a n m e r k i n g. Meermalen kan men naar verkiezing een genetivus possessivus of een dativus gebruiken. B.v. Id omnium of omnibus in ore est, allen spreken hierover. A li c u i of a 1 i c u j u s ad pedes accidëre, procumbëre, se projieëre, iemand te voet vallen. C a n is of cani eau dam praeeidëre, d e s e c a r e, een hond zijn staart afhakken. Tandem finem fae injuriarum of injuriis, maak toch een einde aan uwe belecdigingen.

§ 240. De pronomina personalia mogen niet in den genetivus possessivus staan, behalve nostrum en v e s t r u m in verbinding met omnium en u tri usque. In plaats van de personalia gebruikt men de possessiva, die in geslacht, getal en naamval met het substantivum overeenkomen. B.v. Domus m e a, het huis van mij of mijn huis. Nostrum o m n i u m n a-tura, dc natuur van ons allen oi ons aller natuur. Voluntati omnium v e s t r u m parui, ik heb aan den zvil van u allen gehoorzaamd. Domus utriusque nostrum aedificatur strenue.

Aanmerking. Wanneer de pronomina possessiva, die in plaats van den genetivus subjectivus der pronomina personalia gebruikt worden, een nomen als nadere bepaling bij zich hebben , wordt dit in den g e-n e t i v u s gezet. B.v. S o 1 ï u s m e u m p e c c a t u m c o r r 1 g i non potest, de misslag van mij alleen kan niet goedgemaakt worden. Urbs nostra am bo rum opëra sal va fuit, door ons beider toedoen is dc stad gered. Tuum hominis simplïcis pectus vidimus. Vgl. § 468. 3quot;.

Dichters zetten op deze wijze ook participia in den genetivus. B.v. Cum mea nemo scripta legat vulgo recitare timentis. In proza gebruikt men in zulk een geval een relatieven zin. B.v. Omnia sunt mea culpa commissa, qui ab his meamari putabam, qui invidebant.

-ocr page 195-

Gcnctivus posscssivus.

§ 241.

185

§ 241. Somtijds wordt het subs tan ti vu m, waarvan ccn gcnctivus posscssivus afhangt, weggelaten. Tot deze substantiva behooren:

1°. filius, soon, filia, dochter, uxor, vrouw, servus, slaafs li bert us, vrijgelatene. B.v. Cicero nis Terentia, Cicero\'s vrouw Terentia. Caecilia Metelli, Caecilia, de dochter van Mc tel Ins. De weglating van filius heeft voóral plaati bij vreemde namen. B.v. Ptolcmacus Lagi. Hannibal Gis go nis.

2°. aedes, templum, fa cum, tempel. Deze substantiva vallen vooral weg, als zij afhangen van de praepositie ad (ook wel a) en gevolgd worden door den naam ecner godheid. B.v. H a b i t a-bat rcx ad Jovis Statoris, de koning ivoonde bij den tempel van Jupiter Stator.

3°. res, negotium, zaak, eigendom, proprium, eigenschap, m u n u s, ambt, taak, opus, werk, officium, plicht, i n d i c i u m, teeken, bij esse, facére, fiëri en bij de verba, die beteekencn ergens voor houden of gehouden worden en schijnen. Deze substantiva worden gewoonlijk weggelaten behalve wanneer de nadruk of de duidelijkheid anders vordert. De gcnctivus met esse kan dikwijls vertaald wórden door moeten, kunnen, passen, vereischen, enz. B.v. Domus est patris, het huis is het eigendom van den vader. Cujusvis hominis est errare, ieder mensch kan dwalen. Populi grati est praemiis afficere bene meritos de republica cives,- ccn dankbaar volk moet de burgers, die zich verdienstelijk hebben gemaakt jegens den staat, beloonen of het past een dankbaar volk. ... te bcloonen. P o p u 1 u s Roman us omnia suae po test at is fecit, het Romeinse he volk bracht alles ondex zijne macht. T e m p ö r i c e d ë r e semper sapientis habïtum -est, voor de omstandigheden tc zo ij ken heeft men altijd voor het \\icrk van een wijs man beschouwd. Boni pastoris est oves tondëre, non deglubërc, het is de plicht van een goeden herder zijn schapen te. scheren, niet te villen.

Hiertoe behoort ook de uitdrukking moris est (est in more, est in more posïtum), hetgeen beteekent,1 dat iets een algemeene gewoonte is, terwijl mos est aanduidt, dat iets een gewoonte is, waarnaar men zich niet algemeen richt.

A a n m e r k i n g. *In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men hier het neutrum der posses si va. B.v. Tuitm est videre, quid agatur, het is de zaak van u (uw zaak) tc zien wat cr gebeurt. Quae an tea patris fuerunt, nunc mea sunt, hetgeen vroeger aan mijn vader toebehoorde is thans het eigendom van mij.

Ook hier staat een nader bepalend nomen in den genetivus. B.v.

-ocr page 196-

Genetivus qualitatis.

Meum consülis est vigilare, als consul is het mijn plicht te waken. Vgl. § 240. Aanni.

§ 242. Genetivus qualitatis. Deze genetivus dient om de hoedanigheden of eigenschappen van een persoon of zaak aan te geven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van ol met. B.v. Pavo avis est eximiae pulchritudïnis, dc pauzv ts ecu vogel van buitengezvone schoonheid. Puer bonae indölis b o n ï q u e i n g e n i i maximum p a t r i s est g a u d i u m, een kind met een goed karakter\' en een goed verstand is dc grootste vreugde van een vader. P1 u r i m a r u m p a 1 m a r u m v e t u s gladiator, een oud zwaardvechter, die vele overwinningen behaald heeft. Non multi cibi accipies hospïtem, sed multi joci, gij zult een gast ontvangen. die weinig eet en veel schertst.

De genetivus qualitatis moet altijd een adjectivum (pronomen, numerale, participium) bij zich hebben. Een man van verstand is dus niet homo ingenii, maar homo ingeniosus of homo m a g n i ingenii; een man van jaren niet v i r a n n o r u m, maar vir provectiöris aetatis

*A an merking I. Tot den genetivus qualitatis behooren ook de verbindingen van modi met een pronomen. B.v. Hujusmödi libri, zoodanige boeken. A p Él ge istiusmödi salute m, weg met zulk ccn behoud De genetivus cuicuimödi (Vgl § 83) mag slechts gebruikt worden met esse.

Aanmerking II. De volgende woorden staan in den accusativus in plaats van in den genetivus qualitatis:

secus virile of muliëbre. B.v. Liberorum capitum virile secus ad decern mil ia capta sunt, er zijn omtrent tien duizend vrije lieden van het mannelijk geslacht gevangen genomen.

libram of libras in verbinding met pondo. B.v Corona aurea libram pondo, tres libras pondo, een gouden kroon van één (drie) pond gewicht. Men gebruikt echter meestal pondo zonder libram of libras. In dit geval staat het onverbogen met een telwoord in den accusativus of genetivus. B.v. Torques aureus duo pondo, ccn gouden keten van twee pond. Corona aurea pondo ducentum (= ducentorum), een gouden kroon van twee honderd pond.

somtijds genus met id, illud, hoc, quod, omne. B.v. Pavönes pascuntur omne genus frumento, pauwen eten alle graansoorten (graan van alle soort). Seis me oratio nes au t aliquid id genus solitum scribëre, gij weet dat ik gewoonlijk redevoeringen of iets dergelijks schrijf. Ook vindt men id of illud aetatis voor ejus of illius aetatis. B.v. Homo id aetatis, een man van dien leeftijd.

§ 243. De genetivus qualitatis staat ook bij esse, fieri, habëri en dergelijken met uitlating van homo of res. Wij gebruiken hier dikwijls het werkwoord hebben of bezitten. B.v. Non est sanae

% 242 -243.

-ocr page 197-

Genetivus partitivus.

§ 244—245-

187

mentis, qui D e u 111 esse n e g a t, hij heeft geen gezond verstand, die het bestaan van God ontkent. Critognatus inagnae auctoritatis habitus est, Critognatns werd voor een man van grooten invloed gehouden.

*Bij de verba sentiendi et dcclarandi kan ook esse wegblijven. Kv.

Esse Deum ita perspicuum est, ut, id qui neget, vix cum sanae mentis existïmem.

Aanmerking. Men wachte zich wc) om liet bezit van stoffel ij kc goederen uit te drukken door esse met een genetivus qualitatis en liet bezit van eigenschappen cn hoedanigheden door esse met een dativus. Vgl § 234. Aanm. II.

§ 244. Genetivus partitivus. Deze genetivus staat in het algemeen bij woorden, die een deel van een geheel aangeven. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels van, uit, onder. B.v.

P a u c i h o m i 11 u m s o r t e sua c o n t e n t i sunt, iveinigen onder de mensehen zijn niet hun lot tevreden. Anima Hum alia sunt mansueta, alia fera, van de dieren zijn sommige tam, andere wild of sommige dieren zijn tam, andere ivild.

Van de pronomina personalia gebruikt men de vormen nostrum en vestrum en in plaats van den genetivus pluralis sui ex se of suorum. B.v. Nemo vestrum hoe ignorat,

niemand niver weet dit niet. Paucos ex se (of suorum) mise-runt, zij zonden eenigen uit hun midden.

§ 245. De woorden, die een genetivus partitivus bij zich heb- V

ben , zijn: \'

iquot;. de substantiva, die een maat, gewicht of hoeveelheid !

aanduiden. B.v. Modius tritïci, een maat tanve. Libra far ris, een pond meel. Magna vis a u r i, een groote menigte goud.

2°. de numeralia en de pronomina en adjectiva van hoeveelheid, zooals: pauci, multi, uter, alter, neuter,

quis, quot. B.v. Equïtum centum quinquaginta intcr-f e c t i sunt, van de ruiters zijn er honderd en vijftig gedood.

Quis h o m i n u m sine 1 a b ö r e c 1 a r u s e v a s i t, wie der mensehen is zonder werken beroemd geworden ? Nihil tam absurde dici potest, quod non dicatur ab aliquo philosopho-r u m, men kan niets zoo dwaas zeggen, dat niet gezegd wordt door den een of ander der wijsgeeren.

*Aanmerking I. Het substantivum, dat het geheel aanduidt,

kan ook in plaats van in den genetivus partitivus te staan, met het numerale, pronomen ofadjectivum van hoeveelheid in naamval overeenkomen. De beteekenis is dan echter niet geheel dezelfde.

-ocr page 198-

Gcnctivus partitivus.

S 245.

i88

Zoo men namelijk zegt multi militum ceciderunt, dan beschouwt men de soldaten in betrekking tot andere soldaten. Zegt men echter multi milites ceciderunt, dan stelt men de soldaten tegenover andere menschen. Het Latijn komt hier juist met het Nederlandsch overeen

Uterque maakt evenwel een uitzondering. Dit woord wordt altijd verbonden met een g e n e t i v u s partitivus van een pronomen, behalve wanneer het een pronomen relativum van het onzijdig geslacht is en wanneer uterque in het meervoud staat. B.v. Uterque n o-s t r u m, wij beiden /uterque h o r u m, zij heiden ; quorum uterque, die heiden; doch quod utrumque, hi utrïque. Is uterque verbonden met een substantivum, dan moet het hiermede in gesl ach t, getal en naamval overeenkomen, ook al staat er een pronomen bij. B.v. Uterque frater, beide broeders. Uterque ille dux.

Plerïque wordt liefst niet met een genetivus partitivus verbonden. B.v. quod plerique omnes faciunt adolescentuli, wat meest alle of de allermeeste jongelingen doen. Vgl. § 175. Aanm. I.

Aanmerking II. De genetivus partitivus wordt niet gebruikt:

d) wanneer in het Nederlandsch achter de eigenlijke of oneigenlijke telwoorden, zooals; een, twee, geen, velen, weinigen, meerderen een genetivus met een pronomen p 0 s s e s s i v u m staat. B.v. Ik heb geen meer brieven ontvangen, nullam ep is tol am tuam aeeëpi. Vergeet geen mijner woorden, noli ullum dictum meum oblivisci. Weinigen uwer vrienden, pauci amici tui. Ik heb dit nit vde uwer schriften vernomen, i 11 ud ex mu 11is tuis 1 ibris cognovi. Een mijner vrienden, amicus me us. Nostrae naves duae in ancöris con s tit e-r u n t.

/\') wanneer het woord van hoeveelheid het aantal van het geheel aangeeft. B.v. De af deelingen van het Romcinsche volk, waarvan er vijf en dertig waren, werden verdeeld in stedelijke en landelijke, tribus R o m a 11 a e , quae t r i g i n t a q u i n q u e f u e r u n t, dividebantur in urbanas et rustïcas. Corona audientium, quos video muitos wil zeggen, dat ik een talrijke schare van toehoorders zie; quorum video mul tos, dat ik velen van mijn toehoorders, maar niet allen zie. Let ook op de volgende zinnen. Met hoevelen zijt gij, quot estis? Wij zijn met niet meer dan honderd, non plures sumus quam centum.

e) wanneer de deelen van het geheel worden aangegeven door q u i s-q u e, uterque, pars... pars, alius... alius, alter... alter, alius alium, alter alterum, enz. en het geheel vooral moet uitkomen. B.v. Capti ab Jugurtha pars in crucem acti, pars bestiis objecti sunt. Nostri repentino metu perculsi, sibi quisque pro moribus consulunt. Decemviri perturbati alius in a li am partem castrorum dis cur runt. Enkele malen richt zich het praedicaat niet naar het subject, maar naar de als appositie bijgevoegde deelen en staat alsdan altijd daarachter. B.v. Pictöres et p o ë t a e s u u m quisque opus a v u 1 g o c o n s i d e r a r i vult. Duo consules ejus anni alter ferro, alter morbo periit.

a) wanneer het woord van hoeveelheid wordt uitgelaten. B.v. Geef hem van de boenen is niet da ei fabarum, maar da ei de fabis.

-ocr page 199-

Genetivus partitivus.

3°. de adjectiva en adverbia in den superlativus of in den com parat iv us, wanneer deze in plaats van den superlativus gebruikt wordt, benevens eenige adjectiva in den positivus, die de beteekenis hebben van een superlativus, zooals: p r i n c e p s, de eerste, m e d i u s, de middelste, r e 1 ï q u u s, overig. B.v. V a r r o doctissimus fuit Romanorum, Varro is de geleerdste der Romeinen geweest. Major fratrum melius pugnavit, de oudste der (twee) broeders heeft het beste gestreden. Non sine causa dii hominesque hunc condendae Romae locum e 1 e g e r u n t, r e g i o n u m 11 a 1 i a e medium, niet zonder reden hebben de goden en de rnensehen voor het stichten van Rome deze plaats gekozen in het midden der landstreken van Italië. Cicero omnium oratorum Latine loquitur c 1 egantissime, Cicero spreekt van alle redenaars het sierlijkst Latijn.

Aanmerking I. *De dichters en geschiedschrijvers gebruiken de super-lativi primus, postremus, u 11imus, novissimus, summus infimus, imus, intimus, extremus, enz. alsmede de positivi me-dius, relïquus, enz. meermalen als enkelvoudige onzijdige substantiva en laten er dan een genetivus partitivus van afhangen. B.v. Extremum aetatis, het laatste {gedeelte) van het leven; relïquum noctis, het overige {gedeelte) van den nacht; medium anni, het midden van het jaar. De beste prozaschrijvers echter gebruiken deze superlativi en positivi, wanneer zij een deel van een geheel aanduiden, als adjectiva en zeggen extrema aetas, reliqua nox, m e d i u s a n n u s. Zij plaatsen deze adjectiva in dit geval altijd vóór het substantivum. B.v. Sol in medio mundo situs est, de zon is in het midden der wereld geplaatst. Quis est hic senex,quem video in ultima p 1 a t e a, wie is die grijsaard, dien ik daar zie op het einde van de straat? Prima luce summus mons a La bi êno tenebatur, bij het begin van den dag werd de top des bergs door Labienns bezet. Zoo deze adjectiva achter het substantivum staan, hebben zij dezelfde beteekenis als in het Nederlandsch. Zoo is media urbs het midden do-stad, doch urbs media de middelste stad.

Somtijds gebruiken ook Cicero en Caesar sommige superlativi en positivi in het neutrum plu rale als substantiva met een genetivus partitivus. B.v. Summa pectöris, de bovenste gedeelten van de borst; cujusque artis difficillima, de moeielijkste punten van iedere kunst; in occult is ac recondïtis templi, in de geheime en verborgen plaatsen van den tempel.

Aanmerking II. *Somtijds wordt bij telwoorden en adjectiva van hoeveelheid en meermalen bij comparativi en superlativi de genetivus partitivus vervangen door de praeposities inter, ex, ook wel de, in, nooit a. B.v. Ex nostris militibus ci re it er Septuaginta ceciderunt, van onze soldaten zijn er omstreeks zeventig gesneuveld. Inter maxima vitia nullum est frequentius quam ingrati animi, van de grootste misdaden is er geen meer gewoon dan die der ondankbaarheid. Acerrimus ex omnibus nostris sensibus

§ 245-

-ocr page 200-

Genetivus partitivus. § 245.

est sen sus vide 11 di, het scherpste van al onze zintuigen is het gezicht.

De praepositie ex, de (soms in) is noodzakelijk, wanneer het geheel wordt voorgesteld door een substantivum met een numerale of door een numerale alleen. B.v. Optimus ex viginti fund is, het beste der twintig landgoederen. De tribus hoc extremum est, dit is het laatste van de drie. Cicero en Caesar verbinden unus altijd met ex of de, wanneer het niet gevolgd wordt door alter of alius. B.v. Unus de multis. Wordt het echter door een dezer beide woorden gevolgd, dan gebruiken zij een genetivus partitivus. B.v. Gallia est omnis divïsa in partes tres, quarum unam incölunt Belgae, aliam Aquitani, tertiam Celtae.

*4°. de adverbia van hoeveelheid, wanneer zij als substan-tiv a gebruikt worden, zooals: abunde, affatim. overvloedig, pa rum, te weinig, nimis, te veel, satis, genoeg, partim deels B.v. Nonnul li oratores nimis insidiarum ad capiendas aures adhibent. Crassus in summa comitate habebat etiam severitatis satis. Bij nomina concreta gebruikt men satis liever met een adjecti-vum dan meteen genetivus partitivus Zoo zegt men beter satis multi .milites dan satis militum, beter satis magna pecunia dan satis pecuniae.

Aanmerkingen. De adverbia van plaats u b i, u b i c u n q u e, nusquam, usquam, unde, hie, hue, eo, aliquo nemen soms ter versterking van hunne beteekenis de genetivi gentium, terrarum, loei, loco rum bij zich. B.v. Ubi gentium es, waar ter wereld zijt gij? Nusquam terrarum invenïtur homo omnibus partibus felix, nergens ter wereld vindt men iemand, die onder alle opzichtc7i gelukkig is.

Algemeen gebruikelijk is de spreekwijze quoad ejus fieri potest, face re possum, in zoover zulks kan geschieden, zoo goed mogelijk. B.v. Causas hujus rei investigavi, quoad ejus fieri potuit. Velim, ne intermittas, quoad ejus facere poteris, scribere ad me, etiam si rem, de qua scribas, non habebis.

De adverbia eo, quo, hue en adeo worden door sommige schrijvers in de oneigenlijke beteekenis van graad, trap met een genetivus verbonden. B.v. Ipsi nescire videmini quo amentiae progressi sit is, zelf schijnt gij niet te roeten tot welk een graad van waanzinnigheid gij gekomen zijt. Eo audaciae processerat, tot zulk een trap van vermetelheid was hij gekomen. Cicero en Caesar zullen hier zeggen ad e am (tantam) audaciam of tantum audacia processerat.

Niet navolgenswaardig zijn de tijdsbepalingen postea loei, naderhand, interea loei, intusschen, adhuc locorum, tot nu toe, tum temporis, toen.

50. *de volgende onzijdige pronomina en adjectiva van hoeveelheid: hoc, id, illud, istud, idem, quid en quod met hunne composita, aliud, amplius, multum, plus, plurimum, minus, minimum, paulum, paulülum, nimium, dimidium, tantum, zooveel, quantum, hoeveel, tantülum, zoo weinig, quan-ttilum, hoe weinig, tantundem, even zooveel, aliquantum, vrij wat, alsmede nihil, niets. (Magnum en parvum worden nooit, exi-guum hoogst zelden aldus geconstrueerd). B.v. Homo sum, humani nihil a me alienum puto.

*Deze woorden mogen echter slechts dan een genetivus partitivus bij

-ocr page 201-

Gcvctivus partitiviis.

§ 245-

191

zich hebben, wanneer zij in den nominativus of accusativus staan en niet afhangen van een praepositie. B.v. Quid injuriae tibi factum est, we//! onrecht is v geschied? Sol nobis omnibus idem lucis et caloris largitur, de zon geeft ons allen evenveel licht e7i warmte. F1 ami n ius id tantum hostium, quod ex ad verso erat, conspexit, Flaminivs zag slechts dat gedeelte der vijanden, dat tegenover hem stond. Dimidium facti, qui bene coepit, habet, een goed begin is het halve werk. Men mag echter niet zeggen per mul-tum temporis in plaats van per multum tempus; niet in hoe opere m in imo con si 1 ii us as e\'s in plaats van in hoe opere m i-nimo consi 1 io usus es. Soms echter vindt men ad , zooals ad mu 1-tum diei (ad multum diem); ad id loci, aetatis,audaciae (ad eum locum, ad eam aetatem, audaciam).

Niet enkel substantiva mogen bij deze woorden in den genetivus partitiviis staan, maar ook enkel voudige onzijdige adjectiva van de tweede declinatie. B.v. Aliquid novi, iets nieuws Nihil sincêri, niets oprechts. Wanneer van deze adjectiva een ander woord afhangt, zooals: nihil fide sua indignum fecit, hij heeft niets gedaan, dat zijne trouw onwaardig was, of wanneer de bovengenoemde woorden als adverbia gebruikt worden, zooals: nihil te dignum invenio,-\' ik bevind u volstrekt niet waardig, mag de genetivus partitivus niet gebruikt worden.

De adjectiva der derde declinatie, alsmede alius mogen niet in den genetivus partitivus gezet worden, maar moeten met het onzijdige pronomen of adjectivum van hoeveelheid overeenkomen in geslacht, getal en naamval. B.v. Niets anders, nihil aliud. hts hemelsch, aliquid caeleste. Slechts één geval is uitgezonderd, wanneer namelijk een adjectivum der derde declinatie verbonden is met een adjectivum der tweede declinatie, dat in den genetivus partitivus voorop staat. B.v. Aliquid divini etcaelestis. Ook met herhaling van het regeerende woord: nihil solïdi, nihil expressi, nihil eminentis Men kan echter evengoed zeggen aliquid divinum et caeleste en moet dit doen, wanneer het adjectivum der derde declinatie voorop staat. B.v. Aliquid caeleste et divinum.

Aanmerking. De adjectiva der tweede declinatie behoeven bij deze woorden niet in den genetivus te staan. Men kan evengoed zeggen aliquid novum als aliquid novi; de eerste uitdrukking doet echter meer de qualiteit, de laatste meer de quantiteit uitkomen.

Behalve plus, tantundem en quid met zijn composita kunnen deze pronomina en adjectiva van hoeveelheid ook als adjectiva gebruikt worden. Hoe negotium is evengoed als hoe negotii, multum tempus evengoed als multum temporis. Men moet echter altijd zeggen plus hostium, zoo men geen p 1 ures hostes wil gebruiken , quid rei, zoo men niet liever zegt quae res.

Tantum, quantum is in de beteekenis zoo groot, hoe groot, altijd adjectivum. B.v. Tantum negotium, een zoo groote zaak; tanti homines, zoo groote menschen; in de beteekenis zooveel, hoeveel altijd subs tan tivum. B.v. Habes tantum librorum, quantum ego vix hominum vidi, gij bezit zooveel boeken, als ik nauwelijks menschen heb gezien.

-ocr page 202-

Gcnctivus criminis.

§ 246—248.

192

§ 246. Genetivus epe xegeticus. Met dezen naam duidt men den genetivus aan, die in sommige gevallen de plaats vervangt eener Nederlandsche appositie. Vgl. § 194.

§ 247. Genet i v u s criminis. In dezen genetivus staat (gewoonlijk met uitlating van erimine of nomine) de naam van de misdaad bij de verba van beschuldigen, aanklagen, overtuigen, veroord celen en vr ij spreken, alsmede bij de adjectiva en participia reus, noxius, schiddig, innoxius, insons, onschuldig, compcrtus, manifestus, overtuigd. B.v. Aliquem ambitus, falsi, parricidii accusare, defer re, post u la re, iemand aanklagen of beschuldigen van kuiperij, vervalsching, onder moord. Aliquem damnare of condemn a r e p e r cl u e 11 i o n i s, s a c r i 1 e g i i, iemand vcroordeclen om landverraad, tempelroof. Aliquem absolvëre capitis, iemand vrijspreken van de doodstraf (van een misdaad, waarop de doodstraf staat).

Wanneer de misdaad niet bepaald wordt aangegeven, moeten de ablativi crimine of nomine gebruikt worden. B.v. Si inïquus es in me judex, condemnabo e o d e m ego te c r i m i n e, zoo gij voor mij een onrechtvaardig rechter zijt, zal ik n om dezelfde misdaad vcroordeclen.

Meermalen staat in plaats van den genetivus criminis de praepo-sitie de. B.v. De majestate accusare aliquem, iemand beschuldigen van een vergrijp tegen de waardigheid van den staat. Deze praepositie is noodzakelijk, wanneer de genetivus van een woord niet bestaat. B.v. De vi coarguére aliquem, iemand aanklagen van verzet tegen den staat.

*Aan merking. Wanneer accusare, incus are, berispen, zich beklagen beteekenen, hebben zij gewoonlijk den naam van de misdaad in den accusativus en van den persoon in den genetivus. B.v. Inertia m accüsas adolesce ntium, gij berispt de Jongelingen over hmmc vadsigheid.

§ 248. Den naam der straf, waartoe iemand veroordeeld wordt, drukt men bij damnare en c o n d c m n a r e uit door capitis (ook capite, een enkele maal mor te, nooit mortis), ter dood, quanti, tot hoeveel, dupli, quadrüpli, octüpli, tot een dubbele, vierdubbele, acht dubbele boete. B.v. Maj or es nostri in legibus posuerunt, furem dupli condemnari, foenera-torem quadrupli.

*A a n m e r k i n g e n. Bepaalde geldsommen staan altijd in den ab 1 ativus. B.v. Aliquem damnare decem milibus aeris, du-

-ocr page 203-

Genetivus objectives.

§ 249—250.

193

centis florënis, iemand veroordeelen tot tienduizend as, twee honderd gulden.

Andere genetivi en ablativi komen bij goede prozaschrijvers niet voor. Zoo de straf op deze wijze niet kan worden uitgedrukt, gebruikt men een omschrijving en wel meestal met mul tare, straffen, waarbij de straf in den ablativus staat. B.v. Hij werd tot gevangenis veroordeeld, damnatus et in carcërem (vincüla) conjectus est. Hij werd veroordeeld tot een geldboete, tot ballingschap, om gegeeseldte worden, dam n a-tus et pecunia, exsilio, verberibus multatus est.

In het zilveren tijdvak zeide men ook damnare aliquem in ex-pensas, ad bestias, in metalla, iemand veroordeelen tot de kosten, tot een dierengevecht, tot mijnarbeid.

Voti (votorum) damnatus beteekent iemand, die zijn wensch verkregen heeft.

§ 249. Gene tivus pretii. Bij de verba van schatten en achten (aestïmo, facio, puto, habeo, duco, pende) staan de volgende adjectiva in den genetivus, om aan te duiden hoe hoog iets geschat of geacht wordt: m a g n i (niet multi), hoog, pluris (niet majoris), hooger, plurimi, maxi mi, zeer hoog, of het hoogst, permagni, zeer hoog, parvi, gering, minoris, geringer, minimi, zeer gering of het geringst, t a n t i, zoo hoog, quanti, hoe hoog, tantïdem, even hoog, quantïvis, alles waard, quanticunque, hoe hoog ook. B.v. Voluptatem virtus minimi .facit, de deugd acht het zinnelijk genot zeer gering. Quanti quisque se ipse facit, tanti fit ab amicis , een ieder wordt zoo hoog door zijn vrienden geacht als hij zich zeiven acht.

Aanmerking. Om in de taal van het gezellig verkeer aan te duiden, dat men aan iets volstrekt geen waarde toekent, voegt men bij de verba non facere, non habere, non putare, non ducere de genetivi assis, een as, teruncii, het vierde eener as, flocci, een vlok, n a u c i, een schil, p i 1 i, een haar, h u j u s, dit. B.v. S e r v u m no n nauci facio, ik acht den slaaf geen zier, geen duit waard.

Ook vindt men soms nihïli in plaats van pro nihïlo habere, putare, ducere. Vgl. § 221. Aanm. II. Vervolgens aliquid aequi of aequi bonique facere, aliquid boni consulëre, iets voor lief nemen, ergens mede tevreden zijn.

§ 250. Geneti v u s o b j e c t i v u s bij s u b s t a n t i v a. Deze genetivus staat bij alle substantiva, die een handeling of gewaarwording te kennen geven, welke op een of ander object overgaat. Wij gebruiken gewoonlijk de voorzetsels tot, naar, jegens, op, in, tegen, enz. B.v. Cupidïtas pecuniae, begeerte naar geld. Taedium laböris, verdriet in den arbeid. Fiducia virium suarum, vertrouwen of zijn krachten. Incitamentum honöris, een prikkel tot eer. Appetentia cibi, verlangen naar spijs. Potestas vitae necisque, macht over leven en dood.

4e druk, 13

-ocr page 204-

Genetivns objecthuis.

% 251—252.

194

Aanmerking. Een Nederlandsch samengesteld zelfstandig naamwoord wordt in het Latijn dikwijls vertaald door twee sub-sta n t i v a, waarvan het eene in den genetivus possessivus of objectivus staat. B.v. De handelsstand, ordo mercatorum. Krijgstooneel, belli sedes. Eerzucht, cupidïtas gloria e. Waarheidsliefde, veritatis a mor.

§ 251. Bij den genetivus objectivus gebruikt men gewoonlijk de pronomina personalia mei, tui, sui, nostri, vestri (nooit nostrum, vestrum). B.v. Desiderium mei, het verlangen naar viij. Mem or ia nostri, de herinnering aan ons. A mor sui, eigenliefde.

Aanmerking I. De uitdrukking pars mei, tui, nostri, vestri, zooals: nostri pars me Hor animus est, ons beste deel is de ziel, moet als genetivus objectivus verklaard worden.

Aanmerking II. Meermalen worden de pronomina possessiva gebruikt in plaats van de personalia in den genetivus objectivus. B.v. Invidia tua, nijd tegen 11. Ipse suus fuit accusator, hij is de beschuldiger geweest van zich zeiven. Vos oramus ut memoriam no-stram perpetuo servetis, wij bidden u de herinnering aan ons altijd te bewaren. Habenda ratio non sua solum, sed etiam aliorum, men moet niet alleen op zich zeiven, maar ook op anderen acht slaan.

Aanmerking III. Meermalen komen de pronomina demonstra-tiva, interrogativa en relativa, in plaats van in den genetivus possessivus of objectivus te staan, als attributum met het regeerende substantivum overeen. B.v. Hie dolor animum meum fregit, de smart hierover heeft mijn hart gebroken. Qua admiratione tenêris, waarover verwondert gij ut Quae pulchritudo major est quam v i r t u t i s, de schoonheid van deze zaak is grooter dan die der dapperheid. Scaevöla in eo numero fuit, qui Porsënam interimëre para t i e r a n t, Scaevöla behoorde tot het getal van diegenen, welke Forsena wilden dooden. Amicitia est ex eo genere, quae vitam beatam reddunt, de vriendschap behoort tot die soort van zaken, welke het leven gelukkig maken.

*§ 252. Zooals uit § 238 bleek kan men soms bij de verbinding van sommige substantiva met een genetivus niet zien of het een genetivus subjectivus of objectivus is. Gewoonlijk zullen de overige woorden van den zin deze dubbelzinnigheid opheffen. Zoo kan sine metu hostium esse alleen beteekenen: zonder vrees voor de vijanden zijn. Injuria inimicorum me infelicem reddïdit kan eveneens slechts den zin hebben : het onrecht, dat mijne vijanden mij aandeden, heeft mij ongelukkig gemaakt. Wordt de dubbelzinnigheid echter niet opgeheven door het zinverband, dan gebruikt men een praepositie of een omschrijving. B.v. Piëtas erga parentes of pietas, qua liberi parentes venerantur, praeclara est virtus.

Ook buiten het geval van dubbelzinnigheid gebruikt men meermalen in plaats van den genetivus objectivus van personen (niet van zaken) een

-ocr page 205-

Genetivus objectivus.

§ 253—254-

195

praepositie bij de substantiva van genegenheid en afkeer, van vriendschap en vijandschap. Vooral geschiedt dit, wanneer het regeerende substantivum een pronomen possessivum bij zich heeft of zelf in den genetivus staat. B.v. Me us erga te amor. Si quid amoris erga me in te resïdet.

Zoo men geen praepositie gebruikt in geval de eene genetivus van den anderen afhangt, zorge men voor een duidelijke woordplaatsing. B.v. Non alia ulla fuit causa intermissionis epistolarum, nisi quod ubi esses, plane nesciebam.

§ 253. De genetivus staat gewoonlijk achter het regeerende nomen behalve wanneer de nadruk op den genetivus valt. B.v. Mors fratris tui acerbissima mihi fuit. Atheniensium urbs omnium artium fuit inventrix. Animi motus, hartstochten. Terrae mo-tu s , aardbeving. Belli fortuna, krijgsgeluk. Corporis voluptates, zingenot.

Behoort één genetivus bij twee nomina, dan staat hij óf vóór het eerste nomen öf achter het tweede óf achter het eerste. B.v. Cae-saris fortitudo et prudentia óf fortitudo et prudentia Cae-saris óf fortitudo Caesar is et prudentia.

Behooren twee door een copula verbonden genetivi bij één nomen/\' dan staan zij beiden voorop óf beiden achteraan óf het nomen wordt gevoegd tusschen den eersten genetivus en de copula. B.v. Caesaris et Ciceronis orationes óf orationes Caesaris et Ciceronis öf Caesaris orationes et Ciceronis.

Zoo een genetivus subjectivus en een genetivus objectivus bij één substantivum staan, komt gewoonlijk de genetivus subjectivus voorop, en dan óf het substantivum óf de genetivus objectivus, naarmate het zinverband vordert. B.v. Helvetiorum injuriae populi Romani, beleedigtngen van dc Helvetiers jegens de Romeinen. Scaevölae dicendi elegantiam satis cognïtam habemus.

§ 254. Genetivus objectivus bij adjactiva. Dezen genetivus regeeren:

io. de adjectiva, die beteekenen begeerig, ervaren, gedachtig, deelachtig, machtig en het tegendeel. Hiertoe behooren:

upïdus |

avïdus !gt; begeerig naar.

studiosus \'

fastidiösus, afkeerig van.

perïtus j

gnarus / ervaren in.

prudens \'

conscius, zich bewust van.

imperïtus {

| onervaren m. rudis \'

ignarus 1 , , ,

itnprüdens * onbekaul viet\' inscius, onbetvust van.

insuêtus i

insölens i ongewoon aan. memor, gedachtig aan. immëmor, ongedachtig aan.

conÏÏr i deelhebbend aan. consors i

iets machtig, meester over. \\ iets niet machtig, impötens \' geen meester over.

consors compos potens impos

1


-ocr page 206-

Genetivits objectivus.

196

% 254-

B.v. Solus homo ratiönis est partïceps, alleen de mensch is der rede deelachtig. Pythagoras sapientiae studiosos appellavit philosöphos, Pythagoras noemde hen, die be-geerig waren naar wijsheid, wijsgeer en. Omnes immemörem beneficii oderunt, allen haten dengene, die een weldaad niet gedachtig is.

*A a n m e r k i n g I. Bij c o n s c i u s, zich bewust van, staat meestal nog een dativus van den persoon. B.v. Nullïus culpae sibi con-scium esse. In de beteekenis van medewetend regeert het ook den dativus (illi facinöri conscius) en de praepositie de (his de rebus conscius).

Rudis en prudens worden ook met in geconstrueerd. B.v. Rudis in jure civili. Prudens injudicando.

Insuëtus staat ook met ad. B.v. Insuetus ad onëra portanda.

Aanmerking II. Geheel eigenaardig staat dikwijls bij (lichters en geschiedschrijvers de genetivus animi bij de adjectiva, die een gemoedsstemming uitdrukken en bij de verba, die angstig, twijfelmoedig zijn beteekenen. B.v. A eg er animi, bekommerd van geest. Discrucior animi, ik word gefolterd in mijn gemoed. Behalve bij p e n-d ë r e animi, twijfelmoedig zijn, gebruikt Cicero bij zulke verba den ablativus partis animo. In het meervoud heet het altijd pendêre animi s (nooit animorum). In plaats van den genetivus animi zet men in klassiek proza dit woord met het regeerende adjectivum in den genetivus of ablativus qualitatis. B.v. homo audacis animi of audaci animo in plaats van audax animi.

2quot;. vele participia praesentia van verba transitiva, wanneer zij niet een voorbijgaande handeling, maar een duurzame eigenschap beteekenen. B.v. Hannibal frigöris et calöris patiens fuit, Hannibal was gehard tegen koude en hitte. Men zegt daarentegen milïtes Hannibalis, dum Alpes supërant, frigus patientes fuerunt, de soldaten van Hannibal doorstonden bij hunnen overtocht over de Alpen de koude. Artium intellëgens, een kunstkenner. Religiönum neglëgens, ongodsdienstig. Fluvius 11 avium patiens, een bevaarbare rivier. Ook wanneer zij in den comparativus en superlativus staan. B.v. Quis famulus amantior domini est quam canis? Sumus natura appetentissimi honestatis.

Tot deze participia behooren voornamelijk amans, appëtens, colens, dilïgens, efficiens, fugiens, metuens, neglëgens, patiens, sitiens.

Staat bij deze participia een adverbium, dan regeeren zij gewoonlijk den accusativus. B.v. Sol est constantissime efficiens vicissitudïnes anniversarias. Men vindt echter ook den genetivus. B.v. Eques locüples, sui negotii bene gerens.

-ocr page 207-

Genelivus bij piidct.

§ 255—256.

197

30. in het latere Latijn de adjectiva op ax, die van verba transit! va zijn afgeleid. B.v. Tenax propositi, vast op zijn stuk staande.

§ 255. Genetivus objectivus bij verba. De verba admo-neo, comtnoneo, commonefacio, ik lurinner (een ander), memini, reminiscor, recordor, venit mihi in mentem, ik herinner mij, en obliviscor, ik vergeet, hebben den persoon of de zaak, welke men zich zeiven of een ander in de gedachte brengt of welke men vergeet, in den genetivus. B.v. Semper hujus diëi et loei meminero, altijd zal ik mij dezen dag en deze plaats herinneren. Proprium est stultitiae aliorum vitia cernére, oblivisci suorum, het is eigen aan een dwaas de gebreken van anderen te zien en de zijnen te vergeten. Venit mihi Platönis in mentem, ik herinner mij (toevallig) Plato. Foedëris eum admonuit, hij herinnerde hem aan het verbond.

*Aanmerkingen. De onzijdige pronomina en adjectiva van hoeveelheid staan bij deze verba in den accusativus. B.v. Illud me praeclare admones. Admoneo, commoneo en commonefacio hebben dikwijls de praepositie de. B.v. De proelio vos paulo ante invïtus admonui.

Memini heeft de zaak in den genetivus of accusativus (me-minisse beneficia; memini constantiae tuae), den persoon in de betee-kenis ik herinner mij nog (en met een ontkenning niet meer) in den accusativus (Antipater ille Sidonius, quem tu probe meministi) en in de beteekenis ik denk aan iemand in den genetivus (memineris mei). Soms heeft memini de.

Reminiscor heeft den genetivus of accusativus.

Recordor en obliviscor hebben de zaak in den genetivus of accusativus, recordor den persoon met de en obliviscor den persoon in den genetivus.

Venit mihi in mentem kan de zaak, zoo deze voorgesteld wordt door een onzijdig pronomen of adjectivum van hoeveelheid, of door een substantivum van algemeene beteekenis, zooals res, genus, ook als subject inden nominativus hebben. B.v. Quae mihi venie-bant in mentem existimavi me ad te oportëre scribëre.

§ 256. De verba impersonalia

pudet, piget, paenitet,

t a e d e t atque m i s ë r e t hebben den persoon, die zich schaamt, die verdriet of berouw heeft, wien iets verveelt of die medelijden gevoelt, in den accusativus (behalve bij het gerundivum, waar de dativus gebruikt wordt) en den persoon of de zaak, waarover hij zich schaamt, enz. in den genetivus. B.v. Tui me misëret, ik heb medelijden met n. Taedet eum vitae, hij heeft verdriet in zijn leven. Sunt homines, quos libidïnis infamiaeque suae

-ocr page 208-

Genetivus bij interest.

% 257.

198

neque pudeat neque taedeat. Consilii nostri nobis paenitendum puto.

De zaak kan ook uitgedrukt worden door een infinitivus (niet door den genetivus van het gerundium) en door een zin met quod of met een vraagwoord. B.v. Non me pudet fatëri nescire, quod nesciam, ik schaam mij niet te bekennen dat ik niet weet, zvat ik niet weet. Quintum paenitet quod ani-mum tuum offendit, Quintus heeft berouw dat hij u beleedigd heeft. Non paenitet me quantum profecerim, ik heb geen beroinv over de vorderingen, die ik gemaakt heb.

Aanmerkingen. Bij deze impersonalia moeten de werkwoorden posse, debëre, solëre, desinëre en dergelijken onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Non potest paenitëre me hujus facti, ik kan hierover geen berouw gevoelen. Debuerat illos pudere hujus facti, zij hadden zich moeten schamen over deze daad. Respondeam Himilconi, non desisse paeni-tere me belli.

De neutra der pronomina staan bij deze verba in den accusativus. B.v. Sapiens nihil facit, quod paenitere possit. In dit voorbeeld is de accusativus van den persoon weggelaten.

Ook de persoon, voor w i e n men zich schaamt, staat bij pudet in den genetivus. B.v. Me tui, mi pater, pudet, vader, ik schaam mij voor 11.

Evenals het impersonate miseret worden ook de personalia misereor en miseresco met den genetivus verbonden. B.v. Miserere mei, heb medelijden met mij. Misëror en commi-sëror, bejammeren, beklagen, regeeren den accusativus. B.v. Miseramini socios.

§ 257. Interest en refert, het is van belang, er is oi ligt aan gelegen, worden op de volgende wijze geconstrueerd.

1°. De persoon, voor wien iets van belang is, staat in den genetivus. B.v. Patris interest, het is voor den vader van belang, er ligt den vader aan gelegen.

In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men den ablativus der pronomina possessiva mea, tua, sua, nostra, vestra. Waarschijnlijk vinden deze woorden hunne verklaring in een uitgelaten causa. B.v. Mea interest, het is voor mij van belang. Caesar dicëre solebat, non tam suaquam reipublïcae interesse uti salvus esset, Caesar placht te

-ocr page 209-

Xgt; ö /»l

§ 257. Gcnetivus bij interest. 199

zeggen., dat het niet zoo zeer voor hem als wel voor den staat van belang was, dat hij behouden was.

Bij deze ablativi plaatst men geen nomen appositum, maar een relatieven zin. B.v. Interest mea, qui pater sum, filiorum meorum animos doctrina et litteris imbui, voor vüj als vader , is het van belang dat mijn zoons een degelijke wetenschappelijke opvoeding ontvangen. Men moet echter altijd zeggen: omnium nostrum, ve-strum interest. Ipsïus en ipsorum worden nooit ter versterking bij Ivdeze ablativi gevoegd.

2°. De zaak, waarin iemand belang stelt of waaraan iemand gelegen is, wordt uitgedrukt door een infinitivus (zoo de subjecten dezelfde zijn), door een accusativus cum infinitivo (zoo de subjecten verschillend zijn), door een zijdelingsche vraag en door een bijzin met ut, ut non of ne. B.v. Interest omnium recte facëre, het is voor allen van belang om oprecht te handelen. Magistri interest, discipülum esse diligen-^ tem of utrum discipülus dilïgens sit necne bf ut disci-pülus sit dilïgens, er ligt den leermeester aan gelegen, dat zijn leerling vlijtig is.

De zaak, waarin men belang stelt, mag niet uitgedrukt worden door een substantivum. B.v. Mij ligt veel aan mve goedkeuring gelegen is niet: multum mea interest approbationis tuae maar: abs te approbari öf approberne abs te bf ut abs te appröber.

De algemeene uitdrukkingen daaraan, hieraan, waaraan worden vertaald door den accusativus der pronomina id, illud, quod, quid. B.v.Illud mea magni interest, te ut videam, hieraan ligt mij veel gelegen, dat ik u zie. Vgl. § 219. 30.

30. Hoeveel iemand aan iets gelegen is, wordt uitgedrukt öf door den genetivus pretii magni, permagni, pluris, parvi, nihïli, tanti, quanti (niet multi, majoris, minoris, maximi, plu-rimi, minimi) öf door de adverbia magnopëre, vehementer, magis, parum, enz. öf door de neutra singularia van pronomina en adjectiva multum, plus, minus, plurimum, minimum, ali-quid, enz. alsmede door nihil. B.v. Magni (magnopëre, multum) mea interest, er ligt mij veel aan gelegen. Pluris (magis, plus) vestra interest, er ligt u meer aan gelegen.

40. De zaak, waarvoor iets van belang is, staat in den accusativus met ad. B.v. Magni ad honorem nostrum interest quam primum ad urbem me venire, het is van groot belang voor onze eer, dat ik zoo spoedig mogelijk naar de stad kom.

V

-ocr page 210-

Ablativus causae.

% 258—259.

200

Aanmerking. Refert wordt weinig verbonden met den genetivus van den persoon, meermalen met de ablativi mea, tua, enz. meestal staat het op zich zeiven. B.v. Quid refert quam diu vixeris, nisi bene vixeris, wat is cr aan gelegen hoe lang men geleefd heeft, indien men niet goed geleefd heeft 1 Non refert quam multos libros, sed quam bonos habeas, het komt er niet op aan of men vele, maar of men goede boeken heeft.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN ABLATIVUS.

§ 25S. De ablativus dient in het algemeen om verschillende bepalingen aan te duiden en wordt onderscheiden in:

ablativus causae. ablativus partis.

„ instrument i. „ pretii.

„ modi. „ qualitatis.

§ 255. Ablativus causae. Deze ablativus geeft de oorzaak aan, waardoor iets geschiedt. Hij staat:

1°. bij de verba passiva. Vgl. § 96. A of ab staat ook bij namen van dieren en zaken, die als personen zijn voorgesteld; bij dieren ook wel, zonder dat zij als personen zijn voorgesteld. B.v. Cervus laceratur a leone. Non est consentaneum, qui invictum se a labore praestiterit, eum vinei a voluptate.

*A a n m e r k i n g I. Somtijds staat de d a t i v u s in plaats van den ablativus causae. B.v. Mihi consilium captum jam diu est, reeds lang is door mij een besluit genomen. De dativus moet gebruikt worden bij het gerundivum. Vgl. § 109. 20. Zoo door den dativus echter onduidelijkheid ontstaat, gebruikt men den ablativus causae. B.v. Hi see civibus est a vobis consulendum, voor deze burgers moet door u gezorgd worden. Zoo hier de dativus stond, zou de zin ook kunnen be-teekenen: door deze burgers moet voor 11 gezorgd worden. Men kan de onduidelijkheid ook opheffen door een verbum te nemen, dat geen dativus regeert, of door debeo, oportet of dergelijk werkwoord te gebruiken. Zoo kan men zeggen in plaats van tibi succurrendum est mihi óf tu mihi ju vandus es of debeo tibi succurrere óf oportet me tibi succurrere.

A anm erking -II. *Bij gigni, nasci, oriri staat de naam van den vader, de ouders en den stand in den ablativus zonder praepositie. B.v. Mercurius Jove et Maja natus erat, Mercurius stamde af va7i Jupiter en Maja. Nobïli genëre ortus, uit een aanzienlijk geslacht gesproten. Equestri loco genïtus, uit den ridderstand geboren.

Bij den naam der moeder en bij pronomina staat gewoonlijk ex (de), bij afstamming van voorouders en in overdrachtelijken zin a. B.v. Cato Uticensis ortus (oriundus) a Censorio. Nulla tam detestabilis pestis est, quae non homini ab homine nascatur.

-ocr page 211-

Ab\'ativus causae.

§ 26O.

201

2°. bij adjectiva en verba intransitiva, die een passieve beteekenis hebben, zooals; fessus, vermoeid, saucius, gewond, in ter ire (= interfïci), omkomen, crescëre (=augeri), groeien. B.v. Fessus vulnëre, afgemat door zijn wond. Marce 11us periit ab Hannibale, Marcellus werd gedood door Hannibal. Concordia res parvae crescunt, discordia maximae dilabuntur, door eendracht worden kleine zaken groot, door tweedracht gaan de grootste zaken te gronde.

Hiertoe behooren vooral de verba, die een gemoedsaandoening te kennen geven, zooals die van vreugde en droefheid en de adjectiva anxius, angstig, maestus, treurig, superbus, trot se h, laetus, blijde, contentus, tevreden, fret us, ver-trouwend. B.v. Delicto dolëre, correctione gaudêre o p o r t e t, over een misslag moet men zich bedroeven, over terechtwijzing zich verheugen. Natura parvo cultu contenta est, de natuur is met een geringe verzorging tevreden.

*Aanmerkingen. Gloriari (de) virtute beteekent zich beroemen op zijn dapperheid, in virtute, zijn roem zoeken in de dapperheid,

Niti (in) aliqua re, steunen op iets, ad (soms in) aliquid, streven naar iets. B.v. Salus hominum non veritate solum, sed etiam fama nitïtur. Nitfmur in vetitum semper cupimusque n ega ta.

Laborare, aan iets lijden, regeert den ablativus. B.v. morbo, ziek zijn; odio, gehaat zijn. Zoo echter het lichaamsdeel, waaraan men pijn heeft, genoemd wordt, gebruikt men gewoonlijk ex. B.v. Laborare ex pedibus, ex intestïnis, pijn aan de voeten, in de ingewanden hebben.

Stare, bij iets volharden, heeft gewoonlijk den ablativus, zelden in. B.v. Stare foedëre, jurejurando, een verbond, een eed houden.

Constare en consistëre, bestaan uit of in iets, regeeren den ablativus, meestal met ex of in. B.v. Homo ex animo et cor-pore constat, de mensch bestaat uit ziel en lichaam. Vita omnis Germanorum in venationibus atque in studiis rei militaris consistit. Zoo de gelijksoortige deelen van een geheel worden aangegeven, gebruikt men esse met den genetivus. B.v. Annus tre-centorum sexaginta quinque dierum est, het jaar bestaat uit 365 dagen.

§ 260. De innerlijke beweegreden en de uitwendige grond, waarom iets geschiedt, kunnen uitgedrukt worden door den ablativus. B.v. Oderunt peccare boni virtutis a m o r e, de goeden haten het kwaad uit liefde tot de deugd. Quidam morbo aliquo et sensus s tup ore suavitatem cibi non sentiunt, ten gevolge van een of andere ziekte en stompheid van zintuig hebben sommigen geen smaak van hun eten.

-ocr page 212-

Ablativm instrwnenti.

% 261.

202

*Aanmerking I. De innerlijke beweegreden wordt gewoonlijk uitgedrukt door omschrijving met het participium perfectum passivum van een verbum, dat bewegen, overhalen, aanzetten beteeken t. B.v. Uit medelijden, mot us, commötus, impulsus, ad-ductus misericordia. Uit haat, incensus, inflammatus odio. Uit vrees, perterrttus metu. Uit wanhoop, fractus desperatione.

*Aanmerking II. De uitwendige grond wordt gewoonlijk aangegeven door de ablativi jussu, injussu, rogatu, oratu, admo-nftu, permissu, concessit, enz. met bijvoeging van een genetivus of pronomen possessivum. B.v. Ad mortem te duci jussu consulis jam pridem oportebat, reeds eer had men u op bevel van den consul ter dood moeten brengen. Urbs meo jussu munita est, de stad is op mijn bevel versterkt. Behalve bij deze woorden gebruikt men meestal de praeposities propter, o b , of de ablativi causa, gratia, ergo, nomine met een genetivus of pronomen possessivum.

Het is echter niet onverschillig welk dezer woorden men gebruikt.

Propter geeft een werkelijk bestaanden, ob een gedachten grond aan. Vgl. § 162. 17.

Causa geeft een doel te kennen. B.v. Venatores canes vena-tionis causa condocefaciunt, de jagers dresseeren de honden om de jacht.

Gratia beteekent ter wille, ten gunste van. B.v. Bestiae hominum gratia generatae sunt, de dieren zijn ter wille van de menschen geschapen.

Ergo wordt slechts gebruikt in eenige geijkte spreekwijzen, zooals: virtütis ergo donari; victoriae ergo donum dedit.

Nomine wordt meestal slechts gebruikt, waar wij in naam van kunnen zetten, zooals meo nomine; quod ad me Lenttili nomine scripsisti, locutus sum cum Cincio.

In plaats van den genetivus der pronomina personalia gebruikt men, behalve bij een sterke tegenstelling, de pronomina possessiva. B.v. Tua causa hoc facio, ik doe dit om uwentwil. Quam multa, quae nostri causa nunquam faceremus, facimus causa amicorum. (Bij de plaatsing van causa is de chiasmus toegepast. Vgl. § 484. A.)

Zonder genetivus of pronomen possessivum zegt men ea de causa, ob eam causam. In proza voegt men nooit een possessivum bij gratia.

De genetivus en het pronomen possessivum worden vóór deze ablativi geplaatst.

*A an merking III. Zoo men de oorzaak wil aangeven, waardoor iets verhinderd wordt, gebruikt men gewoonlijk prae Vgl. § 163. 6.

Aanmerking IV. Zoo om, wegens den zin heeft van wat betreft, gebruikt men per. B.v. Per me aut manëre aut abire tibi licet,

om mij moogt gij blijven of weggaan. Cum per valetudïnem navi-gare poteris, ad nos veni, zoo gij wegetis uwe gezondheid de zeereis kimt maken, kom dan naar ons.

§ 261. Ablativus instrument!. Deze ablativus geeft het middel te kennen, waardoor of het werktuig, waarmede iets geschiedt. B.v. Cornibus tauri, apri dentibus tutantur,

de stieren verdedigen ziek met Imnne horens, de zwijnen met

-ocr page 213-

Ablativus modi.

§ 202-263.

203

kunne tanden. Canëre tibiis, fluitspelen,.Ludére pila, tes-s ë r i s, kaatsen, dobbelen. Vehi equo, nave, paardrijden, varen.

In het Latijn gebruikt men dikwijls een ablativus instru-menti, waar wij ook een plaatsbepaling aanwenden. B.v. Portitor parva cumba nos trans flumen trajêcit, de veerman zette ons in een bootje over de rivier. Pisces rete capëre, visch vangen in een net. Aquam hama haurire, water scheppen in een emmer. Sanguïnem patera excipëre, bloed opvangen in een schaal. Includëre aliquem carcëre (ook in carcërem), iemand in een kerker sluiten. Recipëre aliquem domo, iemand bij zich in huis nemen.

Aanmerking. Bij de verba van afmeten, beoordeelen, schatten staat de maatstaf in den ablativus, soms met ex. B.v. Magnos homines virtute metlmur, non fortuna, groote mannen beoordeelen wij naar hunne deugd, niet naar hun geluk. Galli spatia omnis temporis non numero dierum,quot; sed noctium finiunt. Vulgus exveritatepauca, exopi-nione multa aestïmat.

§ 262. De persoon, door wiens bemiddeling of tusschenkomst men iets verricht, staat gewoonlijk in den accusativus met per. B.v, Per servos de tuo adventu certior factus sum, door slaven ben ik van uwe komst verwittigd. Per tabellarios misi Romam litteras, met brievenboden heb ik een brief naar Rome gezonden.

De soldaten, van welke een veldheer zich bedient, staan meermalen in den ablativus. B.v. Faucis militibus turrim proximam cepit, met weinig soldateti bemachtigde hij den naasten toren. Hos tem sagittariis et funditoribus emïnus terrebat, hij verschrikte den vijand uit de verte door de boogschutters en slingeraars.

In plaats van per wordt ook opera gebruikt, vooral zoo er een pronomen possessivum bij staat. B.v. Ciceronis unius opera respublica conservata est, door toedoen van Cicero alleen is de staat behouden. Mea opera (per me) Tarentum recepisti, door mij hebt gij Tarente weder veroverd.

Ook gebruikt men soms, maar alleen in gunstigen zin, den ablativus beneficio. B.v. Beneficio tuo (per te) salvus sum, door u ben ik gered,

§ 263. Ablativus modi. Deze ablativus drukt de wijze uit, waarop iets geschiedt. Gewoonlijk bestaat hij uit een substanti vu m en een adjectivum, met of zonder cum. B.v. Legiones nostrae incredibïli (cum)celeritateprofectae sunt,

onze legioenen zijn met ongeloofelijken spoed vertrokken.

-ocr page 214-

Ablativus modi.

% 264.

204

Cum doet den ablativus modi sterker uitkomen. B.v. Hunc libruni summa diligentia legi = diligentissime; doch cum summa dili-gentia, ik heb dit boek niet enkel gelezen, maar ik heb bij het lezen de grootste aandacht gehad.

Aanmerking I. Cum wordt niet gevoegd:

i0 bij de substantiva, die ivijzc beteckenen, zooals; modo, ratione, ritu, more. B.v. Hoe modo scripsi. Bij modo mogen alleen pronomina en adjectiva van hoeveelheid gevoegd worden, zooals: simïli, pari, omni, hoe, aliquo, quodam modo. Indien er andere adjectiva noodig zijn, gebruikt men een andere uitdrukking. Zoo zegt men niet fortissimo modo maar summa cum virtute pugnare; niet hostili modo maar hostilfter of hostïlem in modum agros po pul ar i.

2°. bij animo, men te, consilio. B v. Aequo animo, hac mente, hoe consilio id fero.

30. bij condicione, lege. B.v. Ea condicione, ea lege fieri potest.

4°. bij lichaamsdeelen. B.v. Nudo capïte, promisso capillo incedëre.

Aanmerking II. Cum wordt altijd gevoegd:

i0. bij een uitwendige bijkomende omstandigheid, waar wij ottder kunnen zeggen. B.v. Divitücus multis cum lacrïmis Cae-sarem complexus obsecrare coepit.

2quot;. om het gelijktijdig gevolg der handeling aan te duiden, waar wij tot kunnen zeggen. B.v. Miltiades Athenas magna cum of-fensione civium suorum rediit.

Aanmerking III In plaats van een adjectivum staat dikwijls een genetivus bij modo, ratione, ritu, more, periculo, met gevaar, pace, venia, met verlof, auspicio, auspiciis, ottder het bestuur, imperio, onder het bevel, ductu, onder de leiding, loco, in plaats, simulatione, onder voorwendsel, specie, onder den schijn. B.v. Pau-sanias more Persarum luxuriosius epulabatur. In loco be-teekent op zijn tijd B.v. Dulce est desipëre in loco, het is aangenaam op zijn tijd de wijsheid aan kant te zetten.

§ 264. Zoo de wijze, waarop iets geschiedt, enkel door een substantivum wordt uitgedrukt, moet men cum gebruiken. B.v. Litterae cum curadiligentiaquescriptae, een brief, die met zorg en nauwkeurigheid geschreven is.

Aanmerking I. In plaats van cum gebruikt men meermalen per, vooral wanneer de uitwendige wijze wordt aangegeven, zooals per ludum et jocum, per litteras, of wanneer men een substantivum gebruikt, dat een zedelijke verdorvenheid te kennen geeft, zooals per vim, per injuriam, per calumniam.

Aanmerking II. De volgende substantiva worden zonder cum gebruikt: silentio, stilzwijgend, dolo, met list, fraude, met bedrog, vi, met geweld, lege op wettelijke wijze, jure, met recht, injuria, ten onrechte, via, ratione, ordine, ordelijk, voluntate, vrijwillig, alsmede vitio om aan te duiden, dat er bij iemands verkiezing tot eene of andere waardigheid zekere informaliteiten zijn geschied. B.v. Mors eorum, quorum vita laudabitur, silentio praeteriri non debebit.

-ocr page 215-

Ah lat iv us partis

§ 26s—2ö6.

205

§ 265. Wanneer men begeleid of vergezeld wordt van personen of aanduidt, dat iemand iets bij zich heeft, gebruikt men cum. B.v. Cum aliquo esse, proficisci, met iemand zijn, vertrekken. Servi cum telis comprehensi sunt, de slaven zijn met de wapenen in de hand gevangen genomen. Roma m cum fe b r i v e 11 i, ik be?! te Rome gekomen int t de koorts. Majorem partem diêi cum tunica pulla sedëre solebat, het grootste gedeelte van den dag placht hij in een donkerkleurig onderkleed te zitten. Bij het aangeven van iemands k 1 e e d i n g kan cum ook weggelaten worden.

Aanmerking. Bij het substantivum comitatus en bij een militair gevolg wordt, zoo er een adjectivura bij staat, cum dikwijls weggelaten. B.v. Magno comitatu, met een groot geleide. Toto exer-cïtu consul profeet us est, de consul is met het gansche leger vertrokken. Bij mittëre en zijn composita mag cum niet weggelaten worden. B.v. Neronem cum rob6re equitum emisit.

§ 266. Ablativus partis. Deze ablativus duidt het deel of de zaak aan, ten opzichte waarvan iets gezegd wordt. B.v. Agesilaus claudus erat altëro pede. Agesilans ivas kreupel aan den eenen voet. Nemo Romanorum Ciceroni par fuit eloquentia, niemand der Romeinen heeft Cicero geëvenaard in welsprekendheid. Nation e Gallus, een Gallier van geboorte. Acer judicio, scherpzinnig van oordcel. Numëro q u i n q u e, vijf in getal.

Hiertoe behooren ook:

de ablativi sententia, opinione, judicio, testimonio met een pronomen possessivum of genetivus, waarbij dan dikwijls nog quidem gevoegd wordt. B.v. Isocr3,tis gloriam nemo meo quidem judicio est postea consecütus, de)i roem van Isocrates heeft volgens mijn oordeel niemand naderhand verkregen. Socrates omnium eruditoruni testimonio totiusque judicio Graeciae philosophorum omnium fuit princeps. Wanneer volgens beteekent ten gevolge van gebruikt men ex ofde. B.v. Ex mea sententia arbor ilia caesa est.

vervolgens natu met grandis (niet magnus), major, maximus, minor, minimus. B.v. Adolescentis est majores natu verëri.

eindelijk de uitdrukkingen quid facies hoe homine (ook de hoe homine en huic homini), wat zult gij met dien menseh beginnen ? Quid me (mihi, de me) fiet, wat zal er met mij gebeuren?

Aanmerking. De dichters en sommige prozaschrijvers gebruiken soms in plaats van den ablativus pards den zoogenaamden accusativus graecus. B.v. Vite caput tegitur Bacchus, Bacchus bedekt zich het hoofd met wijnranken. Os humerosque deo similis, van gelaat en schouders aan een god gelijk. Adversum femur tragüia gravïter ictus, vafi voren in de dij door een werpspies zwaar gewond. Ook de beste prozaisten gebruiken dezen accusativus in de uitdrukkingen magnam (ma-

-ocr page 216-

206 Ahlativus pretii. § 267.

jorem, maximam) partem, grootendeels, waarvoor men echter ook vindt magna (majore, maxima) ex parte, en vicem, in de plaats van, met betrekkig tot voor in vicem, ad vicem. B.v. Suëbi maxi-mam partem lacte atque pecöre vivunt. Consul sollicïtus est eorum vicem (pm hunnentwille).

§ 267. Ablativus pretii. Bij de verba van koop en (emo) en verkoop en (vendo, veneo), huren (condüco) en verhuren (loco, collöco), te koop zijn (liceo, prosto), te staan komen, kosten (sto, consto) en schatten, alsmede bij d i g n u s, waardig, indignus, omvaar dig, vena lis, tc koop, vil is, goedkoop, en c a r u s, duur, staat de p r ij s of waarde, zoo deze wordt uitgedrukt door een s u b s t a 111 i v u m , in den ablativus. B.v. Viginti talentis unam orationem Isocrates vendïdit, Isocratcs verkocht ééne redevoering voor twintig talenten. Victoria ad Mantinëam parta Epaminondae vita constïtit, de overwinning bij Mantinea behaald kostte aan Epaminondas het leven. Veritas auro dig na est, de waarheid is goud waard. Quod non opus est, nummo carum est, wat gij niet noodig hebt, is voor een penning tc duur. Lis quinquaginta talentis aestimata est, het proces is op vijftig talenten geschat.

Zoo men de verba van schatten uitzondert (Vgl. § 249) staan bij deze verba en adjectiva de volgende adjectiva in den ablativus: magno (niet multo), permagno, plurimo, parvo, minimo, nihilo, nimio en de volgende in den genetivus: pluris, duurder, mi n or is, goedkooper, tanti, zoo duur, quan ti, hoe duur, tantïdem, even dunr. Ook vindt men bij deze verba adverbia, zooals: care, duur, v i 1 i u s, goedkooper, bene, voor een goeden prijs, gratis, voor niet. B.v. Venditöri expëdit rem venire quam plurimo, voor den ver koop er is het voor-dcelig, dat de zaak zoo duur mogelijk verkocht wordt. Mercatores non tantïdem ven dunt, quanti emerunt, de kooplieden verkoopen niet voor denzelfden prijs, waarvoor zij gekocht hebben. Gratis constat navis, het schip kast niets.

Aanmerking I. Bij aestimo komen ook de ablativi magno en permagno voor.

Aanmerking II. Esse met den genetivus pretii beteekent zooveel ■waard zijn, met den ablativus pretii zoen\'eel. kosten. De genetivi tanti, quanti, pluris en minoris staan in beide beteekenissen. B.v. Mea mihi conscientia pluris est quam omnium sermo. Modius frumenti in Si cilia bin is sestertiis, summum ternis erat. Tanti est beteekent evenals operae pretium est het is de moeite waard.

*Aan merking III. De genetivus en ablativus pretii staan ook bij cenare, habitare, doeëre, enz. om den prijs aan te duiden

-ocr page 217-

Ablativiis qua li tat is.

§ 268.

207

waarvoor men dineert, woont, lesgeeft. B.v. Quanti doces? Talento.

•Aanmerking IV. De verba mutare, commutare, permutare, verwisselen, verruilen, hebben de zaak, die men verruilt, inden accusativus en de zaak, die men ontvangt, in den ablativus. B.v. Fidem et religionem pecunia mutare, 07n geld van godsdienst veranderen. Dichters en minder goede prozaschrijvers zetten ook de zaak, die men ontvangt, in den accusativus en de zaak, die men verruilt, in den ablativus. B.v. Exsilium patria mutaverat, hij had voor zijn vaderland de ballingschap gekozen. Men vindt deze constructie ook bij de beste prozaschrijvers, doch met cum voor den ablativus. B.v. Faucis sine dolore licitum est mortem cum vita commutare, slechts weinigeti hebben zonder smart mogen sterven.

§ 268. Ablativus qualitatis. De ablativus qualitatis komt in constructie en beteekenis met den genetivus qualitatis overeen. B.v. Erat inter Labiênum et hostem flumen ripis praerup-

t i s,. tnsscheii Labienus en den vijand was een rivier met steile oevers. Agesilaus statüra fuit humïli et corpóre exiguo, Agesilans was een man van een kleine gestalte en een tenger lichaam of Agesilaus had een kleine gestalte en een tenger lichaam.

*Men mag echter niet in alle gevallen naar verkiezing den genetivus of ablativus qualitatis gebruiken.

Men gebruikt den genetivus qualitatis:

-1quot;. wanneer de eigenschappen worden opgegeven naar getal, tijd, ruimte, gewicht. B.v. Fossa quindëcim pedum, een gracht van vijftien voet. Vir gravioris aetatis, een man van bejaarden leeftijd. Saxa magni pondëris, steenen van een groot gewicht.

20. om aangeboren, blijvende eigenschappen aan te geven. B.v. Homo durae severitatis, een man van een streng karakter.

Men gebruikt den ablativus qualitatis:

in. om de feitelijke gemoedsstemming aan te geven. B.v. Bono animo sum, ik ben goed gestemd. Maximo dolore eram, ik was zeer bedroefd.

20. ter aanduiding van hoedanigheden, die niet op hetgeheele lichaam betrekking hebben. B.v. Britanni sunt capillo promisso, de Bri-tanniërs dragen lang haar. Homo magno capite, ee?i man met een groot hoofd. Bij onnatuurlijke lichaamsdeelen moet men cum gebruiken. B.v. Agnus cum suillo capite. Poreus cum ore humano.

3quot;. wanneer aan verscheidene personen de hoedanigheden in het meervoud worden toegekend. B.v. Homines ingeniis praestantissi-m i s, menschen met een zeer voortreffelijk karakter. Gens hirtis cor-poribus.

4n. wanneer het adjectivum, dat gewoonlijk bij den genetivus en ablativus qualitatis staat, vervangen wordt door een substantivum, dat een bepaalde gedaante, maat, gewicht, enz. te kennen geeft. B.v. Bos cervi figura, een os met de gedaante van een hert. Vicus oppidi magnitudine, een dorp zoo groot als een stad. Clavus digiti crassitudine, een 7iagel van een vinger dikte.

Aanmerking. De genetivus en ablativus qualitatis worden slechts

-ocr page 218-

208 Ah I at iv us qualitaiis bij verba en adjectiva. %, 269.

zeer zelden onmiddellijk met een nomen proprium verbonden. B.v. Agesilaus annorum octoginta in Aegyptum profectus est,

Agesilaus trok als tachtigjarig grijsaard naar Egypte. Gewoonlijk zet men er een nomen appositum bij. B.v. Agesilaus, vir annorum octoginta.

§ 269. De verba en adjectiva, die overvloed en gebrek, vullen, verzadigen, voorzien, berooven en bevrijden beteekenen, hebben den ablativus ter aanduiding van datgene, waarvan men overvloed heeft, enz. B.v. Misërum est carêre consuetudïne a m i c o r u m, het is ongelukkig den omgang met vrienden te missen. AegritGdo per to tam noctem superiorem som no me privavit, het verdriet heeft mij dezen geheelen nacht van den slaap beroojd. Homo praedïtus est ratione et oratione, de mensch is begaafd met rede en spraak. Omnia castella facile expugnari pos sunt, in quae potest asellus auro on ust us ascend ere.

Tot deze verba behooren;

abundare 1

redundare \' overvloed hebben.

affluére )

affieëre, aandoen.

carëre, missen.

egëre

indigëre complëre explëre implëre

gebrek hebben.

*A an m e rkin ge n Affieëre aliquem aliqua re heeft verschillende beteekenissen. B.v. beneficio, honore, iemand een weldaad, een eer bewijzen; laetitia, dolore, iemand verblijden, bedroeven; poena, morte, iemand straffen, dooden. Evenzoo in het passivum: gravi morbo, gravi vulnëre affïci, zwaar ziek, zwaar gewond worden; admira-tione, metu affici, bewonderd, bevreesd worden.

Egëre heeft somtijds, indigëre meermalen in de beteekenis van noodig hebben den genetivus. B.v. Consilii tui indigeo.

Complëre en implëre hebben vooral bij personen meermalen den genetivus. B.v. Complêtus jam mercatörum carcer erat.

Liberare heeft bij zaken gewoonlijk den enkelen ablativus (aliquem metu), bij personen altijd a (patri am a ty ran nis).

Tot deze adjectiva behooren:

aliënus, ongepast. onustus, beladen.

satiare ) saturare ^ cumulare, ophoop en. ornare, voorzien. orbare quot;)

verzadigen.

berooven.

pnvare spoliare f liberare exsolvëre expedire

bevrijden.

vnllcn.

opimus, rijk. orbus, beroofd.

dives, rijk. inops, arm.

-ocr page 219-

Ablativus bij verba en adjectiva.

§ 270.

209

liber, vrij. praedïtus, begaafd.

locüples, rijk. refertus, vol.

nudus, beroofd. vacuus , ledig.

Aanmerking I. De volgende adjectiva regeeren gewoonlijk den genetivus:

egënus, gebrek hebbende. immOnis, vrij.

expers , verstoken. plenus, vol.

fertïlis, vr\'achtbaar. prodïgus, verkwistend.

*Aanmerking II. Aliëmis heeft in de beteekenis ongepast, niet overeenkomstig den ablativus met of zonder a, den genetivus en den dativus. B.v. Alienum est (a) dignitate, dignitatis, dignitati.

af keerig den ablativus met a. B.v. A lie no a te animo fuit. onbekend met den ablativus met a of in. B.v. Homo non alien us a litteris. In physïcis Epicurus totus est alienus.

*Aanmerking III. Dives, inops, nudus, refertus (bij personen) hebben ook den genetivus.

Inops, liber (bij personen altijd) nudus, vacuus hebben ook den ablativus met a.

§ 270. De verba, die beteekenen:

verwijdere 11, verdrijven, zooals: pcllo. depello, expello, moveo, amoveo, demoveo, removeo,

zich verwijderen, zooals: cedo, abscêdo, deeëdo, excëdo, afhouden, zooals: arceo, prohibeo, exclOdo, defendo,

zich a fh o u d e n, zooals; abstineo, desisto,

hebben de zaak, waarvan men iemand of iets verwijdert of afhoudt, in den ablativus met of zonder de praepositie a, de, ex, doch den persoon altijd met a (soms ex). B.v. Fellere aliquem (ex) regno, (ab) urbe, (de) moenibus. Manus abstinere ab aliquo/Excedere ex ephëbis, e puëris.

Aanmerking I. Over het algemeen hebben deze verba een praepositie bij zich, wanneer zij een plaatselijke betrekking uitdrukken, en den enkelen ablativus, zoo zij in een overdrachtelijken zin genomen worden. B.v. abstinere ignem ab aede, manus ab aliënis, doch abstinere (se) cibo, injuria. Bij enkele verba wordt nooit een praepositie gebruikt. B.v Abdicare se magistratu, tutëla, zijn ambt, zijn voogdij neder leggen.

Aanmerking II. Prohibëre met de vijandelijke zaak of persoon in den accusativus beteekent afhouden van (hostem itinëre, a pugna), met de bevriende zaak of persooigt; in den accusativus beschermen tegen (amicum calamitate, a periculo).

Evenzoo beteekent defendëre aliquem ab injuriis, ab hosti-bus, iemand verdedigen tegen onrecht, tegen de vijanden, en defendëre aliquid ab aliquo, iets van iemand afwenden.

4e druk, 14

-ocr page 220-

Ablativus hij deponent ia.

§ 271—272.

2 IO

Aanmerking III. De composita met se en dis, zooals: secer-nëre, sejungëre, afzonderen, afscheiden, discernëre, onderscheiden, disjungëre, vaneenscheiden, alsmede alienare, abalienare, vervreemden van, absterrêre, afschrikken van, deterrêre, afbrengen van, abhorrëre, een afgrijzen hebben van, staan in het beste proza altijd met de praepositie a.

Discrepare, dissentire, dissidêre, discordare, nief overeenstemmen, oneefiig zijn, hebben meermalen cum in plaats van a. Met het reflexivum verbonden hebben zij inter se.

Aanmerking IV. De dichters plaatsen bij de verba van verwijdering soms een genetivus. B.v. De sine que rel arum.

Aanmerking V. Bij de verba pluere, sudare en dergelijken en bij de verba van offeren, zooals: sacrificare, sacrum facere, staat de ablativus of accusativus. B.v. Plu it sanguine of sanguinem. Senatus quadraginta majoribus hostibus consules sacrificare jussit. Nullum agnum sacriiicavit.

§ 271. De verba deponentia u t o r, gebruiken, fr u o r, genieten, f u n g o r, verrichten, potior, bemachtigen, v e s c o r, eten, (alsmede hunne composita abutor, perfruor, defungor, perfun-gor) regeeren den ablativus. B.v. Homines olim glande vescebantur, de menschen aten vroeger eikels. Helötes apud Lacedaemonios servorum m u n ë r e fungebantur, de Heloten verrichtten bij de Lacedemoniers den dienst van slaven.

*Aanmerking I. Utor, fruor, fungor en potior mogen in de casus obliqui van het gerundivum als transitiva gebruikt worden. B.v. Spes potiundorum castrorum. Expetuntur divitiae a multis ad fruendas voluptates. In fungendo munere. In den nominativus gebruikt men de onpersoonlijke constructie, dus niet: utendae sunt vires, maar: utendum est viribus.

Buiten het gerundivum worden deze verba hoogst zelden als transitiva gebruikt.

Aanmerking II. Fruor mag niet gebruikt worden in den zin van hebben, ontvangen. Zoo beteekent eer genieten in honore esse, een goede, gezondheid geniete}/ bona valetudine uti, onderwijs genieten erudiri.

Potior regeert soms een genetivus en wel altijd in de uitdrukking rerum potiri, zich meester maken van de opperheerschappij.

§ 272. Bij opus esse, noodig hebben, staat de persoon of zaak , die noodig heeft, in den d a t i v u s , en de persoon of zaak , die noodig is, in den ablativus of nominativus. Opus blijft onverbogen. B.v. Dux of duce nobis opus est, wij hebben een leidsman noodig. Multa exempla nobis opus sunt öf multis exemplis nobis opus est, wij hebben vele voorbeelden noodig.

*Aanmerking I. De neutra der adjectiva en pronomina staan in den nominativus. B.v. Multa opus sunt, quod opus est.

-ocr page 221-

§ 273—274-

Vocativus.

211

In negatieve zinnen staan de substantiva geregeld in den abla-tivus. B.v. Quid opus est exemplo? Nihil opus est duce.

Aanmerking II. *Zoo de zaak, welke noodig is, door een verbum wordt uitgedrukt, gebruikt men gewoonlijk een infinitivus of een accusativus cum infinitivo. B.v. Quid opus est tam multa d icëre , waartoe is het noodig zooi\'eel te zeggen? Si quid erit, quod te scire opus sit, scribam, zoo er iets is, dat gij noodig hebt te weten, zal ik het v schrijven.

Somtijds staat in bevestigende zinnen een participium perfecti passivi. B.v. Nihil erat, cur properato (properare) opus esset. Opus fuit Hirtio con ven to (convenire Hirtium).

Ook komt nu en dan het supinum op u voor en hoogst zelden ut.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBEUIK VAN DEN VOCATIVUS.

§ 273. De naam van den aangesproken persoon staat in den vocativus. B.v. Ouintïli Vare, legio nes redde,

tilius Var/es, geef mij mijne legioenen terug. Vgl. § 200.

De vocativus staat in het begin van den zin, wanneer men iemand met zekeren nadruk toespreekt, maar anders gewoonlijk in het midden en dan liefst achter het woord, waarin de tweede persoon is uitgedrukt. B.v. Tiberine pater, te precor. Vincëre seis, Hannibal, victoria uti nescis. Quousque tandem abutêre, Catilïna, pa-tien t i a nostra.

Aanmerkingen. Soms staat de nominativus in plaats van den vocativus. B.v. Audi tu, populus Albanus, hoor het,gij volk van Alba.

Soms staat een adjectivum of participium in den vocativus in plaats van in den nominativus. B.v. Quo mo rit ure ruis, waar gaat gij heen om te sterven? Deze eigenaardigheid is gewoon in de uitdrukking macte virtute (esto, este), goed zoo, braaf. Macte virtute diligentiaque esto, heil n, wijl gij zoo braaf en zoo vlijtig zijt. Ook in het meervoud zegt men liever macte dan macti. B.v. Macte virtute, milites Romani, este, geluk met uwen heldenmoed, soldaten van Rome.

*§ 274. Zoo men iemand hartstochtelijk aanroept of toespreekt, zet men de interjectio o voor den vocativus. B.v. o Dii boni, quid est in hominis vita diu.

Bij uitroepingen van bewondering, smart, toorn gebruikt men den accusativus met of zonder interjectio. B.v. Me caecum, qui hoc non videam, hoe kan ik toch zoo blind zijn, dat ik dit niet zie. Hun-cine hominem; haneïne i m p u d e n t i a m, j u d 1 ces, wat voor een mensch, rechters, welk een onbeschaamdheidO f a 11 a c e m h o m i n u m spem, o bedriegelijke hoop der menschen! Heu me misërum, ach mij ongelukkige !

Bij en en ecce, zie, ziedaar, staat gewoonlijk de nominativus, soms de accusativus. B.v. En causa, zie, dat is de oorzaak. Ecce litterae tuae, zie daar kwam een brief van u.

-ocr page 222-

Plaatsbepalingen.

% 275—276.

212

Bij vae en hei staat de dativus. B.v. Vae victis, ivee den overwonnenen. Hei mihi, wee mij.

Bij pro staat, behalve in de uitdrukking pro deum atque homi-num fidem, de vocativus. B.v. Pro sa note J up pi ter, ach heilige Jupiter!

Bij bene, als men drinkt op iemands gezondheid, staat de accusativus of dativus. B.v. Bene te. Bene vobis.

NEGENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ BEPALINGEN VAN PLAATS, TIJD EN RUIMTE.

I, Plaatsbepalingen,

§ 275. De namen der steden en gewoonlijk ook der kleine eilanden staan op de vraag:

waarheen in den accusativus. B.v. Profectus est Ro-mam, Athênas, Corinthum, Carthagïnem, Cyprum.

vanwaar in den ablativus. B.v. Profectus est Roma, Athenis, Corintho, Carthagine, Cypro.

waar in den genetivus, zoo zij singularia zijn der eerste of tweede declinatie en in den ablativus, zoo zij pluralia zijn of naar de derde declinatie verbogen worden. B.v. Vixit Romae, Corinthi, Athenis, Carthagine, Cypri.

Aanmerking. Ook bij substantiva verb alia staan de namen van steden in den accusativus of ablativus zonder praepositie. B.v. Redïtus Romam. Narböne redïtus. Mansio Formiis.

§ 276. Zoo bij de namen van steden een adj eet i vu m of pronomen staat, zet men ze gewoonlijk op de vraag waarheen in den accusativus en op de vraag vanwaar in den ablativus zonder praepositie. Op de vraag waar staan zij allen in den ablativus, de singularia der eerste en tweede declinatie gewoonlijk met in (behalve zoo er tot us bij staat), de overigen gewoonlijk zonder in. B.v. Proficiscor Carthaginem Novam, ik vertrek naar Nietiw- Carthago. Venerunt ipsa Sa mo, zij zijn van Samos zelf gekomen. In ipsa Alexandria, te Alexandria zelf. Malo cum timore Romae esse quam sine timore Athenis tuis.

Aanmerking. Men herinnere zich, dat ook voor de eigennamen van steden de regels gelden, welke in g 1S9 voor de adjectiva bij eigennamen zijn gegeven. Een ervaren prozaschrijver zal dus niet zetten doctas A then as proficisci.

-ocr page 223-

Plaatsbepalingen.

§ 277—229-

213

§ 277. Wanneer op den naam eener stad een nomen ap po situ m volgt, heeft dit bij de vragen waarheen en vanwaar gewoonlijk een praepositie voor zich. B.v. Demaratus se con-tülit Tarquinios, in urbem Etruriae florentissimam, Demaratus begaf zich naar Tarqninii, een bloeiende stad van Etrurië. Fonteji genus Tuscülo, ex elarissimo muniei-pio, pro fee turn erat, de familie Fout ejus ivas afkomstig van de beroemde vrijstad Tusculum. Op de vraag waar staat het nomen appositum altijd, ook bij de singularia der eerste en tweede declinatie, in den ablativus met of zonder in. B.v. Archias Antiochlae natus est, (in) celebri quondam urbe, Archias iverd geboren te Autiochic, zveleer een volkrijke stad.

Wanneer daarentegen een nomen appositum vóór den naam eener stad staat, hetgeen gewoonlijk geschiedt wanneer het geen attributum bij zich heeft, wordt er altijd een praepositie voorgezet. B.v. Ad urbem Ancyram Ex oppido Gergovia. De singularia der eerste en tweede declinatie worden in dit geval op de vraag waar gewoonlijk in den ablativus geplaatst. B.v. Simon in oppido Citio mortuus est. Vgl. § 194. 30.

*A anme rking. Zoo op den naam eener stad een relativum volgt, heeft dit altijd een praepositie bij zich. B.v. Athenae, in quibus. Men zegt echter wel zoo gaarne ubi of in qua urbe.

*§ 278. Men gebruikt de praepositie per om aan te duiden door of over welke stad men gaat. B.v. Per Thebas profectus est Romam, hij is door of over Thebe naar Rome vertrokken.

Aanmerking. Bij de substantiva, die geen eigennamen van steden zijn, gebruikt men op de vraag door of over welke plaats, in welke richting, langs welken weg gewoonlijk den ablativus. B.v. Via A pp ia proficisci, langs den Appischen weg vertrekken. F rumen tum flu mi n e Ardre subvexit, hij voerde het graan de rivier dc Arar op. Lupus Esquilina porta ingressus est, een wolf kwam door de Esquilijnsche poort de stad binnen. Behalve bij de substantiva, die richting , weg beteekenen, kan men bij bovengenoemde vragen ook per gebruiken. Men moet dus zeggen line a recta, in een rechte richting, via Appia; men kan zeggen per Esquilinam portam.

*§ 279. Vertrekt men uit de omstreken eener stad, dan gebruikt men de praepositie a. B.v. Caesar a Gergovia discessit, Caesar brak op van Gergovia (welke stad hij belegerde). Classis ab Ostia pro-fee t a est, de vloot is van Ostia vertrokken.

Om aan te duiden, dat men zich in de richting van zekere stad begeeft of dat iets in de nabijheid van een stad geschiedt, gebruikt men in het eerste geval ad, en in het tweede geval ad, prope, soms apud. B.v. Iter dirigëre ad Mutinam, den weg inslaan naar Mutina. Pugna ad Cannas, de slag bij Cannae.

-ocr page 224-

Plaatsbepalingen.

§ 280—281.

214

Men voegt ook a en a d voor de namen der steden, wanneer men wil aangeven, dat zekere streek zich uitstrekt van de eene stad tot de andere. B.v. Om nis ora a Salon is ad Orïcum, de gansche kust van Salonae tot Or kus.

§ 280. De namen der landen en grootc eilanden, alsmede de appellativa staan gewoonlijk op de vraag waarheen in den accusativus met in of ad, op de vraag vanwaar in den a b 1 a-tivus met ex, ab of de, op de vraag waar in den ablativus met in. B.v. Ex Europa in Asiam rediit, hij is uit Europa naar Azië teruggekeerd. Jacet in litöre, hij ligt op het strand.

Aanmerkingen. Meermalen worden de volksnamen in plaats van de namen der landen gebruikt en als zoodanig geconstrueerd B.v. In Persas proficisci, naar Pcrzie vertrekken.

Wanneer op de vraag waarheen de praepositie in of ad gebruikt wordt, geeft i n over het algemeen te kennen, dat men ergens binnenkomt, ad, dat men in de onmiddellijke nabijheid komt, zonder er binnen te gaan. B.v. E o in u r b e m en e o ad u r b e m.

Op de vraag vanwaar beteekent over het algemeen ex uit, ab van den kant van, d e afwaarts. B.v. Proficiscor ex Italia. Venio a patre. Descendo de Capitolio.

§ 381. Domus en rus volgen dezelfde regels als de namen der steden, namelijk do mum, naar huis, rus, naar het land, domo (niet domu), van huis, rure, van het land, do mi (niet domus, soms domui) , te huis, r u r i, op het land.

Zijn er meerdere personen, die de eene hier, de andere daar wonen, dan heet gewoonlijk naar huis domos (niet domus). B.v. Inde domos diffugerunt.

Domus wordt gewoonlijk ook zonder praepositie gebruikt, wanneer het vergezeld is van een pronomen possessivum of van het adjectivum aliëna. B.v. Do mi meae, in mijn huis; do-mum t u a m, naar uzu huis ; domo a 1 i e n a, uit eens anders huis. Nonne mavis sine peri c ulo tuae do mi esse quam cum periculo alienae? Zoo bij domus andere pronomina of adjecüva staan, moet men een praepositie gebruiken. B.v. In do mum veterem remigrare e nova, uit een nieuw huis weder zijn intrek nemen in een oud huis.

Zoo bij domus de genetivus staat van den bezitter, kan men de praeposities gebruiken of weglaten. B.v. Do mi of in domo Caesaris. (In) domum Maelii tela inferuntur. (E) domo Caesaris multa ad te delata sunt.

* Aanmerking I. Wanneer domus een gel) 011 w en rus een landgoed aanduidt, moet men een praepositie gebruiken. B.v. In domo

-ocr page 225-

Plaatsbepalingen.

§ 282—283.

215

f u r t u m factum est a b e o, qui d o m i f u i t. C a r 1 c a s in Alben se rus e Syria intülit L. Vitellius.

Zoo bij rus een adjectivum of pronomen staat, gebruikt men op de vraag waar den ablativus op e. B.v. R u r e pa ter no. In i 11 o r ure. Dichters gebruiken dezen vorm ook zonder adjectivum.

*A a n m e r k i n g II. B e 11 u m en militia worden in verbinding met d o m i ook in den genetivus geplaatst. B.v. Belli d o m i q u e , d o m i m i 1 i t i a e q u e , tc huis en in het veld, in oorlog en vrede,

*Aanmerking III. Humus staat op de vraag waar in den genetivus, behalve wanneer er een adjectivum bij staat. B.v. Humi, in hum o nuda jaeëre, op den grond, op den blooien grond liggen.

Van den grond heet hum 0 of ab humo , naar den grond in of ad h u m u m.

*§ 282. De ablativus zonder praepositie staat op de vraag waar bij:

terra marïque, tc land en ter zee.

d e x t r a, aan de rechterhand, sinistra of 1 a e v a, aan de linkerhand. gewoonlijk bij loco en loc is in verbinding met een adjectivum of pronomen. B.v. Sec undo loco pugnare, op een gunstige plaats strijden. Meliore loco res sunt nostrae, onze zaken bevinden zich in een gunstiger toestand. Hoe loco, op deze plaats. Multis loci\'s, op vele plaatsen.

soms bij parte en partibus. B.v. Utraque parte Tibëris. Re-liquis oppidi partibus.

bij alle plaatsbepalingen met totus, soms met 0mnis, universus, medius. B.v. Tot a Roma, domo, Italia, urbe. Totis castris, c a m p i s.

zoo men den g a n s c h e 11 inhoud aangeeft van een geschrift of gedeelte van een geschrift. B.v. Herodótus sec undo libro de vete-rib us Aegyptiis narrat. Hoe capïte, hac parte libri dispu-tatur de justitia. Causa m meae voluntatis expos ui tibi superioribus litteris.

Aanmerking. Zoo bij plaatsbepalingen met t o t u s en bij het opgeven van den inhoud eens geschrifts niet de gansche plaats of inhoud wordt bedoeld, gebruikt men i n. B.v. Diplomat a in tota provincia passim data sunt. In hoe libro (scripto, c a p i t e) nomen c a r e n d i i n v e n i t u r. U n a m a d h u c a te e p i s t o 1 a m acceperam, in qua sign\'ificatur, a 1 i a m te ante d e d i s s e, q u a m non acceperam.

§ 282. Bij vele verba, die een beweging naar iets aanduiden, staat gewoonlijk in en sub met den ablativus. Hiertoe behooren;

ij de verba van plaatsen, zooals: pono, loco, collöco, statuo, constituo, consisto, consïdo. B.v. Li brum in mensa ponere, een bock op de tafel leggen. Calceos sub s c a mn o p o n e, zet uw schoenen onder de bank. P r a e s i d i a in oppidis constituérc. Platoni in eunis dormienti apes in labellis con sederunt. De enkelvoudige namen der steden van de eerste en tweede declinatie komen bij deze verba in den genetivus, de overige namen der steden in den

-ocr page 226-

Tijdsbepalingen.

ablativus zonder praepositie. Onder de composita van pono wordt impono gewoonlijk met in en den accusativus geconstrueerd. B.v. Mi litem in naves, corpus in plaustrum iniponëre.

Aanmerking. Dichters zetten bij verba van beweging wel eens den dativus. B.v. It clamor caelo, het geschreeuw stijgt ten hemel. Spel ia conjiciuut igni, zij werpen den buit in het vuur.

2) de verba van hechten, graveeren, drukken, zoóals: figo, defïgo, insculpo, inscrïbo, ineïdo, imprïmo, B.v. Hannönis corpus in cruce fixum est, Hanno\'s lichaam werd aan een kruis gehecht. Vu 11us in a 1 iquo figëre, zijn blikken op iemand vestigen. Si cam in corpórc alicujus de-figêre, iemand een dolk in het lichaam steken. Im prim ére sigi 11 um in cera, een zegel op het was drukken.

§ 284. Bij de verba van aankomen, te zamen komen, vergaderen, boodschappen, zooals: advenire, con venire, congregare, nuntiare staat in en sub met den accusativus, niettegenstaande wij in het Nederlandsch de vraag waar stellen. De namen der steden staan in den accusativus zonder praepositie. B.v. Advenire in urbem, in de stad aankomen. C u c u r r i t ad matrem N e a p ö 1 i m , hij liep naar zijn moeder te Napels. Romam nuntiatum est fugissc Antonium, men boodschapte te Rome, dat Antonius gevlucht was. Cives unum se in locum ad curiam congregabant, de burgers verzamelden zich op een en dezelfde plaats vóór het raadhuis.

Aanmerking. Bij navem conscendëre zetten de Latijnen de namen der steden op de vraag waar in den ablativus. B.v. Tarente, Ephëso, scheep gaan te Tarente, te Ephese. Voor andere woorden staat de praepositie a. B.v. Ab Horcülis portu.

II. Tijdsbepalingen.

§ 285. Een tijdsbepaling staat op de vraag hoelang in den accusativus met of zonder per. B.v. Troja per decern annos oppugn at a est, Troje is tien jaren lang belegerd. A p p i u s c a e c u s m u 11 o s annos f u i t, Appins is gedurende vele jaren blind geweest. Tres annos continu os m e c u m h a-bitavit, drie jaren achtereen heeft hij bij mij gewoond.

*A an merkingen. Somtijds staat op de vraag hoelang de ablativus. B.v. Pugnatum est continenter horis quinque, men streed onafgebroken vijf uren lang.

Zoo een tijdsbepaling op de vraag hoelang onmiddellijk met een substantivum verbonden is, gebruikt men den genetivus quali-

% 284—285.

-ocr page 227-

Tijdsbcpalingen.

§ 286—287.

217

tatis. B.v. Exsilium quattuordëcim annorum toleravit, veertien jaren lang bracht hij in ballingschap door.

Op de vraag sinds hoelang zet men den accusativus van een ordinale met jam, waarbij men het loopende jaar mederekent. B.v. Mithridates annum jam tertium et vicesimum regnat, sinds tzvee en twintig jaren regeert Mithridates.

Op de vraag tegen wanneer, tot wanneer, voor hoelang gebruikt men den accusativus met in. 15. v. Ad een am invitatus sum in posterum diem. In crastinum diem differo res se veras. Phaëthon currum paternum in diem rogavit.

Op de vraag tot hoelang gebruikt men ad. B.v. Sophöcles ad summam senectutem tragoedias fecit.

§ 286. Een tijdsbepaling op de vraag wanneer staat in den ablativus. B.v. Tertio anno urbs capta est, in het derde jaar zuerd dc stad ingenomen. T i m o 1 e o n maxima p r o e 1 i a natali die suo fecit omnia, Tivioleon heeft rsijn grootste veldslagen allen op zijn verjaardag geleverd.

*Aanmerking I. Jen tijde van iemand heet (niet tempore).tempo-ribus of aetate alicujus, ten tijde dat eo tempore cum, eo tempore quo, quo tempore.

Tempore (minder goed in tempore) beteekent te rechter tijd, in eo (hoc, t a 1 i) t e m p o r e in dit hachelijk oogenblik, in zulke tijdsomstandigheden.

Men gebruikt ook in bij de uitdrukkingen in praesenti, in prae-sentia, voor het tegenwoordige, p/gt; dit oogenblik, en meermalen zoo om nis bij een tijdsbepaling staat. B.v. In omni aeternitate, in omni aetate, in omnibus saecülis.

*A an merking II. Bij de substantiva, die den ouderdom aangeven, zooals pueritia, juventus, alsmede bij de substantiva, die geen eigenlijke tijdsbepaling uitdrukken, zooals bellum, pax, zet men, zoo zij geen attributum bij zich hebben, op de vraag wanneer in voor den ablativus. B.v. In se neet u te, in bello, in den oorlog, in vita. Men zet echter den ablativus zonder in bij initio, princi-pio, comitiis, ludis en bij dc substantiva der vierde declinatie, zooals adventu, discessu, exïtu.

Zoo deze substantiva echter een attributum bij zich hebben, staan zij op de vraag wanneer in den ablativus zonder in. B.v. Prima pueritia, extrema senectute, bello Punico secundo, tumultu servili. Bij bellum blijft de praepositie ook weg, wanneer liet met een genetivus verbonden is, zooals be\'lo Latinorum en zoo het beteekent in oorlogstijd.

§ 287. Om aan te duiden dat iets geschiedt binnen, in verloop van zekeren tijd gebruikt men den ablativus met of zonder in of de praeposities intra, inter. B.v. Agamemnon v i x decern a n n i s (intra, interdecem an n o s) u n a m u r b e m cepit, Agamemnon nam nauwelijks in tien jaren cénc stad in. In bello Punïco, in den loop van den Pimisehen oorlog.

-ocr page 228-

*

Tijdsbepalingen.

2l8

§ 288—290.

*Aanmerking. Intra met een ordinale beteekent voor den afloop van, in minder dan. Vgl. § 162. 11.

Bij de adverbia numeralia en bij de distributiva gebruikt men op de vraag hoe dikwijls binnen zekeren tijd meestal in. B.v. Bis in die. Sol binas in singulis annis reversiones facit.

§ 288. Op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna staat de accusativus of de ablativus met ante en post (nooit antea of postea); zoo ante en post voorop staan, de accusativus, zoo zij achteraan staan, de ablativus, zoo zij in het midden staan, de accusativus of de ablativus. Men kan hier naar verkiezing de cardinalia of de ordina 1 ia gebruiken, B.v- Hij stierf drie jaren later, mortuus est post tres a nn os. tres post an no s.

post tertium annum. tertium post annum.

tribus annis post tribus post annis.

tertio anno post. tertio post anno.

quot;Aanmerking. Op dezelfde wijze zegt men ook multo ante (post), lang te voren, veel vroeger; non multo ante (post), niet lang te voren, niet veel vroeger; non ita multo ante (post), juist niet lang te voren, niet zeer veel vroeger; pau 1 o of brevi ante (post), kort te voren, een weinig vroeger; aliquanto ante (post), geruimen tijd te voren. Men kan bij deze ablativi ante en post ook voorop zetten. B.v. Ante paulo.

§ 289. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een substantivum, laat men dit afhangen van ante of post en plaatst de tijdsbepaling op de vraag hoelang te voren, hoelang daarna in den ablativus. B.v. Paucis diebus post mortem African!, weinige dagen na den dood van Africanus. L. Sextius consul factus est annis post Romam condïtam trecentis duodenonaginta. Tertio post ejus mortem anno.

§ 290. Zoo het tijdstip, vóór of na hetwelk iets geschied is, wordt aangegeven door een verbum, gebruikt men de conjunctio quam, welke met ante en post tot één woord verbonden wordt of van ante cn post gescheiden blijft. B.v. Hij stierf drie jaren nadat hij gekomen was, mortuus est

tribus annis (tertio anno) postquam venerat post tres annos (tertium annum) quam venerat.

li

\'li

I ■f

tres post annos (tertium postan nu m) quam venerat. tribus post annis (tertio post anno) quam verenat. In plaats van die ante, die post zegt men steeds pridie, postri-

A i

-ocr page 229-

Tijdsbepalingen.

§ 291.

219

die, B.v. Andricus postridie ad me venit quam in-spectarem.

Aanmerking I. Wanneer bij zulk een tijdsbepaling met post (niet met ante) de ablativus staat, kan men post weglaten en vervolgens in plaats van quam het pronomen relativum of cum gebruiken. B.v. Mortuus est tribus annis quam, quibus of cum venerat.

Aanmerking II. Zoo men bij de vraag hoelang te voren wil aangeven, dat men bedoelt van den tijd af waarop men spreekt, gebruikt men abhinc met den accusativus of ablativus of men zet de tijdsbepaling in den ablativus met het pronomen hic. Abhinc staat vóór de tijdsbepaling, welke door cardinalia, niet door ordi-nalia wordt opgegeven. B.v. Mater mea abhinc decern annos mortua est, thans tien jaren geleden is mijne moeder gestorven. Ro-scius litem decidit abhinc annis quattuor. Nemo his viginti annis Romanae reipublicae fuit hostis, niemand is in de laatste twintig jaren den Romeins eken staat vijandig geweest. Zoo men over iets spreekt, dat op een vroege ren tijd betrekking heeft, gebruikt men den ablativus met ille. B.v. Diodörus respondit se paucis illis diebus argentum misisse Lilybaeum, Diodorus antwoordde, dat hij toen weitiige dagen te voren geld naar Lilybaeum had gezonden.

§ 291. Den ouderdom van iemand drukt men uit;

1quot;. door natus met den accusativus. B.v. Cato annos quinque et octoginta natus e vita discessit.

2quot;. door agens met een ordinale, waarbij het loopende jaar wordt medegerekend. B.v. Vicesimum aetatis annum agens, negentien jaar oud.

30. door den genetivus qualitatis. B.v. Puer dec cm an-nor u m.

4quot;, door de adjectiva op a r i u s B.v. Sen ex octogenarius.

5quot;. door den ablativus met een ordinale, waarbij het loopende jaar wordt medegerekend en wel met of zonder aetatis. B.v. Alexander decessit quarto et tricesimo (aetatis) anno, Alexander stierf op drie en dertigjarigen leeftijd of in zijn vier en dertigste jaar.

Aanmerking. Ouder, jonger dan heet major, minor quam met het nomen van den leeftijd in den accusativus of genetivus. Men kan quam ook weglaten en het nomen van den leeftijd in den accusativus of genetivus laten staan of het in den ablativus zetten. Zoo het nomen van den leeftijd in den accusativus staat, voegt men er altijd natus bij en zoo het in den genetivus staat, meermalen natu. Ouder dan tien jaar heet derhalve;

m a j o r q u a m decern annos natus.

major quam d e c e m a n n o r u m (natu).

major decern annos natus.

major decern a n n o r u m (natu).

major decern annis.

-ocr page 230-

Ruinitebepalingen.

% 292—293.

220

III. Ruimtebepalingen,

§ 2D2. Bij de verba, adjectiva en adverbia van uitgebreidheid staat de ace u s a t i v u s op de vragen ho e ver, hoelang, hoebreed, hoe hoog, hoe diep, hoe dik. B.v. Nemo est qui possit biduo septingenta milia passuum ambulare, cr is niemand, die in twee dagen zeven honderd mijlen ver kan zuandelen. A recta conscien tia non transversum ungucm (digiturn) oportet discedere, van de goede inspraak des gezuetens moet men geen nagel (vinger) breed afwijken. Fossa duos pedes lata, een graehl van twee voet breedte. Terram duos pedes alte infodere, den grond twee voet diep opgraven,

*Aanmerking I. Magnus, crassus, profundus worden niet geconstrueerd met den accusativus van uitgebreidheid. Voor magnus en crassus kan men de constructie gebruiken van § 268. 40 en voor profundus het adjectivum alt us. B.v. Fossa duos pedes alta, een gracht ter diepte van twee voet.

*Aanmerking II. Men kan de hoogte, diepte, enz. ook uitdrukken door den genetivus qualitatis. B.v. Colossus centum viginti pedum, een kolos van 120 voet hoogte. Deze genetivus kan nader bepaald worden door in met den accusativus van een substantivum, dat hoogte, diepte, enz. beteekent. B.v. Murus sedëcim pedum in alti-tudïnem, in latitudïnem, in longitudïnem, een muur van 16 voel hoogte, breedte, lengte.

§ 293. Bij de verba van verwijdering, zooals: abesse, di-stare staat de afstand in den accusativus of ablativus. B.v. T e m p 1 u m q u i n q u e milia of q u i n q u e m i 1 i b u s passuum a b u r b c d i s t a t, de tempel is vijf mijlen van de stad verwijderd.

Beide naamvallen geven ook aan op welken afstand iets geschiedt. B.v. Ariovistus milibus passuum sex a Caesaris castris consëdit, Ariovistus zette zich neder op zes mijlen afstand van Caesar\'s legerplaats.

*Aanmerking. Wordt de afstand aangeduid door spatium of inter valium met een genetivus, dan moeten deze woorden in den ablativus staan. B.v, Hannibal quindëcim ferme milium spa-tio castra ab Tarento posuit. Soms wordt spatio uitgelaten. B.v. Gastra aberant bidui.

Wordt de plaats, vanwaar de afstand gerekend wordt, niet aangegeven , dan zet men de praepositie a vóór het nomen van den afstand. B.v. A milibus passuum duobus castra posuerunt.

-ocr page 231-

Comparatives.

§ 294—295-

221

TIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK DER NAAMVALLEN BIJ DE VER-GELIJKIN GSTRAFFEN.

§ 294. Wanneer twee substantiva of pronomina met elkander vergeleken worden door den comparativus van een adjectivum of adverbium, moet men het Nederlandsche dan vertalen door qua m en beide substantiva in d enz elfden naamval zetten. B.v. Sol major est quam terra, de zon is grootcr dan dc aarde. Ho-nesta mors est mclior quam turpis vita, een eervolle dood is beter dan een schandelijk leven. Nemïni plu ra beneficia t r i b u i s t i quam m i h i, gij hebt aan niemand meer weldaden bewezen dan aan mij. Cui potius eredam quam tibi, wien zal ik eerder gelooven dan u ?

Quam volgt ook op malo, ik zuil liever, p ra est at, het is beter, en ultra, verder. B.v. Saepe tacêre praestat quam 1 o q u i, het is dikwijls beter te zwijgen dan te spreken.

*A an merking. In bovenstaande voorbeelden kan men liet werkwoord in het tweede lid der vergelijking herhalen, namelijk: de zon is grooter dan de aarde is; gij hebt aan niemand meer weldaden bewezen dan gij aan mij bewezen hebt. Zoo deze herhaling niet mogelijk is, plaatst men het tweede lid in den nominativus met quam... est (sunt), quam... er at (erant), enz. B.v. Dit zijn woorden van Varro, een grooter geleerde dan Claudius (geweest is), haec verba sunt Var-rönis, hominis, quam fuit Claudius, doctioris. Staat het eerste lid echter in den accusativus, dan kan men ook het tweede lid met quam in den accusativus plaatsen. B.v. Ego hominem callidio-rem neminem vidi quam Phormiönem of quam Phormio est, ik heb nooit een schranderder man gezien dan Phormio.

§ 295. Wanneer het eerste lid der vergelijking in den nominativus of accusativus subjecti (in dé constructie van den accusativus cum infinitivo) staat, kan men quam weglaten cn het tweede lid in den ablativus plaatsen. B.v. Hon est a mors turpi vita melior est. Lacrïma nihil citius arescit, niets droogt spoediger op dan een traan. Tunica propior p a 11 i o est, het hemd is nader dan de rok. N e m ï n e m R o m a-norum Cicerone eloquentiorem fuisse vetëres judi-c a r u n t, dc ouden hebben verklaard, dat niemand der Romeinen welsprekender is geweest dan Cicero.

*Aannierking I. Wanneer het eerste lid der vergelijking in den accusativus objecti staat, mag men quam in zuiver proza alleen dan weglaten, wanneer er geen dubbelzinnigheid kan ontstaan; in

-ocr page 232-

Coviparativus.

% 296—297.

222

den regel doen de Latijnen het slechts in negatieve zinnen. B.v. Quem auctörem locupletiorem Platone laudare possumus, welken schrijver kumien wij als rijker prijzen dan Plato? Hoc mihi gratius nihil facëre potes, gij kunt mij niets aangenamers doen dan dit. In den volgenden zin zou de weglating van quam dubbelzinnigheid veroorzaken: Germani graviores hostes sustinuerunt quam Romanos.

Aanmerking 11. Wanneer de ablativi hoc of quo (™e t hoe) bijeen comparativus staan om op het tweede lid der vergelijking te wijzen, moet men toch voor het tweede lid quam zetten. B.v. Quid hoc mise-r i u s, quam e u m, qui tot a n n o s designatus consul fuerit, fieri cons u le m non posse? Quo quid absurdius quam homines jam m o r t e d e 1 ë t o s reponëre in d e o s ?

§ 296. Quam moet weggelaten worden:

r\'t. wanneer het tweede lid der vergelijking een pronomen relativum is. B.v. Aristotëles, quo nemo unquam doctior fuit, Stagiris natus est Letterlijk vertaald luidt deze zin: Aristoteles, geleerder dan wie niemand ooit geweest is, werd te Stagira geboren. Men moet echter vertalen : Aristoteles de grootste geleerde die er ooit geweest is, werd te Stagira geboren. De Latijnen gebruiken namelijk meermalen een ontkennenden zin met den comparativus, waar wij een bevestigenden zin met den superlativus in den hoogsten trap aanwenden. Zoo kan men ook vertalen; Ik heb uit Homerus de honderd beste verzen uitgeschreven, die ik kon vinden, ex Homero centum ex-scripsi versus, quibus meliores invenire non potui. Scipio Afri-canus bracht den tweeden Punische?! oorlog ten einde, den grootsten en gevaarlijksten, dien de Romeifien ooit gevoerd hebben, Scipio African us confëcit secundum b e 11 u m P u n i c u m, quo m a j u s p e r i-culosi usque R o m a n i gesserunt nullum. Vgl. § 203.

2°. wanneer een eigenschap van zekeren persoon of zaak vergeleken wordt met iets, waarin die eigenschap op de hoogste wijze aanwezig is. B.v. N i v e c a n d i d i o r, p i s c e s a n i o r, luce c 1 a r i o r, c a r-b ö n e n i g r i o r, p 1 u m a 1 e v i o r.

30. bij inferior en p o s t e r i o r. B.v. Sapiens h u m a n a omnia inferiora virtute ducit. Est boni consulis suam s a 1 u t e m posteriorem salute c o m m u n i d u c e r e.

§ 297. Bij minus, plus en a m p 1 i u s staat het tweede lid der vergelijking, wanneer dit een getal is of een substantivum, dat een maat beteekent, zooals annus, pars, digitus transversus, met of zonder quam in denzelfden naamval als het eerste lid. B.v. Plus (quam) quingentos colaphos infrëgit mihi, hij heeft mij meer dan vijf honderd oorvegen gegeven. Quinctius tecum plus annum vixit, Quinctius heeft langer dan een jaar met u omgegaan.

Wanneer minus, plus en amplius in den nominativus of accusativus staan, kan men, quam weglatende, het tweede lid ook in den a b 1 a t i v u s plaatsen. B.v. Plus u n o v e r u m esse non po-test. R o s c i u s n u n q u a m plus triduo R o m a e fuit.

Betrekkelijk deze woorden valt verder op te merken :

i0. dat zij meestal onveranderd blijven. B.v. Pictores antiqui non suntusi plus quam quattuor coloribus.

20. dat quam kan weggelaten worden, ook al staat het eerste lid

-ocr page 233-

Comparativus.

§ 298.

223

der vergelijking niet in den nominativus of accusativus. B.v. Spatium est non a m p 1 i u s pedum sexcentorum.

3°. dat het verbum altijd in het meervoud staat, wanneer deze woorden subject zijn en het tweede lid der vergelijking in het meervoud staat, B.v. Non plus quattuor milia effugerunt, niet meer dan vier duizend zijn er ontkomen.

Aanmerking I. Deze woorden worden soms tusschen de woorden van het tweede lid der vergelijking ingeschoven. B.v. Decern haud amplius dierum frumentum in horreis fuit. er was voor niet meer dan tien dagen koren in de schuren. Soms ook staan deze woorden met een ontkenning achter het tweede lid der vergelijking. B.v. Q u i n q u e milium a r m a t o r u m, non amplius, r e 1 i c t u m e r a t p r a e-sidium, er was een bezetting achtergelaten van niet meer dan vijf duizend gewapenden.

Aanmerking II. Over het verschil van beteekenis tusschen plus, ma gis en amplius valt op te merken:

Plus staat als comparativus van mult u m op de vraag hoeveel. B.v. Plusedistiquamego.

M a g i s staat als comparativus van v a 1 d e op de vraag hoezeer. B.v. Ne quid m a g i s t i m u e r i s q u a m adulatores.

A m p 1 i u s wordt vooral gebruikt bij opgaven van ruimte, t ij d eji getal en in de uitdrukkingen quid amplius, nihil a m p 1 i u s, nee q u i d q u a m a m p 1 i u s. B.v. Amplius se p tingen ti c i v e s pestilentia m o r t u i sunt.

Dikwijls kan men van deze comparativi naar verkiezing den eenen of den anderen gebruiken. B.v. Plus of amplius sex menses sunt. Codrus patriam magis of plus quam semetipsum amavit. In plaats van plus mag men echter geen magis gebruiken, dus niet: ma-gis edisti quam ego.

Aanmerking III. Somtijds wordt ook longius evenzoo geconstrueerd. B.v. G r a e c o r u m c o p i a e non 1 o n g i u s m i I i a passu u m o c t o a b e r a n t.

§ 298 De comparativus wordt gebruikt:

i0. met de ablativi o pin ion e, spe, exspectatione (bij de geschiedschrijvers ook aequo, jus to, solïto, dicto en enkele andere) om te kennen te geven, dat iets de meening, hoop of verwachting overtreft of er niet aan beantwoordt. Gewoonlijk staan deze ablativi vóór den comparativus. B.v. Caesar 0 p i n i o n e c e 1 e v i u s venturusesse d i c i t u r, men zegt dat Caesar spoediger zal komen dan men meent. Laevïnus consul s e r i u s s p e o m n i u m R o m a m v e n i t, afc consul Laevinus kwam later dan men algemeen hoopte te Rome.

2n. met quam pro om uit te drukken dat iets in geen verhouding staat tot iets anders. B.v. S u m p t u s m u 11 o r u m h o m i n u m major est quam pro facultatibus, de uitgaven van vele menschen staan niet in verhouding tot hun vermogen. Proelium atrocius quam pro numero pugnantium edïtur, cr werd een gevecht geleverd, welks moorddadigheid in geen verhouding stond tot het getal der strijders of dat moorddadiger was dan men van het getal der strijders zou verwachten.

30. met quam ut of quam qui en den conjunctivus om aan te duiden, dat iets te groot is om of te groot dan dat. B.v. Hoe vinum acidius est quam ut bibatur, deze wijn is te zuur om te drinken.

-ocr page 234-

Comparatives.

% 299-301.

224

Major sum q u a m c u i p o s s i t f o r t u 11 a n o c ë r e, ik hen te grooi dan dat het lot mij zou kunnen schaden. Q u a m qui komt vooral bij dichters en latere prozaschrijvers voor. In plaats van qua m u t gebruikt men meermalen en wel vooral na p o t i us, liever, enkel quam met den conjunctivus. B.v. Pausanias epulabatur luxuriosius, quam qui aderant perpëtipossent. Virbonus statuit omnemcruciatum perferre potius quam aut officium prodat autfidem. Vgl. § 403.

§ 299. Om te kennen te geven, dat van twee eigenschappen de eene meer dan de andere op een persoon of zaak van toepassing is, zet men beiden in den comparativus met quam of in den positivus met magis — quam. B.v. Themistöcles callidior quam just ior fuit, Themistöcles 7ms meer slim dan rechtvaardig of Themistöcles was wel rechtvaardig maar toch nog slimmer. Rixantes multa magis cupide quam urbane loquuntur, twistenden zeggen vele woorden meer op hartstochtelijken dan op hoffelijken toon of twistenden zeggen vele woorden ivel op hartstochtelijken maar niet genoeg op hoffelijken toon.

§ 300. De comparativus dient ook om een vrij hoogen en een te hoogen trap uit te drukken. Men kan hiervoor echter ook den positivus gebruiken, in het eerste geval met satis, in het tweede met nimis. B.v. Senectus est natura loquacior of satis loquax, de ouderdom is nog al snapachtig van aard. Themistöcles liberius of nimis libëre vivebat, Themistöcles leefde al te los. De comparativus heeft ook de beteekenis van luat met den positivus; in deze beteekenis wordt er meermalen pauio bijgevoegd. B.v. Senectus est paulo m or o si or, de ouderdom is Tuat knorrig.

Aanmerking. Verscheidene adjectiva, wier beteekenis iets afkeurenswaardigs te kennen geeft, plegen de Latijnen in den positivus te zetten, waar wij om het voorgevoegde te of al te den comparativus zouden verwachten. B.v. An gustos fines habere, een te beperkt grondgebied hebben; lente agere, tc langzaam handelen; Ion gum est, het zou te lang zijn.

Daarentegen plaatsen de Latijnen meermalen een comparativus, waar wij aan geen vergelijking denken en den positivus gebruiken. B.v. Nulla res major (geen zaak van eenig gewicht) sine eo gerebatur. Medici gravioribus morbis (zware ziekten) periculosas c u r a t i o n e s a d h i b e r e c 0 g u n t u r.

§ 301. Wanneer twee personen of zaken met elkander vergeleken worden of wanneer een geheel in twee deelen verdeeld wordt en deze deelen tegenover elkander gesteld worden, gebruiken de Nederlanders den positivus of den superlativus, doch de Latijnen den comparativus. B.v. Ik heb twee brieven van u ontvangen, ik beantwoord daarom eerst den eersten, d u a s e p i-stölas abs te accêpi, respondeo igiturpriusadpriorem.

-ocr page 235-

Comparativus.

§ 302.

225

De kleine visschen voeden zich met waterinsekten, de groote met vissehen, min ores pisces in sec lis aquatilibus vescuntur, majores piscibus. De grootste helft, major pars (maxima pars beteekent een zeer groot deel). Wie van beide broeders is de oudste, uter fratrum major natu est? Klein-Azië, Asia minor. Gallic aan deze zijde, Gallia citerior.

§ 302. Hoeveel de eene zaak de andere overtreft wordt uitgedrukt door den a b 1 a t i v u s m e n s u r a e. B.v H i b e r 11 i a d i m i d i o minor est quam Britannia, Hibernic is de helft kleiner dan Britain lie.

Zeer dikwijls gebruikt men hier de volgende ablativi: quo, hoe, eo, des te, quanto, hoeveel, hoe, t a n t o, zooveel, des te, mul to, veel, aliquanto, iets of vrij wat, pa ulo, weinig, nihïlo, niets, altero tan to, eens of tweemaal zooveel, quinquies tanto, vijfmaal zooiwel. B, v. P a t r i a m i h i vita m e a m u 11 o est c a r i o r, mijn vaderland is mij veel dierbaarder dan mijn leven. Homines, quo plura ha bent, eo cupiunt ampliora, hoe meer de meuschen bezitten, des te meer verlangen zij.

*Aanmerking I. De ablativus mensurae wordt ook gevoegd bij de praeposities, adverbia en verba, die de beteekenis van een comparativus hebben , zooals: ante, post, infra, supra, c i t r a, ultra, malle, en de verba van overtreffen, zooals: praestare, superare, antecellëre, antecedëre, excellëre. B.v. Uri sunt magnitudine paulo infra elephantos, de buffels zijn een weinig kleiner dan de olifanten. Multo prae stat virtus divitiis, deugd is veel voortreffelijker dan rijkdom.

Bij de verba van overtreffen mag meft in plaats van de ablativi multo, tanto, quanto en aliquanto ook de adverbia multum, tantum, quantum en aliquantum voegen. B.v. Miramur, hunc hominem multum antecellere ceteris.

^Aanmerking II. Nog vóór een comparativus blijft meestal onvertaald. Men mag het echter vertalen door etiam (soms vel, bij lateren a d h u c). B.v. Lingua Latin a locupletior etiam est quam Graeca, de Latijnsche /aal is nog rijker dan de Grieksche. Hoeveel het eene het andere overtreft mag niet staan tusschen etiam en den comparativus. B.v. Multo etiam gravius queritur, hij klaagt nog veel ernstiger (niet etiam multo gravius).

Aanmerking III. Om bij een vergelijking de tegenstelling sterk te laten uitkomen zet men het tweede lid der vergelijking vóór den comparativus. B.v. Natura virum, quam muliërem, fecit audaciorem. Veniunt, qui me audiant, quasi doctum hominem, quia paulo sum, quam ipsi, doctior. Facere quam sanare vulnëra facilius est.

Aanmerking IV. In plaats van quo quis (quisque)... eo met twee comparativi kan men ook zeggen ut quisque. .. ita met twee

15

-ocr page 236-

Super lathms.

% 303—304-

226

super la tivi. B.v. Hoc rechtschapener iemand is des te moeilijker houdt hij anderen voor niet rechtschapen, quo quisque est vir probior, eo difficilius esse alios impröbos suspicatur of ut quisque est vir probissimus, ita difficillime esse alios impröbos suspicatur. Hoe zeldzamer iets is, des te hooger wordt het geschat, q uo quid rarius est, eo pluris aestimatur of ut quidque rarissimum est, ita maximi aestimatur.

§ 303 Wanneer de superlativus den hoogs ten graad te kennen geeft, kan hij versterkt worden:

1°. door unus of unus omnium. B.v. Scaevölam unum nostrae civitatis praestantissimum audeo dieëre, ik durf zeggen, dat Scaevola dc allcruitstekcndste man is van onzen staat. Eloquentia res una est omnium diffici 11 ima.

2°. door multo of Ion ge, verreweg. B.v. Athenienses omnium G r a e c o r u m multo (1 o n g e) i n g e n i o s i s s i m i sunt.

30 door vel of etiam, zelfs (nooit ipse). B.v. Vel (etiam) sapientissim us potest errare.

4°. door quam met of zonder possum, zoo ... mogelijk. B.v. Quid sentiam, quam brevissime (possum) tibi dicam.

50. door quantuspossu m (doch enkel bij maxi m u s) en u t p o s s u m , zoo... mogelijk. B.v. Caesar quantis maximis itineribus potuit ad hostem contendit. Ut potui a ccura ti ssim e, te tuamque rem tutatus sum. Quantus maximus possum wordt bij Cicero altijd voorafgegaan door tantus. B v. Tanta est inter eos, quanta maxima esse potest, morum studiorumque dissen sio.

Aanmerking. Om aan te duiden, dat iets zoo groot mogelijk is, gebruiken de Latijnen ook de volgende uitdrukkingen: ut nihil supra possit, ut nihil possit accedëre, ut supra nihil possit addi. B.v. Improbïtas Catilinae tam magna fuit, ut nihil posset accedëre. Vervolgens tam... quam qui met een superlativus en ita of sic... ut qui met een superlativus. B v. Tam gratum id mihi erit, quam quod gratissimum (sc. mihi erit). Te semper sic co lam et tuebor, ut quem dili gen t is sime (sc. colam et tuebor).

g 304-. Een superlativus gevolgd door quisque wordt vertaald door allen met den positivus of door het bepalend lidwoord met den superlativus, waarbij men dan naar omstandigheden nog juist, telkens, altijd Van voegen. B.v. Fortissimus quisque miles in hac pugna cecïdit, de dapperste of juist de dapperste soldaten zijn in dezen slag gesneuveld. Ex philosöphis optimus et gravissimus quisque confitetur, multa se ignorare, alle voortreffelijke en gezaghebbende wijsgeeren beke?inen, dat zij vele zaken niet weten.

Zeer dikwijls is zulk een superlativus met quisque door een verbum verbonden met een anderen superlativus. B.v. Optimum quidque rarissimum est, het beste is altijd het zeldzaamste. Maximae cuique

-ocr page 237-

Vergelijkende woorden.

§ 305—306

227

fortunae mini me c red en cl um est, op het hoogste geluk is juist lut minst te homven.

In klassiek Latijn gebruikt men hier bijna altijd den singularis behalve bij de pluralia tantum en wanneer het neutrum plurale quae-que in plaats van quidque staat. B.v. Tuae mihi litterae longis-s i m a e q u a e q u e gratissimae e r u n t Recentissima q u a e q u e sunt c o r r e c t a ni a x i m e.

§ 305. Als wordt na idem vertaald door qui, na talis door q u a 1 i s, na t a n t u s door q u a n t u s, na tot en t o t ï d e m door quot, na tam door quam, na to ties door quoties B.v. Eödem modo me deeëpit quo te, hij heeft mij op dezelfde wijze bedrogen als 71. Nemo unquam tanta crudelitate usus est, quanta Cambyses, niemand is ooit zoo wreed geweest als Cambyses. Plcrïque amicum talem volunt, quales ipsi esse non possunt.

Aanmerking. *Men kan als na idem ook vertalen door ac, a t-que, ut, wanneer beide leden der vergelijking hetzelfde verbum hebben. B.v Plato idem sensit atque Pythagöras, Plato is van dezelfde meening geweest als Pythagoras. Is dit niet het geval, dan moet men qui gebruiken. B.v. Plato idem sensit, quod Pythagöras docuerat.

Dichters en latere prozaschrijvers vertalen als na idem ook door cum en door den dativus. B.v. Ille eSdem nobis juratus in arma, hij die bij hetzelfde vaandel trouw gezworen heeft als wij.

*§ 306. Als en dan worden door ac of atque vertaald na de adjectiva en adverbia, die een gelijkheid of overeenkomst en het tegendeel beteekenen, zooals: simïlis dissimïlis, par, dispar, con-trarius, alius, similiter, parïter, aeque, perinde, proinde, a liter, contra, sec us. B.v. Cave 11 e simili fortuna utaris atque ego usus sum, pas op dat gij niet een gelijk lot hebt, als ik gehad heb. Vides omnia fere contra ac dixisti evenisse, ziet dat bijna alles anders is uitgekomen dan gij gezegd hebt. Longe alia nobis, ac tu scrip sera s, narrantur, men verhaalt ons geheel iets anders, dan gij geschreven hebt. Na contrarius, het tegendeel, het tegenovergestelde, moet van hetgeen ook door ac of atque vertaald worden. B.v. Contrarium decernebat ac paulo ante decreverat.

Aanmerking I In plaats van ac na alius en aliter te plaatsen kan men alius (mits het in denzelfden naamval komt als het eerste alius) en aliter ook herhalen om het verschil des te sterker te doen uitkomen. B.v. Multi homines aliud loquuntur, aliud sentiunt, vele menschen spreken anders dan zij »1 een en. Aliter cum tyranno, aliter cum amico vivitur, men gaat anders met een dwingeland om dan met een vriend.

Aanmerking II. Wanneer alius of aliter een ontkenning bij zich hebben of zooals in vragen een ontkennende beteekenis verkrijgen, worden zij gevolgd door ac, wanneer de zin is juist dezeljde als, door quam, wanneer de zin is niets geringers dan, door nisi, wanneer de

-ocr page 238-

Betcekenis der tempora.

% 307—3I0.

228

zin is slechts. B.v. Nunc non alius sum at que an tea fui, ik ben thans juist dezelfde als vroeger. Ly san der nihil aliud molitus est, quam ut om nes civitates in sua tenëret jiotestate, Ly san der trachtte naar niets geringers, dan om alle staten in zijne macht te hebben. Bellum ita suscipiatur, ut nihil aliud nisi pax quae-s ï t a v i d e a t u r, men beginne een oorlog zoo, dat men slechts vaar den vrede schijnt te streven.

§ 307. Na de ontkennende woorden nemo, nihil, null us) u 11 u s, n u n q u a m, u n q u a m, n u s q u a m, u s q u a m en na een vraag met ontkennende beteekenis wordt dan vertaald door nisi. B.v. Athenienses auxilium nusquam petiverunt nisi a Lacedaemoniis, de Athencrs vroegen nergens hulp dan bij de Lacedenwniers.

ELFDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK DER TEMPORA.

§ 308. De grond beteeken is der tijden komt het duidelijkst uit in den indicativus. De wijzigingen, welke deze beteekenis in den conjunctivus, imperativus. infinitivus en het participium ondergaat, worden in de bijzondere gevallen in het bijzonder besproken.

§ 309. Het praesens wordt gebruikt ter aanduiding:

10. van hetgeen w e r k e 1 ij k tegenwoordig i s. B.v. L o q u e r i s a d h u c cum o m n e s t a c e n t, gij spreekt nog terwijl allen zwijgen.

2quot;. van hetgeen men zich als tegenwoordig voorstelt; dit geschiedt vooral bij het aangeven van gewoonten en algemeen geldende waarheden en bij het aanhalen van gezegden uit vroegere schrijvers. B.v. Ouotidie corpus frigid a aqua lavo, dagelijks waseh ik mij met koud water. Virtus sola homines beatos reddit, de deugd alleen maakt de viensehen gelukkig. Homerus Jovem deorum hominumque patrem appellat, Homerus noemt Jupiter den vader der goden en der mensehen.

Aanmerking. Wanneer iemand zich zeiven afvraagt, wat hij op het oogenblik waarop hij spreekt zal doen, gebruiken de Latijnen het praesens, waar wij den toekomenden tijd gebruiken. B.v. Quid ago, wat

zal ik doen t I m u s n e s e s s u m , zullen wij gaan zitten ?

§ 310 Het perfectum heeft in het Latijn een dubbele beteekenis. Vooreerst beteekent het juist hetzelfde als de Nederlandsche volmaakt verleden tijd (perfectum absolutum). B.v. Vixi, ik heb geleefd. Corpora nobis natura in firma dedit, de natuur heeft ons een zwak lichaam gegeven. Vervolgens wordt het perfectum

-ocr page 239-

Bcteekenis der tempora.

§ Sn-

229

evenals de Nederlandsche onvolmaakt verleden t ij d gebruikt om iets te verhalen (perfectum historïcum). B.v. Caesar exercï-tum finibus Italiae admövit, Rubicönem transiit, Ro-mam occupavit, Pompejum persec ut us est e unique in campis Pharsalïcis dcvïcit, Caesar rukte met zijn leger naar de grenzen van Italië, ging over den Rubicon, nam Rome in, achtervolgde Pompejus en overwon hem bij Pharsalns.

Aanmerking. *In een levendig verhaal gebruikt men in plaats van het perfectum historicum het zoogenaamde praesens historicum, om de verledene gebeurtenissen als tegenwoordig voor te stellen en den spoed te doen uitkomen, waarmede de gebeurtenissen elkander zijn opgevolgd. B.v. T o t a Italia delectus h a b e n t u r, a r m a i m p e-r a n t u r , pecuniae a m u 11 i c i p i i s exiguntur, e f a n i s t o 1-1 u n t u r, omnia d i v i n a humanaque jura permiscentur. — Re pen te post ter gum eq uitat us cernitur, cohortes a 1 i a e appropin quant, h o s t e s t e r g a v e r t u n t, f u g i e n t i-b u s e q u i t e s occurrunt, fit magna c 1 a d e s.

Het praesens historicum volgt gewoonlijk achter dum, terwijl, om de gelijktijdigheid van twee handelingen aan te geven. B.v. Dum ego In Sic ilia sum, nulla statu a dejecta est, terwijl ik in Sicilië was, werd cr geen enkel beeld omvergehaald. Multi dum diserte loquun-tur rusticis, assecuti sunt, ut eorum doctrina nee a diser-tissimis possit intellegi. Zoo men echter wil aanduiden, dat twee handelingen even lang geduurd hebben, volgt achter dum, zoolang als, ook het imperfectum en soms het perfectum. B.v. Dum Sulla in a 1 i i s rebus e r a t occupatus, e r a n t i n t e r e a, qui suis v u 1 n e r i-b u s mederentur. Hoc feci, dum 1 i c u i t, i n t e r m i s i, quoad non lie uit. Vgl. § 364.

§ 311. Het imperfectum wordt gebruikt:

1 °. om aan te duiden , dat een verleden handeling g e 1 ij k t ij d i g geschiedde met een andere handeling of nog voortduurde, toen een andere gebeurtenis plaats had. B.v. T a r q u i n i u s m u r o 1 a p i d e o circumdare u rbem parabat, cum be 11 um Sabin um i n-tervönit, Tarquinms zoas voornemens de\' stad met een steenen muur te omringen, toen de oorlog met de Sabijnen uitbrak.

*Aanmerking I. In een verhaal zal het perfectum voortdurend afwisselen met het imperfectum, daar het perfectum de hoofdhandelingen beschrijft en het imperfectum de bijkomende omstandigheden aangeeft, beschrijvingen invlecht, toestanden schildert. Het perfectum zet het verhaal voort, het imperfectum doet het verhaal stilstaan. B.v. Caesar Alesiam circumvallare instituit; erat autem oppidum in collo summo, cujus radices duabus ex partibus flu min a su blue bant. Cares, qui turn Lemnum incolebant, resistere au si non sunt at que ex insula demi-grarunt. Aequi se in oppida receperunt murisque se tene-bant. Conticuêre omnes intentique ora tenebant.

-ocr page 240-

Beteekenis der tempora.

% 312—313.

230

Aanmerking II. In plaats van het imperfectum gebruikt men in een verhaal bij gevoelvolle schilderingen, om snel afwisselende, elkander verdringende handelingen en toestanden uit te drukken, den zooge-naamden infinitivus historicus In den regel volgen meerdere infinitivi op elkander; zij kunnen actief en passief zijn en hebben het subject in den nominativus. B.v. Quae cum A the nas nun-tiata essent, omnes relictis domibus per urbem discurrëre pavidi, alius alium sciscitari, auctorem nuntii requirëre.

2\'\'. om in het verledenc dikwijls herhaal de handelingen, zeden en gewoonten aan te geven. B.v. Ut Romae consules, sic Carthagine quotannis bini rcges creabantur. Post ci-bum meridian um Augustus p au li sper conquiescebat.

30. somtijds om aan te duiden, dat een handeling wel begonnen, maar niet ten einde gebracht of zonder gevolg gebleven is (imperfectum conatus). B.v. Cato pro lege, quae abrogabatur, ita disseruit, aldus sprak Cato voor dc 7c\'ct, die afgeschaft moest worden (maar niet afgeschaft werd). Consul animos militum leniebat, de consul trachtte de gemoederen der soldaten te bedaren (maar slaagde niet).

§ 312. Het plusquamperfectum duidt aan, dat een handeling reeds geschied was, toen een andere handeling begon. B.v. Pausanias eödem loco sepultus est, ubi vitam posue-r a t, Pausanias werd op dezelfde plaats begraven, waar hij gestorven ivas.

Het Latijn is veel keuriger op het gebruik van het plusquamperfectum dan het Nederlandsch. Wij zeggen: Iphierates doorstak den wachter, dien hij sag slapen, met zijn lans, doch de Latijnen; Iphierates vigïlem, quemdormientemviderat, cuspide transfixit, omdat de handeling van zien reeds geschied was, toen de handeling van doorsteken begon. Persae, cum Athenas perven issent, sacerdotes, quos in arce invenerant, interfecerunt, toen de Persen te Athene kwamen, doodden zij de priesters, welke sij in den burg vonden.

Aanmerking I. De verba van vragen staan meermalen in het imperfectum, waar men om de nauwkeurigheid het plusquamperfectum zou verwachten. B.v. Socrates, cum rogaretur cujatem se esse die er et, mundanum inquit, toen men Socrates vroeg voor welk een landsman hij zich uitgaf antwoordde hij: voor een wereldburger.

Aanmerking II. De geschiedschrijvers zetten soms het plusquamperfectum in plaats van het perfectum, om den spoed aan te duiden, waarmede zekere handeling geschiedde. B.v. Postquam se recepe-runt, verterat periculum in Romanos.

§ 313. Het fu t u r u m simplex duidt een toekomstige handeling aan. B.v. Omnes homines morientur, alle menschen zullen sterven.

-ocr page 241-

Beteekenis der tempora.

§ 314

231

Aanmerking I. In het Nederlandsch gebruiken wij meermalen bij adverbia en andere bepalingen, die op de toekomst zien, het praesens, waar de Latijnen het futurum plaatsen. B.v. Morgen gaan wij naar buiten, eras rus proficiscemur. Over acht dagen komen wij terug, octo diebus interjectis revertemur.

Aanmerking II. Men wachte zich wel het futurum te gebruiken, waar de conjugatio periphrastica met het participium op urus te pas komt. In den volgenden zin b.v. gij moet mijn persoon beminnen en niet mijn goed, zoo wij ware vrienden zullen zijn, wordt niet gewezen op een toekomenden tijd, maar op een stemming des gemoeds, op een voornemen, dat nu reeds moet aanwezig zijn. Vandaar in het Latijn: me ipsum am es oportet, non mea, si veri amici futuri sum us. Respersas manus sanguine paterno judices videant oportet, si tantum facïnus credituri sunt.

*Om in het passivum uit te drukken, dat iets op het punt is van te geschieden, gebruikt men de onpersoonlijke spreekwijze in eo est, ut. B.v. Hij was op het punt om overwonnen te worden, in eo e rat, ut vinceretur. Men kan deze spreekwijze ook gebruiken bij de verba activa en deponentia B.v. In eo est, ut proficiscamur, wij zijn op het punt om te vertrekken. Jam in e o e r a t, ut m u r o s evadëret miles, de soldaten waren reeds op het punt om uit de stad te ontkomen.

§ 314. Het futurum exactum duidt een toekomstige handeling aan, die reeds geschied zal zijn, wanneer een andere toekomstige handeling begint. B.v. Cum Romam venero, statim ad te

s c r i b a m , wanneer ik te Rome zal gekomen zijn, zal ik aanstonds aan u schrijven. Ut semen tem feceris Ita metes.

Aanmerking I. Meermalen staat het futurum ex actum en wel bijzonder videro in verbinding met mox, post, alias, in plaats van het futurum simplex. B.v. Quae fuerit causa mox videro, wat de reden geweest is, zal ik aanstonds overwegen. Quod quis non cito didicerit, nunquam didicerit.

Aanmerking II. Wanneer de hoofdzin in het futurum of in den imperativus staat of een uitdrukking bevat, die een toekomstige beteekenis heeft, zooals: est met het gerundivum, licet, opus est, oportet, convënit, volo, possum, moeten de bijzinnen in het Latijn in het futurum staan, zoo zij gelijktijdig plaats hebben met de handeling van den hoofdzin (wij gebruiken dikwijls het praesens) en in het futurum exactum, zoo zij reeds geschied z ij 11 voordat tie handeling van den hoofdzin begint (wij gebruiken dikwijls het praesens of het perfectum). B.v. Naturam si sequemur d u c e m, nunquam a b e r r a b i m u s, zoo wij de natuur als leidsvrouw volgen,zullen wij nooit af dwalen. Non faciam finem rogandi donec precibus me is obsecutus er is, ik zal niet ophouden met bidden totdat gij mijn verzoek verhoord hebt. Lu do et joco uti licet tum, cum gravibus seriisqite rebus satisfeceris, schertsen en spelen mag men dan eerst, wanneer men zijn ernstige bezigheden heeft afgedaan.

Zoo de hoofdzin echter in den imperativus praesens staat en de bijzin begint met si, cum, ubi en dergelijke partikels, mogen possum en volo ook in het praesens gezet worden. B.v. Defende, sipotes.

-ocr page 242-

Bjtcekeiiis der tempora.

% 3IS-3I7

232

§ 315. Bij het schrijven hunner brieven verplaatsen de Latijnen zich gewoonlijk in den tijd, waarop de brieven zullen gelezen worden Zij gebruiken derhalve het imperfectum of perfectum in plaats van ons praesens, en het plusquamperfectum in plaats van ons perfectum. B.v. Nihil habebam quod scriberem; neque enim novi quid-quam audieram et ad tuas omnes epistolas rescripseram pridie, ik heb niets te schrijven; want ik heb niets nieuws gehoord en al uw brieven gisteren beantwoord. Pridie Id us Febru arias, haec s c r i p s i; e o die a p u d P o m p o n i u m e r a m c e 11 a t u r u s, ik schrijf dit den 12de Februari; heden sa/ ik bij Pomponius dineer en.

Het is natuurlijk dat datgene in het praesens moet staan, wat de geadresseerde zich als praesens denken moet. B.v. Si vales, bene est, ego valeo, Ego te maxime et feci semper et facio.

Zelfs Cicero houdt zich niet altijd aan bovengenoemde regels. De nieuwere latinisten richten zich in hunne brieven gewoonlijk naar het gebruik der levende talen.

Aanmerking I. De adverbia temporis moeten overeenkomen met de tijden van het verbum. Heden heet derhalve eo die, gisteren pridie, morgen pos tri die. Ad hue en nunc, die anders slechts bij een praesens en perfectum mogen staan, worden in brieven ook met het imperfectum en plusquamperfectum verbonden. B.v. B i b ü 1 u s n e c o g i t a b a t q u i d e m e t i a m nunc in provinciam suam accedëre, Bibulus denkt er ook thans nog niet aan naar zijn wingewest te vertrekken.

Aanmerking II. Bij het opschrift van een brief zet de schrijver eerst zijn eigen naam, vervolgens óf de formule S. P. D (salutem plurimam dicit) óf den naam van den geadresseerde in den dativus. B.v. Lentulus S. P. D. Ciceroni suo of Lentulus Ciceroni suo S. P. D. Wordt de formule afgekort tot een enkele S dan staat zij altijd na den dativus. B.v. Cicero Attico S. Wordt zij afgekort tot S. P. of S. D. dan meestal in het midden, doch ook wel na den dativus.

Aanmerking III. Plaats en datum worden door de Latijnen aan het einde van den brief gezet en wel eerst de datum en dan de plaats (op de vraag vanwaar). B.v. Vale te. Pridie Kalendas Majas, B r u n d i s i o. Voegt men er D. of D a t a bij, dan moet dit vóór den datum staan. B.v. Vale. Data No nis Martiis, ex castris Tarichêis

TWAALFDE HOOFDSTUK.

OVER DE CONSECUTIO TEMPOEUM.

§ 316. De tijd der bijzinnen, die in den conjunctivus staan, is afhankelijk van den tijd des hoofd zins. De regels, welke hierop betrekking hebben, noemt men de leer der consecutio temporum Zij worden verdeeld in algemeene en bijzondere regels.

§ 317. De algemeene regels zijn:

A. Wanneer het verbum van den hoofdzin een praesens, perfectum absol utum, futurum of futurum ex actum is (tempora der eerste klas), gebruikt men in de bijzinnen het praesens om een tegen-woordigen, het perfectum om een verleden, het participium op

-ocr page 243-

Cousecntio temporum.

§ 317-

233

urus met sim om een toekomenden toestand aan te duiden. B.v. Audio (audivi, audiam, audivero) quid a gas, egeris, acturus sis, ik hoor wat gij doet, gedaan hebt, zult doen.

B. Wanneer het verbum van den hoofdzin een imperfectum, perfectum h i s t o r i c u m of p 1 u s q u a m p e r f e c t u m is (tempora der tweede klas), gebruikt men in de bijzinnen het imperfectum om een gelijk-tijdigen, het plusquamperfectum om een verleden, het participium op urus met essem om een toekomenden toestand aan te duiden. B.v. A u d i e b a m (audivi, audiveram) quid agëres, egisses, acturus esses, ik hoorde wat gij deedt, gedaan hebt, zondt doen.

Aanmerking I. Op een perfectum absolutum volgt in doei-aan duidende zinnen en zijdelingse he vragen gewoonlijk niet een praesens, maar een imperfectum omdat de inhoud van zulke bijzinnen gewoonlijk reeds bij het begin der handeling van den hoofdzin aanwezig was. B.v. Haec, ut vos excitarem, locutus sum, ik heb dit gezegd om u op te wekken. Hoc propterea de me dixi, ut mi hi ignoseëres, ik heb dit daarom over mij zeiven gezegd, opdat gij mij vergeven moogt. Hodie expertus sum, quam cadüca felicitas es set, heden heb ik ondervonden, hoe vergankelijk het geluk is. Satis multas c a u s a s a 11 ü 1 i, c u r b e 11 u m g e r e 11 d u m e s s e t, ik heb genoeg redenen aangehaald, waarom de oorlog moet gevoerd worden.

Zoo echter het perfectum absolutum de beteekenis heeft van een praesens, volgt in den bijzin ook een praesens B.v. Membris utimur prius, quam didicimus (^= scimus), cujus ea utilitatis causa h abeam us, Exploratum est (:=: notum est) omnibus, quo loco causa tua sit. Etiamne ad subsellia cum ferro at que tel is ve ni sti s (— ade stis), ut hie me au t j u gu 1 e tis, aut co ndem-netis? Audivi quid agas beteekent ik heb gehoord {=z ik weet van hooren zeggen) luat gij doet.

Aanmerking 11. Zoo de toekomstige beteekenis van den bijzin reeds zichtbaar is inden hoofdzin en in de conjunctie van den bijzin, gebruikt men in plaats van het participium op urus met sim het praesens, en in plaats van het participium op urus met essem het imperfectum. B.v. Rogo ut venias. Pythia praecêpit, ut Miltiadem imperator em sibi sumërent. Timeo ne veniat. Tim eb am, ut venire t.

Blijkt echter de toekomstige beteekenis van den bijzin niet uit den hoofdzin en de conjunctie van den bijzin, dan moet men het participium op urus met sim of essem gebruiken. B.v. Agamemnon non dubitat, quin Troja brevi sit peritura. Nesciebat Cicero, an senten-tiam suam non omnibus probaturus es se t.

Aanmerking III Wanneer een verbum geen participium op urus heeft, zooals de verba passiva en de verba zonder supinum, gebruikt men een omschrijving met futurum sit (esset) ut en het praesens (imperfectum) conjunctivi B.v. Non dubito, quin fu-tmam sit ut hujus rei tc paeniteat. Non dubitabam, quin futurum esset ut Pom pejus a Caesare vinceretur.

Aanmerking IV. Voor den conjunctivus van het futurum ex actum gebruikt men gewoonlijk het perfectum of plusquam-perfectum conjunctivi, soms ook een omschrijving met futurum sit (esset) ut en het perfectum (plusquamperfectum) conjunctivi. B.v. Nescio num (futurum sit, ut) eras jam redierit, ik weet

-ocr page 244-

Couseciitio tempor inn.

% 3I8.

2 34

niet of hij morgen reeds teruggekomen zal zijn. Nesciebam num (futurum esset, ut) postridie jam rediisset, ik wist niet of hij den volgenden dag reeds teruggekomen zou zijn,

§ 318. Dc bijzondere regels zijn:

I. In gevolgaanduidende zinnen (met ut, ut non, qui, quin) is de tijd onafhankelijk van den hoofdzin. Men gebruikt dien tijd, welken de bijzin zou vereischen, zoo hij onafhankelijk was. B.v. V err es Sicilian! ita vexavit ac perdldit, ut ea restitui in antiquum statu m null o mo do pos sit. Zoo beide zinnen onafhankelijk van elkander waren, zouden zij luiden : Ver res Sicilian! vexavit ac perdidit; ea restitui in antiquum statum nullo mode potest Muiier tam vehementer lapidem de tccto dejëcit, ut regis caput et galeam perfringeret Ego in causis publïcis ita sum versatus, ut defenderim muitos, laeserim neminem. Ta 111a opibus Etruria e rat, ut t otam terram fama nominis sui im pies set

Na het perfectum der verba van geschieden, zooals: factum est, accïdit, contigit volgt echter altijd het imperfectum. B.v. Accïdit ut una nocte omnes Hermae dejicerentur

II. Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het praesen s of perfectum conjunctivi staan, moeten zich, zoo zij afhankelijk worden van een tempus der tweede klas, richten naar de regels der consecutio temporum. B.v. Gajus Latine loquatur, si pater jubeat wordt in een afhankelijke!! vorm: Non dubitabam, quin Gajus Latine loqueretur, si pater juberet. Hier vervalt dus het onderscheid van beteckenis, dat de verschillende tijden van den conjunctivus in de voorwaardelijke zinnen hebben. Vgl. § 331—332.

Voorwaardelijke zinnen, die onafhankelijk zijnde in het imperfectum conjunctivi staan, blijven in het imperfectum, ook al worden zij afhankelijk van een prae sens. B.v. Non dubito, quin me adjuvares, si posses.

Voorwaardelijke zinnen die onafhankelijk zijnde in het plusquam-perfectum conjunctivi staan, veranderen gewoonlijk in den hoofdzin het plusquamperfectum conjunctivi in het participium op urus met fuerim, wanneer zij van een anderen zin afhankelijk zijn geworden. B.v. Die, quid nam fact urus fueris, si eo tempore censor fuisses. Tanta inopia est coactus Hannibal, ut, nisi turn fugae speciem abeundo timuisset, Galliam repetiturus f u e r i t.

Niet zelden echter behouden zij ook in den hoofdzin het plusquamperfectum conjunctivi. B.v.Veritus es, nisi istam artem oratione exaggerasses, ne operam perdidisses Dit geschiedt vooral bij de verba passiva en bij de verba, die geen supinum hebben. B.v. Hoe ille si repudiasset, dubitatis quin ei vis esset allata? Non dubito, quin, si hoe fecisses, facti te paenituisset. Zoo deze verba het plusquamperfectum conjunctivi niet behouden, moet men een omschrijving gebruiken In den eersten der bovenstaande zinnen zou deze wezen: quin futurum fuerit, ut ei vis afferretur, in den tweeden: quin futurum fuerit, ut facti te paeniteret.

Voorwaardelijke zinnen, in wier hoofdzin het imperfectum of

-ocr page 245-

Cousecutio temporum.

§ 3i8-

235

perfectum indicativi staat van possum of van de conjugatio periphrastica met het gerundivum, veranderen deze tijden, zoo zij afhankelijk worden, in het perfectum conjunctivi. B.v. Haud du-bi um fuit, quin, nisi ea mora intervenisset, castra eo die ca pi potuerint. Adeo acquis viribus gesta res est, at si affuissent Etrusci et Umbri, accipienda clades fuerit.

III. Ofschoon in voorwaardelijke zinnen het imperfectum conjunctivi eigenlijk het praesens en het plusquamperfectum conjunctivi het perfectum der voorwaardelijke wijs is, zoo worden deze tijden echter met betrekking tot de bijzinnen gewoonlijk beschouwd als een wezenlijk imperfectum en plusquamperfectum. B.v. Si, bis bi na quot essent, didicisset Epicurus, hoe certe non diceret, zoo Epicurus geleerd had, hoeveel tweemaal twee is, sou hij dit zeker niet zeggen. Somtijds staan de bijzinnen hier echter in een tempus van de eerste klas. B.v. Memorare possem, qui bus in loc is maximas hostium copias populus Romanus parva manu fuderit, nisi ea res longius nos ab incepto traheret.

IV. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een infinitivus praesens of futuri, richt zich het verbum van den bijzin naar het verbum van den hoofdzin. B.v. Cato mirari se ajebat, quod non ridë-ret haruspex, haruspïcem cum vidisset. Negat /Vristïde\'S quidquam utile esse (quidquam se facturum), quod cum honestate pugnet.

Zoo de bijzin echter afhankelijk is van een infinitivus perfecti, staat het verbum van den bijzin altijd in een tempus der tweede klas. B.v. Satis mihi multa verba fecisse videor, quare esset hoe be 11 u m necessarium, het komt mij voor, dal ik genoegzaam heb aangetoond, waarom deze oorlog- noodzakelijk is. De gevolgaanduidende zinnen zijn ook hier onafhankelijk. B v. Docet it a se posse disse, ut nee vi nee cl am posse derit

V. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een su pi num, ge run dium , participium, adjectivum of substantivum, richt zich het verbum van den bijzin naar het verbum van den hoofdzin. B.v Mise-runt Delphos consul turn, quid nam face rent de rebus suis. Ad deliberandum quid facto opus sit, antequam egeris aggrëdi oportet. Aristïdes animadvertit quendam scribenten!, ut p a t r i a p e 11 e r e t u r. P e r d i c c a s d i u quid a g ë r e t i n e e r-tus ad postremum tarnen recessit. Ex\'plicavi sententiam meam, et eo quidem consilio tuum judicium ut cognoscërem.

VI. Wanneer een bijzin afhankelijk is van een anderen bijzin, die in den conjunctivas staat, bepaalt niet de hoofdzin, maar de regee-rende bijzin den tijd van den afhankelijken bijzin. B.v. Nescio, quid-nam causae sit, cur nullas ad me litteras des (dederis) Nescio, quidnam causae fuerit, cur nullas ad me litteras dares (d edi s se s).

VIL Het praesens historicum kan men met betrekking tot den tijd der bijzinnen beschouwen óf als praesens óf als perfectum historicum. B v. Helvetii legates mittunt, qui dicantofqui di eer ent. Meermalen staan bij denzelfden hoofdzin in het praesens historicum sommige bijzinnen in het praesens en andere in het imperfectum conjunctivi.

-ocr page 246-

Indicativus.

§ 319-

236

Bijzinnen met cum narrativum blijven bij het praesens histo-ricum in het imperfectum of plusquamperfecturn conjunc-tivi staan. B.v. Caesar, cum id nuntiatum es set, maturat ab urbe proficisci.

Wanneer de meeningen van oude schrijvers worden aangehaald, volgt soms op een hoofdzin in het praesens een bijzin in het imperfectum. B.v. Chrysippus dispütat, aethëra esse eum, quem homines Jovem appellarent.

Bij een infinitivus historicus staan de bijzinnen in de tempora der tweede klas. B.v. Reus quatëre vincula, vocare deos, ut sibi redderent exsilium.

VIII. Soms staat bij een hoofdzin in het praesens een bijzin in het imperfectum. B.v. Video eau sas esse per mul tas, quae is turn impeller ent. Gewoonlijk kan men zulk een bijzin verklaren als een voor waardel ij ken zin. Men volge echter deze afwijking niet na.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE EETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN HOOFDZINNEN.

L Indicativus.

§ 319. De indicativus beteekent in het algemeen, dat iets in werkelijkheid bestaat of voorondersteld wordt te bestaan. In de meeste gevallen wordt de indicativus in het Latijn op dezelfde wijze gebruikt als in het Nederlandsch. Slechts enkele afwijkingen komen voor. Zij worden besproken in de volgende paragrafen.

§ 320. Meermalen zijn de werkwoorden kunnen, moeten, betamen verbonden met het hulpwerkwoord zouden, zonder dat er een bijzin met indien bijstaat of bijgedacht moet worden. Vgl. g 333. B v. Ik zou vele voorbeelden kunnen opnoemen van rijke lieden, die niet gelukkig geweest zijn. Het zou te wenschen zijn, dat gij eindelijk eens een anderen weg insloegt. Wanneer deze werkwoorden vertaald worden door possum, de be o, oportet, necesse est, licet, convënit, de eet of het gerundivum met sum, gebruikt men den indicativus en wel het praesens, zoo men spreekt van een tegenwoordige, en het imperfectum, perfectum of plusquamperfectum, zoo men spreekt van een verleden handeling. B.v. M u 11 a e x e m p 1 a d i v ï t u m v i r o-rum enumerare possum, qui beati non fuerunt. Optandum est, ut aliquando aliam viam ingrediare. Soms gebruikt men ook in het Nederlandsch het hulpwerkwoord zouden niet. Zoo kan men de vertaling van het laatste voorbeeld beginnen : het ware te wenschen. Even zoo: gij moest vlijtiger zijn, diligentior esse debes.

Om te weten welken der verleden tijden men moet gebruiken, lette men op de omschrijving van het volgende voorbeeld. Hoe facere debebas, gij hadt dit moeten doen en moet het ook thans nog doen. Hoe facere debuisti, gij hadt dit moeten doen, maar thans is het te

-ocr page 247-

Conjnnctivns.

§ 321—324-

237

laat en niet meer mogelijk Hoc face re debueras, gij had/ dit moeten doen, maar toen was het te laat en niet meer mogelijk.

Dezelfde eigenaardigheid in het gebruik van den indicativus geldt ook v\'oor de onpersoonlijke uitdrukkingen, die bestaan uit een adjectivum met esse en dezelfde beteekenis hebben als bovengenoemde verba, zooals: par, aequum, justum, fas, consentaneum, satis of satius est rn decet, licet; melius, utilius, optabilius est = oportet, convënit; Ion gum magnum, im men sum, infinitum, grave, difficile est — non possum. Vgl. over het gebruik van den positivus der laatstgenoemde adjectiva § 300. Aanm. B.v. Aequum sane fuit S o c r a t e m capitis non c o n d e m n a r i, het zou zeker billijk geweest zijn, dat Socrates niet ter dood veroordeeld werd. on gum est (liet zou te omslachtig zijn) omnes memorare artifices, quosAthenae t u 1 e r u n t.

g 321, Bij paene en prope, bijna, staat het perfectum indica-tivi, terwijl wij gewoonlijk den meer dan volmaakt verleden tijd of een zin met zouden gebruiken. B.v. Paene oblïtus sum, quod maxime fuit memorandum, bijna had ik vergeten of bijna zou ik vergeten hebben, wat het meest vermeldingsivaardig was.

§ 322. Bij fortasse, misschien (wanneer men goede gronden voor een vermoeden heeft) staat de indicativus. B.v. Raras tuas quidem, fortasse enim non perferuntur, sed suaves accipio litteras. Bij forst tan (wanneer men geen goede gronden voor een vermoeden heeft) staat de conj unctivus. B.v. Forsïtan quaeratis, qui iste error sit et quae tanta formïdo.

11. Conjunctmis.

§ 323. De conjunctivus beteekent in het algemeen, dat iets niet in werkelijkheid, maar slechts in de gedachte bestaat. Hij staat in hoofdzinnen als modus optatlvus, concessïvus, potentialis en dubitatïvus.

Aanmerking In onze taal wordt de conjunctivus dikwijls omschreven door de hulpwerkwoorden laten, mogen, moeten, kunnen, zullen, zonden B.v. Eamus, laten wij gaan. Moriar, ni ve-r u m est, ik mag sterven, als het niet waar is. Quid f a c i a m ? e a m ? non e a m ? wat moet ik doen ? zal ik gaan ? zal ik niet gaan ? Nil fecit, quod succenseas, hij heeft niets gedaan, waarover gij toornig kunt worden. In facïnus jurasse putes, gij zandt meenen, dat zij tot gruweldaden samengezworen hadden.

§ 324. De conjunctivus wordt gebruikt als modus optativus:

iu. ter aanduiding van een wensch, dikwijls met bijvoeging van utïnam. De ontkenning wordt gewoonlijk uitgedrukt door ne. Het praesens en perfectum beteekenen, dat men de vervulling van den wensch voor mogelijk, het imperfectum en plus-quamperfectum, dat men de vervulling voor niet mogelijk

-ocr page 248-

Conjunctiviis.

% 325-

238

houdt. B.v. Hoc di bene vertant, dc goden mogen hunnen zegen daartoe geven. U t i n a m a m i e u s e o n v a 1 e s c a t (c o n v a-1 u e r i t), moge mijn vriend genezen {genezen zijn)! U t i n a m amieus convalescëret, moeht mijn vriend genezen (maar hij zal niet genezen)! Utinam amicus convaluisset, mocht mijn vriend genezen zijn (maar hij is niet genezen)! Utinam n e n i-mis vitae cupïdi fu is se mus!

Een wensch kan omschreven worden door velim, nolim, malim, wanneer de vervulling mogelijk is, door vellem, no Hem, ma Hem, wanneer de vervulling niet mogelijk is. De bijzin volgt in den con-junctivus zonder ut. B.v. Velim mihi ignoscas Vellem adesse posset Panaetius.

Het woord dan, hetgeen wij meermalen op een wensch laten volgen, wordt óf vertaald door profecto èf onvertaald gelaten. B.v. Quam vellem ad illas pulcherrimas epulas me invitasses, (profecto) reliquiarum nihil haberemus.

Dichters zetten soms o si in plaats van utinam en stellen niet vervulbare wenschen als vervulbaar voor. B.v O mihi praeteritos referat si Juppiter annos.

2°. om een aanmoediging uit te drukken, maar gewoonlijk slechts in den 1sl:en persoon meervoud van het p r a e s e n s. B.v. Imitemur major es n os tros, laten wij onze voorvaderen navolgen. Ne difficilia optemus. Meminerimus etiam adversus infimos j 11 stitiam esse servandam.

30 om bij e e d e n, dat men de waarheid zegt, aan te geven wat e r geschieden mag, zoo men liegt Men gebruikt hier óf den enkelen conjunctivus, wanneer de bijzin in den indicativus staat met si, si non, ofni (nisi wordt niet gebruikt) óf den conjunctivus met ita, wanneer de bijzin in den indicativus staat met ut of ut non. B.v. Dii me puniant, si ga 11 in as tuas venëno in ter feci. Moriar, ni omnia tecum communicavi. Ita me dii anient, ut gallinas tuas veneno non interfeci. Ita vivam, ut tecum omnia communicavi.

§ 325. De conjunctivus wordt gebruikt als modus concessi-vus, wanneer men iets toegeeft of vooronderstelt. Als ontkenning staat n e of, zoo zij zich aan een enkel woord aansluit, ut non. Men gebruikt het praesens en perfectum, zoo men de vooronderstelling als waar beschouwt In dit geval kan men er een conjunctio concessiva voor plaatsen. B.v. F u er is doctus, pius non fuisti, toegegeven dat gij geleerd geweest zijt, braaf zijt gij niet geweest. Naturam expellas fur ca, tam en usque recurret. Exercitus si pacis nomen audierit, ut non referat pedem, insistet certe. Ne sit sane summum malum dolor, malum certe est.

-ocr page 249-

§ 326 —32S Modus bij dc s7ibordineerende conjunctics. 239

* Wordt de vooronderstelling als onwaar beschouwd, dan gebruikt men het imperfectum of plusquamperfectum en wel altijd met ut. B.v. Ut rationem Plato nullam afferret, ipsa auctoritate me frangëret, voorondersteld dat Plata geen enkele reden aanvoerde, dan son hij mij toch door zijn gezag voor zich winnen.

§ 326. De conjunctivus wordt gebruikt als modus potentialis om iets in een zachteren vorm, slechts als moge 1 ijk uit te spreken. Als ontkenning staat non. Men gebruikt het praesens en perfectum zonder verschil van beteekenis, om aan te geven, dat iets thans nog moge 1 ijk is, het imperfectum (het plusquamperfectum wordt niet gebruikt) om aan te geven, dat iets vroeger mogelijkwas, maar thans niet meer. B.v. H i c q u a e r a t q u i s p i a m, hier zou iemand kunnen vragen. Hoc sine u 11 a dubitatione confirmaverim, eloquent!am rem unam esse omnium difficillimam, zonder e enigen twijfel zou ik durven heiveren, dat de welsprekendheid een allennoeielijkste zaak ts. Hoe tantum bellum quis unquam arbitraretur ab u n o i m p e r a t o r e c o n f ï c i posse, wie had ooit kunnen gelooven, dat deze zoo groote oorlog door één veldheer zou ten einde kunnen gebracht worden ?

Het imperfectum wordt vooral gebruikt in den 2Jei1 persoon enkelvoud ter uitdrukking van ons men bij dieëre, credëre, putare en dergelijken. B.v. Maesti milites, credëres victos, redierunt in c a s t r a, treurig keerden dc soldaten, men zou hen voor overwonnenen gehouden hebben, ifi de legerplaats terug. Isti mirandum in modum canes venaticos diceres, odorabantur omnia et pervestigabant.

§ 327. De conjunctivus wordt gebruikt als modus dubitativus bij twijfelachtige vragen. De ontkenning is non. B.v. Quid faciam? eam? non earn? %vat moet ik doen? zal ik gaan? zal ik niet gaan? (ik weet het niet).

In plaats van den Nederlandschen meer dan volmaakt verleden tijd gebruikt men in het Latijn het imperfectum\' B.v. Valerius quoti-die cantabat, erat enim scaenicus; quid facéret aliud? Valerius zong dadelijks, want hij was tooncelspeler; wat zou hij anders hebben moeten doen ?

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTIVUS IN BIJZINNEN, DIE MET EEN CONJUNCTIE

BEGINNEN.

§ 328. De conjuncties zijn öf coordineerend bf subordi-neerend.

-ocr page 250-

Modus bij dc s ubordine erende eonjimctics.

% 328.

240

Dc coordineerende conjuncties verbinden zinnen, die onafhankelijk zijn van elkander; zij zijn de conjunction es copulativae, disjunctivae, adversativac, conclusivae.

De subordineerende conjuncties maken den zin, waartoe zij behcoren, afhankelijk van een anderen zin; zij zijn de con-junctiones condicionales, concessivae, comparativae, eau sales, finales, temporales. Deze conjuncties kunnen alleen invloed op den modus uitoefenen.

Een zin, die met een subordineerende conjunctie begint, noemt men b ij z i n, terwijl men den zin, waarvan de bijzin afhankelijk is, hoofdzin noemt.

Aanmerking 1. De conjuncties staan gewoonlijk in liet begin van den bijzin. Zoo echter de bijzin vóór den hoofdzin staat, worden de subordineerende conjuncties meermalen na een of meer woorden gezet, waarop de nadruk valt. Bij prozaschrijvers wordt het verbum nooit en het relativum altijd vóór de conjunctie geplaatst. B.v. Romam ut nuntiatum est, Vejos captos, immensum gaudium fuit. Quae cum ita sint, Catilina, perge quo coepisti Ook indien de hoofdzin voorop staat, worden ut, opdat^ zoodat, en ne, opdat niet, somtijds na een woord gezet, waarop de nadruk valt. Het verbum is hier weder uitgezonderd. B.v. Caesar me invitat, sibi ut sim le gat us. Catilina postulabat, patres conscripti ne quid de se temere crederent. Het meest geschiedt dit met ut conse-cutivum na een woord met ontkennende beteekenis, zooals: vix ut, nemo ut, nullus, ut, nihil ut, prope ut, paene ut. B.v. Brevi spatio interjecto, vix ut rebus, quas co n stituissen t, collo-candis atque administrandis tempus daretur, hostes ex omnibus partibus signo dato decurrere. Atque eo facto sic do luit, nihil ut tulerit gravius in vita.

Aanmerking II. De Latijnen voegen gaarne een bijzin tusschen de woorden van den hoofdzin. Zij doen dit in de volgende gevallen en op de volgende wijze :

i0. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk subject van den bijzin is. In dit geval wordt het subject slechts eens uitgedrukt en wel vóór de conjunctie van den bijzin. B.v. Cicero, ubi spem libertatis amissam vidit, Italiam relinquëre constituit, zoodra Cicero zag, dat zijn hoop op vrijheid verloren was, besloot hij Italië te verlaten.

20. wanneer het object van den hoofdzin tegelijk object van den bijzin is. In dit geval wordt het object slechts eens uitgedrukt en wel vóór de conjunctie van den bijzin. B.v. Demosthënem, quamquam omnes sunt admirati, tarnen nemo assecutus est, ofschoon allen Demosthenes hebben bewonderd, heeft toch niemand hem geëvenaard.

3,,. wanneer het subject van den hoofdzin tegelijk in een casus obliquus van den bijzin staat. In dit geval staat het subject van den hoofdzin vóór de conjunctie van den bijzin; in den bijzin wordt de casus obliquus aangeduid door een pronomen. B v. Socrates, cum

-ocr page 251-

Modus bij dc conjunctioncs condicionales. 241

amici ex vincülis eum dcducëre veil ent, mori ma luit, Socra-ics imlde liever sterven, toen zijne vrienden hem uit de gevangenis wilden wegvoeren. Men kan ook vertalen: toen dc vrienden van Socrates hem uit de gevangenis wilden wegvoeren, wilde hij liever sterven.

4°. wanneer het subject van den bijzin tegelijk in een casus obli-quus van den hoofdzin staat. In dat geval staat de casus obliquus van den hoofdzin vóór de conjunctie van den bijzin; in den bijzin wordt het subject niet aangeduid door een pronomen. B.v. Pom ejus Cretcnsibus, cum ad eum usque in Pamphyliam legatos misissent, spem deditionis non adëmit, Pompejus ontnam den Crctensers de hoop op overgave niet, toen zij Jieni in Painphyliï, gczanteti hadden gezonden. Men kan ook vertalen: toen de Cretensers gezanten hadden gezonden tot Pompejus in Pamphylic, ontnam hij hun de hoop op overgave niet.

50. Ook zonder dat de hoofdzin en dc bijzin een gemeenschappelijk woord bevatten, wordt de bijzin meermalen tasschen de woorden van den hoofdzin gevoegd. B.v. Insidiatores, postquam in eum locum agmen pervënit, decepti ordine atque vestïtu, in eum faci-unt impetum, qui suppositus erat. Quamobrem, si ornate locutus est physicus ille Democritus, ornatus verborum oratoris putandus est.

6°. Meermalen wordt een bijzin, die van een anderen bijzin afhangt, tusschen de woorden van dien bijzin geplaatst. B.v. Credo ego vos, judices, mirari, quid sit quod, cum tot summi oratores hominesque nobilissimi sedeant, ego potissimum surrexe-rim, qui cet.

Bij bet in elkander plaatsen van verschillende zinnen moet men steeds letten op duidelijkheid en welluidendheid. Daarom geve men aan de tusschengevoegde zinnen altijd die plaats, welke het zinverband vordert. Ook zorge men, dat de verba der verschillende zinnen, vooral wanneer zij gelijkvormige uitgangen hebben, niet allen op elkander volgen. Als voorbeeld van een verkeerd gestelden zin diene de volgende: Pari ferme intervallo ab jugo constiterunt, nuntios in castra remissos, qui quid sibi, cum practer spem hostis occurris-set, faciendum esset, consulerent, quieti opperientes.

7quot;. Wanneer twee bijzinnen, die met een verschillende subordi-neerende conjunctie beginnen en niet door et verbonden zijn, bij éénen hoofdzin behooren, kan men den zin op vijf manieren stellen. B.v.

Ubi redieris, librum tibi dabo, si postulabis.

Ubi redieris, librum, si postulabis, tibi dabo.

Dabo tibi, ubi redieris, librum, si postu 1 abis.

Tibi, ubi redieris, librum, si postulabis, dabo.

Ubi redieris, si postulabis librum, tibi dabo.

1. Conjunctiones condicionales.

§ 329. Men kan een voorwaarde of vooronderstelling op drie verschillende wijzen opvatten, namelijk: als werkelijk bestaande , als m o g e 1 ij k bestaande en als niet bestaande.

Aanmerking. Het woordje dan, hetwelk wij dikwijls vóór 4e druk.

§ 329-

-ocr page 252-

242 Modus bij cc conjunctiones condicionales. § 330—331.

den hoofdzin plaatsen, blijft in het Latijn gewoonlijk onvertaald. B.v. Si facies, rem unerabor, zoo gij het doei, dan zal ik 11 bcloonen.

§ 330. Eerste geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als werkelijk bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den indicativus. B.v. Indien gij dit gelooft (ik vooronderstel, dat gij dit werkelijk doet) divaalt gij, si id or e d i s , e r r a s. Si dies est, 1 u c e t, zoo het dag is, is het licht. In litteris non mul turn proficies, nisi omnibus v i r i b u s in e a s i n c u b u e r i s, gij zult het in de wetenschap niet ver brengen, zoo gij er 21 niet met alle kracht op toelegt.

Aanmerking 1. De hoofdzin kan ook in den conjunctivus of impe rati vus staan. B.v. Domus me a ar debat in Palatio; consules epulahantur. Quod si meis incommödis laetaban-tur, urbis tamen periculo commoverentur. Si de me ipso plura videbor dicere, ignoscitote.

Aanmerking II. De bijzin staat in den conjunctivus;

1quot;. wanneer men vertaald wordt door den 2lt;len persoon enkelvoud, alsmede na si quis. B.v. Memoria minuïtur, nis: earn ex ercea s. Turpis est excusatio, si quis contra rempublicam se amici causa fecisse fateatur.

2°. wanneer de hoofdzin zelf een bijzin is, die in den conjunctivus staat. B.v. Res it a c o m p a r a t a est, ut, si id c r e d a s, e r r e s.

§ 331. Tweede geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als m o g e 1 ij k bestaande, zoodat zij misschien met de werkelijkheid overeenkomt. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het pracsens of perfectum. B.v. Indien gij dit geloofdet (en dit doet gij misschien) zondt gij dwalen, si id credas, err es.. Indien iemand dit zon gedaan hebben (en dit is misschien zoo) zondt gij hem onvoorzichtig genoemd hebben , si quis id f e c e r i t, imprudentem e u m d i x e r i s.

Aanmerking I. Het perfectum conjunctivi wordt vooral gebruikt. zoo men ter verklaring of staving eener opgezette stelling mogelijke gevallen als voorbeelden aanhaalt. Voor de duidelijkheid zet men hier meermalen ut, hij voorbeeld, vóór si. B.v. (Ut) si gladium quis apud te sana mente deposuerit, repëtat insaniens, reddëre pec-catum sit, officium non reddëre, zoo iemand bij voorbeeld, terwijl hij bij zijn verstand ult;as, een zwaard bij u had neergelegd en dit in staat van waanzinnigheid terugvroeg, zon het een misslag zijn het hem te geven, en een plicht het hem te weigeren.

Aanmerking II. De hoofdzin staat in den indicativus, wanneer men den inhoud daarvan als zeker wil voorstellen of wanneer men

-ocr page 253-

§ 332\' Modus bij de conjunctiones condicionales. 243

de mogelijkheid door possum uitdrukt. E.v. Intrare, si possim, castra hostium volo. Non jucunde vivitur, nisi cum virtute vivatur. Innöcens, si accusatus sit, absolvi potest.

§ 332. Derde geval. Een voorwaarde wordt beschouwd als niet bestaande. In dit geval staat gewoonlijk zoowel de bijzin als de hoofdzin in den conjunctivus van het imperfectum of pl u squ a m per fee t u m. B.v. Indien gij dit geloofdet (hetgeen gij nu niet doet) zoicdt gij dwalen. si id credëres, err are s. Indien gij dit geloofd hadt (hetgeen gij niet gedaan hebt) zoudt gij gedwaald hebben, si id credidisses, erravisses Nisi Alexander essem, ego vero veilem esse Diogenes. Quae vita fuisset Priamo, si ab adolescentia scisset, quos event us senectutis esset habiturus?

Aanmerking I. Bij niet bestaande vooronderstellingen zetten de Latijnen meermalen in den bijzin het imperfectum, waar wij liet plus-quamperfectum zouden verwachten. B.v. Non jam Troïcis tempjp-ribus tantum laudis in dicendo Ulixi tribuisset Homerus, nisi jam turn esset honos eloquentiae.

Aanmerking II. Bij niet bestaande vooronderstellingen staat het verbum van den hoofdzin niet zelden in den indicativus en wel:

i0. wanneer het behoort tot de verba van kunnen, moeten, betamen, waarover in § 320 gesproken is. B.v. Deleri totus exercitus potuit, si fugientes persecuti victores essent, het gansche leger zou vernietigd hebben kunnen zijn, indien de overwinnaars de vluchtelingen achtervolgd hadden. Contumeliis eum onerasti, quem patris loco, si ulla in te piëtas esset, colëre debebas. Si unum diem mora ti essetis, rnoriendum omnibus fuit. Zoo de vooronderstelling echter op de toekomst betrekking heeft, moet het verbum van den hoofdzin in den conjunctivus staan. B.v. Cluentio ignoseëre debebitis, quod haec dici patiatur; mihi ignoseëre non deberetis, si taeërem [zoo ik zwijgen zou, maar ik zal niet zwijgen).

20. wanneer het bestaat uit een participium op urus met er am of fui en men een vast besluit wil te kennen geven. B.v, Aratores, qui remanserant, relicturi omnes agros erant, nisi ad eos Me tellus Roma litteras mi sis set, de achtergebleven landlieden zouden allen ongetwijfeld hunne landerijen verlaten hebben, zoo Metellus hun niet uit Rome geschreven had. Furium et Aemi 1 ium, si tribunime triumphare prohiberent, testes citaturus fui rerum a me ge sta rum.

30. om uit te drukken dat iets op het punt was van te geschieden. B.v. Ferrum deferebat in pectus, nisi proximi dextram at-tinuissent, hij zou zich het zwaard in de horst hebben gestooten, zoo de omstanders zijn hand met hadden vastgehouden. Perieram, nisi Faunusictum sublevasset. Dit geschiedt vooral bij het perfectum met paene en prope. Vgl. §321. B.v. Pons sublicius iter paene hostibus dedit, nisi unus vir fuisset, Horatius Cocles, qui eet.

-ocr page 254-

244 Modus bij dc conjunctiones condicionales. % 333 — 335.

§ 333. Bij tegenstellingen en in een levendig gesprek wordt si somtijds uitgelaten. B.v. Negat quis, nego, ait, ajo, zoo iemand neen zegt, zeg ik ook neen, en zoo iemand ja zegt, zeg- ik ook ja.

Soms wordt de bijzin weggelaten of op een andere wijze aangeduid. B.v. Omnia quae dicam, sic er ant illu stria, ut ad ea probanda totam Sicilian! testem adhibere possem (vul aan: si testibus uti vellem). Animi magnitudo, remöta communitate (= si communitas remota sit), feritas sit quaedam et immanitas. Qui videret (= si quis videret), urbem captam diceret.

Somtijds staat in plaats van den bijzin een imperativus. Het voegwoord en, dat wij hier gewoonlijk gebruiken, mag in het Latijn niet vertaald worden. B.v. Lege lib rum: intellëges. Sequëre pra ecepta medici: brevi convalesces.

§ 334. Sin (— si autem, si vero) en versterkt sin au te ra, indien echter, wordt gebruikt zoo er reeds een vooronderstelling is voorafgegaan. B.v. Mercatura, si tenuis est, sordid a p 11 tan da est; sin magna et copiosa, non est admödum vituperanda. Wanneer er geen vooronderstelling is voorafgegaan, moet men indien echter vertalen door sed si.

§ 335. Tusschen nisi en si non bestaat in het algemeen hetzelfde onderscheid als tusschen het Nederlandsche indien niet en indien niet. Bij nisi valt de klemtoon op indien, bij si non op niet. Nisi gebruikt men, als niet voorondersteld wordt dat, si non, als voorondersteld wordt dat niet.

Nisi wordt gebruikt, wanneer de geheele zin ontkend wordt. Men kan dan inaien niet veranderen in tenzij dat, behalve luanneer. B.v Parvi sunt foris arma, nisi est consilium domi. Soms zegt men nisi si, B.v. Noli put are, me Ion gi ores epistolas scribe re, nisi si quis ad me p 1 ura scripsi t.

Si non wordt gebruikt:

i0. wanneer slechts een enkel woord ontkend wordt. B.v. Aequi-tas tollitur omnis, si habere suum cuique non licet.

20. wanneer een vooronderstelling, na eerst affirmative uitgesproken te zijn, nog eens negative herhaald wordt Bv Si id feceris, raa-gnam habebo gratiam; si non feceris, ignoscam. Wordt bij de negative herhaling het verbum niet genoemd, dan moet men zoc niet door si (sin) minus, sin a liter vertalen. B.v. Hoe si assecutus sum, gaudeo; si minus, me consölor.

30. wanneer in een hoofdzin op een andere wijze iets wordt teruggenomen van hetgeen in den bijzin ontkend is. Wij voegen in den hoofdzin gewoonlijk dan toch., de Latijnen at, t a m e n , c e r t e, a 11 ïm e n, at certe B.v. Si magnum virum non consëqui possumus, attamen aemulari possumus Zoo in den bijzin geen verbum staat, zeggen de Latijnen in plaats van si non ook si minus. B.v. Quanta tempest as invidiae nobis, si minus in praesens tem]) us, at in posteritatem impendet!

Ni, dat in be teekenis overeenkomt met si non, doch altijd den g e h e e 1 e n zin ontkent, wordt vooral gebruikt bij e e d e n, b e d r e i-gingen, weddingschappen en verzekeringen van allerlei aard. Vgl. § 324. 30

-ocr page 255-

Modus bij de conjunctiones concessivae.

§ 336—339-

245

§ 336. Nisi forte, nisi vero, behalve misschien wanneer, of het moest zijn dat, geven een uitzondering op, die eigenlijk geen uitzondering is, om daardoor aan te toon en, dat men niet kan afwijken van een aangenomen meening, zonder een ongerijmdheid aan te nemen. Zij staan altijd met den indicativus. Nisi forte heeft dikwijls, nisi vero altijd een ironisch en zin. T5.v. Nemo fere sal tat sobrius, nisi forte insanit. Hostes facile vincemus, nisi vero credimus, eos quos terra marique priore bello vicimus, a quibus stipendia per v i g i n t i a n n o s e x e g i m u s, plus s p e i n a c t o s esse.

§ 337. Nisi wordt ook gebruikt in niet voorwaardelijke zinnen, en wel:

i0. in de beteekenis van dan na nemo, nihil, enz. Vgl. § 307.

3\'. met n o n in de beteekenis van slechts. In dit geval wordt nisi en non gewoonlijk zoo geplaatst, dat non vóór het verbum en nisi op de plaats van ons slechts staat. JJ.v. Nisi inter bonos viros ami-citia esse non potest of esse amicitia non potest nisi inter bonos viros.

Wanneer slechts uitsluitend op een verbum betrekking heeft, zooals : vele menschcn slapen en eten slechts, moet men om nisi te gebruiken een omschrijving aanwenden met nihil aliud facere of agere. B.v. Mu 1 ti homines nihil aliud faciunt nisi dorm iun t et edu n t

Soms staat nisi in de beteekenis van slechts in een onafhankelijken zin, die volgt op een negatieven zin, B.v. De re nihil possum judicare; nisi illud mi hi persuadeo, te talem virum nihil te mere fecisse (slechts daarvan hen ik overtuigd).

3°. met quod ter vertaling van behalve dat. B.v. Tusculanum et Pompei an um me val de d electa nt nisi quod me aere a 1 i e n o o b r u e r u n t. In plaats van nisi quod gebruikt men ook p r a e-t e r q u a m quo d.

§ 338. De conjunctiones condicionales modo, dum, dummódo, indien slechts, mits, modo ne, dum ne, dummödo ne, indien slechts niet, mits niet, regeeren altijd den conjunctivus en volgen de algemeen\'.\' regels der consecutio temporum. B.v. Manent ingenia seni-bus, modo permaneat studium et industria. Rex pollicïtus est omnia se facturum, modo ne cogeretur corpus suum dedëre.

II. Conjunctiones concessivae.

§ 339. De conjunctiones concessivae licet, cum, quamvis (zelden quantumvis, quamlïbet) schoon, ofschoon, ut, gesteld, toegegeven dat, al, ne, ut non, gesteld, toegegeven dat niet, regeeren den conjunctivus. B.v. Illa quamvis ridicüla assent, mihi ta 111 en risum non moveru 111, ofschoon deze dingen be-lacJielijk waren, hebben zij mij echter niet aan het lachen gebracht. Licet fr e m a 111 o 11111 e s , ego non t a c e b o, ofschoon allen mompelen, ik zal toch niet zzvijgen. H o m i n e s, c u m m u 11 i s r e b u s in fir mi o res sint, hac re maxime bestiis praestant quod loqui possunt, ofschoon de menschen onder verschillende

opzichten zzvakker zijn, overtreffen zij vooral daardoor de dieren, \'\'

/ / / f /

-ocr page 256-

Modus bij dc conjunctiones concessivae. § 340 -341.

dat zij kunnen spreken. Ut desint vires, tamen est 1 au-d a n d a voluntas, al ontbreekt de kracht, toch is dc zvil tc prijzen.

Aanmerking I. Licet komt slechts voor met het praesens en perfectum conjunctivi en wordt meermalen verbonden met quamvis. B.v. Quamvis licet insectemur Stoïcos, metuo ne soli phi-1 o s ö p h i sint.

Aanmerking II. Quam vis staat meermalen als adverbium in de beteekenis van hoe — ook bij een adjectivum of adverbium. B.v. Si hoe onëre carërem, quamvis par vis Italiae latébris conté n t u s e s s e m , zoo ik van dezen /ast bevrijd loas, zou ik met een hoekje van Italië hoe klein ook tevreden zijn. Non mi hi difficile est quamvis m u 11 o s n o m i n a t i m proferre, het zou niet moeilijk voor mij zijn er zoovelen gij maar wilt hij name te noemen.

Over ut, ne, ut non Vgl. § 325.

§ 340. Quamquam, ofschoon, regeert gewoonlijk den indica-t i v u s en wordt gebruikt, wanneer datgene, wat men toegeeft, werkelijk zoo is. B.v. Quamquam om nis virtus nos ad se allïcit, tamen justitia id maxime effïcit, ofschoon iedere deugd ons aantrekt, zoo doet dit echter ivel het meest de rechtvaardigheid.

Aanmerking I. Quamquam (soms etsi) wordt ook geplaatst bij het begin van een onafhankelijken zin in de beteekenis van maar, toch, intusschen, niettemin om hetgeen voorafgaat te beperken ofte verbeteren. B.v. Nunquam officii te monêre desii; quamquam om nes monition es et pree es quid profecerunt, nooit heb ik opgehouden u aan uw plicht te herinneren; intusschen wat hebben al mijn vermaningen en gebeden gebaat ? Quamquam quid 1 o q u o r, maar waartoe spreek ik nog?

Aanmerking II. Quamvis en quamquam beteekenen ook in weerwil van, ondanks, niettegenstaande. B.v. Quamvis prudens sis, in weerwil van uwe voorzichtigheid. Quamquam doctissimus es, ondanks trwe groote geleerdheid.

§ 341. Etsi, e t i a m s i, t a m e t s i, ofschoon, hoewel, al, volgen voor den modus dezelfde regels als-si. Zij hebben den indica-tivus, wanneer de inhoud van den zin als werkelijk bestaande, den conjunctivus van het praesens of perfectum, wanneer de inhoud van den zin als mogelijk bestaande, den conjunctivus van het imperfectum of p 1 u sq nam per fe c t u m. wanneer de inhoud van den zin als niet bestaande beschouwd wordt. De Latijnen plegen echter etsi en t a met si slechts dan te gebruiken, wanneer de inhoud van den zin als w e r k e 1 ij k bestaande beschouwd wordt. B.v. Optimi homines faciunt, quod honestum est, etsi nullum emolumentum consecutu-

246

-ocr page 257-

§ 342—343- Modus bij de conjunctioncs comparativac. 247

rum v i d e n t, de beste mensclien doen datgene tmt betamelijk is, ofschoon zij zien dat er geen voordeel uit voortkomen zal. Quod turpe est, id etiamsi occultetur, tarnen honestum fieri nullo modo potest. Et si nihil aliud Snllae nisi consulatum abstulissetis, tarnen eo vos con ten tos esse oportebat.

III. Conjunctiones comparativae.

§ 342. De conjunctiones comparativae tamquam, tamquam si, quasi, ac si, velut (velüti) si, a e q u e (p r o i n d e, p e r i n d e, non secus) ac si, en somtijds velut, sicut (sicüti), alsof, even alsof, regeeren den conjunctivus en worden gebruikt, wanneer een voorondersteld geval met een werke 1 ijk geval vergeleken wordt. B v. Sequani abse 111is Ario visti crudelitatem velüti si coram ad ess et, horrebant. de Sequanen huiverden voor de wreedheid van Ariovistus, wanneer hij afwezig was, even alsof hij persoonlijk aanwezig was Lamentaris, quasi amici obllti tui sint, gi/ klaagt alsof uwe vrienden u vergeten hebben. Sed quid ego his testibus utor, quasi res dubia aut obseüra sit.

Aanmerking I. Wanneer bij deze conjuncties een imperfectum of plusquamperfectum conjunctivi staat na een hoofdzin in het praesens, moet men den bijzin verklaren als een verkorten voor-waardelijken zin. B.v. Negotia tibi non secus commendo ac si me a e sse n t — ac commendarem, si mea essent.

Aanmerking II. Somtijds staat bij quasi, tamquam, velut een participium conjunctum. B.v. Graecas litteras sic avïde arripuit Cato, quasi diuturnam sitim explêre cupiens. Het is echter beter om het verbum in den conjunctivus te plaatsen.

Aanmerking III. Quasi, quasi vero, proinde quasi hebben meermalen een ironische beteekenis, wanneer men spottend wil aangeven, wat niet het geval is B.v. Laudant cos, qui aequo animo mori-antur; qui alterius mortem aequo animo ferant, eos putant vituperandos: quasi fieri ullo modo possit, ut quisquam plus alterum diligat quam se.

Aaiiiii erking IV. Op de Nederlandsche werkwoorden schijnai, veinzen, voorgeven, vermoeden, verdenken en dergelijken volgt meermalen een bijzin met alsof in plaats van met dat. B.v. Lysander nam den schijn aan alsof hij het orakel ondervraagd had. Het schijnt alsof de natuur in Alcibiades heeft willen beproeven, wat zij kon voortbrengen. In het Latijn staat bij deze verba altijd de accusativus cum infinitivo en bij videride nominativus cum infinitivo. B.v. Lysander oraculum se consul uis s e simulavit. InAlcibiade natura videturexpertaesse, quid effieëre posset.

§ 343. De conjunctiones ut (uti), sicut (sicüti), quemadmö-dum (soms tanquam en quomödo), evenals, gelijk, staan met den

-ocr page 258-

Modus bij de conjunctiones causales.

248

% 344-

indicativus en worden gebruikt, wanneer werkelijke gevallen met elkander vergeleken worden. Het Nederlandsche zoo in het tweede lid der vergelijking wordt vertaald door ita of sic. B.v. Ut hirundo instante hiéme avólat, sic infïdus amicus commutata fortuna desérit amicum, gelijk de szualmv bij het naderen van den winter wegvliegt, zoo verlaat ook een ontrouwe vriend zijn vriend, wanneer de fortuin zich gekeerd heeft.

Aanmerking I. Ut — ita (sic) beteekenen meermalen wel—maar, ofschoon—toch. B.v. Frater tuus ut aetate inferior me est, ita magnitudine corporis superior, tnv broeder is wel jonger dan ik, maar hij overtreft mij in lichaamsgrootte. Hanniba 1 ut Romanos multis et atrocibus proeliis devicit, ita rempublicam Roman am evertëre non po tuit.

Aanmerking 11. Het Nederlandsche hoe vóór een werk w oord wordt vertaald door ut, wanneer het op welke wijze, en door quam, wanneer het hoezeer beteekent. B.v. Audisti ut me circumstete-r i n t. Q u a m c u p i u n t 1 a u d a r i!

IV. Conjunctiones causales.

§ 344. De conjunctiones causales quod, quia, omdat, dewijl, regeeren den indicativus, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens zijn eigen meening, en den conjunctivas, wanneer men de reden van iets aangeeft volgens de meening van een ander. Socrates werd veroordeeld, omdat hij de jongelingen bedierf heet derhalve Socrates accu sat us est, quod corrumpebat juventutem, wanneer men wil aangeven, dat dit zijne meening is, en quod co r r u m p ë re t j u v e n t u t e m , wanneer men wil aangeven, dat dit de meening der rechters was.

A a n m e r k i n g I. Quo d geeft een reden aan , die in de gedachte bestaat (omdat ik of een ander dit of dat zoo meen). B.v. Ar is tides expulsus est patria, quod praeter modum justus erat of esset.

Quia geeft een reden aan, die in de werkelijkheid bestaat. B.v. Edo, quia esurio. Volsci, quia nondum ab Aequis venissent exercitus, dimicare non ausi sunt.

Aanmerking II. Non quod of non quo (bij lateren ook non quia) regeert den conjunctivus. Gewoonlijk volgt hierop sed quod, sed quia met den indicativus of sed ut met den conjunccivus. B.v. Socrates in j udicio ad humlles preces desc e ndere no luit, non quod judices eludëre vellet, sed quia nullïus culpae sibi conscius erat. Ad te litteras dedi, non quo haberem magnopëre, quod scribe rem, sed ut loquërer tecum absens.

Wanneer non quod en non quo versterkt worden door eo. ideo, idcirco, propterea, plaatst men de ontkenning gewoonlijk vóór de versterkende woorden in den hoofdzin. B.v. Non idcirco librorum usum dimiseram, quod iis succensërem, sed quod eorum me suppudebat, niet daarom had ik het gebruik der boeken laten

-ocr page 259-

Modus bij de conjunctiones causales.

§ 345-

249

varen, omdat ik er verstoord op lüas, maar omdat ik er mij een weinig voor schaamde.

Na non qu0d, non quo volgt meermalen non, dat, zoo het op den ganschen zin betrekking heeft, met quod of quo kan samengetrokken worden tot quin. B.v. lisdem de rebus volui ad te saepius scribe re, non quin (non quod non) confidërem diligentiae tuae, setl rei mag 11 itudo me movebat.

Aanmerking III. Wanneer op quod een verbum van zeggen of me en en volgt, staat dit gewoonlijk in den conjunctivus, ofschoon niet de omstandigheid, dat iemand iets zegt of meent, maar wel de inhoud daarvan als reden wordt opgegeven. B.v. Graeci obölum in os mortuo rum injiciebant, quod i 1 lis eo num mo a pud i n fer os opus esse putarent.

§ 345. Het voegwoord dat wordt door quod vertaald:

1°. bij de verba van blijdschap, droefheid, verwondering (verba affectuum). B.v. Gaudco, quod mihi faves, ik ben blijde, dat gij mij begunstigt.

*Het onderscheid tusschen quod en den accusativus cum in-finitivo, die eveneens op deze verba volgt, bestaat hierin, dat een bijzin met quod beschouwd wordt als de oorzaak, en een bijzin in den accusativus cum infinitivo als het voorwerp der blijdschap, droefheid, verwondering.

2U. in bijzinnen, die subject zijn van onpersoonlijke verba en uitdrukkingen. B.v. Quod victor victis parcit, magnum est, dat de overwinnaar de overwonnenen spaart, is grootmoedig.

■*Het onderscheid tusschen quod en den accusativus cum infinitivo, die eveneens als subject van deze verba en uitdrukkingen staat, is hierin gelegen, dat quod den inhoud van den bijzin voorstelt als iets werkelijks en de accusativus cum infinitivo als een bewering, meening of vooronderstelling. Victorem victis parcere magnum est, het is groot moedig van den overwinnaar, zoo hij de overwonnenen spaart.

Ofschoon de toepassing van de eene of andere constructie afhangt van de opvatting des schrijvers, vindt men echter gewoonlijk quod, wanneer het verbum van den bijzin in een verleden tijd, en den accusativus cum infinitivo, wanneer het in den tegenwoordigen tijd staat. B.v. Gratissimum mihi est, quod ad me tua manu scripsisti. Gratissimum mihi est te bene valere.

Aanmerking. Op (hue, eo, eodem) aeeëdit volgt quod, wanneer een werkelijk bestaand feit aan het voorgaande wordt toegevoegd B.v. Accedit quod patrem plus etiam amo, quam ipse scit. Zoo het bijgevoegde feit echter niet we rke lij k bestaat of accedit de beteekenis van geschieden heeft, gebruikt men ut. B.v. Hue si accedëret, ut talis homo dives e s s e t, summa omnium in v i-dia exoriretur Ad A pp. Claudii se n eet u tem accedebat etiam, ut caecus es set.

3U. wanneer het dient ter verklaring van een pronomen of

-ocr page 260-

Modus bij dc conjnnctiojies causales.

% 346-

250

adverbium demonstrativum. B.v. Hoc uno praestamus vel maxime feris, quod exprimére dicendo sensa pos-s li mus, daardoor alleen overtreffen ïoij wel het meest de dieren, dat ivij onze gevoelens door te spreken kunnen uitdrukken. V e 1 o-cïtas lucis inde potest cog 11 osei, quod multo breviore tempore ad ocu 1 os nostros pervënit, quam sonus ad a u r e s.

Aanmerking I. Wanneer een demonstrativum o ver vloedigerwij ze bij een verbum staat, dat den accusativus cum infinitivo of ut regeert, moeten deze constructies behouden blijven. B.v. Illud negare non potes, hoc vere dici Hoe te hortor, ut praeceptorem non minus fere, quam ipsa studia am es. .

Aanmerking II. Quod staat ook bij vergelijkingen na quam ter verklaring van een uitgelaten demonstrativum. B.v. Nullum majus Cicero patriae attülit munus, quam quod eonjurationem Catilinariam detexit. Men verwarre quam quod niet met quam ut of quam qui. Vgl. § 298. 3quot;.

Aanmerking III. Wanneer quod ter verklaring staat van een zin, die geen demonstrativum bevat, beteekent het dc omstandigheid dat. B.v. Euméni mu 11um detraxit inter Macedönes viventi, quod alien ae er at civitatis.

4quot;. na facëre, fieri, aeeïdit, evënit en dergelijken, wanneer deze verba een adverbium of adverbiale bepaling van goedkeuring of afkeuring bij zich hebben. Quod beteekent hier niet enkel dat, maar ook omdat, daaraan dat, wanneer. B.v. Bene fecisti, quod eum convenisti, gij hebt goed gehandeld, dat gij naar hein toegegaan sijt. Hippocrates videtur hone-stissime fecisse, quod quosdam errores suos, ne poster! errarent, con fessus est, Hippocrates heeft daaraan .zeer zvel gedaan, dat hij cenige zijner dwalingen beleden heeft, opdat de nakomelingschap niet zou dwalen. Non pigritia facio, quod non m e a m a n u s c r i b o, wanneer ik niet eigenhandig schrijf, zoo doe ik dit niet uit traagheid.

Nederlandsche zinnen met daaraan dat worden dikwijls zeer verkort in het Latijn uitgedrukt B.v. Alcibiades deed zeer wijs daaraan, dat lij van Syracuse naar Sparta vluchtte, Alcibiades sapientissime a Syra-cusis Spartam perfügit.

5° Wanneer bij het beantwoorden van een of andere zaak een uitdrukking herhaald wordt, om daarop een aanmerking te maken, wordt wat betrejt dat, wanneer vertaald door quod Zulk een zin met quod staat altijd voorop. B.v. Quod me Agamemnönem aemulari putas, falléris, wanneer gij meent (wat uwe meening betreft), dat ik Agametnnon nastreef, zoo bedriegt gij u. Vgl. § 174. 6°.

§ 346, Cum, daar, dewijl, regeert den conjunctivus. B.v.

-ocr page 261-

§ 347—34S- Modus bij dc conjunctiones causales. 251

Dionysius, cum in communibus suggestis consistëre non audêret, contionari ex turri alta solebat, daar Dionysius niet durfde staan op de gewone redenaarsgestoelten, ivas hij gewoon van een Jwogen, toren te spreken.

Cum regeert den indicativus, wanneer het staat in plaats van quod bij de verba van gelukwenschen en bedanken. B.v. Gra-tulor tibi, cum tantum vales apud Dolabellam. Tibi gratias ago, cum tantum litterae meae potuerunt.

Cum geeft iets aan als grond eener redeneering. B.v. Cum sint in nobis consilium, ratio, prudentia, necesse est Deum haec ipsa habere majora. Wij menschen hebben verstand; God echter heeft alles volmaakter dan de menschen; derhalve heeft God ook een volmaakter verstand dan de menschen

§ 347. Q u o n i a m, q u a n d o q u 1 d e m (zelden q u a n d u) daar, dewijl, en siquïdem, daar imviers, regeeren den indicativus. B.v. Quoniam de gen ere belli dixi, nunc dc magnitu-dine pauca die am. Hoc confiteor jure mi hi obtigisse, quandoquidcm tam iners sum Antiquissimum e doctis est genus poëtarum, siquïdem Homerus fuit ante Ro-mam condïtam. Id omitto, quando vobis ita placet.

Deze conjuncties geven een bekend feit als reden op.

Siquidcm beteekent soms zoo ten minste. B.v.Nos vero, siquïdem in voluptate sunt omnia. Ion ge multumque superamura bestiis.

§ 348 Verschillende conjunctiones causales zijn coordineerend, namelijk nam, nam que (met versterkte beteekenis en bijna alleen vóór vocalen), enim, eténim (met versterkte beteekenis), want. Nam is vooral bewijzend, enim vooral verklarend Deze conjuncties staan altijd in het begin van den zin, behalve enim, dat gewoonlijk op de tweede plaats staat. Vgl. § 527. A. 1 en II.

Nam, enim, eténim beteekenen ook namelijk. In deze beteekenis worden zij alleen gebruikt, wanneer iets verklaard wordt in een nieuwen zin. B.v. Rerum bon arum et mal arum tri a sunt genera: nam aut in animis, aut in co rpori bus, au t extra esse possunt, Over de vertaling van namelijk vóór een nomen appositum Vgl g 195.

Tot de coordineerende conjunctiones causales behooren ook nempe, nimirum, scilicet, videlicet. Meermalen hebben zij een ironi-schen zin; scilicet heeft dit bijna altijd

Nempe, toch wel. B.v. Quid voluut leges? nempe ut iis ob-t e m p e r e m 11 s.

Nimirum, ongetwijfeld. B.v. Si diligenter, quid Miltiades potuerit, consideraveris, omnibus regibus hunc regem nimirum antepönes.

Scilicet, videlicet, natuurlijk. B.v. Homo videlicet per mode stus et timidus (Catilina) vocem consulis feire non po tuit. Vim scilicet ego desideravi, qui, dum vis fuit nihil egi.

-ocr page 262-

252 Modus hij de conjunctiones finales. § 349—351.

§ 349. Quippe wordt vooral gebruikt met het pronomen relativum en met cum, wanneer deze woorden een redengevende be-teekenis hebben. B.v. Centauri, quippe quorum insita imma-nitas vi Bacchi molllta esset, ante currum dei ingredieban-t u r, dc Centauren liepen voor den wagen van den god, daar hunne natuurlijke woestheid door de kracht van Bacchus getemperd was. C i m 5 n i turpe non fuit sororem ge r ma nam habere in matrimonio, quippe cum ejus cives eödem uterentur instituto.

Quippe staat ook vóór een nomen appositum in de beteekenis van voorzeker. B.v. Sol Democrito magnus videtur, quippe ho-m i n i e r u d i t o.

Soms staat het in diezelfde beteekenis op zich zeiven, doch moet dan gevolgd worden door een zin met nam, enim, cum. B.v. Ista ipsa a te apte et rotunde sunt dicta; quippe: habes enim a r h e t o r i b u s.

V. Conjunctiones finales.

§ 350. De conjunctiones finales ut (uti), opdat, om te, dat, ne, opdat niet, om niet te, dat niet, nevc (neu), en opdat niet, quo, opdat des te. opdat daardoor, q u i n , dat niet, quo m i n u s, dat niet, regeeren den conj unctivus. Naast ut finale bespreken wij hier ut cons ecu tivum, hetwelk zoodat, dat beteekent en insgelijks den conjunctivus regeert.

§ 351. Ut finale staat:

1quot;. zonder van een bepaald verbum af te hangen in de beteekenis opdat, om tc. B.v. Edïmus ut vivamus, non vivïmus ut edamus, ivij eten om te leven, zvij leven niet om te eten. Tortus m o e n i b u s c i r c u m d a t u s est, ut i p s a m u r b e m d i g n i-tate aequipararet, de haven zuerd met mnren omringd, opdat zij de stad zelve in waardigheid zon evenaren.

Om geen fouten te maken tegen den persoon en het getal van het verbum verandert men om te in opdat.

2quot;. afhangende van de verba, die de beteekenis hebben van bewerken of trachten te bewerken dat iets geschiedt, zooals die van zorgen, bidden, verzoeken, eische 11, vermanen, uitnoodigen, raden, aansporen, bevelen, opdragen, wenschen, veroorloven , verkrij gen , waarachter wij een zin met dat of een onbepaalde wijs laten volgen B.v. Sol efficit, ut omnia flor e ant, de zon maakt, dat alles bloeit. Caesar milïtes hortatus est, ut acrïter dimicarent, Caesar vermaande zijne soldaten om dapper te strijden. Ante senectutem curavi, ut bene viverem, in senectute, ut bene m o r i a r.

i

-ocr page 263-

Modus bij dc conjnnctiones finales.

§ 351-

253

Tot dcze verba behooren;

addueëre, overhalen.

adipisci, verkrijgen.

admonere, aanmanen.

assëqui, het zoover brengen.

auctorem esse, aanraden.

conccdëre, toestaan.

censêre, aanraden.

consëqui, verkrijgen.

contendere, trachten te heiverken, perfieëre, heiver ken.

curare, zorgen. permittëre, veroorloven.

edieëre, bevelen.

effieëre, bewerken.

facëre, maken.

flagitare, vorderen.

hortari, vermanen.

id agëre, trachten te heiver ken.

impellëre, aansporen.

impetrare,, verwerven.

incitare^ aansporen.

Aanmerking I. Auctorem esse, berichten, censêre, van gevoelen zijn, co n eed ë re, toegeven, c o n t e n d ë r e, beweren, edieëre, bekend maken, effieëre, bewijzen, monêr e, adm o-nëre, herinneren, persuadëre, overtuigen, prospieëre, vooruitzien, (postul are, ei se hen. doch alleen zoo het verbum van den afhankelijken zin een passivum of deponens is) regeeren den accusativus cum infinitivo. B.v. Male pugnatum esse in Algïdo multi auctores sunt. Diarchus vult effieëre, animos esse mortales. Militibus persuasit, se contra barbaros proficisci. Concëdo deos esse beat os. Mo n uit Caesar ejus diei victoriam in equïtum v i r t u t e c o n s t a r e.

Aanmerking II. Bijzondere opmerkzaamheid vorderen de verschillende constructies van facio.

Facio ut wordt dikwijls ter omschrijving gebruikt, vooral wanneer het vergezeld is van libenter of invitus. B.v. Invïtus quidem feci, ut L. Flaminium e senatu ejieërem, tegen mijn zin heb ik L. Flamivius vit den senaat gezet. Facio libenter, ut per litter as tecum collöquar.

Facio met den accusativus cum infinitivo (bijzonder in de vormen fac en faciamus) beteekent vooronderstellen. B.v. Fac qui ego sim esse te, vooronderstel eens dat gij zijt, die ik hen.

invitare, uitnoodigen. mandare, opdragen. monêre, vermanen. movëre, aansporen.

operam dare, moeite doen. optare, wensehen.

orare, vragen.

petëre, verzoeken.

persuadëre, overreden. postulare, ei se hen. praecipëre, hevelen. precari, bidden. prospieëre, zorgen. providëre, zorgen. rogare, verzoeken. suadërc, aanraden.

-ocr page 264-

Modus bij de conjunctiones finales.

% 352-

254

Facio niet het participium praesens of met den infinitivus praesens passivi beteekent zemand in een geschrift of tooneelstuk iets laten doen, iets met iemand laten gebeuren. B.v. Polyphëmum Homerus cum a r i ë t e c o 11 o q u e n t e m facit, Homerus laat Polypheem met een ram spreken. Isocratem Plato admirabiliter in Phaedro laudari facit, Plato laat in zijn Phaedrus Tsocrates zeer hoog prijzen. Men mag hier geen infinitivus activi bij facio zetten Evenals facio worden ook fin go en indüco geconstrueerd. B.v. Horatius U lixem cum Tire si a apud inferosquot; colloquentem et exeo, quibus artibus amissas opes recuperare possit, quaerentem inducit.

Wanneer facio en ago nihil of nihil aliud tot object hebben en nader bepaald worden door den com parat ivus van een adverbium, moet het verbum achter nisi of quam in denzelfden vorm staan als facio en ago. B.v. Nihil libentius facio quam sciibo ad te, ^^ doe niets liever dan aan n schrijven. Nihil aliud fecerunt, nisi rem detulerunt. Si Torquatus Su 11 am solum accusasset, ego q u o q u e hoc tempore nihil aliud a g e r e m , n i s i e u m defendërem.

Aanmerking III. Bij de verba van vragen, verzoeken, bidden, vermanen staat somtijds de conjunctivus zonder ut. B.v. Rogo vos a u x i 1 i o m i h i v e n i a t i s.

§ 352. Ne wordt gebruikt in doelaan duiden de zinnen, die ontkennend zijn, en wel:

iquot;. zonder van een bepaald verbum af te hangen. B.v.Ne vana urbis magnitudo es set, alliciendae multitudinis causa asylum ape rit, opdat de uitbreiding der stad niet vergeef sch zou zijn, opende hij eene vrijplaats om volk te lokken. Sermone eo debemus uti, qui natus est nobis ne Graeca verba inculcantes rideamur.

2°. bij de verba van § 351. 2°. B.v. Cura, ne in morbum incidas, zorg dat gij niet ziek wordt. Miltiades hortatus est pontis custodes, ne a fortuna datam occasionem liberandae Graeciae dimittërent.

3°. bij de verba van verhoeden, verhinderen, tegenstreven en weigeren, om uit te drukken wat men wil verhoeden , enz. Wij gebruiken gewoonlijk in onze taal geen ontkenning. Bv. Pythagorëis interdictum erat, 11e faba vesce-rentur, aan de leerlingen van Pythagoras was het verboden boo-nen te eten. Regülus in senatu ne sententiam dieëret recusavit, Regulus weigerde in den senaat zijn gevoelen te zeggen. Cavebis, ne me attingas, si sapis.

Tot deze verba behooren:

cavére, zich wachten, verhoeden, obstare, tn den weg staan. deterrëre, af se krikken. prohibëre, verhinderen.

-ocr page 265-

Modus bij de conjunctiones finales.

§ 353-

255

impedire, verhinderen, beletten, recusare, weigeren.

interdicëre, verbieden. repugnare, zich verzetten.

obsistëre, verhinderen. resistëre, tegenstreven.

Aanmerking. Cavëre ut beteekent zorgen, verordenen dat.

Impedire en p r o h i b ë r e regeeren ook een accusativus van den persoon en een infinitivus van de zaak. Vgl § 390 en 391.

Somtijds staat ook een infinitivus bij recusare en bij het passivum van deterrëre. B.v. Ne0,110 adhuc repertus est quis-quam, qui mori recusaret. Nefarias ejus libidïnes comme-m or are pudore deterreor.

Bij verschillende dezer verba staat ook quomïnus. Vgl. § 361.

§ 353. Wanneer in de doelaanduidendc zinnen, waarover in ift. en 2quot;. der vorige paragraaf gesproken is, de ontkenning slechts op een enkel woord van den zin betrekking heeft, moet men in plaats van ne ut non gebruiken. B.v. Id ago, ut non solum m i h i, s e d omnibus c i v i b u s p r o s i m , ik tracht niet enkel voor mij, maar voor al mijn medeburgers voor dee lig te zijn. Confer te ad Manlium, Catillna, ut a me non ejectus ad alien os, sed invitatus ad tuos esse videaris.

Bij facio, officio, perficio mag men altijd ut non gebruiken.

Aanmerking 1. Ut non dicam, om niet te spreken van, duidt aan, dat men van het grootere niet gewaagt, omdat het kleinere reeds genoeg bewijst B.v, Alexander cognomine Magni dignissimus fuit; nam ut de rebus praeclarissimis ab eo gestis non dicam, quis rex bonarum artium amantior, quis clementior, quis li beralior fuit?

Ne dicam, om niet te zeggen, toont aan, dat men iets sterkers zou kunnen zeggen, doch dit niet doet uit vrees van te veel te zeggen. B.v. Crudëlis ne dicam sceleratus tuisti.

Aanmerking II In doelaanduidende zinnen gebruikt men ne quis in plaats van ut nemo.

ne quid „ „ ,, ut nihil.

ne uil us „ „ ,, ut nullus.\'

ne quando „ „ „ ut nunquam.

necübi „ ,, „ u,: nusquam.

Waar echter ut non zou moeten staan, behoude men ook ut nemo, enz.

Aanmerking III. In plaats van ne zegt men meermalen na verba met positieve beteekenis (g 352 10. en a0.) voor den nadruk ut ne. Deze woorden worden óf niet gescheiden zooals gewoonlijk geschiedt bij ut ne quis, ut ne quid of zoo gescheiden, dat ne onmiddellijk vóór het verbum gezet wordt. B.v. Justitiae primum munus est, ut ne quis cui noceat Sed ut hie, qui intervënit, ne ign5ret,quae res agatur: de natura agebamus deorum.

Aanmerking IV. Wanneer twee doelaanduidende zinnen door een conjunctio copulativa verbonden zijn en de tweede zin negatief is, gebruikt men gewoonlijk neve (neu) en niet neque. B v. Caesar mili-

mi Tv0\'ó3oB-0T.

quot; niw.

-ocr page 266-

Modus bij dc conjnnctioncs finales. § 354—355.

tes cohortatus est, uti suae pristïnae virtntis memoriam retinerent neve perturbarentur animis. Hoc te rogo, ne de-mittas animum neve te obrui magnitndine negotii sinas.

Zoo de eerste doelaanduidende zin positief is, mag de tweede ook met neque verbonden worden. B.v. His, 111 din tins morarentur neque suis auxilium ferrent, persuaderi non poterat.

§ 354. Bij dc verba en uitdrukkingen van vrees en bezorgdheid, zooals: metuo, timee, vereer, metus est, pericü-lum est, metus ineïdit alicui, wordt dat vertaald door ne en dat niet door ut of ne non (ne nullus, enz.). Dc Latijnen denken bij deze verba niet zoozeer aan hetgeen men vreest, als wel aan hetgeen men wenscht. B.v. A varus semper verëtur ut satis ha beat, een gierigaard vreest altijd, dat hij niet genoeg heeft. Timebam, ne evcnirent ca, quae aecidcrunt, ik vreesde, dat die dingen zonden geschieden, ivelke gebeurd zijn. P e ri c u 1 um est, ne i 11 e te verbis obruat. Vcreor ne con-solatio nulla vera pos sit reperiri.

■^Aanmerking I. In twee gevallen moet dat niet door ne non vertaald worden en wel:

iquot;. wanneer het verbum van vreezen een ontkenning bij zich heeft. B.v. Non vercor, ne tua virtus opinion! hominum non respondeat.

»2°. wanneer de ontkenning slechts op een enkel woord van den bijzin betrekking heeft. B.v. Metuo, ne non libenter, sed coact .is pareat.

^Aanmerking II. Wanneer metuo, timeo en vereor de betee-kenis hebben van aarzelen, schromen, kunnen zij ook een infinitivus bij zich hebben. B.v. Vereor laudare praesentem. Vos Allobrö-gum testimoniis non crcdëre timet is!

*Aan merking III. Bij de sub st anti va van vrees kan men in plaats van ne met den conjunctivus ook den genetivus van het gerundium zetten. B.v. Metus amittendi.

§ 355. Ut c o n s e c u t i v u m staat:

in. bij alle uitdrukkingen, waarin de beteekenis van zoo ligt, zooals: ita, sic, tam, tantopere, eo, ad co, ejusmödi, tot, tantus, talis, is (= talis). B.v. Deus tam potens est ut omnia, quae velit, efficere possit. God ts zoo machtig, dat hij alles, wat hij wil, tot stand kan brengen. Dion eo rem perduxit, ut pacem tyrannus facëre vellet, Dion b/aeht dc zaak zoover, dat dc tyran vrede zutlde maken.

Meermalen blijven deze uitdrukkingen weg; alsdan moet ut con-secutivum door zoodat vertaald worden. B.v. A r b o r i b u s c o n-sïta Italia est, ut tota pomarium videatur, Italic is met boomen beplant, zoodat het overal een boomgaard schijnt. In n a t u r i s

256

-ocr page 267-

111

m

5

rh

w

§ 356.

\\

257

Modus bij dc conjunctiones finales.

r ^ W

\\

amp;

\\

3

Jl

\\mml

lex est, cr is een wet.

futurum est, het zal geschicdcn. fieri potest, het is mogelijk.

fieri non potest, het is onmogelijk. sequitur, cr volgt.

proxïmum est, er volgt nu.

restat

relïquum est relinquïtur superest extrêmum est\'

het geschiedt, het

gebeurt.

cr blijft nog overz.

het is dc gewoonte.

-L

aeeïdit contingit evënit usu venit /

consuetudo (consue-

tudinis) est mos (moris) est

Aanmerking I. Daaruit volgt beteckent eenvoudig sequitur of i n d e/ lunc, ex eo effieïtur. B;\\-. Si virtutes pares sunt inter se.\' sequitur ut etiam vitia sint paria. Evenals achter efficitur volct soms na sequitur een accusativus cum infinitive. B.v Eorum quae posuisti, alterum alteri c.onsëquens est. ut sequatuiv vitam beatam virtute confici.

Aanmerking II. Bij contingit staat vooral bij dichters en latere prozaschrijvers ook de infinitivus. B.v. Non cuivis homini contingit adire Connthum.

Bij mos est, consuetudo est staat ook de infinitivus, accu-sativus cum infinitivo of de genetivus van het gerundium B.v. Min 1 mos est plura audire quam loqui. Mos est hominum

e.m 1 n^1 rmi0ri praeponi. Mos adversandi turpis est. Vgl. g 433- A.

, fquot; kij. efcn com parativus met quam (te groot om, te groot dan dat). Vgl, § 298. 4quot;. 0

§ 356. Na tantum a bost, het ts cr zoozeer af, volgen gewoonlijk twee zinnen met ut. Men bemerke wel, dat deze spreekwijze 111 het Latijn onpersoonlijk gebruikt wordt en dat he tweede ut niet gevolgd wordt door potius, wel door contr 4e druk.

hominum dissimilitudines subamara delectent.

2°. bij de onpersoonlijke verba en uitdrukkingen, die tot grondbeteekenis hebben het geschiedt, er blij ft nog over, ei volgt, mits zij geen adverbium van goedkeuring of afkeuring bij zich hebben. Vgl. § 345. 4». B.v. Persaepeaccïdit, ut utilitas cum honestate certet, het gebeurt zeer dikwijls, dat het nuttige in strijd is met het betamelijke. Restat ut doceam, omnia, quae sint in hoc mundo, hominum causa facta esse» Neg a vit mo ris esse Graecorum, ut in convivio virorum accumbërent muliëres.

Tot deze verba behooren;

est, het geval is.

in eo est, het is op het punt. prope est, het se heelt weinig. fit \\

sunt, ut alios dulcia, alios

-ocr page 268-

Modus bij dc conjnuctioncs finales.

% 357—359-

258

integendeel, of etiam zelfs. B.v. Tantum a best, ut te reprehend a m, u t t e la u de 111, ik ben er zoover af n ie laken, dat ik u integendeel prijs.

In plaats van den tweeden zin met u t staat soms voor den nadruk een hoofdzin B.v Tantum abfuit, ut inflammares nostros animos : somnum isto loco vix tenebamus

Tantum abest ut — ut dient ook ter vertaling van laat staan dan dat, wel verre van — integendeel. B.v. Tantum abest, ut hoe negotio divites simus facti, ut pecuniam meruerimus nullam, wij hebben bij deze zaak niets verdiend, laat staan dan dat wij er rijk door geworden zouden zijn of wel verre van rijk geworden te zijn door deze zaak, hebben wij integendeel er niets bij verdiend.

In plaats van tantum abest ut — ut gebruikt men ook ita non,adeo non (nihil) — ut, zoo weinig — dat. B.v. Haec verba adeo nihil moverunt quemquam, ut legati prope violati sint, deze woorden maakten zoo weinig indruk op iemand, dat de gezanten bijna mishandeld zijn of het was er zoover af, dat deze woorden eenigen indruk op iemand maakten, dat de gezanten bijna mishandeld zijn.

Laat staan dan dat wordt ook vertaald door n e d u m of n e die a m met den conjunetivus. B.v. Hoe negotio pecuniam meruimus nullam, nedum divites facti simus.

Wanneer tantum abesse eene werkelijke verwijdering aanduidt, wordt het persoonlijk gebruikt. B.v. Tantum abes a perfectione maxi-morum operum, ut fundamenta nondum jeceris.

§ 357. Wanneer een gevolgaanduidende zin ontkend wordt, gebruikt men niet ne, maar ut non, ut nullus, ut nih 11, enz. B.v. Tum forte aegrotabam, ut ad nuptias tuas venire non possem, ik zvas toen toevallig ongesteld, zoodat ik niet op uw bruiloft kon komen.

Een tweede gevolgaanduidende zin, die ontkennend is, wordt met den eersten verbonden door neque (niet neve). B.v. Multi homines tam avari sunt, ut vix famem expleant neque pauperes amicos juvent.

§ 358, Quo (= ut eo) wordt gewoonlijk gebruikt vóór een comparativus in de beteekenis opdat des te. B.v. Legem brevem esse oportet, quo facilius ab imperïtis tene-a t u r, een wet moet kort zijn, opdat zij des te gemakkelijker door onkundigen onthouden worde.

Meermalen echter beteekent het ook opdat daardoor. B.v. In funeribus Atheniensium sublata erat celebrïtas viro-r 11 m ac mu 1 iërum, quo lamentatio minueretur.

§ 359. Q u i n wordt gebruikt na o n t k e n n e n d e en beperkende zinnen, alsmede na vragen met q u i s en quid, die een ontkennende beteekenis hebben. Het staat:

1°. in plaats van qui non en quod non. B.v. Nemo fere

-ocr page 269-

Modus bij dc conjunctiones finales.

§ 359-

259

est, quin acutius vitia in altëro quam recta videat,

cr is bijna niemand, die niet scherper de gebreken dan de goede eigenschappen in een ander ziet. Nihil est, quin male nar-rando pos sit depravari, er is niets oj het kan door slecht vertellen bedorven worden. Ou is est (= nemo est) quin c er-nat, quanta vis sit in sensibus, wie is er, die niet ziet, welk een kracht er in de zintuigen is?

*Aanmerking I. Men gel,ruikt quin gewoonlijk slechts in plaats van den nominativus qui non en quod non (zelden quae non). Men zegge derhalve: Nulla gens tam fera est, cujus mentem non imbuerit deorum opinio. Cum nullo unquam congressus sum, quem non vicerim.

Soms echter vindt men quin in plaats van den accusativus quod non en meermalen in plaats van den ablativus quo non na dies. B.v. Nihil contumeliarum defuit, quin (— quod non) subiret Hor-tensius nullum patiebatur esse diem, quin (— quo non) aut in foro dieëret aut meditaretur extra forum.

*A an merking 11. Quin mag niet gebruikt worden, wanneer qui non of quod non slechts een enkel woord van den hoofdzin bepaait en niet van den ganschen hoofdzin afhankelijk is. B.v. Judex esse bo-nu s nemo potest, qui suspicione certa non movetur. Nihil potest placêre, quod non decet. Zoo men zeide quin moveatur, quin deceat, zou de beteekenis geheel veranderen.

2quot;. in plaats van ut non, dat niet, zonder te, om niet te, of. B.v, Nunquam accedo, quin abs te abeam docti0r, ik kom nooit bij n of ik ga geleerder van 11 weg. N u n q u a m e u m adspexit, quin eum fratricidam appcllaret, zij zag hein nooit zonder hem een broedermoordenaar te noemen. Nulla causa est, quin hoc faciam, ik heb geen reden om dit niet te doen.

Om bij het gebruik van quin in de beteekenis van zonder te geen fouten te maken tegen den persoon en het getal van het verbum, verandere men zonder te in zonder dat.

*Aanmerking I. Wanneer de hoofdzin niet ontkennend is of dc ontkenning slechts op een enkel woord betrekking heeft, mag men quin niet gebruiken. B.v. Non adeo imperïtus sum, ut hoe nesciam, ik ben niet zoo onervaren, dat ik dit niet weet.

■*Aan merking II. Het gebruik van quin in plaats van qui non en ut non is niet noodzakelijk. B.v. Quis erat, qui id non sciret, wie 7C\'as er, die dit niet wist. Octavianus nunquam filios suos populo commendavit ut non dieëret: si merebuntur, Octavianus beval zijne zonen nooit aan het volk aan, zonder cr bij te zeggen: indien zij het zullen verdienen.

3h. in de beteekenis van dat, om te, of bij de verba en uitdrukkingen van twijfelen, verwijderd zijn, nalaten, zich weerhouden. B.v. Non debet dubitari, quin fuerint

-ocr page 270-

Modus bij de conjunctiones finales.

% 36o.

200

ante H o m e r u m p o ë t a e, men moet niet twijfelen, dat er vóór Homerus dichters geweest zijn. P a u 1 u m a f u 11, q u i n I s m e-nias intcrficeretur, het se heelde weinig of Isntenias werd gedood. Aegre tenërc me potui, quin contumaci adolescent ü 1 o a 1 a p a m d u c ë r e m, ik kon mij moeielijk weerhouden om den onbeschaamden jongen een oorveeg te geven.

Tot deze verba behooren:

non (vix) dubïto, ik twijfel niet (iiauwelijks).

non est dubium, er is geen twijfel aan.

quis (= nemo) dubïtat, wie twijfelt er aan.

non multum (longe, proeul) abest, het seheelt niet veel.

panlum, nihil abest, het seheelt weinig, niets.

non praetermitto, ik laat niet na.

non recuso, ik heb er niet tegen.

non (vix, aegre) abstineo \\

quot; quot; mC re^\'neo I ik /can mij niet (nauwelijks,

„ „ me contineo ) . ,..7N , ,

_ l moeiemk) weerhouden.

tenere me non possum I

temperare mihi non possum /

Met uitzondering van de verba van t w ij fe 1 e n hebben de meeste

dezer verba soms ne in plaats van quin. Somtijds vindt men en

wel bijzonder bij Nepos bij non dub ito den accusativus cum

infinitivo.

*Aanmerking I. Non dubito heeft in de beteekenis ik aarzel niet meestal den infinitivus bij zich. B.v. Homo mitissimus non du-bitat Lentülum aeternis tenëbris vinculisque mandare. Gewoonlijk voegt men echter quin achter dubitandum nonesten noli (nolite) dubitare. B.v. Nolite dubitare quin Pompejo cre-datis omnia.

*A an merking II. Men lette wel op het verschil tusschen fa cere non possum quin, het is noodzakelijk dat ik, en fa cere non possum ut, het is onmogelijk dat ik, alsmede tusschen fieri non potest quin, het is noodzakelijk dat, en fieri non potest ut, het is onmogelijk dat. B.v. Fieri non potest quin te reprehendam, het is m-mogelijk dat ik 11 niet zou berispen, of ik moet 11 berispen. Fieri non potest ut te reprehendam, het is onmogelijk u te berispen of ik kan 11 niet berispen.

Dezelfde beteekenis als fa cere non possum quin heeft ook non possum non met volgenden infinitivus. B.v. Qui mortem in malis ponit, non potest earn non timêre.

§ 360. Niet zelden staat quin in onafhankelijke zinnen zonder invloed op den modus uit te oefenen en wel:

i0. bij vragen in de beteekenis roaarom niet om een aanmoediging of aanmaning te geven. B.v. Quin conscendïmus equos

Éfc

1

-ocr page 271-

§ 361—303- Modus bij de conjunctiones temporales.

loaarom stijgen wij niet tepaardl (laten wij te paard stijgen). Quin exper-giscimini, tvaarom wordt gij niet wakkert (wordt toch wakker).

20. bij den eersten persoon meervoud van den conjunctivus en bij den imperativus in de beteekenis van toch. B.v. Quin tamus, laat ons toch gaan. Quin omitte me, laat mij toch met vrede.

3\'\'. alleen of met potius, immo, etiam in de beteekenis ja zelfs. B.v. Multum scribo die, quin etiam noctibus, ik schrijf veel hij dag, ja zelfs bij nacht.

§ 361. Quomïnus staat :

1°. in de beteekenis van. dat, om te bij de verba van verhinderen, zooals: deterrëre, impedire, obsistëre, obstare, prohibere, waarbij volgens § 352. 30. ook ne kan staan. B.v. Quid obstat, quominus deus sit beat us, ïvat belet een god om gelukkig te zijn? Vis imbrium impedïvit, quominus agricólae fruges colligërent, de sterke regenbuien hebben verhinderd, dat de landbouwers den oogst binnenhaalden. A e t a s non i m p ë d i t, quominus litterarum s t u d i a t e n e-am us u sq uc ad u 11 i mu m tempus se nec t u t i s.

Zoo deterrere en impedire een ontkenning bij zich hebben , kunnen zij ook quin regeeren.

*2°. in de beteekenis van dat, om te bij de ontkennende werkwoorden non abstineo, non me contineo, temperare mihi non possum, non praeter mil t o, non reeïiso, waarop volgens § 359. 3°. ook quin (soms n e) kan volgen. B.v. Non r e c u s a b 0, quominus o m n e s m e a s c r i p t a 1 e g a n t, ik zal er niet tegen hebben, dat allen mijne schriften lezen.

*3°. in de beteekenis van dat niet bij per me stat of fit, het ligt aan mij, het is mijn schuld. B.v. Per Afranium s te tit, quominus proelio dimicaretur, het lag aan Afranius, dat er niet gestreden werd.

Zoo deze uitdrukkingen een ontkenning bij zich hebben, kan ook quin volgen. B.v. Per Valerium non stetit, quin fides prae-s t a r e t u r.

VI. Conjunctiones temporales,

§ 362. De conjunctiones temporales zijn cu m, cum p r i m u m, ut, ut p r i m u m , u b i, simulatque, s i m ü 1 a c (zelden s i m u 1), p o s t q u a m, a n t ë q u a m, p r i u s q u a m , du m, d o n e c, quoad, zelden q u a n d o.

§ 333. Cum regeert in het algemeen den indicativus, wanneer het zuiver tijdbepalend is, den conjunctivus, wanneer het op een of andere wijze redengevend is. Voor de bijzondere gevallen gelden de volgende regels.

A, Cum regeert den conjunctivus, wanneer het is:

1°. cum causale, daar, dewijl. Vgl. § 346.

261

-ocr page 272-

Modus bij de conjunctiones temporales.

% 363.

202

2°. cum concessïvum, ofschoon. Vgl. § 339.

30. cum narratïvum, toen. Het staat altijd met het imperfectum of plusquamperfectum conj uncti vi, wanneer er in een verhaal tusschen de gebeurtenis van den hoofdzin en van den bijzin eenig innerlijk verband bestaat. B.v. Zenönem, cum Athênis essem, audiebam frequenter, toen ik te Athene voas, woonde ik dikwijls de lessen bij van Zeno. Caesar, cum Pompejum apudPharsalum vicisset, in Asiam tra-jëcit, toen Caesar Pouipcjus bij Pharsalus overwonnen had, stak hij over naar Azië.

4\'\'. cum adversatïvum, terwijl, met de bijbeteckenis van daarentegen. B.v. Ludis, cum diseëre d e b e a s, gij speelt, terwijl gij (daar-en legen) leer en moest. Nostrorum equïtum er at quinque milium numerus, cum li o s t e s non a m p 1 i u s o c t i n g e n t o s e q 1111 e s h a-bërent. Hier mag men nooit dum gebruiken

B. Cum regeert den indicativus, wanneer het is:

1°. cum temporale, ten tijde dat, terwijl, wanneer. B.v. Facïle omnes, cum valemus, recta consilia aegrötis dam us, wanneer %vij gezond zijn, geven wij allen gemakkelijk goeden raad aan zieken. Omnia sunt incerta, cum a jure discessum est. Meermalen zal in den hoofdzin turn, e o t e m-pore, eo die staan. B.v. Credo turn, cum Sicilia florebai; opibus, magna artificia fuisse in ea insula.

2°. *cum iteratïvum, soo dikwijls als, telkens wanneer. B.v. Cum epistolam tuam legi, a lacrïmis vix contineo, zoo dikwijls als ik uw brief lees, kan ik slechts met moeite mijn tranen weerhouden Ager cum muitos annos quievit, uberiores efferre fructus solet.

Wanneer de handeling van den bijzin geschiedt vóór de handeling van den hoofdzin, heeft cum iterativum den bijzin in het perfectum, zoo de hoofdzin in het praesens staat, en in het plusquamperfectum, zoo de hoofdzin in een verleden tijd staat.

Bij Livius en anderen heeft cum iterativum ook den conjunctivus van het imperfectum en plusquamperfectum.

30. *cum additivum, toen, wanneer aan de handeling van den hoofdzin iets nieuws, iets onverwachts wordt aangeknoopt. B.v. Unam epistolam jam obsignaveram, cum subïto tabella-r i u s t u a s 1 i 11 e r a s m i h i reddidit, ik had den eenen brief reeds verzegeld, toen op eens de brievenbode mij mu brief overhandigde. Jam 1 u x a p petebat, cum rex alacres milites ar ma cap ere et exire in aciem ju bet.

Betrekkelijk de tijden valt op te merken , dat de hoofdzin altijd in liet imperfectum en plusquamperfectum staat en gewoonlijk een dei-adverbia vix, aegre, jam, non dum bij zich heeft. De bijzin staat in het perfectum of praesens historicum en bevat dikwijls een der adverbia rep en te, subïto.

-ocr page 273-

§ 364. Modus bij dc conjtcnctiones temporales. 263

Wanneer de gebeurtenissen van den hoofdzin en van den bijzin gelijktijdig plaats hebben, staat cum interim (interea, etiamtum) met het imperfectum of perfectum indicativi, naar gelang de hoofdzin in het imperfectum of perfectum staat. B.v. Caedebatur virgis in medio foro Massanae civis Romanus, cum interea nulla vox alia i 11 ïu s misëri audiebatur, nisi h aec : civis Roma-nus sum Piso ultimas Hadriani maris oras petïvit, cum interim Dyrrhachii milites domum obsidëre coeperunt.

40. cum explicatïvum, daardoor dat, regeert den indicativus van het praesens en perfectum, doch den conjunctivus van het imperfectum en plusquamperfectum. B.v. De te, Catilina, cum tacent, clamant, daardoor, Catilina, dat zij over n zwijgen, spreken zij met luide stem. Cum tibi labo ran ti affui, me ami cum tuum esse indicavi, doordat ik u in tnoen nood heb bijgestaan, heb ik bewezen, dat ik uw vriend ben. Munatius Plane us quotidie me am potentiam invidiose criminabatur, cum dieëret, senatum non q uod sen tire t, sed quod ego ve 11 em, decernëre.

Aanmerking I. Cum regeert ook den conjunctivus in de uitdrukkingen est, fuit, erit t e m p u s (dies) cum, wanneer niet zoozeer de tijd als zoodanig, als wel een of andere eigenaardigheid van dien tijd wordt aangegeven. B.v. Fuit tempus, cum rura colërent homines ne-que urbem habërent.

Aanmerking II. De indicativus staat na uitdrukkingen als de volgende: diu est cum, het is lang geleden dat, nonnulli anni sunt cum, er zijn reeds verscheidene jaren verloopen sedert. B.v. A m p 1 i u s v i g i n t i anni sunt, cum h a n c villam e x s t r u x i t, er zijn reeds meer dan twintig jaren verloopen, sedert hij dit landhuis liet bouwen.

§ 364. D u m, d o n e c en q u o a d hebben den indicativus in dc beteekenis zoolang als. B.v. Lacedaemoniorum gens forti s fuit, d u m L y c u r g i leges v i g e b a n t, dc Laecdemoniërs waren dapper, zoolang de zvetten van Lycurgus bloeiden. D o n e c er is felix, mul tos numerabis a mi cos. Gate, quoad v i x i t, v i r t u t u m 1 a u d e c r e v i t.

In de beteekenis totdat, zoolang totdat, regeeren zij den i n d i-cativus, wanneer er tusschen den bijzin en den hoofdzin slechts een tijdelijk verband bestaat, doch den conjunctivus, wanneer de bijzin het doel of dc beweegreden van de handeling des hoofdzins te kennen geeft. B.v. Epaminondas ferrum in corpore retinuit, quoad renuntiatum est, vicisse B o e o t i o s, Epaminondas liet den pijl in zijn HcJiaam zitten, totdat men hem geboodschapt had,, dat de Bocotiers overwonnen hadden. Hoc carmen disce , dum expedite possisdeclamare, leer dit gedicht, totdat gij het vlug kunt voordragen. Vgl. § 310- A.

Aanmerking I. *Wanneer dum en quoad gelijk zijn aan ut interea, hebben zij ook in de beteekenis zoolang als den conjunctivus. B.v. H o r a t i u s C o c 1 e s i m p ë t u m h o s t i u m s u s t i n u i t, quoad c e t e r i

-ocr page 274-

Modus bij de conjunctioncs temporales.

264

% 36s-

pon tem interrumpërent, Horatius Codes hield zoolang den aanval der vijanden uit als de overigen de brug afbraken.

Livius gebruikt ook donee in deze beteekenis met den conjuncti-vus van het imperfectum en plusqu am perfectum.

Aanmerking II Dum staat slechts met het praesens en imperfectum, niet met de andere tijden van den conjunctivas.

Na maneo, exspecto en opperior dum, ik wacht totdat, staat het praesens, perfectum of futurum exactum van den indica-tivus. B.v. Mansit in ea condicione, dum judïces rejecti sunt. Ego in Arcano opperior, dum ista cognosco. Opperiar, dum re dier is. Wanneer dum echter gelijk is aan ut interea, volgt op deze verba het praesens of imperfectum van den conj unctivus. B.v. Caesar constituit ex spec tare, dum sui in unum colli-ge r e n t u r.

Aanmerking III. Bij dum komt vooral uit de gelijktijdigheid, bij do nee de evenlange duur, bij quoad het einde.

§ 355. Antequam of an te aqua m en priusquam (of gescheiden ante, antea, prins — quam) voordat, hebben

1°. wanneer de hoofdzin in het perfectum historicam staat, het imperfectum en plasquamperfectum in den conjunctivas, doch het perfectum in den indicativus. B.v. Nuiru-dac, priusquam ex castris s a b v e n i r e t u r, in proximos colics discesserunt, de Nuvtidiërs gingen, voordat men int de legerplaats te hulp kwam, naar de naastbij zijnde heuvelen. A c h a e i non ante a u s i sant capcssëre helium, quam ab Roma revertissent legati. Carthago prius condïta est, quam Cyrus Babylonem expugnavit.

Hierbij valt op te merken, dat het perfectum een zuiver tijdelijke betrekking aangeeft, terwijl liet imperfectum en plus quam perfectum de handeling als door het subject van den hoofdzin bedoeld voorstellen. In het Nederlandsch vertalen wij ook het perfectum door den onvolmaakt oi meer dan volmaakt verleden tijd.

2°. wanneer de hoofdzin in het praesens of futurum simplex staat, het praesens in den indicativus ofconjunc-t i v u s zonder merkbaar verschil van beteekenis. B.v F u 1 g u r videmus, p r i u s q u a m t o n ï t r u m audi m us of a u d i a m u s, wij zien den bliksem, voordat wij den donder hoor en. Antequam de L. Murëna dice re instituo, pro me ipso pauca dicam.

De conj unctivus wordt altijd gebruikt, wanneer het verbum inden tweeden persoon enkelvoud staat ter vertaling van ons men. B.v. Priusquam i n c i p i a s c o n s u 11 o , u b i c o n s u 1 u e r i s mature facto opus est.

*3°. wanneer de hoofdzin in het futurum simplex staat en de handeling van den bijzin reeds geschied is, als de handeling van den hoofdzin begint, het futurum exactum in den indicativus. B.v. Non

-ocr page 275-

§ 366—307- Modus bij de conjunctiones temporales.

defatigabor, a n t e q u a m hoe percepero, ik zal niet moede worden , voordat ik dit verneem of vernomen heb of zal vernomen hebben Val. § 314. A. II

§ 366. Postquam of posteaquam, nadat, regeert den i 11-d i c a t i v u s en wel gewoon lijk :

10. van het perfectum, wanneer er niet bepaald wordt aangegeven, dat er eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Lacedaemonii, postquam audierunt muros instrui, legatos Athenas miserunt, nadat de Lacedevwniërs gehoord hadden, dat er imircn gebouwd werden, zonden zij gezanten naar Athene.

Bij levendige beschrijvingen kan in plaats van het perfectum ook het praesens historicum volgen. B.v. Postquam perfügae murum arietibus feriri vident, aurum atque argentum in forum c o m p o r t a n t.

2U. van het plusquamperfectum, wanneer er bepaald (naar dagen, maanden, jaren, enz.) wordt aangegeven, dat er eenige tijd is verloopen tusschen de handeling van den hoofdzin en den bijzin B.v. Hannibal, tertio anno postquam domo profugerat, in African! rediit, drie jaar nadat Hannibal het Imis ontvlucht had, kwam hij in Africa terug.

3°. van het imperfectum, wanneer de handeling van den bijzin nog voortduurt, als de handeling van den hoofdzin begint. B.v. Postquam nihil usquam hostile cernebatur, Ga 11 i viam ingressi sunt, nadat nog altijd nergens eenig spoor van de vijanden zichtbaar was, vingen de Galliërs den tocht aan.

4°. van het praesens, wanneer postquam of posteaquam sedert dat beteekent B.v. Re le gat us mi hi vide or, posteaquam in For-m i a n o s u m, het komt mij voor dat ik verbannen ben, sedert ik mij op mijn landgoed bij Formiae bevind.

Aanmerking. Bij postquam staat somtijds het imperfectum of plus-quamperfectum conjunctivi, wanneer er namelijk, evenals bij cum narra-tivum, eenig innerlijk verband bestaat tusschen de gebeurtenis van den hoofdzin en den bijzin. B.v. Mi thri dates posteaquam maxim as aedificasset classes exercitusque permagnos comparasset, usque in Hispaniam legatos ac litteras misit.

§ 367. De conjuncties, die zoodra beteekenen, zooals: cum pri m um, u t (nooit u t i geschreven) , ut pri mu m, ub i, u bi primum, simülac, simulatque, regeeren den indi.cativus, en wel van het perfectum bij handelingen, die slechts een enkele maal gebeurd zijn, en van het plusquam perfectum bij het beschrijven van telkens terugkeer en de handelingen. B.v. Ubi illud audi vit, nuntium ad re gem misit, zoodra hij

265

-ocr page 276-

Modus in vragende zinnen.

266

S 368.

dit gehoord had, zond hij een bode naar den koning. Alcibiades simulac se remiserat neque causa subërat, quare ani-mi labor em per ferret, luxuriösus reperiebatur, zoodra Alcibiades zich ontspannen had en er geen reden zuas, waarom hij zijn geest zou inspannen, toonde hij zich telkens weelderig.

In plaats van het perfectum staat bij deze conjuncties ook het prae-sens his tor ie um. B.v. Quae uhi nuntiantur Romam, senatus extemplo dictatorem dici jus sit.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTI-VUS IN VRAGENDE ZINNEN.

§ 368. De vragen zijn rechtstreeksch, wanneer zij op zich zeiven staan, en zijdelingsch, wanneer zij van een ander woord afhangen.

De rechtstreeksche vragen staan in den indicativus (wanneer de twijfelachtige vragen in den modus dubitativus buiten rekening gelaten worden), B.v. Quid dicis, wat zegt gij?

De zijdelingsche vragen staan in den conjunctivus, B.v. Non i n t e 11 ë g o quid cl i c a s, ik begrijp niet, wat gij zegt.

Wanneer een vraag niet begint met een p r o n o m e n of ad v e r-bium interrogativum, gebruikt men in het Latijn gewoonlijk een conjunctio interrogativa. Hierbij moet men wel onderscheid maken of een vraag rechtstreeksch of zijdelingsch, een ledig of tweeledig is.

Het onderscheid tusschen een relatieven zin en een zijdelingsche vraag bestaat daarin, dat de eerste afhangt van een nomen en de laatste van een verbum. B.v. Novi illos ami cos qui bus uteris, doch novi quibus amicis utaris. Hierbij moet men echter goed toezien of het antecedens misschien niet uitgelaten is, zooals: dicam quod sentio = id quod sentio, of in den relatieven zin is opgenomen, zooals: quo utuntur argumento ad proband um operae pretium est considerare = conside-rare argumentum, quo utuntur. Zoo de bijzin een zijdelingsche vraag was, zou hij luiden: quidsentiam, quo utantur argu-mento. Vgl § 204, 207 en 463, 30.

Aanmerking I. Na de imperativi die en vide staat meermalen een rechtstreeksche vraag, waar evengoed een zijdelingsche vraag zou kunnen staan B.v. Die quae so: num te ill a terrent, eilieve zeg

-ocr page 277-

VN1

§ 369. Eenledige rechtstreekse he vragen. 267

eens, zijt gij daarvoor bevreesd? Vide! quam con versa res est! sie eens/ wat zijn de zaken veranderd!

Aanmerking II. Meermalen staat nescio met een pronomen ol adverbium interrogativum zonder eenigen invloed op den modus uit te oefenen. Nescio quis beteekent dan aliquis, nescio quid aliquid, nescio quomodo of nescio quo pacto incerto quodam modo. B.v Nescio qua permötus est divinatione, hij is door een zeker voorgevoel aangezet. Nescio quid t u r b a t u s esse m i h i vidëris, het komt mij voor dat gij eenigszins ontsteld sijt. Nescio quomodo inhaeret in mentibus quasi saeculorum quoddam augurium futurorum Op dezelfde wijze worden mi rum quam, mi rum quantum, iiim:um quantum en dergelijke uitdrukkingen gebruikt. B.v. Sales in dicendo nimium quantum va 1 ent. Id mirum quantum profuit ad concordiam civitatis.

§ 369. Bij eenledige rechtstreekse he vragen worden de volgende conjuncties gebruikt:

in. ne, gewoonlijk wanneer men onzeker is of men een bevestigend of een ontkennend antwoord zal krijgen. Het wordt achter het woord gevoegd, waarop de nadruk valt, en daarmede aan het begin van den zin gezet. B.v. T o t a n c u r b s a r s i t, iS de ganse he stad afgebrand? Meministlne me hoc in s e n a t u d i c ë r e, herinnert gij u, dat ik dit in den senaat gezegd heb ? Soms drukt het verwondering, wrevel of twijfel uit. B.v. Put a sue me istud facëre potuisse, meent gij dat ik dit heb kunnen doen? Gewoonlijk echter wordt bij dergelijke vragen geen vraagwoord gebruikt. B.v. Rogas, vraagt gij dit nog? Tu hoe non vides, gij ziet dit niet?

Aanmerking. In de taal van het gewone leven wordt de e van ne dikwijls weggelaten en zoo er een s voor ne gaat, valt deze ook weg. B.v. Credon\' tibi hoe? Vin\' = visne? Viden\' = videsne? Vgl. § 129. A.

Het met verwondering vragende, alleenstaande ik 2 heet egóne? zool werkelijk ? i t a n e ? i t a n e est? i t a n e v e r o ? i t a n e tandem? Niet waar ? n o n n e ? Is het ernst ? meent gij htf ? ei, ei ? zoo , zoo ? a i n\' (— aisne) tu? ain\' tandem?

2quot;. no 11 ne, wanneer men een bevestigend antwoord verwacht Wij zetten gewoonlijk niet bij het werkwoord. B.v. Nonne poëtae post mortem 11 o b i 1 i t a r i v o I u n t, willen de die liters na hun dood niet vereerd worden?

Aanmerking I. Wanneer meerdere vragen, waarop men een bevestigend antwoord verwacht, op elkander volgen, staat bij de eerste vraag nonne en bij de volgende vragen gewoonlijk non. B.v. Nonne hunc in vincüla duci, non ad mortem rapi, non summo suppli-c i o m a c t a r i imp erabis?

Aanmerking II. Zoo men iets door een voorbeeld wil bewijzen.

llK

t

-ocr page 278-

Eenledigc zijdelingse he vragen.

% 370.

268

zegt men gewoonlijk videsne, videmusne, videtisne, waar wij nonne vides zouden verwachten. B.v. Videtisne ut a pud Home-rum saepissime Nestor de virtutibus suis praedicet.

30. num, wanneer men een ontkennend antwoord verwacht. Wij zetten dikwijls soms of wel bij het werkwoord. B.v. Num negare audes, durft gij het soms ontkennen? Num putas me tam de men tem fuisse, gij gelooft toch zeker niet, dat ik zoo dzmas geweest ben?

Aanmerking In plaats van num gebruikt men soms het sterkere n u m n e, 11 u m n a m, n u m quid of e c q u i d B.v. D e u m i p s u m 11 u m n e vidisti, hebt gij God zelven ooit gezien 1 Num quid du as habetis patrias, hebt gij dan twee vaderlandent Ecquid at ten dis, let gij

wel op 1

40. an, wanneer onmiddellijk na zekere bewering naar iets onwaarschijnlijks gevraagd wordt; wij gebruiken gewoonlijk of, of soms. B.v. Non ego te dictis offendëre volui; an putas me parvi facere benevolentiam t u a m, ik heb u doof mijne woorden niet willen belee-digen; of denkt gij soms dat ik uwe genegenheid gering acht ?

Vervolgens, wanneer op een algemeen e vraag een meer bijzondere vraag volgt; wij zeggen dikwijls toch wel. B.v. Quando ista vis evanuit? an postquam homines minus credü 1 i esse coepe-runt? wanneer is deze kracht (te Delphi) verdwenen ? toch wel nadat cle menschen minder lichtgeloovig begonnen te zijnd

Aanmerking. Wanneer met an naar iets onwaarschijnlijks gevraagd wordt, moeten de pronomina en adverbia gebruikt worden, die voor negatieve zinnen dienen. B.v. An quisquam put at? An putas, q u e m q u a m esse, qui? An u n q u a m a u d ï t u m est?

Somtijds staat an zonder verbum in den zin van s i v e. B.v. The mi-stocles, cum ei Simonïdes an quis alius artem memoriae polliceretur, oblivionis, inquit, mallem.

§ 370. Bij eenledige zijdeli ngsche vragen wordt of, of soms vertaald door n u m of n e (soms n u m q u i d of ecquid) en oj niet door nonne. B.v. Quaero, nj3^\\p ecuniam ei dede-ris of dederisne ei pecu niam, ik vraag of gij hem het geld gegeven hebt. Croesus ex Solone quaesivit, nonne se beatissimum putaret, Croesus vroeg aan Solon of hij hem niet voor den gelukkigsten nienseh hield. •

Aanmerking. In zuiver proza vindt men soms na exspecto, e x-perior, con or, ten to en quaero in plaats van num si gebruikt. B.v. Quaesivit, si incolümes equites e vasissent.

Wanneer in den afhankelijken zin volo of possum staat, wordt soms bet werkwoord beproeven uitgelaten. B.v. Hostes circumfun-d u n t u r ex omnibus p a r t i b u s, si q u e m adïtumreperiri possent, de vijanden verspreidden zich langs alle kanten om te beproeven of zij een toegang konden vinden.

-ocr page 279-

§ 371 — 372- Tweeledige vragen. 269

§ 371. Na de verba en uitdrukkingen, die onzekerheid te kennen geven, zooals; d u b ï t o, d u b i u m est, i n c e r t u m est, delibëro, haesïto, nes oio, haud scio wordt of niet vertaald door an, en of wel dcor an non of an met een andere ontkenning, zooals: nemo, nullus, nusquam. B v. Dubito, an h u n c p r i m u m omnium p o n a m , ik twijfel oj ik dezen niet boven allen zal stellen (ik ben geneigd dit te doen). C. Gracchus si diutius vixisset, nescio an eloquentia parem habu-isset nemïnem; ik weet niet of C. Gracchus, zoo hij langer geleefd had, wel iemand zon gehad hebben, die hem in welsprekendheid evenaarde (ik geloof het niet).

Dubito an, haud scio an, enz. staan meermalen zonder verbum in de beteekenis van misschien. B.v. Contigit tibi quod haud scio n e m i n i, u is te beurt gevallen wat misschien nog nie?gt;iand tc beurt gevallen zj. Moriendum certe est et id incertum an hoc ipso die, ■wij moeten zeker sterven en misschien nog dezen dag.

Vgl. over non dubito § 359. 30. en A. I.

§ 372. Bij tweeledige vragen, zoowel rechtstreeksche als zijde-lingsche, gebruikt men in het eerste lid u t r u m of n c en in het tweede lid an (soms arme). B.v. Utrum ea vestra an nostra culpa est, is dat nzue of onze schuld? C a s ü n e m u n dus est effect us an vi divlna, is de wereld door toeval gemaakt of door goddelijke kracht ? Inter p r a e t o r e s magna f u i t c o n-tentio, utrum moe nib us se defender ent, an acie decer-nërent. Quaerïtur virtus suamne propter dignitatem an propter aliquos fructus expetatur.

■*Bij korte scherp tegenover elkander staande tweeledige vragen laat men soms het vraagwoord voor het eerste lid weg. B.v. Rides an p 1 oras,lacht gij of loeent gijl Bij zij delingsche vragen wordt in dit geval voor an soms ne gebruikt. B v. Nihil interesse p u t a n t valeamus a e g r i n e s i m u s.

quot;^Bij tweeledige vragen wordt of niet gewoonlijk vertaald door a n non, zoo zij rechtstreeksch zijn, cn door necne, zoo zij zijdelingsch zijnA B.v. Estne ea an non, is zij het of niet 1 Nondum de E u m ë n (» statuerat A^tigönus, conservaret eum necne.

Aanmerking I. Wanneer een vraag meer dan twee leden heeft) wordt an herhaald. B.v. Perturban tur Gal li copiasne a d,v e r s u s hostem dueëre, an castra defendëre, an fuga salutem pe-tëre praestaret. In plaats van ne — an — an vindt men somtijds ne — ne — ne. B.v. Deorumne immortalium, populine Ro-\' m ani, vestramne, qui summam po testa tem habe tis hoe tem^ pore, fidem implörem?

Aanmerking II. Twee vragen, die hetzelfde praedicaat hebben, doch waarvan de eene bevestigend en de andere ontkennend

-ocr page 280-

7 wee ledige vragen.

% 373—374

270

is, kunnen met herhaling van liet praedicaat zonder vraagwoord worden uitgedrukt. Het Nederlandsche voegwoord cn tusschen de twee vragen wordt in het Latijn niet vertaald B.v. Ergo haec veteranus miles f a c e r e p o t e r i t, d o c t u s v i r s a p i c n s q u e non p o t e r i t ? Ergo histrio hoe videbit in scaena, non videbit vir sapiens in vita? De eerste vraag wordt ook wel ingeleid met an of an vero. B.v. An (vero) Scythes Anacharsis potuit pro nihilo pecuniam du cere, n os tra te s philosöphi non pot e runt? Wij kunnen zulke zinnen ook met icrwijl aan elkander koppelen. Vgl. § 524.

Aanmerking III. Men wachte zich wel an te verwarren met de conjunctiones disjunctivae aut of vel, die wel verschillende begrippen onderscheiden, maar ze niet tegenover elkander plaatsen. B.v. Nonn u 1 li d u b i t a n t de m u n d o, c a s ü n e ipse sit e f f e c 111 s a u t necessitate aliqua an ratione ac mente divina.

Aanmerking IV. O]) het pronomen utrum volgt soms een tweeledige vraag als appositie. B.v. Utrum igitur mavis, statimne nos vela facere an paulülum remigrare?

§ 373. Zoo het antwoord op een vraag slechts een aanwijzing is van den persoon of zaak, waarnaar gevraagd wordt, staat in het antwoord dezelfde naamval als in de vraag. B.v. Quis legem tulit? Ru 11 us, ïvic heeft de wet gemaakt\'? Rn Uns. Cujus est ista domus? Patris mei, van wien is dit huis? Van mijn vader.

Somtijds zal de constructie van sommige woorden een anderen naamval vorderen. B.v. Cujus est liber? Meus, van wien ts het boek? Van mij. Ou anti hoe emisti? Parvo, voor hoeveel hebt gij dit gekoekt? Voor een geringen prijs.

§ 374. Ons ja wordt uitgedrukt:

in. door dat woord der vraag te herhalen, waarop de nadruk valt, dikwijls met bijvoeging van vero. B.v. Tune hoc Antonio dixisti? Ego vero. Hocïne tu Antonio dixisti? Hoe vero. An ton ion e tu hoe dixisti? Antonio vero. Dixisti 11 e hoc Antonio? D i x i vero.

2quot;. door ita, ita est, ita vero est, etiam, sane, sane quidam, omnïno, certe.

Ons neen wordt uitgedrukt:

1n. door n o n met dat woord der vraag, waarop de nadruk valt. B.v. S o 1 u s n e v e n i s t i ? Non solus.

2°. door non ita, non vero, m i n ï m e, m i n ï m e vero.

Aanmerking I. Zoo het antwoord de vraag verbetert, gebruikt men immo en sterker immo vero of immo vero etiam. Dit woord heeft een dubbele beteekcnis, namelijk: integendeel en ja zelfs. B.v. Num ille t i b i f a m i 1 i a r i s est? Immo alienissimus, is hij nw vriend\'\' Integendeel mijn grootste vijand. Causa tibi nonne videtur bona? Immo vero optima, komt de reden u niet goed voor ? Ja zelfs zeer

-ocr page 281-

Modus in relatieve zinnen.

§ 375-

271

^ocd. Catilina tam en vivit. Vivit? Immo vcro etiam in sena-111 m v e n i t.

Aanmerking II. Wanneer ons ja of neen door want gevolgd wordt, blijft het meermalen onvertaald. B.v. Suntne igitur insicliae tender e p 1 a g a s, e t i a m s i e x c i t a t u r u s non sis f c r a s nee a g i t a-turus? Ipsae enim ferae nullo insequente saepe ineïdunt.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN DEN INDICATIVUS EN CONJUNCTI-VUS IN RELATIEVE ZINNEN.

§ 375. Relatieve zinnen, ook die met een adverbium relativum beginnen, staan in den conjunctivus:

1quot;. wanneer het relativum opgelost kan worden in cum (causale of concessivum) daar, ofschoon, cn een pronomen demonstrati v u m, persona 1 e of possessivum. Qui is clan gelijk aan cum ego, cum tu, cum is; cujus aan cum mens, cum tuus,cum ejus; cui aan cum mihi, cum tibi, cum ei, enz. B.v. Cur tibi invidcam, qui omnibus rebus a bund cm, waarom zon ik it benijden, daar ik van al lts overvloed heb ? C a n i n i u s f u i t m i r i f ï c a vigilantia, qui s u o toto consulatu s o m n u m non v i d e r i t, Caninius bezat een verwonderlijke waakzaamheid, daar hij in zijn ge hoe le consulaat den slaap niet gezien heeft. Quis Ciccronem non Icgat, cujus libri tam pulchri sint, ivie zon Cteero niet lezen, daar zijne geschriften zoo schoon zijn?

Gewoonlijk zal cum causale bevat zijn in het relativum, dat op een uitroeping volgt, B.v O fortunate adolescens, qui (cum tu) t u a e v i r t u t i s H o m e r u m praecönem i n v e n e r i s!

2quot;. wanneer het relativum opgelost kan worden in ut (finale ot consecutivum) opdat, zoodat, dat, en een pronomen d em oust rati vu m, pers on ale of possessivum. R.v. Vejentes legatos miserunt, qui (ut ii) paccm petërent, de Vcjcn-ters zonden gezanten om den vrede te vragen. M u 11 i e r i p i u n t a 1 i i s , q u o d (ut id) a 1 i i s 1 a r g i a n t u r, velen ontnemen aan de ecnen om ■ het aan de anderen te geven. Nemo h o m i n u m t a n-tus est, qui (ut is) n u 111 u s o p e i n d i g e a t, niemand der m en-se hen is zoo groot, dat hij niemands ludp behoeft.

*Een bijzondere opmerkzaamheid vordert het pronomen i s, dat meermalen een eigenschap aanduidt, die door liet relativum nader verklaard wordt. Is qui kan dan opgelost worden in talis ut met een pronomen. B.v Non is sum, qui (talis ut ego) mortis timöre ter-

-ocr page 282-

272 Modus in relatieve zinnen. % 375-

rear, ik hen de man niet om mij door vrees voor den dood te laten verschrikken. Non sumus ii, quibus (talcs, ut nobis) nihil ver urn v i d e a t u r.

nVanneer is qui niet opgelost kan worden 111 ta.lis ut met een pronomen, moet de indicativus volgen. B.v. Docïlis est is, qm attente vult audire. Tu es enim is, qui consilio me saepe ad-ju vist i. In deze zinnen wordt niet gewezen op een eigenschap, maar

op een feit. . xx 1

Aanmerking Evenals vóór ut consecutivum blijven ook vóói net

relativum, dat opgelost kan worden in ut consecutivum met een pronomen, de uitdrukkingen, die zoo beteekenen, meermalen weg. Rv. Nullus est dolor, quem longinquïtas temporis non mitiget. Nunc dicis aliquid, quod ad rem pertineat. Nonne satius est mutum esse, quam quod nemo intellëgat dicere?

3\',. na de adjectiva dignus, indignus, apt us en id o neus, waar wij dikwijls om te gebruiken met een pronomen demon-strativum, personale of possessivum. B.v. Quisquis turpibus voluptatibus inservit, indignus est qui homo nominetur, alwie zich overgeeft aan zijn onbetamelijke lusten, is onwaardig om menseh genoemd te worden. Indignus sum, cujus (ut meis) peccatis ignoscas, ik verdien met, dat gij mijn misslagen vergeeft. Dignus es, cujus (ut tuos) libros legam, gij verdient, dat ik uw boeken lees. Vol up tas non est d i g n a, ad quam (ut ad eam) sapiens respiciat Dig na est virtus, cui (ut ei) studeamus Dignus es, queni(ut te) omnes ament. Nulla mihi videbatur aptior persona, quae de sencctutc loqueretur, quam Catönis. Sola u mentem censebant idoneam, cui crcderetur.

Aanmerking. Na dignus en indignus mag men dan alleen ut in plaats van qui gebruiken, wanneer er onmiddellijk een ander qui voorafgaat. Zoo zegge men niet: mul tos homines vidi, qui, qui v i t u p e r a r e n t u r , d i g 11 i e r a n t, maar : qui ut vituperarentui.

Na apt us en idoneus kan ook ad met het gerundium volgen of de dativus van het gerundium.

Dichters en latere prozaschrijvers laten op deze adjectiva ook den 111-finitivus volgen.

4quot;. na algemeene uitdrukkingen, zooals: sunt, er zijn er, non desunt, het ontbreekt niet aan personen, inveniuntur, re peri u n t u r, men vindt er, nemo est, nullus est, cr is memand, nihil est, er is mets, non liabeo, ik heb niets, quis est, (— cr is niemand*), quotusquisque est (= cr is bijna memand). B.v. Sunt qui censeant una animum cum corpöre occidëre, cr zijn er die vicencn, dat de ziel cu het licliaam te gelijk vernietigd worden. Nihil est, quod tam misëros faciat

-ocr page 283-

Modus in relatieve zinnen.

§ 375

273

quam impiëtas ct scelus, er is niets dat zulke ongelukkigen maakt dan de gewetenloosheid en de misdaad. Quis est, cui cxploratum sit, se ad vespërum esse victurum, ivic is er die zeker weet, dat hij tot den avond zal leven ? Nihil h a b e-bam, quod scribërein, ik had niets te sehrijven.

Bij deze algemeene uitdrukkingen kan ook een onbepaald subject staan. B.v. In omnibus saccülis pauciores viri reperti sunt, qui suas cupiditates, quam qui hostium c o p i a s v i n c ë r e n t.

Aanmerking I. *De conjunctivas volgt ook op est quad, er is reden, dat of om te; non est quad, er is geen reden; nihil est q u o d, er is volstrekt geen reden ; quid est q u o d, welke reden is er. B.v. Quid est, quod fleas, welke reden is er dat gij weent of waarom weent gij ?

In plaats van quod, welk woord geen pronomen relativum, maar een conjunctio is, kan men ook zeggen quare, cur, quamobrem, soms ut. Bij quid en nihil kan men nog causae voegen. B.v. Quid er at causae, cur m e t u ë r e t, welke reden had hij om te vreesen 1 Nihil est causae, quod i i s i n v i d e a m u s, q u o s vulgus m a g n o\'S et felïces no min at, wij hebben volstrekt geen reden 07n hen te benijden, die het volk groot en gelukkig noemt.

Zoo ook na est ubi, est unde, est quatënus. B.v. Est ubi id v a 1 e a t, er zijn gevallen waarin dit geldt. Est unde jus civile d i-scatur, er zijn bronnen voor de studie van hei burgerlijk recht. Est qua ten us amicitiae dari venia possit, er zijn grenzen tot welke de vriendschap mag gaan.

Aanmerking II. Wanneer bij sunt een nomen van hoeveelheid als subject staat, volgt op qui gewoonlijk de indicativus. B.v. Duae sunt artes, quae possunt locare homines in amplissimo gradu dignitatis, una imperatoris, altera oratoris boni.

5quot;. wanneer zij een wezenlijk gedeelte uitmaken van een afhankelijke gedachte, die in den infinitivus, accusativus cum infinitivo of conjunctivas staat. B.v. Facile est continëre eos, quibus praesis, si te ipse con tineas, het is gemakkelijk diegenen te bedzoingen, over wie men gesteld is , zoo men zich zeiven bedwingt. Mos est A t h c n i s q u o t a n-n i s 1 a u d a r i in c o n t i o n e eos, qui sint in p r o e 1 i o inter-fecti. Sunt, qui quid vis perpet iantur, dum, quod vel int, consequantur.

Aanmerking. Men gebruikt echter den indicativus:

d) wanneer de relatieve zin een aanmerking bevat van den schrijver. B.v. Classem Athenienses Miltiadi dederunt, ut insü-las, quae barb^ros adjuverant, bello persequeretur.

/;) wanneer de relatieve zin dient ter omschrijving van een begrip, waarvoor in het Latijn volstrekt geen of ten minste geen geschikt sub-

4de druk 18

-ocr page 284-

Impcrativus.

% 376—377-

274

stantivum bestaat. B.v. Asia tam opima et fcrtilis est, ut multi-tiulinc earuni rerum, quae exportantur, facile omnibus t err is an te cell at. Res, quae exportnntur is een noodzakelijke omschrijving van het begri]) mirocr, waarvoor in het Latijn geen substan-tivum bestaat. Eloquendi vis efficit, ut ea, quae ignoramus (beter dan ignorata) disc ere et ea, quae scimus (beter dan scita) alios d o c ë r e p o s s ï m u s.

6n. wanneer zij iets mededeelen als de gedachte of meening van een ander. B.v. Zeno appellat beatam vitam eam solam, quae cum virtute degatur. Lysander eos, quiAtheniensium rebus studuissent, ex urbe ejëcit. Paetus omnes libros, quos frater suus reliquisset (volgens de meening van Paetus), mi hi donavit.

70 wanneer zij een woord of een zin beperken. B.v. Non edepol ego te, q u 0 d s c i a ra (fwr zoover ik weef) u n q u a m ante h u n c diem vidi. Gewoonlijk plaatst men bij het relativum in deze beteekenis quidem. B.v. Ciceronis orationes, quas quidem legerim, et verbis et rebus illustres sunt, dc redevoeringen van Cicero zijn, voor zoover ih ze gelezen /iel\', naar vorm en inhoud voortreffelijk.

Aanmerking. Voor zoover kan men ook vertalen door quatënus, quoad of quantum met den indicativus. B.v. Quatënus negle-gentia tabellariorum fieri dicis; quoad fieri potest; quantum ego scio.

§ 376. Alle door verdubbeling of door samenstelling met cunque gevormde relativa, pronomina zoowel als adverbia, hebben den indicativus bij zich. Het werkwoord mogen blijft bij deze woorden onvertaald. B.v. Quidquid a duce jussum erit, militibus faciendum est, wat door den veldheer ook bevolen mag zijn, het moet door dc soldaten gedaan worden. Ut-cunque sese res habet, tua est culpa, hoe het ook zijn moge, het is uwe schuld.

Men gebruikt echter den conjunctivus, zoo het verbum in den tweeden persoon enkelvoud staat ter aanduiding van het Neder-landsche men. B.v. Quotquot enumëres or a tor es, hoeveel redenaars men ook moge optellen.

Livius en latere schrijvers gebruiken bij het beschrijven van herhaalde handelingen hier gaarne den conjunctivus. B.v. Quocunque se intulisset, victoriam secum trahebat.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

OVEE DE BETEEKENIS EN HET GEBRUIK VAN BEN IMPEEATIVUS.

§ 377. De impcrativus dient in het algemeen om een bevel, wensch, verzoek of vermaning uit te drukken.

-ocr page 285-

Imperativus.

§ 378 -380.

275

§ 378. Men gebruikt het praesens van den imperativus, wanneer men aan een bepaalden persoon iets beveelt, dat öf aanstonds moet geschieden, bf zoo het reeds bestaat moet voortduren. B.v. Janua patet, proficiscëre, dc deur staat open, vertrek. Vive felix, leef gelukkig. Si quid in te peccavi, i g n o s c e, zoo ik 11 iets misdaan heb, vergeef het mij.

*A an merking I. Ter verzachting van een gebod gebruikt men velim met den conjunctivus (Vgl. § 324. i0.) of men voegt quaeso, or o, sis, so des, dum bij den imperativus. B.v. Dicas velim. Tu quaeso crebro ad me scribe. Refer animum tuum, sis, ad veritatem, bezin v toch. Jube, sodes, eet. Die dum, eet. Ons maar bij een imperativus wordt vertaald door modo. B.v. Die modo, zeg het maar.

^Aanmerking II. Ter versterking van een gebod gebruikt men fac (gewoonlijk zonder ut) of cura 111 met den conjunctivus.B.v. Fac venias. Cura ut va 1 eas

Aanmerking III. Een gebod in den derden persoon wordt uitgedrukt door het praesens conjunctivi. B.v. Qui adipisci veram gloriam volet, justitiae fungatur officiis.

Aanmerking IV. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men den tweeden persoon enkelvoud van het praesens conjunctivi. B.v. Injurias fortunae, quas ferre nequeas, de-f u g i e n d o r e 1 i n q u a s

§ 379. Men gebruikt het futurum van den imperativus, wanneer iets in de toekomst, na verloop van zekere handeling, of bij later voorkomende gelegenheden moet geschieden. Het komt vooral voor in wetten, verdragen, testamenten, algemeene regels en wanneer de vervulling van het gebod afhangt van de vervulling eener voorwaarde. B.v. Cras petïto, dabitur; nunc abi, vraag het morgen, dan zal het 11 gegeven worden, maar ga nn weg. Regio imperio duo sun to iique consules ap-pellantor; illis salus publica suprema lex esto. Ser-vus meus Stichus liber esto. Ignoscïto saepe altëri, nunquam tibi. Cum valetudïni tuae eonsulueris, tum consulïto navigationi.

§ 380. Een verbod wordt door goede prozaschrijvers uitgedrukt;

1°. door ne met het perfectum conjunctivi, zoo het een verbod in den tweeden persoon is, en met het praesens conjunctivi , zoo het een verbod in den derden persoon is. B.v. N e dubitaveris, twijfel er niet aan. Ne quis fastidiat gram-matïees elementa, niemand hebbe een afkeer van dc grondbeginselen der spraakkunst.

-ocr page 286-

% 381—382.

Infijiitivus.

2/6

2°. verzachtend door omschrijving met noli, nolïte B.v. No-li te mentiri, gij moet niet liegen

3°. versterkend door omschrijving met cave (dikwijls zonder n e) of fac ne en den conjunctivas van het praesens of perfectum. B.v. Cave credas of credideris, geloof het toch niet Facne quid omittas, sla toch mets over.

Aanmerking I. Zoo men niet tot een bepaalden persoon spreekt, gebruikt men ne met den tweeden persoon enkelvoud van het praesens conjunctivi. B.v. Isto bono utare, dum adsit; cum absit, n e requiras.

Aanmerking II. In wetten en algemeene regels wordt een verbod uitgedrukt door ne met het futurum van den imperativus. B.v, Nocturna sacrificia 11e sunto Borea flante ne arato, semen nejacïto

Aanmerking III. Een dubbel verbod wordt niet verbonden door neque maar door neve. B.v. Hominem mortuum in urbe ne s e p e 1 i t o neve urït o.

§ 381. Wanneer men zeker is, dat iemand aan een gebod of verbod gehoor zal geven, kan men in plaats van den imperativus ook den tweeden persoon van het futurum indicativi gebruiken. B.v. Tu non cessabis et ea, quae habes institflta, perficies. Men gebruikt dezen vorm van uitdrukking vooral aan het einde van een brief. B.v. Valebis igitur et amicis salutem dices.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DEN INPINITIVUS.

§ 382. De infinitivus, die het begrip van het werkwoord geheel onbepaald voorstelt, kan beschouwd worden als een substanti-vum verbale neutrïus generis met twee naamvallen, den nominativus en den accusativus. De infinitivus regeert den casus van het verbum en wordt door adverbia, niet door ad-jectiva bepaald. B.v. Het lezen van een bock, li brum legere; het oplettend lezen van een hoek, li brum attente legere.

De leerling lette wel op, dat het Latijn niet toelaat om, zooals in onze taal, een genetivus van een als substantivum gebruikten infinitivus te laten afhangen. De infinitivus regeert altijd den casus van het verbum. B.v. het bebouwen van het land, colëre a g r u m ; het begunstigen zijner vrienden, fa v ë r e amicis; het gebruiken van list, uti fraude.

Aanmerking I. In den accusativus mag de infinitivus enkel als object beschouwd worden Slechts bij interest inter kan men in

-ocr page 287-

Infinitivus.

§ 383-

277

proza den infinitivus van een praepositie laten afhangen. B.v. Aristo et Pyrrho inter optime valere et gravissime aegrotare nihil prorsus dicebam: interesse. Men lette hierop wel, wanneer in het Nederlandsch na met den infinitivus gebruikt is. B.v. Na dit gehoord te hebben zond hij een bode tot den koning. In het Latijn zegge men: ubi illud audivit, nuntium ad regem misit.

Aanmerking II. Slechts enkele pronomina demonstrativa, namelijk: hoe, illud, ipsum, totum hoe worden als adjectiva met den infinitivus verbonden. B.v. Me hoe ipsum nihil agere delect at.

Hoogst zelden wordt een possessivum met den infinitivus verbonden. B.v. Meum intellegëre nulla pecunia vendo.

§ 383. De infinitivus staat als subject:

1°. bij est (erat, fuit, eet.) met een praedicaatsnomen. B.v. Dulcc et decorum est pro patria mori, het is aangenaam cn eervol voor het vaderland te sterven. Apud Per sas summa laus erat fortïter venari, luxuriose vivcre, dapper jagen en ivcelderig leven gold bij de Perzen voor den hoogsten roem. Pingére artifïci jucundius est quam pinxisse.

Aanmerking I. In het Nederlandsch gebruiken wij niet zelden een voor waar de lij ken zin in plaats van een infinitivus. B.v. Het is aangenaam en eervol, zoo men voor het vaderland sterft.

Aanmerking II Zoo bij est een infinitivus subject! staat, kan men in plaats van een praedicaatsnomen ook een infinitivus zetten. B.v. Docto homini vivere est cogitare.

2quot;. bij verba impersonalia, zooals: pudet, piget, pae-nïtet, taedet, misëret (§ 256), interest, refert (§257.2quot;.) opus est (§ 272. A. II.), dec et, het betaamt, het past, het staat zvel, d ede eet, het betaamt niet, juvat, delectat, het vermaakt, het verheugt, fugit, het ontsnapt, necesse est, het is noodzakelijk, oportet, het moet, het behoort, licet, het is geoorloofd. lib et, het lust, nihil attïnet, het komt er niet op aan. B.v. Ex malis eligére minima oportet, van twee kivaden moei men het minste kiezen. Quid attïnet cum i i s, q u i b u s c u m re convenias, verbis disceptare, ivat komt het er op aan over de ivoorden te tivisten, zoo men het in de zaak eens is.

Aanmerking I. Wanneer de infinitivus subjecti een accusativus objecti bij zich heeft, verandert men gewoonlijk den infinitivus activi in den infinitivus passivi; hierdoor ontstaat dan een accusativus cum infinitivo. B.v. Hunc 1 ibrum om 11 i-bus co m men dar i de eet, men moet dit boek aan allen aanbevelen. Ejusmödi exempla sexcenta licet proferri, men kan honderd dergelijke voorbeelden aanhalen.

-ocr page 288-

% 384—38S-

Infinitiviis.

278

Aanmerking II. Wanneer de infinitivus subjecti een prae-d i c a a t s n o m e n bij zich heeft, of bestaat uit een participium met esse, staat dit praedicaatsnomen of participium in den accusativus. B.v. Bonum esse praestat quam bonum vidëri,

het is heter goed te zijn dan goed te se/tijnen. Senem ante tem-p u s f i ë r i m i s ë r u m est, oud te worden vóór zijn tijd is ellendig. Praestat honcste vivëre, quam hones te natum esse, het is beter zich goed te gedragen dan van goeden huize te zijn.

Aanmerking III. Na verschillende onpersoonlijke uitdrukkingen, zooals: satis mihi est, melius erit, paenitebit, pudebit, alsmede na satis habeo en content us sum laten de schrijvers der zilveren eeuw gaarne een infinitivus perfecti in plaats van een infinitivus praesens volgen. B.v. Con ten ti sum us id unum dixisse, wij zijn tevreden dit alleen te zeggen. Melius erit vocem non m i s i s s e, het zal heter zijn geen geluid te geven.

§ 384. Decet, dedëcet, juvat, delectat, fallit, fugit en p r a e t e r i t hebben den persoon, wicn iets betaamt, niet betaamt, vermaakt, ontsnapt, in den accusativus. B.v. Decet verc-cundum esse ad ol e s c e n t e m , het het aam t een jongeling bescheiden te zijn. Orator em i r a s c i m i n ï m e decet, s i m u 1 a r c non dedëcet, voor een redenaar is het volstrekt niet betamelijk toornig te worden, het te veinzen is niet onbetamelijk. Fugit me illud ad te an tea scribëre, het is mij ontgaan dit eerder aan u te schrijven.

Deze verba kunnen ook als personalia gebruikt worden, doch van decet en dedëcet mag in zu:ver proza gewoonlijk slechts het neutrum van een pronomen of adjectivum subject wezen. B.v. Lu dus cos delectat. Aliëna nos non decent. Id quemque decet. Wanneer fallo persoonlijk gebruikt wordt, is de zaak steeds subject. B.v. Ik heb mij in mijn meening bedrogen, opinio me fefellit.

Behalve bij decet en dedecet kan bij deze verba ook een accusativus cum infinitivo als subject staan. B.v. Me valde juvat te hi 1 ari esse animo, het verheugt mij zeer, dat gij opgeruimd zijt. Me fallit fratrem tuum ven is se, het is mij onbekend, dat tno broeder gekomen is.

§ 385. Wanneer bij nee es se est en oportet de persoon of zaak is uitgedrukt, die iets moet doen of zijn, gebruikt men den accusativus cum infinitivo. B.v. Necesse est nos obe-dire parentibus, ivij moeten onze ouders gehoorzamen Legem brevem esse oportet, een wet moet kort zijn

-ocr page 289-

§ 386—387- Infinitivus. 279

Wanneer nccessc est en oportet zeiven in den infinitivus staan, hebben zij regelmatig den infinitivus of den accusativus cum infinitivo bij zich. B.v. Dico necesse esse liane legem valere, ik zeg dat het noodzakelijk is, dat deze wet van kracht is. Zoo dit het geval niet is, mogen zij ook den conjunctivas zonder ut bij zich hebben, doch staan dan altijd daarachter. B.v. Qui bene imperat, bene pa ru er it ali-quando necesse est, een goed bevelhebber moet eens ecu goed onderdaan geweest zijn. Me ipsum ames oportet, non mea, gij moet mijn persoon beminnen en niet mijne goederen.

Aanmerking. Zoo bij necesse est de persoon, voor wien iets noodzakelijk is, sterk moei uitkomen, gebruikt men niet den accusativus cum infinitivo,\'maar den infinitivus met den dativus. B.v. Non quidquid tibi audire utile est, id mihi dieëre necesse est, niet alles, wat voor u nuttig is om te hoeren, hen ik verplicht te zeggen.

§ 386. Bij licet staat de persoon, aan wien iets geoorloofd is, gewoonlijk in den dativus, en wanneer de infinitivus subjectieen pracdicaatsnomen bij zich heeft, komt dit gewoonlijk ook in den dativus, soms in den accusativus. B.v. Mihi neg lege nti esse non licet, ik mag niet nalatig zijn. Is er at annus, quo per leges ei cons ü 1 em fieri 1 i cêre t.

Zoo bij licet geen dativus van den persoon staat, moet het praedicaatsnpmcn bij den infinitivus in den accusativus staan. B.v. Medios esse jam non licebit, men zal niet meer onzijdig mogen blijven.

*Aanmerking I. Somtijds staat bij licet in plaats van den dativus cum infinitivo de accusativus cum infinitivo. B.v. Non Heet me isto tan to bono uti.

Licet staat ook meermalen met den conjunctivus zonder ut. B.v. Per me licet stertas, voor mijn part moogt gij snorken.

Aanmerking II. Wanneer bij licet met den dativus ook necesse est met den dativus staat, mag dit laatste verbum ook een praedicaatsnomen in den dativus hebben. B.v. Illis timidis et ignavis licet esse, vobis necesse est fortibus viris esse.

Dichters en latere prozaschrijvers zetten ook bij mihi datur, prod-est, satius est, con tin git esse het praedicaatsnomen in den dativus. B.v. Jovis esse nepöti contigit haud uni. Non profuit equis volocibus esse.

§ 387. De infinitivus staat als object bij de verba, die zeiven geen volkomen begrip uitdrukken, zooals die van kunnen, moeten, mogen, beginnen, gewoon z ij n. B.v. G a 11 ï n a s

saginare Dc 1 iaci coeperunt, de Deliers begonnen de hippen te mesten.

-ocr page 290-

hifiiiitivus.

2 8o

% 388.

Tot deze verba behooren: assuescëre \\

gewennen.

consuescere ^

audëre, durven. cunctari, talmen. concupiscëre, be geer en. cessare \\

gedenken.

verzunnen.

beginnen.

denken, traehten.

desinëre desistërc coepisse incipëre instituëre cogitare, conari \\ niti ^

ophouden.

met weten.

dcbëre, moeten.

diseëre, leer en.

Vgl. over desinere en coepisse § 130. A.

Aanmerking I. Wanneer de infinitivus objecti een praedi-caatsnomen bij zich heeft, staat dit altijd in den 11 ominativus. B.v. Beatus esse sine virtüte nemo potest, niemand kan zonder deugd gelukkig zijn. Non o mn es didicerunt 1 ibëri esse, niet allen hebben geleerd zelfstandig te zijn.

Aanmerking 11. Na cogitare, diseëre, ignorare, meminisse, recordari, scire, nescire, oblivisci volgt ook een accusativus cum infinitivo.

Aanmerking III. Het adjectivum paratas, bereid, wordt door de beste prozaschrijvers behalve met ad en het gerundium ook met den infinitivus geconstrueerd. B.v. Gives R o m a n i o m n i a p e r p ë t i parati erant. De dichters voegen den infinitivus ook bij andere adjectiva.

§ 3S3. Bij de verba:

statuëre \\ in animo habere, voornemens zijn.

constituëre 1 animum indueëre) ■ , . , ,,

f , , . . Un den zm hebben.

deccrnere S besluiten. meditan )

consilium capërc 1 tentare, beproeven.

consilium inire / parare, gereed maken.

staat gewoonlijk de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als deze verba. Men kan echter ook ut laten volgen. B.v. Constitui do mi maner e of ut domi manërem, ik

maturare

festinare

properare

meminisse

recordari

neglegëre,

posse \\ .

( tcunnen.

quire i

nequire, niet kunnen.

scire, weten, kunnen.

nescire, niet weten, niet kunnen. oblivisci, vergeten.

omittëre, nalaten.

pergëre, voortgaan.

perseverare, volharden.

solêre, gewoon zijn.

ïich

ziek haasten.

-ocr page 291-

§ 389—390- Infinitives. 281

heb besloten te huis te blijven. Zoo de bijzin een ander subject heeft, moet ut volgen. B.v. Constitui, ut tu do mi maneres, ik heb besloten, dat gij te huis zult blijven.

Aanmerking I. Bij stat 110, ik ben van meening, en de-cerno, ik oordeel, staat de accusativus cum infinitivo. B.v. Senatus decrëvit, Ciceronis opera conj urationem esse patefactam.

Aanmerking II. Bij statue, constituo en decerno kan in de beteekenis van besluiten ook een accusativus cum infinitivo van het gerundivum staan, waarbij esse zeer dikwijls weggelaten wordt. B.v. Inimici Alcibiadis quiescendum in praesenti decreve-runt. Caesar non exspectandum sibi statuit.

§ 389. Bij volo, nolo, malo, cupio, ik wensch, en studco, ik tracht, staat de infinitivus, wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin, en de accusativus cum infinitivo, wanneer de bijzin een ander subject heeft dan de hoofdzin. B.v. Hoc face re volo, ik wil dit doen. Om nes homines student beati fieri, alle viensehen trachten gelukkig te worden. Volo is esse, q uem t u me esse v o 1 u i st i, ik wil zoodanig zijn, als gij gewild hebt dat ik ben.

Aanmerking I. Wanneer de bijzin hetzelfde subject heeft als de hoofdzin en tot praedicaat esse of videri met een praedicaatsno-men of een infinitivus passivi, mag men in plaats van een infinitivus ook een accusativus cum infinitivo gebruiken. B.v. Sapientem civem me esse et numerari volo, ik wensch een wijs burger ie zijn en cr voor gehouden te worden. Gratum me videri studeo o m n i b u s.

Zoo men wil uitdrukken, dat iemands wil of wensch niet vervuld kan worden, moet men een accusativus cum infinitivo gebruiken. B.v. Quam cupio, me falsum esse va tem, hoe gaarne wensch te ik een valsche profeet te zijn.

Aanmerking II. Wanneer op volo, nolo, cupio een accusativus cum infinitivo passivi volgt, kan men in plaats van den infinitivus praesens den infinitivus perfecti zetten, meestal met weglating van esse. B.v. Volo hoc fieri of hoc factum volo Patriam ex-stinctam cupit Hanc laudem aliis praereptam nolo.

Bij volo, malo, studeo staat wel eens ut. B.v. Volo ut mihi respondeas.

Bij volo, nolo, malo staat meermalen in korte zinnen in plaats van den accusativus cum infinitivo de conjunctivus zonder ut. B.v. Nolo mihi irascaris. Malo te sapiens hostis metuat, quam stulti cives laud ent Vgl. § 324 1quot;.

§ 390. Bij de verba:

doeëre, leer en. (Vgl. § 223.) cogëre, dwingen. (Vgl § 225.)

-ocr page 292-

Infuiitivus.

282

% 390-

jubere, bevelen. arguere \\

,. , ... ( beschuidige

vctare, verbieden. msimulare ^

sinére, toelaten. impedire ) / 7 ,, , . ,

. , - 1 beletten, verhinderen.

assuciacere, gewoon maken. prohiberc )

staat naast den accusativus van den persoon de infinitivus der zaak. B.v. Doceo te Latine loqui, ik leer n Latijn spreken. Lex peregrin um vetat in murum ads eendere, de wet verbiedt den vreemdeling op den muur te klimmen. Lycurgus v i r g ï n e s sine dote n u b ë r e j u s s i t, Lycurgus beval dat de meisjes zonder huwelijksgift zouden trouwen. Impiëtas cujus in animo versatur, nunquam sinit eum respirare, nun-quam acquiesce re. Insimülant hominem fraudandi causa discessisse. Caesar e a s n a t i o n e s i m p e r i o p o p u 1 i Roman i parë re assucfêcit.

Wij gebruiken hier dikwijls een bijzin met dat en het hulpwerkwoord zouden. Men wachte zich wel achter deze verba een infinitivus fu t u r i te plaatsen.

Aanmerking I. Bij jubeo en veto wordt de accusativus van den persoon meermalen weggelaten, wanneer het duidelijk is, tot welke klas van lieden het bevel of verbod gericht wordt. B.v. Dux receptui can ere jussit (sc. tubicines), de veldheer beval den aftocht te blazen. Dcsperatis Hippocrates vetat adhibëre mediclnam (sc. medicum), Hippocrates verbiedt geneesmiddelen toe te dienen aan hopeloozen.

Zoo bij deze verba de accusativus van den persoon is weggelaten , het bevel of verbod niet tot een bepaalde klas van lieden gericht is cn de infinitivus een accusativus objeeti bij zich heeft, verandert men den zin gewoonlijk in een accusativus cum infinitivo. Bv Virgin ius arrïpi ju bet hominem et in vincüla duci, Virginius beveelt den man te grijpen en in de gevangenis te werpen. J u b e t portas c 1 a u d i, hij beveelt de poorten te sluiten. Vetuit quemquam ad eum admi11i, hij verbood iemand bij hem toe laten.

Bij het geven van volksbesluiten heeft jubeo den conjuncti-vus met ut of 11 e, doch in dit geval moet de accusativus van den persoon worden weggelaten. B.v. Populus Roman us jusserat, ut Sullae voluntas populo Romano esset pro lege. Quod ne fieret consules jusserunt.

Aanmerking II Bij impedire en prohiberc kan men in plaats van den accusativus des persoons en den infinitivus der zaak een bijzin met ne of quo mi 11 us zetten. Men zegge dus bf nihil

Zen.

-ocr page 293-

§ 391—392-

Injinitivns.

283

me imp edit fugitïvum hunc servum cruci affigere of nihil i m p ë d i t, q u o 111 i 11 u s (n e) f 11 g1 i t i v u 111 h u n c s e r v u 111 cruci afflgam. Vgl. § 361. 1quot;.

Aanmerking III. Zoo bij si no geen accusativus van den persoon staat en de infinitivus een accusativus objecti bij zich heeft, moet men den accusativus cum in fin it ivo passivi gebruiken. Rv. Suëbi ad se vin um importari om-n ï n o non s i 11 u n t.

Na den imperativus van dit verbum volgt soms de conjuncti-vus zonder ut. B.v. Sine me expurgem.

§ 391. Wanneer bij de verba ju beo, veto, sino, assuefacio, c o g o, a r g u o, i n s i m ü 1 o, p r o h i b e o de persoon , die beveelt, verbiedt, enz. niet wordt uitgedrukt, worden zij in het passivum gezet en evenals videor met den nominativus cum infini-tivo geconstrueerd. Vgl. § 216. 3\'\'. B.v. Jugurtha r es pon der e jussus est, men beval Jugurtha tc antivoordcn. Jussus es re-nuntiari consul, men beval 21 als consul uit te roepen. Milite s P i n d a r i d o m u m 1 a e d ë r e v e t ï t i e r a n t, men had aan de soldaten verboden het huis van Pindarus te beschadigen. Pro-li i b e m u r hoc facëre, men verbiedt ons dit te doen. Non si-nor hoe facëre, men laat mij dit niet doen. Occidisse pa-trem Roscius arguïtur, Roscius loordt beschuldigd, dat hij zijn vader gedood heeft.

Aanmerking. Wanneer ju beo, veto en prohibeo in het passivum gezet worden, lette men wel op, of de afhankelijke infinitivus in het activum of passivum moet staan. Dit is vooral noodzakelijk, omdat wij in het Nederlandsch een actieven infinitivus plegen tc gebruiken. B v. Men beval hem te ant-■woorden, responds re jussus est Meji beval Decius Jlagius in de legerplaats tc brengen, Decius Ma\'gius in castra duci jussus est. Om zich voor het maken van fouten te wachten, zette men eerst den Nederlandschen infinitivus om in een zin met dat. B.v. Men beval, dat hij zou antwoorden. Men beval, dat Decius Magius in de legerplaats gebracht werd.

§ 392. Niet zelden vindt men bij habere den infinitivus van dieëre en dergelijken in plaats van een relatieven zin. B.v. Nihil habeo ad te dieëre, scribëre in plaats van nihil habeo, quod ad te dicam, scribam.

Ook zegt men biböre dare te drinken geven, bibëre ministrare, schenker zijn.

-ocr page 294-

Accusativus cum infinitivo.

% 393—394-

284

§ 393. Bij de werkwoorden van hoor en en zien staan in het Latijn drie constructies:

1°. een participium praesens overeenkomende met het object. B.v. Lusciniam can en tem audïvi, ik heb den nachtegaal hoor en zingen. Sorörem tuam ambulantem vidi, ik heb uiv zuster zien zvandelen.

2n. een accusativus cum infinitivo. B.v. Lusciniam canere audïvi. Sorörem tuam ambulare vidi.

3°. cum met den conj unctivus. B.v. Lusciniam audïvi, cum caneret. Sorörem tuam vidi, cum ambularet.

Hierbij valt op te merken, dat bij de eerste constructie de persoon, dien men iets hoort of ziet doen, hoofdbegrip is, en bij de tweede constructie de handeling, welke men iemand hoort of ziet doen. Bij de derde constructie wordt de waarneming als beperkt voorgesteld.

Zoo men iets niet zelf, maar van een ander hoort, moet men den accusativus cum infinitivo gebruiken

Aanmerking I. In plaats van audio dicentem aliquem, ik hour iemand zeggen, zegt men liever audio aliquem of ex aliquo c um die at. Audio aliquem dicentem is echter noodzakelijk in de beteekenis ik Iioor iemand ccn redevoering kouden.

Aanmerking II. Vide re ut beteekent zorgen, trachten, toezien dal, videre ne, toezien dat niet. B.v. Vivendum est ut ea liberali-t a t e u t a m u r, quae prosit a m i c i s, n o c e a t n e m i n i. V i d e a n t consules ne quid respublica detriment! capiat.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

OVER DEN ACCUSATIVUS CUM INFINITIVO.

§ 394. Dikwijls hangt in het Nederlandsch een zin van een anderen zin af door de conjunctie dat. B.v. Wij voelen, dat het vuur ivann is. Ik verheug mij, dat mijn vertrek ivordt goedgekeurd. In vele gevallen wordt zulk een zin op de volgende wijze in het Latijn vertaald: men laat dat onvertaald, zet het subject in den accusativus en het werkwoord in den infinitivus. B.v. Sentïmus, ignem calere. Gaudeo, profectiönem meam laudari.

Zoo de infinitivus een praedicaatsnomen bij zich heeft of bestaat uit esse met een participium, wordt het praedicaatsnomen of participium ook in den accusativus geplaatst. B.v. Ik weet dat ik sterfelijk ben, scio, me esse mor tale m. Hij zeide, dat de Grieken overwonnen waren, dixit, Graecos victos esse.

Deze constructie noemt men den accusativus cum infinitivo. De volgende zin kan dienen als voorbeeld van een accusativus cum infinitivo in onze taal, Elk meent zijn uil een valk te zijn.

-ocr page 295-

Accusativus cum infinitivo.

§ 395—396-

285

Aanmerking. Wanneer het verbum van den afhankelijken zin een impersonale is, ontbreekt de accusativus. B.v. Credo p 1 u ë r e, ik geloof dat het regent.

§ 395. Evenals de infinitivus bekleedt ook de accusativus cum infinitivo öf de plaats van subject öf de plaats van object In den zin: het is waarschijnlijk dat mijn vader zal terugkeeren, verisimile est, patrem meum reversurum esse, bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van subject, juist alsof men zeide: dc terugkeer van mijn vader is waarschijnlijk. Zegt men daarentegen : hij bericht, dat de veldheer overwonnen heeft, n u n-tiat, ducem vicisse, dan bekleedt de accusativus cum infinitivo de plaats van object, juist alsof men zeide: hij verhaalt dc overwinning van den veldheer.

Aanmerking. Schijnbaar onafhankelijk staat de accusativus cum infinitivo bij uitroepingen van verwondering en smart, en (met het vraagwoord ne) bij spijtige vragen. B.v. T e doc turn hominem esse, gij een geleerde zijn! Adeöne esse hominem infelïcem quemquam ut ego sum, is wel iemand zoo ongelukkig als ikl Men kan dezen accusativus cum infinitivo verklaren door een uitgelaten verbum sentiendi of declarandi.

§ 396 De accusativus cum infinitivo staat als subject:

1°. bij est (erat, fuit, enz.) met het neutrum van een adjec-tivum of met een substan tivum B.v. Victor em pare ere v i c t i s a e q u u m est, het is billijk, dat een overwinnaar dc overwonnenen spaart. F a c ï n u s est v i n c i r i c i v e m R o m a n u m, het is ecu euveldaad, dat een Romeinseh burger geboeid wordt.

Hiertoe behooren dc volgende uitdrukkingen :

aequum, par, justum est, het is billijk, rechtvaardig; apertum i manifestum, perspicuum est, het is blijkbaar, klaarblijkelijk, duidelijk; credibïle, verum, verisimïle, consentaneum est, het is geloofwaardig, waar, waarschijnlijk, natuurlijk; pulchrum, indignum, molestum est, het is schoon, onverdiend, lastig; facïnus, scelus est, het is een euveldaad, een misdaad.

2quot;. bij vele verba i m p e r s o n a 1 i a. B.v. O m n i b u s boni s e x p e d i t s a 1 v a m esse r c m p u b 1 ï c a m, voor alle weldenkcnden is het nuttig, dat de staat in welstand verkeert.

Tot deze verba behooren:

apparet, het blijkt. convënit, het behoort.

constat, het is bekend. placet, het behaagt.

conducit ) , . . , displïcet, het behaagt niet.

v.. } het js voordcchg. 1

expedit )

-ocr page 296-

Ac:itsativus cum infuntivo.

286

% 397-

3°. bij dc passiva der verba sentiendi et dcclarandi (Vgl. § 397- iquot;-) behalve bij die, welke een nominativus cum infinitive regeeren. Vgl. § 216, B.v.Ex multis rebus intel-1 ëgi potest, mu 11 dum divïna providentia administrari,

uit vele zaken kan men opmaken, dat de wereld door de goddelijke voorzienigheid bestuurd wordt.

Aanmerking. Na verschillende onpersoonlijke uitdrukkingen met est en een adjectivum of substantivum, zooals: verum, veris imïle, rarum est, cultus, res, vitium est, volgt somtijds ut, meermalen ook na expëdit, convënit, placet, displïcet. B.v. Verum est, ut po-pulus Romanus omnes gentes virtute s\\\\\\)e.\\-a.y er\\t. het is waar, dat het Romelnsche volk alle volken in dapperheid overtroffen heeft. Cultus deorum est optimus ut eos semper pura, intëgra, incorrupt a men te veneremur, de beste godsdienst is deze, dat wijde goden altijd mei een zuiver, ongeschonden en vlekkeloos gemoed verecrcn. Men verklaart hier ut door onder de/e uitdrukkingen een verbum van geschieden te verstaan.

Ook volgt na deze uitdrukkingen quod. Vgl § 345. 2°.

§ 397. De accusativus cum infinitivo staat ais object:

iquot;. bij de verba, die een gewaarwording, gedachte of verklaring te kennen geven, om aan te duiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt (verba sentiendi et dec 1 ara 11 di). B.v Aristotëles docet, Orpheum poe tam nunquam fuisse, Aristotëles leert, dat de dichter Orpheus nooit bestaan heeft. Ostendit, se cum rege collöqui veile, hij gaj te kennen, dat hij met den koning een mondgesprek wilde hebben.

Tot deze verba behooren:

accipëre, vernemen. credere, geloovcn. § 221. A. II.

affirmare, bevestigen. declarare, verklaren.

animadvertere, bemerken. defendëre, verdedigen.

arbitrari, mecnen. demonstrare, aantooncn.

certiorem facëre, kennis geven. desperare, wanhopen.

clamare, roepen. dieëre, zeggen. § 216. i0. A.

cognoscëre, vernemen. disserëre, beweren.

colligëre, opmaken. dissimulare, ontveinzen.

commemorare, vermelden. divinare, voorspellen.

comperire, bevinden. dueëre, me enen. § 221. A. II.

concludëre, besluiten. existimare, meenen. § 216. in. A.221.

confidëre, vertrouwen. exspectare, verwachten. (A II.

confirmare, verzekeren. fateri, bekennen.

confitëri, bekennen. ferre, verhalen. § 216. in. A.

conjicëre, gissen. fidëre, vertrouwen.

-ocr page 297-

Accusativus cum tnfinitivo.

§ 397-

2S7

portendere, voorspellen. praedicare, verkondigen. indicarc, aankondigen. ^2.16. iquot; A pracdicëre, voorzeggen.

fingëre, zich voorstellen. improbarc, afkeuren.

probare, goedkeuren.

prodëre, verhalen.

profitëri, bekennen.

§ 221. A. II. promittëre, beloven.

putare, me enen. § 216. 1quot;. A. 221. referre, vernielden. (A. II.

renuntiare, boodschappen reperire, bevinden.

reri, me enen.

respondere, antwoorden.

scribere, schrijven.

1°. A. sen tire, gevoelen.

1°. A. sicrnificare. te kennen reven.

infitiari, loochenen. intcllcgërc, hegrijpen. invenire, vinden.

judicare, oordeelen.

jurare, zweren.

laudare, prijzen.

legere, lezen.

memorare, vernielden. mentiri, liegen.

minari, dreigen. monstrare, aantoon en. narrare, verhalen. § 216. negare, ontkennen. § 216.

nuntiare, boodschappen. §216. in. A simulare, veim

sperare, hopen.

spondëre, beloven.

suspicari, vermoeden sustincre, uithouden.

testari, getuigen.

tradëre, verhalen. § 216. perhibëre, beweren. §216. 1quot;. A. vovöre, een gelofte doen.

pollicëri, beloven.

Evenals bij de verba sentiendi et declarandi staat ook de accusativus cum infinitivo bij de substantiva fa ma, opinio, spes, nuntius en anderen, waarin de beteekenis van een verbum sentiendi of declarandi gelegen is. Zoo ook bij sommige adjectiva van diezelfde beteekenis, zooals, certus, ignarus, perïtus, enz. B.v. P1 u r i m o r u m p h i 1 o s o p h o r u m s e n t e n t i a e s p e m affërunt, posse animos, cum e corporibus excesseri 111, in caelum quasi in domicilium s u u m p e r v e 11 i r e. Perïtus fortius adversusRomanos aurum esse quam ferrum.

*Aanmerking I. Wanneer de verba sentiendi et declarandi niet aanduiden, dat iemand iets doet of dat iets geschiedt, maar een bevel, raad of wensch te kennen geven, moet men ut of ne laten volgen. De verba sentiendi et declarandi komen dan krachtens hunne beteekenis overeen met de verba, waarover in § 351. 20. gesproken is. B.v. Pythia respondit, ut moenibus ligneis se munirent, dc Pythia antwoordde, dat zij zich achter houten vmren moesten verschansen. Men zegt:

■en.

objieëre, verwijten.

obtestari, plechtig verzekeren. ominari, voorspellen.

opinari, meen en.

ostendëre, aantooncn. percipöre, bemerken.

A.

-ocr page 298-

Accusativus cum inHnitivo.

288

% 397-

pater scripsit mihi, filio proficisci licêre, wanneer de vader door zijn schrijven verklaart, dat zijn zoon mag vertrekken, doch: pater scripsit mihi,ut filio proficisci 1 i c ë r e t, wanneer de vader door zijn schrijven verzoekt, dat zijn zoon mag vertrekken.

*A an merking II. Bij de verba van hopen, beloven, ge lo oven, zweren, dreigen (sperare, jurare, polliceri, promittëre, spondëre, voverc, minari, enz.) staat in het Nederlandsch dikwijls een infinitivus. B.v. Caesar dreigde de stad tot den grond toe te zullen verwoesten. In het Latijn moet op deze verba altijd een accusativus cum infinitivo volgen en wel in hot futurum, zoo de handelingnog toekomstig is. B.v. Caesar urbem fundïtus deleturum se esse minatus est. Milites se potius morituros juraverunt quam arma tradituros. Spero rem conventuram esse. Pro-mi tto tibi rem prospëre cessuram

Aanmerking III. In het Nederlandsch worden de verba sentiendi et declarandi, alsmede de onpersoonlijke uitdrukkingen en verba, die den accusativus cum infinitivo regeeren (Vgl. § 396. i0. en 20.) en de betee-kenis hebben van verba sentiendi et declarandi, dikwijls als tusschen-zinnen gezet of door adverbiale uitdrukkingen vervangen B.v. Mijn vader zal, vaar men zegt, (zooals ik hoop, vermoedelijk) spoedig terngkeeren. In het Latijn mag men nu eveneens zeggen: pater, ut ajunt, (spero, oplnor, maar deze woorden liefst zonder ut) mox red-ïbit Gewoonlijk echter maakt men zulk een tusschenzin tot hoofdzin en laat er dan een accusativus cum infinitivo op volgen. B.v. Patrem ajunt (spero, opïnor) mox rediturum esse. Pericles was., zooals bekend is, de zoon van voorname ouders, Perïclem filium fuisse constat nobilissim orum parentum. Facile adducïmur ut assentiamur iis, quos bonis moribus praedïtos esse opina-m u r, wij worden er gemakkelijk toe gebracht om met hen in te stemmen, die naar onze meening een goed karakter hebben. Evenzoo vertaalt men waarschijnlijk door verisimïle est (of videor met den nominativus cum infinitivo), blijkbaar door apertum est, enz.

Aanmerking IV. In navolging van de Grieken zetten de dichters somtijds achter de verba sentiendi et declarandi een nominativus cum infinitivo, wanneer het subject van het regeerende verbum en van den infinitivus hetzelfde is. B.v. Vir bonus ait esse paratus. Rettulit Ajax esse Jovis pronëpos.

2°. bij de verba, die willen, toelaten en het tegendeel be-teekenen (verba voluntatis) B.v. Alcibiadcs Athenas Lacedacmoniis servire non poterat pati, Alcibiadcs kon niet dulden, dat Athene aan de Laccdcinoniers onderworpen was

Tot deze verba behooren volo, nolo, malo, cupio, studeo (§ 389). jubeo, veto (§ 390. A. I), sino (§ 390. A. Ill), pati or, ik duld, impëro, ik beveel.

Bij impëro mag slechts dan een accusativus cum infinitivo staan, wanneer het verbum een passivum of deponens is. B.v. Imperavit serpentes in vasa fictilia conjïci, hij be-

-ocr page 299-

Accusativus cum infinitivo.

val, dat men de slangen in aarden kruiken zo?i werpen. Caesar quinque cohortes de media nocte proficisci impcrat. Zoo op impero een actieve zin volgt, zegt men a lie ui ut met den eonjunctivus, B.v. D u x m i 1 it ib us i mpera vit, ut po n tem f a c e r e n t, de veldheer beval de soldaten een brug te maken.

Bij de overige verba, die volgens hunne beteekenis tot de verba voluntatis behooren, zooals: opto, p o s t ü I o, m a n d o, o r o, praecipio, zet men altijd of gewoonlijk ut. Vgl. § 351. 2°.

3quot;. Bij de verba, die blijdschap, droefheid, verwondering te kennen geven (verba affectuum). B.v. Gaudeo te m i h i f a v ë r e, ik ben blijde, dat gij mij begnnstigt.

Tot deze verba behooren;

admirari, zich ver-wonderen. indignari, zich verontwaardigen. delectari, zich verheugen, irasci, zich vertoornen.

dolëre, bedroefd zijn. laetari, zich verheugen.

aegrc ferre, misnoegd zijn. mirari, zich verwonderen.

gaudëre, zich verheugen. queri, zich beklagen.

gloriari, zich beroemen. sollicitari, bekommerd zijn.

Op deze verba volgt ook quod. Vgl. § 345. i0.

De verba affectuum gratulari, gehikiuenschen, en gratias agëre, bedanken, hebben\'gewoonlijk quod. Vgl. § 346.

Op mirari en admirari volgt ook si. B.v. Miror si amicum h a b e r e potui t.

*§ 398. Het subject van den accusativus cum infinitivo wordt slechts zelden uitgelaten. Nu en dan geschiedt dit echter met de pronomina personalia en wel:

i0. in korte zinnen. B v. Id (se) nescire dixit, hij zeidc, dat hij dit niet wist.

2U. wanneer hetzelfde pronomen met een infinitivus onmiddellijk voorafgaat. B.v. Pudëret me dicëre(me) non intellexisse, ik zou mij schamen te zeggen, dat ik het niet begrepen had.

3U. meermalen in een oratio obliqua, waarin verscheidene accusa-tivi cum infinitivo met het subject se op elkander volgen.

*\'§ 399. In het Nederlandsch wordt meermalen het subject van een bijzin met dat in den hoofdzin reeds aangeduid met van of over. B.v. Men verhaalt van Pythagoras, dat hij eens te Phlitis kwam. In het Latijn nu mag men niet zeggen: de PythagÖra narrant, eum olim Phliuntem venisse, maar men moet het woord dat met van of over in den hoofdzin staat, tot subject maken van den accusativus cum infinitivo. B.v. Pythagöram narrant olim Phliuntem venisse. lis fidem habemus, quos plus intellegëre quam nos arbi-tramur, wij schenken aan hen vertrouwen, 7gt;an wie wij meencii, dat zij meer verstand hebben dan wij. Deze opmerking geldt ook, wanneer er een nominativus cum infinitivo gebruikt moet worden. B.v. Dice bare profeet us esse, men zeide van u dat gij vertrokken waart.

4de druk. ig

§ 398-399-

-ocr page 300-

Accusativus ciini infinitivo.

% 400—403.

290

Evenzoo zou het bovenstaande voorbeeld kunnen heeten: Pythagoras, narratur olim Phliuntem venisse. Vgl. § 216. i0, A.

0|) soortgelijke wijze handelt men ook, wanneer in het Nederlandsch een pronomen possessivum van den bijzin betrekking heeft op een sub s t anti vu m met van of over in den hoofdzin. B v. Van Dionysius verhaalt men, dat zijne matigheid in spijs en drank groot geweest is. In het Latijn nu zegt men niet: de Dionysio tradunt, sum mam fuisse ejus temperantiam in victu, maar: Dionysii summam fui sse in victu temperantiam tradunt.

Slechts dan mag men de in den hoofdzin zetten , wanneer het beteekent ivat betreft en het daarmede verhonden substantivum een sterken nadruk heeft B.v. De Antonio jam ante tibi scripsi, non esse e u m a me con vent um, ivat Antonius betreft, soa heb ik u reeds vroeger geschreven, dat ik hew niet bezocht heb.

§ 400. Wanneer het verbum van een accusativus cum infinitive een accusativus objecti bij zich heeft, ontstaat er soms dubbelzinnigheid. Men kan deze meermalen opheffen dooreen bepaalde plaatsing der woorden en altijd door den zin in het passivum te zetten. Met opzet legde de dichter Ennius Apollo in zijn godspraak aan Pyrrhus de volgende woorden in den mond : Ajo te, Aeacïda, Romanos vineëre posse. Had Apollo ondubbelzinnig willen spreken, dan had hij gezegd öf te a Roma n i s öf Romanos a te vinei posse.

§ 401. Wanneer met een accusativus cum infinitivo een relatieve zin verbonden is, die terugziet op een voorafgaand idem en hetzelfde verbum heeft als de accusativus cum infinitivo, wordt het verbum van den relatieven zin gewoonlijk uitgelaten en het subject in den accusativus gezet. B.v.Platönem ferunt idem sensisse de im-mortalitate animorum, quod Pythagöram, men zegt dat Ptato hetzelfde gevoelen had over de onsterfelijkheid der ziel als Pythagoras {dat Pythagoras had). Te suspïcor iisdem rebus, quibus me ipsum, commoveri, ik vermoed, dat gij door dezelfde zaken getroffen wordt als ik {waardoor ik getroffen word). Zoo de relatieve zin volledig werd uitgedrukt, zou hij luiden: quod Pythagöras senserit; quibus ego ipse c o m m o v e a r.

§ 402. Wanneer het verbum van een relatieven zin (waarin qui terugziet 0]) idem, qualis op talis, quantus op tantus, quot op tot) een accusativus cum infinitivo regeert en een ander subject heeft dan de hoofdzin, moeten er in het Latijn sommige woorden aangevuld worden , die in het Nederlandsch gewoonlijk worden uitgelaten. B.v. De schade is niet zoo groot als ik gedacht had (dat zij was), damnum non tantum est, quantum id esse putabam. Gij zijt niet zoodanig als ik gehoopt had (dat gij zijn zoudt) non talis es, qualem te fore sperave ram

§ 403, Wanneer twee zinnen, die hetzelfde verbum hebben, met elkander vergeleken worden door den comparativus en quam, en de eerste zin in den accusativus cum infinitivo staat, blijft het ver-

-ocr page 301-

Accusativus ctnn infinitivo.

bum van den tweeden zin gewoonlijk weg en wordt liet subject in den accusativus geplaatst. B.v. Terentium censeo elegan tiorem fuisse poëtam quam Plautum, ik geloof dat Tercntius een keuriger dichter geweest is dan Plantus (geweest is). Men kan quam ook weglaten en het subject van den tweeden zin in den ablativus plaatsen Vgl. § 295.

Zoo iedere zin zijn eigen verbum heeft, zet men den zin met quam óf in den accusativus cum infinitivo óf in den con-junctivus met of zonder ut. B.v. Nonne tibi affirmavi, quidvis me potius perpessurum quam ex Italia exiturum, heb ik n niet verzekerd, dat ik liever alles sou verduren, dan dat ik Ttalie zou verlaten ? C e r t u m h a b e o , m a j o r e s q u o q u e quamlïbet d i-micationem subituros fuisse potius, quam eas leges sibi imps 11 i paterentur. Testatus est, Magnëtes in corpora sua citius saevituros, quam ut Romanam amicitiam violarent.

g 404. Voor het gebruik der tijden bij den accusativus cum infinitivo volge men de volgende regels.

I. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, in den tegenwoordigen of toekomenden tijd staat, vertaalt men in den bijzin ;

den tegenwoordigen tijd door het praesens. B.v. Tk geloof (zal ge-looven) dat hij schrijft, credo (eredam) eum scribe re.

den onvolmaakt, volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd door het perfectum. B.v. Ik geloof (zal gelooven) dat hij schreef, geschreven heeft, geschreven had, credo (eredam) eum scrip sis se.

den toekomenden tijd door het futurum. B.v. /k geloof (zA gelooven) dat hij zal schrijven, credo (eredam) eum scripturum esse.

II. Wanneer het werkwoord, waarvan de conjunctie dat afhangt, in een der verleden tijden of in de voorwaardelijke wijs staat, vertaalt men in den bijzin:

den tegenwoordigen en onvolmaakt verleden tijd door het praesens. B.v. Tk geloofde (heb geloofd, had geloofd, zou gelooven, zou geloofd hebben) dat hij schrijft, schreef, credebam (credïdi, credideram, cre-dërem, credidissem) eum s c r i b ë r e.

den volmaakt en meer dan volmaakt verleden tijd door het perfectum. B.v. Ik geloofde (heb geloofd, enz.) dat hij geschreven heeft, geschreven had, credebam (credïdi, enz.) eum scripsisse.

den toekomenden tijd door het futurum. B.v. Ik geloofde (heb geloofd , enz.) dat hij zou schrijven, credebam (credïdi, enz.) e u m scrip tur um esse

Aanmerking I. Wanneer het werkwoord waarvan de conjunctie dat afhangt, in den volmaakt verleden tijd staat en het werkwoord van den bijzin in den onvolmaakt verleden tijd, doch de handeling van den bijzin reeds geschied was, voordat de handeling van den hoofdzin begon, gebruikt men niet het praesens, maar het perfectum infinitivi, B.v. Vele schrijvers hebben bericht, dat de koning bij het gevecht tegenwoordig was, multi scriptores tradiderunt, regem in proe-1 i o a ff u i s s e.

Aanmerking II. De infinitivus futuri wordt meermalen in het activum en zeer dikwijls in het passivum omschreven door fore

§ 404-

-ocr page 302-

Accusativus cum in fin it ivo.

% 405—406.

292

zeldzamer futurum esse) ut met het praesens conjunctivi, zoo de hoofdzin in een tempus van de eerste klas, en met het imperfectum conjunctivi, zoo de hoofdzin in een tempus van de tweede klas staat. B.v.

Credo fore (futurum esse) ut epistolam scribas.

„ epistola scribatur.

Credebam fore (futurum esse) ut epistolam scriberes. „ ,, ,, „ „ epistola scriberetur.

Deze omschrijving wordt zeer dikwijls gebruikt na spero en spes en is noodzakelijk bij de verba, die geen infinitivus futuri kunnen vormen. B.v.

Me con sol at ur spes fore ut progressum faciatis.

Dico fore (futurum esse) ut te hujus rei paeniteat.

Dicebam „ „ „ „ „ „ „ paeniteret.

De infinitivi posse, veile, nolle, malle worden ook als infinitivi futuri gebruikt. B.v Spero veile mecum Sulpicium colluqui. Totius Galliae sese potiri posse sperant.

In plaats van esse staat somtijds fore bij het participium op urus. B.v. Putate matronas urbis ac liberos nostros ad genua ve-stra observaturos fore.

Aanmerking III. Bij memïni en memoria teneo worden verleden gebeurtenissen, waarvan men zelf getuige was, door den infinitivus praesens uitgedrukt. B.v. Me mini Catonem anno antequam mortuus est mecum diss er ere, ik herinner mij dat Ca to een jaar voor zijn dood een gesprek viet mij had. Memoria teneo Scaevölam, cum esset summa. senectute, quotidie facere omnibus con-veniendi sui potestatem

Zoo men echter iets mededeelt, waarvan men zelf geen getuige was, of zoo men een feit, waarvan men getuige was, als verleden voorstelt, gebruikt men den infinitivus perfecti. B.v. Me min er am C. Mariv.m, cum vim armorum profugisset, senile corpus paludibus occultasse. Meministi me ita distribuisse causam

g 405. De infinitivus van het futurum ex actum wordt gevormd:

1quot;. in het activum door fore ut met het perfectum conjunctivi, zoo het verbum van den hoofdzin in een tempus van de eerste klas, en met het plusqu am perfectum conjunctivi, zoo het verbum van den hoofdzin in een tempus van de tweede klas staat. B.v.

Credo fore ut epistolam scripseris.

Credebam ,, „ „ scripsisses.

2n. in het passivum en bij de deponentia door het participium perfectum met fore of door fore ut met het perfectum of plusquamperfectum conjunctivi.- B.v. Credo (credebam) epistolam scriptam fore Credo me turn jam profectum fore Spera-bam fore, ut ea, quae superioribus litteris a te petissemus, im pet rat a ess ent.

§ 406. De hoofdzin eener vooronderstelling van het derde geval wordt in den accusativus cum infinitivo uitgedrukt:

in. zoo hij in de oratio recta in het imperfectum conjunctivi staat, door den infinitivus futuri. B.v. Hoe si diceres, errares heet: existïmo te, si hoe diceres, erraturum esse.

Zoo het verbum geen infinitivus futuri kan vormen, gebruikt men een omschrijving met futurum esse (niet fore) ut en het imperfectum

-ocr page 303-

Oratio obliqna.

§ 407—408-

293

conjunctivi en deze omschrijving is in het passivum de gewone constructie. B.v. Exist imo, si hoc fa ceres, futurum esse ut mul tare ris (zelden te multatum iri.)

20. zoo hij in de oratio recta in het plusquamperfectum conjunctivi van het activum staat, door het participium op urus met fuisse, en zoo het verbum geen participium op urus heeft, door futurum fuisse ut met het imperfectum conjunctivi. B.v. Rxistimo te erraturum fuisse, si hoe dixisses. Existimo, si hoe fe-cisses, futurum fuisse ut facti te paeniteret.

Deze omschrijving wordt altijd gebruikt in het passivum. B.v. Si hoe fecisses, existimo futurum fuisse ut multareris.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVEE DE ORATIO OBLIQUA.

§ 407. In de oratio recta worden iemands woorden of gedachten juist weergegeven, zooals zij gesproken of gedacht zijn B.v. So-crates zcide: allen zijn welsprekend genoeg in hetgeen zij weten.

In de oratio obliqua daarentegen worden iemands woorden of gedachten verhalenderwijze medegedeeld en afha 11 ke 1 ijk gemaakt van een v e r b u m sentiendi of declarandi. E.v. Socrates zcide, dat allen welsprekend genoeg zijn in hetgeen zij weten.

§ 408. Voor de verandering der hoofdzinnen van de oratio recta in de oratio obliqua gelden de volgende regels.

I. De hoofdzinnen der oratio recta, die een v e r h a a 1 of u i t-spraak bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt door den accusativus cum infini-tivo. B.v.

Solon dixit: 11 e m o a n t e Solon dixit, n e m 1 n e m mortem beatus est praedi- ante mortem beatum esse c a n d u s. p r a e d i c a n d u 111

II. De hoofdzinnen der oratio recta, die een bevel, verzoek, wensch of vermaning uitdrukken en in den imperativus of conjunct! v us staan, worden in de oratio obliqua in den conjunctivus gezet, gewoonlijk zonder ut, zoo zij bevestigend zijn, met ne, zoo zij ontkennend zijn. B.v.

Respondit: nondum tempus Respondit, nondum tempus

pugnae est; castris vos te- pugnae esse; castris se tene-

iiête vosque ex laböre refi- rent seque ex labore refice-

cite rent.

Caesar milites hortatus est: Caesar milites hortatus est,

ne ea, quae acciderunt, gra- 11e ea, quae accidissent, gra-

viter feratis neve his rebus viter ferrent neve his rebus

terreamini. t e r r e r e n t u r.

Aanmerking. Men lette wel op, dat hier spraak is van hoofdzin-

-ocr page 304-

Oratio obliqua.

% 409-

294

nen, die in de oratio recta in den conjunctivus staan (Vgl Hoofdst. 13. IL) en afhangen van een verbum sentiendi of declarandi en vervolgens dat de verba, waarover § 397. i0. A. I. gesproken wordt, beschouwd moeten worden als verba van bewerken of trachten te bewerken. Overigens hebben ook sommige dezer verba somtijds den conjunctivus zonder ut. Vgl. § 352. 2n. A. III.

III. De hoofdzinnen der oratio recta, die een vraag bevatten en in den indicativus staan, worden in de oratio obliqua uitgedrukt door den conjunctivus, zoo het een vraag van den 2ilen persoon is, en gewoonlijk door den accusativus cum infinitivo, zoo het een vraag van den isten of 3lt;1™ persoon is. T3.v.

Caesar milites alloc üt us Caesar milites alloc utus est: quid tandem veremïni est, quid tandem vererentur aut cur de vestra salute de- aut cur de sua salute despe-s p e r a t i s ? r a r e n t ?

Plebs fremit: quid vivï- Plebs fremit, quid se_ vi-mus, quid in parte ci viu m v ëre, quid in parte civium censemur? c e n s ë r i ?

Trib u ni mi 1 itu m dixeru n t: Tribun i mi 1 itum dixerunt, quid est 1 e v i u s aut t u r p i u s quid esse 1 e v i u s aut t u r p i u s quam, auctore hoste, de sum- quam, auctorc hoste, de sum-mis rebus cape re consilium? mis rebus cap ere consilium?

De vragen der oratio recta, die in den modus potentialis of du-bitativus staan, behouden dezen modus in de oratio obliqua. B.v.

Quis mihi hoc persuadeat? Quis sibi hoe persuadëret?

Cur f o r t u n a m periclite- Cur f o r t u n a m p e r i c 1 i t a-mur? rentur?

§ 409. De b ij z i n 11 e 11 der oratio recta staan, behoudens de uitzonderingen, in de oratio obliqua in den conjunctivus. B.v.

Dixit miles: omnia feci. Dixit miles, se omnia fe-quae mihi imperata erant. cisse, quae sibi imperata

assent.

Respondit dux: miles poe- Respondit dux, militem nam d e d i t, q u o n i a m i m p e- p o e n a m d e d i s s e, q u o n i a m r i o non p a r u e r a t. i m p e r i o n o n p a r u i s s e t.

Aanmerking I. De bijzinnen, welke een aanmerking bevatten van den schrijver, en welke dienen ter omschrijving van een begrip, waarvoor in het Latijn volstrekt geen of ten minste geen geschikt sub-stantivum bestaat, staan in den indicativus. Vgl. § 375. 5quot;. A.

Aanmerking II. De relatieve zinnen, die opgelost kunnen worden in et of nam met een d emon strati vum, kunnen in de oratio obliqua in den accusativus cum infinitivo staan. B.v. Ad ca H erennius respondit, mu 11os an n o s jam inter R o man u rn Nol ami m que po pul u m amicitiam esse, cuj us (et ejus) n eutro s ad eum diem paenitëre Themistocles dixit, Atheniensium urbem ut propugnacti 1 um opposïtum esse barb^ris, apud quam (nam apud eam) jam bis classes regias fecisse naufragium.

Aanmerking III. Wijl de oratio obliqua gewoonlijk van een verbum

-ocr page 305-

Oratio obliqua.

§ 410—411.

295

afhangt, dat in een verleden tijd staat, zoo zullen gewoonlijk ook alle zinnen, die in den conjunctivas moeten komen , volgens de leer der con-secutio temporum in de tempora der tweede klas staan. Meermalen echter vindt men, vooral in een langere oratio obliqua, het praesens of perfectum conjunctivi gebruikt, niettegenstaande het verbum van den hoofdzin in eea verleden tijd staat. Den schrijver zweeft dan een praesens historicum voor den geest

§ 410 De pronomina personalia en possessiva van den isten persoon (ego, nos, meus, nostcr) worden in de oratio obliqua veranderd in het pronomen reflexivum (sui, sibi, se, suus), en zoo zij in den nominativus moeten staan in ipse. B.v. Ar i-o v i s t u s r c s p o n d i t, si ipse C a e s a r i non p r a c s c r i b e r c t, quemadmódum s uo jure uteret u r, non opor têre scse a C a e s a r e in s u o jure i m p e d i r i.

De pronomina personalia en possessiva van den 2den. persoon (tu, vos, tuus, vester) worden in de oratio obliqua veranderd in ille, soms ook, vooral als zij toonloos zijn, in is. B.v. Cave, ne te cunctante N u m ï d a e s i b i c o n s ü 1 a n t wordt in de oratio obliqua : caveat, ne illo cunctante Numïdae sibi consülant. Alexandre a Dodonaeo Jove data dictio est, cavëret Ac h er u si am aquam; ibi fatis ejus termïnum dari.

Wanneer deze pronomina in de oratio recta als reflexivum gebruikt zijn, moeten zij in de oratio obliqua, die altijd in den derden persoon wordt voorgesteld, natuurlijk ook in het reflexivum van den derden persoon veranderd worden. Men zie de voorbeelden in § 40S. II en III.

Voor het persoonlijk voornaamwoord van den 3den persoon gebruikt men ook in de oratio obliqua gewoonlijk i s.

A a n m e r k i n g. Zoo in de oratio recta het pronomen h i c en het adverbium nunc voorkomen, worden deze woorden in de oratio obliqua na een tempus van de tweede klas gewoonlijk veranderd in ille en turn. B v. Hic dies omnes labores et victorias con firmabit zal worden ilium diem . . . confirmaturum.

*§ 411. Meermalen wordt het verbum, waarvan de oratio obliqua afhangt , verzwegen, zoodat men er bij de vertaling een verbum sentiendi of declarandi moet bijvoegen, B.v. Hominem secunda oratio ne extollit, ilium re gem, ingentem virum esse, hij slak den man door ecu vleiende toespraak in de hoogte, zeggende dat hij een koning en een groot man was.

Niet zelden gaat er een ontkennend verbum vooraf, zoodat men een bevestigend verbum moet aanvullen. B v. Regülus reddi captlvos negavit esse utile; illos enim adolescentes esse et bonos duces, se jam confectum senectute

Aanmerking. Inquam mag alleen gebruikt worden bij de oratio recta en staat altijd tusschen de gesproken woorden. B.v. Ennius: animus aeger, inquit, semper errat. Zoo het bij inquam be-hoorende subject ook tusschen de woorden der oratio recta staat, wordt het gewoonlijk achter inquam gezet. B.v. Optime, inquit Tullius, philosophiam laudasti. Wanneer het subject een par-

-ocr page 306-

% 412 -413-

296

Participia.

ticipium bij zich heeft, staat het hiermede voorop, terwijl inquam tusschen de gesproken woorden volgt. B.v. Turn C rassus subrïdens: quid censes, inquit, Cotta? Voor de ontbrekende vormen van inquam gebruikt men dico. B.v. ïimotheum ferunt, cum eenavisset apud Platonem, dixisse: vestrae quidem cenae non solum in praesentia, sed etiam postero die jucundae.

Ajo wordt gewoonlijk bij de oratio obliqua geplaatst, en wel vóór, tusschen of na de woorden, maar heeft altijd zijn subject bij zich. B.v. Non male, alt Callimachus, lacrimasse Pridmum. In de vormen ut ait, ajunt mag het ook bij de oratio recta gebruikt worden. B.v. O praeclarum custödem, ut ajunt, lupum!

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PARTICIPIA.

§ 412. De participia zijn volgens hun vorm adjectiva en komen met het substantivum, waarbij zij behooren, overeen in geslacht, getal en naamval.

Volgens hunne beteek en is zijn zij verba en regeeren hun eigen casus. B.v. Tuam pet ens a m i c i t i a m, ilzvc vriendschap inroepende. Tota regione potïtus, de gehcele landstreek bemachtigd hebbende.

Dc tijden der participia richten zich naar de betrekking, waarin zij staan tot het verbum van den zin. B.v. Ridens hoc dicit (dixit, dieet), hij zegt (zeide, zal zeggen) dit lachende. Alexander P er s i s be 11 um i 11 aturus magnas copias contraxit, Alexander voornemens zijnde de Perzen te beoorlogen bracht een groot leger op de been.

an merking. Wanneer de participia op ns een object of nadere bepaling bij zich hebben, gaan zij in den ablativus singularis gewoonlijk uit op e. B.v. E patre Stoicos ridente. Cum exercitu pugnare cupiente. Cum consule re deun te ex Boeotia. Ook zegt men altijd ab ineunte aetate, ad olescentia.

§ 413- Verschillende participia praesentia en perfecta zijn geheel in adjectiva overgegaan en kunnen zelfs in den com-parativus en superlativus gezet worden. B.v. Patiens, praestans, dilïgens, doctus, ornatus.

Aanmerking I. In het Nederlandsch worden de tegenwoordige deelwoorden van overgankelijke werkwoorden dikwijls als adjectiva gebruikt. B.v. Een drukkende oorlog, een roerende melodie, troostende woorden, met biddende stem. In het Latijn daarentegen mogen de parti-cipia praesentia van verba transitiva, zoo zij niet geheel in adjectiva zijn overgegaan, niet als adjectiva (zonder object of regeering) gebruikt worden. Bovenstaande voorbeelden vertale men dus niet: bel-um premens, numeri commoventes, verba solantia, voce oranti, maar:

-ocr page 307-

§ 414-415-

Participia.

297

bellum grave, flebïies numëri, verba plena solatii, sup-p 1 ï c i voce.

Met het gebruik der participia praesentia van verba intrans-itiva en der participia perfecta kan men veel vrijer zijn.

Aanmerking II. Het participium op urus wordt met uitzondering van futurns en venturus, toekomend, in proza bijna niet als adjecti-vum gebruikt

Ook als participium gebruikt mist het in proza, zoo men weder fu turus en venturus uitzondert, den genetivus pluralis.

§ 414. Betrekkelijk de beteekenis der participia perfecta van sommige verba deponentia valt op te merken:

i0. dat zij ook een passieve beteekenis hebben. De voornaamste zi j n : comitatus, begeleid, c o m p 1 e x u s, omvat, confess us, bekend, contestatus, beproefd, dimensus, afgemeten, ementïtus, voorgewend, expertus, beproefd, interpretatus, verklaard, meditatus, overlegd, p actus, bedongen, p a r t ï t u s , gedeeld, populatus, venvoest. Men bemerke echter wel, dat Cicero deze participia slechts dan als passiva pleegt te gebruiken, wanneer zij met werkelijke participia passiva verbonden zijn. I5.v. Populatus at que vexatus; di men sus at que descriptus. Ook worden deze participia hoogst zelden als passiva gebruikt in den ablativus a bso hit us en om de eigenlijke passieve tijden te vormen. B.v. Gallia populata est beteekent niet: Gallii; is verwoest geworden, maar Gallic is (ligt) verwoest.

2°. dat zij meermalen de beteekenis hebben van participia prae-sentia. Zoo altijd ratus (Vgl. g 135. V.), meenende, dikwijls verïtus, usus, arbitratus, enz.B.v. Caesar, insidias verïtus, exercitum castris con tin uit, Caesar, een hinderlaag vreezende, hield zijn leger binnen de legerplaats.

Hetzelfde geldt van de participia perfecta der semideponentia fis us, confïsus, diffisus, solïtus, soms ook ausus en gavïsus.

*§ 415. Het participium perfectum van sommige verba passiva, vooral van die, welke kennen en besluiten beteekenen (e x p 1 o r a-tum, cognitum, perceptum, perspectum, statütum, consti-t u t u m, d e 1 i b e r a t u m) wordt meermalen met h a b e o, m i h i est, soms ook met t e n e o en p o s s i d e o gebruikt in plaats van het p e r f e c t u m activum om de uitdrukking te versterken en het voortduren van den toestand aan te duiden. B.v. Statütum habeo, omnibus viri-bus in dis eend am linguam La tin am i n c u m b S r e, ik heb vast besloten mij met alle kracht op het Latijn toe te leggen. A T u 11 i o m i h i e x p 1 o r a t u m est, nihil e u m f e c i s s e s c i e n t e m , q u o d e s s e t contra existimationem tuam. Eum locum, quem nobilitas praesidiis firmatum tenebat, rescidistis. Roscii patrimonium domestici praedönes vi ereptum possident.

Soms zegt men ook in plaats van mihi persuasum est: persuasum habeo (slechts een enkele maal: mihi persuasum habeo).

Aanmerking I. Ook in den accusativus cum infinitivo wordt de infinitivus perfecti omschreven met teneri, zoo men wil aanduiden, dat een vroeger begonnen handeling nog voortduurt. B.v. Accëpi urbem obsess am teneri, ik heb vernomen, dat de stad ingesloten is. Vgl. over de beteekenis van obsessam esse en fuisse § 106.

-ocr page 308-

% 416 -418.

Participia.

2gS

Aanmerking II. In liet Nederlandsch gebruiken wij dikwijls bij het beschrijven van tegenwoordige handelingen en toestanden een verleden deelwoord met het hulpwerkwoord zijn. B.v. De sprinkhanen zijn bedekt met een licht breekbare huid. Dit stuk is getiteld: de geboeide Prometheus. In zulke gevallen moet men in het Latijn het praesens passivi gebruiken. B.v. Locustae fragïli crusta muniuntur. Haec fabüla Prometheus vinctus inscribïtur.

§ 416 Wijl in het Latijn de verba activa (behalve die § 103 zij 11 opgegeven) geen participium perfectum, en de verba passiva geen participiam praesens hebben, zoo moet men meermalen een Nederlandsch participium in het Latijn vertalen door een bijzin met qui of met een conjunctie of door een ablativus absolutus. B.v. Caesar in Gallis gekomen zijnde voerde zijne troepen nit de winterkzuartieren, Caesar, cum in Gall i am venisset, co pi as ex bib er nis eduxit. Het hout gewreven wordende ontbrandt, lignum, quod terïtur, in-flammatur. Een stem gehoord hebbende ging hij weg, vocc audita a b i i t.

Aanmerking. Wanneer wij een verleden deelwoord gebruiken in plaats van het ontbrekende participium praesens passivi, zet men in het Latijn een relatieven zin. B.v. De belegerde stad, urbs quae obside-t u r. Een goed bestuurde slaat, res p u b 1 i c a quae bene a d m i-nistratur.

§ 417. In het Latijn worden zeer dikwijls participia geplaatst, waar wij bijzinnen gebruiken. Hier zijn twee gevallen mogelijk: bf wel het subject van den bijzin komt op een of andere wijze in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van participium conjunctum, öf wel het subject van den bijzin komt niet in den hoofdzin voor en alsdan draagt de constructie den naam van ablativus absolutus. Over de laatste constructie wordt in het volgende hoofdstuk gehandeld.

§ 418. Het participium conjunctum staat vooreerst in plaats van een relatieven b ij z i n B.v Peloponnesus est p a e n i n s ü 1 a, angustis Isthmi faucibus continenti adhaerens(=quae... adhaeret), de Peloponnesus is een schiereiland, dat door de smalle landengte van Isthmus met het vasteland verhonden is P i s i s t r a-t u s primus H o m e r i 1 i b r o s, confusos a n t e a (= qui antea confusi erant), sic disposuisse dicït ur, u t nunc habemus.

Aanmerking I. Het participium op urus wordt door de beste schrijvers hoogst zelden aldus gebruikt.

*A an merking II. Wanneer het relativum betrekking heeft op een substantivum met een pronomen demonstrativum of op een demons tra tivum alleen, valt bij de verandering in het participium

-ocr page 309-

Participia.

§ 419

299

conjunctum het demonstrativum weg. B.v. Odiosum genus eorum hominum, qui officia expröbrant wordt; odiosum genus h o-minum officia exprobrantium. Ea, quae male parta sunt, male d i 1 a b u n t u r wordt: male parta male d i 1 a b u n t u r.

Aanmerking III. Een relatieve bijzin wordt hoogst zelden in een participium conjunctum veranderd:

i0. wanneer dit participium als subject in den nominativus zou moeten staan. B.v. Is qui potest a tem h abet (niet potestaten! habens). li qui audiunt (niet audientes) in plaats van auditores. Egens (prae-dicaatsadjectivum) aeque est is, qui non satis habet et is, cui nihil satis potest esse

Ook in andere naamvallen behoudt men wel zoo lief het relativum. B.v. M\'. Curius non aurum habere praeclarum sibi videri dixit, sed iis, qui haberent aurum, imperare. Men mag echter een participium gebruiken. B.v. Medici leviter aegrotantes leviter curant. Mettius in palüdem sese strepitu sequentium (zwt degenen, die hem volgden) trepidante equo conjëcit De dativus van zulk een participium wordt gebruikt bij het aangeven van afstanden en van de ligging van plaatsen. B.v. Hie enim vent us adv er sum tenet At hen is proficiscentibus, deze wind is een tegenwind, als men uit Athene komt. Caesar Gomphos pervênit, quod est,, op-pidum primum Thessaliae venientibus ab Epiro.

2°. na woorden van hoeveelheid, zooals: unus, alter, aliquot, om nes, nemo. B.v. Omnia, quae ad vie turn cul turn que pertinent, niet: omnia____pertinentia.

3quot;. wanneer hij dient om een bepaalden persoon of zaak van anderen te onderscheiden. B.v. Pittacus ille, qui sept em sapientium numero est habitus. Flumen est Arar, quod per fines Ae-duorum et Sequanorum in Rhodanum in fluit.

4quot;. bij de vertaling van zoogenaamd, boven genoemd, enz welke uitdrukkingen geregeld vertaald worden door een relatieven zin met de verba voco, dico, nomïno, memöro, commemöro, inscrïbo. B.v. Vestra, quae dicitur, vita mors est, uw zoogenaamde leven is de dood (nooit ita dicta). Duabus his persönis, quas supra dixi, tertia adjungitur.

Zoo de adverbia ita, sic, supra, enz. verzwegen worden, vindt men soms een participium gebruikt.

§ 419. Het participium conjunctum staat vervolgens in plaats van een bijzin met een subordincerende conjunctio condi-ciona 1 is, concessiva, causalis of temporalis. B v. Q uis potest, mortem metuens (= si mortem metuit), esse non miser? Risus interdum ita repente erumpit, ut cum cupientes (= quaravis cupiamus) tcnëre nequeamus. Dio-ny sius tyrannus, c u 11r os metuens tonsorios (= quia... metuebat), candenti car böne sibi adurcbat capi 11 um. Dio-n y s i u s tyrannus, S y r ac u s i s e xp u 1 s u s (== postquam . . expulsus est), Corinth i puëros docebat. Hostes, hanc

-ocr page 310-

Participia.

% 420.

300

adepti victoriam (= cum... adcpti essent), in perpetuum se fore vie to res eon fide bant.

^Aanmerking I. Wanneer een participium conjunctuni in de plaats komt van een bijzin met een conjunctie, mag er een pronomen demon strati vum mede verbonden blijven. B.v. Quid posset iis esse laetum, exïtus suos cogitantibus (= si exitus suos cogitarent).

Aanmerking II. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt in plaats van een bijzin met nisi, blijft nisi staan, zoo er een ontkenning in den hoofdzin staat. B.v. Non mehercüle mi hi, nisi admonïto (— nisi admonitus essem), venisset in mentem.

Latere schrijvers laten soms de conjuncties quamquam, quamvis, etiamsi, et si bij het participium conjunctum staan. B.v. Caesarem mi 1 ites, quamvis rccusantem, u 11ro in Africamsecutisunt.

Aanmerking III. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt in plaats van een bijzin met een conjunctio concessiva, voegt men er meermalen tarnen bij. B.v. Scripta tua jam diu exspec-tans non audeo tarnen flagitare.

Aanmerking IV. Latere schrijvers gebruiken ook het participium op urus in plaats van een bijzin met ut finale. B.v. Hannibal in Etruriam ducit, cam quoque gentem adjuncturus (= ut eam quoque gentem adjungat). .Soms ook vervangt dit participium bij hen de plaats van een bijzin met andere conjuncties.

§ 420. Het participium conjunctum staat ook in plaats van een zin, die door ct of scd met een anderen zin verbonden is. B.v. Grucs, cum loca calidiora petentes mare transmit-tunt, triangüli efficiunt formam (= petuntettransmittunt). Vetëres Peripatetici Acadcmiclque, rc consentientes, vocabülis differebant (= rc consentiebant sed vocabulis dif-fcrebant).

Van twee werkwoorden, die in liet Nederlandsch door cuoidoch verbonden zijn, mag het eene slechts dan door een participium praesens vertaald worden, wanneer beider handeling gel ijkt ij-d i g plaats heeft. Zoo de handeling van het eene verbum geschiedt na de handeling van het andere verbum, moet men een participium perfectum gebruiken. Bij deze constructie vestige men ALTIJD AL ZIJN AANDACHT op de beteekenis van het par de i-p i u m. B.v. Caesar tastte de vijanden aan en versloeg hen, Caesar hostes aggressus fugavit bf Caesar hostes petltos fu-gavit öf Caesar, cum in hostes incurrisset, fugavit. Waarom komt aggressus overeen met Caesar? Waarom komt p e t ï t o s overeen met hostes en is de zin eerst in het passivum omgezet? Waarom is bij de vertaling met het verbum incurro geen participium conjunctum gebruikt?

-ocr page 311-

Ablativus absolutus.

§ 421.

301

Aanmerking I. De Latijnen herhalen meermalen het participium perfectum van het voorgaande verbum met of zonder conjunctio copula-tiva, waar wij en, cu daarna, cn vervolgens zeggen. B.v. Urbem cepit (e t) c a p t a m i n c e n d i t, hij vam de stad in en stak haar daarna in brand. Latrones viatöreni occiderunt occisumque ex arböre s 11 s p e n d e r ii n t.

Aanmerking II. Hoogst zelden worden twee participia met één nomen verbonden. Men zegge dus niet: Ciceronem, legentem inventum, salutavi, maar: Ciceronem, quem inveneram legentem, salutavi.

Aanmerking III. Wanneer een participium conjunctum gebruikt wordt, blijven de casus van is en van de pronomina personalia, welke op het subject van den zin betrekking hebben, onvertaald, indien hierdoor ten minste geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Socrates Xenophonti (niet cum) consulenti expo suit, quae videban-tur. Custodes portas (niet ab iis) r.lausas lapidibus obstruxe-r 11 n t.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVEE DEN ABLATIVUS ABSOLUTUS.

§ 421. Een ablativus absolütus is ecu bijzin, welks subject in den ablativus cu welks pracdicaatsverbum in het participium staat. B.v. Regibus exterminatis, libertas constitüta est, toen de koningen verdreven waren, -werd de vrijheid gevestigd. De volgende zinnen kunnen dienen als voorbeelden van een soortgelijke constructie in onze taal: onverrichter zake; niemand uitgezonderd; niets meer aan de orde zijnde.

De bijzinnen, die in den ablativus absolutus gezet kunnen worden. beginnen in het Nederlandsch gewoonlijk met ccn der conjuncties toen, als, nadat, wanneer, terwijl, zoodra, dewijl, daar, ofschoon, hoe-wel, indien.

Wanneer men zulke bijzinnen in den ablativus absolutus wil zetten, laat men de conjunctie, waarmede zij beginnen, onvertaald en zet men het subject in den ablativus cn het prae-dicaatsverbum in het participium. Dit participium moet dan met het subject overeenkomen in geslacht, getal cn naamval. Hierbij valt op te merken, dat de ablativus singularis van het participium praesens in den ablativus absolutus altijd uitgaat op e. B.v. Ter-wijl Tarqninins regeerde, kwam Pythagoras in Italic, Tarquinio regnante, Pythagoras in Italiam ven it. Toen Trajanus gestorven -was, is Hadrianus keizer ge-worden, Trajano mortuo, Hadrianus imperator fact us est. Wanneer de oorzaak der\'ziekte gevonden is, vieenen

-ocr page 312-

A hlativus absolutiis.

% 422.

302

rfc genccsJieeren, dat dc genezing gevonden is, causa mor bi i live nta, medïci curationem esse in ven tam p u t a n t. Indien de nntnnr zich verzet, is de arbeid vruchteloos, reluctante 11 a-türa, ir ritus labor est. Ofschoon alle zaken verloren zijn, kan toch de dengd zich zelve staande houden, per dit is omnibus rebus, tamen ipsa virtus se sustentare potest.

Aanmerking I. Dikwijls vertaalt men een ablativus absolutus niet door een bijzin, maar door een bepaling bestaande uit een praepositie en een substantivum Zoo kan men bovenstaande voorbeelden vertalen: sedert de verdrijving der koningen; onder de regeering van Tarquinius; na den dood van Trajanus. Caesar, Gallis d e v i c t i s, R o m a m r e d i i t, na de overwinning op de Galliërs, keerde Caesar naar Rome terug. Graeci adveni-entibus Pers is Thermopylas ceperunt, bij de aankomst der Perzen veroverden de Grieken Thermopylae.

Aanmerking II. De Latijnen zetten dikwijls, waar wij twee zinnen door en of maar aan elkander koppelen, een dezer zinnen in den ablativus absolutus. Dit mag echter alleen dan geschieden, wanneer de zin, die in den ablativus absolutus gezet zal worden, door nadat en toen in een bijzin veranderd kan worden, welks subject niet in den hoofdzin voorkomt. B.v. Dareus besloot een leger uit Azië naar Europa te voeren en de Scythen te beoorlogen, D a-rëus, ex Asia in Európam exereïtu trajecto, Scythis bellum infer re decrëvit. Antonins verstiet de zuster van Octavianns en huwde met Cleopatra, An toni us, repudiata sorore Octaviani, Cleopatram duxit uxorem. Demetrius zette Philippus aan om de ActoliVrs te laten varen, maar den Romeinen de?/ oorlog aan te doen , Demetrius i m p ü 1 i t Philip-pum, ut o mis sis Aetölis bellum Roman is in ferret.

Aanmerking III. Quisque blijft als bepaling van het subject van een ablativus absolutus in den nominativus staan. B.v. Multis sibi quisque imperium petentibus. His regibus in suoruni quisque majorum vestigia nitentibus.

Aanmerking IV. Latere schrijvers zetten soms een conjunctie bij den ablativus absolutus, zooals: quasi, quamquam, quamvis. B.v. Augustus Neapolim trajëcit, quamquam morbo variante. In klassiek Latijn voegt men er nu en dan ut, tamqaam, velut, sic ut bij met de beteekenis van alsof en wanneer de ablativus absolutus een voorwaardelijke beteekenis heeft nisi in plaats van non. B.v. Galli laeti ut explorata victoria {alsof de overwinning zeker was) ad castra Romanorum pergunt. Nihilpotest evenire nisi causa antecedente.

-ocr page 313-

Ablativus ahsolntiis.

§ 422.

303

§ 422. Om een ablativus absolutus te mogen gebruiken is noodig: 1quot;, dat het subject van den ablativus absolutus opgeene wijze voorkomt of aangeduid wordt in den hoofdzin. Wanneer men bij voorbeeld zegt: als de ooievaars terugkeer en, begint het lente te zijn, vertaalt men zeer goed: c i c o n i i s r e d eun t i b u s ver esse i n c 1 p i t; doch zegt men: als de ooievaars terngkeeren, zoeken zij Jiuune vroegere vesten weder op, dan zou het verkeerd zijn te vertalen; ciconiis redeuntibus nidos priores repë-tunt, want hier zou het subject van den ablativus absolutus hetzelfde wezen als het subject van den hoofdzin. Men moet hier vertalen: ciconiae redeuntes nidos priores repëtunt of c i c o n i a e, cum r e d e u 111, nidos priores repëtunt. Evenzoo vertaalt men: Hannibal verbrandde de stad, toen zij was ingenomen, niet: Hannibal urbcm incendit, ea capta, want hier zou het subject van den ablativus absolutus hetzelfde wezen als het object van den hoofdzin. Men vertaalt hier: Hannibal urbem captam incendit öf urbcm, quam ceperat, Hannibal incendit of Hannibal, postquam cepit, urbem incendit. Als de zon opkomt wot den de nevels door hare stralen verdreven, niet: sole oriente, nebula ejus radiis dispcllïtur, maar: nebula s o 1 i s o r i e n t i s radiis d i s p e 11 ï t u r. Toen het houten paard door de Trojanen in de stad getrokken was, kropen de Grieken des naehts uit deszelfs buik, niet: equo ligneo a Trojanis in urbem tracto, Graeci noctu ex ejus ventre prosiluerunt, maar: ex ventre equi 1 ignei a Trojanis in urbem tracti noctu prosiluerunt Graeci.

Aanmerking. Nu en dan wijken ook de beste schrijvers van rle/.en regel af. B.v. M. Porrius Cato, vivo quoque Scipione, allatrare ejus magnitudinem solftus erat. Caesar, princi])ibus Trevirorum ad se con-vocatis, hos singiliatira Cingetorïgi conciliavit. Het is echter niet raadzaam deze afwijkingen na te volgen, behalve wanneer de ablativus absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo of van een participium. Zie de voorbeelden § 454. A.

2quot;. dat het verb u m een geschikt p a r t i c i p i u m heeft. Men lette derhalve op de volgende opmerkingen.

a) Het p a r t i c i p i u m p r a e s e n s heeft altijd, behalve bij de neutralia passiva, een actieve betcekenis. Wanneer er derhalve staat, Toen de stad door de Romeinen aangevallen werd, was de winter nog niet geeindigd, moet men, om een ablativus absolutus te kunnen gebruiken, eerst een actieven vorm aan den bijzin geven, namelijk: Toen de Romeinen de stad aanvielen, en vervol-

-ocr page 314-

Ablativus absohitus.

% 423-

304

gens vertalen: Roman is urbcm aggredientibus, hiems n o n cl u m f i n T t a e r a t.

/\') Dc verba activa hebben geen participium perfectum. Zoo er derhalve staat: Nadat Caesar dc Galliërs ovcrwon-ncn had, keerde hij naar Rome terug, moet men, om een ablativus absolutus te kunnen gebruiken, eerst een passieven vorm aan den bijzin geven, namelijk: Caesar keerde, nadat dc Galliërs overwonnen waren, naar Rome terug, en dan vertalen: Caesar, Gallis d e v i c t i s, R o m a m r e d i i t.

c) Het participium perfectum der intransitieve verba passiva mag enkel onpersoonlijk gebruikt worden. B.v. Tem-p era tuin est, men heeft gespaard; ventum est, men zs gekomen. Zoo er derhalve staat: Daar de dieven gespaard zijn, begin ik weder te vreezen, mag men niet zeggen : fu r i b u s t e m p e r a t i s , rursus timëre incipio. De ablativus absohitus in hier onmogelijk te gebruiken en men moet met een conjunctie zeggen, cum fu r ib u s te m p erat u m sit, r 11 rs us timëre incipio. Toen de vijanden gekomen waren, verlieten wij dc stad, niet: hosti bus vent is, maar: cum host es venissent, urbem reliquïmus.

d\') Het participium perfectum der verba deponentia heeft een actieve beteek en is Nadat dc vijanden vervolgd waren, keerden dc soldaten terug, wordt derhalve niet vertaald: hostibus persecütis, milïtes redierunt, maar: milites host es persecüti redierunt, alsof er in het Nederlandsch stond: de soldaten. de vijanden vervolgd hebbende, keerden terug.

*A a n m e r k i n g. De ablativus absolutus komt zelden voor met het participium op urus (eerst bij Livius en lateren) en hoogst zelden met het gerundivum.

*3quot;. dat de bijzin op een of andere wijze in tijdelijk, voorwaardelijk, toegevend of oorzakelijk verband staat met den hoofdzin. Volgens het verhaal van Livius is Sagunte in de achtste maand der belegering ingenomen heet derhalve niet: Livio auctöre Saguntum octavo mense, quam oppugnari coeptum erat, captum est (dit zou beteekenen: op raad, op aandrijven van Livius) maar: Saguntum.... captum esse Livius auctor est. Naar het eenparig oordeel van alle geleerden hebben de Grieken alle overige volken in kunsten en wetenschappen ver overtroffen, niet: omnibus doet is c on sen tie n-tibus Graeci ceteras \'omnes nationes artibus litterisque mul to sup eraver unt, maar: omnes doeti consentiunt, Grae-cos... s 11 p e r a s s e.

§ 423. De ablativus absolutus is meer of minder ongebruikelijk: i0. in bijzinnen, wier verbum met een praedicaatsnomen verbonden is. B.v. Cicerone consüle ere a to, toen Cicero tot consul be-

-ocr page 315-

Ablativtis absolutus.

noemd was, in plaats van cum Cicero consul ere at us es set.

2°. in bijzinnen, wier subject verbonden is met een nomen ap-positum of met een adjectivum, dat de plaats van een bijzin bekleedt, of met een participium. B.v. Cum Gajus puer mortuus essct, niet; Gajo puero mortuo. Cum milites inviti ex castris educti essent, niet: militibus invitis ex castris eductis. Cum milites fortiter pugnantes caesi essent, niet: militibus fortiter pugnantibus caesis.

3°. wanneer het participium perfectum van verba deponentia of semideponentia verbonden is met een accusativus objecti, een infinitivus of een ablativus B.v. Sulla omnia pollicito. Co-na t i s cquitibus Romanis impetu turbare hostium aciem. Defuncta civitate plurimorum morbis, perpaucis funeribus.

*§ 4.24. In den ablativus absolutus kan het participium vervangen worden door een adjecti vum, dat een handeling of toestand te kennen geeft, of door een substantivum, dat den persoon aanduidt met betrekking tot zijn bijzondere werkzaamheid, zooals: adjütor, auctor, dux, judex, pracceptor, testis, tot zijn ambtelijke waardigheid, zooals: consul, praetor, rex, imperator, en tot zijn leeftijd, zooals: puer, puerulus, senex. B.v. Deo p r o p it i o , wanneer Get/ genadig is. Patre vivo, hij het leren van mijn vader. Na-t u r a d u c e , onder de leiding der natunr. Cicerone c o n s u 1 e, onder hel consulaat van Cicero. Nobis pueris, toen ivij kinderen waren. Deze constructie vindt hare verklaring daarin, dat er in het Latijn geen participium praesens of perfectum van het verbum sum bestaat.

§ 425. Vooral bij Livius en lateren vindt men soms een ablativus absolutus gebruikt, die schijnbaar het subject mist en enkel uit een p a r t i c i p i u m 1 lestaat en wel:

i0. wanneer er een pronomen demonstrativum of indefini-tum is uitgelaten, dat door een relativum nader verklaard wordt. B.v. Hannibal Ibërum copias trajêcit praemissis, qui Alpium tr an situs specularentur, Hannibal trok niet zijn troepen over den F-bro, nadat hij er eenigen voornitgesonden had om den overtocht over de Alpen te verkennen.

2quot;. wanneer bij de participia audïto, cognïto, comperto, exp 1 o-rato, desperato, nuntiato, edicto en eenige anderen, een ge-heele zin de plaats van het subject vèrvangt. B.v. Hannibal, cognïto sibi insidias parari, fuga salutern quaesïvit, iran-nibal bemerkt hebbende, dat hem hinderlagen gelegd werden, zocht zijn httl^ in de vlucht. Somtijds wordt op deze wijze in plaats van een participium een adjectivum gebruikt. B.v. Multi annantes navibus, in-certo (— cum incertum esset) prae tenëbris quid petërent aut vitarent, foede interierunt.

Aanmerking. Somtijds hebben sommige substantiva en adjectiva die dienen ter aanduiding van liet weder, en eenige participia in den ablativus de kracht van een ablativus absolutus. B.v. Humor a Hap sus extiinsecus, ut in tectoriis videmus austro (z^ cum auster est), sudor em videtur imitari. Se re no (caelo), hij helderen hemel. Tranquillo (mari), bij een kalme zee. In cujus am nis trans-4e druk.

§ 424—425-

-ocr page 316-

Gcundivum cn gerundium.

% 426—427.

306

gres su, multum cert a to {= cum niultum certatum esset), pervi cit Bar dan es.

§ ^26. In den ablativus absolutus blijven de pronomina, welke op het subject van den hoofdzin terugzien, onvertaald, behalve wanneer de duidelijkheid of nadruk anders eischt B.v. Caesar, Pompcjo victo, in Galliam profectusest, Caesar vertrok naar Gallië, nadat Pompejus door hem overwonnen was. Occasione oblata Romam profeet us sum, nadat mij de gelegenheid zuas aangeboden, ben ik naar Rome vertrokken. Quis potest aut deserta per se patria aut oppressa beatus esse?

Hetzelfde geschiedt wanneer de pronomina op een ander woord van den hoofdzin terugzien en door de weglating geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Carthaginienses Regülum, resectis (ei) p a 1 p e b r i s, v i g i 1 a n d o n e c a v e r u 111.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GERUNDIVUM EN GERUNDIUM.

§ 427. Het gerundivum (Vgl. § 108—111) kan verschillende beteekenissen hebben.

1quot;. In den nominativus en in den accusativus cum infi-n it ivo beteekent het, dat iets moet gedaan worden. B.v. Epistöla scribenda est, de brief moet geschreven worden. Scimus, epistölam esse scribendam, wij weten, dat de brief ge se hreven moet worden.

*2°. In de casus obliqui kan het dezelfde beteekenis hebben, maar ook dat iets gedaan wordt; als zoodanig vervangt het de plaats van het ontbrekende participium praesens passivum. B.v. Su-perstitione tollen da non tollïturreligio, doordat het bijgeloof vernietigd wordt, wordt de godsdienst niet vernietigd.

*3°. Met een ontkenning of vix, in vragen en vooronderstellende zinnen gaat de beteekenis van moeten dikwijls over in die van mogen. B.v. Auctor mini me spernendus, een schrijver, dien men volstrekt niet gering mag achten. Homo vix ferendus, een mensch, dien men niet gaarne mag lijden. Si Circe et Calypso m 11 lie-re s appellandae sunt, zoo Circe en Calypso vrouwen genoemd mogen worden.

*4quot;. Met vix heeft het ook de beteekenis van kunnen. B.v. Dolor vix ferendus, een bijna ondragelijke pijn, een pijn, die men nauwelijks verdragen kan.

-ocr page 317-

Gerundivum cn gerundium.

§ 428.

307

Aanmerking I. In het Nederlandsch kan het begrip van moeten ook uitgedrukt worden door te met de onbepaalde wijs. B.v. Vir maximopëre ooien dus, een man, die hoog vereerd* moet worden of een hoog te ver eer en man. De onbepaalde w ij s met te duidt echter ook het begrip van kunnen aan. B.v. Deze ziekte is niet te genezen — deze ziekte kan niet genezen worden. Men vertale nu niet: hic morbus sanandus non est (dit be-teekent: deze ziekte moet niet genezen worden) maar h i c m o r b u s s a n a r i non potest. De brand was niet te blussehen, niet: ince 11 dium restinguendum non erat, maar: ince 11 dium restingui non poterat

Aanmerking II Hoogst zelden vindt men het gerundivum van een verbum transitivum onpersoonlijk met een object gebruikt, B.v. Longam aliquam viam confecisti, quam nobis quoque ingredien-dum est in plaats van quae nobis quoque ingredienda est. Men volge deze constructie niet na.

§ 428. Bij het object der verba van geven, overgeven, op zich nemen en dergelijken (do, trado, man do, mitto, permitto, impöno, propono, concëdo, relinquo, acci-pio, suspicio, loco, verhuren, condüco, huren\'), wordt het gerundivum gevoegd om aan te duiden, wat met het object moet geschieden. In het Nederlandsch gebruiken wij meestal een substantivum verbale of een infinitivus B.v. Dux urbem mili-tibus diripiendam tradïdit, de veldheer gaf de stad aan de soldaten ter plundering over. Commöda m ihi librum legen-d u m, leen mij een boek om te lezen.

In het passivum wordt het gerundivum in den nominativus bij het subject gevoegd. B.v. Liber mi hi le gen dus datur. Summa rerum data est tuenda.

Zoo het object dezer verba niet iets moet ondergaan, maar dient om iets te doen, gebruikt men ad met het gerundium. B.v. Com mod a mihi calamum ad scribendum, leen mij een pen om te schrijven.

Deze constructie staat ook bij curare in de beteeken is van laten. B.v. Conon muros dirütos a Lysandro reficiendos clira vit, Canon liet de muren, die door Lysander verwoest waren, weder opbotnven.

*Aanmerking. Laten wordt in het Latijn vertaald:

in. = zorgen door curare.

20. = bevelen door jubêre, imperare, edieëre. B.v. Caesar tertiam legionem opus perfieëre jussit.

-ocr page 318-

Gerundivum cn gerundium.

% 429—430-

30.8

30. = toestaan door si 11 ere, perm it tere B.v. Sine (permitte ut) paulisper foras exeam; confcstim reveniam.

4°. dulden door pati. B.v. Cur injuriis te lacessi pa ter is.

50. — maken dat iets geschiedt door facëre, effieëre. B.v. Mei ter inferveat facito.

6quot;. — voorstellen (in een geschrift of tooneelstuk). Vgl. § 351 2quot;. A. II.

7quot;. door het passivum. B.v. Tondëri, zich laten scheren. Deter-rëri, zich laten afschrikken. Hoc facile intellegïtur, dit laat zich gemakkelijk begrijpen. Multi avaritia ad turpissima scelëra rapiuntur, velen laten zich door de gierigheid tot de schandelijkste misdaden vervoerett.

8n. niet laten — zich wachten door cavëre. B.v. Cave ira abri-pi are.

90. niet laten — verhinderen door impedire, prohibëre. B.v. Mens mali sibi conscia nocentcs tranquille dormire prohïbet.

Dikwijls blijft laten onvertaald, wanneer het namelijk duidelijk is, dat iemand iets doet door tusschenkomst van een ander. B.v. Caesar pon-tem in Rh en0 fecit. Caesar liet een brug over den Rijn maken.

§ 429. Het gerundium dient om de casus obliqui te vormen van den infinitivus praesens activi, beschouwd als een substantivum verbale. Evenals de infinitivus stelt het gerundium het begrip van het verbum geheel onbepaald voor, regeert den casus van het verbum en wordt door adverbia cn niet door adjectiva bepaald. B.v. Docendo diseïmus, wij Iccrcn door te onderwijzen. Consilium c o n d e n d i u r b e m, het plan om een stad te bouwen. Virtus satis potest ad beate viven-d u m, dc deugd vermag genoeg om gelukkig te leven.

Aanmerking. Ofschoon het gerundium een actieve beteekenis heeft, wordt het toch soms in een passieven zin gebruikt. B.v. A the nas erudiendi gratia missus (=r ut erudiretur). Aqua nitrösa utïlis est bib en do (=: quae bibatur).

§ 430. Zoo bij het gerundium van een verbum transitivum een object staat, verandert men gewoonlijk het gerundium in het gerundivum. Dit geschiedt op de volgende wijze; men zet het object in den naamval van het gerundium en laat er het gerundivum in geslacht, getal en naamval mede overeenkomen. B.v. Consuetüdo immolandi homines, de gewoonte om mensehen te offeren, h ominum immolandorum Tempus accommodatum est demetendo fructus, het is een geschikte tijd om de vruchten te oogsten , fru c t ib us demetendis. Puer propensus est ad legendum libros, dc knaap is geneigd om hoeken te lezen, ad libros legendos. Multi neglegentes sunt in eligendo amïcos. velen zijn onachtzaam in het kiezen hunner vrienden, in amicis e lig en dis.

-ocr page 319-

§ 431—433- Gerundivum cn gerundium. 309

Aanmerking I. Zoo liet gerundium in den genetivus staat en de pronomina personalia me, te, se, nos, vos tot object heeft, gebruikt men bij de verandering in het gerundivum altijd den vorm op i, zonder naar geslacht of getal te zien. B.v. Muiier sui servandi causa aufügit Non vereor, ne quis hoc me vestri adhor-tandi causa 111 agniffce 1 oqui existimet.

Aanmerking II. Somtijds vindt men ook bij goede prozaschrijvers een genetivus pluralis verbonden met den genetivus van het gerundium van een verbum transitivum. B.v. Exemplorum eligendi pot es tas.

§ 431. Dc verandering van het gerundium in het gerundivum moet geschieden, zoo het gerundium in den genetivus staat afhangende van causa of gratia, in den accusativus of ablativus afhangende van een praepositie of in den dativus.

*§ 432. De verandering van het gerundium in het gerundivum pleegt niet te geschieden:

in wanneer het object van het gerundium een pronomen of ad-jectivum neutrïus generis is en door vorm en samenhang niet van het mannelijk geslacht te onderscheiden is. B.v. Studium illud videndi (niet illius videndi). Parva non contemnendo majores nostri maximam hanc urbem fecerunt (niet parvis non contemnendis).

Wel heeft die verandering plaats wanneer op het pronomen of adjec-tivum neutrius generis het neutrum quae volgt en wanneer het onzijdige adjectivum een substantivum abstractum is. B.v. In parandis iis quae ad vitam degendam necessaria sunt. Veri videndi cupiditas.

20. wanneer men eenigc vormen op orum of arum bij elkander zou krijgen. B v. Effëror studio liberos vestros videndi (niet libe-rorum vestrorum videndorum).

3°. wanneer bij tegenstellingen de nadruk op het verbum valt B.v, Injurias ferendo majorem laudem mereberis quam ul-cisee n do.

40. in de uitdrukking suum cuique tribuendo. B.v. Anti qui faci 1 es erant in suum cuique tribuendo-

§ 433- De genetivus van het gerundium staat:

1quot;. bij substantiva op de vraag wat voor een. In het Nc-derlandsch gebruiken wij gewoonlijk öf een infinitivus met om tc öf een praepositie of een samengesteld zelfstandig n a a m woord öf een b ij s t e 11 i n g. B.v.

als genetivus subjectivus: d i f f i c u 11 a s n a v i g a n d i, dc moeilijkheid om tc varen of der scheepvaart; t em erïtas j u di ca nd i i onbezonnenheid in het oordeclen.

als genetivus objectivus: s p e s v i n c e n d i, dc hoop om te ovcr-zuinnen, op overwinning; cupiditas pugnandi, dc begeerte om te strijden, strijdlust.

-ocr page 320-

Gerundivum en gerundium.

als genetivus epexegeticus: nomen carendi, het woord missen.

2°. bij de adjectiva, welke den genetivus regeeren. B.v. U t equus equitandi imperlto inutï 1 is est, ita libri sunt

i n u t ï 1 c s i g n a r o 1 e g e n d i, gelijk een paard zonder nut is voor iemand, die onervaren is in het paardrijden, zoo zijn boeken nutteloos voor iemand, die niet kan lezen.

3quot;. bij de ablativi causa en gratia. B.v. Canes ven and i et custodiendi causa facti sunt, de honden zijn geschapen om te jagen en te waken.

4°. met esse om uit te drukken, waartoe iets dienstig is. In deze bcteekenis moet het gerundium altijd een object hebben en in het gerundivum veranderd worden. B.v. Regium imperium initio conservan dae libertatis fuerat, hel koningschap had in het begin gediend om de vrijheid te bewaren.

*A an merking. Wanneer de substan tiva tempus, consilium, mos, consuetfldo, jus, occasio, enz. verbonden zijn met est, moet men goed toezien of de genetivus van het gerundium (op de vraag wat voor een) of de infinitivus subject! (op de vraagwat) gebruikt moet worden. Zoo zegt men: mos ad ver san di turpi s est, doch: ejus mos est adversari; non est mihi tempus ad haec respondendi, doch: tempus jam est de hac re dieëre. Dikwijls bepaalt de opvatting des schrijvers de eene of andere constructie. B.v. Tempus est abire of abeundi.

Bij facultatem, copiam, locum {gelegenheid), signum dare, causa of ratio est, princeps of auctor sum (exsisto) alicui kan in plaats van den genetivus ook ad met den accusativus van het gerundium staan B.v, Oppidum magnam ad ducendum bellum dab at facultatem. Archias Ciceroni princeps exstitit ad ingrediendam optimarum artium rationem.

§ 434- Dc d a t i v u s van het gerundium staat;

Iquot;. bij somtnige adjectiva, die den dativus regeeren , vooral: u tïlis, i n utï 1 is, ap t us, i d o n eu s, accom modat us, par, impar. B.v. A r bö res hie me interdum tanta nivis copia obtectae sunt, u t ejus onér i sustinendo vix pares sint, de boonien zijn des winters soms met zooveel sneeuw beladen, dat pjij nauzvelijks in staat zijn den last daarvan te dragen. De beste schrijvers voegen echter gewoonlijk bij deze adjectiva ad met den accusativus van het gerundium of een zin met ut of qui

2°. bij sommige verba en uitdrukkingen, die den dativus regeeren , om het doel aan te geven , vooral: i n t e n t u m esse, opëram dare, curam impertire, praeesse, diem dieëre, locum capëre, satis esse en esse in de bcteekenis van kunnen, in staat zijn B.v. Consul pi ac an dis diis dat ope ram.

% 434-

-ocr page 321-

Gerundivum cn gcruiulmm

§ 435-436.

3quot;

de consul tracht dc goden te verzoenen. O n ë r i f e r e n d o s u m u s, wij kunnen den last dragen

3°. bij de composita van vir, die een ambt of waardigheid aanduiden, alsmede bij comitia om het doel aan te geven. B.v. Triumviri rei-publicae constituendae, de driemannen ter regeling van den staat. Comitia consuli ere an do, de volksvergadering voor het kiezen van een consul.

Aanmerking Behalve in eenige geijkte uitdrukkingen, zooals non sol ven do esse, niet in staat zijn om te betalen, scribendo adesse, als getuige tegenwoordig zijn bij het opmaken van een document. komt de enkele d a c i v u s van het: g e r u n d i u m bij na niet voor. Men zegge derhalve: id o neus ad imperandum (niet imperando), finem scri-be n di fa c e r e (niet scribendo).

§ 435. De accusativus van het gerundium staat alleen afhangende van een praepositie. Het meest komt ad voor ter aanduiding van een doel, soms o b , en bij c o n f e r r e, trans-ferre, convertëre ook in Bv. Breve tempus aetatis satis 1 ongu m est ad bene beatëque vi vend u m, de korte tijdA des levens is lang genoeg om goed en gelukkig te leven. F1 ag i t i 5 s u m est o b r e m j u d i c a n d a m p e c u n i a m a c c i p ë r e. C i c e r o quid-quid habui t viri um, id in ci vi um 1 ibertat em defenden-d a m c o n t ü 1 i t.

Aanmerking I Van de overige praeposities wordt het meest nog inter gebruikt, waarbij echter gewoonlijk het gerundium gevoegd wordt, niet het gerundivum. B.v. Mores puerorum se inter luden-dum simplicius detëgunt.

Aanmerking II. De dichters zetten meermalen den infinitivus in plaats van het gerundium in den genetivus of in den accusativus met ad. 13. v. Ajax eed ere nescius in plaats van cedendi. Proteus pec us egit altos visere montes in plaats van ad visendos montes.

§ 436. De ablativus van het gerundium staat gewoonlijk:

iquot;. als ablativus causae of instrumen ti. B.v. Hominis mens discendo a 1 ïtur et cogitando, de rnenschelijke geest wordt gevoed door leer en en denken. Caesar d a n d o, s u b 1 e-vando.ignoscendo, Cato nihil largiendo gloriam adep-tus est.

2quot;. afhangende van in, ab, ex, de, soms pro. B.v. In vo-1 uptate spernenda virtus vel maxime cernïtur, in het verachten der genoegens komt de deugd wel het meeste uit. A Ij a m a n d o d u c t u m est a m i c i t i a e nomen. Summa v o 1 u p t a s ex discendo capïtur. Multa de bene beatëque vivendo a Platone disputata sunt.

-ocr page 322-

Supiiia.

% 437-

312

Soms staat de ablativus van het gerundium in plaats van het participium praescns. B.v. Quis tal ia fan do tem por et a 1 a c r i m i s !

*A an merking. De Nederlandsche praepositie zonder mag nooit vertaald worden door sine met den ablativus van het gerundium of gerundivum. Men gebruikt daarvoor een der volgende uitdrukkingen:

i0. een ontkenning met een participium conjunctum of ablativus absolutus. B.v. Romani non rogati Graecis auxi-lium offer unt. Nullo resistente aut repugn an te a liquid fac io.

2°. een ontkennend adjectivum, zooals: ignarus, inscius, insciens, inspërans, imprüdens B.v. Agesilaus omnes in Asia satrdpas regios imparatos imprudentesque offendit.

3(,. ut non, en zoo er een ontkenning voorafgaat, qui non of quin. B.v. Multi ma! unt exist imari boni viri, ut non sint, quam esse, ut non putentur. Alexander Magnus cum nullo unquam hoste congres sus est, quem non vicerit. Nullum adhuc intermisi diem, quin aliquid ad te litterarum darem.

4P. nisi. B.v. Nullum imperium est tutum, nisi benevolen-tia munitur. Nihil praecepta atque artes valent nisi ad-juvante natura.

5quot;. cum met een ontkenning en den conjunctivus. B.v. Abi-isti, cum nihil mihi dixisses.

6°. neque of et — non. B.v. Multi probant oratores et poe-tas neque intellëgunt, qua re commöti probent.

7°. sine met den ablativus van een substantivum. B.v Sensim sine sen su a etas senescit (zonder dat men het voelt

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVEE DE SUPINA.

§ 437. Hot s u p i n u m op u m staat bij verba, die een b e w e-g i n g van de cene plaats naar de andore aanduiden (vooral m i t-tere, venire, ire), om het doel der beweging aan te geven. Hot regeert don casus van zijn verbum. B.v. Divitiacus Romam ad senatuni venit auxi 1 ium postulatum, Divitiacus kwam te Rome bij den senaat om hulp te vragen. Agesilaus Ephë-sum hiematum excrcïtum reduxit.

Men zegt ook fi 1 i a m a 1 i c u i n u p t u m dare, zijn dochter aan iemand uithuwelijken; a 1 i q u o m s e s s u m r c c i p ë r c , iemand een zetel aanbieden.

*Aanmcrking. In het algemeen wordt het supinum op um, wanneer het een object of adverbium bij zich heeft, door goede schrijvers niet veel gebruikt; ook komen de omschrijvende uitdrukkingen met ire, zooals; perdïtum, rap turn, ultum ire, vooral bij lateren en bij dichters voor. Geijkt is c u b ï t u m ire, ttaar bed gaan.

-ocr page 323-

Gebruik van sommige substantiva.

§ 438-439-

313

In plaats van het supinum op u.a gebruikt men liever qui (vooral bij mittere) of ut met den conjunctivus, causa met den genetivus en ad met den accusativus van het gerundium of gerundivum. Men kan derhalve zeggen: Legati üelphos missi sunt, consul-tum Apollinem, ut of qui consulercnt Apollinem, ad con-sulendum Apollinem, Apollinis consulendi causa. Bij venire staat ook het participium praesens. B.v. Legati venerunt pacem petentes. Vgl. § 419 A. IV.

§ 438. Het supinum op u, dat altijd een passieve bcteekenis heeft, wordt gevoegd bij sommige adjectiva en onverbuigbare substantiva, waar wij om ie met de onbepaalde wijs gebruiken. B.v. Turpe dictu est, liet is schandelijk om te zeggen. P1 e-raque dictu quam re sunt faci 1 iora, de meeste zaken zijn gemakkelijker om te zeggen dan om te doen.

Het supinum op u wordt slechts bij weinige woorden gebruikt, het meest nog bij:

diffieïlis, moeilijk. mirabïlis, \'merkwaardig

facïlis, gemakkelijk. optïmus, best.

honestus, voegzaam. proclïvis, gemakkelijk.

incredibilis, ongeloofelijk. turpis, schandelijk.

jucundus, aangenaam. utïlis, nuttig.

Verder bij fas, hetgeen geoorloofd is, en 11 e fas, hetgeen ongeoorloofd* is

De meest gebruikelijke supina op u zijn: dictu, factu, audita, cognïtu, visu, adïtu, zeldzamer: m e m o r a t u, i 11 v e n t u , i n-tellectu, transitu, perpessu.

*Aanmerking. Bij facflis, diffieïlis en jucundus gebruikt men in plaats van het supinum op u wel zoo dikwijls ad met het gerundium, of zoo deze adjectiva in het neutrum staan den infiniti-vus Men kan zeggen: haec res facilis est dictu of haec res facilis est ad dicendum of hanc rem facile est dicere. Men zegt echter geregeld difficile dictu en factu est.

In het algemeen is het gebruik van het supinum op u zeer beperkt

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK VAN SOMMIGE SUBSTANTIVA,

§ 439 Verschillende adjectiva zijn volkomen in-substantiva overgegaan en kunnen geheel als zoodanig beschouwd worden. B.v. Bonum, het goede, amicus, vriend, s e r v 11 s , slaaf, simile, gelijkenis, commune, gemeente. Men zegt dus zeer goed: summum bonum, fide lis amicus.

Andere adjectiva komen als substantiva voor in sommige spreekwijzen, waarin veelal een bepaald substantivum wordt uitgelaten. B.v. cani

-ocr page 324-

Gebruik van sommige snbstantiva.

% 440.

314

fcapilli); calïdam, frigid am (aquani) po tare; primas, secundas (partes) agëre; dextra, sinistra (manus); aestiva, hiberna, statïva (castra); Tusculanum (praedium).

De overige adjectiva worden gewoonlijk slechts als substantiva gebruikt:

in. wanneer zij van het mannelijk enkelvoud zijn, in den gene-tivus bij est en in den accusativus. B.v. Stulti est in errore perseverare, het is eigen aan een dwaas om in zijn dwaling te volharden. Plurimum interest inter doctum et rudem, er is een zeer groot verschil iusschen een- geleerde en een onwetende.

2quot;. wanneer zij van het onzijdig enkelvoud zijn en tot de tweede declinatie behooren, in den nominativus subjecti, den accusativus subjecti en objecti, den genetivus partitivus (Vgl. § 245. 5U.) en in verbinding met praeposities. B.v. Nihil novi, niets nieuws. Aliquem de medio tollëre, iemand uit den wegruimen. Naves in aridum subdue ére, de schepen op het drooge trekken. Vgl. § 245 3°. A. I.

3°. wanneer zij van het mannelijk of onzijdig meervoud zijn, in alle naamvallen, mits er geen onduidelijkheid ontstaat. B.v. Et pauperes et d i v i t e s m o r i e 111 u r , zoowel de rijken als de armen zullen sterven. Omnia hum an a sunt fragilia, al het menschelijke is vergankelijk. Zoo de volgende zin: ambiguorum plura genera sunt, niet door den samenhang verklaard wordt, zal hij onduidelijk zijn, omdat er zoowel dubbelzinnige personen als dubbelzinnige zaken bedoeld kunnen zijn.

Aanmerking I. Zoo de adjectiva niet als substantiva gebruikt mogen worden, omschrijft men hen, de mannelijke met vir of homo, de vrouwelijke met femina, de onzijdige met res, allen met relatieve zinnen. B.v. De brave doet niemand leed, homo probus of is qui probus haberi vult, neminem laedit. Memoria re rum prae-teritarum. A rebus turpibus abhorrëre. Ea, quae utiiia sunt. Vgl. § 185. A. II. 30

Aanmerking II. Het onzijdig enkelvoud wordt gewoonlijk gebruikt, wanneer men het begrip van het adjectivum als een substanti vum abstractum wil aanduiden. B.v. Bonum, het goede, malum, het kwade. Somtijds geeft het iets concreets te kennen 15.v. Gratum face re alio ui, iemand een aangenamen dienst bewijzen. Verum (nooit veritatem) dice re, de waarheid zeggen.

Het onzijdig meervoud wordt gewoonlijk gebruikt om de bijzondere zaken, die de eigenschap van het adjectivum bezitten, als een substan-tivum concretum aan te duiden. B v. Humana despieëre, vera et falsa dignoseëre, turpia et inhonesta fugëre.

Aanmerking III. De als substantiva gebruikte adjectiva hebben gewoonlijk slechts adjectiva van hoeveelheid en pronomina bij zich. B v. Multi docti, om nes boni, aliquot pauperes. De andere adjectiva moeten omschreven worden. B.v. De grootste geleerden, doctis-s i m i (met of zonder homines). Een grooter geleerde, homo d o c t i 0 r. Uitstekende geleerden, homines d o c t r i n a e x c e 11 e n t e s of homines eximie docti. A tuis invidis.

§ 440 De Latijnen gebruiken gaarne nomina concreta, waar wij abstracta aanwenden:

-ocr page 325-

Gebruik van sommige substantiva

§ 441—442.

515

1u. om den ouder d o m aan te geven, waarin of sinds welken iemand iets gedaan heeft, zooals: puer, adolescens, adolescentü-1 u s, ju vënis, se 11 e x, grandis na tu in plaats van in pue ri tia, enz. en ab infante, a parvü 1 o, a puër0, ah adolescentülo (bij meerdere personen in het meervoud) in plaats van a p u e r i t i a, a b adolescentia, enz B.v. Ca to admödum senex Graecas lit ter as didïcit. Cicero ejusque frater ingenuis artibus a pueris dediti fuerunt.

2°. wanneer de namen van ambten als tijdsbepalingen worden gebruikt. B.v. Cicerone consule in plaats van in consulatu Ciceronis; ante (post) Ciceronem consulem in plaats van ante (post) consula-tum Ciceronis. Scipio anno ante me censorem mortuus est. Men kan echter het nomen abstractum behouden, wanneer het nomen concretum als appositie van het subject zou staan. B.v. Clodius tribunus plebis of in tribunatu plebis leges civitati pernicio-sissimas tulit.

§ 441, Somtijds gebruiken de Latijnen abstracta in plaats van con creta. Als zoodanig komen het meest voor: nobilïtas (nobiles), juventus (juvenes), vicinitas (vicini), servitium (servi), levis armatura (leviter armati), posterïtas (posteri), legatio (legati). B.v. Legendus est Gracchus, orator, si quisquam alius,\'-ju-ventuti. Nusquam benigne legatio audita est.

Meermalen zet men in het Latijn een sub st anti vu m abstractum in plaats van een Nederlandsch adjectivum, waarop een bijzondere nadruk valt. B v. Nonne seis Milonem brachiorum roböre nimis fretum periisse, weet gij niet, dat Mile stierf omdat hij zich te veel op zijn krachtige armen verliet? Nulla re ma gis odiosus mi hi es quam j act anti a oratio nis, door niets zijt gij onuitstaanbaarder voor mij dan door uwe hoogdravende taal. Het gezond verstand zij altijd onze gids bij het toepassen der 1-atijnsche eigenaardigheden Wie toch zal coximus bonitatem panis als vertaling durven leveren van den /.in: wij hebben goed brood gebakken, of wie zal durven zeggen, zoo hij een geleerd man gesproken heeft: locutus sum cum doctrina viri.

g 442. Meermalen wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door den genetivus van een Latijnsch substantivum, vooral zoo er in het Latijn geen passend adjectivum bestaat. B.v. Zinnelijke genoegens , corpöris vo 1 uptates, lichamelijke smart, dolor corporis, philosophischc leerstellingen, praecepta phil\'osophiae, mathematische berekeningen, m a t h e m a t i c o r u m rationes, priesterlijke rechten, j u r a sacerdotum, revolutionaire plannen, a u d a c i u m c i v i u ra c o n s i 1 i a , vijandelijke legerplaats, h ostium cast ra.

Niet zelden wordt een Nederlandsch adjectivum vertaald door een subs tan tivum meteen conjunctie copula ti va of door een omschrijving met plenus. Zoo heet een lafhartig verraad pro dit io at que ignavia of proditio plena ignaviae, wijze gematigdheid modc-ratio et sapientia, een verkwikkende rust requies plena oblec-tationis.

Soms is het begrip van een Nederlandsch adjectivum reeds begrepen in een Latijnsch substan tivum. B.v. Zinnelijke lust, libido, uitwendige glans, splendor, innerlijke kracht, virtus, grondige kennis, perspi-

-ocr page 326-

Gebruik van sommige substantiva % 443—445.

cientia, een onberispelijk gedrag, inn0cen tia, de lieukende geest, mens.

Soms wordt een Nederlandsch samengesteld zelfstandig naamwoord vertaald door een substantivum met een adjectivum. B.v. Wijnkelder, cell a vinaria, vrachtschip, navis oner aria. Ook wel door twee substantiva verbonden door een conjunctio copulativa. Igt;.v. zwaartekracht, gra vitas et pon dus, ooggetuige, testis et spectator. Vgl. §250. A.

§ 443. Nederlandsche substantiva vallen in het Latijn dikwijls geheel weg of worden enkel aangeduid door het neutrum van een pronomen demon strati vu m. Dit geschiedt:

i1\'. met zulke substantiva, die op een volgenden accusativus cum infinitivo of zijdelingsche vraag wijzen, zooals: waarheid woord, uitspraak, bemerking, waarneming, meening, overtuiging, oordeel, stelling. B.v. Tk hond de meening vast, dat slechts dc wijze gelukkig is, hoe teneo , beatum esse neminem nisi sapientem. Bij allen staat deze waarheid vast, dat niemand vóór den dood gelukkig te noemen is, inter om nes hoc constat, neminem ante mortem beatum esse praedi-candum Geef mij een stof, waarover ik schrijven kan, mihi da, de quo s crib am. Wij hebben geen middel om van te leven, non habe-m u s u n d e v i v a m u s.

20. met zulke substantiva, die op een volgenden zin met ut wijzen, zooals, doel, voordeel, eigenschap, bron, vrucht. B.v. Hannibal beoogde gedurende zijn ganse he leven slechts dit ééne doel, de vernietiging der Romeinse he macht, Hannibal per omnem vitam hoe unum secutus est, ut Romanorum potestaten! ex stingu ë re t.

§ 444. Nederlandsche substantiva worden dikwijls omschreven door participia en wel:

il). door het participium praesens, wanneer iets gelijktijdig plaats heeft. B.v. O nine malum nas eens facile opprimïtur, alle kwaad wordt in de geboorte gemakkelijk onderdrukt. Nemo laboranten! me adjüvit, niemand heeft mij in mijn nood ondersteund. Spe-ciem timentium praebetis, gij doet vrees vermoeden.

2quot;. door het participium perfectum, wanneer de handeling als geschied en door het gerundivum, wanneer de handeling als nog niet geschied gedacht wordt. In den nominativus en in den accusativus cum infinitivo kan het gerundivum niet op deze wijze gebruikt worden (Vgl. § 427. iu.). Men kan hier ook de praeposities ad, ante, ob, post, propter, ab, de, ex, in gebruiken. B.v. Caesare interfi-ciendo Brutus et Cassius patriae libertatem restituëre co-nat i sunt, Brutus en Cassius trachtten door de vermoording van Caesar hun vaderland wgder vrij te maken. Caesare i n t e r f e c t o Brutus et Cassius patriae libertatem non restituerunt. Ab oppug-nanda Neapöli Hannibalem absterruere conspecta moenia, het gezicht der muren deed Hannibal afzien van de belegering van Napels. lïarbarus quidam Hasdrubalem ob iram interfecti ab eo domini obtruncavit. Primus liber est de contemnenda morte. Ante urbem condï\'tam.

§ 446. Meermalen worden Nederlandsche substantiva omschreven: t0. door infinitivi. B.v. Affer argumenta, quibus Deum esse demonstretur, geef de bewijzen voor het bestaan van God.

3i6

-ocr page 327-

Gebruik van sommige sjibstantiva.

§ 446—447-

317

Saepenumero aeeïdit, ut careamus voluptate, qua frui jucundissimum nobis er at, dikwijls gebeurt het, dat wij een ge-voegen missen, welks genot ons hoogst aangenaam zou zijn.

20. door zijdelingsche vragen. B.v. Diligentcr consideran-dum est, quid ex omni re evcnire so 1 eat, men moet de gevolgen van iedere handeling met zorg overdenken. Die quid s e n t i a s, zeg uw gevoelen. Videndum est, quo sua quemque natura maxime f e r r e v i d e a t u r, men moet op ieders natuurlijke neiging letten.

30. door bijzinnen met conjuncties. B.v. Mali, dum mortem instare sentiunt, timore et sollicitudine afficiuntur, bij het gevoel van de nadering des doods worden de boozen met vrees en onrust vervuld. Hector nee p r e c i b u s p a t r i s nee matris 1 a c r i m i s d e-terrïtus est, quominus certamen cum Achille iniret. Hector liet zich noch door de geleden zijns vaders noch door de tranen zijner moeder van den strijd met Achilles terughouden.

Aanmerking. Op bovengenoemde wijze worden ook Nedcrlandsche adverbia pronominalia omschreven. B.v. Ik ben daarvan overtuigd, per-suasi animo, rem ita se habere. Hij geeft daarvoor de reden aan, rationem affert, cur it a fiat. Veel heeft mij daarin he lemmerd, m u 11 a i m p e d i v e r u n t, quo m i n u s id fa cere m.

§ 446. Nederlandsche substantiva worden vertaald rloor relafieve z i n n e n :

i0. wanneer er in het Latijn enkel substantiva op tor, trix aanwezig zijn en een persoon moet aangeduid worden, die slechts voor een enkele maal een zekere handeling verricht. Zoo heet hij, die een enkele maal een redevoering houdt, niet orator, maar is, qui dicit (dixit, dieet). Zoo ook: pracmia iis. qui optime cecinissent, proposïta e r a n t. er waren belooningen uitgeloofd voor de beste zangers.

Aanmerking. Ofschoon de verbalia op tor, trix in den regel slechts zulke personen aanduiden, welke de gewoonte of het beroep hebben van zekere handeling te verrichten, zoo mogen zij echter ook gebruikt worden van iemand, die slechts eenmaal zekere handeling verricht heeft, maar daardoor een historische persoonlijkheid geworden is. B.v. Romulus condïtor urbis fuit Themistocles patriae liberator. Cicero Verris accusator.

2°. zoo zij de beteekenis hebben van gezel, partijgenoot, leerling, enz. B.v. De partijgenooten van Caesar, qui stab ant cum Ca es a re. De volgelingen van Pythagoras, qui a Pyth agora pro fee ti sunt. De leerlingen van Plato. qui sunt a P1 atone.

30. ter omschrijving of\'versterking van den zin. B.v. Met Gods hulp heb ik al mijn wenschenS verkregen, Deo ju van te omnia, quae coneupivi, consecutus sum. Voor God bestaat er geen onmogelijkheid, nihil est quod Deus effieëre non possit.

§ 447. Sommige substantiva worden dikwijls ter omschrijving aangewend. Hiertoe behooren vooral: res, genus, modus, ratio, animus en c o r p u s.

Res wordt vooral gebruikt in plaats van onzijdige adjectiva en pronomina (Vgl. § 439. A. I). Somtijds heeft een pronomen neutrum betrekking op een voorafgaand res. B.v. Earum re rum utrumque. Humanarum rerum pleraque fortuna regit.

-ocr page 328-

Pronomina personalia cn possessiva.

318

% 448-

Meermalen wordt het Nederlandsche subject het door res vertaald. B.v. Het kwam tot een gevecht, res ad arm a venit Het gaat heter dan ik gedacht had, res melius it quam putaram.

Genus wordt evenals het Nederlandsche wijze, opzicht, betrekking Vex omschrijving gebruikt. B.v. In hoe genëre, hierin. Quo in gen ere, waarin. In omni genere te quotidie desidëro, onder ieder opzicht verlang ik dagelijks naar v.. Omni genere virtutis florêre, alle deugden bezitten.

Modus wordt vooral gebruikt tor omschrijving van adverbia. B.v. Hoc modo of in hunc modum 1 ocutus est, hij heeft aldus gesproken Mirum in modum gaudeo, ik ben zeer verheugd. Vgl. § 263. A. I.

Ratio, dat eigenlijk rekening, aanmerking beteekent, blijft zeer dikwijls in het Nederlandsch onvertaald. B.v. Propter rationem belli G a 11 i c i — propter bellum Gallicum Oratio m e a, a 1 i e n a a b j u d i-ciorum ratione — ab judiciis. Tota igitur ratio talium largi-tionum vitiosa est, sed interdum ne ces sar ia = tales largiti-ones omnes.

Animus, corpus, voluntas, enz. worden dikwijls gebruikt in plaats van de pronomina personalia om meer bepaald dat deel van den mensch aan te geven, waarop de handeling van het verbum betrekking heeft B v. Ik heb bij mij zeiven besloten mijn ambt neer te leggen, cum animo (m eo) cons tit ui munere me abdicare Laten wij op die weide gaan liegen, corpora in illo prato prosternamus. Wij zullen v gaarne gehoorzamen, libentes voluntati tuae morem ge re mus. Gij spreekt zoo zacht, dat ik n niet versta, tam summisse loquëris, ut orationem tuam non intellëgam. Beangstig n niet langer om mij, noli diutius sollicitari meis rebus.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HET GEBRUIK DER PRONOMINA.

I. Pronomina personalia en possessiva.

§ 448. Meermalen wordt nos gebruikt voor ego en noster voormens. B.v. Vides, Demosthënem multa perfieëre, nos multa conari. Totum negotium non est dignum viribus nostris, qui majora onëra in republica sustinëre possim et soleam

Dikwijls zet men met weglating van het pronomen het verbum in den eersten persoon van het meervoud in plaats van het enkelvoud B.v. Sex libros de republica tunc scripsimus, cum gubernacüla reipu-blicae tenebamus. Virtutem satis posse ad beate vivendum supra diximus. Men moet dit meervoud niet beschouwen als een pluralis majestatis, maar als een pluralis modestiae, wijl men hierdoor zijn eigen persoonlijkheid achter die zijner lezers of hoorders tracht te verbergen.

Vos, vester in plaats van tu, tuus mag niet gebruikt worden.

-ocr page 329-

§ 449—45 1 Pronomina personalia cn posscssiva.

§ 449. De pronomina personalia staan dikwijls overtollig bij quidem — sed. B.v. Amicum tuum non nos quidem odïmus, sed eer te non probamus, wij haten uw vriend ivel niet, maar prijzen hem toch ook niet. Hierbij valt op tc merken:

1quot;. dat in plaats van ego quidem equidem gebruikt wordt. B.v. Divitias non equidem contemno, sed pluris tamen existïmo virtutem, ik veracht den rijkdom wel niet, maar schat de deugd toch hooger.

2ft. dat men i 11 e gebruikt als pronomen personale van den derden persoon. B.v P, Scipio non saepe ille quidem dicebat, sed sale facetiisque om nes supe rabat.

30. dat quidem altijd achter het pro n om e n staat, ofschoon de klemtoon op een ander woord valt. P.v. Ti bi persuade esse te quidem mihi carissimum, sed multo fore cariorem, si talibus mon lira en tis praeceptisque laetabere (in ])laats van carissimum quidem).

g 450 De pronomina possess!va worden gewoonlijk weggelaten, wanneer zij uit den samenhang verstaan worden; dit zal meestal geschieden, wanneer zij terugzien op het subject van denzin. B.v. Deum quot;oculis conspicëre non possumus. Via tor es sitim aqua sed ant.

Deze pronomina moeten echter geplaatst worden, zoo zij den nadruk hebben en bij tegenstellingen Bv Patrem meum, cum pro-scriptus non esset, jugulastis; me domo mea per vim expu-listis; patrimonium meum possidetis. Tam mihi mea vita, quam tua tibi cara est

Aanmerking. Wanneer de pronomina possessiva geen bezit aanduiden, worden zij dikwijls vervangen door een demonstrativum of relatieven zin. B.v. Socrates sapientissimus vir illius aetatis, Socrates, de wijste man vati zijn tijd. Cicero in eo libro, quem scrip sit de amicitia. Cicero in zijn boek over de vriendschap

§ 451. Betrekkelijk de be teekenis der pronomina possessiva valt op te merken :

1quot; dat zij en wel vooral suus soms de beteekenis hebben van juist, recht, passend, wettelijk. B.v. Tempöre tuo pugnasti, gij hebt juist op den rechten tijd gestreden. Cicero suo anno consul est factus, Cicero werd consul, zoodra hij den hij de wet bepaalden ouderdom bereikt had. Dikwijls vindt men meo, tuo, suo, npstro, vestro jure, met volle recht, soms optimo jure, nooit pleno of omni jure.

2n, dat zij dikwijls gebruikt worden in plaats van de pronomina personalia om aan te duiden, dat iets van zekeren persoon afkomstig is B.v. Multas uno tempore accêpi epistolas tuas, ik heb verscheidene brieven te gelijk van u ontvangen.

3quot;, dat zij dienen ter vertaling van eigen, wanneer dit de tegenovergestelde beteekenis heeft van a 1 i e n u s, icat aan een ander toebehoort. B.v. I s t u d s c e 1 u s m e i s o c u 1 i s v i d i, ik heb deze misdaad met eigen oogen gezien. Alienis oculis rem agëre, niet door eigen oogen zien. Vgl § 468. 3quot;,

Staat eigen tegenover gemeenschappelijk, communis, dan wordt het vertaald door proprius. B.v. Propriis viribus bellura gerëre, met eigen middelen oorlog voeren. Ista calamitas communis est

319

-ocr page 330-

Pronomina rcflcxiva.

% 452—453.

320

utriusque nostrum, sctl culpa mea propria est. Sua cuique virtuti laus propria debetur.

§ 452. De pronomina possessiva staan gewoonlijk achter het sub-sta\'ntivum; zoo er de nadruk o]i valt, staan zij voorop. B.v. Meum consilium accommodabo ad tuum. Haec mea manu scripsi.

Zoo in denzelfden zin een pronomen possessivum en een pronomen per son ale voorkomt, staat het possessivum gaarne onmiddellijk vóór het personale. B.v. Mea mi hi conscientia pluris est quam omnium sermo Sequëre (juo tua te natura ducit. Suum se negotium a g e r e d i c u n t.

II. Pronomina reflexiva.

§ 453. De pronomia rcflcxiva sui, sibi, sc en suus, sua, suum worden vooreerst gebruikt, wanneer een pronomen van den derden persoon betrekking heeft op het subject van den zin, waarin het staat. B.v. Caesar se ad suos reeëpit, Caesar begaf zich weder naar de zijnen. Deus agnoseïtur ex operibus suis, men leert God uit zijn werken kennen. Verrcs solus cum sua cohorte relinquïtur, alleen Verrcs met zijn cohort wordt achtergelaten. Is de h o n o r e r e g n i c u m A g e s i 1 a o, s u o p a t r u o, c o n t e n d i t.

Deze regel geldt niet alleen, wanneer het pronomen van den derden persoon onmiddellijk afhangt van het pracdicaaatsverbum, zooals Caesar se recepit, maar ook wanneer het door een ander woord van den zin geregeerd wordt, zooals Caesar se ad suos recepit. Men lette hierop vooral bij het gebruik van s u i, sibi, se, omdat wij in het Nedcrlandsch in dit geval meermalen hem, haar, hnn en niet zich zeggen. B.v. Homo placabïlis injuriis sibi illatis facile ignoscit, een vreedzaam mensch vergeet gemakkelijk de hem aangedane beleeaigingen. Alexander praefectum equitatus incautius in se rucntemhasta transfixit. Scnatui populus ipse moderandi et regendi sui potestatcm trad i dit. Om nes suos caros habet, me quidem se ipso cariorem

Aanmerking I. Het Nedcrlandschc pronomen reflexivum wordt in het Latijn dikwijls uitgedrukt door den passie ven vorm van het werkwoord. B.v. delectari, zich vermaken, falli, zich bedriegen, movêri, zich bewegen, lavari, zich baden, congre-gari, zich verzamelen, offerri, zich aanbieden, excrcëri, zich oefene7i. Wanneer de passieve vorm van het werkwoord dient ter vertaling van het Nedcrlandschc pronomen reflexivum worden de omschrijvende werkwoorden zien, bevinden, gevoelen, enz in het

-ocr page 331-

Pronomina rcjlcxiva.

453\'

321

Latijn meestal onvertaald gelaten. B.v. Cogor, ik zie mijgcdiuott-gcn. Non excïtor ut hoe faciam, ik gevoel mij niet opgewekt om dit te doen.

Dezelfde reflexieve beteekenis hebben sommige deponentia, zooals : 1 a e t a r i, zich verheugen, v e s c i, zich voeden, v e r s a r i, zich ergens ophouden, en sommige activa, zooals: a b s t i n ë r e, zich ont honden, deflectëre, zich afkeer en.

Aanmerking 11. Men mag nooit suus gebruiken , wanneer een zin twee onderwerpen heeft, die door een conjunctie met elkander verbonden zijn, en bij het tweede onderwerp het bezittelijk voornaamwoord zijn, haar, hnn terugziet op het eerste onderwerp. B.v. Alleen Verres en zijn cohort zvorden achtergelaten, Ver res solus et ejus cohors relinquuntur. De veldheeren en hunne soldaten gingen op de vlucht, duces eorumque m i 1 i t e s f u g e-r u n t. A t h e n i e n s e s u r b e m s u a m a e d e M i n e r v a e o r n a v e-runt eorumque magn i ficentiam mi rat a est posterïtas. Romani Corinthios vicerunt eorumque ornamentd\'in suam urbem transportarunt.

Aanmerking III. Suus wordt ook gebruikt, wanneer het terugziet op een woord, dat hoewel geen subject van den zin, toch subject der handeling is. B.v. Mul tos peccatorum suorum paenitet, velen hebben berouw over hunne zonden. Cui non edu cat ores sui in men te versa ntur? = quis non educatores suos in mente habet? Jus to de sunt sua verba d o 1 o r i = just us dolor sua verba non habet.

Meermalen ook gebruikt men suus, vooral in de beteekenis zijn eigen, haar eigen, hun eigen, ofschoon het geen betrekking heeft noch op het subject van den zin, noch op het subject van de handeling, maar op een ander woord van den zin, waarin het staat. In dit geval mag het niet terug kunnen zien op het subject, hetgeen de persoon, het getal en de beteekenis van het praedicaat moeten beslissen. B.v. A rist idem sui cives ejecerunt, zijn eigen burgers hebben Aristides verbannen. Scipio Syracusanis suas res restituit, Scipio gaf aan de Syra-cusers hunne bezittingen terug (hier heft de betèekenis van het praedicaat alle dubbelzinnigheid op). Cepimus columbam in nido suo, wij hebben de duif in haar nest gevangen. Volaterranos in sua pos-sessione retinebam. Caesar Fabium cum legione sua (doch et 1 egi onem ejus) rem i 11i t in hibern a.

Zoo door het gebruik van suus echter dubbelzinnigheid ontstaat, of wanneer het pronomen volstrekt geen nadruk heeft, gebruikt men den genetivus van i s, e a, id. B.v. A c c i p ï t e r columbam ce pit in nido ejus. Wat zou in nido suo beteekenen? Deum agnoscimus ex operibus ejus. Verri litterae complures a m u 11is ejus amicis afferuntur.

In verbinding met quisque moet men altijd suus gebruiken. Eveneens moet men de zijnen, de haren, de hunnen, altijd door sui vertalen 4e druk. 21

-ocr page 332-

Pronomina rcflcxiva.

S 454—455-

322

B.v. Aequïtas tollïtur omnis, si habere suum cuique non licet. Id maxime quemque decet, quod est cujusque maxime suum. Cons er va tuis suos.

§ 454. De pronomina refiexiva worden vervolgens gebruikt, wanneer in den accusativus cum infinitivo een pronomen van den derden persoon terugziet op het subject van den hoofdzin. B.v. Cincinnatus nuntium aeeëpit, se dictatoren! esse factum, Cincinnatus vernam, dat hij dictator was geworden. Men zegge echter: Cincinnato nuntiatum est, eum dictatorem esse factum, want hier ziet het pronomen van den derden persoon, dat in den accusativus cum infinitivo voorkomt, niet terug op het subject van den hoofdzin. Petrus mi hi narravit, patrem suum defunctum esse, Petrus heeft mij verhaald, dat zijn vader gestorven is. Ait se paenitere, illum autem non paenitere. Socrates multa vitia sibi insïta, sed rationa a se dejecta esse dicebat.

*A an merking. Het reflexivum wordt ook gebruikt als subject van een ablativus absolutus, wanneer dit hetzelfde is als het subject van den hoofdzin en de ablativus absolutus dient tot bepaling van een accusativus cum infinitivo. B.v. Cato affirmat, se vivo, illum triumph at u rum. Caesar Gallia m temptari, se absente, nolebat.

Soms vindt men ook het reflexivum als subject van een ablativus absolutus, wanneer deze dient tot bepaling van een participium. B.v. Laudator temporis acti se puero.

§ 455. De pronomina reflexiva worden ten laatste gebruikt in alle b ij z i n n e n, waarin een pronomen van den derden persoon terugziet op het subject van den hoofdzin, feoo zij namelijk iets mededeelen volgens de gedachte of voorstelling van het subject van den hoofdzin. B.v. Nesciebat dux, quid mi lit es de se dicerent, de veldheer -wist niet, wat de soldaten van hem zeiden. Viclnus a me petïvit, ut hodie apud se cenarem, mijn huurman heeft mij verzocht om heden het middagmaal hij hem te gehruiken. Gajus divitias contemnebat, quod se felïcem reddëre non possent, Gajus verachtte den rijkdom, wijl deze hem (volgens zijne meening) niet gelukkig kon maken. Hannibal i m p e r a v i t puero, ut propere, sibi nuntiaret, n u m undïque obsideretur, Hannihal beval den knaap hem te hoodschappen of hij van alle kanten werd ingesloten.

Uit het juiste begrip van dezen regel volgt, dat een pronomen

-ocr page 333-

§ 45*5—457- Pronomina reflcxiva.

van den derden persoon, ofschoon het terugziet op het subject van den hoofdzin, niet door het reflexivum mag vertaald worden, wan neer het voorkomt in bijzinnen, die in den indicatives staan of die afhangen van ut consecutivum of van een tijdbepa 1 end cum. B.v. Gajus contemnebat divitias quod eum feli-cem reddëre non poterant. (Hier wordt de reden aangegeven volgens de meening van een ander). Epa mi nondas erat diser-tus, ut nemo Thebanus ei par es set eloquent! a. Men zou echter moeten zeggen : Epaminondas su mmo studio eloquentiae operam dedit, ne quis (= ut nemo) Thebanus sibi par esset eloquentia. Alcibiades, cum ei nuntius in Sicilian! missus esset, ut domum rediret, non parëre noluit et in trirêmem, quae ad eum deportan-dum erat mis sa, adscendit.

§ 45S. Wanneer in een bijzin een reflexivum staat, kan het somtijds onduidelijk wezen of het terugziet op het subject van den hoofdzin of op het subject van den bijzin. In het bovenaangehaalde voorbeeld: nesciebat dux, quid milites de se dice-rent, kan se namelijk volgens § 453 terugzien op milites en volgens § 455 op dux. Zoo nu de samenhang niet uitmaakt, op welk van beide subjecten het reflexivum betrekking heeft, gebruikt men ipse, indien het pronomen terugziet op het subject van den ho ofdz i n. B.v. J u g u r t ha legates ad consulem mittit, qui ipsi liberisque vitam petërent. Caesar gravïtersuos incusavit, quod sua de virtute aut de ipslus diligen-tia desperarent.

De Latijnen zijn overigens niet zeer angstvallig op dit punt. Ten bewijze hiervan strekt, dat zij meermalen in denzelfden bijzin twee reflexiva plaatsen, waarvan het eene op het subject van den hoofdzin en het andere op het subject van- den bijzin terugziet. B.v. Ariovistus ait, neminem secum (cum Ariovisto) sine sua (op neminem betrekking hebbende) pernicie con tendisse. Roma ni legates miserunt, qui a Prusia rege petërent, ne inimicissimum s u um (Romanorum) secum (cum Prusia, subject van den bijzin) habêret sibique (Romanis) dedëret.

§ 457. Somtijds wordt het reflexivum gebruikt in bijzinnen, die niet de gedachte uitdrukken van het subject, maar van een ander woord van den hoofdzin. Zulk een woord moet echter het subject der handeling wezen. B.v. A Caesare invïtor (= Caesar me invitat) sibi ut sim 1 e g a t u s , ik word door Caesar uitgemodigd om zijn gezant te

323

-ocr page 334-

Pronomina demonstrativa.

% 458—459-

324

zijn. Faustulo spes fuerat (= Faustulus speraverat) regiam stir-pem apud se educatum iri.

Aanmerking. Nu en dan vindt men een of andere afwijking van bovengenoemde regels. B.v. Helvetii persuadent Rauracis et Tulingis, ut una cum iis proficiscantur. Patres nil rectum, nisi quod placuit si bi, ducunt.

§ 458. Het woord elkander wordt gewoonlijk vertaald door inter nos, inter vos, inter se, of door alius alium, alii alios, alter al-te rum, uterque ut r unique. B.v. Am am us inter nos, wij bcmin-ven elkander. Amatis inter vos, gij bemint elkander. RespuMica nos inter nos con cilia tura est, de republiek zal ons met elkander verzoenen. Homines inter se amare deben t, dc menschen moeten elkander beminnen. Alter alterum adspeximus, wij zagen elkander aan. Piratae vel ignSti inter se alii alios adjuvabant, zelfs zonder elkander ie kennen hielpen de zeer oevers elkander.

Aanmerking. Vicissim en invicem, welke woorden in later tijd ook elkander beteeken den, gaven oorspronkelijk een afwisseling te kennen, zooals wij uitdrukken door beurtelings, bij afwisseling. B.v. Ho-mines vicissim dormiunt et vigilant. De fa tig at is invicem intëgri sueeëdunt.

III. Pronomina demonstrativa.

§ 459. Hic, het pronomen demonstrativum van den eersten persoon, wordt gebruikt:

1°. om aan te duiden, dat iets den spreker zei ven betreft of hem naar plaats of tijd nabij is. Als zoodanig beteekent het meermalen mijn, ons, tegenwoordig, laatst. B.v Hi mores, onze zeden. In hac magnificent ia urbis, bij dc tegenwoordige pracht der stad. Hoe b i e n n i o , in de laatste twee jaren.

2°. om te wijzen op iets, dat onmiddellijk volgt. Als zoodanig beteekent het meermalen dc volgende, hetgeen nooit vertaald mag worden door sequens. B.v. Locutus est in hunc modum, hij sprak aldus. Hoe Hesiödi, het volgende gezegde van Hesiodus. Vetus hoc est, de nihïlo nihil fit, het is een oude spreuk: uit niets komt niets.

Aanmerking I. Meermalen wordt op deze wijze een volgende accusativus cum infinitivo of een zin met ut aangeduid. Vgl. § 443. In dit geval moet het woord slechts onvertaald blijven. B.v Hoe dico, mclli-tiem hujus aetatis multo majorem esse, quam quae majo-r 11 m n o s t r o r u m m e m o r i a f u i t, slechts dit zeg ik, dat de weekheid van den tegenwoordigen tijd veel grooter is, dan zij ten tijde onzer voorvaderen was. Zoo op een accusativus cum infinitivo gewezen wordt, kan men in plaats van hoe ook sic of ita gebruiken. B.v. Sic a majori-bus nostris accepimus, praetörem quaestöri suo patris loco esse o portere, dit hebben wij van onze voorouders overgenomen, dat eeti praetor bij zijn quaestor de plaats van een vader behoort te vervullen.

Aanmerking II. Zoo iets, dat volgt, wordt gezegd tegenover iets, dat voorafgaat, moet hic gebruikt worden om op het voorafgaande en ille om op het volgende te wijzen. B.v Sed hoe (het zoo even genoemde) commune vitium , i 11 u d (hetgeen volgt) Epic üri pro-

-ocr page 335-

Pronomina demonstrativa.

§ 460—402.

3-25

prium. Sed haec (hetgeen gezegd is) leviora, illa (hetgeen volgt) vero g raviora.

§ 460. Is te, het pronomen demonstrativum van den tweeden persoon, wordt gebruikt:

i0. om aan te duiden, dat iets betrekking heeft op den persoon, tot wien men spreekt. B.v. Istud scelus meis oculis vidi, ik heb uw misdaad mei eigen oogen gezien. De istis rebus exspecto tuas litter a s, over hetgeen er bij u geschiedt, verwacht ik een brief van u.

20. om een zekere verachting te kennen te geven, vooral wanneer men spreekt over zijn tegenpartij. B.v. Expo nam vobis ex qui bus generibus hominum istae copiae (Catilinariae) comparentur. Quis hoe non perspïcit, praeclare nobiscum actum iri, si populus Romanus istius unius (Verris) supplicio conten-tus erit?

§ 461. IIle, het pronomen demonstrativum van den derden persoon, wordt gebruikt:

i0. om aan te duiden, dat iets betrekking heeft op den persoon, over wien men spreekt of dat iets naar plaats of tijd verwijderd is. B.v. Servi injurias nimis aegre ferunt; quid illos bono genere natos, magna virtu te praeditos, opinamini animi hetbu-isse? Tum ille, non sum, inquit, nescius ista inter Graecos dici solere. Tum primum philosophia, non illa de natura, quae fuerat antiquior, sed haec, in qua de bonis rebus et malis disputatur, inventa dicitur.

20. om aan te duiden, dat iets bekend, beroemd is. B.v. Illud Platönis, dit bekende gezegde van Plato. Ex sue regno sic Mithri-dates profügit, ut ex eödem Pon to Medea illa quondam profugisse dicitur. Uit deze beteekenis van ille verklaart men des-zelfs verbinding met andere pronomina. B.v. Hie ille egregius annus nunc in stat.

Aanmerking. Ille wordt soms overtollig achter sic gevoegd, wanneer een substantivum uit het tweede lid eener vergelijking vóór het eerste lid der vergelijking staat. B.v. I ngeniosi, ut aes Corinthium in aerugtnem, sic illi in morbum ineïdunt tardius.

§ 462. Hic en ille worden dikwijls tegenover elkander gesteld om twee te voren genoemde nomina aan,te duiden. Gewoonlijk ziet hic op het laatst genoemde en ille op het eerst genoemde. B.v. S c i p i o et Hannibal 3 u m m i i m p e r a t o r e s f u e r u n t; hic C a r-t h a g i n i e n s i s, ille Romanus fu i t. Zoo echter het eerst genoemde nomen in de gedachte des sprekers het voornaamste is, ziet hic op het eerst genoemde en ille op het laatst genoemde. B.v. Cave Catoni antepönas Socratem; hu jus enim facta, illïus dicta laudabantur.

Ter bevordering van de duidelijkheid of wanneer hic en ille reeds gebruikt zijn, kan men prior — posterior, superior — inferior, superior — posterior gebruiken, B.v. Cum duo sint genera decertandi, unum per disceptationem, alterum per vim, cumque illud proprium sit hominum, hoe beluarum: confu-giendum est ad posterius, si uti non licet superiore.

-ocr page 336-

Pronovi ina demonstrativa.

326

% 463-

Wanneer er drie nomina voorafgaan, ziet hic op het laatste, iste op het middelste, ille op het eerste. B.v. T u 11 i u m, A 11 ï c u m et Trebatium diltgo; hunc quidem ob mores festïvos, istum ob ingenii liberalitatem, ilium propter incredibile dicendi genus, ik bemin Tullius, Atticus en Trebatins; dezen om zijn geestig karakter, den tweede om zijn edele denkwijze, den eerste om zijn buitengewone gave van spreken.

Aanmerking I. Deze en gene, de een en de ander {— sommigen) heet hic et hic, hic et ille, ille et ille; deze of gene, hic aut ille. B.v. Non dicam illinc hoe signum ablatum esse et illud; hoc dico, nullum te Aspendi signum, Verres, reliquisse.

Aanmerking II. Hic, iste, ille worden dikwijls ter versterking van de beteekenis of welluidendheidshalve verbonden met talis, tantus en tam met een adjectivum. B.v. Da operam ut hunc talem virum videas quam primum. Hae tam variae artes.

§ 463. Is wordt gewoonlijk gebruikt:

1quot;. wanneer men een enkelvoudigen persoon, na hem eerst in het algemeen aangeduid te hebben, tot subject maakt van een zin, waarin iets naders van hem verhaald zal worden. B.v. P. Annius Asellus mortuus est C. Sacerdote praetor e. Is, cum ha beret unïcam filiam, earn bonis suis herëdem instituit, onder het praetorschap van C. Saeerdos stierf P. Annius Asellus. Daar deze slechts een eenige dochter had, benoemde hij haar tot erfgenaam van zijne bezittingen.

20. als persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon, doch alleen in de casus obliqui. B.v. Legates miserunt, qui e u m a b s e n t e m accusaren t, zij zonden gezanten om hem in zijne afwezigheid te beschuldigen. Als zoodanig wordt is in den genetivus gebruikt, wanneer het Nederlandsche bezittelijke voornaamwoord van den derden persoon niet vertaald mag worden door suus. Vgl. de voorbeelden van § 453—455. Evenals de pronomina possessiva wordt cok de genetivus van is gewoonlijk weggelaten, zoo hij uit den samenhang verstaan wordt. B.v. Novi Marcum non minus quam fratrem Q u i n t u m.

3quot;. als antecedens van het relativum. B.v. Is, qui Deum amat, vitia fugit. Fieri potest, ut recte quis sentiat et ld quod sen t i t, polite e 1 öqui non po s sit. Re tti 1 i me ad e a s tu-dia, quae longo intervallo intermissa revocavi.

Wanneer is geen substantivum bij zich heeft, zonder nadruk staat, en in denzelfden naamval geplaatst is als het relativum, wordt het meermalen weggelaten. B.v. Maximum ornament um amicitiae tol lit, qui ex ea tollit verecundiam. Somtijds geschiedt dit ook, wanneer de naamvallen verschillen. B.v. Inter omnes philosophos constat, (eum) qui unam habet, omnes habere virtutes. Miseranda vita (eorum) qui se me tui quam amari malunt.

Wanneer is geen substantivum bij zich heeft, wordt de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achter den relatieven zin gezet. B.v. Male se res habet, cum, quod virtute effici debet, id tentatur pecunia. A quo p 1 urimum speran t homines, ei po tissimum inserviunt. De relatieve zin mag echter nooit voorop staan, wanneer

-ocr page 337-

Pronomina dcmonstrativa.

§ 464—466.

327

hij ter omschrijving dient van een substantivum. l!.v. Marius Plotii ingenio putabat ea quae gesserat posse celebrari.

Aanmerking I. Wanneer een substantivum, dat nader verklaard wordt door een relatieven zin, in het Nederlandsch voorafgegaan wordt door het niet bepalend lidwoord in de beteekenis van zoodanig een, zoo groot een, moet men dit in het Latijn vertalen door is of tan t us. B.v. Hij bedreigde mij niet een hevigheid, die zelfs de zachtmoedigsten zon verbitteren, ea (tanta) ira mi hi mi nat u s est, quae (quanta) etiam placidissimos exacerbaret.

Aanmerking II. Evenals bij is qui, wordt ook bij talis qualis, tam quam, tantus quantus, enz. de demonstratieve zin voor den nadruk gaarne achteraan geplaatst. B.v. Socrates hanc viam ad gloriam proximam dicebat esse, si quis id ageret, ut, qualis haberi vellet, talis esset. Quodsi, quam audax est ad conan-dum, tam esset obscurus in agendo, fortasse aliqua in re nos aliquando fefellisset. Quo quisque est sollertior et ingeniosior, hoe docet iracundius et laboriosius.

§ 464. Wanneer een nomen proprium in een nieuwen zin nader beschreven wordt, mogen de Nederlandsche appellativa man, vrouw, enz. in het Latijn niet vertaald worden. B.v. Erat tum in castris quidam Marcius, Is (niet is vir) impëtum hostium erumpentium retüdit. Horatius Venusiae natus erat. Hujus (niet hujus poetae) carmina tam praeclara sunt ut nihil supra possit.

§ 465. Het pronomen is valt weg:

i0. wanneer het in het tweede lid eener vergelijking of tegenstelling verbonden is met een genetivus. B.v. Classis Britannorum major est quam Gal lorum (niet quam ea Gallorum). Dei praecep-tis magis obediendum est quam hominum (niet quam iis ho-minum). Corpus dormientis jacet ut mortui (niet ut id mortui). Ante do mum pistöris tilia, ante vestitoris fagus est (niet ante eam vestitoris). Quis est qui possit conferre vitam Tre-bonii cum Dolabellae. Voor de duidelijkheid herhaalt men bij verschil van casus soms het substantivum, waarop het Nederlandsche demonstrativum terugziet. B.v. Nulla est celeritas, quae possit cum animi celeritate contendere. Soms zet men het woord, dat in den genetivus moet staan, in den casus van het uitgelaten demonstrativum. B.v. Oratio captivorum cum perfügis convënit (^cum oratione perfugarum).

2U wanneer het bij een tweede verbum of substantivum in denzelfden casus zou moeten staan als het nomen, waarop het betrekking heeft. B.v. Caesar overwon Pompejus bij Pharsalus en vervolgde hem tot in Egypte, Caesar Pompejum ad Pharsalum devicit atque usque in A e gyp tum persecutus est. De vederen der vogelen en hunne beenderen zijn met lucht gevuld, avium et pennae et ossa aëre repleta sunt. De oude Grieken noemden Ceres de wetgeefster en vereerden haar als zoodanig, prisci Graeci Cerërem legifëram et vocabant et veneraban tur.

§ 466. Een nadere bepaling, welke men sterk wil laten uitkomen wordt met het voorgaande verbonden door et is, isque, atque is,

-ocr page 338-

Pronomina demonstrativa.

% 46/ -468.

328

en wel, en nog wel, nee is, en wel niet, en nog wel niet, sed is, maar dan. B.v. Geef mij asjeblieft een mes en wel een scherp, da mi hi quae so cult rum et eura acütum. Er waren eenige jongelingen en wel van geen geringe afkomst, erant aliquot adolescentes nee ii ten ui loco orti. Severitatem in se n eet u te probo, sed eam modi cam. Zoo zulk eene bepaling op een geheelen zin betrekking heeft, gebruikt men et id, idque. B.v. Linguam momordi id que tam ve hemen ter, ut sanguis emicaret, ik heb op mijn tong gebeten en wel zoo hevig, dat het bloed er uit sprong.

§ 467. I dem wordt gebruikt, wanneer aan den zelfden persoon of zaak een tweede praedicaat wordt toegevoegd. Het beteekent insgelijks, ook, tevens, zoo de praedicaten gelijksoortig, nogtans, maar daarentegen, zoo zij tegenovergesteld zijn. B.v. Matüra cerasa suavis-sima eademque sal uberrima sunt, rijpe kersen zijn zeer smakelijk en tevens zeer gezond. Inventi multi sunt, qui vitam profundëre pro patria parati essent, iidem gloriae jacturam ne minimam q u i d e m f a c e r e v e 11 e n t, er zijn er velen gevonden, die bereid waren hun leven voor hun vaderland op te offeren, maar die zich daarentegen niet het geringste verlies van roem wilden getroosten.

§ 468. Ipse wordt gebruikt in de volgende beteekenissen:

i0. hij zelf, zij zelve, het zelf om een persoon of zaak sterk te doen uitkomen en tegenover andere personen of zaken te stellen. B.v. Quae-ram ex ipsa, ik zal het haar zelve (en geen ander) vragen. Vooral dient het om sterk aan te duiden, dat een pronomen van den bijzin terugziet op het subject van den hoofdzin. Wij laten zelf dan gewoonlijk onvertaald, doch leggen den nadruk op het pronomen. B.v. Caesar respondit sicut ipsius dignitas postulabat, sicut ipsi pla-c u i t, sicut i p s u m d e c e b a t, Caesar antwoordde zooals het zijn waardigheid vereischte, zooals het hem behaagde, zooals het hem voegde.

20. zelf. B.v. Ipse vidi, ik heb het zelf gezien. Vooral wordt ipse met deze beteekenis gebruikt in reflexieve zinnen. Het komt alsdan overeen met het subject, wanneer men wil aanduiden, dat het subject en niet een ander de handeling verricht. B.v. Cato mortem sibi ipse conscivit, Cato benam zich zeiven het leven. Si no s ipsi lauda-mus, necesse non est alios nos laudare, zoo wij ons zeiven prijzen , moeten anderen ons niet prijzen. Porta ipsa se a p e r u i t, de poort ging van zelf open. Zoo men echter wil aanduiden, dat de handeling op het subject en niet op een ander gericht is, laat men ipse overeenkomen met het pronomen re f 1 e x i v u m. B.v. Non amatis nisi vos ipsos, gij bemint u zeiven slechts. Discipuli non magistris sed sibi i p s i s d i s c u n t, de leerlingen leeren niet voor hun leermeesters maar voor zich zeiven. Meermalen echter vindt men den nominativus, waar men een anderen casus zou verwachten. B.v. Quid est negotii continëre eos, quibus praesis, si te ipse contineas. Dit geschiedt vooral, zoo ipse vóór het pronomen reflexivum staat en ook zoo het volgt op per me, per se. B.v. Medici ipsi se curare non possunt. Virtus per se ipsa placet. Achter niemet, nobismet, nosmet, enz. staat ipse bijna altijd in denzelfden casus. B.v. Nolite vos met ipsos consolari.

3°. eigen bij de pronomina possessiva. Zoo ipse hier betrekking

-ocr page 339-

Proiiom ina interrogativa.

§ 469—470.

329

heeft op het subject, komt het gewoonlijk in den nominativus. B.v. Neglëgis tuum ipse commödum (minder goed tuum ipsius com-modum), gij verwaarloost mu eigen belang. Crass us et Antonius ex scriptis cognosci ipsi suis non potuerunt. Zoo ipse niet op het subject terugziet, staat het altijd in den genetivus volgens den regel van § 240. A. B.v. Vestra ipsorum causa hoc feci, ik heb dit om mu eigen belang gedaan.

40. juist (niet te verwarren met forte, bij toeval), persoonlijk, onmiddellijk, eigenlijk, als zoodanig, reeds (wanneer reeds veranderd kauworden in zelfs, mag het niet vertaald worden door jam). B.v. Quattuor heb-domades ipsae sunt, cum avia mea mortua est, hel is juist vier weken geleden dat mijn grootmoeder stierf. Crass us erat trien 11 io ipso minor quam Antonius, Crassus was juist drie jaren jonger dan Antonius, Is ipse, juist hij. Nunc ipsum apud te esse ve-lim, juist nu zou ik gaarne bij u zijn. Re gin a ipsa exercitui aderat, de koningin was persoonlijk bij het leger tegenwoordig. Post ipsum proelium ingens tempestas exorta est, onmiddellijk na het gevecht brak er een hevige storm los. Robur ipsum exercituum Graecorum in m i 1 i tibus gravis armatur ae f ui t, de eigenlijke kern der Grieksche legers bestond in de zwaar gewapenden. Divitiae ipsae neminem mortalem beatum reddere possunt, rijkdom als zoodanig kan den mensch niet gelukkig maken. Ipsa vita quotidian a demonstrat ex parvis rebus mag nas oriri, reeds het dagelijksche leven toont, dat kleine omstandigheden groote gevolgen kunnen hebben.

50. ingelijks, ook. In plaats van ipse zegt men ook ipse quo que, ipse etiam, et ipse of het adverbium item. In deze beteekenis wordt ipse gebruikt, zoo aan een tweede subject een zelfde praedi-caat wordt toegevoegd als aan een vroeger subject. B.v. Deinde Crassus tres ipse excitavit recitatores, daarop liet ook Crassus (evenals zijn tegenpartij gedaan had) drie lezers optreden. Rex ipse q u o q u e p u g n a v i t, ook de koning streed mede. Aderat Romulus augur cum Re mo fratre item au gure.

§ 469. De pronomina demonstrativa staan meestal vóór het substan-tivum. B.v. Hie mons, illo tempore. Wanneer ille de beteekenis heeft van die bekende, staat het gewoonlijk achter het substantivum. B.v. Medëa illa. Staat er bij een demonstrativum en een substantivum nog een adjectivum, dan komt het pronomen gewoonlijk in het midden. B.v. Magnus ille Alexander. Bij de verbinding met possessiva worden de demonstrativa gewoonlijk voorop gezet. B.v. Haec mea domus. Ipse staat in verbinding met andere pronomina gewoonlijk daarachter. B.v. Hoe ipsum. Sua ipsi frumenta corrumpunt.

IV. Pronomina interrogativa.

§ 470. Door quis vraagt men naar den naam, door qui (nr qualis) naar de hoedanigheid van een persoon of zaak. B.v. Quis senator, hoe heet de senator 1 Qui senator, wat voor een man is de senator 1

Ten gevolge van dit verschil in beteekenis wordt qui, doch enkel in zijdelingsche vragen, ook als substantivum gebruikt. B.v. Qui

-ocr page 340-

Pronomina intcrrogativa,

§ 471-

33°

sis et quid facere pos sis, con sidë ra, balenk 7vat voor een man gij zijl en wat gij doen kunt. Somtijds wordt qui in zijdelingsche vragen ook gebruikt in plaats van quis, wanneer het volgende woord met een s begint. B.v. Themistocles domino navis, qui sit, apërit.

Aanmerking I. In algemeene vragen met ontkennende be-teekenis moet men waar, hoe vertalen door quis; want met ubi vraagt men naar de plaats, waar en met quomodo naar de wijze, waarop iets geschiedt. B.v. Waar is iemand die alle goede eigenschappen mist, quis est, qui omnibus virtutibus car eat? fToe kan iemand twijfelen , dat Cicero zijn vaderland gered heeft, quis du bite t, q uin Cicero patriam servaverit?

Aanmerking II. Er bestaat nog een oude ablativus singularis qui, welke in rechtstreeksche en zijdelingsche vragen gebruikt wordt als adverbium interrogativum. Dit woord staat:

i0. in de beteekenis van hoe, waarvan. B.v. Qui fit, hoe komt hetï Aristides vix reliquit, qui (=: unde) efferretur, Aristides liet nauwelijks genoeg na otn daarvan begraven te worden. Vooral wordt het in deze beteekenis gebruikt met u t o r. B.v. H a b e o qui u t a r, ik heb iets om daarvan te leven.

2quot;. met aangehecht cum in plaats van quo cum (soms quacum) om op een on be paal den persoon te wijzen. B.v. Mihi da, qui cum omnia communicem, geef mij iemand, aan wien ik alles kan me-dedeelen. Men zegge echter niet: pater quicum, omdat men hier een bepaalden persoon heeft.

§ 471. Quid wordt slechts gebruikt in den n o m i n a t i v u s en a c c u-sativus. In de overige naamvallen gebruikt men quae res. B.v. Cu-jus rei cupïdus es, waarnaar zijt gij begeerigl Quid beteekent ook waarom, waar toet B.v. Quid metuam mortem, waarom zal ik den dood vreezen? Sed quid opus est plura (sc. commemorare), maar waartoe is het noodig nog meer te vermelden?

Aanmerking. De uitdrukkingen quid, quid enim, quid igitur dienen ter inleiding van een vraag, hebben onmiddellijk achter zich het hoofdbegrip der vraag en vervolgens het vraagwoord met het overige gedeelte der vraag. B v. Quid? Cadmi filia, nonne A.suy.oösoi nomi-nata est a Graecis? Quid? Ille M. Cato nonne eloquentia summa fuit? Quid igitur? Contra Brutumne me dicturum putas?

Vooral vindt men quid? quod, quid? si in de beteekenis van ja zelfs bij den overgang tot een bewijs, dat de voorafgaande bewijzen in kracht overtreft. Bv.Quid? quod homines infima fortuna, nulla spe rerum gerendarum, opifïces denïque delectantur hist or ia? Dit argument diende als het sterkste bewijs van de stelling: historiam delectare. Quid? si etiam jucunda est memoria prae-teritorum ma 1 orum?

Aanmerking II. Het met quid samengestelde adverbium quidni, waarom niet, zeker, waarop altijd de conjunctivus volgt, geeft in den vorm eener vraag een sterke bevestiging te kennen. B.v. Cum Sali-nator eum rogaret, ut meminisset, opera sua se Tarentum recepisse, quidni, in quit, meminerim? Nunquam enim re-cepissem, nisi tu perdidisses. Quidni verwarre men niet met quin. Vgl. § 360. i0.

-ocr page 341-

I. § 472—-475. Pronomina indefinita. 331

/ § 472. De Latijnen kunnen in denzelfden zin twee of meer vragen met

\'k elkander verbinden. In het Nederlandsch moet men bij de vertaling van

s zulk een dubbele vraag een omschrijving gebruiken. quot;B.v. Considëra,

P i s o, q u i s q u e m f r a u d a s s e d i c a t u r, lel o/gt;, Piso , wie men zegl dal bedrogen heefl en dat bedrogen is. M u 11 u m interest quid a quo ;t fiat, er is veel aan gelegen ival er gedaan wordl en door wicn hel ge-

p daan wordt. Milo si Clodium interficere voluisset, quantae

, quoties occasiones quam praeclarae fuerunt?

V. Pronomina indefinita.

§ 473. Quis, qui wordt vooral gebruikt na si, nisi, ne, num, quo, quanto, ubi, cum. B.v. Me tell us e dixit, ne quis in castris coctum cibum vend ere t. Quo quis doctior est, eo mode-stior esse solet.

Zoo echter op het pronomen indefinitum de nadruk ligt, gebruikt men a 1 i q u i s. B.v. Si aliquis fuit doet us, is fuit Aristoteles. Timebat Pompejus omnia, ne aliquid vos timeretis. Wij drukken soms den nadruk, die op aliquis ligt uit door werkelijk. B.v. Si aliquid dandum est voluptati, senectus modicis convi-viis potest delectari.

Quis staat ook op zich zeiven. B.v. Dixerit quis. Morbus aut egestas aut quid ejusmödi.

Aanmerking I. In hoofdzinnen en na quo, quanto, ubi, cum mag men alleen quis als subs tan tivum gebruiken. Na si, nisi, ne, num mag men quis en qui zonder onderscheid als subs tan tivum en als adjec tivum gebruiken. B.v. Ne quis en ne qui. Si quis dux en si qui dux.

Aanmerking II. Si en ne worden soms met quis tot één woord verbonden. B.v. Si quis, nequis. Altijd verbonden schrijft men num-quis en ecquis.

§ 474 Aliquis, iemand, eenig, de een of ander, deze of gene, wordt gebruikt, wanneer men over een onbepaalden, maar werkelijk be-staanden persoon of zaak spreekt. Het staat bijna altijd in bevestigende zinnen. Vgl. § 477. i0.

Aliquid heeft evenals het Nederlandsche iets soms de bijbeteekenis van beduidend. B.v. Nunc dicis aliquid, nu zegt gij iels, dal wat te beduiden heeft. Est aliquid ducem exercitui praeesse, het is geen geringe zaak aan het hoofd van een leger te staan.

Wanneer iels in het Nederlandsch een adjectivum bij zich heeft, moet het in het Latijn onvertaald blijven. B.v. In ballingschap te leven is een treurig iets, in exsilio esse miserum est. Vgl. § 176 A. II.

Aanmerking. Het zeldzaam voorkomende quispiam is gewoonlijk te vertalen door deze of gene. B.v. Fortasse dixerit quispiam.

§ 475. Quidam wordt gebruikt:

i0. om een bepaalden persoon of zaak in het algemeen aan te duiden. B.v. Occurrit quidam, zeker iemand (dien ik niet nader zal aanduiden) kwam mij legen. Ummidius quidam, een zekere Ummidius. Om de bepalende beteekenis van quidam te versterken, voegt men er meermalen certus bij. B.v. Ut saltatori motus non quivis, sed

-ocr page 342-

Pronomina indcfinita.

% 476—477.

332

certus quidam est datus, sic vita agenda est certo genere quo-dam, non quolïbet.

In het meervoud heeft quidam somtijds de beteekenis van eenigen, sommigen. B v. Quidam hoe dicunt

aquot;. om de beteekenis van een substantivum of adjectivum te verzachten. Niet zelden is het in dit geval verbonden met quasi, tamquam. In het Nederlandsch geeft men deze verzachtende beteekenis te kennen door het niet bepalend lidwoord of door om zoo te zeggen, een soort van. B v. Saepe audi vi, poetam bonum neminem sine inflamma-tione animorum exsistere posse et sine quodam afflatu quasi furoris. Gentes subjectas ferrea quadam servitute oppressit. Translatum verbum maxime tamquam stellis quibusdam notat et illuminat orationem.

Soms versterkt quidam de beteekenis van een adjectivum en moet dan vertaald worden door zeer, buitengewoon B.v. Mithridates mira quadam memoria fuit.

Aanmerking Quidam staat in den regel achter het substantivum. B.v. Homo quidam. Zoo bij het substantivum een adjectivum staat, wordt quidam gewoonlijk daar tusschen geplaatst. B.v. Incredibilis quae-dam celeritas

g 476. Quisque wordt vooral in vier gevallen gebruikt:

i0. bij ordinalia Vgl. § 70. 20. bij superlativi, Vgl. § 304.

30. bij pronomina en adverbia relativa. B.v. Scipio pollicetur sibi magnae curae fore ut omnia civitatibus, quae cu-jusque fuissent, restituerentur. Zoo quisque subject is van den hoofdzin en de constructie der attractio gebruikt wordt, moet het in den relatieven zin geplaatst worden. B.v. Quam quisque norit ar-tem, in hac se exerceat. Vgl. over quo quisque met den compa-rativus en ut quisque met den superlativus § 302. A. IV,

bij reflexiva. B v. Fabius ait fabrum esse suae quemque fortunae. Milites pro sua quisque virtute donati sunt.

Aanmerking I. Quisque staat geregeld achter de ordinalia, superlativi, relativa en reflexiva. In drie gevallen echter staat quisque vóór de reflexiva: i0. wanneer bij de constructie der attractio een reflexi-vum in den relatieven zin voorkomt. B.v. Quanti quisque se facit, tanti fit ab amicis. 20. wanneer het reflexivum om den nadruk aan het einde van den zin geplaatst wordt. B.v. Id maxime quemque decet, quod est cujusque maxime suum. 30. wanneer quisque met een gene ti vu s partitivus verbonden is. B.v. B estiarum quae que suum tenens munus ma net in lege naturae. Vgl §245 20. Aanm. II. c.

Aanmerking II Unusquisque, quilïbet en quivis staan gewoonlijk op zich zeiven. B.v. Quivis homo potest quemvis turpem de quolibet rumorem proferre.

§ 477. Qui s quam en uil us worden gebruikt:

in. in ontkennende zinnen en na sine en vix, B.v.Non credo quidquam me omisisse ad rem quod pertineat, ik geloof niet, dat ik iets heb overgeslagen, wat op de zaak betrekking heeft. Caesar milites quemquam interficere vetuit, Caesar verbood zijne soldaten iemand te dooden. Sine ullo periculo, zonder eenig gevaar. Dieet quispiam vix quemquam inveniri, qui pecuniam contemnat.

-ocr page 343-

Pronom ina lia

§ 478—481-

333

Wanneer de ontkenning echter op een enkel woord betrekking heeft of wanneer twee ontkenningen elkander vernietigen, gebruikt men ali-quis. B.v. Cum aliquid non habeas, wanneer men iets niet heeft. Hoe non sine aliqua dubitatione confiteor. Verres nihil un-quam fecit sine aliquo quaestu.

20. in vragen en andere zinnen, die een ontkennende beteeken is hebben. B.v. Quisquamne istud negat, is er wel iemand, die dit ontkent 1 Quasi quisquam hoe dicat, alsof er iemand is die dit zegt.

Na ne, neve en num staat gewoonlijk quis. B.v. Numquis Epa-minondae par fuit eloquentia?

30. na quam in het tweede lid eener vergelijking. B.v. Delii Apol-linemmajore religione colunt quam quemquam deorum. In rege Mithridate devincendo Pompejus felicior fuit quam quisquam superiorum ducum. Diutïus in hac urbe quam in alia ulla com-moratus est.

40. in bevestigende zinnen, vooral na si, wanneer een groote nadruk ligt op iemand, eenig. B.v. Enitar si ullo modo potero. Quamdiu quisquam erit, qui te defendëre audeat, vives Dum praesidia ulla fuerunt, Roscius in Sullae praesidiis fuit. Huic, si cniquam est fidendum, te committe. Daarentegen : si cui est fidendum, antea explorandum est, utrum secreta custocljre possit necne.

§ 478. Quicunque en quisquis worden in zuiver Latijn slechts als relativa gebruikt en vorderen een verbum finitum. B.v. Quem cun que librum legeris, ejus summam paucis verbis in commentaria referto. Quidquid ortum est, aliquando intereat necesse est. Quoscunque de te queri audivi, quacunque potui ratione placavi.

Quacunque ratione, quocunque modo, qnoquo modo, pp welke wijze ook, in ieder geval, komen ook zonder verbum finitum voor. B.v Quae sanari poterunt, quacunque ratione sanabo.

Somtijds wordt cunque door een toonloos woord van qu i gescheiden. B.v. Rationem, quo ea me cunque ducit, sequar.

§ 479. Het vragende pronomen indefinitum e c q u i s doet gewoonlijk een ontkennend antwoord verwachten. B.v. E c q u i s v e n i t, is er iemand gekomen 1 Ecquis me hod ie vivit fortunatior, leeft er titans wel iemand gelukkiger dan ik? Rogato ecquid in tuam statu am contulerit.

§ 460. Quotusquisque komt gewoonlijk slechts voor bij uitroepingen en wel in den nominativus singularis. B.v. Quotusquisque formosus est! Quotusquisque est, cui sapientia omnibus omnium divitiis praeponenda videatur! Vgl. § 375. 4.

VI. Pronominalia.

§ 481. Van de adjectiva pronominalia (aldus genoemd om hunne overeenkomst met de pronomina) mogen alter, uter en neuter met hunne composita slechts gebruikt worden, wanneer er spraak is van twee personen of zaken. B.v. Hannibal aliero oculo caecus fuit, Hannibal

-ocr page 344-

Pronominalia,

% 482—484.

334

was aan het eenc oog blind. Neutrum laudo nee audacem nee timï-d u m, ik prijs geen van beiden, noch den vermetele, noch den vreesachtige. Vulcanus utroque pede claudicasse fertur, men zegt dat Vu lean us aan beide voeten kreupel was. Demosthenes et Cicero clarissimi oratores fuerunt; liter eorum praestantior fuerit in medio relinquo.

Aanmerking. Alter, dat gewoonlijk door de andere vertaald wordt, beteekent ook een ander, wanneer men in plaats daarvan een tweede kan zetten.B.v. Detrahëre alteri sui commödi causa contra naturam est.

§ 482. Uterque heiden, wordt in het enkelvoud gebruikt, wanneer het betrekking heeft op enkelvoudige personen of zaken. B.v. Mil-tiades et Themistocles quamquam de patria optime meruerant, tarnen uterque civium injuriis affectus est.

Het wordt in het meervoud gebruikt bij pluralia tantum, zooals: utraeque litterae, utraque castra en wanneer het betrekking heeft op substantiva, die in het meervoud staan. B.v. Caesar cum Germa-nis et Britannis bellum intulisset, utrosque vicit.

Aanmerking. Duo beteekent twee, eenvoudig als een veelheid beschouwd. Ambo duidt aan, dat twee reeds genoemde personen of zaken als één geheel worden voorgesteld. Uterque geeft te kennen, dat twee reeds genoemde personen of zaken als twee zelfstandige eenheden worden voorgesteld. B.v. Duo senatores mihi obviam sunt facti; ambo salutavi, uterque resalutavit. Men moet zeggen: Hannibal (ad Cannas) exercitus amborum consulum vicit, wanneer men wil aanduiden, dat de legers der twee consuls één geheel uitmaakten, doch: utriusque consulis, wanneer de legers der beide consuls ieder op zich zeiven stonden en afzonderlijk verslagen werden.

§ 483. Men mag geen slechts dan door nullus vertalen, wanneer het den zin heeft van geen enkel, volstrektgee7i. B.v. Nullus h o ni o, geen [enkel) mensch. Nulla magna virtus, geen enkele groote deugd. Nullum mihi auxilium praebet. Zoo geen slechts dient om aan den zin een ontkennende beteekenis te geven, moet het vertaald worden door non. B.v. Fk heb geen tijd om mij op te honden, non habeo tempus morandi. Geen nuttelooze moeite, non inutilis opera. Geen groote deugd, non magna virtus

Bij esse en in de taal van het gezellig leven ook bij andere verba staat soms nullus in plaats van non. Het versterkt de ontkenning en moet altijd met het subject overeenkomen. B.v. Nolite arbitrari me, cum a vobis discessero, nusquam aut nullum fore.

§ 484. Alius wordt in het Latijn op eigenaardige wijze met een anderen casus van alius of met een van alius afgeleid adverbium verbonden, waar wij een breedere wijze van uitdrukking bezigen. B.v. Aliis aliud videtur optimum, den eenc schijnt dit, den andere dat het beste toe. Alius alio modo interpre tat ur, de ee7ie verklaart het op deze, de andere op gene H\'ijze. Aliis aliunde periculum est, den eene dreigt het gevaar van deze, den andere weer van een andere zijde.

Dezelfde eigenaardige wijze van uitdrukking vindt men ook, wanneer twee verschillende naamvallen van hetzelfde substantivum in denzelfden zin worden gezet. B.v. Aetas aetati succêdit, het eene geslacht volgt

-ocr page 345-

Gebruik van sommige adverbia.

§ 485—486.

335

op het andere. Dies diem trudit, de eene dag verdringt deti anderen. Virtus virtuti tam similis est quam vitium vitio.

Woorden van denzelfden vorm staan in hetzelfde lid van een zin nooit naast elkander, wel in twee bij elkander belioorende leden van een zin. B.v. Alius videtur alius (niet alius alius videtur). Artemisia quamdiu vixit, vixit in luctu.

Aanmerking. Woorden, die verwante of tegenovergestelde begrippen aanduiden, staan gaarne naast elkander, zoo zij tot hetzelfde lid van een zin behooren. B.v. Mortali immortalitatem non arbi-tror contemnendam. Quaedam falsa veri speciem habent. Zoo zulke woorden tot verschillende leden van een zin behooren, staat het eene in het begin van het eerste lid en het andere op het einde van het tweede lid. B.v. Errare mehercule malo cum Platone, quam cum istis vera sentire.

Wanneer twee woorden tegenover twee andere woorden staan gebruikt men gaarne een chiasmus, d. i. men zet de tegenover elkander staande woorden in omgekeerde orde. B.v. Non video quomodo sedare possint mala praesentia praeteritae voluptates. Fateor vulgi judicium a judicio meo dissensisse.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVEE HET GEBRUIK VAN SOMMIGE ADVERBIA.

§ 485. Zeer dikwijls staat in het Latijn een verbum, waar wij een adverbium plegen te gebruiken. B.v. Door overreding richt men gewoonlijk meer uit dan door geweld, persuadendo plus effïci solet quam vi. Cato ried den Romeinen onophoudelijk aan om Carthago te verwoesten, Cato Romanis, ut Carthaginem delërent, suadêre non destïtit. Op het bericht dat de Helvetia\'s Gallii trachtten binnen te dringen, vertrok Caesar in allerijl uit Rome, Caesar Helvetios in Gallia m irrum-përe conari certior factus ab urbe proficisci maturavit. Evenzoo kan men niet meer, niet verder vertalen door de si no, gaarne door volo, langzamerhand door coepi, spoedig door propëro.

Op dezelfde wijze vertaalt men dikwijls een Nederlandsch adverbium met een verbum in het Latijn door twee synonieme verba B.v. Het leger van Mardonius werd bij Plataeae geheel en al geslagen, exercitus Mardonii apud Plataeas fusus fugatusque est. Dc Aeduè\'rs smeekten Caesar dringend om lm lp, Aedui Caesarem imploraverunt at que oraverunt, ut sibi auxilium ferret. Het is onze plicht alle hartstochten krachtig te onderdrukken, nostrum est omnes cupiditates coer-cëre atque reprimëre. Dc Carthagers wezen de smadelijke vredesvoorwaarden, die de Romeinen hun stelden, onvoorwaardelijk af, Carthagi-nienses contumeliosas pacis condiciones, quas Romani tulerant, repudiaverunt atque respuerunt.

De Latijnen voegen dikwijls een adverbium bij het verbum, waar wij omslachtiger zeggen: het is ... en een bijzin met wanneer of dat of een infinitivus met te. B.v. Melius peribimus. Fugeris honestius quam pugnaveris contra patriam. Vgl. § 345. 40.

§ 486, Zoo wordt vertaald door sic, ita, tam, tantopëre en adeo.

-ocr page 346-

Gebruik van sommige adverbia. § 487—488.

Sic (op deze wijze) heeft vooral een aantoonende beteekenis. B v. Sic vita hominum est. Sic res se habet.

Ita heeft èf dezelfde beteekenis als sic óf het geeft een beperking te kennen (slechts onder voorwaarde, slechts in zoover). B.v. Nostri imperatores ita de Mithridate triumpharunt, ut ille pulsus supe-ratusque regnaret. Ita te defendïto, ut neminem laedas.

Tam (zoo zeer) geeft een hoogeren graad te kennen en wordt slechts gevoegd bij adjectiva en adverbia.

Tantopëre heeft dezelfde beteekenis als tam en wordt met verba verbonden.

Adeo (tot dien graad) staat bij adjectiva, adverbia en verba en wordt altijd gevolgd door ut. B.v. Adeone hospes es in hac urbe, ut haec nescias?

§ 487. Het gewone adverbium van ontkenning is non. B.v. Hoe non credo. Quis hoe non credat?

Haud wordt in den regel slechts gebruikt bij adjectiva en adverbia om dezen een tegenovergestelde beteekenis te geven. B.v Haud dubie certissime. Haud mediöcris = egregius. Vooral komt het voor in de verbinding haud sane en haud ita, gevolgd door een adjectivum. B.v. Haud ita magna manu Graeciae fugatus est. Haud sane difficile dictu est. Zeer gebruikelijk is ook haud scio an en annon B.v. Sed haud scio an recte ea virtus frugalitas appellari possit. Wanneer op een ontkenning een tegenstelling volgt, mag men nooit haud gebruiken. Men zegge dus altijd: non modo — sed, non quod — sed, non tam — quam.

Sterke ontkenningen worden onder anderen uitgedrukt door mini me, nequaquam, neutïquam, haudquaquam, nihil (het laatste bijna enkel bij verba). B.v, Homo minime ambitiosus Preces meae nihil te moverunt.

Ne — quidem, zelfs niet, niet eens, ook niet, heeft het woord, waarop de nadruk valt, tusschen ne en quidem. B.v. Talis vir ne cogi-tare quidem quidquam audebat, quod non audeat praedicare. Superbia ne regem quidem decet.

Bij uitroepingen van verwondering wordt niet in het Latijn onvertaald gelaten. B.v. Quam muitos scriptores rerum suarum magnus ille Alexander secum habuisse dicitur!

S 488. De ontkenning staat gewoonlijk onmiddellijk vóór het woord, dat ontkend moet worden. B.v. Canis me non momordit, sed lam-bit. Canis non me momordit, sed fratrem meum. Non canis me momordit, sed anguis.

Zoo de gansche zin ontkend wordt, lette men op de volgende eigenaardigheden :

i0. De Latijnen plaatsen de ontkenning niet achter maar vóór het verbum van den hoofdzin. B,v. Non rideo, ik lach niet.

i0. Zoo van het verbum finitum een infinitivus afhangt, komt de ontkenning vóór het verbum finitum. B.v. Venire non possum, ik kan niet komen. Nihil est quod Deus effieëre non possit, er is niets, dat God niet doen kan. Hanc epistolam cur non scindi velis, nulla causa est. (Hier wordt alleen de infinitivus ontkend).

336

-ocr page 347-

Gebruik van sommige adverbia.

§ 489—490-

337

30. Zoo het verbum bestaat uit een participium met esse, komt de ontkenning vóór liet hulpwerkwoord. B.v Divitiae sapienti expe-tendae non sunt. Slechts bij tegenstellingen staat de ontkenning vóór het participium. B.v. Callicrates hac religione non modo ab incepto non deterrïtus, sed ad maturandum concitatus est.

4° Bij sterken nadruk zetten de Latijnen een ontkenning, die op den ganschen zin betrekking heeft, gaarne aan het hoofd van den zin. B.v. Non ego secundis rebus nostris gloriabor. Non ergo e r u n t i s t i homines a u d i e n d i.

5fl. In relatieve zinnen staat non gaarne onmiddellijk achter het relativum. B.v. Quae tam firma civitas, quae non odiis et disc i d i i s funditus po s si 1: e verti ?

§ 489. Twee ontkenningen vernietigen elkander. Het is echter voorde beteekenis niet onverschillig, hoe de ontkenningen geplaatst zijn Zoo non voorop staat, drukken de twee ontkenningen een zwakke, zoo non achteraan staat, een sterke bevestiging uit. B.v.

n o n n ë m o, iemand. e m o — non, ieder.

n o n n u 11 u s, een of ander. nullus non, ieder.

n o n n ï h i 1, iets. nihil non, alles.

n o n n u n q u a m , somtijds. n u n q u a m — non, altijd.

Nemo sapiens mortem non con tem nit, Non nëmo miser mortem exoptat. Nemo non benignus est sui judex.

Aanmerking. Twee ontkenningen vernietigen elkander niet, wanneer op een voorafgaande ontkenning ne — quidem of nee — nee volgt. B.v.Non praetereundum est ne id quidem. Sic habeas, nihil mehercüle te mihi nee carius esse nee suavius. Nemo unquam neque poë t a neq u e orator fui t, qui quemquam meliorem quam se put ar et.

S 490. De adverbia loei worden onderscheiden in interrogativa, demonstrativa, relativa en indefinita. Zij zijn op de vraag: (Interrogativa). (Demonstrativa).

waar: ubi, waar? ibi, daar.

vanwaar: u n d e , vanwaar 1 inde, vandaar.

waarheen : quo, waarheen 1 e o, daarheen.

waarlangs: qua, waarlangs? ea, daarlangs.

(Relativa). (Indefinita).

ubi, waar. a 1 i c ü b i, ergens.

unde, vanwaar. alicunde, ergens vandaan. quo, waarheen. a 1 ï q u o, ergens heen. qua, waarlangs. a 11 q u a , ergens langs.

Verder behooren tot de indefinita : alibi, elders, ubicunque, ubiübi, waar ook, ubïvis, ubi que, overal, quocunque, waarheen ook, quo-v i s, quo 1 ïbet, onverschillig waarheen , undecunque, vanwaar ook, q u a c u n q u e, langs welken weg ook.

Aanmerking. De adverbia loei staan dikwijls met betrekking op voorafgaande zaken in plaats van een pronomen met een praepositie. B.v. Quae ur bs fui t, u n d e (=r e qua) Lu c 1111 u s c e ramp;su m in 11a 1 iam at-tulit? Aquïlae nidos in iis fere locis ponunt, quo (=: ad 4e druk. 22

-ocr page 348-

Gebruik van sommige adverbia.

% 491-493.

338

quae) nisi v i t a e p e r i c u 1 o p e r v e n i r i non potest. Praetor c 1 a s s i o c c u r r i t s e p t e m q u e inde ex ea) naves c e p i t

In zuiver proza mogen deze adverbia geen betrekking hebben op personen, behalve wanneer deze worden aangeduid door een pronomen of algemcene benaming. B.v. P ra eter te nemo fuit, ubi nostrum jus obtineremus. Orator de quavis re multo dicit ornatius, quam ille ipse, unde cognörit.

g 491. Van de pronomina demonstrativa hic, iste, ille worden adverbia loei afgeleid, die een meer bepaalde beteeken is hebben dan de adverbia, waarover in de vorige paragraaf gesproken is. Zij zijn op de vraag:

waar: hic, hier, istic, illic, daar.

vanwaar: h i n c, vanhier, i s t i n c, i 11 i n c, vandaar. waarheen: hue, hierheen, istuc, illue, daarheen waarlangs: hac, hierlangs, istac, illac, daarlangs.

Voor het gebruik van deze adverbia gelden dezelfde regels, die voor het gebruik der pronomina, waarvan zij afgeleid werden, gegeven zijn. Zoo schrijft bijv. Cicero aan Atticus; Licet tibi significarim, ut ad me venires, id omitto tamen: intellego, te re istic prodes se, hic ne verbo quid cm le vare me posse.

Aanmerking. Bij de verba van plaatsen (Vgl, § 283.) gebruikt men de adverbia loei ibi, ubi, hic, istic, illic in plaats van co, quo, hue, istuc, illue, en bij de verba van aankomen (Vgl. § 284.) de adverbia loci eo, quo, hue, istuc, illue in plaats van ibi, ubi, hie, istic, illic.

§ 492. Men lette wel op de verschillende beteekenis der adverbia temporis tum, tune, hunc, jam.

Tum beteekent toen (het staat in hoofdzinnen tegenover cum in bijzinnen), daarop, nog (zoo dit woord op het verledene betrekking heeft). B.v. Cum omnes adessent, tum ille exorsus est dicere. Pri-mum Graecorum, tum Romanorum res ges tas narrabo. Pi-sistrdtus, vivo etiam turn Solon e {nog bij het leveti van Solon), imperium Atneniensium o ecu pa vit. Zoo nog betrekking heeft op iets, dat tegenwoordig is, wordt het vertaald door ad hue. B.v. Nihil adhuc de pace composita audivi

Tune beteekent toen en staat meestal tegenover nunc. B v. Nunc ajunt, quod tune ne ga bant.

Nunc wordt alleen gebruikt van hetgeen tegenwoordig is. Zoo;/?/, thans betrekking heeft op een verleden tijd heet het tum of tune. B -i\'. Tum demum (im eerst) Croesus, cum in eo erat, rt in rogo combureretur, quam vere Solon dixisset, intellexit.

Jam dient tot voortzetting van een verhaal. B.v. Postquam supra, quibus de eausis bellum Peloponnesidcum ortum sit, bre-viter exposuimus, jam ad bellum ipsum describendum nos convertamus. Met een ontkenning verbonden beteekent jam meer. B.v. Ho die nul li jam leones in Graeci a sunt. Soms komt het overeen met ons al B.v. Jam satis est.

§ 493. Wanneer bij een optelling de getallen niet noodzakelijk moeten aangegeven worden, gebruikt men in plaats van de adverbia numeralia primum, secundo, tertium, quartum liever de adverbia primum

-ocr page 349-

§ 494—497- ^ Incitsing der praeposities.

deinde, turn, denïque. B.v. Quattuor genera nominum sunt, primum substantiva, deinde adjectiva, turn pronomina, denique nu me ral ia

Bestaat de optelling uit meer dan vier leden, dan kan men óf tum herhalen óf er accëdit, hue ad de tusschen voegen. Soms zet men achter denique nog postremo.

Denique dient ook om na een optelling van verschillende zaken het Nederlandsche kortom, in één woord uit te drukken. B.v Deus caelum, terrain, maria, om nes denique res effëcit.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE PLAATSING DER PRAEPOSITIES.

§ 494. De praeposities staan gewoonlijk onmiddellijk vóór het woord, waarop zij betrekking hebben.

Vgl. over de plaats van versus § 162. 21, van cum § 163. 3, van tenus § 163 8.

Wanneer inter betrekking heeft op twee substantiva, staat het somtijds tusschen beiden in. B.v. Sax a,in ter et alia loca periculosa, tusschen rotsen en andere gevaarlijke plaatsen

Bij eed en en gebeden wordt per gewoonlijk van zijn casus gescheiden door den accusativus van het pronomen personale des persoons, wien men bidt of bezweert, en ook wel door den nominativus van het pronomen personale des persoons, die bidt of zweert. B.v. Per ego te deos oro, ik smeek u hij de goden. Somtijds wordt or o uitgelaten. B.v. Patres conscripti per vos liberos at que parentes subvenïte m i s e r o m i h i.

§ 495 Wanneer op een adjectivum een sterke nadruk valt, wordt het gaarne van zijn substantivum gescheiden en vóór de praepo-sitie geplaatst, vooral wanneer deze van ééne lettergreep is. B.v. Mag no cum peric 111 o. Tan to in hon o re.

§ 496. Wanneer een pronomen relativum (soms ook een demon-strativum) afhangt van een praepositie (bijzonder ante, contra, inter, propter, de) staat het niet zelden vóór de praepositie. B.v. Res, qua de agitur. Quem contra die it. Dies, quam ante Dichters plaatsen soms een substantivum vóór zijn praepositie. B.v. Ossa super recübans.

Wanneer een pronomen relativum of demonstrativum als attributum bij een substantivum staat, worden de éénlettergrepige praeposities gaarne tusschen beiden in geplaatst. B.v. Qua in urbe. Ista in re. Qui bus de eau sis. Hanc ob rem Quem ad modum. Zoo kan men ook zeggen: Quorum ad scientiam. Cujns cum moribus. Het pronomen is staat echter geregeld achter de praepositie. B.v. Ob earn rem. Cum ea cura. Ab eo homine. Slechts de staat meermalen na is. B.v. Ea de causa. lis de rebus.

§ 497. De praepositie kan van haar casus gescheiden worden:

i0 door een genetivus, waarvan dan weder een bijzin kan afhangen. B.v. Ante urbis portas. Propter Hispanorum, apud quos consul fuerat, injurias Men voege echter geen anderen naamval

339

-ocr page 350-

Plaatsing der pracpositics.

§ 498—500.

34°

tusschen de praepositie cn haar casus. Dus niet: ad praesidiis firman da m oen ia, maar: ad m oen ia praesidiis firm and a. Niet: in mi hi in visum locum maar: in locum mihi in visum. Het meermalen voorkomende in suum cuique tribuendo moet als uitzondering beschouwd worden.

20. door een adverbium. B.v. Ad beate vivendum. De prae-clare gestis rebus.

3ft. door que, ne, ve. B.v. Profectus ad castra hostium e x-que pr O]) in quo co pi as speculandas. In den regel echter worden deze conjuncties niet aan éénlettergrepige praeposities gehecht, behalve wanneer dezelfde praepositie reeds voorafgaat, maar aan de woorden, die van de praeposities afhangen. B.v. Hannibal patriam re li quit ad Antiochumque confügit. In nostrane potestate est? De temporibus deque universa republica. Sine classe sinéque e x e r c i t u.

4°. door autem, enim, ver o, tarnen, q uidem, zoo de praeposities namelijk een accusativus regeeren. B.v. P r a e t e r enim tres disciplinas. Post autem Alexandri magni mortem. Gewoonlijk zegt men echter: praeter tres enim disciplinas, post Alexandri magni autem mortem.

50. door et-et, aut-aut, vel-vel. B.v. Atticus honorem non petiit propter vel gratiam vel dignitatem.

Aanmerking. Dichters veroorloven zich de grootste vrijheid. B.v. Injiciunt ipsis ex vincula sertis Sub ter captos arm a sedere duces.

§ 498. In het Latijn mogen geen twee praeposities naast elkander staan. Men vertale derhalve: met uit Griekenland ontboden soldaten, niet: cum ex Graecia arcessïtis militibus, maar: cum militibus ex Graecia arcessïtis of cum arcessitis ex Graecia militibus

§ 499. Wanneer in het Nederlandsch twee praeposities betrekking hebben op één substantivum moet men in het Latijn óf het substantivum herhalen of het pronomen is in deszelfs plaats stellen. B.v. Vóór en in de legerplaats, ante castra et in castris (of in iis). De herhaling van het substantivum is echter niet noodig i0. wanneer de praeposities denzelfden naamval regeeren. B.v. Intra extraque munitiones. 20. wanneer de tweede praepositie als adverbium kan gebruikt worden en achteraan staat. B.v. Boven cn onder de aarde, supra t err am et i 11 fr a. Sommigen spraken voor, anderen tegen het wetsvoorstel, a 1 i i pro lege, alii contra dixerunt

§ 500. Een praepositie, die op meerdere substantiva betrekking-heeft, wordt herhaald, wanneer de substantiva ieder in het bij zender moeten uitkomen. Dit zal voornamelijk het geval zijn, wanneer zij verbonden worden door et-et, tam-quam, aut, sed, nisi, enz. B.v. Persae et a pud Salamina et apu d Pla t ae as male pugn averun t. Non ex me a o pin i one sed ex hominum rumore. Zoo echter de substantiva als een eenheid opgevat worden, heeft er geen herhaling plaats. B.v. Milites pro ux oribus et liberis pugn an t Vooral geschiedt dit:

i0. bij een appositie. B.v. Cum duobus ducibus in Italia de-certatum est, Pyrrho et Hannibal e.

-ocr page 351-

§ 501—502. Conjurictioms copnlativac.

2n. bij korte, levendige optellingen en bij verdeelingen. B v. Hoc apparet in best i is, vol u crib us, nan ti bus, agrestibus cicuribus, feris. In for mis aliis dignitas inest, aliis ven us tas.

30. bij vragen, die zich innig aansluiten aan hetgeen voorafgaat. B.v. A Jove incipiendum Quo Jove?

4°. gewoonlijk ook bij het relativum wanneer de zin afgekort is en het verbum, dat bij het antecedens staat, herhaald kan worden B.v. Cimon incïdit in eandem invidiam, quam pater suus. Me tuae litterae nunquam in tantam spem adduxerunt, quan-tam aliorum.

§ 501. Onze gewoonte om een substantivum door een praepositie van een ander substantivum te laten afhangen ligt niet in den geest der Latijnsche taal. De Latijnen gebruiken hier gewoonlijk :

i\'J. den genetivus (subjectivus of objectivus) of een anderen casus o b 1 i q u u s.

2U. een omschrijving met een participium of relatieven zin. B.v. Een stad met muren, urbs moenibus cincta. Ecu huis in de stad, domus in urbe sita. In Catos boek oi\'cr den landbouw, in Ca to nis libro, qui de agricultura est edit us. In mijn boek over den staat, in libris, quos de republica scripsi.

30. een adjectivum. B.v. Steden aan de zee, urbes maritilViae. Een vat van zilver, vas argenteum. De roe ju van zijn voorouders, fulgor avitus. Een misdaad tegen goden en mensehen, divinum hu-man umque scelus. Vooral gebruiken zij gaarne adjectiva afgeleid van nomina propria. B.v. De eenvoudigheid van Cicero, simplicitas Cicero n i a 11 a De reis naar Brundisium, iter Brundisin u m. Hercules bij Xcnophon (zooals hij in de werken van Xenophon voorkomt), Hercules X e n o p h o n t ë u s. Gevvoonlij k geschiedt dit om iemands geboorteplaats aan te duiden en zeer dikwijls bij be Hum om den koning of het volk aan te geven , waarmede de oorlog gevoerd wordt. B.v. T r a s y b ü 1 u s Atheniensis. Bellum Mithridaticum, Punicum.

Meermalen echter worden ook twee substantiva door een praepositie met elkander verbonden. B.v. E pis tola ad Caesarem P roe Hum a pud Leuctra. Vooral geschiedt dit met cum, sine, de en bij substantiva verbalia, die een beweging te kennen geven. B.v. Otium cum dignitate Hectio sine uil a delectation e. Triumph us de Gallis. Transmissus ex Gallia in Britanniam. Rivorum a f o n t e d e d u c t i o. E x c e s s u s e vita.

Geheel onberispelijk is de verbinding door een praepositie, wanneer deze met haar casus t u s s c h e n een substantivum en een attributum of genetivus staat. B.v. Multae in Graeci a urbes. Tertius de phi-losophia liber. Meus erga te amor. Clarorum virorum post mortem honores. Caesarisin His pan ia res secundae. Vgl. § 252.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER DE C0OEDINEEENEDE CONJUNCTIES. I. Conjunctiones copulativae.

g 502. Et is het meest algemeene koppelwoord en dient tot verbinding van allerlei woorden en zinnen. B.v. Leo et asïnus venatum iverunt.

341

-ocr page 352-

Conjunctiones copulativae. % 503—505-

At que (voor vocalen en consonanten) en ac (nooit voor een vocaal of h) worden vooral gebruikt:

i0. ter aanknooping van iets gewichtigers en sterkers in den zin van cn zelfs (rem difficilem atque omnium difficill imam), en ook (s o c i i atque e x t ë r a e n a t i o n e s), en teel vooral (m a g n a d i i s immortalibus habenda est atque huic ipsi Jo vi S ta t öri gratia)

20. ter verbinding van synonieme en tegenovergestelde begrippen. B.v. O rare atque obsecrare. Hone sta atque in honest a.

3°. ter afwisseling van et, wanneer het eene verbonden lid wederom tweeledig is B.v. Magnifica vox et magno viro ac sapienti d i g n a.

Que duidt aan, dat de verbonden begrippen een geheel vormen. B.v. Cives se suaque tradiderunt. Senatus populusque Roma-nus Men hechte que niet aan het laatste woord van een zin.

Aanmerking. In plaats van et zegge men nooit nee (neque) — non. Deze uitdrukking, die en zeker ook, en inderdaad beteekent, wordt slechts gebruikt, zoo er een ander verbum volgt en wel gewoonlijk gescheiden. B.v. Rem tibi diligenter exposui neque tu haec non intellexisti.

§ 503 Tot de conjunctiones copulativae kunnen ook gebracht worden etiam, ook, zelfs, nog, en quoque, ook, op gelijke wijze. Etiam (vóór of na het woord, waarop het betrekking heeft) heeft een versterkende, quoque ualtijd na het woord, waarop het betrekking heeft) heeft een gelijkstellende beteekenis. B.v. Mihi res familiaris etiam ad necessaria deest. Me quoque de morte filii certi-

0 r e m fecit.

Aanmerking I. Atque etiam, cn zelfs, verbindt twee begrijpen met versterkende beteekenis; atque adeo, of liever, geeft tegelijk een verbetering aan van het vorige begrip. B.v. In omnibus cir-cülis atque etiam in conviviis sunt, qui exercitum in Macedonian! du cant Ver res cum maxi mo detrimento atque adeo exitio vectigalium totam Hieronïcam legem sustülit

Aanmerking II. Ook de beste schrijvers gebruiken nu en dan et in plaats van etiam, vooral in bepaalde verbindingen, zoo als; etille, et is te, et ipse, et nunc, non solum (mo do) — sed et, niet alleen — maar zelfs.

§ 504. Meermalen worden twee begrippen die één geheel uitdrukken , zonder conjunctio copulativa naast elkander gezet. Men noemt dit asyndëton. Het geschiedt:

iu. bij tegenstellingen. B.v. Summi infimi; docti indocti; prima postrema; pub lie a privata; maxima minima; velis r e m i s.

20. bij ambtgenooten. B.v. Cn Pompejo M. Crasso consu-

1 i b u s

3quot;. bij handelingen, die onmiddellijk met elkander verbonden z\'jn. B.v. Adsunt, queruntur Siculi universi.

§ 505. Bij de optelling van drie of meer begrippen, worden deze \'óf onverbonden naast elkander geplaatst (asyndeton) óf allen door et

342

-ocr page 353-

Conjunctioncs copulativac.

§ 506-507.

343

verbonden (polysyndeton). B v. Q u a I i s a p ud G r a e c o s Pherecydes, Hellanicus,Acusilas fuit, talis noster Catoet Pictor et Piso.

Wanneer de overige woorden onverbonden zijn, wordt het laatste woord ook door que met de vorige verbonden, en zoo de begrippen der twee-laatste woorden nauw aan elkander verwant zijn, ook door at que. B.v. Constantia, gravitas, fortitude reliquaeque virtutes. Honor, gloria, divitiae, cultus atque vestitus corporis muitos delectant.

Wanneer de opgetelde woorden paarsgewijze tegenover elkander staan, blijven zij gewoonlijk allen onverbonden. B.v. Omnibus moriendum est, divitibus pauperibus, summis infimis. Quid judicant s e n s u s ? D u 1 c e a m a r u m , 1 e n e a s p e r u m, p r o p e 1 o n g e, stare m o v e re, quadratu m r o t u n d u m.

Aanmerking. Men kan bij de optelling van twee of meer begrippen een rethorischen klank aan den zin geven door de herhaling van een zelfde woord voor ieder lid Men noemt dit a n a p h ö r a B v Qua m fragilia, quam cadüca sunt omnia humana. Nullus unquam philosöphus tam humanus, tam modestus, tam ab omni fa-stidio alienus fuit quam Socrates.

§ 506. Door et non, atque non wordt gewoonlijk slechts een enkel woord ontkend. B.v. Ab hostibus constanter et non timide pugnatum est. Zoo de ontkenning op een ganschen zin betrekking heeft, zegt men gewoonlijk nee of neque (beiden zonder eenig verschil vóór klinkers en medeklinkers). Neque kan naar omstandigheden vertaald worden door en niet, noch, ook niet, maar niet. B.v. Druïdes a bello abesse consuêrunt neque tributa pendunt. Res coeptae neque perfectae.

Op dezelfde wijze zegt men in plaats van et nemo gewoonlijk neque quisquam, van et nullus neque ullus, van et nihil neque quid-quam, van et nunquam neque unquam. Zoo echter de ontkenning sterk moet uitkomen, mag deze verandering niet geschieden. B.v. Domus temëre et nullo consilio administratur. Eo simus animo ut moriendi diem nobis fa u stum putemus nihilque in mal is ducamus, quod sit a diis constitütum

Evenzoo heet nooit iemand n e m o u n q u a m , nergens iemand n e m o usquam, nooit iets nihil unquam, nergens iets nihil us quam. B.v. Nulla unquam tam exigua manus tantas opes prostravit. Nihil unquam fecit sine aliquo quaes\'tu atque praeda.

§ 507. Een ontkennende zin met vero, tamen, enim, igitur wordt gewoonlijk ingeleid met neque Men vertale dus: want niet neque enim, maar niet neque vero, echter niet neque tamen, alzoo niet neque igitur. B.v. Rutilius huic humilitati vel mortem anteponendam esse dicebat. Neque vero hoc solum dixit, sed ipse et sen sit et fecit.

Zoo echter de ontkenning een sterken nadruk heeft of slechts bij een enkel woord van den zin behoort of in verschillende zinnen herhaald wordt (anaphora), gebruikt men non. B.v. Haec novi judicii nova forma terret oculos, judices. Non enim corona consessus vester cinctus est, ut solebat; non usitata frequentia sti-pati sumus, eet.

-ocr page 354-

Conjunctiones copulativac. % 508 —510.

§ 508. Wanneer een ontkenning betrekking heeft op twee woorden, die in het Nederlandsch door cn verbonden zijn, wordt in het Latijn óf de ontkenning herhaald óf het tweede met het eerste woord verbonden door a u t of v e. B.v. Niet tie besten en ernsUgsten, maar de otibeschaamdsten enpraatzuchtigsten worden gekozen, non o p t i m 11 s qui s-cj u e nee gravissimus, s e d i ni p u d e n t i s s i m u s 1 o q u a c i s s i m u s-que deligïtur. Hunc nee hosticus aufëret ensis, nee latërum dolor aut tarda podagra. Nee ree ito cuiquam nisi a mie is, non ubïvis coramve quibuslïbet.

§ 509. Bij de verbinding van twee woorden of zinnen gebruiken de Latijnen gaarne een dubbele conjunctio copulativa, om daardoor de onderlinge betrekking der verbonden woorden of zinnen juister uit te drukken.

Vooreerst staat als zoodanig et — et, zoowel ■— als, waardoor aan de beide leden een gelijk gewicht wordt toegekend. B.v. Romanorum etinbellicisetin civilibusofficiis v i g e b a t i n d u s t r i a. S u m-mus et orator et poëta. Rex et potentissimus et nobilissi-mus. Wij laten de eerste conjunctie zeer dikwijls onvertaald.

Zoo de beide leden ontkennend zijn, zegt men neque — neque, niet — noch, noch — noch, evenmin — als. Bij het tweede lid wordt meermalen voor den nadruk vero gevoegd. B.v. Mentiri nee possum, nee, si p o s s e m, c u p è r e m Hoe genus cupiditatum nee ad po tien du m difficile esse een set, nee vero ad c aren du m. Zoo er een andere ontkenning voorafgaat, kan men in plaats van neque — neque ook aut — aut zetten. B.v. Nemo hoc factum aut admi-rabitur aut imitabitur. Vgl. § 489 A.

Zoo het eene lid bevestigend en het andere ontkennend is, zegt men et — neque, niet alleen — maar ook niet, of neque — et, niet alleen-niet — maar ook. B.v. Via et c e r t a nee 10 n g a. Homo nee m e o judicio stuit us et suo va 1de prudens. Wij laten het eene voegwoord gewoonlijk onvertaald. B.v. Een veilige en niet lange weg.

§ 510. Cum — tum, niet alleen — maar ook, zoowel — als vooral, is van et — et onderscheiden doordat het den n a d r u k op het tweede lid legt. B.v. Ex victoria cum multa mala, tum ty ran nis ex-si s t e t. Dicendi vis cum in omnibus rebus humanis, tum in civitatibus regendis plurimum valet Wij vertalen cum — tum dikwijls door bijzonder echter voor het tweede lid te zetten.

Tum wordt dikwijls versterkt door praecipue, maxime, imprimis, vero, eer te, etiam. B.v. Volvendi sunt libri cum alio-r u m tum imprimis C i c e r o n i s.

Zoo er meer dan twee leden zijn, herhaalt men tum. B.v. Eum pater moriens cum tutoribus et propinquis, tum legibus, tum a e q u i t a t i magistratuum, tum j u d i c i i s vestris c o m m e n d a-t u m p u t a v i t.

Wanneer cum in deze verbinding een causale of concessieve beteekenis heeft, regeert het den conjunctivus. B.v. Cum multae res in philosophia nequaquam satis adhuc explicatae sint, tum perdifficilis est quaestio de natura deorum.

Aanmerking. Van cum — tum is onderscheiden tum — tum, dat evenals modo— modo nn eens — dan eens beteekent. B.v. Inflectit

344

-ocr page 355-

Conjiuictiones copulativae.

§ 511-512.

34-5

sol cur sum turn ad sep ten triones turn ad meridiem. Modo ai t, modo n egat.

§ 511. Tam — quam, evenzeer — als, is van et —• et onderscheiden doordat het een even hoogen graad aan beide leden toekent. B.v. Tam omnibus ignoscere crudelitas quam nul li.

Non tam — quam beteekent niet zoozeer — als. B.v. Ue eo non tam quia Ion gum est, quam quia perspicuum, dici nihil est necesse.

Wan nee r evenzeer — als de bijbeteekenis heeft van minstens evenzeer — als, vertaalt men het door non minus — quam. B.v. Liberi hominibus non minus c a r i esse d e b e n t quam p a t r i a, aan de menschen moeien hunne kinderen (minstens) even dierbaar zijn als hun vaderland.

Zoo men de twee leden omkeert, kan men in plaats van non minus — quam non magis — quam gebruiken. B.v. Patria hominibus nou ma gis cara esse debet quam liberi. Alexander verrichtte evenzeer de werkzaamheden van gemeen soldaat als die van veldheer óf Alexander non ducis magis quam militis munera exsequebatur óf Alexander non minus militis quam du cis munera exsequebat ur.

Non magis — quam beteekent ook evenmin — als, niet zoozeer — als ïvel B.v. Tu non magis aegrötus es quam ego, gij zijl evenmin ziek als ik Jus a pud vete res Romanos non legibus mstgis quam natura valebat, het recht werd bij de oude Romeinen niet zoozeer in stand gehouden door de geschreven wetten als wel door het natuurlijk gevoel.

tf 512. Non modo (solum, tantum) — sed (verum) e t i a m, niet alleen [niet slechts, niet enkel\') — maar daarenboven, is daardoor van et — et onderscheiden, dat het tweede lid nog iets bij het eerste lid voegt. B.v. Non paranda nobis solum sapient ia, sed fruenda etiam. Scipio Africanus urbibus eversis inimicissimis imperio Romano non modo praesentia, verum etiam futura be 11 a d e le v i t.

Non modo — sed wordt in twee beteekenissen gebruikt;

i0. niet slechts — neen of niet slechts — maar veeleer, wanneer het tweede lid den inhoud van het eerste lid in zich bevat; men gaat dan van het kleinere over tot het grootere. B.v. Sum c on seen t us non modo, ut domus t u a t o t a, sed ut c u n c t a c i v i t a s me t i b i amicissimum esse c ognoscere t. Tu hanc legem da tam esse non modo scivisti, sed ipse dedisti.

3°. ik wil niet zeggen — maar slechts, wanneer men wil aanduiden,dat het eerste lid te veel bevat en dat men zich aan het tweede, hetwelk minder is, houdt; hier gaat men van het grootere over tot het kleinere. B.v. Jecissem me ipse po tins in profundum, ut ceteros con-servarem, quam illos mei tam cupïdos non modo ad certain mortem, sed in magnum vitae discrïmen adducerem In plaats van non modo — sed kan men ook zeggen; non d i c a m of non dico — sed B.v. Quid est enim minus non dico oratoris, sed hom in is. Zoo men den zin omkeert, kan men nedum of ne dicam, laat staan dan, gebruiken. B.v. Quae civitas est in Asia, quae non modo imperatoris aut iegati, sed unius tribuni m i 1 i t u m a n i m o s a c spiritus c a p e r e p o s s i t ? óf quae civitas est in Asia, quae unius tribuni mi 1 i tu m animos ac spiritus

-ocr page 356-

Coujiinctiones disjunctivae.

§ 513 — 514.

346

cap ere possit, ne die am (nedum) imperatoris aut legati?

Vgl § 356.

Niet alleen niet — maar integendeel heet non mo do non—sed po tins. B.v. Non mod o non pro me est, sed contra me est po tins.

Niet alleen niet maar ook niet heet non m o d o non — sed n e... quidem. B.v. Ego non modo tibi non irascor, sed ne repre-hendo quidem factum tuum. Zoo beide leden een gemeenschappelijk praedicaat hebben en dit in het tweede lid staat, zegt men in plaats van non modo non enkel non modo. B.v. Assentatio non modo amico, sed ne libero quidem digna est, vleierij is niet alleen een vriend, maar ook een vrij man onwaardig. Zoo echter ieder lid zijn eigen verbum heeft of zoo het gemeenschappelijke verbum in het eerste lid staat, moet men non modo non behouden.

Aanmerking. Modo non en tantum non beteekenen bijna. B.v. Senem per epistolas pellexit, modo non montes auri pol-licens.

II. Conjunctiones disjunotivae.

§ 513. Aut geeft te kennen, dat van de aangegeven zaken slechts één waar is of kan geschieden en tevens dat er geen plaats is voor een derde. B.v. Hie vincendum aut moriendum est. Zeer dikwijls wordt het om den nadruk verdubbeld. B.v. O nine enuntiatum aut vcrum aut falsum est.

Meermalen beteekent aut of zelfs, of ten minste. B.v. Ne mini expe-dieb a t u 11 um in Sici 1 i a tum u 11 u m aut be 11 um co m mo veri. Cuncti aut magna pars Siccensium fidem mutarunt.

En noch — noeh wordt vertaald door 11 e que aut — aut. B.v. Const a n t i s est n u 110 c a s u p e r t u r b a r i n e q u e aut s p e aut m e t u de suscepta sententia deterreri.

Opdat noch — noch heet ne aut- —aut. B.v. Hoc ego facile pa-tior sileri, ne in hac civitate tantafacinörisimmanitas aut exstitisse aut non vindicata esse videatur.

En wordt behalve in het geval, dat § 508 besproken is, ook door aut of ve vertaald in negatieve vragen en na com parati vi. B.v. Num leges nostras moresve novit? Accessit istuc doctrina non moderata nee mitis, sed paulo asperior etdurior,quam Veritas aut natura patiatur.

§ 514. Vel dient meestal om een betere uitdrukking in plaats van een minder goede te zetten. B.v Ardor caelestis, qui aether vel caelum nominatur. Vandaar staat het dikwijls in verbinding met potius, dicam of etiam. B.v. Epicürus homo minim e malus vel potius optimus. Stu porem hom in is vel dicam pecüdis attendïte. Laud an da est vel etiam amanda

Vel — vel scheidt twee begrippen, welke een derde niet noodzakelijk uitsluiten. B.v. Vel imperatore vel milite me utimini, gebruikt mij als bevelhebber of als soldaat (of als wat anders). Zoo hier aut -aut gebruikt was, zou de zin zijn: of als bevelhebber óf als soldaat, maar niet als wat anders.

Aanmerking. Vel als adverbium gebruikt heeft de beteekenis van zelfs. B.v. Pueri ludorum causa vel fa mem et sitim per fë runt.

-ocr page 357-

Conjimctiones adversativae.

s 515-517-

347

In deze beteekenis staat het dikwijls bij superlativi. Vgl. § 303, 3°. Bij pronomina heeft het ook de beteekenis van reeds. B.v. Rem ita esse vel ex hoe intellëgi potest

§ 515. V e verbindt slechts enkele woorden met elkander en duidt aan, dat het onderscheid tusschen beiden wat de zaak betreft van geen beteekenis is. B.v. Audi tores in hilaritatem risumve con verter e. Het wordt dikwijls gebruikt bij getallen. B.v. Ter quaterve eum vidi, ik heb hem misschien drie of viermaal gezien In sommige verbindingen wordt ve dikwijls weggelaten B.v. Plus minus; serius oei us

g 516. Sive beteekent dat het den spreker onverschillig is, welke der genoemde personen of zaken genomen wordt. B.v. Hoc Plato sive quis alius dixit Gewoonlijk echter dient het evenals vel om de eerste uitdrukking te verbeteren en wordt gaarne met po tins of etiam verbonden. B v. Disces sus sive potius turpissima fuga.

Sive — sive duidt aan, dat men het niet voor uitgemaakt houdt, welke van beide zaken de ware is B.v. Leges, q u a s sive J u p p i t e r sive Minos s a n x i t

S e u komt bij Cicero gewoonlijk slechts voor in verbinding met p o t i u s. B.v. Regie seu potius tyrannice

Aanmerking. Bij sive-sive wordt het verbum in den indicati-vus gezet Het Nederlandsche werkwoord mogen blijft altijd onvertaald. B.v Sive verum est sive falsum, mihi quidem ita renun-tiatum est. Zoo het tweede lid ontkennend is, zeggen wij gewoonlijk of niet; in het Latijn moet het verbum echter altijd aangevuld worden B.v. Si fatum tibi est ex hoc morbo convalescere, sive tu medicinam adhibueris, sive non adhibueris, convalesces.

Hetzij dat, hetzij wijl heet sive quod, sive quia. B v. Romulus centum creavit senatores, sive quia is numerus satis erat, sive quia soli centum er ant, qui creari patres possent.

III. Conjunctiones adversativae.

g 517. S e d geeft een tegenstelling te kennen, die het voorgaande b e-perkt, zoo de zin positief, en opheft, zoo de zin negatiefis. B.v. A 1 cibiades ingeniosus homo, sed in omn i vita inc o n s tan s fuit. Otii fructus est non contentio animi, sed relaxatio.

S e d wordt ook gebruikt in een redevoering om den overgang te maken tot een nieuw deel of om na een digressie weder ter zake te komen. B.v. Sed jam satis mu 11a de causa; restat ut orem obtesterque vos, judices, eet. Sed redeat unde aberravit oratio

Aanmerking. Wel — maar wordt vertaald;

iquot;. door sed B.v. Marius manu fortissimus, sed ingenio a s p e r o f u i t.

20. door een pronomen personale gevolgd door quidem — sed. B.v. Marius manu ille quidem fortissimus, sed ingenio a-spero fuit Vgl. § 449.

30 door ut — ita. B.v. Marius ut manu fortissimus, ita ingenio aspero fuit. Vgl. § 343. A. I.

4quot;. zoo beide leden ieder een afzonderlijken zin vormen, ook door het

-ocr page 358-

Conjunctioues adversativae. § 518—521.

beperkende it a gevolgd door ut consecutivu m. Vgl. § 486. Wel niet — maar heet dan ita non—ut. B.v. A ris to te les et Xenocrates ita non sola virtute finem bonorum contineri putant, ut rebus tarnen omnibus v i r t u t e m a n t e p ö n a n t.

5°. door etsi of quamquam — tarnen, wanneer het subject der beide zinnen verschillend is. B.v. Quamquam intellego, quid optimum factu sit, tamen ne faciam multa impediunt.

§ 518. Verum heeft een sterkere beteekenis dan sed, doch wordt gewoonlijk slechts gebruikt evenals sed bij het maken van een overgang of na een digressie en in de uitdrukking non solum — verum etiam. B.v. Verum quidem haec hactënus.

In plaats van s e d en ver u m gebruiken 1 .ivius en anderen ook c e t e r u m.

§ 519. Vero (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) wordt gebruikt , wanneer men het voorgaande toegeeft, doch er als tegenstelling nog iets grooters en gewichtigers tegenover plaatst B.v. Mus!ca Roman is 111 or ib us abest a principis persona, sal tare vero etiam in vitiis ponitur.

E n i m v ë r o, ja waar/ijk, heeft geen adversatieve maar bevestigende kracht. B.v. Enimvêro mirari satis non queo

Verum enimvêro drukt de sterkst mogelijke tegenstelling uit B.v. Multi mortales indocti incultique vitam transierunt. Eorum ego vitam mortem que juxta aestimo. Verum enimvero is demum mihi vivere videtur, qui aliquo negotio intentus praeclari facinöris aut artis bonae famam quaerit.

§ 520. Au tem (gewoonlijk op de tweede plaats te stellen) is de zwakste conjunctio adversativa. Zij dient om iets aan te voeren, wat van het voorgaande onderscheiden is of om een verhaal voort te zetten of om een aanmerking te maken. B.v. Gyges a nullo videbatur, ipse autem omnia videbat. Oppidum oppugnare coepit; erat autem oppidum et loei natura et arte munïtum.

Autem staat ook bij de propositie minor van een syllogismus. B.v. Jus civile est aequitas constituta iis, qui ejusdem ci-vitatis sunt, ad res suas obtinendas; ej us autem aequitatis utilis est cognitio: utilis est ergo juris civilis scientia.

§ 521 At (ast verouderd en dichterlijk) wordt gebruikt:

iu. om twee gedachten, die beiden waar zijn, met nadruk tegenover elkander te stellen. B.v. Magnae divitiae, vis corporis, alia omnia hujusmodi brevi dilabuntur, at ingenii egregia fa-cinöra immortalia sunt.

20. om een tegenwerping óf op te geven {maar kan men tegenwerpen, maar hoor ik zeggen) of op afdoende wijze te weerleggen [maar hiertegen zeg ik). In het laatste geval zegt men dikwijls at enim, at vero. B.v. Canes aluntur in capitolio, ut significent, si fures venerint. At {maar zult gij zeggen) fures internoscere non possunt. Di-cunt isti, juvenum mores a me pessumdatos esse; at enim q u e m tandem j u v e n e m p e s s u m d ë d i ?

3°. bij uitroepingen van verwondering of ontevredenheid. B.v. Ve stram aequitatem una mater oppugnat. At quae mater! {maar wat voor een moeder ook!) Vgl. § 335. 30.

34«

-ocr page 359-

Conjmictioncs conclnsivae.

^ 522—526.

349

§ 522. Atqui (slechts aan het begin van een zin te zetten) wordt gebruikt in een dubbele beteekenis;

i0. cn toch, wanneer men het voorafgaande toegeeft, maar tevens er iets tegen inbrengt, waardoor het vernietigd of verzwakt wordt. B.v. Vi-detis nihil esse morti tam simile quam som num. Atqui dor-mientium animi declarant divinitatem suam. O rem dif-ficilem, inquis, et inexplicabilem. Atqui explicanda est

20. nu echter, bij een propositio minor evenals au tem. B.v. Si virtutes pares sunt inter se, paria etiam esse vitia necesse est. Atqui pares esse virtutes, facillime potest perspïci. Sequitur igitur, ut etiam vitia sint paria.

§ 523. Tam en (voorop te plaatsen, zoo het den nadruk heeft, anders na het woord, dat den nadruk heeft) wordt gebruikt na zinnen met een conjunctio concessiva of waarin men zulk een conjunctio kan aanvullen. B.v. Pausanias accusatus capitis absolvitur; multa-tur tam en pecunia.

Et tam en beteekent en evenwel, attümen maar evenwel, sed tamen intusschen, verum tarnen intusschen echter toch.

§ 524. Wanneer men een ontkennenden en een bevestigenden zin tegenover elkander stelt, wordt maar, doch {niet) gewoonlijk èf vertaald door et, at que, que (neque) óf onvertaald gelaten. Men zal hierbij meermalen het verbum moeten herhalen. B.v. Suasit ei, ne se mo-vëret et exspectaret. Hostes in fugam dederunt neque per-sëqui potuerunt. Lycurgus Spartam fortitudine civium, non moenibus muniri voluit Ex propinquitate benevolen-tia tolli i^otest, ex amicitia non potest. Vincere seis, Hannibal, victoria uti nescis. In plaats van het verbum te herhalen kan men ook item bij de ontkenning voegen B.v. Hoe Herculi potuit fortasse contingere, nobis non item.

Terwijl in den zin van daar toch blijft, zoo een bevestigende en een ontkennende vraag tegenover elkander gesteld worden, onvertaald. B.v. Wat, dit hebben mannen niet kunnen doen, terwijl knapen het hebben kunnen doen, Quid, hoc pueri potuerunt, viri non potuerunt? Quid causae est, cur Cassandra furens futura prospiciat, Pridmus sapiens idem facere non possit? Vgl, § 372. A. II.

Een tegenstelling kan dikwijls versterkt worden door een chiasmus te gebruiken. De conjunctio adversativa blijft dan gewoonlijk onvertaald. B.v. Si gladium quis apud te sana ment\'e deposuerit, repëtat insaniens, reddere peccatum sit, officium non reddere. Ratio nostra consentit, repugnat oratio.

IV. Conjunctiones conclnsivae,

§ 525. Ergo (voorop te zetten of na het woord, dat den klemtoon heeft) wordt slechts gebruikt bij een logische gevolgtrekking. B.v. Om-nes homines mortales sunt; atqui Gajus homo quot;est; ergo Gajus m or tali s est.

§ 526. Itüque (aan het begin van den zin te plaatsen) geeft gewoonlijk een uit feiten voorvloeiend gevolg te kennen en is bijna niet ver-schillerd van het relatieve quare, quamobrem, quapropter B.v.

-ocr page 360-

Conjmictioncs conclusivae.

In Phocione tantum fuit odium multitudinis, ut nemo au sus sit eum liber sepelire. Itaque (cn zoo kwam hel, dat\\ a servis sepu 1111 s est.

§ 527. Igïtur (gewoonlijk op de tweede plaats te zetten, soms ook na meerdere nauw verbonden woorden) geeft een gevolg te kennen, dat als van zelf spreekt en dan ook als bijzaak beschouwd wordt. B v. B e s t i ö 1 a e q u a e d a m u n u m d i e m v i v u n t; ex his i g i t u r hora octava quae mortua est, provecta aetate mortua est.

Aanmerking I. Ig itur, en im, autem , quidem, vero, quo-que staan in den regel tusschen den voornaam en den geslachtsnaam van een persoon. B.v. Gn. igitur Pompejus. M. enim Marcellus.

Aanmerking II. Igitur, enim, au tem staan gewoonlijk op de derde plaats, wanneer de zin begint:

i0. met een praedicaatsnomen en een vorm van sum. B.v. Verin s est igitur i 11 u d M o r i e n d u m est enim omnibus.

20. met non est, neque est, nihil est, nemo est, quis est, hie est, eet. B.v. Haec est enim Socratïca ratio.

3quot;. met een conjunctie, een negatie, een relativum of inter-r o g a t i v u m en het daarop volgende woord een sterken klemtoon vordert. B v. Cum dicis igitur. Non videt au tem. Num vis igitur a u d i r e ?

4°. En daarom, cn ahoo vertale men niet dooi et igitur of igitur-que, maar óf door ob eamque rem, et ob eam causam, eaque de causa öf door qua re, quamobrem, quocirca, qua prop ter, unde of door ut consecutivum of een andere passende subordinee-rende conjunctie. B.v. ]/ct weder is slecht en daarom kunnen wij niet uitgaan, tempestas quia mala est, in publicum prodirenon possumus of tem pes tas tam mala est, ut in publicum prod-ire non possimus. Thcmistocles /tad door zijn overwinning op de Perzen bij Salamis Griekenland gered en werd daarom zelfs door de Spartanen geëerd, T h e m i s t o c 1 e s, q u i p p e qui F e r s i s a cl Salamina v :■ c t i s G r a e c i a m s e r v a s s e t, i p s i s Spart a nis in h o n o r e fuit

§ 528. Pro in de staat gewoonlijk slechts met den imperativus of conjunctivus om een opwekking of aanmaning in te leiden, die uit hetgeen voorafgaat voortvloeit. B.v. Quae resecanda sunt, non pa-t i a r ad p e r n i c i e m c i v i t a t i s m a n e r e; p r o i n d e a u t e x e an t a u t q u i e s c a n t.

§ 529. Evenals de bovengenoemde conjuncties zich noodzakelijk aansluiten aan het voorafgaande, zoo hebben e o, i d e o, i d c i r c o, p r o p-terea meestal betrekking op een volgenden zin met quod, ut, ne, enz. Bv.Omnium fortissimi sunt B elgae propterea, quodacultu atque humanitate provinciae longissime absunt. Ideo ad te veni, ut te consolarer. Idcirco mutuae amicitiae com-parantur, ut commune commödum mutuis officiis guberne-tur. Homines suorum mortem eo lugent, quod eos orbatos vitae commodis arbitrantur.

% S27—529-

-ocr page 361-

PROSODIA.

EERSTE HOOFDSTUK.

OVER DE ÖUANTITEIT DEE LETTERGEEPEN,

Algemeene regels.

§ 530. Een lettergreep is bf lang bf kort bf nu eens lang en dan eens kort (syllaba anceps).

De lengte eener lettergreep hangt af bf van de natuur der vocaal (syllaba natura longa of brevis) bf van de plaatsing der vocaal vóór andere letters (syllaba positione longa of brevis).

§ 531. Van natuur lang is iedere diphthong cn iedere enkele vocaal, die door samentrekking van twee vocalen ontstaan is. B.v. poena, cogo (cöago), tiblcen (tibïïcen), junior (jiivenior).

§ 532. Kort is iedere vocaal, die vóór een andere v o c a al in hetzelfde woord staat, ook wanneer er een h tusschen beiden is (vocalis ante vocalem corripitur). B.v. Dëus, pïus, traho. vëho. Ook van natuur lange vocalen en diphthongen worden in dit geval kort. B.v. dëorsum, sëorsum, praëacutus.

Van dezen regel zijn uitgezonderd:

1°. de a van den genetivus ai der eerste declinatie. Vgl. § 12. A. II.

2°. de e van den uitgang ei der vijfde declinatie, zoo er vóór e een vocaal staat. Vgl. § 30. 30.

3°. de a en e van den uitgang ai cn ëi in den vocativus der eigennamen op ajus en ejus. Vgl. § 30. 4°.

40. de i van fi o, behalve in het imperfectum conjunctivi en in den infinitivus praesens. Vgl. § 125.

5°. de i van den genetivus op lus der pronomina en der adjectiva van § 52. 4°. Behalve in alius wordt deze i door dichters dikwijls kort gebruikt. B.v. illïus, alterïus.

-ocr page 362-

Algcmeene regels over de qnantiteit. % 533—534.

6°. cheu, öhc (soms öhe), dïus, Dïana, (ook Dïana).

Aanmerking. Dc Grieksche woorden behouden hun eigen quan-titeit. B.v. a ë r, ê o s, A m p h ï o n , A g e s i 1 a u s, M a 5 o n i a. Betrekkelijk dc uitgangen ea en eus of ia en ius valt op te merken, dat de e en i lang zijn, wanneer zij uit six en noq, doch kort, wanneer zij uit sa. en ix ontstaan zijn. Lang zijn derhalve: Ga 1 a-tëa,Mcdêa,D ar ëus,Iphigenïa,Alexandria,A ntiochïa, Nicomcdïa, Samaria, Sclcucïa, Thalïa, Arïus, Basi-1 i u s, nosocomIum,Epicurêus,Pythagorëus,spon deus; maar kort: idëa, philosophïa, theologïa, astrologïa. Hetzelfde geldt van den uitgang ides der patronymica, naarmate deze in het Grieksch ür/fi (Priamides, Acacïdes) of silv^ (A t r I d e s, P e 1 ï d e s) is. Als uitzonderingen worden genoemd platëa, straat, soms chorea en Academïa in plaats van chorêa en Academïa.

§ 533. Een lettergreep is positione lang;

1quot;. wanneer zij eindigt op twee consonanten of op x. B.v. a m a b u n t, radix.

2°. wanneer zij eindigt op een consonant en de volgende lettergreep van hetzelfde of van het volgende woord met een consonant begint. B.v. 111 e; arma, In nova.

3°. wanneer zij eindigt op een korte vocaal en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met j, x, z of twee consonanten, waarvan de tweede niet is 1 of r. B.v. major, axis, g a z a, r ë s t i s, n e s c i o.

In de composita van jügum maakt de j geen positie. B.v. bï-jügus, quadrïj ügus. Ou maakt geen positie. B.v. liquid us; evenmin doet dit de h met een consonant. B.v. a bh ine.

§ 53\'! Een lettergreep is positione lang of kort, wanneer zij eindigt op een korte vocaal en de volgende lettergreep van hetzelfde woord begint met twee consonanten, waarvan de tweede 1 of r is. B.v. repleo, rëfluo, récreo, tenëbrae, lugübris, volücris. Men noemt dit positio debilis. In proza wordt een lettergreep met positio debilis altijd kort uitgesproken

Aanmerking. Wanneer de vocaal van natuur lang is, wordt de lettergreep altijd lang gemeten. B.v. salübris, delübrum, d ë t r ah o. Eveneens is een lettergreep altijd lang, wanneer in same n-gestelde woorden het eerste gedeelte op een consonant eindigt en het tweede met 1 of r begint. B.v. abluo, öbrëpo.

De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit.

352

-ocr page 363-

Quantitcit der voorste lettergrepen.

§ 535—536.

353

Bijzondere regels.

I. Over de quantiteit der voorste lettergrepen.

§ 535. De quantiteit der voorste lettergrepen kan men slechts door het gebruik en het vlijtig raadplegen van een goed woordenboek leeren kennen. Behalve op de aanmerkingen, die wij in het negentiende hoofdstuk der etymologia betrekkelijk de quantiteit maakten, lette men nog op de volgende regels ;

1°. De u in het begin van een woord is altijd lang behalve in ü t, ü t e r, zvie van heiden, übi, uterus, ülulo, üpüpa en enkele eigennamen. B.v. uber, utor, Qnus, ïiva.

2°. De perfecta met reduplicatie hebben de eerste lettergreep kort en ook de tweede, tenzij deze positione lang is. B.v. tëtïgi, dïdïci, doch fëfëlli, cücurri. Uitgezonderd iscëcidi van caedo (niet cëcïdi van ca do).

3°. De verba met meer dan tweelettergrepige perfecta op vi hebben zoowel in het perfectum als in het supinum de voorlaatsjte lang. B.v. amavi, amatum. delëvi, delëtum, petïvi, p e t i t u m , a u d ï v i, a u d ï t u m Zoo het perfectum niet op i v i (ii) uitgaat, is de voorlaatste van het supinum op itum kort. B.v. habïtum, credïtum. Uitgezonderd is recensïtum.

4quot;. De verba, wier perfectum op ui eindigt, hebben een korte stamvocaal. B.v. vëto, placeo, cölo, apërio. Uitgezonderd zijn po no (doch pösui, pösïtum), flöreo en pareo.

5°. De verba op io der derde conjugatie hebben een korte stamvocaal B.v. capio, facio

6° Dare heeft altijd een korte stamvocaal behalve in da en das.

Aanmerking Over de quantiteit der paenultima van de uitgangen der declinaties en conjugaties vergelijke men § 30 en § 100. In het futurum exact um en het perfectum conjunctivi kunnen de dichters de i der uitgangen imus en itis naar verkiezing lang of kort nemen.

Sommige woorden van dezelfde spelling hebben een verschillende quantiteit. B.v. la bor (verbum) en labor (subst.), 1 a tër e (verbum) en latëre (abl. van latus en later), ma nes, mane (van manêre) en man es (schimmen), mane {ochtend), rëpens (part. van rëpo) en rëpens (adj.).

§ 536. De afgeleide en samengestelde woorden behouden gewoonlijk de quantiteit der stamwoorden en der simplicia, ook 4de druk. 23

-ocr page 364-

Qnaiititeit der voorste lettergrepen.

§ 53Ö.

354

wanneer de stamvocaal veranderd wordt. B.v. a m o r, a m o r i s, a m o, r e d a m o; cl a m o, c 1 a m a v i, r e c 1 a m o; m o 1111 u m, monïtio; caëdo, occïdo; cado, oeeïdo.

Op dezen regel zijn de volgende uitzonderingen:

I. in de geconjugeerde en gedeclineerde vormen.

1°. De perfecta en supina van twee lettergrepen hebben, behalve als het vocalis ante vocalem is, de eerste lettergreep lang, ook al is die in het praesens kort. B.v. lêgi van lego; feci van tacio; mövi en motum van möveo; vidi en visum van video.

De eerste lettergreep is echter kort in de perfecta; b ï b i, d ë d i, f ï d i,

stëti, stïti, tüli, seïdi.

de supina; datum, s d t u m , r a t u m , statu m van s i s t o.

ïtum, litum, quitum, sïtum, rütum, cïtum van cieo.

In s t a t u m van s t o en c ï t u m van c i o is de eerste lettergreep lang.

Aanmerking. Men wachte zich wel de perfecta der samengestelde verba als tweelettergrepig te beschouwen, wanneer de reduplicatie van het simplex is weggevallen. B.v. com per io, compëri van pario, pepëri. Vgl. § 136. VI.

2°. In de declinatie worden de lange stamvocalen verkort van bos, liïr, mas, pïlr, pes, sal en vas, va dis (niet vïls, va sis). B.v. b ö v i s, 1 a r i s.

II. in de afleidingen.

Lang wordt de korte stamvocaal in de volgende woorden: h u-manus (homo), lex, lêgis (légere), lltera, lïtus (lïtum), ma-cëro (macer), pax, pacis (pacio), persona (persöno), rex, rëgis, r ë g ü 1 a (rëgere), s e d e s, s ë d ü 1 u s (sëdeo), s ë m e n (sëro), s 11 p e n-d i u m (stips, stïpis), s u s p ï c i o (suspïcor) , t ë g ü 1 a (tëgere).

Kort wordt de lange stamvocaal in de volgende woorden: ambitus, ambïtio (ambltum), dïcax (dïcere), dux, dücis, redux, redücis, edücare (ducere), fïdes, perfïdus (fido, fidus, infïdus), la bare (labi), lücerna (lüceo), mol est us (moles), natare (natum), nota, nötare (notus), odium (odi), söpor (sópire) , s t a t i o, s t a b i 1 i s, s t a b u 1 u m (statum, stare), v ö c a r e (vox, vöcis).

III. in de samenstellingen.

Lang wordt de korte stamvocaal in imbëcillus (baculus).

-ocr page 365-

§ 537—53^- Quantitcit der eindlettergrepen.

Kort wordt de lange stamvocaal in dejéro, pejëro (juro), agnïtus, cognïtus (nötus), pronübus, innübus, (nübo), sï-quidem (sï), dïrimo, dïsertus (dï), in de composita op dtcus van dlcere, zooals fatidïcus en verder in verschillende composita met pr5, zooals profanus, pröfari, pröcella, prönëpos, prötervus.

Aanmerking. Meermalen zal men door de bekende uitspraak van zeker woord de quantiteit eener bepaalde lettergreep kunnen leeren kennen. Daartoe moet men die lettergreep door samenstelling of verbuiging tot paenultima maken. Wenscht men b.v. de quantiteit te kennen van mi in h om i nib us, dan laat men bus weg; nu weet men uit de bekende uitspraak van den dativus singularis homïni, dat de i kort is. Evenzoo zal de eerste lettergreep van oro en miror lang zijn, omdat men gewoon is te zeggen ad oro, admïror, doch kort van mor or en super, omdat men zegt commöror, desü per.

II. Over de quantiteit der eindlettergrepen. § 537. Monosyllaba.

I. Alle monosyllaba, die uitgaan op een vocaal, zijn lang, uitgenomen de achtervoegsels në, quë, vë, ce, të, psë, ptë en de onscheidbare praepositie rë (rë in het impersonale refert is van anderen oorsprong). Vgl. over sï, dï en pro in composita § 53Ö. HL

II. Van de monosyllaba, die uitgaan op een consonant, zijn lang:

d) alle substantiva, behalve cör, vïr, fël, mël, lac en ös (ossis).

U) alle overige monosyllaba, behalve die uitgaan op b, d, 1, t, (zooals ab, ad, pol, dat), alsmede an, ïn, fac, nëc, per, fër, tër, quïs (Nom.), bïs, ïs (Pron.), cïs (Praep.), ës (van sum). Hïc (Nom.) is aneeps.

§ 538. Polysyllaba, die op een vocaal eindigen.

I. De uitgang a is kort, behalve

d) in den ablativus singularis der eerste declinatie. B.v. mensa.

b) in den vocativus singularis der Grieksche woorden op as. B.v. Aenea, At la.

c) in den imperativus activi der eerste conjugatie. B.v. ama. Uitgezonderd is puta in de beteekenis bij voorbeeld.

d) in de onveranderlijke woorden. B.v. an tea, contra, erga, f rus tra. Uitgezonderd zijn eja, ita, quia.

355

-ocr page 366-

Quantiteit der eindlettergrepen.

% 539-

356

II. De uitgang e is kort, behalve

cl) in den ablativus singularis der vijfde declinatie, zooals dië, benevens in de adverbia hodiê, pridië, postridië, quotidië en in den ablativus fa m ë.

b) in den imperativus activi der tweede conjugatie. B.v. doeë. Doch cave, habe, vale, vide, tace,jube, mane worden soms kort gevonden.

e) in de adverbia op e, afgeleid van adjectiva der tweede declinatie. B.v. doctë, miserë. Eveneens in ferë, fermë, ohë; doch kort in benë, male, anceps in supernë, infernë, interne.

d) in de woorden, die in het Grieksch op •/; uitgaan. B.v. Niöbë, Temp ë.

III. De uitgang i is lang, behalve ci) in nisï, quasi en cuï.

h) in den dativus en vocativus van Grieksche woorden. B.v. Daphnidï, A1 exi.

De i is anceps in mihï, tibi, sibï, ibï, ubï. In de composita zegt men altijd ibidem, u b ï q u e, doch u b ï n a m en ubï vis. Van ut (utï) heeten de composita utïnam en utïque.

IV. De uitgang o is lang behalve in m o d ó, c i t ö, i 11 ï c o, immö, cedö (§ 133), ego, duo, octö.

De o is anceps in den nominativus der derde declinatie, inliet praesens van alle conjugaties, in het gerundium op do en in de adverbia ergo, derhalve (doch ergo, wegens), porrö, postre-mö, serö , quandö (doch altijd quandöquïdem).

V. De uitgang u is altijd lang en y altijd kort.

§ 539. Polysyllaba, die op een consonant eindigen. Alle twee- en meerlettergrepige woorden, die op een anderen consonant dan s eindigen, hebben de laatste lettergreep kort. B.v. d o n ë c, i 11 ü d, consul, a m ë m, d e ü m, carmen, 1 a u d ë r, caput.

Lang zijn echter liën, alëc, illöc, illac, illïc, istoc, i s t a c, i s 11 c, en de composita van par, zooals d i s p a r. De Grieksche woorden behouden hun eigen quantiteit, zooals: cratër, aër (genetivus aëris), aethër (genetivus aethëris), Aenëan. Pater en mater hebben de laatste lettergreep echter kort, zoo ook de nomina op or. B.v. rhetor. Hector.

Voor de woorden die op s uitgaan, gelden de volgende regels I De uitgang as is lang, behalve ci) in anas (anatis).

-ocr page 367-

Over de verzen in het algemeen.

§ S40-

357

b) in de Griekschc woorden op a s (adis), zooals: Ilias (Iliadis).

c) in den Griekschen accusativus pluralis der derde declinatie, zooals: heroas, phalangas.

II. De uitgang es is lang, behalve

d) in den nominativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus uitgaat op ïtis, ëtis, ïdis met korte paenultima, zooals; miles, segës, obsés. Doch abiës, ariës, paries.

b) in penës.

e) in den nominativus en vocativus pluralis van Grieksche woorden der derde declinatie, zooals: chlamydës en in de Grieksche neutra op es, zooals: Cynosargës.

III. De uitgang is is kort, behalve

a) in den dativus en ablativus pluralis. B.v, mensïs, nobis.

b) in den accusativus pluralis op is. B.v. omnïs.

e) in den nominativus singularis, zoo de genetivus uitgaat op ïtis, in is, entis. B.v. Sam nis, Salamïs, Simóïs.

d) in den tweeden persoon enkelvoud van het praesens ind.ica-tivi activi der verba van de vierde conjugatie, zooals: audïs, alsmede in veils, nolïs, mails, possïs.

e) somtijds in den tweeden persoon enkelvoud van het futurum exactum. B.v. reddiderïs.

IV. De uitgang os is lang, behalve

a) in compos, i m p ö s.

b) in de woorden, die in het Grieksch op se uitgaan, zooals: Delös, Arcadós.

V. De uitgang us is kort, behalve

«) in den nominativus singularis der derde declinatie, wanneer de genetivus een lange u heel\'t, zooals : virtüs, palus, tellus.

b) in den genetivus singularis en in den pluralis der vierde declinatie. B.v. fructus.

c) in de woorden, die in het Grieksch op ovg uitgaan, zooals: Sapphus, Pan thus, doch kort in Oedïpüs en polypus.

VI. De uitgang ys is altijd kort. B.v. chlamys.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERZEN IN HET ALGEMEEN.

§ 540. Door een vers verstaat men in het Latijn een reeks van lange en korte lettergrepen, die volgens een vasten regel in afwisselende orde op elkander volgen.

-ocr page 368-

% 541-

Voeten.

358

De leden, waaruit zulk een reeks van ordelijk op elkander volgende lange en korte lettergrepen bestaat, noemt men voeten (pedes). De bepaalde opvolging van lange en korte lettergrepen in een voet heet metrum.

De voeten worden naar het getal en de quantiteit der lettergrepen onder verschillende namen aangeduid.

I. Voeten van twee lettergrepen.

pyrrhichius: benë.

^ — iambus: rëgunt.

--- trochaeus of chore us: matrê --spondeus: vobïs.

II. Voeten van drie lettergrepen.

^ ^ - tribrachys: tégëré.

-— anapaestus: domino.

— dactylus: omnia.

---amphibrachys: dëdïssë.

-— bacchlus: dólörês.

--- palimbacchius: lêglssë.

— — - cretïcus: aëquïtas,

---molossus: aüdïrï.

III Voeten van vier lettergrepen.

proceleusmatïcus: mëmörïa.

— paeon primus: histörïa.

w—• paeon secundus: módëstïa.

----- - paeon tertius: glóriosa.

— - paeon quart us: cëlërïtas.

— —--ionicus a minore: rëdëüntês.

--- - ionïcus a majore: aüdacïa.

— — — — d i i a m b u s: pötëntïaë.

— - — — ditrochaeus of dichorëus: ërüdltüs

— - ■— choriambus: prospïcïunt.

---— antispastus: rëduxëré.

----epitritus primus: salütantës.

— ^---epitrïtus secundus: Tmpëratrix,

--- — epitrïtus tertius: auctöritas.

---- epitrïtus quartus: örnamënta.

----dispondëus: praccëptörës.

§ 541. De tijd, dien de uitspraak eener korte lettergreep vordert, heet mora De uitspraak eener lange lettergreep vereischt twee morae De dichters mogen in vele gevallen voeten van een

-ocr page 369-

Arsis en thesis.

gelijk aantal in or a e met elkander verwisselen. Zoo mogen zij

soms een spondeus (--) gebruiken in plaats van een dactylus

(— --) of een tribrachys (-• - -) in plaats van een iambus (—).

De voeten , die uit lange en k o r t e lettergrepen bestaan , zooals de dactylus en de iambus, heeten eigenlijke voeten. De voeten, die enkel uit lange of enkel uit korte lettergrepen bestaan, zooals de spondeus en de tribrachys, heeten oneigenlijke voeten en dienen om in sommige gevallen in plaats van de eigenlijke voeten gebruikt te worden.

§ 542. De regelmatige beweging der stem bij de ordelijke afwisseling der lange en korte lettergrepen van een vers noemt men rhythm us. De rhythmus, die in onze taal vooral op den klemtoon bij de uitspraak berust, hangt in de Latijnsche verzen voornamelijk af van de verheffing der stem bij een lange en van de daling der stem bij een korte lettergreep. De plaats, die een lange lettergreep in een eigenlijken voet inneemt, noemt men arsis, en de plaats, die de korte lettergrepen innemen, thesis. Zoo staat in een iambus -) de eerste lettergreep i n thesi, de tweede in ar si. In een dactylus (— ^ -) daarentegen heeft de eerste lettergreep de arsis en hebben de beide laatste lettergrepen de thesis. De arsis kan men aanduiden door het teeken\'.

In de o n e i g e n 1 ij k e voeten vallen de arsis en de thesis op d e-zelfde plaats als in de eigenlijke voeten, die door de oneigenlijke voeten vervangen worden. Zoo zal een spondeus de eerste lettergreep in ar si hebben wanneer hij in plaats van een dactylus (- ^ -) staat, doch de laatste (— -), wanneer hij in plaats van een anapaest us (—• -) gebruikt wordt. Wanneer, zooals bij de tribrachys, twee korte lettergrepen in plaats van een lange staan, dan heeft de eerste korte de arsis, zoo de tribrachys in plaats van een t r o c h a e u s (- •-) staat, doch de tweede korte (---), zoo de tribrachys in plaats van een iambus (--) staat

De eigenlijke voeten heeten eenvoudige, wanneer zij slechts één arsis hebben, zooals de iambus, de trochaeus, de dactylus en de anapaest us, doch samengestelde, wanneer zij twee arses hebben, zooals de c r e t ï c u s en de b a c-chïus. De eerste arsis wordt hoofd arsis genoemd en aangeduid door het teekenquot;.

§ 543. De verzen worden verdeeld in eenvoudige en sa-

§ 542—543-

-ocr page 370-

Verdeeling der verzen.

360

% 544-

mengestelde verzen Ken vers is eenvoudig, wanneer er slechts voeten van h e t z e 1 fd e metrum in voorkomen, bij voorbeeld enkel dactyli of voeten, die in plaats van dactyli mogen gebruikt worden. Een vers is samengesteld, wanneer voeten van verschillend metrum met elkander verbonden worden.

De eenvoudige verzen worden genoemd deels naar de voeten, die hun hoofdmetrum vormen, zooals dactylische, jambische verzen, deels naar het getal der voeten, die er in voorkomen. Zoo worden de dactylische verzen onderscheiden in versus dimëtri, tr imétri, tetramétri, pentamëtri en hexa-m ë t r i, naarmate zij uit 2 , 3 , 4, 5 of 6 voeten bestaan. De meeste soorten van eenvoudige verzen echter hebben niet één voet als maat bij de telling, maar een vereeniging van twee voeten, welke d i p 0 d i e genoemd wordt Zoo zal een a n a p a e-stisch vers, wanneer het uit twee anapaesti bestaat, een monomëter, en wanneer het uit vier anapaesti bestaat, een dimëter genoemd worden. Evenzoo heet een jambisch vers van zes iambi een trimeter en een trochaeïsch vers van acht trochaei een tetrameter. Men noemt zulk een eenvoudig vers echter ook naar het getal der enkele voeten versus quaternarius, senarius, octonarius.

De samengestelde verzen worden evenals de dactylische naar het getal der enkele voeten genoemd.

Aanmerking. Somtijds wordt het eigenlijke metrum van een vers voorafgegaan door één of twee lettergrepen, die men in het eerste geval anacrusis, in het tweede basis noemt. De basis is gewoonlijk een spondeus of trochaeus.

§ 544. In verschillende verssoorten ontbreken aan den laats ten voet één of_lwee lettergrepen. Zulk een verssoort noemt men versus catalectïcus en wel catalecticus in syllabam, wanneer er slechts één lettergreep van den laatsten voet overig is, catalecticus in bisyllabum, wanneer er twee lettergrepen van den laatsten voet overig zijn.

Een vers, welks laatste voet volledig is, wordt versus aca-talectus genoemd.

Een vers, dat aan het einde van den laatsten voet een lettergreep te veel heeft, noemt men versus hypercatalectus.

Wanneer een vers naar dipodiën wordt gemeten en er een halve dipodie aan den laatsten voet ontbreekt, noemt men het versus brachycatalectus.

-ocr page 371-

Caesura. Elisio. Hiatus.

% 545—546-

361

De laatste lettergreep van ieder eenvoudig vers mag naar verkiezing lang of kort genomen worden.

Een vers volgens zijn voeten afmeten noemt men scandeeren.

§ 545. Wanneer in een vers het einde van ieder woord samenvalt met het einde van een voet, zal het onwelluidend zijn. B.v.

Aüréa | carmïna | Jólï| scrlbis| mdxïme \\ vatüm. Daarom zorgen de dichters, dat de woorden op een of meer plaatsen in het vers door de voeten doorgesneden worden. B.v.

TÖnc tüa|résagi|tur, parï|éscum|pröxïmüsjardét.

Bij langere verzen is het ook noodig, dat er op een of andere plaats in het vers een rustpunt is. Men verkrijgt dit door de zoogenaamde caesura en diaeresis, die het vers op bepaalde plaatsen achter een woord doorsnijden en daar voor het begrip van den zin bij het lezen een kortere of langere pauze vorderen.

Deze doorsnijding wordt caesura genoemd, wanneer zij valt binnen een voet en wel caesura masculina, zoo zij achter de arsis, en caesura feminina, zoo zij in de thesis valt.

Men noemt de doorsnijding diaeresis, zoo zij valt op het einde van een voet. De caesura en de diaeresis, worden gewoonlijk aangegeven door het teeken |]. B.v.

Caesura masculina.

Incidi t I in Scy 11 la m || qui | vult vi|tare C hajry bdi m.

Caesura feminina.

Obstupujit simul I Ipsë||sï|mul perjeussus A|chates.

Diaeresis.

Die mihi, | Damoejta, culjóm pëcüs?||An Melijboei?

§ 546. Wanneer in een vers een woord op een vocaal of m eindigt en het volgende woord met een vocaal of h begint, laten de dichters die twee lettergrepen gewoonlijk tot één lettergreep samensmelten met de quantiteit der tweede lettergreep. Men noemt dit elisio of iiitstooting. B.v.

Or a n]d u niquot;es t, u 11 si t men s | sa n a~i n | c o r por e | sa no.

Wanneer de elisio verwaarloosd wordt, ontstaat er een zoogenaamde hiatus of gaping. Deze is slechts in sommige gevallen geoorloofd en wel:

1°. bij éénlettergrepige woorden. B.v. 5 übï|campï.

2quot; bij lange vocalen, die in arsistaan B.v. fémïnë|oülu|latü.

3quot;. bij lange vocalen en tweeklanken, die als korte gebruikt zijn en in thesi staan. B.v.

-ocr page 372-

Diastole. Syncope. Synizesis. % 547 — 549-

dïcjtèque va|lé valé | inquit ét j écho.

4°. wanneer er een lang leesteeken tusschen beide vocalen staat. B.v.

Et ve|raquot;inces|su patujit déa. || llle^ubi | ma trem.

Aanmerking. Slechts zelden wordt de slotlettergreep van een vers geelideerd, wanneer het volgende vers met een vocaal of h begint. B.v

Omnia I Mércürï|ö sïmï|lls || volcémqué cö|lörém|que

Et cri|nes fla|vos || et | m embra de|cora ju|ventae.

Zulk een vers noemt men een versus hyper meter, niet te verwarren met een versus hypercatalectus Vgl. § 544-

§ 547. Een korte lettergreep wordt somtijds lang genomen, wanneer zij in ar si staat. Men noemt dit diastole of uitzetting. B.v.

Pec tor i|bus ïnhï|a ns || spi|ran tia [ consul it | ex ta.

Sidera|qué vënjtique no|ceiit || avijdaeque vo|lucres.

Omgekeerd wordt een lange lettergreep somtijds kort genomen, Men noemt dit systole of inkrimping. B.v.

Obs t i p ujï s t étè|r u ntq u e c o|ma e~e tvox | fa uc i b us|h aesi t.

De diastole en systole komen vooral te pas bij woorden, die zonder deze uitzetting of inkrimping niet in een verssoort gebruikt zouden kunnen worden Zoo vindt men in een hexameter altijd Prïamïdes in plaats van Prïamïdes en altérïus in plaats van altérïus.

§ 548. Somtijds laten de dichters een vocaal weg uit het midden van een woord. B.v. puertia in plaats van pueritia Men noemt dit syncope.

Somtijds valt er een letter aan het einde van een woord weg. B.v. viden in plaats van videsne, ain in plaats van aisne. Dit heet apocope.

§ 549. Somtijds worden in een woord twee lettergrepen, waarvan de eerste op een vocaal eindigt en de tweede met een vocaal begint, tot één lettergreep samengetrokken. Men noemt dit synizesis. B.v. dein, prout, deerunt, postea.

Meermalen worden door de synizesis de vocalen i en u in de consonanten j en v veranderd, die dan met de voorgaande consonanten positie maken. B.v. abïété wordt abjété; génua wordt g ê n v a.

Omgekeerd worden de j en v ook in. i en u veranderd. B.v.

362

-ocr page 373-

§ 55°—554- Dactylische verzen 363

Gaïtis in plaats van Gajus; sïlüae in plaats van sllvae. Men noemt dit dialysis.

§ 550. De scheiding der lettergrepen, die in zuiver proza soms gevonden wordt in de met per samengestelde adjectiva (§ 63) en in quicunque (§ 478), heeft meermalen plaats in verzen. B.v Hac fortuua ten us; super unns er am. Deze scheiding wordt tmesis geheeten.

DERDE HOOFDSTUK.

OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN EENVOUDIGE VERZEN. A Dactylische verzen.

§ 551. Versus Adonius of dactylicus dimeter catalecticus in bisyllabum. Twee dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt.

Térrüït I Ürbëm.

Hor. carm. 1. 2. 4.

§ 552. Versus A r c h i 1 o c h 1 u s minor of dactylicus trimeter catalecticus in syllabam. Drie dactyli, aan den laatsten van welke twee lettergrepen ontbreken.

Pulvis ét I Óm bra sü|müs.

Hor. carm IV. 7. 16.

§ 553. Versus A1 c m a n i u s of dactylicus tetrameter catalecticus in bisyllabum. Vier dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de twee eerste dactyli staat meermalen een spondeus, zelden in plaats van den derden dactylus. Na de tweede of derde arsis pleegt een caesuur te staan.

iV-) 1—

Ossïbüs I ét capijti inhü|mato.

Hor. carm. I. 28. 24.

§ 554. Versus heroïcus of dactylicus hexameter catalecticus in bisyllabum. Zes dactyli, aan den laatsten van welke één lettergreep ontbreekt. In plaats van de vier eerste dactyli kunnen ook spondei gebruikt worden.

-ocr page 374-

% 554-

364

Arma vijrómquë ca|n0, Trö|jaéqul ] primus ab | örïs.

Virg. Aen I. i.

Zoo in den vijfden voet van een hexameter een spondeus staat, noemt men het een versus spondaic us. In dit geval zal de vierde voet meestal een dactylus zijn en het laatste woord vier lettergrepen hebben.

Cara dëjüm sübö|lés, ma|gnum Jövïs | incrë|méntüm.

Virg. eel. IV. 49.

De voornaamste caesuren van een hexameter zijn:

rt) de penthemiméres na de arsis van den derden voet.

Régïa I crédë mï | hi, || res | ést s üc | cü rrërë | 1 dpsïs.

Ovid. Pont. II. 9. II.

b) de xcctx rpirov rpoxxïoy in de thesis van den derden voet.

Ode|rünt p ë c|c a rë || bó|ni vïr|tütis a|mörë.

Hor. ep. I. 16. 52

c) de hephthemimëres na de arsis van den vierden voet, meestal met een bijcaesuur na de arsis van den tweeden voet (trithemimëres) en soms met een bijcaesuur in de thesis van den tweeden voet (xxtx hsórspov tpoxxïoy)

Quid rë|fért, II m 5r|bo^an fur|tis, ||përë|amnë ra|pinïs.

Hor. sat. II, 3. 157.

Obstüpü|érë;||sëd | an te^ali|as|| Arëjth usa sö^örës.

Virg. georg. IV. 351.

De diaerësis valt gewoonlijk na den derden voet.

Ut prï|müm jüx|tastëtït||agno|vitquë për|ambram.

Somwijlen en wel vooral in het carmen bucolicum valt de diaeresis na den vierden voet Deze diaeresis wordt caesura bucolica genoemd en is gewoonlijk met een andere caesuur verbonden.

Heü, heü, |quid vólü|ï||mïsëjrÓmïhï?||F 1 örïbüs|AQsrüm.

Virg. eel. II. 58.

Aanmerking. De dichters laten soms een hexameter eindigen op een monosyllabum om daardoor iets indrukwekkends te schilderen , een geluid na te bootsen of iets komisch voort te brengen.

Illic, ut perhibent, aut intempesta silet nox.

Virg. georg. I, 247.

-ocr page 375-

Trochae\'ische verzen.

Turn prora avertit et undis

Dat latus; insequitur cumulo praeruptus aquaemons.

Virg. Aen. I. 105.

Parturiunt montes, nascetur ridiculus mus

Hor. A. P. 139.

Minder vreemd is een monosyllabum op het einde, wanneer het door een tweede monosyllabum wordt voorafgegaan.

Principibus placuisse viris non ultima la us est.

Somtijds, hoewel hoogst zelden, rijmt de penthemimeres met de laatste lettergreep.

Si Trojae fatis||al:quid restare putatis.

Ovid. met. XIII. 379.

Men noemt deze verzen versus Leonini naar Leo, een Pa-rijzer monnik uit de io(\'e eeuw. In de middeleeuwen waren deze verzen zeer in zwang.

Dum ca nis os rodit, socium, quem diligit, odit.

Hac sunt in fossa Bedae venerabilis ossa.

§ 555. Versus pentameter. Een pentameter komt alleen voor in verbinding met een hexameter, waarmede het een zoogenaamd distichon vormt, dat vooral in epigrammata en in elegische verzen gebruikt wordt.

Een pentameter bestaat uit twee door de diaeresis gescheiden deelen, die beiden gevormd worden door twee dactyli en een lange lettergreep, derhalve uit 2 x 2\\ voet. In plaats van de twee dactyli der eerste helft kunnen ook spondei staan. De laatste lettergreep kan volgens § 544 ook kort zijn. Soms vindt men op het einde der eerste helft een korte lettergreep, die dan door de arsis de waarde van een lange krijgt. Vgl. § 547.

Principiis obsta! Sero medicina paratur, Cum mala I pér lon|gas||cönvalü|ére mö|ras.

Ovid. rem. am. 21.

B. Trochaeïsche verzen.

§ 556. In de trochaeïsche verzen is de trochaeus (- -) de hoofdvoet. Zij worden in dipodiën afgedeeld. De hoofdarsis valt op de eerste lettergreep van iedere dipodie.

De trochaeus kan altijd vervangen worden door een tribrachys —-). De laatste voet van elke dipodie kan ook een spondeus

§ 555—556.

-ocr page 376-

Janibischc verzen.

% 5S7—560.

366

(—) zijn of een anapaestus (^ ^ -)• Het schema van een mo-nométer is derhalve:

§ 557. Het meest gebruikelijke trochaeïsche vers heet tetrameter trochaicus catalccticus in syllabam of versus septenarius. Het heeft de d i a e r e s i s na de tweede dipodie. Het gewone schema is derhalve :

Nulla vox hü|mana cónstatpibsqu 6 séptêm || lïttëris,

Rite vèca|lës vöcfivït || qu as magistra | Graêcïa.

Terent. Maur.

De blijspeldichters zetten zeer dikwijls, behalve in de laatste catalectische dipodie, in plaats van de oorspronkelijke korte lettergreep van den trochacus een lange lettergreep.

§ 558. Bij Horatius vindt men een trochaeïsche verssoort, welke dimeter trochaicus catalecticus in syllabam heet en altijd dezen vorm heeft:

Trüdïtur dï|é.s dié.

Hor. carm. 11. 18. 15.

C. Jambische verzen.

§ 559. De jambische verzen worden naar dipodiën gemeten. Elke iambus, met uitzondering van den laatsten, kan verwisseld worden met een tribrachys. Daarentegen kan men den eersten iam-bus van elke dipodie veranderen in een spondeus, een dactylus of een anapaestus. De blijspeldichters wenden deze verandering ook aan in den tweeden voet van iedere dipodie, met uitzondering van den laatsten. De hoofdarsis valt op de tweede lettergreep van iedere dipodie, behalve zoo er een anapaestus gebruikt wordt; deze heeft haar op de derde lettergreep. Het schema van een mono-mëter is derhalve :

— (—)

§ 560. Het gebruikelijkste jambische vers is de trimeter acatalec-

-ocr page 377-

Jambische verzen.

§ 561—564.

367

tus, ook versus senarius geheeten. Dit vers heeft meestal een caesuur na de eerste, soms ook na de tweede thesis der tweede dipodie. Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema;

Quid öbsëra|tïs I aurïbus j fundïs prëcés?

Non saxa nÜ|dis || sÜrdïö|r a navïtis

Nêptunüs al|tö|| tundit hi|bërnüs saló.

Hor. epod. 17. 53.

§ 561. Versus iambicus dimeter acatalectus of versus quaternarius. Met uitzondering van bovengenoemde verwisselingen is het schema:

Beatus ille qui proeul negotiis,

Ut prïsca géns | mörtalïum,

Paterna rura bubus exercet suis,

Sólütüs ömjnl foënërè.

Hor. epod. 2. 1.

§ 562. Versus iambicus trimeter catalecticus in syllabam. Dit vers heeft dezelfde caesuur als de trimeter acatalectus van § 5\'6o.

Non ebur neque aureum

Mëa rëni|dët||in domo | lacunar.

Hor. carm. II. 18. 1.

§ 553. Versus a 1 caicus enneasyllabus of iambicus dimeter hypercatalectus. Het laat slechts in den eersten en derden voet een spondeus in plaats van een iambus toe. Bij Horatius is de derde voet altijd een spondeus.

Si fractüs il|labatür órjbïs.

Hor. enrm. III. 3. 7.

§ 564 Verder heeft men nog een tetrameter iambicus acatalectus. Terent. Andr I. 3. 1. tetrameter iambicus catalecticus. Terent. Andr. IV. 2. 11. dimeter iambicus catalecticus. Sen Med. 862.

choliambus (hinkende iambus) of versus Hipponacteus, een jambische senarius, welks laatste voet een trochaeus of spondeus is.

Mïsër Catul|lé dësïnas|ïnëptirë Et quöd vides I përïssë pér|dïtüm dücas.

Ca tuil 8.

-ocr page 378-

368 Anapaestische, Cr disc he, Ionische verzen. § 565—568

D. Anapaestische verzen.

§ 565. De anapaestische verzen worden gemeten naar dipodiën. Het meest gewone anapaestische vers is de dimeter acatalectus. Het heeft een diaeresis na de eerste dipodie. In plaats van de anapaesti kunnen ook spondei en behalve in den laatsten voet ook dactyli gebruikt worden.

U ^ —

Na een reeks van dimetri volgt ook wel een monometer, die dan weder gevolgd wordt door een acatalectischen dimeter.

Trïstïs vïrtus II perversa tülit Praëmïa recti; Ijcastös sequitur Mala paupertas, Ij vïtïöquë pötêns.

Rêgnat adulter

5 vanë pudör || falsümquë dëcus!

Senec. Hippol. 984.

E. Cretisohe verzen.

§ 566. Tetrameter creticus acatalectus In plaats van één lange kunnen overal twee korte lettergrepen staan, behalve in de laatste lettergreep.

Tanta vé|cordïa^in|nata cui|quamquot;Üt sïêt, Ut malts I gaüdëant j atque^ëx in|commödis Altërijus süa^ót | com parent | commöda.

Ter. Andr IV. 1. 2

P. Ionische verzen.

§ 567. Tetrameter catalecticus in bisyllabum gevormd door ionici

a majore (--- -). Dikwijls staat een ditrochaeus (- ^ —•) in plaats

van een ionicus.

Has cum gëmïjna cömpëdë | dédïcat cajtenas.

Mart, epigr. III 29

§ 568 Tetrameter ionicus a minore.

Mïsërarum\'êst j neque\'amèrï | darë ludümjnëquë dülcï.

Hor. carm. III. 12 1.

-ocr page 379-

§ 569—570- Bacchische, samengestelde vei-zen.

G-. Bacchische verzen.

§ 569. Tetrameter bacchius acatalectus. Met uitzondering van de laatste lettergreep kan iedere lange in twee korte veranderd woorden.

Quid hoc hïc I clamorïs?| Quid hoc hïc | tumulti~êst?

Enn. fraem. Heet. lustr.

VIERDE HOOFDSTUK.

OVER DE VOORNAAMSTE SOORTEN VAN SAMENGESTELDE

VERZEN.

§ 570. De eenvoudigste samengestelde verzen zijn de logaoedische. Zij bestaan uit dactyli en trochaei. Tot deze verzen behooren:

I. Versus Aristophanïcus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus.

Témpërat | öra | frénis.

Hor. carm. I. 8. 7.

II. Versus Alcaïcus decasyllabus of logaoedicus dupliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus.

Purpürë|i mëtü|unt ty|rannl.

Hor, carm. I. 35. 12.

III. Versus Archilochïus major of logaoedicus tetrameter dactylicus acatalectus tripliciter trochaicus acatalectus met een cae-suur na de arsis van den derden voet en een diaeresis na den vierden voet. In plaats van de drie eerste dactyli mogen ook spondei staan.

SÓlvïtür ( acrïs hï|éms||gra|ta vïcë||vérïs | ét Fa||vÓnï.

Hor. carm. I. 4. 1. IV. Versus Pherecratëus of logaoedicus simpliciter dactylicus simpliciter trochaicus acatalectus cum basi.

Vis förjmósa vildérï.

Hor. carm. IV. 13. 3.

4de druk. 24

369

-ocr page 380-

370 Samengestelde verzen. § 570.

V. Versus Glyconêus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalccticus cum basi.

Nil morjtalibus | ardü|um^est.

Hor. carm. I. 3. 37. VI. Versus Priapêus, samengesteld uit een Glyconêus (§ 570. V) en een Pherecratëus (§ 570. IV) met een diaeresis daartusschen.

Hunc lü|cum tïbï | dédï|cö || c5nsë|cröquë Prï|:ipë.

Catull. 18.

VII. Versus Phalaecius of logaoedicus simpliciter dactylicus tripliciter trochaicus cum basi.

Diser|tïssimë | Romü|li në|pÓtüm.

Catull. 49.

VIII. Versus Asclepiadëus minor of logaoedicus simpliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na den choriambus.

Créscên|tém sëquïtnr||cura pë|cunï|am.

Hor. carm. III. 16. 17.

IX. Versus Asclepiadëus major of logaoedicus dupliciter choriambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum basi met een diaeresis na iederen choriambus. Samengestelde woorden mogen door de diaeresis gescheiden gedacht worden.

Ouis pöst|vïna gravém||mf lïtïam^aüt | paupërï|ém crë|pat?

Hor. carm. I. 18. 5. Arca|niquë fïdés||prödïgd per]|lucidi|or vï|trö.

Id. ib. 16.

X, Versus Sapphïcus minor of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (§ S5Ö) als basis (bij Horatius altijd in den vorm van een epitritus secundus ——). Dit vers heelt een caesuur na de arsis van den dactylus, soms ook na de eerste korte van de thesis.

-ocr page 381-

Samengestelde verzen.

§ S7I-

371

Integer vï|taé||scëlë|risquë | purüs.

Hor. carm. I. 22. 1.

D a Ü n ï a é d é|fé n d ë || d ëjc Ü s C ajm é n a S.

Hor. carm. IV. 6. 27.

XI. Versus Sapphic us major of logaoedicus simplicitcr chori-ambicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus acatalectus met een monometer trochaicus (quot;§ 556) als basis (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrïtus secundus—^—). Dit vers heeft een caesuur na de hoofdarsis van den choriambus en een diaeresis na de tweede arsis van den choriambus.

Té dëós olröI]Syba.rin||cur pröpë|ras a|mando.

Hor. carm. I. 8. 2.

XII. Versus Alcaïcus hendecasyllabus of logaoedicus simpliciter dactylicus dupliciter trochaicus catalecticus cum anacrusi (-) et monometro trochaico (bij Horatius altijd in den vorm van een epitrïtus secundus — ^—). Gewoonlijk staat vóór den dactylus een diaeresis.

Dül|ce~ët dëcÓrum^ês11|prö patrïja mö|rï.

Hor. carm. III. 2. 13.

§ 571. Meer ingewikkeld zijn de versus asynarteti of die verzen, welke uit twee deelen van een verschillende verssoort bestaan. Tusschen deze beide deelen is de hiatus en de syllaba anceps altijd geoorloofd. Tot de versus asynarteti behooren:

I. Versus Priapëus, reeds behandeld in ^ 570. VI.

II. Versus elegiambus, bestaande uit een Archilochïus minor (§ SS2) c\'1 ccn iambicus dimeter acatalectus (§ 561). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.

Désïnët|impari|bus(|cêrtarë süb|m51us püdór.

Hor. epod. 11. 18. III. Versus iambelëgus, bestaande uit een iambicus dimeter acatalectus (§ 561) en een Archilochïus minor (§ 552). Tusschen beide deelen is altijd een diaeresis.

Lëvlrë di|rïs pec t ör a ||s S1 lïcï|t üdï n ï|b u s.

Hor. epod. 13. 12.

-ocr page 382-

Horatiaansche monosticJia. % 572—574.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERBINDING VAN VERZEN TOT GEDICHTEN.

§ 572. Een gedicht is een geheel van meerdere verzen, die tot dezelfde of tot een verschillende soort behooren.

Wanneer verzen van verschillende soort tot een geheel verbonden zijn, moeten zij elkander voortdurend in dezelfde orde opvolgen. Men noemt dit metrum. Men spreekt echter ook van metrum, wanneer verzen van dezelfde soort met elkander verbonden zijn.

Zoo het metrum uit één vers bestaat, heet het monostïchon, zoo het uit twee verzen bestaat, wordt het distichon, zoo het uit meer dan twee verzen bestaat, wordt het stropha genoemd.

§ 573. Tot de Horatiaansche monostïcha behooren:

I. Metrum Asclepiadëum primum, uit een Asclepiadëus minor (§ 570. VIII ) bestaande.

Maécëjnas atav 1 s|| édïtë | régï büs.

Hor. carm. I. 1.

II. Metrum Asclepiadëum majus, uit een Asclepiadëus major (§ 570. IX) bestaande.

Tü në I quaësïërls||scïrë néfas||quém mïhï j quem tï|bï.

Hor. carm. I. 11.

III. Metrum iambïcum primum, uit een iambïcus senarius (§ 560) bestaande.

Jam jam^eïfïcalcïlldö manus | scïëntïaé.

Hor. epod. 17.

IV. Metrum ionicum a minore, uit een tetrameter ionicus a minore (§ 568) bestaande.

MïsërarurrTest ] nëque\'amÓrï | darëlüdüm | nëquëdülcT.

Hor. carm. III. 12.

§ 574. Tot de Horatiaansche disticha behooren:

I. Metrum Asclepiadëum secundum, bestaande uit een Glyconëus (§ 570. V) en een Asclepiadëus minor (§ 570- VIII).

Sic të 1 Diva pöjtcns Cy|pri

Sic fra|trés H ël ë n a ë||l u cïd a j sidëjra.

Hor. carm. I. 3.

II. Metrum Sapphïcum majus, bestaande uit een Aristophamcus (§ 570. I) en een Sapphicus major (§ 570-

L y d ï a | die p ë r | ö m 11 ë s

Te dëös 5|rö||Sybarin||cur pröpë|ras a|mandö.

Hor carm. I. 8.

372

-ocr page 383-

Horatiaansche disticha.

§ 574-

373

III. Metrum Archilochïum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Archilochïus minor (§ 552).

Dïffü|gérë nï|vés||rëdë|unt jam | gramïna | campls Arbörïjbusqufc cÖ|maé.

Hor. carm IV. 7.

IV. Metrum Archilochïum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambelëgus (§ 571. III).

Hórrïda | témpê|stas || caëjlóm conjtraxit ët | ïmbrës Nïvêsquë dë|dücünt Jövém||nunc mare | nunc sïlü|aé.

Hor. epod. 13.

V. Metrum Archilochïum tertium, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een elegiambus (§ 571. II).

Pettï nihil I më||sïcüt an|tëa jüvat

Scribërë j vér sïcü.l ös|| a m O rë pér|cussüm gravi.

Hor. epod. 11.

VI. Metrum Archilochïum quartum, bestaande uit een Archilochïus major (§ 57° UI) en ecn iambicus trimeter catalecticus (§ 562).

Sölvitür I acrïs lu|éms||gra|ta vïcë ] vérïs | ét Fé|vönï T r a h fi n t q u ë s i c]c a s || m a c h ï n a é ] carinas.

Hor. carm. I. 4.

VII. Metrum iambicum secundum, bestaande uit een iambicus senarius (§ 560) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Ibïs Libur|nïs||ïntër al|ta navium Amïcë prö|pügnacüla.

Hor. epod. I.

VIII. Metrum Pythiambïcum primum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een iambicus dimeter acatalectus (§ 561).

Mollis ïn|értia [ cur||tan|tam dïf|füdërit | imïs O b l ï v i Ó| n ë m s é n s ï b u s.

Hor. epod. 14.

IX. Metrum Pythiambïcum secundum, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en cen iambicus senarius (§ 560).

Altëra I jam tëri|tur||bël|lis ci|vilibüs | aétas Süïs ët ip||sa Röma vi|ribüs ruit.

Hor. epod. 16.

X. Metrum Alcmanium, bestaande uit een Heroicus (§ 554) en een Alcmanius. (§ 553)-

I.audajbünt a,li|i||cla|ram Rhódón | atit Mityjlénén Aót Ephë|sön bïma|risvé Cöjrinthï.

Hor. carm. I. 7.

-ocr page 384-

Horatiaansche strophen.

% 575

374

XI. Metrum Hipponactëum, bestaande uit een dimeter trochaicus catalecticus (§ 558) en een iambicus trimeter catalecticus (§ 562). Nön ebür né|qucquot;auréü m

Mëa rënï|dët||ïn dömó j lacunar.

Hor. carm. II. 18.

§ 575. Tot de Horatiaansche strophen behooren:

I. Metrum Asclepiadëum tertium, bestaande uit drie Asclepiadëi minores (§ 570. VIII) en een Glyconëus (§ 570. V.)

Divïs I örtë bonis, I öptïmë | RÓmüjlaë Cüstös I géntïs, a b ë s Ij j a m nïmïjum dijü:

Matü|rÜm rëditóm ||pöllïcï|tÖs Pa|trüm Sanctö I cöncïlï|ö, rëd;i.

Hor. carm. IV. 5

II. Metrum Asclepiadëum quartum, bestaande uit twee Asclepiadëi minores (§ 570. VIII), een Pherecratëus (§ 570- IV) en een Glyconëus (§ 570. V).

DiajnÉm tënëraé|| dicïté | virgïjnës:

Intön|süm, püe r i, || dicïtë | Cynthï|üm:

Latojnamqué sü|prémo Dilëcjtam pënï|tus Jó|vï.

Hor. carm. I. 21.

III. Stropha Sapphïca, bestaande uit drie Sapphïci minores (§ 570- X) en een Adonius (§ 551).

Intëgér vï|taé II scëlë | risque | purüs Nön ëgét Maü|ris||jacü|lis, në|que^arcü, Nèc vënéna|tis II gravï|da sa|gittis,

Füscë, pha|rctra.

Hor. carm. I. 22

IV. Stropha Alcaïca, bestaande uit twee Alcaïci hendecasyllabi (§ S70- XII)gt; een Alcaicus enneasyllabus (§ 563) en een Alcaicus decasyllabus (§ 570. II).

An|güstani^amicë||paüpërï|em pa|tï Rö|bustüs acn II mïlïtï|a pü|ër Cöndïscat; ët | Part hós fêröicës Véxët ë|qués mëtü|éndüs | hasta.

Hor. carm. III, 2.

-ocr page 385-

EERSTE AANHANGSEL.

OVER DEN EOMEINSCHEN KALENDER.

De maanden hadden bij de Romeinen dezelfde namen als bij ons, namelijk: Januari us, Februarius, Marti us, Aprïlis, Ma-jus, Junius, Julius, Augustus, September, October, November, December. Vóór Keizer Augustus heette Julius O u i n t ï 1 i s en Augustus S e x 111 i s. De namen der maanden worden gewoonlijk als adjectiva gebruikt.

De maanden hadden ook hetzelfde aantal dagen, namelijk: Februari 28 en in het schrikkeljaar 29, April, Juni, September, November, (Apjunseno zegt men om het geheugen te hulp te-komcn) 30, de overige 31.

Bij het aangeven van den datum telden de Romeinen de dagen der maand niet van den eersten tot den laatsten. Zij gaven aan drie dagen van iedere maand een bijzonderen naam. De iste heette Kalendae, de 5\'leNonae, de 13^ Id us (Gen. uum). Zoomen derhalve wilde uitdrukken, dat iets geschied was op den isten) 5den 0f 12den Januari, zeide men: hoc factum est Kale 11 dis, No nis, Idibus Januariis. In Maart, Mei,Juli en October (Milmo, waarbij il Juli beteekent) vielen de Nonae echter op den yücn en je Idus op den 15\'^.

Den dag vóór de Kalendae, Nonae en klus drukte men uit door p r i d i e met den accusativus; bij de Nonae en Idus werd de naam der zelfde, bij de Kalendae de naam der volgende maand gevoegd. B.v. II/j is gestorven of op den 3 isten Januari of op den 4den Februari of op den I4den Maart, mortuus est aut pridie Kal en das Febru arias (pridie Kal. Febr.) aut p rid ie Nonas Februarias (pridie Non. Febr.) aut pridie Idus Marti as (pridie ld. Mart.)

Een andere dag werd aangeduid door te bepalen de hoeveelste dag het was vóór de eerstvolgende Kalendae, Nonae of Idus; hierbij werden de dag, van welken en de dag, tot welken men telde, medegerekend. B.v. Op den 3ostei1 December, die tertio ante

-ocr page 386-

Romeinse he kalender.

Kalendas Januarias; op den a11011 April, die quarto ante Nonas Apriles; op den iotlen Mei, die sexto ante Idus Majas. Gewoonlijk echter gebruikten de Romeinen een kortere of gewijzigde uitdrukking. Zij zeiden namelijk of wel met weglating van die en ante: tertio Kalendas Januarias (III. Kal. Jan.); quarto Nonas Apriles (IV. Non. Ap.); sexto Idus Majas (VI. Id. Maj.); of wat meer gewoon was, zij plaatsten dies met het ordinale in den accusativus tusschen ante en den daarvan afhangenden accusativus, namelijk: ante diem tertium Kalendas Januarias (a. d. III. Kal. Jan.); ante diem quartum Nonas Apriles (a. d. IV. Non. Apr.); ante diem sextum Idus Majas (a. d VI. ld. Maj.). Deze geheele uitdrukking werd als één woord beschouwd en zeer dikwijls afwijkend van het gewone gebruik (Vgl. § 498) met de praepositie in of ex verbonden. B.v. Caedem optimatium contulisti in a. d. V. Kal. Nov. (tot den 28sten October). Supplicatio in dicta est e x a. d. V. Id. Oct. {sedert den 11llcn October) Evenzoo voegde men ook usque ad voor pridie. B.v, Nos in For mi a no esse volumus usque ad pridie Nonas Majas (tot den 6den Mei).

In een schrikkeljaar had de maand Februari evenals bij ons 29 dagen. De Romeinen voegden echter den schrikkeldag niet achter den 28sten, maar achter den 24sten. Den 24sten noemden zij als gewoonlijk a. d. VI. Kal. Mart. en den schrikkeldag a. d. bi-se x t u m Kal. Mart. De voorgaande en volgende dagen behielden hun eigen namen B.v. Op den 23sten Februari, a. d. VIL Kal. Mart; op den 28sten Februari, pridie Kal. Mart.

Aanmerking I. Evenals pridie gebruikte men soms ook po-stridie met den accusativus voor het aangeven van den datum. B.v. Postridie Idus Qui utiles, op den i6Jen Juli.

Aanmerking II. Soms gaf men ook den datum aan naar de namen der feesten en wel op dezelfde wijze als bij de namen der maanden. B.v. Terminalibus, op den 23sten Februari. Ante diem quintum T e r m i n a 1 i a, op den 19\'\'equot; Februari Postridie ludos Apollinares, op den 6clen Juli.

De volgende tabel geeft een overzicht van den Romeinschen kalender.

376

-ocr page 387-

Romeinse he kalender.

377

Maart, Mei, Juli en October. (31 dagen).

Januari, Augustus en December. (31 dagen).

April, Juni, Septem-; ber en November. ; (30 dagen).

Februari.

(28 dagen).


3

8

a.d.1

3

rf

a p

ir. §

c n

CTQ 3

F Sr

If. P

r-t- C/3 P

» gt;

^ 2.

lt; S

O) w 1^

Ö s.

in p

V.

IV.

III.

pridie Idus Mart. Idibus Mart. /XVII.

XVI.

XV.

XIV.

XIII.

XII.

XI.

a.d \'X.

IX.

VIII. 5 VIL 7 VI.

V,

3 1IV- I III. I pridie Kalendas (der volg. maand).

Kalcndis Martiis. N\\\\

\\V r Nonas

axlfv

Martias.

lm.;

öjpridie Non. Mart. 7|Nonis Mart. Vlli.\\

VII,

VI.

Idus. Mart.

Kalcndis Januariis

(IV) Nonas a,d,|m.) Jan. pridie Non. Jan. Nonis Jan.

fVlll}

iVII.

Kalcndis Aprilibus,

^IV.) Nonas a,d^III.) Apr. pridie Non. Apr. Nonis Apr.

VUL

Kalcndis Fcbruariis;

(IV. ) Nonas a d-jlII. ) Febr. pridie Non. Febr. Nonis Febr.

VIII.

,VII.

Ivi. [ Idus |V. [ Febr. \'lV.

III.

pridie Idus Febr. Idibus Febr. XVI. 1 XV.

XIV.

XIII.

XII.

XL X.

a-d][X.

VIII.

VII.

VI.

V.

IV.

III. I

pridie Kalendas Martias.

-ocr page 388-

TWEEDE AANHANGSEL.

OVEPw DE KOMEINSCHE GEWICHTEN, MUNTEN EN MATEN.

1. Romeinsche gewichten. Het Romeinschc pond (libra, pondo) werd als geheel en eenheid as genoemd; het werd verdeeld in twaalf u n c i a e; elk aantal dezer unciae droeg een bijzonderen naam, namelijk:

1 uncia — , uncia.

2 unciae — J, sextans.

3 unciae ~ J, quadrans.

4 unciae : — triens.

5 unciae ~ T5^, q u i n c u n x.

6 unciae — 1, semis.

7 unciae = /.j , s e p t u n x,

8 unciae == |, bes.

9 unciae — , d o d r a n s.

I o unciae — ® , d e x t a n s.

II unciae = |i, deunx. 12 unciae = 1, as.


Deze namen dienden tevens om bij erfenissen, vlakte- en lengtematen en renteberekeningen de onderdeelen der erfenis (ills geheel dan as genoemd), der vlakte- (jugerum) en lengtemaat (pes) en der renteëenheid aan te duiden. B.v. Heres ex asse, een universeel erfgenaam. Heres ex dodrante, ex trien te, een erfgenaam van het |, l deel der nalatenschap. Triumviri viritim divi-serunt ter na jugera et septunces (3T72 bunder). Obeli-seus centum viginti quinque pedum et dodrantis (125^ voet). Fenus ex triente factum erat bessibus, de interest •was van l tot | pet. maandelijks gestegen, d. i. van 4% tot 8% jaarlijks; want de Romeinen berekenden den interest bij de maand, niet bij het jaar.

II. Romeinsche munten. In den vroegsten tijd hadden de Romeinen slechts kopergeld (aes) en berekenden dit naar ponden (asses). Men zeide: asses duo, tres, enz. Bij geldsommen van twee en meer duizend pond liet men asses weg, doch voegde er den genetivus aeris bij. B.v. Centum milia aeris.

Sedert de invoering van het zilvergeld (omstreeks 268 v. Chr.) werd de sestertius (Vgl. § 18. in.) bij opgaven van geldswaarde als eenheid aangenomen. B.v. Trecenti sestertii, 300 sestertiën. Mille sestertii of mille sestertium, 1000 sestertiën. Zoo de som twee of meer duizenden bedroeg, gebruikte men het substantivum plurale sestertia, dat de beteekenis had van 1000 sestertiën en waarbij gewoonlijk distributiva en geen cardinalia gevoegd werden. B.v. Bi na sestertia, 2000 sestertiën. Centen a sestertia, 100000 sestertiën. Zoo ging men voort tot 999000 sestertiën, n o n-gena non age na n oven a sestertia. Kleinere getallen werden

-ocr page 389-

Romeinsche munten en maten.

er door et mede verbonden. B.v. Septena sestertia et sestertii ducenti quadraginta tres, 7243 sestertiën.

Volledig uitgedrukt heet een millioen sestertiën: decies centena mil ia s ester tium (Gen. Plur.). Men vindt ook wel decies centena met weglating van milia sestertium. Gewoonlijk echter gebruikte men het substantivum singulare sestertium met achtervoeging van het adverbium numcrale decies. Sestertium heeft dan de waarde van 100000. Evenzoo beteekent 2000000 sestertium vicies, 3000000 sestertium t r i c i e s. Sestertium wordt regelmatig naar de 2llc declinatie verbogen. B.v. Syn graph a sestertii een ties, een wissel van 10000000 sestertiën. 111 sestertio vicies egere, met 2000000 sestertiën arm zijn. Wanneer de samenhang geen dubbelzinnigheid veroorzaakt, wordt soms ook sestertium uitgelaten en alleen het adverbium numerale gezet. B.v. Illa dissipatio pecuniae publi-cae fer enda n u 1 lo m odo est, per qua m An toni us sep t ies mil li es avertit (sc. sestertium, i. e. 700000000 sestertiën.)

Sestertius, sestertia en sestertium worden dikwijls aangeduid door het teeken H. S. (eigenlijk II semis, 2^ eis, omdat de sestertius oorspronkelijk gelijk was aan 2as). Wanneer bij dit teeken een onverbuigbaar telwoord of een Romeinsch cijfer staat, b.v. 11. S. X, kan er dubbelzinnigheid ontstaan of er 10, 10000 of 1000000 sestertiën worden bedoeld. Gewoonlijk echter zal de samenhang deze dubbelzinnigheid opheffen.

III. Romeinsche maten. Voor de lengtemaat had men de p es , voet, die verdeeld werd in 16 digiti, duimen. Verder: semi-p e s = I voet; pal m u s, palm = 4 digiti of J voet en in later tijd = 12 digiti of voet; palmipes= 11 vbet; c u bi t u s, r/= 11 voet; passus = 5 voet; decernpëda = 10 voet; actus = 120 voet; milliarium = 1000 passus of 5000 voet; stadium, een Grieksche lengtemaat, was gelijk aan 125 passus of 625 voet 5 milliaria of 40 stadia zijn gelijk aan een geographische of Duitsche mijl (van 15 op één breedtegraad).

Voor de vlaktemaat diende de jugerum, bunder, die 240 voet lang en 120 voet breed was cn dus 22,800 □ voeten bevatte.

Voor de inhoudsmaat van natte waren had men de amphora. Deze bevatte 2 urnae of 3 modii, 8 congii, 48 sextarii, 96 heminae, 192 quartarii, 576 cyathi. De grootste maat was de culcus = 20 amphorae.

Voor het meten van droge waren bediende men zich meestal van dezelfde maten; het meest gewoon was de modi us. 6 modii maakten een m e d i m n u s.

379

-ocr page 390-

DERDE AANHANGSEL.

OVER DE (JEBRUIKBLIJKSTE AFKORTINGEN.

1. Voornamen.

A.

=

Aulus.

Mam.

=

Mamercus.

App.

Appius.

N. of Num.

Numerius.

C.

Gajus.

P.

•n

Publius.

Cn.

li

Gnaeus.

O. of Ou.

Quintus.

D.

Decius.

S. of Sex.

ii

Sextus.

K.

V)

Kacso.

Ser.

ii

Servius.

L.

Lucius.

Sp.

ii

Spurius.

M.

Marcus.

T.

ii

Titus.

M\'.

Manius.

Ti of Tib.

ii

Tiberius.

II. Woorden uit het openbare leven.

a. d.

ante diem.

P. C.

=

Patres conscripti.

Aed.

Aedilis,

P. R.

11

Populus Romanus.

C. Cal. of Kal.

11

Kalendae.

Pr.

11

Praetor.

Cos.

11

Consul.

Praef

11

Praefectus.

Coss.

11

Consules.

Proc.

11

Proconsul.

Des.

11

designatus.

Pont. Max.

11

Pontifex Maximus.

D

11

Divus.

Quir.

11

Quirites.

Eq. Rom.

11

Eques Romanus. Resp.

11

Respublica.

F.

11

filius.

S.

11

Senatus.

H.

11

hora.

S, C.

11

Senatus consultum.

Id.

11

Idus.

Tr. PI.

11

Tribun! plebis.

Imp.

n

Imperator

S.P. 0. R

11

Senatus Populusque

Leg.

ii

Legatus.

Romanus.

N.

ii

nepos.

O.B F. F.S.

11

Ouod bonum fau-

Non.

n

Nonae.

stum felixque sit.

O. M.

ii

Optimus Maximus.

III. In brieven.

S.

=

Salutem.

S V.B.E.E.V.

= Si vales, bene est,

S. P.

ii

Salutem plurimam.

ego valeo

S. D.

ii

Salutem dico

S.V.V.B.E.E.V.„Si vos valetisjbene

S. P. D.

ii

Salutem plurimam

est; ego valeo.

ii

dico.

D.

„ Data.

-ocr page 391-

Afkortingen.

IV. Verschillende meestal eerst later voorkomende

afkortingen.

381

A.

=

anno.

Jctus

«= Jurisconsultus.

a. c.

anni currentis.

L. M.

,, libens merito.

a. pr.

anni praeteriti.

L. S.

„ loco sigilli.

A. M.

11

anno mundi.

M. S.

„ manuscriptus.

A. u. c.

anno urbis conditae, c.

,, caput.

A Chr.

11

anno Christi.

cf.

„ conferatur of confer.

a. Chr.

}■»

ante Christum.

i. e

„ id est.

B. M.

n

bene merenti.

h. 1.

,, hoc loco.

eet.

v

cetera.

1. c.

„ loco citato.

Dn.

Dominus.

!. 1.

„ loco laudato.

D. D.

11

dono dedit.

P-^g-

„ pagina.

D. D. D.

11

dat dicat dcdicat.

SC.

„ scilicet.

D. M.

■ii

Dis Manibus.

sq ofscq.

„ sequens.

D. S.

de suo.

sqq.

„ sequentes (ia).

D. S. P. P.

de sua pecunia po-

V.

„ versus.

suit.

vid.

„ videatur of vide.

F. C.

faciendum curavit.

-ocr page 392-

ALGEMEEN REGISTER OP DE ETYMOLOGIA EN SYNTAXIS,

A.

a, a b, a b s, in pass. zinnen 9G; bet. en gcbr. 1G3. 1; bij gerund, in plaats van dat. 259. 1quot;. A. 1; bij verb, intr. 259. 2°; bij abl. van scheiding 270; bij namen van steden 279; onderscheiden van de, ex 280. A; bij het aan geven van den afstand 293. A; qui sunt a Platone 44G. 2°.

aba lie nare, constr. 270. A. III. a b die are, constr. 270. A. I. abesse, afui, 91. 4quot;; met acc. of abl. van afstand 293; tantum abest ut ... ut 35G; non multum abest quin 359. 3quot;.

abhinc met acc. of abl. 290. A. II. abhorrere, constr 270. A. III. ablativus der 1ste deel. op abus 13; sing, op e en i 21 en 56; plur. van Gr. subst. op ma 23; der 4de deel. o]) ibus en ubus 27; van comparat. 59; van part, op ans en ens 88, 412. A. en 421; soorten van abl. 258; abl. causae 259; bij gigni, nasci, oriri 259. A. II; abl. instrum. ook in plaats van Ned plaats-bep. 2G1; bij de verb, van afmeten 2G1. A; abl. modi 263—2G5; bij militair gevolg met of zonder cum 265. A; abl. partis 266; abl. pretii 267; abl. qualit. 268; abl. van scheiding met of zonder a, de, ex 270; abl. loei bij namen van steden 275; bij plaatsen in boeken 282; in plaats van per c acc. 285 A; abl. temporis 286; met of zonder in 286. A. I en II; op de vraag hoelang te voren of daarna 288—290; abl. van afstand 293; abl. na een comp. in plaats van quam 295; abl. mensurae 302; abl. van het gerund. 435.

ablativus absolutus 421. abnuiturus 127.

abscedere, constr. 270.

absens, bet 91. 3°; in plaats van een adv. 190. 1°.

absolvere niet gen. 247.

absque, bet. en gebr. 163. 2. absterrere, constr 270. A. III. abstinere, constr. 270 en A. I; non abstineo quin 359. 3°; quominus 361 2quot;; zich onthouden 453. A. I.

abstracta, bepaling 9; in plur. 33. 1°; concreta in plaats van abstracta 440; abstracta in plaats van concreta en adject. 441.

abundantia 36.

abundare, constr. 269.

abunde c. gen. part. 245. 4°. abuti, constr. 271.

ac, at que, als, na idem en adj. van gelijkheid 305—306; ac si c. conj. 342; atque is 466; bet. en gebr. 502; atque etiam, adeo 503 A I; bij het laatste woord 505; ac non en neque 506; voor sed 524.

accedere met dat. of ad 231. A. I; ut nihil possit accedere 303. A; accredit ut en quod 345. 2°. A; bij optellingen 493.

accent der woorden 5.

accidit met dat. 230; quod 345. 4°; ut 355. 2quot;.


-ocr page 393-

Algemeen register.

383

accingere, const. 232.

accipere met dat. van doel of acc 23G. A. II; met acc. c. inf. 397. 1°; met gerund. 428

accommodare met dat. gerund, of ad 434. 1».

accusalquot;e met gen. en de 247 en A. accusativus op em en im 20; op is in plaats van es 23; van Gr. woorden der 3de deel. 25. 2°; op as in plaats van es 25. 7°; van het object 217; bij intrans. 219; bij samengest. verba van beweging 220; dubb. acc. 221—226;

189; in plaats van Ned adv. 190; plaatsing 191; op bilis met dat 233; met gen obj. 254; in posit, in plaats van comp. 300. A; in den abl. abs. 424; met gen. van het gerund. 433. 2°; met dat. van het gerund. 434. 1°; met sup. O]) u 438; als subst. gebruikt 439; op arius in plaats van een nomen abstr. 440. 1°; Ned. adj. door Lat subst. vertaald 441; Ned. adj. door een gen. of door een conjunctie of niet vertaald 442; na de praep gezet 495; Lat. adj. in plaats van Ned. praep. 501. 3°.

adjuvare soms adjuro in fut. exact. 114 A; quantiteit 134. III.

ad mi ra ri met acc. c. inf. 397. 3°. admodum vormt een superl, 63. admonere, constr. 255; met ut ot acc. c. inf. 351. 2°.

bij passiva 232. A. II; bij part. op ans en ens 254. 2°; bij verb, van herinneren 255. A; acc. graecus 266. A; acc bij uitroep 274; bij namen van steden 275—277; van landen 280; bij tijdsbep. 285—288; bij abhinc 290. A. II; van uitgebreidheid 292; bij een inf. subj. 383. 2°. A. II; bij een vergelijking met een acc c. inf. 403; van het gerund. 435.

accusativus cum infinitivo bij videtur 215. A. III; bij dicitur, traditur 216; verschillend van quod 345. 1°, en 2°; in plaats van een inf. met een object 383 2°. A. I; beschrijving 394; bij uitroep, en vragen 395 A; verschillend van ut 397. 1°. A. I; bij verba van zweren, beloven 397. 1°. A- II; in plaats van Ned. adverb, 397 1° A. Ill; met weglating van acc. subj 398; twee zinnen met elkander vergeleken 403; gebruik der tijden 404; in orat. obl. 408. I. III. en 409. A. II; in rel. zinnen 409 A. II; in het perf. omschreven met teneri 415. A. I; ter omschrijving van subst. 445. 1°; aangeduid door hoe, sic, ita 459. A. I. acquiescere, constr. i231 A. II acroam a, gesl. 37.

activum, afleiding der tijden 93; in pass. veranderd 96—99; zoo het een depon. is 102; met reflex, bet. 453 A. I acus, ubus 27.

acutus, gebr. 136. I.

dat. van doel 236. A. II; bij interes. 257. 4°; bij namen van steden 279\' onderscheiden van in 280. A; bij t\'jds-bep. 285. A; met gerund. 433. A; 434. 1°; 435,

ad de re met dubb acc. 221. c); ut nihil supra possit addi 303. A. adducere ut 351 2quot;.

adeo met gen 245. 4° A; adeo non — ut 356; bet. 486; atque adeo 503. A. I.

ad es se, assum, affui 91. 4°.

ad hue locorum 245. 4°. A; bij een comp. 302. A II; in brieven 315. A. II; nog 492.

adigere jusjurandum 224. A. III. adipisci ut 351. 2°.

adire, constr. 220. 2n; aditu 438. adjacere met dat. 231. A. II.

a dj e c t i v a, declinatie 50; defect. 56. 3°; indeclin. 57; verbogen als subst. gebruikt 58; vergelijking 59; met per samengest. soms gescheiden \'63; afleiding 143; op bundus met den casus van het verb. 143 I; op ilis en bilis met act. en pass. bet. 143. 3; in het neutr. als adv. 156; van één uitgang in gen. in plaats van nom. 176. A. Ill; als attributa 185; Ned. adj. in plaats van Lat. adv. 185. A. I; Ned. adj. in plaats van Lat. subst. 185. A. II; één adj. bij meer subst. 186; meer adj. bij één subst. 187—188; bij eigennamen

ad, bet. en gebr. 162. 3; onderscheiden van apud 162. 3. b.); als adverb. 162. 3. c); ad — versus 162, 21; bij verba van nemen, kiezen 221. A. III; in plaats van dat. 227 A. II;

plaats

bij verba comp. 231;

-ocr page 394-

Algemeen register.

384

admonitu 260 A. II.

adolescens, comm. 39; ab ado-lescentia 440. ln.

adolesco met part. perf. 103. adoriri, geconjug. 127. A. adsciscere met dubb. acc. 221. c). adspergere, constr. 232.

adstare met dat. 231. A. II. adulter, eri, 15. I. A.

ad venire met acc. 284.

ad vent 11 286. A. II.

adverbia, verdeeling 152; vorming 153; op o 155; door het neutr. van een adj. uitgedrukt staan slechts bij verba 156; in comp. en superl 158; op itus en im 160; praep. als adv. 162 en 499; als praep. gebruikt 165; bij esse 173. A; bij subst of om schreven door adj. of rel. 185. A. 1; met gen. 245. 3quot; en 4°; omschreven 445. A. en 447; door verba vertaald 485; adv. loei 490; in plaats van een pron. met een praep. 490. A; van pron. afgeleid 491; bij verba van plaatsen en aankomen 491. A; staan achter de praep. 497. 2n.

ad versus, adversum, contra, erga, 162. 4.

aedes, bet. 34. 4°; uitgel. 241. 2° aedilis, abl. sing, e 21. 4n.

aeger animi 254. 1°. A. II.

aegre bij cum additivum 363. B. 3°. aequalis met gen. of dat. 233. A. II. aeque ac 306; aeque ac si 342. a e q u i bonique facere 249. A. aequo met comp. 298. 1°.

aequum est in ind. 320; met acc. c. inf. 396. 1°.

aer, aera, 25. 2quot;.

aestimare met gen. pretii 249; met abl. pretii 267. A I.

aetas, id aetatis 242. A. II; bij het aangeven van den ouderdom 291 5°. aether, aethera, 25. 2°.

afbreking der lettergrepen 6. affatim met gen. 245. 4quot;.

afficere, constr. 269 en A. affinis, comm. 38; met gen. en dat. 233. A. IV.

affirm are met acc. c. inf. 397. 1°. affluere, constr. 269.

affui 91. 4°.

afleiding der tijden act. 92—93; pass. 94; der subst. 140; der adj. 143; der verba 146; der adverb. 153.

afui 91. 4°.

age, agite 133.

agens ter aanduiding van den ouderdom 291. 2°.

age re, id agere ut 351. 2°; nihil aliud 351. 2:\'. A. II.

agnus, agna, 41 2«.

a in (voor aisne) tu, tandem 369. 1°. A. ajo, geconj. 129; ajunt 213. 3°; gebr. en plaatsing 411. A.

al, jam 492; te bij adj. 300. alacer, is, e 52. 2°.

album, sing. tant. 33. 4°.

ales, abl. e, gen um 56 1°. en 2°. alias met fut. exact. 314. A. I.

al ie nare, constr. 270. A. III. alienus, constr. 269. A. II. alimonia en alimonium 36. 3°. aliquant o bij comp. 302. aliquantum met gen. part. 245. 5°; voor aliquanto 302 A. I.

ali(iuis en aliqui in plur. aliqua 83; aliquis, men 213 5°; aliquo met gen. 245. 4°. A; bet. en gebr. 473- 474; met non sine 477. 1°.

aliter, vorming 154 A I;aliterac306 ; alius aliter 306. A. I; sin aliter 335. 2quot;.

alius, gen. ius 52. 4°; nihil aliud (facere) quam 174 A. 3°; niet met gen. part. 245, 2°. A. II. c ); aliud met gen. 245. 5°; alius ac 306; aliud aliud 306. A. I; non alius ac, quam, nisi 306. A. II; nihil aliud agere 351. 2°. A. II; alius alium, elkander, 458; de een dit de ander dat 484

als, instar 35. 2quot;; bij een nomen appos. 198 en 1°; niet vertaald 214. 2°; vertaald door qui, ac, quantus, enz. 305; als zoodanig, ipse, 468. 4°.

alsof achter de verba van schijnen 342. A. IV; bij abl. abs. 421 A. IV.

alter, era, erum 52. 3°; gen. ius 52. 4quot;; niet met gen, part 245. 2°. A II. c); altero tanto bij een comp. 302; alter alterum, elkander 458; gebr. 481. alteruter, gedeclin. 52 4°.

altus 292.

am, amb, an, praep. 167.

amans met gen. 254. 2°.


-ocr page 395-

A lgemeen register

woord, niet vertaald worden 196; inden rel. zin gezet 197; met of zonder ut, tamquam, enz. 198; plaatsing 199; bij pron. poss 240. A en 241. A; niet bij de ablat. mea, enz 257. 1quot;; bij namen van steden 277; de praep valt weg SM) 1quot;. a p i) r i m e 03

apt us met dat of ad 233. A I; laptus qui met conj. 375. 3°; met dat. \'gerund, of ad 434, 2°.

na apud, bet. en gebr. 102 2n;vervan-

van steden 279.

aqua en aquae 34. 4quot;; uitgel. 439. arbitrari met acc. c inf. 397. 1°; arbitratus met tegenw. bet. 414. 2°. arcere, constr. 270.

arcus, ubus 27.

argaere, part fut. 127. A; geen part perf. 130. I; constr 390—391. argumento esse 236. A. III. aries, ovis 41 2quot;.

artifex, comm. 39; gen. um 50. 2°. art us, ubus 27.

as, assium 22. 4U; assis non habere

52 3°

assentire liever depon. 137. I. assec] ui ut 351. 2quot;.

assidere met dat 231. A. II. assiduus heeft een superl. 01. 2°; in plaats van adv 190. 3quot;. assimilatie der praep. 100. assuefacere, constr. 390—391. a ss ue see re, part perf. 130; constr. 231. A. II; met inf 387.

a s s u m e r e met dubb. acc. 221. c). asyndeton 504—505.

at (ast) met of zonder certe in voorw zinnen 335. 2quot;; bet. en gebr. met of zonder enirn, vero 521.

a t q u e, zie ac.

atqui 522.

at tam en in voonv. zinnen 335. 3°; ibet. 523.

non dubito 371; an (anne) in zijdel.lgen door den dat. 228 A II : bij namen

vragen, an vero, annon 372.

anaphora, bepaling 505 anceps, abl. i 50. 1quot;; gen. um 50 2n.

ander (een), alter, 481 A.

anderhalf, vertaald 73.

anhelare met acc 219. 1°.

animadvert ere, constr 218; met acc c. inf. 397 1°.

animus in gen. bij adj. en verb.

254. 1° A. II; in abl. modi 203 A. 1;

animum inducere met inf. of ut 388;\'

ter omschrijving 447

an te praep. en als adv. bij part. 102 1;:

onderscheiden van pro 103. 7 ; bij tijdsbep. 249. A.

288—290; met abl mensurae 302. A. I. asper, era, erum

antecedens, bepal. 200; in den.

rel. zin gezet 207—208.

an te eed ere, antecellere, anteire,

constr. 231. A II; met abl. mensurae 302 A. I.

antequam bij tijdsbep. 288- 290;

met ind. en conj. 305.

antistes, comm. en antistita 39.

antwoord op vragen 373.

anxius met abl 259. 2quot;.

apage 133.

apert um est met acc. c. inf 390. 1quot;.

apis, um, ium 22. 2quot;.

apparatus, sing. tant. 33. 4quot;.

apparet met acc. c. inf. 390. 2quot;.

appel 1 are met dubb. acc. 221. b)

appel la ti va, bepal 9; worden niet vertaald 404.

appellere ad 231 A. I attinet met inf. 383 2°.

appetens met gen. 254 2quot;. j attractio van het rel. 207.

apponere met dubb dat. 230 1 attributum overeenkomst 185; in appositie bet. en gebr i92; bij den rel. zin gezet 208; de pron. als attrib. meerv. namen van steden 193; Ned jin plaats van in den gen. 251. A. III. app. in het Lat. door gen. vertaald 194;\' atrox, abl. i 50. 1°.

namelijk vertaald 195; wanneer de tel- auctorem esse met ut of acc. c. 4de druk. 25

38S

ambages, um 22. 2quot;.

ambire, geconj. 122.

ambo, gedecl. 6fi; bet. 482. A. a m b ten uitgedr. door concreta 440.2quot;. amicus, constr. 233 A 111 a move re, constr. 270.

amplius met gen. 245 rgt;\'!; bet. en gebr. met en zonder quam 297. amphora, gen plur. um 18. 1° amussis, im 20. 2quot;; i 21. 1°

an in rechtstr vragen 309. 4°;

-ocr page 396-

Algemeen register.

386

inf. 351. 2n; met gen. gerund of ad 433. A,

audax, abl i 56. 1°; audaciter en audacter 154.

andere, semidep. 103; perf. conj. ansim 117. b; met inf. 387; ausiis met tegenw. bet. 414. 2°.

au dire met dubb. nom. en male. bene audire 214. 2°. A. II; dicto au-dientem esse 280; met part praes. ace. c. inf. of cum 393 ; audito als abl. abs. 425. 2°; auditu 438.

ausim 117. b

auspicio, abl. modi 263 A III. au stro, 425. A.

aut, subst. door ant verbonden met enk. praed. 182; in vragen 372. A III; aut-aut na een praep. 497. 5quot;; in de bet. van en 508; aut-aut in plaats van neque-neque 509; bet. en gebr. 513; van aut-aut 514.

au tem niet bij een relat. 210 A; nrhter een praep. 497 4°; bet en plaatsing 520 en 527.

auxiliari met dat. 230.

auxilium en auxilia 34, 4°; gesl. 37. ave, avete, avere 132.

avidus met gen 254 ln.

a v u s, avia 40.

«.

baccar 21. 2°. en 22. 1°

baculus cn baculum 30 2(l. barbar ia en barbaries 36. 1quot;. beduidend, aliquid, 474.

behalve misschien wanneer 336; behalve dat 337.

beiden valt weg 196; uterque of ambo 482.

b e k e n d, ille, 461. 2°.

bellum bellare 219. 2n; belli domi-tjue 281. A. 11; bello, abl temp. 286. A. II.

bene vormt een superl. 63; adv. van bonus 153; audire 214. 2quot;. A. II; met acc. of dat. 274

benedicere met dat 230. beneficio, door, 262. beproeven, uitgel 370. A. beroemd, ille, 461. 2quot;.

bestaan uit 259. 2quot;. A.

bestias (ad) damnare 248. A.

bevinden niet vertaald 453. A. I. 1 bezitten, vertaald, 234.

bibere zonder sup. 136. VII; dare en administrare 392.

bi co r por, gen. um 56. 2°.

bi den s, gesl. 46.

bini in plaats van duo 72. A.

bi pen nis 20. 2°; 21. 1°.

bis in die 287. A.

bland iri met dat. 230.

bonus, melior, optimus 60. 4°; adv. bene 153; boni consulere 249. A.

bos, gedecl. 24; subst. comm. 41.1°. I bovengenoemd, vertaald 418 A. III 4°.

breuken 73.

brevi ante 288. A.

briefstij 1 315.

buitengewoon, quidam 475. 2°. buris, im, i, ium 20. 2°; 21. 1°. bij, vert. door dat 228. A. II. bijna, vertaald 512.

bij voorbeeld door ut 331 A. bijzonder echter 510.

C.

ca el eb s, e, um 56. 1quot;. en 2°. caelum en caeli 36. 2°.

calida (aqua) 439.

c a m p e s t e r, is, e 52 2n.

can ere zonder part. perf. 136. VI; receptui 236. A. III; met abl instr. 261 cani (capilli) 439.

ca nis, canum, 22. 2\'\'; gesl. 41. 1°. caper, capra, 41. 2°.

ca per e met dubb. acc. 221. c). capilli, uitgel. 439.

capitis en capite damnare 248. carbasus, gesl 36, 2quot;.

carcer, bet. 34 4quot;.

carere met abl. 269.

caro, carnium 22 3quot;; uitgel. 144. 7. cams met abl. pretii 267.

castrum, bet. 34 4°; castra uitgel 439.

casus recti en obliqui 10. A.

cat us, feles 41. 2°.

caupo, copa 40.

caiisa met gen. plaatsing 165. A; onderscheiden van propter, ob, gratia 260. A. II; nihil est causae quod met


-ocr page 397-

A Igemcen register.

3^7

conj. 375. 30. A. I; causa est met gen gerund, of ad 433. A,

cavere constr. 218; met ne, ut 352. 3°; ter omschrijv. van den imper. 380. 3°; cavere ne, niet laten 428. A. cedo, imper. 133.

celare. constr. 223.

celeber, is, e 52- 2quot;.

celer, is, e 52. 2°

Celtiber, ëri 15. I A c e n a r e met part perf. 103; met gen. en alb. pretii 267 A. II.

censere met ut ofacc. c inf. 351.2quot;. centesimae, procent, 73. eernere, bet in perf. cn sup. 13C. III. cert a to, 425 A.

certe en cerlo, bet. 155. A; in voonv. zinnen 335 3quot;; bij antwoorden 374; cum—turn ccrte 510

certiorem facere 221. A. I; met acc. c. inf 397. 1quot;.

cervus, cerva 41. 2n.

cess are met inf 387.

ceteri, adj. defect. 57.

ceterum, overigens 156; = sed 518. cette, imper. 133.

chiasmus 484 A. en 524.

cicur, gen um 56. 2quot;.

cingere, constr. 232. A. II. cingula en cingulum 30. 3°.

cio en cieo, gebr. 135 IV.

circa, circum, circiter 162. 5 cir cum dare, constr. 232. circumeo en circueo 100; met acc. 220. 1quot;.

circumfunderc, constr. 232. circum sedere met acc 220. 1°. cis, citra, bet. 102. 6; citra met abl. mensurae 302 A. I.

civ is, comm 39.

civitas bij meerv namen van steden 193

clam met abl en acc. 103. 11. clam are met acc. c. inf. 397. 1°. clavis 20. 2quot;; 21. 1quot;.

cliens, clienta 40.

coalescere met part. perf. 103. coepi geconjug. 130; in het praes incipio en wanneer in het pass 130 A; met inf. 387; ter omschrijving 485 cogere, constr. 390—391. cogitare mtt inf. en acc c. inf. 387

c o g n o m e n mihi est, datur, habeo 235 cognom in is metgen.ofdat.233 A.V. cognoscere met dubb. acc 221. c); met acc c. inf. 397. 1quot;; cognitum habeo 415; cognito als abl. abs 425. 2°; cognitu 438

colens met gen. 254. 2n. collectiva, bep. 9; met het pracd. in plur. 178 3n.

colligere met acc. c. inf. 397. 1°. collocare met gen en abl. pretii 200; met in cn abl. 283 1). columbus, columba 41. 2quot;. comes, comm 29.

comitatus (subst.) zonder cum 205. A; (part.) met pass. bet. 414. 1quot;.

comitium, comitia, bet. 34. 4°; comitiis, abl. temp. 286. A II; comitia met dat ger 434. 3°.

commemoraremetacc.c.inf 397 1°. commentarius en commentarium 30 1».

commiserari met acc 256. commode en commodum 150. common ere, commonefacere, constr. 255.

c om m u n i a, bepaling 39; diernamen 41. 1quot;; als praedicaat 177.

comm unie are, constr. 231. A. I. communis, constr. 233. A. V. comm ut are, constr. 207. A. IV. com para ti vu s, vorming 59; ontbreekt 01—02; van adverb. 158; bet. en gebr. 294—302; van partic. 413 ; zonder is in het tweede lid 405. ln.

comperire met acc. c. inf 397. 1°; comperto als.abl. abs 425 2n. compertus met gen. 247.

co m,p Ie re, constr 269 en A. com 1)1 ex us met pass. bet 414. ln. c o m p 1 ur e s, gedecl. en bet 00. 4°. A. compos, abl. e, gen. um 50. 1quot;. en 2°; met gen 254 1quot;.

composita, vorming 148—150. c o m p o s i t e en composito, bet. 155. A. conari met si 370. A; met inf. 387. con ceder e met ut of acc. c. inf. 351. 2quot;; met gerund 428.

con ces su 200 A. II.

concludere met acc. c. inf. 397. 1°. concors, abl. i 56 1°.

concreta, bepaling 9: in plaats van al-


-ocr page 398-

Algemeen register.

388

stracta 440; abstr. in plaats van concr. 441. concupiscere met inf. 387.

co n d e m n ar e, constr 247— 248. condicione, abl. modi 263. A. I. co n due ere niet gen en abl. pretii 2G7; conducit met acc c. inf. 396 2°; niet gerund. 428.

confer re in 435.

con fessus met pass Let. \'114. lquot;. confidere, seniidep. 103; constr. 230; met acc. c. inf. 397. 1°; confisus in plaats van part. praes. 414. 2° confirmare met acc c inf. 397 1°. confiteri met acc. c. inf. 397 1°; confessus met pass. bet. 414. 1°. congener 52. 2°.

congregare in met acc. 284; in pass. zich verzamelen 453 A. I.

co nj ice re met acc. c. inf 397 1° conjugatie der verba 1)3—; aanmerkingen op de conjug. 114—117; conjug. periphr in plaats van Ned. fut. 313. A. II.

conjunctiones, verdeeling 168 en 328; in plaats van Ned. appositie 198; in plaats van rel zinnen 205; subordi-neerende 328 — ; door part conjunc-

c on se qui ut 851. 2°. considere in met abl.

van een verbum van zeggen of meenen na quod 344. A. III; zonder ut 351. A. Ill; in zijdelingsche vragen 368 ; in relat. zinnen 375; in orat obliq 407- 4(i8. conjurare met part perf 103

consilio, abl. modi 263. A. I; consilium capio of est met inf. of ut 388; met gen. gerund. 433. A.

c o n s i m i 1 i s met gen cn dat. 233. A. 11. con sis tere in. ex 259. A; in met abl. 283

consonanten,

ling 3; assimilatie praep. 166—167.

consors met gen. 254 con stare, bestaan uit met gen en abl. pretii met acc. c. inf. 396. 2°,

constituere in met abl 283; met inf acc. c inf. en ut 388; constitutum habere, enz. 415.

cons truc tic ad synesin 178; bü het rel. 200. A IV

con sue see re in perf. men tegenw. bet 130. A; constr. 231. A. II; met inf. 387.

consuetudo est ut 355 2°; met inf. of gen. gerund. 433. A.

consulere constr. 218;boni 249. A. con suite en consulto 155 A. contagium en contagio 36. 3°. con temp tui habere 230 A III. contendere met ut of acc c. inf

turn uitgedr. 419; bij part, eonjunctum geplaatst 419. A. II en 442. A. II; d.oor[351. 2°.

abl abs. uitgedr. 421; bij abl abs ge- content us met abl. 359. 2°; sum plaatst 421. A. IV; in plaats van Ned jmet inf. perf. 283 2n A. Ill subst. 445. 3°; coordineerende 502—. ! contestatus met pass bet. 414.1\'\'.

conjuuetivus van het fut en fut.! eontineo (non me) quir. 359 3quot;; exact, omschreven 317 A III en IV;lquoniiniis 361. 2°.

Ned. conj. wordt in het Lat. indie, eon tingit met dat. 230; ut 355. 2° ; 320; optat ook zonder ut na velim ,mct inf. 355 2°. A II; met dat. van het vellem, enz. 324; eoncess. 325; potential, praedicaat 386. A. II.

326; dubit. 327; bij eonjuncties 328 ; contra, adversus, erga 162. 4°

conjiix, comm 39. in en acc 284; convenit in indie. 320;

conscendere navemmetabl.284. A.met ace. c. inf of ut 396.

conseius, constr. 254. 1°. en A. I. convertere in 435 consecutio tem po rum 316; in eonviva, comm 39 de orat. obliqua 409. A. III. i coordineerende conjuncties, be-

consentaneum est in indie. 320; paling 328; bet en gebr 502—. met acc. c. inf. 396 1°. ! copia en copiae 34 4°; gesl. 37;

copiam dare met gen. ger. of ad 433. A. 283. i coram, praep 163. 10.

contra ac 306; na tantum abest 356 contrarie en contrario !55. A. contrarius ac 306.

contv. bern alis, comm. 39. con ven ire, constr \'220 2°; met

uitspraak, verdcc-bij samenst met

1».

t, 259. 2quot;. A; 266: constat


-ocr page 399-

Algemeen register.

389

dare, quantiteit 100; in praes. conj. duim 117. e); met dubb. acc. 221 c); met dubb. dat 236; mihi datur esse 386. A. II; dare bibere 392; met gerund. 428; dare fa-cultutem met gen. gerund, of ad 433. A.

dat niet vertaald door ne non 354. en A. I.

dativus bij verba van nemen, kiezen 221. A. III; op de vraag aan wien 227; vervangen door ad 227 A. II; dat commodi onderscheiden van pro 228. A. I; in plaats van apud 228. A. II; dat. ethicus 229; bij samengest. verba 231; bij esse 234—236; bij subst. 237; in plaats van gen. poss. 239. A; in plaats van abl. causae en bij gerund. 259. 1°. A. I; bij verba van beweging 283. 1°. A; na idem 305 A; bij licet en necesse est 386; dat. gerund. 434

de, bet. 163. 4; waaruit iets geworden is 214. 1°. A; onderscheiden van ab, ex 280. A; in plaats van gen. partit. 245. 3°. A. II; van gen criin. 247; volgens 266 ; wat betreft bij een acc. c. inf 399; met gerund. 436. 2°.

de a deabus 12. A. I.

debere in den ind. 320; met inf. 887. de eed ere, constr. 270.

decern ere met inf. acc. c. inf. of ut 388

decct en dedecet in den ind. 320; constr. 383 —384.

de cl ar are met dubb. acc. 221. a); met acc. c. inf 397. 1°.

declinatie der subst 11 — en 58; adject. 50 —; numer. 66 — ; pron 75 —; part. 88, 412. A. en 421. A. I. dedocere, constr. 223.

deesse, non desunt qui met conj. 375. 4».\'

defectiva, vis, ops 24; der 5dedeel. 29 en 36. 1°; subst. 35; adject. 56. 3°; iin de vergelijking 61—62; verba 128—.

defendere, constr. 270 en A. II; met acc. c. inf. 397. 1°.

defensor, defenstrix, 140. 1.

defer re met gen. 247.

defigere in met abl. 283.

d e f 1 e c t e r e, zich afwenden, 453. A. II. defungi, constr. 271.

degener, 55; gen. um 56. 2°. deinde, bet. 159; bij optelling 493.

corpus ter omschrijving -MT. correlativa pron. 84; adverb. 490. c r a s s u s niet met acc. van uitgebreidheid 292. A. I.

ere are met dubb. acc. 221 a).

c r e b e r in plaats van Ned.adv. 190. 3quot;, credere, credunt 213. 3\'\'; constr. 2 18; crederes 326; credon voor credone 369. 1°. A; met acc. c inf, 397. 1 credibile est met. acc. c. inf. 396. 1quot;. crescere met part. perf. 103; met abl causae 2:)9. 2 \'.

crimine uitgel 247.

cubitus en cubitum 36 2\'; ire 437. cu cum is 2ü 2quot;. en 21. lquot;. cuicuimodi, bet. 83; met esse 242. A. I.

cujas en cujus, cuja, cujum 78. A. cultus est ut 396. A.

cum, praep. 163. 3; numerus van het praedicaat zoo cum twee subj verbindt 175. A. II; bij abl. modi 263—265; valt weg bij militair gevolg 265. A; na idem 305. A ; qui stabant cum Caesare 446. 2!,J c u m, conj bij appos 198. 1°; in plaats van quam bij tijdsbep. 290. A. I; bet. en gebr. 363; cum primum 367;cumquis473; cum tLim 5:0.

cumulare met abl. 269 cunctari met inf. 387 cupedia en cupediae 34. 4quot;. cupere, constr 218; met inf. of acc. c. inf. 389.

ciipidus met gen. 254 1°.

cur, est cur en nihil est causae cur met conj. 375 4quot;. A-. I.

cu ram impertire met dat. ger. 434. 2n. curare ut 351 2quot;; ter omschrijving van den imper. 378. A. II ; laten met gerund 428.

D.

daar toch, niet vertaald 524. daaraan dat, quod 345. 4°. daaruit volgt 355. 2\'. A. I. damnare, constr 247- 248. dan vertaald door quam of niet vertaald 294—302; door ac, atque 306; door nisi 307 ; bij wenschen 324. lquot;; dan onvertaald 329 A; dan toch, at, tamen enz. 335. 3°.

-ocr page 400-

Algemeen register.

39°

dexter, verbogen 52. oquot;; in comp. en superl. 60. 4n ; dextra in abl. 282; dextra (manus) 439.

deze en gene 462. A I; deze of 2 gene, bic aut ille 492. A I. en aliquis 474 di, dis, praep. 167 diaeresis 2

dicer e, imper die 126; valt weg 174. A. 3°. en 6°; bet. namelijk 195;\' dicunt 213. 3°; dicor met nom. c inf. 216 1°; met dubb. acc. 221. b); diem icolloquio 236. A. III; diceres 326; ne dicam in plaats van tantum abest ut — ut 356; audio aliquem cum dicat 393. A. I; met acc. c. inf 397. 1°; sic (supra) dictus 418. A III. 4°; dictu 438 ; ne dicam in plaats van non modo-sed 512. 2°; vel dicam 513 die is causa 35. 3°.

dictu audientem esse met dat. 230; met compar. 298. 1°

dies, geslacht 49; bij het rel. herhaald 200 A. V; diem dicere colloquio 236. A. Ill; eo die cum 363. B. 1!\'; met dat. gerund 434. 2°.

differre verschillen, zonder perf. en sup. 119.

difficilis, comp. en superl 60. 2°; adv difficile, difficiliter, difficulter 154; difficile est in indic 320; difficilis met su]) II, ad of inf. 438

diffidere, semidep. 103; diffisus met tegenw bet. 414. 2quot;.

dignus met abl. pretii 267; qui (ut) met conj. 375 3°.

diligens met gen 254 2°.

dimensus met pass. bet 414 1quot;. dimidium, bet. 73; met gen. part. 245. 5°.

d i p h t h o n g i 2 dis, dite 54 1°.

dis cere in plaats van doceri 223. A; met inf. en acc c. inf. 387. discernere. constr. 270. A III dis cess u 286. A. II.

discordare, constr 270. A. III.

tl i s c o r s, abl. i 56. 1quot;.

discrepare, constr 270. A III disjungere, constr. 270 A 111 dispar, constr. 233 A II; ac. 306 displicet met acc c. inf. of ut 396. dissentire, constr. 270. A. III

delectat, constr. 383-- 384; delectari met acc. c. inf. 397. 3°; zich 458. A. I.

deli be ra re an 371; deliberatum habere 415.

deligere met dubb. acc. 221. a). d e m i n u t i v a, bep. 9; van compar. 64; van subst 141. 1; van adj. 145; van verba 14G. 3.

d e m onstrare met acc. c. inf. 397. 1quot;. demonstrativa, verbogen 79; richten zich naar het praedicaatsn. 179 en 221. A. IV; in plaats van het rel. 206; staan overvloedig bij de attractio 209; niet in gen. 251. A. III; verklaard door quod, ut en acc. c. inf 345. 3°. A. I; bij den inf. 382. A. II; uitgelaten bij het part. conjunctum 418. A. II. en 420. A. III; geplaatst bij het part. conjunctum 419. A. I; uitgelaten in abl. abs. 425. 1°. en 426; in plaats van Ned. subst. 443; overtollig bij quidem 419; bet. en gebruik 459—; versterkt door tam 468 A; plaatsing 469; voor de praep. gezet 496 Zie verder hic, iste, enz.

demo v ere, con str. 270.

denique 493

d en omina ti va, bepaling en vorming 139—.

dep e lie re, constr. 270 deponentia, vervoeging en in het pass. gebruikt 101 en 102. A; in part. perf. met pass. bet. 414. 1°; met tegenw. bet. 414. 2quot;; met reflex, bet. 453. A I derisui habere 236. A. III. derivata, bepaling en vorming 139. deserere zonder part. perf 136 I. deses, abl. e. gen. um 56. 1quot;. en 2Ü. d e s i d e r ati v a, bet. en vorming 146 2 design are met dubb. acc 221. a). d e si n e r e, desii, 114. A; vvanneeri in pass. gebruikt 130. A; met inf. 387; ter omschrijving 485..

desistere, constr 270; met inf 387; ter omschrijving 485,

desper are niet acc c. inf. 397. 1°; desperato als abl. abs. 425 21\'

deter re re, constr 270. A. III; met ne 352. 3quot;; in pass. met inf. 352. 3°. A; quominus 361. 7quot;; non deterreo quin 361. 1°.

deus, verbogen 15 3. A; in gen. plur. deum 18. 2°.

-ocr page 401-

Algemeen register. 391

disserere met acc. c inf. 397. lü.|van afmeten 261. A; ex mea. sententia «lissidere, constr. 270. A III. 266; onderscheiden van ab, de 280 A. dissimilis, comp. en superl. 60. ecastor, bet. 169 2quot;; met gen. en dat. 238 A. II; ac,1 ecce, en, met pron demonstr ver-atque 306. bonden 79; met den nominativus 274.

dissimulare met acc. c. inf. 397. 1°.! echter valt weg bij het rel. 210. A.

ecqui, ecquis, bet. 83; gebr. 479. ecquid, 369. 3\'. A. en 370. edepol, bet. 169.

edere, geconj. 119.

edicere met ut of acc. c. inf. 351. 2\'

dis tare met acc. of abl van afstand 293

distributiva,gebr. 72; metin287.A. diu, comp. en superl 158 A II;\' est cum 363. B. A. II.

abl. pretii 267. A. III.

doch (niet), et, atque (neque) 524, dolere met acc. c. inf. 397. 3°. dolo, abl. modi 264. A. II. domus, verbogen 27. A I; gelijk namen van steden 281.

do nare, constr. 232.

donec, bet. et gebr. 364.

do no accipere 236 A III.

dives, ditia 54.1°; abl. e, gen. um 56|edicto als abl. abs. 425. 2°; laten 428. A. 1°. en 2quot;; met abl. 269; met gen. 269. A HIJ edocere, constr 223 divinare met acc. c. inf. 397. 1°. 1 eed en hoe uitgedrukt 324. 3quot;. docere, constr. 223; met gen. enj een en dezelfde 66. A 2°; een van

valt weg 196; de een en de ander 462. A. I; door is,tantus463 A. I;deeenof ander, aliquis 474; door quidam 475. 2quot;.

efficere met dubb. acc 221 a); efficiens met gen. 254, 2°; met ut en acc. c. inf. 351. 2quot;; met ne of ut non 353; ex eo efficitur 355 2°. A.I; laten 428. A

e gen us in comp. en superl. 60. 40;

egere, constr. 269 en A.

egomet 76. A; egone 369 lu. A;ego

of proprius 451. 3quot;; door

ipse 468. 3quot;

e i g e n 1 ij k door ipse 468. 4°. eigennamen vreemde 32. 2°; in iplur 33. 3\'; met welke adject, verbonden 189.

eilanden (namen van) constr. 275. en 280

elephantes en elephas 36. 1°; ge-

dubito an 871; non dubito met quin met gen 269. A. I

oi acc. c inf 359; met inf. 359 3quot; A.I. dubium nou est quin 359 3quot;.

due ere, imper. due 126; met dubb. j wordt nos 448. Zie verder personalia, acc 221. b); met pro 221 A, II; met eigen door pte en met 78. A; door dubb. dat 236; met gen. pretii 249;|pron. poss.

met acc c inf 397. 1°.

ductu, abl. modi 263. A 111.

duim, praes conj van do 117. e)

duizend, vertaald 68,

dum met praes. imperf. of perf. 310 A; dum (ne) indien slechts (niet) 338;

bet. en gebr. 364; bij een imperat. 378.

du mm o do (ne) 338.

duo, gedeclin. 66; valt weg 196; on-slacht 41. 1quot;. derscheiden van ambo en uterque 482 A. e li?ere met dubb dupli, 248.

acc. 221. a).

elkander 458.

ementitus met pass. bet. 414 1°. emere met gen. en abl. pretii 267 e n in het Nederl. weggelaten bij twee adj. 187 ; niet vertaald in voorw. zinnen 334; en daarna door part. perf 420. A. I; door abl. abs. 421. A. II; en wel door et is 466; door et, ac, atque, que 502; door neque, aut, ve; en noch — noch door neque aut — aut 508 en 513; at 521. 3°; en daarom (alzoo) 527. A.

dure, duriter 154. A. II. duumviri, gen. um 18. dux, comm. 39.

E.

e, ex, praep. 163 5; duidt aan, waaruit iets geworden is 214. 1°. A; in plaats van gen. partit. 245. 3quot;. A. II; bij verba ll. 4°.

-ocr page 402-

A lgemeen register.

392

enim niet na een relat. 210. A; bet. en gebr. 348; quid enim 471. A; achter een praep. 497. 4I); neque enim 507 ; enimvero 519; plaatsing 527

eo met gen. partit 245. 4°. A; quo—eo met comparat. 302; ter versterking van non quod 344. A II; wijzende op een zin met quod, ut, ne 529

epicoena 41. 3°; als praedicaatsn. 177.

epulum en epulae 34. 4quot;. equ ester, is, e 52. 2°.

equidem 449. 1°.

equus, equa 41. 2°

er, vertaald 112 erg a, adversus, contra 162. 4 ergo, wegens, met gen en plaatsing 165. A; gebr. 260 A. II.

ergo, derhalve 525.

esse, geconj. 90; verschil van bet. in de conj periphr. 106; vormen van edo 119; ab aliquo en alicui ab epi-stolis 163. 1; met adverb 173. A; uitgel. 174. A. 1° ; met dubb nom. 214. 1°; met gen en dat van bezit 234, A. I; est mihi aliquid cum aliquo 234. A. Ill; met dubb dat. 236; met gen. poss 241 3°; met gen. qual. 243; bestaan uit 259. 2°. A; met gen. en abl. pretii 267. A. II; est ut 355. 2°; sunt qui, est quod met conj. 375. 4°; mihi est met part. perf. 415; met gen. gerund 433. 4quot;; met dat. gerund. 434 2°. e sur ire met acc. 219 1°.

et — et met enk. praed 182; verbindt twee adject. 187; et ipse 468 5°; et — et na een praep. 497. 5°; et, atque, que 502; et voor etiam 503. A. II; weglating van of verbinding door et — et 504 505; et non en neque, et nemo en nee quisquam, enz. 506; et — et, zoowel — als; et — neque; neque — et 509; et tamen 523 ; maar 524. etenim 348.

ethicus dativus 229.

etiam bij compar. 302. A. I; bij super). 303. 3°; bij tantum abest 356; quin etiam 360. 3°; ja 374; ipse etiam 468. 5°; bet. en plaatsing 503; tam etiam 510 ; vel etiam 513; sive etiam 516.

etiam si, bet en gebr. 341; bij een partic. 419 A. III.

etiamtum bij cum additivum 363

B. 30.

etsi, quod etsi 211; maar 340. A. I; bet en gebr. 341; bij een partic. 419. A. Ill; etsi — tamen, wel—maar 517. A. 5»

evadere, constr 214.

evenals, juxta, 162. 12.

evenit met dat. 230; quod 345. 4°; ut 355. 2°.

evenmin — als 509 en 511. evenzeer - als 511.

excedere, constr 270 excellere praeter llt;i2. 16; met dat. 231 A. II; met abl. mensurae 302 A. I. ex elude re, constr. 270.

excubiae, gesl. 37.

excusare, constr. 228. A II 2°. exerceri, zich oefenen, 453 A I. existimare in pass, met nom. c. inf. 216. 1°; met dubb. acc. 221 b); met acc. c. inf. 397. 1°

exitu, abl. temp. 286 A. II exosus met acc. 130. A.

expedire met abl. 260; expedit met acc. c. inf. of ut 396 expellere, constr 270.

ex pen sas (in) damnare 248. A. experiri si 370. A; expertus met pass, bet 414. 1°.

ex pers met gen. 269. A I. exi)lere met abl 269 ex plod ere, bet. 136 IV.

ex p lor at um habere 415; explorato als abl. abs 425. 2quot;.

expulsor, expultrix 140. 1.

ex sis tere met dubb. nom. 214 1°; exsistunt qui met conj 375. 4quot;. exsolescere met part. perf. 103. exsolvere met abl. 269 exspectare dum 364. A. II; si 370. A; met acc, c. inf. 397. 1°.

exspectatione met comp 298.1°. ex ter, era, erum 52. exterus, adj. defect, 60 5°

extra, praep. 162. 9.

extremum, extremo 158. A. I. extremus in plaats van Ned adv. 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3quot;. A. I; extremura est ut 355. 2°. exuere constr 232.


-ocr page 403-

Algemeen register.

393

F.

fabula, plaatsing 199,

face re in pass, fieri 104; in wen-schen faxo 117. b.); compos die in pass, fieri hebben 125 A; in imperat. fac 126; ab aliquo 163. 1; weggelaten 174. A. 3°; met clubb. acc. 221. a); aliqucm\' certiorem 221 A I; met gen. poss. 241. 3quot;; met gen. pretii 249; aequi boni 249. A;! quid facies hoc homine 266; quod 345. 4°; bet. en constr. 351. 2quot;. A. II; nej of ut non 353; facere non possum quin en ut 359 3:\'. A. II; fac ter omschrijving van den imper. 378. A. II; fac ne 380. 3quot;; laten 428. A; factu 438.

facilis, comp. en superl. 60. 2°; adverb. facile 156; met sup ad en gerund, of inf. 438.

facinus est met acc. c. inf 396 1°. factum met een adverb. 185. A 1.3quot;. facultas en facilitates 34. 4°; dare facultatem met ad of gen. gerund. 433. A. fa Hi, zich bedriegen 453. A. I. fallo, fallit, constr. 384 fa ma, sing. tant. 33. 4quot;; met acc. c. inf. 397. 1°.

fain ilia, gen. sing as 12 A. II. familiaris, constr. 233 A. 111. fanum, uitgel. 241, 2quot;.

far, abl. e 21. 2IJ.

fari, geconj. en fando audire 131. fas, subst defect. 35. 2quot;; est in indie. 320; met sup II 438.

fastidiosus met gen 254. 1°. fa ter i met acc. c. inf. 3Ö7. ln. faux, faucium 22 4quot;

faxo in wenschen 117. b).

febris 20. 2quot;. en 21 1quot;.

feesten (namen van) in gen plur. ium en iorum 23.

femi nabij epicoena4l 3°; omschrijving 439 A. I.

femur en femen 36. 1quot;.

ferre, geconj. 120; ferunt 213. 3quot;; in pass, met nom. c. inf. 216. 2quot;; met acc. c inf. 397. 1quot; en 3quot;.

fessus met abl. 259. 2°.

fertilis met gen 269. A. I. festino met inf. 387.

fidem habere met dat. 230

fid ere, semid. 103; constr. 230; met acc c. inf. 397. !0 ; fisus met te-genw. bet. 414. 2°.

fidicen, fidicina 40.

fidus, adv. fideliter 157 fieri, pass, van facere 104; geconj. 125; wordt weggel. 174 3°; met dubb nom. 214 1quot;; met dubb. dat. 236; met gen. poss. 241. 3°; met gen. qualit. 243; quid me fiet 266; quod 345. 4quot;; fit ut, fieri (non) potest ut 35rxquot;2quot;; fieri non potest quin 359. B\'^-^A, 11; per me fit quominus, non per me fit quin 361. 3quot;

figere in met abl. 283.

filia (familias) dat. en abl. abus 12. A. I, en II; uitgel. 241. lu.

filius familias 12. A. II; voc. i 15. 3. A; uitgel 241 1°,

fingere met part praes 351. 2°. A. II; met acc, c. inf 397. 1quot;.

f i n i s, bet, 34.4quot;; finem facere met gen. of dat 239. A; met gen. gerund. 434. A flagitare, constr. 224; ut 35!. 2°. flocci non habere 249 A fo e d u s met dat 233,

fore, gebr. 90 A; moet gebruikt worden 107, A; met dubb. nom. 214. 1°; met dubb dat. 236; fore ut ter omschrijving van den inf fut. 404 A. II. en 405

fortasse en forsitan 322.

forte, bet. 468. 4°.

for tun a, bet 34 4°

fraus, fraudium 22. 4°; fraude, abl. modi 264. A. II.

frenum, freni, frena 36, 2° frequens in plaats van adv. 190 3°. frequentativa, bet. en vorming 146. fretus met abl. 259. 2°.

frugi, adj indeel. 57; in comp en superl. 60. 4°

frui, part fut. 127. A; usus sum 136. VIII; constr. 271.

fueram, fuero, fui bij de verleden tijden van het pass. 106.

fugiens met gen 254. 2n.

fugit, constr 383—384,

fungi, constr. 271.

futurum simplex, bet. en gebr. 313; in den conj. omschreven 317. A. III; hij een bevel 381.


-ocr page 404-

Algemeen register

394

futurum cx actum, bet 314; in den conj omschreven 317. A IV.I futurum sit ut tor omschrijving van den conj. fut. 317 A III en IV; est lit 355. 2:\'; esse ut -10-1. A 11. en 406 1°; fuisse ut 40o. 2quot;.

Cr.

gallus, gallina 41. 2quot;.

ga u de re, semidep 103 ;

c. inf. of quod 397. 3\'; ggt;

tegenw. bet. 414. 2quot;.

geen, nullus of non 483.

gener, eri 15. 1 A genetivus op on bij titels van boeken 17 en 25 5°; op um in plaats van arum, orum 18; gen subject, en object. 238; gen poss 239; in plaats van dat. 239. A; gen. als appositie 240 A. en 241. A; gen. qualit 242 en 2G3; gen. partit 244—245: gen epexeg 246; gen, criminis 247; gen pretii 249; gen obj. 250 - ; gen, veranderd in attributum 251

tijdsbepaling 285. A; bij ouderdom 291 3°; bij ruimtebepaling 292. A. 11; gen. gerund. 433; gen. van een subst. in plaats van een Ned adj 442.

genius, voc. i 16. 3. A genoemd (boven) 418 A III 4quot;. gentilia, bepaling 9; pronomina 78. A g e n t i ii m bij ubi, unde, enz 245. 4quot;. A. genus, alia id genus 242. A. II;ex eo genere quae 251 A, III; ter omschrijving 447.

gerere se met adverb, of pro 222. A. gerundium 429 — .

gerundivum, bet. en gebr. 109— 111 en 427—; op undus 117. f; met sum in indicat. 320; ter omschrijving van Ned subst. en onderscheiden van het part. perf. 444, 2\'.

geschrift, inhoud aangegeven 282. geslachtsnaam in plur. 192 A. geslachtsregels 37—. getalmerken (Rom.) 74 gevoelen, niet vertaald 453 A I. gewichten (namen van) gen. plur. um 18 1».

gezel, omschreven 446 2quot;.

249; non habeo quod 375. 4quot;; habeo met inf 392; met part perf. 415. habilis met dat. of ad 233 A. I. habit are met gen. en abl pretii 267 A III.

haedus, capella 41

haesitare an 371 half, vertaald 73.

haud scio an 371; hand (sane, ita) haudquaquam, bet. en gebr. 487. haurire in part. fut. 127 A.

hebes 56. 1quot;

hebben, vertaald 234 en 243. Hebreeuwsche eigennam. 82 2quot;. hei met dat. 274.

he par 21. 2quot;.

heres, comm. 39.

het, vertaald 112; door res 447. heteroclita 36.

heteroge nea 36.

hetzij dat (wijl) 516. A.

heu bij uitroepingen 274.

hie, hice 79; in his 164. 1; (adverb.) met gen part, 245 4quot; A; hoc met gen. part. 245, 5°; hie dolor, de smart hierover 251. A III; bij tijdsbepaling

gibber, era, erum 52 3quot;.

gigni, constr. 259. 1°. A. II.

glis, glirium 22. 4quot;

g 1 o r i a r i, constr 259 2quot;. A ; met acc c. inf. 397. 3°.

gnarus met gen. 254. 1°.

graad, vertaald 245. 4quot;. A gracilis, comp. en superl 60. 2quot;. gratia en gratiae 34. iquot;; met gen en plaatsing 165. A; bet 260. A II; met acc.lgratias ago cum 346; quod 397, 3\'\' visus met gratulari cum 346; quod 397 3quot;. grave est in ind. 320,

Griekse he uitgangen der 2ilc 17; eigennamen op es, gen is en i; woorden op ma in dat en abl plur is 23; uitgangen der 3\'le 25 gryps, gryphum 22 4quot;

en gebr.l

If.

habere met dubb. acc 221 c);met pro, loco, numero 221 A 1; bezitten A III; plaatsing 253; bij namen van 234. A. JV; met dubb. dat 236; ha-steden 275— en 283; gen qualit. bij bcri met gen. qual. 243; met gen, pretii

2\'.


-ocr page 405-

Algemeen

register.

395

290. A. II; ter aanwijzing van een compar. 295. A. II; hoi- bij een inf. 382. A. II; in cle orat obl 410; bet. en gebr. 459; ter aanwijzing van een acc. c. inf 459 A. I; hic — ille 459. A. II. en 462; hic et ille 462. A. I; hic met tam, tantus verbonden 462. A II.

hoe -— des te 302. A. IV; hoe — ook, quamvis 339. A II; hoe, ut en quam 343 A II; quis en quomodo 470 A. I.

homo, uitgel 243; ter omschr. 439 A. I.

honderd, vert 68.

honestus met dat. 233; met sup. II 438.

hoofdtijden 134 .

hoofdzinnen in indic. 319 — ; in conj. 323 —; bet 328; in orat. obl. 408.

hortari met dubb. acc. 225; ut 351. 2quot;.

hortus en horti 34. 4quot;.

hospes, hospita 39.

li u c met gen. partit 245. 4quot;. A; hue adde bij optelling 493.

hujus non habere 249 A humane en humaniter 154. A II. humi en homo, constr. 281. A III. h u m i 1 i s, comp en sup. 60. 2quot;.

I.

Iber, éri 15 I. A.

icere, verb defect. 136. VII. idcirco ter versterking van non quod 344. A II; wijst op een zin metj quod, ut, ne 529.

idem met gen. 245. 5°; ac, qui, cum en dat. 305; bet. en gebr 467.

ideo ter versterking van non quod 344. A. II; wijst op een zin met quod, ut, ne 529.

idoneus qui met conj. 375. 3quot;; met dat. gerund of ad 434. 1quot;

iets niet vertaald bij het praedic. 176 A. II en 464.

igitur niet na een relat. 210 A; quid igitur 471. A; non igitur en neque igitur 507; bet en plaatsing 507; et igitur 527. A II. 4°.

ignarus niet gen. 254. 1°

igne en igni 21, 5U ignorare met inf. en acc. c. inf. 387. ik? egone? 369. 1quot;. A; ik wil niet zeggen — maar slechts 512. 2°.

ille bij eigennamen 189; illud aeta-tis 342. A. II; ülud met gen 245. 5quot;; bij tijdsbepaling 290 A. II; illud bij een inf. 382. A II; in de orat obl.\'q 410; ille quidem 449 2!l; ille •— hic 459. A. II. en 462; bet. en gebr. 461; overtollig bij sic 461. A; ille et ille 462. A. I; ille met tam, tantus 462. A II; plaatsing 469 Zie verder de-monstrativa.

illudere, constr 231. A. II.

imber 21. 5quot;. en 22. 3\'.

imbui in plaats van doceri 223 A i m m e m o r , gen urn 56 2quot;; niet gen. 254, 1quot;. \'

im men sum est in ind. 320.

immo (quin) 3ti0. 3quot;; vero 374. immunis met gen. 269. A I. imp ar met dat. gerund, of ad 434. 1°. impedimen tum, bet. 34 ■tquot;. impedire ne 352. 3quot;; quominus 361. 1\'\'; non impedio quin 361 1quot;; met acc. en inf. 390: niet laten 428. A. impellere ut 351 2quot;.

im perare, constr. 397. 2°; laten 428. A.

imperativus van impersonalia 113; in plaats van een voorw. zin 334; bet. en arebr. 377 —; in de orat. obl. 408 II.

i m p e r a t o r, plaatsing 199. imperfectum, bel en gebr. 311; in plaats van plusquamperf 312. A. I; bij kunnen, moeten, betamen 320; bij utinam 324; in den modus concess. 325; potent. 326; dubit. 327; in voorw zinnen 332 A I

imperio, abl. modi 263. A. III. imperitus met gen, 254 lu.

i m p e r t i r e , constr. 232. impetrare ut 351. 2quot;.

implere, constr 269 en A. imponere in met acc 283; niet gerund. 428,

impos, abl. e, gen. um 56 1°. en 2°; met gen. 254. 1quot;.

impotens met gen. 254 1quot;. imp rime re in met abl. 283.


-ocr page 406-

Algemeen register.

396

impune 156.

imus in plaats van Ned adv 190 2° ; niet met gen. part 245 3°. A. I.

i n, bet. en gebr 164 I; in plaats van dat, van doel 236. A II: van sen

in, on 167.

incertum est an 371. inchoativa, bep. en vorm. 146. 4\'\' i n c I lt;1 e r e in met abl. 283 ineïdere met dat. of in 231. A. I. incipere als praes van coepi j30. A; met inf. 387.

incit;ire ut 351. 2°.

incitas (ad) redigere 35 3° includere aliquem aliqua re of in aliquid 261.

incredibilis met sup II 438 incumbere, constr 231. A. II. incusare met gen. crim. 247. A. in tie niet bij sequitur 355. A. I; = ex ea 490. A

in declin abil i a subst 32; adj. 57. i n d e f i n i t a pronom 82—83; uitgel. in abl. abs 425. 1° ; bet. en gebr 473 - 480. index, comm. 39.

indicare in pass, met nom c. inf. 216 2°; met acc. c. inf. 397. 1°.

indicativus, bet en gebr 319; in plaats van Ned. conj. 320; in voorvv. zinnen 331 A. II en 332. A II; bij nisi forte, nisi vero 336; bij cum causale 346; in de orat, obi 408. A. I. i n d i c i u m uitgel. 241. 30 indien echter, sin of sed si 334; indien niet door nisi, si non 335: indien slechts (niet), modo (ne) enz. 338. indigere, constr 269 en A. indicniari met acc c. inf. 397. 3quot;

in eo est, bet. en gebr 313 A. 11; ut 355. 2°

i n e r s, abl. i 56 10 in es se, constr 231. A I in fans, coram 39

partit 245. 3°. A II; door abl. instrum. infer, inferus, gebr. 60. 5°.

vertaald 261; valt weg bij plaatsbep.j inferior in plaats van Ned. adv. van steden 276—277; bij namen van!l90. 2°; zonder quam 296 30;inferior — landen 280; onderscheiden van ad 280. A;[superior in plaats van hic—ille 462. met abl. in plaats van acc. 283; bij tijds-j infimus niet met gen partit. 245. bcp, 285—287; in eo tempore 286 A. I;l30. A. I.

bis in die 287 A; in altitudinem, enz.! infinitivus fut. pass niet gebruikt 292. A. II; met abl gerund 436. 2°. 216. 3quot;. A; historicus 311. 1° A. II;

bet. en gebr. 3quot;i2; als praedic. 383 ln. A II; met praedicaatsnomen in acc. 383. 2quot;. A. 11; inf. perf. in plaats van inf. praes. 383. 2\'. A III; met praedicaatsnomen in nom. 387 A II; inf. fut. na verba van hopen 397 1°. A. II; inf fut omschreven 404. II A. II;inf praes. bij memini 404. II. A. Ill; inf. tut. exact. 405; in plaats van ad met gcr. 435. A. II; ter omschrijving van Ned subst 445 1quot;.

infinitum est in indic 320.

infit 127. A

infitiari met acc. c inf. 3\'I7. 1quot;. infitias ire 35. 3°.

infra, praep 162. 10; met abl. mens 302. A. 1

ingens 56 lquot;.

ingredi, constr. 220. 2quot; inimicitiae 33 1°

inimicus, constr. 233 A. III. initio, abl. temp. 286. A. II.

injur at us, bet. 103.

injuria, abl. modi 264. A. II. injussu 26|i. A. II.

innoxius met gen. 247.

in ops, abl. i 56. 1\'; gen. um 56. 2quot;; met abl. gen. en ab 269 en A. III i n q u a m, geconj en bet. 128; valt weg 174 A. 2°; gebr. en plaatsing 411. A. inscius met gen. 2ö4. 1quot;

in scribe re met dubb. acc 221. b); in met abl. 283.

imprimis ter versterkingvan turn 510.; induceremetpart. praes.351.20.A.II. imp rob are met acc. c. inf. 397 1° i in du ere, constr. 232.

imprudens met gen. 254. 1° i in één woord, denique 493.


indignus met. abl. 267; qui (ut) insculpere in met abl. 283. met conj 375 3(\' indignum est met insgelijks , idem 467; etipse 468. 5°. acc. c. inf. 396. 1quot; I insimulare. constr. 390 — 391.

-ocr page 407-

A Igemeen register.

397

insolens met gen. 254. 1quot;.

in sons met gen. 247.

inspergere, constr. 232 in star, subst. defect 35. 2quot; instinguere, gebr. 136. !V. instituere in i)ass. voor doceri 223 A; met inf. 387.

instrui voor doceri 223. A. insuescere, constr. 23i. A. II. insuetus, constr 254 1quot;. en A. F. insultare, constr. 23 A. II. integendeel 374. A. I intellegere met acc c inf. 397. 1quot;; in pass, zich laten begrijpen 428. A ; intellectu 438.

i n t e ii si t i v a, bep. en vorming 14G. I. intent u m esse met dat gerund 434.2quot;. inter, praep 162 8; in plaats van gen. partit 245. 3°. A. II; bij tijdsbep. 287; bij interesse 382. A. I; met acc. gerund. 435. A I; inter se, inter nos 458; plaatsing 494.

intercludere, constr. 232.

i n t e r c u s, utis 52. 1quot;. interdicere, constr 23!. A II; ne 352. 3°.

in tere a loci 245. 4° A; bij cum additivum 363. B 3°.

interesse alicui 231 A. I. interest, hoe vertaald 73. interest, constr 257; inter met inf. 383 A. I

i n terim bij cum additivum 363 B.30. Interire met abl. causae 259. interjectiones 169 in terp res, comm 39. interpretatus met pass bet. 414.1

in terrog are, constr \'/24. jgen 245 5quot;; bet. en gebr 460; ille,

i n terroga ti vum , gedecl. 81; richt hic 462; met talis, tantus 462. A II zich naar het praedicaatsn. 179; alsi ita, ut quisque met superl. — ita attributum in plaats van gen 251. A.:met. superl 302 A. IV; ita — ut qui III; gebr, 470—472. Zie verder quis, qui. met superl. 3( 3 A; ita — ut bij eeden intervallum in abl. van afstand 324. 3o; ut—ita, wel—maar 343. A. 293 A, I; ita non—ut in plaats van tantum

i n t im u s niet in gen. partit. 245.3° .A I.abest 356; itane (est, vero) 369. 1quot;. A; intra, praep. 162.11 ;bijtijdsbep.287.jita (est, vero est) als antwoord 374, intransitiva in pass. gezet 98—j2n; ter aanduiding van een acc c inf. 99 en 230 A; met acc 219; samengest. 459. A, I; ita en sic, bet. 486; ita met praep. hebben zij het obj in acc. (non) — ut, wel (niet) — maar 517. 2\'/0; met dat. 231; met gen. 255; met A. 4quot;.

abl. 271. j ftaque en itaque 5. A; niet bij relat.

intusschen, quamquam 340 A 1^210 A; bet. 526.

in uti lis met dat. gerund of ad 434 A. in ven ire, inveniuntur qui met conj. 375. 4°; met acc. c. inf. 397. ïn; in-ventu 438.

inveterascere met part, perf 103. invicem, bet. en gebr. 458. A. invidere, constr. 230.

in vi tare ut 351 2°.

invitus in plaats van Ned. adv. 190. 1°

in weerwil van 340 A. II.

ipse niet bij mea 257 1°; ipsum bij een inf. 382. A II; in orat. obi 410 ; ipse of suus in bijzinnen 456; bet. en gebr 468; me ipsum en me ipse 408. 2quot;; et ipse 468 5n; plaatsing 469.

irasci zonder perf 136. VIII; met acc c. inf 397. 3quot;.

ire, geconj. 122; met dubb dat. 236; met sup. 437.

is, in iis 164 1; id quod 00 A. I; in plaats van het rel 206; bij de attractio 207; aliquid id genus, id aeta-tis 242. A. II; id met gen partit. en ad id loci, aetatis, audaciae 245. 5quot;; ex eo genere quae 251 A. Ill; is sum qui met conj. 375. 2°; in orat obi. 410; ejus en suus 453 A 11 en III; bet. en gebr. 463— ; weggel. voor het relat. 463. 3quot;; voor het Ned. een 463. A. 1; uitgel. bij een Ned. gen. 465. 1quot;; bij een tweede verbum of subst. 465. 20; et is, isque 466; bij een praep. 496; in plaats van een subst. bij een tweede praep 499. Zie verder demon-strativa.

is te bij eigennamen 189; istud met


-ocr page 408-

398

item gelijk aan et ipse 468 5°; non item 524.

iterum, bet. 159.

J.

ja, ja zelfs, quin (potius, immo, etiam) 360. 3» ; als antwoord 374; quid quod, quid si 471. A.

jacere werpt in de compos, i weg 136 V.

j a m bij ordinalia op de vraag sinds hoelang 285. A; bij cum additivum 363 Pgt;. 3°; niet voor ipse 468. 4°; bet. 492; niet bij pronom. 514. A Jesns, gedecl. 32. 2°.

jocus, joci, joca 36 2o.

jonger dan 29!. A.

jubar 21. 20-jubere, constr, 390—391; laten 428. A

j u c u 11 d u s met sup. II, ad en ge rund. of inf. 438.

judicare met dubb acc. 221. b); met acc. c. inf. 397. 1°.

judicio (meo) 266.

juist dezelfde als, non alius ac 8f\'6. A. 11 ; door pron. poss. 451. 1quot;; door ipse 408. 4I,.

J up pi ter, gedecl. 24.

jurare met part. ]?erf. act. 103; met acc. c. inf. 397. 1° en A. II.

jure, abl. modi 204 A. II; meo, luo jure 451. 1quot;.

jus est met inf of gen. gerund 433. A j u s j u r a n d 11 m, gedecl. 31.

j u s s u 260. A II justitium, sing. tant. 83. 4quot;

justo met com] sr. 298. 1°.

ju stum est in indicat. 320; met acc. c. inf. 396 1°,

j u v a r e in part. fut. 127; juvat, constr. 383—384; met acc. c. inf.quot; 397. 1quot;. juvencus, juvenca 41. 2quot;. juvenis, abl. sing, e 21. 4quot;; gen. plur. um 22. 2°; comm 39; in com]), en superl 60, 4quot;; in ]ilaats van een abs tractum 440. 1°.

juventns en juventa 36. 1°; voor juvenes 441.

i u x t a 162 12.

K.

kleeding met of zonder cum 265. klemtoon der woorden 5. kortom, denique 493 kunnen door esse cum gen. 241. 3°; door possum in indic. 320; dooiden conj. 323. A; door gerund. 427. 4°; door esse met dat gerund. 434. 2°.

li.

laat staan dan door tantum abest ut—ut, nedum en ne dicam 356. laatst door hic 459. 1°.

laborare met abl. of ex 259, 2«, A. lacer, era, eruni 52. 3».

lacus, ubus 27.

laetari met acc. c. inf. 397. 3quot;; zich verheugen 453 A. I.

laetus in plaats van Ned adv. 190. 1°; met abl. 259 i0.

la eva, abl. loei \'\'82.

landen (namen van) geslacht 38; constructie 280; bewoners in plaats van 280. A.

lar, larium 22. 4°.

laten vertaald 323. A. en 428 laud are met acc c. inf. £97. 1°. lavare, part. fut 127. A; in pass. zich baden 453. A. I.

leerling omschreven 446. 2°. legatio voor legati 441.

lege, abl. modi 263 A I. en 264. A. II.

legere met acc, c. inf. 397. 1°. leno, lena 40.

leo, leaena 41. 2quot;.

letum, sing. tant. 33, 4quot;.

1 e v i s ar m a 111 ra voor leviter ar mati 441.

lex est ut 355. 2o libens in plaats van Ncd. adv. 190. 1°. Liber, eri 15. I. A.

I i b e r, era cruni, 52. 3°: conslr. 269 en A. III,

liberare met abl. 269 en A. liberi, gen soms um 18 2quot;.

li bet met dat 230; corstr. 383. 2°. libertus, uitgel. 241 1quot;.

li bram pondo 242. A. II

Algemeen register.


-ocr page 409-

Algemeen register.

licerc met gen en ab!. pretii 260 licet met dat 230;

constr. 383 en 386.

licet, ofschoon 339 1 i c h a a m s d e e 1 e n in 33 5quot;. A.

linter, ium 22. 3°

lis, litium 22. 4quot;

littera, bet, 34. 4°.

locare met gen. en abl pretii 66 met in en abl 281. 1); met gerund 428

locus, loei.

habere 221. A

ubi, unde 245. 4° A ; loco, abl. modi,

in loco, 263. A III; loco, lccis op de vraag waar 282 ; locum dare met gen.

gerund, of ad 433. A ; locum capere met dat gerund. 434. 2quot;.

locuples, um. ium 56.20;metabl S69.

longe bij superl. 303 1quot;

longius, constr. 297. A. III.

Ion gum est in indic 320 luculente en luculenter 154. A. II.

ludere met abl. instrum. 261.

ludibrio habere 236 A. Ill ludus, bet. 34. 4°; plaatsing 199:

ludus. abl. temp. 286. A II.

iu ere, part. fut. 127.

lux in abl. luce en luci 21. 5°.

luxuria en luxuries 36. 1°.

lynx, lyncum 22. 4\'\'.

II.

m a a r valt weg bij het relat. 210;

quamquam 340. A. I; moclo 378. A.I;

door abl abs. 431. A. II; maar dan,

sed is 466; maar daarentegen, idem 467; sed, vero, au tem, at 517--5-;l;

maar (niet), et, atque (neque) of valt weg bij tegenstelling 5:4.

maatstaf in den abl. 261. A.

macte, bet. en gebr. 273. A maestus met abl 259. 2°.

ma gis vormt een comparat. 63; ma-gis muiier en major muiier 185. A. I 1quot;;

onderscheiden van plus en amplius .\'97.

A. II; magis-quam bij vergelijking van twee eigenschappen 299; non magis-quam 511

magnus in com]), en superl. 60. 4°;

adv. valde 157; magni, gen. pretii ?49lpraes 404 TI. A III.

399

257 8quot;; magnam partem 266. A; in indic 320;|magno, abl pretii 267; niet met acc.

van ruimte 292. A. I; magnum est in \'indic 3 0

het meervoud! major is, geen gen. pretii 249 en 257. 3°.

majusculus 64.

maledicere met dat. 230.

malus in comp. en superl 60. 4quot;; male audire 214. 2°. A. II.

malle, geconj. 121; quam gt;94; met loca 36, 2quot;; (in) locolabl. mensurae 302. A. I; malim, mallem II; loci, locorum bij bij wenschen 324 lc; met inf. acc. c.

inf. en ut 389; als inf. fut. 404 II A. II. man niet vertaald 464. mancipium, gesl. 37.

man dare ut 351. 2°; soms acc. c. inf. 397. 2°; met gerund 428.

mane, subst. defect. 35. 3quot;\'.

mane re met dubb. nom. 214 1°; constr. 218; dum 364. A. II.

manifestus met gen. 247; mani-festum est met acc. c. inf. SÖÏ! 1°. manus, uitgel. 439.

mare, terra marique 282. mas, marium 22. 4°; bij epicoena 41. 3quot;.

maten (namen van) in gen. plur. um 18. 1°.

mater fa mi lias 12 A. II. materia en materies 36 1quot; maturare met inf. 387, ter omschrijving 485.

maturus in comp. cn superl. 60. 4quot;. maxime vormt een superl. 63; ter versterking van turn 510.

maximi, gen. pretii I149; niet bij interest 257. 3°.

m e c a s t o r, bet 163.

m e d e r i met dat. 230.

nieditari met inf. of ut 388; medi-tatus met pass, bet 414. 1°.

medius in plaats van Ned adv 190 2°; met gen. partit. 245. 3°; wanneer niet in gen. partit 245. 3quot;. A. I. medinsfidius, bet. 169.

m e h e r c u 1 e s. bet. 169.

melius est in indic. 320; erit met inf. perf 383 2° A III

me mini, geconj. 130; constr. 255; met inf. en acc c. inf 387; met inf.

-ocr page 410-

Algemeen register.

400

m e m o r, i gen. 254. 1quot;.

memorare met 1°; memoratu 438.

m e m o r i a t e n e r e 404 II. A. UT.

men vertaald 112 en 213.

m e n d a en mendum 36 3°.

m e n d i c u s, comp. en superl men sis, um, ium 22. 2°.

men te, ab!. modi 263. A I. mentiri met acc. c. inf. 397. merer e, gebr 135 V merito, meritissimo 158.

messis, i 20. 0; ium 21 1quot;. met vertaald door cum 168. 3; door gen. qualit. 242; door abl. modi 263

ne.

m e t u s est met gen. gerund 354

mens, vocat. mi 78.

m i voor mihi 76. A.

militairen in het enkelvoud 33. !gt;; militair geleide met en zonder cum 265. A.

militia in iren op de vrnac; waar 281. A II mille, adj. en subst 67.

m il lies, duizendmaal 68.

m i n a r i met acc. c inf. 397.1quot; en A II. minimum en minime 158 A. I; minimum met gen. partit 245. 5quot;; minimi, gen. pretii 249, doch niet bij in terest 257. 3quot;; minimp, abl. pretii 267 minime (vero) neen 374; minime als een versterkt non 487.

ministrare bibere 392 mi no ris, gen pretii 249 en 267 niet bij interest 257. Squot;

minus met gen. partit. 245. Tio; bet. en gebr. met en zonder quam 297; si minus 335 2quot;: non minus—quam 511 mi ra bil is met sup II 438.

m i r a r i, constr 397. 3quot;

mi rum quam, quantum 368 A. III. miser, era, emm 52. 3quot;.

m i s e r a r i met acc. 256.

misereri met gen. 256.

1».

misere see re met gen. 256.

mi se ret, constr 256.

misschien, dubito an 371 mits (niet), modo (ne) enz. 338. mittere met dubb. dat 236; cum 265. A; met gerund. 4^8; met su]). 437.

mob ilia, vorming 4(1 en 140. 1; diernamen 41. 2°; als praedicaatsn 177; als adj. gebruikt 185 A II. 1quot;; als appositie 192; omschreven 446. 1quot;. moderari, constr. 218.

modo (ne), indien slechts (niet) met conj. 338; maar 378 A. I; modo—modo 510 ; non modo—sed (ne-quidem), modo non 512.

modus, modo, in modum bij een ;:appositie 198. 2quot;; als abl. modi 263

door abl. qualit. 268. A. 1 en III; omschrijvend subst 447.

metalla (in) damnare 248 A. modus in hoofdzinnen 319—; in

metuere, constr 218; metuens met bijzinnen 328—.

gen. 254. 2»; met ne, ne non, ut en; moeten door esse cum gen. 241. 3 ; inf. 354 \'door imperf. de con. 311. 3quot;; in den

ne non, ut omndic. in plaats van conj. 320; niet vertaald 323. A; vertaald door gerund. 427.

m ogen vertaald door modus optativus met of zonder utinam 324. 1quot;; bijeeden 324. 3quot;; niet vertaald bij qiiidquid, utcunque 376; vertaald door licet 383; vertaald door gerund 4^7. Si-; niet vertaald bij sive-sive 516. A.

molest ii m est met acc. c. inf. 396. 1quot; mon ere, constr. 225; met ut en acc c. inf. 351. 2«.

monstra re met acc. c. inf. 397.1°. mori, part. fut. 127 mor te damnare 248.

mos, more bij een appositie gt;98. 2quot;; morem gerere met dat. i30; mos est en moris est 241. 3quot;; more, abl. modi 263 A. I. 1quot;. en A. III; mos est ut 355. 2°; mos est met inf of gen. van het gerund. 433 A.

move re kan in het perf. vi verliezen 114; constr. 270; ut 351 2quot;; moven, zich bewegen 453 A. J.

mox met fut. exact. 314. A I. Mul eiber, eri en ri 15. I. A. mul tare, constr.. 248 A.

multus in comp en superl 60 4quot;; multum vormt een superl. 63; heeft als adv. multum 156; et 187; in plaats van Ned. adv. 190 3°; multum met gen

um 5G. lquot; en 2I,; met

acc. c. inf. 397.

met inf. pracs.

60. 3quot;.


-ocr page 411-

Algemeen register

401

partit 245. 50; multi geen gen. pretii 249 en 257. 3quot;; multo bij een comp. 302; multum in plaats van multo 302 A. I; multo bij een superl. 303 1°. mundus, sing, tant 33. 4°. munten (namen van) gen. plur. um 18 1».

munus, uitgel. 241. 3°. mus, murium 22.

mutare, constr. 267. A. IV.

N.

na met inf 382. A. I.

nam, niet bij relat. 210. A; bet en gebr. 348.

n a m e 1 ij k bij appositie 195; door nam, enim, etenim 348.

namen der Romeinen 144 B. I. A. namque, 348.

naris, bet. 34. 4°. narrare, narrant 213. 3°

in pass.

met nom. c. inf. 216. 2°; met acc. c inf. 397. 1«.

nasci, part. fut. 127; met dubb. nom 214 1°; constr. 259. 1°. A. 11; natus met acc. van leeftijd 291. 1quot;. natalis, bet. 34. 4quot;.

natu bij major, minor 266 en 291. A. nauci non habere 249. A.

navis 20 2° en 21. 1quot;; navem con-scendere met abl. 284. A

ne, waarachtig, plaatsing 169 ne, opdat niet, ne plura, ne multis met uitlating van het praedicaatsverbum 174. A. 5°; bij modus optat. 324; bij modus concess. 325; plaatsing 328. A. I; modo (dummodo) ne 338; ne, ofschoon 339; bet en gebr- 352—; ne dicam en ut non dicam 353. A I; ne quis en ut nemo 353. A. II; ut ne 353. A. III; ne, ne non et ut bij verba van vrees 354; ne dicam in plaats van tantum abest ut—ut 356; ne met praes. en perf. conj. ter uitdrukking van een verbod 380. 1°; bij den imper 380. A. II; bij verba sentiendi et declarandi 397. 1°. A. I; ne quis en aliquis 473; ne quisquam 477. 2°; ne dicam in plaats van non modo —sed 512. 2°; ne aut—aut 513.

ne, vraagwoord 369. 1°; in plaats van nonne 369 2°. A. II; in zijdeling.

4cle druk.

vragen 370; in tweeledige vragen 372; bij vragen in den acc c. inf. 305 A; niet aan éénletterg. praep. gehecht 497.3°.

nee, neque, nee—nee met enkelv. praed 182; nee of neve 353. A. ÏV; neque is 466; nee—nee voorafgegaan door een ontkenning 489. A; nee non 502. A. I; nee, neque, et non, non qulb-quam, nee unquam, enz 506;necvero (tamen, enim, igitur) 507 en 508; neque—neque (aut—aut) neque—et 509 ; neque aut—aut 513; echter niet 524. necessarius met dat. 233. necesse est in indic. 320; constr. 383. 2°, 385, 386. A. II necne 372

nectar, abl. sing, e 21. 2°.

necubi en ut nusquam 353. A. 11. ned am, bet. 356; in plaats van non modo—sed 512. 2°.

neen, vertaald 374 nefas, subst defect. 35. .,2quot;; met suj). II 438

negare in pass met nom. c. inf. 216. 2quot;; met acc c inf. 397. lu.

negatie 487—; plaatsing 488; twee negaties vormen een affirmatie 489; bij twee woorden behoorende 508. neglegens met gen. 254. 2°. neglegere met inf. 387. negotium, uitgel 241. 3°.

nemo, subst. defect. 35. 3°; als adj. gebr. 185. A. II, 3°; nisi 307; ut 328. A. I; ne quis en ut nemo 353. A. II; nemo est qui met conj. 375. 4°; nemo non en nonnemo 489; et nemo en neque quisquam, nemo unquam (usquam) 506. nempe 348.

nepos, neptis 40 neptis 20. 2° en 21. 1°.

nequam, adj. indeel. 57; in comp ;en superl. 60. 4n; adv. nequiter 154. A. I. nequaquam 487.

neque. Zie nec nequeo, geconj. 124.

n e—q u i d e m, gebr. 487; voorafgegaan door een ontkenning 489. A; non modo —sed ne quidem 512 nergens iemand 506.

nescio quis, enz. met indic. 368. A. II; nescio an 371; met inf. en acc. c inf. 387.

26


-ocr page 412-

Algemeen register.

402

neuter, gen. ius 52. 4°; gebr. 481. neutiquam 487.

n e u t r a 1 i a passiva 104.

neutrum van adj. als adv. gebr. 156; van het praedicaat bij een subst. van een ander geslacht 176. A. 11. en III; van adj. en pron. met gen. partit. 24.). 5°; van adject, als subst. gebr. 439

n e v e, neu 353. A IV; bij een dubbel verbod 380 A III.

ni bij eeden 824. 3quot;; in plaats van nisi 335. 3quot;.

niet valt weg bij uitroep. 487; niet alleen — maar ook (niet), niet — noch 5CU en 510; niet zoozeer — als wel 511; niet alleen — maar daarenboven, niet slechts — neen , niet slechts — maar veeleer, niet alleen niet — maar integendeel (maar ook niet) 512.

niets geringers dan, non alius quam 306. A. II.

niettegenstaande, quamvis, quam-quam 340. A. II.

niettemin, quamquam 340. A. I. nihil vervangen door nulla res 35. 2 ; nihilo secius 158. A. II; nihil ali-ud (facere) quam 171. A. 3°; nihil ad rem 174. A. 5°; pro nihilo putare 221. A. II; met gen. partit. 24fgt;. 5°; nihili, gen. pretii 249. A. en ^57. 3°, nihilo bij compar. 302; nihil nisi 307; ut 328, A. I; nihil (aliud) agere of facere nisi of quam 351. A. II; ne quid en ut nihil 353. A. II; nihil est quod met conj. 375. 4°; versterkt non 487; nihil non en nonnihil 489; nihil unquam (usquam) et nihil of nee quidquam 506. nimirum 348.

nimis met gen. partit. 245. 4°; met posit. 300.

nimium 156; met gen partit. 245. 5°; nimio , abl. pretii 267 ; nimium quantum 368. A III.

nisi, quod nisi 211; na non alius 306. A. II; na ontkenningen 307; nisi, si non en nisi si 335; nisi forte, nisi vero 336 ; non - nisi 337. 2°; nisi quod 337. 3°; bij een partic. 419. A II; nisi quis 473.

niti, constr. 259. 2°. A; met inf. 387. nix, nivium 22 4°.

nobilitas voor nobiles 441.

noch— noch 509 nogtans, idem 467.

nog voor een comp. 302. A. II; door turn en adhuc 492; door etiam 503.

nolle, geconj. 11; nolim , nollem bij een wensch 324. 1°; ter omschrijving van den imper. 380. 2°; met inf. acc. c. inf. of conj. 389; als inf fut. 404. II. A II.

nomen met gen. epexeg. 194, 1°; nomen mihi est, habeo; nomine, genaamd 235; uitgel. l;47; in naam van 260. A. II. nomina, soorten 8 nomina propria, bep 9; in plur. 33. 3°; gevolgd door man^ vrouw 464. nominare met dubb acc. 221. b). n o m i n a t i v u s dubb. 214; in plaats van voc. 273. A.

nominativus cum infinitive 215; niet in een doorloopend verhaal 216. 3°. A; achter verba sentiendi 397. 1°. A. IV.

non secius quam 158 A. II; non— non met enkelv. praedic. 182; bij modus potent. 326; bij modus dubit. 327; non nisi 337; non quo (quod, quia) 344. A. II; non possum non 359 3°. A. II; non voor nonne 369. Ï0. A. I; non (ita), neen 374; non est quod, non habeo quod met conj. 375. 4°; non sine met aliquis 477. 1°; non voor het Ned. geen 483; non en baud; non valt weg bij uitroep. 487; non nemo en nemo non enz. 489; nee non 502. A. I;non modo — sed et 503. A. II; et non en nee 506; non tamen, non vero, enz minder goed 507; non magis — quam en non minus—quam 51! ; non modo— sed (etiam), non modo (non)—sed ne quidem, non dicam (dico) — sed, non modo non — sed potius 512. B. 3°. nondum bij cum additivum 363. nonne, is het ernst 369. 1°. A; in rechtstr. vragen 369. 2°; in zijdel. vragen 370.

nonnulli soms in sing 57. nonnunquam en nunquam non 489 nooit iemand 506.

no smet 76. A; nostrum bij partit. met praedic. in den Isten persoon 175 A I; nostrum omnium 24( i; nostrum ,


-ocr page 413-

Algemeen re gist ei\'.

403

gen. partit. 244; nostri, gen object. \'251; nostri bij gerund, op cli 430. A. I; nos voor ego 448; overtollig bij qui-dem 449. Zie verder personalia.

nos ter voor meus 448. Zie verder possessiva.

noscere kan in het perf vi verliezen 114; in het perf. met tegenw. bet. 130. A.

nostras 78. A.

novissimus niet met gen. partit. 245. 30. A. 1.

n o x, noctium 22. 4°.

noxius met gen 247.

nu, thans, nunc, tum, tune, 492. nu eens— dan eens 510.

nubere met part. perf. 103; constr. 230; nuptum dare 437.

nu dus met abl. gen. en ab 269 en A. III.

nullus, nulla res voor nihil 85. 2°; gen. ius 52. 3°; verkeerd voor nemo 185. A. II. 3°; nisi 307; ut 328 A. I; ne uUus en ut nullus 353. A. II; nullus est qui met conj. 375. 4°; staat niet altijd voor het Ned. geen 483; nullus non en non nullus 489; et nullus en neque ullus 506.

num in rechtstr. vragen 369. 3°; 111 zijdel. vragen 370; num quis 473; num quisquam 477 2°.

numeralia, declin. en gebr. 65 —; toonlooze vallen weg 196; niet met gen. partit. 245. 2°. A. II. a); bij tijdsbepaling 285—.

numerare met dubb. acc. 221. b). numerus van het praedicaat 182; (in) numero habere 221. A. II; is numerus qui met praedic. in plur. quot;251. A. III.

n u m n am, n u m n e, n u m q u i d 369. 30. A. en 370.

nunc in brieven 315. A. I; in orat. obi. 410; nunc ipsum 468. 4°; bet. 492.

nunquam nisi 307; ne quando en ut nunquam 353. A. II; nunquam non en nonnunquam 489; et nunquam en nec unquam 506.

nuntiare in pass, met nom c. inf. 216. 2°; in met acc 284; met acc c. inf. 397. 1°; nuntiato als abl. abs. 425. 3°. nuntius met acc. c. inf. 397. 1°.

nuper, nuperrime 158. A. II. nuperus, nuperrimus 60. 4°. nusquam terrarum, enz. 245. 4°. A; nisi 307; necubi en ut nusquam 353. A. II.

nutrit or, nutrix 40

O.

o bij vocativus 274; si 3:.\'4. 1°. ob. praep. 162. 13; onderscheiden van propter 162. 17; bij een uitwendi-gen grond 260 A. II ; met gerund. 4\'i5. obesse, oftui 91. 4°.

obiter, bet 154. A. I.

object uitgelaten 217. A; bij verba sentiendi geplaatst in een zijdel. vraag 204; bij het gerund. 427. A. II. objicere met acc. c. inf. 397. 1°. oblivisci, constr. 255; met inf. en acc. c. inf. 387.

obnoxius met dal. 233. \'•

ob sis te re ne 352. 3°; quominus 361. 1».

o\'jsolescere met part perf. 103. obstare ne 352.3°; quominus361.1°. obtestari met acc. c. inf 397. 1°. obviam ire met dat. 230 o;casio est met inf. of gen. gerund 433. A.

occultus in plaats van Ned, adv. 190. 1quot;.

o c tup li 248.

odi, geconj. 130.

of het moest zijn dat 336; (soms), an 369 4°; (soms) ne, num 370; si 370. A;

, ..ie 372; aut, vel, ve 513—; of niet, nonne 370; an 371; annon en necne 372; of wel 371; sive 516. A; of liever 503. A. I; of zelfs (ten minste) 513. offerri, zich aanbieden 453. A. I. officium, uitgel 241. 3°. ofschoon—toch 343. A, 1.

olere met acc. 219. 1°.

om de 70.

om zoo te zeggen, quidam 475. 2°. ominari met acc. c. inf 397. 1quot;. omit tere met inf. 387.

omnino 374.

om nis, ad unum omnes 162. 3°; m plaats van Ned. adv. 190. 3°; omnium nostrum , vestrum 240; omne genus

IA

-ocr page 414-

Algemeen register

404

242. A. II; zonder in bij plaatsbep. 282 omschrijving met facio ut 351. A. II; met tenere, possidere, habere 415; met plenus 442; van Ned. subst 444—446; door Lat. subst. 447

omstandigheid (de) dat, quod 345. So. A. III.

ondanks 340. A II.

onder anderen 164. 1. onmiddellijk, ipse 468 4quot;. ontkenningswoorden. Zie negatie, onustus met abl 269 ook vertaald door idem 467; door et ipse 468. 5°; niet, ne—quidem 487; door etiam, quoque, et 503

op het punt zijn van 107 en 313. A. II; bij voorwaardelijke zinnen 332 A. II. 3°.

opdat noch—noch 513 opera, bet. 34. 4°; gesl. 37; opera, door 262; operam dare ut 351. 2°; met dat. gerund 434. 2°.

opimus met abl 269 opinari met acc. c. inf 397 1°. opinio ne als abl partis 266; me comp. 298. 1°; opinio met acc. c. inf 397. 1°

opitulari met dat. 230.

oportet in indic. 320; constr. 383 en 385.

opperiri dum 364 A. II.

op pi do vormt een superl. 63 oppidum bij meerv. namen van steden 193.

ops, subst. defect. 24; bet. 34. 4°. optabilius est in indic. 320. optare ut 35!. 2°; soms acc. c inf. 397. 2°.

optelling 493; zonder herhaling van praep. 500 2°.

optimatium 22. 6°.

optimus met sup. II 438.

opus, uitgel. 241. 3°.

opus est, constr. 272.

orare, constr. 224; ut 351 5°; bij den imperat. 378; uitgelaten 494 oratio obliqua 407—.

oratu 260. A. II or bare met abl. 269.

or bus met abl. 269.

ordinalia bij jaartal en uur, alsmede met quisque 70; vormen adv op

urn en o 159; op de vraag sinds hoelang met jam 285 A; bij het aangeven van iemands ouderdom quot;291. 2quot; en 5quot;. ordine, abl. modi 264. A. II. oriri, oriundus 1! 7. f; met onregelm. part. fut 1^7; gaat in praes. indic. naaide 3lt;le conj. 127. A ; met abl of a , de, ex 259. 1». Aquot; II

or nare met abl. 269.

o s , ossium 22. 4 \'.

ostendere met dubb acc. 222; met acc. c inf. 397. 1°

ostrea 36. 2quot;.

ouder dan 291 A.

ouderdom niet in en abl. 286. A. II; wordt uitgedrukt 291; door subst. concreta 440.

overeenkomstig, vertaald 202 overtreffen (verba van) 231. A. II; met abl. mensurae 302. A. I

P.

pace, abl. modi 263. A. III. p actus met pass. bet. 414. 1quot;.

pae n e met perf.indic. 321; ut 328. A.I paenitet, constr. 256; met inf. perf. Ji83. 2quot;. A. III.

palam met abl. 165.

palus ter, is, e 52. 2°

Pan, gedecl. 25. 1° en 2°. pangere, bet 136. V panis, um, ium 22. 2quot;.

par, gen plur. ium 22 4fl; adj. 56. 1°; abl sing, i en e 58; met gen. of dat. 233. A. II; ac 306; par est in indic. 320; met acc. c. inf 396 1°; met dat. gerund, of ad 434. 1quot;. parare met inf. of ut 388.

paratus met inf of ad 387. A. III. pare ere in perf. pass. temperatum est 136. VI; met dat. 230.

parens, gen. plur. ium en um 22. 5°; comm. 39

parëre met onregelm. part. fut. 127; in de compos, regelm. 136. VI. pariter ac 306.

pars, bet. 34. 4°; met meerv. praed. 178. 3°; pars mei 251 A. I; magnam partem 266. A; in den abl. zonder praep 282; partes uitgel. 439.


-ocr page 415-

Algemeen register.

405

particeps, abl. e, gen. ium 56. Iquot; en 2quot;; met gen. if54 1°.

participia, deel 88, 412. A. en 4\'2l; op bundus 117 f; in plaats van Ned. appositie 198. 1°; part. perf. van verb, met dubb nom. alleen in nom. en acc. 214. •2quot;. A. I; op ans en ens met gen. obj. 254. 2\'; part perf. pass. ter om-schr. van een abl. causae 260. A. I; met een conj. verbonden 342. A. II. en 419. A. II; part praes. bij audio en video 393; als adj. gebr. en in den comp. en superl. 413; part, praes van verba transit, niet als adj. gebruikt 413. A. I; part fut. act. gebruik 413 A. 11. en tl8. A. I; part, perf van verba dep met pass, bet 414. 1quot;; met tegenvv bet. 414. 2 \'; part. perf. met habeo, teneo, possideo 415; part, con-junctum en abl. abs 417; part. fut. act. duidt een doel aan 419 A. IV; part, praes. wanneer gebruikt 420; part, perf. herhaald 420. A. I; part. perf. pass, als abl. abs. gebruikt 425; part, praes. vervangen door het gerund. 427. 2quot;; part, praes. bij venire 437. A; ter omschrijving van subst 444; ter omschrijving van praep. 501. 2quot;.

particulae bij oneigenlijk samen-gest woorden 148; verdeeling 151.

partim — partira 178 A; met gen partit 245. 4\'\'.

partitus met pass bet. 414. I\'1, partus, ubus \'il.

partijgenoot, omschr. 446 2quot;. parum, adv. 15G; met gen. partit. 245. 4 \'.

parvus in comp. en superl. 60. 4\'\'; parvi, gen. pretii 249 en 257 3quot;; parvo, abl. pretii 2(57.

passen door esse c. gen. 241. 3:\' passend vertaald door pron poss. 451. 1°

passivum, vorming en conjug. 94; transit, in pass, gezet 96; intransit. in pass gezet 98—99; dep. niet in pass, gezet 102; ter vertaling van men 213 1quot;; met een acc. quot;23/. A. II; ter vertaling-van laten 428. A; met reflex, bet. 453. A.I. pater familias 12. A. II.

p a t i met acc. c. inf. 397.2°; laten 428. A. pa tiens met gen. 254. 2\'1.

patrocinari met dat. 230.

p a t r o n y m i c a, bep. 9; vorming 141.7. patruelis, comm. 39.

pauper 52. 2\'; abl. e, gen um 56. I\'1 en 2°

pauci, plur. tant. 57.

paulo ante 288.A;bijcompar.3\')0en302 paululum met gen. partit. 245. 5quot;. panlum, adv. 156; met gen. partit. 246. 5quot;

pecu, ubus \'27.

peculiaris met gen. en dat. 283. A. V. pecus, gesl 47.

pedester, is, e 52. 2°.

pelagus, gesl. 44. 2°.

pellere, constr. 270.

pelvis 20, 2Ü en 21. 1°.

penates, ium 22. 6f,.

pendere met gen. pretii 249; animi 254. Vgt;. A II.

penes 162. 14.

per vormt een superl. en jvordt soms van het adj. gescheiden 63; praep 162. 18; om, wegens 260. A IV; doormiddel van 262; in plaats van cum 264. A. I; bij namen van steden 278; op de vraag hoelang 285; bij eeden 494.

percipere met acc c. inf. 397. 1°; perceptum habere 415.

percontari, constr. 224. A. 11. perdere in pass. perire 104. A; in praes conj. perduint 117. e)

perfectum met tegenw. bet 130 en A.; absolutum en historicum, bet. en gebr. 310; onderscheiden van im-perf 311 A. I; Ned. perf. in plaats van Lat. plusqp. 312 A. II; van Lat. fut exact. 314. A. II, perf. inf. in plaats van praes. inf. 383. 2°. A. Ill; omschreven door habeo, teneo 415; Ned perf. in plaats van Lat praes. 415 A II perficere ut 351. 2°; ne of ut non 353

perfidus, bet. 63 perfrui, constr. 271.

perfungi, constr. 271.

pergere met inf. 387.

perhibere, perhibent 213 3°; in pass. met nom. c. inf. 216. 1°; met acc c. inf. 397. 1°.

periculo, abl. modi 263. A. III; periculum ne, ut of gen. gerund. 354.


-ocr page 416-

Algemeen register.

pluere, constr. ^70. A. V. pluralia tantum 34; met distri-but. 72. 3°.

pluralis van nom. abstr. 33. 1°; van eigennamen 33. 3°; majestaticus 33. A ; van het praedic. bij een enkelv. subj. 178; modestiae 448

plu rim um in gen plur. in plaats van plerorumque 57; adv. 158. A. I; met gen partit 245. 5°; plurimi, gen. pretii 249 docli niet bij interest 257. 3°; plurimo, abl. pretii 267.

plus, gebr. 60. 4°. A; met gen. par-tit. 245 5°; pluris . gen. pretii 249; 257. 3° en 267; bet. en gebr. met en zonder quam 297; plus minus 515

pi usq ii am perfectum, bet. en gebr. 312

poëta, poëtria 40.

pol, bet. 169.

polliceri met acc c. inf. 397. 1° en A. II.

polysyndeton 505.

pondo, constr. 242. A. II.

pone, praep. 162. 15.

pon ere pignori 236. A. Ill; constr. 283. I).

populatus met pass. bet. 414. 1°. portendere met acc. c. inf. 397. 1°. portus, ubus, ibus 27.

poscere, constr. 224 positivus ontbreekt 61; met ma-gis — quam 299; met satis en nimis 300.

posse, geconj. 118; quam (quantus, ut) possum 303 4° en 5°; in praes. in plaats van fut. 314. A. II; in indie, in plaats van conj. 320 en 331. A. I; facere (non) possum quin en ut en non possum non met inf. 359. 3° A II; den op e gen. ae op de vraag waar 13; met inf 387; als inf. fut. 404 II. A. II

possessiva, gedecl. 78; in plaats van gen. poss. 240 en 241. A; van gen. obj. 251. A II; in plaats van person. bij causa, enz. 260. A. II; bij een inf. 382. A. II; in de orat. obl. 410; bet. en gebr. 450 —; met ipse 468 3°. Zie verder meus, enz.

possidere, bet. en gebr 234. A IV; met part. perf. 415.

post, bet. en gebr. 162. I; bij tijds-bep. 288 - 290; met abl. mensurae 302. A. I; met fut. exact. 314. A. I

door abl. instr, 261; van namen van steden, enz. 275— ; bij brieven 315. A II placet met acc. c. inf. of ut 396 plane, bet. 153. A.

planten (namen van) met vrouw, praedic. 176 IV.

pleetere, gebr 136. IV.

plenns, met gen. 269. A. I; ter omschrijving 442

plerinue, gedecl. 57; niet met gen. partit. 245. 2°. A. 1.

plerumque, adv. 156.

4o6

perinde ac 306; ac si 342.

perire pass. van perdere 104. A. peritus met gen. 254 1°. perjurus, bet. 63 permagni, gen. pret. 249 en 257 3°; permagno, abl. pret. 267.

perm is su 260. A. II.

per mi tt ere ut 251. 2°; met gerund 428; laten 428. A.

permu tare, constr. 267. A. IV. perosus met acc. 130. A. perpessu 438.

perse ver are met inf 387. persoonlijk, ipse 468. 4quot;. personalia, gedecl 7 6; vallen weg als subject 89; niet in gen. poss. 240 in 241 A; in gen. obj. 251; vallen weg in acc. c. inf. 398; in de orat. obl. 410; 1 allen weg bij een part. conjunctum 420. A. III; in den abl. abs. 426; bij het gerund. 430. A. I; omschreven 447; gebr. 448—; met ipse 468. 2°. Zie verder ego, nos, vestrum.

perspectum habere 415. perspicuum est met acc. c. inf. 396. lopers nadere met dat. 430: met ut en acc. c. inf. 351. 2Igt;; persuasum habere 415.

pertinax, abl. i 56. 1°. pertinere, uitgel, 174. A. 6°. pervade re met acc. 220. 1°. pervicax, abl. i 56 1°.

pes sum dare, ire 35. 3°.

petere, perf. petii 114. A; constr. 224. A. II ; ut 351. 2quot;.

pi get, perf. 112; constr 256 pili non habere 249. A. plaatsbepaling, namen van ste-

-ocr page 417-

Algemeen register.

407

pos tea loci 245. 4°. A posteaquam, constr. 366. posterior in plaats van Ned. adv. 190. 2°; zonder quam 296. 3°; posterior — prior in plaats van hie — ille 462 posteritas voor posteri 441. posterns wanneer gebruikt 60. 5°.

pos t rem um. postremo 158. A. I; bij optelling 493

postremus in plaats van Ned. adv. 190. 2°; niet met gen. partit. 245. 3°. A. I

postridie in briefstijl SI\'-. A. I postulare, constr. 224. A. II; met gen- crim. 247; met ut en acc. c. inf. 851. 2°,

po tare met part perf. act. 103. po tens, adj. 118. A; met gen. 254.1°. potiri, potiundus 117, f); potltur 138. V; constr. 271.

potissimum 158. A. I.

potius quam (ut) 298. 3°; niet na tan turn abest 356; quin potius 360. 3°; vel potius 513; sive potius 516

prae vormt den superl. 63; bet. en gebr. 163. 6.

praebere met dubb. acc. 222. praecedere, constr 231. A. II. praecellens heeft comp. en superl. 62. 40

praeceps, abl. i 56 1°; gen. um 56. 2°

praecipere ut 351. 2°; soms acc. c. inf. 397. 2°.

praecipue versterkt turn 510 praeclarus heeft comp. en superl.

62. 40.

praedicaat, overeenkomst met het subj 175—.

praedicaatsadjectivum in gen. in plaats van nom. 176. A. III.

praeposities, bet. en gebr. 161 —; m samenstelling 166—167; in plaats van gen. part. 245. 3° A. II; in plaats van gen. obj. 252; bij namen van steden en landen 27ó—; met het gerund. 435—-436; plaatsing 494 - ; geen twee naast elkaar 498; twee bij één subst

taald door gen. obj. partic. rel. of adj. 501.

praesens, bet. 91. 3°; in plaats van Ned. adv. 190. 1°; in praesenti en in praesentia 286 A. I.

praesens, bet. en gebr. 309; Lat. iraes. voor Ned. fut. 309. A; praesens historicum 310. A; Ned. praes. door Lat. fut. 313. A. I en 314. A. II; door Lat. fut. exact. 314. A. II; door Lat. perf. 363. B. 2°; Lat. praes voor Ned )erf 415 A II praestans heeft comp. en superl. 62.4°. praestare met sup. en part fut. 134, I; met dubb. acc. 222; aliqiiem aliqua re 231 A. II; met quam 294; met abl. mensurae 302. A. I.

praesto esse met dat. 230 prae sul, comm. 39.

praeter, bet. 162. 16.

praeterire met acc. 220. 1°; prae-terit, const. 384.

praetermittere (non) quin 359. 3°; quominus 361 2°.

praeterquam quod 337. 3°. prandere met part. perf. 103. precari,constr. 224. A.II;ut351.2°. presbyter, eri 15. I. A pridie in brieven 31?). A. I. primas (partes) agere 439.

primus, adv. primo en primum 159; in plaats van Ned. adv. 190. 2quot;; wanneer niet met gen. partit. 245. 3° A. I; primum bij optelling 493.

princeps, abl. e, gen um 56 1°

postquam bij tijdsbep. 288—290;499; bij meer subst. behoorend 500; constr. 366. jNed. uitdrukking met een praep. ver

praedicaatsnomen bij een inf. inien 2°; in plaats van Ned. adv. 190. acc 383. 2°. A. II; in nom. 387 A. II.|20; met gen. partit. 245. 3°. praedicaatsverbum uitgel. 174.| principio 286 A. II praedicare met acc. c. inf. 397. 10.| prior in plaats van Ned. adv. 190;

praedicere met acc. c inf. 397. 10.20; in plaats van primus 301; prior

posterior in plaats van ille — hie 462. priusquam, constr. 365.

privare met abl. 269.

privatus, adv. privatim 157.

praeditus met abl. 269 praedium uitgel. 439 prae esse met dat. gerund. 434. 2°. praefectus socium, fabrum 18. 2°.


-ocr page 418-

Algemeen register.

pro deum atque hominum fidem 18 2°; sancte Juppiter 274.

pro, praep. 163. 7; zoo goed als 198. 3°; volgens 202; bij habere, du-cere, putare 221. A. II; quam pro na

een compar. 298. 2°.

pro bare met acc. c. inf. 397. 1°.

procent, vertaald 73.

proclivis met sup. II 438.

proeul (a) met abl. 1G5 pro der e met acc c. inf. 397. 1°.

prodesse, geconj. 91. 2°; mihi prod-est met dat. van het praedic. 386. A. II.

prodigus met gen. 269. A I profecto, gebr. 324 1°.

proficisci met dubb dat. 236.

profiteri met acc c. inf. 397. 1°.

profundus niet met acc. van ruimte 272. A. I.

prohibere, const. 270 en A. II;

ne 352. 3°; quominus 361. 1°; met acc.

c. inf. 390; met nom. c. inf. 39i ; niet laten 428. A.

proinde ac 306; ac si 342; quasi 342. A. III; gebr. 528.

prolepsis 185. A. III.

pro mitt ere met acc. c. inf. 397.

1° en A. II.

pronomina, gedecl. 75—; in de orat obl. 410; gebr 448—■ Zie verder personalia, enz.

pronominalia, gebr. 481—.

prope (a), propius, proxime 162. 17; 370. A.

bij namen van steden 279; met perf.j quae so, gebr. 133. ind. 321; ut 328. A I; est ut 355. 2quot;. quaestui habere 236

A. Ill

qualis, als, na talis 305; plaatsing 463. A. II.

qua m niet na complures 60 4°. A; in plaats van postquam 290. A I; valt weg na major, minor natu 291. A; uitgel. na een compar. 295—; valt weg na plus, minus, amp\'dus 297; A. V; eigenjquam pro 298. 2quot;; quam ut, quam qui

proper are met inf. 387; ter schrijving 485.

propinquus met gen. en dat. 233.

A. IV

pro pi or, constr. quot;/33 A. IV.

proponere met gerund. 428.

proprium, uitgel. 241. 3°

proprius, constr. 233 451- 3° jna compar. 298 3U; quam (possum)

propter en ob 162. 17; bij een met superl. 303. 4°: tam-quam qui met beweegreden 260. A. II. superl. 304. A; non alius quam 306.

propterea ter versterking van non;A. II; onderscheiden van ut 343 A.

quod 344. A. II; gebr. 529.

prosper, era, erum 52. 3°. prosperusin comp. en superl. 60.4°

218; met ut

pros pic ere, constr. en acc. c. inf 351. 2°.

11; quam quod 345. 3°. A. li; vóór tam geplaatst 463. A II; quam quis-quam 477. 3°.

quamlibet 339.

quamobrem 526 en 527. A. 11.4°.

4o8

pros tare met gen. en abl. pretii 266. prostibulum, gesl. 38 providere, constr. 218; ut 351. 2°. providus in comp. en superl. 60- 4°, provincia, plaatsing 199 pro xi mus, constr. 233 A IV; proximum est ut 355. 2°.

prudens in plaats van Ned. adv. 190. 1°; constr. 254. 1° en A. psaltes, psaltria 40 pubes, abl e gen. um 56. 1° en 2°. pudet, perf. 112; constr. 256; met inf. perf. 383. 2°. A. III.

pudicus, comp. en superl. 60. 3quot;. puer, puella 40; in pueritia, a puero 440. 1quot;.

p u 1 ch ru m est met acc c. inf. 396 10. puppis, im 20. 2Ü; i 21. 1°. purgare met dat. 2;;8 A II. 2°. putare, putant 213. 4°; in pass, met nom. c inf. 216. 3°; met dubb. acc. 221 b); met pro 221. A. II; met gen pretii 249; putares 326; met acc. c. inf. 397. 1°

puter, is, e 52. 2°.

«è-

qu, uitspraak 3.

quadrupes, gen. um 56 2°. quadrupli 248.

quae re re, constr. 224 A II; si

-ocr page 419-

Algemeen register

409

q u a m q u a m , gebr 34C; bij een part. 419 A III; bij een abl. abs. 421 A IV; — tarnen 517. 5°.

quamvis, gebr. 339; in weerwil van 340. A II; bij een part. 419 A. III; bij een abl. abs. 421. A. IV. quando 347; ne quando 353 A. II. q u an do qui de m 347. quanticunque, gen. pretii 249. quantiteit, algem. regel 4; der paenultima in de deel. 30; in de conj. 100; van dare 100; fieri 125. A; oriri 127 A; adjuvare 134. Ill; cire en ciere 135. IV. van potior 137. V; van gelijke vormen 13^, 2 en G. Zie verder de pros-odia.

quantivis, gen pretii 249. quantulum met gen. partit. 245.5°. quantumvis, constr. 339. quantus, adv. quantum 156; quantum in plaats van quanta 202. A. I; quantum met gen partit. 245. 50;quanti gen. van straf 248; gen. pretii 249. 257. 3° en 267; quanta — tanto bij comp. 302; quantus maximus possum 303. 5°; als na tantus 305; quantum, voor zoover 375 7° A; vóór tantus geplaatst 463. A. II; quanta quis 473 quapropter 526 en 527. A 11.4° quare 5\'6 en 527. A II. 4°

quasi bij appositie 198; bet. en gebr. 34-\'; bij een part. 342. A. II; bij abl. abs. 421. A IV; bij quidam 475. 2».

qua te nu s (est) met conj. 375. 4°. A. I; voor zoover 375. 7° A.

que aan praep. gehecht 497. 3■,;bet. 502; bij het laatste woord 505; voor sed 524.

queis voor quibus 80. quemadmodum 343.

queo, geconj. 124; slechts in ontk. zinnen gebruikt 124. A; met inf 387. quercus, ubus 27.

queri met acc. c. inf. 397. S1. qui, quae, quod, pron. rel. gedecl. 80; in verbinding met cum 163. 3; in quibus 164. 1; qui est, namelijk 195; regels van overeenkomst en plaatsing 200; id quod 200 A. I; herhaald 200. A. V; richt zich naar het praedicaats-nom. 201; overeenkomstig 202; attractio 207—; in plaats van demonscr. met voegwoord 210; qui vero 210 A; als attributum in plaats van in der; gen. 251 A. III; na namen van steden 277. A; quo ter aanwijzing van een compar.

295. A. II; in abl. vóór een compar.

296. 1°; quam qui na een compar. 298 3°; na idem 305; plaatsing bij conj. 328- A. I; met conjunct 375; qui qui-dem 375. 7°; staat voor de praep. 496-zonder praep. 50O 4° Zie verder relatieve zinnen.

qui, hoe, quicum 470. A. II.

quia, bet. en gebr. 344. quicunque, bet. en gebr. 478. quidam, bet en plaatsing 475. quidem bij sententia 266; si qui-dem 347; bij het relat. 375. 7°; quidem—sed met overtollig pronom 449; achter een praep 497. 4°; plaatsing 527. A. I. Zie verder ne—quidem quidni, bet. en gebr. 471,. A. quilibet, gebr. 476. A. II.

q u i n, non quin in plaats van non quod non 344. A. II: bet en gebr. 359-360.

(1 u i p p e in plaats van appositie 198. 1°; bet. en gebr. 349.

quis, qui, pron. interrog, gedecl. 81; quid aliud (facere) quam 174 A. 3°; quid turn? quid postea? enz 174. A. 5°; richt zich naar het praedicaatsn. 179; quid met gen. partit. 245. 5°; quis est qui met conj. 375. 4°; onderscheiden 470; quid in de cas. obi. quae res 471; quid, quid enim, quid quod, quid si 471. A. Zie verder interrogativum.

quis, qui, pron. indef. gedecl. 82; men 213. 5°; quid, quod met gen partit. 245. ö\'1; ne quis (quid) en ut nemo (nihil) 353. A. II; bet en gebr. 473. Zie verder indefinita.

quis voor quibus 80.

quis pi am, bet. en ccebr. 83 en 474; men 213 5°.

quisquam bij een adj. 185 A. II. 3°; gebr. 477; nec quisquam 506.

quisque met praed. in plur. 178 2°; niet met gen. partit. 245. 2° A. II. c); quo quisque met compar. 302; ut quisque met superl. 303. A. IV; met superl, 304; in den nom. bij een abl.


-ocr page 420-

Algemeen register.

4io

abs. 421. A. III; met suus 453. A. III; gebr. en plaatsing 476.

quisquis, nom. defect. 83; met indic. 376; gebr. 478 quivis, gebr. 476. A. I (juo ter aanwijzing van een comp. 295. A. II; met gen. partit. 245. 4°. A; quo—eo met compar. 302; non quo —sed quod (ut) en non quo non of non quin 344. A. II; = ut co met conj. 358; quo quis 473; r= ad quae 490. A.

quoad ejus fieri potest 245. 4°. A; cotdat 364; voor zoover 375 7° A. quocirca 527. A II. 4°.

quod, nisi quod 337. 3°; dat, om-

R.

ra pi, zich laten vervoeren 428. A.

recusare ne en met inf. 352. 3°; non recuso quin 359. 8°; quominus 361. 2°.

reddere met dubb. acc. 221. a) en A. I.

redolere met acc. 219. 1°. redundare, constr. 269.

r e d u d 1 i c a t i e van verba der 1ste 134. I;\'der 2lt;le 135. IV; der 3de 136. VI. VII.

reeds, vertaald door ipse 468. 4°; door vel 514. A.

referre met acc. c. inf. 397. 1°. refert, constr. 257.

refertus, constr. 269 en A. III. reflexivum, gedecl. 77 78; niet

lat, wat betreft, bet en gebr. 344 —345 uitgedrukt bij exuo en induo 232; in en 3^7. 3n. orat. obl. 410; bij het gerund, op di

quodsi (nisi, etsi) 211. 430. A. I; bet. en plaatsing van suus

quojus quoi 80, A. 451—-452; bet. en gebr. 453 ; met ipse

quominus, bet. en gebr. 361. ;468. 2°; met quisque 476. 4° en A. I. quo m o do, evenals 343; bet. 470. A. I. relatieve zinnen ter omschrij-quoniam 347.

quoque, ipse quoque 468. 5°; bet.

en plaatsing 303 en 527 A. I quot na tot en totidem 305.

quo ties na toties 305.

quotusquisque, gedecl. 84; gebr.

480.

ving van adv. 185. A. I. 4°; in plaats van een nomen appositum 198 1°; niet vertaald in het Lat. 203; in zijdel. vraag veranderd 204; in een zin met een conjunctie 205; het tweede relat. door een demonstr. vertaald 206; attractio \'207—; na een pron poss. 240. A; bij namen van steden 277 A; bij tijdsbep. 290. A I; plaatsing van het rel. bij conj. 328. A. I; in den conjunct. 375; in den acc. c inf. 401—402 . in orat


plaats van Ned adv. 190. 3°; rarum est ut 396. A.

rastrum 36. 2°.

ratio, ratione, abl. modi 263. A. I. III. en :}64. A. II; est met gen. gerund, of ad 433, A; ter omschrijving 447.

ra vis, im, i 20. 2° en 21. 1°. re, praep. !67.

reapse 79.

recens, abl. i 56. 1°; adv. 156. receptui canere 236. A. III. recht, vertaald door pron. poss. 451. 1°.

recipe re, constr. 218; met abl. instr. 261.

recordari, constr. 255; met inf en acc. c. inf. 387.

der qui, quae, quod

religioni habere 236 A. III. relinquere met dubb. dat 236; relinquitur ut 355. 2°; met gerund. 428.

reliquus met en zonder gen par-tit. 245. 3° en A I; reliquum est ut 355 2o

reminisci zonder perf. 136. VIII; constr 255.

remove re, constr. 270. renuntiare met acc. c. inf. 397. 1°. repens, abl. i 56. 1°.

reperire, reperiuntur qui met conj. 375. 4°; met acc. c. int. 397 1°.

rarus, adv rare en raro 155. A; in!obl. 409; voor verleden deelwoord416. A;

door een part. vertaald 418 ; ter omschrijving van Ned. adj. 439. A. I; van subst. 446 en 463. 3°; met quisque 476. 3°; ter omschrijving van praep. 501. 2°. Zie ver


-ocr page 421-

Algemeen register.

411

acc, c. inf. 397 1°; ratus met tegenw. bet. 414 1°.

res, uitgel. 241. 3°; en 243; res est ut 396. A; omschrijvend subst. 447; quae res in plaats van quid 471 re sip ere met acc 219. 1°. resistere ne 352 3\'\'.

respondere met acc. c. inf. 397. 1° responsum met adj of adv. 185 A. I. 4«.

respublica gedecl. 31.

restat ut 355. 2°.

restis, im 20 2°; e 21. 1°.

rete 21. 2°.

retinere (non se) quin 359 3° reus met gen. 247.

revertor in perf. reverti 136 VII. rex, regina 40; plaatsing 199..

ritu, abl modi 263. A. I. III. r o g a r e , constr. 224; in imperf. in plaats van plusquamp 312. A I; ut 351. Ï0; met enkelen conj. 351 A. III. rogatu 260. A. II.

rostrum bet. 34. 4°.

rudis, constr. 254. 1° en A.

mere met onregel. part. fut. 127. ruim te bepalingen 292— rus, constr. 281.

S.

sa eer met gen. en dat. 233. A V. sacerdos, comm. 39. sacrificare, constr. 270. A. V. saepe in comp. en superl. 158. A II. sal, gedecl 21 2°.

saluber, is, e 52. 2°.

salve, salvete, salvere 132. samengestelde declinatie 31 woorden gescheiden door conjuncties 148; samenstelling der woorden 148—150.

sane, bet 153. A; sane quidem 374; haud sane 487.

sapere met acc 219 1°.

satelles, comm. 39.

satiare met abl. 269.

satis in compar. 15S A. II; met gen part 245 4°; met posit. 300;satius

s a t u r, gedecl 52 3°.

saturare met abl, 269.

saucius met abl. 259. 2°.

scelus est met acc. c inf. 269. 1°. schepen (namen van) met vrouw, praedic 176. A. IV.

sciens in plaats van Ned, adv 190. 1quot;.

scilicet 348

scio, scito, scitote 126; valt weg 174. A. 6°; hand scio an 371; met inf en acc. c. inf. 387,

scortum, gesl, 38.

sc rib ere met acc, c. inf. 397 1°; scribendo adesse 434. A.

se, praep, 167

secare met onregelm. part. fut. 127. secernere, constr 270. 4- Hl-secundas (partes) agere 439 secundum, praep. 163 I secundus, adv. secundum, secundo 159; secundus ab 103. I.

secus, secius, gebr. 158. A. II; non secus ac si 342.

secus virile 242. A II securis, im 20, 2°; i 21. 1° sed, non quod—sed quod (quia, ut) 344. A II; sed et 503. A. II; non modo—sed 512; bet 517; sed tamen 523; uitgel. 524

sedes, um, ium 22, 2°

sejungere, constr 270. A III. se ment is 20. 2° en 21 1°. semideponentia 103.

semis 73

senatus populusque Romanus met enk, praed 182.

sen ex, abl. e, gen um 56 1° en 2°; in plaats van een abstractum 440 1° sensim 160

sententiam rogare 224 A, I; ex mea sententia 266

sen tire met acc. c. inf. 397. lu. sequens niet de volgende 459. 2°, sequitur met ut of acc. c inf 355 2°

sereno (caelo) 425. A serius ocius 515,

reposcere, constr. 224 |est in indic. 320; satis est met int.

repugn are ne 352 8°. iperf. 383. 2°. A III; met dat van het

requies 36. 1°. Ipraedic 386 A. II; met dat gerund,

reri mist part praes 135 V; met434 2°


-ocr page 422-

Algemeen register.

412

servire servitutem 219. 2°. servitium in plaats van servi 441. servus, nitgel 241. 1°.

sese in plaats van se 77. A.

sesqui 73.

se s sum recipere 437.

sestertius, gen plur. um 18. 1°. sen, zie sive.

sexcenti 68.

si, quod si 211; o si 324. 1°; bij eeden 324. 3°; gebr in voorw. zinnen 330—; uitgel. 333; si non en nisi 335; si minus (aliter) 335. 2°; r= num in zijdel. vragen 370 A; bij mirari 397. 3quot;; si quis, qui 47:i; si quisquam 477. 4°, si bi lus 36 2°.

sic — ut qui met superl. 303. A; ut—sic 343; ter aanduiding van een acc. c. inf. 459. A I; met overtollig ille 461. A; bet 486.

s i c u t, alsof 342; evenals 343; bij abl. abs. 421. A. IV.

significare met acc. c inf. 397. 1° signum dare met gen. gerund, of ad 433. A

silentio, abl. modi 264. A II. silvester, is, e 52. 2°.

s i m i 1 i s, comp en superl 60 2°; constr. 233. A. 11; ac 306 similiter ac 306.

simplicia, bep. 148.

si mul (cum) met abl 165. simulac, constr. 367 simulare met acc. c. inf. 397. 1°. simulatione, abl. modi 263. A. Ill sin (autem) 334; sin aliter (minus) 335. 2° en 3°.

sine, praep. 163 9; sine ullo en sine aliquo 477. 1°.

sinere, constr. 390 — 391; laten 428. A.

singularia tantum 33 singularis (Ned.) moet Lat. plur. worden 33; van het praed. 182; van adj als subst. gebr. 439 A II. singuli, uni 72. 3°

sinister in comp. en superl 60. 4°; sinistra zonder in 282; (manus) 439. siquidem 347.

sisnrsi vis 169; bij imperat. 378. si tire met acc. 219. 1°; sitiens met gen. 254 2°.

sitis, im 20. 2°; i 21. 1°.

sive (seu) —• sive met enkelv. praed. 182; sive quod (quia); sive potius (etiam); sive — sive met verbum in den indic. 516.

slechts, non alius nisi 306 A. II; non nisi 337; wordt niet vertaald 459. A I. s obriu s in plaats van Ned. adv. 190 1° so eer, gen eri 15. I A; socrus 40. sodes=:si audes 169; bij imper. 378. solere, semidep. 103; met inf. 387 ; solitus met . tegenw. bet. 414. 2°, ter omschrijving 485.

sol ito bij compar 298. 1°. sollicitari met acc. c. inf. 397. 3°. solus, gen. ius 5i 4°; adv solum 156; in plaats van Ned. adv. 190. 3°. solvendo non esse 434. A somnium somniare 219. 2°. soms, niet vert. 369. 3°.

sonar e met onregelm part fut 127 ; met acc. 219. 1°.

soort, een soort van quidam 475 2°. sospes, abl. e, gen um 56. 1quot; en 2°. spatio met gen. of uitgelaten 293. A. specie, abl. modi 263. A. III specimen, sing, tant 33. 4° specus, ubus 27.

s p e r a r e met acc.c.inf. 397.1° en A. II; met fore ut 404. A. II.

spes, spe met compar. 298. 1°; met acc. c. inf. 397. Iquot;; met fore ut 404. A. II. sphinx, sphingum 22. 4°.

s po li are met abl. 269.

spondere met acc c. inf. 397. 1° en A II.

spon te met pron. poss verbonden 35. 3°.

stare ab aliquo 163. 1; met abl. of in 259. 2°. A; met gen. en abl. pretii 266; stat per me quominus en non stat per me quin 361 3°.

s t a tu e r e in met abl. 283; met acc. c inf. ut of inf. 388; statutum habere 415.

steden (namen van) op e gen. ae 13. A; met vrouw, praedic. 176. A. IV; in gen. epex. 194. 3°; plaatsbep. 275—. stofnamen in sing, en plur. 33. s t r i x , strigium 22 4°

strues, um 22. 2°.

studere met dat 230; met inf. acc, c. inf. en ut 389.


-ocr page 423-

Algemeen

register.

413

studiosus met gen 254. 1°. suadere ut 351. \'2°.

sub, praep. 164. 2; met abl in plaats van acc 283.

sublimis, adv. sublime 156; in plaats van Ned adv. 190. 3°.

subject en praedicaat 170; weggelaten 172; overeenstemming 175—; weggel. in acc. c. inf. 398.

subs tan ti va, declin. 12—; indeel. 32; defect. 35; heterocl. 36; geslachtsr. 37—; comm 39;mobil 40; epicoen. 41; afleiding 140—; met adv. verbonden 185. A. I; als adj. gebr. 185. A. II; bij het relat. herhaald 200. A I; in den rel. zin geplaatst 207; met dat. 237; met acc. en abl. 275. A. II; in den abl. abs. 424; concreta 440; abstracta 441; in plaats van Ned. adj. 442; Ned. subst. vallen weg in het Lat. 443; omschreven 444—446; herhaald bij praep. 499; Ned. subst. in verbinding met praep. 501.

sub ter, praep. 164. 4.

sudare, constr 270. A. V. suescere met part. perf. 103. sui, si bi, se, zie reflexivum. sultisrmsi vultis 169.

sum ere met dubb. acc. 221. c). s u m mus, adv. summe en summum 158. A I; niet met gen. partit. 245. 3quot;. A. I.

suppellex, sing, tant 33. 4°. super, praep. 164. 3.

superare met abl mens. 302 A. I. superbus met abl. 259. 2°.

super est ut 355. 2°

superior in plaats van Ned. adv, 190. 2°; superior—inferior in plaats van ille—hic 462.

superlativus, vorming 59—; ontbreekt 61—62; door per en prae 63; richt zich in geslacht niet naar den gen. partit. 176. A 1; bij eigennamen 189; in den rel. zin opgenomen 208; Ned. superl vertaald door Lat. comp met relat. !!96. 1°; ut quisque — ita met twee superl. 302 A. IV; versterkt door unus , enz. 303; superl met quisque 304.

supersedere met abl. en oat. 231 A. II.

superstes, abl. e, gen um 56. 1°.

en 2quot;; met gen. of dat. 233 A V. s u p e r u s , gebr. 60 5°.

su pi na 437—438 supplex, gen. um 56. 2° supplodere, bet. 136. IV.

supra, praep. 162. 20; met abl. mens. 302 A. I; ut nihil supra possil 303. A; quos supra dixi 418. A. III 4°. sus, gedecl. 24.

suscipere met gerund 428. suspicari met acc. c. inf. 397. 1° sus tin ere met acc. c. inf. 397. 1°. su us, zie reflexivum.

syllaben (afbreking der) 6 synesin (constructio ad) 178 en 200; A. IV.

T.

tabula, bet. 34. 4°.

taedet, perf. 112; constr. 256. talis — qualis 305; vergterkt een demonstr. 462 A. II; na qualis463. A. II.

tam—quam qui met superl, 303 A; tam—quam, zoo—als 305; versterkteen demonstr. 462. A. II; na quam gepl. 463. A. II; bet. 486; tam—\'quam, evenzeer—als 511.

t am en na een relat. 210. A; in voorw. zinnen 335. 3o; bij een part. conjunctum 419. A. III; staat achter de praep. 497. 4°; neque tamen 507 ; etsi (quamquam) — tarnen 517. A. 5°; bet. en plaatsing 523. tam et si, bet en gebr. 341. tam quam bij appositie 198; (si) alsof 342; bij een part. 342. A. II; evenals 343; bij een abl. abs 422. A. IV; bij quidem 475. 2°.

tantidem, gen. pretii 249 en 267 tantopere, bet. 486.

tantulum met gen. partit. 245. 5°. t an tu n d e m met gen. partit. 245 5°. tant us, adv. tantum 156; tantum met gen. partit. 245. 5°; tanti, gen. pretii 249, 257. 3° en -4 67; tanti est 267. A. II; tanto—quanto, altero tanto met compar. 302; tantum in plaats van tanto 302. A. I; tantus—quantus 305; tantum abest ut—ut 356; bij een demonstr. 462. A II; een 463. A. I; vóór quantum geplaatst 463. A. II; tantum non 512.


-ocr page 424-

A Igenieen register.

414

tardus in plaats van Ned. adv. 190.3°.! tartarus 36. 2°.

taurus, vacca 41. 2°.

t e bij adject. 300; door inf. of gerund. 427. A. I.

tegenwoordig door hie 459 1°. telwoorden. Zie numeralia. Tempe, subst. defect 35. 2°. temperare, temperatum est voor parsum est 136.VI; constr. 218 ; mihi non possum quin 359. 3°; quominus 361. 2° temperi, temperius 158. A. II. tem plum, uitgel. 241. 2°. tempora, afleiding 92—94; bet. en gebr. 308—; in brieven 315; consecutio temporum 316 - - ; van den acc. c. inf. 404.

tempus, abl. i en e 21. 5°; bet. 34. 4°; ad tempus 162. 3; (in) tempore, eo tempore cum 286 A. I en 363 B. 1°; tempus est met inf. of gen. gerund. 433. A.

t e n e r , era, erum 52. 3°.

ten ere me non possum 359. 3°; teneri met part perf. 415.

ten tare si 370. A; met inf. of ut 388.

ten us, praep. 163 8.

teres 56. 1°.

terni, trini 72. 3°.

terrarum bij ubi, enz. 245. 4° A terra marique ^82.

terrester, is, e 52. 2°.

teruncii non habere 249. A. terwijl, dum 310. A; cum adver-sativum 363 A. 4°; cum temporale 363. B. 1°; wordt niet vertaald 524 testari met acc. c. inf. 397. 1°. testimonium rogare 224. A. I; testimonio esse 236. A. Ill; testimonio, abl. part. 266.

thans vertaald 492.

tibicen, tibicina 40; quantiteit 149. timere, constr. 218; met ne, ne non, ut of inf 354.

tiro als adj. gebr. 185. A. II toch, quamquam 340, A. I; quin 360. 2°; toch wel, an 869. 4°.

toen, tum, tunc 492.

tonderi, zich laten scheren 428 A. tonitrus 36. 2°.

tonsor, tonstrix 140. 1°. tooiieelstukken (namen van) met vrouw, praedic. 176. A. IV.

tot= quot 305.

totidem— quot 305.

to ties— quoties 305.

totus, gen. ius 52.

van Ned. adv. 190. 3°;

plaatsbepaling 282; totum hoc bij inf. 382. A. II.

trachten door imperf. decon.311.3°. trad ere, tradunt 213. 3°; in pass met ncm. c. inf. 216. 3°; met acc. c. inf. 397. 1°; met gerund. 428. traducere met dubb. acc. 226. tragoedia, plaatsing 199. trajicere met dubb. acc. 226.

trail qui 11 o 425. A.

trans en ultra 162. 7.

transcend ere met acc. 220. 1° transfer re in 445.

transitu 438.

trans port a re met dubb. acc trap, vertaald 245 4°. A.

trepidus in plaats van Ned. 190. 1°.

tribuere met dubb dat. 236. tribus, ubus 27.

trini voor terni 72. 3°.

triumvir, gen. plur. um 18. met dat gerund. 434. 3°.

trux , abl. i 56. 1°.

tu, tute, tutemet 76. A. Zie verder personalia.

tueri in perf. weinig gebr. 135. V. tuin- en veldvruchten in sing 33.2°. tum in plaats van secundo 159; temporis 245. 4°. A; bij cum temporale 363. B 1°; in orat. obi. 410. A; bet. 492; bij optellingen 493; tum— tum , cum —tum (vero) 510.

tunc, bet. 492.

t u r p i s met dat. 233 ; met sup. II 438. turris, im 20. 2»; i 21. 1°.

tussis, im 20. 2»; i 21. 1°.

tuto, tutissimo 158. tijdsbepalingen 285—; uitgedrukt door subst. concreta 440.

IJ.

uber, is 52. 2°; gen. um 56. 2°; adv. ubertim 157.

ubi met gen. partit. 245. 4°. A; = in qua ü77. A; ubi (prirnum) constr.

4quot;; in plaats zonder in bij

226. adv.

20;


-ocr page 425-

Algemeen register.

415

4°. A.

uitroepingen in acc. 274; in acc. c. inf. 395. A; zonder non 487.

ullus, gen. ius 52. 4quot;; ne ullus en ut nullus 353. A. II; bet. en gebr. 477; nee ullus 506

ultimus, adv. ultimum en ultimo 158. A. I; in plaats van Ned adv. 190, 2r ; niet met gen. partit. 245. 3n. A. I ultra en trans 162. 7; quam 294; met abl. mens. 302. A. I.

unde met gen. partit. 245. 4°. A; est unde met conj. 375. 3°. A. 1 = e qua 490. A; en daarom 527. A. 11.4°.

universus in plaats van Ned. adv. 190. S3.

unquam nisi 307 nemo iinquam en neque unquam 506.

unus, gedecl. 66; in plur. gebr. 66. A; ad unum omnes 162. 3. e); in plaats van Ned. adv. 190. 8°; valt weg 196; met gen. partit. of ex, de 245. S0. A. II; ter versterking van den superl. 303.1° unusquisque met een cardinale 72. 1quot;; gebr. 476. A. I\'.

urbs als appos. bij meerv. namen van steden 193 plaatsing 199.

ursus, ursa 41. 2quot;.

11 s q u a m met gen. partit. 245. 4n.A ;nisi 307; nemo usquam en nee usquam 506 usque (ad, in , sub, a, ex) 165. usu venit ut 355. 2°. ut concessivum 325 en 339. ut comparativum bij een appos. met of zonder een verbum in den in-dic. 198 en 1°; ut quisque met superl.-— ita met superl. 302. A. IV; ut possum met superl. 303. 5° ita (sic)— ut qui met superl. c03. A ; na idem 305. A; ut— ita bij eeden 324. 3°; bij voorbeeld 331. A. I; ut si met conj. 342; evenals 343; boe, onderscheiden van quam 343. A. II; bij abl. abs. 421. A. IV; ut— ita, wel- maar 517. A. 3°.

ut finale, plaatsing 328. A. I; bet. 351; uitgel. bij verba van vragen 351. A. III; ut non in plaats van ne 353; ut non dicam eii ne dicam 353. A. I;

A. I; bet. en gebr. 355— 357; en daarom 527. A. II. 4°.

ut temporale (primutn) 367. utcunque met. indic. 376.

uter, utrium 22. 3°.

ut er, gen. ius 52. 4°; van twee gebr. 481.

uterlibet, gen. ius 52. 4°.

ut er que, uitspraak 5. A; gen. ius 52. 4°; met een cardinale 72. 1°; met praedic. in plur. 178. 2°; met gen. partit. 245. 2°. A. 1; uterque utrumque 458; bet. en gebr. 482.

ut er vis, gen. ius 52. 4°. uti, hebben, bezitten 234. A. IV; constr. 271; usus met tegenw. bet. 414.2°.

uti in plaats van ut finale 350\'; niet in plaats van ut temporale 3,67.

utilis met dat. of ad 233. A. I; utilius est in indic. 320; met dat. ger. of ad 4-14. 1°; met. sup. II 438.

u tin am (ne) 324. 1°.

uti que en uti\'que 5. A.

ut po te qui bij een appos. 198. 1quot;. ut rum— an 372.

uxor, uitgel. 241. 1°.

V.

vac are, constr. 230.

vacuus, constr. 269 en A. III. vae met dat. 274.

va 1de vormt een superl. 63; bet. 153. A; compar. en superl. 158. A. II. vale, valete, valere 132.

vapulo, pass. bet. 104; beter ver-beror 104. K.

vas en vasum 56. 1°.

vates, um 22. 2°; comm. 39. ve, zonder, 167.

ve aan praep. gehecht 497. 3° en 508; bet. en gebr. 515.

vehi, bet. 136. IV; met abl. instr. 261. vel-vel met enk. praed. 182; bij compar. 302. A. II; bij superl. £03.3°; staat achter praep. 497. 5°; vel potius (dicam, etiam), vel— vel 514.

veile, geconj. 121; constr. 218;

367; est ubi met conj. 375. 4°. A. I; ut ne en ne 353. A. III; bij verba van steeds plaatselijk 470. A. I; ubi quis vrees 354; na veruni est, enz. 396. A; 473. na verba sentiendi 397. 1°. A. I.

ubicunque met gen. partit. 245. ut conse cutivum, plaatsing 328.


-ocr page 426-

Algemeen register.

4i6

met dubb. acc. 224. A. III; in praes. in plaats van fut. 314. A. II; velim, vellem bij wenschen 324. 1°; velim bij den imper. 378; met inf. acc. c. inf. ut en conj. zonder ut 389; als inf. fut. 404. 11. A. 11; ter omschrijving 485.

velut bij een appos. 198; velut si met conj. 34^ ; bij een partic. 342. A. II; bij abl. abs. 421. A. IV.

ven a lis met abl. 267.

vend ere, activum van veneo 104. A met gen. en abl. pretii 267.

veneo met pass bet. 104; verb, defect. 1\'2.

venia, abl. modi 263. A. III. venire met dubb. dat. 236 venit raihi in mentem 255; met sup. I en partic. praes. 437.

venter, ium 22. 3°.

venum dare, ire 35. 3°.

ver, sing. tant. 33. 4°.

verba in het algemeen 85; act. 92; pass. 94; der 3de op io 95; dep. 101: impers. 112; onregelm. 118—; defect. 128—; met onregelm. hoofdtijden 134— ; afleiding 146—; vallen weg als praed. 174 A; voor Ned. adv. 485.

verba sentiendi et declarandi gevolgd door zijdel. vraag 204: met ut of ne 397. 1°. A. 1; ter omschrijving van adverb. 397. 1°. A. Ill; uitgel. in de orat. obl. 411.

verbalia, bep. 139; op tor en trix als praedicaatsnom. 177; als adj. gebr. 185. A. II. 1°. wanneer niet gebr. 446.1°. verberor beter dan vapulo 104. A. verbod hoe uit te drukken 380. verbum finitum en infinitum 87. verbum (ad) bet. 163. 3. e); met gen. epex. 194. 1°.

ver ei sc hen door esse c. gen 241. 3°. vereri, constr. 354; veritus met tegenw. bet. 414. 2°.

verisimilis 233. A. I; verisimile est met acc. c. inf. en ut 396.

vermenigvuldigen hoe dit geschiedt 72. 2°.

vero en vere 155. A niet na een relat. 210. A\' quasi vero 342. A. III; immo vero 374; achter een praep. 497. 4°; neque vero 507; neque— neque vero 508; tum vero 510; bet. en plaat

sing 519; bij eigenn. 527. A. 1-ver sari, zich ophouden 453. A I-versicolor, gen. um 56. 2°.

versus i.ad, in) 162. 21.

ver tere in de compos, soms depon. 136. Vil; met dubb. dat. 236.

veru, ubus 27.

verum, bet. en gebr. 518.

verum enimvero 519.

verum tam en 523.

verus, adv. vere en vero 155. A ; vere puer en verus puer 185. A. I. 1°; verum est met acc. c. inf. en ut 396.

vesci zonder perf. 136. VTII; constr. 271; zich voeden 453. A. I.

vesper, gen. eri 15. I. A; abl. e en i 21. 5°; sing. tant. 33. 4°.

vest is, sing. tant. 33. 4°.

vestras 78. A.

vestrum met partitiva heeft prae-dic. in den 2den pers. 175. A. I; ve-strum omnium 240; gen. part. 244; vestri, gen. obj. 251; vestri verbonden met gerund, op di 430. A. I.

vetare, constr. 390—391.

v e t u s, eris 52. 1°; um, a 56. 2° en 3quot;; comp. en superl. 60. 4°; adv. vetuste 157.

via, abl. rnodi 264. A. II.

vicinitas voor vicini 441.

vi ci s. subst. defect: 35.1n; vieem 266. A. vicissim, bet. 458. A.

videlicet, 348.

viden voor videsne 369. 1°. A. videre in pass. met dubb. nom. 214. 1°; met nom. c. inf. 215; videro in plaats van videbo 314. A. I; videsne 369. 2°. A. II: constr. 393; in pass. ter omschrijving 397. 1°. A. III; visu 438. vigil, gen. um 56. 2°.

vigiliae, gesl. 37.

vilis met abl. 267.

vin voor visne 369. 1°. A.

vind ex, comm. 39.

vi olenter, vorming 154. A. 1.

vir (composita van) met dat. ger. 434. 3°; omschrijvend subst. 439. A. I. virgo als adj. gebr. 185. A. II. virus, gesl. 44. 2°.

vis, nomen defect.; vi en per vim 2«4. A. I. IT.

vit io, abl. modi 264. A. II; vitium est ut 396. A.

-ocr page 427-

Algemeen register.

417

wat met den positivus 300. wat betreft dat, quod 345. 5°; bij een acc. c. inf. de 399.

wegens 260. A. IV.

wel, niet vert. 369. 3; en wel, isque 466; (niet) - maar 517. A.

wel verre van — integendeel 356. werkelijk? 369. 1°. A; aliquis 473. wettelijk vertaald door pron. noss. 451. 1».

woordplaatsing van ergo, causa, gïatia 165. A ; ne 169; (eenvoudigste) van een zin 170. A; van het subject bij uitlating van inquit 174. A. 2°; van het praedicaat bij de constr. ad synesin 178. 3°; van den eersten persoon 183. A; van een adverb, als adj. gebruikt 185. A. I. 4° ; van iste en ille bij eigennamen 189. 3°; adjectiva 191; nomen appositum 199; relativum 200 en A. I en 328. A. I; primus, postre-mus, enz. zonder gen. partit. 245. 3°. A. I; genetivus 253; vocativus 273; minus, plus, amplius 297. A. I; der abl. opinione, enz. 298. 1°; tweede lid der vergelijking 302. A. III; opschrift, plaats, datum in brieven 315. A. II en III; bijzinnen met subordineerende conjunctie 3:.:8. A. I en II; non— nisi 337. 2°; eo, ideo, idcirco, propterea bij non quod 344. A. II; quod, wat betreft 345. 5°; nam, namque, etenim 348; ut ne 353. A. III ne 369. 1°; inquam, ajo 41!. A; pron. poss. 452; van relat. vóór demonstr. 463. 3° en A. II; demonstr. 469; quidam 475. A; quisque 476. A. I; van verwante en tegenovergestelde begrippen 484. A; ontkenning 488; praeposities 494 - ; que 502; nee— non 502. A; etiam, quoque 503 en 527; autem 520 en 527; tarnen 523; ergo, itaque, igitur, enim, quidem , vero 525—527.

Z.

zeer, quidam 475. 2°.

zeker, quidni, 471. A.

zelf door met bij pron. pers. en reflex. 76. A; door ipse 468. 2°.

zelfs voor een superl. vel of etiam 303. 3° ; zelfs—niet, ne—quidem 487 ; vel 514. A.

vitulus, vitula 41 2°.

vix ut 328. A. I; bij cum additi-vum 363. B. 3°; met gerund. 427. 3° en 4quot;; met ullus en quisquam 477. 1°.

vocalen, uitspraak 1 — 2 ; verandering bij samenstelling 149—150. vocare met dubb. acc. 221. b). vocativus, gebr. 273.

volgeling, omschreven 446. 2°. volgende, hic 459. 2°.

volgens, ad 162. 3: secundum 162. 19; pro of relat. 202; door abl. met en zonder ex, de 266.

volken (namen van) in gen. plur. um 18. S3; als adj. gebr. 185. A. II. 2°; in plaats van landen 280.

v o luc er, is , e 52. 2°

volucris, e 21. 4°; um 22. 2°. voluntas, voluntate, abl. modi 264. A. 11; ter omschrijving 447.

voor, ut 198. 1°; onvertaald 214. 2°; door dat. 228; door pro 228. A. i.l voorzeker, quippe 349.

voor zoover, vertaald 375. 7°. voorwaardelijke zinnen, conse-cutio temporum 318. II\' modus 329—; omschreven 333; door infin. uitgedr. 383. 1°. A. I.

vos, zie personalia.

voti damnatus, bet. 248. A.

vovere met acc. c. inf. 397. 1° en

a. n.

vox met gen. epex. 194. 1°.

vragen (zijdel.) bij verba sentiendi in plaats van een subst. en een rel. zin 204; twijfelende 327; constr. 368— spijtige door acc. c. inf. 395. A; in orat. obi. 408. Ill; ter omschrijving\' van subst. 445. 2°; ingeleid door quid, quid enim 471. A ; twee in een zin 472. vrouw, niet vertaald 464.

v u 1 g o bij de vertaling van men 213.3quot;. vulgus, gesl. 44.

W,

waar vertaald door qui, ubi 470. waarom,-waartoe, quid 471. waarom niet, quin 360. l0;quidni 471. A.

waarvan, qui 470. A. il. 1°. wanneer, quod 345. 4° en 5°.

-ocr page 428-

xd^eni en register

4i8

zich betoonen als 222.

zien niet vertaald 453. A. I.

ziet gij niet 369.^2°. A. II. zonder, allen zonder uitzondering 162. 3. e) ; citra 162. 6; extra 162. 9; sine , quin, ut non, enz. 436. A ; zon der eenig gevaar, niet zonder eenige aarzeling 477. 1°.

zoo? itane? enz. 369. 1°. A.

zoo door sic, ita, 486.

zoo goed (veel) als, instar 35. 2°.

zoo niet door nisi, si i mi

nus (aliter) ^35.

zoo ter ^ste, siquidem 347. zoo—toch 335. 3°.

zooals men kan verwachten van 202.

zoogenaamd 418. J* TL 4°. z o o 1 a n g—a 1 s, dum met imperf. of perf. 310. A.

zoowel—als (vooral) 509—510. zouden, niet vertaald 328. A, zullen, niet vertaald 323. A.


-ocr page 429-